-ocr page 1-
fr\\w I^O\\M
GESCHIEDENIS
KERKHERVORMING
NOORD-NEDERLAND
F. D. J. MOORREES,
Predikant te Vianen.
(Volksgeschrift bekroond door de Evangelische Maatschappij.)
■!
VIERDE DRUK.
- -
i
-ocr page 2-
-ocr page 3-
\'f
lCl,b
GESCHIEDENIS
DER
KERKHERVORMING
IN
NOORD-NEDERLAND
DOOR
F. D. J. MOORREES,
Predikant te Viunen.
(Volksgeschrift bekroond door de Evangelische Maatschappij.\'
-
-
BIBLIOTHEEK
NED. HERV. KERK
VIERDE DRUK.
P. NOORDHOFF, uitgever, GRONINGEN.
. *u_ .
                      1905.
fïfy
-ocr page 4-
-ocr page 5-
VOORBERICHT.
Den 88ten April 1880 vergaderde de Commissie, door het
Hoofdbestuur der Evangelische Maatschappij benoemd (zijnde de
Hoofdbestuurders van Hoorn, Herderschee en Gooszen, bijge-
staan door de welwillende medewerking van den Hoogleeraar
Acquoy) tot beoordeeling van de antwoorden op de prijsvraag
betreffende eene voor het volk bruikbare geschiedenis van de Her-
vorming in de Nederlanden.
De Commissie had uitspraak te doen over drie opstellen:
N°. 1. Luctor et emergo.
N°. 2. Niets is den mensch zoo dierbaar als datgene, wat hij
door strijd en lijden verkregen heeft.
N°. 3. Alles kan de Staatsiuel regelen en dwingen, maar het
godsdienstig en zedelijk leven der volkeren
.... dat nooit.
Keizer Maximiliaan van Oostenrijk.
Over N°. 1 was het eenparig gevoelen, dat het niet beant-
woordde aan de bedoeling der vraag. De schrijver heeft de
staatkundige geschiedenis te veel op den voorgrond gesteld en in
de breede lijst daarvan de historie der godsdienstige ontwikke-
ling te weinig doen uitkomen, terwijl de prijsvraag kennelijk
bedoelde eene duidelijke beschrijving van de wijze, waarop van
lieverlede de Hervorming hier te lande zich eene plaats in het
hart des volks verworven heeft.
Met de literatuur der kerkelijke geschiedenis des vaderlands is
de schrijver niet genoegzaam bekend, en hier en daar lijdt zijne
voorstelling aan onnauwkeurigheid.
Evenwel werd hulde gedaan aan den kalmen, waardigen toon
van zijn geschrift, die hem deed kennen als een beschaafd man,
vrij van alle effectbejag.
-ocr page 6-
4
Wat N°. 2 aangaat, de inhoud bleek onvoldoende te zijn,
wijl het den schrijver aan de noodige kennis van onze vaderland-
sche kerkhistorie in het tijdperk der Reformatie ontbrak, en de
vorm kon niet tot aanbeveling strekken, wijl het doel om leven-
dig en populair te zijn kennelijk voorbij was gestreefd, nu eens
door het aanwenden van romantische opschriften, dan eens door
het onrustig schetsen van allerlei tafereelen, dan weer door het
gebruiken van platte woorden en uitdrukkingen, die zelfs in een
leesboek voor het volk met de waardigheid der historiebeschrij-
ving onbestaanbaar zijn.
Dat van de ingekomen antwoorden N°. 3 verreweg het beste
was, werd door al de leden der Commissie aanstonds erkend.
Maar zij hadden veel meer dan dezen betrekkelijken lof. De
schrijver heeft zijn terrein met helderen blik overzien. Er was
in zijn opstel eene klaarheid, die , vooral in een geschrift voor
het volk bestemd, een eerste vereischte mag worden geacht.
Zeer verdienstelijk in dit opzicht werd ook genoemd, dat aan
het einde van ieder hoofdstuk een overzicht van het daarin be-
handelde gegeven wordt.
Evenwel had de Commissie eenige opmerkingen, die haar deden
aarzelen om onvoorwaardelijk den uitgeloofden prijs toe te kennen.
De slotsom der beraadslaging over dit veelszins verdienstelijk
werk is geweest, dat de Commissie geen bezwaar heeft gemaakt
tot bekroning over te gaan, in de vooronderstelling, dat de
schrijver de gemaakte opmerkingen zou goedkeuren en daarnaar
eenige noodzakelijke verbeteringen aanbrengen.
Bij opening van het verzegelde naambriefje, bleek schrijver
te zijn:
de WelEerw. Heer F. D. J. Moorrees, predikant te Vianen.
De twee andere naambriefjes werden ongeopend verbrand.
-ocr page 7-
Onze vaderen waren gewoon, de herinnering van de
groote gebeurtenissen der zestiende eeuw te verlevendigen
door het lezen en herlezen van de martelaarsboeken.
Voorzeker een krachtig middel tot opwekking van het
godsdienstig gevoel. In die Martelaarsboeken vonden zij
niet alleen de namen der martelaars naar tijdsorde gerang-
schikt, met de bijzonderheden van hunne rechtspleging en
terechtstelling, maar ook de platen, waarop brandstapels,
moordschavotten en andere vreeselijke dingen waren afge-
beeld. Het waren boeken, waarin als met bloedige letters
stond geschreven: zoo ontzettend veel heeft de grondves-
ting uwer kerk aan het voorgeslacht gekost! houdt wat
gij hebt, opdat niemand uwe kroon roove!
Die martelaarsboeken zijn nog niet vergeten maar inte-
gendeel door eene nieuwe uitgave in duizenden exemplaren
onder ons volk verspreid. Zij worden nog gelezen en
herlezen , zij strekken nog tot voedsel voor het geestelijk
leven van menig huisgezin.
Jammer evenwel, dat die boeken slechts op zich zelf
staande geschiedenissen mededeelen. De lezer mist daar-
door den samenhang der gebeurtenissen en den loop harer
ontwikkeling. Om daarin eenigszins te gemoet te komen
en een geregeld overzicht van de geschiedenis der Her-
vorming in Noord-Nederland te geven, is dit boekje
opgesteld.
Men vindt hier het verhaal van de merkwaardigste
verschijnselen en gebeurtenissen, die ten deele reeds
vroeger maar grootendeels in de zestiende eeuw op kerke-
lijk gebied hebben plaats gevonden. Met vermijding van
al te groote uitvoerigheid is in dit boekje eene poging
gewaagd om een aaneengeschakeld verhaal te leveren van
den gang der denkbeelden, die de toenmalige christenheid
-ocr page 8-
6
hebben bezig gehouden en beheerscht. Niet, zooals de
Martelaarsboeken doen, op alle landen van Europa, maar
uitsluitend op Nederland vestigt dit boekje het oog, en
wel op het Noordelijk gedeelte van Nederland, in den
eigenlijken zin des woords, op ons vaderland, op die
provinciën, die tot het Koninkrijk der Nederlanden be-
hooren.
Als inleiding slaan wij een blik op de bewegingen in
het kerkelijk leven gedurende het laatste tijdperk der
middeleeuwen, om vervolgens de eigenlijke geschiedenis
der Hervorming te schetsen en bij het jaar 1579, de
Unie van Utrecht, ons verhaal te eindigen.
Moge de belangstellende lezing en overdenking opwekken
tot eerbiedig aanbidden van de wegen Gods en tot ern-
stig op prijs stellen van onze duurgekochte Protestantsche
voorrechten.
Ziehier den inhoud van de Geschiedenis der Hervorming
in Noord-Nederland.
Inleiding. Kerkelijke verschijnselen in het laatste tijdperk
der middeleeuwen.
Hoofdstuk I. Tijdperk der Sacramentisten.
HOOFDSTUK II. Tijdperk der Anabaptisten.
Hoofdstuk III. Tijdperk der Gereformeerden.
HOOFDSTUK IV. Volharding der Gereformeerden in den
worstelstrijd met Spanje en hunne
zegepraal.
-ocr page 9-
INLEIDING.
Kerkelijke verschijnselen in het laatste tijdperk der
middeleeuwen.
Niets is onjuister dan de voorstelling, dat Luther op
het onverwachts als uit de wolken zou zijn komen vallen
om verwarring aan te richten. Alsof de christenheid tot
op dat noodlottig tijdstip in een volmaakten toestand had
verkeerd! alsof zij zich nooit over haar leidslieden had te
beklagen gehad ! alsof die leidslieden, pastoors, priesters,
bisschoppen, of hoe zij verder heeten mochten, steeds door
kennis, door voorbeeïdigen wandel, door liefdevolle zorg
voor hunne gemeenten hadden uitgemunt.
Neen, maar klachten, rechtmatige en billijke klachten
over de geestelijkheid zijn er reeds jaren vóór Luther
opgegaan; het volk heeft zich onder zijne geestelijken
vaak diep ongelukkig gevoeld, vaak te vergeefs gebeden
om wegneming van zijne grieven en ieder teeken van
ontwikkeling met vreugde begroet. Ook zijn er kloeke
mannen opgestaan, die den fakkel der verlichting hoog
verhieven en door woord en voorbeeld op zuivering van
leer en wandel aandrongen. Laat ons slechts letten op
hetgeen in den loop der jaren is geschied.
1. Geert Groote en de broeders en zusters des
gemeenen levens.
Geert Groote — ziedaar een bekenden naam! Wij zullen
dien naam blijven gebruiken, ofschoon de nieuwste onder-
zoekingen hebben geleerd dat hij eigenlijk Gerrit de Groot
of Gerrit Groot gespeld wordt. Deze man heeft grooten
-ocr page 10-
s
invloed op zijnen tijd uitgeoefend en werkelijk veel goeds
gesticht. Was hij een geleerde? dat juist niet, ofschoon
hij een geletterde opvoeding genoten had en op de hoogte
van de wetenschap zijner dagen stond. Was hij dan een
aanzienlijk kerkvorst? Ook dat niet, immers hij heeft
nooit eenen anderen dan den ondergeschikten rang van
diaken in het kerkelijke leven bekleed. Wat dan, muntte
hij uit door welsprekendheid? Hij kon uitnemend goed
en krachtig tot het volk spreken, maar redenaar van
beroep was hij niet.
Hij was een Johannes de Dooper, die het: bekeert u!
bekeert u! nadrukkelijk aan zijn volk herinnerde. Toch
kon hij niet, als Johannes de Dooper. een Nazireër van
zijne geboorte af worden genoemd. Zoon van Werner
Groot, burgemeester te Deventer, had hij aan de hooge-
school te Parijs gestudeerd in de godgeleerdheid en het ker-
kelijk recht en den titel van meester in de vrije kunsten ver-
worven. Daardoor opende xich voor hem de weg tot eene
aanzienlijke plaats in de toenmalige wereld en het scheen
aanvankelijk, of hij zich die plaats zou laten welgevallen.
De kennismaking evenwel met Hendrik van Calcar, prior
der Karthuizers van het klooster Monnikenhuizen bij Arn-
hem, bracht hem tot andere gedachten. Hij liet zijne lange
haarlokken inkorten, legde zijnen fraaien mantel af, ont-
deed zich van zijn met zilver versierden gordel, en nam
zijnen intrek in het klooster. Geruimen tijd oefende hij
zich aldaar onder gedurig vasten en bidden. Voortaan
droeg hij niets anders dan eene grove pij en getroostte
zich al de ontberingen van het gestrenge leven der Kart-
huizers. Toen werd hij tot diaken bevorderd en ontving
van den Utrechtschen bisschop het recht om overal te
prediken. Van het jaar 1380 tot 1383 reisde hij als volks-
prediker rond. Waar hij zich liet hooren, overal boeide
hij scharen volks aan zijne lippen. Vaak predikte hij twee,
soms drie malen op éénen dag. Als hij bepaald had, na het
middagmaal weer te zullen optreden , dan bleef hij gewoon-
lijk, zonder zelfs iets te gebruiken, in de kerk om te
bidden, of hij wandelde peinzend het kerkhof om, totdat
het volk terugkwam. Het was eene hoog ernstige taal,
-ocr page 11-
9
die hij deed hooren. De gebreken zijns tijds tastte hij aan
met krachtige hand, en, of het priesters gold of leeken,
hij spaarde hen niet. Zoo sprak hij de geestelijken, die,
naar de gewoonten dier dagen, in verboden omgang met
hunne huishoudsters leefden , in dezer voege aan: „Gij zijt
schatbewaarders der kerk. uitdeelers der geestelijke aflaten,
middelaars Gods en der menschen, die Gode de gebeden
der menschen en den menschen de gave Gods aanbiedt!
Gij allen, die aldus zondigt, beseft toch uwe taak!"
Maar wat wilde hij dan met zijne boetprediking? De
menschen drijven naar het Karthuizer-klooster, in hetwelk
hij zelf den weg der middeleeuwsche vroomheid had leeren
bewandelen? Indien dat zijn streven ware geweest, zou hij
niets nieuws hebben gesticht. Hem zweefde echter een
nieuw denkbeeld voor den geest. Voor allen, die zich met
ernst op een leven van devotie, d. i. vroomheid, wenschten
toeteleggen, opende hij een ander toevluchtsoord. Zijn eigen
huis en erf in de Bagijnstraat te Deventer wijdde hij aan
eene godsdienstige bestemming toe en nam daarin zulke
menschen op, die, zonder kloosterlingen te zijn, hunne vol-
making door persoonlijke oefeningen, peinzen, bidden, lezen,
schrijven en studeeren zochten te bevorderen. De eersten,
die in het huis van Meester Geert werden opgenomen,
waren weduwen en jonge dochters. Zij ontvingen den
naam van zusters des gemeenen d. i. gemeenschappelijken
levens. Eerst was haar aantal te Deventer zestien. Weldra
groeide het tot honderd vijftig aan. Dat voorbeeld vond
elders navolging en langzamerhand zijn er niet minder dan
acht en zestig zulke „maagdenhuizen" in deze en naburige
landen verrezen.
Geert Groote bepaalde zich niet tot de uitvoering van
dit denkbeeld, maar hij vestigde ook zijne aandacht op
de leerlingen der zoogenaamde kapittelschool te Deventer.
Hij begon met hen schrijfwerk te laten verrichten en stelde
vervolgens uit eigen middelen een jaarlijksch inkomen tot
hun onderhoud vast. Kloris Radewijns uit Leerdam, even-
als hij meester in de vrije kunsten, en tevens vicaris der
St. Lebuinus-kerk te Deventer, voegde zich bij deze leer-
lingen. Op zekeren dag zeide hij tot Groote: „Geliefde
-ocr page 12-
10
meester, wat zou het ons schaden, dat ik en deze schrij-
vende leerlingen het geld, dat wij wekelijks ontvangen,
bijeenleggen en gemeenschappelijk leefden?" „Beproeft
het", was het antwoord, „in naam des Heeren, ik zal uw
beschermer zijn."
Van dien tijd af woonde Radewijns met de leerlingen
samen in een huis van Groote. Zij vormden de Broeder\'
schap des gemeenen levens.
Zij waren volstrekt geen mon-
niken, maar hielden zich toch allen met hetzelfde werk,
namelijk schrijven en studeeren, bezig. Aan Floris Rade-
wijns waren zij gehoorzaam, en ofschoon niemand tegen
zijn wil in de broederschap behoefde te blijven, verbeurde
men toch, zonder geldige reden vertrekkende, zijn aandeel
in het geld ten behoeve der algemeene kas. Weldra breidde
deze Broederschap zich in verschillende steden uit en
openden de broeders nevens hunne Fraterhuizen ook dus-
genoemde Fraterscholen. Het spreekt van zelf, dat zij
door hun schrijfwerk grooten invloed hadden op de ver-
spreiding van godsdienstige en stichtelijke boeken, terwijl
zij door het onderwijs der jeugd een krachtigen stoot
gaven aan de ontwikkeling des volks en aan cene meer
algemeene beoefening van de letteren.
En zag de geestelijkheid het streven van Geert Groote
met toejuiching aan? Voor zoover zijne boetredenen de
geestelijken persoonlijk betroffen, waren zij tegen hem
ingenomen en wisten te bewerken dat hem het recht van
prediken ontnomen werd. Zijne vrienden wendden echter
pogingen -aan, om dat vonnis op te heffen en den geliefden
meester in zijne eer te herstellen. Voor dat hun zulks
gelukte, was Groote reeds gestorven. Hij bezweek op
vier en veertigjarigen leeftijd aan de pest in 1384. Met
stervenden mond wees hij Radewijns als zijn plaatsver-
vanger aan. Hij stierf als een goed geloovig zoon der
kerk, godvruchtig en kalm, gelijk hij geleefd had. Zijn
lijk werd onder heete tranen naar de kerk gedragen, waar
hij zoo dikwijls het woord Gods had gepredikt. Doch
zijn geest bleef leven en doordringen en in duizend harten
hoogere begeerten wekken naar die oprechte vroomheid,
die alleen rust vindt in God.
-ocr page 13-
II
2. Klooster en kloostervereenig-ing van
Windesheim.
In zijne laatste levensjaren uitte Geert Groote den wensch ,
dat een gedeelte der broeders eene door de kerk goedge-
keurde orde aannemen en tot dat einde een klooster
bouwen zou. Welke orde zij moesten aannemen? Die
der Karthuizers ? Neen, want de Karthuizers waren al
te streng afgezonderd van de wereld. Die der Cistercien-
sen? Ook deze niet, want de Cisterciensen waren volgens
Geert Groote aan al te moeilijke regels gebonden. Maar
die der Reguliere Kanunniken, want die kwamen het
meest met de richting van de broeders des gemeenen
levens overeen. Twee jaren na den dood van Groote, dus
in 1386, is er werkelijk zulk een klooster gesticht en wel
te Windesheim in de parochie van Zwolle, onder de dio-
cees van Utrecht. Daar verrees onder de leiding van
Floris Radewijns eene kerk, een drietal huizen en eene
bakkerij, en toen deze gebouwen voltooid waren, werd de
inrichting als een klooster van Reguliere Kanunniken door
den bisschop van Utrecht erkend. Het leven van de
mannen, die zich daar vereenigden, was zeer eenvoudig.
Evenals de broeders te Deventer ontvingen zij dagelijks
niet meer dan eene bepaalde hoeveelheid brood en bier.
Drie malen in de week aten zij vleesch, drie dagen
voedden zij zich met eieren en melkspijs, des Vrijdags
werd er bijna geheel gevast. In hunne kleeding werd geen
de minste opschik geduld. Zij droegen witte mantels met
zwarte kappen, of, als zij niet tot de geordende monniken
behoorden maar slechts tijdelijk het klooster bewoonden,
grijze pijen met een zwarten gordel en een zwarten kap.
Hun dagelijksch werk was zeer onderscheiden: metselen,
timmeren, landbouwen, huiswerk verrichten, brood bakken,
bier brouwen, maar ook boeken afschrijven. In korten
tijd waren er 35 dikke boekdeelen, zorgvuldig op perka-
ment geschreven, gereed, met duidelijke letter, de meest
beroemde kerkvaders behelzende. Vooral legden zij zich
op het verbeteren van taal- en schrijffouten toe. Tot dat
einde leenden zij van verschillende boekerijen exemplaren
-ocr page 14-
12
van hetzelfde werk en rustten niet, voordat de tekst door
onderlinge vergelijking van de verschillende handschriften
zooveel mogelijk verbeterd was. En wat zij zoo met
groote inspanning tot stand gebracht hadden, dat diende
dan weer om voor anderen nuttig te zijn.
Het waren dus werkzame menschen , die Windesheimer
kloosterbroeders, van wie een gunstige naam in den lande
is uitgegaan. Hunne orderegelen, zeden en gewoonten
werden langzamerhand door anderen overgenomen, die of
reeds in bestaande kloosters verblijf hielden maar hervor-
ming zochten, of geheel nieuwe kloosters in het aanzien
riepen. Zoo verrees vijf jaren na het Windesheimer
klooster dat van Marienbron bij Arnhem, en dat van het
Nieuwe licht bij Hoorn, terwijl het klooster Eemstein bij
Dordt, dat reeds vroeger gesticht was, zich met de Win-
desheimer broeders in nadere betrekking stelde en een
hunner tot prior koos.
Deze vier kloosters, waarbij zich later nog vele anderen
voegden, werden tot een- kapittel van Reguliere Kanun-
niken vereenigd , dat Windersheim tot middelpunt behield.
Zij volgden allen dezelfde regels, leefden op dezelfde wijze
en waren in kleeding en gebruiken niet. van elkander
onderscheiden. Overal oefenden zij een heilzamen invloed
uit en gaven het voorbeeld van een werkzaam, eerbaar,
matig en aan God toegewijd leven. Zij werden dan ook
door hooggeplaatste geestelijken in bescherming genomen,
ja zelfs door de Pausen geëerd
Als een proeve van de verbetering, die het kapittel
van Windesheim in andere kloosters heeft tot stand
gebracht, zij vermeld de abdij van Luinkerk bij Franeker.
Deze abdij, berucht door de vechtpartijen harer bewoners,
was in het begin der vijftiende eeuw zoo verwilderd, dat
de Utrechtsche bisschop moest ter hulp geroepen worden
om er de orde te herstellen. Inderdaad, toen bleek het,
dat de Luinkerker kloosterlingen noch in armoede, noch
in kuischheid, noch in gehoorzaamheid aan eenigen regel
leefden. Zij droegen wel witte mantels maar hadden nooit
eenige gelofte afgelegd. Zij hielden zich met vechten bezig
en leefden verder naar lust en welgevallen. Nadat de
-ocr page 15-
13
Utrechtsche bisschop uitgesproken had, dat deze kloos-
terlingen geen monniken waren, hunne mantels moesten
afleggen en het klooster verlaten, werd aan de Windes-
heimer broeders de taak opgedragen om het klooster te
verbeteren en de nieuw aan te nemen bewoners in te lijven
in de orde der Reguliere Kanunniken. Deze taak hebben
zij vervolgens naar eisch volbracht.
Een der mannen, die bij zulke gelegenheid den meesten
ijver openbaarde, was Johannes Busch, van Zwolle geboortig
en aldaar door de broeders des gemeenen levens onder-
wezen. Deze man heeft gedurende veertig jaren zich schier
onafgebroken bezig gehouden met het verbeteren van de
kloosters. Dat hij daarbij wel eens met groote moeielijk-
heden te worstelen had, laat zich gereedelijk verwachten.
Zoo was er een klooster in Hannover, waar het even
ordeloos toeging als te Luinkerk bij Franeker. Busch
bracht daar eene geheele verandering teweeg en werd er tot
proost verkozen, maar zoo weinig smaak hadden die mon-
niken in het opvolgen van zijne regels, dat er allerlei
boosaardige plannen tegen zijne veiligheid werden gesmeed.
De een wilde hem met een mes te lijf, de ander strooide
erwten op de trap, de derde zocht des nachts zijne cel
binnen te dringen. Toch ging Busch met zijn arbeid voort
en smaakte de voldoening dat hij zijn doel bereikt en
jaren lang met genoegen in dat klooster gewoond heeft.
In de zestiende eeuw is de Windesheimer kloosterver-
eeniging gaan kwijnen, terwijl de kloosters zelven van de
staatkundige beroeringen veel te lijden hadden. In 1572
werden door geheel Overijsel de kerken van haar zilver,
goud, beelden en altaren beroofd. Ook de kerk te Win-
desheim onderging dat lot. Zes jaren later moest het
kapittel 400 goudguldens aan oorlogskosten betalen, ver-
volgens werd bevel gegeven, de kloostergebouwen te ont-
ruimen. De monniken vertrokken naar elders en weldra
stond het klooster van Windesheim ledig. Het werd gesloopt.
Het kapittel zelf is na het vervallen van dit en vele andere
kloosters wel blijven bestaan, maar toch van zijne betee-
nis en waarde beroofd. Het had ook zijne eigenlijke taak
volbracht. Kloosters te verbeteren was geene behoefte
-ocr page 16-
14
meer, toen de kloosters in deze landen plaats maakten
voor een geheel nieuwen \'toestand, die de vrucht der
kerkhervorming zou zijn.
3. Johannes Brugman.
Johannes Brugman was geboortig van het vriendelijk
stadje Kempen in Kleefsland. Van zijne levensomstandig-
heden is niet alles in bijzonderheden bekend, o. a. weet
men niet met zekerheid wanneer hij geboren is, vermoe-
delijk in het jaar 1400. Ook van zijne eerste vorming is
niet veel te verhalen. Hij zelf heeft zich in later jaren
beklaagd, geen van de broeders des gemeenen levens tot
leermeester gehad te hebben. Dan zou hij misschien voor
afdwalingen zijn bewaard gebleven. Thans, door licht-
zinnige jongelingen omringd, was hij zelf lichtzinnig
geworden en ofschoon hij in een klooster de gelofte
van kuischheid, armoede en gehoorzaamheid had afgelegd,
was hij aan die gelofte niet getrouw gebleven, maar als
zoovelen zijner dagen een religieuse, gelijk hij zich uitdrukt,
zonder religie geweest.
Nog in tijds waren hem de oogen geopend. In een
Observantenklooster opgenomen, had hij een beter leven
zoeken aan te vangen en van die gezegende verandering
getuigenis afgelegd in een door hem vervaardigd geestelijk
lied, waarvan de aanhef luidt :
Adieu der wereld minne, adieu, \'t is al gedaan,
Ik heb in mijne zinnen, wat nieuwes aan te gaan,
Ik wil gaan aventuren te gaan een anderen gang,
Al zou \'t mij worden zure. Och! eeuwig is zoo lang!
In het Observantenklooster te St. Omer heeft hij veel
kennis van de Schrift en de kerkvaders opgedaan. Daar
is hij zich ook zijne roeping als volksprediker bewust:
geworden.
Sedert dien tijd heeft hij zich als pater Brugman, nu
eens hier, dan daar laten hooren, terwijl hij in de kloos-
ters zijner orde voor langer of korter tijd verblijf hield.
Zoo heeft hij zich te Gouda, te Amsterdam en te Nijme-
-ocr page 17-
15
gen opgehouden. In laatsgenoemde stad is hij op ruim
zeventigjarigen leeftijd overleden. Niet lang voor zijn
dood schreef hij aan een vriend : „de palen der brug zijn
vergaan en voor het bruggemannetje blijft niet meer over
dan ten grave te dalen".
Tot de heiligen der Kerk is hij niet gerekend maar
wel hebben zijne tijdgenooten hem den lof gegeven van
een devoot en godvruchtig vader, een medearbeider des
Allerhoogsten in het terechtbrengen van zielen te zijn.
Twintig jaren lang was Johannes Brugman de geliefde
volksprediker, die in steden en dorpen zijne stem verhief
tegen de heerschende gebreken des tijds. Ontucht, ont-
wijding van de heilige dagen, speelzucht, wraakgierigheid,
ja wat niet al, werd door zijne wel bespraakte tong
gekastijd, en dat zonder aanzien des persoons en met een
uitslag die buitengewoon mag heeten.
Te Bolsward werd tengevolge van zijne prediking het
dobbelen en andere boeverij van regeeringswege verboden.
Te Culemborg wist hij het zoover te brengen, dat de jaar-
markt van St Jansdag op een gewonen dag werd verplaatst.
Te Amsterdam, waar de geestelijkheid naijverig was op zijn
roem, en met behulp der overheid hem zocht te weren,
predikte hij met zulk een gevolg dat er oproer zou zijn
gewekt, indien zijne prediking niet ware toegelaten. In
Gaasterland overreedde hij de Schieringers en Vetkoopers
de wapenen neder te leggen en zich met elkander te ver-
zoenen. Tot dat einde stelde hij midden in de vergade-
ring een kind, welks vader kort te voren door zijne mede-
burgers vermoord was. „Kindeke" sprak hij tot den wees,
„hebt gij liefde tot den vrede en wilt gij, als gij eenmaal
gróót zijt, afstand doen \'van alle voornemen tot wraak
over den doodslag uws vaders? Zoo steek dan tot teeken
uwe rechterhand omhoog!" Het kindeke deed zulks. Het
volk stond verbaasd en Brugman maakte van den ont-
vangen indruk gebruik, door hun toe te voegen: nu dan,
waar dat kind u het teeken geeft, hoe liefelijk een werk
het werk der verzoening is, gaat heen en doet alzoo!"
Brugman was in waarheid een volksprediker. Hij hield
van platte taal en van zinnelijke voorstellingen. Ook
-ocr page 18-
i6
schreeuwde hij hard en maakte heftige gebaren, maar
jnist daardoor hing het volk aan zijne lippen en beefde
voor zijn machtig woord. Van zijn preekwerk is er slechts
één sermoen overgebleven en dat handelt over Psalm 25
vs. 1 de geestelijke tafels. Het is een vreemdsoortig
mengsel van treffende invallen en zonderlinge beschouwingen.
Brugman handelt over het spijzigen van de schare met
de brooden en de visschen , en over het genot des avond-
maals. Ook schildert hij het genot van de vreugde des
hemels. De hemel is een kasteel, waarin de verschillende
zalen de onderscheidene soorten der zaligen bevatten.
„Zusters!" zoo spreekt Brugman zijne hoorderessen aan,
J(ik zal u. iets van de hemelvreugde zeggen; niet dat ik
daar geweest ben", laat hij volgen, maar hij is overtuigd,
als hij daar komt, dan zal hij niets anders doen dan
gapen en kijken (teekenen van verbazing geven.) Toch
stelt hij zich voor dat daar een kelder is, waarin vaten
met.malvezij, wijn en romenij, en Jesaja, Jeremia, Daniel
en andere profeten en Jezus in hun midden, om hun wijn
te schenken, terwijl David door harpspel de vreugde ver-
hoogt. Ook eene rechtzaal zal daar wezen, waar Petrus,
Paulus en de andere apostelen als raadslieden Gods zijn
gezeten; ook eene bibliotheek, waar de doctoren en de
leeraars in het boek des levens lezen, dagelijks nieuwe
wijsheid ontdekkende. „Toen" — vervolgde Brugman —r
„na al die heerlijke dingen hoorde ik ook in de verte een
allerzoetst geluid/ van stemmen en pijpkens (fluiten). Ik
dacht: wat mag dat zijn? en ik kwam voor het aller-
hoogste kamerken. Dat was gesloten. Toen klopte ik
daarvoor. Zij vraagden mij: wie zijt gij ? ik antwoordde:
hier is Brugman. De Heer wil dat ik van alles wat zien
zal. Maar zij wilden mij niet inlaten. Ik zag toen door
een reetje. Daar waren Agnes, Catharina, Barbara,,
Urzula en allen die om den naam haars lieven Bruidegoms
wil gemarteld waren, om de reinheid te behouden. Och!
hoe wonderlijk waren die bruiden des Lams versierd, van
het hoofd tot de voeten, en hoe wonderlijk schoone
dingen hadden zij om den hals. Toen vroeg ik haar,
wat lieden zijt gij en hoe zijt gij hier gekomen? en zij
-ocr page 19-
i7
antwoordden: weet gij het niet? Er staat geschreven:
„Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien".
Ziedaar een kleine proef van den preektrant van Brug-
man. Zoo predikte, zoo schreef hij. Naar onzen smaak
onvoldoende, maar voor het volk in zijnen tijd recht geschikt
om grooten roem te oogsten. Het praten als Brugman
is dan ook een spreekwoord van ons volk gebleven tot
op dezen dag.
Het is waar, de geschiedschrijvers uit de eeuw der
reformatie hebben weinig tot zijn lof gesproken, maar
het is in onzen tijd duidelijk in het licht gesteld, dat
Brugman wel geen baanbreker geweest is voor het licht
der reformatie, maar toch in prediking en geschriften de
ware vroomheid hartelijk heeft aanbevolen.
4, Johan Wessel Gansfoopt, wegbereider der
Hervorming.
Een der beroemdste leerlingen van de Broeders des
gemeenen levens was Johan Wessel Gansfoort, zoon van
een bakker uit Groningen, die reeds als knaap en jonge-
ling toonde met bijzonderen lust tot wetenschap bezield
te zijn. Op de school der Broeders te Zwolle leerde hij
zooveel Latijn, als noodig was om de kerkvaders te ver-
staan. Ook maakte hij kennis met een Latijnschen
Bijbel en met het stichtelijk volksboek: de navolging van
Christus,
dat door Thomas a Kempis geschreven is. Deze
Thomas a Kempis, een vrome monnik, was in die dagen
prior van het klooster der H. Agnes bij Zwolle en werd
menigmaal door den jeugdigen Gansfoort bezocht. Het
schijnt echter dat de eentonige, sombere dampkring van
het klooster niet de plaats was voor een geest, zoo vrij
en krachtig als de zijne. Vasten, lichaamskastijding en
het houden van strenge regels, hoe hoog ook in de middel-
eeuwen geprezen, hadden voor Gansfoort geene aantrek-
kelijkheid. Hij kwam weldra in botsing met de mannen
van den stempel van Thomas a Kempis, en bij gevolg
besloot hij elders een toevluchtsoord te zoeken. Naar
MOORREES, Kerkhervorming.                                                 2
-ocr page 20-
i8
Keulen trok hij heen. Daar was een beroemde school
van godgeleerden, daar kon hij studeeren en magister in
de vrije kunsten of dokter in de godgeleerdheid worden.
Evenwel te Keulen vond hij weinig degelijke geleerden,
meestal bekrompene , oppervlakkige, onverdraagzame man-
nen, van wie weinig nieuws was te leeren. Gelukkig voor
hem dat hij in die dagen de schriften van Ruprecht van
Deutz, een helder denkend schrijver uit de 12e eeuw,
leerde kennen, en dat geleerde Grieken, zich te Keulen
ophoudende, hem in het Grieksch en geleerde Joden hem
in het Hebreeuwsch onderrichtten. Zoo doende breidde
de kring zijner kennis zich uit en werd hij tevens een
beroemd man, aan wien eene hoogleeraarsplaats in de wijs-
begeerte te Heidelberg kon worden opgedragen.
Hoogleeraar wilde hij nog niet wezen. Eerst moest hij
Parijs zien, Parijs den zetel der scholastieke wijsbegeerte,
het middelpunt van den wetenschappclijken strijd dier
dagen. Wessel sloot zich bij de partij der Nominalisten
aan, want hij vond daar eene vrijere richting, een meer
wetenschappelijken zin dan bij hunne tegenpartij, de Rea-
listen. \') Vele Parijsche geleerden deelden zijne gevoelens
en vereerden hem hoog om zijn helder inzicht. Voorts
kwam hij in kennis met een aantal aanzienlijke personen,
b. v. met Frans de Rovere, generaal der Minorieten, die
later onder den naam van Sixtus IV Paus geworden is.
Toen Wessel Gansfoort bij zijn verblijf te Rome, eenige
jaren daarna, dezen Paus ontmoette, verzocht hij om eenen
Griekschen en Hebreeuwschen Bijbel uit de boekerij van
het Vaticaan. „Waarom vraagt gij niet om een bisdom
of iets dergelijks?" zeide de Paus. „Omdat ik zoo iets
niet noodig heb", antwoordde Wessel.
Neen, kerkelijke eereambten had de man niet noodig,
die zich in de geleerde wereld den naam van magister
\') Realisten waren die Godgeleerden, die de leer, hun door de
Kerk gegeven , trachtten te bewijzen met gronden , aan het menschelijk
nadenken ontleend. De Nominalisten oefenden kritiek op de wijs-
geerige bespiegelingen der Realisten en kwamen langs dien weg tot
eene vrijere opvatting van de kerkleer zelve.
-ocr page 21-
\'9
contradictionis (meester in het disputeeren) had verworven.
Zoo groot was zijn roem als geleerd en wijsgeerig denker
gestegen. Na een zestienjarig verblijf te Parijs en eene
reis door Italië vestigde hij zich te Heidelberg. Nu had
hij daar wel professor willen wezen, maar volgens den
eisch der Heidelbergers zou hij eerst de priesterwijding
hebben moeten ontvangen. En daartoe kon hij niet be-
sluiten. Na dus als bijzonder persoon te Heidelberg
eenigen tijd in Latijn , Grieksch, Hebreeuwsch en Philo-
sophie les gegeven te hebben , keerde hij in 1480 terug
naar het land zijner geboorte en is er tot zijn dood in
1489 toe gebleven. De toenmalige Utrechtsche bisschop
David van Bourgondië mocht hem gaarne lijden en be-
schermde hem , waar het noodig was , voor de listen van
naijverige geleerden. Wessel Gansfoort hield bij afwisseling
zijn verblijf in de abdij van Aduard, te Groningen of te
Zwolle. Als de bisschop te Vollenhove op het kasteel
vertoefde, liet Wessel zich daar ook onder zijne gasten
vinden. Voorts komen onder de vrienden van Wessel de
namen voor van Jakob Hoek of Angularius, deken van
Naaldwijk, Rudolf Agricola en Gosewijn van Halen, die
allen door heldere kennis uitmuntten en hervormingsgezind
waren.
Maar anders kunnen wij niet zeggen, dat Wessel zelf
iets gedaan heeft, om het sein tot reformatie te geven.
Hij was er ook zeker de man niet voor. Kreupel in zijn
gang, kortzichtig van oogen, miste hij lichamelijk de
geschiktheid om zich veel in het openbaar te bewegen en
behoorde hij meer in de studeercel thuis. Ook wenschte
hij geene omverwerping van den bestaanden toestand. De
sacramenten wilde hij behouden; de geestelijke stand,
meende hij, kon nuttig zijn; kloosterleven was een middel
om te leeren beseffen, dat de Heer goed is. Wel vatte
hij alles dieper op dan zijne tijdgenooten en drong hij tot
het wezen der dingen door, terwijl de slotsom van zijn
nadenken mondeling aan zijne leerlingen medegedeeld of
in zijne geschriften neergelegd werd, maar gedurende zijn
leven is hij niet voor een bestrijder van de kerkleer
gehouden. Eerst in later jaren, toen zijne geschriften,
2*
-ocr page 22-
20
door Luther verzameld en in druk gegeven, ijverig gelezen
werden, is de ruime, vrije geest die daaruit spreekt,
gevaarlijk voor de Roomsch Katholieke kerk geacht en
zij» Wessels schriften onder de verboden boeken gerang-
schikt. Luther verklaarde van hem, dat hij sprak als
een machthebbende, die naar de profetie door God zelven
was geleerd. Ook Melanchthon beschouwde hem als den
heraut van den nieuweren tijd en Erasmus prees niet
slechts zijne geleerdheid maar ook zijne gematigdheid. Te
Groningen bleef zijn geest voortleven in Gosewinus van
Halen, hoofd van het Groninger Fraterhuis en in Regnur
Praedinius, rector der St. Maartenschool.
Vooral op de beschouwing van de leer des Avondmaals
heeft Wessel grooten invloed gehad. Hij meende toch,
en te recht, dat de persoonlijke gemoedsstemming in het
Avondmaalvieren alles afdoet. Niet aan eene vreemde,
buiten ons omgaande handeling hangt ons zieleheil, maar
in ons moet het koninkrijk der hemelen zich vestigen.
Niet de priester is de hoofdpersoon in het sacrament, maar
Christus zelf. Wat baat derhalve dat Avondmaalvieren,
dat de zaak alleen als eene ceremonie beschouwt? „Christus\'
„dood", zegt Wessel, „is een plaatsvervangend zoenoffer
„der Goddelijke gerechtigheid en zijn leven is geheel en
„al eene openbaring van Gods liefde. Wie zijn leven
„dagelijks overpeinst, dien is hij waarlijk altoos nabij
„in den geest. Zoo bestaat er dus eene inwerking van
„het Goddelijke in ons, beter, heerlijker dan de kerkelijke
„Avondmaalsleer predikt. Er bestaat een voortdurend,
„geestelijk genieten van Christus\' tegenwoordigheid. Dat
„is te verkiezen boven het ontvangen van zijn gewaand
„lichaam uit des priesters hand. Het ware eten van
„Christus\' lichaam is gelooven; het ware drinken van zijn
„bloed is tot Hem gaan !"
Ziedaar iets uit den overvloed van vrije, heldere beschou-
wingen, die wij in Wessels schriften vinden en waarmede
de latere hervormers zoozeer instemden, dat Luther zelfs
betuigde: „mijne vijanden zouden kunnen denken, dat ik
al mijn beschouwingen aan Wessel heb ontleend". In zijne
laatste levensdagen werd hij nog al eens door twijfelingen
-ocr page 23-
21
overmeesterd en gevoelde zich dan zeer bezwaard, maar
kort vóór zijn einde legde hij 4 Oct. 14S9 aan een zijner
vrienden de troostvolle verklaring af: „ik dank God: al
de nietige bedenkingen zijn verdwenen; ik weet thans
genoeg, want ik blijf bij Christus en dien gekruist!"
5. Mystieken, Rederijkers en Humanisten.
Onder onze voorouders vonden van oudsher die schrij-
vers grooten bijval, die met een vreemden naam Mystieken
heeten. Men bedoelt daarmede die vromen, die zich ver-
diepten en als het ware verloren in de beschouwing der
ontfermingen Gods. Een hunner was de edeldenkende
Brabantsche priester Johan Ruijsbroek, gestorven in 1381.
God lief te hebben was hem het een en het al. Gods
liefde te genieten en in dat genot alle aardsche vreugd
en leed te vergeten, van die liefde te getuigen, haar over
te storten in anderen was het doel van zijn leven. Hij
schroomde niet de vrijer denkende menschen, al werden
zij voor ketters uitgekreten, te stellen boven de ontrouwe
dienstknechten, die misschien uitwendig de geboden der
kerk hielden, maar inwendig verre van God leefden. Hij
zeide, dat rechtvaardig genoemd moesten worden al wie
in gemeenschap met God wandelen, om het even waar
zij zich bevinden, in huis, op straat of in het klooster.
Volgens hem bestaat het ware berouw daarin, dat men
van harte en oprecht om Godswil tot alle deugden zich
bekeert, en haat, wat men weet dat Gode mishaagt.
Daarbij spaarde hij de priesters niet. „Christus en de
apostelen", zeide hij, „waren arm aan aardsche goederen
geweest en rijk in hemelsche deugden, doch de priesters
van zijn tijd waren rijk in goud en arm in deugd. Onder
de twaalve was er slechts één bedorven mensch, thans
daarentegen vindt men onder honderd priesters nauwelijks
een, die Christus navolgt". „Ach — klaagde hij — „voor
de verbetering der zielen wordt niets gedaan, alleen naar
openbare wanbedrijven doet men onderzoek en daarvoor
moet geldboete worden betaald. Hoe r<j!-:r de bedrijvers
-ocr page 24-
22
der boosheid zijn, hoe meer zij moeten betalen en dan
kunnen zij weer een jaar lang den duivel dienen. Zoo
worden de zonden niet verminderd maar vermeerderd en
zoo heeft ieder wat hij verlangt: de duivel heeft de ziel,
de bisschop het geld en de ongelukkig bedrogene voor
een oogenblik zijn genot".
