-ocr page 1-
o // o // o // o // o // o // o ff o // o ff o // o // o // o // o // o // o // o // 9- // o // o //
o // o\' // o // o // o // o ff o // o // o ff o ff o ff o ff o ff o ff o ff o ff o ff o ff o ff o ff
LUDWIG SCblNEü=ER.
enté
Een levensbeeld van den Heiland, aan de
hand der Evangeliën en in het licht van het Beloofde Land.
vervoiy oP „Kenf gij hef Land?"
Derde Druk.
NEERBOSCH\' BOEKHANDEL. - NEERBOSCH.
O // O // O // O // O // O // O // O // O // O ff O // O // O // O // 0_// O // O // O // O // O //
-ocr page 2-
-ocr page 3-
KENT GIJ HEM?
J                                                                                                              L
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
A06000029538240B
2953 824 0
-ocr page 4-
-ocr page 5-
fvfiJ) iOÖ & ^
KENT GIJ HEM?
EEN LEVENSBEELD VAN DEN HEILAND,
AAN DE HAND DER EVANGELIËN
EN IN HET LICHT VAN HET BELOOFDE LAND.
Vervolg op „Kent gij het Land?"
VRIJ IN-A-A-Ti HET DTJITSCH
H- f, K.
j^UD WIG JSCHNELLER,
Predikant te Keulen, vroeger te Bethlehem.
Met een voorwoord van Ds. J. P. G. WESTHOFF,
Herat. Luta. Predikant te Amsterdam.
DERDE DRUK.
-----^^/vvvAAAAAAAAA\'^—
NIJMEGEN,
P. J. MILBORN.
-ocr page 6-
Typ. der Weesinrictatlng te Neerbosch.
-ocr page 7-
EEN WOORD VOORAF.
Een nieuw werk van Ludivig Schneller, den schrijver van
„Kent f/ij het Land?"
Niet zonder schroom werd dit, thans in duizenden exetn-
plaren in ons vaderland verspreide, hoek voor de eerste maal
door den Directeur der Weesinrichting te Neerbosch uitgegeven.
Menige bladzijde toch behelsde het, die in lijnrechten strijd
tvas met de overgeleverde begrippen en denkbeelden van vele
Christenen.
Na aandachtige lezing moest menigeen deze of gene van zijn
jeugd af gekoesterde en geliefkoosde meening laten varen.
Over menig punt ontstak de schrijver zulk een helder licht,
dat men wel genoodzaakt tvas, als dwaling te verwerpen, ivat
men jaren lang als waarheid had aangenomen.
Nu is het voorzeker een verblijdend feit, dat zulk een werk
binnen weinige jaren reeds drie drukken heeft beleefd.
In menige woning, waar de Bijbel nog als het Huisboek
hoog wordt gewaardeerd, is het met vreugde en klimmende
ingenomenheid ge- en herlezen. Ja, mij is zelfs menigeen
bekend, die onder en na de lezing van Schneller^s werk over
het Beloofde Land zijn ouden, helaas, te lang vergeten Bijbel
weder ter hand genomen en lief heeft gekregen.
Voor dezulken zal ongetwijfeld dit nieuwe werk van den
vromen en geleerden schrijver een welkome gave zijn. Het
leidt ons het levend Middelpunt der Heilige Schrift binnen.
Het schetst ons het heilig leven des Heeren Jezus Christus,
zooals het geloof der Gemeente Hem naar de Evangeliën kent
en zooals Hij in waarheid is.
In liet oorspronkelijke luidt de titel: „Evangeliënfahrten.""
-ocr page 8-
VT
In onze taal bestaat daarvoor geen woord. Mijn waarde vriend,
de vertaler kwam op de gelukkige gedachte tot titel te kiezen:
„KENT GIT HEM?"
Wat de schrijver met zijn eerste werk bedoelde, vindt men
uiteengezet in het
„ Woord vooraf\' van den tweeden druk.
Op grond van nauwgezette studiën leert hij ons het land
kennen van \'s Heilands gezegendcn arbeid.
In dit nieuwe werk schetst hij aan de hand der door de
Oude kerk vastgestelde Evangelie-teksten den Zoon des men-
schen op Zijn tochten door Palestina. Zijn uitwendig levenslot
wordt beschouwd in verband met Zijn inwendig leven.
Het maakt in geenen deele aanspraak op een volledig leven
van Jezus. Welk mensch is daartoe dan ook in staat\'!1 Het
behelst meer tafereelen uit dat geheel eenig, Ood-menschelijk
leven. Het is een beeld van Jezus Christus, zooals Hij leefde,
sprak en werkte. Het is een levend Christusbeeld in het licht
van zijn tijd. Niet minder dan zijn eerste, is het een aan-
schouwelijk boek, dat tot hart en geweten spreekt.
Met liefde heeft mijn waarde vriend, de Vertaler, zijn taak
volbracht. Van harte wenschen wij hem daarmede geluk, vast
overtuigd, dat zijn arbeid voor duizenden ten zegen zal zijn.
Werpe het tevens een rijke vrucht af voor de door den Heer
zoo rijk gezegende Weesinrichting te Neerbosch.
Wij eindigen dit korte „ Woord vooraf\' — want goede wijn
behoeft geen krans
— met de woorden, waarmede de Hoogl.
J. H. Gunning voor een twaalftal jaren zijn leven van Jezus
bij het Christelijk publiek inleidde: „In het begin der vijftiende
eeuw schilderde Fra Giovanni da Ficsole geknield zijn tafe-
reelen uit
\'s Heeren leven. De hoogste lof, dien ook ik mij in
deze voorstellen kan, zou wezen, dat ik tot hen mocht gerekend
worden, die als hij, wel bij groote minderheid in kunst ver-
mogen maar toch in dezelfde houding, een beeld hebben getee-
kend, dat sommige broeders in hun cel mogen willen ophangen.\'1\'1
Amstebdam, 24 Juli 1892.
J. P. Gr. Westhoek.
-ocr page 9-
I N K O IJ D.
l?lz.
Inleiding...................... 1
De opgang uit de hoogte................7
De eerste woorden van Jezus..............1 ï*
Vier dagen bij Johannes den Dooper aan de Jordaan.....30
Aan de Jordaanoevers.................35
De komst van den Verwachte..............39
De vier dagen....................41
Het eerste wonder van Jezus..............50
De lente aan het meer Genesareth.......■ .... 54
De vischvangst....................(!S
Onrijpe volgelingen..................73
Des konings proclamatie in de koningsstad.........79
De koninklijke hoveling van Kapernafim..........102
De bergrede en Jezus\' werkzaamheid in Galilea.......107
De bergrede.....................114
Werkzaamheid in Galilea................122
Gevangenschap en dood des Doopers...........131
Vierderlei akkergrond.................143
De tocht van Jezus langs de kust der Middellandsche Zee . . . 153
De reisroute.....................158
De terugreis over Sidon................1G5
Tocht naar den Herinon................167
Aan de bronnen der Jordaan..............170
Het examen en zijne gevolgen..............172
De verheerlijking...................181
Het afscheid.....................18«
Het Loof hutten!\'eest te Jeruzalem.............189
De feestviering..........,.........191
De strijd......................198
-ocr page 10-
VIII
Blz.
De laatste dag en <le afreis...............20(!
Jezus\' laatste reis van Galilea..............20!)
Op liet Kerstfeest te Jeruzalem.............21!)
De tien nielaatsrhen..................228
Jezus in de landstreken ten Oosten der Jordaan.......235
Het eerste (\'liristenliuis te Jericli..............245
De tweede koningsproclamatie in de koningsstad.......252
De intocht op Maandag................260
De Dinsdag der lijdensweek...............2(>5
De Woensdag der lijdensweek...............270
Woensdagavond...................283
Woensdagnacht. Blik op het einde der wereld........301
Witte Donderdag...................311
(iethseinané.....................322
In liet paleis des hoogepriesters.............333
(Joede Vrijdag....................339
Eerste verhoor voor Pilatus...............343
Tweede verhoor voor Pilatus..............348
Op Golgotha....................35!)
De hegrafenis....................375
Aanhangsel.....................380
-ocr page 11-
^■^^o^^S^5
>WÉÉ
>.**.
**«£
IXLEIDIN Cl.
,,Maar, dat gij zoo gaarne in liet Beloofde Land zoudt
willen zijn!v schreef eens de Wansbeeker Bode aan zijnen
Andries. Inderdaad schijnt het alsof do zegen nog aanwezig
Het plaatje laat Jeruzalem zien ten tijde van Christus; liet uitzicht
in genomen van den olijfberg. De voorgrond vormt het dal Kedron.
Ke.nt ou Hem?                                                                                        1
-ocr page 12-
\'2
is op de wegen, die de Heer betreden heeft, op de bergen,
waarop Hij met Zijne jongeren gerust heeft; alsof men op
den Olijfberg de sporen van Zijn nachtverblijf, — op den
Tabor nog het licht Zijner verheerlijking ziet; alsof nog een
kring van engelen aanwezig is, starende in het verborgene
en de plek bewakende, vanwaar Hij de stad aanzag en over
haar weende, waar Hij nederknielde en bad, waar Hij het
avondmaal instelde, waar Hij gekruisigd werd en stierf..."
En zoo is het. Ondanks al het verval, ligt er voor den
Christen nog heden iets als een glans van heiligheid over
het Heilige Land. Voor de Christenheid zal het altijd eene
behoefte zijn, iets te weten ook van de plaatsen w7aar haar
Heer leefde en werkte. En als wij alles wat wij weten uit
de berichten aangaande dien tijd, vergelijken met het Heilige
Land uit dezen tijd, dan verkrijgen wij dikwijls een meer
heldere of juiste voorstelling van menig verhaal uit de
Heilige Schrift, dan wij er gewoonlijk van hebben. Als een
zoon van Palestina, van kindsbeen af bekend met land en
volk, wensch ik in dit boek deze bewering te staven.
Ik gaf aan dit boek den titel ..Kent gij Hem?" Een
levensbeeld van den Heiland, aan de hand der Evangeliën.
Bij het aandachtig lezen der Evangeliën, ondervindt menig-
een het gemis van een met het land bekenden gids, die het
hem mogelijk maakt zich eenigszins, ook naar het uitwendige,
als te verplaatsen onder de toeschouwers en de toehoorders
tijdens het leven van Jezus. Ik heb de Evangeliën gevolgd
naar de historische tijdorde van het leven des Heeren, en
daarbij die Evangeliën ongebruikt gelaten, die mij voor
mijne behandeling minder geschikt voorkwamen. Daardoor
was 7 ~-t mogelijk, eenigermate een leven van Jezus te doen
aanschouwen in een reeks sprekende figuren, waarbij geen
der hoofdperioden kan worden voorbijgegaan.
Ik had daarmede een tweeledig doel:
1. Het uitwendig Schoiurtooneel, land en volk van den
toenmaligen tijd, te schetsen. Behalve hetgeen ik zelf in
het Heilige Land heb gezien en mede beleefd, heb ik hier-
-ocr page 13-
3
voor de oude geschiedschrijvers geraadpleegd, in hoofdzaak
Josephus, dien wij bijna een tijdgenoot van Jezus kunnen
noemen.
2) Het Geschiedkundig verband te doen zien, waarin het
Evangelie tot het geheele leven van Jezus staat. Daartoe
heb ik dikwerf, zonder bezwaar, mijn blik verder doen gaan
dan de grenzen van het Evangelie en bij voorkomende ge-
legenheden, met vrijmoedigheid een beeld gegeven van de
een of andere periode uit het leven van Jezus, in hare ge-
heele uitgestrektheid.
Ten opzichte der tijdsbepalingen, door mij in de afzon-
derlijke hoofdstukken gesteld, moet ik verklaren, dat de
Evangeliën, naar mijne overtuiging, eene tweejarige, niet
eene driejarige werkzaamheid aangeven. Om deze meening
te staven heb ik dan ook van elke afzonderlijke geschiede-
nis, jaargetijde en maand aangegeven. Een absoluut juiste
aanwijzing is natuurlijk niet te bepalen. Maar de Evange-
liën zelve geven genoeg vaste punten aan om voor alle
belangrijke gebeurtenissen den tijd met benaderende zeker-
heid te kunnen vaststellen. Waar dit nu mogelijk is, daar
geeft het inderdaad een grootere aanschouwelijkheid aan
het verhaal.
In deze bladzijden zal ik meer verhalen dan uitleggen;
minder beschouwingen over de Evangeliën geven, dan wel
met de meest mogelijke levendigheid den inhoud der Evan-
gelische geschiedenis zelve ontvouwen. Eenmaal toch zijn
deze geschiedenissen, ook met de onbereikbare aanschouwing
voor de menschen, eenvoudig doorleefd voor de oogen der
tijdgenooten, zonder dat voor hen iemand daarover heeft
gepredikt. Toch konden dezen zich niet ontdoen van den
machtigen indruk, dien zij maakten. Ook heden nog ligt in
deze geschiedenissen iets van de inwendige kracht van
groote gebeurtenissen op geestelijk gebied, door het wekken
van herinneringen, gedachten, verwachtingen.
Ik gevoel het bezwaar, dat men mij zou kunnen tegen-
werpen, dat mijn werk onnoodig of schadelijk is, omdat het
-ocr page 14-
4
van de hoofdzaak afleidt. Ik zie dit echter niet in. Geschio-
denissen winnen door aanschouwelijkheid bij oud en jong.
Het Evangelie bevat slechts geschiedenis. Ook hier mag de
verbeeldingskracht tot een heiligen dienst worden opgeroe-
pen, echter onder voorwaarde dat zij zich streng houde aan
de historie en met zekerheid de hulplijnen trekke tusschen
de verschillende gebeurtenissen en woorden, die ons als
onwraakbare historische wetenschap zijn overgeleverd uit
den tijd, die bijna twee duizend jaren achter ons ligt. Ik
heb zóó lang onder het landvolk van het Heilige Land
verkeerd, dat ik durf aannemen, naar mijne bekendheid met
het schouwtooneel der evangelische geschiedenis en met de
sinds duizenden jaren weinig veranderde Oostersche zeden,
het leven in die langvervlogen tijden, met vertrouwbaar-
heid te kunnen reconstrueeren. Of zou dit inderdaad een
onnoodige arbeid zijn? Welnu, zoo menig werk der phan-
tasie, — geschiedenissen, die alleen tot vermaak zijn uit-
gedacht, — wordt ook door Christenen met welgevallen
gelezen. Indien dan de helden, die alleen in de verbeelding
der dichters bestaan, met deelneming op hunnen weg wor-
den vergezeld, — zouden wij ons dan niet mogen opmaken
om den Held aller helden, den schoonste onder de menschen-
kinderen evenzóó op Zijnen weg te volgen? Zouden wij
niet trachten, die twee groote jaren, groot en belangrijk
als de eeuwigheid, — die twee jaren, waarop de duizend-
tallen terugzien, en vooruitzien, als op hunne centraalzon,
zouden wij niet trachten er mede bekend te worden ook
naar het uitwendige, met gebruikmaking van alle ons ten
dienste staande middelen? Voor hem, die lang in het Heilige
land gewoond heeft, onder dezelfde hemelstreek, op dezelfde
bergen, op dezelfde wegen, die dagelijks denzelfden zuide-
lijken hemel, dezelfde zon, dezelfde wolken, dezelfde boomen
en bloemen heeft aanschouwd, waarop zoo menigmaal het
oog van Jezus peinzend heeft gerust, voor hem is Palestina
ook nog heden eene groote, nog te weinig verklaarde toe-
lichting der Evangeliën en van het leven van onzen Hei-
-ocr page 15-
5
land. En zou het voor de Christelijke Kerk zonder belang
en zonder nut zijn, dat in onze eeuw meer dan vroeger, het
Heilige Land wederom worde ontsloten en de oorkonden,
op zijne bergen geschreven, wederom leesbaar worden? Of
zou dit voorrecht alleen aan die weinigen beschoren zijn,
die het geluk hadden aldaar langen tijd te vertoeven? Stellig
niet. Ik althans acht het mijne roeping te zijn, als gevolg
van mijn zendingwerk aldaar, op de vraag van zoo menig
lezer der Evangeliën: „Waar was de Heer gehuisvest?" zoo
goed mogelijk tot antwoord te geven: „Kom en zie het!"
De Evangelisten hielden zonder twijfel bij hunne geschrif-
ten hun oog op het meest verhevene gevestigd. Met groote
sprongen voeren zij ons door die beide gedenkwaardige
jaren van het openbaar optreden van Jezus. Ook kwam het
hun natuurlijk niet in de gedachten, zaken mede te deelen,
die als vanzelf spraken, die toenmaals bekend waren bij
allen, die hunne kleine geschriften lazen. Wanneer wij heden
ten dage onze tijdgenooten even beknopt zouden willen
spreken over de werkzaamheden van een groot man b. v. in
Berlijn, dan zouden wij zeker niet veel mededeelen over de
stad zelve, hare omstreken, bevolking, de zeden der bewo-
ners, als anderszins, omdat een ieder die weet of gemakkelijk
kan te weten komen. Maar het blijft naar mijne overtuiging
de plicht der Christelijke Kerk om behalve een diep onder-
zoek, dat moet doordringen in den geest van het Christendom,
van (Üles gebruik te maken, wat de bekendheid van Palestina
in onze dagen aanbiedt, ten einde aan de gemeente zoo
duidelijk mogelijk een beeld te geven van het leven onzes
Heeren.
In waarheid, het beste van Gods woord is dat deel, dat
niet aan tijd of ruimte gebonden is. Zelfs de meest nauw-
keurige voorstelling van het aardsche leven van Christus is
niets, vergeleken met een enkelen genadeblik van het wezen
van den Verhoogde aan Gods rechterhand. Het uitwendige
biedt ons in de Evangeliën slechts het omhulsel van een
kostbaren schat in den akker. Maar de akker is er toch ook.
-ocr page 16-
6
Door den grond om te ploegen komt men des te spoediger
aan het verborgen kleinood. Hem, dien alle macht in den
hemel en op de aarde toekomt. Hem alleen komt onze aan-
bidding, onze liefde toe. Maar het Evangelie zelf leert ons,
dat wij Hem slechts vinden, als wij den toenmaligen Christus,
zooals Hij in knechtsgestalte op aarde rondwandelde, zoo
duidelijk mogelijk in Zijne geschiedenis in ons opnemen.
Met dat doel zijn de vier Evangeliën geschreven. En hoe
duidelijker wij ze kunnen begrijpen, hoe beter het voor ons
zijn zal.
In de vaas der uitwendige verhoudingen van Palestina
is de kostbare nardus van het leven onzes Heeren besloten.
En elke overweging tot de kennis dezer uitwendige omstan-
digheden, was mij bij dezen arbeid, die mij zelf zoozeer
verkwikte, als een openen van den hals der vaas, gevuld
met de kostbare nardus, zoodat het geheele huis vol werd
van den geur des balsems.
Mochten mijne lezers ditzelfde bij herhaling ondervinden!
Moge het mij gelukken, het beeld van Jezus en van Zijn
leven voor hen te schetsen in eene bekoorlijke gestalte,
die dankbaarheid, liefde en verlangen wekt! — Ik bedoel
niet, af te leiden van de Evangeliën; integendeel, ik wil er
telkens weer toe terugkeeren, als iemand, die zich niet kan
verzadigen aan hunne schoonheid. Moge dit boek hier en
daar dienst doen als een catalogus op eene uitgezochte
schilderijen-verzameling. Wel slaat men er van tijd tot tijd
een blik in, maar om met klimmende verrukking de oogen
op de heerlijke schilderijen te richten, die geheel de ziel
vervullen. Zoo moge dit boek slechts dit bevorderen, dat
de lezers telkens weer grijpen naar het onvergelijkelijke Boek
zelf, en zij de oorspronkelijke verhalen der apostelen zelve
opslaan om nieuwe blijdschap, nieuwen zegen daaruit te
ontvangen.
-ocr page 17-
DE OPGANG UIT DE HOOGTE.
Als de stille nacht, die berg en dal in het duister heeft
gehuld, zijn einde nadert, dan begint het in het Oosten te
schemeren en te gloren. Een zacht schijnsel van het morgen-
rood verkondigt in onhoorbare taal aan de slapende wereld,
dat de stralende zon uit ver verwijderde, onbekende sferen,
heerlijk, lichtgevend, majestueus, als op vleugelen des lichts,
en tevens zonder eenig geruisen, de nachtzij der aarde nadert.
Ook de eenige Zon der wereld kwam tot onze aarde,
toen deze in de zwartste duisternis was gehuld, en wel zóó
stil en zacht, dat een geschiedschrijver van dien tijd, Josephus,
daarvan niets weet te verhalen ; maar tevens toch zóó heer-
lijk en verheven, dat op elk Kerstfeest het gansche rond
der wereld opziet naar het licht, dat het eerst die bergen
van Judea bestraalde. En ook gloorde een schemering vol
blijde verwachting over die bergen, den .,Opgang uit de
Het plaatje stelt de woestijn van Judea voor, waarin Johannes de
Dooper zijne jeugd doorbracht. De ]>lant op den voorgrond is een
bloeiende en vruchtdragende vijgen-cactus.
-ocr page 18-
8
hoogte\'\' voorafgaande. Dit zijn die gebeurtenissen, die liet
hart van den grijzen Zacharias als van jeugdige verrukking
deden kloppen, die hij ontboezemde in een lofzang, welke
nog in onze dagen als van die verafgelegen bergen komende,
ons tegenklinkt. Daar ginds, in de weinig getelde en thans
bijna onbekende woonplaats van Zacharias en Elisabeth,
heeft voor de eerste maal een menschenmond, - boven de
wieg van een pasgeboren kind, dat als een verheven raad-
sel, een nog ongeopende bloemknop gelijk, ternerlerlag, —
in zalige vreugde gezongen van rde innerlijke barmhartig-
heid onzes Gods, niet welke ons bezocht heeft de opgang
uit de hoogte: om te verschijnen degenen, die gezeten zijn
in duisternis en schaduw des doods; om onze voeten te
richten op den weg des vredes."
Aldus scheen dan liet eerste zachte morgenrood van ons
Kerstfeest, boven do woning van Zacharias. Waar moeten
wij die woning zoeken? De overlevering, die haar aanwijst
in Ainkarem of St. Johannes, nabij Jeruzalem, mist allen
historischen grond. Het Nieuwe Testament noemt de stad
„Juda." Daar echter Zacharias hoogstwaarschijnlijk in een
priester- of Levietenstad woonde, en het Oude Testament
ons een Levietenstad Juda noemt, hebben waarschijnlijk
zij gelijk, die dit Juda aanmerken, als de geboorteplaats
van Johannes den Dooper, hetzelfde als het tegenwoordige
Juta ot\' Jatta, op "1 uur afstand ten Zuiden van Hebron
gelegen.
In 1S85 bezocht ik dit stadje voor het eerst. Van Hebron
komende liep de weg langs vruchtbare tuinen en landerijen,
meerendeels echter door steenachtige dalen en rotsachtig
gebergte. Nabij de Levietenstad werd het anders. Wij be-
traden een schoon heuvelachtig plateau. Op den hoogsten
heuvel lag een dorp. vriendelijk en lief, dat op de bergen
en in de nabijgelegen woestijn neerzag, als de wachter en
bewaarder van eene heilige geschiedenis. Dit was Juta,
weleer de woonplaats des Doopers. Hier in deze oudtesta-
mentische Leviotenstad woonden Zacharias en Elisabeth,
-ocr page 19-
9
een echtpaar waarvan de Schrift getuigt, dat zij vroom
waren voor God en onberispelijk naar de geboden en de
instellingen des Hoeren wandelden. In den tempel te Jeru-
zalem was hem de geboorte aangekondigd van een zoon,
van jongsaf vervuld met den Heiligen Geest, die in den
geest en in de kracht van Elia een voorlooper des Heeren
zijn zoude. .Om zijn ongeloof met sjn-akeloosheid geslagen,
keerde hij stom over de bergen naar zijn stille woonplaats
terug. Zes maanden later kwam de engel Gabriël tot de
begenadigde maagd Maria te Nazareth, vijf dagreizen meer
noordelijk gelegen, begroette haar als de gezegende onder
de vrouwen en kondigde haar de geboorte aan van Hem,
die een zoon des Allerhoogsten zou genoemd worden. Vol
ontroering, antwoordde zij: „Zie de dienstmaagd des Heeren.
Mij geschiede naar uw woord."\' Daarop reisde Maria over
dezelfde bergen, waarop wij ons zooeven ophielden, en kwam
in dit dorp. En nu, in het huis van Zacharias, begroetten
de beide vrouwen elkander. Elisabeth sprak tot Maria:
..Zalig zijt gij, omdat gij geloofd hebt! Gezegend zijt gij
onder de vrouwen! Vanwaar komt mij dit, dat de moeder
mijns Heeren tot mij komt?"
Aldus begon de (leest in dit bergstadje Zijne vleugelen te
ontplooien, die na luttel eeuwen de geheele wereld zou
vervullen met den lof des Heeren, gelijk de wateren den
bodem der zee bedekken. En Maria, vervuld met zalige
vreugde, met den Heiligen Geest,
antwoordde: „Mijne ziel
maakt groot den Heer! en mijn Geest verheugt zich in God,
mijnen Zaligmaker: want zie, van nu aan zullen mij zalig
spreken al de geslachten!\'*
Dit was het morgenrood van het nieuwe verbond, dat den
„Opgang uit de hoogte" voorafging. Zijn lichtglans verlichtte
niet .Rome of Athene, maar deze vergeten bergen van Juda,
waar de Verlosser der wereld, nog vóór Zijne geboorte, in
verheven liederen werd geprezen. En als wij bedachten, dat
hier de beide vrouwen, verre van de schitterende hoofdstad,
waarboven de Homeinsche adelaars zweefden en waarover
-ocr page 20-
10
een Herodes heerschte, den naderenden dag des Heeren
begroetten, dan schenen ons deze stille, onaanzienlijke heu-
vels, bergen Gods te zijn, waarop Zijne band het eerst het
nieuwtestamentische schrift van genade en verlossing heeft
gegrifr.
Volle drie maanden vertoefde de „begenadigde" bij Eli-
sabeth.
Hoe menigmaal zullen zij daarboven in het dorpje in stille
uren hebben gesproken van datgene, wat nu als het ge-
openbaarde Kerstgeheim de geheele wereld verlicht.
Juta, zoo vriendelijk gelegen op een den geheelen omtrek
beheerschende hoogte, is tegenwoordig een armoedig dorpje.
Slechts vervallen hutten ziet men daar, de meeste meer onder
den grond dan boven zijne oppervlakte. Hoopen afval, door
de opvolgende geslachten daar neergeworpen, omgeven het,
als waren het wallen, zoodat zelfs het huis van den hoofdman,
dat zich als een burcht boven de andere huizen zou moeten
verheffen, onzichtbaar is geworden. Ook in vroegere dagen
zal Juta wel klein en onaanzienlijk geweest zijn. Maar hoe
lieflijk waren de dalen, die het als kleine holle wegen om-
ringen! In de diepte en op de hellingen ruischen de olijf-
boomen. Maria en Elisabeth zullen hier des avonds tvel
onder de olijjbontnen hebben gewandeld,
die ongetwijfeld de
voorouders waren van die, welke wij hier thans aanschouwen.
Maria, die wij, naar de Oostersche zeden, ons hebben voor
te stellen als van zeer jeugdigen leeftijd, heeft zeker, met
de hoop in het harte, dikwijls mijmerend hier in het ver-
schiet gestaard. Hare oogen staarden op de blauwe bergen
van Moab, die in verrukkende kleurenpracht over de Doode
Zee zichtbaar waren en waarop eens Bileam, vol verlangen
reeds had geprofeteerd van Hem, dien zij onder het harte
droeg. ..Van de rotsen af zie ik Hem en van de heuvelen
aanschouw ik Hem ! — Uit Jakob zal een ster opgaan, en
uit Israël een heerscher voortkomen. — Acb, wie zal leven,
als God dit zal doen geschieden?" En als zij hieraan dacht,
dan zullen die geheimen van weleer, thans alleen aan haar
-ocr page 21-
11
geopenbaard, hare ziel met groote vreugde hebben vervuld,
waarvan Johannes de evangelist zegt: .,In den beginne was
het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was
God. En het Woord is vleesch geworden en heeft onder
ons gewoond.
Drie maanden later keerde Maria weder huiswaarts. Haar
weg voerde haar langs Bethlehem. dat acht uren verder
noordelijk gelegen, van hier uit, door het gebergte aan het
oog wordt onttrokken. Hier was de geboorteplaats van Jozef,
waar zij wel een korten tijd rust zal hebben genomen. Zij
dacht zeker niet, dat zij dit vriendelijke stadje zoo spoedig
zou wederzien.
Spoedig na hare afreize werd in het dorp Juta Johannes
geboren en, in aansluiting aan de mededeeling van het
familietafereel (Lukas 1 : (K)—u\'Gj, heeft Zacharias den lof-
zang uitgesproken (vs. U7—79i hem door den Heiligen Geest
ingegeven. Het waren de eerste woorden, die hij na zoo
lang zwijgen sprak. Drievierde jaar geleden was hij in den
tempel te Jeruzalem geweest en had hij bij het stoffelijk
reukoffer het geestelijk reukwerk zijner gebeden tot God
opgezonden. Wat zou hij anders van God hebben gebeden
dan de komst des Verlossers ? En ziet, een Engel komt hem
als verhooring van zijn gebed, de geboorte van den voor-
looper des Verlossers aankondigen. Maar hij verstond die
boodschap niet, hij kon ze niet gelooven. Troosteloos zag
het er in die dagen in Israël uit: het geslacht van David
was nagenoeg uitgestorven, het aloude koninkrijk was in
eene onbeduidende provincie van Rome veranderd, de pro-
feten waren sinds vier eeuwen verstomd, in de wereldge-
schiedenis werd nergens het ruischen van Gods voeten
gehoord, op Israels troon zat een bloeddorstige tiran, zooals
de geschiedenis geen tweede had aan te wijzen, — neen,
neen, het was niet mogelijk! Hij had gebeden om de komst
des Heeren, maar aan de verhooring van zijn gebed, durfde
hij niet gelooven. Op zijn verlangen ontving hij een teeken,
-ocr page 22-
12
dat te gelijker tijd een straf voor zijn ongeloof was. Hij
werd stom. Hij zag de vervulling naderen, — maar hij
moest zwijgen. Hij aanschouwde Maria in zijn huis. juichend
door zijne vrouw begroet — maar hij kon geen woord uit-
brengen. Gedurende haar verblijf te zijnen huize sprak hij
niet met haar. AVat zal zijne ziel wel hebben vervuld ge-
durende dezen langen, hangen en toch zoo blijden Advents-
tijd? De eerste verwachtingen van zalige kerstvreugde
vervulden hem in klimmende mate, hoe meer de tijd naderde.
Nu staat hij aan de wieg van zijn eerstgeborene. AVat de
Engel had aangekondigd, was geschied. De vervulling der
eene belofte was hem een waarborg voor de vervulling der
andere. De geboorte van den voorlooper gaf hem zekerheid
voor de geboorte des Heilands. Hij staart vol verrukking
naar zijn kind, de banden zijner tong worden los in over-
maat van vreugde en, na meer dan negen maanden te
hebben gezwegen, heft hij een psalm aan vol hope en
zaligheid. „Gelijk het gesmolten metaal, uit don smeltkroes
stroomt, zoodra eene opening het den uitgang toelaat, alzoo
stroomen uit den zoo lang gesloten mond van Zacharias
de gedachten en gevoelens, die zoo lang bij hem waren op-
gesloten geweest." * i Zoo klinkt ons de lofzang van den
grijzen ziener tegen uit het heerlijke Adventskapittel, het
eerste kapittel van het Evangelie van Lukas. Het rnoet wel
een heerlijke Adventstijd geweest zijn in die overigens on-
aanzienlijke woning op Juda\'s gebergte, waar in die dagen
de drie menschen bijeen waren, die boven alle anderen,
waardig waren gekeurd, de aanstaande komst van den Hei-
land te mogen vernemen. Hoe vriendelijk blonk hun de Zon
des nieuwen verbonds tegen, niet van het ernstige profeten-
voorhoofd van een Mozes of Elia, maar uit twee lieve
kindergezichtjes, dat van den kleinen .Tohannes en dat van
het heilige kind Jezus, waarover hemelsche heirscharen in
*) Dit zejit Goik\'t in zijn voortreft\'elijken Commentaar op het Evan-
frelie van Lukas.
-ocr page 23-
13
den blijden Kerstnacht hadden gejuicht. Hoe ontmoetten in
dit Adventskapittel hemelbeden en blijde menschen elkander
om de komst des Heeren voor te bereiden. Wat liefelijk
geruisen in dit hoofdstuk als in den voorhof van het Nieuwe
Testament. Psalm na psalm klinkt ons tegen; eerst het
korte jubellied van Elisabeth, dan het Magnificat, de ko-
ninklijke lofzang der koningsmoeder, der gezegende Maria,
en eindelijk het Benedictus, de profetische vreugdepsalm
van den grijzen Zacharias. Evenwel, hoe verschillend van
toon, hoe onderscheiden van accoorden zij ook zijn, door
alle klinkt met gelijke zaligheid en dezelfde vreugde: „Ad-
vent! Advent! Hij komt! Hij komt!\'\'
De eerste adventsdagen gingen voorbij. De tijd van op-
groeien en bloeien kwam. Hier in Juta groeide Johannes op.
In deze vriendelijke dalen heeft hij als knaap gespeeld. Zijne
ouders merkten reeds vroeg in hem op, wat als het geheim
van zijn leven reeds over zijn wieg had gezweefd. Hoe dik-
wijls zal de knaap hebben gezeten aan de voeten van zijn
ouden vader in het priesterhuis te Juda en met stralende
oogen hebben gestaard in het eerbiedwaardig gelaat, als
Zacharias hem sprak van de Messiaansche verwachtingen
in het Oude Testament, als hij hem zeide, dat hij bestemd
was om eenmaal als de eerste dienaar van den te verwaeh-
ten Koning, vóór dezen uit te gaan en Zijne komst aan te
kondigen! Hoe zal dan dat jonge gemoed vervuld zijn ge-
worden met hope en heilig verlangen naar Hem, aan Wien
hij zijne geheele leven moest wijden! En hoe dikwijls zal
de vrome moeder Elisabeth, die eenmaal in dit dorp, vervuld
van den Heiligen Geest,
de ..gezegende onder de vrouwen"\'
had zalig gesproken, haren zoon in zoete moedervreugde
aan het hart gedrukt en hem vermaand hebben vroom te
zijn en zich de groote roeping waardig te toonen, waartoe
God hem had bestemd.
Dit alles zal de knaap vol ernst in zich hebben opge-
nomen. Wel was hij een kind als andere kinderen, maar
toch reeds vroeg openbaarde zich in hem de machtige wer-
-ocr page 24-
14
king van den Goddelijken Geest. En dikwijls zal de ge-
heimzinnige achtergrond van zijn wezen aan zijne omgeving
op eigenaardige wijze zijn gebleken, want „hij was vervuld
niet den Heiligen Geest van zijne geboorte af". Tn het ver-
borgen rijpte zijn jeugdig gemoed voor zijn heilig ambt.
De Evangelist zegt: „En het kindeke wies op en werd ge-
sterkt in den geest."
Daar gebeurde iets dat aan zijn jeugdig leven eene nieuwe
wending moest geven. Zijne ouders stierven: beiden waren
hoog bejaard, toen hij geboren werd. Waarschijnlijk was
Johannes al vroeg een wees. Nu moest hij zijnen weg alleen
zoeken; maar de Goddelijke Geest werd zijn geleider. De
dood zijner ouders greep diep in zijn leven in. Alles wat
zijue ouders hem hadden gezegd, herleefde met vernieuwde
kracht in zijne herinnering. De woorden en de vermaningen
van een vromen vader en eene godvreezende moeder wer-
ken als een heilige nalatenschap in de harten der kinderen
na, zelfs al rusten de ouders reeds langen tijd in den schoot
der aarde. En welke schatten had Johannes niet reeds in
zijn kinderjaren in zich opgenomen. De liederen, waarmede
zij reeds aan zijne wieg God hadden geprezen over den
naderenden „Opgang uit de hoogte," de verwachtingen waar-
mede zij hem zoo dikwijls hadden bekend gemaakt, zij vloch-
ten den draad, die door geheel zijnen geest loopen zoude,
zij omschreven de heilige roeping, waaraan hij zijn geheele
leven zou wijden.
Hij ging in de eenzaamheid. Wat was natuurlijker dan
dat hij zich terugtrok in de nabijgelegen woestijn. Als kind
had hij met zijne ouders ï\'eeds menigen tocht daarheen onder-
nomen. Daar zijnde hadden zij hem, diep in het dal, de
1 )oode Zee aangewezen en ten Noorden daarvan de Jordaan,
zich zelven onbewust, dat hun zoon, man geworden zijnde,
aldaar zijn verheven werk ten aanschouwen van gansch
Israël zou volbrengen. En aan de* overzijde had hij toen
ook de pasgebouwde vesting Macherus gezien, hoog op het
gebergte van Moab gelegen. Hij kon toen nog niet denken
-ocr page 25-
15
dat hij daar boven, aan gene zijde van de blauwe Zoutzee,
in die sterkte onthoofd en in de nabijheid begraven zou
worden.
De woestijn, waarin hij zicli thans ophield, was zeer nabij
zijne geboortestad Juta gelegen. Binnen een uur kon men
die bereiken. In het Oosten zijn de heuvelen der woestijn
van Zif en Maon in het verschiet zichtbaar. Ik trok er
inderdaad overheen en de woestijn door. De woningen, die
men aldaar nog vindt, doen ons heden nog vermoeden,
op welke wijze Johannes in de eenzaamheid der woestijn
zal geleefd hebben. Hier wonen namelijk bijna uitsluitend
Troglodieten (holbewoners). Hunne woningen zijn onder den
grond in de rotsen gebouwd of uitgehold. Ik zag aldus
een geheelen berg van onder tot boven bevolkt, die uit-
wendig geen enkel spoor van bewoning te zien gaf. Slechts
op den Teil Zif (heuvel Zif) ziet men vele overblijfselen
van een oude stad, uit de tijden van David en Rehabeam,
welker grondvesten, uitgehouwen gangen, holenverblijven
en regenbakken zeer merkwaardig zijn. De plantengroei
bestaat uit doornen en distelen, tijm en verschillende zout-
planten. In de lente bloeien hier vele bloemen in wonder-
schoone kleurenpracht. Zelden worden menschenstemmen
vernomen. Slechts hier en daar op de bergen ontmoet men
enkele Bedoeïenen, die hunne kudden weiden. In zulk een
rotsholte zal zeker Johannes ook hebben gewoond. De plaats
zelve droeg er toe bij om zijne gedachten te vestigen op
het verleden van Israël. Gindsche machtige bergen ten
Oosten hadden neergezien op Sodom en G-omorra; in deze
wildernis had David in veelbewogen dagen zich voor Saul
verborgen en menige psalm, dien de priesterzoon hier be-
studeerde, is wellicht hier gedicht, als David in vromen
weemoed zijne ziel uitstortte in de tonen van de snaren
zijner harp.
Maar nog andere plaatsen dan Zif herinneren aan die
vroegere tijden. Ten Zuiden van Juta sluit een bergketen
den horizont af. Twee prachtige kruinen staan vóór de
-ocr page 26-
16
anderen. Deze heeten tegenwoordig nog, evenals voor iJCXX)
jaren: Maïn (Maoni en Karmel ide geboorteplaats van Nabal,
niet te verwarren met het Karmelgebergte in het Xoordem.
Waarschijnlijk heeft .lohannes in de woestijn nabij Juta
geleefd naar de gebruiken der bergbewoners, in het koude
jaargetijde zich kleedende met een kemelshuid. Kameelen
zijn hier talrijk.
Wat zal .lohannes in de woestijn hebben verricht? Een
monnik of een kluizenaar, die zich ter wille van overpein-
zingen van eiken arbeid onthield, was hij stellig niet. Ernstige
arbeid is onafscheidelijk van elk gezond menschenleven. En
Johannes was een gezond mensch, maar ook moest hij in
zijn onderhoud voorzien. Wij zijn overtuigd dat hij hetzelfde
werk verrichtte, dat heden ten dage evenals in oude tijden
in de woestijn verricht werd: hij was schaapherder. Hij was
niet de eerste Godsman, die met diepe en rijke gedachten
bezield, dit beroep uitoefende, dat tot een dagelijksch verblijf
in de eenzaamheid op de berghellingen en in de stille dalen
noopt, waar het hart, in de zwijgende natuur, zonder ander
levend wezen in zijne nabijheid dan de grazende kudde,
den blauwen hemel boven zich en den spiegel der zee aan
zijne voeten, meer dan ergens elders de nabijheid van den
grooten God van hemel en aarde gevoelt.
Het is gemakkelijk te verklaren, waarmede Johannes in-
wendig vervuld was. Reeds door zijne geboorte, als afstam-
mende van een oud-adellijk priestergeslacht, behoorde hij
tot den stand der geleerden. Zijn vader had hem voorzeker
grondig onderwezen in de schriften der profeten. Zijn bijbel,
Mozes en de profeten, was zonder twijfel zijn getrouwe
metgezel in de eenzaamheid. Eén onderwerp bij uitnemend-
heid trok hem altijd weer met onweerstaanbare macht aan:
de voorspellingen namelijk aangaande den beloofden Ver-
losser, den Messias. Deze Schriftplaatsen zocht hij telkens
weer op, overdacht ze en zocht daarbij tevens licht te vinden
aangaande zijn eigen levensroeping. Eene plaats uit den
profeet Jesaja bleef meer dan eenige andere hem steeds
-ocr page 27-
17
nabij. Dag en nacht hield deze hem bezig. En zoo dikwijls
hij die overdacht, hoorde hij een inwendige stem, die zeide:
dat zijt gij! dat zijt gij! En zóó overweldigend sprak dat
woord tot zijne ziel, zoozeer bepaalde het voor hem zijne
bestemming, dat hij later, in zijn volle leven, zijne prediking
altijd begon met deze zelfde woorden, die ook heden nog
voor ons zijn als het motto van zijn bestaan: .,De stem des
roependen in de woestijn: Bereid den weg des Heeren!
Maakt Zijne paden recht. Alle dal zal gevuld worden en
alle berg en heuvel zal vernederd worden en de kromme
wegen zullen recht en de oneffene wegen effen worden, —
want de heerlijkheid Gods zal geopenbaard worden."
Dikwijls zal ook het oog van Johannes over de bergen
heen hebben gezocht naar het diepe Jordaandal, dat inen
van de toppen der woestijnbergen in de verte kon zien.
Aldaar was, naar de Schriften, zijn voorganger Elia. met
vurige paarden en vurigen wagen hemelwaarts gevoerd.
Hij ook voelde zich daarheen getrokken. Toen de tijd ge-
komen was, ging hij er heen en begon zijne krachtige
prediking en doop der bekeering, en verkondigde de nadering
van Dengene, die te komen stond. Den stedelingen uit
Jeruzalem kwam hij ruw en somber voor, als hij allen,
grooten en geringen, tot boete vermaande en het aanstaand
gericht aankondigde. Maar de uitgelezen schare zijner leer-
lingen luisterde met gespannen aandacht, als hij sprak van
Dien, die na hem komen, die met den Heiligen Geest en
met vuur doopen zou, van wien de door duizenden toehoor-
ders omringde prediker zeide, dat hij zelfs niet waardig
was diens schoenriemen te ontbinden. En ook voor Johannes
kwam aan den oever der Jordaan de groote adventsdag,
toen Jezus eens aan de oude, heilige rivier stond en de
Dooper, diep ontroerd naar Hem heenwees, zeggende: „Ziet
het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegdraagt."\'
In het dorp Juta wist bij mijn bezoek niemand meer iets
aangaande Zacharias, Elisabeth en Johannes. Niet ver van
de plaats, waar een overoude, voor heilig gehouden olijf-
K vu t gij Bek °?                                                                                                  -
-ocr page 28-
is
boom stond, welks zware takken op de rotswanden rustten,
zag ik een groot hol. Uit liet nachtelijk donker van dit
hol schenen b\' of 7 lichten, die een tooverachtig schijnsel
gaven. Het hol is blijkbaar een aloud rotsgraf van een
voornaam geslacht. De overblijfselen van acht grafruimten
zijn nog duidelijk zichtbaar. Hier. zeiden de dorpsbewoners,
ligt een heilige Schach i hoofdman i begraven.
Te zijner eere werden de lampen brandende gehouden
en telkens van de noodige olie voorzien. Of dit de graven
zijn van Zacharias en de zijnen, die in groot aanzien stond
en evenals zijne vrouw van oud-Israelietischen adel was?
De dorpsbewoners kenden den naam niet van den heilige,
voor wien zij zoo getrouw hunne lampen onderhielden. Ik
vertelde hun de dingen, die voor 2000 jaren in hun dorp
hadden plaats gehad. Zij waren blijde deze geschiedenissen
te mogen vernemen en deden hun best de namen in hun
geheugen te bewaren. Het is geen wonder, dat zij dien
naam niet meer kenden. Het ging evenzoo met den naam
des Heeren zelven. Deze is in Zijn geboorteland bijna ver-
geten. Waarom dan zouden namen van geringere beteekenis,
die reeds afnemen moesten, terwijl de Zijne hier nog grooter
werd, niet vergeten worden?
-ocr page 29-
Wanneer wij de levensgeschiedenis van een groot man
beschouwen, dan zien wij met bijzondere belangstelling op
zijne kindsheid. Wij luisteren naar den kindermond en zoeken
in de eerste woorden der langzaam ontwakende wereld van
gedachten het schitteren van toekomstige grootheid. Zoo
luisteren wij in het Evangelie met heilige spanning naar
het eerste woord, dat uit den mond van Jezus is opgeteekond.
Ongeveer tien jaren lang, sinds den terugkeer uit Egypte,
Het plaatje stelt het tegenwoordige Nazaretli voor: op den voorgrond
de straat, clie het kind Jezus op reis naar Jeruzalem bewandelde. De
weg met bloemen. Alpenviolen en Groen-der-holen (*. g. vrouwenhaar)
bloeiden juist in den tijd van die reis.
-ocr page 30-
20
zweeg de evangelische geschiedenis van Jezus. In stilte is
het kind in het huis der ouders te Nazareth opgegroeid als
een bloem Gods.
Is reeds elk kinderleven voor ons een wonder en het ont-
waken van de sluimerende gedachtenwereld en geestes-
krachten eene verborgenheid, — welke verborgenheden om-
zweefden het hoofd van dit kind te Nazareth! Niet alleen met
het aardsche ouderhuis waren banden aangeknoopt, maar
ook met het Vaderhuis daarboven. Gelijk eene bloem haren
kelk des morgens naar het Oosten keert, vanwaar de zonne-
stralen komen, zoo keerde deze Lelie den haren gansch en
al tot den hemelschen Vader.
De wonderbare verhalen uit de kindsheid van Jezus, waar-
van de kerkelijke legenden weten te spreken, verstoren en
ontwijden slechts de heilige stilte van dezen verborgen was-
dom. Op Zijn twaalfde jaar echter trad Jezus evenals elke
andere Israelietische knaap in de rechten en plichten van
een lid der gemeente Gods, zooals dit bij ons geschiedt bij
de aanneming tot lidmaat. Van toen af mocht Hij de Heilige
Schriften onderzoeken en aan de feesten te Jeruzalem deel-
nemen. Daarom was het de eerste paaschreize, die Jezus
op Zijn twaalfde jaar met Zijne ouders deed. Hoe verlan-
gend zal het Kind naar dit tijdstip hebben uitgezien! Ein-
delijk was de dag voor de afreis aangebroken. Alle voor-
bereidselen voor eene lange afwezigheid waren in het huis
van Jozef gemaakt. Waarschijnlijk reden de leden van het
gezin, als passende voor hunnen stand, op ezels. Ook het
twaalfjarige Kind, in een lang, veelkleurig gewaad gekleed,
een gekleurden tulband op het hoofd, zal op eenen ezel
zijn gezeten geweest. Het heilig gezin reisde niet alleen,
zooals bij de vlucht naar Egypte. De reizigers uit dezelfde
stad of streek vereenigden zich gewoonlijk tot een karavaan.
Uit Nazareth zullen wel honderd of meer personen zijn ge-
gaan. Het was lente, toen zij de reis aanvaardden. De
wonderschoone bloemen, waarover de levendige Knaap later,
toen Hij een man geworden was, zulke heerlijke gelijkenissen
-ocr page 31-
21
sprak, bloeiden langs den weg. En toen zij ongeveei\' een
uur na den uittocht uit Nazareth de plaatsen genaderd
waren, waar de weg naar het dal een aanvang nam, zagen
zij vóór zich, de groote, schoone vlakte van Jizreël, gelij-
kende op een groene, golvende zee. In April is deze vlakte
van den Tabor tot den Karmel en de zee geheel bedekt
met heerlijk groen. Bergaf ging het nu naar de vlakte. In
het Westen zagen de reizigers het uitgestrekte Karmelge-
bergte, waarop eens Elia het volk bijeenriep om te kiezen
tusschen .Jehova en Baiil. Links van de heirbaan zag men
Naïn, Endor, Sunem, den berg Gilbóa, en vóór zich de
voorgebergten, die G-alilea en Samaria scheidden. In het
verder verschiet verhieven de hergen van Samaria hunne
koninklijke toppen: Ebal en Cferizim, alwaar zij morgen
hoopten aan te komen. Zeer strenge Joden kozen boven
dezen „naasten" weg den omweg door het Jordaandal en
langs Jericho. Wij hebben geen reden om aan te nemen,
dat ons reisgezelschap dit deed. Des nachts bleef de kara-
vaan in de open lucht. Onder de olijfboomen, die bijna elk
dorp als trouwe wachters omgaven, vond elke groep een
geschikte rustplaats. Om niet op den blooten grond te lig-
gen, nemen nog heden ten dage de feestgangers tapijten
en dekens op hunne rijdieren mede.
Hoe meer de reizigers de stad Jeruzalem naderden, des-
temeer klopte het hart van den knaap uit Nazareth van
hooggestemde verwachting. Tegen den avond van den derden
dag zagen zij de stad voor het eei\'st uit de verte, van
Bethel af, drie uren voor hunne aankomst. Daar lag zij
boven op den berg en de witte gebouwen, met name de
marmeren tempel der hooggelegen stad, verhieven zich in
den glans der avondzon, als om de reizigers te begroeten.
In het Oosten prijkte vol ernst de Olijfberg, dien de Knaap
heden voor den eersten keer aanschouwde, aan wiens voet
Hij den laatsten nacht van Zijn leven zou doorbrengen, in
de open lucht overnachtende evenals op deze reis. Nu ging
het eindelijk over de bergruggen langs Bethel, Rire, Rama,
-ocr page 32-
22
Gibea-Sauls. Van den Skopus af, de noordelijke voortzetting
van den Olijfberg, zagen zij de geliefde, sinds eeuwen de
heilige stad, in hare volle majesteit vlak voor zich. En zoo
als later de kruisvaarders aan deze plaats, door den aan-
blik overweldigd, de heilige stad met vreugdetranen be-
groetten, zoo zal ook de Knaap uit Nazareth, ter liefde van
Wien de kruisvaarders hier heentrokken, in Zijne ziel diep
ontroerd zijn geweest, nu Hij voor de eerste maal de „heilige
stad" voor zich zag en elk gebouw kon onderscheiden:
ginds de plaats waar het paleis van Zijnen voorvader David
gestaan had, daar de tempel, waar profeten en koningen
gewerkt en heerschappij gevoerd hadden, waar ook heilige
godsmannen waren gedood geworden. Ja, hier was ook de
stad waar Gij den dood zult vinden, twaalfjarig, onschuldig
Kind, dat met Uwe groote, heldere oogen in stille bewon-
dering stad en tempel als verslindt.
In Jeruzalem vinden de reizigers een woelig leven. Uit
het gansche land waren Israëlieten toegestroomd om feest
te vieren. Nog heden komen tegen \'t Paaschfeest ongeveer
20.(X)0 pelgrims te Jeruzalem. Er waren natuurlijk geen
logementen om alle vreemdelingen op te nemen. Zij, die
goede vrienden in de stad hadden, werden door dezen ge-
huisvest. Anderen sloegen tenten op voor de stadsmuren.
Men had geheele straten van tenten, waarin de gasten ver-
blijf hielden. Wellicht waren de tenten wel opgesteld van
het Kedrondal tot aan Gethsemané, voorbij den Olijfberg.
De meesten echter waren ten Noorden der stad opgesla-
gen, de eenige zijde, die niet zoo dadelijk in een diep dal
afliep. Jezus betrad met Zijn ouders het voorhof des tempels,
waarvan Hij in Nazareth zoo dikwijls had hooren verhalen.
Voor de eerste maal wandelde het Kind in deze heilige
zalen, voor de eerste maal aanschouwden Zijne verbaasde
oogen den prachtigen bouw des tempels, voor de eerste
maal stonden Zijne voeten „in uwe poorten, Jeruzalem!"
De tempel met zijne marmeren en gouden bekleedsels en
sieraden was een wonderwerk van bouwkunst en met den
-ocr page 33-
23
opgewekten trots van een Israëliet zal Jozef, de bouwmeester,
de bijzondere onderdeelen wel aan den Knaap hebben aange-
wezen. En toen in tegenwoordigheid van het volk het 1\'eest-
offer werd aangebracht en de eerste korenaren aan den Heer
werden toegewijd, hoe aandachtig werden toen die heilige
gebruiken door Jeaus gevolgd! Van al de houderden, die
hier in het groote voorhof, schouder aan schouder opeen-
gedrongen stonden, was niemand zoo vol aandacht, zoo
overgegeven, zoo verzonken in den Vader, die hier gediend
werd, als de twaalfjarige! Knaap uit, Nazareth, waarop nie-
mand acht sloeg. En des avonds, toen het paaschmaal in
de huizen werd gehouden, zaten in eene zaal te Jeruzalem
ook Jozef en Maria met Jezus aan, niet vrienden en betrek-
kingen en aten van het paaschlam. .Jezus volgde met aan-
dacht de ceremoniën, de herinnering aan de verlossing uit
de slavernij uit Egypte. Zou het kind reeds een voorgevoel
hebben gehad van die andere verlossing uit een nog erger
dienstbaarheid, die in Zijn leven zoo diep zou ingrijpen, ja.
waarvoor Hij Zijn loven zou laten, als een paaschotfer?
Ongeveer twintig jaar later vinden wij den man geworden
Knaap, op een avond in eene opperzaal te Jeruzalem terug.
Het is weder JAischeu. Weder beschijnt eene lamp een gezel-
schap, dat om het paaschlam vereenigd is en weder is dezelfde
Maria tegenwoordig. En Jezus, in het midden Zijner jon-
geren, breekt het brood, zooals men het paaschlam brak, alsof
Hij Zijn eigen lichaam verbrak. Toen echter was Hij zelf het
paaschlam, en op het punt den dood te gemoet te treden
als „het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegdraagt.\'\'
Het feest duurde zeven dagen. Üf de ouders de geheele
week daar bleven, is uit het verhaal niet met zekerheid op
te maken. De omstandigheid, dat de ouders Jezus kwijt
raakten, bewijst intusschen, dat te gelijk met hen vele andere
vertrokken. Misschien bleven zij ook wel den geheolen feest-
tijd. Maar het slechts twee uren verwijderde Bethlehem was
de geboortestad van Jozef, en bovendien waren aan deze
plaats voor hem en Maria liefelijke herinneringen verbonden
-ocr page 34-
\'2\\
uit de vroegste kindsheid van .Jezus, vooral vau den eersten
Kerstnacht. Waarschijnlijk brachten zij met hun Kind een
bezoek aan deze plaats. Maar liet hart van den Knaap ging
niet uit naar Zijne geboorteplaats, maar telkens weer naar
den tempel. Als men een afwezende van ganscher harte
liefheeft, en men kent een huis, waar veel over hem ge-
sproken wordt, dan gaat men het liefst daarheen. Daarom
ging Jezus daarheen, waar men den geheelen dag sprak van
den hemelschen Vader, dien Hij liefhad met Zijne ^ansche
ziel. Zoo geschiedde het dan ook, dat Hij den dag na het
feest, toen allen zich voor de afreis gereedmaakten, nog
eens naar den geliefden tempel terugging.
Buiten voor de Noordelijke stadspoort verzamelden zich
alle feestgangers, die naar het Noorden moesten reizen.
Daaronder behoorde ook het reisgezelschap uit Nazareth.
Indien de bewoners der omliggende dorpen zich met die
uit Nazareth tot één karavaan hadden vereenigd, dan zal
deze er statig hebben uitgezien. Maar ook vele andere reis-
gezelschappen stelden zich aldaar op ; want ook zij. die naar
andere Galileesche plaatsen en die naar de Jordaanstreken
en naar Perea trokken, gingen van de Noorderpoort uit.
De groote vlakte aan deze poort gaf aldus op dien dag een
schouwspel van groote beweging te zien. Langs den geheelen
stadsmuur en tot ver onder de olijf hoornen was veel gedrang.
Honderden last- en rijdieren stonden gereed. Zij, die onder
den blooten hemel of in tenten overnacht hadden, namen
hunne tapijten op. Hier werden de rijdieren gezadeld, ginds
de lastdieren beladen. Hier werden de vertrekkenden dooi\'
bekenden, elders door noodzakelijke voorzorgen opgehouden.
Kortom, het waren dezelfde tooneelen, die nog heden tegen
Pasehen aan de poorten van Jeruzalem te zien zijn, als een
groote karavaan opbreekt. Er wordt steeds voor gezorgd,
dat men met zonsopgang opbreekt; echter wordt het toch
8, 9 somtijds zelfs 10 uur, eer men op marsen is. Het is
dus begrijpelijk, dat niet alle reizigers gelijktijdig gaan. Die
reisvaardig zijn, rijden langzaam vooruit. Aldus verdeelt de
-ocr page 35-
25
karavaan zich als vanzelf in kleinere groepen, met een
afstand tusschen de eerste en de laatste van 1 tot 2 uur.
Bij het halt houden des avonds komen allen weer samen
en daarna kan het gezelschap weer bijeenblijven.
Aldus moet het ook zijn gegaan met het Nazareensche
reisgezelschap. Onder de talrijke groepen menschen, rij- en
lastdieren, reizigers en afscheidnemenden, bevonden zich
ook Jozef, Maria en Jezus. (Jok zij wilden vertrekken. Ook
zij hadden nog voor allerlei te zorgen. Zij bevonden zich
aan de Noorderpoort van .Jeruzalem. Zeer nabij deze poort
was een heuvel. Deze heette Golgotha. In de nabijheid
bloeiden in de volle pracht der lente de tuinen van aan-
zienlijke lieden. In dien, welke later het eigendom was van
Jozef van Arimathea. verhief zich een zware rotswand.
Echter was daarin het graf nog niet uitgehouwen. Nabij
den heuvel stond de twaalfjarige Knaap uit Nazareth. Hij
aanschouwde dat bont gewemel. Zou Hij een voorgevoel
hebben gehad, dat Hem zeide welke beteekenis deze heuvel
eenmaal voor Hem, ja, voor de geheele wereld hebben zou?
Twintig jaren later. — het was wederom Paaschfeest, —
stroomde uit deze poort datzelfde feestvierende volk,
schreeuwende en razende omringde de menigte den nu
Twaalfjarige, die door krijgsknechten weggevoerd, met het
kruis beladen, doodmoede naar Golgotha opging om daar
den dood eens misdadigers te sterven. En in dien rotswand
was toen een nieuw graf uitgehouwen, waarin de trouwe
Held uitrustte van Zijn laatsten, zwaren strijd.
Nu, de tijd ging voorbij onder voorbereidselen. Hier en
daar vertrok reeds een reisvaardige troep. Eu terwijl het
vertrek nog eenig oponthoud ondervond, bleef de Knaap
de stad beschouwen. Op kleinen afstand zag Hij den ge-
liefden tempel, waardoor Hij zich onwederstaanbaar aan-
getrokken gevoelde. Daarbinnen had Hij een nieuw te huis
gevonden, daarbinnen was het Zijn hart zoo goed geweest,
als nergens elders. En daarom spoedde Hij zich door de
straten en verdween door de tempelpoort.
-ocr page 36-
26
Inmiddels waren ook .Jozef\' en Maria tot de afreis gereed.
Zij keken naar hun Kind, maar zagen het niet in hunne
nabijheid. Zij veronderstelden, dat het reeds met een dei-
andere groepen was vertrokken, iets, dat op de terugreis
licht kon gebeuren. De ouders volgden dus zonder bekoni-
merd te zijn. Des avonds kwamen zij aan de plaats van
algemeene ontmoeting. Het volksverhaal duidt als zoodanig
aan het sehoongelegeu Bire. niet ver van Bethel, van waar-
uit men het drie uur verwijderde Jeruzalem gemakkelijk
zien kan. Aan de destijds daar reeds opwellende heerlijke
bron houden de reizigers ook heden ten dage nog gaarne
halt, aangezien men door de vertragingen van den eersten
dag, toch ook moeilijk verder kan komen. Hoe het zij. de
ouders kwamen daar des avonds aan en zochten te midden
der andere reisgenooten hun Kind. Maar nergens konden zij
het ontdekken: ook had niemand het gezien. Er bleet\' dus
niets anders over dan den volgenden morgen naar Jeruzalem
terug te keeren, waar het bij vrienden wel overnacht zou
hebben. In Jeruzalem zochten zij nu tot den derden dag;
maar tevergeefs. Nu werden zij beangst en verweten zich
hunne zorgeloosheid.
Jezus had zich intusschen in den tempel opgehouden.
Toen Hij daar kwam, zag Hij al dadelijk eene groep leer-
aren der Hoogeschool, die tot den tempel behoorde. Hunne
discipelen en het volk zaten aan hunne voeten. Jezus zette
er zich ook neder en luisterde. Men zat niet in een zaal
of vertrek, maar in de open lucht, of in de prachtige, ge-
welfde zuilengangen, die vooral aan de zuidzijde, als de
„zalen van Salomo" uitgestrekte wandelgangen aanboden.
In den heeten zomer was het hier voor het onderwijs veel
aangenamer dan in een afgesloten ruimte, aangezien men
er zoowel koele schaduw als frissche lucht vond. Jezus
hoorde toe. Hetgeen hier werd behandeld betrelfende dat-
gene wat „Zijns Vaders" was, boeide Hem dermate dat Hij
vader, moeder, terugkeer, huis, ja, alles vergat. Hier werd
het Hem duidelijk, dat Hij nog een anderen Vader had.
-ocr page 37-
27
Wien Hij meer toebehoorde en tot Wien Hij in inniger
betrekking stond, dan tot Jozef en Maria. Hier geschiedde
inderdaad eene goddelijke bevestiging van den Knaap, eene
bevestiging van het innerlijk bewustzijn Zijner verhouding
tot den Vader. Hij luisterde en bleet\' onverzadigd. Af en
toe waagde Hij het een bescheiden vraag te doen. Intus-
schen brachten deze vragen de geleerden in verbazing. Zij
wekten bij hen geheel nieuwe gedachten. Er sprak een
doorzicht uit, een doordringen door de uitwendigheden en
vormen van den tempeldienst tot het eigenlijke wezen
van den fro^s-dienst Er sprak een gemoed uit, niet door
de zonde bezoedeld, een hart, wijdgeopend voor God, alsof
alle schuilhoeken van dat hart voor Hem openlagen. Zelfs
vertoonde zich reeds de kiem van die gevatheid, waar-
mede Hij dikwijls later door eene enkele eenvoudige vraag
gansch een gebouw van spitsvondige leerstukken van deze
zelfde schriftgeleerden omverstootte. Maar nu bestond de
vijandschap nog niet, die later Zijne verbitterde tegenstan-
ders tegen Hem innam. Vol oprechte bewondering blikten
zij in dit open lieftallig kindergelaat, in het heldere, aller
harten winnend oog. En dikwijls was het hun, alsof zij de
leerenden waren en de bescheiden Knaap aan hunne voeten
hun leermeester.
AVaar was de Knaap echter des nachts? Van de tegen-
woordige Paaschgangers te Jeruzalem overnachten velen
bijna gedurende de geheele paaschweek in de grafkapel of
in den tuin daaromheen. De twaalfjarige Knaap bleef zeker
ook des nachts in den tempel, en aan Hem werd vervuld,
wat de eerste Psalm zegt: „Zijn lust is in des Heeren wet,
en Hij overdenkt die dag en nacht". In de huizen der stad
immers had niemand Hem gezien, want Zijne ouders bleven
Hem zoeken. Hij zal wel gezeten zijn geweest bij de jn\'ies-
ters of tempeldienaren, totdat de starren neerblonken op
den ouden, heiligen tempel, om zich te laten verhalen van
de feesten en van den schoonen eeredienst. En des nachts
zocht Hij een slaapplaats onder de bogen en gewelfde zuilen-
-ocr page 38-
28
gangen, tusschen de kolommen, door de volle maan van
Paschen beschenen.
Eerst op den derden dag kwamen Zijne ouders in den
tempel, waarschijn]ijk niet zoozeer om hun kind te zoeken,
als wel om God te bidden, het hun te doen vinden. Maar
bij het binnentreden van het ruime voorhof, ziet Maria Hem
zitten midden tusschen de leeraars! Zij vliegt daarheen,
drukt Hem aan het hart en vraagt op lief\'devollen, maar
toch zacht verwijtenden toon: ..Mijn zoon, waarom hebt Gij
ons alzoo gedaan ? Zie, uw vader en ik hebben U met angst
gezocht!" Jezus scheen als uit een andere wereld terug te
keeren. Hij zag Zijne moeder verwonderd aan en deed op
kinderlijken toon de wedervraag: „Waarom hebt gij Mij
gezocht?\' (kon ik ergens elders zijn dan in den tempel?)
..Wist gij niet, dat Ik zijn moest in de dingen Mijns Vaders?"
Dit zijn de eerste woorden, die uit Jezus\' mond zijn opge-
teekend. Zij zijn waardig aan het hoofd te staan van al die
goddelijke woorden, welke dezelfde mond later in dat dier-
bare land sprak. Als ooit een eerste woord van een groot
man ons een blik gaf in zijn diepste wezen, zoodat het
profetisch heenwees op een groote toekomst, dan was het
wel dit woord van den twaalfjarigen .lezus. Dit woord is
in *t kort het program van Zijn leven. Zijn geheele leven in
Galilea, Samaiia, Jeruzalem, of waar wij het ook kennen,
stelt ons de vraag: ,,Weet gij niet, dat Ik zijn moet in de
dingen mijns Vaders?1\' Zelfs als Hij ten laatste op dien
heuvel buiten de poort, waar eens de knaap bij de opbre-
kende karavaan stond, aan het kruis hing, het hoofd met
bloed eu wonden bedekt, als diezelfde Maria, onder heete
tranen en in stomme smart den lijdenden Zoon schijnt te
vragen : ,,Mijn zoon, waarom hebt Gij ons dit aangedaan?"\' —
dan is het, wederom op dat groote Paaschfeest, alsof Zijn
brekend oog haar en ons beantwoordt met de wedervraag:
„Weet gij niet dat Ik zijn moet in de dingen Mijns Vaders?"
Lukas voert ons van den tempel terug naar Nazareth.
In het vreedzame dal, vanwaar men den blik kan richten
-ocr page 39-
29
op den met sneeuw bedekten Hermon, op de vlakte van
Jizreël, op den berg Gods, Karmel, op de blauwe Zee, daar
leefde Jezus als in het verborgen, onopgemerkt. Het mor-
genrood der opgaande Zon had over Juta geschenen; in
een heiligen nacht, te Bethlehem, was deze Zon in stralen-
glans opgegaan, alsof honderdduizend zonnen door den
duisteren nacht der wereld glansden; in Jeruzalem brak
hare heerlijkheid door, in de onbegrepen gestalte van het
twaalfjarig Kind. Nu ging zij in Nazareth weer onder in
de stilte der verborgenheid. Daarna straalde deze nieuwe
Zon in volle pracht en verlichtte de bewoners van den
boschrijken oever der Jordaan, het verrukkelijke meer van
Genesareth en de oude koningsstad Jeruzalem met hare
tempels. „Zij zagen Zijne heerlijkheid, de heerlijkheid van
den Eengeboren Zoon des Vaders. Het licht scheen in de
duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen.\'" Het
scheen en verlichtte die landen, totdat de Zon eindelijk op
den Goeden Vrijdag achter Golgotha bloedrood onderging.
Als de Paaschzon verrees zij echter opnieuw om de geheele
wereld te verlichten met nieuw licht. Sinds dien dag luidt
de grondtoon van elk Christenleven, ja, van de voorafgaande
en volgende wereldgeschiedenis der verloste menschheid:
„Weet gij niet, dat Ik zijn moetin de dingen Mijns Vaders?\'
-ocr page 40-
Joh. 1 : lit en vv.
Voor ons breidt zich het diepe Jordaandal uit. Wat al
herinneringen uit oude tijden omzweven dezen heiligen stroom.
Als wij zijn boschrijken oever betreden, als wij neerzien op
de snelvlietende wateren, wier fluisteren en murmelen op de
hooge, steile oeverwanden wegsterft, dan gaat er een geluid
op uit het bruisende water, als had het ons veel te vertellen.
Het spreekt ons van Israels vroegere dagen, toen het zwer-
vende volk. uit Egyj)te gekomen, voor het eerst aan den
voet dezer altijd groene boomen zijn leger opsloeg. — toen
de gelukkige zwervers, met Jozua aan het hoofd, in het
gezicht van het beloofde land. waarnaar zij zoo lang smach-
tend hadden uitgezien, voor de eerste maal aangezicht en
Het plaatje stelt «Ie Jordaan voor, ter plaatse waar, volgens «Ie over-
levering, de doo]> werd toegediend. <>p den achtergrond zijn de .steile
oeverwanden, waarvan in dit hoofdstuk gesproken wordt, zichtbaar. In
de hoofdletter zijn de heide Jordaanbloemen gestoken, waarover even-
eens gesproken wordt, de kleinste links violet, de andere, die op eene
korenhloem gelijkt, lichtblauw.
-ocr page 41-
;*i
handen bevochtigden in den stroom, die voortaan hun zou
toebehooren. Niettemin zijn de heerlijkste dagen, die over
dezen gewijden oever zijn opgegaan, die, waarvan de Evan-
gelist Johannes, hoofdstuk 1 vs. L9en verv. er vier met korte,
krachtige trekken beschrijft. Het waren adventsdagen, ge-
boortedageu der Christelijke Kerk. De eerste openbare
handeling, de eerste schrede, waarmee de goddelijke Verlosser
Zijn werk aanvaardde, hoewel door menschen omgeven toch
door slechts weinigen erkend, toen nog een eenvoudig man,
een vergeten burger van Xazareth in Galilea, had plaats
hier in deze boschrijke streek, in dit diepe dal.
Hierheen aan de Jordaan, had Johan\'nes de Dooper het
tooneel zijner werkzaamheid kortgeleden verplaatst. In de
eenzaamheid der woestijn of steppe was hij opgegroeid. Reeds
door het onderwijs zijner ouders was hij er van doordrongen,
dat hij de komst van den Messias moest voorbereiden. De
heilige liederen, die Maria, Elisabeth en zijn vader Zacharias
bij zijne wieg hadden gezongen, waren niet door den wind
weggeblazen. Hunne melodie doortrok als een liefelijk, als
een heilig bewaard geheim zijne jeugd en verlevendigde
zijne eenzaamheid met zalige verwachtingen. Menigmaal zag
hij in den geest den Messias komen en zichzelven als Hijks-
heraut Hem voorgaan. De tijd brak aan, dat hij zijn geheim
openbaren moest, ja, dat hij het aan geheel het volk openlijk
moest verkondigen. De Geest Gods gaf hem de gewisheid,
dat de lang Verwachte voor de poort stond en hij zelf als
heraut Zijne komst moest aankondigen. Toen trad hij uit de
eenzaamheid te voorschijn en predikte. De inhoud zijner
prediking, voor een iegelijk begrijpelijk, was : „De koninklijke
Redder is in aantocht. Bereidt u door bekeering en afwas-
sching uwer zonden om Hem te ontvangen.\'" In het begin
predikte hij in de woestijn zijner geboorteplaats, op het
gebergte. Later ging hij af naar de Jordaan, waar de vele
reizigers uit het gansche land elkander ontmoetten. Hij deed
geen afstand van zijn eenvoudige levenswijze. Het kemelsvel
met den lederen gordelriem bleef zijne kleeding, de meest
-ocr page 42-
32
eenvoudige kost als sprinkhanen •) en wilde honing zijn
voedsel. De rijweg van Bethabara of Bethanië moet aan de
Jordaan tegenover Jeruzalem, alzoo dicht bij Jericho, hebben
gelegen. De talrijke karavanen en wandelaars, die van her-
en derwaarts de Jordaan langs trokken, zeide hij aan, dat
de langverwachte Koning spoedig komen zoude en vermaande
hen, door schuldbelijdenis en den doop in de Jordaan, ver-
giffenis van zonden te erlangen, ten einde Hem waardiglijk
te kunnen ontvangen.
Op welken tijd nu is Johannes opgetreden ? Waarschijnlijk
in den vroegen regentijd, in November, want eerst als de
groote zomerhitte, die in Üctober den hoogsten graad be-
reikt, voorbij is, kan men in het Jordaandal weer leven.
In den zomer vluchten zelfs de Bedoeïenen der woestijn
naar de bergen en de bergbewoners van Jeruzalem en om-
streken (en met deze had Johannes te rekenen) komen
gedurende de zomerhitte nimmer zonder hooge noodzakelijk-
heid in het Jordaandal. En dit is niet alleen zoo in onze
dagen, maar Jozefus bericht ons dezelfde feiten uit den tijd
van Jezus. Bij gevolg kan Johannes niet anders dan in het
begin van den wintertijd zijn opgetreden. In dienzelfden
winter, ongeveer twee maanden na het optreden van Jo-
hannes, alzoo in het begin van Januari, kwam ook Jezus
tot hem om zich te laten doopen. Met de vier dagen dus,
door den Evangelist Johannes beschreven, zijn we in de
maand Februari gekomen.
Dat Johannes kort na Jezus is opgetreden, leert ons de
tijdsbepaling van het Nieuwe Testament. Keizer Augustus
stierf in het jaar 14 of 15 onzer tijdrekening. Jezus was
toen ongeveer 18 jaar oud, want zooals bekend is, werd
Hij 3 of 4 jaar vóór het eerste jaar van onze tijdrekening
geboren. Nu bericht Lukas (Hoofdst. III: 1) dat Johannes,
die een halfjaar ouder was dan Jezus, is opgetreden in het
*) Vergelijk Schneller »Kent trij het land?" hoofdstuk iSpijzen," en
»Land en akkerbouw."
-ocr page 43-
33
15de jaar der regeering van Tiberius, den opvolger van
Augustus. Volgens deze berekening zou Jezus 18 en 15
d. i. 33 jaar oud zijn geweest, toen de Dooper zijne bedie-
ning aanvaardde. Nu was Jezus, toen Hij gedoopt werd,
volgens Lukas III : 33, „ongeveer 30 jaar oud." Uit de ver-
gelijking met de bovengenoemde cijfers blijkt dus niet alleen,
dat het getal 30 slechts bij benadering is genoemd, maar
ook dat Jezus zeer kort na het eerste optreden van Johan-
nes is gedoopt geworden.
Bovendien spreekt Johannes de Dooper ook van de zeer
nabij zijnde komst van den Messias. Deze merkwaardige
aankondiging moet het gansche volk in geestdrift hebben
ontstoken en in groote scharen naar de Jordaan hebben
getrokken. De heraut komt immers eerst dan, als de koning
hem op den voet volgt en heeft slechts op den Machtige,
die na hem komt, te wijzen. Hiertoe was de tijd van No-
vember tot Maart geheel voldoende. Meer tijd was niet
noodig om het geheele volk tot ver in het Noorden op de
Profetische gestalte des Doopers opmerkzaam te maken.
Sedert eeuwen waren geene profeten opgestaan en de ver-
heven profetenstemmen waren verstomd in de woestijn van
het godsdienstig leven in Israël, dat was ondergegaan in
twisten over de opvolging en wetgeving. Desniettemin
smeulde de hoop en brandde het verlangen naar den Mes-
siaanschen liedder des volks.
Nu kwam de Profeet! Nu kondigde hij den sinds meer
dan duizend jaar Verwachte aan; — is het dan wonder,
dat zij in scharen aan den gewijden Jordaanoever kwamen,
om het groote nieuws te hooren? Is het wonder, dat vijf
Galileesche mannen: Andreas, Johannes, Petrus, Filippus
en Nathanael, zich deswege drie dagreizen van de plaats
hunner woning verwijderen? Het bericht, dat een nieuwe
Profeet was opgestaan, verspreidde zich met de snelheid
des winds van Dan tot Berséba. Er ontstond een machtige
volksbeweging, die spoedig haar toppunt bereikte. Toen
was de komst van Jezas noodig. En inderdaad, toen zelfs
Kknt uu IIkm?                                                                                                 3
-ocr page 44-
:ii
do hooge Raad zich tegenover den Dooper stelde, - - toen
verscheen Jezus den volgenden dag voor de eerste maal
voor liet gansche volk aan de oevers van de Jordaan.
Had Jezus no<; een jaar laten voorbijgaan want slechts
in den winter zou Johannes in het gloeiend heete dal
wederom zulke groote massa\'s kunnen verzamelen, — dan
zou de beweging, wegens het wul\'te karakter (U^ volks, een
einde hebben genomen.
Deze tijdsbepalingen: November: \'t optreden des Doopers;
Januari: de doop van Jezus: Februari: voorstelling van het
volk aan de Jordaan. komen ook geheel overeen met de
overige berichten aangaande de werkzaamheden van Jezus.
Want vanhier aan de Jordaan trok Jezus met Zijn nieuwe
jongeren in drie dagen naar Nazareth, waar Hij de uitnoo-
diging tot de bruiloft te Kana aannam. Kort daarop heelt
Hij Zijne woonplaats verplaatst van Nazareth naar Kaper-
naiim. Maar in Kapernaüm bleef Hij slechts weinige dagen,
daar het Paaschfeest — in April - naderde en op dit
feest moest Jezus voor het geheele volk, dat in do heilige
stad zou verzameld zijn, als de Messias optreden, na in
Galilea slechts korten tijd eenige voorbereidende werkzaam-
heid te helmen doen aanschouwen, ten einde een gedeelte
Zijner discipelen bijeen te brengen. Dit voorbereidend werk
geschiedde in de maand Maart, waarin het Heilige Land
getooid is met volle voorjaarspraclit, waarmee een oude
overlevering overeenstemt, die zegt, dat Jezus Zijn werk
begon in het voorjaar.
Na het laatst van Februari plaatsen wij dan ook de
vier dagen, waarvan Johannos 1: 19, 29, 35, 4-3 spreekt.
Heden nog zijn de maanden Februari en Maart juist die,
waarin de bewoner van Jeruzalem het liefst hot Jordaandal
bezoekt. Alles groeit en bloeit dan in dat wondervolle dal.
De verschijning dos Doopers baarde voortdurend grooter
opzien, \'t Was of er eono volksverhuizing plaats greep uit
Jeruzalem, Bethlehem. Hebron, uit alle dorpen van het ge-
bergte, uit den goheelen omtrek van de Jordaan.
-ocr page 45-
35
Aan de Jobdaak-oevers.
Laat ons te zamen naar den oever van den heiligen stroom
gaan. Wij hebben Jericho met zijne palmbosschen en niar-
meren paleizen reeds ter linkerzijde laten liggen. "Wij trekken
met de menigte over de twee uur gaans breede beneden-
vlakte. Deze wordt langzamerhand meer en meer woest,
hoe meer zij de Doode Zee\' nadert. Slechts de liefelijke
Jordaanbloem steekt haar hoofd uit liH dorre zand op.
Nabij de rivier gekomen gaan wij de laatste helling af en
begroeten, na de woeste plaatsen doorgetrokken te zijn,
met dubbele vreugde het prachtige, frissche, aloude woud
aan den oever. Hoe weldadig doet u hier de koelte aan in
het schaduwrijke bosch. De wandelaars genieten hier, nog
eer zij den Dooper zelven aanschouwen, van menige ver-
kwikking en lust der oogen. Een rijke afwisseling van boom-
soorten en planten is hier te zien. Tegen den donkergekleurd en
achtergrond schitteren in vuurgloed een menigte oleanders
als zoet lachende oogen in den nacht. De thans verdwenen
palmen ruischten in den tijd van Johannes, terwijl zij zich
hoog boven alle boomen verhieven, en de slanke zilverpo-
pulier drong toen even als nu tot dicht bij de rivier door,
als wilde hij luisteren naar het zacht gefluister van de
wateren van den aiouden stroom en zijne wondervolle ver-
halen.
Nu dalen wij naar den stroom zelven af! Ziet zijne snel-
vlietende wateren. Zij murmelen niet zoo kalm als de
Rijnstroom, die in zijnen loop door menige vriendelijke stad
wordt begroet, waarin menige hooggebouwde burcht zich
spiegelt. De Jordaan vloeit niet zoo rustig naar het diepe
dal en weerkaatst nergens het beeld van stad of toren.
Eenzaam, snel rept zij zich door hare bedding voort, als
wilde zij niets weten van de buitenwereld en als had zij
reeds genoeg verhevens gezien. Hoe prachtig is de rivier
omzoomd! De boomen laten hunne takken breed hangen
-ocr page 46-
36
over de golven, waardoor onder het dichte loover, tal van
warme badplaatsen ontstaan. Zoo dicht aan den oever strekt
zich hier en daar het bosch uit, dat men zou meenen, dat
de boomen uit het water waren opgewassen. In het voorjaar
schiet de zon hare stralen in duizend kleuren op de golven,
tusschen de groene omlijsting, als ware deze getooid met
een koninklijken zijden tulband, zich zelve bewust, dat geen
stroom der aarde hem in adeldom nabijkomt. Niet alleen
sluit deze groene wal de kust op vele plaatsen af, als
mocht er geen ongewijde voet zich hier zetten; aan menige
plaats verheffen zich loodrecht torenhooge, ontzaglijke
witte oeverwanden, door geen menschenvoet te beklimmen.
Slechts de arenden en de gieren hebben daar in de hoogte
hunne nesten en koesteren zich in den behaaglijken zonne-
gloed. Deze muren staan daar als ernstige wachters over
den heiligen Jordaanstroom, sommige zoo schijnbaar ge-
vaarlijk dicht aan den oever, dat men zou vreezen ieder
oogenblik het trotsche gevaarte in het golvengraf der Jordaan
te zien storten. Deze mergel wanden strekken zich op vele
plaatsen uit over groote afstanden langs den 40, 50 Meter
breeden stroom.
Tegenover die hooge oeverwanden ligt nu, volgens de
overlevering, de doopplaats aan de Jordaan, door een heerlijk
oeverbosch beschermd.
In ieder geval lag de plaats, waar Johannes doopte,
zooals de naam Bethabara of liever Bethania (d. i. aanleg-
plaats) reeds aanduidt, aan eene doorwaadbare plaats of
ondiepte. Slechts op sommige plaatsen kan een vaartuig of
een moedig zwemmer de woelige golven doorklieven om
den anderen oever te bereiken. Aan deze ondiepte kwamen
talrijke reizigers samen, waardoor de Dooper ruimschoots
gelegenheid vond zijne boodschap te verkondigen.
Aan zoodanige plaats vindt men meestal eene door de
karavanen, de paarden, muildieren en kameelen platgetreden
vlakte, die in Februari, den tijd onzer geschiedenis, met
een weelderige groene zode bedekt was. Hier hielden de
-ocr page 47-
37
reizigers uit Jeruzalem hun eerste halt; hunne lastdieren
vonden hier een goede weide. Zij waren niet gekomen om
over de ondiepte te gaan, maar om den Dooper te hooren.
Zij zochten een rustplaats in de schaduw der boomen en
wachtten. Johannes woonde waarschijnlijk in een loofhut,
midden in het bosch. Bij mijn laatste bezoek aan de Jor-
daan vond ik verscheidene Abyssinische monniken aldus
gehuisvest. Zij wonen daarin zomer en winter. In dit dal
behoeft men niet veel beschutting tegen de invloeden van
de temperatuur der lucht. Hier heerscht voortdurend eene
warme zomer. Geen ijskorst bedekt ooit dezen stroom, die
door de eeuwige sneeuw van den Hermon daarboven steeds
wordt gevoed. De monniken klaagden slechts over wilde
dieren; wilde zwijnen, luipaarden, slangen worden er genoeg
gezien. Ook Johannes zal dezen wel eens hebben ontmoet
en heeft daaruit wellicht aanleiding genomen om de Fari-
zeën met hun vroom schijnend uiterlijk, maar verborgen
venijn, te vergelijken bij adderengebroedsel. Op bepaalde
tijden, of als er veel volks was, trad de Dooper uit zijne
hut te voorschijn; allen zwegen dan en luisterden. En met
hoogen ernst in zijne stem, slechts afgebroken door het
ruischen der bladeren en der golven van de Jordaan daar
beneden, sprak hij van de nabijzijnde komst van den Messias
en vermaande tot aflegging van zonden om Hem te kunnen
ontmoeten.
Johannes was toenmaals de éénige, die erkende, dat het
koninkrijk van den Messias een geestelijk rijk zijn zoude en
dat de Messias zelf Zijn verheven doel zou te niet doen,
indien Hij, als een krijgsheld, schild, zwaard en lans zou
gebruiken, en, gelijk de koningen der aarde, Zijn troon
vestigen in stroomen bloeds, die het verdrijven der Romeinen
en Idumeërs zeker zou kosten om een nieuw Makkabeënrijk
te stichten. Al ware de ontwikkeling des Rijks voor dezen
grootsten onder de profeten Israels nog eene verborgenheid,
dit was hem toch zonneklaar, dat slechts afkeer van de
zonde en een dorsten naar gerechtigheid geschikt maakte
-ocr page 48-
38
voor de ontvangst van den Messias, gelijk hij ook in den
Messias iemand verwachtte, die geheel vrij zonde zijn van
de macht der zonde. De aankomst van een zoodanige zag
hij eiken dag aan den Jordaanoever te gemoet. Op dit
standpunt staande, verwachtte de groote man, met profeti-
sche zekerheid, de aankomst van den Messias, die de oude
profeten, een Joel en Jesaja en Elia in grootheid verre
zou overtreffen. Wie van zijne toehoorders nu de noodza-
kelijkheid van een zedelijken omkeer erkende, die kon in
nadere betrekking treden met den waardigen biechtvader.
Al was deze ook nog jong, hij kende, zooals niemand anders,
de macht der zonde en had ongetwijfeld in eigen hart een
heeten strijd gestreden. Na de belijdenis van schuld liet hij,
als in Gods plaats, de gelofte van terugkeer en strijd te«j;en
de zonde afleggen. En ten teeken der afwassching van de
onreinheid der zonde, doopte hij de boetelingen in de snel-
stroomende Jordaan, waaruit zij als tot een nieuw leven
gewijd weer te voorschijn kwamen. Dan werd de boetpre-
diker evangelist en, door den Heiligen Geest bezield, wees
hij op de aanstaande vergeving van zonden.
Ook een schare van meer innige aanhangers verzamelde
zich om zijn persoon. Mannen, voor wie de hoop op den
Heer alles en alles was, die door zijn prediking zoozeer
waren aangegrepen, dat zij hunne beroepsbezigheden lieten
varen om met Johannes op Zijne komst te wachten, sloten
zich bij hem als hunnen leeraar en meester aan. Met deze
jongeren besprak hij open en onomwonden de blijde hoop,
die in hem was. Hij sprak met hen van den toekomstigen
Koning van het hemelsch Koninkrijk. Hoe menigmaal zullen
zij aan dezen aiouden heiligen stroom hebben gebeden om
de komst des Heeren en zal hunne ziel zich hebben uitge-
strekt tot de stoutste verwachtingen, die in een menschenhart
kunnen opkomen. Zeker althans is het, dat Johannes zijne
discipelen nieuwe gebeden heeft geleerd, die zonder twijfel
van zoodanigen inhoud waren. (Lukas XI : 1).
-ocr page 49-
39
De komst van den Verwachte.
Wunwer zou de Messias komen ? Steeds gi-ooter menigte
verzamelde zich rondom Johannes; doch Hij, die verwacht
weid, kwam niet, hoezeer Johannes eiken dag Zijne komst
te genioot zag. Persoonlijk waren Johannes en Jezus niet
m<>t elkander bekend, ofschoon zij van hunne kindsheid af
in zoo nauwe betrekking tot elkander hadden gestaan.
Johannes was met Jezus bekend, maar bleef in het Zuiden
van de woestijn en had Hem tot nu toe niet aanschouwd.
(Joh. I : 33). Jezus woonde in het Noorden, to Nazareth,
en ging slechts voor korten tijd op tot de feesten te Jeru-
zalem. Op zekeren dag had Johannes wederom gesproken
over den te verwachten Koning en diens Rijk, terwijl hij
zijne oogen over de menigte liet gaan, of hij Dezen ook
onder de aangekomenen mocht zien. Maar Hij was niet
gekomen. Het volk had zich verwijderd. Alléén Johannes
was gebleven. Daar komt een Man tot hem, met het verzoek
hem te doopen. Johannes zal ook tot Dezen hebben ge-
sproken van de aanstaande! komst van den Messias en van
de noodzakelijkheid om zich te bekeeren en Zijne zonden
to belijden. Maar do Man met de reine oogen en liet open
gelaat, waarop een stille majesteit zichtbaar was zeide hem,
geen zonde te kennen, één te zijn met den Vader en ge-
komen to zijn om, gelijk reeds elk Paaschfeest en ook Jesaja
geprofeteerd had, als liet zondelooze Lam Gods de zonden
van Israël en van de gobeele wereld weg to dragen.
Met klimmende verbazing had de Dooper den vreemdeling
aangehoord. Met aanbiddende bewondering en vol eerbied
zag hij Hem aan. die zich zei ven het Lam Gods durfde
noemen. Xu heeft hij zijnen Meester gevonden. Tot nu toe
had hij zich geroepen gevoeld ieder mensch onder Israël
tot bekeering te vermanen. Voor dezen echter moest hij zelf
in het stof bukken en zichzelven een zondaar erkennen.
Under dit gevoel sprak hij de behoefte uit, door Jezus ge-
-ocr page 50-
40
doopt te worden. Maar Jezus eischte van hem, dat hij Heni
doopen zoude. Welke gedachten zullen in dat uur het hart
van den Dooper hebben vervuld! Slechts één dienst mocht
hij Jezus bewijzen, n.1. Zijne schoenrieinen te ontbinden,
alvorens Hij in het water afdaalde. Hoe gelukkig zal Jo-
hannes zich daarbij gevoeld hebben, hoewel hij wist zelfs
dit dienstbetoon onwaardig te zijn. Van dien oogenblik af
pleegde hij, als hij van Jezus sprak, met diepen eerbied er
bij te voegen: „Dien ik niet waardig ben, de riemen Zijner
schoenen te ontbinden." En toen Jezus in het water neder-
daalde, toen zag hij het teeken, waarop hij nog slechts
wachtte; want Die hem had gezonden om te doopen, Die
had tot hem gezegd: ..Degene, op wien gij den Heiligen
Geest zult zien nederdalen, Die is het!"
Gewijd tot Zijn goddelijke taak als Verlosser der wereld,
trad Jezus uit het water van de Jordaan. Voor den Dooper
zelven was dit het gewichtigste uur zijns levens. Hij had
Hem gevonden om Wien te dienen hij geboren was. De
evangelist Johannes bericht ons op zijne wijze maar weinig
van hetgeen beiden in dat uur hebben gesproken. Het lijdt
echter geen twijfel, of na den doop van Jezus zullen beiden
zich op dien dag langen tijd met elkander hebben onder-
houden. Johannes de Dooper zal zich wel hebben neergezet
naast den lang Verwachte, om het antwoord van zijnen
Grebieder te vernemen op zijne vragen aangaande het ,.Ko-
ninkrijk der Hemelen,:\' welks heraut hij zijn moest. Jezus
heeft zich toen in hun gesprek zeker voox\'gesteld als „het
Lam Grods, dat de zonden der wereld wegdraagt." Want
van toen af gebruikten de Dooper en diens leerling Johannes
deze uitdrukking zóó gaarne, en deze is bij hen zoo innig
verbonden aan den naam Jezus, dat wij dit noodzakelijk
moeten toeschrijven aan dit eerste gesprek.
Na den doop vertoefde Jezus veertig dagen lang in de
woestijn. Deze moet de woestijn van Juda of Benjamin ge-
weest zijn, die zich ten Westen van Jericho in het gebergte
uitstrekt. De traditie wijst ons op het wild romantische
-ocr page 51-
41
rotsgebergte Quarantania, Noord-Westwaarts van Jericho. *)
Gedurende dezen tijd van verzoeking stroomde nog altijd
het volk naar de Jordaan. Hun weg liep door de woestijn,
waarin Jezus zich ophield. Jezus kon gedurende Zijn veertig-
daagsch verblijf van de hooger liggende woestijn uit de
volksmenigte zien, die diep in het dal dagelijks zich tot
Johannes begaven. Daar trokken zij door de in Maart zoo
heerlijk groene Jordaanvlakte. Van de Jordaan zag Hij
slechts de donkere boschranden, waartusschen de stroom
doorliep. Daar doopte Zijn gezant Johannes en bereidde het
volk voor op Zijne komst. Jezus zal die wisselende men-
schenmassa met innerlijke beweging des gemoeds hebben
aanschouwd, die allen zich tot Hem aangetrokken gevoelden.
Johannes toch kon, nu hij Jezus persoonlijk had leeren kennen
en Hem gedoopt had, met des te meer aandrang op de
onmiddellijk aanstaande komst van den Messias-koning wij-
zen. Wel zal hij zich er spoedig over verwonderd hebben,
dat de Heer even en spoorloos was henengegaan, als Hij
gekomen was. Wel zal hij van de oeverheuvelen hebben
gestaard naar Jericho en de daarachter zich ververheffende
woestijn, maar Jezus vertoonde zich niet.
De evangelist Johannes nu, verhaalt ons hetgeen op vier
opeenvolgende dagen daar aan de Jordaan is voorgevallen.
D f. vi e ir i) a o e n.
Wij verplaatsen ons in den geest aan den Jordaanoever
op den eersten dag. Wederom was eene groote menigte uit
Jeruzalem en het gansche land toegestroomd, gelijk dit nog
heden ten dage geschiedt op elk Nebi-Musa-feest, of wan-
neer jaarlijks de Christelijke pelgrims naar de Jordaan
trekken. Onder de scharen bevinden zich heden afgevaar-
*) Vergelijk iSchneller: «Kent gij liet land?" hoofdstuk: »XaardeJor
daan en de Doode Zee; de Quarantaniaberg."
-ocr page 52-
12
dijden van den Hoogon Raad te Jeruzalem. Zij zullen
Johannes rekenschap vragen van zijne altijd meer opzien-
barende prediking en zijn doop. Reeds van verre kouden
zij bemerken, welk eene aantrekkingskracht do Dooper voor
het volk had. Hier zagen zij groote karavanen van ezelrij-
dei\'s uit Jeruzalem, daar een oud moedertje, gezeten op den
gemakkelijken zadel, ginds waren de kinderen in het ge-
zelschap, elders wederom ging een sehaar eenvoudige land-
lieden te voet. Meer benedenwaarts van het schitterend
Jeiïcho kwamen velen uit die stad, tollenaren, beambten,
soldaten, officieren. iT.uk 111:12, 15,). Allen trokken naar
de\'Jordaan, allen wilden Johannes ontmoeten en hooren.
Zij komen ter plaatse. Johannes was wellicht reeds opge-
treden en predikte. Nu kreeg hij voornaam bezoek. De af-
gevaardigden uit den Hoogen Raad naderden hem met
deftig gebaar en ondervroegen hem. Vraag op vraag leg-
gen zij Johannes voor, die kort el ijk worden beantwoord. Zij
kunnen slechts vernemen, dat hij niet is de Christus, niet
Elia, maar een prediker, die de komst van den Christus
voorbereidt. Plotseling verrast hij de ondervragers en gansch
het volk, dat in stilte toehoort, met een nieuw bericht:
„Hij hee.ft zich onder Ir bevonden, maar gij ïieit Hem niet
(jilri)iil!"
Dus heeft Johannes Hem reeds gezien! Maar wie
is het dan? Hoe groot moet Hij zijn, van wien de voor
heilig gehouden en geëerde Johannes met den grootsten
eerbied zegt, dat hij niet waardig is de riemen Zijner schoe-
nen te ontbinden! -- Xa deze aankondiging, die het volk
evenzeer als de afgevaardigden verbaasde, liet de Dooper
allen aan hun eigene gedachten over en trok zich terug in
zijne loofhut.
De menigte kon hier desgewenscht ook overnachten. In
het Jordaandal was geene bijzondere schuilplaats noodig.
Men legde zich ter ruste onder het geboomte. En die daar
des nachts, onder het goddelijk sterrenschrift bijeen waren,
bespraken het groote nieuws, terwijl van achter het boseh
het gemurmel van het stroomende water tot hen doordrong.
-ocr page 53-
43
Menige groep, om een discipel van Johannes verzameld,
zal in den stillen nacht hebben gefluisterd van den Messias,
wiens komst door de aartsvaders voorzien, door de profeten
voorspeld, door Mozes, den knecht Gods, zelfs aangekondigd
was, die nu was verschenen en door hen zou kunnen wor-
den aanschouwd. De Dooper bleef echter daarboven in zijne
hut. Hij had met zijne jongeren den avondmaaltijd gehou-
den en zich daarna teruggetrokken. En de Jordaan ruischte
steeds door en de toppen der boomen gewaagden van een
heuglijke verborgenheid, want de Koning was .gekomen en
was in dezen stroom gedoopt.
Tweede dag. Aangezien de menigte gebleven was en waar-
schijnlijk door nieuwaangekomenen was vermeerderd, trad
de Dooper weer op om te prediken. Sinds hij Jezus gedoopt
had, had zijne getuigenis ongetwijfeld een meer bepaalden
vorm aangenomen. Het liefst stelde hij Hem, die komen
zou, voor als „het Lam Gods." Terwijl hij sprak, kwamen
steeds nieuwe toehoorders uit Jericho. Van tijd tot tijd wierp
Johannes een onderzoekenden blik op de nieuwaangekomenen.
Plotseling breekt de prediker zijne rede af; hij strekt zijn
arm uit, wijst op één der naderenden en roept met diep-
bewogen stem uit: ..Ziet het Lam Gods, dat de zoiuh-n der
wereld wegdraagt
.\'" Wat hij daarmede zeggen wilde, konden
al zijne hoorders weten, want Johannes had daarvan zoo-
even reeds tot de menigte rondom hem gesproken. Een
kreet van verrassing ging op onder het volk. Aller oogen
richtten zich naar den vreemdeling, die zich rustig onder
de toehoorders plaatste, als om Johannes te nopen onge-
stoord door te spreken. En Johannes zette zijne rede voort.
Voor hem echter was het oogenblik gekomen, dat het hoogte-
punt zijns levens zou zijn, waarin hij zijne roeping volbren-
gen zou, namelijk den Bruidegom aan Zijne bruid voor te
stellen. In tegenwoordigheid van Jezus en terwijl allen naar
Johannes hoorden, maar op Jezus zagen, sprak Johannes,
als door den Hedigen Geest aangegrepen, onder het plechtig
zwijgen van het volk
over Hem. Elk woord, elk zijner be-
-ocr page 54-
44
wegingen wees op Hem alleen. Eindelijk besloot hij zijne
rede. —? als wilde hij allen tot getuige oproepen, dat hij
nu zijn hoogsten, zijn verhevensten plicht vervuld had, — met
de woorden: „Ik heb gezien en getuigd, dat Deze de Zoon
van God is!*\' (Joh. I : 34).
Derde dag. Den volgenden dag bevond Johannes zich
wederom aan de Jordaan en sprak tot het volk. bezield
door het besef, dat Hij, van wien hij getuigde, niet verre,
dat Hij in de nabijheid was, schoon niemand wist, waar Hij
woonde of Zijn verblijf hield. Onder den invloed des Hei-
ligen Geestes wees hij het volk en zich zelven op de ver-
wachting der verheven verlossing door Jezus. Het was in
den middag (Jol). I : 40). Het volk was vertrokken of maakte
zich tot vertrekken gereed. Johannes stond met twee van
zijne jongeren, Andreas en waarschijnlijk den evangelist
Johannes, aan den oever. De Dooper ziet op en aanschouwt
wederom Jezus, door het volk heengaande. Wellicht was
hij den geheelen dag, ongezien, zijn toehoorder geweest.
Jezus was onder de vertrekkenden en Johannes liet bij ver-
nieuwing de weinige woorden hooren: „Ziet het Lam Gods!"
Aanbiddend zag hij Hem na, maar durfde Hem niet volgen,
wetende dat het zijn taak was te blijven getuigen gelijk te
voren, tot hij van zijn post geroepen werd. De beide jon-
geren echter grepen moed en volgden Jezus. Jezus bemerkte,
dat Hij gevolgd werd, keerde zich om, zag hen aan en vroeg
met die vriendelijke stem, die zij nimmermeer vergeten
konden: „Wat zoekt gij?" En zij antwoordden bevende:
„Meester, waar woont Gij ?" Jezus noodigde hen vriendelijk:
„Komt en ziet!" Hij woonde, óf als gast in een nabijge-
legen huis, öf in een spelonk, óf buiten (gelijk men ook nog
heden doet) ergens in het bosch aan de Jordaan. De jon-
geren bleven den geheelen avond bij Jezus. Dit was een
feestavond voor Hem. Terwijl over Jericho en het gebergte
van Juda de zon glanzend onderging en de schaduwen van
den nacht zich over het stille Jordaandal uitbreidden, ging
voor hen het eeuwige Licht op.
-ocr page 55-
45
Zoo mogen wij in het Evangelie van Johannes den blik
slaan op deze schöone, eerst gewijde uren aan de Jordaan,
op dat eerste schijnsel der heerlijkheid van den Ééngeborene
des Vaders, waaromtrent de drie eerste evangelisten ons
niets melden. Van die eerste uren is ons niets nader bekend
dan hunne gevolgen. Nog dienzelfden avond bracht Andreas
zijnen broeder Simon Petrus, tot den gevonden Messias.
Jezus zag den discipel, met wien Hij later zooveel zou door-
leven, doordringend aan en gaf hem den nieuwen naam
Petrus d. i.: „Rots". Laat in den avond verlieten de drie jonge-
ren Jezus weder en keerden terug tot hun toenmaligen meester.
Vierde dag. Den volgenden dag is Jezus met Zijne nieuwe
vrienden op reis. Dezen hadden van Hem vernomen, dat Hij
heden naar Cxalilea zou terugkeeren. Zij verzochten en kregen
vergunning om met Hem naar de gemeenschappelijke woon-
plaats te reizen. Zij namen afscheid van Johannes den
Dooper. Deze groote man had hunne harten zoozeer inge-
nomen en zoo aan zich verbonden, als nooit iemand te voren.
Maar nu hadden zij Hem gevonden, die oneindig grooter
was dan hun voormalige meester. En zij wisten, dat zij ook
den wensch van Johannes vervulden, door hem te verlaten
en Jezus te volgen. Want daartoe was hij gekomen om van
hem af en op Jezus te wijzen. Jezus moest wassen en hij
minder worden. Zij scheidden diepbewogen en zagen Hem
vermoedelijk nimmer weder.
De zon was nauwelijks stralend opgegaan over de bergen
van Gilead, toen Jezus op een ochtend omstreeks de wis-
seling van Februari en Maart, zich met Zijne reisgenooten
op weg begaf. Onderweg zag Jezus Filippus, een medeburger
van Zijne drie medereizigers uit Bethsaïda. aan de zee van
Tiberias. Deze durfde zich niet bij Jezus te voegen. Maar
Jezus herkende in hem een der meest getrouwe leerlingen
van den Dooper. Daarom noodigde Hij hem uit, mede te
gaan naar G-alilea, waarmede Jezus den wensch zijns harten
te gemoet kwam, want onmiddellijk sloot hij zich bij zijn
nieuwen Meester aan.
-ocr page 56-
4»;
Nog wandelden zij bij liet licht der morgenzon door liet
oeverwoud van de rivier, toen Filippus op eenigen afstand
zijnen vriend Nathanael uit Kana gewaar werd. Het was
hem bekend, hoe verlangend deze oprechte man naar den
aangekondigden Verlosser uitzag. Wat zou hem er anders
toe gebracht hebben, zich drie dagreizen ver van zijne woon-
plaats te verwijderen, dan de blijde boodschap van den
nieuwen profeet Johannes? Hij had aan de voeten vanden
Dooper gezeten. Zijne oogen glinsterden van heilige blijd-
schap en hoop, toen Johannes sprak van den in aantocht
zijnden Koning en Heiland. Jezus was gekomen, door den
Dooper en het volk met gejuich begroet. Maar, hoe vreemd!
deze oplossing van het groote vraagstuk had hem in een
doolhof van twijfel gebracht. Uit Nazaretb.? Uit het naburige
dorp, slechts anderhalf uur van Kana verwijderd? En dan
een man, van wien hij, ondanks de nabuurschap nimmer
iets bijzonders had gehoord ? Neen, neen! dit kon de Koning,
de Verlosser van Israël niet zijn! Het is een algemeen
bekend verschijnsel, dat de bewoners van twee naburige
plaatsen in den regel elkander niet zeer genegen zijn. Die
op het land hebben gewoond, kunnen hiervan getuigen.
