-ocr page 1-
VIRGINIE LOVELING
EENE IDYLLE
L. J. VEEN — AMSTERDAM
-ocr page 2-
yv\\vn 12
<f?
Nederl
oct.
1058
*
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
EENE IDYLLE
-ocr page 6-
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
A06000003115775B
0311 5775
-ocr page 7-
iJκA.d-k&
EENEIDYLLE
DOOR
VIRGINIE LOVELING
L. J. VEEN — AMSTERDAM
BIBLIOTHEEK OER
RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT.
-ocr page 8-
TYP. TH. A. VAN ZEGGELEN, *M. J. P. VAN SANTEN > AMSTERDAM
-ocr page 9-
EENE IDYLLE.
I.
Aurelie keek verrast op van haar boek,
waarin zij onder de gaslamp te lezen zat:
er werd gebeld, zoo laat, reeds halftien
van den avond!
Haar vader — een geleerde — scheen
niets gehoord te hebben. Hij schreef met
een potlood op den witten rand van een
wetenschappelijk werk haastig, zeer diep
als kortzichtige er over gebogen, zijne
eigene opmerkingen neer.
Aurelie luisterde, met den wijsvinger
omhoog, als om eene stilte te gebieden,
die niemand onderbroken had.
Een ieder kent en vat de geruchten van
zijn huis: zij volgde den tragen stap der
meid in de vestibule, hoorde het rinkelen
-ocr page 10-
2
EEN E IDYLLE.
der reeds ingelegde ketting, en de verdoofde
klank eener stem was genoeg om haar te
doen uitroepen:
—   Guido!
Hij stond aldra voor haar, onaangemeld.
Hij stak haar de hand toe, terwijl zij zit-
ten bleef, en het boek, met een strookje
papier tusschen de bladen, had toegevouwen
en weggeschoven.
—  Reeds weder in de stad? vroeg ze in
het Fransch, hun omgangstaal, en lachte
hem verblijd toe.
—  Zooals ge ziet, sprak hij, ook glim-
lachend.
Het was een groote man, sterk geschou-
derd, met een breed aangezicht, een bree-
den mond, zeer zwarte, rechte, toegegroeide
wenkbrauwen, blauwe oogen en donker
haar. Hij kon op het einde der twintig zijn.
Hij had zijn overjas nog aan, hoog met
vaalkleurig bont gekraagd en gevoerd; de
mouwen ook droegen zware omslagen van
bont, waarvan ieder rechtstaand haarsprietje
een microscopisch droppelt] e torste, als
door een dichten mist of stofregen ver-
oorzaakt.
-ocr page 11-
EENE IDYLLE.                              3
Een koude lucht kwam verkwikkend met
hem binnen.
Mijnheer Van der Hawermeiren, de ge-
leerde vader van Aurelie, had niet opgehou-
den met schrijven, maar hield zonder op- of
omzien zijne linkerhand zijdwaarts uit:
—   Bonsoir, soyez Ie bienvenu, bromde
hij met eene gemeenzaamheid, welke hier
als een blijk van gulheid gelden kon.
Guido nam het ook aldus op; hij had
zich van zijn jas ontdaan en zat naast de
dochter. Hij was gedurende een drietal
dagen afwezig geweest. Hij kwam recht-
streeks van den trein, zeide hij, wat was
het koud nog voor den dertigsten van
April! toen keek hij rond:
—  Morgen reeds? vroeg hij.
—   Helaas ja! zuchtte het meisje.
Zij zouden naar hun landgoed gaan.
Alle schikkingen schenen genomen: het
tapijt lag opgerold in een hoek; de gor-
dijnen waren af; de vensters langs de reten
met oude dagbladen bekleed; de spiegel-
lijst onder gaas beschermd; de niet meer
te gebruiken stoelen stonden twee en twee
met de zittingen opeen.
-ocr page 12-
4                              EEN E IDYLLE
—  Wat ziet het er hier treurig, naakt,
onhuislijk uit! sprak hij, eensklaps zijne
levendige uitdrukking verliezend en zijne
zware wenkbrauwen samentrekkend.
De meid had de thee binnengebracht
en terwijl zij heen en weer ging om de
benoodigdheden voor hare meesteres te
stellen, scheen hij zenuwachtig te worden;
schier verwijtend zei hij:
—  Wat klinkt hier alles hol en onbe-
woond over de naakte planken!
Aurelie gaf hem gelijk: o die bestendige
verhuizingen tweemaal in \'t jaar, wat was
het een last, wat was het vervelend, de
laatste dagen bijzonder! eens ingericht werd
het beter.
—   Ik zal u spoedig komen bezoeken,
zei hij, overmorgen of....
Maar zij onderbrak hem: Neen, neen,
niet zoo dadelijk, er is te veel te regelen
en in orde te brengen, wacht eene week,
antwoordde zij bedaard.
Hij trok aan zijn snor, hij sprak eerst
niet, toen zei hij: Ik ben gewoon hier nu
alle dagen te komen. Het zal mij zonder-
ling schijnen het huis gesloten te zien.
-ocr page 13-
5
EENE IDYLLE.
Onder het drinken van de thee liep het
onderhoud over de vele woningen, welke
in den zomer, met hunne geloken blinden
en het waarschuwend briefje op deur
of poort, aan de stad een doodsch uitzicht
geven, en hoe ieder nu een buiten had of
reisde of naar een badplaats ging.
Mijnheer Van der Hawermeiren mengde
zich in het gesprek en Guido verzonk in
gedachten.
Zijne stilzwijgendheid werd volkomen en
hoorbaar, toen zijn vader — dokter Cap-
puijns — na een hevigen ruk aan de bel
was binnengeleid en ook plaats in den kring
nam: het was een kleine, rosgrijze man,
vlug bewegend, beslist van toon, scherp
van blik, stuursch van aangezicht. Mijn-
heer Van der Hawermeiren vormde een
contrast met hem, stil, lang en mager, de
trage bedachtzaamheid van den geleerde op
het gelaat dragend.
Zijne dochter geleek op hem: zij ook
was groot, slank en bleek, met bruine
schrandere oogen. Haar blond haar, dat
\'s morgens ongekunsteld opgestoken werd,
lag door de zwaarte der vlecht en de
-ocr page 14-
6
EENE IDYLLE.
bewegingen van den dag thans diep in
den nek gevallen. Zij scheen zich volstrekt
noch om haar uiterlijk noch om harekleedij,
die zeer eenvoudig was, te bekommeren
en bediende de gasten met de oplettende
handigheid eener goede huishoudster.
Het een of ander wetenschappelijk punt
werd aldra luid betwist onder de twee
oude heeren aan den eenen kant der tafel;
en de twee overige personen, die er geen
belang in namen, knoopten een stiller gesprek
met malkander aan; maar het had ook wel
iets ongewoons voor een jongen man en
eene jonge vrouw, want het liep weldra
over de verantwoordelijkheid of niet ver-
antwoordelijkheid van den mensch in zake
van misdaad, door drift gepleegd.
Het was reeds half twaalf, toen de dokter
opstond en zijn stoel krakend verschoof. Guido
gehoorzaamde dat sein tot afscheid nemen.
—   Goeden avond en goede reis!
—  Tot weldra! wenschte men van weers-
kanten.
Handdrukken waren nog gegeven in de
vestibule, en de poort viel toe achter de
bezoekers.
-ocr page 15-
EENE IDYLLE.                              7
De groote zoon liet plichtmatig den klei-
nen vader aan zijne rechter hand naast den
muur. Zij wisselden echter geen enkel woord
en stapten haastig door de ledige straat,
aan den hoek onder de wuivende gaspit
inslaande. Een paar huizen verder stak
Cappuijns met rassche en als grammoedige
beweging zijn sleutel in het slot, draaide
hem, trok hem krijschend uit, en trad bin-
nen zonder naar zijn gezel, die hem volgde,
om te zien.
II.
Dokter Cappuijns was de aangetrouwde
oom van Aurelie. Een man uit lagen stand.
Door wilskracht en werkzaamheid had hij
het zoover gebracht schitterende examens
af te leggen en, na jaren worstelens, zich
een eigen, eerlijk bestaan verschaft. Hij was
aan de liefde zijner jeugd getrouw geble-
ven en had een onbemiddeld meisje gehuwd.
Jong door den dood weggerukt, had zij
hem een knaap nagelaten. Deze knaap was
Guido. De praktijk van den dokter breidde
zich uit, zijn gezag groeide aan, en ondanks
-ocr page 16-
8                             EENE IDYLLE.
zijn weduwschap, zijn weinig gunstig uiter-
lijk en den last van het kind, was het hem
gelukt de hand van juffrouw Van der Hawer-
meiren, de zuster van den huidigen emeri-
tus-professor, te verkrijgen.
Die gebeurtenis bracht zonneschijn in
het leven van Aurelie. Eenig dochtertje en
moederloos waren hare dagen tot hiertoe
treurig heengevloden in het gezelschap
van een leergierigen vader, die weinig naar
haar omzag en een paar aanmatigende
meiden, die haar aan onwetende willekeur
deden gehoorzamen, en meenden goed te
handelen door haar van alle kindergezel-
schap te verwijderen. Thans kreeg zij een
speelkameraad: Guido! en hoe jong zij ook
was — vijf jaar — herinnerde zij zich even-
goed als de twee jaren oudere knaap, hoe
alles eensklaps, als door de tooverroede
eener fee aangeraakt, om haar veranderde.
Hare tante, die eertijds slechts zelden over-
kwam, en nu voor hare kleedjes zorgde,
die in de buurt woonde, en door wier
gezegend toedoen het voorzeker was, dat
er op een morgen een groot gat in den
scheidsmuur werd geslagen — Aurelie had
-ocr page 17-
EENE IDYLLE                                 O,
er bij gestaan en de metselaars met breek -
ijzers en hamers aan het werk gezien —
en er vervolgens een poortje bestond, dat»
enkel met een klink sloot, en zij en Guido
nu bestendig samen waren en in den groe-
nen tuin van oom den dokter mochten
spelen en rondloopen. Dat was maar een
stadstuin, doch hij scheen haar groot, bijna
zoo groot als haar in latere jaren deuitge-
strekte eigendom voorkwam, dien haar
vader op een paar uren afstand van de stad
kocht, en waar zij vervolgens hunne zomers
doorbrachten.
Toen de kinderen wat ouder werden en
elk van hun kant school gingen, maakten
zij \'s avonds hunne devoirs \') te zamen en de
grootere Guido hielp de kleinere Aurelie. Hij
was als een levend woordenboek, een nooit
verdroten meester voor haar. Zij hadden
elkander lief als kinderen van hetzelfde huis.
Maar Aurelie moest vroeg naar kost-
school, en vermits haar vader haar een
veelzijdige ontwikkeling wilde laten verkrij-
gen, had hij haar een paar jaren in Frank-
rijk, ιιn jaar in Duitschland, ιιn jaar in
\') Schoolwerk.
-ocr page 18-
EENE IDYLLE.
IO
0
Engeland doen verblijven. Guido was aan
de hoogeschool. Intusschen, terwijl zij in
den vreemde vertoefde, stierf hare tante en
bij de spijt over dit verlies kwam zich
voor Aurelie nog een grooter verdriet voe-
gen. Zij vernam van haren grammoedigen
vader, bij haren terugkeer in den vacantie-
tijcl, dat alle omgang met oom den dokter
was afgebroken en moest afgebroken blij-
ven. Hare tante had namelijk geheel haar
fortuin in eigendom aan den overleden
echtgenoot gelaten, en deze werd, te rechte
of ten onrechte, door Cappuijns beticht
deswege eene zedelijke drukking op de
stervende te hebben uitgeoefend.
Eene ijzeren stang lag aan den kant van
hun tuintje, dwars over de toegangspoort,
ten einde aan te geven, dat alle verkeer
voortaan opgeschort was.
Wat schuld hadden Guido en zij aan
dit alles? vroeg Aurelie zich soms met
weemoed af. Zij kon er geene ontdekken.
Overigens zij eerbiedigde het verbod. Bijwij-
len ontmoette zij Guido nog op de straat.
Hij was een jongeling geworden, groot en
kloek; hij had een snorbaard gekregen. Zij
-ocr page 19-
EENE IDYLLE.
I I
was een volwassen meisje, opgeschoten, en
had iets van het ontzagwekkende haars
vaders in gang en gelaatsuitdrukking. Deze
bijzonderheden waren het veelmeer dan de
afwerende stang, wat hen van elkaar ver-
wijderd hield, en oorzaak was, dat hij zich
beperkte verlegen in allerijl zijn gegalon-
neerde studentenpet af te nemen zonder
haar naam te durven noemen, wanneer zij,
gevolgd door hare meid, hem voorbijging,
lichtrood wordend en buiten haar weten
haar stap een weinig verhaastend.
De spijt over de verwijdering zelf ver-
minderde naarmate de tijd vorderde en de
een in \'t leven van den anderen niet
medetelde.
Aurelie deed als andere meisjes van haar
stand en haar leeftijd: zij ging naar bals
en concerten, zij had bekenden en vrien-
dinnen; eene oprechte vriendschap vormde
zij niet. De jonge juffrouwen harer omge-
ving en de jonge heeren, die haar het hof
maakten, waren te ijdel voor haar ernstigen
geest. Hoe het kwam had zij niet kunnen
zeggen, geen enkel grondbeginsel had zij
dienaangaande vooruitgezet, geen besluit
-ocr page 20-
I 2
EENE IDYLLE.
genomen, doch na eenige jaren was haar
leven van gezelligheid in eene betrekkelijke
afzondering van de wereld veranderd. Haar
hart was vrijgebleven en de behoefte aan
meesterschap en heerschappij, die zoo
machtig veel er toe bijdraagt om de jonge
meisjes op zekeren leeftijd tot het huwelijk
te verlokken, had bij haar bevrediging
gevonden, nog voordat die behoefte zich
gelden deed. Zij was de meesteres des hui-
zes en haar vader stond zijn wil aan den
haren af. Kunst en wetenschap trokken
haar aan, niet de kunst, die men zelve
beoefent en welke ons hare bloemen reikt
en met hare doornen kwetst, maar de vol-
doening om het kunstgenot te zoeken en
te vinden. Niet de wetenschap van den
man, die studiλn vereischt, een practisch
doel beoogt, doorgrondt en den vooruit-
gang een stoot geeft, maar die oppervlak-
kige, veelomvattende en toch verwarde en
groote leemten aanbiedende liefhebberij-
kennis der weetgierige vrouw, wars van
alle pedanterie of praalzucht, enkel voort-
spruitend uit den drang naar ontwikkeling,
welken de Duitschers „Streben" noemen.
-ocr page 21-
EENE IDYLLE.                            13
Aldus bereikte zij de zes en twintig
jaren. De wrong tusschen haar vader en
oom Cappuijns was door den tijd versleten.
Reeds den zomer te voren hadden zij —
tot dezelfde politieke opinie behoorend —
elkander gedurende dagen van verkiezings-
koorts in het comiteit ontmoet; eerst in \'t alge-
meen gesprek hunne wederzijdsche opmer-
kingen bedild of de kansen van welgelukken
berekend; later al eens het woord tot elkan-
der gericht; vervolgens samen de zaal ver-
laten en den weg in gezelschap tot aan de
deur des eenen afgelegd. Wat echter hun
volkomen verbroedering had teweegge-
bracht was eene plotselinge bezwijming,
waardoor de professor aan zijne schrijf-
tafel was verrast geworden; het radeloos
om hulp snellen der verbijsterde meid naar
den naasten dokter, en de ijvervolle toe-
wijding van dezen tijdens eenige dagen
van gevaar.
Het spreekt van zelf, dat, nu de oude
heeren verzoend waren, de jongelieden geen
wrok meer droegen. Alles kwam zoo natuur-
lijk, de vroegere vertrouwelijkheid werd niet
weder aangeknoopt, maar om zoo te zeg-
-ocr page 22-
14                           EENE IDYLLE.
gen na jaren voortgezet, zooals zij het doet
tusschen degenen, die enkel door het
maandenlang verblijf in eene kostschool
zijn gescheiden geweest. Een korte tijd op
zich zelf, maar die van groote beduidenis
wordt, omdat hij het kind tot volwassen
persoon heeft gebracht. En nu hadden zij
elkander weder, nu herkenden zij den lach,
den spreektoon, de eigenaardige wijze van
doen of zeggen. Hunne vriendschap voerde
de bevredigende zekerheid met zich, dat zij
oud was en bezat toch tevens den toover-
glans der nieuwheid. Wat al ontdekkingen
en verrassingen waren er niet: met wat zij
dachten, wat zij wisten, wat zij gevoelden,
wat elk hunner geleerd en ondervonden had!
Zij kwamen nu dagelijks te zamen, meest
\'s avonds in het huis van den professor;
doch het gebeurde ook, dat Aurelie met
haar vader bij uitzondering de thee bij den
dokter gebruiken ging.
III.
Nooit had zij minder lust dan dit jaar ge-
voeld om naar buiten te gaan; maar zij had
-ocr page 23-
EEN E IDYLLE.                            T 5
toch niet vermoed, hoezeer het contrast
der verwijdering met hare thans gewone
gezelligheid haar treffen zou. Aanvankelijk
was er veel in orde te brengen, wat haar
afleiding verschafte; na verloop van een
paar dagen welde er echter een soort van
onbehagelijkheid in haar gemoed op. Zij
gaf er zich eerst geen duidelijke rekenschap
van; maar de tweede en derde avond te
lande schenen haar reeds lang, niet zoozeer,
omdat de stilte niet gestoord werd, maar
omdat zij op voorhand wist, dat zij niet
gestoord zou worden. Zij geeuwde een
paar malen met het boek voor zich, onder
de lamp rechtover haar altijd kalmen, te-
vreden studeerenden vader gezeten.
Was het de buitenlucht, die haar aldus
terneerdrukte ? Was het de gure voor-
jaarswind, die bij dage de wandelingen in
den tuin en aan den boord der Leie, die
hem aan ιen kant begrensde, zoo weinig
aantrekkelijkheid bijzette ?
Zij wist het niet. Zij dacht aan de stad
met hare duizend nauw verneembare levens-
geruchten, die zelfs degenen, welke tehuis
blijven en alleen zitten, voor een gevoel
-ocr page 24-
16
EENE IDYLLE.
van afzondering vrijwaren. Zij dacht aan
Guido, aan zijn schranderen geest, aan zijn
boeiend woord, aan zijn veelomvattende
kennis en leerrijken omgang, en zij begon te
verlangen, dat hij daar wezen zou. Was zij
op die korte maanden hunner hereeniging
reeds zoozeer aan zijn gezelschap gewoon,
dat zij het niet meer missen kon ? Het
scheen wel zoo In de stad was zij ver-
heugd hem te zien; nooit wenschte zij zijn
bezoek, rustig zag ze het te gemoet; be-
vredigd en zonder spijt hem vertrekken. Zij
minde Guido met de milde toegeeflijkheid
eener zuster en beoordeelde hem tevens
met de strenge blaam van een onpartijdi-
gen rechter: hoe was het toch mogelijk,
dat een verstandig man als hij tot hiertoe
al het practische had over \'t hoofd gezien ?
Eerst de medicijnen, later de rechten, ver-
volgens het notariaat bestudeerend, het vak
daarenboven verwaarloozend voor de eene
of andere nieuwe belangstelling in kunst
of wetenschap, die op hare beurt, aleer
doorgrond te worden, alle aantrekkelijkheid
verloor. Het was de beweegbare gretigheid
van zijn geest, de onverzadelijke weetgier
-ocr page 25-
EENE IDYLLE.
17
zelve, die er de oorzaak van waren; maar
wist hij dan niet, dat studie geen dilettan-
tisme is en iets nuttigs tot doel moet
hebben ? Zij kon zich ergeren over zoo
weinig doorzicht, gepaard aan zoovele na-
tuurlijke begaafdheden.
Maar thans dacht ze aan dit alles niet.
Zij wenschte om zijn stap te vernemen, zijn
glimlach te zien, zijne stem te hooren, en
zij schold zich zelve voor dom uit. Zij had
hem verboden te komen: — Donderdag,
Vrijdag, Zaterdag, lispte zij. Dan zou het
acht dagen zijn. Zij had gezeid acht dagen;
maar zou hij het zoo letterlijk opnemen
en nu niet gaan meenen, dat hij slechts
den Zondag komen mocht ? Was hij daar
niet als tehuis?
IV.
Den Vrijdag ging haar vader naar de
stad. Aurelie verblijdde zich bijna over zijne
afwezigheid. Dit bezoek was als een band,
die haar met de aldaar geblevenen verbond.
Zoodra zij het terugkeerend rijtuig hoorde,
liep zij het voorhof op en reikte hem de
-ocr page 26-
i8
EENE IDYLLE.
hand bij het afstijgen. Hij had een groot
pak boeken mede, dat hij zelf. de hulp
van den knecht weigerend, binnendroeg
en zij volgde hem in de woonkamer.
—  Alles goed in \'t ledig huis?
—  Ja.
Mijnheer Van der Hawermeiren tastte
in den achterzak van zijn jas, in de zijzak-
ken, in zijn vest en haalde er beurtelings
allerlei voorwerpen uit een pakje thee, een
fleschje glycerine tegen het springen der
handen en lippen in dit gure voorjaar, een
modejournal en twee dubbele strooken
postzegels, de eene rozenkleurig, de andere
groen,
—  Daar, daar, sprak hij met de naieve
fierheid van een kind, dat geene bood-
schappen vergeten heeft.
Onder het zoeken had Aurelie hem ge-
vraagd:
—  Zijt gij bij oom Cappuijns geweest?
—  Ik heb er gedineerd.
— En wanneer komen ze? vroeg ze schijn-
baar achteloos, de postzegels rond haar
vinger rollend.
—  Ha! Zondag, — haar aangezicht hel-
-ocr page 27-
EENE IDYLLE.                           ig
derde op — \'t is te zeggen de dokter,
want Guido is belet.
— Hoezoo? liet zij teleurgesteld ontglippen.
— Wel, hij moet naar da vergadering van
de commissie voor het oprichten van een
standbeeld voor... voor...
Hij haalde de schouders op ten teeken,
dat de naam hem niet te binnenschoot.
Het was ook dat niet, wat Aurelie be-
lang inboezemde:
—   Wanneer komt hij dan ? vroeg ze.
Nu was mijnheer Van der Hawermeiren
eens recht in zijn schik te kunnen bewijzen,
dat hij bescheid wist: — Ik heb hem gezeid,
mijn jongen, doe zooals gij verkiest, geneer
u niet, wij zullen u zonder fout Zondag
over acht dagen verwachten.
—  O papa, dat is hem afzeggen! sprak
zij op een toon van verwijt. Maar hij luis-
terde niet. — Welnu, vroeg hij opgeruimd,
met de zelftevredenheid, die eene gepleegde
heldendaad medebrengt: heb ik uwe bood-
schappen niet goed gedaan ? en hij streelde
de uitgepakte voorwerpen met het oog.
—  Opperbest, antwoordde zij met ironie.
Zij wilde hem echter niet bedroeven,
-ocr page 28-
2O                             EENE IDYLLE.
haar braven, dwazen, geleerden vader, die
alles gewoonlijk verkeerd deed, en zij ging
uit de zaal om hare ontevredenheid te
verhelen. Het fleschje glycerine had ze
laten staan, het pakje thee laten liggen, de
postzegels op de tafel geworpen, zij zoo
bezorgd, die nooit de kleinste wanorde
noch bij zich zelve noch bij anderen ge.
doogde.
De koude voorjaarswind blies in haar
aangezicht en dreef een traan in haar oog.
Kwelling lag in haar hart: neen, Guido
zien of niet zien, was haar om \'t even;
maar hem zoo brutaal doen begrijpen, dat
hij gedurende heel de week niet komen
mocht, was te kras. In eens stond zij pal
en maakte eene beweging om op hare
stappen terug te keeren: hem een telegram
zenden ? — Neen, dat was te veel gewicht
aan de zaak hechten. Dan dacht ze, of ze
hem niet schrijven zou. Och neen, zij had
hem nog nooit geschreven. Er stond haar
niets te doen dan het vervolg af te wachten ...
Zij liep zoo haastig door de tuinpaden,
dat zij verschrikte, toen de hovenier, uit
een zijlaan komend, met de hand, die hij
-ocr page 29-
EENE IDYLLE.                              2 I
onder \'t spreken, ten blijke van eerbied,
recht naast de pet hield, haar vlucht stuitte
om te vragen, waar zij dien boomstronk
wilde geplaatst hebben, dien zijne dochter-
kens zoo even aangebracht hadden.
Aurelie had naar dien tronk verlangd;
zij had zoo iets in een naburigen tuin be-
wonderd: het onderdeel van een knoestigen
wilgestain, half in den grond gedolven en
kunstmatig met varens en maagdepalm
overgroeid. De hovenier had moeite gehad
om er een dergelijken te ontdekken, en
wilde haar medetroonen om hem te zien.
Zij schoot als uit een droom: \'t Is mij
om \'t even, zei ze ongeduldig, bijna on-
beleefd, gij doet mij verschrikken, Wanus.
De man verschrikte ook over het stroeve
van haar stem; doch even ras bezon zij
zich en : — Ja, toon mij dien, zei ze milder
en begeleide zijn tragen, loom en aard-
werkersstap.
Even achter de hazelaren stonden de
dochters er mede. Zij hadden hem op een
kruiwagen tot daar gevoerd: een plomp
stuk hout, een zwaren last voor twee meisjes.
De eene, de jongste, de grootste, droeg nog
-ocr page 30-
22
EENE IDYLLE.
het handzeel over de schouders, terwijl zij
de uiteinden er van rond de hand gekruld
hield. Zij bezat een lief gezicht, regelmatig,
verlokkend blij, met een hemelsche uit-
drukking. die Aurelie verraste en totsym-
pathie bewoog. De andere, die aan den
»kortewagen« was gespannen geweest, scheen
zeer klein nevens haar. Zij had een bochel,
een hooge heup en een pijnlijken trek op
het gelaat. Haar mond was groot, haar
gescheiden haar gitzwart. Zij groette diep,
zooals de arme meisjes tegenwoordig te
lande doen, iets wat zij van de nonnekens
in de kloosterschool leeren.
Zij was niet beschaamd en gaf bescheid
over de moeielijkheden van \'t vervoer, om-
dat de weg van het bosch tot hier zoo
moerassig vuil lag.
Hare zuster sprak niet en glimlachte.
Aurelie reikte aan het bultje een drink-
penning voor haar beiden. En: — Allι, zei
de groote nu en reed met den geledigden
wagen voorop, gevolgd door hare zuster.
Aurelie en Wanus zochten eene geschikte
plaats voor het planten. Zij bleef er bij
staan, toen de put werd gemaakt, en volgde
-ocr page 31-
23
EENE IDYLLE.
met het oog het uitwerpen van den muilen
grond. De wind blies om hare ooren en
joeg haar losgeraakt haar over het voor-
hoofd en deed haar rok op heup en beenen
kleven. En nu eerst bemerkte zij, dat ze
blootshoofds was en geen beschermenden
sjaal had omgeslagen. Zij huiverde:
— Doe gij het maar alleen, Wanus, naar
uw goeddunken, het is hier te koud, zei
ze en trad den weg naar het woonhuis in.
V.
Mijnheer Van der Hawermeiren had een
paar rijtuigen, welke hij in de stad niet
bergen kon, maar die in den zomer van
groot nut waren, evenals de bruin en wit
gevlekte muilezel, die \'s winters bij den boer
op stal bleef. Aurelie reed er gaarne en
veel mede uit in het omliggende. Zij mende
zelf. Het was een groot genot voor haar.
Den eersten Zondag reed zij er ook mede
naar het naaste station — een goed half
uur van het landgoed — om oom Cap-
puijns at te halen. Zij wist, dat Guido niet
komen zou, en toch was ze teleurgesteld,
-ocr page 32-
24
EEN E IDYLLE.
toen zij den dokter alleen irit den trein
stijgen en fiks, met korte stapjes als zoovele
kleine schopjes, naderen zag. Een vriendelijke
grijnslach verscheen op zijn kwaad aange-
zicht, zoodra hij haar ontwaarde. Hij nam
plaats in \'t open rijtuig en pijlsnel vloog
de muil heen. Het was een zoele meidag
en verbazend hoe veel groener alles scheen,
nu de wind het jonge loover niet mee-
doogenloos omkrullen deed.
Mijnheer Van der Hawermeiren stond
zijn voormaligen vijand af te wachten, en
leidde hem rond in het huis en den
tuin met al de bedrijvige voldoening, welke
de bezitters van eenen eigendom, dien ze
bewonen, kenschetst.
Aan de tafel kregen de heeren — wat
vaak het geval was — eene discussie over
een punt van politiek, vrij luidruchtig en met
drift gevoerd. De professor animeerde zich
enkel, wanneer hij een tegenstrever had, en
Cappuijns met zijn oploopend temperament
was bijzonder geschikt om zijn zwager in
die opgewekte, hem zoo dierbare stemming
te brengen.
Aurelie luisterde niet of weinig. Zij luis-
-ocr page 33-
EENE IDYLLE.                           2 5
terde nooit naar hun geharrewar, niet uit
minachting, maar omdat zij dezelfde din-
gen van in hare kinderjaren, aleer zij ze
verstaan kon, had yehoord en de herhaling
er van haar als een hol, onaangenaam ge-
rucht aandeed.
Zij was blij, toen ze vernam, dat oom
Cappuijns eene consultatie in de stad had,
welke hem dwong met een vroegeren trein
te vertrekken ; en zij zorgde, dat paard en
wagen op tijd gereed waren, om hem naar
\'t station te voeren.
Dat bezoek had haar vermoeid. Zij had
zich voorgenomen niet het eerst van Guido
te gewagen. Van hem was geene spraak
geweest. Zij dacht nochtans aan hem, dien
avond, toen zij met de schemering nog eens
den tuin doorwandelde, in de logge rust
en drukkende eenzaamheid, welke het einde
van den Zondag zoo geheimnisvol en on-
verklaarbaar te lande over alles werpt. En
zij verlangde weer naar hem met die innig-
heid, welke de ontbering van iets doet ont-
staan. Had hij haar afzeggen en dat haars
vaders euvel opgenomen, en dreef hij den
kleingeestigen wrok zoo ver, dat hij haar
-ocr page 34-
2 6                           EEN E IDYLLE.
straffen wilde, of voelde hij die opschorsing
van hun verkeer, die leemte der afwezig-
heid, niet zσσ als zij? Het maakte haar
wrevelig\', dat navorschen naar iets, dat haar
kwellend bezighield zonder de gronddiepten
van haar hart te beroeren. Want in haar be-
kommernis en spijt mengde zich geene
teederheid. De behoefte om hem daar te
heb! en was eene behoefte van den geest,
veelmeer dan van \'t gemoed.
Terwijl ze des morgens hare lange lok-
ken kamde, vroeg ze zich weder af, of ze
hem dien dag niet zien zou. En hoe dwaas
hij was niet ongehoorzaam te worden, — dit
was juist het onpractische, het gebrek aan
initiatief, dat hem kenschetste en heel zijn
leven hinderlijk in den weg staan zou.
In den tuin was het heerlijk, alles kiemde
en groende in de warme lentelucht vol
levensgeronk. Hoe was het mogelijk nu
niet een uitstapje naar buiten te doen!
