-ocr page 1-
faïpi \\Z<X2j9
...       v.
„JSJOft 3.\'
irrnvn** !
~D\' * 4
. i L
1
-
d
zrJ
rv.
At. \'66f
*
1
-ocr page 2-
.;-"*
-ocr page 3-
Brieven van Ignotus
\\
\\ BIBLIOTHEEK
: MED. HERV. WERK
XXII.
De modus vivendi. De invloed van prof.
Gunning. Het verschil van tolereeren en
legitimeeren toegelicht met België. Gere-
formeerd kerkrecht. De Volkskerkidee en
de oorlog. Opheffing der theologische fa-
culteit te Amsterdam? Volkskerk en uni-
versiteit, vrije kerk en seminarie. Univer-
siteit in grooten stijl of agglomeraat van
vakscholen.
Amice,
Wat heeft de modus vivendi een beroering in onze
Kerk teweeg gebracht! Dat is nog wel de beste zijde
van deze op zichzelf zoo treurige zaak. Men heeft als \'t
ware een krachtproef genomen op onze Kerk, natuurlijk
onopzettelijk, want \'t is heel anders uitgevallen dan de
Utrechtsche heeren hadden gehoopt, maar niet minder
reëel. En onze Kerk heeft gelukkig gereageerd ook, en
veel krachtiger (ik wil het wel eerlijk bekennen) dan ik
en de meesten mijner vrienden hadden durven hopen,
\'t Is waar, wat Dr. H. Schokking schreef in de Oeref.
Kerk:
„ons volk leeft nog in zeer breede kringen onbe-
wust uit het gereformeerde kerkbegrip." Dat is nu wel
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
s
/Of È
A06000027201635B
/Z
2720163 5
-ocr page 4-
279
heel duidelijk gebleken. Ons volk als volk moet eigenlijk
van heel den modus vivendi niets hebben. Het voelt in-
stinctmatig: „als we dat aannemen, dan hebben we
eigenlijk heelemaal geen Kerk meer." En, hoeveel onker-
kelijke en separatistische stroomingen er ook onder ons
mogen gewoeld en gewerkt hebben, geen Kerk meer te
hebben, dat is toch voor ons theologisch volk te kras.
Men voelt toch nog altijd (zelfs de ergste separatisten)
voor „de groote Kerk," „de staande Kerk."" Dat is meer
dan een woord in den volksmond. Moge God haar nog
lang „staande" houden, want — ge weet wel, dat ik in
dit opzicht pessimistisch ben —; reformatie en natie
zijn bij ons zóó innig saamgegroeid, dat naar mijn ge-
voelen de ontbinding onzer nationale, gereformeerde
Kerk heel licht na korten tijd de ontbinding onzer natie
tengevolge zou kunnen hebben. Een nieuw opgetimmerde,
zelfgemaakte, in een eigenwilligen weg gevormde gere-
formeerde kerk zou nooit de historische, gereformeerde
Volkskerk kunnen vervangn.
Doch wat ook bijzonder verblijdend mag heeten, is,
dat tal van ethischen zich zoo krachtig tegen den modus
vivendi en vóór het kerkelijke, nieWndividualistische
beginsel hebben uitgesproken. Ik denk hier aan de arti-
van Hunningher, Blauw, Slotemaker de Bruine, Coolsma
enz. Vooral de artikelen van Dr. Blauw in de Nieuwe
Nederlandsche Kerkbode
hebben mij zeer getroffen. Hij
zegt daar zoo terecht: ons volk is gelukkig, voor een
groot deel, ja, het grootste deel nog niet „verrichtingd",
de modus vivendi zou echter juist de „richtingen" op
de spits drijven, dan zou men werkelijk gaan doopen in
den naam van die en die en die, precies in strijd met
wat de apostel vraagt in 1 Cor. 1: „Of zijt gij in Paulus
naam gedoopt?" Inderdaad, er is maar één antwoord op
dit voorstel van een modus vivendi en dat is het ant-
woord, door Prof. Gunning gegeven reeds vele jaren ge-
leden : „ Wij mogen niet".
