-ocr page 1-
IPr-eserit-Exemplaar-,
en Bediening des Woords.
-#—*»
INTREÊ-REDE
GEHOUDEN
in de Groote Kerk. der Ned. Herv. Gem.
van Gouda,
op 30 OCTOBEK 1887,
000 R
DR. J. H. GUNNING J.Hzn.
TWEEDE DRUK.
MET EEN NASCHRIFT.
Gouda. — A. KOK & COUP. — 1888.
-ocr page 2-
- :"\\ï \'.\'-V
, -
-
. ■
■ ■
. i
-
.           .                                                            .

fctsa
-
f
\'
-ocr page 3-
fjlfrpt u^ Cur
Gebed en Bediening des Woorfls.
INTEBÉ-EEDE
GEHOUDEN
in de Groote Kerk der Ned. Herv. Gem.
van Gonda.
op 30 October 1887
DOOR
DR. J. H. GUNNING J.Hzn. \'
BIBLIOTHEEK
NED. HERV. KERK
TWEEDE DRUK.
ioj
/
Gouda — A. KOK & COMP. — 1888.
UNIVERSITEIT UTRECHT
A06000029483959B
2948 395 9
-ocr page 4-
-ocr page 5-
Dat van dit eenvoudige intree-woord, zoo kort nadat het in
het licht verschenen is, reeds nu een tweede druk gevraagd wordt,
van welken eenige Christelijke vrienden (wier namen mij op een
enkelen na onbekend bleven) aan de Kerkeraden van alle Ned.
Herv. Gemeenten van ons Vaderland een present-exemplaar
wenschen aan te bieden, is mij een oorzaak van ooimoedigen
dank aan God. Het ware onnatuurlijk te ontkennen dat mij dit
verblijdt, al had ik het ook in de verste verte niet durven ver-
wachten. Want dat ik bij het opstellen dezer leerrede in het
geheel niet aan de mogelijkheid eener
uitgave gedacht heb. be-
wijst zijzelve meer dan voldoende.
Gaarne had ik, en nu nog des te liever naarmate de kring
der lezers uitgebreider zal ivezen, er het
locale element uit weg-
gelalen, oj althans zooveel doenlijk verminderd. Maar. met uil-
zondering van een
lal regels in den aanvang en van de
officieele toespraken aan hel einde, bleek mij dit niet mogelijk
zonder de geheele preek te veranderen, en dat mocht ik niet.
Daarom bleven dan ook sommige zinsneden die ik, nu ik ze ten
tweeden male gedrukt voor mij zie. gaarne gewijzigd had, of
waarop bevriende criliek mij opmerkzaam maakte als minder
juist, (och maar onveranderd slaan. Mijn hemelsche Vader die
weel hoe zeer ik van hel zondige en gebrekkige in dit tvoord
overtuigd ben. legge er om Jezus\' wil een verbeurden zegen in!
G.
3 Februari 1888.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
Met eene zonderlinge mengeling van gevoelens sta ik thans
voor u, gemeente van Gouda! gereed voor de eerste maal als
een uwer eigen leeraren u het woord des levens te verkon-
digen. Dat had ik voor een viertal jaren niet gedacht, toen
ik voor mijnen vriend en aanverwant van Rhijn alhier eene
liefdebeurt waarnam, dat, als ik dezen kansel voor de tweede
maal beklom, ik het als zijn opvolger doen zou, en de plaats
waar hij met zooveel opgewektheid het Evangelie verkon-
digde, nu in dezen eigenaardigen zin mijn kansel zou wor-
den. En behoef ik het u nog te verzekeren dat ik met
schroom, ja met eene heilige ontroering zijne trappen ben
opgegaan ? O. het is niet goed, niet geoorloofd dat de die-
naar veel van zichzelven spreke in het heiligdom, waar hij
als afgezant van Christus des Heeren woord, en zijns Zen-
ders getuigenis heeft te brengen. Maai\' toch het ware on-
natuurlijk (en dat verlangt de Heere nooit van ons!) thans
niet in enkele woorden uiting te geven aan hetgeen mijn
harte vervult. En dan, het kan haast niet anders, dan
keeren mijne gedachten telkens terug naar dat zonnig ver-
leden waarvan ik met zooveel moeite mij heb moeten los-
rukken, naai\' dat stille, schoone dorpje waar het graf ligt
van mijn dierbaar kind. en waar zoo menige band mij met
liefhebbende vrienden vereenigt. En wat ligt thans vóór
mij? Een onbekende, ongewisse toekomst, waarvan ik vol-
strekt niet de lichtzijde voorbij zie, maar mij allerminst in
déze ure de moeite en bezwaren van ontveinzen kan. Hoe-
vele vragen dringen zich thans niet op aan mijn geest! Zal
ik voor u zijn kunnen wat gij van mij hoopt en verwacht?
Zal ik in u weervinden wat ik niet zonder tranen heb verla-
ten ? Zal de band die dezen morgen tusschen leeraar en ge-
meente gelegd werd. en dien ikzelf in deze ure nog nauwer
kom toehalen, zal die een zegen blijken voor ons beiden, en
-ocr page 8-
6
straks oorzake worden van overvloedigen dank aan God ?
Kn nu, wat zal ik tot u spreken\'! Voor de meesten uwer
ben ik thans nog een vreemde, wellicht zijn er wel in ons
midden die zich anders zelden of\' nooit in dit bedehuis laten
vinden; daarom mag ik deze gelegenheid niet laten voorbij-
gaan hun zoo klaar en helder mogelijk aan te zeggen wat
tot hun eeuwigen vrede dient. Alle zonderlingheid. alles,
\'t zij keuze van den tekst, \'t zij wijze van behandeling, wat
ons zou kunnen afleiden van op den heiligen God en Zijne
geboden te zien, zij biddend door ons te samen bestreden.
Mocht ik zóó tot u spreken dat zelfs als deze eerste tevens
mijne laatste Evangelieverkondiging aan u wezen moest, nie-
mand uwer tegen mij zou kunnen opstaan in den groot en
dag des gerichts, omdat hij niet had vernomen wat zijn God
van hem eischt. Vanzelf draagt dan deze prediking een meer
persoonlijk karakter, en moet ik meer dan anders zou voe-
gen over mijn ambt en mijne verwachting gewagen. Ik hoop
het u allen recht duidelijk en eenvoudig mede te deelen
wat ik mij als mijne heilige roeping voorstel, opdat gij weet
wat wij aan elkander hebben, en ook niet hebben zullen.
En mij dunkt, ik kon geen geschikter woord uit de H. Schrift
kiezen, dan datgene wat ik aan deze mijne eerste prediking
ten grondslag leg. Gij leest het:
Handelingen VI : 4.
Maar wij zullen volharden in het gebed, en
in de bediening des woords.
Wij behoeven bij een tekstwoord als dit allerminst naar
eene verdeeling onzer gedachten te zoeken. De twee hoofd-
rustpunten zijn vanzelf aangewezen: het gebed en de bedie-
ning des woords. Wij beginnen met dit laatste, en spreken
dan later over de voorbede en het bidden in het algemeen.
«Wij zullen volharden in de bediening des woords." Gij
herinnert u allen de aanleiding waarnaar de twaalf aposte-
-ocr page 9-
7
len aldus spraken. Door de uitbreiding dei\' jeugdige chris-
tengemeente vermeerderden hunne stoffelijke zorgen en aard-
sche bemoeienissen dermate, dat de geestelijke belangen er
onder begonnen te lijden. Dat mocht zoo niet langer! Het
was niet behoorlijk dat Jezus\' afgezanten het woord Gods
nalieten om de tafelen te bedienen, d.w.z. om bezorgers en
uitdeelers van tijdelijke behoeften te worden. Daarvoor zou-
den voortaan diakenen geroepen worden, terwijl zij zich ge-
heel zouden blijven wijden aan de uitbreiding van \'s Hee-
ren kerk.
Die taak nu der apostelen hebben wij overgenomen, en
zetten wij voort, geliefden! \')• Waarlijk, wanneer wij deze
woorden uitspreken, vergeten wij niet den ontzachelijken af-
stand die zelfs den uitnerneudsten voorganger onzer dagen
scheidt van die ïïjkbegenadigde getuigen des Heeren, die
alléén in letterlijken zin konden zeggen: »hetgeen wij ge-
hoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze oogen,
hetgeen wij aanschouwd hebben, en onze handen getast van
het Woord des levens, dat verkondigen wij u." Maar toch
van ons goed recht leeraar te zijn in eene Christelijke Kerk-
gemeenschap zijn wij ten volle verzekerd. Wanneer wij
nauwlettend de Schrift onderzoeken, en niet vergeten dat
zij ons veelal slechts de grondbeginselen geeft, de grondlij-
nen trekt, wier verdere uitwerking aan de leiding des H.
