-ocr page 1-
-ocr page 2-
/V-, yV^ 1*2 £^5/
-ocr page 3-
tJf/fn
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
lül
2948 390 0
-ocr page 4-
I
I
-ocr page 5-
HET KRUIS DES VERLOSSERS.
BIBLIOTHEEK
NED. HERV. KmK
6            *
zo
\'S
C &S*
-ocr page 6-
-ocr page 7-
loftQ ió^ Cis
HET KRUIS DES VERLOSSERS.
DOOR
J. H. GUNNING.
VIJFDE DRUK.
WSr Christus tnusendmal in Buthlehem goborcn
ünd nicht in dir, so bist du doch verloren.
\'s GBAVENHAGE,
W. A. BE SCHOOR.
-ocr page 8-
-ocr page 9-
Aan de nagedachtenis van ontslapen vrienden
te \'s Gravenhage.
Mijn herinnering noemt Uwe namen met inniger dankbaar-
heid dan ik kan uitdrukken in woorden, toch niet te verstaan
door wie U niet hebben gekend. Met eenigen Uwer had ik
een gemeenschap in Christus, die liet mij tot een sterkende
gedachte maakt, dat gij in der tijd dit boekje hebt gelezen en
goed gekeurd. Blijde met de bescheiden taak die mij hier nog
te vervullen overblijft, reikhals ik er toch naar, met U vóór
den Troon onzen Heiland beter te loven en onzen God vol-
komen te »dienen<. (Openb. 22 : 1—5).
-ocr page 10-
Voorrede voor den vierden druk.
Indien do begeerte van den geachten heer Uitgever om dit
geschrift nog eens der Gemeente aan te liieden. mag gelden
als gevolggeven aan een werkelijk verlangen der Gemeente
zelve, zoo ontvang ik met het ter perse leggen van dit geschrift
de hoogste eere die mij hier beneden kan te beurt vallen.
Namelijk dat de Gemeente des Heeren ten vijfden male \')
begeert te lezen wat ik over het Kruis des Verlossers, nu
twintig jaren geleden, geschreven heb. Het is mij een troostvol
bewijs dat ik het waarlijk uit haar geloof, d. i. uit de eeuwige
waarheid die de Heilige Geest leert, in hoe gebrekkigen vorm
dan ook, heb mogen schrijven; want partijgunst draagt mij niet.
Mijn geloof is in die twintig jaren het zelfde gebleven, alleen
onvoorwaardelijker en vaster aan het heilig Schriftwoord aan-
gesloten. Wat ik toegevoegd heb, draagt daarvan de blijken.
Als titel heb ik weder het oorspronkelijke >Het Kruis des
Verlossers*
geplaatst. Ook is weggelaten wat er in later uitgaven,
niet tot bevordering der harmonie, (ik zie het nu) was bijge-
voegd, zoodat de gemeente in hoofdzaak het oorspronkelijk boekje
terug ontvangt waar tot mijn innige blijdschap een zegen op gerust
\') Op den titel staat „vijfde druk". Maar met de ooixpronkeiyke, hier
niet meegerekende, uitgave genomen zou het de zesde druk z(jn
-ocr page 11-
heeft voor velen. Daarentegen is de inhoud van een voorlezing
over »De heilige Schrift het hoek van het Kruis«, omdat, waar
ik haar hield, de uitgave met eenigen aandrang gevraagd werd,
ter geschikter plaatse, naai\' ik hoop, hier ingevoegd; zoomede
als aanhangsel een stukje over «Zelfverloochening\' (in de
Magdalena van dit jaar) hetwelk velen, naar mij gezegd is, nog
eens wensohen te lezen. Als samenvatting van alles geef ik
nog, gevolgd naar Theremin. de woorden met welke ik die
voorlezing besloot:
Des Hoogstens Geest sterkt onzen geest de pennon
Om op te zweven als niet aad\'laarnwieken:
Om \'t eeuwig Licht, als bij een uchtendkrieken
Van waarheidsglans uit reiner sfeer, te kennen.
Ook m« kan zulk een opvaart wel gelukken,
Als ik tot Gods aanschouwing mvi verheffen
En \'t heilig Schoon van verre mag beseffen;
Toch blijft des vleeschos zwakheid m\\j nog drukken.
En zoo als de Ad\'laar, moè van op te stijgen,
Straks weer omlaag zweeft naar des bergtops ceder,
En rust vindt op den hoogste van zfln twijgen -
Dus, als met inwaarts plooien van heur veder,
Daalt mijn gedachte om zich ter rust te neigen,
En zet zich op den stam des Kruises neder.
\'sHage, Januari 1881.
-ocr page 12-
Na vier en twintig jaren wordt van verschillende zijden on
nieuw een uitgave van dit boekje begeerd. Het is mij tot
groote blijdschap, door het voldoen aan dit verlangen aan het
einde mijns levens te mogen betuigen dat, wat ik met den
gloed dei\' eerste liefde in mijne jeugd schreef, ook vóór de
poort dei\' eeuwigheid wordt beaamd. Als ik deze bladzijden
herlees, vind ik wel meermalen een vooruit-nemen van wat
eerst bij dieper ervaring mag gezegd worden. Dit is mij tot
verootmoediging. .Maar nu. verder gekomen, zeg ik toch dat die
woorden waar zijn. «eer veel meer dan ik heb kunnen uit-
drukken. Ik spreek nu tot een jonger geslacht. Met vreugde
roep ik hun toe: mijne vrienden, als het bloed trager vloeit,
de gedachten minder levendig worden, de fantasie haar veer-
kracht verliest, het geheele leven zijn kracht voelt afnemen,
dan blijken de idealen der jeugd uiet — zooals velen zeggen
— ijdel te zijn. Alleen, zij worden gezift, en, wat er waars
en eeuwigs in was op elk gebied, dat blijft gewaarborgd in
den Eéne die niet met de wereld verbleekt, Jezus Christus
den eeuwigen Heiland.
Arnhem, 1904.
-ocr page 13-
Er is op aarde eene Gemeente van Jezus Christus, onder
menigerlei naam en vorm de wereld doorgaande. Zij is er ge-
weest van den beginne en zal blijven tot het einde, want haai\'
eeuwige Koning kan niet zonder onderdanen zijn. Haar leven
is die Koning zelf. Zijn uitgangen zijn van eeuwigheid, zijn
liefde reikte zichtbaar naar beneden tot in den smaad van
Golgotha. In zijn sterven aan het kruis voor een verloren
wereld is hei leven der Gemeente. Want had zij dat kruis.
«lat bloed der verzoening niet, de gemeente zou niets hebben
om te belijden en om te leven. Neem Christus\' zoenofferande
weg, gij vernietigt dan niet slechts den eenigen troost in leven
en sterven, maar ook den Christus zelven. Immers hij wordt
dan een wetgever, een leeraar, een voorbeeld. Maar weldra ge-
voelt men dan, geen historischen persoon meer uoodig te hebben :
het «godsdienstig beginsel« is voldoende — en wat men over-
houdt is een ledig begrip, ten onrechte »idee« genaamd. Dit
alles behoort echter tot een dorre godgeleerde of wijsgeerige
school: de gemeente weet van al dit afgetrokkene niets. Zij
kent alleen Jezus Christus, die hare zonden gedragen heeft op
het hout, en door wiens striemen wij genezen zijn. Wij zijn
samen genezen en levend gemaakt. Geloofd zij God, ook ik mag
mede getuigen in dat groote koor, dat alle eeuwen dóór zijn
stem opheft om den eeuwigen Heiland, het vleesch geworden
Woord te prijzen. Enkele van die tonen wil ik in deze blad-
zijden wedergeven.
Veel meer dan dat ik eertijds een zondig mensch was en
1
-ocr page 14-
2
mij nu genade geschied is, kan ik nog niet zeggen. Ik maak
er dan ook in de verte geen aanspraak op, het Kruis des Ver-
lossers voldoende te beschrijven. Wat ik van mijn Heiland keu,
is iets zeer aanvankelijks en gebrekkigs, en als ik het duidelijk
zal beschrijven dan moet ik het vele malen vergrooten, anders
ware het te klein om voor mijne broeders te kunnen zichtbaar
wezen. Ik heb het van Boven ontvangen uit het midden der
gemeente aan welke ik het weder teruggeef. En in die ge-
meente zijn er velen voor wie mijn woorden slechts teekening
zijn van ervaringen aan de hunne gelijksoortig, doch bij hen
met veel meer leven en kracht vervuld, dan tot nog toe bij
mij. Trouwens, hoewel deze heilige zaak hare vastheid buiten
ons heeft in do geschiedenis, van welke zij middelpunt en kern
is, toch houd ik het altijd voor iets zeer persoonlijks, van den
zoendood des Verlossers te getuigen. Als ik eene getuigenis
hoor, die beweert, van deze zaak te spreken in voorwerpelijke
volledigheid; die beweert een voor eiken geloovige geldende
theorie der verzoening; aan te bieden, dan wordt liet mij
zeer bang. In den Bijbel vind ik hierover veel meer theoriën
dan het getal der apostolische schrijvers bedraagt. De leer der
verzoening staat in velerlei, moeielijk tot een afgepast geheel
te vereenigen, uitspraken verstrooid in de heilige Schrift.
Eigenlijk is er geen theorie in; slechts wordt het verzoende,
herstelde leven getoond. Men ziet in de heilige mannen die
van den Heere Jezus getuigen, dat in hun geestelijk leven
alles op die verzoening rust, omdat de betrekking\' van God tot
den mensch die van een verzoend Vader is geworden. Met elk
later getuige, aan wien barmhartigheid geschiedde, is het even-
zoo, met elk in zijne mate. En mijn »theorie« zoo goed als die
-ocr page 15-
3
van elk ander geloovige op het apostolische getuigenis steunende %.
en daarvan afhankelijk, is echter eene andere in deze, eene
andere wederom in andere omstandigheden des geestelijken /
levens. Voor allen die hierover spreken willen, is ten allen tijde \'v
noodig een verbrijzeld hart en biddende verzinking der ziel in f
de liefde des Heilands: maar overigens zijn de stemmingen ei. V.
omstandigheden duizendvoudig, en even veelvuldig de »theoriën<. j
Niemand meene dus dat ik er ook maar eenigszins aanspraak
op maak, de beteekenis van Jezus kruis met de hierna volgende
arme woorden uit te putten.
Wel tracht het verstand onophoudelijk deze heilige donkerheid
met zijn kaarslicht op te helderen. Maar telkens op nieuw moet
het ervaren dat zulk een poging slechts dient om haar eigene
vruchteloosheid te bewijzen, indien ten minste verstaan niet
zal gelijk zijn aan verkleinen of vernietigen door ver-
zwakkende uitlegging van allerlei aard. Een apostolisch woord
spreekt van de sterke roeping en tranen onder welke de Heer
in Gethsémaué gehoorzaamheid geleerd heeft. Gehoorzaam-
heid, dat is: onderwerping aan des Vaders onbegrepen \') wil.
\') De bedenking die ik meermalen togen dat woord onbegrepen hoorde,
is mij eon merkwaardig bewijs, hoe weinig nog ook waarlijk vrome christenen
met de Menschheid des Heeren vollen en waarachtigen ernst durven
maken, niettegenstaande onze zaligheid daaraan hangt (niet aan de leer-
bepaling gelukkig, zoo min als aan die zijner Godheid, maar aan de waar-
heid, die zeer veel hooger ligt!). Die uitdrukking bedoelt het volgende:
de volkomen ontledigins van goddelijke heerlijkheid (Phil. II: 7) bracht
bij den Zone Gods hier op aarde ook ontlediging van goddelijke alwetend-
heid met zich. Anders ware zijne menschheid niet waarachtig geweest, en
had hij ons niet do Voorganger op den weg des G e 1 o o f s kunnen wezen,
gelijk hij toch, Hebr. XII : 2, in samenhang met het vorige hoofdstuk,
-ocr page 16-
4
Was zijn kruis voor Hem zelven een daad van stil onder-
worpen geloof, o dat wij ons dan niet aanmatigen het anders
te beschouwen dan als het voorwerp van stil onderworpen
geloof. Heeft de Heer de ontzettende noodzakelijkheid van dat
lijden als de onbegrepen wil des Vaders in werkelijkheid
uitdrukkelijk genoemd wordt als de kroon, de overste Leidsman van al die
vroegere helden welke in hun geloof bewijs bezaten van de dingen die
zij niet zagen. Gelijk zijn geheele heiligheid niot was van een van dan
aanvang af voltooide volmaaktheid, maar een voortgang des ganschen
levens, voortgang niot van onhoiligheid tot heiligheid, maar van onont-
wikkelde reinheid, dóór aaulioudendon strijd, tot volkomen gehoorzaamheid
(Hebr. II : 10. Cap. V : 7—9): evon zoo is zijn menscheiyk weten niet ge-
weest eene van den aanvang af voltooide alwetendheid maar een voort-
gang des geheelen levens: voortgang, niet van de dwalingen dos wauus,
des ongeloofs, des halfgoloofs tot do daartogonoverstaande volkomenheid,
neen, maar van onontwikkelde eenheid met God, óók op het gebied des
denkens, door aanhoudend toenemendo ervaring des levens, tot volkomen
Macht, óók des verstands, over hemel en aarde, Matth. 28 : 18. Hier op
aarde zien wij in hem een hoiligln\'k gewild niet-weten, omdat hij alle
wetenschap alléén langs den weg dos zedelflken voortgangs zich wilde
toeeigenen. In de volheid van do „zalving des Geestes, waardoor hü alle
dingen wist," (1 Joh. II : 20) wilde Hü afzonderlijke dingen niet
werktuigelijk weten. Deze bedenking blijft mij echter eerbiedwaardig wegens
de bezorgdheid die er in spreekt, dat aan de Godheid des Heeren te kort
gedaan worde. Daarom wil ik er aan herinneren, dat b. v. een zoo beslist
verdodiger van de Godheid des Heeren als Otto von Gerlach in zijne Bijbel-
verklaring (zie Mark. XIII : 82, Phil. II : 7, on elders) ovenoens de waar-
heid, dat de Heer hier op aarde niet alwetend was, handhaaft. En uit
eigen ervaring voeg ik er bij, dat ik eenigo voorbeelden ken van geloovigen,
welker gevoel ik door deze stelling aanvankelijk kwetste, maar die na veel
onderzoek en nadenken daarover, mij bepaald betuigd hebben dat de Heer
hun nu, daar zij tegen deze waarheid geen bezwaar meer hadden, veel
hooger stond, veel dierbaarder aan het hart was geworden.
-ocr page 17-
5
aanvaard zonder daarvan ai te doen, zoo willen wij eerbiedig
het hoofd buigen in meer dan éénen zin, en de nood-
zakelijkheid van dat heilig lijden als den onbegrepen wil
des Vaders in onze gedachten aanvaarden, zonder daarvan
af te doen.
Evenwel, al bevat het verstand deze verborgenheid niet,
er is toch een levenwekkende indruk van haar uitgegaan tot
het hart der gemeente van alle eeuwen.
Wanneer in de menigte der gemeenteleden die uit alle tijden
en onder verschillende denkrichtingen waarlijk wedergeboren
zijn, zich ieder zooveel mogelijk aan het eenzijdige van zijn
bijzondere persoonlijke gesteldheid ontheft; en wanneer zij dan /
trachten een zooveel mogelijk eenstemmigen lofzang te doen f
hooren omtrent hetgeen zij weten van de genade des Heilands, V
dan komt die lofzang, zooveel ik zie, hierop neder: Hi.i heeft
ons GODE gekocht met zijn bloei). Onze vrede ligt bepaald in
het volbracht-zijn van Zijn werk. Het was vroeger onze
ellende dat wij onze rechtvaardiging in onze heiligmaking lieten
opgaan] dat wij meenden slechts telkens voor zóóver gerecht-
vaardigd te zijn als wij ons geheiligd gevoelden. Daarentegen,
sedert wij bekeerd zijn weten wij, aan de verdoemenis vol-
strekt ontheven te wezen, naardien wij in Christus zijn. Deze
wetenschap nu wint in helderheid en zaligheid naar mate wij,
met de noodzakelijkheid der wederliefde, niet meer naai- het
vleesch leven maar naar den geest. Ja onze vrijmoedigheid om
van den Christus vóór ons te getuigen, steunt alleen daar
op, dat wij Hem door zijn aanvankelijk vernieuwingswerk in
ons als een Levende hebben leeren kennen; en elke andere
vrijmoedigheid houden wij voor een valschen waan. Desniettemin,
-ocr page 18-
6
het is alleen de helderheid en zaligheid, maar niet de diepste
zekerheid van die wetenschap, en evenzoo, het is alleen de
gegrondheid van onze vrijmoedigheid tegenover de wereld,
maar niet tegenover God, welke aanwint en groeit met de
mate onzer heiligmaking. Ware het anders, zoo waren wij ge-
wisselijk verloren. Want het is immers onze ervaring dat naar
mate wij in heiligmaking vooruitgaan, wij des te meer in
eigen oog achteruitgaan. Hoe meer Christus in ons wast, hoe
minder wij worden voor ons zelve. Hoe helderder licht in ons,
hoe grooter duisternis daar tegenover. En wij stellen ons voor
dat wij op ons sterfbed, als wij bijna volmaakt zullen wezen,
met meer oprechtheid en behoefte dan ooit te voren om vol-
tooiing ook van de eerste beginselen van alle werk der ge-
nade in ons zullen vragen.
Op dezen aan allen gemeenschappelijken grondslag nu trekt
de Heilige Geest in ieder het gebouw zijner bijzondere er-
varingen op. Voor _mij is de godsdienst in zijn diepste wezen
niet anders dan geestdrift, enthusiasme, God in ons meer
en meer woning makende; en het zedelijk leven in zijne een-
voudigste uitdrukking niets anders dan het pogen om aan die
geestdrift getrouw te blijven, om de lichtpunten des geestelijken
levens niet voor inbeelding en overspanning te laten verklaren,
maai\' ons in God meer en meer zelfstandig te vestigen. God
zegt tot ons in de uitverkoren hoogte-punten des geestelijken
levens: U is de Christus geboren. En nu is onze taak, die stem
niet te vergeten al verdween ook het schitterlicht, maar heen
te gaan dóór de nacht, totdat wij op den kalmen middag het
kindeke waarlijk vinden ter plaatse waar de engel ons heen
gewezen had.
-ocr page 19-
7
Men misversta mij niet als ik van geestdrift spreek. Zij is
niet hetzelfde als opgewondenheid en overspanning, maar juist
het tegendeel daarvan. De ware geestdrift is de sterkst
mogelijke veroordeeling van geestdrijverij. Er is groote
kalmte, geen opgewondenheid in haar. In de opgewondenheid
geraakt men buiten zich zei ven, gelijk het gewone spraak-
gebruik zeer juist zegt. In de geestdrift daarentegen vindt
men zichzelven terug. Kent gij — opdat wij dit door een
benaderende vergelijking ophelderen — kent gij het onnoem-
baar genot dat u vervult, als gij door wetenschappelijk onder-
zoek eene waarheid, die u tot nog toe onbekend was, ontdekken
moogt? Wat is het toch dat u den boezem doet hijgen en u
noopt om op te staan en neer te knielen, of een lofzang aan
te heffen in den geest? Het is, dat gij in de natuur de orde
terugvindt welke het wezen van uw eigen geest is: dat gij
harmonie opmerkt tusschen uw geest en het geschapene rondom
u: dat gij uw eigen geest, uzelve terugvindt in de
dingen die u omgeven. Welnu, deze heilige vreugde van zich-
zelven terug te vinden is juist het eigenlijk wezen van de ge-
meenschap met God. In waarheid tot zichzelven te komen, en
te zeggen: ik zal opstaan en tot den Vader gaan (Luc. 15: 17),
dat gaat altijd samen. Door den Geest te leven, in Christus te
zijn, dat is (behalve meer) ook zichzelf te zijn: niet langer
onzelfstandig doorgangspunt voor andere werkingen, maar zelf
handelende, en ook niet uit gewoonte, d. i. uit een motief dat
tot het verleden behoort, maar uit de nu werkende bezieling
kracht te hebben. De Heiland zegt naar waarheid: «zon-
der mij kunt gij niets doen«, want buiten Hem »doen« wij
in den grond niets wezenlijks, maar wordt er slechts door
-ocr page 20-
8
vreemde krachten, als het ware dóór ons heen, iets gedaan.
Zulke geestdrift heeft daarom dan ook niets geineen met
onpraktische gevoels-prikkeling of overspannen bevindingsleven.
Zij leent niet die strakke afgetrokken scheiding tusschen den
ouden en den nieuwen mensch, waarbij de nieuwe mensen in
zijn eigen bestaan zich zou verlustigen, maar tegelijk den ouden
mensch laten voortgaan zich aan de begeerlijkheden des vlee-
sches over te geven. Neen: gelijk zij de zonde niet duldt maar
ten bloede toe bestrijdt, zoo geeft zij juist de geschiktheid om
zich in het gewone practische leven met kalme vastheid op
zijn plaats te gevoelen. Op zijn plaats, doch niet te huis. Neen,
het eigenlijke burgerschap is in de hemelen. Maar zou mi het
gedurig verzinken van don blik in de diepte van die hemelen
ons aan de aarde vreemd maken? Ik meen dat, integendeel,
hoe hooger onze aanschouwing in deze hemelen opstijgt, wij
des te beter en nauwkeuriger op aarde onzen eigenlijken toe-
stand leeren kennen.
Want deze gemeenschap met God is niet droomen, maar
waken en helder beschouwen van de dingen der geestelijke
en der stoffelijke weield. Wakend blijven in de kracht devS
gebeds, der levende stroomen van boven. Waken als kinderen
des daags: de dag is reeds voor hen aangebroken. Hun oogeu
zijn aanvankelijk aan het licht gewend; daarom als het volle
licht zal komen, zullen die oogen zich niet pijnlijk toesluiten
en afwenden, maar zich vreugdevol en heiligglansend opendoen.
De volle dag, de groote Dag des Heeren komt niet plotseling
en onverwacht als een dief over hen. De openbare wederkomst
des Heeren Jezus in heerlijkheid is slechts de voltooiing van
zijn geestelijk gekomen-zijn in de zijnen. Het geheele leven
-ocr page 21-
9
des geloovigen is eigenlijk een wachten. Een kalm maar in
onuitsprekelijke verheffing hopen op hetgeen de hoogste ver-
wachting der gemeente en der schepping is — hetgeen aan
beider streven en zuchtend verlangen vervulling geeft, hetgeen
de stoutste fantasie overtreft en toch allerzekerste werkelijkheid
is —■ op de wederkomst des Heeren Jezus in heerlijkheid. Nu
deze verwachting is geen opgewonden verbijstering, gelijk het
ongeloof daarvan lastert. Juist integendeel is zij het bad waarin
de koortsachtiggloeiende opgewondenheid die uit de aardsche
vlam opschiet, met heilzame overmacht wordt neèrgedompeld
— en het buigzaamsterke staal rijst uit die blussching op!
De vaste grond van deze verwachting ligt in hetgeen ver-
vuld en volbracht is. De zekere waarborg voor die toekomst
is het verleden, waarvan de Heilige Geest met de Bruid getuigt.
Wilt gij de getuigenis van deze ervaring hooren?
>Dit is mijn éénige troost, beide in leven en sterven, dat
ik met lichaam en ziel, beide in leven en sterven, niet mijr.
maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben.
die met zijn dierbaar bloed voor alle mijne zonden vol komenlij A.
betaald en mij uit alle geweld des duivels verlost heeft.« Welk
is dat geweld des duivels? Het is de ergste dood, die dei
alledaagsche ongeloovige zedelijkheid. Hoe verlost hij daarvan?
Door in den geloovige een klein beginsel van zijn eigen zelf-
verloochening en offervaardigheid in de plaats van deze baat-
zucht te stellen.
Aldus lost hij in de zijnen het wonderbaar vraagstuk op:
hoe z elf verloochening en z e 1 f 1 i e f d e met elkaar ge-
paard kunnen gaan — zelfverloochening, die het eigenlijk wezen
van het leven des geloofs is, en zelfliefde die naar \'s Heeren
-ocr page 22-
10
woord toch de maat moet zijn van onze liefde tot den naaste.
Hoe gaan deze twee dat) verbonden? Alzoo, dat wie in Christus
is, zichzelven liefheeft, doch niet langer als zijn eigen maal-
ais zijns Heeren eigendom en tot Diens verheerlijking. Zoo heeft
hij het middelpunt van zijn wezen niet langer in zichzelven
maar aanvankelijk lm iten zich, in zijn Heer; opdat het allengs
weder in hem kome, namelijk in de mate waarin Christus-zelf,
die altijd het middelpunt blijft, in hem eene gestalte ver-
krijgt. Immers de Heer is en blijft in eeuwigheid onze Midde-
laar: maar Hij gaat steeds verder voort met van Middelaar
buiten ons, Middelaar in ons te worden, en alzoo vervulling
te geven aan zijn onuitsprekelijk diepzinnige belofte: *de ure
komt dat ik niet meer door gelijkenissen tot u spreken zal,
maar u vrij uit van den Vader zal verkondigen. In dien dag
zult gij in mijnen naam bidden: en ik zeg u niet dat ik den
Vader voor u bidden zal, want de Vader zelf heeft n lief,
dewijl gij mij liefgehad hebt.<-
Naar deze ervaring streef ik, omdat ik een zeer klein begin
van dat beginsel in mijn beste oogenblikken in mij bespeur.
De «broeder* dien ik in mijn geschriftjen doorgaande toe-
spreek, staat voor het oog mijns geestes in den levensvorm
der jongelingsjaren, des krachtvol manlijken leeftijds. \')
Jongeling, gij onderzoekt en bewondert zoo veel. Gij kunt
met zooveel inspanning de heerlijke geheimen der wetenschap
*) H\\j is nu reeds ontslapen. Ik groet hem uit de verte als nu aanvan-
kelijk aanschouwende wat w(j samen geloofden toen ik hem als jonge man
voor het eerst deze bladzijden toezond.
-ocr page 23-
11
doorvorschen, met zooveel drift naar een kunstgenot grijpen
als ware het de zaligmakende genade Gods zelve. Gij kunt in
zoo warme geestdrift ontvlammen voor wat goed en edel is.
En gij hebt recht daarin. Het leven-zelf is niet veel waard
indien het niet verlicht wordt door geestdrift en bewondering
voor iets, dat ons meer is dan het leven. Maar of uwe geest-
drift voor kunst, wetenschap en het edelste levensgenot, of die
geestdrift de ware zij, dat moet blijken uit deze proef, of zij
zich het hoogste voorwerp kiest wanneer het haar voorgesteld
wordt, dan wel of zij dat met weerzin voorbijgaat om zich
aan het mindere vast te hechten.
Want de wereld is vol, helaas! van idealisten die hun ideaal
vergoden zoolang het in de wolken zweeft, omdat het dan geen
opofferingen eischt; maar die liet ontwijken, ja ter dood toe
haten en vervolgen zoodra het in vleesch en bloed vóór hen
treedt en zegt: volg mij en sterf voor mij. Nu is er eenez;iak
die geschied is door geheel Judea, beginnende van Galilea.
namelijk met Jezus van Nazareth, wien God gezalfd heeft met
den Heiligen Geest en met kracht: welke het land doorgegaan
is, goeddoende en genezende allen die van den duivel over-
weldigd waren, want God was met hem; welken zij gedood
hebben, hem hangende aan een hout.
Welnu! ik stel u als het hoogste dezen Christus, den Ge-
kruisigde vóór. Wat zegt nu uw geweten, uw hart\'? Uit zoo
vele bronnen hebt gij reeds gedronken. Tot zooveel zijt gij
reeds gekomen. Kom dan nu ook tot den Rabbi van Nazareth.
en hoor wat uw binnenste u zegt. Het is er nu de tijd, de
juiste tijd toe. Gedenk uwen Schepper (want tot Christus
komende zult gij bevinden dat gij niet tusschen u en God in het
-ocr page 24-
Il\'
midden zijt staande gebleven, maar waarachtig tot God gekomen
zijt), gedenk uwen Schepper in de dagen uwer jongelingschap,
éér de kwade dagen komen. Weet gij welke die kwade dagen
zijn? Ik zag in Zwitserland herbergen die vroeger kloosters
geweest waren. Godgewijde hymnen hadden er in vorige dagen
weergalmd. Maar nu joeg de gansene wereld er uit en in met
ijlende haast, en de arme reiziger moest zich zeer in acht
nemen, om niet door de >vergissingen<> van den man aan het
buffet onophoudelijk geplunderd te worden. Ik zag er in de
vallei van Lauterbrunnen den Staubbach. Van een hoogte
van meer dan 9000 voeten stort zich het frissche water in de
diepte, en schijnt een prachtvollen waterval te beloven. Maar
helaas! het water raakt weldra los van de rots, de wind
onderschept het, en slechts een stuivende nevel komt op de
weilanden neer.