Het lindeloover hing malsch en blinkend
aan de reeds lang geschoten, roodachtige
twijgjes; purperen judaspenningen, in haast
ontloken, schitterden tusschen en onder het
nog kleinbladerig heestergewas, dat hen
-ocr page 35-
EENE IDYLLE.
= 7
aldra overweldigen zou. De pyrrhus, kun-
stig" besnoeid, bloeide nog hoogrood, alleen
staande, in \'t grasplein aan de bocht van
het slingerpad. Daar een perkje bontkleu-
rige fluweelen anemomen, met open kelken
de zon aanbiddend; ginder een grooter
perk: hemelsblauwe tuinvergeet-mij-nietjes,
een weelderigen hul \') rozenkleurige silenas
omzoomend, dat van verre aan den fris-
schen overvloed en de gazige lichtheid van
kundig uitgestalde balstoffen deed denken.
De kastanjeboom stak fier zijne prachtige
bloementoortsen op \'t donkergroen omhoog;
al de groote boomen ritselden met lente-
gesuizel boven het hoofd, en vrijpostig
begon het woekerkruid zelf den weg te
overdekken.
Wanus was bezig met het uitrakelen der
dorre bladeren van onder \'t hazelaargewas.
Hij hield de korte pijp in den mond en had
de berekend trage bewegingen van de
grondbewerkers, die weten, dat hunne taak
lastig, en de dag lang is.
En nu jubelde Aurelie\'s hart met de
vogelen mede; het zweefde met de speel-
") Massa.
-ocr page 36-
2 8                          EEN E IDYLLE.
sche, kwetterende zwaluwen in de ruimte;
alle gedachten dommelden in rust; ademen
werd eene weelde in al dat groen. En zij
bleef staan voor eene groep meiroosjes,
hevig geel, zonder schakeeringen, zooals wel
dikwijls gele bloemen zijn — of schijnen
zij het, omdat het oog, door hun geschitter
verblind, de tonen niet meer vat? Dorre
takjes staken boven de groene uit, schen-
dende teekens van vergankelijkheid en ver-
val op dit alom uitbarstend lenteleven.
Aurelie bezat fraaie handen, die zij met
de grootste zorg verpleegde; nooit stelde
zij die aan de lucht bloot. Thans ook had
zij hare lange, tevens den pols beschermende,
vleeschkleurige hondenvellen handschoenen
aan, en werktuiglijk begon zij de naakte
takjes af te breken. Zij smaakte het zuiver
mechanisch genot der vingeren: de broze
stokjes te doen kraken en telkens zegerijk
hun kleinen weerstand te overwinnen. Aldus
had zij reeds een heelen hoop rijshout ver-
zameld en stond zij nu verder, nog altijd
werkzaam, bij de lagere theeboompjes, wier
kenmerk het ook is hunne dof rozenkleu-
rige, wollige bloemenkaarsjes door eene om-
-ocr page 37-
EEXE IDYLLE.                             2 O,
geving van bruine, bladerlooze stokjes te
beschamen.
Daar klepte \'t klokje voor \'t diner. En
zij schoot uit hare verdooving op en haastte
zich naar huis om haar vader niet te doen
wachten Wat was zij zonderling en wei-
lustvol, die opschorsing van alle gevoelens
en gedachten, dat oplossen van \'t eigen ik
in de onmiddellijke omgeving! En welke
vergoeding voor het ontberen van de on-
rustwekkende begaafdheden des geestes
moest er niet liggen in de tevreden, be-
spiegelende verstomping dergenen — zooals
zij, misschien ten onrechte, geloofde dat er
zijn — welke nederig en arbeidzaam, aan
het redeloos lastdier gelijk, hunne dagen
slijten!...
Tegen den straatkant, juist waar de steen-
weg een hoek vormt, was in den tuin eene
kleine hoogte; daar stond een open linden-
prieλltje met eene bank. Men zat er beschut
voor \'t oog der voorbijgangers en kon
toch, door eene opening in \'t groen, zelt
alles bespieden; geene boomen of struiken
benamen het uitzicht op de vlakte. Over
de Leie, welke na vele kronkelingen door
-ocr page 38-
30                          EENE IDYLLE.
wei- en akkerland op eenige honderden
meters voor het landgoed terugkeerde, lag
eene ophaalbrug; het tolhuis stond er naast.
Aurelie bezat een buitengewoon scherp oog
en kon de komenden en gaanden tot op
grooten afstand onderscheiden, Na den
middag, terwijl haar vader bij het lezen van
een dagblad in zijn zetel insluimerde, ging
zij in dat looverhuisje zitten. Het was het
uur van den trein en telkens maakte zich
daar eene kleine gejaagdheid van ruiar
meester. Zij keek bestendig op van haar
boek: er kwam een wagen of een pracht-
gespan over de brug; de vrouw van den
tolmeester verscheen met de hand uitge-
strekt voor het te ontvangen recht; soms
werd er door deze een praatje met een
voetganger of ruiter gemaakt. De lucht
was zoo helder, dat Aurelie het verdoofd
geruisch van den verren trein vernam. Zij
vouwde haar boek geheel toe. Zou Guido
komen ? Zou hij het niet doen ? En zij bleef
in de richting kijken. Neen, niemand, dien
zij met hem verwarren kon. Enkele malen
schrikte zij nochtans belangstellend op: een
zekere zwier, eene eigenaardige, hoogege-
-ocr page 39-
KFNK Tm\'I.T.E.                           3 I
stalte, een donkerder kleederdracht deden
haar een oogenblik twijfelen; maar neen,
zij zag het dra, het was een handelsreiziger
of ergens een bezoeker met bestemming voor
een ander landgoed uit de buurt. Toen
welde een soort van schier vernederende
teleurstelling in haar gemoed op. Hoe was
het mogelijk zich aldus om een afwezige
te bekommeren! het was een eebrek aan
eigenwaarde tegenover zich zelve, zoozeer
naar iemand te verlangen, die aan haar
niet dacht en haar zoo goed kon missen.
En nu zij zekerheid had, dat Guido van-
daag niet te verwachten was, hernam zij
kalmer hare lezing of haar handwerk, in
haar hart verblijd, dat er ten minste nie-
mand anders haar geliefde eenzaamheid
verstoren, en haar tijd rooven zou.
Het was opmerkelijk, en zij gaf er zich
geene rekenschap van waarom, maar zij
vreesde het bezoek van bekenden uit de
stad, en bij gebrek aan zijn gezelschap,
bleef zij \'t liefst aan zich zelve overgelaten.
VI.
Het schoone weer had niet aangehouden.
«
-ocr page 40-
2,2                           EENE IDYLLE.
Fel blies de wind in \'t malsche loover, dat
aan zooveel strengheid niet gewend, pijnlijk
dooreengeslagen, zijne aanhoudende wee-
klacht huilde. Aurelie. die heel de week om
zoo te zeggen buiten had geleefd, kon het
in huis niet uithouden. Zij wandelde op \'t
voorplein, warm in een sjaal geduffeld,
met een capeline op het hoofd, waarvan
de fronsels tot over hare wenkbrauwen
hingen. Daar, juist in \'t zuiden, was zij wat
voor den noord-oostenwind beschut, maar
zij hoorde zijn woeden in de loeiende spar-
ren, niet ongelijk aan het geruisch der zee;
de wolken waren grauw met logge zwarte
randen en namen monsterachtige gedaanten
aan; nu en dan vielen enkele koude regen-
druppelen op hetgeen van haar gelaat was
blootgebleven. Zij ging met rassche schre-
den heen en weer onder den grooten, ge-
struikten kerslaurier l), die zoo overvloedig
vol bloementrossen stond, dat hij als met
donzige sneeuw bedekt scheen; de grond
zelf er onder lag heel wit met afgestoven,
fijne bladerkens bestrooid. Zij dacht dat zij
*) Kerslaurier: prunus lauro-cerasus.
-ocr page 41-
EENE IDYLLE.                          33
zulk weer minde, en de oproer der elementen
iets grootsch in zijne woestheid heett, dat
ontzagwekkend de macht der natuur ver-
kondigt. Zij voelde zich zoo levenslustig,
het scheen haar, dat ze uren ver had kun-
nen gaan. En zij zag op in\'t loover: daar,
ergens verborgen, dichtbij, zong de nach-
tegaal. Zijne stem overheerschte het bruisen
van den wind, als trotste hij de kou
en de orkaan; onvermoeid en onverdroten
wierp hij zijne jubeltonen in de ruimte, het
luisterend oor verrukkend door hun har-
monische, oneindige afwisseling.
Wat was het toch heerlijk te lande!. ..
In eens, zich omkeerend, schrikte zij en
deed een stap achteruit: Guido stond vσσr
haar. Zij had het ijzeren hek niet hooren
openen. Hij lachte haar tegen, ook in zijn jas
gewikkeld, met den kraag op en de schou-
ders hoog, rood van zijn worstelen met
den wind.
Hij stak haar de hand toe, en terwijl zij
die nog vasthield, vroeg zij, blij verwonderd:
— Hoe komt gij hier?
Het uur van den namiddagtrein, met
welken zij hem dagelijks verwacht had, was
3
-ocr page 42-
34                          EENE IDYLLE.
lang voorbij. Zij had zijne komst zoozeer
bespied en nu verraste hij haar toch op het
oogenblik, dat zij volstrekt aan hem niet
dacht!
—  Te voet, antwoordde hij.
—  Meer dan twee uren gaans, door zulk
een weder! zei ze, het klonk bijna ver-
wijtend.
En hij bekende het als een scholier, die
eene guitenstreek op zijn geweten heeft: hij
kon het in de stad, in zijne ballingschap,
niet meer uithouden. Het was nu Vrijdag,
morgen nog geduld te hebben .... nog een
heelen dag te verloopen tusschen den Zon-
dag! neen neen, hij had zijn uurwerk ge-
raadpleegd en was naar \'t station geijld,
hij hoorde den wegtrekkenden trein fluiten,
juist, toen hij met zijn snel genomen kaartje
aangeloopen kwam. Zijne teleurstelling
duurde slechts een oogenblik. Hij zou zich
daardoor niet laten afschrikken: Ik wilde
u zien, vandaag, u — en uw vader, voegde
hij er in eens verlegen bij.
Dit laatste deed Aurelie glimlachen. Eene
onuitsprekelijke kalmte was in haar hart
gedaald, eene bevrediging, eene zalig be-
-ocr page 43-
EENE IDYLLE.                           35
wustzijn van macht en zegepraal. En nu
was zij het, die zoozeer naar hem had ge-
snakt, welke met vriendelijke blaam zijn uit-
stapje kinderachtig en buitensporig noemde,
terwijl hij aan hare zijde op \'t voorplein heen
en weer ging! Zij was oprecht, zij had al haar
verlangen vergeten bij het veropenbaren van
zijn nog grooter verlangen om elkander
terug te zien. Zij dacht er niet meer aan
om zich te ontschuldigen over schijnbare
onbeleefdheden, of wilde het misschien niet
doen, omdat zij gevoelde, dat het al te
vriendelijk van haar ware geweest.
Guido was daar sedert jaren niet gekomen;
alles moest hem bekend zijn en herinne-
ringen wekken en scheen als dusdanig toch
niet veel indruk te maken. Zij waren nu
verder den tuin ingewandeld; hij had het
hoofd eens binnen de halve staldeur ge-
stoken, en den ouden muil een streelend
klopje op de achterlende gegeven; en deze
had omgezien en gehinnikt als tot weder-
groet; zij waren genaderd tot aan de beuken-
haag met haar bleek en glimmend groen,
waarvan de weelderige broosheid bewonde-
ring en tevens angst voor zijn onmogelijk be-
-ocr page 44-
36                           EENE IDYLLE.
houd verwekt. Daar was het, dat hij,
toen beiden van de schepping genoten,
zonder van hare schoonheid bewust te
zijn, kevers schudde, die zij als levenlooze
voorwerpen hier en daar opnam en prik-
kelde, tot zij uit hunne verdooving ont-
waakten en met de pooten begonnen te
spartelen. Guido verzamelde ze in eene
doos en toen werd een draad door hun
stuitje gestoken en zij — op den grond
gesteld — hieven hunne schubben in
eene beweging van ademhalen op, al meer
en meer, tot er eindelijk lucht genoeg onder
was en zij eensklaps — altijd onverwacht
nog voor de belangstellende toezieners —
ook hunne gazen vlerken daaronder ont-
plooiden, en in lompe vlucht opgingen on-
der de zegekreten van de kleinen, die den
draad hielden. Ginder stonden de groote
denneboomen heen en weer geslingerd door
den stormwind, hier de reuzenolm, waarop
hij eens roekeloos, met levensgevaar, geklau-
terd was om er een weewaalnest (wiele-
waal) te rooven.
Zij waren aan den boord der Leie ge-
komen. Het schuitje van vroeger met zijn
-ocr page 45-
EENE IDYLLE.                          37
rood en wit gestreept paviljoen lag er nog
vastgeketend, zwalpend in het ongestuimig
water, dat thans even grauw als de hemel
was. Hoe vaak had hij er met haar als
knaap tot aan de sluis in geroeid! Maar
aan dat alles dachten zij niet of gewaagden
er niet van, en weldra had het gesprek —
wat altijd gebeurde, als zij te zamen waren
— eene gansch tegenovergestelde wending
van die der sentimentaliteit genomen. Op
eene bemerking van Aurelie, dat het klimaat
in Vlaanderen zoo veranderlijk is, had Guido
gezegd, dat de huidige verkoeling hare
wetenschappelijke uitlegging vond en alle
jaren omstreeks den twaalfden Mei inviel,
omdat zij veroorzaakt werd door de smel-
ting der groote ijsschollen in de Baltische
zee, die eene beduidende hoeveelheid latente
luchtwarmte daartoe moesten opslorpen.
Toen sprak hij van den wind, van andere
natuurverschijnselen, en het was reeds laat
en tijd om te vertrekken, voordat hij
er aan dacht eens bij haar vader te
gaan.
Zij keerden ras naar huis met koude
wangen, frisch doorwaaide kleederen, kracht
-ocr page 46-
38                          EENE IDYLLE.
in \'t bloed, gezondheid in den geest en
sympathie in \'t hart.
Mijnheer Van der Hawermeiren was niet
verwonderd Guido zoo laat te zien aan-
komen, hij was over niets verwonderd en
had reeds vergeten, dat hij zelf dat bezoek
tot den Zondag verschoven had; ook niet
verheugd, of niet verstoord, omdat hij in
zijne studie onderbroken werd. Hij ging
mede tot aan het voorhek in zijn gekleurden
kamerrok, en bemerkte geenszins, dat zijn
jonge vriend zelfs niet had neergezeten,
wat toch zonderling was voor iemand, die
van uren ver kwam.
Bij het scheiden — haar vader had reeds
den rug gekeerd — viel er Aurelie nog
iets te binnen en zij zei heel opgewekt:
— Guido, \'s avonds zie ik altijd een tame-
lijk groote, doffe ster in \'t zuiden tusschen
de constellatie van den Leeuw en het Aar
der Maagd, het moet eene planeet zijn;
Jupiter is niet zichtbaar, Mars kan het niet
wezen, want\' die heeft eene roode kleur;
Venus is grooter, het kan geen andere
dan Saturnus zijn... is het zoo ?
Hij wist het niet, hij wist er minder van
-ocr page 47-
EENE IDYLLE.                          39
dan zij, die deze wetenschap ook uit lief-
hebberij bestudeerd had in boeken voor
oningewijden geschikt. Hij had geen tijd
meer: — Ik zal het aan Mouval — dat
was zijn vriend, een sterrenkundige — vra-
gen en u zijn antwoord Zondag mededeelen,
zei hij heenijlend.
VII.
Des anderdaags stond hij daar weder,
ook laat, lang na het uur van den trein:
hij had niet willen wachten, hij moest haar
dadelijk de boodschap brengen. Ja, zij had
gelijk, hij had het aan Mouval gevraagd, het
was Saturnus, die thans op de door haar
aangeduide plaats zat.
Aurelie glimlachte, verrukt; hare oogen
schitterden, zij was zoo verheugd over die
ontdekking in het nederig grondbewustzijn
zelf harer onwetende geleerdheid.
— Ziet ge \'t wel, zei ze zegepralend, dat
ik er iets van heb onthouden en gij mij
niet te vergeefs die boeken van Houzeau
en Flammarion heb gegeven.
Hij bekende het volgaarne, opgeruimd,
hare blijdschap medegenietend. En als een
leerzuchtig kind, dat fier is over zijne weten-
-ocr page 48-
4-0                          EENE IDYLLE.
schap en ze bewijzen wil, daagde zij hem
schertsend uit om haar vragen te stellen:
welk teeken van den Dierenriem op een
bepaalden dag en een bepaald uur aan
de middaglijn voorbij trok. En hij deed
het en zij — na eenig nadenken of aarzelen
— wist bescheid te geven.
Aldus wandelden zij het slingerpad op.
Wanus had den kruidsteker neergezet
en rakelde nu vlijtig, daar het Zaterdag was
en de tuin in zijn Zondagstooi moest prij-
ken; en »omdat er zooveel werk was met
al dat verduiveld onkruid, waar een mensch
niet meester over kan worden," had hij
Aurelie een paar dagen geleden voorge-
steld zijne dochters in de hoedanigheid van
wiedsters mede te brengen. Hetgeen met
enthousiasme was aanvaard. Aurelie kon
geene wanorde of gebrek aan oppas zien.
Het was een genoegen voor haar, wanneer
ze alleen drentelde, de kleine, fijngeschoeide
voetjes in de mul omwoelde aarde te mogen
stellen en wederkeerend langs het pad, het
eerste spoor te volgen met het oog, en
zich rekenschap te geven van de nauw
merkbare bochten en afwijkingen in de
-ocr page 49-
EENE IDYLLE.                           41
rechte lijn, door de aantrekkingskracht van
boomstammen of struikgewassen veroor-
zaakt.
Toen zij aldus keuvelend aan den pyrr-
husstruik kwamen, richtte eene kruipende
gestalte zich juist daar van onder op: het
dochtertje van Wanus, diegene met den
grooten bult. Zij had een schortvol afval
en rotte bladeren verzameld. Zij had de
komenden niet ontwaard en trad terzijde
om hen door te laten.
Zij groette zeer gewichtig met de diepe
buiging, die men haar in \'t klooster had
geleerd. Guido\'s blik viel in \'t voorbijgaan
op haar: er lag iets jammerlijks en tevens
comisch over die plichtmatige beleefdheid, in
tweestrijd met den stand van dat mis-
vormde schepsel, iets dat deed denken aan
een aapje, toeren verichtend.
— Dag, Clete, zei Aurelie, met hooge,
verwijderende minzaamheid en zij vervolg-
den hun weg.
Aan den ingang der overwelfde linden-
allee lagen eene houweel en een krabber
met de snee en de tanden omhoog naast
een stapel versperrend onkruid. De beiden
-ocr page 50-
42                           EEN E IDYLLE.
bleven staan, Aurelie zag rond: de andere
dochter van Wanus was verder in de zode
neergehurkt, bezig met het uitwieden van
een perkje rozelaren.
—   Rensken! riep Aurelie.
De gestalte verroerde niet.
—   Zijn het les naturels de f endroit, welke
zulke harmonische namen dragen ? vroeg
Guido schertsend.
— Chut, beval Aurelie en zij herhaalde op
luideren toon den oproep van Rensken!
Nu had de aangesprokene haar gehoord
en wendde zij het hoofd om.
—  Kom eens hier, als een braaf kind, en
neem dat gereedschap weg, het zou ge-
vaarlijk kunnen worden. En het uitgestort
onkruid bedoelend: de menghoop is ginder
in den hoek, achter gene palmstruiken,
zei zij, met den vinger de plaats aan-
wijzend.
Rensken stond op en kwam nader: haar
voorschoot hing af en droeg twee groote
groenachtige zandvlekken aan de kniehoogte
van het kruipen over den grond; haar hoed,
nog aan den hals met vuile strikken vast,
was achterover in den nek gevallen, en hare
-ocr page 51-
EENE IDYLLE.                           43
wispelturig losgekrabde en verwarde haren
vormden eene lichtkroon in de laatste zonne-
stralen boven haar hoofd.
Zij bloosde hoogrood in de tegenwoor-
digheid van dien vreemden heer, beschaamd
over het verwijt en had zich in haast neerge-
bukt, met hare twee handen te gelijk het
onkruid in hare schort scharrelend. De
roode huid der kneukels en polsen droeg
kleine, bloedige schrammetjes door de niet
te ontwijken doornen van het rozenperk
veroorzaakt.
Weldra was de ingang open, de sporen
van het krabbelen harer nagels op de aarde
achterlatend. En terwijl Aurelie het meisje
nog een bevel gaf — iets nopens het voor-
plein, waar Guido niet naar luisterde —
zag hij haar aan met verrassing eerst en
weldra met geboeide bewondering in den
blik, terwijl Rensken in bekoorlijke schroom-
valligheid, glimlachend eenige woorden van
onderwerping stamelde.
— Elle est jolie! sprak hij, nog eens om-
ziende, aan Aurelie\'s zijde onder den boog
van den loovergang voortgaande.
—   Niet waar ? zei deze op een toon, die
-ocr page 52-
44                           EEN E IDYLLE.
zijn oordeel niet alleen beaamde maar klem
bijzette, het is als een madonnabeeldje
van Rafaλl.
Eene vrouw gevoelt nooit de behoefte
eene andere vrouw — haars gelijke — om
hare schoonheid te hooren roemen; maar
dat achttienjarig veldkind was zoover bene-
den Aurelie in alle andere opzichten, dat het
bij de steedsche juffrouw een gebrek aan
het besef harer eigenwaarde, zelfs tegenover
zich zelve, zou hebben behelsd, indien de
minste zweem van naijver in haar hart
ware ontstaan en zij Rensken anders dan
onder een artistiek oogpunt had beschouwd.
Het kwam haar niet in den zin, dat het
bij Guido kon anders wezen, en het scheen
ook niet zoo; maar die ontmoeting bracht
hun gesprek op de schoonheid in \'t alge-
meen, op sommige om hare uiterlijke gaven
beroemde vrouwen, wier naam de geschie-
denis heeft bewaard. En dra ontstond de
vraag of het wel een geluk mag heeten
voor een volksmeisje deze gave te bezitten,
vaak om er den ondergang harer bewon-
deraars door te bewerken, of er zelve door
in \'t verderf gestort te worden.
-ocr page 53-
EEN E IDYLLE.
4 5
Toen zei Aurelie: — Hebt gij er nooit op
nagedacht, hoe zonderling het is, dat de
schoonheid, die tronen heeft veroverd en
oorlogen verwekt, die hare macht schier
alom doet gelden en hulde vergt, waar
zij verschijnt, bij enkelen eene werkelooze
macht wordt, iets onbewust, dat noch de
bezitster noch hare omgeving weten te
schatten, als eene zeldzame bloem die on-
bewonderd bloeit en verwelkt op haren
stam?
—   Hoe meent gij dit? vroeg Guido.
—   Ik meen, hernam zijne gezellin, dat
om eene begaafdheid van het uiterlijke of
den geest in een voordeelig licht te plaat-
sen, er eene daartoe geschikte omgeving
behoort, dat de tooneelspeler een theater
hebben moet, indien hij schitteren wil. Is
niet de schoonheid van dat meisje uit de
bosschen alsof zij niet bestond? waar geldt
zij? wie zal ze schatten ? Niet de ruwe werk-
man, wier vrouw zij worden zal; niet de
menschen die haar beperkten kring uitma-
ken; zij zelve heeft misschien geen spiegeltje
of althans maar een onvoldoende, waarin
zij hare eigene trekken bewonderen kan..,
•
-ocr page 54-
46                           EENE IDYLLE.
— Halt, zei Guido lachend, nu overdrijft
ge, en wij dan, rekenen wij niet mede, die
Rensken — hij drukte luimig op dien naam
— bewonderen en de eer van een geheel
gesprek gunnen?
VIII.
Hij kwam des anderdaags met zijn vader,
hij kwam den Maandag ook; den Woensdag
stond hij daar reeds weder. Bijna te dikwijls
nu voor Aurelie.
De lente was gansch verschenen met
uitbundig gezang en schier overdadigen
groei. Zij brachten meest den tijd in den
tuin door, en alras begonnen zij ook wel
eens in het schuitje over de Leie te steken
en — het daar geankerd latend — volgden zij
den trachel (jaagpad) langs den stroom. Er
waren thans geene koewachters met koeien
in de weiden; het opgeschoten gras, met
duizenden kleurige bloemen er tusschen,
suizelde en boog op groote oppervlakten
onder den streelenden ademloop van den
wind; de lucht was mild, het weer bleef
voortdurend mooi. Guido had altijd iets
•
-ocr page 55-
EENE [DYIXE.                           47
boeiends te verhalen, iets belangrijks mede
te deelen, eene bemerking te maken, of
eene meening uit te drukken, die haar door
de juistheid of de nieuwheid verraste en
trof. En terwijl zij daar aan elkanders zijde
voorttraden, in genoegelijke harmonie des
geestes, naar niemand anders gezelschap
wenschend, doelloos en bevredigd in de
zomerzon, kon Aurelie toch niet nalaten
een schuinschen blik op hem te slaan en
haars ondanks zich af te vragen, of die
groote, jonge, vernuftige man niets beters
te verrichten had op de wereld dan hier
met haar aan den boord van \'t water te
slenteren.
— Waar denkt gij aan ? vroeg hij haar
somtijds half misnoegd, wanneer zij, zicht-
baar verstrooid, met een bewustzijn als van
tijdverlies zwijgend voortschreed.
Zij kon of dorst hem dat niet zeggen:
een gevoel van vrouwelijke kieschheid hield
haar terug om die snaar te roeren, en
zijn toekomst en zijn burgerplicht met hem
te bespreken; maar zij nam zich voor het
later eens te doen, openhartig en gestreng,
zoodra hij zelf die quaestie aanraken zou.
-ocr page 56-
48                           EENE IDYLLE.
Op een Zondag in den vroegen namid-
dag nog, dat zij beiden — onbemerkt van
de twee kampioenen — een hevigen we-
tenschappelijken woordenstrijd tusschen de
geleerde vaders aan het dessert ontvlucht
waren, stelde Guido haar voor een
tochtje op \'t water te doen: hij zelf zou
roeien.
Het schuitje, door haar aan \'t roer be-
stuurd, door hem met krachtige riemslagen
in beweging gesteld, volgde de vele kron-
kelingen der rivier met hare lage oevers
en haar helder, den hemel en de boomen
weerspiegelend nat; nu ras en stil het water
doorsnijdend, dan trager, wat gehinderd —
ruischend tusschen \'t buigend riet heen-
schuivend.
Soms liet Aurelie hare hand over den
boord in \'t water slepen, den uitgetrokken
langen handschoen met het stuur in de
andere houdend.
Zij kwamen aldus tot aan de brug van
het tolhuis. Zij hadden nog niet gesproken.
—   Nog verder? vroeg hij nu.
—    Indien gij niet te moede zijt, zei
ze, want zijn in \'t eerst verbleekt gezicht
-ocr page 57-
EEN E IDYLLE.                           4 O,
was gansch rozen kleurig van de inspan-
ning en kleine droppelen blonken onder
zijn achteruitgeschoven stroohoed op zijn
voorhoofd.
—  Neen, antwoordde hij, den adem in-
houdend om de hijgingen zijner borst te
verbergen, en het vaartuig, wat ingetoomd
in zijne vlucht, schoot snel onder den boog
der ophaalbrug heen.
De vrouw uit het tolhuis kwam buiten
en hield de hand boven de oogen om hen
na te zien.
—   Even tot ginder aan dat groepje boo-
men, bad Aurelie, die nu begon te denken,
dat zij misbruik van zijn dienstvaardigheid
had gemaakt, en dat de lichaamskracht van
den sterkste ook hare palen heeft.
Die groep was een hoop struikgewas, dat
zij altijd van uit het prieeltje op den hoek
van haar tuin donker op de weide aftee-
kenen zag, en dat zij ofschoon niet ver er
van verwijderd — in rechte lijn ten minste
— nooit had bezocht.
Het was een bekoorlijk plekje, zooals de
Leie er vele telt, eene bocht van \'t water
met riet begroeid, door een elskant belom-
4
-ocr page 58-
5 o
EENE IDYLLE.
merd, en nog met een paar hooge boomen
overschaduwd.
Guido wierp het anker in den grond. Hij
was op den boord gesprongen. In zijne
volle lengte stond hij daar, met een zak-
doek zijn aangezicht afdoopend.
Hij wilde niet bekennen, dat hij vermoeid
was en de inspanning te groot achtte; maar
hij had dorst, zei hij, en op haar raad
keerde hij langs den oever terug — te
voet thans — naar de herberg van het
tolhuis om een glas bier.
Aurelie bleef alleen in het schuitje. Over
de weiden heen zag zij haar landgoed:
wit, in \'t groen half verborgen; de massa\'s
van den tuin, het hek aan den ingang;
haar voorkeursplekje op den hoek. Het was
een genot met haar scherp oog al die
bijzonderheden uit te vorschen ....
Reeds een paar malen had een voorbij-
ganger, aan den anderen kant van \'t water
zijn weg volgend, de pet voor haar afgenomen,
nu ruischte iets dichtbij en zij keek om:
een drietal meisjes — aankomelingen —
waren in den elskant verschenen en stieten
elkander giegelend in hare richting vooruit.
-ocr page 59-
EENE IDYLLE.                           51
Zij konden haar niet bereiken en zouden
\'t zeker niet hebben gepoogd; maar hunne
tegenwoordigheid was niettemin als eene
stoornis en een gevaar en zij keek uit, of
Guido niet terugkwam.
Neen.
Toen nam ze haar lievelingsboek —
Gedichtjes van Heine — dat naast haar
met een meegebrachten sjaal op de bank
lag en opende het. Zij kon echter niet lezen
en schuins terzijde keek zij onder haar
zomerhoed, aan de kin gestrikt, vooruit-
springend van vooi \') en die het gebruik
van een zonnescherm overbodig maakte,
naar de haar bespiedende en storende
meisjes. Zij hoopte deze door eene onver-
schillige houding te ontmoedigen; maar
nu klonk het van op den oever:
— Koekoek, koekoek! — er waren
knapen bij de overigen gekomen — en
een luid gelach ging op. „Tietjes en haan-
tjes," zei er een. Wat dat beduidde verstond
zij niet, maar hoorde iets voorbij zoeven
en zag de sprongen van steentjes of keitjes
over \'t water.
\') Rand. Enkel van een hoofddeksel gezegd.
-ocr page 60-
52                           EENE IDYLLE.
Dat werd gevaarlijk en zij verwachtte
het oogenblik, waarop men haar hoofd tot
mikpunt nemen zou, toen gelukkig Guido
ginder opdaagde.
De bende was in \'t struikgewas ver-
dwenen.
— Kom, zei ze, kom, laat ons ver-
trekken, het oord is hier niet veilig den
Zondag.
Zij scheen beangstigd of zenuwachtig
en vertelde het gebeurde. Strijdlustig keek
hij rond; maar de rustverstoorders waren
verder aan het steenen werpen in \'t water
bezig, en hij sprong in de boot en de
terugtocht werd aangevangen.
