-ocr page 1-
\\
S
>w
-ocr page 2-
jsppl
Itt
[fj^Mu^i
Nederl
oct.
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
-ocr page 6-
-ocr page 7-
HET LIED VAN
SCHIJN EN WEZEN
-ocr page 8-
III                                                                                              UI
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
A06000002677338B
0267 7338
-ocr page 9-
/^r /./££> /£fcV SCHIJN EN WEZEN
EERSTE BOEK
BIBLIOTHEEK D
RUKSUNIVER-iTc
UTRECH f.
V/TGAVE VAN IV. VERSLUYS
AMSTERDAM MDCCCXCV
-ocr page 10-
-ocr page 11-
das auge gih unscrcm auge, das auge
auszmchauen aus den leibern
überschaucn und unterscheiden mogen
wir dise -Loeit
Riüveda (üb. Ludwig, 130, 4.)
hinweg meine lieder gean, wie rinder
nach der weide, suchend dcnweit-ausschaucnden
Rgv. 82, 16.
-ocr page 12-
-ocr page 13-
I
-ocr page 14-
-ocr page 15-
Zoo ik dit mag verdienen, dat ik \'t Licht
dat ik wel vaak, maar nimmer nog gestadig
heb glanzen zien — \'t welk mijn versmacht gezicht
zoekt angstiglijk en fel, dat het verzadig
zich aan zijn éénig heil, die groote bron
van helderheid, — dat ik dit licht genadig
zag stralen gelijkmatig — en herwon,
geduldig in een wankelloos vertrouwen,
weer \'t helderst wat ik ooit bereiken kon
-ocr page 16-
IO
maar dan voor goed, — zoo zal ik naarstig bouwen
aandachtig dienend, een hecht vvoordgestel,
een vast statuur van zegging, en niet rouwen
om mijner woorden vrijheid, als ik knel
in sterk gareel van schoone stelligheid
hun rustloos schoon en hun bizarre spel.
Mijn dagen worden rijper, zie, de Tijd
spreekt niet zooveel meer tot mij, en der dingen
verbijstering heeft hij tot rust geleid,
\'t Eeuwige wees hij in veranderingen,
dit was zijn zegen, daar ik alle kracht
der ziel nu durf in ééne richting dwingen.
O zuiverheid, o weergalooze macht
van orde en maat, — o vastheid der relatie,
gewogen als fijn goud, wel omgebracht
-ocr page 17-
rr
hebt gij veel liefs, welks teergegroeide gratie
nog niet kon dragen uwen harden dwang
en door u zonk in dorre desolatie,
veel bleek jong schoon verworgt de gouden spang
der regelmaat, zoo \'t niet kon evenwegen
\'t wicht harer kracht, — maar leeft ooit schoonheid lang
te teer voor wet? is wetteloos gestegen
ooit eenig leven boven eeuwen uit? —
In reinheid scherp is al \'t behoud gelegen
van wat behoud begeert, — dus zal \'t geluid
dat uit mij rijst, ook leeren te gedoogen
den ban der regelmaat, zoodat ontspruit
zeldzame sterkte, wonder glansvermogen,
uit binding van wild schoon en stroef gebod.
Te weinig heeft zich \'ttrotsche woord gebogen
-ocr page 18-
12
tot zelfbedvvang — en voelt den groei geknot
door \'t dragen van der rhythmen ringelketen,
door \'ttrouwlijk en gehoorzaam keeren tot
der klanken zoete weerslag. Doch \'t zal weten :
wijding is diening, en wat harmonie
strengelijkst dient moet hoogste schoonheid heeten.
Zoo zij \'t bestemd. Aandachtsvol overzie
ik \'t land omher en \'t volkenvolle woelen
rondom de plek van mijnen tempel, die
plechtig zal moeten staan, met stil bedoelen
vastheid te zijn in \'s aards beweeglijkheid,
heiligheid streng in stroom van driftig voelen,
rein en gerecht, door \'t bittrë en den nijd,
den haat, de vrees, en \'t laag zielvolk verlaten
dat om het eigen en zijn glorie schreit.
-ocr page 19-
13
En zou mijn twijfel vragen of \'t zal baten
als ééne kracht, een kleine, blanke steen
stil ligt in troeble vloeden van veel haten,
zeebrandingen van breed verderf, — alléén - -
zóó luttel in zoo groot geweld?
Voorwaar,
de vreeze der vergeefschheid spaart niet één,
die richt op einden wei-berekenbaar
de linie van zijn Zijn. Maar als vaartuigen
klevend aan zee, der hooge sterrenschaar
gehoorzaam, om verborgen kusten buigen,
nemen wij richting van die dingen aan
die onzer eigen eindigheid getuigen
en op geen wijs ons aardbestaan bestaan.
-ocr page 20-
-ocr page 21-
II
-ocr page 22-
-ocr page 23-
Heilige Richting, linie van genade,
dit is des levens eerste zege, aan
te nemen dat zij is, en al het kwade
te zien als zwart schuim op een zwarte zee,
bezijden \'t spoor van een wit schip, beladen
met menschen en veel lampen, \'t Groeft een snee
door waatren zonder licht en langs de ranke
zijén glijdt af het duister schuim gedwee.
2
-ocr page 24-
18
En ook de menschziel is een wond\'re spranke
vuurs door een groote logennacht — en al
wijsheid des levens is den zuiv\'ren gang te
beseffen van dat peilloos gaan, — dat zal
geen nacht bevreezen, geen wijd ruim ontzetten,
geen duisternissen zonder doel noch tal, —
het strevend licht draagt in zich eigen wetten,
de dingen rondom doen het niet, want zij
zijn doode, stomme waatren, ■— te beletten
vermogen zë inert, maar heerschappij
over den koers behoort hen niet. Van \'t leven
is één ding heilig, één volmachtig vrij
aller beperking, ganschelijk ontheven
aan ban van ruimte ot tijd, ook zonder hen
onaangetast in zijn essens gebleven : —
-ocr page 25-
19
heilige Richting, linie die ik ken
te zijn het willend Zelf.
Zooals er hel
glanzende rook en gloende droppelen,
vonken, aan alle zijden, naast de snel
rijzende vuurpijl vallen, maar het branden
der felle kern omhoog vaart of die wel
aan \'s hemels diepste gronden wou belanden,
zoo wordt verrijkt, om ons, de wereldnacht
door spatting rood en glanzen velerhande,
afstraling van den vuur\'gen wil, die tracht
naar meer en verder. — Vonken ras verglimmen,
neigen schoonstervend met verloren kracht, —
de felle Wil stijgt, zijn rechtstandig klimmen
gaat eeuwigheid voorbij, hij wankt, noch kromt
zijn baan, aleer bereikt des Hemels kimmen.
-ocr page 26-
20
Heilige Richting, — \'t beeldend wcord verstomt
voor wat alleen gebeeld wordt door bewegen
en buiten \'t rijk, waaraan geen woord ontkomt,
der plastische materie is gelegen, —
haar draagt niet één, maar allen, waut haar bindt
\'t stoflijke niet, — zooals veel droppen regen
in \'t druk dooréén van hunnen val gezwind,
stichten door \'t rond van duizend glinsterkringen
den grooten kleurboog, doodstil in den wind. —
\'t Oog kent hem vast en schoon, handen doordringen
hem evenwel, hij is en is toch niet,
daar wij niet voelen \'t wezen zulker dingen
die in den geest zijn.
Als een slank ding ziet
het oog een stille vlam, maar \'t is toch stroomen
rusteloos, eindeloos, blijvends is er niet
-ocr page 27-
21
dan sfeer van gloed, waarin de dingen komen,
oplichten en weer gaan, — het gloedlijf staat
onstoffelijk, standvastig, stil, volkomen.
Zoo zijn wij allen, schoon elk lijf vergaat,
stichters van Richting, vast en onvergank\'lijk,
waarin wij lichten, — die door ons bestaat, —
aan elk moe lichaam is zij niet aanhanklijk,
zij leeft in veelheid, als elk vuurdeel geeft
zijn gloed aan and\'ren, nog voor gloed ontfank\'lijk,
v/ijl \'t zelf alree verdooven gaat en zweeft
de lichtsfeer uit.
