-ocr page 1-
w                          W                                     -<
Gratis voor de kHp ar. den Christelijker) Scheurkalender van
1
                   Ds. J. G. VERhl en E. GERDES, voor het jaar 1889.
y*vm P
1333
DE
5864
ZIGTBAAR IN
NEDERLAND\'S GESCHIEDENIS
DOOR
\'ABRAHAM VAN DE YEIDE,
predikant te Middelburg, en aldaar orerleden in 1677.
EEN NUTTIG HUISBOEK VOOR HET NED1ELANDSCHE VOLK.
I.
UTRECHT,
KEMINK & ZOON.
(Oyer .Ir^Otf^k)
-ocr page 2-
T                        7
Uitgaven van KEMINK & ZOON, over
r O^b
omkerk te Utrecht:
Het hart des nienschen een tempel Gods of een werkplaats des Sata]
In 10 figuren zinnebeeldig voorgesteld.
Pnja f 0,30.
De door de Kerk ten allen tijde erkende waarheden worden in dit geschrift in zinnebeelden^
schouwelijk voorgesteld, verklaard en toegepast, om de boozen van de zonde en de slavernij des :j
af\' te schrikken en de geloovigen in het geloof en in de godzaligheid te versterken.
                          I
Op ieder figuur verschijnt een hart met een aangezicht. Naar den toestand van het hart, hel
een zetel of werkplaats Gods of des duivels is, moet de geheele mensch beoordeeld worden, hetl
gezicht is als het ware het wapenschild, dat de innerlijke mensch voert, waaraan men eenigeil
herkennen kan, van welken geest hij is.
t
Jezus en het hart of Jezus genadewerk in het hart des menschen, in
plaatjes. Prijs f 0,30.
iedere figuur verschijnt een hart waarin eene duidelijke voorstelling wordt gegeven van Jez
•werk in het hart, o. a. van het kloppen aan de deur des harten, van de reiniging, van 1
Ii van het hart enz.
ffthe Christelijke \'t samensprekinge uit Godes Woort. Tot troost aller becor
Imle herten, die de Wet en de Evangelio (dat is Mosum en de Christum) m<
"chten connen onderscbeyden, en hen met de last der sonden, ende vreese dt
Verdoemenisse, beswaert vinden. Eertijds in de jare 1585 schriftelick neergeste
door den Eerwaerdigen en Godsaligen PETRUS DATHENUS, doenmaels Diena
der Gemeynte Jesu Christi tot Ghent. 132 Bladz. Prijs f 0,50.
Uittreksels der beoordeelingen.
Wie de oude beproefde Waarheid liefheeft zal dit werkje gaarne tot zijn eigendom maken.
De Vriend van Oud en Jong.
^inde dit werkje recht veel aftrek. A. Kuyper.
ï\\
André Tourel. Naar het Fransch van Mevrouw EUGÉNIE BERSIER.
Jladz. Prijs f 1,25.
[n een tijd toch waarin vele de onbekookte redeneeringen van het socialisme indrinkeu als wate
eren ze wel met vreeze aanhooren, maar niet altijd weerleggen kunnen, schijnt het niet ondiensti
geschiedenis te laten spreken met hare verontschuldigende, maar ook met hare waarschuwen!
Mevrouw Bersier heeft, naar veler, ook naar ons oordeel, een gelukkige greep gedaan, door ha
in het Parijs van 1869—1871 binnen te leiden, en wel in de woningen, zoo van schuldige aai
rs als van onschuldige slachtoffers der commune. De liefde van haar toon geeft warmte, de afw
ld van hartstocht, waardigheid aan haar boek; het heeft, uaar \'t ons voorkomt, daarom vooral ei
plaats in veler hart gevonden, dewijl het den indruk maakt van volkomen waar te zijn.
F. van O-heel Gildemeester.
irgeon en zyne Gemeente. Naar het Hoogduitsch door Dr. F, VA
fEL GILDEMEESTER.
Prijs f 0,70.
wekken onze lezers op om het zich^iau te schaffen en bij Spurgeon in de leer te gaan, o
te komen hoe wij Christus het bJ^kè^wcivolgen, Zijn rijk helpen uitbreiden en bevestigen.\'
■—
                                             ^^^^~                                                         Wag. Weekblad.
-ocr page 3-
---....
DE
ZIQTEAAK II»
NEDERLAND\'S GESCHIEDENIS
ABRAHAM VAN DE TELDE,
predikant te Middelburg, en aldaar overleden in 16/7.
EEN KUTTIG HUISBOEK VOOR HET NKDERLANDSCHE VOLK.
Op nieuw uitgegeven als premie op den Christelyken Scheurkalender
van de HH. Ds. J. G. VERHOEF? en E. GERDES, voor 1889.
•
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
I III                II I I
A06000029469354B
111111111111111111.....\'........................................
2946 935 4
tSfcP W~fiJ </ K$PW I        UTRECHT,
---------------------KEMINK & ZOON.
.              ^L            (Over de Domkerk.)
P. J. RUsema
Bree\'iandstraat 15
ScnevenVngert
10$F &
-ocr page 4-
-ocr page 5-
EEN WOORD VOORAF.
Indien eenig land of volk de genadige wonderwerken Gods heeft
mogen ondervinden en door zijnen alvermogenden arm, boven alle
menschelijke verwachting, ,,door water en vuur in eene overvloedige
verversching" is geleid en oorzaak heeft God te vei-heerlyken, is het
zeker wel ons dierbaar vaderland, hetwelk de Heer uit eenen staat
van diepe geestelijke en tijdelijke ellende, waarin het door Rome en
Spanje gestort was, niet alleen wonderdadig verlost, maar tevens tot
eene verwonderlijke hoogte van bloei, welvaart en staatkundigen ia-
vloed gebragt heeft.
Onze luistervolle geschiedenis, wanneer zij uit een christelijk oog-
punt beschouwd en behandeld wordt
, biedt bijna op elke bladzijde
zulke treffende voorbeelden vanu Gods albestuur aan, dat de christe-
lijke lezer tot de erkentenis gedrongen wordt, dat Nederland, gelijk
weleer Israël, onder alle landen en volken, door God schijnt uiteer-
koren te zijn geweest om het schouwtooneel op te leveren van zijne
bijzondere en genadige bestellingen, en dat, zoo ergens, de regterhand
des lieer en althans in de verlossing, opkomst en bloei der Neder-
landsche natie krachtige daden heeft gedaan.
Onder de geschriften van het laatste gedeelte der 17e eeuw bekleedt
het christeli/k-historisch vertoog getiteld:
de Wonderen des Aller-
hoogsten, ofte aenwijsinge van de oorsaeken, wegen en middelen,
waerdoor de Geünieerde Provintiën uit hare vorige onderdrukkinge
zoo wonderbaerlijk, tegen vermoeden van de heele wereld, tot soo
grooten magt, rijkdom, eere en ontzaggelijkheydt zijn verheven;
-ocr page 6-
IV
EEN WOORD VOORAF.
gelijk deselven in verscheyden voorname Historie-schrijvers voor-
komen, en tot noodig gebruyk en verscheyden nuttigheden na deze
tijdsgelegcntheyd bijeen vergadert zijn door Abraham van de
Velde, in sijn leven bedienaar des Goddelijken Woorts in de
gcmeynte Jesu Christi tot Middelburg, \') eene waardige plaats.
Deze titel zegt ons reeds, uit welk oogpunt en met welk doel dit
vertoog door den getrouwen en vaderlandlievenden evangeliedienaar
geschreven werd. En welk een algemeene bijval bij zoovelen, als van
den godvruchtigen zin der voorgeslachten nog niet zijn vervreemd,
aan
„de Wonderen des Allerhoogsten" voortdurend hier te lande
is te beurt gevallen, dat getuigen de vele herdrukken, die daarvan
zijn in het licht verschenen
, dat getuigt de gretigheid waarmede
dit werkje nog heden ten dage, vooral ten platten lande, gelezen en
gezocht wordt.
Zoo ooit, het is in de dagen, die wij beleven, noodig in de her-
innering der nazaten te verlevendigen al hetgeen de genadige Heer
God aan onze vaderen gedaan heeft. In die overtuiging is besloten
dit nuttige werkje op nieuw uit te geven overeenkomstig de tegen-
woordige eischen van taal en voordragt.
In zijne voorafgaande toespraak vtot den lezer\'\'\', heeft de schrijver
gemeend het doel en de strekking zijns arbeids te moeten ontwikke-
len, en ofschoon het een en ander uit den inhoud zelven genoegzaam
blijkt, mogen wij nogtans hetgeen hij daarin zegt, niet geheel en al
met stilzwijgen voorbijgaan, wegens de nuttige wenken, die het ook
voor onze tijden bevat.
Hij heeft, zegt hij, op eene beknopte wijze de voornaamste feiten
onzer geschiedenis als zoovele bloemen uit den hof der Nederlandsche
historiën bijeen verzameld; vooreerst met het doel om den naam onzes
Gods te verheerlijken, en ten anderen om het opkomend geslacht op
te wekken tot hunnen schuldigen pligt van dankbaarheid voor hetgeen
de Heer aan hunne vaderen heeft gedaan; om vooral den huisvader
1) Van de Velde werd geboren iu 1614 en stierf 7 Junij 1677 te Middelburg.
Dit zijn vertoog werd het eerst uitgegeven in 1668, en werd herdrukt in 1669, 1676,
1707, 1720, 1733, 1793.
-ocr page 7-
V
EEN WOORD VOORAF.
in de gelegenheid te. stellen zijne huisgenoolen Gods wonderwerken
met Nederland te vertellen, en hierdoor vroegtijdig in het jeugdig en
ontvangbaar gemoed zijner hinderen liefde tot God en het vaderland,
aan te kweeken, „even gelijk goede bloemen en kruiden,\' zooals hij
zich zeer eigenaardig uitdrukt, „zooveel te sterker en aangenamer
geur van zich geven, naarmate zij digter bij elkander geplant zijn.
Het zal wettigt eenigen bevreemden, zegt hij verder, dat in een
historisch vertoog, waarin voornamelijk de opkomst van Nederland
wordt beschouwd, ook godsdienstige zaken door hem worden bchan-
deld; maar hij verzoekt den lezer daarbij in het oog te houden, dat
de ware Hervormde godsdienst de oorzaak van die opkomst en bloei
is geweest, zooals zulks zoo treffend in de voorrede van de Synode
van Dordrecht door de Staten-G ener aal verklaard wordt, „dat de
Heer, om en van toege zijn in den lande verkondigd Woord, ons met
zulke uitnemende weldaden, boven vele andere volken heeftgezegend".
Hoe vraagt hij, kan men dan over onze geschiedenis handelen en van
de godsdienst zwijgen? Ook mag men daarbij niet voorbijzien, hoe de
Hervormde godsdienst, waarop onze Staat is gegrondvest, thans
ondermijnd en de godzaligheid als in het harte gewond en bestreden
wordt, zoodat het noodig is de lagen, die haar gelegd worden, te
doen kennen en zooveel mogelijk te verijdelen. Hij verklaart dat hem als
een getrouw leeraar der Nederlandsche kerk zulks vooral betaamt in
de ongelukkige tijden, die hij beleeft; waarin, onder den naam van
wijsbegeerte en godgeleerdheid, allerlei vreemde dwalingen onbeschroomd
onder het volk worden gezaaid en door zoo velen begeerig worden
aangenomen, althans geduld en vergoelijkt; zoodat leeraars, die over
de hun toevertrouwde kudde toonen te waken, niet nalaten mogen
mondelijk en schriftelijk die dwalingen bekend te maken, te weder-
leggen en de gemeente ernstig daartegen te waarschuwen, en dat hun
stilzwijgen een verraad plegen zijn zou aan de waarheid. „Ach, roept
hij uit, mogt het opschietende onkruid op den akker des Heeren nog
tijdig worden uitgeroeid! Maar helaas, wij zien het al meer en meer
toenemen, en men schijnt het er meer bijzonder op te willen toeleggen
om het gezag der Heilige Schriften te ondermijnen. En is die grond-
slag eenmaal omverre gestooten, dan moet noodzakelijk ook al hetgeen
-ocr page 8-
VI                                                  EEK WOORD VOOEiF.
daarop is gebouwd, onze geheele geloofsbelijdenis, voor het gezag der
menscheljjhe rede zwichten. Maar, Gode zij lof! dat er nog geleerde
en godzalige mannen aan de koogeschool en in de kerk gevonden
worden, die al die dwalingen ontdekken, betreuren en veroordeelen,
en wij blijven nog altoos hopen, dat eenmaal nog veler oogen zullen
geopend worden\'\'
De schrijver verklaart voorts dat hij, bij de wederlegging der ten
zijnen tijde heerschende dwaalbegrippen, in dit zijn geschrift niets
anders dan de liefde der toaarheid op het oog heejt gehad en nie-
mand persoonlijk wilde kwetsen.
„Gij dan, goedgunstige lezer!" zoo besluit hij zijne toespraak —
en waarmede zouden ook wij dit woord vooraf beter kunnen eindigen —
„laat alle vooroordeelen en eenzijdigheid varen, tracht met onzen ge-
ringen arbeid uw voordeel te doen, om ook alzoo uwe zaligheid te
leeren uitwerken met vreezen en beven, zcaarmede wij u des Heeren
zegen toewenschen!\'
de Uitgevers.
-ocr page 9-
HOOFDSTUK I.
ïeregt zegt de geleerde historieschrijver Hooft, dat er sints
eeuwen herwaarts geene stoffen geleverd zijn, zoo rijk in allerlei
leeringen omtrent den loop der wereldsche dingen en die meer
tot onderrigt van vorsten en volken verdienen waargenomen te
worden, dan de Nederlandsche geschiedenissen, en dat daarin dan
ook de reden moet gezocht worden dat, even als meer dan vijftig
schrijvers de groote daden van Alexander den Groote aan de ver-
getelheid hebben ontrukt, een zeker niet minder aantal, zoo vrienden
als partijdige en onpartijdige vijanden, van alle natiën, zich als
om strijd hebben beijverd de merkwaardige geschiedenis van Neêr-
land\'s onlusten en oorlogen te boek te stellen en aan de nakome-
lingschap over te brengen. Maar nogtans blijft er oneindig veel
te beschrijven over; want nog dagelijks zien wij nieuwe historische
werken in het licht verschijnen. Zonder aan al die pogingen den
verdienden lof te ontzeggen, is het echter te betreuren, dat de
booze de gedenkwaardigheden onzer geschiedenis weet te gebruiken,
om zijne helsche plannen te volvoeren en de gemoederen te ver-
giftigen. Er zijn schrijvers, die onze luistervolle geschiedenis uit
een valsch oogpunt beschouwen, en vooral bij het verhaal van het
begin der Hervorming, de Hervorming zelve en hare leeraars
verdacht zoeken te maken; kortom, zij spreken van de beroerten
van Nederland soms met geen ander doel dan om den Nederland-
schen Staat te beroeren; en van de Hervorming en de Hervormde
godsdienst dan om haar weder, zoo dit mogelijk ware, te ver-
nietigen. In hunne schriften den menschen opdringende, dat men
om de ware Hervormde godsdienst niet gestreden heeft, bestrijden
zij die godsdienst zelve, en banen alzoo den weg tot het ontstaan
-ocr page 10-
8
van ecne menigte partijschappen in het land, om ons dierbaar
vaderland tot eenc gemakkelijke prooi van het pausdom te maken.
Wij hebben het noodzakelijk geacht, hiervan thans met een
woord te gewagen, ter waarschuwing van allen, die het vaderland
en de waarheid liefhebben, opdat zij, bij het lezen en het onder-
zoeken van de verschillende werken, die over Neêrland\'s geschie-
denis handelen, gcene schade doen aan hunne zielen, ja liever die
soort van boeken en geschriften ter zijde leggen, te meer omdat
daarin op den achtergrond gesteld, ja geheel voorbij gezien wordt
het voorname doel, waarom wij met onze geschiedenis behooren
bekend te zijn, om namelijk niet alleen onze nieuws- en weetgie-
righeid te voldoen, maar ook vooral om de genade, de trouw en
goedertierenheid des Heeren, onzen vaderen en ons in en met
hen bewezen, alsmede zijne grooto magt en zijne menigvuldige
wonderdaden, ons ten goede, in ons land betoond, te leeren ken-
nen, ten einde daarmede voordeel te doen voor onze zielen. Want
gelijk sedert ecuwen, zooals wij boven aanmerkten, zoo veel
merkwaardigs niet is voorgevallen als gedurende de Nederlandsche
beroerten, kunnen wij tevens met waarheid zeggen, dat ook in
geene reeks van eeuwen onze Heere God zijne almagt en zijuen
uitgestrekten arm in zulke klaarblijkelijke wonderen betoond heeft,
om „een hinkend volk te maken tot een overblijfsel, en die verre
heen gestooten waren tot een magtig volk," (Micha IV : 7) als Hij
dit aan ons land gedaan heeft, zooals verscheiden voortreffelijke histo-
ricschrijvers dit dan ook volmondig erkennen. Onder deze schrijvers
moet vooral Van Sande gerangschikt worden, dien ik hier meer
bepaaldelijk noem, omdat hij ons een beknopt en schoon verhaal
der zaken van Nederland geeft, waarin ons duidelijk aangetoond
wordt hoe God onze vaderen als door eene Koode Zee van lang-
durige en bloedige oorlogen, waarin Hij zelf voor hen ten strijde
uittoog, geleid heeft in een gezegend Kanaan , waar Hij over hen
al die tijdelijke en geestelijke zegeningen heeft uitgestort, waarvan
wij, hunne nakomelingen, nog zulke heerlijke vruchten inoogsten.
Het is geenszins ons voornemen om een aaneengeschakeld ver-
haal van die oorlogen te geven, noch het regt tot dien strijd te
-ocr page 11-
9
verdedigen, — want beide is door verschillende schrijvers reeds
verrigt. Wij merken slechts aan, dat liet algemeen erkend wordt
dat onze voorvaderen tot dien strijd door de ondragelijke onder-
drukking van den koning van Spanje, tegen pligt en eed, bovenal
door zijne wreede plakkaten en hunne nog wreeder uitvoering ge-
dwongen zijn geworden.
„Een iegelijk," wordt ons in de voorrede van den Iteliegie-vrede
van 22 Julij 1578 gezegd, „is het kennelijk genoeg dat de wreede
plakkaten, die eertijds op het stuk van godsdienst zijn gemaakt,
door het ingeven, raad en toedoen van vreemde, en bepaaldelijk
van de Spaansche natie, zonder de Staten des lands daarop te
hooren, en sedert met hoc langs hoe meer onverdragelijke ge-
strengheid zijn onderhouden; dat zij de oorsprong zijn van al onze
tegenwoordige zwarigheden, als ter gelegenheid van dien in
eenige manieren des lands privilegiën, regten en loffelijke kostu-
men \') verbroken en onder den voet gebragt zijn, hetgeen ein-
delijk een jammerlijken krijg veroorzaakt heeft."
Te regt .worden hier de bloedige plakkaten en hunne uitvoering
voor de oorzaken dier onlusten gehouden. Want aan niemand, die
eenigzins met onze geschiedenis bekend is, kan het immers twijfel-
aebtig zijn, hoe Nederland om het geloof door Spanje tot het
uiterste is gebragt geworden, en dat het niet eer dat ondragelijk
juk heeft afgeworpen, dan toen alle uitzigt op het behoud van
hetgeen de vaderen voor het dierbaarst hielden, namelijk de vrij-
heid van geweten om God naar hunne overtuiging te dienen, ver-
loren was. Zoo had dus de koning Philips door zijne trouweloos-
beid en wreede vervolging om het geloof, met vertreding van de
regten der ingezetenen, tegen eed en pligt, zijn eigen vonnis
uitgesproken en den oorlog tegen hem geregtvaardigd.
Maar het is ons vooral te doen om de uitkomsten van dien
oorlog aan te toonen, hoe en waarom de Heer ons zóó wonder-
dadig en zóó goedertieren geholpen heeft. Want ofschoon in den
beginne en daarna meer dan eens bet scheepje onzer republiek
1) Gewoonten.
-ocr page 12-
10
geheel te gronde dreigde te gaan, onmagtig om aan de stormen
en golven van den Spaanschen oceaan het hoofd te bieden, zoo
heeft de Heer ons nogtans in den eersten oorlog, die meer dan
40 jaren met de uiterste hevigheid gevoerd werd, zoo krachtda-
diglijk geholpen, dat zelfs de magtigste vorst der Christenheid, de
koning van Spanje, zoo krachteloos en uitgeput geraakte, dat hij
ten laatste in 1609 tot een wapenstilstand genoodzaakt werd, dien
hij niet dan na veel moeite voor den tijd van 12 jaren verkeeg\'). In
den tweeden oorlog, die van 1621 tot 1648 duurde, was het mede
de Heer, die aan de spitse voor ons in het strijdperk is getreden.
Doch alvorens tot het verhaal daarvan over te gaan, moeten wij
met een enkel woord het volgende aanstippen.
Toen liet 12jarig bestand bijna ten einde spoedde, heeft de
koning van Spanje, naar zijne oude gewoonte de vossenhuid aan-
trekkende, in 1621 Pieter Peckius, kanselier van Brabant, naar
\'s Hage gezonden, om met veel vleijende woorden en schoone be-
loftcn de Staten te bewegen hem als de natuurlijke Heer van den
lande te erkennen, voorgevende dat op geene andere wijze dan
door al de Xederlaudsche gewesten weder tot één ligchaam onder
zijn gebied te vereenigen, de gewenschte voorspoed hunner landen
kon verzekerd worden. Maar de Staten, die het zoet gefluit des
konings kenden, sloegen dien voorslag niet alleen van de hand,
maar gaven den gezant ten antwoord „dat al degenen, die door
eenige voorslagen of andere wegen het souverein regt van deze
landen pogen in twijfel te trekken, te impugneren 2), of eenige
andere prinsen toe te eigenen, of iets daar naar smakende, ge-
houden zullen worden voor onbeschikt om in eenige tractaten bij
hunne Hoog Mog. toegelaten te worden." De koning derhalve
geen kans ziende om met zijne schoone fluweclen woorden, die
hem weinig geld kostten, de Vereenigde Provinciën te verlokken,
1)  Gedurende het twaalfjarig bestand ontstonden er in ons land vele verdeeldheden,
waarvan Spinola gebruik maakte om de Palts, Gulik, Wezel, Rijuberk, Aken enz.
te nemen en onze grenzen te bedreigen.
2)  Bestrijden.
-ocr page 13-
11
nam zijne vorige geaardheid weder aan, en spande nu al zijne
krachten in om met geweld van wapenen deze landen tot gehoor-
zaamheid te dwingen. En ofschoon door den dood van Philips II
groote verandering in de Spaansche regering kwam, was de heersch-
zucht van Spanje over en de haat tegen Nederland zoo sterk toe-
genomen, dat zij Spinola met een leger van 40,000 man tegen
ons te velde zond, terwijl in volgende jaren groote legerbenden
en vloten door haar tegen ons uitgerust, volk noch geld gespaard
werden om deze gewesten, ja zelfs boven haar vermogen, met
uitputting van onnoemelijke schatten te land en te water aan te
vallen.
Maar in weerwil daarvan bleef de Nederlandsche Staat niet
alleen als eene rots onbewegelijk staan in het midden der ver-
bolgen golven van den Spaanschen oceaan, maar is het in dien
krijg gebleken, dat al de woede van Spanje tot niets anders ge-
strekt heeft, dan tot zijne eigene schande en ondergang, en tot
den roem, de opkomst en den bloei van onzen Staat, die nu niet
langer verdedigender maar aanvallenderwijze begon te handelen,
zooals dan ook aitoos de wensch was van Prins Willem I, die ver-
klaarde, dat hij door zulk oorlog meer dan de helft zou gewonnen
hebben. Hierdoor is het dan ook gebeurd, dat Goch, Lingen,
Oldcnzaal, Grol, \'s Hertogenbosch, door den vijand „invictissimum
adversus haereticos propugnaculum"
\') genaamd, Wesel, de sleutel
van ons land, Maastricht, Rijnberk, Breda, \'t huis te Gennep,
Dalen, \'s Hertogen-Rade, Valkenburg, Gemcrt, Sas van Gent,
Hulst, de deur van Vlaanderen, met al zijne forten ten getale van
ruim dertig, en verschillende andere sterke plaatsen zoovele paarlen
aan de triomf kroon van den Staat zijn geworden; behalve hetgeen
in Oost en West op de vijanden werd veroverd, als Guinea, Ma-
lacca, Columbo, Olinda, Elmina enz., zonder nog van zoo vele
overwinningen te water te gewagen, waarbij tallooze schepen des
vijands vernield en genomen werden en magtige vloten en onwaar-
deerbare schatten in onze handen vielen. Men denke slechts aan
1) Een onoverwinnelijk bolwerk tegen de ketters.
-ocr page 14-
12
de zilveren vloot, door Piet Hein in 1629 veroverd; hoe tien jaar
daarna Maarten Tromp de ontzaggelijke Spaaiische scheepstnagt
te Duins versloeg; hoe in weinige dagen zulk cene menigte
schepen het land ter bestrijding des vijands uitzeilde, dat het, tot
schrik van de omliggende landen en rijken, letterlijk schepen uit
Nederland scheen te regenen; 2) kortom, men deed gedurende
eenige jaren bijna niet anders dan dankdagen houden, klokken
luiden, pektonnen branden, vreugdeschoten lossen en andere
teekenen van blijdschap ter gelegenheid der overwinningen op
onze vijanden behaald, óf omdat wij eenige vloten, steden of
sterkten hadden veroverd, óf omdat vijandelijke legerbenden ver-
slagen, uit hunne veroverde plaatsen gedreven of genoodzaakt
werden met schande hunne belegeringen op te breken of hunne
plannen te laten varen; zoodat op de strijdende partijen teregt
kon toegepast worden wat van het huis Davids en Sauls gezegd
wordt: „dat er een lange krijg was tusschen het huis van Saul en
tusschen het huis van David. Doch David ging en werd sterker,
maar die van het huis van Saul gingen en werden zwakker."
(2 Sam. 111:1)
In dien langdurigen strijd namen de Vereenigde Provinciën steeds
in magt en aanzien toe, terwijl het magtige Spanje, dat zich be-
roemde zijne landpalen altoos door de zon beschenen te zien, ver-
zwakt en in zijnen trots vernederd werd. Onze erfvijand, dienaar
ons smeeken en bidden niet had willen hooren, en wiens bovel-
hebber zich in een prachtig standbeeld beroemde de Staten den
voet op den nek te hebben gezet, is zelf moeten eindigen met
ons om den vrede te smeeken, het niet langer in den strijd tegen
ons kunnende volhouden, daar het dan ook in de Spaansche Ne-
derlanden de algemeene kreet was, dat men trachten moest vrede
met ons te maken, op welke voorwaarden dan ook, want dat zij
anders verloren gingen.
1) Commelia verhaalt in zijn Leven van Frederik Hendrik, dat binnen den tijd
van 36 !i 37 dagen eene vloot van 12 schepen aangroeide tot 30 oorlogschepeu, 13
branders en 6 victualleschepen, allen van alles wel voorzien on behoorlijk bemand.
-ocr page 15-
13
De koning, wiens dienaren ons voor bedelaars, geuzen, schelmen
en verraders hadden uitgekreten \'), die, volgens de verklaring van
Don Juan, zou gezegd hebben, „liever een heer van de aarde,
boomen, beesten, bosschen, wolven, wateren en visschen dezer
landen te willen zijn, dan te lijden dat een persoon, die de wa-
penen tegen hen gedragen, de rebellen aangehangen had of
in \'t minste met ketterij besmet was, daarin zou leven; die
aan den aartshertog Karel, broeder van keizer Maximiliaan II,
toen deze tot hein gezonden was cm hem tot zachtere gezindheden
te stemmen, gezegd had, liever het land te willen verliezen, dan
de minste inbreuk op de Roomseh-Katholieke godsdienst te ge-
doogen; die koning, die verklaarde dat wij lijf en goed verbeurd
hadden, werd genoodzaakt onze gezanten te verzoeken om te
Munster over den vrede te komen onderhandelen en ons voor vrije
Nederlanders te verklaren, ja, ons te verzoeken middelaars te zijn
in zijne geschillen met andere vorsten.
Daar het Gode soms behaagd heeft in kleine en geringe dingen
zijne voorzienigheid te toonen, als in het verhaal van een droom,
Bigt. VII : 13, in het slijpen van pijlen, Ezech. XXI : 21, zoo
mogen wij het een en ander, dat ons opmerkelijk voorkomt, niet
met stilzwijgen voorbijgaan, te meer daar ook voorname historie -
schrijvers het niet beneden zich geacht hebben daarvan melding
te maken.
Toen bij het vertrek van \'s Prinsen leger in 1568 2) de moed
der Spaanschen verlevendigd en hun trots niet weinig gestegen
was, was er te Arnhem een zwaardveger, Wolphart genaamd, die
dit pogchen niet kon verdragen, en zich ontvallen liet, dat hij
wel honderd Spaansche speerdragers op een rij uit den zadel wilde
ligten. Dit zeide hij in bijzijn van verscheidene Spanjaarden,
die zich met hem in het veerschip van Antwerpen op Brussel
bevonden. Deze woorden werden terstond den hertog van Alva
1)  Zie Bor, boek 24, fol. 73.
2)  Zie Ti. P. Pers, Ontstelde Leeuw, bl. 158, alsmede v. Reyd en Jac. Lydii
Belgium gloriosum, p. 38.
-ocr page 16-
14
overgebragt, die dezen Wolphart bij zich liet ontbieden en ge-
lastte, dat bij op strafte des doods moest ten uitvoer brengen het-
geen waarop hij zich beroemd had. Wolphart viel op de knieën,
smeekte om genade, erkende de vermetelheid zijner woorden, maar
wat hij ook deed, Alva bleef bij hetgeen hij hem had aangezegd.
Na veel bidden verkreeg hij van den hertog, eerst dat hij slechts
met vijftig, toen met vijf en twintig, en eindelijk met slechts drie
Üpaansche ruiters den wedstrijd zoude aanvangen. De hertogvliet
hem het beste paard uit zijnen stal geven. De strijd had in \'s Oer-
toga tegenwoordigheid, onder een zeer grooten toevloed van volk
plaats. Drie moedige ruiters traden in het strijdperk, waarvan
Wolphart eerst de twee eersten en daarna den derde uit den zadel
ligtte. Dit geheele voorval was, zoo merkt van Ileyd aan, een beeld
van het begin en liet einde van den oorlog, tegen den magtigsteu
koning aangevangen. Toen de Nederlanders niets op zijn gemoed
door redenen vermogten, hebben zij eindelijk de wapenen opgevat
en den strijd met eere, tot schande van Spanje, voleindigd.
In hetzelfde jaar gaf de bisschop van Keulen eeue openbare
vertooniug. Hij liet namelijk een leeuw, dien hij uit hoffelijkheid
den naam van hertog Alva had gegeven, en een stier, dien hij
Prins van Oranje noemde, te zameu in het strijdperk treden. De
bisschop was bereids volkomen van de overwinning des leeuws
verzekerd; doch het gevecht viel geheel anders uit dan de prelaat
zich had voorgesteld. De leeuw besprong den stier en scheurde
hem met zijne kiaauwen een stuk vel en vleesch uit het lijf. Onder
een schrikbarend gebrul poogde de stier zich uit zijne kiaauwen
te ontworstelen en hem met zijne horens af te weren. De leeuw
een tweeden sprong op hem wagende, werd door den stier op
zijne horens genomen en over zijn rug op den grond geworpen.
Bij een derden sprong wierp de stier den leeuw zoo hoog in de
lucht, dat hij den aanval niet meer dorst te herhalen, maar door
den dol geworden stier zoo lang werd vervolgd, dat de bisschop
met schaamte, en voor het leven van den leeuw vreezende, den
stier liet doodschieten.
Opmerkelijk is het, dat, nadat de hertog van Alva den Prins
-ocr page 17-
15
in den ban gedaan en hem een goed deel zijner goederen ontroofd
had, ten laatste de zege zich naar de zijde des Prinsen, keerde,
en dat, om van dien gevaarlijken tegenstander bevrijd te worden,
de koning van Spanje door Balthasar Gerards den Prins verrader-
lijk het leven benemen liet.
