-ocr page 1-
vrvvT, \\1aft8
NEDERLANDSCHE MAATSCHAPPIJ TER BEVORDERING VAN NIJVERHEID
. V.
lABtffTKi^ utrecht
KOLONUAn^ÉVM
op het Paviljoen te Haarlem.
PLANTAARDIGE VEZELSTOFEEN.
TEVENS OVERZICHT VAN DE MEEST BEKENDE
GEWASSEN IN DE NEDERLANDSCHE KOLONIËN EN ANDERE
GEWESTEN, WAARVAN VEZELSTOFFEN
KUNNEN VERKREGEN WORDEN.
Fibres vrêgctales.
Courte description den planten jibreuses croissant dans
les Colonies Neerlandaises et ailleurs.
DOOK
F. W. VAN EEDEN,
Directeur van het Koloniaal Museum.
Botanisch laboratorium
Bibliotheek
Lange Nieuwstraat 106
3512 PN UTRECHT
UBU
ODA
2431
_A
HAARLEM. — DE ERVEN LOOS.TES.
Prijs f 0,75.
-ocr page 2-
Nederlandsche Maatschappij ter bevordering
van Nijverheid
ONDER BESCHERMING VAN Z. M. DEN KONING.
KOLONIAAL MUSEUM.
Een der nuttige instellingen, die de wederkeerige belangen
van Nederland en zijne Koloniën ten doel hebben, is voor-
zeker het Koloniaal Museum te Haarlem, dat sedert 1871
voor het publiek is opengesteld.
Het is gevestigd door de Nederlandsche Maatschappij ter
bevordering van Nijverheid in de lokalen van het Paviljoen,
welke daartoe door de Regeering zijn beschikbaar gesteld, en
gewijd aan de grondstoffen, natuur- en nijverheids-voortbreng-
selen der Koloniën.
Het is samengesteld uit geschenken van de Regeering en
particulieren, die in afdeelingen gerangschikt, reeds een vrij
volledig overzicht geven van de voornaamste voortbrengselen
van Nederlandsch Oost- en West-Indië, welke voor handel en
nijverheid of tot uitbreiding van de kennis aangaande de
Koloniën belangrijk zijn.
Aan de bezoekers wordt de noodige inlichting verschaft
door bij de voorwerpen geplaatste etiketten, door een gedrukt
overzicht en des gewenscht door mondelinge mededeelingen
van den Directeur of den Conservator. Van den beschrij venden
Catalogus zijn thans de vier eerste deelen verschenen.
Het lijdt geen twijfel of deze instelling zal in de gevolgen
een meer en meer gunstigen invloed uitoefenen op de uit-
breiding van de kennis aangaande de Koloniën en vooral ook
tot opwekking van de Nederlanders om hunne aandacht niet
alleen te wijden aan koloniale bespiegelingen, maar in de
eerste plaats aan de rijke schatten, die in de Koloniën nog
voor ontginning vatbaar zijn en aan de onberekenbare voor-
deelen, die door eene betere exploitatie en door vermeerdering
van het Nederlandsch element in Oost en West, wederzijds
zullen verkregen worden.
-ocr page 3-
5V\' \'
PLANTAARDIGE VEZELSTOFFEN.
•
-ocr page 4-
-ocr page 5-
NEDER1,AND.«CHE MAATSCHAPPIJ TER BEVORDERING VAX NIJVERHEID.
KOLONIAAL MUSEUM.
PLANTAARDIGE VEZELSTOFFEN,
TEVENS OVERZICHT VAN DE MEEST BEKENDE
GEWASSEN IN DE NEDERLANDSCHE KOLONIËN EN ANDERE
GEWESTEN, WAARVAN VEZELSTOFPEN
KUNNEN VERKREGEN WORDEN,
DOOR
F. IV. VAN EEDEN,
Directeur van het Koloniaal Museum.
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
A06000017680830B
1768 0830
HAARLEM — DE ERVEN LOOSJES.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
De Koloniale Vezelstoffen
en hare waarde voor de Nijverheid.
Bij de grootere waardeering van de natuurvoortbrengselen
der overzeesche Koloniën, is de aandacht ook gevestigd op de
uitmuntende vezelstoffen die uit vele tropische gewassen kun-
nen verkregen worden. Vlas en hennep waren in vorige
eeuwen nagenoeg de eenige plantaardige vezelstoffen, die in
de nijverheid werden toegepast; — doch sedert het katoen zijn
hoogen rang op de wereldmarkt heeft ingenomen, is de waarde
der koloniale vezelstoffen voor nijverheid, handel en voor
algemeen welzijn en vooruitgang onweerlegbaar gebleken.
Verbazende uitbreiding van cultuur, ontginning van woeste
streken, toenemende kolonisatie, verlaagde prijzen van de
noodzakelijkste levensbehoeften, dat alles is het gevolg geweest
van de invoering van een nieuw gewas in den grooten land-
bouw.
De behoefte aan plantaardige vezelstoffen neemt altijd toe.
Drie voorname afdeelingen der nijverheid zijn aan hare be-
werking gewijd: De touwslagerij, de spinnerij en
w e v e r ij en de p a p i e r fa b r i k a t i e, om niet te gewagen
van talrijke kleinere industriën, waarbij meer of minder van
vezelstoffen wordt gebruik gemaakt, zooals de stroovlech-
terij en het maken van mandewerk,- borstels en
huisraad.
De eigenschappen die voor touw- en kabelwerk vereischt
-ocr page 8-
VI
worden zijn taaiheid en weerstandsvermogen tegen invloed
van wind en weer; verder lenigheid, waardoor de vezels
bij het sterk ombuigen niet breken, lichtheid, waardoor
ze in het water gemakkelijk te bewegen zijn en zelfs op
het water drijven, gelijk de Gomoetoe en de Manilla-hen-
uep, en eindelijk ook het vermogen van teer in zich op te
nemen.
Voor garens en weefsels zijn fijnere vezels noodig. Deze
moeten de eigenschap bezitten om zacht tegen elkander gevlijd
te worden als zij door de kam gaan. Door deze evenwijdige
plaatsing, waarbij de draden allengs langer en dunner worden,
zijn ze eindelijk geschikt om ineengedraaid grootere sterkte
te verkrijgen. Lengte, buigzaamheid, taaiheid en evenwijdige
ligging zijn de hoofdvereischten voor vezels die tot garens en
weefsels moeten bewerkt worden. Want zijn de cellen, die
door hare aaneenhecliting de vezelstof vormen, te kort, dan
zal het weefsel door invloed van water te spoedig loslaten
en scheuren, gelijk bij de Jute.
Voor de papiermakerij zijn weder andere eigenschappen
noodig. Papier wordt bereid door dunne korte vezels in natten
toestand aaneen te vilten, zoodat ze elkander grijpen en in
elkander haken. Vandaar de taaiheid van het papier. Dat in-
een krullen is dus eene voorname eigenschap van de vezels,
die men tot het vervangen der lompen voor de papierbereiding
wil bezigen.
De plantaardige vezelstoffen kunnen in drie hoofdafdeelingen
worden gerangschikt.
Die van de Dicotyle planten (Vlas, Hennep, Jute,.
Rameh) zijn hoofdzakelijk afkomstig van den bast. Zij liggen
als lange celbundels in een parenchymateus weefsel, zeer dik-
wijls als een soort van netwerk. De cellen der vezels zijn
spoelvormig, dat is aan beide einden in een punt uitloopend.
Zij zijn in jongen toestand hol en met een vloeistof gevuld;
door den groei worden de wanden dikker en de binnenste
holten smaller, somtijds geheel gesloten. Deze cellen liggen
-ocr page 9-
Vil
tegen elkander aan en zijn door eene eigenaardige zelfstan-
digheid aan elkander verbonden.
De vezels der Monocotyle planten (Agave, Aloë,
Ananas, Manilla-hennep) worden voornamelijk in de
bladen voortgebracht. Zij liggen daarin als evenwijdige draden,
meer of minder dik, gewoonlijk rond, meestal zeer gelijk en
over de geheele lengte van het blad. Zij zijn gevormd door
cellen van verschillende lengte, doch gewoonlijk korter dan
bij de Dicotylen. De meesten zijn houterig en daardoor stijf
en bros. De inwendige holte is somtijds zeer breed; in dit
geval blijven de cellen haar vorm behouden en worden bij het
opdrogen niet plat gelijk die der Dicotylen.
De vezels der Monocotylen zijn meestal in verschen toestand
gemakkelijker af te scheiden van het omringende celweefsel
en beter te bewerken tot fraaie, witte, zijdeachtige vezels
dan de Dicotylen, doch ze zijn gewoonlijk minder lenig en
broozer dan deze.
De derde soort van vezels die uit de planten worden ver-
kregen, zijn de haren, die voornamelijk in de vrucht en aan
de zaden worden voortgebracht, en de zaden als wollig pluis
omringen. Deze haren bestaan uit zuivere celstof, die bij de
andere vezels met andere zelfstandigheden meer of min ge-
mengd wordt aangetroffen. In gehalte staan zij dus gelijk met
de eenvoudige cellen; zij liggen vrij nevens elkander en kunnen
dadelijk worden gebezigd tot toepassing in de nijverheid, zon-
der de bereiding die de bastvezels vooraf moeten ondergaan.
Tot deze soort behooren katoen en kapok.
De plantaardige zijde van de Calotropis gigantea en andere
planten is het lange, zachte pluimpje dat de zaden bekroont.
Zij kan tot de derde groep van vezelstoffen worden gerekend.
Tot het vergelijkend onderzoek naar de sterkte der vezel-
stollen heeft Fohbes Royle (zie zijn nog altijd nuttig werk:
Ihe Fibrous Plants of India) touwen van gelijke dikte en
van 1.20 M. lengte zoowel in droogen als in vochtigen toe-
stand door gewicht beproefd, en aangeteekend bij hoeveel
-ocr page 10-
vru
gewicht de touwen braken. Deze proefneming moet echter
dikwijls en met verschillende partijen vezelztof herhaald wor-
den om de gemiddelde sterkte te bepalen.
In den laatsten tijd heeft het chemisch-mikroskopisch (mikro-
chemisch) onderzoek der vezelstoffen veel licht verspreid over
hare waarde voor de nijverheid. Op dit gebied heeft Vétillart
in zijn Etudes sur les fibres végétales textiles den weg aan-
gewezen, waarop de wetenschap nuttig kan zijn voor de prak-
tijk. Zijn doel is mikroskopisch en chemisch den aard van de
celwanden te bepalen. Zijne methode is vooral van belang
voor het onderzoek van vervalschingen en voor het beproeven
van nieuwe vezelstoffen, waarvan oogenblikkelijk slechts kleine
monsters beschikbaar zijn. Nog hooger waarde zal deze methode
verkrijgen, als bij den toenemenden wedijver om met de minste
kosten het beste product te leveren, meer en meer op eene
juiste keus en veredeling der soorten zal gelet worden. Bij
de invoering eener nieuwe vezelstof is het van groot belang
de waarde te bepalen en tevens voor welke afdeeling der
textile industrie deze stof het meest geschikt is. Het algemeen
uiterlijk, de zachtheid, fijnheid en sterkte zijn wel zonder
hulp van instrumenten te beoordeelen, doch een mikroskopisch-
chemisch onderzoek is onmisbaar voor de kennis omtrent de
lengte der cellen, haar middellijn, haar meerderen of minde-
ren aanleg tot krullen en dus om een vilt te vormen, den
aard en de dikte harer wanden en de vormen der punten.
Tot het meten van de lengte der cellen onder den mikro-
skoop bezigt men een glasplaatje met gegraveerde schaal.
Op een voorwerpglaasje wordt een laagje zuivere glycerine
gelegd en dit geplaatst op het glasplaatje met de schaal.
Het geheel wordt op de tafel van den prepareer-mikroskoop
gebracht. Men legt nu een weinig vezelstof in de glycerine
en spreidt deze zoo uit dat de cellen zoo gestrekt mogelijk
liggen. Elke van deze cellen wordt behoorlijk afgezonderd en
in hare volle lengte uitgespreid, hetgeen door de kleverigheid
der glycerine gemakkelijk wordt gemaakt. Zoodra men zeker

-ocr page 11-
IX
is dat eene cel geheel is vrijgelegd, wordt hare lengte door
middel van de doorschijnende schaal onder het voorwerpglaasje
gemeten. Deze meting wordt met een zeker aantal cellen
herhaald en uit de verschillende uitkomsten de gemiddelde
lengte bepaald.
De middellijn der cellen wordt gemeten met den oculair-
mikrometer. Deze meting eischt eenige bedrevenheid; doch
voor het doel is zij niet zoo noodzakelijk als de lengte-meting.
Voor het onderzoek van vezels is een enkelvoudige mikros-
koop en een samengestelde van 300 diam. noodig. De ver-
eischte chemische reagentièn zijn: eene oplossing van Iodium
(1 gr. zuiver Joodkalium in 100 gr. gedistilleerd water: Jood
hierin oplossen tot oververzadiging) en zwavelzuur met gly-
cerine verdund (3 vol. zwavelzuur van den handel, spec.
gew. 1.84 met 1 vol. gedistilleerd water en 2 vol. zuivere
glycerine).
Eene bepaalde hoeveelheid van de te onderzoeken vezels
wordt eerst y2 uur met eene soda-oplossing (1 gew. d. in
10 gew. d. water) gekookt met bijvoeging van water naar-
mate dit verdampt. Zoodra zij zijn afgekoeld, wordt de vloeistof
afgegoten en worden de vezels in een porceleinen vijzel met een
houten stamper geklopt. Na eenigen tijd wordt er water bij-
gevoegd en worden de vezels met den stamper onder water
gewreven. Het vocht wordt dan afgegoten in een glas bedekt
met fijn kopergaas. Het troebele water loopt door het gaas;
de vezels en andere daarmede vermengde stoffen, niet genoeg
gekneusd, blijven op het gaas. De vezelmassa in de schaal
wordt op nieuw geklopt, onder water gewreven en over het
gaas afgegoten, terwijl de vezelmassa, die op het gaas is blijven
liggen, nu en dan bij de vezels in den vijzel wordt gevoegd
om op nieuw gewreven te worden. Deze bewerking duurt
zoo lang tot het afgegoten water nagenoeg helder is. De
geheele massa wordt dan op liet kopergaas goed afgegoten
en geheel gedroogd; daarna aan de lucht blootgesteld om zijn
hygroskopisch watergehalte weer op te nemen.
-ocr page 12-
X
Als deze bewerking met zorg is geschied, bevat het over-
blijvende niets dan de vezels, die nu geheel van liet vroeger
aanklevende parenchymweefsel zijn bevrijd. De vezelstof wordt
nu gewogen en hare verhouding tot de ruwe grondstof zoo
nauwkeurig mogelijk bepaald. Daarna wordt zij onder den
mikroskoop beschouwd. Enkele vezels worden afzonderlijk op
een objectglas met een paar druppels van de genoemde
Iodium-oplossing bevochtigd. Als zij goed doortrokken zijn.
worden nog eenige droppels bijgevoegd en de vezels zoo ver-
deeld dat de samenstellende cellen te zien zijn. Het vocht
wordt dan met kleine stukjes vloeipapier opgeslorpt. Zoodra
het preparaat goed is ontvocht, wordt een droppel van het
bovenbeschreven zwavelzuur-mengsel op de vezels gebracht en
het dekglas er op geplaatst. Dan is het preparaat gereed om
onder den mikroskoop te worden beschouwd.
Als nu de vezels een blauwe of paarse kleur vertoonen,
zijn de cellen saamgesteld uit zuivere cellulose en buigzaam
en taai; is de kleur geel, dan bewijst dit dat zij min of meer
houtig of met nitrogène bestanddeelen doortrokken, en daar-
door min of meer stug en bros zijn.
Volgens deze wijze van onderzoek heeft Vétillart de
vezelstoften verdeeld in twee groote afdeelingen: In de eerste
plaatste hij de planten, wier vezels door de reagentia blauw
of paars gekleurd worden, in de tweede die welke onder
dezelfde omstandigheden de gele kleur vertoonen.
Van de Dicotyle planten behooren tot de eerste afdeeling:
Hennep, hop, brandnetel, Chinagras, papiermoerbei, Sunn-
hennep en katoen;
tot de tweede afdeeling: Hibiscus, Linde, Jute, Daphne en
Wilg.
Van de Monocotyle planten, tot de eerste afdeeling: Alfa,
Sparte, Ananas; tot de tweede afdeeling: N. Zeelandsch Vlas,
Yucca, Sanseviera, Agave, Manilla-hennep en de palmen.
Voor de verdere bestudeering van dit hoogst belangrijk
onderwerp verwijs ik naar het bovengenoemde werk van
-ocr page 13-
XI
Vétillart, dat als handleiding voor een wetenschappelijk
onderzoek der vezelstoffen onmisbaar is.
De lengte der zuivere cellen en de verhouding van haar
gewicht tot dat van de ruwe vezels vormen een nauwkeurige
standaard ter beoordeeling van de textile waarde eener vezel-
plant. Deze verhouding is (volgens een Verslag van de Vezel-
stoffen op de Koloniale Tentoonstelling te Londen in 1886,
door C. F. Cross) Irij de volgende zeer bekende vezelstoffen
aldus:
Cétotof op 100 deelen.         Lengte der celvezels.
Vlas...........   80.                     25—40 raM.
Hennep.........   80.                     25—40 »
Rhea (Rameh)...   75.                     60—200 »
Jute...........   75.                       3            »
Deze vezelstoffen zijn alle vier afkomstig van Dicotyle
planten. Vergelijken wij daarmede de Monocotylen, dan zien
wij een merkelijk onderscheid:
Celstof op 100 deelen.         Lengte der celvezels.
Manilla.......... 63.                     3—6 mM.
N. Zeelandsch vlas 67.                     8 — 15 »
Agave........... 76.                     2—8 »
Voor de waardebepaling der vezelstoffen is ook de kennis
van het vermogen om waterdamp uit den dampkring op te
nemen (de hygroscopiciteit) van groot belang, omdat de vezel -
stoffen meestal bij het gewicht verkocht worden en de koopers
dus wel mogen berekenen hoeveel water hunne waar bevat.
Wiesner heeft daaromtrent belangrijke opgaven gedaan in
zijn liohstoffe des Pflanzenreichs, bl. 293, en tevens waarge-
nomen dat er ook in verschillende gekweekte variëteiten van
dezelfde plant een groot verschil van hygroscopiciteit kan
bestaan en dat die eigenschap met den tijd toeneemt.
Alle cellen, waarvan de wanden gedeeltelijk uit houtstof
of andere stoffen bestaan, kunnen door inwerking van alkalische
oplossingen en oxydeerende middelen daarvan bevrijd worden,
-ocr page 14-
XII
waardoor dan de zuivere celstof alleen overblijft. Ook het
bleeken van vezels berust op de verwijdering van alle stoffen,
behalve de zuivere celstof.
Van de ruwe vezelstoffen, die door hare kortheid ongeschikt
zijn voor weefsels, kunnen de cel vezels door een scheikundig
proces worden losgemaakt tot grondstof voor de papierberei-
ding. Door de vezelstof onder drukking op hooge temperatuur
te koken, wordt haar samenstel zoover ontbonden, dat voor
de afscheiding van de zuivere celstof kneuzen en wasschen
voldoende is. De ontbinding wordt dan voltooid door het
bleeken, waardoor alle bijkomende stoffen worden geoxydeerd
en opgelost en een uit elkaar gewerkte massa van zuivere
cellen overblijft.
Voor de bereiding van het gewone drukpapier zal het echter
bezwaarlijk zijn, plantaardige vezelstoffen te vinden, die tegen
het hout en de Esparto als grondstoffen kunnen wedijveren.
Tegenover de kolossale aanvoeren en de betrekkelijk lage
prijzen van hout-papierstof en Esparto en de onuitputtelijkheid
dezer bronnen, kan het aankweeken van andere gewassen
voor papierstof tegenwoordig geen voordeelen beloven. Mis-
schien zouden in Nederlandsch Indiè\' de in grooten overvloed
voorkomende Alang-alang (Imperata arundinacea) en andere
grassoorten hierop eene uitzondering kunnen maken.
De meeste vezelstoffen, in dezen Catalogus vermeld, wachten
nog op een nader onderzoek, dat zeker niet altijd even gun-
stige uitkomsten zal opleveren. Doch in een Museum mag
ook het minst waardige niet worden ter zijde gesteld, want
het geringe kan onder omstandigheden nuttig worden.
Het groote aantal vezel-leverende planten van onze Koloniën
moge weder een bewijs zijn van den nog te weinig gekenden
rijkdom dier gewesten. En toch is die rijkdom in dit boekje
nog slechts voor een klein gedeelte aangewezen. Ik durf gerust
beweeren dat van de Flora der Nederlandsch e Ko-
loniën nog slechts »/io gedeelte bekend is.
De vraag of meerdere kennis nuttig is, of we niet reeds
-ocr page 15-
XHI
»
vezelplanten genoeg hebben, of vlas, hennep en katoen niet
voldoende zijn? behoeft in onzen tijd nauwelijks beantwoord
te worden. De behoeften der nijverheid zijn ontzaggelijk toe-
genomen, en voor de talrijke verscheidenheden in de toepas-
sing zijn ook hoe langer hoe meer verscheidenheden van
grondstoffen noodig. Maar bovendien is veelzijdigheid voor
den tropischen landbouw bijna een wet geworden, die niet
straffeloos wordt overtreden. Alles gaat snel in onze dagen.
Ziekten en plagen, verandering van behoeften, overproductie,
kunnen binnen korten tijd de schoonste landbouw-onderne-
mingen te gronde richten en wij zien bewijzen genoeg hoe
noodlottig het kan zijn, op één enkel gewas zijn hoop te bouwen.
Gelijk in den Beschrijvenden Catalogus der Houtsoorten van
het Museum, is de rangschikking volgens Bentham &■ Hooker\'s
Genera Plantarum
en heb ik getracht, in de nomenclatuur
de verbeteringen aan te brengen die sedert MiquePs Flora
van Ned. Indië
noodzakelijk geworden zijn.
Ik heb de beschrijving van de vezelplanten zelve iets uit-
voeriger gemaakt om aan te sporen tot nadere kennismaking
met een klein deel der Flora van Nederlandsen Indië.
Mogen eenmaal vele jeugdige Nederlandsche botanici ein-
delijk inzien dat in de Koloniën voor hen een roemrijke weg
openligt, waarop reeds voor twee eeuwen van Reede tot
Drakestein en Rumphius zijn voorgegaan, dochdiethans
helaas meerendeels door vreemdelingen wordt bewandeld.
Moge eenmaal een waardig opvolger van Miquel ons ver-
heugen met een nieuwe, vermeerderde en verbeterde Flora
van Nederlandsch Indië! \') Bij de kostbare werken
die op geografisch, geologisch, ethnografiseh en meteorologisch
\') Ecne Vlora van Suriname, wij moeten het met schaamte erkennen,
behoort nog tot de vrome wonschen. Suriname bc/.it zelfs nog geen Botani-
sehen Tuin.
-ocr page 16-
XIV
gebied betreffende onze Indische Bezittingen het licht zien,
is deze wensch billijk. De kennis der Flora toch is niet alleen
nog altijd de Amabilis Scientia, het meest aantrekkelijk voor
het groot publiek, maar ook de eenige waarborg voor
blijvenden voorspoed in den tropischen land-
bouw.
Om de waarde van dit boekje te verhoogen, heb ik noodig
geacht, behalve de vezelstoffen uit Nederlandsch Oost- en West-
Indië, ook alle andere in het Museum aanwezige monsters
te moeten opnemen. Van vele vezelplanten toch kan niet
gezegd worden dat zij uitsluitend in de Nederlandsche Kolo-
niën groeien en velen die in andere gewesten voorkomen, zijn
zeer geschikt om in de Koloniën te worden overgebracht.
De verzameling van het Museum is bijeengebracht uit de bij-
dragen van talrijke belangstellende begunstigers. Het grootste
en uit een wetenschappelijk oogpunt onwaardeerbare gedeelte
hebben wij te danken aan wijlen onze betreurde vrienden,
de verdienstelijke Directeuren van \'s Lands Plantentuin te
Buitenzorg, Teysmann en Scheffer, en aan den Heer H. J.
van S wieten, vroeger assistent-Resident van Buitenzorg en
Salatiga, die door de Maatschappij van Nijverheid voor zijne
inzending in het jaar 1882 met de gouden medaille is bekroond.
F. W. van Eeden.
Haarlem 1887.
/
-ocr page 17-
AANWIJZINGEN.
Achter de beschrijvingen is door hoofdletters aangeduid
wat er van de gewassen in liet Museum aanwezig is; als:
V. Vezelstof.
B. Bast.
S. Stengels.
T. Touw.
Inlandsche namen.
Amb. Amboneeseh.
Boni. Borneo.
J. Javaansch.
M. Maleisch.
Mad. Madureesch.
Mak. Makassaarsch.
Men. Menado.
Pal. Palembang.
S. Soendaneesch.
Sum. Sumatra.
v. Sw. Opgegeven in de verzameling H. ,T. van Swieten.
Tern. Ternataansch.