-ocr page 5-
280
Ja, het is wel merkwaardig, dat de positieve invloed
van Gunning (gij herinnert u, wat ik vroeger over hem
schreef in tegenstelling met Valeton) zich ook nu weer
zoo krachtig heeft geopenbaard. Men gevoelt hieraan zoo bij-
zonder sterk, welk een groote, samenbindende, opbouwende
kracht er toch van een persoonlijkheid als Gunning is
uitgegaan. Hij heeft waarlijk behoord tot die diepere na-
turen, wien liet charisma van „bijeenvergaderen en niet
verstrooien" in zoo hooge mate gegeven was. Dat komt
telkens uit, ook nu weer. Hunningher en Blauw zijn
immers zulke echte „Gunningianen". En zij hebben juist
het krachtigst aanstonds tegen den modus vivendi ge-
reageerd.
Overigens mogen we ook wel in \'t bijzonder dankbaar
zijn aan prof. Aalders voor zijn kloeke houding en uit-
nemende woord in de Synode. Hij heeft terstond met
zijn wijsgeerigen blik, waardoor hij m. i. aan de Utrechtsche
heeren „ueberlegen" is, heel de kwestie doorpeild, toen
hy vroeg: „Waarom zijn de orthodoxen thans [bij 1873
vergeleken] gezwenkt?"
Natuurlijk kon het antwoord,dat
hierop in de commissievergaderingen gegeven schijnt te
zijn: „De bakens zijn verzet", niet dienen, want de bakens
van Gods Woord zijn niet verzet
en (om met Voetius te
spreken) „ons geloof is geen geloof der tijden, maar der
evangeliën".
Waarlijk, waar moet het heen, wanneer or-
Jthodoxe hoogleeraren eene zoo principieele vraag als de
kerkelijke kwestie gaan bezien louter uit het oogpunt
van opportuniteit? Het is pijnlijk om het te zeggen, maar
men moet toch vragen: Waar blijven hier de theologische
wetenschap èn het geloof?
Hulde aan den moed en de beginselvastheid, waarmede
deze jongste hoogleeraar zijne oudere collega\'s tot de orde
heeft geroepen! Laat ons hopen, dat ook de voorstellers
zelf uit de wijze, waarop de modus vivendi ontvangen
is, iets mogen hebben geleerd en niet met een zekere
hoogheid zich tegen al die spontane stemmen inzetten,
-ocr page 6-
281
doch eenvoudig zullen vragen: „Wat zegt het Woord?"
Laat mij u ten slotte nog eens duidelijk uitleggen, wat
al te velen nog niet genoegzaam schijnen te voelen, het
groote, alles beslissende verschil tusschen den huidigen
toestand, hoe droevig en abnormaal die ook wezen moge,
èn den toestand, zooals hij na invoering van den modus
vivendi wezen zou. Dat verschil is kort en duidelijk weer
te geven in deze twee woorden: tolereer en (dulden) en
legitimeeren (wettigen). En dit verschil is een hemelsbreed
verschil, een verschil zóó groot, dat ik mij voor kan stellen,
dat sommigen, wier geweten thans het blijven in de
Herv. Kerk niet alleen veroorlooft, maar gebiedt, gezegd
hebben: „indien deze modus vivendi aangenomen wordt,
is de Kerk geen Kerk meer en moeten we dus de Kerk
verlaten", al acht ik persoonlijk deze conclusie voorals-
nog voorbarig, aangezien men m. i. eene Kerk niet mag
verlaten, zoolang men onder protest tegen de wantoe-
standen het Evangelie naar de Schriften nog ongehinderd
binnen haar mag verkondigen, zoolang dus m. a. w. de
strijd om „het erfdeel der vaderen" nog binnen haar
voortduurt.