Maar de Nazareners schijnen inderdaad een ruw volk te zijn
geweest, dat zich niet beroemen kon op een goeden naam.
De trouwhartige Filippus dacht er wel niet aan, hoe onge-
loovig zijn vriend Nathanael den door den Dooper aange-
wezen Messias aanzag, toen hij in de eerste opwelling van
vreugde hem te gemoet ijlde met den uitroep: ,.Wij hebben
Hem gevonden, van wien Mozes en de profeten gesproken
hebben, Jezus, den zoon van Jozef, van Nazareth!\'" Maar
Nathanael antwoordde ontwijkend, als viel er over zulk eene
dwaasheid niet te twisten: „Kan uit Nazareth iets goeds
voortkomen?" Filippus echter liet zich niet afwijzen, maar
sprak dringend; ..Kom en zie!" en te gelijker tijd trok hij
den weerstrevenden, twijfelenden vriend mede naar Jezus.
Deze kwam met wantrouwen en hij verwachtte niet veel
goeds. Maar hoc vriendelijk was de groet, dien hij ontving!
-ocr page 57-
47
„Ziedaar,"\' aldus begroette hem Jezus, ..een Israëliet, in
welken geen bedrog is !" Vol verwondering vraagt Nathanael
in zijn beminlijken eenvoud: ..Vanwaar kent Gij mij?"
waarop Jezus niet groeten ernst sprak: „Eer u Filippusriep
daar gij onder den vijgeboom waart, zag Ik u," En nauwe-
lijks had Nathanael dit woord gehoord, of hij riep getroffen
uit: .,Rabbi! Gij zijt de Zoon Gods, Gij zijt de Koning
Israels!"
Do logica dezer gevolgtrekking schijnt eenigszins zonder-
ling. Iemand, die Nathanael onder een vijgeboom heeft zien
zitten, behoeft nog niet Gods Zoon en Israels Koning te
zijn, zou men zeggen. Maar hier moeten wij tusschen de
regels lezen om tot het rechte begrip te komen. In liet
dichte woud aan de Jordaan vindt men hier en daar een
wildot vijgeboom. Deze groeien hier, in de nabijheid van het
levenwekkend water, op buitengewoon krachtige wijze, en
hunne takken hangen zoo laag ter aarde, dat zij rondom
den stam een voor \'s menschen oog ondoordringbare tent
vormen. Reeds in Ain-Fara, niet ver van Jeruzalem, kan
men in de bedding van de beek Krith zulke vijgeboomen
zien. Nu schijnt het, dat Nathanael dienzelfden morgen
zeer vroeg was opgestaan om in het dichtste gedeelte van
het bosch zijn morgengebed te doen en daartoe eene plaats
had gezocht, die zelfs in het donkere woud nog in \'t bij-
zonder eiken blik tegenhield. Toen zag hij zulk een vijgeboom.
Daarheen begaf zich Nathanael. Onder het bladerengewelf
kon niemand hem zien; daar kon hij zijn hart, vol bangen
twijfel, in het gebed uitstorten. Hij kon niet gelooven, dat
deze de Messias was, dat uit het in zijne oogen zoo ver-
achte Nazareth de Koning van Israël, de Zoon van God
zou kunnen voortkomen. En in de eenzame, door de vijge-
bladeren en takken gevormde boschkapel bad hij tot God,
het hem te willen openbaren of de verwachting van Israels
volk vervuld was geworden in Hem, voor wien, door de
prediking des Doopers, zoovele oprechte harten waren ge-
opend.
-ocr page 58-
48
Toen was hij weder naar buiten getreden uit de schaduw
van den boom. En nauwelijks had hij dit gedaan, of zijn
vriend Filippus kwam hem te gemoet met zijn verblijdend
bericht. Op critische wijze beantwoordde hij zijn al te licht-
geloovigen vriend. Maar deze leidt hem tot Jezus, en zie:
de twijfelaar is door een woord overwonnen. Niet alleen
het aangezicht vol waardigheid en de koninklijke blik, die
tot in zijn binnenste doordringt, niet alleen Zijn woord,
waarvan hij, ondanks zijn twijfel, den onbedriegelijken
klank als in zich opnam, maai" inzonderheid dit trof hem
in dezen Man, dat Hij bekend was met de verborgenste
voorvallen zijns levens, als had Hij met het oor van den
alomtegeuwoordigen God zijn gebed gehoord en verhoord.
Was dit alles niet eene goddelijke beschikking, eene zicht-
bare verhooring van zijn gebed? Xeen, hij kon niet meer
twijfelen. Diep getroffen bracht hij den Heer zijne hulde
en legde hij eene belijdenis af, zoo stoutmoedig en verheven,
als nog niemand had uitgesproken, ja, als wij ook lang
daarna niet meer hooren in den kring der jongeren: «Gij
zijt Israels Koning! Gij zijt de Zoon Gods!"\'
Vriendelijk zag Jezus den nieuwen jonger aan. Hij wist
het, dat het de slechtste jongeren niet zijn, die eerst een
ernstigen en eerlijken strijd met den twijfel hebben te voeren.
Zijn antwoord was vol koninklijke Majesteit; het kon hem
overtuigen, hoeveel goeds uit Nazareth kon voortkomen.
„Gij gelooft," sprak Hij tot hem, „omdat Ik u gezegd
heb, dat Ik u gezien heb onder den vijgeboom, maar gij
zult grootere dingen aanschouwen!" Jezus had gedurende Zijn
veertigdaagsch verblijf in de woestijn, dagelijks in het Noord-
Westen de eerbiedwekkende bergen van Bethel aanschouwd
en daarbij zeker gedacht aan den wonderschoonen droom,
dien de aartsvader Jakob aldaar had gehad en die nu in
Hem zelven heerlijk in vervulling zou treden. Ook van het
Jordaandal uit zag men de bergen in het verschiet. Daarin
vond de Heer aanleiding om te zeggen: „Voorwaar, voor-
waar, zeg Ik u, die schoone droom van de hemelladder is
-ocr page 59-
19
voortaan geen droom meer. maar letterlijke werkelijkheid!
Want van nu af zult gij den hemel geopend zien, en de
Engelen Gods opklimmende en nederdalende op den Zoon
des menschen!\'\'
Dit was het eerste verheven woord van Jezus aan Zijne vol
eerbied toehoorende jongeren. En aldus aanvaardden deze zes
wandelaars, den blik gericht op eene toekomst vol heerlijke
verwachtingen, de gemeenschappelijke reis naar Galilea. Op
reis gevoelt men zich lichter tot elkander aangetrokken,
dan elders. Zoo waren de drie reisdagen tusschen de doop-
plaats aan do Jordaan en Galilea voor de met hunnen
nieuwen Meester wandelende jongeren, dagen van toenade-
ring, van samenleven en samengroeien. Zij beijverden zich
Hem kleine diensten te bewijzen en Hem blijken van hunne
liefde en hoogachting te geven. En hoe gelukkig maakte
dit Hem. Hun vroegere meester Johannes toch had zich
eens onwaardig verklaard de schoenriemen van Dezen te
ontbinden. Tot aan hun levenseinde zullen zij wel hebben
gedacht aan hun eerste wandeling met Jezus van de Jordaan
naar Galilea, na die vier heerlijke, onbewolkte dagen bij
Johannes den Dooper aan de oevers van de Jordaan.
Kknt <iij Hkm::
-ocr page 60-
Te Nazareth konden zij op zijn vroegst aankomen in den
namiddag van den derden dag. Jezus kwam terug na een
afwezigheid van bijna twee maanden — en hoeveel groote
dingen hadden in dien tijd plaats gehad! Hij kwam als een
andere terug, dan die Hij bij Zijn vertrek was.
Hij was gekomen aan het groote keerpunt in Zijn dertigjarig
leven. Tot nog toe was er als \'t ware een sluier over Zijn ge-
Het plaatje stelt Nazareth voor, alsmede het gebergte dat die stad
van Kano scheidt. De weg. dien Jezus van Nazareth naar Kana volgde,
die schuins over den middelsten berg loopt, is dadelijk zichtbaar.
-ocr page 61-
51
heele leven uitgespreid geweest, die voor Hemzelven nog niet
geheel was opgeheven — n.1. aangaande Zijne eenheid met
den Vader. Reeds eenmaal was die geopenbaard geworden
in den tempel te Jeruzalem in dat wonderbare woord van
den Twaalfjarige. Toen echter was het meer een heilig
voorgevoel dan de duidelijke verklaring, die Hij later zoo
rustig uitsprak in de woorden: „Die Mij ziet, heeft den
Vader gezien!" Intusschen bewijst het woord van den Knaap
reeds de richting van Zijnen geest. Toen reeds zocht Hij
naar de oplossing van het grodte raadsel Zijns levens en
getuigde daarvan in Zijn passend antwoord. Hoe dikwijls
zal in de volgende achttien jaren datzelfde gevoel, maar
krachtiger, meer hemelsch, meer overweldigend en heilig,
de ziel van den Jongeling, van den Man hebben vervuld,
alvorens Hij tot het heldere inzicht was gekomen! Nu moest
de stem van buiten beantwoorden aan het fluisteren binnen
in Hem, dat Hem reeds langen tijd had verzekerd, dat Hij
de Eengeborene Gods was. Wat zal de inhoud van Zijn
gebed zijn geweest, waarmede Hij in het water der Jordaan
afdaalde? Uit het antwoord kunnen wij dat verstaan. Moet
niet de vraag geweest zijn: „Ben Ik het werkelijk? Ben Ik
Uw Zoon? Vader, o zeg het Mij, dan weet Ik, dat Ik het
ben!" Toen was de laatste openbaring Hem ten deel ge-
vallen: het antwoord Zijns hemelschen Vaders op de vraag
des Zoons: „Gij zijt Mijn geliefde Zoon, in Wien Ik al Mijn
welbehagen heb." Dit antwoord maakte dat uur tot het be-
slissend tijdstip in het leven van Jezus. Zulk een overwel-
digende, heilige gewisheid stemt onwederstaanbaar tot stilte
en eenzaamheid. Jezus trok zich dan ook in de woestijn
terug en bleef aldaar veertig dagen. Door dit antwoord had
de Vader Hem ook doen gevoelen, dat Hij van eeuwigheid
in des Vaders schoot had gerust. Nu wist Hij wie Hij was,
nu kon Hij ook daarvan aan de wereld getuigenis geven.
Dit Goddelijk antwoord op Zijne vraag drukte tevens het
Goddelijk zegel op Zijn besluit, om door de kracht Zijner
Goddelijke heiligheid het menschdoni te verlossen van zonde
-ocr page 62-
52
en ellende. Zoo had Hij dan in den doop Zijne wijding ont-
vangen voor Zijn heerlijk ambt en toen Hij daarna terug-
keerde naar Nazareth, deed Hij dat om Zijne woonplaats
vaarwel te zeggen. Hij kon niet meer, gelijk de andere
mensehen, gebonden zijn aan huis en huisgezin. Van nu aan
behoorde Hij aan het geheele volk en reeds de beide vol-
gende jaren zouden het bewijs leveren dat Hij niet alléén
aan dit volk, maar aan geheel het menschdom toebehoorde.
Toen Jezus des namiddags van den derden reisdag te
Nazareth aankwam, vond Hij Avaarschijnlijk Zijne moeder
niet te huis. Zij was reeds vertrokken naar eene bruiloft te
Kana. Jezus en Zijne jongeren, pas aangekomen, werden
ook nog genoodigd. De reizigers, hoewel vermoeid van de
reis, namen de uitnoodiging aan. Niemand kon de jongeren
toen nog beschouwen als de discipelen van later; zij waren
de gasten van Jezus. Nog dienzelfden dag gingen zij naar
het op anderhalf uur afstand gelegen Kana. Een der jon-
geren, Nathanael, woonde hier. Zij wandelden over de heu-
velen, Noord-Oostelijk van Nazareth. Vervolgens gingen de
zes mannen langs de helling van den bergrug afwaarts naar
het groote, schoone dal, het tegenwoordige Wadi-Tur\'an,
waarin Kana, het tegenwoordige Kerf Kanna ligt. Het was
voorjaar, want het Paaschfeest was op handen (Joh. II: 13).
Het gezelschap kwam in het liefelijk dorpje aan. Uit de
schoorsteenen stegen talrijke kleine rookwolkjes op, ten tee-
ken dat overal het avondmaal werd toebereid.
Eenige minuten, voor zij het dorp binnentraden kwamen
zij aan de bron, waaruit nog heden de bewoners van Kana
hun water putten. Op elk uur van den dag vindt men hier
groepen van vrouwen, die water halen. Deze komen veelal
in lange rijen uit het dorp met den gebruikelijken zwarten,
aarden
waterkruik op het hoofd. Uit deze kruiken werden
de gewone watervatenr die in de huizen stonden, gevuld,
hebbende in den regel een inhoud van twee of drie maten
of ongeveer 80 Liter.
Jezus en Zijne jongeren kwamen juist bijtijds om aan het
-ocr page 63-
53
hoofdfeest deel te nemen, dat eerst des avonds gevierd werd.
De bruiloft te Kana heb ik reeds vroeger getracht aan-
schouwelijk voor te stellen. \') De verandering van het water
dat zich in de zes watervaten bevond, (Joh. II : (ij ongeveer
500 Liter, in wijn — een kostelijk bruiloftsgeschenk voor
de nieuwe huishouding — wekte de hoogste verbazing onder
de bruiloftsgasten. Aan zulk eene koninklijke hulp bij den
kleinen huiselijken nood had Maria in de verste verte niet
gedacht. Tot nu toe had niemand iets vermoed van de
wondermacht. die de 30-jarige Gast bezat. Een ieder had
Hem gehouden voor den bouwmeester uit Nazareth, den
zoon van Maria. Xiemand van Zijn vroegere bekenden kon
vermoeden, welke beslissende ure Hij intusschen had door-
leet\'d. Maar op niemand maakte het wonder meer indruk
dan op Zijne vijf nieuwe vrienden. Beneden aan de Jordaan
hadden zij, 4 dagen geleden, Jezus voor het eerst gezien,
toen de Dooper op Hem wijzende uitgeroepen had: ,.Zie!
het Lam Gods!" Xu hadden zij drie dagen met Hem ge-
wandeld. Wel „brandde het hart in hen," toen Hij met hen
sprak. Maar eerst hier schitterde voor de eerste maal iets
van de verborgen majesteit van Hem, van wien hun vroe-
gere meester Johannes vol eerbied zeide, dat hij niet waardig
was Zijne schoenen Hem na te dragen. En deze handeling,
zoo eenvoudig volbracht in den kring der bruiloftsgasten,
bevestigde voorgoed het onwankelbaar geloof in hun nieuwen
Meester, met wien zij voortaan verbonden bleven tot Zijnen
dood op Golgotha, tot hun eigen levenseinde of martelaars-
dood om zijnentwil, ja tot in alle eeuwigheid. Dit was voor
de vijf begeleiders van Jezus de beteekenis van het wonder
te Kana. Daarom voegt de Evangelist deze woorden toe
aan het verhaal: „Dit teeken heeft Jezus te Kana in Gafilea
gedaan en heeft Zijne heerlijkheid geopenbaard en Zijne dis-
rimpelen geloofden in Hem."
\') Zie: vKent gij liet land?" hoofdstuk «Bruiloften."
-ocr page 64-
inneringen, als ware het een terugkaatsing van de eeuwige
Zon, die eens dit liefelijk strand verlichtte, van dien toe-
komstigen Bewoner dezer streek, die getuigen kon: „Ik ben
het licht der wereld!"
Die eerste, gelukkige, nog rustige tijd van het optreden van
Jezus toch, brengt ons aan dezen gezegenden, vriendelijken
Het plaatje stelt voor het meer Genesareth met het tegenwoordige
Tiberias.
Men ziet hier Zuid-< )ostwaarts naai Dekapolis. (10 steden). De bloe-
men zijn weril doode maankop.
-ocr page 65-
55
oever. Hoe schoon buigen zich de kleine groene dalvlakten,b.v.
die van Gennesar, doorsneden met zilveren beekjes, naar het
meer heen! Hoe schoon liggen daar aan den oever de steden
met hunne heldere huizen, die uit den blauwen vloed schijnen
op te rijzen, Kapernaüm, Bethsaïda, Magdala, Tiberias,
Tarichea! Hoe schoon spiegelen zich langs het strand de
bosschen van bloeiende oleanders in het blauwe water. Het
gebergte omgeeft beschermend de woonplaats onzes Heeren,
als geboeid door den verrukkelijken aanblik. En boven alles
uitstekende staat daar de hoofdman der bergen, wiens
sneeuwwitte kruin, de gloeiende zon een nog schooner glans
verleent: de trotsche Hermon, ondanks zijne duizenden jaren
nog recht oprijzende en verheven, — vaderlijk nederziende
op het blauwoogige kind van het dal, dat hij dagelijks door
zijnen zoon, den Jordaanstroom, voorziet van het kostelijkste
water, ontspringende uit verborgen rotsholen. De heilige
Jordaan zelve, verli«st zich bijna in den blauwen vloed,
waarover het scheepje van Jezus zoo dikwijls in vroolijke
vaart heengleed. Gelukkig scheepje! Gij hebt den kostbaar-
sten last gedragen, zooals de grootste zeekasteelen der
majestueuze wereldzeeën te geener tijd gedragen hebben, —
den Heiland der wereld! En wie zijn voet op den oever zetf
gevoelt inwendig iets als een plechtig gebed en hoort een
inwendige stem, zooals Mozes eenmaal in de woestijn van
het Zuiden vernam, sprekende: „Ontdoe u van uwe schoen-
zolen, want de plaats waarop gij staat is heilig land!"
Want langs dezelfde paden heeft eenmaal de Zoon Gods
en der menschen zich bewogen met Zijne twaalf discipelen
en dikwijls met eene groote schare, die de woorden des
levens uit Zijn mond wilden hooren. Geen enkele streek
uit het Heilige Land, is door den Heiland door langdurige
werkzaamheid zoozeer geheiligd, als juist de Noordelijke
oever van dit meer, met zijne steden Kapernaüm, Bethsaïda,
Chorazin. In Jeruzalem en andere plaatsen, was Hij slechts
een doortrekkende gast. Maar hier was Hij te huis. Hier
kende Hij eiken berg, eiken boom, elk huis. Hier is bijna
-ocr page 66-
56
alles geschied wat Mattheüs en Markus in de hoofdstukken,
resp. tot en met XVIII en IX, ons verhalen.
De Evangelist Johannes verhaalt in het eerste hoofdstuk,
de eerste ontmoeting en verdere kennismaking van Jezus
en Zijne jongeren in het diepe Jordaandal. Deze voor hem
onvergetelijke eerste dagen van eene in eeuwigheid niet meer
stervende liefde, heeft hij geplaatst aan het hoofd van zijn
Evangelie. Ons Evangelie verhaalt ons evenzoo van belang-
rijke, ook om hunne gevolgen gewichtige dagen aan liet
meer Genesareth. Het verhaalt ons, dat Jezus verscheidene
weken na die gebeurtenissen aan de Jordaan, zijne vier
eerste jongeren voortdurend bij zich hield, waarvan er drie
ook later in den kring der discipelen het bijzonder ver-
trouwen van Jezus bleven genieten.
Dat waren gelukkige dagen, die eerste dagen aan het meer
Genesareth. Het was lente in de natuur, lente ook in de
loopbaan van Jezus. Ook de schilderingen der Evangeliën
uit deze dagen bezitten eene eigenaardige bekoorlijkheid
gelijk aan die van den frisschen dauw onder de stralen dei-
opgaande zon. Het zijn de eerste schreden des Heilands tot
bereiking van het groote doel. Nog werpt het kruis van
Golgotha geen schaduw op Zijnen weg. Langzamerhand
zien wij, hoe Hij den kring uitbreidt. Toenmaals was die
streek niet zoo stil als tegenwoordig, een talrijke, levendige,
beweeglijke bevolking woonde aan den oever; de omliggende
steden bloeiden en honderden vaartuigen voeren over het
blauwe meer.
Hier had Jezus, toen Hij Nazareth verlaten had, Zijne
woonplaats gevestigd. Met Zijne moeder en Zijne broeders
was Hij vertrokken naar het meer Genesareth (Joh. II: 12).
Ongeveer 28 jaar had de familie te Nazareth gewoond, waar
ook bloedverwanten van Maria woonden, Jozef was er
vreemd gekomen. Het gezin had aldaar geen erfrecht en
het viel dus niet moeielijk do stad te verlaten en zich elders
te vestigen. De zusters van Jezus, die vermoedelijk gehuwd
waren, bleven achter. Om den kring van hoorders zoo
-ocr page 67-
57
groot mogelijk te maken, verwisselde Jezus het in de bergen
als verscholen Nazareth met Kapernaüm, welke stad voor
de Joden de hoofdstad van Galilea was. Niet alleen dat ge-
heel Galilea hier samenstroomde, maar ook konden de woor-
den van Jezus hier als op het hoofdstation van den hau-
delsweg tusschen de zeehaven van Akko en Damaskus vele
doortrekkenden bereiken. Hieruit laat zich ook verklaren,
dat zoo dikwijls vele duizenden zich rondom den Heer ver-
zamelden, hetgeen in Nazareth niet licht zou hebben plaats
gevonden. Het huisgezin van Jezus had te Kapernaüm een
eigen huis betrokken, voor welks onderhoud de broeders
van Jezus moesten zorgen door hunnen arbeid. Intusschen
was Jezus slechts nu en clan bij hen, meer als gast dan als
huisgenoot.
Met welke innige belangstelling en zaligheid zal Maria
in die dagen de toenemende werkzaamheid van haren Zoon
hebben gade geslagen! Eerst nu traden de verwachtingen
in vervulling, die hare ziel vervuld hadden van die onver-
getelijke ure al\' toen zij, nu 30 jaren geleden, als maagd,
den Engel vol onderwerping antwoordde: „Zie, de dienst-
maagd des Heeren! Mij geschiede gelijk gij zegt." Toen
had de Engel haar geantwoord: „Hij zal Koning zijn, en
Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn." Dit woord had de
maagd met heerlijke verwachtingen vervuld. Nu — zij was
reeds bijna 50 jaar oud — waren de verwachtingen van dien
tijd, van dien zaligen nacht te Bethlehem, met nieuwe kracht
ontwaakt. Hier aan het meer Genesareth, zag zij haren Zoon
dagelijks omwandelen, omringd door honderden, ja duizenden,
en sprekende over Zijn Koninkrijk, — dat haar door den
Engel was aangekondigd, — met aangrijpende kracht, in
ongehoorde taal. Eerzucht mengde zich in hare moederlijke
teederheid en liefde, als zij, de „dienstmaagd des Heeren,"
zich onder de menigte bevond, naar haren Zoon luisterde
en elk woord van Zijne lippen begeerig opving. Hoe geluk-
kig was zij, dat zij naar het uitwendige nu en dan voor
Hem zorgen kon. Hij was van de Jordaan teruggekeerd
-ocr page 68-
58
anders dan Hij er was heengegaan. In Xazareth was Hij
de vriendelijke huisgenoot; thans behoorde Hij aan het ge-
heele volk. Van nu aan kwam Hij dikwijls in langen tijd
niet in haar huis. Toch mocht zij Hem nog menigmaal dienen
met moederlijke liefde. Eens zelfs, toen Hij na een vermoeien-
den tocht met Zijne jongeren naar Oostersche wijze in de
open lucht wilde eten, verzamelde zich eene schare rondom
hen. En toen de moeder met hare zonen beproefde de
menigte te verwijderen, sprak Jezus deze wondersehoone
woorden: „Zie, Mijne moeder en Mijne broeders! Die den
wil van God doet, is Mijne moeder, Mijne zuster en Mijn
broeder!1\' Ook Maria was nu discipelin en moest als zoodanig
leeren de aardsche banden meer en meer in geestelijke ban-
den te zien overgaan. Wanneer echter volgens Lukas VIII : 2,
later ook vrouwen den Heer hebben gevolgd (drie worden
met name genoemd) om het reisgezelschap met hare diensten
en uit hare goederen bij te staan, is de moeder van Jezus
daarbij niet uitdrukkelijk genoemd, omdat van zelf sprak,
dat zij was medegegaan. Ook de laatste groote reis naar
Jeruzalem maakte zij mede, want zij stond onder het kruis
op Golgotha.
Jongeren in den engeren zin van het woord, die Hem
voortdurend vergezelden, had Jezus in dien eersten tijd nog
niet. Hij begaf zich alleen naar de Synagoge en sprak tot
het volk. In de Synagoge werd niet alleen des Zaterdags
maar ook des Maandags en des Donderdags onderwezen.
Elke van die gelegenheden greep Jezus aan om zich aan
het volk te openbaren. Op de andere dagen onderhield Hij
zich mét kleinere of grootere groepen op de straten. Zijne
prediking was vastgeknoopt aan die van den Dooper. Kon
deze evenwel slechts zeggen: „Het Koninkrijk is nabij ge-
komen", Jezus verraste het volk met de blijde boodschap:
„Het Koninkrijk is gekomen!" De indrukwekkende, rustige,
meer dan profetische zekerheid, waarmede Hij deze woorden
uitsprak, bracht de toehoorders in verbazing. AVel is waar
zeide Hij, dat het Koninkrijk nog slechts een mosterdzaadje
-ocr page 69-
59
was, dat aan de aarde was toevertrouwd; maar gelijk de
aan het meer groeiende mosterdplanten uit cén korrel er
honderdduizenden voortbrengen, zoo zou ook het rijk, dat
met Hem kwam, zich tot honderdduizenden uitbreiden.
Wat deden intusschen de vijf jongeren, die Hem voor eenige
weken hadden leeren kennen en daarna met Hem waren
gereisd naar Galilea? Zij behoorden zeker tot de aandach-
tigste aan Hem het innigst verknochte hoorders. Zij zullen wel
geen enkele samenkomst in de Synagoge, waar Hij sprak,
hebben verzuimd. Zij zullen Hem des avonds in Zijne woning
zijn gevolgd, of hebben Hem in hunne woning genoodigd,
alwaar zich dan een kring van leergierige mannen en
vrouwen met hen rondom Jezus verzamelde. Sinds die dagen
aan de Jordaan en vooral sinds dien avond te Kana wisten
zij, dat Hij de sedert eeuwen verwachte Koning en Messias
was. Maar zij hadden nog geen aanleiding om het zoo in-
grijpend besluit te nemen, huisgezin en beroep te verlaten.
Daarom wijdden zij nog een groot deel van hun tijd aan
hun werk. Zij behoorden, althans vier hunner, tot eene wei-
gestelde visschersfamilie in Bethsaïda; zij bezaten voor het
minst twee eigen vaartuigen, die volgens de Evangelische
verhalen, ook voor een grooter gezelschap ruimte aanboden.
Jezus overal te volgen, daaraan dachten zij tot nog toe,
zeker niet. Zij konden niet denken dat Hij later bijna voort-
durend zou rondwandelen, waarbij Hij dikwijls niets zou
hebben om het hoofd op neer te leggen. In den eersten
tijd schijnt Zijne werkzaamheid zich te hebben beperkt tot
de weinige steden aan den Noordelijken oever van het meer:
Kapernaüm, Bethsaïda, Chorazin. Maar al volgden deze
toekomstige discipelen Hem niet op al Zijne schreden, zij
werden tot Hem aangetrokken met onwederstaanbare kracht.
Als zij des avonds hunne netten uitwierpen, als zij ze des
ochtends ophaalden, als zij op het blauwe meer ronddreven,
altijd waren hunne gedachten bij Hem, die in hunne harten
de zaligste verwachtingen had gewekt, die het hart van een
vromen, geloovigen Israëliet konden vervullen. En hoe meer
-ocr page 70-
60
zij Hem hoorden en spraken, des te inniger werd hunne
betrekking tot Hem. Hoe zal Johannes Hem hebben aange-
hangen, die later door zoo innige vriendschap met Hem
verbonden was, dat Hij de leerling heet „dien Jezus liefhad.\'1
Het stond zeker wel bij hen reeds vast, dat als Jezus een
beroep zou doen op hen of op het volk om Zijn Koninkrijk
te helpen oprichten, zij Hem volgen zouden, waarheen Hij
wilde. Maar op zulk eene oproeping moesten zij wachten.
De oproeping kwam, en wel op één der eerste Aprildagen;
want kort daarna ging Jezus op naar Jeruzalem om het
Paaschfeest te vieren.
De beide scheepjes der jongeren lagen op dien ochtend
geankerd aan den oever, bemand met de visschers en hunne
helpers. Daar kwam Jezus aan het meer, gevolgd door een
schare, komende van Kapernaüm. De synagoge kon de
menigte Zijner toehoorders niet meer bevatten. Ook was
deze niet eiken dag geopend en zoo moest Jezus dus in de
open lucht tot het volk spreken. Zij begaven zich naar den
oever, maar ook daar kon Hij niet spreken, omdat het volk
zoo op hem aandrong, dat Hij spoedig vlak aan den water-
kant stond, waarom Hij naar een betere standplaats uitzag.
De beide schepen Zijner welbekende vrienden vallen Hem
in het oog. Ook deze vrienden zullen, toen zij den Heer
met de schare zagen aankomen, wel naderbij zijn gekomen
om te luisteren naar Zijne woorden. Jezus had heden groote
dingen met hen voor. Hij groette slechts Petrus, ging in
het schip van dezen en verzocht hem een weinig van het
land af te varen. Petrus voldeed hieraan, en nederzittende
sprak Jezus tot de scharen uit het schip. Het is jammer,
zouden wij zeggen, dat ons van den inhoud dezer prediking
evenmin als van zoovele andere, iets bekend is. Gedurende
de prediking zat Petrus aan de voeten van Jezus, dien hij
vol vereering bleef aanzien. Toen de rede geëindigd was,
had op Jezus1 bevel de bekende wonderdadige vischvangst
plaats. (Lukas V : 4—7).
Deze gebeurtenis, als een daad voor hem persoonlijk ver-
-ocr page 71-
61
richt, maakte op Petrus een diepen indruk en bereidde hem
geheel voor op de aanstaande gewichtige beslissing. Jezus
zal voorzeker gedurende de vischvangst aan den oever
hebben gestaan. Xa de gelukkige vangst kwam op een wenk
van Petrus ook het andere schip nabij om bij het inzamelen
der visschen behulpzaam te zijn. Toen beide schepen ge-
vuld waren, voer het tweede een weinig ter zijde. Maar
Petrus sprong na volbrachten arbeid op den oever en viel
in de grootste bewondering, ja in aanbidding voor Jezus op
de knieën. Jezus zag hem aan met Zijn koninklijken blik
en kondigde den voor Hem knielenden jonger nog grootere
dingen aan: Hij zoude hem en zijne broeders uitzenden op
de groote wereldzee. Daar zouden zij de netten van het
hemelrijk uitwerpen en als visschers voor God, de kostbaarste
vangst van geredde menschenzielen bijeenbrengen. Toen
richtte Jezus, — als een Rijksbevel voor Zijn koninkrijk —
deze gewichtige uitnoodiging tot het broederpaar, waardoor
de richting van hun leven bepaald werd: ...Volg Mij!" En
zij, onder den indruk van wat zij doorleefd hadden, be-
dachten zich geen oogenblik, verlieten onmiddellijk hunne
netten en gingen met Jezus naar Kapernaüm.
Het tweede schip, waarop Zebedeüs met zijne beide zonen
Jakobus en Johannes en de helpers zich bevonden, was op
eeiiigen afstand van den oever gebleven. De opvarenden
hadden volop werk om de visschen te bergen en de netten
in orde te brengen. Ook zij waren zeer verbaasd over het
zooeven gebeurde wonder als bewijs der nabijheid Gods.
Jezus kwam met Zijne beide eerste jongeren langs het
strand naar hun schip. Vol eerbied zullen zij zich hebben
opgericht, toen Jezus naderde. Jezus echter bleef staan en
riep ook hen om Hem te volgen. En zij lieten hun vader
Zobedeüs met de daglooners in het schip en volgden Hem.
Nu namen de twee belangrijke leer- en zwerfjaren der
apostelen een aanvang. Zoolang zij nog in Kapernaüm waren,
zullen zij des nachts en op feestgetijden wel in den kring
der hunnen hebben vertoefd. Hun geboortestad Bethsaïda
-ocr page 72-
62
lag\' slechts een half uur van Kapernaüm af. Mogelijk ook
was de vrouw van Petrus naar hare moeder in Kapernaüm
gekomen. Ook Jezus zal aldaar wel bij de Zijnen hebben
gewoond, hoewel Hij nog slechts als gast in hunne woning
verkeerde. Van nu af was Hij meestal reizende. Zijne woon-
plaats was daar, waar verloren zondaars in Israël te vin-
den waren.
Reeds den volgenden sabbat ging Hij met Zijne nieuwe
discipelen naar de synagoge. Het was de rustdag van het
volk. Een ieder begaf zich dan naar het meer. De visschers
hadden hunne booten vastgelegd. De netten waren sinds
Vrijdag uitgespannen aan den oever. Voor de karavansera\'s
lagen de kameelen, ezels en paarden, die, evenals de men-
schen hun rustdag hadden. De bewoners van Kapernaüm
gingen jin den vroegen ochtend in feestgewaad naar den
oever van het meer en verzamelden zich onder palmboomen.
De ochtend was onuitsprekelijk schoon, als gewoonlijk in
April. Geen zeil was te zien op de blauwe vlakte, geen
hand strekte zich uit naar den arbeid. Alles sprak van rust
en sabbatsvreugde.
Op de vermoedelijke puinhoopen van Kapernaüm, tegen-
woordig genaamd Teil Hum, staan nog heden ten dage,
weinige minuten van den oever verwijderd de overblijfselen
van een schoon, uit witten kalksteen opgetrokken monumentaal
gebouw. Basementen en kapiteelen van kolommen, met
prachtig beeldhouwwerk, liggen in grooten getale op deze
puinhoopen verspreid en zeer zeker zullen nog grootere kunst-
schatten in den grond te vinden zijn. Hier stond, zoonls
men niet zonder grond vermoedt, vóór 1900 jaar de syna-
goge van Kapernaüm (Lukas VII : 5), waarin Jezus zoo
menigmaal sprak. Indien deze steenen spreken konden, wat
zouden zij ons niet kunnen vertellen van die lang vervlogen
dagen, waarvan onze Evangeliën verhalen.
Xaar deze plaats richtten de lieden uit Kapernaüm van
het meer en uit de huizen, op het bepaalde uur hunne
schreden. De synagoge was in den laatsten tijd steeds
-ocr page 73-
63
overvol. Men was gewoon op zulke dagen, den nieuwen,
overal groot opzien verwekkenden Leeraar, te gaan hooren.
En inderdaad, daar zat Jezus weer, omringd door Zijne
jongeren. Nu stond Hij op en begaf zich naar de spreek-
plaats. Hij las een tekst uit het Oude Testament, gaf het
boek terug en begon te spreken. Het volk luisterde in
ademlooze stilte. Steeds overweldigender werd de indruk,
al krachtiger sjn-ak Zijne prediking tot hunne harten. On-
dan ks hare eenvoudigheid en duidelijkheid waren Zijne
gedachten z<»\'> diep. Zijne woorden zoo aangrijpend, dat
niemand zich aan hun werking kon onttrekken. Als Hij
geëindigd had. waren allen aangegrepen, medegesleept, ja,
ontzet door de kracht Zijner prediking. (Markus 1: 26 enz.)
Een nieuw geval deed de algemeene geestdrift nog ver-
meerderen. Plotseling klonk de stem van een man met een
onreinen geest door de menigte: „Ik ken U, Jezus van
Nazareth! Gij zijt de Heilige Gods!" Daarop geschiedde even
onverwacht een teeken, waardoor de indruk van Zijne groot-
heid nog meer klom. Jezus, op Zijne plaats blijvende, beval
den onreinen geest den man te verlaten. Nog éénmaal
openbaarde de booze geest zijne werking en eenige minuten
later stond de man. straks nog zoo wild, rustig te midden
der anderen en gaf zijn helder oog en zijne rustige houding
aan allen te aanschouwen, dat hij van zijne vreeselijke krank-
heid was genezen. Dit alles geschiedde bij een ademlooze
stilte onder de verzamelde menigte. En daar dit het eerste
wonder was, dat Jezus, volgens Markus en Lukas, voor het
verzamelde volk te Kapernaüm deed, is het zeer begrijpelijk
dat het volk zich zoozeer verbaasde. (Mark. I:\'27.)
Iets dergelijks hadden zij nog nooit gezien. Met diep
ontzag zagen zij tot den Man op, voor wien zij bijna vrees-
achtig zouden kunnen zijn. indien Hij niet door Zijne aan-
grijpende woorden aller harten onwederstaanbaar tot zich
had getrokken, die slechts één woord behoefde te spreken
om zelfs duivelen tot gehoorzaamheid te dwingen.
Toen de scharen naar hunne woningen terugkeerden, ging
-ocr page 74-
64
ook Jezus met hen door de straten van Kapernaiïm. Met
Zijn jongeren bracht Hij een bezoek bij de schoonmoeder
van Petrus, die aan de koorts\' lijdende te bed lag. Jezus
nam haar bij de hand en richtte haar op en op datzelfde
oogenblik verliet haar de koorts. Xieuwe kracht stroomde
haar door de aderen en zij haastte zich den zoo weikomen
gasten de diensten van een gastvrij huis te bewijzen.
Deze gebeurtenis ging ongetwijfeld van mond tot mond
door de gansche stad. Deze dag was voorzeker een van de
veelbewogen dagen in het leven des Heeren. Do gebeurte-
nissen, die daarop plaats hadden, brachten het volk in de
grootste opgewondenheid. Het kwam den onervarenen, wat
de jongeren en de eerste aanhangers van Jezus waren, voor,
alsof alles zich als van zelf zou ontwikkelen en Jezus zeer
gemakkelijk het lang verwachte koninkrijk van David weer
zou oprichten.
Aan den avond van den Sabbat zal Jezus zich wel we-
derom in het huis Zijner eigene familie hebben bevonden.
Het huis werd door het volk als belegerd. Heden toch was
niemand aan den arbeid en daarom kon een ieder zich ge-
heel bezig houden met de wonderdadige dingen, die geschied
waren. De geheele stad was daarmede vervuld. De zieken
hadden van de beide genezingen aan het meer en in het huis
gehoord en allen wilden nu ook genezon worden door hunnen
merkwaardigen, nieuwen medeburger, die kort geleden uit
Nazareth herwaarts was gekomen. Maar op den Sabbat
durfde men de kranken niet naar Jezus dragen, omdat
men zich te zeer gebonden gevoelde door de letterlijke op-
vatting der Joodsche wetten. Zij konden nauwelijks wachten
tot de zon was ondergegaan en de Sabbat voorbij was. En
toen de schaduwen van den nacht zich, te half zeven ure,
over het meer Genesareth begonnen te verspreiden en het
donker werd op de bergen, toen werden uit de straten van
Kapernaihn alle zieken tot Hem gebracht. Markus zegt (1: 33)
dat de geheele stad bijeenverzameld was omtrent de deur.
Een groote menigte bevond zich aldus in den stikdonkeren
-ocr page 75-
(■>:>
nacht der nieuwe maan (\'de schemering duurt nauwelijks
1 4 uur) voor het huis van Jezus, allen vol verwachting.
Gedeeltelijk was dit eene hulde, gedeeltelijk eene roerende,
sprakelooze bede. Alle zieken en ellendigen toch, die wach-
tende waren totdat de zegenende handen hen zouden aan-
raken, spraken eene taal, die diep in het hart van Jezus
drong. — De Heiland treedt naar buiten. Hij plaatst zich te
midden der door geheel Kapernaüm omringde kranken en staat
vol medelijden beurtelings bij elk hunner stil. Het moet een
aangrijpend tooneel zijn geweest te zien, hoe honderden
menschen de barmhartige behandeling van den Heiland aan-
zagen. Lukas zegt (IV : 40): „Hij legde een iegelijk van hen
de handen op en genas hen" en Mattheüs voegt er bij als
om den indruk weer te geven, die dat uur op alle aanwe-
zigen maakte (Vlli: 17): „Opdat vervuld zou worden, wat
gesproken was door Jesaja, den profeet: „Hij heeft onze
krankheid op zich genomen en onze ziekten gedragen."
Hoe zal er gejuicht zijn in dien nacht in de huizen langs
het liefelijke meer! Buiten was het nacht, maar in de harten
was het licht geworden. De altaarlampen brandden in de
huizen en de harten waren brandende van dankbaarheid.
Hoevele tranen had Jezus heden gedroogd. Die voor een
uur nog krank waren, zaten nu als herstelden gelukkig in
den kring der hunnen. Eu moest niet hetgeen heden door-
leefd was de harten vervullen met de blijde hoop, dat op
dezen Sabbat de eeuwige Sabbat zou aanvangen? AVas dit
niet het aanbreken van de gouden eeuw, waarvan de pro-
feten, b. v. Jesaja (XXV : 8) spreken: „De Heer zal de tranen
van alle aangezichten afwisschen!"
Maar, waar was Jezus gebleven? Hij had zich in huis
teruggetrokken en zal zich wel spoedig hebben ter ruste
begeven. Zou ook Hij, eer Hij insliep, niet met vreugde
hebben gedacht aan allen, die Hij heden van hun lijden had
verlost? AVij kunnen daaraan niet twijfelen. En als het waar
is, dat het zaliger is te geven dan te ontvangen, dan weten
wij ook, welk hart op dien Sabbat in Kapernaüm het ge-
kf.nt ou Beu ?                                                                                     O
-ocr page 76-
66
lukkigst was, wie op dien avond met de zaligste gewaar-
wording insliep.
Maar niet lang genoot Hij van de rust en den slaap.
„Voor het aanbreken van den dag" (Markus 1:35) stond
Hij op en ging naar buiten. Het was nog duister, de gelieele
stad lag nog in slaap gedompeld. Geheel alleen ging Hij
naar buiten de stad en beklom een der heuvelen aan de
Noordzijde. Een koele ochtendwind blies uit het Westen over
de bergen en het meer. De sterren begonnen te verbleeken.
Boven de oostelijke bergen begon het te dagen, eerst mat-
geel, daarna meer en meer purper. Maar Jezus stond op den
donkeren bazaltheuvel of zat op een rots. Wel aanschouwde
Hij de natuur, waarin Zijn blik dieper doordrong, dan het
den aardschen mensch vergund is. Zijn oog reikte ver over
de bergen, het dal en het meer. Hij zag op tot Zijnen He-
melschen Vader, wiens heerlijkheid Hij verlaten had, om op
de aarde het werk der verlossing te volbrengen voor een
verloren menschdom. Hier, zittende op de door Hem ge-
schapen aarde, „de voetbank Zijner voeten," onderhield de
Zoon zich met den Vader.
Hij verbleef aldaar, totdat de dag was aangebroken. Het
was een van die stille uren, waarin Hij hemellucht ademde
en kracht putte uit de diepte der Godheid, om die later te
kunnen doen uitstroomen in de arme, in zonde verloren
wereld, in welker stiklucht Hij zich dagelijks bewoog.
Inmiddels was de stad ontwaakt. De eerste gedachten
betroffen Jezus en hetgeen Hij gisteren binnen hare muren
verricht had. De bewoners waren daarmede nog te zeer
vervuld, om als gewoonlijk hun dagwerk ter hand te nemen.
Zij spoedden zich naar Zijne woning om Hem hun morgen-
groet en hunne hulde te brengen. Maar zij vonden Hem
daar niet. Toen gingen zij naar Zijne jongeren, die Hem de
laatste dagen vergezeld hadden en zochten met hen. Petrus
en Andreas woonden niet meer in Bethsaïda, maar hier in
deze stad (Markus 1 : 29j. Petrus schijnt gevoeld te hebben,
waar men zoeken moest. Hij kwam met vele anderen op
-ocr page 77-
i;7
dun heuvel, waarop Jezus zich bevond. Verheugd riep hij
den Heer toe: „Allen zoeken U!" (Mark. I : 87). De groote
beweging en geestdrift der menigte maakten indruk op hem.
Maar Jezus ging niet naar de stad terug. Tot verbazing van
Petrus, gaf Hij dezen en den anderen jongeren Zijn voor-
nemen te kennen, om van hier te vertrekken, zeggende
(Mark. 1:38, 39;: „Laat ons in de bijliggende vlekken gaan,
opdat Ik ook daar predike, want daartoe ben Ik uitgegaan."
En het volk in Kapernaüm wachtte Hem te vergeefs.
En Jezus aanvaardde in den frisschen morgen Zijn eersten
tocht door Galilea.
-ocr page 78-
DE VLSCHVAXGST.
Het Evangelie van Lukas bevat in het Vde hoofdstuk
vs. 1—11 . een gedeelte van het in ons vorig hoofdstuk
behandelde namelijk de wonderdadige vischvangst.
De Galileesche Zee is nog heden ten dage ongemeen
vischrijk. De visschen zijn van dezelfde soort als die in den
Xijl worden gevangen: harders, wentelaars, brasems, bar-
beelen, enz. Met het water van de Jordaan, dat in het meer
vloeit, zwemmen er vele af naar Judea tot bij Jericho. Maar
menig vischje moet het betreuren, dat het het blauwe meer
van Genesareth nieuwsgierig verliet om verder te trekken.
Nauwelijks toch wordt het door de steeds woester wordende
Jordaan in de Doode Zee gevoerd of het is gedaan met
den lustigen zwemmer.
Visschersboot van Bethsaïda en Kapernaüni. Het gezii\'ht op de berden
is genomen van Kapernaüni uit naar het Westen ziende, van .Ie (.laats.
waar de gebeurtenissen in dit en het vorige hoofdstuk beschreven»
plaats vonden.
-ocr page 79-
<><)
Na eenig gespartel drijft hij spoedig, even als millioenen
andere voor hem, dood op de oppervlakte der Doode Zee.
Bij zoo\'n grooten rijkdom aan visch is het duidelijk, dat
ook heden nog in gansch Tiberias visch de voornaamste
toespijs is bij het dagelijksch brood. Hij, die daar geweest is,
zal zich herinneren, dat bij het middagmaal in het gastvrije
klooster der Franciskaner monniken, steeds een schotel ge-
braden visch prijkte: en dat de goede pater Lukas nooit
naliet er op te wijzen, dat deze zelfde vischsoort werd ge-
geten door de heilige Apostelen, ja, door den Heer Jezus
zelven, gedurende Zijn verblijf aan het meer Genesareth.
Alle toehoorders der bergrede hadden deze goedkoope spijs
dagelijks op hunne tafel en zelfs de armste huisvader kon
daarmede zijn hongerige kinderen genoegzaam voeden.
Daarom dan ook knoopte Jezus naar Zijne gewoonte aan
deze dagelijksche ervaring der huisvaders, die Hem omring-
den, deze Zijne woorden vast: „Wie onder u, als zijn zoon
hem een visch vraagt, zal hem een slang geven?" en wees
hen daarbij op den hemelschen Vader. Ook bij de spijziging
der vijf duizend was visch de eenige toespijs.
Ofscho\'on Jezus wist, dat Petrus den gansenen nacht niets
gevangen had, zeide Hij toch tot hem : „Steek af naar de
diepte en werp uwe netten uit om te vangen." Op het meer
Genesareth worden alleen des nachts de netten uitgeworpen,
omdat men des daags zelden iets vangt *). Gedurende mijn
laatste bezoek in Tiberias in 1889 heb ik mij opzettelijk
veel met visschers onderhouden om een blik te slaan in het
werk der hedendaagsche visscherij. Ik vroeg hun, of zij ook
niet des daags de netten uitwierpen. Zij lachten mij uit en
verklaarden, dat dit alleen door een zeer dommen visscher
zou worden gedaan. Daarop wijst ook het antwoord van
Petrus, als hij zegt: „Meester, wij hebben den ganschen
nacht — dat wil zeggen: gedurende den eigenlijken visch-
*) Zie: »Kent gij het land?" hoofdstuk: »Een Zondag aan het meer
Genesareth."
-ocr page 80-
70
tijd — „gearbeid en niet gevangen;" en nu zou ik tegen
alle visscherswijsheid in op den helderen dag uitgaan? rDoch
op Uw woord zal ik het net uitwerpen.*\'
Waarin bestond dan nu het wonderbare dezer vischvangst?
Niet daarin, dat Petrus eene menigte visschen, grooter dan
ooit te voren, in eenen trek ophaalde; een zoodanig geval
komt nog heden voor. Gelijk bij andere gelegenheden, •)
bestond ook uu het wonder hierin, dat iets wat wel eens
meer geschiedde, in dit bepaalde geval plaats vond, onver-
wachts en op het woord des Heeren. Dit wordt ons duidelijk
uit de mededeelingen der hedendaagsche visschers aan dat-
zelfde meer.
De beste tijd voor de vischvangst is de winter en het
voorjaar tot Paschen (van dezen tijd spreekt ook ons Evan-
gelie). In dezen tijd is de rijkdom aan visch dikwijls zoo
buitengewoon groot, dat men het moet hebben gezien, om
niet de berichten voor overdreven te houden. Natuurlijk is
dit niet overal op het meer alzoo; de visschen aldaar zijn
namelijk doortrekkende. Ook trekken zij niet eenzaam door
de blauwe wateren; zij zijn zeer gesteld op gezellig samen-
zijn. En hoe ontzettend groot zijn de scholen, die hier ge-
meenschappelijk doortrekken! Nauw aaneengesloten zwemt
het groote leger door het meer Genesareth en niemand weet
waardoor hun reisroute wordt aangegeven.
Vele reizigers hebben opgemerkt, dat de visch in het
Noorden van het meer zeer overvloedig is, in het Zuiden
echter weinig voorkomt. Van tijd tot tijd echter heeft het
Zuidelijk Tiberias denzelfden rijkdom als de Noordelijke kust..
Bij Tabira, vermoedelijk het vroegere Bethsaïda, vindt men
tegenwoordig niet, zoo als de oude naam (vischscholen) zou
doen denken, grooten vischvoorraad. De opbrengst bestaat
hier in éénen winter volgens de visschers, uit nauwelijks
600 centenraas, terwijl bij El fülije circa 3000 centenaars
*) »Kent gij het land?\'\' b. v. de hoofdstukken: »De profeet Elia 0]>
zijne tochten" en «Goede Vrijdag.\'\'
-ocr page 81-
71
worden gevangen. De grootte der opbrengst hangt er dus
van af, of de visschen op hunne tochten in grooten getale
en voortdurend een bepaalde plaats bezoeken. Intusschen is
hiermede niet gezegd, dat bijna alle visschen zich aan deze
scholen aansluiten. Een bijzonder goede vangst kan men
slechts doen, wanneer zulk een doortrekkende optocht in
de nabijheid der netten komt.
Het is zeer merkwaardig, de aankomst van zulk een leger
van het strand af te zien. De visch had, tijdens mijn be-
zoek in Tiberias, de richting, bij uitzondering overdag, naar
Tiberias en Magdala genomen. Het was visch aan visch van
boven tot beneden. Met honderdduizenden kwamen ze aan-
zwemmen. Tot aan het zand van den oever zag men meer
visch dan water. Het leger naderde, vast aaneengesloten.
Allen waren levendig en vroolijk, alsof zij in grenzenlooze
vreugde het feest der leute vierden. Zij vermoedden niet,
welke moordplannen de .,heeren der Schepping" aan den
oever tegen hen uitbroedden. Alle visschers maakten zich
op en grepen naar hunne wapenen, de groote netten.
Zelfs de kinderen waren naar den oever gesneld. Met de
handen, in aarden potten, in hunne als schorten opgeslagen
hemdjes, vingen zij juichend van de opeengedrongen visch,
zooveel zij wilden. Hoe ijveriger deze jacht gehouden werd,
hoe meer het zwemmende volkje het ongastvrije strand
vaarwel zeide. Langzaam, dicht aaneengeschaard, trokken zij
wederom het meer in. Als wij nu vernemen van zulke on-
gehoorde hoeveelheden visch, dan verwondert het ons niet
langer, dat Petrus zooveel visch ving, dat hij in éénen trek
twee schepen kon vullen, die elk een dozijn menschen kon-
den bevatten. Het wonderbare lag hierin, dat de rijke vangst
plaats greep op ongewonen tijd en op het bevel des Heeren.
Ook het net moet wel zeer groot zijn geweest om den
inhoud van twee schepen te bevatten. Aangezien dit mij
meermalen had bezig gehouden, nam ik ook de netten der
visschers aldaar in oogenschouw. Ik zag vele netten uitge-
spannen, die op zijn minst zoo groot waren als dat van Petrus
-ocr page 82-
72
moet geweest zijn. Er zijn twee soorten van netten. De eene
soort, de meest gebruikelijke, kan ongeveer zes centenaars
visch bevatten. Het „groote net," Idde genaamd, is echter
veel grooter; het heeft eene uitgestrektheid van 100tot200
manslengten (kdtve). De visscher, met wien ik op het meer
Genesareth voer, verhaalde mij van een geval, dat ik met
het oog op ons Evangelie zeer merkwaardig vond. Hij had
kort te voren met zijne ma.kkers een bijzonder gelukkige
vangst gehad. Zij hadden het groote net, de Idde, uitge-
worpen. Toen zij den buit wilden bergen, konden zij nauwe-
lijks het net ophalen. Ook konden zij niet alles in een schip
storten, hoewel het op de tochten twaalf man medenam. Zij
moesten een tweede schip van gelijke grootte halen dat.
evenals het eerste, een volle lading kreeg. De netten waren
op verschillende plaatsen door den zwaren last gescheurd.
Zij verkochten 90 centenaars van dien éénen trek. De ver-
haler wist niet, dat zijn verhaal een merkwaardig licht
wierp op de geschiedenis van de vischvangst van Petrus.
De wonderbare gebeurtenis had voor Petrus en zijn broeder
Andreas een geheel bijzondere, persoonlijke beteekenis. De
richting van zijn levensweg was er door aangewezen. Van
nu aan volgden zij dezen Koninklijken Heer en bleven Hem
getrouw tot aan hun graf, dat eens in verre gewesten voor
hen zou worden gedolven.
Veel had de Heer Zijnen jongeren met deze vischvangst
te zeggen. Nu riep Hij hen op om Hem te volgen; later
zond Hij hen uit op eene zee, waarop millioenen, onbekend
met den goeden weg, met den grooten stroom werden mede-
gesleept, en die zij morsten vangen in het net van het Hemel-
rijk. Beteekenisvol was de vischvangst voor Petrus, want
hij moest vrouw, beroeji en huis verlaten. Veelbelovend:
want hoe heerlijk moest het zijn, zulk een Heer te volgen.
Veelbelovend, omdat deze vischvangst eene profetie was
van dien veel heerlijker arbeid, dien Jezus Zijnen jongeren
zou opdragen, op de woelige zee der volkeren.
-ocr page 83-
73
Onrijpe volgelingen.
Lukas IX vs. 57—<i-J.
Xog zijn wij in de lente van Jezus\' eerste werkzaamheid.
Volgens Mattheüs (VILT: 18) vallen de gebeurtenissen, die
in dit hoofdstuk zullen worden behandeld, voor onmiddellijk
na die, welke wij besproken hebben in ons voorlaatste hoofd-
stuk : „De lente aan het meer Genesareth" en aldus weinige
dagen slechts na de oproeping der eerste vier jongeren,
misschien zelfs onmiddellijk na dien gedenkwaardigen Sabbat,
waarop .Jezus in Kapernaiim zoo vele kranken genezen had.
Des ochtends hadden de zoekende jongeren Hem gevonden,
biddende op eenen heuvel achter Kapernaiim en had Hij
hun Zijn voornemen te kennen gegeven, dat Hij nu naar
de omliggende vlekken gaan wilde om ook daar te prediken.
Toen Hij met Zijne jongeren naar het meer afdaalde, schaar-
den-allen, die Hem in de vroegte gezocht hadden, zich om
Hem heen. De Heer kon op dezen tocht, waarop Hij rustig
wilde prediken, eene zoo opzienbarende menigte niet in Zijn
gevolg hebben. Daarom beval Hij Zijnen vier jongeren een
der schepen los te maken en naar de andere zijde over te
varen. Heden was er meer leven en beweging aan het meer
dan op den voorgaanden Sabbat. De visschers waren aan
hunne ochtendbezigheden. Het deed de verzamelde bewoners
van Kapernaiim leed, dat de Heer hunne stad ging verlaten.
Velen hunner waren gaarne voor altijd in de omgeving van
een zoo merkwaardigen Meester gebleven. Sinds eenige dagen
zagen zij vier van hunne landslieden Jezus steeds begeleiden.
Waar men Jezus zag, zag men de vier welbekende visschers
in Zijn gezelschap. AVas het dus niet begrijpelijk, dat na
de indrukmakende gebeurtenissen van den vorigen dag,
menigeen zich afvroeg: wilt ook gij u niet bij Hem aan-
sluiten, als Hij u dezelfde trouwe vriendschap waardig keurt\'?
En ook Jezus zal wel een onderzoekenden blik hebben ge-
slagen op dezulken, die met bijzondere belangstelling zich
-ocr page 84-
74
om Hem verdrongen. Hij had de twaalven nog niet uitver-
koren en de acht ontbrekende jongeren moest Hij toch
zoeken uit den grooten kring.
Ons Evangelie maakt melding van drie voorvallen, waar-
schijnlijk uit vele andere gekozen, om ons dit duidelijk te
maken en tevens om ons de gronden te doen kennen,
waarom bij zoo menigeen de geestdrift niet leidde tot het
gewenschte gevolg.
1) Terwijl Jezus zich gereed maakte om met het schip
af te varen, trad een jong Schriftgeleerde naar voren.
Hij verlangde Jez\'us te vergezellen, evenals die andere
vier. De tijd dwingt tot spoed. Reeds beweegt zich het schip.
Hij wilde heden reeds medegaan, treedt voor Jezus en zegt
op blijden toon: „Meester! ik zal U volgen, waar Gij ook
heengaat!" Maar de Heer zag te diep in zijn binnenste,
om, zooals do Schriftgeleerde wel gedacht had, hem zonder
meer, vriendelijk aan te nemen. Veelmeer vond Jezus het
noodig, hem vooraf de bezwaren en ontberingen te doen
kennen, die zulk een besluit medebracht, om niet hem later
Zijn banier te zien verlaten en zich uit den kring Zijner
discipelen verwijderen.
Terwijl Jezus met Zijne jongeren de oevers van het meer
Genesareth omwandelde, had Hij ruimschoots gelegenheid
het doen en laten der dierenwereld waar te nemen. Zijne
gelijkenissen getuigen daarvan. Een der wilde dieren, die
men daar ontmoet, is de jakhals, een roodharige vos, die
den mensch geen kwaad doet. Met dezen vergelijkt de
Heer Herodes. iLuk. XIII : 32.) Xog heden ten dage treft
men hem aan, en hoewel hij een zwervend rooversleven
leidt, heeft hij toch eene woning, een rotskloof, waarheen
hij na zijn omzwervingen steeds terugkeert, om ongestoord
en behagelijk rust te nemen.
Het luchtruim klievende, spoedde zich ook des avonds
allerlei gevogelte naar zijn nesten. De ontzaglijke rotswanden
boden huisvesting aan een ontelbaar leger wilde duiven
en andere vogels, waarom men het dal dat de „koninklijke
-ocr page 85-
70
hoveling" later doortrok, den naam gaf van Wadi Ham&m,
d. i. duivendal.
Dit huiswaarts keeren nu van al die vogels, naar hunne
eigen warme nesten, zag Jezus eiken avond, als Hij zich
aan het meer bevond. Hij echter trok het land door zonder
vaste woning, nu eens overnachtende in de open lucht, dan
weer om nachtverblijf vragende aan menschen en niet altijd
werd Hij vriendelijk opgenomen. (Luk. IX : 52—53.) Die
Hem wilden volgen moesten op zulke ervaringen voorbe-
reid zijn.
Jezus voorzag, dat de geestdrift van den jeugdigen Schrift-
geleerde tegen zoodanige ontberingen niet bestand zou
zijn. Daarom antwoordde Hij hem: ..De vossen hebben holen
en de vogelen des hemels hebben nesten; maar de Zoon
des menschen heeft niets, waarop Hij het hoofd kan neder-
leggen." Wij weten niet of dit veelbeteekenende woord, de
licht verkoelende geestdrift van den jongen man voor altijd
heeft gedoofd. Zeer zeker heeft het hem tot zelfonderzoek
gebracht en hem een blik gegeven in den ernst der diepste
levensvraag. En als hij later zich toch voor den Heer ver-
klaarde, dan had zijn besluit er des te meer zedelijke
waarde om.
2) Een ander stond in de nabijheid, die waarschijnlijk
eveneens de gedachte in zijn hart had om Jezus te volgen,
welke hij echter niet uitsprak. Deze gedachte kennende,
kwam Jezus hem onverwachts te gemoet met het bevel:
.,Volg mij!" Maar hij had bezwaren. „Heer, antwoordde
hij, sta mij toe, dat ik heenga en eerst mijn vader begrave."
Maar Jezus zeide tot Hem: „Laat de dooden hunne dooden
begraven! maar gij, ga heen en verkondig het Koninkrijk
Gods!"
Zonder nadere toelichting is dit korte, gebiedende antwoord
niet te begrijpen. Ook den man zelf zal het veel te denken
hebben gegeven. Vooreerst moeten wij aannemen, dat de
vader van den jongeling nog niet gestorven was. De warmte,
die daar heerscht, maakt het noodzakelijk de dooden een
-ocr page 86-
76
halven dag na hun afsterven reeds te begraven. En dit
eischte zooveel voorbereiding, dat het onaannemelijk is. dat
de jongeling, wiens vader clan des nachts gestorven moest
zijn, zich in den vroegen ochtend onder de schare zou
hebben bevonden.
Geheel anders is de zaak, als de vader nog leefde. De
algemeene geestdrift voor Jezus heeft ook dezen zoon aan-
gegrepen en wel meer dan anderen. Reeds dikwijls had hij
naar Jezus geluisterd en al volgde hij Jezus niet overal,
toch was hij reeds een discipel van den grooten Meester.
(Matth. VIII : 21.) En zoo oprecht en volkomen was zijn
hart geopend voor Jezus, dat de Heer hem reeds bekwaam
achtte, om als bode des Heeren de blijde boodschap van
het Hemelrijk te verkondigen. Dit wist Jezus en daarom
wilde Hij hem, den discipel, tot Apostel roepen. Het voor-
uitzicht der ontbering had dezen man niet afgeschrikt, ge-
lijk den Schriftgeleerde: hij had echter een in zijn oogen
gegrond bezwaar. Hij was van gevoelen, dat kinderplicht
hem vooralsnog moest terughouden. Zekerlijk niet jegens
een reeds gestorven vader, wiens teraardebestelling binnen
een paar uren had moeten plaats hebben en dus geen be-
letsel kon zijn, om nog dienzelfden dag heen te gaan, om
het Godsrijk te verkondigen. Het bevel „volg Mij!\'" kon
alzoo niet beteekenen zich verder niet te bekommeren om
het lijk des vaders, maar het had opliet oog eene scheiding
gedurende het leven: hij moest den ouden vader verlaten
en zich van stonde aan wijden aan de verkondiging van
het Godsrijk aan welks Heer hij reeds geloofde als den
Messias.
De bede van den jongeling had dus deze beteekenis:
gaarrie zou ik U volgen; maar ik heb een ouden vader,
dien ik tot zijnen dood moet verzorgen. Laat mij bij hem
blijven, totdat hij sterft, opdat ik als een goed zoon hem
kan begraven.
Bij het antwoord van Jezus moeten wij ons herinneren,
dat Jezus den man goed kende. Mattheüs noemt hem uit-
-ocr page 87-
77
drukkelijk een discipel. Maar ook den vader moet Jezus hebben
gekend. Dit sjjreekt duidelijk uit zijn antwoord; anders had
Hij niet het treurige oordeel, dat deze geestelijk dood was,
over hem uitgesproken. Slechts door deze persoonlijke be-
kendheid te onderstellen kunnen wij het antwoord van Jezus
recht verstaan. Ware de discipel niet een der weinigen ge-
weest, die den beslissenden stap inwendig reeds gedaan
hadden, zoodat hij nu alleen nog-slechts door een plicht
van piëteit werd teruggehouden, dan zou de Heer hem ze-
kerlijk niet tot het hoogste ambt hebben geroepen, maar
hem evenzeer hebben afgewezen, als dien eersten, die zich
vrijwillig had aangeboden. Hij wilde aldus den discipel
eigenlijk dit zeggen: „Vriend! sinds Mijne komst scheidt
zich de wereld in twee rijken, het Rijk des levens en het
Rijk des doods. Het eerste is alleen bij Mij te vinden, tot
het andere behooren allen (ook uw vader), die Mijn woord
vernomen, maar het niet geloofd hebben, hetzij dan dat zij
reeds gestorven zijn, of dat zij zooals uw vader nog onder
de levenden zich bevinden. Gij echter, gij hebt in Mij ge-
loofd, gij behoort tot het Rijk des levens. Verlaat de dooden
in Kapernaiim en volg dan den Vorst des levens, die u
heeft uitverkoren tot de hoogste roeping: een heraut te
zijn van het Godsrijk! Bekommer u niet om de begrafenis
van uwen vader. Er zijn in Kapernaüm, helaas! nog geeste-
lijk dooden genoeg om elkander te begraven.
Dit ongeveer was de zin van Jezus\' woord. Zijn opdracht
eischte spoed. De Heer zou nog slechts twee jaren op aarde
zijn. Die vader kon nog langer dan twee jaren leven. Indien
de zoon dan zoo lang zou hebben gewacht, ware hij er
nimmer toe gekomen Jezus te volgen. Het getal der gees-
telijk levenden was gering, dat der geestelijk dooden groot.
En juist daarom had de Heer dezen discipel noodig.
De dienst des hemelschen Vaders, die dooden ten leven
riep, stond hooger dan de plicht om een vader, die licha-
melijk en geestelijk dood was, te begraven. Ware de jonge-
ling niet door Jezus geroepen, dan zou hij zijn plicht jegens
-ocr page 88-
78
zijn vader tot diens dood hebben volbracht. Nu echter gold
het woord: -AVie vader of moeder liefheeft boven Mij, is
Mijns niet waardig!" *)
Of deze tweede jongeling in den kring der twaalven werd
opgenomen, wordt niet gezegd. Wel is het waarschijnlijk,
dat hem, die innerlijk reeds zoo ver gevorderd was, door
.Jezus1 antwoord ook zijn bezwaar was ontnomen en hij in
Jezus\' gevolg trad en van nu af bij zijne prediking op eigen
ervaring kon wijzen in het nemen van eene beslissing, zoo
onontbeerlijk voor de volgelingen des Heeren.
*) Het antwoord, dat de Heer gat\' aan den derden jongeling, die lieni
volgen wilde, is behandeld in Kent gij liet land?\' hoofdstuk »Land-
en akkerbouw-"
-ocr page 89-
De zon blonk als goud. Een heerlijke lentedag, zooals
die slechts opgaat over liet meer Genesareth, was voor dé
wereld aangelicht, toen Jezus in April van het eerste jaar
van Zijn openbaar optreden zich opmaakte om op te gaan
naar Jeruzalem.
Sinds duizenden jaren was de advent in het heelal voor-
gevoeld geworden. Een engel der hope trok door de wereld
en liet de verwachting van een toekomstigen Verlosser
Het plaatje stelt den tempel van Jeruzalem voor ten tijde van Chris-
tus naar eene meer architectonisch schoone en betere voorstelling dan
op het plaatje aan het hoofd der Inleiding. Op den achtergrond ziet
men de bergen van Bethlehem langs het Kidrondal.
-ocr page 90-
80
nimmer geheel verloren gaan op de aarde. Socrates en Plato
zagen uit naar de ^volbrachte gerechtigheid,"\' die ons de
waarheid zou brengen; de legenden der volkeren spraken
van den nog niet aangebroken gouden tijd.
Deze verwachtingen hadden nimmer opgehouden; integen-
deel zij openbaarden zich al krachtiger.
In Israël was natuurlijk die hoop het levendigst. De
profeten stemden in steeds voller wordende aceoorden den
psalm des verlangens aan. Met klimmende geestdrift hadden
zij heengewezen naar de Zon, die in het Oosten zou opgaan,
totdat voor drie eeuwen de heilige profetie bij Maleaehi
zich oploste in deze woorden: „En snellijk zal tot Zijnen
tempel komen die Heere, dien gijlieden zoekt. Ziet, Hij
komt, zegt de Heer der heirscharen!" (Mal. III : 1.)
Heden was die dag aangebroken. De Heere ..kwam tot
Zijnen tempel."\' Ongeveer drie maanden geleden had Hij
bij den doop in de Jordaan Zijn ambt aanvaard. Ongeveer
ééne maand geleden, was Hij door Johannes den Dooper
aan het volk voorgesteld.
Daarna was Hij naar Galiléa gegaan. Aldaar bleef Hij
gedurende de wonderschoone maand Maart en liet Hij voor
de achtste maal Zijn Goddelijke stem hooren aan de oevers
van het meer Genesareth. Het volk stroomde in grooten
getale tot Hem. Reeds aan de Jordaan sloten vijl jonge
manuen als leerlingen zich bij Hem aan. Vier van dezen
riep Hij tot Zijne vaste volgelingen. Ook anderen wilden
Hem begeleiden. Wie had toenmaals er aan kunnen denken
dat deze Leeraar, die door den alom vereerden Dooper
zoo eerbiedig als Koning begroet werd, eenmaal een smade-
lijken dood zou sterven?
Maar Jezus was voorzichtig. Xiet alle gloeiende geestdrift
nam Hij aan als echt goud. Slechts van het bekende viertal
hebben wij de zekerheid, dat het toen reeds voorgoed als
Zijne volgelingen werd aangenomen. Het begeleidde Hem
ook naar Jeruzalem. Hunne namen waren Petrus, Andreas,
Jakobus en Johannes. De keuze der latere jongeren en de
-ocr page 91-
81
bepalingen van hun aantal op twaalf, geschiedde eerst in
het volgende jaar. Mattheüs b. v. was toen nog niet ge-
roepen. En nu juist Mattheüs de oorspronkelijke bron is
voor de drie eerste, elkander zoo gelijkende Evangeliën,
wordt hieruit genoegzaam verklaard, waarom de drie eerste
Evangeliën van de eerste helft der openbare werkzaamheid
des Heeren bijna geen melding maken. Mattheüs toch werd
eerst geroepen, toen Jezus ongeveer een jaar later naar
G&lilea terugkeerde: derhalve had hij de gebeurtenissen in
Judea niet mede beleefd. Daarom moeten wij den Evangelist
Johannes dank weten, dat hij (Joh. I : 44 tot V : 54) deze
leemte heeft aangevuld en ons de gewichtige, tien maanden
lange werkzaamheid van Jezus te Jeruzalem en in Judea
heeft medegedeeld, van welk tijdsverloop ons anders niets
bekend zou zijn.
Dit is daarom te meer van belang, omdat wij uit de
drie eerste Evangeliën, in het geheel niet kunnen begrijpen
hoe Jezus ten slotte weenend tot de stad Jeruzalem kon
zeggen: „Hoe menigmaal heb Ik uwe kindereu willen
bijeenvergadereu," indien Hij, gelijk uit deze schriften schijnt
te blijken, slechts ééns, en wel op den goeden Vrijdag, te
Jeruzalem gekomen ware. Johannes geeft de verklaring
volkomen duidelijk. Hij bericht ons, dat .Jezus niet alleen
bijna het geheele eerste jaar in Judea was, maar ook dat
Hij in het tweede jaar van Galilea uit nog viermaal naar
Jeruzalem trok om hare kinderen bijeen te verzamelen.
Het Paaschfeest was aanstaande. Wederom maakte zich
het volk op om evenals elk jaar sinds vele eeuwen uit
steden en dorpen op te gaan naar Jeruzalem. Ook Jezus
maakte zich met hen op en trok over de bergen van het
Heilige Land naar Jeruzalem. Op Zijn levensweg stond een
onzichtbare wegwijzer, die immer en altijd ..heenwees naar
Jeruzalem." Juist op dit tijdstip was het noodig er heen te
gaan. Messias beteekent Koning, waarom ook Nathanaël
Jezus begroet als Israels Koning. Nu kon de Koning Zijnen
troon nergens anders innemen dan in de Koningsstad Jeru-
Kknt gij Hem?                                                                                                 O
-ocr page 92-
82
zalum. Wel had Johannes de Dooper Hem aan de Jordaan
reeds aan het volk voorgesteld. Wel had Hij reeds aan het
meer van Genezareth eene werkzaamheid ontvouwd, die
alles overtrof, wat de Dooper van Hem had aangekondigd.
Maar de Messias, de Koning, do nationale Held, die Israël
zou verlossen, kon niet in de woestijn aan de Jordaan, niet
in een landstad van den tweeden rang optreden: Hij kon
dit alleen doen in de hoofdstad en wel op den tijd, dat het
meeste volk uit alle oorden des lands aldaar verzameld was.
Eerst dan zou Zijn optreden zijn, wat het wezen moest:
des Konings proclamatie voor alle volken. Zulk een tijdpunt
was hot aanstaande Paaschfeest. Het volk dat uit alle streken
van Palestina samenkwam, had er geen voorgevoel van,
welke eene verrassing hun op dit feest wachtte, de ver-
vulling namelijk van dat verlangen, waarvan hunne vaderen
hadden gezongen, waarvan reeds in de grijze oudheid de
man Gods, Mozes, had geprofeteerd.
Toch waren zij niet onvoorbereid. Sinds een halfjaar had
Johannes de Dooper zijn overweldigende stem laten hooren
en de onmiddellijk aanstaande komst des Heeren aan-
gekondigd. Hij had Jezus niet aan eenige uitverkorenen
aangewezen, maar zooveel mogelijk aan allen. Zelfs had hij
getuigenis gegeven, dat het eigenlijke doel van zijn ambt
was, Jezus te openbaren aan hot gansche volk (Joh. I : 31).
Wie dus was aangegrepen door de prediking van Johannes,
wie het wist dat hij Jezus had aangewezen als den lang
verwachte, wie er getuige van geweest was, welke wonder-
bare werkzaamheid Hij reeds aan het meer had ten toon
gespreid, die moest bij het naderen van het grootste Israe-
lietische feest in gespannen verwachting de dingen, die
komen zouden, te gemoet zien.
Aldus was de toestand, toen Jezus in de laatste dagen
voor Paschen, zich op weg begaf. Hij had Zijne nieuwe
woonplaats, Kapernaüm, waar Hij eerst voor weinige weken
gehuisvest was, verlaten. Hij had afscheid genomen van Zijne
familie. Huisgenoot, zooals Hij gedurende de laatste 30 jaren
-ocr page 93-
83
was geweest, zou Hij nimmer weer worden. Voor de jongeren
moeten het heerlijke dagen geweest zijn, toen zij met Jezus
voor liet eerst over de eerwaardige bergen van het Oude
Verbond naar Jeruzalem trokken, terwijl de klokkentonen
van het Nieuwe Verbond reeds Weerklonken in hun hart.
Hun weg ging door het Jordaandal, waar het in April nog
niet te heet was, of wel trokken zij door Samaria over het
gebergte. Er wordt gezegd, dat de Joden, om het gehate
Samaria te mijden, bijna altijd door het Jordaandal van
Galilea naar Jeruzalem trokken. Maar ook langs dezen weg
moest men door een uitgestrekt gebied gaan, dat <>f heidensch
óf Saniai\'itaansch was. Ook getuigt Jozefus, dat geheele
feestkaravanen uit Galilea. omstreeks Paschen hun weg
namen midden door Samaria. En van Jezus weten wij,
dat Hij, toen Hij na tien maanden naar Galilea terugkeerde,
den weg over Samaria nam (Joh. IV : 4j.
Heeft Hij dit nu ook gedaan gedurende deze reis, dan ging
Zijn weg door de uitgestrekte vlakte van Jizreël; over de
bergen van Samaria, tusschen den Ebal en Gerizim, door
de aan bronnen zoo rijke stad Sichem of Neapolis, tot aan
de hoogte van het oude Bethel. Hier, waar eens Abraham
de belofte had ontvangen aangaande Hem, die nu over deze
hoogten trok, aanschouwde Hij met Zijne jongeren voor het
eerst op de Zuidelijke bergen de blinkende tinnen van den
nog drie uur verwijderden tempel van .Jeruzalem. Het was
reeds laat in den avond. De tocht van Sichem naar hier
had meer dan \'20 uren geduurd. Nog was de marmeren,
met goud bekleede Tempel zichtbaar boven de schoone stad
met hare vele torens. De stralen der ondergaande avondzon
verguldden zijne edele, eerwaardige vormen en gaven de oude
koningstad te zien in kleurrijke verlichting. Als groetend
blikte in het Oosten der stad de Olijfberg met zijne villa\'s
over dit alles heen.
Hoe zal het hart van Jezus geklopt hebben! Wiens hart
wordt niet aangedaan bij den eersten aanblik van de plaats,
waar de voornaamste verrichtingen zijns levens zullen ge-
-ocr page 94-
S4
schieden, bij het aanvaarden van een belangrijk ambt, als
hij de stad voor zich ziet, waarin hij het grootste gedeelte
van zijne weergalooze taak zal volbrengen tot den einde?
Het jaargetijde was hetzelfde, als toen Hij twee jaren later
opging om te lijden en te sterven. Nu nog was het voor
Hem een hoopvolle, gouden tijd. Nu nog was Zijn weg als
die eens wandelaars, die nog niets bemerkt van de hitte
en de stof van den middag, of van de zorg en den last
des avonds. Indien ooit een hart op aarde met edele, over-
gegevene, onbaatzuchtige geestdrift voor een groote taak
heeft geklopt, dan is het dat van Jezus van Xazareth ge-
weest, toen Hij in deze lentedagen opging tot Zijn volk in
Jeruzalem, of om met Johaunes den Dooper te spreken,
(Joh. III : 29) als een Bruidegom om zijne Bruid te be-
groeten. In dit hart sloeg de pols der geheele wereld,
werd aller smart maar ook aller verwaehtiug en hoop
gevoeld. En wie voelt zich niet aangedaan bij den aanblik
van Hem. die daar voortschrijdt, van dien Goeden Herder,
die Zijne verlorene schapen zoekt! Op den berg van Bethel
staat Hij stil en ziet op naar het Zuiden. Vóór Hem ligt
in de verte de schitterende hoofdstad. Vanhier heeft Hij
haar twintig jaar geleden gezien aan de zijde Zijner ouders.
En ginds, aan gene zijde der stad, lagen de bergen Zijner
eerste kindsheid, om Bethlehem. Links daarvan verhief zich
de trotsche berg Herodium, heden de Frankenberg geheeten.
Daar lag Zijn voormalige vervolger, Herodes de Groote,
boven op den berg in zijn praalgraf. Links van den Olijfberg
liep de weg naar de woestijn van Juda. Aldaar had Hij,
niet verre van Jeruzalem, 40 dagen achtereen in de eenzaam-
heid doorgebracht. Dit was een tijd geweest van heilig
nadenken en diepzinnig overleg. Daar had Hij Zijn besluit
genomen en zich gesterkt in Zijn CJod. Daar was Zijn wil
ondergegaan in den wil Zijns Vaders, en dat niet zonder
strijd. Allerlei verzoekingen hadden Hem toen bestormd.
Maar ernstig en vast greep Zijne hand die van den hemel-
schen Vader. Eu Hij sprak dit woord, dat de grondtoon
-ocr page 95-
86
was van geheel Zijn leven, dat wij ook nog in den laatsten
nacht Zijns levens uit Zijn mond vernemen: „Vader! niet
gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt!"
Gedurende de 40 dagen zal Hij zich ook wel begeven
hebben naar den nabijgelegen tempel te Jeruzalem. Zijn
heldere blik drong door tot den grond der dingen. In den
godsdienst en de regeering ontwaarde Hij reeds de kiemen
des doods. Het was al vormendienst, vormen zonder leven.
Het werd Hem duidelijk, dat deze tempel op den berg Zion
niet de tempel kon zijn, die het gansche menschdom moest
omvatten, waarvoor Zijn hart zoo snel klopte. Een nieuwe
tempel moest worden opgericht, welks steenen levende
waren; — steenen niet gekomen uit de omliggende steen-
groeven maar uit het menschdom zelve. Hij zelf was daar-
voor de rechte Bouwmeester, in hoogeren zin dan vroeger
in Nazareth *). Ja, Hij zelf was de Grond- en Hoeksteen,
ja meer, de Tempel zelve, waarin geheel het menschdom
heil en heul zou vinden. Zoo vertoonde Zijn verheven
roeping zich in de gestalte van Zijn vroeger handwerk, dat
eens bouwmeesters. Een bouwmeester zou Hij zijn in gansch
eenigen zin. Zijn bouwwerk zou nog oneindig verhevener
worden dan deze wijdberoemde, heerlijke tempel, dien Hij
den volgenden morgen na een marsch van drie uren voor
zich zag.
Van hier gezien, vertoonde zich de stad amphitheatersge-
wijze. Tegenover het diepe Kidrondal in het Oosten, verhief
zich de Olijfberg boven den tempel. Xaar het Westen liep
de stad terrasvormig tot aan de heden nog op het hoogste
punt van Jeruzalem staande torens Hippikus en Phasael,
door Herodes gebouwd. Rondom de stad waren diepe dalen,
met uitzondering der Noordzijde, vanwaar Jezus naderde.
In den tempel was reeds een groot gedrang wegens de vele
bezoekers. Het was nu als elk jaar en toch niet als vroeger.
Door de prediking van Johannes den Dooper was eene bewe-
*) Zie Schneller «Kent jrij liet land\'.\'" hoofdstuk: »De Timmerman".
-ocr page 96-
86
ging ontstaan, die van nu aan door het optreden van Jezus op
elk volgend feest al machtiger zou worden, tot zij na twee
jaren op hetzelfde feest zou eindigen in een grooten optocht
naar Golgotha.
Jezus nadert de stad. Van den Olijfberg, van de Noord-
zijde of van den meer Oostdijken kant naar Bethanii" toe
ging Hij met Zijn klein getal jongeren naar de tempelpoort.
Wat zou Zijn eerste regeeringsdaad zijn? De geheel e boete-
en gerichtspredikiug van den Dooper wees op een daad
ter hervorming. Zou Hij hebben kunnen verwachten, dat
de hoogepriesters en het volk Hem dadelijk zouden erkennen,
als Hij met Zijne aanspraken als Heerscher den tempel
binnentrad? Ware Hij onverwachts gekomen, dan zekerlijk
niet. Maar alles was voorbereid door Johannes den Dooper.
Zij, die zich hadden laten doopen, waren voldoende voor-
bereid om den verwacht wordende Koning te huldigen:
zij, die de boetprediking hadden weerstaan, waren gelijkelijk
voorbereid om ook Jezus, als bij vernieuwing te wederstreven.
Alzoo was op dit feest het geheele volk feitelijk inwendig
bereid om Jezus te ontvangen, al naar de gesteldheid van
ieders hart. Ook de Dooper zelf. als een goed Israëliet, zal
met zijne discipelen, ingevolge de wet, wel op het feest zijn
gekomen. Men wist op zijn getuigenis, dat de Koning reeds
in het land was. Hoe meer het feest nabijkwam, des te
belangstellender werd in de voorhoven des tempels, in de
huizen, op de straten, in de kringen der feestgangers de
vraag gedaan aangaande den Messias, door den Dooper aan-
gekondigd: „Zou Hij spoedig komen? Misschien nog heden!"
De oppervlakte, waarop de tempel met zijne bijgebouwen
stond, was uitgebreid en besloeg een groot gedeelte der
stad. De tempel was door Herodes schitterend hersteld en
vergroot geworden; nog werd er aan gewerkt. Drie voor-
hoven omringden het eigenlijke tempelgebouw, dat voor
geen enkelen bezoeker toegankelijk was: 1. het voorhof der
priesters, de onmiddellijke omgeving des tempels; 2. het
voorhof der mannen, meer Oostelijk en meer verwijderd,
-ocr page 97-
87
dat slechts aan Israelietische mannen toegang verleende:
3. het voorhof der vrouwen, verder Westelijk en nog meer
verwijderd gelegen, waartoe zoowel mannen als vrouwen
toegang hadden. Rondom deze voorhoven bevond zich het
voorhof der heidenen, een groote vrije ruimte, die Herodes
omringd had met arcaden en zuilengangen. Dit voorhof
mocht ook door heidenen worden betreden, die belangstelling
koesterden voor Israels godsdienst. Hier zouden zij. die van
verre stonden, met de aanbidding van den waren God
worden bekend gemaakt. Maar hoe was \'t hier gesteld?
Een vrome heiden, die den waren God zocht, werd hier in
zijn aandacht nog erger gestoord dan in een heiligdom,
gewijd aan Jupiter of aan Pallas Athene. In stede van een
plaats der aanbidding, was hier een ware jaarmarkt ontstaan.
Nog heden ten dage wordt men op dit zelfde feest
levendig herinnerd aan het uit het Evangelie bekende
tooneel, als men het voorhof der heilige grafkapel te
Jeruzalem betreedt. Als het Paaschfeest nadert en de pel-
grims uit alle landen zich in de heilige stad verzamelen
om op het graf des Heeren te bidden, dan wordt deze
ruimte, die den diepsteu indruk moet geven aan de harten
der vrome bidders, meer en meer gevuld met handelaars
en kooplieden, die uit de vrome oefeningen der pelgrims
munt trachten te slaan. Merkwaardig is het te aanschouwen,
hoezeer het handeldrijven in dit voorhof tegen Paschen
herinnert aan het handeldrijven van voor twee duizend
jaren in het eeniye minuten yuan* meer Oostelijk gelegen
voorhof van den ouden tempel.
In de hooge, rijk versierde
portalen der grafkapel zitten op divans en Turksche tapijten
verscheidene Mohammedaansche sheiks, hun pijp rookende
en op echt Oostersche wijze behagelijk hun koftie slurpende,
terwijl zij inmiddels het oog houden op de Christenen. In
het voorhof verdringt zich een menigte koopers en ver-
koopers. Allerlei zaken worden verkocht, waarbij men
speculeert op het vroom geloof der pelgrims. Heilige
waskaarsen, rozenkransen, gesneden uit materiaal uit de
-ocr page 98-
SS
^heilige plaats", paarlemoeren kruisen, beeldjes, broches,
voorwerpen van olijfhout van den Olijfberg, enz. Op een
andere plaats zitten wisselaars, die tegen een behoorlijk agio
het uitheemsch geld inwisselen. De goed evangelische Christen,
die gewoon is zich in stilte van een bedehuis terug te
trekken en die dit ook dacht te doen in de grafkapel, wordt
geheel ontnuchterd, als hij te midden van het oorverdoovend
geluid van de stemmen der koopers en verkoopers hier zich
een weg moet banen.
Dit alles ontwijdt, volgens de inzichten der Oosterlingen
en hunne kerkelijke leiders, de kerk in-geenen deele. Evenals
ten tijde van Jezus, wordt zij overigens voor een andere
voorgewende ontheiliging zorgvuldig bewaard: geen Jood
mag deze plaats betreden.
Ik heb meermalen gezien, dat de Joden werden terug-
gedreven en op mijne vraag dienaangaande werd mij door
de Kawassen (gewapende oppassers) geantwoord: „Een Jood
mag niet langs Golgotha gaan, omdat die vervloekte Joden
daar den Messias hebben gekruisigd."
Juist zoo was het toen ook in het groote voorhof der
heidenen in den tempel te Jeruzalem, met dit verschil dat
nu de Joden de plaats der heidenen hebben ingenomen. Op
straffe des doods mocht een heiden niet binnentreden in de
heilige voorhoven. Slechts het buitenste „Voorhof der hei-
denen" was voor deze toegankelijk. Maar juist hier, waarheen
zich toen menige heiden begaf uit innig verlangen naar den
waren God, was het heiligdom tot een marktplaats gewor-
den. Kr werd handel gedreven, wisselbanken werden ge-
houden, vee werd verkocht waardoor sommige gedeelten er
als een stal uitzagen. Joden, die offerdieren wilden koopen,
waren met de verkoopers aan het loven en bieden over den
prijs. En, wie eenmaal getuige was van de drift, die de
Oosterlingen aan den dag leggen bij den koop of verkoop
der kleinste dingen zelfs en hoe zij bij elke kleinigheid
zweren bij God, bij den tempel, bij hun hoofd, bij hun leven,
enz., de een dat hij het niet goedkooper kan geven, de
-ocr page 99-
89
ander dat hij het niet zoo duur betalen kan, vermag zich
een denkbeeld te maken van het oorverdoovend geraas dat
Jezus vernam, toen Hij voor het eerst als Messias Zijnen
tempel betrad. Nu zouden hier de heidenen den God Israels
leeren kennen. Zijne heiligheid leeren aanbidden!
Jezus trad door de tempelpoort. Het eerste voorhof\', liet-
welk Hij moest doorloopen, was dat der Heidenen. Hoe had
Hij er zich over verheugd te komen in hetgeen Zijns Vaders
was! Hij werd ontvangen bij de schandelijkste wanorde. Zij,
die geroepen waren om den tempel te bewaren, de Hooge-
priester en de hooge Raad, lieten dit alles toe, ja begunstig-
den het, omdat zij daarbij „goede zaken maakten!1\' Vroeger
reeds had dat alles Hem diep gegriefd. Toen echter had Hij
gezwegen. Hij had nog niet het ambt ontvangen, dat Hem
recht gaf deze overtreding in het Godshuis tegen te gaan.
Nu was het anders gesteld. Heden kwam Hij niet als een
eenvoudig Israëliet, maar als de Heer en Koning van dezen
tempel. Hij had hier te bevelen, niet de Hoogepriester. Hij
was een Koning, die kwam om gekroond te worden en
vond Zijn hot\' in een jaarmarkt veranderd. Hadde Hij heden
een oog gesloten om de groote heeren niet voor het hoofd
te stooten, dan had Hij reeds op den eersten dag bij de
eerste schrede in den tempel, de heerlijkheid van Zijn ko-
ninkrijk, de waardigheid van Zijn heilig ambt verloochend.
Daaraan denkt Hij niet. Een heilige toorn vlamt op het
gebiedend voorhoofd, als Hij door de poort gaande de vee-
markt betreedt. En gelijk de profeet Maleachi hem aan-
kondigt als eenen, die de kinderen van Levi, de priesterschaar,
zal reinigen (Mal. III: Bi, trad Hij toornig en bestraffend
op in Zijn heiligdom. Verbaasd zien de jongeren Hem aan.
Hun Heer is als veranderd. Hij gelijkt den veldheer, die
ten gerichte van een geheel volk optrekt. Vastbesloten om
de wanorde in Zijns Vaders huis dadelijk te doen ophouden,
maakt Hij van een daar liggend koord een geeselroede. Nu
klinkt Zijne diepe, mannelijke, geweldige stem door de voor-
hoven en zuilengangen. Gebiedend staat Hij daar als een
-ocr page 100-
90
Vorst, die er zich van bewust is, dat allen hier Hem hebben
te gehoorzamen. Hij beveelt, dat al het vee en alle koop-
waren onvoorwaardelijk buiten den tempel moeten wor-
den gebracht. Een gebiedend gebaar met den geesel, dien
Hij als symbool van het gericht in de hand houdt, verhoogt
den nadruk Zijner woorden. Uiterlijk geweld gebruikt Hij
niet. Niemand durfde tegenspreken. Hij dreef\' allen uit
den tempel, die ossen, schapen en duiven verkochten, met
de schapen en de ossen. Het geld der wisselaren stortte
Hij uit en wierp de tafelen om. Den duivenverkoopers riep
Hij toe: „Neemt deze dingen van hier weg en maakt Mijns
Vaders huis niet tot een huis van koophandel!"
De wisselaars en de veeverkoopers waren heengesneld.
In weinige minuten was het stil geworden. In het voorhof
der heidenen heeft ongetwijfeld al het volk. dat in de
binnenste voorhoven zich bevond, zich rondom Jezus ver-
zanield. Toornig stond Jezus voor de menigte. Zijne jon-
geren zagen Hem verwonderd en opgetogen aan, gedachtig
aan het Schriftwoord: .,De ijver van Uw huis heeft Mij
verslonden.\'\' Een iluistering ging door het volk. Zij, die
Hem reeds gezien hadden aan de Jordaan en aan het
meer Genezareth, zeiden tot elkander: „Hij is het! Hij is
het! Deze is door den grooten Johannes den Dooper als
den Messias aangewezen!" Wellicht was de Dooper zelf in
de nabijheid en zag de bevestiging zijner eigene prediking:
„Deze zal met den Heiligen Geest en met vuur doopen!
En de wan is in Zijne hand! Hij zal Zijnen dorschvloer
doorzuiveren en de tarwe samenbrengen in Zijne schuren;
maar het kaf zal Hij met onuitblusschelijk vuur verbranden!"
De overwegingen, die de overpriesters maakten, gewoon
" als zij waren op deze plaats te bevelen, waren intusschen
van geheel anderen aard. Ook zij waren gedurende dit
opzienbarend optreden toegesneld. Zij sloegen toornige
blikken op den jeugdigen ijveraar, zoo vol aanmatiging,
die niet eens een Rabbi was. Deze gaf hier bevelen en
heerschte als machthebbende, alsof zij zelve hier niets te
-ocr page 101-
91
zeggen hadden. Hoe durfde hij het wagen, hier onder hun
bereik aldus op te treden ?
Zij wisten echter niet goed, wat zij doen zouden. Johannes
met zijnen doop en zijne prediking was hun al lastig ge-
noeg geweest. En zij zullen reeds hebben vernomen, dat
het volk van Hem getuigde, dat deze man, die hier met
koninklijk gebaar en koninklijke eischen voor hen stond,
diegene was, van wien Johannes sinds een halt\' jaar zoo
vol geestdrift, zoo vol eerbied had getuigd, dat die na hem
komen zoude, wien hij niet waardig was de schoenriemen
te ontbinden. Zij hadden het niet gewaagd tegenover den
Dooper hunne vijandschap openlijk te doen blijken; tegen-
over dezen grootere durfden zij dit nog minder doen. Veel
later nog dreef\' .Jezus hen door Zijn beroep op den Dooper
in de engte (Matth. XXI : 24—28). Zij bevonden zich dan
ook, ondanks hun heftige vijandschap tegen Jezus, in gelijke
verlegenheid als voor eenige weken tegenover den Dooper,
toen zij hunne afgezanten tot hem naar de Jordaan zonden.
En evenals zij destijds .Johannes niet berispten, maar met
diplomatieke voorzichtigheid hunne inwendige bedoelingen
achter schijnbaar billijke vragen hadden verborgen, alzoo
deden zij ook nu. Zij waren hoeren van den Tempel. Zij
waren aansprakelijk voor alles wat er gebeurde. Alzoo
moesten zij ten minste onderzoek doen, wie de man was,
die hier zoo opstond en stelden hem daarom deze vragen:
„Van wien hebt gij deze macht? Aan wien ontleent gij die?"
Maar Jezus doorzag de schijnbaar onschuldige uitdrukking
van hun gelaat en hun loerende oogen. Hij zag tot op
den bodem hunner ziel. Reeds las Hij in hunne venijnige
blikken het beginsel van hun doodelijken haat. Hij zag
duidelijk in, dat zij evenmin gevolg zouden geven aan Zijn
woorden als aan die van Zijn voorlooper en heraut Johannes.
De lieden, die vroeger in het voorhof\' des tempels handel
dreven, hadden ondanks hunne materiëele schade gehoor
gegeven aan Zijn bevel en aan de stem in hun bin-
nenste. En hadden ook deze hoofden onder het volk zich
-ocr page 102-
92
gebogen in deze beslissende ure, hoe geheel anders zou
Israels geschiedenis geweest zijn! Maar zij weerstonden
Hem. Zij verhardden zich tegen den onvermijdelijken indruk
van de voorbereiding door den Dooper, en van het heilig
optreden van Jezus en dit slechts op schijngrouden aan
hun vormelijk recht ontleend. In plaats van hunne knieën
te buigen en den waarachtigen Heer des tempels welkom
te heeten, werd hun weerstand meer en meer aanval-
lend. Uit hunne woorden bleek dit wel niet, maar Jezus
zag dieper. Hij zag hoe snel deze menschen tegen Hem
partij hadden gekozen. De aanval was reeds begonnen met
de prediking van den Dooper. Hem, wiens optreden door
hun geweten als heilig moest worden erkend; Hem, dien
de profeet .lohannes als zijn Heer en gebieder had aan-
gewezen, Hem vroegen zij nu naar Zijne geloofsbrieven tot
staving van Zijn gezag. Hij zou een wonder uit den hemel
hebben moeten toonen om te bewijzen dat Hij het recht had
om een einde te maken aan de tempelschennis. Dit zou zijn
alsof een dief den rechter, die hem wegens diefstal had
veroordeeld, zou toevoegen: Welk teeken van den hemel
kunt gij doen verschijnen om te bewijzen, dat gij rechtmatig
diefstal straft?
Ondanks de schijnbaar juist passende vraag, doorgrondde
.Jezus hare wezenlijke strekking. Zij vergisten zich schromelijk,
indien zij meenden bij hunne voorzichtig gestelde vraag
niet te worden doorschouwd. Jezus kende hunne gezindheid
reeds sinds den tijd dat hun gezantschap tot den Dooper
kwam. Bovendien had Hij zelf reeds dertig jaren in het
land verkeerd, lang genoeg dus om deze mannen voldoende
te kunnen beoordeelen. Hij wist, dat deze heeren zijne meest
verbitterde vijanden zouden worden. En reeds gedurende
het eerste kwartier van Zijn optreden in den tempel, kwam
het tot eene uitbarsting, die Hij niet kon vermijden. Nog
scheen deze onbeduidend en zonder gevaar. Maar de wolfs-
tanden zouden zich spoedig genoeg laten zien. Zijn eerste
wederstreven der heerschende partij besliste over Zijn ge-
-ocr page 103-
93
heele leven en over het lot van gansch Israël. Het was
Zijne Koni.ngs-proclamatie, Zijn eerste beroep op Zijn volk.
eene prediking niet met vele woorden maar met des te
welsprekender daden, die opriepen tot heiliging, tot onime-
keer. Deze eerste oproeping echter werd reeds met kwalijk
verholen boosheid afgewezen.
Dit alles doorzag Jezus met één blik, toen Hij in tegen-
woordigheid van liet ademloos luisterende volk antwoord
gaf aan de hooggeplaatste ondervragers. En welk een ant-
woord! Op geheel het groote tempelhof, was er niet één,
ook de Dooper niet. die de onmetelijke diepte kon peilen,
welke Jezus met dat enkele woord aanduidde. Het antwoord
was van meer dan Spartaansche kortheid. Het omvatte met
een paar woorden het geheele plan van zijn Goddelijk
verlossingswerk. Men bevond zich in het laagstgelegen
voorhof. Naar het Westen verhief zich, hooger dan de
terrasvormige oploopende voorhoven, de trotsche, heerlijke
tempel. Hoe glinsterden zijn gouden daken, hoe schitterde
zijn marmer in di; Aprilzon, die hoog boven den Olijfberg
stond, hoe schoon en stout vertoonden zijne vormen zich
tegen den azuren hemel! Naar dit wonderwerk van den
ouden tijd, den trots van eiken Israëliet, verwees Hij. toen
Hij rustig zeide : „Breekt dezen tempel af! In drie dagen
zal Ik hem oprichten !\'"
Met groote oogen zien zij .Jezus aan. Keeds zes en veertig
jaren bouwde men aan dezen tempel. Maar toch, de kalmte,
waarmede Hij dit woord, — voor hen zoo zinloos, — sprak,
werkte overweldigend. Bij Jezus kwam dit woord uit een wei-
bereiden bodem, als een verblindende bliksemstraal eene in
duister gehulde wereld vervullende met Goddelijke wijsheid.
Zijn plan was reeds lang gerijpt en in deze weinige woorden
saamgevat. Voor hen echter was dit eerste optreden dit
woord, dat in de diepste diepte van het Goddelijk ver-
lossingsplan ingreep, volkomen onverstaanbaar. Zij meenden
zelfs dat Zijn verstand gekrenkt was en dachten slechts
aan den zichtbaren, den uitwendigen tempel. Vroeger was
-ocr page 104-
94
Jezus bouwmeester geweest. En zij waren zoo doordrongen
van de gedachte, dat alles wat godsdienst en godsrijk heette,
in uiterlijkheden bestaan en aan een zichtbaren tempel en
zijn dienst moest gebonden zijn, dat zij in het geheel niet
op de gedachte kwamen, dat er eene geestelijke beteekenis
in de woorden van .Jezus verborgen kon zijn.
Inderdaad lag in het antwoord van .Jezus eene geheimzinnige
dubbele beteekenis en daarom iets raadselaclitigs. Aan de eene
zijde bedoelde Hij den voor Hem staanden tempel Israels,
aan de andere zijde Zijn lichaam, als een levende tempel
Gods. (lij zult, dit was ongeveer de zin Zijner woorden, aan
.Mijne Messiaansehe roeping, die Ik lieden voor de eerste
maal openbaarde, nimmer gelooven, maar ook niet rusten
voor gij Mijn lichaam, den waren Godstempel, aan het kruis
zult verbroken hebben. Maar wat zou deze vernietiging be-
teekenen? Niets anders dan de verwoesting van Jeruzalem,
de verwoesting van dezen aiouden tempel, tegen welks
reiniging gij u zooeven hebt verzet. Kunt gij dit ecliter
altijd blijven doen? Den waarachtigen tempel Gods zult gij
daarmede toch niet verwoesten, want op den derden dag
zal met Mij de ware tempel Gods herrijzen, Mijn lichaam in
geheel nieuwe beteekenis, Mijne kerk, die alle kinderen
Gods op aarde zal omvatten en verzamelen!
Geen enkele uitspraak van .Jezus werd Hem zoo kwalijk
genomen en Hem zoolang verweten, als dit raadselachtig
woord. Zij, die aan het uitwendige hingen, namen het in
letterlijken zin op, maar zij, die er dieper over nadachten,
gelijk de jongeren, kwamen de beteekenis telkens nader,
totdat na de Opstanding, hun de schellen als van de oogen
vielen en de juiste beteekenis der geheimzinnige woorden
zich plotseling ten volle openbaarde.
Zoo was clan Jezus bij de aanvaarding van Zijn ambts-
werk terstond in botsing gekomen met Israels overheden
in plaats van als koning gehuldigd te worden. Wel was
het heerlijk geweest, als Hij met zaligsprekingen had kun-
nen beginnen. Maar dit was niet mogelijk. Hij moest met
-ocr page 105-
95
de bazuin des gerichts Zijn intrede in den tempel doen,
zooals Maleachi dit voor eeuwen reeds had voorgevoeld.
En wat was het resultaat van dit eerste optreden? Naar
zuiver menschelijke beschouwing moest men zeggen, dat
het mislukt was, dat Jezus begon met in Zijn ambtelijk
werk schipbreuk te lijden. Hot volk en zijn oversten hadden
Hem niet erkend, hadden Zijne koninklijke aanspraken af-
gewezen. Aan Zijn loopbaan werd daardoor een geheel nieuwe
richting gegeven,
hoezeer dit Hem niet verraste. In plaats van
door Zijn volk jubelend ontvangen te worden, zou Hij, voor
het vervolg staan tegenover het grootste deel van dat volk
en zijn leiders. .Reeds nu gold de uitspraak, 60 jaren later
door den Evangelist Johannes, aldus geuit: „Hij is gekomen
tot liet Zijne, en de Zijnen hebben hem niet aangenomen!
Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het
niet begrepen!\'\' (Joh. 1:11, 5).
Toch was de vijandschap nog niet uitgebroken. Juist om-
dat Jezus den loop der dingen had voorzien, was Hij na
deze openbare mislukking verre gebleven van elke pessi-
mistische oj)vatting. Hij bleef in den voorhof. Vooralsnog
was het bij Zijne tegenstanders niet gekomen tot een doo-
delijken haat, maar slechts tot een toenemend wantrouwen.
Gedurende het achtdaagsche Paaschfeest zal Hij wel menig-
maal Zijne stem in de voorhoven des tempels hebben doen
hooren om allen uit te noodigen in te gaan tot Zijn heilig
Godsrijk. Hij mocht niet, gelijk de Dooper, slechts aan de
verwijderde Jordaan prediken. Als een onverschrokken veld-
heer, trad Hij midden in het centrum, in het hart van den
vermolmden Israelietischen godsdienst. Hij dacht er niet aan,
Zijne koninklijke aanspraken door geweld te doen gelden;
maar des te meer was Hij er op uit om door Zijn woord
het zaad te strooien over gansch Israël. Hij leerde in den
tempel en Zijne leer had voor de Israëlieten veel treffends.