Tim. Timoreesch.
-ocr page 18-
-ocr page 19-
Planten van Nederlandsen Indië
EN ANDERE GEWESTEN,
waarvan Vezelstoffen in het Koloniaal Museum aanweziy zijn.
Afd. DICOTYLEDOUEAE.
Vaatbundels in den stengel in een kring. Blocmdeelen meestal 4- of Stallig.
Kleinste aderen der bladen netsgevvijs. Zaden meest met 2 zaadlobben.
Ord. DlLLENIACEAE.
1. Tetracera Assa D.C. — Ki-asahan. Java, Philippijnen, Bengale.
Klimmende heester met groote bloempluimen. Kelk en kroon
■4—6-bladig, meeldraden talrijk, naar boven verbreed: vrucht-
blaadjes 3—5-zadig.
De stengels zijn zeer taai en worden tot bufl\'elhalsters ineen-
gevlochten.
Twee halsters uit de stengels gevlochten. Java.
Ord. Magnoltaceae.
2. Michelia Champaca L. — TjatnpakaM.. Kembang kantil. Geheel
Indië. Hooge boom met glimmende, langgepunte bladen en
bleekgele of oranje, zeer welriekende bloemen. Kelk en kroon
gelijk, 9—15 of meer bladig. — V.
Ord. Anonaceae.
3.  Mitrephora macrantlia Hassk. — Pisangan v. Sw. Ki-kulja S.
Java. Een kleine boom met kortgesteelde, lederachtige, glanzige
bladen en groote witte, later goudgele, welriekende bloemen. — V.
4.  Anona murieata Dnn. — Nanka-boeboor, N. wolanda M. Zuurzak.
Uit Amerika ingevoerd; in Indië verspreid. Kleine boom of
heester met gladde bladen, eenbloemige bloemstelen en groote,
eetbare vruchten. — V.
5.  A. squamosa L. — Serikaja M. Uit Amerika ingevoerd ; in Jndiö
verspreid. Kleine boom of heester met zachtharige, later gladde
bladen; bloemen eenzaam; vruchten met ruitvormige, bolle
schubben. Eetbaar. — V.
I
-ocr page 20-
2
Ord. Bixineae.
6.  Bixa Orellann L. — Gliengum. Gloege. Kasocmba M.S. Trop.
Amerika, op Java gekweekt. Ken heester of kleine boom met
hartvormige, spitse, altijd groene bladen, purpere of witte bloe-
men en donkerroode, zaehtliarige zaaddoozen.
De zaden leveren de bekende kleurstof Roucou of Orlean.
Wegens den spoedigen wasdom en gemakkelijke verplaatsing
wordt deze heester veel tot heiningen gebezigd. — Bast. V.
7.  Trichosperinum javanicum BI* — Doh lok S. Java, op den Seri boe.
Kleine boom met drienervige, getande bladen en ongesteelde
bloemen. — Bast. V.
8.  Paiigiuin edule Ruw. — Pitjotmg S. PaiigiM. Klowak, Kloewak
v. Sw. De geheele Archipel. Groote boom; bladen langgesteeld;
vruchten besachtig, roestkleurig en veelzadig. — V.
Ord. Guttifërae.
9.  Calophyllnm inopli.vlluni L» — Njamploeng. Bientangor J.Znid-
Azië en de Archipel. Groote boom. Bladen elliptisch, bloemen
wit, welriekend, in ijle trossen of pluimen: steenvruchten ei-
of bolvormig. — V.
Ord. DlPTEBOCARPEAE.
10.  Dipterocarpns Spanoghei BI. — Jojang of Yang v. Sw. Java.
Groote boom met eironde, stompe bladen en op de vrucht aan-
blijvende kelkvleugels. — V. T.
Ord. Malvaceai:.
Ueze familie, wier type ons uit onze wilde maluwe (kaasjeskruid) en de
stokroos bekend is, bevat vele gewassen, wier vezels zeer bruikbaar zijn.
41. Sida rhombifolia L. (S. compressa Wall.). — Sidagori awelt-
weh
S. Over de tropische gewesten der geheele aarde verspreid.
Struikachtig met ruitvormige, van onder donzige bladen en
gele met een rood vlekje geteekende bloemen.
De fijne, vlasachtige, zilverglanzige bastvezels zijn in BrHsch
Indië zeer geprezen, zelfs boven de Jute. De plant kan even
gemakkelijk als de Jute gekweekt worden en dezelfde ruime
opbrengst geven. Bovendien is de vezel dunner, kan tot fijner
-ocr page 21-
3
garens gesponnen worden en neemt zeer goed kleuren aan.
Een nader onderzoek is wenschelijk. S. rhombifolia L. var.
retusa, met omgekeerd-eironde bladen (S. retusa L.). — V.
12.  Sida cordifolia L. — Over geheel Indië verspreid. Een- of
tweejarig, donzig behaard, metlancet-vormig-langwerpigebla-
den en gele bloemen. — V.
13.  S. aiigustifolia Cav. — Van het eiland Réunion. Bladen lijn-
lancetvormig met een doornigen knobbel aan den voet van den
bladsteel; bloemen meestal alleenstaand, klein, geel. — V.
14.  S. niucronnlata D.C. — Java. Bladen eirond en langwerpig;
bloemen zeer kort gesteeld. — V.
15.  Wissadula rost rata Planch. (W. zeylnnica Med.). — Java,
Afi\'ika, Amerika: in Indië gekweekt en verspreid. Struik-
achtig, zacht, donzig: bladen hartvormig-langwerpig, onder
viltig; bloéman geel, in eindelingsche pluimen. — V.
De vezel wordt door Roxburgh geprezen.
10. W.Leschenault iana IIook.(AbntilonLesclienaultiaiiuin Don.).—
Bloemstelen niet langer dan de bladstelen; overigens alleen
door de vruchten eenigszins van de vorige verschillend. — V
17.  Abntilon indicnm G. Don. — Over de keerkringlanden ver-
spreid. Een- of tweejarig, met hartvormige, wit-donzige bladen
en gele bloemen. — V.
18.  A. indicnm t». Don. var. nopulifolinm W. A. (A. popnlifolium
Lam.).
— Een- of tweejarig met min of meer spitse, wit-
donzige bladen, purperkleurige stengels en gele bloemen. — V.
19.  A. graveolens W. A. var. hirtnni G. Don. — Indië, Ceylon,
Java, Afrika, Australië. Zeer behaard : bladen rond-hartvormig,
fluweelig; bloemen groot, oranjerood. — V.
20.   A. atropnrpureuin Hassk. — Java, bergstreken. Eenjarige
plant met langgesteelde, hartvormig ronde, spits toeloopende,
getande, vliezige bladen en donkerpurpere bloemen. — V.
21.  A. su mini en in <}. Don. — Java (Preanger). Eenjarig, struik-
achtig, tot 8 voetboog, met langgepunte, grof getande, fluwee-
lige bladen en groote oranje boemen. — V.
-ocr page 22-
4
22.  Abntilon striatnm Dicks. — Poeloetan, Poeloetan laut\\.Sw.
Brazilië. Struikachtig, onbehaard. Bladen driedeelig, aan den
voet hartvormig, zaagsgewijs getand, met puntige lobben;
bloemen alleenstaande, oranjegeel, rood gestreept. — V.
23.  Malachra heptauhylla Fisch. — Brazilië, te Buitenzorg ge-
kweekt. Eenjarige plant met hartvormige, 5-lobbige, kroes-
randige bladen en gele bloemen. — V. Bast.
24.  Urena lobata L. — Latiang, Lateng of Peloetan S. Keerkrings-
landen over beide halfronden. Een kruid of struik met hart-
vormige, zeegroene, 5—7-lobbige bladen en rooskleurige
bloemen in de bladoksels. — V.
De vezels worden als sterk en bruikbaar geroemd,
Volgens Wiesner staan de Urena-vezels in weerstandsver-
mogen tegen dampkringsinvloeden beneden Jute.
25.  U. sinuata L. (U. Lappago D.C., U. lieterophylla Sm.). — Pom-
pohr-oetan, Poepoeloetan.
Als de vorige, doch met dieper
ingesneden bladen. V. T.
26.  U. Binmei Hassk—Pompohr-oetan. Sidagori lanang S.Java,
bij Buitenzorg. Bladen getand, zeer zwak gelobd. V. T.
27.  Pavonia zeylanica Cav. (Hibiscus zeylanicus L.). — Toeloep
of Kapas untoe v. Sw. Trop. Afrika, Mauritius, Indië. Over-
blijveude, zeer vertakte, stijf harige plant met diepgelobde
bladen. — V.
28.  Hibiscus escnlentus L. (Abelinoschus esculentus W. A.). —
Gekweekt en verwilderd in alle keerkringslanden. Een hooge,
eenjarige, harige plant niet grof getande bladen, grootegele,
inwendig rood gevlekte bloemen en lange pyramidale vruchten.
De vruchten zijn een zeer geliefde groente.
De stengel levert een sterke, zijdeachtige, buigzame vezel,
zeer geschikt voor touwwerk, koffiezakken en papier. De
hoedanigheid schijnt zeer van de wijze van bereiding af te
hangen. — V.
29.  H. inacrophyllus Roxb. (H. vulpinus Ruw.). — Tissoek. Java,
Britsch-Indië. Boomachtig of struikachtig, harig; bladen rond,
hartvormig, gaaf; bloemen in eindelingsche trossen.
De kwaliteit der vezelstof van den binnenbast is beter dan
van do II. tiliaceus. — V. T.
-ocr page 23-
5
30.  Hibiscus tiliacens L. (Paritinni tiliacenm W. Arn.). — Waroe.
Waroe gombong.
Keerkringslanden der beide halfronden. Een
zeer vertakte boom met groote ronde, lederachtige, gekartelde
bladen; bloemen groot, wit-geelachtig, in \'t midden rood. Op
Ceylon Surihagas of zonnebloem genoemd, omdat de bloemen
bij \'t opgaan der zon geel ontluiken, daarna rood worden en
afvallen bij haar ondergang.
31.  H. tiliacens fl. pleno. — Waro Kembang soesoen,
32.  H. tiliacens var. tortnosns (H. tortnosns Roxb).
De Waroe-boomen leveren een sterk en deugdzaam hout,
voor velgen en spaken van wielen zeer gezocht. Uit den bast
en de jonge takken kan grof en fijn touwwerk vervaardigd
worden, dat zeer duurzaam is en tot strikken, vischnetten
enz. verwerkt wordt. In de Lampongs maakt men uit de schors
een zeer grove soort van kleedjes.
Het belangrijkste voortbrengsel is echter de binnenste bast,
een vezelstof die in aard en voorkomen zeer veel op de bij
ons als Moskovische mat bekende lindenbast gelijkt, in zamen-
stelling echter daarvan eenigszins verschilt. De Waroe-vezels
toch zijn heen- en weergebogen en vertoonen daardoor grootere
openingen tusschen elkander, dan die van den lindenbast.
De H. tiliacens is op Java zeer algemeen. Zijn vezelstof is
daar het meest in gebruik, doch grover en minder duurzaam
dan die van de H. elatus en H. macrophyllus. Deze vezelstof
wordt op Java tot touw geslagen, hetzij in lange einden, in
rollen of in kortere einden van 3 en 4 vadem tot sjorren der
bovenvrachten van karren, pedatties, grabaks enz., hetzij als
tuigstrengen gebruikt, en is op alle passars voorhanden.
Door de Ned. Maatschappij ter bev. van Nijverheid is in
1869 een nauwkeurig onderzoek gedaan naar de waarde dezer
vezelstof voor de Europeesche nijverheid, welk onderzoek echter
tot geen gunstig resultaat heeft geleid. Wegens haren langen
duur en vochtigen toestand is zij voor vlottouw het meest
aanbevolen, en zou de prijs, ƒ10 de Pikol, ook geen bezwaar
tegen deze toepassing zijn. Voor Ned. Indië-zelf blijft zij echter
van zeer groot belang in de huishouding der inlanders. Zie
Tijdschr. van Nijverheid, 1870, blz. 293. — V. T. en Papier.
-ocr page 24-
(•)
33.   H. elatns Sivartz. — Waroe goenoeng. Uit West-Indië. Java,
langs de wegen. Als H. tiliaceus, doch met aan den voet af-
geknotte bladen.
De bast levert een vezelstof, die in West-Indie onder den
naam van Magagua- of Ctibabast een vrij uitgebreid handels-
artikel uitmaakt en vooral tot inpakken van sigaren gebezigd
wordt. — V.
34.   H. tricnspis Banks. — SoGieteits-eilanden; gekweekt in Indie.
Een boom welks groene deelen met wit dons bedekt zijn-
Bloemen geel, aan den voet purper. — V.
35.   H. Rosa sinensis L. — Kcmbang sepatoe. In geheel Indië in
tuinen gekweekt. Een boomachtige heester, met eironde, gladde,
kort gespitste bladen en groote, dikwijls dubbele, paarse, gele
of witte bloemen. — V. Bast.
De bloemen zijn zeer geliefd bij de inlanders en dienen om
schoen- en ander lederwerk zwart te maken.
30. H. liliitlorus Cav. — Bourbon. Waarschijnlijk eene verschei-
denheid der vorige. — V. Bast.
37.   H. mntabilis L. — Waroe landak. Kakapassan. Indië,Java,
in tuinen gekweekt. Kleine boom zonder stekels; bloemen
\'s morgens wit, \'s avonds donkerrood. — V. T.
38.   H. venustus BI. — Waroe landak, W. gempoer v. Sw. Java,
in tuinen gekweekt. Als de vorige; doch meer behaard. De
bloemen zijn wit of rood. — V.
39.   H. callosns BI. — Kakapassan koening. Kapas oetan.iiwa. —
V. Bast.
40.   Thesuesia macrophyBa BI. — Waroe laut. Molukken, Java.
Een boom met hartvormig spitse, perkamentachtige, kortge-
steelde bladen en gele aan den voet purpere bloemen. —V.
41.   T. Lampas Dalz. (Hibiscns Lampas Cav). — Kapas oetan of
Konneny. Java, Afrika, Britsch-Indië. Boomachtig, met hart-
vormige drielobbige, behaarde bladen; bloemen als de vorige.
De bast is stevig en kan, volgens Wiesner, door scheuring
tot een fijne vezelstof bewerkt worden, die in uiterlijk en eigen-
schappen met de Sunn gelijk staat. — V. Bast.
-ocr page 25-
7
42. GOSSYPIUM.
KATOEN.
Monsters in het Museum.
1.   Gossypium sanguineum Hassk. (G. arboreum L.).
2.   G. barbadense L.
3.   G. religiosura Roxb.
4.   G. herbaceum L.
5.   G.          »          var. vitifolium.
6.   G.          •/          var. micranthum.
Inlandsche monsters, Ned. Oostindië.
7-
Kapas
blanda 1, 2, 3 , Soerabaya.
8.
•
taoen, Soerabaya.
9-
»
mohri, Soerabaya.
10
»
Demak.
11.
m
Lombok.
12.
»
Saleyer.
13-
•
Kediri.
14.
•
Madoera.
IS-
*
Benkoelen.
16.
•
Banjermassin (Kidney-cotton).
17-
-
Sumatra, ruw en bewerkt.
Bewerkt katoen.
18.   Katoen en garen, wit en geverfd. Bantam.
19.          • » •• geverfd, Buitenzorg.
20.          • . « » voor vischlijnen, Timor.
21.          • » • Salatiga.
22.   Papier van Gossypium vitifolium.
-ocr page 26-
8
Inlandsche werktuigen.
23.   Werktuig om kapas te zuiveren.
Werktuigen om garen te spinnen, als:
24.   Spinwiel.
25.   Boog om de kapas tot vlokjes te bereiden.
26.   Haakje om de koorden van den boog tegen de boomwol te laten
springen.
27.  Bamboe om grof katoen vooraf fijn te pluizen.
28.   Grof katoen met een bamboe fijn gemaakt.
Werktuigen voor het weven als:
29.   Werktuig om garen te spannen voor het weven.
30.   Weeftoestel natuurl. grootte.
31.          H.            id.          id.
32.          Id.            id. klein model.
33.          Id.            id. kleiner »
34.   Werktuigen voor het Batikken.
Monsters uit andere gewesten.
35.   Siameesch katoen, ruw, ongezuiverd, gezuiverd, gebleekt, geperst;
garen, geverfd weefsel.
Werktuigen voor de inlandsche katoenbereiding.
36.   Japansch bruin katoen. (G. religiosum).
37.   Wild katoen van Zuid-Afrika.
38.   Katoen uit Suriname.
Botanische beschrijving.
In de botanische beschrijving der vormen van dit algemeen
bekende, nuttige gewas heerscht een groote onbestemdheid,
voornamelijk veroorzaakt door de eeuwenoude cultuur, de
onzekerheid der afkomst en de talrijke bastaarden in die cultuur
ontstaan. De katoenplant wordt in alle warmere streken dei-
wereld aangetroffen. De gekweekte vormen kunnen volgens
de jongste nasporingen aldus worden beschreven:
-ocr page 27-
o
Gossypinm arborenm L. — Boom-katoen. "Waarschijnlijk oor-
spronkelijk in Tropisch Afrika. Een heester, somtijds tot een
kleinen boom opgroeiend, meestal echter dicht vertakt en
struikig met dikke, min of meer gladde, diep handvormig
gelobde bladen; bladlobben 5—7, lang, smal, eirond; bloemen
purper met geel hart; katoen niet dadelijk van de bereide
zaden af te scheiden, lang- of kortstapelig, krullig, wit.
Deze soort schijnt niet zeer algemeen gekweekt te worden.
Volgens v. Muller behoort hierbij de New-Orleans-katoen (G.
sanguineum Hassk.), op Java Kapas berem of taoen.
t». barbadense L. — Amerikaansch katoen. Zoo ver bekend
is, waren de vormen dezer soort of verscheidenheid bij de
ontdekking van Amerika reeds gekweekt in Peru, Mexico en
Brazilië en destijds niet in de oude wereld bekend.
Een kruid of struik; bladen min of meer glad, breeder en
hartvormiger dan bij de voorgaande soort, met ronde oortjes
aan den voet en tot op de helft met 3—5 lobben ingesneden;
lobben breed, spits; bloemen geel met een bloedroode vlek;
zaden zwart, naakt, vrij of in een niervormige massa aan-
eenhangend. Katoen gemakkelijk afscheidbaar van de zaden,
wit, taankleurig of bruin.
Deze vorm kan weder in drie variëteiten worden onder-
scheiden, als:
•Ie variëteit. Barbadense (proper). — De Bourbon-katoenen en
de Barbados-, Sea Island-, Upland-, Egyptische-, Florida- en
Alabama-katoenen. — Kapas poeloc laut. Teysm.
2e variëteit. Religiosnm (Roxb). Nankin-katoen. — Kapas
hideng
S. Hiertoe behooren ook de Siam- en Cochinchina-
katoen. Bladen min of meer harig, vijflobbig; bloemen geheel
geel; vruchtpluis geelachtig. De zaden zijn bedekt met een
taankleurig dons en in katoen van dezelfde kleur omsloten.
3e variëteit. Acnminatnni (sp. Koxb). Peruviaansch katoen.
Hiertoe behooren de Braziliaansche, Fernambuk, Maranham
en de Ukan Paruthi en Jude Paruthis van Madras, de lange
zijdeachtige katoenen van de Garo en Khasia heuvels. Min of
meer boomvormig. De bladen zijn 3—5 lobbig, met spits toe-
loopende lobben; de bloemen zijn geel met roode vlek en de
zaden, zwart, kaal, samenhangend in een niervorniig klompje.
Vandaar de naam Kidney-cottons.
-ocr page 28-
10
Gossypiinii hirsntnm Willd. is volgens Dr. Watt, eene hybride tus-
schen G. herbacetim en G. barbadense. Upland of Shortstaple
Cotton. Deze is gekenmerkt door groenachtige, donzige zaden,
omringd door fijn zijdeachtig katoen en daarvan niet gemakkelijk
af te scheiden, door gele, inwendig rood gevlekte bloemenen
bladen als de Amerikaansche vormen. Hiertoe behoort een
groot deel der Berar- en Surat-katoenen en ook de nudum
yerra prathi en semparuthi van Z. Eng. Indië. Deze vorm
wordt volgens v. Muller op groote schaal in Noord-Amerika,
Zuid-Europa en vele andere landen gekweekt. Ook wordteen
groot deel der Queensland-katoen uit hem gewonnen. Hij ver-
eischt noch de kustlanden, noch de zorgvuldige cultuur der
6. barbadense.
G. Iierbacenm L. (G. indicnm Lam.). — Deze wordt thans
beschouwd als een echte soort, inheemsen in Tropisch Azië
en ook in onzen Archipel het meest verspreid. Een zeer nauw
verwante soort, G. Stocksii Mast., is echt wild in Sinde(Br.
Indië) gevonden. Deze soort wordt in alle warmere gewesten
gekweekt, ook in Zuid-Europa en Noord-Amerika. Hiertoe
behooren de Ka pas cljatva, K. plembang, K.dakka, K.merah,
K. loemboet, K. hoema besar
van Ned. Indië.
Eenjarige ot overblijvende, kruid- of struikachtige plant,
met breede, eironde, spits toeloopende bladen en groote,
meestal gele, inwendig paars gevlekte bloemen. Vruchten
eirond of rond, 3—5 kleppig; katoen wit, zelden geelachtig:
zaden bedekt met grauwachtig of groenachtig dons. Het beste
kenmerk dezer plant zijn de harige bladen.
Ongetwijfeld zijn uit deze soort met de beide vorige vele
aangekweekte vormen in Indië als hybriden ontstaan.
Van deze soort worden variëteiten onderscheiden, als:
Var. vitifolinin Roxb — Kapas hidangS. Ki-gecle/t of besar S.
Ki-tana. Min of meer boomvormig, soms wel 12 voet hoog,
donkerpurper, harig, met driehoekig-spitse, gelobde bladen;
vruchten langwerpig, zaden met zeer aanhankelijk, kort,grauw-
achtig dons, door het lange, fijne, witte katoen omsloten.
Var. obtiisifolium Roxb. Chlna-Cotton. — Struik-achtig, zeer
vertakt, bladen 3—5 lobbig met eironde, gave lobben. Deze
is door Griffith bij Ava gevonden.
-ocr page 29-
11
Var. micranthnm CaT. — Kapas mohri, Java. Koe djarnt, Su-
matra\'s W.K. met een variëteit (6. nigrum Ham.) Kapasrandoe.
Overblijvend of stiuikachtig; takken, bladstelen en bladen
zwart gespikkeid; bladen rond-hartvormig met 3—5 hoeken
of somtijds gelobd, glad; bloemen klein,lichtgeel; vruchtrond-
achtig, spits; zaden zwart; katoen wit.
Katoensoorten in Ned. Indië gekweekt.
Door Teysmann worden als in Ned. Indië gekweekt of
ingevoerd, opgenoemd:
Kapas djawa. (Ook K. hoema, K. gaga, K. huhras enz.). Op
Java algemeen, zoowel op sawahs als op tegalgronden. Het
katoen is fijn en wit, de bladen zijn behaard. Deze soort
schijnt boven N°. 2 de voorkeur te verdienen, zoo om de betere
kwaliteit, als omdat ze tegen regens beter bestand is.
Kapas plembang, algemeen in de Palembangsche en Lam-
pongsche districten gekweekt en daar bekend onder den naam
K. ogan, K. oeloe of wel naar de divisiën waar ze gekweekt
wordt. Het katoen is wit, doch ruw op het gevoel en wordt
meestal naar China uitgevoerd.
Kapas van Sumatra\'s W.K., aldaar uit de V Kotta\'s verkregen.
Deze heeft de meeste overeenstemming met N°. 2 en is wei-
licht dezelfde.
Kapas dakka, vroeger van Bengale op Java ingevoerd. Deze,
waarvan het Dakka-muslin vervaardigd wordt, is als de beste
variëteit aanbevolen.
Kapas merali. Gelijkt veel op de vorige, doch de geheele plant
heeft een rood aanzien. Ook is zij meer heesterachtig en kan
vele jaren worden aangehouden. Zij schijnt echter met niet veel
voordeel in cultuur te brengen, daar zij veel langer tijd be-
hoeft om in bloei te geraken en dan nog slechts weinige
vruchten afwerpt.
Kapas hoema besar. Van Bali afkomstig, wordt ook op Java
gevonden. Zij gelijkt veel op N°. i, behalve dat ze veel ouder
wordt en tot een heester van wel \'12 voet hoogte met een
ronde, met dunne takjes gevulde kroon opschiet. Ook deze
schijnt voor de cultuur niet voordeelig.
-ocr page 30-
12
Nieuw Orleans, van zaden uit Amerika ingevoerd; groeit welig
op Java en in het Palembangsche, wordt 3— 6 voet hoog, 2—4
voet breed. Het is een ronde, gevulde struik met vele vrucht-
dragende takjes, die tot op de aarde afhangen. De bladen zijn
groot, 3—5 lobbig en behaard; de bloemen groot, geel-rood,
van buiten soms iets rood gestreept en na de verwelking ge-
heel rood. Katoen wit, fijn en langdradig.
