-ocr page 1-
-ocr page 2-
fh^r
^4
-ocr page 3-
M y,
A06000029529306B
-ocr page 4-
3M:
WVfM2.
-ocr page 5-
-ocr page 6-
-ocr page 7-
GODDELIJKE VERNIEUWING,           y
•9,
DE BRON VAN WARE BLIJDSCHAP.
TOESPRAAK
TER INWIJDING VAN DE GERESTAUREERDE
Groote- of St. Michaëïs Kerk te Zwolle
OP
ZONDAG 30 AUGUSTUS 1890
gehouden door
J. VERMEER kz.
V. D. M.
Zwolle,
W. J. BEKENDS J.J.zn
189G.
BIBLIOTHEEK
NEO. HERV. KEP*-
-^
fo&f&y
-ocr page 8-
\'-> ■}
-ocr page 9-
1 BIGLIOTHCLK ? *
J^an ftet Coiïege
van tieeren
J^erfooogden en J2ofa6efen
der J2ederduitscfi 3£ervormde (gemeente
te
erkentelijk
gewijd.
-ocr page 10-
-ocr page 11-
Qstett den cJZÏcxep /
Het was geenszins mijn voornemen deze toespraak in
het licht te geven. Alleen vereerend verzoek en vriendelijke
drang deden er mij toe besluiten. Mogelijk kan zij
strekken toteene kleine, blijvende gedachtenis aan een merk-
waardigen dag in de geschiedenis onzer Groote Kerk.
Het bij de plechtige Inwijding gesproken woord te
mogen opdragen aan het college van
Kerkvoogden en
Notabelen, acht ik niet enkel eer, maar ook plicht; omdat
onze Gemeente de vernieuwing van haar indrukwekkend
Bedehuis allermeest te danken heej\'t aan de toewijding,
werkzaamheid en volharding van dat college, waaraan
-ocr page 12-
6
de zorg voor de stoffelijke belangen van onzen Openbaren
Eercdienst zoo uitnemend in toevertrouwd.
Ik bid van God, dat door Zijne genade, de restauratie
onzer Kerk, profetie moge zijn der verlevendigde belang-
stelling, der vernieuwing des harten en der heiliging des
lecens, van velen!
J. VERMEER Az.
-ocr page 13-
7
In den Naam des Vaders, en des Zoons, en
Heiligen Geestes, Amen.
Eerste Voorzang: Psalm 26 : 8 en 7.
Wat blijdschap smaakt mijn ziel,
Wanneer ik voor U kniel
In \'t Huis, dat Gij U hebt gesticht!
Hoe lief heb ik Uw woning,
De tent, o Hemelkoning!
Die G\' U ter eer, hebt opgericht.
Daar wordt Uw lof verbreid,
O Oppermajesteit!
Door mij, die U bemin en acht;
Daar zal mijn stem U prijzen,
Voor al de gunstbewijzen,
Voor al de wond\'ren Uwer macht.
-ocr page 14-
s
Lezen: dk Wet des Heeren,
en Psalm 122.
Genade zij U en Vrede van God den Vader, en van
Jezus Christus den Heere, in de gemeenschap des
Heiligen Geestes,
Waarde en zeer gewenschte Hoorders!
WIJDINGS-GEBED.
Tweede Voorzang: Psalm 100 : 1, 2 en 3.
Juich, aarde! juicht alom den Heer!
Dient God met blijdschap, geeft Hem eer.
Komt, nadert voor zijn aangezicht;
Zingt Hem een vroolijk lofgedicht.
De Heer is God! erkent, dat Hij
Ons heeft gemaakt (en geenszins wij)
Tot schapen, die Hij voedt en weidt,
Een volk, tot Zijnen dienst bereid.
Gaat tot Zijn poorten in met lof,
Met lofzang in Zijn heilig hof,
Looft Hem aldaar met hart en stem
Prijst Zijnen naam; verheerlijkt Hem
-ocr page 15-
9
TEKST, Johannes 10 : 22a.
„En het was het feest van de vernieuwing
des Tempels."
Het was het Feest, zegt do tekst; we mogen <lus ver-
onderstellen dat er weuf/de hecrschte; immers, een Feest
is in zijn diepsten grond openbaring, uiting van blijdschap.
De Blijdschap is eenc dochter des Hemels. Zij daalde
op aarde neder in den beginne, „toen de morgensterren
te zamen vroolijk zongen, en alle de kinderen Gods
juichten." (\') Zij woonde in de harten van het eerste men-
schenpaar, „een weinig minder gemaakt dan de Engelen,
en met eere en heerlijkheid gekroond." (2)
Geen wonder, dat de mensen behoefte heeft arm blijd-
schap. Ieder mensch wil blij zijn. Deze behoefte bleef
leven in het menschelijk gemoed, ook nadat, met de
zonde, onrust, droefheid en zelfverwijt hun intocht hadden
gedaan in de wereld.
Daarom zoekt do mensch blijdschap langs verschillende
wegen; de een, in zijn werkkring; de ander, in zijn gezin;
een derde, in hoogheid en eere; een vierde, in het ver-
gaderen van geld en goed; een vijfde, in allerlei uitspan-
-ocr page 16-
10
ningen; een zesde in de wellusten des vleesches, en zoo
verder. Zouden deze de ware blijdschap gevonden hebben?