Een niet minder vermaard Mystiek schrijver is Thomas
a Kempis, kweekeling van de Deventer Fraterschool, die
behalve vele andere stichtelijke schriften een bock getiteld
de Navolging van Christus heeft opgesteld. Meer dan
twee duizend uitgaven zijn er van dat boek bekend, deels
in het oorspronkelijk Latijn, deels in verschillende nieuwere
talen. Het wordt telkens opnieuw uitgegeven en is door
de Roomsch Katholieke kerk als een lezenswaardig ge-
schrift openlijk geprezen. Hoezeer op Roomsche leest
geschoeid en kloosterdeugd aanprijzend, grijpt het den
lezer aan door den eenvoud, den ernst, de liefde tot
Christus, de opwekking tot zelfverloochening, lijdzaamheid
en gebed, die het geheel doorademen. Op den Agniten-
berg bij Zwolle, waar thans eene school en een kerkhof
is, stond weleer het klooster, dat 72 jaren lang tot woon-
plaats van den vromen Thomas strekte. Zijn gebeente
rust thans in de St. Michielskerk der Roomsgezinden te
Zwolle.
Vergeten wij , als er van het geestelijk leven dier dagen
sprake is, ook de Rederijkers niet, de beoefenaars der
Rhethorica of welsprekendheid, die eerst in binnenkamers
hunne vertooningen hielden, maar weldra ook in het open-
baar op marktpleinen en kerkhoven, op wagens en daartoe
opgerichte stellaadjen. In hunne kluchten voerden zij
bijzonder gaarne de gebreken der domme , trage , schraap-
zuchtige geestelijken ten tooneele en de misbruiken der
kerk. Dikwijls behandelden zij godsdienstige onderwerpen
en oefenden grooten invloed op de volksmenigte uit. Bij
een wedstrijd te Antwerpen behandelden zij eens de vraag:
wat is de allernoodzakelijkste en grootste verborgenheid en
genade, die God tot des menschen welzijn heeft verordend?
En te Gent moesten zij de vraag beantwoorden: wat den
stervenden mensch den meesten troost ver schaft f
Daarop
-ocr page 25-
23
antwoordde de kamer van Violieren te Antwerpen: de
verrijzenis des vleesckes door Christus1 lijden, dood en op-
standing;
terwijl die van een andere Vlaamsche gemeente
antwoordde: het vertrouwen dat Christus en zijn Geest u
mededeelt.
Waarlijk! zulke antwoorden getuigden van
ernstig nadenken over het Evangelie en van diep indringen
in het Christendom. Het moet aan een onzer historie-
schrijvers toegestemd worden, dat zulke vragen goede
teekenen waren van oprecht Christelijk geloof en van het
streven dier Rederijkers om op iets hoogers het oog te
vestigen dan op de bijgeloovige plechtigheden, waaraan
de kerk zooveel waarde hechtte.
Eindelijk noemen wij de Humanisten of de beoefenaars
der oude Gricksche, Latijnsche en Hebreeuwsche talen,
die niet in monniken-latijn, maar zuiver klassiek hoogst
belangrijke werken schreven en zich voorstanders van
ware geestverlichting betoonden. Onder hen behoort
Rudolf Agricola of Huisman, in 1442 te Baflo geboren.
Zijne eerste vorming was hij aan de Fraterschool te Gro-
ningen verschuldigd. Van daar is hij gaan studeeren aan
buitenlandsche hoogescholen en aan eene dezer scholen, die
te Heidelberg, is hij professor geworden. Tot zijn dood
toe in 1485 heeft hij daar gearbeid en aan een talrijke
schaar van leerlingen liefde tot wijsbegeerte, welsprekend-
heid en fraaie letteren ingeprent. Dat hij een geopend
oog had voor de verbastering der Christenkerk laat zich
begrijpen, en, ware hem een langer leven vergund geweest,
hij zou in geschrifte nog veel goeds gesticht hebben, maar
zijn vroegtijdig afsterven maakte de uitvoering van vele
zijner letterkundige plannen onmogelijk. Toch werkte zijn
verlichte geest voort in zijne leerlingen, waaronder Alex-
ander Hegius, een Westphaler van afkomst. Deze bekwame
man, die bijzondere gaven had om de jeugd te onder-
wijzen, heeft 33 jaren lang aan het hoofd der school te
Deventer gestaan. Het getal zijner leerlingen klom tot
over de zeshonderd en bereikte zelfs het fabelachtige
hooge cijfer van tweeduizend. Dat het hem boven alles
om kennis en wetenschap te doen was, blijkt uit zijne
nagelaten schriften. Het Nieuwe Testament werd door
-ocr page 26-
24
hem beoefend, niet zoozeer om zich zelf als wel omdat
het een deel van de Grieksche letterkunde was; maar ook
als zoodanig opgevat, werkte die beoefening het verspreiden
van licht en waarheid in de hand en bereidde de harten
voor het zaad des Goddelijken woords.
Desiderius Erasmus was de beroemdste leerling van He-
gius. Indien iemand dan heeft hij de behoefte aan her-
vorming in het hart zijner tijdgenooten opgewekt, ofschoon
het hervormen zelf zijne zaak niet was. „Ik", zeide hij,
„verkies liever in sommige opzichten te dwalen dan
onder het tumult, dat aan het hervormen verbonden is,
voor de waarheid te strijden. Niet op den kansel als
volksprediker, niet aan het hoofd eener beweging als volks-
leider was zijne plaats, maar als geleerde in het boek-
vertrek, als schrijver aan de lessenaar, met papier en pen.
Wat heeft de wereld niet aan hem te danken! Zijne tot
vijfmaal toe herhaalde, telkens herziene uitgave van den
grondtekst des Nieuwen Testaments, zijne aanteekeningen
op het Nieuwe Testament, uitmuntende door heldere
schriftverklaring en keurigen stijl, zijn Lof der zotheid,
dat de oogen heeft geopend voor de dwaasheden en zede-
loosheden der kloosterlingen, zijne samenspraken, waarin
hij handelt over opvoeding der jeugd, bidden, biechten,
vasten, gebruik en misbruik der spraak enz. zijn allen
zeer geschikt om een levend, beoefenend Christendom aan
te prijzen. Vooral komt zijn keurig boeksken: Hand-
wapen voor den Christen krijgsman
in aanmerking. „Wij
hebben allen een strijd" zoo vangt Erasmus aan, „doch
niet met een onoverwonnen vijand maar met zulk een,
die reeds ten onder is gebracht, en Jezus Christus is ons
Hoofd, door Wien hij zeker ook in ons zal overwonnen
worden. Zorg gij slechts, dat gij tot dat lichaam behoort,
en gij zult alles vermogen door en in dat Hoofd. In u
zei ven zijt gij zwak doch in Hem vermoogt gij alles.
Ieder overwint, behalve hij die niet heeft willen overwinnen.
De genade van den Helper is nooit aan iemand onthouden.
Zoo gij slechts zorgt, dat gij u zelf aan Zijne genade niet
onttrekt, hebt gij alreeds overwonnen. Hij zal voor u
strijden en Zijn bijstand u toerekenen, als ware het uwe
-ocr page 27-
25
verdienste. U past het, de geheele overwinning Hem dank
te weten, die het eerst en alleen vrij van zonde, der zonde
dwingelandij verbroken heeft."
Aldus predikt Erasmus den Heer Jezus Christus, schetst
ons het Christelijk leven als een leven van Christus in ons
en van ons in Christus en doet dat innig en helder. En
nu moge het waarheid zijn, dat een man, die zoo schreef,
den hoogen moed miste, om eene beweging in het leven
te roepen, zooals Luther heeft gedaan, het is toch niet
tegen te spreken, dat hij gedurende zijn rusteloos werkzaam
leven als schrijver aan duizenden zijner tijdgenooten tot
zegen is geweest. Daaronder noemen wij Gerrit Geldenhauer
van Nijmegen omtrent 1482 geboren en na te Leuven
gestudeerd ze hebben, tot aanzienlijke ambten geroepen,
eerst als kapelaan van keizer Karel V, later als secretaris
en biechtvader van den Utrechtschen bisschop Filips van
Bourgondië. Zoowel in die betrekking als toen hij in
1526 naar Wittenberg gezonden was, om daar den staat
van kerk en school in oogenschouw te nemen, betoonde
hij zich een ijverig vriend der hervorming. Hij ging zelfs
openlijk tot de vrienden van Luther over en schroomde
niet op zijn hoogvereerden vriend Erasmus als op een
geestverwant van Luther te wijzen. Erasmus was evenwel
op zulk eene lofspraak weinig gesteld en zou liever gezien
hebben, dat Geldenhauer zijn naam verzwegen had.
Gelukkig voor Geldenhauer, dat hij steun bij andere
vrienden vond. De reeds genoemde Utrechtsche bisschop
namelijk, in 1516 door den invloed des Keizers op den
zetel verheven, was aanvankelijk vrijzinnige gevoelens toe-
gedaan. Niet slechts vonden schoone kunsten, bouw-,
schilder-, beeldhouwkunst in hem een edelaardigen bescher-
mer maar hij bevorderde ook letterkundige studiën en
werd door den dankbaren Erasmus zijn Maecenas betiteld.
Hij schroomde niet de lezing van den Bijbel aan te bevelen
en zijn inhoud te verheffen boven alle kerkelijke overleve-
ring. Hij bestreed den ongehuwden staat der priesters en
sprak met zijne vertrouwde vrienden dikwijls over het
verminderen van de heilige dagen, het aanstellen van goede
en het weren van zwetsende en domme predikers. Jammer
-ocr page 28-
26
intusschen dat de bisschop het bij zulke vrijzinnige gesprek-
ken en betuigingen gelaten heeft. Het vervolg der geschie-
denis leert ons, dat toen keizer Karel zich tegen de
hervorming had verklaard, bisschop Filips dat voorbeeld
gevolgd en ook een ketterjager geworden is. Toch zou
op den duur de geest van den nieuweren tijd niet te
belemmeren zijn, de geest der waarheid, der vrijheid en
des rechts, bestemd om op onzen bodem den stoot te
geven aan de vestiging van eene nieuwe kerk en van een
nieuwen staat.
6. Overzicht van het behandelde tijdperk.
En wat dunkt u thans, belangstellende lezer! is er in de
middeleeuwen zooveel rust geweest? juichten alle menschen
de geestelijken toe? waren zij onbepaald ingenomen met
hunne werkzaamheid was er geen verzet, geene vijandschap,
geen strijd? Maar denkt dan nog eens aan de strafpredikatie
van Geert Groote tegen zijne overheden in de geestelijke
bediening? Ziet de bemoeiingen der Windesheimer broeders
tot verbetering van de kloosters! leent het oor aan de
stem van pater Brugman! stelt u de werkzaamheid van
Wessel Gansfoort, van Mystieken, Rederijkers en Huma-
nisten voor, en gij kunt niet anders dan getuigen: ja,
het gistte in die middeleeuwsche wereld. Er werd gewerkt,
gewoeld, geworsteld om verandering. De edelste geesten
gevoelden zich in de bestaande orde der dingen hoe langer
zoo .minder thuis. Het oude was aan het voorbijgaan:
ziet, er moest een nieuwe tijd geboren worden.
-ocr page 29-
HOOFDSTUK I.
Tijdperk der Sacramentisten.
Met dit hoofdstuk vangen wij het verhaal van de eigenlijk
gezegde hervorming der kerk in de Nederlanden aan en
geven het den naam van tijdperk der Sacramentisten.
Deze naam klinkt misschien vreemd in de ooren en wordt
ook niet in alle volksgeschriften over dit onderwerp aan-
getroffen, maar hij is toch aan de geschiedenis ontleend en
geeft te kennen, waarover in die eerste jaren der zestiende
eeuw de strijd hoofdzakelijk is gevoerd. Doch laat ons
geregeld verhalen.
1. De Augustijner monniken in Dordrecht.
Luther had gesproken. In 95 stellingen had hij zich
tegen den Godonteerenden en menschverlagenden aflaat-
handel verklaard. Een geduchte strijd was aangevangen
en allerwege werd het oog op dezen strijd gevestigd. Het
duurde niet lang, of ook in de Nederlanden vonden Luthers
woorden weerklank en wel het eerst in een der kloosters
zijner orde, namelijk in het Augustijner klooster te
Dordrecht.
Hendrik van Zutphen, prior aldaar, had te Wittenberg
gestudeerd en vriendschappelijk met Luther omgegaan.
Hoe zou hij thans zwijgen? Hij was er diep van over-
tuigd, dat Luther uit het innigst gevoel gesproken en
slechts vrede gevonden had in het geloof, dat rechtvaardigt
voor God, zonder de aflaten der kerk. De Dordtsche
prior sprak daar dikwijls over met zijne kloosterbroeders,
en ziet, daar worden de monniken Pieter van Ferrewaarde,
Cornelis van Riemelswaal en Gerrit de Man ook voor deze
-ocr page 30-
28
denkbeelden gewonnen. Zij herhalen in den biechtstoel
en op den kansel de woorden van Luther. Zij willen ook
niet meer van aflaten hooren, maar van berouw, van
geloovig aannemen der goddelijke genade in Christus. De
prediking wordt gretig aangehoord en vindt bijval bij de
burgerij, maar Floris Oem van Wijngaarden, de pensionaris
der stad, wiens geslacht meer dan twee eeuwen aan het
Augustijner klooster verbonden was geweest, gevoelde zich
veel te innig gehecht aan de leer, steeds door de kerk
zijner vaderen beleden dan dat hij zich in al die nieuwig-
heden vinden kon. Hij drong aan op de verwijdering
van de kettersche monniken en toen de kerkelijke
overheid te langzaam naar zijn zin te werkging, over-
reedde hij de stadsregeering, zelve de handen aan het
werk te slaan en eenige hervormingsgezinde burgers
gevangen te zetten. Het bleef echter bij deze ééne daad
van geweld. De burgers werden weldra weder losgelaten,
terwijl de kettersche monniken de vlucht naar Wezel namen.
Toen echter kort daarna een Dominicaner predikheer in
de stad verscheen om tegen Luther te prediken, waren
er nog een aantal burgers, die dat niet gedoogden. Men
schoolde samen, wilde den Dominicaner te lijf en zou hem
gesteenigd hebben, indien hij niet ontvlucht was. Voor
die oproerige tooneelen werden de Augustijner monniken
aansprakelijk gesteld; het prediken werd hun verboden,
de prior ontslagen en een ander in zijne plaats benoemd.
Daarmede was de lust, om de gevoelens van Luther openlijk
te verbreiden, te Dordrecht onderdrukt. Heimelijk mogen
velen er bij gebleven zijn, maar in de eerstvolgende jaren
werd er daar ter stede niet veel meer van gehoord.
Er waren echter ook elders voorstanders van Luther
opgetreden. De bestuurders en leeraars der Fraterscholen
moeten daaronder gerekend worden. Immers tot hun
onderwijs behoorde schriftverklaring, uitlegging van Evan-
gelie en Epistels. Welk eene gelegenheid voor die mannen
om te toonen, dat zij beter inzicht in de Latijnsche en
Grieksche talen hadden dan hunne pastoors. Zij kwamen
daardoor onder verdenking van ketterij en zagen zich van
lieverlede beperkt tot het leeren van spraakkunst, redeneer-
-ocr page 31-
29
en redekunst. Het laat zich echter denken, dat zij de
voorkomende gelegenheid dikwijls aangrepen om hunne
leerlingen tot verlichte denkbeelden over te halen. Mannen
als Hinne Rode (Rodius) aan de Fraterschool te Utrecht,
Willem de Volder (Gnafeus) in den Haag en Herman
Busch (Buschius) te Delft werkten op die wijze mede tot
verbreiding van de nieuwe denkeelden, doch zij waren
geen Luthers, noch in gaven, noch in karakter, noch in
invloed op het volk. De werking, die er van hen uitging,
was meer beperkt; ook waren zij de mannen niet, om in
het openbare leven als leidslieden van de schare op te
treden. Daartoe leefden zij te veel in de boeken, te weinig
met het volk, te veel in hunne eigene studiën, te weinig
voor de geestelijke behoeften van anderen. Zij konden
aan de hervorming in sommige harten den weg banen
maar de nieuwe opvatting van het Evangelie tot de zaak
des volks maken — neen, dat vermochten zij niet.
2. Volksgesehriften van dien tyd.
Meer dan de bestuurders en leeraars der Fraterscholen
vermochten de geschriften, die het volk in handen kreeg.
Velen daarvan zijn in den loop des tijds verloren gegaan,
velen ook opzettelijk ten vure gedoemd. Zoo geschiedde
reeds ten jare 1521 te Utrecht met de geschriften van
Luther, die op bevel des bisschops openlijk op de Neude
zijn verbrand. Toch is het een en ander der toenmalige
volksgeschriften tot onze kennis gekomen. Tot de stich-
telijke volksboeken dier dagen behoorden de navolgende:
Hoe men den berg van Calvariai opklimmen zal; Van de
vijf wonden onzes lieven Heer en; Wandeling van een Christen
met Jezus; Handboekje van de bekeering eens menschen.
\')
\') Voeg daarbij: Summa der godliker Scrifturen, een boekje in
1523 in het Nederduitsch verschenen, en thans door den Amster-
damschen hoogleeraar van Toorenenbergen op nieuw in het licht
gegeven. (Uit het middel-nederduitsch in hedendaagsch Hollandsch
overgezet, is een volksuitgave verschenen bij E. J. Brill te Leiden,
onder den titel: Wat een Roomsch geestelijke in 1523 aan de Christen-
menschen leerde).
-ocr page 32-
30
In een dezer boekjes staat „verdraag een hard woord
„geduldig om mijnent wil, zegt de Heer, want dat is mij
„liever en u nuttiger dan of gij vijf dagen in de week
„vasttet op water en brood, tien jaren lang! Spreek van
„uwen medemensch geen kwaad, zegt de Heer, want dat
„is mij liever en u beter dan of gij zoo lang barrevoets
„gingt, dat men op eiken voetstap uw bloed zag! Wat
»g\'j van m\'j begeert, zegt de Heer, van goederen, van
„eten, van lijf en ziel, bid mij daarom, want dat is mij
„liever en u beter, dan of Maria, mijne moeder en alle
„heiligen voor u baden!" Ziedaar uitmuntende voor-
schriften , van den geest des Evangelies doortrokken, en
die het volk in het goede spoor leidden, al wordt ook in
hetzelfde boekje de banvloek uitgesproken over hen, die
het vasten en de boetedoeningen verwaarloozen.
Zoo is het ook in den Ziekentroost, waarin de vraag
voorkomt: gelooft gij dat gij niet kunt behouden worden
dan door den dood onzes Heeren? en het antwoord: Neen,
niet anders dan door zijnen dood," waarop dan deze woor-
den volgen: „Zoo loof en dank God levenslang en zet
uwe hoop op niemand anders en beveel uzelven aan den
Heer Jezus en wil de Overste Rechter u veroordeelen,
zoo zeg: Heer! den dood van Jezus zet ik tusschen mij
en Uw oordeel en anders waag ik geene tegenwerping.
Zegt God dan: gij hebt verdoemenis verdiend! dan moge
uw antwoord zijn: Uwe ontferming o God! en den dood
Uws. zoons plaats ik tusschen mij en U!" Ook al weer
geheel iets anders dan wat de aflaatpredikers dier dagen
predikten. Tegen hen trekt de Divisiekroniek, te Leiden
uitgegeven, te velde en schrijft: Och! och! wat groote
sommen gelds en hoe menig honderd duizend gulden komt
jaarlijks uit Duitschland te Rome. Het is geen wonder,
dat wij aan goud en zilver gebrek krijgen, als het in zulke
zakken vol dagelijks opgedragen en geplukt wordt.
In „de Gouden kroon van Maria", te Deventer gedrukt
a° 1516 vindt gij het verhaal van een monnik, die na zijn
dood aan een anderen monnik verschijnt en hem klaagt,
dat hij ondanks zijn aflaatbrief voor eeuwig verdoemd is.
„Hoe!" zegt de ander met verbazing, „was dan die brief
-ocr page 33-
3i
niet in orde ?" Wel zeker, luidt het antwoord, maar
Christus had er zijn zegel niet aan gehecht. Nog een
kloosterbroeder, aan wien weder een verdoemde zich ver-
toont, krijgt op soortgelijke vraag tot bescheid: „de brief
was wel in orde maar ik, ongelukkige, ben gevallen in
handen van een duivel, die niet anders dan Duitsch en
geen Latijn verstaat; daarom heeft mijn Latijnsche brief
niet kunnen beletten, dat die duivel mij met zich naar de
hel heeft gesleept." Aldus de schrijver in de Gouden
Kroon van Maria.
Onder de schriften dier dagen noemen wij ook den
Preekbundel van Nicolaas Peters, voor wien alles zich
oplost in dezen grondregel: God geeft vergiffenis van zonden
en eeuwige zaligheid door Christus uit louter genade zonder
verdiensten des menschen. De instellingen der kerk: vasten,
bedevaarten enz. worden niet hoog aangeschreven. Van
het kloosterleven wordt gezegd: „Jezus, ofschoon hij op
„den berg placht te bidden, bleef evenwel niet op den
„berg wonen, gelijk de monniken doen, maar hij ging
„weder van daar, opdat hij steeds bereid zou zijn, de
„lijdende menschen te helpen. Jezus wil niet dat de mensch
„steeds in stilte en rust blijve, maar dat hij frisch daaruit
„te voorschijn kome, om zijne naasten te dienen en te
„gerieven, waar hem menige strijd ontmoet." Ziedaar
eene taal naar het Evangelie, anders dan de verheerlijkende
aanprijzing van de kerk, anders dan de sermoenen der
aflaatpredikers; de harten gingen open, die woorden te
gemoet! Weg met de zoo weinig bevredigende leer der
Kerk, zulke boeken moest de schare lezen.
3. Pogingen tot hervorming in den Haag en te Delft.
Sedert 1520 was zekere Wouter, de Luthersche monnik
genaamd, te Delft aan het prediken. Hij had het geeste-
lijk gewaad afgelegd en predikte in burgerkleeding, eerst
in huiselijke kringen, vervolgens in grootere gezelschappen.
Met edele verontwaardiging trok hij te velde tegen den
aflaathandel, die toen ter tijd in de St. Laurenskerk te
Rotterdam gedreven werd. „Hoe!" zeide hij „indien ver-
-ocr page 34-
32
geving van zonden voor geld te koop gesteld wordt, hoe
zou God, die de Heer is van hemel en aarde, Zijnen
zoon in het vleesch gezonden hebben om door zijn bloed
onze zonden te verzoenen!" In alles zocht hij het zuivere
Evangelie te verkondigen en hij deed dat onder de toe-
juiching van velen zijner medeburgers. Te Delft sloot
Frederik Hondebeke (Canirivus) rector der Latijnsche school
zich bij hem aan, in den Haag Cornelis Hoen (Honius)
advocaat bij het hof van Holland en andere invloedrijke
personen. De advocaat Hoen vestigde vooral het oog op
de leer des Avondmaals. De afgoderij, die er gepleegd
werd met dat Avondmaalsbrood, stuitte hem tegen de
borst. Dikwijls deed hij zich zelven de vraag, of dan het
brood door de wijding des priesters werkelijk in het lichaam
des Heeren veranderde en of de Goddelijke Zaligmaker
inderdaad in het gewijde brood moest aangebeden worden ?
Hij stond telkens in twijfel omtrent dit geloofsartikel en
kwam van lieverlede tot de slotsom, dat de woorden der
instelling: dat is mijn lichaam, dat is mijn bloed betee-
kenen moeten en niet anders beteekenen kunnen dan: dat
is het onderpand, het teeken van mijn lichaam. Weldra
werd zijne opvatting het eigendom zijner hoorders. Boven-
dien vond hij een krachtigen steun in een geschrift, dat
behoorde tot de nalatenschap van Jacob Hoek (Angularius),
voorkomende in diens briefwisseling met Wessel Gansfoort.
De aangenomen leer der kerk werd daarin bestreden en
aan des Heeren woorden deze uitlegging gegeven: dat
brood is m zooverre mijn lichaam, als ik, door het u aan
te bieden, zinnebeeldig mijne eigene persoonlijkheid aan
u geef en gij, door het te eten, die persoonlijkheid in u
opneemt.
Zooals gezegd is, deze opvatting vond in den kring der
Haagsche en Delftsche vrienden luiden bijval. Het was of
Hoen het woord gevonden had, dat zijne geestverwanten
zochten en weldra werd deze opvatting van de leer des
Avondmaals in vele plaatsen met warmte aanbevolen.
Maar zou zij nu ook door de geleerdsten hunner hervor-
mingsgezinde tijdgenooten, zou zij door een man als Luther
worden toegestemd ? Ziedaar wat men wenschte te weten.
-ocr page 35-
33
Hinne Rode werd uit Utrecht naar Wittenberg gezonden
met een uitvoerigen brief van Honius, behelzende de mede-
deeling van de geschriften van Wessel Gansfoort en een
verzoek om voorlichting in zulk een gewichtig punt. Was
werkelijk het brood des Avondmaals niets anders dan een
teeken van \'s Heeren lichaam, de wijn een teeken van
zijn bloed? Het antwoord van Luther luidde ontkennend.
„Neen", zeide de Duitsche hervormer, die zich in dit
opzicht van de leer der Roomsche kerk niet geheel kon
losmaken, „het woord spreekt al te duidelijk: dit is mijn
lichaam en dit is mijn bloed! daarbij moet wel degelijk
aan \'s Heeren lichamelijke tegenwoordigheid gedacht wor-
den!" Aldus getuigde Luther, die, naar hij meende, lang
en ernstig over dit aangelegen geloofspunt had nagedacht;
en wat zouden nu de vrienden uit Holland en Utrecht?....
Zich buigen voor het woord van den Wittenbergschen
hoogleeraar en hun gevoelen laten varen ? Of hem tegen-
spreken en zich aan hunne eigene opvatting houden ? Zij
besloten tot het laatste en lieten zich door geene geleer-
den , hoe ook genaamd, aan het wankelen brengen. Het
was en bleef hunne overtuiging, dat het Avondmaal eene
gedachtenisviering behoort te zijn van \'s Heeren lijden en
sterven. Zij hadden genoeg van de schepselvergoding,
zij moesten eene geestelijke opvatting van het Avondmaal
vasthouden. Daarom voortaan de weg gevolgd, dien Wessel
Gansfoort in zijnen tijd reeds had aangewezen!
Bij hunne toehoorders in verschillende plaatsen vond deze
leer onverdeelden bijval. De afgoderij met het gewaande
lichaam des Heeren had velen reeds lang tegen de borst
gestuit. Zij verlangden naar den tijd, dat zij beter, vrucht-
baarder, gezegender Avondmaal zouden vieren. De leer
des Sacraments werd voortaan de hoofdzaak in den strijd.
Zij werd in prediking en geschriften steeds besproken, zij
stond op den voorgrond der beschuldigingen, die tegen de
hervormingsgezinden werden ingebracht, zij gaf den naam
aan den strijd. Immers voortaan werden allen, die zich
tegen de heerschende kerkleer verzetten, Sacramentisten,
Sacramentarissen of Sacramentariërs genoemd.
Moorrees, Kerkhervorming.                                            3
-ocr page 36-
34
4. De btybel, meer algemeen als volksboek gebruikt.
Opmerkelijk is het, dat tegelijk met de vrijere denk-
beelden van Hoen en anderen ook de Bijbel meer in handen
van het volk is gekomen. Geheel onbekend aan de Neder-
landsche Christenheid was de Bijbel in vroeger tijden niet.
Een deftig burger te Leiden maakte een eigenhandig af-
schrift van den geheelen Bijbel, dat hij anno 1462 in de
Pieterskerk beschikbaar stelde voor ieder lid der gemeente.
Jan Jacobs van der Meer en Mauritius IJemants hebben
voor het eerst den Bijbel in het Nederlandsch gedrukt.
Men bedenke echter dat daarmede slechts bedoeld worden
de Kanonieke en Apocriefe boeken des Ouden Testaments,
met uitzondering van de Psalmen. Het ontbrekende moest
aangevuld worden uit de Psalmboeken, de Evangeliën en
Epistelen van het kerkjaar.
Dat alles intusschen was volgens de Latijnsche overzetting
en had in menig opzicht verduidelijking noodig. Wel nu!
die verduidelijking werd gegeven. Nauwelijks had Luther
het Nieuwe Testament in het Hoogduitsch overgezet, of
daarvan verscheen eene Nederduitsche bewerking, gedrukt
bij Adriaan van Bergen te Antwerpen. Een jaar later,
in 1524, verscheen reeds eene tweede uitgave, en kort
daarop bij Doen Peterszoon te Amsterdam een derde.
Terzelfder tijd zag te Delft ook eene vertaling volgens
Erasmus het licht; nog eene andere volgde; ja, men
berekent dat er in acht jaren tijds 25 uitgaven van het
Nieuwe Testament zijn verschenen.
Welk eene vraag moet er dan naar die boeken geweest
zijn! hoevele exemplareu moeten er van zijn verkocht! wat
moeten ze druk zijn gelezen! Was eerst het Nieuwe Tes-
tament verschenen, weldra volgde het Oude. In 1525 gaf
Petrus Kaetz te Antwerpen de Profeten en Apocriefen in
het licht, vervolgens de Geschiedkundige Boeken. Jacob van
Liesveld was de uitgever, die 6 Sept. 1526 te Antwerpen
een nieuwen Bijbeldruk uitgaf, geheel volgens de overzetting
van Luther. Daarop volgde alweer een tweede. Er was
een lust om te lezen, grooter dan wij ons kunnen voor-
stellen. Het blijkt ook uit de voorrede voor een der Bijbel-
-ocr page 37-
35
drukken , hoe diep men de beteekenis des Bijbels gevoelde.
„Nu kan" — aldus staat daar te lezen — een arm
mensch, die in zonde dood is en met de helle voor de
oogen, niet kostelijker hooren dan al zulke liefelijke bood-
schap van Christus, alzoo dat zijn hart van gronde moet
lachen en vroolijk worden, voor zoover het gelooft dat
de boodschap waar is." In eene andere voorrede staat:
„wij durven niet zorgen (bevreesd te zijn) dat wij te ver-
geefs zullen komen, want de Heer is nu bij de zijnen
sterker dan hij voortijds lichamelijk tegenwoordig was bij
de Joden , want hij heeft ons de allerzuiverste aderkens
van zijnen geest in het Nieuwe Testament gelaten. Daar
mogen wij heengaan, zoo dikwijls ons lust. Die mogen
wij altoos bij ons dragen. Daar hebben wij de fontein
onzes Zaligmakers, waaruit wij anders niet scheppen noch
vinden dan onze zaligheid."
Waarlijk, daar is water geschept uit die bronaderen.
Vier uitgaven van den geheelen Bijbel, vijf en twintig
van het Nieuwe Testament in acht jaren tijds! Wat een
kennis moet er zijn verspreid, wat een oordeel kon er
worden gevormd over verschillende gevoelens, over leerin-
gen voorgedragen door mannen des behouds en mannen
van den vooruitgang Van de Schelde tot den Dollart werd
de Bijbel het eigendom van hen, die hem begeerden. Han-
delaar en ambachtsman, burger en boer kwam bijeen tot
bespreking van de waarheid. Vrouwen namen deel aan
die samenkomsten. Rectoren der Latijnsche scholen en
advocaten, pastoors en kloosterbroeders stonden aan het
hoofd der beweging. Waartoe zou dat alles leiden?
Daar kwam uit den vreemde krachtige aanmoediging
tot een vrij en onpartijdig onderzoek bij Uit Emden in
Oost-Friesland werd vernomen, dat graaf Edzard de boeken
van Luther vrij liet lezen. Menig koopman keerde uit Emden
met die boeken huiswaarts. Te Antwerpen, waar zich ook,
evenals te Dordrecht, een Augustijner klooster bevond, wer-
den door de monniken Luthers gevoelens krachtig aangepre-
zen. Te Bremen was ook een groot deel der bevolking voor
de hervorming gewonnen. Wezel had eene school, waaraan
vrijzinnige leeraars onderwijs gaven en hertog Jan van Gulik
-ocr page 38-
36
en Cleve stond aan de predikers binnen zijne landpalen
toe, het woord Gods te verkondigen. Aan de Witten-
bergsche hoogeschool studeerden vele Nederlandsche stu-
denten. Zij brachten liefde voor de leer van Luther in
hun vaderland mede. Van zoo verschillende zijden werd
in die dagen de geest gewekt. O! het moeten dagen van
zeldzame geestdrift voor de belangen der menschheid zijn
geweest! Onze vaderen namen ruimschoots deel daaraan ;
en toen de vervolging tegen het Woord was uitgebroken,
de vrijheid op allerlei wijs was beperkt geworden en de
Antwerpsche monniken Voes en Van Essen te Brussel
als martelaars gestorven waren, haastte Luther zich een
brief te schrijven, waarin hij deze lofspraak tot de her-
vormingsgezinden in de Nederlanden richt: „nu is weer
de tijd gekomen dat wij de stem der tortelduif hooren
en de bloemen opengaan. Welk eene vreugd mijne lief-
sten! dat gij de eersten zijt, waaraan wij dat beleven;
want u wordt het gegund, het Evangelie niet alleen te
erkennen, maar ook om Christus\' wil schade en schande,
angst en nood te verdragen , ja! voor Hem uw bloed te
storten."
5. Plakkaten tegen de hervorming:.
Reeds spraken wij van het uitbreken der vervolging en
van het bloed der martelaars. Helaas, droevige blad-
zijden in het boek onzer geschiedenis, maar die niet
kunnen overgeslagen worden! Nederland, wij bedoelen
Noord-Nederland , was destijds onder het bestuur deels
van Keizer Karel V, deels van den Utrechtschen bis-
schop, Filips van Bourgondie, deels van den Gelderschen
hertog Karel van Egmond. De Keizer regeerde over Hol-
land en Zeeland (aanvankelijk; later breidde zijn gebied
zich verder uit), de bisschop over Utrecht en Overijssel
en de hertog over Gelderland, Groningen, en Friesland.
Deze drie vorsten duldden de hervorming niet. Zij legden
de vrijheid aan banden en gaven strenge bevelen. Het eerste
plakkaat was dat van Karel V en werd 29 April 1522 in
Holland en Zeeland afgekondigd. Het bevatte een verslag
-ocr page 39-
37
van den rijksdag te Worms, waar Luther in den rijksban
gedaan was, voorts het bevel, Luthers schriften te ver-
nietigen en geen boeken op te stellen, te drukken, te
koopen en te verkoopen, aan de zijnen gelijk. De bis-
schop van Utrecht gaf dezelfde bevelen en Karel van
Gelder, die een boekje liet opstellen, waarin de hervor-
ming werd beschreven als de komst van den antichrist,
dreigde ook met de strengste maatregelen van bedwang.
Het zag er dus met de zaak der vrijheid treurig uit, maar
in het vervolg van tijd bleek meer en meer, dat het ge-
makkelijker was, plakkaten af te kondigen dan uit te
voeren, De Keizer had aan meester Van der Hulst,
raadsheer in het Hof van Brabant, de uitvoering opge-
dragen. Deze raadsheer, een wereldlijk persoon, had de
volle macht, om ketters te vervolgen. Naar goedvinden
zou hij hen kunnen verbannen, ter dood brengen en hunne
goederen verbeurd verklaren. Van zijne vonnissen was
geen hooger beroep, tenzij de Voorzitter van den grooten
Raad te Mechelen er zijne goedkeuring aan onthield.
De Staten van Holland, het Hof en de burgerij hadden
in die uitgebreide rechtsbevoegdheid van Van der Hulst
veel bezwaar en drongen er op aan, dat het plakkaat
althans geene terugwerkende kracht zou hebben. Dien
wensch verkregen zij, maar overigens werd er in de aan-
stelling van den geloofsrechter niets veranderd. De raads-
heer had echter geen moed om door te tasten, hij durfde
althans geen vonnis vellen, hoewel hij wist dat de ketterij
hand over hand toenam. De Keizer liet vervolgens een tweede
plakkaat uitvaardigen om alle nieuwe Testamenten en andere
verboden geschriften te verbranden en geene boeken te druk-
ken, te koopen of te verkoopen dan die door de overheid
waren goedgekeurd. Toen waagde meester Van der Hulst het,
den advocaat Hoen, als van ketterij verdacht, uit zijne
woning in den Haag te doen oplichten en naar de gevangenis
te Geertruidenberg over te brengen. De landvoogdesse even-
wel , des Keizers tante, was er ontevreden over, dat Van der
Hulst den Voorzitter van den grooten Raad niet geraadpleegd
had en gaf daarom last, dat de gevangene terstond zou
losgelaten en naar den Haag teruggevoerd worden.
-ocr page 40-
Het duurde lang, eer de zaak in den Haag behandeld
werd. Meester Van der Hulst liet weken lang op zich
wachten, betuigende dat hij uit vrees voor oproer niet in
den Haag durfde verschijnen. De landvoogdesse stond
hem toe, in plaats van in den Haag, in eene andere stad
recht te spreken. Dat was evenwel niet naar den zin van
de Staten van Holland, die den gevangene volstrekt niet
wilden uitleveren en een protest bij de landvoogdesse in-
dienden. Tengevolge daarvan schorste zij meester Van
der Hulst en bewerkte vóór het eind des jaars zijne ont-
zetting uit het ambt, hem toevertrouwd.
Gedurende dien tijd had Hoen met eenige andere man-
nen gevangen gezeten, zonder iets van een rechterlijk
onderzoek te hooren. Zou het optreden van een nieuwen
rechter daarin verandering brengen ? Zouden het voortaan
geestelijke rechters zijn ? Wie kon het zeggen! De Keizer
scheen voor alle dingen de macht aan zich te willen hou-
den en eene gehecle verandering in het bisschoppelijk
bestuur der kerk te beramen. Het spreekt van zelf, dat
onder het twisten over rechtsbevoegdheid de ketters in
aantal wonnen en hunne kans vermeerderde om ongestraft
te blijven. Van de zijde der geestelijken geschiedde niets
om het oude geloof aan te bevelen dan dat er tegen de
ketters gepredikt werd. De stadsregeeringen ijverden voor
hare eigene rechtspraak en wilden niet voldoen aan den
eisch der regecring om de gevangene ketters naar elders
te voeren. De Keizer mocht al zeggen, dat ketterij eene
misdaad van gekwetste majesteit was, de steden bleven
bij haar gevoelen. Menige stadsregeering beveiligde daar-
om de ketters tegen allen overlast, of, als zij zich daar-
toe niet gerechtigd achtte , dan haastte zij zich door ei-
gene rechtspleging den Keizer vóór te zijn. Gelukkig
vaak voor de ketters, die uit handen hunner regenten
lichter straf ontvingen dan hun anders zou opgelegd zijn.
Zoo zou David Jorisz te Delft in 1528, nadat hij aan de
kerkdeur een schotschrift tegen de geestelijken had aange-
plakt, volgens uitspraak der schepenen vrijgekomen zijn met
zes weken in zijn huis en een jaar lang binnen zijne stad te
blijven, terwijl het Hof des Keizers hem veroordeelde tot
-ocr page 41-
39
de geeseling en het doorpriemen van zijne tong, benevens
boete en ballingschap. Hoeveel geschrijf, hoeveel getwist,
hoeveel onderhandeling was er niet aan de uitvoering van
een vonnis verbonden! De schepenen bekommerden zich
over de bedoelingen des Keizers niet, zij zorgden slechts voor
hunne privilegiën. Tastte de Keizer die aan, dan werkten
zij hem in het uitvoeren van zijne plakkaten tegen. Om
die reden is het zoo vreemd niet, dat ondanks des Keizers
wil de ketterij allerwege bleef toenemen, ja dat Erasmus
in 1525 moest getuigen: het grootste deel des volks kent
de leer van Luther en wordt dagelijks meer van de kerk
afvallig.
6. Het eerste doodvonnis, te Utrecht ten uitvoer
gebracht.
Ondanks de moeite, daaraan verbonden, zette de Keizer
zijn plan door. De plakkaten moesten uitgevoerd worden,
en wat de Keizer wilde, dat wilde de bisschop van Utrecht
ook, en juist de stad Utrecht zou de eerste zijn om den
geloofsmoed van eenen ketter aan het licht te brengen.
In het laatst van 1521 werd Herman Gerrits, pastoor van
de St. Jacobskerk voor de kettermeesters ontboden. Reeds
was de houtmijt opgericht, die met ontzettende gewisheid
aankondigde, dat hier zou doorgetast worden. Reeds stond
het volk in groote menigte om den brandstapel geschaard,
toen de beschuldigde priester te midden van eene groote
schare zijne gevoelens herriep en zich opnieuw aan den
Paus van Rome onderwierp. Helaas! het was den overi-
gens goeden en achtenswaardigen man onmogelijk, den
schrik des doods te overwinnen. De liefde tot het leven
bewoog hem aan zijne gevoelens ontrouw te worden.
Toch waren er onder de leden zijner gemeente, die zich
standvastiger hielden en de doodsgevaren trotseerden. Een
dier standvastigen was Willem Dirks, stadskuiper in de
Viesteeg, de Roode kuiper bijgenaamd. Hij werd ook
van ketterij verdacht en in het verhoor genomen. Het
-ocr page 42-
40
bleek dat hij op de gildekamer openlijk had durven zeg-
gen, dat een bisschop, ja! dat ieder priester behoorde
gehuwd te zijn. Op de Katrijnenpoort werd hij gevangen
gezet, daar hij een brief ontvangen had, beginnende met
deze woorden: „Lieve broeder in Christus." Daaruit werd
afgeleid, dat hij met Luthers leer had omgegaan. Voorts
kwam ook aan het licht, dat hij had durven zeggen:
Sint Petrus is nooit Paus geweest; biechten is onnoodig;
bedevaarten zijn onnut, aanroepen van Maria en Heiligen
is ongeoorloofd en het hoogwaardig Sacrament is niets
dan brood. Zijne rechters zeiden: het kwam hem als leek
niet toe, zulke dingen te verkondigen. Willem Dirks
hervatte: hem even goed als den apostelen , die visschers
geweest waren. Zij noemden zijne taal Godslasterlijk,
maar hij betuigde: alles uit Paulus en de Evangeliën te
kunnen bewijzen.
Het einde der rechtspraak was het doodvonnis. De
kettersche man werd ten brandstapel weggevoerd Op de
aansporing van een monnik, die hem begeleidde, om de
voorspraak van Maria in te roepen, antwoordde de mar-
telaar: wat meent gij ? was Maria dan iets anders dan
mijne vrouw of die van een ander?" . . . „Maar zij was
dan toch eene moeder vol genade!" rïep de monnik.
„Neen" luidde het antwoord. „Gods genade alleen had
haar gesterkt!" En in zijne weigering om Maria aan te
roepen volhardende, sloeg de martelaar de oogen opwaarts
en smeekte: „Vader! in uwe handen beveel ik mijnen
geest!" Weldra werd hij door de vlammen van den
brandstapel aangegrepen en tot asch verteerd. Dat ge-
schiedde in de maand Juli van 1525. Met hem opent zich
de rij dier bloedgetuigen, die voor de hervorming het
leven hebben gelaten. Willem Dirks was niet een geleerde,
maar een man uit het volk, ruw, onbeschaafd, maar
moedig, standvastig. Waarlijk! zijn leven en sterven be-
wijst, hoe diep de hervorming in den burgerstand begon
in te dringen. Dieper, steeds dieper zou zij, als eene plant
des hemels, daarin wortel schieten, totdat zij niet meer
zou uit te roeien zijn.