Siiini. Cambogia- of Cochinchina-katoen, met sterk behaarde
stengel en bladen: de laatste 3-, zelden 5-lobbig; bloemen
geelachtig wit; zaden en katoen als N°. 7.
Nangkin katoen, in houding met de vorige overeenkomend;
stengel iets rechter opschietend en meer roodachtig en glad;
bladen 3—5-lobbig, glad; bloemen als de vorige; katoen
bruingeel.
De drie laatstgenoemde behooren tot de langharige, en fijnere
katoensoorten en verschillen weinig in groeiwijze; ze kunnen
wel een paar jaren aangehouden worden; doch dit is niet
raadzaam , daar zich na den eersten oogst vele insekten voor-
doen, die vooral op de vruchten azen.
Verder worden door Teysmann vermeld als op Java inge-
voerd: Sea-Island-Katoen van N. Amerika, Longue Soie van
Algiers en Egyptisch Katoen.
Als heesterachtige of overblijvende katoensoorten worden
door Teysmann genoemd Gossypium vitifolium (G. herbaceiun
var. vitifolium); Kapas kosta enz., en G. micranthum (G.
herbaceum var. micranthum) Kapas mohri enz. Beiden be-
hooren echter tot G. herbaceum. Zie bl. 10. De boomachtige
of overblijvende vorm is niet aan bepaalde soorten gebonden.
Handelssoorten.
De eigenschappen van het katoen, die voor den handel de
meeste waarde hebben, zijn:
1.   Lengte, gelijkvormigheid en fijnheid van vezels;
2.   Afwezigheid van onzuiverheden;
3.   Kleur of nuance.
De in den handel bekende katoensoorten zijn: \')
\') Het volgende grootendeels ontleend aan Tingen, mécanicien. Zie Ind.
Opm. 1886, No. 254.
-ocr page 31-
13
Georgië of Sea Islaml, gekenmerkt door lange, zijdeachtige
vezels. Deze is de meest geachte en wordt voor de fijnste
weefsels gebezigd, ook om met zijde vermengd te worden
geweven.
Egyptisch katoen. Komt voor in drie soorten: Gallini, bruin
en blank. Het Gallini-katoen is bet mooiste; de draden zijn
fijn en lang, doch in waarde beneden Sea Island. De lengte
der vezels is dikwijls zeer ongelijk. Deze soort kanalleen door
kammen goed gemaakt worden. Het bruin Egyptisch heeft
een golvend voorkomen, en de vezels hebben mooie nuances
tusschen roomkleur en oranje. Het blanke of witte Egyptische
katoen is meest onzuiver en moet voor de beide andere soor-
ten onderdoen.
Braziliaansch of Peruaanscli katoen. Het Zuid-Amerikaansche
katoen volgt in kwaliteit op het Egyptische. Er zijn verschil-
lende soorten onder deze algemeene benaming bekend, lang
van draad, maar ruwer en harder dan het Egyptische, en ook
dikwijls onzuiver. Men mengt de beste vormen er van met
Egyptische katoen.
De voornaamste soorten zijn:
a.   Fernambuk, een katoen van uitmuntende kwaliteit met een
schoone roomkleur, slechts weinig minder dan het Egyptische,
en over het algemeen vrij zuiver.
b.   Maranham-katoen. De vezels onregelmatig, en minder zuiver.
c.   Ceara-katoen. Vrij wel met het vorige overeenkomend.
d.   Bahia-katoen. Vezel grover en bijzonder stijf, doch goed van
lengte. In dit opzicht staat het boven Maranham en Ceara,
doch beneden Fernambuk.
De Zuid-Amerikaansche soorten zijn in het algemeen lang
van vezel, maar overigens minder dan de andere groepen.
Ook verschillen zij veel in het eene jaar bij het andere, zoodat
men zeer zelden twee oogsten, ja zelfs twee balen van gelijk
voorkomen aantreft, waarom men oplettend moet te werk
gaan bij het vermengen van de eene baal met de andere.
Amorikaansch katoen van de Vereenigde Staten. Deze soorten
vormen meest allen het katoen van den Engelschen handel.
Het katoen van de Vereenigde Staten is in het algemeen
kort, maar betrekkelijk fijn en dun. De voornaamste soorten
zijn; Kieuw Orleans, Texas, Uuland en Mobile.
-ocr page 32-
14
Nieuw-Orleans is de beste der Noord-Amerikaansche soorten;
het is zuiver en schoon, glanzend en zijdeachtig, doch niet
zou taai en sterk als Egyptisch katoen. De vezel is buigzamer
en veerkrachtiger dan de Zuid-Amerikaansche en zeer geschikt
voor menging met katoen van Egypte, zelfs met dat van Peru
en Brazilië. De fijnste draad, die men onder gewoneomstan-
digheden er van maken kan is N°. 00.
De vezels van Texas-katoeu zijn korter dan die van N.-Orleans,
maar overigens in karakter vrij gelijk. Van Texas wordt in
Engeland veel ingevoerd voor het spinnen van lage nummers.
Upland-katoen is dikwerf onzuiver en meer onregelmatig
van vezel. Ondanks deze omstandigheid wordt het in Engeland
veel gebruikt tot het spinnen van hooge nummers.
Mobile-katoen is vrij blank, maar dikwerf minder in hoe-
danigheid dan de vorige soorten: ook dikwijls onzuiver.
De Amerikaansche katoensoorten kenmerken zich dooreen
korte buigzame vezel en ook door een schoone witte kleur en
vormen dus eene tegenstelling met de Egyptische.
Surat- of Indisch katoen. Na de Amerikaansche soorten zijn
de Indische katoenen in de nijverheid liet meest gezocht.
Over het algemeen is de kwaliteit daarvan veel minder dan
die der vorige soorten, hoewel het verschil in lengteen dikte
der vezel niet zoo heel groot is. De geringere hoedanigheid
is meestal te wijten aan de onzindelijkheid bij het oogsten.
Van de Indische soorten is de Hingunghat de beste; deze
heeft lange, sterke vezels en is vrij van vuil. Zij wordt veel
met Amerikaansch katoen vermengd, waardoor men in staat
is haar fijner te spinnen dan de stof op zich zelf toelaat.
Ooiiirawuttie-katoen is kort van vezel maar kan met voor-
deel gebruikt worden tot het spinnen van lage nummers.
Bengale-katoen is de slechtste van alle Indische katoen-
soorten en bevat veel onzuiverheden.
In het algemeen zijn de vezels van liet Indisch katoen kort,
slecht gezuiverd, grof en onregelmatig. In Engeland gebruikt
men die soorten voor grof\' werk. Men mengt dikwijls in Enge-
land Indisch katoen met Amerikaansch, waardoor men in
staat is draden vau redelijk goede kwaliteit voor een betrek-
keiijk lagen prijs aan te bieden.
-ocr page 33-
-15
Afrikaansch katoen, uit sommige deelen van Afrika aangevoerd,
is beter dan Indisch katoen. Op het vasteland van Afrika wordt
de katoencultuur op groote schaal gedreven en de producten er
van zijn op de Engelsche markten hoog aangeschreven.
Kwee kin g \').
De katoenplant wordt in Nederl. Indié meestal door de inlanders
voor eigen gebruik gekweekt. Europeesche ondernemingen van ka-
toen-cultuur zijn er vóór vele jaren wel beproefd, doch niet geslaagd.
Op Sumatra, met name in Palembang en de Lampongs, wordt
de katoen-cultuur op groote schaal door de inlanders uitgeoefend,
en van daar worden aanzienlijke partijen naar Java, Singapore en
China uitgevoerd. Het op Sumatra geteelde katoen (Kapas plem-
bang) heeft gladde bladen en een wit, doch ruw aanvoelend
vruchtpluis.
De op Java gekweekte (Kapas djawa) levert fijn, wit katoen en
heeft behaarde bladen. Volgens B. Grevelink verdient zij de voor-
keur boven de Sumatra-katoen als beter tegen den regen bestand.
De katoen wordt op Java meestal als tweede gewas na den padie-
oogst gekweekt, zoowel op natte als op droge rijstvelden. De plant
eischt een goed omgewerkten bodem en behoorlijke afwatering.
De rijkste gronden voor éénjarige katoen zijn die langs de boorden
der rivieren, welke in den regentijd overstroomen en door het
aanblijvende zand en slijk altijd min of meer bemest worden. In
het Palembangsche plant men bij voorkeur op dergelijke gronden
(tana renah), op gevaar af dat dooi\' ontijdige overstroomingen
(banjers) de aanplant soms geheel verloren gaat: doch men plant
daar ook op hooge gronden, mits die van goede hoedanigheid zijn.
Op Java, waar weinige dergelijke tana renah voorkomen, plant
men op sawa\'s als tweede gewas, na den padie-oogst of op droge
en hellende gronden van tiepar\'s en gaga\'s.
Het klimaat dient warm en droog te zijn om goede uitkomsten
te kunnen verwachten. Wordt de katoen op een tijdstip geplant
dat zij tijdens den bloei en de rijping der vruchten veel regen te
\') Hoofdzakelijk volgens Teysmann\'s handleiding voor de Katoen-cultnur.
-ocr page 34-
16
■wachten beeft, dan zullen de bloemen meestal afvallen en de
vruchten door wormen doorknaagd en vernield worden.
Om de gunstigste uitkomsten te verwachten moet men dus in
N. Indië planten in April en Mei of wel ongeveer een maand
voordat de droge tijd gewoonlijk invalt, opdat de zaden met de
laatste regens behoorlijk kunnen ontkiemen en wortel schieten
vóór de regens ophouden. De planten, na verloop van een paar
maanden bloeiende, loopen dan geen gevaar, door de zware en
aanhoudende regens hare bloemen te laten vallen. De vruchten
kunnen dan, vier maanden na de aanplanting, in den drogen tijd
geoogst worden; want het is buiten kwestie dat het afvallen der
bloemen en het doorknagen van de vruchten door insekten enkel
aan de aanhoudende zware regens moet worden toegeschreven.
Het beploegen van den bodem is nuttig, doch niet noodzakelijk.
In het Palembangsche waar de katoen cultuur zeer uitgebreid is,
zijn geen ploegen bekend, en slechts zelden wordt daar depatjol
gebezigd, zoodat meest alles in vasten bodem wordt aangeplant,
nadat door het vellen en verbranden der bosschen of grasvelden
de grond gezuiverd is.
Het zaaien geschiedt regelmatig, op rijen, voor G. herbaceum
op 2]4 en 2 voet onderlingen afstand, voor G. religiosum en G.
barbadense, die zich sterker ontwikkelen, op minstens 5 voet
vierkant.
De verdere behandeling, onderhoud der tuinen, zuivering van
onkruid en ongedierte is nagenoeg dezelfde als voor allecultuur-
planten.
De inzameling der rijpe vruchten dient bij droog weer en des
morgens, eerst nadat de dauw is opgetrokken, te geschieden. Bij
het inzamelen moet vooraf gelet worden, alle onzuiverheden at
te scheiden. Een geoefend persoon kan 40—50 Kilo katoen daags
inzamelen. Het verwijderen van de zaden uit het katoen geschiedt
thans veelal met machines.
De behandeling der heestcrachtige of overblijvende soorten is
berekend op herhaalde oogsten van dezelfde planten. Zulk een
katoenplantage kan, volgens Teysmann , 20 jaren achtereen oogsten
opleveren.
In de binnenlanden der residentie Palembang is de katoenteelt
nog steeds eene geliefde volkscultuur. Volgens het Koloniaal Ver-
slag 188(i waren echter in de twee laatste jaren de marktprijzen
te laag om tot uitbreiding der aanplantingen aan te moedigen.
-ocr page 35-
17
In 1885 had men bovendien veel misgewas door ontijdige regens
of langdurige droogte. De totale uitvoer, voornamelijk naar Java,
Singapore en China, bedroeg in 1885 25.738 Pikols tegen 40.524
in 1884.
Op Java neemt de katoenteelt slechts een geringe plaats onder
de culturen der inlandsche bevolking in. Over het algemeen geeft
de bevolking er de voorkeur aan, de kapas, die zij voor het
weven van kleedingstukken noodig heeft, in den vorm van garen
op te koopen van handelaars die haar van elders aanvoeren. In
de verschillende residentiën van Java werd in 1885 slechts van
18,625 bouws kapas geoogst, van welke aanplantingen alleen die
in Samarang en Madioen het grootste aandeel hadden. In Madoera
werd de opbrengst van een bouw kapas bij gunstiger; oogst en hooge
prijzen geschat op ruim ƒ40.— Kol. Versl. 1886.
In de laatste jaren is het katoenzaad als nevenproduct van de
katoenplant meer en meer in belangrijkheid toegenomen. Vroeger
als nuttelooze afval beschouwd, wordt het wegens zijn oliegehalte
meer en meer een artikel van den wereldhandel. Groote massa\'s
katoenzaad worden thans, vooral uit Noord-Amerika en Egypte
voor de Europeesche oliefabrikatie uitgevoerd; ook uit Algerië en
Italië neemt de uitvoer toe. Volgens Wiesner levert het katoenzaad
45pCt olie, bestaande uit oleïne-zure en palmitine-zure glycerine.
Wellicht kan door deze tweede toepassing de teelt der katoen-
plant in Nederl. Indië opnieuw aanbeveling verdienen.
43.   AdansoniadigitataL. — Baobab,-Apenbroodboom.,Cremor-
tartboom in Zuid-Afrika. Afrika, in Eng. Indië genaturaliseerd.
Boom van middelmatige hoogte met een geweldig dikken stam,
soms 30—40 voet in omvang. Bladen handvormig, vijflobbig;
bloemen groot, wit met violette meeldraden; vruchten groot,
langwerpig, inwendig met meelachtig moes gevuld.
De boom bevat in zijn verschillende deelengeneeskrachtige
eigenschappen. De bast levert een onverslijtelijk touwwerk
en grof garen voor weefsels. De waarde op de Londensche markt
werd in April 1887 gerekend op g 8—12 de ton. Bast.
44.   Bombax malabaricum D. C. (Salmalia malabarica Schott).—
Dangdoer, Dangdoer alias S. Indië, Birma, Ceylon, Java,
Sumatra. Een hooge boom met gespikkelde stam en takken,
2
-ocr page 36-
18
handvormige afvallende bladen en talrijke witte of roode
bloemen, die vóór de bladen ontluiken. De wollige stof die zich
in de vrucht ontwikkelt, heeft dezelfde eigenschappen als de
kapok. Zie volgende soort.
KAPOK.
45. Eriodendron anfractuosum D. C. (Bombax pentandrnm L.). —
Kapok, Randoe.
Overal in N. Indië aangeplant Oost-en West-Indië, tropisch
Afrika. Een hooge boom met recht opgaanden stam (in de
jeugd doornig), horizontale takken, handvormige afvallende
bladen en witte bloemen. De vruchten zijn langwerpig en
brengen een massa wollige stof voort, die als kapok bekend is.
Deze nuttige boom wordt op Java meest bij de woningen
der inlanders gevonden, groeit snel en draagt binnen weinige
jaren vrucht De boomen worden ook langs de wegen geplant
om als levende telegraafpalen te dienen.
De wollige stof der vruchten wordt meer en meer een geacht
handelsartikel. Zij dient voornamelijk voor opvulsel van meu-
bels en kussens en is daarvoor geschikter dan andere vezel-
stoffen omdat zij altijd luchtig blijft en niet opeenpakt. De
proeven om haar te spinnen zijn wegens de kortheid der vezels
nog niet gelukt. Voor bereiding van schietkatoen en van zoo-
genaarnd halfstof in de papierfabrikatie wordt zij toegepast.
"Volgens Dr Franz von Höhnel te Weenen is de kapok het
beste materiaal voor opvulling, weinig minder in hoedanigheid
dan bet echte dons. Zij bestaat uit 0,5 tot 2 cM. lange zijde-
achtig glanzende vezels van geelwitte kleur en onderscheidt
zich door haar glans, haar kortheid en geelachtige kleur licht
van katoen.
Vooral in Australië is de vraag naar kapok zeer toegenomen.
De invoer bedroeg aldaar in 1886500,000 Kilo. Uit Java alleen
werden er te Melbourne ingevoerd 7995 balen ter waarde
van £ 22.600.
Uit een vergelijkend onderzoek omtrent de vulwaarde van
Engelsch-Indische en Java-kapok is gebleken dat men met 20
pond Java-kapok hetzelfde kan doen als met 29 pond van het
-ocr page 37-
19
Eng.-Indische product Daaruit volgt dat de bedden enz. met
Java-kapok gevuld en ook de andere daarvan gemaakte arti-
kelen vee! lichter en gemakkelijker te behandelen zijn. (Ind.
Mercuur 1886 N°. 38). De Javaansche kapok.is beter gezuiverd ,
en in drie kwaliteiten gesorteerd. De balen met ruwe kapok
krijgen door het zware persen een bruine kleur, doordat de
zaden hunne olie afgeven.
De uitvoer van kapok uit Nederl. Indië bedroeg in 1884
ƒ521,915, waarvan voor ƒ 346,815 naar Nederland.
Kapok in het Museum.
1.   Kapokvruchten, Probolingo.
2.       ii ongezuiverd.
3.       # Salatiga.
4.       * Handelsmonsters in 3 nummers.
5.   Werktuig om kapok van de zaden te zuiveren.
De behandeling van dit werktuig is als volgt: Na de wol
van de buitenschil ontdaan te hebben, worden de zaden, waar
de wol luchtig omheen zit, in een mand of kist geworpen.
Vervolgens neemt men een bamboe-latje, lang ongeveer 1 \\i
Meter en bevestigt er aan het einde twee kruisgewijs verbon-
den latten van 1 dM. lengte. Dit horizontale kruis wordt boven
op de kapok geplaatst en door beweging der lat tusschen de
handen in draaiende beweging gebracht. Hierdoor komt eerst
de boven-oppervlakte en daarna de meer beneden liggende
kapok met het kruishout in aanraking, waardoor het zaad
losraakt en allengs op den bodem der kist of mand valt. Is
de bovenlaag aldus gezuiverd, dan neemt men die kapok er
uit en plaatst die elders in de zon te drogen, zorgdragende
dat de wind de uiterst lichte vlokjes niet bereiken en mee-
voeren kan.
Aldus gaat men voort, telkens den gezuiverden voorraad
in een andere kist overbrengende om gemakkelijker en beter
de overblijvende kapok te kunnen bewerken, tot men slechts
pitten in de eene en gezuiverde wol in de andere kist ver-
kregen heeft.
Op Java is een van rottan gevlochten vuillinnenmand zeer
geschikt voor de kapokzuivering, kunnende de wind door de
2*
-ocr page 38-
20
openingen van het vlechtwerk spelen en bijaldien de kapok
vochtig is, het drogen bevorderd worden. Maakt men in den
bodem bovendien nog openingen, waar de pitten doorvallen
kunnen, dan zal de zuivering beter en sneller geschieden en
de kapok ook spoediger drogen. (H. J. van Swieten).
46. Dnrio zibethinns D. C.—Doerian M. J. Ned. Ind. Archipel.
Een groote boom met heldergroene, onder grauwe bladen,
groote witte bloemen en groote eivormige, stekelige vruchten.
Wegens de eetbare doch onaangenaam riekende vruchten
algemeen bekend. V.
Ord. Sterculiaceae.
47.   Sterculia foetida L. — Dangdoergedeh. Kepohgedeh S. Kaloem-
pang
M. Djangkang Born. Geheel Indië. Archipel. Kleine boom
met handvonnige bladen: bloemen in pluimen, roodbruin, zeer
stinkend. V.
48.   Sterculia nobilis Sniitli. — Hantap pasmng. Doh. West-Ja va en
Sumatra, China. Groote boom, met langwerpig-spitse gladde
bladen, en groote klokvormige, behaarde, inwendig roode
bloemen. V.
49.  S. Binmei G. Don. — Hantap batue.S. Sumatra, Borneo,.Java.
Groote boom met onverdeelde bloerntrossen. V.
50.   Kleinhovia hospita L.— Tunkolto. Tankelie. Timongho. Ketimo-
ho.
Oost-Indie, Oost-tropisch-Afrika. In den Ned. Ind. Archipel
algemeen. Een lage boom met uitgespreide takken, groote,
zachte bladen en rooskleurige bloemen. V. T.
51.   Helicteres Isora L. — Kekontolan. PoeteranM.S. Oost-Indië,
Noord-Australié. Boom- of heesterachtig. Bladen rond-ovaal,
ruw, onder zacht; bloemen rood, later loodkleurig.
De jonge takken en bladen zijn bekleed met ruwe stervor-
mige haartjes. De takken worden in Br. Indië gebruikt voor
omheiningen enz. De bast levert een sterke witte vezelstof
voor grof touwwerk en paklinnen. De vruchten en bladen
worden als geneeskrachtig gebruikt. (Brandis). V. Bast.
52.   H. liirsutu BI. (Ondemansia hirsnta Miq.). — Kekontolan. Java.
Heester met vliezige, ruwharige bladen en bloedroode
bloemen. V.
-ocr page 39-
21
53.   Helicteres visclda BI. (Ondemansia visclda Miq.).— Heester met
rond-hartvormige spitse, drielobbige, onder harig-kleverige
bladen, witte bloemen en zeer harige vruchten. V.
54.   H. javensis BI. (Ondemansia javensis Miq.). — Bladen lang- •
werpig-spits, aan den voet rond, gezaagd, glad van boven;
bloemen tegenover de bladen in schermen. V.
55.   Pterospermnm snberifolinm Lam. — Oost-lndië, Ceylon. Wa-
dang
of W.oerang J. Een middelmatige boom met lederachtige
gladde.bladen en welriekende witte bloemen. V.
56.   P. diversifolium BI. — Tjerlang S. Walang, Walani., Bajoer
S. M. J. Java, Malakka, Philippijnen. Onderscheidt zich van de
vorige vooral door de grootere bladen. V. Bast.
57.   P. acerifolium Willd.— Voor-Indië. Groote boom met zachten
bast, wiens groene deelen vlokkig-harig zijn. Bladen meer
dan een voet lang, veelvormig, met 7—12 handvormige nerven,
kaal van boven, behaard van onder: bloemen zeer groot, zui-
ver wit, welriekend. De bloemen maken water lijmig. V.
58.   Eriolaena montana. — V.
59.   Pentapetes phoenicea L. — Gangaboesan. S. Boenga haran
tjadi.
M. Oost-lndië. Eenjarige takkige plant, 2—5 voet hoog,
met gladde gezaagde bladen en roode bloemen, die \'s middags
opengaan en bloeien tot den volgenden dag. V.
60.   Meloehia indica Hook. (Yisenia in dim Houtt.). — Bintinoe,
Bintanoh
S. De geheele Archipel in de lage wouden. Een
snelgroeiende, 30 voet hooge boom met groote, grof gezaagde,
wit-viltige bladen en rooskleurige bloemen.
Deze fraaie boom, die door zijn witachtige bladen een aan-
gename afwisseling aan het geboomte geeft, wordt wegens zijn
snellen groei als schaduwboom aanbevolen. Van zijn bast wordt
touw geslagen. V. T.
61.   M. corchorifolia. L. (Riedleia concatenata D. C.) — Sidagoh-
rieS.
Een zeer verspreid tropisch onkruid. Voor-lndië, Malakka,
Java, Sumatra, Borneo enz. Een recht opgroeiend vertakt
kruid of struik. Bladen veelvormig, dun behaard; bloemen
wit of rood; vruchtjes rond, zoo groot als erwten. V. T.
62.   Biedleia borbonica. B. C. — V.
63.   R. guazninifolia. — V.
-ocr page 40-
22
64.   Abroma angnsta L. (A. fastnosa K. B.) — Ki-tetjangkier S.
Kekembang laut. N. Oost-Indië, China, zeer algemeen verspreid.
Een heester met donzige takken, gladde, onder viltige, getande
bladen en schaarsche, donker purpere bloemen. Deze heester
is in de wandeling bekend als „Duivels katoen". De schors
bevat een taai vezelachtig weefsel, waarvan touwwerk wordt
vervaardigd, dat een goed subsituut van hennep schijnt te
wezen. De heester gedijt goed en groeit snel, gevende drie of
vier oogsten \'sjaars, geschikt om te worden geschild.
Dr. Roxburgh vestigde er de aandacht op, daar het gewas
gemakkelijker is aan te kweeken dan de Sunn (Crotalaria
juncea) en de opbrengst bijna driemaal grooter is. Om de vezel
te bereiden, wordt de schors een week lang in water gelegd,
waarna zij geene bereiding meer noodig heeft, en in dezen
staat is zij zonder bereiding \'/» sterker dan Sunn en niet
onderhevig aan verlies van sterkte door blootstelling aan vocht.
Royle. V. T.
65.   Gnazuma tomentosa Kuiith. (6. Blumei G. Don.) — Djati
wolanda, Djatti sabrang, Djawoer wolanda, Kajoe goerda
M.
Java, Borneo, Voor-Indië; oorspronkelijk uit Amerika. Veel
gekweekt. Een groote boom met hartvormige, spitse, onder
viltige bladen en talrijke gele bloemen in lange pluimen.
Deze boom is tot vele doeleinden bruikbaar. De vezel der
jonge loten bezit, volgens Roxburgh, een groote draagkracht.