In geenen deele! Eene blijdschap, die alleenlijk gegrond
is in voorbijgaande en derhalve vergankelijke toestanden,
kan nimmer volkomen bevredigen. Zij mist het element
van het verheffende, zich naar het eeuwige uitstrekkende,
dat enkel gevonden en genoten wordt als vrucht van de
vreeze des Heeren. In Gods heiligende gemeenschap kiemt,
uit den vrede des gemoeds, eene heerlijke vreugde. Tot
dat vreugdebetoon wordt de schepping opgewekt met het
woord: „Gij gansche aarde, juicht den Heere. Dient Hem
met blijdschap, komt voor Zijn «aanschijn met vroolijk
gezang!" (3) Pnulus roept de geloovigen toe: „Verblijdt
u in den Heere allen tijd; wederom zeg ik, verblijdt u!"(\')
En, na de laatste krankheid, na den laatsten aanval
van droefheid, na den strijd met den laatsten vijand die
te niet gedaan wordt, treedt voor het volk van God de
belofte in vervulling: „eeuwige blijdschap zal op hun
hoofd wezen; vroolijkheid en blijdschap zullen zij ver-
krijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvlieden." (5)
Zij zullen vinden „verzadiging van vreugde bij Zijn aan-
gezicht, eeuwiglijk." (6)
Van die heilige vreugde zijn de Godgewijde feesten op
aarde afschaduwing, voorsmaak, profetie.
In onzen Tekst is sprake van een feest, namelijk van
hel feest der vernieuwing des Tempels,
of der Tempel-
wijding, te Jeruzalem. Het behoorde tot de kleinere
godsdienstige feesten der Joden, eerst na de Babylonische
ballingschap ingesteld; en wel door Judas den Makkabe\'èr,
toen hij den Tempel, die drie jaren lang door Antiochus
-ocr page 17-
11
Epifanes ontheiligd en door afgodsdienst verontreinigd
was geweest, herstelde en op nieuw inwijdde, in het jaar
167 vóór de gehoorte des Heeren. Dit feest, hetwelk
acht dagen duurde, viel in omstreeks onze maand Decem-
ber; vandaar de toevoeging: „en het ivas winter." Het
droeg ook wel den naam van „feest der lichten." Thans werd
dit feest verheerlijkt door de tegenwoordigheid van Jezus,
die in een der voorhoven wandelde, onder Salomo\'s ga-
lerij. Door Hem was, naar Haggdi\'s voorzegging: „de
heerlijkheid van dit laatste Huis —■ dezen tweeden Tem-
pel — grooter dan van het eerste." (7)
Het kan u niet bevreemden dat ik dit woord voor
uwe aandacht heb opgeslagen. Ook onze opgang naar
het Bedehuis is een feestelijke. Sedert geruimen tijd aan
den Dienst onttrokken, (8) mogen wij ons wederom onder
de hoogo gewelven vereenigen; de lofzangen galmen weer
door de statige bogen, begeleid door de ruischende tonen
van ons heerlijk orgel. (9)
Dank en lof behoort grondtoon te zijn in ons hart
jegens den God van ons leven die ons, boven velen,
het voorrecht gunt het feest der vernieuwing van dezen
Tempel
te beleven; en ik dank den Heere, dat ik dezen
dag mag aanschouwen en het mij, als de oudste uwer
dienstdoende Leeraren, is opgedragen uw voorganger te
zijn, in dit feestelijk samenzijn. Worde het mij gegeven
naar uw hart te spreken, onder de leiding van den Hei-
ligen Geest; en eene geheiligde feestelijke stemming bij
u te wekken of te sterken, wanneer ik, volgens den
tekst, „En het was het feest van de vernieuwing des
Tempels"
tot u spreke over:
-ocr page 18-
12
Goddelijke vernieuwing, de bron van
ware blijdschap.
We gaan dit aantoonen, door een antwoord te geven
op de vragen:
Wie is het die vernieuwt?
Wat wordt vernieuwd?
Welke is van deze vernieuwi.ng de vrucht?
En Gij, gezeten in heerlijkheid aan \'s Vaders rechter-
hand, bekleed met macht om alle dingen nieuw te maken:
Vernieuw ook onze harten door Uw Geest. Kom op
dezen dag des feestes in ons midden, en blijf met Uw
genade, o Heiland, ons nabij!
Amen.
I. Wie is het die vernieuwt? Zoo vragen wij
allereerst.
Vernieuwing is een aangenaam woord; het doet aan
iets liefelijks denken, aan herstellen, in beteren staat
brengen, met nieuwen glans doen stralen.
Als wij iets dat verouderd en onaanzienlijk was, hersteld
hebben; als we dat deden mot voel inspanning en groote
kosten, dan zijn we er trotsch op en toonen het gaarne aan
anderen. Zelfs jonge — en ook groote — kinderen,
pronken gaarne met hun nieuw gewaad.
Toch antwoorden wij op do gestelde vraag: \'t Is God
alleen, die waarlijk vernieuwt.
Ons vernieuwen, ook het beste, bij het Zijne verge-
leken, is knutsel- en stukwerk.
-ocr page 19-
13
Maar Hij, de Almachtige, de Algenoegzame, de Vol-
zalige; Hij, de God der krachten, die alle dingen draagt
door het woord Zijner kracht, Hij vernieuwt ook alle
dingen naar den raad Zijns willens.
Aanschouwt de schopping in haar winterkleed, het kleed
der ruste; in haar bruidsgewaad, het kleed der weelde:
welk een onuitsprekelijk verschil! Welnu, het is God,
bekleed niet majesteit en heerlijkheid, „die het gelaat des
aardrijks vernieuwt, en het vol doet zijn van Zijne goc-
deren." (10) „Hij kroont het jaar Zijner goedheid, en
Zijne voetstappen druipen van heil." (")
Ook in de redelijke, geestelijke wereld is het God die
waarlijk vernieuwt.