-ocr page 43-
4*
7. Het leven en sterven van Jan de Bakker (Pistorius).
Een bekende naam uit de geschiedenis dier dagen is die
van Jan de Bakker uit Woerden. Door den Utrechtschen
rector Hinne Rode opgeleid, had hij reeds vroeg vrijzinnige
gevoelens ingezogen, Te Leuven tot pastoor gevormd
kreeg hij eene aanstelling tot kapelaan te Woerden. Weldra
bleek het, dat de Roomsche kerk van dezen vrijzinnigen
kapelaan niet veel goeds te wachten had. Hij werd van
ketterij beschuldigd en gevangen gezet. Op voorspraak
der gemeente, die hem om zijne rondborstigheid en eerlijk
karakter lief gekregen had, ontslagen, verwijderde hij zich
uit zijne woonplaats en leidde een tijd lang een zwervend
leven. Door zijn hart gedrongen om terug te keeren,
zette hij zijne prediking in denzelfden geest als vroeger
voort en werd tot boetedoening veroordeeld. In plaats
van zich te onderwerpen ging hij opnieuw in den vreemde
zwerven, en in het diepst geheim hier en daar zijne geest-
verwanten bezoeken en toespreken. Toch hing zijn hart
nog altoos aan zijne Woerdensche gemeente en waagde
hij het nogmaals zich daar te vestigen. Hij wekte echter
de niet onverklaarbare ergernis zijner rechters door een
nieuwen, stouten stap. Hij — de kapelaan van Woer-
den — trad in het huwelijk De vrouw, aan wie hij zich
verbond, was noch rijk noch schoon noch aanzienlijk,
maar hij had haar lief en wilde het bewijs geven dat hij
zich niet langer aan de wet van het priesterschap gebon-
den rekende. Hij arbeidde nu ook voor zijn dagelijksch
brood, oefende het bakkersbedrijf uit of zocht andere bezig-
heid. Toen er echter vanwege den Paus een nieuwe aflaat
nangeboden werd, trok hij zijn geestelijk ambtsgewaad
weder aan en zette zich te Woerden in den biechtstoel
neder. Het vuur der edelste verontwaardiging blaakte in
zijn gemoed en menig nadrukkelijk woord werd door hem
gepredikt. Hij vond echter geen genoegzamen steun bij
de gemeente om voort te gaan, boog voor zijne kerkelijke
overheid het hoofd en liet er zich toe bewegen om openlijk
schuld te belijden en de genade der Roomsche kerk in te
roepen. Hij, een schuldbelijdend zoon der Roomsche kerk,
-ocr page 44-
42
hij, de vurige, de door onderzoek en nadenken verlichte
man! Neen, dat was hem op den duur onmogelijk. Hij
moest zich weldra weer aan kettersche uitspraken schuldig
maken, en in handen van de geloofsrechters vallen. Deze
waren thans Coppin, Rosemond en Ruard Tapper, de
laatste uit Noord-Holland. Zij namen Pistorius *) te \'s Gra-
venhage in het verhoor. Daar vielen zij hem inzonderheid
over zijn huwelijk aan. Hij verdedigde dien stap omdat
hem, zooals hij zeide, de gave der onthouding niet ge-
schonken was. „Maar hij had toch de priestergelofte
afgelegd!" O ja, maar in onkunde. „Nu ja, maar de
ketterij moest uitgeroeid worden." En Jezus h^eft geboden
dat men het onkruid niet zou uitroeien! „Ja, maar Ananias
en Saffira waren toch uitgeroeid." Hebt gij, o inquisiteur.\'
de zelfde wondermacht als de apostel Petrus ? „Maar wij
hebben geene macht om u te ontslaan." Neen, maar gij
levert ons over aan den wereldlijken rechter.
Aldus was in korte trekken de loop van het gesprek
tusschen de geloofsrechters en Pistorius. Daags na dit
verhoor schenen de rechters gunstiger jegens hem gestemd
en drongen er op aan, dat hij schuld belijden zou. Het
scheen dat hij er toe te bewegen was, maar op het be-
slissend oogenblik ontwaakte in hem de vurigste geloofs-
moed en op de bedreiging: wij zullen u tot den brandstapel
veroordeelen, luidde zijn krachtig bescheid: welaan, ver-
vult de maat uwer vaderen, opdat al het rechtvaardige
bloed op u kome, dat van Abel af is gestort!
Men beproefde nog, of het mogelijk was hem door den
invloed zijns vaders tot andere gedachten te brengen;
maar deze, een oud man, was zelf zoo vast overtuigd
van de deugd zijns zoons en beriep zich tot verdediging
van het door hem gesloten huwelijk zoo stoutmoedig op
het Nieuwe Testament, dat de inquisiteur toornig uitriep:
„zooals de vader is, zoo is de zoon." „Ja", hervatte de oude
man, „het Nieuwe Testament ken ik; want dat heb ik gele-
zen." Van toen af werd Pistorius in een akelig kerkerhol op
•) Aldus luidt gijn hollandsche naam De Bakker in het Latijn.
-ocr page 45-
43
de Voorpoort in den Haag opgesloten. Met brood en water
moest hij zich vergenoegen. Gelukkig voor hem, dat
slechts een houten beschot hem van zijnen medegevangene
Gnafeus scheidde, zoodat zij samen konden spreken. Over
het geheel was Pistorius kloek en kalm gestemd. Een
zijner medegevangenen, die van de koude hinder had,
dekte hij met zijnen mantel. Zijn vader, die hem bezocht,
moedigde hem aan zeggende: „ik bid u, mijn allerliefste
zoon! dat gij van het woord Gods niet wijkt. Ik
wil u gaarne opofferen, zooals Abraham zijnen zoon Isaak
deed."
In den nazomer kwam de landvoogdesse in den Haag,
vergezeld van den stadhouder Antonie Van Lalaing. Eene
plechtige zitting van den inquisitieraad werd in de groote
Hofzaal gehouden. Men wees Pistorius op de smart, die
zijne vrouw en ook zijne ouders over zijnen dood zouden
gevoelen, maar het geloovig en heldhaftig antwoord luidde:
„hoe het hun gaan zal, beveel ik aan God Almachtig,
die de zorg voor hen op zich heeft genomen." Aan Ruard
Tapper deed hij belijdenis van zonden. Wat zijn huwe-
lijk betreft, daaromtrent had hij geene gewetenswroeging.
Dat was in zijn oog geen zonde. Zijne rechters echter
verklaarden hem vervallen van zijn geestelijk ambt. Hij
had het Pausdom bestreden, Luthers lessen gevolgd, het
vasten overtreden, den ongehuwden staat geschonden, en
op grond van dat alles werd hij als ketter aan de wereld-
lijke macht overgegeven. De wereldlijke macht aarzelde
niet, terstond daarop het doodvonnis uit te spreken.
Pistorius, gedost in een kort geel kleed, met een zots-
kap op het hoofd, werd weggeleid naar het Buitenhof.
Door de Voorpoort gaande, waar Willem Ottens uit
Utrecht, Gerrit Van Wormer en Bernard ook gevangen
zaten, riep de martelaar uit: „broeders! ik ga voor, zoo
blij alsof ik ter bruiloft ging!" Zij gaven hem tot ant-
woord: „broeder! strijd vromelijk, wij zullen u volgen!"
Daarop hieven zij eenen lofzang aan. Die tonen uit den
kerker klonken roerend schoon. Pistorius werd nu aan
den paal gebonden, die boven de houtmijt uitstak. Hij
ontblootte zijne borst, waarop de scherprechter een zakje
-ocr page 46-
44
buskruit vasthechtte, hem voor die daad vergeving vragende.
„Vergeving!" zegt Pistorius, „het is u reeds vergeven,
want ik wist reeds voor een jaar, dat dit mijn einde
wezen zou!" Toen hief hij den 3istenpsalm aan en ver-
zuchtte : „o God! Vergeving voor hetgeen zij mij mis-
doen." Het buskruit ontploft. De martelaar uit een
doordringenden kreet. De vlammen flikkeren, het hout
knettert. Pistorius is niet meer. De rosse gloed des
brandstapels verkondigt aan de Haagsche Burgerij dat er
kettergericht gehouden is. Verschrikkelijke terechtstelling,
wel geschikt om den moed in de harten te dooven!
Jan de Bakker is in het laatst van Augustus 1525 ter
dood gebracht. Doorgaans wordt hij de eerste Noord-
Nederlandsche bloedgetuige genoemd. Ten onrechte. Hij
is de eerste geweest in het graafschap Holland, doch Willem
Dirks, gelijk wij zagen, is in het bisdom Utrecht hem
eenige weken voorgegaan.
En hoe liep het af met de drie andere reeds genoemde
gevangenen en met Gnafeus? Zij zijn niet tot den brand-
stapel veroordeeld, maar tot gevangenschap. Er moet
echter bijgevoegd worden, dat geen dezer mannen den
onuitbluschlijken moed van Pistorius heeft bezeten. Zij
zijn allen in meerdere of mindere mate aan hunne belij-
denis ontrouw geworden. Gelukkig echter voor de goede
zaak der hervorming, dat, waar zij aarzelden, anderen
des te krachtiger zouden optreden om standvastig te blijven
tot den einde toe.
8. Verboden boeken.
Plakkaat volgde op plakkaat tegen kettersche boeken.
Eerst werd de uitlevering van die boeken geèischt, toen
het drukken verboden, tenzij de inhoud vooraf was goed-
gekeurd, daarna het koopen of verkoopen van buitens-
lands gedrukte boeken strafbaar gesteld en eindelijk de
deken van Naaldwijk aangewezen, om al wat er gedrukt
was na te zien en te keuren.
Sedert 1529 werden zij, die kettersche boeken onder
zich hielden, tot de straffe des doods veroordeeld met
-ocr page 47-
45
verbeurdverklaring van hunne goederen, terwijl even strenge
straffen bedreigd werden aan hen, die portretten van Luther
of spotprenten van de maagd Maria in hun bezit hadden,
en die beelden stuk braken. Ondanks deze plakkaten ging\'
het volk zijn gang, het bleef kettersche geschriften lezen.
Duizenden van die vlugschriften zijn ten vure gedoemd en
spoorloos verloren gegaan. Aangaande dezulken, waarvan
er hier of daar in bibliotheken een enkel nommer is be-
waard gebleven, moet dikwijls gegist worden naarden tijd
hunner herkomst, daar zij, noch van den naam des druk-
kers noch van de plaats van uitgaaf, voorzien zijn. Toch
kunnen wij met eenigen grond zeggen, dat tot deze ge-
schriften vertalingen van Luthers werken behoorden en
van andere Duitsche hervormers, voorts de disputatie
tusschen de kettermeesters en Pistorius, de uitlegging van
het geloof in God den Vader, de verklaring van den
profeet Baruch, de troostelijke zendbrief en de postille.
In een dezer boekjes wordt vrijmoedig erkend, dat er op
aarde niet meer dan ééne heilige, algemeene, christelijke
kerk is, namelijk de gemeenschap der vrome geloovige
menschen, die door den Heiligen Geest verzameld zijnde,
dagelijks in de Sacramenten en het Woord Gods versterkt
worden. In het Boek Baruch staat als slotwoord dit
tweeregelig vers: O mensch, wil u wachten voor afgoderij
groot of klein, den Heer uwen God aanbidt en dient
allein.
De Troostelijke Zendbrief bevat uitnemende woorden en
schrijft: „is het, dat wij leden van Christus\' lichaam zijn,
dan moeten wij ons niet verwonderen, zijns lijdens en
kruises deelachtig te worden. Is ons Hoofd met doornen
gekroond geweest, zoo kunnen wij tot het lichaam niet
behooren, tenzij dezelfde smart ons ter harte ga. Is onze
Koning naakt geslagen, bebloed, bespot, bespogen en
opgehangen, zoo mogen wij hier in deze wereld ook niet
altijd onze hartsgenoegens smaken". In de Postille wordt
de kerkleer heftig bestreden en het Avondmaal voorge-
steld als de volkomen gemeenschap met Jezus en de toe-
eigening van de door Hem verworven voorrechten.
Door zulke geschriften werd de geest der hervormings-
-ocr page 48-
46
gezinden gevoed en gesterkt, terwijl daaraan werden
toegevoegd liederen en zangen, ook voor het grootste deel
verloren gegaan, maar met enkele uitzonderingen. Zoo is
tot onze kennis gekomen het lied van het arm schaepke,
zijnde de klacht van eenen ongenoemde, die de geloofs-
vervolging tijdig ontvlucht is.
Ick arm schaep aan de groene heijde,
Waar zal ick henengaen ?
Van vrienden en magen moet ik scheijden
En alleen op Cristum staen.
Ende mij op Hem verlaten.
Al der wereld Jolijt
En mach mijner siele niït baten.
Sij hebben een schaepke gegeten
Sij en sijn noch niet versaed,
Dat wordt haar nu verweten
Daerom zijn zij dus kwaed,
Dat zij ons hebbsn verdreven
Uijt mijn vaders land
Met grooter schand
God de Heer wil \'t haar vergeven.
Ick bidde u, ghij edel Heeren !
Wilt gij Gods oordeel ontgaen,
Dat ghij u toch wilt bekeeren
En sien wat ghij hebt gedaen ,
Gij brandt Gods uitverkoren !
Om seker geld
Dat men u telt,
Wilt gij Gods Woord versmoren.
9. Godsdienstgesprek te Groningen.
Groningen, toen nog onder de macht van Karel van
Egmond, hertog van Gelderland, was eene stad, waar vele
vrijheidlievende geestelijken woonden. Het zaad door
Wessel Gansfoort gestrooid, was welig opgegaan en had
zich voorspoedig ontwikkeld. Willem Frederiks, pastoor
der St. Maartenskerk, een vriend van Erasmus en voor-
stander van verlichting, die Gansfoort nog gekend had,
arbeidde aldaar in denzelfden geest voort. Hij was het,
die ten jare 1523 de geestelijken zijner parochie en den
-ocr page 49-
47
rector der St. Maartensschool aanmoedigde, om in het
strijdperk te treden tegen de Dominicaner-monniken en
een godgeleerd twistgesprek te houden. Dat godsdienst-
gesprek had in het Dominicaner-klooster plaats en was
niet onbelangrijk. De prior der Dominicanen nam bij die
gelegenheid de verdediging van zes stellingen op zich, die
over de wereldlijke macht des Pausen, zijn gezag in ge-
loofszaken, de verhouding van de Kerk tot den Staat,
en het vervolgen van ketters handelden. Wij zullen dat
gesprek, dat in het Latijn gevoerd werd en van grondige
kennis der heilige Schrift en der kerkvaders blijken gaf,
niet in zijn geheel verhalen maar als proef iets mededeelen
van de redeneering van Timmermans, een der vrijzinnige
geestelijken, die zich verzette tegen de stelling, dat de
kerk geroepen is, de ketters ter dood te doen brengen.
„De zwaarste straf" zeide Timmermans, „die de Kerk
mag opleggen , is afsnijding van de gemeente, en Christus
heeft nooit geleerd dat zijne discipelen het zwaard mochten
gebruiken. Men moet de dwalenden liever door verdraag-
zaamheid en gezond onderwijs terecht brengen, en, zijn
zij niet terecht te brengen, dan late men hen over aan
hunnen eigen Heer. Dat leert de apostel in i Corinthe
V en 2 Corinthe II; en de Heer berispte zijne discipelen,
toen zij begeerden dat er vuur uit den hemel zoude neder-
dalen om de Samaritanen te straffen. Niemand mag voor
een ketter gehouden worden dan hij, die openlijk door
apostolisch gezag van dwaling overtuigd , zijne leerstellingen
niet wil laten varen. Den zoodanige moet boete worden
opgelegd , opdat hij , uit de kerk verdreven , alleen blijve
en door schaamte overmeesterd tot betere gezindheid kome.
Zoo heeft de apostel gehandeld met Hymeneus en Alexan-
der, die hij niet met den dood gestraft heeft volgens I
Timotheus i vs. 20. Op deze woorden riep Laurentius,
de prior der Dominicanen verwonderd uit: „waaraan ont-
leent gij die fabel en waar kan ik dat lezen?" Timmer-
mans antwoordde: „kent gij dan het boek van Tertullianus
over het vervolgen van ketters niet, en weet gij niet,
dat de apostel Titus III vs. 10 beveelt: vermijd den
ketterschen mensch na de eerste en tweede vermaning.
-ocr page 50-
48
„En zou het ons dan bevolen zijn, den zoodanige te dooden?"
En nu wees hij hun vervolgens op het voorbeeld van
Tertullianus, die voor de Donatisten was tusschen beiden
getreden en op dat van Martinus van Tours, die de
voorspraak der Gallische ketters was geweest. Voorts
bewees hij hun, dat de zwaarste straf, die de kerk
kon opleggen, de afsnijding van de gemeente, niet door
den priester maar door de gemeente zelve moet uitgesproken
worden.
Al te maal schoone en juiste, in het Evangelie ge-
gronde opmerkingen, zal men zeggen, maar waartoe
moest dat leiden? Wat was de vrucht van het gods-
dienstgesprek ? Die is niet duidelijk aan te wijzen. Het
godgeleerd gesprek moest dienen, om de geestelijken
zelven tot bewustheid te brengen van de meerdere of
mindere beteekenis en kracht hunner bewijsvoeringen.
De prior der Dominicanen heeft te Groningen niets meer
in het belang der Roomsche kerkleer ondernomen, maar
wel is er eene kerkordening ingevoerd, die alle geeste-
lijken verplichtte het rechte, heldere Evangelie Gods,
met uitlegging van de schriften der Apostelen te prediken,
zoodat ieder mensch daaruit kon geleerd, en niemand
behoeft geërgerd te worden.
Toch waren die Groninger geestelijken niet de grond-
vesters van een nieuwen toestand. Zij wisten zelven nog
niet, werwaarts zich te wenden. Aan het verlaten van
de Roomsche kerk dachten zij niet. Veel zou er nog
moeten -gebeuren, voordat de gemeente tot het besluit
kwam, om zelve iets nieuws te beginnen. Veel onrust,
overspanning, dweperij zou de hoofden en harten beroeren.
Zware verdrukking zou er moeten doorgestaan worden;
en ofschoon Groningen vóór de komst van Alva geen
brandstapel heeft zien oprichten en de Evangelische
vrijheid zich daar gemakkelijker dan elders heeft
kunnen ontwikkelen, zijn er nog jaren verloopen, voor-
dat men ook daar tot een wel geordenden toestand heeft
kunnen overgaan.
Dezelfde opmerking kan gemaakt worden omtrent Fries-
land, dat in 1523 aan de erflanden van Keizer Karel aan-
-ocr page 51-
4$
gtehecht\', de gestrengheid zijner plakkaten in de eerstvol*-
gende jaren nog niet heeft gevoeld. Het wemelde er wel
van vrijheidlievende geestelijken en het volk mocht de
leerstellingen van Luther wel hooren, maar het kwam
nog niet tot eene scheuring met de kerk. Ook in Fries-
land zou nog veel onrust, overspanning, dweperij de
hoofden en harten beroeren, ook daar zou veel bloed
worden gestort. Sedert 1526 is de inquisitie in Friesland
hare werkzaamheid begonnen. Toen werden twee burgers uit
Stavoren wegens ketterij veroordeeld tot ballingschap. Een
ander Friesch burger, die „de reine jonkvrouw Maria, de
moeder Gods" schandelijk gelasterd had, werd de tong
met een ijzer doorboord. Kettersche boeken werden in
Friesland verboden en in 1530 werd Wijbrand Janszoon
tot asch verbrand. Met dat al kon de Keizer ook daar
zijn doel niet bereiken. Ook in Friesland drong het licht
eener gezuiverde kennis van het Evangelie ondanks alle
hinderpalen telkens verder door.
                  •\'
10. De uitvoering der plakkaten In Gelderland,
Noord-Brabant en Zeeland.
De hertog van Gelderland wilde van geen nieuwigheden
in het stuk der religie weten. In 1529 ging er van hem
een plakkaat uit tegen alle lieden, gezetenen, vreemdelingen,
■mannen of vrouwen, die met Luthersche ketterij besmet
waren en binnenshuis of in herbergen en bijeenkomsten
iets deden of spraken dat naar ketterij zweemde. Zij moesten
zonder genade ter dood gebracht en hunne goederen ver-
beurd verklaard worden. Naar men zegt is hij zoo streng
te werk gegaan dat hij iemand, die een kettersch lied
gezongen had, aan den scherprechter zond met bevel, om
hem zonder vorm van proces in zijn eigen huis te onfr-
hoofden. De vrijzinnige pastoor Geldenhauer te Tiel, de
ons reeds bekende vriend van Erasmus, die aandrong
op de viering des Avondmaals onder gebruik van brood
«n wijn, kon het dan ook niet volhouden maar werd
gedwortgen zijne prediking te staken en naar Duitschland
te vluchten. Eene vrouw te Tiel, op haar. sterfbed de
Moorrees, Kerkhervorming.
                                            4
-ocr page 52-
So
genademiddelen der kerk weigerende en het sacrament
des altaars verachtende, werd veroordeeld. Haar lijk is
opgegraven en door beulshanden verbrand. De pastoor
te Grave zag zich verplicht, wegens zijne vrijzinnige
prediking het land te ruimen. Te Nijmegen werden twee
vrouwen van deftigen stand op den brandstapel gebracht
om hare Luthersche gevoelens. Te Venlo werd aan Jacob
van Lowendael, de Lutheraan bijgenaamd, de tong met
een priem doorstoken. Te Arnhem werden kettersche
geestelijken onthoofd, verbannen of verdronken. Arnoud
van Cuijck, rector van de Fraterschool te Doesborg werd
onthoofd en zijn lijk verbrand. Op dezelfde wijze ging
het in de overige Geldersche steden. De hertog had het
voornemen aangekondigd, de Lutheranen uit te roeien,
en waarlijk! hij heeft het zijnen hervormingsgezinden
onderdanen ontzettend bang gemaakt.
Tegelijkertijd zette de Keizer de uitvoering van zijne
plakkaten in Brabant en Zeeland met gestrengheid voort.
Volgens zijne bevelen mocht er niet geredetwist worden
over de Heilige Schrift, geen ketter mocht worden geher-
bergd. Vooral ging de regeering de geheime samenkom-
sten te keer en ook het optreden der Rederijkers, die in
min of meer bedekte termen door toespelingen of dubbel-
zinnigheden, hunnen afkeer van de kerkleer lucht gaven.
Ware des Keizers plakkaat naar de letter uitgevoerd, dan
zou elk burger, die een verboden boek in zijn huis had,
zonder het vrijwillig uit te leveren, onthoofd moeten zijn.
Toch woedde de overheid buitengewoon fel, en bracht,
door vrees aan te jagen, de zwakke gemoederen tot afval.
Zoo geschiedde het te \'s Hertogenbosch, waar negen van
de twaalf wegens de „verdoemde ketterij van Luther"
aangeklaagde burgers openlijk in de Sint Janskerk hunne
gevoelens herriepen. Laat ons deze menschen niet hard vallen!
Op het plein vóór het raadhuis stond reeds de houtmijt
opgericht en kettersche boeken werden er op verbrand. Is
het dan niet te begrijpen, dat zij op zulk een gezicht
huiverend terugtraden? Maar des te eerbiediger noemen
wij de namen van den speldemaker Joost, zoon van Gerrit
De Lepper, die onthoofd, en van Peter Hoorns eenen
-ocr page 53-
5i
wever (beiden uit Vucht), die levend verbrand is. De laatste
verklaarde niets anders, zegt het oud verhaal, dan dat hij
gaarne wilde sterven. Welk eene geloofsgetuigenis, roerend
door haren eenvoud! De snijder Emond werd onthoofd
en de pottebakker Joost insgelijks , betuigende tot in de
stervensure: „ik heb nergens mee omgegaan dan met het
Woord Gods." Te Bergen op Zoom werden in 1529 vier
mannen om hunne gevoelens onthoofd en twee vrouwen
levend begraven. De hoofden werden, om tot een afschrik
te strekken, op staken gezet.
Met een paar priesters te Middelburg, ook wegens
ketterij aangeklaagd. liep het nog al gunstig af, misschien
omdat zij zich gewonnen gaven, maar in 1530 werden er
toch vier menschen in Zeeland onthoofd. Zij hadden,
zoo het heette, kwalijk gesproken van „het Sacrament,
het fondament van ons Christengeloof." Te Veere was
groote opgewektheid tot het bijwonen van vergaderingen,
scholen genaamd, waar de godsdienstige vraagstukken
besproken werden. Iemand uit het volk verklaarde die
scholen niet te willen verzuimen, al moest het hem de
vriendschap van zijne liefste betrekkingen kosten. Die
scholen werden gehouden bij Cornelis den kuiper, Frans
den mandemaker en Berend den schoenmaker, terwijl
zekere Claas uit Holland de voorganger was Alles
ging daar hoogst eenvoudig toe: de voorganger zat bij
zijne hoorders aan tafel, en om de zaak te verbloemen,
werd het samenzijn met een maaltijd besloten; maar dat
die scholen vrucht droegen, bleek, uit het gezegde van het
volk op straat. Eens bij het rondgaan eener processie
durfde Adam Tonissen uitroepen: „ginds brengt men de
ijdele kas van den profeet Baal aan 1 dat brood is niet
„Gods lichaam, dat in de ciborie opgesloten ligt! Zij
zouden Hem opsluiten! Hij wil niet opgesloten zijn; maar
„God zeide aan het Avondmaal, slaande op zijn lichaam
„met de hand: hoc est corpus meum." Aldus sprak het
volk op straat. Paschen werd een jaarmarkt genoemd, goed
om aan de papen geld te bezorgen. De mis! . . . .
„ik voel aan mijn beurs dat het mis is" spotte het
volk. Priesterschap! . . . . „ik heb zelf grooter macht
4*
-ocr page 54-
52
dan al de priesters!" Kloosterleven ! ..\' I : „er uit, uit dié
kerkers." Vagevuur! .... „dat bestaat slechts in het hol
van- des priesters tasche." Laatste oliesel! .... „het
heeft de kracht van olie, daar men de schoenen mee
smeert." Ruwe taal, kennelijk uit den mond van de
mannen des volks, maar deze waren de kracht der her-
vorming in de Nederlanden. Het was de zaak des volks,
en daarom hebben mandemakers, smeden, timmerlieden
er zich voor laten geeselen, branden en onthoofden.
Te Zuidland op Voorne had eene vrouw bij gelegenheid
van een processie uitgeroepen: „ziet dat is der papen God,"
en geweigerd de knie te buigen. Anderen waren haar in
die oneerbiedigheid gevolgd. Twee der vurigste Sacramen-
tarissen werden veroordeeld. Adriaan Cram is de tong door-
priemd en Catelijne Bouwens is in den Haag verbrand,
tegelijk met den martelaar Antonie Frederiks uit Naarden
en Cornelis Wouters, die onthoofd werd, uit Dordt.
Deze Wouters, een ongeletterde man, had vroeger zijne
kettersche gevoelens herroepen, doch later zijne herroeping
diep betreurd en schriftelijk teruggenomen. Voor de ge-
loofsrechters ontboden betuigde hij gaarne voor zijn geloof
te zullen sterven, niet alleen een korten dood, maar
veel pijn en een langen dood te willen lijden, opdat een
iegelijk zou mogen weten, dat zijne herroeping van
vroeger hem leed had gedaan. De rechters, medelijden
met een man gevoelende, dien het blijkbaar zoo hooge
ernst was, lieten hem nog tijd om zich te bedenken, maar
hij bleef bij zijn gevoelen en werd onthoofd.
11. Terechtstellingen in Holland.
; Te Rotterdam werden bij Cornelis Pietersz samenkom-
sten gehouden onder voorgang van een metselaar uit
Delft, een behoeftig maar welbespraakt man. Deze
leerde ook dat de hostie gewoon brood is en de mis
niet anders dan „beestenmissie" en het kruisbeeld . . . .
„daar hangt het eene hout aan het andere" riep hij
spottend uit. Vasten ! . . . . waartoe het vasten ? „het
vasten is anders niet dan hoofdbreken, want God heeft
V
-ocr page 55-
53
voor ons allen genoeg gedaan." Aldus luidde de hoofd-
som zijner ruwe maar voor het volk verstaanbare prediking.
Zijn vader, dezelfde.gevoelens toegedaan, werd gegeeseld
en voor drie jaren gebannen; hem zelven werd de tong
doorpriemd, toen werd hij aan de kaak gesteld en voor
zes jaar gebannen.
En hoedanig was de toestand te Delft en in den Haag?
Hoen was in de gevangenis overleden, Hondebeke had
Delft verlaten, Gnafeus, na herhaaldelijk gevangen gezeten
te hebben, was naar het buitenland gevlucht. Toen
kwam David Jorisz aan het hoofd der Sacramentarisseil
te Delft, maar om zijn heftig protest tegen de afgoderij
met een wonderdoend Mariabeeld in de Nieuwe Kerk werd
hij gevangen gezet en nadat hij zijne straf ondergaan had,
vertrok hij naar elders. Delft en den Haag aldus van
voorgangers en leidslieden verstoken , zetten nog wel het
onderzoek des Evangelies voort maar meer dan vroeger
in het geheim. Ook op de dorpen, zooals te Ter Heide,
werden de Sacramentisten vervolgd. Eene vrouw die zich
tegen de hostie uitgelaten en ketters geherbergd\' had,
werd veroordeeld te pronk te staan en hare woonplaats
uitgedreven. Zoo begreep de keizerlijke regeering hare taak:
Met ijzeren arm zocht zij de hervorming te onderdrukken,
en overal stuitte zij op den geest des volks. Zij kon den
kleinmoedigen vrees aanjagen, den kloekmoedigen straf
opleggen, den vurigen van geest den marteldood doen
ondergaan. Straks zouden weer anderen de stem verheffen
en getuigen, van hetgeen zij uit de Heilige Schriften en
den mond der hervormers vernomen hadden.
In den omtrek van Leiden werden druk bezochte ver-
gaderingen gehouden van mannen en vrouwen, waarbij de
voorgangers dezelfde gevoelens omtrent het Avondmaal
verkondigden als elders. De knecht vau een leidekker te
Leiden verklaarde ronduit: of hij den ouwel at uit de hand
des priesters of een gewoon stuk brood, dat alles was het-
zelfde." Hij werd veroordeeld om te pronk te staan met
een rok, waarop voor en achter een kelk stond afgebeeld,
en om met eene brandende waskaars in de hand op
St. Jansdag voor de processie uit te loopen. Een kleer-»
-ocr page 56-
54
maker, die een geschrift aan de Pieterskerk had aangeslagen
met groote en zware ketterijen tegen het hoogwaardig
Sacrament, werd eveneens te pronk gesteld en bovendien
gegeeseld.
Te Haarlem trad zekere Georgius op, leeraar in het
kerkelijk zangkoor en verhief zijne stem tegen den aflaat-
handel, die bij gelegenheid van het jubeljaar 1525 gedre-
ven werd. Hij vond zelfs bij de familie en vrienden van
den schout grooten bijval maar zag zich toch verplicht, de
stad te ontvluchten. Te Krommeniedijk woonde de priester
Cornelis Pietersz, die in verlichten geest predikte en een
blinden ketterschen balling uit Leiden herbergde. Beide man-
nen trokken tevelde tegen het vereeren van heiligen en het
ontsteken van waskaarsen en hielden vol, zoolang zij kon-
den , in den omtrek, aan de Zaan, te prediken. Geheel Noord-
Holland telde vele Sacramentisten, en te Enkhuizen, ofschoon
de kettermeester Ruard Tapper daar woonde, werden vele
vluchtende ketters gastvrij opgenomen, verborgen gehouden
en met scheepsgelegenheid naar het buitenland vervoerd. Te
Hoorn werd Jan Cornelisz. Winter als een onverbeterlijk
nieuwigheidszoeker wegens het verspreiden van geestelijke
geschriften gevonnisd. Hij is te Utrecht onthoofd. Op
het schavot zong hij nog den lofzang: ,,Wij loven U, o
God, wij prijzen Uwen naam." Bij den regel: „Profeten,
martelaars vermelden daar Uw eer," daalde het zwaard
des beuls op hem neder.
Te Amsterdam begreep de stadsregeering zelve hande-
lend te moeten optreden en vaardigde eene keur uit,
waarbij tepronkstelling of boete werd opgelegd aan hen,
die vrijbrieven van de geestelijken aannamen tot het sluiten
van een geheim huwelijk. De geestelijken verzetten zich
tegen deze stadskeur en bewerkten bij den Utrechtschen
bisschop, dat de stad met de kerkelijke straf van ban en
interdict bedreigd zou worden. De bisschop zond werkelijk
zulk een bedreiging maar durfde haar toch niet uitvoeren,
daar de keizer hem liet weten, dat, als hij zijn woord
niet introk, beslag op al de goederen en inkomsten der
Hollandsche geestelijkheid gelegd zou worden. Zoo weinig
werkten de geestelijke en wereldlijke macht in dit geval
-ocr page 57-
55
samen I Er volgden telkens moeielijkheden. De stads-
regeering was tegen de geestelijkheid en de geestelijkheid
riep den bisschop tehulp. De bisschop bedreigde de stad,
totdat de keizer aan den twist een einde maakte. Dat
alles werkte den afkeer van de geestelijkheid en de neiging
tot ketterij in de hand. Invloedrijke Amsterdamsche bur-
gers lazen de geschriften der hervormers, stelden vrijzinnige
pastoors zeer op prijs, huisvestten kettersche vluchtelingen
en weerstreefden de uitvoering van de plakkaten. Groote
uitbreiding kreeg de nieuwe leer in de stad, en zij zou
zich nog krachtiger hebben doen gelden, ware er geen
gebrek geweest aan bekwame voorgangers. Helaas, die waren
niet te verkrijgen. Menigeen was reeds het land uitgevlucht,
die anders met de leiding der gemeente belast had kunnen
worden. Thans moesten de Sacramentisten zichzelven stich-
ten. Vonnissen werden weinig gewezen. De belangrijkste
waren deze vier: De schoenmaker Jan IJsbrands werd
voor zes jaar uit de stad verbannen omdat hij in de kerk
geroepen had: „Ik wil maar heengaan: ik heb al lang
genoeg verleiders van God \') gehoord." Albert Dirks had
in den vastentijd vleesch gegeten en werd gegeeseld De
kuiper Jan Pauluszen had tegen het Sacrament gesproken
en moest met een harnas aan, behangen met papieren
aflaten, aan de processie op Sacramentsdag deelnemen.
Hillebrand van Zwol, die het Sacrament voor gewoon brood
had uitgekreten, moest met een priem door zijn tong aan
de kaak staan en de stad ruimen. Deze vonnissen werden
door het bestuur der stad gewezen. Het Hof van Holland
liet Jan Dirks geeselen, de tong doorpriemen en te pronk
staan omdat ook hij het Sacrament had geminacht en
de slotenmaker Wolfert kreeg hetzelfde vonnis met twintig
gulden boete, omdat hij tot een priester gezegd had: „het
zou wel een onwijze God zijn, die als een ouwel tusschen
uwe priesterhanden zou komen."
Wat verder de steden en dorpen van Noord-Holland
betreft, het wemelde er van Sacramentisten. Bijzondere
*) Verleiders van God, of dwaalleeraars.
-ocr page 58-
vermelding verdient ééne deftige burgervrouw-uit Monnik
kendam, Wendelmoet Claesdochter\' genaamd, die haar;
geloof met den marteldood bezegeld heeft. Zij was be-
schuldigd van verkeerde gevoelens tegenover het Sacrament
en vele andere instellingen der kerk, kunnende veel bewijs-
plaatsen uit de H. Schrift aanhalen. De plakkaten eischten
haren dood, maar het Hof had medelijden. Haar bloed-
verwant Jansz, onderpastoor te Gouda, zocht haar tot
andere inzichten te brengen. Vergeefs! Zij volhardde in,
hare gevoelens. Toen werd zij zes maanden te Woerden,
gevangen gehouden. Op nieuw verhoord, betuigde zij het
Sacrament te houden voor brood en meel en „als gijlieden",
zeide zij tot hare rechters, „het voor God houdt, zeg ik
dat het een duivel is." Zij verlangde geen biechtvader
maar biechtte bij Christus. Wie haar dat geleerd had,
zeide zij niet, maar noemde slechts den Heer, van wiens
schapen zij er één was. Veel bezoek ontving zij in den
kerker. Eene welmeenende vrouw smeekte haar: „lieve
zuster, zwijg toch en houd uwe gevoelens voor u zelve."
„Neen", was het antwoord, „ik kan niet zwijgen ; of zij
mij morgen verbranden dan wel in een zak steken en ver-
drinken , dat is hetzelfde. Zooals de Heer het voorzien,
heeft, zoo moet het geschieden " Dominicaner monniken
traden binnen met het kruisbeeld. „Dat is mijn God niet"
riep zij in heftige gemoedsbeweging uit, „het is een ander
kruis waardoor ik verlost ben. Werpt dit in het vuur en
warmt er u bij, het is een houten God." Een der monniken
beproefde nog eens haar tot andere gedachten te brengen.
„Heb ik u niet gezegd", was haar antwoord, „dat gij mij
niet van mijnen God zult aftrekken!"
Zij werd tot den brandstapel veroordeeld. Op de gerechts-
plaats keerde zij zich nog eens tot de saamgeschoolde
menigte, zeggende: „ik bid u, als ik iemand misdaan of
vertoornd heb, dat gij het mij vergeven wilt!" De aan-
blik van de houtmijt bracht haar niet tot wankelen. De beul,
door hare standvastigheid bewogen, riep haar toe: „moeder,
blijf bij God en laat u van Hem niet aftrekken." Neen
zij liet zich niet van God aftrekken. Zelve trad zij toe
tot den worgpaal, ontknoopte haren halsdoek en wierp
-ocr page 59-
57
zich den strop om. „Wendelmoet!" zegt een der monniken,
„Wilt gij als een Christenmensen sterven?\'\' „Ja ik" her-
vatte zij. „Verloochent gij dan alle ketterij? is het u leed
dat gij gedwaald hebt?" vraagt de monnik. „Ik heb vroe-
ger gedwaald" antwoordt de geloofsheldin, „en dat doet
mij leed, maar thans dwaal ik niet meer, ik ben op den
rechten weg en blijf bij God!" Het waren hare laatste
woorden. De doodelijke strik werd vastgesnoerd. De
vlammen stegen op. Wendelmoet Claesdochter had den
geest gegeven.
12. Overzicht van het behandelde tydperk.
Zullen wij nog aarzelen te erkennen, dat de hervorming
de zaak des volks was geworden ? Hoe zouden anders
zoovelen de bangste verdrukkingen voor de nieuwe leer
hebben uitgestaan? Het was de zaak van hun leven ge-
worden. Zij wilden er meê overwinnen of sterven. En
het waren niet vele wijzen naar het vleesch, niet vele
machtigen, niet vele edelen, die zich aan deze zaak ver-
bonden , maar het onedele der wereld en het verachte heeft
God uitverkoren, en hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen
iets is, te niet zou maken, i Cor. i vs. 26 en 28.
En wisten die kleedermakers , die wevers, die mande-
makers, wat zij wilden? of stond hun dit nog niet klaar
voor den geest ? . Vrijheid wilden zij om naar de uitspraak
huns gewetens God te dienen, vrijheid om zich te ont-
slaan van dat juk van menschenleeringen, dat on verdragelij k
werd, vrijheid om zich aan de H. Schrift te houden als
regel des geloofs en vooral om zich los te maken van
die schepselvergoding, die in de leer des Avondmaals zulk
eene ergernis gaf. Overigens wisten zij niet, wat zij verder
zouden doen. In de hitte der vervolging konden zij daar
niet aan denken. Ook ontbrak het hun aan bevoegde
leidslieden. Zij waren aan dwalende schapen gelijk, weer-
loos aan den wolf ten prooi gelaten. Het was het eerste,
tafereel van het bloedig treurspel. Nog veel zou er moeten,
volgen, voordat er een nieuwe Kerk, en een nieuwe Staat
konden tevoorschijn treden.
                        ■•,..■ .< .           ( ,:.;
\'.Ir- ,:. : !               ::-■:..          . : ■■ :..,;;• ;.\' ; . -, ; \',fc ut
^^^—^^^—^—^—                   t .     ,_.     ^
-ocr page 60-
HOOFDSTUK II.
Tijdperk der Anabaptisten.
Het was een wonderlijke tijd — die tijd van Luther.
Een gevoel van groote en ontzachelijke dingen greep de
menschen aan. Zij leefden in dezelfde stemming, waarin
de apostel Paulus verkeerde, toen hij de woorden neer-
schreef: „het oude is voorbij gegaan, ziet het is alles nieuw
geworden!" Ja, nieuw en ongehoord waren de daden van
Luther. In stoutmoedigheid had hij alles overtroffen , wat
ooit door een dienaar der kerk was ondernomen. Hij had
aan den Paus de gehoorzaamheid opgezegd en den Pause-
lijken banbrief als een nietswaardig stuk papier aan de
vlammen prijs gegeven. In zijne prediking stoorde hij
zich aan geene bisschoppen of kardinalen. Hij sprak steeds
zijne overtuiging uit, ontleend aan de Heilige Schrift en
hij deed dat, behalve in zijne mondelinge prediking, in
geschriften vol geest en vol leven. Maar waar moest dat
heen ? Een man als Erasmus kon er zich volstrekt niet
mee vereenigen. Hij zag niets dan onheil tegemoet. „Ik
verkies," zoo schreef hij, „de nog bestaande inrichting der
kerk boven het verwekken van nieuwe volksbewegingen,
die menigwerf op geheel iets anders uitloopen, dan op
hetgeen men zich voorstelt. Met mijn weten ben ik nooit
een leeraar der dwaling geweest noch een aanvoerder van
oproermakers, en dat zal ik ook nooit worden."
Aldus de bedachtzame en schroomvallige Erasmus, die
zich bewust was niet voor kerkhervormer in de wieg
te zijn gelegd; maar of hij al behoedzaam terug trad,
-ocr page 61-
59
wat baatte het in dien tijd van geweldige beroering der
geesten ? Het volk had zich reeds lang van de denkbeel-
den der hervormers meester gemaakt en zou die reeds
spoedig, helaas! op hoogst onberaden wijze zoeken ten
uitvoer te brengen. Waar nu een Luther zelf de teugels
in handen kon houden, daar bleef de menigte binnen de
palen, en dat te eer, terwijl het keurvorstelijk zwaard van
Frederik den Wijze van Saksen het werk van Luther be-
schermde; maar in andere streken, waar geen Luther zijne
doordringende stem verhief en geen keurvorst de zaak der
bedachtzame hervorming beschermde, aan welke gevaren
stond de door de nieuwe denkbeelden bedwelmde schare
niet bloot! Welke uitspattingen van dweepzucht waren
niet te vreezen ! Welke verwarring zou er niet door woei-
geesten aangericht worden! Onze vaderlandsche bodem
zou daarvan getuigen. De Anabaptisten of Wederdoopers
zouden door hunnen overspannen ijver en hunne buiten-
sporige denkbeelden aan den geleidelijken voortgang der
hervorming groote hinderpalen in den weg leggen.