De brug was opgehaald: een schip kwam
uit de andere richting aan, een laag kolen-
schip, dat stroomopwaarts vaarde en on-
danks een paar trekkers en zijn zeil —
donkerrood en gansch ontvouwd — slechts
traag voortgeraakte. De vrouw uit het
tolhuis stond bij de opening en liet een
klomp, aan een touw bevestigd, van een
stok afhangend, als de angel eener vis-
scherroede, naar omlaag zinken en de
schipperin legde het verschuldigde er
-ocr page 61-
EENE IDYLLE.
53
in, waarna de vangst werd opgetrokken.
Het schuitje wachtte intusschen dicht
aan den oever; er waren reeds eenige
menschen verzameld, pachtersdochters, die
de steedsche juffrouw aangaapten met de
dwaze, gedachtenlooze nieuwsgierigheid der
koeien in de wei, als zij voorbijgangers
zien, terwijl een paar boerenkinkels van de
ophoudende gelegenheid gebruik maakten
om al gauw aan de deur der herberg, nog
eene pint te ledigen.
De tolvrouw herkende Aurelie:
—   Dag, juffrouw, — en zij knikte naar
den tochtgenoot — schoon weer om een
toertje te doen.
Lag er iets spotachtigs of misplaatst in
hare beleefdheid en haar gezegde, of was
Aurelie prikkelbaar ? Althans het mishaagde
haar.
—    Vite, smeekte zij Guido.
Voorbij de brug kwamen nog twee meis-
jes: het bultje, dat, bijna stilstaande, deftig
haar aangeleerde buiging te pas bracht en
Rensken naast deze, recht en groot, min-
zaam doch beschaamd met het hoofd knik-
kend.
-ocr page 62-
54                           EENE IDYLLE.
— Krek, krek, krek, ti, ti, ti! klonk
het wat verder in \'t oeverlisch, — krek,
krek, krek, ti, ti, ti! De rietmusch, wier
gezang op eenzame plaatsen den wande-
laar of varenden verrast. Aurelie had ze
dikwijls en gaarne gehoord, als een lente-
geluid, als een toon, die aan geheimzin-
nig vogelleven en wilde eenden denken
doet. Nu scheen er ook iets schimpends
voor haar in te liggen en nogmaals stuw-
de zij Guido aan om spoed te maken en
te huis te zijn.
IX.
Des avonds werden de beide gasten naar
den laatsten trein gevoerd. Zij zaten in de
victoria op de achterbank, vader en zoon,
Aurelie hoog op den bok met den koet-
sier — of dengene, die verondersteld was
het ambt van koetsier waar te nemen — wat
lager naast haar. Zij zelve hield de lijnen.
Guido zag hare slanke gestalte, verdund
nog door de haar omvattende klaarte,
scherp voor zich op den hemel afgetee-
kend.
-ocr page 63-
EENE IDYLLE.                           55
Lustig liep de muil, nauw met den
eindkoop der zweep als door eene liefkoo-
zing beroerd. Aurelie genoot volop van
dien rit; dubbel genoot zij nu in het on-
duidelijk besef, dat zij door de tegenwoor-
digheid van den oom en den dienaar eene
door de wereld geλischte eerewacht bezat,
die haar gemeenzamen omgang met Guido
billijkte; het was een gevoel van bescher-
ming tegen nieuwsgierigheid en dwaze
onbescheidenheden.
Nochtans zij steeg niet af, aan \'t station
gekomen. Zij drukte, van op haar hoogen
troon, den beiden mannen de hand, deed
het rijtuig omkeeren en ving onmiddellijk
den terugtocht aan.
Zij had voorgegeven, dat haar vader op
haar wachten zou. Zij had niet gezeid:
„Tot wederzien" noch „tot weldra" aan
Guido. Wat had haar teruggehouden om
te blijven tot hun vertrek, om zijne laatste
groete van uit het venstertje te beant-
woorden ? wat dreef haar weg van de plaats
— het buitenstation — waar de afwisseling,
welke het gaan en komen der laatste
treinen medebrengt, iets belangwekkends en
-ocr page 64-
56
EENE IDYLLE.
boeiends heeft, van hetwelk de aanwezigen
zich moeielijk losrukken kunnen ?.
Het was een bewustzijn van overver-
zadigdheid van zijne tegenwoordigheid en
zijn onderhoud, iets gelijks aan hetgeen
men ondervindt na het lezen van te veel
poλzie, het hooren van te veel muziek,
gepaard aan een zucht naar vrijheid, eene
behoefte aan ons zelven te behooren, met
onze gedachten alleen te zijn.
Het was nog dag, toen het rijtuig aan
de tolbrug stilheid. Daar stond de vrouw
met de hand uitgestrekt om het weggeld
te ontvangen. Zij had bruine, toegeknepen
sluwe oogen, gansch in overeenstemming
met haar dunne lippen en de spotachtige
uitdrukking, die er op lag, en den fleemen-
den spreektoon, die er uit kwam:
—    En ge keert alzoo terug op uwe
eenigheid, juffer Aurelie ? zei ze, glimlachend.
—   Hoe anders, sprak deze met eene
zekere hoogheid.
—    Scheiden is droevig, herhaalde de
vrouw en zij knipoogde naar den koetsier,
die ook een voor Aurelie onmerkbaar teeken
met de wimpers deed en niet lachen dorst.
-ocr page 65-
57
EENE IDYLLE.
De zweep viel op den muil en hij rende
heen.
Wat wilde die vrouw zeggen, wat be-
doelde zij ? Was het eene zinspeling op
Guido en zijne vele bezoeken aan het
landgoed? Het bloed steeg Aurelie naar
\'t aangezicht bij de gedachte, dat zij op-
spraak verwekten en men hunne wederzijd-
sche verhouding tot elkaar verkeerd uit-
legde.
Nu had zij de verklaring harer onrust,
nu wist zij waarom zij zich, onbewust nog,
maar onaangenaam inwendig gewaarschuwd
dienzelfden achternoen had naar huis ge-
haast.
— Ik zal met hem niet meer gaan
varen, dacht zij, ik zal met hem alleen
niet meer in de weiden en aan den oever
van \'t water gaan wandelen.
Had zij wellicht haar goeden naam op
\'t spel gezet? Zij twijfelde. Als het meeren-
deel der stedelingen had zij gemeend zich
te lande alles te mogen veroorloven; zij die
in de stad, nu nog, dat ze reeds bijna op
het einde der twintig was, nooit tenzij met
haren vader of onder de hoede eener meid
-ocr page 66-
58                           EEN E IDYLLE.
uitging, had hier alle gebruiken over \'t hoofd
gezien. Zij, die zoo bang was voor excen-
triciteiten, droeg hier een zonderlingen
hoed die de blikken aantrok ...
— Vandaag zal hij hier weder staan,
zei ze in zich zelve, ontevreden des mor-
gens daarna benedenkomend, indien hij
toch wat uitblijven wilde!
                          ,
En na den middag, omtrent het uur van
den trein, ging zij in het prieeltje zitten
en bespiedde zij zijne verschijning met rus-
teloos verlangen, en angstige spanning\'x
maar het was een verlangen om hem niet
te zien, een angst voor zijn bezoek.
Hij zou niet komen, en zij verademde,
zij voelde, dat ze hem slecht aanvaard zou
hebben, en tevens, dat het haar naderhand
berouwen zou.
X.
De Dinsdag, de Woensdag, de Donder-
dag vergingen en hij bleef uit. Wat was
er? En nu begon zij zich te bekommeren
over hem en zijne gerekte afwezigheid, juist
als de eerste week, toen ze buiten verbleef.
-ocr page 67-
EENE IDYLLE.                           59
Wat voor een grillig schepsel was ze
toch! Door welke onbegrijpelijke tegenstrij-
digheid wenschte zij naar hem, wanneer
hij haar onverschilligheid toonde, en kreeg
zij een gevoel van verveling en overvol-
daanheid, zoodra hij naar haar gunsten
streefde ?
Den Vrijdagmorgen zei ze aan haar
vader op het oogenblik, dat hij op \'t
voorplein in de victoria stapte om naar
den trein te rijden:
—   Ik ben verwonderd, dat Guido deze
week niet eenmaal is gekomen.
—   Is hij niet gekomen ? sprak deze ver-
baasd. Inderdaad... o wat zou hij ook
zoo dikwijls komen doen ?
Zij had het opzettelijk gezegd, opdat hij
het overbrengen zou.
Dien dag verwachtte zij hem niet. Hij
wist nu, dat haar vader eiken Vrijdag
naar de stad ging en eerbiedigde hare
eenzaamheid.
Het weder was zeer mooi. Zij had reeds
eenige malen de tuinpaden op en neer
gewandeld, toen een lust om te varen, dien
zij eerst bedwong, in haar opkwam; maar
-ocr page 68-
6o
EEN E IDYLLE.
hoe, met wien? Er was niemand om te
roeien. Ja toch, misschien kon Wanus dat.
Zij trad over de hellende zode tot aan
den boord van de Leie onder den treu-
renden esch, in welks schaduw de schuit
gevangen lag en trok. buigend, de ketting
naar zich, en toen eerst keek ze rond
om hulp.
Rensken stak met haar langstelig ijzer
het onkruid van het pad, in de onmid-
dellijke nabijheid.
—  Waar is uw vader? vroeg ze.
—   Ik heb hem hooren zeggen, dat hij
naar \'t dorp ging om koolplanten, ant-
woordde Rensken, veel te luid voor den
kleinen afstand, die hen scheidde. — Zoudt
gij gaarne varen, juffer Aurelie? Wil ik u
trekken, ik kan dat wel, hernam ze den
stekker reeds tegen eene ornamentspar in
\'t grasperk aanleunend.
Aurelie bedacht zich een oogenblik, aar-
zelend in haar groot verlangen, twijfelend,
of ze dat jonge veldkind tot dien ruwen
mansarbeid verlagen mocht, toen de zwa-
righeid zich van zelf oploste: daar daagde
in eens Camiel, de vijftienjarige broeder
-ocr page 69-
EENE IDYLLE.                           6l
van Rensken op, met de drie koeien van
het naaste hoeveken, waar hij in dienst
was, en die hij hier alle namiddagen wach-
ten kwam.
— Rensken, laat uw werk staan en
hoedt gij ze, zei Aurelie. En zij riep, nadat
het meisje hem de zeelen afgenomen had,
den knaap bij zich. Rensken had haar een
gelukkigen wenk gegeven: trekken ! dat was
verkieslijker dan roeien, op die wijze kon
ze alleen blijven.
Camiel had reeds een touw gehaald en
met die vlugge dienstvaardigheid, die blijde,
toeschietelijke haast der jeugd, die nog
hare krachten niet spaart en geene ver-
moeienis ontziet, misschien met het verlok-
kend flikkeren van een milden drinkpenning
in het vergezicht, had hij zich zelf aange-
spannen en trok hij lustig het schuitje voort,
waarin Aurelie nu nederzat.
Het was eene vreugd aldus over \'t water
te zweven, zonder riemslag, zonder schok,
zonder den bekommerenden aanblik der in-
spanning naast zich. En zij dacht aan Guido,
dat hij zich zoo afgesloofd had den vorigen
Zondag en of hij willicht ziek zou wezen.
-ocr page 70-
6 2                           EENE IDYLLE.
Die vraag had zij zich reeds meer dan
eens gedurende de week gesteld met een
soorl van gewetensbezwaar. Het was hare
schuld. En nu met de hand, die zij in \'t
water slepen liet, met de zon op hare schou-
ders en den zonderlingen witten hoed op,
met den zang van de rietmusch in haar
oor — ginder uit het oeverlish schaterend:
»Krek, krek, krek. ti! ti! ti!" met de een-
zame brug wat verder, de wei zonder
koeien en den weg zonder menschen, ver-
langde zij naar hem. Alleen genieten van
al dat schoon, dat was slechts half genot;
maar kunnen zeggen; „ziet gij haar?" van
de zwaluw, die met open bekje de opper -
vlakte van het water scheert; den vinger
vermanend op te heffen om hem, die
spreekt, te onderbreken met: »hoort gij
hem ?" van den nachtegaal ginds in \'t struik-
gewas ; den veelwetende te vragen naar de
herkomst der gazen waternimf, die over de
golfjes zweeft; te hooren van haar geheim-
zinnig bestaan en haar gedaantewisselingen,
als afzichtelijk kruipdier, op den goorach-
tigen bodem van gracht of rivier, o dat
was het, waarnaar zij haakte, waarnaar haar
-ocr page 71-
EENE IDYLLE.                           63
geest behoefte had! En nu vond zij zich
zelve onbegrijpelijk dom, uit ontzag voor
de wereld — eene haar volkomen onver-
schillige boerenwereld — in haar gemoed
reeds aan zijn omgang verzaakt te hebben.
Neen, neen, hij mocht komen, zooveel, zoo -
vaak hij wilde, zijn bijzijn was haar meer
waard dan al het overige. Hij was haar
broeder en haar vriend. En in het boomen-
groepje, waar de schuit op anker lag en
Camiel, hoogrood, in \'t gras uitrustte,
wond zij zich zelve op en haakte zij
naar hem.
Bij het terugkeeren, was de schuit juist
aan de brug, toen de muil met de vic-
toria er stilhield en zij ook deed de schuit
stilhouden, sprong er uit, beloonde den
met de blikken in hare geopende porte-
monnaie vorschenden knaap en wipte naast
haar vader.
Waarom had ze \'t gedaan ?
Zij gaf zich geene rekenschap van die
daad: — Wat nieuws? vroeg ze. Oom
Cappuijns gezien ?
— Ja, bij hem gedineerd, zei hij. Zij kende
het antwoord voorop, hij dineerde altijd
-ocr page 72-
04                           EENE IDYLLE.
bij zijn zwager. — Guido is ziek, liet hij er
op volgen.
—   Toch niet erg zeker? vroeg Aurelie
met eene koude rilling door de haren.
—   Ja, nogal; ik weet het niet goed,
pleuris geloof ik, was zijn twijfelend ant-
woord.
—    Vader, spreek duidelijker, zei ze in
angst, als bad zij hem haar niet onnoodig
te kwellen, — wat is \'t? en zij zag werk-
tuigelijk om, alsof haar iets had naar de
stad getrokken.
—   Hij is beter, stellig beter, zei de ge-
leerde man.
—    Is hij aan tafel gekomen? onder-
zocht zij, in deze daad een maatstaf zijner
ziekte zoekend.
—    Aan tafel ? wacht eens... ik denk
ja ... en toch neen, hij blijft op zijne kamer.
—   Hebt ge hem gezien?
—   Ja, hij zat op, bezig met lezen, hij
was nagenoeg genezen, hij zal komen bin-
nen kort.
Nu was het bescheid ten minste duide-
lijk en geruststellend. Het ware onzin ge-
weest haar schielijk gemaakt plan, hem
-ocr page 73-
65
EENE IDYLLE.
zelve te gaan bezoeken, ten uitvoer te bren-
gen. Zij zou hem afwachten en met dit
besluit stapte zij na haar vader uit het
rijtuig op het voorplein.
XI.
Wat was zij blij, wat schitterde haar oog,
wat ademde zij diep, toen zij hem einde-
lijk — na nog acht dagen, eene eeuwig-
heid — terugzag!
Maar hij was bleek geworden, hij was
veel kranker geweest dan haar vader ge-
zegd, en zij vermoed had.
—   In levensgevaar?
Dat wist hij zelf niet en hij ook glinv
lachte nu, met nog een trek van lijden om
den mond. Het scheen hem zooveel goed te
doen, dat zij zich over hem verontrust had.
—  Ja, want het was mijne schuld, zei ze.
Hij was alleen gekomen, op een week-
dag, zonder zijn werkzamen vader, die zich
zelven enkel des Zondags eenige uren uit-
spanning gunde.
Aurelie had in der haast een lekkeren
maaltijd laten bereiden, zij zorgde voor
hem als eene moeder voor haar kind, en
5
-ocr page 74-
66
EENE IDYLLE.
hij at met die gretige voldoening en dien
smakelijken lust van den herstelden zieke,
door \'t vasten verzwakt, door de ontbe-
ring geprikkeld. Hij voelde nieuwen levens-
moed en nieuwe levenskracht in zijne aderen
vloeien, en drukte het herhaald en vroo-
lijk uit, hoezeer hij van dien dag genoot,
daar in die gezellige tuinkamer, met de
open vensterdeuren, het rozenperk er voor
en al het groen, zoo helder door de zon
beschenen !
Het was eerst, toen de grootste hitte
voorbij was en de verkoelende schaduw
reeds nevens de struiken lag, dat ze eens
het tuinpad opwandelden.
Aan den ingang van het lange loover-
priλel bleef hij staan; het groen was reeds
verhard en donkerder geworden, enkele
bladeren half doorgevreten, andere met
roode puntige uitwasjes overdekt.
—    Op zoo korten tijd, merkte hij op.
—    Zoo korten tijd! herhaalde Aurelie
verwijtend, mij heeft hij lang, zeer lang
geschenen!
—  Wezenlijk? vroeg hij, blij zijn oogen
opentrekkende, heel het gelaat als het ware
-ocr page 75-
67
EENE IDYLLE.
door een inwendige flikkering verlicht, en
eer zij zich rekenschap gaf van hetgeen
er gebeurde, had hij haar om het middel
vastgegrepen en drukte hij haar op zijn hart.
Aurelie verschrikte. Zij worstelde zich los,
zij stiet hem achteruit, geweldig, met hare
twee vuisten op zijne borst. Dit alles had
slechts eenige oogenblikken geduurd, hij
had den tijd niet gehad haar te kussen.
Hoogrood trok ze haar verschoven
zonhoed terecht. Zij spraken niet. Hij
scheen bedremmeld. Hij deed een paar
stappen in de richting, die zij gevolgd
hadden, onder het dichte gewelf; maar
zij keerde zich om en trad den terugweg
aan: zij zou hem geene kans laten te
herbeginnen, zich geen tweede maal aan
zulk een woeste liefkozing bloot stellen;
— en gebelgd en verontrust keek zij rond,
of Wanus en Rensken niet in de nabijheid
en er getuigen van geweest waren. Geluk-
kig ontdekte zij hen niet
Aurelie was als een dronken mensch, die
in eens door een verrassend toeval ont-
nuchtert, als een roekelooze, die zich dwa-
selijk te ver aan den weeken rand van \'t
-ocr page 76-
68                           EENE IDYLLE
water heeft gewaagd en, schrikkend, door
een beangstigd waarschuwend geroep terug-
gehouden wordt. Zij was beschaamd, gebelgd
en bedroefd — ten uiterste bedroefd. Moest
zij zoo oud geworden zijn om nog niet te
weten, dat de mannen in den dunk hunner
eigenliefde een waardeerend woord der
vrouwen soms gansch verkeerd uitleggen?
Had zij door coquetterie zijn hartstocht
opgewekt en verlangens doen ontstaan, die
tot zijn ongeluk leiden moesten, die zij niet
deelen wilde, niet deelen kon, niet deelen
mocht ? Hij was in de onmogelijkheid, zijn
lot aan het hare te verbinden; hij had door
werkzaamheid zich en der vrouw zijner
keuze geen toekomst weten voor te bereiden.
Weihoe, hij onderstond zich dat te doen!
verachtte hij haar dan? of was er geene
vriendschap mogelijk tusschen twee jonge
menschen als zij ? ontaarde het gevoel des
eenen altijd noodzakelijkerwijze in wat men
„liefde" noemt? Moest alle omgang, alle
vertrouwelijkheid vermeden worden als iets
verderfelijks en was het niet zonder grond,
dat de wereld zulke betrekkingen afkeurt?
Zij had kunnen weenen van schaamte en spijt.
-ocr page 77-
EENE IDYLLE.                           69
De stilte werd zoo drukkend, terwijl zij
daar naast elkander voortstapten, dat eene
uitlegging — wat zij volstrekt niet wilde
— onvermijdelijk scheen.
Aan de bocht van het pad stond haar
vader voor hen. — Ha! men wilde hem
niet mede hebben, men ging liefst alleen,
zei hij glimlachend in zijne onnoozelheid,
duizend mijlen er van af de waarheid te
vermoeden.
Zij bleven een oogenblik allen naar elkan-
der gewend, voordat zij verder wandelden en
Aurelie bemerkte op den zwarten jas van
Guido, op de borst, twee stofvlekken, de
plaatsen, waar zij hem met hare gedroogde
handschoenen, nog bezoedeld van een vroeg
tuinwerk in de bedauwde aarde, had ach-
teruit gestooten. Hij onbewust, antwoordde
aan haren vader, kalm, zeer traag, als om
geene aandoening te verraden, met een
glimlach — was het nog eene nagebleven
lijdensuitdrukking zijner ziekte of was \'t
verlegenheid ? — die iets zeer pijnlijks had.
En zij zag dien glimlach en die twee vlek-
ken, die ze niet uit mocht doen wisschen,
als de stomme getuigen zijner vermetelheid,
-ocr page 78-
70                          EENE IDYLLE.
de aanklagers harer onbezonnen liefderijk-
heden, harer behaagzucht, of was het harer
te oprecht groote neiging tot hem? Zij
zag ze den ganschen namiddag kwellend
voor zich, ook in huis, toen hij nog eens
aan de tafel nederzat; ook toen hij in het
rijtuig stapte om naar het station gebracht
te worden, waarheen zij hem niet vergezel-
len wou.
Hij drukte haar de hand, innig, hij scheen
iets op de tong te hebben, dat de tegen-
woordigheid van mijnheer van der Hawer-
meiren er op weerhield. — Pardon! zeide
hij met een inzicht, dat zij alleen verstond.
—  Weihoe, pardon? antwoordde haar
vader, wat opgewekt door de gezelligheid
van zijn gesprek, dat ditmaal — op \'t
laatst van den dag ten minste — met hem
alleen was gevoerd, pardon! alsof gij ons
kondt storen!
—   Ik vreesde maar uw tijd geroofd te
hebben, zei hij luide, nogmaals met den
blik op Aurelie, maar zij bleef sprakeloos
en droef.
—  Allons doncl verzeker hem dan, dat
hij altijd welkom zal wezen, spoorde haar
-ocr page 79-
EENE IDYLLE.
71
vader haar in zijn onwetendheid aan, on-
bewust veel beleefder dan naar gewoonte,
omdat hij gevoelde, dat zijn dochter het
niet was.
—    Is het waar? vroeg haar Guido,
dat ik in het vervolg ook nog zal welkom
wezen ?
—   Ja, altijd, antwoordde zij, getroffen
door het neerslachtige van zijn uitdrukking
en het berouwvolle van zijn toon.
En zij zag de victoria na, die traag
heenreed door het ijzeren hek, dat Rensken
— toegeschoten op een wenk van den
koetsier — ijlings opengetrokken had en
wachtend vasthield.
XII.
Aurelie\'s vrees voor de veropenbaring
van een ander gevoel dan dat van broe-
derlijke verkleefdheid van Guido\'s zijde bleek
aanvankelijk ongegrond even als hare be-
duchtheid, dat er voortaan eene soort van
verlegen spanning in hun omgang heer-
schen zou! Hij was dezelfde, toen hij we-
derkwam, enkel lag er wat meer terug-
-ocr page 80-
72
EENE IDYLLE.
houdendheid in de manier, waarop hij zijne
vreugd haar te zien betuigde, wat meer
afwijzende ingetogenheid in den druk harer
hand. Hij vroeg haar niet om in den tuin
te gaan, zooals hij placht te doen.
Zij zaten samen in \'t prieel aan den hoek
van den straatweg. Hij had een nieuw
verschenen boek mede en las het haar
voor. Hij las zeer goed, elke nuanceering
in acht nemend, en toch vloeiend en een-
voudig, zonder klemmenden ophef. De klank
zijner stem was diep en welluidend en
Aurelie luisterde, geboeid door den toon,
meer nog dan door den inhoud, verstrooid
zelfs bijwijlen, niet aandachtig het verhaal
meer volgend. Zijn blik rustte op de bladen
en, voortdurend, met haar vergeten bor-
duurwerkje in de hand, kon ze hem on-
gemerkt aanzien en zijne trekken ontleden.
Zij wist niet of hij mooi mocht heeten,
maar karakteristiek voorzeker was zijn breed
gelaat met de zware toegegroeide wenk-
brauwen en de blauwe oogen. Vernuft
straalde op zijn voorhoofd; van kracht ge-
tuigden zijne kloeke schouders, hij scheen
geschapen om te heerschen en te gebieden,
-ocr page 81-
73
EENE IDYLLE.
onbruikbare gaven, waardelooze eigenschap-
pen, indien wilskracht en volharding ont-
breken ...
Aldus mijmerde Aurelie, gehoor aan
zijne lezing leenend.
Een aanhoudend schrappend geluid werd
in de onmiddellijke nabijheid verneembaar.
Hij zag op, benieuwd wat het mocht
wezen en Aurelie weerde de over \'t kijkgat
hangende twijgjes en bladeren met de hand
weg en zei toen: — \'t is Rensken.
Had zij door het lang stilzwijgen de
hoogte van den toon niet berekend, of was
het gehoor van dat buitenkind bijzonder
vatbaar, zooals weleens met lieden uit de
volksklas het geval is? althans:
—   Wat belieft? vroeg zij van achter \'t
groen, hare bezigheid stakend.
—  Niets, antwoordde Aurelie, stil lachend
en Guido lachte heimelijk mede om het
misverstand.
Hij had zijne lezing hernomen, toen
Rensken zelve nu zonder eenig ontzag
voor de stoornis, die zij teweegbracht,
weder van achter \'t loover iets vroeg.
Hare gebiedster verstond het niet en
-ocr page 82-
74                           EENE IDYLLE.
riep haar nader en het meisje verscheen
in de opening van het prieel. Het groen
omlijstte geheel hare gestalte; de klaarte
viel verlichtend over de kroezelige goud-
kroon van haar hoofd; hare wangen gloei-
den van de inspanning, hare oogen blonken.
—  Ik vroeg, zei ze verlegen geworden,
— of ik het water uit de boot niet schep-
pen moet. Dat was gewoonlijk haar taak,
als Guido daar was en zij varen wilden.
Aurelie moest zich niet bedenken, zon-
der aarzelen zei ze: — Neen, dank u, wij
zullen hier blijven. Dat laatste was voor
Guido meer dan voor het werkmeisje gezegd.
Hij sprak geen woord, in gedachten
voor zich starend.
—    Niet waar, zij is schoon, ontegen-
sprekelijk schoon? zei Aurelie. Zij zei dat
altijd, als zij Rensken in het bijzijn van
een derden persoon zag, en was ze alleen
dan dacht zij het.
—     Ik heb ze niet aangekeken, ant-
woordde hij met een doordringenden blik
vol ingetoomde bewondering op haar zelve.
Sprak hij aldus oprecht, of wilde hij haar
doen begrijpen, dat zij alleen, bij uitslui-
-ocr page 83-
EENE IDYLLE.                         7 5
ting van alle anderen, voor hem bestond?
Gehuicheld of gemeend, zijn antwoord
vleide haar.
XIII.
Het prieel werd nu hun geliefkoosd
plekje. Zij brachten er, bij voortdurend
schoon weder, schier al den tijd van zijn
bezoeken door. De voorbijgangers hoorden
het onverstaanbaar gemurmel hunner stern-
men; de terugkeerende schoolkinderen stamp-
ten elkander schomperend tegen de haag
aan; de hooiers, met de vork op den
schouder aankomend, sloegen een kwink-
slag; de meisjes en jongens, die op de
hooggeladen, waggelende wagens neerzaten,
hieven aan den hoek van \'t landgoed een
joelend vreugdgeschreeuw aan, als wilden
zij het stout en luid verkondigen: — Daar
zit een minnend paar!
Zij waren er zoo verre van af: hun ge-
sprek liep meest over ernstige dingen.
Guido\'s humeur was somber geworden.
Eens klaagde hij, dat hij op zijn jaren nog
niets of niemand was.
-ocr page 84-
76
EEN E IDYLLE.
—   Aan wien de schuld? vroeg Aurelie
als een verwijt.
Maar zijn blik schoot een vonk.
—    Aan mijn vader, zeide hij, en nu
voer hij uit: zijn vader was een gierigaard
en een dwingeland; hij had zijn zoon met
geweld vakken willen doen aanleeren waar-
voor hij geene geneigdheid voelde: de medi-
cijnen, het notariaat! Guido\'s toon klonk
verachtend en hij deed pijnlijke bekentenis-
sen: zijne moeder was arm geweest, ver-
drukt door haar echtgenoot, en de minachting,
die hij haar toedroeg, had hij op den zoon,
zijn eigen kind, overgeplant; Guido werd
van jongs af aan in de ouderlijke woning
behandeld als behoorend tot een onderge-
schikt ras. De hoogere studiλn, de mathesis,
trokken hem aan. Zijn vader verzette zich
er tegen. En hij trad in bijzonderheden : zelfs
in zijne weetgierige liefhebberijen werd hij
gedwarsboomd: nog onlangs had Cappuijns
het werk over geologie van Le Hon, dat
Guido besteld had, smadelijk naar den boek-
handelaar teruggezonden ... en een onweer-
houdbare traan van verontwaardigde kren-
king sprong uit het oog van den jongen man.
-ocr page 85-
77
EENE IDYLLE.
Aurelie zuchtte, geen antwoord vindend,
betwijfelend, wie \'t recht aan zijne zijde
had, maar pijnlijk aangedaan door al \'t
verkeerde in den omgang dergenen, die
de natuur had voorbestemd om elkanders
geluk te bevorderen.
Naarmate de zomer zijn gang ging,
werd Guido\'s gemoedstoestand zonderlinger.
Aurelie zou het niet hebben kunnen na-
speuren, hoe de verandering gekomen was;
maar zij had onbewust een soort van me-
delijden met hem gekregen, een gevoel, dat
haar ten opzichte van zulk een schrande-
ren, geleerden mensch bijna als eigendunk
onbevredigd liet, en ook zij ontzag hem,
zij vreesde zijne slechte luim als eene al
te toegeeflijke moeder, die haar kind bederft.
Soms lag er iets teeders in zijn blik,
zijn stem kreeg een bewogen toon, als hij
de eenvoudigste woorden uitte; een sul-
achtige verstrooidheid kwam hem over in
het midden van \'t gesprek; hij nam haar
neergelegd handwerk op en scheen het
aandachtig gade te slaan, of stelde eene
dwaze vraag er over, die zij beantwoordde
met een verlegen besef, dat hij aan andere
-ocr page 86-
78                         EENE IDYLLE.
dingen dacht en andere dingen zeggen
ging, die zij niet hooren wilde, hem nauw
merkbaar daarin tegenhoudend door aller-
lei onnoodig en onbelangrijk bescheid. En
er volgde eene poos van het drukkendste
stilzwijgen.
Eens had hij hardop een nieuw versche-
nen boek gelezen, waarvan de inhoud haar
zeer had geboeid.
—   Schoon! zei ze, nog ontroerd door
het aangrijpende der laatste bladzijden, —
men ziet die menschen leven, men voelt
en lijdt met hen.
—   En men is ten laatste gelukkig met
hen, besloot hij met een glimlach, die zijne
eigene aandoening te verhelen zocht, —
Aurelie, willen wij zelven te zamen eens
een roman maken ?