Van Reyd verhaalt ons nog twee andere gevallen, die in 1601
plaats vonden. Het eerste is een gevecht van een troep jongens
te Antwerpen, die eenige honderden sterk, in twee hoopen waren
verdeeld, elke troep aangevoerd door een uit hun midden gekozen
aanvoerder, waarvan de een door hen Albertus, de andere Maurits
genaamd werden. Zoo hevig was hun gevecht met steenen en
stokken, dat er zelfs eenigen het leven bij verloren. De markgraaf
van Antwerpen poogde te vergeefs de strijdende partijen te sehei-
den, zoodat hij genoodzaakt was eenige kompagniën burgers te
laten aanrukken, die Albertus niet dan met veel moeite uit de
handen van Maurits konden verlossen, welke Albertus nog boven-
dien op het stadhuis tot straf een geeseling ontving. Maurits had
zich met de vlugt naar Bergen-op Zoom gered, en werd daar,
ofschoon den vereischten ouderdom nog niet bereikt hebbende, in
krijgsdienst aangenomen.
Het tweede geval was het volgende: De Admiraut van Kastilië,
in den slag van Nieuwpoort krijgsgevangen gemaakt, liet, tot
tijdkorting in zijne gevangenis, twee hanen met elkander vechten,
die hij den naam van Albertus en van Maurits gaf. Maurits bleef
overwinnaar, eenige dagen daarna liet hij dezelfde hanen weder
te zamen vechten met verwisseling echter der namen, en ook nu
behaalde Maurits de zege, tot groote verslagenheid van den Ad-
mirant, die zulks voor een slecht voorteeken hield.
Ofschoon deze voorvallen op zich zelve van weinig beduidenis
zijn, wilde de Heer nogtans hierdoor den trots onzer overmoedige
vijanden in het oog der aanschouwers vernederen, en zoo doende
op velen tevens een diepen indruk maken. Dat onze vijanden
door Hem vernederd en wij verhoogd zijn geworden, heeft de
ondervinding geleerd. Onze vaderen konden uit deze kleine voor-
vallen eenigzins voorspellen, wat zij anders ter nauwernood konden
-ocr page 18-
16
verwachten, dat een zoo verdrukt volk door Hem zou uitverkoren
worden om den destijds magtigsten onder de koningen van Europa
op zulk eene merkwaardige wijze te vernederen, even als Israël
de koningen van Kanaan. (Jozua X : 24) Dit niet alleen, maar
het behaagde Hem de armen van onzen Staat naar Oost en West,
naar Zuid en Noord, tot aan de einden der aarde uit te strekken,
zoodat alle natiën hare schatten en kostbaarheden naar Nederland,
als de markt der Heidenen, toezonden, zoodat wij in rijkdom bijna
al de christelijke rijken overtroffen en onze kooplieden tot de
vermogendste handelaren der wereld verheven werden. Men had
slechts Holland te bezoeken om goud- en zilvermijnen niet onder,
maar boven de aarde te aanschouwen, terwijl onze naam tot in
verre landen uitging. Van hier dat zelfs een Lipsius moest ge-
tuigen, dat Nederland over het algemeen in bloei was, en dat in
het bijzonder zij die daar regeren, allen zoo rijk en magtig waren
als kleine koningen.
Hoe en waardoor zijn wij nu zoo groot en zoo magtig ge-
worden? Wien komt daarvan de eere toe? Is het door onze
magt en wijsheid? Het zou immers verfoeijelijk zijn, wetende hoe
zich alles in den lande heeft toegedragen, zulks aan onze eigene
wijsheid, beleid en krachten toe te schrijven, of dat wij zelfs
daarvan de eer aan onze Prinsen zouden geven; want ook dat
ware zonde voor den Heer! En was het wel anders dan het werk
des vleijers, toen men in 1629 Prins Hendrik afbeeldde, gezeten
op een altaar, met de steden Wezel en \'s Hertogenbosch aan
zijne voeten \'), gelijk de Roomsch-Katholieken hunne heiligen
op hunne altaren plaatsen en hun goddelijke eer bewijzen ? En is
het niet een gruwel voor God, dat men in eergedichten durft zin-
gen: „voo?- \'s Prinsen godheid neigt haar hoornen de Maas" enz.?
Zullen zelfs niet de Heidenen, die hunne overwinningen niet aan
menschen, maar aan hunne goden toeschreven, in het jongste gerigt
getuigen tegen zulke Christenen, lage vleijers van vorsten, die aan
den mensch goddelijke eer bewezen en vleesch tot hun arm stel-
]) Zie zeker boekje getiteld: Mardochai, gedrukt te Middelburg, 1632, bl. C8.
-ocr page 19-
17
den? Dit toch moet bij den waren Christen vast staan, dat bet
paard wel ten oorlog bereid wordt, maar de overwinning van den
Heer komt. Hoe treffend waren daarom niet de woorden, die de Sta-
ten-Generaal aan de koningin van Engeland in 1598 te gemoet voer-
den: „Dat daarom God de Heer zich laat noemen den Heer der
heirscharen, omdat Hij de victorie niet geeft aan de magtigste
partije, maar aan dengene wien het Hem beliaagt.\'\' Daarom geven
wij dan aan zijne goddelijke Majesteit en aan niemand anders al den
roem en al de eer van de opkomst der Vereenigdo Provinciën;
aan Hem, die van den aanvang at\' en in de benaauwdste tijden zoo
wonderdadig zijn arm voor ons beeft uitgestrekt, met zijne god-
delijke magt voor ons aan de spitse heeft gestreden, zoo genadig
boven alle beschrijving met ons gehandeld heeft. Waar andere
landen door het vuur des oorlogs verteerd werden en ten onder
gingen, werd onze Staat, — waar, zooals Strada getuigt, zoo
hevig werd gestreden, als hing van zijn bezit de heerschappij van
geheel Europa af, — te midden van den vernielendstcn oorlog
niet alleen, gelijk het doornbosch van Mozes, onbeschadigd be-
waard, maar mogt als een liefelijke boom welig opwassen, zijne
schaduwrijke takken wijd en zijd uitspreidende; nam ons land in
rijkdom, nijverheid en bewoners in groote magt inwendig toe,
terwijl zijn bloei zich buiten \'s lands tot aan de uiterste palen dei-
aarde verwonderlijk uitbreidde, zoo zelfs, dat de vrees van onzen
naam tot alle volken doordrong en dat zelfs, ter verbazing onzer
vijanden, de magtigste vorsten hunne wapenen met de onze
zochten te vereenigen.
Dit alles moeten wij erkennen als van den Heer alleen geschied,
die, zooals van Keyd opmerkt, „in de opkomst dezer landen tegen
en boven de gedachten en raadslagen ook van de wijsten en kloek-
moedigsten heeft gehandeld en in klaarblijkelijke betooning zijner
goddelijke voorzienigheid, opdat Hij van alles alleen de eer voor
zich zelven zoude behouden en die niemand mededeelen."
Het zij echter verre van ons, aan onze wijze, brave en man-
haftige regenten en hoofden in staats- en krijgszaken, vooral aan
de Prinsen van Oranje den lof, die hun zoo rechtmatig toekomt,
■1
-ocr page 20-
18
te willen ontnemen, of hunne daden ondankbaar te vergeten. Wij
weten, dat wij naast God ons welzijn aan hen te danken hebben,
en dat niets een volk meer tot schande verstrekt dan ondank-
baarheid jegens zijne brave regenten, en wij beamen volkomen
de woorden van N. Byfield: „dat gelyk het eene groote godde-
loosheid is den voornaamsten Werkmeester niet de eere te geven,
die Hem toebehoort, het alzoo eene groote zonde is niet te er-
kennen het instrument, door hetwelk wij eenig goed ontvangen \')."
Waarom dan ook de Staten van Holland in hunne missive aan die
van Friesland in 1597 herinneren „de loffelijke resolutiën, heerlijke
expeditiën, de exploicten en actiën bij den Prins van Oranje hoog-
gedacht en zijne kinderen, zonder verschooning van lijf, goed en
bloed, tot afweering der Spaansche tyrannie en vorderiuge der
Nederlandsche vrijheden genomen en gedaan, en wat verlies van
goed en bloed en hooge bezwaarnisse daardoor den huize van
Nassau was overgekomen," verklarende: „dat ondankbaarheid in
zulke stukken God en alle eerlijke menschen ten hoogste mis-
haagt." 2) Ja, liet kan niet anders of het moet een volk en land,
dat zulks vergeet, nimmer welgaan, vooral wanneer het ondank-
baar bevonden wordt ten aanzien van hen, die door onvermoeide
zorgen, groote moeiten, ongemeene trouw, wakkerheid en moed,
opzetting van goed en bloed en onder duizende levensgevaren,
zoo bij uitnemendheid den naam van Vader des Vaderlands ver-
dienen, zooals dan ook in 1577, toen Prins Willem Holland be-
zocht, de erkentelijkheid des volks de juichtoon „Prins Willem
Vader is gekomen" zich in zulk eene warmte en vuur lucht gaf,
de taal des harten op elks aangezigt te lezen stond, en men zich
niet genoeg verzadigen kon in het aanschouwen van hem, dien
zij naast God hielden voor dengene, die hen uit de Spaansche
slavernij verlost had. De Staten steunden niet alleen, gelijk Bor
zegt :i), in hunne meeste ongelegenheden, naast God, op des
1)  Zie cap. 1, 12, ad. Coloss. Hij was Engoisch godgeleerde, rector telsleworth,
en stierf 1622.
2)  Zie Hor, bock 14, fol. 17.
3)  Boek 7 , fol. 40.
-ocr page 21-
19
Prinsen kloekheid, verstand en voorzichtigheid, hem de wake van
alles toevertrouwende, maar zij gaven hem ook dezen lof op zijn
grafschrift: „Dat hij als een Vader des Vaderlands do dienst dezer
landen meer heeft geacht dan zijn eigen welvaren en voorspoed
van hem en de zijnen, en over zulks meest uit zijne eigene mid-
delen heeft bekostigd en op de beene gebragt tot twee reizen twee
magtige heirlegers, en dat hij daarmede door hulpe en order van
de heeren Staten de tyrannie der Spanjaarden heeft verdreven
en afgeweerd 1). Dat de Prins en zijne vier broeders niet alleen
hunne goederen en bezittingen tot heil des lands hebben opgezet,
maar dat hij en drie zijner broeders ook hun bloed en leven voor
het land gelaten hebben, mag nimmer door den Nederlander ver-
geten worden. Ook zie men toe zich niet schuldig te maken aan
hetgeen waarover Hooft zich beklaagt, „dat velen, welke zich
treffelijk voor de vrijheid en het welzijn hebbeu gekweten, door
ondankbaarheid in het vergeetboek gesteld zijn," ofschoon het
nageslacht de vruchten van hunnen arbeid plukt; „ja zelfs," zegt
hij, „de stichters van de grootheid der roomsche en andere heer-
schappijen hebben geen of, een klein deel aan de weelde derzelver
gehad, en hun bloed vergoten voor nazaten, die gemakkelijk in
zulk eene geërfde mogentheid vallende, naauwelijks iets anders
daarvan eigenden dan \'t misbruik en den oorlof, van alle bedenk-
bare dartelheden , moedwil en wulpschheid te plegen." „Welke
overdaad, zegt hij, „en zedenschennis, dat onder ons nimmermeer
plaats grijpe, voortaan de goddelijke voorzienigheid wel vuriglijk
te bidden staat.
Behartigenswaardige woorden! — Al wie toch slechts eenigzins
met de geschiedenis van ons land bekend is, weet hoe jammerlijk
en hulpeloos het met ons gesteld was; hoe wij in een afgrond van
ellende verzonken waren, toen men aan galgen, raderen, staken
en boomen ontlialsde, verworgde, geblakerde en verbrande lijken
zag hangen, vuur en water als om strijd gebezigd tot de gruw-
1) De verdiensten des Prinsen worden mede vermeld in de missive der Staten van
Holland aan die van Utrecht in 1580. Zie Bor, boek 15.
2*
-ocr page 22-
20
zaamste folteringen van onschuldigen, en de lucht door den stank
hunner ligchamen verpest werd; toen men het als eene weldaad
beschouwde het vaderland te kunnen ontvlugten, hetwelk nogtans,
zouals de Prins betuigde, den gemeenen man zoo zwaar valt,
dat hij liever het leven wil verlaten. Nogtans verlieten de inge-
zetenen in groote menigte het land, dat volgens Hooft, in 1568
het getal van tot den bedelstaf gebragte huisgezinnen meer dan
100,000 bedroeg \'). Elke dag bragt, volgens de getuigenis van
denzelfden schrijver, zijne droefheid met zich, als het gelui der
bloedklok den dood van vrienden en betrekkingen aankondigde,
en aan het verbannen en verbeurdverklaren geen einde was.
Wie weet niet, hoe Neêrlands geschrei tot den hemel oprees
en alles met bloed geverwd was, zonder schijn van uitkomst; hoe
de prinsen van Nassau, vcoral Prins Willem, onze zaak tot de
hunne maakten; hoe hij uit zijne rust in Duitschland, waar hij in
veiligheid, in overvloed en hoog aanzien leefde; zich in het schip
van onzen Staat heeft begeven, toen het door de stormwinden der
Spaansche furiën en de baren van hare vernielende heirkrachten
geslingerd werd. Wie weet niet, met welk een blijdschap het
klagende en radelooze Nederland zulk een aanzienlijk vorst lijf en
goed ter zijner hulp en verlossing zag opzetten. Do algemeene
verslagenheid des volks over zijn vertrek naar Duitschland, hoe
bleek zij niet uit den kreet van het „Wee Nederland" die het
slaakte. Want zulk een vertrouwen had de Prins allen ingeboe-
zeind, dat men allen raad ten einde dacht te wezen, als hij er
geen meer te geven wist., en dat door zijne tegenwoordigheid alles
zich in behouden haven waande, en zich dan geen zee vau tegen-
spoed te hoog verheiïen kon. Het door Noord-Holland geslaakte
„Wee Nederland" bewijst genoegzaam, hoe hoog de Prins bij onze
vaderen stond aangeschreven. Hoe men het behoud en welzijn
des lands in onafscheidbaar verband met dat van zijii persoon be-
schouwde, getuigeu de gedurig ten zijnen behoeve aangeschrevene
bidstonden in alle kerken vau Holland, toen zijne tegenwoordig-
1) Zie Hooft, boek 5, bl. 100.
-ocr page 23-
21
heid in Brabant vereischt werd, en dat de Staten van Holland zich
verbonden om „in geen verdrag te treden roet den koning, etc.
of ook iets anders te doen of te besluiten, hetwelk de Generali-
teit der Staten mogt aangaan, zonder den Prins voornoemd daarin
mede te begrijpen.\'\'
Zoude het dus in ons geene groote ontaarding van onze brave
voorvaderen verraden , nu klein te achten wat zij toen zoo groot
achtten? Nu, terwijl wij daarvan de vruchten plukken? Zouden
wij zoo doende de ons door Strada aangewreven smet niet regt-
vaardigen, dat de Nederlanders zoo lang de weldaden erkennen
als zij nieuw en versch zijn, als waren zij gelijk aan de bloemen?
Zou het geen snoode ondankbaarheid zijn, niet in erkentenis te
houden de weldaden van hen, aan wie wij, naast God, al ons
aanzien, magt en gezag verschuldigd zijn? Neen, laat nimmer
van ons kunnen gezegd worden, hetgeen Erasmus ons verhaalt,
dat Pompejus de Groote den ondankbaren Marcellinus toevoegde,
toen hij in den Romeinschen raad zijn weldoener belasterde: „Schaamt
gij u niet hem te lasteren, door wiens goedheid gij van stom wei-
sprekend, en van arm ryk zijt geworden?" \') D.it wij dus nim-
ner aanleiding geven tot zulk eene beschuldiging van ondank jegens
hen, die het den Heer behaagde tot werktuigen te kiezen om ons
uit de diepste verdrukking tot zulk eene magt, hoog aanzien en
bloei te verheffen. Dat wij dan nimmer Prins Willem van Oranje en
zijne doorluchtige nazaten vergeten! „want, gelijk Prins Willem,"
zegt Hooft, „niet alleen den eersten steen van dezen Staat gelegd
heeft, maar dit zwaarlijvig gebouw ter tinne toe heeft opgetogen,
alzoo heeft hij twee zonen daarenboven achtergelaten om hetzelve
te dekken en de voorhoven met metalen muren te bevestigen.\'\'
Ja, Maurits en Frederik Hendrik voltrokken hetgeen hun door-
luchtige vader begonnen had, en maakten zich dus hoogst ver-
dienstelijk jegens Nederland; weshalve de Staten van Zeeland te
regt verklaarden: „dat niet alleen loffelijke resolutiën, heerlijke
expeditiën en exploiten zijn genomen en uitgevoerd bij Prins
1) Erasmi Apophth. ia Porapejo Mngno.
-ocr page 24-
22
Willem , maar ook bij deszelfs kinderen, en dat zonder verschoo-
ning van lijf, goed en bloed, tot afweering der Spaansche tyrannie
en vervorderinge der Nederlandsclie vrijheden en welvaren; dat
zij ook zelve geen zwarigheden noch perykelen tot dien einde
zicb hebben laten verdrieten, maar dezelve met de allervlijtigste
en kloekmocdigste getrouwheid en couragie doorgaans hebben ge-
supporteerd en overwonnen; daarop de fondamenten van dezen
Siaat originelijk zijn gebouwd, en den geheelen tijd over de tachtig
jaren, onder Gods genade, tegen alle uitheemsche en innerlijke
eoncussiën en attentaten, gebleven onbewegelijk." *)
Deze prinsen van Nassau deden, volgens de getuigenis van Van
Reyd, meer voor het welzijn van een land, dat het hunne niet
was, dan de keizer of zijn broeder voor hunne eigene erflanden
gedaan hebben. Kortom, zóó groot waren hunne verdiensten,
dat, zooals de predikant Jacobus Lydius teregt opmerkte, „niet
alleen onze waai\'digheid en heerlijkheid onder Prins Willem be-
gonnen, onder Prins Maurits gewassen en onder Prins Hendrik
uitgebreid is; maar dat het beter zou zijn dit met stilzwijgen
voorbij te gaan, dan slechts weinige dingen soberlijk daarvan te
zeggen, en den lof, die hun toekomt, daardoor te verkleinen of
te verderven, ten ware, zegt hij, God zelve, die wij deze onze
schriften, hoedanig die ook zijn mogen, toeëigenen, het tot zijn
lof achtte te strekken, dat zijne weldaden ook door de tong der
stamelenden wordt verbreid." 2)
Zij toch die zich jegens zulke vorsten ondankbaar betoonen,
geven reden tot het vermoeden, het ook jegens God te wezen,
want „die zijnen broeder niet liefheeft, dien hij gezien heeft, hoe
kan hij God liefhebben, dien bij niet gezien heeft?" 1 Joh. 4:20.
Immers waren zij klaarblijkelijk werktuigen in Gods hand tot heil
van ons vaderland, en hoe kan in hem, die dit vergeet, eenig
dankbaar gevoel jegens den onzigtbaren God bestaan, daar Hij
het was, die hen tot dat heilrijk doeleinde gebruikte, ja, die den
1)  Zie hunne Deductie van 22 Juuij 1654.
2)  In Belg. Glor. p. 117.
-ocr page 25-
23
arm zijner heerlijkheid heeft doen gaan aan hunne regterhand
opdat Hij zich eenen eeuwigen naam zoude maken.
Dat dus de voortreffelijke daden dezer vorsten als tweede oor-
zaken van den bloei dezer landen beh ooren beschouwd,te worden,
wie is hij, die zulks zou durven betwijfelen? Maar ook vele andere
oorzaken hebben daartoe bijgedragen, zooals de andere oorlogen,
waarin de koning van Spanje gewikkeld werd , alsmede het beleid
der Staten in het finantie- en krijgswezen en de voortreffelijkheid
van des Prinsen bevelhebbers, hun wederzijdsch vertrouwen en
eensgezindheid. Daarbij vergete men ook niet de natuurlijke ge-
steldheid des lands, zijne sterkten, de geoefendheid der krijgs-
lieden en matrozen, de met vreemde natiën gesloten verbonden,
de scheepvaart en den handel, alsmede de geslotene Unie der Pro-
vinciè\'n, die de ziel, de kracht en het leven des Staats geweest
is, waardoor „wij niet als vreemdelingen, maar als broeders en
leden van één ligchaam met elkander verknocht waren," zooals
de Gedeputeerde Staten van Utrecht zich in 1587 uitdrukten. l)
Zoo zag elk gewest niet zoo zeer op hetgeen zijn eigen voordeel
maar op hetgeen tot bevordering van het algemeen welzijn strekken
kon( „tevreden met het voedsel, dat uit den raad der Generale
Staten, als uit de maag, aan elk hunner werd toegezonden" vol-
gens de eigenaardige woorden van Prins Willem; het daarvoor
houdende," zooals in 1587 dezelfde Gedeputeerde Staten in de
rergadering van Holland verklaarden, „dat de haat, schade, eer
en schande, behoudenis en ondergang van den eenen ook den
anderen trof," wel wetende, 8dat," zooals eens Leicester teregt
zeide, „van de behoudenis en ondergang der eene provincie de
behoudenis en ondergang der andere afhing. En van welk hoog
belang de Staten die eendragt beschouwden, kan men uit hunne
verklaringen aan Leicester afleiden: „Wij mogen/\' betuigden zij,
„iritt waarheid zeggen, dat de Staat van Holland en Zeeland in
achthonderd jaren van uit- noch inheemsche wapenen is over-
wonnen of ten onder gebragt; hetwelk wij niet weten dat tegen-
1) Zie de Apologie des Prinsen, Leiden 1581, bl. 19.
-ocr page 26-
24
woordig van eenigc andere (uitgenomen die van Venetië) zoude
kunnen gezegd worden. En is hiervan geene andere reden dan
alleenlijk deze te geven, dat gestadig goede eendragt, liefde en
onderling verstand tussehen vorsten en staten bloeiden." Van daar
dan ook dat niets door den vijand meer met leede oogen aangezien
werd clan deze in 1579 te Utrecht gesloten Unie, bij welke de
Provinciën zich verbonden, ten eeuwigen dage bij elkander te
blijven, „in alle vormen en manieren, alsof zijlieden maar één
provincie waren," gelijk dan ook de Prins in zijne Apologie \')
de Staten aldus aanspreekt: „Dat is het, daar het hen houdt, mijne
Heeren! dat is dat etteraehtig gezwel, dat hem (den Spanjaard)
zoo zeer doet," nadat hij even te voren verklaard had: „wij be-
kennen dat wij de Unie het eerst gedreven hebben, dat wij haar
daarna gevorderd hebben, dat zij mogt onderhouden worden, en
wij zeggen ulieden nog meer, ja, zeggen het zoo luide, dat wij
wel begeeren, dat zij (de Spaansche partij) niet alleen, maar ook
de geheele wereld het hoore: Onderhoudt uwe Unie wU; hevmart
uwe Unie wèl.
Doch ziet naarstig toe, mijne heeren! dat gij niet
alleen met woorden en bij geschrift, maar ook metterdaad uit-
voert en in \'t werk stelt \'t gene dat het bundelke pijlen, met
eenen band te zamen geknoopt en gebonden, hetwelk gij in uw
zegel voert, medebrengt en beduidt."
In deze Apologie houdt de Prins de Unie van Utrecht voor den
eersten grondslag van het welzijn des lands, en dringt dan ook
op de handhaving daarvan bij de Staten teu sterkste aan; die zijn
raad dan ook zoo getrouw opvolgden, dat de magliger en het
meest opbrengende Provintiën geen grooter gezag boven de ove-
riu;en verkregen.
Maar ofschoon al die oorzaken grootelijks hebben bijgedragen
tot de opkomst en den bloei dezer landen, zoo behooren wij hen
toch slechts altoos als tweede oorzaken te beschouwen, middelen
in de hand van den eeuwigen Oorsprong aller dingen, den Heere
God Almachtig, die, gelijk Hij landen en steden willende ver-
1; Zie bl. 45.
-ocr page 27-
/
25
derven, gewoon is hen niet een tuimelgeest te bezoeken en de
harten van klein en groot te verdeden Hoz. 10:2; Klaagl. 4:16,
in zijne genade onze Provinciën door eene heilzame Unie onder-
ling heeft willen verbinden. Heerschten bij de regenten wijsheid,
beleid, kloekmoedigheid; bezaten de onderzaten bereidwilligheid,
geld en vermogen om de oorlogsgasten te dragen, en zulks ten
gevolge van handel en scheepvaart; bezat elk gewest zijne helden,
wat waren al. die voorregten anders dan weldaden des Almagtigen,
die sterkte geeft om vermogen te bekomen en, gelijk aan Israël,
zijn volk redders weet te verwekken ter verlossing?
Hoe weinig toch alle natuurlijke of kunstmatige versterkingen
des lands vermogen, evenmin als alle andere middelen, waarop de
mensch meent te kunnen bouwen, hebben wij immers zoo menig-
maal ondervonden. Men denke slechts aan den inval in de Veluwe,
het verlies van Schenkenschans, ja van geheel Brazilië, waar wij
zoo vele sterkten en verdedigingsmiddelen bezaten, en waar nog-
tans onze krijgslieden en matrozen met schrik en vreeze werden
geslagen. Is er iets heldhaftigs te water en ter zee door ons ver-
rigt, willen wij daarin dan niet liever een Hoogere hand erkennen,
ja gelooven dat, zoo zich ergens \'s Heeren magt en voorzienigheid
geopenbaard heeft, het dan voorzeker in al die heldenfeiten ge-
weest is? Hoe spoedig de Heer diepe wateren droog maken en
de rivieren, die de sterke muren van ons land zijn, kan doen
verloopen, hebben ons Staveren en Arnemuyden bewezen; en
hoe Hij door den sterken oostenwind van 29 October 1657 de
wateren zoo zeer deed opdroogen, dat men vóór Rotterdam door
de Maas droogvoets.gaan kon, ter plaatse waar bij laag water de
rivier 4 a 5 voet diepte behoudt. Wat onze verbonden met vreemde
natiën betreft, het is bekend, dat het Engeland en Frankrijk
waren, die ons tot aan den Munsterschen vrede de meeste hulp
hebben bewezen. Edoch de moeijelijkheden, waarin wij door En-
geland wegens de geleende gelden gewikkeld werden, doen Van
Reyd betwijfelen of dit wel voor een hulpe kan gehouden worden.
En wie herinnert zich niet wat kwaads de Leicestersche factie den
lande berokkend heeft! Ten aanzien van Frankrijk getuigden wel
-ocr page 28-
26
is waar de Staten van Zeeland in 1648, dat de nakomelingen het
roor de hun bewezen weldaden niet genoeg erkentelijk kunnen
zijn \'), en belangrijk was zeker de ons tegen den bisschop van
Munster verleende bijstand, maar nogtans leert ons de geschiedenis,
dat Frankrijk zijne verbonden even ligtvaardig verbrak als sloot,
opdat, zooals Van Beyd teregt opmerkt, deze landen zouden
leeren acht te geven op dat verbond, hetwelk Prins Willem eens
zeide gesloten te hebben met den Heer der heeren. Zoo heeft
dan ook de Heer de zaken van Nederland dermate bestuurd, dat,
toen wij de meeste menschelijke hulp genoten, zooals in 1635 bij
den inval in Brabant en de verovering vaii ïhienen met hulp van
Frankrijk, toen het vereenigde leger 50,000 voetvolk en 10,000
paarden sterk was, ons het verlies van Schenkenschans zeer nood-
lottig zou zijn geworden, indien de Heer, door het beleid van
Prins Frederik Hendrik, daarin niet genadiglijk had voorzien.
Zij, die onder de oorzaken van onze opkomst de meineedigheid
van den koning van Spanje of de regtvaardigheid onzer zaak op-
sommen, \'-\') schrijven inderdaad aan niemand anders dan aan God
onze hulpe en voorspoed toe; want Hij is een wreker van allen
meineed. „Mijne is de wraak, ik zal \'t vergelden." Deut. 31 :35.
„Ik ben de Heer, dat is mijn Naam, en mijne eer zal Ik geen
anderen geven." Jes. 42 : 8.
Wij ontkennen geenszins, dat de scheepvaart en handel ons
land hebben verrijkt; maar is het niet een wonderwerk des Heeren,
dat, te midden van de vlammen des oorlogs, onze Staat bloeide
als een groene vruchtdragende boom? En hoe van den anderen
kant de Heer even spoedig ons de zee kan sluiten en den handel
ontnemen, hebben ons deze laatste oorlogen met Engeland geleerd.
„Dat alles" merkt van Keyd teregt op, „moet hier worden toe-
geschreven aan God Almagtig, die naar zijn welbehagen over het
hoog gezag op aarde beschikt, het verandert en van den eenen op
den anderen overbrengt." „Dien goeden God," zegt hij voorts,
1)  Zie Sohoock, lib. de Paee p. 88.
2)  Zie het antwoord dep Staten-Q-eneraal aan den gezant vau Polen in 1597.
-ocr page 29-
21
„heeft het behaagd in de laatste jaren, uit zeer geringe begin-
selen de vrije Nederlandsche regeering te zegenen, en door dit
kleine land den grooten koning van Spanje en het huis van Oos-
tenrijk te verootmoedigen." En wederom: „Men moet erkennen,
dat Gods hand in dezen oorlog blijkbaar en wonderdadig heeft
geholpen, door naar zijne gewoonte de groote magt van Spanje
met kleine middelen te hebben verbroken, opdat zijne eer daar-
door te grooter zoude gemaakt worden." Ja, dan handelt de Heer
zigtbaar voor elks oogen, als Hij uit geringe en zwakke middelen
groote en krachtige dingen werkt, zooals dan ook de Staten van
Holland in hunne missive van 1587 aan die van Utrecht opentlijk
verklaren, dat zij gezien hadden, dat de Almagtige aan hunne zaak
klaarblijkelijk de hand had gehouden; terwijl Prins Willem in zijne
Apologie getuigt, dat „de Spanjaard zelve moet, \'t zij het hem
lief of leed is , bekennen, dat wij en mijn heeren van Holland en
Zeeland, met zeer kleine middelen, ja met vier of vijf duizend
man, hem meer dan zestig duizend hebben verslagen en allenskens
onbruikbaar gemaakt," \') hetwelk hij dan ook even te voren erkent,
„meer een werk Gods dan der menschen te wezen."
Zoo zigtbaar was dan ook de Heer met ons, dat zoowel vrienden
als vijanden zijnen uitgestrekten arm in dat alles hebben moeten
erkennen. „Dies faalde," zegt Hooft, het beleg en ontzet der
stad Leiden verhalende, „nu nergens de goddelijke voorzorge,
en bleef zoowel de een als de andere partij overtuigd in den
geest, dat de Heer der heirscharen zijne wonderdadigheid met
dit werk ten wereldsche tooneele had doen verschijnen. Maar om
ons de eigentlijke oorzaak van de opkomst en den bloei dezer
Nederlanden, en zoowel het tegenwoordig als het toekomend ge-
slacht daarin de jegens ons vaderland betoonde grootdadigheid,
sterkte en wonderen des Allerhoogsten helder voor oogen te
kunnen stellen, is het vooral noodig de aandacht der lezers te
bepalen, vooreerst bij den aanvankelijken toestand des lands; en
ten anderen waardoor en hoe wij tot zulk een trap van aanzien
<
1) Zie Apologie, bl. 70.
-ocr page 30-
28
en raagt gestegen zijn. Waarlijk, dan zal een iegelijk, die hierop
verstandiglijk letten wil, moeten erkennen, dat „de Heer is onze
lof, en dat Hij het is, die deze groote en vreeselijke dingen,
welke onze eigene oogen aanschouwd hebben, voor ons gedaan heeft."
HOOFDSTUK II.
De Staat der Vereenigde Nederlanden, zoo hoog in aanzien bij
de koningen der aarde, en wiens armen zich nog weinige jaren
geleden in Oost en West, Zuid en Noord uitbreidden, welker
goud- en zilvermijnen niet onder de aarde bedolven, zooals in
Peru, maar boven de aarde voor elks oogen te zien zijn, was
weleer veroordeeld, onderdrukt, onmagtig, veracht, verworpen,
wanhopend.