Toen de menschen, van God afgevallen, den sleutel
der Godskennis hadden verloren en het domme en stomme
Heidendom ten prooi waren geworden: toen heeft Hij,
de tijden der onwetendheid overgezien hebbend, Zijnen
Zoon gezonden „in gelijkheid des zondigen vleesches, en
dat voor de zonde; geboren uit eene vrouw, geworden
onder de wet, opdat Hij degenen die onder de wet waren,
van den vloek der wet verlossen zou en zij de aanne-
ming tot kinderen verkrijgen." (I2)
Die vernieuwing openbaart zich in de verandering des
harten. De Heere heeft gesproken: „Ik zal hun éénerlei
harte geven, en zal een nieuwen geest in het binnnenste
van u geven; en Ik zal het steenen harte uit hun vleesch
wegnemen, en zal hun een vleeschen hart geven, opdat
zij wandelen in Mijne inzettingen, en Mijne rechten bewaren
en dezelve doen; en zij zullen Mij tot een volk zijn en
Ik zal hun tot een God zijn." (")
-ocr page 20-
14
En die belofte wordt vervuld in de bekeering van eiken
zondaar, gelijk in die van Manasse en Saulus. „Geen
ding zal bij God onmogelijk zijn." (") Hij vermag alle
dingen.
„O diepte des rijkdoms beide der wijsheid en der kennisse
Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijne oordeelen, en
onnaspeurlijk Zijne wegen! Want wie heeft den zin des
Heeren gekend, of wie is Zijn raadsman geweest? Of
wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal Hem wederver-
golden worden\'? Want uit Hem, en door Hem, en tot
Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in eeuwig-
heid." C5)
Ja, \'t is God alleen die waarlijk vernieuwt! Met eene
almachtige en alomtegenwoordige kracht, onderhoudt en
regeert Hij als met Zijne hand hemel en aarde, mitsgaders
alle dingen die Hij eenmaal schiep, door een rusteloos
herbaren en vernieuwen. (") En dat doet Hij op geheel
éénige wijze. In het schoone Boek der Schepping zijn
alle schepselen, groote en kleine, gelijk als letteren, die
ons de onzienlijke dingen Gods, namelijk Zijne eeuwige
kracht en Goddelijkheid, geven te lezen. (I7) En niet
minder Zijne onveranderlijkheid. Nog heeft de zon haar
zelfden gouden gloed, de maan haar eigen zilveren glans,
de sterren haar schitterend geflonker, al schenen ze langer
dan zestig eeuwen. De kleuren en geuren der bloemen
zijn niet verminderd, het gezang en gekweel der gevederde
boschbewoners is niet verstomd: \'t is alles nog even frisch
en schoon als in de eerste Lente!
Oneindig heerlijker is Gods werk, dan alle menschenwerk.
Hij heeft er den stempel Zijner onveranderlijkheid opgedrukt.
-ocr page 21-
15
Wat van menschenhanden werk overblijft, verteert,
vermolmt, vergaat eindelijk. In onze Musea heerscht ge-
woonlijk eene duffe lucht, maar de werken des Heeren
zijn altijd nieuw en frisch. „O Heere, onze Heerc, hoe
heerlijk is Uw naam op de gansche aarde"! (,8)
II. We zijn genaderd tot de tweede vraag: Wat
wordt vernieuwd?
Wij zagen, God vernieuwt alle dingen. En de Mensch?
O vergeten wij \'t niet „hij is van Gods geslacht"! (I9)
Al is ons door de zonde de kroon van het hoofd gevallen,
al is het kostelijke goud verdonkerd: toch zijn daar ge-
lukkig nog eenige „kleine overblijfselen" van Gods beeld
in ons. (J0) Wij allen dragen in ons om de heugenis aan
een verloren Paradijs, en wij zoeken allen weer naar een
paradijs; helaas, meestal naar eigen dwaze zinnelijkheid!
totdat de Heiland ons trekt en leert om in Zijne gemeon-
schap, door een oprecht geloof in Hem, te zoeken en te
vinden paradijs-vrede en vreugde.
De zucht naar het eeuwige is in ons harte gelegd, en
daarom vernieuwen wij ook en willen wij vernieuwen.
Van dat eeuwige is de Algenoegzame en Volzalige —
wij mogen het met eerbied uitspreken — het Ideaal, de
Verpersoonlijking, voor \'t Hem vreezend gemoed.
Jehovah: Ik was, Ik ben, Ik zal zijn! Jezus Christus
„gisteren en heden dezelfde en in eeuwigheid." (21)
De Heilige Geest, de eeuwige Geest.
Daarom, al wat Hem door zwakke menschenhanden
wordt gewijd, wil de mensch, voor zoover hij zulks vermag,
met glans en luister omringen. De Altaren, oorspronke-
lijk van aarde en zoden, werden later vervaardigd van
-ocr page 22-
16
kostelijk uitgehouwen steenen, of met louter goud over-
togen. De prachtigste gehouwen die de grijze oudheid
keilde, waren het geen tempelen? Werd de tempel van
de godin Diana te Efczc () niet geteld onder de zeven
wonderen der oude wereld? (2i)
En waren zij, wie het vergund werd de Si. Pieter te
Home, de St. Paul te Londen, den dom te Milaan of
te Keulen, met eigen oog te aanschouwen, niet opgetogen
en onder den machtigen indruk van die statige zuilen-
gangen en hooge gewelven!
Maar, ik denk hier aan een spreekwoord van de oude
Grieken: „\'tIs niet ieder gegund Corinthe te zien!" en
daarom acht ik het gelukkig, dat wij ons kunnen ver-
blijden over hetgeen onder ons bereik ligt.
Wat blijde dag dien de Heere ons gemaakt heeft!
„Laat ons op denzelven ons verheugen en verblijd zijn." (**)
Onze Groote Kerk, ontegenzeggelijk het schoonste, meest
indrukwekkende gebouw in onze stod, de roem van Zwolle,
kunnen wij weer in gebruik nemen.
Op de plek waar in het grijs verleden reeds een kerkje,
vermoedelijk van Romaansche bouworde, had gestaan,
werd op den 10 Juli van het jaar 1400 de eerste steen
gelegd van dezen Tempel, (25) waarvan de bouw, allicht
wegens geldgebrek, in 1451 nog niet was voltooid. De
kerk behoort tot de hallenkerken, een gewijzigde vorm
der Gothisehe kerken, waarvan de beuken zich naast el-
kander verheffen tot op gelijke hoogte. Zij werd naar
het toenmalig gebruik aan St. Michacl, sedert ook de
patroon of beschermheilige dezer stad, toegewijd.