Geestes blijft overgelaten, dan zien wij duidelijk dat de
Heere Jezus wel waarlijk eene kerk heeft, willen stichten,
eene organisatie heeft willen doen komen over diegenen die
in Hem gelooven, en hun geloof te midden van eene vijan-
dige wereld hebben te handhaven. In die kerk zijn verschil-
lende ambten, want God is een God van orde en niet van
verwarring, welke ambten niet het minst te kort doen aan
1) De/e woorden kwamen enkelen onjuist voor. Ze kunnen inderdaad aanleiding tot mis-
vcrstainl geven. Ik hedoelde alléén: »in het uilbreiden van \'s Heeren Kerk", in het prediken
en getuigen van Gods ontferming in Christus, kan een prediker zich als voortzetter van de
taak der apostelen beschouwen. Doch dat hij hij dat prediken geheel anders optreedt, spreekt
van zelf, en erkennen wij volmondig. Z\\j spraken met apostolisch gezag, gelUk de Meer het
hun door zijnen H. Geest ingaf; wij hebhen ons Ie regelen naar en te onderwerpen aan hun
woord, geluk Luther zoo treffend zegt: »Wir mussen die Propheten und Apostel lassen auf
dem Puit sitzen, und wir hienieden zu ihren FUszen horen, was sie sagen und nicht sagen."
Vergeten wt| deze laatste drie woorden evenmin als hetgeen er aan voorafgaat!
-ocr page 10-
8
het algemeene priesterschap van alle geloovigen. Geen »lee-
ken" en «clerus" tegenover elkander, maar allen broeders,
doch onder die broeders de een voor dit deel, gene voor
een ander deel van den arbeid geroepen en bestemd. »Hij
heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot
profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot
herders en leeraars, tot de volmaking der heiligen, tot het
werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Chris-
tns." Uitgaande van deze schriftuurlijke grondstellingen,
vormden zich nu de verschillende kerken, de plaatselijke
openbaringen dier eene heilige algemeene Christelijke Kerk,
waaraan wij met het eerwaardig apostolisch symbolum be-
lijden te gelooven. Het goed recht der historische kerken
is ons door de leiding des Geestes met de Christenheid be-
wezen, welke kerken, het meest verbasterd in de Roomsche
afdeeling. meer gezuiverd naar den Woorde Gods in de ver-
schillende schakeeringen der Protestantsche afdeeling, een
bestaansrecht hebben dat niet slechts op dézen grond ge-
loochend kan worden, dat er van hare directe instelling en
regeling geene Bijbelplaatsen zijn aan te voeren. Wij ge-
looven dat het naar Gods Woord is, elke kerkgemeenschap
als eene plaatselijke of nationale openbaring der Kerk van
Christus te erkennen, waar de bediening des Woords en
der Sacramenten naar het bevel des Heeren plaats heeft,
waarbij wij niet vergeten moeten dat deze bediening om
onze zonden en zwakheden wel nooit anders dan belrekke-
lijk
zuiver kan worden aangetroffen. Gelijk de apostel Pau-
lus de gansche Corinthische gemeente beschouwde en aan-
sprak als »geheiligden in Christus Jezus", ja als «geroepene
heiligen", terwijl het toch weldra uit zijnen zendbrief blijkt
hoeveel zonde en ongerechtigheid in die gemeente nog ge-
vonden werden, zoo vergeten ook wij nimmer dat ook de
zuiverste kerkvorm of kerkgemeenschap maar een zeer mat-
ten weerschijn vermag te geven van wat als Ideaal ons
wordt voorgesteld in die Kerk des Nieuwen Jeruzalems,
eene gemeente zonder smet of rimpel, waar het Lam de
kaars is die alle duisternis heeft weggeschenen. Hieruit
volgt dus dat aan eenigen kerkvorm, welken ook, nooit meer
-ocr page 11-
9
dan een betrekkelijke waarde, nooit andeis dan een voorbij -
gaande beteekenis kan worden gehecht, en wat mij persoon-
lijk aangaat, ik gevoel mij zoozeer doordrongen van de ge-
dachte dat Jezus Christus wederkomt, komende is om zijne
Bruidsgemeente tot zich te nemen in heerlijkheid, dat ik
niet alleen over alle kerkgenootschappelijke scheidsmuren
heen wensch te zien, en aan Luthersenen en Doopsgezinden,
«Afgescheidenen" en welke kerkelijke namen er meer mogen
zijn, wanneer zij den Christus naar de Schriften belijden,
gaarne de broederband reik, maar zelfs met hen die allen
kerkvorm verwerpen, en ieder kerkelijk ambt als onschrif-
tuurlijk meenen te moeten bestrijden, gaarne wil samenwer-
ken om Gods Koninkrijk te bevorderen, en de eere van
onzen Koning en Heiland hoog te verheffen boven alles wat
in onze menschelijke zwakheid vaak broeders in eenzelfde
geloof uit elkander doet gaan. Maar toch — wat mij betreft,
ik weet mij leeraar in eene kerk, en wel in onze Neder-
laudsche Hervormde kerk, die mij de voortzetting is der
Vaderlandsche Gereformeerde kerken. Mij één voelende in
belijdenis met onze vaderen, al hoop ik te goed hun kind
te zijn om ooit bij hun woorden te zweren, wensch ik de
kerk onzer vaderen, waarin ik geboren ben en opgevoed, en
waarin ik mijnen God heb mogen leeren kennen, trouw en
eerlijk te dienen. Een open oog hebbende voor hare zon-
den en gebreken, hoop ik naar mijne geringe krachten mede
te weiken tot haai\' bloei, maar altoos in den geordenden
weg, met open vizier, en niet vergetende dat elke hervor-
ming van binnen naar buiten moet gaan, m.a.w. steeds met
persoonlijke bekeering van hart en leven beginnen moet.
Ontvangt mij dus, Hervormde gemeente van Gouda! met
vertrouwen als een uwer leeraren, die u om Jezus\' wil
komt dienen en voorgaan, en wiens innigste begeerte het
zal wezen u op te bouwen in ons allerheiligst geloof!
Wij zullen volharden in de bediening des woords. Wat
hebben wij daaronder te verstaan? Gewis niet enkel de
openbare prediking, al vormt die ongetwijfeld daarvan een
hoogst gewichtig bestanddeel. Wij, uwe dienaren, zijn arbei-
dende met het machtigste wapen dat ooit aan een menscb
-ocr page 12-
10
lcan worden toevertrouwd: het gesproken woord. In de opper-
vlakkige beschouwing der wereld geldt een woord voor het
ijlste, onwezenlijkste, onbeteekenendste ding dat er bestaat.
»Een woord, een woord .. . wat is het meer dan een adem-
tocht, even wezenloos als onzichtbaar? \'t Is een klank, een
trilling der lucht, een voorbijsnellende schaduw, een oogwenk
vernomen en dan spoorloos verdwenen!" . . . Spoorloos.\'
Neen, ijdel mensch, ik zeg u: geen machtiger zaak dan het
woord! Gij, dienaar der zonde, gij werpt uw woord daar-
henen, en gij meent het is voorbij? ik zeg u gij zult het
terugvinden, wellicht eerst na vele jaren, in het harte uws
broeders dat gij gewond, wellicht doodelijk gewond hebt! ge
zult het terugvinden in den vloek uwer eigene ziel, in het
ledig van uw zoekend harte, dat opleven zou door een woord
van deernis en liefde, maar zie. ge vindt het niet, ge vindt
het in eeuwigheid niet! Spoorloos? Neen, kind van God, ik
zeg u: geen machtiger zaak ook dan uw woord! Ge zult
het straks wedervinden, hier beneden of\' daarboven, wanneer
een geredde ziel u dankt voor wat gij tot haai\' hebt gespro-
ken, voor het zaad des levens, waaraan gij wellicht hadt ge-
wanhoopt, en zie het is heerlijk ontkiemd! gij zult het terug-
vinden op dien grooten dag waarop het Nieuwe Lied wordt
gezongen, en al die klanken, die gij meendet in de ijle
lucht spoorloos te zijn weggevloeid, u blijken samen te stem-
men met de eeuwige harmonie der aanbiddende schepping.
O neen, daar is geen hooger, geen heiliger, geen heerlijker
roeping dan bedienaar te zijn des woords.
En dan, van welk een woord! Te prediken dat het Woord
is vleesch geworden! Het Woord, de volheid van Gods
eeuwige ontferming afgedaald in onze ellenden en nooden.
om ze te verhelderen, te bestralen met den glans des he-
mels! Zie daar staat in de wereldgeschiedenis de gestalte
van Jezus den Nazarener, van Jezus den Gekruisigde; en
met uitgebreide armen roept Hij het der lijdende, zwoegende
menschheid toe: »Komt tot Mij, allen die belast en beladen
zijt, en ik zal u rust geven!" En die Jezus heet Immanuël.
Hij is de Zoon des levenden Gods, God-zelf in al den rijk-
dom Zijner ondoorgrondelijke genade tot ons gekomen. En
-ocr page 13-
11
van Hem mag ik u spreken, ik arme, onwaardige mensch!
Van Hem, wiens luister voor engelen te hoog is, en die met
den Vader een ontoegankelijk licht bewoont, van Hem mag
een nietig sterveling getuigen in het midden der gemeente!