Maar daarom is het zoo broodnoodig vooral voor de
gewone leden der Kerk, die uit den aard der zaak het
meest tot ongeduld en voorbarigheid geneigd zijn, om
het verschil tusschen een getolereerden en een gelegiti-
meerden toestand
glashelder in te zien. Ik kan dit het
best, dunkt mij, toelichten met een voorbeeld, aan den
tegenwoordigen, zoo droevigen toestand van het naburige
België ontleend. Dit land is thans bijna geheel aan
Duitschland onderworpen. Het staat onder Duitsch be-
wind. Een Duitsch gouverneur zetelt te Brussel. Het
wordt dus feitelijk geheel naar de Duitsche bevelen ge-
regeerd. Toch wordt heel deze toestand door het Bel-
gische volk slechts „getolereerd", omdat men nu eenmaal
niet anders kan. Doch is dit nu ongeveer hetzelfde, alsof
de toestand „gelegitimeerd" ware? Natuurlijk niet. Zoo
-ocr page 7-
282
lang de strijd duurt, zoo lang leeft ook in het hart van
eiken Belg de hoop, dat deze toestand nimmer „gelegiti-
meerd" worde, maar dat veeleer straks het bewind van
den vreemde weer door een eigen bewind worde ver-
vangen. Door den schijn laat zich hier niemand misleiden.
In het „tolereeren" of „legitimeeren" ligt juist al het
verschil.
Bij België voelt ieder dit aanstonds. Maar waarom
redeneert men dan bij onze Ned. Herv. Kerk zoo heel
anders? Waarom spreken de (Jtrechtsche heeren in de
toelichting van hun modus vivendi dood-lakoniek van
„historisch-geworden toestanden" zonder de rechtskwestie
ook maar met een vinger aan te roeren? Zou men niet
met meer recht kunnen spreken van „historisch-verworden
toestanden?"
Waarlijk, zoo min de Belgen zouden te
vinden zijn voor eene dood-leuke theorie van het „fait
accompli" 1),
zoo min mogen de orthodoxen zich in dezen
strik laten vangen. Niemand late zich toch misleiden
door de redeneering: „och, de modernen zijn nu reeds
zoo lang in onze Kerk, zij kunnen zich daarin krachtens
allerlei eigenaardige wetsbepalingen tamelijk vrij bewegen,
zij oefenen daarin allerlei rechten uit, de toestand wordt
er dus feitelijk niet anders door, indien gij hen nu ook
als zoodanig erkent, indien gij hen legitimeert." Want
dit is een drogrede, zooals uit het voorbeeld van België
duidelijk blijkt.
De modernen hebben, dit vergete men toch geen oogen-
blik, in onze Kerk ook geen enkel recht als modernen,
maar enkel als Hervormden, d. w. z. als dezulken, die
staan op den bodem van de historische Belijdenis onzer
Kerk. Dit is hun eenige rechtstitel. En nu kan, door
allerlei eigenaardige bepalingen in onze wetgeving, voor-
alsnog hun niet duidelijk gemaakt worden, dat zij zich
ten onrechte op dien rechtstitel beroepen, maar — zij
1) „Voldongen feit."                                           p__________^^^
I Bibliotheek
KERK m WERELD
| .iDc Horst"
-ocr page 8-
283
kunnen met dat al toch niet optreden onder hun eigen
naam.
En daarin ligt voor ons een groote kracht. Kon-
den zij optreden onder hun eigen naam, dan was, om
zoo te spreken, „het hek van den dam". Dan was er
officieel vrijheid gegeven voor „alle wind van leer". En
dan zou zeker het moderne beginsel aanstonds veel krasser
doorwerken in onze Kerk, en zijne ontbindende kracht
zoozeer openbaren, dat onze Kerk, naar den mensch ge-
sproken, in korten tijd uiteenviel. Daarin zou dan tevens
het oordeel Gods gekomen zijn over onze Kerk van wege
hare welbewuste, principieele verloochening van haar
Hoofd Jezus Christus. Wat dus onze Kerk nog bijeen-
houdt, is juist dit ééne groot feit, dat de modernen als
modernen slechts worden „getolereerd", maar nimmer
zijn „gelegetimeerd", dat dus de banier der waarheid nog
niet is naar beneden gehaald, dat de vaan der Belijdenis
nog hoog wappert, zij het dan ook midden in het strijd-
gewoel. Doch beter deze, zij het vaak, ook om de per-
sonen der modernen, pijnlijke strijd, dan een smadelijke
vrede!