Van hare eerhiedicekkende oudheid getuigt de grafsteen
-ocr page 23-
17
uit den jare 1425, zoomede het feit, dat de godzalige
Thomas a Kcmpis, op zijn tocht van Deventer naar het
klooster op den Si. Agnictcnbcrg, deze kerk bezocht om
zijne godsdienstplichten te vervullen. (26)
In 1580 kwam de kerk in het bezit der Hervormden.
In 1597 werd het Koor door een kunstig gesneden hek
van het schip der kerk afgescheiden. Later werd zij
verrijkt met den beroemden kansel, waaraan de kunstenaar
Adam Straes van Weilburg in Nassau zes jaren heeft
gearbeid, van 1617 tot 1622, zooals op de trap van den
predikstoel vermeld staat. Eindelijk, in de jaren 1719
tot 1721, werd het prachtig orgel gebouwd, (27) het-
welk — om met onzen hooggeachten stadgenoot W. A.
Elberts
te spreken — „met de beste uit ons vaderland
kan wedijveren, en als het grootste sieraad der kerk mag
beschouwd worden." (28)
Ook het stof van beroemde dooden sluimert hier tot
den Morgen der Opstanding. Hier rust, om geen meer-
deren te noemen, de dichter Willem Sluiter, bijgenaamd
„De Eybergsche nachtegaal (2!l); en de groote schilder
Gerhard ter Borch, wiens penceel het sluiten van den
Munsterschen Vrede vereeuwigde. (30)
Na de tweede helft der vorige eeuw, schijnt men weinig
meer gedaan te hebben, niet alleen voor de verfraaiing,
maar zelfs voor het noodig onderhoud. Waarschijnlijk
waren de geweldige troebelen van dien veel bewogen tijd
daarvan de groote oorzaak. Hoe het zij: het indruk-
wekkend gebouw kwam in verval. Deszelfs schoon be-
gon te tanen. Het kunstig snijwerk sprak niet meer,
overdekt als het was met eene afschuwelijke dikke verf-
-ocr page 24-
IS
laag. Toen het nieuwe licht werd ingevoerd, (3I) moesten
de prachtige koperen kronen — weemoedige herinnering
voor de oude Zwollenaren! — worden opgeruimd. In één
woord: men moest er zich over bedroeven, als een vreem-
deling naar de van ouds beroemde kerk kwam zien, dat
het gebouw er zóó vervallen en onooglijk uitzag. En
waar men van tijd tot tijd schoone wereldsche gebouwen
zag verrijzen, rees meermalen de verzuchting van koning
David, terwijl de Arke Gods in cene tent bewaard werd,
voor onzen geest: „Zie, ik woon in een cederen huis,
maar de Ark des Verbonds des Heeren onder gordijnen." (**)
Maar in deze ure mogen wij dankbaar getuigen: de
Heero heeft het voorzien. God werkt door middelen en
wegen; Hij neigt de harten en maakt ze gewillig om Zijn
raad te dienen; daar geschiedt geen ding bij geval. En
zij die bestemd zijn om een Gode welgevallig werk, Hem
ter eer en duizenden tot nut en stichting ten uitvoer te
brengen en gelukkig te voltooien, hebben aanspraak op
onzen dank. Is \'t dan wonder, dat de gemeente, na
allereerst Gode haar dankoffer gewijtl te hebben, ook
dankbaar opziet tot de mannen aan wie de behartiging
der belangen van haar Openbaren Eeredienst is opgedragen:
hel College van Kerkvoogden en Notabelen. (")
Want, voor zulk een omvangrijk werk als de vernieuwing
van dit Bedehuis, werd niet enkel een goede wil, maar
ook hart voor de zaak, veel en wijs overleg en \'t zich
getroosten van zorg en moeite, vereischt. En in dat alles
hebt go u beijverd, Kerkvoogden en Notabelen! om onze
Gemeente te dienen met de beste gaven van verstand en
hart. Daarvoor danken wij u, gelijk ook de Hooge
-ocr page 25-
19
Regeering, die door Haar financieelen steun de uitvoering
van het grootsche werk door u ondernomen, mogelijk
maakte; gelijk ook de edele bekende en onbekende Gevers,
die hunne schatten openden ten bate van Gods Huis. (\'*)
Er is voor zulke treffelijke zaken een Hoofd noodig,
waarvan bezieling en bestuur beiden, harmonisch vereenigd,
uitgaan. Zulk een Hoofd mag het College van Kerk-
voogden en Notabelen bezitten in zijn edelen Voorzitter.
Daarom U bovenal dank en hulde gebracht, Heer Van
Aerssen!
voor wien deze dag een der schoonste Uws levens
is. U komt de eerc toe der aanstichting tot dit grootsche
werk, waaraan Ge U gegeven hebt met volkomen toewijding
en met veel opoffering van tijd en rust. We weten het:
Ge hadt in Uwe betrekking als President-Kerkvoogd, de
vernieuwing onzer Groote Kerk,
U zelf tot eene levenstaak
gesteld. En ondanks bezwaren en moeielijkheden van
velerlei aard: Ge hebt met trouwe volharding de begonnen
taak voortgezet, doorgezet, ten einde gebracht!
Sedert 1882 ging er bijna geen dag voorbij, waarop
Ge uwe schreden niet gericht hebt naar deze Kerk,
om door bestuur, met raad en daad, de werkzaamheden te
leiden en te steunen. Bij onzer aller dank, inzonderheid
dien van den eerwaarden AIgemeenen Kerkeraad, (35) mag
ik U, mede uit zijn naam, geluk wenschen, dat de God
uws levens U het voorrecht schenkt dezen dag te beleven.