O. kunt gij er iets van voelen, geliefden! beseft gij dat het
meer is dan een ijdele frase, wanneer ik u zeg dat deze
gedachte mij het harte doet trillen van onbeschrijfelijke blijd-
schap. en dat ik mijn voorrecht, bedienaar des woords te
zijn, voor geen koningskroon zou willen ruilen? Hel Woord
is vleesch geworden,
daar hebt gij den hoofdinhoud van elke
prediking die wij u brengen! Heerlijk, heerlijk dat weldra
de Adventsdagen weder daar zijn, en wij ons met heel de
Christenheid weder opmaken naar de kribbe van Bethlehem! l)
Ach, al wat wij verkondigen het is immers uitbreiding, ont-
vouwing van wat de engelen bezongen, en van wat iedere
ziel, die vrede vond, belijdt: vrede op aarde in dezen .long-
geborene, in menschen een welbehagen, en daarom eere.
eere zij God in den Hoogen! Een arme zondaar en een
rijke Heiland; een gevallen schepsel en een reddende hand:
een stikdonkere nacht en een blinkende morgenster — dat.
dat is voor mij het Evangelie. Euangelion, de goede, de
eeuwig blijvende Boodschap. Wij hebben niets anders te
brengen dan deze allesomvattende waarheid; wij hebben niet
vele «waarheden" voor u te verdedigen en u aan te prijzen
en zoo mogelijk u op te dringen — de waarheid is één groot
en heerlijk geheel van goddelijke genade, en die waarheid is
een gewonnen zaak, die ons opheffen en vrijmaken wil. Wat
is het Evangelie? De tijding dat de volle, de eenige Waar-
heid gevonden is. Buiten de gemeente van Christus, bij de
denkers en geleerden dezer eeuw voorzoover ze niet leerden
te knielen met die arme herders bij Bethlehems kribbe, heet
het in duizendvoudige afwisseling: »Wij zoeken naar de waar-
heid". En ja, dan vinden ze allerlei! Het ééne stelsel voor.
1) lin thans is weder de lydensprediking daar! Zoo snellen onze dagen voort, doeh het
blijft t\'éne verkondiging. Onze Heiland droeg liet kruis van zijne kribbe af aan, maar ook
reeds de kribbe profeteert van zyne overwinningskroon. Bethlehem — Gethsemane — üab-
batlm
— Colgolha, liet zyn allemaal schaduwen op do zonnewijzer die zyn lydcn afteekenen,
maar al die schaduwen zyn gevormd door ééne Genadezon. Oode zü dank voor zyne onuit-
■sprekelyke
gave!
-ocr page 14-
12
het andere na, de eene hypothese ter vervanging van eene
andere, maar ach het blijft een tasten, en de eenheid hun-
ner levensbeschouwing valt al even moeielijk te vinden als
de vrede van hun hart.....maar hier, hier in het huis van
God, in het midden der uitverkorene menschheid, d. i. der
Gemeente, voor zoover ze haar roeping en voorrecht verstaat,
hier klinkt het: »wij hebben gevonden, omdat wij gevonden
lijn." De waarheid is niet een stelsel, een wijsgeerige idéé,
een diepe abstractie, maar de waarheid is een levende, leven-
wekkende, levenuitstralende Persoon. En die persoonlijke
waarheid is u, o zondaar! niet vreemd, ze is niet tegen uwe
natuur gekant, integendeel ze is u verwant, want gij zijt
naar Gods Beeld geschapen. Hoe ook gezonken, hoe ook
verbasterd, hoe ook in den vreemde u als zwijnenhoeder tot
slavendienst verlaagd hebbend, ge zijt nog een koningskind
naar aanleg en bestemming, en dat ook voor u die bestem-
ming vervuld kan worden, zie dat verkondigen wij u! Het
Woord is vleesch geworden. God heelt Zijne belofte vervuld
der slang den kop te vermorzelen door het Zaad der vrouw —
de Maagd is zwanger geworden, en heeft eenen Zoon ge-
baard, en zijn naam is Immanuël. God is geopenbaard in
het vleesch; de eeuwige, almachtige Liefde is neergedaald in
onze ellende, in onzen vloek, in onzen dood — maar zie zij
heeft overwonnen, en het leven en de on verderfelijkheid zijn
aan het licht, gebracht. Hallelujah!
Dit over den Inhoud onzer prediking. Over den vorm *
waarin wij haar tot u wenschen te brengen, herinneren wij
tweeërlei. Ten eerste: dat wij dat hopen te doen in de taal
van onzen tijd. Het is mijne innige overtuiging dat als wij
de kinderen dezer eeuw voor Christus willen winnen, wij
toonen moeten de rechtmatige eischen. de behoeften, de
raadselen van deze eeuw te verstaan. Wie thans (gelijk he-
laas velen beproeven) ook in den vorm der prediking weder
in alles het zeventiende-eeuwsche kleed poogt aan te trek-
ken, blijft even vreemd voor het geestesleven van onzen tijd
als onvruchtbaar, en die miskent ook de vrijmacht des H.
Geest es, die voor eiken tijd de meest passende vormen schept
waarin de onveranderlijke waarheid Gods zal worden verkon-
-ocr page 15-
13
digd. Daar is geen enkele heilswaarheid door de Gerefor-
meerde Kerken naar de H. Schrift\' beleden, waarop ik door
Gods barmhartigheid niet van harte en onvoorwaardelijk Ja
en Amen zeggen mag, en wat zij heeft beschouwd als het
Cor Ecclesiae, het hart der kerk, namelijk de vrijmachtige
genade Gods als den eenigen grond onzer zaligheid, is ook
voor mij de grond waarop ik staan en leven mag. Maar in
de wijze van voorstelling, in de bewijsvoering uit de Schrift,
kortom in onze geheele manier van verkondiging, hoop ik
volledige vrijheid te houden. Gelijk Jezus onze Heiland ge-
noeg vertrouwen op de macht der waarheid had, om zijnen
jongeren geen anderen lastbrief te geven dan het Evangelie
des Koninkrijks te prediken, zoo wenschen ook wij, zonder
naar iemands oordeel te vragen, u zooveel van Jezus\' heer-
Hjkheid te zien te geven als onze eigene ziel er van heeft
leeren verstaan. — Maar dan, ten andere, deze onze verkon-
diging zal enkel getuigenis wezen! Ik ben geen redenaar met
schitterende vormen, waardoor ik zou kunnen hopen tegen-
standers als bij verrassing te vangen, en al was ik het, ik
hoop dat de Heer mij genade zou geven dat alles biddend
te bestrijden, opdat ik hier van deze heilige plaats nooit iets
brenge tusschen uwe ziel en de goddelijke waarheid. Wij
kunnen hem die rampzalig genoeg is den Christus naar de
Schriften te verwerpen onmogelijk zijne dwaling bewijzen, wij
kunnen slechts getuigen van de hope die in ons is, in het ver-
trouwen dat zij zich ook aan hunne consciëntie zal aanbevelen.
Wij stellen u enkel Jezus Christus voor oogen, in al de diepte
zijner vernedering om uwentwil, in al de heerlijkheid zijner
genade, gelijk Hij met zijne gemeente is alle de dagen tot
aan de voleinding der wereld. De zon bewijst zichzelve door
aan den hemel te staan, en hare stralen over u uit te gie-
ten — gij hebt geen kaarslicht noodig om haar te zoeken,
of bij dat armelijk schijnsel te betoogen dat zij er is. Arrne
prediker, die met uw povere wijsheid Hem aannemelijk ma-
ken wilt voor de kinderen dezer eeuw, die zichzelven aan
ieders harte openbaart, dat naar zijne stem hooren wil!
Zietdaar dan geliefden! den inhoud dezer bediening des
woords u ontvouwd, en den vorm u aangewezen waarin wij
-ocr page 16-
14
haar wenschen te brengen. Doch welk zal nu het richtsnoer
wezen waaraan wij ons hebben te onderwerpen? Hoe toch
kan eene gemeente met vertrouwen en gerustheid zich laten
bedienen door een sterfelijk, machteloos mensen, wanneer
niet die mensch een vastigheid heelt buiten zichzelvcn, waar-
aan al zijne woorden en daden te toetsen zijn.\' Dat riclit-
snoer hebben wij, geliefden! en wel in de H. Schrift. Wij
spreken hier met groote blijdschap en innerlijke verzekerd-
heid des harten voor u uit, dat wij in de H. Schriften van
Oud en Nieuw Verbond weten te hebben Gods heilig en on-
veranderlijk woord, voor hetwelk wij ons onvoorwaardelijk
buigen i). Aan de Schrift geen ander gezag toekennende
dan hetgeen zijzelve eischt, onderwerpen wij ons ook gaarne
aan hetgeen zij ons omtrent God en Zijn genaderaad open-
baart, en maken van harte de woorden uit Artikel V van
onze Gereformeerde Geloofsbelijdenis tot de onzen: »wij ont-
vangen deze hoeken voor heilig en kanoniek, om ons geloof
naar dezelve te reguleeren, daarop te gronden en daarmede
te bevestigen, en gelooven zonder eenige twijfeling al wat
in dezelve begrepen is." Voor wie in de vleeschwordiug des
Woords gelooft is deze waarheid vanzelf het middelpunt der
H. Schrift geworden, waaromheen zich voor zijn bewustzijn
al het overige groepeert. Al wat Jehovah in Zijne leidingen
met Israël bedoelde, door priesterlijken offerdienst en profe-
tische verkondiging, was de vóór- en toebereiding van dat
groote Heilsfeit, hetwelk in Bethlehem zijn aanvang, en op
den Berg der Hemelvaart zijn bekroning vond; terwijl de
apostolische prediking evenals de evangelische geschiedbe-
schrijving niets anders doet dan de beteekenis van dit feit
der feiten voor heel den omkring des levens in het licht te
1) De polierde broeder van wien het plan uilging om deze leerrede nan alle Kerkerjiden onzer
Herv. Gemeenten Ie zenden, schreef mij naar aanleiding van deze zinsnede o. a. liet volgende,
dal ik liier eene plaats geef. omdat liet mU goed deed en geheel overeenkomt met wat er leeft
in mijn hart. »W(J wenschen uw woord in (luizende handen, omdat het ook weder het be-
w\'Us in zich draagt dat waar liet Leven liet licht van den mensch is geworden (Joh. I : 4),
de rcchle zin van Gods Openbaring wordt gezien, waar vroeger wel eens eigen begrip uil-
spraak deed." In een hoek dat ik allen die Duitsch verstaan, en vooral amhlgenooten, ter
lezing aanbeveel »Jonann Tobias Koek, eln Schrlftgelehrter zum llimmelreich gelelirt (Kasel,
1888)" lezen w(j van heek dat INitzsch hem aldus belitelde: »dcn absolute» liibelglilublgen."