—  Ja, schertste zij, indien wij kunnen.
—   Waarom niet? Een ieder kan dat,
als de grondstoffen maar voorhanden zijn.
—   De vinding?
—   Die is er reeds.
—   En de dialoog ? vroeg zij, altijd mee-
nend, dat hot boert was.
—   Ik geef den toon aan en gij antwoordt,
-ocr page 87-
79
EENE IDYLLE.
zei hij, ik hartstochtelijk, gij koel en on-
verschillig.
—  En het einde? vroeg Aurelie, onbe-
paald verontrust over de wending, die de
scherts scheen te nemen en het zonderling
geheim inzicht, dat zij in zijn woorden
meende te gissen.
—   O het einde moet slecht wezen, het
kan niet anders, zei hij, met de tegen-
strijdige bestanddeelen, die in \'t spel zijn
en in botsing komen.
Zij poogde nog te glimlachen, weder
half twijfelend of \'t kortswijl was bij
hem: — En waar zult gij het woord
vinden, dat ontroert, den grievenden
toestand, die den lezer door de ziel
gaat?
—    In mijn eigen hart, in mijn eigen
leven, zei hij als eene weeklacht. En toen
hernam hij met bitteren spot: — Voor
zulke romans zijn er geene lezers, zij wor-
den niet op het papier gebracht, zij wor-
den in de werkelijkheid, diep in \'t gemoed
verborgen, samengesteld en lijdend uit-
gewerkt.
-ocr page 88-
8o
EENE IDYLLE.
XIV.
Mijnheer Van der Hawermeiren had
eenige verwanten van zijne zijde en ook
van die zijner vrouw in de stad en het
omliggende.
Aurelie had enkele betrekkingen uit de
kostschool behouden. Al deze personen
waren gewoon in den zomer uitgenoodigd
te worden. Zij brachten beurtelings een dag
op het landgoed door; een paar reeds
gehuwde vriendinnen kwamen er met hare
kinderen voor eene week. Zulke luidruchtige
jonge gasten stoorden haar vader wel eenigs-
zins, maar enkel dit jaar scheen Aurelie
zijne rust boven alles te stellen. Tot dusverre
was nog niemand gevraagd. Soms zei zij
in de tegenwoordigheid van Guido:
—   Och, de zomer is reeds zoo ver en
dezen en genen moeten wij nog ontvangen!
of: — Wat zal tante Slock denken! en —
eene bekende noemend: — Voorzeker heeft
zij ook reeds lang een brief verwacht!
Guido antwoordde niet daarop. Hij scheen
het zelfs niet te hooren. Eens zei hij wrevelig:
—   Waarom noodigt gij al die menschen
-ocr page 89-
EENE IDYLLE.                           8l
niet uit, indien gij zoo naar hen verlangt?
—   O verlangen! weerlegde hem Aurelie
versmadend, ik verlang naar niemand,
maar de omgang met onze vrienden en
verwanten legt ons verplichtingen op.
—    Alleenlijk zal ik u verzoeken, zei hij
schier verstoord, dat gij mij waarschuwt,
indien gij volk verwacht, opdat ik te huis
blijf, en hij trok den kraag van zijn jas op,
als ware de gedachte aan hunne komst
reeds voldoende om hem op de vlucht
te jagen.
—   Gij zoudt er niet te veel wezen.
—  Ik wil niet, antwoordde hij als eene
bedreiging.
Zij deed het niet, zij noodigde niemand,
steeds uitstellend, niet alleen uit ontzag
voor hem, maar omdat elk bezoek haar
nu wezenlijk tot last zou geworden zijn.
Weldra kwam het toeval — een zeer
ongewenscht toeval — haar te hulp: haar
vader was bij het terugkeeren van den trein
door eene onweersbui verrast geweest. Hij
had geen regenscherm meer. Aurelie had
er hem \'s morgens een in de hand gege-
ven; hij kon niet zeggen, waar hij het had
6
-ocr page 90-
82
EENE IDYLLE.
achtergelaten; maar hij was het kwijt op
het oogenblik, dat hij het zoo dringend
behoefde. Het was een warme zomer-
regen, en des te verderfelijker, daar hij,
doornat in het brughuisje gevlucht, de kou
niet voelend, in het deurgat was blijven staan
om het schouwspel van het neerstroomend
water — als eene onmetelijke gordijn over
de uitgestrekte weiden wuivend — aan te
zien. Het was eerst, toen hij begon te
bibberen, en zijne tanden klapperden, dat
hij zijne onvoorzichtigheid begreep.
Gedurende vier dagen lag hij te bed in
koortsen. Aurelie, aan de grootste onrust
ter prooi, week niet van zijne sponde. Cap-
puijns kwam eiken morgen tusschen twee trei-
nen, Guido in den namiddag, maar zij leidde
hen nauwelijks tot aan de voordeur uit. Zij
bevroedde, dat haar vader in stervensgevaar
verkeerde en dorst het niet te vragen. De
twijfel was haar nog minder pijnlijk dan een
antwoord, dat haar de zekerheid van ge-
nezing, maar ook van dood kon geven.
Neen, zij wist niet, hoe groot de bedrei-
ging was, zoo groot, dat Guido meer dan
eens, nadat zijn vader een slecht bericht
-ocr page 91-
83
EENE IDYLLE.
had gebracht, met angst uit den trein
steeg, en enkel verademde, toen hij van
verre bemerken kon, dat de vensterblinden
van het landgoed niet gesloten waren. Be-
hoedzaam belde hij aan het hek, dat, nu
de huisgenooten niet meer om zoo te zeg-
gen buiten in de open lucht leefden, uit
vrees voor indringing, bestendig dicht bleef.
Rensken, verscheen weldra aan den achter-
hoek van den gevel, langs den kant der
keukens en naderde tot hem, met die on-
behendige verlegenheid van stap, eigen
aan het toetreden op iemand, dien men te
goed ziet staan; niet wetend, of zij reeds
op een afstand groeten of eenig herkennings-
teeken doen moest.
—  Hoe gaat het met mijnheer?
—   Nogal wel, geloof ik. en hij volgde
haar naar de voordeur. Rensken was thans
eene sport hooger in den rang van werk-
vrouw opgeklommen en van wiedster„binnen-
dienster" geworden. Zij droeg een wit voor.
schoot en een van Aurelie gekregen katoenen .
kleed, welks sierlijke snede de goede maak-
ster verried, maar dat te eng was voor de
kloekere gestalte van het meisje.
-ocr page 92-
84                           EENE IDYLLE.
Guido trad zonder merkbaar gerucht in
de kamer, waar hij in het eerst, door de
groote klaarte van buiten verblind, de
voorwerpen slechts onduidelijk ontwaarde.
Aurelie, bleek, vermoeid van \'t waken,
stak hem zwijgend de hand toe met een
knikje van tevredenheid, omdat hij daar
was en met eene trilling der lip, door haar
weerhouden smart teweeggebracht. Hij
duwde met kracht in hare hand, als wilde
hij uitdrukken: — Hier is een vriend, op
zijne hulp, op zijne trouw kunt gij rekenen.
En zij beantwoordde die stomme verzeke-
ring door hem hare slappe hand wat langer
te laten vasthouden dan gebruikelijk is.
Mijnheer Van der Hawermeiren lag in
zijn bed, half ingesluimerd of half bewus-
teloos. Guido dorst hem niet storen uit die
verdooving. Hij bleef eenige oogenblikken
aan de sponde staan en wanneer de zieke
zijne oogen opende, en, zonder dat eenige
verandering op zijn gelaat verscheen, hem
strak en onverschillig bleef aanstaren, boog
hij wat voorover en murmelde streelend
als tot een kind: „Dag oom". „Houdt
moed", sprak hij nog, zijne vlakke hand
-ocr page 93-
EEN E IDYLLE.                           85
op de deken drukkend, waaronder hij eene
hand van den lijder voelde. Hij mocht
niet langer blijven, dat begreep hij, ziende
dat Aurelie was blijven rechtstaan.
— Vaarwel, moed, sprak hij ook tot haar
en was reeds buiten. Hij drentelde in den
tuin wat rond; soms opende hij het uit-
gangshekje en deed eene wandeling aan
den rand der Leie en nog verder tot aan
den zoom van het sparrenbosch. Liefst
had hij zich, in het schuitje met een boek
zittend, den stroom laten afdrijven; maar
hij liet het vaartuigje met zijn rood en
wit gestreept paviljoen, tusschen welks ge-
plooide bovengarneelsels de wind lustig
trillend liep, onbetreden onder den esch
geankerd liggen. Het in beweging bren-
gen voor een pleiziertochtje zou te onbe-
tamelijk afsteken op deze omgeving van
zorg en onrust.
Vσσr het vertrek trad hij nog eens in
de ziekenkamer. Zijne vluchtige tegenwoor-
digheid was eene versterking voor Aurelie,
en zette haar kracht bij om den langen
nacht met zijne verhooging van koorts en
kommer te zien naderen.
-ocr page 94-
86
EENE IDYLLE.
Maar weldra scheurde het onzichtbaar
rouwfloers, dat heel de woning en den
tuin scheen te bedekken, verblijdend open.
De stap van Rensken, die het hek opende,
was levendiger; Guido zelf belde onbewust
luider; de deur der krankenkamer werd
met minder omzichtigheid van binnen ont-
sloten; Aurelie drukte hem vroolijker en
korter de hand; de zieke zelf begroette
hem nu met een lachje van tevredenheid
en een heesch welkom. Hij was gered,
hij zou genezen!
Het werd een zalige voldoening voor
Aurelie, gedurende de dagen zijner trage
herstelling onafgebroken met haar vader
te zijn, om zoo te zeggen, gelijk gewaar-
wordend, bijna zelve de kracht, die zij
hem bij middel van medicijnen en ver-
kwikkende spijs en drank weergaf, verkloe-
kend in hare eigene aderen te voelen; het
schoon weder daarbuiten door haar raam
te zien zonder lust te krijgen om in den
tuin te gaan, telkens aan oom Cappuijns,
die nu onregelmatiger, en aan Guido, die
nog eiken dag kwam, te kunnen zeggen:
„Beter, beter!"
-ocr page 95-
»7
EENE IDYLLE.
Het was maar na verloop van een paar
weken, dat zij, op haar vaders aandringen,
die beweerde, dat hij liefst wat alleen was,
tot op de buitenbank aan den voorgevel van
het huis soms ging zitten, met den rug
naar zijn kamervenster, waar zij eene bank
had doen dragen, om dadelijk bij de hand
te zijn, als hij iets noodig had. Hij leunde
thans in zijn zetel en zat reeds weder met
een boek, dat eene oorzaak van liefderijken
twist tusschen zijne verpleegster en hem
uitmaakte. Aurelie wilde het hem afne-
men, voorwendend, dat de lezing hem
vermoeide; hij beloofde het enkel vlug te
zullen doorbladeren, indien zij toestemde
wat versche lucht, die zij zoozeer behoefde,
te gaan inademen. Zij was zoo verbleekt,
zoo vermagerd: haar armband, die vroeger
het vleesch neep, hing los; meer dan eens
moest zij de afgevallen ringen harer vin-
gers zoeken.
XV.
Een oneindige vrede lag over haar ge-
moed: geestelijk en lichamelijk rustte zij
-ocr page 96-
88
EENE IDYLLE.
uit van de vermoeienissen en den angst.
Zij had het nooit bevroed, hoe dierbaar
haar vader haar was, hoezeer haar leven
met het zijne als versmolten lag. En het
was Guido niet ontgaan, welk eene voor-
treffelijke ziekenbιzorgster zij mocht heeten.
Hij had haar bewonderd en zei het haar.
Niets is welkomer dan een dergelijke lof.
Zij lachte hem toe met een vochtig oog,
zij was nog zoo vatbaar voor ontroering,
na al derr doorgestanen angst!
—  Ik beveel mij aan, indien gij ziek wordt
en hulp behoeft, schertste zij onvoorzichtig.
Maar eene uitdrukking van spijt ver-
scheen op zijne trekken: — Als ik bedenk,
sprak hij, dat wij elkander vreemd zijn
en vreemd zullen blijven! en hij keek naar
den grond.
Aurelie dorst niet antwoorden uit vrees
voor eene uitbarsting. Deze brak niette-
min los.
—  Wij zitten hier nu te zamen, hernam
hij na eene pauze, alsof ons niets kon
scheiden, wij lezen dezelfde boeken, wij
wisselen gedachten, wij kennen elkanders
leven, ik weet schier uur voor uur, wat
-ocr page 97-
EENE IDYLLE.                          89
gij doet; mijne grootste, mijne eenige be-
langstelling is in u, en als ik bedenk, en
hier sloeg hij met geweld eene brochure,
die hij achteloos onder het spreken had in
de hand genomen, op het ijzeren tuinta-
feltje voor zich aan, — als ik mij voorstel,
wat eenmaal moet gebeuren, dat een ander
om u komen en u medevoeren zal, dan
zou ik razend kunnen worden. Ik heb
nog niemand bemind dan u, liet hij er
innig op volgen.
En Aurelie, ten uiterste verlegen, ant-
woordde, onwetend en roekeloos:
— O Guido, zoudt ge zoo oud geworden
zijn zonder eenige andere verliefdheid?
Hij zag op, vluchtig, zeer verwonderd
over die vraag van harentwege, maar be-
gon ras, openhartig als tot een kameraad:
— Ik zal u alles bekennen, het is beter aldus.
Aurelie, ik hoef mij niet te schamen, de
zonden, die ik op mijn geweten heb, zijn
kleine zonden, geringer dan die van een
man van mijn stand en die tot mijne jaren
gekomen is, gewoonlijk zijn; mijn leven is
nooit losbandig geweest, alleenlijk ... maar
ik kan u dat niet zeggen ... weerhield
-ocr page 98-
90                          EENE IDYLLE.
hij zich in eens, ziende, hoe onschuldig
haar bruin en klaar oog op hem bleef
gericht. — Weet dit ten minste, dat ik nooit
lichtzinnig met de gevoelens van een eer-
lijk meisje heb gespeeld, dat ik nooit duur-
zame verkleefdheid voor geen enkele heb
gehad; dat mijn hart onverdeeld aan u
heeft toebehoord en zal blijven toebehooren,
zelfs dan als gij de vrouw van een ande-
ren zult zijn.
Aurelie had thans de blikken neerge-
slagen, heel in verwarring, blozend over
hetgeen hij haar gezegd en hetgeen hij
haar niet gezegd had. teleurgesteld door
zijne oprechtheid, als ontnuchterd. En in
het besef, dat de stilzwijgendheid hier te
veel gedachten wekte, die moesten verdre-
ven worden, sprak zij met haast doch
ongeveinsd als alle meisjes, die niet zeer
jong meer zijn en wier hart is vrijgebleven:
— O, ik zal waarschijnlijk nooit trouwen.
— Niet? vorschte hij na, haar hoopvol
aanstarend.
En in zijne lichtgeloovigheid deed hij
gretig een onzinnig voorstel: hij vroeg haar
om een verbond te sluiten, waarbij zij nooit
-ocr page 99-
EENE IDYLLE.                          91
huwen zou; van zijne zijde zou hij zich
verbinden niet aan trouwen te denken, wat
of er ook gebeuren mocht. — Ik zal uw
vriend, uw knecht, uw slaaf wezen, zei hij
op schorren toon, mijn leven aan u op-
offeren, al mijne gedachten aan u wijden,
mijn geest scherpen om u vreugd te ver-
schaffen ...
—   En wat zult gij eischen als tegenloon ?
vroeg Aurelie, die trachtte te schertsen, maar
wier hart popelde, wier stem ontroerd klonk.
—   Niets, sprak hij met vastheid, geen
woord van genegenheid, geen blijk van
voorkeur, geen druk uwer vingeren; maar
de belofte, de plechtige belofte, dat geen
andere man ooit meer van u zal krijgen . . .
Hij had de handen gevouwen in vervoering
en het kwam Aurelie voor als ging hij
voor haar aanbiddend neerzinken.
Zij sprong op met een gevoel van ge-
vaar voor iets bespottelijks, en snel en
afgebroken sprak zij:
—  Guido, indien gij nog ooit over liefde
of iets wat er betrekking op heeft, spreekt,
zal ik gedwongen wezen u uit mijne tegen-
woordigheid te verbannen.
-ocr page 100-
92                           EENE IDYLLE.
Hij zag, dat zij het ernstig meende.
— Nooit, nooit, beloofde hij, diep het hoofd
buigend, als een scholier, die beeft voor
de uitvoering eener geduchte straf.
En zij, als eene moeder, welke het reeds
berouwt den toon te hoog tot haar schuldig
kind te hebben gevoerd, die verzachten
wil zonder toe te geven, sprak met mild-
heid: — Laat ons de goede, trouwe vrienden
blijven, die wij tot hiertoe zijn geweest.
Haar vader riep haar. Zij werd tamelijk
lang bij hem opgehouden en toen zij weder-
kwam, zat Guido nog op de bank, die de
avond reeds naast hem bedauwde, in de
verkoelde lucht, terwijl de roode zon achter
de boomen zonk, — met de twee handen
voor het aangezicht, in dezelfde ontmoe-
digde, naargeestige houding, waarin zij hem
verlaten had.
XVI.
Het was dien dag nog vroeg in den
namiddag, te vroeg voor het uur van den
trein met welken Guido gewoonlijk kwam.
Aurelie had in het prieel op den hoek
-ocr page 101-
93
EEN E IDYLLE.
aan de straat plaats genomen en las. Op
eens werd hare aandacht afgeleid door een
beschaafd gemurmel van vrouwenstemmen,
dat niets boersch had, aan den anderen
kant der haag. Zij leende het oor. Het
was Fransch. Zij keek door \'t openingetje
in \'t groen: twee vriendinnen van haar,
juffrouw Blanke en mevrouw Spanoghe!
Zij bleven staan aan het hek, dat open
was; zij schenen te aarzelen om binnen te
komen of zelfs aan te bellen, met elkander
geheimzinnig beraadslagend.
In eenige sprongen was Aurelie bij haar.
—   Welkom
—   Hoe gaat het?
—   Goed.
—   En met uw vader?
—  O beter, schier gansch hersteld... maar
kom toch binnen, sprak Aurelie, die van
elk eene hand vasthad en een onverklaar-
baren weerstand voelde.
—   Neen, neen, wij willen u niet storen,
beweerde mevrouw Spanoghe, nog achter-
uitwijkend en juffrouw Blanke, eene veer-
tigjarige, in een licht en kleurrijk zomer-
japonnetje, met vergeet-mij-nietjes op den
-ocr page 102-
94                           EENE IDYLLE.
hoed als een meisje van zestien jaren,
herhaalde, zich overdreven ontschuldigend :
— Wij willen u volstrekt niet storen, wij
zijn met den morgentrein gekomen en
hebben eene heerlijke wandeling aan de
Leie gedaan. Vooraleer te vertrekken,
drentelden wij toch eens in de richting
van het landgoed.
Aurelie gevoelde ik weet niet welke
vijandelijkheid, achter die daad van vriend-
schap verborgen, en in hare verlegenheid
begon zij verwijten te doen, waarom de
bezoeksters niet bij haar het middagmaal
genomen hadden, en tevens lag er wel
iets van zelfverwijt in haar gemoed, dat
zij de beiden tot dusverre nog niet eens
schriftelijk daartoe uitgenoodigd had.
Een lichte lach, dien Aurelie voor een
beteekenisvollen spotlach hield, verscheen
op het aangezicht van mevrouw Spanoghe
en zij zoowel als juffrouw Blanke bleven
hoorbaar zwijgen.
Toen drong Aurelie er nogmaals op
aan, dat ze binnenkomen zouden, en daar
zij zich voortdurend, als hadden zij een
verbond daartoe aangegaan, geweldig ver-
-ocr page 103-
EENE IDYLLE.                          95
weerden, moest Aurelie haar letterlijk bin-
nen het hek trekken.
— Zijt gij alleen ? vroeg juffrouw Blanke,
gewichtig, met drieste bescheidenheid dien
pijl in \'t hart van Aurelie schietend, en
aarzelend rondziende.
Deze begreep, zij werd zeer rood, en
zich vermannend: — Ja, ik ben alleen, maar
al was het niet zoo, wat zou u beletten
van \'t gezelschap deel te maken?
Doch haar angst was opgewekt, de angst,
dat Guido verschijnen, en het beschamend
blijken zou, wat zij verhelen wilde, namelijk,
dat het om zijnentwille was, indien zij den
zomer in eene volkomen onthouding van
alle vriendenverkeer had doorgebracht.
En toen zij reeds binnen in de kamer
waren, en juffrouw Blanke en mevrouw
Spanoghe thans, na hoed en mantel te
hebben afgenomen, toegestemd hadden om
tot den laatsten trein te blijven, en aan
een haastig opgediend goόter eer deden,
keek Aurelie nog bestendig ter sluik door
\'t raam of zij Guido\'s hooge, geduchte
gestalte niet verschijnen zag. Zelfs later,
in den tuin, langs de Leie, bleef de vrees
-ocr page 104-
q6
EENE IDYLLE.
haar bij, en terwijl zij betuigingen van ver-
kleefdheid aanhoorde en beantwoordde,
draaide zij kwellend den heimelijken gift-
schicht in haar hart rond: „Zijt gij alleen ?"
wel wetend, dat het venijn er van niet
nalaten zou zijne werking te doen. In hare
verstrooidheid antwoordde zij dan ook wel
eens verkeerd of stelde tweemaal dezelfde
vraag, en sprak intusschen over de vree-
selijke ziekte haars vaders, over al hare
onrust en wanhoop, als wilde zij het de
bezoeksters opdringen, dat hare zenuw-
achtige gesteldheid daaraan alleen was
te wijten.
De muil was aan de victoria gespan-
nen; zij zelf reed de dames naar den trein.
Handdrukken werden gewisseld, kussen
gegeven. Zij hielden mijnheer Van der
Hawermeiren voor geheel hersteld, zeiden
zij, en zouden hem nog bezoeken, zoodat
Aurelie het niet laten kon of dorst een
dag te bepalen. Mevrouw Spanoghe be-
loofde zelfs de kinderen mede te brengen.
En Aurelie keerde terug, onbevredigd,
gegriefd, bekommerd: wekte in haar eigen
stand haar omgang met Guido dus ook
-ocr page 105-
97
EENE IDYLLE.
opspraak? waarom had juffrouw Blanke
haar dat gezegd? moest zij nu uit ontzag
voor de menschen verzaken wat haar het
kostbaarst was?
De dagen waren reecis merkelijk gekort:
de zon was onder en de avondnevel begon
de lage weiden in zijn sluiers te hullen,
toen het rijtuig aan het tolhuis voor de
brug stilhield.
Daar stond de vrouw, met hare fijne
lippen, en hare toegeknepen bruine oogen,
Aurelie\'s weerzin wekkend. Zij telde het
verschuldigde in de opgestoken hand.
—  Mijnheer Guido is toch niet ziek zeker?
vroeg de vrouw op vleienden toon.
Was het dwaasheid, sluwheid, gebrek
aan oordeel, welke deze ondergeschikte
noopte dat te vragen ? Althans het bleek
duidelijk, dat het zien der ιene de ge-
dachte aan den anderen, als samenbehoorend,
deed ontstaan, en Aurelie bloosde weder,
terwijl zij, de zweep op den muil leggend,
antwoordde:
—  Ik denk het niet.
Hoe kende die vrouw zijn naam? En
waarom verbaasde het haar, dat er een
7
-ocr page 106-
98
EEN E IDYLLE.
dag voorbijging zonder dat hij kwam,
iets wat toch meer dan eens gebeurde ?
Aurelie sliep niet dien nacht: langs alle kan-
ten was zij ingesloten en gehinderd als de
stukken op een schaakbord. Wat moest zij
doen ? met Guido afbreken ? alles trotsee-
ren ? den schijn eener oneenigheid of ver-
lovingsbreuk op zich nemen, als er nooit
oneenigheid had bestaan, of van geene
verloving spraak was geweest ?... Zij wist
het niet, maar had behoefte aan raad en
steun en troost. Dit zocht zij bij den be-
langhebbende zelf. Zij zei hem alles, zoodra
hij kwam, hare verlegenheid, haar twijfel.
Hij had eerst een verachtende geste
voor de openbare meening, doch ziende,
hoe beangstigd zij was, werd hij somber
en stroef: — Dit heet zooveel als eene op-
vordering om mijne bezoeken te staken,
of ze te beperken ten minste, zei hij.
Hij had ook gesproken van juffrouw
Blanke en mevrouw Spanoghe rekening
over hunne woorden te gaan vragen, en
Aurelie had alle moeite om hem te doen
verstaan, hoe het de zaak verergeren zou.
Na zijn vertrek was zij nog meer in
-ocr page 107-
EENE IDYLLE.                           99
radeloosheid gedompeld, want hetgeen een
blijk van vertrouwen bij haar geweest was,
scheen hij als het vonnis eener gedeelte-
lijke verbanning aangenomen te hebben
en hare verhouding tot hem verbood
haar hem uit te drukken, hoe dierbaar
hij haar was.
XVII.
In de stormachtige gemoedsaandoening,
waarin het bezoek der zusters en het ge-
sprek met Guido haar gelaten had, kwel-
lend als een zelfbesef van onvoorzichtige
handelwijze en slecht beleid, drukkend als
de zwoelte, die een onweer voorafgaat,
nam Aurelie een spoedig besluit: zij kweet
zich met overdrevenheid van wat zij —
tot haar plicht geroepen — voor nood-
zakelijk en onvermijdelijk hield. Ten einde
de hekelzucht te bezweren, voldoening aan
alle eischen te geven, legde zij dadelijk aan
zich zelve en haar altijd tevreden vader
een harden leenmansdienst op: zij zond
uitnoodigingsbrieven aan verwanten en be-
kenden. Van alle zijden stroomden de gasten
-ocr page 108-
IOO                         EENE IDYLLE.
naar het landgoed toe. Eiken Zondag was
het er feest en de eerste dagen der week
waren bezet door enkele blijvenden: oude
juffrouwen, dames met kinderen, knapen
in vacantie. Aurelie speelde croquet met
de kleinen en bemerkte met ergernis en
eene spijt, die des te inniger werd, omdat
er uit schuchterheid geene uiting aan kwam,
dat de rijpende perziken aan den muur
en de van binnen nog melkachtige hazel-
noten op de heesters, als door eene ver-
borgene tooverroede aangeraakt, spoorloos
verdwenen. Het had de taak der aanwe-
zige moeders moeten zijn, hier op te treden
als beschermsters van hetgeen de huisge-
nooten met zooveel belangstelling hadden
zien ontkiemen en bloeien en ontwikkelen.
Maar zij deden het niet en een toevallige
jonge bezoeker vindt het volkomen na-
tuurlijk het ooft, dat de eigenaren tot
dusverre geheel den zomer geλerbiedigd
en beveiligd hebben, nog groen of half
rijp voor zich alleen buit te maken.
In den namiddag zat Aurelie met een
paar dames in \'t prieeltje. Zij hielden
zich met een handwerk onledig en keu-
-ocr page 109-
IOI
EENE IDYLLE.
velden over allerlei nietigheden. Aurelie
liet soms de handen, ledig met den vin-
gerhoed op den vinger, en terwijl het
kleurig borduurbolletje wegrolde, in den
schoot vallen. Onwillekeurig dwaalden hare
gedachten van het gesprek over een pa-
troontje of de keuze eener te zoeken scha-
keering af; hare oogen staarden in de
leemte zonder dat zij op iets rustten; het
beeld van Guido verrees voor haar: zijne
hooge gestalte, zijne schrandere blauwe
oogen onder de sterke zwarte lijn zijner
toegegroeide wenkbrauwen; zijn onderhoud
zoo opwekkend en leerzaam: haar „levende
Encyclopedie", zooals zij hem soms schert-
send noemde. En het bedroefde haar, dat
haar hart naar hem verlangde, terwijl haar
verstand haar voorhield, dat het beter was,
indien hij van haar vervreemdde.
Want er was een soort van ver-
vreemding ontstaan: hij deed alsof hij
pruilde. Cappuyns verscheen alleen den
Zondag. Guido kwam enkel nog eens
in de week, den Zaterdag, wanneer hij
wist, dat er niemand was, tusschen het
vertrek der eenen en het maken der
-ocr page 110-
102
EENE IDYLLE.
toebereidselen voor de komst der anderen.
Het was alsof de eenzaamheid zelve nu
nog bevolkt bleef: van zoodra hij het hek
binnentrad, bemerkte hij Clete met haar
bultje, die, thans ook in huisdienst, met
een grooten stok, hoog in hare lange
armen gehouden, een tapijt stuivend uit-
sloeg en haar werk staakte om hem te
groeten met de erbarmelijke aanmatiging,
die haar eigen was; of Rensken, rood van
inspanning, op het croquetplein de oude
trappelingen uitrakelend om voor nieuwe
plaats te maken. Soms met de mouwen
over hare gespierde armen opgesloofd, en
eene geweldig druipende spons in de
roode hand, knechtswerk verrichtend, de
buitengebrachte victoria of de tilbury af-
wasschend.
Met een gevoel van afgunst en veron-
gelijking stapte Guido door, in den tuin,
op zoek naar de juffrouw. Hij wist niet,
hoe blij zij was hem te zien; hij ver-
moedde niet, hoezeer, en voor zich zelve
onverklaarbaar ongeduldig zij naar hem
had verlangd. Zij deed zich heimelijk
verwijten in gezelschap geestelijk afwezig
-ocr page 111-
EENE IDYLLE.                           103
te zijn, bijna onverschillig voor menschen,
die haar vriendschap betuigden en haar
vroeger sympathiek waren; schier onte-
vreden bij de ontvangst van het bericht,
dat degenen, die zij uit vrijen wil had
gevraagd, hare uitnoodiging aannamen.
Lag dan haar hart in sluimer, dat zij
niemand meer liefhad?
Zoodra hij haar zag, verzwond zijn
misnoegen. Zoodra zij hem ontwaarde
van tusschen \'t loover, van achter een
bloemenperk, voelde zij bevrediging; het
kwam haar eensklaps voor, dat zij naar
hem niet meer haakte, en dagen en
weken had kunnen voorbij zien gaan
zonder zijne komst.
Zij drukten elkander de hand; hij regelde
zijn stap op den haren; zij keerden samen
weder of gingen verder. Het was, alsof
het gesprek van het vorig bezoek werd
voortgezet, als telde al hetgeen er tus-
schen lag niet mede, of als kreeg het
maar gewicht op het oogenblik, dat zij
het aan elkander mededeelden. Zijn hei-
melijke wrok op de bezoekers verzwond
als rook, wanneer het uit Aurelie\'s onbe-
-ocr page 112-
104
EENE IDYLLE.
wuste vertrouwelijkheid bleek, hoe weinig
genot zij haar aanbrachten. Haar ondui-
delijke beduchtheden voor wat hem ver-
wijderd van haar in beslag kon nemen,
verdwenen bij het zien, dat hij dezelfde
bleef.
En aldus verging de namiddag in kalme
tevredenheid, in levendig onderhoud en
de onuitgesproken zekerheid hunner on-
verdeelde, onwankelbare verkleefdheid.