Het is uit onze geschiedenis genoegzaam bekend, dat Philips II,
na deze landen lang en zwaar geteisterd en menigvuldige redenen
tot misnoegdheid en onrust gegeven te hebben, zelfde aanleidende
oorzaak heeft gegeven, dat men zich opentlijk tegen zijne dwinge-
landij verzette; en om eene volstrekte heerschappij over deze
landen te voeren, den hertog van Alva naar deze landen had ge-
zonden, zooals dit dan uit de brieven van den Spaanschen gezant
aan het hof van Frankrijk in 1566 uitgelekt was. De vele gruwe-
lijke wreedheden van Alva en het gestadig vergieten van ouschul-
dig bloed bewogen de edelen ten laatsten om een verzoekschrift in
te leveren tot schorsing en verzachting der plakkaten tegen de
Hervormde godsdienst. Doch de kracht der waarheid kon door
niets gestuit worden. Den 24. Junij 1566 werd niet alleen opent-
lijk gepredikt, maar nu eenmaal de Arke des Verbonds opgerigt
was, zag men in de tempelen Dagons de beelden in geheel Ne-
derland in ée*n oogenblik — en de vinger des Heeren was hierin
zigtbaar — als door den bliksem getroffen, omverre geworpen en
vernield. De beeldstorming, in Augustus van dat jaar te Hon-
schoten bij Yperen begonnen, had bijna in alle steden en vlekken
-ocr page 31-
29
des lands gelijkelijk plaats. De inquisitie van Spanje verklaarde
den 6. Februari) 1568 de landen schuldig aan de misdaad van ge-
kwetste majesteit, waarop onmiddellijk het vonnis volgde-.
Daar stond nu Nederland als een veroordeelde, niet anders dan
zijn doodvonnis verbeidende, waarbij goed en bloed verbeurd ver-
klaard was. Bijna niemand werd voor onschuldig gehouden; want
niet alleen de daad zelve, maar ook haar niet genoegzaam ver-
hinderd te hebben, was voor de wreedheid van dien dwingeland
voldoende om de ingezetenen des lands op de allerwreedaardigste
wijze ter dood te doen brengen. Vargas, president des bloed-
raads, was gewoon in gebroken Latijn te zeggen: Haeretice fraxe-
runt templa, boni nü faxerunt contra, ergo debent omnes patibulari,
dat is: „de ketters hebben de kerken vernield, de goeden (na-
melijk de Roomschgezinden) hebben het niet verhinderd, derhalve
moeten allen worden opgehangen." Van de Iloomsehgezinden spre-
kende, zegt die sententie, dat zij veinsden Roomsen Katholiek je
zijn, maar dat zij hun eed aan God en den koning verbroken had-
den door den openbaren afval der ketters geen wederstand te heb-
ben geboden, en dat zij dus eveneens als hoofddaders en ketters
beschouwd moesten worden; kortom, allen hadden overtreden, en
dit was juist hetgeen men zocht: het verderf namelijk van alle
ingezetenen des lands, om hen tot slaven en lijfeigenen te maken;
hebbende, volgens de betuiging van den Prins in zijne Apologie ]),
de Spaansche bevelhebbers genoeg te kennen gegeven, dat zulks
in den Spaanschen raad sedert lang besloten was geworden.
Om dit snoode plan te volvoeren, werd de hertog van Alva met
een geducht leger naar de Nederlanden gezonden; een man, wiens
hart, zooals iemand te regt zeide, van eene wreedheid bezeten
was, die niet alleen alle menschelijke, maar de helsche boosheden
zelfs overtrof; een zeer geschikt werktuig dus om de landen tot
het uiterste te onderdrukken, en die den koning dan ook aan-
geraden bad de zegels en bewijzen van \'s lands vrijheden te ver-
nietigen; de handvesten, als regte knibbelbrieven en schandelijke
l) BI. 70.
-ocr page 32-
30
vorsten boe ij en, kweektuinen van morren en muiten, aan flarden
te scheuren; het perkament en was, goed om den brand van
muiterij te stichten, eens vooral in het vuur te werpen; nieuwe
wetten te maken; nieuwe orde te stellen en den veroverden ge-
westen een scherpen breidel in den mond te wringen, en zoo-
doende, zeide Alva, zou het pleit tusschen deu landheer en de
gemeente eens voor goed uitgepleit zijn.
Zulk een man voegde zulk een koning en zulk eene zaak. In
het land gekomen vierde hij dan ook den vollen teugel aan zijne
wreedheid, bloeddorst en heerschzucht; stelde een bloedraad in,
waaronder alles buigen moest en waarvan Vargas voorzitter was,
die, naar het oordeel zijner eigene landgenooten, in toorn, streng-
heid en wreedheid alle denkbeelden te boven ging en om die reden
ook van zijn regtersambt in Spanje ontzet was. De hertog van
Alva verklaarde, dat al de edelen, die het verzoekschrift hadden
geteekend, allen die de daad hadden goedgekeurd en die eenig
gezag uitoefenden, en de predikatiën hadden toegelaten, zicli schul-
dig hadden gemaakt aan misdaad van gekwetste majesteit en der-
halve lijf en goed verbeurd hadden. Hij legt het vonnis des konings
van 16 Februarij 1568, waarbij de Nederlanders moesten gestraft
worden, zonder eenig aanzien van persoon, kunne of ouderdom,
ten uitvoer. Nu nam het hangen, worgen, branden, levend be-
graven, verdrinken, onthoofden, een aanvang; noch aanzienlijken
noch edelen werden verschoond; ook de graven van Egmond en
Hoorn betraden het schavot. Nu werd, volgens verklaring van Prins
Willem in zijne Apologie l), overal het bloed in zulk een overvloed
vergoten, dat men in alle steden des lands het met geheele beeken
langs de straten zag stroomen; en „wie zou," betuigt de Prins2),
„zonder hartzeer en treuren kunnen verhalen al dat verbranden,
ontweldigen van goed, vangen en spannen, al die geleden pijnen
en smarten, zoo menigerlei soorten van afgrijselijke en jammerlijke
dooden, waarmede deze bloedgierige lieden, die in wreedheid de
wreedste dwingelanden der wereld, als Phalaris, Nero, Domitianus
\\) BI. 71.             2) BI. 51.
-ocr page 33-
81*
en anderen te boven gaan, de arme ingezetenen des lands zoo
lang gekweld hebben?" Geen privilegie was tegen den loop der
Spaansche furie bestand. Men had, volgens \'s Prinsen verklaring,
onze oude privilegiën en vrijheden en al wat ons van den luister
onzer voorvaderen was overgebleven, zoo vermetel en hoovaardig
met voelen getreden, alsof wij niet waardig waren voor menschen
gehouden te worden, ja, van ons werd niet meer als van villacos,
maar als van beesten gesproken. De Staten van Holland zeggen
in hun smeekschrift aan den koning van Spanje in 1573, dat
Alva, zonder achtgeven op de door den koning bezworen oude
landsregten en vrijheden, de meeste gouverneurs niet alleen ter
dood gesleept en verbannen had, „maar dat hij in het algemeen
verklaard had alle privilegiën en vrijheden verbeurd te wezen, en
dat het land te houden was, als een land van nieuws veroverd
met wapenen," ten zijnen en zijns aanbangs behoeve, om met des
onderzaten lijf en goed geheel naar willekeur te kunnen handelen.
Het was misdaad van gekwetste majesteit, te durven beweren, dat
de koning aan zijn eed gehouden was, dat hij geen volstrekt heer
was over deze landen, en dat de door Alva ingestelde bloedraad
zich ten minste eenigermate naar de oude handvesten en vrijhe-
den moest regelen.
Het verdient opmerking, dat de Staten van Holland in deze
missive gewagen, dat door dit Spaansche gebroedsel wreedheden
en onderdrukking gepleegd zijn, om door kracht van wreedheid
de uiterste verdrukking te kunnen plegen; want zij betuigen, dat
de Spaanschen zich dikwijls en opentlijk hebben beroemd, dat zij
het land en zijne inwoners zoo lang en veel zouden plagen en
tergen, dat zij tot den opstand zouden genoodzaakt worden, om
zoo doende het geheele land in onderdanigheid te brengen, het van
allen rijkdom te berooven; al hetwelk zij verklaren met bewijzen
te kunnen staven. Lezenswaardig is voorts de beschrijving, die
deze Staten van al die wreedheden geven. Niemand was er, zeg-
gen zij onder anderen, die zijn goed voor de geldgierigheid dei-
Spanjaarden, zijne vrouw en dochters voor hunne onkuischheid,
zijn leven voor hunnen bloeddorst konde vrijwaren; en hoe menig-
-ocr page 34-
32
maal geschiedde het, dat zij, wanneer een man zijne vrouw of
dochter tegen verkrachting wilde verdedigen, als verwoede ondie-
ren onder het onstuimig geroep „Spanje, Spanje!" op de burgers
aanvielen en hen jammerlijk om het leven bragten; hoe zij menige
zwangere vrouw het lijf openscheurden en de ongeboren vrucht
met de moeder vermoorden; eenigen levend vilden, de huid over
hunne trommelen spanden; anderen met klein vuur verbrandden;
met gloeijende tangen doodknepen, en met andere onbeschrijfelijke
en ongehoorde folteringen, levend, honderd doodeu deden sterven.
Hoe vele vrouwen heeft Alva niet van hare echtgenooten, hoe vele
kinderen van hunne ouders gescheurd; menig ligchaam op doen
graven en onder de galg gesleept; menigeen, door den baud des
huwelijks verbonden, tegen alle goddelijke en menschelijke instel-
lingen, gescheiden, onder den dekmantel dat zij allen ketters wa-
ren; maar in waarheid om geene andere reden dan om rijke en
schoone vrouwen ten roof zijner soldaten en trawanten over te
leveren; kortom, zeggen zij, hij heeft alle liefde en eerbied, dien
de eene mensch den anderen verschuldigd is, opentlijk vernietigd,
vermoordende de vrouwen en de kinderen, die hare mannen en
hunne ouders in den uitersten nood met eenige penningen te
hulp kwamen, ja hen door een brief zochten te vertroosten. Welk
volk kon meer gedrukt, meer verdrukt zijn geworden dan het
Nederlandschc volk?
In Maastricht werd een vader gedood, omdat hij zijnen zoon,
dio lang verwijderd was geweest, geherbergd had; een ander,
omdat hij aan eene arme weduwe, wier man om het geloof gedood
was, wat koorn als eene aalmoes gegeven had; weder een ander,
omdat hij aan zijn vriend in Engeland eenig geld toegezonden had.
Voor onschuldigen te spreken, die slechts eens de prediking had-
den bijgewoond, was, zegt Hooft, eene misdaad; ja, getuigt Prins
Willem in zijne Apologie, men behoefde slechts een beeld met
eenige minachting aan te zien om ten vure gedoemd te worden •
ook verklaart Hooft, dat Alva last gegeven had om, wanneer het
heilige sacrament op de openbare straat gedragen werd, op aller
houding, gelaat en woorden acht te geven en al degenen, die
-ocr page 35-
33
eenige oneerbiedigheid lieten blijken, te straffen. En gelijk onder
Pliaraö liet huis Tsraëls ook in zijne kinderen werd vervolgd, zoo
bad deze tyran last gegeven de vroedvrouwen met eeden te doen
belooven om binnen 24 uren al de geboren kinderen aan den priester
van het kerspel aan te geven, om te weten of zij wel in de Roomsen-
Katholieke godsdienst gedoopt waren geworden, waaruit dagelijks
de bloedraad aanleiding nam om eene menigte onschuldigen ter
dood te veroordeelen en met alle wreedheid te folteren; welke
regtbank daarmede zoo roekeloos te werk ging, dat, toen men
de zaak van een der gevangenen zou gaan behandelen, het bleek
dat hij reeds met vele anderen bij vergissing was ter dood gebragt.
In hunne radeloosheid vlugtten dan ook menigten van inwoners
in de bosschen en woeste plaatsen, hun wraak op de bewerkers
van al die jammeren zoekende te koelen, namelijk de priesters
die in al die wreedheden een groot behagen schepten en ze tot
voorwerpen van vermaak en spotternij maakten. Velen, die ten
vure gedoemd werden, deden te midden der vlammen vrijmoedige
belijdenis van de hope, die in hen was; maar om zulks te be-
letten, schroefde men de tong tusschen twee ijzers, waarna men
dezelve met een heet ijzer brandde, zoodat zij opzwol, om hun
alzoo het spreken onmogelijk te maken. Akelig was het hol ge-
luid, dat deze ongelukkigen in de pijnen der vlammen deden hoo-
ren, even als degenen , die door den tyran van Sicilië in den gloeijend
gemaakten koperen os werden geworpen. Zoo bewezen de mar-
telaren des geloofs wat de mensch, die opregt God vreest, zich
getroost, en hoe de wreedheid op zulke geloovigen hare tanden
stomp bijt. Hooft verhaalt, dat Arnoud van Erp, een man van
onbesproken opregtheid en deugd, de vader zijner eerste vrouw,
aan zijne kinderen plagt te verhalen dat, bij het zien van de fol-
teringen van twee aldus gemuilbande martelaren, twee monniken
tegen elkander zeiden: „Hoort! hoe zij zingen: zouden ze ook dan-
Ben?" hetwelk hem, ofschoon nog pas de kinderschoenen ontwassen,
echter zoo hevig in toorn ontsteken deed, dat hij zich ter naau-
wernood kon bedwingen eene handdadigheid tegen den monnik te
bedrijven, en alzoo zichzelven en al de zijnen in een wis verderf
3
-ocr page 36-
;>1
te storten. Kortom, hoe Al va in zijne zesjarige regering jegens
deze landen gehandeld heeft, getuigen zijne eigene woorden, toen
hij zieh beroemde 18,600 mensehen alleen door beulshanden bij
vorm van justitie te hebben doen ombrengen, behalve al degenen
die door zijne bloeddorstige soldaten bij verschillende gelegenhe-
den vermoord werden, b.v. te Antwerpen, Mechelen, Maastricht,
Doornik, Valenciennes, Yperen, Ondenaerde, Aalst, Dendermonde,
Haarlem, Rotterdam, üudewater, Zutphen en Deventer. En nog
was de Spaansche wreedheid en bloeddorst niet verzadigd, maar
durfde een Vargas nog beweren „dat Nederland door onverstan-
dige barmhartigheid verloren ging."
Zoo waren de ongelukkige ingezetenen dezer landen aan den
wreedaard overgeleverd en in den vurigen ijzeren oven der ver-
drukking geworpen. „Zoo lag," om Prins Willems woorden te
bezigen, „dit arm land versmacht en verzonken in een diepen
afgrond van ellende." Ja, de watergolven gingen boven zijn hoofd;
zoo ooit, werd nu in deze landen gehoord eenc „stemme als eener
vrouw, die in barensnood is, de stemme der dochter Sions, die
daar hijgde en hare handen uitbreidde, zeggende, „o wee! want
mijne ziele is moede van wege de doodslager»."
Niet alleen zag Nederland door ondragelijke schattingen, uitput»
ting en openbaar geweld zijn goed aan roofzucht, maar daarbij
ziel en leven aan de tanden van woedende leeuwen en aan de
magt van het hoovaardigstc volk overgegeven. Aller harten be-
zweken van angst en benaauwdheid en men zag vreemden den
voet zetten op den nek der Ncdcrlandschc grooten. Er scheen
geen raad noch magt tot verlossing te zijn, zoodat Alva dan ook
ter bespotting dezer landen, in het prachtige metalen standbeeld,
dat hij in het kasteel van Antwerpen liet oprigten, niet aarzelde
den adel en de Staten des lands, zieli krommende onder zijne
voeten voor te stellen, hiermede niet onduidelijk te kennen ge-
vende, dat hij hen met al hun magt, aanzien, voorregten en pri-
vilegicn zoo had ter nedergeworpen, dat zij zich niet meer tegen
zijn gezag wisten te verheffen. \') En waarlijk, zóó ellendig was
]) Zie de beschrijving van dit standbeeld bij Bor, 4. bock. De Prius zegt daarvan
-ocr page 37-
35
het, naar den inensch gesproken, met deze landen gesteld, dat
alle ingezetenen slaven waren des dwingelands. Al onze sterkten
waren in zijne handen en de voornaamste steden werden door
sterke kasteelen in bedwang gehouden. Onze Gideon, Prins
Willem, verklaarde zonder omwegen, dat hij geen middel zag om
het land van zulk eene ellende te bevrijden. Geen middel zelfs
van verligting! Aan een middel van verlossing was zelfs in de verte
niet te denken, — en zoo verliet de Prins dan ook Nederland
en keerde naar Duitschland terug. Maar hetgeen onmogelijk is
bij de menschen, is mogelijk bij dien grooten God, wien het be-
haagde in onze onmagt zijne sterke en alles overwinnende kracht
te openbaren en, door ons de geringheid onzer middelen te doen
ervaren, zijne algenoegzaamheid, zijne wonderlijke wegen en
zijnen overvloedigen zegen over ons klaarblijkelijk te maken; want
hoezeer Prins Willem, door mededoogen voor zooveel jammer
gedreven, alles voor den lande had opgezet, hoe gering en onbe-
duidend bleef nogtans al wat wij tegen dat magtige Spanje veimogten.
Het geld, zegt men, is de zenuw des oorlogs, en Prins Willem
noemde het „de voorname gesp aan het harnas" Maar er wa3
geen geld meer te bekomen. Bor verhaalt ons, dat hij een brief
van den Prins gelezen heeft, waarin hij onder anderen schrijft:
„Hadden wij nu gereed geld, zoo zouden wij, met Gods hulp, wel
wat goeds hopen uit te rigten; want te oordeelen naar de berigten,
die wij uit alle oorden des lands ontvangen, is het nu de tijd, dat
men met geringe sommen meer zoude kunnen doen, dan op andere
tijden met groote schatten." De Prins verklaarde dan ook in zijne,
door tusschenkomst van Sonoy aan eenige edelen en anderen ge-
dane propositie, dat hij niet alleen geen gelden meer in voorraad
had, maar dat hij daarenboven in groote en zware schulden ter
in zijne Apologie: Hoe zoude men een gewisser en klaarder bewijs kunnen hebben
van zijne onverdragelijke verachting van al deze landen, dan deze opgeblazeue, eer-
gierige, goddelooze, heidensche, mitsgaders ook dwaze oprichting van zijne beeldtenis
of statue, die in het midden van het kasteel van Antwerpen was, zonder schaamte
op het lichaam tredende van de heeren Staten en van het gansehe volk dezer lande;;,
als een gedenkteeken zijner tirauny en getuigenis zijns hoogsmoeds.
3*
-ocr page 38-
36
zake van deze landen vervallen was, zoodat hem slechts de goede
wil overig bleef om lijf en leven ter bevordering der goede zaak
op te zetten. Onder \'s Prinsen daden wordt te regt voor een der
luisterrijkste het beleg en de verovering van Middelburg gehouden,
even als van de wapenfeiten van Maurits, de slag van Nieuwpoort,
en van die van Frederik Hendrik de bemagtiging van Maastricht
de roemrijkste was. Maar juist daur, waar ons aanzien een aan-
vang nemen moest, bragt de Heer onze onmagt aan het licht;
want men wist geen raad om f 14,000 te verkrijgen om dit beleg
voort te zetten, en zag zich genoodzaakt te belooven, het dubbele
dier som terug te geven, wanneer Middelburg zou genomen zijn;
en deze gelden werden nog met veel moeite van bijzondere per-
sonen opgenomen, nadat zij zich eerst uit de brieven der belegerden
omtrent den waren toestand der stad verzekerd hadden. Vroeger
had Prins Willem / 60.000 gevorderd om Bergen in Henegouwen
te ontzetten; maar noch de kooplieden, noch de steden waren,
zegt Van Reyd, in staat hem die som te bezorgen.
Hooft verhaalt ons, dat )0 a 12 Spaanschen, als kooplieden ver-
kleed, den Prins te Leiden hunne genegenheid en mededoogen
over den treurigen toestand des lands zouden hebben komen be-
tuigen, met aanbieding om hem voor ƒ 10,000 in het bezit van
Middelburg te stellen, maar dat hij, geen kans ziende dit geld
bijeen te brengen, dit aanbod van de hand heeft moeten wijzen.
Hoe vele kooplieden zouden thans gemakkelijk deze gelden en
nog vee aanzienlijker kunnen bezorgen, die toen noch door den
Prins, noch door den Staat konden worden gevonden: ja, wat
meer is, men moest om / 1500 te vinden de klokken uit \'s Gra-
venhage laten halen, die men naderhand den Staten nog heeft
moeten kwijtschelden. Naauwelijk3 1500 guldens te kunnen vinden
om eenigc krijgslieden eenigzins te vreden te stellen! \') Waarlijk,
de Heer heeft ons getoond, dat Hem het goud en zilver toe-
behoort, dat Hij
1) Zie Adouibesec vau Focanus, p. 160.
-ocr page 39-
37
„.....stelt waterbeeken,
Tot bar en dorstig land;
Herschept in dorre streken,
Rivieren door zijn hand.
Hij stelt een vruchtbaar oord,
Tot woest\' en zoute gronden;
En straf ze, naar zijn woord,
Die daar zijn wetten schonden."
Want welk land is er in de gansche wereld, dat, naar even-
redigheid zijner uitgestrektheid, in rijkdom en vruchtbaarheid bij
alle andere Staten kan vergeleken worden? Zijn niet onze koop-
lieden grooten der aarde, onze heeren als zoovele koningen? \')
Eertijds welke groote moeijelijkheden om ƒ60,000 te vinden, ter-
wijl in latere tijden onnoemelijke schatten aan zee- en krijgsmagt
ten koste werden gelegd. De oorlogskosten van 1621 werden maan-
delijks op ƒ 794,910-12-5 en voor het geheele jaar op f 9,509,666
Karolus guldens gerekend, welke lasten daarna nog aanmerkelijk
verhoogd werden. Wie bepaalt bet bedrag daarvan in 1629, toen
wij alleen 120,877 man in dienst hadden. 2) Het is, zegt Van
Sande, verwonderlijk van waar al dit geld tot betaling dier krijgs-
magt toevloeide, en dat nog wel bij de groote sommen, die al de
transportkosten te water en te land, de zware langdurige belege-
ringen, omgravingen, verschansingen, geschut eu ammunitie vor-
derden. O, verwonderlijke opkomst van zulk een magteloos volk!
Immers hieruit blijkt, dat onze groote God ons, die van alles ont-
bloot en als weggeworpen ter aarde lagen, met rijkdom en goe-
dereu vervuld beeft, en onze woestijn herschapen heeft in een
Eden, opdat Hij uit al onze vorige onmagt en armoede een te
overvloediger zegen zou doen voortvloeien. Waarom heeft ons
de Heer zoo diep willen vernederen en met smaad overladen?
Was het niet, opdat Hij onzen luister en naam en daardoor den
roem zijner genade te grooter zou maken? Hij „die den geringe
J) Zie den brief van Lipsius bij Bor, in het 22. boek, waarin vele opmerkelijke
zaken, dien tijd betreffende, voorkomen.
2) Zie het Politiek en Militair Handboekje, 1652, bl. 20.
-ocr page 40-
38
•jit het stof verheft, en den nooddrüftige uit den drek verhoogt,
om te doen zitten bij de vorsten, dat hij hun den stoel der eere
doe beërven." 1 Sani. 2:8. Want hoe groot is niet de achting
en eerbied, die wij hebben genoten! Waarlijk, indien eenig land
of volk bij zijne vijanden versmaad en bij zijne vrienden klein
geacht werd, was het zeker ons vaderland. Met zulk eene ver-
achting zagen, zegt Van Sande, onze vijanden op ons neder, dat
Surius, een Spaansch historieschrijver, met de Hollanders over
hunne vermetelheid van zich tegen den magtigsten vorst te durven
verzetten, den spot drijvende, de schimpende vraag deed: „Wat
zullen toch die Hollanders tegen den koning van Spanje durven
doen?"
Aan Alva scheen niets gemakkelijker toe dan zich geheel meester
van deze landen te maken en de ingezetenen door kracht van
wapenen te bedwingen, in den raad des konings verklarende, dat
zoo Z. M. een leger naar Nederland zond, zich daar alles spoedig
door schrik onderwerpen zou. „Een hoop huis- eii handwerks-
iieden, uit stal en winkels opge stom meld, opgeraapt gelijk hunne
wapenen, woest en onwetende van verstand te houden, zullen
oogen noch ooren hebben om het kulderen van eene groc bussen,
om het enteren van een verbant spiessen af te wachten." En toen
Margaretha van Parraa Alva\'s zending ontraadde, tot reden aan-
voerende dat geheel Nederland in rust was, de muitelingen ter
dood gebragt, gevangen of gevlugt waren, en de voornaamste
steden door genoegzame krijgsmagt werden in bedwang gehouden,
en dat de aantogt van zulk een Spaansche krijgsmagt ligtelijk
nieuwe onlusten zoude verwekken, gaf hij haar hoogmoedig ten
antwoord: „Ik heb weleer een volk van ijzer getemd, zou ik dan
geen volk van boter kunnen temmen?" Ja, zoo weinig telde hij
de ingezetenen dezer landen, dat hij niet eens in de steden be-
zetting liet, hebbende slechts, zoo hij meende, met een troep
kooplieden, visschers en schippers te doen, even ongeschikt voor
den oorlog als eene koe voor den dans. Zoo waren wij in de
oogen dezes dwingelands als eenmaal Hiskia met die van Jeru-
zalem in de oogen van Sanherib, die zeide: „wed toch met mijnen
-ocr page 41-
39
heer, den koning van Assyrie; ik zal u twee duizend paarden
geven, zoo gij voor u de ruiters daarop zult kunnen geven. Hoe
zoudt gij dan het aangezigt van een\' eenigen vorst, van de ge-
ringste knechten mijns heeren, afkeeren?" Jes. 36 :\'8, 9. Ja,
wij werden door onze vijanden voor niet andera gehouden dan
slechts voor een troep beesten, goed ter slagting.
En met welk oog zagen onze vrienden en bondgenooten op ons
neder, die uit naijver tegen Spanje onzen voorspoed met welge-
vallen aanschouwden! In 1573 durfde Elisabeth, koningin van
Engeland, onzen gezanten niet dan \'s nachts en in het ge-
heiui gehoor verleenen. In 1585 werden onze gezanten naar den
koning van Frankrijk gezonden, om hem het bestuur dezer landen
aan te bieden; doch hij weigerde hen ten gehoore toe te laten, ja
zelfs binnen de muren van Parijs te gedogen, maar liet hun door
zijnen secretaris Brnlart zijn antwoord aanzeggen. Met meerder
minachting een volk te bejegenen, was wel niet mogelijk; zelfs
de Lap- en Finlander, ja de geringste natiën vinden het oor van
koningen en keizers gereed om hunne afgezanten te hooren; eu
te regt wordt eene dergelijke weigering in de staatkunde voor eene
grove beleediging en een blijk van diepe verachting gehouden. Het
werd Hannibal-door een Karthagenienser als eene zware grief toe-
gerekend, dat hij de afgezanten der bondgenooten niet vergunde
tot hem in zijne legerplaats te naderen, omdat hij hierdoor het
volkenregt verkrachtte; — hoeveel meer onregt werd ons dan
niet aangedaan, daar de onzen niet als bondgenooten kwamen han-
delen, maar het bestuur van hun eigen land met onderdanigheid
kwamen aanbieden. Eu te meer was zulks in den koning van Frank-
rijk wegens den naijver, die tusschen dat rijk en Spanje bestond,
te verwonderen. Maar al die smaad was nog niets in vergelijking
van den overmoed, de verguizing en onmcnschelijkheid, die onze
gezanten van wege Spanjo zelve te ondervinden hadden. Toen in
1566 de markgraaf van Bergen en de heer van Montiguy van wege
deze landen naar dat rijk gezonden waren, heeft men hen met
geveinsde betooning van welwillendheid en genegenheid ontvangen,
maar daarna, zooals zulks althans algemeen hier te lande geloofd
-ocr page 42-
40
wordt, den ecu laten onthoofden en den ander door vergif het
leven doen benemen; veel snooder handelende dan de Ammonie-
ten met de gezanten van koning David. Ofsehoon zij slcehts smaad-
heid ondervonden en hun voorts geen leed geschiedde, heeft nog-
tans de Heer deze beschimping niet ongestraft gelaten, 2 Satn. 10.
Bij de Romeinen werd het regt der gezantschappen, volgens het
getuigenis van Cicero, voor heilig en onschendbaar gehouden.
Alexander de Groote, Tyrus beinagtigd hebbende, spaarde de ge-
zanten van Karthago, die gekomen waren om die stad tegen hem
aan te moedigen; en schoon de gezanten van Tarquinius te Rome
zich aan verraad hadden schuldig gemaakt, zoo heeft men ze nog-
tans niet als vijanden willen behandelen en het regt der volken
geëerbiedigd. Maar Philips II heeft dit heilig volkenregt, zooals
de Staten-Generaal aan den gezant van Polen in 1597 vcrklaar-
dcn, schandelijk verkracht en verbroken.
Werd Nederland alzoo ten diepste vernederd — het werd ook
ten hoogste verheerlijkt, en op ons land kunnen teregt de profe-
tisehe woorden worden toegepast: „Ik zal de uitgestooteuen ver-
zamelen, en Ik zal ze stellen tot cenen lof en tot een naam in
het gansene land, waar zij beschaamd zijn geweest;" Zef. 3: 19.
Want niet alleen heeft het den Heer behaagd onze gezanten in
achting met die van andere volken en natiën \') gelijk te stellen,
maar Hij heeft hen zelfs bij de hoven der magtigste vorsten bui-
tengewone eer doen wedervaren, terwijl van allerwege vreemde
afgezanten naar dat vroeger verachte Nederland gezonden worden -).
Immers in 1642 bevonden zich te \'s Hage Francisco d\'Audrado,
gezant van Portugal; Cressy, van wegc Frankrijk; Thomas Roo,
van wege Duitschland; Stricklandt, van wegc Engeland; en van
1609 tot 1630 hadden meer dan 200 gezanten van verschillende
rijken en vorstendommen den Staat bezocht; ja zelfs dat hoog-
moedigc Spanje zag zich genoodzaakt zijne afgevaardigden naar
1)  Zie Baudartius Mcmorien, 4. boek, op 1612.
2)  Montanus, leveu vau Fredcrik Hendrik; Esncstus Brink, in de voorrede vaa
i\'.jnen Atlas.
-ocr page 43-
41
dat eenmaal door haar zoo verguisde land te zenden, om eerst een
bestand, daarna den vrede als het ware af te smeeken. En hoe de
onzen bij den vredehandel van Munster ontvangen, geëerd en ge-
vleid, en hoe zij als middelaars in staatkundige geschillen aange-
zoeht werden, is uit onze geschiedenis genoegzaam bekend. Wie
ziet niet hierin de hand des Heeren, die onze vijanden zoo diep
vernederd en ons zoozeer verhoogd heeft. „Ziet hier de versma-
den, ziet hier de knechten dergenen, die heerschten, verhoogd, ja
zeer hoog verheven, zoodat ook de mond der koningen over hen
gesloten is, en de vorsten zich voor hen nederbuigen, en dat gelijk
velen zich over ons ontzet hebben, zoo verdorven was ons gelaat
en onze gedaante meer dan van een der menschenkinderen, even
zoo hebben zij zich over onze magt en aanzien moeten verbazen;
en ons aangezigt met geschenken moeten smeeken. Want onze
naam is uitgegaan door de geheele wereld wegens onze schoonheid,
welke volkomen is geweest door de heerlijkheid, die de Heer
op ons gelegd heeft." Waarlijk dit alles overdenkende, zou de
nakomelingschap naauwelijks kunnen gelooven, uit welke geringe
beginselen deze Staat ontstaan is \').
Wanneer men bedenkt, hoe de vorsten er steeds op uit zijn
hunne magt en heerschappij uit te breiden, zooals dit hun streven
uit bijna al hunne deviesen blijkt 3), dan moet het ons zeker ver-
wonderen, waarom het aanbod in 1573 en 15S5 aan Engeland en
in 1585 aan Frankrijk gedaan, om het gebied over deze landen te
voeren, zoo smadelijk werd afgewezen, en ofschoon Prins Willem
plag te zeggen, dat het Nederland aan geen vrijers zou ontbre-
ken, werd toen evenwel de Nederlaudsche Maagd, zich zelve aan -
biedende, met minachting voor de derde maal door Engeland ver-
worpen. De oorzaak daarvan moet aan de eene zijde in onzen
jammerlijken toestand, aan den anderen kant in de geduchte magt
1)  Zie Kivetus, t. 2, p. 844; Vossius ia zijne Latijnsche voorrede voor E. van Reyd.
2)  Keizer Karel V voerde het devies: plus ultra; anderen, onder eene wassende
maan: het lionec lolum compleat orbem; terwijl ouder het wapenteeken van dea
koning van Spanje het: Units non sufflcit orbis, dat is: „ééne wereld is mij niet
genoeg," (doelende op de oude en de nieuwe wereld) geschreven stond.
-ocr page 44-
42
van den koning van Spanje gezocht worden. Had de Koning der
koningen ook alzoo met ons gehandeld, het zou reeds lang met
Nederland gedaan zijn geweest; doch de Heer zeide ook tot ons,
even als Hij eenmaal tot Israël sprak: „Geen oog had medelijden
over n. om u een van deze dingen te doen, om zich over u te
erbarmen; maar gij zijt geworpen geweest op het vlakke des velds,
om de walgelijkheid van uwe ziele, ten dage toen gij geboren waart.