(ald. hlz. 201). Kr Is veel genade Gods loe noodig om bij iemand dat lol stand te brengen —
waarlijk absoluut te ijelooven wat de Bijbel ons leert... de Hoer schenke \'t ons meer en meer!
-ocr page 17-
15
stellen. En zoo is dan voor den geloovigen prediker Chris-
tus, gelijk in alle andere dingen, ook in zijn gebruik van en
eerbied voor de Schrift, toetssteen en voorbeeld, terwijl de
geloovige hoorders dit bovenal in hunnen leeraar hebben te
zoeken en te begeeren dat hij hun den Christus brenge naar
de H. Schrift, en alles in die Schrift met Christus in ver-
band beschouwe. Moogt gij in dit opzicht fijne voelhorens
hebben, lieve gemeente! Daar wordt helaas veel onredelijks
verlangd van leeraars ook op het stuk der Schrift, en het is
somtijds onmogelijk anders dan met een vriendelijken glim-
lach de wenschen van sommige vromen aan te hooien; maar
o wanneer (wat God verhoede!) ooit door mij de eere van
den Christus mocht worden verkort, en wanneer ik ooit mijn
arme menschelijke wijsheid mocht stellen boven de openba-
ring des Heeren — kinderen Gods in ons midden! dan re-
ken ik op uwe vriendelijke, ernstige terechtwijzing, en dan
zij het Woord van God, onze eenige scheidsman!
Wij zullen volharden in de bediening des woords. Vol-
karden,
dat wijst op tweeërlei zaken tegelijk. Wie in iets
volhardt, zet dus de lijn voort waarop hij zich tot dusverre
bewoog, en ook dit kan ik, wat mijne Evangelieverkondiging
betreft, door \'s Heeren genade op mijzelven toepassen. Dezelfde
waarheid waarmede ik vóór zes jaren in mijne eerste, vóór
drie jaren in mijne tweede gemeente optrad, mag ik nu ten
derde male bij de plechtige aanvaarding van mijn heerlijk
ambt in uw midden, wederom verkondigen. Goddank dat ik
het zeggen mag, al gaat die belijdenis ook onmiddellijk ge-
paard met het levendig besef van tallooze tekortkomingen
en zonden: ook ik mag volharden in de bediening des woords,
gelijk ik die bracht, al bid ik ook vurig dat die bediening
mijnerzijds voller, getrouwer, gehoorzamer zij dan tot dus-
verre. O, daar ligt zoo veel beschamends in, zes jaren pre-
diker des Evangelies te zijn, zooveel verootmoedigends, zoo-
veel vernietigends voor eigen eer en eigen kracht. Wat
staan wijzelven beneden de heerlijkheid van ons Ideaal! Hoe
is elke verkondiging allereerst voor onszelven een boetpredi-
king, gelijk wij ze nimmer aan anderen brengen kunnen!
Hoe machteloos is onze arbeid wanneer niet de Heere zelf
-ocr page 18-
16
Zijn woord op onze lippen legt! Maar het is toch ook weer
zoo vertroostend te mogen gelooven dat de Almachtige God
er behagen in schept door nietige middelen te werken, en
Zijne groote kracht in onze zwakheid te volbrengen.
Maar dan ook ten andere: dit volharden wijst op een
strijd! En ach, hoe gevoelen wij, uwe dienaren, het welk
een zware strijd daar van ons wordt gevorderd! Ons aller
hart wil den weg der gehoorzaamheid niet op, wil dien
Christus niet volgen, die ons als onze Koning en Meester
gepredikt wordt. Wij hebben den strijd aan te binden tegen
de vleeschelijke begeerten van onze eigene ziel, die o zoo
gaarne den vrede met de wereld wil sluiten ten koste van
ons beginsel; den strijd tegen het ongeloof onzer eeuw, die
immers lacht om de pretensie van dien gekruisigden Jood
Toongever en Hoogste Gezag te wezen op ieder gebied; den
strijd tegen de stofvergoding van onzen tijd die, den eenigen
waarachtigen God onttroond hebbende, en toch gedrongen
door de innerlijke stem des gewetens iets te aanbidden, (want
aanbidden moet de mensen, doet hij het God niet, dan zal
hij \'t den Duivel doen!; de onpersoonlijke Natuur verheft op
den troon; den strijd tegen het materialisme, ook dat chris-
telijk-getinte, fatsoenlijke burger-christendom, dat in vermij-
ding van alle uitersten, en in het schikken en plooien naar
den smaak dezer eeuw, het ideaal van een geloof boven
geloofsverdeeldheid verkondigt. Tegen dat alles hebben wij
in de mogendheid des Heeren te velde te trekken, en ach
hoe menige David beproeft het tegen dezen Goliath met de
ijzeren wapenrusting van Saul, waar toch alleen het onwan-
kelbare vertrouwen op Jehovah de zege verschaffen kan ?
O de gevaren onzer bediening ze zijn zoo zwaar en zoo
talrijk! Wie een koninklijke banier draagt moet zoo dubbel
waken dat ze niet besmet of bespot wordt, en hoevele
leeraars zijn er die het durven beweren dat nooit door hunne
schuld op Askalons straten gelach was en hoon? Wat is
een bedienaar des woords? Een «onderwijzer" in de geeste-
lijke waarheden, een man die op den kansel aan de vol-
wassenen, en in de catechisatie aan de jongeren, goede en
nuttige lessen mededeelt? Een man die wat meer heeft
-ocr page 19-
17
gestudeerd dan een ander, en bij wien men van tijd tot tijd
een opwekkelijk woord gaat zoeken, als men zelf door het
proza des levens wat moede wordt en mat? Wat is een
gewenscht leeraar voor eene gemeente\'? Een man, die vele
schitterende kanselgaven heeft, en die des Zondags zijne
hoorders vergast op een fraaie, wèl doorwerkte rede? Neen,
neen, duizendmaal neen, mijne vrienden! helpt ons deze sa-
tanische dwaling bestrijden, die maar al te gereedelijk post
vat in onze ziel! Ellendige gedachte dat ijdele welsprekend-
heid een afgezant van Christus zou vormen! Gaat dan naar
de theaters, en hooit ze hun les opzeggen, en klapt in de han-
den en vindt het fraai! Maar wij, o geliefden! als wij onze
roeping verstaan, dan staan we hier u te waarschuwen voor
een dreigend gevaar, u aan te zeggen dat uw leven afhangt
van hetgeen we u boodschappen, dan zijn we als in barens-
nood om u tot leven te brengen, of gij het eeuwig oordeel
ontgaan mocht. Als wij weten wat de Heer van ons ver-
langt, als wij beseffen dat uw bloed van ons geëischt zal
worden als onze bazuin een onzeker geluid heeft gegeven,
zie dan wordt elke prediking ons een worsteling, en dan
kunnen wij de verantwoordelijkheid van zulk een ontzache-
lijke taak onmogelijk dragen, tenzij de H. Geest het leven
onzes levens, en de kracht van eiken ademtocht onzer ziele
geworden is. En nu... dat alles te vergeten, en zelfs aan
de bediening des woords gewoon te raken; te bidden uit
gewoonte, te vermanen uit gewoonte, te onderwijzen uit ge-
woonte — gelooft gij niet dat het. gevaar dreigend is voor el-
ken leeraar die niet dagelijks zich baadt in de stroomen van
Gods genade, en die niet eiken morgen opnieuw zijn Manna
verzamelt, opdat hij nimmer uit traagheid daarvan overlate
tot den morgen, en het voedsel dat hij geven moet zelf ont-
bere? Daarom, o broeders en zusters! bidt voor ons, bidt
veel, bidt onophoudelijk voor ons, want wie is uit zichzelven
tot deze dingen in staat?