Och ik zeg niet dat gij altijd, wat het uitwendig leven betreft
lichtzinnig zult blijven indien gij aldus de eerste liefde verlaat,
het klooster tot herberg doet worden en dien bruisenden stroom
tot een stuifbeek. Neen, zoo gij u niet bekeert, kunt gij toch
latei\' wel een stemmige, achtbare huisvader wezen. Misschien
zelfs een godsdienstig man, bij wien slechts weinigen be-
merken dat lüj den nieuwen mensch over den ouden heen aan-
getrokken heeft. Gij kent Jacuies uit Shakespeare\'s As you
like it:
den geblaseerden hoveling die zich vroeger tot walgens
toe aan de genietingen der wereld heeft verzadigd, en later,
noch in ongeluk op zijn plaats, bij alles verdrietig en onbe-
vredigd blijft. Gij herinnert u hoe meesterlijk de dichter met
een los daarheen geworpen woord hem op het laatst tot den
plotselings bekeerden Hertog doet gaan, om met hem een
-ocr page 25-
13
kluizenaarsleven te beginnen, want »van zulke bekeerden is
veel te leeren.« En dan keert Jaques zich van den dans af,
in de stemmigheid die in »de wereld« op hare wijze het booze
ziet, zonder die »wereld« in het eigen hart te hebben opge-
merkt. Dan buigt hij zich onder het gezag van hen die hij
voor bekeerd houdt, en bootst hun levenswijze na....
Ik bezweer u doe zoo niet. Wijd nu, nu uwe jeugdige levens-
krachten den Heere Jezus toe, en begin nu, nu alle dagen niet
Hem te sterven. ATerzaak nu niet uwe behoefte aan het waar-
achtige leven, in afwachting van het latere schijnleven: maar
werp nu in de kracht des Heiligen Geestes het schijnleven weg-
en kom tot het waarachtige leven. Kom tot het Kruis van
Golgotha. Mocht door mijn teekening iets van de heilige heerlijk-
heid van dat kruis u kenbaar worden.
Mocht gij er toe besluiten dat Kruis tot uitgangspunt van
uw geestelijk leven te stellen. Dan kan ik u rijke winst en
heiligen strijd beloven. Want bij Christus den Gekruisigde zult
gij antwoord vinden op al het streven van uw bruisend gemoed,
bevrediging voor al de naamlooze behoeften waarvan gij zwoegt
in de fantasiën die langs u heenvliegen te nacht, als gij be-
peinst hoe uw leven beteekenisvol en hoogopgaand zou kunnen
worden. Maar de weg tot die bevrediging is de weg des
Kruises. Met den doop waarmede Jezus gedoopt is, moet gij
gedoopt worden, en den drinkbeker dien Hij dronk moet ook
gij drinken. De ernstige kruisdoop tot dooding des vleesches
moet over al uwe idealen heen gestort worden: dan zullen ze
vatbaar zijn om te worden verwezenlijkt. Dan zal het zijn gelijk
gij begeert — indien er ten minste iets waarachtig adelijks in
uw streven is — voor uzelf het lijden en de opoffering, voor
-ocr page 26-
1-1
uwe bedoeling de zegepraal. Wèl u indien gij met de zonen
van Zebedeiis (Matth. 20 : 22), als u deze kruisweg voorgesteld
wordt, durft antwoorden »ik kan« — gesteund op hooger kracht
dan zij toenmaals schijnen gekend te hebben. Immers gij zult
gevonden hebbeo het groote geheim van eeuwig jong te blijven :
van ook in de grijsheid te mogen ontkomen aan die veroudering
des geestes, welke erger is dan de dood.
Een schemerend voorgevoel hiervan heeft de diepzinnige
Grieksche mythe die Hébe, de toovergestalte der eeuwige jeugd,
met den Hercules der zwoegende en worstelende menschheid
eerst dan laat verbonden worden, wanneer hij den kelk der
levenservaring tot den laatsten druppel geledigd en door de
vlammen der zelfverloochening heen het hooger leven begroet
heeft. Maar wat hier nog slechts een schemerend voorgevoel is,
daarvan smaakt ieder van Gods uitverkorenen in Christus de
wezenlijk volheid. Want de Heer geeft den moede kracht, en
vermenigvuldigt de sterkte dien die geene krachten heeft.. De
jeugdigen zullen moede en mat worden, en de jongelingen
zullen gewisselijk vallen! Maai\' die den Heer venvachten zullen
de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen gelijk
de arenden: zij zullen loopen en niet moede worden, zij zullen
wandelen en niet mat worden. Door de genade Gods moge het
ook uwe ervaring zijn. Want om dezer dingen wil is het de
moeite waard, te leven; ja wie dezen Christus vinden mocht
die heeft genoeg hier beueden geleefd, die heeft het doel van
dit aardsche aanzijn bereikt.
-ocr page 27-
I.
Wees mij gegroet gezegende dag, die naar waarheid Goede
Vrijdag heet! Met beving verheugt zich mijn hart in het voor-
uitzicht van weder voor de gemeente en in haai\' midden te
mogen getuigen van mijn eenigen troost in leven en sterven,
en in de stille toestemming van alle kinderen Gods in ons
midden de getuigenis te vernemen, dat Hij er velen met mij
door zijn dood van den dood heeft vrijgemaakt.
Doch een weemoedige gedachte komt hier bij mij op. Ik
denk thans niet aan de lichtzinnigen, van wie de gemeente
der heiligen weenende zegt, dat zij vijanden van het kruis van
Christus zijn. Neen, maar ik denk aan anderen die niet verre
zijn en toch het kruis der Verzoening niet met volle overgave
des harten omvatten kunnen. Wat is het dat hen verhindert?
Niet dat zij aan de verzoening met God geen behoefte gevoelen;
niet dat zij niet in Jezus den eenigen Naam die ter zaligheid
gegeven is, zouden begeeren te erkennen. Maar zie, het kruis
van Golgotha en de apostolische verkondiging van dat kruis is
hun verduisterd door droeve dwalingen. In hunne jeugd hebben
zij de leer der Vaderen in strengen of verzachten vorm gehoord,
en hebben daarna Christus in het midden der gemeente beleden
en ook menigmaal zijns doods gedacht met de schare. Doch
sedert dien tijd is er veel over hen heen gegaan. In allerlei
ervaring der wetenschap en des levens zijn ze vooruitgekomen,
maar hun kennis van de waarheid die in Christus is bleef verre
-ocr page 28-
16
bij de overige wetenschap of ervaring ten achteren. Dit is niet
buiten hun schuld geschied. Met smart erkennen zij dat, maar
op het oogenblik is het niet anders. En als zij nu hooren van
verzoening door het bloed des kruises, van de straf die ons den
vrede aanbrengt en die op Hem was, van zijn striemen door
welke ons genezing is geworden, van de plaatsvervangende
gerechtigheid des Zoons van God, dan zijn hun deze klanken
vreemd, buitensporig en verward klinkende, met hun denk-
beelden van Gods volmaaktheid en van \'s menschen behoeften
in strijd. Met benauwden weerzin keeren zij zich van dit, zoo
zij meenen, spitsvondig stelsel af — maar toch hebben zij daar
geen vrede bij; zij vragen naar licht, zij strekken zich uit naar
de waarheid.
Dit is een toestand die de diepste belangstelling verdient.
Vele meenen dezulken als ongeloovigen of toch als niet ge-
loovenden te moeten beschouwen, omdat zij nog niet tot be-
paalde belijdenis der waarheid, gelijk zij naar Gods Woord is,
gekomen zijn. En zeker de volle waarheid is slechts ééne, en
die is beschreven in het Woord van God, de Heilige Schrift,
en wij kunnen niemand ten volle als in de waarheid zijnde
beschouwen, die dat Woord niet aanneemt in al zijn volheid.
Maar kent gij dan niet de gisting onzer hoogstmerkwaardige
dagen, door welke alle vraagstukken op nieuw getoetst, alle
overtuigingen waarin een groot deel van de menschheid eeuwen
lang berust heeft, op nieuw in kwestie gesteld worden?
Twijfelzucht, stofvergoding heeft daarin haar spel, zonder twijfel:
maar daarmede is niet alles verklaard. Neen, voor een groot
deel is dit verschijnsel in verband met den diepen ernst, waar-
mede de keur der menschheid in onze dagen zich de waarheid
-ocr page 29-
17
zoekt toe te eigenen. — ja toe te eigenen als een waarlijk
met ons binnenste vereenzelvigd en levenwekkend eigendom.
Voorwaar, in liet streven van deze zoogenoemd twijfelzuchtigen
is vaak oneindig meer geloof dan bij velen, die slechts naar
goedbegreusde teekening van geloofsovertuigingen vragen en
daarnaar bepalen of iemand geloovig zij of niet. Hoort een ge-
lijkenis. Pizarro, de veroveraar van Peru, hield met den koning
van dat ongelukkige land, met den Inca Atahualpa, een samen-
komst. De Spaansche priester Valverde treedt op en bewijst den
heidenschen koning in slecht vertolkt Spaansch, dat Christus
de wereld heerschappij aan den Paus heeft opgedragen, en dat
deze alle landen der nieuwe wereld aan den Spaanschen koning
heeft geschonken, derhalve dat de Inca zich aan dezen koning-
heeft te onderwerpen. Atahualpa beroept zich verontwaardigd
op zijn voorvaderlijk recht, en eischt dat de priester hem zijn
vordering op beter gronden zal bewijzen. Valverde brengt, de
Heilige Schrift te voorschijn, en reikt ze den Inca over met
de verzekering dat alles daarin staat. De koning houdt het
boek aan zijn oor, zegt weldra: »het zwijgt, het zegt mij niets!«
— en werpt het onverschillig ter aarde. En de priester roept
dat het Evangelie ontheiligd is, en de Christenen nemen bloedige
wraak op Atahualpa en zijn volk. Ziet gij niet wat ik bedoel
met deze gelijkenis? Het is waar, den Heere Christus behoort
naar het Woord Gods de geheele wereld toe: wij moeten haar
voor Hem opeischen, en Hij zal haar ten erfdeel outvangen.
Maar menig tegenstander, goedwülig, ja koninklijk als Atahualpa,
is diep overtuigd van het recht zijner natuurkundige, maat-
schaplijke of andere vooroordeelen, hem sedert jaren door huise-
lijke of wetenschaplijke opvoeding toegebracht. Daar komt gij
-ocr page 30-
18
tot hem met het heilige Boek en met een taal die Mj niet
verstaat, en eischt dat hij zich onderwerpe. Hij zegt dat dit
boek hem zwijgt; hij werpt het ter aarde — en gij roept wraak
over den ongeloovige. Maar beseft gij dan niet dat het uwe
schuld is, ja de uwe, als gij nagelaten hebt de uitspraken van
dat boek in verband te brengen tot den geestelijken luchtkiïng
waarin uw tegenstander leeft? Waarlijk den geloovigen ontbreekt
het daarom zoo vaak aan overredingskracht, omdat het hun
aan de liefde ontbreekt uit welke grondigheid in het overwegen
van de bezwaren des tegenstanders voortvloeit; en van de
uitspraak dat de natuurlijke mensch niet verstaat de dingen
die des Ocestes van God zijn, behoorde geen geloovige ter
veroordeeling van een tegenstander gebruik te maken, dan
wanneer het aan hém zelven gebleken wrare dat de geestelijke
mensch de natuurlijke en alle andere dingen wèl verstaat. Ik
moet nog meer van deze menschen zeggen, naar hetgeen zich
sedert jaren van veelvuldige ervaring aan mij opdrong. Dat
velen van hen het evangelie verwerpen, kan ik niet alleen
verontschuldigen, maar moet het bij niet weinigen zelfs hoog-
achten. Want zij hooren zich het evangelie gehalveerd en ver-
minkt verkondigen, als een stelsel zonder kracht en majesteit.
Maar hunne ziel is te ernstig, te krachtvol dan dat zij in zulk
een stelsel behagen zouden hebben; en zij hebben een inwen-
dig besef dat het waarachtig Evangelie iets beters, iets kern-
achtigere wezen moet — doch wie zal er hun den weg toe
wijzen? Met weerzin keeren zij zich af van die theologie, welke
de grenzen tusschen het heilige en het onheilige uitwischt,
om bij de natuurkundigen en »beschaafden« te bedelen om
erkenning van hare stellingen. De grondig-ontwikkelden onder
-ocr page 31-
19
hen verachten deze oppervlakkige vrijzinnigheid, die om geloof
en wetenschap beide te bevredigen, aan beider eischen te kort
doet. Maar bovenal, de ernstige mannen, de godvreezenden
onder hen hebben een afkeer van do laffe lichtvaardigheid
dezer schijn-christelijke wereldbeschouwing. Voorwaar (zoo
spreken zij met manlijken ernst in hun binnenste), wij weten
niet of er een persoonlijke, een sprekende, een wonderdoende
God bestaat. Maar dit ééne weten wij: indien er iets is dat
onze toewijding verdient, dan moet het een God zijn die niet,
gelijk de afgoden van Babel, door zijne vereerders gedragen
wordt, maar een die hen draagt (Jesaia4G), niet een schep-
ping van menschelijk vernuft maar een Schepper van almach-
tige majesteit, door geen menschelijk nadenken volkomen te
bevatten. Daarom keeren deze achtbare twijfelaars zich af van
de halveerende stelsels, die zij voor de diepte van hun levens-
ernst onvoldoende bevinden, en de volle waarheid kennen zij
nog niet.... O nog eens, ik reik denzulken de hand, honderd-
maal liever dan aan zoo menig dusgenoemd geloovige, die van
den ernst dezer worstelingen geen denkbeeld heeft. Ik reik
hun de hand, niet uit de hoogte maar als medestrijder, door
smartvolle herinneringen aan hen verwant. Niet om hen gerust
te stellen, maar om hun te zeggen: komt, niet tot mij en mijne
verklaringen, maar tot den Christus-zelven die u zoekt. Want
Christus verstaat het, tot u af te dalen. Hij begrijpt het moderne
leven, en waarlijk Hij veracht en veroordeelt het niet gelijk
zoovelen die daar Hem meê denken te verheerlijken. Dat ge-
heele moderne leven toch is eigenlijk een strijd tusschen het
gezag (den godsdienst) en de vrijheid (de wetenschap), voor
zoover deze beide machten zich eenzijdig en verkeerd stellen
-ocr page 32-
20
(want in haar zuiverheid kunnen ze niet tegen elkaar opstaan).
Dan toch zijn ze als de Jood en de Griek in Paulus\' tijd. De
Jood, zegt hij, »verlangt een teeken«, d. i. hij predikt den
godsdienst als een bovennatuurlijk gebod, zonder aanknooping
aan \'s menschen behoefte. Daarentegen de Griek «zoekt wijs-
heid», begeert het natuurlijk-menschelijke, zonder aan den
heiligen God te denken. Deze twee staan dus tegen elkaar in
vijandschap. Maar nu komt Christus en is »de vrede« tusschen
hen beiden (Ef. 2 : 14—16). Namelijk hij »doet de vijand-
schap in zijn vleesch te nict«: hij >verzoent die beide met
God in één lichaam door het kruis.« Zie dat kruis, zoo heilig
streng, zoo volstrekt veroordeelt het beide de strakheid van
den Jood en de oppervlakkigheid van den Griek. Een ontzet-
tend, beslissend doodvonnis gaat er van uit over beide, maai\'
hoe? Wel is waar gij, o Griek, moet nabij komen en niet
Israël tot u: »gij zijt nabij geworden« zegt Paulus. Maar
-door het bloed van Christus« — d. w. z. omdat Israël in
Christus mensch is geworden, de niemve mensch, in wien
door de afdaling der onuitsprekelijke liefde al het boven-
natuurlijke natuurlijk werd en zoo al het afstootende voor
den heiden verloor. Door Christus worden Jood en heiden
eerst met God (vs. 16) en dan met elkander verzoend. Door
den Zoon, door het kruis, worden Jood en heiden beide
kinderen, leggen onder tranen der verteedering over deze
oneindige liefde alle hardheid tegen elkaar van beide zijden
af. Om het in de termen van onzen tijd uit te drukken:
Christus aan het kruis is orthodox, ja, zeker; maar hij is
het op zulk een wijze dat de behoefte van het moderne leven,
de behoefte aan liefde, aan zedelijken ernst: aan volle natuur-
-ocr page 33-
21
Jijkheid van al het bovennatuurlijke, ten volkomenste bevredigd
■wordt.
En nu mijn broeder! als deze Christus u gepredikt wordt,
dan moet het blijken of gij inderdaad al of niet de waarheid
zoekt, of het u al of niet -werkelijk om het leven en den waar-
achtigen vrede te doen is. Gij zegt: ik zoek oprechtelijk de
waarheid. Het is wèl, maar de toekomst zal de proef leveren
of gij waarlijk oprecht zijt, of niet. Want niet uwe oprecht-
heid maar de waarheid zal u vrijmaken. Zoo gij misschien
tot hen behoort die steunen op de oprechtheid van hun zoeken,
als op een zedelijke verdienste die hen zal aangenaam maken
bij God, dan zijt gij diep te beklagen. Bij dezulken toch ver-
nietigt deze toestand van lieverlede zichzelf: zoo men zich
gerust stelt omdat men toch *de waarheid z o e k t<, dan houdt
weldra dat zoeken-zelf op, want ach! men meent reeds genoeg
te hebben aan het zoeken. Onder de macht der begoocheling
welke meent te kunnen eten van den honger en te kunnen
drinken van den dorst, onder de macht van deze zelfverblinding
verdwijnt de ootmoed, de heilzame onrust, de droefheid naar
God, de hijgende smart. Maar zij bij wie deze smart blijft, zij
zullen begrijpen dat zij niet van hun honger, maar alleen van
de waarachtige spijze kunnen eten. Niet van de gezochte maai\'
van de gevonden en tot eigendom gemaakte waarheid zullen
zij heil verwachten, en ik begroet hen met eerbiedige liefde en
worstel biddend met en voor hen mede om rust en vertroosting.
Zal ik hun, die aldus gesteld zijn, deze vertroosting kunnen
geven ? Door de genade mijns Gods ben ik der zekerheid deel-
achtig, die in het kruis van Golgotha als in het middelpunt
onzer behoudenis roemen leert. Ik geloof van ganscher harte
-ocr page 34-
22
aan de verzoening door het bloed des kruises en aan de plaats-
vervangende gerechtigheid mijns Middelaars, en weet dat mijne
zonden door zijne verdiensten bedekt, mijne schulden door zijne
zoenofferande uitgedelgd zijn, anders zou ik, helaas! van wan-
hoop verslonden moeten worden. Ik weet ook dat niemand
anders dan de Heilige Geest het mij, en allen die het weten,
geleerd heeft, ons van zonde en van Jezus\' gerechtigheid over-
tuigende. Zal ik dan in staat zijn door mededeeling en uiteen-
zetting mijne broederen die naar licht verlangen, te helpen\'?
Ja toch: want hetgeen ik van den Heiligen Geest geleerd heli,
dat heb ik naar Gods Woord van de gemeente geleerd in wie
de Heilige Geest is en spreekt. En gelijk andere broeders mij
tot verheldering mijner inzichteu a!s gezegende middelen hebben
gediend, zoo verwaardigt dezelfde Geest mij wellicht, wederom
voor zoekende broederen tot voorlichting te wezen. In dat
vertrouwen en met die bede wil ik eenige woorden spreken;
niet om alles uit te leggen, niet om de begrippen nauwkeurig
te ontleden, maar om, al is het in vluchtige woorden, toch
het een en ander te trachten aan te raken dat misschien licht
werpen kan.
Allereerst vraag ik u, mijn broeder, of wij het samen ééns
zijn hierover dat wij de geschiedenis van Jezus Christus, gelijk
de Bijbel ons haar overlevert, aannemen; dat de apostolische
getuigenis omtrent zijn persoon en werk in evangeliën en
brieven gegeven, voor ons vast staat? In onze van twijfelzucht
en valsche kritiek doorknaagde eeuw is die vraag noodig.
Want al wat wij hier hebben te besprekenis geschiedenis,
-ocr page 35-
2H
heilige geschiedenis. Het is feit buiten ons éér het in
ons komt als kracht en leven. Vergeet dat nooit: al onze
zekerheid ligt daar in, ja de eeuwige vrede hangt daarvan af.
De menschen die zeggen: »het Nieuwe Testament is niet te
vertrouwen, de Schriften zijn niei echt«, nemen slechts de
kritiek tot voorwendsel. De reden der afwijzing van de
bijbelsche waarheid ligt dieper dan een bloot wetenschaplijke
vraag. Maar om u toch met een enkel woord rekenschap te
geven, waarom ik, ook wetenschaplijk, met volkomen zekerheid
aan de bijbelsche berichten geloof geef, wijs ik n op hetgeen
aan de geschiedenis van Jezus voorafgaat en op hetgeen uit
en na haar volgt. Israël, hoe men ook de kritiek over zijn
oorkonden denke, Israël zoekt God in den mensch. De ge-
schiedenis der christelijke kerk, hoe men ook omtrent de kritiek
over haar oudste oorkonden denke, verkondigt luide God
in den mensch. Israël is een opwaarts gaande helling, en vau
haar hoogtepunt af loopt de christelijke kerk als een neder-
waarts gaande helling; zoodat er een klein, heerlijk hoogland
tusschen beide ligt. Welnu, wat moet dat hoogland zijn\'? Langs
de helling opwaarts wordt steeds geroepen: »ik zoek, ik zoek!«
Langs de helling nederwaarts wordt gezongen: »wij hebben
gevonden, wij hebben gevonden!« Wat kan er dan anders
tusschen beide liggen dan : »het is geschied, hij is verschenen?*
Ja mijn broeder! Gou is geopenbaard in het vleesch. Ik stem
u toe, het is een mysterie, maar het te loochenen is een onge-
rijmdheid. Beter is het de historie niet te begrijpen, dan haar
geesteloos de oogen uit te steken.
Want ja, hier is het oog, het licht, het middelpunt der
lüstorie, zoo wij de historie kennen niet als een toevallig samen-
-ocr page 36-
24
voegsel van gebeurtenissen maai\' als éénheid, als uitvoering van
Gods eeuwigen Raad.
God wil zich met zijn schepping, door allereerst met haar
Hoofd, de menschheid, vereenigen. Daartoe sloot Hij, nadat het
eerste Verbond in het Paradijs verbroken was, met Israël zijn
genadeverbond, opdat de zegen daarvan tot de geheele mensch-
heid overgaan zou. Aan Gods zijde zou dat verbond, natuurlijk,
getrouw vervuld worden. Maar hot zondig Israël, hoe zou het
kunnen getrouw zijn? Niet anders dan door God zelf, door-
dat Hij zelf, als mensch den eisch des Verbonds vervulde.
Daartoe diende dan liet zaad, dat God aan Abraham gaf, en
door hetwelk Hij zelf in Israël was. Want dat zaad was de
Christus, de wortel Israëls; — immers niet alleen is de
Christus uit Israël, maar evenzeer is Israël uit Cliristus.
om Christus\' wille tot bestaan geroepen. Israël is het volk
Gods omdat het Cliristus\' volk is. Het Verbond, waaruit dit
volgde, was zelf openbaring van de eeuwige eenheid tusschen
den Vader en den Zoon. Naar die eenheid, wij kunnen zeggen
naai\' dat Verbond, gaf de Vader den Zoon als Middelaar over,
en deed dus het volk des Middelaars in zijn volle liefde
deelen: en met diezelfde liefde gaf de Zoon zich den Vader
over, om Hem volkomen te gehoorzamen, en om zijn volk,
in zichzelven, tot volkomen zaligheid te leiden. Zoo rust dan
de uitverkiezing der Gemeente, verre van willekeurig te zijn,
op Gods eigen heilig wezen. Die verkiezing is vrij, volmaakt
vrij in zichzelve, daar de zonde in en door den Zoon
overwonnen is en er dus op zijn verkiezing (hij toch is eigen-
lijk de éénig Uitverkorene, Jes. 42 : 1, de anderen slechts
in hem) geen willekeur kleeft: en daarom is die verkiezing
-ocr page 37-
25
ook vrij tegenover ons zondaren, daar zij »in Christus« (Ef. 1 : 4)
is en dus volmaakt heilig.
Nu kwam Christus om Gods wil te doen (Hebr. 10 : 9).
Gods Wil en Raad kwam lüj volbrengen; niet slechts de wet
van Mozes, maar den geheelen Raad Gods. Hij kwam den
tegenstand der wereld in heiligheid des levens overwinnen.
Deze overwinning moest de wereld niet van zich afstooten tot
haar veroordeeling, neen zij moest die wereld winnen en be-
houden. Van daar het lijden van Christus: hij wilde de
wereld niet oordeelen, en liet zich dus door haar oordeelen.
Zoo is hij e n met den Vader, e n met de menschen verbonden
gebleven, en heeft deze beide, die hopeloos onderling gescheiden
waren, weer met elkander vereenigd, zooals wij later zullen zien.
Deze heerlijke waarheid der eeuwige verkiezing werpt op
het verzoeningswerk van Christus den rechten glans. Gij ziet
dat die verzoening van God zei ven uitgaat: Hij wordt
niet door iets buiten Hem er toe bewogen. Dit doodslijden des
Zoons volgt uit het eeuwig plan der wereldregeering Gods
(Hand. 2 : 23: 1 : 27, 28.) God straft de zonde naar zijn
gerechtigheid (2 Cor. 5 : 21. Rom. 8:3; 3 : 25), en dit
lijden neemt Christus, als Hoofd der menschheid, op zich. Hij
volbrengt Gods wil en des menschen schuld beide. Zie nu het
groot en zalig onderscheid tusschen deze twee, of gij alleen
des menschen behoefte aan zaligheid in aanmerking
neemt, dan of gij eerst en vooral op Gods eere in de vol-
voering van zijn eeuwig Raadsbesluit ziet. Dit onder-
scheid is: in het eerste geval hebt gij u aan Christus over-
gegeven — maar hoe wankel en onbetrouwbaar is die grond!
In het tweede heeft God zelf u eeuwig aan Christus, en
-ocr page 38-
26
Christus aan u gegeven. O heerlijke troost! in Gods eeuwig
welbehagen is ons leven, ons behoud gegrond, en kan daarom
niet falen maar moet ten einde toe tot stand komen. Ja ten
einde toe. Want niet alleen tot rechtvaardigheid is Christus ons
van God geworden, maar ook tot heiligmaking en volkomen
verlossing. Niet slechts den aanvang van ons heil, maar ook
de voltooiing tot het einde toe heeft onze Middelaar op zich
genomen. Ik kan niet meer verloren gaan in eeuwigheid, omdat
God getrouw is en zijn verbond onverbreekbaar. Dit te ge-
looven is: het tot mijn eigendom te maken.
En nu, nadat wij den grond onzes heils in de eeuwige Verkiezing
Gods hebben overwogen, nu zien wij in dit middelaarschap van
Jezus Christus tevens de vervulling onzer diepste behoefte.
Kent gij de «goddelijke Komedie« van Dante? Haar derde
deel (het Paradijs), in zijn geheel niet het schoonste, doet
echter het gansche gedicht op de laatste bladzijden zoo heerlijk
mogelijk sluiten. Dante, tot de hemelsche heerlijkheid toegelaten,
ziet daar in het goddelijk wezen de beeltenis des
menschen. Hoor het hem aanbiddend beschrijven:
O eeuwig Licht, slechts dour Uzelf gedragen,
Gü zelf slechts kunt u kennen en bevatten;
Gekend en kennend blijft ge uzelf behagen!
Den omtrek nu, dien hier mün oog kon schatten,
In U, gelijk \'t weerkaatste licht geboren,
Tracbtto ik eerbiedig met m(jn blik te omvatten.
\'k Zag in dien kring des Menschen beeltnis gloren,
En zich daarin met z\\jno kleuren malen;
\'k Heb in dien aanblik mjj geheel verloren.
-ocr page 39-
■11
Als hij, die van den cirkel wil bepalen
De kwadratuur, maar nooit haar kan ontdekken,
En steeds, daar hij \'t verband niet vindt, blijft dwalen,
Zóó moost ook dit gezicht mijn weetiust wekken.
Hoe beeld en kring hier beiden samenhangen,
En hoe daar plaats in is voor \'sraenschen trokken,
Dat kon geen eii;cn vleugelslag erlangen.
Maar eon genndostraal trof zóó mijn oonen,
Dat hij volde e d aan al mijn zielsverlangen.
Verbeeldingskracht verliest hier haar vermogen:
Als \'t rad, harmonisch wuntlend zonder marren,
Wordt wensch en wil vereend door Hem bewogen
Wiens liefde went\'len doet èn z n èn starren. \')
Wat beduiden deze heerlijke woorden?
De mensch zoekt God, den hemel, in de wereld, en wil dan
bij Hem rusten. Daarom bouwt hij Hem een heiligdom, en
begeert dan voor zichzelf daar bij Hem een rust. »De mensch
vindt een huis, de zwaluw een nest waar zij haar jongen legt.
bij Uwe altaren, Heer der heirscharen, mijn Koning en mijn
God. Welgelukzalig zijn ze die in Uw huis wonen, zij prijzen
0 gestadiglijk.* Maar die woonstede kan de mensch niet bouwen
voor zijn God, neen God zal haar bouwen voor hem. (2 Sam.
7 : 11). De mensch zoekt in het heiligdom niet de plaats op
zichzelve, maar den mensch, den priester die in dezen tempel
woont en dient. Met de persoonlijkheid Gods toch wordt
het hem nooit volkomen ernst zoolang hij haar niet in de
Vert. van Dr. J. C. Hacke van Mijnden.