En was het vreemd , dat zulke afdwalingen plaats vonden ?
Sedert Karel V al zijne krachten inspande om de ketters
uit te roeien, was er voor verlichte predikers, die het volk
gaarne hoorde, geene veiligheid meer. Sommigen waren
reeds als martelaars gevallen, sommigen hadden, door
hunne gevoelens te herroepen, zich voor een dergelijk lot
in veiligheid gesteld, velen waren in ballingschap gegaan
en weer anderen hadden zich schroomvallig teruggetrokken.
Wie bleven er ten slotte over om het volk te leeren ?
Slechts hier en daar een enkele. De heilbegeerige schare
was aan zich zelve overgelaten en moest in de boeken
voedsel zoeken voor haren geest. Het liefst namen zij den
Bijbel ter hand, zooals die, gelijk wij reeds gezien hebben,
telkens beter en vollediger, in het licht werd gegeven. En
wat lazen zij daarin ? de woorden van de oude Godsge-
zanten, profeten en apostelen. Al lezende vergeleken zij
zich — arme schapen zonder herder — met dat oude
Israël, dat door de ellende der woestijn was heengewor-
steld en het liefelijk Kanaan binnengeleid. Zou er ook
voor hen zulk een Kanaan te vinden zijn ? Of zij zagen
-ocr page 62-
6o
hun beeld in die gemeente uit alle tongen en. talen, die
den Heer werd toebereid daar boven in het hemelsch.
Jeruzalem. Telkens werd hunne verbeelding getroffen door
de aankondiging van den .Antichrist, wiens rijk zou over-:,
wonnen worden, en van de laatste dagen, die aanstaande
waren. Hoe! als die dagen reeds gekomen waren, en de
Antichrist reeds zijne macht ontwikkelde! Zij gaven acht
pp de teekenen des tijds en vergeleken daarmede de uit-
spraken des Bijbels. De Heer komt! Hij komt haastiglijk !
Hij zendt Zijnen engel voor Zijn aangezicht henen! De
bazuin slaat! de dooden ontwaken\' wij wachten nieuwe
hemelen en eene nieuwe aarde !
Met zulke voorstellingen hielden vele menschen in die
dagen zich bezig en overspanden zich dermate, dat zij
werkelijk meenden , die teekenen des tijds aanwezig te zien.
Allen, die zulke gevoelens toegedaan waren, sloten zich
bij elkander aan en noemden zich Bondgenooten, leden van
het heilig verbond, dat het Godsrijk op aarde verwezen-
lijken zou. De vurigsten uit hun midden traden als predikers
op, trokken voort van stad tot stad, al roepende: het
koninkrijk Gods is nabij gekomen ; doet boete en bekeert
u! Zelven arm en behoeftig, zochten zij liefst de armen
en behoeftigen op en spraken van het verderf der wereld,
van het leven des geloofs en van de werken der liefde.
Het was hun aan te zien, dat zij gereed waren, goed en
bloed ten offer te brengen voor hetgeen zij verkondigden.
En zij sleepten door hunne geestdrift alles mede en telden
hunne vrie\'nden en aanhangers wel haast bij duizenden;
maar hunne vijanden noemden hen Anabaptisten of Weder-
doopers, omdat zij den doop der volwassenen tot voor-
waarde stelden van het deelgenootschap aan dat ware
Godsrijk, waarvan zij de nadering voorspelden.
1. Anabaptisten buiten ons vaderland.
Toen Luther op den Wartburg gevangen zat, werd zijn
werk door Carlstad krachtig voortgezet. Deze dreef de gees"
telijken uit de kerken , rukte beelden en versierselen van het
altaar weg en eischte volledige vrijheid van eeredienst. Hoe-.
-ocr page 63-
6t
zeer die ijver opzien "baarde, hij beteekende niets bij dé
onrust, teweeggebracht door de overkomst van eenige vreem-
delingen, de Zwickauer profeten genaamd, Nicolaas Storch
en Thomas Muntzer, die goddelijke openbaringen voor-
wendden en profeteerden, dat binnen zes of zeven jaar de
Turk geheel Duitschland zou bemachtigen , dat alle priesters
zouden doodgeslagen worden en geen zondaar zou ontkomen
aan het verderf. Was dat alles geschied, dan zou het
zichtbaar Godsrijk op aarde een aanvang nemen. Ziedaar
het eerste optreden der dweepzieke secte, en al was het
een zoo helder denkend en krachtig volksman als Luther
mogelijk den schadelijken invloed dier stellingen te Witten-
berg binnen weinige dagen te beteugelen, de dwepers zetten
toch elders hunne prediking voort en brachten in andere
streken groote opschudding teweeg.
Muntzer wist zich in Thuringen aanhang te verwerven
en trok met gewapende benden tegen de wettige vorsten
op. „Hoort toe" zoo luidde zijne taal, „laat uw zwaard
niet koud worden van bloed. God zelf treedt u voor!"
In de taal der profeten wist Muntzer zijne Scharen toe te
spreken en tot wilde geestdrift op te winden. Onder het
aanheffen van psalmen en geestelijke liederen drongen de
ongeoefende benden voorwaarts : „Kom, o heilige Geest,
kom o Heer onze God !".... zoo zongen zij, maar toen
de kanonnen van den hertog van Brunswijk losbrandden,
toen was het spoedig met de dwepers gedaan. Zij sneu-
velden ten getale van bijna 4000, én Muntzer de leugen-
profeet, die zich beroemd had de vijandelijke kogels in de
plooien van zijn mantel te zullen opvangen, werd uit eene
bedstede, waarin hij zich schuil hield, te voorschijn ge-
haald en door beulshanden omgebracht. Nicolaas Storch
zwierf nog eenigen tijd door Silezië en Beieren rond, zijne
leer verkondigende, totdat hij door eené* doodelijke ziekte
aangetast en weggenomen werd.
Muntzer had zich gedurende zijn reizen en trekken ook
te Waldshut in Zwitserland opgehouden en daar een aantal
volgelingen om zich heen verzameld. Zij bestreden den
kinderdoop en achtten iets anders noodig. GeorgeBlauwrok ,
een hunner vrienden, sprak van eene ingeving Gods, volgens
-ocr page 64-
62
welke een iegelijk zonder uitstel zich op nieuw zou laten
doopen, om aldus wedergeboren uit den Heiligen Geest,
een geheel rein, zondeloos leven aan te vangen. Hij zelf
ging de schare voor en liet zich doopen. De aanwezigen
volgden dat voorbeeld en van toen af werden zij Anabap-
tisten of Wederdoopers genoemd. Er hadden in andere
Zwitsersche steden de ergerlijkste tooneelen plaats. „Wee
u Zurich ! wee u Babyion !" riepen de Anabaptisten over-
luid op de straten. Te Sint Gallen onthoofdde een Weder-
dooper zijn eigen broeder, zoo hij zeide, omdat God het
hem geboden had, en die broeder onderwierp zich aan de
gruwzame strafoefening in het vaste geloof, dat hij er God
meê verheerlijkte. Hier en daar werden beelden en altaren
vernield, op eigen gezag deelde men het Avondmaal uit,
de leeraarstand werd overbodig geacht, de Godgeleerde
wetenschap als onnut afgekeurd en aan allerlei inbeelding
waarde gehecht.
Dat ging naar het gevoelen der anders zeer vrijzinnige
Zwitsersche regeering te ver, en er brak een storm van de
heftigste vervolging tegen de Anabaptisten uit, zoodat dan
ook velen hunner geëindigd zijn op het schavot.
Een der meest begaafde Anabaptisten, Melchior Hoff-
mann genaamd, reisde naar Zweden om zijne leerstellingen
voort te planten. Hij predikte te Stockholm over de
Openbaring van Johannes en bracht de gemoederen in
hevige spanning. Het werd hem echter niet vergund,
aldaar eene gemeente van wedergeborenen te vestigen.
Neen, hij werd gevangen genomen en ter dood veroordeeld ,
doch begenadigd op voorwaarde, dat hij onverwijld het
land verlaten en nimmermeer op Zweedschen bodem een
voet zetten zou. Toen zwierf hij door Duitschland en
hield zich eenigen tijd te Emden in Oost-Friesland op. Al-
daar was hij rusteloos bezig om eene gemeente te vesti-
gen. Ook bezocht hij in 1532 onze vaderlandsche
gewesten en doopte vele menschen, die naar hem Mel-
chiorieten worden genaamd. Onbeschrijfelijk was de
geestdrift, die zijne woorden wekten, en toen hij kort
daarop te Straatsburg werd gevangen gezet, toen heette het:
„die Melchior, hij is de groote profeet en apostel! hij zal,
-ocr page 65-
63
voordat de groote dag des Heeren genaakt, in de Neder-
landen verschijnen om het ware Evangelie te prediken."
Melchior Hoffmann is echter niet meer in de Nederlanden
gekomen. Te Straatsburg is hij in handen der wereldlijke
overheid gevallen en, in plaats van, zooals voorspeld was,
met honderd vier en veertigduizend ware godsgezanten de
wereld door te trekken en haar te veroveren, is hij in den
kerker gestorven.
2. Anabaptisten in Nederland.
Hoffmann had Jan Trijpmaker, een Nederlander van
geboorte, tot herder der Anabaptisten te Emden aangesteld
en deze man had het herderschap aanvaard, maar zich
weldra genoodzaakt gezien naar Amsterdam uit te wijken.
Intusschen vond hij ook te Amsterdam eene welbereide
aarde voor zijne prediking. Ook daar waren menschen,
die de wederverschijning des Heeren tegemoet zagen en de
stichting van het ware Godsrijk op aarde; die niet ter
biecht gingen noch ten hoogtijde, maar zich lieten doopen
en in Trijpmakers gemeente inlijven. De stadsregeering
achtte het echter gevaarlijk deze menschen hun gang te
laten gaan. Zij waren wel vreedzaam en Godvruchtig, zoodat
hun niets kon te last gelegd worden, dan dat zij Gods
koninkrijk zochten\' en in hunne samenkomsten lazen en
spraken over het Evangelie. Maar zij weken dan toch
van de vastgestelde kerkleer af en moesten om die reden
in het oog gehouden worden. Dat was het juist wat
Trijpmaker begeerde. Hij wilde van zich doen spreken.
De gelegenheid om te ontvluchten liet hij ongebruikt voorbij-
gaan. Met acht zijner metgezellen is hij gevangen geno-
men en daar zij er niet toe te bewegen waren om hunne
denkbeelden te herroepen, werden zij allen onthoofd.
Jan Matthijsen, bakker te Haarlem, drukte het voetspoor
van Trijpmaker en Hoffmann. Had de laatste zich voor
den profeet Elia uitgegeven, Matthijssen wilde Henoch zijn,
de tweede getuige, waarvan in Openbaring XI sprake is.
Weldra stond hij aan het hoofd van een aantal dolzinnige
-ocr page 66-
\'Sa
-en gevaarlijke dwepers. Hij verliet zijne bejaarde echtgenoote
om rriet eenc jonge, schoonc, brouwersdochter te Am ster-
dam te leven. Vandaar zond hij eenige zoogenaamde apos-
telen, twee aan twee, uit om zijne leer te prediken. Bar-
tholomeus Boekbinder en Dirk Kuiper doopten op zijn last
in Friesland, terwijl Jan Beukelszoon, een kleermaker\' uit
Leiden, gewoonlijk Jan van Leiden genoemd, en Gerrit
Knipperdollinck van Amsterdam naar Munster vertrokken.
Deze stad, waar zes van de zeven kerken aan de hervor-
mingsgezinden afgestaan waren, was uitgekozen om er een
nieuw Jeruzalem te stichten. Toen Jan van Leiden en Gerrit
Boekbinder in Munster aangekomen waren, begonnen zij
terstond hunne leerstellingen te prediken en het aankohdi-
gen van een nieuw Godsrijk prikkelde vele menschen
om hunne partij te kiezen. De raad der stad meende
echter tusschen beiden te moeten komen en zette de twee
profeten de poort uit. Zij kwamen echter door een
andere poort de stad weer in, verzekerden hunne vrien-
den, dat God hun bevolen had het werk te voltooien en
wisten de voordeden aan hunne leer verbonden, zoo aan-
lokkend voor te stellen, dat hun aanhang steeds toenam
en ook de predikant Rothmann zich aan hunne zijde schaarde.
Zij werden meester van geheel Munster en zonden apos-
len uit naar alle plaatsen , met uitnoodiging aan alle geloofs-
genooten om zich met hen te vereenigen. Ook naar Hol-
land vertrokken deze zendelingen en nobdigden alle Ana-
baptisten uit, zich naar Hasselt aan het Zwarte Water té
begeve\'rr en van daar gezamenlijk naar Munster op te
trekken. En waarlijk! hoe vreemd het ook klinke, zij
vonden bij velen een geopend oor. Niettegenstaande de
\'bedreiging der overheid, die zulke uittochten wilde verhin-
derén, verzamelden duizenden zich, om naar het nieuwe
Jeruzalem uit te trekken. Meer dan dertig schepen.,
opgepropt met mannen, vrouwen en kinderen, uit Amstel-
land en Waterland" stevenden over de Zuiderzee naar Has-
selt, de aangewezen plaats van samenkomst. Om oolc
anderen op te wekken, dat voorbeeld te volgen, liepen des
anderen daags vijf dwepers op den middag naakt en met
bloote zwaarden door Amsterdam, roepende: wee! wee! doet
-ocr page 67-
65
boete en gaat naar Munster, de tweede stad Davids, die
den kinderen Gods gegeven is!" Zij werden echter gevat,
naar Haarlem gevoerd en aldaar met den dood gestraft.
Het ging thans niet, als vroeger met de Sacramentisten,
in wier gevoelens de stedelijke overheid weinig gevaar zag;
maar om deze woelgeesten onschadelijk te maken, werkten
alle overheidspersonen, hooger en lager geplaatsten, gaarne
mede. Immers, het gold hier de orde, de rust, de wei-
vaart van geheel de maatschappij. Zij, die in de schepen
op reis gegaan waren, werden op des Keizers last aange-
houden. De voornaamsten werden als verleiders der
overigen, te Kampen onthalsd, doch de vrouwen en kin-
deren vrijgelaten.
Ook te Amsterdam werden gestrenge maatregelen tegen
de Anabaptisten genomen. Zij, die bij hunne leer bleven
volharden, werden met den dood gestraft; zij, die her-
riepen , kwamen vrij, doch moesten barrevoets, blootshoofds,
in linnen gekleed en met eene toorts in de hand, een om-
gang door de stad doen. Vanwege den Keizer werd alom
in de Nederlanden verboden, Anabaptisten te huisvesten,
te verbergen of te verzwijgen, en eene belooning toege-
wezen aan hen, die zulke lieden vatten en overleverden,
of kennis gaven van de plaats hunner vergaderingen. De
landvoogdes stelde op eene algemeene dagvaart te Mechelen
aan de Staten voor, de plakkaten te verscherpen en den
bisschop van Munster tegen de oproerige Anabaptisten te
helpen. Dat laatste wilden de Staten niet, doch wel
pogingen in het werk stellen om den voortgang der nieuwe
leer te stuiten, voor zoover zulks zonder nieuwe plakkaten
mogelijk was.
Intusschen was Jan Matthijsen te Munster aangekomen
en aldaar als onbeperkt alleenheerscher opgetreden. De
burgers, die met zijne onzinnige dweperij niet te doen wilden
hebben, werden met vrouw en kinderen verdreven, hunne
goederen verbeurd verklaard en alle boeken, behalve de
Bijbels, verbrand. De Anabaptisten kozen overheidspersonen
uit hun midden , maar aan Jan Matthijsen van Haarlem was
alles ondergeschikt. Hij beval als profeet in den naam des
Heeren, dat elk zijn goed en verdere kostbaarheden in het
Moorrees, Kerkhervorming.
                                            5
-ocr page 68-
66
Raadhuis zou komen nederleggen. Alle goederen werden
toen gemeenschappelijk eigendom verklaard. Groote voor-
raadschuren van krijgs- en mondbehoeften werden aange-
legd en geregelde troepen uit de weerbare manschap der
Anabaptisten samengesteld. Matthijsen verstond de kunst,
het volk in een opgewonden toestand te houden en altijd
te wijzen op het heerlijk verschiet, dat zich van nabij aan
het oog vertoonde. Voordat echter die aardsche geluk-
zaligheid kon genoten worden, werd de stad Munster door
haren bisschop Frans von Waldeck belegerd en hevig
bestormd. Matthijsen bleef vol moed. Hij had eene god-
delijke openbaring ontvangen, dat hij bij een uitval al
zijne vijanden dooden zou. De speer van Gideon was hem
daartoe gegeven. Toen hij echter aan het hoofd van eene
bende soldaten de vijandelijke troepen tegemoet trok,
vond hij, in plaats van de overwinning\', die hij zich voor-
gesteld had , den dood op het slagveld.
3. Verdere buitensporigheden der Anabaptisten.
De dood van Matthijsen, zou men zeggen , zal een schok
gegeven en aan de overspanning te Munster een eind
hebben gemaakt, maar neen, in Matthijsen\'s plaats trad
Jan van Leiden op Welsprekend en vol geestdrijverij
wist hij zich zelven en anderen op te dringen, dat Mat-
thijsen gesneuveld was als slachtoffer van de heilige zaak,
die thans door hem zou" voortgezet worden, en tevens,
dat hij volgens eene openbaring des hemels de zwangere
weduwe van Matthijsen huwen moest. Dat geschiedde.
Het volk liet zich zonder moeite bewegen om hem als
profeet te herkennen. Hij verkoos uit zijne volgelingen
naar het getal der stammen Israëls twaalf rechters en
zou zelf de Mozes, de wetgever zijn. Zijn vriend Knipper-
dollinck, die burgemeester geweest was. kreeg een ander
ambt. Hij werd beul, en zou dagelijks in de gelegenheid
zijn, bewijzen van zijn bekwaamheid te geven.
Daar ontvangt de goudsmit Jan Duizendschoon eene godde-
lijke openbaring, dat Jan van Leiden Koning moet worden en
in het nieuwe Jerusalem op Davids troon zitten. Hij zal de
-ocr page 69-
6/
geheele wereld aan zich onderwerpen. Aanstonds juicht
het volk deze woorden toe: Beukelszoon — Jan Beukels-
zoon van Leiden moet koning zijn! En de tot koning uit-
geroepene werpt zich op de knieën, dankt God voor deze
genade, verzekert aan het volk, dat aan hem dezelfde
openbaring als aan Jan Duizendschoon is ten deel gevallen
en neemt den koningstitel aan. Hij zet zich een gouden
kroon op het hoofd, kleedt zich in zwart fluweel, rijk met
edelgesteenten versierd, hangt zich een gouden keten om,
en laat op zijn gordel schrijven: God is mijn macht. Met
gouden sporen aan rijdt hij op een fraai getooid paard door
de stad, gevolgd door een talrijken stoet. Voor hem uit
gaan twee bedienden of pages, die zijne kroon, zijn Bijbel
en zijn zwaard dragen. Hij laat geld munten, met zijne
beeltenis voorzien, en neemt op zijnen troon gezeten,
geheel het voorkomen van eenen koning aan. Hoe is
het mogelijk! roepen wij uit, dat zulk eene buitensporig-
heid heeft kunnen toegejuicht worden ! waren de menschen
toen door waanzin aangetast! of laat het zich daaruit
verklaren, dat bij gemis aan verstandige leidslieden, het
volk om voor eene kerk, die niet meer aan de behoeften
voldeed, eene betere in de plaats te krijgen, zich liet
meeslepen en verleiden tot zinnelooze proefnemingen? In
elk geval is het opmerkelijk, dat niet de wijzen en ver-
standigen, maar lieden van minder ontwikkeling zich aan
deze proefnemingen waagden.
En nog had de buitensporigheid van koning Jan haar top-
punt niet bereikt. De goddelijke instelling van het huwelijk
werd door hem met voeten getreden, want ook de zinne-
lijkheid moest bevredigd worden. Hij voerde de veelwijverij
in: Abraham, Jacob en David hadden wel meer dan ééne
vrouw gehad, waarom dan hij niet! Nevens zijne vrouw, de
weduwe van Matthijsen, die den naam van koningin droeg,
koos hij nog veertien vrouwen en op zijn voorbeeld ver-
genoegde in het nieuwe Jeruzalem niemand zich meer met
ééne vrouw, maar ieder gaf zich over aan de schandelijkste
driften. Nonnen werden met geweld uit de kloosters, jonge,
ongehuwde vrouwen uit de huizen gehaald en gehuwd. Het
was eene verregaande losbandigheid. En wee dengene, die
-ocr page 70-
68
eenig blijk van misnoegen openbaarde of van verraad ver-
dacht werd! Onmiddellijk was het zwaard van Knipper-
doliinck getrokken. Zelfs eene van \'s konings bijwijven
ontging den dood niet, toen zij het waagde eenigen twijfel
omtrent de goddelijkheid zijner zending te opperen, jan
van Leiden zelf sloeg haar het hoofd af en danste als een
dolzinn\'ge met zijne andere vrouwen om haar bloedig lijk.
Munster was nu eenmaal tot hoofdstad van het nieuwe
Godsrijk verklaard. Dat moest de zetel der regeering
blijven , maar andere steden moesten ook onderworpen
worden, opdat ook zij in de zegeningen van Sion zouden
deelen. Daartoe werden 28 apostelen uitgezonden, met
name naar Amsterdam, Deventer en Wezel.
4. Nieuwe bewegingen binnen de vaderlandsche grenzen.
Einde van het Munstersche schrikbewind.
Toen de gezanten van den Munsterschen geestdrijver te
Amsterdam kwamen, was de stadhouder des keizers daar
aanwezig. Hij had den schout Hubertsz afgezet en geban-
nen, omdat deze te flauw was in het opsporen van de
ketters. Twee Anabaptisten werden gegrepen en het
gerucht zeide, dat de stadhouder in den nacht tweehonderd
burgers uit hun bed zou doen oplichten. De Amsterdam-
mers, dit als eene inbreuk op hunne rechten beschouwende,
verwekten eene opschudding, die wel door den schepen
Joost Buik gestild werd, maar toch aanleiding gaf tot het
bezetten van den Dam. Ook liep het gerucht, dat de
stad door de Anabaptisten zou overrompeld worden; even
als Leiden reeds in groot gevaar had verkeerd. Ware het
plan met laatstgenoemde stad gelukt, dan zou zij aan vier
hoeken in brand gestoken zijn. Vijftien mannen werden
tengevolge van die roekelooze onderneming onthalsd en
vijf vrouwen verdronken.
In de toenmalige dagen van spanning bracht zekere
Dirk de Snijder Amsterdam in rep en roer. Hij noemde
zich een profeet en hield vergaderingen ten huize van
Aagje Jansz in de Zoutsteeg. Op zijn voorbeeld trokken
zes mannen en zes vrouwen de kleederen uit en gingen
-ocr page 71-
69
gen geheel naakt door de stad onder het geroep : wee !
wee ! de wrake Gods, de wrake Gods! Op ééne vrouw
na werden zij allen gevat en zoo ver ging hunne waan-
zinnigheid dat zij bij het verhoor weigerden, kleederen aan
te trekken, want „de waarheid moest naakt zijn, en die
kleederen — zij waren niet anders dan het slijk dezer
wereld." Dansende en zingende gingen eenigen hunner
den dood te gemoet. Ook Dirk de Snijder werd onthoofd
en Aagje Jansz in de deur harer woning opgehangen. Niet
ten onrechte vermoedde men, dat dit woest bedrijf met
een aanslag op Amsterdam in verband stond. Spoedig
toch lieten zich duizend Anabaptisten zien, die voorgaven
uit Friesland en Henegouwen te komen. Zij sloegen zich
buiten de stad neder maar trokken weldra weer af, omdat
zij geen kans zagen, de stad te overmeesteren.
Jan van Gelen predikte de buitensporige stellingen van
Jan van Leiden in Friesland. Onder zijne aanvoering
werd door driehonderd dwepers het klooster Bloemkamp
bij Bolsward ingenomen, beelden en altaren vernield, de
hostie op den grond gesmakt onder den uitroep: Ziedaar
den God der goddeloozen! Terstond werden de woeste-
lingen door den stadhouder belegerd. Zij verdedigden het
klooster met de hardnekkigheid der wanhoop, doch moesten
zich ten laatste overgeven, en toen werd al, wat weer-
stand bood, over de kling gejaagd. Met de overigen, 62
mannen en 70 vrouwen en meisjes, trok het krijgsvolk in
zegepraal Leeuwarden binnen en gaf hen aan den rechter
over, die de schuldigen liet onthoofden en in het water
werpen en van geene genade wilde weten, tenzij voor de
kleine kinderen. Jan van Gelen had zich door de vlucht
naar Amsterdam gered. Zijn plan was met een aantal
zijner volgelingen de stad te overrompelen, doch dat moest
natuurlijk geheim blijven.
Met zekeren Hendrik Goedbeleid, zijnen vriend, bepaalde
hij den nacht van 10 op 11 Mei 1535 tot het volvoeren van
zijn aanslag. Men koos dien nacht, omdat dan het jaar-
feest van het Kruisbroedersgild werd gevierd. Weldra was
de burgerwacht overrompeld en waren de Anabaptisten
meester van het stadhuis en van den Dam.
-ocr page 72-
yo
De burgemeester Pieter Kolijn trok met een vendel
burgers tegen hen op, doch moest onverrichter zake af-
trekken. Op den terugtocht werd hij zelf gedood. Bur-
gemeester Reekalf nam toen het bevel op zich. Hij liet
de ingangen der straten naar den Dam met zeilen
bespannen en door balen wol versperren om zich tegen
het vuur der vijanden te dekken. Met het aanbreken
van den dag tastte hij den woesten hoop aan, die den
nacht psalmzingende had doorgebracht. Twaalf hunner
werden gevangen genomen en drie dagen later werd hun
bij vonnis van de overheid het hart uit het lijf gescheurd
en in het aangezicht geworpen. Voorts werden zij onthalsd,
gevierendeeld en hunne hoofden aan de poorten op staken
tentoongesteld.
Jan van Gelen , die de bende in den waan had gebracht,
dat de stad vóór tien uur in hare macht zou zijn, vluchtte
naar den toren, maar werd daar door een kogel doodelijk
getroffen. Kort daarop vertoonden zich driehonderd boeren
uit Benschop voor de wallen. Het waren Anabaptisten, ge-
komen om de oproermakers daar binnen te versterken. Zij
moesten onverrichter zake aftrekken en hun heil zoeken
in overhaaste vlucht. Bij de terechtstelling der schuldigen
werden binnen de stad 116 mannen en 25 vrouwen gedood
en onder de eersten ook Jan Van Kampen, een der
apostelen uit Munster. Ofschoon hij standvastig ontkende,
deel aan het oproer genomen te hebben, werd hij toch ter
dood veroordeeld. Afgrijselijk is hij gepijnigd. De beul
stelde hem een uur lang te pronk, rukte hem de tong
uit, hieuw hem vervolgens eerst de rechterhand af, toen
het hoofd, wierp den romp in het vuur en stelde hoofd en
hand op de Haarlemmerpoort ten toon. De vrouw, in wier
woning hij onder een hoop turf ontdekt was, werd voor
het stadhuis opgehangen en eene andere vrouw insgelijks,
omdat zij Van Kampen gehuisvest had.
Ziedaar afgrijselijke strafoefeningen, doch die niet van de
geloofsrechters uitgingen , maar door de stedelijke overheid
bevolen waren en door duizenden, vooral onder de gegoede
burgers, werden toegejuicht. Het waren immers geene ver-
standige menschen - die Anabaptisten! het waren omver-
-ocr page 73-
7i
werpers van de bestaande orde, dolle dwepers, onstui-
mige woelgeesten! Wie kon daarmede vrede houden ?
En nu te Munster. De stad werd door het leger van
haren bisschop al nauwer en nauwer ingesloten. Weldra
vertoonden zich honger en gebrek in de verschrikkelijkste
gedaante. De walgelijkste dingen werden verslonden.
Koning Jan had wel verschijning op verschijning, en deed
belofte op belofte, maar met dat al werd de toestand
ellendiger. Toch vleiden de ongelukkige inwoners zich
met eene wonderdadige verlossing en konden daarom te
midden der grootste ellende luidruchtige feesten vieren:
immers koning Jan had in den naam des Heeren
verlossing voorspeld. Maar vonden zijne voorspellingen
nog geloof?
Een der Anabaptisten opende de poorten en de belege-
raars geraakten binnen de stad. Wel bood Koning Jan
geduchten tegenstand, maar te vergeefs. Hij, met Knip-
perdollinck en Krechting, vielen den vijand in handen. De
gewezen koning werd in eene ijzeren kooi het land rond-
gevoerd, waar men hem voor geld liet kijken. Toen dit
zeven maanden geduurd had, werd hij met zijne twee
medeplichtigen op afschuwelijke wijze ter dood gebracht.
Men neep hun een uur lang met gloeiende tangen het
vleesch uit het lijf en stak hun ten laatste een zwaard
door het hart. Hunne lijken werden in ijzeren kooien
gelegd en deze aan den toren der Lambertikerk opge-
hangen, waar de kooien nog te zien zijn.
Welke barbaarsche terechtstellingen, maar ook welke
gruwelijke afdwalingen! Wij zouden wenschen dat deze
tooneelen geen plaats hadden gevonden; maar wat zullen
wij zeggen ? het is, zooals Joel zegt: niet zonder vreese-
lijke dingen, bloed, vuur en rookdamp, verschijnt de
doorluchtige dag des Heeren. Niet anders dan mistastend
en gedurig dwalend betreedt het menschelijk geslacht den
weg, die naar hooger ontwikkeling en volmaking voert.
5. Doopsgezinden.
In 1535 was het rijk der Anabaptisten te Munster te
-ocr page 74-
72
gronde gegaan, doch daarmede waren niet alle Doopers
of Bondgenooten van het aardrijk verdwenen. Nog bleven
er velen over en een groot aantal hunner kwam te Bocholt
in Westphalen bijeen, om over hunne geestelijke belangen
te spreken. Al behoorden alle mannen , die daar elkan-
der ontmoetten, niet rechtstreeks tot de Munstersche
sekte, zij waren er toch aan verwant en meenden , dat
het koninkrijk van Jan Beukelsz niet zou gevallen zijn,
als zijne vrienden in andere steden hem slechts geholpen
hadden. De ruwste mannen uit hunnen kring met Jan
van Batenburg aan het hoofd hielden vol: het Godsrijk
moest gesticht worden met het zwaard in de vuist, en
waarom zouden zij in die troebele tijden niet beproeven,
hoever zij het daarmee konden brengen ? De Melchio-
rieten (aanhangers van Melchior Hoffman) daarentegen
waren van een ander gevoelen, en bij monde van Matthijs
Blauwaart van Middelburg veroordeelden zij de gruwe-
lijke plannen der Batenburgers. Zij wilden wel gelooven
aan de spoedige oprichting van het Godsrijk op aarde
maar zonder dat zij zich zelven geroepen achtten, het
zwaard der wraak te ontblooten. Het waarachtig Chris-
tendom in het leven te bevorderen — ziedaar hunne
taak. De Obbonisten eindelijk, volgelingen van zekeren
Obbo Filips van Leeuwarden , hoezeer ook overtuigd, dat
zij het Christendom moesten bevorderen, geloofden niet,
dat het Godsrijk zich ooit op zulk eene schitterende
wijze vestigen zou, maar dat de gemeente Gods wel altijd
eene vervolgde en lijdende zou blijven. Zoover liepen
de gevoelens der Doopers uiteen en de vergadering te
Bocholt leidde tot niets.
De Batenburgers zonderden zich voor goed van de overigen
af, zetten hun dweepziek roovers- en moordenaarswerk voort,
maakten met hunne woeste benden Twente, de Graafschap
van Zutphen en Oppergelder onveilig en eindigden met te
vallen door het zwaard der overheid. En toch, hoever ook
afdwalende, meenden zij in hunnen dweepzieken ijver Gode
een dienst te doen. Van de Melchiorieten verbonden velen
zich aan David Jorisz, den reeds genoemden voorstander der
hervorming te Delft, die langzamerhand de meest buiten-
-ocr page 75-
73
sporige denkbeelden ontwikkelde. David Jorisz hield zich
zelf voor den derden koning David, grooter dan Isaï\'s
zoon, grooter dan Christus. Door zijne aanhangers als
koning geëerd, met de rijkste geschenken overstelpt, en
zelfs nog, nadat hij vernedering had ondergaan, voor een
Godsgezant gehouden, om wiens wil men moedig het vuur
des brandstapels trotseerde, heeft hij jaren lang zijne
vreemdsoortige rol gespeeld, zonder iets wezenlijk goeds
tot stand te brengen. Andere Melchiorieten hebben zich
aan Hendrik Nicolaas aangesloten, ook een geestdrijver,
die eene gemeente stichtte, het Huis der Liefde genoemd,
en de meest buitensporige denkbeelden koesterde. Wederom
anderen sloten zich aan eene vereeniging van eenzijdig
vrome gevoelsmenschen onder Hendrik Jan van Barne-
veld aan.
De meest bezadigden echter schaarden zich om Menno
Simons heen en werden in ons vaderland Doopers of Doops-
gezinden, ook wel Mennisten of Mennonieten genoemd.
Menno Simons (geboren te Witmarsum in 1496, overleden
in 1561) wordt beschreven als een bescheiden en nederig
man, die als priester te Witmarsum vlijtig de Heilige
Schrift bestudeerde. Hij werd overtuigd van de onschrift-
matigheid van den kinderdoop en stemde in dit opzicht
met de Anabaptisten in. Overigens verklaarde hij zich
heftig tegen de uitspattingen der Munsterschen. In 1536
legde hij zijne priesterlijke bediening neer en trad in het
huwelijk. Aanvankelijk bleef hij te Witmarsum wonen en
binnen de muren van zijn eigen huis in de diepste stilte zijne
geestverwanten opwekken en vermanen, maar weldra was hij
aldaar niet veilig meer en moest zich elders vestigen. Vele
Doopers hadden toen reeds het oog op hem gevestigd en hem
gevraagd, of hij hun herder wilde zijn. Dat verzoek willigde hij
in , en van toen af werd Groningen het middelpunt van zijne
werkzaamheid. Van daar uit bezocht hij zijne geloofsgenoo-
ten in den omtrek, doopende, vermanende en zijne gedach-
ten omtrent de verwezenlijking van het Godsrijk uitsprekende.
Dit alles geschiedde te midden van doodsgevaren, want
zelfs menschen, die hem hadden geherbergd, werden ter
dood gebracht. Er was dan ook een plakkaat uitgevaar-
f C. Donders*"* \'
uw*..*10371
-ocr page 76-
74
digd , dat elk, die heer Menno in zijn huis of op zijn erf
ontving, en eten en drinken gaf, als ketter aan lijf en
goed gestraft zou worden. De vervolgde man wist echter
met omzichtigheid en vastberadenheid de lagen zijner
speurhonden te ontkomen.
Nadat hij zich eerst in Groningen en later in Amster-
dam opgehouden had, begaf hij zich tot het voeren van
een Godgeleerd gesprek naar Emden in Oost-Friesland.
Eenmaal te Emden zijnde bleef hij aldaar gevestigd,
ofschoon hij nog telkens in alle stilte de Nederlandsche
gewesten bezocht. Meer echter dan door deze bezoeken
werkte hij op zijne vrienden door geschriften. In 1533
kwam er een groot boek van hem in het licht, het
Fondamentboek geheeten, dat een machtigen invloed op
de vorming en ontwikkeling van de Doopsgezinde ge-
meenten heeft uitgeoefend. Daarbij werd hij in zijnen
arbeid krachtig bijgestaan door Dirk Filips en andere
vrienden in Friesland. Er traden allerwegen in het ge-
heim menschen tot hunne denkbeelden toe. In eenzame
woningen, schuren en stallen hielden zij vaak tot zelfs te
middernacht hunne vergaderingen. Er werden toespraken
of vermaningen gehouden, soms werd de doop en het
avondmaal bediend. Het Nieuwe Testament werd gelezen
en verklaard en het bondgenootschap van al deze vrienden
telkens uitgebreid. Tot eer van Menno en zijne geestver-
wanten moet worden getuigd, dat zij alle overspannen
voorstellingen der Anabaptisten hebben laten varen en dat
zij als herdoopten en wedergeborenen een bescheiden, stil
en ingetogen leven leidden.
De regeering des lands beschouwde hen echter als gevaar-
lij ke onruststokers en nieuwigheidszoekers en vaardigde de
strengste plakkaten tegen hen uit. Wat wisten de keizerlijke
geloofsrechters van een onderscheid tusschen Anabaptisten en
Doopsgezinden? Zij waren in hun oog allen ketters en boos-
doeners en moesten met geweld ten onder gebracht en uit-
geroeid worden. De Doopsgezinden waren intusschen zoo vol
geestdrift voor hunne gevoelens, dat zij zich vervolging en
marteling getroostten en bij honderden voor hun geloof ter
dood lieten brengen. Ook zij hebben hunne martelaarsboeken
-ocr page 77-
75
en daarin vele aandoenlijke voorbeelden van onverschrok-
ken moed en innig vromen zin. Laat ons eenigen noemen.
6. Doopsgezinde martelaars en Doopsgezinde
gemeenten.
In 1545 werd Frans van Bolsward als Doopsgezinde ver-
oordeeld om levend verbrand te worden. Hij hoorde dit
vonnis onverschrokken aan en dankte zelfs zijne rechters,
dat zij hem gelegenheid gaven om tot zijnen Vader in de
hemelen te gaan. Op den weg naar de strafplaats zag hij
vele menschen in tranen, maar hij vermaande hen bedaard
te blijven. Op den brandstapel bad hij: „Heere God,
wil mijne ziel ontvangen en leid haar in uwen vrede."
Elisabeth, uit een klooster ontvlucht en te Leeuwarden
door Doopsgezinden opgenomen, werd voor de geloofs-
rechters gebracht en gevraagd, wat zij geloofde van den
kinderdoop, daar zij zich had laten herdoopen. „Neen,
mijne heeren!" antwoordde zij „ik heb mij niet weder
laten doopen; ik heb mij eenmaal laten doopen op mijn
geloof, want daar staat geschreven. dat den geloovige de
doop toekomt." Toen vraagden de rechters: „zijn onze
kinderen verdoemd, omdat zij gedoopt worden ?" „Neen",
hernam Elizabeth, „dat zij verre van mij, dat ik de kin-
deren oordeelen zou." „Zoekt gij dan de zaligheid niet
in den doop?" zeiden de rechters. „Al het water der zee"
betuigde Elizabeth „kan mij niet zalig maken, maar de
zaligheid is bij Christus en Hij heeft mij bevolen, God lief
te hebben boven alles en mijnen naaste als mij zelve." Toen
werd gevraagd of de priesters ook macht hebben om de
zonden te vergeven? „Hoe zou ik dat gelooven", riep
Elizabeth uit „Ik zegge dat Christus de eenige priester is,
door wien de zonden vergeven worden." En gij zegt, was
het antwoord, dat gij alles gelooft wat met de Schrift over-
eenkomt, houdt gij dan Jacobus\' woorden niet? „Ja"
sprak Elisabeth, „zou ik niet!" Nudan, Jacobus zegt: ga tot
de oudsten der gemeente, dat zij voor u bidden en u
zalven." „Maar mijne heeren!" zeide Elizabeth „woudt gij
dan zeggen dat gij van die gemeente zijt?" O! verklaarden
-ocr page 78-
76
de rechters, gij behoeft zeker biecht noch Sacrament! „Neen",
was het antwoord, „ik beken wel dat ik overtreden heb
de ordonnantiën van den Paus, die de Keizer met plakkaten
bevestigd heeft, maar bewijst mij in eenig artikel, dat ik
overtreden heb tegen mijnen Heer en God". Toen werd
de scherprechter geroepen om haar de duimijzers op beide
duimen te zetten , totdat het bloed uit hare nagels uit-
sprong. Zij echter stond deze en andere folteringen moe-
dig door en werd eindelijk te Leeuwarden verdronken.
Pieter Wijtzen, een metselaar, 27 jaar oud, die om zijne
Doopsgezinde gevoelens geworgd werd , schreef nog kort
voor zijn dood aan zijne huisvrouw: „mijne lieve uitver-
korene vrouw! blijf bij God en vermeng u niet met de
boozen, want „is het dat de rechtvaardige wijkt, zoo zal
Mijne ziel geen welbehagen in hem hebben", zegt de Heer.
De tijd mijns verscheidens schijnt nabij te wezen. Met
God — zoo moet het geschieden! Als de scheiding komt,
zoo vrees niet maar bewaar uwen mond \'). Blijf bij Gods
genade die u gegeven is".
Reetse Ayses, een man uit Beetsterzwaag betuigde uit
de Heilige Schrift dat er eene reine gemeente wezen moet,
dat het gehouwene, vierkant gebeitelde steenen moeten
zijn, die aan het huis Gods toegevoegd worden, waarvan
Christus de hoeksteen is. Hij werd veroordeeld om ver-
dronken te worden en zijne goederen werden verbeurd
verklaard. Behalve zijne ouders liet hij eene treurende
weduwe en een halfjarig zoontje na. In den kerker schreef
hij nog aan zijne huisvrouw: zie mijne beminde huis-
vrouw! wees om mij niet bezwaard, maar troost u in den
Heer, want Hij is mijn helper en vertroost mij. Ik weet
somwijlen nauwelijks, dat ik gevangen ben, als ik denk
aan de beloften Gods en dank Hem , dat hij mij daartoe
verkoren heeft. Is het dat wij volstandig blijven tot
den einde toe, zoo wordt ons de kroon des levens
beloofd en zullen wij met witte kleederen bekleed worden
en op den berg Sion staan met alle Gods uitverkorenen
\') Bewaar uwen mond, dat is: wees op uwe hoede bij het noemen
van personen, breng onze geloofsgenooten niet in ongelegenheid.
-ocr page 79-
77
en zingen dat goede nieuwe lied. Och, beminde vrouw!
ik kon u om geen goederen der wereld verlaten, maar
Christus zegt: wie niet verlaat vader, moeder, broeder,
zuster, huis, hof, vrouw, kind en zijn eigen leven, die is
mij niet waardig. Zie, al ben ik hier gevangen, het zal
u niet zijn tot oneer, maar tot prijs Gods. Ik ben zeer
bezwaard om u en mijn kind. Wilde onze lieve Heer dat
in zijn rijk halen, het zou mij tot groote blijdschap wezen,
en is dat niet, moge het dan in Gods vreeze opwassen.
Wees om mij niet bezwaard, maar troost u in den Heer.
Ook ik bid u uit het binnenste mijner ziel dat gij den Heer
uwen God de dagen uws levens niet verlaten zult. Och
lieve, ik ben om mijn kind zoo zeer bezwaard en bedroefd,
dat ik niet weet, waar dat ik heen zal en bid den Eeuwigen
Almachtigen God dag en nacht daarover. Heb goeden
moed en troost u in Hem. Of het Hem behaagde, dat
wij weer bij elkander kwamen! daartoe helpe Hij u en
mij, dat wij mogen zalig worden-" Aldus schreef hij en
onderging den marteldood met blijmoedig bewustzijn, dat
hij het geloof had behouden.