Maar o dat niet geloove
de mensch, dat hij geen eeuwig leven heeft,
wijl van zijn lijf het lichten moet verdooven
en dat moet vallen als verglommen asch,
hij heeft, hij is, wat \'t lichaam gaat te boven
-ocr page 28-
22
in blijvendheid, hij is die vlam die was
vóór hem en na hem zijn zal, hij de ronde
glans, die als brug van bontgesponnen glas
d\'aard overspant, zoo vaak de ronde zon de
ruischende vlaag met cirkel-lach begroet.
Elk droppeltje zijgt neer ten dorren gronde —
zijn wezen valt uiteen. Uit vocht en gloed
en rondheid was zijn schoon gemaakt. Gescheiden
heeft eeuwig zich van tijd\'lijk.
Evengoed
weet zich de mensch het samenstel van beiden.
Maar dit is \'t heil, dat \'t Ik \'t welk Ik zich kent
zich deel voelt van dat eeuwig schoon, dat bij den
val der materie staat, verheven, — permanent. —
-ocr page 29-
III
-ocr page 30-
-ocr page 31-
Welk vreemd bedrog! zóó vast zijn wij gevangen
in \'s werelds greep, dat zich de ziel ontwent
\'t geloof aan zich. Met kettingen omhangen
waant zij die kettingen alleen te zijn
en treurt dat \'t wreedë ijzer niet kan langen
voor langer tijd. Krankzinnigheid van pijn
is dit. Dan ligt het edelst Zelf onmachtig
onder der zinnen zware n druk. Een schijn
-ocr page 32-
20
lijkt wat ontastbaar, maar alleen waarachtig
aan ons is : dë Idee. De harp, geraakt
door doode wind. De stroom, die om zich prachtig
van groen des werelds dorre velden maakt, —
\'t prisma, waardoor haar diadeem van kleuren
\'t simpele wit ontvouwt, — leider, die waakt
over den dans van voelingen en geuren,
van klanken en belichtingen, en aan
den chaos van dat wezenloos gebeuren
schoonheid en orde toekent, — oceaan
en bron gelijk, opnemend, doende vloeien,
\'t leven afwachtend in groot ondergaan,
\'t leven uitzendend, wolken, die besproeien
de harde bergen met hun dropjes teer, —
slaaf, die geduldig onder \'t zonnegloeien
-ocr page 33-
27
de ruwe boeien draagt, maar eeuwig heer
van wat hem kluistert, — heerscher, onderkenner,
rechter van alle stof, vrijwillig neer-
gestegen in haar wagen, maar zelf menner
van haar onstuimige en sterke span —
vader der zinnen, door zijn kinderen ver-
loochend, zwijgend gebogen onder ban
van eigen kroost, \'t hoogmoedige en luide,
dat méér acht \'t eigen jonge weten dan
hun heilige oorsprong, dë Idee, zelf uit de
duistere moederschoot van God gebaard. —
Ziek is de ziel, die \'t eigen Zijn misduidde,
door óvermoeheid innerlijk ontaard,
al wil z\'een schijn van hooge sterkte dragen,
verdwaasd als een, die machtloos zit en staart
-ocr page 34-
28
bij \'t dóórslaan van de rossen van zijn wagen,
en glimlacht kalm, als had hij nooit geloofd
dat paarden \'s menschen heerschappij verdragen —
>\' of als een koning, die, van kroon beroofd,
hoont en bespot zijn goddelijke rechten,
een roode muts op \'t oud, verbijsterd hoofd —
of als een denker, die den rechten weg ten
vrede verloor, door al te strak gepeins,
en nu aan weg noch vrede zegt te hechten
zichzelf belachend met verwezen grijns.
O dit is vreemd bedrog. Subtiele logen,
verwisseling des wezens en des schijns,
bedert van \'t zielehart, dat geen betoogen
herleven doen, waar eigen leefkracht faalt. —
Door niets uitwendigs wordt een bloem bewogen
-ocr page 35-
29
tot bloei, schoon licht en zoele regen daalt
en vruchtbaar d\' aard is, — als haar hart geschonden
of wel die innerlijke kracht, bepaald
door reien van geslachten en verbonden,
verflauwend is. — Zoo worden nooit geleid
welkende zielen, die in zich niet vonden
\'t geloof aan zich en eigen meerderheid
tot dezen bloei.
Het schijnen der gedachte,
de vruchtb\'re liefdë-akker, en d\' altijd
vloeiende bron van taal zijn niet bij machte
te redden, dat zich opent en opricht
de zielebloem, die dit bederf ontkrachtte. —
Want zie, dit eigen, innerlijke licht,
\'t eenigste wat men niemand kan verstrekken,
komt van het Zelf, dat alle leven sticht. —
-ocr page 36-
30
Wel kan men \'t gloren, zoo het smeult, weer wekken,
maar wie zal hem, in wien \'t begrip niet schijnt,
de zekerheid van zijn bestaan ontdekken?
De rede kan niet scheppen maar omlijnt
en voegt wat leeft en is uit eigen reden,
en wordt een leeg ding waar het leven kwijnt.
Zielen onsterflijk zweven door het heden,
kristal-ballons door bonte bloemengaard,
ronde, weerspiegelende eenzaamheden,
anders dan al \'t omringende van aard, —
van al het schoon waarlangs zij langzaam glijden
wordt dë ontastb\'re spiegeling bewaard, —
* zij dragen de reflectie van het lijden,
toch tast het leed der wanden glans niet aan,
vrijwillig gingen z\' in den tuin der tijden
-ocr page 37-
31
bewust van eigen helderder bestaan,
doch wie dat lichtend weten mocht ontzinken,
die moeten slinken en ten onder gaan.
En elke smet zal \'t spiegelbeeld verminken,
doen zich de dingen toch veranderd voor
al naar de wand waarin zij wederblinken.
Zoo is het, dat, wie \'t diep besef verloor
dat alles wat hij kent, zijn spiegelingen
van verre, vreemde werklijkheden, door
het ééuig zekere van alle dingen:
zijn held\'re, vaste ziel — (die, naar zij rein
en zuiver van gestalt is, zal bedingen
de harmonie in \'t wezen en den schijn
die Waarheid heet) —■ dat dezen zal ontgeven
de sterkte die ontsterfelijk doet zijn.
-ocr page 38-
32
Zijn zielehart staat stil, — hem is het leven
een ledig went\'len, — schoon zijn bloed nog vliet,
zijns Wezens dieper stroom is opgeheven.
-ocr page 39-
IV
3
-ocr page 40-
-ocr page 41-
. Veelheid van kennis is nog wijsheid niet,
maar wijsheid is een zuivere structuur
der ziel. De reine vorm der wanden die \'t
. beeld maken der uitwendige natuur.
Werkdadigheid en kunstige balans
van al het onze, — een opperste bestuur
dat machtig heerscht, en aller dingen glans
rustig beziet en rangschikt evenredig,
dat kent de kracht van \'t zijne en de kans
-ocr page 42-
36
hunner bewegingen, en laat niets ledig
van zijnen blik en allerhoogst bevel,
zoodat in vol-beweging zich bevredig
en smedig glijde \'twondre samenstel
van voeling en begeerte.
Onbereikbaar
voor deze, der gedachten klare wel,
een hoog en helder rotsenmeer gelijkbaar,
dat als kristal eu zonder rimpel ligt,
naar \'t rein en ondoorgrond\'lijk aether-rijk daar-
boven \'t aandachtig spiegelvlak gericht, —
moeder sereen van dadenrijke vloeden,
storeloos stil in \'t transparante licht,
zendend des sterken bergstrooms troeble woeden
ter wereld neer.