Hoewel Jezus, als een wijs leeraar, met het A-B-C van
Zijne leer aangaande het Godsrijk begon, had Zijne rede
een onpeilbare diepte. Reeds wezen Zijne woorden op den
-ocr page 106-
96
voor alle menschen oneindig verrassenden verborgen achter-
grond van Zijn persoon. Reeds uit het eerste woord, dat Hij
bij de tempelreiniging tot de handelaren sprak, bleek deze
verborgenheid duidelijk: „Maakt niet mijn* Vaders huis tot
een huis van koophandel!" Deze leer zou Hij op elk volgend
feest met steeds meer duidelijkheid, met steeds verrassender
diepte, op deze zelfde plaats ontwikkelen, totdat Hij er voor
zoude; sterven op deze zelfde plaats, waar Maria en Jozef
voor twintig jaren dezelfde verborgenheid hadden vernomen
uit den mond van den twaalfjarigen knaap, toen Hij sprak:
„Wist gij niet, dat Ik moest zijn in de dingen Mijns Vaders?"
Alhoewel .Jezus, deze leer nu nog niet zoo duidelijk ver-
kondigde als wel later, was toch Zijn persoon, als de door
(lod gezonden Redder, reeds het middelpunt van Zijne leer.
Op velen maakte Zijn woord diepen indruk. Velen hoopten
dat met Hem de verwachte gouden eeuw van den Messias
zou aanbreken. Johannes zegt (II : 2i3) „velen geloofden in
Hem;" voorwaar geen wonder! Niet alleen omdat de Dooper
Zijne komst bij het volk krachtig had voorbereid, maar Hij
zelf verrichtte zoo talrijke en goddelijke wonderdaden, dat
men ook in hoogere kringen moest erkennen, dat Hij door
Gods kracht zulke groote dingen deed (Joh. III : 2). Jezus
moet toen ter tijd vele wonderen verricht hebben, die door
het geheele land besproken werden. Wij kennen ze niet,
maar Johannes spreekt er van (Joh. II: 23; III : \'2; IV : 45).
Deze werkzaamheid was in hare gevolgen niet zonder gewicht.
Toen de feestgangers, uit alle deelen van het land toege-
stroomd, de eerste wonderen zagen, namen velen de over-
tuiging, althans de hoop mede huiswaarts, dat zij den Messias
zelven aanschouwd hadden. Zoo ging de roep der wondere
werkzaamheid des Heeren door het geheele land uit. Velen
geloofden in Hem. Dit was eerst een wondergeloof en Jezus
wist, hoe onbetrouwbaar dit was (Joh. II: 24). Toch was
daardoor de bodem eenigszins bereid voor lateren arbeid. Hij
behield zicli voor, al deze jonggeloovigen in de streken hunner
woonplaats te bezoeken
en hun gelegenheid te geven, Hem
-ocr page 107-
persoonlijk nader te leeren kennen, alvorens zij eene keuze
zouden doen i-oor of teg<>n Hem. Van nu aan tra* dit Zijn
gewijzigd programma *).
Voorloopig bleef Hij ook nog na het feest te Jeruzalem
en wij mogen aannemen gedurende langen tijd. Als Hij later
klaayt over Zijne vele vorgeefsche poo;in<^en om Jeruzalem
te redden, dan mag hieruit worden afgeleid dat Zijne werk-
zaamheid in de hoofdstad van langen duur was. Dagelijks
was Hij dan ook zeker in den tempel. Dagelijks verzamelde
zich een kring tan vrienden en hekenden om Hem heen.
Waarschijnlijk won Hij in dezen tijd die trouwe vrienden,
welke wij later in veelbewogen da^en rondom Hem zien:
het <;ezin van Martha, Maria en Lazarus uit het nabijge-
•) Dit kan verkeerd worden begrepen. Te afwijzing van Zijne Ko-
ninklijke aanspraken was vo<>r Jezus evenmin verrassend, als de zondeval
in Gods wereldplan onverwacht was. Op deze ondervinding was Zijn
plan van den beginne al\' berekend, ja zelfs was de gebeurtenis eene
noodzakelijkheid. Het spreekt echter van zelf dat Hij toch de jirorf hm
nemen
om tot een normale ontwikkeling te komen, namelijk tot de
trapsgewijze erkenning van den Messiaanschen Koning door Zijn volk.
Ware dit gebeurd, dan zou Hij niet een aardscb Koninkrijk hebben
opgericht, maar van den tempel, als Zijn aangewezen paleis, uit de
godsdienstige hervormingen hebben voortgezet, die Hij met de tempel-
reiniging was begonnen. < ielijk nu de zaken stonden, zoude bij het
principieel verschil tussehen Zijn rijk en de natuurlijke menschen dit
werk onder alle omstandigheden tot hetzelfde treurige conflict hebben
moeten leiden, waarvan wij nu den aanvang zien bij dit eerste bezoek
in Jeruzalem. Dat Jezus allereerst moest optreden met Zijne volle
Messiaansche aanspraken is zeer duidelijk. Hij moest het volk gelegenheid
geven Hem dadelijk te erkennen. Anders hadde Hij het verwijt ver-
diend, dat Hij niet van den beginne aan Zijn volk had gezegd wie Hij
was, dat Hij Zijne aanspraken niet had vooropgesteld, waarop het Hem
had moeten erkennen, waarom het volk er dan geen verwijt van kon
worden gemaakt, dat het Hem verworpen had. Kn aldus geldt van het
eerste optreden van Jezus in Jeruzalem dit gewichtige woord, dat Hij
in den laatsten nacht Zijns levens, terugziende op geheel Zijn werk.
tot Zijne discipelen zeide: Indien Ik niet gekomen ware en tot Hem
gesproken had, zij hadden geene zonde; maar nu hebben zij geen voor
wendsel voor hunne zonde." (Joh. XV : 22, 24).
Kent c.ij il km ?                                                                                                  \'
-ocr page 108-
98
legen Bethanië en in de stad zelve Nicodemus en Jozef van
Arimathea. Nu werden vriendschapsbanden gelegd, die meer
en meer werden aangehaald, totdat .Jezus voor hen alles en
alles
werd. In den beginne durfden zij. gelijk Nicodemus,
niet altijd in het openbaar daarvan getuigenis geven; maar
in nood en dood, in den nacht na den Goeden Vrijdag,
traden zij des te moediger op. Hoe groot de vooroordeeleu
waren, die Jezus bij eerlijk zoekende, en goedgezinde auin-
nen laai te overwinnen,
die van der jeugd af hadden geleerd
en geloofd dat het Rijk van den Christus slechts eene weder-
oprichting zijn zoude van het itijk van David en Salomo, dit
leert ons liet nachtelijk gesprek des Heeren niet Nicodemus.
Xa eenigen tijd verliet Jezus Jeruzalem. Met was een
getuigenis tegen Israël, dal Jezus uit de hoofdstad, het
aangewezen en natuurlijk tooneel van Zijnen arbeid, moest
wijken. Opgegaan naar het Paaschfeest om als Koning te
worden gehuldigd, verliet Hij de stad met de weemoedig
stemmende zekerheid, dat Hij hier te Jeruzalem door Zijn
volk zou worden gekruist.
Aan Nicodemus had Hij dit reeds in een geheimzinnig
beeld geopenbaard. (Joh. III : 14.) Het was nu Zijn plan
geweest Israël in de verschillende landstreken op te zoeken,
het gelegenheid te geven Hem van nabij te leeren kennen
en Zijn Evangelie te hooren. Het eerst hield Hij zich op in
de landstreek Judea. Niet alleen predikte Hij aldaar, maar
liet degenen, die zich bij Hem aansloten, door Zijne jongeren
doopen. Het was midden in den zomer en daarom ontbrak
op het gebergte bijna overal liet water. Gewoonlijk had
men dit slechts in regenbakken. Doch daarmee kon niet
worden gedoopt, omdat de doop toen ter tijd een onderdom-
peling was. Naar de Jordaan kon Jezus gedurende de
gloeiende zomerhitte ook niet gaan. Met voldoende zekerheid
kunnen wij weten, waar Jezus moet hebben gedoopt. Hij
kan dit alleen hebben gedaan aan de bronnen bij Bire,
drie uur ten Noorden van .Jeruzalem, bij Bethel, in Lifta,
een uur Westwaarts van Jeruzalem, bij Bet-Dji\'ila en aan
-ocr page 109-
99
de zoogenaamde Filipsbron, de beide laatste plaatsen onge-
veer 2 uur ten Zuiden der stad. Aan deze bronnen met
hunne bekkens konden echter slechts weinigen worden ge-
doopt. De meest geschikte plaats om op het gebergte te
doopen was de omvangrijke vijver van Salomo bij Bethlehem.
Het is dus niet onwaarschijnlijk, flat Jezus langen tijd
predikte en doopte in de onmiddellijke nabijheid der vrien-
delijke stad Zijner eerste kindsheid, waar eens de hemelsche
heirscharen met jubelzang het pasgeboren Kind hadden
begroet in den stillen, heiligen nacht. Ook aan den straat-
weg naar Hebron bevonden zich groote vijvers, die. evenals
die te Bethlehem, in verbinding stonden met de groote
waterleiding naai\' Jeruzalem en die ook midden in den
zomer veel water bevatten. En ook in Hebron zelf waren
groote vijvers, aangezien die geheele streek, vooral naar
het Zuiden, waterrijk is. Aan deze plaatsen dus zal Jezus
hebben gepredikt en gedoopt, zoolang Hij op het gebergte
vertoefde.
In November echter, na het Loofhuttenfeest. toen in
den regentijd het weer koeler werd, begaf Hij zich beneden
in het Jordaandal. Hier had Johannes de Dooper den weg
voor Hem bereid, ja, nog altijd arbeidde deze voor zijnen
Heer. hoewel eene dagreize meer Noordelijk, in Enon (Joh.
III : 23;. Dat waren belangrijke doopplechtigheden in dit!
dagen! Daarboven in Enon trok de Dooper nog altijd
ontelbare scharen en ginds in Judea, alzoo bij Jericho, was
de toeloop naar Jezus nog grooter. (Joh. III : 22.)
Juist één jaar, nadat Johannes voor het eerst was opge-
treden, in November, December, Januari, kwamen al groo-
tere scharen tot Jezus. Neen, de machtige beweging, toen
aangevangen, was niet in kracht verminderd ondanks de
afwijzing in de hoofdstad; — integendeel, zij bewoog steeds
wijdere kringen. Altijd grooter werd het aanzien van Jezus
bij het volk, immer grooter Zijn invloed. Geen wonder dus
dat het den oversten des volks in Jeruzalem bang om het
harte werd. Het werk van Jezus kwam hun hoe langer
-ocr page 110-
100
hoe gevaarlijker voor. En hoorneer zij hoorden van de
resultaten, des te meer werden zij.
         omdal /.ij aiel in
Hem gelooven wilden, - gedwongen als tegenpartij op te
treden en te eindigen met den moord op Golgotha.
Jezus hoorde van hunne ontwakende vijandschap. Hij
zag. dat hunne ijverzucht voor Hem gevaarlijk dreigde te
worden. Aan Hem zouden zij wel niet, evenals indertijd
aan den Dooper, een gezantschap tot onderzoek zenden
maar krachtiger maatregelen zouden zij tegen Hem nemen.
Zijne ure was echter nog niet gekomen. Hij wilde niet, dat
zij zich in overhaasting zouden schuldig maken aan de
grootste zonde: verwerping en terdoodbrenging van hun
Heiland. Ook wilde Hij vooral\' het geheele volk in de
drie provinciën des lands voldoende tijd en gelegenheid
geven om Hem te loeren kennen. Eeritt dan zonden .tij door
een tweeden intocht in de gelegenheid gesteld worden zich
vóór of tegen Hem te verklaren.
Bovendien was er nog een
lange tijd noodig tot het vormen Zijner jongeren als fun-
damenten Zijner Kerk, den nieuw op te bouwen tempel.
Daarom besloot Hij te; midden der bediening des doops
Judea te verlaten. i.Ioh. IV : 1, 3). Dit was einde Januari
of begin Februari. (Joh. IV : B5j. Na een tien maanden
lange werkzaamheid in het meest uitgestrekte landschap
Judea. vertrok Hij naar het Noorden, naar Galilea, dat Hij
op het laatste Paaschfeest verlaten had.
Hij nam de terugreis door Samaria. * i Zijn weg liep over
Sichem en de vlakte van Jizreël naar Nazareth, Kana, Kaper-
naiim. Van de eerstvolgende maanden is ons het meeste be-
kend; want, hoewel de drie eerste Evangeliën geheel zwijgen
over de werkzaamheid in Judea, verhalen zij veel en met
groote uitvoerigheid van het werk in Galilea. In Galilea
werd Jezus met geestdrift ontvangen. Men had hier veel
gehoord van de wonderdaden en handelingen, die Hij in
*) Voor liet gesprek niet \'Ie Saniaritaansehe vrouw, zie Sclmeller.
• Kent gij het land?" hoofdstuk: > het Hei/.en in Palestina."
-ocr page 111-
101
Judea verricht had. Bij duizenden verzamelden zich de
scharen rondom Hem. In den eersten tijd moet Hij de
bergrede gehouden en de meeste wonderen hebben verricht,
waarvan de drie eerste evangelisten voor het begin der
lijdensgeschiedenis melding maken. Wij zullen echter zien,
dat Hij niet den geheelen zomer in Galilea bleef, maar tot
den herfst verscheidene reizen buiten het land deed, om
in de stilte Zijne jongeren te onderwijzen, alvorens Hij
opging naar Jeruzalem om aldaar te sterven.
De werkzaamheid van nagenoeg het geheele eerste jaar
in Jeruzalem en Judea eindigde aldus in een zich terug-
trekken. Ach! wat zal dit Jeruzalem, — waarover Hij wel
niet alleen bij den laatsten intocht tranen zal hebben ge-
stort.
          Hem nu aan het harte hebben gelegen! Maar
reeds nu, aan het einde dezer tien maanden klonk in Zijn
hart dit weemoedige woord, dat Hij in het volgend jaar
die stad tot afscheid toeriep: „Hoe menigmaal heb Ik uwe
kinderen willen bijeenverzamelen, gelijk eene hen hare
kiekens verzamelt onder hare vleugelen maar gij hebt
niet gewild\'."
-ocr page 112-
gesprok met de Samaritaansche vrouw twee dagen had
opgehouden, was Hij over de Westelijke zijgebergten van
den Karmel, door de vlakte Jizreël, langs de bergen Gil boa.
Jizreël en Sunem, naar het Noorden getrokken. Op den
Geacht op <le streek van Kapernaniii, naar den Westelijken oever
van liet meer (ienesareth en ile vlakte (iennesar. l.inks aan den voet
van het gebergte laj.\' Magdala, de woonplaats van Maria Mugdalena.
I)e bergpoort, die deze berg niet den tegenovefliggendeii vormt, leidt
naar tiet dal Wadi Hainam, waardoor de koninklijke hoveling trok.
-ocr page 113-
103
tweeden dag zag Hij reeds Nazareth voor zich. daarboven
op de bergen, de bekenden zijner kindsheid. Dit stadje, waar
Hij tot voor een jaar, dus nagenoeg geheel Zijn leven, was
geweest, was het doel van Zijnen tocht. Toch wachtte Hem
hier eene der smartelijkste ervaringen Zijns levens, want
waarschijnlijk had bij dit bezoek het voorval plaats, dat in
Lukas IV : lij—2!) wordt verhaald. Wel aanschouwde Hij in
de synagoge te Nazareth slechts bekende gezichten: allen
wilden den beroemden Man, die zoolang als hun Medeburger
stil onder hen geleefd had, zien en hooren. „Zij verwon-
derden zich over Zijne aangenaine woorden."\' En toch, juist
omdat zij Hem zoo goed kenden, bleven zij onontvankelijk
en moest .Jezus hier herhalen, hetgeen Hij een paar dagen
te voren aan Zijne jongeren had gezegd (Joh. V : 44): „tfeen
profeet is aangenaam in zijn vaderland." Do uitwerking
Zijner woonhin was. dat do bekende aangezichten allen rood
van toorn werden. Zij konden niet begrijpen, hoe de vooi--
malige timmerman uit hunne stad zich durfde vermeten.
hun zulke waarheden te zeggen. iLuk. IV: 24 -27). Vol
toorn wierpen zij. Zijn bekende stadgenooten tot hiertoe.
Hem uit buiten de stad en leidden Hem op den top des
bergs, (mi Hem van de steilte af te werpen. Op deze wrijze
begroette Hem de stad Zijner jeugd. Het was een voorspel
van het lijden op Golgotha. Zou Hij daaraan niet hebben
gedacht?
Hij ging verder. De weg naar Kapernaüm liep over Kana,
een stadje met liefelijke herinneringen! Hier had hij het
vorige jaar de bruiloft medegevierd en voor het eerst Zijne
heerlijkheid geopenbaard. Hier ook woonde Nathanael. In
twee woningen dus vond Hij althans vriendelijker ontvangst
dan te Nazareth.
Te Kana schijnt Jezus eenige dagen gebleven te zijn.
De tijding Zijner komst verbreidde zich spoedig door geheel
Cralilea. vooral ook te Kapernaüm. Vandaar kwam al zeer
spoedig een ,,Koninklijke hoveling", een man van het hof
van den Tetrarch Herodes Antipas, naar het op het ge-
-ocr page 114-
104
bergte liggende Kana. Dadelijk begaf deze zich mot een
dringend verzoek naar de woning, waar Jezus Zijn intrek
genomen had. Beneden in de \'s zomers zoo verhitte steden
komen nog heden, meer dan elders, gevaarlijke koortsen
voor. De zoon des hovelings was er door aangetast. De
koorts herhaalde zich telkens met toenemende hevigheid en
met eiken nieuwen aanval verminderden do krachten van
het kind, totdat eindelijk het leven er mede gemoeid scheen.
De vader was ontroostbaar. Als nu Jezus er maar geweest
ware! Een jaar geleden was geheel Kapernaiim in verruk-
king over de wonderen, die Jezus aldaar had gedaan. Tot
in den nacht waren toen de kranken tot Hem gebracht en
Hij had ze allen genezen. In Kapernaiim werd daarover nog
altijd gesproken, maar Jezus had men in langen tijd niet
meer gezien. Des te meer verbreidde zich daarom door ge-
heel Galilea het gerucht van de groote daden, die Hij in
Jeruzalem en Jiidea volbracht had. (Joh. IV : 45). Daar komt
onverwacht de tijding, dat Jezus in Galilea is teruggekeerd
en zich te Kana bevindt. Nauwelijks heeft de beangste vader
dit vernomen, of hij besluit tot Jezus te gaan. Den volgen-
den morgen voor zonsopgang verlaat hij zijn stervend kind
en begeeft zich op weg naar Kana. Het was in Februari,
in welken tijd in Palestina de zou tegen 7 uur opkomt. De
reiziger reed waarschijnlijk door de vlakte (iennesar naar
het hooger liggende rotsdal Wadi Hamam, langs den Krün
Hattin naar Kana. Dit was een afstand van ongeveer 7 uur.
Hij kwam dus aan „te zeven ure\'\' d. i. naar onze tijdrekening
te 2 uur des middags. In Kana vroeg hij dadelijk naar het
huis waar Jezus was. En nauwelijks zag Hein de bezorgde
vader - die Hem zeker van het vorige jaar nog kende —
of hij smeekte Hem, mede terug te koeren naar Kapernaiim
en zijn kind te redden. Wellicht had hij voor Jezus een
rijdier meegebracht. Maar Jezus ging niet. Nadat Hij door
een schijnbaar hard woord het zwakke geloof van den Ko-
ninklijken hoveling bevestigd, zoo niet gewekt had, sprak
Hij met vriendelijke, kalme stem: ,.Uw zoon leeft!\'\'
-ocr page 115-
105
Nu viel don vader een centenaarslast van hot hart. Hij
vertrouwde onvoorwaardelijk op de woorden van Jezus.
Daarom vond hij er geen bezwaar in, ook den nacht zoo
ver van de zijnen door te brengen, die hij in den vroegen
morgen in zoo groote spanning had verlaten. De terugreis
naar Kapernaüm toch kon hij lieden niet meer aanvaarden.
Dr zon ging reeds te (> uur onder en na eene schemering
van 10 minuten zou de duistere nacht hem in het eenzame
rotsdal zijn overvallen. Alzoo bleet\' hij in Kana en zat waar-
schijnlijk des avonds in den kring dergenen, die zich rond-
om Jezus verzamelden.
Den volgenden morgen echter begaf hij ziel) vroegtijdig
op weg. Hoe geheel anders dan gisteren was hij heden ge-
stemd ! Gisteren vol zorg over zijn stervend kind, — lieden
vol dankbaarheid en vreugde over het teruggeschonken •
dierbare leven. Vroolijk trok hij op in den schoonen mor-
genstond; zijne dankbare ziel stemde in met de vogelen,
die hun morgenlied zongen. In het kleine dal Wadi Hamam,
dat in een hollen weg eindigt, waar zich een lieer lij ke bron
bevindt, halverwege tusschen Kana en Kapernaüm, zal de
koninklijke hoveling waarschijnlijk rust hebben gehouden.
En daar vonden hem zijne dienstknechten, die de blijde
boodschap brachten, dat zijn kind leefde en hersteld was.
Hij had hieraan niet getwijfeld. Alleen vroeg hij naar het
uur der herstelling. Het antwoord luidde: „Gisteren te zeven
uur verliet hem de koorts!"
De gelukkige vader reisde huiswaarts. Eindelijk zweefde
zijn oog over de welbekende vlakte, tot het Kapernaüm zag,
waar in een huis aan het meer zijn genezen kind zich be-
vond. dat hij weldra aan zijne borst mocht drukken.
Op dien dag vervulde een onuitsprekelijk geluk deze aan-
zienlijke woning te Kapernaüm. De bekommerde reiziger
van gisteren had een blik mogen slaan in liet wonderland
des geloofs. De weg van Kapernaüm naar Kana, eerst zoo
moeilijk en donker, was de gelukkigste weg van zijn leven
geworden. Want deze had hem en de zijnen tot Jezus ge-
-ocr page 116-
106
bracht. Wij lezen in Lukas VIII : \'6. dat de huisvrouw van
den rentmeester van Herodes tot de vrouwen behoorde, die
uit dankbaarheid .lezus dienden. Was dit de moeder van
het kind? Wij weten het niet. Maar in elk geval behoorde
deze voortaan tot de discipelinnen dos Hoeren, want onze
tekst eindigt met deze woorden: „Hij geloofde zelf, en zijn
geheele huis.\'1
-ocr page 117-
Toch moet op eiken dag iets belangrijks zijn voorgevallen:
immers, kan in dit leven één verloren dag zijn geweest?
ot\' maar i-hl onbeduidende dag? Hoe weinig ons van menige
belangrijke periode bekend is, hebben wij duidelijk kunnen
zien in het vorige gedeelte van Jezus\' werkzaamheid in
Judea. Geen enkele landstreek kon zich toch verheugen
over eene zoo langdurige werkzaamheid des Heeren als juist
Judea. Tien volle maanden heeft Hij aldaar onafgebroken
gepredikt, gedoopt, wonderen gedaan. En juist van dezen
De bloemen in de beginletter, — «Ie anemoon, lelie des veldn", de
crocus en de kloosterbloem, — bloeiden allen toen de bergrede ge-
houden werd.
-ocr page 118-
108
tijd weten wij het minste. Xu vergezellen wij Hem naar
Galilea, waar Hij zich drie vierendeeljaar» zal ophouden.
Nemen wij daar nu den tijd voor de verschillende reizen
naar .Jeruzalem, naar de Middellandsche zee, Dekapolis, den
Hormon at\', dan blijven voor Galilea zelf nauwelijks vijf
maanden over d. i. niet zoo lang een tijd als het verblijf
in Judea. Intusschen is de Galileesche periode, die, waarvan
wij de belangrijkste wetenschap bezitten. Maar ook hier is,
buiten de medegedeelde gebeurtenissen, nog veel meer ge-
schied. Het Evangelie van Johannes,
          zoo meesterlijk
beknopt, dat ondanks of liever door zijne beknoptheid,
veelal zoo verheven is, zegt in het laatste vers; „En er
zijn nog vele andere dingen, die .lezus gedaan heeft, welke
zoo zij alle bijzonder geschreven weiden, ik acht, dat ook
de wereld zelve de gesebreveue boeken niet zou bevatten."
Slaan wij nu den blik op dén eersten tijd der werkzaam-
beid des Heeren in Galilea.
Het was tegen het eind van Januari (Joh, IV : 36), juist
een jaar na den doop van Jezus, dat Hij van Judea naar
Galilea trok. De gevangenneming van Johannes den Dooper
had volgens Mattheüs (IV : 12) en Markus il : 14-) den
laatsten stoot gegeven tot de afreis. Bijgevolg was Johannes
in dezelfde maand Januari gevangengenomen. Deze gevangen-
neming van Zijn voorlooper was voor Jezus eene aanwijzing
van hetgeen Hem zei ven te wachten stond. Als Johannes
ons verhaalt, dat de aangroeiende haat der Farizeén de
aanleiding was tot het vertrek van Jezus, dan is de ver-
onderstelling niet gewaagd, dat ook dezen meegewerkt
liadden om den Dooper te gijzelen. Hoe het zij. Jezus vond
het raadzaam zich te onttrekken aan de lagen dezer ge-
vaarlijke vijanden in Jeruzalem en zich terug te trekken
naar Galilea, waar het meer vrij en fiïsch was onder de
levendige, bedrijvige bevolking. Slechts de eerste zes weken
van Zijn verblijf aldaar zullen wij behandelen. Deze zijn
begrensd eenerzijds door de komst van Jezus in de
eerste Februaridagen en anderzijds door het vertrek van
-ocr page 119-
109
Jezus naar het Purimfeest te .Jeruzalem omstreeks halt\'
Maart.
De Galileërs ontvangen Jezus met geestdrift (Joh. IV: 45>.
Niet alleen herinneren zij zich Zijne werkzaamheden in het
vorige jaar, maar Zijne altijd meer aangrijpende daden in
Judea hadden Hem overal in het ronde ruchtbaar gemaakt.
Te Kaua. waar .Jezus eerst eenige dagen rust had genomen,
was Hij bezoclit door den ..koninklijken hoveling." Kort na
diens vertrek naar Kapernaüm, was .Jezus hom daarheen
gevolgd. Door het dal Wadi Hamam en de diepe, schoone
vlakte Gennesar wandelde Hij met Zijne jongeren naar
Kapernaüm, waarheen Jezus reeds in Jiet voi\'ige jaar met
Zijne huisgenooten was verhuisd. Kapernaüm was de voor-
naamste, zuiver .Joodsche stad aan hot meer Genesareth.
De groote steden Tiberias en Tariehea, aan de Westelijke
en Zuidelijke oevers gelegen, met hunne 100.000 inwoners
waren wel grooter, maar hadden een heidensch karakter.
Jezus was allereerst gezonden tot het volk Israels.
Te Kapernaüm kruisten elkander de verschillende hoofd-
wegen en de liandel trok de lieden uit verschillende streken
daarheen. Dit alles was gunstig voor Zijne plannen. Ook
lag het dicht aan de grenzen van verschillende beschaafde
landen. In liet Noord-Westen lagen Syrië met Tvrus en
Sidon, in het Noorden en Noord-Oosten Gaulanitus en
Caesarea Filippi, in het Oosten Dekapolis („de 10 steden";.
Hij kon daarom, als Hij het om Zijne vijanden of andere
redenen noodig oordeelde, in weinig tijde de grenzen des
lands overschrijden. Ook kon Hij van dit centraalpunt uit
Zijn invloed in alle naburige provinciën doen gelden, zooals
wij dan ook bij de bergrede reeds een menigte hoorders
aantreffen uit de meest verschillende Joodsche en heidensche
streken. Elke handelaar, elke kameeldrijver, die Hem in
Kapernaüm hoorde, werd onwillekeurig voor de verschillende
landen een bode der nieuwe blijde boodschap. Een vaste
woonplaats was Kapernaüm voor Jezus echter niet; sinds
een jaar had Hij die niet meer. De stad was veelmeer Zijn
-ocr page 120-
110
hoofdkwartier, vanwaar Hij grootere en kleinere reizen deed
naar het een of ander gedeelte der provincie of wel naar
het buitenland.
De provincie Galilea verkeerde in bloeienden toestand;
geen enkele akker was onbebouwd en de opbrengst was
buitengewoon ruim. Het viel den inwoners niet moeilijk hun
levensonderhoud te vinden. Landbouw en visscherij. handel
en industrie bloeiden. Herodes wist dan ook wel de krachtige
provincie op cijns te stellen; zij bracht hem jaarlijks 150
talenten op. (Jok scheen, volgens de evangelische berichten,
de bevolking, ondanks hare dichtheid, — volgens Jozefus
telde zij 30.000 zielen per □ mijl, — niet zoo streng aan
haren arbeid gebonden te zijn, dat niet geheele scharen
dagen lang hun werk konden verlaten om Jezus te volgen.
Bij de bergrede vinden wij voor het eerst zoo\'n groote
menschenmassa in Ualilea, rondom .Jezus vergaderd. Een
groote roep was uit Juda van Hem uitgegaan. Nauwelijks
was het bekend geworden, dat Hij mi eene lange at\'wezig-
heid was teruggekeerd, of er heeft eene gebeurtenis plaats,
die aller oogen in Kapernaüm en van rondom op Hem ves-
tigt en de grootste verwachtingen opwekt. Het is de genezing
van den zoon des hovelings in het zeven uur verwijderde
Kana. Met innige blijdschap heeft de gelukkige vader zeker
zijn als opnieuw hem geschonken zoon aan liet hart gedrukt
na zijn terugkeer uit Kana. Natuurlijk werd de wonderdadige
gebeurtenis in geheel Kapernaüm bekend en maakte de
beweldadigde er geen geheim van, dat hij aan .lezus geloofde
als den goddelijken lïedder en Koning. En toen nu Jezus
persoonlijk te Kapernaüm kwam, toen de hoveling en zijne
huisgenooten Hem met vreugdetranen begroetten, toen Hij
bij het binnentreden der stad zoovele bekende gezichten
ontmoette, toen de mare zich verspreidde: „Jezus is weder
hier!" toen was er wel geen huis in Kapernaüm, waarin men
niet blijde was over de aankomst van den grooten profeet,
wiens familie tot de burgers der stad behoorde. En welk
eene vreugde zal het hart van Maria hebben doen kloppen,
-ocr page 121-
111
toen haar zoon, wiens optreden in Jeruzalem en in Judea
met zooveel geestdrift was begroet, wederom haren drempel
betrad en haar vol hartelijkheid als Zijn moeder begroette.
Voorwaar. Hij was niet gekomen om na den drukken tijd
in Judea te gaan uitrusten in de moederlijke woning. De
geestdrift van het volk was hoog gestemd. Zijn hart en
Zijn plicht riepen Hem daarbuiten om het volk te dienen.
Dadelijk nam Zijne werkzaamheid in (lalilea en wel aan de
oevers van het meer Genesareth een aanvang. Als inleiding
hield Hij de bergrede. Volgens Mattheüs heeft het eenigszins
den sehij"n. alsof Jezus Zijn ambtswerkzaamheid met de
bergrede was begonnen. Maar daaraan moet noodwendig
voorafgegaan zijn, dat de roep Zijner daden reeds door alle
naburige landen was verbreid. Ook de vijandschap Zijner
tegenstanders moest reeds ontwaakt zijn en zich ook tegen
Zijne jongeren reeds hebben doen gelden, want Hij spreekt
dezulken zalig die, om Zijns naams wil, worden vervolgd.
Toch is het waar. dat de bergrede den indruk maakt van
eene Openingsrede. De plechtige zaligsprekingen bij het be-
gin. de nieuwe uitlegging der wet. de verbazing fier hoor-
ders over den geheel nieuwen weg en ongewonen leertrant,
dit alles is slechts dan verklaarbaar, als wij aannemen, dat
Jezus met de bergrede Zijne groote werkzaamheid in Galden
in het tweede jaar heeft ingeleid.
Niet lang had Jezus in de verschillende plaatsen aan den
oever van het meer gearbeid, in de synagoge en in de open
lucht gepredikt en kranken genezen, of het snel verbreide
gerucht van Zijn groote daden deed talrijke scharen uit Syrië
en uit de omliggende streken toestroomen. Vooral in de
huizen waar kranken waren, werden de berichten aangaande
Jezus met blijdschap begroet. Op de wegen van Kapernaüm
zag men in die dagen een menigte kranken daarheen
trekken: sommigen op eigen beenen maar met loomen
of waggelenden tred, anderen op muildieren of op ezels
gezeten en ondersteund door behulpzame vrienden, wederom
anderen op draagbaren of draagstoelen. Allen gingen tot
-ocr page 122-
112
Jezus naar Kapernaiim. Aldus verzamelde zich spoedig na
Zijn komst in en om Kapernaiim eene uit alle deel en der
provinciën samengevloeide menigte. In de eerste plaats zag
men de Galileërs zelve, verder lieden van over het meer
uit de „tien steden" het overwegend heidensche, republi-
keinsehe Dekapolis, waar Zeus en Apolio meer bekend waren
dan Jehova, de God der oude bewoners van die landstreek.
Ook waren er velen uit Jeruzalem en Judea, van drie tot
vijf dagreizen van Kapernaiim verwijderd. Uit I\'erea, op
welke]- Zuidelijke hoogten waarschijnlijk toen reeds Johannes
de Dooper in den kerker van Macherus smachtte, waren velen
Hem gevolgd. Zelt\'s waren er bewoners van het strand der
Middellandsche Zee, uit de Grieksch-Phoenicische steden
Tyrus en Sidon, kenbaar aan hun vreemde kleederdracht.
In die dagen moet het aan de kusten van het liefelijke meer
Genesareth een bont gewemel zijn geweest van gemengde
gezelschappen uit de verschillende landstreken. Maar allen
waren bezield met denzelfden wensch: .lezus te zien.
Voor Jezus was dit toestroomen van (lalilea\'s bevolking
een antwoord en eene bemoediging, Hem door Zijnen hemel-
schen Vader gegeven. Tot nu toe was Zijn ojitreden bijna
een voortdurend wijken geweest. Zijne proclamatie in April
van het vorige jaar had men afgewezen. Uit Jeruzalem, de
aangewezen stad Zijner werkzaamheid, was Hij den vorigen
zomer reeds verdrongen geworden. Toen begaf Hij zich naar
Judea. maar ook daar kon Hij niet blijven. Zijn trouwen
helper, Johannes den Dooper, was reeds de mond gesloten,
doordien men dezen achter slot en grendel had gezet. Des
te weldadiger deed Hem dus deze begroeting door de Ga-
lileesche bevolking aan, zooals de vreugdetonen in de zalig-
sprekingen duidelijk te verstaan geven. Met des te meer
vreugde begroette Hij dan ook dit duizend voudigo verlangen
naar Zijne Heilandsliefde en Zijne hulp, dat Hij las op aller
aangezicht.
Het was een merkwaardige tijd in het leven des Heeren,
ook om nog een andere reden, die wij straks zullen vernemen.
-ocr page 123-
113
Daarom begaf Hij zich, alvorens op te treden voor de ver-
zamelde menigte, in de eenzaamheid. Daar luisterde Hij naar
de stem uit den Hoogen, daar blikte Hij in het hart Zijns
Vaders, waardoor de inwendige polsslag Zijns levens werd
gewekt en geregeld. (Joh. V : 19i. En welke was nu de
beslissende stap, voor welken Hij stond en die Hem tot het
vragen en aanhooreu van den Vader drong? Het was de
keuze Zijner twaalf Apostelen. Morgen wilde Hij, omringd
door deze twaalf boodschappers, voor het eerst voor het
volk optreden. Uit het verband blijkt, dat Hij op zekeren
avond een groote vergadering tegen den volgenden morgen
had saamgeroepen. De jongeren, waaruit Hij de twaalven
wilde kiezen, zouden morgen vroeg tot Hem komen. Hij
trok zich terug en ging alleen uit naar den berg om te
bidden. (Luk. VI : 12).
Hij bleef den nacht over in het gebed tot God. Het was "
een groot belang, dat Hij met Zijnen Vader had te behan-
delen. Het was niets minder dan de voorbereiding tot de
eerste grondlegging van den verheven Dom der Christelijke
kerk, dien de voormalige bouwmeester wilde oprichten op
deze vergankelijke aarde, de voorbereiding tot het apostel-
schap. Tot nu toe had Hij in Zijn werk een machtigen
helper gehad, dien Hij hooger schatte dan allen, die uit
vrouwen geboren waren, .lohannes den Dooper. Deze helper
was Hem ontnomen. Intusschen had Hij mannen noodig,
die nu en ook later na Zijnen dood, als Zijn uitverkorene
zendboden en gevolmachtigden Zijn werk zouden voortzetten.
En Zijn dood stond Hem steeds zekerder voor oogen. Morgen
in de vroegte wilde Hij hen plechtig het ambt van Apostel,
d. i. van Zijne zendboden opdragen. Wie Hij zou kiezen.
dit was de groote zaak, waarover Hij het aangezicht Zijns
Vaders in gebeden zocht.
Den volgenden ochtend ontmoette Hij op den berg Zijne
aanhangers, die Hij aldaar had bescheiden. Jezus kwam
van de hoogte, waar Hij den nacht in het gebed had door-
gebracht. Hemelvrede omzweefde Hem. Daar stond Hij, de
Kent gij Hem?                                                                                                  "
-ocr page 124-
11-i
Koning des hemelrijka, op den berg, en riep met souvereine
gewisheid Zijne rijksboden tot zich en hield met hen Zijn
eersten rijksdag. En nu stonden rondom Hem, nu Hij
de keuze gedaan had, - de twaalf mannen, wier namen
thans in alle Christelijke landen der wereld bekend zijn.
Vele roemrijke keizers en koningen zijn den meesten menschen
onbekend, maar de namen dezer twaalf Galileesehe mannen
zijn de meest bekende ter wereld. Van nu aan zullen zij
steeds met Jezus zijn. In den dagelijkschen omgang met
Hem zullen zij worden opgevoed voor de verlievenste taak.
Kan er op aarde iets moer opvoedend zijn, dan voortdurend
in Zijne nabijheid te verkeeren? Ook was een mondeling
onderricht uoodig. Wij zullen dan ook zien, dat Hij voort-
aan niet alleen voor groote menschenmassa\'s predikte, in
tegenwoordigheid Zijner discipelen, maar dat Hij ook menig-
maal zich met Zijne Apostelen afzonderde om hun een
zorgvuldig onderwijs privatisaime. te geven.
Toen .Jezus Zijne twaalven had uitverkoren, kwam Hij
af en sloeg den weg in naar Kapernaiim. (Luk. VI : 17j.
De Bkrhred e.
Daarbeneden werd Hij gewacht door de volksmenigte.
Omringd door het twaalftal, trad Hij in hun midden. Met
gejuich werd Hij ontvangen, mei, vriendelijken groet be-
antwoordde Mij hun .,welkom". Nauwelijks aangekomen,
was Hij alreeds omringd door een schare, van alle kanten
aangebrachte kranken. Hier een lamme, daar een geraakte,
ginds een bezetene, in het kort, het scheen alsof alle krank-
heden, waardoor liet menschdom was aangetast, hier op
Hne plek waren bijeengebracht. Het moet een verheven
aanblik geweest zijn, den Heiland te zien onder zoovele
kranken, ellendigen. lijdenden, hun alle vriendelijk aanziende
en hen genezende met zachte hand. „Al de schare zocht
Hem aan te raken, want er ging kracht van Hem uit en
-ocr page 125-
115
Hij genas ze allen." (Luk. VI : 1!)). Hij geleek de hemelsche
zon. wier stralen alles tot nieuw leven wekt; Zijn lichaam
geleek eene bron. waaruit nieuwe levenskracht vloeide voor
het lijdende menschdom. Wij kunnen ons moeilijk voorstellen,
welk eene geestdrift er ouder de menigte moet hebben
geheerscht, nog eer Hij den mond opende om de thans
algemeen bekende Bergrede uit te spreken. Wie gekomen
was om hulp te zoeken, werd genezen. Onder de schare
was niemand meer te vinden, dien Hij zijn lijden niet had
afgenomen. Men wist. dat deze genezingen slechts bijzaken
waren en de veel verhevener hemel bood schap, die Hij brengen
kwam, hoofdzaak was.
Nu slaat Jezus de oogen op. Beide Evangelisten spreken
van dezen blik, vriendelijk en doordringend, dien Hij op de
menigte en op Zijne discipelen sloeg. Zijn hart klopte van
vreugde bij het brengen der blijde boodschap, die Hij kwam
verkondigen. Hij zette zich op een rotspunt. Aller oogen
hingen aan Zijne lippen, toen Hij Zijn mond opende om
met heldere, mannelijke, voor de duizenden hoorders dui-
delijke stem, die eeuwig gedenkwaardige rede te houden,
welker eerste woorden als een groet uit den hemel in de
ooren klonken van het ongelukkige; volk en ook ons telkens
en telkens weer als een heerlijk lied uit de eeuwige woningen
tegenruischen: „Zalig zijn de armen van geest, want hunner
is het koninkrijk der hemelen! Zalig zijn zij, rlie treuren,
want zij zullen vertroost worden! Zalig zijn de zachtmoe-
digen, want zij zullen het aardrijk beërven! Zalig zijn de
reinen van hart, want zij zullen God zien!"
Het is niet mijn voornemen door te dringen in inhoud
en gedachtengang der bergrede. Ik wil slechts met eenige
voorbeelden aantoonen, hoe in deze rede, in tegenstelling
met de spitsvondige haarklooverijen der leeraren uit de
Synagoge, nieuw, f\'risch leven stroomt, hoe klemmend Jezus
uit de natuur en uit het dagelijksch leven Zijner toehoorders,
Zijne gelijkenissen wist te kiezen. Het was geene wijsheid uit
de boeken, die het volk werd aangeboden, maar uit de
-ocr page 126-
116
wijde schepping, waarin zoo menige diepe gedachte door
God is neergelegd. Aan Zijne voeten lag het blauwe meer
Genesareth: de morgenzon deed het aardrijk baden in een
zee van licht: rondom Hem verhieven zich de bergen en
heuvelen in heerlijken lentedos. Dit was Zijn boek. Daaruit
putte Hij Zijn gelijkenissen
         en als geen ander las Hij
daarin en leerde Hij Zijnen hoorders daarin te lezen.
Hij zocht niet naar verhevene beelden. Hij bepaalde zich
bij het meest eenvoudige, maar daarin legde Hij den diep-
sten zin. die des te ouvergetelijker door Zijne toehoorders
werd opgenomen.
Het is van algemeene bekendheid, dat in Palestina de
bodem in de lente met een bijzonder schoon, schitterend
bloemtapijt bedekt is. Een der meest verrukkelijke bloemen
is de anenione. En al groeit deze bloem, de zoogenaamde
„lelie des velds" zoowel op den weg als tusschen de steen-
achtige rotsen en op de kale heide;, — haar liefste plaats
schijnt toch te zijn beneden aan de lachende oevers van het
meer Genesareth. De strandbewoners zien deze heerlijke
pracht elk jaar opnieuw; de meeden echter denken daarbij
niet, slechts een klein getal verstaat de spraak der kleine
bloemkens. Jezus wees in het rond en vertolkte de taal
dezer weinig getelde sieraden der schepping: „Aanschouwt
de leliën des velds. hoe zij wassen !\'"
Het schijnt, dat Jezus Zijne gelijkenissen zoo dikwijls koos
met het oog op het beroep Zijner hoorders, zonder daarom
Zijne woorden slechts als voor hen bestemd, te beperken.
Zoo richt Hij zich hier meer bepaald tot het nijvere deel
onder Zijn gehoor. Beneden in het dal lag de fabriekstad
Arbela, met vele spinnerijen en weverijen. Velen der hoor-
ders waren waarschijnlijk naar Oostersche zeden gekleed in
bonte met bloemwerk doorweven kleederen; bovendien
werden de weefsels van Arbela naar heinde en ver uitge-
voerd. Onder de toehoorders zullen zich ook wel arbeiders
bevonden hebben, die daar hun werk vonden als spinners
en wevers. Hen, die voor prachtvolle kleedingstoffen een
-ocr page 127-
117
open oog hadden, maakt Hij opmerkzaam op die bloemen-
pracht aan hun voet, zeggende: „Ziet, hoe zij wassen! Zij
arbeiden niet en spinnen niet, gelijk gij. En nochtans is
Salomo in al zijne heerlijkheid niet bekleed geweest, gelijk
ééne van dezen." Zal God niet veelmeer voor de menschen
zorgen, dat ook zij gekleed worden?
Met een andere gelijkenis wendt Hij zich tot de landlieden.
Deze voorzagen in hun levensonderhoud door zaaien en
maaien. Het koren bewaarden zij in onderaardsche bakken,
die wij kelders zouden noemen. Menige zorgzame landman
heeft wellicht onder de hoorders gestaan, die van meening
was, dat het alleen op zijn zaaien en zijn ploegen aankwam
en wiens hart zou breken als kelder of schuur ledig zou
raken. Jezus maakte hen opmerkzaam op de vogelen, die
in den lentemorgen over hunne hoofden vlogen, en sprak:
„Aanmerkt de raven, dat zij niet zaaien noch maaien, welke
geen spijskamer noch schuur hebben, en God voedt dezelve.
Hoeveel gaat gij de vogelen te boven!" (Luk. VI : \'24).
Voorzeker stonden een groot aantal visschers in hunne
lange, blauwe kleeding voor Hem, gekomen uit Kapernaiim,
Bethsaïda, Magdala, Tiberias en andere kustplaatsen. Ook
sommigen Zijner Apostelen hadden dit bedrijf uitgeoefend.
De visschers wisten heter dan anderen, hoe belangrijk het
zout is voor de wereld. Niet alleen maakten zij daarmede
de visschen, hun voornaamste voedsel, smakelijk maar ook
konden zij ze daarmede gedurende langen tijd goedhouden.
Nu worden in de zoutgroeven dikwijls stukken gevonden,
die er uitwendig goed uitzien en toch geheel smakeloos
zijn. „Gij zijt het zout der aarde. Indien nu het zout smake-
loos wordt, waarmede zal het gezouten worden?" Draagt
zorg, dat gij uwe prikkelende en bederfwerende kracht
niet verliest!
Om Gods goedheid, die zich over allen uitstrekt, aan-
schouwelijk te maken, wijst Jezus Zijne hoorders eenvoudig
op de zon. Daar stond voor Hem het groote gemengde
gezelschap van duizenden personen. Daar stonden visschers
-ocr page 128-
118
en wevers, boeren en kooplieden, tollenaars en soldaten,
Farizeërs en Schriftgeleerden, Joden en heidenen, boozen
en gooden, rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Gewisselijk
waren er velen onder, wier geweten bezwaard, wier leven
door vuile zonden bevlekt was. Toch was de goedheid
Gods bereid hen aan te nemen. Zijne zon was heden zoo
heerlijk opgegaan en voor weinig tijd had de regen hunne
akkers tot vruchtbaarheid gedrenkt.
Bij het onderwerp ..bidden\'* en .,godsdienstig vertoon"
schilderde Hij hun uit het dagelijksch leven gegrepen die
soort van vroomheid, die van de menschen gezien wil
worden. Het was toen als tegenwoordig bij de Mohamme-
danen in het Heilige Land. Als het uur des gebeds geslagen
heeft, doet de Mohammedaan zijn gebed, waar hij ook
zijn moge:
          op een weg, op de markt, in de bazar te
midden van koopers en verkoopers. Hij spreidt zijnen mantel
of gebedskleed uit op den grond, knielt neder, breidt zijn
armen uit, neigt het aangezicht ter aarde en mompelt zijn
eentonig gebed. Hij meent, dat de lange gebeden bij God
een goed gehoor zullen vinden en verheugt er zich boven-
dien over, dat. de menschen zien, hoe vroom hij is. Bij
vele Joden, voornamelijk bij de Parizeen, moet het toen-
maals evenzoo geweest zijn. Niet tevergeefs vermaant daarom
de Heer: .. Wanneer gij bidt, doe niet gelijk de heidenon. die
meenen, dat zij verhoord zullen worden, als zij vele woorden
gebruiken.
— of gelijk de geveinsden, die gaarne in de syna-
gogen en op de hoeken der straten bidden, opdat zij van
de menschen gezien worden. Maar gij, als gij bidt. zoo gaat
in uwe binnenkamer en de deur gesloten hebbende bidt uwen
Vader, die in het verborgen is!1\'
Op gelijke wijze staat het bij de Mohammedanen met
het vasten. In de maand der vasten, Ramadan, is elke
Muzelman er op gesteld, dat gezien worde, hoeveel hij voor
zijn godsdienst over heeft, waarom hij, zoolang de zon
schijnt niets eet en zelfs bij de grootste hitte zijn brandenden
dorst met geen enkelen teug water lescht. De vervulling
-ocr page 129-
119
van dezen plicht maakt hem niet alleen tevreden over zijn
voortreil\'eïijken inwendigen toestand, maar hij gelooft daar-
mede den almachtigen God bijzonder voldaan te hebben.
Volkomen zoo beschouwden vele Joden hunne wetten op
het vasten. Hunne vertooningen moesten hun de getuigenis
van bijzondere vroomheid geven. Daarom zegt Jezus:
..Wanneer gij vast, toont geen droevig gelaat, gelijk de
geveinsden, want zij mismaken hunne aangezichten, opdat
zij Tan de menschen mogen gezien worden, als zij vasten.
Maar, als gij vast, zalft uw hoofd en wascht uw aangezicht,
opdat het van de menschen niet gezien worde, dat gij
vast, maar van uwen Nader, die in het verborgen is." Dit
wasschen van het aangezicht wijst nog op een ander gebruik.
In het Heilige Land is het nog heden gebruikelijk, in dagen
van rouw. het aangezicht ongewasschen te laten. De 40
rouwdagen in het Oude Testament aangegeven, worden
heden nog gehandhaafd en men loopt gedurende al dien
tijd met ongewasschen lichaam en met kleederen, die door
het rouwgebruik, om stof en asch op het hoofd te werpen,
een droevig en morsig voorkomen geven. Maar men doet
meer. Bij een sterfgeval wordt van den ketel het roet ge-
nomen, waarmede men dan aangezicht en armen besmeert
als teeken van rouw. Aldus gaat men ter begrafenis. Om
deze handeling is het begrip „zwart, vuil" zoo dikwijls van
gelijke beteekenis met „treurig." De Hebreeuwsche taai-
kenners weten dan ook dat godèr d. i. „de vuile\'" door
„de treurende" moet, worden vertaald. (Ps. XXXV : 14;
XXXVIII : 7: XLII : 10 enz.). Dit heeft zijnen grond niet
in de zwarte kleur der kleederen maar in de zederr en
gewoonten, boven vermeld. De Heer nu, zonder de uiter-
lijke vormen te verwerpen, verwijst dezen naar de verbor-
genheid der binnenkamer om er waarde aan toe te kennen.
Zalft *) uw hoofd en wascht uw aangericht, opdat het van
de menschen niet gezien worde, dat ge cast!\'
•) -Zalven" Zie »Kent gij het land!" hoofdstuk »Landen Akkerbouw."
-ocr page 130-
1-20
Ook het bekende woord: ..Vergadert u geene schatten op
de aarde, waar ze de mot en de roest verderft en waar de
dieren doorgraven en stelen\'\'\'
is alleen verstaanbaar door de
bestaande toestanden. Met de mot wordt niet bedoeld de
kleedermot, maar een zeer kleine kever, nog heden ten
dage de grootste vijand van alle korenhandelaren in Pales-
tina. Reeds is gezegd, dat het koren in schuren en kelders
bewaard wordt. Komen de kevertjes (motten) in het graan,
dan is het uit met den geborgen schat.
De uitdrukking roest moet ook anders worden opgevat
dan gewoonlijk, waarbij men aan ijzer moet denken. Het
Griekscho woord brösis beteekent veelmeer „invreten" en
heeft in den meest uitgebreiden zin de beteekenis van
vernietigen van alle aardsche voorwerpen. Wij zoudon zog-
gen : „de tand des tijds". De Heer wendt aich dus niet
alleen tot de rijken der aarde, niet tot de korenhandelaren,
maar tot alle aanwezigen en herinnert hun, dat de tand
des tijds alles, wat schoon en begeerlijk is, aantast en ver-
nietigt. Daarom: ..Maakt u een schat, die niet afneemt,
in de hemelen!" (Luk. XII : 33).
Nog een andere vergelijking knoopte Jezus vast aan de
winterkleeding, die sommigen in Februari nog wel dragen.
Een mantel van schapevacht wordt dan, al naar gelang
van het weder met de wol binnen- of buitenwaarts omge-
hangen. De meer gegoeden laten gewoonlijk de binnenzijde
van de vacht overtrekken met gekleurde zijde of eenige
andere stof.
Nu had de Hooge Raad zeer waarschijnlijk reeds spionnen
naar Jezus afgezonden en zag Hij hunne loerende blikken
te midden der hoorders. Zij behoorden tot de aanzienlijksten
onder de Schriftgeleerden en namen eenigszins de houding
aan van profeten, ten einde het volk te waarschuwen tegen
de misleidingen van Jezus. Toen nu de Heer hen daar zag
staan, gekleed in de vacht van het zachtzinnige schaap,
met een vroom uiterlijk, alsof zij door Hem wilden onder-
wezen worden, trof Hem des te meer het contrast tusschen
-ocr page 131-
121
hun onschuldig kleed en de wolfsnatuur, die zij daarachter
verbergden. Daarom sprak Hij: „Wacht u voor hen! zij
komen in sehaapskleederen tot u, maar van binnen zijn
zij grijpende wolven!" Aan hunne vruchten zult gij hen
kennen, niet aan hun uiterlijk.
Vele gelijksoortige voorbeelden uit de bergrede, zouden
nog kunnen worden aangevoerd. Maar de aanhalingen be-
wijzen voldoende, dat de Heer Zijne vergelijkingen aan het
dagelijksch leven ontleende en de toepassing kort en prac-
tisch maakte.
En juist deze eigenaardige manier van spreken over zulke
belangrijke onderwerpen van diepen zin, greep het volk zoo
onwederstaanbaar aan. De Schriftgeleerden hadden de ge-
woonte de godsdienstige behoeften des volks te gemoet te
treden met uitleggingen van ceremoniën, uitwendige vormen
over reinigingsoffer en belastingwetten. Natuurlijk bleef het
hart en het geweten daarbij koud. Dit was nu eens gezond
voedsel, - - dit verklaren der wet in hare diepte door den
Wetgever zelven,
        zoo vrij en oppermachtig, dat menige
uitwendigheid der wet voortaan bijzaak was en toch te
gelijkertijd zoo rein en zoo duidelijk de kern der wet te zien
gevende, dat Hij met recht kon verklaren, dat met Zijne
toelichting geen tittel of jota der wet werd te niet gedaan.
Dit was een liefdevol en ernstig ingaan in de innerlijke
behoeften van hart en geweten aangaande de dingen, die
het menschenhart dagelijks in beweging brengen. Dit ge-
voelde het volk en daarom maakte de rede van Jezus zulk
een diepen indruk.
Maar er was meer. Jezus had er zich voor gewacht, zich
in Zijne rede den Messias te noemen. Aan dezen naam
waren nu eenmaal bij het volk begrippen verbonden, zeer
verschillend van die betreffende hetgeen Jezus was en ziin
wilde. Maar wat beteekeude de naam? De zaak zelve had
Hij duidelijk aangegeven. Had Hij niet aan het slot Zijner
rede telkens meer klemmend Zijn eigen Persoon gemaakt
tot middelpunt van alles! Hoe verwonderd was het volk,
-ocr page 132-
1-2-2
toen Hij met den ernst, die Hem eigen was, de hoop der
zaligheid voor een ieder hunner. persoonlijk, afhankelijk
stelde van de betrekking, die er bestond tussehcn hen en
Hemzelven! Kalm, als sprak het van zelf en alsof Hij zat
niet op een rotspunt maar op den majestueuzen Troon des
wereld richters, zeide Hij: _ Velen zullen te dien dage tot
Mij zeggen: Heerc! Ileere! hebben wij niet in Uwen naam
geprofeteerd en vele krachten gedaan? Dan zal Ik hun
aanzeggen: Ik heb u nooit gekend: gaat weg van Mij. gij
werkers der ongerechtigheid!" En een gevoel van ontzag
en heilig ontwaken beving de schare, toen Hij, die door
Zijne wonderdaden reeds bewezen had. dat achter die machtige
woorden onbeperkte macht verborgen was, met krachtige
stem Zijne rede aldus besloot: „Een iegelijk dan, die deze
Mijne woorden hoort en ze niet doet. die zal bij eenen
dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op liet zand
gebouwd heeft. En de slagregen is neergevallen en de wa-
terstroomen zijn gekomen en de winden hebben gewaaid
en zijn tegen dat huis aangeslagen en het is gevallen en
zijn val was groot!"
Toen Jezus geëindigd had, heerschte een diep stilzwijgen.
„Het volk ontzette zich over Zijne leer."\' Eindelijk openbaarde
zich de ontzetting in woorden. De grootheid Zijner wonderen
vóór de prediking vergat men wegens de grootheid Zijner
rede. Luide sprak het volk het uit zoo iets nog nimmer te
hebben gehoord, ja, dat Hij sprak ,,als machthebbende en
niet als de Schriftgeleerden."
Wkrkzaamhkid in Galilka.
Reeds zagen wij, dat Jezus na de afwijzing van Zijn eerste
koninklijk optreden op het Paaschfeest te .Jeruzalem Zijn
program wijzigde en nu voornemens was de drie Joodsche
provinciën Judea, Galilea en Perea beurtelings te bezoeken.
-ocr page 133-
123
Men moest Hem eerst overal aan alle plaatsen kennen.
Eerst dan, wanneer men in staat zou zijn uit eigene onder-
vinding eene persoonlijke overtuiging aangaande Hem te
hebben, zou nog eenmaal. op oen der hooge feesten . op
beslissende wijze het voor of tegen Hem moeten blijken.
Hierdoor was Zijn plan voor öalilea afgebakend. Evenals
het vorige jaar in Judea, trok Hij nu. na de bergrede, door
de provincie Galilea van stad tot stad, van dorp tot dorp.
Maar ook hier liet men Hem niet ongemoeid. De oversten
des volks in Jeruzalem, wakker geschrikt door den roep
Zijner daden in Galilea. lieten Hem door hunne boodschap-
pers achtervolgen. Minder dan ooit, was iets te bespeuren
van teruggang in de groote volksbeweging, door de prediking
van den Dooper ontstaan. Jezus" optreden was oorzaak, dat
zij zich op nog veel krachtiger wijze uitbreidde. Wat zou
Hij wel in het schild voeren? Wel is waar onthield Hij zich
van elke poging om Zijne macht te vestigen. Maar, als Zijn
aanhang van dag tot dag grooter werd, kon dit dan uit-
blijven ? Nog herinnerden zij zich den dag, toen Hij als een
koninklijk gebieder den tempel was binnengetreden en zich
had verstout aldaar bevelen te geven, alsof zij zelve er niet
waren. Toen lieten zij Hem door hunne afgezanten scherp
in het oog houden en op geslepen wijze bestrijden. Wónder-
daden echter konden niet geloochend worden. Deze spraken
te duidelijk voor zichzelve. Toch gelukte het hun Zijn aan-
zien te verminderen en Hem verdacht te maken door als-
pleitbezorgers der aloude nationale wetgeving .Jezus in de
oogen des volks te brandmerken als een goddelooze ver-
achter der Mozaïsche wetten, toen Hij op den Sabbat ge-
nezingen had verricht.
Jezus zag en doorgrondde deze spionnen wel, maar be-
kommerde zich schijnbaar niet om hen. Zonder te wijken
vervolgde Hij Zijnen weg. Zonder nieuwe aanleiding bond
Hij den strijd met hen niet aan. Traden zij echter op met
hunne spitsvondigheden, dan versloeg Hij hen zoo volkomen,,
dat zij zwegen. Hij gaf hun niet de minste aanleiding tot
-ocr page 134-
124
het vermoeden, dat Hij zich met de macht wilde bekleeden.
Niets hadden zij liever gewenscht dan dit, wat ook door
vriend en vijand verwacht werd zoozeer zelfs, dat wij spoedig
zullen zien, dat Zijne beste vrienden zich aan Hem ergerden,
omdat Hij niet een beslissenden stap deed om de geheele
natie rondom Zijnen Persoon te vereenigen.
Jezus ging kalm en zeker Zijn weg. Hij predikte in het
geheele land, uu in de synagogen dan in de open lucht.
En om Zijne prediking kracht bij te zetten, stond Zijn he-
melsehe Vader Hem ter zijde door Hem daden te doen
volbrengen, die aan eiken onbevooroordeelde Zijne goddelijke
zending moesten bevestigen.
Hoe gemakkelijk was het voor de Galileërs in Hom te
gelooven! Elke stad, elk dorp moest toch wel onder hare
bewoners iemand hebben, die door Jezus genezon was en
die als een levend getuige Zijner goddelijke almacht, dage-
lijks werd gezien en in eene prediking zonder woorden van
Hem getuigde.
Wij kunnen ons niet bezig houden met elk wonder af-
zonderlijk. Eén echter zullen wij behandelen, omdat dit in
meer dan één opzicht van invloed was op de volgende
gebeurtenissen en daarop een helder licht werpt, n.1. de
opwekking van den jongeling te Naïn.
Deze gebeurtenis is
voorzeker het hoogtepunt der eerste periode van Jezus\'
werkzaamheid in Galilea. Deze opwekking moet, zooals
blijken zal, hebben plaats gehad in de eerste zes weken,
waarmede wij ons in dit hoofdstuk bezig houden. Lukas,
die in het algemeen de opvolging der gebeurtenissen het
meest nauwkeurig beschrijft, verhaalt ons na de Bergrede
slechts de geschiedenis van den dienstknecht des hoofdmans
te Kapernaüm en gaat dan dadelijk over tot de opwekking
te Naïn. Ook lag Naïn Zuidelijk in de richting van Zijnen
weg naar Jeruzalem, dat Jezus voornemens was omstreeks
half Maart te bezoeken.
Naïn is slechts eene dagreize van Kapernaüm verwijderd.
Het volk verkeerde nog in de eerste opgewondenheid.
-ocr page 135-
125
Daarom volgde het .Jezus in grooten getale, toen Hij Zuid-
waarts optrok. Vóór de bergrede had het. Zijne wonderdaden.
met betrekking tot het groote aantal genezingen, in de rijkste
verscheidenheid aanschouwd. Hier te Naïn zou het slechts
eene daad zien, maar deze ééne zou de vorige op onge-
loofelijke wijze overtreffen.
De Evangelist voert ons in deze stad het huis binnen van
eene weduwe. Eenmaal had zij in dit huis gelukkige dagen
doorleefd aan de zijde van een beminden echtgenoot. Hier
had zij haar eerste en eenigste kind aan het hart gedrukt.
Maar de kwade dagen waren gekomen. De dood was hare
woning binnengetredeu en had den geliefden man van hare
zijde weggerukt. Een troost was haar gebleven: haar kind.
haar eenige zoon.
En nu was ook deze zoon haar ontnomen. Een eenig kind
is als een eenig oog. Als dit zich sluit, is het nacht. Nacht
was het in het hart der weduwe, toen, naar Üostersch ge-
bruik, de lange lijkstoet nog op den sterfdag zich grafwaarts
bewoog. De begraafplaats van Naïn bevond zich, volgens
nog bestaande aanwijzingen, ten Oosten der stad op den
weg naar Endor, dat nog heden denzelfden naam draagt.
Up den weg derwaarts staat, ter herinnering aan de op-
wekking van den jongeling, een kerkje. Langs dezen weg
nu ging de stoet voort. De geheele stad trok mede. Vooraan
droegen vrienden en betrekkingen het lijk des jongelings.
zonder doodkist, op een draagbaar. Het was in linnen ge-
wikkeld, maar het bleeke gelaat was onbedekt. De moeder
volgde.
Zij was zoo verzonken in hare droefheid, dat zij niet
bemerkte, dat even buiten de poort een stoet, grooter dan
de lijkstatie, deze ontmoette. Aan het hoofd van den tweeden
stoet ging een man van jeugdig voorkomen. Het was Jezus.
Achter Hem kwamen Zijne jongeren en eene groote menigte
volks. Jezus had den lijkstoet reeds van verre gezien. Nu
ziet Hij de weduwe. Haar smart doorsnijdt Hem het harte.
Een blik naar Boven en een antwoord van Zijn hemelschen
-ocr page 136-
126
Vader, zegt Hem, waarom Hij juist uu bij die beide volks-
verzamelingen dezen doode moet ontmoeten. Hij trad op do
weduwe toe, en met die stem, die zoo machtigen invloed
oefende op de mensclien, zegt Hij: „Ween niet!" Nog zag
zij Hem vragend aan, vol bangen twijfel, toen Jezus reeds
op de dragers toetrad en de baar aanraakte. Verrast staan
de dragers stil. De gebiedende verhevenheid van blik en
houding, de omstandigheid, dat Hij gaat aan het hoofd van
een zeer grooten stoet, dwingt hen tot gehoorzamen. Zij
zetten de baar neder. Verwonderd staan beide scharen stil,
de eene achter den dood, „den koning der verschrikking",
de andere achter Jezus, „den Koning des levens". Men
hoort Jezus spreken. Onder het ademlooze stilzwijgen van
al het volk, spreekt Hij met majestueuze kalmte: „Jongeling,
Ik zeg u, sta op!" En niet alleen heeft de luisterende me-
nigte het woord verstaan van den Man, die macht schijnt
te hebben ook aan gene zijde des grafs, maar ook hij, tot
wien het gericht is. De doode ontwaakte. De groote, donkere
oogen in het jeugdige voorhoofd openen zich. Hij zit over-
eind, ziet weder de liefelijke zon, ziet Jezus aan en begint
te spreken. Met koninklijke vriendelijkheid neemt de Vorst
des levens den jongeling bij de hand en geeft hem aan zijne
moeder weder. Zij kan hare oogen niet gelooven — en werpt
zich met een kreet van blijde verrassing aan zijn borst.
Vol verbazing had het volk toegezien. Zij vroegen zich
af, of zij droomden of waakten. Is het wonder, als de
Evangelist zegt, dat na dit wonder, dat onder hunne oogen
geschiedde, een vreeze hen beving in de tegenwoordigheid
van dezen geheel eenigen Man? Het was een van die oogen-
blikken, waarin allen God verheerlijkten, zeggende: „Een
profeet is onder ons opgestaan en God heeft Zijn volk
bezocht!" (Luk. VII : 16).
Dit was het wonder, dat alle andere uit dien eersten
Galileeschen tijd de kroon opzette. Welke strekking had liet?
De woorden, bij het bericht van den dood van Lazarus
door Jezus gesproken, werpen ook over deze geschiedenis
-ocr page 137-
127
het rechte licht. Toen zeide Hij: ..Deze krankheid is niet
tot den dood, maar tot heerlijkheid Gods: opdat de Zoon Gods
door dezelve verheerlijkt irorde!"
(.Joh. XI : 4). Ook de jon-
geling te Naïn was niet gestorven, om zoo te zeggen, door
eene vergissing der Voorzienigheid, welke .Jezus in een
oogenblik van medelijden weder Jierstelde. Maar deze krank-
lieid was, naar het voornemen van Gods raad, niet tot den
dood, maar moest dienen tot verheerlijking van Gods Zoon.
Deze opwekking was niet om de moeder, niet om den jon-
geliug. niet voor gansch Naïn en de beide volksmenigten
alléén, maar zij was eene machtige prediking zonder woorden,
waarmede de henielsche Vader tot het gansche volk Israels
sprak: „Deze is Mijn geliefde Zoon, in welken Ik Mijn
welbehagen heb!" Zooals Jezus in Zijne prediking te Jeru-
zalem liet uitdrukte, waren er steeds twee, die predikten :
Hij niet uitwendig verstaanbare woorden en Zijn Henielsche
Vader,
die door Hem sprak in verhevene daden. Wie deze
dubbele getuigenis niet gelooide, kon zich niet verontschul-
digen. Eene prediking van den Vader door den Zoon,
krachtiger en duidelijker dan die van heden, was niet denk-
baar, want van eene die verhevener was, ja, van de al Ier-
hoogste prediking, die zou worden gehouden op Golgotha
en in den hof van Jozef van Arimatliea, daarvan had toen
nog niemand eenig voorgevoel.
Deze ongehoorde daad van .Jezus maakte den diepsten
indruk in geheel Israël. Aller oogen werden meer dan ooit
op Jezus gevestigd. Van dit wonder alleen bericht Lukas
uitdrukkelijk, dat het niet slechts in geheel Galilea dagelijks
besproken werd, maar dat het gerucht tot ver over de
grenzen drong, in het verwijderde Judea, Jeruzalem en in
alle omliggende landen. Het volgende hoofdstuk zal ons
leeren, dat de roep er van zich uitstrekte tot het verre
gebergte van Moab, zelfs tot achter de biu\'chtmuren der
vesting Macherus, waarachter Johannes de Dooper gevangen
zat, en wij zullen zien welken indruk dit bericht op den
Dooper maakte.
-ocr page 138-
128
Nog in een ander opzicht is deze daad van groote betee-
kenis. Jezus zelf, maakte uit Zijne prediking met alle duide-
lijkheid en kracht de gevolgtrekkingen
, met name in de
hoofdstad Jeruzalem zelve. Het is niet als bij toeval, dat
ons uitdrukkelijk wordt medegedeeld, dat de roep over deze
wonderdaad juist in het verwijderde .Judea een zoo diepen
indruk maakte. Onbewust geeft Lukas ons daarmede den
sleutel voor de rede, die Jezus weinige dagen later in den
tempelhof te Jeruzalem hield. Jezus begat zich daarheen,
wellicht onmiddellijk na het wonder te Naïn. Nogmaals is
het de evangelist Johannes alleen, die van deze reis spreekt.
Jezus zond de Apostelen door Galilea om de blijde bood-
schap te verkondigen. Waar bleef Hij zelf intUsschen? Het
antwoord ligt voor de hand : Hij reisde alléén naar Jeruzalem.
Slechts Johannes, die in zijn vijfde hoofdstuk een zoo nauw-
keurig bericht van deze reis geeft, schijnt Hem te hebben
vergezeld. Het feest, in Joh. V genoemd, was het Purimfeest,
dat half Maart gevierd werd. De opwekking te Naïn moet
kort voor dit feest hebben plaats gehad, want het geheele
vijfde hoofdstuk is een echo van hetgeen te Naïn was ge-
schied. Eerst daardoor, dat Jezus veertien dagen te voren,
ten aanschouwen van een groote menigte getuigen een doode
had opgewekt, verkregen Zijne woorden op dit feest voor
Zijne tijdgenooten een zoo groote kracht en verpletterende
overtuiging, toen Hij daar in Jeruzalem, in verschillende
uitspraken altijd weer tot het verzamelde volk sprak:
„Voorwaar, zeg Ik u, de ure komt en is nu, wanneer de
dooden zullen hooren de stem des Zoons Gods en die ze
gehoord hebben zullen leven. Want de ure komt, in welke
allen, die in de graven zijn, Zijne stem zullen hooren. En
zij zullen uitgaan!1\' (Joh. V : 21—29).
Voor het eerst hooren wij hier Jezus op de oude tempel-
plaats eene uitvoerige leerrede houden. Voor het eerst zien
wij Hem alle middelen van bewijsvoering gebruiken om aan
het feestvierend Israël te zeggen, wie Hij is. Hij wijst op
het getuigenis van den Dooper. Het volk vereerde dezen
-ocr page 139-
129
grooten man, algemeen als profeet erkend, als een heiligt\'.
Reeds straalde de martelaarskroon op zijn hoofd. In de
burcht Macherus, die van de tempelplaats, waar Jezus sprak,
te zien was, smachtte hij achter kerkermuren. Nu hij van
hen was weggenomen, herinnerden zij zich opnieuw zoo
menig ernstig woord, door hem aan de .lordaan tot hen
gesproken. En konden zij nu wel aan .lohannes denken,
zonder er aan herinnerd te worden, dat deze steeds zijn
getuigenis eindigde met de betuiging, dat deze .Jezus de lang
Verwachte was? Jezus verzuimde dan ook niet, de herin-
nering aan dat getuigenis steeds levendig te houden: ..Gij-
lieden hebt tot Johannes gezonden en hij heeft der waarheid
getuigenis gegeven," dat Ik de verwachte ben. (Joh. V : 33).
„Maar", vervolgt Hij, Zijn meest klemmenden bewijsgrond
aanvoerende, „Ik heb eene getuigenis meerder dan die van
Johannes; want de werken (b. v. die in Naïn), die Mij de
Vader gegeven heeft om die te volbrengen, dezelve werken,
die Ik doe, getuigen van Mij"\' (Joh. V : 3(>). En eindelijk
gaat Hij over tot dat bewijs, dat ook steeds een hoofdpunt
is van Zijn onderricht aan Zijne jongeren, namelijk aan te
toonen, dat het Oude Testament slechts wees op Hem alleen.
Het geheim, dat Hem omzweefde, ontvouwde Hij ten dui-
delijkste. Openlijk noemde Hij zich Gods Zoon. Zoo onom-
woaden had Hij nog nimmer gesproken. Den Messiasnaam
echter vermeed Hij ook nu zorgvuldig, maar de nieuwe
openbaringen overtroffen verre de stoutste verwachtingen,
die de oude profeten ooit van eenen Messias hadden ge-
koesterd. En wie aan Zijne daden dacht, die in N:»in wel
hun toppunt hadden bereikt, moest ook het onbegrijpelijke
uit Zijnen mond voor geloofwaardig houden.
Welk resultaat had deze feestreize? Voor het eerst komt
de gedachte op Hem te doodon! Reeds Zijne vrije be-
schouwing over den Sabbat in Galilea en nu te .Jeruzalem
(Joh. V: 16) had den eersten stoot gegeven om deze ge-
dachte, maar om dieper liggende redenen, — bij de over-
priesters te doen opkomen. Voor de verhevenste daden door
Kent hm Hkm !                                                                                                     "
-ocr page 140-
130
Hem verricht, hadden zij geen oog. Evenals Shylok hielden
zij vast aan hun vermeend recht: schending van de Mozaïsche
wet betreffende den Sabbat. Maar toen Jozus ter verdediging
Zijner genezing op den Sabbat God Zijn Vader noemde en
aichzelven Gods Zoon, toen was Zijn lot in hunne harten
beslist. _IIij maakt ziehzolven God\'- even gelijk." (Joh. V :
18). Nu moet Hij sterven. De voltrekking van het doodvonnis
was nog slechts een kwestie van tijd. (Joh. V : 1(3—18).
Niemand zag dit duidelijker in. dan Jezus zelf\'. Van nu
aan zou elk feest meer duidelijk doen uitkomen de verhou-
ding van het volk tot Hem, totdat het utir sloeg, dat Hij
de dingen hun loop liet. Zijne ure was nog niet gekomen
d. i. nog was Zijn werk niet afgedaan, dat Hij eerst vol-
brengen moest. Nog had Hij gansch Israël niet de gelegenheid
gegeven Hem van nabij te leeren kennen, opdat het bij
het gericht op Golgotha een gevestigde, geldige stem zou
kunnen uitbrengen. Ook waren Zijne eerst voor een maand
beroepen Apostelen nog niet voorbereid op den laatsten
zwaren slag. In dezen zomer zullen wij nog zien, hoe Hij
met hen in de eenzaamheid gaat om hen te. spreken over
het moeielijkste onderwerp: het kruis, dat zij zelfs op den
paaschmorgen nog niet begrepen. Voorloopig dus reisde
Jezus na het korte bezoek te Jeruzalem terug naar Galilea,
waar Hij de terugkomst der Apostelen van hun eersten
prediktocht afwachtte.
-ocr page 141-
GEVANGENSCHAP EN DOOD DES DOOPERS.
Omstreeks Februari van het 3-lst0 jaar na de geboorte
van Jezus trok een gewapende stoet door het diepe dal,
dat de Jordaan doorstroomt. Do ruiters hadden oen ge-
vangene in hun midden. Zij kwamen uit de residentie van
den Tetrarch Herodes, Sephoris in Galiloa, of wel. —daar
het nog in den winter was, de trotsclie vesting Maeherus.
Naar hunne kleeding te oordoelen waren zij in dienst van
Horodos Antipas, die over het tweolingrijk, Galiloa en Perea,
heersclite. De gevangene;, een krachtvol man van vast-
beraden uiterlijk en onversaagden blik, liep zwijgend in
Het plaatje geeft te aanschouwen «Ie monding van de Jordaan, wier
oever met
drijfhout overdekt is. Op den achtergrond de voorgebergten
van 1\'erea, die Johanités op weg naar Maeherus moest overtrekken.
-ocr page 142-
132
hun midden. Hij droeg, naar het gebruik der bewoners
van de Zuidelijke bergwoestijn, over het hemd een ruw
bewerkt kleed van kemelshaar, door een lederen riem om
het lijf vastgehouden. Donkere oogen, den Israëliet eigen,
blikten uit het aangezicht van den ongeveer dertigjarigen
man. De gevangene scheen in dit dal zich wel thuis te
gevoelen. Het was Johannes de Dooper.
Hoe was hij in dezen toestand geraakt? Slechts een
korte werkzaamheid was dezen grooten man toebedeeld,
kort voor het optreden van Jezus had hij zijne prediking
begonnen, die eene beweging in het leven had geroepen,
die geheel Israël van Noord tot Zuid had aangegrepen.
Nu reeds, na weinig langer dan een jaar, was zijn arbeid
ten einde. ,,Hij was," zegt Jezus, „een brandende en lieh-
tende kaars, en gij hebt ulieden voor een korf en tijd in zijn
licht willen verheugen!" (Joh. V : 35). Ook Jezus arbeidde
nog eenigen tijd gelijktijdig met Johannes aan de oevers
van de Jordaan en doopte.
De werkzaamheid van Johannes droeg later een ander
karakter dan een jaar te voren. Toen predikte hij van den
toekomstigen Koning, thans van Hem, die gekomen was.
Reeds in Maart had hij Hem persoonlijk aan het volk voor-
gesteld. Reeds in April was Jezus opgegaan naar Jeruzalem
om op het Paaschfeest Zijne koninklijke aanspraken te doen
gelden. Reeds schaarde zich het volk, in toenemend aantal,
rondom zijnen Messias. En als Johannes thans doopte, dan
verbond hij daaraan eene persoonlijke aanduiding van Jezus.
Van eene reiniging van zonde, de eigenlijke beteekenis van
den doop, kon thans geen sprake meer zijn zonder allo
hoop te vestigen op den Redder, of gelijk Johannes dit
het liefst uitdrukte, op het „Lam Gods, dat de zonde der
wereld wegdraagt." Alzoo verwees Johannes eiken doopeling
naar Jezus. Zoodoende werd de drang tot Jezus en Zijnen
doop steeds grooter. Bovendien was de prediking van Jezus
veel machtiger dan die van Johannes. Ook Jezus had,
evenals Zijn voorlooper, den doop in de eerste plaats doen
-ocr page 143-
133
zijn een uiterlijk teeken om te worden opgenomen onder
de jongeren. Na Zijne prediking traden velen, die aange-
grepen waren, toe en verzochten gedoopt te worden. En
do jongeren, waarvan .Jezus aan het einde dier „vier dagen
aan de Jordaan" er reeds vijf had uitverkoren, begaven
zich met de doopelingen naar den stroom en doopten hen
in den naam van hun predikenden Heer. (Joh. IV : 2).
Aan twee plaatsen hoofdzakelijk hadden uitgebreide doop-
plechtigheden plaats. Hoe grooter de volksverzamelingen
rondom Jezus werden, hoe meer Johannes daarin zag het
heerlijkste resultaat van zijn eigenlijke levensroeping. De
jongeren van Johannes, die in zijn gevolg bleven, waren
er jaloersch van, maar Johannes zelf verblijdde zich omde
stem des bruidegoms." *)
Johannes was te Aenon gekomen, in het gebied van den
Tetrarch Herodes Antipas. Volgens .Jozephus kwam het
dezen vorst, een echten Herodes, verdacht voor, dat Johannes
zoo grooten invloed bij het volk verkreeg. Ondanks den
grooten toeloop naai\' Jezus, had ook hij nog grooten aan-
hang. „Johannes," zegt .Jozephus, „was een man, die do
Juden vermaande deugdzaam te zijn, onderlinge rechtvaar-
digheid en vroomheid jegens God te oefenen en alzoo ten
doop te komen. Alsdan zou hun doop Gode welgevallig
zijn, als zij zich dien lieten toedienen tot reiniging des
lichaams, in zooverre al reeds vroeger de ziel door ge-
rechtigheid gereinigd was. Het volk aangegrepen door zijne
woorden, stroomde tot hem. De mensehen waren bereid
op zijnen raad alles te doen. Daarom vreesde Herodes, dat
zijn groot aanzien bij het volk, hen tot een revolutie zou
kunnen voeren. Dit willende voorkomen, liet hij hem
gebonden naar de vesting Macherus voeren." Het was in
Januari, dat men den gevangene tot hem bracht. Intusschen
gevoelde hij zich wel te moede, toen hij begreep, dat Jo-
hannes slechts tot reinheid van zeden en een heiligen
•) Zie Sihneller >,Kent gij het land?\' hoofdstuk »Hruiloften."
-ocr page 144-
134
wandel aanspoorde en hij dus uit een staatkundig oogpunt
niet gevaarlijk was. Maar Johannes was niet alleen ..een
stem des roependen in de woestijn" maar ook in het vorste-
lijke paleis. Onbeschroomd bestrafte hij den vorst over zijne
zonden. Herodes wist, dat Johannes een heilig man was.
Daarom vreesde hij hem. (Mark. VI : "20.) Hij liet zich in
zooverre overtuigen, dat vele misbruiken aan zijn hol\'
moesten ophouden. Ook had Johannes een stillen bondge-
noot in de stem des gewetens van den vorst. Vandaar dat
merkwaardige woord van Markus VI : 20 (woordelijk ver-
taald): „Hij geraakte, toen hij hem hoorde zeer in verlegcn-
heid — en hoorde hem gaarne." Johannes verschoonde ook
niet de wondeplek in het privaatleven van Herodes: zijn
overspelig samenleven met zijne schoonzuster Ilerodias.
Deze werd bevreesd voor den invloed des Doopers. Reeds
nu wilde zij hem dooden, maar zij koude niet. (Mark. VI: 1G.)
Toch wist zij van Herodes te verkrijgen, dat hij den gevaar-
lijken man voortdurend gevangen hield.
Zoo dan werd Johannes uit het bedrijvige leven getukt en
overgebracht naar de diepe stilte van Macherus* kerkerhol,
een tocht van 4 tot 5 dagen. Van den Noordkant der
Doode Zee naderden zij de bergen der Belka. Daar verrees
de Nebo, van wiens kruin Mozes eenmaal nederzag in het
Beloofde Land. Sinds dien tijd was er veel gebeurd. De
Profeet, dien Mozes had aangekondigd, was gekomen. Maar
hij, Johannes, werd ingekerkerd. Aan gene zijde van den
Nebo kwamen zij aan de monding van de Kallirrhoë, die
uit een diepe kloof bruisend voortspringt en zijn zoet-
watermassa in de Doode Zee uitstort. Hier is de eenige
plek, ver in het rond, waar zoet drinkwater wordt gevonden,
waarom de reizigers hier gaarne zich neerzetten, ook om
te overnachten. Hier blijkt de onjuistheid der beschrijvingen,
die de omgeving van de Doode Zee maken tot eene plaats
van vloek en verschrikking. In de lente, — en Februari
is daar beneden reeds een lentemaand, — vertoont zich
hier een tropische pracht. Het reisgezelschap, met Johannes
-ocr page 145-
135
den Dooper, zal liier ook wel zijn nachtkwartier hebben
opgeslagen. Daar zat Johannes, de laatste en de grootste
onder de profeten van Israël, in den duisteren nacht aan
de eenzame, zwijgende oevers der Doode Zee. In zijne ge-
dachten blikte hij over het donkere water, waarachter de
welbekende bergen zijner kindsheid lagen, waarop Juda
gelegen was. En zijne gedachten keerden terug naar lang
vervlogen dagen.
Den volgenden morgen beklom men langs gevaarlijke
rotsen het gebergte en bereikte eindelijk over zuiver vul-
kanisch gebied den Machérus. De naam der vesting is nog
heden bewaard in Miücaur. Hier was de gevangenis van
Johannes. Hoewel in de vesting opgesloten, schijnt hem
toch eenige vrije beweging te zijn gelaten; althans met
zijne discipelen onderhield hij een onbeperkt verkeer.
Hoe schoon, hoe trotsch, hoe hoog lag daar de oude
Machérus! Zelfs koningen verwijlden hier gaarne om het
verrukkelijk natuurschoon. Als .Johannes uitzag naar het
Westen, dan breidde het geheele land van Judea zich voor
hem uit als een landkaart. Daar lag zijn geliefd „heilig
land" voor hem, als een troonzaal, waar de Eeuwige zich
nederzette, waar ten minste de voetbank Zijner voeten
was. Door («ene opening tusschen den ver verwijderden
Olijfberg en zijn Zuidelijken buurman, zag hij (gelijk nog
heden) verre, zeer verre, op drie dagreizen afstands, de
heilige stad Jeruzalem met haren tempel, waarin eens zijne
geboorte zijnen vader werd aangekondigd. En ginds, slechts
twee uren Zuidwaarts, zag hij duidelijk, hoog op het ge-
bergte, het vriendelijke stadje; Bethlehem, waar voor ruim
HO jaren Jezus geboren werd uit Maria, de vriendin zijner
moeder. En nog iets meer Zuidelijk zag hij de bergen van
Juta, waar hij geboren en opgevoed was. Meer van nabij
rustte zijn oog op de heuvelen der woestijn, in welker
eenzaamheid hij zoo „gelukkig, zonder verdriet" geleefd
had, totdat zijn ambt hem had geleid in het Jordaandal.
dat hij ginds in de diepte, aan de rechterzijde, aanschouwde.
-ocr page 146-
136
ALzoo dan schouwde de laatste profeet van Israël, alvorens
te sterven, neer op het Heilige Land, van dezelfde bergen
af, waar voor 1500 jaren de eerste profeet van Israël, de
man Gods, Mozes, van den top van den Nebo vóór zijnen
dood een blik bad mogen slaan in het beloofde land.
Hier nu liet de Heer den laatsten en grootsten profeet
van het Oude Verbond zijn laatste levensdagen doorbrengen;
doch hoezeer aan eenzaamheid gewoon, kon hij toch in
dezen weg niet tevreden zijn. Met zijn volk had hij gewacht
<>p de vervulling zijner verwachtingen aangaande den ver-
schenen .Redder Israels. Hij had gewacht op een teekeii
om Hem, wiens schoenriemen hij nief waardig was te ont-
binden, te volgen ter overwinning. En nu lag hij daar, hij,
om wien duizenden zich met gelijke vei\'wachtingen hadden
geschaard, eenzaam in de vesting op de Moabietische ber-
gen, — als een arme gevangene, naar wien niemand meer
vroeg. Ook Jezus liet niets van zich hooren! Wel drong
ook tot hem de roep der wonderdaden door, die .Jezus
verrichtte. Maar van een beslissende stap, waardoor Deze
zich aan de spits van Zijn volk stelde, hoorde men niets.
Op zekeren dag, — het was in de maand Maart, -
verspreidde zich door het gansche land, zelfs tot in zijn
eenzamen kerker te Macherus, het bericht van een ver-
bazingwekkende, ongehoorde daad van Jezus — de opwekking
van den jongeling te Naïn (Luk. VII : 18, 10.) Dit bericht
aangaande Zijne heerschappij, zelfs over den dood, versterkte
zijn geloof in Jezus. Het was hem echter onbegrijpelijk,
dat het volk na deze goddelijke daad, in het openbaar
verricht, Hem niet erkende en aannam als den verwachten
Heiland. Even onbegrijpelijk was het hem, dat Jezus zelf,
nu de nood der tijden riep om een verlosser, nog altijd
naliet, klaar en duidelijk zich als Messias te proclameeren.
Als Johannes nu zijne jongeren tot Jezus zendt, is dit niet
uit ongeloof, maar uit ongeduld. Uoeds vroeger had hij
gemeend, als voorlooper te moeten ingrijpen in het ambte-
looze leven van Jezus. Hij had Hem aan het volk voorge-
-ocr page 147-
137
steld en bekend gemaakt, en eerst toen trad Jezus openlijk
op. Daarom meende hij nu nogmaals te moeten tusschen-
beide komen. Hij meende .Jezus, ten aanhooren van het
volk, in het openbaar, gelegenheid te moeten geven zich
met een krachtig woord als den verwacht wordenden
Messias te openbaren. Met het oog hierop besloot hij, twee
van zijne discipelen, die hem getrouw waren gebleven tot
in de gevangenis, tot Jezus te zenden.
De beide jongeren vertrokken. Zij gingen langs den
zelfden weg, dien hun meester onlangs had afgelegd en
kwamen in Galilua. Zij deden onderzoek naar de verblijt-
plaats van Jezus. Deze bevond zich toen op Zijne ons
bekende reize door de steden en dorpen der streek. Zij
vonden Hem te midden van een grooten volkshoop. Men
had namelijk de kranken en ellendigen uit de naburige
stad tot Hem gebracht. Hij genas ze alle. Inmiddels kwamen
de beide boden van Johanues. Een zoo groote menigte-
was gunstig voor hun doel. Voor aller oog traden zij op
Jezus toe en maakten zich bekend als afgezanten van den
Dooper; van den gevangen Dooper! Dit woord maakte op
allen den diepsteu indruk. Vroeger had men Johanues
algemeen voor den Messias gehouden; bij zijne gevangen-
neming had, volgens Jozephus, een kreet van smart en
toom weerklonken door gansch Israël! En nu vragen die
twee mannen, uit naam van den vereerden profeet kort en
bondig: „Zijt Gij de Messias, die komen zou, of verwachten
wij een anderen ?"
Aller oogen vestigen zich op Jezus, i/ïeromtrent had Hij
zich nog nimmer verklaard. Zelfs aan Zijne jongeren had
Hij zich nog nimmer als den Messias geopenbaard, totdat
zij zelve, door de macht der feiten in verband met de
profetie gedrongen, erkenden en verklaarden: „Gij zijt
Christus, de Zoon des levenden Gods!" Een iegelijk moest
tot deze erkenning komen door Zijn karakter, Zijne woor-
den, Zijne daden, niet door Zijn mondelinge bewering. Aan
deze houding, die Hij steeds, zelfs tegenover de Eminaus-
-ocr page 148-
138
^angers, volhield, bleef Hij ook hier getrouw. Hij zag met
Zijn open gelaat de buide gezanten vriendelijk aan, wees
wellicht naar die bergen, waar Zijn vriend gevangen zat,
de eenige die Hem had begrepen, wiens onverwachte ge-
vangenneming Hem diep had getroffen, en .-prak: ..Gaat
henen en boodschapt Johannes weder de dingen, die gij
gezien en gehoord hebt, namelijk flat de blinden ziende
worden, de kreupelen wandelen, de melaatsehen gereinigd
worden, de dooven hooren, de dooden opgewekt worden,
den armen het Evangelie verkondigd wordt. En", voegde
Hij er bij. .,zeg hem ook: Zalig is hij, die aan Mij niet zal
geërgerd worden!"
Vol \'verbazing zagen de beide mannen de bevestiging van
Jezus1 woorden in den breeden kring, die Hem omgaf. De
geestdrift, die na de opwekking te Naïn al hooger en hooger
was gestegen, greep ook hen aan met overweldigende kracht.
Heden zagen zij dingen, die zij van hun eigen meester
nimmer gezien hadden. Wel hadden zij er van gehoord.
Verheugd spoedden zij zich terug over berg en dal, en
brachten het antwoord van Jezus aan den gevangene te
Macherus. Zij verhaalden, hoe zij Jezus gevonden hadden
nabij een stad in Galilea, hoe Hij omringd was door blinden,
lammen, melaatsehen, die Hij genezen had. hoe allen aan
Zijne lippen hingen en luisterden naar de blijde boodschap
van Gods genade en liefde en brachten hem de waarsehu-
wende vermaning over, waarmede Jezus Zijn antwoord had
besloten. Met diepe aandoening hoorde Johannes hun bezield
verhaal aan en de woorden van Jezus waren hem als de
laatste groet, een krachtige geloofsversterking, een straal
van hoop op overwinning in zijne eenzame gevangenis.
Niet lang daarna werd in het trotsche bergslot een schit-
terend feest gevierd. Het was in het begin van April; want
het bericht van deze dagen kwam kort voor Paschen Jezus
ter oore. Het was de verjaardag van Herodes. Boven in het
slot werd vorstelijke pracht en praal tentoongespreid, terwijl
daarbeneden de Dooper zat in zijn somber vertrek. De
-ocr page 149-
139
staatslieden en hovelingen van den vorst en de adellijken
van zijn rijk waren in de pronkzalen bijeen. Luid klonk de
muziek over de bergen en zelfs drong zij door tot den ge-
vangene. Ook werd er gedanst; niet de onschuldige dans
der Israëlieten, maar de wulpsche dans der Grioksclie danse-
ressen. Salome, in \'t bijzonder, de dochter van Herodias, wist
door hare sierlijke, de zinnen streelende bewegingen allen te
betooveren, ook Herodes. Terwijl het geheele gezelschap
zijn daverende goedkeuring doet hooren, wil ook hij zijne
tevredenheid en bewondering haar betuigen. Natuurlijk moet
dit geschieden op koninklijke wijze. In zijn roes belooft hij
haar met een eed, elke begeerte te zullen inwilligen, tot zelfs
de helft van zijn koninkrijk. Die belofte wil de bevallige
danseres niet ongebruikt laten voorbijgaan. Zij trekt zich
terug om de zaak te overwegen. Hare moeder, die in deze
dagen hier op Macherus, wederom op de onaangenaamste
wijze aan Johannes was herinnerd geworden, die het wellicht
vernomen had, dat haar „gemaal" den ernstigen Dooper
wederom had gesproken, gevoelde, dat zij de vruchten van
hare kuiperijen en zonden nimmer ongestoord zou kunnen
genieten, zoo lang deze man in leven was; wiens bloote
aanwezigheid voortdurend een stilzwijgend verwijt was voor
Herodes. Nu wil zij deze gelukkige gelegenheid aangrijpen
om den lastigen boetprediker uit den weg te ruimen. Hare
dochter reikt haar maar al te gewillig de hand. Het natuurlijk
medegevoel, dat gewoonlijk het hart der vrouw bijzonder
eigen is, doet zich zelfs geen oogenblik in haar binnenste
hooren. Zij treedt haastig naar de schitterende zaal terug.
De feestgenooten zwijgen. Allen zijn in gespannen vorwach-
ting, welke hartewensch door de schoone koningsdochter
zal worden uitgesproken. En onder eene ademlooze stilte
zegt zij, — bij elk volgend woord vernieuwde ontzetting
teweegbrengende en elk woord duidelijk en scherp afgemeten
uitsprekende: — „ik wil, dat gij mij nu terstond in eene
schotel geeft het hoofd van Johannes den Dooper". Mark.
VI : 25.
-ocr page 150-
140
Herodes verbleekt. Hij begreep terstond, wie de raadgeef-
ster der prinses was geweest. Vele der liooge gasten zullen
voorzeker ontzet zijn geweest over dit afschuwelijk verlan-
gen, dat door de toevoeging „in een schotel" gruwzamen
hoon en duivelsche wraak aanduidde. Allen zwijgen echter.
En in deze pijnlijke stilte, vreezeude door r.ijn beter gevoel
geleid, zichzelven bloot te geven, stiet Herodes alle tegen-
bedenkingcn van zich en gaf het bevel tot onthoofding.
Getuigen werden niet gehoord, verdediging niet toegelaten.
Rechterlijke uitspraak werd niet gedaan. Een der lijfknerhten
werd uitgezonden om het bevel uit te voeren. Het pleit was
spoedig beslecht, de gevangene bevond zich slechts ééne trap
lager. Het kleed van kemelshaar was nog zijne kleeding.
Hij zag den beul komen. Deze ontblootte zijn zwaard. Jo-
hannes zal toen wel hebben gedacht aan Hem, die de droom,
de verwachting, de hoop van zijn geheele leven was geweest,
voor wien hij geboren was en gewerkt had, aan Jezus, die
daar boven in het Noorden dooden opwekte, den armen het
Evangelie verkondigde en nog onlangs hem het bekende
antwoord zond. Zwijgend bood hij zijn hoofd. Dit werd van
de romp gescheiden en aan de onmenschelijke prinses ge-
bracht, in eenen schotel, als een kostelijk tafelgerecht. De
furie, die nog zoo even zoo bevallig en zoo betooverend
gedanst had, nam het afschuwwekkend gerecht met beide
handen aan, terwijl er nog bloed uit het hoofd vloeide. Zij
bracht het aan hare moeder, die met wraaklustig oog op
het ongekleurde, edele, nog in den dood bestraffende gelaat
staarde en op den verstomden mond, die haar nu geene
verwijtingen meer doen kon.
De feestvreugde was verdwenen. Van dat oogenblik af
werd Herodes dag en nacht vervolgd door de schim van
Johannes. dien hij vermoord had. Als hij later van de daden
van Jezus hoorde, sidderde hij, geloovende, dat Johannes
uit het graf herrezen was. (Matth. XIV: 2). Ook had hij
geen geluk of goed gesternte meer. Hij verloor rijk en
schepter en stierf in ballingschap te Lyon in Frankrijk. De
-ocr page 151-
141
legende zegt, volgens Jozephus, dat zijne ongelukken hemel-
sche straffen waren voor den moord op Johannes gepleegd.
Dit was het einde des Doopers, die 1 of \'2 jaar geleden
was opgestaan in de eenzaamheid der woestijn om aan de
Jordaan den weg des Heeren te bereiden, - - een vroeg afge-
sneden, jeugdig leven, dat in heiligen ernst en verblindende
reinheid aan Israël was voorbijgetrokken als een schitterende
meteoor. Hij was gelijk zijn Meester hem noemde, ..een bran-
dende en lichtende kaars" (Joh. V : 35j, ja, de grootste van
alle menschenkinderen, die de groote Menschenkenner ont-
moet had, of, zooals Deze zich uitdrukte in die merkwaardige
woorden, die als een grafschrift voor Johannes mogen worden
aangemerkt: „de grootste onder allen, die van vrouwen ge-
boren zijn!" (Matth. XI : 11—liïj. Niemand beweende hem
meer, dan Jezus, die, toen Hij de doodstijding vernam, niet
onder de menschen kon blijven, maar alleen naar eene woeste
plaats trok. (Matth. XIV : 13). Zijn leven was met Jezus
verbonden geweest van zijne geboorte af. Toch waren zij
in hun leven niet veel te zamon. Johannes heeft nimmer
een wonder verricht (Joh. X : 14), maar wat de Engel vóór
zijne geboorte gezegd had, is in hem vervuld geworden:
„Hij zal velen der kinderen Israels bekeeren tot den Heer,
hunnen God, en voor Hem heengaan in den geest en de
kracht van Elia!" (Luk. I: 13—1-4). Dat heeft hij gedaan
en daarom werd hij door velen uit Israël betreurd en heeft
de geschiedschrijver in zijne geschriften een vereerend ge-
denkteeken voor hem opgericht.
De jongeren van Johannes waren niet tegenwoordig ge-
weest bij zijne terdoodbrenging. Eenzaam was Johannes
gestorven gelijk hij meestal eenzaam had geleefd. Toen de
treurmare hun tor oore kwam, spoedden zij zich naar de
gevangenis en verzochten om het zielloos lichaam van hunnen
geliefden meester. Dit werd hun niet geweigerd. Zij namen
het lichaam onder bittere tranen op, groeven een graf en
legden het ter ruste in de aarde der bergen van Moab. Aldaar
is zijn eenzaam graf. Geen steen wijst de plaats aan, zij bleef
-ocr page 152-
142
der wereld onbekend. Maar de winden des hemels waaien
er eiken dag overheen, Gods zon beschijnt ze met hare
gouden stralen en sclioone bloemen bloeien er elke lente
opnieuw. En de plaats zijner ruste blikt over de zee naar
de verre bergen van Juta, waar hij eens als een dartel kind
speelde, waar zijne ouders. Zacharias en Elisabeth, begraven
liggen. liet lichaam des Doopers echter slaapt daar in de
eenzame wildernis op de bergen van Moab tot den grooten
dag der opstanding. Hoewel gestorven leeft hij nog, en op
eiken advent treedt hij opnieuw op in ons midden, om jaar
op jaar, tot de wederkomst van Christus, voor do gemeente
des Heeren zijne adventsprediking te houden.
-ocr page 153-
1ERDERLEI AKKER-
GROND.
Likas vin : 4—15.
De gelijkenis van den vierderlei
akkergrond verplaatst ons in de
tweede helft van de groote werk-
zaamheid in Galilea, die Jezus in
R
Februari van liet tweede jaar be-
gonnen was. \\ran den volgenden
zomer, van het Purimfeest in 2[aarf
(Joh. V) en de spijziging der vijf-
duizend in April (Joh. IV : 4) tot
op de reis van Jezus naar het
Loof huttenfeest in October (Joh. VII) vinden wij in de Evan-
geliën geen bepaalde tijdsaanwijzingen. Gedurende deze tijd-
ruimte moeten wij ons alzoo tevreden stellen met gissingen,
die echter aanspraak kunnen maken op benaderde juistheid.
Alle zooeven genoemde tijdsaanwijzingen geeft ons de Evan-
gelist Johannes. De andere Evangelisten onthouden zich niet
alleen van elke opgaaf van tijd, maar laten de gebeurte-
nissen uit deze Galileesche periode meestal op elkander
volgen, zonder met angstige nauwkeurigheid eenige tijdorde
op te geven.
Dat wij ons in den tijd tusschen den voorzomer en den
oogst bevinden, bewijzen ons verschillende kleine aanwij-
zingen in de mededeelingen, gedaan vóór ons Evangelie.
-ocr page 154-
144
Zoo had Jezus b. v., volgens Mattheüs, kort na de bergrede,
gul ijk wij boven gezien hebben, tot aan liet Purimfeest in
Maart een veelomvattende werkzaamheid verricht in de steden
en dorpen van Galilea (Matth. IX : 35). Kort daarna zond
Hij de -Apostelen uit op hun eersten prediktoeht (Matth. X).
Geschiedde dit, gelijk wij boven zeiden, gedurende het Purim-
feest (Joh. V), dan bevinden wij ons in de maand Maart.
Op eene onmiddellijk voorafgaande inededeeling van Mat-
theiis (IX) valt dan ook een bijzonder licht: Jezus namelijk
had gedurende Zijne omwandeling door de provincie met
innig medelijden de groote herderlooze volksmassa\'s aan-
schouwd. In Maart vertoonden zich aan Zijn oog op Zijne
omwandeling in Galilea de velden overal vruchtdragend.
De aren hadden zich gezet en beloofden rijke vrucht. Dit
strekte Jezus tot zinnebeeld voor een anderen grooten oojrst,
die voor Zijne oogen rijpte en evenzeer veel handen vroeg.
Daarom zeide Hij: „De oogst is groot. Bidt den Heer des
oogstes, dat Hij arbeiders in Zijnen oogst uitstoote!"\'
(Matth. IX : 38).
Eenige hoofdstukken verder vinden wij in Mattheüs (XII: 1)
wederom Jezus, gaande door het gezaaide. Dit moet in Mei
geweest zijn, minstens een maand na de spijziging der vijf-
duizend" *). Ook nog heden ten dage hebben de bewoners
van Palestina de gewoonte, om, zooals wij van de Apostelen
lezen, aren te plukken en te eten, als zij door het gezaaide
gaan. Dit kan echter niet vroeger zijn dan in Mei of Juni,
omdat de aren niet eerder rijp of eetbaar zijn.
Wij mogen dus als juist aannemen, dat de werkzaamheid
in Galilea, in Februari begonnen, op zijn minst geduurd
heeft tot Juni. Deze was eenerzijds een tijd van groote
gevolgen, grooten bijval onder het volk (Matth. IX : 33),
anderzijds echter een tijd van toenemend conflict niet de
volksleiders, uit Jeruzalem herwaarts gezonden, en daarmede
het begin van afval der menigte (Joh. VI: öü). Mattheüs
*) Volgens Johannes in April.
-ocr page 155-
145
schildert ons dit van hoofdstuk IX : 34 af, waar zij Zijne
wonderdaden toeschrijven aan duivelskunsten, tot de vijand-
schap en tegenstand het toppunt bereikte en Jezus hun
(XII : 31) die vreeselijke waarschuwing en bedreiging doet
hooien, betrenende de onvergeeflijkheid hunner zonden. Met-
deze ernstige strai\'rede is de overgang tot de gelijkenis
gegeven (XIII), die reeds het begin van het gericht is. Gre-
lijkenissen werkten verschillend op de gemoederen der toe-
hoorders: de ontvankelijke harten werden gebracht tot dieper
inzicht in de prediking des Heeren; de massa ergerde zich
er aan en keerde Jezus den rug toe, „opdat zij met de oogen
niet zien, met de ooren niet hooren en met het hart niet
verstaan zouden noch zich bekeei\'en\'\' (XIII : löj. Ket was
het begin van het gericht der verharding. Zijn duidelijke,
heldere oproeping tot het ingaan in het Godsrijk door be-
keering hadden zij sinds lang vernomen, maar te gelijker-
tijd weer vergeten. Zij hadden Zijne woorden toegejuicht
maar alles bij het oude gelaten. Van nu aan wilde Jezus
slechts in gelijkenissen tot het volk spreken. Hij sprak ze
uit op eenvoudige wijze, zonder er verdere verklaring van
te geven. Juist daarin lag het nieuwe, het aantrekkelijke.