Als ik u voorbijging, zoo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed ,
en Ik zeide tot u in uw bloed: Leef, ja Ik zeide tot u, in uw
bloed: Leef!" Ezech. 16:5, 6. Als alle meuschelijke hulp faalt,
snelt God ter hulpe, en als de tichelsteenen verdubbeld worden,
is Hij het die verlossing zendt. En het: „Op den berg des Hee-
ren zal \'t voorzien worden," is jegens Nederland ten volle vervuld
geworden.
Ons vaderland toch was in zulk een treurigen toestand en in
zulk een afgrond van ellende gestort, dat het onmogelijk, in weer-
wil van de wanhopige en stoutste pogingen, zich zelf redden kon.
Indien iemand, was het zeker de Prins van Oranje, wiens wijs-
heid, buitengewone kloekmoedigheid, onwankelbare trouw zelfs
door vijanden met regt verheven werd; wiens opgeruimd gelaat
genoeg was om zelfs in de benaauwdste tijden de Staten met moed
en vertrouwen te bezielen; die, getrouw aan zijn devies: saevis
tranquillus in undis,
als eene rots onbewegelijk stond te midden
der woedende baren; — indien, zeg ik, den Vader des Vader-
lands, — zoo fel waren de stormwinden, zoo ontzettend de water-
golven, die tegen het schip van den Staat aansloegen, —de moed
ontviel en hij zelf ten einde raad was, en de blik op het zinkend
schip geslagen, het voorstel deed om met vrouw en kind en al
wie de vrijheid lief had, met al de tilbare have het land te ver-
laten, alle dijken en dammen door te steken, de molens te ver-
branden, en het land onder water te zetten, en voorts, even als
de volksstammen van vroegere tijden, een ander land te gaan op-
zoeken, waar men buiten slavernij van ligchaam en ziel zou kunnen
leven, — hoe moet dan niet de toestand van Nederland boven alle
beschrijving, menschelijker wijze gesproken, als hulp- en redde-
-ocr page 45-
43
loos verloren beschouwd zijn geworden? De voorslag geschiedde,
toen door de verovering van Haarlem alle gemeenschap tusschen
Noord- en Zuid Holland, en door de bemagtiging van Zierikzee,
die tusschen Holland en Zeeland verbroken was. Hoorén wij, wat
een onzer geachtste historieschrijvers daarvan meldt. „Men mag
niet ontkennen," zegt Bor, „dat Holland en Zeeland zoo heftig aan-
gevochten zijn, dat zij in den grootsten nood waren, waarin zij
nog ooit zijn geweest. En hoewel de Prins van Oranje een van
de wijsste, kloekste, en voorzigtigste vorsten van zijn tijd is ge-
weest, zeer moedig van inborst, zoo was hij nogtans zoozeer over
de zaken bekommerd, dat hij naauwelijks wist wat men best voor-
nemen zoude." Bor verhaalt uit den mond van een geloofwaardig
regent vernomen te hebben, dat de Prins, onmiddellijk na of even
vóór het verlies van Zierikzee, ziende, dat de koningin van En-
geland de souvereiniteit van Holland en Zeeland weigerde of wei-
ligt uit vrees voor Spanje niet durfde aanvaarden; geen raad
wetende om de oorlogskosten te vinden, daar het platte land in
het grootste gedeelte van Holland ongebruikt lag — ten laatste het
bovengemelde redmiddel voorgeslagen heeft, ten einde niet onder
de eeuwigdurende slavernij van Spanje en Rome te geraken.
Maar hoe: gij, Prins Willem, gij, held des Heeren, gij, Vader
des Vaderlands, geeft gij den moed verloren, nu het uur geslagen
heeft voor den Heer om zijne groote magt en zijn uitgestrekten
arm te toonen ? Weet uw zoo vernuftig brein geen hulp of raad, —
voor Gods oneindige wijsheid en oneindige magt is immers niets
te wonderlijk! Wordt uw hart nedergebogen in u, omdat de
koningin van Engeland de souvereiniteit dezer landen weigert, —
bedenk dat de Heer der heeren die souvereiniteit vrij willig op
zich genomen heeft. Hebt gij vergeten, wat gij eenmaal betuigdet,
dat gij een vast verbond met Hem gemaakt hadt, en dat gij u
verzekerd hieldt, dat al die op Hem vertrouwen, door zijn gewel-
digen en magtigen arm zullen verlost worden, in spijt van al uwe
en \'s Heeren vijanden ? Spreekt gij van het land te verlaten ? Zie,
eerlang zullen zij, die u nu benaauwen, uit dat land verdreven
worden en, „die u verslonden, zullen zich verre maken, en uwe
-ocr page 46-
44
verwoesters zullen van u uitgaan." Gij wilt het land tot eeu moeras
maken; maar God wil het van die ure af in een lusthof herschep-
pen, „want de Heer zal Sion troosten, Hij zal troosten al hare
verwoeste plaatsen." Gij wilt andere landen metterwoon gaan op-
zoeken; maar weet dat het land, dat gij verlaten wilt, nog een-
maal eene schuilplaats voor andere natiën, en vooral voor hen,
die men om der godsdienstwille vervolgt, worden zal. „Gij zult
u met alle deze als met een sieraad beklecden, en gij zult ze u
aanbinden als eene bruid." Zoudt gij de beste goederen van hier
willen laten vervoeren naar verre verwijderde landen? Maar ziet,
weldra zullen van de uiterste einden der aarde de rijkste voort-
brengselen dezen landen allcrwege toestroomen, „de arbeid der
Egyptenaren en de koophandel der Mooren en der Sabeërs zullen
tot u overkomen; ja zelfs de roof en de schatten uwer vijanden.
„Dat zullen de inwoners zien en te zamen vloeijen, en hun harte
zal verwijd worden; want de menigte der zee zal tot u gekeerd
worden, het leger der Heidenen zal tot u komen, en zij zullen
den overvloedigen lof des Hceren (die Israëls overwinning is) bood-
schappen. Dat besluit is in den raad der Heiligen." De Heer
heeft het in zijnen raad voorgenomen en Hij zal liet doen, en niets
zal zijn raadslag verhinderen. Gij erkent immers, dat de opstand
dezer landen gekomen is om der godsdienstwille, een werk Gods
en niet een werk der menschen? Hoe! meent gij, dat de Heer
Christus zijne zaak zal verlaten, om zijne tegenstanders, naar wei-
gevallen heerschappij te laten voeren? Neen, driewerf neen!
„maar zij zullen beschaamd worden allen, die tegen Hem ontsto-
ken zijn. De Heer heeft lang gezien, dat Nederlands ellende zeer
bitter is, en dat er geeue opgeslotenen noch verlatenen zijn, en
dat Nederland geen helper heeft; ook heeft Hij niet gezegd onzen
naam van onder den hemel te willen verderven." Er is eenmaal
bloed genoeg vergoten. „De strijd van des Heeren volk is vervuld.
Waak op, waak op, sta op, Nederland, die gedronken hebt van
de hand des Heeren den beker zijner grimmigheid; den droesem
des bekers der zwijmelïng hebt gij gedronken, ja uitgezogen. God
heeft u in zijne verbolgenheid geslagen, maar in zijn welbehagen
-ocr page 47-
45
heeft Hij zich over u ontfermd. Alzoo zegt de Heer, de Heer
uw God. die zijns volks zaak twisten zal: ziet, Ik neem den beker
der zwijmeling van uwe hand, den droesem des bekers mijner
grimmigheid, en Ik zal hem dien, die u bedroefd heeft, in de
hand zetten, die tot uwe ziele zeide: buk u neder dat wij over u
gaan. En gij legt uwen rug neder als aarde, en als een straat
dengenen die daarover gaan.*\' Nu, ja nu zullen uwe oogen het
heil des Heeren aanschouwen en den arm zijner magt; „want gelijk
de Heer gewaakt heeft om uit te rukken en af te breken, en te
verstoren, en te verderven, en kwaad te doen, alzoo zal Hij over
u waken om te bouwen en te planten, en des Heeren knechten
zullen in Sion wonen. Zelfs in de duistere plaatsen des lands,
die nu vol woningen zijn van geweld en schrikkelijke afgoderij,
zal eene stem gehoord worden, roepende: maakt u op, en laat ons
opgaan naar Sion, tot den Heer onzen God. Want ziet uw God
zal ter wrake komen met de vergelding Gods; Hij zal komen en
u verlossen. Ja, nu zal de Heer geregtigheid aantrekken als een
pantsier, en den helm des heils op het hoofd zetten; de kleederen
der wrake zal Hij aantrekken tot kleeding, en den ijver zal Hij
aandoen als een mantel, om vergelding te doen aan zijne vijan-
den en Sions twistzaak te twisten, om de wraak des tempels te
wreken; zoodat dit land uwe vijanden verslinden zal, en die u
opeten, zullen opgegeten worden, en die u berooven, zullen ter
berooving ziju, en die u plunderen, zullen ter plundering worden
overgegeven. En de gansche aarde zal weten, dat Nederland een ,
God heeft: ook zal de vergadering der volken weten, dat de Heer
niet door zwaard en spies verlost; want de krijg is des Heeren; die
zal uwe vijanden in uwe hand besluiten, en uwe vervolgers met
hun eigen bloed dronken maken als met zoeten wijn; want onzes Ver-
lossers naam is Heer der heirscharen, de heilige Israëls, de magtige
Jakobs.\'\' Hij is een eeuwige rotssteen, waarop men vertrouwen mag.
„De Heer is God; erkent dat Hij
Ons heeft gemaakt (en geenszius wij)
Tot schapen, die Hij voedt en weidt,
Een rolk, tot zijnen dienst bereid."
-ocr page 48-
46
„Gast tot zijn poorten in met lof,
Met lofzang in zijn heilig hof;
Looft Hem aldaar met hart en stem;
Prijst zijnen naam; verheerlijkt Hem."
„Want goedertieren is de Heer;
Zijn goedheid eindigt nimmermeer;
Zijn trouw en waarheid houdt haar kracht,
Tot in het laatste nageslacht."
„Ziet," zegt ons Bor „den gevaarvollen nood eii de zware be-
naauwdheid, waarin liet land destijds verkeerde." „Ik verhaal dit,"
vervolgt hij, „daarom, opdat onze nakomelingen zouden weten,
dat wij ons niet hebben te beroemen, van door onze oi\' onzer
vaderen wijsheid en kloekheid zulk een magtigen vorst zoo lange
jaren wederstand te hebben geboden, en tot die welvaart, die wij,
Gode zij eeuwig lof! nu genieten, geraakt te zijn; maar dat God
Almagtig daarvan alleen prijs, lof en eere toekomt, die ons ge-
holpen, bijgestaan, beschermd en verlost heeft, toen alle inen-
schelijke hulp faalde en er geen hoop op eeuige uitkomst scheen
te bestaan; dat God deze landen altoos in den bittersten en uiter-
sten nood uit hunne groote zwarigheid, als menschelijkc hulp te
kort schoot, verlost en geholpen heeft; maar dat ook, wanneer
■wij ons op menschelijke hulp en magt en onze sterkste legei-
benden verlieten, wij alsdan het minst hebben kunnen uitrigten.
opdat het waarachtig blijve hetgeen ik zeidc, dat Gode alleen de
lof en prijs toekomt onzer verlossing, voorspoed en welvaren."
En waarlijk, niets komt ons merkwaardiger voor dan dan hetgeen
met Nederland geschied is, en zoo iets in staat is om ons gemoed
met bewondering, liefde eii dankbaarheid jegens God te vervullen,
is het wel de wonderdadige weg, langs welken ons de Heer tot
dien trap van aanzien en bloei uit zulk een diepe ellende geleid
heeft. In Nederland is volkomen vervuld geworden, wat David
van zich zelven betuigde: „Als ik wandel in het midden der be-
naauwdheid, maakt Gij mij levend; uwe hand strekt Gij uit tegeu
den toorn mijner vijanden, en uwe regterhand behoudt mij. De
Heer zal het voor mij voleinden." Psalm 138:7, 8.
-ocr page 49-
47
„Zij hadden mij omringd als bijen.
Maar zijn als doornenvuur vergaan;
\'k Mogt hen in \'s Heeren kracht bestrijdeu,
Ia \'s Heeren naam hen gansoh verslaan.
Gij hadt m\', o vijand\', hard gestooten,
Tot vallens toe mij onderdrukt:
De Heer bewaart zijn gunstgenooteu;
De Heer heeft zelf mij uitgerukt."
„De Heer is mij tot hulp en sterkte;
Hij is mijn lied, mijn psalmgezang;
Hij was het, die mijn heil bewerkte,
Dies loof ik Hem mijn leven lang.
Men hoort der vromen tent weergalmen
Van hulp en heil, ons aangebragt;
Daar zingt men blij, met dankbre psalmen:
Gods rechterhand doet groote kracht "
„Want in ons was geene kracht tegen deze groote menigte,
die tegen ons kwam, en wij wisten niet, wat wij doen zouden;
maar onze oogen waren op U." 2 Kron. 20: 12.
„Indien de Heer, die ons heeft bijgestaan,
Toen \'s vijands heer en aauval werd gevreesd,
Niet had gered, wij waren lang vergaan.\'\'
„Dan hadden zij ons levendig vernield,
Hun heete toorn had ons gewis ontzield,
Bedolven in een\' diepen jammervloed;
Dan had een stroom, dien niemand tegenhield,
Ons ganseh versmoord, had God het niet verhoed.\'\'
, Dan had geen mensch naar onze klagt gehoord,
\' Dan had een zee van rampeu ons versmoord.
Geloofd zij dies de Heer, die redt van \'t graf,
Die ons, schoon wreed vervolgd van oord tot oord,
Tot eenen roof niet in hun tanden gaf."
Konden onze voorvaderen, die voor ons dien bloedigen kamp
streden, thans de hoofden uit hunne graven opheffen, hoe zouden
zij, vol van bewondering, lof en aanbidding, de groote daden des
Heeren jegens ons land vermelden en met David uitroepen:
„Looft, looft, verheugd, den Heer der heeren!
Aanbidt zijn\' naam en wilt Hem eereu.
-ocr page 50-
48
Doet zijne glorierijke dnên
Alom de volkeren verstaan,
Ku spreekt, met aandacht en ontzag,
Van zijne wond\'ren, dag aan dag."
Hoe zouden zij ons, hunne nakomelingschap, bezweren:
„Vraagt naar den Heer en zijne Bterkte;
Naar Hem, die al uw heil bewerkte:
Zoekt dagelijks zijn aangezigt.
Gedenkt aan \'t geen Hij heeft verrigt,
Aan zijn doorluchte wouderdaên;
En wilt zijn straffen gadeslaan."
Ons is het weggelegd de heerlijkste uitkomsten te aanschouwen
van al wat de sterke arm des Heeren voor ons gedaan heeft; en
zouden wij Hem dan niet met den Psalmist lofziugen:
„Looft, looft, met waar\' erkentenis,
Zijn\' naam, die hoog verheven is;
Dewijl zijn wondre majesteit
Door aard en hemel is verspreid.
Hij wou den hoorn, zoo vol vermogen,
Den roem van Nederland verhoogen;
Dat woont bij Hem, \'t heeft zingens stof,
Looft God! zingt eeuwig \'s Heeren lof!"
Den toestand onzer vaderen met den staat dezer landen in vol-
gende tijden vergelijkende, kunnen wij in waarheid zeggen uit
een diepen afgrond met kracht te zijn getogen en op eene heer-
lijke hoogte te zijn gesteld. Op onze vaderen viel de hitte der
verdrukking, maar op ons is de verkwikkende lommerkoelte neder-
gedaald. Zij zwoegden in den storm, wij dobberen op de kalme
baren. Zij zagen hunne steden en sterkten belegerd, bestormd,
veroverd, geplunderd, door vuur en zwaard vernield en in puin-
hoopen veranderd, het platte land verwoest, de inwoners verdrukt,
gemarteld, soms op de wreedaardigste wijze ter dood gefolterd,
het gansche land zich badende in bloed, staande in vuur en rook-
damp. En wij? wij zien diezelfde steden verlost van den vijand,
bevrijd van geweld, velen daarvan in grooter luister en omvang
-ocr page 51-
49
herrezen, nedergeworpen muren opgerigt, hare torens en wallen
herbouwd en uitgebreid, hare inwoners gezegend, en in het
gansche land zien wij vrede, nering en welvaart heersenen.
Onze vaderen beleefden tijden, waarin al de dammen van men-
schelijkheid en welwillendheid waren doorgebroken, en het ge-
heele land stroomde van menschenbloed, vloeijende in steden en
dorpen, langs straten en wegen; tijden, waarin de vrije uitoefening
der ware godsdienst op straffe des doods verboden was, de hand-
vesten en privilegiën met voeten getreden, \'s lands Staten als \'t
ware gemuilband, en geheel Nederland als in een algemeenen
kerker, schavot en moordtooneel scheen herschapen te zijn. En
wij? Wij beleven tijden, waarin wij den staatsvorm gegrondvest,
de wetten in kracht, de regenten in achting, den Staat in vrij-
heid, de Kerk in luister, het licht der ware godsdienst op den
kandelaar geplaatst zien; tijden, waarin wij de gemeente openlijk
en vrijelijk bij duizenden naar \'s Heeren huis zien opgaan, terwijl
alle provinciën, als zoovele ware lustpriëelen, vervuld worden met
alle geestelijke en stoffelijke weldaden des Hemels. Het is een
vaste regel in het heerlijk bestuur van onzen God, dat Hij degenen ,
aan wie Hij groote weldaden en zegeningen schenken wil, eerst
in groote ellende en vertwijfeling brengt, en hen die Hij als ten
hemel wil verhoogen en in eene overvloedige verversching voeren,
eerst door water en vuur laat gaan; dat Hij degenen, die Hij
besloten heeft tot eene heerlijke vrijheid te verheffen, soms eerst
de uiterste verdrukking doet lijden.
Toen het door God bepaalde tijdstip van redding voor het volk
Israëls aangebroken was, maakte Hij Egypte tot een ijzeren oven
voor hen; toen Hij hun een eigen bestuur geven en tot een vrij
volk en heerlijk koningrijk verheffen wilde, liet Hij hen eerst eene
ongehoorde slavernij en ondragelijke dienstbaarheid ondergaan;
toen Hij wrake van hunne vijanden nemen en over hen zegening
op zegening uitstorten wilde, liet Hij hun eerst ellende op ellende
ondervinden. Eerst moest Israël wanhopend God om hulp schreeu-
wen, eer de Heere hen in diezelfde rivier, waarin de kinderen
werden gesmoord, een verlosser in het leven behield.
4
-ocr page 52-
50
Evenzoo handelde de Heer ten tijde der wreede vervolgingen
der Christenen onder de heidensehe keizers, toen Hij zijn volk
als door eone roode zee van ellende tot eene gewenschte haven
van rust en vrijheid wilde leiden. De geschiedenis der Kerk ver-
haalt ons dat de vervolging der Christenen onder keizer Diocle-
tianus zoo hevig was, dat het scheen, alsof de christelijke naam uit
de wereld verdwenen was. Zijne munt droeg tot omschrift: „Den
naam der christenen verdelgd hebbende, die de republiek beroer-
den." De vervolging duurde niet minder hevig voort ond§r Ga-
lerius in het Oosten, onder Maximinus in Afrika, onder Maxentius
in het Westen. Met hunnen dood nam de vervolging en tevens
het Heidendom een einde, en de christelijke Kerk, na door den
eersten christelijken keizer Constautinus de Groote uit de dienst-
baarheld verlost te zijn, zegevierde over de heidensehe afgoden-
dienst, en het rijk van Christus had het rijk des duivels over-
wonnen. Vóórdat de Heere in Duitschland onder Keizer Ferdinand,
door het verdrag van Passau, het Protestantisme in vrede liet
bloeijen, moesten eerst de stad Maagdenburg en de protestantsche
vorsten voor het geweld van Keizer Karel V bukken. Eer de
voor de Hervormde Kerk gezegende tijden onder de regering van
koningin Elisabeth voor Engeland aanbraken, liet de Heere in
datzelfde rijk den storm der vervolging onder de koningin Maria
Stuart zóó hevig woeden, dat men daar te lande, zooals iemand
te regt zegt, om de houten en steenen beelden op te rigten, de
levende beelden verbranden deed. Er is, zoo wordt in het Martelaars-
boek gezegd, geen land waar Rome, sedert den tijd der apostelen,
meer christelijk bloed vergoten en meer wreedheid gepleegd
heeft, dan in Engeland \'). Maar ziet, toen de zonne der gods-
dienst ten ondergang scheen te neigen, liet God haar tot blijdschap
van allen, die Sion liefhebben, heerlijk aan de kimmen verrijzen.
Merkwaardig is vooral de overeenkomst van Zwitserland\'s ver-
1) Om liet geloof werden o. a. ten vure gedoemd: Roeland Taylor, Jan Bradfort,
Joliau Hopperus, bisschop van Gloeester, Nïcolaas Ridiey, bisschop van Londen,
Hugo Latimer, bisschop van Worchester, Thomas Cranmerus, bisschop van Cantel-
berg.
-ocr page 53-
51
lossing met die van Nederland uit de slavernij van het huis vau
Oostenrijk. „Aan beide zijden van Duitschland zijn, merkte zeker
staatsman met veel juistheid op, twee groote republieken ontstaan,
de Zwitsersche en de Nederlandsclie, die zoowel wegens nationalen
moed als door hare gunstige natuurlijke ligging zoo geducht werden,
dat men ze de beide armen van Duit3chland kon noemen." De
eene ligt onder steenrotsen en steilten, de andere tusschen zeeën
en moerassen; de eene heerscht over de bergen, de andere over
de zee. De geaardheid dier beide volken heeft zooveel overeen-
komst met het land, dat zij bewonen, dat even als de Zwitsers
Bchijnen geboren te zijn om do bergen te bewonen, en de bergen
om hen te voeden, zoo ook de Nederlanders ten aanzien der zeeën.
In Zwitserland is een dorp een republiek; in Nederland elke
provincie. De Zwitsers verkoopen de vrijheid hunner ligchamen aan
anderen, bewarende voor zich de vrijheid des vaderlands; maar de
Hollanders bewaren de vrijheid van beiden geheel en ongeschonden \').
Uit al het bovenaangevoerde is dus genoegzaam deze waarheid
aangetoond, dat de Heere gewoon is hem ten hoogste te verheffen
dien Hij het meest heeft vernederd; dat Hij het land, hetwelk Hij
met overvloedige watertogten wil bevochtigen, eerst laat uitdroogen.
Immers Nederland is een treffend voorbeeld geweest, hoe Hij
het eerst tot eene woestijn maakte, om het daarna in een lusthof
en een Eden te herscheppen; hoe Hij ons eerst in een poel van
jammer en ellende liet wegzinken, „om ons daarna te verheffen en
te stellen tot lof, en tot eenen naam en tot heerlijkheid." (Deut.
XXVI: 19). En onze vaderen konden den treurigen toestand,
waarin ons vaderland toen verkeerde, niet beter voorstellen dan
door op hunne munt te laten stempelen een onttakeld schip,
dat door de zee heen en weder geslingerd en bijna door de on-
stuimige baren verzwolgen word, met het randschrift: Incedum
quo fata ferent,
dat is: „Wij weten niet w&ar wij zuilen belan-
den 2)." En hoe de wonderwerken des Heeren het hart der va-
1)  De Rohan. de jure piïncip. et statmim reipub. christianae pars 1. diacurs. 6.
2)  Zie Boxhorn, Historie vau Zeeland, bl. 120.
4*
-ocr page 54-
52
deren getroffen hebben, zeggen ons de treffende dichtregelen van
Marnix van Aldegonde.
„Ja, toen het bijna scheen dat golven endc baren
Hun verre boven \'t hoofd onstuimig zouden varen,
En hebben t\'al gelijk verslonden in den grond,
Zoo heeft ze \'s Heeren hand verlost ter zelver stond.
O grondelooze raad! o hooge wonderdaden!
O wijs en diep gerigt»! o schatten der genade!
Wie zoude toch uw werk, de spoor van uwe baan
Doorgronden kunnen, Heer! of weerdloos overslaan ?" *j
En waarlijk, werd Israël vermaand zijne verlossing uit de Egyp-
tisehe slavernij in gedurige gedachtenis te houden, orn de groote
weldaden des Heeren bestendig te loven, hunnen God lief te
hebben, zijne wonderen hunnen kinderen en kindskinderen te ver-
tellen, de Vereenigde Provinciën hebben daartoe zeker wel dubbele
verpligting, daar de Heere in den grootsten nood op hen zoo ge-
nadig heeft nedergezien, hen wonderdadig ten aanschouwe der
geheele wereld verlossende uit eene niet alleen stoffelijke, maar
ook geestelijke slavernij, op een tijdstip toen alle uitzigt op red-
ding ten eenemale scheen verloren te zijn. Niet dat ik het onder-
nemen zal, om al wat in \'s Heeren daden met Nederland zoo
merkelijk is, of hetgeen ik vlugtig onder de aandacht mijner
lezers wensch te brengen, met alle mogelijke voorbeelden uit
onze geschiedenis toe te lichten; zulk een arbeid zou mijne
krachten verre te boven gaan, en volgaarne erken ik niet alle
schrijvers, die onze geschiedenis te boek stelden, te hebben ge-
raadpleegd. Ik zal er mij slechts toe bepalen daarvan eene
proeve te geven ; welligt worden anderen, bekwamer dan ik, hier-
door opgewekt, deze stoffe beter en uitvoeriger te behandelen.
HOOFDSTUK III.
Een van de middelen, welke in den raad Gods hebben gediend
1) Zie deze dichtregelen in de poëtische voorrede van het door hem in 1591 te
Middelburg uitgegeven Psalmboek.
-ocr page 55-
53
om de republiek der Nederlanden tot zulk een hoogen trap van
bloei en aanzien te verheffen, was om degenen, aan wie het
beleid der algemeene zaken werd toevertrouwd, met een geest
van wijsheid en ongewone kloekmoedigheid, ja, met waren leeu-
wenmoed te bezielen. De voorslag van Prins Willem van Oranje,
waarvan wij boven gewag maakten, om het vaderland te verlaten,
kan geenszins aan gebrek van moed worden toegeschreven, maar
slechts aan eene oogenblikkelijke vertwijfeling, waaraan zelfs do
vastberadenste gemoederen onderhevig zijn, wanneer de uiterste
inspanning van menschelijke krachten niets meer heeft kunnen
doen. Het was, alsof de Heere een diepen indruk van men-
schelijk onvermogen heeft willen geven aan al degenen, die
alleen uit \'s Prinsen moed nieuwen moed ontleenden; opdat zij,
den Prins zelven door den onvermijdelijken jammer en ellende des
lands als overwonnen ziende, den lof des Heeren te grooter zouden
maken; ja, Hem alleen, zooals Bor zegt, de eer van alles zouden
geven. Maar, behalve in die oogenblikken van radeloosheid heeft
Hij doorgaans de harten der vaderen met groote onversaagdheid
aangegord, zoodat onze regenten zelfs in de tijden der grootsto
benaauwdheid een onverwinnelijken moed hebben aan den dag
gelegd. „Laat men" zegt van Reyd, „de geschiedenis aller vol-
ken doorloopen , ieder zal nogtans moeten erkennen dat het zonder
voorbeeld is, dat zulk een klein land het juk van zulk een magtig
vorst, als de koning van Spanje was, met zulk een moed en stand-
vastigheid heeft afgeworpen; zoodat alle volken der Christenheid,
zelfs Turken en Russen, de aandacht op de wapenfeiten der Ne-
derlanden gevestigd hielden, met belangstelling uitziende, welk een
einde die gewigtige strijd nemen zoude." En geen wonder, want
deze strijd was een strijd tusschen de vlieg en den olifant, tus-
schen het lam en den leeuw, tusschen het kind en den reus, waar-
van, naar allen schijn, geen andere uitkomst te verwachten was
dan de grootste ellende, tirannie en slavernij over de ingezetenen
dezer landen. „Wat zullen" vroeg immers spottend de Spaanscho
historieschrijver Surius, sprekende over hunne in zijn oog onge-
gehoorde vermetelheid, „toch die Hollanders tegen den koning
-ocr page 56-
54
van Spanje uitrigten ?\'\' Zoo nietig scheen toen voor allen onze
üiagt tegenover die van het magtig Spanje, dat er naauwelijks
iemand gevonden werd, die ons bijstand durfde verleenen. „Zoo
menigmaal" zegt van Eeyd, „ik de zaken van Nederland over-
denk en doorloop, komt het mij waarlijk wonderlijk voor, dat
zulk een klein land, en dat nog door zooveel ellende verzwakt en
verbroken, nooit den moed heeft verloren, om den oorlog tegen
zulk ecu magtigen vijand voort te zetten, vooral door niemands
ï.ulpe ondersteund zijnde." Het waren Holland en een deel van
Zeeland, die ongeveer vijf jaren lang geheel alleen den oorlog
tegen Spanje volhielden, en dat, zooals de Staten van Holland
in hunne missive aan die van Utrecht in 158? schreven, met zulk
eene „kloekmoedigheid, dat zij twijfelden of men ergens ter wereld
vau iets dergelijks zou weten te spreken. „Wij zijn gedwongen
geworden," zoo luiden de merkwaardige woorden der in 1572
aan Philips II gerigte missive des Prinsen en der Staten van Holland
en Zeeland, „de wapenen aan te grijpen en door alle mogelijke
middelen te pogen ons arm verdrukt vaderland uit zulk eene
gruwelijke tirannie te verlossen, en liever den eenen dood na den
anderen te sterven, dan ons in handen van zulk een tiran over te
leveren, overtuigd zijnde, dat niemand den dood kan ontgaan,
maar deze slechts een doorgang is tot het eeuwige leven." Na
voorts verklaard te hebben dat zij de aangeboden vergiffenis van
den hertog van Alva verwierpen, zeggen zij: „Wij weten dat
aan ons leven een eindpaal gesteld is, dien wij door het pardon
van den hertog van Alva niet zullen overschrijden ," betuigende
ten slotte, „dat zij voor de gansche wereld willen bekend staan,
de wapenen tegen den hertog van Alva en zijnen aanhang te
hebben opgevat, om zich zelven, hunne vrouwen en kinderen,
hun goed en bloed uit zijne en zijner dienaren bloed dorstige
handen te verlossen; of, zoo zij hun te magtig zijn, liever
eanen eerlijken dood te willen sterven en een loffelijken roem
hunnen nakomelingen achter te laten, dan hun hals onder zulk
een tiran te buigen en zulk eene schandelijke slavernij over het
vaderland te laten komen, waardoor zij naderhand in geen land
-ocr page 57-
55
hun hoofd met eere zouden durven opheffen. En dat dus om die
reden alle steden gezamentlijk en elke in het bijzonder besloten
hadden, alle beleg, het eene voor het andere, des noods af te
wachten, het uiterste te wagen, ook allen uitersten nood en kom-
mer te lijden, met verlies ook van goed en bloed, ja, liever den
brand in hunne eigene huizen te steken, dan dat zij zich in het
geweld en in de onderdanigheid van zulk een tiran zoudm bege-
ven. „Want wij weten" verklaren zij, „zeer goed, dat van hem
geene barmhartigheid te verwachten is, maar dat hij liever de beken
en stroomen met ons bloed zou verwen, en alle boomen en
galgen in het land met onze ligchamen behangen, dan dat hij zijn
bloedgierigen moed niet aan ons zou verzadigen."
Wij zien hieruit met welk een standvastigen moed onze vaderen,
tot verkrijging hunner vrijheid, zijn bezield geworden en hoe
onversaagd hunne harten waren tegen alle dreigende gevaren.
Dat zij geene ijdele taal hebben gesproken, leert ons elke blad-
zijde onzer geschiedenis. En toen in 1584, — met welke be-
doelingen is ons onbekend, — eenigen begonnen te spreken om
zich met Spanje te verzoenen en den koning weder als wettig
heer te erkennen; of, indien zulks geen bij val vond, tot iets
anders, dat niet veel beter was, de Provinciën zochten te over-
reden, hebben o. a. die van Gouda zich biei\'tegen met allen ernst
verzet, zeggende: „zulke lieden (zulke slechte raadslieden) moesten
in Holland een ander hart gaan halen, waar eene twee- of drie-
jarige omsingeling en benaauwheid geduldig door de arme stad
Gouda was doorgestaan; waar de kleine stad Alkmaar het ge-
heele geweld van Spanje verbroken had; waar de Leidsche
burgerij, tot op de helft van hongersnood gestorven zijnde ter
liefde der vrijheid, een voorbeeld van onbezweken vroomheid
heeft geleverd."