Ik hoop, dat ook gij dezen toestand helder zult inzien
en hen, die mochten wankelen, beter zult inlichten. En
voorts, moge men zich toch niet laten verschrikken door
allerlei agiteerende en alarmeerende berichten. In de
Nieuwe Rotierdammer Courant is onlangs de voorstelling
gegeven, alsof een nieuwe „uittocht", hetzij van rechts
of van links, aanstaande was; het was alleen de vraag wie
het eerst den „trek" zou beginnen. Ook in andere bladen
kon men lezen: de toestand was nu zóó geworden, dat —
er moest verandering komen, op welke manier dan ook.
Ik begrijp daar niets van Zeker, Dr. Niemeyer heeft in
\'t begin, toen de modus vivendi pas in de Synode was
gebracht, gezegd: „deze modus moest er nu dóór en an-
ders — ja, dan zou de tijd gekomen zijn, dat duizenden
modernen de Herv. Kerk zouden verlaten". Doch dit was
natuurlijk maar een loos alarm (dit dreigement had bij
-ocr page 9-
284
de „geest- en hoofdzaak kwestie" immers zoo goed ge-
werkt!), om de Haagsche broeders wat tot ijver aan te
sporen. Later toen de ontvangst èn in de Kerk èn in de
Synode zoo bitter tegenviel, is het dan ook niet herhaald.
En wat nu de orthodoxen betreft, ik zie (met Dr. Brons-
veld, zooals ik met genoegen uit de Stemmen bemerk)
waarlijk niet in, waarom zij, als er thans geen verandering
komt, tot een „exodus" zouden moeten overgaan.
Laat ons toch „nuchteren" zijn. De apostel vermaant
daar telkens toe, maar vele Christenen denken er weinig
aan, en vergeten ook, dat er geschreven staat: „Die ge-
looven, haasten niet". De toestand is immers precies de-
zelfde gebleven als nu reeds 10, 20 jaren en langer. Waarom
zouden de orthodoxen dan nu op eens tot een „exodus"
moeten besluiten? Omdat Ds. Keek is „heengegaan" of „af-
gezef\' ? Ook ik betreur dat natuurlijk. Maar ik zou zeggen:
laten vooral onze gereformeerde predikanten het gerefor-
meerdc kerkrecht
eens wat beter bestudeeren. Er wordt
aan de academie bitter weinig aan gedaan. Dat blijkt wel
op de proponentsexamens en uit een geval als van Ds. Keek.
Doch men kon die lacune op de pastorie wel wat aan-
vullen Onze Kerk zou er zeker wel bij varen. En als
men deze studie wat principieel opvat, is zij ook volstrekt
niet droog. Laat men Kleyn\'s Algemeene Kerk en Plaat-
selijkc Gemeente,
Dr. H. Schokking\'s dissertatie over Lcer-
tucJtt,
en het Gedenkboek van Dr. Hoedemaker, dat ook
veel litteratuur biedt (thans goedkoop, voor f 0.70, te ver-
krijgen bij Buurman en de Kier te Leiden) maar eens ter
hand nemen. Dat is beter dan „wegloopen" en het
vaandel verlaten in een tijd, waarin alles erop wijst, dat
onze Kerk nog als positieve, belijdende Volkskerk een
groote, gezegende macht zal kunnen zijn in ons volksleven.