Zij, wier geweten was aangegrepen door den indruk dei-
goddelijke waarheden, vonden in die wijze van spreken een
spoorslag van dieper in den zin door te dringen, en wie ze
niet verstond vroeg naar de beteekenis. Des te vaster schoten
dan de woorden wortel in de weltoebereide aarde der
harten. Bij de anderen evenwel, kwam des te spoediger uit,
wat in hun binnenste was, en dat de woorden van Jezus
bij hen waren gevallen in platgetreden, steenachtige en
doornige aarde, zoodat ze geen vruchten voortbrachten.
Zonder verder nadenken vonden zij de eenvoudige verhalen
van Jezus, hetzij als vanzelf sprekend, hetzij onaannemelijk
of wel zonder zin, en meenden zij daarom te meer recht
en aanleiding te hebben, zich van Hem af te koeren.
Onze tekst bevat de eerste dier gelijkenissen. Toen Jezus
die uitsprak, was Hij wederom te Kapernaüm teruggekeerd.
Kknt gij Hkm ?                                                                                   10
-ocr page 156-
146
Het was in Mei of Juni. Zwijgend zat Hij bij de zee. Wei-
licht zag Hij met Zijne Heilandsoogen op de stad. waarin
Hij reeds zooveel had gesproken en verricht en waarvan Hij
eenige maanden later zoo droevig zeide: „En gij, Kapernaüm,
dat tot den hemel toe zijt verhoogd, gij zult tot de helle
toe nedergestooten worden: want zoo in Sodom de krachten
waren geschied, die in u geschied zijn, het zoude tot op
den huidigen dag toe gebleven zijn!" (Matth. XI:24). Wei-
licht overdacht Hij, hoeveel Hij hier reeds had gewerkt en
hoe weinig vrucht Hij had gevonden. En ziende op de land-
bouwers der omliggende akkers, vergeleek Hij zich bij een
landman, die overal rijkelijk had gezaaid, maar niet rijkelijk
geoogst. Terwijl Jezus aldaar zat, kwamen lieden uit Kaper-
naiim tot Hem. Men wilde Hem gaarne hooren, maar het
doen bleef achterwege. De schare groeide spoedig aan.
Jezus ging in een schip en sprak tot het volk de eerste
Zijner gelijkenissen. Deze was uit het dagelijksch leven dei-
hoorders gegrepen. Zaaien en oogsten was eene zaak, die
de bewoners elk jaar opnieuw het hoogste belang inboe-
zemde; alles hing daarmede samen.
De Heer vergelijkt de schare, die voor Hem staat, met
eenen akker; de toehoorders persoonlijk met gedeelten des
akkers. Hijzelf is de zaaier. De zaaier kan niet eerst steenen
en rotsen verwijderen, doornen en distelen uitroeien. De
akker moet reeds toebereid zijn om het zaad te ontvangen.
Alzoo moeten de harten der hoorders toebereid zijn, opdat
Jezus vruchten mag verwachten; wat nu is noodig voor zulk
eene toebereiding? Op de akkers aan het meer Grenesareth
zijn hoofdzakelijk drie beletselen voor den wasdom te overwin-
nen: 1° indien de akker als weg moet worden gebruikt, moet
deze worden afgeschoten: 2° aanwezige rotsbrokken moeten
worden verwijderd en in hunne plaats goede teelaarde worden
bijgebracht; 3° moet het onkruid worden uitgeroeid. Is dat
alles geschied, dan mag men een goeden oogst verwachten.
De vier soorten van akkergrond, die de Heer noemt, zijn,
zooals uit het volgende blijkt, nog heden ten dage voor de
-ocr page 157-
147
omgeving van het meer van Genesareth zeer karakteristiek-
1. ..Een deel viel bij den weg." Daarmede wordt natuurlijk
niet de landstraat bedoeld: op deze toch zou wel niemand
zaad uitstrooien. Wanneer een akker niet door een muur
of eenige andere afsluiting is afgezet, gaan de lieden, om
een omweg te vermijden, dikwijls gedachteloos door het
gezaaide, waardoor dan op zekere plaatsen een voetpad
ontstaat. Xiet alleen wordt daardoor de akker benadeeld,
omdat zoodoende groote gedeelten worden vertreden, maar
ook omdat bijna alle rij- en lastdieren, die over dien weg
gaan, van de opgeschoten planten eten. Wanneer nu in
November de zaaitijd is aangebroken, worden ook deze
voetpaden omgeploegd en mede bezaaid. Spoedig neemt
een ieder weer den ouden weg en wordt dit gedeelte van
den akker platgetreden.
Met dezen weg, die aldaar niet zijn moest, vergeleek de
Heer een deel der menschen, die Hij aan den oever voor
zich zag, wier oogen in Zijne oogen blikten. Zij hadden
zich verplicht gezien muren om de akkers huns harten op
te trekken, opdat deze niet zouden worden voetpaden
voor booze invloeden. Zulke muren bestonden in: smart
over hunne zonden, verlangen naar verlossing daarvan;
aanneming der goddelijke waarheid, een ernstig besluit om
Jezus te volgen. Deze muren hadden zij echter niet opge-
richt en zoo was hun hart een weg, waarop tegenoverge-
stelde indrukken, gedachten, wenschen en neigingen om-
dwaalden. En den Satan viel het gemakkelijk de zaden
des woords onvruchtbaar te maken.
Het is de, op zedelijke traagheid berustende, onverschillige
wereldzin, die van diepgaande indrukken nog geen spoor
naliet, omdat de harten nog openstonden voor allerlei
invloeden, die er op werkten en ze verhinderden te komen
tot die tttilheid, die een eerste voorwaarde is voor het wor-
telen van het zaad des goddelijken woords. De Heer spreekt
dus over die verstrooide naturen, bij wie van de werkzaam-
heid des woords nog geen sprake is.
-ocr page 158-
14S
Maar de vertreden bodem kan worden omgezet in goed
land, als er muren worden opgericht in die vele stemmen,
die hoofd en hart voortdurend bezig houden en de kwade
invloeden tot zwijgen brengen. Dit doet de Heere dikwijls,
als Hij den mensch een kruis, leed en beproevingen zendt,
die den verstrooiden geest plotseling tot staan brengen en
voor den ernst des levens of des doods plaatst. In \'t alge-
meen kan eerst dan de werkzaamheid van het Goddelijk
woord beginnen en doen blijken of dit land tot de tweede
of derde of misschien tot de vierde soort behoort, waarover
de Heer verder in Zijne gelijkenis spreekt.
2. „Het andere viel op steenrots\'\'\' of op „steenachtige
plaatsen" (Matth. XIII : 5). Het is van algemeene bekend-
heid, dat Palestina zeer rotsachtig is; dit is vooral het
geval nabij het meer Genesareth. Men denke slechts aan
de wild-romantische rotsblokken van Wadi Hanan, of aan
die van Wadi Lamtim. De weg achter Kapernaüm, die
naar den Chan Dschubb Jftsif loopt, is door zijne onafzien-
bare steen- en rotspartijen, een der vreeselijkste wegen, die
ik in het Heilige Land begaan heb. Waar nu een zoodanige
steenbodem zich uitstrekt tot aan de oppervlakte van den
akker, kan die slechts worden herschapen in vruchtbaar
bouwland, door den grond uit te hakken en met vruchtbare
aarde aan te vullen. Dit geschiedt nog in Palestina. Ver-
richt men dezen zwaren arbeid niet, dan schiet het zaad
wel op, maar het verdort spoedig.
De Heer vergeleek een deel Zijner hoorders met zoo-
danlgen bodem. De eerste wonderdaden en prediking des
Heeren hadden zij met gejuich begroet en ook nu begroetten
zij Hem met geestdrift. Maar Jezus voorzag, dat zij Hem
zouden verlaten, als vervolgingen en lijden zouden komen.
Gedeeltelijk was dit reeds geschied. De jongeren mochten
het opschietende zaad beschouwen als eene belofte voor de
toekomst, Jezus zag nog den rotsgrond in hunne harten.
Het oude steenen hart was nog niet verbroken door boetn
en breken met de zonde.
-ocr page 159-
14!)
Was liet bij de eersten niet gekomen tot een diepen
indruk wegens verstrooidheid des geestes, de tweede categorie
had inderdaad reeds eenige ontvankelijkheid betoond. A.ls
kinderen van het oogenblik berekenden zij niet eerst de
kosten, maar gaven zij zich spoedig en blijmoedig over.
Zij schenen aldus verder te zijn gekomen dan de eersten.
Was bij dezen het wortelen eenvoudig onmogelijk, bij
genen ontkiemde het zaad reeds. Xu echter, — en dit
hadden zij niet bedacht, — na de blijde aanneming des
woords. begon eerst het werk. En dezen grondigen arbeid
aan zichzelven schuwden zij. Hierdoor zijn bedoeld de
oppervlakkige naturen, die meenen, dat met gereede toe-
stemming en opwinding, door hen voor „bekeering" aange-
zien. de zaak was afgedaan. Komen echter de moeilijkheden
dan deinzen zij terug en vallen af. De vermoeiende, aan-
houdende, onverdroten arbeid, die diep aangrijpt, die den
ouden mensch, den ouden wil doodt, dien schuwden zij.
Zonder dit, is eene — mogelijke — verandering van een
reusachtigen bodem in vruchtbaar land niet te verwachten.
3. ..Het andere riel in het mulden van de doornen." Het
Oosten is bijzonder rijk aan doornen en distelen van de
meest verschillende soorten. Wie Palestina bereisd heeft en
de onbebouwde streken met hun doornengroei gezien heeft,
krijgt den indruk, dat nergens ter wereld de vloek over
het aardrijk: „Doornen en distelen zal het voortbrengen"
zoozeer is bewaarheid als hier. Een lage doornstruik, nauwe-
lijks een voet hoog, geheel met doornen bedekt, overdekt
heden ten dage in Palestina onafzienbare vlakten, alwaar
geen enkel gewas anders groeien wil. Deze struiken zullen
hier niet bedoeld zijn, wél de distel, die op de vruchtbare
laagvlakten bij het meer Genesareth overvloedig groeit en
bloeit. In 1S89 reden wij van Kapernaüm naar den Chan
Dschubb Jfisif
aan den straatweg naar Damascus. Een uur
lang ging onze weg door een bosch van distelen. Wij zaten
te paard en toch reikten de distelen tot aan onze hoofden
en rondom zagen wij niets dan een oerbosch van zoodanige
-ocr page 160-
150
distelboonien, waar wij slechts met moeite ons konden door-
werken. Waarvan getuigt dit nu ? Van de onuitputtelijkheid
des bodems, die immer vrucht moet voortbrengen, al zijn
het ook maar distelen! Welk een kostbare oogst kon hier
worden verkregen van dezen kostelijken grond. Ik sprak
daarover niet een bewoner van den oever. „Deze bodem,"
zeide hij. „heeft sinds onheugelijke tijden distelen voortge-
bracht. Heek min allah (God heeft dit nu eenmaal alzoo
gemaakt), zullen wij het nu beter maken dan Hij?" Toch
had men op sommige plaatsen distelstruiken doen afbranden,
daarna den grond een handbreed diep omgeploegd <-n met
koorn bezaaid. Maar nauwelijks stond de magere halm een
weinig boven den grond, of de distelen schoten er hoog
boven uit en men kon verzekerd zijn, dat de armzalige
aren geen vrucht zouden dragen. Slechts van het uitroeien
der wortels tot op groote diepte zou eenig heil te wach-
ten zijn.
De Heer vergeleek een ander deel Zijner hoorders met
deze distelvelden. Gelijk de distelen het weligst tieren op
vruchtbare akkers, zoo had de Heer nu op het oog <\\b\'
begaafde naturen,
zich onderscheidende door rijkdom in
lichamelijk»- of geestelijke goederen. Wat zouden zij veel
goeds kunnen doen met hunne rijke gaven! Maar als het
kwaad eenmaal wortel gevat had in dezen vruchtbaren
bodem, dan zou ook de ontwikkeling van het booze des
te sneller gaan, tenzij de wortels van het onkruid tot in
de diepte werden uitgeroeid. Jezus had onder Zijne hoor-
ders dezulken, bij wie het vuur van voorbijgaande geestdrift
de distelen aan de oppervlakte had verbrand, waardoor
het uitzaaien van Zijn woord mogelijk was geworden. Maar
de diepliggende wortelen hunner aardschgezindheid bleven
onaangeroerd. En daarom zag Hij vooruit, dat naast het
opschietende zaad ook zeer spoedig de distelen tot groote
hoogte zouden opwassen en de vrucht verstikken. De heete
zon van den tegenspoed had dezen niet ongevoelig ge-
maakt, omdat ze te diep waren ingeworteld. Zij boden den
-ocr page 161-
151
woekerplauten te veel vruchtbaren bodem in hunne harten
en in hunne sociale toestanden en daarom moest het
hemelsche zaad verstikken.
Ook deze bodem laat zich omzetten in goed land. Bij
deze derde soort is echter nog meer grondige en nog meer
ernstige arbeid noodig dan bij de beide voorgaande gronden.
Zijn bij don eersten de muren opgetrokken en worden deze
onderhouden, dan is in deze richting al het noodige gedaan;
zijn bij de anderen de steenen weggevoerd en is goede aarde
in hun plaats aangebracht, dan is de steenachtige akker van
voorheen tot een duurzaam vruchtbaar land gemaakt. Maar
bij de distelen gaat het anders, want als deze zijn uitgeroeid,
dan is, indien de bewerking niet zeer grondig geschied is,
het gevaar steeds aanwezig, dat verborgen wortels wederom
aanslaan, de overhand verkrijgen, opwassen en den geheelen
akker tot een woestijn maken. Hier moet het land van het
eene einde tot het andore, zeer diep worden omgewerkt.
Groot bezit dus van aardsche of geestelijke goederen, legt
de verplichting op om, hoe grooter dat is, des te dieper en
ernstiger aan zichzelven te arbeiden. Want, wien veel ge-
geven is, van dien zal veel worden geèischt.
4. ,,£\'« het andere viel op de goede aarde.\'\'\'\' Deze was niet
van een ander gehalte dan de drie andere stukken. Ook de
laatste konden bij vlijtige bewerking even vruchtbaar zijn.
Slechts deze goede aarde was door diep omwerken van de
doornen gezuiverd, de aanwezige rots was verwijderd,
muren en hekken omgaven de begaanbare gedeelten. En
het bracht honderdvoudige vrucht voort. Het zijn de ge-
trouwe naturen,
die de Heer met de goede aarde vergelijkt.
Met deze gelijkenis had Jezus slechts de geschiedenis van
het landbouwersleven verhaald. Geen enkel woord tot ver-
duidelijking voegde hij er aan toe. Maar toen Hij geëindigd
had, verhief Hij Zijne stem en zeide hoog ernstig tot besluit:
„Wie ooren heeft om te hooren. die hoore!" Daarmede wilde
Hij Zijne hoorders vermanen dit oogenschijulijk zoo een-
voudig verhaal te overdenken. Slechts een vierde deel des
-ocr page 162-
15\'2
akkers had vrucht gedragen. Zij moesten zelve er toe komen
te begrijpen, dat Hij sprak van een anderen akker, waarop
ook platgetreden weg, rotsgrond en distelen gevonden wei-
den en dat ook deze drie soorten van onvruchtbaar land
door trouwen arbeid tot goede aarde konden worden. En
terwijl de menigte na dit slotwoord zwijgend daar stond,
aller oogen op Jezus gericht houdende, blikte ook Zijn oog
in het gelaat der schare. Voor Hem lag die vierderlei akker-
grond der harten: onverschillig, lichtbewogen, strijdende of
blijde, overgegeven en vast besloten, open en bloot. Niemand
nog, zelfs van de jongeren niet. had het eenvoudig verhaal
begrepen. Maar allen moesten er over nadenken. Wat uit
dezen mond geboord werd, kon niet oppervlakkig zijn. En
terwijl de menigte zich verspreidde en wederom aan Jiet
werk ging, werd altijd nog die stem gehoord, die zoo ernstig
had gesproken:
„Wie ooren heeft om te hooren, die hoore!"
-ocr page 163-
DE TOCHT VAX JEZUS LANGS DE KUST
DER MIDDELLANDSCHE ZEE.
Mattii. XV : 21—28.
De tocht van Jezus naar Tyrus en Sidon had plaats in
Zijn laatste levensjaar. De dagen van Zijn verblijf in Galilea
waren geteld. Reeds wierp het kruis van Golgotha zijn
schaduw meer en meer zichtbaar op Zijn weg. De werk-
zaamheden van Jezus in Galilea hadden ook hun toppunt
bereikt. De aandrang van het volk werd steeds grooter.
Jezus moest steeds een vaartuig te Zijner beschikking hebben
om Hem nu hier dan daar tot spreekgestoelte te dienen,
als de oever zoo dichtbevolkt was. (Mark. III : 9). Het was
alsof Jezus den arbeid alleen niet meer kon volbrengen.
Hij had „de twaalf zendboden\'1 uitgezonden om Hem be-
hulpzaam te zijn. Twee aan twee gingen zij uit, terwijl
Jezus op het Purimfeest te Jeruzalem was, en zij gingen
het land door predikende, noodigende, teekenen en wonderen
doende. Geheel Galilea hoorde den klank der bazuin. Vol-
*) Het plaatje stelt de citadel van Sidon voor, zooals <lie heden ten
dage uit de zee oprijst.
-ocr page 164-
154
daan kwamen de jongeren terug van hun zendingwerk.
Alles scheen mede te werken, alles liet zich hoopvol aanzien.
Jezus echter wist, waarheen Zijn weg leidde. De volksbe-
weging met het optreden van Johannes begonnen, zich
uitbreidende met Jezus, die de rust in Israël — die eener
begraafplaats - had verstoord, was den toongevenden kringen
in Israël alom eene ergernis. Onlangs nog op het Purimfeest
hadden dezen Hem den dood gezworen. (Joh. V : 1U—18).
Sinds dien tijd zag Jezus onder Zijne toehoorders hier en
daar de loerende blikken der spionnen, die Hem uit Jeru-
zalem waren nagezonden. Hij wist wat dit te beteekenen
had, hoe deze vijandschap der machthebbenden zou eindigen.
Maar er was meer. Gelijktijdig met de zoo opgewekte
terugkeer van Zijne jongeren, kwam er een bericht, dat Jezus
bijzonder trof. Zijn vriend Johannes was in de gevangenis
te Marcherus onthoofd geworden. Üit vernemende kon Hij
niet langer te midden van het gewoel des volks blijven:
Hij kon het onder de menschen niet langer uithouden.
Onweerstaanbaar voelde Hij zich getrokken tot de eenzaam-
heid, die Hij ook noodig achtte voor Zijn jongeren. Het
schip werd losgemaakt, de zeilen geheschen en de Heer voer
met Zijne Apostelen naar den stillen Oostdijken oever. Met
Zijn geestelijk oog zag Hij nog den forschen Dooper als Zijn
Hijksheraut staan aan den Jordaanoever en aanschouwde
Hij het, hoe de edele profeet rustig en zwijgend het hoofd
aan den beul overgaf. Ook zag Hij een stil, eenzaam graf
op de verre hoogten van het Moabietengebergte.
In dit alles zag Jezus Zijn eigen toekomst. Het was Hem
als een wegwijzer voor Zijn eigen leven. Deze wegwijzer
wees naar Golgotha.
Het was in de maand April, juist een jaar vóór tien dood
des Heeren. Daarboven op de heuvelen van Bethsaïda Julias,
kon Jezus de zoo begeerde stilte slechts voor weinige uren
vinden. Het volk was Hem nageloopen rondom het meer.
Dit trof Jezus. Hij deed afstand van de rust, sprak den
geheelen dag tot hen en spijzigde des avonds de 5000. Eerst
-ocr page 165-
155
de nacht bracht Hem de heilige kalmte en, terwijl de
menigte naar huis trok en Zijne jongeren tegen wind en
golven kampten, was Hij alleen op het gebergte om tot
Zijnen Vader te bidden.
Deze tocht langs den Oostdijken oever was niet alleen
het hoogtepunt, maar tevens het keerpunt Zijner werkzaam-
heid in Galilea. In aansluiting aan de spijziging der 5000
en aan de door het volk gewenschte proclamatie van Jezus
als aardsch koning en heerscher over Israël, hield Hij den
volgenden dag in de ons bekende synagoge te Kapornaiim, *)
die lange, diepzinnige rede, welke wij vinden in Joh. VI.
Maar hoe meer Hij sprak, hoe minder Hij door de menigte
begrepen werd. Hij predikte, dat men Hemzelf moest eten.
Hij sprak in het openbaar, al was het in een duistere rede.
van een bloedigen dood, die Hem wachtte, zich vergelij-
kende met een slachtoffer, welks vleesch men eten, welks
bloed men drinken moest. En van het deelgenootschap aan
dezen merkwaardigen offermaaltijd maakte Hij het, heil der
geheele wereld afhankelijk! Dit te gelooveu vonden zij toch
al te erg. Zij waren nog ontstemd, omdat Hij gisteren de
koninklijke waardigheid n&ax hunne bedoeling had afgewezen.
Nu hoorden zij deze rede, die zij wel is waar niet begrepen,
maar waarvan zooveel hun toch wel verstaanbaar was, dat
dit hemelsbreed verschilde van hetgeen zij zich van eenen
Messias voorstelden. Hij moest de Komeinen uit hun land
verjagen, hun eeu schitterend, behaaglijk leven schenken,
door Zijne wondermacht brood, genot en rijkdom geven.
— maar nu ? Hij wilde zich ten offer stellen ? Men zou Zijn
vleesch eten, Zijn bloed drinken? En dit alles als hoofd-
voorwaarde voor de verkrijging van het heil? Neen, dan
hadden zij zich toch in dien Man bedrogen! Van zulke
droomerijen waren zij niet gediend.
Aldus begon van dien dag af een groote afval in Galilea.
*) Zie Schneller ^Kent gij het Land?" Hoofdstuk: De Lente aan
liet meer Genesareth."
-ocr page 166-
156
Velen gingen terug en wandelden niet meer met Hem.
(Joh. VI : 66.) Dit was eene zifting der schare van aan-
hangers. die plaats had, niet buiten de bedoeling van Jezus.
Wie bij Hem niet het hoogere zocht, werd door deze laatste
gebeurtenis voor altijd van Hem vervreemd. Dit spreken
over zich te offeren, over vleesch eten en bloed drinken,
scheen hun in verband met Zijn aarzeling of onverstandige
weigering van gisteren, onzinnig genoeg toe om voor goed
met Hem te breken en voortaan Hem te beschouwen als
eene verloren grootheid. Andereu. die dieper waren aange-
grepen, ging het nochtans met deze raadselachtige woorden
evenzoo als met dat vreemde gezegde te voren (.Joh. II :
19), dat toen ook door niemand verstaan was; wel vermoed-
den zij een dieperen zin, maar zij moesten over de beteekenis
nog nadenken. Toch had Jezus hen den sleutel gegeven om
van de grofzinnelijke beteekenis te komen tot de diepere
geestelijke beteekenis. (Joh. VI : 63.) Voor Jezus zei ven
echter was deze afval van het volk een nadere verwijzing
naar Golgotha.
Jezus bleef nog eenigen tijd in Galilea, zooals blijkt uit
de woorden: „Na dezen wandelde Jezus in Galilea"\' (Joh.
VII : 1). Inderdaad was het nu, wegens den zich open-
barenden afval, een andere tijd dan tot nu toe. Althans
in Kapernaüm en op den Noordelijken oever van het meer
Genesareth, als het middelpunt Zijner werkzaamheid, waar
men Hem met zoo groote geestdrift had ontvangen, nam
het geloof in Hem sterk af, of liever het bleek, dat ondanks
al de geestdrift, waar geloof slechts in weinige harten wortel
had geschoten. Intusschen bleef Jezus nog tot in de maand
Juni in Galilea, gaande van stad tot stad, van dorp tot
dorp.
In \'t hart van den zomer besloot Hij met Zijne discipelen
nog grooter eenzaamheid te zoeken. Hij ondernam met hen
twee reizen van meer uitgestrektheid in het buitenland ten
einde aldaar geheel ongestoord met hen te zijn. De eene
reis was naar de Middelland sche Zcr, de andere naar het
-ocr page 167-
157
hooge Hermongebergte, nabij Cesarea-Filippi. De reizen waren
hierdoor van de andere onderscheiden, dat Jezus niet werd
vergezeld door eene groote volksmenigte, maar veel meer
met Zijne jongeren alleen was. Dit was ook het doel dezer
reizen, die van Juli tot September duurden, n.1. „verborgen
te zijn" (Mark. VII : 24). Hoe meer de Heer inzag, dat Zijn
weg naar het kruis leidde, des te meer verlangde Hij naar
een tijd van ongestoorden omgang met Zijne jongeren oni
deze te onderwijzen. Hij moest daartoe den tijd uitkoopen.
Een jaar later zou Hij niet meer met hen op aarde rond-
wandelen, Hij moest Zijne discipelen vormen door het heer-
lijkste en zorgvuldigste onderricht, dat immer ter wereld
gegeven werd, ten einde hen als Zijn edelste en beste erfenis
aan Zijne Kerk achter te laten, als persoonlijkheden, als
karakters, niet uit de geleerde Joodsche kringen voortge-
komen, maar door Hemzelven bereid, Zijn werk, geheel en
onverdeeld. De reizen van eenige maanden lang werden
geheel besteed aan de opvoeding dezer mannen, wier namen
niet weder verloren zijn gegaan en die te allen tijde met
eere zullen worden genoemd onder de grootsten van het
menschelijk geslacht. Jezus had hun veel te zeggen, veel
kennis hun deelachtig te maken, vele vooroordeelen in hen
te overwinnen. Weinig is ons van dit alles bekend. Toch
weten wij er veel van: geheel het Christelijk geloot\', zooals
het nog heden ten dage leeft in de wereld, is mede een
resultaat van die weken en maanden, die Jezus met Zijne
discipelen heeft doorgebracht, ver buiten Israels grenzen.
Het waren de voorbereidingen der Christelijke Kerk, tot
stand gebracht aan den heerlijken oever der Middellandsche
Zee en aan de hellingen van het trotsehe Hermongebergte.
Hier opende Hij voor Zijne jongeren, — ook Judas was
tegenwoordig, — den ganschen rijkdom van Zijn geest.
Hier toonde Hij de rustige gewisheid van Zijn geloof aan
het zalig einde dezer wereld vol zonde en schuld en liet
hen zien hoe dit zalig einde samenhing met Zijn Persoon;
hier gunde Hij hun een blik in de diepte Zijner ontfermende
-ocr page 168-
158
Heilandsliefde. Slechts óhie les, — de moeilijkste, — han-
delende over Zijn lijden en sterven, spaarde Hij hun nog.
Deze kwam eerst aan de beurt bij de tweede reis naar den
Hermon.
D F. H KISKOÜTE.
Om van Kapernaiim naar de landpalen van Tyrus en Sidon
te gaan moest Jezus het hooge gebergte van Hoog-Galilea
overschrijden en aan gene zijde afdalen naar de kustvlakte.
De weg liep langs de tegenwoordige stad Safed. Hierheen
voerden twee verschillende wegen, de eene Noordelijk over
Chan Djubb Jnsif, de andere Zuidelijk door het dal Wadi
Lemfim.
AVij vergezellen Jezus op den laatsten, die vroeger
een goede straatweg moet gehad hebben, welke tegenwoordig
echter nauwelijks begaanbaar is, hoewel nog even grootsch
als toen. Diep door het dal stroomt zeer snel een breede,
ruischende beek, welker water de vlakte Gennesar zeer
vruchtbaar maakt.
Nadat de reizigers eenige uren opwaarts geloopen hadden,
hielden zij, evenals alle reizigers, hun eerste rust voor ge-
meenschappelijk ontbijt, bij de schoone bron Ain al hamra,
alwaar onder de groene granaat-, vijge-, perzik- en citroen-
boomen altijd wel een schaduwrijke plaats was te vinden.
Van deze bron af bereikte men Safed gemakkelijk in 20
minuten. Hier is men op den hoogsten top der provincie en
heeft men het uitzicht op elk gedeelte van Galilea, waarom
de veronderstelling zeer aannemelijk is, dat Jezus, van de
heuvelen nabij Kapernaiim op Safed wijzende, van deze stad
zou hebben gezegd: „Eene stad op een berg liggende kan
niet verborgen zijn!*\' Hier zal Jezus Zijn Galilea nog wel
eens hebben overzien. Daar lag Naïn met den kleinen
Hermon, ginds de Tabor met zijn trotschen koepel, hier de
berg Gilbóa, daar weder de bergen van Samaria, beheerscht
-ocr page 169-
155)
door de breede borgruggen en kruinen van den Ebal en
Gerizim; ginds, nog verder Zuidwaarts, liet Moabieten-
gebergte aan de Doode Zee, daar de langgestrekte berg-
ruggen van den Karmel, die bet zeer wijde vergezicht tot
de zee voortzet, alwaar Hij Kapernaüm, Bethsaïda, Chorazin
zag liggen. Meer rechts zag Hij de hoogste huizen van
Nazareth op het gebergte, waar Hij tot 20 jaar geleden
Zijne kindsheid had doorgebracht. Hier overzag Hij met
één blik het geheele gebied Zijner zelfopofferende, geest-
driftvolle werkzaamheid in Galilea. Ook hier was het niet
tot een waar geloot\' gekomen. Nu vertrok Hij voor langen
tijd en reeds was het eene uitgemaakte zaak, dat Hij nog
in dit jaar voor goed afscheid zou nemen van Galilea.
Van ISafed, _de stad op den berg\'", waar Jezus de eerste
maal nachtrust zal hebben genomen, trok Hij verder door
Hoog-Galilea. De uitdrukking „in de landpalen van Tyrus
en Sidon" noodzaakt, ons niet aan te nemen, dat Jezus
zich rechtstreeks of bepaaldelijk naar eene van deze hoofd-
steden heeft begeven. De overlevering doet daarom een
gelukkigen greep, als zij Jezus naar Sarepta laat gaan, dat
midden tusschen die beide steden aan den zeeoever is ge-
legen. Indien dit juist is, dan heeft Jezus Noordwaarts het
dal van Leontes moeten doortrekken, over de tegenwoordige
brug ka\' liedje. Deze Leontes (thans Litani) is een wilde
stroom. Aan deze brug, waarover de weg naar het gebied
van Tyrus en Sidon leidt, houden de reizigers na het ver-
moeiende afstijgen naar het koele dal, in de schaduw der
rotsen aan het frissche water gewoonlijk halt. Ook onze
wandelgroep met Jezus in het midden zal hier wel uitge-
rust en het heerlijke rustoord met vreugde hebben begroet.
En aannemende, dat Jezus zich niet haastte op Zijne dag-
reizen, omdat juist deze de meest ongestoorde stilte aan-
boden, die Jezus op Zijne wandelingen zocht ten einde
Zijne discipelen te onderwijzen, — zal Hij op zulke plaatsen
wel lang met Zijne leerlingen hebben vertoefd. Aan hunne
voeten spatte het snelstroomende water van de Leontes op
-ocr page 170-
1G0
tegen de rotswanden. Maar Jezus sprak hun van den stroom
des eeuwigen levens, die met Zijne komst ontsprongen was,
nu nog wel eng besloten tusschen de rotsdalen van Palestina,
maar door deze jongeren spoedig te leiden over juist deze
Middellandsche Zee, door de gansche wereld, totdat de
aarde zou vervuld zijn met de kennis de Heeren, gelijk de
wateren den bodem der zee bedekken.
In het gebied van Tyrus en Sidon.
Met kleine dagreizen zal Jezus op den vijfden of zesden
dag zijn aangekomen aan de kust dter blauwe Middellandsche
Zee, en al moge Hij vroeger, vóór Zijn 30st" levensjaar,
meermalen aan de zee zich hebben opgehouden, zoo was
dit zeer zeker het eerste bezoek gedurende Zijn openbaar
optreden. Vóór Hem lag nu die groote zee, waar de ge-
heele wereld als een krans omheen was gelegen en waar-
over Hij na weinig tijds Zijne Apostelen zenden zou om de
geheele wereld door te gaan. Welk een welig leven heerschte
hier! Weelderige pracht verspreidde zich over de konink-
rijken der zeehelden van Tyrus en Sidon, die sinds aloude
tijden beheerschers der zee waren geweest. De Sidonische
schippers hadden voor Koning David. den aardschen voor-
vader van Jezus, de cederen van den Libanon aangebracht
en Sidonische meesters, timmerlieden en metselaars, hadden
zijn paleis gebouwd. En ook nu nog, toen Jezus aan deze
plaats was, welke pracht, welke weelde vertoonde zich aan
Zijn oog! Hoe prijkten de heerlijke tuinen en parken dei-
rijke handelaren! Den hier wonenden geldvorsten was geen
weelde te kostbaar. De huizen waren omringd door zuilen-
galerijen, met schilderwerk versierd, ramen en deuren met
beeldhouwwerk verfraaid, bloeiende slingerplanten groeiden
langs muren en balkons. Bevallige badhuizen lagen ver-
scholen in schaduwrijke tuinen. Al wat kunst en schoon-
heid kon geven, was hier door de Tyrische en Sidonische
handelskoningen saamgebracht.
Wie thans de poorten der beide morsige steden T\\tus
en Sidon binnenrijdt, kan zich geen denkbeeld maken van
-ocr page 171-
161
de uitgebreide nijverheid toenmaals gedreven door een
geslacht, over welks graven thans Zijn voet zich voortbe-
weegt. Hier stonden de groote fabrieken van alle denkbare
voortbrengselen: linnenweverij, purper- en glasfabricatie.
De wereldberoemde purperwevers van Tyrus, die al de uit
China ingevoerde zijde aankochten en deze, in de meest
koninklijke kleur, naar het groote Romeinsche Rijk uit-
voerden, behaalden daarmede verbazende winsten. Ook de
glasproductie handhaaft hier in haar bakermat nog altijd haar
ouden roem. Volgens Strabo verhieven zich deze fabrieken,
vele verdiepingen hoog, langs de geheele kust van Tyrus
tot Sarepta en van daar tot Sidon. De handel intusschen
bepaalde zich niet tot deze eigen voortbrengselen. Alle
producten uit Midden-Azië en de landen aan den Eufraat,
zooals leder en pelterijen, oliën en specerijen, werden naar
Tyrus gevoerd en van daar uit overal heengezonden. De
grootste handelshuizen dezer stad, die hunne factorijen had-
den tot Spanje toe, beheerschten de wereldmarkt. En alles
wat uitgevoerd werd, keerde met tien-, ja honderdvoudige
winst terug en schonk onmetelijke kapitalen aan de groot-
handelaren en fabrikanten, die de voorname lui waren,
terwijl de groote massa bestond uit werklieden, matrozen
en schippers.
Jezus had de schitterende steden niet tot Zijn doel bestemd.
Hij zocht de stilte, ongeveer aan dezelfde plaatsen, waar een-
maal de vervolgde profeet Elia bij de weduwe van Sarepta
een toevluchtsoord had gevonden. De naam van dezen profeet
had een gansch eigenaardige, eenige beteekenis in het leven
des Heeren. De Dooper was Zijn Elia (Luk. XI : 1-4;: in
Zijne prediking gebruikte Hij menigmaal diens naam; op
den berg der verheerlijking verscheen hij Hem; en zelfs
stervende aan het kruis klonken hem de woorden in het oor:
.,Laat ons zien, of Elias komen zal.\'1 — Op een stille plaats
aan het strand vertoefde de Heer met Zijne jongeren. Markus
bericht (VII : 24): „Hij ging in een huis en wilde niet, dat
iemand het wist." Waarschijnlijk bleef Jezus langen tijd in
Kent gij Hem?                                                                                   11
-ocr page 172-
162
dit gebied, want toen Hij in dit huis niet verborgen kon
blijven, nadat Hij de dochter der Syro-Fenicische vrouw
genezen had, vond Hij daarin aanleiding om meer Noord-
waarts te trekken, waar Hij ook het prachtige Sidon bezocht.
Dit blijkt uit Markus VII : 31: „"Wederom verliet Hij het
gebied van Tijrus en reisde door Sidov naar de zee van
Galilea" (woordelijke vertaling). Indien Hij slechts naar de
zee van Galilea had willen terugkeeren, dan zou Hij voor
den weg naar Sidon juist de tegenovergestelde richting
hebben moeten nemen.
In de nabijheid van Tyrus, meer Zuidelijk, kon Jezus niet
langer blijven. Nauwelijks was Hij aangekomen (Markus VII:
23) of de Syro-Fenicische vrouw was daarvan reeds onder-
richt. Toen haar kind op zekeren dag een aanval der krank-
heid had, ging zij Hem zoeken, vast besloten niet terug te
keeren vóór Hij haar dochter genezen had. Dat Hij helpen
kon wist zij. Zij vond hem niet te huis en wilde Hem op-
zoeken. Jezus was met Zijne jongeren buiten om hen onder
Gods vrijen hemel te leeren. De vrouw ijlt Hem na. Maar
hoe dringend zij ook smeekte, het scheen of Jezus doof
was voor hare beden. De jongeren smeekten met haar mede.
Hij echter sprak kortaf: „Ik ben niet gezonden dan tot de
verlorene schapen van het huis Israels!\'" Zij stelt zich vóór
Hem, valt Hem te voet en roept, misschien voor de hon-
derdste maal: „Heer, help mij!"
Nu opent de Zwijgende eindelijk den mond om haar te
antwoorden. Maar welk een antwoord! „Het is niet betamelijk
dat men het brood der kinderkens neme en het den hon-
dekens voorwerpe!" Om de strengheid van dit gezegde te
gevoelen, moet men weten hoe de Oosterling over de honden
denkt. Voor hem is de hond een afschuwelijk, onrein dier,
dat niemand aanhoudt, maar dat op straat thuis behoort.
Het leeft van de onreinheid der menschen, eet allen afval
en ziet er ruig en verwaarloosd uit, terwijl alleen de scheld-
naam der voorbijgangers „hondsvot" het bewijs geeft, dat
hij wordt opgemerkt. Daarom is „hond" ook nog tegen-
-ocr page 173-
163
woordig evenzeer een scheldnaam als in het Oude en Nieuv e
Testament. Het lekken van het bloed van Izébel door c\'e
honden is het toppunt van smaad, en dat de armeLazaius
zijne wonden door onreine honden liet lekken, gaf te kennen,
hoe ellendig en erbarmelijk zijn toestand was.
Het antwoord des Heeren klonk in Oostersche ooren der-
halve nog harder dan in de onze. De arme, smeekende vrouw
moest dus denken: Wij, Grieken, zijn voor Hem onreine
honden! — Met welke bedoeling gaf Jezus dit antwoord?
Zeker niet om Zijn eigene meening weer te geven. Hij sprak
slechts in den geest Zijner landgenooteu. Elke Isra eliet dacht
destijds zóó over al wat geen volksgenoot was. Zijne be-
doeling was paedagogisch. Hij deed zichzelven geweld aan
om Jood te schijnen, ten einde Zijn jongeren het goede zaad
des geloofs des te duidelijker en te heerlijker te doen op-
merken, voortkomende uit het stof der verachte heidenwereld.
De vrouw moet in den toon der stem en in de o ogen van
Jezus, die haar aanzagen, hebben gelezen. Die oogen, waarin
zij zoo vertrouwend blikte, beschouwden haar niet als een
straathond. En er ligt iets roerends in, als zij in haar ant-
woord het wapen hanteert, dat Hijzelf haar in het harde
woord, door Hem gesproken, als stilzwijgend toereikte: „Ja,
Heer! doch ook de hondekens eten onder de tafel van de
kruimkens der kinderen."
Nu kon Jezus niet langer weerstand bieden. Nauwelijks
had de vrouw deze woorden gesproken, of Hij bleef staan,
zag haar met een bük vol blijde verwondering aan en sprak:
„Vrouw! groot is uw geloof! uwe bede is verhoord. Ga
heen! uwe dochter is genezen!"
Dit voorval was niet slechts voor de vrouw en haar kind
gezegend, maar ook — en dit is in voor den samenhang der
Evangelische geschiedenis van nog meer belang — werd het
een bron voor het onderwijs, dat de Heer Zijnen jongeren
in dien stillen tijd gaf. Om die reden is van deze lange reis
ons slechts deze enkele trek medegedeeld. Het voorval was
van beteekenis in het bijzonder voor de jongeren, hoezeer
-ocr page 174-
164
dezen daarin juist niet een eervolle rol vervulden. Het
schijnt zelfs, dat Jezus bij de behandeling van dit geval
meer Zijne discipelen dan wel de vrouw op het oog had.
AVas het voor de vrouw eene beproeving, voor de jongeren
nog meer en wel met betrekking tot het in hen als Apos-
telen ontwakende begrip van het koninkrijk der hemelen.
Het slot van het gebeurde, - de uitgedrukte bewondering
der vrouw voor Jezus, — bevatte voor de jongeren een
groote practische les, grooter, gewichtiger en in nauwer
verband met hunne aanwezigheid aan deze plaats, ver van
hun geboorteland, dan zij heden nog begrepen. Jezus stond
geheel anders tegenover deze heldin, dan zij. Wel hadden
zij haar hunne voorbede geschonken, maar zij deden dit als
Joden. Zij wilden van de vrouw met haar lastig aanhouden
ontslagen zijn.
Een voorbede, die niet uit het hart kwam, kon ook niet
tot het hart doordringen. En als Jezus juist om deze wijze
van voorbidden zoo verachtelijk over de heidenen sprak,
deed Hij dit meer ter wille van Zijne nog al te Joodsch-
gezinde jongeren, dan met het oog op de smeekende vrouw,
voor wie intusschen deze beproeving ook hare beteekenis
had. Met het woord honden sprak Jezus de innerlijke over-
tuiging Zijner jongeren uit, die echter door Hem niet werd
gedeeld. Hij wilde vernemen, wat Zijne jongeren daarvan
zeggen zouden. Vermoedelijk billijkten zij dat woord van
ganscher harte. Jezus wilde hen echter brengen tot eene
hoogere waardeering der heidenen. In deze geschiedenis
staat Hij voor Zijne jongeren in een dubbele gestalte. Ten
eerste als de Messias der Joden. Doch door het omhulsel
van den bloot Israelietischen Heiland is reeds de Heiland
der wereld
zichtbaar. Hoe kon het anders, - hier in het
gebied van een der schitterendste steden der toen bekende
wereld, waar alle volken elkaar ontmoetten, — hoe kon het
anders dan dat Jezus bij den aanblik der vertegenwoordigers
van zoovele natiën Zijne gedachten bijzonder gevestigd had
op Zijne aanspraken als de Heiland aller volken en natiën?
-ocr page 175-
165
Tot nu toe had Hij Zijne jongeren binnen den engen kring
van Israels volk gehouden. Nu was het tijd om hun blik
hier aan het strand der wereldzee te vestigen op de groote
menschenzee. waarop Hij hen wilde uitzenden als visschers
van menschen. Alzoo was het geheele voorval vol diepe
beteekenis voor de ontwikkeling der jongeren. De geheele
geschiedenis, het hartroerende slot, de hartelijke blijdschap
en toenadering, die Jezus der vrouw bewees, alles te zamen
moest zonder nadere toelichting des Heeren, te denken geven
aan deze Israelietische mannen, die evenals al hunne land-
genooten gewoon waren, in eiken heiden slechts een onrein
wezen te zien. Tot hunne verbazing geeft Jezus te aan-
schouwen, hoe onder het verachte stof der heidenwereld
een fonkelende diamant kan schuilen. De jongeren zullen
verwonderd en beschaamd hebben toegezien. Want ach! —
en dit was ook een gedeelte der leering — het „hondeken"
overtrof verre de kinderen des huizes. Zulke paarlen des
geloofs had Jezus onder het „volk Gods\'\' zelden gevonden.
Alzoo gebruikte Jezus dit onverwachte voorval, als een wijs
opvoeder, tot leering en vorming van Zijne jongeren, zonder
wier tegenwoordigheid Hij de bede der vrouw, wier geloof
Hem wel bekend was, waarschijnlijk wel terstond op vrien-
delijke wijze zou hebben ingewilligd.
De terugreis over Sidon.
Na deze gebeurtenis moest Jezus, die verborgen wilde
blijven, verder reizen. Hij trok Noordwaarts, waar Hij ein-
deüjk in de stad Sidon aankwam. Aldus bleef Hij nog in
het Fenicische land, waar toenmaals de Grieksche taal en
Grieksche toestanden overheerschend waren. Toch was Hij
hier niet ver van Zijn arbeidsveld, integendeel was Hij ook
hier midden in Zijn gewichtigen arbeid. Alvorens af te
treden van het schouwtooneel der wereld, moest Hij nog één
-ocr page 176-
166
werk volbrengen, het grondvesten Zijner gemeente, de be-
werking der twaalf eerste grondsteenen Zijner Kerk, de
Apostelen. Daarom arbeidde de voormalige Bouwmeester nu
hier in alle stilte. Hier verzamelde Plij de grootste kracht
in den kleinen kring om in de twaalven Zijne wereldkerk
te grondvesten. De .,Petri", de steenen, legde Hij op een
kostelijk fundament, opdat, gelijk Hij eenige maanden later
op den Hermon zeide, zelfs de poorten der hel Zijne gemeente
niet zouden kunnen overweldigen. En ongetwijfeld vond de
Heer in het voorval met de Syro-Fenicische aanleiding om
met Zijne jongeren nog verder over dit groote thema te
spreken. Hoe menigmaal zal Hij aan het strand hebben
gestaard naar die groote. blauwe zee, aan welker oevers,
na eenige eeuwen, de Christelijke Kerk in wijden kring zou
zijn verrezen. Voor Zijn geestesoog verhief zich dan op deze
twaalf grondsteenen dat groote heerlijke gebouw in zijn
oneindige ontwikkeling, tot in alle eeuwigheid bestaande.
-ocr page 177-
Het laatste levensjaar des Heeren was meer dan vroeg e
een jaar van reizen. Reeds bewegen zich snellijk over de
aarde de voeten van Hem, die uit de hoogte des hemels
was neergedaald, die nu wederom spoedig afscheid zal nemen.
Meer clan van eenigen tijd moet van dit jaar worden ge-
zegd: de Zoon des menschen heeft niet, waarop Hij het
hoofd kan nederleggen. Nadat Hij omstreeks Juli naar het
heidensch-Grieksch gebied van Tyrus en Sidon gegaan was,
keerde Hij zich, vermoedelijk in Augustus, wederom naar
Het plaatje xtelt voor den oorsprong der Jordaan. Op den achtergrond
de met sne euw bedekte Herinon. De plant is< het Jordaanriet, waarvan
de Heer spreekt in Mattheüs XI: 7.
-ocr page 178-
168
het Zuiden. Zijn geboorteland Galilea ging Hij echter voorbij.
Zijne bestemming was de groote landstreek Zuid-Oostelijk
van Galilea gelegen, het meer heidensche Dekapolis, in het
Oostelijke Jordaanland. Daar verbleef Hij eindelijk op het
hoogland ten Oosten van het meer Genesareth (Mark. VII:
31). Maar nauwelijks was Hij in de nabijheid gekomen van
het land, waar de door Hem in het leven geroepen volks-
beweging haar toppunt had bereikt, of in drie dagen tijd
hadden zich duizenden menschen rondom Hem op het ge-
bergte verzameld. En gelijk Hij ongeveer drie maanden
geleden niet ver van deze plaats de 5000 mannen gespijzigd
had, deed Hij dit hier met de 4000, die door dit wonder in
verrukking geraakten. Jezus bracht van hier uit slechts een
kort bezoek aan den Westelijken oever, Zijn geboorteland,
(Mark. VIII: 10—13). Daarna, naar het Oosten teruggekeerd,
ondernam Hij in September de tweede reis naar het Noorden,
die zich echter niet zoo ver uitstrekte als die naar de Mid-
dellandsche Zee, maar zich bepaalde tot Caesnrea Filippi
aan den voet van het Hermongebergte, vanwaar Hij reeds
in September naar Galilea terugkeerde. In October reisde
Hij weer af, om met het Loofhuttenfeest Jeruzalem te be-
zoeken. Vandaar bracht Hij nog eenmaal een laatst weemoedig
afscheid aan Zijn geliefd Galilea, waarna Hij eindelijk de
vier —- vijf maanden lange reis aanvaardde om voor de
laatste maal op te gaan naar Jeruzalem, alwaar dan alles
in vervulling zou komen, wat van Hem geschreven stond.
Wat mag den Heer hebben bewogen tot Zijn tocht naar
den Hermon? Gedurende het zooeven genoemde bezoek aan
den Westelijken oever van het meer, kwam Jezus na maan-
denlange afwezigheid terug in Zijne woonplaats, die Hij in
Juli had verlaten. Het volk ontving Hem vol vreugde, maar
onder de menigte ontdekte Jezus tevens de loerende aan-
gezichten der spionnen uit Jeruzalem. In den laatsten tijd,
in het buitenland, hadden zij Jezus met rust gelaten. Op
Israelietisch gebied vond Hij hen terug en begonnen zij weer
Hem lagen te leggen. Het onweder naderde. Dat Zijn aard-
-ocr page 179-
109
sche leven door een gewelddadigen dood zou worden afge-
broken, dit wist Hij reeds voor lang. Reeds in de lente
hadden de Farizeën hier in Galilea overlegd, hoe zij Hem
zonden dooden. Jezus wist dit. (Matth. XII: 14—15). De
smadelijke terechtstelling van den Dooper was Hem een
duidelijke vingerwijzing. De voorlooper ging Hem ook voor
in den dood. Het einde, dat den dienaar der waarheid bereid
was. was onvermijdelijk voor den Koning der waarheid, en
in verband met zekere plaatsen uit de profeten, waarover
Hij van Zijne kindsheid af veel had nagedacht, werd het
den Heer immer duidelijker, hoe spoedig Zijn pad door lijden
tot heerlijkheid loopen moest. Dit gaf Hij Zijnen tegenstan-
ders te verstaan in een raadselachtig antwoord. Toen dezen
namelijk van Hem een teeken begeerden, zeide Hij: ,, Wat
begeert dit geslacht een teeken ? Voorwaar Ik zeg u: hun
zal geen teeken gegeven worden, dan het teeken van Jona,
den profeet.\'* Met. deze merkwaardige woorden liet Hij hen
verwonderd staan en hen verlatende, steeg Hij in het schip
om naar den Oostelijken oever terug te varen.
Jezus was voornemens een lange reis te doen. Het woord
aangaande den profeet Jona bewijst, dat deze nieuwe botsing
met de heerschende partij Hem met doodsgedachten had
vervuld. Nu was het hoog tijd om ook Zijne jongeren in te
wijden in de noodzakelijkheid van Zijn naderenden geweld-
dadigen en smadelijken dood, waarvan Hij de zekerheid langen
tijd reeds als een geheim met zich had omgedragen. Deze
mededeeling en hare toelichting was het laatste en zwaarste
onderwerp, waaromtrent Hij Zijne jongeren vóór Zijn heen-
gaan nog moest inlichten. Als een verstandig leeraar was
Hij begonnen met het gemakkelijkste, om van trap tot trap
op te klimmen tot het moeielijkste. Met zaligsprekingen
begonnen, eindigde Hij met de aankondiging van Zijn lijden
en dood. Voor dit hoogst gewichtige gedeelte van Zijn onder-
wijs had Hij een langen tijd ongestoorde rust noodig. Enkele
rustige uren
kon Jezus aan den oever van het meer wel
vinden, ofschoon de wonderbare spijziging aller aandacht
-ocr page 180-
170
op Hem had gevestigd. Maar nu kon er geen sprake meer
zijn van korte openbaringen in een stil avonduur, waarop
den volgenden ochtend wederom een groote toeloop van
volk volgde, neen er was noodig een voortgezet onderwijs
tot ontwikkeling van het geloofsleven der jongeren. En ook
dezen moesten den tijd hebben om de verhevene, diep tref-
fende openbaring in de eenzaamheid te overpeinzen en in
zich op te nemen. Het was een Rijksdag van ernstigen aard,
dien Jezus met het twaalftal boden van het Humelsch Ko-
ninkrijk wilde houden, daarboven op den Hermon. Daarom
ging Hij nog eenmaal naar het buitenland, gelijk men het
gebied van Caesarea Filippi met Zijn heidensche bevolking
wel noemen mag.
Jezus dan ging Noordwaarts. Het doel Zijner reis was
die geweldige Hermon, die grootste der bergen, met sneeuw
bedekt, verguld door de Zuiderzon en vanwaar men het
liefelijke meer Merom aanschouwt, terwijl de top zich in
de wolken verliest.
Aan de bronnen dek Jordaan.
Allerwegen bruisen hier de snelle wateren. Hier is het
land der bronnen, het land van den machtigen watervoor-
raad. Hier is de oorsprong van die talrijke bergstroomen,
die aan verschillende zijden van den Hermon ontspringen,
zich vereenigen en dan als Jordaanstroom met onbelem-
merden gang wegstroomen naar het verre Zuiden.
Voornamelijk zijn het drie machtige bronnen, die hier
dicht bij elkander hun oorsprong nemen, welke de Jordaan
vormen. De meeste Westelijke voedt de huidige Hasbüni
en is, hoewel niet de grootste, toch de oorsprong van de
heiligen stroom.
Een uur gaans meer Oostelijk, ontspringt de tweede, de
grootste bron der Jordaan
, — ja, wellicht de grootste der
-ocr page 181-
171
geheele wereld — uit de geheimzinnige ingewanden van den
Hermon. Deze is de Nahhr Ladddn „de kleine Jordaan",
zooals Jozephus zegt. Hier opent de Hermon zijn rijkste voor-
raadschuren, alsof hij geheele bergmeren in zich bevatte.
Éénmaal bevond zich dit water boven op den berg als
sneeuw en ijs en zijpelde langs onbekende rotspaden tot
diep in den Hermon. Reeds van verre hoort men het water
in de diepte bruisen, totdat men het als een machtigen
stroom , kristalhelder ziet te voorschijn treden en over de
zwarte bazaltruggen naar beneden stormen. Geen wonder,
dat reeds de oude Hebreen aan dezen stroom den naam van
Jordaan gaven, dat is de naar beneden vliegende. Oostelijk
van deze bron heeft men de plaats van het oude Dan thans
met een naam van dezelfde beteekenis i Rechter) in het
Arabisch Tel el kadi. Hier stond Jezus op het uiterste punt
in het Noorden van het Heilige Land, dat zich uitstrekte
„van Dan tot Berseba."
Drie kwartuurs meer Oostelijk ontspringt eindelijk de
derde groote bron der Jordaan,
die van Panias. Hier staan
wij op de overblijfselen van Caesarea Filippi. Ten tijde van
Jezus moet het hier heerlijk zijn geweest. Zelfs heden nog
is het voor den reiziger een idyllisch oord, een paradijs:
wie hier komt droomen van vervlogen tijden, verneemt in
het gefluister van het geboomte de woorden:
Herodes de Groote heeft de stad Caesarea gebouwd en
diens zoon Filippus, een goed en rechtvaardig vorst, heeft
haar op prachtvolle wijze vergroot. De stad lag in een be-
koorlijken hollen weg aan den voet van den Hermon. Ten
Noorden verhief zich loodrecht en trotsch een rotswand,
die eene groote opening bevatte, op een rotspoort gelijkende,
waaruit de derde Jordaanbron ontspringt, niet als een beekje,
maar reeds een stroom. Met groote snelheid storten zich
de wateren over de rotsen en over de puinhoopen van het
oude Caesarea Filippi tot in het dal. Ten tijde, dat Jezus
daar vertoefde, zag het er anders uit. Jozephus zegt van
deze bron: „In het gebergte bevindt zich een buitengewoon
-ocr page 182-
172
.schoone spelonk, waaronder een onmetelijk diepe kloof aau-
wezig is, gevuld met stilstaand water. Daarboven reikt de
berg nog tot in de wolken. Onder deze spelonk ontspringen
de bronnen van de Jordaan. Herodes verrijkte deze stad,
van ziohzelve reeds zuo schoon, met een prachtigen tempel
uit wit steen opgetrokken ter eere van Caesar.
Naar de godheid Pan, aan wien deze tempel was gewijd,
draagt deze plaats ook nog heden den naam Panias. Toch
was niet dit indrukmakende heiligdom het schoonste, maar
wel de bron met hare omgeving, die door den welwillenden
Herodes Filippus op allerlei wijze werd verfraaid met water-
leidingen, tuinen en parken, waartusschen schitterende
paleizen gebouwd waren, zich uitstrekkende tot aan het
blauwe meer Merom.
En in deze in elk opzicht bekoorlijke landstreek hield
Jezus zich op met Zijne jongeren.
Het examen en zijne gevolgen.
Wegens het doel Zijner reize is Jezus hier langen tijd, zeer
zeker verscheidene weken, gebleven. De stad Caesarea Filippi
met hare tempels en paleizen zal door Hem ook wel bereikt
zijn geworden. (Mark. VIII : 27j. Op zekeren dag ging Hij
op een Zijner wandelingen, onder de schaduwrijke boomen
van het brongebied der Jordaan. Jezus had met Zijne jon-
geren gebeden (Luk. IX : 18), — welk een belangrijk gedeelte
van Zijn onderwijs was het gebed! De jongeren dan waren
onder den indruk van dit gebed, waaruit zij bij vernieuwing
hadden geleerd, hoe innig Jezus met Zijnen Hemelschen
Vader verbonden was, zoo geheel anders dan zondige men-
schen. Daarna hield Jezus gelijk een leermeester, alvorens
tot hoogere lessen over te gaan, met Zijne leerlingen, een
examen, waardoor het tot dusver geleerde moest aan den
dag komen. Alles wat Hij tot nu geleerd en met Zijn leven
-ocr page 183-
173
had bevestigd, moest het onwrikbaar fundament zijn van
het Christelijk geloof, waarop het gebouw verder kon worden
opgetrokken. Dit vast fundament, deze vaste grond, was
het onwankelbaar i/eloof in Zijn persoon. De jongeren moesten
in Zijn heiligen Persoon Gods nabijheid voelen, zij moesten
uit duizend groote en kleine dingen, door de overtuigende
kracht van doorleefde feiten, komen tot de gevolgtrekking,
dat een zoon zijnen vader niet meer gelijkvormig kon zijn
dan Jezus gelijkvormig was Dengene, dien Hij Zijnen „He-
melschen Vader" noemde. Zij zouden dit echter niet willen
gelooven. alleen omdat Hij het zeide. In den omgang met
Zijne jongeren had Hij het nimmer onomwonden uitgespro-
ken. In den omgang met Hem zei ven moesten zij door eigen
ondervinding leeren. Feiten spreken duidelijker dan woorden.
Nu zegt men wel, dat een groot man tegenover zijn kamer-
dienaar ophoudt groot te zijn, maar hier had juist het
tegenovergestelde plaats gedurende den intiemen omgang.
Juist door den meest vertrouwelijken omgang zouden zij zoo
overweldigende indrukken ontvangen van Zijne goddelijk-
heid, dat zij eiken grond moesten verwerpen, die schijnbaar
moest of kon worden aangevoerd tegen de ongehoorde ge-
dachte: God in menschelijk vleesch! dat zij zich moesten
buigen voor den Groote, den Heerlijke, den Hoogverhevene.
Tot voor korten tijd had Hij als een gewoon mensch in het
bouvrmeestersgezin te Nazareth gewoond, ja zelfs als de
anderen gewerkt met hamer en truweel; zij kenden Zijne
moeder, broeders en zusters in de gewone levensverhoudin-
gen; dagelijks was Hij met hen, rustte Hij met hen uit in
de schaduw, at Hij met hen het brood, de visch, de olijven,
die zij hadden medegenomen, overnachtte Hij met hen in
dezelfde eenvoudige hutten; — maar juist in deze alle-
daagsche dingen zouden zij door het aardsche omhulsel, door
het voorhangsel Zijner menschengedaante heenziende, Zijn
waar, hemelsch wezen aanschouwen. En deze indruk was
dikwerf, de Evangelische geschiedenis geeft er vele voor-
beelden van, zoo sterk, dat zij door het goddelijke, den
-ocr page 184-
174
mensch bijna geheel voorbijzagen, alsof in Hem de Eeuwige,
de Majestueuze, de alleen Geestelijke was te voorschijn ge-
treden uit het incognito van Zijne uiterlijke verschijning.
Nu was de tijd aangebroken, waarin Jezus de resultaten
van Zijn onderwijs, als ware het door een examen, wilde
doen uitkomen. Voor Hem zelven toch naderde het einde.
Daarom moest Hij overgaan tot het laatste en moeilijkste
leerstuk, zoodra het fundament, het geloof in Zijn Persoon,
was vastgelegd. Hij vroeg hun dus „Wie zeggen de men-
schen, dat Ik ben?" Zij deelden Hem de uiteenloopende
meeningen mede.
Onverwachts kwam Hij nu tot hen met de vraag: „Maar
gijlieden. wie zegt gij, dat Ik ben?" Petrus, die wellicht
reeds lang gewacht had op een gunstige gelegenheid en
voor wiens geest al de ontvangen goddelijke indrukken
in één oogenblik als voorbijtrokken, getroffen door den
grooten ernst in de trekken zijns Meesters, antwoordde
onmiddellijk en op den beslisten toon van een gevestigde
overtuiging: „Gij zijt de Messias, de Zoon des levenden
Gods!" De Messias was de verwacht wordende Koning;
het was dus de Koningsproclamatie, waarin Petrus zijnen
Meester huldigde. Een glans van heilige vreugde bestraalde
het aangezicht van Jezus. Dit was het werk van Zijnen
hemelschen Vader! „Zalig zijt gij, Simon, Bar-Jona!" riep
Hij bewogen uit, „want vleesch en bloed hebben u dit niet
geopenbaard, maar Mijn Vader, die in de hemelen is!\'1 Gij
heet Petrus, aldus vervolgde Hij, maar een Petrus, een rots,
zijt gij, door uw geloof. Op deze rots zal Ik Mijne Gemeente
bouwen, mijn Rijk, welks Koning gij in Mij zoo even hebt
begroet. En zoo duurzaam en vast zal dit fundament zijn,
dat zelfs de poorten der hel het gebouw niet zullen over-
weldigen! Welk eene verklaring! Welke ongedachte uit-
zichten opent zij den discipelen! Wat waren die poorten
der hel? Het waren de wijd geopende poorten, waardoor
tot nu toe alle menschengeslachten, sinds duizenden jaren,
waren verdwenen. Deze poorten stonden steviger dan alles,
-ocr page 185-
175
wat den inenschen bekend was. zij schenen in de eeuwig-
heid gegrondvest te zijn. Voor deze poorten had tot nu
toe alle menschelijke grootheid en majesteit zich gebogen.
De machtigste koninkrijken en hunne stichters waren er
voor in het stof %-erzonken. De dood was als de geweldigste
onder de geweldigen, overwinnaar gebleven op elk slagveld.
Maar Jezus, staande voor Zijne jongeren, als met boven-
mensehelijke macht bekleed, als gebieder over deze wereld,
verkondigt hier in alle kalmte en eenvoud, de heerschappij
van Zichzelven en Zijn Rijk over de nog nimmer overwel-
digde poorten van het doodenrijk. Het nieuwe koninkrijk
zou zijn een tempel G-ods, welks grondsteenen, de Apostelen,
Hij in deze vergankelijke wereld zou bevestigen op den
rotsgrond van geloot\' aan Zijn Persoon, en zelfs door de
gevreesde poorten des doods zullen zij, die tot Zijn Rijk
behooren, ongedeerd en in triumf doortrekken — waarheen?
Tot nog grootere heerlijkheid! Tot nu toe stonden voor
een iegelijk slechts de poorten van het doodenrijk open
om te overweldigen. Nu echter zouden andere poorten, die
des hemelrijks, zich openen. Reeds had Jezus Zijne twaalf
leerlingen, de eerste onderdanen en ministers van dit Rijk,
zoo ver gebracht, dat Hij hun, gebrekkige, menschelijke
werktuigen, de sleutels dezer poorten des hemelrijks kon
toevertrouwen. En in dit gelukkig vooruitzicht van de
groote toekomst van Zijn Koninkrijk, zeide Hij, nog steeds
den verbaasd toeluisterenden Petrus aanziende: „Ik zal u
geven de sleutels van het Koninkrijk der hemelen!" en
gaf Hij hem daarmede reeds de volmacht, die Hij later
(Matth. XVIII : 13, Joh. XX : 23) aan de gezamenlijke
Apostelen gaf om door hen Zijne wereldkerk te stichten.
De jongeren hadden vol verbazing toegeluisterd. Zij ver-
namen de woorden: de poorten van het doodenrijk, de
koning der verschrikking, onschadelijk gemaakt, de poorten
van het hemelrijk geopend, zijzelve de sleutels daarvan in
de hand houdende, — het was hun als droomden zij. Hun
Meester voerde hen op steeds verhevener hoogte. Op de
-ocr page 186-
17U
reis onlangs naar Tyrus en Sidon gedaan, had Hij hun
blik gevestigd op een wereldkerk, die eens alle volkeren
zou omvatten. Nu laat Hij hun nog verder, nog dieper
blikken, n.1. in de onzichtbare wereld. Het licht zou door-
breken ten gevolge van Zijne werkzaamheid, tot aan gene
zijde der grenzen van ruimte en tijd, tot gene zijde der
zoo donkere poorten van het doodenrijk. Het was een
wijdingsure aan de bronnen van de Jordaan, het feestelijk
hoogtepunt van het onderwijs, dat „des menschen Zoon"
dezen mannen had gegeven, sinds zij door Hem waren ge-
roepen. En was dit tevens de beste, de meest troostvolle en
meest goddelijke overgang tot de smartelijke openbaringen,
die nu zouden volgen? Majestueus was de inleiding tot de
aankondiging van Zijn lijden, zoo majestueus als deze eenige
werelclgebeurtenis het vereischte.
Het zal wel eenigen tijd geduurd hebben, alvorens Jezus
met spreken voortging. De gedachten der jongeren zullen
nog wel niet zóó hoog, zóó ver zijn gegaan. Ook Jezus ver-
plaatste zich in den geest in dien heerlijken tijd, dat Zijn
groot Verlossingswerk vruchtdragend zou zijn, immers tot
de laatste handeling bereidde Hij zich meer en meer voor.
Daarna verhief Hij weder Zijne stem. Hij beval hun, den
inhoud der woorden van Petrus voor elkeen verborgen te
houden. Verbaasd zagen de jongeren Hem aan. Wat betee-
kende dit? Zwijgen? Nu het klaar en duidelijk was uitge-
sproken, dat Hij de Christus was, de Messias, Gods Zoon, —
nu Hij die hulde had aangenomen, — moest nu niet de
tijding daarvan jubelend door het land wrorden gedragen,
te meer, omdat nu de geestdrift der volksmenigte ten top
was gestegen? Duizenden toch hadden zich kort na Zijne
aankomst om Hem verzameld! En nu gebood Hij hun te
zwijgen. Zij begrepen er niets van. Maar nog meer zouden
zij zich hebben te verbazen; want nu ontvingen zij, slag op
slag, openbaringen, die dreigden hen van het toppunt van
geestdrift te doen ncderstorten in de diepste moedeloosheid
en wanhoop. Na het zoo verheven feestuur, na het zoo
-ocr page 187-
177
gelukkig doorgestaan examen, trof de aankondiging van
Zijn naderenden dood als een donderslag hunne ooren. Van
toen aan,
zooals de Evangeliën uitdrukkelijk zeggen (Matth.
XVI: 21, Mark. VIII: 31), begon Jezus Zijnen discipelen te
toonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem om gedood
te worden. Ver, ver weg in het Zuiden, waren de omtrekken
der bergen, waarop Jeruzalem lag, flauw zichtbaar. Daarop
wijzende, zeide Jezus: „Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem
en het zal alles volbracht worden aan den Zoon des men-
schen, wat geschreven is door de profeten!"
Als een booze droom kwam deze verklaring den jongeren
voor: veel lijden, gedood worden, opstaan, — zij konden het
niet vatten. Voornamelijk de vurige Petrus niet, die zijnen
Meester aanzag met een blik vol ontsteltenis en verslagen-
heid. Dit zou niet geschieden! Reeds had deze, namens de
andere discipelen, zulke treilende woorden gesproken, dat
hij ook nu niet zwijgen mocht. Hij verzocht Jezus met hem
een weinig ter zijde te gaan. Jezus deed dit. Petrus verzocht
Hem nu dringend, waarschijnlijk in het belang der goede
zaak, die reeds zulke vorderingen maakte, het gevaar te
vermijden en niet naar Jeruzalem te gaan. Hij moest het
rijk van David wederom oprichten — en nu zou Hij sterven!
Dan was het met alles gedaan. Jezus echter wees hem met
gestrengheid af. De Heer was zoo vervuld van blijdschap
over Zijn werk en van de zekerheid aangaande Zijn zege-
vierend, Hem verheerlijkend sterven, dat Hij elke gedacht©
aan het opgeven daarvan, verre van zich wierp. Ook kon
Hij, na de zooeven gedane openbaringen, waarin Hij met
Goddelijke majesteit hunnen blik had gericht op Zijne over-
winning, zelfs aan gene zijde van de poorten des doods, —
een beter, meer gehoorzaam aanvaarden van de nieuwe leer
verwachten. Daarom wees Hij Petrus met gestrengheid af.
„Ga heen, achter mij, Satan!" sprak Hij bestraffend, en het
was alsof dezelfde gestalte, die gedurende de 40 dagen in
de woestijn op Hem was aangedrongen, achter Zijn geliefden,
trouwen discipel stond, Hem verzoekende, „want gij verzint
Kent gij Hkji?
12
-ocr page 188-
178
niet de dingen die Gods zijn, maar die der menschen zijn!"
Petrus zweeg. Zij gingen verder.
In deze dagen kwam Jezus nog dikwijls op ditzelfde on-
derwerp terug. Do uitdrukking: „Van toen aan begon Jezus"
(Matth. XVI: 21) wijst duidelijk op een herhaald onderricht
aangaande deze zaak. Verdere bijzonderheden worden ons
niet medegedeeld. Toch weten wij met zekerheid, waarover
Hij gesproken heeft en in welke richting Hij dit deed. Jezus
verwijst herhaaldelijk daarnaar na Zijne opstanding; zoo
zegt Hij (Luk. XXIV : 44) tot de discipelen: „Dit zijn de
woorden, die Ik tot u sprak, als Ik nog met u was, namelijk
dat het alles moest vervuld worden wat van Mij geschreven
is in de wet van Mozes en de profeten en psalmen. Alzoo
is er geschreven, en alzoo moest de Christus lijden en van
de dooden opstaan ten derden dage.\'* Zijn onderwijs was dus,
gelijk ook de lijdensaankondiging in Luk. XVIII : 31 aan-
duidt, een openen van de diepste beteekenis der Schrift,
het openen van het geheelo Oude Testament, als zijnde eene
groote Messiaansche profetie. Hij „toonde hun aan" (Mark.
XVI: 21) in het bijzonder het goddelijk moeten van Zijn
lijden, waarop Hij na Zijne opstanding zoo dikwijls terug-
kwam: „Moest niet de Christus aldus lijden?" En zou Hij
de Emmaüsgangers hebben bestraft over de traagheid hunner
harten, indien Hij hen van hun verblijf op den Hermon af,
niet zoo duidelijk had aangetoond, dat men eerst dan de
hartader van het Oude Testament had geraakt, als men uit
de wetten van Mozes, de profeten en de psalmen, altijd
weer den lijdenden en door lijden verheerlijkten Messias aan-
schouwde. Zoo onomwonden sprak Hij met hen over Zijne
naderende terechtstelling, dat Hij hun zelfs aanduidde, wolkon
dood Hij sterven zou, den meest vernederenden, die er was,
n.1. dien aan het kruis (Matth. XVI: 24).
Ook verheelde Hij het hun niet, dat ook hun op dezen
weg, de zwaarste beproevingen en zelfverloochening wacht-
ten. Wie van u — aldus sprak Hij ongeveer, — alsnog het
voornemen heeft, Mij te blijven volgen in alles wat Mij nog
-ocr page 189-
170
wacht, die doe afstand van alle aardsche genietingen, per-
soonlijke sympathieën en wenschen, voordeelen en verwach-
tingen; die wete, dat dit alles voor hem niet meer bestaat.
Naar den mensch bezien, is ook uwe positie, Mijne leerlingen,
verloren. Indien een veroordeelde misdadiger naar de ge-
rechtsplaats geleid wordt en deze zijn kruispaal dragen moet,
dan heeft hij geen hoop meer voor dit leven. Hij ziet af
van alles wat de wereld biedt, en hij moet dit doen al zou
hij niet willen. Evenzoo moet ieder, die Mij volgen wil, nu
Mijne zelfovergave aan het kruis een uitgemaakte zaak is,
zich beschouwen als zulk een veroordeelde, die reeds het
kruis op den schouder heeft om te scheiden van de wereld,
waarvan hij niets meer te hopen heeft. En hij, die na deze
openbaringen — en hierbij zag Hij Judas aan, — nog rekenen
zou op aardsch gewin, gemak, geluk en eer, zal zich, bij
hetgeen in de eerstvolgende maanden zal gebeuren, deerlijk
bedrogen zien; hij zal juist verliezen, wat hij gehoopt had
te gewinnen. Maar — en ook nu blikte Hij Zijne jongeren
in de oogen, van welke sommigen den marteldood zouden
sterven, — die om Mijnentwil alle aardsche hoop, ja zelfs
gelijk Ik, zijn leven verliezen zal, die zal het leven vinden
in eeuwige heerlijkheid, want van nu af is den dood zijne
verschrikking ontnomen. De poorten des doods kunnen de
Mijnen niet meer overweldigen. Ontroerd zullen de jongeren
hunnen Meester hebben aangestaard.
Ach, de eisch om afstand te doen van alles, nadat zij
zooveel, ook van deze wereld, verwacht hadden, trof allen
diep. Het meest nog Judas, voor wien de Heer, die hem
ook liefhad, nog deze woorden sprak: ,.\\Vant wat baat het
een mensch, zoo hij de geheele wereld gewint, en lijdt schade
aan zijne ziel?" Daarmede zou de roes der vreugde te duur
zijn betaald; hij zal zijn eeuwigen Rechter niet ontgaan.
En weet gij wie deze eeuwige rechter is? Niemand anders
dan de nu nog bij allen bekende mensch, die naast u staat
op den Hermon, die door de banden des doods niet zal
kunnen worden gehouden. Eenmaal, na Zijnen dood, zal Hij
-ocr page 190-
180
op aarde terugkomen, niet meer als de eenvoudige Galileërr
maar bekleed met de heerlijkheid Zijns Vaders. (Matth. XVI:
27). Omgeven van een koninklijk gevolg van Engelen en
hemelsche heirscharen uit de onzichtbare wereld, zal Hij
komen om een iegelijk te vergelden naar zijne werken. Zoo
ging Hij van trap tot trap; de eene openbaring overtrof de
andere, tot aan de laatste toe, waarin Hij liet doorschemeren,
dat Hij niet ieder van hen vertrouwde. (Joh. VI: 70 zegt
dit nog duidelijk).
Het waren ernstige, beslissende uren, daar aan den voet
van het Hermongebergte! Deze dagen werden onuitwischbaar
in de harten der Apostelen gegrift. De jongeren zullen me-
nigen strijd in de eenzaamheid hebben uitgevochten. De
Evangeliën zeggen ons, dat na de ontvangen openbaring,
eene pauze van 6 tot 8 dagen werd gehouden. Uiterlijk ge-
beurde in dien tijd niets bijzonders. Innerlijk daarentegen
ongetwijfeld des te meer. Zij moesten leeren zich vrijwillig te
schikken in den voorgestelden smartelijken weg huns Mees-
ters. De indruk der woorden van Jezus was natuurlijk zeer
verschillend bij de verschillende jongeren. Judas werd meer
achterhoudend en somber. Thomas, en zeker ook wel anderen
met hem, begonnen te twijfelen. Zij trachtten in de toekomst
te lezen en zagen overal geschreven: Dood! Zij vergaten
intusschen, dat Jezus ook had gesproken van overwinning
over de poorten van het doodenrijk en van Zijn eigen
opstanding. Allen te zamen waren door de woorden van
Jezus met diepen ernst vervuld. Niemand hunner begreep
de zaak. In deze dagen van afzondering, moesten zij nu,
in den strijd der zelfverloochening, er toe komen om ook
in dezen nog onbegrepen weg hun Meester te volgen, dien
zij als Gods Zoon hadden begroet. Wie deze erkentenis
oprecht gemeend had, moest zich door dezen Aanvoerder,
zelfs op den weg des doods vertrouwend laten leiden. Ook
Jezus kwam ongetwijfeld in deze dagen nog dikwijls terug
op deze grondgedachte van Zijne leer: ,,Door kruis tot
heerlijkheid, door den dood tot het leven!"
-ocr page 191-
181
Hij zelf intusschen was niet treurig. Integendeel, een
geest van blijdschap vervulde Hem. Hij zag door den nevel
heen over het aardsche Jeruzalem naar het hemelsche en
Zijne ziel juichte bij de gedachte aan het paradijs, dat Hij
door Zijn sterven herwinnen zou.
De verheerlijking.
Aldus verliep een volle week. Jezus gebruikte die voor
Zijn onderwijs. Diepe verslagenheid had echter de jongeren
aangegrepen. Zij hadden gedacht, dat nu eigenlijk de tegen-
stand der overpriesters en schriftgeleerden glansrijk zou
zijn overwonnen, en nu — zou Hij sterven door hunne
handen. De discipelen waren waarschijnlijk zeer stil, als
Jezus bij hen was. Hij zag wel in dat er een crisis was
ontstaan in de verhouding tusschen Hem en Zijne jongeren
en Hij nam Zijne toevlucht tot het gebed. Het gebed was
voor Hem een staf op eiken weg, ja een wonderstaf, ja
tot vleugelen om zich te verheffen boven het aardsche. Na
8 dagen dan, ging Hij met Zijn drie beproefde leei\'lingen
op den berg om te bidden. (Luk. IX : 28, 29).
Zij bleven twee dagen aldaar, hoog op het gebergte.
Vermoeid van den tocht hadden de discipelen zich te rusten
gelegd. Jezus echter sliep niet; de heerlijke berglucht ver-
frischte Hem en Hij gevoelde behoefte om te bidden. Hij
had veel met Zijnen Vader te bespreken en met vreugde
begroette Hij deze eenzaamheid. De jongeren waren inge-
slapen. Nu was Hij eerst recht alleen met Zijnen Vader,
in rechtstreeksch verkeer met de onzichtbare wereld, met
den eeuwigen God, Zijn tweede Ik. Wat zal Hij tot Hem
gezegd hebben? Niets anders dan dat, wat Hem zoozeer
trof: de neerslachtigheid Zijner jongeren, hunne ongeschikt-
heid om de gedachte in zich op te nemen, dat het slechts
door lijden tot heerlijkheid kon gaan. Voor zich zag Hij
overwinning, wereldverlossing, wereld verheerlijking, — maar
de broze werktuigen, die Hij als dragers der nieuwe levens-
-ocr page 192-
182
macht in de wereld wilde uitzenden, waarvan er enkele\'
aan Zijne zijde slapende waren, schenen bijna te krachteloos,
om die goddelijke gedachte in dit plan te vatten. Ook zal
Hij zich hebben verdiept in het heerlijke raadsbesluit der
Goddelijke liefde, tot vervulling waarvan Hij in menschen-
gedaante op aarde was gekomen, krachtens welke de geheele
aarde, die onder den vloek der zonde aan Zijne voeten
lag, zou worden opgeheven in den zonnegloed der eeuwige
verheerlijking.
Toen geschiedde het, terwijl Hij bad, dat Zijne gedachten
over verheerlijking zich, om zoo te zeggen, belichaamden.
Door Zijn aardsch omkleedsel heen, straalde Zijne Godde-
lijke heerlijkheid! De gloeiende levenskracht, die eene ver-
loste wereld op vleugelen der liefde overwinnen kon en
wilde dragen door de poorten des doods, zou zich als een
zichtbare profetie aan de jongeren openbaren. Zoo wilde
het de Vader. Dit was de verhooring van het gebed des
Zoons. De jongeren zouden het zien, dat in de andere
wereld, waarvan Jezus onder aan den berg met zooveel
vertrouwen gesproken had, Zijn heengaan naar Jeruzalem
bekend en besloten was, ja zij zouden van den Vader in
den hemel zelven de bevestiging vernemen. Hiertoe ver-
schenen nog twee andere gestalten. Omstraald door den
glans van Jezus, de Centraalzon des menschdoms, stonden
bij Hem de twee grootste mannen van het Oude Verbond,
Mozes en Elia, beiden op geheimzinnige wijze, op den Nebo
en aan de Jordaan van deze aarde opgenomen. Met diepen
eerbied staan zij daar als dienaren voor hun goddelijken
Meester. Nu ontwaken de jongeren. Zij openen de oogen,
maar gelooven, dat zij nog droomen. Zij zien, wat hunne
oogen nog nimmer aanschouwden, wat nog nimmer in hen
was opgekomen. Daar staat hun Meester en Zijn aangezicht
evenals Zijne gedaante, blinkt als de zon! Wel stond de
ondergaande zon in het Westen, maar hetgeen zij aan-
schouwden kon niet worden veroorzaakt door het avondrood
der ondergaande zon. Het was een bovenaardsche glans,
-ocr page 193-
183
die Hem en Zijne beide dienaren omstraalde — alle glans
en alle stralen kwamen voort uit Zijn Persoon. Alles aan
Hem was heerlijkheid en licht. Als verblind zagen Hem de
drie jongeren aan. Bijna twee jaren hadden zij, zonder Hem
nog te kennen, met dezen Verheerlijkte omgewandeld ! Hier
begon voorzeker de diepe indruk van Zijne lichtgestalte
in de ziel van Johaunes zich te vestigen, waaronder hij in
den aanhef van zijn Evangelie schrijft: „Het licht schijnt
in de duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen!
Dit was het waarachtige licht, dat verlicht een iegelijk
mensch, komende in de wereld," (Joh. 1 : 5, 9.) Jezus zal
hun hebben gezegd, wie die beide mannen waren.
Dit was dan Mozes, die op Sinaï de wet gaf, van wien
zij sinds hunne kindsheid hadden gehoord als den machtigsten
profeet in Israël! Dit was dan Elia, die om vuur van den
hemel had gebeden, daarginds op den in het Westen zicht-
baren Karmel! Hoe verheven stond hun Meester tusschen
deze beiden! Hoe vol eerbied bogen zich die machtigen
voor Hem, aan Wien zij gedurende de laatste dagen bijna
hadden getwijfeld. En nu waren zij stomme, verbaasde
toehoorders van een gesprek, dat den diepsten indruk op
hen maken moest. Hoe overtuigend spraken zij, als twee
ministers van God, over de zaak, die hen zoo had veront-
rust: de opgang naar Jeruzalem, als van een natuurlijke,
noodzakelijke handeling, die moest leiden tot verheerlijking!
Hoe schaamde zich Petrus, die het gewaagd had dezen
Groote, dezen Heerlijke tegen te spreken, toen hij zeide:
„Dit zal U geenszins geschieden!" Wie waren zij, dat zij
dagelijks met Hem mochten omgaan, met Hem mochten
omwandelen, met Hem mochten vertoeven in de hutten
der Galileërs ! En toch, hetgeen zij zagen was zoo wonder-
baar, zoo oneindig schoon; Petrus ware liefst voor immer
daar gebleven. Eene ongekende zaligheid vervulde zijne
ziel. De onzichtbare wereld, waarvan de meeste menschen
een afkeer hebben, kwam hem zoo bekoorlijk voor; een
zoo heilig verlangen kwam op in zijn hart, dat het hem
-ocr page 194-
184
was als in den psalm is uitgedrukt: „Als de Heer de ge-
vangenen Sions wederbracht, waren wij gelijk degenen, die
droomen. Toen werd onze mond vervuld met lachen en
onze tong met gejuich!" Bijna geloofde hij, dat zij reeds
in den hemel waren en zij niet meer in lagere sferen be-
hoefden af te dalen. Op de hem eigene wijze van kort
beraad, wilde hij dadelijk maatregelen nemen om deze
hooggelegen verblijfplaats zoo behagelijk mogelijk voor het
kleine gezelschap in te richten door eenige loofhutten te
bouwen en dan daar te blijven, voor immer.
Doch, terwijl hij nog sprak, geschiedde er meer! Een
wolk kwam over het bergdal en bedekte de plaats, waar
zij stonden. Een heerlijke glans straalde uit die wolk. Alles,
wat zij zagen, moest in deze ure hun zijn als een symbool,
het zichtbare moest de onzichtbare wereld hun duidelijk
maken om hun geloof te versterken in de donkere dagen,
die aanstaande waren. De wolk was de openbaring van
Gods nabijheid. Zij wisten, dat Gods verschijning was: het
zichtbaar worden van den Eeuwig nabijzijnde, — die om
zoo te zeggen, te voorschijn trad mt het incognito Zijner
onzichtbaarheid. Wie echter gevoelt niet hunne ontzet-
ting bij het aanschouwen van de nabijheid Gods, als be-
lichaamd? Er kwam eene stem uit de wolk, menschelijke
woorden sprekende: „Deze is Mijn geliefde Zoon! Hoort
Hem!\'* als moesten zij worden herinnerd aan die eerste open-
baring aan hun eersten Meester, Johannes den Dooper; —
als moest hun worden gezegd: Gij, die Zijne lijdensopen-
baringen schijnt niet te kunnen gelooven, hoort Hem, volgt
Hem op Zijne donkere paden, ja, zelfs naar Jeruzalem aan
het kruis. Deze stem, waarbij hun lichaam en ziel beefde,
was de laatste handeling en het hoogtepunt van deze ge-
heimzinnige gebeurtenis. Wat nog zooeven zichtbaar was,
werd wederom gehuld in den sluier, die het onzichtbare,
hoe nabij ook, voor ons oog verbergt. De jongeren zagen
nog steeds vol verbazing in het rond, — doch waar zij eerst
drie mannen hadden gezien, zagen zij nu Jezus alléén.
-ocr page 195-
185
Vol majesteit, maar tegelijk nederbuigend, geheel dezelfde
vriendelijke Meester van weleer, zal de Heer met hen hebben
gesproken over deze verheerlijking. (Matth. XVII: 7). Echter
bleet\' Hij niet overeenkomstig de begeerte van Petrus voor
immer met hen op den berg. Zij bleven er nog slechts over-
nachten. De gesprekken, die gehouden zijn, zullen den
jongeren hun leven lang in gedachtenis zijn gebleven.
Slechts éénmaal heeft Petrus dezen grooten dag zijns levens
in zijne brieven vermeld. (2 Petr. 1: 17). Mondeling zal hij
er de gemeente wel bij herhaling van hebben gesproken.
Des anderen daags verlieten de vier bergreizigers het
heerlijk oord en keerden tot de menschen daarbeneden terug.
Den jongeren ging het hart open, terwijl zij met Jezus
voortwandelden en Hem opheldering vroegen aangaande
enkele voor hen duistere zaken, de opstanding der dooden,
de wederkomst van Elia, enz. Ten opzichte van de verheer-
lijking zelve legde Hij hun wederom het stilzwijgen op. Na
korten tijd wilde Hij de wereld zelve op ongedachte wijze
verrassen door de openbaring dezer dingen, die daarboven
door het drietal waren aanschouwd. Hoe geheel anders dan
zij waren opgeklommen, daalden nu de jongeren van den
Hennon af. Gisteren nog waren zij versaagd, heden zijn zij
vol vertrouwen en blijmoedig. Voor hen had de verheerlijking
plaatsgegrepen. Niet voor Jezus, niet om Hem „te doen
rijpen voor het hemelsche bestaan" — dat was Hij reeds
deelachtig, sinds Hij als Meester en Heiland was opgetreden.
Maar het geloof der Jongeren, die de doodsaankondiging
nog niet konden vatten, moest op heerlijke wijze worden
versterkt. Daarom spraken de beide profeten, die bij hen
het hoogst stonden, over het opgaan naar Jeruzalem,
daarom sprak de stem niet tot Jezus, zooals vroeger aan
de Jordaan (Mark. I: 11), maar uitdrukkelijk tot hen, de
jongeren. Maar ook deze grootste aller openbaringen kon
eerst geschieden, nadat zij Hem door Zijne gestalte als
Dienstknecht heen voor acht dagen hadden erkend als den
Zoon des levenden Gods. De reis was ondernomen als om
-ocr page 196-
186
het onderwijs te besluiten en het glansrijk slot was juist
deze verheerlijking, waarbij Jezus zich openbaarde in Zijne
goddelijke volheid en overwinnende levenskracht, ondanks
Zijn sterfelijk lichaam, — eene volheid, die Hij sinds lang
bezat, maar die Hij nog niet had getoond. Nu moesten zij
het gevoelen, dat Hij werkelijk tot de wereldheerschappij
geroepen was, gelijk Hij hun later bij Zijne hemelvaart
zeide: „Mij is gegeven alle macht in den hemel en op de
aarde!" Zoo daalden zij dan met vernieuwd geloot\', met
vernieuwde geestdrift, aan Zijne zijde den ber^ af. Voorzeker
moet het contrast tusschen boven en beneden groot geweest
zijn — zelfs voor den Heer. De wereld des ongeloofs, die
wereld der zonde en hare gevolgen, deed zich met schrillen
wanklank hooren na de hemelsche uren op den berg door-
leefd, zoodat de Heer het uitsprak met de woorden: „O, gij
ougeloovig en verkeerd geslacht! hoe lang zal Ik nog met
ulieden zijn?" (Matth. XVII : 17).
Hoe lang Jezus nog in het brongebied van de Jordaan
vertoefde, is ons onbekend. Voorzeker gebruikte Hij al dien
tijd voor verder onderwijs. In bijzonderheden is ook daarvan
ons niets bekend, maar in de brieven der Apostelen, in
hunne leerredenen te Jeruzalem en door geheel de wereld,
weerklonk wat Jezus hier in de eenzaamheid tot hen ge-
sjm\'oken had.
Hkt afscheid.
Jezus nam afscheid van de bronnen der Jordaan. Hij had
het doel bereikt, waartoe Hij hier gekomen was. Hij had
Zijn jongeren ingeleid in de doodsgedachten, die van nu
aan meer en meer het onderwerp van Zijn denken en spreken
zouden zijn. Met voldoening kon Hij terugzien op hetgeen
Hij bij Zijne jongeren had bewerkt, ondanks hunne klein-
geloovigheid. Als op eene rots gegrond, was de gemeente
-ocr page 197-
187
gevestigd, die zich van nu aan zou ontwikkelen tot in alle
eeuwigheid. In de harten Zijner jongeren, uitgenomen van
den ,,zoon des verderfs", was de Petra, de rots des geloofs,
als het onbeweeglijk fundament gelegd en als de kroon op
het onderwijs had de Vader in den hemel zelf Zijne stem
doen hooren uit de wolk en achter het laatste hoofdstuk
Zijn goddelijk punctum geplaatst.
De Apostelen vormden nu de grondslagen van een nieuwe
wereld en van een nieuwen tijd, terwijl de oude tijd onver-
mijdelijk zijn einde te gemoet snelde. Reeds naderde met
ijzeren voet het strafgericht voor liet volk, dat zijn Heiland
verstiet. Op dezelfde plaats, waar Jezus het Examen met
Zijne jongeren liield, waar Hij hun de aanstaande overwin-
ning Zijner kerk, zelfs aan gene zijde des grafs voorspelde, -
op diezelfde plaats werd ongeveer 40 jaar later het dooden-
feest van het Israelietische volk gehouden. De overwinnende
Romeinsche veldheer Titus kwam van de rookende puin-
hoopen van Jeruzalem en het vuurgraf van den Jehova-tempel
met zijn leger naar Caesarea Filippi om den ondergang van
Israël met schitterende feesten te vieren. Grroote scharen
Joodsche gevangenen werden herwaarts gesleept en op
gruwzame wijze omgebracht. Daar, waar de Verlosser, de
ware Koning der Joden, voor weinige tientallen jaren een
rijksdag hield met Zijne twaalf Apostelen en het fundament
legde van Zijn nieuw koninkrijk, terwijl Hij den blik wendde
naar Jeruzalem, waar Hij sterven zoude, — daar lagen de
laatste hoogmoedige helden van het verblinde Israël, van
het oude Rijk te zieltogen.
Jezus hoorde den rollenden donder van het naderend
gericht.
Hij overzag van den Hermon, het geheele Heilige Land
met geheel zijne geschiedenis, verheven maar treurig, omdat
de laatste gruwelijke daad zou zijn: het ter dood brengen
van Zijn hoogheerlijken Persoon. Hij zag, hoe Israël daar-
mede zijn eigen doodvonnis nitsprak. Hij zag de legerbenden
aanstormen en het eeuwenoude Rijk van Israël begraven
-ocr page 198-
188
onder de puinhoopen van Jeruzalem. Maar ook zag Hij met
Goddelijken zienersblik in de gouden toekomst. Hij zag, hoe
op de overblijfselen van Israels rijk, van alle koninkrijken
der aarde, de schitterende tempel Gods zich zou verheffen,
welks fundament Hij in de twaalven had gelegd. Het waren
dus niet enkel lijdensaankondigingen, die Hij uitsprak; neen,
reeds weerklonk een overwinningskreet in de woorden: „Wij
gaan op naar Jeruzalem!" Hij ging daarheen niet om te
sterven, maar om de poorten des doods te openen. De jon-
geren zagen deze lichtzijde van het lijden nog niet, zij
zagen nog slechts het beeld van den lijdenden Heiland.
Zelfs zes maanden later, in Gethsemané, verstonden zij dat
nog niet en lieten zij Hem alleen.
Wanneer wij dit alles nu overdenken, — dan straalt er
een gloriekrans rondom den eenigen, koninklijken Hermon,
„den heiligen berg.\'\' (2 Petr. 1:18). Heerlijke Hermon! Gij
zaagt op uwen kruin het voorspel der eeuwige verheerlijking,
die eenmaal zal opgaan over de bergen dezer aarde, als
de ochtendstond der eeuwige heerlijkheid. Niet tevergeefs
verheft gij uw kruin zoo blijmoedig tot in de wolken; want
gij zijt ons een profeet uit het land, waar de eeuwige ver-
heerlijking der wereld volbracht wordt, waar het toeven
op den berg der verheerlijking niet meer uitzondering is,
waarop wederom uren van smart en ellende volgen, — maar
waar wij duurzaam mogen wonen, als ten aanzien der ver-
heerlijkte aarde het woord zal vervuld worden:
„Ziet! de woonstede Gods is onder de menschen!"
-ocr page 199-
HET LOOFHUTTENFEEST TE JERUZALEM.
Jezus was van den Hermon naar Kapernaüm terugge-
keerd. Hij was langen tijd afwezig geweest. Drie maanden
moet Hij in het buitenland hebben doorgebracht, eerst in
Tyrus en Sidon, daarna in Dekapolis en laatstelijk aan de
bronnen der Jordaan. In het bijzonder te Kapernaüm had
men Hem sinds Zijn tocht naar Tyrus in Juli gemist. Nu
was het September. In Kapernaüm zal menigeen zich over
deze reistochten van Jezus hebben verwonderd, want de
drie genoemde landstreken waren alle zuiver heidensch
gebied, waar Hij van alle verkeer met het Joodsche Israël
was afgesneden. Niet het minst zal men zich hebben ver-
wonderd in het huis van Jezus\' eigen familie. Zijne broe-
ders en ook Maria begrepen Hem niet. Het voorgaande
jaar was Hij ook ongeveer negen maanden afwezig ge-
bleven. Maar toenmaals vertoefde Hij in Judea, ten deele
in Jeruzalem, ten deele in de omstreken zelve, voornamelijk
aan de Jordaan, alwaar Hij doopte en tal van jongeren
om zich verzamelde. Dit alles vonden zij zeer natuurlijk;
maar deze buitenlandsche reizen waren hun volkomen
onbegrijpelijk. Nu echter was Hij eindelijk weder in huis
gekomen. (Mark. IX : 33.) Maar ook hier in Galilea bleef
Hij wederom zooveel mogelijk in de afzondering, ondanks
-ocr page 200-
190
in de lente nog groote volksmassa\'s Hem aldaar gevolgd
waren. (Mark. XI : 30.)
Het was herfst. De oogst van druiven en andere vruchten
was in vollen gang en naderde reeds het einde. Het Loof-
huttenfeest was aanstaande. Reeds overal maakte men zich
gereed voor de feestreis naar Jeruzalem. Alleen Jezus deed
dit niet. Wat kon Hem nu meer terughouden om gelijk
alle vrome Israëlieten op te gaan tot het feest? Wilde Hij
een kluizenaar worden in plaats van Messias? Of wel
ontbrak het Hem aan moed? Zijne broeders maakten daarop
aanmerkingen, zeggende: „Niemand houdt zich verborgen,
die, zooals Gij, zich als profeet wil openbaren; maak U
mede op, ga naar Judea en maak u bekend aan de wereld.\'"
„De broeders," — aan welker spits de latere voorganger
der eerste Christengemeente in Jeruzalem, Jacobus, stond —
„geloofden nog niet in Hem,\'" zegt het Evangelie (Joh.
VII : 5). AVel konden zij de wonderen, waarvan zij getuige
waren geweest, niet loochenen, maar zij meenden, wie
Messias van het volk of ook maar een profeet zijn wilde,
moest opgaan naar Jeruzalem, de toestemming der schrift-
geleerden en oversten des volks verwerven en met hunne
goedkeuring en hulp het geheele volk voor zich winnen.
Dit alles kon in het verachte Galilea of in de landen der
heidenen niet geschieden. Daartoe was uoodig moedig den
tocht naar Jeruzalem te doen — en welk tijdstip was
daartoe gunstiger dan dit feest, dat de besten der natie in
de heilige stad samenbracht?
Zij wisten echter niet, wat hun Broeder van deze schrift-
geleerden te wachten stond. Zij konden niet vermoeden,
welke treurige geheimen Jezus aan Zijne jongeren had
onthuld gedurende de laatste weken. Hun kon Hij dit ook
niet mededeelen, Hij zinspeelde er slechts op in de woorden:
rDe wereld (aan welke gij wilt dat Ik Mij zal openbaren
en van welke gij voor Mijne zaak zooveel verwacht) haat
Mij — ulieden niet. Daarom is Mijn tijd tot openbaring
op dit feest nog niet gekomen. De jongeren begrepen Hem.
-ocr page 201-
191
Nog slechts kort geleden, terugkeerende van den Hermon,
had Hij hun bij vernieuwing gesproken van dezen tocht
naar Jeruzalem (Mark. IX : iilj, waarbij deze haat zijn
toppunt zou bereiken. Het antwoord van Jezus sloot geheel
op de vordering Zijner broeders, toen Hij sprak: „Om Mij
aan de wereld te openbaren en feestelijk binnen te trekken
in de Koningsstad (gelijk een halt\'jaar later op Palmzondag)
ga Ik niet op tot dit feest, want Mijn tijd is nog niet vervuld."
De broeders schudden het hoofd; dit was wederom het oude
talmen. Zij reisden weg met de karavaan. Wie niet geraden
zijn wil, kan ook niet geholpen worden, dachten zij.
Eenige dagen later, toen zij reeds de bergen waren over-
getrokken, ging ook Jezus naar Jeruzalem, niet openlijk,
maar als in het verborgen.
De feestviering.
Te Jeruzalem was inmiddels het Loof huttenfeest in vollen
gang gekomen. Welk een stroom van menschen, wat fees-
telijk gewoel binnen de muren van Jeruzalem! Uit alle
windstreken kwamen gasten. Uit het Noorden van Galilea
en van het gebergte van Efraïm, uit het Oosten van Jericho,
de Jordaanstreek en Perea, uit het Zuiden van Hebron en
Bethlehem, uit het Westen van de berghellingen. Daarboven
kwamen talrijke vreemdelingen uit de havensteden Caesarea
en Joppe. Jubelend en juichend naderden allen de heilige
stad. Pauken en cimbalen overstemden het gezang, wanneer
de reizigers, evenals nog bij de tegenwoordige pelgrims-
tochten in het Heilige Land, des avonds halt houden, of
wel wanneer zij aan het einde van den tocht den heiligen
tempel aanschouwden. Geen feest werd door de bewoners
van Palestina zoo gaarne bijgewoond, als dit. Het is mogelijk,
dat de buitenlandsche bezoekers niet zoo talrijk waren als
met het Paaschfeest. In het binnenland echter was het nu,
-ocr page 202-
192
einde September of begin October, de meest uitgezochte
tijd voor feestvreugde. Van Mei af had men voortdurend
de verschillende vruchten geoogst en in den laatsten tijd
had het geheele land als het ware er uitgezien, als één
groot Loofhutten-feestterein.
In den heerlijken zomertijd woonde een ieder, die een
tuin, wijnberg of bosch in bezit had, naar oud-vaderlijke
zeden buiten onder den wijnstok of zijne vijgeboomen. Ja
zelfs de stedelingen in Jeruzalem namen in dezen tijd bij
voorkeur hun verblijf op kleine landgoederen of in welaan-
gelegde tuinen. Aldaar woonden zij in lichtgebouwde land-
huizen, in de torens der wijnbergen of in loofhutten en
zwartharige tenten. Nu echter, in de eerste dagen van
October, kwam het verheugde volk uit alle deelen des
lands te zamen om het oogstfeest te vieren in den tempel te
Jeruzalem. Jozephus noemt het Loof huttenfeest het grootste
en het heiligste van alle Israelietische feesten. Overal wor-
den tenten of loofhutten opgeslagen, ook de 120,000
inwoners der stad woonden dan niet als gewoonlijk in
steenen huizen, maar een ieder had zijne tent, gelijk vroeger
de zwervende Israëlieten in de woestijn, hetzij op de bin-
nenplaats, *) op een vrije plek of op het dak. Aldus wilde
het de heilige feestorde uit den tijd der vaderen. Ook
buiten de stad, van de stadspoort tot ver in het Noorden
nabij den Skopus, in het Westen tot voorbij den grooten
vijver en in het Oosten tot aan den Olijfberg stond tent
aan tent, loofhut aan loofhut. De omtrek van Jeruzalem
geleek op de legerplaats van een groot zwervend Bedoe-
ïenenvolk.
Het feest duurde acht dagen. Het was een volksfeest in
den uitgebreidsten zin des woords. De geringste landbouwer
kon de feestvreugd evenzeer genieten als de rijkste stedeling,
omdat de in het jaargetijde zijn oorsprong vindende, lan-
delijke bestemming van het feest op het innigst verbonden
*) Zie »Kent gij het land?" hoofdstuk: »de laatste nacht."
-ocr page 203-
193
was met de godsdienstige gedachte namelijk de herdenking
van Gods wonderdaden gedurende den tocht van Israels
volk door de woestijn. Twee wonderdaden traden in het
bijzonder op den voorgrond: des daags zouden de zwerven-
den niet versmachten in de waterlooze vlakte der Sinaï-
tische woestijn: des nachts, ging de vlammende wolkkolom
voor hen uit als een helder licht. Aan deze beide voorrechten
herinnerden onder de menigvuldige ceremoniën van het
Loofhuttenfeest in hoofdzaak twee feestelijkheden, waarvan
natuurlijkerwijze de ééne des daags, de andere des nachts
plaats vond.
De eerste was het drankoff\'er, waartoe liet water eiken
ochtend op feestelijke wijze uit de bron Siloah werd opge-
bracht. Juist nu, in Uctober. was het volk voor een waterfeest
bijzonder ontvankelijk. aangezien het gansche land overal
droog en dor was. De vergaarbakken waren leeg; de bronnen
droogden uit, het verdorde land begon te scheuren door de
gloeiende hitte der Octoberzon. Alles zag verlangend uit
naar den eersten regen, die het dorstige land zou komen
verkwikken. Het was dus een groote vreugde voor het volk,
als des ochtends een priester, gevolgd door een tallooze
menigte, uit de prachtige tempelpoort naar buiten trad om
door het Kidrondal af te dalen naar de bron Siloah. Uit deze
schepte hij het water met een gouden kan. En evenals nu
nog de bewoners van Palestina nooit verzuimen uiteen bron.
die zij voorbijgaan, te drinken, zal ook bij deze gelegenheid
het geheele volk uit de heilige bron hebben gedronken. Nog
heden wordt men aan dit volksgebruik uit lang vervlogen
tijden levendig herinnerd, als in December of Januari van
elk waterrijk jaar, in datzelfde dal nabij de Siloahbron, de
Jobsbron overloopt en hare wateren het Kidrondal door-
stroomen. Dan ijlt jong en oud in feestgewaad het tegen-
woordige Jeruzalem uit daarheen. Reeds in den vroegen
ochtend trekken zij in schilderachtige groepen van Jeruza-
lems hoogte naar het dal, sommigen te voet, geheele scharen
op ezels, velen op trotsche paarden. Ook de dorpsbewoners
KïNT OU HKM ?                                                              13
-ocr page 204-
194
van Siloah komen van hunne rotsen af en uit de geheele
omgeving tot Bethlehem toe, gaan talrijke gasten op tot het
feest. Met aandacht kijken zij in de krachtige bronwei, die
hun de vervulling hunner hoogste wenschen, een overvloe-
digen winterregen, waarborgt. Daarna leggen zij zich neder
in behaaglijke groepen en heffen zij een vroolijk gezang aan.