-ocr page 40-
28
beeltenis des menschen ziet, gelijk de incarnatie-mythen van
alle volken bewijzen. En omgekeerd wordt het den mensch
evenmin ernst met zijn eigen persoonlijkheid zoolang hij haar
niet in God ziet, haar niet kent als in God gegrond. Want niets
dat niet in God gegrond zij, heeft volkomen recht van bestaan,
d. i. onsterflijkheid, eeuwig leven. En zoo blijkt de mensch-
wording Gods, de vleeschwording des Woords, niet een wonder-
lijk, onredelijk bijbelsch leerstuk te zijn dat slechts op gezag zou
moeten aangenomen worden, maar vervulling van de hoogste,
edelste behoefte onzer natuur.
Maar als uwe gedachte nu van den persoon des Middelaars
tot zijn werk overgaat, dan weet ik, mijn broeder, dat er nog
een niet minder gewichtige bedenking in uw binnenste sluimert.
Aan vergeving, aan verzoening met God hebt gij behoefte. Dat
die behoefte nog niet bevredigd is, dat gij meer noodig hebt
dan gij nu nog bezit, dit gevoelt gij. Dat het vriendelijk beeld
van Christus, gelijk het Evangelie dit beeld tot u brengt, u
verkwikt en aantrekt, gij ontkent het niet. Maar toch, toch, ja
aarzelend spreekt gij het uit, want gij beseft dat uwe bedenking
het geheele christelijke geloof zou doen vallen indien ze waar-
heid sprak.... maar gij kunt de gedachte niet van u weren,
die daar fluistert:
»Waartoe de Middelaar? Is God dan niet barmhartig en
vergevensgezind uit zichzelve ? Waarom kan ik mij niet terstond
in zijne armen werpen, roepende: Vader ik heb gezondigd —
en van Hem hooren: Ik heb u vergeven\'? Waartoe deze —als
ik het dan oprechtelijk zeggen zal wat in mij oprijst — waartoe
deze hinderlijke tusschenpersoon ?«
Ach, ik versta deze bedenking. Hoe lang heeft zij mijn eigen
-ocr page 41-
29
gemoed vervuld en mij den vrede benomen! Ik versta haar.
Ik weet uit eigen herinnering met welke wijduitgestrekte ge-
dachten zij samenhangt.
Hoe zal ik haar beandwoorden ? Ten volle kan ik dit nu nog
niet doen. Want zoolang gij deze bedenking oppert, duld dat
ik het u zegge zonder het u nog te kunnen bewijzen, zoolang
kent gij uwe eigene diepste behoeften nog niet. Eerst moet ik
u van Christus den gekruisigde spreken, en tot u zeggen: dat
is geschied, en zoo goed mogelijk u uitleggen hoe en waarom
het geschied is. Want eerst bij dat kruis, eerst als gij verkeert
onder deze verkondiging, kan bij u het besef van uwe diepste
behoeften ontwaken. Dit zijn de wonderbare wegen Gods in de
christelijke verkondiging: gij komt tot die verkondiging, nog
meenende dat gij leeft. En geen redenecring is in staat u van
het tegendeel te overtuigen; slechts schemering van een besef
van gevaar bestaat er nog maar bij u, voldoende om u ten
minste te doen besluiten om aan die verkondiging het oor te
leenen. Dan heft die verkondiging aan, en zegt: door Christus\'
zoendood is u het leven geschonken. Die boodschap kan spoor-
loos langs u heengaan, zonder vrucht achter te laten. Maar
ook kan er iets daarbij geschieden wat ik beschrijf met de
woorden: de Heilige Geest heeft het levend gemaakt in zijn
hart; er was behoefte en oprechtheid in zijne ziel. Gij stemt
niet toe, dat dit de werking van den Heiligen Geest behoeft
te zijn, en gij kunt dat ook niet toestemmen, want alleen de
ervaring leert het ons.... Genoeg, bij die verkondiging van
Christus\' zoendood zal het óók kunnen geschieden dat zij in-
dringt in uw hart, en eerst dan, eerst dan wanneer gij waarlijk
begint te gelooven dat u het leven door dien dood van Christus
-ocr page 42-
30
geschonken is, eerst dan begint gij te gevoelen: waarlijk ik
was dood — terwijl het dan, hetzij allengs, hetzij meer plotse-
ling u bekend wordt: ik ben levend geworden! Eerst door het
geschonken leven beseft gij de mate van den overwonnen dood;
eerst door het vervuld zijn van uwe behoefte peilt gij de
schrikkelijke diepte dier gewezen behoefte. O hoe worstel ik
met de taal om u deze dingen duidelijk te maken .... waar-
mede zal ik ze vergelijken? Herinner u hoe soms in den droom
eene geschiedenis van vele dagen en weken door u doorleefd
wordt, on liet laatste van dit alles, geleidelijk op het voor-
laatste volgende, is een liefelijke klank die tot u komt; gij
ontwaakt, en zie het was een beminde stem die u wakker
riep: en met verbazing bepeinst gij dit wonder, hoe deze stem,
in dat ééne oogenblik roepende en u wekkende, uwe droomende
voorstelling bliksemsnel door die geheele reeks van gebeurte-
nissen en toestanden als met achterwaarts gaande beweging
geleid heeft. Herinner u hoe gij een vriend hadt, van wien gij
jaren lang dacht dat hij uw vriend niet was. Gij hebt hem
meestal ontweken, nooit recht begrepen, vaak verdacht —
eindelijk komt een woord, eene daad van hem u zijn wezen
ten volle verklaren; gij ziet in de diepte van dat wezen de
brandende liefde voor u, voor u den ondankbare; en nu vaart
een licht met teruggaande beweging over al uwe vroegere
herinneringen heen, en zij allen beschamen u; en bij iedere
van die herinneringen ziet gij dat er toenmaals een gevaar
boven u gezweefd heeft van voor altoos van die liefde afge-
keerd te worden, en elke van die vlijmende herinneringen gaat
toch vergezeld van het heerlijk besef, dat dit gevaar nu ge-
weken is en gij onscheidbaar voortaan aan zijn liefde verbonden
-ocr page 43-
I
31
blijven zult. Denk dit en dergelijke dingen in, mijn broeder!
en zij zullen u iets, iets ook slechts maar toch iets, verklaren
van den zin des profetischen woords: «Zekerlijk, nadat ik
bekeerd ben heb ik berouw gehad, en nadat ik mijzelven j
ben bekend gemaakt, heb ik op de heupe geklopt.«
Daarom, zoo gij vragen mocht waartoe gij den Middelaar
zoudt noodig hebben, daar gij immers wel onmiddellijk tot God
kunt gaan? dan kan ik u wel zeggen dat een zondenvergeving
zonder meer, zonder Middelaar en offer, een willekeurige,
dus niet heilige vergeving zou zijn; een vergeving waarbij
Gods toorn en haat tegen de zonde, noodzakelijke keerzijde
van Gods liefde tot den zondaar, zou te kort komen; een ver-
geving die ook zelfs uwer menschelijke waardigheid zou te na
treden, daar die waardigheid beter gehandhaafd is als gij door
uwe zonde verloren gaat dan als gij een willekeurige vergeving
ontvangen zoudt. Maar hiermede zou ik u toch nu nog geen
voldoend andwoord geven: niet omdat ik het niet weet, maar
omdat gij niet begrijpen kunt wat alleen na ervaring begrepen
wordt. Doch iets kan ik u reeds nuandwoorden. Hoor mij aan.
Voor en aleer gij werkelijk met God verzoend zijt, kunt gij
in eeuwigheid niet tot Hem komen alleen uit uzelve. Want
wat ontbreekt u? u ontbreekt niets, dan alles. Ü ontbreekt
waarachtige liefde tot God; liefde met uw gansche hart, met
geheel uwe ziel, met geheel uw verstand, met al uwe kracht
voor God. Iets anders nu, iets minders dan die liefde kan u
met God niet vereenigen, ja kan den afstand die daar is tusschen
u en God geene enkele schrede minder maken. Dat gij die
liefde thans niet bezit, dit stemt gij toe zoo gij ernstig zijt.
Maai\' kunt gij u tot die liefde inspannen, kunt gij ze ver-
-ocr page 44-
82
krijgen tot vrucht van gemoedelijk ernstig pogen? 0 misleid u
niet. Liefde laat zich niet dwingen. Uwe bezitting volkomen
weg te schenken en uw lichaam ter verbranding over te geven,
ja daartoe kunt gij gedwongen worden door anderen of door
uzelven. Maar tot het kleinste sprankjen van liefde kunt gij
noch uzelven dwingen noch gedwongen worden door de kracht
des ganschen heelals. Slechts éöne kracht kan u tot die liefde,
ja tot volkomen liefde dwingen; eene kracht die sterker is dan
het heelal, namelijk de liefde Gods. Om liefde te kunnen doen
ontstaan moet men eerst liefde geven: om volkomen liefde te
wekken moet God eerst u volkomen liefde bewijzen. Zeg nu
niet, zoolang gij Christus niet kont, dat God u genoeg liefde
bewezen heeft om uwe liefde te kunnen wekken, namelijk door
zijne gaven van het leven, de gezondheid, de geestvermogens,
de wereld... . Houd op, gij liegt, gij liegt. Dit alles heeft \\
geen waarachtige liefde bij u gewekt, gelijk gij zoo even zelf
erkend hebt. Dit alles kan geen waarachtige liefde bij u /
wekken, want het maakt u toch niet gelukkig en het is uwe f
hoogste liefde niet waard. Dit alles hebt gij ontvangen en \\^
het heeft u toch niet volkomen gelukkig gemaakt, want immers
heeft het geen volkomen liefde bij u gewekt.
"Want — en ziedaar de oplossing van het raadsel — dit alles,
leven, gezondheid, geestvermogens, wereld, die alles is geen
volkomen liefdebetoon Gods. Volkomen liefdebetoon is niets
anders dan mededeeling van zich zelve. Let wel, niet van zijne
gaven, niet van alle zijne gaven, maar van zich zelven.
Heeft God dan meer dan zijne gaven, heeft God dan
meer dan alle zijne gaven, heeft God dan zichzelven ge-
geven ?
-ocr page 45-
33
Ja, zegt de christelijke gemeente, ja Hallelujah, dat heeft
Hij gedaan.
Hoe heeft Hij dat dan gedaan? vraagt gij.
Ik and woord u nog niet. Want gij kunt dit andwoord nog
niet aannemen.
Ik voer n uit de hoogte van Gods wezen tot de diepte van
uw eigen wezen terug.
Namelijk tot de diepte van uwe zonde.
Van do kennis der zonde hangt het af, hoe iemand verder
over elk deel der waarheid Gods denkt. Men zegt: er zijn in
de gemeente verschillende »richtingen*: daar zijn orthodoxen,
evangelischen, modernen — alsof dit alles slechts een verschil
van «inzicht" of »meening« ware. Neen, er zijn menschen die
hun zonde kennen en ook zul ken die haar niet kennen. Naar
iemands kennis van de zonde hebt gij al of niet te hopen dat
gij hem van do waarheid van Gods Woord zult overtuigen.
Om iemand te overtuigen is niet slechts noodig juistheid van
betoog, maar vooral een juiste stand van den geest zelf waar-
door hij de zaak in kwestie van uit het ware middelpunt der
dingen beschouwt. Ieder mensch, ook de verwardste geest,
bezit werkelijk in de diepte van zijn wezen (al weet hij het
zelf niet) een harmonisch geheel van wereldbeschouwing, met
hetwelk de gedachten die hij denkt, minder of meer in over-
eenstemming zijn. Wat bij die grondbeschouwing niet past
moge hij een oogenblik, zoolang een mensch of boek hem
overreedt en beheerscht, laten gelden, eerlang laat hij het toch
weer varen. Alleen wat met dien innerlijken toestand strookt,
hecht bij hem duurzaam. Nu komt de mensch alleen door de
kennis van de zonde in \'t rechte middelpunt te staan, van
3
-ocr page 46-
34
waar uit alle dingen in \'t ware licht worden gezien. Want
kennis van de zonde is besef van de heiligheid des Ideaals,
d. i. van het licht dat alle dingen in hun rechte houding
toont.
En nu mijn broeder, gij hebt met den eersten Adam eene v
gemeenschap van zonde en van schuld. Wat in den aanvang
is geschied dat werkt over de gansche verdere ontwikkeling
door. Dit gansche menschelijke geslacht waartoe gij en ik be- /
hooren, is door de zonde aan den dood en het verderf onder- l
worpen, en staat schuldig en verwerpelijk voor God.
Die zonde is erfzonde. Dat wil zeggen, het menschdomi
bestaat niet uit losse enkelingen maar is één organisch geheel \\
naar afstamming en aard. De zonde is oorspronkelijk daad van
het geslacht en van zijn stamvader, en wordt daarna door
persoonlijke toeëigening daad en eigendom van u en van iederen
enkelen mensch.
Want al wat organisch leeft, bezit een hoofd; zoo ook de
menschheid. Haar hoofd is Christus, krachtens Schepping en
Verlossing beide. Naar het recht der Schepping: alle din-
gen, bovenal de menschheid, zijn in den eeuwigen Zoon ge-
grond, door het Woord heeft de Vader alles geschapen. Hij
is de grond, dus ook het doel, der schepping. Hij is der wereld
redelijke grond, d. i. uit het bestaan zelf des Zoons, uit zijn
betrekking tot den Vader, volgt het bestaan der wereld. Die
wereld heeft dus vatbaarheid en aanleg om zijn heerlijkheid
te openbaren. Is dit doel bereikt, dan zijn natuur en geest
één, en is God volkomen in de wereld geopenbaard. Doch ook
naai- het recht der verlossing is Christus het Hoofd der mensch-
heid. Hij is de »Zoon des menschen«, die aller leven verstaat,
-ocr page 47-
35
in zich opneemt en draagt. Uit deze eenheid van het mensch-
dom in Hem verklaart zich de idee der toerekening, over
Avelke wij later meer bepaald handelen, maar welke wij ook
buiten het gebied der geloofswaarheid werkzaam zien in de
onmiskenbare Nemesis die de geschiedenis van familiën,
dynastiëu, volken beheerscht.
Doch ook een natuurlijk hoofd bezit de menschheid in
Adam, den eersten mensch. De eenheid der natuurlijke mensch-
heid ligt in hem, daarom werd de zonde van dezen éénen
mensch door persoonlijke toeëigening, gelijk we zeiden, tot de
zonde van allen. Zoudt ge soms dit loochenen, omdat uw
verstand het niet vatï Vruchteloos, wa:it uw geweten betuigt
het toch. Zoodra hetgeen de menschen «godsdienstig gevoel»
noemen, dieper door u onderzocht wordt en aan \'t woord
komt, openbaart het zich als de stem van het geweten, en
in God ziet gij dan den strengen Wetgever, in de eeuwigheid
het oordeel.
Maar nu, als uw geweten waarlijk ontwaakt is, mijn broe-
der! dan hebt gij niet genoeg aan de vergeving der zonden
buiten den Middelaar, over welker mogelijkheid wij hier
spreken. Want zie, uwe zonde is niet iets wat gij door een
berouw en goed voornemen voor de .toekomst plotseling af-
schudden kunt, maar eene daad, oorspronklijk in vrije zelf-
bepaling volbracht en daarom zich duurzaam aan den persoon
des zondaars hechtende. Daarom blijft ook de verleden
zonde voor uwe rekening. Gij hebt haar lang vergeten, maar
voor God blijft zij bestaan, en zelfs van elk ijdel woord zult
gij ten dage des gerichts rekenschap geven. Een donker ge-
voel daarvan spreekt in uw geweten. Immers als gij waarlijk
-ocr page 48-
36
berouw hebt, gevoelt gij dubbel de straf waardigheid der zonde,
en denkt er niet aan om juist door dat berouw kwijtschelding
van schuld en straf te erlangen. Gij gevoelt dan dat Gods
heiligheid vergelding eischt, en dat zijne liefde nooit mag
opgevat worden in een zin die ook maar in \'t allergeringste
aan zijn heiligheid zou te kort doen. Gij beseft dan hoe het
gevoel van schuld uwe vrijmoedigheid verlamt, en dat de
redeneering: ->God zal mij wel vergeven als ik mij ver-
beter* — hierop afstuit dat gij geen kracht noch vrijmoedig-
heid hebt om u te verbeteren dan nadat de gemeenschap
met God hersteld is. Noen, zelfs indien God een verklaring
gedaan had (Hij kon het niet en heeft het niet gedaan) dat
Hij de zonde vergeven had zonder voldoening aan zijn ge-
rechtigheid, gij zoudt het, als uw geweten waarlijk ontwaakt
was, öf niet kunnen golooven, öf als gij het geloofdet, uw
geloof aan Gods heiligheid verliezen en tot verstomping vau
uw zedelijk besef vervallen. Kortom, niet slechts Gods Woord
maar evenzeer de eisch van uw geweten, als het waarlijk
aan \'t woord komt, eischt dat er geen vergeving zij zonder
voldoening aan Gods gerechtigheid.
Hallelujah! die voldoening is gegeven.
Wij zagen dat de geheele menschheid in zonde en verderf
gevallen, de »geheele wereld voor God verdoemelijk« is door
den samenhang die alle menschengeslachten tot één verbindt.
Maar in die onafgebroken, door alle tijden voortloopende ont- •
wikkeling der zondige geslachten is een nieuw aanvangspunt
gesteld. De tweede Adam is gekomen, rein en heilig, en is<
het begin der tweede schepping geworden; en ook hier is I
het gelijk in de eerste schepping, dat al het volgende dat zich
-ocr page 49-
37
tiit Hem ontwikkelt, aan zijne hoedanigheid deel heeft. In den
eersten Adam zijt gij van nature, in den tweeden Adam moogt
gij zijn door het geloof.
Maar dit is het onderscheid tusschen het zondige natuurlijke
leven en het leven des geloofs, dat het eerste onvrijwillig is:
een last met wiens drukking op u gij geboren zijt; en het
tweede is het leven der vrijheid, omdat het is eene gave des
Heiligen Geestes, welke het beginsel der zelfstandigheid is.
Het heeft niet ter uwer keuze geslaan, al of niet in zonden
ontvangen of geboren te worden. Maar wel wordt het ter uwer
keuze gegeven of gij God dienen of het beste deel erlangen
zult in den geloove, of niet. »Want indien door de misdaad
»van éénen de dood geheerscht heeft door dien éénen, veelmeer
> zullen zij die den overvloed der genade en der gave der
>rechtvaardigheid ontvangen, in het leven heerschen door dien
»éénen, Jezus Christus.« Door demisdaad van Adam heers cht
de dood over allen, die uit dezen stamvader voortkwamen:
een donkere, noodlottige natuurmacht, een doodsgeweld doet
hen bukken. Maar die door Jezus Christus leven, heerschen
zelve in dat leven der genade. In alles wat tot uw natuurlijk
leven behoort, kunt gij alleen schijnbaar, maai\' niet werkelijk
iets doen uit vrije beweging. In dat alles zijt gij bepaald door
den natuursamenhang die u omgeeft. Deze natuursamenhang
die u omringt, en waarvan ook uw eigen natuurlijk leven naar
ziel en lichaam een gebonden schakel, een onzelfstandig lid
is, wordt door u niet begrepen noch beheerscht. Terwijl gij
zijn invloed ondergaat en van uwe zijde daarop terug werkt,
zijt gij uws zelfs niet volkomen bewust; gij handelt slechts
willekeurig, maar niet vrij. Maar zoo gij zult wedergeboren zijn,
-ocr page 50-
38
dan zult gij vrij wezen. Wat een werk is van uwe zondige natuur,
dat is in den diepsten grond uw eigen werk niet hier beneden.
Immers de zonde behoort niet tot uwe eigene, van God ge-
schapene, wezenlijke natuur. God heeft u naar zijn beeld ge-
schapen, en al wat zondig in u is, dat is verloochening van
uwe eigenlijke met Hem verwante natuur. Door de zonde wordt
gij onvrij, komt gij onder de macht des kwaads, onder de
macht des duivels: door deze macht wordt in u gewerkt, en uw
eigenlijk met God verwant wezen werkt niet, maar ligt gebonden.
Zoolang gij niet wedergeboren zijt kan uw eigen wezen niet
werken, want het is en blijft gebonden. En zoolang gij niet
zoekt rechtvaardig te zijn voor God, zoolang dus liet hoogste
ideaal u niet boven alles gaat, verkeert gij in een nederwaarts
gaande beweging; dooft gij eerst het hoogste, de behoefte aan
gemeenschap met God, daarna en daarom het lagere, het gees-
telijk gevoel, verstand, allengs in u uit. Uwe roeping is, Gods
wet te vervullen, heilig te zijn. IsraSl heeft, naar luid der
geschiedenis, dit niet kunnen doen. Zoudt gij het kunnen omdat
uw stand van beschaving en algemeene ontwikkeling die van
het oude Israël zoo verre overtreft? Maar dat ware tegen de
waardigheid der menschelijke natuur, dat zij door uitwendige
omstandigheden, door een atmosfeer van beschaving die ous
omringt of door iets dergelijks, zou in staat gesteld worden
om het hoogste en edelste te volbrengen, namelijk aan Gods
wet te gehoorzamen, vrij te zijn. Gij kunt het niet zoolang gij
niet aan uw natuurlijk aangeboren bestaan ontheven zijt: want
zoolang dit niet geschied is, kunt gij zelf niet werken, slechts
voor vreemde krachten en invloeden ten werktuig strekken.
Eén werk is er slechts dat in den diepsten jjrond uw eigen
-ocr page 51-
39
werk, een werk der vrijwilligheid, der liefde is. En dat is, in
Christus te gelooven. Want dat geloof is geheel en al van den
aanvang tot het einde een werk des Heiligen Geestes. En de
Heilige Geest alleen is werkmeester der zelfstandigheid, der
vrije werkzaamheid, anders gezegd: der liefde. God wil geen
andere toekeering tot Hem dan welke zij een werk der liefde,
dat is: der vrijheid. Daarom geldt voor Hem geen ander geloof
dan hetwelk zij eene genadegave des Heiligen Geestes, een
vrijwillig geloof.
Die waarlijk gelooft zal er niet meer naar vragen of het
geloof een werk Gods, dan wel of het een eigen werk der
menschen zij. Want de hoogste zelfstandigheid des ïnenschen
bestaat da;\'ir alleen waar de Heilige Geest, de groote Verbreker
aller banden, hem vervult en bezielt — met andere wooiden,
waar hij gelooft. Het geloof is in zijn aard en wezen de hoogste
daad des menschen, ja een oneindig waagstuk - hoe zou het
dan iets anders dan een werk des Heiligen Geestes kunnen zijn ?
Wederom, het geloof is de blik, de eenvoudige blik der
liefde op Jezus. Eigengerechtigheid benevelt den blik onzes
geestes, zoodat wij den Heiland niet zien, slechts den histori-
schen kouden vorm zijner gestalte. Maar hemzelven ziet het
oog, wanneer het hart door schuldbesef gebroken, door honger
en dorst naar de verloren gerechtigheid begeerig gemaakt is
- - welnu, als wij Jezus Christus zien mogen, is het dau niet
de kracht des levens, der eeuwige liefde die uit zijn oog
straalt, is het niet die kracht door welke wij eigenlijk hem zien?
Zoodat ook hier blijkt dat het alleen de Heilige Geest is,
van den Heer tot ons uitgaande, door wien wij zien en ge-
looven.
-ocr page 52-
40
En nu, laat mij u uiteenzetten wat er geschied is. oplat de
Heilige Geest dat geloof in u zou kunnen werken.
Gij hebt gehoord van een drama dat zich eigenlijk in den
hemel voltooide, om dan op aarde te worden nagespeeld. De
Vader berekende dat de zonde der mensohheid haar tot het
betalen van een oneindige schuld gehouden had gemaakt. Naar
zijn liefde zou Hij die schuld willen kwijtschelden, naar zijn
gerechtigheid kon Hij niet. Ziet, daar verscheen de Zoon en
verklaarde dat hij die schuld zou betalen. Het verdrag werd
met zijn bloed geteekend — en gelijk hij daartoe gehouden
was. zoo versoheen hij ter bestemder tijd op aarde, en betaalde
de schuld. Alzoo was hier geschied wat op aarde met een of
anderen schuldeischer geschieden zou. Deze heeft in zijn boek
gesteld de som die hij in te vorderen heeft. De schuldenaar
is onvermogend tot betaling, en moet nu gestraft worden. Plot-
seling verschijnt een derde, en verklaart dat hij de schuld
overneemt. Wat raakt het nu den schuldeischer, of de sehiü-
denaar met dezen edelmoedige in betrekking staat, of niet\'?
Wat zou lüj er naai\' vragen of die schuldige ook later aan zijn
bevrijder dankbaarheid zal betoonen, of niet? doet de bevrijdde
schuldenaar dat, zoo veel te beter, maar de hoofdzaak is dat
hij, schuldeischer, zijn geld ontvange; en na dat geld werkelijk
ontvangen te hebben is lüj voldaan en de zaak is geëindigd.
In deze vergelijking bestrijden wij den onvolkomen
vorm, die u terecht weerzin en een pijnlijk gevoel inboezemt.
Die vorm van een rechterlijk contract verdonkert de waarheid
dat alles wat tusschen God en ons geschiedt, persoonlijk
is. Bij de menschen is de rechter immers slechts een tijdelijke
verpersoonlijking van de wet. Eigenlijk spreekt die rechter
-ocr page 53-
41
niet, maar alleen de wet. Is het vonnis geveld, zoo gaan alleu
uit elkander en zien niet meer de een naar den ander om.
Maar Gods rechterlijke vrijspraak laat den vrijgesprokene niet
onverschillig heengaan, neen zij neemt hem juist in de kinder-
lijke betrekking tot God op. Hij ontvangt nu juist den Heiligen
Geest, die hem ten innigste met zijn Vader en Verlosser ver-
bindt. Maar wachten wij ons wèl van om den vorm ook de
kern zelve, gelijk het ongeloof doet, te bestrijden. Die kern
is de waarheid dat Christus ons verlost heeft van den vloek
der wet, een vloek geworden zijnde voor ons, daar wij allen
liggen onder het oordeel des woords: vervloekt is een iegelijk
die niet blijft in alle de woorden der Wet Gods, dat hij die doe.
Laat ons die waarheid wel beschouwen. Laat ons trachten
eenigszins helder te maken de bedoeling van de belijdenis dei-
gemeente, dat Jezus Christus zich in onze plaats onder het
gericht Gods gesteld, ja aan de strafeischende gerechtigheid
Gods voldoening gegeven heeft.
Vooreerst, het strijdt niet tegen elkaar dat het Gode door
Christus\' zoenofferaude eerst mogelijk is geworden ons lief te
hebben, en dat toch de geheele zending des Zoons een werk
van \'s Vaders liefde was. Herinneren we ons wat blz. 25 enz.
de heerlijke waarheid der eeuwige Verkiezing ons leerde. Dit
willen we hier nader toelichten. God toornt heiliglijk over den
zondaar, en die toorn Gods is door Christus weggenomen, God
is met ons verzoend! En nu kan God ons liefhebben met een
hooger, inniger liefde nog, dan die Hij oorspronkelijk had en
die Hem tot de zending van den Zoon bracht. Hoe nu, vraagt
gij, is er dan in God zelven een verandering denkbaar? Ver-
mag dan het werk van Christus een wijziging aan te brengen
-ocr page 54-
42
in het wezen van Hem bij wien »geen verandering is noch
schaduw van omkeering?« Ik andwoord u: misbruik dat woord
van Jakobus, (hetwelk op iets geheel anders ziet) toch niet
om in God een levenlooze strakheid, naar den trant der
ongeloovige wijsbegeerte, te stellen. God is Persoon. Over
zijn ondoorgrondbaar wezen oordeelen we niet. Maar in zijn
openbaring aan ons kan uit de volheid zijns levens de rijkste
verscheidenheid zich toonen. Schepping en verlossing zijn twee
verschillende daden: en Gods eigenschappen of deugden zijn
niet slechts hetzelfde, van twee zijden door ons gezien, maar
werkelijk van elkaar verschillend, schoon met elkander niet
in tegenspraak.
Zoo is vergevende liefde en heilige toorn wel één in Gods
wezen, maar toch verschillend in werking en houding jegens
ons. Wij gelooven vast aan die hoogere éénheid, doch maken
de vermetele aanspraak niet, de verscheidenheid welke wij in
God zien, door onze begrippen tot éénheid te kunnen herleiden.