Maar voor wie het dan ook in \'s Heeren kracht mag doen,
is het een heerlijke taak. Hoe zal ik u de schoonheid onzer
bediening naar waarde doen kennen? De bediening des
woords, wat is zij anders dan de zichtbaarwording van het
2
-ocr page 20-
18
Idealisme van ons hart ? In ieder menschelijk hart sluimert
de begeerte in aanraking te komen met God; en zie wan-
neer de Heere in Zijne genade zich openbaart aan de ziele,
dan geschiedt dat ook; maar dan bemerkt dat wellicht geen
enkel sterveling, wellicht een enge kring van huisgenooten
en vrienden. Maar wij. wij mogen, wij moeten er van ge-
tuigen, voor honderden, voor duizenden, voor allen die de
Heere ons toezendt op ons pad! O, waarlijk, nu ik u daar
in breede rijen zie zitten, luisterende naar de rede mijns
monds, nu zwelt mij toch de borst van heilige verrukking
dat ik arme worm, ik nietig schepsel, verwaardigd word
van deze heerlijke dingen in uw midden te gewagen! Is
daar in onzen veelszins doffen en moeielijken tijd, waar de
twijtel zich nestelt in de verborgenste schuilhoeken van het
hart, en waar een vochtige nevel over aller oogen schijnt
neergestreken, iets zóó hartverheffend en zóó koninklijk als
prediker te zijn van den levenden Christus? Is het niet iets
majestueus, terwijl bijkans op ieder gebied de vragen ver-
menigvuldigen, en de hooggeleerden en denkers onzer dagen
steeds meer geneigd zijn te erkennen dat wij enkel in raad-
selen leven, van welke de een de oplossing zoekt in een
hopeloos pessimisme, en de ander in een bodemloos opti-
misme, kalm en welgerust te verkondigen dat alle raadselen
opgelost zijn in dien Jezus Christus wiens gezanten wij
zijn mogen? Is het niet iets om jaloersch op te worden, Gij
die mij hoort! in deze dagen waar ieder jaagt naar aardsche
schatten, waar ieder zich vastklemt aan het woord van een
mensch. (daar men \'t woord van den levenden God heeft
verworpen!) in alle kalmte te mogen verkondigen: »deze
bedeeling gaat voorbij, heel deze natuurlijke wereld zinkt in
elkander, maar de ware wereld breekt ook eerst aan als de
Koning wederkomt?" En dat. geeft geen stoïsche onver-
schilligheid, geen koele wereldverachting, want immers het
is slechts de gedaante dezer wereld die voorbijgaat ? Haar
kern, haar wezen, is toch reeds bezig zich toe te bereiden
ter bruiloftsvreugde, en de vriend des Bruidegoms verheugt
zich immers als hij de stem hoort van den Bruidegom?
En nu ten slotte, eer wij nog met elkander spreken over
-ocr page 21-
19
dat andere waarin de apostelen wensehten te volharden,
over het gebed, nog deze vraag beantwoord: Wat is ons
ideaal
met deze bediening des woords? Ik antwoord met
diepen eerbied: hetzelfde als het Ideaal Gods is, namelijk
eene heilige gemeente te scheppen. Daarop doelen al Zijne
leidingen met Abraham, opdat er een heilig zaad; met Israël
opdat er een heilig volk; met Zijnen Eengeboren Zoon op ■
dat er eene heilige gemeente geboren worde, eene gemeente
waarin de liefderaad des Almachtigen volkomen verwezenlijkt
is. Zie dat is de onbewuste wensch die in elke ziel slaapt:
heilig te wezen. Maar ach, de bittere ervaring van de macht
der zonde en des vleesches, doet zoo ras dat stille verlan-
gen overgaan in doffe berusting zooal niet in vrede met
dezen gezonken staat; totdat de Koningszoon van Bethlehem
die slapende begeerte doet ontwaken, en de ziele vervult
met een heimweesmachten dat alleen in Hemzelven bevredi-
ging vindt. En ja, dan wordt die verzuchting ook beant-
woord. Als de H. Geest door het geloof in Jezus Christus
over en in ons komt. dan wordt het ook alles nieuw, dan
komt er ook een krachtig, heerlijk, heilig leven, dat de pro-
fetie en de waarborg zijner eindelijke voltooing met zich
mede draagt. De verkondiging des woords is dus geen ho-
peloos pogen, maar eene triumfeerende zaak, want Hij, die
er het Middelpunt van is, is de levende Heer Zijner gemeente,
en Hij heeft het gezegd: »lk ben met ulieden al de dagen
tot aan de voleinding der wereld." Christus met ons mede-
arbeidende — welk eene gedachte, en dan te weten dat die
gedachte werkelijkheid, zalige heerlijke werkelijkheid is! O
dat geeft moed en kracht, om verder te gaan, om nirnmer-
meer te wanhopen, en blijmoedig in hope voort te zaaien.
Daai\' zal eenmaal eene heilige, volmaakte Gemeente geboren
worden, gelijk alle leven ontstaande eerst na de barensweeën
der smart; maar toch een leven dat door God is gewekt, en
dat door Zijnen Zoon wordt beschermd, dat moet wel een
heerlijke bestemming tegemoet gaan! Wat wij arme men-
schen tot stand brengen, ach, het is altoos gemaakt, kunstig
wellicht, ontzachelijk groot en indrukwekkend misschien, maar
toch het heeft den kiem des levens niet in zich: pyramiden
-ocr page 22-
\'20
kunnen wij bouwen, doch een grashalm doen groeien kunnen
wij niet. Maar de Heer doet iets worden, groeien, zich ont-
wikkelen, en al wat uit God geboren is, overwint de wereld.
Ja waarlijk, wij zullen volharden in de bediening des woords.
met Zijne genade! Ja waarlijk, wij zullen den strijd aan-
binden tegen Satan en al zijn heir, want die met ons is, is
sterker dan die tegen ons zijn. Ja wij zullen het wagen
met dat woord des Evangelies dat God de wereld liefheeft,
tegen den haat en al de vijandschap des natuurlijken levens
in te gaan, en dan valt er ook niet aan te twijfelen of wij
zullen gezegend zijn. Het woord onzes Gods is onverander-
lijk; bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen, maar mijne
goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond mijns
vredes zal niet wankelen, zegt de Heer uw Ontfermer. Komt.
laat hier de voorganger zich vereenigen met de gemeente,
en laat ons te samen de vastigheid bezingen van hetgeen
God heeft gegeven, heeft gegeven in zijn woord, in dat
woord welks bediening onze eere en blijdschap is!
II.
»Wij zullen volharden in het gebed, en in de bediening
des woords." Wij hebben u dan in breede trekken ont-
vouwd wat leeraar en gemeente, naar luid der H. Schrift,
in deze bediening des woords hebben te zien; en niet waar.
dat is iets ontzachelijks! Het is een strijd in de mogend-
heid des Heeren, waartoe alleen Zijne genade bekwamen
kan, Den weg nu daartoe leert ons het eerste deel van on-
zen tekst: »Wij zullen volharden in het gebed." O hoe ge-
voelen wij, nu wij ons schikken daarover enkele gedachten
voor u neer te leggen, hoe geen menschentong naar waarde
de heerlijkheid en de teederheid van het leven des gebeds
kan beschrijven! Gelijk men een vlinder niet aan kan ra-
ken, zonder iets van het glansende stof zijner vleugelen weg
te nemen, zoo laat zich de ademtocht der ziele die heen-
vliegt naar God, niet beschouwen en bespreken zonder iets
-ocr page 23-
21
van haar schoonheid te verliezen. Daar zijn van die dingen
die de ziele in onuitgesproken genieting vóór zich houdt,
en waarover zij alleen tot God kan gewagen. Maar toch
wij kunnen en wij mogen u wel inleiden in het voorpor-
taal van het heiligdom; de H. Geest, de Geest der gebeden,
leide ons dan zelf naar binnen! Doch gij, mijne hoorders,
ontbindt de schoenen uwer voeten, want de plaats waarop
gij treedt is heilig land!
In de Roomsch-Katholieke Kerk, waar wij onder de me-
nigte van vormen en ceremoniën somtijds zulke schoone en
diepzinnige gedachten aanschouwelijk vinden voorgesteld,
heeft dagelijks een stille bediening van het heilig Misoffer
plaats. Meestal zeer in de vroegte, terwijl de wereld nog
slaapt en de eerste strepen van het morgenrood zich pas be-
ginnen te vertoonen. staat daar de priester, en bedient eene
denkbeeldige gemeente. Soms is er geen sterveling in het
kerkgebouw buiten hem aanwezig, toch wendt hij zich om
aan het altaar en breidt de handen zegenend uit; toch bidt
hij voor alle geloovigen, en doet alsof daar een groote me-
nigte de oogen op hem geslagen had. — Wat dunkt u, ge-
liefden ! is dat niet een treffend beeld van wat een bedie-
naar des woords in de hoogste werkelijkheid moet omzet-
ten? Wee, wee den leeraar die niet in zijn eigen woning
een stil heiligdom heeft, waarin hij priesterlijk de nooden
van zijn volk den Heere bekend maakt en opdraagt, vóór
hij zich schikt hen op de markt des levens te gaan dienen!