Evenzoo groot was vóór vele eeuwen de deelneming aan het
waterfeest ten tijde der jaarlijks wederkeerende droogte, in
ditzelfde dal. De priester droeg het water in de gouden
kruik van de bron Siloah in feestelijken optocht naar de
stad. Langs de oude rotsgraven van het dal Josafat, zooals
het Kidrondal daar heet, ging de stoet op naar den tempel.
Achter den priester ging het juichende volk, in rijen dan-
sende, met groene palm-, mirte- en perziktakken in de hand*).
Zoo vroolijk ging het op deze feesten toe, dat de Rabbijnen
gewoonlijk zeggen, dat wie aan de vreugde van het Loof-
huttenfeest nog nimmer deelnam, eigenlijk nog niet weet
wat feestvreugde is. De feeststoet bewoog zich langs den
voet des Olijf bergs, zoodat het gejuich der menigte door-
drong tot in de voorhoven des tempels, waar de menigte
binnentrad onder trompetgeschal. Middelerwijl betrad de
priester het altaar en bracht het drankoffer uit de gouden
kruik op. Het volk stelde zich tegenover hem en op de maat
van cymbalen en pauken zongen de vroolijke mannenstem-
men, begeleid door de bewegingen van den rijeudans, de
woorden uit Jesaja XII :\'ó: „Gijlieden zult waterscheppen
met vreugde uit de fonteinen des heils!" En wij weten, dat
naar de uitlegging dezer woorden, men niet alleen tcrugz&g
op het water, dat door den staf van Mozes uit de rots
stroomde, maar dat men veelmeer vooruitz&g op de bronnen
des heils, die de verwacht wordende Christus zou openen.
Het nachtelijk feest had betrekking op het andere genade-
wonder gedurende den tocht der Israëlieten door de woestijn,
de vuur- en wolkkolom. Twee fakkels van reusachtige afmeting
*) Vergelijk «Kent gij het land?" hoofdstukken «Feesten" en «Muziek".
-ocr page 205-
195
werden in den temjjelhof ontstoken. Zij waren in den Voorhof
der vrouwen geplaatst. Men zegt, dat hun licht zich ver-
spreidde over geheel Jeruzalem. Dit nachtelijk feest was
nog veel drukker dan het waterfeest des ochtends, gelijk
ook heden nog de feestvreugde bij huwelijksfeesten eerst
des nachts haar toppunt bereikt, als het flikkerend licht der
fakkels zich verspreidt en het gezang in de stilte des nachts
weergalmt. Eerst wanneer de beide reuzenluchters waren
aangestoken en bovendien nog tallooze toortsen brandden,
eerst dan was de rechte tijd gekomen voor een echt Oostersch
feest. Aldus werden de feesten, vooral door de landelijke
bevolking, steeds gehouden op de bergen, in tuinen of in
de dorpen. In de voorhoven Hes tempels klonken weer de
feestzangen, begeleid door muziekinstrumenten, op welker
maat de rijendansen werden uitgevoerd. Luide weerklonk
het gejuich over de stad tot op den in duisternis gehulden
Olijfberg. Vermoedelijk zong men het meest die psalmen,
die uitnoodigden om den Heer in Zijn heiligdom te prijzen
en te loven met muziekinstrumenten. De vreugde werd steeds
grooter en opgewekter, ja wij weten, dat ze niet zelden
eindigde in volkomen uitgelatenheid. Niet slechts de jeugd,
zelfs mannen op rijpen leeftijd namen deel aan den dans,
die niet eindigde, vóór dat het eerste ochtendgloren achter
den Olijfberg den naderenden dag aankondigde.
Op deze wijze werd het feest van dag tot dag voortgezet.
Omtrent den achtsten dag zijn wij daarvan niet zeker. Dit
weten wij intusschen wel, dat Jezus er meermalen getuige
van was na Zijne aankomst op het feest te Jeruzalem, den
vierden of vijfden dag. Onverwachts stond Hij op zekeren
morgen in den tempelhof, leerende. Wij kunnen ons moeielijk
de beweging voorstellen, die Zijne verschijning teweegbracht.
Allen hadden in deze dagen over Hem gesproken. Onder
allen, die van heinde en verre waren toegestroomd, was
voorzeker niemand , die in deze feestdagen Zijn naam niet
had gehoord. Hier vielen alle berichten aangaande Zijne
wonderen en de kracht Zijner woorden samen. Alles wat Hij
-ocr page 206-
190
vroeger verricht had, werd opnieuw in herinnering gebracht.
Ongeloofelijke dingen werden van Hem verhaald sinds de
opwekking van den jongeling te Naïn. de spijziging der
5000, die der 4000, en vele andere. In de honderden tenten,
die om en in Jeruzalem waren opgeslagen, zaten dikwijls
groepen van mannen en vrouwen bijeen, elkander de verhalen
Zijner wonderen mededeelende. Zij, die Hem vroeger gezien
hadden, hoopten den wondervollen Man nu te leeren kennen.
Want nu moest Hij wel komen, daar Hij op de beide andere
hoofdfeesten, Paschen en Pinksteren, niet was verschenen.
Sinds zeven maanden was Hij te Jeruzalem niet gezien.
„Zou Hij komen?" Deze vraag was op den eersten dag van
het feest op aller lippen en geen enkele der feestgangers
zal meer belangstellend zijn ontvangen dan de broeders van
Jezus. Bij hunne aankomst zullen zij bestormd zijn geworden
met de vraag of hun broeder niet komen zoude en de vragers
zullen zich ontstemd hebben afgewend op de droeve ver-
klaring, dat Hij niet zou verschijnen. Dit bericht verhinderde
intusschen niet, dat het dagelijksch gesprek Jezus gold.
Johannes leert ons dit op duidelijke wijze (VII : 12). Nimmer
nog was onder het Israelietische volk zulk een man opge-
treden. De in eiken kring zoozeer vereerde, in het algemeen
voor den aangekondigden Redder en Verlosser gehouden
Johannes de Dooper (Luk. III: 15), die voor twee jaren was
begonnen te leeraren en een half jaar geleden was vermoord
geworden, had door zijne prediking en door zijnen doop die
geweldige beweging slechts in gang gebracht om voor Jezus,
den Meerdere, plaats te maken. Ieder erkende, dat men in
merkwaardige dagen leefde sedert het optreden van deze
beide mannen. Nu echter trok zich de algeheele uiting dezer
machtige volksbeweging samen om Jezus alléén. De gevoe-
lens aangaande Hem waren zeer verdeeld. De ééne partij
was vol geestdrift en vol verwachting van eenegroote daad,
die Hem plaatsen zou aan het hoofd der natie. Zij hield
Hem voor een profeet, ja, voor meer dan dat. Anderen
waren slechts nieuwsgierig om Hem te zien. Weer anderen,
-ocr page 207-
197
en dit was de Farizeesche partij, pleitten voor het tegen-
overgestelde en noemden Hem een bedrieger, die gelijk
zoovelen in de laatste jaren, met voorgewende Goddelijke
opdracht had getracht het volk te verleiden. Hoe het zijn
moge, een ieder sprak over Hem, zij het ook dat Zijne
aanhangers, die de minderheid uitmaakten, bij de vijandige
houding der heerschende partij het niet waagden hun ge-
voelen vrijmoedig uit te spreken. (Joh. VII: 13).
Daar staat op zekeren morgen Jezus midden in den
voorhof des tempels! De tijding hiervan verbreidde zich
snel als de wind door geheel Jeruzalem in de honderden
tenten van het Loofhuttenfeest. Hoe meer men de hoop
reeds had opgegeven Hem te zien, hoe meer onversaagd
Zijn moedig optreden in het hol van den leeuw den volke
toescheen, des te meer verrast schaarde zich eene groote
menigte rondom den Profeet van Galilea. Ten einde de
oversten des volks niet al te zeer te prikkelen was Jezus
niet openlijk opgegaan naar Jeruzalem. Indien Hij dit ge-
daan had, dan zou de opwinding des volks, gelijk een
halfjaar later op Palmzondag, de woede der hoogepriester-
lijke partij zoodanig hebben gaande gemaakt, dat Hij nu
reeds Zijn Goeden Vrijdag zou hebben doorleefd, hetzij aan
het kruis, hetzij onder de steenworpen Zijner vijanden.
Want als reeds in Galilea, toen de lieden in hun beroep
bezig waren, duizenden zich om Hem heen verzamelden,
hoeveel te meer zou dan de groote massa, die opging naar
Jeruzalem, waarheen het halve land ter feestviering op
reis was, zich hebben aaneengesloten om Hem een triumf-
tocht te bereiden. Jezus zou, als Hij zulks gewild had, aan
de spits van duizenden Jeruzalem hebben kunnen binnen-
trekken. Maar Hij wilde de uitwendige beslissing over Zijn
lot verdagen, totdat de inwendige beslissing in de harten
van het Joodsche volk en der oversten in kalme overtuiging,
zonder overijling, tot volkomen openbaring van Zijn innerlijk
wezen, was gevestigd. Om die reden was Hij bijna in het
verborgen gekomen. Ook Zijn jongeren schijnen niet te zijn
-ocr page 208-
198
medegekomen. (de jongeren uit Joh. IX : 2 waren vermoe-
delijk Zijne discipelen in Jeruzalem, uit Bethanië, enz.). Van
Johannes alléén weten wij zeker, dat hij tegenwoordig was.
Hoe geheim ook Jezus Zijne reis had volbracht, Zijne komst
was noodzakelijk. Nadat Hij gedurende het laatste halfjaar
de opleiding van Zijne twaalf Apostelen, de vestiging Zijner
toekomstige gemeente tot op zekere hoogte ten einde ge-
bracht en Hij daarboven op den Hermon Zijn punctum finale
er achter geplaatst had, kon Hij niet langer het middelpunt
van den Israelietischen godsdienst mijden. Nu moest Hij
Israels beslissing voor of tegen Hem, — op Zijne krachtvolle
wijze voorbereiden en uitlokken. Van nu aan was elk der
drie reizen, die Hij nog naar Jeruzalem ondernam, als een
stoutmoedige krijgstocht van den veldheer naar, ja in het
hoofdkwartier des vijands. Van nu aan legt het optreden
van Jezus in den tempel aan gansch het volk de ontzet-
tende vraag voor van geloof of verwerping. Hiertoe moest
Hij het Zijn innerlijk wezen op nog niet voorgekomen wijze
openbaren, opdat de geloovigen zouden weten in Wien zij
geloofden en de ongeloovigen zouden weten, Wien zij ver-
wierpen, ja opdat dezen, aangegrepen door de macht der
waarheid, die zij niet konden verdragen, zouden worden
gedreven tot de uiterste consequentiën van hun haat.
De S t k ij d.
Enkel de verschijning van Jezus deed een waren storm
van den hartstochtelijken haat bij Zijne tegenstanders los-
barsten. Hij liet zich daardoor echter niet uit het veld
slaan, maar aanvaardde den strijd met volkomen kalmte.
Hij wist wat Hij wilde en hoedanig het einde van den
strijd zoude zijn. Uit de rede, die Hij op dit feest hield,
kunnen wij Zijn plan duidelijk opmaken. In hot verband
Zijner gedachten het Hij, op weloverlegde en op het oogen-
blik passende wijze, zich leiden door de tegenwerpingen
-ocr page 209-
199
Zijner tegenstanders, ja zelfs door de ceremoniën, die om
Hem heen plaats hadden. Maar alles was ondergeschikt
aan dit ééne doel van Zijn bezoek: om namelijk door de
meest openhartige verklaring van Zijn diepste wezen, van
Zijne goddelijke macht en van Zijne hemelsche afkomst,
het geheele volk te stellen voor de groote keuze van aan-
bidrlend geloof of doodelijken haat. En wie deze rede
\'Joh. VII : 10—21) slechts vluchtig leest, zal den indruk
ontvangen, dat Jezus dit doel volkomen heeft bereikt. De
gemoederen verwijderen zich meer en meer van elkander.
Met dramatische levendigheid wordt de geestesstrijd tusschen
Jezus en Zijne tegenstanders gestreden, aan wier voeten
Hij, aan dezelfde plaats, als twaalfjarige knaap, zoo eer-
biedig luisterend had gezeten. Elk Zijner woorden valt als
een gloeiende vonk tusschen de toehoorende volksmenigte,
geloof of haat doende ontbranden.
Het is, als wilde Hij, na de laatste reis naar den Hermon,
nu Zijne jongeren Hem hadden erkend en begroet als Gods
Zoon, ook het laatste omhulsel doen wegvallen, dat tot nu
toe Zijn diepste wezen voor de wereld had verborgen ge-
houden. Zoo onomwonden als nu, had Hij nog nimmer
gesproken over Zijne goddelijke toekomst. Wol is waar had
Hij de voorzichtigheid, zich niet met name als den Messias
d. i. Koning aan te duiden, ten einde de vormelijke aan-
leiding tot een proces te vermijden. Daardoor zou men
Hem éénsdeels met den Romeinschen rechter hebben in
aanraking gebracht, anderdeels zou Hij aanleiding hebben
gegeven tot misverstand. Want wat Hij van zichzelven
getuigde, ging veel verder dan hetgeen een Jood van een
Messias verwachtte. Luide zeide Hij tot de verzamelde
menigte in den voorhof, wie Hij was. (Joh. XII : 37. i Steeds
luider vroegen de toehoorders, gedurende do nog overige
dagen van het feest, of Deze toch niet de beloofde Messias
was? .,Wanneer de Christus zal gekomen zijn," zoo zeiden
zij, ,,zal Hij ook meer teekenen doen, dan deze gedaan
heeft?" (Joh. : 31). -En," vroegen anderen: ,,is Hij het niet,
-ocr page 210-
200
dien zij zoeken te dooden?" Zouden onze overpriesters
zelve bij nader inzien niet moeten getuigen, dat Hij een
profeet is, — of meer nog, wellicht zelfs de Messias?"
Hoe het zij, het feest scheen zich geheel te bewegen niet
meer om den ouden tempel, maar om Hem, die reeds voor
anderhalf jaar met de geeselroede in de hand als Heer des
tempels was opgetreden, zichzelven voorstellende als den
waren Tempel, dien Hij in drie dagen zou herbouwen.
(Joh. II : 19.)
Hetgeen Jezus op dit feest deed, was niets anders dan
de vervulling van dit toenmaals uitgesproken profetisch
woord. Alles toch wat Hij hier deed, was de voorbereiding
tot een nieuwen tempelbouw, en dat alles had plaats in
het gezicht van den tempel, welks aanstaanden ondergang
Hij toen reeds op verborgen wijze had aangekondigd, in
het gezicht van de vergaderzaal der overpriesters, die met
de Senatoren vol gramschap de oogen zullen hebben ge-
slagen op den voorhof, waar Jezus zich bevond en leerde,
door het geheele volk omringd.
Zoo krachtig als nu, hadden zij Jezus nog niet aange-
tast. Scherp als een tweesnijdend zwaard, hanteerde Hij
Zijne machtige rede. Er waren genoeg farizeesche en sad-
duceesche leeraren en studenten in den tempel om den
gehaten indringer uit Galilea te bespieden en elk verdacht
woord aan hunne meesters over te brengen. Hij had den
moed hun de meest beleedigende verwijten te doen. Om
te zwijgen over het scherpste verwijt op den achtsten dag
van het feest, waarbij Hij hen kinderen van den duivel
noemde in plaats van Abrahams zaad, — reeds op den
eersten of tweeden dag na Zijne aankomst op het feest
verklaarde Hij, dat zij, de beroemde schriftgeleerden, God
niet kenden. (Joh. VII : 28.) Hij alleen bezat die kennis.
Nauwelijks had Hij dit woord gesproken, dat hun voorkwam
het uiterste te zijn van onbeschaamdheid in dezen onge-
leerden Galileër, of zij namen toornig het besluit Hem te
grijpen en achter slot en grendel te zetten. Dit gelukte
-ocr page 211-
\'201
hun echter niet. (Joh. VII : 30). Welk een stormachtig
begin van het feest voor Jezus!
Toen nu de overpriesters en oversten gewaar werden,
dat het volk, onder den indruk van Zijne woorden er over
redetwistte, of deze mensch wel iemand anders kon zijn
dan de Christus zelf (Joh. VII : 31), toen werd het ernst
bij hen. Nu moesten strenge maatregelen worden genomen.
Reeds al te lang hadden zij daarmede gedraald. Zij werden
bang voor dezen volksman, door wien zij zichzelve als
terzijde gezet gevoelden. Deze indringer uit Galilea be-
heerschte alles; allen liepen Hem na. Zij hielden een ge-
heimen Raad. Spoedig werden zij het eens, dat zij hunne
gerechtsdienaren ongemerkt onder de menigte moesten
zenden om Hem onverwachts te grijpen. Dit was het eerste
ambtelijk optreden van den hoogen Baad tegen Jezus.
De gerechtsdienaren kwamen in den Voorhof. Ongemerkt
mengden zij zich onder het volk. Niemand had eenig ver-
moeden van hunne bedoeling. Jezus echter wel. Hij liet
zich door hen niet van Zijn onderwerp afbrengen. Slechts
liet hij hun en dengenen, die het weten konden, gevoelen,
dat Hij hunne plannen kende. „Nog een kleinen tijd ben Ik
bij u," zeide Hij. „Gij zult Mij zoeken en Mij niet vinden."
In het algemeen sprak Hij voor hen, die ooren hadden om
te hooren, van den eersten dag Zijner komst af duidelijk
genoeg van Zijn aanstaanden dood, gelijk Hij dit gedaan
had tot Zijne jongeren sinds de dagen op den Hermon door-
gebracht. (Joh. VII: 19; VIII : 14; VIII: 21; VIII: 37;
IX : 4; X: 12).
De achtste en laatste dag van het feest brak aan. Deze
was de voornaamste van het geheele feest. De dag was
heerlijk. Berg en dal vertoonde zich in het gouden licht der
zon. Op de tempelplaats bewoog zich het volk in feestgewaad.
Heden moest alle feestvreugde nog eenmaal worden saam-
gevat, want morgen reeds namen de meeste gasten afscheid.
Waterdragers droegen het water uit de Siloahbron over de
voorhoven des tempels. Op den heeten Octoberdag was een
-ocr page 212-
202
dronk frisch water een bijzondere verkwikking. Ook heden
nog prijzen deze waterverkoopers in de straten van Jeruzalem
hunne waar aan met den roep: „Water, water, drinkt allen,
gij dorstenden! Die dorst heeft, die kome en drinke!" On-
verwachts staat Jezus daar! Hij neemt den roep der water-
verkoopers, maar in hoogeren zin, over. Ook duidelijk genoeg
is Zijne toespeling op de water-ceremonie der laatste dagen.
Eiken dag toch was herinnerd geworden aan het water, dat
de Heer in de woestijn uit de rots had doen stroomen. De
aanwezigen hadden honderden malen gezongen: „Met vreugde
zullen zij drinken uit de fonteinen des heils!"\' En waar-
schijnlijk was de laatste toon van dit lied nauwelijks wegge-
storven, toen Jezus met Zijn krachtige stem, die over geheel
den voorhof weerklonk, uitriep: „Die dorst heeft, kome tot
Mij, en drinke!" Bij Mij vloeien de Messiaansche fonteinen
reeds! „Die in Mij gelooft, stroomen des levenden waters
(gelijk eens uit de rots in de woestijn) zullen uit zijnen buik
vloeien!" Het volk begreep Hem dan ook zeer goed en voor-
zeker geeft Johanues in deze woorden slechts het thema
weer van eene lange rede des Heeren , waarin de woorden
steeds machtiger en krachtiger werden, totdat de hoorders
aan het slot aangegrepen en vol geestdrift uitriepen: „Deze
is waarlijk de profeet!1\' Anderen verklaarden ronduit: „Deze
is de Christus!" De tegenstanders intusschen maakten des
te heftiger gebaren, en trachtten met nietsbeteekenende
redeneeringen den diepen indruk uit te wTisschen, dien de
persoonlijkheid van Jezus wederom op het volk had geoefend.
De toestand scheen hun zoo hachelijk, dat zij opnieuw een
poging deden om Hem te grijpen. Maar Jezus stond pal te
midden van den storm, die de gemoederen beroerde, onbe-
vreesd en rustig, gelijk eens op het meer Genesareth.
Niemand verstoutte zich Hem aan te raken.
Middelerwijl was in het nabijliggend gebouw de Hooge
Raad saamgeroepen tot eene spoedeischende zitting. De
heeren leden van den Hoogen .Raad hadden ditmaal geen
vroolijk feest. De volgelingen van den Galileër lieten hun
-ocr page 213-
•203
geen rustige uren meer. De ramen van het vergaderlokaal
gaven uitzicht op de zijde van den voorhof der vrouwen,
alwaar Jezus sprak. Zij zagen de opgewonden menigte en
Jezus in hun midden. Van tijd tot tijd hoorden zij wellicht
stemmen, die uitspraken : Hij is de Profeet! Hij is de Christus !
De voorzitter wachtte op de gerechtsdienaren. Daar treden
zij binnen. Zonder Jezus echter. „Waarom hebt gij Hem niet
gebracht?" vroegen hun de overpriesters en de Farizeën.
De dienaren, onder den indruk van de persoonlijkheid en de
rede van Jezus, antwoordden in hun geestdrift eerlijk: „Nooit
heeft een mensch alzoo gesproken, gelijk deze inensch!"
Dit ontbrak er nog maar aan, dat huu eigen dienaren tot
Hem overliepen! „Zijt ook gijlieden verleid?" riepen zij uit.
,,Heeft iemand uit de oversten in Hem geloofd of uit de
.Farizeën?" Maar nu kwam nog de meest onverwachte en
meest onaangename verrassing, want nauwelijks hadden zij
deze woorden gesproken, of een uit hun midden, een der
oversten, staat op en trekt moedig partij voor Jezus. Men
had het heden toegelegd op eene veroordeeling van den
gevaarlijken „Profeet," en daarbij kon Xicodemus niet het
stilzwijgen bewaren. Bij deze algemeene toomelooze opge-
wondeuheid herinnerde hij rustig aan de wetsartikelen, die
eene veroordeeling slechts veroorloofden na voorafgegaan
gerechtelijk verhoor. „Wat verhoor! wat onderzoek!" rie-
pen vele stemmen te gelijk. „Zijt gij ook een Gralileër —
en wilt gij een overste in Israël zijn ?" Het is een storm-
achtige zitting. Maar Nicodemus had de duidelijke uitspraak
der wet aan zijne zijde en door zijne tegenwerping werd
het doel der zitting verijdeld. De vergadering ging zonder
resultaat uiteen: een iegelijk ging heen naar zijn huis. Toch
was deze zitting in hare gevolgen van groote beteekenis.
Voor den eersten keer was de Hooge Raad ambtshalve
saamgekomen om Jezus uit den weg te ruimen. Van nu
aan kwam men meermalen in deze raadzaal bijeen om eene
reeks besluiten van ofhciëel-vijandigen aard tegen Hem te
nemen, totdat een half jaar later in deze zelfde zaal, Jezus
-ocr page 214-
204
gebonden voor hen stond om te worden overgeleverd aan
Pontius Pilatus. En toen Jezus in den nacht van Donder-
dag op Vrijdag aan den Hoogepriester, die het door Nico-
denius geëischte verhoor wilde houden, ten antwoord gaf:
„Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld; Ik heb allen tijd
geleerd in de synagoge en in den tempel, waar de Joden
van alle plaatsen samenkomen; en in het verborgen heb
ik niet gesproken!"\' toen dacht Hij gewis aan de dagen van
dit Loofhuttenfeest.
Terwijl de raadsheeren hunne stormachtige zitting hielden,
hield Jezus eene rede. die nog krachtiger was dan de vorige,
die nog duidelijker Zijn diepste wezen openbaarde. Het was
nu üenmaal liet thema van al Zijne redenen op dit feest,
voor wien het volk Hem houden moest.
Jezus stond bij de
schatkist en dus in den zoogenaamden vrouwenvoorhof,
zeer nabij de Raadzaal, in het gezicht Zijner bitterste
vijanden. Zij konden Hem daarbuiten hooreu spreken en
zelfs zien hoe aandachtig en ingespannen het geheele volk
naar Hem luisterde. Had Hij vroeger op zichzelven gewezen
als de hoogste vervulling der ica^er-ceremonie en van het
waterwonder in de woestijn, — thans wees Hij op de tweede
merkwaardige ceremonie van het Loofhuttenfeest, de ver-
lichting
en de beide reuzenluchters herinnerende aan de
vuurkolom in de woestijn, zeggende: vIk ben het Licht der
wereld:
die Mij volgt zal in de duisternis niet wandelen,
maar zal het licht des levens hebbeu!1\' Dit waren geweldige,
ongehoorde woorden, die nog nimmer door den mond eens
mensehen waren gesproken. Deze Man, wiens broeders en
geboorteplaats bij velen bekend waren, kon aldus getuigen,
dat Hij was het licht der wereld, niet van Judea of Ualilea,
neen, ook van het Romeinsche Kijk, van de millioenen
menschen, die op de aarde waren! Dit had vóór Hem nog
niemand gezegd. Kon God zelf wel meerder zijn dan het
licht tier wereld? Het schijnt, dat de Farizeën in hunne
opgewondenheid waren nabijgetreden om ten minste door
tegenspraak de toenemende geestdrift van het volk te
-ocr page 215-
205
dooven. (Joh. VIII : 18). De meerderheid was nog wel aan
hunne zijde, of gemakkelijk aan hunne zijde terug te brengen.
En nu begon die scherpe woordenwisseling, waarin Jezus
telkens dieper blik deed slaan in Zijn geheimzinnigen Per-
soon, zoo diep, dat men er van duizelde. Telkens dringender
kwam alles aan op de kritieke vraag: „Wie zijt Gij?" (Joh.
VIII : 25.) — maar telkens meer overweldigend vernamen
zij de woorden, die zij ongehoord en vermetel vonden, maar
die toch anders niets uitdrukten dan de beteekenis van het
innerlijk wezen van den Man, die voor hen stond. „Gijlieden
zijt van beneden" zeide Hij, „Ik ben van boven. Gij zijt
uit deze wereld, Ik ben niet uit deze wereld!" (Joh. VII :
53.) Zij waren bijna zichzelven niet meer meester, toen Hij
zeide: „Ik ben van God uitgegaan en kom van Hem!"
(Joh. VIII : 42.) Zij konden zich nauwelijks meer inhouden,
toen Hij, de Man uit Galilea, zich vermat te beweren, dat
wie Zijn woord zou bewaard hebben, den dood niet zien
zou in der eeuwigheid. Zij konden dit slechts daaruit ver-
klaren, dat Hij bezeten was, of den duivel had. (Joh. : 48,
52.) Eindelijk zeide Hij iets, dat als vuur insloeg in hunne
verhitte gemoederen, toen Hij sprak van Zijn bestaan vóór
de grondlegging der wereld. Zij hadden gesproken van
hunnen stamvader Abraham. Daarop antwoordde Hij onge-
veer als volgt: „Uw stamvader Abraham had, toen hij voor
2000 jaren dit land doorreisde, geen grooter begeerte, dan
om Mij en Mijne komst te aanschouwen. Nu eindelijk heeft
hij Mij zien komen — want nog leeft hij — en hij spreekt
zich zalig, dat hij Mij gezien heeft."
„Hoe!" riepen zij, „Gij hebt nog geen vijftig jaren en
hebt gij onzen vader Abraham gezien?"
„Voorwaar!" antwoordde Jezus rustig: „Voorwaar, eer
Abraham was, ben Ik!"
Dit was te veel. Hunne woede was grenzenloos. De aan-
hangers van Jezus werden door de heerschzuchtigen, die
toch heer en meester op dezen hof waren, teruggejaagd.
Het farizeesche gepeupel, de hoogeren en de lageren, ze
-ocr page 216-
206
namen steenen op om Jezus te steenigen. Het oogenblik
was hoogst gevaarlijk. Jezus erkende, dat het hoog tijd was
om af te trekken, wilde Hij niet, zooals later Stefanus,
heden reeds worden gedood in de opwelling van des volks
hartstochten. Zijne ure was nog niet gekomen, Jezus ver-
bergde zich en ging uit den tempel.
De laatste dag en de afreis.
Volgens Joh. IX en X schijnt Jezus nog eenige dagen
in Jeruzalem gebleven te zijn. Hoe moeilijk het Hem ook
viel hier te blijven, te midden van een wereld vol haat en
nijd, toch zeide Hij tot Zijne vrienden: „Zoo lang Ik in
de wereld ben, zoo ben Ik het licht der wereld" (Joh.
IX : 5) en gaf daarmede een eeuwig gedenkwaardig voor-
beeld aan Zijne jongeren tot wien Hij ook gezegd had :
..Gij zijt het licht der wereld !"\' en die Hij vermaand had.
hun licht niet te verbergen onder een korenmaat, zelfs
niet. al zouden zij liever zich in het verborgen terugtrekken.
Ook was Zijn tijd nog slechts kort. „Ik moet werken,"
zeide Hij toen „zoo lang het dag is. De nacht komt, wan-
neer niemand werken kan."
Hoewel Jezus stellig vele vrienden in de stad bezat, die
Hem gaarne in hun huis hadden opgenomen, zoo zal Hij
geen verblijf in de stad hebben gehouden, omdat Hij daar
niet veilig was. Na den zwaren strijd, dien Hij had moeten
strijden, wilde Jezus alleen zijn, in de eenzaamheid. Al
mocht Joh. VIII : 1—11 niet op de rechte plaats staan,
zoo mogen wij toch de woorden van het eerste vers over-
nemen en Jezus des avonds en des nachts zoeken op den
Olijfberg. Daarbij kunnen wij ons dan ook wel de plaats
denken, waarheen Hij zich begaf namelijk den hof G-ethse-
manó! Zooals Lukas zegt (XXII : 39) was Jezus gewoon,
daarheen te gaan, en ook later kon Judas deze plaats weten,
aangezien Jezus zich aldaar zoo dikwijls bevond. (Joh.
XVII : 2.) Daarheen zal Jezus zich des avonds dan ook
-ocr page 217-
207
wel hebben teruggetrokken en er zich niet alléén hebben
gevoeld, want Hij sprak met Zijn hemelschen Vader over
het verheven werk, waarin Hij betrokken was. Een hall\'
jaar later streed Hij onder dezelfde olijf boomen den laatsten.
heetsteii strijd.
Maar ook ging Jezus des avonds menigmaal naar het,
een half uur meer Oostelijk gelegen, Bethanië, dat Hem
zeer lief was. Het huisgezin te Bethanië behoorde onge-
twijfeld tot de meest dankbare toehoorders, als Hij des
daags in den tempel leerde. Voorzeker behoorde het tot
degenen, die het luide durfden verklaren, dat Hij de Mes-
sias was.
Langen tijd kon Jezus bij de heftigheid van den haat
niet in de hoofdstad toeven, al bezocht Hij nog menigmaal
den tempel. Het waren echter donkere, dreigende aange-
zichten, die Hem daar ontvingen, vooral sinds de genezing
des blindgeborenen. Jezus streed met hen niet meer, zij had-
den genoeg vernomen, waarover zij konden nadenken. Slechts
tot hen, die in Hem geloofden — en hun aantal was niet
gering (Joh. VIII : 80; — richtte Hij nog kostelijke woorden,
vol van blijde verwachting, om hen te bevestigen in het
geloof, om hun een blijde hope te geven, door hen te wijzen
op de heerlijkheid Zijner gemeente. Als zoodanig noemen
wij de gelijkenis van den goeden herder, die zijn leven geeft
voor de schapen en al zijne schapen uit de geheele wereld
eenmaal om zich verzamelen zal.
Toen nam Jezus afscheid en keerde terug naar Galilea.
Van deze reis wordt hier even weinig melding gemaakt,
als van die aan het slot van Joh. V. Zij volgt echter van-
zelf, vooral uit een vergelijking met het Evangelie van Lukas.
Evenals Hij gekomen was langs eenzame wegen, verre van
de feestkaravanen, nam Hij den terugtocht weder aan. Zijn
getrouwe Johannes, de jonger dien Jezus liefhad, was on-
getwijfeld Zijn reisgenoot. Niemand in den tempel had zoo
diep als hij gevoeld, wat Jezus zeggen wilde met .,het Licht
der wereld," hij, die Hem onlangs in schitterenden lichtglans
-ocr page 218-
208
had gezien daarboven op den Hermon; hij, door wiens ge-
heele Evangelie, later dit woord telkens terugkeert als thema
van het geheel, te beginnen met Hoofdstuk I. Ook kon
niemand dat woord, „eer Abraham was, ben Ik" zoo ge-
makkelijk aannemen als hij, die onlangs daarboven een Mozes
en Elia in aanbiddende hulde voor Jezus staande, had aan-
schouwd. Ongetwijfeld besprak Jezus met Zijn metgezel de
gebeurtenissen op het feest. Belangrijke dagen, dagen rijk
aan gebeurtenissen, waren doorleefd. Met goddelijke macht
en majesteit, meer nog dan op het laatste Purimfeest (\'Joh. Vj,
had Jezus zich aan Israël vertoond als de Bron des levens,
als het Licht der wereld, als de Beheerscher des doods. Het
Licht der wereld scheen ten aanschouwen van den ouden
tempel zoo helder door de duisternis der in zonde verloren
wereld, — maar helaas, „de duisternis heeft het niet be-
grepen" (Joh. I : b).
De dubbele beteekenis van het Evangelie, ten leven of
ten doode, was thans duidelijker dan ooit in \'t licht ge-
treden. Met diepen weemoed had Jezus het kort voor Zijne
afreize uitgesproken : (Joh. IX : 39) „Ik ben tot een oordeel
in deze wereld gekomen, opdat degenen, die niet zien, zien
mogen, en die zien, blind worden!" Na de ongehoorde ge-
tuigenissen van Jezus op dit feest, die alleen door eone
Gode-gelijke konden worden uitgesproken, was onzijdigheid
niet meer mogelijk. Voor of tegen! was nu het parool. Ook
waren besluiten van den ernstigsten aard op dit feest ge-
nomen. De volksleiders hadden besloten Hem te dooden,
den Gehate! Geheel het feest had eigenlijk zich om Hem
bewogen. Hij zou zich echter niet lang meer verheugen over
Zijn triomf. Men wachtte slechts op een gunstig oogenblik.
Ook Jezus wachtte op Zijne ure. Over het schijnbaar
tragisch einde van Zijn leven, dat toch onverwachts zou
worden eene heerlijke overwinning, had Hij sinds het verblijf
op den Hermon, op de duidelijkste wijze gesproken. Maar
Zijne ure was nog niet gekomen. Vooralsnog leidde Zijn pad
nog eenmaal naar Galilea.
-ocr page 219-
Het was nog ongeveer een halt\' jaar voor Jezus\' dood.
Zijn tijd was nu gekomen om afscheid te nemen van Galilea.
Hij had in het voorgaande jaar eenige maanden, in dit jaar
ongeveer vijf maandeu, Februari tot Juni, en in den herfst
eenige weken in Galilea doorgebracht. Deze tijd was vol-
doende om het geheele land te bereizen. Gedurende dit
laatste jaar, van Februari af (Joh. IV : 35) had Jezus met
bijzondere zorg en liefde zich gewend tot de Galileërs, deze
„veronachtzaamde schapen, die geen herder hadden." De
geheele landstreek was Hij doorgetrokken; zelfs in verafge-
legen woestijn- en heidevlakten had men Hem leeren kennen.
Nu liepen deze schoone dagen voor Galilea ten einde. Het
Het plaatje treeft een laatsten blik op het meer Genesareth voor den
reizijrer naar Jeruzalem. De beide steile heuvels op den zandgrond zijn
de Kiun Hattin. Achter dezen het dal Oeadi Hamdm. Aan den noorde-
lijken oever de steden Kapernaüm . Bethaalda, onz. Links daarvan de
oevervlakte Genneflar. In het verre Koorden de Hermon, door wolken
omgeven,
Kknt «ij Hkm?                                                                                               1-r
-ocr page 220-
\'210
morgenrood van een nieuwen tijd ging op over het geheole
land, toen Jezus er doortrok. Zijn afscheid was nu op handen.
Do teekenen werden meerder, die aanduidden, dat Zijne
vijanden Hem niet lang meer zouden verdragen. Herodes
begon zich over Zijn machtigen invloed bij het volk ongerust
te maken. Luk. XIII: Bi). Op het Loofhuttenfeest had men
onlangs de nadering van het onweder duidelijk genoeg
waargenomen. Jezus\' werkzaamheid kon nog slechts korten
tijd duren. Gewone profeten konden tientallen van jaren in
dit land werkzaam zijn , maar eene verschijning als Gods
Zoon in menschengedaante, eischte spoedige beslissing. Het
was als een kortstondig licht, dat Israël voorbijtrok. Na
verloop van weinig meer dan twee jaren na Zijn eerste op-
treden aan de Jordaan. was Hij wederom opgevaren tot
Zijn hemelschen Vader.
Alvorens Jezus te volgen op Zijn laatsten tocht uit Zijn
„vaderland" tialilea, moeten wij eenig licht laten vallen op
den tijd der afreis en op de reisroute. Wanneer had deze
afreis plaats? Aangezien alle Evangeliën over een voort-
gezetten arbeid van Jezus in Galilea, na Zijn terugkeer van
den Hermoii, het stilzwijgen bewaren en de drie eersten
onmiddellijk daarop overgegaan tot de laatste reis naar
Jeruzalem (Johannes gewaagt van de daartusschen liggende
reis naar het Loof huttenfeest, begin October, Joh. X), zoo
kunnen wij de afreis van Jezus niet later stellen dan in
November. De berichten aangaande deze reis vinden wij
voornamelijk bij Lukas i IX : 51 tot XIX : 28), die daaraan
een derde gedeelte van zijn Evangelie heeft gewijd, terwijl
Mattheüs i\'XIX) en Markus (X) er slechts kortelijk over
spreken. Hieruit volgt, — daar Jezus eerst op het volgende
Paaschfeest in April te Jeruzalem kwam, — dat de reis
bijna een half jaar moet hebben geduurd. Hoe is dit echter
aan te nemen, daar men in drie dagen van Galilea naar
Jeruzalem kon komen? Het is duidelijk, dat Jezus meer
gelegen was aan den weg naar Jeruzalem clan aan het
einddoel der reis zelve. Hij wilde, als op een langzaam
-ocr page 221-
211
vorderende zendingsreis, door een gebied trekken, waar-
mede Hij tot nog toe weinig in aanraking was geweest en
wel 1° het grensgebied van Samaria en Galilea, 2° de land-
streek Peren. Dit was de route, die Hem ten slotte langs
groote omwegen naar Jeruzalem leidde.
De beteekenis van deze reis en de toestanden, die Jezus
daarbij aantrof, zullen ons duidelijk worden, als wij een
vluchtigen blik slaan op de toenmalige godsdienstige en
staatkundige verhoudingen van het land. Ten tijde van
Jezus was de wereld (Jrieksch-Romeinsch. Handel en ver-
keer tusschen landen en volken, in en door het ontzaglijk
gebied van het Romeinsche Rijk, was op ongekende wijze
mogelijk geworden. De grenzen van dat groote keizerrijk
omsloten bijna de geheele wereld. Men kon, als handel
en gewin daartoe aanlokte, zonder gevaar naar andere
landen trekken en zich aldaar vestigen. Overal vond men
bescherming bij de machtige Romeinsche regeering. Geen
volk ter wereld had hiervan een zoo ruim gebruik ge-
maakt als de Joden. Reeds een eeuw vóór het optreden
van Jezus zegt Strabo: „Men vindt niet gemakkelijk eene
plaats op de wereld, die dit geslacht (der Joden) niet heei\'t
opgenomen en die ook tevens niet door hen is ingenomen.\'"
Ten tijde van Jezus woonde dan ook het grootste en rijkste
deel van het Jodendom niet meer in het Heilige Land,
maar was dit verstrooid door Egypte, Syrië, Klein-Azië,
Griekenland en Italië. Hoofdzakelijk in de schitterende
wereldsteden als Rome, Alexandrië, Antiochië, Corinthe,
Efeze enz. hadden zij zich gevestigd, alwaar zij als koop-
lieden, handelaren en bankiers betere zaken maakten dan
in het Heilige Land. Te Rome woonden duizenden Joden.
Waar ook Paulus later predikte, overal vond hij Joodsche
koloniën. In Egypte alléén woonden minstens een millioen
Joden, alzoo een even groot aantal als in geheel Galilea.
De godsdienstige toestand der toenmalige wereld was
inderdaad inwendig treuriger en meer verdeeld, uitwendig
echter meer éénvormig dan ooit te voren. Overal diende
-ocr page 222-
212
men dezelfde goden als te Rome, met behoud van den
eeredienst der oude nationale goden. Ook het oude, beloofde
land van Israël was niet vrij gebleven van deze invloeden.
Ook daar hadden de Olympische goden sinds lang hunnen
intocht gehouden. Waar eens David heerschte, van Egypte
tot den Eufraat, werd niet meer volgens de overlevering,
in dat gansche land, de Verbonds-God Jehovah gediend.
De bevolking van het oude Rijk van David was grooten-
deels heidensch. De tempel te Jeruzalem was nog slechts
voor een klein gedeelte het nationale heiligdom van het
oude Rijk. De streken langs de kusten van Palestina waren
sinds langen tijd heidensch. Syrië in het Noorden was een
hoofdbakermat van Helleenschen godsdienst en leven. Iu
Tyrus en Sidon, aan den voet van den Hermon, had Jezus
dikwijls gestaan voor de tempels dezer goden. Dekapolis
en Batanea, het oude gebied der stammen van Gad en
Manasse, waar wij nog heden de prachtige ruïnen van
den in Griekschen stijl gebouwden tempel bewonderen,
gaven een zuiver Helleensch karakter in godsdienst en
zeden te aanschouwen. Slechts op het gebergte en in het
midden des lands kon men zich aan dezen invloed nog
eenigen tijd onttrekken. Niettegenstaande dit, bloeide zelfs
midden in het Heilige Land op vele plaatsen de dienst
der Olympische goden. En ook waar de oude godsdienst
nog bewaard was gebleven, was zij verdeeld in twee scherp-
afgebakende richtingen, de Joodsche en de Samaritaansche
belijdenis, die nog veel scherper tegenover elkander stonden,
dan bij ons de Protestanten en de Roomsch-Katholieken.
Aldus was dan het gebied, binnen hetwelk men naar
oud-vaderlijk gebruik den God der vaderen Jehovah te
Jeruzalem diende, nog slechts als een eiland in de groote
wereldzee van den Grieksch-Romeinschen godsdienst, welker
golven steeds dreigender den oever van het eenzame eiland
beukten. Eigenlijk was het in den diepsten grond niet
meer één eiland, maar waren het drie kleine eilanden, door
hunne staatkunde en door hunne ligging vanééngescheiden,
-ocr page 223-
\'213
■do drie provinciën Judea, Galilea en Perea, in welke alléén
nog de oude godsdienst de heerschende was gebleven. En
deze vormden het gebied, waarin Jezus twee jaren lang
in het openbaar werkzaam was. Judea, de grootste dezer
landstreken, kan men voor zoover het door Joden bewoond
was, gemakkelijk in twee dagen in de lengte en over de
breedte doorwandelen. Perea, het landje dat zich twee of
drie dagreizen lang, langs den Jordaanoever uitstrekte, kon
men over de breedte in éénen dag, op sommige plaatsen in
eenige uren doortrekken. Ook Galilea was een klein land. Een
voetganger had voor de doorreis van het Noorden tot het
Zuiden twee, van het Oosten tot het Westen één dag noodig.
Bovendien stonden deze drie Joodsche landstreken niet
alléén staatkundig onder verschillende hoofden (Herodes
regeerde over Galilea en Perea, Pilatus over Judea), maar
naar hunne ligging waren zij zóó van elkander gescheiden,
dat men niet anders dan over heidensch gebied van de eene
in de andere kon komen. Slechts Perea en Judea grensden
aan elkander aan de Jordaanzijde.
Dit beknopt overzicht zal ons de beteekenis van deze
laatste reis van Jezus in het juiste licht plaatsen. AVij weten,
dat Jezus tot nu toe wel in Galilea en Judea langdurig
werkzaam was, echter niet in Perea en evenmin in het
godsdienstig zoozeer gemengd grensgebied van Galilea en
Samaria.
Hij moest echter, alvorens Hij Zijne roeping jegens
gansch het Joodsche volk als volbracht kon beschouwen,
ook hier arbeiden, opdat alle schapen van het huis Israels
Zijne stem zouden hooren. Om deze reden zal Jezus wel de
laatste maanden Zijns levens hieraan hebben gewijd en,
terwijl Hij deze landen in korte tochten doortrok, Zijn ander
hoofddoel, de opleiding Zijner jongeren, hebben vervolgd.
Slechts ééns, in December, staakte Hij deze reizen voor een
kort bezoek aan Jeruzalem (Joh. X: 22); ook valt in dezen
tijd het bezoek te Bethanië (Luk. X) en tegen het einde
der reis ondernam Hij van Perea uit den moedigen en snellen
tocht naar Bethanië, ter opwekking van Lazarus. Laat ons
-ocr page 224-
214
nu, na dit kort overzicht, ons meer bepaald bezig houden
met de reis zelf.
,,En het geschiedde, als de dagen Zijner opneming vervuld
waren, zoo richtte Hij Zijn aangezicht om naar Jeruzalem
te reizen." Aldus begint (Luk. IX : 51) het bericht aangaande
deze reis. Deze woorden hebben een bijzonderen klem,
alsof de Evangelist zijne lezers wilde voorbereiden op het
begin van het groote drama, dat aan het kruis eindigen
zou. alsof het eerste klokgelui voor den droeven weg naar
Golgotha dra in de ooren moest weerklinken.
Als plaats van uitgang hebben wij waarschijnlijk te denken
aan Kapernaüm .,Jezus\' stad." Üp den breeden handelsweg
bewoog zich een stoet van duizenden. Joden en heidenen,
landbouwers, handwerkslieden, kooplieden, officieren, tolle-
naren en anderen waren in den stoet te onderkennen. Allen
volgden Jezus, die met Zijne bekende jongeren den stoet
voorafging. Men wist, dat Hij na lange afwezigheid naar
Jeruzalem ging. Door een groote schare gevolgd (Mark. X : 1),
vertrok Jezus van Galilea, gelijk Hij een half jaar later op
Palmzondag Jeruzalem binnentrok. Zou de menigte er een
voorgevoel van hebben gehad, dat Hij voor de laatste maal
hun land vaarwel zeide? Hadden zij er een voorgevoel van,
welken treurigen tocht Hij heden aanvaardde, dat hunne
gelukster, hun hoop, met dezen Man voor immer van hunne
grenzen week? Waarschijnlijk hadden sommigen er een flauwe
voorstelling van; want zij, die voor weinige weken het Loof-
huttenfeest bezocht hadden, moesten weten, hoe verbitterd
de machthebbenden in Jeruzalem tegen Jezus waren, moesten
weten, dat dezen Hem den dood gezworen hadden. Zou Hij
dezen keer wel onverlet uit Jeruzalem terugkeeren? Deze
vraag kwam zonder twijfel op bij velen, die deel uitmaakten
van den stoet.
In den beginne zullen de scharen, waarvan Markus (X : 1)
gewaagt, Jezus zijn gevolgd van plaats tot plaats; velen
toch zullen langzamerhand zijn achtergebleven, terwijl elke
nieuwe stad, nieuwen toevoer zal hebben geleverd. Het be-
-ocr page 225-
215
hoeft nauwelijks te worden gezegd, dat Jezus bij zoodanigen
toeloop dag aan dag predikte. Zijn woorden vonden te mcser
ingang, omdat zij zoo hoog ernstig werden uitgesproken
onder den indruk, dat Hij voor het laatst deze steden,
bergen en vlekken bezocht. Wij hebben hiervan echter in
\'t geheel geen berichten, evenmin als van vele andere tijden
en leerredenen van Jezus gedurende Zijne omwandeling.
In den regel zijn van de meest belangrijke dagen de voor-
naamste feiten en van de prediking des Heeren slechts de
hoofdgedachten medegedeeld.
De reis van Jezus kon bij zulk geleide en onder zulke
werkzaamheid slechts langzaam voortgaan. Ook raakte hier
stad aan stad, dorp aan dorp. Galilea was toenmaals niet
zoo schraal bevolkt als in onzen tijd, waarin het zoekend
oog nog slechts weinige armoedige dorpen ontdekt, waarin
over den kostbaren bodem van Galilea de grootste vijand
van den landbouw, de Bedoeïen, rondwaart. Toen ter tijd
was het een bloeiende landstreek, waarvoor Jozephus geen
woorden genoeg had ter verheerlijking.
Jezus moet het Zuidelijk grensgebied van Galilea en
Samaria in deze dagen zijn doorgetrokken. Wij kunnen niet
aannemen, dat de staatkundige grenzen van deze landstreken
nimmer door den Heer zouden zijn overschreden. Binnen
het Samaritaansche gebied waren voorzeker in de nabijheid
der grenzen Joodsche gemeenten te vinden. Reeds vroeger
zagen wij den Heer aldaar te Naïn. Allereerst wendde Jezus
zich tot de Joden. Maar toch zegt ons verhaal ons, dat Hij
ook Samaritaansche streken bezocht. Jezus bewoog zich hier
op een terrein met zeer gemengde bevolking. In de oude
hoofdstad van het Israelietische rijk, Samaria, gelegen op
een afstand van slechts eene dagreize, kende men Jehova
niet meer; aldaar rookten de altaren van Zeus, Apollo.
Artemis, enz. Ook Scytliopolis, het oude Bethsean des Bijbels,
waarheen na den ongelukkigen veldslag op de bergen van
Gilboa, het lijk van Saul vervoerd was geworden, lag op
den weg des Heeren en was door en door heidensch. Dat
-ocr page 226-
216
Jezus zich langen tijd, 1 tot 2 maanden, in deze half-
joodsche, half-Samaritaansche landstreken ophield, doen de
Evangeliën duidelijk vermoeden. Het voorval met de tien
geraakten, waaronder een Samaritaan was en de gedurende
deze reis uitgesproken gelijkenis van den barmhartigen
Samaritaan, geven de Samaritanen als op den weg des
Heeren te zien.
Beschouwen wij nu het verhaal uit ons Evangelie. Eenigen
tijd na Zijn vertrek uit Kapernaüm ging Jezus op een der
voortreffelijke Romeinsche straatwegen, die het grensgebied
der beide provinciën doorsneden. De groote volksmassa,
die Hem bij het begin der reis omgaf, had Hem grooten-
deels verlaten: zij. die nog met Hem waren, moesten wel
tot Zijne meest getrouwe jongeren behooren. Nog vormden
zij een groote karavaan. Eukas verhaalt in het volgende
hoofdstuk (X), dat Jezus nog 70 andere leerlingen uitzond
om Zijne komst aan te kondigen en voor te bereiden. Door
woord en daad moesten zij in alle plaatsen wijzen op de
grootheid van Hem, die tot hen komen zou. Het oude land
van Israël, waar eens de profeet Elia werkzaam was ge-
weest, lag voor den Heer, thans werd daarin op vele plaatsen
geoiferd aan Zeus en Apollo. Meer dan elders was hier
het volk een kudde zonder herder. En als Hij hieraan dacht,
werd Hij aangegrepen door een gevoel van oneindige ont-
ferming.
Het werd avond. Vóór Hem lag een dorp, waar Jezus
gaarne had willen overnachten. Daar Zijn gevolg zoo groot
was, wilde Hij niet het dorp binnentreden en in zekeren
zin de bewoners dwingen tot gastvrijheid. Daarom legde
het geheele gezelschap zich neder onder het geboomte en
werden eenige boden uitgezonden om vriendelijke opname
te verzoeken.
Buiten het dorp wachtte het gezelschap de terugkomst
der boden af, in de hoop nog vóór zonsondergang in het dorp
te zijn. Eindelijk keeren de boden terug, geheel terneder-
geslagen. De dorpelingen hadden geweigerd hen op te nemen.
-ocr page 227-
•217
Wel hadden zij vernomen wie de gast was, maar zij wezen
Zijn verzoek af, op grond van hun godsdienstigen haat jegens
de Joden. AVat ging het hun, als Samaritanen aan, dat die
Man daarbuiten als een Profeet, ja als de Messias vereerd
werd? Hij was slechts voor de Joden, die hen bij elke ge-
legenheid hunne diepe verachting deden gevoelen, — wat
ging hun dan die Messias aan, wiens aangezicht was als
reizende naar Jeruzalem, de gehate stad hunner haters?
Dit was een treurige tijding voor het gezelschap. Twee dei-
meest vertrouwde jongeren, Jakobus en Johannes, barstten
uit in gramschap. Zij waren met hunne gedachten nog steeds
op den Hermon, waar zij Elia in persoon hadden mogen aan-
schouwen. Wellicht hadden zij heden, nu zij zich op de plaats
bevonden, die getuige was geweest van zijne daden, er nog
over gesproken, hoe hij eens vuur van den hemel had afge-
smeekt om de boden des konings van deze toen reeds ont-
aarde landstreek te dooden. Ook nu nog was het er een
even goddeloos volk als toen, — zoude het niet dezelfde
straf verdienen, als eens hunne vaderen? Vol vuur en ge-
loofsijver wendden zij zich tot Jezus, die nog gezwegen had
en zeiden: „Heer! wilt Gij, dat wij zeggen, dat vuur van
den hemel nederdale en dezen verslinde, gelijk ook Elia
gedaan heeft?" Maar Jezus zich omkeerende, bestrafte hen
en zeide: „Weet gij niet van hoedanigen geest gij zijt?
Wij zijn gekomen om het Evangelie te verkondigen en nu
men ons niet wil opnemen, wilt gij vuur van den hemel
doen nederdalen? Moet Ik dan de boodschap des vredes
met vuur en met het zwaard opdringen?" En met eene
majesteit en eene liefde, die hen beschaamden, voegde Hij
er bij: „De Zoon des menschen is niet gekomen om der
menschen zielen te verderven maar om te behouden!"
De wraak, dien de Apostelen zoo gaarne op deze Sama-
ritanen zouden genomen hebben, bleef intusschen niet uit.
Maar het was de wraak Desgenen, die niet gekomen was
om der menschen zielen te verderven. Het laatste woord,
dat Jezus een half jaar later vóór Zijn hemelvaart sprak,
-ocr page 228-
218
hordacht op aangrijpende wijze juist deze verachte Samari-
tanen: „Qijlieden zult Mijne getuigen zijn in geheel Judea
en Samaria en tot aan het einde der aarde!\'\' Eene hoogere
eenheid,
boven de verschillen tusscheu Samaritanen en
Joden, moest den ouden wrok en den eeuwenouden gods-
dienst-twist overbruggen en wel gemeenschappelijke behoefte
aan en gemeenschappelijke aanbidding van den eenigen
Heer en Heiland, Jezus Christus, in Wien alléén heil is
voor Joden en Samaritanen, Protestanten en Katholieken.
En inderdaad reeds binnen weinige jaren vinden wij
aanzienlijke at\'deelingen der eerste Christengemeenten door
geheel Samaria verspreid, waarover de macht der hooge-
priesters zich niet uitstrekte. In zekere stad in Samaria
vinden wij den onvermoeiden evangelist der eerste Chris-
tenheid, Filippus, den Messias predikende en in Zijnen
naam teekenen en wonderen verrichtende. Allen zijn aan-
gegrepen door de goddelijke kracht van het nieuwe Evan-
gelie en de oude klove tusscheu Joden en Samaritanen is
gedempt door de liefde tot den éénen Heer. Ja, denzelfden
Johannes, die eens vuur van den hemel wilde afsmeeken
om de Samaritanen te vernielen, vinden wij in Samaria
terug in gemeenschap met Petrus het vuur des Heiligen
Geestes afsmeekende over de broederen in Samaria. Dit
zijn de verborgene, wonderbare wegen der liefde Gods.
Dit was de goddelijke wraak van Hem, tlie eens aan hunne
poorte was afgewezen geworden.
-ocr page 229-
Het was in den winter ten tijde van ons Kerstfeest in
December. Een hevige regen overstroomde onder het gehuil
van den stormwind de stad Jeruzalem. In de stad bleef
men op zulke dagen liefst te huis. En toch brak op 2a
Chislvu (December), ^midden in den kouden winter", een
schitterend feest aan. lichten werden ontstoken, paleizen
en hutten geïllumineerd, evenals in Christenlanden op het
Kerstfeest. Het is ons, alsof de poëzie van de kerstboom-
verlichting en luister almede tot ons zijn gekomen uit het
oude Heilige Land. Bij den gloed der fakkelen en der
olielampen, verheugde men er zich, tijdens de kortste dagen,
in het geheele land over, dat eens uit den nacht der tempel-
Het plaatje stelt de «gouden poort\' voor. Naar aanleiding van eene
voorspelling, dat de overwinnende Christenen eenmaal daar door de
heilige stad zouden binnengaan, is deze poort dichtgemetseld. Links
een olijfboom, in het midden en rechts vijgen-cactusplanten, op den
voorgrond een bloeiende olijftak.
-ocr page 230-
220
ontwijding door Antiochus, hot licht van den waren gods-
dienst op den heiligen berg Sion wederom was ontstoken
door den moed der Makkabeën. Daarom wordt het feest in
onzen tekst genoemd „het feest der vernieuwing des tempels.\'"
Ook Jezus was op het feest gekomen — de laatste maal
voor Zijn lijden. Hoe na lag dit Jeruzalem Hem toch aan
het hart! In October wilde men Hem aldaar steenigen, het
laatste bezoek had Hem bijna het leven gekost. Toch zien
wij er Hem in December terug. Maar Hij wist, dat Hij zijn
moest op de gevaarlijkste plaats. Zijne zaak moest hier
worden beslist. Voor het laatst kwam Hij nog eens Zijne
getuigenissen aangaande zichzelven afleggen, nog éénmaal
op de duidelijkste wijze zeggen, wie Hij was. Nog éénmaal
wilde Hij het volk en de oversten stellen voor die ontzaglijke
vraag, of het aan Hem geloofde als Gods Zoon, of dat het
Hem verwierp. En wij zullen zien, dat Zijne verklaringen
op dit Decemberfeest het hoogste punt van klaarheid be-
reikten, daar Hij Zijne volkomene eenheid met den hemel-
schen Vader vrij en openlijk voor het verbaasde volk uitsprak.
Jezus had toen, gelijk wij in het voorgaande hoofdstuk
gezien hebben, de laatste reis van Galilea uit aanvaard.
Die reis was in November begonnen, dus heeft Hij zich
ongeveer zes weken opgehouden aan de Zuidelijke grens-
palen van Galilea en Samaria. In December ging Hij op
naar het Licht-feest te Jeruzalem. Slechts Johannes gewaagt
van deze reis en geeft ons den sleutel tot verklaring van
het feit, dat Lukas zwijgt van die lange reis van Galilea
naar het Zuiden, en ons dadelijk in het bij Jeruzalem gelegen
Bethanië verplaatst. (Luk. X : 38). Vroeger x\'eeds heb ik de
veronderstelling uitgesproken, dat alléén Johannes, „de dis-
cipel, dien Jezus liefhad," den Heer vergezelde. Met groot
gevolg kon Jezus, wegens den gevaarlijken stand van zaken
te Jeruzalem, niet derwaarts reizen. Het is ons daardoor
dan ook verklaard, waarom alleen Johannes van deze reis
verhaalt.
De driedaagsche reis van Zuid-Galilea over de bergen van
-ocr page 231-
•2-21
Samaria naar Jeruzalem, was in December weinig aantrek-
kelijk, waarom Johannes dan ook zegt, dat het winter was.
Om deze reden kwamen weinig vreemde gasten te Jeruzalem.
Jezus werd ook niet verwacht en dit te minder, omdat Zijn
laatste bezoek in October met levensgevaar verbonden was
geweest. Zijne tegenstanders, die Hem ver weg in Galilea
dachten, werden in deze dagen dan ook niet door gedachten
aan Hem verontrust.
Om de koude konden de bezoekers niet, als op het Loof-
huttenfeest in October, zich in den gloed der zon in de open
voorhoven ophouden, maar hadden zij zich begeven in de
zuilengalerijen, die den tempel omringden. Daar verspreidt
zich eensklaps het gerucht, dat Jezus is gekomen en dat
Hij zich ophoudt in het voorhof van Salomo. (Joh. X: 2\'ó).
Allen spoeden zich derwaarts en inderdaad, daar stond de
bekende Profetengestalte onbevreesd, als ware Hij niet te
midden van doodsvijanden, maar onder vrienden. Van ver-
schillende kanten werd Hij vroolijk begroet. De diepe indruk,
dien zij in October van Zijn persoon hadden ontvangen, was
bij velen nog niet uitgewischt. Wie ook kon het vergeten
zijn, dat Hij in allen ernst zich daarbuiten in den Voorhof
had aangekondigd als uit den hemel neergedaald, als het
licht der wereld, als de bron van alle heil, ja als een Wezen,
dat reeds voor duizenden jaren, — lang eer Abraham was,
bestond! Toen hadden deze verklaringen een storm van ver-
outwaardiging verwekt bij de regeerende heeren van den
Tempel, die Hem met den dood hadden gedreigd. Daarom
was een ieder verbaasd, Hem zoo rustig midden in den
tempel te zien. Dit was niet alleen een bewijs van zeldzame
onversaagdheid, maar ook van vertrouwende tegemoetkoming.
Van alle zijden omringde men Hem (Joh. X : 24) en spoedig
was Jezus omgeven door een dichten menschendi^om; de
meesten waren stadsbewoners, terwijl een menigte wetge-
leerden en Farizeën konden worden waargenomen, daar dezen
juist heden op het feest in grooten getale aanwezig waren.
Spoedig bleek het, hoe, sinds de getuigenissen van Jezus in
-ocr page 232-
•222
October, de gemoederen ontstemd waren. De toenmalige
geestdrift was intussehen wel eenigszins bekoeld. Maar nau-
wolijks was Jezus verschenen, of allen geraakten opnieuw
in geestdrift. De wetgeleerden en hunne aanhangers, als
ook vele onbesliste gemoederen omringden Jezus om eindelijk
eene ondubbelzinnige verklaring van Hein te vernemen. Hoe
duidelijk Hij in October ook gesproken had, eene verklaring
ontbrak nog: Hij had zich nog niet don Messias genoemd.
Het was toon even als nu: men hing aan Zijne woorden.
Zoo lang Jezus dat Joodsche slotwoord der algemeene
Messiasverwachting nog niet op zich bad toegepast, begreep
men Zijn Persoon nog niet recht; daarom vormden zij van
alle kanten een kring om Hem heen en begeerden een
bondige verklaring. „Hoe lang nog", aldus ongeveer riepen
zij, „zult Gij ons in onzekerheid laten en zult Gij nog de
hoofdvraag ontwijken? Verklaar U toch eindelijk, gelijk het
een man betaamt. Zijt Gij de Messias? Zoo ja, zeg het
ronduit. AVij zijn die dubbelzinnigheid moede!"
Bij Zijne tegenstanders was achter dezen onverwachten
aanval meer verborgen, dan de bloote wensch, een antwoord
te ontvangen. Zij wilden Hem door dezen onverwachten
aandrang verleiden tot een ondoordachte uitspraak. Juist
het woord Messias, dat in het Romeinsoh overgezet (Koning
= rex) gemakkelijk was te verdraaien tot kroonpretendent,
moest .Jezus vermijden, wilde Hij geen aanleiding geven tot
een aanklacht bij Pilatus. Het is bekend, dat zij eenige
maanden later, op den Goeden Vrijdag, zicli van dezen
kunstgreep hebben bediend. Jezus las dit voornemen dui-
delijk op hunne loerende aangezichten. Hij bewees hun dan
ook niet den dienst zich den Messias te noemen. Daartoe
was Zijne ure nog niet gekomen. Toch gaf Hij hun een
antwoord en wel een, dat zóó mogelijk nog duidelijker was
dan dat in October gegeven. Door de meest openhartige
uitspraak over Zijn goddelijke natuur en Zijn hemelsche af-
komst drong Hij hen innerlijk om zelve tot een besluit te
komen, alvorens Hij komen wilde tot de laatste, uiterste
-ocr page 233-
223
uitspraak. Hoezeer reeds Zijne daden den vragers sinds twee
jaren konden zeggen met wien zij te duen hadden, zeide
Hij het hun ook in woorden, opdat zij geene verontschuldi-
ging zouden hebben. Daarom nam Hij in Zijn antwoord den
draad Zijner rede op, waar Hij die in Oetober had losge-
laten. Rustig zag Hij de opgestookte mannen aan en zeide:
,,Ik heb U reeds dikwijls genoeg gezegd, nog onlangs op
liet Loofhuttenfeest. Waarom hecht gij toch altijd aan dat
ééne woord Messias, of zelfs in het algemeen aan woorden ?
Hebt acht op de werken, die ik nu twee jaren lang in uw
midden doe. Genezing van kranken, opwekking van dooden,
.spijziging • van duizenden na het aanroepen van den naam
Gods: op wien wijzen al deze dingen? Spreekt daaruit niet
een taal, machtiger dan dat Ik nu zou verklaren dat Ik
de Messias ben ?"
En toen zij in verlegenheid zwegen, vervolgde Hij mest
weemoedigen ernst: ,.Gij zijt nu eenmaal niet te overtuigen.
Op u maken Mijne ernstige woorden geen indruk meer.
Waarom niet? Omdat gij, Jeruzalemmers, niet van Mijne
schapen zijt, gelijk Ik u reeds in den herfst gezegd heb.
Want, zooals gij ginds in de woestijn kunt zien, dat de
schapen hunne herders kennen aan de stem, zoo. is het ook
met Mijne schapen. Zij hooren en kennen Mijne stem. Mijne
woorden maken op hen den diepsten indruk en zij nemen
ze ter harte. Zij volgen Mij als hun goeden Herder. Zij
weten wel waarom. Ik geef hun het eeuwige leven. Ook
zijn zij bij Mij veilig geborgen voor eiken vijand. Niemand
kan hen rukken uit Mijne hand. In de woestijn kan het
gebeuren, dat een wolf komt en de schapen rooft. Bij Mijne
kudde is dit onmogelijk, want Mijne macht is groot, grooter
dan gij vermoedt. Geen macht op de gansene wijde wereld
is zoo groot als de Mijne. Weet gij wie Mijn Vader is?
Niemand anders dan de Almachtige zelf! En het is hetzelfde
of Ik zeg, dat Ik Mijne schapen behoed, of Hij, want geloot
Mij, wij beiden, de almachtige Vader en Ik, zijn Eén."
Zoo dan had Jezus de vragers niet slechts geantwoord
-ocr page 234-
2l24
met een duidelijk _ja"\' maar met nog veel meer. Half in
den vorm van een klacht over hun ongeloof, half als een
herhaalde uitnoodiging om toe te treden tot Zijne gelukkige
kudde, zeide Hij hun nog ééns duidelijk en helder, wie Hij
was (ui daarmede bereikte Hij tevens het hoofddoel van
Zijn bezoek aan het feest. Men moest weten, wie Hij was
en wie Hij zijn wilde, opdat zij tegenover Hem eene be-
slissing zouden kunnen nemen. Als antwoord op de betref-
fende vraag hield Hij den Messiaswaaw, die zoo gemakkelijk
kon worden misverstaan, liever verzwegen en gaf in de plaats
daarvan de zaken. In opklimmende reeks vatte Hij in Zijne
rede met de grondgedachten, die wij zoo even vernomen
hebben, nog eenmaal datgene samen, wat Hij in October had
gezegd van Zijne hemelsche afkomst. Hij sprak over Zijnen
Vader, totdat Hij met grooten nadruk en volkomen gemoeds-
rust het uitsprak: „Ik en de Vader zijn Eén!
Deze woorden brachten Zijne hoorders in ontzettende be-
roering. Zoo godslasterend had Hij toch in October nog
niet durven spreken. Was Hij soms niet meer toerekenbaar?
God, die hemel en aarde geschapen had, die sinds eeuwen
in dezen tempel vereerd werd, die God zou Eén zijn met
dezen aanrnatigenden Galileër? Dit durfde Hij zeggen in
het gezicht van den ouden Jehovah-tempel? Reeds onder
Zijne rede hadden zij zich geweld moeten aandoen om kalm
te blijven, toen Hij van de eene hoogte tot de andere op-
steeg. Maar toen Hij de laatste woorden gesproken had,
toen kon men zich niet meer bedwingen. Nu gold het de
beleedigde Goddelijke Majesteit te wreken. Schuimend van
woede wierpen zij zich op een nabijzijnden steenhoop om
Hem te steenigen. Maar Jezus bleef rustig staan, ook toen
zij Hem met de steenen naderden. Een kalm mensch heeft
dikwijls een wonderbare macht over een hartstochtelijke,
opgewonden menigte. Getroffen bleef men staan. Niemand
wiei\'p een steen op Hem.
Alsof Hij zich niet bekommerde over hunne bedreigingen,
sprak Hij kalm. echter niet zonder beschamende ironie: „Ik
-ocr page 235-
22b
heb 11 zoovele treffelijke werken getoond, die alléén Mijn
Vader doen kon. Alvorens gijlieden Mij steenigt, zal Ik wel
mogen vragen: Om welke van die werken, wilt gij Mij
dooden?"
.,Wat gaan ons nu nog Uwe daden en werken aan!"
riepen zij verbitterd uit. „Wij willen U steenigen en doen
het met goed recht om Uwe Godslastering, omdat Gij U
zelven God\'maakt!"\' Jezus hernam: „Uwe heilige boeken
noemen toch ook gewone menschen, voor zoover dezen op-
traden in den naam van God, — Goden. Hoi\' kan het
dan Godslastering zijn, als Ik die fan boven ben, dien de
Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft, Mijzelven
Gods Zoon noem? Xog eens: Ziet toch naar Mijne werken!
Vraagt uzelven at\', of deze niet uit God zijn moeten! Daden
zijn toch meer dan woorden! Indien ge dit zoudt willen
bedenken, zou het u duidelijk zijn, dat in Mij de Almacht
en Majesteit des Vaders voor u staat, Hij in Mij, gelijk Ik
in Hem. Daarom zeg Ik nogmaals: Ik en de Vader zijn
Eén!"
De eenvoudige bewijsvoering uit het Oude Testament had
hen een oogenblik ontwapend en in zooverre tot bezinning
gebracht, dat zij de steeniging achterwege lieten. Zulk
een daad kon tegenover de Romeinen, kwade gevolgen
hebben gehad. Zij moesten een vorm vinden om Hem, op
den weg van orde en rechtspraak, te dooden. Daarover
beraadslaagden zij te zamen. Zij kwamen overeen Hem op
onverwachte wijze te grijpen (Joh. X : 39).
Jezus doorzag hun plan en het gevaarlijke van den toe-
stand. Het was hoog tijd om zich buiten hun bereik te
stellen. Hij vluchtte. Van den hof van Salomo uit, ging
Hij door hun midden naar den uitgang des tempels.
Aldus verliet Jezus voor de laatste maal de stad - - als
een Vluchteling. Met eiken nieuwen tocht naar Jeruzalem
was de haat Zijner tegenstanders al heftiger ontbrand. In
October had men getracht Hem te dooden ; toch verhinderde*
dit Hem niet om een week lnny; nog voortdurend de stad
Kent uu Hkm?                                                                                                     i-O
-ocr page 236-
22(J
te bezoeken. Nu was het anders gesteld en kon het opont-
lioud van Jezus op dit feest slechts zeer kort zijn. Volgens
Johannes kan Hij slechts een half uur in den tempel en
in de stad gebleven zijn. Het moet Jezus moeielijk zijn ge-
weest op Zijn gang naar den Olijfberg. Alles scheen vruch-
teloos te zijn in deze ongelukkige stad. Toch was Zijn
bezoek, ook dezen keer, niet vergeefsch geweest. Hij had
Zijn doel bereikt. Niet alleen was de haat Zijner vijanden
ten top gestegen, maar ook Zijne getuigenis was tot het
hoogste punt gekomen in de woorden: „Ik en de Vader
zijn Eén." Het beslissende! woord „Jezus de Zoon van God\'\'
was nog eenmaal neergelegd in de feest-vergadering. Menig-
een zal zich nogmaals hebben afgevraagd , of Hij niet het
recht had te zeggen, dat Zijne werken de waarheid Zijner
woorden waarborgden.
Jezus ging naar Bethanië, dat op een klein uur afstands
van de stad gedegen is, achter den Olijfberg. De liefelijke
geschiedenis, die Lukas X ons verhaalt, steekt vriendelijk
en vreedzaam af, tegen den donkeren achtergrond van haat
en nijd te Jeruzalem.
Deze geschiedenis is voldoende bekend. In het Oosten is
een welkome gast niet alleen de gast van een bepaald
huis maar ook van alle vrienden van dat huis, dikwijls
zelfs van het geheide dorp. Men schaart zich rondom den
aangekomene en allen bieden ververschingen aan. Ook in
Bethanië zal het aldus gegaan zijn; Martha en Maria be-
dienden vriendelijk de gasten van hun huis. Maar ook
daarna had Martha voor vele dingen te zorgen en hoe
gewichtig ook de mededeelingen waren, die de onverwachte
Gast deed, de zorgen van Martha waren nog gewichtiger.
Zij moest nog een heerlijken avondmaaltijd voor den Gast
gereedmaken.
Niet alzoo oordeelde de jongere zuster Maria. Deze had
zich ongemerkt neergezet nabij Jezus om te luisteren naar
Zijne woorden, die wel een echo zullen geweest zijn op
datgene, wat Hij heden in den tempel gesproken en door-
-ocr page 237-
227
leeld had, waarbij het „Een zijn met den Vader" de grond-
toon zal hebben uitgemaakt.
Martha was hierover niet tevreden. Zij zelve had het
zoo druk voor den Heer en Maria zat maar rustig onder
de gasten. Zij ziet Jezus aan en zegt: „Heer, trekt Gij U
dat niet aan, dat mijne zuster mij alleen laat dienen? Zeg
dan haar, dat zij mij helpe!" Doch Jezus antwoordde vrien-
delijk maar beslist: „Martha! Martha! Het ongelijk is aan
uwe zijde. Gij bekommert en ontrust u over vele dingen.
Eén ding is noodig. Maria heeft het goede deel gekozen,
hetwelk van haar niet zal weggenomen worden!"
Een vriendelijk verwijt lag in de woorden van den Heer
opgesloten, terwijl de goedkeuring aan Maria geschonken,
onvoorwaardelijk was. Maar Jezus zeide dit zoo vriendelijk,
dat Zijne woorden geen pijn deden. Vermoedelijk zette
Martha zich naast Maria aan Jezus\' voeten en luisterde
naar de woorden des Heeren, die de kleine woning als tot
een voorhof van het hemelsch te huis maakte.
Jezus zal wel niet lang te Bethanië gebleven zijn, maar
den volgenden dag afscheid genomen hebben. Eerst na twee
maanden zou Hij de vriendelijke woning weerzien, als Hij
den nu nog welvarenden Lazarus uit den dood zou opwek-
ken. Jezus had door Zijn laatste feestbezoek te Jeruzalem,
Zijne uitgestrekte predikreis voor korten tijd afgebroken.
Thans keerde Hij terug tot de scharen naar Perea aan gene
zijde van de Jordaan (Joh. X: 40). Binnen weinige dagen
was Hij met Zijne discipelen weer vereenigd in het Noorden
om de eerstvolgende twee maanden te wijden aan Perea,
gelijk Hij tot nu toe de beide provinciën Juda en Galilea
had doorreisd.
-ocr page 238-
DE TIEX MELAATSCHEX.
LUKA8 XVII : 11 — 19.
Het was einde Januari of begin Februari. Jezus had nog
twee maanden te werken op aarde. Hij was op Zijn laatsten,
langdurigen tocht naar Jeruzalem.
In de laatste dagen van December was Hij van het feest
der tempel wijding in Jeruzalem (Joh. X) en van Zijn bezoek
aan Bethanië (Luk. X : 3S) teruggekeerd en had zich na
een laatste afscheid van Galilea, in Perea (Joh. X: 40) bij
de groote schare Zijner discipelen en Apostelen gevoegd.
Lukas deelt mede, dat dikwijls duizenden zich om Hem heen
verdrongen, zoodat zij elkander vertraden. (Luk. XI : \'29;
XII : 1; XIV: 2b).
Als een, die afscheid nam, trok Jezus nog eenmaal het
land door en, aangezien Hij op vele plaatsen voor het eerst
maar tevens voor het laatst kwam, liet Hij Zijne komst
gewoonlijk door Zijne 70 jongeren aankondigen en het volk
op Zijne komst voorbereiden. Den eenen voorlooper had
men gedood. Zeventig anderen waren daarvoor in de plaats
getreden. Geen enkele plek in Perea mocht on bezocht blijven.
-ocr page 239-
229
Overal moost men den Messias — ofschoon Hij zich dezen
naam niet uitdrukkelijk gegeven had — persoonlijk leeren
kennen, ten einde bij Zijn koninklijken intocht te Jeruzalem
in April en bij het volksgericht op den Goeden Vrijdag,
uit eigen overtuiging voor of tegen Hem te kunnen optre-
den. Ook zien wij, hoe op deze reis de gemoederen bij het
verschijnen van Jezus verdeeld waren. Spoedig hooren wij
dan ook uit het midden der volksmenigte een stem, zeg-
gende : „Zalig is de buik, die U gedragen heeft,"\' (Luk. XI :27)
en tijdens den maaltijd in het huis des Farizeërs, de woorden
van een dischgenoot: „Zalig is hij, die brood eet in het Rijk
Gods!\'- Maar ook zien wij spoedig, hoe Zijne tegenstanders,
in hunne verblinding Zijne verhevenste wonderen voor
duivels-kunstenarij en zwarte kunst verklaren, terwijl ook
Jezus zich genoodzaakt ziet, hunne huichelarij met de scherpste
wapenen, meedoogenloos te ontleden. (Luk. XI: 15; LXII:
13, 15). Onder dit alles verzuimde Jezus niet, Zijnen jongeren
in al deze vijandelijkheden, ook in de nu beginnende ver-
wijzingen naar Herodes Antipas (die over Perea regeerde),
de voorteekenen te doem opmerken van Zijn op handen
zijnden dood. Overal dus kon men Jezus, een ieder in Zijne
eigene plaats, leeren kennen, en al waren de vruchten nog
niet dadelijk zichtbaar, toch zouden ze over korten tijd
zichtbaar worden, want als eenige maanden later, gedurende
het Pinksterfeest, op eenen dag drie duizend geloovig werden,
dan was dit niet een oogenblikkelijk wonder, maar het ont-
spruiten van het zaad, door Jezus geduldig en voortdurend,
onder veel strijd en aanvechting, onder gansch Israël uit-
gestrooid. De meesten der eerste Christenen kenden Jezus
persoonlijk en reeds kort na Jezus\' dood ontstonden in het
Xoorden en in het Zuiden des lands, bloeiende Christelijke
gemeenten en de Apostelen konden oogsten, hetgeen Jezus
op deze reizen had gezaaid, gelijk Hij reeds een jaar te
voren in Samaria had voorspeld. (Joh. IV: 37 en v.v.).
Jezus moet zich ten tijde van ons verhaal hebben opge-
houden op de grenzen van Samaria en Perea. De melaatsche
-ocr page 240-
230
Samaritaan wijst op de nabijheid van Samaria. Wij plaatsen
hem aldus in de streek van het boven-Jordaandal en zijne
naar het Oosten zich verheffende bergen, ongeveer midden
tusschen het meer Genesareth en de Doode Zee. Deze streek
was Hem en Zijn eerste jongeren welbekend. Juist twee
jaren geleden trok Hij uit Nazareth naar hier om den pas
opgetreden profeet Johannes te ontmoeten. Ook trok Hij
over deze bergen, toen Hij met Zijne vijf eerste jongeren
na de vier gedenkwaardige dagen aan de Jordaan naar
Kana terugkeerde.
In deze streek nu naderde Jezus eens een dorp. Nog voor
Hij het binnentrad, vernam Hij weemoedig klagende stemmen
en zag Hij eenige melaatschen, die om hulp riepen. Een
diep medelijden met deze ongelukkige Paria\'s der maat-
schappij greep Hem aan. Zij waren in de hoogste mate
beklagenswaardig. Q-elijk dit tegenwoordig nog het geval
is, moet het toenmaals ook geweest zijn. De arme onge-
lukkigen zitten neergehurkt op den grond, doorknaagd
door de vreeselijke ziekte. Het eene lid na het andere wordt
aangetast. Het gevoel in en onder de huid versterft. Men
kan een naald zeer diep in het vleesch steken, zonder dat
de zieke het bemerkt. De ledematen worden langzamerhand
akelig verminkt, versterven en vallen af. Tranen vloeien
voortdurend uit de halfgesloten oogen, als wilde de natuur
hen dwingen, voortdurend hun toestand te beweenen. In bijna
alle gevallen is de ziekte erfelijk. Een kind uit melaatsche
ouders geboren, kan tot het twintigste jaar frisch en gezond
zijn, trouwen en zelf gezonde kinderen hebben. Maar lang-
zamerhand openbaart zich de ziekte en hij en de zijnen
komen tot de vreeselijke ontdekking, dat „de eerstgeborene
des doods" zooals Job die ziekte noemt, hem als zijn buit heeft
aangegrepen. Nu vlieden allen van hem. Van eiken omgang
met gezonde menschen uitgesloten, uit elke woning gebannen,
door de hunnen gemeden, in holen buiten de stad gemeen-
schappelijk wonende — is het wonder, dat zij duizendmaal
liever sterven dan zoo te leven? En dit doen zij in den beginne,
-ocr page 241-
231
als zij nog niet gewoon zijn geraakt aan hun lot. In bittere
bewoordingen beschuldigen zij, half waanzinnig, den hemel.
Maar de macht der gewoonte is groot: menschen kunnen
zelfs wennen aan melaatschheid. Langzamerhand worden
de ongelukkigen zoo geestelijk stomp, dat alles hun onver-
schillig is. Nog slechts de glans van goud en zilver heeft
een betooverende macht op hen en bedelende zitten zij
langs den weg, roepende: „Sidi hinn alêna!" d. i. Heer,
erbarm u over ons!
Naar het voortreffelijke Duitsch asyl voor melaatschen
gaan slechts weinigen van hen, slechts een twintigtal.
Liever sleepen zij zich bedelend voort om aalmoezen op te
zamelen. Hunne vrijheid beschouwen zij als hun eenig over-
gebleven eigendom, en dit willen zij niet prijsgeven in een
asyl met vaste huisregelen. En al betreurt men dit nu, wie
zal het dezen ellendigen van hun standpunt euvel duiden?
Op genezing is geen kans; om de zegeningen van het
Evangelie, die levende; hoop op een betere wereld, te waar-
deeren, zijn de meesten te gevoelloos, hetgeen wederom
eene der jammerlijke gevolgen der ziekte is, die zich weer-
spiegelt in hun starren blik, evenals onverschilligheid voor
het hoogere, niet echter voor lage neigingen en hartstochten.
Geen zonnestraal van hoogere gedachten en zalige hoop
verlicht de somberheid van hun bestaan en bijna komt het
mij voor, alsof wij voor deze ongelukkige wezens eerst in
het volgend leven hebben te hopen op een hooger geestes-
leven, waartoe God hen toch ook heeft geschapen en bestemd.
Tien zulke ongelukkigen nü zaten in hunne mantels ge-
wikkeld, want het was in den winter, aan den weg naar
het dorp, dien Jezus volgde. Iets bijzonders, iets als uit de
diepte komende, lag heden in hunne heesche geluiden.
Heden wilden zij niet bedelen als gewoonlijk. De naam
Jezus was zelfs bij deze melaatsehen bekend. Indien het
waar was, dat Hij een doode had opgewekt, dan moest
Hij ook melaatschheid kunnen genezen. Men had ook ver-
teld, dat Hij in Februari van het vorige jaar een melaatsche
-ocr page 242-
232
nabij Kapernaüm had gereinigd. (Matth. VIII : 2.) Nooit
nog was het bij hen opgekomen gezond te kunnen worden,
maar sinds zij hadden gehoord van den G-alileeschen Pro-
feet, schoot een flauwe straal van hoop hun door de ziel.
als zij bedachten, dat Deze ook wel eens binnen hunne
grenspalen zou kunnen komen. Heden was die groote dag
aangebroken. Jezus had Zijne komst waarschijnlijk door
Zijne jongeren doen aankondigen. De geheele bevolking
zag met vertrouwen den alom bekenden Aankomende te
geinoet. Niet het minst deden dit de melaatschen. Zij had-
den zich opgesteld terzijde van den weg, omdat zij naar
de Joodsche wet niet aan den weg mochten zitten. Daarom
stonden zij „van verre", zooals onze tekst zegt, op liet
land. Hun hart klopte en bonsde toen zij eindelijk Jezus
zagen komen, Hem, den eenigen mensch op de wijde wereld,
die hen helpen kon. Zij zagen Hem naderen aan het hoofd
van een groot gevolg.
Toen Jezus nabij hen gekomen was, verhieven zij hun
stemmen en riepen bijna woordelijk hetzelfde, als wat de
melaatschen nog heden roepen: „Heer, erbarm U over ons!"
Maar zij voegden er aan toe: „Jezus, Meester!" en juist
in deze toevoeging lag het vonkje geloof aan Zijne godde-
lijke zending, uit kracht waarvan Hij hen genezen kon.
Toen Jezus deze ongelukkige schepsels zag, werd Zijn
hart vervuld met medelijden. Hier kon en mocht Hij helpen.
Een schemering van geloot\' aan Zijne Heilandsliefde, aan
Zijne goddelijke macht, was. in hun bede waar te nemen.
En voor het dorp zou de genezing een verheven prediking
zonder woorden zijn. Hij deed kracht van zich uitgaan,
zag de melaatschen aan met dienzelfden blik, die Zijne
tijdgenooten dikwerf zoo wonderbaar had aangegrepen en
tot onbepaald vertrouwen gestemd en sprak vriendelijk,
alsof zij reeds gezond waren: „Graat heen en vertoont u
den priester!" (aldus gebood de wet van Mozes tot erken-
ning der genezing.) Daarna ging Jezus met Zijne omgeving
verder naar het dorp.
-ocr page 243-
233
De melaatschen hadden de woorden gehoord, maar konden
ze niet gelooven. Toen Hij echter Zijn weg vervolgde, toen
zij wederom alleen waren, maakten zij zich op met blode
zekerheid, want wie zou deze stem, wie zou dezrn Mensch
niet gelooven? En terwijl zij heengingen, bemerkten zij met
verrukking, dat de akelige sporen der vreeselijke ziekte
verdwenen. Zij zagen elkander aan en merkten met onuit-
sprekelijke blijdschap do lijnen van het schoone menschelijk
gelaat bij elkander op, dat hun nog nimmer zóó schoon,
zoo edel had toegeschenen, als in deze oogenblikken. Nieuwe
levenskracht doorstroomde hunne verslapte ledematen. Een
frissche huid begon de doorknaagde plekken te overdekken.
De geheele wereld, voor welke zij tot nu toe zoo goed als
begraven waren geweest, lag nu voor hen open.
En toch — met welke droeve klacht des Heeren eindigt
ons verhaal. Eén slechts keerde terug tot Jezus om Hem te
danken. Allen waren gelukkig, allen hadden een nieuw leven
ontvangen, — maar zij namen het geluk aan als een rooi\',
die hun als door een toeval was in den schoot geworpen.
Zij gingen huns weegs en lieten hunnen Weldoener Zijns
weegs gaan. Zij dachten er niet aan, dat zij daarmede den
grootsten zegen, dien een menschenhart kan ontvangen, den
rug toekeerden.
Eén slechts maakte eene uitzondering. Deze gevoelde, dat
hij zich nu niet naar de priesters noch naar zijne bloedver-
wanten moest spoeden. Hij voor zich kende nu op de geheele
wereld slechts één plaats en die was aan de voeten des
Heeren. Met de hem zoo even geschonken krachten ijlde
hij Jezus na en zonk vol ootmoed voor Dezen op de
knieën. Met luider stem, voor allen verstaanbaar, dankte
hij den Heer en zag Hem aan, als gevoelde hij zich in
Gods onmiddellijke tegenwoordigheid. En deze was een
Samaritaan.
De gelukkige zal gewis den Heer trouw hebben beloofd
tot den dood. Wij kunnen het ons niet anders voorstellen,
dan dat deze Samaritaan, die tot nu toe geen te luns had,
-ocr page 244-
234
een onafscheidelijk volgeling van Jezus is geworden. Bij
Jezus had hij zijn te huis eindelijk gevonden.
Wij kennen den naam van dezen man niet. Voor den Heer
was deze ziel een nieuwe vrucht uit het zoo verachte land
der Samaritanen. Hoe diep het Hem ook smartte, dat de
negen anderen, die toch Israëlieten waren, zoo weinig de
hand Gods in hunne genezing zagen, — deze ééne, die zoo
dankbaar voor Hem nederknielde, was Hem een heerlijk
onderpand van den blijden tijd, dat in Samaria een reeks
Christengemeenten zouden ontstaan, als de schoonste vrucht
op Zijn moeitevolle omwandeling op aarde, die na weinige
maanden reeds een einde zou nemen.
-ocr page 245-
-
JEZUS IN DE LANDSTREKEN TEN OOSTEN
VAN DE JORDAAN.
Markus X : 17—27.
Jezus had zich van het feest te Jeruzalem in December
naar Perea begeven (Joh. X : 40). Hij kan aldaar zijn geko-
men omstreeks 1 Januari, aldus in het begin van het derde
jaar na Zijn doop in de Jordaan en heeft zich ten minste
twee maanden opgehouden in de landstreken ten Oosten der
rivier. Perea werd geregeerd door Herodes Antipas, den
moordenaar van Johannes, later Jezus\' rechter en vormde
de tweede kleinste „helft" (Mark. XI: 23) van zijn koninkrijk.
Perea was noch zoo vruchtbaar noch zoo dicht bevolkt
als G-alilea. Ook was het landelijk karakter niet hetzelfde.
Hier was niet, gelijk in Galilea elke morgen land bebouwd.
Jezus vond op Zijnen weg vele bergwouden, die in Palestina
niet voorkwamen. Bergstroomen moesten worden doorwaad,
Het plaatje vertoont achter de nitmonding van de Jordaan in de
Doode Zee het Zuidelijk voorgebergte der provincie Perea, vanwaar
Jezus steeds de Doode Zee voor zich zag.
-ocr page 246-
23ü
dif in dit jaargetijde in het Jordaandal nederstortten.
Wegens dezen rijkdom aan water ontbrak het in Perea niet.
aan schoone, vruchtbare streken. Ook al waren in het dal
de beken sinds lang opgedroogd, op de hoogten besloegen
ruischende groene velden en boomgroepen, voornamelijk
olijf boomen en bloeiende wijnbergen groote oppervlakten,
terwijl, volgens Jozephus, op de lage gronden prachtige aan-
plantingen van palmen door frissche bronnen overvloedig
werden gedrenkt. In deze vlakten, nabij de Doode Zee, in
de vlakte van Jericho, zal Jezus zich in deze wintermaanden
dikwijls hebben opgehouden, gelijk men nog heden ten dage
in den winter gaarne het zachte klimaat van deze diep-
gelegene streken opzoekt. Toch vond men er ook vele
woeste plekken, Jozephus zegt, dat het Zuidelijke gedeelte
van het land onbevolkt, onvruchtbaar en voor landbouw
te woest is.
Jezus had altijd nog een groot gevolg. Niet alleen waren
behalve Zijne Apostelen, de 70 jongeren (Luk. X : 1) met
Hem, maar bovendien een schare vrome, dankbare vrouwen,
die afzonderlijk Hem volgden. De moeder van Johannes en
Jakobus zullen wij nog in dit hoofdstuk ontmoeten en dat
de moeder van Jezus en de andere vrouwen (Luk. VIII: 3):
Maria Magdalena, Johanna, Susanna en vele anderen mede-
gingen, is nauwelijks te betwijfelen. Wij vinden ze dan ook
op het einde der reis op Golgotha weder. Het moet een
liefelijke tijd voor Jezus geweest zijn, dien Hij hier in Perea
met Zijn jongeren doorleefde, alvorens daarginds over de
hooge bergen in het Westen de laatste storm voor Hem
opsteken en Zijn leven op eens zou afsnijden. De evangelist
Johannes karakteriseert dit met deze woorden iX:4() 42):
rHij ging tot de plaats waar Johannes eerst doopte. En
velen kwamen tot Hem en zeiden: Johannes deed wel geen
teeken, maar al wat Johannes van Dezen zeide, was waar.
vUn Delen geloofden aldaar in Hem." Alzoo vond Hij daar
een groot aantal geloovigen aan dezelfde plaats, waar Hij
voor twee jaren Zijn ambt zoo vol vreugde had aanvaard.
-ocr page 247-
237
Maar de bodem was hier ook toebereid geworden door
een trouwe hand; men hield nog in gedachten hetgeen de
zoo vereerde Johannes de Dooper hier in het dal van Jezus
gezegd had. Uit het te voren gezegde van de bewoners
van Perea (Joh. X : 41) blijkt ons, welke de inhoud der
prediking van den Dooper moet geweest zijn. Hij had hen
veel van hetgeen Jezus doen zoude, voorspeld en in zijne
prediking een zoo sprekend gelijkend beeld van Jezus ont-
worpen, dat diens toekomstige toehoorders Hem daaruit
dadelijk zouden kunnen herkennen. Nu was Jezus persoonlijk
gekomen en was met vreugde ontvangen. Ook deze pro-
vincie is ongetwijfeld, evenals Judea en Galilea, over hare
geheele uitgebreidheid door Jezus doorwandeld, waartoe de
twee maanden volkomen voldoende waren.
Jezus gebruikte dezen tijd ook om Zijnen jongeren en
het volk vele gewichtige leeringen te geven. De evangelist
Lukas geeft daarvan uitvoerig verslag. Vele gelijkenissen,
b.v. die van het groote avondmaal, van den verloren zoon,
van den armen Lazarus, over de gevaren aan rijkdom ver-
bonden, zijne leerredenen over verzoening en vergeving,
over aanhouden in het gebed, schijnen in Perea te zijn
uitgesproken.
De stemming der jongeren schijnt nu eens opgewekt en
hoopvol, dan weer gedrukt te zijn geweest. Ook hier zal
het niet hebben ontbroken aan mannen, die, in overeen-
stemming met de volksleiders in Jeruzalem, optraden als
verbitterde tegenstanders van Jezus. Toch waren de onder-
vindingen hier overwegend verblijdend. Dit scheen hun
grond te geven voor hoopvolle verwachtingen en het groote
gevolg, dat zich om den Heer verzamelde, de werkzaam-
heid van Jezus, die nu weldra de laatste provincie zou
hebben voorbereid tot de eind-beslissing, het vooruitzicht
met Hem en een talrijke schare Jeruzalem binnen te trekken,
dat alles deed hen gelooven het morgenrood van het lang
verwachte Messiaansche Koninkrijk te zien. De ernstige taal
des Heeren over Zijn naderenden dood hielden zij dan voor
-ocr page 248-
\'28!S
zinnebeeld en gelijkenis, waarin Hij altijd zoo gaarne sprak.
Van de enkelvoudige gebeurtenissen gedurende dit verblijf
in Perea is ons weinig gemeld. Een der liefelijkste trekken
uit dezen tijd is het zegenen der kinderkens. Wij zien daaruit,
hoe vertrouwelijk men met Jezus was; men bracht tot Hem,
wat men het liefst had, nl. de kinderen, opdat de goede
Profeet hun de handen zou opleggen. Men wist, dat de
zegen door Izaiik, door Jakob, in oude tijden gegeven, had
doorgewerkt met de kracht eener profetie. Maar de Apostelen
wezen de ouders terug; dezen moesten Jezus, die vermoeid
was, met rust laten. Jezus hoorde, wat Zijne jongeren zeiden
en zag, hoe de ouders, die zoo vol vertrouwen gekomen
waren, zich bedroefd afwendden. „Laat," zoo sprak Hij
vriendelijk tot de ouders, „de kinderen tot Mij komen!"
en tot de jongeren zeide Hij: „Weert ze niet, — o, mochten
alle menschen zijn zooals deze kinderen, zoo eenvoudig, zoo
vrij van eigenwaan — zoo moeten zij zijn, die deel willen
hebben aan het Godsrijk. Voorwaar, zeg Ik u, wie niet
wordt gelijk zij, in wier hart de goede woorden nog zoo
gemakkelijk worden opgenomen, die niet alles beter weten,
maar die vragen en leeren willen, die niet meenen reeds
alles te weten, maar zich alles willen laten geven, die komt
dat Rijk niet binnen!" Daarop brachten de ouders de kin-
deren tot Hem, zij hadden zich dus niet bedrogen gevonden
in hun vertrouwen. Jezus nam de kinderen één voor één
in Zijne armen, drukte ze aan Zijn hart en zag hen zoo
liefdevol aan, dat zij den grooten Profeet in Hem voorbij-
zagen en zich tegen Hem aan vlijden als tegen hun vader.
Of deze ouders Hem zullen hebben kunnen vergeten? Of
deze kinderen zich niet tot in hun ouderdom zullen hebben
verblijd, over hetgeen hun wedervaren was? Het waren
zaadkorrels, die Jezus hier uitstrooide in de harten van
jeugdigen en bejaarden. Hoe zij zijn opgeschoten en vrucht
hebben gedragen zal eens de eeuwigheid openbaren, alsook
hoeveel duizendvoudige vrucht deze gebeurtenis zelf in de
Christenheid zal hebben opgeleverd.
-ocr page 249-
239
Eene andere gebeurtenis uit deze dagen was du ontmoeting
met den rijken jongeling. Hieruit zien wij, welken diepen
indruk de verschijning van Jezus in Perea maakte, ook
onder de hoogere standen. Jezus had eene stad verlaten,
waar Hij had gepredikt. Een nog jong, voornaam heer, had
zich onder de hoorders bevonden en was machtig aange-
grepen geworden, door de persoonlijkheid van Jezus. Toen
Jezus de stad verliet, was de jongeling het nog niet met
zichzelven eens. Hij ijlde Hem na, haalde Hem in i Mark. X :
17) en viel voor Hem op de knieën, met de vraag: „Goede
Meester! dat Gij goed zijt, dat weet ik; o, zeg mij, alvorens
Gij verder gaat, wat ik doen moet om zalig te worden;
noem mij eene groote daad, die mij het eeuwige leven ver-
zekert, waarover Gij zoo schoon hebt gesproken!"
Jezus zag den jongeling met een verbaasden, beproevenden
blik aan. Bedelaars, melaatschen, blinden had Hij menigmaal
geknield voor zich gezien. Maar een zoo aanzienlijk man,
die alles bezat, wat het leven kon veraangenamen, wellicht
nog nimmer. „Gij meent,\'" zoo antwoordde Hij, „aan een
doortrekkenden, „goeden" Rabbi den weg te moeten vragen
om tot volmaaktheid te kunnen komen; maar daarin dwaalt
gij. De stem van den volkomen „Goede" hebt gij reeds
sinds lang vernomen uit de geboden. Niemand kan u iets
beters zeggen." — „Welke geboden?" Jezus noemde het
gebod der liefde tot den naaste. De oogen van den jongeling
schitterden van vreugde. „Al deze dingen," antwoordde hij,
„heb ik onderhouden van mijne jonkheid af!" Bij deze
woorden van Jezus moet hij evenwel hebben gevoeld, dat
hem nog iets ontbrak. Daarom ging hij voort: „Noem mij
nu nog een bijzondere, een groote, schoone daad, zoodat
mij daarna niets meer ontbreekt."
Een glans van liefde moet in de oogen van Jezus hebben
gelegen, toen Hij den jongeling vriendelijk zeide: „Welnu,
Ik zal u het groote werk noemen, dat u nog ontbreekt.
Ga heen, keer naar de stad terug, verkoop al wat gij hebt,
geef het den armen, en kom dan en volg Mij, gelijk deze
-ocr page 250-
•>40
Mijne jongeren en wees gelijk zij er op voorbereid ter wille
van het eeuwige leven het martelaarskruis op u te nemen!"\'
De jongeling was treurig geworden. Met gebogen hoofd
bleet\' hij zwijgend staan. Zijn geestdrift, zijn vrome moed
om een groote daad te volbrengen, beslissend voor het
eeuwige leven, was plotseling gebroken. Een inwendige
zware strijd spiegelde zich af in zijne oogen. De eisch voor
het eeuwige leven scheen hem te groot te zijn; deze kwam
neer op het afstand doen van al het aardsche, en — hij
was zeer rijk.
Wellicht kostte het den Heer, die zwijgend den jongeling
tijd liet om de keuze te doen, ook moeite hem te hebben
geleid op den zoo smartelijken weg van zelf beproeving,
maar Hij kon geen ander antwoord geven. De tien geboden
waren den jongeling niet voldoende geweest, hij wilde meer
doen. Wat hem nog ontbrak, kon hij slechts vinden in het
volgen van Jezus. Wie Hem echter volgen wilde, Hem, die
na weinige weken aan het kruis zou worden genageld,
wiens jongeren alsdan aan elke vervolging zouden bloot-
staan, moest wel letterlijk van alle aardsche goederen afstand
doen. Wie dat niet kon, was niet geschikt Christus te volgen.
De jongeling ging bedroefd weg. Hij was gekomen met
groote verwachting, hij ging weg geheel teleurgesteld.
Jezus was diep bewogen. Een gevaarlijke hinderpaal om
in te gaan in het Godsrijk, de gouden keten van het aardsche,
had zich op zijnen weg gesteld. AVeemoedig sprak Hij tot
Zijne jongeren: „Hoe bezwaarlijk zullen degenen, die goed
hebben, in. het koninkrijk Gods inkomen!1\' En hieraan
knoopte Hij vast dat waarschuwend gesprek over de gevaren
van den rijkdom, waarvan de Evangelisten berichten.
Petrus had aandachtig toegeluisterd. Zij allen hadden
eenmaal dezelfde beslissing moeten nemen, als die den rijken
jongeling nu had teruggehouden. Petrus had zelfs vrouw en
kind in Bethsaïda of Kapernaüm moeten achterlaten. Maar
sinds de Heer dit besluit in het veelzeggende wonder van
de rijke vischvangst voor hem zoozeer gemakkelijk had ge-
-ocr page 251-
241
maakt, was hij Hem getrouw gevolgd, zelfs nu, terwijl
•Jezus als doel der reis hen telkens wees op het kruis. En
toch menigmaal zal hij hebben gedacht aan zijne vaderlooze
woning, aan de oevers van het meer Genesareth. De strijd
van den jongeling had hem opnieuw daaraan herinnerd.
Hij wendt zich tot den Heer, zeggende: „Zie, wij hebben
alles verlaten en zijn U gevolgd. Wat zal ons daarvoor ge-
schieden?" De jongeren luisterden toe. Gelijk reeds zoo
dikwijls, had Petrus ook nu weder als uit hun aller hart
gesproken. Jezus wist het, hoe zij droomden van de aardsche
heerlijkheden van het Messiasrijk. Maar ook w7ist Hij, wat
zij om Zijnentwil hadden verlaten. Daarom antwoordde Hij
met majesteit: .Eens zal Ik, die thans in knechtsgestalte
onder u verkeer, zitten op den troon Mijner hemelsche heer-
I ijkheid. Uok gij zult dan zitten op koningstronen en oor-
deelen de twaalf stammen Israels, maar eerst in de nieuwe
wereld!\'\' (Matth. X : 28). „En", aldus vervolgde Hij, met
het oog op de vraag van Petrus: „zoo wie zal verlaten
hebben huizen, of broeders of zusters, of vader of moeder,
of vrouw of kinderen, of akkers om des te vrijer en meer
ongehinderd te kunnen werken tot verbreiding van Mijn
Evangelie, die zal niet alleen op aarde reeds honderdvoudig
ontvangen, maar ook, en dit is zeer verre het beste, het
eeuwige leven beërven !" Toen de Apostelen weinige maanden
later op het Pinksterfeest zich omringd zagen door duizenden
Christelijke moeders, broeders, zusters, toen dezen hunne
huizen en akkers schonken, toen zullen zij wel indachtig
geweest zijn aan het eerste gedeelte van deze belofte.
In betrekking tot de vergelding in de nieuwe wereld ant-
woordde Jezus hen door eene gelijkenis, die Hij wederom
ontleende aan de omgeving, de gelijkenis namelijk van den
wijngaard e nier en diens arbeiders. De betaling der arbeiders
stelde de Heer in vergelijking van de „vergelding" in die
wereld, waarnaar Petrus had gevraagd. Ües avonds betaalde
de heer des wijngaards uit de gelijkenis aan eiken arbeider
een penning, zoowel aan hen, die het eerst, als aan hen,
KK.NT HIJ H«M?                                                                                                              1\'\'
-ocr page 252-
242
die het laatst gekomen waren. Bij een aardschen wijngaar-
denier zou dit vreemd zijn, maar in de andere wereld zullen
de onthullingen veel verrassends te aanschouwen geven.