En wie herinnert zich niet het standvastig en kloekmoedig
gedrag van den Leidschen burgemeester Pieter van der Werf, toen
eenige burgers, door den hooggaanden nood en nijpenden honger ge -
drongen, hem tot de overgave der stad in \'s vijands handen wilden
noodzaken. „Ik weet" was zijn vastberaden antwoord, „dat ik eens
-ocr page 58-
56
sterven moet, eu het is mij onverschillig, of gij dan of de vijand mij
het leven beneemt. En daarom, zoo gij met mijn dood geholpen
zijt, slaat de hand aan dit mijn ligchaam, snijdt het in stukken,
en deelt het zooveel gij kunt; ik ben er mede te vrede." Dit
heldhaftig feit hebben onze vaderen aan de vergetelheid willen
ontrukken door den penning, waarop aan de eene zijde het schild
van Viancn, en aan de andere de woorden par Hammes et par feu,
dat is: „door vlammen en door vuur" prijken, dat zij namelijk
noch vlam noch vuur ontzagen voor de goede zaak. Zelfs de
vrouwen werden door deze onversaagdheid bezield, die in het beleg
van Leiden hare mannen aanmoedigden, zeggende, dat zij liever
van honger wilden sterven, liever den eenen arm wilden opeten
eu met den anderen vechten, dan zich aan den vijand overgeven.
Niet minder moed betoonden de vrouwen in het beleg van
Alkmaar. En welke bewijzen van dapperheid de prinses van Es-
pinoy bij het beleg van Doornik gaf, wordt ons door Hooft ver-
haald \'). En toen in 1637 de vijand het fort Ter Voorn bij ver-
rassing poogde te overrompelen, vervoegden zich de vrouwen,
waarvan sommige in manskleederen, op de wallen bij de krijgs-
lieden, terwijl andere kruid, lood en balken den strijders aan-
bragten -\').
Door die onversaagdheid, waarmede God de inwoners van allen
rang eu stand bezielde, hebben zij hunne vijanden bestreden,
overwonnen, of hun leven ten duurste verkocht. Zoo streden ia
1570 24 Hollanders tegen 150 Spaanschen, en lieten tot den laatsten
man toe hun leven in den strijd. Zoo tastten in 1573 slechts 18
Nederlandsche voetknechteu een kornet van 150 man Spaansche
ruiters aan, die zij overmanden en doodden. Zoo belegerde in
1593 Prins Maurits met 5000 man, behalve zijne ruiterij, Geer-
truidenberg, in weerwil dat de vijand met 14,000 man tegen hem
1)  Zie ISdo boek, op 1581.
2)   Van Meteren verhaalt in zijn 23ste boek, dat de Trouwen iu manskleederen in
het leger dienden, eu in zijn 27ste boek, welk een werkzaam deel zij bij deu aanslag
op Bergen op Zoom in 1605 namen.
-ocr page 59-
57
te velde trok. Zoo aarzelde hij niet om in 1598 met 6000 man
den admirant van Arragon, wiens leger 28,000 man sterk was, te
gemoet te trekken; terwijl hij in het jaar tevoren met\'800 ruiters
4000 der geoefendste Spaansche krijgslieden te Turnhout versloeg.
Zoo verdreef hij in 1599 met 4000 man den admirant met 15,000
uit de Bommelerwaart. En hoe schitterend was zijne te Nieuwpoort
bevochte zege! Ofschoon de vijand in dien veldslag reeds 17
vaandelen zijner beste krijgsbenden op de vlugt had gedreven,
liet hij nogtans den moed niet zinken, maar wist door de verwij-
dering zijner vloot, ten einde den zijnen allen aftogt ter zee
onmogelijk te maken, den moed zijner krijgsbenden, nu, gelijk de
kinderen Israëls, staande tusschen Pharao en de roode zee, zoo
zeer aan te wakkeren, dat hij eene volkomen overwinning be-
haalde, welke al de geschiedschrijvers aan zijn uitnemend krijgsbeleid
en onbezweken moed toeschrijven. Maar wie was het, die Maurits
en de zijnen met zulk een kracht en dapperheid aangordde ? Was
het niet de Heere?
\'t Is God, die mij met sterkte wil omgorden;
Hij doet mijn\' weg volkomen effen worden.
Maakt, dat mijn voet als die der hinden snelt,
Terwijl Hij mij op mijne hoogten stelt.
Hij leert mijn hand heldhaftig oorelogen;
Mijn. strijdbaar\' arm verbreekt zelfs stalen bogen.
Mij gaaft Ge uw schild; uw hand heeft mij gesterkt;
Uw goedheid heeft mijn grootheid uitgewerkt.
Mijn voet hebt Gij doen in de ruimte treden;
Mijn gang werd vast, ik ben niet uitgegleden.
De vijand week; ik volgd\', en trof hem aan,
En keerde niet, tot ik hem had verdaan.
Mijn spies doorstak al wie mij tegenstonden,
Zoodat zij zich niet weer herstellen konden;
Dus zag ik door uw bijstand hen verplet,
En mijnen voet hun op den nek gezet.
Het strekt den Engelschen admiraal tot eer, dat hij in zijne
missive aan de koningin van Engeland, waarin hij haar zijne be-
haalde zege over de Spaansche vloot berigtte, volmondig ver-
-ocr page 60-
58
klaarde, dat God alleen de eer daarvan toekwam; dat het een
werk Gods was, hetgeen zij hadden durven doen, en dat zij dus
gaarne aan God al hunne kloekmoedigheid dank weten. Door die
krijgsdeugd hezield, joegen in 1604 twee Nederlandsche vendelen
600 Spaanschen in het land van Cadzant op de vlugt, door welk
feit dat land behouden werd. Niet minder merkwaardig was het-
geen in 1606 te Sluis plaats vond. Reeds was het den vijand
gelukt met 3600 man de brug te bereiken, toen 16 der onzen
hem met zulk een vastberadenheid te gemoet gingen, dat zij hen
zoolang staande hielden, tot zich een genoegzaam getal krijgs-
lieden verzameld had, om met vereenigde krachten den weife-
lenden vijand aan te tasten, dien zij met een verlies van 40^ a
500 man verdreven. In dien aanslag had God onzen vijand met
dwaasheid geslagen, want in plaats van musketten, hadden zij
corseletten en spiessen tot die onderneming gekozen. En met welk
een moed de bezetting van Rijnberk in 1637 den vijand, die reeds
meester van de stadswallen en van het geschut geworden was,
verdreven heeft, kunnen wij bij Van Sande lezen; zonder nog te
gewagen van de heldenfeiteii in 1621 bij het beleg van Bergen-
op-Zoom, in 1629 bij de verovering van Wesel, en in 1632 bij
die van Maastricht, en van vele anderen, die in onze geschiedenis
zijn te boek gesteld.
HOOFDSTUK IV.
Even moedig als de Heere ons te land heeft doen strijden, heeft
Hij niet minder onze zeehelden en scheepsvolk met buitengewone
onversaagdheid bezield. Wij zullen hier al die roemrijke daden
niet opsommen, en zulks is tot hetgeen wij bewijzen willen, ook
niet noodzakelijk; wij wenschen den lezer daarvan slechts zooveel
te herinneren, als vereischt wordt om de groote wonderdaden des
Heeren in een helder daglicht te stellen.
Het schijnt bijna ongelooflijk wat van Meteren ons verhaalt, hoe
-ocr page 61-
59
namelijk de Vlissingers, meester van de zee zijnde, den 14^ei1
Januarij 1573, de stoutheid hadden van in het gezigt der stad
Antwerpen schepen weg te voeren , eenige ingezetenen op te ligten
en te dwingen stilzwijgend met hen de stad te verlaten, zelfs het
zoontje van den admiraal Bouwen Ewoutsen uit het huis van den
schout, waar het gevangen zat, te halen, en het op helderen dag
naar boord te voeren. Vanhier de algemeene schrik en ontzag
voor de Vlissingers, en het oude Zeeuwsche spreekwoord: dat men
ze niet moest waarderen naar hun geld, maar wel naar hun moed \').
Hoe luisterrijk was in 1574 de zege, die de Zeeuwsche vloot,
onder bevel van den admiraal Boisot, op de beide sterke Spaansche
vloten, tot ontzet van Middelburg bestemd, na een hevig en bloedig
gevecht behaalde, waarbij het admiraal- en het vice-admiraal-schip
met nog tien der beste bodems in onze handen vielen en verscheidene
andere verloren gingen; aan welk feit het land, volgens Pers,
voornamelijk zijn behoud te danken had, daar deze Spaansche
vloten zich van de zee poogden meester te maken, in welk geval
alles voor ons verloren zou zijn geweest. Zoodat wij ook in dit
werk de wonderlijke bestiering Gods niet genoeg kunnen prijzen,
die aan de Zeeuwen zulke ware heldenharten schonk, dat ze den
dood geen oogenblik vreesden, maar hun leven bestendig in dui-
zenden gevaren waagden, ofschoon zij dikwijls over slechte be-
taling bitterlijk te klagen hadden. Plegtige dankoffers werden
den Heere God opgezonden, terwijl de vreugdevuren allerwege
ontstoken, van de algemeene blijdschap getuigden. Ten gevolge
van dien zeeslag viel Middelburg in onze handen; en wij mogen
het er voor houden dat deze wonderdadige uitredding de verhoo-
ring van het vurig gebed des Prinsen was. Na op alles zooveel
mogelijk orde te hebben gesteld, vertrok hij van Delft naar Vlis-
singeu, alwaar hij in den grootsten angst verkeerde; want hij
vreesde dat de beide vijandelijke vloten zich vereenigen en hier
of elders met geweld zouden doorbreken. Hagchelijk was zijn
1) Zie Ooms, Oorlogs-Bazuin, bl. 14.
-ocr page 62-
60
toestand, zegt Hooft, daar de keur van zijn ki\'.ijgsvolk zich op de
Schelde bevond. „Hebbende na tijdsgelegenhcid \'t oorbaarlijkste
bezorgd, zoo is hij" meldt ons Hooft, „in zijn kamer vertrokken
om zich tot den gebede te begeven en als met God te worstelen,
om te genieten eene goede uitkomst. In welk gebed hij van den
Heere genoegzaam, eer hij sprak, verhoord is; want kort daarop, zoo
verhaalt ons diezelfde schrijver, werd hem berigt dat de Spaansche
vloot voor Breskens was komen te ankeren, waarop hij zelf dadelijk
naar het havenhoofd ging om zich van de waarheid met eigen
oogen te overtuigen. Den misslag des vijands, die geen gebruik
van het gunstig getij had gemaakt, ziende, dankte hij God voor
zijne genade. Men zag in die merkwaardige en gebeurtenisvolle
tijden bekommering en moed, vernedering en dapperheid, smee-
ken en vechten, bidden en overwinnen, tot onsterfelijken roem
onzer vaderen, hand aan hand gaan. Tn het eene ziet men wat
vorsten en veldheeren betaamt, als het land in nood is; in het
andere wat de pligt is dergenen, die ten goede van Gods volk
onder het beleid hunner regenten in een regtvaardigen oorlog de
wapenen voeren, en hoe beide gelijkelijk zegen en overwinning
den volke aanbrengen. "Waar men vurig bidt en moedig strijdt,
daar geeft de uitkomst altoos stof tot blijdschap en dankzegging.
2 Kron. XIII: 14, 15, 16; XXXII:6, 7, 20, 21; Neh. IV: 9.
Zoo werd in 1573 de kloeke aanval der Zeeuwen op de Spaansche
vloot, 56 schepen sterk, zoo zeer door God gezegend, dat de
aanvallers op haar de overwinning bevochten. De Prins schreef,
van vreugde vervuld, aan die van Holland, om deze zege aan
alle steden en plaatsen bekend te maken, opdat het volk zou
vermaand worden God Almagtig grootelijks te loven en te danken,
en voorts hartelijk te bidden, dat Hij hunne zaak tot een goed
einde wilde brengen, opdat zij eenmaal, na zoo vele droefenissen,
tot eenen goeden en vasten vrede mogten geraken. Zoo hield
kapitein Legier in 159U alleen een gevecht staande tegen zes
Spaansche schepen, die hij na twee uren strijds, met achterlating
van 250 dooden, tot de vlugt noodzaakte. In 1601 bestreden
slechts drie Hollandsche schepen en twee jachten, onder bevel
-ocr page 63-
61
van Wolfert Hermansz., vóór Bantam in Oost-Indië, eene magtige
Portugeesche vloot, 30 schepen sterk, die hij deels vernielde,
deels op de vlugt joeg *). In 1612 boorden acht onzer schepen,
naar Oost-Indië varende, bij de Zoute Eilanden, 17 Spaansche
gallioenen in den grond, en in 1626 tastte de admiraal Warwijck
met drie oorlogschepen de nieuwe uitgeruste Spaansche vloot aan,
sterk 42 schepen, met 2000 koppen bemand en hebbende aan boord
een millioen aan goud, om dit naar Duinkerken te voeren, zoodat
er vijf aan den grond geraakten en de overige de vlugt kozen.
Ja, met zulk een moed heeft de Heer onze God het hart onzer
zeehelden aangegord, dat zij de vijandelijke vloten, onder hunne
eigene steden en forten liggende, hebben durven aantasten, zooals
b. v. de admiraal Jacob Heemskerk zulks de Spaansche vloot van
21 schepen, waaronder 10 galjoenen, deed, onder het kasteel en
geschut des vijands. Nog grooter heldendaden werden door den
admiraal Piet Hein in 1627 verrigt, toen hij met acht grootc schepen
en vijf jachten, 26 koninklijke schepen — waarvan sommigen zoo
digt onder de stad Salvador in Brazilië lagen, dat zij aan de huizen
of steenen der stad waren vastgemaakt en door verscheidene bat-
terijen van 40 vuurmonden beschermd — heeft aangevallen. Hier-
door trouwens in geenen deele afgeschrikt, begaf zich de admiraal
met zijn schip in het midden der vloot en tot op een afstand van
een steenworp nabij de grootste vijandelijke schepen, met dat gunstig
gevolg, dat zij van onder \'s vijands geschut 23 schepen bemagtig-
den, behalve die in den grond geboord werden, zoodat de Por-
tugezen zich niet meer veilig ziende onder hunne eigene wallen en
geschut, den moed geheel verloren gaven.
Even weinig ontzag zich de admiraal Maarten Herbertz. Tromp
om met 12 schepen Duinkerken te bezetten, waar 22 koninklijke
schepen ten anker lagen. En toen de gouverneur dier stad met
1) Zie Dionyaius Spranckbuyzen in zijn Triumphe, gedrukt te Delft 1629, bl. 43,
daarbij voegende, dat dit zulk een wonder was, als of Tier of vijf muggen een leger
van olifanten op den loop badden gejaagd.
-ocr page 64-
02
den Spaanschen raad besloten had den admiraal aan te vallen, het
voor eene groote schande rekenende, dat eene zoo sterke scheeps-
magt door zulk een gering getal kleine schepen in bedwang zou
gehouden worden, werden de Spaansche schepen door de onzen
zoo wèl ontvangen, dat zij twee der hunner, elk bemand met
250 koppen, moesten prijs geven. Het schip van hunnen vice-
admiraal van 24 stukken strandde en werd door den vijaud zelven
in brand gestoken; 8 il 9 werden zóó geteisterd, dat zij zonder
het Scheur te kunnen bereiken, op strand geraakten, terwijl
de overige zich genoodzaakt zagen de haven binnen te loopen.
Dit gevecht was allermoorddadigst, en Duinkerken weergalmde van
weegeklag over al de gesneuvelden, gewonden en gevangenen,
die 16 è, 1700 bedroegen. In dien zeeslag, die van \'s morgens
8 uur tot \'s namiddags 3 ure duurde, geraakte Tromp ouder 5
Duinkerkers, tegen welke hij alleen 3 uren lang den strijd vol-
hield. In datzelfde jaar ontmoette Tromp omtrent Bevesier de
Spaansche vloot van 67 zeilen, met 25,000 koppen bemand en
aangevoerd door den admiraal Don Antonio de Oequendo. Hij
tastte, ofschoon slechts 12 a 13 schepen sterk, deze scheepsmagt
aan, :n weerwil dat de meeste kapiteins hem zulks hadden ont-
raden, wegens de groote ongelijkheid der strijdkrachten. Na eene
versterking van 5 schepen ontvangen te hebben, herhaalde bij
den aanval en noodzaakte de vijandelijke vloot binnen Duins eene
veilige schuilplaats te zoeken, alwaar Tromp, na bekoming van
nog meerdere versterking uit het vaderland, haar op nieuw aanviel,
met dat gunstig gevolg dat van die magtige vloot, tot welker uit-
rusting een geheel jaar besteed was, slechts 18 schepen behouden
werden, met inbegrip van 13 schepen, die den 20 September des
nachts naar Duinkerken gestevend waren. De overige werden allen
verbrand, strandden, zonken of weiden prijs gemaakt; duizenden
menschen verloren daarbij het leven. In dit alles werd meer dan
gewone dapperheid betoond. Met kleine schepen, kraken en
jachten, galjoenen aan te tasten, was in die tijden eene gewone
zaak, zooals dit ook bij Havana in 1627 plaats had; ja, men had
in den zeeslag van Duins eene sloep met 8 &, 9 man een schip
-ocr page 65-
63
van 24 stukken, met 300 soldaten bemand, niet alleen zien aan-
vallen en bevechten, maar zelfs enteren.
Zoo blijkt uit al bet bovenstaande, dat onze krijgshelden, zoo
te water als te land, met eene bewonderenswaardige dapperheid
werden bezield, en dat zij den dood onverschrokken onder de
oogen hebben gezien. Deze krijgsdeugd was vooral in de Prinsen
van Oranje erfelijk. Geen gevaar, hoe groot ook, was in staat
hen terug te houden, als de pligtcu van een goed veldheer hunne
tegenwoordigheid vereischten. Beroemden de ouden zich op hunne
helden, Troye op haar Aeneas, Macedonië op zijn Alexander,
Karthago op haar Hannibal, Rome op haar Julius Caesar, ons
Nederland heeft geen minder reden om zich op de heldendaden
van onze Prinsen van Oranje te verheffen. ISliets vervulde den
Staat met meer angst en bekommering dan dat zij den dood te
weinig ontzagen, hun leven te veel in de waagschaal stelden,
bij belegeringen gaande in de uiterste loopgraven, onder een hagel-
bui van kogels, granaten en vuur, waar de dood romdom hen
alles wegvaagde, Gods wonderbare voorzienigheid werd juist bij
de zigtbare bewaring dier vorsten te heerlijker geopenbaard; want
Prins Frederik Hendrik wordt gezegd, nimmer de geringste wonde
te hebben bekomen, en het wordt van Prins Willem I verhaald,
dat hij bij Bergen in Henegouwen door den vijand overrompeld,
aan zijnen getrouwen hond, als een middel in Gods hand, zijn
behoud te danken had. Dit trouwe beest begon op het hooren van
het krijgsrumoer te huilen, en maakte den Prins, hem met zijne
pooten in het aangezigt knibbende, wakker, zoodat hij nog bij
tijds, onder begunstiging van de duisternis des nachts, uit \'svijands
handen wist te ontkomen, ofschoon de vijandelijke krijgslieden,
terwijl de zijnen sliepen, reeds tot aan zijne tent doorgedrongen
waren.
Dat deze deugd een erfgoed van het huis van Oranje was, is
in Prins Willem II gebleken, toen hij in 1643 met zijne benden
in zulk eene volmaakte orde en met zulk een onversaagdheid het
leger van Andreas Cantelmo te Burgerhout aantastte, dat de
Spaansche krijgsoverste Joan de Borgla, die bij deze gelegenheid
-ocr page 66-
64
sneuvelde, den nog zoo jeugdigen Prins een volmaakten veldheer
noemde. Deze prinselijke deugd scheen door eene Dijzondere
voorzienigheid Gods aan den stam van Oranje als het ware erfelijk
vastgehecht te zijn. Zij plantte zich over op den eenigen zoon
van dien vorst; want hoe het den Heere behaagd heeft door zijn
moed en beleid ons land uit den grootsten nood wonderdadig te
verlossen, is alomme bekend. „Waarlijk, zoo iets ons en onzen
vijanden beiden tot vreeze is, t is dit, dat onze vorst zijne ziel als
voor ons in zijne hand draagt, want evenzeer als de vijanden zijne
wapenen duchten, zijn wij met angst en kommer vervuld, dat hij
zijn kostbaar leven te midden van zooveel gevaren niet genoeg
ontzien zal."
Wij hebben dit alles slechts ter loops aangevoerd, om aan te
toonen wat goeds en groots door middel dezer helden en vorsten
de Heere God voor ons gedaan heeft. Want dat deze ongewone
krijgshaftigheid, welke onze staats- en krijgslieden (tot schrik onzer
vijanden en tot verwondering van andere volken) toen bezielde,
der Nederlandsche natie nogtans niet zoo bij uitnemendheid van
nature eigen is, of zij kan haar ontnomen worden, hebben ons
de laatste jaren bewezen, toen o. a. in 1648, 50 Portugeesche
krijgslieden 900 der onzen uit hunne forten in Brazilië bij de stad
Olinda verdreven, om niet te gewagen van hetgeen in den En-
gelschen oorlog doorgaans ons lot is geweest. Ik voer dit laatste
slechts met een enkel woord aan, ten bewijze dat ook hierin de
hand des Heeren onmiskenbaar is, van wien wij niet alleen den
geest der wijsheid en des verstands, maar ook den geest des raads
* en der sterkte ontvangen moeten. (Jes. XI: 2). De heidenen zelf
erkenden dit bij het licht der natuur, en hielden daarom de helden
voor afstammelingen der goden en hunner goddelijke natuur deel-
achtig. Zoo laat Homerus Agamemnon tot Achilles zeggen: „Indien
gij dapper en sterk zijt, dat heeft u God gegeven;" *) zoo gaf
Pytho aan die van Athene, toen zij hem met zijne behaalde zege-
1) Hom. Iliad. I.
-ocr page 67-
G5
praal en roemrijke daden kwamen gelukwenschen, ten antwoord :
„dat men de goden daarvoor danken moest, door welke dit zoo
heerlijk was gewrocht; dat hij daartoe slechts zijne hand en arbeid
verleend had." \') Hoeveel te meer is het dan ons, Christenen,
met het licht der goddelijke openbaring bestraald, een dure pligt,
in de dapperheid onzer helden de magtige hand Gods te zien en
Hem alleen de eere te geven van dien moed, waardoor zij met
zulke geringe middelen zoovele groote dingen volbragt hebben;
terwijl van den anderen kant, wanneer God een volk straffen wil,
Hij aan helden zelfs den moed ontneemt en hun vreeze in het
harte jaagt, zoodat „de dappere mannen hunne handen niet hebben
gevonden", Psalm LXXVI: 7; „en aller aangezigten veranderden
in bleekheid." Jerera. XXX: 6; „zoodat zij als een ruischend
blad gejaagd worden en zij vlieden, gelijk men vliedt voor een
zwaard en vallen, waar niemand is, die jaagt.\'\' Lev. XXVI: \'óR \'-\')
Hoe opmerkelijk is dat alles ook in onze vijanden bevestigd ge-
worden , toen hen de Heer met zulk eene weekheid en flauwhar-
tigheid geslagen had, dat niet alleen hunne steden en sterkten in
onze handen vielen, maar dat zij tevens hunne voornaamste ont-
werpen mislukt en al hun raad en magt met schande overladen
zagen. Waaraan hadden wij onze eerste overwinning, de ver-
overing van den Briel, te danken; eene gebeurtenis die den hertog
van Alva van zijn wreed voornemen deed afzien, eenige burgers,
die weigerden den tienden penning te betalen, te Brussel aan den
post hunner deuren te doen ophangen; en zijne handlangers
van het plan, Utrecht aan moord en plundering over te geven?
Immers aan niets anders dan aan den schrik, waarmede plotse-
ling onze vijanden bevangen werden? Want toen de graaf van
der Mark, door tegenwind, ondanks zich zelven, genoodzaakt
was de rivier de Maas met zijne kleine magt van omtrent 500 a
600 man binnen te loopen, ontstond er in die stad zulk eene ont-
1)  Erasm. ]ib. C Apoph.
2)  Verg. Jerem. L:36; LT : 30, en Nahum 11:1-5 en ITT: 13; al wat daar ter
plaatse omtrent Babel en Ninevé geanhreven staat.
-ocr page 68-
66
steltenis, dat niet alleen de geestelijken en aanzienlijkste burgera
in overbaasting de vlugt namen, maar ook zelfs de regenten een
goed heenkomen zochten, zoodat de stad zonder slag of stoot door
een handvol volks bemagtigd werd. Wat deed den vijand onver-
hoeds het beleg voor Leiden opbreken, ja, zoo spoedig hare wallen
verlaten, als ware hij reddeloos verslagen geworden? Immers niets
anders dan het vallen van een deel van den stadsmuur in de
vest. Wat veeleer in staat moest geweest zijn schrik en vrees
aan de belegerden en moed aan de belegeraars in te boezemen,
had onder Gods bestiering juist de tegenovergestelde uitwerking.
Eenc omstandigheid, die zoozeer de bestorming daar ter plaatse
zou hebben begunstigd, moest thans dienen om de vijanden door
het vervaarlijk geluid van het vallen van dien muur in het water
zoo met schrik en ontsteltenis, welke door de duisternis van den
nacht niet weinig toenam, te vervuilen, dat zij het beleg opbra-
ken en zelfs de sterke en geheel door water omgeven schans
van Lammen, die zij gemakkelijk hadden kunnen behouden, ver-
lieten, zonder zich den tijd te gunnen, den waren toestand der
zaak te onderzoeken. De geschiedschrijver Bor dit feit verhalende,
maakt daarbij de opmerking, dat al wat tot het ontzet dier stad
aangewend werd, niets zou gebaat hebben, indien niet de Heere
de vijanden met verbaasdheid om het harte geslagen had. Deze
omstandigheid is inderdaad daarom zoo merkwaardig, omdat van
het behoud of verlies dier stad het lot van het geheele land, men-
Bchelijker wijze gesproken, afhing. Zoo blijkt weder uit deze beide
voorbeelden, dat de Heere den schrik in de legerplaats des vijands
bragt en het land uit zijne hand redde, trots deze hunne hoog-
moedige taal: „dat men eer de starren met de hand zou be-
reiken, eer men de stad uit de hunne zou breken." Zoo is de
Heere gewoon met de hoogmoedigen te spotten, en als de men-
schen woeden, eere in te leggen.
Wat dwong den Spaanschen krijgsoverste Taxis om in 1586
Friesland, waarvan hij zich door list had meester gemaakt, te ver-
laten? Immers niets anders dan een slagregen uit den hemel,
terwijl wij menschen voor hem het onderspit moesten delven. De
-ocr page 69-
67
regen joeg hem zulk een schrik op het lijf, dat hij meende gesla-
geii te zijn, zoodat hij in allerijl, met achterlating van, zijne doo-
den en zijn veroverd geschut, het land ontruimde, het hoogeland
tusschen Dokkum, Leeuwarden en Franeker, daar zooveel rijkdom
woonde, ongemoeid latende. Wat dreef in 1604 den vijand uit
de sterk verdedigde St. Katharina-schans in Vlaanderen? Immers
niets anders dan het groot getier, dat de matrozen op zekeren
avond maakten, toen een stuk geschut in het moeras was gevallen,
en zij alle pogingen inspanden om het te behonden. waardoor de
vijand met zulk een schrik vervuld werd, dat hij de schans ver-
liet, en aan Prins Maurits, die haar vruchteloos beschoten had
en onverrigter zake moest aftrekken, prijs gaf. „Men ziet" zegt
van Meteren, dit verhalende, „hoe God in krijgszaken door eene
kleine oorzaak een groot werk uitrigt."
Zoo deed de Heere door vrees en schrik wat wij niet vermogten
door kracht van wapenen. Wat deed in datzelfde jaar den vijand
op den aantogt van Prins Maurits, Aardenburg, door zes kompag-
niën verdedigd, verlaten? Wat deed hem zoo gemakkelijk IJzen-
dijke, door 900 man bezet, en de Philips-schans prijs geven?
Immers niets dan enkel vrees; van welke wonderdaden den
Heere door warme dankzegging openlijk de eere gegeven werd.
Wat deed in 1606 du Terrail, toen het hem reeds gelukt was
twee valbruggen en eene der poorten te doen springen, en 3600
man de brug bijna vermeesterd hadden, van Sluis terugtrekken,
terwijl slechts 16 der onzen eenigen tegenstand boden? Immers
niets anders dan vrees, om welke lafhartigheid dan ook drie offi-
cieren onthoofd werden. Wat deed graaf Hendrik van den Berg
in 1624 ijlings de Veluwe verlaten, waarin hij des winters met
10 a 12 regimenten voetknechten en 40 kompagniën ruiterij ge-
vallen was, waar hij vele onmenschelijke wreedheden gepleegd en
Arnhem reeds beschoten had? Immers niets anders dan schrik!
Ja, het was God alleen, die ook toen op onze vurige gebeden eene
zoo wonderdadige uitkomst schonk; want zoo lang de vijand zich
op de Veluwe bevond, hield men, volgens getuigenis van Bau-
dartius, dagelijks overal in vurige gebeden aan, zoowel in de
5*
-ocr page 70-
6fc
kerken als in de binnenkameren \'). „Men riep" zegt hij, „dage-
lijks in de kerken, in de huizen en op de wachten den Heere aan,
niet zuchten onze gebeden Gode offerende, bedroefd zijnde over
de ellende onzer naburen." Men verhaalt van Spinola dat hij ge-
woon was te zeggen: „Wacht u voor der Geuzen biddagen," dewijl
de Heer ons doorgaans zoo merkbaar verhoorde. Toen waarlijk
heeft Hij onze /vijanden geschud niet eene schudding der ijdel-
lieid. (Jes. ;XXX : 28) Er (kwam, vervolgt Baudartius, des nachts
zulk een schrik onder den ,vijand, dat hij spijs en drank, zelfs
zilveren \'bekers op zijne tafels achterlatende, zich in de grootste
verwarring op de vlugt begaf, zoodat men in de huizen, [waar hij
vertoefd had, en op straten en wegen overal zijne wapenen en
bagagie vond liggen, die hij uit angst had weggeworpen om in
zijn overijlde vlugt niet belemmerd te worden. Zij liepen, zonder
dat iemand hen vervolgde, uitgenomen de hand des Heeren 2).
Zalig hij, die in dit leven
Jakobs God ter hulpe heeft!
Hij, die door den cood gedreven,
Zich tot üem om troost begeeft;
Die zijn hoop in \'t haglijkst lot,
Vestigt op den Heer, zijn\' God.
\'t Is de Heer, wiens alvermogen
\'t Groot heelal heelt voortgebragt;
Die genadig uit den hoogen
Ziet wie op zijn\' bijstand wacht;
En aan elk, die Hem verbeidt,
Trouwe houdt in eeuwigheid.
En wat deed die schrik bij hen ontstaan? Niets anders, zegt
ons Van Sande, dan het toevallig „Wilhelmus van Nassauwen\'\'
blazen van een trompetter bij Harslo; „maar zij hebben," zegt
1)   Zie zijne Memoriën in het 16 boek, op 1(124.
2)   Was^cnaer verhaalt, dat zij een gan*ch uur als te post liepen, al hunne wapenen
wegwerpende, zoodat de officieren geheel buiten magtc waren hen in hun overhaaste
vlugt te stuiten.