Het was maar bij het afscheid nemen,
dat een zweem van verbittering soms op
Guido\'s lippen kwam: — Weder eene week
ballingschap! zei hij met een somber vuur
in \'t oog, en wrong hare hand in de zijne.
En Aurelie bleef alleen, met een diep
gevoel van tijdelijke verlatenheid en een
nog veel dieper grieving: de bodemlooze
leemte van hun gescheiden, onvereenbaar
leven in het hart.
XVIII.
Aldus verging de zomer. Het einde
van September was gekomen. De zwa-
luwen en de gasten waren heen. De
-ocr page 113-
I05
EENE IDYLLE.
avonden werden lang; met de schemering
zweefde een dichte nevel, al de kronke-
lingen van den stroom volgend, als een
mistroostig rouwfloers over de Leie; de
verre toppen der populieren kregen een e
geelachtige tint en waren verdund; in den
tuin blonk, bij schoone dagen, de dauw
des middags nog in beschaduwde hoeken;
de perken werden minder verzorgd; de
wind had enkele stokrozen gebroken en
de dahlia\'s van hun paal losgeslingerd; de
verbena\'s kropen, nog bloeiend, over den
grond; de varens in den boomstronk waren
bruin opgedroogd, en het hardnekkig on-
kruid, de ontmoedigde, werende hand over-
winnend, spreidde zich in groote struiken
op de minst bezochte paden uit.
Ook in het huis heerschte eene onbe-
strijdbare kilheid: de muren waren ietwat
vochtig; de vensters sloten niet goed; de
tocht sloop verraderlijk onder de deuren
binnen; er stond wel een kachel in de
groote zaal; maar de schoorsteen trok niet,
het rookte, zoodra men het vuur aanstak;
de koude der vloersteenen drong door
het tapijt en velerlei kleine, gemak- of ge-
-ocr page 114-
io6
EEN E IDYLLE.
notgevende dingen, in den zomer niet
gewenscht. vermiste men nu. Het verblijf
te lande was een kampement geworden.
Aurelie had de vitzucht der wereld be-
zworen; de eischen bevredigd, zich zelve
eene strenge verzaking aan den dagelijk-
schen omgang met Guido opgelegd. Zij
verkeerde in de hoop op eenige laatste
schoone dagen van ongestoord te zamen-
zijn. Maar zij ondervond, dat men niet
straffeloos verwijdert, en niet naar believen
terugroepen kan, dat bij gebrek aan het
ιιne onbevredigd verlangen, het mensche-
lijk gemoed eene andere belangstelling zoekt:
nu dat hem de toegang tot het landgoed
weder vrij stond, maakte Guido er niet
veel gebruik van; wellicht kwam dit, omdat
de jacht open, en hij een onvermoeibaar
jager was. En nu ook, dat Aurelie minder
onder de betoovering van zijne tegen-
woordigheid leefde, kon zij hem weder
strenger beoordeelen en inwendig zijn ka-
rakter gispen: zijn onpractischen zin, zijn
gebrek aan arbeidzaamheid, aan volharding,
het verspillen zijner begaafdheden en zijner
kracht aan de tijdelijke voldoening van het
-ocr page 115-
EENE IDYLLE.                          107
oogenblik, het ongestuime van zijne harts-
tochtelijke liefhebberijen....
Nadat hij den dag in wei en bosch en
veld had doorgebracht, kwam hij aan, een
half uur vσσr zijn vertrek naar den trein,
met het geweer op den rug, de laarzen
hoog beslijkt, de weitasch vol. Zijn groote
hond, die hem gevolgd was, lag hijgend,
met de tong uit, op het vloertapijt neder,
dat hij duchtig bezoedelde, terwijl Guido,
nog onvermoeid, rood en eene lucht van
frischheid en koude om zich verspreidend,
recht bleef staan, om op de tafel den
malschten haas of het schoonste waterwild
uit te zoeken.
En in het licht der lamp, in het bijzijn
van mijnheer Van der Hawermeiren werd
het gesprek, waarnaar deze niet luisterde,
aangeknoopt. Guido was het, die vertelde,
opgewekt, zelfzuchtig, van \'t genot, dat
een jager smaakt, van zijn strijd met het
nagezette dier, welks leven op het spel
staat, van zijne hardnekkigheid, die alle
medegevoel uitsluit, van de verrukking der
zege, van het nauwe verband, dat er tus-
schen den jager en zijn hond bestaat; van
-ocr page 116-
I08                         EENE IDYLLE.
de slimheid van dezes instinct en hoe hij
den staart horizontaal uitsteekt, als hij
aan het leger van een haas stilhoudt, of
daarbij den voorpoot opheft bij het gewaar-
worden, dat er pluimgedierte in de na-
bijheid schuilt. En hoe onverschillig een
jager is voor zijn buit: het vernielen, ver-
delgen, het dooden is zijn doel.
Dat was zoo verre van hun gewone
gesprekken! men zou gezegd hebben, dat
er voor hem niets dan woeste vermaken
meer bestonden. Zij sloeg hem gade; zij
had hem te lang uit het oog verloren, zij
leerde eene nieuwe zijde van zijn karakter
kennen. Zij wist niet, dat die drift hem
ieder jaar op hetzelfde tijdstip van zijne
bespiegelende levenswijze aftrok.
XIX.
Het eerste wat dokter Cappuijns deed,
toen hij op een laten Zondag van October
kwam, was zich boos te maken: weihoe,
zij bleven daar, in die woning, verpest
door vochtigheid! in de nabijheid van \'t
water, en zoo kort na het herstel van een
-ocr page 117-
iog
EEN E IDYLLE.
gevaarlijke ziekte! Waren zij beiden van
hunne zinnen beroofd dan ? En hij zag
om naar de kachel, die niet branden kon.
Voor hem gaf het niet, hij had het altijd
te warm: — Maar gij, zei hij verwijtend tot
Van der Hawermeiren, die hoest en zwak
zijt.
En deze boog het hoofd als een mis-
dadiger, beschaamd, omdat hij aan de tafel
zijn overjas aanhad en zijn kuch niet in-
houden kon. Daarna kreeg Aurelie haar
deel: had zij haar vader niet liever dan ?
moest zij hem daarom zoowel verzorgd
hebben om hem nu van koude te doen
omkomen ?
En zij had goed zich te ontschuldigen,
dat het van in \'t begin aldus geschikt was,
dat zij er alle jaren tot Allerheiligen ble-
ven en het de wensch haars vaders zelf
was.
Cappuyns wilde daar niet van hooren:
— Zooveel te slechter, indien gij \'t vroeger
hebt gedaan, dat geeft mij de verklaring
van uw borstkwaal, zei hij.
Dit was een onvoorzichtig woord in den
mond van een dokter. Aurelie verschrikte.
-ocr page 118-
T I O                            EENE IDYLLE.
De professor-emeritus glimlachte, onge-
loovig, heimelijk verontrust misschien.
Wat er ook van zij, na het vertrek van
Cappuijns werden dadelijk maatregelen ge-
nomen tot het verlaten van het landgoed,
en reeds den Dinsdag namiddag stond de
wagen aangespannen, die hen heenvoeren
moest: de groote met getijkt linnen over-
dekte camion ditmaal en rechtstreeks in
bestemming naar de stad; zij hadden al-
lerlei onmisbare benoodigdheden mede te
nemen.
Het speet Aurelie Guido geen laatste
maal te lande gezien te hebben en het
speet haar heen te gaan. De dag was
zoo schoon, het blauw des hemels scheen
scherper boven de zwarte sparren en
ginder boven de gele kruinen uitstekend;
de wilde wingerd hing vurig gekleurd van
den gevel af; de lijsterbessen bloedrood,
in overvloed, aan de rechtopgaande boom-
takken ; alles bewegingloos in de stille, nog
warme herfstlucht.
— Haast u, zei haar vader, met een pak
boeken in de hand, schuw naar het water
der Leie omziende, dat bij plaatsen door
-ocr page 119-
EENE IDYLLE.                             I I I
de zon beschenen, wit en hevig schitterde
en elders donker en doorschijnend, de
boomen en de gebouwen weerspiegelde,
— haast u, het is hier vochtig, en hij vouwde
zijne witzijden halssjerp wat dichter toe.
De muil hinnikte. Clete had het hek
geopend; Rensken en de meid brachten
korven en doozen aan.
Een laatste blik op het huis en de om-
geving. eene laatste aanbeveling aan Rens-
ken van uit het opgeheven luikje van het
venstertje, een knik van afscheid aan de
gewichtig groetende Clete, een „tok, tok,"
van Wanus op het muilpaard, en Aurelie
liet het linnen neervallen. Zij waren ver-
trokken, hun verblijf aldaar behoorde tot
den verleden tijd.
Wat was het gezellig dien eersten avond
in de stad! de hangende gaskroon ver-
lichtte beter den de staande petroleum-
lamp; het vuur brandde in de haardstede,
het eerste vuur, dat zoo weldadig is, een
open vuur dan nog, waarvan de laai het
oog verblijdt en \'t knetteren tevredenheid
schijnt te verspreiden! Met al de voor-
werpen van weelde en gemak, die zij ont-
-ocr page 120-
I I 2                             EENE IDYLLE.
beerd hadden om zich heen, die aan een
warm gestoffeerd nestje doen denken. In
de stilte der eenzame buurt, niiiar met
het bewustzijn van honderdduizendvoudig
leven en beweging onmiddellijk om zich
heen. in plaats van het besef der troos-
telooze verlatenheid, der hopelooze afzon-
dering op een afgelegen landgoed, in de
volslagen duisternis van een reeds langen
herfstnacht gehuld.
En Guido kwam, verbaasd, verblijd hen
reeds hier weer te vinden. ,,Waarom?"
want zijn vader had hem niets over dat
plan medegedeeld. „Sinds wanneer?" Hij
had het licht zien branden in de vestibule,
hij had aangebeld, niet wetend, wat het
te beduiden had.
O wat zou het een schoone, goede
winter wezen! Aurelie was wel besloten
er van te genieten, spijt alle vrederoovende
beschouwingen, spijt alle wereldsche be-
dilzucht .. Ja, hij mocht komen, eiken
avond; zij zouden samen zijn, haar vader
was er bij, wat viel er af te keuren op
hunne vriendschap? Zij verbreedde hun
leven, zij veredelde hun geest in geza-
-ocr page 121-
EENE IDYLLE.                            I I 3
menlijk verrijkende ontwikkeling ... daaren-
boven — en dit was bij haar de mach-
tigste, hoewel onbewuste beweeggrond
harer inschikkelijkheid — de winter zou
hun omgang in zijn beschermend donker
voor boosheid en nieuwsgierigheid verhelen.
XX.
Het noodlot had er anders over be-
schikt. Mijnheer Van der Hawermeiren
verkeerde in ziekelijken staat: hij had soms
kleine, ondermijnende koortsen; zijn kuch
bood aan alle heilmiddels weerstand. Maar
het ergste was misschien het verslappen
zijner geestkracht. Dat woord «borst-
kwaal" aan Cappuijns ontvallen, bleef hem
kwellend in het hoofd spelen. Hij dorst
zich niet meer buiten wagen uit vrees
voor vochtigheid in de lucht of aan de
voeten. Het gerekt verblijf te velde had
zijn gezondheid geknakt, klaagde hij.
De studie zelve werd verwaarloosd en hij
verdiepte zich in de onrustbarende lezing
van wetenschappelijke verhandelingen over
de borstkwalen, welke oom Cappuijns, tot
8
-ocr page 122-
I I 4                          EENE IDYLLE.
groote ergernis van Aurelie, hem, als zijnde
een boven elke persoonlijke vrees verheven
wijsgeer, bereidwillig en roekeloos ge-
leend had.
Met zijne stijgende vrees verdween ook
zijn eetlust en ten laatste vond de dokter
geen ander middel dan verandering van
lucht: Davos, in Grauwbunderland, hoog
in de Alpen gelegen, gunstig voor tering-
lijders. En met dezelfde overijling als het
vertrek of beter de vlucht van het land
had plaats gehad, werden toebereidselen
tot een winterverblijf in Zwitserland ge-
maakt.
Eιn dag scheen den zieke nu te veel.
Hij had zijne onrust aan Aurelie mede-
gedeeld en ofschoon oom Capuijns verze-
kerde, dat haar vader zedelijk meer dan
lichamelijk was aangetast, en zij hem
trachtte te gelooven, toch kon ze haar
angst niet te boven komen.
Op een morgen in \'t midden van No-
vember had het vertrek plaats. De eerste
sneeuw dwarrelde stormend neder in groote
flarden, die op den nog niet verkilden
grond, dadelijk smeltend, modderpoelen
-ocr page 123-
EENE IDYLLE.
115
vormden. Mijnheer Van der Hawermeiren
zat in \'t rijtuig, warm in zijn pelsjas ge-
wikkeld en hield beschuttend een zakdoek
aan den mond, Aurelie zwijgend naast hem.
Zij schenen gansch terneergeslagen, en
toen het rijtuig aan het station stilhield
en een paar boodschappers, half verblind
door de dichte vlokken, de zware koffers
beneden sleurden en naar het goederen-
kantoor droegen, kwam het Aurelie in
hare gedrukte stemming voor, als werden
\'t doodkisten — hunne kisten — die ver-
trokken naar het graf.
Zij waren veel te vroeg, en wandelden
heen en weder onder \'t glazen spoorgewelf,
sprakeloos en met de zenuwachtige aan-
doening der weinig reizenden, die een
verren tocht ondernemen.
Daar daagden in eens bekende aange-
zichten uit het volksgewoel op: mevrouw
Spanoghe en juffrouw Blanke, een laatste
groete aan de vertrekkenden brengend!
En eer zij tijd hadden om van hunne dank-
wekkende verrassing te herstellen, stond
ook Guido daar. Als bij tooverslag ver-
anderde hare luim: Och dat was goed,
-ocr page 124-
n6
EEN E IDYLLE.
zooveel vriendenaangezichten bij \'t henen-
gaan ! Aurelie drukte hem warm de hand,
en sprak innig hare erkentelijkheid uit.
Bij het ontwaren der twee dames had zij,
met de bliksemsnelheid der menschelijke
gedachte, tevens in \'t hart een teleurstel-
ling ondergaan, omdat Guido niet het-
zelfde deed; het was iets knellends, dat
zou aangroeien, zij wist nog niet tot hoe
groot eene pijn in den vreemde, waarvoor
zij beducht werd. Nu was hij toch ge-
komen ! Vroolijk scheen hij niet, geen
hunner was het met de treurige voorge-
voelens, die hen overheerschten; maar
Aurelie nam het als een goed voorteeken,
dat zijn trekken de laatste waren, die ze
zien zou. Toen zij hem gesproken had
van dat reisplan, scheen hij er de nood-
zakelijkheid van te betwijfelen, er lag wan-
trouwen in zijne stilzwijgendheid, als wilde
hij haar toonen, dat hij wel wist, waarom
zij henen toog: om zijne oplettendheden
te ontvluchten.
— Gij moet ons bezoeken in Davos, had
zij gezegd om hem in betere luim te
brengen en, ook onuitgesproken, te ver-
-ocr page 125-
117
EENE IDYLLE.
zekeren, dat zijne tegenwoordigheid haar
aangenaam was.
Maar dit deed hem somber en verwij-
tend opzien: — Ja, mijn milde vader zal
mijn reis betalen, had hij vrij onzacht
geantwoord.
Op hare beurt zweeg Aurelie, beduide-
nisvol ; en hij kende haar zoo goed, dat
hij hare gedachten raadde en ze woord
voor woord had kunnen uitleggen: — Het
is niet op uw vader, dat gij steunen
moet, gij zijt oud genoeg om onafhan-
kelijk te wezen, en verstandig genoeg om
door uw kundigheden zelf het noodige te
verdienen voor uw onderhoud en uwe uit-
spanningen ...
Dit had in de laatste tijden een koel-
heid tusschen hen doen ontstaan. Thans
scheidden zij aan den trein als oude vrien-
den met beloften van schrijven, met hand-
drukken en afscheidsteekenen; en juffrouw
Blanke en mevrouw Spanoghe, wier komst
zoo erkentelijk was begroet, waren er
reeds te veel voor al hetgeen de twee
nog aan elkaar te zeggen hadden.
-ocr page 126-
u8
EENE IDYLLE.
XXI.
Het moest Guido zonderling voorkomen,
wanneer hij nu voorbij dat ledig huis ging.
Gedurende heel den zomer waren de blin-
den er ook gesloten geweest, maar de be-
woners bevonden zich in de nabijheid; en
zoo hij aan de stoep niet meer staan bleef
om te bellen, was het omdat een andere
bel, ginder in \'t groen, aan een ijzeren
hek, hem toegang tot hen geven zou.
Thans hadden de poort en de gevel reeds
dat uitzicht van verval, eigen aan de din-
gen, die sinds lang ongebruikt of voor
lang verlaten zijn.
Het werd half December. Er was eene
postkaart van oom Van der Hawermeiren
gekomen, een viertal dagen na hun ver-
trek. Guido had herhaaldelijk geschreven
en eerst nu een brief van Aurelie gekre-
gen, dubbel verblijdend, omdat hij er zoo
lang had naar moeten wachten. De in-
houd behelsde goed nieuws: papa was
opgewekter en voelde betera is; Da vos was
mooi; zij logeerden Am Platz; er waren
-ocr page 127-
119
EEN E IDYLLE.
vele zieken en vele personen, die, zwak
van borst, er voorzorgshalve verbleven;
zelden blies er wind; de thermometer daalde
soms tot beneden zestien, ja achttien gra-
den Celsius, maar men voelde de koude
niet zeer, omdat er doorgaans geen lucht-
verplaatsing was. De teringlijders sliepen
\'s nachts met open venster en het scheen
hun goed te doen; de bacterieλn, welke
in de celweefsels der organische deelen, waar
zij voortwoekeren, in vochtige streken zulke
noodlottige verwoestingen aanrichten, stier-
ven op die berghoogte in die droge lucht.
Guido sloeg de bladzijde om en keek
naar het einde, waar men zegt dat vrou-
wen altijd het bijzonderste stellen; maar
de brief behelsde niets persoonlijks, niets
teeders, dat aan spijt over scheiding deed
denken. Alleenlijk berichtte Aurelie hem
nog, dat hun verblijf te Davos tot op het
einde van Mei duren, en er den volgenden
winter nog eene nakuur noodig wezen zou.
Van de mogelijkheid van zijn bezoek sprak
zij niet.
Althans, de brief, zooals hij was, met
zijne koelheid en zijne algemeenheden, had
-ocr page 128-
120                         EEN E IDYLLE.
hem zeer verheugd, en hij herlas hem
meermaals; het scheen hem te bevredigen
zijn oog op haar geschrift te laten rusten,
en hij bestudeerde den omslag, waarop in
blauwen druk het hotel, waar zij verbleven
en een berggezicht daarachter, waren af-
gebeeld.
Hij zat in den trein, in jachtgewaad,
maar zonder roer noch andere benoodigd-
heden: deze bleven thans buiten bij Wanus;
de hond ook was er kostganger en lag
er op den band, totdat zijn meester hem
en Camiel, die als klopjager dienst deed,
opeischen kwam.
Toen Guido dien morgen uit zijn huis
gekomen was, had hij bemerkt, dat het
plaveisel blonk als na den regen, en dat
er voor alle huizen zand of asch lag of
werd gestrooid: het ijzelde. Hij zag een
paar menschen uitglibberen, een kind val-
len, dat hij ophielp; zijn voet schoot zelf
wel eens uit, maar hij was behouden tot
aan het station geraakt. De lezing van
een zoo even gekocht dagblad hield hem
onderweg gansch in beslag; en het was
eerst bij het uitstappen van den trein aan
-ocr page 129-
EENE IDYLLE.
121
het buitenstation, dat hij gewaar werd, hoe
slecht het weder was: fijne, dichte stof-
sneeuw had niet opgehouden gedurende
een half uur te vallen, het veld lag er
reeds gansch mede bedekt; nu werd het
inderdaad moeielijk om zich recht te
houden.
Hij was het boschpad ingeslagen en
volgde de groote sparrenlaan, die naar
de woning van Wanus leidde. Eene vrou-
welijke gestalte ging voor hem in een
zwarten mantel, die haar te kort geworden
scheen, want de ook nog korte rok kwam
er tamelijk ver van onderen uit. Zij scheen
iets zwaars te dragen, wat haar naar de
ιene zijde overhellen deed; en zij ook
worstelde met den draaiwind, die de kille
kristallen prismaatjes verraderlijk in den
nek en onder het regenscherm in \'t aan-
gezicht joeg. Het regenscherm was zij
overigens dra gedwongen toe te doen,
hare kap vloog bestendig achterover en
de panden van haar mantel jammerlijk op;
zij schreed voort, omzichtig, voet voor
voet, zoodat Guido haar welhaast inhaalde.
Zij keek om: het was Rensken.
-ocr page 130-
I 22
EENE IDYLLE.
Haar gelaat was zoo rood onder den
verfrisschenden zweepslag van wind en
sneeuw, dat bij zijn verschijning de blos
er niet meer op verhoogen kon.
—   Slecht weer, sprak hij tot haar.
—   Een weer om geen hond door te
jagen, bemerkte zij op hare beurt. —
Zoodra twee menschen te zamen komen,
voelen zij de behoefte om aan elkander
te vertellen, wat voor weer het is.
—  En gij gaat toch uit niettemin, zei hij.
—  Gij ook, antwoordde Rensken snedig.
De toon was boersch, de stem zoet; en
als vond zij het zelve wat kortaf of on-
beleefd, — ik moest naar \'t dorp om win-
kelwaren en tarwebrood, voegde zij er
bij, en ook wie zou \'t voorzien hebben,
dat het alzoo spoken zou! \'t heeft reeds
gereind van den morgen vroeg, dan werd
het gelijk sneeuw en slegge x).
Dat verstond Guido niet, maar hij vroeg
geene uitlegging, hij bemerkte wel, dat het
meisje uit verlegenheid zooveel sprak.
l) Reinen (to rairi) wordt nog hier en daar gebruikt in
Vlaanderen voor regenen. Sneeuw en slegge is een mengsel
van regen en sneeuw, wat de Engelschen sleet noemen.
-ocr page 131-
EENE IDYLLE.                         123
Hij zou er ook den tijd niet toe gehad
hebben, want met een schielijk: „Oei, oei,
oei!" van angst greep Rensken, uitglijdend,
naar hem.
Hij schoot toe en hield haar val tegen:
— Kom, leun op mijn arm, — zei hij.
Rensken kreeg misschien voor de
eerste maal van haar leven een dergelijk
aanbod, althans zij scheen niet goed zijn
bedoeling te begrijpen, maar weigerde
toch niet de aangeboden hulp: zij kliste
hare vingeren rond zijn bovenarm en neep
er in bij elk gevaar van glibberen of om-
meslaan. Weldra werd haar voet vaster, of
haar vertrouwen grooter in de begeleiding
van zijn zekeren stap; hij was als een
pilaar, waartegen zij steunde. Van haren
korf had zij wel wat last — wie weet,
indien zij haren reisgenoot het geheim van
zijn inhoud niet ontsluierd had, of hij dien
niet aan zijne sterkere hand zou overge-
nomen hebben; nu kwam het hem niet
eenmaal in den zin de lastdrager van
Wanus\' mondbehoeften te worden.
Soms wierp hij een blik ter zijde op
haar: de gesmolten sneeuwdropjes, zooals
-ocr page 132-
EENE IDYLLE.
124
hij er ook op zijn baard had, lagen als
zoovele pareltjes in overvloed rond hare
kroezelige haartjes geregen en het rood
harer wangen schitterde door het lichte
weefsel harer zwarte muts; massa\'s sneeuw
stoven ,.als lawinen in de bergstreken",
dacht hij vroolijk, uit de sparren op hun
hoofd en hunne schouders neder, zoodat
zij ze afschudden en hij meer dan eens
hare op den rug hangende kap met het-
zelfde inzicht omkeeren moest.
Aldus bereikten zij in \'t midden van
het bosch de plaats hunner bestemming,
het eenzaam huis, waar Wanus met zijne
familie woonde.
XXII.
Guido zat ,,versneeuwd". Van jagen
kon er geene sprake wezen in zulk een
storm. Geheel den voormiddag had hij
gehoopt, dat het beteren zou, nu begon
hij den moed te verliezen. Te vergeefs
ging hij, gebogen, aan een der bijna vier-
kante vensters staan in de lage plaats, waar
hij nog veel grooter scheen dan hij was,
wrevelig naar buiten ziende, als kon zijn
-ocr page 133-
EENE IDYLLE.                          I 2 5
ongeduld er toe bijdragen om het woeden
der elementen te bezweren. Heel de lucht
bleef grauw, met dwarrelende witte stipjes
doorwemeld; de wind loeide in de dennen
als het gegrol der zee; groote barmen
sneeuw lagen woest tegen het hofhekje en
het stalletje aangehoopt; het hondenhok
was er gansch in bedolven en eene witte
streep onder aan de deur leverde het be-
wijs, dat de speelsehe vlokjes stout genoeg
waren om zelfs binnen te dringen.
Het was verdrietig, hij had het reeds
herhaaldelijk gezegd en Wanus, tot wer-
keloosheid gedwongen, met handen die,
zichtbaar uitrustend, groot en vereelt naast
hem hingen, beaamde die meening van in
den hoek bij \'t vuur.
Inmiddels had Rensken haar kantkussen
genomen en arbeidde naarstig, er over
gebukt. Clete zat rechtover haar, aan het
tweede venster, met een gelijk toestel op
den schoot: haar hoofd, diep op de borst
gezakt, verzwond achter haar ellendig mis-
vormden rug; hare lange, beenderige vin-
geren sloegen de kloskens reutelend en
met verbazende vlugheid over het gespan-
-ocr page 134-
126                          EENE IDYLLE.
nen papier dooreen; deze waren zoo tal-
rijk, dat de ongebruikte in drie en vier
lagen bij middel van groote ,,naaldspelden"
opgestoken zaten en de zoogenaamde
paren \') ook aan spelden geknoopt, in
overvloed van den achterkant van \'t kus-
sen afhingen. Clete was een veel betere
werkster dan Rensken; ook maakte zij
beduidend breedere kanten, zoo regelmatig
en wit, dat zij bij \'t afsnijden telkens den
hoogsten prijs kreeg. Zij was zeer fier over
deze meerdere bekwaamheid tegenover
hare zuster, die zooverre boven haar hoofd
was gegroeid, en nu misschien wel wat
teleurgesteld, omdat de bezoeker geen
oogen scheen te hebben voor hare steeds
verwondering en bewondering wekkende
behendigheid.
Hij sloeg nochtans de meisjes gade van
onder den schoorsteenmantel, waar hij, na
ieder vertoef aan \'t vensterraam, weer zitten
ging: misschien maakte hij wel vergelij-
kingen tusschen de beiden, door wier
aderen hetzelfde bloed vloeide, wier levens-
*) Overtollige kloskens, die in sommig platwerk ter aan-
vulling ingezet en daarna uitgesneden worden.
-ocr page 135-
127
EENE IDYLLE.
kring dezelfde was, en welke de gril van \'t
noodlot zoo verschillend van uiterlijk had
geschapen. — Geschapen ? Was \'t niet
veelmeer het kloekere gestel der eene,
dat de overwinning op ontoereikend voed-
sel, gebrek aan doelmatige zorgen en wat
tot de gezondheid en de ontwikkeling
noodig is, had behaald, terwijl de andere,
te zwak voor den strijd, als een beklagens-
waardig slachtoffer van den stand, waartoe
zij behoorde, ten onder was gegaan? Die
kromme gestalte zou in gunstiger omstan-
digheden misschien recht, die mond min-
der groot, die vingeren minder knokkeb
achtig, dat inderdaad schoon zwart haar
op een ander hoofd schoon geschenen
hebben ....
Camiel zat voor het vuur, met het
wakker oog op Guido als een hond op
zijn meester gericht, steeds hopend, dat
deze in weerwil van alles ter jacht, en hij
mede zou mogen gaan.
Aldus was het middag geworden.
Eene bejaarde vrouw, die allen kortweg
Clette noemden, ofschoon zij de tante der
kinderen was, had het eten bereid. Guido
-ocr page 136-
128
EENE IDYLLE.
had voorzorgshalve, wat hij altijd deed,
koud vleesch en broodjes mede; maar nu
hij voor \'t oogenblik het lot deelde der-
genen, die hem herbergden, kwam het
hem voor, als hoefde alles in de gemeen-
zaamheid gebracht te worden: hij zou niet
alleen aan een tafeltje, zooals hij meende,
dat het inzicht der gastvrouw moest zijn,
plaats nemen, maar wel tusschen de huis-
genooten en als een hunner. En hij reikte
Clette zijn voorraad en bad haar alles
eenvoudig en als naar gewoonte te doen.
In zijne meening sloot die eenvoud nog
een zekere fatsoenlijkheid niet uit: onbe-
paald dacht hij aan grof wit linnen in
plaats van fijn, aan glas, aan aardewerk,
aan blinkend gewreven stalen vorken in
plaats van zilveren, van porcelein en
kristal.
Hij had niet berekend, waartoe hij zich
verbond: de aardappelen werden in eene
groote roode teil opgediend en de inhoud
eener sauspan er brutaal over uitgekeerd;
de tafel was niets anders dan een zooge-
naamde „papstoel", een kleine, ronde, lage
tafel, die misschien haar naam ontleend
-ocr page 137-
EENE IDYLLE.
I 29
heeft aan het boeren- en werkmansgerecht,
dat er veel op genut wordt.
Allen schaarden er zich rond, ook Guido.
—  Trek maar toe, zei Wanus, nadat
Camiel, als de jongste, hardop een Onze
Vader gebeden had.
Elk had een ijzeren vork. Guido nam
er beleefdheidshalve iets op; maar de
scherpe tanden kwetsten zijn mond. Van
drinken was er geene spraak. Hij vroeg
een glas bier, wat de huishoudster en
Clete in groote verlegenheid, ja verslagen-
heid bracht: in zulke huizen bezit men
geen ton.
—  Wil ik er om loopen naar de „Wippe" ?
— eene herberg — stelde het bultje be-
reidwillig voor, reeds opstaande.
Guido protesteerde, na den vader, want
deze had gevraagd, of zij van hare zinnen
beroofd was — op zulk een ijsbaan ?
Toen kreeg hij een glas water, zeer
doorzichtig, maar met eene bruine kleur
en een goorsmaak, als was \'t uit eene
gracht geschept.
Zijne veldflesch met rum kwam goed
te stade hierbij.
9
-ocr page 138-
I30                        EENE IDYLLE.
Elk had voor zich een hol — niet on-
gelijk aan eene zandgroeve in de duinen —
onder den tas aardappelen gemaakt, waar
de saus in stroomde; maar de hoogten
zelve verdwenen aldra en de bodem sche-
merde door wat er overbleef. Dit was
voor de kat. Wanus hield haar den scho-
tel voor, dien zij uitlikte. Het koud vleesch,
in stukjes verdeeld, was genut en toen
vroeg Clete of mijnheer niet eene ,,schaal",
koffie lustte.
- Ja.