De boom groeit snel en is geschikt voor lanen. V. T.
Ord. Tiliaceae.
Deze familie, die haar naam draagt naar onze Linde (Tilia), bevat,
evenals de Malvaceeën, een groot aantal gewassen, wier binnenbast
uitmuntende vezelstof levert.
66.   Grewialaevigata Vahl. — Ki-laki, Oeris-oerissan, Ris-riessan.
Oost-Indië, Australië, Trop. Afrika. Boom-heester met aan
den top behaarde takken, kort gesteelde gladde getande bladen,
lange bloemstelen; bloemen geel.
De binnenbast wordt gebruikt om de rijstbossen te binden.
V. T.
67.   G. oblongifolia BI. — Ki laki S. Andi andi J. Java, in de
moerassen. Boomachtige heester met behaarde bladen. — V.
-ocr page 41-
23
68.   G. inae«i ruilis BI. (G. celtidifolia Juss). — Java. Tatengohran
Talok
S. Boom met spitse, onder wollige bladen en korte
bloemstelen. — V. takken. T.
69.   G. scabrida Wall. (G. odorata BI.)— Ki laki aroi S. Arcliipel, .
West-Trop.-Afrika. Heesterachtig; bladen elliptisch, spits getand;
bloemstelen lang, wollig. — V. T.
70.   G re win Microcos L. (G. afflnis Hassk). — Diloewak J. Oost-
Indië, China. Een heester met tweenjige, gladde of van onder
harige bladen en bloemen in pluimen. — V.
71.   Diplophractnm auriculatum Desf. — Sitadjo itam, Nila koet-
jing.
Java, Sumatra. Heester. — V. Bast.
72.   Colnmbia javanica BI. — Drowak, Djaloepany, Sampora S.
Java, bergstreken. Een middelmatig hooge boom met half
hartvormige kort gespitste, ruwe, van onder wollige bladen,
gele, purper gestippelde bloemen en wollige vruchten.
Het hout is van weinig waarde; de bast levert eene zeer
bruikbare vezelstof voor touw enz. Slechts eenige keeren ge-
diaaid wordt dit touw tot vele huiselijke doeleinden, ook tot
het leiden der buffels gebruikt. Door beter bewerking kan
men echter een fijn touw daaruit maken, dat ook sterk, doch
niet gelijk aan dat van Rameh is. Hssk. — V.T.
73.   Colombia serratifolia D,C. — Philipp. eilanden. Als de vorige,
doch met eirond-lancetvortnige zaagtandige bladen en bloemen
in trossen. V. Bast.
74.   Trinnifetta rhomboidea Jacq (T. tritocnlaris Koxlt.) — (Poem-
poer-oetan
of Pompohr-oetan S. voor alle soorten van dit
geslacht). Oost-Indië, China, Trop. Afrika. Kruidachtig of
struik. Bladen veelvormig, min of meer behaard: bloemen
geel, in dichte trossen. — V.
75.   Triumfetfa villosinscnla BI. — Pompohr-oetan koening S.
Java, om Buitenzorg. Een eenjarige plant met rondachtige,
drielobbige, scherp gezaagde wollige bladen en stekelige bloe-
men. — V. Bast.
76.   T. sp. — Poeloetan kerbo. — V.
-ocr page 42-
24
JUTE.
77. Corchorus capsnlaris L. en C. capsularis v.javensis. — Gandja
M. Ju te-plant. Oost-Indië; in alle tropische landen gekweekt.
Eenjarige plant met gladde, grof getande, eirond-spitse bladen,
kleine, gele bloemen en rimpelige wrattige vrucbtjes.
De Juteplant (ook de verwante C. olitorius) wordt in Bengale
algemeen gekweekt en levert daar belangrijke hoeveelheden
vezelstof. De kweeking en bereiding zijn zeer gemakkelijk.
In April—Mei wordt gezaaid, en in Aug. hebben de planten
uitgebloeid. De bladen dienen tot groente voor de inlanders-
De stengels worden, na getopt te zijn, in bundels in ondiep
water geroot, welke bewerking 8—10dagen duurt. Hetonder-
eind der stengels wordt nu afgekapt, de bast van den stengel
afgestroopt en uitgespoeld, totdat hij schoon is, dan opge-
hangen en gedroogd, gezuiverd en in bundels van 1—2maunds
(de maund is 37,2 Kilo) ter markt gebracht. De opbrengst is
van 400 pd. (Eng.) tot 700 pd. per acre, waarvan de goede
soort aan de markt wordt verkocht tegen Rs. 2,8 per maund.
Volgens deze berekening levert een baoe van N.-1.327 tot 566
Kilo ter waarde van f 20,86 tot f Ai,8b. (Royle en B.G.) De
overblijvende stengels leveren een goede houtskool en worden
algemeen gebezigd voor het hekwerk rondom de beteltuintjes.
De waarde der vezelstof is gering, zoodat zij alleen geschikt
is voor grove zakken (goeni), grove overgordijnen en dergelijke
weefsels. Uit Engelsch Indië is in 1884 voor een waarde van
4% millioen K aan ruwe en \\\\i millioen £ bewerkte Jute1)
uitgevoerd. De fabrikatie der Jute-artikelen geschiedt hoofd-
zakelijk te Dundee.
In Engelsch Indië zijn tegenwoordig23 groote Jute-fabrieken
aan \'t werk. Ook in andere werelddeelen , in Amerika, Egypte,
Oostenrijk, Hongarije, Frankrijk is de Jute-cultuur ingevoerd.
Met de Jute-cultuur in Nederl. Indië zijn indertijd door de
Heeren Scheffer en Van der Ploeg zeer goed geslaagde proeven
genomen.
1) Rekent men onder den uitvoer ook de goeni-balen, die inet andere pro-
ducten worden verscheept, dan bedraagt die som ongeveer tweemaal zooveel.
-ocr page 43-
25
Evenals de Rameh kan de Jute bij herhaling gesneden
worden, en hare bewerking is veel eenvoudiger dan bij eerst-
genoemde. Het rotingproces mag niet langer dan 8—10
dagen duren; bij langeren duur wint de vezel wel aan fraai,
zijdeachtig voorkomen, doch ten koste van hare kracht. Volgens
Scheffer kan de Jute in 3—3}^ maand geoogst worden en is zij
waarschijnlijk zeer geschikt om als tweede gewas op de rijst-
velden te worden verbouwd. Zie v. Gorkom, Ind. Cultures.
Bij de groote hoeveelheid grove weefsels, die voor de ver-
pakking van koffie, rijst \'en vele andere artikelen jaarlijks in
de Koloniën noodig zijn, mag de aandacht wel op de Jute als
cultuurplant gevestigd blijven.
In Nederland (Overijssel) zijn twee Jute-fabrieken werkzaam.
Grondstof uit Ned. Indië zou dus bij directen invoer,evenals
de Manilla-hennep, hier te lande een geregelden aftrek kunnen
vinden.
De prijs der Jute vezels was in April 1887 Ie kwal. van Ê14
tot k 16 de ton aan de Londensche markt.
Jute-monsters in het Museum.
I. Corchorus capsularis L., gedroogd ex.
8. Jute-vezels, ruw.
Monsters tot toelichting der Jute-fabrikatie,
uit de fabriek van H. Walker & Sons, Dundee.
3
Jute, ie kwaliteit.
4
A. Ruw uit de baal.
S
B. Gewerkt en gekrast.
6
C. Machinaal gehekeld.
7
D. Fijn gehekeld.
8
E. Na de eerste uitrekking.
9
F. » « tweede »
10
G. Roving. Voorspinsel.
ii
H. Garen, gesponnen en gereed.
-ocr page 44-
\'20
12.    I. Inslaggaren in kop, gereed voor de spoel.
13.    J. Kettinggaren, gestijfd.
14.   K. Garen, drievoudig gedoubleerd, voor zakken, zelfkant, touw enz.
15.   L. Gebleekt garen. Ketting.
16.   M—P. Geverfd garen.
Jute-weefsels.
17—19. Fijn Hessian, verschillende kwal.
20—24. Ordinair •
                 »                «
25.   Ruw ongeklanderd Hessian.
26.   Pakdoek.
27.   Dubbel ketting canevas.
28.   Padding voor voering met valschen zelfkant en opgespleten.
29.   Zwart Hessian.
30.   Gebleekt Hessian.
31—33. Gestreept beddetijk.
34—36. Gekeperd doek, verschillende kwaliteiten.
37.   Enkelvoudig kettingpakdoek.
38.   Dubbel
39—40. Gekeperd paardendek.
41. Dubbel kettingdoek, buisvormig, zonder naad.
42 — 43. Monster vloerkleeden.
78. Schoutüiiia ovata Korth. — Hari koekoen of Wali koekoen S.
Vleeschhout. Java, in de lagere, moerassige kuststreken,
vooral in het N.W. en ook in de bergstreken. Een middel-
matig hooge boom met wigvormig langwerpige, getande, boven
gladde, onder behaarde bladen en lichtgele bloemen in schrale
trossen — V.
Het hout is zeer geacht.
Ord. Geraniaceae.
Hiertoe behooren onze Geranium, de Klaverzuring euz.
79. Aïerrhoa Carawbola L. — BUmbing, BI. manies, Tjalintjing
M.S. Geheel Indië, gekweekt of verwilderd. Kleine, dicht ge-
takte boom met onparig gevinde bladen, wit-purpere bloemen
en lange, gele, eetbare vruchten. — V.
-ocr page 45-
27
Ord. Meliaceae.
80.   Dysoxylon ïiiollissiuinm BI. — Koetit-bawang, Ki-bawang
bodas, Kedaya S. Tanglar monjet. Molukken, Java. Een
tamelijk zware boom met saamgestelde bladen. De bast riekt \'
naar knoflook. V.
81.  Cedrela Toona Koxb. (C. febrifuga BI.). — Soeren merah J. M.
Soereti poetih. Soereng Sum. Serian Pal. Oost-Indië, Java,
Australië. Hooge boom met gevinde, glanzende bladen en
welriekende witte bloemen in groote trossen. — V.
Ord. Rhamneae.
Hiertoe behoort onze Wegedoorn.
82. Zizyphus Oenoplia KUL — Bandiel. Oost-Indië en Trop.
Australië. Heester met heen en weer gebogen, dikwijls kleine,
minder doornige takken, bladen schuin-eirond-spits, van onder
met lang, geel of roestkleurig zijdeachtig haar; bloemen kort
gesteeld, groen-geel; bessen glinsterend zwart. — V.
Ord. Ampelideae.
Hiertoe behoort de Wijngaard.
83. Leearubra BI. — Gingiang berem S. Girang v. Sw. Java, Timor.
Heester met ronde, ruwe takken, dubbel gevinde bladen en
roode bloemen. — V.
Ord. Sapindaceae.
84.   Capnra Zolliugeriana T. et B. — Blimbing tjina. Java.
Heester. — V.
85.   Turpinia sphaerocarpa Hassk. — Tjawené soréi. Ki-bantje^.
Kitjehai
J. Java op den Gedeh. Groote boom met gevinde,
lederachtige, glanzige bladen en kleine, eetbare vruchten. — V.
-ocr page 46-
28
Ord. Anacardiaceae.
86.   Bouea macrophylla Grift\'. (B. GandariaBl.) — GandariaS.M.
Goenajah. Kendarah
S. Gandrie v. Sw. Ramania op Borneo.
Java, Borneo, Malakka. Groote boom met gladde, glimmende
bladen en geelachtige bloemen in zware pluimen. De vruchten
worden gegeten. — V.
87.   Dracontomelon mangifermn BI. — Rmvoe, Raho i.Laoe Amb.
Daoe S. Rauhitoe Mak. Roea rau M. Ngauloe Tim. Andaman-
eilanden, Molukken, Celebes, Borneo, Java. Groote boom met
gevinde bladen, bleekgroene bloempluimen en vleezige,ronde
steenvruchten. Vruchten eetbaar; bladen als geneesmiddel. — V.
Ord Moringeae.
88. Moringa pterygosperma Gaertn. — Kellor J. M. Behen- of
Ben-boom. Horse Kadish. Ben oléifère. In alle warme landen
gekweekt. Een kleine boom met kurkigen bast en zachthout.
Bladen driewerf gevind, bloemen wit, in uitgespreide pluimen;
de vrucht is een lange peul met driekantige, gevleugelde zaden.
De zaden leveren de bekende Ben-olie; de vruchten en bladen
dienen voor de inlanders als groente en geneesmiddelen. — V.
Ord. Leguminosae.
De familie der Peulvruchten heeft bij ons in de Erwten, Boonen,
Lupinen en Klaver welbekende vertegenwoordigers.
Sub-ord. I. Papiuonaceaê.
Vlinderbloemigen. Bloembladen ongelijk. Type: onze erwten
en boonen enz.
89. Crotalaria serlcea Retz. — Ha happaan S. Filet. Geheel Indië,
ook als sierplant gekweekt. Een sterke, eenjarige plant van
3—5 voet hoog, met gladde, aan den voet wigvormige, aan
den top kortgespitste, aan de onderzijde zijdeachtig behaarde
bladen en purperachtige bloemen in losse trossen. — V.
-ocr page 47-
29
90. Crotalaria jnncea L. (C. tenuifolia Roxb.) — Kakatjangan.
S. Indische hennep; Sunn hennep: Rammelaar. Geheel Indië tot
in Australië, vaak gekweekt om de uitstekende vezelstof. Een
recht opgroeiende 4—8 voet hooge struik met roedevormige,
stijve, zijdeharige takken. Bladen lang, smal, stevig, boven
en onder met kort bruin, zijdeachtig haar bedekt; bloemen
heldergeel in lange trossen; peulen zijdeharig.
Bisschop Grevelink (p. 122) twijfelt of de echte Sunnplant
in onzen Archipel gevonden wordt. In Britsch Indië wordt
zij algemeen door de inlanders gekweekt.
De plant wordt niet gesneden, maar met de wortels uit den
grond getrokken; de stengels worden vijf of meer dagen in
stroomend water gelegd, en daarna wordt de bast er met
de vingers afgehaald. In Indië worden de vezels gebruikt voor
vischnetten, touwwerk, zeildoek, papier, goenizakken enz.
In \'t begin van den regentijd gezaaid , kan de plant na vier
maanden geoogst worden. Als de bloemen afvallen is de
vezel rijp.
Het touw is in vochtigen toestand sterker dan in drogen.
Een groote oppervlakte land wordt jaarlijks in Engelsch
Indië met dit gewas beteeld. De afval dient voor papierbereiding.
Volgens Wiesner heeft de Sunn-hennep een zeer geringe
vatbaarheid om water op te nemen, zoo gering als bij geen
andere plantenvezel is waargenomen. De in de lucht gedroogde
vezel bevat 5,31 pCt. water. Ook de aschhoeveelheid is ge-
ringer dan bij andere vezels. De kleur der vezels is bleek-
geelachtig met zijdeachtigen glans. Het voorkomen is warrig.
Wegens hare zachtheid worden zij door Wiesner gelijk gesteld
met Rameh en Vlas. — V. Bast.
91.   Trigonella Foeiium-graecum L. — Waron. v. Sw. Fenigriek.
Zuid-Europa en Indië. De zaden dienen als geneesmiddel. Een-
jarige plant met opgerichte stengels, drietallige bladen; bloe-
men lichtgeel, ongesteeld. V.
92.   Indigofera tinctorla L. — Taroem aloes M. Nila S. Tom
v. Sw. Indigo. Algemeen gekweekt. Een 4—6 voet hooge hees-
ter met houtige, zilverachtig behaarde takken, gevinde bla-
den, die gedroogd zwartachtig worden en roodachtig gele
bloempjes. V.
-ocr page 48-
30
93.   Sesbanin grandiflora Pers. (Agati grandiflora Desv.). — Toeri
of Kadjou-kajoe v. Sw. Indië, Mauritius, N. Australië: veel
gekweekt. Een kleine boom met roedevormige rolronde takken,
bleek groene gladde bladen, witte of roodgevlekte bloemen
en zeer lange zeisvormige peulen.
De bladen en jonge peulen dienen als groente: de schors
als geneesmiddel en om touw voor vischnetten te maken.
Ook levert de boom gom. V.
94.   Uraria picta Desv. — Boentoet oetjing, B.seroh, v. Sw. (Kat-
testaart). Trop. Afrika, Indië, Java, Timor,Malakka enz. Een
rechtopgroeiend struikachtige 3—6 voet hooge vaste plant met
kleine takjes. Stengels forsch, donzig, blaadjes stijf, bloemtrossen
zeer lang met purpere bloemen. — V. en zaden.
95.   Erythrina indien Lam. — Badap, Dloedoeng, Belondong
v. Sw. Geheel Indië en Polynesië. Een hooge boom met dun-
nen grauwen bast en kleine stekels: blaadjes glad, breed,
driehoekig eirond; bloemen groot, donker scharlaken.
Dient als schaduwboom m koffleplantsoenen. — V.
96.   Erythrina fnsca lour. — Badap tjangkrieng S. J. Badap
serep, Tjambang
Mak., Badoq. Sumatra, Cochinchina,
Soenda-eilanden, Molukken. Verschilt van de E. indica door
de bruinroode bloemen. — V.
97.   E. spathacea. D. C. — Badap wang ie, B. bong v. Sw.
S. Domingo. Een boom met breede eirond-spitse bladen en
vuurroode bloemkroonen , die korter zijn dan de kelken. — V.
98.   Uut ca frondosa Roxb. — Ploso J. Plosso M. Van de vlakten
van den Himalaya over geheel Oost-Indië en den Archipel
verspreid. Java, vooral in \'t midden. Hooge boom met drie-
tallige, lederachlige, gladde, onder zijdeachtig behaarde bladen
en vurig oranje bloemen in zware trossen.
Deze boom levert de Bengale-kino; de bloemen geven een
goede kleurstof. De bladen dienen als pakpapier en buffel-
voeder. Op de takken wordt in Britsch Indië het lak-insect
gekweekt. Bloemen en zaden worden door de inlanders als
geneesmiddelen gebezigd. Uit den wortelbast verkrijgt men
eene vezelstof, die tot het breeuwen van schepen dient.
Deze nuttige en fraaie boom verdient dus in hooge mate
de aandacht. V.
-ocr page 49-
31
99. Ifypaphorus suh-unibrnits Hssk.— Dadap minjak, Tjoetjoek.
Java. Hooge boom. — V.
100.  Flemingia congesta Roxb. — Ohpoh ohpoh v. Sw. Geheel
Zuid-Azië en de Archipel. Een opgerichte houtige heester,
4—6 voet hoog: zijdeachtig behaarde jonge takken: bladen
drietallig, lang gepunt, glad, onder zijdeachtig: bloemen
violetrood in dichte trossen. — V.
101.   Pterocarpns milieus Willd. — Angsana S. M. Sono kembang,
Sotto kling
, Lingoa Mol. Zonnehout of Rood Sandelhout.
Geheel Indië, China. Talrijk in Oost-Java.
Een hooge boom met opstijgende takken; bladen gevind,
rondachtig, in een punt versmald: bloemen in okselstandige
pluimen, welriekend.
Deze boom levert, evenals de P. Marsupium de echte
kino-hars en eene soort van drakenbloed. — V. T.
102.   Derris pubipetala Miq. — Godel, Gadelan v. Sw. Java.
Een klimplant met 4 —3 paar vinbladen en roestkleurig
behaarde bloemtrossen. — V.
Sub.-Ord. II. Caesalpinieae.
Bloemkroonbladen min of meer regelmatig, dakpanachtig geplaatst.
Type de Cassia.
103.   Caesalpinia Sappan L. — Setjang S. Sappan M. Sappanhout.
Zuid-Azië en de geheele Archipel. Een groote boomachtige
stekelige heester met gevinde bladen, groote gele bloem-
trossen en donkerbruine peulen.
Het hout levert een roode verfstof. — V.
104.   C. alata L. — Ketepeng,KetepengbadakJ.Ki-manila,Daun
koerap
M. In alle tropische landen. Heester met groote
bladen: vinblaadjes lederachtig, donzig van onder. Bloemen
geel geaderd.
Prachtige boom; de bladen dienen tot geneesmiddel; de
vruchten zijn eetbaar.
105.   C. timoriensis. D. C. — Haringin, Ringin\\.Sw. Zuid-Azië,
Archipel. Een ranke boom met slanke, fraai donzige takken,
bleekgroen gevinde bladen en gele bloemen. V.
-ocr page 50-
32
106.   Cassia miniosoïdes L. — Koeyang oiK.rottanv.Sv/. In alle
tropische landen groeiend. Een lage uitgespreide vaste plant
met slappe, fraai donzige takken. Bladen gevind, lederachtig.
V.
107.   Intsia ambonensis Thouars. — Marabouw, M. Merbouw, S.
Bayang of Ipi. Celebes. Kajoe besi Menado. In den Archipel
verspreid. Hooge boom met gevinde bladen en witachtige
bloemen. — V.
108.   Tainariudns indlca L. — Assam, Assam djawa M.J. Tama-
rinde. Waarschijnlijk uit Trop. Afrika; thans in alle tropische
gewesten geplant. — Een hooge boom met een korten dikken
stam en breede schaduwrijke kroon. Bladen gevind, bloemen
geel met rood.
Deze boom is wegens zijne vrucht welbekend en levert
uitmuntend hout. — V.
Sub-Ord. Mimoseae.
Bloemkroonblaadjes regelmatig. Meeldraadjea min of meer talrijk.
Type: het Kruidje-roer-mij-niet.
109.   Parkia africana E. B. — Pimdieu, Peté S. M. Puntoi,
Goede
J.M. Java, Sumatra. Een groote boom met groote
gevinde donkergroene bladen en eetbare vruchten. — V.
110.   Leucaena glanca Benth. — Peté zeilon, Kamelan djingan.
Zeegroene Stuipboom. Indië, Trop. Afrika; oorspronkelijk in
Trop. Amerika. Een lage, rechtopgroeiende boom zonder
stekels. Bladen gevind, bloemhoofdjes witachtig; vruchten
eetbaar, als de vorige. — V.
111.   Acacia tomentosa Willd. — Klampis. Britsch Indië, Ceylon,
Oost-Java. Een boom, van onder op vertakt, met witte doorns,
gevinde blaadjes en witte bloemhoofdjes. — Takken.
11\'2. Albizzia odoratissima Benth (A.inicrantha lioiv).— Weroe.
Indië, Ceylon. Een hooge opgaande boom zonder stekels. Bla-
den gevind, bloemhoofdjes klein, talrijk, zijdeachtig grijs. — V.
-ocr page 51-
33
113. Pithecolobinm nmbellatnm Beiith. — Lom.f. Djerrieng S.
West-Britsch-Indië, Archipel. Een lage boom met in doorns
verloopende takjes, stijf lederachtige vinblaadjes, schraal-
bloemige bloemhoot\'djes en zeisvormig gekromde vruchten.
De bast dient tot verfstof en lederbereiding. Het hout is
bruikbaar. — V.
Ord. Rosaceae.
Tot deze familie behooren de Rozen, Aardbezién, Braambeziëu enz.
114.   Farinarinm Grifflthianum Benth. (P. ïnnltifloruni Miq.) —
Manoe, Manan , Java. Ki-toeak Bali, Boeloe Borneo, Achter-
Indië, Malakka, Borneo, Andaman-eilanden. Een kleine boom
met zwartachtige takken, lange, sterk generfde bladen en
kortgesteelde bloempluimen. — V.
115.   Kenia japonica D.C. — Ilitjoe J. Sengo J. Japan; op Java
gekweekt. Een kleine heester met roedevormige takken, sterk
geplooide bladen en gele, enkele of dubbele bloemen. — V.
Ord. Ruizopiioreae.
De Rhizophoren of Mangroven zijn lago boompjes, die op lucht-
wortels groeiend, meest in de drassige kustlanden voorkomen.
110. Brngniera eriopetala W.A.(B. Rnmphii BI.). — Bakko, Bakoe,
Mangian, Mangi mangi
M. Palan, Paloen v. Sw. Archipel,
China. Kleine boom met lederachtige bladen en witachtige,
behaarde bloemen. — V.
Ord. COMBRETACEAE.
117. Ouis<iualis indica L. — Wedani of Oedanii. Tjekok,Kajoe
boelan
Banka. Indisch Warkruid. Geheel Indië en de Archipel.
Een klimmende heester met langwerpige, spitse bladen en
roode bloemen in dichte aren.
De vruchten en bladen dienen als wormdrijvend genees-
middel. — V.
3
-ocr page 52-
34
Ord. Myrtaceae.
118. Barrington ia spicata BI. — Poetat lakki S. M. Java en
andere Soenda-eilanden. Hooge boom niet langwerpige, ge-
zaagde bladen en groote bloern-aren. — V. T.
Ord. Melastomaceae.
119. Harumia uinscosa BI. — Tjalontjong berem S. Segoengoe,
Sedoedoe njer
Pal. Harcndoeng-badak, Aroy-harendong S.
Java. Een min of meer klimmende heester met poederige,
bruine takken, glanzige, eirond-spitse hartvormige bladen,
roodkleurige bloemen in trossen en eetbare bessen — V.