>«.                                   Van ieder zieledeel
zal \'t Zelf den aard, de macht, de taak bevroeden,
-ocr page 43-
37
scheidend en heerschend. Zooals één man veel
sterkere mannen dwingt, wel onderscheidend
elks eigenheid en kracht, tot één geheel
van wondere bewerktuiging hen leidend,
indien hij zelf maar zeer rechtvaardig is,
onstoorbaar boven invloed van \'t benijdend,
zelfzuchtig volk, ten uiterste gewis
in zijnen wil, van eenvoud zeer doorzichtig
in zijner schikkingen beteekenis.
En naar den geest van dezen enk\'len richt zich
de geest van allen, \'t Kleinst kristal dat valt
in vloeistof die zal stollen, wordt gewichtig
voor \'tgansche, dat zich vormt naar zijn gestalt.
? Zoo zij dat innerlijkste Zelf dat tevens
ontwaart en richt, en meer zich weet dan alt
-ocr page 44-
33
ruwere zielevolk, en dat des levens
kern is, eenvoudig, helder, rein en vast,
, dan voegt zich \'t andre zuiverlijk daarnevens.
Ja, al het andre. Niet één hoofdhaar wast
buiten de macht van \'t Zelf, welks heerschappije,
met voegen honderdvoud aaneen gepast,
reikt in het rijk der stof naar alle zijen.
Des menschen kracht van daad en wederstand
is in het lenig en gewillig glijen
aller verbindingen in \'t gansch verband
van ziel, van lijf en van die beiden samen.
Wendt zich ook niet \'t geweldig, vol-bemand
oorlogsstoomschip nauwkeurig naar \'t beramen
van éénen kleinen man daar midden in,
die kent elk scheepsdeel en elk man, bij namen,
-ocr page 45-
39
scheeps lijf en ziel, en doet gansch naar zijn zin
\'t kleinste rad gaan, \'t lijf door de ziel beheerend?
En is daar niet gehoorzaamheid gewin
van macht? Wanneer commando van \'t regeerend
hoofd, zelf gewis en klaar, snel wordt tot daad
door vlug begrip en tucht der mannen, eerend
des meerdren woord, en door correcten staat,
tot in \'t kleinst deel, der machtige machinen,
die scherpe zorg in strenge reinheid laat?
AVeel kennis zal den dwaze zoomin dienen
als een ontredderd schip veel wind of stoom,
maar door des wijzen geest wordt al \'t geziene
zuiver weerkaatst, als bloemen aan den zoom
van effen water, — \'t is een land herboren
daaronder, rijk en stil, en als een droom-
-ocr page 46-
40
gedachte teeder, daar \'t een zucht verstoren
kan, — maar het komt weer even rein weerom
zoodra rust is. En er ging niets verloren
van al dat groen en rood en geel, van krom-
me stengeltjes en fijne bloemsieraden,
zuiver in \'t blank der diepe luchte-kom.
Hier kan geen veelheid van ontvangen schaden,
een heil\'gë orde dwingt wat haar ontmoet
tot d\'eigen wet. Zij grijpt de warre draden
aller ontwaring, als een wever doet
met vlas, die weet het broze ineen te winden
tot \'t sterk wordt, en den vagen overvloed
in strakke evenredigheid te binden,
tot draad op draad, geregeld aangebracht,
zich in één prachtige figuur bevinden.
-ocr page 47-
4 f
En dit figuur, dit is des Hoogstcn pracht,
wij hebben \'t niet bedacht en niet verkoren
\'t ontbloeit in ons, als bloemen, overnacht, —
\'t komt uit ons diepste Zelf van zelf te vore,
\'t wacht onzer woorden leiding niet, \'t ontstaat,
wij zien het aan, als kon \'t ons niet behooren,
\'t uit ons geboren kind. waarvan \'t gelaat
schooner dan licht is en zooverre boven
al ons bedoelen en bedenken gaat, —
• en dan gebreken woorden, het te loven.
-ocr page 48-
-ocr page 49-
V
-ocr page 50-
-ocr page 51-
Ik heb \'t zoo vaak vergeefs beproefd en toch
kan ik niet rusten. Voor de donkre klove
van beeld tot wezen sta ik, zoet bedrog
vleit mij dat ik bereiken zal, — nu neigen
de ranke melodiën toch zóó wijd — maar och,
zij zullen weer in \'t hulploos duister zijgen,
als dorre bladen van een boom, gehecht
aan \'s afgronds rand. Doch aldoor nieuwe twijgen
-ocr page 52-
46
doet hij geboren geven, en zoo vlecht
ik aldoor nieuwe, rankere gedachten,
die woorden dragen, in geduldig knecht-
schap aan mijn Zon. Hen allen is te wachten
het welken en het vallen, nimmer loon
of einde van bereiking. Maar door \'t trachten
naar licht verwerft de boom \'t bizonder schoon
dat is zijn wezen en zijn zeggingswijze
van wat God is. Ik héb niet dan betoon
van ijver om Hem mee te prijzen,
zend Hem mijn woordenvogels immer toe,
die sterven eer zij zijner paradijzen
groen zien van zee uit. En ik word niet moe
daar \'t zoo mijn lust is en mijn woorden stangen
van lust, slanke spitsbogen die ik doe
-ocr page 53-
47
immobiel beelden mijn mobiel verlangen.
En dit is goed, want al het goede wil
iets stiller maken, in dat heilig hangen
naar God, die is alleen volkomen stil. —^S
O zij een mensch onwankelbaar indachtig
elke seconde en bij elke gril
zijns geestes, dat zijner gedachten pracht zich
betoont in worden, niet in zijn, — dat vreugd
gansch hem genoeg en gansch niet twijfelachtig
in staag mislukken woont, een hooge deugd
en dit te weten en te willen, liefde
in wat \'t hem willen doet. Mij heugt
hoe \'k om het ijdele aller dingen griefde,
als om \'t ziek kind zijn vader. Want ik keek
naar \'t veege lijf te angstiglijk. Toen hief de
-ocr page 54-
4s
kranke zijn blik, en sprak, dat van mij week
bedroefdheid, daar \'k iets anders ging ontwaren,
dat leven zou, waar \'t al te sterven leek.
De vreugde rees bij dit veranderd staren,
\'t ijdle is maar ijdel door een ijdel zien,
angstvallig volgt het oog der doode blaren
droevigen val en vreest in dit geschien
des Doods onkenbre macht. Maar waarom kleven
de blikken aan dat dorre loof, indien
\'t leven daar niet meer is? Zie óp, gebleven
is toch de boom in meerder twijgen pronk,
er is niet Dood, vergleden slechts is \'t Leven
van stof tot stof, waaruit zijn schoonheid blonk
als licht uit vensters. Ai, wie zal er weenen
voor \'t donker huis van vrienden, die van honk
-ocr page 55-
49
gegaan zijn, blijven klagen voor die steenen
dat hier de Dood nu huist, wie keert niet af
en zoekt de lieven elders en gaat henen?
En of al \'t Leven eiken woon begaf, —
\'t en heeft geen blijvend huis, noch keert het weder
op d\'eigen weg, — schoon \'t vallen liet als kaf
zijn heerlijkste omhulling, niets toch leed er
vernietiging of gaf der droefheid pas.
Stort ook de sterkste tronk vermolmend neder,
zijn sterker zelf leeft voort in nieuw gewas,
noch kan des menschen edelst deel ellendig
verloren gaan, van d\' eenling tot het ras
verglijdt zijn schoonheid en zij is niet endig. —
En naar elk spieglend Zelf dit zelf beseft
weet het, uit kracht des wetens, zich bestendig.
4
-ocr page 56-
5o
Dus streeft elk enk\'le, tot hem wijder treft
des wetens lichtkring en uit eigenheden
zich schoonheid, die van allen is, verheft.
Want hij verlangt het eeuwige. — Zijn beden
vragen om vreugd en een lang leven, maar
de ziel volgt dieper drang dan die beleden
de lippen, en bij lustbejag schijnbaar
en zorg om \'t lijfshuis veilig te behouén,
bouwt zij stil aan dat eeuwig huis van haar.