Zoo leeren we dan, dat door het verzoenend doodslijden van
Jezus Christus de verhouding van God tot de menschheid
inderdaad is veranderd; en dat die verandering niet slechts in
onzen toestand, in onze beschouwing ligt, maar door het
werk van Christus ééns voor altijd is geschied. Wie geen zoo-
danige werking in God kan aannemen, voor zijn beschouwing
kan er ook geen werking van God uitgaan; en God wordt
dan onpersoonlijk, de doode »substantie« van Spinoza, een
strakke éénheid, een bewegingloos hoogste Zijn, waarbij »alle
bepaaldheid als beperking« wordt afgewezen. Een anderen God
hebben wij, zijner genade zij eeuwig dank! Een God die
liefheeft en toornt, die handelt en het gebed hoort, wien de
-ocr page 55-
48
zonde der menschen »smart aan zijn hart, en wien het berouwt
over zijn kinderen.« En zoo gelooven we ook dat Christus\'ver-
lossingswerk, van God zei ven uitgegaan, zijn heiligen
toorn, onder welken wij hadden moeten verzinken, heeft wegge-
nomen en ons behoudenis aangebracht. Ja God is met ons ver-
zoend, doch naar zijn eigen eeuwigen Raad (1 Petr. 1 : 20). »Moest
God dan bloed zien?« vraagt men, en duidt in den afschuw waar-
mee men die vraag doet, haar ontkennende beandwoordiug als van
zelf sprekende aan. Ik schroom de ontzetting van den vrager
niet, en andwoord: ja, God moest bloed zien. Aan Israël werd
in den Pascha-nacht bevolen, het bloed des lams aan de deur-
post te strijken, en de Heere God verklaart: »dat bloed zal
ulieden tot een teeken zijn aan de huizen waarin gij zijt.<
Een teeken nu dient vuor hem die het ziet, dus hier voor
Jehova, niet voor Israël dat »in zijn huizen is.« Daarom ver-
volgt God: wanneer ik het bloed zie, zal Ik ulieden
voorbijgaan, en er zal geen plaag onder ulieden ten verderve
zijn, wanneer Ik Egypteland slaan zal.« Eerst omdat Jehova
dat bloed zag en aanzag, was het voor Israël een vaste grond
des vertrouwen*. Ik bid u, mijn broeder! erger u niet aan
deze waarheid. Laat u haar niet ontnemen door bedenkingen
van het oppervlakkig gevoel dat aan het diepe woord: »zonder
bloedstorting geen vergeving« zich stoot. En wat mijn ver-
kondiging hier aangaat, beoordeel haar in samenhang met wat
ik u verder te zeggen heb.
God wil dan dat aan zijn gerechtigheid genoeg gedaau
worde. Doch dat wil Hij niet tegenover zijn liefde, maai\'
om zijn liefde. Gerechtigheid en liefde zijn één in God. Die
eenheid is voor den zondaar bedekt zoolang hij niet met God
-ocr page 56-
44
verzoend is. Zoolang zijn geweten slaapt, droomt hij vermetel
van een liefde Gods zonder heiligheid. Ontwaakt het, dan
siddert hij voor een heiligheid zonder liefde.
En ook al gelooven wij aan de eenheid van Gods wezen
in zijn eeuwig Raadsbesluit, het blijft voor ons nadenken
toch altoos hierboncden een mysterie, een afgrond door geen
gemakkelijke redeneering, die buiten het leven omgaat, te
overbruggen. Beschouwen we dan eerbiedig het verzoenings-
werk des Heilands in dat licht. Jezus Christus heeft in onze
plaats aan Gods gerechtigheid voldaan. Maar deze in de
plaats stelling zullen wij niet bloot uitwendig mogen opvatten,
willen wij aan de heiligheid van den eisch Gods niet te kort
doen. Immers uwe schuld, o mensch! welke God van u te
vorderen heeft, uwe schuld die gij te betalen hebt, is liefde.
En een ander, wie hij ook zij, kan wel een geldschuld
voor u betalen zoo dat gij zelf daardoor vrijkomt, gelijk in de
vergelijking welke wij beschreven. Maar in uwe plaats lief-
hebben — hoe zou dat mogelijk zijn? Door welke toewijding
des harten van een ander, van wien dan ook, zou ooit uwe
schuldigheid betaald kunnen worden terwijl gij zelf intusschen
uw hart verre bleeft houden?
In welken zin is dan op to vatten wat wij hier verkondigen ?
Op de zonde moet volgen het noodzakelijk gevolg der zonde,
dat is: hare straf. Dat is een zedelijke noodzakelijkheid, ge-
grond in de orde die het gansch heelal te zamen houdt en
zonder welke dat heelal uit elkander zou vallen. Die nood-
zakelijkheid is dus heilig boven alles, en in Gods eigen wezen
gegrond. Denk dit in: het Recht is in Gods eigen wezen, d. i.
in de volmaakte heilige liefde, gegrond. Houd deze waarheid
-ocr page 57-
45
vast tegenover het oppervlakkig geroep van velen, die niet van
Recht kunnen hooren of zij denken terstond aan een koude
dorre noodzakelijkheid, een noodlottige strakheid die alle be-
weging der liefde buiten sluit. Juist het tegendeel is waar.
Gij zult het inzien zoodra gij verstaat dat het populair voor-
oordeel, naar hetwelk Gods recht hier te veel is, integendeel
aan dat recht te geringe beteekenis, te beperkte aanspraak
toekent. God heeft niet alleen recht tegenover u, maar
ook, en vooral, recht op u. God eischt zijn recht: God wil
geliefd worden, want Hij heeft u, o niensch! naar zijn beeld
geschapen, en omdat het alzoo de eisch uwer eigene van Hem
geschapen natuur, de eisch zijner scheppende liefde is dat gij
Hem zult liefhebben, daarom is het Gods recht op u, dat gij
Hem uwe liefde zult betalen. Hij wil dit, Hij eischt dit, opdat
Hij u zou kunnen blijven liefhebben; opdat de gemeenschap
der liefde die u geschapen heeft en in wier genot alléén gij
zalig kunt zijn, u bijblijve; opdat zijn heilige liefde ongehinderd
naar u heen en door u heen stroome en, uwe liefde wekkende
en door uwe liefde ontvangen en beantwoord, u zalig make
ten eeuwigen leven. Doch zie gij zondigt, gij keert uw hart
niet open en ontvankelijk naar Hem toe, maar vijandig van
Hem af. Zijn liefde wil in u stroomen, maar zij vindt zich
belemmerd, tegengehouden. Wat nu? O zijne liefde blijft liefde;
maar de heiligheid dier liefde, die altijd haar wezen uit-
maakte (heiligheid is altijd het wezen der liefde Gods) de
heiligheid van Gods liefde openbaart zich nu als gerechtig-
heid, en met de geheel en al zedelijke noodzakelijkheid welke
wij aanduidden, eischt die gerechtigheid dat gij haar onder-
gaan, dat gij aan haar voldoen, dat gij straf lijden zult.
-ocr page 58-
46
En gij, o mensch! kunt aan dien eisch niet voldoen. Gij
zoudt moeten sterven in dezen gloed. Want die eisch der liefde
Gods welke /.ich als gerechtigheid openbaart, is tweeledig.
Eerstelijk zal bij uzelf het verbroken evenwicht tusschen het
kwaad en zijn gevolgen hersteld moeten worden: gij zult ver-
gelding, straf moeten lijden. Maar ten andere, evenzeer, gij
zult Gode terug hebben te geven wat Hem door uwe zonden
ontnomen is, uwe liefde des harten en den open toegang zijner
liefde tot uw hart, om u gelukkig te maken. En nu, hoe zullen
deze twee eischen met elkaar in overeenstemming komen ? Hoc
zal de veroordeelde misdadiger er toe komen om den Rechter,
dien hij zijn doodvonnis hoort bekrachtigen, om den hals te
vallen en hem liefde te betoonen? O zie hier hoe de barm-
hartigheid Gods zoowel beleedigd is als zijne gerechtigheid.
En het is ook, dank zij der grondelooze genade! evenzeer de
gerechtigheid Gods geweest als zijne barmhartigheid, door
•welke de oplossing van dit sclirikkelijk raadsel, de ver-
zoening in dezen strijd gevonden is. God heeft de Verzoening
gegeven. De Zone Gods, mensch geworden, ons in alles gelijk
uitgenomen de zonde, heeft met ons alle de lichamelijke en
geestelijke gevolgen der zonde, dat is: de vergelding dei-
zonde, gedragen en gedeeld. En in dat dragen van de ver-
gelding, de straf, den vloek der zonde heeft hij God blijven
liefhebben met volkomen ongekrenkte liefde, en is gehoorzaam
geweest tot in den dood des kruises, zoodat hij nu voorts allen
die in hem gelooven, die met hem in levensgemeenschap treden,
zoodat het recht der wet, de eisch der wet in hen vervuld
wordt, eene oorzaak van eeuwige zaligheid worden kan. Ziehier
de aanbiddelijke vereeniging van gerechtigheid en liefde in God.
-ocr page 59-
47
Zijne gerechtigheid eischt volkomen voldoening aan zijn
heilige wet; en zijn wet drukt datgene uit wat éénig en alleen
den mensch kan doen zalig zijn; zij eischt dat de mensch
door de liefde in zijn gemeenschap leve, en derhalve zalig zij.
God is onverbiddelijk in zijn eisch, dat gij zirit zalig zijn, dat
is, dat gij aan zijn wet, aan de levensvoorwaarde van uw eigen
naai\' Gods beeld geschapen wezen, voldoen zult. God eischt
dat aan zijn gerechtigheid door u genoeg gedaan worde, met
andere woorden: Hij wil volstrekt dat gij zult heilig zijn — omdat
Hij de liefde is. Omdat Hij de liefde is, vlamt zijn toorn over
uwe zonde, en zal haar gcwisselijk door zijn wraakvuur verteeren;
omdat God naat datgene wat u rampzalig maakt, uwe zonde.
God toornt over uwe zonde, en over den zon daar-zei ven,
zooverre hij aan zijne zonde vasthoudt. Wacht u voor de ver-
zwakkende opvatting die, op grond dat de liefde Gods de
grondslag van het verlossingsplan is, ontkent dat God ook
met ons verzoend moest worden gelijk wij met God. Zeker-
lijk, daar is geen waarachtige heilige liefde zonder toorn: en
Gods toorn is niet een menschelijke, licht opvlammende maai\'
ook spoedig weder bedarende hartstocht, maar volmaakt heilig
en standvastig en blijvende op den zondaar die den Zoon
ongehoorzaam is en daarom het leven niet zien zal. Daar moet
voldoening gesclüeden aan Gods toorn, want Hij is de vol-
komen heilige Liefde die niet aflaat van hare verdoemende
kracht tegen uwe zonde te oefenen.
Ja uwe zonde zal onder het vlammend vuur zijner wrake
verteeren, de vraag is slechts alleen: zult gij zelf daarmede
verteerd worden door u aan uwe zonde vast te hechten eu
met haar getroffen te worden, of wel zult gij u inwendig af-
-ocr page 60-
48
scheiden van uwe zonde, zoodat zij nu een lastige, een ver-
vloekte kerker voor u wordt in welken gij blijft zuchten tot-
dat het bliksemvuur des hemels dien kerker in vlammen zet
en gij, wel met gezengde kleederen maar ongedeerd, in vrij-
heid komt?
En die voldoening aan zijn gerechtigheid, die onverbiddelijk
haar recht en uwe zaligheid eischt, door wien zal zij gegeven
worden? God zelf kan en zal haar alleen geven: en
toch moet het tevens door den mensch zelven geschieden. De
menschheid zelf moet uit eigen beweging tot God terugkomen.
Ja uit eigen beweging. Want alleen in de liefde tot God is
uwe zaligheid en derhalve cle voldoening aan Gods gerech-
tigheid. En de liefde is vrijwillig, of zij is geen liefde. Gij
zult u moeten bekeeren. hetwelk niet is do vernietiging
van uwen wil onder een onbegrepen macht, maar juist de
vrijmaking van uw wil die nu nog onder de zonde gevan-
gen ligt.
Daarom zal God do menschheid, de afgevallen menschheid,
niet als door een tooverslag op eenmaal bekeeren. Dat ware
vernietiging van het wezen der bekeering zelve, hetwelk in
de vrijwilligheid der toekeering bestaat. Ook vroeger herschiep
Hij het menschdom niet plotseling na het strafgericht van den
zondvloed. Maar Hij verkoos één man om de stamvader van
een nieuw geslacht te zijn, opdat door de aansluiting der liefde,
door den erfzegen des geloofs, de gerechtigheid van Abraham,
den vader der geloovigen, over allen komen zoude.
Abraham was een zondaar, en het werk, in hem begonnen,
was onvolkomen. Maar de tweede Adam, het hoofd der
nieuwe schepping, is gekomen als het beginsel van een nieuwe
-ocr page 61-
19
ontwikkeling, opdat, gelijk bij den eersten Adam, datgene wat
in Hem was over allen komen zoude die in Hem zijn. Hij
nu is de Mensch, de Mensch bij uitnemendheid; en zoo de
zondige menschheid in hem is door de liefde de vrijwilligheid
des geloofs, zal datgene wat in hem is ook tot de menschheid
overgaan.
Welnu, iu de zwarte massa der menschcngeschiedenis ver-
toont zich één lichtpunt, het is de geschiedenis van Jezus van
Nazareth, op Golgotha voltooid. Overal op de gansche massa
rust Gods rechtvaardige toorn, hier is een rustpunt voor zijn
welbehagen. Want deze mensch heeft aan Gods gerechtigheid
voldaan. Geen wezen dat u vreemd is, o zondaar! maar de
mensch, de mensch, staat in Christus weder rein voor God.
Dat is geschied door zijn gansche leven, één samenhangend
offer der volmaakte gehoorzaamheid aan God.
Zijn geheele leven is volkomen vrije onderwerping aan des
Vaders wil, gehoorzaamheid die in geregelden voortgang, in
ontwikkeling zonder stoornis, altijd volkomener en ten slotte
volmaakt wordt/ Zijn laatste lijden is de kroon van zijn ge-
heele leven. In dat geheele leven was Hij, naar des Doopers
aanwijzing, het Lam Gods geweest dat de zonde der wereld
droeg. Met andere woorden zijne gebondenheid onder
den vloek van de zonde der wereld, die naar Gods raad op
hem rustte, was gedurende dat gansche leven zijn vrije keuze
geweest. Dit lijden nu, deze gebondenheid, dit dragen van
dezen last is bij uitnemendheid groot in zijn laatste levensureu,
en bij uitnemendheid groot derhalve de vrijheid, de gehoor-
zaamheid van Gods Zoon. Dit blijkt u uit aandachtige beschou-
wing van elk uur, elk oogenblik van dat lijden. Neem als
i
-ocr page 62-
50
voorbeeld de ure der gevangenneming in den hof, en hoor zijn
koninklijk woord tot de krijgslieden: »Dit is uwe ure en de
macht der duisternis: en dit alles is geschied opdat de schriften
der profeten zouden vervuld worden.« Zie, het is hunne ure,
maar toch eigenlijk hunne ure niet, want zij zijn onder de
macht der duisternis: de Satan heeft macht over hen, terwijl
zij macht over hem hebben. Maar ook de Satan is niet vrij:
neen, de schriften der Profeten wijzen uit, dat dit alles slechts
vervulling is van Gods raad — God heeft macht over den
Satan. Aan deze macht nu geeft zich de Heer vrijwillig over.
Alzoo is in dezen hof een aaneenschakeling van gebondenheden:
Jezus is uitwendig gebonden onder de boosdoeners; dezen
onder den Satan: de Satan onder God — maar één is er die
volkomen vrij is, en dat is hij die in sterke boeien gekneveld
wordt weggevoerd. Eén is er volkomen vrij, en dat is hij die
zich volkomen aan God heeft onderworpen. Omdat hij zich
volstrekt heeft onderworpen daarom is hij volstrekt vrij. Omdat
hij in den volsten zin moest lijden, daarom lijdt hij vrij-
willig. Zoo vervult zich het hoogheerlijk woord waarin hij de
geheele eenzelvigheid van zijn eigen vrijen wil met den wil
en het gebod des Vaders heeft uitgesproken: »Niemand neemt
mijn leven van mij af, maar ik leg het van mij zelven af. Ik
heb macht het leven af te leggen en het wederom te nemen;
dit gebod heb ik van mijn Vader ontvangen. ■
Dringend noodig is het dat gij het gansche leven des
Heeren in verband tot zijn dragen van de zonde der menschheid
beschouwen, en zijn hoogepriesterlijk offer niet alleen tot de
laatste dagen van dat leven beperken moogt. Reeds terstond
bij zijn doop in den Jordaan getuigt hij van zijn roeping om
-ocr page 63-
5]
>aUe gerechtigheid te vervullen.« Bij zijn verzoeking in de
woestijn is het hem duidelijk geworden, dat de duivel inder-
daad alle koninkrijken der wereld en hun heerlijkheid in
zijne macht hoeft (en niet bloot met die macht ijdelen praal
zonder werkelijk bezit heeft getoond) — maai- hij is ook be-
slist om zich door deze overmacht, zooals ze zich in de zonde
zijns volks en in de vijandschap der overheden zal openbaren,
te laten verpletteren en alzoo zijn arbeid in Israël van den
aanvang af te maken tot het »dragen van de zonde« waarop
Johannes de Dooper zijn eerste discipelen wijst. Daar zich ook
in de lichamelijke krankheden en nooden de macht der zonde
openbaart, zoo leert ons Mattheus, in zijn achtste hoofdstuk,
terecht in de genezende en helpende barmhartigheid des ver-
lossers de vervulling opmerken van Jezaia\'s profetie: »Hij
heeft onze krankheden op zich genomen en onze ziekten, ook
onze zonden gedragen.« Alle profetisch woord, alle koninklijke
machtsoefening des Heeren rust op den grond van zijn hooge-
piïesterlijk dragen van de stompzinnigheid, de vleeschelijkhoid,
zondelust, hardnekkigheid zijns volks, die hij telkens in de
kracht dezer verzoenende liefde geestelijk overwint, dikwerf
niet zonder tranen en zwaarlijk zuchten en ontroering des
geestes. Zoo verwierf de Zoon des Menschen macht reeds hier
op aarde om de zonden te vergeven. Maar de zonde Israëls
en der wereld, slechts een korten tijd door de in Jezus ge-
openbaarde macht van genade en waarheid teruggedrongen,
hervat zich weder en valt met doodelijken haat op hem aan.
De Heer ziet het duidelijk dóór, ja hij ziet met steeds toe-
nemende helderheid den Satan, den overste dezer wereld als
de ziel van al deze vijandschap, als sprekende tot hem: gij
-ocr page 64-
52
hebt mij in den aanvang afgewezen, welnu, ondervind dan nu
ook wien gij u tot vijand gemaakt hebt! Evenwel verslapt hij
niet, maai\' laat den vijand alle machten van volk, overpries-
ters, romeinsche overheid, tegen hem opzetten en den eersten
menschenmoord in het paradijs aan den moord van den twee-
den Adam verbinden, zoodat alzoo de zonde der geheele wereld
voltooid wordt en in deze voltooiing zich tegen Jezus\' leven
keert. Hij lijdt den dood, van God verlaten: ja het is aan
zijn kruis de eerste maal, dat zich de straffende gerechtigheid
Gods volkomen openbaart, want alle straffen Gods over de
zonde der menschheid hadden tot nog toe »onder de verdraag-
zaamheid Gods« gestaan. Maar hier ook, waar alle deze zon-
den slechts volbrengen wat »Gods raad en wil te voren bepaald
had dat geschieden zou«, hier toont zich dus de volkomen
overwinning van den Satan en de zonde, daar alle raad dei-
boosheid door de kracht van Jezus\' heilige sohuldverzoenende
liefde slechts dient om den raad der wijsheid en genade Gods
te doen bestaan en vervuld worden, en het slachtoffer van
al deze overheden en machten als zoenoffer voor de zonden
der wereld over deze zelfde machten te doen triomfeeren.
Zoo toont zich des Heilands hoogepriesterlijk lijden den gan-
senen tijd zijns levens door, en heeft de Heer, gelijk een
Avondmaalsformulier zoo schoon betuigt, van den beginne zijner
mensclrwording tot aan het einde toe den toorn Gods, onder
welken wij eeuwig]ijk hadden moeten verzinken, op aarde voor
ons gedragen. En brengt ons niet de prediking der Apostelen
dat zoenoffer des Heeren in het nauwst verband met alle hun
eigen ervaringen omtrent zijn gansche leven? Zie, nadat zij
door de wederverschijning des Verrezenen hebben gezien dat
-ocr page 65-
53
alle macht der boosheid niets andere heeft vermocht dan hem
tot heerlijkheid te brengen, wijst hij hen in die veertig dagen
nog bijzonderlijk op de vroeger wel vaak aangehaalde maar
altijd misverstane profetie der heilige Schrift; zoodat de jongeren
zien dat dit alles niet anders is dan de voltrekking van het
voor eeuwen geopenbaarde raadsbesluit des Vaders. En daar
zij in hun laatste ontrouw, verloochening en verlaten van den
Meester zien dat hun eigen zonde even zoo wel als de zonde
Israëls hem aan de vijanden overgeleverd en aan het kruis ge-
bracht heeft, en toch daarna ervaren mogen dat de Verrezene
hen weder als zijn broeders groet, in hun midden treedt en
hen weder aanneemt, zoo kunnen zij de verzoenende beteekenis
van zijn lijden en sterven met hun eigen oogen zien en met
de handen tasten. Eindelijk als nu do uitstorting des Heiligen
Geestes al deze dingen in hen levend maakt, wordt voortaan
de verzoening en schulduitdelging in Jezus\' offerande door hen
als de diepste ervaring van hun eigen leven, als do volkomen-
ste oplossing van het raadsel der wereldgeschiedenis, en ook
als de groote kracht ter wereldoverwinning gepredikt; en de
zalving des Heiligen Geestes die alle dingen weten doet.
ontvangt een ieder die in den geloove niets weten wil dan
Jezus Cliristus en dien gekruisigd. -
Doch niet minder als het voor de Apostelen noodzakelijk
was, is het zulks voor de gemeente van alle tijden geweest,
en is het ook voor ons evenzeer noodzakelijk, het doodslijden
des Heeren Jezus in nauw verband met zijn geheel voorafgaand
leven te beschouwen.
Menigeen heeft er wel een duister gevoel van, dat in onze
prediking gelijk zij gewoonlijk is, in onze Evangeliebeschouwing
-ocr page 66-
54
en in ons geestelijk leven in \'t algemeen hot leven des
He er en, de tijd zijner omwandeling hier op aarde, niet vol-
doende gewaardeerd wordt. Het zijn echter niet alleen de
afzonderlijke trekken in het heilig leven des Heeren,
die als levende toonbeelden der zedelijk-godsdienstige waarheid
ons van belang zijn: maai\' vooral dat leven in zijn geheel,
in zijn éénheid en samenhang beschouwd. En wel daarom,
omdat eerst de samenvattende beschouwing van het leven des
Heeren in zijn geheel, ons de noodzakelijkheid van zijn
verzoenend lijden en sterven waarlijk langs den historischen
weg leert inzien. Waarom toch was het lijden en sterven des
Heilands noodzakelijk? Zie, als gij dit vraagt, wordt gij in het
and woord dat gij ontvangt doorgaands dadelijk tot bespiegelingen
over schuldbetaling, over zonde en genade, over Gods barm-
hartigheid en heiligheid gebracht. Deze bespiegelingen, zoo zij
waarlijk aan de heilige Schrift ontleend zijn, drukken dan ook
inderdaad die noodzakelijkheid uit en doen ons den aard van
liet lijden en sterven op zich zelve kennen. Ook wij stellen u
naar de mate van ons licht zulke bespiegelingen vóór. Doch
nimmer mag vergeten worden dat die noodzakelijkheid van
\'s Heeren lijden en sterven allereerst op historischen grond
ons duidelijk zijn moet, indien onze bespiegelingen niet in de
lucht zullen hangen, maar waarlijk verklaring zijn van het-
geen geschied is. O verlaat dan niet, wanneer gij over deze
dingen denkt en spreekt, de tastbare, in vleesch en bloed, in
dien bepaalden tijd, in Galilea en Judea geopenbaarde en in
vier Evangelieverhalen beschreven werkelijkheid dier ge-
scliiedenis. Wat leert zij u dan als één geheel genomen? Dat
de arbeid van Jezus gedurende deze drie jaren niets tot red-
-ocr page 67-
55
ding van Israël, in zijn geheel beschouwd, had uitgewerkt;
gelijk het ook de Evangelist Johannes met diepe smart aan het
eind van zijn verhaal omtrent dien arbeid en alvorens tot het
verhaal van het daarop gevolgd 1 ij d e n over te gaan, in samen-
vattende slotsom verklaart (Cap. 12 : 36—41). Het is omdat
de mensehelijke natuur, van welke de Israëlitische slechts een
bepaalde openbaring is, aldus verdorven bleek te wezen, dat
zij deze heilige en heiligende driejarige werkzaamheid des
Zoons van God niet in zich op kon nemen om er door ver-
nieuwd en gered te worden? Helaas integendeel, zij wierp hem
uit. Maar wat dan nu? Zal hij nu het stof van de voeten
schudden, en met een getuigenis tegen de grondelooze en redde-
looze verdorvenheid des volks en der mensehheid zijn werk be-
shüten en heengaan? O neen, want hij is de volkomen liefde.
En deze volstrektheid der liefde heeft nu, daar alle andere
wegen haar door de verstoktheid des volks toegesloten zijn,
nog slechts één weg open, en aarzelt ook geen oogenblik dien
weg in te gaan. Het is de weg des lijd en s. Kan hij de
verdorvenheid der menschen niet overwinnen door haar te
overwinnen, welnu, hij zal haai- clan overwinnen door van
haar overwonnen te wrorden~ Ziedaar de verheven para-
dox, de goddelijke noodzakelijkheid van dat lijden. Stel u een
man vóór, die een drenkeling in de zee naspringt. De onge-
lukkige, in plaats van zich te laten vastgrijpen en optrekken,
verweert zich in zelfverblinding tegen deze reddende liefde.
Indien dan nu hij die hem nagesprongen is, den drenkeling
zoo stijf vasthield dat hij zich met hem in de diepte liet
nedertrekken, gij zoudt zijn zelfopoffering doelloos noemen, en
terecht. Maar stel u in plaats van deze kreupele vergelijking
-ocr page 68-
56
zulk een toestand vóór, (die in liet lichamelijke zeker niet
denkbaar is, maar wel in het geestelijke, waar het sterven,
door de volkomen liefde ondergaan, juist haar herleven
wezen kan) — een toestand waarbij de redder juist daardoor
dat hij zich door den ander laat nedertrekken in den dood.
zich tot het leven weder opheft en den ander mede door dezen
wonderweg heen tot het leven tetugvoert; stel n dit vóór, en
gij hebt een afschaduwing van liet lijden en sterven irws
Heeron. < Vast staat hem het besluit om Israël en de mensch-
heid te redden: en wil de monschheid zich nu niet langs den
weg der liefde dien hij drie jaren lang had betreden, laten
redden : dringen zij zijn liefde door de overmaat hunner boos-
heid terug, welnu, hij die, naar de heiligheid der liefde Gods
in hein, den menschelijken geest nooit geweld aandoet maar
dien bekeeren wil, hij zal deze boosheid ook niet als door
een tooverslag terugdringen en haar aldus slechts in schijn
overwinnen. Neen, hij zal dat geheel en werkelijk doen.
Daartoe is het noodig dat luj zich door haar late overwinnen-
De ïnenschheid onafscheidbaar vast gegrepen hebben, zal hij
zich door haar laten nedertrekken in den dood, want deze
boosheid moet zich geheel uitwerken en daardoor zichzelve
vernietigen.\' De kracht der liefde moet zich voortaan niet in
werken (in den gewonen zin des woords) maar in lijden
openbaren: in lijden dat de hoogste werkzaamheid is onder
een nieuwen, thans noodzakelijk geworden vorm. Indien Jezus
nu met werken voortging, zou hij daardoor de menschheid
moeten oordeelen, dus aan het welverdiend verderf overgeven;
en dit wil hij niet, dus laat hij zich door haar boosheid oor-
deelen opdat zij dit ten slotte zelve inzie en tot zelfveroordeeling,
-ocr page 69-
57
tot bekeering kome. Toen de menschheid haar eigen goddelijke
bestemming, de herstelling van het beeld Gods in haar, door
versmading van het uitgedrukte Beeld der zelfstandigheid Gods
volstrektelijl; verwierp en dus ophield aan zichzelve te ge-
looven, toen heeft hij haar niet losgelaten. Hij heeft niet op-
gehouden aan de menschheid te gelooven, toen zij niet meer
aan zichzelve. d. i. aan hare bestemming, die in Jezus als
levend vleesch en bloed vóór haar stond, gelooven wilde. Hij
heeft aan liare bestemming, aan hare redbaarheid, en dus aan
haai1 geloofd en vastgehouden dóór den dood heen. J
Ziedaar hoe op grond der historie de noodzakelijkheid van
het lijden en sterven des Heeren, gelijk ook zijn opstanding
daarin gegrond is. zich afteekent. Omdat nu de Apostelen (op
hen komen wij elders in deze bladzijden nog terug) deze
verdorvenheid der ïnenschelijke natuur en ook hun eigen deel
hebben daaraan, hun eigen verdorvenheid, niet inzagen;
daarom konden zij den overgang huns Heeren van het wer-
ken tot het lij don niet begrijpen, en werden aan hem ge-
ërgerd.yOok zij, zijn beste vrienden, verzaakten en verloochen-
den hem, opdat zij alzoo hun eigen grondelooze verdorvenheid
zelf zouden loeren inzien en aldus op grond van eigen
ervaring bekwaam worden om de beteekenis van het lijden
en het offer lnms Heeren te verstaan./ Daarom is het beeld
der Apostelen in de laatste dagen van het leven des Heeren
voor ons van een zoo zeer groote beteekenis. Want als gij, o zondig
mensch, de noodzakelijkheid van dat lijdeusoffer waarlijk ver-
staan wilt, moet gij aan uzelf de ervaring maken waarin de
Apostelen u zijn voorgegaan. Xjjj moet in uzelf ondervinden
dat de werkende liefde des Heeren alléén u niet redden
-ocr page 70-
kan. Neen, noch zijn woord, hoewel het geest en leven is,
noch de wondennaeht zijner heilige liefde, hoewel zij het vol-
maakte voorbeeld is, kan u aan uw verderf ontrukken./ Want
het ontbreekt u aan de kracht om haar aan te vatten\' en vast
te houden, omdat het u ontbreekt aan ontvankelijkheid om
haai\' in u op te nemen. Die ontvankelijkheid toch kan alleen
ontstaan door waarachtige kennis van uwe verdorvenheid;
en zie, deze wordt eerst door het lijden des Heeren, dat
aldus op grond der historie noodzakelijk gebleken is, voor
u openbaar. O, daarom geeft acht op het geheole leven en
werken des Heeren; dan wordt u de reden openbaar, waarom
dat werken noodzakelijk tot lijden overgaat; dan hebt gij
de noodzakelijkheid van Jezus dood in de feiten der geschie-
denis zelve vóór u gesteld; en dan zal uw eigen geweten u
verder nopen deze geschiedenis zelf mede te doorleven, niet
door het spel eener terugroepende fantasie, gelijk gij met elke
andere geschiedenis doet, maar door dat gij u aan de schuld
van Israël en der menschheid medeplichtig erkennen zult. ~1
Welk een hartaan grijpen de ernst, niet waar? verkrijgt daar-
door het lijden des Heeren voor ons. Onder de heerschappij
der weekelijkheid die maar al te veel door onze maatschap-
pelijke en kerkelijke toestanden bevorderd wordt, hebben wij
den lijdenden Verlosser meestal vóór ons als den Man van
smarte, het Lam ter slachtbank geleid en zijn mond niet
openende, onder de pijn der doornekroon, der boeien en gee-
selslagen, straks der kruisiging. Deze beschouwing heeft ook
haar recht: alleenlijk zij is slechts het zinnelijke, het uit-
wendige in het lijden des Heeren. Maar ontzenuwend is het
voor \'t geestelijk leven wanneer, gelijk zoo veelvuldig gebeurt,
-ocr page 71-
59
een «gevoelige* prediking met hare geprikkelde meewarigheid
over het onderworpen lijden en het slachtoffersgeduld van
Jezus uitweidt, en alzoo in hem slechts doet opmerken de
bron van vertroosting en gelatenheid in leed en verdriet, of
ook van een weekelijk aangenomen schulduitdelging, die het
hoofd in smeltenden weemoed doet huigen. Neen het lijden
des Heeren is de hoogste daad zijns levens, voor ons een
aanschouwing van doordringenden ernst, die alle dergelijke
slapheid verbant.