Ord. Cacteae.
Welbekende vetplunten.
120. Opuntia cochenillifera HUI. — Tjeuli badak S. TjeribonS.
Cochenille- of Nopal-cactus. Oorspronkelijk uit Z.-Amerika;
op Java gekweekt voor bet winnen van cochenille uit het
bekende insect. — Blad en V.
Ord. CucurbitaceaE.
De familie der Meloenen en Komkommers.
121.   Luffa foetida Cav. — Qjong S. Boeloestroe M. Oost-Indië,
Mascarenen , Java, algemeen langs de heggen. Een kruipende
of klimmende plant met hartvormige. 5-lobbige of 7-hoekige
bladen, groote, gele bloemen en langwerpige, puntige
vruchten.
Het fijne vezel net dat van de vrucht overblijft, dient als
spons. — V.
122.   Cephalandra indica Jiand. (Coucinia Wightiana Roem.). —
Papassang lalakki .T. Papassang M. op Bali, of Gambas.
Yoorlndië, Java, Bali, Molukken, Afrika. Een klimmende
plant, nagenoeg glad, met enkelvoudige klauwieren. Bladen
5-lobbig of 5-hoekig; bloemen wit: vruchten bolvormig,
scharlaken. — V.
-ocr page 53-
35
123. Zanouia macrocarpa BI. — Avoy kitjoebong S. Java, op den
Parang. Klimmende plant met langwerpige, spitse bladen;
bloemen groenachtig: vruchten langwerpig-bolvormig, drie-
hoekig: zaden met groote, teedere, vliesachtige vleugels. — V.
Ord. Araliaceae.
Bij ons vertegenwoordigd door het Klimop.
124. A.ralia papyrifera Hook. — Rijstpapierboom. Eiland Formosa.
Rechtopgroeiende heester met dikke, houtige stengels, die
veel wit merg bevatten. Bladen lang gesteeld, handvormig,
5-lobbig, van onder roestkleurig-viltig.
Uit het merg wordt het zoogenaamde Chineesche rijstpapier
gemaakt.
1.   Stuk van een stengel met het merg.
2.   Monster papier uit het merg bereid.
Volgens Miquel zoude van eenige Araliaceeën in Ned. Indië,
o. a. de Trevesia sundaica en T. moluccana, een dergelijk merg
kunnen verkregen worden. Flora v. Ned. Indië, I, p., 749.
Ord. Rubiaceae.
Deze uitgebreide familie, waartoe de Kina en de Koffie behooren,
i9 bij ons vertegenwoordigd door de Meekrap, het Walstroo enz.
125.   Nauclea grandifolia D. C. —Gempol J. Klepo J. Djabon Mad.
Java, bij rivieren en moerassen. Boomachtige heester; bladen
glad, gesteeld, aan den voet spits, aan den top stomp; bloe-
men eenzaam. — V.
126.   Uncaria Gainbier Roxb. — GambierM. In geheel Indië en den
Archipel gekweekt. Klimmende heester met gladde, eironde
of spitsere bladen: bloemen in bolvormige, gesteelde hoofdjes,
purperachtig.
Deze plant is algemeen bekend wegens het uit de bladen
door afkoking verkregen looistof-houdend product, de Gambir.
V. T.
127.   Grfflthia latifolia T. B. — Metti, Banka. Heester. — V.
-ocr page 54-
36
128.   Psychotria rhinocerotis Reinw. — Randoe badak, Randoe
hooiing, Hamproebadak, Wircmgin badak
J.S. Java, Sumatra.
Heester met vierkantige takken; bladen van onder rood
geaderd; bloemen wit in opstaande trossen. — V.
129.   Polyphragmon scricenin Desf. — Poeli batoeM. Kajoetimon
Amb. Sumatra, Molukken. Groote heester of boom met lan-
cetvormige, zeer spits toeloopende, papierachtige, glanzige
bladen en ronde, met den kelk gekromde besvruchten.
De inlanders gebruiken de schors in plaats van pinang.
Miq. — V.
Ord. Compositae.
Saamgesteldbloemigeii.
Deze omvangrijke familie is bij ons welbekend door de Madelieven,
Paardenblocmen, het Kruiskruid enz.
130.   lil innen ïuacrophylla D.C. — (Conyza ïuacrophylla BI.). —
Semboeng lalakki S. Kemanden kerbo J. Java, in de bergstre-
ken. Heesterachtig, met aan den voet wigvormig versmalde
bladen en bloemhoofdjes in kortgesteelde pluimen. — V.
131.   Pluchen indien Less. — Loentas M. Archipel. Heesterachtig,
met aan den voet versmalde bladen; bloemhoofdjes in samen-
gestelde tuilen. — V.
Ord. Campanulaceae.
Bij ons welbekend door het blauwe Klokje onzer diluviale streken.
•132. Codonopsis javanica Miq. — Orok orok of Kepodo S. Java,
in vochtige bergwouden. Wortel knollig ; stengel slingerend
met lang gesteelde hartvormige bladen en groote bloemen. —V.
Ord. Ebenaceae.
133. Diospyros Ebeiuun Retz. — Hitam, Kajoe arang-oetan M.
Walee Men. Onecht Ebbenhout. Achter-Indië, Ceylon, Su-
niatra, Molukken. Een hooge boom met tweerijig geplaatste
gladde bladen en witte bloemen. De zwarte kern van het
hout is voor meubelwerk bruikbaar. — V.
-ocr page 55-
37
Ord. Gentianeae.
Tot deze familie behooren de Geutiaau en de Centaurik (Erythraea),
het Waterdrieblad (Menyantbes) euz.
-134. Linmanthemum iiidicum Thwaites. (L. calycinnin Miq.V — .
Telipok S. Java, in Indië algemeen. Waterplant met ronde
bladen en wit-gele bloemen. — V.
Ol\'d. LOGANIACEAE.
-135. Fagraea fragrans Roxb. — Ki-badak S. Tembesoe talang M.
Archipel. Hooge boom met kort-spitse bladen, zeer talrijke
geel-witte, welriekende bloemen en oranje, gepunte bessen.
Ord. Boragineae.
Bij ons bekend door bet Vcrgeet-inij-niet, de Hondstong enz.
136.   C\'ordia bantamensis BI. — Kendal S. Java, in Bantam. Hooge
boom met langgesteelde, lederaclitige, glanzige, onder goud-
glanzige, wollige bladen; bloemen in losse pluimen; gesna-
velde vruchten. — V.
137.   C. siia veolciis BI. — Kendal prit S. Java. Hooge boom met lang
gesteelde, papierachtige bladen en kleine bloemtrossen. — V.
138.   Cynoglossum robustuin Hassk. — Katiscm. Java. Vaste plant. V.
Ord. Scrophularineae.
Bij ons vertegenwoordigd door den Leeuwenbek, bet Speenkruid euz.
139.   Herpestis Monniera H. B. K.— Gocnda teutiek S. In alle tro-
pische landen op vochtige plaatsen. Een vettig, kaal gewas
met lange takken, ongesteelde bladen, lila-blauwe bloemen
en eirond-spitse vruchten. — V.
Ord. Verbenaceae.
Bij ons vertegenwoordigd door de Verbena.
140.   Tectona grandis L.fll. — Djatti. Indië en de Archipel. Hooge
boom met vierzijdige takjes, groote wigvormige bladen en
witte bloemen in groote pluimen.
Wordt wegens zijn deugdzaam hout veel aangekweekt. — V.
-ocr page 56-
38
141.   Vitex Lonreirii Hook. et Arn. — China. Een boom met 3—5-
deelige, geaderde, glanzige bladen en geelgroene bloemen in
eindelingsche pluimen. — V. T.
142.   V. pubescens Vahl.—Laban M. Harras S. Indië en de Archipel.
Een boom van 30—50 voet. Bladen drietallig, groot, wig-
vormig, zachtharig; bloemen in dichte trossen, blauw.
Het hout is zeer geacht. Bladeren en schors leveren verfstof
en geneesmiddel. — V. T.
143.   V. trifolia L. — Oost-Indië. Bladen 3- of 5-tallig: blaadjes
eirond-spits, van onder viltig. — V.
Apocvneae.
Deze familie is bij ons vertegenwoordigd door den Maagdepalin.
144.   Willonghbya firma BI. — Gelah gitan gedang. M. Java,
Sumatra. Klimmende heester met lederachtige glanzige bladen;
bloemen wit of rooskleurig, talrijk in trossen; vrucht groot
oranjegeel.
Deze plant levert de Getah sengarip. — V.
145.   Ophioxylon Serpent iiium L. — Poeleh pandak M. S. Voor-
Indië, Java, Molukken. Een struik met melkgevende stengels
en bladen. Bladen kruislings, boven donkergroen, onder wit;
bloem wit. — V.
146.   Alstonia scholaris R. Br. — Gaboes J. PoeliM.3. LamehS.
Poelei kampong
M. Sumatra. Geheel Zuid-Azië en de Archipel;
ook in Afrika en Australië. Middelmatig hooge boom met
dikken stam, groote glanzig groene bladen en witte onge-
steelde bloemen.
Bekend wegens zijn zacht en licht hout. — V.
147.   Anodendroii coriacenm Miq. — Aroy tjoempal kikis S. Java,
Borneo. Heester met lederachtige bladen en witachtigebloemen
in schrale pluimen. — V.
148.   Cyrtosiphonia reflexa Miq. — Java, in \'s Lands Plantentuin.
Een kleine boom met wigvormige, langwerpig-spitse, gladde.
perkament-achtige bladen, neergebogen witte welriekende
bloemen en violette bessen. — V.
-ocr page 57-
39
ASCLEPIADEAE.
Z ij d e p 1 a n t.
149. Calotropis glgantea R. Br. — Badoeri, Madoeri, Bedoeri,
Wedoeri, Wadoeri
S. M. J. Zijdeplant. Algemeen in Indië, ,
China en den Archipel. Boomachtig met bleeke\'schors en
wollige scheuten. Bladen groot wigvorrnig-langwerpig, boven
zeegroen, zacht, onder wollig. Bloemen licht paars, in gesteelde
schermen: vruchten buikig, schuitvormig, altijd horizontaal,
hangend, met lang zijdeachtig zaadpluis.
(C. procera R. Br., een na verwante soort, is op het vaste
land van Indië inheemsch.)
De wortel, bekend als Moedarwortel, dient tot geneesmiddel.
Uit het melksap kan eene soort caoutchouk verkregen worden.
De vezels leveren een fijn vlas; het zijdeachtig zaadpluis kan
tot opvulsel van kussens gebruikt worden. De proeven, vroeger
genomen om dit zaadpluis tot draden en weefsels te bewerken,
worden steeds voortgezet en zullen waarschijnlijk tot grootere
waardeering in de toekomst leiden.
De vezels der plant zelve zijn zeer sterk en daarbij fijn
en komen met Europeesch vlas overeen. — Volgens Royle
overtreffen zij in sterkte den hennep Om deze vezels te ver-
krijgen, worden de rechtste takken afgesneden, welke den
tweeden en derden dag daarna worden geklopt; dan wordt
de schil er afgepeld en de dradige zelfstandigheid tusschen
de schors en het hout er afgenomen en in de zon gedroogd.
Deze bewerking echter is niet minder bezwaarlijk dan de
zuivering der Rameh-vezels. Door behandeling met salpeter-
zuur is een zuivere vezelstof verkregen, die moeielijk van
zijde is te onderscheiden Zij bezit geheel den glans en de
zachtheid van zijde en hare waarde weegt genoegzaam op
tegen de kosten der bewerking.
Doch op het zaadpluis vooral is thans de aandacht gevestigd
sedert van industriëele zijde verzekerd is dat elke hoeveelheid
van dit pluis kan worden geplaatst, mits een geregelde en
gestadige aanvoer van gelijke kwaliteit kan bezorgd worden.
Journal Society of Arts, Febr. 18, 1887 p. 284.
De volgende mededeeling over het voorkomen en de cultuur
der Calotropis op Java, in de Indische Opmerker van 14 Januari
1887, acht ik belangrijk genoeg om hier geheel over te nemen :
-ocr page 58-
40
Oj) Java groeit de plant overal in \'t wild, vooral langs
akkers en wegen. Men vindt daar de stengels tot eene hoogte
van i% a 2 Meter. Gewoonlijk worden zij echter voor zij
deze hoogte bereikt hebben, door de inlanders afgesneden,
die de vezels voor touwwerk en de stengels als brandhout
gebruiken. De plant schiet bij voorkeur op uit de met
het bandjerslib bedekte en met groote rolsteenen bezaaide
„alorans", de in de Oostmoesson droog liggende rivierbed-
dingen.
De Calotropis heeft veel minder eischen op den aard van
den bodem dan de Rameh. Zij groeit zoowel in de dorste
als in de rijkste gronden, zonder dat zij bepaald eene kostbare
bewerking, besproeiing en bemesting verlangt, hoewel deze
tot de meerdere productie zeker zullen bijdragen.
liet pluis moet vóór de verzending zorgvuldig worden ge-
droogd: ook dient het genomen te worden van goed rijpe
vruchten. De inzameling is eenvoudig. De vruchten springen
n.1., wanneer men ze aan de plant laat zitten, van zelf open
om haren inhoud uit te storten: doch ook als zij vóór het
openspringen worden afgeplukt en daarna in de zon gedroogd,
doen zij dit en hierop is de beste wijze van inzameling\' ge-
baseerd. Men legge de afgeplukte vruchten dadelijk in de zon
te drogen, om als zij op liet punt zijn open te springen aan
vooraf in eene loods naast elkander gespannen lijnen op te
hangen.
Bij het plukken heeft men echter op twee dingen zorg-
vuldig te letten: 1°. De vruchten mogen niet geplukt worden
dan voordat haar sterk, buikig en opgezwollen voorkomen,
benevens haar eenigszins gele kleur hebben aangetoond dat
zij rijp zijn. Op het gevoel zijn zij alsdan zacht en veer-
krachtig. 2°. Een paar Centimeters van het nagenoeg hori-
zontale vruchtsteeltje, dat met de richting der vrucht een
scherpen hoek vormt, moet mee worden afgeplukt; het vormt
een haakje, waaraan de vruchten gemakkelijk naast elkaar
zijn op te hangen.
Dit ophangen der gedroogde vruchten kan gevoegelijk door
vrouwen en kinderen geschieden, die er voor te zorgen hebben
dat slechts die vruchten, welke reeds beginnen open te
springen, opgehangen worden.
Alsnu storten zij binnen eenige uren de zaden met het
-ocr page 59-
41
daaraan losjes bevestigde zaadphiis uit op een zindelijke!) vloer
of wel een gesloten latwerk van bamboe. Doelmatig is het,
de aldus verkregen Widoeri-wol opnieuw aan de zonnewarmte
bloot te stellen om te drogen, evenwel op een plek, die voor
den wind volkomen is afgesloten.
Door middel van een eenvoudig werktuig wordt de Widoeri-
wol vervolgens van de zaden ontdaan, waarna zij ter ver-
zending gereed is.
1.   Bastvezels en garen, i                    .
_ „ , . .                      . verschillende monsters.
2.   Zaadpluis.                   *
3.  4. Afbeelding van Calotropis gigantea en C. procera.
150.   Clerodendroii fragrans Vent. — Baua S. Malatti ivolanda
of Takokkak oetan M. Malatti oelan M. Wora ivari toem-
poek
.1. — China; op Java veel in tuinen. — V.
151.   C. paniculatum L. — Kembang boegang S. Waroe dogong J.
Poetjoeng oetan M. Malang beranjam Suni. Achter-Indië,
Sumatra, Java. Heester van 3—0 voet. Bladen breed, diep
gelobd, getand: bloempluimen groot, behaard, los, rood. — V.
Ord. JjABiatae.
De familie der Lipblocmigen is bij ons bekend door de Doovenetel,
de Munt, de Tym euz.
152.   Coleus scutellaroïdes Benth. — DjawerkottokS.Miaramaas
M. Djawan gatver, Djewer burrum S. Archipel, Australië.
Struikaehtige plant met getande, onder purpere bladen en
witte, blauw gevlekte bloemen. — V.
Ord. Nepentheae.
Bekend door de Bekerplanten in onze wanne kassen.
153. Nepenthes inelainphora Reinw. — Daun kendi M. Pakoe sorok
radja
S. Kalok tjekko, Kemplong, Kentong-awar J. Java,
Borneo, in vochtige wouden. Een struikachtige plant met
lange, kruipende stengels en inwendig purperen bekers op
gevleugelde bladstelen. — V.
-ocr page 60-
42
Ord. Thymelaceae.
Tot deze familie behoort het Peperboompje (Daphne Mezereum).
154.   Daphne pendnla Smith. — Achter-Indië, Java, Suraatra.
Heester met langwerpige, spitse, gladde bladen en geelachtige
bloemen in harige hoofdjes.
Van den binnenbast der D. cannabina Wall. wordt in
Britsch-Indië een uitmuntend papier vervaardigd. — V.
155.   Wickstroemia Candolleana Meisn. — Bukkuh, Bukkuh-an.
Kleine Soenda-eilanden. Struik met kortgesteelde bladen en
kortgesteelde geelgroene bloemschermen. — V. T.
156.   Aqnilaria Agallocha Roxb. — Garoe of KelambakM. Kqjoe
koeda
M. Kajoe djaran S. Agila M. Aloë-hout. Indië en de
Archipel. Groote boom met dun-lederachtigebladeren: bloem-
schermen kort gesteeld, zijdeachtig: bloemen wit, vruchtdek
zijdeachtig. — V.
157.   A. malucceiisis Lam. — Mangkavas. Garou de Malacca.
Malakka, China. Gelijkt op de vorige, doch heeft smaller
bladen en dikke houtige vruchten. — V. T.
Het touw is bekend onder den naam Makassar-touw.
158.   Drimyspermum urens Rend. — Celebes. Fraaie boom, met
breede, gladde, spitse bladen, witte bloemen en bundels roode,
kersvormige vruchten. — V.
159.   D. Blnuiei Dec, — Kakas, Kakapasan S. Apiet J. Gadong laweh
S. Java en Noesa Kembangan. Boom met kortgesteelde, iets
lederachtige, gladde lange bladen; bloemhoofdjes ongesteeld;
bloemen wit, vruchten donkerrood.
De taaie bast wordt door den inlander tot touw gebezigd.
Miq. — V.
160.   D. ambignnm Meisn. — Java ot Soembawa. Verschilt van
D. Blumei door het behaarde bloemdek. — V.
Ord. LORANTHACEAE.
Tot deze familie behoort de Vogellijm (Viseum album).
161. Yisi-uui oriëntale Willd. — Lengkeh, Langkeh jangkang S.
Mengando seringan S. Indië, China, Australië. Een wijd ver-
takte struik, woekerend op boomen. Takken rolrond ; bladen
aan den voet smal, aan den top stomp; bessen purper. — V.
-ocr page 61-
43
Ord. Euphorbiaceae.
Welbekend door onze inlandsche soorten van Wolfsmelk(Euphorbia).
162.   Alenrites triloba Forst. (A. molaccana W.). — Kemirie M. J. .
Moentjang S. Sapirie op Celebes. Oost- en West-Indië,
Zuidzee-eilanden.
Een hooge boom met langgesteelde, witachtige bladen,
witte bloempluimen en rondachtige vruchten. De zaden worden
als specerij gebezigd en leveren eene uitmuntende olie. Ook
kan een goede gom uit den boom gewonnen worden. — V.
163.   Mal lotus Blnmeanus Muil. (Rottlera oppositifolia BI. Plagi-
anthera oppositifolia R. et Z.). — Tjaliek angien S. Ki-tagoen
siegung
J. Ki-meon, Ki-rnalakkian S. Java. Een rechtop
groeiend boompje met elliptische glanzige bladen en bepoe-
derde bloemhoofdjes.
Het hout is geschikrt voor buffelbellen. De bast wordt tot
het beschieten van huizen en rijstpakhuizen gebruikt. — V.
164.   Macaranga Mappa Muil. (Mappa moluccana Spr.). — Toetoep-
antjoer, Madang damar
of Baundoclang M. Molukken,
Sumatra. Boom met schildvormige gladde, gestippelde bladen
en tweehuizige bloemen. — V.
165.   Ricinus communis. L. —Djarak J. Djarak kepiur. Wonder-
boom. In alle warme gewesten verspreid, gekweekt of ver-
wilderd. Oorspronkelijk uit Hindostan. Een kruidige heester
of zachthoutige boom. Stengels en bladen zeer glad, de laatste
schildvormig en handlobbig; bloemen in trossen aan het eind
der takken; vruchtjes gedoomd.
Wordt meest om zijn oliehoudende zaden gekweekt. — V.
166.   Rottlera panicnlata Adr. Juss. — Tjalik angin berem S. Java.
Tenger boompje met langgesteelde, ruitvormig-spitse gladde,
onder geelachtig viltige bladen en kaneelkleurige bloemen in
takkige pluimen. — V\'
167.   Mallotns macrostachyns Muil. (Rottlera macrostachya Miq.).
— Telepok, Taliepoek, Talumpoek. Banka. Heester met
lange bloemtrossen in de blad-oksels en dicht gestekelde
vruchtjes. — V.T.
-ocr page 62-
44
168.   Mallotus albus Muil. (Rottlera alba Roxb.). — Baliek angien,
Bale/i angin
M. Sumatra, Poeloe-Pinang. Een boom met
langgesteelde, ruitvormig-eironde, lang gespitste bladen en
bloemen in losse pluimen. — V. T.
169.   Manihot Janiplia Pohl. (JatrophaManihotL.)« — HoeiIdang-
doer of Oebi dangdoer S. Ketella dj indraai, K. kajoe, K.pohon,
K. randoe.
Maniok of Cassave. Oost- en West-Indié gekweekt.
Heester met handvormige, 7-lobbige bladen en eenhuizige
bloemen in trossen.
Wegens de meelrijke knollen als voedsel gekweekt.
Pit van de stengels.
170.   Jatropha mnltiflda L. — Djarak tjina M. Java, uit Amerika
ingevoerd; algemeen in tuinen en langs de lieggen.
Struik of kruidachtig, met veelvuldige langgesteelde bladen
en roode bloemen in scliermachtige trossen.
De zaden en bladen dienen als geneesmiddelen — V.
Ord. Portulaceae.
Hiertoe behoort onze Porselein (Portulaca oleracea).
171. Sesuvinm repons. Willd. — Bandengan J. Gelong laut M.
Molukken langs de kusten. Tranquebar id.
Een sappige kruipende plant met rooskl. witte bloemen. — V.
Ord. Urticaceae.
De familie der Netel-aehtigeu, waartoe onze Brandnetel behoort,
bevat vele nuttige vezelplanten.
Sub.-Ord. Cei.tideae.
172. Sponin ambonensis Dne. <N. velutina Planch. Trema ambo-
nensis BI.).
— Koeray merah op Java. Sentaron;/ op Sumatra.
Oost-Indië, China, Java, Sumatra, Borneo. Kleine boom met
wollige takken en ruwe, borstelige, van onder zilverdonzige
bladen. — V.
-ocr page 63-
45
173.   S. orientalis Planch. (8. Wightii VU). - Koeray ofKoeray
berem
S. Anggroeng J. Indian Xettle tree. Geheel Indië, Ceylon
en de Archipel. Een kleine, snelgroeiende en kortlevende boom
met zachtharige takken, eirond-spitse, van boven ruwe,onder
zachte, stompgetande bladen : bloemen in wijde trossen, klein;
rijpe vrachtjes zwart.
Vormt in Eng. Indië dikwijls den tweeden plantengroei na
het uitroeien der bosschen; wordt daar ook wel als schaduw-
boom in koffieplantages gekweekt. De binnen bast is taai en
sterk, en wordt in Zuid Eng. Indië gebruikt om de balken
der inlandsche huizen te verbinden en in Assam om een ruwe
kleedingstof (Amphah) te maken.
De boom wordt wegens zijn snellen groei (25 voet in 5 jaar)
aanbevolen om de graswildernissen weer in bosch te hervor-
men. Gamble. — V.
174.   S. discolor Dne. — Trema. Oost-Indië, Taïti, te Buitenzorg
gekweekt. Boom met zacht behaarde, zilverachtig glanzende,
eirond-spitse bladen. — V.
Sub.-Ord. Caxnabineae.
Type de Hennep.
175. Cannabis sativa L. var. indica.— GinjehS. Indische hennep.
Op Java, hier en daar in tuinen verbouwd" — V.
Sub.-Ord. Moreae.
Type ile Moerbeiboom.
176. Bronssonnetia papyrifera Vent. (Morus papyrifera L en B.
papyrifera var. cnspidata).
— Papier-Moerbeiboom. Sai S.
Deloewang J. Japan, China, Polynesië, Siam. In Indië ge-
kweekt; verdraagt ook de gematigde luchtstreek. Een mid-
delmatig hooge hoorn met eironde, getande, onder zachtviltige
bladen. Bloemen tweehuizig; mannelijke bloemen in lange
katjes, vrouwelijke in een bolvormig hoofdje.