Wee, wee den man die in het gebed niet de kracht zoekt
om zijne kudde te weiden naar den Woorde Gods, en die
niet op de knieën zijne gemeente bewerkt heeft vóór zijne
voeten hem dragen naar kansel of woonvertrek, naar sterf-
huizen of verblijven van vreugde!
O mijne hoorders! de duizenden dezer stad ze liggen nu
voor onze rekening. Het is niet waarschijnlijk, het is zelfs
onmogelijk dat wij met die allen in persoonlijke aanraking
komen — en toch ze liggen voor onze rekening! Waar de
omgang is afgesneden, waar het woord wellicht niet wordt
aangenomen, waar de vijandschap van het natuurlijke hart
misschien alle toenadering, alle geestelijke gemeenschap on-
-ocr page 24-
22
mogelijk maakt — daar blijft toch de toegang open tot den
troon der genade, en juist hoe machteloozer wij onszelven
gevoelen voor onze taak, te meer zullen wij worden uitge-
dreven ten gebede. of\' zich de Heere ontfermen mocht, en
de vijandschap des ongeloofs breken door Zijne almachtige
genade. O wij voorgangers, hoe kunnen we onzen ontzache-
lijken arbeid verrichten, hoe kunnen wij de teekenen der
tijden verslaan, en te midden van al de neerdrukkende, af-
stompende invloeden die ons omringen, altoos het hoofd hoog
opgeheven houden, anders dan door het vurig en onafgebro-
ken gebed 1 Wat is een bedienaar des woords ? Een man
die op de hoogte rijdt, niet in die ziekelijke opwinding die
men wel eens enthousiasme noemt, maar even weinig duur
heeft als een schitterend vuurwerk, maar in die heilige,
kalme blijdschap, die de ziele dergenen vervult die het we-
ten dat Jezus Christus staat te komen, om al het gebrek-
kige dezer tijdelijke bedeeling te vervangen door Zijne vol-
maakte zaligheid. Wat is een bedienaar des woords ? Een
man die in alle dingen de zijde weet te vinden waaraan ze
met God zijn verbonden, en die in al het tijdelijke het
eeuwige weet op te sporen en aan te wijzen; een priester
die met de heiligheid der liefde, het offer zijns levens ge-
bracht heeft, het offer van eigen eer en eigen wil. om voor
de zijnen middelaar der goddelijke barmhartigheid te zijn.
O geliefden! hoe zou dat alles mogelijk zijn zonder gebed?
Een leeraar zonder gebed is een rivier zonder bron, een hof
zonder boom, een afgesneden bloem in het zand gezet, die
nu ja een korte poos kan schijnen te leven, maai- immers
zij moet sterven, want zij is van haar wortel gescheiden?
En toch ... die bedienaar des woords. hij is een zondaar
als ieder ander, een mensch van gelijke bewegingen als gij.
Ook hij kent de zorgen, de moeiten, de kleine verdrietelijk-
heden van het leven, die, veel meer dan de groote smarten
en schuddingen van ons bestaan, ons uit die heilige kalmte
kunnen uitrukken, waarin alleen een vruchtbaar gebedsleven
mogelijk is. Ook hij heeft zijn natuurlijken aanleg mede of
tegen, want — de apostel zegt het zoo nadrukkelijk! — het
natuurlijke is eerst, en daarna het geestelijke. En voor wie
-ocr page 25-
23
is de mogelijkheid dat zijn zondige aanleg onophoudelijk
wordt geprikkeld grooler dan voor een man die elk oogen-
blik aan duizend invloeden bloot staat, en nu eens miskend,
dan weer overmatig geprezen, nu eens in het zonlicht der
goddelijke genade, dan weer in de duivelsche machten der
zonde geroepen wordt steun te bieden en troost? Wat is
onmisbaarder voor het gebed dan kalmte, en voor wie is
kalmte moeielijker te bereiken dan voor den leeraar eener
groote gemeente? Want immers hoe zullen wij bidden?
Wij moeten niet den troon der genade bestormen; niet in
een vloed van woorden ons hart uitstorten, en dan weer
voortrennen in het drukke leven; wij moeten ook stil kun-
nen zijn op de knieën, en onzen God Zelf aan het woord
laten. En ach, wanneer wij dan een huiselijke bekommer-
nis, of een grievende teleurstelling, of een pijnlijke ervaring
van eigen zwakheid, als een looden wicht op onze blijmoedige
stemming voelen rusten, hoe licht wordt dan ons gebed
verhinderd! Hoe menigmaal vouwen wij de handen, en
stamelen eenige woorden, nu ja, maar zonder innerlijke ver-
zekerdheid, zonder die kalme gewisheid dat ons gebed ver-
hoord worden zal, zoodat wij nog maar armer aan troost
opstaan van onze knieën dan toen wij ze bogen !
Maar zie juist na zulke oogenblikken toont ons de Heere
dat Hij de Getrouwe is. Gelijk menigmaal na een langdu-
rige droogte de regen des te overvloediger nederkomt, ver-
kwikt hij dan de kwijnende ziel met een dubbelen gebeds-
zegen. O dan gevoelt men het zoo dat toch alleen God-zelf
ons bidden leert! Zoolang we zelven \'t nog willen doen,
zoolang redeneeren wij; dan houden we onze bespiegelingen
over vragen als deze: »hoe kan Gods opperbestuur toch wel
samengaan met de verhooring der gebeden? hoe zou dat kun-
nen bestaan dat de wensch van zondige stervelingen den
Raad des Almachtigen bepaalde?" Maar wanneer God-zelf
ons uitdrijft ten gebede verdwijnen deze kwellende, en nooit
verstandelijk-oplosbare raadselen, en gevoelen wij het klaar
en duidelijk dat de hoogste macht van Gods liefde, juist hierin
ligt, dat Hij zich door het gebed Zijner kinderen laat bepa-
len. Wanneer het Gods werk is, gelijk wij u reeds hebben
-ocr page 26-
\'24
verklaard, zich eene heilige Gemeente te vormen (en wat is
het gebed anders dan de zichtbaarwording dier heiligheid?)
hoe zou Hij dan niet verhooren wat Hij zelfheeft gewrocht?
Dan wordt het gebed de geheel natuurlijke uiting des har-
ten, even vanzelf komend als de ademhaling die ons leven
in stand houdt. Ge moet een kind bijkans alles leeren. zelfs
te eten en te drinken, maar te ademen niet; dat doet het
zelf van de eerste seconde af dat het tot leven ontwaakt is.
En zoo, o mensch! is het gebed de eerste arbeid uwer ziele,
nog eer ge kunt nadenken of er een God is die u hooren
kan. Het gebed is gegrond in uw eigenlijk wezen — gelijk
het hert schreeuwt naar de waterstroomen, alzoo dorst mijne
ziele naar God, naar den levenden God! Twijfelt des noods
aan alles, en gij kunt nog gered worden, maar wie twijfelt
aan de verhooring van zijn gebed, die vernietigt God en die
vernietigt zichzelven.
O zalig de mensch die bij zijnen Heiland wil leeren hoe hij
bidden moet! Gelijk in alles, zoo is ook hierin de waaraeh-
tige Mensch, ons voorbeeld, onze vraagbaak, onze kracht. Hij
spreekt in Zijn bidden uit wat Hij is. »Ik heb U verheer-
lijkt, o Vader! op de aarde; ik heb voleindigd het werk dat
Gij mij gegeven hebt om te doen." Hij heeft getoond dat
de liefde almachtig is, en daarom kon Hij de wereld behou-
den. Wat is nu het ware bidden voor den geloovige? Het
bidden in Jezus\' naam, d. w. z. in Jezus\' kracht, het bidden
omdat Jezus is die Hij is, namelijk Heiland, Overwinnaar,
Koning. Wie bidt in Jezus\' naam wordt door die kracht
aangevat, vastgegrepen, overgeplant op dien bodem der ge-
nade dien Jezus gemaakt heeft tot het ware terrein voor de
Zijnen, en nu staat hij dan ook veilig en geborgen, en biedt
het hoofd aan al die machten der wereld die hem trachten
af te rukken van zijne vastigheid. Alleen dan, alleen in het
gebed komt onze geest tot rust, daar hij dan eerst de een-
heid aanschouwt in alle leidingen Gods met de menschheid,
die ook voor Gods kinderen vaak zóó smartelijk raadsel vol
zijn, dat zij met Asaf dreigen uit te roepen: «hoe zou God
het weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?"
Eerst in het heiligdom der aanbidding leert onze geest te
-ocr page 27-
\'25
rusten, en met blijmoedige verzekerdheid den grooten Dag
te verbeiden waarop alle schaduwen vlieden.