Persoonlijk voeg ik er den wensch aan toe, dat er een
Gedenksteen binnen de muren dezer kerk geplaatst worde,
ter blijvende herinnering aan de groote restauratie en waarop
Uw naam voor het nageslacht worde vereeuwigd, als de Man
aan wien de Hervormde Gemeente zooveel te danken heeft.
-ocr page 26-
20
Heer Van Aerssen! God Almachtig zegene U voor tijd
en eeuwigheid; dat is onze vurige bede.
\'t Is in zekeren zin voor een Feestredenaar moeielijk om
Namen te noemen; hij loopt zoo licht gevaar een enkele te
vergeten.
Toch mag ik niet verzuimen bij eene gelegenheid als
deze openlijk een woord van hulde en dank te wijden
aan de Heeren Jhr. mr. Victor de Stuers, Rijks-adviseur;
dr. P. J. H. Cuypers en L. C. Hezenmans, beiden van
rijkswege met het toezicht op de werkzaamheden belast;
aan de leden der commissie voor de restauratie: de heer
mr. Van Aerssen, van wege Kerkvoogden, de heer J. H.
Schellwald,
van wege notabelen, en de heer mr. J. H.
Geertsema,
toen Commissaris des Konings in Overijsel;
aan de leden van de Tweede Kamer: A. baron van Dedem,
dr. H. J. A. M. Schaepman en mr. A. F. Vos de Wael; deze
allen hebben, een iegelijk in zijn ambt, geijverd voor de restau-
ratie en haar ook door hun krachtigen steun, mogelijk
gemaakt. Die dank geldt mede den heer F. C. Koch
als bouwmeester, den heer W. Volkers als werkmeester, de
heeren van der Linde, Wissink, Hardon, Dol en Voskuil
als schilders, voor hun uitnemend opzicht over- en de
bijzondere zorg voor den arbeid. Het is opmerkelijk, dat
bij het ontzachlijk en vervaarlijk steigcrwerk, noodzakelijk
om de hoogste gewelven te bereiken, geen enkel betreurens-
waardig onheil is voorgevallen, dank zij, naast God, de om-
zichtigheid en bekwaamheid van de heeren Kochen Volkers.
Ook U, Ambachtslieden! die gedurende korten of langen
tijd in deze Kerk gearbeid hebt, zij dank toegebracht
voor uw noeste vlijt, uw trouwen arbeid en betoonde be-
-ocr page 27-
21
kwaamheid. Ge hebt Gods Huis helpen bouwen: wij
bidden u toe, u allen die aan de vernieuwing van dit
Bedehuis hebt geholpen, dat ge eens door genade eene
plaats moogt vinden in des Heeren hemelsch Huis, in
het „Jeruzalem dat boven is, dat vrij is, hetwelk is onzer
aller Moeder." (3G)
Wat zal \'t heerlijk zijn Hem daar te prijzen met een
nieuw Lied! Maar wij mogen ook hier zijn lof zingen.
TUSSCHENZANG.
Gezang 4 : 1 en 7.
De Heer is God, en niemand meer;
Verheerlijkt Hem, gij vromen!
Wie is, als aller schepslen Heer,
Zoo heerlijk, zoo volkomen ?
De Heer is groot, Zijn naam is groot,
De luister Zijner deugden groot,
Oneindig groot Zijn Wezen.
Gij zijt rechtvaardig, heilig, goed,
Bij reinen wilt Gij wonen;
Hem, die Uw wil met vreugde doet,
Zult G\' ook met vreugde kronen;
Gij hebt d\'onsterflijkheid alleen,
Hoogst zalig zijt G\' in eeuwigheên,
O rijke Bron van vreugde!
III. Goddelijke vernieuwing, de bron van ware blijdschap!
We vragen ten laatste: Welke is van deze vernieu-
wing de vrucht? En het antwoord luidt: ware blijdschap.
Zoolang ons hart in het aardsche, het wereldsche, dat
is, in zingenot, uitsluitend zijn steun en troost zoekt,
-ocr page 28-
22
missen wij den waren vrede en daarmee de ware blijdschap.
Ons hart moet vernieuwd worden. Jezus zegt: „Tenzij
iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk
Gods niet zien." (37)
Wij zijn vleeschelijk onder de zonde verkocht; van
nature zijn wij onbekwaam tot eenig goed on geneigd tot
alle kwaad. Zoo als wij zijn in onze onverschilligheid,
zelfgenoegzaamheid, hoovaardij en eigengerechtigheid, kun-
nen wij den hemel niet beërven. We moeten veranderd,
wedergeboren, bekeerd worden. We moeten onze ellende
leeren kennen; tot Christus de toevlucht nemen en door
den Geest ons laten leiden, zullen we behouden worden.
Ik wenschte wèl dat de vernieuwing onzer kerk, u na-
drukkelijk bepaalde bij het tot zaligheid onmisbare ver-
nieuwingswerk des harten, door des Heeren Geest. Dat
het u drong tot de vurige bede: „schep mij een rein harte,
o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vasten
geest." (aa) Ja, „zoekt den Heere terwijl Hij te vinden
is, roept Hem aan terwijl Hij nabij is. De goddelooze
verlate zijn weg, on de ongerechtige man zijne gedachten;
en hij bekeere zich tot den Heere, zoo zal Hij zich zijner
ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menig-
vuldiglijk." (39) En wordt iemand uwer door den Heiligen
Geest aanvankelijk overtuigd van zonde, gerechtigheid en
oordeel; komt, bij het klaar gezicht van uw verloren staat,
de klacht over uwe lippen: „Ik, ellendig mensen! wie zal
mij verlossen uit het lichaam dezes doods?" (40) Wanhoop
niet, laat den moed niet zinken! Wat bij de menschen
onmogelijk is, is mogelijk bij God.