Deze was niet genietbaar. Guido schold
zich zelf voor dom uit: welk een inval
ook van uit jagen te gaan, toen het zoo
duidelijk te voorzien was, dat het slecht
weder aanhouden zou! Waarom niet aan
het station zelf den terugkeerenden trein
te hebben afgewacht? En nu werd hij in
eens koppig: hij was er voor, hij moest
en wilde er door. Met een spoedig besluit
sprong hij op: — Komaan, sprak hij tot
Camiel; hij nam geweer en weitasch, ont-
bond op \'t hof zijn hond en in de altijd
zweepende sneeuwbui, over \'t glibberig
pad, trokken zij het sparrenbosch binnen.
-ocr page 139-
EENE IDYLLE.                          I 3 I
XXIII.
Zij kwamen onverrichter zake weer na
uren ommedwalen. De inspanning, de
koude, het worstelen met den wind hadden
Guido nochtans verkwikt en zijn gemoed
opgebeurd. Er lag iets wilds en grootsch
in dat verlaten, ontoegankelijk oord, vol-
komen in harmonie met zijne menschen-
schuwe stemming, in die duisternis, die als
een rouwfloers over de met lijkwade be-
dekte aarde nederviel.
De gloed der haardvlam schitterde hui-
selijk door de lage vensters als een wel-
komswenk. Er brandde nog geen licht.
Clete zat voor den haard; de weerschijn
teekende, hoog en laag bewegend, de
schaduw harer misvormde gestalte op den
muur af; Rensken hield nog haar thans
met een donker doek bedekt kussen op
den schoot en keek mijmerend of droo-
merig door \'t vensterraam in de scheme-
ring. En bij zijn binnenkomen ontstak
Clette het licht.
Zijn eetlust overwon elk keurigheidsge-
-ocr page 140-
132                          EENE IDYLLE.
voel: de droge, hem opgediende worst, die
hij in verbroedering met Camiel en den
hond deelde, smaakte overheerlijk. En
het was met een zekeren tegenzin, dat
hij, na eene halve behagelijke indommeling,
door het contrast der doorgestane kou en
warme inbakering van het vuur veroor-
zaakt, zijn uurwerk raadpleegde: — Sa-
pristi! te laat om nog den trein te halen!
— welnu, ik zal den laatsten nemen.
—   Verexcuseer, mijnheer, de laatste
staat niet stil, berichtte hem Wanus.
—   Hoe, wat ? riep Guido, oploopend,
als gold het een persoonlijk verwijt.
Hij doorbladerde zijn reisgids. Hij had
dien dag de lijn van Gent op X. geno-
men, met het inzicht te Dauwegem af te
stappen en in de omgevende bosschen te
blijven jagen, en ook langs daar terug te
keeren; wat hij anders niet deed, omdat
hij gewoonlijk, omtrent den avond in
de weiden aan de Leie drentelend, op
jacht naar waterwild, te Vroden den
trein nam, dien hij in den zomer, tijdens
zijn bezoeken aan het landgoed, verkoos.
Van de plaats, waar hij zich bevond,
-ocr page 141-
EENE IDYLLE.                          133
was de omweg daarheen zeer groot, ont-
zagverwekkend in dit stormend winterweer.
—   Nochtans ... hij stond reeds op,
toen Wanus hem zei:
—   De meerschen staan onder.
Dat was nu een verlegenheid! Hij kon
toch te voet naar de stad niet terugkeeren.
—   Ware \'t mogelijk hier te slapen ?
Gij hebt wel ergens een logeerkamertje?
vroeg hij.
—  Ja, ja,... heel wel, zeker.
De drie vrouwen hadden elkander aan-
gezien, beteuterd, ontzet. Hij bemerkte er
niets van, bezig als hij was met het aan-
steken eener sigaar.
Er greep eene verdachte samenkomst
van Clete en Clette in \'t schotelhuisje plaats,
een gefluisterde beraadslaging, gevolgd door
een geheimzinnig doch verward geloop in
de naaste kamer. En nadat Guido nog
geruimen tijd naar de vertellingen van
Wanus had geluisterd, terwijl de andere
huisgenooten met de nieuwsgierigheid der
eenzaamwonenden het oog van hun gast
niet afwendden, verklaarde Clette, opstaande,
dat het tijd was om slapen te gaan.
-ocr page 142-
134                         EENE IDYLLE.
Vader en zoon trokken het laddertje,
aan een roest (hoenderrek) gelijk, beurte-
lings op.
— Daar, zei Clette, de kamerdeur naast
den ruiardmuur aanwijzend, en: — pak dit
maar mee, ziende, dat hij naar een licht
o mzag.
Hij moest hen dus in \'t donker laten,
er was zeker slechts ιιne lamp in huis.
In de kamer stonden twee bedden, het
ιιne hier, het andere ginder: — In \'t
eerste, had Clete groetend gezegd; en:
— Blaas het licht uit, als \'t u belieft,
mijnheer, voegde Clette er nadrukkelijk bij.
Vrees voor brandgevaar of zuinigheid,
meende Guido.
Hij had het dan ook gedaan, nadat hij
niets behalve zijn laarzen en zijn jas uit-
getrokken, en zich aldus had neergelegd
als een soldaat, die kampeert. De lakens
waren koud, ruw en rein; het bed was
van kaf evenals het kussen, dat den zon-
derlingen, eigenaardigen reuk dezer aarts-
vaderlijke stof had en onder den druk van
het lichaam en het hoofd wegschoof.
Dadelijk half indommelend, had hij een
-ocr page 143-
EENE IDYLLE.                          I 35
bewustzijn van vreemdheid behouden hij
hoorde den wind in \'t dennenbosch; ach-
terdeuren sluiten, grendels voorschuiven,
voeten over den vloer gaan, het vuur op-
blazen; en dan, weer wakker schietend,
een gefluisterd gekibbel in de keuken:
— Alzoo hout morsen! — \'t Is een schande!
—  Hewel, ja, — dit was een zachtere stem,
die van Rensken, naar \'t hem scheen —
ik zou er mijn kat van spreken \') om een
geheelen nacht zonder vuur te zitten ver-
stijven.
—  Gij dwaashoofd, zij zoo koppig niet.
—   He ja. \'t is waar ook, wij hebben
zoo dikwijls met drieλn in dat bed gelegen.
—   Neen ik, zeg ik, hernam de stem,
die hem degene van Rensken scheen.
—   Hij zal \'t niet eenmaal weten, hij
slaapt al gelijk een varken.
—   Laat mij gerust, elk doet wat hij
wil, sprak Rensken korzelig.
En alles bleef stil, totdat zijne deur
zachtjes geopend werd en twee gestalten
omzichtig op de bloote voeten binnen-
kwamen. Guido meende ze in \'t duister
*) Ik wil niet.
-ocr page 144-
136                          EEN E IDYLLE.
onduidelijk te herkennen: de oude vrouw
en het meisje met den bult, en hij begreep
het in eens: hij lag in \'t bed van Rensken,
hij roofde haar de nachtrust!
Wat moest hij doen? Zijne gezellinnen
aanspreken, beschamend veropenbaren, dat
hij wist wat men zoo gastvrij zorgvuldig
voor hem verborg? Haar verschrikt uit
het bed doen vluchten, als patrijzen, wier
leger ontdekt is? Tot Rensken zelve
gaan, zich ontschuldigen over zijne onbe-
scheidenheid, haar overreden hem in hare
plaats te laten waken ? Maar hoe zou zijn
verschijning haar doen ontstellen! zij zou
schreeuwen, opschudding verwekken, en hij
zag Wanus en Camiel reeds beneden stor-
men, in den waan dat haar een onheil
dreigde.
Hij bleef dus liggen; hij roerde niet;
hij luisterde naar wat er in de keuken
omging; hij keek door de spleet der half
open gebleven deur: soms ontstond een
nauw vatbaar geruisch; een verschoven
stoel, eene luidere ademhaling of een zucht;
dan kraakte er iets, omzichtig, en een
roodere laai op den muur verried het
-ocr page 145-
EENE IDYLLE.                          137
gooien van nieuwe brandstof op den haard.
In verbeelding zag hij het meisje achter-
overleunend, met het schoone hoofd tegen
den muur, de knieλn opgetrokken, de
voeten op de sporten van een stoel. Zou
zij ten minste de voorzorg genomen heb-
ben een warmen doek of eene deken over
hare schouders te werpen? of hadden
zuster en tante er haar geene willen afstaan
als straf voor hare oproerigheid, en hui-
verde zij van de kou ? En nu hij hoorde, dat
deze sliepen, kwam weer de lust in hem
op, stil tot aan den ingang sluipend, te
zien of zij ook ingedommeld was en, zoo
ja, de meegenomen sprei zacht over haar
te leggen, zσσ zacht, dat de beroering
haar niet wekken zou. Maar hij verwierp
den inval als een misbruik van vertrouwen ;
hij beteugelde de nieuwsgierigheid om Rens-
ken in haar sluimer te zien; hij overwon
de liefderijke, beangstigde begeerte om
haar te beschermen als ware \'t eene heilig-
schennis; hij dwong zijn geest tot zelfbe-
spiegeling: moest hij daarom zooveel geleerd,
zoo diep hebben nagevorscht om nog zoo
weinig van de levenswijze en de ontbe-
-ocr page 146-
I38                         EENE IDYLLE.
ringen der lagere klassen te kennen ? Nog
niet te weten, dat wat een stedeling als
het strikt noodzakelijke voorkomt, den
landman als buitensporige pracht onbekend
is ? ... Maar zijn gedachten keerden weder
naar Rensken en het zonderling geheim
der individualiteit, die in denzelfden stand
en dezelfde familie den eene uit kieschheid
doet verwerpen, wat bij de anderen geen
aanstoot verwekt. En de indruk van heel
dien dag: de lange tocht op de ijzelbaan
met de vingergrepen, die hij nog in zijn
arm meende te voelen, het ontzenuwend,
urenlange wachten, de vruchtelooze poging
om ondanks alles, wild te zoeken, de
lichamelijke vermoeienis verdoofden zijn
geestvermogens; onduidelijk spijt en zelf-
verwijt, het onbevredigende van heel dien
dag, alles lag eindelijk verward in zijn
beneveld brein dooreen, en met een laatst
gevoel van eindelooze afzondering en een
visioen van onmetelijke sneeuwvelden en
loodgrauwe lucht, verloor hij allengs het
bewustzijn ....
Toen hij ontwaakte was het reeds dag;
een sombere winterdag, die nauw de laag-
-ocr page 147-
EEXE IDYLLE.                       I39
gewelfde kamer verlichtte. Zijn oog viel
op het tweede bed: eerst meende hij eene
muts, een hoofd, eene gestalte onder de
dekens te ontdekken en dorst niet opstaan;
doch alles onbeweegbaar blijvend, kreeg
hij aldra de overtuiging, dat zijne slaap-
gezellinnen reeds het hazenpad gekozen
hadden. Hij onderscheidde ook tevens de
stemmen der huisgenooten daarbinnen.
—   Goed geslapen, mijnheer? vroeg Wa-
nus, zoodra hij in de keuken verscheen.
—   Best, loog Guido, wellevendheids-
halve, van \'t oogenblik dat ik mij heb
neergelegd tot nu.
Hij zag Clette, die hem koffie had in-
geschonken, en Clete, die reeds met haar
kantkussen aan \'t raam zat, een blik van
verstandhouding wisselen. Rensken, ook
aan \'t kloskens verslaan, was zeer diep
over haar arbeid gebogen; hij bemerkte,
dat zij nu en dan eens als slaperig aan
hare oogen wreef.
—  En het weer?
—   Hoe langer hoe erger, zei Wanus.
Inderdaad, de vlokken stoven daarbuiten
groot en dicht naar beneden.
-ocr page 148-
I4O                         EENE IDYLLE.
— Gij zult er nog een dag aan moeten
bijplakken, mijnheer.
Neen, neen, met geene ketens ware
Guido nu te binden geweest. Hij nam
dan ook spoedig afscheid. Hij dorst geen
geld aanbieden voor zulk eene hartelijke
gastvrijheid. Hij had een paar drinkpen-
ningen in de hand genomen, voor de
meisjes was zijn inzicht geweest; en wei-
licht had Clete zich met die hoop gevleid;
want zij stond op met het kussen in de
handen en salueerde, zooals haar in de
school geleerd was te doen, telkens wan-
neer de onderpastoor binnenkwam, terwijl
hare zuster naarstiger dan ooit voort-
werkte.
En hij aarzelde, hij wist niet welke
schuchterheid hem weerhield iets aan Rens-
ken te geven; en, het mismaakte meisje
mede opofferend: — Daar, sprak hij stil,
de twee geldstukken verholen aan Carniel
in de hand duwend.
Deze lachte met eene schittering van
voldane gretigheid in \'t oog. Clette\'s en
Clete\'s blik ook schitterden met opgewekte
begeerigheid. Het was een te verwachten
-ocr page 149-
EENE IDYLLE.
141
feit, hoewel Guido het niet vooruitzag, dat
de buit niet onbetwist in \'t bezit van den
eersten eigenaar blijven zou.
— Zooals gij u bevonden hebt, recom-
mandeeren wij ons, zei de oude vrouw,
den vertrekkenden gast tot op den dorpel
uitleidend.
XXIV.
In zijn eerstvolgenden brief vertelde
Guido zijn wedervaren aan Aurelie, en hij
moest er wel de luimige zijde van gevat
en medegedeeld hebben, want zij antwoordde
spoedig op vroolijken toon, hem vragend
haar meer van Clette en Clete en Rensken
te schrijven, indien zijn weg hem nog naar
\'t bosch mocht voeren. In zijn brief —
en wellicht als ontschuldiging over het
onbeduidend onderwerp — had hij haar
verklaard, dat hij aan haar als zijne beste
— zijne eenige vriendin — alles zei; maar
dat was niet waar: men zegt nooit alles,
hoe vertrouwd men ook mag wezen, er
blijft toch altijd een verborgen hoekje, dat
niet doorsnuffeld, eene plooi in \'t hart, die
-ocr page 150-
142                         EENE IDYLLE,
niet ontvouwen wordt. Aldus had Guido
zijn geheim, nauw met zijne toekomst en
die van Aurelie verbonden: hij was van
plan om een speciaal examen af te leggen,
dat hem tot de waardigheid van doctor
verheffen, en den weg tot de Hoogeschool
openen zou. Met dat inzicht had hij eene
memorie opgesteld; was zij aangenomen,
dan zou hem geoorloofd worden een monde-
ling onderzoek te doorstaan tot het ver-
dedigen zijner thesis. Dan zou hij fier
tot haar en zijn vader, die hem met ver-
hoogde minachting bejegende, kunnen gaan
en zeggen: — Ziet hier, ik ben niet zoo
werkeloos geweest, als gij waandet; terwijl
gij mij openlijk of verborgen voor vadsig
en onpractisch uitscholdt, beoogde ik een
doel, — ik heb het bereikt, welnu ?
Aan den uitslag twijfelde hij niet, zijne
kennis was uitgebreid; hij voelde de kracht
van zijn geest, hij had die kracht enkel
op het door hem gekozen vak samen
te trekken om iets uitstekends tot stand
te brengen. Hij sloot zich in zijne kamer
op; hij bezocht de stadsbibliotheek, hij
verdiepte zich in folianten, hij schepte aan
-ocr page 151-
EENE IDYLLE.                          I43
de bronnen der wetenschap zelve, naar hij
dacht. Hij raadpleegde niemand, noch zijn
vader, noch zijn oom, noch een zijner
voormalige professors, berustend in zijn
wetenschap en de rechtvaardigheid zijner
beoordeelaren; koortsig hakend naar het
bezit van \'t zilveren lauwertak]\'e, dat zege-
teeken des geleerden.
Aurelie was er dien zomer verre van
af te vermoeden, dat hij geheel den mor-
gen ijverig en doelmatig thans was aan
\'t werk geweest, wanneer zij hem van
verre langs den steenweg naderen zag en
het niet kon helpen, dat haar verstand
hem een luiaard noemde, terwijl haar hart
zich over zijne komst verblijdde. Hij had
hare gispende gedachten wellicht geraden
en hare zeldzame lakende zinspelingen
beter verstaan dan zij wist, of eindelijk
toch begrepen, dat het leven een ander
oogwit eischt, dan een genoegelijke slen-
tering.
En wie weet, welke spoorslag, prikke-
lender dan het bitterst verwijt, de ijskoude,
stalen blik, waarmede zijn wakkere vader
hem aan de maaltijden begroette, niet werd
-ocr page 152-
144                         EEXE IDYLLE.
en hoe het bewustzijn zijner nutteloosheid
als mensch in de samenleving hem niet
begon te drukken!
Omtrent half Mei zouden de reizigers
wederkeeren, luidens het laatste bericht.
In Maart waren er eenige schoone dagen
geweest, daarna was de wind naar \'t Noor-
den verhuisd, en de lucht guur gebleven;
de lente scheen zich hier maar niet be-
paald te willen vestigen. Het was zeker
om die reden, dat mijnheer Van der Ha-
wermeiren en zijn dochter niets van hunne
komst lieten hooren. Eindelijk omtrent
Juni reeds, verscheen de lang gewachte
brief: een brief van teleurstelling voor
Guido: zij kwamen niet! Dit was in \'t
eerst het eenige wat hem als een stokslag
trof. Haar vader was in de laatste tijden
weder wat minder wel geweest, schreef
Aurelie — ditmaal aan oom Cappuijns —
en de dokter had hem de gezondheids-
bronnen van Aix-les-Bains in Savooie voor-
geschreven. Zij bevonden er zich reeds,
het was er druk en duur, het zat er vol
Engelschen. Zij wist nog niet, hoelang ze
er blijven zouden, in elk geval stond het
-ocr page 153-
EENE IDYLLE.
145
landgoed ten dienste van oom en neef;
zij hoopten dat men er in hunne afwezig-
heid gebruik van maken zou.
—     Het is vriendelijk ons dat aan
te bieden, sprak Guido, met zijn ge-
dachten elders, na een lang stilzwijgen
aan het maal, beschaamd over zijn afge-
trokkenheid.
—   Ja, zei Cappuijns bijtend, terwijl hij
kletsend twee messen op elkaar wette, —
en voordeelig voor wie tijd heeft om het
aanbod aan te nemen.
Het bleef bij deze aanranding; de zoon
opende den mond niet meer, maar liet,
nog vσσr het nagerecht werd opgediend
zijn strijdlustigen vader alleen zitten.
Na een paar weken was Guido noch-
tans op het landgoed gevestigd, zonder
er het eigenlijk voornemen van gemaakt
te hebben. Zoolang hij Aurelie ver-
wachtte, vermeed hij opzettelijk, en om
vervolgens dubbel te genieten, elke wan-
deling daarheen; nu was hij toch gegaan
in de melancholische stemming, waarin de
brief hem gelaten had. En waren het nu
de vele herinneringen aan die gebouwen,
10
-ocr page 154-
146
EENE IDYLLE.
die graspleinen, die groenmassieven, die
kronkelende Leie, die schier onafzienbare
weiden verbonden, welke in hem ontwaakten
en ter plaatse boeiden, of was het de ge-
spannen verhouding tot zijn vader, die hem
zijn huis en de stad verfoeien deed, al-
thans hij bleef — eenige dagen eerst en
keerde dan naar de ouderlijke woning
terug; en gekrenkt misschien omdat zijne
afwezigheid en zijne terugkomst met de-
zelfde onverschillige minachting bejegend
werden, vertrok hij er nog dienzelfden avond
terug naartoe, ditmaal boeken en benoo-
digdheden voor een lang oponthoud mede-
nemend.
De vrouw van het hoevetje daarnaast
kwam eiken morgen zijne kamer opred-
deren en bereidde zijn eten. Voor \'t overige
leefde hij er geheel alleen gelijk een klui-
zenaar. In het begin scheen de tuin hem
toereikend, het. was als een groote, groene
gevangenis, vol frischheid, zon en vogel-
gekwetter, waarin hij zich vrijwillig opsloot.
— Hij loopt wat rond of zit onder den
treurenden esch aan \'t water altijd in
een boek te snuffelen; hoe hij daarmee
-ocr page 155-
EENE IDYLLE.
147
„zijne pap kan koelen"1), weet God! zei
de vrouw, uitgevraagd door hare huisge-
nooten over Guido\'s levenswijs.
Hij stond vroeg op, hij zag den mist
van over de weiden optrekken, de zon
van achter de boomen te voorschijn komen.
In dit seizoen is de dauw overvloedig en
de tuin was verwaarloosd. Sinds de werende
hand van Rensken en het snoeimes van
Wanus er niet meer in beweging bleven,
versperden lange takken den doorgang;
het onkruid woekerde malsch in de perken;
de wegen ook waren er ongelijk mede
overdekt; en hier en daar blonk de bloem
van een verdwaald, zelfgezaaid sieraad-
plantje: een blauw jufifertje-in-\'t haar of een
rozeroode silena, hooger opgeschoten dan
het omgevend, veracht gespuis, met hun
tengere kelkjes open in de zon, naοef ver-
trouwend op de sedert eeuwen voortdu-
rende bescherming, die ze aan hun ras
verzekerd waanden, niet schrikkend voor
den naderenden, vertrappenden voetstap.
Zijne schoenen waren nat, zijn bleeke
zomerbroek droeg vuile randen, als hij
1) Zich daarmee kan vermaken.
-ocr page 156-
148
EENE IDYLLE.
wederkwam van zulk een wandeltocht;
misschien deed dit hem den drogeren
weg onder de sparren, waar geen gewas
kan groeien, bij voorkeur opzoeken.
En van toen af werd hem de tuin te
eng: hij sprong in de boot, stak over de
Leie en volgde het platgetreden pad door
de weiden tot aan het bosch. Omtrent
den middag kwam hij weder, in de heete
zon, die hem niet scheen te hinderen,
vergezeld van zijn nu ook op \'t landgoed
verblijvenden jachthond, die, bevrijd van
zijne keten, jong en wild, in \'t hoogwor-
dend maaigras verwoestingen aanrichtte.
Zijn altijd werkzame geest had hem
weldra eene nieuwe uitspanning doen zoe-
ken: namelijk de studie der plantenkunde.
Met drift legde hij er zich op toe en
dagelijks bracht hij handvollen kruiden
mede, welke hij zelf in zijn waschkom in
\'t water legde tot nader onderzoek, het-
geen de bevreemding en de medelijdende
verachting zijner verpleegster opwekte, die
er zich in \'t begin meer dan eens schuldig
aan had gemaakt dezen voorraad als vuil-
nis op den mesthoop te werpen. Zij had
-ocr page 157-
149
EEN E IDYLLE.
zijn verwijt hierover als de gril van een gek
aangenomen, en gunde hem voortaan, als
aan een dusdanige, zijn onschuldig vermaak.
XXV.
Zijn weg voerde hem wel eens onbewust
naar het bosch en in de nabijheid van
Wanus\' woninkje. De hond liep er van
zelfs naar toe en Guido, trager achterna-
komend, zag hem reeds met de twee
pooten op den schouder van Rensken staan
en likkend hare streeling beantwoorden.
De beide zusters zaten nu altijd buiten.
Het was in het seizoen, dat de landlieden
„tusschen Mei en Oogst" noemen, \'t is te
zeggen eene poos van schorsing in het
veldwerk, het vlas en de suikerijen (bitter-
peeλn) gewied, de aardappelen opgeheuld \')
zijnde, de tijd van maaien en pikken nog
niet daar.
De meisjes maakten voortdurend kant.
Guido rustte er wat uit en vroeg een
glas geitenmelk. Het was er kalm en
*) In het Fransch biner, de aarde rondom den stam eener
vrucht ophoopen.
-ocr page 158-
15"
EENE IDYLLE.
frisch; het rook er naar hars en dennen;
de wielewaal deed luid weergalmend zijn
eigenaardigen zangtoon hooren; de tortels
kirden in de sparren; de werksters zaten
in de schaduw der hoogopgestapelde hout-
mijt.
In het begin stoorde en verveelde het
hem, dat het meisje met den bult plicht-
statig opstond om hem te groeten bij zijn
verschijning; hij had haar verzocht dat
niet te doen, en nu haalde hij zelf een
stoel in de ledige keuken, waar het uur-
werk zoo hoorbaar tikte.
Hij sloeg het spel der handen gade:
de lange vingeren van Clete, die met
grooter bewegingen dan het noodig was, de
paren inzetten of uitsneden en ratelend op
den achterkant van \'t kussen hingen, of
rafelend de niet meer vereischte boutjes
(kloskens) opstaken. Liefst echter keek hij
naar Renskens handen: poezelig en wei-
gevormd, ofschoon wat rood verbrand, de
nagels kort en afgesleten, de pink opge-
kruld als de pink van een kind, de pols
rond en dun, maar de arm onmiddellijk
hoogerop zeer verdikt.
-ocr page 159-
EENE IDYLLE.                         151
Zij vroegen of hij nieuws had van mijn-
heer of de juffrouw, en hij antwoordde ja
of neen en gaf bericht naar gelang hij er
gekregen had.
Niet altijd waren de beiden aanwezig;
maar het kussen stond dan toch op den
verlaten stoel, voorzorgshalve los met een
kleedje overdekt, ten bewijze dat het uit-
blijven niet lang duren zou.
Als hij Rensken alleen vond, zette hij
zijn stoel onbewust wat nader aan den
haren; zij streelden soms eene poos spra-
keloos den hond, die van den eenen naar
de andere sprong. Toen vroeg hij:
—  Waar is uwe zuster dan? als had
hij haar vermist, en zij antwoordde:
—   Wel, naar den winkel, of — in den
lochting (tuin) bij Clette, of — met de
boterhammen naar vader; maar ze zal niet
lang uitzitten, beloofde ze hem.
—   Hindert mijn tabak u niet? vroeg
hij in eens als tot eene dame.
—  O in de open lucht kan het geen
kwaad, verzekerde Rensken, in eene be-
sloten plaats zou het hem zwart maken,
meenend, dat hij den kant bedoelde.
-ocr page 160-
1 5 2                        EENE IDYLLE.
—   Hoe mooi! zei hij, nader kijkend
zonder iets te zien.
—  Die van Clete is al schooner; wil
ik het achterdeel van \'t kussen eens uit-
trekken om hem u te toonen ? stelde zij
hem bereidwillig voor.
—  Neen, neen, laat maar, bad hij, en
terwijl zij dezelfde vier kloskens voortdu-
rend dooreen wierp, vroeg hij: — Wat
doet gij nu ?
—  Inslaan: het traliewerk maken, leerde
zij hem.
—   Ha! en wat is dat? vroeg hij op-
nieuw, met het gebrek aan eerbied den
onwetende eigen, heiligschennend een vin-
ger, dicht bij de spelden, op de witte
draadjes drukkend.
—  Blijf daar van af! gebood Rensken
verschrikt, haar werk beschermend voor
bezoedeling. — Och toe, ge kent er toch
niets van, en zij drong hem, die nu
zoo dicht bijgeschoven was, en zoo laag
neerkeek, dat zij de warmte van zijn adem
op hare hand voelde, achteruit. — Gij
hebt het poer (buskruit) niet uitgevonden,
verweet zij hem eens lachend, nadat hij
-ocr page 161-
153
EEN E IDYLLE.
weder eene dwaze opmerking had gewaagd
over het kantmaken — iets waarmede zij
meende, dat alle verstandige menschen
vertrouwd moesten zijn.
En hij ook had geiachen, hij de veel-
wetende, over de bekoorlijke naοefheid van
het hem geringschattend veldkind.
XXVI.
Er kwam bericht, uit Zwitserland, en
weder eene teleurstelling: mijnheer Van der
Hawermeiren moest, zooals Guido wist,
luidens het voorschrift van zijn geneesheer,
den volgenden winter eene nakuur doen
in Davos, en daar de zomer reeds zoover
was, en het reizen hem vermoeide, hadden
zij zich in afwachting aan het meer van
Geneve gevestigd, met het inzicht er te
vertoeven tot op het oogenblik van hun
terugkeer naar de bergen.
Guido had nauwelijks tijd gehad om
dien dokter en die volgens hem onnoodige
gezondheidskuur te verwenschen, toen een
telegram hem naar huis riep: zijn vade
verkeerde in stervensnood!
-ocr page 162-
154                        EENE IDYLLE.
Hij vond hem buiten kennis: eene be-
roerte! Zij had hem overvallen in zijn
open rijtuig, terwijl hij op weg was om
visites te maken, door een zonneslag of
de felle hitte veroorzaakt. De koetsier had
gewaand, dat hij dood lag, toen hij, aan
eene krankenwoning bellend, mijnheer leven-
loos liggen zag. Nu scheen er toch —
na uren — eene kleine beterschap te zijn
ingetreden: Cappuijns opende de oogen bij
het binnenstormen van zijn zoon, ook bleek
als een doode en met bevende lippen.
Het scheen zelfs als deed de getroffene
eene beweging om hem de hand toe te
steken.
— Papa, papa! kreet Guido met eene
veelbeteekenende uitbarsting van angst en
liefde. Er had geene andere verzoening
plaats: er komt een oogenblik, waarop er
geene andere meer plaats hebben kan.
Hij waakte heel den nacht bij de sponde.
Hij duldde niet, dat de hand des gehaalden
broeders van liefde den kranke anders dan
tot toegevoegde hulp aanraakte. Hij zelf
hief hem in zijne krachtige armen op en
bracht het lavend glas aan de onmachtige,
-ocr page 163-
EENE IDYLLE.
155
vertrokken lippen. Er lag zooveel opge-
hoopte en steeds teruggedrongen teeder-
heid, zooveel berouw in zijne plotselinge,
driftige, wat woeste toewijding, die eilaas
den tijd niet had zacht en duurzaam te
worden; want Cappuijns stierf den derden
dag, zonder een eigenlijk herkennings- of
erkentelijkheidsteeken, maar met zijne hand
in die van zijn zoon, en deze voelde nog
— neen, neen, hij beeldde \'t zich niet in —
den beduidenisvollen druk van vadermin
bij de uiterste scheiding ...
Cappuijns was professor aan de H00-
geschool, ridder der Leopoldsorde en der
Eikekroon, lid van tal van geleerde en
andere maatschappijen, vermaard als dokter.
Hij werd door de studenten — zijn leer-
lingen — naar \'t graf gedragen. Zijne
toga en zijn eerekruisen lagen op den
zwartfluweelen pelder (baarkleed). De dood-
wagen volgde, zelf begraven onder bloe-
menkransen; talrijke vrienden en bekenden
gingen te voet; de rouwkoetsen kwamen
ledig, traag achteraan.
Het was eene indrukwekkende teraarde-
bestelling, met de salvo\'s der soldaten aan
-ocr page 164-
156                        EENE IDYLLE.
het woonhuis bij het uitbrengen der kist
en aan den ingang van \'t kerkhof. Het
serpent deed heel den weg zijne akelige
weeklacht hooren.
Guido had het eerst met den naasten
bloedverwant de lijkstatie gevolgd; en nu
stond hij ook vooraan in de groep der
vereerders van zijn vader, groot en breed,
wat gebogen, in spitsen rok en witte das.
Hij weende niet, maar een lichte schok
doorliep nu en dan zijne schouders bij het
luisteren naar de lijkredenen der op elkan-
der volgende sprekers. Vσσr zich tusschen
zijne grove, witgehandschoende vingeren
hield hij den met een floers omtogen hoed
krampachtig vast, en de donkere lijn zijner
saamgegroeide wenkbrauwen vormde als
een tweede rouwfloers boven zijn zeer
bleek gelaat.