Want — en dit was de bedoeling van Jezus\' woorden, —
meent niet, dat gijlieden de voornaamsten zijn zult, omdat
Tk u het eerst heb geroepen. Verstaat Mijne woorden aan-
gaande de koningstronen, die u wachten, niet verkeerd. Na
duizenden jaren, zelfs kort voor den ondergang van deze
wereldorde, zullen nog arbeiders in Mijnen wijngaard worden
geroepen. En onder de laatsten zullen velen de eersten zijn.
Eene andere gebeurtenis staat met deze gesprekken in het
nauwste verband. Een der medereizende vrouwen, Salome,
de moeder van Johannes en Jakobus, trad eens op den Heer
toe en voor Hem knielende zeide zij smeekend: „Heer! ik
heb een verzoek aan U!" „Wat wilt gijV" vroeg Jezus.
Toen antwoordde zij : ,,Laat deze mijne twee zonen Johannes
en Jakobus mogen zitten de een aan Uwe rechter-, de andere
aan Uwe linkerhand in Uw koninkrijk!1\'
Dit was de lievelingswensch haars harten. Rijkdom noch
aardsche eer wenschte zij voor hare zonen, maar zij ging
uit tot hoogere dingen en begeerde voor hen, dat zij altijd
nabij den Heer zouden zijn. Haar geheele gezin en deszelfs
geluk, was door haar onafscheidelijk aan Hem verbonden
geworden. Onder het kruis vinden wij de moedige Salome
met hare zonen weder, getrouw tot in den dood. En zoo
dikwijls wij het boek van haren zoon Johannes opslaan en
de diepe eeuwigheidsgedachten, die ons daarin gegeven zijn,
overdenken, worden wij er aan herinnerd, hoe dikwijls bij
groote godsmannen, de zegen, eene vrome moeder te hebben
gehad, en vooral de zegen eener biddende moeder, beslissend
moet hebben gewerkt ook voor dit leven.
Maai\' Jezus vond voorzeker ook vreemd vuur in de bede.
Reeds in de gelijkenis van de arbeiders in den wijngaard
had Hij aan het slot hun aangeduid, dat de voornaamste
eereplaatsen niet werden bepaald door den tijd der roeping
en ook nu moest Hij hun aanzeggen, dat de inwilliging van
-ocr page 253-
\'243
het verzoek niet afhankelijk was van een gunstbewijs, ge-
schonken in een bijzonder onderhoud. Dit hing af van
voorwaarden, die de zonen zelve hadden te vervullen. Om
die reden wendde de Heer zich tot dezen en niet tot de
moeder. ..Gij wilt zitten aan Mijne rechter- en Mijne linker-
hand!\'\' sprak Jezus. „Maar dan moet gij denzeltden drink-
beker drinken, dien Ik drink. En Ik zeg u, dat die bitter
is. Zijt gij bereid hem met Mij te deelen?"
„Ja!\'1 riepen de beide Apostelen als uit één mond. Met
welgevallen zag de Heer hen aan. ..Mijnen drinkbeker zult
gij wel drinken," aldus sprak Hij, ,.maar de twee hoogste
plaatsen naast Mijnen troon, kan Ik u heden niet toezeggen.
Dit heeft Mijn Nader zich voorbehouden. Hiermede was de
bede der drie familieleden beantwoord. Maar het blijmoedig
„Ja" hebben de beide zonen gehandhaafd hun leven lang.
Van Johannes kunnen wij het beter volgen dan van Jakobus.
Het ja, in Perea uitgesproken, werd door een honderdvoudig
ja gedurende zijn leven achtervolgd. Als wij eenige maanden
later van al de jongeren hem alleen op Golgutha vinden,
als wij in de geschiedenis der Apostelen lezen, dat hij zich
verblijdde, ten bloede toe gegeeseld te zijn geworden ter
wille van zijnen Heer, als hij later, toen zijn geboorteplaats
te niet gegaan, zijn geliefd Jeruzalem verbrand was, uittrok
om in Klein-Azië onder veel vervolging in den kring der
geloovigen een nieuw vaderland te vinden en de gemeente
van zijnen Heer te leiden, als hem zelfs het eenzame eiland
Patmos ter woning werd gesteld, omdat hij juist in de
eenzaamheid de vervulling zou vinden van de bede zijner
moeder om het dichtst nabij den Heer te zijn, — dan is dit
alles te zamen slechts de echo, de bevestiging van dat Ja,
dat hij eens in Perea met zijnen broeder zoo blijmoedig
zijnen Heer had toegeroepen.
Inderdaad leeren deze gebeurtenissen en gesprekken in
Perea ons duidelijk, dat de jongeren nog niet geleerd had-
den de zoo dikwijls herhaalde doodsaankondigingen des
Heeren woordelijk te verstaan, ofschoon Jezus deze juist in
-ocr page 254-
244
Perea met vollen nadruk had herhaald. (Matth. XX : 18:
Mark. X : 33; Lukas XVIII : 32.) Deze doodsgedachten
zochten zij steeds te ontwijken, steeds in beeldspraak om
te zetten (Luk. XVIII : 341, terwijl zij zich tevens met al
de kracht van hun Oostersche fantasie overgaven aan de
groote verwachtingen var. een Messiaansch koninkrijk, die
door Johannes den Dooper reeds zoo krachtig waren opge-
wekt. Des te verschrikkelijker werden zij daarom verrast,
toen niet langen tijd daarna, alles woordelijk vervuld werd,
gelijk de Heer het had voorspeld, toen die vreeselijke ge-
beurtenisson te Jeruzalem elkander één voor één opvolgden
en hun zoozeer alle kalmte deden verliezen, dat zij hunnen
Meester alleen en verlaten Zijn laatsten gang lieten doen
naar Zijne ergste vijanden. Alvorens echter dit alles ge-
schiedde, alvorens deze verpletterende gebeurtenissen plaats-
grepen, zouden zij nog eenmaal zicli bewust worden van
den vollen ernst van den toestand door een onverwachte
reis, die hen tot dicht voor de poorten van Jeruzalem
bracht. (Joh. X.)
-ocr page 255-
Wij staan op de puinhoopen van het voormalige
Jericho. Hoe eenzaam is het heden ten dage in het
eenmaal zoo heerlijke dal! Aan de Westelijke grens der
„groote vlakte," die zich langs de beneden-Jordaan tot aan
de Doode Zee uitstrekt, het diepste dal der geheele wereld,
lag de stad Jericho. Keus het schouwtooneel van een bloeiend
leven, is thans alle pracht en heerlijkheid van Jericho, die
koningen en keizers haar benijdden, in het stof verzonken
en begraven. Waar eens de laatste koningen en edelen van
Jericho hunne schitterende villa\'s hadden, waar eens een
opgewekt volk woonde of doortrok naar de feesten te
Jeruzalem, — daar heerscht heden ten dage de stilte des dood*.
-ocr page 256-
246
Toen Jezus Jericho binnentrok was het anders. De oude
schrijvers wedijveren in hunne beschrijvingen aangaande dit
eenig, merkwaardig oord, zijn schoonheid roemende als het
juweel van het Oosten. Herodes de Groote had geen offers
ontzien om Jericho tot een der schitterendste steden van
Palestina te maken en nog nimmer had een koning zooveel
gedaan voor den uitwendigen glans van het land, zoodat
zelfs de stad Jericho van den ouden tijd slechts is te keu-
nen door haren koning, den schepper van haar heerlijkheid.
Hoe geheel anders echter is de vorst, Wiens intocht te
Jericho wij heden, aan de hand van den Evangelist, zullen
bijwonen. Reeds in Zijn eerste kindsheid had Herodes Hem
naar het leven gestaan, omdat deze in Hem een mededinger
naar den troon meende te zien. Maar hoezeer verschilde
beider koningschap! Hem lokten geene rijkdommen noch
eerekransen noch de grootheid eener aardsche dynastie.
Dit alles was voor Zijne opperste Majesteit en voor Zijne
heiligheid slechts een armzalig, hol vertoon. Neergedaald
van den hemeltroon, was Hij gekomen om in knechtsgestalte
de poorten van het goddelijk koninkrijk te openen, de ver-
lorenen te redden en zondaren zalig te maken. Dat dit
Zijn éénige bedoeling was, bewijst elke schrede, die Hij in
Jericho deed. En toen Hij later, evenals Herodes, Jericho
verliet, om op hetzelfde gebergte, weinige uren van Herodes\'
graf. insgelijks in het graf te worden gelegd, toen was
juist dit sterven voor de zonden der geheele wereld de
bevestiging van Zijne koninklijke bedoeling, het grondvesten
van een koninkrijk, dat ver boven die aardsche heerschappij
en dynastie verheven, zonder einde zou voortduren tot in
eeuwigheid.
Ten einde de beteekenis der in het Evangelie medegedeelde
gebeurtenissen in Jericho goed te verstaan, moeten wij ons
den uiterlijken stand van de zaak des Heeren kortelijk
herinneren. Jezus was op weg naar Jeruzalem. Deze reis,
reeds voor vijf maanden begonnen, liep ten einde. Wij
hebben Hem vergezeld door het grensgebied van Galilea
-ocr page 257-
247
en Samaria en door het Oostelijk gebied van Perea. Nu
heeft Hij het laatste station bereikt. Overmorgen zal Hij
eindelijk opgaan naar Jeruzalem voor den laatsten beslis-
senden strijd. Er is een treurige achteruitgang in de bezoeken
van Jezus te Jeruzalem waar te nemen. Twee jaren geleden
kwam Hij voor het eerst op het Paaschfeest, om als de
Koning-Messias den tempel binnen te gaan. Maar toen reeds
wees Zijn volk Hem af (Joh. II: 18) en sprak Hij het uit,
hoewel niemand het toen begreep, dat Hij Zijn geweldda-
digen dood voorzag (Joh. II: 19).
Het vorige jaar in Maart (Joh V) was Hij gekomen als een
eenvoudige feestpelgiïm. Het geheime plan Zijner tegen-
standers om Hem te dooden was reeds gerijpt. Later in
October iJoh. VII) was Hij gekomen op het Loof hu ttenfeest,
welken tocht Hij nog in alle stilte kon volbrengen. Daarna in
December was Hij in de stad gekomen in de dagen van het
feest der tempelwijding: een snelle vlucht bewaarde Hem toen
voor langdurige gevangenschap of den dood. Voor weinige
weken was Hij nog eenmaal over de geliefde bergen rondom
Jeruzalem heengetrokken naar Bethanië. Lazarus was gestor-
ven*). Dezen keer durfde Hij de poorten van Jeruzalem zelfs
niet meer binnen te gaan. En toch had Zijn bezoek voor Jeru-
zalem de grootste beteekeuis. De dood van Lazarus was niet
eene vergissing der Voorzienigheid, die Jezus door de op-
wekking herstelde. Maar, zooals Jezus zeide, de ziekte van
Lazarus was niet tot den dood maar ter heerlijkheid Gods,
opdat de Zoon Gods daardoor zou verheerlijkt worden.
(Joh. VI : 4). Daarom verblijdde zich Jezus over den dood
van Lazarus, waardoor Zijne souvereine macht, zelfs over
het doodenrijk, zou blijken en al het volk tot geloof in Hem
zou worden gebracht (Joh. VI: 15—42). Eene opwekking
uit de dooden onder de muren der hoofdstad, die Hij niet
meer kon bezoeken, was eene geweldige prediking zonder
*) Zie -Kent srij liet land?" hoofdstuk: «Graf- en Lijkzangen."
-ocr page 258-
•24S
woorden voor Jeruzalem. Verstond Jeruzalem ook deze niet,
dan was haar tijd, dan was alles voorbij.
Deze daad van Jezus bleef ook niet zonder gevolg. Het
bericht, dat Hij onder hunne muren een doode had opgewekt,
die onder het geleide van alle dorpelingen vier dagen te
voren begraven was, riep in de hoofdstad eene ongekende
beweging in \'t leven (Joh. XI: 48; XII : 17, 19). Allen be-
gaven zich naar het dorpje naai- den zoom der woestijn om
den levend opgestanen Lazarus en zijn graf te zi<n. Velen
geloofden in Jezus. Maar welke waren de gevolgen in de
toongevende kringen? Johannes zegt (XI: 53): „Van dien
dag af beraadslaagden zij te zamen. dat zij Hem dooden
zouden." De opwekking van Lazarus hakte den knoop door.
Hetgeen de laatste, de krachtigste aanleiding tot geloof
moest zijn, word de beslissende aanleiding tot den dood des
Heeren. In de volle vergadering van den Hoogen Raad
verhief zich de hoogepriester en verkondigde onder goed-
keuring van de vergadering, dat het noodig was, dat Hij
stierf. Hij vermoedde niet, dat hij onwillens het werktuig
was in Gods hand om het grootste feit, dat ooit plaats greep,
te bevorderen. Ook de Evangelist Johannes kon zich niet
onthouden op de beteekenis van dit wereldhistorisch moment
te wijzen, toen hij in aanknooping aan de woorden van den
hoogepriester schreef: „Jezus moest sterven voor het volk;
en niet slechts voor het volk alleen, maar opdat Hij alle
kinderen Gods, die verstrooid waren, zou vereenigen.\'\'
Elk verhoor, dat men Jezus nog zou doen ondergaan,
zou slechts schijnvertoon zijn. Zijn dood was besloten. Maar
„Zijne ure was nog niet gekomen." Jezus had zich terug-
getrokken naar de stad Efraïm in Judea.
De maand April van des Heeren sterfjaar was aangebroken.
Het Paaschfeest was aanstaande en overal in den lande
maakte men zich gereed om op te gaan naar het feest te
Jeruzalem. Welk paaschfeest het zijn zoude, werd door nie-
mand vermoed, hoewel Jezus het Middelpunt der gedachten
was. Velen deden een bedevaart naar Bethanië als naar een
-ocr page 259-
•249
heiligdom. Zelfs Lazarus was zijn leven niet zeker. De o ver-
priesters in hunne blinde woede hadden hem wel willen
dooden om aan de opwinding een einde te maken (Joh.
XII : 10). En wie maar in den tempel kwam, vroeg, alsof
dit de hoofdzaak voor dit feest ware: of Jezus wel komen
zou tot het feest. (Joh. XI: 56\'.
Jericho, alwaar van alle kanten de feestkaravanen, die
naar Jeruzalem trokken, te zamen kwamen, was hoofd-
brandpunt van de algemeene belangstelling iu Jezus. Nieuws-
gierigheid, begeei-te, hoop en verwachting vervulden veler
hart. De spanning was grooter dan ooit. Men wist, dat de
vijandschap der heerschende kringen op het feest was over-
gegaan in doodelijken haat, tot het uiterste geprikkeld door
de opwekking van Lazarus. Men wilde niet meer met Hem
redetwisten, men wilde Hem slechts dooden. De Hooge
Raad had op stratïe van den ban bevolen, dat een ieder,
die de verblijfplaats van Jezus kende, daarvan kennis moest
geven. Daardoor was Jezus vogelvrij verklaard. Een ieder
wist dit. De vraag, of Jezus tot het feest zou komen, was
dus wel gewettigd!
Op zekeren avond, kort voor Paschen, verspreidt zich
onverwachts het gerucht door de straten van Jericho: Jezus
van Nazareth komt! Groot was het gejuich en de opge-
wondenheid. Het geleek een voorspel van den intocht te
Jeruzalem. Met dezelfde algemeene vreugde, met dezelfde
uitroepen werd Hij ingehaald. Dit wordt ons duidelijk uit
het voorval met de beide blinden, die aan den weg zaten;
duidelijker nog uit de geschiedenis van Zacheüs. Nauwelijks
was Jezus de eerste straten doorgekomen, toen reeds een
groot gevolg zich bij Hem had aangesloten. Dat Jezus inder-
daad de verwachte Messias-Koning was, — dit spraken de
blinden met hun „Gij Zone Davids" uit, vertolkende hetgeen
de anderen dachten. Het volk bewoog zich tusschen het
geboomte. Een man van aanzien, klein van gestalte, deed
vergeefsche pogingen om Jezus te zien. Het was een tolbe-
ambte van hoogen rang. Hij kon over de hoofden der menigte
-ocr page 260-
250
niet heenzien: toch moest hij heden Jezus aanschouwen,
tot Wien hij zich onwederstaanbaar aangetrokken gevoelde.
Hij was niet een tollenaar van den gewonen stempel. Waren
dezen berucht door hunne omkoopbaarheid of knevelarijen,
hij bleef daarvan rein. Toen hij Jezus niet zien kon over
de hoofden heen, liep hij vooruit naar een plaats, waar
Jezus voorbij moest, beklom aldaar een boom en wachtte.
De stoet naderde meer en meer. De menigte verwelkomde
den gevierden Gast met gejuich. Jezus ging zwijgend door
het volk heen. Dat gejubel der nieuwsgierigen behaagde
Hem niet: zij wisten niet wat zij deden, zij werden niet
tot deze begroeting gedreven door het geloof in Hem. Acht
dagen later zou menigeen van hen, andermaal opgewonden,
achter Hem aanloopen, maar dan naar Golgotha. Plotseling
slaat Jezus de oogen op en houdt die gevestigd op den
boom, waarop Zacheüs zit. Deze ziet die oogen vol godde-
lijke reinheid, medelijden en goedheid, in zijne eigene oogen
blikken en lezen. Nu hoort hij zich bij name roepen, maar
hij vertrouwt zijn ooren niet, want de Heer noemt hem bij
zijn naam, alsof hij een oud bekende was: „Zacheüs, kom
af! want Ik moet heden in uw huis zijn." Het was avond
toen de Heer aan het einde Zijner dagreize te Jericho
kwam. Nog wist Hij niet. waar Hij zou vernachten. Nu
wist Hij het. Daar zat de voorname, de rijke Zacheüs, be-
geerig om Hem te leeren kennen; zijn hart had gesproken:
„Ik moet heden Jezus zien!" en uit hart en mond van
Jezus weerklinkt het als een echo: „Ik moet heden in uw
huis zijn!" Het woord in den oorspronkelijken G-riekschen
tekst, dat door „moet" vertaald is, beteekent letterlijk: het
is mijn plicht. En op dit dubbel moet valt ook de nadruk
van onzen tekst. Zacheüs voelde, dat het oog des Heeren
tot in het diepst van zijne ziel las. „En hij kwam haastig
af en ontving Hem met blijdschap." Aan de zijde van den
rijken, maar door de crome Farizeën om zijne betrekking
verachten Zacheüs, betrad Jezus, als een oud Huisvriend,
diens woning. Hier evenwel scheidden zich de wegen van
-ocr page 261-
251
Jezus en der goud-joodschgezinde menigte. Allen ergerden
zich, dat Hij bij een tollenaar inging. Daarvoor achtten zij
zichzelve te goed en te vroom en zij lieten Jezus alléén
gaan. De hoogstgelukkige Zacheüs echter bracht Jezus met
blijdschap in zijn huis. Naar het in het Oosten heerschend
gebruik, om bij het ontvangen van een gast zijn huis open
te stellen voor een ieder, die dezen wilde komen begroeten,
kwamen vele der collega\'s, vrienden en ondergeschikten
van Zacheüs, die zich nederzetten bij den gevierden Gast.
Voorzeker waren het allen tolbeambten, zoo gehaat door
de strenge Joden. Maar Zacheüs had een onbegrensd ver-
trouwen in Jezus en opende voor Hem zijn gansche hart.
Ook deelde hij Hem mede, dat hij %\'ierdubbel wedergaf,
indien hij iets onrechtmatig mocht hebben verkregen, ja,
dat hij de helft van zijne goederen aan de armen gegeven
had. Wat verder gesproken werd, wordt niet medegedeeld,
maar het resultaat is duidelijk. Hij werd een discipel van
Jezus; hij en de zijnen namen het heil in Christus aan.
Allen waren dien avond blij te moede in het huis van
Zacheüs; hijzelf wel het meest. Ook Jezus was vervuld met
heilige blijdschap. Hij had het eerste Christenhuis te .Tericho
ingewijd!
(lelijk een bouwmeester eenen groenen tak aan-
brengt op een voltooid huis en daarbij een zinrijke spreuk
uitspreekt, aldus sprak Jezus, de voormalige Bouwmeester,
over dit eerste Christenhuis in de oude palmenstad deze
woorden uit: „Heden is dezen huize zaligheid geschied!\'\'
Den volgenden morgen nam Jezus\'afscheid en ging met
Zijne jongeren door de woestijn naar Jeruzalem. Nu zou
in vervulling komen, hetgeen Hij hun een half jaar geleden
op den blinkenden Hermon gezegd had: ginds achter het
gebergte zou Hij gewelddadig worden ter dood gebracht.
-ocr page 262-
^pTé»                     IN DE KONINGSSTAD.
Matth XXI: 1—9.
Jezus had het programma van Zijn openbaar leven en
werken voleindigd. Na de afwijzing van Zijn eerste Konink-
lijke aanspraken bij de tempelreiniging, nu twee jaar geleden,
was Hij het geheele land doorgetrokken. Het geheele volk
had Hij bezocht, een ieder in zijne eigene stad en dorp.
De drie provinciën, Judea, Galilea, Perea had Hij achter-
eenvolgens doorkruist. Geen enkele vriend der waarheid
Het plaatje stelt voor den Olijfberg in den tegen woordigen tijd.
Dwars over den Olijfberg loopt de weg van den intocht van Jezus, die
boven het dorp Siloah , op den middengrond zichtbaar, langzaam afvoert
naar het Kidrondal om dan op te loopen naar Jeruzalem. Achter de
rechterhoogte lag Bethanië, in de verte het Moabietengebergte.
-ocr page 263-
253
kon dus meer in twijfel zijn aangaande Zijn ware persoon-
lijkheid. Een ieder was in de gelegenheid gesteld, een eigen
oordeel te verkrijgen over de vraag, of de aankondiging
van Johannes den Dooper, of de eerste Koningsproclaraatie
al of niet gewettigd was.
Aldus waren de toestanden rijp voor de eindbeslissing.
Gedurende twee jaren had Jezus op machtige wijze voor
deze beslissing gearbeid. Hetgeen Hij tot nu toe, laatstelijk
nog in October en in December, toen men Hem steenigcn
wilde, zoo zorgvuldig had vermeden: eene voorbarige beslis-
sing door het volk, daarvoor behoefde Hij thans niet meer
te vreezen. Integendeel, de beslissing wilde Hij thans niet
meer vermijden, maar deze veelmeer uitlokken. Thans moest
in Israël de teerling worden geworpen over leven en dood
van den Messias, over leven en dood van het volk. Daarom
was thans het oogenblik gekomen om nogmaals een stap te
doen met meer openbaarheid, een stap, dien Hij voor twee
jaren reeds had gedaan, namelijk zich in de oude Koningsstad
als Koning te proclameeren, maar ditmaal duidelijker, meer
openlijk.
Ook van den kant Zijner vijanden drong alles op beslissing
aan. De spanning was sedert den laatsten herfst en winter
op de spits gedreven. De beide laatste feestbezoeken in
October en December hadden krachtig medegewerkt om ten
slotte tegenover Jezus positie te nemen. Hetgeen Jezus toen
van zich had getuigd, kon inderdaad slechts een goddelijk
wezen van zich zelven zeggen. Wie Hem als zoodanig niet
wilde erkennen, moest onvoorwaardelijk scherp tegenover
Hem staan. Het vreeselijke drama, dat in de weinige dagen
der Goede-Vrydagweek is afgespeeld, hangt niet af van
een of andere toevalligheid, gelijk b.v. het verraad van Judas,
de stormachtige zittingen van den Joodschen Raad, de gun-
stige gelegenheid, — neen, \'t is het onvermijdelijk einde dei-
trapsgewijze ontwikkeling, lang vooruit gezien door Jezus\'
diepziende blikken. De omstandigheden op zichzelve geven
slechts den uitwendigen loop aan van deze onvermijdelijke
-ocr page 264-
254
ontwikkeling. Zij zijn als de laatste droppel, die den reeds
gevulden beker doet overloopen.
Laat ons nog eens een vluchtigen blik werpen op den
onmiddel lijk voorafgaanden tijd. In December moest Jezus
zich door de vlucht aan Zijne vijanden onttrekken. Sinds
was Hij niet meer in de hoofdstad geweest. Slechts eenmaal,
omstreeks Maart, was Hij van Perea overgekomen tot dicht
aan de poorten van Jeruzalem om in Bethanië Lazarus uit
den dood op te wekken. Vermocht Hij niet meer binnen de
stad te prediken, zoo deed Hij nog een laatste beroep op
hare inwoners onmiddellijk onder hunne muren, opdat zij
erkennen mochten, welk een Gast zich voor hunne poorten
bevond. Het gevolg, ook van deze laatste aanmaning, die
de verblinde stad nog op den weg des vredes had kunnen
leiden, was zonder twijfel door Jezus voorzien. Hij begreep
wel, dat deze ondubbelzinnige getuigenis van Zijne goddelijke
zending slechts den laatsten en onstuimigsten uitval van
hun haat zou bewerkstelligen. Dit was geschied. De hooge-
priesterlijke partij, die reeds in December zichzelve bijna
niet meer meester was, beschouwde dit wonder als den
handschoen, hun ten strijde toegeworpen. Zij was besloten
dien op te rapen. Een wonder van Jezus maakte op hen
geen indruk meer. Zij onderzochten niet meer. Zij hadden
reeds sinds lang uitgemaakt, dat deze zoogenaamde won-
deren niets anders waren dan bedrog of tooverij. Dat deze
gehate Jezus in eenigerlei innige betrekking tot Israels God
kon staan, deze gedachte hadden zij onbestaanbaar verklaard.
Van hun standpunt beschouwd, hadden zij ook wel reden
om over de opwekking van Lazarus uitermate vertoornd te
zijn. Dit feit toch maakte op de geheele stad Jeruzalem een
verbazenden indruk! Tegenover een daad, zoo ongehoord, zoo
goddelijk, was twijfelen niet meer mogelijk. Velen, die tot
nu toe weifelend en wantrouwend terzijde hadden gestaan,
gaven alle tegenspraak op, en veler hart werd in die dagen
diep bewogen door de vraag, als echo dezer laatste prediking
zonder woorden, of Jezus toch niet was de verwachte Koning
-ocr page 265-
255
on Verlosser van Israël, ja, zelfs, gelijk Hij in December
het hun ernstig had verzekerd, „Gods Zoon ?" (Joh. X : 36.)
Maar juist daarom gaf, naar Johannes ons bericht, de
opwekking van Lazarus den laatsteu stoot tot de eenige
weken later volgende terdoodbrenging op den Groeden
Vrijdag. Hoe luider en hoe meer en algemeen de stem des
volks zich voor Jezus verklaarde, dos te meer verwenschten
zij deze opwekking. Hierdoor toch ging het voordeel, op
de beide laatste feesten behaald, ganschelijk verloren. Toen-
maals hadden zij het weifelende volk op hunne hand kunnen
brengen. In October was Jezus bijna gesteenigd geworden,
in December had Hij de vlucht genomen. Nu wederom
klopte Hij geheel onverwacht aan de poorten van Jeruzalem
aan. De volksstemming was geheel veranderd, steeds meer-
dere stemmen verklaarden zich voor Hem. Men had berouw
Hem zoo lang te hebben miskend en hieruit volgde zoo
gemakkelijk ingenomenheid en opgewondenheid.
Bij dit alles was ongelukkigerwijze het Paasehfoest zeer
nabij. Had men Jezus reeds bij vroegere feesten met groote
verwachting tegemoet gezien, thans hadden deze verwach-
tingen hun toppunt bereikt. Men kon zich nauwelijks voor-
stellen den Man te zullen zien, die in een naburig dorp
een doode uit het graf had opgeroepen, Wiens bevel gehoord
en opgevolgd werd zelfs in het geheimzinnig doodenrijk.
De opwekking uit den dood had gewerkt als een stoot uit
een bazuin en juist voor het feest de oogen van ganscli
Israël wederom op Hem gevestigd. Men behoefde dan ook
geen Profeet te zijn om te voorspellen, dat op dit Paasch-
feest alles zich rondom Jezus zou bewegen, dat de opwin-
ding zich ook zou mededeelen aan de feestgangers, te zamen
gestroomd uit de gansche wereld, dat de macht en de
invloed van den Galileër op den dag, waarop Hij weder
verschijnen zou onder de duizenden in den tempel, zoo
groot zouden zijn, dat Hij met het volk zou kunnen doen
■wat Hij wilde. Maar dan was het gedaan met de macht en
den invloed der overpriesters, die zich tot nu steeds tegen-
-ocr page 266-
256
over Hem hadden gesteld. En mocht Hij zich vermeten
den koningstitel aan te nemen, dan zou aan hun eigen
volksregeering alle staatkundige zelfstandigheid ontnomen
zijn. Het was dus meer dan tijd om te handelun, geen dag
mocht meer verloren gaan. Op zekeren dag spoedden zich
daarom de dienaren van den Hoogen Raad door de stad
om de leden op te roepen tot een dringende samenkomst.
De vaders van het volk vergaderden in de raadzaal aan
den tempelhof. (Joh. II : 47.) De zitting nam een aanvang.
Daarover was men het volkomen ééns, dat, als men nu
niet doortastende maatregelen tegen den Volksverleider
nam. binnen weinige weken alles verloren zoude zijn. Men
mocht niet langer talmen, liet Paasehfeest stond voor de
deur. Maar hoe éénstemming men ook was aangaande dit
beginsel, voor de vraag: „wat zullen wij doen f stonden
allen als radeloos. Eindelijk nam Kajafas het woord, die
spijtig deze angstvalligheid en radeloosheid had aangezien.
„Gij verstaat niets, gij overlegt niet," aldus viel hij uit.
„Wat hebt gij te beraadslagen en te overwegen V Reeds te
lang hebt gij getalmd en de handen in den schoot gelegd.
Ziet gij niet. dat door dezen Mensch het geheele volk met
ondergang wordt bedreigd. Er is slechts een middel om dit
gevaar af te wenden : Hij moet sterven! het is beter dat
één mensch sterft, dan dat de geheele natie verloren gaat!"
Deze woorden, die meer profetisch waren dan Kajafas
vermoedde, vonden algemeene instemming. Niemand, ook
zij niet, die gelijk Nicodemus en Jozef van Arimathea het
er niet mede eens waren, durfden tegenspreken. Wellicht
vonden zij het verstandiger te zwijgen. Hun tegenspraak
zou hen van het voornemen om Jezus te dooden toch niet
hebben teruggehouden en ook zwijgend konden zij den ge-
eerden man nuttig zijn, door Hem kennis te geven van het
genomen besluit.
Van dien dag af was de dood van Jezus een uitgemaakte
zaak (Joh. XI : 53;. Het was niet de eerste zitting, die over
deze zaak gehouden werd. In üctober hebben wij er ook eene
-ocr page 267-
257
bijgewoond, toen Jezus onder hunne vensters was leerende en
zich het licht der wereld noemde. Van nu aan werden de
zittingen meer menigvuldig: over het doel was men het eens,
ten opzichte der uitvoering was nog veel te overleggen.
Men moest rekening houden met den machtigen aanhang
van Jezus, om niet door een verkeerde stap Zijn zaak te
bevorderen en hun eigen nadeel te bewerken.
Eene mislukte poging om Jezus te dooden zou erger zijn
dan er geene te doen. Om die reden gebood de voorzieh-
tigheid zich van eiken gewelddadigen aanval te onthouden
voor het Paaschfeest. Onder het oog der van alle kanten
toegestroomde aanhangers, kon onmogelijk iets worden
ondernomen. Toch moest, zoo mogelijk, het verschijnen van
Jezus op het Paaschfeest worden voorkomen. Hiertoe be-
dachten zij een middel, dat goed overlegd was. daar het
tot tweeledig doel moest leiden. Het zou Zijne verschijning
op het feest en dus ook de vermeerdering van Zijn invloed
verhinderen en het onthief hen van de noodzakelijkheid
om voor Paschen op te treden. Zij gaven namelijk een
gebod (Joh. XI : 67), waaraan algemeene bekendheid werd
gegeven, dat Jezus ambtshalve strafrechterlijk vervolgd
werd, zoodat ieder, die wist waar Hij was, hun dit moest
zeggen op strafte van den ban.
Dit scherpe gebod, uitgaande van de hoogste autoriteit
in Israël, moest Jezus in de oogen der twijfelmoedigen
verdacht maken en Zijne aanhangers vrees aanjagen. Boven-
dien hoopten zij, dat Jezus, die op het laatste feest de
vlucht genomen had en die voor eenige weken wel naar
Bethanië, maar niet in de stad zelve had durven komen,
gedurende het Paaschfeest wel afwezig zou blijven. Dat
Hij den moed zou hebben zich in den leeuwenkuil te wagen,
dit geloofde geen hunner. Als Hij maar tot het Paaschfeest,
waarop honderdduizenden zich in Jeruzalem verzamelden,
wegbleef! Later zouden zij met Hem wel klaar komen.
Gedurende den stillen zomertijd zou zich gemakkelijk eene
gelegenheid voordoen om Hem zonder rumoer uit den weg
Kknt gij Ukm.\'                                                                                                           1\'
-ocr page 268-
258
te ruimen en alzoo die geheele zoo gehate volksbeweging
te onderdrukken, die voor 21/» jaar met Johannes den
Dooper was begonnen, wien men ook wel het zwijgen had
opgelegd — ondanks zijn groot aanzien onder het volk.
AVij kunnen ons voorstellen, hoe de dienaren van den
Hoogen Raad het bevel verspreidden door de stad en onder
allen, die op den tempelhof waren, waar .lezus, nog kort
geleden zich „het Licht der wereld" had genoemd. Het
scheen, dat Jezus vernietigd was. Hoe zou Hij het ook
hebben durven wagen nogmaals in den voorhof te komen?
Ook tegenover het volk scheen de maatregel doeltreffend
te werken. Niemand sprak één woord in Zijn voordeel. Van
de jongeren zag of hoorde men niets en Hijzelf was sinds
de opwekking van Lazarus spoorloos verdwenen. Hij had
zich dus lafhartig teruggetrokken en zelfs in de verte durfde.
Hij niet meer te prediken of wonderen te doen, want van
Zijne werken hoorde men niets meer, terwijl er vroeger
steeds zulke opgewekte mededeelingen van inkwamen.
Reeds wreven de wijze vaderen des volks tevreden hunne
handen over hun meesterlijk besluit. Alles ging naar wensch,
alles zou wel gelukken.
Waar was Jezus echter gebleven? Van Bethanië had Hij
zich in alle stilte teruggetrokken te Efraïm, een dorp, ge-
legen bij Bethel volgens het Oude Testament, Noordelijk
van Jeruzalem volgens Hieronymus en Eusebius. Deze ge-
tuigenissen wijzen ons op de plaats van het tegenwoordige
Taijibr 4 of 5 uur van Jeruzalem verwijderd. Hier vertoefde
Jezus nog eenige weken, alvorens Hij opging tot den laatsten
tocht. Hier bereidde Hij Zijne jongeren in de stilte voor op
de aanstaande stormachtige dagen te Jeruzalem. De jongeren
waren wel bevreesd, want zij wisten hoe de zaken te Jeru-
zalem stonden, maar zij wilden Jezus op deze donkere wegen,
die zij niet begrepen, toch niet verlaten; liever wilden zij
met Hem sterven. (Joh. XI : 14—16.) Een hunner gevoelde
zich echter meer en meer teleui-gesteld — Judas Iskariot.
Twee jaren van zijn leven had hij er aan gegeven om
-ocr page 269-
259
bij Jezus, die zoo grootmaehtig door Johannes den Dooper
was aangekondigd, zijn geluk te beproeven, — en zou hij
nu mee schipbreuk gaan lijden ! Alles had hij er aan opge-
offerd en door dat ongelukkig jongerschap was hem voor
de hoogste kringen des volks alreeds alle hoop benomen.
En als hij dacht aan het bevel van den Hoogen Raad, dat
te Efraïm ook was bekend gemaakt, dan kwamen donkere
overwegingen in hem op. Zwarte wolken van moedeloosheid
en woede werden op zijn gelaat zichtbaar, .lezus merkte
ze op.
Intusschen had men te Jeruzalem niet stil gezeten. Het
hevel tot gevangenneming was in de stad en omliggende
plaatsen op hoog bevel afgekondigd geworden. De gevan-
genneming werkelijk uit te voeren en daardoor juist op het
Paascht\'eest een gevaarlijken storm onder de aanhangers van
Jezus uit te lokken, dit wilde men niet. Het bevel had de
gewenschte uitwerking gehad, Jezus was gevlucht en hield
zich verborgen. Ongetwijfeld zou Hij zich wachten om onder
zulke gevaarvolle omstandigheden op het feest te komen.
Toch hadden de wijze mannen zich in elk opzicht be-
drogen. Reeds dit was eene ijdele inbeelding, dat zij meenden
eene zoo grootsche verschijning, als Jezus was, door een
afkondiging uit de harten des volks te kunnen verdrijven.
Zij verkregen slechts deze uitkomst, dat zij meer dan ooit
de aandacht op Jezus vestigden. Hoe moeilijker hun toestand
werd, hoe meer de verwachtingen gespannen werden. Inder-
daad was den vrienden van Jezus door de openlijke vijandige
maatregelen vrees aangejaagd. De stad gevoelde zich als in
den ban gedaan. Zij waagden het niet, hunne meening
vrijuit te zeggen. Zelfs de nieuwsgierigen, die naar Bethanië
gingen om Lazarus te zien, deden dit in het geheim. (Joh.
XII: 9—11;. Maar des te meer verkeerde men in spanning,
hoe Jezus zelf zich zou gedragen. De vraag of Hij komen
zoude, werd dagelijks herhaald onder alle feestgangers, op
de straten, in den tempelhof en onder de zuilengangen.
(Joh. XI : 56). Allen wachtten op de aankomst van Jezus.
-ocr page 270-
260
Die dagen des wachtens waren het beeld van den vollen
duur van den Israelietisehen godsdienst. De geheele geschie-
denis van Tsrael was sinds anderhalf duizend jaar een
wachten, een wachten op den beloofden Heiland. Nu
wachtten zij voor het laatst. En nu Hij kwam. erkenden
zij Hem niet,j Hem, naar Wien de vaderen sedert eeuwen
hadden uitgezien. Dat is het treurige in de geschiedenis
van Israël.
Voorwaar, nog scheen alles zich ten goede te kunnen
schikken. Nog scheen het volk geneigd den verwachten
Verlosser met blijdschap aan te nemen. Juist door de be-
moeiingen Zijner tegenstanders was Jezus, nog eer Hij aan-
kwam, het voorwerp der algemeene belangstelling geworden.
Het scheen, alsof Hij alléén het Middelpunt zijn zoude van
het geheele Paaschfeest. Niemand vermoedde, hoe in d^n
diepsten zin dit inderdaad zou blijken waarheid te zijn! Op
dit feest zou de wereld gekomen zijn aan het keerpunt
harer geschiedenis.
De intocht op Maandag.
Onverwachts dringt op zekeren avond het gerucht in de
stad door, dat Jezus met vele volgelingen Jericho heeft
verlaten, te Bethanië bij den opgewekte Zijn intrek heeft
genomen en morgen, trots alle vijandschap, de stad zal
binnentrekken. De talrijke aangekomenen uit Jericho beves-
tigen dit gerucht. Dit was als een bliksemstraal uit een
helderen hemel. De tegenpartij zag al hare berekeningen
omvergeworpen — de vrienden daarentegen werden vervuld
met nieuwe geestkracht. De onverschrokken moed, de man-
lijke houding van hun grooten Meester wekte in hen de
schitterendste verwachtingen. Nu moest Hij toch eindelijk
den verwachten stap doen, want dit was iedereen duidelijk
dat na alles, wat gedurende de laatste weken te Jeruzalem
-ocr page 271-
261
was voorgevallen, nu de eindbeslissing moest komen. Het was
Zondag („zes dagen voor Paschen" — op Sabbat kon Jezus
naar de wet de reis van Jericho naar Bethaniü niet doen)
toen Jezus te Bethanië aankwam. Den volgenden dag, des
Maandags (dus niet op een rPalm-Zondag\') werd Hij in de
stad verwacht. De opperpriester en de raadsheeren hadden
door hun bevel tot gevangenneming er toe bijgedragen, dat
de intocht thans luisterrijk zou zijn. Elke nieuwe afkondi-
ging van het bevel had de verwachtingen, de nieuwsgierig-
heid sterker gespannen. Was het dan wonder, dat den vol-
genden dag groote scharen naar buiten stroomden naar
den weg, waarlangs Jezus van den Olijfberg door het
Kidrondal komen moest? De bewoners der stad, gewoon
zich steeds te regelen naar den wind, die in de hooge
kringen waait, zullen wel zijn achtergebleven, maar die
van het land, waar Jezus algemeen bekend was, — vooral
Zijne vrienden uit Perea, Galilea en Judea — en de vele
nieuwsgierigen, allen stroomden naar buiten en zetten zich
langs den weg neder. Zij moesten lang wachten. Zooals
de Evangelist Markus mededeelt, kwam Jezus eerst des
namiddags in de stad.
Plotseling klinkt het langs den weg: „Hij komt! Hij
komt!" En inderdaad op den Olijfberg zag men de wei-
bekende gestalte te midden der juichende schaar Zijner
jongeren aankomen, niet te voet maar rijdende en daardoor
boven alle anderen uit de verte zichtbaar. Toen begon het
volk te wedijveren om den Aankomende door een reeks
van geestdriftvolle ovatiën hulde te brengen. Sommigen
hadden reeds de kleederen op den zadel gelegd, nu ont-
deden zij zich van hunne mantels en hoofddoeken en spreid-
den die uit als voor een koning op den grond der konings-
straat, opdat de hoeven van Zijn rijdier *) het stof der
aarde niet zoude aanroeren. Het was een van die heldere
*) Over het gebruik van den ezel door hooggeplaatste personen zie
• Kent gij het land?" hoofdstuk: »De intocht te Jeruzalem."
-ocr page 272-
262
schitterende voorjaarsdagen, waaraan wij in het heilige
land gewoon zijn in het begin van April. Het volk brak
takken van de boomen, strooide die op den weg of wuifde
er mede als met vlaggen en hief een jubelzang aan, die
wellicht door een enkele aangegeven, spoedig door anderen
werd overgenomen, totdat de geheele menigte juichend
mede instemde en het koorgezang duizendsteinmig van
den Olijfberg weerklonk. Het volkslied, dat toen gezongen
werd, ontleend aan het f eestgezang van het Loof hutten-
feest en dat sinds in de Christelijke Kerk over bijna de
geheele wereld als liturgie behouden is, luidde aldus: ,.Gre-
zegend zij het koninkrijk van onzen vader üavid, hetwelk
komt in den naam des Heeren! Hosanna in de hoogste
hemelen!" (Markus XI : 10.)
Spoedig verdeelden zich de troepen in koren en zongen
deze op de maat hunner schreden het vroolijke lied, dat
door handgeklap en het zwaaien der takken werd begeleid.
Hoe meer in den laatsten tijd de volksstem was onderdrukt
geworden, des te sterker sprak zij zioh nu uit. „De Koning!
De Koning V\' (Joh. XI : 13) klinkt het voortdurend door
de rijen. Nimmer nog was een koning zoo glorierijk ver-
schenen voor de koningsstad, nimmer nog werd de vorste-
lijke veldheer na behaalde overwinningen met grooter
büjdschap ingehaald! Weliswaar bedekte geen harnas Zijne
borst, kletterde geen zwaard aan Zijne zijde en in plaats
van wapengenikker zag men slechts een bosch van palm-
takken, maar de geestdrift was groot, zij sleepte ook de
bloot nieuwsgierigen mede en velen kwam het voor, alsof
men nu rechtstreeks toeging op den troon van Koning
David. En altijd meer opgewekt klonk het den heiligen
tempel tegen: „Gezegend zij het koninkrijk van onzen vader
David, hetwelk komt in den naam des Heeren!"
Welk een heerlijke dag zou voor Jeruzalem en Israël
zijn aangebroken, indien eindelijk ook de hoofden en de
leiders des Israelietischen volks zich hadden gebogen
voor den binnentrekkenden Koning. Maar helaas! als
-ocr page 273-
263
snijdende tegenstelling met deze schitterende uiting Zijner
aanhanger* (Luk. XIX : 37) stonden de Farizeën met
ijzig koude en sombere blikken langs den weg en de
eerste groet, waarmede zij Jezus ontvingen, was een
hatelijke beschuldiging der menigte. „Hoort Gij niet,"
aldus riepen zij Hem toe, .,wat het domme volk uitroept?
(lij wilt U toch niet als Koning doen uitroepen ? Verbied
hen toch!\'\'
„Indien deze zwegen,\'1 antwoordde Jezus kortaf, „dan
zouden de steeneu roepen!"
En nu overmeestert Hem het gevoel, dat alles is verloren
voor de ongelukkige stad. Een welwillend volk bracht Hem
hulde — maar de stad en haar oversten volhardden in een
onheilspellend stilzwijgen. Hoezeer had Hij in liefde en in
ernst getracht hen te bewegen; — maar het was alles
vergeefsch geweest. De smart van een leven vol van onbe-
grepen en versmade liefde doorvlijmde in dit oogenblik Zijn
hart en overmeesterde Hem. In het gezicht der feestelijk
getooide stad met haren tempel, waarover Zijn profetisch
oog reeds de donkere wolken van het Godsgericht zag
zweven, gaf Hij uitdrukking aan Zijne smart te midden van
de juichende menigte. Tranen sprongen uit Zijne oogen en
rolden over het gebruinde gelaat van den „sterken Held"
die moedig, onbevreesd den vloekdood te gemoet trad.
Weeklagend breidde Hij Zijn beide armen met onuitsprekelijk
smartgevoel uit naar de verblinde stad , die haar verderf
tegensnelde en weenend sprak Hij: „Och, of ook gij (niet
alleen deze feestgangers; bekendet, ook nog in dezen uwen
dag (den laatsten), hetgeen tot uwen vrede dient! Maar nu
is het verborgen voor uwe oogen."
Weinigen slechts merkten in de algemeene vreugde dit
tooneel op, dat getuigde van een adel der ziel, waarvoor
alle menschelijke grootheid moet verbleeken. Het gejuich
hield inmiddels aan, totdat de schare kwam aan de poorten
des tempels en de geheele stad in beweging medesleepte.
(Matth. XXI: 10). In hutten en paleizen hoorde men van
-ocr page 274-
264
den grootschen, koninklijken stoet. De naam van Jezus was
op aller lippen.
Xiemand was over dezen onverwachten ommekeer zoo
verbitterd als de Joodsche machthebbenden in Jeruzalem.
Als door een donderslag waren zij getroffen door den intocht,
door de algemeene hulde des volks. Het zoo fijn gesponnen
weefsel van hun overleggingen was plotseling verbroken.
Ondanks al hun ambtelijke maatregelen was Jezus meer
populair dan ooit. En het meest verontrustte het hen, dat
zelfs de inwoners der hoofdstad tot Hem overliepen. (Joh.
XII : 11). Wie had dit nog gisteren kunnen denken, toen
men het niet waagde in de stad op luiden toon één woord
te Zijnen gunste te spreken! Wie van hen had Hem den
moed toegekend om, ondanks de grootte van het gevaar,
midden in het leger der vijanden zich te begeven en zich
te laten begroeten als Israels Koning! (Joh. XII : 13). Drie
maanden geleden slechts was Hij gevlucht op de vraag:
„Zijt Gij de Messias, zeg het ons vrijuit!" (Joh. X : 24) —
heden gaf Hij Zijn antwoord met een duidelijkheid, die
niets te wenschen overliet.
Jezus was met Zijne begeleiders binnengetreden in het
Hem toebehoorende rijks-paleis, den tempel. Hij was nu daar,
waar men Hem gedurende de laatste weken zoo dikwijls
van ketterij had beschuldigd. Geen hoogepriester waagde
het zich heden tegenover Hem te plaatsen. Jezus ging door
de voorhoven in de zuilengangen. In den voorhof der hei-
denen bleef Hij stilstaan en zag het marktgewoel aan, dat
met het oog op het aanstaande feest hier gevestigd was.
Alles herinnerde Hem aan Zijn bezoek op het Paaschfeest
voor twee jaren. De herinnering was treurig. De handeling,
toen door Hem verricht, had geen enkel spoor nagelaten,
evenmin als al wat Hij overigens voor de stad had gedaan.
Ook nu mocht Hij deze ontheiliging niet toelaten. Daarom
besloot Hij na de openlijke uitroeping van Zijn koninklijke
waardigheid op heden Zijn huis ten tweede male te zuiveren.
Iedereen zou daardoor gedwongen worden, terugziende op
-ocr page 275-
265
Zijn tweejarigen arbeid, te erkennen, dat Hij ook heden
nog dezelfde was als voor twee jaar, dat al Zijn werken
niets anders was geweest dan wat Hij heden ten tweede
male had verricht, namelijk tempelreiniging. Begin en einde
van Zijn werk zou voor een ieder blijkbaar in elkander
sluiten.
Heden echter was Hij daartoe al te zeer aangedaan. Nog
waren Zijne oogen gevuld met tranen, die het aanschouwen
der stad Hem had ontperst. Daarop wierp Hij slechts een
blik vol diepe smart op de kramers en kooplieden — en
ging heen. De zon begon in het Westen aan den gezichts-
einder te verdwijnen, toen Hij met de twaalven — ook
Judas was er bij — zich voor de laatste maal naar Bethanië
begaf. (Mark. XI : 11.)
De Dinsdag der Lijdensweek.
Des Dinsdagochtends (Mark. XI : 12) vinden wij Jezus
op weg van Bethanië naar Jeruzalem. Treurige gedachten
vervulden Hem, toen Hij te midden Zijner jongeren langs
den vijgenheg van Bethfagé ging. De tinnen des tempels
en der paleizen en de trotsche muren van Jeruzalem blon-
ken in de stralen der ochtendzon. Maar hoe glansrijker dit
alles zich aan Zijn oog vertoonde, des te meer smartte het
Hem, dat de stad reddeloos verloren was. Nu was het te
laat. Zij waren zoo verblind, dat zij de waarheid, den eeni-
gen weg der redding, niet meer erkennen konden. Die was
nu voor hunne oogen verborgen. Dit hadden de tranen en
de klachten van Jezus den jongeren gezegd, dit zeide hun
ook heden de vervloeking van den vijgeboom. *) Te ge-
lijkertijd wilde Hij hiermede het geloof Zijner jongeren
*) Zie Schneller «Kent jrij liet land?" hoofdstuk: De vervloeking van
den Vijgeboom.
-ocr page 276-
266
versterken, over wier hoofden het onweder zich meer en
meer dreigend samentrok. Daarbinnen in de stad toch loerde
de dood op hun Meester en het was Zijn voornemen na
den grootschen intocht van gisteren door een daad van
souvereiniteit Zijne tegenstanders tot de uiterste consequentie
van hun duivelschen haat te drijven. Alles was rijp voor
de eindbeslissing. Jezus kon niet anders — en Zijne vijan-
den dachten evenzeer niet anders te kunnen handelen, dan
zij deden.
Zoo zien wij dan Jezus op dien ochtend langs den ons
welbekenden weg van den Olijfberg afkomen, gelijk een
veldheer midden door het vijandelijk leger gaande. Den
avond te voren had Hij bij vernieuwing de ontheiliging
van den tempel aanschouwd. Was Hij gisteren voor het
eerst als Messias, als de verwachte Koning uit het huis
van David, binnengetrokken, heden kon Hij deze waardig-
heid niet met der daad verloochenen door te dulden, dat
dit onrecht jegens Zijn huis voortging. Hij had besloten
heden de tempelreiniging te herhalen met denzelfden gewel-
digen ernst als voor twee jaren. Jezus betrad het terrein
van den tempel. Het marktbedrijf en getier was in vollen
gang. Op geen marktplein in Jeruzalem ging het in die
dagen voor het feest meer rumoerig en profaan toe, dan
hier in het voorhof der heidenen. Volgens Jozephus werden
er meer dan \'250,000 paaschlammeren verhandeld. Veekoopers
en geldwisselaren maakten, ook al betaalden zij den geeste-
lijken heeren van het Godshuis procenten, goede zaken.
Toornig laat Jezus, die bij het binnenkomen door een schaar
van aanhangers omringd was geworden, Zijn blik in het
rond gaan, plaatst zich op een hooger liggende stoeptrede
en beveelt met luidklinkende stem, dat alle handelaren het
heiligdom onvoorwaardelijk moeten ontruimen. En evenmin
als voor twee jaren baatte hier verzet. Zij wisten, dat hun
winzucht een doorn was in het oog der menigte, dat Jezus
op deze daad van zuivere piëteit jegens den tempel, de
goedkeuring van eiken vromen Israëliet oogstte. Zij wisten
-ocr page 277-
•267
zich omringd door al het opgewonden volk, dat Hem gis-
teren zoo jubelend had ingehaald en dat slechts wachtte op
een wenk van den gevierden Profeet om eigen rechter te
zijn en de tempelschenners op onzachte wijze te verwijderen.
Ook gevoelden zij zelven een onverklaarbare vrees voor den
Man, die zoo indrukmakend voor hen stond, van wien ge-
durende de laatste weken de geheele stad sprak, die voor de
machtige overpriesters niet vreesde, wiens gebiedende, hoog-
ernstige figuur, wiens bliksemend oog tot gehoorzaamheid
dwong. Hoe het ook zij, zij ontruimden, zij het ook morrend,
het tempelplein en binnen een kwartieruurs had het markt-
bedrijf opgehouden, was het groote voorhof der heidenen
teruggegeven aan zijn eigenlijke bestemming om ook andere
volkeren uit te noodigen tot aanbidding van Jehovah.
Alleen had het volk zich in des te grooter aantal rondom
Jezus verzameld. Verbaasd zagen allen op tot den moedigen
Hervormer, die, sinds vele weken reeds in den ban gedaan,
zoo onversaagd binnen het bereik Zijner machtige, doodelijk
verbitterde vijanden stond en tegenover hen vrijheid van
geweten en de waardigheid en heiligheid des tempels ver-
dedigde.
Woedend en knarsetandend zagen de heeren des tempels
het aan. De stoutmoedigheid en aanmatiging van den nog
jeugdigen Gralileër, die nu nog meer aanhang had dan voor
twee jaren, toen Hij nog een Onbekende was, bracht hen
buiten zichzelve. Zij zeiden echter geen woord. Zij zwegen.
Dit zwijgen was de onheilspellende stilte voor den storm.
Jezus liet zich hierdoor niet van Zijn stuk brengen, maar
sprak voor de talrijk toegestroomde, verbaasde menigte als
gewoonlijk over Zijne leer (Mark. XI : 18, Luk. XIX : 47).
De vrijmoedigheid en de onbevangenheid, waarmede Hij
sprak, alsof er niets gebeurd ware, alsof niet uit elk raam
der raadzaal de dood Hem aangrijnsde, alsof Hij niet wist,
dat sinds weken de ban over Hem was uitgesproken, bracht
het volk in verbazing. De koninklijke intocht op gisteren,
de tempelreiniging op heden was de geweldige inleiding
-ocr page 278-
268
Zijner prediking en in aansluiting hieraan herhaalde Hij
voor hen nog eens, hetgeen Hij op de feesten in October
en December reeds had gezegd nl. dat in Hem alléén red-
ding en heil te vinden was; dat Hij het licht der wereld
was; dat, wie dit licht niet volgde, in duisternis, dood en
verderf moest sterven ; dat het eeuwig wel of wee afhing
van de verhouding tot Zijn persoon. Ook Hij had geen tijd
te verliezen; Hij wist. dat Zijn dag ten einde spoedde. Zijn
uren waren geteld. Langen tijd en steeds aangrijpender,
zal Hij hebben gesproken over dit verheven onderwerp:
de verklaring van Zijn verheven» levenstaak, Zijn goddelijke
zending, Zijn Messiaansche waardigheid, Zijn intocht van
gisteren. Zijn tempelgericht heden, Zijn toekomstige macht
als wereldrichter en wereldbeheerscher.
Zwijgend stond het volk rondom Hem, toen Hij eindigde.
Hunne harten waren geweldig aangegrepen door Zijne woor-
den. waarin Hij eiken toon deed hooren, zoowel dien van
de noodiging eener smeekende, eeuwige liefde als dien van
waarschuwing en bedreiging met het toekomstig oordeel.
Treffend was het te zien, hoe op ééns uit de omstanders
de ellendigen, de blinden, de kranken tot Jezus naderden
en Hem smeekend omringden. En ziet, de gestrenge
Rechter, die kort te voren den tempel had gereinigd in
vollen toorn, betoonde dezen armen nog altijd dezelfde
barmhartige, deelnemende vriend te zijn. Niemand was
tevergeefs tot Hem gekomen. Medelijdend groette Hij hen;
en terwijl het volk zwijgend toezag, legde Hij hun de
handen op en genas hen.
Dit, merkwaardig besluit Zijner werkzaamheid van heden
vervulde den geheelen tempelhof met den lof en den dank
der gelukkigen. Het volk intusschen was getroffen door
het sombere, op wraak bedachte zwijgen der aanwezige
tempelheeren. Men zweeg en menigeen vreesde, dat uit
deze benauwende warmte een vreeselijk onweder zou voort-
komen. Maar de kinderen op den voorhof bemerkten daar-
van niets. Gisteren hadden zij gezien, hoe vroolijk men
-ocr page 279-
269
Jezus had ingehaald; zooeven hadden zij de wonderen ge-
zien, door Jezus verricht — ziet, daar staan de genezen
kreupelen, lammen en blinden, dankbaar opziende naar hun
redder. Zij moesten den Man liefhebben, die gisteren door
het volk was toegejuicht, die heden de arme kranken zoo
liefderijk genas. Terwijl dus de volwassenen schroomvallig
zwegen, zongen de kinderen, echt kinderlijk, vroolijk, met
heldere stem, jubelend den psalm, dien zij gisteren zoo
schoon gevonden hadden. En voor het verwonderde volk,
tot groot welgevallen van Jezus, weerklonk uit kinder-
monden over de voorhoven en langs de zuilengangen tot
de tinnen van den hoogen tempel het lied: „Gezegend
zij het Koninkrijk van onzen Vader David, hetwelk
komt in den naam des Heeren! Hosanna in de hoogste
hemelen!"
Dit „dwaze kindergesehreeuw\'\' vonden de overpriesters ,
de wet- en schriftgeleerden en de oversten der Farizeën
toch wel wat al te erg. Reeds bij de tempelreiniging waren
zij persoonlijk toegesneld (Matth. XXI: 15). Nu echter was
hun toorn ten top gerezen. Zelfs de onnoozele kinderen
waagden het, hen op hun eigen terrein te bespotten. Ver-
woed traden de hooge heeren op Jezus toe en riepen: „Hoort
Gij dan niet, wat dezen zeggen? Gij laat U zelfs door straat-
jongens als Messias en Koning begroeten!"
„Zeker hoor Ik het," antwoordde Jezus rustig. „Ergert
u dit kindergezang zoozeer? Hebt gij dan nog nimmer dit
woord in de psalmen gelezen: „Uit den mond der jonge
kinderen en der zuigelingen hebt Gij U lof toebereid!"
Hiermede keerde Hij zich van hen af en ging na volbracht
dagwerk buiten de stad. (Mark. XI: 19). Deze Dinsdag was
begonnen met den donder des gerichts, hij eindigde met
een liefelijk avondrood, het vroolijk lofgezang der kinderen
als in het gezicht van den laatsten storm op den volgeu-
den dag.
-ocr page 280-
WOENSÜAG DER
LIJDENSWEEK.
Geen enkel gedeelte van Jezus\'
leven is in de Evangeliën zoo uitvoerig
beschreven als de laatste week Zijns
levens. AVij kunnen Hem van dag tot
dag, van schrede tot schrede volgen
tot aan Zijn dood. Des Vrijdags voor
Zijn dood kwam Hij te Jericho; den
sabbat, waarop men niet reizen mocht,
bracht Hij bij Zacheüs door. Des Zon-
dags
reisde Hij naar Bethanië, alwaar Hij door Maria gezalfd
werd. Des Maandags trok Hij Jeruzalem binnen. Des Dins-
dags
reinigde Hij den tempel en leerde Hij, als vroeger,
het volk. De Woensdag, waaraan wij nu genaderd zijn, is
de laatste dag van Zijn openbare werkzaamheid. Daarom
vereenigden zich op dezen dag nog eenmaal al de strijd,
de leer en de getuigenissen, die wij in Zijn leven hebben
-ocr page 281-
271
gezien. Nog eenmaal schijnt het Licht der wereld, nog een-
maal schijnt de Levenszon in haar vollen luister over den
aiouden, heiligen tempel. En niemand vermoedde, hoe nabij
Haar bloedroode ondergang was.
Jezus had den nacht doorgebracht in Gethsemané. Langs
denzelfden weg, waarop Hij des Maandags was binnenge-
trokken, ging Hij ook nu, Woensdagochtend, met Zijne
jongeren stadwaarts. Ondertusschen heerschte in den tempel
reeds groote drukte. In de voorhoven en onder de zuilen-
gangen zag men reeds Joden uit alle landen bijéén. In
deze dagen vond de geheele wereld zijn rendez-vous te Je-
ruzalem. Wel was de staatkundige beteekenis der stad
verloren gegaan, omdat de landsregeering haren zetel had
te Cesarea, maar de godsdienstige beteekenis was des te
eigenaardiger. Gelijk de Roomsch-Katholieken der geheele
wereld hun geestelijk middelpunt hebben te Rome, zoo
hadden de Joden der geheele wereld het hunne te Jeru-
zalem. En gelijk de onfeilbare paus gezag heeft voor de
geheele Roomsch-katholieke wereld, zoo was de hoogepriester
met het sanhedrin, de hoogste geestelijke macht voor de
Joden in de geheele wereld.
Wie echter op dien Woensdagochtend de opgewonden
groepen in de voorhoven had kunnen beluisteren, zou spoedig
hebben bemerkt, dat overal, in de ruime voorhoven des
tempels een onderwerp van ganscli andere strekking dan
het algemeen belang werd behandeld. De merkwaardige
gebeurtenissen der beide laatste dagen, waarvan Jezus van
Galilea het Middelpunt was, werden besproken. Reeds het
uiterlijk aanzien van den grooten voorhof der heidenen
getuigde van Hem. De kramen der verkoopers en der wis-
selaars, die anders hier stonden opgeslagen, waren verdwe-
nen. Personen, zooals de jongeling te Naïn, Jaïrus en
anderen, die uit eigen ervaring konden getuigen van Zijne
wonderdaden, werden met verbazing aangezien. De naam
van Lazarus was op aller lippen. Jezus\' onversaagdheid,
ondanks de dreigende maatregelen van den Hoogen Raad
-ocr page 282-
272
bij Zijn intocht betoond, werd openlijk bewonderd. Men
verwachtte elk oogenblik Hem den tempel te zien binnen-
treden om voor de geweldig groote feestgemeente te leeraren.
Het was niet onopgemerkt gebleven, dat de overpriesters
en hun aanhang Hem gisteren bij de tempelreiniging met
geen enkel woord hadden tegengestaan. Zelfs de vrienden
van den Hoogen Raad konden het zich niet verhelen, dat
het zwijgen en wijken van gisteren een openbaar bewijs van
zwakheid was tegenover den koenen, onverschrokken Profeet
van Galilea.
Alle tegenstanders van Jezus waren dan ook besloten
heden den aanval te doen. Heden zouden zij met elk wapen,
dat wetenschap, redeneerkunst en twistgesprek hun be-
kwaamste redenaars kon in de hand geven, de ongeletterde
tegenpartij in de war brengen en hem voor het volk ten
spot stellen — anders was hun aanzien vernietigd, ten aan-
schouwen der uit alle landen toegevloeide natie. Ook voor
Jezus zou het dus heden een beslissende strijd zijn op de
oude tempelplaats. Nog eenmaal zien wij Hem als op de
beide laatste feesten alléén staan tegenover de gansche schaar
Zijner vijanden. Voor het laatst stond Hij daar. Dit wist Hij.
Het was er dus om te doen geen haarbreed af te wijken
van hetgeen Hij op deze plaats met klimmende duidelijkheid
had onderwezen, laatstelijk de onomwonden erkenning van
zijn Zoonschap Gods. Het was er om te doen om voor het
laatst alle getuigenissen Zijns levens saam te vatten. In
deze dagen van de hoogste opgewondenheid en vijandschap
Zijner tegenstanders zien wij Hem op dezen Woensdag met
overweldigende helderheid het vaandel Zijner Messiaansche
waardigheid en zending onbeweeglijk hoog houden, terwijl
Zijne vijanden uit alle partijen op Hem aanstormen als op
eene vesting, die nog eens van alle zijden wordt berend en
ingesloten; dan, ten laatste zullen zij zich zien teruggesla-
gen, doch met den gloeienden haat nog in het hart en Jezus
met den uitroep van „ach en wee" over de onoverwinne-
lijkheid van hun ongeloof het strijdperk zien verlaten om
-ocr page 283-
•273
dat nimmermeer te betreden. Dit is de beteekenis en de
uitslag van dezen laatsten Woensdag.
Het was nog vroeg in den voormiddag, toen Jezus den
tempelhof betrad. Onmiddellijk zag Hij zich omringd door
de schare Zijner vrienden, die Hem luide begroetten. Het
scheen, of Hij door Zijne onkreukbare heiligheid en de on-
verwrikbare standvastigheid van Zijn wezen, aller harten
had veroverd. Lukas toch zegt (XIX : 48) ~al het volk hing
Hem aan en hoorde Hem."
Maar ook de tegenstanders waren gereed. Gisteren hadden
zij zich laten overrompelen. Heden waren zij goed uitgerust.
Heden zou men het gewaar worden, dat hunne hoogesehool
nog mannen bezat, die met hun kennis dezen vermetelen
ongeleerden Galileër het hoofd durfden bieden. Zij hadden
daartoe hun beste redenaars uitgekozen. Hun optreden op
dezen Woensdag was stelselmatig; de eene partij loste de
andere af om Jezus door strikvragen in het nauw te brengen
en Hem aan de kaak te stellen.
Jezus was reeds midden in Zijn onderwijs, toen zij aan-
kwamen. Gelijk Lukas (XXI: 38) duidelijk zegt, was Jezus
door een groot getal toehoorders omringd, die om Zijneutwil
reeds zoo vroeg tot den tempel waren opgekomen. Plotseling
naderen, in plechtigen optocht, de hoogste regeerende heereu
uit Jeruzalem, de hoogepriesters Annas en Cajafas in eigen
persoon, de medeleden van den staatsraad in grooten getale
en vele wyet- en schriftgeleerden (Matth. XXI: 23: Mark.
XI: 27 ; Luk. XX : 1). Het volk maakte eerbiedig ruimte.
Daar kwamen zij, de voornaamste mannen onder hun volk,
om in gesloten gelederen, met vertoon van hun ambtelijke
waardigheid, van Jezus rekenschap te vragen aangaande
den stap, dien Hij gisteren hier, op hun terrein, zich had
veroorloofd. Heden moesten zij tegen Hem optreden, als zij
niet tegenover het gansche volk zich belachelijk wilden
maken. Zij zijn tot den aanval gereed.
Van dit oogenblik af is het gedaan met het rustig onder-
wijzen van het volk en treedt daarvoor in de plaats een
KMT ou Hkm ?                                                                                  18
-ocr page 284-
274
onafgebroken strijd. De eene aanval volgt op den anderen
en met verheven kalmte verslaat Jezus de eene partij na de
andere, totdat niemand meer iets te zeggen heeft en Jezus
ten slotte zelf tot den aanval overgaat.
De eerste aanval was, als naar l>ehooren, den overpriesters
overgelaten. Zij vroegen Jezus op een toon, die den rechter
tegenover den aangeklaagde voegt: „Krachtens welke vol-
macht hebt Gij gisteren gehandeld bij Uw meesterachtig
optreden en verdrijven uit den teinpel en wie gaf U die
volmacht?" Zij verwachtten, dat Hij antwoorden zou: „God"
en zij waren er op gewapend Hem en het volk, dat nog
steeds den hoogsten eerbied had voor zijn hoogepriesters,
de aanmatiging en de onwaarheid van deze bewering aan
te toonen.
Maar tot hunne verbazing verscheurde Hij dit weefsel door
een wedervraag, die zij niet durfden beantwoorden. Het was
algemeen bekend, hoe nauw de arbeid van Johannes den
Dooper met dien van Jezus samenhing: de eerste was slechts
het begin van den laatsten. Een ieder wist met welken
diepen eerbied Johannes dezen zoo bitterlijk vervolgden
mensch duidelijk had aangewezen als den door God gezonden
Verlosser. En sinds zijn hoofd met de martelaarskroon ver-
sierd was, vereerde het geheele volk hem als een heilige.
Dat hij een door God gezonden profeet was. stond bij allen
vast en wie dit bestreden had, zou dadelijk het geheele volk
tegen zich hebben zien opstaan. Daarom zeide Jezus kalm:
„Laat Mij u eerst een vraag doen, met welker beantwoording
gij dan tevens uw eigene vraag zult beantwoorden. De doop
van Johannes, diens heenwijzen op Mij, was die van den
hemel hem opgedragen, of was die een eigenmachtige han-
deling? Antwoordt Mij — dan zal Jk u ook antwoorden:
want met den Dooper sta en val Ik. Dezelfde, die Johannes
zond, zond ook Mij!" De groote heeren bewaarden verlegen
het stilzwijgen. Zij moesten öf reeds bij den eersten aanval
het volk tegen zich opzetten öf indirect de goddelijke zending
van Jezus voor het volk erkennen. Reeds berouwde het hun
-ocr page 285-
•275
hunne vraag te hebben gedaan, welker scherpte zoo onver-
wachts tegen henzelve gekeerd was. In dezen pijnlijken
toestand wisten zij niets anders te zeggen dan de klein-
geestige, voor geen der omstanders ernstig gemeende ver-
klaring af te leggen: -Wij weten het niet!"\'
Jezus echter antwoordde, terwijl Hij met vlammend oog
de huichelaars aanzag: „Dan zeg Ik het u ook niet; —
want gij moet het weten !" En nu, als Hij den eersten aan-
val even meesterlijk als bondig had afgeslagen, richtte Hij
zelf zich tegen hen en deed Hij Zijnerzijds ook eene vraag.
Hij stelde hun voor de gelijkenis van de beide ongelijk-
soortige zonen. (Mattli. XXI : 28—32.) En met al den
afkeer, dien Hij van hunne sluipwegen gevoelde, besloot
Hij, nadat zij in hun antwoord zichzelve hadden veroordeeld
met een woord, dat de heeren, die verwend waren door
vleierij, wel nooit zullen hebben vergeten: „De tollenaars
en de hoeren zullen u voorgaan in het koninkrijk Gods;
want dezen hadden berouw en bekeerden zich op de pre-
diking van Johannes den Dooper en tot op den huidigen
dag wilt gij nog niet erkennen, Wie hem gezonden heeft!"
Terwijl zij nog bleven staan zonder de woorden te kunnen
vinden, waardoor zij Hem zouden kunnen bewegen heen
te gaan, sprak Jezus voort en legde hun de gehjkenis voor
van den wijngaardenier. In den vorm van gelijkenissen,
zeer geliefd bij de Oosterlingen, kon veel worden gezegd,
dat men nog niet openlijk wilde uitspreken. Hij vertelde
hun op kalme wijze, als eene dagelijksche geschiedenis, hoe
de landlieden de gezanten van hun heer mishandelden, hoe
zij onderling overlegden zijnen zoon te dooden, hoe zij het
voornemen ten uitvoer brachten. De gelijkenis intusschen
bevatte voor hen zeer treffende aanwijzingen. Wat hadden
zij, die zooeven uit hun raadzaal kwaman, waar zij over
Zijn dood hadden beraadslaagd, er niet bij te denken, toen
Hij zoo kalm sprak over de landlieden, die te zamen over-
legden, hoe zij den zoon zouden dooden! Was het niet, of
Hij hunne zitting had bijgewoond? Zij gevoelden zich als
-ocr page 286-
276
knapen, die betrapt werden, toen deze onbevreesde Menseh
in volkomen gemoedsrust sprak over Zijn dood als een vast-
staand feit. dat Mij duidelijk te gemoet zag. En wederom deed
Hij hun aan het slot eene vraag, in welker beantwoording
zij hun eigen oordeel zouden uitspreken. „De heer des wijn-
bergs," aldus antwoordden zij, ..zal den kwaden een kwaden
dood aandoen en zal den wijngaard aan andere landlieden
verhuren, die hem de vruchten op zijn tijdtin zullen geven."
„Welnu," antwoordde Jezus en sprak daarmede wederom
een mannelijk woord, dat zij Hem nooit zouden kunnen
vergeven, want het beteekende de ontbinding van hun
eigen Godsstaat, de opheffing der eeuwenoude godsdienst-
instellingen in Israël, den val van den tempel, de bevoor-
rechting der onreine heidenen en afgodendienaars, die zij
in hunne schijnheiligheid zelfs niet wilden aanraken; „welnu,
Ik zeg ulieden, dat. het Koninkrijk Gods van u zal worden
weggenomen en een volk gegeven dat zijne vruchten voort-
brengt." (Matth. XXI : 43.)
De overpriesters en hunne begeleiders waren aan de kaak
gesteld. Al Zijne woorden, ook hun eigene, waren op hen-
zelven teruggevallen. Zij waren woedend en toch moesten
zij zwijgen. Jezus had hun den mond gestopt. Onderling
slechts hoorde men sommigen fluisteren: „ Waarom zouden
wij nog langer met Hem twisten! Laten wij Hem gevangen-
nemen !" En inderdaad zouden zij niets liever gedaan hebben.
Elk uur, dat Hij nog onder het volk vertoefde, scheen het
gevaar te verdubbelen. Zij waren echter verstandig genoeg
om het bij woorden te laten. (Matth. XXXI : 46.) Zijne
gevangenneming kon slechts heimelijk in den nacht ge-
schieden; zij moesten dus nog geduld hebben en trokken
zich terug.
Jezus keerde zich nu weer tot het volk. Daar stonden
zij, die gekomen waren uit Palestina, uit Egypte, uit Grie-
kenland, uit Rome en luisterden naar Zijn indrukwekkende
rede. Heden, den laatsten dag van Zijn prediking voor het
volk, lag er een bijzondere ernst in Zijne woorden. Het-
-ocr page 287-
277
geen Hij gisteren Zijn jongeren in de vervloeking van den
vijgeboom had gezegd, hetgeen Hij den hoogen heeren
in Zijn laatste woorden had aangeduid, dit alles weer-
klonk met toenemenden ernst door de gelijkenis, die Hij
nu voor het volk uitsprak. In de gelijkenis van de konink-
lijke bruiloft klinkt het doffe klokgelui van het naderend
gericht over Jeruzalem. Zonder twijfel stootte Jezus de half ge-
loovigen van zich af; want toen Hij hun zeide, dat Jeru-
zalem verwoest en verbrand, hare inwoners gedood zouden
worden, dat de lage afgodendienaars in het buitenland
voortaan het rijk Gods zouden bezitten, \'t welk volgens de
profeten slechts op den berg Sion zijn middelpunt kon
hebben — toen zal menigeen wel tot zichzelven hebben
gezegd: Als dit Israels toekomst is, ons door dezen ge-
roemden Volksredder voorspeld, als Hij ons niets beters kan
brengen, dan wenden wij ons af van zulk een Messias.
Terwijl Hij nog sprak, kwamen de oversten der Parizeen
te zamen om een tweeden aanval op Hem voor te bereiden.
Nu hadden zij een zoo goed bedachte vraag tot Hem te
richten, dat Hij ongetwijfeld het veld zou moeten ruimen.
Het was of een vroom Israëliet schatting moest betalen of
niet. Hiermede zouden zij den strijd overbrengen op staat-
kundig gebied. Antwoordde Hij daarop „Ja," dan was het
met Zijn populariteit gedaan. Het was een vreemdsoortige
opvatting in Israël, die dikwijls aanleiding gaf tot revolu-
tionaire bewegingen, dat men het betalen van schatting aan
Rome als een hoon beschouwde. Mocht Hij echter antwoor-
den: „Neen," zoo kwam Hij in botsing met de landsregeering
en zouden zij gedurende het feest van Hem bevrijd zijn,
zonder tegenover het volk daarvan de verantwoordelijkheid
te dragen. Zeker van de zegepraal, deden zij triomfantelijk
hunne vraag ten aanhooren van het volk, dat gespannen het
antwoord verbeidde.
Jezus doorzag hen. Zonder een enkel oogenblik in de war
te geraken, sprak Hij tot hen, die Hem zoo deemoedig om
voorlichting vroegen (Matth. XXII : 16), hunne geheime
-ocr page 288-
278
bedoeling ontmaskerende: ..Gij geveinsden!" en wederom
lag in Zijn woorden de onbeschroomde openbaarmaking en
bestraffing hunner arglistigheid: „Wat verzoekt gij Mij?
Toont Mij den schattingpenning?" en op de beeltenis des
Keizers wijzende, zeide Hij kortaf: „Geef den Keizer, wat
des Keizers is en Gode, wat Gods is.*\' De tweede aanval
was wederom even meesterlijk als snel afgeslagen.
De derde aanval kwam van de tegenstanders der Farizeën,
de Sadduceën, die zich in hunne waanwijsheid overigens
weinig bekommerd hadden over Jezus en Zijne leer. Maar
heden werden alle strijdkrachten in het krijt gebracht. Zij
legden Hem een geval voor, naar hunne meening zeer inge-
wikkeld, dat het geloof aan de opstanding belachelijk maakte
en te gelijker tijd het aanzien hunner partij in de oogen des
volks zou verhoogen. Maar Jezus gaf hun een antwoord zoo
afdoend. dat zij geen tegenspraak durfden opperen, om
niet de Schrift in "t aangezicht te slaan. Zij waren zoodanig
verslagen, dat het volk niet kon nalaten, onverholen zijn
bewondering aan den dag te leggen. iMatth. XXTI : 23 33)
Waarschijnlijk vervolgde Jezus Zijn rede tot het volk over
het opgeworpen onderwerp, dat zoo nauw samenhing met Zijne
zending, toen de Farizeën naderden voor een vierden aanval.
Nog gaven zij den moed niet verloren. Een hunner zou Jezus
de vraag voorleggen naar het grootste gebod. Maar nu verging
het hun nog slechter dan te voren; want de aangewezen
vrager zelfs werd door de persoonlijkheid en de wijsheid van
Jezus zoo zichtbaar aangegrepen , dat Jezus hem toevoegde:
„Gij zijt niet verre van het koninkrijk Gods!\'\' (Mark. XIII :
341 en deze, door zijn openlijke verklaring de zegepraal van
Jezus over alle aanvallen der Farizeën ten volle bezegelde.
Aldus was de eene aanval na den anderen met steeds
grooter nederlaag voor de vereenigde tegenstanders van
Jezus geëindigd. Het was een merkwaardige strijd, die op
dien laatsten Woensdag gestreden werd onder het oog der
duizenden, die op den tempelhof waren verzameld. Alle
geestelijke machten van het toenmalig Israël hadden zich
-ocr page 289-
279
op dien dag opgemaakt om voor het uit alle deelen der
wereld samengestroomde volk de nederlaag van gisteren
te herstellen. De hoogste staatkundige uu wetenschappelijke
autoriteiten onder het volk hadden zich aangegord om den
ongeleerder) Galileër te verslaan. En nu staan zij allen
daar als beschaamde schooljongens en erkennen door hun
zwijgen. dat zij voor Hein de wapenen hebben moeten
neerleggen, dat zij in Hem hun meester hebben gevonden.
Dat zij Hem dezen hunnen misslag niet zouden vergeven,
dit zag Jezus" diep blikkend oog wel terdege.
Maar al zwegen zij, Jezus mocht heden niet zwijgen. Hij
was den soldaat yvlijk. die, moedig strijdend, op zijn post
blijft, ook al ziet hij duidelijk, dat de zege hem ontgaat.
Hij gunt zich geen rust. Vran alle kanten wordt Hij bestormd
en als een stofregen vallen Zijne woorden vol goddelijke
kracht in het rond neder. Wonderen doet Hij niet meer —
die deed Hij genoeg en nog was men niet overtuigd.
Heden gaf Hij nog een bewijsvoering des geestes en der
kracht. Toen Zijne tegenstanders den strijd hadden opge-
geven, ging Hij zelf over tot den aanval. In tegenstelling met
hunne tactiek om door schijnbaar eenvoudige vragen langs
sluipwegen Hem in een strik te lokken, gaat Hij onversaagd
en rechtuit op Zijn doel los en werpt hun de brandende
vraag voor de voeten, waarom het hier te doen is en naar
aanleiding waarvan men daarginds reeds dikwerf over Zijn
■lood had beraadslaagd: „Is Christus Gods Zoon of niet?"
En daarmede brengt Hij den strijd van het terrein der
huichelachtige vragen door eene krachtige en snelle wending
over op het eigenlijke oorlogsveld, op de hoofdvraag, waarbij
man tegen man open en rond zijne meening moet kenbaar
maken. Eergisteren had Hij zich openlijk laten begroeten
als den verwacht wordenden Christus en dat Hij Gods
Zoon was, dit had Hij sinds het Purimfeest, nu een jaar
geleden, in dezen voorhof met klimmende duidelijkheid
verklaard. Voor niemand onder de talrijke toehoorders kon
alzoo het doel Zijner vraag twijfelachtig zijn.
-ocr page 290-
280
En toen zij ook nu ontwijkend antwoordden en zich Zijn
on wederlegbare uitlegging hunner heilige schriften moesten
laten welgevallen, toen werd Jezus, — wien het bekend
was, dat Hij heden voor de laatste maal hier stond en dat
Hij reeds morgen als Gevangene zou terechtstaan voor dit
huichelachtig gezelschap — aangegrepen door smart en
toorn over deze listige leidslieden van het arme volk. Hij
houdt op met Zijn onderricht en sluit voor altijd den schat
van hemelsche wijsheid, waaruit Hij voor het volk ge-
durende twee jaren zoo rijkelijk heeft geput en meegedeeld
en haast zich naar het einde. Dit einde is oneindig treurig,
een vreeselijk ernstig slot aan het goddelijk onderwijs van
Jezus op aarde, een lang en bang wee, waaruit toch het
bloedende hart van Hem, die het uitriep, nog duidelijk
spreekt. Wee! roept Hij uit over de aanwezige Farizeesche
leiders en leeraren des volks, die op den stoel van Mozes
zitten. Hun wijt Hij het, dat voor dit volk de deuren van
het hemelrijk wederom gesloten zijn, nadat zij twee jaren
lang wijd open hebben gestaan. Hen stelt Hij verantwoor-
delijk voor do verblinding en voor de ontzettende ellende,
die Jeruzalem thans te gemoet snelt. In een lange rede
opent Hij, ten aanhooren van het gansche volk, dat hen
als heiligen aanzag, geheel hun zondenregister iMatth. XXIII
en Lukas XX). En gelijk de onthoofde Dooper voor twee
jaren deed, noemt ook Hij hen adderengebroed, giftige
slangen, witgepleisterde graven, lieden, die den menschen
van buiten wel rechtvaardig schijnen, maar van binnen vol
geveinsdheid en ongerechtigheid zijn, terwijl Hij eindigt
met duidelijk te wijzen op Zijn kruisiging, zeggende: „Daarom
ziet, Ik zende tot u profeten en wijzen en schriftgeleerden
en uit hen zult gij sommigen dooden en kruisigen . . . ,
opdat op^ u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten
is op de aarde, van het bloed des rechtvaardigen Abels
af!" Hij wist, dat, al mochten zij Hem al het andere ver-
geven, zij Hem nimmer vergeven zouden, dat Hij heden in
het openbaar hen zoo scherp gegeeseld had; Hij wist, dat
-ocr page 291-
281
zij niet rusten zouden, voor zij ook Zijn bloed zouden ver-
goten hebben. Hij wist het, dat deze verbaasd toeluisterende
menigte, die schijnbaar met geestdrift voor Hem vervuld
was, door de tegenwerking van deze Parizeen, niet zouden
komen tot het ware geloof in Hem en derhalve, wanneer
het goed gevolg Zijn vaandel verliet, zich tegen Hem keeren
zoude. Hij wist het, dat Hij overmorgen om dezen tijd zou
uederliggen in de stille rotsspelonk.
Maar heden, uu Hij zich naar het einde spoedt, breekt nog
éénmaal Zijn hart, diepgewond over Zijn versmade liefde op
aangrijpende wijze los in smartelijk weeklagen. Hij gaat voor
altijd. Nog éénmaal roept Hij zich de vele dagen en uren
voor den geest, die Hij hier, maar te vergeefs in dezen
tempelhof heeft doorgebracht om Jeruzalem te redden. Voor
twee jaren was Hij op het Paaschfeest verschenen als de
Koning en had Hij door de tempelreiniging te verstaan ge-
geven, dat het schoonste sieraad aan Zijne kroon heiligheid
was; — men had Hem afgewezen. Voor een jaar, in Maart,
was Hij van Naïn afgekomen en schitterde voor de eerste
maal in Zijne kroon, het symbool van de macht zelfs over
den dood —■ men had Hem afgewezen en van dien tijd af
Zijn dood besloten. In Oetober was Hij teruggekomen op het
Loof huttenfeest, toen reeds, sedert de dagen op den Hermon,
de martelaarskroon naast den stalenkrans der verheerlijking
op Zijn geliefd hoofd werd gezien door Zijne jongeren. Als
het licht der wereld had Hij zich in dezen tempelhof ge-
openbaard ; als antwoord daarop poogde men Hem te stee-
nigen. In December was Hij voor het laatst gekomen en had
toen met de vriendelijke stem van den „goeden Herder"
hen nog eenmaal genoodigd, — het antwoord was een
hernieuwde poging om Hem te dooden en toen deze mis-
lukte, een aanslag op Zijn leven en op Zijne vrijheid, waaraan
Hij zich slechts door de vlucht kon onttrekken. Alles, alles,
deze geheel eenige, onvermoeide liefde was vruchteloos ge-
wcest. Met diepe droefheid ziet Hij neer op de groote
menigte, die voor Hem staat. Nu restte nog de doornenkroon.
-ocr page 292-
282
Maar als wilde Hij nog eenmaal beproeven de harten van
deze trotsche Farizeërs te roeren, deze harten van graniet
te vermurwen, breidde Hij Zijne handen uit over de inwoners
van Jeruzalem en over de stad zelve, die in den gloed der
avondzon voor Hem ligt en roept Hij uit: ..Jeruzalem, Je-
ruzaleni! gij. die de profeten doodt en steenigt, die tot u
gezonden zijn! Hoe menigmaal heb Ik uwe kinderen willen
bijeenvergaderen, gelijkerwijs eene hen hare kiekens bijeen-
vergadert onder de vleugelen en gijlieden hebt niet gewild\'.
Ziet, uw huis (deze tempel) wordt u woest gelaten! Want
Ik zeg u: gij zult Mij van nu aan (op de puinhoopen van
deze verloren stadi niet zien, totdat gij zeggen zult, gelijk
de jubelende scharen eergisteren en de vroolijke kinder-
seharen gisteren gezongen hebben: ..Gezegend is Hij, die
komt in den uaam des Heeren!"
Met deze aangrijpende klacht besloot Jezus Zijn openbaar
leeraarsambt en nam Hij voor altijd afscheid van Jeruzalem.
«Jezus wendde zich af om met een bloedend hart dittoo-
ueel van den gewichtigsten en toch vergeefschen arbeid
Zijns levens voor altijd te verlaten. Het was een der smar-
telrjkste uren van Zijn leven. Maar ziet. daar treden eenige
bezoekers van den voorhof der heidenen, eenige Grieken,
op Hem aan met de bede den grooten Profeet van nabij
te leeren kennen. Gedurende de drie laatste dagen hadden
zij van Zijne daden gehoord en nu begeerden zij den grooten
Man persoonlijk te ontmoeten. Jezus ziet verblijd op. Hij
begreep, wat Zijn hemelsche Vader Hem daarmede zeggen
wilde in dit uur des afscheids van de Israelietische priester-
regeering. Hun begeerte, juist in dit uur, was voor Hem
een straal der zaligste hope. Zij waren boden uit de heiden-
wereld, die Hem moesten zeggen, dat, als Israël het Licht
der wereld verwierp, duizenden in de wijde, wijde wereld
dit hemelsch licht dankbaar zouden begroeten en aannemen.
Ja, buiten Israël was er nog een wijde wereld van naar
Gods beeld geschapen, verlangend uitziende zielen, — en
Zijn dood zou voor hen het leven aan \'t licht brengen.
-ocr page 293-
283
Gelijk een zaadbol, die verbroken wordt, zijn honderden
zaadkorrels naar alle windstreken verspreidt, alzoo zou het
ook gaan met het verbreken van Zijn lichaam. Vreugdevol
erkende Hij den wenk, Hem door Zijn Vader gegeven. En
evenals bij de aanvaarding van Zijn ambt aan de Jordaan,
sprak ook in dezen stond van diep smartelijk afscheid de
stem van den Hemelschen Vader het goddelijk Amen op
deze heilsverwachting als een veelbelovend slot van dezen
beteekenisvollen dag.
Nog eenmaal wendde Jezus zich tot Zijne aanhangers,
die nog rondom Hem stonden en riep hun toe, als kon Hij,
die nog slechts twee dagen te leven had. hen niet ernstig
genoeg waarschuwen: -Nog een kleinen tijd is het Licht
bij idieden, wandelt er in, terwijl gij het Licht hebt,
opdat de duisternis u niet bevange! Terwijl gij het Licht
hebt , gelooft in het Licht. opdat gij kinderen des Lichts
moogt zijn!"
Met deze woorden ging voor Israël de zon onder, die
hier zoo lang als het Licht der wereld had geschitterd.
En gelijk in het Oosten de avondzon bij het ondergaan met
haar laatste stralen den hemel in gloed zet en in haar
laatsten groet aan de aarde nog eenmaal haar ganschen
rijkdom aan schoonheid en kleurenpracht doet zien, - alzoo
had ook Jezus heden, den laatsten Woensdag, nog eenmaal
Zijn ganschen rijkdom van liefde, majesteit en ernst als
saamgevat. En toen werd het nacht. De Zon was onder-
gegaan en de duistere nacht begon hare donkere vleugelen
uit te spreiden over den tempel en over de schitterende,
doch diep ongelukkige stad.
Woensdagavond.
Mattheüs xxiv : 16—28.
Aan den avond van dezen veelbewogen dag met zijn
heeten strijd, die Jezus naar ziel en lichaam had atgemat
-ocr page 294-
284
vinden wij Hem niet Zijn jongeren daarboven op den Olijf-
berg. Vermoeid had Hij zich met hen op de rots neergezet.
Boven Zijn hoofd ruischten de olijf hoornen; aan Zijn voeten
bloeiden de laatste voorjaarsbloemen. Van hier af was de
tempel iu zijn geheel zichtbaar. Jezus en Zijne jongeren
beschouwden hem in diep gepeins verzonken. Het ernstige
woord van Jezus: „Ziet, uw huis wordt u woest gelaten!\'1
weerklonk in hunne ziel. Dit laatste afscheidswoord aan den
tempel, waarin reeds de klinkende bazuin van het naderende
gericht gehoord werd. had hen diep geschokt. Dat deze
gouden tempel, deze onneembare stad, door zulke trotsche
torens en sterke en onbeklimbare muren omsloten, verwoest
zou worden, zij konden het niet gelooven. De muren rondom
den tempel, dien zij zooeven hadden verlaten, schenen voor
de eeuwigheid gebouwd. Nog heden staan wij vol verbazing
voor de overblijfselen van deze muren aan den Zuid-Oost-
en Zuid-Westkant van den tempelhof. Zij liggen daarvoor
ons, die ontzaglijke, wonderbaar schoon bewerkte en kun-
stig ineengevoegde steenbrokken van den eenmaal 54 Meter
hoogen muur. Op eene hoogte van 2G Meter boven de
voeting des muurs liggen geweldige blokken van 12 Meter
lengte, zoodat wij niet begrijpen, hoe die reuzeugevaarten
daarheen zijn gebracht, noch hoe het mogelijk was deze
wonderwerken van den ouden tijd te verwoesten. En als
wij met het oog hierop ons twee duizend jaar terugdenken,
dan begrijpen wij niet alleen de bezielde beschrijving, die
Jozephus van deze muren geeft, maar dan verstaan wij ook
de jongeren, wien de zooeven door Jezus voorspelde ver-
woesting van dit bouwwerk bijna ongelooflijk voorkwam
en die dientengevolge tot Hem zeiden: „Meester! zie, hoe-
danige sternen en hoedanige gebouwen!" (Mark. X1IJ : L.)
En de voormalige Bouwmeester, die deze heerlijkheden wel
op hun waarde wist te schatten, antwoordde: „Ziet gij
deze groote gebouwen? Voorwaar zeg Ik u, er zal niet een
steen op den anderen steen gelaten worden, die niet zal
worden afgebroken!"
-ocr page 295-
285
Deze vreeselijke uitspraak had de jongeren in hun bin-
nenste geschokt. Gisteren pas hadden zij liet aan den
vijgeboom aanschouwd, dat, hetgeen Jezus zeide, ook ge-
schiedde. Het plotseling verdorren van dien boom had hen
sinds hedenochtend veel te denken gegeven. Zij waren niet
meer in twijfel. Zwijgend gingen zij aan Zijn zijde. Ook
Jezus sprak niet. De ondergang der geliefde stad. sinds
eeuwen in hunne psalmen bezongen, hun trots, hunne heer-
lijkheid van kindsbeen af, bewoog hunne ziel, terwijl zij
zwijgend den oploopenden weg naar den Olijfberg bewan-
delden, waarop wij hen hier reeds meermalen stadwaarts
hebben vergezeld.
Zij waren aangekomen; het was avond. De aanblik van
den schitterenden tempel werkte na de laatste woorden
van Jezus overweldigend op hen. Dit wonderwerk, de roem
van Tsrael, de zetel Gods, zou te niet gaan? Dan ging alles
te niet. Dit kon slechts geschieden, als de jongste dag, de
dag van het algemeene wereldgericht aanbrak. Waarheen
zouden de ongelukkigen vluchten, die dat zouden beleven?
Zouden zij andere landen, andere werelddeelen opzoeken?
Dit was werkelijk de toekomst der jongeren. Weinige jaren
later zien wij hen op Rome\'s trotsche galeien den oceaan
bevaren om de wereld te veroveren voor hunnen Hemel-
koning. Zoo ver echter dacht thans nog niemand hunner.
Eindelijk verbreken enkelen het stilzwijgen en vragen:
„Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn? En welk is
het teeken, wanneer al deze dingen voleindigd zullen zijn?"
En Jezus zat onbeweeglijk stil en blikte op den tempel,
die Hem reeds van Zijn twaalfde jaar af als Zijn huis had
toegeschenen. Diepe weemoed lag op Zijn ernstig gelaat,
toen Hij in een lange rede hun bange vraag beantwoordde.
Wat Hij tot nog toe bijna niet gedaan had, deed Hij nu
door als Profeet te spreken van de gebeurtenissen der toe-
komst. Zijn geest verdiepte zich in verschrikkelijke dagen
der toekomst. Donkere wolken aanschouwde Zijn geestesoog.
Jeruzalem werd belegerd. Verschansingen werden opgewor-
-ocr page 296-
286
pen. Vijandelijke legers omsloten de stad. Vuur en rook-
wolken zweefden boven het heiligdom. De tempel gaat op
in rook en vlammen. En over deze verschrikkelijke straf-
pleging heen, dringt Zijn oog door, ver, zeer ver, tot het
laatste einde: wereldondergang en wereldbrand.
Laat ons in den geest Zijn blik volgen. Dit is ons niet
moeielijk. want de geschiedschrijver Flavius Jozephus heeft
met groote aanschouwelijkheid het vreeselijk drama gesehil-
derd, dat veertig jaren later werd afgespeeld als tastbare
vervulling van de woorden van Hem, die hier op den
Olijfberg was gezeten tegenover de stad. welker aanstaand
gericht Hij voorspelde. Eerst dan, als wij den inhoud van
de berichten van dezen ongewijden schrijver ons voorstellen,
krijgen wij een recht begrip van hetgeen Jezus in den
laatsten nacht voor Zijne gevangenneming heeft gesproken.
Indien Christenen die berichten hadden gegeven, dan zou-
den zij niet ontsnapt zijn aan de verdenking, dat ze over-
dreven waren, ten einde de vervulling van Jezus\' voor-
spelling zoo letterlijk mogelijk te doen zijn. Het zijn echter
geen Christenen maar hun tegenstanders, Joden en heidenen,
die de berichten over die dagen ons hebben nagelaten.
Reeds de plaats, waarvan Jezus de voorspelling deed, is
opmerkelijk. Juist hier toch, aan den Olijfberg, had veertig
jaren later, bij den afweg naar het Kidrondal, het eerste
heete gevecht plaats tusschen het tiende legioen van Titus
en de belegerde Joden. Zelfs scheen de tijd, waarop de
gebeurtenis plaatsgreep, de Nemesis van de goddelijke
wraak aan te duiden; want hetzelfde feest, waarvoor men
thans toebereidselen maakte, een zelfde Paaschfeest, als
waarvoor men zich thans gereedmaakte, een zelfde Paasch-
feest, als waarop zij hun Koning kruisigden, was later het
begin van den vreeselijken ondergang, die over de stad
kwam.
Gelijk de Heer op dien Woensdagavond Zijnen jongeren
had voorspeld, dat teekenen aan den hemel zouden gezien
worden, alzoo bericht de Homeinsche geschiedschrijver
-ocr page 297-
287
Tacitus: „Wonderteekenen verschenen, die dit bijgeloovige
volk hield voor aanwijzingen van onafwendbare rampen.
Aan den hemel werden gezien strijdende legerbenden, flik-
kerende wapenen en een tempel, in vlammen opgaande, in
de wolken. De poorten des tempels sprongen onverwachts
open en een bovenmenschelijke stem werd gehoord, zeggende :
„De Goden trekken van hier weg!" Daarbij hoorde men
het geruisch van wegtrekkenden. En Jozephus bericht: „Zeld-
zame verschijnselen vervulden het geheele volk met angst.
Onheilspellend gesternte stond boven de stad en een komeet
was een jaar lang aan den hemel zichtbaar. Toen het volk.
nog vóór het begin van den Joodschen krijg, eens op het
Paaschfeest omtrent de negende ure des nachts bijeen was,
omstraalde een helder licht gedurende een half uur het
altaar en den tempel. De lichtzinnigen vonden dit teeken
gunstig, maar de schriftgeleerden verklaarden, dat het den
brand des tempels beteekende. — De Oostelijke poort van
den binnenhof Nikanor, die van metaal was en van buiten-
gewone zwaarte en die des avonds door twintig man ge-
sloten en met ijzeren staven dichtgegrendeld werd, zag
men te middernacht zich vanzelf openen. Gedachtelooze
lieden legden ook dit uit als een gunstig verschijnsel, maar
wederom verklaarden de geleerden, dat dit geen andere be-
teekenis had, dan dat de poort voor de vijanden geopend was
en de verwoesting was aangekondigd.
         En eenige dagen
na het Paaschfeest, den 21,t*n April, zag men een verba-
zingwekkend verschijnsel, dat aan het fabelachtige grensde,
maar toch door ooggetuigen aan mij is medegedeeld,
men zag namelijk voor zonsondergang, in de geheele land-
streek wagens en gewapende troepen door de stad en daar
vandaan trekken en de stad omsingelen. Op het Pinkster-
feest betraden als gewoonlijk de priesters des nachts met
fakkels in de hand het binnenste heiügdom om den godde-
lijken dienst te volbrengen. Luide vernamen zij volgens
hunne getuigenissen, eerst een geruisch en gedrui.sch en
daarna het geroep, door vele stemmen herhaald: „Laat ons
-ocr page 298-
288
van hier trekken I" — Een onbeschaafde landbouwer, Josua
genaamd, kwam eenigo jaren voor het begin van den oorlog,
toen de stad nog in vollen vrede was, op hot Loofhutten-
feest te Jeruzalem en begon eensklaps te roepen: „Stemmen
(des geriehts) aan den ochtend, stemmen aan den avond,
stemmen uit de vier windstreken, stemmen over Jeruzalem,
stemmen over den bruidegom en de bruid, stemmen over
het volk!\'" Aldus roepende, trok hij door alle straten der
stad dag en nacht. Men ergerde zich aan dezen onheils-
profeet, greep hem en geeselde hem. De man echter ging
voort met zijn geroep. De oversten der Joden brachten den
man voor den Romeinschen Procurator. Hij werd gegeeseld,
totdat zijn lichaam ontvleesd was; hij weende niet, hij
smeekte niet, maar bij eiken slag riep hij met een door-
dringende, klagende stem: „Wee, wee over Jeruzalem!"
Aan deze mededeelingen heb ik niets toe te voegen, dan
alleen de woorden, die Jezus veertig jaren vroeger op dien
Woensdagavond gesproken heeft: „En er zullen teekenen
zijn in de zou en maan en sterren en op de aarde benauwd-
heid der volken met twijfelmoedigheid van vrees en ver-
wachting der dingen, die het aardrijk zullen overkomen!"
(Luk. XXI : 25, 26.) Bovengenoemde voorbeelden teekenen
deze woorden. Hoe het zij, deze merkwaardige berichten
geven ons een blik in een ontrust, angstig, openbaar ge-
weten, dat zich rijp gevoelde voor het gericht.
En toch kwamen er steeds weer valsche profeten, die
het volk beroerden, gelijk de Heer op dien Woensdagavond
voorspelde: „Want er zullen valsche Christussen en valsche
profeten opstaan en zullen teekenen en wonderen doen om
te verleiden, indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen."\'
(Mark. XIII : 22.) De vervulling hiervan vinden wij wederom
in de berichten van Jozephus vermeld. Ja, zelfs op den
laatsten dag der verschrikking, dat de zon onderging over
Jeruzalem, stond op de rookende zuilengangen des tempels
een valsche profeet, die den vertwijfelenden met de grootste
beslistheid verkondigde, „dat heden de Heer beval den
-ocr page 299-
289
tempel te beklimmen om het teeken der verlossing te aan-
scliouwen", waarmede hij bedoelde de komst van den
Messias.
En toch naderden de gebeurtenissen met vasten gang.
Niet de Romeinen, niet eene fatalistische voorbeschikking,
maar de reeks der gruwelijke zonden van Israël veroor-
zaakten naar de ijzeren wet der geschiedenis, naar de eeuwige
wetten van den Alregeerder, de laatste vreeselijke dagen,
die over Jeruzalem kwamen. De oorlog brak uit, toen de
laatste stadhouder, Gessius Florus, het hartstochtelijke Joden-
volk door gruwelijke maatregelen tot blinde woede had
gebracht. De bedrogenen, die beloofd hadden rustig te
zullen blijven, verbraken hun woord en verstoutten zich
een gedeelte der Romeinsche bezetting te dooden. Als
antwoord hierop werden op dienzelfden dag in Cesarea
20.000 Joden ter dood gebracht. Van dien dag al\' bezoedel-
den bloedige gruweldaden het eertijds zoo gelukkige Heilige
Land. Het was, alsof alle booze geesten der wereld waren
losgelaten en zich gezamenlijk op dit ongelukkige land
hadden gestort. De Joden konden zich niet meer bedwingen.
De bloeiende steden door het gansehe land lagen vol onbe-
graven lijken. De siddering des doods greep het geheele
volk aan, verspreid over de gansehe wereld. Te Alexandrië
rukten de Romeinsche colonnes in stormpas het Joden-
kwartier binnen. Toen zij aftrokken, lagen er 50.0<X) lijken.
In andere steden ging het evenzoo.
Van alle zijden echter pakten de donkere onweerswolken
samen boven Jeruzalem en de bergen, die rondom de stad
liggen. Een onheilspellend onweder zweefde al drukkender
en banger boven de eenmaal zoo vroolijke stad. Spoedig
genoeg zou het zich ontlasten. De veldoverste Cestius trok
van Lydda tot voor Jeruzalem, op het gebergte alles ver-
brandende en door het vuur vernielende. Öp den Skopus.
de Noordelijke voortzetting van den Olijfberg, lag het Ro-
meinsche leger. Op den laatsten October, deed Cestius een
eersten aanval op de stad. Reeds had hij de nieuwstad in
Kbkt gij Hkm?
-ocr page 300-
290
het Noorden, Bezetha, in brand gestoken: reeds rukte hij
op naar de bovenstad en stond tegenover den Koningsburcht,
en
          hadde hij dien dag storm geloopen, dan ware de
vesting gemakkelijk in zijn handen gevallen. Maar tot aller
verbazing brak hij onverwachts het beleg op en trok af.