Zoo noemen wij door onvolkomen schouwen
zelfzucht de macht die alle wezens drijft, —
maar zie toch, geen is eenzaam, allen houën
te zamen in één Zelf, dat verre blijft
boven gescheidenheid, brandpunt der lijnen
die \'t leven aller enkelen beschrijft,
-ocr page 57-
Si
schoon zij slechts zelfbehoud te zoeken schijnen.
Zij kennen nog van \'t eigen wezen niet
dan zorg voor \'t schamel ik. Maar de ravijnen
verbreeden en de wilde bergbeek schiet
trager in \'t lichte dal. Dan overlichten
der zonne schichten tot aan zee \'t gebied
der vloeden, \'t samenvloeien en het zwichten
aller verscheid\'nen. Zoo zal zich de blik
in dag van breedere bewustheid richten
op wijder strekking van ons diepste Ik,
dat geen begrenzing wil, niet zal beklagen
den dood der dingen van een oogenblik,
als \'t mag weerkeeren tot den bron der dagen
en drinken stilte en eeuwigheid.
Helaas,
ons doet \'t vergaan van \'t enger zelf versagen,
-ocr page 58-
52
als waar de beek meer dan de stroom. O dwaas,
\'t is al gewin. Wat gij wel woudt vermogen
te houden, is onwetendheid, zwart waas
uwer verblinding, wolk, die voor uw oogen
de zon der ziel verbergt, — verscherp, verrein
uw innerlijk gezicht, — dien nacht onttogen
zal \'t Eeuw\'ge in u bewust en eeuwig zijn.
-ocr page 59-
VI
(
-ocr page 60-
-ocr page 61-
x In \'t wereldhuis, als kloosterlingen, wonen
wij menschen, elk in \'t eigen kamerkijn
levenslang opgesloten. Van den schoonen
bouw droomen wij en maken een model
der nooit-aanschouwde woning. Dan vertoonen
wij door de vensterkens van onze cel
aan de geburen een schets van \'t gemaakte,
\'t beeld van een beeld, en noemen dat dan wel
-ocr page 62-
56
de Waarheid. Ach, ter nauwernoo genaakte
\'t woord de gedachte, en wat was haar ver
der dingen Wezen. Met des menschen spraak te
bepalen \'t Zijn, wat schijnt onzinniger
vermeten? Hoe voert \'t ongewisse zwermen
der luchte woorden, warlend her en der,
ons zware hart in de geruste ermen
van Hem die is? Wie vindt in het frivool
en wuft gekriel der vale aldagstermen
zoo sterke, reine klanken, dat niet dool\'
de ziel die volgt? Der woorden zijn twee orden
gerecht en goed, — d\' een is het dood symbool,
\'t starre karakter, bleek en sterk, \'t verdorde
maar harde hout, des wetens staf en schild,
stom, zielloos, maar door geestes wil geworden
-ocr page 63-
57
heraut des geestes, wiens bericht verstilt
buiten sfeer van verstandhouding. Dë ander
is \'t levend woord, dat van symbool verschilt
door de innige doordringing in elkander
van geest en stof, van \'t zijn en \'t fenomeen.
Dit heeft zelf ziel, zelf leven en is van der
menschen voorafspraak vrij. Het vindt alleen
den weg van ziel tot ziel, het kan ontwijken
de lage paden, die moet moeizaam treen
\'t symbool, dat traag door levenlooze rijken
des reinen geestes konde draagt. Op wiek
van eigen leven kan \'t wat leeft bereiken.
Maar wie noemt woorden zoo volmaakt?
Muziek,
muziek alleen, dat is der spraken wonder,
beeld noch symbool, maar wezen, gansch uniek
-ocr page 64-
53
van heil\'ge zuiverheid. Immers verbond er
zich hoogste geest aan soberst moevement,
en geeft\' het uiterste wat door ons zonder
bemiddling van abstractie wordt gekend.
Der dingen kennis hebben wij bij monde
van beeld en schaduw, boden die ons zendt
\'t volstrekte Zijn, hun middelijke konde
verlangt geloof en geeft dat Weten niet,
dat hoogste, dat ons één maakt met \'t doorgronde,
en is iets zijn, schoon \'t iets gevoelen hiet.
• Maar op dien weg van meest volmaakte kennis
leidt ons het verste melodie en lied.
Want die zijn zuiver. Al de rest is schennis
des puren geestes, om \'t beperkt verstand
der menschen, daar toch enkel geest voor hen is
-ocr page 65-
59
iets ijls, iets dat niet is, buiten \'t verband
der zinnedingen. \'t Oog verdraagt den luister
des Absoluten niet, \'t staart in den brand
van Zijne glorie en ziet ledig duister.
Maar d\' afschijn zien wë, en Zijn groote stem
vernemen wij wel in \'t bedekt gefluister
van cijf ren en abstracties, — in d\' omklem-
ming der relatïen geprangd, ontberen
nochthans wij nooit aankondiging van Hem.
Zóó valt berusting licht. In staag begeeren
naar \'t hoogst begrip, zonder symbool noch beeld,
naar waarheid onverhuld, die wij niet leeren
maar worden, daar wij zelf geest zijn, misdeeld
van helderheid, — richten wij onze actie
bij \'t licht der sprake, wetend hoe \'t verscheelt
-ocr page 66-
6o
van \'t licht des Zijns, hoe tusschen doode abstractie
en \'t levend lied de taal bestendig zweeft,
vast aan verbeeldingen, en ook geen fractie
* der werklijkheid ons rein en levend geeft.
Aldus des dienaars juiste macht beseffend
en niet meer van hem vergend dan hij heeft,
doen wij zijn werken recht. Hij toch vereffent
den weg ons en bestemt ons dwalend gaan,
als in een tunnel heller glinstring, treffend
de sombre wanden, duidt hij \'t komen aan
van de open dag, door al verklaarder woorden.
Die blijven achter, maar rond onze baan
schijnt de dag zelf al, waar de rots van gloorde,
in zacht gegradueerde schemering.
En wie bepaalt wat nog tot weerschijn hoorde,
-ocr page 67-
Cx
waar d\' onontleende hemelglans aanving?
Wie noemt het eind der stadige gradatie
van schijn tot zijn, waar \'t vaartuig uit den kring
des maalstrooms glijdt in zee van contemplatie?
Maar \'t sterk besef, in alle taal geboekt,
onzer onmacht in kluister der relatie,
geeft, wijl het hart dien boei als logen vloekt,
hoogste gewisheid van der Waarheid zegen.
-ocr page 68-
-ocr page 69-
VII
-ocr page 70-
-ocr page 71-
Zie, hoe het leven de even dingen zoekt.
\'t Is al vereffening, \'t Stroomt allerwegen
\'t gelijke toe, \'t evenwicht en de rust.
\'t Wil dat wat blijven kan. \'t Is al genegen
naar stilheid en bestendigheid. Gesust
worden de veeten der kampende volken.
Langsaam voeren de stroomen naar de kust
\'t gruis der statige bergen, door der wolken
geduldig doen verweerd en aangetast,
dempende met hun slijk breede zeekolken.
5
-ocr page 72-
66
Heel \'t groene kleed dat de aarde overwast
verweert haar en maakt vlak de onevenheden,
helpend het water dat de rots wegplast
naar ze verweekt. Zoo werkt al wat leeft mede
aan \'t zelfde werk, de worm ook die doorwroet
den grond, en \'t week koraaldier dat in zee de
diepten aanvult en landen rijzen doet.
Stilstand is aller krachten resultante,
de graviteit, der zonne licht en gloed,
der stoffen energiën, en der planten
en dieren levenskracht, \'t brengt al bijeen
\'t afzonderlijke, rondt af het gekante,
mengt het gescheid\'ne, maakt het veel tot één,
\'tbewoogne stil, het wankele stabiel
en wil dë onrust om de rust alleen. —
-ocr page 73-
\'t Is als verteedring in de Wereldziel,
een dorst naar vrede in alle fenomenen,
en \'t mensenhart dat in \'t groot bewegen viel
herkent zichzelf in wat het om zich henen
van lieverlede ontwaart, \'t Heeft wel aanvank\'-
lijk onrust, oorlog zonder end geschenen,
de waatren gingen immer en de gang
der zon vertraagde niet. Des hemels vuren
en die der aarde brandden al zóó lang,
zouën, schoon ongevoed, wel eeuwig duren.