„Wordt dan vernieuwd in den geest uws gemoeds, en
-ocr page 29-
23
doet aan den nieuwen mensch, die naar God geschapen
is, in ware rechtvaardigheid en heiligheid." (*\') En waar
deze groote barmhartigheid begonnen is aan u betoond
te worden, vergeet de les niet: „Laat ons afleggen allen
last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons
met lijdzaamheid loopen de loopbaan, die ons voorgesteld
is." (") Of, zoo wij afdwaalden, laat ons wederkeeren;
zoo wij vielen, laat ons weer opstaan, in Gods kracht,
met David\'s gebed in do ziel: „Verwerp inij niet van Uw
aangezicht, en neem Uwen Heiligen Geest niet van mij.
Geef mij weder de vreugde Uws heils; en de vrijmoedige
geest ondcrsteune inij." (**)
De vreugde Uws heils! Zij is de ware blijdschap; en
haar éénige bron: dat we vernieuwd zijn geworden van
harte;
dat we niet langer zijn kinderen des toorns, maar
kinderen Gods, wedergeboren tot eene levende hope!
Dan, ook voor ons de Koninklijke belofte: „In blijd-
schap
zult gijlieden uittrekken, en met vrede voortgeleid
worden: de bergen en heuvelen zullen geschal maken
met vroolijk gezang voor uw aangezicht, en alle boomen
des velds zullen de handen samenklappen. Voor een
doorn zal een denneboom opgaan, voor eene distel zal
een mirteboom opgaan; en het zal den Heere wezen tot
een naam, tot een eeuwig teeken dat niet uitgeroeid zal
worden." (*♦)
Die den Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen.
Laat mij toe dezen raad te geven, vooral aan U jongeren
in ons midden. Allicht zult gij aan de plechtigheid van
dezen dag nog menigmaal denken, en, indien het u ge-
geven zij, oud te worden en onze plaatsen in te nemen,
-ocr page 30-
24
dan zult ge aan uwe kinderen vertellen, wanneer en door
wien de vernieuwde kerk werd ingewijd. Ik bid u: leg
een vouwtje of een bladwijzer in uw Bijbel bij den tekst:
Johannes 10 vers 22; dan zal het u indachtig gemaakt
worden, hoe, zooveel jaren geleden, de leeraar u aangezegd
heeft „dat ons hart moet vernieuwd worden" en u ver-
maand „tot boete en bckeering;" maar dan zal diezelfde
Tekst voor u een \'proefsteen zijn, waaraan ge kunt weten:
of gij een kind van God geworden zijt, dan wel, een
ongeloovige gebleven. Ziet, ik heb het u gezegd! God
geve, dat het Evangelie u zij of worde eene reuk des
levens ten leven!
En voorts, de Gemeente toone door blijvende belang-
stelling
in onze openbare godsdienstoefeningen, dat het
haar niet te doen is om hout en steen, maar om de pre-
diking van de leer der waarheid die naarde godzaligheid is.
Laat het niet gezegd kunnen worden: dat er méér houten
banken
dan heilbcgeerigc hoorders in de kerk zijn.
Wij beleven een tijd die eigenaardige moeielijkheden
biedt aan zwakken in het geloof; een tijd van twijfel
wekkende critiek, van veler geleerde tegenspraak tegen de
oude Heilswaarheid, van allerlei inzettingen die geboden
van mensehen zijn en de zaligheid willen verzekeren aan
hen die ze onderhouden: maar „ziet toe, dat niemand u
als een roof vervoere door de philosophie, en ijdele ver-
leiding, naar de overlevering der mensehen, naar de
eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus: want
in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk.\'" (*3)
En is er voor ons kortzichtig verstand veel ondoorgron-
dclijk en onbegrijpelijk: wij moeten leeren „allegedachten
-ocr page 31-
25
gevangen te leiden tot de gehoorzaamheid van Christus." (*8)
Vergeten we nimmer: „De verborgene dingen zijn voor
den Heere onzen God, maar de geopenbaarde zijn voor
ons en voor onze kinderen tot in eeuwigheid." (\'7)
De dienst des Heeren worde ons steeds meer een liefde-
dienst, tot verlichting van ons verstand, tot vernieuwing
van ons hart, tot heiliging van onzen wil, tot vreugde
van ons leven. Met den Psalmdiehter, zij of worde het
de taal onzer aller harten: „Ik verblijde mij in liegenen
die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des Heeren
gaan. Om mijner broederen en mijner vrienden wil zal
ik nu spreken: Vrede zij in u! Om des Huizes des
Heeren onzes Gods wille, zal ik het goede voor u
zoeken." (18) En worde de belofte, eenmaal aan den
profeet Haggaï voor den tweeden Tempel gegeven, ook
aan ons Bedehuis bevestigd: „In deze plaats zal Ik vrede
geven, spreekt de Heere der Heirscharen." (*\')
Wij wijden, gunstrijk Opperheer!
Aan Uwen dienst, tot Uwe eer,
Den thans vernieuwden Tempel.
Wij kwamen met een blij gemoed;
En roemend: onze God is goed!
Betraden wij zijn drempel.
De tand des tijds die immer knaagt,
De storm die door het luchtruim jangt
Do gloed der zonnestralen
Verteerden \'t oude Bedehuis,
Vervulden het met stof en gruis,
Zijn glorie scheen te dalen.
-ocr page 32-
26
Zoo stond liet in een slecht gewaad,
(De vorm alléén het .schoon verraadt!)
Als klagend der gemeente:
„Waar is uw liefde voor Gods huis?
„Onthef mij van dit sniaad\'lijk kruis,
„En schraag \'t verweerd gesteente."\'
Gelukkig niet vergeefs geklaagd!