Het was, en velen leggen het aldus uit, alsof aan
de Christengemeente in de stad daardoor de sinds langver-
wachte waarschuwing werd gegeven, waarvan Jezus op dien
Woensdagavond op den Olijfberg had gezegd (Luk. XXI:
20): „Maar wanneer gij zien zult, dat Jeruzalem van heir-
legers omsingeld wordt, zoo weet alsdan, dat hare verwoes-
ting nabij gekomen is. Alsdan, die in Judea zijn, dat zij
vlieden naar de bergen; en die in het midden van dezelve
zijn, dat zij daaruit trekken; en die op het veld zijn, dat
zij er niet in komen!" Het was in November, dus in den
tijd, dat de eerste stormachtige vroege regens reeds konden
vallen en ontvluchten bijna onmogelijk was. En nu verstaan
wij ook de woorden, die Jezus nog volgen liet: „Maar bidt,
dat uwe vlucht niet geschiede des winters!"\' Dit zal dus
het tijdstip geweest zijn, waarop de Christenen in de stad
den raad van hun verhoogden Meester indachtig, .Jeruzalem
verlieten om naar Pella de wijk te nemen.
Nu werd Jeruzalem in eene groote wapenfabriek omgezet.
In alle straten dreunde het gehamer van hen, die wapenen
en wapenrustingen smeedden. De jonge mannen oefenden
zich allerwegen in den wapenhandel. Overmoedige lust tot
strijden vervulde de onbezonnenen, terwijl diepe neerslach-
tigheid zich meester maakte van de meer ervarenen.
En was het volk nu maar eendrachtig geweest! Maar
twistende over de opperheerschappij en de leiding der zaken,
was het verdeeld in verwoede partijschappen en wroette in
eigen ingewanden, nog eer de vijand kwam. Zelfs in den
heiligen tempel brachten zij hunne bloedige partijveeten
over, ..den gruwel der verwoesting." Voor de eerste maal
werd de tempel verontreinigd door de gruwelen van den
burfreroorlog. En toen de Christenen dit tweede kenteeken
-ocr page 301-
291
zagen, dat hun Heer op dien Woensdagavond aan Zijn
Apostelen had aangekondigd met de woorden: „Wanneer
gij dan zien zult den gruwel der verwoesting, staande in
de heilige plaats: dat alsdan, die in Judea zijn, vlieden op
de bergen!\'\' (Matth. XXIV : 15) toen zullen zij wel ijlings
gevlucht zijn. Lang was hiertoe ook de gelegenheid niet
meer open, want weldra durfde niemand meer de stad
verlaten. Wie ontvluchten wilde, werd aan de poorten der
vesting neergesabeld, zoodat de dooden opgestapeld en in
de stad verspreid lagen en de honderdduizenden, die tot
het Paaschfeest waren opgegaan, door de grootste vertwij-
t\'eling werden aangegrepen. Velen verwachtten het ergste,
want, zegt Jozephus, in die dagen herinnerde men zich in
de stad eene oude sage, dat de stad ingenomen en het
heiligdom zou verbrand worden tijdens een oproer en strijd
in eigen boezem, die het huis Grods zou ontheiligen.
De tempel, dien zij niet hadden willen laten reinigen
door den Eenige, die hen had kunnen redden, die op straffe
des doods niet mocht worden ontheiligd door de aanwezig-
heid van een vromen heiden, werd spoedig het tooneel van
den bloedigsten strijd, hij werd een oorlogsvesting, een
wapenplaats: krijgsgeschreeuvv weerklonk van de tinnen
en onder de galerijen, waar Jezus eenmaal leeraarde. In
hun eigen heiligdom vermoordden de zonen van hetzelfde
volk elkander. Stroomen bloeds vloeiden over den prachtigen
tempelvloer in de heete gevechten tusschen de partijen.
Menigeen, die gekomen was om zijn offer op te dragen
op het Paaschfeest, viel zelf als offer en besprongde het
altaar met zijn bloed. In de heilige voorhoven ontstond
een Roode Zee van bloed der verslagenen, op dezelfde
plaats, waarop voor veertig jaren de stem van Jezus dit
volk zoo vriendelijk gewaarschuwd en deze gebeurtenissen
had voorspeld.
Maar er was meer. In dolle woede vernietigden zijzelven
een groot gedeelte van de stad, dat hun bij den aanstaan-
den strijd als bolwerk had kunnen dienen. De omtrek des
-ocr page 302-
292
tempels werd in de asch gelegd. Geheele stadsgedeelten
werden, nog eer de belegeraars voor de muren waren ver-
schenen, ten gevolge van den burgeroorlog verwoest en tot
een wildernis gemaakt, zoodat ter plaatse der verwoeste
huizen de legers konden worden opgesteld. En, wat het
ergste was. de voorraad levensmiddelen. die jaren had
kunnen strekken, ging op in vuur en vlammen. Zoo haal-
den zijzelven den grootsten vijand binnen, n.1. don honger.
Maar ook dit bracht deze ongelukkigen niet tot bezinning;
de verbitterde partijen konden maar geen vrede sluiten,
ten einde gemeenschappelijk den vijand van buiten het hoofd
te bieden. Joden tegen Joden keerden zij het zwaard tegen
elkander, de overige inwoners, die niet onmiddellijk deel
namen aan den inwendigen strijd, waren weerloos prijsge-
geven aan de woesteüngen. Zooals de Man, dien zij voor
veertig jaren naar Golgotha hadden gevoerd, had voorspeld,
verlangden zij naar den dood. Grijsaards en vrouwen smeek-
ten God de zege af voor de vijandelijke Romeinen om maar
te ontkomen aan de woede van hun eigene landgenooten.
Het geschreeuw der strijdenden weerklonk dag en nacht,
vermengd met het weeklagen der jammerenden. De partijen
bevochten elkander staande op een berg van lijken en
stervenden.
Xu verscheen ook de vijand van buiten voor Jeruzalem.
Op zekeren dag zag men plotseling op den kruin van den
Skopus. vanwaar de twaalfjarige Jezus voor de eerste maal
den tempel aanschouwde, het Romeinsche leger in slagorde
aanrukken. voetvolk en paardenvolk , met de trompetters
aan de spits. Zij kwamen uit het Noorden van Ëmmaus.
Spoedig daarna werden op den Olijfberg, ongeveer op
dezelfde plaats, waar Jezus op dien Woensdagavond gezeten
had, de schitterende wapenen zichtbaar van het tiende
legioen, dat van Jericho kwam en nu nog slechts door het
diepe Kidrondal van de stad gescheiden was. Drie Romein-
sche heirlegers stonden plotseling, als uit den grond verrezen,
kalm en slagvaardig voor de .stad. Nu, in het aangezicht
-ocr page 303-
293
des gevaars, scheen men binnen Jeruzalem zich te willen
vereenigen. Zij deden een uitval tegen het ÏO1"5 legioen,
langs denzelfden weg, waarlangs Jezus Zijn intocht had
gedaan. Als wilde dieren wierpen zij zich op de Romeinen.
Zij vochten als leeuwen en sloegen den geoefenden vijand
op de vlucht. Het was een slachting te noemen, niet een
«lag.
Maar door de krijgskunde der Romeinen en den on-
wederstaanbaren heldenmoed van keizer Titus, werden zij
eindelijk met groot verlies in het Kidrondal teruggeslagen.
Het anders zoo vreedzame dal weerklonk weder van het
kreunen der stervenden en werd vervuld met lijken en bloed.
Dit waren de hartverscheurende tooneelen, die op dien
Woensdagavond voor de bedroefde oogen van Jezus zicht-
baar werden.
Ook het geschut der Romeinen volbracht van de hoogten
des Olijt\'bergs een vreeselijk werk. De werpmachines slin-
gerden steenen van een halven centenaar op de dappere
strijders, die op de tinnen des tempels en op de muren
stonden. Met één worp werden geheele liniën geveld. En
toen eindelijk op bevel van Titus, stormrammen aan drie
zijden te gelijk tegen de vestingmuren waren gericht, hoorde
men een vreeselijk gekraak rondom de geheele stad en een
ontzettende jammerkreet der inwoners steeg uit het ouge-
lukkige Jeruzalem ten hemel.
Daarenboven woedde de honger en trok als een spook
door de straten der stad. Met holle oogen waggelden de
uitgeteerde gedaanten door de straten. Tegenover dezen
gruwelijken vijand scheen elk menschelijk gevoel verstompt.
Vrouwen rukten hunnen mannen, kinderen hunnen ouders,
moeders hun eigen kinderen de beten uit den mond. Fol-
teringen, die de mond niet kan uitspreken, werden uitge-
dacht om de aanwezigheid van voedsel uit te vorschen.
Eene vrouw van gene zijde van het Jordaangebied, uit
Perea, waar .lozus zich het laatst had opgehouden, groot
door geboorte en rijkdom, die met anderen naar Jeruzalem
gevlucht was (zie de waarschuwing Luk. XXI: 21), beging
-ocr page 304-
2i)i
in waanzinnige vertwijfeling een ontzettende gruweldaad.
Al hare schatten en kleinoodiën had men haar ontroofd.
Van alles, wat zij in de zonnige dagen van haar geluk had
bezeten, was haar eenig kind, een zoontje, haar overgebleven.
Toen de honger bij haar woedde in merg en ingewanden,
toen, meer nog dan de honger, verbittering haar tot ver-
twijfeling bracht, greep zij haren zuigeling aan en sprak:
„Ongelukkig kind! waarom zal ik u nog opvoeden onder
oproer, hongersnood en oorlog? Van de Romeinen wacht u
slechts de slavernij, maar vóór de slavernij heeft de honger
u reeds aangegrepen. En gruwelijker nog dan beide zijn
onze eigene volksgenooten! Daarom, sterf! Wees mij tot
spijze, den onmenschelijken woestelingen in deze stad tot
een geest der wrake, der wereld tot een huiveringwekkend
gillend lied, — want dit alleen ontbrak nog aan de ellende
der Joden!\'" Met deze woorden doodt zij haar kind, braadt
het, eet de eene helft en bewaart de andere voor haiv
pijnigers. En toen de krijgsknechten naar binnen stormden,
aangelokt door den geur van het gebraad, roept zij onder
waanzinnig lachen uit: „Komt! ik heb een stuk voor u
bewaard!" en discht zij het overgeblevene op. De soldaten
gevoelden afgrijzen, ja, waren verstijfd van ontsteltenis.
Slechts voor dezen gruwel nog waren zij zwak. Zij vloden
henen. Jozephus verhaalt, dat de geheele stad vervuld was
van deze gruweldaad.
Ook hieraan heb ik niets toe te voegen, dan de woorden
in herinnering te brengen, welke Hij, die op dien Woensdag
dit alles vooruitzag, twee dagen later op den weg naar
Golgotha gesproken heeft tot de vrouwen van Jeruzalem,
die Hem volgden en Hem beklaagden: „Gij dochters van
Jeruzalem! weent niet over Mij, maar weent over u zelven
en over uwe kinderen. Want ziet! er komen dagen, in welke
men zeggen zal: Zalig zijn de on vruchtbaren en de buiken,
die niet gebaard hebben en de borsten, die niet gezoogd
hebben. Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen:
„Valt op ons" en tot de heuvelen: ..Bedekt ons." Want
-ocr page 305-
295
indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het
dorre geschieden?\'\'
Het getal mensehen, door den hongersnood weggemaaid,
was ontelbaar. Geen traan of klacht volgde de gestorvenen.
Zij werden niet meer begraven. Op de hoeken van de straten,
op de pleinen lagen de ongelukkigen te zieltogen. De ge-
heele eens zoo heerlijke tempel, was een gruwel der ver-
woesting; hij geleek op een doodenakker. Met uitgedroogde
oogen en open wonden prezen de stervenden diegenen zalig,
die voor hen tot de ruste des doods waren ingegaan. Waar
niet gestreden werd, heerschte een diepe stilte in de stad,
oen doodsnacht gelijk. De dooden werden, als de verpes-
tende lucht te erg werd, over de stadsmuren, in de dalen
geworpen. Bij een rit om de stad vond Titus alle kloven
om Jeruzalem vol lijken in staat van ontbinding. Hij zuchtte,
strekte de handen ten hemel en riep God tot getuige aan,
dat dit alles niet zijn werk was. Door een enkele poort
werden van 14 April tot 1 Juli 115880 en in het geheel
(ook door de andere poorten) b\'OO.OUO lijken buiten de stad
geworpen.
Zoo zag het er uit binnen de stad. Maar intusschen stond
daar buiten nog de vijand, de Romein. De menschlievende
Titus zag zich door de hardnekkigheid der Joden gedwongen
tot harde maatregelen. Wie op strooptochten om proviand
werden gevangen genomen en weerstand boden, werden
onder de muren en in \'t gezicht der bezetting gekruisigd,
Titus zag het met smart, dat op éénen dag 5000 Joden
gekruisigd werden, — en dit was zeer nabij de plaats,
waarop datzelfde volk zijn Messias had gekruisigd.
Zal ik deze ontzettende schilderij nog verder afwerken!
Zij is afschuwelijk genoeg. Reeds deze enkele penseelstreken
toonen genoegzaam aan, hoe vreeselijk deze lange, bange
tijd was, waarvan Jezus op dien Woensdagavond op den
Olijfberg zeide: „Alsdan zal een groote verdrukking wezen,
hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu
toe en ook niet zijn zal!" en waarvan later Flavius Jozephus,
-ocr page 306-
•29ö
zelf een .lood, te Rome schreef: „In het kort, geen stad
had immer zooveel te lijden en geen geslacht had liet ooit
in boosheid zoover gebracht, als dit."
Ik spring over naar het einde der belegering. De laatste
dagen braken aan, toon de walmureu geslecht waren, toen
de strijd der Romeinsehe legioenen binnen de stadsmuren
woedde en zich geheel tot den tempel bepaalde. Met onge-
konde doodsverachting, met een heldenmoed zonder voor-
beeld in de geschiedenis vochten de laatste stervende Joden
voor datgene, wat hun meer waard was dan het leven,
hun aloud heiligdom. De meest beproefde troepen der Ro-
meinen werden telkens weer teruggeslagen. Geen enkele
Jood smeekte om genade. Zij wilden geen genade, zij wilden
strijden en sterven.
De Joden staken met eigen hand den brand in een der
zuilengalerijen, die den toegang der Romeinen tot den tempel
scheen te zullen gemakkelijk maken. Van dit gewichtig
oogenblik at was er een vijand te meer: hot vuur. De Joden
waren begonnen, de Romeinen vervolgden. Op bevel van
Titus wierpen de soldaten brandende fakkels binnen de
poorten, die door do galerijen toegang gaven tot de. voor-
hoven. Het goud en het zilver smolt van de prachtige
poorten en viel op de tinnen, de vlammen deelden zich
mede aan het houtwerk en aan de aangrenzende zuilenzaal.
Xog niet echter aan den tempel zelf. Maar toen de Joden den
brand zagen, zoo nabij hun geliefd heiligdom, lieten zij den
moed zinken. Verslagen staarden zij in de gloeiende vlam-
men. Verstijfd van ontsteltenis stak niemand een hand tot
blusschen uit. Van de uitgestrekte, schoone zuilengalerijen,
die Jezus op dien Woensdagavond in den laatsten purper-
gloed van het avondrood voor zich zag liggen, verzonk de
eene na de andere in asch, eerst de Westelijke, toen de
Noordelijke en ten laatste de schoonste van alle: die naar
het Oosten, waar de gewelven zich tot duizelingwekkende
hoogte op de reusachtige muren verhieven boven het diepe
Kidrondal. De tempel bleef intusscheu nog ongedeerd. Twee
-ocr page 307-
297
dagen raasde daar rondom de vurige vlammengordel en de
gloed verspreidde zich wijd en zijd over de stad vol onzalig
wee, vol onuitsprekelijke!) jammer en ellende tot over den
Olijfberg, waarop Jezus eens had neergezeten, — tot in
het verwoeste Kidrondal.
Nog eenmaal ontbrandde voor het laatst een heete strijd.
Voor de Joden woedde om den heiligen berg Sion nu niet
slechts liet vuur maai- ook de dood voor Israël, voor de
laatste getrouwen, zoo het scheen, door de vlammen zieht-
baar. Aan redding dachten zij niet meer. Eindelijk was hij
aangebroken, de beteekenisvolle 10\'le Augustus, waarop
reeds eenmaal de tempel door de Babyloniërs was verwoest
geworden , waarop nu ten tweeden male de heerlijkheid van
het oude Verbond zou ondergaan in een vuurzee, in een
brandend graf. De Romeinen waren door de verbrande
zuilengangen de tempelvoorhoven binnengedrongen. De strijd
werd met woede gestreden op de tempel plaats zelve. Daar
grijpt een Romeinsch soldaat tegen den wil van den veld-
heer, alsof hij een werktuig van den Goddelijken toorn was,
een fakkel en slingert dien door de gouden deur, die aan
de Noordzijde toegang verleende tot de vertrekken, die het
eigenlijke tempelgebouw omgaven. Nu verheffen zicli de
vlammen en bedreigen den tempel zelven. Een kreet van
smart, ontzetting en jammer stijgt hemelwaarts. Keizer
Titus en al zijn veldheereti snellen toe. Nog brandde de
tempel zelf niet. Nog hoopte hij het prachtige gebouw te
behouden. Luide weerklonk zijn bevel over den voorhof,
den tempel te sparen, den brand te blusschen; - doch
tevergeefs. Niemand hoorde dat bevel. Het geschreeuw, het
getier, op den tempelberg was onbeschrijfelijk. De soldaten
moordden als wilde dieren. Het zwaard, in verbond met de
vlammen, maakte een onnietelijken buit. Rondom het altaar
verhief zich een berg %ran gesneuvelden. Heden was de
tempel zelf het altaar, dat werd aangestoken, de ongeluk-
kige Joden waren de offeranden, die er op verbrand werden
en het offerlied daarbij aangeheven, was de gillende krijgs-
-ocr page 308-
298
roep der razende Romeinsche legioenen. In dezen woesten
chaos hooide niemand de stem des Cesars. In het vreeselijk
gebrul gingen zijne bevelen om te redden en te blusschen
verloren. Heden werd het opperbevel niet gevoerd door den
veldheer, maar door de woede. Achtereenvolgens werd
fakkel op fakkel geslingerd in de ruimte, die het tempel-
gebouw omgaf. Nog was het heiligdom ongedeerd. Titus
en zijne veldoversten treden er binnen. Hetgeen de faam
hem in het vergelegen Rome van deze plaats en hare won-
deren had bekend gemaakt, was niet overdreven geweest.
Vol verbazing liet hij zijn blik weiden over de ongelooflijke,
meer dan vorstelijke pracht, die als in een sprookje in on-
metelijken rijkdom, van alle kanten op hem neerzag. Toen
kwam de begeerte nogmaals in hem op om dezen éénigeu
tempel, die nog niet brandde, te redden. Hij ijlde naar
buiten en gaf zijne bevelen. Maar de soldaten hoorden niet.
Woede, Jodenhaat, buit- en roofzucht, wilde krijgsmoed
hadden heden de overhand boven de zoo beroemde krijgs-
tucht van het Romeinsche leger en terwijl nog het commando
des Keizers over de voorhoven heenvliegt, steekt een der
binnengedrongen soldaten den brand in den tempel zelven.
Nu stegen de vlammen omhoog uit het aloude heiligdom.
De Joden schrikten op vol woeste smart, toen zij hun
geliefd. hun éénig, hun met doodsverachting tot vertwijfe-
ling toe verdedigd heiligdom zagen vergaan. Een duizend-
voudig herhaald geweeklaag uit de stad beantwoordde de
jammerkreten op den tempelberg. Duizenden, wier mond
reeds door den honger voor immer gesloten scheen, braken
opnieuw los in jammergeklag bij den aanblik van den
brandenden tempel. Toen de vlammen uit den tempel op-
stegen , trok Titus met zijne veldoversten zich terug; redding
was niet meer mogelijk; men liet alles aan zich zelven over.
Woedend verspreidde zich het vuur. Een vlammenzee over-
dekte den heiligen berg. Dichte rookwolken verhieven zich
langzaam uit den ouden zetel der heerlijkheid, verspreidden
zich over Jeruzalem en verdeelden zich over het Kidrondal
-ocr page 309-
299
en don Olijfberg tot over de woestijn. Alsof zij den wereld-
brand en het wereldgericht aanschouwden. alzoo stonden
de Joden in sprakelooze smart, totdat eindelijk Israels trots,
de heerlijkheid van vele eeuwen, Sions krone, de wereld-
beroemde tempel. zijn kruin ter aarde boog en met groot
geraas ineenstortte te midden der vlammen, onder zijn
puinhoopen een groote menigte Joden, onuitsprekelijke
ellende en een ontzaglijke schuld begravende. Een stuk
wereldgeschiedenis, ja. een stuk eeuwigheidsgeschiedenis
ging met den tempel
        in het vuur ten grave.
Het feest \'was een Paaschfeest, — hetzelfde feest, als
waarop Israël eenmaal in Jeruzalem zijn Messias verworpen
had. dat Israël van alle oorden had doen samenkomen
tot" de belegering, tot het Godsgericht. Uit dien hoofde was
de stad tijdens de belegering zoo overvol. Het aantal dooden
binnen .Jeruzalem gedurende het beleg bedroeg 1.100.000.
Korten tijd daarna vierde Titus met zijn geheele leger
een schitterend overwinningsfeest in het Noorden des lands,
in Cesarea Filippi, alwaar do eerste aankondiging van Jezus\'
lijden had plaats gehad. Op dit feest werd Romes pracht
en heerlijkheid tentoongespreid. Duizenden Joodsche krijgs-
gevangenen werden bij de k» mpspelen voor de wilde dieren
geworpen. of moesten in het circus troepsgewijzo tegen
elkander vechten op leven en dood. De overigen werden
bij duizenden als slaven verkocht. Dit was de eindelijke
vervulling van de woorden, door Jezus gesproken op dien
Woensdagavond: „Alsdan zal er groote nood zijn in het
land en toorn over dit volk. En zij zullen vallen door de
scherpte des zwaards en gevankelijk weggevoerd worden
onder alle volken en Jeruzalem zal van de heidenen ver-
treden worden, totdat de tijden der heidenen vervuld zullen
zijn." (Luk. XXI: 24).
Wie eenige weken na den aftocht der Romeinen te Jeru-
zalem kwam, kon op de verbrande puinhoopen nederzitten
en weenen over den ondergang der prachtige wereld- en
godstad, die veelbezongen. veel geliefd , moedig verdedigd,
-ocr page 310-
300
doch alsnu van den aardbodem weggeveegd was. Het was
vervuld, wat haar beste Vriend op dien Woensdagavond
had gezegd: geen steen was op den ander gebleven van
den eens zoo wereldberoemder! tempel. Het eenmaal voor
het menschelijk oog verborgen Heilige der heiligen lag open,
zoodat de dieren des velds er in konden doordringen. En
rondom lagen de drie heuvelen, waarop Jeruzalem gestaan
had, waarop vele geslachten geluk en ongeluk hadden ge-
smaakt, waarop profeten, ja zelfs de Zoon Gods zoo menig-
maal de stem der waarheid had doen hooren, — maar nu
eenzaam en verlaten. Jeruzalem had opgehouden te bestaan.
De stad zoowel als hare muren was geslecht. Slechts de drie
torens Hippikus, Phasaël en Marianne op den westelijken
heuvel had men laten staan tot een monument voor de
Romeinen. De beide eersten zijn nog aanwezig en zien als
reuzen verachtelijk neder op het armoedige, erbarmelijke
Jeruzalem, dat heden ten dage staat op de plaats van de
heerlijke, vorstelijke stad van weleer. Als vreemdelingen uit
een ondergegane wereld afkomstig, staan deze stomme
getuigen van een groot verleden met een tragisch einde en
verkondigen tot op onzen tijd met verschrikkelijken ernst
zwaarwichtige lessen der geschiedenis.
En nu leze men nog eens na, wat Jezus volgens Matth.
XXIV, Mark. XIII en Luk. XXI op dien Woensdagavond
tot Zijne jongeren gesproken heeft en de lezer veile dan
zelf een oordeel, hoe Jezus toen reeds deze droeve gebeur-
tenissen vooruitzag, hoe merkwaardig letterlijk Zijne voor-
spellingen vervuld zijn geworden.
Het ereste was voor de Israëlieten ondertusschen het
eindigen hunner priesterheerschappij, van hun rijksbestaan
en hun godsdienst op het geliefde Sion; geen tempel meer,
geen priester, geen tabbaard — zoodat het hun zijn moest,
alsof het gansche volk Israël was begraven in den eeuwigen
doodslaap, waardoor nog heden dit volk, ondanks zijn uit-
wendige welvaart, zonder vrede, zonder vaderland is ver-
spreid over de gansche aarde. Dit alles moest voor de
-ocr page 311-
301
jongeren des Heeren juist dienen tot krachtige versterking
van hun geloof. Zij konden opmerken, hoe hun Meester
met den cirkel der eeuwigheid mat, hoe Hij als uit een
hoogen wachttoren de geschiedenis van hun volk overzag
en dat ook in betrekking tot alle andere volkeren, alles
moest gebeuren, gelijk gebeurd was, wat Hij van Israël
had voorspeld.
Woensdagnacht.
Blik op liet pinde der wereld.
Bij de laatste rede van den .Heer hebben wij onzen blik
bepaald tot de verwoesting van Jeruzalem, Jezus echter
bepaalde zich niet tot dit eene punt. Zijn oog zag op dien
avond veel verder. Ver over den val van Jeruzalem, ver
over den loop der eeuwen in de wereldgeschiedenis, zag
Zijn oog in de verste toekomst tot het einde der dagen.
Op den achtergrond van den brandenden en ineenstortenden
tempel van Jeruzalem, ziet Hij een beeld, nog aangrijpen-
dor, nog meer ontzettend. Een geheel andere tempel schudt
op zijne grondvesten, gaat op in wereldbrand en stort
in met ongehoord geraas. Het is de majestueuze tempel
dezer wereld. En gelijk de tempel van Israël viel om plaats
te maken voor een veel heerlijker — alzoo verschijnt ook
in de plaats van de oude wereld, een nieuwe, oneindig
veel heerlijker.
Daarover sprak Jezus op dien Woensdag tot diep in den
nacht met Zijne jongeren. Nog zat de Heer met hen op die
welbekende plaats op den Olijfberg. De zon was sinds lang
ondergegaan; de volle Paaschmaau lichtte over berg en dal.
Het diepe Kindroudal alléén lag in de schaduw aan hunne
voeten. Den jongeren was het, aandachtig toehoorende, als
werd hun hedenavond een blik gegund in den geheimen
Kaad omtrent het Goddelijk wereldbestuur.
-ocr page 312-
302
De Heer zocht als het ware dezen laatsten rustigen avond,
dien Hij in hun midden doorbracht, uit om hun mede te
deelen , hetgeen Hij hierover vóór het afscheid hun nog te
zeggen had. De volgende avond zou geheel andere dingen
brengen: de instelling van het avondmaal, de afscheidsrede,
Gethsemané en vervolgens: gevangenneming, verhoor, krui-
siging. Jezus wilde hen en Zijn toekomstige gemeente door
Zijne woorden voorbereiden niet alléén op de stormen van
den volgenden dag, niet alléén op de verwoesting van Jeru-
zalem, maar op alle stormen, die hen wachtten, zelfs op
den allerlaatsten. Maar achter al deze stormen, toonde Hij
hun het verheven einde van het Goddelijk wereldplan.
Daarom volgde Hij de richting, aangegeven door hunne
vragen, die, al werden daarin ook twee verschillende onder-
werpen doorééngemengd, — als in oenen adem, den onder-
gang van Jeruzalem en dien der wereld noemden. (Matth.
XXIV : 3). Ook Jezus had de verwoesting van Jeruzalem
en het einde der wereld niet zoo duidelijk uit elkander ge-
houden, als wij getracht hebben te doen. Gelijk Hij, opziende
naar het Oosten, spreekt zoowel van het nabijliggend
Bethanië, als van het op tien mijlen afstands gelegene
Moabietengebergte, als van een en dezelfde landstreek, alzoo
spreekt Hij van de ophanden zijnde verwoesting der stad
en het nog ver verwijderde einde der wereld als van een
en dezelfde
toekomst, die voor Hem open ligt. Met betrek-
king tot hetgeen nabij is, zegt Hij: „Voorwaar, Ik zeg u,
dat dit geslacht geenszins zal voorbijgaan, totdat alles zal
geschied zijn!" (Luk. XXI : 32j en met betrekking tot Zijne
wederkomst zegt Hij om alle misverstand weg te nemen:
„Maar van dien dag en die ure weet niemand noch de
engelen, die in den hemel zijn, noch de Zoon dan de
Vader.1\' (Mark. XIII : 32).
Het was voldoende, dat de jongeren de hoofdzaak ver-
stonden , dat Hij den loop der geschiedenis helder overzag,
dat Hij zou wederkomen, dat zij eiken dag op Zijne weder-
komst moesten voorbereid zijn. Aandachtig luisterden zij
-ocr page 313-
303
toe, als Hij van al deze dingen sprak met eene majesteit,
die slechts den souvereinen Wereldregeerder toekwam, toen
Hij sprak, wijzende op de bergen rondom Jeruzalem en op
den sterrenhemel: „De hemel en de aarde zullen voorbij-
gaan, maar Mijne woorden zullen geenszins voorbijgaan."
(Mark. XIII : 31). De eene gelijkenis volgde op de andere.
Vooral Mattheüs heeft ze voor ons bewaard. Slechts twee
er van wensch ik meer van nabij te beschouwen namelijk
die van het laatste gericht en die der tien maagden.
1) De tien maagden. (Matth. XXV : 1—13). De Heer had
gesproken over Zijne wederkomst. Ten einde Zijne jongeren
te doordringen van de noodzakelijkheid om te waken, sprak
Hij: „Alsdan zal het koninkrijk der hemelen gelijk zijn aan
tien maagden, welke hare lampen namen en gingen uit
den bruidegom te gemoet" enz.
Het is bekend, dat in het Oosten de bruiloft een feest is,
waaraan een veel grooter aantal belangstellenden deelneemt
dan bij ons. Honderden feestgenooten volgen dansend,
zingend en springend de bruid, gezeten op een paard of
kameel. De vreugde des nachts is steeds grooter nog dan
de vreugde overdag.
In Bethlehem en Bet-Djala wordt nog heden ten dage des
nachts bruiloft gehouden, uitsluitend door meisjes bijge-
woond; dit herinnert dus aan onze gelijkenis. Als de zon is
ondergegaan en na de korte schemering de sterren zich
vertoonen, dan komen de meisjes te zamen en gaan zingend
en met fakkels in de hand in optocht naar de jonggehuwden.
Ook onze gelijkenis spreekt van lampen. Wij kunnen
daarbij niet denken aan de gebruikelijke olielampen, die
voor het doel zeer ongeschikt zouden geweest zijn, maar
moeten veeleer het Grieksche woord lant\'pas woordelijk ver-
talen door „fakkels", die nog in dezen tijd door de jonge
vrouwen bij soortgelijke gelegenheden worden gebruikt.
Welk soort van fakkels zijn dit nu? In geen geval pek-
fakkels, die eene vulling met olie niet behoeven, maar zulke
fakkels, als nog heden in Palestina bij bruiloften worden
-ocr page 314-
304
gebruikt. Deze bestaan uit lange staken aan wier boven-
einde lappen, in olijfolie gedrenkt, zijn bevestigd. Deze
lappen, die slechts een kwartieruurs kunnen branden, moeten
derhalve om lang te branden, dikwijls opnieuw met olie
worden verzadigd. Om deze reden moest elk der maagden
uit de gelijkenis een kleine kruik met olie bij zich hebben
teneinde de vlam telkens opnieuw te kunnen voeden. Van
deze kruiken (niet van een gedeelte der lampen) wordt ge-
sproken , als vers 4 zegt: ..Maar de wijzen namen olie in
hare vaten, met hare lampen.\'\' Toen de dwaze maagden
uitgingen, waren hunne fakkels even lichtgevend als die
van de anderen. Zij verzuimden echter nog een kruik met
olie mede te nemen. Aangezien nu hunne fakkels onvermij-
delijk
moesten uitgaan, indien de bruidegom langer vertoefde
dan zij verwachtten, was liet voor de toehoorders van Jezus
duidelijk, hoe dwaas deze maagden handelden.
Als nu de bruidegom vertoefde, zotten allen zich neder
in de open lucht en vielen in slaap. En ter middernacht
geschiedde een geroep: ..Ziet, de bruidegom komt, gaat uit
hem tegemoet!" Ook de tien maagden stonden op. Met
schrik grepen zij hunne fakkels, waaraan het laatste vonkje
was uitgedoofd. Onmiddellijk begonnen zij hunne fakkels
in orde te brengen. De "wijzen hadden hun oliekruik bij zich.
Spoedig begoten zij het boveneinde der fakkels met olie en
ontstaken ze. En toen de bruidegom kwam, gaven hunne
fakkels helder licht, zoodat de wijze maagden zich vroolijk
konden aansluiten aan den stoet der feestgenooteu.
De dwazen echter bevonden zich in groote verlegenheid.
En plaats van een lichtgevende fakkel hadden zij slechts een
langen staak met zwarte, halfverbrande lappen. Hoe gaarne
zouden zij gebruik gemaakt hebben van de olie harer
vriendinnen, maar deze hadden slechts genoeg voor zieh-
zelve. Ontevreden over zichzelve konden nu de dwaze
maagden den verlichten stoet nazien. Wel spoedden zij zich
nu naar de oliehandelaren om olie te koopen, maar te ver-
geefs. Het was te laat. Toen zij aan het huis kwamen,
-ocr page 315-
305
waar de bruiloft gehouden werd, vonden zij het gesloten
en werden zij niet meer toegelaten tot den kring der feest-
vierenden.
Voor de in dit land wonende Apostelen was dit inderdaad
een treffende gelijkenis om hen aan te manen tot onafge-
broiken
waakzaamheid. Geen andere soort van lamjj toch
heeft zoozeer eene onafgebroken verzorging noodig als deze
fakkels. De Heer nam voor Zijne gelijkenis voorbedachtelijk
niet een lamp, die voor den geheelen nacht kon worden
gevuld, maar wel deze fakkels, die voortdurend nieuwen
toevoer van versche olie noodig hadden. Het is niet genoeg
om bij het uitgaan goed gedrenkte fakkels te hebben, het
gevulde olievat moet steeds aanwezig zijn. Het is voor den
Christen niet genoeg bij den aanvang van zijn loopbaan goed
te beginnen, voortdurende waakzaamheid en gereedheid
worden vereischt. Wie meent, dat, daar zijn fakkel op
zekeren tijd goed gebrand heeft, hij daarom de noodige
voorzorgen wel kan nalaten, diens fakkel zal gewis uitgaan.
Men kan niet bij voorbaat gelooven; ook niet voor elkander
gelooven. Men kan de waakzaamheid en de gereedheid voor
den Heer niet aan anderen overlaten; men kan het noodige
ook niet aan anderen ontleenen. Een ieder moet voor zich-
zelven een bron van nieuwe kracht bezitten, anders wordt
de vroeger helder brandende fakkel een zwarte verkoolde
spits en het einde zal dan zijn: „Ik ken u niet.1\'
De gelijkenis paste ook op het uur, waarin Jezus haar
uitsprak. Hij sprak van middernacht en het zal wel niet ver
van middernacht af zijn geweest. Binnen de stad sliep men
gelijk de dwaze maagden. De Bruidegom was gekomen en
de Dooper had Hem als zoodanig aangekondigd (Joh. III
vs. 29), maar men had bij Zijn komst geslapen. Ja. over-
morgen reeds zou men het bloed van den grooten Miskende
vergieten.
Nog zou een tweede komst van den Bruidegom in de verre
toekomst plaats hebben. Ook dan zou het middernacht zijn.
Maar wie dan Hem niet met een weltoebereide fakkel zal
KKMT GIJ HEM?                                                                   20
-ocr page 316-
306
begroeten, dien wacht de donkerste nacht, een laatst en
allerversehrikkelijkst: ,.Tk ken u niet!"
2). De vergadering ran alle volken en het iverehlgericht
(Matth. XXV : 31—46). In deze tweede gelijkenis ontwerpt
de Heer voor Zijne jongeren een beeld van het wereldgo-
richt: „En wanneer de Zoon des menschen komen zal in
Zijne heerlijkheid en al de heilige engelen met Hem, dan
zal Hij zitten op den troon Zijner heerlijkheid. En voor
Hem zullen al de volken vergaderd worden en Hij zal ze
van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de
bokken scheidt," enz.
Twee vergelijkingen liggen aan deze gelijkenis ten grond-
slag. De eerste is ontleend aan de gebruiken van het her-
dersleven, de tweede aan de zeden en gewoonten van
aanzienlijke stamhoofden in het Oosten.
a). Allereerst vergelijkt de Heer zich met een herder, die
de schapen van de bokken scheidt. De schapen zijn de
goeden, de bokken de slechten. Waarom onderscheidt men
de schapen en de bokken aldus V Omdat men in het Oosten
altijd de bokken uitkiest om te slachten, terwijl de meer
gewaardeerde melkdieren altijd worden gespaard. Onze ge-
lijkenis herinnert evenwel nog aan een gansch bijzonder
voorval in het herdersleven. Omstreeks het begin van den
regentijd werpen de meeste schapen lammeren. Zijn deze
dan groot en krachtig geworden, dan heeft van tijd tot tijd
een verkoop op groote schaal plaats. De bokken worden
dan verkocht om het vleesch en de wol. In de hoofdstad
Jeruzalem, met hare behoefte aan offerdieren en voedsel,
kon de veehouder steeds gemakkelijk honderden bokken
verkoopen.
Hiertoe moest dan de herder de kudden vaneenscheiden.
De schapen, die hem voedden met hun melk, die de kudde
vergrootten met hunne lammeren, werden dan aan de eene
zijde, de bokken aan de andere zijde geplaatst. Dezen wer-
den dan ter slachtbank geleid en de schapen teruggevoerd
naar de grazige weiden der bergwoestijnen. Dit gebruik ver-
-ocr page 317-
307
klaart de eerste vergelijking van onze gelijkenis, die de
boozen door de uitdrukking ..bokken\'" als voor het gericht
bestemd, aanduidt.
b\\. De tweede vergelijking doet ons den Menschenzoon
kennen als een machtig vorst, die plaats genomen heeft in
den kring zijner helden. Voor Hem worden menschen ge-
bracht, die ten aanzien van Zijne stamverwanten goed of
slecht hebben gehandeld. Overeenkomstig hunne daden
oordeelt Hij hen.
Het is bekend, dat in het Oosten de stamverwantschap
zeer innig is. De leden van één stam maken eené groote
familie uit, welker medeleden elkander moeten bijstaan.
Hetgeen een van hen wordt aangedaan, geldt allen. Als
een van hen gedood wordt, is de geheele stam verplicht,
den moordenaar of diens verwanten te dooden, waar men
hem ook moge vinden. .
Evenzeer werden bewijzen van vriendschap, die aan één
werden betoond, aangemerkt als betoond te zijn aan den
geheelen stam. Wie in de woestijn een gevreesden stam
ontmoet en bij machte is den Bedoeïenen op geloofwaardige
wijze een Salaam (vredegroetj over te brengen van een
bevrienden stam, die is veilig. Ikzelf heb dit in de gebergten
van Juda ondervonden. Indien een aanhoorige van een stam
op reis gaat, voorziet hij zich niet van vele kleederen; hij
rekent op de algemoene groote gastvrijheid der vrienden
van zijn stam en niet tevergeefs. Voor den vreemdeling
wordt de eigen tent ingeruimd, de eigen mantel afgestaan
tot dekking des nachts of kleeding des daags. Bij ziekte
zetten alle vrienden zich bij hem neder om door hunne
tegenwoordigheid, zij het ook al rookende, koffiedrinkende
en babbelende deelneming te bewijzen. Zelfs stervenden
worden op deze wijze bezocht.
Komt hij dan weder bij zijn stam terug, dan verhaalt
hij: „Ik ben hongerig geweest en zij hebben mij te eten
gegeven. Ik was een vreemdeling en zij hebben mij geher-
bergd. Ik was naakt en zij hebben mij gekleed. Ik was ziek
-ocr page 318-
308
en zij hebben mij bezocht. Ik was gevangen en zij zijn tot
mij gekomen." En de hoofdman, als hij dit verneemt, rekent
dit alles zichzelven aangedaan, zichzelven en den geheelen
stam, waarvan zelfs de geringste wordt gerekend tot de
broederen te behooren. Maar ook, wie het heilige recht der
gastvrijheid niet eerbiedigt, heeft een dubbele wederver-
gelding voor zijne trouweloosheid te duchten.
Ook de Apostelen moesten als reizigers uittrekken door
de wereld. Hun Stamhoofd was ver van hen verwijderd.
Maar vriendschap of onaangenaamheid, die hun zou worden
aangedaan, zelfs den geringste hunner, zou Hij, volgens
onze gelijkenis, beschouwen als Hemzelven bejegend. Het
beeld echter wordt belangrijk uitgebreid. Niet slechts geldt
het voor den kleinen kring, dien de Apostelen zullen ont-
moeten, maar voor alle volkeren der wereld, die zich als
eene kudde verzamelden rondom den Zoon des menschen.
Dan zal het openbaar worden, hoe nauw Jezus zich één
gevoelde met Zijn geringste broederen, het hoofd met de
leden, de hoofdman met den geheelen stam. De gelijkenis
was een vermaning en eene waarschuwing voor de wereld,
die de jongeren van Jezus zou vervolgen of onverschillig
bejegenen; ook voor de Christenen zelve, dat zij liefde
zouden hebben onder elkander.
Hoe aandachtig zullen de jongeren hebben toegeluisterd,
terwijl de Heer in de stilte van den nacht op den Olijfberg
al deze beelden hun voor oogen stelde! Maar het verhevenste
voor hen was, dat dit alles eenmaal zal worden gelegd in
de handen van Hem, die daar naast hen was gezeten. Zij
stelden zich al de volkeren voor, die bij hen bekend waren,
de Joden, de Syriërs en Feniciërs, de bewoners van Deka-
polis, de Samaritanen, de Arabieren, de verstandige en de
kunstminnende Grieken, het groote Romeinsche volk met
zijne Cesars en Stadhouders en te midden van die allen
hun Heer als Wereldrechter, die te beschikken had over
hun eeuwig lot. Het was hun, alsof zij droomden, als zij
een blik sloegen in deze groote, verheven verborgenheden
-ocr page 319-
309
en alsof hemelsche majesteit straalde om het hoofd huns
Meesters, die zich zoo vriendelijk aan hen openbaarde, hen
als Zijne stamgenooten wilde beschouwen, die zoo vertrou-
welijk met hen sprak als een vriend tot zijne vrienden.
Met deze gelijkenis, een blik gevende op het laatste oor-
deel , op de eeuwige pijn en op het eeuwige leven|, besloot
de Heer.
Jezus stond op om zich te verwijderen. Hij had het laatste,
het verhevenste onderwijs gegeven in het nachtelijk uur in
den kleinen kring, na het laatste, verheven onderwijs des
daags aan het volk, eene bloemlezing over de wereldge-
schiedenis uit het oogpunt der eeuwigheid. En terwijl zij
in den stillen nacht aan Zijne zijde gingen, verwijlden zij
met hunne gedachten voorzeker in de toekomst. Met grooten
weemoed aanschouwden zij den tempel, door de volle maan
verlicht. Van dezen dag af zagen ook zij er met hun geestes-
oog rookwolken en vuurgloed boven hangen, totdat hij
Ineenstortte en verzonk in een zee van vlammen. En dan
waren zij indachtig aan die verre toekomst, waarvan Hij
had gezegd: „En alsdan zal in den hemel verschijnen het
teeken van den Zoon des menschen en dan zullen alle ge-
slachten der aarde weenen en zullen den Zoon des menschen
zien, komende op de wolken des hemels met groote kracht
en heerlijkheid. En Hij zal Zijn engelen uitzenden met eene
bazuin van groot geluid en zij zullen Zijn uitverkorenen
bijeenverzamelen uit de vier winden, van het eene uiterste
des hemels tot het andere uiterste deszelven!" En in den
geest meenden zij het reeds te zien aan den nachtelijken
hemel, dat teeken van den Zoon des menschen, de verlichte
wolken, Zijn wederkomst in heerlijkheid en met hun gees-
telijk oor vernamen zij daarbij in den stillen nacht het
bazuingeschal der engelen, het weenen van alle geslachten
der aarde, den juichenden welkomstgroet Zijner getrouwen.
De jongeren volgden Hem naar G-ethsemané. Het was reeds
laat. Lang reeds was de laatste purpergloed aan den Wes-
telijken horizont verdwenen. De maan, bijna vol, stond hoog
-ocr page 320-
310
aan den hemel, te midden der sterren. Een diepe stilte lag
over Jeruzalem en de omliggende bergen. En terwijl de
kleine schare, — die aan deze in duisternis gehulde wereld,
als in zonneglans, het heil zou brengen, — voorttrok op
den korten weg naar Gethsemané, zag Jezus in den zilveren
maneschijn op een verafliggend land neer. Hij blikte in het
diepe Jordaandal en zag daar den weg, die naar Bethlehem
leidde, die in zekeren nacht, 30 jaren geleden, betreden
werd rloor wijzen uit het Oosten, die den jonggeboren
Koning der Joden gingen aanbidden.
De hof Gethsemané was bereikt. Het gezelschap zocht
rust in het huis binnen den hot\' gelegen. Jezus vond den
laatsten, rustigen slaap op aarde. De dag van morgen zou
een stormachtigen nacht brengen, den stormachtigsten van
geheel Zijn leven.
-ocr page 321-
WITTE DONDERDAG.
Het was Donderdag, twee dagen voor Paschen. Voor den
Olijfberg was de nacht verstreken. De lichtende Aprilochtend
spreidde na een zeer korte schemering zijn vleugelen vroolijk
uit over het Heilige land. Rondom G-ethsemané, waar Jezus
met Zijn jongeren den nacht had doorgebracht, ruischten
de zilveren bladeren der olijven in den frisschen morgen-
wind , terwijl de talrijke vijgeboomen van het gebied Beth-
fagé met licht voorjaarsgroen prijkten.
Men had hier een ruimen blik. De spiegel der Doode Zee,
ginds in de verte, scheen door de reine doorzichtige lucht,
als ware hij nabij. Ernstig stak hij at\' tegen de donkere
bergen van Moab, die nog niet door de stralen der zon
waren verlicht. Boven de lange zeestreek, die als mat zilver
in de diepte lag, verhief zich in een lange, rechte lijn het
gebergte van Perea en Moab, gehuld in ochtendwolken. De
donkere boschpartijen, die zich tot aan de Doode zee uit-
strekten, gaven den loop der Jordaan aan. In die bosschen
had Jezus in de lente van voor twee jaren voor Zijn jeug-
digen, bezielden ,,Vriend", Johannes den Dooper en de hem
omringende menigte, den eersten dag van Zijn openbaar
leven gevierd. Heden was de laatste dag aangebroken.
Terwijl Zijn jongeren naar de stad gingen — twee van
hen om met de priesters te onderhandelen, anderen wellicht
-ocr page 322-
312
naar hunne vrienden of naar Bethanië — bleef Jezus een-
zaam achter op den Olijfberg, in of nabij Gethsemané; Hij
had behoefte aan de eenzaamheid, voordat de storm zou
losbreken. Evenals Hij bij de aanvaarding van Zijn ambt
zich in de woestijn had teruggetrokken om met Zijn Vader
alléén te zijn, alzoo bracht Hij ook deze laatste uren alleen
door met Zijnen Vader. Evenals toen, zal Hij zich hebben
verdiept in den wil Zijns Vaders in het heilig doel, waartoe
Zijn ten einde loopend werk deze arme wereld moest voeren.
De dag, waarover Hij zooveel gesproken had, was aange-
broken. De woordenstrijd met Zijn verbitterde vijanden was
gestreden. Zij wilden Hem niet langer bestrijden, zij wilden
Hem dooden. Juist wordt daarover beraadslaagd in de fees-
telijk gestemde stad en in den geest ziet Jezus een welbe-
kende met de uitdrukking van een kwaad geweten op het
gelaat door de straten van Jeruzalem sluipen, zicli spoedende
naar de overpriesters om voor geld zijn Meester te verraden.
De jongeren, althans Petrus en Johannes, waren ook de
stad ingegaan. Terwijl zij den Olijfberg afgingen naar het
Kidrondal, kostte het hun moeite, hunne oogen af te
wenden van den wonderschoonen aanblik der stad. De weg,
dien zij betraden, was dien dag niet eenzaam maar als
bezaaid met pelgrims uit de Jordaanstreek, uit Perea, ten
deele ook uit Galilea. Hoe meer zij de stad naderden, hoe
meer hun weg liep door de lange rijen tenten, waarin de
feestgangers verblijf hielden. Het meerendeel der gasten
was reeds aangekomen. Zelfs de Romeinsche stadhouder
Pontius Pilatus was reeds in de stad en had den trotschen
Koningsburg, op de Westelijke hoogte der stad, betrokken.
Ook zijne gemalin was medegekomen. Zij vermoedde niet,
welk een ontzettend feest zij zou bijwonen, — hoe haar
gemaal door de gebeurtenissen op dit feest op treurige, op
rampzalige wijze, — zij zelve in het zachte licht eener
vrome, medelijdende ziel, over de geheele wereld zou bekend
worden.
Te midden der feeslmenigte gingen op dien Donderdag-
-ocr page 323-
313
ochtend de beide onaanzienlijke Galileesche mannen rustig
hun weg. Petrus en Johannes hadden op de markt hunne
inkoopen gedaan voor den aanstaanden avondmaaltijd. In
een bevriende woning bereidden zij het pascha.
Ter zelfder tijd schreed ook een ander uit de twaalven
door de straten, Judas Iskariot. Door den menschendrom
op de tempelstraat heen, begaf hij zich naar de zalen, waar
de hoogepriesters te vinden waren. Hij werd binnengelaten.
Zijn plan was gerijpt. Niet den persoon van Jezus had hij
liefgehad en gezocht, maar de macht en de heerschappij,
die hij van Hem verwachtte. Hij had zich vergist in dezen
Jezus. Als aanhanger van den gehaten Gralileër waren voor
hem in de toekomst de deuren der machthebbenden te
Jeruzalem gesloten. Nog kende hij evenwel een middel om
alsnog bij hen in de hooge gunst te komen. Hij wist, hoezeer
zij wenschten, Jezus zonder rumoer in hunne macht te
krijgen. Zonder rumoer — want op den tempelhof, te midden
van het volk, durfden zij Hem niet gevangennemen. Judas
kwam als een redder in nood. Reeds des Dinsdags had hij,
wrevelig geworden door een woord des Heeren bij den
avondmaaltijd in Bethanië, onderhandelingen met de over-
priesters aangeknoopt. Gisteren, gedurende den grooten
redestrijd, had hij bij vernieuwing de geheele diepte van
hun onverzoenlijke vijandschap gepeild. Wie nu de oversten
te Jeruzalem tot hun doel kon brengen, moest wel door
hen worden geëerd als een man, die de geheele natie aan
zich had verplicht.
Het voorstel van Judas was den overpriesters hoogst
welkom! Liet men Jezus nog langer Zijn leer verkondigen,
dan zou Hij — Zijn intocht op Maandag, Zijn indrukwek-
kend optreden bij de tempelreiniging op Dinsdag, Zijn
zegevierende strijd gisteren waren er even zoovele waar-
borgen voor, — op dit feest het geheele volk nog tot zich
kunnen trekken. Indien men het waagde Hem nu te grijpen
bij Zijn openlijk optreden, dan zou de volkswoede zich tegen
henzelven keeren en daarbij zou alles op het spel staan.
-ocr page 324-
314
Sinds lang was Paschen de gevaarlijkste tijd van het jaar om
reden, dat onder de menigte hartstochtelijke en onrustige
Joden alle revolutionaire grondstoffen uit het gansene land
aanwezig waren, waardoor een stoutmoedig en geschikt
volksleider, gemakkelijk het volk zou kunnen overhalen tot
elke dwaze onderneming. En in hun moedwillige verblin-
ding hielden zij Jezus voor zulk een demagoog. Juist Zijn
intocht, op een zoo gevaarlijken tijd gehouden, scheen hun
hiervoor het klaarste bewijs te zijn. Aan hun gloeienden haat
paarde zich dan ook groote angst voor den koenen Man
des volks. Wij begrijpen het dus, als het Evangelie zegt:
„En zij, dat hoorende, waren verblijd." Mark. XIV : 11).
Hoe zullen de aangezichten der hooge heeren zijn opge-
klaard , toen — voor hen bijna ongelooflijk — terwijl onder
het volk gpen enkele verrader te vinden was —■ een der
twaalven in levenden lijve voor hen stond met het aanbod,
Jezus, zonder oproer, .,ver van het volk." in hunne handen
te leveren. Deze onverwachte hulp, die zij wel als een vin-
gerwijzing der Grodheid zullen hebben aangemerkt, opende
hun geheel nieuwe uitzichten. Indien Jezus in hun macht
was, dan zouden zij groote haast maken om Hem terecht
te stellen, nog voordat iemand daarover behoorlijk kon
hebben nagedacht. De zaak werd beklonken. Judas nam
dertig zilverlingen op afrekening, overtuigd dat de oversten
des volks hem, na het volbrengen van de daad, nog wel
een vorstelijke belooning zouden schenken. Hij ging naar
buiten in het feestgedruisch, waaronder hij de stem van zijn
geweten wist te smoren.
Jezus kwam tegen den avond in de stad. Zijn jongeren,
die met uitzondering van Petrus en Johannes zich weder bij
Hem gevoegd hadden, gingen met Hem door de feestelijke
straten van Jeruzalem. Zij kwamen bij het aangeduide huis
aan. Zij traden den hof binnen en beklommen, langs de
woonkamers der bewoners, de trap naar het platte dak.
Want de eetzaal was, zooals Lukas XXII : 11 grondtekst;
zegt, op het dak. De zaal besloeg de ééne helft, terwijl de
-ocr page 325-
316
andere een vrij terras aanbood. De zon ging juist onder en
de volle maan bescheen het vrije dak, waarop eene opening
toegang gat\' tot de eetzaal, waarin Jezus met de jongeren
voor de laatste maal zouden aanliggen.
Jezus trad binnen en begroette de discipelen hier aanwezig.
Het was een laatste rijksdag van een Koning, alvorens Hij
naar den strijd trok, waarin Hij zou vallen. Daar stonden zij,
de getrouwen, die huis en hof, goed en bloed hadden ver-
laten om Hem te volgen. Daar stonden ook zij, de dankbare
en getrouwe vrouwen, die evenzoo hunne woonplaatsen in
(Jalilea hadden verlaten om bij Hem te vertoeven tot aan
Zijn laatsten ademtocht. Een diepe ernst lag op het gelaat
van Jezus, toen Hij binnentrad. Kon het ook anders? G-is-
teren op den dag, de laatste heete strijd met de ongeloo-
vigen; gisteren in den nacht, de treffende rede over de
toekomst; dezen nacht, nog in te gaan — de laatste gang,
de martelaarsweg, — de ernst dezer dingen kon den jongeren
niet worden verborgen. Hoe ernstig en toch feestelijk klonk
heden Zijn groet! Al konden zij niet vermoeden, dat heden
voor het laatst de zon voor hun Meester was ondergegaan,
toch waren allen beangst om Zijnentwil. Alleen Judas bleef
onaangedaan. Een stille weemoed, een adem des afscheids,
lag heden niet alleen over de woorden van Jezus, maar
ook over al Zijne daden. Hij alleen wist het, dat Hij in
dezen tijd nimmer weder met Zijn jongeren zou aanzitten.
Daarom zocht Zijn liefde altijd weer naar een uitdrukking,
naar een gelegenheid om zich zoo innig mogelijk aan hen
te openbaren. Daarom greep Hij de gelegenheid aan om
hen allen achtereenvolgens de voeten te wasschen, als ware
Hij hun dienstknecht. Het was, als wilde Hij in deze han-
deling Zijn liefde doen overstroomen, als zocht Hij slechts
een nieuwe gelegenheid om hun oog een bewijs Zijner liefde
te geven. En als Zijn testament klonk Zijn vermaan, neen,
Zijn gebod, aan het einde der voetwassching, datzijelkan-
der voortaan even lief zonden hebbeu, als Hij hen steeds
had liefgehad.
-ocr page 326-
316
Buiten was het volkomen nacht geworden, toen zij aan
tafel gingen. Door de geopende deur zag men de stad met
hare verlichting. Ook in de eetzaal waren de lampen aan-
gestoken.
Toen allen aanlagen, sprak Jezus diep geroerd: „Zoo is
dan de wensch Mijns harten, nog eens dit Pascha met u te
eten vóór Mijnen dood. vervuld. Want, Mijne vrienden, de
tijd. waarvan Ik zoo dikwijls gesproken heb, is nu gekomen.
Ik zal niet meer met u eten, totdat Ik het doen zal in het
koninkrijk Mijns Vaders." En telkens weer weerklonken,
terwijl zij aten, de meest verschillende uitspraken betreffende
de aandoeningen, die Zijn hart vervulden, — weemoed daar-
over, dat Hij Zijn jongeren voorloopig moest alleen laten;
vreugde, Zijn werk te zullen voleindigen; de blijde hope,
weder te keeren tot Zijn eigenlijk te huis. Aandachtig wer-
den Zijne woorden aangehoord. De gedempte toon der ge-
sprukken wekten een voorgevoel van zware beproevingen.
Ook de vrouwen uit Galilea namen ongetwijfeld deel aan
den maaltijd. Maria, de moeder van Jezus, zat met bleek
gelaat mede in de zaal. Ofschoon Maria in Bethanië de
aankondiging van Zijn dood reeds met ernst had vernomen,
een moederhart luistert scherper en zij zal wel het meest
voor Hem hebben gebeefd. Maar zij had geleerd zich te
beschouwen, niet meer als Zijn moeder alleen, maar als
discipelin, als lid van Zijn geestelijke familie, die zich rondom
Jezus had verzameld. Daarom treedt zij, gelijk de andere
discipelinnen, in de evangelische berichten op den achter-
grond. Eerst aan den voet van het kruis komt zij weer
heldhaftig te voorschijn.
De maaltijd werd in den aanvang in den gebruikelijken
vorm van het paaschmaal gehouden. De aanzittenden onder-
hielden zich na het gebed en de psalmen groepsgewijze met
elkander. Daar begon Jezus onverwachts te spreken met
bijzonderen ernst. Reeds sedert eenigen tijd had Hij besloten
aan de gebruiken van den gemeenschappelijken maaltijd
een plechtigheid toe te voegen ter bevestiging van de
-ocr page 327-
317
eeuwigdurende gemeenschap met de Zijnen, door Zijn dood
aangebracht. Hij wilde met hen een nieuw, onverbreekbaar
verbond sluiten en, gelijk in het Oosten, ook nog in onzen
tijd, het sluiten van elk verbond steeds werd bezegeld door
een gemeensehappelijkeu maaltijd, waarop het geslachte lam
niet mocht ontbreken, alzoo werd ook deze vorm de vaas,
waarin het hoogste en het meest ontastbare voor alle eeuwen
werd saamgevoegd. Hetgeen Hij heden Zijnen jongeren te
zeggen had, was zoo gewichtig, dat enkel woorden door
Hem niet voldoende werden geacht. Hij gebruikte daartoe,
zooals reeds eergisteren bij de vervloeking van den vijge-
boom, eene handeling als gelijkenis. Zoozeer was Hij vervuld
met gedachten des doods, dat zelfs de maaltijd voor Hem
een gelijkenis van den dood was. Hij nam een der platte,
dunne brooden en zegende het. De jongeren zagen dit
aandachtig aan. Hij brak het brood in tweeën en zeide :
„Ziet, alzoo zal Mijn lichaam nu worden verbroken P Neemt
en eet dit gebroken brood, want aldus zult gij de vrucht
van dit verbreken van Mijn lichaam genieten. Voor u ge-
schiedt het.
Vergeet het nimmer! Komt ook later te zamen,
gelijk wij heden te zamen zijn en herinnert elkander dan,
dat het lichaam van uwen Meester, voor u is verbroken
geworden."\'
Dood ! Over den dood sprak Hij telkens weder. Reeds
eergisteren had Hij zoo ernstig op Zijn naderenden dood
gewezen en hedenochtend had Hij openlijk gezegd, dat Hij
op het Paaschfeest, dat morgen aanving, zou worden ge-
dood. (Matth. XXVI : 2.) Nu, na deze aanwijzing, — nog
duidelijker en meer aanschouwelijk, — dat Zijn lichaam zou
worden verbroken, werd de stemming der jongeren steeds
ernstiger en angstiger. Dat dit voedsel, dat zij uit Zijn
hand ontvingen, dat dit brood en die wijn, die in uitwen-
digen zin voor hen in vleesch en bloed overging, alsnog
de grootste, de diepste beteekenis moest verkrijgen, in zoo-
verre Hij zelf met Zijn hemelsche, zonde en dood over-
winnende levenskracht, in geestelijken zin, vleesch en bloed
-ocr page 328-
mx
in beu zou worden, dit begrepen zij in deze bange ure nog
niet. Dit vertelde bun Gods Geest eerst later. Voor liet
oogenblik werden zij gebeel bebeerscbt door deze enkele
gedachte, dat Hij, die ben zoo kaiin aanzag, zóó vast be-
sloten, zóó onbevreesd voor Zijn verschrikkelijk lot, voor
ben moest sterven en dat Hij dit zoo vrijwillig zou
doen.
Jezus zag ook diep geroerd Zijn kleine gemeente aan,
niet welke Hij, — en Hij wist dat bet gebeuren zou — de
wereld wilde veroveren. Hij gaf tocli Zijn lichaam niet
alleen voor ben, maar achter deze weinige jongeren aan-
sohouwde Hij reeds de duizenden en millioenen in de Christe-
lijke Kerk de eeuwen door. Daarom zeide Hij later:\'„Voor
u en vroor velen." Jezus bleef Judas aanzien. Deze aanblik
ontroerde Hem diep. Ook dit laatste bewijs van liefde liet
Judas koud, onaangedaan. Het was niet meer mogelijk hem
te redden. Nu kon Jezus den verrader, die daar te midden
Zijner jongeren zat. — onbeschaamd, spiouneerend, zelfs
door Jezus\' liefde zich nog niet ontmaskerd gevoelende, —
in deze laatste uren niet langer in den kring dulden. Aan
dezen onzuiveren toestand moest een einde worden gemaakt.
Daarom vervolgde Hij met diepen weemoed: ..Gij. Mijne
jongeren, zult het niet kunnen gelooven, maar Ik zeg u,
dat Ik heden door verraad sterven zal en — de verrader
is onder ulieden \'."
Doodelijk verschrikt zagen de jongeren Jezus aan. Wel
wisten zij, hoe in deze dagen de toestand was ; dat het,
naar menschelijk inzicht, dolzinnig zou zijn, indien Jezus
zich openlijk in den tempel waagde ; dat Hij in den ban
was gedaan, dat Zijn dierbaar hoofd aan eiken verrader
was prijsgegeven. Maar dat de verrader in hun midden
zich zou bevinden, dit trof hen als een onverwachte donder-
slag. Geen van hen achtte een ander tot deze boosheid in
staat. Zij twijfelen niet aan een ander, slechts aan zich
zelven. rBen ik het? Ben ik het ?" riepen zij van alle
zijden tot hun Heer, die rustig Zijn jongeren aanzag en
-ocr page 329-
3i;>
wellicht don angstig vragenden door hoofdschudden ont-
kennend beantwoordde.
Een hunner had aanvankelijk gezwegen. Het was Judas,
voor wien dit tooneel uiterst pijnlijk was. Voor zichzelven
had hij wel zekerheid. Hij ging nu bergopwaarts — de
Galileër, op Wien hij eens zijn hoop gevestigd had, ging
bergafwaarts. Om die reden had hij dan ook zijn vaartuig
losgemaakt van het zinkende schip. En daarvan was hij
zóó overtuigd, dat hij alsnog geloofde, dat Jezus hem nog
niet doorgrond had, dat Deze er nog onbewust van was,
dat hij als spion in dezen vertrouwelijken kring verkeerde
en hij slechts toeschouwer van de voetwassching en van
de zinnebeeldige breking des brood» was geweest. Hoe
pijnlijk deze laatste openbaring van Jezus dan ook voor
hem was, toch wilde hij zijn masker nog niet afleggen. Nu
allen spraken, kon hij niet zwijgen. Ook hij vraagt dus
aan den Heer. koud en schaamteloos : „Ben ik het, Kabbi?\'"
Toen antwoordde Jezus zacht, opdat de anderen het niet
zouden hooren, met een ernstigen, treurigen blik : „Ja, gij
zijt het!" Ook aan Johannes en Petrus had de Heer Zijn
verrader door een teeken aangeduid. Judas voelde, dat zij
hem vol ontzetting aanzagen. Tut nu toe had hij met hen
het Godsrijk gepredikt.! Xu werd het zelfs Judas ondragelijk
in dezen kring. De vloer brandde onder zijne voeten. Hij
gevoelde, dat hij hier niet meer te huis behoorde. Was
hij maar buiten ! Jezus kwam hem hierin te hulp. Luide
zeide Hij hem, zoodat allen het verstaan konden: „Wat
gij doet, doe dat haastelijk." Toen stond Judas op en ging
terstond uit. Hij nam geen afscheid van zijn Meester. Het
was avond omstreeks half acht. Zijn weg leidde naar den
hoogepriester. Deze was nu zijn nieuwe meester. Indien Jezus
hem doorgrond had. dan moest hij spoedig handelen. Xog
heden nacht, zoo mogelijk aan den paaschmaaltijd, moest
Jezus worden gevangen genomen, anders zou de geheele
aanslag mislukken.
De avondmaaltijd was afgeloopen. Diepe ernst teekende
-ocr page 330-
320
het gelaat der dischgenooten, zoowel als de gesprekken.
Toen nam Jezus nog eenmaal met beteekenisvollen ernst
den drinkbeker, waaruit men gemeenschappelijk gedronken
had, Hij vulde dien en dankte. Eene diepe stilte ontstond
in de eetzaal. Toen sprak Hij : „Neemt dezen drinkbeker
en drinkt allen daaruit. Ziet, gelijk Ik dezen wijn heb uit-
gegoten, alzoo zal nu Mijn bloed worden vergoten. Drinkt
dien, alsof het reeds Mijn vergoten bloed ware. Want dat
wordt vergoten voor u en voor vele anderen." En wederom
zag Hij die ontelbare schare van hen, die in den loop der
eeuwen, door de kracht van Zijn vergoten bloed, zich zouden
aansluiten aan dezen kleinen kring. Daarna zag Hij Zijn
jongeren aan en sprak: „Voor u wordt Mijn bloed vergoten.
Vergeet dit nimmer! komt ook later te zamen, gelijk wij
hedenavond samenkwamen. En als gij dan uitgegoten wijn
zult drinken, denk dan aan Mij en aan Mijn vergoten bloed,
aan Mijn dood te uwer verlossing!"
De inzetting van het avondmaal had den geest aange-
geven, in welken Jezus verder den geheelen avond met
Zijne jongeren sprak. Het was de taal van een vader, die
van zijne kinderen afscheid neemt. Toch zal Hij hen niet
alles hebben gezegd, wat Hij te zeggen had, — hier in de
opperzaal midden in de stad. Indien Judas Hem hier niet
zou overvallen, dan moest Hij vroeg vanhier gaan en wel
niet lang na acht uur. Indien Hij hier in de stad zou worden
gevangengenomen, zou het den schijn hebben, alsof Hij
overrompeld ware geworden en Hij Zich had geschikt in
het onvermijdelijke. Daarom wilde Hij de gerechtsdienaren
afwachten in Gethsemané, de plaats vanwaar Hij gemakkelijk
had kunnen ontvluchten, waardoor alzoo de vrijwilligheid
van Zijn lijden voor vriend en vijand een ontwijfelbaar feit
moest zijn.
Zij verlieten dus het huis, waarin zij zich bevonden en
vervolgden op straat hun gesprek, dat bijna uitsluitend
door Jezus werd gevoerd. Duidelijk had Hij het uitgesproken,
dat Hij ging sterven, dat zijn lot nog heden nacht zou wor-
-ocr page 331-
321
den beslist; Hij liet niets onbeproefd om hen te overtuigen,
dat de vreeselijke gebeurtenissen , die reeds binnen een paar
uur zouden plaats vinden, Hem niet onverwachts overvielen,
maar dat alles door Hem was vooruitgezien, dat alles was
opgenomen in het goddelijk plan. En hoeveel vertroostend?,
hoeveel bemoedigends had Hij hun te zeggen! Hij verklaarde
hun Zijn heengaan van de heuglijkste zijde, Hij verzekerde
hun, dat dit heengaan hoogst gewenscht was en veelmeer
een oorzaak was tot blijdschap dan tot droefheid. De ver-
heven kalmte, de vertroostende vriendelijkheid van Jezus
was zoo groot, dat zij niet konden gelooven, dat Hij den
dood te gemoet ging. Hij sprak met dezelfde gewisheid tot
hen van het koninkrijk, dat Hij voor hen had weggelegd,
waarin Hij voor hen vorstelijke plaatsen had bereid, als
van het feit, dat nog in dezen nacht zij allen Hem zouden
verlaten. Hij verkondigde hun met dezelfde kalmte de on-
twijfelbare voleinding van Zijn wereldheerschappij, zoowel
als het feit, dat acht tot veertien dagen na het ophanden
zijnde feest, als de storm zou hebben uitgewoed, zij allen
in Gralilea Hem zouden wederzien. Want al wist Hij ook,
dat in dezen nacht in de eerste verwarring allen Hem
zouden verlaten en allen aan Hem zouden geërgerd worden,
Hij wist even zeker, dat hun geloof, door dezen storm zelf,
zou toenemen. Reeds een half jaar geleden had Hij er van
getuigd aan Petrus, die dezen nacht het diepst zou vallen
en aan de overige discipelen, dat hun geloof zóó vast stond,
dat zelfs de gevreesde poorten des doods, die Hij nu op
het punt was door te gaan, de kerk, die daarop zo.u worden
gegrondvest, niet zouden overweldigen. Op deze blijde ge-
wisheid van Jezus berusten al de heerlijke woorden, die
Hij op dezen tocht tot afscheid sprak en die Johannes in
zijn XV° en XVI" hoofdstuk voor ons heeft opgeteekend.
Daarom is ook het slot van al die redenen, die gehouden
werden op den stillen, nachtelijken tocht, vol beteokonis
en verhevenheid. Voor Jezus en de Apostelen beiden was
het de verheven afsluiting van het jongerschap. De jon-
Kent gij Hkm?                                                                                                     ^1
-ocr page 332-
322
geren besluiten dan ook, na de openbaringen aangaande
Zijn dood, liet ontvangen onderwijs met de verklaring: „Wij
gelooven, dat Gij van God zijt uitgegaan!" en Jezus plaatst
daarachter, diep maar blij geroerd, zijn laatste point final:
„Ja, nu gelooft gij !" (Job. XVI: 30 en 31.)
Onder deze redenen was Jezus aangekomen aan den voet
des bergs, in de nabijheid van de beek Kedron (Joh. XVIII: 1).
Hier bleef Hij staan. Gelijk een vader bij het afscheid nog
eens uit de diepte van zijn gemoed met zijn kinderen bidt,
alzoo bidt Jezus nog eenmaal met Zijn jongeren. Daar
staat Hij met hen in het zilveren maanlicht, vóór zich het
diepe, stille Kedrondal, terzijde van zich de Olijfberg en de
tempelberg, boven zich Gods heldere hemel; daar doet Hij
dat heerlijke hoogepriesterlijk gebed, waarbij wij ons vol
eerbied buigen en waarin wij neerblikken als in de onme-
telijke diepte van de zee der goddelijke liefde. Het is als
een Psalm, die vol kalme majesteit klinkt uit de diepte
der eeuwigheid, alvorens de donkere poorten van lijden
en dood zich voor Jezus openen. Het is, alsof de schrille
wanklanken dezer arme aarde reeds zijn opgelost in de
zalige harmonie des eeuwigen vredes, alsof de poorten
der eeuwige heerlijkheid zich reeds openden om na den
stormachtigen loop der wereldgeschiedenis, het verloste,
verheerlijkte menschdom op te nemen in de onuitsprekehjke
vreugde der volle gemeenschap Gods. Het was het aan-
grijpend besluit van het leeraarsambt des Heeren, het lang-
naklinkende amen, dat den jongeren, hun leven lang, door
de ziel trilde als een stem uit het Paradijs.
Gethsemané.
Zwijgend ging Jezus met Zijn discipelen over de beek
Kedron (Joh. XVIII: 39). Zwijgend beklommen zij daarna
den Olijfberg en gingen naar Gethsemané. (Luk. XXII: 30).
Langs denzelfden weg, waarop Jezus des Maandags met
zooveel gejuich was ingehaald geworden. De ommuurde
-ocr page 333-
323
tuin, waarin een huis stond, was zeer uitgestrekt en gein ak-
kelijk konden twee groepen van jongeren op verschillende
plaatsen zich nederzetten, zonder iets van elkander te be-
speuren. Zij traden binnen door de poort in den ringmuur.
Tot nu toe had Jezus nog niet aan zichzelven gedacht.
Zijn jongerental, Zijn arbeid, had Zijn ziel geheel vervuld.
Hiermede had Hij nu afgedaan. Hij had hun alles gezegd,
wat Hij had voorgenomen hun te zeggen. Hij had hun aan-
bevolen in de hoede van den Hemelschen Vader. Nu eerst
had Hij tijd om aan zich zelven te denken. En nu eerst,
in deze nachtelijke eenzaamheid, viel op Hem de volle
zwaarte van de gedachte aan Zijn naderenden dood. Ook
Hij moest den cijns betalen aan Zijne menschelijke natuur.
De jongeren zagen Hem verschrikt aan. De indrukwekkende
kalmte was plotseling geweken. Hij begon te beven en
angstig te worden als een ongelukkige, die terugschrikt
voor een dreigend gevaar. „Ik ben zeer beangst," zeide
Hij tot Zijn drie meest getrouwe leerlingen en verzocht
hun, met hem terzijde te gaan. Spoedig verlaat Hij hen
weder en begeeft zich eenige honderden schreden verder.
Als een verbroken, hulpeloos man knielt Hij neder, met
het aangezicht ter aarde. Zij hooren duidelijk Zijn gebeden
en smeekingen, met sterke roeping en tranen. (Hebr. VI: 7.)
Zij hooren de woorden: „Vader! indien het mogelijk is,
laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan I"
Nu was het met de rust der jongeren gedaan. Kinderen
kunnen bij een ongeluk lang opgeruimd blijven, maar als
de vader begint te weenen, dan zijn zij hun steunpunt kwijt.
Aldus was het ook met de jongeren. Ondanks de bange
voorspellingen hadden zij zich goed gehouden, ziende op
de volkomen kalmte en zielsrust van hun Meester. Toen
echter Jezus neerzeeg, liep ook bij hen de maat van jammer
en ellende over. Sterven ? sterven ? Als een centenaarslast
lag deze vraag hun op het hart. Een onoplosbaar, duister
raadsel was het hun. Geen enkele lichtstraal viel in dien
nacht in hunne ziel om hen te doen gevoelen, waarom hun
-ocr page 334-
324
Meester, van wien zij zooveel gehoopt hadden, sterven moest.
I Loe kon Hij nu de Verlosser van het volk worden ? Hoe
kon Hij Gods Zoon zijn, als God Hem in het hachelijkst
oogenblik aan Zijn lot overliet? Alles, alles was voorbij.
Er is een zekere verdooving der smartu, die gedachteloos
maakt, die nog slechts dommelend voortwoekert en de golven
van het vreeselijk lot zonder verzet over zich laat rollen.
In zulke uren van troostelooze vertwijfeling worden de lede-
maten zwaar als lood, totdat het lichaam wegzinkt in eene
onrustige, bange sluimering. In zulk een slaap vielen ook
de jongeren. (Luk. XXII: 45).
Inmiddels streed Jezus alleen den zwaren zielestrijd. Jezus
bad en bad al ernstiger. Het gold hier, na een leven vol
miskende en versmade liefde, zich te vereenigen met het
goddelijk besluit der hoogste liefde, het gold hier, het laatste
besluit te nemen, vrijwillig te sterven. In Gethsemané dronk
Jezus niet den drinkbeker zelven, maar Zijn besluit moest
worden genomen, om dien beker morgen te drinken, vrij-
willig en gehoorzaam.
Vrijwillig! Dit moest het opschrift zijn boven elke schrede
tusschen Gethsemané en Golgotha. Daarom mocht hij niet
in de stad worden, gevangengenomen, maar in Gethsemané.
Hadde Hij daar willen ontvluchten, dan stonden alle wegen
voor Hem open. Maar dit wilde Hij niet en zoodoende trad dé
vrijwilligheid van Zijn zelfovergave in het helderste licht.
Deze vrijwilligheid kostte Hem echter veel. Hij moest die op
Zijn menschelijke natuur bekampen. Menigmaal in Zijn leven
zal de derde bede van het „Onze Vader" Hem zwaar gevallen
zijn, — voorzeker nimmer zoo onuitsprekelijk zwaar als in
dezen nacht. Waarin bestond deze strijd, die,Zijn geheeleper-
soonlijkheid als op hare grondvesten deed schudden? Zou het
slechts de sombere vrees voor den dood zelven zijn geweest?
Maar dan zou menig soldaat, die voor het vaderland zijn leven
waagde, Hem in onverschrokkenheid hebben overtroffen.
Neen, het was de zwaarste strijd der liefde en de zwaarste
strijd des geloofs, dien Hij in Gethsemané te strijden had.
-ocr page 335-
325
Wie voor zijn vaderland sterft, weet dat zijn dood niet
tevergeefs zal zijn, weet, dat hij door den inzet van zijn
leven, bijdraagt tot de redding van zijn vaderland. Achter
zich ziet hij een dankbaar juichend volk, voor zich den
heerlijken prijs des vredes. Had ook Jezus in die uren, in
G-ethsemané doorleefd, zulk eene schoone verwachting? Naar
den mensen gesproken, — en Zijne menschelijke natuur moest
dezen twijfel bestrijden — geen zweem of schaduw daarvan.
Achter Hem lag de Sisyphus-arbeid van een vruchteloos
leven. Het volk, tot welks redding Hij gekomen was, maakte
zich gereed hem ter dood te brengen. Zijn getrouwe jongeren
waren op het punt om als verbijsterd Hem te verlaten; hun
woordvoerder was op het punt met eeden en zelfver vloeking
zijne gemeenschap met „dezen mensch" te loochenen; één
van hen was op weg om Hem over te leveren in de handen
Zijner vijanden. Dit was dan het resultaat van Zijn leven
vol grootheid van geest, vol onbaatzuchtige liefde en opof-
fering. De ellendigheid van het menschdom in haar geheele
diepte, stond Hem in die uren voor oogen. En daarvoor zou
Hij sterven ? "Was dat nu iets van den zoeten dood voor het
Vaderland? De meest gevaarlijke beproeving, die groote
geesten dikwijls ondervinden, namelijk om de menschen te
verachten in plaats van hen lief te hebben, zal in die ure
Zijn hart wel hebben bestormd. Neen, het gold niet de
overwinning op het natuurlijke beven voor den gruwzamen
dood. Het was de strijd der liefde. Zijn liefde zou haar
grootste zedelijke waarde hebben gemist, als Hij in haar
slechts de natuurlijke neigingen had gevolgd, als Hij niet
eerst in den moeilijksten strijd dit had veroverd: liefde te
hebben ook tegenover de zwartste ondankbaarheid, liefde
tot in den dood, zelfs tegenover de grootste zonde.
Maar het was ook een strijd des geloofs. Al het werk Zijns
levens scheen mislukt te zijn. Waar waren nu de groote
beloften en verwachtingen, die reeds boven Zijn kribbe waren
bezongen ? Was het niet Zijn bestemming geweest het geslacht
<ler menschen te verlossen en tot het einddoel te voeren?
-ocr page 336-
326
"Was dit nu de weg om daartoe te komen? Hoe grooter de-
aanleg eens menschen is, hoe grooter de verzoekingen zijn,
die hij te weerstaan heeft. Hij toch was de grootste Geest,
die ooit in een sterfelijk lichaam heeft gewoond. Hij was
voorzeker de Man om over „alle koninkrijken der wereld
en hunne heerlijkheid"\' te heerschen. Dit was Hem voor twee
jaren reeds gezegd door den verleider, daar buiten op de
bergen der woestijn, daarboven op de tinne des tempels.
(Matth. IV : 8 en 2.)
Hij had de geniaalste heerscher kunnen zijn, die de wereld
ooit had aanschouwd. Grooter dan een Alexander en Caesar,
had Hij den schepter kunnen zwaaien. Hij had bewezen de
schitterendste gaven, de diepste menschenkennis te bezitten.
Dit alles stond Hem alsnog ten dienste, tot dit alles stond
Hem alsnog de weg open — maar als Hij nu morgen sterven
zou ? Dezelfde verleider van weleer beproefde het in dezen
nacht nog eens, Hem afvallig te maken van Gods wegen.
Heden gebruikte hij andere wapenen. Vroeger waren het
zoete vleierijen, toezeggingen van een gouden toekomst in
den tooverglans van aardsche heerlijkheid. Heden waren
het de sombere aanvechtingen van den twijfel aan de eenige
goedheid en wijsheid van den wil Gods. Do oude stem uit
het Paradijs werd wederom gehoord: „Zou God dit hebben
gesproken ? Zou God inderdaad niet een anderen weg kennen
om de wereld te redden, dan dezen bloedigen, gruwelijken
weg ? Moet Uw dood de weg zijn om het menschdom zalig te
maken ? En Gij, de meest begaafde, de grootste Geest onder
dit armzalig geslacht, Gij weet niets beters te doen, dan U als
een dienstknecht te bukken, U als een lam te laten slachten,
terwijl Gij als Koning over allen en alles zoudt kunnen
heerschen! Zult Gij, zonder iets te hebben bereikt, zonder
Uwe bestemming te hebben vervuld, smadelijk het tooneel
verlaten, met smaad en hoon overdekt te gronde gaan, als
iemand, die door God verlaten is — zou God inderdaad___?
Deze strijd des geloofs was nog grooter dan die der liefde.
Want met gene, was ook deze beslist. De gansche macht
-ocr page 337-
327
der duisternis stormde op Zijn ziel los. De nadering van
dat vreeselijk rijk der duisternis gevoelde Hij op gruwzame
wijze. (Luk. XXII: 53.) Het kostte Hem Zijn laatste kracht
om Zijn geloof onder deze aanvechtingen staande te houden.
(Luk. XXII: 43, 44.) Al duisterder en duisterder spreidden
vreeselijke twijfelingen hunne schaduwen uit over Zijn
worstelenden Geest en dreigden de helderheid Zijner ziel
te verstoren. Het gevaar werd reusachtig groot, dat het
gansche verlossingswerk nog ter elfder ure zou falen, dat
de zedelijke strijd, door Jezus Zijn levenlang zoo heldhaftig
gestreden, om zich volkomen te onderwerpen aan den wil
des Vaders, op het laatste oogenblik nog werd losgelaten.
Hij zocht ernstig naar de mogelijkheid om een anderen wil
dan den wil Zijns Vaders te volgen. Langs dezen vreese-
lijken afgrond werd de groote strijd in Gethsemané gevoerd.
Als Hij nu eens niet overwon ? Als Hij zich nu eens niet
onderwierp aan den wil Zijns Vaders ? Eerst als wij een
blik durven slaan in de gevaarlijke diepte van dezen afgrond,
dan gevoelen wij, dat de strijd van dezen ,,Sterken Held"
zoo ontzaglijk zwaar was, dat hij den Strijder ook lichamelijk
zoozeer afmatte, dat diens zweet als bloeddroppelen ter
aarde viel. Eerst als wij denken aan de mogelijkheid eener
mislukking, dan gevoelen wij dat aan die oogenblikken
geheele werelden hingen, dat de strijd in Gethsemané aan
den vooravond van het lijden voor den geest nog veel
meer aangrijpend was, dan aan het kruis zelf. Gansch de
onzichtbare wereld was in ademlooze spanning over den
uitslag van dezen strijd, gedurende welken het vraagstuk
der wereldgeschiedenis korten tijd onopgelost bleef. Hemel
en hel waren de toeschouwers van dien zielestrijd in Gethse-
mané. De vertegenwoordigers dier beide werelden vinden wij
dan ook in het strijdperk. (Joh. XIV : 30; Luk. XXII: 43).
Eerst als wij denken aan de mogelijkheid eener mislukking
van het geheele verlossingswerk, dan verstaan wij ook den
juichtoon, die niet alleen de onzichtbare, maar zelfs de r
redelooze, zichtbare Schepping doortrilde, toen op den vol-
-ocr page 338-
328
genden dag de zege werkelijk behaald werd, toen de Ge-
kruisigde Zijn verwinnend: „Het is volbracht!" uitriep, het
hoofd boog en den geest gaf. Het gedruisch der sidderende;
aarde, het gekraak der scheurende rotsen is als het kanon-
gebulder na den gewonnen slag, dat aan de verloste wereld
de zegepraal aankondigt, terwijl de overwinnaar zelf in
andere sferen zich ophoudt. Eerst met het oog op den
geweldigen ernst van dezen strijd verstaan wij den juich-
toon van die liederen der overwinning in de Openbaring
van Johannes (V : 5, 9—14): „Zie, Hij heeft overwonnen, de
Leeuw,
die uit den stam van Juda is. Het Lam, dat geslacht
is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijs-
heid en sterkte, en eer en heerlijkheid, en dankzegging in
alle eeuwigheid!" Men kan de beteekenis van „het Lam,
dat de zonde draagt," op zeer verkeerde manier overdrijven.
Juist omdat Hij in heldenmoed een leeuw was, daarom was
het voor Hem des te moeilijker en kostte het des te meer
strijd om zich, stemmeloos als een lam, ter slachtbank te
laten leiden. Juist omdat Hij de dapperste onder de dap-
peren was, daarom is het zoo aangrijpend, Hem later zoo
zwijgend, zoo zonder tegenspraak, zachtmoedig en overge-
geven te zien op Zijn lijdensweg.
In Grethsemané echter streed Hij nog om deze overgege-
venheid. Hij streed een goeden strijd. Wel zocht Hij met
siddering een anderen weg, zooals wij zien uit Zijn gebed.
Zijn volkomen zegepraal bestond daarin, dat Hij geen enkel
oogenblik er aan dacht den anderen weg te zoeken buiten
God.
"Wel zocht Hij naar de mogelijkheid, of er niet ook
een andere weg bestaan kon om het menschdom zalig te
maken, maar Hij zocht dien slechts binnen den kring der
goddelijke mogelijkheden. Twee dingen hielden Hem in die
ure staande, de Schrift en het Gebed. „Opdat de Schrift
vervuld worde/\' hiervan week Hij geen haarbreedte af, gelijk
ook Zijne woorden tot de discipelen en tot de gerechtsdie-
naren bewijzen. In de Schrift toch vond Hij den wil des
Vaders, als den eenigen wegwijzer voor Zijn leven. Hij moest
-ocr page 339-
329
immers zijn in de dingen Zijns Vaders; dit had Hij reeds als
twaalfjarige Knaap daarboven in den tempel gevoeld. En wie
in de Schrift zoekt, die vindt. Den Zoekende zal langzamer-
hand het licht uit de profeten vertroostend zijn opgegaan. Als
Hij dacht aan Zijn smadelijken dood, zal dit woord uit den
ouden tijd Zijn weg plotseling zonhelder hebben verlicht:
„Hij was veracht en de onwaardigste onder de menschen, een
man van smarten en verzocht in krankheid. Wij achtten Hem,
dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was. Maar
de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem en door
Zijne striemen is ons genezing geworden-\' Jes. LUI). En aldus
kwam Schriftwoord op Schriftwoord Hem voor den geest,
totdat de geheele gouden sterrenhemel van lichtgevende
Gods woorden door den donkeren wolkensluier heenbrak en
Hij Zijn weg wederom helder en afgebakend voor zich zag.
Het andere middel, dat Hem staande hield, was het gebed.
Onbepaald klemde Hij den staf vast, met welken alleen Hij
dit donkere pad kon bewandelen, n.1. het gebed. De jonge-
ren hoorden daarvan niet veel. Zij sliepen. Slechts toen Jezus
bij hen kwam en onder grooten angst en zielesmarte hulp
en troost bij hen zocht, ontwaakten zij en hoorden de eerste
woorden van Zijn gebed. Hetgeen zij hoorden, gaf hun den
diepsten indruk eerst voor later. Nog lang daarna verhaalden
zij in den kring der jongeren, hoe Hij luide bad en smeekte,
terwijl Zijn [tranen stroomden. (Hebr. V: 7.) De evangelist
Mattheüs doet ons op het duidelijkst zien, hoe Jezus in Zijn
gebed verzonken was en hoe Hij in de vrijwillige overgave
aan den onfeilbaren wil Zijns Vaders, helderheid, kalmte en
vastheid van geest terugvond.
Aldus bevocht Hij in zwaren strijd de heerlijkste over-
winning. De eerste verzoeking der eerste menschen had eens
de poorten van het Paradijs voor het menschdom gesloten.
De. laatste verzoeking van Jezus Christus en Zijne over-
winning ontsloot de poorten van het Paradijs weder. Hetgeen
eenmaal het eerste menschenpaar in eigen kracht zonder
God door ongehoorzaamheid had verloren, dat herwon Hij
-ocr page 340-
330
nu door Zijn volkomene, heldhaftige gehoorzaamheid. In den
hof van Eden had de mensch zijn grootsten schat verloren,
in den hof van Gethsemané werd die herwonnen, in den
hof van Jozef van Arimathea op den heerlijken Paasch-
morgen wederom in bezit genomen.
Na de laatste vreeselijke crisis naderde dan het wonder-
bare werk der verlossing, dit geheim, waarin de Engelen
„begeerig waren in te zien," — zijn volmaakte voltooiing. De
aanslagen van den vorst der duisternis werden verijdeld. Hot
meesterstuk der zonde, dat door de moordplannen der men-
schen jegens den Zone Gods, de laatste band tusschen God
en mensch, zou zijn verbroken, werd nu door Gods hand,
door het meesterstuk der Goddelijke liefde, de vrije overgave
Zijns Zoons voor de verloren wereld, de zelfovergave van
den goeden Herder voor Zijne schapen, vernietigd. Te gelijker
tijd gaf Jezus in dien nacht voor alle eeuwen aan Zijne
volgelingen het volmaakte voorbeeld tot overwinning van
alle aardsche machten. Biddende nam Hij het vaste besluit
te gelooven zonder te aanschouwen; den weg Zijns Vaders
te gaan ook zonder dien te begrijpen.
Wonderbaarlijk gesterkt door het gebed, stond Jezus op.
Zijn gebed was verhoord geworden. Hij had ervaren, wat
duizenden Zijner discipelen na Hem ondervonden hebben, dat
het zwaarste gedeelte van het kruis reeds is afgenomen, als
het besluit is genomen, dat kruis aan te nemen uit Gods hand.
Hij had ondervonden, hetgeen duizenden Zijner discipelen
na Hem ondervonden hebben, dat de staf des gebeds zelfs
in het grootste lijden een wonderstaf wordt, die den moede
nieuwe kracht geeft en de zekere gewisheid schenkt, dat, zoo-
lang wij rusten in Gods hand, de dreigendste toekomst ons
ten slotte het beste en begeerlijkste brengt. Hij was verhoord
geworden, want Hij had gebeden, dat de wil Zijns Vaders
geschieden zou en Hij had de inwendige vreugde gesmaakt,
die het gevolg is van de onderwerping aan dien heiligen wil.
Toen Jezus voor de laatste maal naar de slapende jonge-
ren ging, vernam Hij waarschijnlijk reeds in de verte stemmen
-ocr page 341-
331
en het geluid van vele voetstappen. Van den kant van
Jeruzalem naderde fakkellicht, dat zijn gloed op den ring-
muur van den hof wierp. .,Slaapt nu voort en rust," sprak
Hij; ..de ure is nabij gekomen en de Zoon des menschen
wordt overgeleverd in de handen der zondaren.-\' Nog zagen
de ontwakende jongeren slaapdronken hun Heer aan, toen
plotseling het welbekende gelaat van Judas, die menigmaal
hier met hen den nacht had doorgebracht, zich aan hun
oog vertoonde. Toen hij Jezus niet meer in de opperzaal
vond, had hij zich hierheen begeven, waar hij zeker wist
Hem te zullen aantreffen. Niet slechts de soldaten van de
hoogepriesterlijke tempelwacht, maar ook eene afdeeling der
Romeinsche escorte van Pilatus, met een officier, waren met
Judas meegekomen. (Joh. XVIII: 12). De verschrikte, pas
ontwaakte jongeren zien zich plotseling door gewapende
mannen omringd. De brandende fakkels verlichten flikkerend
de olijfboomen, de geheele groep en het kalme gelaat des
Heeren. Met indrukwekkende majesteit treedt Hij den troep
te gemoet en maakt zich bekend. Een deel dezer lieden had
voorzeker reeds in de laatste Octobermaand de opdracht gehad
Hem gevangen te nemen. Maar door de macht van Zijne
persoonlijkheid aangegrepen, hadden zij zelfs niet één poging
daartoe durven wagen. (Joh. VII: 45). Ook dezen nacht ging
het hun evenzoo. Toen Jezus hun te gemoet trad met eene
koenheid, die zij bij een gevangenneming nog nimmer hadden
zien toonen, zullen zij zich de vroegere opdracht, den over-
weldigenden indruk Zijner woorden en alle groote dingen,
die Hij in het land gedaan had, wel hebben herinnerd —
althans zij weken verschrikt terug, als durfden zij zich niet
aan een zoo verheven verschijning vergrijpen. Het kort-
stondig wapengekletter, dat Petrus veroorzaakte, riep hen
echter tot hun plicht als soldaten. Ook zullen de soldaten der
Romeinsche cohorte wel vrij zijn gebleven van den onwil le-
keurigen iuwendigen schrik der Joodsche manschappen van
de tempelwacht. Zij omringden Jezus en bonden Hem. De
inwendige kalmte en de zekerheid van inzicht in de Schrift,
-ocr page 342-
332
die Jezus in het gebed had verkregen, spiegelt zich duidelijk
af in de laatste woorden, waarmede Hij van Zijn jongeren
afscheid neemt en hen nog eenmaal wijst op de Schrift:
„Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, die zeggen,
dat het aldus geschieden moet!" (Matth. XXVI: 5-4.)
Toen liet Jezus zich de handen binden. De gerechtsdienaars
hadden zeker nog wel nooit iemand in hechtenis genomen,
wiens gevangenneming zoozeer den stempel droeg van vrij-
willige overgave. Terwijl zij Hem bonden, zeide Hij rustig
tot hen: „Grij zijt uitgegaan als tegen een moordenaar met
zwaarden en stokken om Mij te vangen; dagelijks zat Ik
bij u, leerende in den tempel en gij hebt Mij niet gegrepen!"
En dan nog eens hoorden de jongeren een woord, dat ons
leert, door welk licht Jezus in dien nacht innerlijk verlicht
werd, dat Hij ook voor hen nog eenmaal wilde doen lichten:
„Doch dit alles is geschied, opdat de Schriften der profeten
zouden vervuld worden."
Toen vluchtten al de discipelen Hem verlatende. Jezus
was gebonden en werd weggeleid. Judas bleef alleen in
Gethsemané achter als door een electrischen schok verlamd.
Die laatste zachtmoedige woorden van Hem, in Wiens
nabijheid hij zoo menige zalige ure had doorleefd, brandden
als hellevuur op zijn geweten. Hij zag, hoe de fakkeloptocht
den Olijfberg verliet en zich voortbewoog in het Kedrondal,
den weg nemende naar het Zuid-Oosten der stad. De worm
begon aan zijn hart te knagen, aan het hart van hem, van
wien Jezus, zijn voormalige Meester, weinige uren geleden,
met droefheid gezegd had: „Het ware dien mensch beter
geweest niet geboren te zijn." Het moeten vreeselijke uren
zijn geweest, waarin elke flauwe schemering van hoop op
genade werd beantwoord door het hoongelach der hel,
totdat hij het den volgenden morgen niet langer kon uit-
houden en heenging „naar zijne eigene plaats."
-ocr page 343-
333
In het paleis des Hoogepkiesters.
In het hoogepriesterlijk paleis, ten "Westen van den tempel
gelegen, vinden wij in het late avonduur den Joodsehen
raad bijeen. De vergadering was nagenoeg voltallig. Jozet*
van Arimathéa ontbrak (Luk. XXIII: 5). Ernstige beraad-
slagingen werden gehouden betreffende de vraag, wat men
doen zoude met Jezus van Nazareth. Tot nu toe was het
wachtwoord geweest: „Niet op het feest!" Maar een aller-
gelukkigste wending, een tastbare wenk der Voorzienigheid
had dit voornemen onnoodig gemaakt. Nu werd het waeht-
woord: .,Nog heden !-1 Er had zich een ongezochte en on-
verwachte gelegenheid aangeboden om Jezus nog dezen
nacht gevangen te nemen en deze mocht niet ongebruikt
worden gelaten. Judas had hun verzekerd. dat niemand
anders bij Hem zijn zoude, dan de elf Galileërs. Om mo-
gelijken tegenstand van dezen krachteloos te maken, was
de uitgezonden schare meer dan voldoende gewapend. Het
overbrengen van den Gevangene werd elk oogenblik ver-
wacht. Tot aan dit tijdstip had men dus nog tijd om tot
éénstemmigheid te komen. Spoed werd intusschen vereischt,
als zij nog vóór het feest hun doel wilden bereiken. Morgen-
avond begon reeds de paaschsabbat. Om Hem dan reeds
te kunnen hebben begraven, mocht geen oogenblik meer
verloren gaan. Na rijp beraad trachtten zij dit doel te
bereiken. Hun wet schreef voor, dat een doodvonnis eerst
mocht worden voltrokken, wanneer het een dag na de
eerste uitspraak nog eenmaal werd bekrachtigd. Om die
reden moest Jezus nog dezen nacht worden veroordeeld.
Daarom deze nachtzitting. Ook hierover moesten zij het
eens worden, dat de zaak aldus werd geregeld, dat de ver-
oordeeling van Pilatus uitging om daardoor de geheele
schuld van hun bedrijf op dezen te kunnen wentelen. Alles
was hun gunstig, omdat Pilatus juist in de stad was, anders
hadden zij eerst nog een of twee dagreizen moeten afleggen
-ocr page 344-
334
om te Cesarea van hem de bekrachtiging van hun vonnis
te bewerken. Mocht het hun echter gelukken, hem daartoe
morgenochtend in zijn paleis te bewegen, dan was alles in
orde en dan zou ook van het volk niets te vreezen zijn.
Tegen Rome durfde het volk zich niet te verzetten. Bovendien
zou de verrassende spoed bij de terdoodbrenging elke moge-
lijkheid van tegenstand van de zijde der vrienden van Jezus
afsnijden; want nog eer dezen zouden hebben gehoord van de
gevangenneming van Jezus, zou Hij reeds in den vroegen
ochtend, — aldus was hun voornemen — zijn gekruisigd.
Daarna kon men dan eindehjk, eindelijk weer eens vrij adem-
halen, eindelijk weer eens rustig het Paaschfeest vieren, als de
sinds twee of drie jaren door Johannes den Dooper in het leven
geroepen, vervloekte volksbeweging zou zijn onderdrukt.
Aan een eigenlijk verhoor werd heden niet meer gedacht.
Hun besluit was reeds in October van het vorige jaar geno-
men, waarbij alleen Nicodemus voor Jezus had partij getrok-
ken. Toen reeds (Joh. VII) evenals in December (Joh. X)
had ook het dikwijls schijnbaar geestdriftvolle volk tot ver-
werping, ja tot doodelijke vervolging van Jezus zich laten
medesiepen. Enkele bezwaren stonden intusschen de terdood-
veroordeeling nog in den weg. Eenerzijds mocht een dood-
vonnis alleen door Pilatus worden voltrokken; anderzijds
bestond er geen wet, volgens welke iemand kon worden
ter dood veroordeeld, omdat hij als Messias optrad. Van
kwaad kon men Hem niet beschuldigen. De veroordeeling
zou dus een rechtskundig kunststuk moeten zijn, als men
de rechtsvormen wilde bewaren. Om dit nu te volbrengen,
was deze nachtzitting uitgeschreven. En Kajafas wist raad.
Het vonnis moest voor beiden, het volk en Pilatus, gerecht-
vaardigd worden. Voor het volk moest Jezus worden beschul*
digd als Godslasteraar, voor Pilatus als oproermaker, waartoe
de titel Messias, dat is, in het Latijn overgezet, Koning,
uitstekende diensten zou kunnen bewijzen.
Het zal tusschen 10 en 11 uur geweest zijn, toen de
aandachtig luisterende hoeren van den Hoogen Raad plot-
-ocr page 345-
335
seling soldatenvoetstappen en wapengekletter op den voorhof
vernamen. Jezus werd gebonden binnengeleid. Eerst werd Hij
gebracht voor Annas, die waarschijnlijk de hoogste rechter
voor onderzoek was, eerst daarna voor den hoogepriester
zelf. Zwijgend trad Jezus voor Zijne vijanden, die Hem met
blijkbare boosaardige blijdschap opnamen. Zoo dan was Hij
nu eindelijk in hunne macht! Het onderzoek en het getuigen-
verhoor nam een aanvang. Voor den vorm had men in allerijl
eenige getuigen te hulp geroepen. De schijn van een onder-
zoek moest worden bewaard, al stond de uitspraak reeds
van te voren vast.
„Waartoe verzamelt Gij aanhangers? Waarom zendt Gij
lieden in het land rond om een nieuw Koninkrijk te ver-
kondigen? Waarom hebt Gij U als Messias, d. i. als Koning,
laten begroeten? Welke is Uwe leer?" Dit ongeveer waren
de vragen, die de hoogstgeplaatste man onder het Joodsche
volk tot Hem richtte. Alsof hij niet wist, welke Jezus\' leer
was! Gisteren nog, op dien veelbewogen Woensdag hadden
hij en de meesten der hooge heeren, die nu als rechters
tegenover Jezus stonden, dezen Gevangene uren lang op
den tempelhof bestreden. Gisteren nog had Jezus hen op
de vraag naar Zijn Zoonschap Gods in de grootste verlegen-
heid gebracht. En sinds het Loofhuttenfeest in October, had
Hij met steeds klimmende duidelijkheid en zekerheid zich
geopenbaard als Gods Zoon, het heil des menschdoms uit-
sluitend aan Zijn Persoon alléén verbindende. Jezus gaf dus
op de vraag naar Zijn leer geen antwoord. Dit had Hij hun
reeds lang gegeven. Hij zeide op kalmen toon: „Ik heb vrij
en in het openbaar gesproken. Ik heb al den tijd geleerd
in de synagogen en in den tempel, waar al het volk samen-
kwam. Waarom ondervraagt gij Mij nu daarover? Ondervraagt
diegenen, die Mij aldaar hebben gehoord!"
Men zag het rustig aan, dat een der tempelwachters, die
de bijzondere gunst van zijn meesters wilde verdienen, Jezus
voor dit antwoord een slag in het aangezicht gaf en men
ging door met het getuigenverhoor. Aangezien men geen
-ocr page 346-
336
tijd had gehad om de getuigen vooraf behoorlijk voor te
bei\'eiden, stemden de verschillende getuigenissen niet overeen.
Een vormelijke rechtsgrond tot veroordeeling werd dus niet
gevonden. Maar toch moest het doodvonnis nog worden
uitgesproken. De schrandere Kajafas wist hiervoor raad, hij
wist hoe men spoedig zou kunnen slagen. Het getuigenver-
hoor, dat niet meer tot het gewenschte gevolg kon leiden,
liet hij geheel los en deed — het zal ongeveer middernacht
zijn geweest, — aan Jezus de ernstige vraag: „Ik bezweer
U bij den levenden God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de
Messias, de Zoon van God?"
Jezus had op al de tegenstrijdige getuigenissen der be-
schuldigers gezwegen. Hij had geen enkele poging gedaan
om Zijne vrijspraak te bewerken. Het scheen, alsof Hij niet
wilde vrijgesproken worden. Zijn rustig zwijgen tegenover
hunne opgewondenheid was voor hen al pijnlijker geworden
en had hun ongeduld slechts verhoogd. Doch toen Kajafas
deze beslissende vraag deed, toen was het oogenblik ge-
komen, waarop Jezus op de duidelijkste wijze een verklaring
moest afleggen tegenover de hoofden van Israël. Een luid
en overtuigend „Ja !" klonk door de zaal. Voor de eerste
maal openbaarde Hij zich tegenover de hoogste macht van
Zijn volk, in Zijne Messiaswaardigheid, ondanks de tegen-
stelling naar het uitwendige. En vol wonderbare majesteit
voegde de Gebondene er aan toe: „Weldra zult Gij Mij
niet meer zien. Ik ga heen. Maar als gij Mij zult weder-
zien, dan zult gij Mij zien zittende aan Gods rechterhand
en komende op de wolken des hemels!"
De hoogepriester sprong toornig op van zijn zetel. Hij
had geluisterd met open mond. Deze waanzinnige laatste
uitspraak overtrof alles, wat men immer van Jezus\' lippen
gehoord had. Gelijk ook nog tegenwoordig de bewoners
van Palestina doen op het vernemen van een schokkende
tijding of gebeurtenis, scheurde hij den borstzoom van zijn
kleed op. En op een toon van gruwende ontzetting, —
waardoor hij welberekend alle nog onbesliste gemoederen
-ocr page 347-
337
in de vergadering medesleepte, — riep hij uit, terwijl hij
den kring rondzag: „Hij heeft God gelasterd! Gij hebt
het gehoord ! Wat hebben wij nog getuigen van noode !