Een derde salvo weerklonk, nadat de
logge kist in den grafkelder was neerge-
laten en Guido zag ter zijde, er voorbij-
trekkend, ginds beneden in \'t halfduister
een ander voorwerp met onduidelijke om-
trekken op schragen staan: de kist van
zijne ongekende, jong gestorven moeder ...
-ocr page 165-
EENE IDYLLE.                         I 5 7
XXVII.
Onmiddellijk na het overlijden van zijn
vader had Guido een telegram naar Zwit-
serland opgestuurd en eenige dagen later
een brief, alle bijzonderheden behelzend.
Er kwam een antwoord van Aurelie, tee-
der en troostend, dat hem in de weeke
stemming, welke het bezoek van den dood
— dien zoo geduchten gast! — bij de
overblijvenden teweegbrengt, diep ontroeren
moest. Zijne eerste beweging was een
aandrang, om tot haar te ijlen, dien een
oogenblik nadenken voorloopig verdreef:
er ligt iets oneerbiedigs in het dadelijk
verlaten van een huis, waar een lijk is
uitgedragen; ook kluistert gewoonlijk de
droefheid zelve den mensch aan de plaats
der ramp, met al hare gruwelijke, leven-
dige herinneringen.
De hevige schok, dien Guido gevoeld
had, liet echter geene duurzame trillingen
na: er was weinig om hem heen veran-
derd door dat overlijden van een vader
met welken hij schier geen omgang, en
-ocr page 166-
I58                         EENE IDYLLE.
volstrekt geene vertrouwelijkheid gehad had;
en ware het niet geweest, dat de verbeelding
aan de leemte en de eenzaamheid in huis
en aan de tafel iets akeligs bijzette, zou
de stilte er alleen een uitwerksel der af-
wezigheid hebben geschenen, daar de
dokter zoo vaak afwezig was.
Nu waren andere beslommeringen geko-
men, van stoffelijken aard: het opmaken
van den inventaris, de verklaring van over-
lijden, die binnen een gewis tijdsverloop
geschieden moet; het nazien der hand-
boeken en het schrijven der rekeningen
van de nog verschuldigde sommen, in
samenwerking met een collega van Cap-
puijns en den notaris. Deze laatste moest
den eenigen erfgenaam daarenboven op
de hoogte brengen van de hem te beurt
gevallen fortuin, bestaande uit grondeigen-
dommen, waarvan hij weinig, en renten
en aandeelen, waar hij niets van wist. Al
die cijfers verveelden Guido, die enkel
verstrooid naar de opsommingen luisterde,
en toch in \'t geheel genomen verwonderd
en verheugd was, dat zij zoo hoog op-
liepen. Het was echter niet zonder een
-ocr page 167-
EENE IDYLLE.
159
overblijfsel van bang ontzag, dat hij nu
zelf de brandkast openen, en uit de por-
tefeuille van zijn vader de noodige bank-
briefjes nemen dorst, en na de gebruikelijke
zes weken van rouwvol stilzwijgen, aan
diens eigen schrijftafel nederzittend, met
den penhouder van den overledene, en uit
zijn eigen inktpot, de menigvuldige kaarten
en brieven van medegevoel beantwoordde.
Hij was er nog niet aan gewoon de
baas te wezen en alles naar willekeur te
mogen doen; en het kwam hem zelfs zon-
derling en als eene vleierij voor, dat de
knecht en de meid hem nu den heer-
schappijtitel van „mijnheer" gaven in plaats
van hem „mijnheer Guido" te noemen.
De volslagen afzondering, waartoe zijn
eerste rouwtijd hem dwong, begon hem
echter te drukken, en hij nam het besluit
den intusschen gekomen herfst naar buiten
te gaan doorbrengen. Hetgeen geschiedde.
Ditmaal had hij zich doelmatiger op het
landgoed, dat hij het zijne waande, inge-
richt: de dienstboden medegenomen, het
paard en \'t lichte rijtuig zijns vaders te
zijner beschikking behouden.
-ocr page 168-
iσo
EENE IDYLLE.
Wel was de gedachte weer in hem ont-
waakt om Aurelie te bezoeken, tot welke
zijn hart hem dreef, maar zijne wilskracht
verzette zich tegen dat plan: iederen dag
verwachtte hij een goedkeurend antwoord
op zijn ingediende memorie; dat zou het
sein zijns aftochts wezen, hij zou haar gaan
verrassen met die mededeeling, welke zijn
smadelijk verleden wreken moest.
In afwachting had hij haar een brief
geschreven, waarin hij haar van zijne hui-
dige onafhankelijkheid, van zijne liefde en
hun toekomst sprak; hij vroeg haar om
terug te keeren en gewaagde van hun
huwelijk als van eene vastgestelde zaak,
die hij zoo spoedig mogelijk voltrokken
wenschte.
Lag er iets overmoedigs in zijn toon,
was zij in hare vrouwelijke lichtgeraaktheid
gegriefd, omdat hij niet zelf tot haar ijlde,
vond zij het onbetamelijk, dat hij reeds
nu — schier onmiddellijk na het sterfge-
val - dat voorstel deed, of nam hare
grootere kinderlijke liefde de bovenhand?
Althans zij schreef hem dadelijk weder,
dat zijn brief haar bevreemdde en hij wel
-ocr page 169-
EEN E IDYLLE.                         I 6 I
wist, dat er van geen huwelijk sprake kon
wezen, zoolang de rouwtijd duurde en dat
zij thans voor haar vader onmisbaar was.
De toon klonk wat koel en stak zonder-
ling en ontmoedigend af op haar voor-
gaande, zoo aandoenlijke epistel.
Guido zou echter in andere omstandig-
heden haar tegenwerping misschien enkel
als een grillig uitstel, een nieuw bewijs van
het overwicht harer rede op haar hart
— wat hij haar altijd verweet — hebben
aangezien en zich geprikkeld hebben ge-
voeld om een nieuwen stormloop te wagen.
Maar nu was die brief na eene diepe,
toegebrachte wonde een doodslag voor
hem: hij had dienzelfden dag namelijk zijn
geweigerde memorie weergekregen: hij had
het pak met zijn eigen bekend geschrift
eerst in de hand rondgedraaid, voordat hij
begreep en dan, duizelig, bemerkt, dat
heel het gebouw zijner hoop was inge-
stort!...
Hij dorst den afgrond zijner vernedering
niet meten, de diepte van de kwetsuur
zijner eigenliefde niet peilen, als degene,
die, onder een trein geraakt, machteloos
11
-ocr page 170-
IΣ2
EEN E IDYLLE.
en gefolterd neerliggend, het gebruik zijner
armen behoudend, niet onderzoeken durft,
in hoever hij aan de beenen verminkt is.
Hij had het handschrift ongeopend in zijn
lessenaar geworpen en er werktuigelijk
eene andere greep papieren over getrokken,
als de lijkwade, waaronder men een doode
verbergt, en was den tuin ingeijld.
Daar zat hij nog in stomme verslagen-
heid, met het hoofd in de handen op de
bank van het prieel, waar hij het middag-
uur en het kleppend etensklokje onopge-
merkt had laten voorbijgaan, toen de knecht
hem schuchter naderde met den brief uit
Zwitserland.
Bleek en woest, met het parelend zweet
op het voorhoofd, een slecht voorgevoel
en een reeds gebroken vertrouwen, scheurde
hij den omslag. Het was hem voldoende
een blik op den inhoud te slaan om de
waarheid te bevroeden: „Ha, ha, ha!"
lachte hij als een waanzinnige, tot het top-
punt van verootmoediging en zelfmiskenning
geklommen, den brief in de hand ver-
kreukend.
-ocr page 171-
EENE IDYLLE.                        163
XXVIII.
Wat hij te lijden had, wist niemand, dat
vergeet de verslagene zelf na eenigen tijd;
maar \'t nawee blijft hem bij en houdt hem
neergedrukt. Guido bleek dezelfde mensch
niet meer, zijn wilskracht was gebroken,
het bewustzijn zijner intellectueele opper-
macht vernield; de wetenschap boezemde
hem weerzin in. Hij opende geen enkel
vakboek meer — letterkundige werken
hadden nooit bekoorlijkheid voor hem be-
zeten; nauwelijks overliep hij vluchtig zijn
dagblad om het met afkeer ter zijde te
werpen; gedurende weken hield hij zich
tusschen de hagen van het landgoed op-
gesloten ; de eenzaamste paden, die de
herfst reeds met zijn afgeworpen hulsel
vochtig overstrooid had, uitzoekend; op
zijn stappen terugkeerend, zoodra hij
ergens het hoofd van den boer van \'t
neerhofje opdagen, of Camiel met de
koeien op het grasplein verschijnen zag:
zijn menschenschuwheid was in menschen-
haat ontaard.
-ocr page 172-
164
EENE IDYLLE.
Het viel hem niet eenmaal in nadere
uitlegging aan Aurelie te vragen of haar,
zijne eenige vriendin, zooals hij haar noemde,
tot de vertrouwelinge te maken van het
leed, dat zij hem had toegebracht; het
andere — het even groote, misschien nog
grootere — zat te diep om het aan \'t
licht te kunnen brengen: overigens, de
wonden der eigenliefde, indien ze heelbaar
zijn, genezen enkel door eene zorgvuldige
geheimhouding.
Zijn jachtgeweer bleef onaangeroerd, de
hond aan den band liggen. Nochtans op
zekeren morgen nam hij het als werktuU
gelijk ter hand en onderzocht het. Hij
droeg het mede in den tuin, vandaar stak
hij in de schuit over de Leie en volgde
hij slenterend de wendingen van den
stroom.
Na eenige dagen had hij Camiel, die
— daar de koeien na Allerheiligen niet
meer buitenkomen — over zijn tijd be-
schikte, uitgehaald en de beiden trokken
er wakker op los.
Zijn oude drift was opgewekt, of de
lange, vrijwillige bespiegeling van zijn wee,
-ocr page 173-
EENE IDYLLE.                        I 65
gepaard aan de ontzenuwende doelloosheid
van zijn leven, hadden eene hevige tegen-
werking doen ontstaan: zijn kloek gestel
eischte beweging en krachtsverspilling; en
onbeteugeld gaf hij zich nu aan de hevige
oefeningen der jacht over. Het scheen
als zocht hij de vergetelheid en de ver-
dooving van den geest in de overspanning
van het lichaam.
Na een dag van vermoeienis rustte hij
vaak een uur of langer in de hut van
Wanus uit, en na Nieuwjaar, toen de jacht
gesloten was, bleef hij er gaan. Dit begon
de aandacht te trekken: hij zat Rensken
na, zei men in de omstreken.
—   Dat zij maar oppasse. nu is\'t „liefje
lik mij", maar \'t zal wel tegen hare scheen
botsen; de kreupele bode komt achterna;
als de meisjes met hare teenen in de asch
zitten \'), blijven de fijne mijnheeren uit; ik
heb het zoo dikwijls gezien, voorzeiden de
verstan digen.
—   Het is maar gelukkig te zijn, spra-
ken met afgunst sommige werkmeisjes, wier
hoogste doel het was, de voorkeur van
\') Ongehuwd een kind hebben.
-ocr page 174-
i66
EENE IDYLLE.
een rijken heer, en door hem den tijdelijken
welstand, waarvan zij de vernedering niet
beseften, te verwerven, — dat komt omdat
zij een schoone muil heeft; wij worden
gerust gelaten.
Guido ging nu alle dagen naar het
bosch, of liever hij moest er heen rijden,
want de weiden waren overstroomd. De
tilbury werd uitgespannen voor „de Wippe"
en hij wandelde te voet tot aan het
huisje.
Toen de vlaswiedtijd aankwam, trok
Rensken niet meer naar het land. Clete
werd er op de stukken \') mede getergd:
— Zij wint het wat gemakkelijker dan wij,
spotte eene stoute en al de anderen lach-
ten zoo honend, dat het meisje met den
bult rechtsprong en dreigend den uitge-
trokken klomp aan haar langen arm boven
haar hoofd zwaaiend, in gramschap vroeg,
of iemand iets van hare zuster te zeggen
wist, zoo ja, „dat ze uit hun kot mochten
komen".
Allen zwegen, beducht voor hare woede ;
maar achterrug, zoodra , Clete zich een
\\              \') Akkers.
-ocr page 175-
167
EENE IDYLLE.
oogenblik verwijderde om haar onkruid op
den tas te dragen, werd er over Rensken
gefluisterd.
—   Hij onderhoudt geheel den boedel,
sprak men, zoodra het bekend werd, dat
Wanus zijn post van daghuurman had
opgezeid. — Wanus heeft gelijk: er is
maar ιene bate en elk trekt er aan, maar
Duren is een schoone stad, hij zou nog
wel kunnen loon naar werken krijgen,
voorspelden de nijdigaards.
—   Elk zoekt, zijn voordeel, meende een
onverschillige.
Op een ochtend ontbrak ook Clete op
het akkerstuk en de verbazende tijding
kwam, dat Rensken trouwen ging met haar
rijken minnaar.
Dat nieuws werd eerst met ongeloof
geloochend als eene onmogelijkheid, dan
betwijfeld, vervolgens uitgelegd: het was
eene eereherstelling, beweerde men boos-
aardig; want weldra kreeg men de zeker-
heid dat het huwelijk inderdaad plaats
hebben zou, Guido zelf had het aan de
lieden van \'t neerhofje aangekondigd.
In gansch het omliggende werd van
-ocr page 176-
] 68                        EEN E IDYLLE.
niets anders gesproken, alle standen waren
er in opschudding door: had hare schoon-
heid hem betooverd? had zij hem gevan-
gen in de strikken van een dier tσomlooze
passies, waaraan menschelijk ontzag, for-
tuin, gezondheid, eigenwaarde en alles
opgeofferd wordt? Of had zij, eenvoudig
natuurkind, hem door het bekoorlijke
harer naοeveteit aangelokt, had hij hare
onschuld geλerbiedigd of zij hem weerstand
geboden ?
Het vraagstuk bleef onopgelost, toen
het huwelijk echter niet lang daarna vol-
trokken werd, was de ondanks de geheim-
houding van het vroege uur in de kerk
toegestroomde menigte overtuigd, dat het
in elk geval geene eerherstelling, maar een
vrijwillige en eervolle vereeniging van twee
liefhebbende menschen van ongelijken maat
schappelijken stand gold, en spijt hun
eigen nijd, verheugden de lieden uit het
volk zich over de verheffing van eene
hunner dochters en de versmading der
rijke, vermoede mededingjsters naar Guido\'s
hand.
-ocr page 177-
EENE IDYLLE.                        I 69
XIX.
Het was eenige weken daarna, dat
Aurelie met haar vader van Zwitserland
terugkeerde. Zij waren in Gent afgestapt;
maar de buitenlucht, waaraan zij nu zoo-
zeer gewoon waren en behoefte hadden,
trok hen weldra naar het landgoed, dat
Guido sinds zijn huwelijk verlaten had.
Zij zaten in de victoria, zij reden door
\' de bekende streek: daar de Leie, de on-
afzienbare weiden, ginds hun woning.
Aan de brug kwam de vrouw buiten,
waar de muil overigens uit gewoonte stil-
hield. Zij heette hen zacht en vleiend
welkom, het tolgeld aannemend.
—   Een glas water, als \'t u belieft, vroeg
mijnheer Van der Hawermeiren, een doosje
met poeders uit den zak halend.
—   Papa, binnen eenige minuten zijn wij
tehuis, sprak Aurelie in de Fransche taal,
hun omgangstaal,. onbepaald bevreesd voor
langer oponthoud.
Maar hij fronste de wenkbrauwen met
de kleingeestige stiptheid van den maniak:
-ocr page 178-
i 70
EENE IDYLLE.
—   O kind, geen uitstel, precies op \'t uur,
sprak hij gewichtig, haar zijn eerst ge-
raadpleegd horloge voorhoudend.
Zij drong niet aan, en terwijl hij in een
tweede gevraagd glas eene geringe hoe-
veelheid water goot en zijne medicijn uit
het wit, ontplooid papiertje er over uit-
schudde en met een lepeltje omroerde,
sprak de tolvrouw fleemend:
—   Groote verandering sedert uw ver-
trek, juffrouw Aurelie.
Deze knikte, reeds verlegen voor het-
geen er volgen zou.
—   Ze zijn op speelreis, berichtte de
herbergierster.
—  Ja, en Aurelie hield haar vader den
nadrank voor, in heel hare houding stil-
zwijgend tot spoed aanwakkerend.
—  Dat heeft nu eens alle menschen
verwonderd, alsof de steenen spraken, van
zulk een heer als mijnheer Guido! zich
zoo verloren smijten! trouwen met iets
van niemendal, terwijl er in de streek zoo
menige brave juffrouw is, die hij had kun-
nen gelukkig maken! Want hij zou toch
al gekregen hebben, naar wie hij zijn vin-
-ocr page 179-
EENE IDYLLE.                        I 7 I
ger uitstak, niet waar, mijnheer? ging zij
voort, zich meer en meer versprekend,
thans tot den vader gewend, onthutst over
den zwakken bijval, dien haar troostend
getuigschrift van degelijkheid en onver-
diende versmading bij de dochter vond.
— Dit is te zien, dit zeg ik niet zoo
gereedelijk, was zijn antwoord, schamelijk
verradend, dat hij de bedoeling beg\'reep
en weerlegde.
Dat was het eerste. Aurelie was hier
met een helder gemoed gekomen, vervreemd
door afwezigheid, en in eens greep de
macht van het plaatselijke haar in zijn
knellende klauwen vast.
Zij liet haar niet meer los.
Het was alsof er in dat ledige, nog
onlangs door Guido bewoonde huis, in
den tuin, in de paden, waar het onkruid
door het trappen zijner voeten onderge-
bleven was, iets lag, dat haar verlangen
en nawee opwekte, eene door niets aan
te vullen leemte en hopelooze vereenza-
ming. In Zwitserland had zij vertrouwd
met de natuur geleefd, bewonderd en ge-
noten van al het heerlijke om zich heen.
-ocr page 180-
172                        EENE IDYLLE.
De zorg voor de gezondheid haars va-
ders nam geheel haar hart in beslag;
zij waren daar zoo afgezonderd, hoog
op de bergen, en zoo hoog ook in figuur-
lijken zin boven alle kleine wereldsche
en maatschappelijke bekommernissen ver-
heven geweest; Aurelie had haar gemoed
niet gestaald tegen de onbehagelijkheid
en de kwelling, die haar in \'t vaderland
verbeidden.
Wel had het haar verbaasd, geen ant-
woord op haar brief aan Guido meer te
hebben gekregen. Zij had hem geschreven
in de ongunstige stemming, welke de kort-
heid van zijn verdriet en zijn rouwtijd bij
haar had verwekt; het was wel waar wat
zij hem gezegd had, dat ze haar vader
niet verlaten kon; doch zij had den indruk
harer woorden niet, of zelfs verkeerd be-
rekend: zij had hem onmiddellijk verwacht
en schold hem inwendig voor onverschillig
uit, omdat hij niet kwam.
Juffrouw Blanke, die anders met haar
geen geregelde briefwisseling hield, had
haar geschreven, dat men niet veel goeds
van het gedrag van Guido zei: het scheen
-ocr page 181-
EENE IDYLLE.                        I 73
dat eene eerlooze liefde hem aan het
landgoed gekluisterd hield.
Aurelie geloofde er niets van en zag
het bericht voor lastertaal aan. Toen
kwam er een tweede brief, ditmaal een
onverwacht, bepaald en toch onaanneem.
baar nieuws behelzend:
Guido trouwde met de dochter van den
hovenier.
Was zij er ondanks zich zelve op voor-
bereid, of wekte de stap, dien hij deed,
al te zeer hare geringschatting voor zijn
karakter op om zich nog met hem te
meten? Aurelie trok zich in hare eigen-
waarde terug, elke herinnering aan hem
als eene laagheid verbannend, minder
gekrenkt door zijne handelwijze tegenover
haar zelve, dan de verachtelijkheid zijner
keuze.
Zij was er in gelukt — na den eersten
slag — hare gedachten en gevoelens te
verstoppen, als de scheidsrechter een pak
opgedrongen papieren, waarvan hij het
onderzoek misnoegd tot later verschuift,
wel wetend, dat zij niets dan onaange-
naamheden bevatten.
-ocr page 182-
174
EEN E IDYLLE.
Het bevreemdde haar zelfs, wanneer zij
eene schemering van aandenken doorliet,
vast te stellen, hoe kalm zij was.
In dezen gemoedstoestand was zij terug-
gekeerd, en plotseling had de onzalige
zinspeling der tolvrouw, als met eene too-
verroede, een heel heir van woelingen in
haar hart wakker gemaakt, met het on-
rustbarend, alles overheerschend bewustzijn
eener vernedering tegenover de wereld.
En nu begreep zij, dat haar naam bij het
voltrekken van dat verlagend huwelijk niet
weg kon gelaten zijn: in de meening der
menschen was zij door Rensken achter-
uitgezet !...
Het onwaardige der mededingster zelf
had iets nog meer verootmoedigends.
En terwijl zij met rassche schreden door
den tuin ging, drong het verleden zich
met stormend geweld, toomloos en onver-
drijfbaar, aan hare herinnering op.
Was zij met Guido verloofd geweest, of
was ze \'t niet?
Had zij niet altijd zijn karakter veracht,
zooals ze \'t nu deed? Zij geloofde van
ja, maar waarom had zij hem dan tot den
-ocr page 183-
EENE IDYLLE.
175
vertrouwde harer geheimste gewaarwordin-
gen gemaakt ? Had ze hem ooit, wat men
liefde noemt, toegedragen ? Oprecht tegen-
over zich zelve, de verholenste schuilhoeken
van haar gemoed opgravend, geloofde zij
van neen; want hoe zou ze \'t anders uit-
leggen, dat ze Rensken of hem geen
wrok toedroeg?
Hoe was het mogelijk, dat hij eene
dergelijke levenslange verbintenis had aan-
gegaan! Hij, die zoo uit de hoogte op
alle vrouwen neerzag en haar meer dan
eens had bekend, dat het slechts met haar
alleen — bij uitsluiting van elke andere
harer kunne — was, dat hij gedachten
wisselen kon, eene veelbehelzende belijde-
nis, die destijds aandoeningen van zalige
fierheid in haar opwekte en een lichten
blos over hare bleeke wangen bracht.
Welke gedachten of zienswijzen kon hij
aan dat meisje mededeelen ? Welke on-
derwerpen met haar behandelen ? In welke
taal zich uitdrukken ? — want als vele
Vlamingen van den hoogeren stand be-
diende hij zich enkel van het Fransch,
zelfs bij gelegenheid bewerend, dat hij de
-ocr page 184-
176
EENE IDYLLE.
landstaal slechts onvolkomen meester was;
en inderdaad, bij Cappuijns en Van der
Hawermeiren werd nooit, tenzij tot de
bedienden en toevallig met de boeren,
Vlaamsen gesproken. En krenkte het hem
niet een arbeider tot schoonvader en dat
meisje met den bult en den onuitstaan-
baren groet tot zwagerin te hebben ? Zij
herinnerde zich den brief, die haar zoozeer
had verlustigd, den brief, waarin hij zijn
nachtelijk wedervaren en de eigendom me-
lijke armoedigheid van het huisgezin op
comische wijze had voorgesteld, en was
het daar, dat hij vervolgens eene bruid
ging halen!... Hield de man dan ondanks
al de tegenstrijdige beweringen van den
tegenwoordigen tijd de vrouw nog immer
enkel als zijne ondergeschikte, als een
speelbal van zijn hartstocht ?. .
Aurelie verhaastte nog den stap met
eene kleur van verontwaardiging en ge-
kwetste kuischheid op het voorhoofd, met
geweld die vraag verwerpend.
En nu bekommerde haar een ander
vraagstuk: zou hij haar zijne vrouw voor-
stellen? zou hij, na zich verlaagd te heb-
-ocr page 185-
EENE IDYLLE.                          I 7 7
ben, anderen in die verlaging medesiepen,
of dat huwelijk om zoo te zeggen, en
voor zooveel het in zijne macht was, ver-
heimelijken ?
Dit laatste scheen het waarschijnlijkste:
hij had geene trouwbrieven gezonden; zij
wist, dat hij van zijne speelreis terug, en
in de stad gevestigd was. Dagen en we-
ken verliepen; hij kwam niet. Dat was
wel zeer onbeleefd; doch zij was hem
erkentelijk haar die bijeenkomst te sparen:
zij duchtte zijn bezoek, als ware zij zelf
in gebreke gebleven met hem.
Maar wat zij vermiste, waarnaar zij
haakte zonder hoop, zonder wensch van
bevrediging, dat was de gemeenschap des
geestes, de mededeelzaamheid zoo nood-
zakelijk aan den mensch: die vertrouwe-
lijkheid van eiken dag; dat overgieten van
het beuzelachtigste, het dwaaste van het
eene gemoed in het andere. Dat had zij
gekend met hem en het niet weten te
schatten. Hij ontbrak aan haar als steun,
als raadsman, als waardeerder van het
goede dat in haar school.
12
-ocr page 186-
I 78                         EENE IDYLLE.
XXX.
Op eenen namiddag van zeer schoon
zomerweer had zij de boot doen losmaken
en zich door een knaap van \'t neerhof tot
aan het groepje boomen voorbij het tol-
huis laten sleepen. Daar zat ze in de
frischheid van het water, in \'t lichtelijk
door zonneschijn doorspikkeld lommer met
een boek op den schoot.
Haar oog dwaalde lusteloos op de uit-
gestrekte Leiemeerschen; de wind liep met
golvingen over het hooge bruinroode gras,
dat weldra onder de zeis des maaiers vallen
zou. Dicht aan den oever bloeiden gele
waterlelies, malsch en onrustbarend broos,
hunne slappe lobben hoog boven een
grooten hul groene zwaardbladen uitste-
kend ...
— Krek, krek, krek, ti, ti, ti! weerklonk
het in de nabijheid.
De rietmusch! In eens stond een heel
tafereel van den verleden tijd voor haar
op: het uitstapje met Guido op diezelfde
plaats, stoute straatkinderen, de onbeschei-
-ocr page 187-
179
EENE IDYLLE.
der» tolvrouw, de toenmalige onvoldaanheid
van haar hart...
—   Krek, krek, krek, ti, ti, ti! Nu zag
ze den vogel: bronskleurig met geel op
de borst, tusschen de pijlen van \'t weme-
lend riet verspringen. Hij genoot van het
leven en de lente zonder achterdocht, hij
was gelukkig. Dat was zij nooit geweest...
—   Krek, krek... hij zweeg door een
ander geruisch in zijn zang verstoord.
Aurelie had het ook vernomen, een ge-
ruisch van menschen, een naderend stem-
mengegichel. Met een bewustzijn van
gevaar hield zij zich stil en schuil, haar
boek openhoudend, maar zonder het hoofd
om te wenden, schuins onder den vooi
van haar hoed naar den oever blikkend:
Guido met Rensken!
Een schok doorliep Aurelie. Zij boog
het hoofd nog dieper om niet herkend te
worden; maar \'t was niet noodig, zij be-
merkten haar geenszins, arm aan arm naar
elkaar gewend, toen zij voorbijgingen:
Guido groot en sterk, met een dames-
zomerhoed als een korf aan den arm,
Rensken in een zeer lichtkleurig jufferkleed,
-ocr page 188-
i8o
EENE IDYLLE.
dat van verre geheel wit scheen, gehuld,
blozend, wat verhit van de warmte, met
de neergevallen of neergetrokken vlechten
van haar blond haar op den rug.
En Aurelie gevoelde zich verlaten en oud
en mager en leelijk, terwijl zij hen nablikte___
Toen zij onder de tolbrug voorbijvaarde,
zag zij de welbekende tilbury en het paard
van oom Cappuijns aan de herberg staan.
Zij waren dus niet met den trein gekomen
en zij schrikte opnieuw, vreezend, dat men
haar bemerken zou. Zij waagde het niet
eenmaal op te zien naar den oever, of er
iemand te ontwaren was.
Voorzeker hadden ze in hare afwezigheid
het landgoed bezocht. Zij ontsnapte aldus
gelukkig aan de samenkomst!
—   Niemand geweest? was het eerste,
wat ze vroeg aan haar vader, wiens hou-
ding — roerloos, half in slaap over een
boek gebogen — reeds voorop scheen
aan te duiden, dat hij in lang niet was
gestoord geworden.
—  Geen mensch, was zijn antwoord.
Nog beter, nu was zij voorgoed in
veiligheid.
-ocr page 189-
EENE IDYLLE.                          I 8 I
Maar die kleine, op zich zelve niets
beduidende gebeurtenis van het onbemerkt
wederzien dier twee, het rusten aan dat
noodlottig plekje, onder die fluisterende
boomen, het hooren van de rietmusch,
hare vrees, hare vlucht om zoo te zeggen,
deden eene hevige tegenwerking in Aurelie
ontstaan:
— Quid mihi et tibi esp. murmelde zij
krachtdadig, de woorden uit het Evangelie,
waarin zij eenige kennis der Latijnsche taal
had opgedaan, fier en verachtend herhalend.
Wat gingen die beiden haar aan ? En
waarom moest zij nu treuren over het
verlies van Guido? Was zij gelukkig ge-
weest, wanneer hij met hart en ziel aan
haar hing, op dien dag toen hij zich om
harentwille roekeloos eene ziekte op den
hals had gehaald? toen zij het „Krek, krek,
krek, ti, ti, ti!" van de rietmusch als een
schimpgeroep uitlegde en zich tegenover
de voorbijgangers schaamde in zijn gezel-
schap.
Het keerpunt was doorworsteld, de
kalmte kwam in haar gemoed, en werk-
zaamheid en studielust ontwaakten weder.
-ocr page 190-
182
EENE IDYLLE.
XXXI.
Mijnheer Van der Hawermeiren had
gewenscht vroeg naar de stad terug te
keeren. Zij waren er dus gevestigd nog
vσσr de bladeren vielen. Het weder bleef
voortdurend schoon. Het venster stond
open en Aurelie zat op het balkon, dat
uitzicht had op den tuin. Van daar kon
ze de boomenkruinen over den muur in
de aanpalende erve van oom Cappuijns
wel, maar de paden niet zien. Des te
beter, aldus ontwaarde men haar ook niet
op hare zitplaats.
Het was zeker, omdat zij zich zoo stil
hield en hare aanwezigheid vergeten deed,
of stoorde het jonge paar zich volstrekt
niet aan de buitenwereld? Meer dan eens
hoorde zij hun luidruchtig, kinderachtig
gestoei; zij hoorde hen elkander naloopen,
ontwijken en vastgrijpen en als het smak-
ken van een kus; de boersche toon van
Rensken overheerschte de beschaafde, wei-
luidende stem van Guido.
Soms speelden zij raket. Aurelie zag
-ocr page 191-
183
EENE IDYLLE.
de gevederde balletjes in de hoogte vlie-
gen. Hoe was het mogelijk! hoe kon het
huwelijk aldus een mensch vervormen!...
— Emerence! Emerence! hoorde zij hem
roepen: de naam van „Rensken" was dus
verwezen, die naam, die hem had doen
lachen eertijds in den tuin van \'t landgoed,
toen hij zich over „ les naturels de Cendroif
vervroolijkte.