Geen wonder, dat het volk bij het aanschouwen van
den dood van zulke martelaars wel eens heeft uitge-
roepen: indien dat geen Christenen zijn, dan zijn er geen
op de geheele aarde. Het bloed dezer martelaars is ook
het zaad der Doopsgezinde gemeenten geweest. Allerwegen
nam het aantal van zulke gemeenten toe, vooral in Fries-
land , Groningen, Holland, ja tot in Zeeland en Vlaanderen.
Van Leendert Bouwens, oudste bij de Doopsgezinden en
ijverig voorstander van hunne gevoelens, is bekend dat hij
gedurende zijn reizen en trekken naar allerlei plaatsen een
getal van tienduizend volwassenen gedoopt heeft, waarvan
alleen in Friesland zesduizend. Het is wellicht niet ver bezijden
de waarheid aan te nemen, dat gedurende de regeering van
Karel V de helft van de hervormingsgezinde Nederlanders
Doopsgezinden waren. En toch hebben de Doopsgezinden
nooit de volkskerk kunnen worden, maar zijn zij eene af-
gezonderde, op zich zelve staande, van krachtigen invloed
ontbloote schare gebleven, die ondanks hare vele, goede,
uitnemende eigenschappen, niet op den voorgrond onzer ge-
-ocr page 80-
78
schiedenis trad maar eenigszins schuw in de schaduw bleef.
Scheen het ook al in het midden der zestiende eeuw, dat
de geest onzes volks bijzonder sterk tot hunne gevoelens
werd aangetrokken, straks zou het blijken, dat niet voor
Menno Simons maar voor een geheel ander man de taak
was weggelegd, den stempel zijns geestes in ons volk in
te drukken en een stoot te geven aan den verderen loop
der gebeurtenissen, die van onberekenbare gevolgen is
geweest.
Het beginsel, vanwaar de Doopsgezinden uitgingen,
werkte er toe mede om hunnen invloed te beperken. Zij
wilden het zuivere Godsrijk zijn, afgezonderd van de
wereld, in zeden, gebruiken, instellingen en denkbeelden
duidelijk van de overige menschen onderscheiden. Niet
dat zij eene omverwerping van den bestaanden toestand
zochten of eene losmaking van alle maatschappelijke banden,
maar zij trokken zich terug uit de wereld. In eigen kringen
eene heilige gemeente op aarde te vormen — ziedaar
hunne hoogste begeerte! Geene wapens te dragen, geen
overheidsambt te bekleeden, geen krijgsmansstand te helpen
vormen, geene geordende leeraars aan hun hoofd te stellen,
geene eeden te moeten zweren, maar op elkanders ja en
neen als op eenen eed te kunnen staat maken — ziedaar
hun ernstig streven. Zij verlangden in stilte hunnen God
en Heer te dienen, aan ijverigen arbeid hunne krachten
te wijden en op stemmigheid in levenswijs, op eenvoud in
kleeding en op strenge zeden zich toe te leggen. Nu
spreekt het van zelf, dat zij zoodoende ook niet op den voor-
grond konden treden. Indien zij geen overheidsambt wilden
bekleeden, dan kon ook uit hun midden geen regeerings-
persoon opstaan ! Indien zij geene wapenen wilden dragen,
dan konden zij ook niet strijden in den kamp voor vrij-
heid en onafhankelijkheid! Indien zij geen leeraarsstand
begeerden, dan kon er ook van wetenschappelijke beoefe-
ning der Godgeleerdheid onder hen geen sprake zijn. Zij
veroordeelden zich zei ven tot eene ondergeschikte rol op
het tooneel der groote gebeurtenissen des tijds en hadden het
aan hunne eigene beginselen te wijten, dat zij niet meegeteld
werden. In hunnen eigen kring kregen zij weldra te worste-
-ocr page 81-
79
len met allerlei kleingeestig geharwar en getwist. Indien
toch stemmigheid in kleeding en leefwijs boven alles gold,
hoever moesten zij zich in die richting bewegen? „Geen
ruim en wereldsch leven leiden" had Menno Simons ge-
zegd ; maar wat dan ? mochten zij schoenen met zilveren
gespen dragen even als andere burgers, danspartijen bij-
wonen , bruiloften , doopmalen en begrafenissen vieren ; of
was dat alles verboden ? en indien sommigen hierin vrijer
en ruimer waren dan anderen, moesten eerstgenoemden
dan uit de gemeente gebannen worden ? en zoo ja,
hoever moest die ban uitgestrekt worden? Nog bij het
leven van Menno Simons ontbrandde over dergelijke
vragen menige twist. De twist veroorzaakte scheuring
en de scheuring bleek welhaast onherstelbaar te zijn. Men
sprak van Franekers en Waterlanders, van Vlamingen en
Friezen, en wijdde zich des te ijveriger aan vaak zeer
kleingeestige en beuzelachtige twistpunten, naarmate men,
bij gebrek aan degelijker onderwerpen, des te meer tijd
en gelegenheid daartoe vond.
Toch kweekten diezelfde doopsgezinde gemeenten onbe-
rekenbaar veel goeds. Zij stelden het geloof op den
voorgrond, dat zich in de werken openbaart; zij zochten
naar den geest, die het leven van den zondigen mensch
herschept en heiligt. Het Christendom was hun geene
zaak des verstands maar des gemoeds, en Christen te
zijn was volgens hunne opvatting niet een ijveren voor de
leer, maar het kruis dragen achter Christus met verzaking
van de wereld. IJverig in hun beroep, nauwgezet en
eerlijk in hunnen handel, waarheidlievend in hunne
woorden, spaarzaam in hunne levenswijs, genoten zij
het vertrouwen van allen, die met hen in aanraking
kwamen. Zij muntten uit door onderlinge herbergzaamheid
en blijmoedig weldoen aan den lijdenden natuurgenoot en
ondervonden in den tijdelij ken zegen , dien zij genoten,
in den bloei hunner ondernemingen en den voorspoed
van hunne stoffelijke belangen de waarheid van het Schrift-
woord : „die Mij eeren, zal Ik eeren, zegt de Heer".
Daarbij stelden zij tegen de bitterheid der vervolging,.
die zij moesten ondergaan, zulk een eene lijdzaamheid over,.
-ocr page 82-
8o
dat zij ons den tijd der eerste Christenen voor den geest
roepen en hunne vijanden beschaamden. Waarlijk, als
wij terugzien op de uitspattingen der Anabaptisten en wij
denken dan aan hetgeen de geschiedenis vermeldt van
de Doopsgezinden, dan komen deze laatsten ons voor als
het gelouterd zilver uit de smeltkroes van den zilversmid.
De vuurproef was buitengewoon sterk. Eerst zag men
niet anders dan borrelend schuim maar daaronder bevond
zich het gezuiverd metaal.
7. Merkwaardige persoonlijkheden buiten den
kring der Anabaptisten.
Wij mogen de beschouwing van dit tijdperk niet ein-
digen, zonder een oogenblik onze aandacht gewijd te
hebben aan die mannen, die gelijktijdig met de Anabap-
tisten leefden maar zelfstandig hunnen weg gingen. Al
bepaalde hun invloed zich tot een kleinen kring, toch
verdienen zij met eere genoemd te worden. Ook is het
waarschijnlijk, dat hun optreden voor de belangen van
Gods Koninkrijk veel vruchtbaarder is geweest dan al de
onstuimige tooneelen, door de Anabaptisten te voorschijn
geroepen. Wij hebben namelijk het oog op Angelus Me-
rula, Anastasius Veluanus, Petrus Bloccius, Johannes
Sartorius en Cornelis Kooltuin.
Angelus Meruia — zijn Nederlandsche naam is Engel
de Merle — was een Briellenaar van geboorte, uit wei-
gestelde ouders gesproten. Zijn naam leeft in Den Briel
nog altoos in dankbare herinnering voort, omdat hij de
Stichter is van het weeshuis aldaar. Angelus Meruia was
een geleerd man, die, toen hij het kerkelijk notarisambt
in zijne geboortestad bekleedde, het onderzoek des Nieu-
wen Testaments in den grondtekst ijverig ter hand nam
en later gedurende zijne herderlijke bediening als pastoor
te Heenvliet de vrucht daarvan aan zijne gemeente mede-
deelde. Zonder de Roomsche kerk, in wier dienst hij ar-
beidde, te verlaten, had hij toch ernstige grieven tegen haar.
Hij keurde de leer der verdienstelijke werken af. Het was
bijgeloof in zijn oog, zich door lichaamspijn, door het dra-
-ocr page 83-
8i
gen van een haren kleed, door boetedoeningen met God
te willen verzoenen. Aflaten beschouwde hij als zware
lastering tegen Christus en zijn dierbaar bloed. Maria,
de moeder des Heeren , hoe hoog hij haar overigens achtte,
was voor hem noch voorspraak noch middelares. Hij
hield het voor onzeker, of de heiligen ons kunnen hooren
en leerde, dat men ook zonder hunne tusschenkomst ge-
nade bij God kan verkrijgen. De rechte vereering der
heiligen was naar zijn oordeel een leven aan het hunne
gelijk. Heiligenbeelden beschouwde hij als houten blokken,
die in zijne kerk te Heenvliet geduld werden, maar met
de vermaning, er geene goddelijke eer aan te bewijzen.
Ziedaar de denkbeelden, die Meruia telkens krachtiger
en helderder ontwikkelde, totdat de alom geachte man
op zijn zeventigste jaar in handen der geloofsrechters viel.
Uit zijne geschriften werden 152 artikelen van beschuldiging
opgemaakt en hij zelf naar den Haag gevoerd. Zeventien
maanden hield men hem daar gevangen en toen werd
zijn vonnis uitgesproken. Men veroordeelde hem tot levens-
lange gevangenis, openbare herroeping van zijne gevoelens
en de proceskosten. Maar herroepen . . . ! „O mijn
God," riep de grijsaard uit, „zal dan iemand, die aan
den rand des grafs staat, den dood vreezen en Uwe waar-
heid afzweren? Verre, verre zij dat van mij". Hij werd
opnieuw gekerkerd, van Den Haag naar Leuven vervoerd
en eindelijk naar Bergen in Henegouwen, alwaar 25 Juli
1537 de brandstapel voor hem opgericht stond. Op weg
derwaarts betuigde hij, dat zijn bloed de vlam niet zou
uitblusschen, tegen de vervolgers der waarheid opgerezen,
maar dat die vlam zich integendeel tot een onuitblussche-
lijk vuur zou uitbreiden. Nabij den brandstapel gekomen
verwierf hij de gunst, om voor zich zelven te mogen bidden.
Knielend, met opgeheven handen, beval hij zijnen geest
aan God. Toen zonk zijn lichaam een weinig naar de
rechterzijde over. De beul schoot toe en ving hem op,
meenende, dat zwakte of vrees hem deed bezwijmen. Het
was niet alzoo. Hij had den geest gegeven. De vlammen
des brandstapels waren overbodig geworden. Toch eischte
de ruwe menigte, dat de brandstapel zou worden aange-
MOORREES, Kerkhervorming.                                                6
-ocr page 84-
82
stoken. De asch werd door den wind over de velden
verstrooid, maar de ziel des vromen martelaars was op-
genomen in de eeuwige heerlijkheid.
Jaarlijks wordt de dag zijns doods door de weezen in
het Brielsche weeshuis dankbaar gevierd.
Oefende Meruia als pastoor te Heenvliet, zonder een
aanvoerder te zijn in den strijd, een verlichtenden en be-
zielenden invloed op zijne omgeving uit, datzelfde kan
ook getuigd worden van den toenmaligen pastoor te Gar-
deren, Jan Gerritsz. Verstege of Anastasius Veluanus, die
krachtig voor de denkbeelden der hervormers ijverde.
Jammer evenwel, dat, toen hij te Arnhem voor zijne
rechters stond, de moed hem ontbrak, om zijn geloof
gestand te doen. Hij herriep al wat hij vroeger had ge-
schreven. Weldra echter had hij berouw over deze zwak-
heid en keerde tot zijne vorige gevoelens terug. Daar hij
intusschen zijn leven wilde redden, ontvluchtte hij Gelder-
land en wist naar Duitschland te ontwijken, alwaar hij
gelegenheid vond tot het schrijven en uitgeven van zijn
boek der Leeken Wegwijzer, dat als godsdienstig huisboek
naast het Nieuwe Testament aan duizenden grootelijks
van dienst heeft mogen zijn.
Zoo was het ook met den letterkundigen arbeid van
Petrus Bloccius, schoolmeester of rector te Leiden, die
ongeveer ter zelfder tijd een boek schreef over de twee
honderd ketterijen in de Roomsche kerk,
waarin de oude
leer der Apostelen telkens wordt overgesteld tegen de
nieuwe leer der Papisten. Ook dit boek heeft veler oog
voor het licht der gezuiverde leer geopend.
En zouden wij niet met een enkel woord Johannes
Sartorius gedenken? Reeds als twintigjarig jongeling had
hij te Amsterdam onderwijs in de oude talen gegeven en
roem daarmede ingeoogst, maar zijne vrijzinnige gevoelens
waren oorzaak, dat hij gevangen naar Den Haag werd
gevoerd. Na een tijd lang in den kerker te zijn opge-
sloten geweest, werd hij weer op vrije voeten gesteld en
hervatte aan de nieuw opgerichte school te Noordwijk
zijne lessen. De uitgave van een geschrift over het geloof,
dat rechtvaardigt
wikkelde hem echter in moeielijkheden
-ocr page 85-
83
en noodzaakte hem, den vaderlandschen grond vaarwel te
zeggen en zijne woonplaats naar Bazel over te brengen.
Daar wijdde hij zich geheel aan de studie toe en gaf ge-
leerde werken ter verklaring des Bijbels in het licht.
Steeds voortstudeerende werd zijn geest allengskens meer
verlicht en zijn verlangen krachtig gewekt, om als
prediker der nieuwe leer in het land zijner geboorte op
te treden. Hij zette zich te Delft als leeraar neder,
maar moest zich eindelijk van daar terugtrekken naar
datzelfde Noordwijk, waar hij eenmaal de oude talen on-
derwezen had. Door geschriften en lessen is hij vóór velen
zijner tijdgenooten een leidsman tot het Evangelie geweest
en van zijne Noordwijksche school zijn , gelijk tijdgenooten
verzekeren, meer geleerden uitgegaan, dan er eenmaal
helden te voorschijn waren gekomen uit het Trojaansche
paard.
Laat ons ook Cornelis Kooltuin noemen, als kapelaan
eerst te Alkmaar, later te Enkhuizen werkzaam. Vrij-
moedig durfde deze geestelijke de leer der mis en der
heiligen-vereering bestrijden. Weldra viel hij door zijne
prediking de kettermeesters in het oog, en, ware de bur-
gerij van Enkhuizen niet zijne voorspraak geweest, hij
zou terstond gevonnist zijn. Nu kwam hij met eene duch-
tige bestraffing vrij. Zijne rondborstige prediking gaf hij
echter niet op maar zettte die met ijver voort, totdat het
bevel van den geloofsrechter Tapper, een Enkhuizer van
afkomst, hem dwong naar elders uit te wijken. Een tijd
lang vertoefde hij nog te Alkmaar, vormde daar in stilte
leerlingen, zooals Jan Arendsen, die later als hagepreeker
is opgetreden, doch zag zich eindelijk verplicht, het land
te ontwijken. De gemeente te Emden in Oost-Friesland
verleende hem gaarne eene schuilplaats, terwijl hij door
de uitgave van zijn Evangelie aan de armen het zieleheil
der Noordhollandsche geloofsgenooten bleef bevorderen.
Ziedaar dus het lot van ernstige, bekwame, gemoede-
lijke mannen. Hun bleef slechts de keus tusschen een
gewelddadigen dood of ballingschap. Het was der keizer-
lijke regeering niet genoeg, de woelingen der Anabaptisten
te beteugelen en de schare der Doopsgezinden met bloedige
6*
-ocr page 86-
84
plakkaten te vervolgen, maar zij woedde tegen alle gees-
telijke en wereldlijke lieden, die eene vrije opvatting van
het Christendom volgden. Den dood aan de ketters! . . .
ziedaar des Keizers bevel. En toch zou hij zijn doel niet
bereiken, want een Meerdere dan hij had gesproken: Zij
zijn de Mijnen, Ik zal hunne zaak beschermen.
8. Overzicht van het behandelde tydperk.
Aan bloedige plakkaten heeft Keizer Karel het niet
laten ontbreken. Sedert dat eerste bevel, waarin gezegd
werd, dat de Anabaptisten of Wederdoopers niet in genade
zouden aangenomen worden maar dat er strafoefening ge-
schieden zou, anderen ten exempel, zonder eenige dissi-
mulatie, gunst of uitstel, volgden de verordeningen elkander
met kleine tusschenpoozen op. Steeds werden deze soort
van ketters, van wat stand of conditie zij waren, vervallen
verklaard in de verbeurte van lijf en goed en tot de
uiterste straffen veroordeeld, ja de laatste maal nog met
de uitdrukkelijke bijvoeging, dat andere ketters, indien
zij hunne dwalingen herriepen, met ballingschap gestraft
zouden worden, maar de Anabaptisten en Doopers niet
dan met den hals. Het was alsof de Keizer hen van den
aardbodem wilde verdelgen.
Voor zoover zulks de eigenlijk gezegde dolzinnige dwe-
pers betrof, vonden deze strenge maatregelen genoegzaam
bijval bjj de gezeten burgerij. Zij begreep, dat de geest-
drijvende Munsterschen, Batenburgers en dergelijken aller-
gevaarlijkste sekten waren, wier euveldaden onder het
bereik van den wereldlijken rechter vielen; maar toen de
Keizer steeds bleef volhouden, dreiging en moord tegen
alle ketters te blazen, maakte hij veler misnoegen gaan-
de. Vooral geschiedde zulks door het strenge plakkaat
van 1550, dat van het invoeren der Inquisitie melding
maakte. Volgens genoemd plakkaat mochten de Inquisi-
teurs een iegelijk, in wat staat hij gesteld ware . onder
eede ondervragen en door allerlei middelen niet alleen tot
de verborgenheden der huizen maar ook der gemoederen
zoeken in te dringen. Zulk eene Inquisitie vervulde de
-ocr page 87-
35
harten met doodelijken schrik en wekte alom verbittering.
Wilde de Keizer desniettemin doortasten, hij moest weten,
of het raadzaam was, de heftigste verontwaardiging zijner
onderdanen op te wekken. Doch Karel V was vermoeid
van zijne reeds langdurige regeering, teleurgesteld ook
door de vele tegenspoeden, die hij had ondervonden en
gaf in den jare 1555, gelijk bekend is, te Brussel kroon
en schepter aan zijnen zoon Filips over. Hij deed dat
echter niet zonder dien zoon op het hart te drukken,
dat hij steeds hetzelfde spoor moest volgen. En Filips
betoonde zich een zoon, zulk eenen vader waardig. Hij
wist van geene genade, waar het ketters gold en ver-
scherpte steeds de gegeven plakkaten. O, hij zou beter
gedaan hebben, het verstandig woord van zijn overgroot-
vader, keizer Maximiliaan, te betrachten: alles kan de
staatswet regelen en dwingen, maar het godsdienstig en
geestelijk leven der volkeren
dat nooit. —
-ocr page 88-
BIBLIOTHEEK
NED. HSRV. KERK
HOOFDSTUK III.
Tijdperk der Gereformeerden.
Bij het verhaal van dat koortsachtig en overspannen
zoeken en tasten naar het volmaakte Godsrijk, dat den
Anabaptisten eigen was, dringt zich de gedachte aan
ons op: hadden onze vaderen in die dagen slechts een
bekwaam leidsman gehad en zich kunnen aansluiten aan
eene groote persoonlijkheid, voor hoeveel ellende waren
zij behoed gebleven! Slechts al te lang helaas, bleef de
schare der hervormingsgezinden aan zich zelve overgelaten.
Of zal men zeggen: maar zij hadden toch de Heilige
Schrift en konden dus tot de bron der Christelijke waar-
heid gaan! Het is zoo, zij hadden dat boek der boeken
in hun bezit, en lazen het ook; maar — de Schrift moet
in gezonden zin opgevat worden, en daartoe is ontwik-
keling des geestes noodig. Op de vraag: verstaat gij ook,
hetgeen gij leest? moet niet met den kamerling behoeven
geantwoord te worden: hoe zou ik dat kunnen; ik heb
niemand, die mij onderricht! Allerminst was dat een
gewenschte toestand in die dagen, toen men zich van de lei-
ding der Roomsch-Catholieke geestelijken had losgescheurd,
maar zonder nog recht te weten, wat nu te beginnen.
Voorzeker was er toen eene groote, krachtige persoon-
lijkheid noodig, die door geestesgaven uitmuntte, een
man wiens karakter vertrouwen inboezemde, die het der
zoekende en tastende schare durfde toe roepen: daarheen
o mijne broeders en zusters, daarheen!
-ocr page 89-
87
Zulk een man was de Geneefsche kerkhervormer Jan
Calvijn, de grondvester, leidsman en vader der Gerefor-
meerde kerken in Zwitserland en elders. Calvijn zocht
niet, als de Anabaptisten, naar een heilig Sion, dat aan
allerlei overspannen verwachtingen beantwoorden moest,
maar hij sloeg het oog op de dagen der Apostelen en
vroeg: hoe is in die eerste eeuw de gemeente des Heeren
bestuurd ? wat waren haar verordeningen ? welke leerstel-
stellingen volgde zij, wat was haar doelwit en door
welke middelen zocht zij dat doelwit te bereiken? Op
deze vragen vond hij het antwoord in de Heilige Schrift
en ontwikkelde dat in een uitvoerig, degelijk, voortreffelijk
boek, getiteld Calvijn\'s Institutie, hetwelk het leerboek
geworden is van de Godgeleerde school, door hem in
het leven geroepen. — De republiek Genève, in wier
midden hij woonde en werkte, bood hem ruimte in
overvloed aan, om zijne denkbeelden aangaande kerk en
kerkbestuur ten uitvoer te brengen. Niet, als Luther,
zag hij eenen keurvorst aan het hoofd zijns volks, met
wiens landsvaderlijk bestuur hij rekening moest houden.
Hij kon naar eigen overtuiging met volle vrijheid door-
tasten en handelen. Aldus heeft hij op het fondament
van Apostelen en Profeten, waarvan Christus de uiterste
hoeksteen is, eene kerk gesticht, vrijgemaakt van de
pauselijke heerschappij, geschoeid op de leest der eerste
christengemeenten, die door haar strenge tucht, haar
vurig geloof en haar krachtige belijdenis de bewondering
heeft opgewekt van tijdgenoot en nageslacht.
Vraagt gij naar den invloed, dien hij op de Nederland-
sche christenheid heeft uitgeoefend, denk dan aan de
geschriften, die er van hem zijn uitgegaan, aan het voor-
beeld door zijne Geneefsche kerk gegeven en aan de
leerlingen, die hij heeft gevormd. Niet, dat Jan Calvijn
zelf in onze gewesten is geweest of persoonlijk met onze
vaderlandsche gemeenten in aanraking is gekomen, maar
zijne leerlingen en geestverwanten hebben op verschillende
wijze door woord en werk zijne opvatting der reformatie,
het Calvinisme, in de Nederlanden inheemsch gemaakt.
Laat ons daarop het oog vestigen.
-ocr page 90-
88
1. Gemeenten van vluchtelingen te Emden, te Londen,
in den Paltz en te Wezel.
Reeds bij herhaling maakten wij gewag van lieden,
die om des geloofswil het land ontweken. Waar togen
zij heen? Naar oorden, waar zij veilig waren. Zoo was
het in Oost-Friesland, onder het bestuur van den vrijheid-
lievenden graaf Edzard, later van zijnen zoon graaf Enno
en diens weduwe gravin Anna. Derwaarts stroomden
honderden verdrukte en vervolgde Nederlanders, waar-
onder de reeds vroeger genoemde Cornelis Kooltuijn uit
Alkmaar, die later te Emden als leeraar opgetreden is.
Het aantal vluchtelingen werd gedurig grooter, zoodat er
een tijd kwam, dat de rivier de Eem vol lag met schepen,
die den steven naar de gastvrije Oost-Friesche steden,
vooral naar Emden, richtten. En wie er aankwam, rijk
of arm, geestelijke of leek, werd met hartelijke liefde
ontvangen. Terecht mag boven eene der deuren van de
groote kerk te Emden een vaartuig uitgebeiteld staan
met deze woorden daaronder:
Gods kerke vervolgd, verdreven,
Heeft God hier troost gegeven.
En wat vonden zij in Oost-Friesland? eene Hervormde
kerk, door Johannes a Lasco bestuurd en geordend. Deze
voortreffelijke man was in het kerkbestuur van Calvinis-
tische beginselen uitgegaan, had de Oost-Friesche kerk op
dezelfde wijze als die van Genève ingericht en een cate-
chismus vervaardigd naar het voorbeeld van Calvijn. Geen
wonder dus, dat de Nederlandsche vluchtelingen in Oost-
Friesland met de gevoelens van Calvijn doortrokken werden.
Zij leerden zich te voegen naar zulke vormen van het
kerkelijk leven, als door Calvijn aangegeven zijn. Dezelfde
Johannes a Lasco, die als kerkbestuurder van Oost-
Friesland opgetreden was, heeft ook te Londen tot de
Nederlandsche vluchtelingen in nauwe betrekking gestaan.
Reeds sedert 1537 hadden zich te Londen uitgewekenen om
-ocr page 91-
89
des geloofswil, uit Vlaanderen gevestigd en aldaar op zich
zelf staande gemeenten gevormd. Onder de regeering van
koning Eduard VI ontvingen deze gemeenten groote
voorrechten. Twee kerkgebouwen werden aan haar afge-
staan, waarvan het eene , behoorende tot een voormalig
Augustijnerklooster, nog heden ten dage door de Holland-
sche gemeente te Londen wordt gebruikt.
Weldra werd Engeland een gewenscht toevluchtsoord
voor de verdrukte Nederlanders en groeiden deze gemeenten
aan tot een getal van vier duizend zielen, meestal nijvere
fabrieksarbeiders uit Antwerpen, Henegouwen en Vlaan-
deren. Nu werd op des konings begeerte Johannes a
Lasco uit Emden ontboden, om eene kerkorde te ont-
werpen. Deze hield zich gedurende de jaren 1550 tot
1553 daarmede bezig en was als opperbestuurder aan het
hoofd der kerk geplaatst, terwijl vier leeraars, bijgestaan
door ouderlingen, de gemeente dienden. De Fransch
sprekenden ontvingen den Catechismus van Calvijn en
de kerkelijke formulieren van Straatsburg, en de Vlaamsch
sprekenden de Christelijke ordonnantiën van Micron en den
Oost-Frieschen catechismus. Bij de godsdienstoefeningen
werd de psalmberijming van Johannes Utenhove, een
balling uit Gent, ingevoerd. Voorts was de Gereformeerde
gemeente der Nederlanders, gelijk zij heette, onafhankelijk
van de Engelsche kerk en werd door den koning, die
zich niet anders dan het recht van toericht had voorbe-
houden, tot zelfstandigheid verheven. Profeten of doctoren
werden aangesteld om wekelijks bijbeloefeningen in de
moedertaal en voorlezingen over Oud- en Nieuw-Testa-
ment in het Latijn te houden. Diakenen belastten zich
met de zorg voor de armen, en Vergaderingen van leer-
aars, ouderlingen en diakenen dienden om de gemeente
te besturen. Wij treffen te Londen eene gemeente aan,
in welke alle dingen met orde geschiedden, die om haar
bestuur, om haren eeredienst, om de grondbeginselen,
waarvan zij uitging, waardig is, gekend te worden en
de kiem van verdere ontwikkeling zichtbaar in zich
droeg
Jammer dat hare voorspoedige uitbreiding na den dood
-ocr page 92-
9o
van Eduard VI, door koningin Maria, de bloedige bijge-
naamd, gewelddadig belemmerd is. Die vorstin woedde
zoo vreeselijk tegen de Hervormden, dat de geschied-
schrijver Van Meteren getuigt: „wij zelven hebben op
ééne reis dertien mannen en vrouwen samen levend zien
verbranden". Toen namen duizenden de vlucht en ver-
spreidden zich overal heen. Een aantal begaf zich over
zee naar Denemarken. Koning Christiaan duldde hen
echter niet in zijne staten, omdat zij in hunne gevoelens
omtrent het avondmaal van de Deensche Protestanten
verschilden. Zij waren dus verplicht zich naar Duitsch-
land in te schepen en kwamen na het doorstaan van
ontelbare moeilijkheden in Oost-Friesland aan. Hun aantal
was echter te groot om daar op den duur te blijven; zij
moesten verder Duitschland in en zijn eensdeels te Wezel,
anderdeels te Frankfort opgenomen.
Johannes a Lasco behoorde tot de laatsten en vond de
uit Londen verdreven Fransch sprekende gemeente reeds
te Frankfort gevestigd. Ook aan hem en zijne mede-
ballingen werd aldaar een toevluchtsoord gegund ; evenwel
slechts kort, want de ijverige Lutheranen betwistten hem
het recht om, op andere wijze dan zij, den doop te be-
bedienen, het avondmaal te vieren en godsdienstoefening
te houden. Zij werden dus genoodzaakt Frankfort te
verlaten en naar den Paltz te wijken , waar zij onder het
gebied van den Gereformeerden keurvorst te Heidelberg, te
Frankendaal en elders eene woonplaats vonden.
Vooral- te Frankendaal bloeide weldra eene talrijke
gemeente, die in nauwe betrekking op ons vaderland
heeft gestaan, want haar leeraar Casper van der Heide
heeft er dezelfde kerkorde ingevoerd, die vroeger reeds
bij de gemeente onder het kruis te Antwerpen aange-
nomen was, en Petrus Dathenus, insgelijks predikant
aldaar, is de man geweest, aan wien onze vaderen eene
meer volledige psalmberijming dan die van Utenhove
en eene overzetting van den Heidelbergschen Cate-
chismus zijn verschuldigd. Men kan dus zeggen, dat
die gemeenten onder het kruis, zoo te Emden, te Lon-
den, als in den Paltz, de grondslagen hebben gelegd van
-ocr page 93-
9i
het gebouw der kerk, dat eenmaal in de Nederlandsche
gewesten zou opgetrokken worden.
Ook aan Wezel komt eene eereplaats toe onder de gast-
vrije steden, die den ballingen herberg verleenden. Eerst
in 1545 en later in 1556 zetten zich velen uit Vlaanderen
en Londen daar neder. Op hunne verklaring, dat zij
noch in Calvijn noch in Luther maar in Christus geloofden,
werden zij welwillend opgenomen en hebben er Waalsche,
Engelsche en Hollandsche gemeenten gevormd. In belij-
denis en kerkorde zijn zij echter Calvinisten gebleven.
Eenige jaren later werd in diezelfde stad Wezel de
eerste algemeene synode der Hervormde of Gereformeerde
kerken onder het kruis gehouden, en toen nog weer
eenige jaren later de tijdsomstandigheden zoo veranderd
waren, dat de ballingen naar de Nederlanden durfden
wederkeeren, hebben zij den Raad der stad plechtig dank
betuigd en tot gedachtenis twee kostbare zilveren bekers
vereerd met het opschrift: „ik was een vreemdeling en gij
hebt mij geherbergd," en: „bewaar o Heer, het beroemde
Wezel, de herberg uwer kerk."
Waarlijk, indien Nederland in de zestiende en zeven-
tiende eeuw gastvrijheid aan ballingen bewezen heeft,
dan was dat niet anders dan dankbare en getrouwe na-
volging van de broederlijke liefde, aan zijne uitgeweken
burgers en burgeressen bewezen.
2. Koning Filips II van Spanje en de Roomsch-
Catholieken in de Nederlanden.
Intusschen was Filips II van Spanje in 1555 aan de
regeering gekomen. Meer dan iemand was hij een trouwe
zoon der Roomsche kerk, ja hij had zich voorgesteld, de
ketterij zooveel mogelijk uit te roeien. Van hem toch is
het sterk sprekend woord afkomstig, dat hij liever in het
geheel niet dan over ketters wilde regeeren. Na het over-
lijden zijns vaders vereerde hij diens nagedachtenis door
het houden van een optocht te Brussel, waarbij de kerk
werd voorgesteld onder de gedaante van een opgetuigd
schip, dat zich statig voortbewoog door de straten. De
-ocr page 94-
92
bemanning bestond uit drie zinnebeeldige personen: geloof,
hoop en liefde. Het geloof met een avondmaalskelk in
de eene en een rood kruis in de andere hand, zetelde
midden op het dek; de hoop in eene bruine monnikspij
stond, op een zilveren anker leunend, aan den voorste-
ven, en de liefde, schitterend in een vuurrood kleed, met
een vlammend hart in de hand, was gezeten aan het
roer. Alsof Keizer Karel zich door dat drietal christen-
deugden steeds had laten besturen! Wij zouden zeggen:
juist het tegenovergestelde. Geloof, hoop en liefde hadden
bedroefd het aangezicht van zijne regeering afgewend en
voor hem het gelaat bedekt; maar koning Filips kende geen
ander geloof dan het geloof in de alleenzaligmakende kerk-
leer, geene hoop, dan die op de macht der plakkaten en
geene liefde dan verlangen naar de zegepraal van Rome.
Daarom was zijn vader een uitstekend vorst geweest en
wilde de zoon niet minder zijn dan hij.
Filips\' eerste regeeringsdaad was het opnieuw afkondigen
van het plakkaat van 15 50 tot groot misnoegen van de
Staten dezer gewesten; doch in plaats van zich daarover
te bekommeren, bleef hij op de naleving der plakkaten
aandringen en gaf daartoe aan zijne stadhouders geheime
bevelen. Ook verordende hij de vestiging van nieuwe
bisdommen, de invoering der besluiten van Trente en
van de inquisitie. Door deze verordening greep hij recht-
streeks in de belangen der Roomsch-Catholieke kerk in.
Nieuwe bisdommen waren in het oog der Nederlanders
artikelen van weelde, die zij wel missen konden. Hadden
zij aan den bisschop van Utrecht niet genoeg? moest dat
bisdom nu tot een aartsbisdom verheven en daarnaast bis-
schopszetels te Haarlem, Deventer, Leeuwarden, Gronin-
gen, Middelburg en \'s Hertogenbosch opgericht worden?
En waar zouden de 3000 ducaten te vinden zijn, die elk
dezer kerkvorsten jaarlijks behoefde? Uit de tienden en
andere kerkelijke goederen der rijke abdijen en voorts uit
de kas des lands.
De Roomschen — en deze maakten nog altijd meer
dan vier vijfden des volks uit, en daaronder de deftigste en
rijkste lieden, — waren volstrekt niet met deze maat-
-ocr page 95-
93
regelen ingenomen. Uit de abdijen rezen bittere klachten
over de vermindering van hare inkomsten. De hoogere
geestelijken namen het kwalijk, dat hun gebied werd
ingekrompen en dat de regeling dezer nieuwe kerkelijke
indeeling geheel buiten hen was omgegaan. De staten
keurden het strijdig met hunne rechten, dat zulke diep
ingrijpende veranderingen zonder hunne goedkeuring wer-
den ingevoerd. Het ergerde dien aanzienlijken heeren,
dat daardoor recht van zitting in de staatscolleges aan
vreemdelingen moest verleend worden. Iedereen begreep,
dat Filips II geen ander doel kon hebben dan als despoot
over de Nederlanden te regeeren. En als hij nu een in-
nemend mensch geweest ware, die door zijne persoonlijk-
heid de harten voor zich had weten te winnen, maar
neen, hij was terugstootend, leelijk van gedaante en
bovendien schuw, wantrouwend en opvliegend van aard.
Zijn levensdoel was alles te kneden en te vervormen naar
het despotiek Spaansch regeeringsstelsel. Daarom kwam
het niet in hem op, met de omstandigheden, di-n land-
aard, de gewoonten, wenschen, rechten en vrijheden des
volks te rade te gaan. Hij had de privilegiën der edelen ,
steden en gemeenten bezworen, maar wat golden bij hem
eeden en beloften! Hij eerbiedigde ze slechts voor zoo-
ver zijne denkbeelden omtrent het staatsbestuur er mede
overeenstemden.
Intusschen waren het geene onmondigen, met wie hij
zich te bemoeien had. De 17 Nederlandsche gewesten,
■die de Keizer, zijn vader, na 25-jarige inspanning onder
éénen schepter had vereenigd, zoo rijk dat zij meer dan
het vierdubbele van de goud- en zilvermijnen van Peru
en Mexico aan de Spaansche schatkist opbrachten, waren
fier op hunne rechten.
Wij merkten reeds op, met welk een tegenzin zij het
besluit omjrent de vestiging van nieuwe bisdommen ont-
vingen. Nog grooter was hunne ontevredenheid over het
aanhouden van Spaansch krijgsvolk in het land. En was
dan de eigen schutterij niet voldoende om de rust te
bewaren? of moesten de bloedplakkaten met kracht en
geweld uitgevoerd worden en waren daartoe die vreemde
-ocr page 96-
94
krijgsbenden noodig? De Staten vreesden het ergste en
drongen op het vertrek der gehate vreemdelingen aan,
ja zoo sterk, dat Filips bij eene woordenwisseling over dit
onderwerp toornig uitriep: „ik ben ook een vreemdeling,
wil men mij misschien ook wegjagen!"
Nu, zoo bedoelden de Staten het niet. Zij waren nog
steeds bereid, hunnen heer hulde en gehoorzaamheid te
bewijzen, maar als er iemand verwijderd moest worden,
dan wenschten zij, dat het Antonio Perenot zou mogen
zijn, de bisschop van Mechelen, die bij de nieuwe ker-
kelijke indeeling tot aartsbisschop verheven en door den
paus tot kardinaal benoemd was. Deze heerschzuchtige
man, algemeen bekend als de heer van Granvelle, was de
vertrouweling van Filips en nadat deze zich naar Spanje
ingescheept had, de raadsman zijner halve zuster Margare-
tha, thans als landvoogdesse opgetreden. Hij werd beschouwd
als de gevaarlijkste vijand van de Nedeilandsche rechten
en privilegiën. Aan hem werden alle hatelijke maatre-
gelingen, die de regeering nam, toegeschreven. Op zijne
verwijdering werd aangedrongen, ja, het scheen of de
toestand des lands verbeteren moest, zoodra slechts die
gehate vreemdeling zou verwijderd zijn.
Toch was dat niet het geval. Granvelle vertrok, maar
het regeeringsstelsel van Filips bleef onveranderd. De
scherpste plakkaten tegen Anabaptisten , Lutheranen, Sa-
cramentisten en andere ketters werden telkens afgekondigd.
Het was een stelsel van schavotten en beulen, van ver-
klikkers en geloofsrechters, dat ook de kleinste vonk van
vrijheid uitdooven moest. Eenige verzen uit een kettersch
liedeboek over te schrijven werd met den dood gestraft.
Vóór twee, drie, ja vóór zestien, achttien jaren eene ket-
tersche samenkomst bijgewoond te hebben, was voldoende
om iemand op den brandstapel te brengen. Ja zelfs, een heili-
genbeeld scheef aan te zien, werd eene halsmisdaad gerekend.
Wat bleef er onder den druk van zulke plakkaten van
de aloude vrijheden en voorrechten over? De Roomschen
zelven waren bekommerd en zagen zulke strenge maat-
regelen met leede oogen aan. Maar wat moesten zij dan
wel denken van het afkondigen der besluiten van Trente?-
-ocr page 97-
95
Volgens deze moesten de namen van alle ingezetenen,
hunne bedienden en verdere huisgenooten opgeschreven
worden met vermelding van hunne meerdere of mindere
trouw in het kerk gaan, het hoogtijd vieren, de mis enz.
Dat wekte ieders verontwaardiging en gramschap op.
Over niets anders werd er gesproken dan over de inqui-
sitie. Waar ook, op straat, in den winkel, op de markt,
overal, op het slot van den edelman en in de hut van
den arme werd er geklaagd. Het ware beter, meende
men, dadelijk te sterven dan in zulk een staat te leven
te midden van spionnen en verklikkers, die woord en
daad bespiedden, ja gedachten en gelaatsuitdrukking op
het ongunstigst trachtten uit te leggen.
Hier en daar dreigde een volslagen oproer. Vlugschrif-
ten, vliegende blaadjes, spotprenten werden dagelijks in
het licht gegeven. Te Antwerpen stond een stuk aange-
plakt, dat Filips voor het gericht van het Duitsche Rijk
gedaagd moest worden. In die sterk bevolkte stad heerschte
schrik en ontsteltenis. Kooplieden, fabrikanten en werk-
lieden maakten plan, om het land uit te wijken, als ware
de pest er uitgebroken.
Groot en klein vatte tegenzin op tegen een vorst, die
zoo meedoogenloos te werk ging; en toen straks de hoop
op verzachting der plakkaten in rook vervloog, kwam de
tijd, dat het volk, hoe lijdzaam anders van aard, zich als de
getergde leeuw ophief en aangordde tot den beslissenden
strijd.
3. Gereformeerden in Antwerpen, Vlaanderen en
Henegouwen\').
Hebben wij ons voorgesteld, uitsluitend op Noord-Neder-
iand het oog te vestigen, wij kunnen niet geheel van het
Zuiden zwijgen, omdat vele Gereformeerde gemeenten
zich juist aldaar ontwikkeld en mannen aan haar hoofd
gehad hebben, die voor het Noorden tot grooten zegen
zijn geweest. Het laat zich begrijpen, dat de naar Enge-
land en Duitschland uitgeweken Vlamingen vele betrek-
\') Meer bijzonderheden dienaangaande komen voor in: Moorrees,
Kerkhervorming Zuid-Nederl. Te Leiden bij Adrlani, 1904, bl. 42 67.
-ocr page 98-
96
kingen met hunne achtergebleven familie en vrienden onder-
hielden en in hunne brieven een beschrijving gaven van
het kerkelijk leven, dat zij in den vreemde leidden. De
begeerte om op vaderlandschen bodem datzelfde leven aan
te kweeken, werd daardoor krachtig opgewekt. Maar
hoe dat buiten het oog der alles bespiedende ketterrichters
te doen ? Het moest geschieden, zonder opzien te baren.
Geestdrijvers lieten zich met die bedachtzame pogingen
niet in. Nieuwsgierigen gaven zich op den duur ook zoo-
veel moeite niet. Slechts de waarlijk belangstellende en
heilbegeerige zielen sloten zich aan elkander aan en stichtten
in het verborgene kleine gemeenten, die naar het voorbeeld
der uitgeweken geloofsgenooten werden ingericht en in
waarheid gemeenten onder liet kruis konden heeten. Volg-
den zij, gelijk sommigen deden, de leer van Luther, dan
heetten zij „van de Confessie", en volgden zij Calvijn,
dan werden zij „van de Religie" genaamd. Op gezette
tijden hielden zij vergaderingen om Gods woord te hooren
verkondigen, gemeenschappelijk te bidden en Doop en
Avondmaal te vieren. Toen de inquisiteurs te Rijssel in
1556 Boudewijn Oguier vraagden, wat men in de verga-
deringen der ketters deed, antwoordde hij: „als wij allen
in \'s Heeren naam vergaderd zijn om Zijn woord te hooren,
dan vallen wij op de aarde neder op onze knieën, in oot-
moedige harten onze zonden voor Gods aangezicht belij-
dende. Daarna bidden wij, dat het woord Gods oprecht
en rein gepredikt moge worden. Wij bidden ook voor
onzen \'heer den koning en voor zijnen raad, opdat de
gemeente in vrede moge geregeerd worden. Ook wordt
gij, mijne heeren! niet vergeten, want wij hebben u ook
in gedachtenisse als onze heeren en oversten, biddende
onzen goeden God voor u en voor de gansche stad, op-
dat God u in alle deugden onderhouden zou. Ziet dat zijn
de stukken, die wij bedrijven. Dunkt u, mijne heeren, dat
wij zoo groot kwaad doen, zoodanige vergadering houdende ?