Wij, orthodoxen, hebben allerminst te klagen. Is niet de
orthodoxie nog steeds aan de winnende hand? Er is dus
voor ons geen reden tot moedeloosheid. En wat de Volks-
kerk als zoodanig betreft, hebt ge niet opgemerkt, hoe
-ocr page 10-
285
juist in dezen tijd van geweldige worsteling de oude \\olks-
kerkidee
weer overal zienderoogen aan kracht wint en de
separatistische, Amerikaansche vrije-kerk-idee almeer op
den achtergrond treedt. Denk er nu echter wel aan, dat
er sprake kan zijn van „tweeërlei volkskerk" *) en dat het
ons natuurlijk om de positieve Volkskerk te doen moet
zijn. Maar dan ook positief in ruimen zin, dus met de
positief-ethischen erbij.
Het zal mij intusschen benieuwen, hoe het met den
modus vivendi zal afloopen. Dat de modernen den strijd
ervoor reeds zoo spoedig zullen opgeven, verwacht ik niet.
Ook het antwoord der Utrechtsche professoren op het
verzoek der Synode wijst in die richting. Men is teleur-
gesteld, doch wil nu de Synode zelf gaarne in de zaak
betrekken, zoodat de Kerk straks zou komen te staan
voor een voorstel van Synode en Utrechtsche faculteit
tezaiïm.
Dat is wel handig bedacht, doch ik hoop, dat de
Synode, die zich nog niet eens „pro" heeft uitgesproken
(de stem van Ds. Schrieke had, zooals ge weet, een an-
dere beteekenis en reeds nu blijkt, hoe onzuiver op die
wijze de stemming wordt), zich wel tweemaal zal be-
denken, eer zij zich in dit nieuwe „kerkelijke avontuur"
laat betrekken.
Ge zult wel bemerkt hebben, dat ook nog van eene
gansch andere zijde indirect gevaar dreigt voor onze Kerk,
nl. van Amsterdam, de bakermat van ouds van separa-
tisme
en radicalisme. Zooals ge weet, hebben deze twee
samen reeds geruimen tijd geleden de afschaffing weten
te bewerken van de kerkelijke hoogleeraren. Thans
staan zij naar de algeheele opheffing der theologische
faculteit.
Gelukkig kan dat zoo maar niet. Er is nog
een wet in Nederland, die wil, dat een Universiteit ook
werkelijk een „Universiteit" zal zijn en dus het ge-
heel (universitas) der wetenschap zal omvatten. Doch nu
1) Vg. Dr. P. J. Kromsigt, Tweeërlei Volkskerk. P. van der Kamp. 1915.
-ocr page 11-
286
heeft men zelfs de regeering verzocht die bepaling te ver-
anderen. En gij gevoelt het, — zóó wordt dan tegelijk
het bestaan der theologische faculteit aan andere univer-
siteiten bedreigd en daarmee indirect onze Kerk als Volks-
kerk. Ik behoef u dat niet uitvoerig uit te leggen. Het
niet toevallig, dat Dr. Kuyper reeds vele jaren geleden
het pleidooi heeft gevoerd voor opheffing der theologische
faculteit en daar telkens weer op terugkomt. Men wil
nu het voorstel, dat diende tot herstel, dat Dr. Kuyper
indertijd afgedwongen werd, N. B. laten dienen om be-
doelde faculteit zóó te vervormen, dat zij feitelijk opge-
heven wordt, nl. ten deele in de literarische faculteit
wordt opgenomen. Doch dan is de toestand, zooals hij
nu is, natuurlijk veel beter. Ik hoop dus hartelijk, dat,
de regeering op het voorstel van Amsterdam niet zal
ingaan.
Afschaffing der theologische faculteiten zou beteekenen
verzwakking der Volkskerk. Het kan niet anders. Onze
Volkskerk toch staat met de historische theologische fa-
culteiten in het nauwste verband. Afschaffing daarvan
zou de Kerk in de algemeene schatting alweer meer doen
dalen. Zij zou alweer meer uit het publieke leven zijn
teruggedrongen, wanneer hare toekomstige leeraren niet
aan eene universiteit, maar aan een seminarium zouden
studeeren. Het seminarium behoort logisch bij de vrije
kerk, de historische theologische faculteit behoort bij de
Volkskerk. En daarom — caveant consules!