                                                                                         ,^
-ocr page 71-
69
Baudartius, trommels en trompetten meenen te hooren; want geen
der onzen was in den omtrek aanwezig, waarover zij zich dus
beangst behoefden te maken, en niemand was aldaar bekend, die
trommel of trompet bezat." Te dier ure trok, verhaalt hij verder ,
graaf Hendrik een schotvrij harnas aan, tot zijn volk zeggende :
„Hier is de tijd en de plaats, waar wij voor onzen koning moeten
sterven of er doorheen slaan;" maar de schrik was zoo groot,
dat niemand zich aan zijne woorden stoorde. De graaf zou tevens
verklaard hebben, denzelfden weg, dien hij gekomen was, niet
te willen terugtrekken; maar, zegt gemelde schrijver, het scheen
in weerwil daarvan, dat God de Heere èn in zijn aantogt, èn in
zijn vertoeven, èn in zijn terugtogt over hem had besloten, wat
Hij over Sanherib, koning van Assyrië besloot, tot wien Hij
door den profeet Jesaja had doen zeggen: „Om uw woeden tegen
Mij, en dat uwe woeling tot mijne ooren opgekomen is, zoo wil
Ik u eenen haak in uwen neus leggen en mijn gebit in uwe
lippen, en Ik zal u doen wederkeeren door dien weg, door den
welken gij gekomen zijt." (2 Kon. XIX : 28) Met dankbaarheid
voor die uitredding vervuld, lieten die van Gelderland en Zutphen
een openlijken dankdag uitschrijven. Dien vasten-avond, den dag
waarop graaf Hendrik naar Arnhem vertrok, behooren wij, zegt
Baudartius, in herinnering te houden zoolang wij leven. Het was
nu voor de tweede maal, dat God ons op dien vasten-avond met het
zwaard des krijgs bezocht; want in 1606 werd Bredevoort insgelijks
op dien dag door Verdugo bij verrassing genomen. „Ik hoop,"
zegt hij, 8dat wij nu toch voortaan den goddeloozen handel, die
op vasten-avond gebruikelijk is, zullen nalaten!" \') En waarlijk,
het is opmerkelijk, dat de Heere onze God, terwijl wij door het
dartel vieren van afgodische dagen ons tegen zijne Goddelijke
Majesteit bezondigden, ons door onze vijanden heeft getuchtigd;
dat de bloedige aanslag op de stad Sluis in 1606, in den nacht
van \'a Heeren heiligen rustdag, op welken tevens aldaar kermis
gehouden werd, plaats vond, ofschoon Hij in zijne onnaspeur-
J) Zie Baudartius, „Veluws Vastelavondtspel."
-ocr page 72-
70
lijke barmhartighetd zijne tuchtroede niet zoo heeft laten ge-
voelen, als wij allen grond hadden te verwachten. Zulks had
ons moeten bewegen „om de namen en dagen Baals uit ons mid-
den weg te doen," en „deze hoogten moesten reeds lang geene
hoogten meer onder ons genaamd zijn geweest"
Al wat wij hier omtrent den schrik des vijands uit de geschie-
donis hebben herinnerd, verdient alle onze aandacht; omdat wij
daarin niet anders dan de zigtbare hand des Heeren kunnen
zien. Want waarlijk even als onder den rigter Gideon God de
Heere het magtige leger der Midianiten door het geklank der ba-
zuinen en het breken der kruiken op de vlugt sloeg; even
als Hij het leger der Syriërs het geluid van wagenen en van een
groot heirleger deed vernemen, en daardoor zulk een schrik ver-
wekte, dat hot, met achterlating van alles, zijn heil in een over-
haaste vlugt zocht, geen mindere vrees scheen ook onze vijanden
te hebben bevangen, zoodat wij, toen wij op het punt stonden
door hen verpletterd te worden, ons onverhoeds even wonder-
dadig van hen verlost zagen. Wat weerhield S. Croix in 1632
bij het beleg van Maastricht, om niet te gelijker tijd met Papen-
heim ons leger, dat toen zoo slecht van kruid voorzien was en
waarschijnlijk had moeten zwichten, a>n te vallen1)? Immers
niets anders dan naijver en schrik. Opmerkelijk is hetgeen voor
Bergen-op-Zoom den 22. Julij 1622 plaats vond. Bij een uitval
dien de onzen uit die stad op den vijand deden, hadden zij een
hoop jongens met stokken in stede van vuurroeren gewapend op
eenige in de stad aanwezige kleine paarden geplaatst, welke krijgs-
list hem met zulk een schrik vervulde, dat hij op de vlugt ging,
en de vlugtelingen in Antwerpen het gerucht verspreidden, dat
het leger was opgebroken; zoodat ook hier ten aanzien onzer
vijanden de goddelijke belofte aan Israël gedaan vervuld werd,
„dat Hij zijne horselen en schrik voor hun aangezicht zoude henen
zenden, om hunne vijanden verbaasd en bevreesd te maken " In-
1) Toen S. Croix de nederlaag van Papenbeim veraam, zeide hij: „Ik dacht wel,
dat hij met geen moffen te doen had."
-ocr page 73-
71
derdaad, hier toonde de Heer dat de strijd niet is die der helden,
maar dat Hij is de God der heirscharen, die met de heirkrachten
der aarde doet wat Hij wil; dat Hij de harten der menschen in
zijne hand heeft en die buigt en bestiert naar zijn welgevallen.
«Het briescheud paard moet eindlijk sneven,
Hoe snel het draav\' in \'t oorlogsveld;
\'t Kan niemand de overwinning geven,
Zijn groote sterkte baat peen held.
Neen! de Heer der heeren
Doet ons triomfeeren;
Hij, geducht in magt,
Slaat elk gunstig gade,
Die op zijn genade
In benaauwdheid wacht."
HOOFDSTUK V.
Immers, opdat \'s Heeren hand in alles te meer blijken en zijne
hulp zich aan ons openbaren zou, heeft Hij menigmaal zigtbaar
en onmiddellijk tegen onze vijanden gestreden en is ons wonderdadig
nabij geweest; zich daartoe bedienende van weder en wind, van
stof en rook, van mist en zonneschijn, van licht en duisternis,
van pest en plagen, van wateren en rivieren. Ja, zoo iets in onze
geschiedenis onze bijzondere aandacht en ernstige overweging
verdient, tot opwekking van ware liefde en dankbaarheid jegens
zulk een bij uitnemendheid voor Nederland goedertieren God,
zijn het vooral die gebeurtenissen, waarin Hij als \'t ware van
achter het gordijn der gewone en ondergeschikte oorzaken te
voorschijn is getreden en den arm zijner almagt zigtbaar heeft
uitgestrekt. Laat ons in de eerste plaats het wonderwerk Gods
op de Zuiderzee in 1572 herdenken. Toen al onze Noord-Hollandsche
oorlogsschepen in de Zuiderzee vastgevroren lagen, en het boots-
volk in de schepen niet alleen kwalijk kon gehouden worden we-
-ocr page 74-
72
gen3 gebrek aan dea noodigcu leeftogt, maar ook ieder oogenblik
niet andera te verwachten was dan dat de vijand onze schepen in
brand zou steken, vermits Don Frederik, zoon van den hertog
van Alva, toen met zijne geheelc magt uit Naarden in aantogt
was, zoodat men reeds in beraad nam om de schepen te verlaten
en het geschut te doen zinken, — omdat men in weerwil van het
maken van bijten, waartoe de Waterlandschc dorpen waren op-
untboden, geene kans van ontkomen zag, — toen heeft in dien
grooten nood onze God een e wonderdadige uitkomst gegeven.
En op welke wijze? Hij liet een sterken wind uit het noorden
opkomen, die het ijs brak en de schepen toeliet, door de ge-
maakte openingen het gevaar te ontkomen. Maar hierbij heeft de
Heere het niet gelaten; want, alsof het eene wonderwerk het an-
dere moest opvolgen, het water rees zoo sterk, dat de schepen
door het Zuidergat van finkhuizen konden geraken, — ofschoon
zij eenmaal zooveel ellen diep gingen, als men aldaar gewoonlijk
voeten water heeft, — tot groote blijdschap van die van Noord-
Holland. Deze omstandigheid hebben onze vaderen te regt als
een groot wonderwerk des Heeren en een zigtbaar blijk zijner
gunst beschouwd ; want nimmer is vóór of na dien tijd iets der-
gelijks gehoord of gezien. En zij merkten dit aan als een bewijs,
dat Hij hunne recht vaardige zaak op zich nam en handhaafde,
daar Hij zijne wapenen van water en wind zóó kennelijk voor
hen werken deed, en hierdoor zijne hand en goedheid te klaar-
blijkelijker maakte. Ja, wat (volgens Bor) het meest in deze
zaak te verwondereu was, \'t was, dat zoodra de schepen in be-
houden haven waren aangekomen, het ijs terstond weder vast
ging zitten, als wilde de Heer door dit derde wonderwerk aan-
toonen, tot welk doeleinde deze wind en de opvolgende dooi en
vloed door zijne voorzienigheid gezonden waren. En toen in het
volgende jaar Alkmaar door de vijandelijke schepen bedreigd werd,
streed de Heere weder voor ons door dezelfde middelen, en dreef
de schepen door wind en water van deze stad af. Wat weerhield
Bossu in datzelfde jaar om onze schepen onverhoeds aan te tasten,
en wat stelde ons in de gelegenheid om ons uit to rusten? lm-
-ocr page 75-
73
niers niets anders dan een hevige storm op zee, zoodat die van
Noord-Holland zich van alles voorzien hebbende, den vijand be-
hoorlij v konden afwachten. Van de bevochte overwinning op de
Zuiderzee, zoo gewichtig in hare gevolgen, werd door onze va-
deren den Heere openlijk alleen de eere gegeven, en Hij daarvoor
allerwege plegtig in alle kerken door hen geloofd en verheerlijkt.
Hoe merkwaardig was \'s Heeren werk bij het beleg van Lteiden!
Juist al die dingen, zegt van Reid, die tot verderf der stad
schenen te moeten strekken, werden door de vaderlijke voorzienig -
heid Gods de middelen tot haar behoud. De aanzienlijkste burgers
hadden Leiden verlaten; de stad was slechts van eene kleiue be-
zetting voorzien, en daarbij heerschte er de pest ten gevolge van
den hongersnood. En juist deze onheilen waren voor haar zegen-
rijk in de gevolgen; want de uitgeweken burgers konden nu
krachtiger pogingen aanwenden tot verlossing der stad, dan zij
anders hadden kunnen doen, indien zij te Leiden gebleven waren.
De Engelschc hulptroepen, die door den Prins tot bijstand ge-
zonden, maar door onvoorzichtigheid buiten de stad gesloten
waren, zouden, ware zulks het geval niet geweest, ongetwijfeld
op de overgave hebben aangedrongen ; immers hadden zij reeds
van hun gebrek aan moed het bewijs geleverd; want, na van den
burgemeester kruid en lood te hebben ontvangen, hadden zij, op
het eerste gerucht van \'s vijands aantogt, hunne wapenen lafhartig
weggeworpen en waren tot den vijand overgegaan. En wat de pest
betrof, dan zouden, indien deze troepen in de stad gebleven waren,
de levensmiddelen zeker niet zoolang hebbeu verstrekt; en voorts
herinnere men zich wat boven omtrent het instorten van den muur
verhaald is. Maar het was ook hier vooral de Heere, die, even als
in 1572, voor ons streed met weder, wind en water; want daar de
stad alléén door scheepsmagt kon ontzet worden, zoo werden door
Gods beleid en op \'s Prinsen last de Maas- en IJsseldijken door-
gestoken, de sluizen geopend en het land onder water gezet;
maar, daar hierdoor het land slechts negen duim onder water werd
gehouden en de schepen 15 a 18 voet noodig hadden, scheen deze
poging geheel vruchteloos te zullen zijn. — Doch ziet, nu de nood
-ocr page 76-
74
het hoogst geklommen was, was ook Gods tijd gekomen; want Hij
zond een storm uit het noord-westen, die het water landwaarts
injoeg, zoodat het tot 28 duim gerezen was. Toen nu de Heere
zijn heirleger, het water, in het land had gezonden, gaf Hij zijn
hoog bevel tot Leiden\'s verlossing. Met een noordwesten-wind
kon het water niet naar de stad toestroomen, en daarom zond
nu Hij een zuid-westen wind, die het water regtstreeks naar
Leiden dreef, in weerwil van de pogingen der Spaanschen om
op vele plaatsen den loop te stoppen. Nu konden onze schepen
gemakkelijk den vijand naderen. Op het gezicht van al dat stroo-
mend water, waarop onze scheepsmagt naderde, deed God ook
hunne harten tot water smelten, en vol schrik vloden zij voor zijne
almagtige hand. In alle buurten en wijken der verloste stad steeg
nu de juichkreet ten hemel: „Leiden, Leiden is ontzet! Gode lof
in der eeuwigheid!\' God werd in alle kerken geloofd voor zulk
eene wonderdadige uitredding. De Prins bevond zich juist dien-
zelfden zondag \'s namiddags in de Fransche kerk, toen hem de
blijde tijding gebracht werd, die hij onmiddellijk van den predik-
stoel liet afkondigen en God daarvoor terstond openlijk en vurig-
lijk danken. jjJa," zegt Hooft, „de ontroering, die alle zinnen en
zielen door den schok van zulk eene onverwachte en gevoelige
vreugde had aangegrepen, was ongeloofelijk. Alles stroomde
naar Gods huis, en de grond dreunde van dank- en lofzangen;
de klank der klokken, de klaarheid der zegevlammen, \'t gejuich
der jeugd verdrong de lucht en baande zich het pad ten hemel
in alle plaatsen des lands.\'\' Aan de verlossing van Leiden toch
hing, zooals de Staten van Holland aan die van Leiden, den 29.
Augustus 1574, te regt betuigden, de verlossing van geheel
Holland. Zoo ergens, althans bij het ontzet van Leiden, heeft
onze groote God willen toonen dat Hij alleen boven alle men-
schelijke verwachting door zijne verschrikkingen den vijand over-
wonnen en Holland van het iSpaansche juk verlost heeft x).
1) Ia eene herberg te Leiderdorp, alwaar Baldeus, de overste der Spaanschen,
zijn intrek had, hing een schilderstuk, het beleg van Leiden voorstellende, waar-
-ocr page 77-
75
Aanzienlijk was zeker de door het doorsteken van de Maas-
en LJseldijken veroorzaakt, en men was in geen geringe verlegen-
heid wegens al die overstroomde landen. Doch ook hierin werd
genadiglijk door den Heere voorzien. Den 3. October was de stad
ontzet, en reeds den volgenden dag veranderde de wind en werd
van zuid-west, noord-oost, en liet de Heere het gedurende 3 of 4
dagen uit die streek zoo geweldig stormen, dat het water, nu Hij
het groote doel bereikt had, de overstroomde landen verliet.
»God is op \'t hoogst geducht in zijner heilgen raad,
En vreeslijk boven \'t heir, dat om zijn rijkstroon staat.
Wie is als Gij, o Heer! o God der legerscharen?
Wie is aan V gelijk? wie kan U evenaren?
Grootmagtig zijt G\', o Heer! ja eindloon in vermogen;
Dw onverbreekbre trouw omringt U voor elks oogen.
Hoe zalig is het volk, dat naar uw klanken hoort!
Zij waudlen. Heer, in \'t licht van \'t godlijk aanschijn voort;
Zij zullen in uw naam zich al den dag verblijden;
TTw goedheid straalt hun toe; uw magt schraagt hen in \'t lijden;
Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedogen,
Maar uw gerechtigheid hen r.aar uw woord verhoogen.
Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;
Uw vrije gunst alleen wordt d\' eere toegebragt;
Wij steken \'t hoofd on-hoog, en zulleu d\'eerkróon dragen
Door U, door D alleen, om \'t eeuwig welbehagen;
Want God is ons ten schild in \'t strijdperk van dit leven,
En onze Koning is van Isrels God gegeven."
Toen Prins Willem door de overgave van Middelburg in het
bezit van Walcheren en de overige Zeeuwsche eilanden gekomen
was, verklaarde Don Requesens aan den koning .dat de landen
niet te herwinnen waren, wanneer men geen meester van de zee
onder hij bij zijn vertrek in slecht Latijn deze woorden geschreven had: Vale civitas,
talete castelli parvi, quia relied estis propter aquam, et non propter vim inimi-
corttm.
„Vaarwel stad, vaartwei schansjes! gij wordt verlaten ter oorzake van het
water, en niet van wege het geweld des vijands."
-ocr page 78-
76
bleef. Op zijn raad rustte Philips eene vloot van omtrent 200
schepen met 15,000 koppen bemand uit, en stelde haar onder
bevel van Don Pèdro de Menendes, die met groote sommen
gelds uit Indië naar Spanje was teruggekeerd. Alles was in ge-
reedheid tot het vertrek. Men had \'s Heeren zegen op de onder-
neming door het doen van plegtige processiën afgebeden; maar
ziet, deze admiraal, terwijl de vloot op het punt stond uit te zeilen,
stierf den 16. September 1574 plotseling aan de pest, een ongeval,
dat wel 6 a 7000 menschen ten grave sleepte. De koning, dien
ervaren en kundigen scheepsbevelhebber verloren hebbende, oor-
deelde het thans ongeraden deze groote vloot den gevaarlijken
reistogt te doen ondernemen, en zoo werden wij op nieuw,
alleen door de machtige hand des Heeren, van zulk een dreigend
gevaar verlost. Zóó deed zijn slaande engel het stout voornemen
des vijands en den listigen raad van Achitofel in rook verdwijnen,
tot groote vreugde onzer vaderen.
Maar groot was vooral het gevaar, dat Nederland in 1588 be-
dreigde. Met ongeloofelijke kosten \') en arbeid had Spanje eene
magtige vloot van 145 a 150 schepen uitgerust, en volgens het
getuigenis van Strada had men tot hiertoe geenc uitrusting ge-
zien, waarbij zich meer adelijken bevonden en waarvan men zich
zekerder van de overwinning waande. Zij werd dan ook de
Onoverwinnelijke genaamd. Men zegt, dat zij met 20,000 krijgs-
lieden en 10,000 matrozen bemand was. Om allerwege schrik in
te boezemen, werden vlugschriften in Venetië, Keulen en Gent
verspreid, waarin gezegd werd dat die vloot 40,000 uitgelezen
en in den krijg ervaren krijgslieden aan boord had, die geen
vijand, ja, geen duivel ontzagen, dezelfden, die Indië en Portu-
gal het bloed der inwoners hadden doen stroomen, en die big
verschillende gelegenheden alle bewijzen hadden gegeven, dat zij
zich meesterlijk verstonden op de kunst van het verwoesten van
steden en landen, van het plunderen en moorden der ingezetenen 2).
1)   De vloot kostte den koning van Spanje dagelijks 30,000 dukaten.
2)   Lijdius in glorioso Belg. bl. 55.
-ocr page 79-
77
Bovendien had de prins van Parma in deze landen 32 oorlogs-
schepen en nog vele andere van allerlei soort gereed liggen,
geschikt om zijn krijgsvolk, omtrent 40,000 man sterk, in te
schepen. Deze scheepsmagt zou zich met de groote Spaansche
vloot vereenigen. Ofschoon reeds langen tijd het gerucht zich zoo
in Engeland als in Nederland verspreid had, dat deze ontzaggelijke
magt van schepen werkelijk in aautogt was, wilde men daaraan
nogtans geen geloof hechten, vóór dat men zich met eigen oogen
van de waarheid daarvan overtuigd had. Groot was toen onder
het volk de schrik en verslagenheid. „Toen men nu zag," zegt
van Meteren, „hetgeen men te voren niet had willen gelooven,
zoo heeft het geheele volk zeer verslagen zijnde, zich tot God
begeven en heeft men hier te lande, en inzonderheid in Engeland
dat bedreigd werd, gedurig vast- en bededagcn gehouden, om
Gods toorn af te wenden." De He ere strekte nogtans zijn magtigen
arm tegen haar uit; want naauwelijks was deze onoverwinnelijke
vloot den 29. Mei van dat jaar onder zeil gegaan, of zij werd
door hevige stormwinden genoodzaakt in de haven van Corunna
binnen te loopen. Doch deze haven den 22. Julij weder verlatende,
werd zij den 30. nabij de kusten van Engeland gezien. Nu vielen
de Engelschen haar aan en wel met zulk een moed, dat de Engel-
sche admiraal in zijne brieven aan de koningin van Engeland zulks
alleen als een werk des Heereu beschouwde. Even groot als de
moed der Engelschen was, was tevens de schrik die den vijand
beving; want toen de Spaansche vloot den 7. Augustus voor Calais
ten anker gekomen was en eenige Engelsche branders, begun-
stigd door stroom en wind, zag toesnellen, ontzonk haar zoo-
zeer alle moed, dat zij het anker ligtte en naar de Noord-zee
stevende. Hier was het, dat de Heere haar afwachtte en op nieuw
gedurende 2 a 3 dagen met zulk een geweldigen storm teisterde,
dat deze onoverwinnelijke vloot door Hem overwonnen en met een
aanzienlijke schade voorbij al de zeekusten van Vlaanderen, Zee-
land, Holland en Friesland tot omtrent de Eems heengedreven
werd. Zoo heeft God, zegt van Meteren, niet alleen aan Engeland,
maar ook aan ons land die geduchte vijandelijke scheepsmagt
-ocr page 80-
78
willen toonen, opdat zij beiden zien en bekennen zouden boe
zwak zij tegenover zulk eene magt zouden geweest zijn. Men
mogt, getuigt Bor *), met regt zeggen, dat God dit kleine land
tegen den magtigsten vijand in bet strijdperk heeft laten komen,
om het zijne magt des te heerlijker te toonen.
Welk eene goedertierenheid Gods jegens ons land kunnen wij
in die uitredding opmerken! Hij liet al die vijandelijke schepen
tot nabij onze kusten en voor onze oogen naderen; niet om ons
met schrik en angst te vervullen, — want het gevaar was toen
reeds geheel verdwenen, — maar om ons een bewijs te geven
van zijne hulp en van onze onmagt. Het was, alsof de Heere door
den vijand op onze kusten den dood te doen vinden, ook tot ons
wilde zeggen, wat Mozes sprak tot het volk Israël, toen hij hen
op Fharao\'s heirkracht wees: „Vreest niet; staat vast, en ziet het
heil des Heeren; die vijanden die gij nu ziet, zult gij niet weder-
zien in eeuwigheid." (Exod. XIV: 13) Want na een tijd lang
door de Engelschen, die wegens gebrek aan kruid en lood ver-
pligt waren huiswaarts te keeren, vervolgd te zijn geworden,
verscheen deze Spaansche vloot op de Engelsche kusten, in de
hoop van zich met de scheepsmagt van Parma, die in de haven
van Duinkerken lag, te kunnen vereenigen; maar hiertoe geene
mogelijkheid ziende door de sterke bewaking der Zeeuwsche en
Hollaudsche schepen, zag zich de admiraal, hertog van Medina,
Sidonia, reeds zoozeer door de Engelschen geteisterd, na een
verlies van 5000 man en 12 groote schepen geleden te hebben,
genoodzaakt om Schotland heen naar Spanje terug te keeren.
Het was op dien terugtocht, dat God zijne geduchte almagt luis-
terrijk openbaarde, en dezen overmoedigen Spaanschen Leviathan
door zijne stormwinden zoo verstrooide en vernielde, dat omtrent
32 schepen bij Ierland strandden, en 10,000 menschen het leven
verloren of gevangen genomen werden, terwijl vele andere sche-
pen in Noorwegen werden prijs gemaakt en van sommige nimmer
iets meer vernomen werd. Van de geheele vloot keerden naauwe-
1) 7 boek, bl. 40.
-ocr page 81-
79
lijks 31 schepen en daaronder slechts één oorlogschip, op hetwelk
Medina zelf zich bevond, in Spanje terug, om getuigenis te.geven
van de geduchte oordeelen Gods, en aanschouwer te zijn van de
groote en algeraeene rouwe en verslagenheid des volks. Deze
scheepsvoogd — zoo zegt men — zal betuigd hebben, van den ko-
ning den last te hebben bekomen wel om tegen zijne vijanden, maar
niet om tegen de elementen te strijden. Zoo vernederde God
den Castiliaanschen hoogmoed: want zoo groot was Spanje\'s trots
en vertrouwen op die magtige vloot, dat het zijne ontwijfelbare
overwinuing reeds openlijk bezongen had \'). In geheel Spanje
werd niets dan weeklagt en gekerm vernomen; want bijna geen
adellijk geslacht, of het had den dood van een vader of broeder
of aanverwant te betreuren. En even als in Egypte na het slaan
der eerstgeborenen, geen huis zonder een doode was, zoo werd
geheel Spanje in rouwe en droefheid gedompeld. Ja, zoo groot
was de algemeene smart, dat de koning bij openbaar bevelschrift
liet aanzeggen den rouw slechts voor korten tijd aan te nemen.
Ja, zelfs werd te Lissabon een rijk koopman op \'s konings last
opgehangen, alleen omdat hij eenige teekenen van blijdschap
over het verlies der vloot betoond had; zoodat Philips evenmin
blijken van droefheid als blijken van vreugde gedoogde.
Toen waren onze vaderen wel gedrongen te betuigen, dat de
Heere aan ons groote dingen gedaan had, toen Hij onze vijanden,
die ons veel te magtig waren en die zich in hun trotschen eigen-
waan voor onoverwinnelijk hielden, ons ten goede, zonder onze
medewerking, als een steen verzinken liet in de magtige wateren.
Zoo beschaamde Hij onze vijanden. De zoon des verderfs, de
antichrist, die tot bevordering van dien togt groote indulgentiën
in zijne bullen had aangekondigd, mogt toen de tanden knarsen;
maar onze tong was vol prijs, ons hart vloeide over van lof en
dank.
Merkwaardig is het geval, dat verhaald wordt te dier tijd in
1) Zie het antwoord der Staten-Generaal aan den aartshertog Ernst in 1594. bij
Bor, boek 31, bl. 29.
-ocr page 82-
80
Rome te hebben plaats gehad. Bij gelegenheid van een aldaar
uitgestrooid valsch gerucht, dat de Spaansche vloot in het Kanaal
gekomen was, waren eenige Spanjaarden ten huize van den kar-
dinaal Gonzaga bezig elkander op de kaart van Engeland aan te
wijzen, waar ter plaatse de hunnen met den prins van Parma
geland waren, en op welke wijze zij dat land overweldigd hadden;
waarop een Italiaansch edelman in de kamer zou zijn gekomen,
hun \'ie kaart uit de handen hebben gerukt, haar voor hunne
oogen aan flarden gescheurd, zeggende: „Zoo is het met uwe
Armada gegaan. God heeft ze door zijne stormwinden verscheurd
en vernield."
Behalve de openbare dankzeggingen in alle Nederlandsche
kerken werden in Zeeland ter herinnering aan deze goddelijke uit-
redding koperen en zilveren penningen geslagen, met het wapen
van Zeeland, op de eene zijde met het opschrift: Soli Deo gloria,
d. i. „Gode alleen zij de eer," en op de andere zijde prijkende
met eenige groote schepen, waaronder de woorden: „Classis His-
panica,"
hebbende tot opschrift „Venit, ivit, f uit. 1588." d. i.
„Zij kwam, ging en verdween." Er werden ook nog andere ge-
denkpenningen in Holland en Zeeland geslagen, onder anderen
een, waarop een vlugtend en gestrand schip is afgebeeld, en op
de keerzijde vier personen, die God op hunne knieën danken en
loven, met het opschrift: „Homo proponit, Deus disponit. 1588:"
„De mensch wikt; de Heere beschikt" 1). Onze vaderen wilden
door dit alles der nakomelingschap in eeuwige gedachtenis doen
houden, niet alleen hoe het de Heere was, die voor hen gestreden
had, en dat Hem alleen de eere van de vernietiging dier magtige
vloot toekwam, maar ook hoe zigtbaar en heerlijk zijne goedheid
1) De Groot verhaalt in zijne Annales, dat de koningin van Engeland in eene tot
het volk gerichte aanspraak betuigd henft, hoc in dat alles gebleken was dat geene
)nenschelijke magt iets tegen den Heere vermag. Opmerkelijk is het, dat in datzelfde
jaar de Heere ook te land met regen en wind tegen onze vijanden streed. Parma
moest wegens het ongunstige weder liet beleg voor Bergen-op-Zoom den 13. Nov.
opbreken; ter herinnering aan welke verlossing een jaarlijksche dankdag in die stad
bevolen werd. Zie Bor, 5 bock, bl. 22 en 24.
-ocr page 83-
81
en grootdadigheid zich daarin geopenbaard bad, opdat zij de daden
des Heeren zouden weten, ook hunnen kinderen vertellen, hnnne
hoop alleen op God zouden stellen en de groote daden Gods jegens
Nederland nimmer zouden vergeten, maar Hem eeren en dienen,
door zijne geboden te bewaren.
Even zichtbaar heeft de Heere in 1594 door dezelfde ïnid-
delen voor ons gestreden. In dat jaar was de winter bijzonder
streng, zoodat alle stroomen en wateren dicht bevrozen lagen,
waarvan de vijand gretig gebruik maakte en verscheidene invallen
in Friesland en Groningen beproefde; maar de Heere trad telkens
tusschen beiden. Tot driemalen toe werd de vijand, zoodra hij in
het land gevallen was, door den invallenden dooi genoodzaakt
het land weder te ontruimen, eu zoodra was zulks niet geschied,
of het begon weder sterk te vriezen \'). Ook in 1596 toonde de
Heere op nieuw onzer vijanden vijand te wezen; want toen PhilipsII
zich over de schade, hem door de Engelsehen in zijne landen ver-
oorzaakt, wilde wreken, en eene vloot van omtrent 130 schepen
onder aanvoering van Martinus Padilla uitrustte, die behalve de
bemanning en eenige ruiterij, 14,000 man aan boord had, om
na Ierland en Engeland vermeesterd te hebben, Nederland tot
gehoorzaamheid te dwingen, — verhief Hij zijne stormwinden
tegen haar, en slingerde hare schepen tfegen zandbanken en
klippen; zoodat in éénen enkelen nacht 40 schepen met ruim
5000 menschen vergingen, en zoude zonder de hulp van zekeren
Hollandschen schipper, die zich op een der schepen bevond,
de geheele vloot wellicht ten eenenmale vernield zijn gewor-
den. De schade werd op 25,000 dukaten berekend. Bor van
deze vloot sprekende, maakt de opmerking, dat ook Gods hand
daarin zigtbaar was, vermits de Engelsche vloot met de Neder-
landsche vereenigd, in dien zomer, zonder eenig verlies haren
togt volvoerde; terwijl daarentegen de Spaansche vloot, nauwelijks
1) Op dezelfde wijze heeft Hij vele invallen in on* land verijdeld, o. a. in Jan. lüüü,
toen die van \'s Hertogenbosch in ons land wilden vallen. Ook werd in 1627 dit voor-
nemen van den vijand door den juist invallenden dooi verhinderd.
6
-ocr page 84-
82
de haven hebbende verlaten, onophoudelijk door hevige stormen
bezocht en vernield werd. Het volgende jaardicht werd hierop
toepasselijk vervaardigd:
„o Spaeus Conlngh feL, Wecst niet rebeL
Tegen God aLMaChtlgh,
Want hl seer snelj, V neerstorten seL,
Soo lil nV toont VVaeraChtlgh."
„Zoo zijn" zegt hij, „niet alleen de vereenigde Nederlanden,
maar ook Engeland, alleen door Gods krachtige hand ditmaal
verlost van het dreigend gevaar dezer vloot. En waarlijk deze
Spaansche Assur viel door het zwaard niet eens mans, en het
zwaard niet eens menschen heeft hem verteerd, Jes. XXXI : 8;
door de stemme des Heeren is hij te morsel geslagen, die ons
sloeg; want met bewegende bestrijdingen heeft de Heere tegen hem
gestreden." (Jes. XXX : 31, 32).
„Gcd slaat een gram gezigt
Op boozen, die Hem tegenstaan;
Hij doet hun naam met hen vergaan
Door \'t hoogste strafgerigt.
Maar Hij ziet gunstig neer
Op hem, die naar zijn wetten leeft;
God is het, die hem uitkomst geeft,
Zijn grooten naam ter eer."
Alvorens van de zee- tot de landtooneelen over te gaan, wen-
schen wij den lezer nog het een en ander uit de geschiedenis
van ons zeewezen te herinneren, zonder ons aan eene strenge
tijdrekenkundige orde te willen binden.