Waar heeft men ooit gelezen, dat diegenen, die bijeen
kwamen om voor de regeering des lands te bidden, den
dood waardig waren? Bovendien, begeert gij de gebeden
te hooren, die wij doen, ik ben bereid u die te zeggen."
-ocr page 99-
97
Toen viel Oguier op de knieën en begon de gebeden uit
te spreken die uit zijne ziel oprezen, met zooveel vuur,
dat er nooit zulk een brand des geestes noch zoo sterke
beroering in hem is te zien geweest, zoodat velen van de
rechters de tranen uit de oogen vloeiden. Daarna op-
staande van het gebed zeide hij: „ziet mijne heeren, dat
is het, wat men in onze vergaderingen doet." Roerende
getuigenis! En toch heeft deze man vol van den geest
des gebeds en der genade den brandstapel moeten beklimmen.
Ja, maar hij deed het, tegelijk met zijn vader, moeder
en broer, op God verheerlijkende wijze.
Reeds tijdens de regeering van Karel V had zich te
Antwerpen eene gemeente van Calvinisten verzameld. Zij
wordt in de schriftelijke stukken dier dagen als de ge-
meente la Vigne (de Wijngaard) aangeduid. Een harer
eerste leeraren was Caspar Van der Heyde. Toen in
1558 de vervolging in Antwerpen uitbrak, was hij op het
punt van gevangen genomen te worden, maar omdat men
hem geknield in het gebed had aangetroffen, had men
hem vrij gelaten; de diaken Anthonie Verdikt en de
ouderling Robolt daarentegen waren om het leven gebracht.
Voorts werd er een prijs van 300 gulden op het hoofd
van eiken leeraar en van 50 gulden op dat van eiken
ouderling of diaken gesteld, tengevolge waarvan Van der
Heijde het raadzaam achtte naar Duitschland uit te wijken
en zich aan de Frankendaalsche gemeente te verbinden.
Met dat al bleef de gemeente te Antwerpen in stand,
ja breidde zich telkens uit. Op meer dan twintig plaatsen
hield zij samenkomsten. Zoo gebeurde het, dat Charles
De Niëlles in 1560 in zijn huis aan het preeken was,
toen de opstijgende vlam des brandstapels door de ven-
sterruiten gezien werd. „Knielt" sprak hij toen „broeders,
laat ons voor die arme martelaars bidden." Zijne gebeden
waren vurig. Er vloeiden heete tranen. De vergadering
ging uiteen. Eenigen vielen in het naar huis gaan hunnen
vervolgers in handen, en de slotemaker Hallewijn, de
tapijtwerker Leheu, de wapensmid Jansen, de schilder
Adriaan en de kleedermaker Hendrik moesten het be-
koopen met den dood. De overigen ontkwamen het
Moorrees, Kerkhervorming.
                                            7
-ocr page 100-
98
gevaar, om reeds den volgenden avond, van vele anderen
vergezeld, weer godsdienstig bijeen te komen.
Welk een moed in die gemeenten onder het kruis! maar
zij hadden ook leeraars aan haar hoofd van zeldzame
geestkracht, waaronder Adriaan van Haemstede, de schrij-
ver van het bekende Martelaarsboek, Herman Moded of
de Strijcker, en Jan Taffin. Opmerking verdient het dat,
terwijl er tevens eene Luthersche gemeente te Antwerpen
gevestigd was, tot welke vooral vele Duitsche kooplieden
behoorden , de meest doortastende ijver en offervaardigheid
bij de Gereformeerden gezien werd, die daarom ook het
felst zijn bestookt geworden.
Het is ons doel niet de geschiedenis der Gereformeerde
gemeente te Antwerpen van den aanvang tot het einde
te schetsen, evenmin die der andere gemeenten in de
zuidelijke Nederlanden, maar met een enkel woord wijzen
wij op Gent en Doornik.
In de talrijke en bloeiende gemeente te Gent (zij wordt
la Glaive, het Zwaard genoemd) treffen wij Petrus Dathe-
nus als leeraar aan. Hadden de bloedplakkaten dien man
een geruimen tijd gedwongen, buiten het land te vertoe-
ven en zich aan de Frankendaalsche gemeente te wijden,
zoodra hij er gelegenheid toe vond, keerde hij naar Vlaan-
deren terug en bracht er zijne Psalmberijming en de over-
zetting van den Catechismus mede. Zijne vurige welspre-
kendheid, ofschoon tamelijk ruw, viel zoozeer in den
smaak der Vlaamsche gemeenten, dat hij voor groote
scharen -predikte en die allen met geestdrift bezielde. Te
Gent, Antwerpen, Maastricht, Vlissingen en elders trad
hij op en eindelijk zette hij zich metterwoon te Gent
neder, waar men hem kende als den leeraar met den ros-
sen baard,
totdat de verdere loop der gebeurtenissen hem
op nieuw naar Duitschland verdreef.
Naast hem vinden wij een tijdlang Herman Moded of
de Strijcker, een man van zeldzame stoutmoedigheid. Hij
moet onverschrokken geweest zijn tot roekeloosheid toe.
Kort nadat aan alle hoeken der straten een plakkaat was
afgekondigd, waarbij op het hoofd van eiken leeraar hon-
derd pond Vlaamsen gesteld was, durfde hij tot den
-ocr page 101-
99
president van Vlaanderen doordringen, zeggende: „mijn-
heer, zie, hier ben ik. Wilt gij honderd pond verdienen,
hier ben ik." En toen de bevende president, het ergste
vreezende, zich zoo spoedig mogelijk trachtte te verwij-
deren , werd hem door Moded toegeroepen: „stel schelmen
en dieven op geld, maar mij niet."
Werd deze onverschrokken taal door Moded gesproken
in het besef, dat hij eene eerlijke zaak voorstond, dat-
zelfde besef gaf aan Petrus Brullius, leeraar te Doornik
(la Palme genoemd en een tijd lang de bloeiendste van
al de gemeenten) den moed om als martelaar te sterven.
Vrienden hadden hem in eene mand neergelaten, om zijne
ontvluchting mogelijk te maken. Daar valt een stuk
steen en verbrijzelt een zijner beenen. Onder hevige
pijnen blijft hij liggen, totdat zijne vijanden hem ontdek-
ken. Meedoogenloos sluiten zij hem in de gevangenis en
nadat hij vier maanden zwaar gefolterd is, beklimt hij
met denzelfden moed den brandstapel, waarmede hij steeds
zijne gevoelens verkondigd heeft.
4. De geloofsbelijdenis dep Gereformeerde gemeenten.
Naarmate de Gereformeerde gemeenten zich krachtiger
ontwikkelden, werd ook de behoefte grooter, om hare
leerbegrippen duidelijk voor te stellen en aan hare geloofs-
belijdenis een vasten vorm te geven. Er waren toch van
de zijde harer tegenstanders zulke zware beschuldigingen
tegen haar ingebracht. Zij waren uitgemaakt voor op-
roerlingen , die niets liever wilden dan alles \'t onderst boven
keeren en zich niet alleen aan alle gezag onttrekken maar
ook hunnen souverein den schepter uit de handen wringen.
Die beschuldigingen mochten den Anabaptisten gegolden
hebben, maar op de Gereformeerden behoefde dat niet
toepasselijk te worden gemaakt. Er rees althans in het
hart van Guido De Brés, leeraar der Gereformeerden te
Valenciennes of Valencijn het verlangen op, om uitdruk-
king te geven aan het gemeenschappelijk geloof zijner
broeders en zusters onder het kruis. Deze Guido De Brés,
geboortig uit Henegouwen, had te Genève gestudeerd en
-ocr page 102-
IOO
het onderwijs van Calvijn genoten. Geheel in den geest
zijns leermeesters ingedrongen, was hij onder zulke leiding
tot leeraar geordend en met heiligen ijver te Rijssel en
te Doornik opgetreden. In September 1562 laatstgenoemde
stad verlatende, deden zijne vrienden hem uitgeleide en
begaven zich onder weg met hem in een bosch, om
een laatst gebed op te zenden, toen een aantal gewapen-
den met den bisschop van Doornik aan het hoofd, hen
overviel. Velen hunner werden gevangen genomen, maar
De Brés had gelegenheid gevonden om te ontsnappen.
Doch waarheen zich nu gewend? waar zich in veiligheid
gesteld ? In het vast geloof dat God hem riep om doods-
gevaren te trotseeren, vestigde hij zich als leeraar te
Valencijn, bestuurde daar de gemeente en stelde er eene
geloofsbelijdenis op voor allen, die wenschten te leven
volgens de zuiverheid van het Evangelie onzes Heeren
Jesu Christi. Die geloofsbelijdenis werd aan zijne ambt-
genooten in andere plaatsen ter verbetering en aanvulling
medegedeeld en op eene vergadering van Gereformeerde
gemeenten onder het kruis, te Armentières in 1563 ge-
houden, goedgekeurd en aangenomen.
Zij had niet ten doel, tot vasten geloofsregel van alle
Gereformeerde gemeenten te dienen maar wel om aan de
wereld te toonen, dat deze gemeenten zulke afschuwlijke
en goddelooze denkbeelden niet koesterden, als hare vij-
anden beweerden. Daarom werd zij voorafgegaan door
een brief aan koning Filips, waarin Guido De Brés namens
zijne geloofsgenooten de gemeenschappelijke zaak bepleit.
„Ware het ons vergund" zoo luidt de aanhef, „ons
voor Uwe Majesteit te vertoonen, om ons te verdedigen
op de beschuldigingen, die tegen ons worden ingebracht,
wij zouden dezen verborgen weg niet bewandelen, om u
het bitter zuchten van uw volk te doen hooren door eene
geschrevene belijdenis; maar aangezien onze vijanden u
de ooren met zoovele valsche berichten hebben vervuld,
dat het ons niet alleen onmogelijk is, voor uw aangezicht
te verschijnen maar wij ook uit uwe landen worden ver-
jaagd, vermoord en verbrand, zoo vergun ons, genadigste
Heer! in den naam van God althans dit, wat geen mensch
-ocr page 103-
101
kan weigeren aan de dieren, dat wij ons klagelijk roepen
als van verre tot uwe ooren laten komen, opdat, indien
Uwe Majesteit, na ons gehoord te hebben, ons schuldig
oordeelt, de vuren in uw koninkrijk worden verdubbeld,
de martelingen en tormenten klimmen, doch, als daaren-
tegen onze onschuld u mocht duidelijk geworden zijn, wij
u tot schut en hulp mochten hebben tegen de woede
onzer vijanden. Want, helaas, Sire, als het genoeg is,
iemand te beschuldigen en elk middel van verdediging den
aangeklaagde ontnomen wordt, wie zal dan rechtvaardig
bevonden worden?"
Na deze treffende inleiding werpen zij de beschuldiging
van oproer verre van zich af en verzekeren, dat zij in het
woord Gods geleerd worden, dat elke overheid van God
is, en dat, wie de overheid wederstaat, zich verzet tegen
de ordonnantiën Gods. Zij beroepen zich op de geduldig
doorgestane vervolgingen en betuigen niets anders te be-
geeren dan verlof om Gode te geven, wat Godes is en
wat Hem niet kan geweigerd worden, omdat Hij menschen
tot zijne onderdanen vormt.
Maar zij worden ook ketters, vijanden van Gods kerk
genoemd. Was daar reden toe? Koning Filips moge dat
zelf beoordeelen, als hij hunne belijdenis leest, eene belij-
denis, die zich aansluit aan de woorden van apostelen en
kerkvaders en slechts de menschelijke overlevering der
latere tijden afkeurt en bestrijdt. Laat de Koning er
slechts kennis van nemen, en hij zal er toe gebracht wor-
den, de onschuld te handhaven van hen, die tot dusver
meer verdrukt dan verhoord zijn geworden.
Koning Filips heeft dat verweerschrift waarschijnlijk
nooit ingezien , en anders heeft het hem toch niet bewo-
gen, om een gunstig oordeel over zijne Gereformeerde
onderdanen uit te spreken. Zij bleven in zijn oog onrust-
stokers, woelgeesten, vijanden van Gods kerk. Voor de-
zulken was eigenlijk iedere andere doodstraf onvoldoende;
zij moesten levend verbrand worden.
Was daarom het opstellen van de geloofsbelijdenis eene
overtolligheid ? Waarlijk niet. Dat verweerschrift predikte
aan de toenmalige wereld, dat Gereformeerden volstrekt
-ocr page 104-
102
niet op gelijke lijn gesteld mochten worden met Ana-
baptisten. „Wij verwerpen — zegt artikel 36 — de
wederdoopers en andere oproerige menschen en in het
algemeen degenen, die de overheden en magistraten aan-
tasten en de justitie om willen stooten, invoerende ge-
meenschap van goederen en verwarrende de eerbaarheid,
die God onder de menschen gesteld heeft." Gij hoort
in die woorden nog een nagalm van de scherpe pro-
testen, die door alle weidenkenden tegen de gruwelen
van Munster zijn ingebracht. Weg, weg met die af-
schuweiijke dwaalgeesten! — zoo getuigt Guido De Brés
— mijne ziele kome niet in hunnen raad!
Overigens is de geloofsbelijdenis er op aangelegd , om
de instemming der Gereformeerden te betuigen met de
oude conciliën van Nicea en latere, ten einde daardoor
hun Christelijk karakter in het oog der toenmalige we-
reld te wettigen. „Hunne zaak — zoo staat er in
art. 37 — die nu tegenwoordig van vele rechters en
overheden als kettersch en goddeloos verdoemd wordt,
zal bekend worden de zaak des Zoons Gods te zijn."
Uit dit oogpunt beschouwd, blijft de geloofsbelijde-
nis een schoon gedenkstuk van het mannelijk en krach-
tig geloof dier dagen. Wil men er echter de uitdruk-
king in blijven zoeken van het geloof der volgende
eeuwen, ook zelfs van onzen tijd, dan geraakt men
aan het dwalen, en de mannelijke, krachtige getuige-
nis van Guido De Brés wordt voor verstand en hart een
knellende band.
5. Gereformeerden en hunne consistoriën in de
Noordelijke gewesten.
Omtrent denzelfden tijd dat zich in het Zuiden Gerefor-
meerde gemeenten vormden, geschiedde zulks ook in Hol-
land en Zeeland, zonder dat men nauwkeurig alles kan
beschrijven, wat met den oorsprong dier gemeenten samen-
hangt. Men denke evenwel niet, dat zij van den beginne
aan bijzonder talrijk waren. De Roomsch Catholieken
vormden nog altijd twee derden der bevolking, waartoe de
-ocr page 105-
io3
deftigste, rijkste en aanzienlijkste burgers behoorden. De
overigen waren in Holland, Zeeland en Friesland grooten-
deels tot de Doopsgezinden toegetreden. Hier en daar
hielden sommigen de leer van Luther vast en slechts
het overblijvende negende deel des volks kan Gerefor-
meerd worden genoemd, maar dat Gereformeerde deel
had de bijzondere gave, om inwendig goede orde op
de zaken te stellen en naar buiten zich krachtig te doen
gelden. Het was, of in dat opzicht de geest van Calvijn
in hen leefde en werkte.
De Gereformeerden hadden hunne predikanten; in den
beginne waren het meest reizende predikanten , die zich
nu hier dan daar lieten hooren, veelal vroegere monniken
en priesters, ofschoon er zich ook handswerklieden, zoo-
als glasschilders en mandenmakers, onder bevonden. Deze
predikanten waren mannen uit het volk, zonder eigenlijke
geleerdheid, maar met natuurlijke welsprekendheid en
bovenal met heilige bezieling en vurig geloof. Voorts
hadden de gemeenten hunne kerkeraden of consistoriën,
die bestonden uit ouderlingen en diakenen. In gemeen-
ten, waar men vaste predikanten had, behoorden ook
dezen er toe, en dan bekleedden zij tevens in de ver-
gaderingen het voorzitterschap. Het aantal ouderlingen
en diakenen was grooter of kleiner naarmate van de
meerdere of mindere talrijkheid der gemeente. De ver-
gadering werd gehouden bij een der leden aan huis, die
tevens secretaris was en het lidmatenboek hield. De
diakenen bedeelden de armen uit de giften, die onder
de preek in een zakje of bordje werden ingezameld. De
predikanten werden vanwege hunne kerkeraden onder-
houden door heiligegeest-meesters. Ook had men loopers
of kosters, die boodschappen overbrachten. Zoolang de
predikatiën nog in het geheim gehouden werden, ge-
schiedden die boodschappen ook zeer in het geheim,
maar toen men wat meer durfde wagen, plakten de
kosters geschreven aankondigingen openlijk aan.
De Gereformeerden hadden hunne bijbels en kerkboe-
ken. Wij hebben reeds vroeger van de eerste bijbel-
overzettingen en bijbeldrukken gesproken. Laat ons nu
-ocr page 106-
104
nog daarbij voegen, dat de eigenlijk gezegde bijbel der
Gereformeerden te Emden is uitgegeven ten jare 1559 en
algemeen bekend staat als Bijbel der Deux Aas. Deze
bijbel is menigmaal herdrukt en om de vele ophelderende
verklaringen (\') bijzonder geliefd en veelvuldig gebruikt
tot den tijd der Staten-overzetting in 1637 toe Sedert
den jare 1563 is onder de Gereformeerde gemeenten de
Heidelbergsche Catechismus als leerboek voor jong en oud
in zwang gekomen. Drie jaren later gaf Dathenus zijne
Psalmberijming in druk, tegelijk met eene nieuwe over-
zetting van den Catechismus, voorts de vereischte formu-
lieren en een bundel gebeden. Aldus was alles vereenigd, wat
eene welgeordende gemeente in haar kerkboek noodig heeft.
Waren nu de kerkeraden of consistoriën aanvankelijk
zuiver kerkelijke lichamen, die zorgden voor het prediken
des Woords, de bedeeling der armen, de bediening van
Doop en Avondmaal, de kerkelijke huwelijksinzegening en
het uitoefenen van de kerkelijke tucht, langzamerhand
kregen zij ook staatkundige beteekenis en knoopten ver-
standhouding met edellieden aan, die destijds zich be-
gonnen aan te gorden tot verzet tegen de Inquisitie.
Van weerszijden gevoelde men behoefte aan elkanders
steun. De kerkeraden hoopten met behulp der edelen
den Koning tot toegevendheid te stemmen, en de edelen
beschouwden de kerkeraden als een niet te versmaden
steun uit den boezem des volks.
Die kerkeraden bestonden immers uit lieden van doortas-
tende beginselen. Men wist, dat zij niet opzagen tegen open-
baar verzet, als de regeering trots recht en rede, weigerde
(\') De ophelderende verklaring, aangeteekend bij Nehemia 3 vs. 5,
heeft aan het geheele boek den vreemden naam gegeven van Bijbel
der Deux Aas. Men leest aldaar de volgende woorden: »bij hem
bouwden die van Thekoa: doch hare gheweldigen en brachten haren
hals niet ten dienste harer heeren.» De kantteekening zegt: de armen
moeten het kruijce draagen, de rijken en geven niets: deux aas en
heeft niet, six cinque en geeft niet. Quatre dry. die helpen vrij.
Deux aes (2 en 1 bij het werpen van de dobbelsteenen) heeft niet,
six cinque (6 en 5) geeft niet, quatre dry (4 en 3) die helpen vrij,
d. i. mild en vrijgevig. Hiermede wordt de middelstand bedoeld, die
mild hulp verleent.
-ocr page 107-
io5
toe te geven. Had de Koning als heer der Nederlanden pri-
vilegiën bezworen, dan moest hij, zoo beweerden de consis-
toriën, zijnen eed ook houden. Deed hij dat niet, dan
moest men, zoo beweerden zij verder, zich eerst met
verzoekschriften tot hem wenden, en, indien zulks niet
baatte, dan behoefde men zich verder, al was hij ook
koning, niet meer om hem te bekommeren. Het was nu
eenmaal met de Christenheid zoo ver gekomen, dat de
oude Roomsche kerk hare behoefte niet meer bevredigen
kon. De heiligste overtuiging dreef velen aan, om zich
tegen de pauselijke oppermacht te verzetten. Welnu, zij
hadden ook het recht en achtten zich zelfs verplicht, de
pauselijke kerk te verlaten en, als koning Filips door in-
quisitie zijn volk wilde dwingen, dan bleef er voor eer-
lijke harten slechts één uitweg over: God meer te ge-
hoorzamen dan menschen
Zoo dachten de consistoriën Zoo werd hun geleerd
door hunne vurigste predikanten. Het zou eenmaal de
stelregel van het Calvinisme worden: de Kerk moet onaf-
hankelijk zijn van den Staat. Voor het oogenblik gingen
de Consistoriën nog niet zoover. Zij ijverden slechts
tegen den druk van de inquisitie. Wij zullen verder zien
met welk een gevolg.
6. Prins Willem van Oranje en de Neder-
landsche Edelen.
Tot dusver vonden wij bepaaldelijk bij den burgerstand
de vrienden en aanhangers der hervorming, thans moeten
wij den naam van een edelman noemen, en wel den door-
lnchtigsten van allen — den naam van prins Willem van
Oranje.
Het heeft God in Zijne voorzienigheid behaagd, dien
voortreffelijken staatsman aan de zaak der hervorming te
verbinden en juist in diezelfde jaren, waarin de Gerefor-
meerden zich ontwikkelden, is hij op het staatstooneel
verschenen. Prins Willem, geboren I4 April 1533 te
Dillenburg, was de zoon van graaf Willem van Nassau
en gravin Juliane von Stolberg. Op elfjarigen leeftijd
-ocr page 108-
ioó
kwam hij aan het hof des Keizers, en ofschoon zijne
ouders de gevoelens van Luther toegedaan, en zelfs met
vurige overtuiging toegedaan waren, moest hun zoon te
Brussel in de Roomsche kerkleer opgeleid worden. Wat
was er van den Keizer anders dan groote gestrengheid in
de godsdienstige opleiding zijns kweekelings te wachten!
De prins ontwikkelde zich gunstig. Zijn doordringend ver-
stand, zijn helder oordeel, zijn scherpzinnige geest en zijne
voorzichtigheid strekten hem tot aanbeveling bij den Keizer.
Nauwelijks twintig iaren oud werd zijn raad reeds dikwijls
ingewonnen. Elk vierde hem om zijne begaafdheden, elk
vleide, elk ontzag hem. Overigens deelde prins Willem in
al de genoegens van het toenmalige hofleven, verkeerde aan
maaltijden, bij tournooien, maskeraden, jachtvermaken en
toonde zich volstrekt niet begeerig naar ernstiger opvatting
van het leven. Toch waren er twee trekken in zijn karakter
die de hoop wettigden, dat hij zich aan het ijdel hofleven
ontworstelen en tot een groot, zelfstandig staatsman vormen
zou, namelijk zijne liefde tot vrijheid en zijn afkeer van alle
vervolging om des geloofswil. Sedert de troonsbestijging
van koning Filips werd hij geroepen, in den Raad van State
zitting te nemen. Daar leerde hij den toestand des lands
nader kennen. Later, als gijzelaar van den Koning naar
Parijs gezonden, had hij eene merkwaardige ontmoeting in
het bosch van Vincennes, die hem den naam van den
Zwijger gegeven en op zijne toekomst beslissenden invloed
uitgeoefend heeft. De koning van Frankrijk namelijk
deelde ^ïem in vertrouwen eene heimelijke overeenkomst
mede, tusschen genoemd land en Spanje gesloten, ten
doel hebbende, al de aanhangers van de nieuwe leer uit
te roeien. Prins Willem bewaarde het geheim, maar na
zulk een blik in de staatkunde van twee machtige konink-
rijken geslagen te hebben, rijpte er in zijne ziel een voor-
nemen , om al die menschen, die ter dood en ten verderve
bestemd waren, zoo mogelijk te redden.
Door koning Filips tot Stadhouder van Holland en Zeeland
aangesteld, ving hij met eene gematigde uitvoering van
de plakkaten aan, waarschuwde dezen en genen, die
gevaar liepen den inquisiteurs in handen te vallen, gaf hun
-ocr page 109-
io7
de gelegenheid om te ontvluchten, zocht de invoering van
nieuwe bisdommen te keeren en sprak in den Raad van
State als zijn gevoelen uit, dat de koning het stelsel der bloed-
plakkkaten afschaffen moest. De dertigjarige prins, door
deelneming in het lijden des volks tot ernst gestemd, gevoelde
zich aangetrokken tot de beginselen der hervormers Hij was
los geworden van de Roomsche kerk en begon belang te stellen
in de samenkomsten der ketters. Maar bij wie zich aan te
sluiten? bij de Lutherschen, omdat zijn stamhuis te Dillen-
burg Luthersch was en zijne vrome moeder hem in die leer
was voorgegaan ? Of bij de Gereformeerden, omdat hij in
zijne omgeving voortreffelijke Calvinisten, zooals Filips van
Marnix en Franciscus Junius, leerde kennen ? Prins Willem
verlangde niet aan den leiband van eenige kerkelijke partij
te loopen. Hij zocht naar vrijheid in zijne denkwijze, gelijk
hij aan anderen dezelfde vrijheid gaarne vergunde. In god-
geleerde bespiegelingen verdiepte hij zich niet.
Intusschen moest hij zich dan toch ergens bij aansluiten, want
hoe kon het anders blijken, dat hij de zaak der hervorming was
toegedaan? En zoo besloot hij, na eerst eene sterke voorliefde
tot de Lutherschen te hebben getoond, zich aan te sluiten
bij de Nederlandsche Gereformeerden, van welke kerk hij in
vervolg van tijd lidmaat geworden en te Dordrecht bij den
predikant Bartholdus Wilhelmi (in Oct. 1573) aangenomen is.
Doch laat ons de gebeurtenissen niet vooruitloopen. Terwijl
prins Willem sedert zijne aanstelling tot stadhouder des
Konings in Holland en Zeeland hoe langer zoo meer voor de
zaak der hervormden werd gewonnen , waren er ook andere
edellieden, die zich aan zijne zijde schaarden. Een hunner,
de Zeeuwsche edelman Filips van Marnix, heer van Sint
Aldegonde, werd des prinsen boezemvriend en neemt, om
zijne groote gaven zoowel als om zijn karakter, onder de
mannen van dien tijd eene eereplaats in. Ook Lodewijk van
Nassau, broeder van prins Willem, hoog geroemd om zijn
ridderlijken aard, Floris van Culemborgh, Hendrik van
Brederode en vele anderen deelden dezelfde inzichten. Uit
den kring dier hervormingsgezinde edelen kwamen er in
Oct. 1565 eenigen te Brussel in het huis van den graaf van
Culemborgh bijeen, om de belangen des lands te bespreken.
-ocr page 110-
io8
Hunne vergadering werd geopend door het gebed var»
den Calvinistischen predikant Franciscus Junius, eenen
man van groote kunde, welsprekendheid en zeldzamen
moed, zoodat hij reeds menig doodsgevaar getrotseerd
had. Door dezen man stonden de edelen rechtstreeks in
verband met de kerkeraden der Gereformeerden, die hun
groot consistorie te Antwerpen hadden en belangstellend
het oog gevestigd hielden op hetgeen te Brussel tot stand
zou komen. Een door de edelen onderteekend schriftelijk
verbond kwam aldaar tot stand, waarbij men elkander
beloofde, de invoering van de Inquisitie, onder welken
naam ook, met alle macht te zullen bestrijden.
Zoodra van dat verbond iets was uitgelekt, verspreidde
zich het gerucht, dat de adel was opgestaan. De land-
voogdesse te Brussel zat in groote ongerustheid, en hare
vrees nam nog toe, toen op 5 April 1566 bijna vierhon-
derd edelen, ofschoon ongewapend, met Lodewijk van
Nassau en Hendrik Van Brederode aan het hoofd, tot
haar kwamen, hoffelijk voor haar bogen en den heer Van
Brederode lieten voortreden, om met kordate toespraak
uit aller naam een smeekschrift te overhandigen. Daarin
werd verzocht om opschorting der inquisitie tot den tijd
toe, dat de Koning anders zou hebben geordonneerd.
Het is bekend, hoe dit smeekschrift beantwoord werd,
en dat het optreden der edelen aanleiding heeft gegeven
tot het ontstaan van den Geuzennaam. Aanvankelijk
schenen de edelen doel te zullen bereiken maar weldra
bleek het, dat de landvoogdesse besloten had, met de
grootste gestrengheid de ketters te vervolgen.
7. De Hagepreeken.
Omstreeks denzelfden tijd, toen de edelen zich met hun
smeekschrift tot de landvoogdesse wendden, begon het volk
in Vlaanderen de eerste godsdienstige vergaderingen te
houden, aanvankelijk in de bosschen en op het veld,
waar soms duizenden bij elkander naar de prediking lui-
sterden en psalmen aanhieven. In de maand Juni 1566
-ocr page 111-
ic>9
werden deze vergaderingen reeds in de buitenwijken van
Antwerpen, Gent en Doornik gehouden. Landvolk en
stadspoorters wapenden zich met snaphanen, pistolen, helle-
baarden en knuppels, om zich te verdedigen. De Room-
sche geestelijken trokken op hunne kansels allerheftigst
tegen die zoogenaamde hagepreeken te velde en verkondig-
den, dat de Koning, zoo hij die preeken toestond, wegens
medeplichtigheid aan ketterij door den paus ter verant-
woording zou geroepen worden. De landvoogdesse liet
nog in Juli een plakkaat uitvaardigen, dat den dood be-
dreigde aan hervormde predikanten en aan hen, die ge-
meene zaak met hen maakten. Verbanning wachtte de
roekeloozen, die gewapend ter preek gingen, de overige
hoorders zouden naar het goedvinden der overheid gestraft
worden.
Het volk morde heftig tegen dit plakkaat, dat in strijd
was met de gegeven belofte. Immers de landvoogdesse
had beloofd, de vervolging te zullen staken, totdat zij den
wil des Konings zou vernomen hebben. Te Antwerpen wei-
gerde de stadsregeering het plakkaat af te kondigen. Het ge-
tal menschen, dat aldaar de hagepreek bijwoonde, groeide
dan ook gestadig aan en was tot dertig duizend geklommen.
Te Doornik durfde een handwerksman, als leeraar optreden-
de, openlijk God te danken, daar hij, na drie jaren lang het
evangelie in kelders en verscholen plaatsen verkondigd te
hebben, het thans bij helder zonlicht mocht doen. Buiten
Gent meende een baljuw eene poging te kunnen aanwenden
om de vergadering te storen en dreef zijn paard op de
menigte aan, een bloot zwaard in de eene en een geladen
pistool in de andere hand houdend, maar het volk greep
naar steenen en knuppels en dreef dien baljuw op de vlucht.
Intusschen maakte Floris graaf van Culemborgh gebruik
van zijne souvereine rechten en ruimde de Gasthuiskerk te
Culemborg voor den prediker, Schele Gerrit genaamd, in.
Dat deed velen uit den omtrek naar die stad stroomen,
om aldaar de nieuwe leer te hooren. Weldra volgde de
eerste hagepreek in Noord-Holland. De afspraak daartoe
werd gemaakt buiten de St. Anthonie-poort te Amsterdam,
alwaar Jan Arèndsz, de mandemaker, met eenige Amster-
-ocr page 112-
110
damsche burgers tot het besluit kwam, alle gevaar en
vreeze des doods ter zijde te stellen en de openbare pre-
diking te beginnen. Den i4den Juli had die eerste hage-
preek even buiten Hoorn plaats. Jan Arendsz. liet de
toegestroomde menigte eerst een psalm zingen, daarna
bidden. Toen predikte hij. De burgemeester van Hoorn,
terzelfder tijd in het naburig Reguliersklboster met eenige
edelen ter maaltijd, verbaasde zich over de stoutheid des
volks en sloeg de samenkomst gade, doch durfde haar
niet storen. Het voorbeeld van Hoorn werd 21 Juli te
Overveen bij Haarlem, onder het gebied van den heer
van Brederode, nagevolgd. In tijds werd het voornemen
tot het houden van die preek te Amsterdam ruchtbaar ge-
maakt. Het wekte de levendigste belangstelling op en de
stadsregeering wist geen beter middel, om de samenkomst
te doen mislukken, dan het valsche bericht uit te strooien,
dat een Amsterdamsch burger terzelfder tijd aan den Over-
toom zou preeken. Deze burger, Reinier Kant genaamd,
was echter door dat verzinsel volstrekt niet in verwarring
gebracht. Hij vroeg of de burgemeester opzettelijk leugens
verspreidde en vertelde aan ieder die het wilde hooren,
dat er niet aan den Overtoom, maar te Overveen gepredikt
zou worden.
Intusschen was de man, die dat werk zou verrichten,
de prediker Pieter Gabriel, heimelijk binnen de stad
Haarlem gekomen. Er was van zijne komst zeker wel
iets ruchtbaar geworden, althans de stadsregeering werd
met klekgeklep des avonds nog bijeengeroepen. Zij liet
de poorten sluiten, zoodat de Amsterdammers, die reeds
in groot getal te Haarlem overnachtten, niet naar Over-
veen konden komen. Sommigen lieten zich van de stads-
muren zakken en zwommen de grachten over, anderen
ontsnapten door middel van eenige aldaar aangevoerde
schuiten. Te elf uur gingen echter de poorten open en
Pieter Gabriel, zoowel als al het volk, dat hem wilde
hooren, kon de stad verlaten. Toen zij te Overveen
aankwamen, vonden zij in het veld eene verbazend groote
schare vereenigd, waarvan de meesten den nacht onder
den blooten hemel hadden doorgebracht. Ten behoeve
-ocr page 113-
III
van den prediker werden twee stokken in den grond ge-
stoken en met een derden aan elkander verbonden , opdat
hij steun voor zijne handen zou hebben. De menigte
zong en bad en hoorde de leerrede aan. Het was over
de woorden: „uit genade zijt gij zalig geworden door het
geloof, en dat niet uit u, het is Godes gave, niet uit de
werken, opdat niet iemand roeme; want wij zijn Zijn
maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken ,
welke God voorbereid heeft, opdat wij daarin zouden
wandelen" Ephez. II vs. 8 tot 10. Gabriel\'s woord was
eene getuigenis van geest en van kracht, eene bezielde
rede, die bijna vier uren aanhield, en, hoewel uitgesproken
in de heete middagzon, toch de aandacht van de hoorders
spande. Welk een genot, zulk eene prediking onder den
toevloed van zoovele duizenden aan te hooren! welk een
genot bij zulk eene gelegenheid met elkaar te zingen en
te bidden.
Wat in die dagen buiten Hoorn en Haarlem geschiedde,
had bijna overal in den lande plaats. In Gelderland,
Overijssel, Utrecht, ja allerwege werd hagepreek gehou-
den. Te Gorkum werd er bij eene van die samenkom-
sten ook een kind gedoopt. De burgemeester van Gorin-
chem was er bij tegenwoordig en gebruikte \'s middags
met den prediker, die den doop bediend had, het mid-
dagmaal. Het spreekt van zelf, dat de moed des volks
door dit alles telkens hooger steeg en het land in de
zeldzaamste spanning verkeerde. Die spanning bereikte
haar toppunt in eene gebeurtenis van anderen aard, die
onmiddellijk volgde.
8. De Beeldenstorm.
Is het wonder, dat de menschen, die in den zomer bij
gunstig weder godsdienstoefening in het open veld gehouden
hadden, bij het naderen van den herfst naar andere plaatsen
van samenkomst gingen uitzien, en toen, als van zelf het
oog lieten vallen op die groote en ruime kerkgebouwen,
waarin de Roomsche geestelijkheid haren dienst verrichtte,
die kerkgebouwen met hunnen breede zuilenrijen en statige
-ocr page 114-
112
gewelven, hunne slanke boogvensters en sierlijke toren-
spitsen, alles zoo verheffend en schoon Maar de altaren,
de beelden, de reliquieënkasten en ontelbare sieradiën be-
hoorden daar immers niet te huis! Er stond immers in de
Schrift: gij zult u geen gesneden beeld maken. De apostelen
en eerste christengemeenten hadden niets van dien aard
gewild. Beelden en altaren brachten immers niets tot
stichting bij. Neen, maar de ondervinding had geleerd,
hoe jammerlijk de Christenheid door die uitwendige vormen
aan het dolen, aan het aanbidden van hout en steen en aan
schepselvergoding, was geraakt.
Geen wonder, dat de Gereformeerde predikers wel eens
een woord over de wenschelijkheid van zuivering der kerk-
gebouwen lieten hooren. Of zij het ook geweest zijn, die den
beeldstormers bijlen, mokers, en knuppels in de hand gegeven
hebben, is niet stellig te verzekeren, maar men mag het
voor waarschijnlijk houden. De heethoofden althans zullen
er wel niet onschuldig aan zijn geweest. Hoe dat zij, op
14 Aug. 1566 liep in de omstreken van St. Omer, Bailleul,
Menen en Kortrijk eene bende woestelingen te hoop, en
begon de kerken te plunderen, de kloosters te verbranden
en de geestelijken te mishandelen. 15 Aug. wendde de woeste
hoop zich naar Iperen en zette daar het werk der verwoes-
ting voort. Al de kloosters en kerken aldaar werden uit-
geplunderd. Van Iperen ging het verder in Vlaanderen.
18 Aug. sloeg de dolle woede der beeldstormers naar
Antwerpen over, en 20 Aug. was de heerlijke Lieve Vrouwe-
kerk -aldaar inwendig geheel vernield. Met zware hamers
waren orgels, altaren, heiligenbeelden tot puin en gruis
geslagen (*). Zoo snel verspreidde zich het gerucht van
dat vernielingswerk, dat reeds den 23sten te Amsterdam
eenige brokken van te Antwerpen gebroken altaarbladen
vertoond zijn geworden.
Toen lieten de burgemeesters van Amsterdam de geeste-
lijken waarschuwen, dat zij hun kostbaar kerkgereedschap
(*) Doch inzonderheid voorwerpen die tot bijgeloovige vereering
leidden werden vernield, b. v. het beeld van Jezus werd verbrijzeld,
dat van de medekruiselingen gespaard.
-ocr page 115-
"3
moesten bergen. De verschrikte pastoors wisten niet, hoe
spoedig zij aan die waarschuwing gevolg zouden geven.
Goud- en zilverwerk, kelken, misgewaden, sacramenthuisjes
brachten zij in veiligheid. Dat werd door de burgerij
gezien en wekte achterdocht. Sommigen vielen de pas-
toors aan en dwongen hen, hunne schatten terug te
brengen. Anderen liepen naar de Oude en Nieuwe kerk.
In laatstgenoemde viel niets onordelijks voor, maar in de
Oude kerk ging het anders toe. Daar wierp de volks-
menigte steenen naar de altaren, brak beelden stuk en
bedreef velerlei moedwil. De Schout deed vergeefsche
moeite om het volk uiteen te drijven; de beeldstormers
hadden de overhand.
Te \'s-Gravenhage, verhaalt men, waren twee mannen
zoo onversaagd, dat zij van den president van het Hof
werklieden durfden vragen om de beelden weg te ruimen.
Door dien maatregel had alles een geregelden gang.
Woester ging het werk te Delft, Leiden, Harderwijk,
Elburg en meer andere plaatsen toe. Op Walcheren,
zegt men, bleef geen enkele kerk ongeschonden. Te
Utrecht daarentegen stond men bij verdrag de St. Jacobs-
kerk af. Ook in Friesland en Groningen is het veel
minder heftig toegegaan; maar over het algemeen zijn er
weinig kerken ongedeerd gebleven.
Schandelijk! roepen de Roomsche schrijvers uit, heilig-
schennend! die heerlijke kunstgewrochten te vermorzelen!
Wat wilden de beeldstormers toch? de Christenheid terug-
voeren tot de eeuw der barbaarschheid? Neen, is ons ant-
woord, maar zij streden voor hooger belangen, dan die
door snij-, beeldhouw- en schilderkunst zijn te bevredigen.
Zij streden voor de zuivere aanbidding Gods volgens den
eisch des gewetens, voorgelicht door de H. Schrift. Was
de kerkelijke overheid voor hunne smeekstem doof geble-
ven, dan moest zij het nu ook maar aan zich zelve wijten,
dat de volksmenigte de kerkgebouwen zuiverde en daarbij
te werk ging op eene wijze, die alle maat overschreed.
Wij betreuren, dat in die beeldstormerij kunstgewrochten
zijn verloren gegaan, ofschoon niet alle vermorzelde beelden
even groote kunstwaarde hadden; maar wij merken het toch
Moorrees, Kerkhervorming.
                                            8
-ocr page 116-
114
met erkentelijkheid op, dat, al is het door middel van
zulk vernielingswerk, het volk zijne rechten heeft doen
gelden en eene groote schrede voorwaarts gewaagd tot
verkrijging van die vrijheid des gewetens, die elk Christen
liefhebben en op hoogen prijs stellen moet.
9. De mislukte krijgsonderneming der
Gereformeerden.
Vóór de gebeurtenissen van 1566 hadden de Gerefor-
meerde gemeenten onder het kruis, vertegenwoordigd door
hare consistoriën of kerkeraden, er niet aan gedacht zich
tegen den Koning te verzetten, maar nu zij de duizenden
allerwegen hadden zien heensnellen tot de hagepreeken,
waren zij zich van hare kracht bewust geworden en
durfden iets meer ondernemen. In navolging der edelen
hadden zij zich vereenigd tot een verbond of compromis,
het verbond der kooplieden genaamd. Dat verbond dag-
teekent waarschijnlijk van de laatste dagen van het jaar
1565. De Zuid-Nederlandsche kerkeraden beloven daarin
plechtig, de hand aan elkander te zullen houden en niet
te dulden, dat hun eenige moeite of overlast worde aange-
daan ter zake van den godsdienst hunner harten. Zij
nemen God tot getuige van hunne oprechtheid, Hem bid-
dende dat Hij hun verleene raad, kracht en beleid om
dit verbond niet slechts in schrift te handhaven maar er
ook hunne lichamen en goederen voor ten offer te brengen.
Toen nu de beeldstorm het verbond der edelen uit elkan-
der had doen spatten en de landvoogdes eene aanzienlijke
krijgsmacht samenbracht om de ergste oproermakers te
tuchtigen, beraadslaagden de kooplieden over de vraag,
of een deel der Nederlanders met wapengeweld tegen de
overheid zou mogen opstaan, indien deze de privilegiën
schond en onrecht pleegde. Het antwoord luidde beves-
tigend. Doch waar een opperhoofd, geld en troepen te
vinden? Geld was genoegzaam voorhanden. Immers nog
kort te voren hadden zij den koning 30 tonnen gouds aan-
geboden, mits hij vrijheid van godsdienst verleende. Troepen
waren voor geld aan te werven. Maar een opperhoofd ....