Zoo moge nu verder op dezen grond het doodslijden des
Heeren Jezus zich voor onze eerbiedige bopeinzing verhelderen.
Wat is dan Jezus dood op zich zelve beschouwd? Ik waag
het niet u deze geheimenis ten volle te verklaren; ik kan in
geen enkel opzicht, en dus ook hier niet, met mijne kennis
mijn geestelijk leven in zijn geheel vooruitsnellen. Daarom,
dewijl er nog vele onreinheid in mij is, begrijp ik den dood
des Heeren slechts zeer aanvankelijk nog. Maar laat mij u
enkele hoofd trekken mededeelen.
Gij zijt naar Gods beeld geschapen. Leven en met God
verbonden zijn is oen voor den mensch, naar zijn oorspron-
kelijken aanleg waarvan uw geweten getuigt.
Maar uw geweten getuigt eveneens dat gij van God zijt
afgeweken: uw wil heeft zich tegen Hem gekeerd. Uwen God
hebt gij verlaten. God hoeft ons de ontzaglijke gave der vrije
keuze gegeven. Het stond aan ons (hoe, is een volstrekte ver-
borgenheid) die aanvankelijke vrijheid •) van keuze of tot de
\') Dat mou b\\j do uitdrukking vryheid van keuze of kiosvrOhcid het-
zelfde woord vrfjheld gebruiken moet, hotwelk in zijn waren zin alleen
Tan den toestand der verbondenheid met God door do noodzakelijkheid
-ocr page 72-
(JU
waarachtige vrijheid te ontwikkelen, welke bestaat in de noodzake-
lijkheid der verbinding met God door de liefde, of tot willekeur
en gebondenheid onder de zonde. Dit laatste, helaas! is geschied.
De mensch heeft een verkeerde zelfstandigheid tegenover
God begeerd, daarom is hij slaaf der zonde geworden. Naar
een valsche vrijheid buiten God heeft hij gestreefd, daarom is
hij gebonden geworden onder de macht des kwaads.
En wat is het noodzakelijk gevolg daarvan\'? Ach, het leven
uit God hebben wij niet gewild, en nu geschiedt ons naar
onzen wil. Het leven dat wij niet willen, moeten wij verliezen.
En daar onze wil, het middelpunt van ons geheele wezen,
buiten God is, zoo moet ook onze geheele toestand buiten God,
van God gescheiden, den dood overgeleverd zijn. De dood is
de bezoldiging dei\' zonde, niet volgens een afgetrokken gebod
Gods dat in geen betrekking zou staan tot de noodzakelijke
toedracht der dingen, maar juist volgens die noodzakelijkheid,
dewijl het gebod Gods nooit iets anders is dan volstrekt over-
eenkomstig met het wezen der dingen over welke het gebod
gaat: immers is het wezen der dingen niets anders dan het
mtvloeisel van den heiligen wil Gods. Of men zegt dat iets
uit den aard der zaak met noodwendigheid voortvloeit, dan
wel of men zegt dat iets geschiedt volgens het gebod Gods,
dit is één en hetzelfde. Want de >aard der zaak« is zoo als
hij is en niet anders, om geen andere reden dan omdat God,
die alle ding »naar zijn aard« schiep en leven liet, het zoo
bepaald heeft; bepaald, niet naai- onheilige willekeur, maar
der liefde gebruikt kan worden, heeft tot veel iriïsverstand aanleiding ge-
geven. Wjj bekommeren er ons hier niet om.
-ocr page 73-
(il
volgens de heilige noodzakelijkheid, dat is: naai\' de volstrekte
viijmacht van zijn volmaakt en heilig wezen. Daarom kan het
niet anders of de dood moet de bezoldiging, het loon der
zonde zijn: de dood die zich voltooit in den tweeden en
eeuwigen dood. Want zoo volkomen vrijmachtig is God, dat
Hij zelfs in zijn schepselen vrijheid schept en duldt, ja dat
Hij die vrijheid duldt ook waai- ze zich tegen Hem keert. De
hoogste vrijmacht toch bestaat niet in alles onder dwingende
overmacht te doen bukken, maar in het scheppen van vrijheid
en zelfstandigheid, ook wanneer ze zich tegen haar Schepper
keeren mocht. In deze verdraagzaamheid Gods nu openbaart
zich zijn eeuwige vrijmacht.
De waarheid dat er een verdoemenis bestaat is de meest
volstrekte openbaring, allereerst voorzeker van de gerechtig-
heid des driemaal Heiligen, doch daarna ook evenzeer van de
verdraagzaamheid Gods. Want die verdraagzaamheid gaat
zoo ver, dat zij datgene wat de mensch zelf kiest, nadat alle
hulpmiddelen en lokkingen der liefde die behoudens \'s men-
sehen vrijheid mogelijk zijn, uitgeput zijn geworden, hem met
een bloedend hart (wij spreken op menschenwijze) laat kiezen
en verkrijgen. Tegen de trekking van oneindig vele liefde-
koorden in wil de zondaar volstrekt rampzalig wezen: welnu ten
slotte wordt hij het dan ook: de dood is de bezoldiging der zonde.
Aanvankelijk echter is dat slechts de tijdelijke dood. En
dóór dien dood heen is terugkeer tot God nog mogelijk. Want
zie, indien wij den dood wilden en konden ondergaan zoo als
hij van God bedoeld is4 dan zou de straffe des doods ons tot
verzoening kunnen strekken en de verwijdering van God zou
juist door den dood kunnen eindigen.
-ocr page 74-
62
Immers, wie gestorven ware den dood vrijwillig aanvaar-
dende gelijk God hem bedoelt, als bezoldiging der zonde; wie
gestorven ware vrijwillig boetende voor de zonde, en waarlijk
willende bezwijken onder den last van Gods toorn, die zou
inderdaad, volgens het Apostolisch woord, gerechtvaardigd zijn
van de zonde. Die zon van allen samenhang met de zonde on
met hare straf ontheven zijn. Aan hem zou de dood, na aldus
aanvaard te zijn, verder geen punt van aanvatting hebben; de
dood zou in hem moeten wijken voor het leven; hij zou ge-
heiligd en verzoend tot het leven wederkeeren en heerlijkheid
ontvangen bij God. Een zwakke vergelijking uit het dagelijksch
leven heldere deze waarheid een weinig op.
Uw kind, o mensch. is ongehoorzaam tegen u geweest: en
indien gij liefde voor uw kind hebt, zoo ontvlamt uw toorn
heiliglijk tegen zijn zonde, en gij straft uw kind. Wanneer nu
dat kind die straf niet slechts uitwendig en morrend ondergaat,
maar in en onder de straf zijn wil verandert en met uw
heiligen wil vereenigt, zoo is de voltrekking der straf tevens
het einde der verwijdering tusschen u en uw kind, en vol-
komen liefde keert aan beide zijden terug. Maar juist bij deze
vergelijking blijkt de vreeselijke diepte onzer verdorvenheid.
Wij zijn als het kind dat weerspannig en verhard de straf
alleen uitwendig ondergaat, zijn eigen wil er geenszins berouw-
vol mede vereenigt, en daarom ook na de straf in de verwij-
dering van den Vader en in zijn ellende volhardt. Onzen eigen
iondigen wil te veranderen, dat ligt buiten onze macht. Want
onze wil is het diepste in ons; dus een nog dieper steunpunt,
dat een hefboom zou kunnen in staat stellen om dien wil te
wrikken, hebben we in ons niet. Den dood te willen als be-
-ocr page 75-
63
zoldiging der zonde gelijk God dien wil, dat vermogen wij
niet. Wij ondergaan den dood als een uitwendige, onweder-
staanbare noodzakelijkheid: maar met zijn diepsten grond, met
den toorn Gods die het zondige leven verteert, vereenigen wij
onzen wil geenszins. Daarom is onze dood voor ons geen ver-
zoening met God en kan het in eeuwigheid niet zijn.
Hierin nu ligt, o mensch! het onontkoombare uwer eeuwige
ellende. Eerst als gij dit begrijpt en erkent, mijn broeder! en
deze verschrikkelijke noodzakelijkheid door uwe ziel laat vlijmen,
eerst dan kan ik u spreken van Jezus van Nazareth en van
het offer zijns levens door den dood.
Zijn wil is volkomen één niet des Vaders wil. Zijn leven is
volstrekt ongestoorde gemeenschap met God, is het volle waar-
achtige Leven. Welnu, was hem het leven niets anders dan
de volkomen ongestoorde gemeenschap met God, wat kan hem
de dood dan anders geweest zijn dan het verscheuren van dien
band, dan een verlaten worden van God? Daarom heeft hij
dan ook in zijn kruiswoord: Eli, Eli, lama sabachtani niet,
gelijk eene verzwakkende uitlegging wil, slechts een gevoel
uitgesproken, dat niet met zijn werkelijken toestand in over-
eenstemming wezen zou. Neen, hij was van God verlaten en
overgelaten aan de macht des doods.
Aan de macht des doods! En in wie openbaarde zich die
macht, die op hem aanstormde en zijn heilig leven vernietigde?
In de zonde van Israël dat hem uitwierp, in de zonde der
heidensche wereld die hem overleverde, en in beider diepsten
grond, de vijandschap des Satans die hem de verzenen ver-
morselde terwijl hemzelven de kop werd vertreden. Als de
vertegenwoordiger der mensohheid, als haar plaatsvervanger
-ocr page 76-
(14
leed hij de gevolgen, de straf der zonde van de gansche
menschheid die hem overstortte, en gaf zijne ziel, zijn leven
tot een rantsoen voor velen over. Hier van God verlaten dronk
hij tot den laatsten droppel den kelk van Gods toorn — en
hij verliet daarbij zijn God niet, maar hield met het »Mijn
God, mijn God!« aan den Vader vast. Ziedaar dus voor het
eerst een sterven dat aan de voorwaarde voldoet op welke
éénig en alleen, gelijk wij gezien hebben, het sterven kan zijn
de volkomen verzoening der zonde, de volkomen hernieuwing
van de gestoorde gemeenschap met God.
Gij hebt ons woord > plaatsvervanger« gehoord en gij /.ijt
teruggedeinsd, niet waar mijn broeder? Want gij denkt aan
de dogmatiek die gij verworpen hebt en wier herinnering u
bij de woorden » plaatsvervanging* en »toerekening« met diepen
weerzin aan een koopmans verdrag doet denken, aan eene
kwitantie tusschen God en de menschheid gewisseld. O ver-
vloekt zij de heiligschennis die uit versteende lava wiskunstige
figuren houwt en dan zegt: dit is de werking des vulkaans!
Als ik spreek van plaatsvervanging dan trilt mijn ziel tot in
hare binnenste diepte bij de aanschouwing van een wonder
der volkomen goddelijke liefde, en zij hoort onuitsprekelijke
dingen die het een mensch niet gegeven is, hier beneden vol-
ledig uit te spreken. Zal ik u door benaderende vergelijking
dit heilig wonder duidelijk pogen te maken\'? Zoo denk dan
aan die verrukkelijke, door gemeene naturen niet te begrijpen
geheimenis van het rijk der liefde, waardoor in de samenleving,
in de vriendschap, in het huisgezin, de diepste zielen ten allen
tijde voor en door en in de plaats van de oppervlakkige lijden.
Denk aan de smart der moederliefde, die de moeder voor haar
-ocr page 77-
85
bedreigden lieveling oneindig feller dan heinzelven doet lijden.
Denk aan Arnold Winkelried, die de Oostenrijksche speren,
tegen de harten der Zwitsers gericht, tezamenvat en tegen de
eigen borst drukt om den zijnen doortocht te geven. Denk aan
het lijden, dat om den wille der zondige en ongelukkige wereld
u in vroeger ongekende mate ten deel werd, sedert gij be-
gonnen zijt ook maar een weinig de wereld in Christus lief
te hebben, en meet naar de overblijfselen der verdrukking van
Christus welke zijn uitverkorenen om den wille en in de plaats
van anderen lijden, de volheid zijner plaatsvervangende, dat is:
oneindig liefdevolle, smarten af.
O zeker, is het lijden des Verlossers een oordeel Gods over
de zonde, dan laat het apostolische »voor ons« zich in geen
anderen zin dan in dien eener plaatsvervangende liefde ver-
klaren. Uwe schuld, o zondaar! heeft Hij gedragen en geboet.
Een gericht, neen het gericht Gods over de zonde heeft zijn
heilig leven verteerd.
Met niets minder dan dit zijt gij te redden.                  *
Doch hiermede zijt gij dan ook behouden. Behouden, dat is:
ingevoegd in de gemeenschap der levendgemaakten, wien de
vernieuwende kracht der liefde van Christus tot ervaring is
geworden. Voor allen is Christus gestorven. Ja voor allen,
en naar de uitdrukkelijke verklaring des Woords (Rom. 14 : 15;
1 Cor. 8 : 11; 2 Petr. 2:1) ook voor hen die verloren gaan.
Juist daarom worden alleen zij behouden, die gelooven;
omdat het oordeel der verwerping noodzakelijk komt over wie
zoo onmetelijke genade verwerpt. Juist omdat die genade alge-
meen is, daarom is zij particulier. Omdat zij boven en buiten
u vaststaat, daarom zult gij der snoodste zonde schuldig zijn
6
-ocr page 78-
66
indien gij u haar niet tot eigen zalige ervaring laat worden.
Want voorzeker, alleen uit uwe eigen ervaring kunt gij de
beteekenis van Jezus lijden en sterven verstaan.
Het plaatsvervangend werk van Christus is het werk van
eene liefde die zich geheel in haar voorwerp overplaatst, ge-
lijk alle liefde in den grond plaatsvervangend van aard is.
Daarom kunt gij dan ook dat werk niet begrijpen tenzij gij
in hem gelooft; met andere woorden, tenzij gij hem in u
ontvangt en u aan hem overgeeft. Want uwe overgave aan
hem moet dezelfde zijn als de zijne aan u (Rom. 14 : 8, 9).
Meen niet dat ik door dezen eisch de heiligschennis zou
begaan van onze liefde met de zijne te willen gelijk stellen.
O neen, het eeuwig onderscheid tusschen beide blijft daarin
bestaan, dat de liefde van Christus de oorspronkelijke is, en
de uwe slechts mogelijk wordt in de kracht van de zijne:
dat Christus zich aan u overgaf om u te dragen, gij u aan
hem om van hem gedragen te worden: hij geheel en volmaakt,
gij zeer aanvankelijk en onvolmaakt. Maar niettemin, de eere
van Christus eischt dat de liefde welke in u gevonden wordt,
een uitvloeisel van de zijne en dus met haar gelijk van natuur
zij: dat er in de rank geene levenskracht stroome dan welke
zij voortgevloeid uit den wijnstok: dat de liefde van
Christus, de liefde waarmede hij u heeft liefgehad en die
in u tot een levend beginsel is geworden, u dringe om voor
en met hem te sterven, gelijk hij voor u gestorven is (2 Cor.
5 : 14). Ja, zoo groot is de overeenkomst tusschen uwe weder-
liefde en de liefde van Christus die haar oorsprong is, dat ook
uwe liefde gelijk de zijne het karakter van eene voldoenende
offerande aan Gods gerechtigheid heeft. Acht dit woord niet
-ocr page 79-
87
te stout, mijn broeder! meen niet dat ik der geheel éénige
beteekenis van Christus\' offerande te na zou komen; de Heer
beware ons voor zulke heiligschennis! Maar mijne bedoeling
is deze: Tot uwe bekeering behoort de door geheel uw leven
zich uitstrekkende boete. De gevolgen uwer zonde die gij
begaan hebt, zult gij in vrije onderwerping als tuchtiging Gods
hebben op u te nemen. Bij Zaccheus wordt als bewijs voor
de oprechtheid zijner bekeering met recht opgemerkt, dat hij
bereid is terug te geven wat hij den naaste moge ontvreemd
hebben. Zoo wordt ook gij, die u bekeert, geroepen om voortaan
met alle macht terug te geven wat gij Gode en den naaste ont-
houden hebt, uwe liefde. Natuurlijk bedoelen wij niet in den
letterlij ken zin des woords een schadevergoeding: want
alzóö zoudt gij nooit tot vrede komen, en den gelegden grondslag
van Christus\' albetalende offerande weder omverwerpen. Neen de
verdienende oorzaak uwer zaligheid is in eeuwigheid geen andere
dan Christus offerande, die ééne offerande door welke hij in
eeuwigheid volmaakt heeft hen die geheiligd worden. Maai\'
d i t slechts bedoelen wij: aan het gericht Gods hebt gij in den
geloove uw leven over te geven, opdat in het vuur zijner
heiligheid het hoogere leven daaruit ontwikkeld worde. De
kinderen dezer wereld hebben een kortstondig berouw, en
meenen met deze vluchtige opwelling zich de vergeving hunner
tekortkomingen op voldoende wijze van God te koopen. Maai\'
de kinderen Gods weten van den aanvang af dat al hunne
zonden in Christus\' bloed mtgedelgd en verzoend zijn en hun
in eeuwigheid niet meer schaden kunnen: en niet ondanks
deze wetenschap, maar van wege haar, hebben zij hun
gansche leven lang berouw. Sedert zij weten, dat God hun de
-ocr page 80-
68
zonden volkomen heeft vergeven, achten zij ze voor zich zelve
onvergeeflijk, gelijk Paulus nog aan den avond zijns levens,
op zijn vroegere zonden terugziende, zich den voornaamste der
zondaren noemt, wien barmhartigheid geschied is.
Zoo is het geheele leven des geloovigen, naar het onver-
gelijkelijk schoone begin van Luther\'s 95 stellingen, ééne
aanhoudende boete en bekeering. Dat is Christus in ons, die
ons doet sten-en en herleven. Doch alleen de Heilige Geest
die deze dingen werkt, kan ze ook leeren verstaan.
Daarom, alleen voor den geloovige wordt deze geheimenis
opengesloten. Alleen Christus in ons leert ons den Christus
buiten en vóór ons verstaan. Daarom, wanneer wij van de
«toerekening* van Christus\' verdienste aan ons zullen spreken,
zoo roepen wij andermaal met nadruk: Vervloekt zij de dog-
matieke rekengeest die ook op het gebied van deze heilige
dingen de wateren des oceaans met de vuist wil meten en
van de hemelen met de spanne de maat nemen en de bergen
wegen in een schaal en met de toonladder het Hallelujah des
Heiligen Geestes in de harten der wedergeborenen controleert!
En nu laat ons ook van deze dingen, gelijk van de vorige,
een weinig stamelen zoo goed ons mogelijk is.
II.
Gerechtvaardigd ben ik uit den geloove. Gerechtvaardigd
gansch en al. Niet daarom, dat God als het ware mijn heilig-
making vooruitziende, de toekomstige ontwikkeling reeds nu
-ocr page 81-
H9
als bestaande aanmerkt. Neen, God ziet mij nu in Christus als
rechtvaardig, geheel afgezien daarvan of ik het ééns in niij-
zelven zal wezen.
Want ik heb Gode in alles recht tegenover mij gegeven.
Het kruis is ook in mij geworden wat het op zichzelf is en
voor Christus was, de overgang uit dit natuurlijk leven tot
het vernieuwde, gereinigde, verheerlijkte. Door de genade ben
ik overgeplant in de sfeer van het hoogste, heerlijkste recht:
want »de genade heerscht door rechtvaardigheid.« Omdat ik
gansch en al uit deze genade behouden ben, en uit niets
anders dan genade, daarom heb ik nu in Christus recht op al
wat nog aan mijn volle zaligheid, gerechtigheid, verheerlijking
ontbreekt; en ik treed vrijmoedig toe tot den Troon der genade
om dit overblijvende te vragen.
Nu is al het vreemde, uitwendige verdwenen. Ik ben mijzelf
en bewaar mijzelven (1 Joh. 5 : 18). Velen zeggen: >op de
toegerekende gerechtigheid van Christus te bouwen, dat is een
traag steunen op iets dat buiten ons is, en wij zullen toch
zelf moeten werken!« Maar ik ondervind juist het omge-
keerde. Vroeger, toen ik door mijn deugd of godsdienstigheid
wilde behouden worden, steunde ik op het vreemde, op de
omgeving, de omstandigheden, de personen, de gedachten
rondom of de daarvan afhankelijke stemmingen in mij. Ik
leefde niet maar werd geleefd. Maar nu ik weet dat Christus
mijn vloek, den vloek der uitwendigheid mijner plichtsbetrach-
ting gelijk ze door de wet noodzakelijk was, heeft gedragen,
nu ben ik zelf, door Christus in mij, tot handelen in staat.
Juist het vreemde is nu weggenomen, en ik begin zelf alles
te doen. Eerst in Christus word ik vrij, ben niet langer slechts
-ocr page 82-
70
doorgangspunt, maar leef en werk van het vrijgeworden mid-
delpunt mijner eigen persoonlijkheid uit.
Het is noodig dit te betuigen, en het te plaatsen tegenover
een beschouwing die al te afgetrokken het eigenpersoonlijk
leven ter zijde stelt. Immers van de «rechtvaardiging door het
geloof« bestaat er in de gemeente ook een prediking, die voor-
zeker goed gemeend is en, wanneer zij door een waarachtig
geloovige tot u gebracht wordt, ook haar gewichtig (hoewel
slecht uitgedrukt) bestanddeel van waarheid heeft, maar die
evenwel zeer geschikt is om door misverstand op een gevaar-
lijk dwaalspoor te leiden. Zoo heb ook ik vroeger tot de ge-
meente gezegd: »Geloof, geloof! redeneer niet, gevoel niet,
bekommer u om uwe blijdschap of smart niet, geloof slechts,
dat is alles! Zoo gij eenmaal weet dat de verdienste des
Middelaars u toegerekend is, zijt gij behouden en hebt niet
meer op u zelve, maar alleen op Hem te zien in naakt en
blind geloof.«
In deze verkondiging erken ik ook nu nog een gewichtig
bestanddeel van waarheid. Namelijk voorzeker, de grond van
onze behoudenis ligt niet in ons, maar in Hem. Niet voor
zoover wij in heiligheid gevorderd zijn, voor zóóver slechts
zijn wij behouden, maar geheel en al en voor eeuwig van den
aanvang des geloofs af.
Inderdaad, het kan niet gedurig en sterk genoeg worden
gezegd — onze behoudenis ligt niet in onze heiligmaking,
maar in Christus; zelfs niet in ons geloof, maar in hem op
wien dat geloof ziet. Dien die niet werkt, maar gelooft in
Hem die den goddelooze rechtvaardigt, wordt zijn geloof ge-
rekend tot gerechtigheid. Vreest gij dat deze overtuiging aan
-ocr page 83-
71
trage lijdelijkheid zou voedsel kunnen geven? Ach clan hebt
gij den aard en het wezen van het geloof nog geenszins gevat.
Immers dat geloof kan niet anders dan tot werkzaamheid
leiden. Want dat geloof is niet, gelijk sommigen zeggen, een
verstandsovertuiging op welke, in het gunstige geval, eene
werkzaamheid des levens volgen kan, maar op welke ook in
het ongunstige geval, werkeloosheid en lijdelijkheid zou kunnen
volgen. Neen, dat geloof is zelf een leven, een beginsel van
kracht en toewijding. De heiligmaking is niet zoo zeer gevolg
als wel ontplooiing van dat geloof, de wijze waarop zich het
groeiende leven van dat geloof naai- buiten openbaart. Maar,
nog eens, niet in dat (overigens noodzakelijke) gevolg, maar
in de bron, in Christus zelven, ligt ons heil en onze vrede.
Ach mijn goede werken zijn een gebouw dat telkens omstort
na een eindweegs opgetrokken te zijn: een staf die telkens
afbreekt bij de handen, als ik meen er nu wel, als op iets
beproefds, op te kunnen steunen. Telkens als ik een eindweegs
meen gevorderd te zijn, komt eene of andere ontdekking mij
door de tuchtigende trouw mijns Gods weer noodzaken op dat
alles met tranen den dood, ja den dood te schrijven, en op
nieuw als een bedelaar, naakt en gewond, als een des doods
en der verdoemenis schuldige, te vluchten in de gerechtigheid
van Jezus alléén.
En daarom, als ik sterven ga, en een broeder mij zal willen
vragen hoe ik rechtvaardig voor God ben\'? dan hoop ik te
zullen andwoorden met het GOste andwoord van onzen Cate-
chismus : «Alleen door een oprecht geloof in Jezus Christus,
alzoo dat, al is het dat mij mijne conscientie aanklaagt dat ik
tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd en derzelver
-ocr page 84-
72
geen gehouden heb, en nog steeds (zoo vaak ik deze vastig-
heid verlaat) tot alle boosheid geneigd ben: nochtans God,
zonder éénige mijne verdienste, uit louter genade, mij de vol-
komen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid Christi
schenkt en toerekent, even als liadde ik nooit zonde gehad
noch gedaan, ja als liadde ik zelf alle de gehoorzaamheid vol-
bracht die Christus voor mij volbracht heeft, zoo verre ik
zulke weldaad met een geloovig harte aanneme.« En daarna,
zoo men iets op mijne grafzerk zou willen beitelen dat voor
hen die mij gekend hebben de herinnering aan mij verleven-
digen moest, ik zou niet willen dat het uitdrukte wat ik ge-
weest was en gedaan had, maar alleen wat mijns Heilands
genade voor mij in samensluiting met do gemeente gedaan
heeft, volgens de apostolische belijdenis: God bevestigt zijne
liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is als wij
nog zondaars waren: veelmeer dan ziülen wij, nu gerechtvaar-
digd zijnde door zijn bloed, door Hem behouden worden van
den toorn. Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend
zijn door den dood zijns Zoons, veelmeer zullen wij, verzoend
zijnde, behouden worden door zijn leven.