De binnenbast van dezen boom levert een soort van na-
tuurlijk papier, dat sinds overouden tijd in China en Japan
van uitgebreide toepassing is. Op de Zuidzee-eilanden dient
-ocr page 64-
46
dit papier als kleedingstof. Op Java, in de Molukken en andere
streken van den Archipel komt de boom veelvuldig voor en
wordt zijn vezelstof evenzeer tot papier en velelerlei touw-
en vlechtwerk bereid.
De bast wordt in water geweekt, ten einde de stof van
het klevend moes te zuiveren. Daarna wordt het vlies op
een blok zoolang gebeukt, tot de vezels zich vereenigd hebben
en het blad effen is. Als de stof voor schrijfpapier moet dienen,
wordt zij door rijstwater gehaald en ten laatste geglansd; zij
kan dan ook voor boekdruk gebruikt worden. De Sturler.
De Japanneezen gebruiken dit papier voor behangsels,
kleedingstukken, cartonnages, kunstmarokijn enz.
Wegens de gemakkelijke kweeking en de geschiktheid om
ook koudere klimaten te verdragen, kan deze boom niet
genoeg worden aanbevolen.
In Japan wordt de bast gewasschen, gedroogd, nogmaals
in water geweekt en van de buitenste huid ontdaan, daarna
gekookt in een mengsel van boekweitasch om alle gomdeelen
te verwijderen. De vezels zijn dan voldoende gescheiden en
worden door kloppen met houten hamers tot pulpe vervormd.
Deze pulpe wordt in vaten gemengd met de noodige hoeveel-
heid water, waarbij een melkachtige stof wordt gevoegd, bereid
uii rijstmeel en een gomachtige oplossing van den bast der
Hydrangea paniculata of den wortel van Hibiscus Manihot.
De papiervellen worden op een soort matten van zeer dunne
bamboestaafjes gevormd en daarna gedroogd. Deze vellen
zijn gewoonlijk 2 voet lang, doch somtijds ook 10 voet.
\\ . Vezelstof, touw en papier. Molukken.
2.                ld.                Japan.
177.   Morus indica Rmph. — Indische Moerbei. Bebeaaran S. Ki-
besar
M. Indië, China en Japan. Veel gekweekt. Middelmatig
hooge boom met afvallend loof. Bladen langwerpig-eirond,
ongelijk gezaagd; bloemen eenhuizig in dichte aren: de vrou-
welijke kort. De vrucht is eetbaar. In Eng. Indië en Siam
wordt deze boom veel voor de zijde-cultuur geplant. — V.T.
178.   Sloetia Sideroxylon T. B. — Kapinie, Pindis, Sumatra.
Tampinies, Riouw. Riouwsch IJzerhout. Sumatra, Riouw,
Banka. Hooge boom met gave bladen en zware cylindervor-
mige bloemtrossen. — V.
-ocr page 65-
47
Sub-Ord. Artocarpeae.
Type de Broodboom.
Geslacht Ficns (Vijgenboom).
Ondergeslaclit Urostigma.
Meest reusachtige boomeu met zware stammen, wijd uitgespreide
takken en glanzige lederachtige bladen. Van uit de takken dalen tal-
loozc lucht wortels, die op den bodem gekomen, nieuwe stammen rondom
den moederstam vormen. Het gestolde melksap is een der meest alge-
meene soorten van Caoutchouk. De bastvezels zijn taai en voor sommige
doeleinden bruikbaar.
179.   Kiens mysorensis Roth. (Urostigma mysorense Miq.). —
Eng. Indië. — V.
180.   F. annulata BI. (U. annnlatnm Miq). — Kiarapereng, Kiara
tepok
J. Java, Sumatra. — V. T.
181.   F. globosa BI. (U. globosum Miq.). — Kajoe dadi. Java.
Klimmend en wortelend boomgewas — V.
182.   F. acamptophylla Miq. — Z. Borneo. — V. T.
183.   F. infectoria Roxb. (U. infectorium Miq.).— Loa S. Bengale,
Soembawa. Bast grauw, in lange reepen afscbilferend. — V.
184.   F. glabella BI. (D. canalicnlatnm Miq.). — Pré S. Java,
Pinang. — V.
185.   F. rellgiosa L. (U. religiosum Gasp.).—Boe.noet kalodjaS.S.
Indië en de Archipel. Op de takken wordt in Centraal Indië
veel stoklak gewonnen. De booin is heilig bij de Boeddhisten.
186.   F. elastica BI. (ü. Karet Miq.). — Karet S. M. Caoutchoucboom.
Java. Een in Europa algemeen bekende kamerplant. — Bast. V.
187.   F. elegrans Hssk. — Jlamberang bodas S. Java. Lage boom
met horizontale, neergedrukte takken: bladen hartvormig, ge-
lobd, spits getand , onder sneeuwwit; vruchten oranjegeel. —V.
188.   F. fulva Ruw. — Hamberang berem S. Java, Sumatra. Bladen
lang gesteeld, hartvormig, bovenop ruw, onder geel, viltig. —V.
-ocr page 66-
48
Ondergeslacht Eusyce.
188.   Ficus toxicaria L. — Birong S. Archipel. — V.
189.   F. alba Ruw. — Java. Lage boom of heester. — V.
190.   F. leucoptera Miq. — Kapoean, Krossoh J. — V. T.
191.   F. hirta Vahl. — Hamberang soe-gang J. Java.
192.   F. coronata Rnw. (F. asperinscula Kth.). — Oeya-oeyahan
Java, Sumatra. — V.
193.   F. politoria Lam. — Ampelas J. Ampaleh baltang Men.
Ram plas M. Java. — V.
Ondergeslacht Covellia.
194.   F. hispida L.f. (Covellia hispida Mlq.). — Bisoro S. Java.
195.   F. lepicarpa BI. (Covellia didyma Mlq.). — Wilodo J. Su-
raatra, Java. — V.
196.   F. septica Rmpli. — Awar-awar S. J. Serih bopar M. Mo-
lukken. Het melksap is vergiftig. — V.
197.   F. rhizocarpa T. et d. Vr. — Loleh, Menado. — V.
198.   Antiaris Toxicaria Lesch. — Pohon oepas J. Antjar S. Ipo
of Nipo Celebes. Javaansche Gif boom; Oepas. Archipel, Ach ter-
Indië, Ceylon. Hooge boom met langwerpig-elliptische, zacht-
harige bladen en schubbige bloemen.
Hout niet duurzaam. Het witte sap is zeer vergiftig. De
binnenbast levert een goede vezelstof, waarvan sterk touw
gemaakt wordt. Uit deze stof worden, volgens Gamble, ook
zakken voor de rijst gemaakt. — V. T.
199.   Artocarpus incisa L.f. — Kloeivii. TiemboelU.3. TaroqM.
Sum. Broodboom. Polynesië, Molukken, Soenda-eilanden.
Hooge boom met leerachtige, glanzige, vindeeligingesneden
bladen. Bloemen eenhuizig; vruchten zeer groot; zaden als
kastanjes.
De vrucht dient tot voeding; het melksap dient als vogel-
lijin. Uit den bast van deze en de volgende soorten vyordt
een roodachtig, sterk en duurzaam touw vervaardigd. De
bast zelf in zijn geheel afgestroopt, dient voor de Zuidzee-
eilanders tot kleedingstof: Ook in den Archipel wordt de bast
van verschillende boomsoorten vaak tot kleeding gebezigd.
-ocr page 67-
49
200. Artocarpus elastica Ruw. — Boenda of Boeda S. Terap,
Terep
S.M. Troeèp, Turrup, Bedjok. Java. Hooge boom met
groote, stijf bebaarde, bocbtig ingesneden bladen.
Van den bast wordt een vrij sterk, roodachtig touw ge-
maakt. De bladen dienen als onderleggers in de rijstpakhuizen
(liliep parree). — V. T.
20-1. A# integrifolia L. Nangka M. J. Tjoebadak kampong M. S.
Nangka beurriet S. In geheel Oost-Indie gekweekt. Hooge
boom met langwerpig-eironde, gave, glanzige bladen; vruchten
grooter dan bij de vorige soort. De vrucht dient als voedings-
middel; het hout is fraai en bruikbaar. De bladen dienen tot
polijsten; het melksap tot vogellijm. — V.
202.   A. Blumei Tréc. (A. pubescens W.). — Bendo J. S. Kokap
Mad. Bangil, Turrup J. Java, Borneo. Hooge boom met
elliptische behaarde bladen. Vrucht eetbaar; hout minder
deugdzaam. Melksap als vogellijm. De bladen dienen totbe-
kleeding der rijstpakhuizen. De binnenbast wordt tot touwwerk
gedraaid. — V. T.
203.   Conocephalus suaveolens BI. — Kallas, Kalassan, Aroy
kakeedjoan.
Achter-Indië, Java, Sumatra enz. Een altijd
groene, klimmende heester met langwerpige, wit gespikkelde
bladen. Mannelijke bloemen geel, in groote trossen; vrouwelijke
paars, grooter, in schrale trossen in de bladhoeken. — V. T.
Sub-Ord. Urticeae.
Type: de Brandnetel.
204.   Laportea crenulata Gaud. — Poeloes, Djelatong. Geheel
Zuid-Azie, Java, Ceylon, Philippijnen. Boomachtig met hart-
vormig-spitse, gekartelde bladen en kleine, onaanzienlijke
bloemen. De bladen zijn bedekt met brandende haren, die
de behandeling der plant zeer lastig maken. Van de vezels
wordt touw gemaakt. — V.
205.   L. costata. Miq. — Kamadoeh, Poeloes, Dawon gatel.Sa.va.
Boomachtig met dikke takken en dicht opeen staande, lang-
werpige, kortgespitste, papierachtige bladen. — V.
4
-ocr page 68-
50
200. Girardinia heterophylla Dcne (Urtica heterophylla Yatal).—
Neilgherry-netel. Oost-Indië. Eenjarig. Bladen langgesteeld,
hartvormig eirond of gelobd, ruw behaard. Hoewel ruw van
uiterlijk, heeft deze plant geen ernstig neteligen aard. Het
brandend gevoel bij het aanraken der bladen duurt slechts kort.
De bast levert overvloedig een fraaie witte, zijdeachtige,
sterke vezelstof, niet ongelijk aan die van Raineh. De kweeking
geschiedt door zaad en is zeer gemakkelijk. — V.
RAMEH.
207. Boehmeria nivea Gaud. en B. nivea 8 tenacissima. (B
candicans Hssk.).
— China-gras. Rameh M. Kapirit S.
Kloet op Sumatra. Geheel Zuid-Azië, Archipel, China, Japan,
enz. Overblijvende heesterachtige plant. Jonge takjes grijs-
aclitig, zachtharig: bladen aan den voet afgerond of langs
den steel afloopend, getand, ruw, met witte viltige onder-
vlakte; bloemen in vertakte aren of pluimen.
De verscheidenheid 8 tenacissima, die in Ned. Indië alge-
meen gekweekt wordt, heeft grootere, langer gepunte, aan
den voet veelal hartvormige bladen, die op de ondervlakte
grijsachtig-viltig en niet sneeuwwit zijn.
Sommige schrijvers hebben beide planten tot verschillende
soorten gebracht (Urtica nivea en U. utilis, Boehmeria nivea
en B. candicans, enz.): doch velen nemen aan dat de Rameh
eene verscheidenheid is van de witte Netel of het Chinagras.
Beiden hebben een zeer uitgebreid grondgebied en groeien
in geheel zuidelijk Azië, de Soenda-eilanden, Molukken, China,
Japan en de Mariannen. De verscheidenheid heet in het
Maleisch Rameh of Rameh goenoeng, in het Soendaneesch
Kapiriet of Kiparoy, in het Sumatraansch Kloei, in het
Ambonsch Inan, in het Makassaarsch Gambi, in Britsch-Didië
Calooe en Kunkomis. Bij de Chineezen heet de sneeuwwitte
Netel Tchoe-Ma, in Britsch-Indië Rhea.
De vezels, die uit de stengels van beide planten verkregen
worden, verschillen in samenstel zeer weinig van elkander.
Bij beiden zijn zij bezet met kleine, haarachtige vezeltjes en
komen onder het mikroskoop veel met hennepvezels overeen.
-ocr page 69-
51
Zij bezitten echter een meer helderen, glas- of ijsachtigen
glans. Van vlasvezels zijn zij door gemis der dwarse streepjes
zeer gemakkelijk te onderscheiden.
De Rameh-plant wordt reeds sedert eeuwen door de in-
landers van den Archipel gekweekt en de vezelstof\'voor eigen
gebruik op zeer eenvoudige wijs gewonnen en bereid. Veel
grooter zorg hebben de Chineezen besteed aan de teelt en
de bewerking der Rhea. De uit de vezels dier plant gemaakte
weefsels werden reeds in de ltjde eeuw uit Oost-Indië, vooral
uit Goa en Calicut hier te lande ingevoerd, waar zij als
Oost-Indisch neteldoek zeer gezocht waren. Ook hier te
lande werd de grondstof ingevoerd en daaruit neteldoek
geweven. De groote uitbreiding der katoen-cultuur heeft
het neteldoek allengs op den achtergrond gedrongen, tot
het in onze dagen, hoewel onder andere namen, zich weder
doet gelden. Het zoogenoemde China-gras of graslinnen is
van dezelfde grondstof afkomstig.
Het China-gras wordt door de Rameh in waarde over-
troffen. De Rameh-vezels staan ontwijfelbaar in rang op de
lijst van alle plantaardige vezelstoffen boven aan, door sterk-
te, fijnheid en rekbaarheid. Zij overtreffen in kracht den
besten Europeeschen hennep en in glans het fijnste vlas, en
zijn even geschikt tot het opnemen van kleurstoffen.
Niet te verwonderen dat reeds sinds lang de aandacht der
Indische ondernemers op dat product is gevestigd geweest.
Reeds in 1817 werd de cultuurder Rameh door Koning WillemI
aanbevolen; in 1842 door Prof. Blume, en in 1844 werd voor
de cultuur en bewerking eene prijsvraag door de Maatschappij
van Nijverheid uitgeschreven. Het tweede gedeelte dezer prijs-
vraag is in 1847 beantwoord door S. A. Meerburg te Leiden,
door het vervaardigen van verschillende uitmuntende weefsels,
die nog op het Koloniaal Museum worden bewaard.
Op de eerste Wereldtentoonstelling te Londen in 1851 trok
de inzending Rameh-vezelstof van den Heer L. Weber te
Tjogreg op Java de algemeene aandacht, en werd hem wegens
de uitmuntende hoedanigheid dezer inzending de prijsme-
daille toegekend. Ook deze inzending is in het Koloniaal
Museum bewaard.
Het bleek echter dat een groot bezwaar de uitbreiding der
Rameh-cultuur in den weg stond. De bewerking der ruwe
4*
-ocr page 70-
52
tot spinbare vezels is op de gewone wijs, zooals zij door de
inlanders geschiedt, te kostbaar. De oorzaak daarvan ligt
hoofdzakelijk in de kleverige stof door welke de buitenbast
aan den binnenbast verbonden is, en wier verwijdering te
veel tijd en arbeid vereischt. Eene zuivering door roting werd
wel voldoende geacht, doch daardoor werden kleur en duur-
zaamheid der vezels te zeer benadeeld.
Sedert Weber\'s inzending werd in langen tijd niet meer
van de Rameh gewag gemaakt, tot in 1867 de aandacht der
Maatschappij van Nijverheid door de Regeering werd geves-
tigd op mededeelingen betreffende de Rameh-cultuur in
Mexico en de zuidelijke staten van Noord-Amerika. Ken vol-
ledig overzicht van alles wat destijds over het onderwerp
bekend was, is opgenomen in het Tijdschrift van Nijverheid
1869, bl. 1.
Sinds dien tijd is de Rameh-cultuur in vele koloniale en
niet koloniale landen het onderwerp gebleven van onuitput-
telijke plannen, voorstellen, cultuur- en bereidingstelsels. In
Amerika, Frankrijk, Spanje, Italië, Algerië en niet het minst
in de Nederlandsche en Britsche Koloniën heerschte een koorts-
achtige ijver om het groote probleem, de bereiding der vezels
tot een handelsproduct, op te lossen. Rameh-maatschappijen
werden opgericht, tijdschriften bepaaldelijk voor de Rameh-
cultuur in het licht gegeven, ja, zelfs uit het Zuiden van
Frankrijk en Algerië kwamen van tijd tot tijd berichten dat
reeds groote oppervlakten land in cultuur waren gebracht.
Zelden is meer ophef gemaakt van een nieuw artikel, en
toch is later gebleken dat er eigenlijk nergens eenig gunstig
resultaat verkregen was.
Onder de aanbevolen werktuigen tot bereiding der Rameh,
noemen wij die van Dr. Roezl, Roland, Laberie en Berthet,
van der Ploeg, Fremy-Favier, Roquet, Smith en Death &
Ellwood.
Door het Britsch-Indisch Gouvernement werd in 1869 een
premie van £ 5000 uitgeloofd aan den uitvinder der beste
machine of methode voor de bewerking der Rhea-vezels,
welke premie in 1877 werd vernieuwd. Verscheidene inzenders
namen deel aan den wedstrijd die in 1879 te Saharampoer
werd gehouden; doch aan geen hunner kon de premie worden
toegekend.
-ocr page 71-
53
Ik heb bij het verslag van den wedstrijd de meening geuit,
dat de uitloving eener premie in Ned. Indië wellicht gunstiger
gevolgen zou hebben, omdat de Javaansche Rameh voortref-
felijker vezelstof levert dan de Rhea. De eerste toch heeft
een rechten, gladden, gelijken stengel, terwijl de Rhea stugger
en knoopiger is en dus lastiger voor de bewerking meteene
machine. (Tijdschr. v. Nijverh. 1877, bl. 533).
Do nieuwste der aanbevolen machines, die van Smith>
verbeterd door Death & Ellwood, heeft evenmin als de andere
aan de eischen voldaan, en het vraagstuk is dus nog niet
opgelost.
De toekomst voor de Rameh is dus even duister als voor-
heen, tenzij wij eenig gunstig bericht ontvangen omtrent de
uitvinding van den Heer Plaisir te Hendrik-Ido-Ambacht.
die uitstekende proeven van bereiding heeft geleverd, en in
overleg met wien thans eene Rameh-plantage door den Heer
Juta in Suriname is aangelegd.
Omtrent de cultuur in het groot bestaan wel vele voor-
schriften, doch nog geen op praktische uitkomsten gebouwde
handleidingen. Zeker is het dat ook de cultuur moeielijk-
heden met zich brengt, wellicht niet minder dan de bereiding.
Een heesterachtig gewas dat zeer uitstoelt en dus in massa
nooit zoo gelijk groeit als vlas en hennep, kan, aan zichzelf
overgelaten, nooit regelmatig te berekenen oogsten geven.
Een lichten niet te drogen grond, met goede afwatering,
bemesting en omwerking tot 30—40 c.M. zijn hooidvereischten.
De kweeking kan door zaaien of stekken geschieden. De
opbrengst wordt berekend op 75 tot 100 Ton stengels in het
jaar per bouw. De oogst der stengels moet geschieden vóór
zich de bloemen geheel hebben ontwikkeld. Zie omtrent de
cultuur: K. W. van Gorkom: Indische cultures, Deel 11,
bl. 563 en H. van Heumen; Indische Gids December 188:?.
De prijs van China-gras bedroeg in April 1887 aan de
Londensche markt M 37—38 de Ton.
-ocr page 72-
54
Voorwerpen en Monsters in het
Museum.
Kameh-stengels met bladen en bloemen, gedroogd.
Afbeelding van de Ramehplant.
Rameh-stengels, Buitenzorg.
half bewerkt.
en vezels, bereid te Londen 1884.
•             "          vezels en touw, Java.
«            »                       » » Kedïri, Java.
•             •              • » « Salatiga, «
•             •              » » » Preanger, »
•             •              « » « Cheribon, »
•                              »                        Malang. «
vezel, half bereid en bereid, Koemans, Gouda.
»
          » bewerkt door de Rameh-Maatschappij „Barek", Java.
» inlandsch bewerkt, Buitenzorg.
«
          »              «                «          Sumatra-exp.
•           • fijne kwaliteit, S. A. Meerburg.
•           • goede »                       ld.
•           » onvoldoende bewerkt, ld.
» gesponnen garen,
                     ld.
» touw,
                                          ld.
•       lijn,                                            ld.
zeer fijn hewerkte vezel,
         ld.
•       servetgoed,                                ld.
\' zeildoek, ld.
•       bewerkt door de machine Roland.
« in Engeland zeer fijn bewerkt.
•        » Marseille » •          »
•        • N. Orleans bewerkt.
» > Deli (Sumatra) bewerkt.
•       bewerkt met de Smith-machine.
«            \'          1 " verbeterde Roquet-machine.
•             •          . >            •                    .                 onder sterken
toevloed van water.
touw van Koetei, Borneo.
» » Sumatra-expeditie.
-ocr page 73-
55
35- Rameh-weefsel, geverfd en bewerkt.
36.         « vezelstof, 3 monsters, volgens een nieuwe methode binnen
een uur van ruw tot gebleekt bewerkt. Ch Amould, 1879.
37.   Rhea (Boehmeria nivea), stengels en vezels uit Assam.
Ramen, bewerkt door H. W. Plaisir
te Hendrik Ido Ambacht, 1885.
38.   Kuwe schil.
39.   Monsters bij de eerste bewerking verkregen.
.40. *
           • » volgende »                »
41. «          No. 2, gebleekt.
.42. »                "            * op andere wijs.
43. »          op een fabriek van Chinagras verder behandeld.
208.   MemorialispentandraWedd.(HyrtanandrapentandraMiq.).—
Oeran-oerangan J. Voor-Indië, Java, Philippijnen. Rechtop-
groeiende, struikachtige plant met gladde stengels en smal-
langwerpige bladen. — V.
209.   Pipturus velutinus Wedd. — Tjammoen S. Java, Molukken,
Timor, Societeits-eilanden. Heester met groote,hartvormig-
ronde, gekartelde bladen en kleine bloemhoofdjes. — V.
210.   Yillebrunea rubescens BI. (Oreocnide major Miq.). — Java.
Heester met lang gesteelde, elliptisch-spitse\', van het midden
af getande bladen, — V.
211.   V. sylvatica BI. (Oreocnide sylvatica Miq.). — Djoerong,
Mimiran, Nangsi
S. Java, Sumatra. Boom van20—30voet,
met gladde takken en donkergroene, langwerpig-spitse, flauw
gezaagde bladen. Bloemen klein in hoofdjes. — V.
■212. Lencosyke alba Z. et M. — Angin-angin J. Ki-buntur S.
Archipel. Struikachtige plant met ros-viltige takjes en spitse,
meer of min leerachtige, ruwe bladen. — V.
-ocr page 74-
50
Ord. Gnetaceae.
213.  Gnetum Gnenion I.. — Tang kiel M. J. S. Tang kil oetan,
Garintoel
J. Mcninjo M. Mlindjo, Koelan-oetan. Mak., Soö
Timor. Archipel, N. Guinea, Philippijnen, Mariannen. Groote
heester met elliptisch langwerpige bladen; bloemen eenhuizig;
zaden ongesteeld, elliptisch.
De jonge bladen dienen tot groente; de vruchten worden
gegeten; de bast levert een uitmuntende vezelstof, waarvan
touw word geslagen dat zeer duurzaam onder water is. F.—V.T.
214.   G. latifoliuiii. BI. — Kasoengka J. Kajoe Ganemoe M. Java,
Celebes. N. Guinea. Stam opgericht of rankend ; bladen eirond,
droog wordende zwartachtig; katjes tweehuizig, in bundels
of trossen. —
215.  G. neglectunu BI. — Suniatra, Borneo, zeldzaam in Java.
Stam rankend; bladen langwerpig, lederachtig, droog wor-
dende bruin; katjes tweehuizig. — V.
216.   G. edule. BI. — Tali gnemon M. Tangkil assoe J. T. of Ka-
soengka beril
S. Wall soa Amb. Koelan besar Mak. Malabar
en de Archipel. Stam rankend; bladen langwerpig, iets puntig,
droog wordende bruin; katjes tweehuizig; vruchtjes kortge-
steeld. Vrucht eetbaar. — V.
217.  G. funiculare. BI. — Tali gnemon M. Kasoengka berit S.
Koelan Mak. Soa wali Amb. Stam rankend; bladen lang-
werpig, aan top en voet versmald, droog wordende zwartachtig.
De ranken (kruipende stengels) worden in de zon gedroogd,
van de buitenste groene schil ontdaan en de bast eindelijk
van het hout losgemaakt. Deze bast wordt nu tot koord
bewerkt, dat zelfs de Rameh in fijnheid schijnt te overtreffen
en waarvan vischnetten enz. gemaakt worden.
De vrucht eetbaar; de sappen dienen als geneesmiddel. — V.
-ocr page 75-
57
Afd. MONOCOTYIEDONEAE.
Vaatbundels in den stengel verspreid. Bloemdeelen meest 3- of 6-tallig.
Aderen der bladen evenwijdig loopende. Zaden meest met ééne zaadlob.
Ord. SCITAMINEAE.
Familie der Pisangs of Bananen. De stengelbast levert bij vele
soorten een uitmuntende vezelstof.
Sub.-Ord. Maiunteae.