De winter kwam; de kou, de korte
dagen brachten opsluiting en afzondering
mede. Met Kerstdag begon het te vriezen
en op Nieuwjaarsdag lag er eene hooge
laag sneeuw. In \'t midden der stad was
zij deels weggeruimd en deels in een
modderpoel veranderd; maar op de hooge,
stille wijk, waar zij woonden, bleef zij nog
wit en hard met eene korst van bewaring
overdekt.
Een laaiend vuur verwarmde de voor-
kamer, waar bij gelegenheid van den dag
de weinige familieleden en de schaarsche
ter stede wonende, slechts half verwachte
vrienden plechtstatig zouden ontvangen
worden.
Mijnheer Van der Hawermeiren en zijne
-ocr page 192-
184
EENE IDYLLE.
dochter zaten er: hij de nieuwe aange-
brachte aflevering eener wetenschappelijke
revue opensnijdend, zij van hare vrije
oogenblikken gebruik makend om een
aantal visitekaartjes te beantwoorden.
Drie-, viermaal was er op korten tijd
gebeld geworden: de vuilnisman, de dag-
bladdrager, de lantaarn ontsteker om hunne
fooi.
Aurelie zag reeds, wrevelig over zooveel
storing, op en de porte monnaie gereed
geopend, toen kort na een nieuwen for-
schen ruk, die haar had doen schrikken,
de kamerdeur weder openging.
Het was Guido!
Haar hart bonsde met dubbelen slag.
Hij trad het eerst op haar toe, reikte
haar de hand en kuste haar vervolgens,
zooals gebruikelijk is onder vrienden en
verwanten op dien dag te Gent, en mur-
melde gelukwenschen. Hij deed hetzelfde
met haar vader. Zijn snorbaard, die nau-
welijks hare wang beroerd had, was koud
als ijs: het zinnebeeld hunner doode ge-
negen heid.
Hij had plaats genomen naast haar,
-ocr page 193-
EENE IDYLLE.                          185
voorzeker had hij eene groote overwin-
ning op zich zelf moeten behalen om
tot hier te komen, en Aurelie gevoelde,
dat het haar plicht was eene even groote
krachtsinspanning te doen om beleefd
te wezen.
Haar vader had eerst het boek, dat
hem bezighield, voor zich laten openliggen
en wisselde eenige onbeduidende volzinnen
met den gast; maar verstrooid of te zelf-
zuchtig om zijne belangstelling niet zonder
uitstel te voldoen, had hij er de lezing van
hernomen.
Wat zeiden de twee nu aan elkander?
"Wat men zegt, wanneer men onder
bekenden, die in geene vriendschapsbe-
trekkingen zijn, te zamen bij toeval in een
tram of een spoorwegrijtuig zit.
Aurelie vertelde van Davos, van het
leven, de menschen, die er vertoefden; hij
sprak over een onlangs gelezen boek, over
eene nieuwe uitvinding.
Zij kon het over haar hart niet krijgen
naar Rensken te vragen, en hij gewaagde
niet van zijne vrouw.
De komst van juffrouw Blanke en mijn-
-ocr page 194-
186                          EENE IDYLLE.
heer en mevrouw Spanoghe stelde overi-
gens aldra een einde aan hunne tweespraak.
XXXII.
Monsieur et madame Guido Cappuijns
ont riionneur de vous faire part de la nais-
sance d\'un fils. Gui/o:
dit laatste schuins
in een hoek gedrukt.
Aurelie hield de zoo even uit den om-
slag gehaalde kaart in de hand, en keek
er eerst als verdwaasd op neder.
Dan helderden hare denkbeelden op,
tevens met een gevoel van onderworpen-
heid en onverwacht hartzeer:
Een kind! de eerste schakel van de
familieketen, die echtelingen duurzaam sa-
menknoopt...
Zij had nauwelijks hare bezigheden on-
derbroken: het inpakken van een koffertje
voor haar en haar vader, die na eene
winterlange, schier volkomen opsluiting er
nu in eens, met de grilligheid van den
ouderdom, op gesteld was om de Paasch-
dagen en de week, die er op volgde, te
lande door te brengen.
-ocr page 195-
EENE IDYLLE.                        I 87
Een kind!... hoe hartstochtelijk moest
hij dat meisje uit de volksklasse bemind
hebben om voor haar alles over \'t hoofd
te zien, hoeveel sterker en geheiligder
moest zijne liefde geworden zijn, nu zij de
moeder van zijn zoon was!...
— Ziet, en zij nam de kaart weder op,
hij verloochende haar niet meer als op
zijn huwelijksdag, toen hij geene aankon-
digingen verzonden had; het stond er nu
wel in volle letters: Monsieur et madame
Guido Cappuijns,
geheel Renskens wezen
met het zijne versmolten, haar naam van
niemand meer gekend, door den zijnen
vervangen ....
Zoo hoort het te wezen, dat was de
eereplaats, die haar — tot welken stand
zij ook behoorde — als zijne wettelijke
ega toekwam. En Aurelie had die over-
tuiging goed met haar verstand aan haar
hart op te dringen, toch bleef haar een
onbepaald gevoel van misnoegen en kwel-
ling bij.
Zij stuurde eene der meiden bij mijn-
heer Cappuijns om te laten vragen, hoe
het met madame was — madame op
-ocr page 196-
l88                        EENE IDYLLE.
Rensken toegepast! Zij kon den titel bijna
over hare lippen niet krijgen.
—   Zeer goed met madame en het kind,
luidde het bericht.
—   Allerbest, \'s anderdaags, toen ze vσσr
hun vertrek naar buiten nog eens had
laten navragen.
Eenige dagen daarna bracht de post-
bode een brief met rouwranden, — er
kwamen er zoovele bij professor Van
der Hawermeiren, die op de lijst der
zoogenaamde notabelen stond! Achteloos
scheurde Aurelie den ook met zwart om-
zoomden band; de naam zei haar eerst
niets, de naam in groote letters, die in
\'t midden stond:
Marie Emerence Dhaene,
maar nu schrikte zij hevig, de lijnen sche-
merden voor hare oogen, en haar adem
inhoudend, las zij boven aan het blad:
Monsieur Guiclo Cappuijns et son Jils
ont la dmtlcur de vous faire part de la
perte irrιparable ou\'ils viennent de faire
dans la personne de leur ιpouse et mθre
σien-aimιe, dame Marie Emerence Dhaene,
-ocr page 197-
EENE IDYLLE.                         189
enlevιe θ leur affectioyi aprθs une coitrte
maladie Ie 16 avril 18 . . d Fdge de vingt ans.
XXXIII.
Het sprak van zelf, dat mijnheer Van
der Hawermeiren bij de begrafenisplech-
tigheid moest tegenwoordig zijn. Hij en
zijne dochter hadden zelfs deswege hun
terugkeer naar de stad bespoedigd.
Te huis vernamen zij van eene der meiden,
dat de jonge moeder, zich te wel voelend,
bij gelegenheid van de komst harer fa-
milie eene onvoorzichtigheid had begaan,
en \'s nachts daarop bijna schielijk in de
armen van haar bijgeroepen echtgenoot
gestorven was.
Aurelie koos bij een handelaar in bloe-
men eene mooie kroon van nagemaakte
pensees uit, en liet er eene andere van
de frischte voorjaarsbloesem van \'t seizoen
vervaardigen. Deze werden naar het sterf-
huis gezonden met het kaartje van haar
vader aan de eerste, het hare aan de
tweede bevestigd; maar dat kon niet vol-
staan: als naaste, hoewel slechts aange-
-ocr page 198-
IQO                            EENE IDYLLE.
huwde bloedverwanten was het hun plicht
een bezoek bij den overblijvende af te
leggen. Zij voelde er zich overigens on-
weerstaanbaar toe gedrongen.
Zij gingen omtrent den avond. Het
scheen haar bijna een heiligschennis aan
dat stil, gesloten huis, waar de dood zoo
ras op het nieuwe leven gevolgd was, een
belklank te doen hooren.
Zij werden in eene groote zaal geleid
en onmiddellijk kwam Guido binnen. Hij
strekte hun sprakeloos elk eene hand toe;
zijn oog was droog; hij hield zich kloek-
moedig; maar zijne bleekheid was akelig.
Aurelie, door medegevoel verteederd, hield
zijne vingeren een oogenblik vast en duwde
er in; maar hij beantwoordde die troos-
tende drukking niet: hij trok zijne hand
zenuwachtig terug, keerde zich om en snikte.
Na eene lange poos van stilzwijgen op
eenige uitleggingen, die hij over de oor-
zaak van dat onverwacht afsterven gegeven
had, vroeg Aurelie door ik weet niet welke
beangstigende en toch onweerstaanbare
begeerte aangestuwd, om de doode eene
laatste maal te zien.
-ocr page 199-
EENE IDYLLE.                          igi
—   Haar zien! zei Guido, onbewust lui-
der fluisterend in de ontzetting, die dat
voorstel teweegbracht, haar zien, — on-
mogelijk ! Zij is reeds geheel... men heeft
haar ijlings in de kist moeten leggen, her-
nam hij, huiverend bij de herinnering, die
de laatste aanblik van het lijk zijner
vrouw bij hem had nagelaten.
—   Hoe is \'t vergaan ? vroeg Aurelie,
na de begraving aan haar vader.
—  Zeer stil, weinig menschen. Guido
zat met Wanus in \'t eerste rijtuig, be-
richtte hij.
Die bijzonderheid moest hem wel ge-
troffen hebben, aangezien hij ze als iets
belangrijks mededeelde, en dit hier gansch
natuurlijk bijeen behooren van twee per-
sonen, zoo ongelijk in stand en opvoeding,
vereenigd in dezelfde smart, deed ook
gedachten bij haar ontstaan, die zij als
kleingeestig en laaghartig had willen ver-
werpen in tegenwoordigheid van het groot
probleem des doods.
-ocr page 200-
192                          EENE IDYLLE.
XXXIV.
Guido deed de zes weken maatschap-
pelijk voorgeschreven rouw, die hem elk
te doen bezoek verbood, niet uit. Het
moest ook zoo eenzaam, zoo akelig zijn,
in dat huis, waar de dood hare prooi
had uitgedragen.
Hij kwam. Hij zat bij Aurelie en haar
vader als eertijds en toch anders: de om-
gang scheen dezelfde, de vertrouwelijkheid
hernomen, maar de vervreemdheid, de ver-
wijdering lag in de harten.
Aurelie vroeg naar het kind. — Goed,
antwoordde hij telkens met kort bescheid;
hij scheen er liefst niet van te hooren,
wellicht herinnerde die geboorte hem te
levendig aan een zoo spoedig daarop ge-
volgd verlies.
Van Rensken werd niet gesproken.
Eenige dagen vσσr het bepaald vertrek
van mijnheer Van der Hawermeiren en
zijne dochter naar hun landgoed, een ver-
trek, dat deze laatste zoo lang mogelijk
had verschoven, liep het gesprek over
-ocr page 201-
193
EENE IDYLLE.
mineralogie, en Guido deelde hun mede,
dat hij verleden winter de verzameling van
een bekenden, overleden delfstofkundige,
dien hij noemde, had gekocht. De ge-
leerde professor had zich wel niet bijzon-
der op dat vak toegelegd, maar was
niettemin een steenkenner en daar hij
belangstelling in die collectie toonde, ver-
zocht Guido hem deze te komen zien,
zich tevens tot Aurelie wendend, als om
haar te beduiden, dat zij mede in de
uitnoodiging betrokken was.
Hij zou hen verwachten \'s avonds om
acht uren op een kopje thee.
En zij gingen.
Zij zaten in de groote laaggewelfde zaal
van het oud huis. De pitten der gas-
kroon brandden in \'t midden; maar het
licht had de macht niet om ver door te
dringen; de hoeken lagen nog in \'t duister
en enkele meubels met onbepaalde lijnen
ook; de familieportretten aan den wand
konden van uit hun verdoofde lijsten wel
heimelijk en onrustbarend de bezoekers
rondom de tafel bespieden, doch werden
door deze slechts onduidelijk gezien. Sinds
\'3
-ocr page 202-
EENE IDYLLE.
194
vele jaren was er niets in die kamer ver-
anderd, geen voorwerp verplaatst, geen
enkel er bijgekomen; geene sieraadplant
vulde de treurige ledigheid van de bloe-
menbakken op \'t vensterkozijn; het tapijt
was grauw en kleurloos van ouder-
dom. Niets herinnerde hier aan het ver-
blijf eener jonge vrouw met haar omgeving
van menigvuldige, beuzelachtige gerieflijk-
heden of verfraaiingen. Zulke waren der
overledene ook onbekend en haar opont-
houd alhier slechts een doortocht geweest.
Het gesprek werd stil gevoerd, nog
onder de bedruktheid van de laatste ge-
beurtenis.
Guido had eene sigaar aangestoken: de
rook steeg kronkelend met den damp uit
de kopjes naar omhoog. Aurelie luisterde
of zij het kind niet hoorde. Niets roerde
in het stille, als onbewoonde gebouw.
Guido was reeds een paar malen weg
geweest om de glazen kasten met de erts-
stoffen te halen; maar deze waren zwaar
en de inhoud niet geschikt om ongedeerd
of ten minste onverward verdragen te
worden.
-ocr page 203-
EENE IDYLLE.
195
Het was mijnheer Van der Hawermeiren
zelf, die het voorstel deed, liefst maar ter
plaatse te gaan.
Dat was boven in een kabinet naast
Guido\'s studeerkamer.
Aurelie volgde de mannen langs de
breede, gemakkelijke, ietwat bochtige trap.
Sinds hare kinderjaren was zij niet meer
op de verdieping geweest, en nu helderden
hare herinneringen zich op en kwamen al
de vergeten dingen haar weder bekend
voor: de twee nissen in den muur: de
ιene met de witmarmeren baadster, die,
beschaamd glimlachend, met het hoofd
wat ter zijde gebogen, de armen over de
borst gekruisd houdt; de andere nis nog
immer ledig; de wapenverzameling op een
paneel van het portaal. Guido leidde hen
door de slaapkamer, waar het licht, dat
boven de trap brandde, flauw doorsche-
merde, en terwijl hij in \'t kabinet daarnaast
zelf het gas ontstak, en mijnheer Van der
Hawermeiren en zijne dochter met de
bange omzichtigheid, welke de halve duis-
ternis in een vreemd huis medebrengt,
stonden te wachten, keek Aurelie rond.
-ocr page 204-
196                        EENE IDYLLE.
De plaats was even ruim als de be-
nedenkamer, het was de kamer boven deze.
Zij scheen weinig bemeubeld, bij uitzon-
dering van een nieuwe, groote, lichtkleu-
rige houten waschtafel met twee lampet-
kannen, en twee bedden met het hoofdeinde
naar den muur, als tweelingen naast elkander
in gelijke evenredigheden, met gelijke over-
deksels, onder ιιn hemel en met dezelfde,
sierlijk terzijde opgeknoopte gordijnen over-
welfd ....
In het eene was Rensken gestorven, in
het andere sliep Guido nog ...
Aurelie hield er zich niet op.
De twee mannen spraken rondgaande
aan de op eene lange tafel staande kassen
over de tentoongestelde mijnstoffen, waar-
van enkele stukjes onder \'t glas als staal
en goud glinsterden. Aurelie zag toe,
verstrooid, met hare gedachten elders. De
toon werd onbewust hooger, een geleerd
geschilpunt ontstond, de echtheid van een
stuk werd betwijfeld ... het ontzag was
vergeten.
Toen zij weder beneden waren en eene
meid het likeurkistje aanbracht en vroeg,
-ocr page 205-
IQ7
EENE IDYLLE.
of mijnheer nog iets begeerde, aldus in-
zichten van slapen gaan aanduidend, zag
Aurelie de laatste kans wijken. Zij kon
echter aan haar nieuwsgierigen wensch
niet langer weerstand bieden, zij keek half
om naar de meid, die naast haar stond
en: — Zou er geen middel zijn om het
kindje te zien ? vroeg zij zeer stil.
Deze had een oogenblik van verlegen-
heid en keek ondervragend naar haar
meester:
— De kleine slaapt zeker, sprak zij
aarzelend.
—   Om \'t even, haal hem eens, gebood
Guido.
En zij ging. Eene jonge voedster kwam
met haar binnen; deze laatste droeg het
kind.
—  Hij is reeds ontkleed, zei de meid
ontschuldigend.
—  Ja, ik was juist bezig met hem zijn
nachtrokje aan te doen, \'t is spijtig, deelde
de voedster met boerschen tongval mede.
O neen, het was niet spijtig, aldus zag
men hem beter met zijne spartelende been-
tjes. Een prachtig kind: kloek als zijn
-ocr page 206-
198                           EEN E IDYLLE.
vader, schoon als zijne moeder. Het had
een zwartkrippen strik op een zijner witte
mouwtjes en dat gezicht deed een zucht
als een gedempte snik bij Aurelie ontstaan.
Zij had, met de natuurlijke beweging
eigen aan elke vrouw, die een kind ziet,
het toeschietelijk op de armen genomen,
en meid en voedster lieten het haar, ge-
vleid over zijn bijval. Guido zag sprakeloos
met een halven glimlach van weemoed
toe. Aurelie wist niet wat te zeggen en
geraakte in verlegenheid, beladen als zij
bleef met die kostbare, hinderende vracht
— Daar, zei ze eindelijk, den kleine
onhandig aan de voedster toestekend; het
was bijna als een last, waarvan zij zich
ontmaken moest.
Toen zij later met haar vader, bij het
scheiden door de vestibule ging, zag zij
de gebochelde silhouette van Clete steels-
wijze als een schaduw boven trekken.
Zij verbleef dus daar, de zuster der
jonge doode, zoo nauw verwant aan den
heer des huizes, en toch door de kracht
der omstandigheden uit zijne vertrouwelijk-
heid gesloten; ondanks hare liefderijke
-ocr page 207-
EENE IDYLLE.
199
toewijding aan zijn kind, trotsch door hem
op een afstand gehouden, of zich zelve
ootmoedig tot het gezelschap der dienst-
boden verwijzend.
XXXV.
Ruim een jaar was verloopen.
Aurelie en Guido zaten weder in het
prieeltje aan den hoek van den straatweg,
onder vier oogen, juist als vroeger, alsof
hunne bijeenkomsten niet waren opgeschort
geweest.
Ginder, onder de boomen, wandelde
eene meid met het kind, dat zij aan ιen
handje hield om zijne nog waggelende
stapjes te ondersteunen: een kloeke, schoone
jongen, waarop een vader fier mocht wezen.
Maar Guido zag niet naar hem. Aurelie
evenmin. Guido hield zijne blikken angstig
vorschend op haar gevestigd, en zij had
de hare neergeslagen, in het bewustzijn
van het naderen eener niet meer te ver-
schuiven, beslissende verklaring.
Gedurende dat jaar had Aurelie veel
nagedacht, in de laatste maanden ten minste;
-ocr page 208-
200
EENE IDYLLE.
want onmiddellijk na Renskens dood en
nog lang daarna, was zij met haar hart
en haar geest vervreemd geweest aan
Guido en hadden de treffende gebeurtenis
en de eerbied voor den dood, gepaard
aan hare fierheid en zijne zedelijke rangs-
vermindering haar teruggehouden den toe-
stand en hare betrekking tot hem te
overwegen. Er lag iets zusterlijks in het
onthaal, dat zij hem deed; zij troostte hem
niet, doch hare tegenwoordigheid beurde
hem op; de oude vertrouwelijkheid, degene
van het verstand was weergekeerd; maar
van gevoelens en levensbeschouwing werd
niet meer gesproken; iets beklemmends
zweefde over hun onderhoud, iets dat niet
kon weggedreven worden en zij niet weg-
drijven wilde.
Toen hij na een paar maanden weder
belang in kunst en wetenschap stelde, en
zijn gemoedstoestand dezelfde scheen van
eertijds, toen hij haar boeken bracht en
met haar over de vragen van den dag
sprak, vond zij behagen in zijn gezelschap;
zij kon het niet helpen, zelfs de opspraak
der wereld, indien er opspraak was, trot-
-ocr page 209-
20I
EEN E IDYLLE.
seerde zij; maar wanneer het denkbeeld,
dat hij zich nog als haars gelijke waande
en een aanval op haar hart had durven
wagen, of eene poging aanwenden om,
ondanks het gebeurde, haar het aanbod
van zijne hand te doen, voor de eerste
maal in haar brein was ontstaan, had het
rood der verontwaardiging haar voorhoofd
gekleurd en de gramschap hare lip in
honenden smaad opgekruld. De onder-
stelling alleen van iets zoo monsterachtigs
maakte haar boos op zich zelve. En zij
verwierp elke gedachte omtrent dit punt
als vernederend voor haar.
Weldra had echter de tijd zijn werk
gedaan; Guido beminde haar met den
ingehouden hartstocht, die haar aan den
verleden tijd herinnerde; toen kon hij niet
spreken, omdat hij niets aan te bieden
had; nu sloot een andere schroom hem
den mond. O, hij zou het nooit wagen,
daarop vertrouwde zij, haar de plaats van
Rensken aan te bieden. Want nu was
zij er toe gekomen, zich af te vragen, of
hij het doen zou; zij had er toe besloten
over haar gekrenkte eigenliefde en haar
-ocr page 210-
2 O 2                           EENE IDYLLE.
weerzin heen, diep, diep in haar gemoed
te dringen, waar zooveel kwelling huisde
en zooveel twijfel lag; waar zooveel haar
tot hem drong, zooveel haar van hem
afhield; waar minachting en genegenheid
een uitersten strijd streden, met het hachelijk
vooruitzicht van twee vijandige tegen
elkander aangerukte legers, die, wat ook
de uitslag weze en aan wie de zegepraal
behoore, vreeselijke verwoestingen op het
betwist terrein zullen nalaten. Soms voelde
zij zich ontroerd, machtig tot hem ge-
trokken; hij scheen voor haar alleen te
leven; zelfs het kind, het moederlooze
schepseltje, dat recht op zijn dubbele
liefde had, werd verre voor haar achter-
uitgezet. Was het uit gevatheid of ge-
ringeren hartstocht, dat hij nooit eenige
kuur van hem vertelde, zooals andere
vaders doen,, en, wel mild glimlachend op
de groep, doch vreemd er aan blijvend,
toezag, wanneer Aurelie, bij de aankomst
der kindermeid, den kleine kuste en streelde ?
Hij had haar gevraagd om zijne vrouw
te wezen, zijne tweede vrouw, daar zoo-
even in \'t prieeltje; hij had dat durven
-ocr page 211-
EENE IDYLLE.
203
doen, en zij had voor zooveel stoutheid
de straffende vuist niet in zijn aangezicht
geslagen!
Heel hunne kindsheid, met al hunne
gezamenlijke vreugden, hunne gescheiden
en toch vereend gebleven jeugd, de tijd
hunner groote, broederlijke vertrouwelijk-
heid, met de voldane behoeften van hun
ziel, de uitstortingen van hun gemoed,
alles stond levendig en verheerlijkt door
de begoocheling als met tooverslag voor
haar op, en nog weerstrevend, bleef zij
zwijgen.
—   Aan u alleen heeft mijn hart toebe-
hoord, zei hij, gij zijt van jongs af aan
mijne uitverkorene, mijne geestverwante,
de volledigster van mij zelven geweest.
Zij zag op naar hem met een treurig,
veelbeduidend verwijt in de oogen.
—   Het andere was maar eene idylle,
sprak hij op een lichtzinnigen, half schert-
senden, half ontschuldigenden toon, die
haar kwetste, zijnde op de liefde voor een
gestorven echtgenoote toegepast.
—   Een weduwnaar, zei ze bedenkelijk.
Toen boog hij het hoofd en aarzelend,
-ocr page 212-
EENE IDYLLE.
204
beschroomd, met krachtsinspanning de
moeielijke bekentenis afleggend, die haar
levenswijsheid vergrootte, maar hare illuziλn
brak: — Aurelie, alle mannen zijn het,
wanneer zij trouwen, lispte hij.
Er volgde eene lange poos van stil-
zwijgen, gedurende welke hij, onbewust
met de handen gevouwen, in de hoogste
spanning haar onbewogen trekken gade-
sloeg, terwijl de laatste, uiterste crisis met
het woeden van een orkaan in haar bin-
nenste plaatsgreep, en uit den chaos harer
verwarde gedachten en indrukken duide-
lijkheden begonnen te ontstaan: Rensken
op haar landgoed, nederig de paden wie-
dend; Rensken aan zijn arm langs de
Leie; hun gestoei achter den muur in
zijn tuin; dat bezoek in zijn huis, boven,
in die halfduistere kamer, de twee bed-
den ...
En geheel haar wezen kwam in opstand:
Zij, Aurelie de opvolgster harer voor-
malige dienstbode! de schoondochter van
Wanus, overdreef zij, de zwagerin van
het meisje met den bult! ... de moeder
van dat kind ginder!... Zij, aan juffrouw
-ocr page 213-
EEN E IDYLLE.
205
Blanke en mevrouw Spanoghe haar hu-
welijk aankondigen; onder den schimplach
der vrouw van het tolhuis voorbijgaan;
de voor haar vader, voor de wereld ver-
stootene, verwezene, teruggeroepene weder-
keeren als een hond!... nooit, nooit!.. .
En in de onmogelijkheid om de voor-
oordeelen van haar stand en opvoeding
te overwinnen; haar gekrenkt gevoel van
kieschheid en eigenwaarde te heelen; on-
bekwaam om het ander innig, pijnlijk
gevoel van liefde, bewondering en ver-
achting, dat haar tot Guido trok en tevens
van hem afwendde, overeen te brengen;
in de overtuiging, dat zijne plaats in haar
leven nooit door een andere zou bezet,
de leemte van zijn verlies er nooit zou
vervuld wezen; met de zekerheid, dat zij
op dit oogenblik geheel hare toekomst
verbeurde en toch nimmer hare uitspraak
berouwen zou, stiet zij hem koppig met
een zachte, vastberaden beweging der hand,
die hem echter niet aanraakte, achteruit.
—   Gij wilt niet? stotterde hij ontzet.
—  Ik kan niet, zei ze troosteloos.
-ocr page 214-
UITGAVEN VAN L. J. VEEN TE AMSTERDAM.
N. van Harpen, Losse en scherpe Patronen . . f    2.90
------------------------, Een eerste Schrede.....„    2.50
J. Kuyper, Nieuwe Atlas der Wereld.....„    6.90
_____________, Kaart van Nederland 2e druk . . . „    0.50
Henr. Davidis, De Kamertuin.......„     1.—
C.  Terburch, Willem Norιl.........,    3.50
H. Cosman, Wilde Halmen. Een bundel Vaerzen . „    1.95
._____________, Nosca, Een Gedicht.......,    2.50
Hugenholtz, Een hart van goud......„1.90
L. G. Gerhard, Multatuli. Eene stem uit Indiλ.
Met eene inleiding van A. W. Stellwagen . . . „    1.60
Habberton, De familie Brueton.......„    2.25
Christine Muller, Plicht en Roeping . . . . „     1.90
Humpry Ward, Miss Bretherton......„    2.50
Biogr. Woordenboek, geb in leer........,  15.75
Slotemaker, Levensbeschouwing der Modernen „    2.90
De Hochemont, Rudolf van Meerkerke, 3 dln. . „    7.50
Club-Whist.............„    0.15
D.   H. EngelbertS, Eene Zuster......„    2.50
Joh. Gram, In de Harz.........,.    0.90
B.. C. Oudhuys, Zijne Erfgename......„    1.50
Haverkamp, Een lief gezin........„    2.90
Bloemlezing uit P. v. Duyse\'s gedichten......,    2.90
ScharrOO, Kamergymnastiek........        1.50
Kollowijn, Vaderl. Geschiedenis, 10e druk . . . „     1.90
"NB. De prijzen zijn voor het meerendeel voor
gebonden Exemplaren.
-ocr page 215-
UITGAVEN VAN L. J. VEEN TE AMSTERDAM.
Dr. J. A Worp, De invloed van Seneca\'s treurspe-
len op ons tooneel...........f    3.25
M. A Perk, De tooneelarbeid eener non uit de
10de eeuw..............„     1.90
-------------------, De Troubadours.......,,     1-75
-------------------, De Kerk en het Tooneel.....„    2.25
H. C. Berckenhoff, Causeriλn........,     I.25
Mr. J. N. van Hall en C. N. Wybrands,
Tooneelstudies.............„    3-75
Fokke Bos, Een Gril...........,    2.75
-------------------, Een levensdoel........„    2.75
Colette\'s avontuur...........• „    2.65
Herm Heiberg, Gij zult niet begeeren . . . . „    275
La Chapelle Roobol, Nora........„   3.90
A. G. Barrili, De Bergbewoonster......„    2.25
Aug. P. V. Groeningen, Martha de Bruijn . . „    3.50
Jac. T. Grein, London..........„1.90
L. M. Alcott, Lina\'s keuze 2e druk.....„    0.15
T. v. d. Tuuk, Ster v. d. Vrede......„    0.15
Joh. Spyri, Uit de Zwitsersche Bergen . . . . „    1.90
-------------------, Niemand te klein om hulpvaardig
te zijn...............„     1.90
--------------------, Arthur en Squirrel.......„1.90
-------------------, Cornelli..........„     1.90
-------------------, Heribli, enz. 3 deelen a . . . . „    0.75
Clara Cron, Lotswisseling.........„    1.—
------------------, In Engen Kring........„    I.—
NB. De prijzen zijn voor het meerendeel voor
gebonden Exemplaren.
-ocr page 216-
UITGAVEN VAN L. J. VEEN TE AMSTERDAM.
Clara Cron, In Knop en in Bloei....../    1.9c
Titia V. d. Tuuk, Kleinood.........,     I.OC
____________________, De Kleine Fee.......     1.0c
De Clercq, De macht van het Kleine.....„     1.00
P. J. Andriessen, Langs Doornen en Distelen . „     1.90
A. de Visser, Gestreden en Overwonnen . „     I.90
_____________, Onder Vrienden en Vijanden . . . „     I.QO
_____________, Mimi...........„     1.90
_____________, Het Zonnetje van binnen . „     1.90
T. V. d. Tuuk, In het hoekje van den Haard . . „     1.90
.------------------------, Uit het Tooverland.......     1.90
A J. H. V. d. Sloot, Jonker Frans van Brederode. „     1.90
Arabische Vertellingen. Bloemlezing uit de 1001
Nacht..................     1.90
J J. A. Goeverneur, Gullivers Reizen. . . . „     1.90
Cheribon, De zwarte Jager........„1.90
F. H. van Leent, Moeder de Gans.....„   0.75
____________________, De Winterkoning.....„    0.75
____________________, Ons klein Volkje.....„    0.75
Antb. L. de Rop, Drie Biggetjes......„    0.75
Buffalo Bill..............„    O 75
.Anth. de Rop, Zomerpret.........„    0.75
--------------------, Winterpret.........„    0.75
--------------------, Keurigste prentenboeken a . . . . „    0.40
--------------------, Zomerbloemen........„     I.40
Bouwmeester, Vertellingen in 6 deeltjes a . . . „    0.30
--------------------. „ 11 3 .. geb. a . . „
    0.85
NB. De prijzen zijn voor het meerendeel veor
gebonden F.xemplaren.