Toen in 1622 Don Pedro de Tolodo met eene sterke vloot, ver-
moedelijk om onze zeevaart tusschen Engeland en Frankrijk af te
snijden, onverhoeds in het Kanaal verscheen, heeft de Heere op
nieuw door eenen geweldigen storm , met zwaar onweder vergezeld,
die scheepsmagt verstrooid. Ook in 1626 onderging de vloot, die
42 ligte vaartuigen sterk en met 2000 man en een millioen gouds
-ocr page 85-
83
aan boord door den koning van Spanje naar Duinkerken gezonden
was, hetzelfde lot. Groot was in 1631 de toeleg van Spanje tegen
deze landen. De vijand wilde Holland van Zeeland afsnijden, en
de Willemstad moest tot dat einde bemachtigd worden. Geene
kosten werden daartoe ontzien. De uitgeruste seheepsniagt be-
stond uit 50 groote zeilsloepen, 10 pontons, 18 groote pleiten
met nog een groot getal enkele sloepen; de schepen waren van
schootvrije borstweringen en van levensmiddelen voor 14 dagen
voorzien; zelfs op zon- en andere heilige feestdagen — zoo groot
was hun ijver — werd daaraan gearbeid. Deze vloot had 10 halve
kartouwen, 400 kleine stukken, 20 drielingen, 4000 vuurwerkers,
Il tonnetjes geld, en omtrent 6 a 7000 man aan boord. Zij zeilde
den 8 September van dat jaar uit, in de tegenwoordigheid dei-
infante Isabella en der koningin-moeder, Maria de Medicis. De
vloot werd door den pauselijken nuntius ingezegend met deze
woorden: „Ga, gij gezegende! en verslaat de vervloekten." Doch
dien Bileam vervloekte, dien zegende de Heere. Hij deed den
vloek op des vijands schedel \'wederkeeren, en de Heere God
Almachtig trad voor ons weder in het strijdperk. De uittogt werd
door het schoonste weder, groote zeekalmte en een oostelijken
wind begunstigd; maar juist dit voordeel deed de vijandelijke vloot
onze schepen, die westwaarts lagen en haar dus niet konden aan-
tasten, te stout trotseren. Bij het land van Bath genaderd, raak-
ten eenige zijner grootste sloepen aan den grond en bleven op het
drooge vastzitten, en hier begon de Heere hare raderwerken te ver-
lammen en zijne hand tegen hen uit te strekken. En dit niet alleen,
maar Hij sloeg tevens de oogen des vijands met verblindheid;
want hadden zij de in den grond vastgeraakte schepen niet blijven
inwachten, zouden zij 12 uren onze vloot zijn vooruitgezeild en
omtrent 11 ure Stavenisse hebben kunnen bereiken, en voorts naar
de Willemstad stevenende, den aanslag hebben volbragt, vóórdat
de onzen in de mogelijkheid waren geweest den toeleg te ver-
adelen. Zij zouden, althans bij mislukking van den aanslag, op
het Prinsenland, door 7000 Spaauschen bezet, hebben kunnen ont-
komen. Ofschoon nu de vloed begon te verminderen, verwekte
-ocr page 86-
84
nogtlians de Heere zulk een hevigen stormwind, dat al onze
schepen — men lette wel, — zonder dat er één enkel zelfs vast-
raakte, over liet land van Bath gevaren zijn. Sommigen zelfs
beweren, dat de vloed toen veel sterker dan gewoonlijk was. Maar
hierbij liet het de Heere niet: de vijanden werden door Hem met
schrik en ontsteltenis geslagen, terwijl Hij ons daarentegen met
zulk een verwonderlijken moed bezielde, dat wij eene tienmaal
sterkere magt bestreden en het onderspit deden delven. Reeds den
11 September had zich die schrik in hun midden beginnen te
openbaren, nadat de vijand door de onzen bestookt, tweemaal
den aanval vernieuwd had. Maar hetgeen hun vooral een onbe-
rekenbaar nadeel toebragt, was namelijk dit, dat hen tegen den
avond plotseling zulk een zware mist omringde, dat zij hunnen togt
niet verder konden vervolgen, ofschoon zij daartoe alle pogingen
aanwendden, en tot dat einde allen strijd met de onzen zorg-
vuldig vermeden. Daar de vloot door dien mist geheel verstrooid
geraakte, werd hierdoor hunne vrees niet weinig vermeerderd.
En het was in dien toestand, dat zij op den 12. door de onzen
overvallen werd, met dat gelukkig gevolg, dat velen hunner sche-
pen zonken, een groot deel van hun volk in het water sprong
en verdronk. De geheele vloot week naar Nieuw-Vossemeer,
en de manschappen zochten zich te water en te land zoo goed
zij konden door de vlugt te redden; waardoor al hunne sloepen en
ponten met al hun toebehooren en meer dan 4000 gevangenen
in onze handen vielen. En daar velen hun dood in het water
vonden, bleven er van de 6 a 7000 man slechts weinigen over. Zoo
versloegen door \'s Heeren hand de door den pauselijken nuntius
vervloekten de door dezen gezegenden, en werden de bij Hem
vervloekten door zijne gezegenden tot schande gemaakt. Een oud
regent heeft mij, zegt Commelin, verhaald dat hij in Ter Ver e
de ronde doende, en komende bij het arsenaal, plotseling gedu-
rende eenigen tijd een groot licht zag, waardoor hij in staat was
alles duidelijk te onderscheiden, en dat dus onze schepen de vijan-
delijke sloepen aan den grond duidelijk hebben kunnen zien vast-
zitten. „Zoo heeft God in den hemel" zegt Van Sande, „de
-ocr page 87-
85
aanslagen des vijands bespot, en den Staten eene heerlijke o ver-
winning gegeven, toen zij zulks het minst verwachtten." De
markgraaf van S. Croix is, op het berigt van dien mislukten -toe-
leg, die 4 millioenen gekost bad, in allerijl opgebroken, en verliet
bet land met achterlating van eenige honderden zieken en dooden.
Natuurlijk werd de Heere voor zijne genadige uitredding met
dankzegging in alle kerken geloofd.
Nog verdient vermelding hetgeen in 1627 nabij de stad St. Sal-
vador voorviel, toen Piet Hein met zijne vloot aldaar gekomen
was met het plan om des vijands schepen aan te tosten. Toen ook
deed de Heere zoo geheel onverwachts en plotseling, ten onzen
voordeele, den wind, die anders slechts op gezette tijden aldaar
waait, binnens tijds opkomen, hetwelk zulk eene verbazing bij de
Portugezen verwekte, dat zij uitriepen dat ons de wind van den
duivel toekwam.
Even als de Heere God ons in 1631 door mistig weder gehol-
pen had, zoo is Hij ons op dezelfde wijze nabij geweest in den
gedenkwaardigen zeeslag van 1639. Toen Tromp in het gezigt
der Spaansebe vloot gekomen was, steeg er een zware mist op,
waardoor 22 vijandelijke schepen aan den wal vastraakten. En
zoodra was de mist niet opgetrokken, of de onzen tastten de ver-
strooide vijandelijke vloot aan, en behaalden die luisterrijke zege,
waarvan wij boven reeds melding hebben gemaakt.
Ook in verre landen werd de tegen onze vijanden uitgestrekte
hand Gods gezien. Behalve de in Duins vernielde vloot bad de
koning van Spanje nog eene even magtige uitgerust, die naar
Brazilië bestemd was. Doch zij werd omtrent Cap-Vert door zulke
hevige stormen overvallen, dat zij, aan de Braziliaausche kust
genaderd, zoo geleden had, dat zij verplicht was in de baai van
Todos los Sanctos binnen te loopen.
-ocr page 88-
88
HOOFDSTUK VI.
Maar heeft de Heer allóén te water zóó voor ons gestreden ?
Dit zij verre. Men lette slechts wat van Reyd ons omtrent den
slag van Turnhout verhaalt; dat namelijk in dien veldtogt het
weder zich door Gods genade bijzonder ten goede keerde. Want
toen men over dien togt beraadslaagde, viel plotseling de vorst
in, maar hield terstond op, en was het op dien tijd des jaars,
te weten in Januarij, redelijk droog weder, zoodat de ruiterij de
wegen zeer goed kon gebruiken. Hieruit blijkt, dat de Heere den
vijand, om hem op onzen aantogt niet verdacht te doen zijn, door
de vorst misleid, en door het geven van dooi en droogte onze
raadslagen begunstigd heeft, waardoor dan ook zulk eene glans-
rijke overwinning bevochten werd, waarvoor Gode in al de Ver-
eenigde Provinciën plegtige dankoffers zijn toegebracht, en overal
vreugdevuren ontstoken werden; „want" zegt ons Bor, „de heeren
Staten hadden gedurende deze inlandsche oorlogen nog nimmer
eene dergelijke overwinning behaald. Zoo heeft onze God in
onze grootste wapenfeiten ons ook het meest zijne gunst en hulpe
zigtbaar willen betoonen."
Men denke slechts aan hetgeen in 1600 in den slag van Nieuw-
poort geschied is, van welks uitslag het lot van het geheele land
afhing. Daar was het dat de Heere onze God met zon en wind,
met zand en rook voor ons gestreden heeft; terwijl Hij den vijand
wijsheid en verstand ontnomen had, om hem te doen verzuimen
hetgeen den onzen een gewis verderf zou berokkend hebben.
„Deze overwinning" zegt Van Sande, „is allóén toe te schrijven
aan den Almagtigen God, die boven alle menschelijke verwach-
ting gewerkt, en der Staten krijgsmagt, gelijk de Israëlieten
tusschen Pharaö en de Roode zee ingesloten, vei\'lost heeft."
Want de Staten hadden zich willens en wetens in het naauw ge-
bragt, zonder levensmiddelen, zonder middel om een goeden
aftogt te maken, of om eerlijk te vechten. En indien de vijand
zulks geweten en den slag tegen een wanbopigon vijand niet ge-
-ocr page 89-
87
waagd hadde, maar slechts stil ware blijven liggen, zouden de
onzen, door honger en dorst geteisterd, binnen weinige dagen
voor hen een gemakkelijke prooi geworden zijn. Men had reeds,
uit gebrek aan zoet water, hier en da:ir putten moeten graven.
Ook was de toestand der onzen daarom te gevaarlijker, omdat de
oudste, en ervarenste krijgsoversten den aartshertog hadden ge-
raden geen slag te leveren; maar onze God maakte den raad
Achitophels tot dwaasheid, waartoe ook niet weinig toebracht de
last van Prins Maurits, dat alle schepen zich zouden verwijderen.
Want de vijand dit bemerkende, wei\'d hierdoor in den waan ge-
bragt, dat Maurits, beducht voor zijne magt, het beste deel onzes
legers in veiligheid liet voeren , zoodat Albertus zijne benden zelfs
geen uur den tijd liet, maar dadelijk den aanval tegen ons begon.
Hetgeen dus voor hem eene reden moest geweest zijn om den
goeden raad zijner bevelhebbers op te volgen, werd door de be-
stiering Gods, die \'s menschen harten buigt als waterbeken,
eene reden om dien raad, tot zijn eigen verderf, te verwerpen
en den veldslag te wagen. De Staten die zich in Ostende be-
vonden, het lot des vaderlands als aan een zijden draad ziende
hangen, lieten niet af in vurige gebeden den Heere God aan te
roepen, zochten al hunne kracht bij Hem, en bewogen alzoo den
Alniagtige om ter hunner hulpe toe te snellen.
lntusschen stond de kans voor de onzen langen tijd zeer
hagchelijk, „ja, het was reeds zoo verre gekomen," zegt Bor, „dat
men door het wijken en vlugten onzer ruiterij en andere wanorde
de overwinning geheel aan de zijde des aartshertogs meende te
zijn; doch Prins Maurits liet niets onbeproefd om den zijnen overal
moed in te boezemen door vermanen, bidden en roepen, dat ze
liever vromelijk en kloekmoedig vechtende sterven wilden, dan
allen verdrinken of in \'s vijands handen vallen, zendende hij tel-
kens, als hij eenige ruiters verzameld had, hen weder in den
strijd, waar hij dacht dat ze het meest van nooden waren.\' Het
was volgens dien schrijver, waarschijnlijk dat wij, indien \'s vijands
ruiterij even wakker gevochten had als zijn voetvolk, de zege
niet zouden behaald hebben: „maar" vervolgt hij, „God deed de
-ocr page 90-
88
kans, die voor den vijand zeer goed stond, in een oogenblik voor
ons ten beste keeren. Hein moet men ook alleen de eer dier
overwinning toeschrijven; daar niemand baar toch met reden kan
toekennen aan een hoop volks, dat reeds aan het wijken was, en
waarvan velen op de vlugt waren." Ja waarlijk, wij herhalen het
met den schrijver, Gode alleen kwam de roem dier overwinning
toe. Immers iieeft Hij zijn sterken arm door wind, zon en zand
ons ten goede ontbloot; want de krijgsbenden van Albertus had-
den gedurende den geheelen strijd de brandende zon vlak in het
aangezigt, terwijl een vrij sterke westenwind hun het zand onop-
houdelijk in de oogen deed stuiven. „Prins Maurits" zegt van
Meteren, „marcheerde oostwaarts, hebbende de zee aan zijne lin-
kerband. Daar de wind westelijk was, had hij dien van achteren,
en daar het tevens namiddag was, eer zij tot strijden geraakten —
waarin immers Gods voorzienigheid is op te merken — zoo hadden
zij de zon van achter," welke omstandigheid aan Maurits, zooals
wij reeds opmerkten, geen gering voordeel op de Spaanschen
gaf, „al hetwelk geschiedde" zegt Bor, „door de geheugenisse
Gods, die zijn volk barmhartig aanzag."
De zege was volkomen. Groot was het verlies des vijands.
Onder de 600 door ons gemaakte gevangenen bevond zich de
admirant van Arragon zelf, eene omstandigheid die daarom op-
merkelijk is, vermits de infante, zich bereids volkomen van de
overwinning verzekerd houdende, zich reeds in den geest ver-
heugd had over de houding, die Prins Maurits zoude maken, als
hij gevankelijk voor haar zou gebragt worden.
Welke groote vreugde die zege door het geheele land ver-
spreid heeft, welke dankzegging tot God opgezonden is, welke
tranen van vreugde en dankbaarheid gestort werden, wordt ons
door Van Reyd op eene hartroerende wijze verhaald. En treffend
is wat van Meteren ons van Prins Maurits verhaalt, die van zijn
paard stijgende, God met weenende oogen vurigen dank toebragt,
met deze woorden: „o Heere! wat zijn wij, arme zondige men-
schen, dat Gij ons heden tot uws naams eer en lof, zulk een
geluk schenkt; U zij lof en dank in der eeuwigheid!" En, zegt
-ocr page 91-
89
deze schrijver, indien daarin de duisternis des nachts hein niet
had verhinderd, daar hij zijne troepen niet gemakkelijk kon ver-
zamelen , zou hij last hebhen gegeven om door het geheele leger
een algemeene dankzegging] te doen, zooals zulks dan ook den
volgenden dag te Ostende in tegenwoordigheid van den Prins en
alle overheden plaats had \'). Van wege de Staten-Generaal werd
daarna voor alle de Vereenigde Nederlanden een jaartijksche
dankstond vastgesteld. „Nadat" zegt Bor, „de Staten-Generaal
door den predikant Uyttenbogaert eene dankzegging tot God Al-
magtig hadden laten doen, begeerde de Prins, den 3. Julij binnen
Ostende komende, dat zulks opnieuw zoude geschieden." Een
bewijs met welk eene dankbaarheid zijn prinselijk gemoed jegens
God was vervuld en hoe hij ganschelijk in deze zaak Gode alleen
de eere gaf. Het verdient opmerking, dat op denzelfden dag der
maand, namelijk den 2. Julij, juist 302 jaar geleden een voorzaat
van den aartshertog, insgelijks Albertus van Oostenrijk genaamd,
een voorzaat van Prins Maurits, keizer Adolf van Nassau, eigen-
handig verslagen had.
Welk eene vermaardheid het ruim driejarig beleg van Ostende
verkregen, en hoeveel stroomen bloods en sommen gelds het den
vijand gekost heeft, is genoegzaam uit de geschiedenis bekend.
Maar van waar dit langdurig beleg? Was dan dat Ostende zulk
eene ongemeen sterke vesting ? Of kan daarin niet veeleer de
bijzondere voorzienigheid Gods opgemerkt worden, die den vijand
zulk een langen tijd al zijne krachten deed verspillen, om hem ten
laatste slechts in het bezit van een puinhoop te stellen? Opmer-
kenswaardig is het, dat eenigen tijd vóór het beleg de zee bijzon-
der onstuimig begon te worden en niet eer tot kalmte geraakte,
dan nadat men de stad met eene nieuwe haven, de Geule ge-
naamd, had kunnen versterken; die ook nog tijdens het beleg
zeer verdiept werd. Deze Geule had eene breedte van wel 100
voet, terwijl zij binnen \'s lands bij het laagste water wel eene
spiese diepte bevatte, en daarentegen de haven ten westen der
1) Dit had plaats uit den 116 Psalm , in de Fransche taal.
-ocr page 92-
90
stad bij laag water altoos droog bleef, „zoodat het schijnt," zegt
van Meteren, „dat God de Heere iets zonderlings met deze stad
heeft willen uitrigten." Althans de uitkomst heeft geleerd, dat ten
spijt van alle pogingen, kosten en kunstmatige werken, die de
vijand daaraan verspilde, deze haven, door Gods magtige hand
gedolven, niet is kunnen gedempt worden.
In 1606 had Spinola eene groote krijgsmagt verzameld en be-
proefde veelvuldige aanslagen; vooral had hij het op Friesland
gemunt; maar God verijdelde \'s vijands raadslag op nieuw en
maakte door aanhoudende zware regens, die in de zomermaanden
vielen, de wegen en toegangen volkomen onbruikbaar. Inzonder-
heid was dit langs de Bourtange en met de wegen naar Koevorden ,
in de moerassige streken van Drenthe, het geval. Deze mislukking
gaf aanleiding tot het volgend anagramma op Spinola:
«Ambulo Spina Rosis, est nomen, juxta anagramma,
Ambulo Spina in aquis dicere jure queo,
Ibant quo poterant, ubi non poterant ibi stabant."
hetwelk door D. Nicolaas van Hoorn aldus is vertaald:
«Ik wandel ah een doom in rozen t\'allen stonden,
Dat \'s Ambroos Spinola, mijn naam, na letterkeer;
Na wandel ik in \'t nat. Zij gingen waar ze konden,
Want waar men dit niet kon, daar gingen ze niet meer."
Door dezelfde wapenen heeft onze God dienzelfden veldheer
in 1621, toen hij met eene magt van 30 a 40,000 man een inval
in ons land wilde beproeven, bestreden. Geen ding — zegt Van
Sande — verhinderde den vijand meer dan de regen, die tot het
einde van September aanhield en alle wegen onbruikbaar maakte,
en waardoor de rivieren zoozeer gewassen waren, dat zelfs bij de
in drooge zomers doorwaadbare plaatsen daartoe niet de minste
mogelijkheid bestond. In datzelfde jaar deed de vijand ook al
het mogelijke, om het land van Kadzand te bemagtigen, waartoe
hij een leger van 10,000 man verzameld had, voorzien van 8
groote ponten op rollen, tot overvoer van paarden, en vele kleine
-ocr page 93-
91
vaartuigen; doch de Heere God verbrak al deze hunne rader-
werken. „Deze krijgstogt van Spinola" zegt Van Sande ten
slotte, „is meer verhinderd door Gods weder, buitengewone
stormwinden, hooge wateren en aanhoudende regens, dan do\'or
menschelijke magt en voorzigtigheid." Het volgende jaar, 1622,
kwamen Spinola en Don Louis de Velasco op zondag den 17
Julij omtrent Bergen-op-Zoom, waar toen weinig bezetting lag;
doch er brak uit het noord-westen zulk een hevig onweder los,
dat de vijand genoodzaakt werd ten eenenmale van dien aanslag
af te zien \').
Dat de Heer in datzelfde jaar, toen de stad belegerd werd,
voor ons in het strijdperk trad, wordt door Hofferus tot \'s Heeren
lof bezongen 2) :
«Gij hebt liun mijnen lelfs ons eigen leed doen wreken,
En midden in hun volk van achter uit doen breken;
Gij hebt door uwe zorg de haven steeds bevrijd,
Zoodat men uit en in kon komen t\' aller tijd.
Gij hebt de winden zelfs tot onze dienst gezonden,
Om binnen in de stad te spijzen zooveel monden,
De winden vochten zelf, en midden in het slaan,
De rook vliegt van ons weg, en tast den vijand aan."
Door deze en dergelijke weldaden onzes Gods — zegt Wasse-
naer — werd eindelijk die stad van deze hevige belegering be-
vrijd, tot groote vreugde der inwoners, die Gode den warmsten
lof voor die verlossing toebragten. „Toen Spinola met liet gan-
sche heir de stad verlaten had, liep al wat in de stad was, zoo
jong als oud, edel en onedel, magistraat, burger, kapitein en
kolonel op de vesting- en buitenwerken, van blijdschap roepende:
„Geprezen zij de naam des Heeren in eeuwigheid, die ons verlost
)) Zie de Nedcrlandsche Gedenkklank, Haarlem 1626, blz 244.
2) Zie zijne Poëmata 241. Dat de wind meest uit h»t zuidwesten tot voordeel der
stad woei, getuigt deze dichter, als hij den vijand het volgende te gemoet voert:
«Het water is voor ons, de aarde krijgt gij niet,
De wind die schijnt te staan tot Berge-op-Zooms gebied."
-ocr page 94-
92
van de Spaansche verbolgenheid." En op staanden voet allen te
zamen vertrekkende, vergaderden zij zich, en loofden God den
Heere met blijdschap voor de weldaad, die Hij hun gedaan had."
Hetzelfde geschiedde in 1623, toen de vijand met 6 a 7000 man
onder la Fontaine een listigen aanslag op IJzendijk beproefde.
Zij hadden, om niet opgemerkt te worden, al hunne wapenen en
krijgsmaterieel zwart laten verwen, en waren dan ook, zonder
ontdekt te worden, tot reeds op eene mijl afstands van het fort
genaderd, ja, zouden naar alle meuschelijke berekening in hun plan
geslaagd zijn, zoo de Heere niet was tusschengetreden. Want of-
schoon \'s avonds de zon zeer schoon was ondergegaan, barstte er,
juist toen de vijand zijn aanslag meende te volbrengen, zulk een
hevig onweder verzeld met zware slagregens los, dat geen geweer
kon afgeschoten worden; zoodat la Fontaine zich tot den terugtogt
verpligt zag, zijnen wrevel over die mislukking in deze gods-
lasterende woorden lucht gevende: „God is geus geworden." Deze
omstandigheid heb ik uit den mond van den toen aldaar staauden
predikant D. David de Moor zelven vernomen, die mij tevens
verhaalde, dat ter herinnering dezer verwonderlijke verlossing
jaarlijks op den 1 November aldaar een dankdag gehouden, en
een bij die gelegenheid den vijand ontnomen kurk en ladder in
de kerk bewaard wordt, met dit onderstaand versje:
• God heeft gemaakt te niet d\'aanslag onzer vijanden,
Waarvan men nog hier ziet kurk en leer t\' hunner schauden."
Vooral is merkwaardig hetgeen in 1624 plaatshad. Spinola had
een magtig krijgsleger bijeengebragt, wel voorzien van allerlei
soort van vervoerbare vaartuigen, zoodat men teregt vreesde,
dat hem bij laag water een inval in de Veluwe of Betuwe vol-
komen gelukken zou. Maar ziet, „toen is er" zegt Van Sande,
„iets wonderdadigs geschied, waaruit ieder oordeelde dat de Heere
met ons was; want het was een buitengewoon drooge zomer, zoo
zelfs dat er eene groote schaarschte van water bestond, niet al-
leen in de hooge, maar ook in de lage moerassige landen, zoodat
de visschen in grachten en slooten stierven. Men gaf in \'s vijands
-ocr page 95-
93
leger voor eene kan water 2, 3 en 4 stuivers. In weerwil echter
van die groote droogte was de stand van het water van den .Rijn,
de Waal en den IJssel tot elks verbazing buitengemeen hoog, ja
den eersten Augustus was het in 24 uren tijds zelfs 7 duim ge-
rezen. Wie kon in deze merkwaardige wonderen de hand des
Heeren voorbijzien, die als tegen de natuur werkende, en dat
wel in zulk een toestand van zaken, zijne magt tegen onze
vijanden, ons ten goede, openbaar maakte." „Al wie" zegt Was-
senaer te regt, „zulks met onbekende oogen kan aanzien, is blind;
en hij die deze kennelijke teekenen onzer bescherming, welke wij
biddend van den Heere afsmeeken, niet in aanmerking neemt, is
een blok." „Dit zijn" vervolgt hij, „de wapenen, waarmede de
Heere tegen onzen vijand strijdt; dat, al is \'t dat in dit saizoen in
vier maanden geen regen gevallen is, alle rivieren gevuld worden.
In andere jaren heeft men gezien dat de beitelschepen \') in den
Rijn niet vlotten konden; dat men den IJssel op l\'/2 voet waters
doorwaadde. Nu waren zij vol en gaven elk schip den vrijen
doortogt."
Hebben wij vroeger gezien hoe de Heere wind en regen, voch-
tigheid en droogte, vorst en dooi, mist en zonneschijn, rook,
zand en zee, als middelen ons ten goede, bestierde, zoo is ons
uit het zooeven medegedeelde op nieuw gebleken, hoe Hij de
groote kracht zijns arms in de rivieren, de bolwerken van ons
land, tot fnuiking van de magt onzer vijanden getoond heeft. Op
dezelfde merkwaardige wijze ondervonden wij mede in 1632 zijne
zigtbare hulp, bij de gevaarvolle onderneming tegen Maastricht.
Toen Prins Frederik Hendrik voor deze stad verscheen, was de
stand der.^rivier de Maas zoo laag, dat zij zonder de minste
moeite doorwaad kon worden; maar toen de tot ontzet aanrukkende
vijand voor deze rivier kwam, zag hij zich de mogelijkheid daartoe
benomen, daar het water inmiddels ten gevolge van den zwaren
gevallen regen en, zooals Van Sande te regt zegt, „door de
schikkinge Gods," wel 7 voeten gerezen was. Commelin hiervan
1) Beytelschip , nnvigium oblongum et angustum, zegt Kiliaen.
-ocr page 96-
1)4
sprekende, verhaalt ons dat het zeer regenachtig weder het water
in de Maas zoo bad doen wassen, dat den Spaanschen alle ge-
legenheid tot den overtogt ontnomen werd, en de Staten daar
door den tijd hadden hunne verschansingen aan gene zijde der
Maas, in de rigting naar Wijk, zoodanig te versterken en te
verzekeren , dat ze buiten gevaar waren. "In April van het jaar
1641" zegt genoemde schrijver, „kwamen 8000 man Spaansche
troepen, onder bevel van La Fontaine omtrent Aardenburg, met
plan om in het land van Cadzant te vallen, maar werden daarin
door het ongunstige weder al weder verijdeld." En zou dan bij
dat alles de ware en godvreezende Nederlander niet met den
Psalmist uitroepen:
»\'k Zal gedenken, hoe voor dezen
Ons de Heer heeft gnnst bewezen;
\'k Zal de wondren gadeslaan,
Die G-ij hebt van ouds gedaan:
\'k Zal nauwkeurig op uw werken,
En derzelver uitkomst merken,
En, iu plaats van bittre klagt,
Daarvan spreken dag en nacht/\'
Maar ook heeft de Heere door gunstig en goed weder onze
plannen zigtbaar, ten nadeele onzer vijanden, meer dan eens
begunstigd. Herinneren wij ons slechts het beleg van \'s Her-
togenbosch, eene vesting die men als rondom in moerassen ge-
legen, algemeen voor onneembaar hield; eene stad die de vijand
„de eenige kruk van Spanje, de eenige krak van Oranje, de
maagdestad en het achtste wonder der wereld" noemde; zoodat
de vijanden, als zij iets onmogelijks wilden te kennen geven, ge-
woon waren te zeggen: „Geus! ik verkoop het u op den Bosch!1\'
Velen gaven hun geld in plaats van op lijfrenten, op het over-
gaan van den Bosch aan de zijde der geuzen, omdat zij zulks
voor geheel onmogelijk hielden; ja, er waren lieden, die zelfs
deze godlasterlijke taal durfden voeren: „Als de Bosch overgaat,
dan is God geus." \') Men ging, toen het beleg reeds voor de
1) Zie Souterii Sene-Boher, bl. 38 en 173.
-ocr page 97-
95
stad geslagen was, zelfs weddenschappen aan, dat men in 1629
den Prins dood of gevangen in Brabant zou brengen, en dat met
zulk een overmoed, dat men, zooals in Antwerpen en Bcussel
geschiedde, vier en vijf tegen één durfde zetten. De oude
Grobbendonck zeide, dat de Prins wel dwaas moest zijn om te
raeenen, dat hij de stad met zijn leger zou kunnen insluiten. Men
verhaalt dat hij steeds zeide, wel te wenachen dat men hem kwam
bespringen, en dat Prins Frederik Haaitoe den moed mogt heb-
ben, om hem dan eens te toonen welk een man hij was. (Sentiet
qui viri simus)
En toen de Prins door een trompetter de stad liet
opeischen, gaf Grobbendonck hem ten antwoord: „ Wat laat uw
Prins Frederik zich toch wel voorstaan? Uw Prins Maurits heeft
ons tweemaal komen belegeren, en is onverrigter zake weder
moeten opbreken en vertrekken; wat meent dan nu zijn broeder
te kunnen doen? Voorwaar! uw Prins Frederik is zeer onberaden,
dat hij eene zoo groote zaak durft wagen. Wij hadden in uwen
Prins meer voorzigtigheid verwacht." Waarop de trompetter zeer
gevat antwoordde: „Heeft onze Prins Maurits met de maagd van
\'s Hertogenbosch twee geboden gehad, zonder haar te kunnen
krijgen; onze Prins Frederik komt thans het derde gebod bieden,
om met de bruid te gaan strijken." \') Want nu was \'s Heeren
tijd gekomen om onzen hoogmoedigen vijand te vernederen. „Zoo
klaarblijkelijk heeft God voor ons gewerkt" zegt van Sande,
onzen Staat en onze ontwerpen in deze onderneming met zulk
een buitengewoon droogen zomer begenadigd, dat die van \'s Her-
togenbosch alomme het oude bekende spreekwoord op de lippen
hadden: „Wind en weer zijn der geuzen soldaten." Door dit
heirleger toch werd ons door den Heere die sleutel van onzen
Staat, dat bolwerk van ons land, in handen gegeven; waardoor
ons de bevrijding van de Betuwe, Bommelerwaard, de landen van
Heusden en Aliena enz., alsmede het vrije gebruik der rivieren
1) Zie Souterii Sene Baher, bl. 25 en 26. Prins Maurits had ia 1601 en 1603
vruchteloos getracht zich van \'s Hertogenbosch meester te maken.
-ocr page 98-
96
de Maas en Waal geschonken werd, en wij ons nu in de gele-
genheid gesteld zagen den vijand allerwege afbreuk te doen.
Hoe duidelijk heeft de Heer ook in 1645 bij de belegering
van Hulst getoond met ons te zijn. Het was reeds den 5. Octo-
ber, toen wij voor die stad verschenen. Men verhaalt dat de
gouverneur, onze benden bespeurende, op de wolken wijzende,
(het weder was dien dag regenachtig) zou gezegd hebben: „dat
hij daar iets zag aankomen, dat den Prins wel verdrijven zou."
Het verdient onze bijzondere opmerkzaamheid, dat door Gods
voorzienigheid de geheele maand October zich door buitengemeen
droog weder onderscheidde, — een zeer ongewoon verschijnsel
in dat jaarsaizoen, — tot groote beschaming des vijands. „Wij
moeten" zegt de predikant Beukelaer in zijn vertoog: De schrick
van Vlaenderen en Brabant,
„aan een iegelijk al Gods groote
wonderen vertellen. Was het niet een groot wonder, dat de Heere
voor Jozua de zon en de maan liet stilstaan, totdat deze zich op
zijne vijanden gewroken had? Maar was het een minder wonder,
dat toen de stad Hulst door ons belegerd werd, de Heere de
maand van September twee maanden lang heeft doen stilstaan, en
in de maand October de maand van September, ja somtijds die
van Augustus gaf? Was het niet een groot wonder, dat voor
Hiskia de zonnewijzer tien graden terugging? En was het zulks
minder, toen wij op het einde van October zulke schoone en
liefelijke zomerdagen hadden, dat in plaats van den winter, de
zomer scheen te naderen? Toen een iegelijk naar zijn garni-
zoen dacht terug te keeren, en men met het leger spotte, dat
het onverrigter zake zoude moeten aftrekken, schonk God ons
onverhoeds de overwinning." Toen de Prins met zijn leger in
Augustus, bij schoon weder, naar Uzendijke was getrokken,
vleiden wij ons met eene buitengewone overwinning;" „maar
toen" vervolgt Beukelaer, „heeft ons God niet willen helpen,
opdat wij niet zouden zeggen: onze God heeft ons geholpen";
terwijl Hij daarentegen in de maand October, die met een ver-
Bchrikkelijken storm en onweder aanving, ons zulk eene heerlijke
zege deed behalen.