De goden streden zelve en stagen kamp
wilden ze \'t leven aller creaturen.
Krijg was des levens heil, zoo groot geen ramp
als vrede, die voorzeker brengt het kwijnen,
den stilstand, en den dood.
Maar zie! de lamp
-ocr page 74-
68
der kennis begon wijder uit te schijnen
en lichtte door zóó mateloozen tijd —
Toen bleek het groote zon-lijf te verkleinen
en al beweging er op toegeleid
zich te vermindren tot één roerloos even.
Er is een eind aan alle onstadigheid
hoe eindloos zij ook scheen, ja, de verheven
weg der planeten is een weg naar rust,
der zonne toe wendt zich des aardbols zweven
en ook die heil\'ge Fakkel wordt gebluscht.
Maar tevens werd het heiliger beginsel
in \'t Heelal zichtbaar, in de ziel bewust,
dat niets vergaat. —
Verniet\'ging is verzinsel
des onkundigen denkens. Dood gaat slechts
wat nimmer leefde: leugen, en het spinsel
-ocr page 75-
c9
van schijn en waan. O woord, o bron des rechts,
o droefheidsgraf, o sleutel aller poorten
onzer omkerk\'ring, o kern van wat hechts
aan ons onhecht beseffen is, wie hoort den
klank der genade niet in uw geluid:
dat niets vergaat. —
Het lichte woord verstoort en
legt onze duistre droefheid heilrijk uit.
Beweging sterft, maar d\'energie, gehouën
voor hare oorzaak, blijft. Hetwelk beduidt
dat wij te droever zijn al naar wij bouwen
op \'tzichtbre, dat vergaan moet, onze vreugd.
Maar daar \'t ons nog zoo zwaar valt te vertrouwen
op indirect bericht en het geneucht\'
van enkel denken als een lust te smaken,
zoo blijft veel ons bedroeven wat door deugd
-ocr page 76-
70
van groot begrijpen ons verblijd zou maken,
\'t Is recht, dat wat ons evangelie bracht
ons worden heil\'gë en geliefde zaken:
het avondrood, de stil-bestarnde nacht,
de dageraad gezegend, met de blije
vogeltjes-stemmen, en de gulden vacht
van zonneschijn op tintelende weien,
de zee ontzachlijk, — ook het schoon lichaam
der zusterzielen die ons begeleiën,
en al die voelingen, waarin we d\'aam
Gods \'t sterkst bemerken, als van man en vrouw
de liefde, die der enkelheden saam-
vloeiing volmaaktst is, zoo volmaakte trouw
haar eeuwig maakt, waardoor dit onder aardsche
dingen de godlijke \'t dichtst naadren zou, —
-ocr page 77-
7i
> maar \'t is ons niet verholen dat \'t dierbaarste
en \'t heiligste zóó is door vergelijk
met nog iets meer, \'t verste, maar \'t allerwaarste,
\'t Wezen van liefde en wijding, dat een blijk
zijns aanzijns maakte in beweeg en voeling
en beeldt zichzelf, door elk ding sterfelijk.
Dit is \'t stil Wezen van der driften woeling,
dit sterft niet bij der lieve vrienden dood,
dit derft geen gloed, ook bij der zonne koeling,
dit bergt het schoon van morge\' en avendrood,
van starre-nacht en middag-zon in wanden
van breukloos diamant voor stervensnood.
Ook in \'t eenvoudig vouwen van de handen
der liefste om liefstens wil ontbloeit zijn licht,
als in de passie-looze lijnen van de
-ocr page 78-
72
leliën-kelken, doodstil opgericht.
Het is waar wijding is. Die is al-omme.
Maar voor ons nog niet zichtbaar, dan waar dicht
voor \'t kort gezicht de heil\'ge spranken glommen.
En naar wij Liefde\'s vurige kolom
door \'t barre land zijn hooger nageklommen
daagt ons al meerder heiliging rondom,
oasen groen aan alle horizonten
en koele meren onder blauwen dom. —
-ocr page 79-
VIII
-ocr page 80-
-ocr page 81-
» Toen, door de weifelende mist, begon te
> glanzen een vaste ster. Haar gloed verwoog
noch kwijnde, midde in zooveel, wat in \'t ronde
met wisseling vermoeide \'t zoekend oog.
Haar blinken was een zielsrust en een stichting,
\'t scheen alles wankel, zij alleen bedroog
de trouw der menschen nimmer. Geen betichting
vermocht te ontzetten haar gewissen stand.
> Zij scheen wel waard de baak te zijn ter richting
-ocr page 82-
76
-■ voor \'t landend schip aan \'t diep-omnachtte strand.
Wetenschap heette zij, \'t begrip der maten,
van des beweegs bewegeloos verband,
dat in den bouw des Als onwrikbaar staat en
met goddelijke liefde en stilte schraagt
den chaos van onrustig zijn en haten.
, Ja, zoo heeft d\'eerste heldre gloor gedaagd
van des onzienlijken zichtbaar aanwezen.
Wel voelt elk sterk mensch zijn aanzijn, en draagt
zijn beeld in zich, \'t welk, kinderlijk geprezen
naar d\' eigen kind-aard, als een droom hem vult,
maar \'s enklen droom kan niet standvastig wezen,
der menschen samenmacht alleen onthult
van het Volstrekte stellige contoeren.
Zoovele beelden braken, slechts \'t geduld
-ocr page 83-
77
van allen kon onbreekbren bouw volvoeren,
gemeengoed, maar elks enk\'len trotsch lusthof.
Wat komt nabij \'t ontzachelijk ontroeren
van wie bewust is, naar zijns lots oorlof
te werken, met zijn broeders saam, onsterflijk
en heilig werk, tot kenning Gods en lof?
Dan klaagt die niet, schoon \'t werk hemzelf verderflijk
of voor zijn oogen nimmer zij voltooid,
hij weet den schat bewaard, ten zegen erf\'lijk.
Hij geeft zijn lijfsbloed garen, zoo \'tvermooit
den tempel, die zoo velen overwelven
en tot een vaste toevlucht zijn zal. Nooit
bouwt een zoo vreugdvol, die bouwt voor zich zelven.
Maar door welk wonder kon zulk wondervroom
en heilig werk de zware smaad bedelven
-ocr page 84-
78
van godloosheid r
Zie, \'t kind dat slechts in droom
de goede moeder kent, die \'t heeft verloren,
maar op een dag, in blijden, bangen schroom
haar echt beeld ziet, reëel, met stroeve voren,
zal schreiend haten \'t onbekend gelaat
wijl \'t heeft in \'t hart zijn lieven droom verkoren.
Toch was in waarheid waarheids strenge staat
van eedler schoon dan \'s kinds naïeve droomschijn.
Slechts vrees en blindheid genereert den haat,
_ slechts trouw aan Waarheid is \'t waarachtig vroom-zijn.
Is er toch geen zóó klaar godlij k kenmerk
als het in \'s levens kronkelende stroomlijn
r recht blijven en constant, \'t Betaamt dus, sterk
in liefde, d\' eigen dierbre vizioenen —
schoon liever en schijn-schooner dan de kerk
-ocr page 85-
79
der vaste kennis, \'t werk van legioenen —
të ofifren, en ons eigenwijs gemoed
deemoedig met Gods wezen te verzoenen.
Maar dit vergt veel, ik weet en merk lang hoe \'t
teedere menschenharten stukscheurt grimmig
en hoe de lieden lichter \'t heete bloed
der Godheid ofifren, dan Haar hersenschimmig
schamel verbeeldsel, bloem huns kleinen breins.