Gij hebt Zijne Godslastering gehoord ! Wat dunkt ulieden?"
Van alle zijden werden nu stemmen gehoord. „Hij is des
doods schuldig ! Hij moet sterven I"
Jezus had hun dit vroeger reeds herhaaldelijk gezegd.
Reeds in October en in December hadden zij daarom ge-
tracht Hem te steenigen. Deze uitspraak was hun derhalve
niet nieuw, maar zij grepen nu alles aan, wat Hem naar
hunne meening des doods schuldig maakte. De vermetele
waagde het, zich te stellen naast de Majesteit Gods. Er
viel niet meer te twijfelen aan hetgeen hun te doen stond.
En menigeen onder do grijze vaderen des volks, die tot nu
toe nog besluiteloos had gestaan („Velen" uit de oversten
zelfs geloofden nochtans in Hem, Joh. XII: 42) kon nu
gemakkelijker partij kiezen. De geschondene Majesteit Gods
moest door hen worden gewroken. Dit behoorde tot hun ambt.
Het lot van Jezus was nu beslist. Verder beraad was
heden niet meer noodig. De raadsheeren spoedden zich
huiswaarts om de noodige rust te nemen. Vooraf werd
nog besloten tegen den volgenden morgen zeer vroeg een
voltallige zitting van den Hoogen Raad op te roepen. De
Heeren gingen zeer voldaan uit elkander. Deze enkele
nacht had hen, dank zij de onverwachte hulp van Judas,
verder gebracht, dan het geheele laatste jaar met al zijn
vruchtelooze zittingen en pogingen. Alles hing nu af van
hun snel en krachtig optreden op den volgenden ochtend,
om tot de onmiddellijke terdoodbrenging over te gaan.
Jezus verbleef nog een half of een heel uur in de handen
der ruwe knechten en soldaten. Deze schepten er vermaak
in, den zoogenaamden profeet, die gisteren nog door dui-
zenden omringd was, als een gevallen grootheid door be-
spotting en mishandeling zijn val goed te laten gevoelen.
De geschiedenis geeft meer voorbeelden van soortgelijke
laagheid. Zij spuwden „den Zoon Gods" in het aangezicht.
Kent gij Hem?                                                                                                           -j-
-ocr page 348-
338
Zij wierpen Hem, alsof zij profeet met Hem speelden, een
doek over het hoofd, sloegen Hem in het aangezicht en
vroegen Hem, of Hij nu wist wie Hem geslagen had. En
daar Hij zweeg, zal wel een luid gelach door de zaal hebben
geklonken tot buiten in den donkeren voorhof. Zijn profeten-
kunst was dus niet groot. En een stroom van scheldwoorden
werd uitgestort over den zwijgenden gevangene, aan hunne
ruwheid prijsgegeven. In Grethsemané toch had Hij besloten
te lijden als een hulpelooze en weerlooze.
Het zal omstreeks één uur in den nacht zijn geweest,
toen zij Hem met rust lieten. Zij waren vermoeid en wilden
gaan slapen. Jezus werd goed gebonden in eene kamer
gebracht. Slecht gehuisvest, met gewond gelaat, bracht Hij
aldaar het verdere gedeelte van den nacht in de eenzaam-
heid door. Hij zal zich aldaar opnieuw hebben versterkt in
Zijn besluit, in Grethsemané opgevat, om dezen weg te be-
schouwen als eene beschikking des Vaders, ondanks den haat
Zijner tegenstanders, en hen lief te hebben tot in den dood,
met een verhevene, goddelijke liefde. Toen heeft Hij mis-
schien in een laatste sluimering Zijn smart vergeten tot den
volgenden morgen. Niet het spuwen in Zijn aangezicht, niet
de vuistslagen hadden Hem het diepst gekrenkt, veeleer die
welbekende stem, die intusschen met verheffing van stem
en onder eede had betuigd: „Ik ken den mensch niet!"
De jongeren doorleefden een verschrikkelijken nacht. Som-
migen dwaalden door de stad; Johannes zocht ongetwijfeld
de moeder van Jezus op; Petrus liep, als een gebroken man,
weenend door de kille straten; Judas gruwelijk vervolgd
door de furiën van het booze geweten. De anderen zullen op
den Olijfberg nabij Gethsemané of te Bethanië hebben ver-
toefd. Allen verbeidden met angst en vrees den volgenden
morgen. Zij sidderden, als zij er aan dachten, wat de dag
zou brengen. Dat de dag van ramp zou verkeeren in een
dag van heil, dat die dag juist den hoofdinhoud van de
heerlijke prediking der verlossing voor de geheele wereld
zou aanbrengen; — wie van hen kon dat vermoeden\'?
-ocr page 349-
Westelijken heuvel van Jeruzalem in de gouden stralen
Het plaatje stelt voor een oud rotsgraf, nog heden ten dage nabij
Jeruzalem te zien. Hoewel van kleinere afmetingen, zal het graf van
den patriciër Jozef van Arimathea er aldus hebben uitgezien. Onderaan
de voorzaal, als groot 2>ortaal, ziet men links de deur tot het graf,
waarheen eenige traptreden toegang \'geven, evenals den steen tot af-
sluiting der grafruimte. De onderste afbeelding geeft te zien, op welke
wijze de steen voor de grafdeur werd gewenteld. Zulk een steen moet
het geweest zijn, dien de overpriesters aan den rotswand \'verzegelden.
-ocr page 350-
340
der Aprilzon. Dit paleis was in elk opzicht een koninklijk
bouwwerk. De oude Herodes had voor 50 jaren kosten noch
moeite ontzien om dit vorstelijk slot, op het hoogste punt
der Koningsstad gelegen, den hoogsten glans van uitwendig
schoon te geven. Zelfs de heerlijkheid van den wereldbe-
roemden tempel verbleekte voor dit prachtvolle werk van
Herodes den Grooten.
Al deze heerlijkheid is thans van den aardbodem wegge-
vaagd. Slechts de beide massieve torens Phasael en Hippikus
staan nog overeind en verheffen zich trots en somber, hoog
boven de armzalige huizen uit latere eeuwen. Enkele goed-
moedige Turksche schildwachten loopen slaperig heen en
weer voor de toegangen der beide torens, door welker poorten
de prachtlievende en krijgshaftige Herodes zoo dikwerf was
binnengetreden en die eens op dien goeden Vrijdag in be-
vallige pracht zwijgend neerzagen op een woeste, hijgende
volksmenigte, die een rechtvaardig Man vergezelde naar de
gerechtszaal van den Romeinschen stadhouder.
Het was op den veertienden der Paaschmaand. Een pur-
peren ochtendstond, zooals wij dien in de maand April in
het Heilige land gewoon zijn, was over Jeruzalem opgegaan.
De zon was achter den Olijfberg uit de kimmen gerezen.
Hare stralen verlichtten niet alleen den koningsburcht met
zijn heldere daken en hooge torens, zij overgoten ook met
den tooverachtigen glans van den nieuwen Aprilmorgen de
geheele zee van huizen in Jeruzalem, den tempel, de paleizen,
de villa\'s en het uitgebreide tentenleger der feestgasten. Op
de straten, die van de omliggende plaatsen naar de stad
liepen, bewogen zich talrijke bezoekers, de laatsten, die
toestroomden naar het feest, dat hedenavond een aanvang
nam. Reeds van verre begroetten zij blijde den geliefden,
heerlijken tempel. En de trotsche torens der stad zagen hen
zoo her en zelfbewust aan, dat de feestgangers wel indachtig
moesten worden aan den bezielenden Jeruzalempsalm uit
vroegere dagen:
-ocr page 351-
341
><De Heer is groot en zeer te prijzen
In de stad onzes Gods, op den berg Zijner heiligheid!
Schoon van gelegenheid is de berg 8ion,
Eene vreugde der gansche aarde.
God is in hare paleizen,
Hij is er bekend voor een hoog vertrek.
Gaat rondom Sion en omringt haar!
Telt hare torens!
Zet uw hart op hare vesting, beschouwt hare paleizen,
Opdat gij het aaneen volgend geslacht vertelt!" (Ps. 48.)
Pilatus dan had zijn intrek genomen in het paleis, „de
Koningsburcht," terwijl Herodes, die almede in de stad
vertoefde, verblijf hield in het oude paleis der Hasmoneërs.
Pontius verwachtte reeds vroeg in den ochtend de voor-
naamste mannen uit de onderworpen natie. Reeds den vorigen
avond had men gewapende macht aangevraagd om een
gevaarlijken oproermaker te helpen gevangennemen, die
des Maandags onder grooten toeloop van volk de stad was
binnengetrokken en die aanspraken, gevaarlijk voor de heer-
schappij van den staat, wilde doen gelden. Deze buitengewone
ijver der hooggeplaatste Heeren voor de rechten des Keizers
te Rome zal Pilatus zeker wel verdacht zijn voorgekomen.
Hij kende de Joden te goed om slechts een oogenblik te
gelooven aan de oprechtheid van deze koningsgezindheid.
Dientengevolge zal den vorigen avond in den kring van
familie en gasten, het gesprek wel geloopen hebben over den
(xalileër Jezus tot Wiens gevangeneming Pilatus een afdee-
ling Romeinsche soldaten had uitgezonden. Men verhaalde
het een en ander van Zijn intocht, van Zijn leer, van Zijn
wonderdaden en, hoewel dit alles van Romeinsch standpunt
wel spottenderwijze werd opgedischt en aangehoord, gaf het
Pilatus toch een goeden indruk aangaande Jezus. Zelfs de
gemalin van den stadhouder was er zoozeer mede vervuld,
dat zij nog in den droom zich met den zeldzamen Man
bezig hield.
De hoogepriesters hadden het voorbrengen van den ge-
vangene op heden aangevraagd op een zeer vroeg ochtend-
-ocr page 352-
342
uur, want in den regel werd de rechtzitting eerst om negen
uur geopend. Pilatus was overtuigd, dat de zaak meer van
godsdienstigen dan van staatkundigen aard was. Juist ten
opzichte van dergelijke aangelegenheden had zijn anders
onbuigzaam karakter (volgens Philoj voorzichtigheid geleerd,
wel wetende dat de voorvechters dezer fanatieke natio in
godsdienstzaken liever hun hoofd waagden, dan toe te
geven. Om deze reden trachtte hij dan ook heden op alle
mogelijke wijzen onzijdig te blijven. Hierin had hij buiten
den waard gerekend. De Joden toch hadden er heden het
grootste belang bij, dat niet zij maar hij de zaak zou uit-
voeren, onverschillig of hij het al dan niet gaarne deed. Het
plan, hiertoe waarschijnlijk door den behendigen on meedoo-
genloozen Kajafas ontworpen, was sluw genoeg bedacht.
Reeds zeer in de vroegte, kort na zonsopgang, had deze
een voltallige zitting in het ambtslokaal nabij den tempel
bijeengeroepen. Langdurig overleg was niet meer noodig.
Tot den dood van Jezus was sinds lang besloten. Door de
onverwachte hulp van Judas was men plotseling het doel
meer nabij gekomen, dan men had durven hopen. Met
medewerking des stadhouders was Hij in hunne macht, het
doodvonnis was gisterenavond uitgesproken en moest, vol-
gons de wet, dus den volgenden dag nog slechts worden
bekrachtigd. Thans moest men het nog eens worden over
de wijze, waarop men Pilatus tot de voltrekking van het
vonnis zou kunnen dwingen, niet alleen omdat hij de éénige
daartoe bevoegde was, maar ook om eiken tegenstand
van het wispelturige volk onmogelijk te maken. Nadat
Kajafas zijn plan onder algemeenen bijval had ontwikkeld,
werd Jezus binnengebracht. Kalm overzag Hij den kring
der ongeveer zeventig raadsheeren, die allen hunne oogen
op Hem gevestigd hielden. De hoogepriester verhief zich
van zijn zetel.
„Jezus!" aldus sprak hij, „hier voor den vollen Raad,
vraag ik nogmaals, of gij ook heden nog betuigt, dat gij
de Messias zijt?"
-ocr page 353-
343
En Hij, die wel wist, dat de moeilijke weg van heden,
de eerste schrede was op den weg naar Zijn eigenlijk tehuis,
antwoordde rustig: „Ik zeg dan nogmaals, dat de Zoon des
menschen, die thans voor u staat, juist door uw doodvonnis
van heden er toe gebracht wordt om de lïem toebehoorend e
plaats aan de rechterhand der kracht Gods in te nemen."
„Hoe?" riepen de vele stemmen te gelijk (Luk. XXII: 70),
verbaasd over Zijne hardnekkigheid en dat Hij door dit
antwoord hun den grond tot Zijne veroordeeling in de hand
gaf, „gij blijft er alzoo bij? Zijt gij dan de Zoon Gods?"
„Ja", antwoordde Jezus luide, zoodat allen het verstaan
konden, „ja, die ben Ik!"
Nu hadden allen Zijne godlastering gehoord. Onmiddellijk
stond, zooals Lukas dit aanschouwelijk zegt, de geheele
menigte van hen op en leidde Hem tot Pilatus. Zij hadden
haast. Hedenavond reeds nam het feest een aanvang. Alles
hing nu af van hun spoed en vastberadenheid.
Eerste verhoor voor Pilatus.
Met allen spoed deed men den tocht naar de bovenstad.
Kajafas ging vooraan. Zijn gang was vastberaden. Zijn ge-
laatstrekken waren hard en streng. De weg liep door de
tempelstraat, over de brug nabij het raadhuis, die over het
Tyropoündal leidde, langs het theater en het Hasmoneër
paleis. Tegen acht uur naderde men het koninklijk paleis.
Jezus, met koorden gebonden, bevond zich nu midden
in den stoet. Op den ruimen voorhof hielden de hooge-
priesters en de leden van den hoogen raad stand voor een
met veelkleurig marmer bevloerd terras, Gabbatha geheeten.
Hier werd, gelijk ons ook van den lateren stadhouder
Gessius Florus wordt verhaald, de rechterstoel geplaatst,
als de stadhouder zijn rechtspraken hield. Slechts op dezen
rechterstoel kon een rechtsgeldig vonnis worden uitgesproken.
Voor dit terras bleven de hooge raadsleden staan. Xaar
hun ceremoniëele wetten mochten zij lieden voor het feest
-ocr page 354-
344
hun voet niet zetten in het huis eens heidens. Jezus echter
werd met de soldaten naar binnen gezonden. Het was voor
het eerst, dat Jezus den beroemden Koningsburcht betrad,
waarin Herodes de Groote de wijzen uit het Oosten had
ontvangen. Een onuitputtelijke rijkdom van goud, zilveren
marmerwerken omringde den gebonden Jezus, die onge-
twijfeld zal hebben gedacht aan „den Dooper,"\'wiens intrede
ook werd gevolgd door den dood en die aldaar zoo getrouw
getuigenis voor de waarheid had afgelegd.
Pilatus trad binnen. Hij liet den Gevangene staan en trad
naar buiten om de aanklacht te hooren. Het verwonderde
hem, dat niet slechts eenige gevolmachtigden, maar de geheele
raad met de hoogepriesters was opgekomen. Met de voorname,
rustige houding, den Romeinschen rechters eigen, beval hij
hun, hunne aanklacht tegen den man te doen hooren.
Het lag echter in hun plan om een gerechtelijk onderzoek
door Pilatus te ontwijken. Zij verwachtten, dat het eenparig
vonnis der oversten van hun nationale rechtbank, die boven-
dien in corporc verschenen was, voldoende zou zijn om Pilatus
van verder onderzoek te doen afzien en zijn placet aan hun
vonnis te geven. Daarom onthielden zij zich van eiken naderen
uitleg en riepen: „Hij is een uitgeworpen Man, een Verrader!
Ons aller persoonlijke tegenwoordigheid strekt daartoe ten
bewijze. Ware Hij dit niet, clan zouden wij voorzeker Hem
niet tot u hebben gebracht!"
„Goed," hernam Pilatus en trachtte daarmede zich van
de zaak af te maken, „zoo veroordeel en bestraf gij zelf
Hem dan naar uwe wetten. Gij zelf hebt als Hooge Raad
strafmiddelen genoeg."
„Maar Hij is des doods schuldig," riepen zij. „Onze straffen
zijn voor verraad niet zwaar genoeg. Alleen gij moogt een
doodvonnis doen voltrekken."
Toen zij zagen, dat Pilatus niet voornemens was hun
doodvonnis zonder onderzoek te voltrekken, besloten zij de
aanklacht te gieten in een vorm, passende voor een Romeinsch
rechter. Zij waren daarop geheel voorbereid. Zij wisten, hoe
-ocr page 355-
345
men zelfs een Pilatus gedwee kon maken. Zijn keizer Tiberius,
die hem gezonden had, was een ijverzuchtig en achterdochtig
meester. Een schaduw van verdenking, dat een zijner stad-
houders niet streng genoeg optrad tegenover revolutionaire
bewegingen, was reden genoeg, om dezen zijn ambt te
ontnemen, ja zelfs zijn hoofd te eischen. Hierop hadden zij
hun plan gebouwd. Over den eigenlijken grond van het dood-
vonnis, die van godsdienstigen aard was, zwegen zij, maai1
brachten tegen beter weten in de zaak op staatkundig gebied
over. Keeds dikwijls had in den laatsten tijd de Romeinsche
landsregeering het optreden van zekere volksleiders, die
fanatieke, gewapende vrijscharen tegen Rome om zich heen
verzameld hadden, bloedig te keer gegaan. Als zulk een
onruststoker, die naar de oppermacht in het land stond en
daartoe aanhang onder het volk zocht, stelden zij nu Jezus
voor. De bewijsgronden voor deze aanklacht waren gewichtig
genoeg. Zijne jongeren hadden op Zijn bevel feitelijk door
het geheele land gepredikt, dat het koninkrijk met Hem
gekomen was ; Jezus had feitelijk des Maandags Zijn intrede
gedaan in de oude koningsstad, Hij had zich feitelijk als
koning doen uitroepen, Hij had zich feitelijk voor den hoogen
raad als Koning aankondigd. De aanklagers bedienden zich
van den kunstgreep om het Hebreeuwsche woord Messias,
eenvoudig te vertolken door het Romeinsche rex (koning).
Nog voegden zij aan deze bewezen feiten een leugen toe,
die een bijzonderen indruk op Pilatus moest maken, wiens
regeering buitengewoon gehaat was wegens talrijke ambts-
misdrijven, samenhangende met de belastingen. Om die reden
kon niets Pilatus meer tegen Jezus opzetten, dan de aanklacht,
dat Hij het volk had aangeraden het betalen van schatting
eenvoudig te weigeren. Alles te zamen, duidelijke bewijzen
te over, dat het streven van dezen man was gericht op de
vernietiging der Romeinsche overheersching.
De behandeling van al deze aanklachten behoorde onge-
twijfeld voor den rechterstoel van Pilatus. Hij kon zich dus
niet aan de zaak onttrekken. Hij trad wederom binnen en
-ocr page 356-
346
deed Jezus voorbrengen. Vol deelneming zag hij Hem aan.
In Zijn gezicht droeg do Heiland de onmiskenbare sporen van
ruwe mishandeling. Ook was Hij uitgeput — niemand had
er heden aan gedacht Hem iets te eten te geven. Er lag
iets edels in deze nog jeugdige gestalte. Op Zijn open
gelaat lag, zelfs in de diepste vernedering, iets, dat achting
afdwong en uit de ernstige oogen sprak een macht, aan
welks invloed een Pilatus zelfs zich niet kon onttrekken.
De aanklacht van hoogverraad nam hij niet ernstig op.
Een spotachtige trek zal zich wel op zijn gelaat hebben
vertoond, toen hij Hem meer van nabij beschouwde en
daarbij bedacht, dat deze onschuldige Mensch de macht
van het groote Rome zou in gevaar brengen. Hij zeide
spotachtig:
.,Welnu, mijn Vriend, hoe is het? Zijt gij inderdaad de
Koning der Joden ?" Jezus antwoordde kalm met ernstige
stem, waaruit geen angst merkbaar was, met een weder-
vraag: ..Vraagt gij dit, omdat gij als stadhouder staat-
kundige zorg voedt, of omdat Mijne aanklagers u dit hebben
gezegd? want dien overeenkomstig moet Ik Mijn antwoord
inrichten."\'
Pilatus, die wel begreep, dat de Beklaagde zou gaan
spieken over de bijgeloovige Messias-ideeën der Joden, ant-
woordde barsch : „Wat gaan mij Uw Joodsche droomerijen
aan ! Natuurlijk hebben Uwe landslieden het mij gezegd.
Alles ter zake! Welk verraad hebt Gij gepleegd? Wat is
er van den Koningstitel aan, dien Gij U aanmatigt?"
Jezus antwoordde : „Bij Mij is van een staatkundig konink-
rijk geen sprake. Indien dit zoo ware, dan zou Ik wel een
leger verzameld en in het veld gebracht hebben, dat voor
Mij liet zwaard zou hebben getrokken, alvorens Ik werd
gevangen genomen. Zoo iets zult gij van Mij niet hebben
gehoord. Neen, Mijn koninkrijk is van een andere wereld."
„Hoe,"\' riep Pilatus verwonderd uit en nam den Gevangene
van het hoofd tul de voeten op — „zoo zijt Gij dan toch
een koning?"
-ocr page 357-
347
Daarop hernam de Man, die daar zonder eenig uiterlijk
teeken van macht voor hem stond, met onbeschrijfelijke
majesteit — het was Zijn koningsproclamatie in de diepste
vernedering voor den hoogsten man in den lande: — .,Ja!
Ik ben een koning!
Daartoe ben Ik geboren en uit een
andere wereld hier gekomen om u de waarheid te brengen.
Een ieder, die de waarheid liefheeft, is Mijn onderdaan.*\'
Pilatus brak af. In dit antwoord lag de eisch, dat ook
hij, de stadhouder, zich moest buigen voor zijn Gevangene,
tenzij de waarheidsliefde nog niet in hem was. Dit kwam
hem Avel wat avontuurlijk voor. Hij was nog ver verwijderd
van die onwillekeurige hoogachting voor Jezus, die wij bij
het tweede verhoor waarnemen. Alles wat hij van dezen
dwazen Jodengodsdienst gehoord had, kwam hem voorden
geest. Dit moest ook dezen goeden Man hebben aangetast
en Hem die ideeën hebben aan de hand gedaan. Deze nu
zou gevaarlijk zijn voor den keizer te Rome ? Deze een
revolutionair en een mededinger voor Romes ijzeren macht ?
Dit was belachelijk. Een dweper was Hij en dit vond Pilatus
dwaas ; maar om Hem ter wille van Zijn dweperij te dooden,
daartoe vond hij geen reden. Hij antwoordde dus slechts :
„Ach, waarheid ! wie weet tegenwoordig, nu een ieder er
een afzonderlijke waarheid op nahoudt, wat waarheid is ?"
Hiermede liet hij Jezus staan en ging naar buiten, vast
besloten zich van de aanklagers te ontslaan en Jezus los
te laten. Hij trad voor den burcht en zeide tot hen : „Ik
zeg u, de Man daarbinnen is onschuldig!"
Maar nu brak onder de raadslieden en hun aanhang een
storm los, die Pilatus niet had verwacht. „Hoe ?" riepen
zij „deze zou onschuldig zijn ? Weet gij dan niet, dat Hij
jaren achtereen het land heeft doorkruist en opruiend is op-
getreden, het volk opzweepende en de oproervaan zwaaiende
van stad tot stad, van dorp tot dorp, van Zijn geboortegrond
Galilea tot hier?"
Pilatus werd opmerkzaam. Hij kreeg een goede gedachte,
om langs een anderen weg zich deze onaangename zaak
-ocr page 358-
34S
van den hals te schuiven. „Is hij dan uit Galilea?" aldus
vroeg hij.
„Ja,"\' riepen zij, ..uit Nazareth in Galilea."
„Zoo," zeide Pilatus, „dan behoort deze zaak niet voor
mijn rechterstoel maar voor dien van Herodes.1\'
Hij gaf den soldaten bevel, Jezus en Zijne aanklagers naar
Herodes te geleiden, keerde zich om en ging het paleis in,
verheugd zicli zoo gemakkelijk van deze zaak te hebben
afgemaakt en hopende er niet meer mede te worden lastig
gevallen.
Tweede verhoor voor Pilatus.
De weg naar het paleis der Hasmoneërs, waarin de uit
Galilea gekomen Tetrarch gedurende het Paaschfeest ver-
blijf hield, liep over de bovenmarkt naar het Tyropoündal,
hetwelk de stad dwars doorsneed. Het paleis stond tegen-
over den tempel naast den Xystus, de met zuilengalerijen
omringde plaats voor volksbijeenkomsten, vanwaar de brug
over liet genoemde kleine dal naar den tempel leidde. Daar-
heen werd Jezus gevoerd. Het verhoor echter, door Hero-
des gehouden, bracht, ondanks den grooten ijver der aan-
klagers, ondanks het bijna beleedigend zwijgen, dat Jezus
volhield tegenover den overspeligen moordenaar van Johan-
nes den Dooper, niets aan \'t licht, dat hem, die zich ge-
streeld voelde door de schijnbare attentie van Pilatus, aan-
leiding kon geven om een ander oordeeel te vellen dan
deze. Op echt Oostersche wijze, door eene handeling als
gelijkenis, betuigde hij Pilatus, wien hij den Gevangene,
omhangen met een witten mantel, terugzond, dat hij het
volkomen eens was met diens uitspraak „onschuldig.0
De hoogepriesters en de hooge raad moesten nu ojmieuw
zich gereedmaken om, hoe ongewenscht zij dit ook vonden,
nogmaals met den Gevangene de halve stad door te trek-
ken, waardoor het geheim van Jezus\' gevangenneming voor
de geheele stad openbaar werd. Zij hadden gehoopt het
-ocr page 359-
345)
volk voor een voldongen feit te stellen en als Pilatus hun
eenstemmig vonnis eenvoudig had bekrachtigd en uitge-
voerd, dan had Jezus omstreeks tien uur reeds aan het
kruis kunnen hangen. Xu, door deze vertraging, waarbij
zij van Pontius naar Herodes en van Herodes naar Pilatus
gestuurd werden, was de stad, die zij moesten doortrekken
in volle beweging gekomen. Het was heden een rustdag,
alle straten waren bevolkt, heden was alles op de been.
Bovendien bewogen honderdduizenden zich door alle deelen
der stad. In den vroegen ochtend verbreidde zich als een
loopend vuur, het gerucht door de stad: Jezus is gevangen-
genomen ! D9 Galileesche Profeet, van Wien ieder sprak,
die eergisteren nog zoo koen en machtig in den tempel
leerde, is gevangen genomen — Pilatus heeft Hem reeds
verhoord, zooeven zijn zij met Hem naar Herodes gegaan!
Dit onverwacht bericht trof allen als een donderslag. Alles
begaf zich naar het paleis der Hasmoneërs. Jezus trad naar
buiten. Zijn handen waren gebonden. Als een verrader werd
Hij aan koorden geleid. Hij sloeg een hoogemstigen blik op
de groote menigte, waardoor ongetwijeld eene doodelijke
stilte zal zijn ontstaan. De stoet ging zijns weegs, de wei-
bekende hoofden des volks, Kajafas en Annas voorop,
Jezus en de soldaten achteraan.
De stoet, die door de nauwe straten der stad zijn weg
moest nemen, werd van minuut tot minuut grooter en toen
hij de marktplaats naderde, zich aankondigende door het
gegons van verwarde stemmen en het wapengekletter der
Itomeinsche legionarissen en Jezus in het midden der massa
zichtbaar werd, sloot een ieder zich aan den tierenden volks-
hoop aan.
De koningsburcht was wederom bereikt. De zon was in-
tusschen brandend heet geworden. Een zee van licht scheen
op de witte huizen van Jeruzalem, zoo hel, dat de oogen
der toeschouwers pijn leden. Vooral op den koningsburcht
met zijn marmerbekleeding had de zon de meest verblin-
dende uitwerking. Ook de drie machtige torens Phasael
-ocr page 360-
350
Hippikus en Marianne glansden helder in den middaggloed,
toen de optocht, door de hoogepriesters geleid, aan den voet
dier gebouwen was turuggekeerd.
Pilatus was binnen in het slot. Reeds van verre hoorde hij
het naderen der woelige volksmenigte. Nu verneemt hij een
gedruisch van stemmen vlak voor het slot. Een hoofdman
treedt binnen en geeft verslag van de uitspraak van Herodes
en het dreigend aangroeien der menigte. Of het volk, waar-
onder Jezus een zoo grooten aanhang moest hebben, vóór of
tegen Jezus partij koos, dit was Pilatus nog onbekend. De
omstandigheden waren voor Jezus zoo gunstig mogelijk, de
de beide hoogste rechters van het land hadden Hem ver-
hooi\'d en beiden hadden Hem onvoorwaardelijk vrijgesproken.
Ook de hoogepriesters erkenden het kritieke van den toe-
stand. Nu of nimmer! zeiden zij. Voor elke rechtbank vrij-
gesproken, zou Jezus, na hetgeen gisteren in het nachtelijk
duister had plaatsgegrepen, voor het geheole volk verheven
zijn tot het toppunt van roem en aanzien, terwijl zij zelve
tegenover het volk geheel onmogelijk waren geworden. Hij
moest sterven, het kostte wat het wilde!
Pilatus trad naar buiten en zeide: ,.De zaak is afgedaan,
Heeren! Ook Herodes heeft Jezus vrijgesproken! Wij hebben
niets gegrond bevonden van al hetgeen, waarvan gij Hem
beschuldigt!" Pilatus kende echter de hardnekkigheid der
Joden te goed om niet te begrijpen, dat het verstandig zou
zijn ten minste ééne concessie te doen. En de dreigende
houding der overpriesters, het geraas der stemmen van de
steeds aangroeiende, hartstochtelijk gesticuleerende menigte,
die achter hen stond, deed hem zoozeer den schrik om het hart
slaan, dat het den karakterloozen man niet langer mogelijk
was te blijven op den rechten weg, hem door recht en plicht,
overtuiging en geweten voorgeschreven. Daarom vervolgde
hij: „Het doodvonnis kan ik dus niet laten voltrekken ■—
maar ik zal u in zooverre te gemoet komen, dat ik Hem
bloedig zal laten geeselen. Daarna laat ik Hem los."
Pilatus zou echter ondervinden, dat, wie eenmaal zich
-ocr page 361-
351
laat dwingen den eersten noodlottigen stap te doen, af-
voerende van den zuiveren bodem des rechts, reeds verloren
is en spoedig den tweeden en derden, ja den laatsten stap
zal doen. Zijn toegeven maakte de Joden slechts te over-
moediger. Zij bemerkten, hoe zij den wederstrevende ten
slotte tot hun willoos werktuig zouden kunnen maken. Zijn
nieuwbedachte, diplomatieke uitweg om Jezus vrij te spreken,
op grond dat, volgens oud gebruik, op elk Paaschfeest een
verrader werd losgelaten kon hem dus ook niet baten. Als
verrader was Jezus dus reeds erkend, alleen de straf ontbrak
nog. Hiermede en met de toegezegde bloedige geeseling kon-
den de oversprieters reeds tevreden zijn. Pilatus verwachtte
dat het volk, waarvan hij veronderstelde, dat het op Jezus\'
hand zou zijn, Dezen zou voorspreken, als Hij het de keus
Het tusschen Jezus en een beruchten moordenaar, Barabbas
genaamd. Om deze besüssing rechtsgeldig te doen zijn, moest
hij den rechterstoel beklimmen, die op het terras Gabbatha
was opgesteld.
Terwijl hij zich daartoe gereedmaakte, kwam een zijner
bedienden uit het paleis tot hem. Het was een bode van zijn
gemalin, die reeds partij gekozen had, toen Jezus voor de
eerste maal verhoord werd. Toen Hij tot Herodes geleid
werd, zal zij gedacht hebben, dat de zaak afgedaan was.
Nu staat Hij echter weer ginds in het paleis. Van uit de
hooge slotvensters ziet zij den steeds grooter wordenden
oploop, de sombere, vastberaden aangezichten der over-
priesters, hoort zij het duizendstemmig geraas der volks-
menigte. Haar angst is klimmende. Zij herinnert zich wei-
licht, hetgeen den vorigen avond van dezen Man is gezegd.
Een droom, een wondervolle, ernstige droom, die in den af-
geloopen nacht een diepen indruk op haar had gemaakt,
spreekt opnieuw, waarschuwend tot haar. De vrees maakt
zich van haar meester, dat haar gemaal zich door den drang
der menigte zich zal laten medesleepen om zich aan dien
Man te bezondigen. Daarom zendt zij een dienaar naar
beneden met de dringende waarschuwing: „Heb toch niets
-ocr page 362-
35-2
te doen met dezen Rechtvaardige! Ik heb heden nacht veel
geleden in den droom om Zijnentwil!"
Het oponthoud, hierdoor veroorzaakt, maken de hooge-
priesters en de volksleiders zich ten nutte om de menigte te be-
werken. Terwijl Pilatus met den dienaar spreekt en de zaak
overweegt, terwijl hij zich gereedmaakt om den rechterstoel
te beklimmen, hitsen zij het Jodenvolk uit Jeruzalem op,
herinneren zij het aan de wetsverachting, Sabbatschending,
godslastering van hun offer en stellen de noodlottige ge-
volgen in het licht, die eene overwinning, door dezen Gods-
dienstverachter behaald, zou na zich sleepen. En zij bedrogen
zich niet in de massa, die gewoon was, hen blindelings te
volgen. Steeds meer werd de haat opgewekt en gevoed.
Steeds dreigender drong het geroep der menigte in de ooren
van Pilatus en van zijn angstig toeluisterende gemalin.
Pilatus had plaats genomen op den rechterstoel op Gab-
batha. Eekenende op Jezus\' aanhang onder het volk, sprak
hij nu: ..Ik heb u de keus van vrijlating gegeven tusschen
twee, den Jodenkoning, die daar voor u staat, en Barabbas
— wien kiest gij?\'" En door duizenden stemmen wordt
geantwoord : ..Barabbas ! Barabbas !" — „Hoe ?" sprak
Pilatus, „wat zal ik dan doen met Jezus, den zoogenaamden
Christus?"
Daarop barstte de menigte nog meer verwoed los, waarbij
de dreigende stemmen der hoogepriesters den boventoon
hadden, roepende: „Kruis Hem, kruis Hem!"\'
Zoodanigen woesten haat had Pilatus niet verwacht.
Xadat Jezus voor twee rechtbanken was vrijgesproken ge-
worden, had hij de zaak niet meer zoo ernstig opgenomen.
Maar nu kwam het vuur der geestdrijverij boven, die hij
reeds meermalen bij dit volk had waargenomen. En hij wist,
waartoe zulk volk in staat was. Hij verkeerde in een pijnlijk
geval. Eenerzijds een oproer, dat wellicht in Rome voor hem
een leelijk naspel hebben kon, anderzijds een Onschuldige,
dien hij, tegen recht en geweten in, moest laten ter dood
brengen. Het verdroot hem, dat hij, de Stadhouder, zich
-ocr page 363-
353
door dit volk aldus moest laten tyranniseeren. Daarom zeide
hij toornig:
„Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? Ik vind geen dood-
waardige schuld in Hem l"1 En, vastbesloten zich niet verder
te laten dwingen, voegde hij er bij: „Aldus blijft het — ik
zal Hem laten geeselen en dan laat ik Hem los!"
Pilatus bedroog zich echter, als hij meende bij dit droevig
besluit op den ingeslagen weg te kunnen voortgaan. Die
zich dwingen liet, een Onschuldige half dood te geeselen,
liet zich ten slotte ook dwingen, dezen ten laatste te dooden.
Dit wisten de hoogepriesters maar al te goed. Intusschen
hoopte Pilatus met zijn tusschenweg klaar te komen. Da-
delijk gaf hij bevel Jezus, die rustig op die onstuimige zee
had neergezien, naar binnen te brengen om te worden ge-
geeseld. Pilatus zelf kon het niet aanzien en ging heen.
De soldaten ontdeden den Gevangene van Zijn kleederen
en bonden Hem met gekromden rug aan den geeselpaal.
Bij den eersten slag sprong het bloed uit den ontvleesden
rug. De arme Gevangene kromde zich onder de vreeselijke
pijn, maar de krijgsknechten waren aan dit werk gewoon
en lieten zich in hun handwerk niet storen.
Eindelijk hielden zij op. Jezus werd opgericht. Nu was
Hij inderdaad een toonbeeld van smarte. Druipende van
bloed, met verscheurden rug, stond Hij daar, nog aan den
paal vastgebonden. De opengehaalde wonden brandden,
elke beweging veroorzaakte hevige pijn. In Zijn trekken
teekenden zich de grievende smarten af. De zwijgende Lijder
wekte evenwel den spotlust der soldaten. Zij hadden gehoord
dat Hij voor koning spelen wilde en zij zagen nu hoe slecht
Hem dit bekomen was. Nu wilden zij de grap hebben, hem
ten minste eenmaal in Zijn leven koninklijk te tooien. Een
bijzonder geestig man ging naar den slottuin, brak van de
in Palestina veelvuldig voorkomende doornheg Epina Chrisii,
eenige lange gedoomde takken af en vlocht er een krans
van. Dezen zetten zij Hem als een kroon op het hoofd.
Om het opengereten lichaam hingen zij een rooden soldaten-
Keht gij Hem?                                                                                   2o
-ocr page 364-
854
mantel; als schepter gaven zij Hem een rietstaf in de hand.
Nadat Hij dus vorstelijk was uitgedost, bogen zij de knie
voor Hem en riepen uit: „Zijt gegroet, Gij Koning dei-
Joden !" En toen Hij daarop zweeg, hield plotseling hun
scherts op, naderden zij Hem, spuwden zij Hem in liet aan-
gezicht, sloegen Hem op de wangen, rukten Hem den riet-
staf uit de hand en sloegen Hem daarmede de doornen
dieper in het hoofd, zoodat de bloeddroppelen als robijnen
aan de kroon hingen. Toen zij op deze w-ijze hun ruwe
vermaakzucht eenigzins hadden gekoeld, gingen zij Pilatus
zeggen, dat de geeselstraf was afgeloopen.
Nu trad Pilatus nog eenmaal met den Gevangene voor
het volk. Het was een deerniswaardig schouwspel. De Man,
die een kwartier geleden ongedeerd en rechtop was binnen-
gebracht, was nauwelijks herkenbaar. Druipend van bloed
met opgereten rug en gelaat, de doorntakken in de verwarde
haren, een rooden mantel over de schouders, zoo stond hij
daar, ten aanschouwen van het volk.
Getroffen door het gezicht, riep Pilatus, rekenende op het
medelijden van het volk en vooral op dat van Jezus\' vroe-
gere aanhangers: „Ziet den Mensch, — hoe medelijdenswaard!
Is het nu nog niet genoeg? En opnieuw verklaar ik, dat
Hij naar mijne overtuiging onschuldig is!"
Maar hij sprak als tot harten van graniet. Als uit één
mond brulde de menigte, alsof het zien van bloed haar nog
bloeddorstiger had gemaakt, hem het eenige parool van den
dae: toe: „Kruis Hem! kruis Hem! kruis Hem!"
„Kruisigt gij Hem dan!" riep Pilatus half vertwijfelend uit.
„Ik kan en wil het niet doen, want Hij heeft niets gedaan,
dat des doods w^aardig is !"
„Niets des doods waardig?" klonk het hem tegen. En in
de hitte van den strijd laten zij hun gehuichelde staatkun-
dige aanklacht geheel los en openbaren zij plotseling den
grond van hun godsdiensthaat, uitroepende: „Gij, Romeinen,
hebt ons toch, evenals alle onderworpen volkeren onze wetten
laten behouden —■ en wij hebben een wet, naar welke Hij
-ocr page 365-
3Ö5
sterven mout! Want Hij heeft zichzelven Gods Zoon genoemd!"
Gods Zoon?! Dit merkwaardige woord deed Pilatus ver-
stommen. Hij hoorde het voor de eerste maal. Was er in
het optreden van dezen Mensch, in Zijn eenvoudigen, ern-
stigen blik, in zijn indrukwekkende kalmte niet iets onver-
klaarbaars, iets geheimzinnigs? Had men niet gesproken
van wonderen, die Hij gedaan had? Zou een der onsterfe-
lijken in menscheugestalte zijn verschenen? Was dat stil-
zwijgen, dat fier gedrag, niet een zoon der Goden waardig?
Ondanks al de smart boog Hij niet voor hem, Hij verloor
Zijn waardigheid niet, zelfs niet door een enkel woord, veel
minder nog smeekte Hij hem door eenig gebaar om mede-
lijden of vrijspraak. Met onverstoorbare kalmte wachtte Hij
een rechtvaardig oordeel af en liet Hij de onrechtvaardigheid
den vrijen loop. In het geheeie woeste tumult, was Hij de
eenige Kalme geweest. Hoe — indien de goden nu eens
zijn gemalin in den droom hadden gewaarschuwd — hoe
zou het gaan, als hij zich had vergrepen aan een godenzoon
en hij de wraak des hemels op zich had geladen!
Zijn onrust werd hoe langer hoe pijnlijker. Hij zegt niet
meer spottend: „Ben ik dan een Jood ?" Een inwendige vrees
voor dezen „Koning der waarheid", zooals deze zich had
genoemd, doet bij hem den wensch ontstaan Hem nog een-
maal onder vier oogen te spreken. Wederom gaat hij met
Hem het slot binnen. Jezus, half dood gegeeseld, staat voor
hem en ziet hem rustig aan met een blik, dien hij nauwelijks
kan verdragen. Onrustig vraagt hij Hem: „Vanwaar zijt
gij? — Van de aarde of van de goden?"\'
Geen antwoord. Pilatus voelde, wat in dit zwijgen was
opgesloten. Deze vraag had Jezus reeds bij het eerste ver-
hoor beantwoord, toen Hij zich genoemd had de Koning
uit een andere wereld. In dit zwijgen sprak ook veroordee-
ling van den lafhartigen rechter, die telkens vrijsprak en
zich toch van de eene onrechtvaardigheid tot de andere
liet medesleepen.
„Ha!" aldus stoof Pilatus op, „Gij waagt het mijn vraag
-ocr page 366-
350
onbeantwoord te laten? Weet Gij niet, dat het geheel van
in ij afhangt, U te kruisigen of los te laten?"
„Gij zoudt geen macht over Mij hebben," antwoordt nu
de Gevangene kalm, en een onuitsprekelijke majesteit sprak
zelfs uit zijn zoo ontzettend mishandelde gestalte, „indien
die u niet van boven gegeven ware. Hoe gij deze macht
gebruiken wilt, zult gij te verantwoorden hebben voor den
geheimzinnigen rechterstoel daarboven, al is uwe schuld
minder groot, dan die van hen, die buiten staan.
Pilatus werd steeds onrustiger. Wederom geen woord, dat
om gunst vroeg, wederom die edele trots, die niet wilde
smeeken om het leven, die recht verwachtte of niets, die
zelfs sprak, alsof Hij niet beklaagde, maar rechter was,
die de mate der schuld van den stadhouder en van de Joden
daar buiten had te bepalen, die Hem voor den rechterstoel
daagde — wie toch was deze Mensch? En wederom ijsde
hij bij de gedachte, dat hij een onsterfelijke in menschen-
gedaante tegenover zich kon hebben. „Van toen af," zegt
de Evangelist (Joh. XIX: 12), „zocht Pilatus Hem los te
laten." Onder deze onwederstaanbare indrukken nam hij een
besluit. Hij wilde gehoor geven aan de luidsprekende stem
van zijn geweten, aan zijn kloppend hart, aan zijn waar-
schuwende gemalin, trots het woeste gepeupel daarbuiten.
Hij trad naar buiten. Er ontstond groote stilte onder de
menigte. Zij luisterde met ingehouden adem naar hetgeen
de Procurator ging zeggen. Deze nu sprak: „Hij is on-
schuldig! Zoo zal ik Hem dan vrij laten heengaan, waarheen
Hij wil!" Zijne stem klonk vastberaden, als die van een
man, die van verdere onderhandelingen niets meer weten
wil. Reeds kregen de vrienden van Jezus nieuwen moed.
lleeds scheen hij van plan te zijn, dadelijk het bevel te
geven, den Gevangene te ontbinden en te laten heengaan.
Maar toen brak de storm met razende woede los. Dit
kon, dit mocht niet geschieden, opdat niet een stoutmoedige
omkeering in de stemming des volks bij het eerste weder-
optreden van Jezus op de tempelplaats, de overpriesters en
-ocr page 367-
357
hunne partij zou vernietigen. Voor dezen was het een strijd
op leven en dood! En voor dit oogenblik hadden Kajafas
en zijne advocaten (Schriftgeleerden) hun zwaarste geschut
bewaard, dat, zooals zij maar al te wèl wisten, op een
Pilatus onfeilbaar zou werken. Dit bestond in een weder-
opnemen der vroeger losgelaten politieke aanklacht, de
bedreiging namelijk, dat zij hem bij den Keizer te Rome
zouden aanklagen.
„Dan zal de Keizer het weten, dat gij gemeene zaak maakt
met een oproerling, die naar de koningskroon grijpt!" aldus
riepen zij.
Pilatus verbleekte. Dit enkele gezegde wierp al zijn goede
voornemens in duigen. Zoodanige aanklacht bij den achter-
dochtigen Tiberius beteekende voor hem \'t verlies van zijn
ambt of zelfs van zijn leven. De Joden bemerkten, welken
geweldigen indruk hun woorden op den stadhouder maakten,
die zoo vastberaden uit het paleis was getreden. Ten einde
raad ziet hij op de menigte neer. Hoevele Joden uit Rome
konden zich niet onder hen bevinden, die met een volgend
schip terugkeerende, het bericht klakkeloos naar Rome zou-
den overbrengen! En zij waren machtig in de hoofdstad dei-
wereld. De menigte wordt steeds woester en stemt steeds
heviger in met de bedreigingen der hoogepriesters. Het
oproer neemt elke minuut in omvang toe. De hoogepriesters
en de hooge raad, hunne deftigheid vergetende, schreeuwen
zoo luid zij kunnen.— de menigte schreeuwt mede — het
oorverdoovend gebrul klinkt als waanzinnig den besluite-
loozen Pilatus in het paleis tegen. De zee raast en eischt
haar offer. En steeds woester en dreigender verneemt Pilatus
de woorden: „Kruis Hem! kruis Hem! of gij zijt des keizers
vriend niet!"
Toen was Pilatus verloren. Hij zeide niets. Maar langzaam
en zwijgend beklom hij andermaal den rechterstoel op Gab-
batha. Hij gaf den soldaten een wenk. Dezen verwijderden
zich en brachten Jezus voor, die na het laatste verhoor
binnen het paleis was gebleven. Hij kwam. Rustig weidde
-ocr page 368-
358
Zijn blik over de geweldige, tierende volksmassa. Hijzelf
was een toonbeeld der smarte.
.,Ziet, uw Koning! roept Pilatns met tegenstrijdige ge-
voelens.
„Xeein weg!"\' schreeuwden zij, „kruis Hem! kruis Hem!"
„Zal ik uw Koning kruisigen?"
„Wij hebben geen koning, dan den keizer!"
De gevaarlijke naam des keizers wordt weer uitgesproken.
Als zij hem bij dezen aanklaagden, konden zij nog van
andere dingen gewagen en dan was hij verloren. Hij moest
dus toegeven en Jezus ter dood overgeven. Alvorens dit
te doen, wilde hij evenwel, volgens het gebruik van dit
Oostersche volk, door een vergelijkende handeling, op
plechtige wijze de schuld van het slachtoffer van hun haat
bevestigen. Hij laat zich een waschbekken brengen en daar-
boven water op zijn handen gieten. Hij wilde daarmede de
Joden herinneren aan hun oud volksgeloof en bloedwraak,
naar hetwelk onschuldig vergoten bloed onfeilbaar de bloe-
dige wraak des hemels na zich sleepte. Daar staat hij
nevens den rechterstoel en in het aangezicht van Gods schit-
terende reine zon, wascht hij zich de handen, alsof hij de
bloedige misdaad, die voortaan daaraan zou kleven, met
water kon afwasschen en spreekt: „Ik ben onschuldig aan
het bloed van dezen Rechtvaardige!" Daai-op juicht de
woeste hoop en niet wetende, welk vreeselijk getuigenis
zij afleggen, roepen zij den karakterloozen man en den
gebonden Jezus toe: „Wij vreezen de bloedwraak niet! Zijn
bloed kome over ons en onze kinderen!"
Aan terugtreden kon Pilatus nu niet meer denken. Hij
zette zich op den rechterstoel en sprak als hoogste rechter in
den lande, in behoorlijken vorm, het vonnis uit: „Barabbas
ontvangt genade, Jezus worde onverwijld gekruisigd."
Nu verhief zich een duizendvoudig triomfgeroep, dat
dreunend opging tot het paleis en de angstig luisterende
gemalin des stadhouders en terugsloeg tot den gouden
tempel, beneden in de stad, die van het slot af in de stralen
-ocr page 369-
359
der middagzon in volle pracht zichtbaar was. Het gejuich
en gejubel verkondigde ook aan den verst verwijderde, die
de woorden van Pilatus niet had kunnen verstaan, dat het
proces geëindigd was: aangeklaagd wegens een verraad,
waarin niemand der aanklagers geloofde; vrijgesproken bij
herhaling door de beide hoogste rechters van het land;
veroordeeld om binnen een half uur aan het kruis te worden
gehangen.
Op Golootha.
De fraaie, goed onderhouden tuinen, ten Noorden van
Jeruzalem, nabij Golgotha lagen rustig in den gloed der
middagzon. Het was hier de eenige kant van Jeruzalem,
overigens omgeven door diepe kloven, waar de patricische
familiön hunne zomerverblijven onmiddellijk aan de stad
konden bouwen. De tuinen prijkten in deze maand nog met
de schoonste bloesems der lente en van den pasbegonnen
zomer. Golgotha was voorwaar een sombere plaats, die in
deze wereld der lente weinig op haar plaats scheen. Hier,
dicht aan den weg, (Joh. XIX : 20; Mark. XV : 29j werden
de galgen opgericht, waaraan de misdadigers werden ge-
kruisigd.
Op den weg naar deze plaats bewoog zich omstreeks twaalf
uur een groote opgewonden menigte. Van het paleis des stad-
houders, den trotschen koningsburcht af, alwaar een kwartier
geleden vonnis was geveld, had de mem\'gte zich door de
nauwe straten der vesting heengedrongen en zij bevond
zich nu op den open weg naar Golgotha. In haar midden
zag men drie veroordeelden, door Romeinsche krijgsknechten
begeleid, hunne kruispalen in de gloeiende middaghitte
achter zich aansleepen. Slechts een der gevangenen, Jezus,
die met een bleek, bebloed aangezicht, doodelijk ver-
moeid, maar met een uitdrukking van vastberadenheid
en ernst op het gelaat, tusschen de soldaten voortschreed,
-ocr page 370-
360
had men het kruis afgenomen. De Romeinsche hoofdman,
die de terdoodbrenging moest doen uitvoeren, een man met
menschelijk gevoel, had een voorbijkomenden landman be-
volen het kruis voor Jezus te dragen. Half Israël, dat in
deze feestdagen bij honderdduizenden in de stad bijeen was,
scheen heden naar Golgotha te stroomen: mannen en vrou-
wen, ouden en jongen. Naar de beide andere ongelukkigen
zag niemand. Een ieder had het oog gevestigd op Jezus
alleen en aan hetgeen in het binnenste omging werd
gedurig uitdrukking gegeven nu in beschimpingen en ver-
wenschingen, dan in betuigingen van medelijden. Het volk
van Israël geleidde aldus zijn Messias, die gekomen was
om het te verlossen, ter dood.
Zij hadden Golgotha bereikt. De hoofdman gaf de noodige
bevelen. De drie kruispalen werden opgericht en voorzien
van het gebruikelijke opschrift, de misdaad aanduidende,
die met de doodstraf werd geboet. Het volk stond rondom,
wachtende op de terdoodbrenging. Ook Jezus stond en
wachtte. Het treurige feit, dat zij in waanzinnige verblinding
hun eenigen Verlosser ter kruisdood overgaven; de zeker-
heid, dat zij daardoor den ondergang en het strafgericht
over hun natie brachten, vervulde ongetwijfeld Zijne ziel.
Hoe meer het Hem vroeger had aangedaan, dat de mede-
lijdende vrouwen der stad door het aanheffen van weemoe-
digo treurzangen en het storten van oprechte tranen Hem
hadden beklaagd, des te meer moest Hij nu denken aan die
verschrikkelijke dagen, waarin tengevolge van deze onzalige
beslissing van het volk na weinig tientallen van jaren,
duizenden Joden hier, nabij Grolgotha, aan het kruis genageld,
Jeruzalem verwoest en het gansche „volk Gods" verstrooid
zoude worden. Daar ginds lag de stad en haar tempel
en voorzeker zal Hij er nog eenmaal aan hebben gedacht,
hoe menigmaal, doch te vergeefs, Hij om haar had gewor-
steld, sinds den tijd, dat Hij als twaalfjarige Knaap hier
bij Golgotha had vertoefd en Hij vanhier was heengesneld
naai- het geliefde huis Zijns Vaders. In het verre Oosten
-ocr page 371-
361
zag Hij, als in nevelen gehuld, de bei\'gen van Moab. Daar
rustte Zijn „vriend" Johannes, die twee jaar geleden Hem
aan het volk had voorgesteld als den Bruidegom aan Zijn
bruid (Joh. 1: 29: III: 29). Heden werd de bloedbruiloft
gehouden.
De soldaten brachten een bedwelmenden drank ; dit was
een schijn van medelijden in de overigens zoo gruwzame
Romeinsche rechtspleging. Vrouwen uit de eerste familiën
van Jeruzalem bereidden dezen drank om de pijnen der
aan het kruis gefolterden te verlichten. De beide anderen
namen er van, Jezus wees den beker terug. Hij wilde
helder bewust lijden en stex-ven.
Xu werd Jezus ontkleed. Mantel, rok, hemd, voetzolen,
hoofdbedekking en tulband werden Hem afgedaan. Het
lichaam werd met koorden gebonden, aan het kruis opge-
trokken en met nagelen daaraan bevestigd. Hamerslagen
dreunden door het hout en door het geheele lichaam.
Pijnlijk trok dit inéén bij eiken slag. Jezus hing zwijgend
aan het kruishout.
Rondom het kruis moet een groote, ruime plaats zijn
geweest, die een groote menigte volks kon bevatten. (Luk.
XXIII: 35—48; Joh. XIX : 20.) Onder het kruis stonden
de hoogstgeplaatste mannen onder het Joodsche volk. De
hooge heeren Kajafas en Annas, de geheimraden van den
Hoogen Raad, de leeraren in het Joodsche staatsrecht had-
den zich in grooten getale voor den Koningsburcht bij den
stoet aangesloten. Anders te voornaam om een rechtspleging
bij te wonen, hadden zij het zich ditmaal niet kunnen ont-
zeggen, zich te verlustigen aan het zien der doodssmarten
van hun eindelijk gevallen Slachtoffer. Hunzelf moet het als
een droom zijn voorgekomen, dat zij reeds zoover waren
gevorderd. Met ongeloofelijken spoed hadden zij in de laatste
twaalf tot vijftien uren hun doel bereikt. Gisteren om dezen
tijd dacht nog niemand er aan en nu reeds hing Hij ster-
vende aan het kruis. En hoe voorspoedig was alles gegaan!
Het wufte volk had zich geheel aan hun zijde geschaard;
-ocr page 372-
362
Pilatus had toegegeven ondanks zijn meest onvoorwaardelijke
vrijspraak en hetgeen zij een jaar lang zoo dikwijls hadden
besproken en behandeld was door een zichtbaar welgevallen
der Godheid hun des nachts in den schoot geworpen.
Met voldoening zagen zij scharen bij scharen uit het
overbevolkte Jeruzalem toestroomen om den tot voor korten
tijd nog zoo gevierden ..Profeet" aan het kruis te zien. Uit
de hoonende uitingen en geheel de houding der menigte
zagen de hoogepriesters en staatsraden met tevredenheid,
dat al het volk hun partij koos. Wel stond behalve die
treurende vrouwen nog menigeen ontroerd toe te zien, ver-
baasd over den onverwachten val van deze kortelings door
duizenden gevierde Grootheid, eergisteren nog voor het
geheele volk onversaagd den hoogepriesters het hoofd bie-
dende, heden reeds aan het kruis gehangen! Maar niemand
waagde het voor Hem partij te trekken. Slechts de vijanden
van Jezus hadden gesproken.
Voor hen, die de geschiedenis des Heeren, Zijn omwan-
delen en Zijn weldoen door het geheele land met opmerk-
zaamheid hebben gadegeslagen, moet het steeds een raad-
selachtig feit zijn, dat gedurende het stormachtig proces
voor Pilatus en bij de terechtstelling op Golgotha, het ge-
heele volk zoo eenparig Zijn dood begeerde. Ook wij
verwijlen eenige oogenblikken onder het kruis om deze
merkwaardige, treurige gebeurtenis in het leven van Jezus
en van het volk van Israël te overdenken. Toongevend
voor de beslissingen van dezen dag waren de medeleden
van den staatsraad, aan wier spits de hoogepriester Kajafas
stond. Als in het voorbijgaan noemt Mattheüs ons de voor-
naamste drijfveer van hun daden. Het was de nijd (Matth.
XXIII: IS), die nijd, wien het reeds een doorn in het oog
is, als iemand het gepeupel en de middelmatigheid boven
het hoofd is gegroeid, die door het vernederend gevoel van
eigen geringheid tegenover een grooten geest zich beleedigd
acht en die onmiddellijk in doodelijken haat verandert, als
bovendien eigen belangen, macht en gezag worden bedreigd,
-ocr page 373-
363
die geen rust vindt, voordat de meerdere is gevallen en de
middelmatigheid weer op den troon is gezeten.
Toch was de nijd in dit geval ondergeschikt aan een
meer verborgen vijandig beginsel en dit was het algemeene
ongeloof,
waarop de verschijning des Heilands was gestuit.
Wel is waar had Hij in den loop der beide laatste jaren
vele vereerders gevonden; dit bewees de schitterende ver-
welkoming, toen Hij voor eenige dagen uit Bethanië kwam.
Wij willen aannemen dat deze Provincialen ontsteld waren
door het bliksemsnel optreden tegen Jezus, door de groote
eenstemmigheid der geheele stad en wegens de macht van
Rome, in welker naam het proces was gevoerd. Toch was
het inderdaad schande, dat niemand den moed had met
vrijmoedigheid op te komen voor den Onschuldige, te meer
daar het bekend was, dat een revolutionaire beweging door
niemand meer werd afgekeurd dan door Jezus. Maar aan
de veroordeeling hadden zij geen schuld. En toch moet
Pilatus den indruk hebben gekregen, dat gansch Israël,
zonder uitzondering, Jezus voor een doodschuldig Verachter
van den godsdienst en Vijand van den staat hield, aangezien
de groote massa van het volk op de meest besliste wijze
zich voor Jezus\' dood verklaarde. Men zou kunnen tegen-
werpen, dat zij door den ongehoord snellen gang van zaken
verrast waren en door het oproepen der volkshartstochten
waren geleid tot een daad, die zij bij behoorlijk nadenken
nimmer zouden hebben goedgekeurd. En gaarne wil ik
toegeven, dat hieraan een greintje waarheid ten grondslag
ligt. Dien morgen wist bijna niemand uit het volk iets
van de voorvallen, die gedurende den laatsten nacht zoo
in het geheim, zoo snel hadden plaatsgegrepen. Het
volksbesluit van dien ochtend had intusschen niet meer
waarde dan zoo menig besluit der meerderheid, wanneer
die meerderheid bestaat „uit een klein getal voorgangers
uit schelmen, die het onderling eens zijn geworden, uit
zwakkelingen, die zich bij elkander voegen en uit de massa,
die volgt, zonder in het minst te weten, wat zij wil." En
-ocr page 374-
3G4
van al degenen, die dien voormiddag op liet groote slot-
plein voor den koningsburcht hadden rnedegeschreeuwd,
waren er maar zeer weinigen, die tot den loop der dingen
in kleinen kring hadden kunnen medewerken.
En toch zou het een dwaling zijn geweest, hier te denken
aan onbezonnen overijling van het volk. Twee jaren lang had
Jezus het gebeele volk een ieder in zijn woonplaats opge-
zocht, opdat een ieder op den beslissenden dag in staat
zoude zijn een geldige stem uit te brengen. En hoe ver-
rassend de gebeurtenissen, elk op zichzelf, elkander ook
mochten zijn opgevolgd, over het hart der vraag kon een
ieder een overtuiging hebben, waar het er op aankwam Jezus
te verwerpen of te erkennen. Groote wereldgebeurtenissen
als die, welke op Golgotha voldongen werd, komen nimmer
door toeval of overijling tot stand. Zij komen tot stand naar
eeuwige wetten, zij volgen als eisch der noodzakelijkheid.
De beslissing door Israël op Golgotha was een vrucht van de
toenmalige geschiedenis van het volk. Daarom hadden ook
de profeten dit einde sinds eeuwen voorzien en Jezus had het
reeds aanstonds bij Zijn eerste verschijning te Jeruzalem als
onvermijdelijk voorspeld. (Joh. II: 19.) Dewijl het Israël aan
geloof ontbrak, daarom verwierp het Jezus. Men make toch
niet de tegenwerping, dat Hij na de herhaalde getuigenissen
van Johannes vele geloovigen vond. Het was een geloof,
dat niet rustte op ware bekeering en geheele zinsveran-
dering ; daarom was het niet proefhoudend. Het was een
geloof, dat slechts berustte op eene geestdrift, voortsprui-
tende uit het aanschouwen der wonderdaden en daarop had
Jezus van den beginne af geen vertrouwen (Joh. II: 24.)
Ook in de hoogste kringen, tot in den staatsraad toe geloofden
„velen" in Hem (Joh. XII : 42). Maar het was hetzelfde
onvaste geloof, dat ten dage der beslissing zich plaatste aan
de zijde waar het tehuis behoorde, namelijk aan die van Jezus\'
vijanden, die zoowel Hem als de door Hem zoo streng gevor-
derde (Joh. III: 3) bekeering haatten. Aangezien dit soort van
geloof onder het geheele volk geen inivendigen grond had,
-ocr page 375-
3(>5
bleef het een aanbidding van het uitwendig goed gevolg.
Zoo lang Jezus als op Maandag, Dinsdag en Woensdag van
diezelfde Aveek, naar het scheen, wel slaagde, stonden zeer
velen aan Zijne zijde: zoodra echter „het geluk" Hem verliet,
verlieten zij Hem dadelijk. Dewijl hun geloof niet op een
inwendige, zedelijk gegronde overtuiging rustte, konden zij
op Vrijdagmorgen aan de meest dwaze geruchten geloof
slaan, die aangaande Hem door de stad liepen, hoe onzinnig
deze ook zijn mochten met het oog op het algemeen bekende
karakter van Jezus, zooals b. v. dat Hij eindelijk voor den
Hoogen Raad als een Zwendelaar was ontmaskerd, enz.
En aldus kwam het dan tot dit treurig, schuldig misver-
staan van God, dat wij op Golgotha aanschouwen. Zij hadden
zoo lang de stem Gods in Zijn profeten en ten laatste in
Jezus niet witten hooren, dat zij het thans niet meer konden.
Zoo ver waren zij van God afgeweken, dat zij in den naam
van God den Zoon van God ter dood brachten in de mee-
ning den God van Israël daardoor den grootsten dienst te
bewijzen. Geen van hen had in Jezus waarachtig den Heer
der heerlijkheid erkend, anders zouden zij Hem niet hebben
gekruisigd. Zij handelden allen in verblinding en onwetend-
heid. (Hand. 111:17; 1 Cor. 11:8.)
Niemand erkende dit dan de groote Kruiseling zelf en
Deze met de innigste overtuiging. Daarom waren Zijn eerste
woorden, die Hij aan het kruis sprak, woorden van ver-
ontschuldiging voor de razende menigte aan Zijne voeten:
„Vader, vergeef het hun! Zij weten niet wat zij doen!" En
des te vaster stond Zijn besluit om deze uiterste grens van
schuldig misverstaan te verzoenen door de verstgaande
liefde, door Zijn leven voor hen te geven.
Hiermede zijn wij voorwaar nog niet doorgedrongen tot
den diepsten grond der catastrophe op Golgotha. Achter
de zonde, hartstocht en boosheid der menschen lag volgens
de uitdrukkelijke getuigenissen des Heeren nog eene hooze
macht.
De eersten waren de figuren op het tooneel; achter
de schermen speelde deze macht, gebruik makende van
-ocr page 376-
3Ü6
hunne zonden en hunne hartstochten, naar een ander, een
duivelsch plan haar rol. Het is een strijd tusschen twee
rijken, tusschen twee werelden, die op Golgotha volstreden
wordt, waarvan de overwinning na den dood van Jezus,
aan gene zijde van de poorten des doods in de onzichtbare
wereld wordt gevierd. De vijanden van Jezus op Golgotha
begrepen het niet, welke strijd hier feitelijk werd gestreden.
Op Golgotha hadden gebeurtenissen plaats, die ook wij niet
in staat zijn te beschrijven, omdat onze blik niet vermag door
te dringen in de verborgenheden der onzichtbare wereld. Een
geheimzinnige sluier zal altoos uitgespreid blijven over deze
verhevene uren, die eeuwigheden bevatten. Want indien
ergens, dan zijn hier de gebeurtenissen in den tijd maar
het voorhangsel, waarachter het eeuwige Godsplan is verbor-
gen. (Col. II : 15; Achter het zichtbare slagveld bevindt
zich het onzichtbare, achter de uitwendig razende vijanden,
onzichtbare, toornende boosheden uit de geestenwereld, die
al hun macht verzamelen om een laatsten beslissenden slag
te leveren, om door overmacht van zonde de breuk tusschen
God en mensen onherstelbaar te maken. De menscJicn wilden
dit niet. Dezen wilden niet hunnen Messias kruisigen; zij
hielden Hem feitelijk — zoo onbegrijpelijk groot was hun
verblinding — voor een Bedrieger en Duivelskunstenaar.
Maar boven al deze werkende personen en oorzaken, die
zoo duister en zoo somber zijn, staat zoo klaar en verheven
het alles duidelijk makende, alles beheerschende goddelijk
raadsbesluit.
,, Opdat de Schrift vervuld worde!" Deze sleutel
had Jezus sinds de dagen op den Hermon ook in de don-
kerste leidingen Zijn jongeren altijd weder in de hand gege-
ven. Nijd, haat, ongeloof, macht der duisternis, alles, zelfs
het meest ongewilde en het meest vijandige moest op Gol-
gotha daartoe dienen om het eeuwige plan van den oversten
Regeerder der wereld te volvoeren. Het meesterstuk van
boosheid, dat door het dooden van Christus de kloof tus-
schen God en de menschen onoverkomelijk moest maken,
beantwoordde God met het meesterstuk van eeuwige liefde
-ocr page 377-
3(J7
door juist dezen dood te maken tot de gouden brug, die
God met het verloste menschdom eeuwig zou verbinden.
En juist deze dood, die als uitdrukking van de doodelijke
vijandschap der menschen tegen God, het menschdom had
moeten doen wegzinken in den eeuwigen dood, was bestemd
om voortaan het schitterendste bewijs te zijn, dat uit den
lichamelijken dood als onvermijdelijk gevolg der zonde, een
eeuwig, onsterfelijk leven zou geboren worden, indien men
slechts verzekerd was van de hulp van dezen Overwinnaar
des doods.
De bonte menigte, die aan den voet van het kruis stond,
dacht gewisselijk niet aan deze verheven Godsgedachten.
Integendeel, liet kwam haar voor, dat Jezus nu voor alle
tijden veroordeeld was. Hoe schitterend gerechtvaardigd
stonden zij daar nu, die bij het kruis vergaderde groepen
van hooge heeren in lange, kostbare gewaden, die hooge-
priesters en leden van den Hoogen Raad. Menig eerzaam
burger van Jeruzalem boog dieper dan ooit voor hen. Hoe
hadden zij opnieuw zich betoond de verstandige en voor-
zichtige Vaderen des volks te zijn. die in de algemeene
Messiasbeweging, die nu als zwendelarij was gebrandmerkt,
een helderen blik hadden gehad. De Godheid zelve had nu
voor hen beslist. Zijn rol was afgesjieeld. Heden avond zou
Hij onder den grond liggen. Het was nu gedaan met den
dwazen droom van een Koninkrijk Gods, dat Hij onder hen
had willen oprichten. Het was nu voor altijd gedaan met
Zijn bezwering, dat Hij Gods Zoon was, daar Zijn Vader,
zooals Hij God noemde, Hem zoo volkomen had losgelaten.
Nu dit alles klaar en duidelijk bewezen was, ontbrak het
ook bij het gepeupel, bij aanzienlijken en geringen, niet aan
bijtenden spot, dien Jezus door Zijn tweejarige werkzaamheid
zich op den hals scheen te hebben gehaald. Had Hij nog
niet getracht, nauwelijks vier of vijf uur geleden, indruk
te maken door de verklaring voor den Hoogen Raad afge-
legd, dat Hij nu Zijn plaats zou gaan hernemen ter rech-
terhand der majesteit Gods en nu hing Hij aan het kruis.
-ocr page 378-
36S
Allen, die voorbij liet kruis gingen, wilden den stervenden
Leeuw nog eenmaal sarren. Menig woord van grootspraak
kwam hun voor den geest uit de dagen van Zijn voorspoed.
In het bijzonder dat gezegde aangaande den tempel wierpen
zij Hem voor de voeten.
..Ha!" riepen zij uit. „Gij wildet den wereldberoemden
tempel afbreken en in drie dagen weder opbouwen! Schande
over U, Gij Grootspreker! Toon nu Uw macht! Ginds staat
de aloude tempel, schitterende in den glans der zon, toon
nu Uw kunst — kom af van het kruis!"\'
Anderen herinnerden zich Zijn wonderen, vooral de op-
wekking uit de dooden in Bethanië, waarvan nog slechts
een paar weken geleden zooveel beweging werd gemaakt.
Xu toch was het voor den eenvoudigste uitgemaakt, dat
alles op zwendelarij of tooverij berustte — hoe zou Hij anders
zoo smadelijk den dood ondergaan! Dezulken wezen lachend
naar den gemartelden, zwijgenden Man aan het kruis,
zeggende: ..Anderen heeft Hij verlost, Zich zelven kan Hij
niet verlossen. Kom nu af van het kruis, Gij machtige
Koning, die ons allen verlossen wildet!"
Ook de overpriesters en raadsleden, die nu, het geheele
volk aan hunne zijde ziende, zich schadeloos gesteld voel-
den voor menige ure van zorg en onrust, zeiden tot de
menigte: „Ziet gijlieden nu wel, dat wij gelijk hadden niet
in te stemmen met u, gij lichtgeloovigen. toen gij in den
tempel Hem als den Messias uitriept? Heden wordt Gods-
gericht gehouden. Laat God nu voor Hem tusschenbeide
komen. Hoe menigmaal heeft Hij God Zijn Vader genoemd —
waarom zwijgt Hij nu? Waarom hooren wij niet meer een
enkel woord van al die gezegden, waarvan Hij vroeger den
mond zoo vol had? Waarom laat die „Vader" Hem nu zoo
ellendig sterven zonder Hem in het allerminst te hulp te
komen? Indien God alsnog eenig wonder voor Hem doen
zal, is het nu meer dan tijd. En voor het geheele volk be-
tuigen wij hier, dat, als God inderdaad nog een wonder
aan Hem doen zal, zelfs wij, — overpriesters en hooge
-ocr page 379-
369
raadsleden — de knie voor Hem zullen buigen en Hem
zullen aanbidden. Heidaar!" aldus eindigden zij, zich naar het
kruis keerende, „kom af van het kruis! alsdan zullen wij
in U gelooven!"
Zelfs de soldaten deden mede om hun gefolterd Slacht-
offer te beschimpen. Zij bevonden zich het dichtst bij het
kruis. „Hoera!" schreeuwden zij uit volle borst, „hoera! voor
den Koning der Joden! Hij heeft voor Koning willen spelen,
Hij wilde meer zijn dan wij — daarom hangt hij nu aan
het kruis!" En hun luide lach, die tegen het kruis weer-
galmde, vond honderdvoudigen weerklank onder het volk.
Jezus hoorde dit alles aan en zweeg. Voor bijna allen
was dit zwijgen als eene erkenning van schuld. Zelfs Zijn
vrienden vroegen zich met een beklemd hart af: „Waarom
zwijgt Hij zoo geheel? Waarom spreekt Hij niet een enkel
woord om te zeggen, dat Hij onschuldig sterft?"
Wellicht hebben velen zich geërgerd aan dat zwijgen.
Maar Jezus zelf, Hij gevoelde diep dien overloop van smaad,
de alles te boven gaande smart, door God verlaten te zijn.
De hoon, dien zij Hem aandeden door de verklaring, dat
God Hem klaarblijkelijk aan zichzelf overliet, was inder-
daad de smart Zijner ziele. Hemzelf was het inderdaad,
zooals Zijn uitroep later bewijst, een raadsel, dat God Hem
zoo geheel kon verlaten. Hij ging door het duisterste dal en
de eenige staf, waarop Hij steunen kon, was de overtuiging,
„dat het Gods wil was" en het geschiedde, „opdat de Schrift
vervuld zou worden." De verschrikkingen van den vorigen
avond bevingen nog eenmaal Zijn ziel. Zoo angstig, zoo
verlaten, zoo zonder troost uit den Hooge, had Hij zich nog
nooit gevoeld. Toen had Hij den zwaarsten heldenstrijd des
geloofs en der gehoorzaamheid alléén uitgevochten. Het
betrof het behoud van het geloof aan God, zelfs waar Deze
een schuldelooze op gruwzame wijze scheen te straffen; —
het vasthouden aan de oneindige wijsheid en liefde Zijner
bedoelingen, zelfs waar zij ondoorgrondelijk schenen; het
behoud van het geloof ook daaraan, dat deze schimpende,
Kent gij Hem?                                                                                                 -"*
-ocr page 380-
370
woedende mensclieid aan Zijn voeten door dit laatste bewijs
Zijner liefde zich nog zou laten redden en alzoo nog een
rijk van heerlijkheid en liefde zou worden gesticht. En als
wij de zeven kruiswoorden beschouwen, die dikwerf als een
bliksemstraal in een donkeren nacht van lijden ons oog
verlichten, dan zien wij, dat ook in de grootste duisternis
twee zaken bij Jezus onomstootelijk vaststonden, ten eerste
het geloof aan Zijn Vader, ten tweede het geloof aan een
heerlijk einde van Zijn verheven Verlossingswerk.
Ook een schaar van vrienden stond onder het kruis. In
stomme smart aanschouwden zij den doodsstrijd van hun
Meester. Ongetwijfeld stemden velen onder het volk niet in
met de lasteringen der woordvoerders. Velen behoorden tot
degenen, die Hem des Zondags zoo vroolijk juichend hadden
ingehaald, tot hen, die Hij had genezen; tot de dankbare
toehoorders uit vroegere dagen; tot de tollenaren, die bij
Hem wederom achting voor zichzelve en een streven naar
hoogere dingen hadden teruggevonden. Dezulken stonden
daar zwijgend en durfden niet onder het oog der Romeinsch.-
oppermacht en der overpriesters uitdrukking geven aan de
gevoelens, die hen vervulden. In deze richting verhaalt ons
het Evangelie slechts iets van de vrouwen, die waarschijnlijk
de groote meerderheid uitmaakten van hen, die in Jezus
geloofden. Vrouwen gevoelen dikwijls instinctmatig beter
de waarheid dan de mannen en vooral als dezen, door partij-
schap verblind, meenen het recht aan hun zijde te hebben.
De vrouwen hadden voorzeker een meer eervol aandeel in
de gebeurtenissen op den Goeden Vrijdag dan de mannen,
van de edele gemalin van Pilatus tot de vrouwen van
Jeruzalem, wier harten braken bij het zien van den mis-
handelden Weldoener des volks en die daarbij in klaagtonen
uitbarstten, ja, tot die getrouwe discipelinnen, die bij Jezus
stand hielden, toen bijna alle jongeren vreesachtig van het
kruis waren gevloden.
Daar stond zij, die kleine sidderende schare van edele
vrouwen, die Hem gevolgd waren van Gralilea, die ook in
-ocr page 381-
371
den laatsten, vreeselijksten storm hun Heer niet konden ver-
laten. Angstig wachtten zij het af, of God niet nog in den
hoogsten nood een wonder zou verrichten om Hem te red-
den, ten einde de oprichting van Zijn zoo dikwijls aange-
kondigd Messiaansch Koninkrijk nog in de laatste uren
mogelijk te maken.
Nog meer nabij stond een groep der innigste vrienden.
Het kruis was niet hoog, de voeten reikten nauwelijks eene
spanne boven den grond. Zij konden dus elk woord, eiken
zucht van Jezus hooren, ook al sprak Hij niet luide. Voor
allen stond hier de arme Maria, die voor 33 jaren, als
maagd zoo gelukzalig had geroemd: „Van nu aan zullen
mij zalig spreken alle geslachten!" Gelijk eens in den Kerst-
nacht, in het zaligst uur haars levens, door hemelglans en
engelenkoren omgeven, geen enkel woord over hare lippen
kwam, maar zij al deze dingen in haar hart bewaarde
(Luk. II : 19), zoo is ons ook geen enkel woord van haar
in deze uren van nameloos lijden overgeleverd. De diepste
smart uit zich evenmin in woorden als de hoogste vreugde.
Het is, alsof wij de zwijgende Maria, onder het kruis staande,
een nieuwe beteekenis zien geven aan dezelfde woorden,
die zij voor ruim dertig jaren sprak: „Zie — de dienstmaagd
des Heeren! Mij geschiede, gelijk gij zegt!" Naast haar stond
hare zuster, de tante van Jezus, en de getrouwe Magdalena,
die den dubbelen Redder van haar leven zag bloeden aan
het kruis. En bij hen stond Johannes, de geschiedschrijver
van Golgotha, de discipel dien Jezus liefhad, die van de
twaalven de eenige was, die bij zijn Heer bleef tot in den
dood. Zwijgend stond hij daar en leed mede, wat zijn
Meester lijden moest. "Wellicht sprak hij nu en dan een
woord van het diepste medelijden en de vurigste liefde tot
zijn Meester. Niets vermocht zijn geloof aan den persoon
van Jezus te doen wankelen. Niemand op Golgotha voor-
zeker zag zoozeer als hij, door den oneindigen smaad heen,
de grootheid en heerlijkheid van zijnen Heer. Niemand
voorzeker gevoelde als hij den polsslag der eeuwige liefde,
-ocr page 382-
372
waarvan dit nameloos lijden getuigde. Nu begrijpen wij,
waarom hij later niets anders -wilde prediken dan de liefde
Gods! Eenerzijds een hel van haat en boosheid, anderzijds
de henielsch reine, onbaatzuchtige, verbloedende liefde;
eenerzijds schijnbaar slechts bewijzen van goddelijken toorn,
die den zondaar in den nood laat, anderzijds toch dezelfde
taal des geloofs van den Zoon tot den Vader, zooals hij die
gedurende twee jaren vernomen had. Iemand, die den dood
des misdadigers sterft en daarbij het paradijs toezegt, —
dat waren contrasten, die Johannes slechts kon overeen-
brengen door het geheim der eeuwige liefde, die in deze
woelende, hatende menigte de toekomstige kerk der verlos-
ten reeds aanschouwde, voor wie straks in de zwartste duis-
ternis, reeds de poorten van het paradijs zouden worden
ontsloten. De onvergetelijke indrukken van deze uren voor
de poorten van Jeruzalem bleven als in vlammenschrift
in de ziel van Johannes bestaan en weerklinken altijd en
altijd weer in zijne brieven (b. v. I Joh. IV: 9 enz.).
Niet lang na de kruisiging vertoonde zich een onrustba-
rend verschijnsel in de natuur. Duisternis bedekte de aarde.
Als een wolk van rouwfloers lag zij over Jeruzalem en
Judea. Waarschijnlijk was het een zandwind, die in April
somtijds opkomt, die deze duisternis veroorzaakte *). Gre-
woonlijk vertoont zich dan de zon als een dolle spiegelscliijf.
Het is mij zelfs gebeurd, dat ik daarbij te vergeefs uitzag
naar den stand der zon. Alzoo geschiedde het ook toen. De
zon verloor haar glans. Het omliggend gebergte was aan
het gezicht onttrokken. Zelfs de nabijliggende stad was als
in nevelen gehuld. Al was dit verschijnsel meermalen voor-
gekomen, toch werd ieder door angst aangegrepen. Wat
men niet durfde uitspreken werd des te meer gevreesd: dat
G-od daarmede Zijn ongenoegen wilde te kennen geven over
de uitgevoerde gruweldaad, waarin allen hun aandeel had-
*) Zie hierover Schneller: »Kent gij het Land?" hoofdstuk »Goede
Vrijdag."
-ocr page 383-
373
•den. Zij hadden zoo koelbloedig een teeken van boven ge-
vraagd; — was dit niet een teeken? Zelfs vele raadsheeren
werden onrustig bij deze sombere taal des hemels. Vragen
rezen bij hen op, die zij niet durfden beantwoorden, maar
die zij ook niet uit hun geest konden verbannen. Welk
kwaad had hun deze Rechtvaardige gedaan ? "Waarom brach-
ten zij Hem zoo gruwelijk om het leven ? Zij herinnerden
zich de waanzinnige vertwijfeling van Judas in den voor-
middag. Hun geweten begon hun te verwijten, dat zij Hem
slechts door een schandelijke leugen aan het kruis hadden
gebracht. Geen hunner toch geloofde aan hun eigen aan-
klacht van opstand tegen den keizer. — Indien deze duis-
ternis, hoewel niet zonder voorbeeld, eens een bewijs ware
van den G oddelijken toorn ? Indien zij eens het eerste woord
ware van dien geheimzinnigen rechterstoel uit de onzicht-
bare wereld, nu de menschelijke rechtbank haar laatste
woord had gesproken? De spotters verstomden. Rondom het
kruis werd het hoe langer hoe meer ledig en stil, naarmate
de in het geweten gegrepenen zich verwijderden van het
tooneel hunner boosheid. Hoe het zij, de hoogepriesters en
de raadsleden verlieten spoedig deze plaats.
De drie uren van duisternis waren voor Jezus de laatste
uren van arbeid, van strijd. Zijn geest was vervuld met Zijn
dood en beteekenis daarvan voor de wereld, waaraan Hij
geloovig moest vasthouden. Hij zweeg gedurende bijna dien
ganschen tijd. Het verhevenste op Golgotha geschiedde in
diep stilzwijgen. Hoe donker het uitwendig was, nog don-
kerder werd het van binnen in het hart. De smarten van
het gevoel door God verlaten te zijn overvielen Hem en
werden al pijnlijker. Gekomen op het toppunt van zelf-over-
gave, deed Hij angstig de ontzettende vraag naar den Hooge:
„Mijn God, Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten?" Maar
dit was ook de grootste diepte van Zijne zelfvernedering.
•Van nu aan vindt Zijn hart meer en meer licht, totdat Hij
onverwachts tot verbazing der omstanders, niet meer met
de smartvolle stem van zooeven, maar met een machtig
-ocr page 384-
374
geluid, dat door duisternis en wolken ja, als over de ge-
heele wereld weerklonk, uitriep: „Het is volbracht!" Het
was een kreet der overwinning op bijna blijden toon, na
al de smarte, niet opgeheven hoofd en verhelderd gelaat
uitgeroepen, ten blijke dat Hij na een zware worsteling een
groot, wereldomvattend vraagstuk had opgelost.
Snel naderde nu het einde. Jezus gevoelde, dat de dood
nabij was. Zijn krachten begaven Hem. Johannes, — de
ooggetuige onder de Evangelisten, — het laatste hoopje
Zijner getrouwen, de drie Maria\'s, Nicodemus, Jozef, de drie
G-alileesche vrouwen, wellicht het huisgezin uit Bethanië,
namen duidelijk de verandering op Zijn gelaat waar. Geen
enkele beweging ontging hun. Zij zien, hoe Zijn kleur ver-
andert, hoe de bleekheid des doods zich over Zijn aangezicht
uitspreidt. Nog één blik van afscheid en dankbaarheid richt
Hij op hen, want tot het laatste oogenblik heeft Hij het
bewustzijn behouden. Nu roept Hij met luide stem: „Vader!
in Uwe handen beveel Ik Mijnen geest!" en toen Hij dit
woord gezegd had, het slot van dit Godgewijd leven, dat
eens in het twaalfde jaar met een soortgelijk woord was
aangevangen, — toen zonk Zijn edel hoofd, dat steeds op-
geheven was gehouden, neder op de borst en bleef aldus
onbeweeglijk hangen.
Plotseling gevoelde de kleine schare nabij het kruis een
dof gerommel. Alsof de natuur eindelijk ontwaakte na lange,
angstige beklemming, brak een aardbeving uit onder Jeru-
zalem en Golgotha. Nog heden bevinden zich Noordelijk
van Jeruzalem, nabij de poort van Damascus, geweldige
rotsblokken en rotsmuren. Deze afgebroken en gescheurde
blokken stortten naar beneden.
Het volk, dat nog aanwezig was, vlood vol schrik van
daar en ijlde de stad binnen. Schreeuwende, vloekende,
tierende, spottende en hoonende was het drie of vier
■uren geleden uitgetrokken in den helderen zonneschijn, —
zwijgende, ontdaan, met den zichtbaren angst, dat Gods
onzichtbare arm zich reeds ter straf uitstrekte over hunne
-ocr page 385-
375
stad, slopen zij nu binnen achter de donkere vestingmuren.
De hoofdman echter, die de doodstraf had laten voltrek-
ken, bleef, diep ontroerd, staan. De grootheid van ziel,
waarmede Jezus Zijn lijden gedragen had, waarbij elk woord,
elke beweging scheen te zeggen tot het droevig lot, dat
Hij dragen moest: „Ik ben meerder dan gij!" had Hem
voorzeker reeds herinnerd aan een gezegde in Rome gebrui-
kelijk: Si fractus illabatur orbis, impavidum ferient ritinae.
Maar toen hij zag, hoe de Gekruisigde met een overwin-
ningskreet deze aarde verliet; toen Hij hoorde, hoe Deze
Zijn geest vol vertrouwen in Gods handen stelde; toen zelfs
de Hemel het voor Hem opnam door duisternis en aardbe-
ving, toen werd het hem plotseling duidelijk, dat men een
verschrikkelijke misdaad had gepleegd door Hem te dooden,
die zich „Gods Zoon1\' had genoemd! Deze getuigenis moest
waarachtig zijn. En aangedaan wendde zich do krijgsman
tot zijne soldaten en sprak tot hen deze woorden, die wij
het beste onderschrift onder de geschiedenis van Golgotha
achten: „Voorwaar, deze Mensch was rechtvaardig, Hij was
Gods Zoon!"
De begrafenis.
Het groote Paaschfeest was op handen. Met zonsonder-
gang zou het beginnen. Gansch Jeruzalem tmaakte zich
daartoe gereed. In den tempel werden tusschen 4 en G uur
de paaschlammeren geslacht, volgens Jozephus te dien tijde
meer dan 250.000. En in de woningen werd alles gereed
gemaakt voor den feestelijken, sinds eeuwen geheiligden
maaltijd.
En toch, heden wilde de rechte feestvreugde zich niet
openbaren in de duizenden woningen en tenten binnen en
nabij Jeruzalem. De onzalige stilte van een kwaad geweten
was over de stad uitgebreid, over het paleis der hooge-
-ocr page 386-
37 6
priesters, zelfs over den trotschen koningsburcht van Pilatus.
Sombere geruchten gingen door de stad. Judas, zeide men,
had zich opgehangen. Het voorhangsel van het aller-
heiligste was in het stervensuur van Jezus doormidden
gescheurd van boven naar beneden, en de priesters hadden
met ontzetting gezien, hetgeen hunne oogen nimmer hadden
mogen aanschouwen. Jezus was onder den aanroep, dien
men herhaaldelijk van Hem in den tempel gehoord had,
gestorven met een blijmoedig gebed op de lippen. En nu
Hij gestorven was, gevoelden velen, dat Hij hun nimmer
iets kwaads gedaan had. De worm van het kwade geweten
begon aan hunne harten te knagen.
Daarbuiten, op Grolgotha, was de zware, heete strijd vol-
streden. De koele avondwind was opgestoken. Een zachte,
verzoenende avond daalde neder, na de vreeselijke gebeur-
tenissen van dezen dag. De duisternis was voorbij. De glans
der ondergaande Aprilzon verguldde de stad en den Olijf-
berg, alsmede het in het verre Oosten tooverachtig verlichte
Moabietengebergte. In het "Westen ging de zon als een.vurige
bol in het midden van purperen en gouden wolken onder.
Het was op dezen avond, alsof een stille vrede de geheele
natuur omarmde na voorafgeganen storm en aardbeving.
Het lichaam van Jezus hing nog aan het kruis, door de
gouden avondzon als met een gloriekrans omstraald. Onder
het kruis toefden nog de getrouwe vrouwen uit G-alilea,
onder namelooze droefheid de betraande oogen van tijd tot
tijd opslaande naar het aangezicht van den geliefden Doode,
dat door de zon verricht werd. Zij vormden de lijkwacht,
totdat de beide aanzienlijke mannen uit den Raad terug-
kwamen, die voor de begrafenis zouden zorgen. Onder het
kruis was het schroomvallig geloof van deze mannen gerijpt
tot een onverschrokken, mannelijk geloof. Spoedig gevoelden
zij zich zoo nauw verbonden aan deze Oalileesche vrouwen,
alsof zij haar reeds sedert jaren gekend hadden. Dit was
het eerste kenmerk van het gemeentelijk leven door de
kracht van het kruis van Christus.
-ocr page 387-
377
De beide patriciërs uit Jeruzalem kwamen achtereenvol-
gens ter plaatse, de een met de vergunning om Jezus te
begraven, de ander met een lastdier of wel eenigo dienaren,
die honderd pond specerijen medebrachten van de beneden-
markt, aromatische mirregom en welriekend hout der aloë,
beide tot poeder gemalen. Nicodemus zag op naar het edele,
bleeke gelaat. De herinnering aan zekeren duisteren nacht,
nu twee jaren geleden, zal wel bij hem zijn opgekomen,
toen hij met den nu Gekruisigde zat bij het licht eener
altaarlamp in de stad en hij van Dezen aan het einde van
een langdurig gesprek de woorden hoorde, die hij destijds
niet begreep: „Gelijk Mozes de slang in de woestijn ver-
hoogd heeft, alzoo moot ook de Zoon des menschen verhoogd
worden." Xu verstond hij dit.
Voorzichtig en zacht, gelijk men een zieken vriend, dien
men geen pijn wil veroorzaken, behandelt, verwijderden de
mannen de nagelen uit handen en voeten, ondersteunden
de slappe ledematen en namen den geliefden Doode van
het kruis af. Daarna brachten de beide getrouwen het
lichaam naar een nabijliggenden tuin. Deze was liet eigendom
van Jozef. Sinds hij uit Arimathea naar Jeruzalem was
gekomen, had hij niet alleen zijn patricisch huis in de stad
gebouwd, maar ook daarbuiten, in den stillen hof, zijn laatste
woning laten uithouwen in een rotswand. Daarheen droegen
zij den Heer. De vrouwen volgden. De dienaren droegen het
aromatisch poeder voor het balsemen bestemd.
De hovenier zal hen bij het binnenkomen in den ommuur-
den tuin wel hebben ontvangen. Maria Magdalena zag hem
wel, maar keek hem niet in het gelaat. Onder het in den
avondwind ruischende geboomte ging zwijgende, van tijd
tot tijd slechts zachtjes zuchtende, de kleine lijkstoet langs
de tuinpaden tot aan het graf. Daar voor hen werd het
zichtbaar in de opgaande rots. Een portaal leidde naar de
kleine, lage deur, die toegang gaf tot de grafkamer.
Hier legden zij den Doode op den rotsgrond. Met het
water uit den put, vermengd met hunne tranen, wischten
-ocr page 388-
378
de teerhartige vrouwen het bloed van het aangezicht en
van de wonden, ontwarden het bebloede hoofdhaar en
brachten dat in orde, maakten het lichaam van hun gelief-
den Heer gereed voor de lange rust en namen een hart-
verscheurend afscheid. Daarna zagen zij met weemoedige
blijdschap, hoe de twee ernstige mannen hun diepbetreurden
Meester eene begrafenis bereidden, zooals geen vorst meer
eervol kon worden gegeven. Het heerlijk riekend aloëpoeder
werd in overvloed met de mirre tusschen het hagelwitte
linnen gelegd, waarin zij Jezus\' lichaam wikkelden. Het
overblijvende der specerijen verspreidden zij in de grafka-
mer op den koelen rotsbodem. Toen legden zij Hem in het
nieuwe graf, dat nimmer door eenig bederf was aangeraakt
geworden. Aldus behoorde het te zijn voor den Vorst des
levens.
Nu traden zij vol droefheid naar buiten. Zij zagen op
naar de zon, want vóór zonsondergang moesten zij in de
stad zijn. Alsdan begon de Paasch-sabbat. Juist neigde zich
de zon ten ondergang en zij gevoelden met diepe smart,
dat het tevens de ondergang der zon in hun eigen leven
was, dat de zon was ondergegaan, die zij niet waardig
waren geweest te aanschouwen.
Sprakeloos en troosteloos ging de groep stadwaarts, langs
denzelfden weg, waarop men des middags Jezus had weg-
gevoerd, te midden eener zoo groote, woelige menigte. Nu
was het hier buiten doodstil. Zij hadden het geloof in Hem
niet verloren, zij waren niet geschokt in hun vertrouwen
op de goddelijkheid en de waarheid van Zijn getuigenis en
hun liefde was grooter dan ooit. Maar de hoop had hen
begeven en Gods weg was voor hen verborgen als in stik-
donkeren nacht. Wel moest de wereld een zoo blijde hope
niet waardig geweest zijn. Daarom had God die heden van
hen genomen. Ook daarom weenden zij. Zij geloofden, dat
hun Heer iets droevigs had ondervonden. Ook zij dachten,
evenals alle menschen, dat de dood het grootste ongeluk
was. Dat de dood onder sommige omstandigheden het
-ocr page 389-
379
hoogste goed kon zijn, dat vei\'stonden zij nog niet. Met
gebroken hart traden zij de stad binnen.
Nauwelijks een uur na zonsondergang, kwam achter den
Olijfberg de zilveren volle maan op, rustig, helder schij-
nende. En zij lichtte over Grethsemané, alwaar zij gisteren
een heeten strijd hadden aanschouwd en over Jozefs graf,
waarin de laatste, zware doodsstrijd geëindigd was.
De sabbatnacht was gedaald. En uit het stille rotsgraf
in Jozefs hof, waarin het lichaam van den getrouwen
Strijder met diens Paaschgeheim rustte, breidde een nieuwe
Sabbat zijn vleugelen uit over de verloste aarde en in den
hof van Jozef van Arimathea begon die zeldzame wónder-
bloem langzaam te ontluiken, van welke de sagen der vol-
keren verhalen, dat zij alle wonden geneest bij allen, die
haar vinden, n.1. de zalige hoop des eeuwigen levens.
-ocr page 390-
Er gaat door de geheele
Christenheid een luido
klacht op over Jeruzalem,
het verloren kind. "Wie
onzer gevoelde dit niet
reeds in zijn hart! Bij
het lezen van onzen Bijbel toch wandelden wij in den geest
langs de oude eerwaardige paden van het Beloofde Land!
In bijzondere beteekenis is aan dit land voor ons bewaarheid
-ocr page 391-
3S1
geworden de oude spreuk, „ex oriente lux/"• Uit het Oosten
is voor ons het licht opgegaan, dat nu reeds langer dan
duizend jaren ons geliefde Vaderland verlicht.
En daar in het Oosten zelf? Ach, daar is het sinds lang
weer duistere nacht geworden! De stormen van den Islam
zijn heengewaaid over de eenmaal zoo bloeiende Christelijke
Kerk, die de Middellandsche Zee van Noord-Afrika tot
Constantinopel omgaf, als een tuin Gods. Toen zonk ook
het geliefde Heilige Land, de geboortegrond der heilige
geschiedenis en der openbaring, deze parel van het Oude
en Nieuwe Verbond, in duisteren nacht terug. Onze voor-
vaderen beproefden in de kruistochten door zwaard, schild
en lans den Jodenban te verbreken. Echter vonden zij zelve
den dood, duizenden vonden in het Oosterland een ver
verwijderd graf, maar het Heilige Land te bevrijden van
zijn droevige ketenen, dit vermochten zij niet.
Voor onze Zendingseeuw was het weggelegd, met het
zwaard des Geestes, het Woord van God, den echten, Gode-
welgevalligen kruistocht te ondernemen. Toen de Kerk zich
van haren zendingsplicht weder bewust werd, herinnerde
men zich ook de oude, niet verjarende schuld van liefde
en dankbaarheid jegens dat dierbare land der Heilige Schrift,
dat eenmaal de draagster was van kruis en krib. Ook in
Duitschland ontwaakte op vele plaatsen de wensch om het
Evangelie van Jezus Christus wederom over te planten in
zijn oude, eerste bakermat. Als gevolg daarvan zien wij
heden tendage, als wij onzen blik naar het Oosten richten,
niet meer enkel diepe duisternis, maar uit den eeuwenouden
nacht van den Islam schitteren als vriendelijke sterren een
reeks van evangelische zendingswerkzaamheden ons tegen.
Eene hiervan, die na 30 jaren van ernstig streven en
dikwijls zwaren strijd van rijken zegen mag gewagen, is
het Syrische Weeshuis te Jeruzalem *).
•) Het Bestuur van dit Weeshuis heeft zijn zetel te Keulen. I)e
schrijver is Secretaris van dit Bestuur.
-ocr page 392-
3S2
Het Syrisch Weeshuis, oorspronkelijk naar aanleiding der
bloedige Christenvervolging op den Libanon in 1860 gesticbt
tot redding der kinderen, die wees geworden waren ten
gevolge van liet bloedbad aldaar aangericht, heeft de enge
grenzen der stichting reeds sinds lang uitgezet en is uit-
gebreid tot de grootste zendingsstichting van geheel het
Heilige Land. Kinderen uit alle standen van Dan tot
Berseba, ja, van den Nijl tot den Eufraat worden daarin
opgenomen en in den regel gedurende den leeftijd van 8
tot 18 jaar tot EvangeUsche Christenen opgevoed. Dit ge-
schiedt niet alleen in de achtklassige school en het Seminarie
voor Onderwijzers,
maar ook in de 10 werkplaatsen, waarin
elke jongeling na het verlaten der school, na doop en be-
lijdenis, een ambacht kan leeren, waardoor hij bij het ver-
laten der Inrichting als een zelfstandig man het leven kan
intreden. Het bezoek in die ruime werkplaatsen met hare
180 bewoners, geeft een opgewekt, vroolijk en levendig
tooneel te aanschouwen. Er wordt genaaid, gehamerd, ge-
schaafd, gevijld, in de werkplaatsen der kleermakers, schoen-
makers, timmerlieden, smeden, slotenmakers, pottenbakkers,
draaiers, boekdrukkers, enz. En als wij het land doortrek-
ken, dan zien wij in menige plaats in Judea en Galilea, die
anders geen spoor van den Evangelischen geest zou te zien
geven, op verblijdende wijze de vruchten rijpen van dit jaren
lang voortgezet opvoedingswerk. In Sichem vinden wij een
Evangelischen pottenbakker, in Jaffa een aantal handwerks-
lieden, in Jeruzalem flinke evangelische koop- en ambachts-
lieden, in Betdjala en Kaïro een evangelisch predikant, in
Bethlehem, Hebron en Betdjala evangelische onderwijzers,
in Tiberias, Nazareth, Tyrus, Sidon, op den Libanon en den
Hermon talrijke evangelische handwerkslieden en landbou-
wers, — allen geboren Arabieren, die hun evangelisch geloof
hebben meegebracht uit het Syrisch weeshuis en die allen,
een iegelijk naar geloof en talenten hem geschonken, als
zendboden van het Evangelie in hunne woonplaatsen werk-
zaam zijn. Reeds zijn meer dan vijflionderd van deze kwee-
-ocr page 393-
3S3
kelingen uit liet Syrisch Weeshuis door liet land verspreid
en met blijdschap kunnen wij de verzekering geven, dat het
moeilijk werk in het Beloofde Land niet vergeefsch is geweest.
Ook voor den overigen Duitsch Evangelischen Zendingsarbeid
in het Heilige Land heeft deze uitgebreide stichting groote
beteekenis als baanbreekster. Zoo wordt b. v. het werk der
Berlijnsche Jeruzalems-vereeniging, die in het Zuiden des
lands, in Bethlehem, Betdjala en Hebron kleine gemeenten
gesticht heeft, grootendeels verricht door voormalige kweeke-
lingen van het weeshuis (leeraren, onderwijzers, zendelingen!.
Is reeds de inwendige omgeving van onzen Zendingspost
liefelijk en aangrijpend, hoeveel meer is dit bij den aanblik,
die ons in geestelijken zin hier gegund is over het liefelijke
land. Het is hartroerend in deze kinderoogen, in de oogen
dezer jongelingen, landgenooten van Profeten en Apostelen,
ja van onzen Heere zelf te blikken en daarbij te bedenken,
dat allen geroepen zijn om éénmaal als zooveel getuigen van
het Evangelie, als heilige voorposten dienst te mogen doen
in het goheele Beloofde Land. Zelfs de blinden, die wij in de
blindeninrichting aantreffen, den blindenbijbel, in het Syrische
AVeeshuis zelve gedrukt, ontcijferende, of wel manden, matten
en soortgelijke voorwerpen vervaardigende, zelfs dezen moe-
ten naar hunne krachten, eenmaal medewerken om hunne
blindgeworden landgenooten wederom de oogen te openen.
Een belangrijke schrede voorwaarts is in 1891 gedaan door
den aanleg der kolonie Ramle. Het landbouwende gedeelte der
kweekelingen had tot nu toe bij zijn verspi\'eiding over het
land, óf niet een geestelijk verband, óf geen voldoende voor-
uitzichten op vooruitkomen in de wereld. Daarom heeft de
bejaarde stichter der Inrichting, onvermoeid als hij is, „ Vader
Schnpller\'",
niet gerust, alvorens hij na tien jaren aanhoudende
inspanning met behulp van het Duitsche rijk, ongeveer een
halve kwadraatmijl land van de Turksche regeering had ver-
kregen, tot vestiging van deze vreemdelingen, die in December
1890 aldaar hun veldarbeid hebben aanffevancen. Deze ko-
lonie verdient in hooge mate de belangstelling en medewerking
-ocr page 394-
O- \\^o^i^
384
van alle Zendingsvrienden. Krachtige hulp is zeer noodig.
In Jeruzalem heeft zich een toenemend aantal voormalige
kweekelingen gevestigd, deels voor eigen zaken, deels in
dienst van anderen werkzaam. Hun gezinnen zullen zich
waarschijnlijk in school en kerk aansluiten aan het Moeder-
huis, dat behalve den directeur, nog een eigen leeraar heeft,
den predikant-inspector Th. Schneller. Om intusschen ook
de, over het geheele land verspreide kweekelingen niet
zonder verpleging te laten, trekken de Evangelisten van het
weeshuis tweemalen \'s jaars het geheele land door, van stad
tot stad, van gehucht tot gehucht.
Voor dezen wijdvertakten zendingsarbeid in het oude
Beloofde Land, vraag ik den vriendelijken lezer, uit den
grond mijns hai\'ten, belangstelling en hulp. Ook het kleinste
steuntje kan bijdragen tot bereiking van het groote, het
heerlijke doel: weder opbouwing der vervallen muren van
Sion. Om zoodanige deelneming mogelijk te maken, geeft
het Syrisch "Weeshuis sinds ü jaren een eigen driemaande-
lijksch tijdschrift uit: „de Zionsbode", dat te Jeruzalem
gedrukt, direct van daar uit, aan eiken vriend der Inrichting
wordt toegezonden. Ik ben gaarne bereid voor een ieder, die
mij daartoe zijn adres opgeeft, de toezending te bezorgen.
Alzoo dan snellen de voeten dergenen, die den vrede
verkondigen, weder over de bergen van het Beloofde Land!
Des Heeren zegen ruste op onzen arbeid. Mogen velen, aan
wier deur ik bij dezen aanklop als een pelgrim uit het
Beloofde Land, bereid zijn, plaats te nemen in den kring
der vrienden en begunstigers van het geboorteland onzes
Heeren, opdat wij, als met duizend liefdehanden, het arme,
verloren kind der Christelijke Kerk terugbrengen tot Hem,
die op deze bergen voor ons het eeuwige heil heeft verworven.
Men wordt verzocht giften en mededeelingen betreffende
het Syrisch -"Weeshuis te zenden aan het adres van den
schrijver, Secretaris des Bestuurs, Pastor L. Schneller,
Grosze Witschgasse 9/u Köln a/R.
-ocr page 395-