Maar als ik vroeger van het naakt en blind geloof rede-
neerde, zoo vergat ik daarbij dat het »gelooven zonder zien<
niet is: gelooven zonder grond, maar: gelooven op grond van
niet zienlijke, inwendige geestelijke bevestiging der waarheid
in onze ervaring. Ik dank mijn getrouwen God dat Hij mij er
afgebracht heeft van, uit weerzin tegen de valsche bevinding,
ook de ware en noodzakelijke bevinding voorbij te zien;
en van, uit weerzin tegen een ijdel hechten aan de wisselende
stemmingen des gevoels, te vergeten dat het evenwel
-ocr page 85-
73
boven alles aankomt op de gesteldheid des harten. En
thans, als ik het zoo genoemd naakt en blind geloof hoor
roemen, andwoord ik: o lieve broeder, neem u in acht dat gij
toch geen ander geloof moogt laten gelden dan zulk een geloof
dat de Heilige Geest in het hart werkt, en de Heilige
Geest is toch geen stomme geest, maar Hij spreekt en zucht en
roomt immers in het hart der geloovigen. Zekerlijk ja, daar
is een naakt en blind geloof, en indien ik dat niet had de, ik
ware lang in mijne aanvechtingen en bestrijdingen verslonden
en zou er nog dagelijks in verslonden worden: daarom heb ik
zoo even van het andwoord in den Catechismus en van dat woord
van Paulus gesproken. Maar dat naakt en blind geloof zult gij
nooit kunnen verkrijgen door uw doorborend gevoel van smart
over de zonde eenvoudig tor zijde te zetten gelijk gij
schijnt aan te raden, maar alleenlijk door het gestadig te
overwinnen langs geen anderen weg dan dien van gehoor-
zaam te luisteren naar de stem des Heiligen Geestes, als Hij
Jezus heerlijkheid op nieuw aan uw binnenste verklaart. En
daarom roep ik met alle kracht: weg, weg met den valschen
waan van een Christus vóór ons, die van den Christus in ons
zou zijn af te scheiden. Tenzij dan dat gij u van dezen Chris-
tus tot den Waarachtige bekeert, gij zult geene rust vinden
voor uwe ziel. Immers, daar is geene rust dan in de ver-
geving der zonden. En ook deze boom kan alleen aan
zijn vruchten, aan de werking van het aanvankelijk sterven
der zonden in u, gekend worden. Meen niet dat gij deze zalige
zekerheid hebt, eer gij, op dezen grond, met vastheid moogt
verklaren: één ding weet ik, dat ik blind was en nu zie:
dat ik dood was en nu leef. Dat Christus waarlijk vóór u is,
-ocr page 86-
74
moet daaruit bewezen worden dat Hij de kracht hebbe om
ook in u te komen en zich u mede te deelen. Ook ik wil
geen «christendom des gevoels.« Hoe groote verwoestingen
dat beklagelijk stelsel aanricht, hoe de Satan daardoor de zielen
belet om tot vollen vrede en blijdschap in Christus te komen,
hoe deze arme dobberaars hun gansche leven gebonden blijven
onder de dienstbaarheid van regen en zonneschijn, van teeke-
nen die hun getoond en Schriftwoorden die hun toegesproken
worden, van stelsels der vaderen en der kinderen, van oude
en nieuwe schrijvers, van toestemming of veroordeeling der
keurmeesteren die den bekeeringsweg bepalen — dat alles zie
ik dagelijks voor mijn oogen. Ja het is mij een gedurig lijden
firn den wille van broederen die ik lief heb, ook terwijl zij
mij niet als broeder erkennen kunnen omdat ik met hen niet
medespreek. Doch als ik dat gevoels-christendom bestrijd, dan
is het niet omdat ik m inde r wil dan het gevoel, maar omdat
ik meer wil dan het gevoel, namelijk omdat ik wil Christus
in den diepsten grond des harten. En daar kan hij wonen
omdat hij verhoogd is; daar kan hij wonen door den Heiligen
Geest. Ja, hooggeprezen zij de genade des Heiligen Geestes,
die zijn oorspronkelijk recht dat Hij heeft op elke menschelijke
ziel, door alle benevelde verkondiging heen weet te handhaven.
Wilt gij weten hoe daarbij zijne gangen zijn?
Vaak zijn die gangen vriendelijk en zachtopgaande. Dikwerf
wordt het naïeve zachtinnige geloof der kindsheid als in
rechte lijn en zonder schokken of pijn tot ware bekeering
voortgeleid. En dit is een kostelijk voorrecht, een liefelijk
schouwspel voor de oogen der menschen en van Gods engelen.
Toch is er ook daar een tijd, hetzij korstondig hetzij over vele
-ocr page 87-
75
maanden of jaren uitgestrekt, waarin al het werk der gewoonte
en der overleveringen van de jeugd, hoe ook geheiligd, evenwel
deze vuurproef moet doorstaan dat het tot zelfstandig eigen-
dom des harten wordt: een tijd van overgang, bepaaldelijk
daaraan kenbaar dat het besef van zonde en de behoefte
aan genade eene vroeger niet ervaren innigheid verkrijgt.
En deze vuurproef, wij houden er ons overtuigd van, zal hoogst-
zelden geheel onmerkbaar zijn voor een gemoed, aan ernstige
zelfbewaking gewoon. Maar er is ook een andere, een veel
moeielijker weg tot datzelfde doel — een weg van wien ik
weet dat de Heilige Geest hem met sommigen of met velen
houdt.
O steil en eenzaam is dat pad. »Den vleeschelijken Christus
moet de ziel verliezen. Ik wil zeggen, den Christus, gelijk hij
haar vleeschelijk, door een min of meer benevelde verkon-
diging of door berusting in van der jeugd af aan gehoorde over-
leveringen is bijgebracht, dien Christus moet de ziel eerst ver-
liezen. Hij moet voor haar sterven, en zij moet door de moeie-
lijke, soms angstvolle, zifting henen gaan welke de apostelen
bij den dood van hun Meester ondervonden, toen hij naar het
vleesch hun ontrukt werd om later geestelijk en verheerlijkt
tot hen weder te keeren. Zij moet hare zonde leeren kennen
en inzien hoe die zich tegen Christus gekeerd heeft, en hem,
juist hem die haar tot den dood toe heeft liefgehad, juist hem
aan den dood over heeft geleverd. Bij dat doorborend besef
zou zij zich verwijderen en niet kunnen stand houden onder
het kruis. Ach velen houden het inderdaad niet uit bij dat
kruis, omdat zij in hun eigen kracht er toe zijn genaderd.
Als het bliksemvuur der beschuldiging tegen hunne zonde,
-ocr page 88-
76
oneindig feller clan het vuur van Sinaï. van dat kruis uitgaat,
dan wijken zij ontzet terug, en komen later tot deze schrik-
kelijke gezonkenheid, dat zij het éénig oogenblik huns levens
waarin zij volkomen oprecht voor God hebben gestaan, voor
een oogenblik van overspanning, melancholie, verbijstering ver-
klaren. Maar zoo de ziel stand houdt op Golgotha, en haar
zondig natuurlijk leven door dat vuur laat verteren, gevoelt zij
weldra dat met en in dat vuur der wrake tot haar uitgaat de
oneindige gloed der liefde van Jezus, die uit den dood het
leven schept en de veroordeeling in vrijspraak verkeert. En als
de Heilige Geest aldus heeft gesproken dat daar geen ver-
doemenis meer is voor degenen die in Christus zijn, als Hij
aldus het gevallene weder opgericht en het gestorvene tot
nieuw leven bezield heeft, o vrees dan bij die ziele niet meer
voor geestdrijverij en voor eigendunkelijk verwan-en van de
inspraak des Heiligen Geestes met den hoogmoed van het
vleesch. De wereld daar buiten zal deze beschuldiging ijverig
doen hooren, en, helaas! in menigvuldige zwakheden en zonden
des aanvankelijk gereinigden een welkome rechtvaardiging voor
haren laster vinden. Maar wanneer de ziel zich weder bezint,
en op nieuw verootmoedigd in het stof buigt, dan erkent zij
ook weder in hare onuitsprekelijke pijngevoeligheid de stem
des Heiligen Geestes, en onderscheidt haar van alle vleeschelijke
dwaalstemmen. De Heilige Geest, eerst buiten haar staande,
veroordeelt ter dood al het vleeschelijke dat aan haar over-
blijft. Daarna in haar komende vervangt Hij zijn bestraffing-
door zalvende vertroostende liefde, en maakt weder zalig en
levende.« \')
\') Baumgarten (gedeeltelijk).
-ocr page 89-
77
Merk op. mijn broeder! wat ik tot u spreek omtrent het
bestraffende werk des Heüigen Geestes eerst buiten ons en
dan in ons. Merk het op, ten einde andwoord te hebben op
eene tegenwerping die, ik weet het zeer wel, in uw binnenste
fluistert. Mij dunkt, gij spreekt tot mij in dezer voege: »Gij
hebt mij nu wel omtrent »plaatsvervanging« en «toerekening
eenigszins nader ingelicht, ten minste aanleiding tot nadenken
gegeven. Maar toch, als gij zoo sterk spreekt van uwe zalig-
heid en vrede alléén op de verdienste van Christus te bouwen,
alléén op de vergevende genade Gods in Hem, en niet op
iets dat in uzelve zij — dan komt liet mij voor dat gij des-
niettemin voedsel geeft aan een traag vertrouwen op vreerade
verdienste, en alzoo aan de strenge eischen der zedelijkheid,
ja in den diepsten grond aan de vlekkelooze heiligheid Gods
te kort doet.«
Hiertegen betuig ik u clat het verzoeningswerk van Christus,
gelijk ik het u heb voorgesteld, aan de eischen der zedelijk-
heid en aan de heiligheid Gods niet te kort doet, maar juist
deze met den nadniklijksten ernst handhaaft. Bezin u nogmaals
omtrent uzelve en uwe zedelijke behoeften. De groote vraaag
is, of de heiligheid Gods buiten u zij, tegenover u staande
met hare beschuldigende stem, dan wel of zij in u zij als uw
levensbeginsel. Van nature is zij buiten u. Dat wil zeggen
toen gij, langer of korter geleden, van lieverlede begonnen zijt
ernst te maken met de eischen uws gewetens, toen hebt gij
bevonden dat gij onheilig en schuldig waart. Inderdaad, zoo-
lang gij niet bekeerd zijt staat de heiligheid Gods tegen u
over, en verklaart u schuldig. Schuld en ellende nu gaan altijd
te zamen. Want de heiligheid Gods staat allerwege uitgedrukt
-ocr page 90-
78
in de ordeningen zijner almacht. Staat de eerste tegen u over,
dan staan ook de tweede tegen u over, en gij zijt ongelukkig
en ellendig. Immers, gelukkig te zijn, dat beteekent niets
anders dan in vrije liefde met de ordeningen der Almacht in
samenstemming te wezen. Maar zoolang gij niet bekeerd zijt,
wilt gij iets anders dan de eischen der heiligheid, dan de
ordeningen der almacht Gods. Gij gevoelt wel dat dit een
ongelijke strijd is. Daarom tracht gij die heiligheid Gods te
ontvluchten door van de wet Gods, welke de uitdrukking Zijner
heiligheid is iets af te nemen. Om uzelven rust te geven trekt
gij het ideaal, hetwelk de wet Gods u voorhoudt, veel of
weinig neder tot de hoogte welke gij met uwe inspanningen
ter zedelijkheid meent te kunnen of te zullen kunnen berei-
ken. Dit moogt gij b. v. u verduidelijken uit het dagelijksche
spraakgebruik, volgens hetwelk de meeste menschen veel liever
van hun plicht, dan van de wet Gods spreken. Merk wel
op hoe de ernstige ongeloovige spreekt. Hij zegt: mijn plicht
gebiedt mij dit of iets anders. Hij durft niet zeggen: Mijne
wet gebiedt het mij, want hij gevoelt wel dat zoolang hij van
plicht spreekt, hij van hetgeen hem eigen is, mag spreken,
en zijn persoonlijke behoeften, wenschen en omstandigheden
in rekening brengen; maar dat hij dit moet nalaten zoodra hij
van de wet Gods spreekt. Deze wet toch betuigt terstond aan
zijn geweten haar volstrekt, haar stellig en onbepaald gebie-
dend karakter. Zie daarom tracht gij onwillekeurig, ten be-
hoeve van uwe eigene rust, iets van die wet Gods af te nemen.
Maar weet gij wel wat gij daarmede doet? Die wet Gods is
de uitdrukking van zijn heiligheid, dat is: van zijn eigen
wezen. Gij wilt dus niet dat God volkomen zij wat Hij is,
-ocr page 91-
70
namelijk de Heilige. God echter laat zich niet verminderen of
veranderen — daarom uw wensen keert zich in zijn eigenlijken
grond tegen het bestaan van God zelve. Gij hebt meermalen
(met diepen afschuw) de lütspraak gehoord dat gij »van nature
geneigd zijt God en den naaste te haten. <* Welnu, ik betiüg
u met een beroep op uw eigen geweten, dat die uitspraak
waarheid is. Ja, gij haat God in den diepsten grond —niet
van uw eigenlijk wezen, maar — van uw zondig bestaan.
Laat uw afkeer tegen deze uitspraak u niet tot hartstochtelijke
zelfmisleiding vervoeren. Velen lezen allerlei overdreven schil-
deringen b. v. van zichzelf-verteerende gierigheid; en dan, be-
vindende dat zij toch waarlijk niet zulke menschen zijn die
liever sterven of schandelijke dingen doen clan zichzelven het
noodzakelijkste gunnen, roepen zij uit: Goddank, ik ben geen
gierigaard. Zoo ook denken velen bij >haat« aan vlammenden
hartstocht en verbeten of losbrekende woede; en zulk een ge-
voel jegens God niet in zich vindende, roepen zij wraak over
den laster die tot schande der christenheid zegt dat de mensch
van nature geneigd zou wezen God te haten! Oordeel gij
kalmer en ernstiger. Haat is de wensch dat hij dien men
haat, niet bestonde. Nu is God heiligheid, heilige liefde. Welnu,
zoolang gij die ondeelbare heiligheid Gods, welke te vermin-
deren zooveel is als haar vernietigen, zoolang gij die heiligheid
Gods niet wilt, haat gij haar, haat gij God zelven, in siddering-
wekkende kalmte en onwetendheid omtrent uzelve.
Dat nu deze dingen waarheid zijn, dat ziet gij bij het kruis
van Golgotha. Hier openbaart zich volkomen het eigenlijk
wezen der zonde. Hier openbaart zij zich als haat tegen God.
Gelijk de Christus zegt: zij hebben mij en den Vader gehaat.
-ocr page 92-
80
Zoo als het zien van een lijk onwillekeurige huivering\' bij u
wekt omdat gij, hoe ongeloovig ook, hoe ook met uwe rede-
neeringen aan de natuur-nood zakelijkheid vastgestrikt, evenwel
u nooit geheel kunt doofmaken voor de stem des gewetens
die roept dat de dood de bezoldiging der zoude is; evenzoo is
het kruis van Golgotha iets tegenstrijdigs, iets nameloos stui-
tende voor u, omdat het u onwillekeurig toeroept: zoo heilig
is God! En hier openbaart zich uw haat. Kunt gij dezen krui-
seling eenvoudig als lijder, als slachtoffer beschouwen (en zeer
velen belezen zich daartoe), dan is dat kruis u een aandoenlijk
zinnebeeld, en wekt bij u een liefelijke, weemoedige droefheid.
Het wordt u de heiliging der smart, de dichterlijke verheer-
lijking der zichzelf verloochenende liefde. Maar predik ik u
bij dat kruis: dat hebt gij, gij gedaan, en dat was noodig tot
uwe verzoening met God, dan vertoonen zich de levensbe-
wegingen van uw haat. Daarom, gelijk ik vroeger gezegd heb,
houden velen het niet uit bij dat kruis, en vlieden in diepen
weerzin vandaar. Doch nu, zoo gij dat niet doet, zoo gij niet
wegvlucht maar den Gekruisigde in u opneemt, dan neemt
gij de heiligheid Gods in u op. Dan komt die heiligheid in u.
Zij wordt niet ter zijde gezet. Zij gaat geen verdrag met de
barmhartigheid aan, zoo min in u als in God zelven. Neen,
zij komt in u en openbaart zich als liefde, als het kwaad
verteerende en wegbrandende liefde. Het oordeel van die hei-
ligheid staat niet langer buiten u, u verdoemende; maar dat oordeel,
die scheiding tusschen het goed het kwaad, komt in u. Zoo is het
verzoeningswerk van Christus de verheerlijking der heiligheid
Gods. Zoo doet het aan de eischen der heiligheid niet te kort,
maar vervult die, niet buiten u alleen maar ook in u.
-ocr page 93-
81
Wanneer God reeds in het Oude Verbond den aard van
het Nieuwe, dat komen zal, aldus beschrijft: »Ik zal Mijne
wet in hun binnenste griffelen en in hunne harten zal
Ik haar inschrijven, want Ik zal hunne ongerechtigheden
vergeven en hunner zonden niet meer gedenken« — wat be-
teekent dit dan anders, dan dat de Wet als het ware op zalige
wijze voor ons lager zal dalen, dat zij van dreigend getui-
genis boven en tegenover ons, eene stem der heiligheid
in ons zal worden, of met andere woorden al wederom: de
vergeving der zonden de bron der heiligmaking?
Ziehier, mijn broeder! hoe dit geloof aan den »vrede door
het bloed des kruises« niet eene wiegeling des gevoels is, een
spelen met onverstaanbare klanken, een zwelgen in mystieke
aandoeningen zonder praktische kracht. Het bloed van Christus
is de zelfovergave van Christus in den dood.
Deze overgave doodt den dood in hemzelven, het Hoofd, en
dan ook in ons, zijn leden. De Heilige Geest, door wien
Jezus zelf zich onstraflijk Gode heeft opgeofferd, leert ook
ons datzelfde te doen in zijne kracht. De wil wordt vrij: de
boeien van vrees en lust, die hem krachteloos maakten, wor-
den geslaakt. Want de vreeze verdwijnt waar de macht des
doods gebroken is; en daardoor verbleekt meteen de aantrek-
kelijkheid der wereld, die in den diepsten grond slechts terug-
werking van de vrees voor den dood is. Slaat de geest vrij
naar het eeuwig en heilig schoon do wieken uit, zoo taalt hij
naar lager genot niet meer. Wij eigenen ons door het geloof
niet slechts Christus\' dood, maar ook zijn leven toe. Ook wat
hij deed in zijn aardsche omwandeling wordt onze daad,
behoort ons toe die nu wandelen mogen in liet sterkend zon-
6
-ocr page 94-
82
licht van Gods welbehagen. Hem, onzen God, hebben wij lief
met al onze kracht en al ons verstand, hoezeer nog slechts
in beginsel. Den naaste, eveneens in beginsel, hebben wij als
onszelve lief. Wij dragen zijn lasten mede, en vervullen alzoo
de wet van Christus. Alleen toch wie dit inderdaad praktisch
doet, leert het verruklijkste wat in \'s menschen gedachte kan
opgenomen worden, de leer der verzoening, verstaan.
En thans hoop ik, met beroep op al het voorgaande en als
praktische samenvatting daarvan, een woord te kunnen spreken
tot hen die lijden aan eene geestelijke krankheid welke zeer
algemeen is. en welke ook mij de diepste belangstelling in-
boezemt van wege zeer gewichtige en pijnlijke herinneringen.
Ik vraag u: Zijt gij een kind van God ? Hebt gij vrede met
God gevonden? Zijt gij verzekerd van in Christus een nieuw
schepsel te zijn ? En terstond zie ik eene wolk over uw gelaat,
een verlegen onzekerheid in uwe uitdrukking. Gij andwoordt:
ik hoop van de barmhartigheid Gods, dat dit mij eenmaal ge-
schonken zal worden. Aan levendige belangstelling ontbreekt
het mij waarlijk niet. Ik vraag veel, zeer veel van den Heer
dat Hij mij zijn vrede moge schenken. Ik lees dikwerf de
Heilige Schrift en vele goede boeken, opdat ik in eene goedo
stemming konie. Voorts, ik oefen mij in een wandel naar Gods
geboden in ootmoed en liefde....
Maar nu dring ik dieper bij u door. Ik bid u om volkomen
oprechtheid in de blootlegging uwer moeilijkste toestanden.
Of wel, ik spoor u ernstig aan uwe behoudenis te zoeken, ik
verlaat u voor een tijd — gij zijt over uzelve nog meer be-
-ocr page 95-
83
kommerd geworden, en als wij elkander wederzien openbaart
gij mij nogmaals uwe bevindingen omtrent uzelve.
Helaas! gij wordt gedrongen, ongeveer het volgende te be-
lijden :
>Met somberheid erken ik dat ik eigenlijk buiten God leef.
Ik bemerk de grootste koelheid, eene akelige onverschilligheid
in mij. Het gebed heb ik niet lief, ik doe het plichtmatig en
het is mij eene vermoeiende inspanning, bijna zeide ik op-
schroeving, van mijn gevoel, zoodat ik eigenlijk blijde ben als
ik er van opstaan mag. Ik verval dagelijks in duizend zonden,
en durf bijna heden niet meer om vergeving vragen omdat
ik zeker weet dat ik ze morgen weder, en evenzeer, bedrijven
zal. Gij meent misschien dat ik angstvol worstel tegen de
zonde. Ach, ik ben moede tot den dood toe, ik worstel niet.
Mijne woorden zijn ingetogen, ja gemoedelijk-ernstig, ja stich-
telijk misschien; ik ga in de wereld voor «ernstig* door —
maar mijn leven is in zijn diepsten grond bij alle deze treurig-
heid lichtzinnig en zonder toewijding aan God. Toch, indien
mij eenig bepaald offer gevraagd werd, indien ik den vrede
der ziel dien ik mis, zou kunnen koopen voor eenige inspan-
ning of moeite of pijn — ja indien ik door lichamelijke tuch-
tiging of iets dergelijks de gemeenschap met God verkrijgen
kon, de Heer weet hoe gaarne ik het dierbaarste dat ik heb,
er voor zou willen geven. Kortom, ik ga niet vooruit, en vrees
daarom achteruit te gaan. Ik verkeer in een onuitsprekelijk
vermoeienden kringloop van geestelijke en wereldsche bemoei-
ingen, en ben in geen van beide met mijn volle hart. Ik ben
koel en afgemat en als \'t ware te zeer gewend aan mijn toe-
stand om er levendig over te treuren. Maar indien hetgeen ik
-ocr page 96-
84
omtrent dien toestand met volle overtuiging weet, zich ook
afdrukte in mijn gevoel, gij zoudt mij niet zoo kalm tegen-
over u zien nederzitten, maar gij zoudt mij zien opstaau en
met een stroom van tranen uwe hand zien vatten en smeeken:
o bid met mij dat Gods ontferming mij ellendige verlosse van
het lichaam dezes doods.«
Ja uw toestand is droevig, uw weg is somber en zwaar.
Gij gevoelt het, ten halve Christen te zijn, dat is erger dan
van den Heer vervreemd te wezen. Gij hebt te veel van zijne
waarheid gevoeld, dan dat gij niet weten zoudt dat een halve
gemeenschap met Hem niet ten leven is, maar ten doode en
ten oordeel. Wat zal ik u zeggen?
Ik zal u zeggen eenvoudiglijk: Gij gelooft niet.
Ik weet wel dat gij met smartelijk ongeduld hierop aud-
woordt: ach ik geloof volkomenlijk alles wat mij Gods Woord
en zijne getrouwe verkondiging omtrent den weg des heils
voorstelt. Ik geloof aan de schulduitdelgende kracht van het
bloed des Middelaars, aan de noodzakelijkheid van het ver-
nieuwend werk des Heiligen Geestes; ik geloof alle dingen
ten volle....
Maar ik moet u wederom andwoorden: neen lieve ziel, gij
bedriegt u zelve, gij gelooft niet. Ach meent gij dat ik het
niet bespeur, zelfs al ware het alleen uit de verlegen-gemoe-
delij ke stembuiging waarmede gij toestemt wanneer ik u de
volheid van Jezus voorstellen ga. 0 erken het, bij alle deze
uwe toestemmingen ligt de droeve klacht op den bodem van
uw hart: men zegt zoo veel van de liefelijkheid der gemeen-
schap van Jezus, en ik weet niets daarvan. Men spreekt zoo
vaak van de hartvernieuwende kracht zijner genade, waarom
-ocr page 97-
85
is zij omtrent mij dan zoo krachteloos ? Bedriegen deze menschen
zich toch niet? Beelden zij zich toch wezenlijk niets in? ik
meen toch ook te gelooven.
Toch meen ik u te moeten zeggen: gij gelooft niet. Versta
mij wèl. Mogelijk is het, dat gij toch wèl gelooft — namelijk
indien gij mij uw toestand verkeerd hebt afgeteekend: indien
gij, in uwen dorst naar heiligheid het onvolmaakte uwer hei-
ligmaking zóó sterk hebt gekleurd, dat gij daardoor verduistert
en ontkent het werk der genade dat reeds in u is aangevan-
gen. Dit zou geenszins onmogelijk zijn; vele waarlijk geloo-
vigen verkeeren in deze dwaling, en men moet hen aansporen
en bidden om datgene te wagen wat voor de groote menigte
der halfchristenen zoo gevaarlijk en noodlottig is, omdat zij
het in verkeerden zin doen — men moet hen bidden om
toch te gelooven aan hun eigen geloof!
Maar indien ik u wel heb verstaan, neen, dan gelooft gij
niet. Gij hebt mij in den aanvang gezegd dat gij hoopt en
bidt dat God u nog eenmaal zijn vrede in Christus zal
schenken. Welnu, zoolang gij aldus op de toekomst ziet,
miskent gij de groote waarheid des geloofs, de groote verkon-
diging waar alle vrede en zaligheid op rust — deze, dat God
alle deze dingen niet schenken zal maar geschonken heeft,
ja ook II geschonken heeft, en geschonken heeft voor
eeuwig, want anders dan voor eeuwig schenkt Hij het nooit.
Ook u, onverschillige, hoogmoedige, wereldsche, dubbelhartige,
ook u is vergeving, genade, rechtvaardiging in Christus ge-
schonken. De vraag is alleen, of gij die gave hebt aange-
nomen, daar zij anders u tot verzwaring van uw oordeel zou
gegeven zijn (Hebr. 10 : 29). Waarachtig en volkomen heeft
-ocr page 98-
86
ook u het bloed van Jezus Cliristus, Gods Zoon, van alle zon-
den gereinigd. Dit is de gewisse waarheid, zonder eenige voor-
waarde hoegenaamd. Gij nu wilt dier genade deelachtig wor-
den: daartoe wilt gij bidden, lozen, zuchten, strijden, over-
peinzen, uwe stemming op velerlei wijze dwingen — kortom
gij wilt er voor werken «zooveel in uw vermogen is,« op
geestelijke wijze. Maar ik herhaal u het apostolische woord
dat den vrede verkondigt die alléén de ziel behouden kan:
dien die niet werkt maar gelooft in Hem dienden godde-
looze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerech-
tigheid. Dien, die niet werkt, die niet werkt! Amen.
Halleluja! het is geschied en daarom staat het geschreven.
Hier moet gij komen, hier bij het kruis waar alles volbracht
is. En uwe ziel zal niet eerder leven, vóór zij in den geloove
de heilige zekerheid aanneemt waarvan Gods Woord getuigenis
geeft: met éóne offerande heeft hij in eeuwigheid volmaakt
degenen die geheiligd worden!
Het komt er op aan, niet om iets te doen, maar om iets te
ontvangen, te gelooven. Niet onze daden allereerst, maar
ons hart wil de Heer: niet de betooning onzer liefde aller-
eerst, maar onze liefde zelf, die niet anders dan terugslag op
de zijne kan wezen: met andere woorden, ons geloof, dat
niet anders dan op zijn werk kan rusten. Rechtvaardiging
door het geloof-alléén, omdat het geloof is do innigste diepte
van het binnenste waar de geheele Christus met zijn volkomen
gerechtigheid door den Heiligen Geest nog ongeschonden wonen
kan. Want zoodra de geest uit dit heiligdom zich waagt in
den stroom der wereld, zich overzet in woord en werk, heeft
terstond in dezen besmetten dampkring hierbeneden de vol-
-ocr page 99-
S7
komen gerechtigheid een einde, en onreinheid en onvrede
vangt weder aan. Rechtvaardiging dan door het geloof alleen,
uit Gods genade. Ja uit genade zijt gij zalig geworden door
het geloof, en dit, deze zaligwording, niet uit u, het is Gods
gave; niet uit de werken, opdat niemand roeine.
Maar denk niet dat ik zou meenen, hiermede uw bezwaar
te hebben weggenomen. Ik zie integendeel zeer wel dat gij
treurig het hoofd schudt, en mij dit andwoord te gemoet voert:
»Gij redeneert over het geloof op eene wijze die mij wan-
hopig zou maken. Ik weet óók wel dat het, gelijk gij zegt,
aankomt op het Geloof-alleen. Maar dat Geloof kan ik, noch
eenig mensch, mij zei ven opdringen. Gij zegt wel dat ik niets
moet doen, maar gelooven. Doch gevoelt gij dan zelf niet
dat uwe woorden mij desniettemin klinken als eene onbarm-
hartige w e t s-vordering onder een anderen vorm : dat ook
hier wederom de eisch tot mij komt: doe dat, en gij zult
leven, dat is: beklim de loodrechte steilte, doorwaad den
oceaan. Geloof slechts, geloof slechts! O mijn vriend, wees gij
toch niet onder die meesters van Israël die met dezen eisch
de zielen tot wanhoop brengen door hun den vollen beker des
heils te toonen, en hem clan op eene hoogte neder te zetten
die wij niet bereiken kunnen, om daarna huns weegs te gaan.
Gedenk aan Job en zijne vrienden. Ach, niet zijn schrikkelijke
verliezen, niet zijn booze zweeren, niet zijn verlatenheid bracht
hem tot de hoogste wanhoop: toen zijne vrienden kwamen
met hun bittere vertroostingen, met hun onbarmhartige
verklaringen, toen stroomde de felle smart onweerhoudbaar
naar buiten en hij vervloekte den dag zijner geboorte... .«
O mijn broeder, ik versta u. En meer dan dit, ik erken de
-ocr page 100-
SS
gegrondheid uwer klacht. Deze uw smart hel) ik, misschien
onder anderen vorm dan gij, maar toch hetzelfde, jaren lang
doorleefd. Ik zal u een and woord geven dat, in onze veelszins
dorre dagen, niet dikwijls gegeven wordt, doch waarvan ik
uit velerlei ervaring zeker ben dat het waarheid spreekt.