Nu, lieve gemeente! geldt dit in het algemeen van eiken
geloovige, in bizondere mate geldt het van ons, uwe voor-
gangers. Wij kunnen u onmogelijk dienen, wanneer wij
niet bidders bij uitnemendheid zijn. O helpt ons, helpt ons
door uwe stille, vurige, onafgebroken voorbidding! Wij ge-
looven in de kracht daarvan, wij hopen er op te mogen
rekenen. O laat ons nooit dezen kansel beklimmen, zonder
dat gij vooraf uwe smeekingen den Heere hebt opgezonden.
Hoe vaak, vraagt het uzelven maar af, zit gij daar rustig
en kalm op uwe plaatsen, wellicht nieuwsgierig naar hetgeen
wij u zullen doen hooren, wellicht reeds van te voren be-
sloten eens recht scherp te luisteren of gij ons ook aan-
stootelijk en verwerpelijk bevinden mocht — zonder dat
daar één zielsverzuchting, één stille bede tot Gods troon is
opgerezen voor uwe dienaren, die daar worstelen met den
Heer, opdat Hij hun de belofte schenke van een vollen
zegen op hun werk? O geliefden! helpt ons waarlijk het
gebed der gansche gemeente tot God te brengen, doordat
ge ons uwe nooden mededeelt. Laat er geen gezegende
moeder, geen ernstige kranke, geen beweldadigde echtparen
zijn, laat er geen huwelijken gesloten worden, geen rouw en
geen smart in de woningen geleden, die gij niet aan uwe
leeraren bekend maakt, opdat zij in de stille binnenkamer
of in de samenkomsten der geloovigen, dat alles neerleggen
voor den troon der genade! O mocht hier een biddend volk
geboren worden, dan zou de zegen uitstroomen naar alle
kanten, en niet beperkt blijven tot de grenzen van ons
Kerkgenootschap, maar verre daarbuiten de vruchtbaarma-
kende dauw des H. Geestes neerdalen op de harten. Men
klaagt over de ellende onzer kerkelijke toestanden, en daar
is reden toe! Maar zou niet drie vierde dier ellende haar
oorzaak vinden in verflauwing des gebeds? Zou het wel
mogelijk zijn dat aan den éénen kant belijders van éénzelf-
den Christus elkander om kerkrechterlijke kwestiën bevech-
ten en haten, en aan den anderen kant ongeloovigen, ja
loochenaars van allen geopenbaarden godsdienst zich in de
-ocr page 28-
2ti
gemeente, ja Gode zij het geklaagd, tot op den kansel toe
kunnen handhaven, wanneer daar inniger en oprechter ge-
beden werd, wanneer daar menigvuldiger de verzuchting
tot den Vredevorst oprees om den vrede van Jeruzalem?
ü als daar wellicht in ons midden strijdlustige broeders zijn,
maar die zich lieten bedwelmen door menschengezag en
menschenwijsheid, willen die ons helpen in den strijd des
gebeds, en alle overleggingen biddend ter neder werpen, en
alle hoogte die zich verheft tegen de kennis van God, en
alle gedachten gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van
Christus? O, dan zullen wij strijden, strijden tegen den
Satan en al zijn heir, en dan zullen wij overwinnen, want
nog nooit heeft een biddend volk de vlag moeten strijken,
waar het optrok onder het vaandel des Kruises!
Zoo hebt gij dan, gemeente van Gouda! naar ik hoop in
niet onduidelijke taal vernomen met welke opvatting van
mijn heilig ambt ik tot u overkwam, en van af dezen dag
als een uwer herders en leeraars onder u hoop te arbeiden,
zoolang mij de Heer hier gebruiken wil. Ik bid van Hem
dat ons samenzijn recht hartelijk en ongedwongen zij. Van
alle stijfheid in optreden en omgang ben ik afkeerig; wie
weet dat een alwetend oog hem altoos en overal gadeslaat,
heeft een afschuw van vertooning, die helaas voor een leer-
aar nog moeielijker te vermijden schijnt dan voor een an-
der. Ach ik zal zeker wel verre beneden mijn ideaal blij-
ven, maar ik wensch er toch naar te jagen uw vriend te
mogen worden, door mij aan u te geven en voor u te zijn wat
ik kan. Ik heb goede verwachting van u, geliefden! "Wel
kom ik niet met die in zeker opzicht liefelijke, maar toch
ongezonde, overdreven illusiën tot u over, met welke de
23jarige jongeling voor de eerste maal het torentje zijner
eerste dorpsgemeente begroette, als zou hij nu eens alles
daar goed en christelijk maken, als zou met zijne komst nu
eerst een tijdperk van bloei en wasdom aanbreken . . . neen,
o neen! zes jaren gemeentelijke arbeid zijn wel in staat heel
wat droombeelden, zoowel over onszelven als over de men-
schen weg te nemen, en de ervaring leert spoedig genoeg
dat een groot deel van het goede zaad tusschen de dorens,
-ocr page 29-
27
of op steenachtige plaatsen, of ook wel op den hardgetreden
grond komt te vallen, waar het bijkans even spoedig vertre-
den als uitgestrooid is. Ik heb kennis gemaakt met het we-
kelijksche proza van de op hun Zondagsch-gekleede kerkgan-
gers. en met de zorgen dezes levens, en met de zonden van
mijn eigen hart . . . maar ondanks dat alles, het is met
goede verwachting dat ik mijne schreden herwaarts gericht
heb. Zoowel uwe dienstdoende als uwe rustende leeraren,
sommigen zelfs sints 20 jaren en langer van u verwijderd,
hebben mij veel liefelijks van u verteld. «Gquda is een har-
telijke gemeente," ik geloof dat die woorden in geen enkelen
brief ontbraken — welnu, ik beveel mij aan uwe hartelijk-
heid aan: mijn hart heeft er behoefte aan; ik kan niet op
een kouden afstand met zielen blijven, voor wie ik geroe-
pen ben te dienen met woord en gebed. Men heeft som-
tijds van die liefde die zóó diep, zóó akelig diep verborgen
is, dat ze alleen bij groote schuddingen en gewichtige ver-
anderingen van ons lot voor den dag komt. Als ik kiezen
mag heb ik liever een fontein van 30 voet diepte die dage-
lijks kalm en vriendelijk stroomt, dan een van 300 voet die
maar eens een enkele maal haar water geeft, en dan vaak
zoo geweldig dat een overstrooming het gevolg is. Laat ons
onze harten niet voor elkander toemuren! Onthoudt mij
uw liefde en vertrouwen dan niet, maar laat van den aan-
vang af onze betrekking bovenal eene geestelijke zijn! Niet
in dien laffen, door en door ongeestelijken zin dat wij een
gesloten oog zouden hebben (of veinzen) voor de behoeften
en toestanden van het maatschappelijke leven — o neen,
homo sum, ik ben een mensch en niets menschelijks wil ik
vreemd van mij achten! Maar aldus: dat gij in mij steeds
een uwer bearbeiders voor de eeuwigheid, en ik in u altoos
geroepenen tot de hemelsche kroon mag zien. Dan zal uit
onze verhouding van den aanvang af dat ziekelijke hangen
aan den persoon des dienaars verbannen blijven, waarbij
plotselinge overgangen van «Hosanna!\'\' tot een »weg met
dezen!" even talrijk als zielkundig verklaarbaar zijn. Ver-
wacht van mij het onmogelijke niet, begint altoos in u zel-
ven naar het ideaal te zoeken voor gij het in een ander
-ocr page 30-
28
verlangt. Is het reeds iets verschrikkelijks wanneer een le-
vend mensen zich verlaagt tot dienaar van een dood begin-
sel, nog ellendiger is het een geestelijk gestorven mensch
te zien ijveren voor levende waarheden. Laat ons in deze
wereld die nooit ongeneigd is hulde te bewijzen, zelfs aan
gewaande grootheid, mits deze voorzien zij van gewaande
titels, er in de kracht Gods naar jagen »in alles waar" te zijn
tegenover elkander en tegenover onszelven, en steeds te be-
denken dat het hebben van een ideaal niets beteekent, maar
wèl het gelooven in de werkelijkheid van ons ideaal. Ge-
meente, ik geloot\' in de werkelijkheid van het Ideaal, omdat
het Woord is vleesch geworden. Ik wanhoop aan niets of
niemand, zoolang Jezus Christus zijn woord gestand doet:
met ons te zijn alle dagen tot aan de voleinding der we-
reld. En in dat geloof kom ik tot u. Tot u allen\\ niet
voor eene partij, maar voor de gansche gemeente heb ik een
boodschap: aan armen en rijken, aan verstandigen of zich
verstandig wanenden evengoed als aan de geringen van ken-
nis en wetenschap. Maar van nu af aan hebt dan ook gij
eene roeping en verantwoordelijkheid tegenover mij, even-
goed als tegenover uwe andere leeraren. Gij zult eenmaal
rekenschap hebben af te leggen hoe gij handeldet met de
bediening des woords en des gebeds, gelijk die ook door
mijn geringen arbeid tot u komen zal. Laat u door\' ons be-
dienen, en wilt niet, gelijk dat helaas zoo vaak geschiedt,
wilt niet over ons heerschen! Waar de Geest van Christus
is, daar is vrijheid, en waar men zoo menigmaal leeraren
veroordeelt, en wikt en weegt, naar onbeteekenende overwe-
gingen, die niets hoegenaamd met de hoofdzaak des Evange-
lies te maken hebben, toont gij dan iets van de schoonheid
der oude spreuk te verstaan: »in het noodzakelijke éénheid,
in het twijfelachtige vrijheid, in alles liefde."