-ocr page 117-
"5
wie wilde dat zijn? De prins van Oranje niet; ten eerste
omdat hij toen nog niet besloten was tot de Gereformeerde
gemeenten toe te treden, ten andere omdat hij het er
voor schijnt gehouden te hebben, dat het nog de tijd
niet was, om tegen Koning Filips op te staan. Toen
viel het oog der kooplieden op Hendrik van Brederode,
den aanvoerder der Edelen, en deze verklaarde zich bereid
het opperbevel over de aan te werven troepen te voeren.
Nog zonder de bevelen van Brederode af te wachten
hadden de Gereformeerden in Vlaanderen de wapens op-
gevat en onder het zingen van een Geuzenlied:
Slaat op de trommele van dirredomdijne
Slaat op de trommele van dirredomdom
zich op weg begeven naar Valencijn, dat door de troepen
der landvoogdes belegerd werd. Doch wat vermag eene
ordelooze bende tegen geoefende en goed aangevoerde
soldaten! Binnen veertien dagen was zij verstrooid.
Inmiddels was het krijgsplan der consistoriën ontworpen
en aan Jan van Marnix, heer van Toulouse opgedragen,
het eiland Walcheren te bezetten. Toen dat echter door
de waakzaamheid der landvoogdes mislukte, was genoemde
heer genoodzaakt met zijn krijgsvolk bij Oosterweel tegen-
over Antwerpen te landen. Vergeefs zag hij naar hulp
van de Gereformeerden binnen Antwerpen uit. Prins Willem,
die zich aldaar ter stede bevond , hield de poorten gesloten
en was volstrekt niet te bewegen om eenigen bijstand te
verleenen. Jan van Marnix met zijn krijgsvolk is dan
ook als \'t ware onder de oogen van den prins terneerge-
sabeld. Tien dagen later viel ook Valencijn de troepen
der landvoogdes in handen. De stad gaf zich over op
voorwaarde, dat het leven der burgers gespaard zou
worden; maar, helaas, zij ondervond dat er op het
woord van den vijand niet te rekenen viel. Valencijn is
uitgemoord en uitgeplunderd*). De opsteller der geloofsbe-
lijdenis Guido de Brés, werd naar de galg verwezen.
Hij ontving dat vonnis als eene blijde boodschap en
*) Zie Gesch. Kerkherv. in de Zuidel. Nederl. bl. 97 tot 99.
8*
-ocr page 118-
n6
bereidde zich blijmoedig voor op het sterven, alsof hij ter
bruiloft ging. De Brés stelde er prijs op, de reden te
noemen, waarom hij zoo rustig kon slapen in zijn vunzigen
kerker, opdat ook anderen daar nut uit mochten trekken.
Die reden was — een goed geweten. „Ziet wel toe"
zeide hij tot zijne medegevangenen „dat gij niets tegen uw
geweten doet. Uwe vijanden zullen alles in het werk
stellen, om u te doen wankelen, doch dan zoudt ge een
beul in uw binnenste hebben en een hel in uw gemoed.
Broeders, wat is het eene goede zaak, eene goede cons-
cientie te kweeken!" Guido de Brés knielde op het
schavot om zijn gebed te doen, maar de beul rukte hem
overeind en sleepte hem op den doodsladder. Met den
strop om den hals vermaande de martelaar het volk, zich «
eerbiedig te gedragen jegens de overheid en niet te wijken
van het woord van God, dat hij hun zuiver had verkon-
digd. Nog zette hij zijne rede voort, toen de beul hem
van den ladder stiet en aan zijn leven een eind maakte *),
Zoodra Valencijn was uitgemoord, scheen de moed der
Gereformeerden in Vlaanderen uitgebluscht. Brederode,
die zich te Antwerpen niet kon staande houden, was
naar zijne stad Vianen gegaan en had later gelegenheid
gevonden om binnen Amsterdam te komen, opdat hij de
burgerij aldaar tot zijne partij zou overhalen. Vergeefs!
Wel wist hij er zich twee maanden lang staande te
houden, maar eene poging om Amsterdam te dwingen
mislukte. Toen bleef er voor den eersten Edele van
Holland niets\' anders over dan zijn heil te zoeken in
vrijwillige ballingschap.
Tegelijkertijd werden de meest verontrustende tijdingen
uit Spanje vernomen. De koning, zeide men, had gezworen
bij de ziel zijns vaders, dat hij de beleediging, den beelden
en heiligdommen aangedaan, zou afwasschen met het bloed
der Nederlanders. Een leger onder den hertog van Al va
zou gezonden worden om de euveldoeners te straffen. De
prins van Oranje wachtte de komst van dat leger niet af,
*) Zie Geschiedenis der Kerkhervorming in de Zuid-Nederlanden
bladz. 97--101,
-ocr page 119-
U7
maar maakte zich tot vertrek gereed. 11 April 1567
verliet hij zijn paleis te Antwerpen. Met zijne hofhouding,
zijne edelknapen, bedienden, paarden en wapenen ging hij
heen, den weg op naar Breda. Duizenden deden hem
uitgeleide en afscheid nemende luidde des prinsen groet:
„wie Gods woord liefheeft, volge mij."
Vier dagen later verliet hij Breda en trok over Grave
naar Dillenburg in Nassau. Nauwelijks was hij vertrokken,
of allerwegen maakte men zich tot vluchten gereed. Tal
van edelen volgden hem, kooplieden haastten zich ook
om te vertrekken. Men nam wat men vinden kon , schepen,
wagens, karren; men trok te paard of te voet. Ouders
met kinderen aan de hand, moeders met zuigelingen in
den arm. Men zocht zich te bergen voor den Spanjaard,
wiens naderende komst werd te gemoet gezien. En ge-
lukkig wie nog vluchten kon, want niet lang zou het
duren, of de vlucht zelf werd met den dood bedreigd,
terwijl aan schippers en voerlieden , insgelijks op doodstraf,
verboden werd, vluchtelingen behulpzaam te zijn.
Treurige afloop van die eerste poging om zich van de
Inquisitie vrij te maken. Het scheen, of het werk der
reformatie vernietigd was. Vernietigd! neen, God heeft
niet gewild, dat de uitgestrooide zaden van evangelisch
licht en leven in ons volk verloren zouden gaan. Eerst
moest er nog een vreeselijke storm woeden, maar te
midden daarvan zouden die zaden zich ontwikkelen tot
zegen voor tijdgenoot en nageslacht.
10. Overzicht van het behandelde tijdperk.
Hoe opmerkelijk is de loop der thans beschouwde ge-
beurtenissen! Juist als de behoefte aan leiding en voor-
lichting het grootst is, doet de invloed van Calvijn zich
gelden. Die invloed dringt rechtstreeks uit Frankrijk in
de Zuidelijke Nederlanden en zijdelings uit Engeland en
Oost-Friesland in de Noordelijke Provinciën binnen. Aan
het regelen der kerkelijke gemeenten wordt thans de
aandacht gewijd. Het is niet langer een zoeken en
tasten in den blinde, maar men weet, dat men naar het
-ocr page 120-
US
voorbeeld van Genève kerken stichten kan. Die kerken
ontwikkelen zich op leerstellig en liturgisch gebied. En
het zijn niet enkel geringe lieden — die zich daarbij
aansluiten; ook de edelen, ja de edelsten in den lande.
Er wordt doorgetast, en krachtig openbaart zich de steeds
klimmende beteekenis der Gereformeerden. Zij schuilen
niet langer in het verborgene. Het kruis der verdrukking
werpen zij van zich af. Zij eischen openbaarheid. Zij
vergaderen in de open lucht. Reikhalzend zien zij naar
bezit van eigen bedehuizen uit. Nog één stap, en zij
vergruizelen de altaren en beelden, zij vestigen zich in de
bestaande Roomsche tempels .... maar neen, niet door
geweld zullen zij hun doel bereiken. Niet dan door
bloedige verdrukking wordt eene kerk groot op aarde.
Die dag der verdrukking is voor de Gereformeerde kerken
in Nederland niét uitgebleven.
-ocr page 121-
HOOFDSTUK IV.
Volharding1 dep Gereformeerden in den
worstelstryd met Spanje en hunne
zegepraal.
Meer dan dertig jaren lang had Karel V de hervorming
met geweld onderdrukt, meer dan dertig jaren lang had
zijne dweepzucht en staatkunde het bitterste lijden aan
duizenden zijner onderdanen aangedaan. Desniettemin was
de nieuwe leer hoe langer zoo meer het dierbaar kleinood
van het volk geworden, en ofschoon Koning Filips, in
den trant van Rehabeam, Salomo\'s zoon, openlijk ver-
klaarde: „mijn vader heeft u met geesels geslagen, maar
ik zal u met schorpioenen kastijden," het Nederlandsche
volk deinsde voor de schorpioenen van den Spaanschen
koning niet terug maar aanvaardde den hachelijken kamp.
Door Spanje\'s tirannie tot den opstand gedwongen, be-
vochten de Nederlandsche gewesten èn de godsdienstige èn
de burgerlijke vrijheid. Daardoor krijgen de gebeurtenissen
die wij beschrijven, hoe langer zoo meer een staatkundig
karakter en vloeit de geschiedenis der kerkhervorming met
die van de grondvesting der Nederlandsche Republiek inéén.
Wij zullen echter niet verder, dan hoog noodig is, het ge-
bied der staatkunde betreden en ons bepalen tot het verhaal
van die gebeurtenissen, die de Gereformeerde kerken tot
de openlijk erkende volkskerk in Nederland hebben gemaakt.
-ocr page 122-
120
1. De hertog van Alva en de Raad van beroerten.
Het gerucht, dat de Koning van Spanje een leger zou
zenden, om de heiligschennende Nederlanders te straffen,
had waarheid gesproken. De hertog van Alva was van
wege koning Filips belast met de taak, om de beeldstormers
te straffen en den Roomschen godsdienst te herstellen.
Deze benoemde tot dat einde een raad van beroerten,
door het volk met den naam van bloedraad bestempeld
en niet zonder reden in onze vaderlandsche geschiedenis
als werktuig der gruwelijkste dwingelandij berucht geworden.
De raad van beroerten moest vonnis spreken over allen,
die in de volksbeweging der laatste jaren betrokken waren
geweest, en, vermits de inquisitie in Spanje schier alle
Nederlanders den dood schuldig had verklaard, vloeide
daaruit een onnoemelijk aantal rechtsgedingen voort. In
den aanvang was de raad van beroerten uit 12 leden
samengesteld, 2 Spanjaards en 10 Nederlanders, maar de
meesten hunner namen aan de zitting geen deel, zoodat
Alva ten slotte slechts op één der raadsheeren rekenen kon.
Die eene trouwe handlanger der dwingelandij was de
Spanjaard, Jan de Vargas, een man, bloeddorstig en
meedoogenloos gelijk Alva zelf. Hij vond er geen bezwaar
in, om zonder medewerking van de overige raadsleden
een doodvonnis uit te spreken. Niets slechts de beeld-
stormers maar ook zij, die aan het verbond der edelen
deel genomen, de hagepreeken bijgewoond, de leeraars
geherbergd en de geuzenliederen gezongen hadden, in-
zonderheid zij die leden der consistoriën waren geweest,
werden voor den bloedraad gedaagd.
Het was geen kerkelijke rechtbank, die volgens de
regelen der Roomsche kerk de ketters moest vonnissen,
maar een burgerlijke vierschaar, ingesteld met het oog
op de voorafgegane staatsberoeringen. Men verhaalt dat
Vargas gewoon was te zeggen: „de kettersche Nederlanders
hebben de kerken geschonden, de Roomsche Nederlanders
hebben dat heiligschennend werk niet verhinderd: daarom
hebben zij allen den dood verdiend."
Een verbazend groot aantal menschen, Roomschen en
-ocr page 123-
121
Onroomschen, zijn door den raad gevonnisd, sommigen
op grond van de gebeurtenissen van 1566, sommigen op
grond van hetgeen zij vroeger, misschien jaren geleden,
gesproken, gedaan of toegelaten hadden. Te vergeefs
trachtte men Alva te verbidden. Hij was van ijzer en
staal. Op vastenavond van 1568 deed hij midden in de
vroolijkheid, waaraan het volk zich bij zulke gelegenheden
overgaf, 800 menschen tegelijkertijd oplichten en aldus
hunne vroolijkheid in wanhoop verkeeren. Soms werden
er in ééne zitting van den bloedraad tachtig menschen ter
dood veroordeeld. Onder zestig Utrechtsche burgers, die
ter dood verwezen waren, behoorde de 84Jarige weduwe
van Diemen, die indertijd een Geuzenleeraar geherbergd
had. Het oude mensch werd op een stoel gebonden en
onthalsd. De 70jarige hopman Pieter Kaars uit Amsterdam
moest naar de Spaansche galeien. Een vrouw die hare
pantoffel naar een Mariabeeld geslingerd had, met hare
dienstmaagd, die van deze daad de stilzwijgende getuige
was geweest, werden verdronken. Zoo willekeurig en
wreed ging het in den bloedraad toe. Alva getuigt zelf
dat hij gedurende zijn zesjarig bewind 18,000 menschen
heeft laten ombrengen, en hoevele vonnissen er ook uit-
gevoerd zijn, nog waren in 1573 vijftien duizend zaken
onafgedaan gebleven. Het waren voor alle Nederlanders
bange dagen. Zij hadden eigenlijk geen oogenblik ver-
ademing en moesten voortdurend vreezen, bij den hals
gevat te zullen worden.
Ook in hunne beurs werd diep getast. De gewone be-
lastingen waren ontoereikend voor de schatkist. Er werd
eene nieuwe belasting van den honderdsten, den twintigsten
en den tienden penning ingevoerd. De honderdste penning
vond geene tegenkanting, de Algemeene Staten keurden
die goed. De twintigste echter, dat is vijf ten honderd
van alle roerende goederen, vond bezwaar, terwijl de
tiende, dat is tien ten honderd, zoo dikwijls roerend goed
van de eene hand in de andere overging, het misnoegen
ten top voerde. Ketter of geen ketter, ieder gevoelde,
dat moest tot geheelen ondergang van handel en nijver-
heid leiden. Tien ten honderd, zoo menigmaal roerend
-ocr page 124-
122
goed verkocht werd — het was ongehoord. Alva scheen
wel een zoon van den Mammon, wiens gouddorst niet te
lesschen was, een verscheurende wolf, die met het bloed
des volks zich vet mestte. Voeg daarbij de kostbare en ge-
weldige kasteelen, die hij liet bouwen om de belangrijkste ste-
den in bedwang te houden, kasteelen te Utrecht, Groningen,
Vlissingen en Antwerpen, en het laat zich genoegzaam
begrijpen dat de verbittering van het gansche volk telkens
hooger rees.
Zelfs ijverige Roomschgezinden werden op Alva verbit-
terd, ja met den diepsten afkeer van hem vervuld. Zij
spraken openlijk den wensch uit, dat God zijn hart ver-
anderen mocht. Zij, die vluchten konden , vluchtten naar
het buitenland om even als de prins van Oranje betere
tijden af te wachten. Uit Vlaanderen, Brabant en Zeeland
togen fabriekanten, kooplieden en geleerden naar Engeland
heen. Zij brachten hunnen handel en hunne fabrieken
derwaarts over tot onberekenbare schade van het land,
dat zij verlieten. Uit \'s Hertogcnbosch vluchtte wel een
derde deel der bevolking naar Kleefsland. In Kleef, Goch,
Duisburg en Wezel zetten zij zich met vele andere uitge-
wekenen neder en wonnen er hun brood met allerlei nering
en bedrijf. Naar Emden richtte zich het oog van duizenden
in Noord-Holland, Friesland, Groningen en Ommelanden
heen. Zij vonden er goede herberg. Uit Enkhuizen
kwamen er des winters over het ijs wel 350 burgers aan.
Dat er onder de uitgewekenen waren, die van wraakzucht
gloeiden en in de bitterste taal aan hunnen boozen harts-
tocht lucht gaven, laat zich gereedelijk denken. Het was
immers zulk een vreeselijke tijd, dien zij hadden door-
leefd! Vrienden en magen hadden zij door de Spanjaards
zien vermoorden, zelven waren zij van hunne goederen be-
roofd, uit hunne huizen verdreven, aan hunne zaken ont-
trokken, en thans in den vreemde aan allerlei ellende ten
prooi! Zij moesten wel eene zeldzame mate van zacht-
moedigheid bezitten, om onder zooveel lijden, door men-
schen hun aangedaan, kalm te blijven. En toch waren
er innig vrome zielen , die hunne schouders geloovig bogen
onder het kruis en zeiden (het zijn woorden uit een brief
-ocr page 125-
123
van een balling): „Zoo is Gods handelwijze: die hij ten
hemel voeren wil, die stoot Hij eerst ter helle ; en die Hij
levend maakt, die doodt Hij eerst. Laat ons niet treuren.
God is met ons, en Hij houdt Zijn woord. Hij zal de
christelijke leer gewisselijk voortgang laten hebben; laat
ons Hem bidden en vast gelooven!"
1. De Synode onder het kruis te Wezel en te Emden.
Een treffend teeken van het levend geloof, dat de
ballingen bezielde, zijn de kerkelijke vergaderingen, in den
vreemde gehouden. Die zwaar beproefde mannen en
vrouwen, die hun goed verloren hadden. gevoelden dat
zij voor de toekomst moesten zorgen en dat in het oord
der ballingschap de band der onderlinge liefde versterkt
en goede orde op alles gesteld moest worden. Kwam er
dan eenmaal een betere tijd, dan waren zij ook aanstonds
met alles gereed en konden zich in het vaderland vestigen.
En wie waren het, die zich tot het houden van deze
kerkelijke vergaderingen gedrongen voelden? in welke krin-
gen heerschte de krachtigste werkzaamheid? Komt die
eer aan de Doopsgezinden toe? of treden de Lutherschen
met nieuwe aanvoerders op? wijzen zij aan de schare eene
nieuwe, nog niet betreden baan? Neen, het zijn de Ge-
reformeerden, die overal heen oproepingen zenden en
afgevaardigden van hunne gcloofsverwanten onder het kruis
naar Wezel samenroepen. Het aantal ballingen was zoo
groot geworden dat men vragen moest, waar de Gerefor-
meerde kerken meer te zoeken waren, buiten of binnen
de grenzen der Nederlanden. Regeling en aaneensluiting was
derhalve noodig, om vastheid aan het geheel te geven; en
daar het achtergebleven deel onder den druk van Alva\'s
schrikbewind gedwongen was stil te zitten, waren de bal-
lingen de aangewezen personen om werkzaam op te treden.
Het zijn 38 ballingen, die op 3 Nov. 1568 te Wezel ter
synode samenkomen. Wij tellen daaronder den beroemden
Philips van Marnix, heer van St. Aldegonde, godgeleerde
en staatsman tegelijk, vriend en vertrouweling van Oranje,
Jhr. Willem van Zuylen van Nijeveld, heer van St. Arends-
-ocr page 126-
124
berg, drossard van Culemborg, en Jhr. Petrus de Rijcke
uit Gent. Het voorzitterschap werd opgedragen aan Petrus
Dathenus, den welsprekenden leeraar uit Frankendaal,
den dichter der Psalmberijming, terwijl wij nevens hem
den vermaarden Herman Moded, een der eerste Hage-
prekers uit Vlaanderen en Cornelis Walraven, leeraar uit
Armentiers en Sylvanus uit Antwerpen aantreffen. Moeten
zij beschouwd worden als afgevaardigden van onderscheiden
kerken? Aan wettelijke afvaardiging was toen nog niet
te denken, maar de aandacht zal van zelf gevallen zijn
op de moedigste en bekwaamste mannen. Zij maken plan-
nen, die verdere uitwerking behoeven en waarop de goed-
keuring der gemeenten moet worden gevraagd. Zij gaan
uit van het denkbeeld, dat die kerken, zooals zij in het
geheim in Henegouwen, Vlaanderen en Holland bestaan,
één lichaam zullen vormen, verdeeld in klassen, terwijl
liet opperbestuur berust bij eene synode. Overigens zal
iedere kerk eene ruime mate van vrijheid genieten en
zelve b- v. bepalen hoe dikwijls de doopeling met water
besprengd moet worden , of de doop voor of na de preek
zal worden bediend; of er bij het bevestigen der leeraars
handoplegging plaats zal hebben en dergelijke zaken
meer. De leeraars zouden op voordracht der kerkeraden
door de gemeente uit dubbeltallen gekozen worden. De
gebeden zouden of naar het Geneefsche formulier öf naar
vrije inspraak gedaan, de psalmen van Dathenus gezongen
en de kinderen uit den Heidelbergschen Katechismus, en
wat de Fransch sprekenden betreft uit den Geneefschen,
onderwezen worden. Ziedaar iets van hetgeen de ballingen
te Wezel tot welstand der kerken noodig achtten. Het
waren echter geene voorschriften, die zij durfden geven.
Neen, dat veroorloofden de tijden niet. Het zeide reeds
veel, dat zij het oog op de toekomst durfden vestigen.
Voor het oogenblik moest er geduld geoefend en in stilte
voortgearbeid worden.
Drie jaren later werd er eene nieuwe poging gedaan en
tegen 5 Oct. 1571 eene synode te Emden uitgeschreven.
Deze synode met Caspar Van der Heijde, leeraar te Ant-
werpen , als voorzitter en Polyander, leeraar te Emden,
-ocr page 127-
125
als schrijver aan het hoofd , was meer dan die te Wesel
uit werkelijk afgevaardigde leeraars en opzieners der con-
sistorién samengesteld en durfde artikelen vaststellen , die
door alle Gereformeerde kerken geëerbiedigd moesten wor-
den. Ook zij hield hoopvol den blik op de toekomst
gevestigd. Het is opmerkelijk, dat de mannen te Emden
het wijd en zijd verspreide lichaam der kerken verdeelden
in eene Duitsche, eene Engelsche en eene Hollandsche
provincie , door synoden te vertegenwoordigen, wier afge-
vaardigden zich jaarlijks tot eene nationale synode ver-
eenigen moesten om de onderlinge eenheid te bevorderen.
De Nederlandsche provincie zou vier onderdeden tellen :
de Waalsche , de Vlaamsche, de Brabantsche en de Noord-
Nederlandsche. Waarlijk, als wij die plannen vernemen
en denken aan hetgeen daarvan geworden is, dan mogen
wij wel zeggen: de mensch wikt, God beschikt! Die
Vlaamsche en Brabantsche Gereformeerde kerken, waar-
van toen nog sprake kon zijn, hoe spoedig zijn zij voor
het geweld der Roomsche staatsmacht bezweken! *) Waalsche
Gereformeerden zijn tot op onzen tijd toe gebleven, maar
niet in de streken, waar zij oorspronkelijk behoorden.
Ook daar heeft Rome getriomfeerd. Slechts in Noord-
Nederland hebben Gereformeerde kerken inderdaad ge-
bloeid. En de onderlinge eenheid der Duitsche, Engelsche en
Hollandsche kerken — wat zullen wij daarvan zeggen? Ook
daarvan is in den loop der eeuwen weinig tot stand gekomen.
Toch getuigde het van den ruimen blik en den edelen
zin der ballingen, dat zij zich zulk eene toekomst durfden
denken. Het doet ons goed , hen in Alva\'s bange dagen
aldus te hooren beraadslagen. Voorts maakten zij eene
lijst op van buiten dienst zijnde en van nog niet geordende
leeraars, waaruit vacante gemeenten zich konden voorzien,
voerden het stelsel van geregelde briefwisseling met nabu-
rige gemeenten in, ontwierpen het plan tot beschrijving
van de geschiedenis hunner kerken en bespraken de wen-
schelijkheid van eene nieuwe bijbelvertaling.
*) Zie Geschiedenis der Kerkhervorming in de Zuid-Nederlanden
bladz. 172—195.
-ocr page 128-
126
Men denke echter niet, dat de synode te Emden tijdens
hare zittingen eenig aanzien genoot. In alle stilte en als
in het geheim, om bij de Spaansche regeering niet in het
oog te vallen, hielden de afgevaardigden hunne samen-
komsten. Er is in de Emdensche geschriften dier dagen
bijna niets van de synode medegedeeld. Dat de verga-
derde ballingen nochtans eene kerkorde samenstelden,
getuigt van hunne inwendige kracht. Zij gevoelden zich
geroepen om iets groots te worden. Zij geloofden, daarom
vergaderden zij.
3. Betere vooruitzichten sedert de inneming van den
Briel door de Watergeuzen.
De dageraad der vrijheid verscheen met de inneming
van Den Briel door de Watergeuzen, i April 1572. Welk
eene heuchelijke gebeurtenis! Nauwelijks was het ge-
rucht daarvan tot in de oorden der ballingschap door-
gedrongen of de uitgewekenen gingen er aan denken , op
te breken uit hunne tijdelijke woonplaatsen en naar het
vaderland terug te keeren. Immers, waar het juk van
Alva werd afgeworpen, daar trad ook de Gereformeerde
kerk openlijk op.
Zulks geschiedde het eerst in Den Briel. De Water-
geuzen waren er nu juist de mannen niet naar, om beza-
digd te werk te gaan. Die woeste zeeschuimers hadden
er smaak in, kerken te schenden, beelden te breken,
priesters te mishandelen en kloosters te berooven. In strijd
met den lastbrief, die voorschreef, niemand hinder,
letsel of stoornis aan te doen, veroorloofden zij zich hier
en daar grove buitensporigheden. Toch werd hunne komst
als een begin van verlossing beschouwd en in ongeloofelijk
korten tijd sloten een aantal steden zich bij de Brielsche
Watergeuzen aan. Reeds den 9den April was Vlissingen
voor de zaak der vrijheid gewonnen, Enkhuizen volgde,
Zalt-Bommel trad ook toe, straks Oude water, Gouda,
Leiden, Dordrecht, Gorinchem. Delft, Den Haag en
Schoonhoven. Weldra ontplooiden al de West-Friesche
steden de Geuzenvlag. Hetzelfde geschiedde met de meeste
steden in Zeeland, Overijssel, Gelderland en Friesland.
-ocr page 129-
12/
Het was of de burgerij slechts op de roepstem van Den
Briel gewacht had, om op te staan en aan den hertog
van Alva den oorlog te verklaren.
En overal, waar die omwenteling plaats greep, daar
trad ook de Gereformeerde kerk openlijk op. De ge-
vluchte leeraars werden teruggeroepen. Nieuwe leeraars
zocht men te verkrijgen. Kon men ze niet voor goed aan
eenige plaats verbinden, dan leende men ze tijdelijk van
elkander. De vroedschappen namen de kerkgebouwen in
bezit en stonden ze aan de Gereformeerden ten gebruike
af. Van het bedienen der mis mocht geen sprake meer
zijn. Het volk , dat thans op den voorgrond trad, wenschte
vrijheid niet alleen van het juk van Alva maar ook van
dat van Rome. Het duldde de geestelijken, die aan den
paus getrouw bleven, wel in zijn midden, maar onder
beding van zich stil te houden en volstrekt niet met den
vijand te heulen. Den i9den Juni 1572 kwamen de Staten
van Holland binnen Dordrecht bijeen en verbonden zich
tot voortzetting van de heilige zaak. Prins Willem werd
tot wettig stadhouder van Holland en Zeeland uitgeroepen
en tevens als beschermer en hoofd des volks erkend.
En deze, die zich reeds zooveel opofferingen voor de
zaak des volks had getroost, die zijne kleinodiën, zijn
zilverwerk en huissieraad te geld had gemaakt maar tot
dusver in zijne krijgsondernemingen tegen Alva ongelukkig
was geweest, greep met geestdrift de taak, hem opge-
dragen, aan.
Hij verzamelde troepen en viel daarmee in de zuidelijke
Nederlanden. Zou hij de steden in het Zuiden niet kun-
nen bewegen om het kloeke voorbeeld, door het Noorden
gegeven, na te volgen? Hij hoopte het, want hij had
nog altijd goede verwachting van het Brabantsche en
Vlaamsche volk. Reeds is Roermond veroverd, Mechelen,
Dendermonde, Oudenaarde, zijn ingenomen, Gent, Brugge,
Brussel zelfs schenen gunstig gezind, toen plotseling uit
Frankrijk als een donderslag de tijding overkwam, dat
de Protestanten in den vreeselij ken Bartholomeusnacht
vermoord waren. Het was, of die tijding de opgewekte
geestdrift op eenmaal uitdoofde. Prins Willem\'s troepen
-ocr page 130-
128
waren door schrik bevangen en tot verdere ondernemingen
volstrekt onbekwaam. De veldheer werd tot den aftocht
gedwongen en zag in weinige dagen de vrucht van zijn
krijgstocht verloren gaan. Al de steden van Henegouwen,
Brabant en Vlaanderen werden weer door Alva\'s troepen
ingenomen en, uit gebrek aan die taaie veerkracht, die
den Geuzen van Holland en Zeeland eigen was, gingen
ze voor de zaak der vrijheid verloren.
De prins moest zich, na zijne troepen afgedankt te heb-
ben , naar Noord-Holland begeven en een tijd lang te
midden der burgerij van Enkhuizen vertoeven. Vandaar
reisde hij over Haarlem naar Delft en vestigde zich in
laatstgenoemde plaats als stadhouder. Maar ach, welke
Jobstijdingen werden hem daar geboodschapt! Zutfen en
Naarden door de Spaansche troepen op het allerwreedst
uitgemoord, Overijssel. Gelderland en Friesland geheel in
hunne handen, terwijl steden als Utrecht en Amsterdam
nog steeds aan Alva\'s zijde bleven en eindelijk Haarlem,
na een langdurig beleg en groote dapperheid van de zijde
der burgerij , voor den Spanjaard bezweek! In die be-
nauwde tijden richtte Jhr. Diderik Sonoi tot den prins de
vraag, of hij niet met eenige groote mogendheid een
vast verbond gesloten had, om de Nederlanden uit dezen
nood te redden. Daarop volgde dit treffend, uit het diepst
van een godvruchtig hart gewelde antwoord: „gij vraagt
naar mijne verbintenis met andere vorsten! Vóór het
aanvaarden van den strijd heb ik een vast verbond met
den Protentaat der Protentaten aangegaan, met God al-
machtig, die nooit Zijn dienaren teleurstelt en gewisselijk
Zijne en hunne vijanden te schande maakt".
Het was omstreeks denzelfden tijd, dat prins Willem
openlijk tot de Gereformeerde kerk overging en zich nog
in nauwere betrekking dan vroeger tot de zaak van Hol-
land en Zeeland stelde. Wie gevoelt niet, dat hij daar-
door des te dierbaarder aan zijne onderdanen werd ! Zij
hingen hem aan als hunnen vader en stelden onbeperkt
vertrouwen in zijn edel karakter. Vader Willem noemden
zij hem. Vader Willem „dat edel bloed", „die vader
excellent" zoo heette hij èn toen èn later in de volkszangen.
-ocr page 131-
129
Waren die tijden gekenmerkt door de allergruwelijkste
wreedheid van de Spaansche soldaten, ook door de Wa-
tergeuzen en het krijgsvolk van den Prins is meermalen
wreedheid gepleegd; en indien de Roomschen beweren,
dat de Geuzen onverantwoordelijke daden verricht hebben,
kunnen wij hen niet geheel ongelijk geven. Barbaarsch
was de handelwijze der Geuzen met de 17 priesters, die
hun te Gorinchem in handen vielen en die zij op den
gsten juii [ij72 in Den Briel ter dood gebracht hebben.
Afkeurenswaardig was de handelwijs van den graaf Van
der Mark, heer van Lumei, die te Schoonhoven twee
monniken liet worgen en den hoog bejaarden Delftschen
pastoor Cornelis Muis te Leiden ophangen; verfoeilijk de
daad van Michel Krok, een van Lumei\'s ondergeschikten,
die eenen priester neus en ooren afsneed en na vele mis-
handelingen eindelijk liet onthalzen. Hetzelfde ongunstige
oordeel spreken wij uit over de soldaten van prins Willem,
als zij te Roermond eenige oude priesters vermoordden
en te Oudenaarde zestien geestelijken met gebonden handen
en voeten in het water wierpen. Zulke barbaarschheden
schandvlekken de mannen, die ze bedreven! Maar als
Roomsche schrijvers onzer dagen die enkele wanbedrijven
gelijk stellen met al de wreedheden op last der Inquisitie
aan de Protestanten aangedaan, dan zijn wij verplicht
daartegen op te merken, dat er een groot onderscheid is
tusschen het eene bedrijf en het andere.
De Inquisitie moordde uit beginsel en op grond van
kerkelijke wetten, maar de Geuzen deden het uit harts-
tocht, in strijd met de ontvangen bevelen en dikwijls
uit weerwraak. Welke uitgezochte folteringen hadden
zij zelven verduurd! welk een ellendigen dood hadden
zij hunne liefste betrekkingen zien sterven! Geen wonder,
dat de zucht naar wraak de ziel der woeste krijgslieden
in vlam zette en hen het „oog om oog, tand om
tand" in toepassing deed brengen. Het waren vreese-
lijke tijden: wat was er toen van den krijgsmansstand te
wachten!
9
Moorrees , Kerkhervorming.
-ocr page 132-
130
4. De eerste Gereformeerde synode op vaderlandschen
bodem te Dordrecht 1574.
Welkom is ons die eerste synode te Dordrecht, zoo
spoedig na de inneming van Den Briel. In 1571 verga-
derden de afgevaardigden der Gereformeerde kerken nog
buiten onze grenzen, en 16 Juni 1574 reeds te Dordrecht.
Zoo was dan de dag der vrijheid gekomen. Op de vreese-
lijke gebeurtenissen, die wij vermeldden, waren gunstiger
omstandigheden gevolgd. Had Haarlems burgerij, in weer-
wil van hare dapperheid, zich aan den Spanjaard moeten
overgeven, niet alzoo die van Alkmaar. Van Alkmaar
begon de victorie, Noord-Holland bleef zijne onafhanke-
lijkheid met goed gevolg verdedigen. De Spaansche vloot
op de Zuiderzee werd door de schepen der Geuzen over-
meesterd, en nog voor het einde des jaars 1573 werd de
blijmare vernomen, dat de hardvochtige hertog van Alva
met zijnen handlanger De Vargas voor goed het land
zouden verlaten. Dat vertrek van Alva schonk aan ons
volk verademing, en al deed ook zijn opvolger don
Requesens nieuwe pogingen om het geschokt gezag van
Spanje te herstellen, de leidslieden der Gereformeerde
kerken begrepen thans niet langer te mogen dralen met
het bijeenroepen van eene synode, die orde op de zaken
der gemeente moest stellen.
De stad Dordrecht werd tot plaats van samenkomst
gekozen, "maar niet, even als Emden, voor de vertegen-
woordigers van binnen- en buitenlandsche kerken. Het
zou thans slechts eene synode der Hollandsche en Zeeuw-
sche kerken zijn. Deze kerken, vertegenwoordigd door
een klein getal afgevaardigden onder voorzitting van den-
zelfden Van der Heijde, die ook in de synode te Emden
voorgezeten had, bleven van 16 tot 28 Juni 1574 bijeen.
Het was hun niet te doen om, zooals de Emdensche
synode gewild had, Oost-Friesche, Paltzische, Kleefsche
en Engelsche kerken nauwer aan elkaar te verbinden,
maar zij bepaalden zich tot hunnen eigen kring en ver-
deelden Holland en Zeeland in 14 klassen. De geloofsbe-
-ocr page 133-
131
lijdenis van Guido de Brés werd als formulier van eenheid
aangenomen en de Heidelbergsche Catechismus als leerboek
erkend. Overigens hielden zij rekening met de omstandig-
heden des tijds en toonden een open oog te hebben voor
de behoeften van stad en land. Bestond feitelijk nog de
Roomsche kerk met hare priesters en heiligdommen, het
was het streven der afgevaardigden te Dordrecht, tegen
het pausdom op te treden. Diep in het gemoed des volks
zochten zij de overtuiging in te prenten, dat de Gerefor-
meerde kerken lijnrecht tegen de schepselvergoding en
het uiterlijk vertoon des pausdoms overstaan.
Te betreuren is het, dat zij deze denkbeelden niet heb-
ben zoeken uit te drukken in hout en steen. Zij hadden
zelven kerken moeten bouwen en daarbij te rade gaan
met de behoeften van hun geloof. Nu bleef hun niet
anders over dan zich te behelpen met veel te groote,
voor het gehoor ondoelmatige gebouwen. Zij vergenoeg-
den zich met de voormalige Roomsche kerken. Een Ge-
reformeerde Bouwstijl is er niet ontstaan.
Hadden zij voor de bouwkunst geen oog, anders was
het gesteld met de zorg voor de leer en den eeredienst.
Van monniken en priesters, die predikanten wilden worden,
werd eene openlijke afzwering van de Roomsche leer ge-
èischt, de bevestiging door het opleggen der handen, als
tot bijgeloof leidend, afgeschaft, de in zwang zijnde avond-
biduren, als riekend naar den Roomschen vesper verboden,
lijkpredikatiën en gebeden bij begrafenissen afgekeurd,
orgelspel bij het psalmgezang niet toegelaten, feestdagen,
behalve den Zondag, evenmin veroorloofd. Doop, Avond-
maal , godsdienstoefening — alles zooveel mogelijk ver-
eenvoudigd. Het volk moest kunnen gevoelen en tasten,
dat het Gereformeerde geloof geheel iets anders is dan
het Roomsche: de hoogste eenvoud in de vormen van den
eeredienst tegenover Rome\'s pracht en praal, de streng-
ste opleiding tot geestelijke aanbidding tegenover Rome\'s
zinnelijke godsvereering.
Niet minder streefden de synodale mannen van 1574
naar eenheid in leer en belijdenis. Zij eischten dat leeraars,
ouderlingen en diakenen het formulier van eenheid zouden
9*
-ocr page 134-
132
onderteekenen, dat ook de schoolmeesters zulks zouden
doen. Immers zij meenden, dat zulk eene eenheid noodig
was om de Gereformeerde kerken groot en krachtig te
maken. Overigens wenschten zij de gansche kerk te be-
sturen zonder inmenging der regeering. Zij verlangden
naar eigen keus leeraars te benoemen en ook in het
kiezen van afgevaardigden naar classis en synode volkomen
vrij te zijn. Het vervolg der geschiedenis doet echter
zien, dat deze volledige onafhankelijkheid van de regeering
niet zoo voetstoots is toegestaan. Neen, de Staten des
lands waren bevreesd voor de al te groote macht der
kerkelijke collegiën. Het stuitte hun tegen de borst,
dat de consistorien de kerkelijke tucht dikwijls met niets
ontziende gestrengheid uitoefenden. Het wekte tegenzin,
dat de predikanten openlijk van den predikstoel de leden
van de vroedschap allerscherpst bestraften. Vandaar dat
de Staten zich verplicht achtten, kerkelijke wetten naar
hunnen smaak te ontwerpen om de heerschzucht der
kerkelijke mannen tegen te gaan. Jammer, dat er zulk
een strijd der partijen ontstond, maar toch ook goed dat
beiden zoo standvastig ijverden voor hetgeen zij het beste
keurden; want zoo doende heeft de eene de andere be-
dwongen en zijn zij in den regel voor uitersten bewaard.
Doch het was in 1574 nog de tijd niet, om over de
verhouding tusschen Kerk en Staat een goed oordeel te
vellen; het was oorlog met Spanje. Datzelfde jaar had
reeds in April de tijding gebracht van Lodewijk van
Nassau\'s -necrlaag op de Mookerheide en in Mei van
Leiden\'s tweede beleg.
5. Stichting van de Leidsche hoogeschool.
Terwijl de Gereformeerde gemeenten steeds in aantal toe-
namen, nam ook de behoefte aan bekwame en wel onder-
wezen leeraars toe. In den beginne toch waren het meestal
ongeletterde mannen zooals mandemakers, wevers, glasschil-
ders enz. Het ontbrak zulken predikers geenszins aan
geestdrift en zeggingskracht. Zij boeiden de schare vaak
-ocr page 135-
133
onweerstaanbaar aan hunne redenen; maar, hoe uitnemend
hunne gaven waren, op den duur bleken zij onvoldoend
te zijn. Er was ook godgeleerde wetenschap noodig en
algemeene ontwikkeling des geestes, zooals alleen het
academisch onderwijs die geven kan. En waar die te
zoeken? Te Leuven was wel eene godgeleerde school
gevestigd, maar de lessen, daar gegeven , waren uitsluitend
Roomsch en konden slechts tot opleiding van Roomsche
priesters dienen. In het Noorden moest de plek aange-
wezen worden, geschikt om eene school voor godgeleerden
te stichten. Die plek is gevonden te Leiden. Vier
maanden na het heuchelijk ontzet der lang belegerde stad
is daar, 8 Februari 1575, de hoogeschool gesticht.
Reeds vóór dien tijd was van het oprichten eener
hoogeschool in Holland sprake geweest Het was echter
bij voornemens gebleven. In December 1574 trad Gouda
bij de Staten te voorschijn met verzoek om zulk eene
school binnen hare muren te vestigen. Zij verklaarde
zich tot groote opofferingen bereid. Welwillend werd dit
verzoek door de Staten opgenomen, maar toch na rijp
beraad afgewezen. Geene burgerij, die zooveel aanspraak
op dit voorrecht had als die van Leiden, nadat zij zoo
standvastig den nood en den last des oorlogs had verduurd;
en de prins van Oranje, die aan de Leidenaars had be-
loofd: ik zal aan u, uwe kinderen en kindskinderen denken,
drong dan ook ten sterkste op de keus van Leiden als
academiestad aan.
Aldaar werd dus eene vrije school gesticht, niet slechts
voor één vak van kennis maar ten dienste van de weten-
schap der Godheid, des rechts, der medicijnen, der phi-
losophie en der doode talen. De wetenschap der Godheid
wordt het eerst genoemd, en zonder twijfel lag het in de
plannen van den Prins om daarmede aan de behoefte der
Gereformeerde kerken te gemoet te komen. Voortaan
zouden de aanstaande leeraars te Leiden wetenschappelijk
gevormd worden.
8 Februari 1575 trok een schitterend uitgedoste stoet
langs de voornaamste straten. Eerst eene koets, waarin
eene vrouw in \'t wit, vertoonende de H. Schrift met de vier
-ocr page 136-
134
vier Evangelisten nevens zich, dan Justitia te paard, om-
stuwd door vier rechtsgeleerden, vervolgens Medicina met
vier beroemde geneeskundigen, eindelijk Minerva, tusschen
wijsgeeren en dichters in, terwijl Apollo en de negen
Muzen volgden. Deze zinnebeeldige optocht getuigde van
hetgeen de hoogeschool eenmaal voor de wetenschap
worden moest. In de Pieterskerk werd voorts eene gods-
dienstige toespraak en een plechtig gebed gehouden, en
daarmede de nieuwe school aan de hoede des Allerhoog-
sten aanbevolen.