Ik schreef twee jaren geleden: \') »\\Vat ik noodig heb, is
»een Dienaar des Woords die, zoo als hij daar staat als van
»\'sHeeren wege door de Kerk gezonden, hare boodschap als
»\'s Heeren Woord tot mij sprekende, mij bij boetvaardig
»geloof ook vergeving mijner zonden aankondigt, en voorts ons
»zamen, telkens naar behoefte des tijds, in den ganschen Raad
»Gods verplaatst. Want mijne zonde is te groot dan dat ik
»haar vergeving uit eigen of anderer gedachten omtrent Gods
»barmhartigheid en genade, of zelfs uit een Boek, den Bijbel,
»mij toeëigeneu kan. De Heer zelf, langs zijn eigen door hem
«gestelden weg, moet mij haar persoonlijk toespreken, en Hij
»wil het, geloofd zij zijn ondoorgrondelijke ontferming!»
Mijn broeder, om de zalige rustige zekerheid te hebben
welke gij mist en met zeer wettige smart begeert, hebben wij
een Kerk noodig die op \'s Heeren gezag en uit zijn Naam,
door de Dienaren die Hij stelt, ons de vergeving der zonden
\') In eeu boekje: „Verlagen wij onszelve niot!" een woord tot de her-
vormde Gemeente (Nijmegen, firma ten Hoet 1902). Wie de gewichtige
waarheid verstaan wil, hier in dit gedeelte van nnjn geschrift „Het Kruis
des Verlossers" behandeld, dien verzoek ik dringend, dit andere geschrift,
hier genoemd, te lezen Wat de l>oop, znn beteekenis op zichzelf, en meer
bepaald voor de verzekordheid des geloofs, beteokent, heb ik daar uiteen-
gezet. Met beroep op die bladzijden behandel ik nu hier dezelfde zaak
beknopter.
-ocr page 101-
89
verkondigt. En onze hervormde kerk (andere protestantsche zijn
niet beter, maar ik heli alleen met de onze te doen) kan dit
niet doen, want zij belijdt, als Kerk, in haar levend geheel,
den Naam des ITeeren niet. Daarom kan zij geen broederlijke
Iiefdetucht oefenen, en dus ook de gemeente niet als Gemeente,
als gedoopte geloovigen, maar slechts als »hoorders« of hoog-
stens als «geliefden« toespreken. En daarom kan de prediking
die gij hoort, wel warm persoonlijk geloovig en in dien zin
stichtelijk, welsprekend en gezegend zijn, maar zij kan niet,
bij monde van den Dienaar des Woords, in naam der Kerk
en al zoo in Naam des Heeren, u het hemelrijk ontsluiten,
d. i. >u geloovige verkondigen en openlijk betuigen dat u,
»zoo dikwijls gij de beloftenis des Evangelies met een waar
»geloof aanneemt, waarachtiglijk al uwe zonden van God om
»de verdiensten van Christus vergeven zijn — navolgende welk
»getuigenis des Evangelies God beide in dit en het toekomende
»leven oordeelen wil.« (Catech. Zond. 31). En toch, dat hebt
gij noodig. Alleen de lieer zelf, door den Heiligen
Geest, kan u van uw persoonlijken heilstaat verzekeren. Hij
kan dat ongetwijfeld ook wel buiten de Kerk doen, en doet
het werkelijk om den nood onzer tijden bij zeer velen. Haar
dit neemt niet weg dat de weg, door hemzelven in zijn Woord
gewezen, is de Kerk, die hare leden uit \'s Heeren Naam en
in zijn volmacht toespreekt en geestelijk bedient. Dat de Kerk
die roeping verzuimt, is oorzaak van onnoemelijk veel schade
en kwijning des geestelijken levens in de Gemeente. Alleen
in het Doopverbond dat de Drieëenige God met u sloot, hebt
gij een «zegel en ongetwijfeld getuigenis dat wij een eeuwig
verbond der genade, persoonlijk, met onzen God hebben; en
-ocr page 102-
90
hierin ligt uwe zekerheid. \') Want hierin heeft de Heer zelf
van uit den hemel u persoonlijk, met noemen van uwen naam,
tot kind van God verklaard. En zoo de Kerk haren plicht deed
van Gods heiligheden, haar toevertrouwd, in goede tucht naar
zijn Woord te bewaren, zou zij zich de belofte mogen toe-
fiigencn dat »wat zij op aarde bond of ontbond, in de hemelen
zou gebonden en ontbonden zijn;« en gij zoudt bevoegdheid en
plicht hebben, u als gedoopte voor Gods kind te houden en
daarmeo al de bezwaren waaronder gij zwoegt, te overwinnen.
Dit sta voorop en zij ons een gedurige reden tot smeeking dat
de Heer zijn heilige ordeningen in de kerken, ook in de onze,
weer tot gelding brenge, en tot medewerking als daartoe
pogingen worden aangewend.
Maar ondanks dit gemis laat de Heer, zeiden we, toch de
leden zijns Lichaams niet verlegen, al is het dat Hij, om ons
ongeloof, even als weleer te Nazareth, de krachten niet kan
doen die hij zoo gaarne zou toonen. Herinner u wat we schre-
ven hl. 2C dat «Christus ons niet alleen tot rechtvaardigheid
van God geworden is, maar ook tot heiligmaking en verlos-
sing* 1 Cor. 1 : 30. Let in dezen tekst vooral op het heerlijk
woord «geworden.« Niet slechts ons tot rechtvaardigheiden
heiligmaking gegeven is Christus, maar geworden, Hij
zelf, persoonlijk. Hij heeft zichzelf u in uwen Doop gegeven
om u alles te zijn, tot volkomen verlossing toe. Dit is de
\') Hem die eeu duidelijke uiteenzetting van de beteekeni.s dos II. Doops
voor ons geestelijk leven begeert, verwas ik, behalve op het bekende, door
Mr. Groen van Prinstorer op nieuw uitgegeven boekjo van Wormser, ook
op H. Cremer, Taufe, Wiedergeburt und Kindertaufo in Kraft des Heiligen
Geistes (Gütersloh, by Bertelsmann 1901).
-ocr page 103-
(tl
hoogheilige verborgenheid vol goddelijken troost, de verborgen-
heid van de gemeenschap der leden met het Hoofd, de
>mystieke eenheid« van Christus en de zijnen die zijn Lichaam
zijn, ranken van den wijnstok die hijzelf, hijzelf is. Hoe dik-
wijls wij hem ook loslaten, hij laat ons nooit los. >Ik ben de
goede Herder: ik geef mijn schapen het eeuwige leven, en
niemand zal ze uit mijn hand rukken. Mijn Vader die ze mij
gegeven heeft, is meer dan allen, en niemand kan ze rukken
iiit de hand mijns Vaders. Ik en de Vader zijn één.« Gode zij
lof en dank! het Steunpunt onzes geestelijken levens ligt niet
in onszelf, maar in Christus. Niet in ons gevoel, maar in zijne
trouw. Hij zelf is ons »de hope der heerlijkheid,» Hij die alle
macht heeft in hemel en op aarde. In zijn persoon ligt de
zekerheid van ons heil eeuwig gewaarborgd: hij is, bij al onze
wankolingen en ontrouw, niet slechts de waarheid en het leven.
maar ook de weg die ons draagt, die altijd tot ons reikt en
ons tot zijn gemeenschap terugbrengt.
Op zijn persoon wijs ik u dan. Zijn hemelsch woord:
Komt herwaarts tot mij, gij allen die vermoeid en beladen
zijt, ik zal u rust geven! — dat woord, in de dagen zijns
vleesches gesproken, is met hein verhoogd, en hij spreekt ook
nu nog van den Troon tot u en tot mij: »Kom herwaarts tot
mij, ik zal ii rust geven.
Welke rust? De rust van u met vol vertrouwen op hem te
kunnen verlaten. Wat Christus ook nu, in zijn verhooging aan
\'s Vaders rechterhand, voor ons is, dat is op te maken uit zijn
aardsche om wandeling. Want deze Christus, die hier op aarde
wandelde in de velden van Galilea en te Jeruzalem, deze en
geen andere, is thans verhoogd en wil door den Heiligen Geest
-ocr page 104-
92
in ons een gestalte bekomen. Ja, een gestalte, Hijzelf. Want
het is uit hem (Ef. 4 : 16) dat het geheele Lichaam waarvan
ook gij lid zijt, opwast tot mannelijke volwassenheid (id. vs. 13).
AVij wassen in alle dingen naar hem toe (id. vs. 15), naar
hem heen, zijn Toekomst verwachtende. Naar die Toekomst
uitziende groeien wij voort. Verzuimt dan de Kerk, helaas!
haren plicht van, zoolang de Heer en ziju Koningrijk niet tot
openbaring gekomen zijn, de gemeenschap des Hoofds met de
zijnen te vertegenwoordigen, zoo blijft hij, het Hoofd, ofschoon
door onze gemeenschappelijke schuld belemmerd, toch machtig
om ons te bewaren en in zijn genade te doen opwassen. Dit
is uwe zekerheid, dat hij getrouw is.
Wie dit verstaat, hem onderwijst de Heilige Geest, en mijn
arme woorden heeft hij niet van noode. Hij leeft onder veilige
leiding. Want zekerlijk, wij moeten steeds op nieuw tot Christus
komen, ons leven in hem verliezen, met Christus sterven en
opstaan; maar niet wij moeten dat éérst zelf doen: het is
in den diepsten grond God-zelf die ons inplant in den Zoon.
Het is in den diepsten grond niet zoo zeer een zedelijk besluit
van ons zelve, maar de bovennatuurlijke, van den Heiligen
Geest uitgaande werking van Jezus\' dood en verrijzenis, waarop
ons nieuw leven berust. Eene daad Gods toch moet aan ons
geschieden zoo onze blijdschap welgegrond zal zijn: want
alleen Gods daden, en niet de onze, zijn volkomen. Alzoo, u
aan Christus over te geven, dat is eenvoudig, steeds opnieuw
den Heiligen geest der liefde, die in Christus offerande ademt,
te laten doorwerken in uw hart, nadat gij u onder zijn Kruis
hebt geplaatst. Daar moet gij sterven zonder genade aan het
oude natuurlijke leven, want gij ziet dat uwe zonde Hem aan
-ocr page 105-
93
het Kruis heeft gebracht, en in zijn verbloeding ziet gij in de
stroomen van de zonde der menschheid uwe eigene zonde op
Hem aangolven, maar in het vuur zijner onmetelijke liefde, die
sterker is dan deze dood, tevens gebroken, vernietigd worden.
De hoogste openbaring der zonde wordt hare volkomene neder-
laag. De vloek der wet wordt vernietigd in Hem die dezen
vloek draagt, een vloek geworden zijnde voor ons. Onder de
verterende stralen van Christus\' kruis wordt do oude mensch
der zonde gedood; doch niet de geheele mensch gaat daarbij
te gronde, maar de nieuwe mensch, die niets anders is dan
Christus zelf, staat als de ziel, als het wezen uws nieuwen
levens, in u op. üwe heiligmaking wordt niet een aanhangsel
van uw geloof, maar eenvoudig de steeds eiken dag opnieuw,
als Israëls manna in de woestijn, van Boven geschonken ont-
wikkeling van uw geloof dat den Christus in u heeft opge-
nomen. Door de verdoemenis der zonde is de zondaar behouden.
God is met u verzoend en gij met God. Het bloed des krmses
reinigt u door dagelijksch besprengen, al voort, van alle zonden,
en zoo wordt door de genade der schuldvergeving de levens-
vernieuwing tot heiligheid uw deel.
En nu zijn, hoop ik, de bedenkingen die het hart der kin-
deren dezes tijds gedurig opwerpt, wederlegd. Ik ben u in al
deze inwendige problemen, deze twistgedingen met eigen
gevoel en verstand gevolgd, mijn broeder! omdat gij ze nu
eenmaal opwierpt of er u door hadt laten verontrusten. Met
den eenvoud der apostolische verkondiging hebben ze eigenlijk
niet te maken. Deze weet in haar majestueuze stelligheid
-ocr page 106-
01
weinig of niets van dergelijke vragen. Welnu tot die prediking
des Woords en tot haren heerlijken eenvoud keer ik nu met
u terug. »Zij die geloofd hebben, gaan in de rust.« De Heilige
Geest heeft ons op de prediking der apostelen langs welken
weg dan ook. doen acht geven, en van het oogenblik af dat
wij, hoe aanvankelijk ook nog, naar die prediking onze aandacht
neigden, waren we in den grond reeds geloovig. Van nu aan
hadden wij niets verder te doen clan te gelooven, d. i. ons te
houden aan de nieuwe wereld die opging voor ons oog, en te
luisteren naar den Heiland die als middelpunt van deze nieuwe
wereld ons te gemoet trad. Nu moet het dan ook uit hebben
met de bekommerde vraag: »ben ik wel waarlijk een geloovige,
of ben ik het eigenlijk niet?« Honderden plagen zich steeds
met die vraag, en zien niet in dat zij daarmee toch eigenlijk
nog aan het oude intellectualisme (de verstandsheerschappij)
van den natuurlijken mensch blijven voet geven, namelijk door
zooveel te hechten aan hun bewustheid van geloof. Zij zien
om naar hun geloof, en houden juist daardoor op van te ge-
looven, d. i. van op Jezus te zien: gelijk een kind dat, om
de trekken van zijn silhouet op den muur te zien, zijn hoofd
omwendt en juist door die beweging zijn op den muur geteekende
trekken uitwischt. Doe gij zoo niet. De geneesheer zegt u: »zie,
gij zijt gezond geworden, treed naar buiten in de lentelucht!«
— Welnu, vermoei u nu niet langer en bederf uwe gesteldheid
niet door nog altoos te vragen: voel ik mij wel waarlijk ge-
zond? — maar treed naar buiten en adem de veerkrachtige
genezende lucht in. Deze eenvoudige gehoorzaamheid is de ge-
loofshouding die u voegt, en ook alleen heilzaam is. »Zie gij zijt
gezond geworden, zondig nu niet meer en ga heen in vrede.«
-ocr page 107-
95
Ook met de vraag: »is het geloof een gave Gods of mijn
eigen werk?« — heeft het nu uit. Juist als ik geloof dat het
een vrije genadegave Gods is (want zoo is het!) als ik dat
waarlijk eenvoudig erken, juist dan ben ik tot vrijheid be-
krachtigd. Want zie, als onbekeerd mensch leefde ik in toon-
looze onverschilligheid. In zoele, ongezonde windstilte dobberde
ik heen en weer. Het Woord Gods was voor mij een »woord, <
een meening, een stelsel, orthodox of liberaal of hoe dan ook
genoemd, maar in elk geval iets dat ik even kalm op mijn
kamer kon overwegen of er met een ander over redetwisten,
al ware het een of ander punt uit de geschiedenis van Noor-
wegen of Nineveh. Deze onverschilligheid was — ik zie het
nu in — een sterke inwendige tegen weer tegen dat Woord
hetwelk ik hoorde of las. Want dat Woord i s wel altoos levend
en krachtig, dat evangelie is een kracht Gods tot zaligheid,
dat sakrament is van levensmacht vervuld. Alleen maar, het
kan dit alles niet kenbaar maken dan aan het geloof. En
toen ik niet geloofde, waande ik zeer kalm, vriendelijk, ver-
standig onpartijdig te zijn: doch ach, het was inderdaad de
vij andschap tegen God, welke het «bedenken des vleesches«
— den gewonen alledaagschen gang des natuurlijken levens —
ten alle tijde kenmerkt. Nu is dat anders. Ik heb mij bekeerd,
d. i. afgekeerd vau het verleden waarin ik tot nog toe mijn
leven zocht, en toegekeerd tot de nieuwe, heerlijke wereld dei-
opstanding. Nu eeist ben ik waarlijk zelf handelende ge-
worden. Tot nu toe dreef mij de onbekende macht der vijand-
schap tegen God. Geloofd zij zijn genade, dat heeft nu uit, en
ik ben nu, omdat ik der vrije genade haar recht laat, eerst
waarlijk vrij geworden. Nu, uit God geboren, bewaar ik mij-
-ocr page 108-
96
zelve (1 Joh. 5: 18) en de Booze vat mij niet. houdt mij uiet
vast. Wie klagende zegt: »och, God moet het mij geven!» —
die heeft de kracht der heerlijke waarheid dat het God is, die
willen en volbrengen in ons werkt, nog niet gevoeld. Hij
»zou« nog slechts willen: hij wil nog niet.
Nu roemen wij in het Krms van Christus. Dit »roemen «
waarvan Paulus aan het slot van zijn brief aan de Galatiers
spreekt, is een wandelen op de hoogten des geestelijken levens,
een aanschouwen van het Ideaal. Dit roemen is nu echter niet
over de stralende schoonheid der heerlijkste dingen van deze
wereld, poëzie, kunst, wetenschap, aardsche macht. Het is een
roemen in het kruis: omtrent alle aardsche idealen, ook de
schoonste, edelste, zielverheffendste, is ons binnenste ont-
tooverd: de brekende, doodende macht des kruises is er over
heen gegaan en heeft ze voor goed van hun bedrieglijken glans
beroofd. De krachten der ziel die vroeger aan het najagen van
velerlei droombeelden, aan het heimelijk voorspiegelen van
allerlei levensbevrediging verspild werden, komen nu vrij en
kunnen, als troepen die geen nuttelooze posten meer te ver-
dedigen hebben, nu onder den rechten Aanvoerder dienst doen.
Dezelfde onverschillige berusting als in het leven zelf,
heerschte vroeger ook in ons denken. Wij beweerden dat de
waarheid, de volle waarheid, nu eenmaal niet te bereiken is:
en ook achter die schijnbaar kalme en verstandige redenering
was in den grond vijandschap tegen God verborgen. Want wij
achtten dat de tegenstrijdigheden die door ons denken niet te
overwinnen waren, haar grond in de werkelijkheid zelve
hadden: en daar deze werkelijkheid door God, den Schepper,
geordend is, maakten wij inderdaad dus God tot oorzaak der
-ocr page 109-
97
zonde, tot »leugenaar« (1 Joh. 1 : 10). Thans echter, onder het
Kruis, blijkt het ons dat al deze duisterheden niet uit onschul-
dige beperktheid van ons wezen van zelf voortvloeien, maar
dat zij ongerechtigheden zijn, en onze zonde tot wortel
hebben.
In volkomen tegenstelling met de wijsheid dezer eeuw die
de «worsteling om het leven,* de overwinning van het krach-
tigste verkondigt, leert het Kruis dat de zwakheid overwint,
zoo zij de zwakheid der liefde is. Want hier laat de almacht
zich gansch en al tot machteloosheid maken. God overwint
door den vijand volstrekte overmacht over zich to laten. Het
groot probleem des denkens nu is ten allen tijde geen ander
dan dit: hoe kan er vrijheid zijn? Zoo God almacht is,
hoe kan er dan iets nevens of onder Hem werken dat niet
Hijzelf is, ja dat dus ook des noods tegen Hem zou kunnen
handelen ? Met de schepping begint dit raadsel, want de schepping
is het stellen van iets dat niet God is en tocli een zekere
eigen macht heeft. Hoe kan dat zijn? Hoe kan God iets uit
zijn eigen hand loslaten, zoodat het op zichzelf, meer of minder,
komt te staan? Spinoza lost liet raadsel op door het feit te
ontkennen. God laat inderdaad niets uit zijn handen, zegt Mj.
Er is geen kreatuurlijke vrijheid, God is en doet alles. De
wijsheid van anderen, die van Spinoza verwerpende, beweert
wel dat er toch vrijheid is, hoe dan ook, doch kan haar niet
verklaren. Hier aan het Kruis echter toont zij zich in haar
volle macht. Hier schijnt zij dan ook God te overwinnen, zijn
wereldbestuur te vernietigen, en zoo alles tot den vreeselijksten
chaos terug te brengen. Doch zie, juist het tegendeel is het
gevolg. Juist hier wordt de macht der verkeerde vrijheid, des
7
-ocr page 110-
98
kwaads, overwonnen door haar vollen eisch te ver-
krijgen. Hier ligt de Almacht onder den voet: »0 groote
nood, God is dood!« en hier, hier triomfeert Hij dóór dien
dood heen, en aan de andere zijde, in de opstanding, worden
stof en geest, die vroeger raadselachtig gemengd waren, van
welke aan het kruis de eerste de laatste scheen te overwinnen,
nu volkomen gescheiden. Aan het kruis sprak de stof, de ge-
vallen natuur, tot den geest: lig onder mij, opdat ik u doode.
In de opstanding spreekt de geest tot de stof: lig onder mij,
opdat ik u levend make, verheerlijke. Hier blijkt dus het
Wonder te zijn wat het altoos in \'t verborgen is, namelijk:
de vijandsliefde op natuurlijk terrein, d. i. het vergevend en
genezond door-breken van de macht der liefde dóór die des
haats, des geestes dóór die der gevallen natuur. Hier komt
alzoo aan den dag dat het Wonder niet een ongerijmdheid is,
ja zelfs geen raadsel meer, maar de oplossing van alle raadselen :
en dat het ontkennen van het wonder niet alleen onzedelijk,
maar ook in den hoogsten zin onredelijk, on wetenschap-
lijk is.
»God is de eeuwige noodzaaklijkheid,« zegt het verstand:
en het geweten voegt er bij dat die noodzaaklijkheid de ver-
oordeelende heiligheid is. »God is de eeuwige liefde« zegt
het hart. Buiten Christus staan deze twee tegenover elkaar.
Verstand en geweten zeggen dan: God, de natuurwet, de
onverbiddelijke noodzakelijkheid, kan niet vergeven: en het
hart is dan eveneens dwalende en zegt: God kan niet anders
dan vergeven. Want beide beoordeelen God dan naar zijn
wezen op zichzelf, onafhankelijk van een feitelijke betooning
welke zij niet erkennen. In het Kruis nu is dit onmogelijke
-ocr page 111-
99
en dit noodzakelijke tot de éénheid van het werkelijke, van
het feit gekomen. Het Kruis verkondigt dat Gods hoogste
almacht is die der liefde, die de vrijheid des schepsels niet
beperkt maar schept. En eveneens, dat de menschelijke wil
slechts vrij wordt als hij daar is om een anderen wil, dien
van God, te volbrengen; gelijk het oog eerst waarlijk ziet als
het een ander Oog ontmoet en daarin verzinkt. Dus vormen al
de stralen onzer denk-tegenstellingen, in het kruispunt inéén-
vloeiende, daarachter het eeuwig Licht der waarheid. Jezus is
de Middelaar ook onzer in zondige beperktheid worstelende
gedachten, die hij in zijn Kruis tot éénheid brengt. \')
Want aan de andere zijde, aan de zijde der opstanding, dei-
verheerlijking, is door den Heiligen Geest de gedachte tot
daad geworden, het verstand verzoend met het hart waaruit
de bronnen des levens zijn, het leven tot licht geworden. Ook
verstandelijk begraaf ik mij in Christus\' dood en kom met ge-
reinigde kennis aan de zijde der opstanding weer te voorschijn,
niets verder begeerende te weten dan Jezus Christus en dien
gekruisigd.
Zoo is het Kruis ons de oplossing van het wereldraadsel
geworden. Het predikt opstanding langs den weg der zelfver-
nietiging. En zoo velen als er naar dezen leefregel (Gal. 6:16)
zullen wandelen, over hen zal zijn vrede en barmhartigheid,
als over het Israël Gods, het ware Israël dat worstelende als
Jakob in Pniël den nieuwen naam, het nieuwe leven ontvangt.
\') Ik trachtte dit aan te toonen in: De eenheid des leven», naar Spinoia\'s
Amor intellectualis (Nijmegen, ten Hoet 1908) waarheen ik voor verdere
uitwerking van deze gedachte de vrijheid neem te verwijzen.
-ocr page 112-
100
»De straf die ons den vrede aanbrengt, was op hem: en
»door zijn striemen is ons genezing geworden.« Het ware,
eigenlijke denkbeeld van »straf« is dat van handhaving
der geschonden gerechtigheid; hei-stelling van het
heilig evenwicht -waaraan de wereld hangt. Doch daarin ligt
dan opgesloten het denkbeeld der tucht, der opvoeding en
verbetering, genezing van den gestrafte. Want de straf, zoo zij
waarlijk is wat zij wezen moet, ziet niet alleen op de misdaad
als afgetrokken feit dat op zichzelf staat; maai- ook op den
persoon die de misdaad pleegde. Eerst als deze verbeterd
en genezen is, zal het verbroken evenwicht der dingen waarlijk
en ten volle hersteld zijn. Daarom is bij onzen Heiland Kruis
en Opstanding noodzakelijk één. Hij leed in onze plaats de
straf der geschonden gerechtigheid Gods. Verbetering behoefde
Gods Heilige natuurlijk voor zichzelf niet. Maar wegens den
innigen band die hem als het Hoofd des Lichaams met ons,
zijn leden, tot één samenvoegt, heeft liij in zijn leden ver-
betering, vernieuwing noodig. Gelijk een mensch, als zijn hand
of voet gekwetst is, niet zegt: «mijn hand of voet heeft pijn,
doch dat deert mij niet!« maar: »ik, ik heb pijn aan mijn
»haud of mijn voet!« — zoo is Christus niet alleen aan hot
kruis de Plaatsbekleeder, maar ook in zijn opstanding de
Behouder des Lichaams. Ook hier geldt de groote regel: »Eerst
de Eere Gods, daarna en daarin, als noodzakelijk gevolg, de
behoudenis en zaligheid der menschen.« Dat hij gestorven is,
dat is hij der zonde eenmaal gestorven; en dat hij leeft, dat
leeft hij Gode. Alzoo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij
wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus
Jezus onzen Heer. Verdicht, verstoffelijk de zonde tot zicht-
-ocr page 113-
101
baarheid, dat ze handtastelijk merkbaar worde, zie, dan is zij
de dood. Verdicht de Kruis vrucht tot zichtbaarheid, dat ze
merkbaar te voorschijn trede, zie, dan is zij de opstanding.
Zoo is dan het kruis, met zijn daar in gesloten opstanding,
onze leefregel.
Die leefregel luidt dan: »de zonde zal over u niet heersenen,
want gij zijt niet onder de wet maar onder de genade.« De
genade is de macht die niet slechts vergeving der zonden
werkt, maar het geheele leven van Christus in ons een gestalte
doet verkrijgen. De tucht des Heiligen Geestes voltooit wat
Christus in ons begonnen heeft. Namelijk het middelpunt van
ons leven, denken en willen is nu niet meer in onszelve,
maar in Christus overgeplant: zoodat de zonde, helaas! nog
wel in ons is en blijft, maar wij zelve zijn er niet meer. De
onedele gasten zwelgen en drinken in het oude huis, maai\' wij
zijn er uit weggegaan: wij zijn »in den hemel gezet.« De
eerste man, het vleesch, dat ons door de wet bond, is gestor-
ven (Eom. 7 : 1—6) en wij zijn eens anderen Mans, des
Heeren Jezus Christus. Maar wie van Hem zijn, die hebben
het vleesch gekruist met de lusten en begeerlijkheden (Gal.
5 : 24). Zoo dikwijls als wij buiten de onneembare vesting-
dezes nieuwen levens treden, en nalaten op Jezus te zien,
overwint ons de vijand gemakkelijk, en wij zondigen weder.
Maar de Genade is sterker dan de wet. Die genade is de
persoonlijke verhouding van God tot ons. Onmiddellijk, in
vrijmachtig welbehagen der liefde, grijpt God telkens weer,
herstellend en levenbewarend, in ons geestelijk bestaan in.
Door dat dit elk oogenblik geschiedt, is er gestadigheid, vast-
heid in ons geestelijk leven. Maar die vastheid is derhalve
-ocr page 114-
102
niet in onze sterkte, neen in de trouw Gods: gelijk de regel-
maat van \'t geen wij de natuurwetten noemen, niet ligt in de
vastheid der dingen maar in de onveranderlijkheid Gods. De
Heilige Geest toont ons telkens in het Kruis weer onzen vloek
en onzen dood, maar tevens onze vrijspraak en verlossing van
alle macht der zonde. Dit zoo laten zijn als het is, Gode dit
recht geven, dit is te »gelooven«. Wij hebben dus, om te
gelooven, niet telkens weer een zekeren korter of langer weg
van voorbereiding noodig. God bereidt, voorzeker, in ons hart
en leven het tijdperk des geloofs vóór. Maar dit behoort tot
zijn verborgen leidingen. Wij voor ons hebben elk oogenblik
toegang tot den Troon, die een «troon van genade« is gewor-
den. In dit persoonlijke ligt ook de zekerheid van ons
kennen van God en zijn waarheid. »Ik ben verzekerd«, zegt
Paulus, »dat niets mij van de liefde Gods in Christus scheiden
kan.« Die zekerheid ligt in Gods onfeilbare getrouwheid. Hier
is de »macht«, hun die Jezus aannemen, gegeven (Joh. 1: 12).
Hier worden alle krachten des geestes van den druk der zonde
verlost, en in de hemelsche atmosfeer worden wij weer vrij
en oorspronkelijk, worden wij onszelf.
Vandaar de »groote blijdschap« des nieuwen levens. Wij
streven niet naar het ideaal, maar leven van het bereikt
ideaal uit.