Straks werd om steun en hulp gevraagd,
Het licht kwam zachtkens rijzen;
Het groot VERN1EUWINGHWERK begon
Dat, naar het vorderde en won,
Een ieder wel moest prijzen.
En — hebben wij ook lang gewacht —
Nu is het grootsche werk volbracht,
Wij mogen weer vergaren
In d\' eigen Kerk, wier nieuw gewaad
Haar sierlijk tooit en jeugdig staat,
Trots al den last der jaren. (s0)
Dies zijn wij dankbaar en verblijd;
De Kerk op nieuw aan God gewijd
Met lofzang en gebeden,
Zij trekke en lokke vriend\'lijk aan,
Opdat er vlijtig henengaan,
Wie \'s Heeren Naam beleden.
Gedurig rijze ons gebed
Tot Hem die op de smeekstem let,
En \'t hoogste goed wil geven;
-ocr page 33-
27
Wij vragen: zegen Heer het woon I,
Hier in Uw Heiligdom gehoord,
\'t Zij ons oen reuk ton leven.
Verlicht Uw knechten door Uw Geest,
Opdat zij trouw en onbevreesd
Uw Heilig Woord verkonden;
En leg een psalm, een bede, oen lied,
Waar Gij de schare voor U ziet,
In aller hart on monden.
Wil door het Woord ons hier gebracht
Verbreken staag dor zondo-macht,
Zoodat we U dankbaar ooren;
En stel dit BETHEL tot een licht
Waarvoor het ziele-duister zwicht:
Blijf, Heiland! ons regeeren.
Bewaar dit Huis door Uw gena,
Uw Vader-oog zij vroeg en spit
Ten goede steeds ontsloten;
En zij het veler harte-taal:
„Uw liefdedienst — wie haar ook smaal\' —
„ Heeft mij nog nooit verdroten."
Geslachten komen en vergaan,
Geen tempel blijft hier eeuwig staan,
Dit nieuw zal weer ver ouden.
Geen nood: de Kerk is \'t Ideaal
Voor ons, van \'s Hemels reine zaal,
Van \'t eeuwig bruiloft houden!
-ocr page 34-
2S
Gemeente, bult! gemeente, waakt!
Opdat, als de\' ure eens genaakt,
De Kerk u gaat ontzinken:
Gij dan, die JEZUS recht bemint,
Uw plaats in \'t Vaderhuis hervindt,
Waar de\' eerekronen blinken.
Daar voelt ons hart de ware vreugd,
Daar vinden wij een eeuw\'ge jeugd,
Waarnaar wij hunk\'rend smachten;
AVij staam\'len: \'t is te yroot een deel!
Toch — voor UW trouwe niet te veel,
Wij blijven het verwachten!               Amen.
DANKZEGGING.
N AZANG.
Psalm 118 : 10.
Dit is, dit is de poort des Heeren;
Daar zal \'t rechtvaardig volk door treên,
Om hunnen God ootmoedig t\'eeren,
Voor \'t smaken Zijner zaligheên.
Ik zal Uw naam en goedheid prijzen:
Gij hebt gehoord: Gij zijt mijn geest,
Door Uw ontelbre gunstbewijzen,
Tot hulp, en heil, en vreugd geweest!
De Heere zegene u en behoede u!
De Heere doe Zijn aangezicht over u
lichten en zij u genadig!
De Heere verheffe Zijn aangezicht over u
en geve u vrede!                                      Amen!
-ocr page 35-
29
AANTEEKENINGEN.
1.    Job 38 : 7.
2.    Psalm 8 : (i.
3.    Psalm 100 : 1 en 2.
4.    Filippensen 4 : 4.
5.    Jesaja 35 : 10 en 51 : 11.
0. Psalm 16 : 11.
7.    Haggaï 2 : 10.
8.    Namelijk sedert Pinksteren 1895. Dus 15 maanden.
De laatste dienst, vóór de sluiting der kerk, is gehouden
Maandag 3 Juni 18!)5, tweeden Pinksterdag, des voormiddags
door Ds. Kamp.
9.    Naar aauleiding van het 175-jarig bestaan van het
Orgel, heeft de heer J. C. van Apeldoorn, organist der
Groote Kerk, geschreven en in \'t licht gegeven, de geschie-
denis van dit Orgel, waarbij de officioele bronnen, aanwezig
in het Archief der gemeente Zwolle, zijn geraadpleegd. Twee
schoone platen versieren het boekje, gedrukt bij de Erven
J. J. Tijl.
10.    Psalm 104 : 30 en 24.
11.    Psalm 65 : 12.
12.    Romeinen 8 : 3 en Galaten 4 : 4 en 5.
13.    Ezechiël 11 : 19 en 20.
14.    Lucas 1 : 37.
15.    Romeinen 11 : 33 — 36.
16.    Vergelijk Catechismus, Zondag 10, vr. 27.
17.    Zie de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, Artikel 2.
18.    Psalm 8:2.
19.    Handelingen 17 : 28 en 29.
-ocr page 36-
30
20.    Zie do Nederlandsche Geloofsbelijdenis, Artikel 14.
21.    Hebreen 13 : 8.
22.    Handelingen 19.
23.    Deze waren:
a.    De Pyramiden van Egypte.
b.    De tempel, muren en hangende tuinen van Babel.
c.    Phidia\'s beeld van Jupiter Olympus.
d.    De tempel van Diana te Eféze.
e.    Het mausoleum te Halicarnassus.
/. De pharos te Alexandrië.
ff. De colossus van Rhodus.
24.    Psalm 118 : 24.
25.    Mille quator C sex annis Julii quoque deno, Fit tem-
pli Swollis primum fundatio terris.
26.    Thomas a Kempis, geboren in 1380 te Kempen bij
Keulen; overleden 25 Juli 1471, als onderprior van het
klooster op den St. Agnietenberg bij Zwolle, oud 91 jaren.