Men stelle zich evenwel niet voor, dat er reeds van
den aanvang af een voldoend getal hoogleeraars te vinden
was, noch dat er eene groote menigte van jongelieden te
Leiden samenvloeide! Hoe zou zulks in die zorgelijke,
ja bange tijden mogelijk zijn geweest! Of trok de Span-
jaard in 1575 niet moordend en plunderend het land door!
Hij verwoestte Noord-Holland, wendde zich naar Gelderland
om Buren in den brand te steken, overviel Oudewater en
moordde dat uit, nam Schoonhoven in, kreeg de schansen
bij Krimpen en Papendrecht in bezit en heroverde geheel
Zeeland. De toestand werd zoo wanhopig, dat de Prins,
die anders niet spoedig den moed verloren gaf, den daarop
volgenden winter den voorslag deed, om dijken en dam-
men door te steken, met vrouwen, kinderen en tilbare
have scheep te gaan en elders een nieuw vaderland te
zoeken.
Hoe zou zich in die dagen de pas gestichte hoogeschool
in grootèn toevloed van jongelieden hebben kunnen ver-
heugen! Neen, dan moesten er eerst betere tijden aan-
lichten. En toen die kwamen, is de krachtige ontwikkeling
der hoogeschool ook niet achtergebleven. Daaraan heeft
gedurende een tiental jaren medegewerkt de beroemde
hoogleeraar Franciscus Junius, Fransch edelman van ge-
boorte, leerling van Calvijn en sedert 1566 als welsprekend
prediker te Antwerpen en elders bekend. Hij verhaalt in
zijn levensbericht, hoe hij, opgevoed door lieden, die met
God en goddelijke dingen den spot dreven, eens het Nieuwe
Testament had opengeslagen en bij de woorden bepaald
werd Joh. I vs. 1 „in den beginne was het Woord."
-ocr page 137-
135
„Ik las," zoo beschrijft hij het gebeurde „een deel van
dat hoofdstuk en werd zoo ontroerd, dat ik terstond de
goddelijkheid van het daar geschrevene gevoelde en zijne
alle menschelijke welsprekendheid te boven gaande majesteit
Mijn lichaam beefde, mijn gemoed was ontsteld, den ganschen
dag was ik zoo aangegrepen, dat ik niet meer wist, wie
ik was. Gij, o Heer mijn God, Gij zijt mijner gedachtig
geweest in uwe grondelooze barmhartigheid en hebt het
verloren schaap tot uwe kudde teruggebracht." Aan een
man, die zulk een gevoel had voor de verhevenheid der
Heilige Schrift en die haren levenwekkenden inhoud zoo
diep in zich had opgenomen, werd de vorming der studenten
in de godgeleerdheid toevertrouwd. Mochten van zijn
onderwijs geene gezegende vruchten verwacht worden?
Vooral sedert de stichting van het Staten-College in 1593
nam het aantal studenten toe. Dat college verschafte aan
30, later aan 60, jongelieden van goeden aanleg doch
van weinig bemiddelde ouders huisvesting en opleiding tot
het leeraarsambt. Het heeft jaren lang te Leiden bestaan
en een groot aantal leeraars aan de kerk geleverd. In
het tijdperk, waar wij ons mee bezig houden, was daarvan
echter nog geene sprake. Toen waren de leeraars nog
meestal uitgewekenen, die teruggeroepen werden, of ook
wel pastoors, die tot de Gereformeerde leer toetraden of,
zooals wij in den aanvang van dit hoofdstuk zeiden, on-
geletterden. Thans evenwel was er eene hoogeschool
gesticht en daarmede het uitzicht geopend op den toevoer
van wetenschappelijk ontwikkelde mannen.
6. De Pacificatie van Gent in verband met
kerkelijke zaken.
Intusschen, al hield onder nameloos lijden de Gerefor-
meerde burgerij van Holland en Zeeland de Geuzenvaan
omhoog, prins Willem richtte nog menigmaal zijn blik
naar het Zuiden. Moesten dan die schoone gewesten
voor zijne vlag verloren gaan ? moesten Vlaanderen,
Henegouwen geheel en al Spaansch worden? was zooveel
>
-ocr page 138-
136
edel martelaarsbloed vergeefs geplengd? Kon Noord en
Zuid niet vereenigd zijn? waren er geene gemeenschappe-
lijke belangen meer? Wel zeker die belangen waren er,
en zij zouden ten nutte van de zaak der vrijheid aange-
wend worden, zoodra het slechts mogelijk was. Het
geschikte oogenblik daartoe was de dood van don Requesens
en de muiterij der Spaansche soldaten. Toen die woeste
benden, klagend over wanbetaling, het platte land van
Vlaanderen brandschatten, de steden bedreigden, Maastricht
en ten laatste ook Antwerpen met gruwelen van roof en
moord vervulden, toen werd uit éénen mond de vraag
vernomen: waarom dat wreede krijgsvolk niet uit het land
gedreven? Waarom ons niet vereenigd tot gemeenschap-
pelijken strijd? Van deze stemming des volks werd door
den Prins gebruik gemaakt en na langdurige onderhande-
ling kwam op 8 November 1576 de Pacificatie van Gent
tot stand, waarbij Brabant, Vlaanderen, Henegouwen,
eenige steden in Namen, Mechelen en Utrecht zich met
Holland en Zeeland — uitgezonderd Amsterdam, Haarlem,
en andere plaatsen, die nog in de macht des Spanjaards
bleven — vereenigden, om de vreemde soldaten uit te drij-
ven en de algemeene Staten te verzoeken, orde op \'s lands
zaken, inzonderheid op den godsdienst, te stellen.
Hoe verheugde zich prins Willem in het sluiten van
dit verbond! Het verlevendigde het uitzicht op verbroede-
ring van al de Nederlandsche gewesten. Voortaan zouden
zij gezamenlijk strijden tegen den gehaten Spanjaard en
des te grooter kans op zegepraal hebben. Wel moest er
eene bepaling worden opgenomen, dat de Roomsche gods-
dienst zou gehandhaafd blijven, maar dat betrof Holland
en Zeeland niet. Deze beide gewesten, voor zoover zij
niet Spaansch waren, konden vrijelijk voortgaan het Ge-
reformeerde geloof te belijden. Voorts zouden de door
den hertog van Alva verbeurd verklaarde goederen aan
de oorspronkelijke eigenaars teruggegeven worden. De
Prins werd dus in het bezit van zijne goederen hersteld;
desgelijks de graaf van Culemborg en een aantal andere
Nederlanders. En wat vooral van groote beteekenis was,
— de bloedplakkaten werden geschorst. Onderzoek naar
-ocr page 139-
137
iemands geloofsovertuiging zou vooreerst niet meer worden
gedaan. Men moest slechts in het oog houden, dat, met
uitzondering van het grootste deel van Holland en Zee-
land, de Roomsche kerk nog steeds de volkskerk was,
tegen welke niets vijandigs mocht ondernomen worden.
Dit verbond tusschen het Noorden en het Zuiden was
werkelijk velen ten zegen en bracht eene menigte uitge-
wekenen terug in het vaderland. Jammer slechts dat de
spanning tusschen Roomsch en Onroomsch het heeft doen
uiteenspatten. Iedere partij maakte zich op hare beurt
aan overtreding van de vastgestelde bepalingen schuldig.
De Staten van Holland en Zeeland legden aan de Room-
schen allerlei moeielijkheden in den weg. Zij wilden
slechts die Roomschen toelaten, die beloofden geene an-
dere religie te zullen uitoefenen, gebruiken of invoeren
dan die door de overheid openlijk werd toegelaten ; en
daar deze het Gereformeerd geloof verdedigde, werd het
verblijf in de meeste plaatsen van Holland en Zeeland
aan de trouwe aanklevers van het pausdom onmogelijk
gemaakt. Dat was prins Willem althans zeer slecht naar
den zin!
In het Zuiden roerden zich inzonderheid de vroeger
uitgewekenen en thans wederkeerende Gereformeerden. Zij
eischten volledige vrijheid van belijdenis. Zij vonden het
ergerlijk, dat er te Brussel eene Unie gesloten werd tot
handhaving van het Roomsche geloof. Zij morden en
klaagden luid. Hunne stemming werd nog ongunstiger,
toen in Juni 1577 zekere kleedermaker Pieter Panis te
Mechelen ter dood veroordeeld werd, omdat hij eene
Gereformeerde preek had bijgewoond. Een doodvonnis
om des geloofswil en dat terwijl de uitvoering der plak-
katen was geschorst! De volksmenigte kwam in de
heftigste beweging; zij verwachtte dat het uitgesproken
vonnis zou ingetrokken worden, maar welk eene moeite
ook werd aangewend, alles te vergeefs. Pieter Panis werd
in het openbaar onthalsd.
Is het vreemd, dat de oude bitterheid in volle kracht
te voorschijn trad? De uitgewekene maar teruggekeerde
burgers waren hun vroeger lijden nog niet vergeten. Zij
-ocr page 140-
138
dreigden hunne Roomsche overheid en matigden zich
allerlei vrijheden aan. In Gent hielden zij vergaderingen
van vier, vijf, zes honderd menschen op onderscheiden
plaatsen. Te Antwerpen werden de scherpe ordonnantiën
der overheid in den wind geslagen. Zelfs te Amsterdam,
tot dusver zoo getrouw in het handhaven van het Room-
sche geloof, werden in die troebele dagen schout en wet-
houders uit de stad geleid onder den uitroep: „voert ze
naar den galg, daar zij zoo menigeen aan geholpen hebben."
De kerken werden in Mei 1578 aan de Roomsche geeste-
lijkheid ontweldigd en door de Gereformeerden ingenomen.
Drie dagen later had datzelfde tooneel ook te Haarlem
plaats, waar in het woest gedrang binnen de muren der
Groote Kerk zelfs een priester doodgeslagen werd. Zoo
handelden de verbitterde en opgewonden Gereformeerden.
Ergernis van weerszijden! Toen werd na eindelooze on-
derhandelingen door den prins van Oranje een ontwerp
van Geloofsvrede aangeboden, volgens hetwelk alle mis-
handeling ter zake van den godsdienst zou vergeven en
vergeten worden, terwijl een ieder vrij zou blijven om
naar het hem geschonken inzicht God te dienen. In het
benoemen van overheidspersonen zou er niet op geloofs-
gezindheid maar alleen op bekwaamheid gelet worden.
Buiten Holland en Zeeland zouden de Gereformeerden de
Roomsche heilige dagen door het sluiten hunner winkels
en het doen stilstaan van handwerk en koopmanschap
vieren, terwijl overal, op verzoek van honderd burgers,
hetzij Gereformeerde, hetzij Roomsche, godsdienstoefening
zou moeten toegelaten worden.
Wie erkent in dat staatsstuk niet een milden, edelen,
verdraagzamen geest? Geheel en al de geest van prins
Willem, die er altoos op had aangedrongen, dat er vrij-
heid van godsdienst zoowel voor Roomschen als voor On-
roomschen zou zijn en de openbare kerken evenzeer aan
de eersten als aan de laatsten zouden ingeruimd worden.
Maar zijne denkbeelden vonden nog geen weerklank in de
harten zijner tijdgenooten. De ijverige Roomschen wilden
er op geenerlei manier van hooren of spreken. Hunne
kerk was de alleenzaligmakende en duldde geene andere
-ocr page 141-
139
nevens zich. De ijverige Gereformeerden dachten, wel
beschouwd, evenzoo, want zij hielden staande dat de eere
Gods niet gedoogde, openlijk den afgodsdienst der Room-
schen toe te laten.
Niemand, die zoo heftig tegen den Prins uitvoer als
Dathenus, destijds leeraar te Gent. Hij strooide uit dat
de Prins een man was, die om God noch godsdienst gaf
maar van staatsbelangen en staatkundige berekeningen
zijnen afgod maakte. „Ik heb" zoo verklaarde Dathenus,
„nergens in de Schrift of in de kerkelijke historie gele-
zen dat een christelijk vorst ooit de openlijk uitgeroeide
afgoderij weer in eere hersteld heeft of die met een goed
geweten in eere herstellen kan." Overal, waar de staten
Roomsch waren, weigerde men den godsdienstvrede in te
voeren, en waar de overheid Gereformeerd was, deed
men het evenmin. De heftigste tooncelen hadden er te
Brussel, Gent en andere steden en dorpen plaats. Plun-
dering, gevangenneming en wat niet al. Helaas, het
werd met eiken dag duidelijker, dat er van gemeenschap-
pelijken strijd tegen Spanje niets kon komen. Het Zuiden
en het Noorden zouden elk huns weegs moeten gaan.
Het Zuiden was grootendeels Roomsch en zag naar een
Roomschen beschermer uit. Het Noorden, met name
Holland en Zeeland, was grootendeels Gereformeerd en
schaarde zich om prins Willem heen, en deze behoorde
krachtens zijne eigene belijdenis en geheel zijn verleden
aan het Noorden toe.
7. De synode der Gereformeerde kerken te
Dordrecht in 1578.
Terwijl de klove, die er tusschen Roomsch en On-
roomsch gaapte, hoe langer zoo dieper werd, sloten de
Gereformeerde kerken in Holland en Zeeland zich des te
nauwer aaneen en ziende op de uitbreiding, door de Pa-
cificatie van Gent verkregen en op de aanwinst van zulke
aanzienlijke steden als Amsterdam en Haarlem, gaven zij
uitvoering aan vroeger genomen besluiten en riepen eene
synode bijeen.
-ocr page 142-
140
Het zou ditmaal niet eene provinciale maar eene generale
zijn. Afgevaardigden uit Brabant, Vlaanderen, Gelderland,
Friesland, Holland en Zeeland zouden zitting daarin hebben.
Het was toch zonneklaar, dat zich ■ in al die gewesten
talrijke gemeenten gevestigd hadden. Reeds waren vele
kerkgebouwen openlijk in bezit genomen. De zaken waren
evenwel nog niet overal naar wensch geregeld, en hoe
armelijk werd bij gebrek aan leeraars in den dienst des
woords voorzien. Waarlijk raad en voorlichting hadden
de consistoriën noodig en de generale synode, die van 2
tot 18 Juni 1578 te Dordrecht zitting hield, deed geen
overtollig werk, toen zij de inwendige aangelegenheden
der kerk met zorgvuldigheid behandelde, en op de leer,
den eeredienst, het bestuur en de tucht goede orde stelde.
Haar voorzitter was Petrus Dathenus, de welbekende
Calvinist, de krachtige ijveraar voor het geloof.
In hoofdzaak bevestigde deze synode, wat reeds vier jaren
vroeger in dezelfde stad besloten was. Zij behield de ge-
loofsbelijdenis van Guido de Brés als formulier van eenheid,
en drong er krachtig op aan, dat er bij de aanstelling van
leeraars, waaronder vele voormalige pastoors, zou toegezien
worden, of zij wel zuiver en bestendig waren in de Gere-
formeerde leer en oprecht van leven. De psalmberijming van
Dathenus werd bij voortduring in gebruik gehouden. Men
denke evenwel niet, dat Dathenus in zijne hoedanigheid van
voorzitter dit besluit heeft doorgedreven, want hij was zelf
met zijne berijming weinig ingenomen en erkende dat zij in
grooten haast vervaardigd, ja, als eene ontijdige geboorte hem
afgedwongen was. Het gebruik der orgels werd ook op deze
synode afgekeurd, eveneens het klokgelui bij sterven en be-
graven. Waalsche en Nederlandsche kerken werden wegens
de verscheidenheid der talen, wat haar bestuur aangaat, van
elkander afgescheiden, alhoewel zij in de leer eenstemmig
bleven. Ook was de aandacht der vergadering bijzonder ge-
vestigd op de samenstelling van kerkelijke geschriften. Eene
Historie der Nederlandsche hervorming, eene volledige uitgaaf
van het Boek der Martelaren, eene verbeterde vertaling van
Calvijn\'s Institutie, het drukken van traktaatjes en boven alles
het uitvaardigen van eene zuivere Bijbeloverzetting werd
-ocr page 143-
141
verlangd. In het kort, er werd op deze synode eene
kerkordening ontworpen, die waakzaamheid en leven,
samenhang en eenheid in het gansche lichaam der Gere-
formeerde kerken bevorderen moest.
Vraagt men, of deze synode, die zich de nationale
synode der Nederlandsche, Duitsche en Waalsche kerken
zoowel in- als uitlandsche noemde, werkelijk uit afgevaar-
digden van al die landen was samengesteld? Uit Kleefs-
land waren twee Gereformeerde leeraars gekomen, Dathenus
was afgevaardigd uit den Paltz, maar de overigen waren
allen uit de Nederlandsche gewesten. Het verband tusschen
de wijd uiteen verspreide kerken, dat in 1571 te Emden
met zorg gelegd was, werd dus in de samenstelling dezer
synode wel niet geheel uit het oog verloren, maar het
bleek toch reeds bij deze gelegenheid, dat de Gerefor-
meerde kerken zich in de Zuidelijke Nederlanden alles
behalve krachtig ontwikkelden.
De stedelijke overheid van Dordrecht ontving de synodale
mannen hoffelijk en bewees hun achting en liefde. Bij het
regelen van de verhouding tusschen Kerk en Staat hield de
Synode het beginsel in het oog, dat de kerk meesteresse in
haar eigen huis behoort te zijn. Toch was zij niet vijandig
jegens de Staten gezind, maar willigde in sommige opzichten
hunne wenschen in, en bood eindelijk de op schrift gestelde
kerkorde aan de heeren aan, die vriendelijk bogen en betuig-
den: „als wij haar willen zien, zullen wij er u wel om vragen."
Tijdens de vergaderingen der synode bevond de prins
van Oranje zich voortdurend in de Zuidelijke Nederlanden.
Met groote vreugde had men hem in 1577 te Antwerpen,
te Brussel en te Gent ontvangen, ja, in deze laatste stad
met den geloofsheld Judas den Maccabeër vergeleken en
door huldebetoon des volks verheerlijkt. Tot Ruwaard
van Brabant was hij uitgeroepen en hooger nog zou hij
geklommen zijn, had de ijverzucht der groote heeren
zulks niet verhinderd. Deze wilden niet beneden hem
staan. De Prins, eigenlijk slechts de zoon van een
Duitschen Graaf uit Dillenburg; en zij ... de machtige
heeren, hertogen, prinsen uit Brabant en Vlaanderen.
Liever den aartshertog Matthias of den hertog van Anjou
-ocr page 144-
142
met het algemeen stadhouderschap bekleed dan den prins
van Oranje! Ziedaar de oorzaak, waarom de verdere
bemoeiingen des Prinsen in de Zuidelijke Nederlanden
met onvruchtbaarheid geslagen werden. Bovendien was
de talrijke partij der Gereformeerden te Gent onder aan-
voering van den heer Johan van Hembijze, een heftigen
volksleider, alle palen te buiten gegaan en had zich aan
allerlei buitensporigheid overgegeven. Dat kon van de
zijde der tegenpartij, die zich Malcontenten noemden, niet
ongewroken blijven en er brak in hetzelfde jaar 1578 in
Vlaanderen eene soort van burgeroorlog uit, waarin de
partij der Gentenaars het onderspit dolf.
Van dien tijd af beraadslaagden de Roomsche Staten
over het sluiten van eene nieuwe Unie. Den 5den Jan.
1579 werd deze Unie, onder de leiding van den nieuwen
Spaanschen landvoogd, Alexander Farnèse, hertog van
Parma, te Atrecht gesloten. Volgens deze overeenkomst
zou de Roomsche godsdienst gehandhaafd blijven maar
tevens de uitvoering der plakkaten geschorst. Voorts
beloofde de koning van Spanje aan allen, die tot dat
verbond toetraden, algeheele vergiffenis en herstelling der
vroegere privilegiën.
De Zuidelijke Nederlanden lieten zich, helaas, voor
deze overeenkomst winnen. Zij bogen zich opnieuw onder
het Spaansche juk. Zoo scheidden zij zich van de alge-
meene zaak der vrijheid af en sloten weer vriendschap
met Filips II. Treurige uitslag van zooveel ernstige
pogingen door prins Willem aangewend, om het Zuiden
met het Noorden onder dezelfde banier te vereenigen.
8. Toestand der Roomsche kerk in de Noordelijke
Nederlanden.
Het wordt tijd nog eens het oog op de Roomsche kerk
in het Noorden te vestigen, die bij den aanvang van
Filips\' regeering meer dan twee derden der bevolking
uitmaakte en daaronder de deftigste en rijkste lieden. Wij
vernamen reeds dat de Nederlandsche abten de besluiten
-ocr page 145-
143
des Konings omtrent de bevestiging der nieuwe bisdommen
met tegenzin begroetten, maar hebben zij desniettemin
bisschoppen gekregen ? is Utrecht een aartsbisdom geworden ?
Zijn er te Haarlem, te Deventer, te Leeuwarden, te
Groningen, te Middelburg en te \'s-Hertogenbosch bis-
schopszetels gesticht? Dat is geschied, doch niet zonder
heftige botsing en velerlei strijd. In 1561 trad volgens
besluit des Konings, daartoe gerechtigd door den toen-
maligen paus Paulus IV, Frederik Schenk, heer van
Toutenburg, als eerste aartsbisschop van Utrecht op,
terwijl het vereischte aantal bisschoppen was benoemd
geworden; maar van de zes benoemden konden voor het
oogenblik slechts die van Haarlem, Middelburg en den
Bosch hun ambt aanvaarden, de overigen moesten wachten
op gelukkiger dagen.
Doch wanneer zouden die dagen voor de Roomsche
kerk in Nederland komen? Van 1561 tot 1566 verloor,
zooals wij zagen, de Kerk dagelijks aan macht en invloed.
De leer der Hervormers won allerwegen veld. Openlijk
traden de hagepreekers tot onder de oogen der hooge
geestelijken op. De gruwel van den beeldenstorm woedde
tot in de aartsbisschoppelijke stad. Hoe diep zullen toen
de Nederlandsche kerkbestuurders zijn verslagen geweest!
welk eene heiligschennis in de oogen van al die mannen,
die geene zaligheid buiten het pausdom kenden! de al-
taren, de beelden, de banieren, de schilderijen vergruisd
en vermorzeld! Op hun standpunt zullen zij den hertog
van Alva als redder hebben begroet, gezonden om de
vervallen hutte Davids weder op te richten!
De hertog van Alva verleende hun zijn sterken arm.
Hij hielp hen de geschonden kerken herstellen, altaren,
beelden, sieradiën vernieuwen, zorgde voor het geregeld
bezoldigen der bisschoppen en weldra werden de nog
openstaande zetels te Deventer, Leeuwarden en Groningen
vervuld. De hulp, door den hertog van Alva verleend,
was slechts van korten duur. Daar treden de Watergeu-
zen op. Zij geven door de inneming van Den Briel het
sein tot den opstand en in alle steden, waar zij bijval
vinden, worden de kerken opnieuw van altaren, beelden
-ocr page 146-
144
en andere kostbaarheden beroofd en voor den dienst van
het pausdom onbruikbaar gemaakt. In het jaar 1566 was
dat slooperswerk door het onstuimig gepeupel verricht,
in 1572 geschiedde het met medeweten van de nieuw op-
getreden overheid en met haar goedvinden zelfs. Het
moest strekken om de kerk voor de prediking, den doop
en het avondmaal der Gereformeerden in te richten.
Welk eene smart voor allen, die in gemoede aan het
pausdom hingen! het bedienen van de mis was verboden,
processiën mochten niet meer gehoudeu worden, heiligen-
beelden werden weggenomen, kloosters moesten ontruimd
en tot andere doeleinden gebezigd worden. Het deed oog
en hart der oprecht geloovige Roomschen ontzettend pijn-
lijk aan, dat hunne heerlijke kerkgebouwen, die pronk-
stukken der gothieke bouwkunst, zoo geheel geschikt
voor hunnen weidschen, statelijken, schitterenden eeredienst,
van allen tooi beroofd werden en de witselkalk de kleuren
op muren, pilaren en gewelven overdekte! nergens een
kruisbeeld meer, om bij te knielen; nergens een altaar
om het offer des Heeren op te dragen; geen schilderij,
geen koorkleed, geen wierookvat! alles hol en ledig inde
kerken! Zelfs de heerlijke Domkerk te Utrecht, de
statige St. Bavo te Haarlem, de fraaie St. Cunera te
Rhenen en zooveel andere eerbiedwaardige gewrochten
der middeleeuwen inwendig van allen tooi beroofd! Het
viel den gemoedelijken Roomschen zwaar. Zij zagen met
weemoed die kerken aan en beschouwden ze als ontzielde
lichamen., lijken in een wit doodskleed gehuld, bestemd
ter begrafenis.
De geestelijke goederen werden gebruikt om Gerefor-
meerde leeraars te bezoldigen, scholen te stichten en oor-
log te voeren. De afval van de Roomsche kerk werd
dagelijks grooter. Op vele plaatsen verwisselden de dorps-
pastoors hun koorkleed zonder lang beraad met den
leeraarsmantel. Zij werden doorhunne dorpelingen eenvoudig
totpredikantenaangesteld. Op meer dan ééne plaats geschiedde
het, dat de pastoor aan zijne gemeente bekend maakte: wij
zullen aanstaanden Zondag de mis voor het laatst volgens
de oude manier bedienen, om den daarop volgenden Zondag
-ocr page 147-
145
over te gaan tot den dienst des Gereformeerden ge-
loofs.
Het werd met eiken dag duidelijker, dat in Holland en
Zeeland het pausdom van heerschende kerk, die het
geweest was, afdaalde tot den staat van verdrukte en
lijdende kerk. Het aantal Roomschen werd in het oog
vallend kleiner. Don Requesens moest reeds in 1574
verklaren, „dat de Katholieken zeer verminderden, som-
migen vertrokken en dat in hunne plaats kwamen ketters,
die groote naarstigheid doen om de jonkheid te verleiden
en de kinderen dwingen tot hunne scholen te gaan,
waar onderwijs in hunne verdoemelijke opiniën gegeven
wordt."
Aldus Requesens. De Roomschen zijn, gelijk wij zagen,
nu en dan wreedaardig gepijnigd en ter dood gebracht.
Voor zoover zij geduld werden, mochten zij hunnen gods-
dienst niet in het openbaar uitoefenen. Naar achteraf-
gelegene plaatsen moesten zij terugtrekken. Hunne ge-
meenten versmolten, hunne bisschopszetels bleven onbezet.
De aartsbisschop van Utrecht overleefde zooveel smart
en ellende niet lang. In 1580 op zijn kasteel bij Wijk
te Duurstede stierf hij van hartzeer en verdriet. Wel is
zijn lijk naar Roomsch gebruik in de Domkerk bijgezet,
maar die kerk werd toen reeds door de Gereformeerden
in bezit genomen. Sedert dien tijd hield Utrecht op, de
zetel van den aartsbisschop te zijn.
Een aantal Roomsche geestelijken vluchtte naar het
buitenland om daar een werkkring te vinden. IJverige
leeken volgden hun voorbeeld. Velen namen dienst bij
den Spanjaard en streden in de Spaansche gelederen
tegen de legers der Staten. En juist dat overloopen tot
den vijand heeft voor de Roomschen in Holland, Zeeland
en de overige gewesten wrange vruchten gedragen, want
sedert dien tijd vertrouwde men hen niet meer. De Staten
zagen in hen de spionnen van Spanje, waarvoor men
steeds op zijne hoede zocht te zijn. Zij werden, en
waarlijk niet zonder reden, met argwaan bejegend.
Toch is de diep vernederde en verdrukte Roomsche
kerk in de Nederlanden tot heden toe in wezen ge-
MOORREES, Kerkhervorming.
                                           10
-ocr page 148-
146
bleven, ja zij heeft zich met veerkracht opgericht. \')
Wel een teeken, dat er ook in onze vaderlandsche
gewesten steeds menschen worden aangetroffen, die juist
in de Roomsche kerkleer en in haar kerkpraal de meeste
bevrediging van hunne godsdienstige behoeften vinden.
9. De Gereformeerde kerk sedert de Unie van Utrecht
openlijk erkend als volkskerk in de
Vereenigde Provinciën.
Sedert 1578 treedt graaf Jan van Nassau, eenig overge-
bleven broeder van prins Willem, in onze geschiedenis op
en wel als stadhouder van Gelderland, tot welke waar-
digheid hij door de Staten van dat gewest gekozen was.
Met hart en ziel het Gereformeerde geloof toegedaan,
ijverde hij in Gelderland allerwege voor de vestiging van
gemeenten. Hij moedigde de oproerige bewegingen der
Gereformeerden aan en verheugde zich in het verbrijzelen
van beelden en altaren. Onder zijn bestuur vestigden
zich in Nijmegen, Arnhem, Zutphen en Harderwijk ge-
regelde gemeenten met eigen leeraars, terwijl plaatsen
van minder omvang, zoodra er slechts leeraars opdaag-
den, het voorbeeld dezer steden volgden.
Was het wonder, dat de Prins zijne aandacht op dezen
ijveraar voor het Gereformeerde geloof gevestigd hield !
In hem had hij den rechten man gevonden om een nader
verbond, van de noordelijke gewesten met Holland en\'
Zeeland tot stand te brengen. Dat verbond, in vergade-
ringen te Arnhem, Geertruidenberg en Gorinchem aanvan-
kelijk besproken, werd eindelijk in December 1578 te
Utrecht voorloopig opgemaakt en den 23steu Januari 1579
in het groot Kapittelhuis van de Utrechtsche Domkerk
plechtig gesloten. De verbonden staten waren Gelderland,
Zutphen, Holland, Zeeland, het Sticht van Utrecht, en
de Friesche Ommelanden tusschen Eems en Lauwers.
\') Daarbij lette men op het gelijktijdig bestaan in ons vaderland van.
de kerk der Bisschoppelijke klerezie en de Roomsch Katholieke kerk.
-ocr page 149-
147
Later zijn de overige noordelijke Staten en nog eenige
steden uit het zuiden toegetreden en 13 Mei 1580 is de
Unie ook door den prins van Oranje goedgekeurd.
Dat de Prins hooge waarde aan de Unie hechtte, blijkt
uit de woorden, waarmede hij haar aanbeveelt, zeggende
tot de gemachtigden: „onderhoudt uwe Unie wel, ziet
naarstig toe, dat gij niet alleen met woorden en geschriften
maar inderdaad ten uitvoer legt, wat het bundelke pijlen
met éénen band samengesnoerd in uw zegel (zinspeling op
het wapen der Unie: de leeuw met den bundel van zeven
pijlen in zijn klauw) medebrengt en beduidt."
De Unie bepaalde, dat de Provinciën ten eeuwigen dage
verbonden zouden blijven, alsof zij maar een enkel land-
schap waren, onverminderd de bijzondere privilegiën , vrij-
heden, rechten en gewoonten van ieder landschap, stad
of ingezetene. Aangaande den godsdienst luidt artikel 13
dat die van Holland en Zeeland zich zullen gedragen naar
hunlieder goeddunken en de overige Provinciën zich mogen
regtdeeren naar den inhoud van den godsdienstvrede
, of
anders zulke orde zullen mogen stellen
, als zij tot rust en
welvaart der provinciën
, steden en particuliere leden, tot
behoud van hun geestelijk en ivereldlijk goed dienstig
achten, terwijl niemand ter oorzake van zijn godsdienst
zal mogen achterhaald of onderzocht worden, zooals reeds
in de Pacijicatie was bepaald.
Ziedaar hoogst belangrijke bepalingen. Aan Holland en
Zeeland werd nu voor goed geschonken, wat de Pacifica-
tie van Gent slechts voorloopig had toegestaan: zij mochten
ten opzichte van den godsdienst naar hun goeddunken
handelen. En welk was hun goeddunken? Dat behoeft
niet twijfelachtig te zijn. Deze beide Provinciën vonden
goed, de uitoefening der Roomsche leer, als contrarieerende
met den Evangelio, te doen ophouden. Zij verklaard, n zich
belijders van het Gereformeerde geloof.
En de overige
gewesten ? Zij moesten overal, waar honderd Gerefor-
meerde huisgezinnen zulks eischten, vrijheid van gods-
dienstoefening toestaan of zoodanige verordeningen maken,
als voor rust en welvaart dienstig zouden worden geacht.
- Er was dus bij de Unie van Utrecht nog wel geen
-ocr page 150-
148
sprake van eene heerschende leer, maar het is zeker, dat
de Gereformeerde kerken er zich alles goeds van mochten
beloven. Zoo krachtig breidden zij zich dan ook onder
den invloed dier bepalingen uit, dat reeds vier jaar later
de vraag moest besproken worden, of het niet geraden
was, artikel 13 der Unie met algemeene stemmen te ver-
anderen, aangezien alle gewesten door Gods genade de
evangelisch Gereformeerde religie eendrachtelijk hadden
aangenomen.
Wel is op deze vraag geen besluit genomen, maar zij
bewijst genoegzaam , tot welken kerkdijken toestand men
in de Noordelijke Nederlanden gekomen was. De Gere-
formeerde kerk was de volkskerk geworden. De Roomsche
heeft moeten zwichten, voor haar is de Gereformeerde in
de plaats getreden.
Hoogst opmerkelijke uitkomst, verkregen door de taaie
volharding der burgerij, de standvastige trouw van Oranje,
den onwankelbaren geloofsmoed der martelaars, den ijver
der eerste predikers en de levenskracht, die in de begin-
selen der Gereformeerde leer schuilt.
Levenskracht in de beginselen der Gereformeerde leer!
Onwillekeurig staat men bij deze woorden stil en vraagt:
wat wordt daarmede bedoeld? de eigenaardige opvatting
der Gereformeerde kerk aangaande Gods volstrekte sou-
vereiniteit en zijne vrijmachtige genade! Schuilt daarin
zooveel levenskracht? Of is het verkeerd, juist in de
leer de kracht der kerk te zoeken? In die bange jaren ,
toen de Gereformeerde kerk zich vestigde, zal de Godge-
leerde bespiegeling toch wel niet op den voorgrond hebben
gestaan! Is nochtans de Gereformeerde leer met voorliefde
door een groot en krachtig deel onzes volks aangenomen,
dan moet zulks vooral daaraan toegeschreven worden, dat
die leer van de grondstelling uitging: de eenige die over
ons heerschen mag, is God door middel van Zijn woord.
Verwonderlijke veerkracht deelde die grondstelling aan de
zielen mede; rustelooze ijver om zich te ontworstelen aan
de geweldenarij van den Spaanschen koning en aan de
macht van het pausdom.
Tegelijkertijd viel de inrichting van de Gereformeerde
-ocr page 151-
149
kerk bijzonder in den smaak van ons volk. Zelven zich
tot gemeenten te vereenigen, mannen uit eigen kring tot
ouderlingen en diakenen te verkiezen, aan dezen de be-
roeping van predikanten op te dragen, geene heerschappij
over elkander toe te laten, niet in rang, alleen in ambt den
een boven den ander te stellen — ziedaar wat de Gerefor-
meerde kerk volkskerk heeft doen worden, omdat die eigen
werkzaamheid zich gereedelijk aansloot aan den Neder-
landschen vrijheidszin.
Wil dat nu zeggen, dat het geheele volk tot de Gerefor-
meerde kerk is overgegaan ? Neen, daar bleven altijd Room-
sche gemeenten, zij het ook met steeds verminderend zielental.
In Friesland en Holland trof men voortdurend Doopsgezinden
aan, en velen hunner, al mochten zij het zwaard niet voeren,
ondersteunden toch de oorlogvoerende Vereenigde Provinciën
met groote sommen gelds. Op eene enkele plaats, zooals te
Woerden, was een Luthersche gemeente. Te Utrecht vond
men in die dagen de kerk van Huibert Duif huis, eene kerk
die geheel op zich zelve stond, en door milden, verdraag-
zamen geest uitmuntte boven velen. Maar de meeste men-
schen traden tot de Gereformeerde kerk toe en onderwierpen
zich aan hare verordeningen. Hare belijdenis werd aan de
jeugd geleerd, hare psalmen werden door de gemeente ge-
zongen , haar geest drong in de harten door, haar stempel
werd in [het kerkelijk leven ingedrukt. Het volk van
Noord-Nederland is een Gereformeerd volk geworden.
10. Besluit.
Onze taak is afgewerkt. Wij hebben de geschiedenis der
Hervorming in de Nederlanden, bepaaldelijk in de Noorde-
lijke gewesten, geschetst. Moge onze schets den lust
hebben opgewekt naar kennismaking met uitvoeriger ge-
schriften. Immers eerst, als wij tot de bijzonderheden
afdalen, beginnen de gestalten uit het verleden voor ons
te leven, een iegelijk naar haren aard. Dan eerst dringen
wij in de diepte der historie in.
Toch kan deze schets er toe strekken om ons van den
gang der
gebeurtenissen een helder denkbeeld te doen
-ocr page 152-
ISO
verkrijgen en tot het verstaan van onze Martelaarsboeken
goede diensten bewijzen. Zij maakt ons opmerkzaam op de
gestadige ontwikkeling der denkbeelden en richtingen in de
zestiende eenw en beantwoordt de vraag, hoe het komt, dat
toen in de Nederlanden de zaak der Hervorming triomfeerde,
juist het Gereformeerde geloof volkseigendom is geworden.
Wij zijn gewoon den tijd, waarin wij zelven leven, een
veel bewogenen te noemen en elkander af te vragen, of er
wel ooit zulk een tijd van ver uiteenloopende gevoelens is
geweest. Maar wat getuigt de schets, die wij ontwierpen ?
waren er in de zestiende eeuw geene uitersten? was er
toen geene beroering? wat predikt ons het optreden der
Sacramentisten ? wat zegt het Munstersch schrikbewind ?.. .
de beeldenstorm, de hagepreek, het gewapend verzet der
Gereformeerden? waren dat geene vreemdsoortige gebeur-
tenissen ? denkt aan Pistorius, Jan van Leiden, Menno
Simons, Meruia, Dathenus; . . . waren dat geen ver uit-
eenloopende persoonlijkheden? De zestiende eeuw mag
meer nog dan de negentiende eene veel bewogene heeten.
En in die fel beroerde eeuw had prins Willem tot zin-
spreuk gekozen: Saevis tranquillus in undis, d. i. gerust
te midden der woedende baren. Schoone zinspreuk, maar
ook waarheid? waarheid in zijn leven?... Inderdaad, hij
was gerust te midden der stormen, die loeiden. Moedig
schreed hij voorwaarts, ofschoon doodsgevaren dreigden.
De grond waarop hij bouwde, was een vast en onwankel-
baar vertrouwen op God.
Heil orrs, indien de gebeurtenissen van onzen tijd ook ons
niet schokken in ons kinderlijk vertrouwen op God. Hij is
het, DIE HET BRUISEN DER ZEEËN STILT, HET BRUISEN
HARER GOLVEN EN HET RUMOER DER VOLKEN, Psalm
65 vs. 8. Hij heeft gezegd: „MIJN RAAD ZAL BESTAAN,
EN IK ZAL AL MIJN WELBEHAGEN DOEN" Jesaja 46 VS II.
Uit de Openbaring van Johannes klinkt de stem der
bazuin ons bemoedigend in de ooren: DE KONINKRIJKEN
der wereld zijn geworden van onzen heer en van
zijnen Christus, en Hij zal als koning heerschen
IN ALLE EEUWIGHEID. Openb. 11 vs. 15.
i. .;
-ocr page 153-
12>T H O TJ r>.
Blz
INLEIDING.
Kerkelijke verschijnselen in het laatste tijdperk der middeleeuwen.         7.
1.    Geert Groote en de Broeders en Zusters des gemeenen
levens.................\'.
         7.
2.    Klooster en kloostervereeniging van Windesheim . .       11.
3.    Johannes Brugman.............       14.
4.    Johan Wessel Gansfort............       17.
5.    Mystieken, Rederijkers en Humanisten......       21.
6.    Overzicht van het behandelde tijdperk......       2(5.
HOOFDSTUK I.
Tijdperk der Sacramentisten.............       27.
1.    De Augustijner monniken te Dordrecht......       27.
2.    Volksgeschriften van dien tijd.........       29.
3.    Pogingen tot hervorming in den Haag en te Delft. .       31.
4.    De Bijbel, meer algemeen als volksboek gebruikt. .       34f
5.    Plakkaten tegen de hervorming.........       36.
6.    Het eerste doodvonnis, te Utrecht ten uitvoer gebracht.       39.
7.    Het leven en sterven van Jan de Bakker (Pistorius) .       41.
8.    Verboden boeken..............       44.
9.    Godsdienstgesprek te Groningen........       46.
10.    De uitvoering der plakkaten in Gelderland, Noord-
Brabant en Zeeland.............
       49.
11.    Terechtstellingen in Holland..........       52.
12.    Overzicht van het behandelde tijdperk......       57.
HOOFDSTUK II.
Tijdperk der Anabaptisten.............       58.
1.    Anabaptisten buiten ons vaderland.......       60.
2.    Anabaptisten in Nederland..........       63.
3.    Verdere buitensporigheden der Anabaptisten ....       66.
4.    Nieuwe bewegingen binnen de vaderlandsche grenzen.
Einde van het Munstersche schrikbewind.....
       68.
5.    Doopsgezinden...............       71.
6.    Doopsgezinde martelaars en Doopsgezinde gemeenten.       75.
7.    Merkwaardige persoonlijkheden buiten den kring der
Anabaptisten...............
       80.
8.    Overzicht van het behandelde tijdperk......       84.
-ocr page 154-
152
HOOFDSTUK III.
Blz.
Tijdperk der Gereformeerden............ 86.
1.    Gemeenten van vluchtelingen te Emden, te Londen,
in den Paltz en te Wezel........... 88.
2.    Koning Filips II van Spanje en de Roomsch-Catholieken
in de Nederlanden............. 91.
3.    Gereformeerden in Antwerpen, Vlaanderen en Hene-
gouwen................. 95.
4.    De geloofsbelijdenis der Gereformeerde gemeenten. . 99.
5.    Gereformeerden eu hunne consistoriën in de noorde-
lijke gewesten...............     102.
6.    Prins Willem van Oranje en de Nederlandsche edelen     105.
7.    De Hagepreeken..............     108.
8.    De Beeldenstorm..............     111.
9.    De mislukte krijgsonderneming der Gereformeerden . 114.
10. Overzicht van het behandelde tijdperk......117.
HOOFDSTUK IV.
Volharding der Gereformeerden in den worstelstrijd met Spanje
en hunne zegepraal.............119.
1.    De hertog van Alya en de Raad van beroerten. . . 120.
2.    De Synode onder het kruis te Wezel en te Emden . 123.
3.    Betere vooruitzichten sedert de inneming van den
Briel door de Watergeuzen..........     126.
4.    De eerste Gereformeerde synode op vaderlandschen
bodem te Dordrecht, 1574..........
     130.
5.    Stichting van de Leidsche hoogeschool......     132.
6.    De Pacificatie van Gent in verband met kerkelijke zaken.      135.
7.    De Synode der Gereformeerde kerken te Dordrecht
in 1578.................139.
8.    Toestand der Roomsche kerk in de noordelijke Neder-
landen.................. 142.
9.    De Gereformeerde kerk sedert de Unie van Utrecht
openlijk erkend als volkskerk in de vereenigde Pro-
vincién..................146.
10. Besluit..................149.