»Weet gij niet dat zoovelen wij in Christus Jezus gedoopt
zijn, wij in zijnen dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met hem
begraven door den doop in den dood — tot toeëigening van
Christus\' dood met al zijn vruchten — opdat gelijk Christus
is opgewekt van de dooden door de heerlijkheid des Vaders,
wij ook alzoo in nieuwigheid des levens wandelen. Want, ééne
-ocr page 115-
103
plant met Hem geworden in de gelijkmaking zijns doods
— door het geloof in Hem overgezet, met Hem saamgewassen
tot éénheid van ervaring, recht en kracht —■ zullen wij het
ook zijn in gemeenschap aan zijn opstanding. Ook wij, gestor-
ven zijnde, hebben afgedaan met de zonde, houden het daar-
voor dat wij der zonde gestorven maar Gode levende zijn in
Christus Jezus onzen Heer.
Christus maakt ons niet slechts rein maar houdt ons ook
rein. Heerlijk, onbeperkt is de levenshorizont die zich aldus voor
ons opent. Wanneer door overgave aan de eeuwige Liefde die
ons tot in den dood heeft bemind, de engliartigheid der zelf-
zucht uit ons verdwijnt, dan heeft onze wil geen grens dan
in God die oneindig is. Zoo heeft dan de vrije vlucht van
dien wil geen perken meer. Wij leven dan niet meer op
hetgeen God geeft, maar op hetgeen Hij is, op >>alle
woord dat van Gods mond uitgaat.« En wie is Hij\'? Hij
is de driemaal Heilige. Ik kan niet genoeg daarop
nadruk leggen dat het Kruis des Verlossers de verheer-
lijking der heiligheid Gods is. In dat kruis heeft God
»de zonde veroordeeld in het vleesch (van Christus) opdat het
recht der wet vervuld zou worden in ons.« Gods heiligheid,
vroeger onze schrik, is nu onze eenige troost en hoop ge-
worden — ziedaar de zalige verandering, door het Kruis aan-
gebracht. God kan den zondaar niet anders en op geen anderen
grond ontmoeten, dan als rechtvaardige Rechter: en zóó ont-
moet Hij hem op Golgotha. In de geschiedenis van Israël
ontmoet Hij hem als onderwijzende, geduldige Rechter. In
Galilea, bij Jezus\' eerste openbaar optreden, als liefelijk lok-
kende Rechter. Bij Jeruzalem, op den intocht, als weenende
-ocr page 116-
104
Rechter. Op Golgotha als bloedende, stervende Rechter, smee-
kende: mij dorst naar uw heil! In de gave en leiding des
Heiligen Geestes, als levendmakende Rechter, in de overwinning
die zijn heiligheid hehalen zal. Ja in den Heiligen Geest vinden
wij God niet alleen in wat Hij werkelijk is, maar in al wat
wij kunnen begeeren dat Hij ooit voor ons zijn zal. God is
Heilige Geest, dat wil zeggen: God is niet alleen werkelijk-
heid, maar ook Ideaal. Doch zijn hoogste ontplooiing kan altijd
slechts toonen hetgeen Hij is, want Hij zegt vooralle toekomst
gelijk voor het heden: »Ik hen die Ik ben.« Onze hoogste
zaligheid is te weten dat Hij is die Hij is. en dat Hij, dit
zijnde, nooit anders zijn zal ot\' zijn kan. Want daardoor alleen
zullen wij ten laatste behouden worden, als, wat in ons nog
onreins overbleef, weggezengd door de laatste stralen van Gods
recht, geheel zal verdwijnen en niets zal overblijven dan het
zalig werk zijner genade; en alzoo, naar het heerlijk Schrift-
woord, de >genade zal heersenen door rechtvaardigheid tot het
eeuwige leven, door Jezus Christus onzen Heer.<
Maar is deze overwinning reeds aanwezig\'?
Zijn er clan geen verzoekingen en smarten meer ?
O lijdende, zwoegende ziel, hoe zou ik u beleedigen met dit
te zeggen. Het hart kent zijn eigen bittere droefheid. Ja de
diepste smarten zijn zonder naam. Daar zijn trillingen der ziel
of schrijnende wonden die zeer bepaald van het bestaan eener
almachtige hulp overtuigen, omdat wij er lang onder bezweken
waren, zoo het niet naar waarheid geschreven stond: »Hij
ondersteunt mij door zijn arm ten dage der verbrijzeling; Hij
bergt mij in het binnenste zijner tent tot het onweder is voor-
bijgegaan.» O kom hier, ik ken uw lijden bij eenige ervaring.
-ocr page 117-
105
Niet waar, met uw lijden, met uw onvervulden wensch, met
uwe gapende bloedende wonde schijnt u het leven één groot
ijsveld toe. Dat is het voor u ook werkelijk. En op dat ijs-
veld moet gij nu treden in het geloof dat er bloemen op ont-
luiken zullen voor uw voet. Dat vale, troostelooze leven moet
gij nu aanvatten, niet met stomme onderwerping, maar met
vrijwillige liefde: het moet uw lust worden. Of wel, hier is
de beker met het u onuitsprekelijk dierbare, dat van u afge-
vergd wordt. Treed met dien beker aan den rand der zee.
Werp hem daarin zonder hem aan de lippen te zetten. En
denk er niet heimelijk bij: hij zal mij toch teruggebracht
worden. Vlei u niet dat de eeuwigheid u ditzelfde genot,
in dezen aardschen vorm, zal terugschenken. Een sentimen-
teel en hemel maak u niet. Houd ook de smart over het gemis niet
krampachtig\' vast. Neem niet straks terug wat gij nu ver-
loochent, door in de eenzaamheid het verband van de wonde
los te wikkelen en in uw binnenste te wroeten met de wel-
lust der krijtende smart. Neen, ook dat niet. Gij hebt te
sterven aan dit alles, te sterven aan uzelve.
Welnu, o mijn broeder, zie in Jezus dat er geen smart is,
neen geen enkele, of men komt haar in zijn kracht te boven.
Uwe droefheid, met het oog op hem gedragen, is barenssmart:
haar zal niet blijdschap vervangen, maar zij zal zelve tot
blijdschap worden (Joh. lb\' : 16—23). Hij die de opstan-
ding en het leven is, kan door stervensmoed weer levenslust
in u doen ontluiken. Misschien zijn de kiemen tot levenslust
door langdurige droefheid in u verstorven. Gedenk dan aan
Sarah, »in wie de moeder verstorven was,« en toch heeft de
Heer haar tot een blijde moeder gemaakt. Ook in u is het
-ocr page 118-
106
Hem niet te wonderbaar, die kiemen tot vruchtbaarheid te
brengen. Geef Hem de eere, Hij is almachtig, immers Hij is
de Liefde. Ook van hetgeen verloren is in uwe vatbaarheid
voor levensvreugde, geldt het woord: de Zoon des menschen
is gekomen om te zoeken, te zoeken van uit het diepste puin,
en dan te behouden wat verloren was. Hij is gekomen om den
oceaan uwer smarten te treden op de zwoegende borst, en ook
voor u dat schrikkelijk pad begaanbaar te stellen tot aan de
overzijde. Hij is verschenen om eiken dood te niet te doen, dat
is: om het woord onherstelbaar voor eeuwig weg te vagen.
De smart wordt niet ontkend, maar in het leven opge-
nomen bij het kruis. Hier ontstaat die gelijkmatige vrooüjke
ernst, waarbij men voelt dat een na veel strijd behaalde over-
winning de achtergrond is. Een vasten met gezalfden hoofde. \')
Met dat al, ja zeker, is het een vasten. De Bruidegom is
nog niet gekomen: daarom vasten de bruiloftskinderen. Maar
zij verwachten den Bruidegom, den Koning. In die verwach-
ting hebben zij liefde voor de wereld, die zijn eigendom wordt,
en vervangen »den strijd om het bestaan,« de natuurkeus van
het sterkste, door het zoeken van het zwakste om het
in liefde te dienen. »Stil alle vleesch voor het aangezicht des
Heeren.« De Koning komt!
Bij die zalige verwachting heeft Gods Woord een glans voor
het leven achter en vóór ons: zoowel over wat reeds volbracht
is, als over wat nog volbracht zal worden. En die glans over-
straalt ook het heden waarin wij welgemoed wandelen.
\') Over deze „zelfverloochening" als grondtrek des geestelijken levens,
handelt het op ontvangen verzoek hierachter op bladz. 108-000 toege-
voegd opstel.
-ocr page 119-
107
Dichters en denkers twisten er over, of het leven een wer-
kelijkheid dan wel of het een droom zij. Ons is het beide.
Een werkelijkheid, want de eeuwige God werkt er in. Een
droom, een schaduw, want het gansche schepsel zucht met
opgestoken hoofde en ziet de openbaring der kinderen Gods
tegemoet: den nieuwen hemel en de nieuwe aarde, de
werkelijkheid der werkelijkheden verwachten wij.
-ocr page 120-
ZELFVERLOOCHENING.
(Zie de aanteekening b\\j bladz. 106)
Mijn vriend, een zeker niet geheel onbekend leeraar, predikt
met nadruk de zelfverloochening. In zijn verkondiging bemint
hij de diepte, en zoekt met ernst door te dringen tot de volle
beteekenis van Gods Woord, hetwelk hij onbepaald gelooft.
Groot is de verscheidenheid der onderwerpen die hij behandelt en
toelicht. Men voelt bij hem, te doen te hebben met een Schrift-
geleerde die uit zijn schat oude en nieuwe dingen te voor-
schijn brengt. Maar altoos, altoos is het de zelfverloochening
waar bij hem alles in is samengevat. Zelfverloochening, afstand
doen van het oude leven om het nieuwe te winnen: verzaken
van het tegenwoordige, tijdelijke, om uit de vlam des offers
het eeuwige te zien ontbonden worden en het, als het éénige
dat waarde heeft, aan te grijpen. Het kruis, het kruis, het
goddelijk majestueuze, oneindig heerlijke Knus, zooals het de
grond der opstanding is — iets anders kent en verkondigt
hij niet.
En toch geloof ik dat mijn vriend de zelfverloochening niet
ten volle kent. Van heeler harte en oprechtelijk gelooft hij wat
hij verkondigt: van het spreken buiten eigen ervaring om heeft
-ocr page 121-
109
hij een diepen afkeer. En toch — neen, ten volle kent hij
die zelfverloochening, welke hij altoos predikt — zoo vrees
ik — voor zichzelve nog niet.
Op zijn aangezicht is doorgaans, dikwijls althans, een pijnlijke
trek. Te weenen met de weenenden gaat hem beter af, dan
zich met de blijden te verblijden. Hij voelt dat zelf, en wenschte
het wel anders, wenschte de gulle vroolijkheid die hij in
anderen zoo gaarne ziet, ook zelf te hebben, maar het gehikt
hem niet. Als christen weet hij dat het Stoïcisme in zijn kern
hoogmoed en verfijnde eigenbaat is onder verheven gestalte —
en toch, er is iets stoïsch in zijn minachting voor allerlei genot
des levens. Wil men hem tot ziük genot trekken, hem daarin
doen deelen, hij weigert het dan niet, want hij is een vijand
van gemaaktheid en opzichtigheid. Maar het geoefend geestelijk
oog ziet dan toch in hem een zekere Johannes-de-Dooper-ge-
stalte, iets anders dan »den Zoon des menschen die gekomen
is etende en drinkende.*
Waarom zeg ik dan nu van dezen vriend gelijk ik het hem
zelven ook gezegd heb, dat hij de ware volle zelfverloochening,
die hij steeds predikt, nog niet kent? Omdat hij er te veel
over spreekt en haar (al tracht hij het te verbergen) onwille-
keurig te veel toont, om haar ten volle te bezitten. Ten volle
zeg ik. Want zelfverloochening heeft twee trappen. De eerste
is de hoogte die mijn vriend heeft. De tweede is, stil, kalm, sterk,
maar verborgen als de wortels van den eik, die onder den
grond liggen. Een mensch die zichzelf nog min of meer wet-
tisch verloochent, weet dat hij het doet. Maar wie zich evan-
gelisch, d. i. niet door de kracht van een kloek besluit maar
door de kracht der liefde van Christus leert verloochenen, die
-ocr page 122-
110
weet niet meer dat hij het doet. Hij »vergeet« ook in dezen
»wat achter is, en strekt zich uit tot hetgeen vóór is.«
Men mag de zelfverloochening met de kunst vergelijken.
De kunst heeft ook twee trappen. Bij den eerste der beide
trappen zegt de toeschouwer, het kunstwerk ziende: o hoe
groot is de kunst van dezen man, hoe toont elke bijzonderheid
in het kunstwerk, dat wij hier het gewrocht der geheele toe-
wijding van een kunstenaarsziel en kunstenaarshand vóór ons
hebben! Maar op den tweeden hoogeren trap zeggen wij
dit niet. Daar toch heeft de kunstenaar nog hooger voortreffe-
lijkheid, maar hij heeft zich waarlijk en ten volle toe-
gewijd, zichzelf algeheel verloochend. Hier merken wij dan
niets meer van hem, den kunstenaar. Slechts bewonderen wij
het werk, maar de maker heeft alle sporen van zijn inspanning
zoo geheel verborgen, te niet gedaan, dat wij van hem en van
zijn arbeid niets meer merken.
Als wij een rede gehoord hebben, en dan uitroepen: »hoe
schoon, hoe prachtig, hoe aangrijpend!« dan was de kunst des
sprekers groot. Maar als die kunst nog grooter, als zij voltooid
is, dan spreken wij daarna niet over de rede noch over den
redenaar, maar gaan stil heen en doen wat hij gezegd heeft.
Het is schoon, zichzelf uit te wisschen. Maar het baat niet,
zoolang men niet daarbij ook de sporen dier zelfuitwissching
heeft uitgewischt. Want anders blijft het gevaar bestaan, dat
de mensch èn zichzelf van die zelfuitwissching bewust is èn
haar goed noemt, en dat hij dus, als Sisyphus, juist wanneer
hij den steen tot den top des bergs heeft opgestuwd, hem
weder naar beneden laat rollen en van voren af aan beginnen
moet.
-ocr page 123-
111
De ware volle zelfverloochening heeft geen streng maar een
liefelijk, helder uitzicht. In haar wordt er gevast met een
vroolijk gelaat. Niet omdat men de pijn verbijt en ontveinst,
maar omdat de innerlijke glans des nieuwen levens zoo krachtig
is, dat hij van binnen naar buiten uitstraalt en in den vorm
van een gezalfd hoofd, een gewasschen en vroolijk aangezicht
optreedt. Hier heeft de opstanding den dood verslonden. De
kinderlijkheid, ongedwongenheid, vanzelfsheid is teruggekomen.
De rimpels zijn gladgestreken. God wordt gezien als onuit-
sprekelijk goed. Te gelooven, dat is voor zulk een, wat vele
jaren geleden een arme wever mij zeide: «gelooven is heel,
heel goed van God te denken, dat er het eind van weg is.«
Die zich waarlijk ten volle verloochent, men ziet het hem niet
aan, zoo eenvoudig en natuurlijk is zijn leven geworden. Want
de zelfverloochening is nog niet werkelijkheid, zoolang wij
onszelve niet verloochenen, dat is ook, vergeten. Dus zoolang
ik nog weet dat ik het doe, zoolang doe ik het nog niet. Een
kind van God is een Orpheus die zijne Eurydice, zijn beter
ik, uit de hel des verderfs naar boven, naar de wereld des
lichts, opwaarts geleidt. Hij moet voortgaan, rustig en geloovig
voort. Maar zoodra hij dat beter Ik vóór den tijd wil aan-
schouwen, zoodra lüj onderweg omziet, wee, wee, daar wijkt
Eurydice terug en zijn arbeid is te vergeefs!
Wonderbaar heerlijk zijn dikwerf de wegen langs welke
onze God zijn kinderen tot die zelfverloochening geleidt. Een
van die wegen is ook mijn vriend niet onbekend. Het is deze,
dat God den mensch er toe leidt om door eigen oubedachtheid
zijn levensideaal te verstoren, te vernietigen.
In den twaalfden zang van Tasso\'s »Verlost Jeruzalem» is
-ocr page 124-
112
een aandoenlijke maai\' tegelijk, dunkt mij, diepzinnige episode.
De ridderlijke christenheid Tankred bemint met al den gloed
zijner ziel eene jonkvrouw, de heidensche Klorinde, wier dap-
perheid in het belegerd Jeruzalem de steun van den Moham-
medaanschen vorst is. De beeldsehoone Amazone doet een
nachtelijken uitval, keert terug, maar terwijl haar medestrijders
binnen de poorten der stad geborgen worden, blijft zij er buiten.
Zij geraakt in tweegevecht met Tankred die, niet wetende wie
Mj voor heeft, haar doodelijk wondt. In het gezicht des doods
spreekt zij voor haar overwinnaar een wensch uit dien zij in
het hart droeg, namelijk om als christinne te sterven. Zooals
ten Kate vertolkt:
„Vriend, gij verwint! \'k Vergeef. Ook gij vergeel\'!
Gena — niet voor mijn lichaam: \'k laat het slopen! —
Ma-ir voor mijn ziel, mijn arme ziel! Ik sneef:
Och, Christen, bid voor mh\' en Iaat mij doopen!"
Tankred, verteederd en ontroerd, schept uit een beekjen
water tot den doop in zijn helm, keert terug, ontbloot het
vizier der zieltogende, — en ach! het is Klorinde zelve die
hij gedood heeft. —
En Tankred heeft zijn vlijrteud wee, hoe groot,
Naar d\' achtergrond van \'t schreiend hart gedreven.
En zoo hij haar door \'t ijzer heeft gedood,
Nu geeft hü haar door \'t water eeuwig loven.
Hot „Amen" ruischt. Naar \'t hemelsch morgenrood
Houdt zij den biik glimlachende opgeheven,
En \'t is als spreekt in zalig zielsgenot
Heur brekend oog: „Vaarwel, ik ga naar God!"
Maar als nu Tankred, krank van zielesmart, te bed ligt,
-ocr page 125-
113
verschijnt hem in den nacht de verheerlijkte Klorinde, en troost
hem met deze woorden:
\'k Dank u mijn heil Gij hebt van \'t stof der aard
Uit misverstand vroegtijdig mij doen scheiden.
\'t Werd mü vergund, ter blijde hemelvaart
Door u gewijd, de vleug\'len uit te spreiden.
Nu leef ik in den groenen levensgaard.
\'k Rust in Gods schoot: daar blijf ik u verbeiden,
Daar zult gij eens in d\'eeuw\'gen zonnesloor
Mijn schoonheid zien en aller Eng\'len choor.
Wilt gij \'t geluk der hooge hemelzalen
Niet ruilen voor een eindloos weegeklag,
Zoo leef, en weet — o laat mij \'t u herhalen —
„Ik heb u lief zooveel ik kan en mag."
Z(j spreekt: lieur oog schiet heil\'ge liefdestralen,
Zoo als nooit de aarde in sterflijke oogen zag.
Ze oinsluiert zich met licht en is verdwenen;
Maar nieuwe troost stroomt door zijn aad\'ren henen.
Aldus leidt onze God ook ons niet zelden zóo, dat wij als
Tankred ons eigen jaren lang in de ziel gedragen ideaal, juist
als wij het eindelijk binnen ons bereik hebben, door misver-
stand en onbedachtheid dooden. Maar nu van ons scheidende
vraagt dat ideaal ons: »doop mij!« En als wij dat doen, als
wij onze stervende levensvreugd niet in de harde noodzakelijk-
heid maar in Christus\' dood begraven, dan schreien we misschien
eerst nog wel bittere tranen om het gemis, maar hemelschoon
verschijnt ons dan, terwijl het daglicht des gewonen levens
verbleekt is, dat ideaal in verheerlijkte gestalte, en spreekt
tot ons: treur niet langer om mij, ik heb u lief; wij zien voor
den Troon elkander weder. En met nieuwen moed staan we
i
-ocr page 126-
114
dan op om verder het leven in te gaan en Gods raad uit te
dienen.
Dat is een moeielijke maar ook heerlijke weg. Die hem gaat
heeft naderhand den Heer voor niets zoo innig gedankt als
daarvoor, dat Hij in zijn strenge doorzettende barmhartigheid
hem dezen weg niet spaarde. Want ja, enkel barmhartigheid
is hier Gods doel. Niet om den dood, die slechts voorbijgaand
middel is, maai\' om het leven dat uit dien dood opbloeit, is
het Hem te doen.
O mijn broeder wil het gelooven: het is honderdmaal meer
waar, dat mijn zwakke taal het u verzekeren kan. Vat moed
en wees blijde, want alles is vergeven en goedgemaakt wat
gij bedorven hebt. Treur nu ook niet, nadat gij uwe schuld
beleden en in Christus\' bloed uitgedelgd gezien hebt, treur
nu niet verder over wat geschied en niet meer te veranderen
is. Het werd in Gods Raad omtrent uw en anderer leven op-
genomen: neem gij het dan ook kloek en eenvoudig aan, niet
verder omziende naar hetgeen achter ligt, maai- u uitstrekkende
tot wat vóór is. God wil u v rooi ijk hebben, verheugd in den
glans zijner liefde. Niet de verloochening is het doel: zij is
slechts middel, en het doel is het blijde stille in God ver-
nieuwde bestaan. Niet de smart van den strijd, maar de heer-
lijke vrede der overwinning, het feestelijk aanschouwen van
zijn aangezicht wil Hij van u.
Niet een pijnlijk afstand doen van dit leven wordt gevraagd,
maar de eeuwige liefde van Christus wil zich u kenbaar
maken: en als gij haar ziet, valt van zelf alles weg wat zich
met haar inwoning niet verdraagt. Zoek het Koninklijk Gods,
dan worden van zelf alle dingen u toegeworpen. Dat is met
-ocr page 127-
115
andere woorden: wie het geluk wO vinden moet het niet zoe-
ken, maar het oprechtelijk om Jezus\' wil opges\'en. Oprech-
te 1 ij k moet hij het opgeven: niet den ring van Polykrates in
de zee werpen met heimelijk donken: >tot loon voor dit offer
brengt een visscher hem mij zeker wel in den buik van een
visch terug!« Daartoe is het noodig Jezus Christus, dat is de
eeuwige ontferming, te kennen: want om den wille van iets
minder dan lüj is, kan geen mensch zichzelf verloochenen.
Uit vriendschap en liefde of om krijgsmanseer of uit iets der-
gelijks kan men zijn leven verloochenen; maar alleen om
Jezus\' wil kan men zichzelf verloochenen, anders is het
onmogelijk.
O zalig en heerlijk is dit. »Men is niet heer, men is niet
knecht, men is een vroolijk kind,« zegt de dichter. \') Knecht
en heer beteekent hier hetzelfde, komt op hetzelfde neder.
Beiden hebben dit met elkaar gemeen, dat zij zichzelve niet
verloochenen kunnen. De »knecht«, de slaaf der wereld en
zijner eigen lusten, heeft zichzelf weggeworpen en houdt geen
»zelf« meer over dat lüj zou kunnen verloochenen. De >heer«,
de trotsche eigengerechtige die meent, zich boven de wereld
te kunnen verheffen, geeft zichzelf niet op, en heeft dus even
weinig als de knecht zijn Ik gereed om het te offeren, te
verloochenen. Alleen het »vroolijk kind« verloochent zichzelve,
omdat het in zijn blijdschap zelf niet weet dat het zulks doet.
Mijn vriend kent dit alles nog niet ten volle. Maar hij weet
dat het zoo is, en daarom zal hij er ook komen, want God is
almachtig en getrouw, ook voor hem.
Zoo is de slotsom van al onze overwegingen eenvoudig dat
\') Spitta.
-ocr page 128-
116
de éénige die zichzelf waarlijk en volkomen verloochend heeft,
is de gekruisigde Christus. In hem staat de levende zelfver-
loochening, met haar keerzijde, het nieuwe leven der opstan-
ding, vóór ons. En in deze zelfverloochening, in dezen wil
zijn wij mede geheiligd ééns voor al (Hebr. 10 : 10).
Aan deze laatste woorden voeg ik, schrijver dezer bladzijden,
nog iets toe.
Dit geheele boekje dat hier eindigt, beweegt zich op het
gebied des i n w e n d i g e n levens, zooals het motto spreekt van
Christus in ons geboren, zonder wien wij toch verloren zouden
zijn al ware hij duizendmaal vóór ons geboren. Dit alles, lange
jaren geleden geschreven, beaam ik nog, en laat het, met
kleine toevoegsels die niet wijzigen naar ophelderen, met blijd-
schap weder in druk uitgaan. Maar toch, zoo ik weder over
het Kruis des Verlossers schreef, zou ik het anders doen. Het
benadrukken van het inwendige leven op deze bladzijden is
waar en goed, maar om de reden, reeds in het begin aange-
stipt, leg ik thans, in mijn ouderdom, gereed om voor mijn
Meester te verschijnen, meer gewicht op het boven mij vast-
staande, op den Christus vóór mij. Niet omdat «Christus in
mij« minder voor mij waarde hebben zou, maar omdat ik
beter dan vroeger inzie hoe »Christus vóór mij« reeds alles
in zich sluit wat in mij geschiedt en nog voltooid zal worden.
Mijne ziel juicht, heeft vrede, hoeft alles in de b o r g-g e r e c h t i g-
heid mijns Middelaars. Waarom spreken wij niet meer dan
doorgaans geschiedt, van dat > zooveel beter verbond« waarvan
Jezus »borg geworden« is? (Hebr. 7 : 22). Borg voor God
bij ons, ja, maar niet minder, o heerlijke zalige waarheid!
— niet minder borg voor ons bij God! Borg van een beter,
-ocr page 129-
117
van een onvergankelijk verbond, omdat lüj «priester is in
eeuwigheid« vs. 21. Het is Gods eeuwig voornemen en
Raad, ons in Christus in te lijven. «Omdat hij, de Christus,
en met hem zijn Lichaam, en in dat lichaam elk lid dat er
één plant meê wierd, geheiligd is, daarom rust de ziel in haar
Heiland met een eeuwige ruste, en veel hooger zekerheid nog
dan een schuldenaar in zijn aardschen borg vindt, vindt de
ingeplante ziel in den Borg des beteren verbonds, d. i. in
Christus.« \') Want niet als Aiiron is Jezus slechts priester van
een tijdelijk, voorbijgaand verbond, maai\' van een eeuwig ver-
bond. Inliet «onvergankelijk priesterschap« ligt dan ook alles
besloten, »waarom hij ook volkomelijk kan zalig maken die
door hem tot God gaan, alzoo hij altijd leeft om voor hen te
bidden« vs. 25. Want hij is priester, die het volbracht heeft,
en ook Koning aan Gods rechterhand, die het volbrengen zal
tot het allerlaatst en alleruiterst einde. Er behoeft nu niets
meer bij. De vrede is volkomen en eeuwig bevestigd. De
Persoon des Middelaars is eeuwig, daarom ook zijn werk. Hij
doet voor mij »al de dingen die bij God te doen zijn,« en dit
te gelooven, te weten, is mijn voile zaligheid. Want het is de
instraling van het onvergankelijk leven mijns Hoofds; en
daarom is mijn persoonlijke betrekking tot God niet minder
waarachtig dan Gods persoonlijke betrekking, in Christus, tot
mij. Mijn borg is Jezus zelf, in de geheelheid van zijn bestaan
en doen. 2)
\') „Zyn uitgang te Jeruzalem. Meditatiên voor het loden en sterven
onzes Heeren, door Dr. A. Kuyper, bl. 285.
*) Zie Ch. de la Saussa/e, de Brief aan de Hebreen, 2e dr. p. 264.
-ocr page 130-
118
Zoo denk ik aan u terug, geliefde P. G.! uitverkorene
vrouwe, met J. V. uwe en mijne vriendin te Hilversum voor
bijkans 50 jaren de steun des jeugdigen leeraars die in dank-
bare vereering zijn God voor u beide dankt. Van uw ziekbed
reikte gij mij dat lied toe dat gij niet meer noodig hebt nu
gij Hemzelve ziet, maar dat mij sedert dien dag bijblijft als
met uwe eigen zwakke liefelijke stem gesproken. Philipp
Heinrich Hiller prijst daarin den Heiland wien »alle dingen
zijn overgegeven van den Vader, <- en die in deze almacht
spreekt: >Komt herwaarts tot mij grj allen die vermoeid en
beladen zijt, Ik zal u rust geven.«
„Kommt hei\' zu mir!" Du süsses Wort,
Durehdringe mir den tiefsten Grund der Seele!
Vergess ich dein, so tlieht dor Friede fort,
Und aller Trost, dass ich mich taglich quale.
Ich muss vergehn, wenn ich dies Wort verlier\':
„Kommt her zu mir!"
Das isl dein Ruf, o Gottes Sohn!
Du Iiebest mich, os ist dir Ernst von Herzen
Du anderst das auch nicht auf deitiem Thron,
Was du mir einst verbürgt mit Todesschmerzen.
Wir sind versöhnt; aus Gnadon horen wir:
„Kommt her zu mir!"
O Wort, von dem man leben mag,
An dir kann sich die kranke Seele weiden!
Herr, wann du einst an deinem grossen Tag
Gerechte wirst von den Verlornen scheiden,
Dann schenk\' mir nur das eine Wort von dir:
„Kemmt her zu mir!"