Toespraken.
En nu geen afzonderlijk woord meer! De onverbiddelijke
tijd dringt ons te besluiten. Aan u, mijne nieuwe gemeente,
thans nog een laatste woord, en dit woord zij niet over
-ocr page 31-
29
ttzelven, en nog veel minder over myzelven, maar over Hem
den Bruidegom, wiens zalige toekomst wij tegengaan. Eer-
lang vieren wij, zoo God wil, te samen het heerlijke leest
van Jezus geboorte, die fonkelende sterre in de donkere
dagen van dit jaargetijde. Mijne lieve vrienden, medereizi-
gers naar Bethlehem, zijt gij Zijn eigendom reeds gewor-
den ? Neemt deze vraag als uw levensvraag mede naar uw
huis, en geeft uwen God het antwoord er op. Spreekt nog
een korte poos ook over dit ons samenzijn, en indien het u
ging als mij, dan prijst gij \'s Heeren goedheid en trouw,
want het was ons werkelijk goed aan deze plaatse. Doch dan
weer de oogen van al wat zinnelijk is en voorbijgaat afge-
wend, en ze gericht op onzen Koning Immanuël! He da-
gen worden al korter en korter, en ook de dagen onzes le-
vens worden spoedig of later afgesneden. Zoo bereidt dan
uwe harten om Hem te ontvangen die tot u komen wil,
om bij u te blijven, eeuwiglijk en altoos! In Hem woont
de volheid der Godheid lichamelijk, en welk ledig uwer ziel
zou Hij niet vervullen? Op welke vraag des harten zou Hij
u het antwoord schuldig moeten blijven?
Nu dan mijne gemeente! geloovigen of onbekeerden, be-
kommerden of juichenden, zoekenden of die gevonden hebt
omdat gij gevonden zijt. wij zullen volharden in het gebed
en in de bediening des woords. Daar is eene toezegging
van Jehovah die Zijn dienaren kracht geeft, als ze sidderen
voor de zwaarte hunner taak, en bevend zouden willen uit-
roepen: »ach Heere zend toch een anderen!" . . . zoo waar -
achtig ik leef, spreekt de Heere, Ik zal mijne woorden in
uwen mond leggen, en gij zult zingen van mijnen lof! Gij
zult priesters des Heeren heeten, men zal u noemen diena-
ren onzes Gods, en waar uwe ziel is neergebogen door
smart en door rouw, hoort de stem des Gezalfden: zegt der
dochter Sions, uw Koning komt! want uw Maker is uw
Man, Heere der heirscharen is zijn naam, en de Heilige Is-
raëls is uw Verlosser!
En zoo zij dan het laatste woord dat ik op dezen gewich-
tigen dag van deze plaats tot u spreke, het bemoedigd ge-
tuigenis van ons geloof in Gods trouw. Wij weten dat wij
-ocr page 32-
30
een strijd te voeren hebben, maar met \'s Heeren hulp, wij
tullen volharden! Wij weten dat de Vorst der Duisternis
zijne netten spant, en zijne lagen legt, maar Jezus Christus
is Overwinnaar, ook heden. »Ik ben met u alle de dagen
tot aan de voleinding der wereld." Christus met ons —
Hallelujah! En als gij, o Kerk des Heeren! nog verkeert in
moeite en in strijd, troost u dan, bemoedig u dan met dat
woord van de mueder des Heeren, welks vervulling zij nu
ook met alle gezaligden in glorie aanschouwt: «Groote din-
gen heeft aan mij gedaan Hij die machtig is, en heilig is
Zijn naam, en Zijne barmhartigheid is van geslacht tot ge-
slacht over degenen die Hem vreezen." En wij die nog on-
zen pelgrimsweg gaan, wij vereenigen dan onze harten en
tongen, met die groote overwinningsgemeente daarboven:
Hallelujah! de zaligheid en de eer en de kracht, zij den
Heere onzen God, en het Lam dat geslacht is, van nu aan
tot in eeuwigheid. Amen!
NASCHRIFT.
Nu dit woord eenmaal tot alle Hervormde gemeenten ko-
men zal, kan ik niet nalaten de ledige bladzijde die hier
overschiet te gebruiken, om een broederlijk woord tot die
allen te richten. In het bekende predikantenboek van v.
Alphen de verschillende dorpen en steden naslaande, trof
mij niet alleen het jammerlijk aantal vacaturen, maar ook
het groot getal van leeraren die reeds 60 jaren, 70 jaren
oud zijn .... hoeveel ledige plaatsen zullen er in den loop
van vijf, tien jaren de reeds honderden vacaturen komen
vermeerderen ?
Gemeenten van Christus! waar moet dat heen? Wat baat
het of men al zegt onze Hervormde Kerk teederlijk lief te
hebben, voor haar rechten te strijden, ja hare vijanden
haat met een wreveligen haat? Wat baat het wanneer
-ocr page 33-
31
daar geen herders komen, die in deze dagen van verstrooing
en afval, de kudde weiden naar Gods Woord? Als er geene
profetie is wordt het volk ontbloot, en hoe zullen ze dan
Hem aanroepen in wien zij niet geloofd hebben, en hoe zul-
len zij in Hem gelooven van wien zij niet gehoord hebben,
en hoe zullen zij hooren zonder die hun predikt? O Ge-
meenten, doet gij wel genoeg om in dezen schreienden nood
te voorzien ? Bidt gij wel vurig, wel aanhoudend tot den
Heer des oogstes, opdat Hij toch arbeiders uitstoote in Zij-
nen wijngaard? Wij jammeren zoo menigmaal over de breuke
Sions, maar gorden wij ons wel aan in \'s Heereri kracht stee-
nen aan te dragen tot herstel)? Waarom laten zoovele gemeen-
ten hare leeraars al zuchtende arbeiden ? De Heer heeft het
toch verordend dat zij die het Evangelie verkondigen, ook van
het Evangelie leven zullen. Zou er niet overvloedige oorzaak
zijn deze en nog zoovele andere gebreken in ons kerkelijk
leven, met ernst onder de oogen te zien, met nadruk te be-
strijden, en ze te maken tot voorwerp van gemeenschappe-
lijk onderzoek en gebed?
O dat men deze dingen begreep vóórdat het te laat is 1
De vacaturen zullen onze Kerk doen vallen, tenzij er krachtig,
en alom in den lande, eendrachtige samenwerking ontsta om
in Gods kracht dezen voortvretenden kanker te stuiten. Laten
wij die dit gevaar inzien er de aandacht op vestigen! Laten
rijken en armen er van doordrongen worden, want o wan-
neer onze arme, zondige, maar ook zoo geliefde, juist in haar
ellende dubbel geliefde volkskerk eens kwam te vallen, men
zou eens zien welk een schreiend ledig zij achterliet, en welk
een zegen, óók voor \'t maatschappelijk leven, men miste!
Daarom laat ons, met het oog naar Boven, aan den arbeid
gaan, geliefden! Wekken wij onze jongelingen op, wanneer
de Heere hun aanleg en begeerte schonk, dienaars van Zijn
heerlijk Evangelie te worden! Steunen wij den zwaren ar-
beid der Doetinchemsche stichtingen, opdat zij zich uitbrei-
den en bloeien, en voor steeds meerdere gemeenten ten ze-
gen kunnen zijn! Maar laat ons niet tevreden zijn met ons
zilver en goud te schenken, worde deze nood der Kerk ons.
waarlijk door den Heiland zelven op de ziele gebonden!
-ocr page 34-
32
ü gij dierbare, levende Koning, Hoogepriester onzer Belij-
denis, ontferm U over onze Kerk, opdat zij weder als een
lichtende fakkel schijue in deze donkere dagen! Schenk
Gij ons levende getuigen, schenk er ons velen, want Gij weet
het hoe noodig ze zijn, die niets anders wetende dan Uwe
gekruisigde Liefde, uitgaan in Uwe kracht, en het wagen
met U alléén, om armen en ellendigen te noodigen tot Uwe
Bruiloft! O wij hebben toch nog Uw zalige belofte, ook voor
onze Kerk, dat Gij bij haar en met haar zult wezen alle de
dagen tot aan de voleinding der wereld — kom dan tot haar,
allereerst kom Gijzelf in de harten en woningen, maar dan
ook, kom door Uwe dienaren, stoot ze uit met kracht en
met macht, opdat weder over de dorre doodsbeenderen Uw
heerlijke levensadem ruische! Stort in onze zielen den Geest
der gebeden uit, opdat wij niet ophouden totdat Gij ons
zegent, en Gij die verhoogd zijt aan des Vaders rechterhand,
maak al Uwe knechten tot koningen en priesters, en worde
de aarde vervuld van het geklank Uwer genade, totdat Gij
komt om Uwe strijdende Kerk op te nemen in heerlijk-
heid. Amen!