-ocr page 99-
97
Een ander leeraar herinnert ons bij (leze gelegenheid hoe God
den keizer Marcus Antonius in eene woeste landstreek, waar
zijne krijgsknechten door gebrek aan water stierven, over de
Quaden en Markomannen de zege deed behalen , door op de bede
van eene zijner benden, uit christenen bestaande en die naderhand
de donderende en bliksemende bende genaamd werd, een hevig on-
weder over de vijanden te doen losbarsten, terwijl Hij de Ro-
nieinsche krijgsbenden met een inilden regen begunstigde. \')
„Maar" laat hij er op volgen, „door het ophouden van zijn regen
heeft God in een laag en moerassig land aan den Prins eene sterke
stad en vele magtige sterkten in handen gegeven."
Toen keizer Theodosius I in de engten der Alpen door Eugenius
ingesloten werd, behaalde hij over hem de zege, na vurige ge-
beden tot God; want ziet de Heer verwekte een hevigen storm-
wind verzeld met een zwaar onweder, waardoor de pijlen der
vijanden terug gedreven werden, eene omstandigheid die zelfs den
heidenschen dichter Claudianus zoozeer getroffen had, dat hij de
eer dier overwinning alleen aan God toeschreef, in deze regelen:
«O nimium dilecte Deo, cui militat aether
Kt. conjiirati veuhint ad classica venti."
\'                               Dat is:
»o Dierbre vriend van God; u helpen in den strijd
De hemel, wind en weer, ab gij te velde zijt."
Kortom, indien wij al wat bij gelegenheid van dien veldtogt
plaats had, opmerkzaam nagaan, zouden wij dan niet moeten er-
kennen, dat God den Prins in die vaste stad voerde; dat onze
legermagten dat land niet hebben ingenomen door het zwaard, en
dat niet hun arm, maar uwe regterliand, uw sterke arm, o Heer!
ons geholpen heeft? (Psalm 108:8—11.)
„En," zegt de voornoemde leeraar teu slotte, „even als Claudi-
anus van Theodosius zingt, kunnen wij te regt van Frederik
Hendrik zeggen:
1) Oroüius 1. 7, eop. 9.
7
-ocr page 100-
98
• Hoogwaarde vriend van God, Prins Hendrik van Oranje,
De hemel, wind en wéér, streed voor u tegen Spanje."
Zelfs onze vijanden, verbaasd over den bijzouderen voorspoed
onzer wapenen, moesten het erkennen dat God de Heere groote
dingen aan ons gedaan had.
HOOFDSTUK VII.
Waarlijk, wij kunnen liet niet genoeg herhalen, indien iets in
de zaken van Nederland merkwaardig is, is liet zeker wel deze
klaarblijkelijke hulpc Gods, die als liet ware de gansche natuur,
hemel, lueht, aarde en zee, ons ten goede, als middelen ter be-
strijding onzer vijanden gebruikt heeft. En dat niet slechts een-
maal, zooals ten tijde van Theodosius, (welk voorbeeld nogtans
als zulk een opmerkelijk en wonderbaar blijk van goddelijke hulpe
door zoo vele schrijvers wordt aangevoerd) maar hoe menigmaal
heeft Hij aldus zijn magtigen arm voor ons uitgestrekt, zoodat wij
meer dan overvloedige stoffe hebben om met den Psalmist uit
te roepen:
\'Looft God; zingt eeuwig \'s Heereu lof,
Gij , die in \'t glansrijk hemelhof,
Die iu de hoogste plaatsen woont,
Daar God 11 zijn nabijheid toont.
Looft Hem, gij, cnglen, legcrmagten,
Die op zijn wil en wenk blijft wachten;
Looft, heldre sterren, maait en zon.
Looft d\' Almagt, looft der lichten Bron.
"Looft, looft, met waar\' erkentenis,
Zijn naam, die hoog verheven is;
Dewijl zijii wondre majesteit
Door aard en hemel is verspreid.
-ocr page 101-
99
Hij wou den hoom, zoo vol vermogen,
Den roem Tan Israël verhoogen;
Dat woont bij Hem, \'t heeft zingensstof,
Looft God: zingt eeuwig \'9 Heereu lof!"
Ja, onze God heeft zich in de gansche natuur voor het oog
aller volken, ons ten goede, verheerlijkt; zoodat men waarlijk
zeggen kan, dat al de starren tegen den Spaanschen Sisera voor
ons in het strijdperk zijn getreden. Waardoor is het land gewon-
nen en behouden? Is het niet door de wapenen van \'s Heeren
wind en water? Immers toen graaf van der Mark in 1572 voor-
nemens was naar Noord-Holland te stevenen om bijstand tegen de
Spaanschen te verzoeken, en hij door tegenwind genoodzaakt
werd de rivier de Maas binnen te loopen, had de Hcere reeds
zijne horselen en verschrikkingen vooruit gezonden, zoodat de
Briel ons onverwachts in handen viel. En is het tevens niet op-
merkelijk, dat toen hij die stad uit vrees voor de magt van Alva
weder wilde verlaten, hij daarin door dienzelfden tegenwind ver-
hinderd werd? Maar God had besloten den hoogmoed van der.
Spanjaard te vernederen en ons land te verlossen, en Hij wilde
dit bewerken in weerwil van den verstandigen raad van Prins
Willem van Oranje, die de kloeke daad den graaf van der Mark
ten kwade duidde, van oordeel zijnde , dat hij ontijdig dien aanslag
ondernomen had.
Herinneren wij ons slechts hetgeen wij van de wonderdadige
verlossing van Leiden in 1574 hebben verhaald , van welker be-
houd, volgens de betuiging der Staten, het welzijn van het ge-
heele land hing. Aan die merkwaardige uitredding denkende,
wordt mijn geest, ik beken het, in mij ontstoken, en zeg ik
menigmaal bij mijzelven: „Hoe is het toch mogelijk, dat van
deze groote daden Gods thans zoo weinig meer gewag gemaakt
wordt; dat wij, dit alles in alle bij zonderheden wetende, niet met
meer dankbaarheid jegens dien grooten en goeden God vervuld
worden?" Welke mag toch wel de oorzaak zijn, dat wij ons nog-
steeds aan de middelen blijven vasthouden en niet meer vertrou-
wen stellen op dien God, die zoo menigmaal en krachtig bewezen
-ocr page 102-
100
heeft zijn hart op ons land te hebben gezet, die zich in zijne
wonderen en groote daden zoo zigtbaar aan ons land, ja, ons ten
gevalle aan de geheele wereld geopenbaard heeft? Hoe weinig
ingenomenheid betoonen wij met zijne heilige waarheid te bezit-
ten, om welke te verheerlijken de Heere ons al deze dingen ge-
daan heeft. (Jes. 42 : 21.)
Men zal ons welligt te gemoet voeren dat al deze veranderingen
van wind en weder, van zee en rivieren enz., aan de gewone wer-
kingen der natuur moeten toegeschreven worden. Maar ik wil dan
op mijne beurt den lezer gevraagd hebben, is het dan niet God,
die de natuur in zijne hand heeft en bij magte is, haar bij bij-
zondere gelegenheden en gewigtige omstandigheden aan zijne
oogmerken zigtbaar ten goede van een volk dienstbaar te maken,
en daardoor zijne nabijheid en hulpe op eene klaarblijkelijke wijze
ten behoeve van datzelfde volk te toonen? En is die openbaring
niet te opmerkelijker, wanneer zijne werken: 1°. zijn ongewone
werken, gelijk vóór en na dien tijd in geen land immer zijn aan-
schouwd; zooals b. v. Gods wonderwerk op de Zuiderzee in 1572,
om van andere niet te gewagen *); 2°. plaats hadden na vooraf -
gaand vasten en bidden om uitkomst tot Hem; 3°. geschiedden
door de werking der natuur, in overeenstemming met de wenschen,
behoeften en ontwerpen van een volk, zoodat de geheele natuur
als het ware alleen ten dienste van dat volk scheen te worden
gesteld, om al hunne plannen te doen gelukken; even als b. v. in
bet beleg van Leiden meer bijzonder het geval was. Heidenen
zelfs hebben in zulke beschikkingen Gods hand en vinger opge-
merkt, hoeveel te meer behooren wij Christenen zulks te doen,
wig, die weten dat er geen musebje valt op de aarde, zonder
Gods wil en zijne voorzienigheid. Immers, dat de dingen, die
volgens de gewone wetten der natuur geschieden, niet minder
Gods bijzondere hulp en magt bewijzen, zien wij uit Jos. 10: 11;
1 Sam. 7 : 10 en 12 : 17; Job 37 : 11, 12 en 13. Waarlijk, de
1) Hoe zigtbaar de Heere onze gebeden verhoord en zijne wonderen in de rivieren
van ons land getoond heeft, verhaalt zeer nadrukkelijk Wasseneer, op het jaar 162*.
-ocr page 103-
101
Heere heeft alles ons ten goede doen medewerken, en heeft zoo
verwonderlijk zijne voorzienigheid aan dezen Staat getoond, dat
zulks wezentlijk vele groote wonderen te boven gaat. Laa}; ons
het een en ander nog met een paar voorbeelden ophelderen.
Letten wij vooreerst op hetgeen in 1574 bij de ontdekking vau
het verraad en den aanslag op Gouda voorviel. Een zeker land-
man werd door een der voornaamste vijanden overgehaald om een
brief naar Utrecht over te brengen. Bevreesd en over de zaak
al meer en meer nadenkende, bleef hij in de poort een wijle tijds
in eene weifelende houding vertoeven, zoodat de schildwachten,
die eenig vermoeden begonnen te koesteren, hem aangrepen en
in het wachthuis bragten. Hij werd onderzocht en men vond bij
hem eenige penningen en een kluwen garen, om hetwelk hij
meer dan om het geld scheen bezorgd te zijn. Dit vermeerderde
de achterdocht, en de draad afgewonden hebbende vond men den
brief. De hand werd dadelijk herkend en de boer in hechtenis
gehouden. Op de vraag wat hem zoo bedremmeld gemaakt had,
gaf hij ten antwoord, dat het water in bloed veranderd tegen hem
scheen op te rijzen, welk verschijnsel hem tot zich zelven deed
zeggen: Heere God! zou ik welligt de overbrenger eener bloedige
boodschap zijn? Hooft, die zulks verhaalt, schrijft dit aan de ver-
beeldingskracht des landmans toe, maar houdt het nogtans voor een
wonderwerk Gods, zooals het wonder in 2 Kon. 3:22 verhaald,
dat in het oog der Moabiten het water in bloed veranderde. Wel
is waar zijn eenige godgeleerden van oordeel dat de bloedroode
kleur, welke het oog der Moabieten trof, niets anders is geweest
dan de natuurlijke uitwerking van de terugkaatsing der zonnestralen
op het water; maar de geleerde professor Gijsbertus Voetius l)
houdt zulks voor onwaarschijnlijk, omdat, naar zijn oordeel, geen
der Moabiten onkundig van die uitwerking kan geweest zijn, daar
zij eiken morgen de zon op het water konden zien schijnen, of
zij zouden zich allen evenzeer hebben moeten bedriegen, zoodat
l) Part. I. Select, disput, pag. 707.
-ocr page 104-
102
hij het om die reden voor een goddelijk wonderwerk houdt. Niet
dat het water werkelijk in bloed zou veranderd zijn, gelijk een-
maal in Egypte, maar dat het zich als zoodanig aan hen vertoond
heeft. Of nu God werkelijk het water in bloed veranderd heeft,
of dat de terugkaatsende zonnestralen zulk eene kleur in het water
hebben voortgebragt, even als in den regenboog gezien wordt, of
dat het goddelijk wonder op eene of andere wijze aan het gezigt
der Moabiten gewrocht is, laat Voetius in het midden, omdat hij
het niet duidelijk uit Gods Woord weet te verklaren, ofschoon hij
tot staving van Gods wonderbare werkingen op het menschelijk
gezicht vele voorbeelden aanhaalt. Num. 22:31; Luk. 24:16;
Joh. 20 : 14, 15; Gen. 19 : 11 en 2 Kon. 6 : 11. Hoe het ook
daarmede moge gelegen zijn, wij houden het nogtans daarvoor,
dat de Heere in ons geval een natuurwonder heeft verrigt, hetzij
door werkelijk het water in bloed te veranderen, hetzij door op
de werktuigen van het gezigt of op de verbeeldingskracht des
boers te werken, of wel door eene of andere werking in de
natuur zelve.
Wat wij in het verhaal der Moabiten niet lezen, vond echter
hier plaats, dat namelijk het water als bloed tegen hem scheen
op te rijzen,, welke omstandigheid zijne ontroering niet weinig
schijnt vermeerderd te hebben. Dit althans is zeker, dat even als
de Heere op zijn uitwendig gezicht wonderdadig schijnt gewerkt
te hebben, zijne goddelijke werking niet minder plaats had op
de overleggingen zijner ziel, daar toch Hij de harten en ge-
dachten der menschenkinderen bestiert naar zijn goddelijk wei-
behagen. Maar dat hij juist op het denkbeeld moest komen, dat
hij wel de overbrenger eener bloedige boodschap zou kunnen zijn,
en dat die gedachte hem vreesachtig maakte de poort binnen te
gaan, is zeker iets bovennatuurlijks. En al ware hetgeen hij zich
verbeeldde te zien, louter het spel zijner inbeelding geweest, zou
het dan daarom minder als een wonderwerk Gods te beschouwen
zijn ? Ik voor mij geloof van neen; want de inbeelding niet
voortkomende uit eene ligchamelijke ongesteldheid ef zwakheid
van hersenen, waarvan hij vóór of na het gebeurde geen blijken
-ocr page 105-
J03
gaf, moet zij aan eene inwendige werking Gods toegeschreven
morden, waardoor hij aan de plaats als vastgenageld staan bleef
en in de handen der wacht viel. Kortom, mij is het althans klaar-
blijkelijk, dat God door een bijzonder werk zijner almagt de stad
van dien vijandelijken overval en van een vreeselijk bloedbad den
Staat van zulk eene ramp, als daaruit onvermijdelijk zou gevolgd
zijn, heeft willen redden.
Hoe wonderbaar was hetgeen in 1621 voorviel, toen de vijand
al zijne krachten verzamelde om een aanslag op de stad Sluis te
wagen, maar welke toeleg door een verschrikkelijk onweder ver-
ijdeld werd, zoodat door het sterke bliksemlicht de nacht als het
ware in den dag scheen herschapen te zijn. Dit was zelfs in het
oog des vij ands zulk een wonderwerk, dat zij lasterlijk uitriepen:
„God is lutheraan geworden." Maar wij hebben nog grootere
wonderen te vermelden.
In 1581, toen de toenmalige markgraaf van Bergen, misnoegd
dat de Staten zijne stad Bergen-op-Zoom met eenige Fransche
■vendelen onder den kolonel La Garde hadden laten bezetten, een
verraderlijken aanslag tegen haar beraamde, wist hij den stads-
timmerman, zekeren pottebakker en een pastoor te bewei-keu, »m
in den nacht van den 5. December de valdeur der sluis aan de
Bagijuepoort op te winden en zijn krijgsvolk heimelijk binnen de
stad te laten, dat de Hontpoort overrompelen en zoo doende den
markgraaf met zijne overige krijgsmagt binnen laten moest. En
werkelijk waren reeds 300 man heimelijk door de sluis onder be-
gunstiging van het mistige weder en door de onachtzaamheid der
schildwachten in de stad gedrongen; maar terwijl de vijand de
koornmarkt bezette, maakten zich de verraders uit de voeten en
gingen zich uit angst verschuilen. De vijand zich dus van zijne
gidsen verlaten ziende en geen weg in de stad wetende, vroeg
een hunner eenen voorbijgaand en krijgsknecht, die zich naar zijne
wacht aan de Bagijnepoort begaf, wie hij was? en kreeg tot ant-
woord, dat hij tot het vaandel van hopman Sebastiaan behoorde.
Daar nu een der vijandelijke hoplieden juist dienzelfden naam
droeg, moesten de Spaanschen dus natuurlijk in den waan ver-
-ocr page 106-
104
kceren, dat het ceu der hunnen was, en verzochten hem derhalve
hun den weg naar do Houtpoort te wijzen; maar deze zulks niet
goed verstaande, meende dat zij hem naar de Wouwsehepoort
vroegen, en geleidde hen derwaarts, maar weldra aan hunne
vochtige kleederen en aan het breekgereedschap, dat zij met zich
voerden, bemerkende, dat zij niet tot de zijnen behoorden, wist
hij ben heimelijk te ontvlugten. De markgraaf, van do binnen-
lating der zijnen verwittigd en ongeduldig over hun dralen, liet
de Houtpoort hevig bestormen, die bijna overweldigd ware ge-
worden, toen zich eensklaps de wapenkreet der belegerden verhief,
die door het onverschrokken voorbeeld der hopliedon Valkenburg
en Alaines aangemoedigd, van twee zijden den vijand gelijktijdig
te gemoet trokken, weldra gevolgd door Rivièrc, die sneuvelde,
Meetkerken, Durand en anderen, met al het krijgsvolk dat zij
met allen spoed hadden bijeen verzameld. De heimelijk binnen
de stad gelaten krijgslieden, nu van alle zijden in het naauw ge-
bragt, geen kans ziende om de poort, waarvan het schuif hek
inmiddels nedergelateu was, open te breken, redden zich, deels
langs dcnzelveu weg waardoor zij in de stad gekomen waren, en
vielen deels over de vesten en verdronken, met achterlating van
70 dooden en 100 gevangenen. De verraders werden gevat en
ter dood gebragt. Op| deze wijze werd de stad, aan welker be-
houd zooveel gelegen was, verlost en het onheil, dat daardoor
het geheele land bedreigde, afgewend.
Dat ook hier weder op eene zigtbare wijze Gods voorzienigheid
heeft medegewerkt, is uit de volgende omstandigheden blijkbaar:
1° dat een der vijandelijke hoplieden juist denzelfden naam droeg
als de hopman, onder welks bevel die voorbijgaande krijgsknecht
stond; 2° dat de ontmoeting juist toen en niet eenigejoogenblikken
later plaats had; 3° dat de vraag door den aangesprokene ver-
keerdelijk verstaan werd, tengevolge waarvan hij den weg in
plaats van naar de Houtpoort, naar de Wouwsehepoort aanwees;
4° uit den schrik en vrees, die zich plotseling van de verraders
meester maakte, nadat het verraad volkomen gelukt was, en dat
zij zich dientengevolge gingen verschuilen, den vijand aan zijn
-ocr page 107-
105
lot overlatende; 5° uit den moed, waarmede de verraste burger»
en bezetting bezield werden.
Diezelfde goddelijke bestiering kunnen wij, zegt Van Reyd, iu
het behoud van Vlissingen opmerken. De hertog van Alva had
16 kompagniën voetknechten in schepen naar Vlissingen gezonden.
DeB nachts kwamen zij heimelijk voor de stad, maar de Heere
verijdelde hunne landing, in weerwil van al hunne pogingen om
zulks te beproeven, zoodat zij genoodzaakt werden onverrigter
zake vóór de stad in hunne schepen te blijven liggen. Beauvoi3,
kapitein der Waalsche bezetting, had den last ontvangen met
de zijnen de stad te verlaten, en liet zulks daags te voren bij
trommelslag bekend maken. De trommelslager dreunde al slaande
het liedje op: „Maakt uwe vrouwen en geld gereed, de Spanjaard*
komen."
In het eerst sloegen de burgers daarop weinig acht,
maar den volgenden dag de schepen met de Spanjaards voor de
stad ziende liggen, herinnerden zij zich den trommelslager, en
wat hij met dat geroep had willen zeggen. Nu begon het volk
op de been te komen, verraad te roepen en weldra onstuimig
naar het stadhuis te loopen, alwaar de regering reeds bezig was
kwartier voor de Spanjaards te maken. De burgers dit bemer-
kende, riepen luide dat\' ze geen Spanjaards binnen de stad wilden
dulden. Terwijl de regering de burgers tot bedaren zocht te
brengen en tot de orde te vermanen, ontstond er twist tusschen
deze fouriers en eenige burgers, tengevolge waarvan een der
Spaanscheu zekeren burger, Alman genaamd, een slag toebragt.
Deze zich deswege willende wreken, liep naar huis om zijn ge-
weer te gaan halen. Intusschen vermeerderde van alle zijden de
toeloop des volks. Men vroeg elkander wat er toch gaande was ?
Eenigen uit de schare zeiden, dat Alman zijn geweer was gaan
halen. Maar ook hier diende een misverstand ter uitredding;
want sommigen verstonden in plaats van Alman, alarm, en dat
niet Abnan, maar alle man naar huis ging om zich van wapenen
te voorzien. Dit gerucht verspreidde zich onder de menigte.
Ieder spoedde zich huiswaarts tot hetzelfde doeleinde, roepende:
„wij willen geen Spanjaards in de stad laten." Alles stormde nu
-ocr page 108-
106
naar de wallen en het geschut werd op voor de stad liggende
Spaansche schepen losgebrand, die, vernemende wat er gaande
was, geraden vonden het anker te ligten en naar Goes te zeilen.
De overste Pacieco, van de toedragt der zaak onkundig en niets
kwaads vermoedende, zeilde met zijn schip de haven binnen, werd
gevangen en opgehangen. De stad stelde zich voorts onder de
bescherming van den Prins van Oranje; de stad Veere volgde dit
voorbeeld, en zoo werd Prins Willem meester van Middelburg en
het geheele eiland Walcheren. Zulke werken Gods worden, om
de woorden van den Psalmist te bezigen, gezocht van degenen,
die daarin lust hebben, want
»Hoe groot zijn, Heer, uw werken!
Hoe Ter gaat uw beleid!
Gij stelt, met mogendheid,
"Elk deel zijn juiste perken."
Een ander voorbeeld van Gods wonderbare voorzienigheid
kunnen wij opmerken bij den wel beraamden aanslag der Spaan-
schen op de stad Sluis in 1606, welke door v. Meteren teregt
gezegd wordt, „wonderdadig" door God verijdeld te zijn geworden.
De toeleg kon met weinig volk geschieden. Binnen de poort,
tusschen het kasteel en de stad was een plein, waar men zich
gemakkelijk in slagorde kon stellen, terwijl de stad aan het weste-
iijk gedeelte door de haven, die met rampaarden voorzien was, en
aan het noordelijk gedeelte door het kasteel verdedigd werd.
Van deze voordeelige gesteldheid onderrigt, ondernam de overste
du Terrail den aanslag. Hij had het plan beraamd om aan de
zuidzijde der stad, vóór zonsopgang, een valsch alarm te maken
en te gelijkertijd de Oostpoort door 36 a 3700 uitgelezen
manschappen te laten bestormen, die hij \'s nachts in stilte
over het verdronken land, voorbij de Krabbeschans, gezonden
had. Eene nietsbeduidende omstandigheid, de onvoorzigtigheid
van den koster der Groote Kerk, moest in Gods hand het middel
van uitredding zijn. Deze was des avonds ten 10 ure, zonder
van licht voorzien te zijn, naar de kerk gegaan om het uurwerk
-ocr page 109-
107
op te winden, maar had ongelukkig in den duister bet slaande
werk, waarnaar zich de geheele stad gewoonlijk regelt, overgewon-
den, zoodat de klok den geheelen nacht niet slaan kon en de
Spaanschen aan de zuidzijde der stad gesteld, het uur bijster,
niet wisten wanneer zij den aanslag moesten beginnen, en der-
halve, uit vrees voor ontdekking of verraad, stil bleven liggen,
zonder iets te durven ondernemen. De aan de Oostpoort geplaatste
bende had meer dan een uur lang achter het contrescharp staan
wachten, en geen alarm aan de westzijde vernemende, werden
zij eensklaps door de vrees van in eene of andere hinderlaag te
zullen vallen, bevangen. En ofschoon zij nog eene poging deden
om de poort door petarden te doen springen, ontzonk hun echter
zoozeer de moed, dat zij op de brug als vastgenageld bleven
staan, angstig naar den aantogt hunner musketiers uitziende. Was
nu de vijand met moed voortgerukt en had hij de wallen, al ware
het slechts met 10 a 12 man, beklommen, dan zou de stad, naar
elks oordeel, zekerlijk in hunne handen gevallen zijn. „Maar", zegt
Van Meteren, „zij waren zoo bevreesd van overvallen te worden,
omdat de klok niet sloeg en alles in de stad zoo stil was, dat zij
niet durfden voortgaan; waardoor aan de burgers tijd gelaten
werd in de wapenen te komen en met grooten moed den vijand
van de brug, die hij reeds bezet had, terug te drijven."
Het stilstaan van het uurwerk, door onvoorzigtigheid veroor-
zaakt, deed den in verlegenheid gebragten vijand het tot de ver-
rassing der stad bepaald en geschikt oogenblik voorbijgaan. En
alzoo diende dit middel tot volvoering van Gods raad ten opzigte
van deze merkwaardige verlossing.
Wij mogen hierbij de reeds bovenvermelde omstandigheid niet
vergeten, dat de vijandelijke bende die met de bemagtiging der brug
was belast, in plaats van uit musketiers, slechts uit krijgslieden
met corseletten en spiesen gewapend bestond, welke grove misslag
de onzen met te meer moed bezielde, en tekens een bewijs levert
hoe God de listigen in hunne listigheid weet te vangen. Zijne
wonderwerkende hand was vooral hier zoo zigtbaar, dat, volgens
de getuigenis van Van Meteren, zekere Jezuit, die zich onder de
-ocr page 110-
108
krijgsgevangenen bevond en bij die gelegenheid 14 a 15 wonden
had bekomen, erkennen moest dat uit dit alles ten duidelijkste
bleek, dat God de stad voor eene zeer groote ramp heeft willen
bewaren, daar men het bloeddorstig plan gevormd had om alle
inwoners te vermoorden.
Sedert de uitgave van dit mijn vertoog heb ik van mijnen neef,
David Montanus, die nu sedert eenige jaren te Sluis als predikant
staat, en de zaak naauwkeuriger onderzocht heeft, vernomen, dat
niet de koster, (want het stadsuurwerk bevond zich niet op den
kerktoren maar op het stadhuis) maar de zoon van den klokken-
steller met zijn neef, een Roouisch-Katholiek, tegeu den avond
het uurwerk is gaan opwinden; dat deze, ofschoon het rustdag
was, op de kermis, welke gelegenheid de vijand tot zijn toeleg
gekozen had, beschonken geraakt zijnde, zijn neef met die taak
belast had, die, in dit werk onervaren, ofwel uit onachtzaamheid,
het gewigt der katrol overgewonden had, waardoor het uurwerk en
bij gevolg ook de aanslag is blijven stilstaan, zoodat een Roomsch-
Katholiek door Gods voorzienigheid dienstbaar werd gemaakt om
de stad voor de wederinvoering der Roomsch-Katholieke godsdienst
te bewaren. Die mislukking was tevens voor den gevangen ge-
nomen Jezuit eene groote teleurstelling; want hij bekende dat hij
zich, uit vromen ijver gedreven, bij de Spaansche troepen ge-
voegd had, ten einde zijne eerste mis in de stad te kunneu
doen, hetgeen aanleiding tot de volgende dichtregelen gaf:
«Vriend! d\' eerste mis te Sluis te zingen,
Al weet gij \'t niet, is u gegund;
Want als gij \'t werk niet kondt volbringen,
Gij wis en zeker mis-ioea kunt."
«Het is u goed alzoo te missen,
Gelijk gij zelf bekennen moet;
Want uit dit missen kunt gij gissen
Dat voor God dierbaar is ons bloed."
«Laat komen zoo nog meer jesuyten,
Om mis te zingen binnen Sluis ;
Den bloeddorst zullen zij wegsmijten,
"En zieu dat God zorgt voor zijn huis."
-ocr page 111-
109
Men verhaalt tevens \'), dat het grinneken van een paard, het-
welk men in dienzelfden nacht over de brug in de weide bragt,
door den schildwacht gehouden werd voor de gewone ronde, ,
welke hij, zonder uit zijn schilderhuis te komen, toeriep: „laat
maar voortgaan;\'\' welk geroep niet weinig den schrik des vijands
zou hebben vermeerderd, eene omstandigheid, die zoo zij waar-
heid bevat, op nieuw het bewijs levert hoe de kleinste omstan-
digheden in de voorzienigheid Gods dienstbaar kunnen gemaakt
worden aan de volvoering zijner wijze raadslagen. Het verdient
opmerking, dat dit geval door Italiaansche historieschrijvers als
iets zeer bijzonders aangehaald wordt, en dat zij daarin eene blijk-
bare goddelijke tusschenkomst erkennen. De bevelhebber Karel
van der Noot, ziende hoe wonderdadig de Heere deze stad voor
een jammerlijk bloedbad had bewaard, liet den volgenden dag
eene openlijke dankzegging doen, welke ook de Roomsch-
Katholieken bijwoonden, overtuigd zijnde, dat ook zij in het lot
der overigen zouden hebben gedeeld. De stedelijke regering be-
paalde bovendien dat er jaarlijks op den 12en Junij, den dag dezer
merkwaardige verlossing, een plegtige dankstond zou gehouden
worden, hetwelk nog jaarlijks onder een grooten toevloed der ge-
meente geschiedt.
Even als door de onvoorzigtigheid van een klokkensteller de
stad Sluis door God voor zooveel jammer en ellende bewaard
werd, gaf de Heere weleer de sta_d Hoorn door middel van
het onvoorzigtig en ontijdig blazen van een trompetter Prins
Willem in handen. De regering dier stad had in 1572 eenig
Spaansch krijgsvolk binnen hare muren willen laten en tot dat
einde het geschut van de wallen naar het stadhuis en den Rooden-
steen laten vervoeren. Een zeker burger werd op de vraag aan
een der burgemeesters, waarom zulks geschiedde, door hem be-
dreigd, waardoor het volk in beweging geraakte. Het onvoorzigtig
blazen van den torenwachter bragt de reeds opgewonden menigte
in den waan, dat er verraad gepleegd was. Men vroeg den regerings-
1) Zie Nassouwsche Helden-Pronnk-tooneel, Amsterdam 1663, bl. 374.
-ocr page 112-
110
leden vrij onstuimig af, met welk voornemen zij het geschut vau
de wallen hadden genomen. En op de blijkbare verlegenheid dezer
heeren, die op deze vraag zoo spoedig geen voldoend antwoord
wisten te geven, ontstak de burgerij, die nu het verraad voor
zeker hield, in zulk eene woede, dat de regenten in groot levens-
gevaar zouden geraakt zijn, indien zij niet spoedig de belofte had-
den afgelegd geen Spaansch volk binnen de stad te zullen laten.
Het geschut werd daarop dadelijk weder naar de wallen gebragt; al
de kloosters, gods- en gasthuizen enz., waar men meende dat Span-
jaards verborgen konden zijn, werden naauwkeurig doorzocht. Voorts
werd in het verzoek der burgerij om zelve acht kapiteins over de
schutterij te verkiezen, bewilligd, en de regering tevens genood-
zaakt om in plaats van JSpaansche bezetting, \'s Prinsen volk in de
stad te nemen. Zoo heeft de Heere, zoowel door de voorzigtigheid
als door de onvoorzigtigheid en onachtzaamheid der inenschen,
zijnen altoos onfeilbaren en wijzen raad, ons ten goede, ten uit-
voer gelegd.
Kortom, wie erkent niet in dit alles, — hetwelk wij gemakke-
lijk met vele andere voorbeelden van dien aard zouden kunnen
vermeerderen, — welke goede en billijke redenen onze vaderen
gehad hebben om te zeggen, „dat God Almagtig in alle onze
zaken heeft gewerkt door buitengewone wegen en middelen, ge-
lijk een ieder met dankbaarheid mag heugen en gedenken. Door
gewone middelen heeft Hij niet gewerkt of te weeg gebragt;
want Hij wil dat Hem alleen de eer gegeven worde." \')
Opmerkelijke woorden der Utrechtsche regering, die bewijzen
hoe onze vaderen zich de openlijke erkentenis niet hebben ge-
schaamd, dat de Heere, onze groote en goede God, bijna evenveel
wonderen als weldaden aan ons land bewezen heeft. En hoe zou
dau niet elk waar Nederlander, die het wèl met het vaderland
meent, dien God prijzen en loven, zeggende:
„Daarom zijt Gij groot, Heere God! want er is niemand gelijk
1) Zie de missive der regering van Utrecht, bij Bor, 22. boek, op 1587.
-ocr page 113-
111
Ljtj .4*14/^14 geen God dan alleen Gij, naar alles, wat wij niet
tfvu üsu™. -gehoord hebben. En wie is gelijk ons volk, gelijk
w/2*<a!^&*<v.-jvetwelk Gij u tot een volk verlost hebt, om u eenen
snecn» /ft-Wy") ®n <>m aan dat land deze groote en magtige din-
gtófl te doen, voor het aangezigt uws volks, dat Gij u uit Spanje \'s
slavernij verlost hebt."