218.   Amomum dealbatnm Roxb.— IlanggassangedehS. Soenda-
eilanden. Vaste plant met langwerpig-lancetvormige, boven
en onder versmalde bladen; bloemaren uit den wortel opeen-
gehoopt: bloemen wit. — V.
219.  Donacodes Walang. Miq. — Walang. Java. — V. T.
220.  Maranta dichotoma Wall. — Bambang, Bangban S. Java,
Molukken. Heesterachtig, vorkig getakt; bladen gesteeld,
hartvormig-eirond en langwerpig spits; bloemen rood in tros-
sen. De stengels worden in reepen gespleten, waaruit zeer
zachte matjes worden vervaardigd, wier frischheid hen uit-
stekend geschikt maakt voor slaapmatjes in heete klimateu.
Door de inlanders worden de gespleten stengels ook voor
weefrieten gebruikt. — V. Stengel. Wecfriet.
Sub.-Ord. Museae.
221. Mnsa Cliffortiana L.\') — Pisang batoe. In alle tropische lan-
den gekweekt.
Palmachtig gewas met dikken, door bladscheeden bedekten,
6—8 voet hoogen, paars gevlekten stam; bloemkolf hangend.
Vrucht langwerpig, aan de uiteinden versmald, zeisvormig,
driekantig, geel; zaden knobbelig. — V. T.
De stammen der Pisangs of Bananen in Oost- en West-
indië bevatten een zeer bruikbare vezelstof, die gewoonlijk
verloren gaat omdat deze gewassen hoofdzakelijk om de
vruchten gekweekt worden. Een Bananenstam, dadelijk na
het inzamelen der vrucht 2 voet boven den grond afgesne-
1) De nomenclatuur volgens den Catalogus van \'s Lands Plantentuin te
Buitenzorg, 1866. De meeste monsters zijn van daar afkomstig.
-ocr page 76-
58
den en van zijn bladen ontdaan, wordt overlangs gespleten;
de verschillende stukken met de hand uitgeklopt en gewas-
sclien en leveren dan van 1.50—2 pCt. zuivere vezelstof. De
vezels van het ondergedeelte des stams en van de bladstelen
zijn niet bruikbaar. Van een zwaren pisangstam kan men
dus ongeveer 14 Kilo vezelstof verkrijgen. Deze vezel wordt
in waarde geschat op ƒ150— ƒ180 de Ton (1000 Kilo).
Volgens berekening worden alleen op Jamaica jaarlijks
2 millioen bananen-stammen weggeworpen en blijven op het
land verrotten na het afsnijden der vruchten, en zou dus bij
meerder zorg door de inlanders voor hen een nieuwe bron
van verdiensten worden geopend. Bulletin Kew Gardcns,
April 1887. Hetzelfde geldt voor Ned. Oost- en Westindië;
doch zonder Europeeschen invloed zal van de zorgelooze
inlanders weinig te wachten zijn.
Voor papierstof zijn de bananenvezels uitstekend geschikt,
doch om met sparte en houtvezel te concurreeren moet de
prijs niet hooger zijn dan ƒ48 — ƒ72 de Ton. Voor papier-
bereiding is het voldoende de stammen in korte stukken te
snijden en deze daarna overlangs in smalle reepen, die na
tusschen rollen van het water en celmoes te zijn bevrijd, in
de zon gedroogd worden en daarna in balen gepakt voorde
verzending. Bulletin Kew.
222.   Mnsa Cliffortiana L. «. seminifera. Pisang batoe.
223.      „            „           Gedang beljiedjie. — V.
224.      „            „           Tun bloei nam. Siam. — V.
225.      „            ,.           Pisang\' kapok.
MANILLA HENNEP.
227. Mnsa mindnnensis Rmyli. (31. textilis Bniz). — Pisang oetan
M. Kocla abbal Amb. Fana Tem. Koffo Minahassa. Abaca
Philippijnen. In de wouden van Mindanao, Sangier, Gilolo,
Celebes enz. Manilla-hennep. Stam van de dikte van een
kokosboom, 20 — 30 voet hoog, zwartachtig; bladen stevig,
groot, diep groen; bloemkolf hangend; rijpe bessen groen-
-ocr page 77-
59
achtig, ongelijk veelhoekig. Gelijkt veel op de gewone pisang,
doch heeft kleine oneetbare vruchten. De inlanders kweeken
haar in boschjes op 3—5 voet afstand van elkaar. De cul-
tuur geschiedt op ruwe wijs en bepaalt zich alleen tot schoon-
houden van den grond. Op driejarigen leeftijd is de boom
volwassen en geschikt om te worden gekapt. Boomen die
reeds in vrucht geschoten zijn, leveren geen goede vezelstof.
Deze vezelstof wordt uit den stam of tronk bereid. Nadat
deze gekapt is, ontspruiten in korten tijd nieuwe loten uit
den wortel, zoodat een goed onderhouden bosch tweemaal
\'sjaars een oogst kan leveren. De tronk wordt eenigeCentim.
boven den grond afgehouwen; hij is bekleed met over elkander
liggende reepen of strooken, die van elkander worden ge-
scheurd als de tronk van zijn bladen bevrijd is. Deze lappen
zijn 3—4 c M. breed en 2 a 3,5 M. lang. Zij worden eerst
in smallere reepen verdeeld en met de hand over een mes
getrokken, waarop zij met een onderliggend stuk hard hout
worden gedrukt, terwijl de spanning door een treêplank wordt
verkregen. Deze bewerking reinigt de vezels van het waterige
vleezige gedeelte en er blijft nu alleen over deze vezels in
de open lucht te drogen, waarna zij voor den handel gereed
zijn. De reepen moeten twee of driemaal over het mes ge-
haald worden voor zij geheel zuiver zijn. Twee man, een
aan het mes en een om de stammen te hakken, deze te
verplaatsen en de reepen af te halen, kunnen ongeveer 12
K.G. vezelstof per dag bereiden- Een getal van 150—200
stammen zijn noodig voor de opbrengst van één Pikol (61,50
K.G.), 3200 stammen voor een Ton (1000 K.G). De geringe
oogst, door een inlander per dag verkregen , wekt verbazing
als men nagaat welke kolossale hoeveelheden jaarlijks uit
Manilla, vooral naar Engeland worden uitgevoerd.
De uitvoer bedraagt in de laatste jaren ongeveer 20000
Ton, ter waarde van ruim \\i millioen £. De vezelstof wordt
veel voor scheepstuigage en touwwerk aangewend, ook
voor garens. Eene meer uitvoerige beschrijving vindt men in
de Sturler\'s welbekend Handboek voor den Landbouw in
Ned. Oostindië, I bl. 215. Daar wordt ook een eenvoudig
werktuig beschreven, dat voor het afstroopen der vezels
is aanbevolen.
Voor een aantal jaren is de Manilla-hennep met goed
-ocr page 78-
60
gevolg gekweekt in de Minahassa op Celebes, doch deze
cultuur schijnt aldaar weder te zijn te niet gegaan.
Een der voorname redenen, waarom aan den Filippijnschen
hennep de voorkeur wordt gegeven boven den van elders
ingevoerden, is de uitstekende bereiding en doelmatige ver-
pakking van den eerstgenoemden.
In het belang der Nederlandsche ondernemers, die weder
eene proef met de Manilla-pisang zouden willen nemen,zijn
thans op het Museum door de welwillendheid van den Heer
P. Montauban van Swijndregt te Oldenzaal, tentoongesteld
twee balen Manilla-hennep zooals deze gewoonlijk worden
ter markt gebracht en geregeld koopers vinden. De waarde
is tegenwoordig /\'360—ƒ480 de Ton. De balen zijn altijd
geperst op 125 K.G. en zeer gemakkelijk en handig voorde
verlading. Tijdschr. v. Nijverh. 1885, bl. 155.
i. Afbeelding van Musa mindanensis met de bewerking.
2.  Model-werktuig ter bereiding.
3.  Bastreepen.
4.  Vezelstof uit Ned. Indie.
5.         •         • Manilla, 2 balen.
6.  Weefsels en touw.
227.   Musa ornata Roxb. (M. salaccensis Zoll.). — Kembang
woengoe, Tjaoe solo
S. Voor-Indie, Java. — V.
228.   Musa Rnmpliiana Krz. — V.
n. Simiarum.
229.   Kohleh boddas. — V.
230.        » burrum. — V.
231.        » heedjoh. — V.
$, Violacea.
232.   Pisang kidang. — V.
y. Sapienturn. A. met kleine vruchien.
233.   Kohleh maas. — V. T.
234.   Pisang seripiet. — V.
-ocr page 79-
Gl
B. met groote vruchten.
235.   Pisang ambon. — V. T.
236.        # radja. — V. T.
237.        » soesoe. — V.
S. Pa rad i si a ca.
238.   Pisang honjeh. — V.
239.        0 sehwoe. — V.
*. Corniculata.
240.   Pisang boerayoet. — V.
Verschillende variëteiten.
241.   Pisang agueng. — V. ï.
242.        //        bawian. — V. T.
243.        //        biar. — V. T.
244.        »       betjiedjie. — V. T.
245.        »       gaboe. — V. T.
246.        //       idjoe. — V.
247.        »        kidang. — V. T.
248.        «       kloetoek. — V. T.
249.        »       lemboet. — V.
250.        ii       rodjo kawiesto. — V. T.
251.        f       salehrosso. — V.
252.        n        santen. — V. T.
253.        ii        sidohari. — V.
254.        h       simbot. — V. T.
255.        ii        singorito. — V. T.
256.        *       sjietjie. — V. T.
257.        //       sabo. — V. T.
258.        n        bawian. — V. T.
259.        k       sobolondo. — V.
260.        »        tjandi. — V. T.
261.        *       tjomot. — V. T.
262.        ii       sobo oerang. — V. ï.
263.        »       semboet. — V.
264.   Helicon ia buccinata Roxb. (Heliconiopsis ambonensis Hiq.)
(H. Bihai L.
Zie Benth & Hook. Gen. Plant.)—Pisang patjieng,
Rioed laki laki
Amb. Ambon, Sumatra, Java. Wortel met vele
-ocr page 80-
62
stengels; seheeden der stengels aaneengewassen; bladen twee-
rijig, gesteeld, lancetvormig spits, glad, 2—4 voet lang; blad-
stelen 3—G voet; bloemkolf zeer groot, bochtig, behaard, met
bleekgele bloemen. — V.
265. Raveuala niadagascariensis Sonn. — Pisang ayer, Pisang
kiepas.
Waterboom. Traveller\'s Tree. Madagascar. Op Java
gekweekt. Stam hoog, rechtopgroeiend; bladen zeer groot en
lang gesteeld, waaiervormig geplaatst. Bloemen in kolossale
scheeden. — V.
Ord. Bromeliaceae.
Familie der Ananassen.
ANANAS.
206. Ananassa sativa MUI. — Nanas M. Ananas. In Oost- en West-
Indie gekweekt. Bladen stijf, gootvormig, gedoomd, schut-
bladen eirond, gepunt, ongeveer zoo lang als de bloemen;
bloemen in aren; vrucht gekroond met een bundel bladen. —
V. T.
267.   A. sativa var. ruitens Hssk. — Nanas tembaga. — V. T.
268.    » * ii viridis. — Nanas hiedjoh. — V.
269.    u u fol. var leg. — Nanas soerat. — V.
270.    ii ii var. dalcis. — Nanas manies. — V.
Behalve de vrucht, levert de Ananas eene fijne, sterke en
voor de spinnerij uitstekend geschikte vezelstof, die uit de
geklopte bladen wordt verkregen. De bereiding daarvan ge-
schiedt door de inboorlingen op zeer eenvoudige wijs. De
groene bladen worden versch geklopt, liet celmoes er afge-
schraapt en de overblijvende vezels in water afgespoeld. —
Met een geschikt werktuig zou zeer zeker het winnen der
vezels kunnen worden bespoedigd.
Volgens Drury worden deze vezels van Singapore veel naar
China uitgevoerd, waar zij tot het weven van dunne stoffen
gebezigd worden. De kleinere soort van de Philippijnsche
eilanden, minder geacht om hare vrucht, de Bromelia pina>
levert een vezelstof „pina" geheeten, voor het fijnste mousseline
en batist; het keurige Grass Cambric Manilla Cloth of Batiste
d\'Ananas wordt daaruit geweven en geborduurd te Manilla;
-ocr page 81-
63
het wordt zelfs in den handel methet Chineeschegraslinnen
verwisseld. De draden daarin zijn niet gedraaid, zonder
„twist." De Bromelia sylvestris, een in Mexico en Centraal-
Amerika wilde Ananas-soort, levert de vezelstof, die als Ixtle
van Mexico en Pita of Pinuella van Centraal-Amerika bekend
is. Hare bladen zijn 5—8 voet lang. De vezelstof van de
ananasbladen is sterker en toch veel fijner splitsbaar dan de
vlasvezel, terwijl zij daarenboven door haren glans voor klee-
dingstoffen is aan te bevelen. Royle. De monsters vezelstof
van Java en Celebes, ingezonden op de Londensche tentoon-
stelling van 1851, werden getaxeerd op ƒ60 de 100 Kilo, en
men gaf uitzicht op veel hooger prijzen, zoodra men op een
geregelden aanvoer kon rekenen. De monsters aldaar inge-
zonden door den Heer Weber te Tjogreg en thans in het
Museum bewaard, verwierven de prijsmedaille.
Zeer onlangs is de cultuur van de Ananas als wijn- en
likeurleverende plant aanbevolen door Aug. Pailleur (in het
Bulletin de Ia Soc. nat. d\'Acclimation, Juin 1886) en er is in
West-Afrika reeds een fabriek van Ananas-likeur gevestigd.
De Ananas-wijn wordt zeer geroemd en de aanplanting in
\'t groot reeds daarvoor aanbevolen. Volgens berekening
kunnen bij zorgvuldige cultuur 12 000 Kilogr. vruchten op
de Hectare worden gewonnen. Rekent men daarbij 500 Kilogr.
vezelstof, dan is een proefneming in de Nederlandsche koloniën
wel aan te bevelen; vooral in de droogste en dorste streken,
waar de Ananas welig tiert. Zonlicht is haar voornaamste
behoefte.
1.  Ananas-bladen.
2.  Vezelstof en touw.
3.  Fijne weefsels. Jasje en zakdoek.
271.   Ainumssa bracfeata Ldl. — Nanas Bogor of Siesiek. Brazilië.
Op Java gekweekt. — V. T.
272.   Nidularium Karatas. (Bromelia Karatas L.). — West-Indië.
Bladen opgericht, breed, spits getand, met afstaande kromme
doornen; bloemen rooskleurig. — V.
-ocr page 82-
04
Ord. Haemodoraceae.
\'273. Sanseviera Zeylanica Willd. Moor va, Bowstring Hemp.
Ceylon, Bengale, Cliina, Java. Stengelloos, overblijvend.
Bladen uit den wortel spruitend , de buitenste korter, breeder
en uitgespreid; de binnenste meer opgericht,!—4 voet lang,
half rolrond, aan het binnenvlak gegroefd, scherp gespitst;
bloenischacht uit het hart der bladen, 1—2 voet lang, recht-
standig, met groenachtig-witte bloemen in bundels.
Welbekend wegens hare uitmuntende vezelstof. De plant
wordt gemakkelijk vermenigvuldigd door worteluitloopersen
tiert in nagenoeg alle gronden, terwijl zij overvloedig sprui-
ten geeft en zich naar alle richtingen verspreidt.
De bereiding der vezels door de inlanders bestaat in de
bladen eenige dagen in \'t water te laten liggen en de vleezige
deelen te doen verrotten. De vezels worden dan gemakkelijk
afgezonderd. Anderen kloppen de bladen en schrapen het
moes er uit, als bij de Manilla-hennep. Van 40 pond verkreeg
Roxburgh \\i pd. schoone vezels en hij stelt vast dat bij
geschikte kweeking de plant tweemaal \'s jaars oogst kan
leveren.
De Moor va-vezel is zeer zacht, zijdeachtig en buigzaam en
gelijkt op die van de Ananas. De vezels worden gebruikt
tot touwwerk, lijnen, garen, koord en boogpezen. Volgens
Roxburgh zijn zij sterker dan Russische hennep. Monsters
vezel, machinaal op Jamaica bewerkt, zijn door de Londen-
sche makelaars geschat op £ 20—35 de Ton (4000 Kilo).
Kew Bulletin N°. 5.
274.   S. cylindrica Boj. — Zanzibar. Bladen rolrond, 3—4 voet
lang, donkerkleurig, boogvormig, stomp; bloemtros lang,
met cylindervormige, opeengehoopte groenachtige bloemen.
Het touw van de vezels dezer plant wordt het meest geschikt
beschouwd voor diepzee-peilingen. Kew Bulletin N°. 5. — V.
275.   S. fasciata. — V.
276.   S. latifolia Bot. Mag. (Cordyline flexnosa Mlq.) — Anjoe-
wang, Kasintue
S. Java, in tuinen. Boomachtig; bladen ge-
drongen , ongesteeld, aan den voet breed, stengomvattend,
spits, 1—2 voet lang; bloemen bleekgeel in een enkelvou-
digen tros.
-ocr page 83-
65
Groeit wild onder het kreupelgewas, zonder onderscheid
van bodem; wordt gemakkelijk door afgesneden wortel loten
voortgeplant. Zelfs bij middelmatige vochtigheid groeit zij
3—4 voet hoog. De bladen bevatten een groot aantal fijne,,
sterke, lange, witte vezels. Bewerking door de inlanders als
bij de vorige. Volgens Roxburgh leveren 80 pond versche
bladen 1 pd. vezels. Men kan op twee oogsten jaarlijks reke-
nen en het vezelgehalte der volgroeide bladen is nog hooger.
De vezels zijn zeer sterk en hebben een groot weerstands
vermogen. Doorroting worden zij wankleurig en zwakker.—V.
Ord. Amaryi.lideae.
Tot deze familie behoort de welbekende honderdjarige Aloë (Agave
amerlcana), waarvan in Mexico en Centraal-Amerika eene zeer sterke
vezelstof wordt gewonnen, die als Ixtle of Pita-vlas bekendis en volgens
Royle vlas en hennep in sterkte overtreft. De uitvoer van Ixtle in
1884—85 bedroeg eene waarde van ƒ 1,344,000.
277.   Agave angustifolia Haw. — St. Helena; te Buiten zorg ge-
kweekt. Stam kort; bladen zeer smal, lancetvormiggezaagd.
V. T.
278.   A. Cantula Roxb. (A. Ruinpliii Hassk.). — Nanas sabrung
H. Nanas kostaM. Nanas bianda M..
Bengale, Java, Molukken;
op de vlakten, wild of verwilderd. Stengelloos; bladen vleezig
met zware doornige tanden: bloem vertakt; bloembuis in \'t
midden vernauwd; helnidraden veel langer dan het omgekrulde
bloemdek. Miquel hield haar voor niet inheemsen op Java.
Rumphius beschreef haar reeds in zijn Ambonsch Kruidboek.
Volgens Teysmann groeit zij op alle soorten van gronden,
tot 2000 voet boven de zee zeer welig, is gemakkelijk te
kweeken en zeer doelmatig voor heggen tot afsluiting van
het vee. Een volwassen plant levert jaarlijks 26 bladen, ge-
woonlijk 1,75 M. lang en 0,08 M. breed. De vezelstof wordt
door verwijdering van het celmoes, hetzij door kloppen, hetzij
door trekken door een gespleten bamboe verkregen i). -100
\') Op Mauritius bezigt men voor de bereiding der vezelstof uit Aloë een
werktuig bestaande uit een rad, ter grootte van een wagenrad en aan den
omtrek voorzien van 14-15 klauwen. Dit rad wordt op de eene of andere
wijs in beweging gebracht en maakt 400—500 omwentelingen in de minuut,
waarbij de klauwen tegen een houten klos werken. In dit werktuig worden
de bladen gestoken en van het celmoes ontdaan, lnd. Mercuur, 30 April, 1887-
5
-ocr page 84-
66
Blailen geven ongeveer \\i Kilo vezelstot*. Ue kosten van
aanplanting gijn zeer gering. Gebruikt men de planten voor
heggen, dan kan men daarvan een dubbel voordeel verkrijgen.
De vezels hebben een glanzige witte kleur en zijn somtijds
met roode vezels gemengd. Door koken met potaschloog wordt
die ongelijkheid zonder schade voor de vezel weggenomen.
De vezels zijn van sterkte ongeveer tusschen vlas en hennep,
hebben een t\'raaien glans en zijn zeer bruikbaar voor zeildoek,
grove weefsels, haringnetten, touw enz.
De Heer Teysmann is in 1844 voor eene inzending en be-
schrij ving dezer vezels door de Ned. Maatschappij van Nijver-
heid met de gouden medaille bekroond. Zie Tijdschr. van
Nijverh., Deel IX, bl. \'244.
V. T en blad.
4 monsters touw.
Voetmatten, stof vegers enz. (Zie afd. Nijverheid).
Agave rigidn MUI. var. Sisalana Perrine. — Sisal-hennep.
Hennequin, Mexicaansche Hennep. Oorspronkelijk in ï\'uratan.
Stam kort: bladen bleekgroen. 4—G voet lang, schaars getand,
met een stevigen, donkerkleurigen topstekel: bloemstengel
20—25 voet hoog: bloemplninien 8 voet langen 4 voet breed.
In Yncatan worden deze planten op ongeveer 0 voet afstand
geplant, met tusschenruimten van 15 of 18 voet om de bladen
en jonge uitloopers te vervoeren. Gewoonlijk staan er 400
planten op de acre. Elke plant levert op 4-of 5-jarigen leeftijd
gemiddeld 25 bladen jaarlijks, wegende \'12K Kilo, waaruit
\\i Kilo zuivere marktwaardige vezelstof wordt verkregen,
thans waard /\' 320 de Ton
De Sisalcultuur in Vucatan wordt uitgeoefend door de
Maya-indianen, de afstammelingen der Tolteken. De grond
is grind- en steenachtig, soms rotsig: de planten groeien
best en leveren de meeste vezels in betrekkelijk schrale streken,
op geringe hoogte boven de zee Vochtige, rijke grond is
ongeschikt: schaduw is nadeelig. Een goed ingerichte plantage
heeft een uitgestrekt net van wegen, die allen op de centrale
werkplaats uitloopen. Na het planten moet-de grond schoon
gehouden en moeten de uitloopers verwijderd worden. Deze
worden voor den aanleg van kweekbeddingen gebruikt. De
bloemsteng wordt afgesneden als hij 3—4 voet hoog is. De
-ocr page 85-
67
bladen worden niet korter dan 3 voet afgesneden, in bundels
gepakt en machinaal van het celinoes ontdaan, gewasschen,
gedroogd en niet hydraulische persen in balen gepakt.
Men berekent dat een acre land ƒ48—-/\'60 per jaar opbrengt.
De Sisal-hennep wordt meer en meereen belangrijk handels-
artikel, dat met de Manilla-hennep begint te wedijveren,
hoewel het tot dusver beschouwd is als een vervalscher voor
het Manilla-touw. I)e prijs echter begint nu dien der Manilla
te evenaren. Kew Bulletin, March 1887. — V.
De uitvoer van Sisal-hennep uit Mexico in\'1884 —85 bedroeg
40K millioen Kilo ter waarde van ongeveerfij.^ millioenGulden.
•280. Agave geininiflora tiawl.— Trop. Amerika. Starn opgericht;
bladen donkergroen puntig; bloemen in lange aren, geel-
groen. — V.
\'281. A. Scolymiis Karw. — Nanassabrang S.Mexico. Ongesteeld.
Bladen langwerpig-lancetvormig, spits, grof gedoomd aan de
randen, vet. leerachtig, blijgroen: bloemen geelachtig. — V.T.
\'282. A. Inrtda Ait. — Nanas mbrang S. Min of meer gesteeld:
bladen zeegroen, doornig getand, 3 voet lang, niet dik:
bloemstengel 16 voet hoog: bloemen bleekgroen. — V.T.
\'283. A. Verae-Crusis MUI. — Mexico. Bladen langwerpig met
donkerrood gedoomde randen, \\H voet lang, met zwarte
punten. — V. T.
\'284. A. Xalapensis Roezl. — V.
\'285. Fourcroya gigantea Vent. (Agave foetida L.) — Stinkende
Agave. Mauritius-liennep. Trop. Amerika. Wortel zoo dik als
een arm: stengel opgericht, \\\\i voet hoog: bladen bolvormig
uitgespreid , zwaardvormig puntig, dik, stijf, glanzig, vrolijk
groen, dikwijls gestippeld, 6—7 voet lang, stinkend als men
ze wrijft. Bloemstengel \'20—3\'2 voet hoog, vertakt, niethan-
gende, onaangenaam riekende, wit-groene bloemen.
Deze plant levert een zeer sterke vezelstof van 3 voet lang,
sterker dan hennep en duurzaam in water. De waarde van
dezen hennep is op de Londensche markt l \'24—\'28 de Ton.
\'280. F. tuberosa Alt. — Trop. Amerika. Min of meer stam vormend.