Het spijt mij echter ook voor onze vroede Amsterdamsche
vaderen, dat zij toonen zoo weinig breedheid van blik te
bezitten, wat de wetenschap betreft. Is men daar al te
eenzijdig ontwikkeld naar den kant van handel en in-
dustrie? Het schijnt wel zoo. Doch dan moest men ten
minste luisteren naar de voorlichting der „deskundigen".
Dat doet men toch op ander gebied ook. Maar hier gaat men
vlak tegen het eenparig advies van curatoren en professoren
in. Men wil de theologische faculteit gaan opheffen, ter-
-ocr page 12-
287
wijl reeds verscheidene jaren lang de rectoren magnifici
(ook bv. een man als prof. Winkler) in hunne jaarlijksche
rede juist omgekeerd hebben gepleit voor herstel der
kerkelijke hoogleeraren. Hoe is het mogelijk? En dat in
een tijd, waarin alom een zekere religieuze opivaking, ook
met name in de kringen van de mannen der wetenschap,
mag worden geconstateerd, een tijd, waarin zelfs mid-
den uit den kring der exacte wetenschappen een man
als prof. Kohnstamm opstaat om u zijn bezielde en
bezielende woord te doen hooren en openlijk onder
de academische jongelingschap het pleit voor de religie
te voeren.
Waarlijk, het is onbegrijpelijk, dat men te Amsterdam
niet inziet, dat men op deze wijze z\'n universiteit onher-
roepelijk maakt tot een tweede-rangn-universiteü. Heeft
men dan volstrekt geen gevoel meer voor de hooge, ideale
roeping der wetenschap? Moet men dan geheel in mate-
rialisme, „retortenphilosophie", vivisectie, zgn. „praktische"
en „exacte" wetenschappen, opgaan? Moet dan al het
hoogere maar van de universiteit gebannen worden ? Moet
men dan moedwillig den eenheiduband, d. i. het wijsgeerig
en theologisch fond, uit het universitaire leven wegnemen?
Moet in een tijd, waarin men juist wat van z\'n empiris-
tischen roes begon te bekomen en wat meer universeel
ds wereld begon te bekijken, nu juist in de hoofdstad des
lands de universiteit worden omgezet in eene verzameling
van praktische vakscholen? En dat alles om op een be-
grooting van honderd duizenden een paar duizend gul-
den uit te sparen ! Inderdaad, hier is toch, zou ik zeggen,
de zuinigheid bezig de wijsheid te bedriegen. Ik zal den
naam maar niet noemen, die toch eigenlijk de alleen pas-
sende naam is voor zulk een politiek.
Laat ons hopen, dat de A.msterdamsche raad nog bij
tijds van dezen schijnbaar „praktischen", maar inderdaad
hoogst on praktischen weg, die de universiteit almeer in
décadence moet brengen, zal terugkeeren. Moge men toch
-ocr page 13-
288
niet toegeven aan den drang van de zijde der separa-
tisten, die nu eenmaal a tort et a travers zich tot taak
schijnen gesteld te hebben de openbare instellingen relt-
gieus,
en dus ook wetenschappelijk, af te breken en die
daarbij in dit geval met al te veel aanvankelijk succes
hebben gespeculeerd op de koopmansinstinkten van onzen
vroeden raad. Het zou toch wel wat al te erg zijn, in-
dien de Amsterdamsche professoren het in dit geding
gezamenlijk moesten afleggen tegen den separatistischen
hoogleeraar Fabius.
Er is maar één middel, waardoor Amsterdam hare
universiteit tot een\' flinke eerste-rangs-universiteit zal
kunnen maken. Doch dan moet men niet een paar dui-
zend gulden willen bezuinigen, maar enkele duizenden
meer willen uitgeven, denkende nu eens óók bij de
academie aan de oude spreuk van het Damrak: „Decost
gaet voor de baet uit". Men moet den raad van prof.