27.    Met den bouw werd begonnen in de maand April van
het jaar 171!), en in September 1721, werd het afgeleverd;
den 8sten viel het omhulsel en den 21sten was het geheel voltooid.
Zie, Het Orgel in de Grootc- of St. Michiels-Kerk te Zwolle,
door J. C. van Apeldoorn.
28.    Zie, W. A. Elberts, Historische Wandelingen in en
om Zwolle. Blz. 52 en 53.
20. Willem Sluiter, predikant te Eybergen, vluchtte in 1072
voor de Munstersche krijgsbenden, en nam in den aanvang des
volgenden jaars een beroep naar Rouveen aan, doch overleed reeds
in December 1073 ten huize van zijn zwager Hidding te Zwolle.
Zijne gedichten waren zeer geliefd, inzonderheid zijn „Buyten
eensaem huys- somer- en winterloven. Aenwijscnde, hoe men
op een slechte en eensame plaets, buyten op \'t Lant verge-
noegt mag leven, meer dan in \'t gewoel van groote aansien-
lijkc Steden; onder het motto: „Credi mihi, bene qui latuit,
bene vixit." \'s Mans gedichten zijn herhaaldelijk uitgegeven.
Voor mij ligt een zevende druk, uitgegeven in 1707.
30. Gerhard ter Borch overleed te Deventer den 8 De-
cember 1081, maar is in het familiegraf te Zwolle in de Groote
Kerk begraven. De grafsteen, waarvan het Nomraer is 339,
-ocr page 37-
31
is nu rechtstandig in den muur, aan de zijde van het koor-
hek gemetseld.
31.    Het gaslicht.
32.    1 Kronieken 16 : 1 en 17 : 1.
33.    Het College van Kerkvoogden bestaat thans uit de
heeren: in\'\'. W. F. E. Baron van Aerssen Beijercn van Voshol,
president; mr. O. F. Greven, secretaris; mr. D. van Laer,
A. E. Buisman, mr. C. F. Kaempff, m>\'. P. C. A. Sichtorman,
P. de Kiewit, H. J. Snel en J. de Goeijen.
Notabelen zijn de heeren: J. H. Schellwald, president; D. J. R.
Jordens, secretaris; W. J. H. Damman, G. H. Petten, R. Wind,
D.  H. Verhaaf, A. C. van Oorschot, mr. I. de Greve, W. H.
Wicherlink, m\'\'. W. D. Coninck Liefsting, W. van Aalderen,
E.   Cats Wor, F. H. Ampt, O. de Leeuw, J. H. Stülen en
G. A. J. Voctelink.
Kerkelijk Ontvanger, de heer H. van Enter, Cz.
Organist van de Grooto Kerk, de heer J. C. van Apeldoorn.
Koster van de Groote Kerk, de heer H. Maas, Hz.
Het College van Collectanten bestaat thans uit de heeren:
H. H. Kok, Bz. president; A. J. Kolkman, D.Jz. secretaris;
A. H. Kuilaart, C. Hogenkamp, W. L. ten Voorde, J. van
Schreven, ï. ïhijssen, Joh. van Eijsselstcijn, M. van Diffelen
en C. Bloemink.
34.    Reeds vroeger werd aan de Ned. Herv. gemeente een
zilveren Doopvont met Offerschaal geschonken door den heer
en mevrouw J. van der Voort- Wor, hetwelk bij den voormiddag-
dienst in de Broerenkerk van Zondag 11 December 1892, voor
het eerst in gebruik genomen is.
Voor de restauratie van de Groote Kerk zijn herhaaldelijk
belangrijke schenkingen in geld ingekomen, terwijl de fraaie
eikenhouten banken in het ruim der Kerk, ter vervanging van
de oude stoelen, het kostbaar geschenk zijn van een lid der
gemeente, die onbekend wenscht te blijven.
35.    De Algemeene Kerkeraad is thans samengesteld als
volgt: Predikanten: J. Vermeer, Az. (!l Aug. 1808), Dr. I.
van den Bergh (27 Nov. 1881), A. W. van Wijk (1 f) Sept, 1886),
A. F. Kamp (8 Mei 1802), A. de Haan (9 Sept. 1894) en N.
Jolles (25 Aug. 1895).
-ocr page 38-
32
Ouderlingen: F. H. Ampt, O. do Leeuw, D. J. R. Jordens,
T. N. van der Stok, A. van Wcgcl, J. Buijsman, J. R. Meesters,
H. van Enter, Cz., D\'1. J. H. Gunning, Wz., K. van \'tEnde,
G. W. Frijliug en J. Glaser.
Diakenen: H. J. Danneuberg van Dijk, B. Dalenoord,
H. ,T. Bonke, Herman J. van Enter, H. J. Jansen, Johs.
Kolkman, D.Jz., G. B. van der Linde, G. H. A. Louman,
H. Pauw, J. de Vries, Hz., mr. L. J. Rietberg, en W. C. Tobias.
Thesaurier-Boekhouder: Johs. F. C. Wolf f.
Bode: B. Kok.
30. Galaten 4 : 20.
157. Johannes 3 : 3.
38.    Psalm 51 : 12.
39.    Jesaja 55 : 6 en 7.
40.    Romeinen 7 : 24.
41.    Efeze 4 : 23 en 24.
42.    Hebreen 12 : 1.
43.    Psalm 51 : 13 en 14.
44.    Jesaja 55 : 12 en 13.
45.    Colossensen 2 : 8 en 9.
40. 2 Korinthe 10 : 5.
47.    Deuteronomium 29 : 29.
48.    Psalm 122 : 1, 8 en 9.
49.    Haggaï 2 : 10.
50.    Over 10 jaren, in 1900, zullen er vijf eeuwen verloopen
zijn sedert de eerste steenlegging van de Kerk. In hot aan-
staande jaar 1897, heeft het Koorhek drie eeuwen gestaan.