Doch wee! des Zijns gestrengheid sust geen slimmig
gevoelsgekonkel, \'t wil den vollen cijns
van trouw en onderwerping. Moesten alle
bekoringen lief-menschelijken schijns
op \'t woord des Wetens ook van\'t Godsbeeld vallen,
nog zal een forscher geest dien toets doorstaan,
hervinden \'t licht in duister van getallen,
-ocr page 86-
8o
liefde ia schijnwreedheid, hooger goeds gedaan
-door voor-óns-kwaad, een hooger recht gestegen
uit voor-óns-onrecht, — tot licht-voets begaan
harts-voelingen intellects hooge wegen.
En daar, o vreugd, heeft elke zieletocht
een reiner stem en nieuw aanzicht gekregen,
serener na \'t doorgaan der donkre krocht
van vrees en twijfel. Recht en Liefde scheidden
van \'t bittere begeer dat eigen zocht,
«n zien uit over volken, over tijden,
wenkend de hand naar nevelhelle vert\'
waar vreemde zusters hen in rust verbeiden.
O menschenkind, o menschenkind, dat werd
loondienaar bij den tempelbouw, geen wijding
in \'t groot werk voelt, noch schoon in \'t goud-besterd
-ocr page 87-
8i
koepelgewelf, maar enkel aan bereiding
van maal en bed bij \'t vreugdloos zwoegen denkt,
gij draagt de schand dier duivelsche misleiding
dat wetenschap van God de glorie krenkt,
daar gij geen hart hebt grootsch genoeg, te volgen
de stormvlucht des begrips, waar \'t opwaarts zwenkt.
6
-ocr page 88-
-ocr page 89-
IX
-ocr page 90-
-ocr page 91-
Was \'t dan een sprookje, dat den Heer verbolgen
om doodsschuld van zijn eigen schepslen maalt?
van Satan\'s list en haar droeve gevolgen
voor d\'eersten mensch en al diens kroost verhaalt?
De klare ziel der jonge volken beeldde
zóó reeds \'t mysterie recht, dat elks geest taalt
naar dingen van verderf, dat slechte weelde
spruit uit elk goed, waar tegenwicht gebreekt,
dat geen begeer, hoe teer zijn lokroep streelde,
-ocr page 92-
86
alleen ons leiden kan naar \'t oord, waar leekt
water dat is voor altijd allen lavend.
Er is een andré, oude maar, die spreekt
dezelfde wijsheid, anders nog haar stavend
met straf gevoel, op doordringender wijze:
Hoe koning Yoedishthira, aan den avend
zijns smetteloozen levens, tijgt ter reize
naar \'themelland, met vrouw en broeders vier
en met zijn hond. Op zwaren weg ziet hij ze
allen bezwijken, maar hem blijft het dier.
Nu mag hij in den hemel gaan, de deuren
openen wijd, \'t godenkoor juicht, maar hier
moet hij \'t onreine beest hem zien ontsleuren.
Dan wil de held des hemels wonnen niet
en durft de liefde voor zijn hond opbeuren
-ocr page 93-
87
boven der eeuw\'gen goden glanzend lied.
^ Hij vindt, dit doend, een vastere genade.
Zoo staan wij aan de poorten van \'t gebied
waar men als God is, kennend \'t goede en \'t kwade.
Maar weel zoo ons een blinde graagte spoort
te rijten \'t koord der liefden, en te rade
met \'s harten machten niet te gaan, bekoord
door ééne drift, die ons alleen een eigen
Eden belooft, naar \'t listig duivelwoord.
■ Mét liefde slechts kan heilig weten stijgen,
met bloed van één dier is te duur gekocht
een paradijs van kennis.
Geen zielsneigen
heeft, los van and\'re, zieleheil gebrocht,
zooals geen mensch ooit, los van andren, eenig
-- standvastig goed te wrochten heeft vermocht.
-ocr page 94-
88
Want in het Al bestaat geen ding alleenig,
geen kracht, geen wet, geen wezen, geen verstand.
Al \'t enkle heeft zijn aard en deugd door \'t menig,
als klanken in \'t symfonische verband
zijn wat zij zijn, — daarbuiten zonder werking.
Een eindloos wijder spreidend web omspant
met samenhang de kringen van beperking.
Haat is wat afstoot, liefde wat verbindt,
dus kan Begrip niet zijn dan liefde-sterking,
daar \'t dieper grond voor Liefdes wezen vindt,
als wortel, die door eigen groei diep in de
aarde, den groenen kroon doet groeien in \'t
heldere licht. Dit paar zij \'thechtst bevrinde:
liefde die gaan wil, rede die doorvorscht
haar doel en weg. Zooals den sterken blinde
-ocr page 95-
s9
leidt de scherpziende kreup\'le, dien hij torscht.
Doodzonde pleegt de mensch die, overijlig,
niet wetens gang om liefdes wille schorst,
maar gaat met haat en stoort zich niet aan\'t heilig
gevoels-vermaan, in een gruwzamen dorst
naar zelf-verzadiging. Hoe waar \'t ooit veilig
opgaan ter vrede, zij \'t in schijn ook \'t kortst,
waar eigen stijging andren doet vertreden
op steg met bloed van zwakkeren bemorst?
V \'t Gemoed voelt binding dieper dan de rede,
en deze, machtloos waar haar maat niet strekt,
heeft niet te schennen \'s harten teere zeden
wijl zij daarvan de gronden niet ontdekt.
Wat achten wij ons menschenlijf onschendbaar
en offren \'t dier, dat zich ook hulploos rekt
-ocr page 96-
90
naar \'t leven, net als wijf Is ons niet kenbaar,
tot smartens toe, der armen bang verlang,
dat is ook \'t onze, machteloos gewend naar
ons eigen doel, met ons in samengang f
En gaan dan wij, de wijzen, sacrifieeren
voor ons, wat nog niet weet van offerdrang?
En laten wij ons, machtigen, beleeren
door leed van \'t beest dat beeft in onze hand?
Dieren zijn kindren, die wij te beheeren
verkregen, machtigst in dit klein aardland,
hun goed liefhebbend en hun boosheid temmend
als die van \'t kind, — niet-hatend, door verstand, —
met hardheid slechts een harder noodlot remmend,
maar o nooit harder dan het lot, dat bindt
mensch en dier saam, onder één juk hen klemmend.
-ocr page 97-
9i
> Zie, wat den menschen heilig is in \'t kind,
\'t simpel begrip, dat zacht houdt onze oogen
over hun bitterst kwaad, waardoor elk spint
zachtheid om hen en zorg, in \'t ruwbewogen
leven, — want \'t roert zoo door onschuldigheid, —
is dat ook niet in \'t dier? En wie betoogen
dat offer zijn moet, — ei wie van hen leit
offers op \'t kind, dat \'t voor ons wèl zal lijden ?
Is niet elk offer wreed onrecht, tenzij \'t
rust op vólsterken, die zich willig wijden,
door weidsch besef van \'s offers kracht getroost ?
Ziet dan, hoever u Satan weg kan leiden,
gij die God zoekt, maar eigen wegen koost.
-ocr page 98-
-ocr page 99-
X
-ocr page 100-
-ocr page 101-
O hoe kon \'t wij-gevoel den geest verlaten,
die voor den glans dier stille wondren poost,
voor der gesternten gang aan de gelaten
des eeuw\'gen hemels, voor den weg des lichts
dat langs golfliniën, klein bovenmate,
ondenkbaar snel, ter kennis des gezichts
der verre zonnen wezen brengt en jaren,
eeuwen behoeft tot brenging des berichts,
-ocr page 102-
5(5
en voor die krachten die zich openbaren
in alle stof, zoo saamgesteld verknocht,
dat \'t is als woelden niet te tellen scharen
atomen in één enkle droppel vocht,
wier juist bestek geen reek\'naar kan bepalen
schoon hij \'t den duur zijns ganschen levens zocht,
en voor het Leven, wordend in de dalen
der vochte, gloedgekoesterde planeet,
waar \'t is of God zijn zelf-heid wil herhalen
en met zichzelf in wisselwerking treedt,
waarin ook wij zijn wonderbaar besloten,
met god\'lijk kenlicht, als in een vreemd kleed
dat ons scheidt van elkander en van \'tgroote
alwezen, met een levenloozen schijn,
maar dat wij lichten, als de jonge loten
-ocr page 103-
97
den schors des booms, waarvan zij bloesems zijn,
waarvan wij staag de donkre lagen splijten,
dat ons onmidd\'lijk \'t eeuwig Licht beschijn,
tot \'t helder daagt, als alle hulsels rijten,
dat niets niet leeft, maar alles leeft in Eén. —
Hoe waar \'t den aard dan van dit doen te wijten
als uit den geest, die \'t steeds bedrijft, verdween
de wijding, hoogste zielestaat, dat gloren
waarbij in taal, in lied, in kleur, in steen
de schitterendste wrochtsels zijn geboren?