Bruining opvolgen en de kerkelijke hoogleeraren her-
stellen.
De Hervormde Kerk wacht daarop. De Synode kan
moeilijk het eerst spreken, het geldt hier een „eerherstel\'\'.
Doch indien de kerkelijke leerstoelen weer worden in-
gesteld en men voortaan (ik denk aan de vacature-Obbink)
een eenigszins ruim standpunt inneemt bij de hoog-
leeraarsbenoeming, zoodat ook de orthodoxen hun deel
krijgen, dan zal men zien, dat de Amsterdamsche theo-
logische faculteit zal gaan bloeien en daardoor zal tevens
de bloei van heel de universiteit worden bevorderd en
haar wijsgeerig en wetenschappelijk peil verhoogd. Im-
mers, Amsterdam biedt een milieu, dat voor een theolo-
gische faculteit zeer geschikt mag heeten. Afgezien van
de gevaren van het groote stadsleven, brengt de hoofd-
stad toch juist door haar contact met het groote, veel-
zijdige leven, in wetenschappelijk, artistiek, sociaal
opzicht, velerlei onmiskenbare voordeelen mee voor stu-
denten van alle faculteiten. Bovendien zal er weldra
KERK üi WiïRELD
„De Horst"
DRIEBERGEN
-ocr page 14-
289
groote predikantennood komen. Ieder gevoelt, van hoe-
veel belang het is, dat een stad van meer dan een half
millioen dan een eigen theologische faculteit heeft voor
hare aankomende studenten. Dr. J. Schokking heeft
terecht in de Oeref. Kerk voor eenigen tijd reeds op dit
hooge belang gewezen. Tal van personen uit den n ij veren
middenstand, voor wie de studie in een andere stad te
duur is en die liefst zichzelf helpen, zien zich nu ge-
noodzaakt voor hunne zonen een anderen werkkring te
zoeken, hoewel bij vrije keuze allicht menigeen het pre-
dikambt zou hebben begeerd. En wat de vele andere
studenten betreft, die eene zoo groote stad uit den aard
der zaak oplevert, is dan voor hen de omgang met hunne
theologische medestudenten van geenerlei beteekenis?
Men studeert toch niet maar enkel, om aan een goed
„baantje" te komen? Ieder, die het academieleven, niet
het minst het gezegende werk der N. C. S. V. bv., kent, zal
aanstonds toestemmen, dat juist van de onderlinge omgang
der verschillende faculteiten den grootsten, vormenden
invloed uitgaat, dat hierin juist het universitaire van het
universiteitsleven bestaat. Waarom zou dan toch Am-
dam geen universiteit mogen hebben in grooten stijl en
zou haar academie moeten worden verlaagd tot een ag-
glomeraat van vakscholen?
Nu, ik zie met belangstelling, zooals ge denken kunt,
den verderen gang van zaken tegemoet, te meer nu de
middenweg, dien men wilde bewandelen door met prof.
Groenewegen ook de Remontstrantsche studenten naar
Amsterdam te lokken, ten eenenmale is mislukt. Moge
men nu eindelijk den alleen koninklijken weg gaan door te
herstellen wat vroeger werd bedorven. Het is toch waarlijk
ook voor een gemeenteraad geen schande terug te komen
op een verkeerd besluit van een veel vroegeren gemeen-
teraad nog wel, waarmede men zoo goed als geen con-
tinuïteit meer heeft.
Voor ditmaal genoeg. Later meer over andere vragen,
-ocr page 15-
290
vooral over den zoo gewichtigen strijd tegen het Neo-
Malthusianisme, die met zooveel kloekheid en volharding
gestreden wordt door Mr. van der Laar in zijn Klaroen
en Beukelaar,
dat frissche tijdschrift, dat ik u nog eens
bij vernieuwing hartelijk moet aanbevelen. Gegroet
tt.
IöNOTUS.