Moet bijgeloof dan niet gedelgd, opdat
met dit der menschen schoonst niet ga verloren ?
Aan wetens glans vloed stond de schoonheids-stad,
op fondament van hol-doorwoelde rotsen,
dat onder muur en tempelen het nat,
7
-ocr page 104-
98
het nimmer-rustende, men hoorde klotsen.
Maar dwaas die waagt het statige geweld
des grooten strooms te smaden en te trotsen
en hem verbrijzelaar van schoonheid scheldt.
Hij stort den schijn, al \'t wezen blijft behouën.
Het staat aan ons, op hechter grond gesteld,
met grootscher praal, een nieuwe stad te bouwen.
Op óns de smaad, wanneer van \'t voorgeslacht
de hoogst-ontbrande glorieën verflauwen.
Wij hebben \'tbreeder weten en de macht
van vaste kennis. Zoo zij konden stichten
op voozer grond zooveel subliemer pracht,
s \'t, wijl wij nog niet leerden onze plichten
allen, als zij, met een zóó vroom gevoel
van wijding en van liefde te verrichten.
-ocr page 105-
99
Hun was Gods glorie aller werken doel,
en o dat niet voor ons verzwakt bevatten
de branding van dit machtig woord verkoel
zoodra wij \'t huis van schijn uiteen zien spatten,
waarin de ziel haar sterkste wezen sloot.
Wij zwervers vinden noodzaak onze schatten
te voeren op een bontgetuigde vloot
van fantasieën over deze zeeën
van \'t peilloos leven. In sterflijken schoot
draagt \'t menschenwoord de goddelijke Ideeën
zwaar van geslachten op geslachten. Wee
\'thuis waar \'t vergeefs om herberg heeft gebeeën,
met heil\'gen last smaad en afwijzing lee.
Noem \'t ook geen waan als men heeft toegesproken
God als een mensch en hem aansmeeking dee
-ocr page 106-
IOO
wier gunning met geen Godsbestaan kon strooken.
\'t Volk deed dit wel in eenvoud, maar niet heeft
den wijssten, bij dit doen, \'t inzicht ontbroken,
dat hier in kinderlijken beeldschijn leeft
het sterke zijn van meest verheven waarheid.
Hij wordt der kind\'ren mindre, wien begeeft
hun toover-rijk, aleer hem openbaar leit
de diepe bronwel hunner fantasie.
Den mensch is \'t Zelf de donkre krater, waar hij\'t
eigen vuur rijzen voelt uit \'s werelds zie-
dend alvuur, boogbrug met steunlooze spanning,
uit vlakke velden zijner theorie
opwelvend tot den aether, waar zij anving
in eeuwig licht verborgen, en hij kent
haar d\'eenige uitweg uit zijn aardsche banning.
-ocr page 107-
101
Dit voelt in zijnen nood de mensch en wendt
\'t beklommen hart dien weg alleen, een machtrijk
Zelf als zijns zelfs Vertrooster huldigend.
Nu lijkt wel ieder zinlijk beeld belachlijk
den wijzen mensch, bij Gods volstrekt bestaan,
maar de verwaande die uit trots, veracht\'lijk
versmaadt de heil\'ge pogingen, gedaan
om \'t Hoogste te gedenken en te loven,
zal wel verdorrend in zijn waan vergaan.
Wat kennis kan ons God, de kenbron, rooven ?
Hem beeldt het Zelf, als zwarte cijferen
zijn naamloos Zijn. Van zijn Huis zijn voorhoven
de zielen, scheemrend van mysterieën.
-ocr page 108-
-ocr page 109-
XI
-ocr page 110-
-ocr page 111-
Mijn blijde ziel, hoe waart ge dus gedurig
rond de spelonk, waar \'s levens laafbron ten
■ dage opwelt. Als vlinder wispelturig
rond bloemeklok met flapp\'rend wiek-gevlag,
totdat zij nederzijgt in gouden-urig
geluk, verheerlijkt in den zonnedag
en drinkt, met breed-gespreide vlerkjes trillend,
van haar volzuiver wezen elk bejag
-ocr page 112-
106
diep in het kleurig huis met zoetheid stillend.
Zoo warrelt gij, mijn ziel, rondom de kelk
$
der innerlijken zelfs, waar uw veelwillend
wezen volop aan nectar vindt voor elk
uwer begeerten, — om somwijl te zinken
in diepste vrede, als men \'t klein kind de melk
uit moeders borst met oogen dicht ziet drinken.
Somwijlen, ach, somwijlen — nog niet vast
.< houdt gij, ziel, uw tehuis. Pijnnevels krinken
zwaar nog uw wieken met hun taaien last,
een damp van waan blijft uwen blik befloersen,
en \'t stormig volk van warre driften vlast
nog op uw rust en stoort de stille koersen
- van uw inwendige gedachtenlicht.
Door meelij moe en door den schok van boersche
-ocr page 113-
107
bejegening nog al te diep ontsticht,
aan lichaamsvree en zonneschijn gebonden,
nog \'s werelds mooi behoevend om uw plicht
met lust te doen, hebt gij vaak dicht gevonden
de poort van uw wijdschouwende paleis.
Maar als een herder drijft met staf en honden
dralende schapen, daar zij telkenreis
talmen en grazen willen, — zóó geduldig
weid ik mijn ruige driften driftsgewijs,
verkeerend in één strooming zacht \'t veelvuldig
klein heen en weer getrantel, recht geleid
•* naar mijn diep-innerlijksten raad. Al hult zich
het pad in mist, al doemt er wijd en zijd
geen landmerk op, der richting raakt niet bijster
wie blijft vertrouwen, vreesloos en bereid,
-ocr page 114-
io8
op \'t Licht inwendig, teedere geleidster,
die \'t zwaar ziels-schip met fijne ving\'ren stiert.
Uit crypten van onkenbaarheden rijst er
een wondre maning immerdoor, die wierd
wel immerdoor vernomen, zoo w\'onttrokken
ons hielden aan \'t gerucht dat rondom tiert.
Wie die stem kent, wordt zóó nooit meer verschrokken
door dreigingen van \'t donker lot. Hij voelt
alsof een hand hem veilig door de schokken
van \'t leven voert, die zijn vast heil bedoelt,
en uit wier schat verborgener intentie
de dag van openbaringen krioelt.
Niet wijl hij wacht bizondre providentie
te grijpen, om zijns niet\'gen levens wil,
in wiel van \'t heilig lot, met interventie,
-ocr page 115-
109
maar wijl hij ook door zich voelt gaan de spil,
die in der zwaarzwoegende waereld draaiing
blijft recht en met volstrekte stilheid stil,
wijl hij bemerkt dat uit der smarten laaiing
ook in zijn hart, met wieken ongeschroeid,
een fenix stijgt, die boven duistre waaiing
van leed en drift, in heldren aether roeit,
en dat op \'t puin van zijn vernielde lusten
de witte bloem der heilige aandacht bloeit.
Zoo blijkt het hem dat hij blij en gerust den
machtigen storm des noodlots kan doorstaan,
die toch nooit dwingen kan den diepst bewusteu
kern zijner willingen, nooit uit haar baan
kan wringen zijn verhevenste ziels-streven,
noch zijner lichtste vreugden groei verslaan.
-ocr page 116-
IIO
i O hooge liefde tot \'t inwendig leven,
die overstijgen doet den berm des doods,
die van \'t schijnlicht afwendend, lichter dreven
ontdekken laat, en tot den bergkroon grootsch
waar alle leven openligt, ons heenleidt,
benaderd langs méander-gang zijns schoots,
die den om God nood-druftigsten gemeen zijt,
en maakt een liefde-bruischende fontein
van \'t hart der armsten, volgend in alleenheid
uw siddrend licht, — zult gij mijn makker zijn r
mij niet verlaten? dagen niet, noch nachten?
dat ik weet veilig, in des harten schrijn,
juweelschat dezer vredige gedachten?
Zoo zal ik om dien rijkdom evenwel
de blijde pracht der wereld niet verachten,
-ocr page 117-
III
want dan is in onneembre citadel
mijn liefde en vreugd, en kracht die doet bewondren
verschanst voor bitterheid en wanhoop fel.
Dan is mijn wereld-min maar een bizondre
^ straal uit de volle liefdezonne Gods,
niet woest zich hechtend, als een die naar ondren
zakt en zich klampt, doodsbang, aan plant en rots,
neerziend naar \'sDoods tóch niet t\'ontworstlen afgrond,
maar stil, van-zelf, uit volheid des genots,
zooals de zon-aanziende maan glans afstond,
blank en gestaag, door overmaat genoopt,
uit hoogten waar al kommernis een graf vond-
De weg des innerlijken levens loopt
in aldoor dieper perspectief naar binnen,
tot \'t Eén, dat al veelvuldigheid verknoopt,
-ocr page 118-
112
naar wij dat Zelf te naderen beginnen,
wordt onze liefde en die niet onderkend
-• waarmee God-zelf zichzelf steeds moet beminnen.
Des minnaars min, naar \'t lieve lief gewend,
opent hem schoonheid aller andre dingen,
van \'t zacht maanlicht, van \'t lied dat in de lent
door stillen nacht de kleine vogels zingen,
zijn vreugd wordt grooter om al \'t goed der aard,
om \'tfonklend meervlak, om geur der seringen,
hij acht, wat hem nauw roerde, duurder waard,
en vindt der waereld majesteit en orde
door zijn ontzachelijk geluk verklaard.
t Maar dat die liefd\' nog overstegen worde,
dat nu des wachters wentelkromme baan
zoowel planeet als vaste zon omgorde,
-ocr page 119-
lij
en \'t hart zich wend\' naar \'t Hart van al \'t Bestaan, —
zal dan niet nog volmacht\'ger vreugde rijzen ?
nóg hooger schoon der dingen opengaan ?
8
-ocr page 120-
-ocr page 121-
XII
Lo maggior don, che Dio per sua larghezza
Fesse creando, e alla sua bontate
Piü conformato, e quel ch\'ei piü apprezza,
Fu della volonta la libertate,
Di che Ie creature intelligenti,
E tutte e sole furo e son dotate.
Paradiso V. 19.
-ocr page 122-
-ocr page 123-
Verborgen ziels-licht, voedster der gepeizen,
die ons klein wezen, door uw toorn omringd,
door uw vervreemding hongrend, toch tot prijzen,
toch tot verwondring om uw mildheid dwingt,
die naamloos, onaanschouwbaar, doet verblijden
ons hart zoozeer, dat het zijn zoetst lied zingt
tot uwen roem, of gij \'t met zengend lijden
al erger tergt, — ik noem u goed, maar weet
hoe ver van toorn of goedheid is verscheiden
-ocr page 124-
n8
uw niet veranderend Bestaan. Planeet
omkreitst de ziel u, vaste en verre zonne, —
in straling mild, in eindloos afzijn wreed, —
en schrijft haar cirkel om uw glorie-bronne
in nacht, doorstroomd van uw gelenigd licht,
waar gij met koorden van ontastbre wonne
haar zweven vasthoudt, in strikt evenwicht,
door onbestemde sferen.
Hoe verbondt ge
uw zijn aan \'t onze toch? Tastend door dicht
struweel van smarten doornig en kortstond\'ge
lust-bloemen, tuk op schoon dat welkt noch schrijnt,
zien wij maar één verschiet die uitkomst kond\'gen,
waar, als aan woudrand, \'t warlig loof verdwijnt,
waar welft het ruim met d\'onbereikbre starren,
en deinst de kloof in neevlen onomlijnd.
-ocr page 125-
ii9
Daar is ons wit, waar loskomt uit bizarre
verwikkeling uw hooge en effen pracht,
zóó wijd, — zóó vreemd, — het is als lag een barre
woestijn van ontoegankelijke nacht
tussch\' u en ons. Waar zich verliest de saamhang
van wat ons lijf ervoer, waar ook de macht
der stell\'ge rede faalt, en de bestaansgang
van \'tvast-verschakeld wereld-leven endt,
daagt ons ons doel en \'s hoogsten Levens aanvang.
Zoo voedt de gloed, die d\' eeuwge vuurbol zendt
door ijle ruimten, kleine plante\' en dieren,
in lucht en water, grover element,
richt overend mos-stengeltjes, die tieren
in holen ondergrondsch, en in \'t diepst diep
der zee de weeke, schemerzieke wieren.
-ocr page 126-
120
Dus blijft verknocht aan \'t needrigst wat zij schiep,
d\'algoede Geest met schalmen van mysterie
en boort haar licht-stem, waar ze ons tot zich riep,
uit maatloos hoog, door dichtheid der materie,
en stuurt haar vuur, een zachten schemer-schijn,
door \'t golvend tijdsmeer tot die wezens neer, die
blind en der herkomst gansch onwetend zijn.
Aan geen ding, wat er heet bezield, ontzei zij \'t
zelf-richtend licht, een vonk, oneindig klein,
maar godlijk en volstrekt, de gouden vrijheid
der wil, als God, slechts door zichzelf bepaald, —
lijnfijne fonkelstraal van \'s hemels Blijheid,
die in \'t droef ruim der doode dingen daalt,
waar in den kluister der causale keten
een onnaspeurelijke schakel faalt, —
-ocr page 127-
121
het Ik, dat doet de keuze, \'t leidend weten,
dat Richting geeft, van macht oneindig groot,
van kracht oneindig klein en niet te meten.
Geen levend wezen bleef er gansch ontbloot
dier grootste gaaf. Zij is \'t, die doet in flauwe
daging de celletjes in jonge loot,
vereend en stil, uit lucht en water bouwen
hun wondre bloemen en \'t belooverd hout,
maar zij ook wekt den mensch tot diep zelf-schouwen
en tot ontvouwen van Gods wet, die houdt
de pracht te samen met standvastig glanzen,
door Zijn hand in der heemlen leeg gebouwd.
Zij wijst de ziel, bij \'twisselspel der kansen
haar stell\'gen weg, \'t onrustig leven dóór,
nimmer genoopt tot andre Richting dan ze,
-ocr page 128-
122
naar recht verstand van d\'eigen aard, verkoor.
Wat wereldsch goed haar toeviel of te loor gong,
\'t wordt al haar dienstbaar, in een zuiver spoor,
te zuiverder, naarmaat zij verder doordrong
in \'t eigen raadslig wezen, en er zag
niets boven zich dan God, haar Eind en Oorsprong.
Zoo blijf mij zichtbaar, hooge, lichte Dag,
dat \'k van uw licht getuigen kan, en allen
in hun benauwen, richtend wijzen mag
naar wijdheid van uw hel-doorblonken hallen,
dat \'k enklen, voor onvrijheids waan gezwicht,
tot opstaan breng, en er wat afglans valle
-ocr page 129-
123
van uwe vrede en liefde op mijn dicht, —
zoodat zij \'t voelen en uw schoon vermoeden, —
dan leefde ik niet om niet, en wordt het wicht
der plichten lust, die keert al kwaad ten goede.
-ocr page 130-
Geschrmn door Frederik van F.eden, in
dm tijd tusschen Juni
1892 en Maart 1895.
h-jst