Bladen breed, lijn-langwerpig, spits, leerachtig, vrolijk groen,
aan den voet versmald, schaars getand; 214 voet lang, met
bruine stekels. De wortel vormt een bol. — V. T.
5*
-ocr page 86-
287.   Fourcroya cubensis Haw. — Cuba, Brazilië. Bladen zwaard-
vormig, spits, met stekeligen rand, dik, opgericht, 3—4 voet
lang, bleekgroen: bloenistengel 15 voet hoog; bloemen han-
gend, vuil wit, inwendig groen. — V. T.
288.   Roeslea regia. — V.
Ord. Lir.iACEAE.
Lelie-acMigen.
Sub-Ord. Hemerocam.eae.
289. Pliormiiim tenax Forst. — Nieuw-Zeelands\'ch vlas. Nieuw-
Zeeland, Chatham-, Auckland- en Norfolk-eilanden. In andere
gewesten als sierplant gekweekt.
De bladen van dit overblijvend gewas zijn hard, zwaard-
vormig, van 5—7 voet lengte: de bloemstengel is nog 4—5
voet langer en draagt eene menigte gele bloemen en later
driehoekige zaaddoozen.
De bladen leveren een sterke vezelstof, vooral geschikt voor
touw, zeildoek en grove weefsels. Uit een zorgvuldig onder-
zoek van J. Cazanx is gebleken dat deze vezelstof bij hare
geringe vatbaarheid voor verfijning, slechts weinig geschikt
voor fijnere weefsels is, doch dat zij voor grovere fabrikaten
als een zeer bruikbaar surrogaat in de plaats van hennep,
waar deze schaars te verkrijgen mocht zijn, verkieslijk boven
Manilla-hennep te beschouwen is. Zie de bekroonde Verhan-
deling van Cazaux, Tijdsein-, v. Nijv. Ie Serie, X, bl. 526.
Volgens Von Muller kan deze plant een temperatuur van
15° Fahr. verdragen en is in Kngeland\'s klimaat overblijvend.
Hij beveelt haar aan voor de cultuur op woeste rotshellingen
aan de kust, waar zij aan zich zelve kan worden overgelaten,
daar het vee haar niet aanraakt. Zij is geschikt om in heggen
geplant, de verspreiding van boschbranden tegen te gaan.
Volgens Royle leveren driejarige planten door elkaar 3G
bladen, behalve de worteluitloopers. De inlandsche bereiding
der vezelstof geschiedt door het celmoes met schelpen af te
schrapen en de vezels daarna te kammen en te drogen.
De prijs van N. Zeelandsch vlas bedroeg in April 1887 aan
de Londensche markt £ 23—25 de Ton.
-ocr page 87-
1.  Nieuw-Zeelandsch vlas. Ruwe vezel.
2.  Snuit 3 preparaten.
3.  Korl 8
4.  Haringnettengaren ongetaand.
5.  Getaand garen.
6.  Fijn weefgaren.
7.  Garen, gekookt.
8.  Schoengaren.
9.  Touw.
10.  Gekleurd koord.
11.  Venetiaansche hennep )
r. 1 .. tt 11 , ,           ■ ter vergeliikintr.
12.  Schil Hollandsche -                  6 j s
Sub-Ord. Ai.oïneae.
290. Aloë barbadense MUL (A. vulgaris L.)— Aloë van Barbados.
Lida boeaja J. Van Westindië; in Oostindië verspreid. Stam
kort, dik, met vleezige, zeegroene, roodgedoornde bladen;
bloemen geel-oranje.
Bekend wegens het sap, dat in de geneeskunde wordt
gebruikt. De vezelstof is fraai wit, volgens RoyIe sterker dan
hennep en neemt kleurstoffen goed op. — V.
Sub.-Ord. Dracaeneae.
291.   Yucca aloëfolia L. — Bladen bleekgroen; bloemen wit met
violet gevlekt. De Yucca\'s zijn oorspronkelijk in de zuidelijke
Staten van Noord-Amerika en zoowel in Oostindië als in de
Europeesclie oranjeriën, wegens haren fraaien bouw en groote
witte bloemtrossen, veel als sierplanten gekweekt. Hare bladen
leveren een goede vezelstof, veel gelijkende op die der Agaves
en evenzoo geschikt om kleurstoffen op te nemen. — V.
292.   Y. draconis L. — Stam 10 voet hoog, onverdeeld; bladen
ros-groen; bloemen wit-groeu, boven purper. Deze soort,
die in Z. W. Californië in onnoemelijke massa groeit, is zeer
aanbevolen als vezelplant voor schrale gronden in de tropische
landen, ,/owm. Soc. of Arts. 1883, 936. — V.
293.   Y. flaccida Haw. — Bladen allen van onder het midden slap
neerhangend, vlak, aan de randen met lange bruine draden;
bloemen groen-geel. --• V.
-ocr page 88-
70
\'204. Yucca gloriosa L. — Bladen opgericht, 2 voet lang, stijf,
dik, blauwgroen: bloemtros 3 voet hoog. — V.
\'295. Y. pendula Desf. — V.
296.   Y. serrnlnta Haw. — V.
297.   Y. super lm Haw. — Bladen riemvormig, groot: bloemen
opeengedrongen, klokvormig, gesloten, wit-violet, aan een
10 voet hoogen stengel. — V.
208. Y. tenuifolia Haw. — Bladen in een halven cirkel neerge-
bogen, lijnvormig-spits, zeer smal, stijf, scherp gevoord, met
zaagvormig getande randen. — V.
Ord. Palmae.
Familie der Palmen.
Ken kroon van veder- of waaiervormige bladen aan den top van een
meer of min hoogen, meest onvertakten stam, kenmerkt de meeste ge-
slachten dezer voor den menseh zoo belangrijke familie, die bijna nit-
slnitend in de keerkringslanden tehuis behoort.
Sub.-Ord. Akeceae.
\'290. Areca Catechu L. — Pinang-palm. Pinang boender 1\\. Djcwibeli
J. Geheel Indië, dikwijls in tuinen gekweekt. Hooge boom
van 100 voet; stam "slank, rolrond, geringd : bladveeren 12—16
voet lang, gevind; bloemkol ven afstaande, zeer vertakt:
vruchten elliptisch, geel-rocd.
Het belangrijkste voortbrengsel van deze plant zijn de
pinang- of betelnoten, een gewaardeerd looimiddel en on-
misbaar bij het sirih-kauwen. Elke boom levert jaarlijks
ongeveer 300 noten. De blad- en bloemscheeden dienen bij
het verpakken van voorwerpen voor verzending.
1.  Vezelstof van de bladscheede en Touw.
2.          »           ii n vruchtschil.
300. Arcnga obtusifolia Mart. — Laiujka}) S. M. Java, Suniatra.
Stam 20—30 voet. roestkleurig: blad veeren 12—16 voet lang:
bladstelen gedoomd : vruchten geelbruin.
De vezelige bast tusschen den stam en de stelen (lidi, injuek
doel;)
dient tot bezems en huisbedekking: het hout is hard.
en bruikbaar. De bloemstelcn leveren een suikerhoudend
sap. — V. Bast.
-ocr page 89-
71
GOMOETOE.
301. Areiiga saccharifera Labill. — Aren J. Anau of Areng M. •
Koetvoeng
S. Sagueer- of Gomoetoe-palm. Voor- en Achter-
Indie: op Java /.eer algemeen; Statn 20—40 voet hoog;
bladstelen ongedoomtl; bladveeren donkergroen, onder bleek,
gevind: bloemkolven takkig, hangend: vruchten rond.
Deze palm levert sago, palmwijn en suiker als de vorige.
Het hout is hard en duurzaam. De zwarte vezelstof onder
aan den voet der bladstelen is als gomoetoe, hijovk of duck
bekend. Deze vezels zijn meer of minder fijn, lang, stijf of
wollig, doormengd met lange baleinachtige pennen en zwart-
bruin van kleur. Zij worden door de inlanders tot dakbedek-
king en tot het maken van touw en kabels gebezigd. Het
fijnste, wolligste gedeelte der vezel wordt door de Chineezen
tot opvulsel, tot werk voor de schepen en ook tot tonder
gebezigd en veel naar China verzonden. De lange pennen
worden door de inlanders tot schrijfpennen en ook tot pijlen
gebruikt. De boom kan van deze vezelstof beroofd worden
zonder dat dit hem nadeel doet en geeft gedurende zijn leven
twee opbrengsten, wegende gezamenlijk ongeveer 9 Kilo.
Een onderzoek dezer vezelstof, ingesteld door de Maatschappij
van Nijverheid in 1866. heeft aangetoond dat zij uitstekend
geschikt is tot bereiding van telegraafkabels; 2°. tot het maken
van scheepskabels, trossen en al zulk touwwerk, dat gedurig
met water in aanraking komt; 3°. tot het vervaardigen van
een soort touw, dat het vijgentouw der papierfabrieken kan
vervangen: 4°. als surrogaat van paardenhaar; 5°. voor matten,
tapijten en borstelwerk.
Om echter deze stof te maken tot een algemeen gezocht
handelsartikel, is het noodig, dat zij reeds in Indië van de
grove, onbruikbare bestanddeelen wordt gezuiverd en doel-
matig wordt verpakt, waartoe eene exploitatie door Euro-
peanen op de groeiplaats zelve vereischt wordt. Tijdsein\', v.
Nijverheid
-1867, blz. 131.
Een proefneming op last der Regeering in 1864 tusschen
Java en Sumatra ingesteld op voorstel van wijlen den Heer
J. Groll, heeft bewezen dat men in de Gomoetoe eindelijk do
zoo lang gezochte vezelstof tot bekleeding van onderzeesche
-ocr page 90-
72
telegraafkabels gevonden heeft. (Zie Tijdschr. v. Nijverheid,
1867, blz. 20-1).
Voegt men daarbij de groote waarde van den Arenboom
als suikerleverend gewas, de gemakkelijkheid van kweeking
en behandeling, dan mag hij wel worden aanbevolen aan
allen, die de toekomst der Indische cultuur door veelzijdigheid
willen verzekeren — V. T.
1.  Vezelstof van den bast.
2.          »          ii ii wortel.
3.          "          ii de bladstelen.
4.  Inlandsche schrijfpennen van Arenvezels, voetmatten,
vegers, borstels enz. Zie afd. Nijverheid.
302.   Caryota urens L. — Ceylon. Malabar, Bengale, Archipel\'?
Stam 60 voet hoog, geringd; bladen dubbel gevind, met wig-
vormige blaadjes: vruchten geel of roodachtig, met scherp,
bijtend vocht.
Het hout is sterk en duurzaam. Uit de afgesneden bloem-
stengels wordt eene verbazende massa palmwijn verkregen;
volgens Roxburgh geeft één boom -100 pint in een etmaal.
De zwarte vezels der bladstelen (Kittoel-vezel) worden ver-
werkt tot grof touw, borstels, bezems, mandjes enz. Van de
vezels der bladscheeden wordt sterk touw en vischlijn ge-
maakt. — V. T.
303.   Manicaria saccifera Gaertn. — Mussu in Brazilië, Troelie-pa!m
in Guyana, Wijnpalm in Afrika. Tronk 10—15 voet hoog,
• krom, knoestig, diep geringd; bladen zeer groot, gaaf, stijf
en gevoord, met gezaagden rand, tot 30 voet lang en 4—5
voet breed; bloemkolven talrijk, vertakt, hangend; vruchten
olijf kleurig. De bladen dienen tot dakbedekking. Defijnveze-
lige, kapvormige bloemscheede wordt zoowel voor kleeding
als voor zakken en dergelijken gebezigd. — Bloemscheede.
i                                         Sub.-Ord. Corypheae.
304.   Corypha elata Roxb. — Bengale. Stam 70 voet hoog; blad-
veeren handvormig gespleten in 40—50 slippen; bloemkolf
bolvormig, zeer groot. — V.
305.   C. Gebanga BI. — Gehang M. Poetjoek J. Gebang-paleng S.
Bongol bas M. Java. Hoogte van 60—70 voet; alle deelen
-ocr page 91-
73
onbehaard; stam met spiralen vorm als gewrongen; bladen
breed, 5—10 voet, in alle richtingen uitgespreid, waaier-
vormig met gestekelde stelen; bloemen klein, geelachtig of
witachtig, in reusachtige, vertakte bloemkol ven: vruchtjes
rond, olijfkleurig.
Deze Palmsoort is op Java de eenige, welke ter plaatse,
waar zij groeit, het gebied voert over de Flora en het land-
schapskarakter bepaalt. Junghuhn. Hij is voor de inlanders
van het hoogste nut. De stam levert een zeer vast hout: uit
het merg wordt een soort sago bereid. De bladen (atap) dienen
tot dakbedekking. Ook worden daaruit hoeden, tabaksdoozen
en sirihdoozen gemaakt: uit de jongere bladen worden kofïie-
en rijstzakken, zakjes tot bewaring van kleine voorwerpen
en zeilen voor kleine vaartuigen gevlochten. Van de oudere
bladen wordt een sterk weefsel (kadjang) en van de stelen
touw (kali-bas) gemaakt. De jonge nog onontwikkelde bladen
worden gekookt en met rijst gegeten. De wortel levert ge-
neesmiddelen: de vruchten worden gegeten of tot het bereiden
van e«n drank gebezigd. Miquel.
V. T. Blad, kleedingstukken, in afgelegen streken van Java
nog in gebruik. (Zie afd. Nijverheid).
306. Livistona rotundifolia Marti — Sedangan .1. Woka-palm.
Celebes. Archipel. Stam 40—50 voet, naakt, grijsbruin, 1—2
voet dik, inwendig zwartachtig, vezelig; bladen waaiervormig,
3—5 voet in middellijn, aan 6—7 voet lange, gedoomde stelen:
vruchten bolvormig, oranje, later zwartblauw met kleine
knobbeltjes. — Blad.
Sub-Ord. Lepidocaryeae.
307. (\'alamus en Daenionorops.
ROTÏAN-PALMEN.
Palmgewassen met dunne, gelede, doornige, dikwijls zeer
lange, klimmende en kruipende, taaie stengels, vindeelige
bladen en schubbige, ronde of langwerpige vruchtjes.
De Rottan-palmen groeien nergens in een zoo groot aantal
soorten en verscheidenheden als in den Ned. Indischen Archi-
pel. De inlanders onderscheiden deze zeer nauwkeurig naar
hun handelswaarde en elk gewest schijnt zijn bijzondere
-ocr page 92-
74
soorten te bezitten. Volgens Miquel worden de op liet vaste
land van Indië voorkomende niet of schaars op de eilanden
teruggevonden en op de Soenda-eilanden schijnen over liet
algemeen andere soorten dan op de Molukken enz. te groeien.
De geslachtsnaam is in het Maleisch Rotan of Rottan (niet
Rotting), Soendan. Howé, Javaansch Pend.jalin, op Ambon
Oea, op Ternate Oeri. Waarschijnlijk komen dezelfde soorten
somtijds onder meer dan een naam voor. De Botanische
beschrijving der Itottan-palmen is nog zeer onvolkomen.
Volgens Blume zijn de bindrottans van Borneo, vooral van
Simpang en Mantan op de Westkust en evenzoo die van de
Batta-landen op Sumatra de beste.
De Rotans zijn voor den inlander van velerlei nut, en nog
altijd een zeer gewaardeerd handelsartikel op de Nederland-
sche markt. De toepassing voor vlechtwerk, wandelstokken
en dergelijke artikelen is overbekend.
Het zoeken van de Rottan in de wilde bosschen geschiedt
door de inlanders en is met eenige moeite en bijgeloof ver-
bonden. De verzamelde rottan wordt bij dag in de zon, bij
nacht in den rook opgehangen en zorgvuldig voor regen
bewaard. Het inzamelen der bind-rottans geschiedt op zeer
eenvoudige wijs. In den boom, langs welken de rottan opklimt,
wordt een spleet gemaakt: het afgesneden gedeelte vanden
rottan, van de omkleedendc bladscheeden ontdaan, wordt
door die spleet naar beneden getrokken en daardoor van alle
aanhangende deelen, bladscheeden, bladen en bloemtrossen
bevrijd. Miquel.
De Rottan-palmen kunnen zeer goed overgeplant worden,
daar zij op de voor hen geschikte standplaatsen zeer gemak-
kei ijk groeien. Reeds Blume heeft aangeraden de beste soorten
van Borneo en Sumatra naar Java over te brengen.
De uitvoer van Rottan uit Ned. Indië heeft in 1883 be-
dragen f \'2.433.3:56.—.
308.   Calaiims javensls BI. — Rottan tjatjing J. Hoé, Omina» S.
Sumatra. — V,
309.   C. Manan Miq. — Mcman, Manau. — V. T.
310.   Plectocomia elongala BI. — Boeboe-ai J. Een der langste en
dikste Rottansoorten. Twee uitgebloeide bloemstelen met de
aangebleven schutbladen, uit Tilatjap, .lava.
-ocr page 93-
75
Rottan-monsters in het Museum.
A. Bindrottan.
BORNEO.
Koe te i.
1.   Djahap Moeara Antjaloe. Prijs p. ioo bos ƒ23,—.
2.         » Balajan. prijs 100 bos a f 35,— 30 in de bos.
3.   Van Berau, wordt bij de pikol verkocht.
4.   Satiga Moeara Antjaloe, 40 in de bos; prijs ƒ60,— de 100 bos.
5.   Poéloet, wordt slechts ingezameld voor eigen gebruik; niet voorde
markt gevraagd.
6.   Sambodja, 40 in de bos; prijs de 100 bos ƒ70,—.
7.            •■         100 » • • ...» "275,—.
8.   Sakga Baoengang, 40 in de bos; de 100 bos / 70,—.
9.        - Batoe,           40 » • • » • « 11 50, — .
10.       » Soengkoe lirang, 100 in de bos; de 100 bos/450,—.
11.        » Soengkoeling,         40 »            « » « /. . 120,—.
12.       • Baoenga,                100 »            • • « » « 300,—.
B a n j e r m a s s i n.
13.   Riam,             Banjermassin.
14.   ïapah,                        «
15.   Sabangan,                   «
16.   Dunne Teweh            »
17.   Dikke •                  »
18.   Bemban                       »
19.   Hantawan doesson
20.   Gregiet                       •
21.   Poeloe laat                *
22 Taman .
                    »
23.   Katangan,                  «
24.   Kantawan,
25.   Gedah, afd. Klein Dajak, Banjermassin.
26.   Taman, distr. Kwala Kapoeas «          100 bos a 100 stuk/100.
27.   Angkes •          •             » mindere kwaliteit; wordt bij wij ze van
bedrog bij de R. Tapal gevoegd.
28.   Tapal, afd. Klein Dajak, Banjermassin; prijs 100 bos a 40 stuks/18.
29.   Srit, » »          •                  •                •»»»»»»aa.
30.   Rottan Banjermassin, 4 Nummers.
31.        «                  »             3                     hoepelbossen.
-ocr page 94-
70
SUMATBA.
32. Segoe oeloer, (Falsoe) Moesi, Palembang.
33- Sego ogan ilir, Palembang.
34.   Poggie-eilanden, Sumatra\'s W. K.
35.   Ayer Bangies,             »             »
36.
Djernang,
Palembang.
37-
Batoe,
■.
3§-
Temiang,
V
39
Saboet,
0
40.
Oedang senoe
0
41.
Sego ayer,
Palembang.
42.
Sene
43-
Getah,
*
44.
Triang mandauriang, >
45-
Sini pladas,
*
46.
Lilin,
*
47-
Tega penjoeroeh,
»
48.
Dalem,
0
49
Toenggal,
*
Nglang paya,
»
5i
Oeloer,
•
Rottans verzameld door de Sumatra-Expeditie.
(Zie Nat. Hist. Sum. Exp. II, bl. 4i).
Zuidel. Padangsche Bovenlanden........= Z.P.B.
Boven Roepit..........................= R.
= L.
Limoen
64.   Kawan, Z.P.B.
65.   Koebin, •
66.   Lakoeeng daun, Z.P.B.
67.   Lelaq, R.
68.   Lilin, Z.P.B., R.
69.   Manan, R., Z.P.B.
70.          • gadaug, -
71.         • katjije, »
72.         » likië,
73.         « riang, R.
74.   Mantji, Z.P.B. •
75.   Mboen, R.
52.   Abang poetjoeng, R
53.   Balam, Z.P.B.
54.   Batoe          »
55.   Boeah         «
56.   Danbalo, R.
57.   Danbenar, R.
5S
59
60
61
Danen, Z.P.B.
Doedoeq, R.
Galang, Z.P.B.
Getah, Z.P.B ,
R.
P.B.
62.   Getah roewé, Z
63.   Katjije, Z.P.B.
-ocr page 95-
77
76.
Oedang, R.
86.
Sidjau, R.
77-
Oeloer, R.
87.
Sikaï, Z.P.B.
78.
Oeloer ketjil, R.
88.
Sike •
79-
Paki, Z.P.B.
89.
Sinip, R.
8o.
Pakoe, R.
90.
Si-taboe, Z.P.B.
Si.
Saboet, R
91.
Talinkoeëng dauoen, R.
82.
Samoeï, Z.P.B.
92.
Tamati, Z.P.B.
83.
Sego, R.
93-
Temiang.
84.
banjoe, R.
94.
Tigó, L.
85.
Seni, R.
95-
Toenggal.
Verschillende Rottans in hoepelbossen.
96. 12 Rottan-monsters van Banjoemas, Java.
97-
3
-
.
Bantam,
98.
-
.
Tegal,
99-
»
»
Malang,
100.
f
Oeloer.
101.
-
Palembang.
102.
»
Temiang.
103.
•
Seni.
104.
m
Tigayie joeroek.
105.
•
Loemboet.
106.
0
batoe.
107.
9
Rottan-monsters.
108.
1
Rottan buitengewoor
lang en dik.
B. Ro\'ttan-stokken.
(Voor rottingen, parapluies enz.)
BORNEO.
Verzameling afkomstig van den Heer Wal ter te Sambas,
en aangeboden door Z.Exc. den Minister van Koloniën in 1860.
Deze verzameling is in 1866 onderzocht door de Maatschap-
pij van Nijverheid, en een uitvoerig verslag deswegens is
opgenomen in liet Tijdschrift der Maatschappij, 1868, b 1.113.
Zij bestaat uit verschillende soorten van kleine palmen
wier dunne afloopende stammetjes uitstekend voor wandel-
stokken enz. geschikt zijn. De meeste dezer Rottans worden
-ocr page 96-
78
tegenwoordig uit ISorueo, Sumatra, Malakka enz. naar Londen
en Hamburg uitgevoerd en vooral in laatstgenoemde plaats
tot wandelstokken bewerkt, over Europa verzonden. Nog
altijd wacht dit artikel op een Nederlandschen ondernemer.
109.   Marovv si-mamboe (Daemonorops grandis Griff.) Gewone bruine of
mannetjes-rotti ng.
110.   R. Babie (Ptychosperma Sp.)
111.   R. Marow padi (Calamus Sp.) Aanbevolen voor invoer.
112.   R. Benkoan (Daemonorops oblongus Mart.) Aanbevolen voor invoer-
113.   R. Dahnan besi (Korthalsia?) Aanbevolen voor invoer.
114.   R. Loeak (Korthalsia?)
ii;. Pinang oetan (Ptychosperma Sp.) Aanbevolen voor invoer.
116.         • boekit
117.         » kali                •                «
118.   R. Gangoen, (Calamus Sp.)
119.   Kadjatouw (Eugeissonia tristis Griff.), wortel. Bertam M. Deze
rottingsoort is de voortreffelijkste van de geheele verzameling voor
wandelstokken. De Eugeissonia\'s maken geen stam, maar zetten zich
in de breedte door jonge spruiten uit. De wandelstokken worden
verkregen van wortels, die zich uit den voet, horizontaal of opwaarts
gekeerd, in de lucht verlengen. Dit is de Kadjatouw (Teysmann).
De stokken zijn recht, fraai afloopend in dikte, donker en licht-
bruin gestreept en vrij wat lichter en sierlijker dan de gewone
bruine rotting; daarbij zeer taai en sterk.
120.   R. Bakauw (Calamus Sp.) Aanbevolen voor invoer.
121.   R. Tria (Calamus adspersus?) Aanbevolen voor invoer.
122.   R. Mata hari (Calamus Sp.) Aanbevolen voor invoer.
123.   R. Matang (Calamus Sp.) Aanbevolen voor vlechtwerk.
124.   Pinang goring (Ptychosperma Sp.)
125.   R. Toengal (Calamus caesius?) Aanbevolen voor vlechtwerk.
126.   Kayoe bidaroe. Aanbevolen voor vlechtwerk.
127.   R. Toboe broeing, Beerenriet. Zwart en sterk. Zeer geschikt voor
wandelstokken, parasols enz.
SUMATRA.
128.   Djernang (Daemonorops Draco Mart.) Palembaug.
129.   Si-mamboe, ie soort, Banjoe Assin             »
130.   Boengkoes afd. Sipoeti, Palembang; prijs 30 cents de 100.
131.   Afd. Mokko Mokko, Benkoelen.
132.   Kemoerang afd. Sipoeti, Lampongs; prijs 60 cents de 100.
-ocr page 97-
79
133-   Siap,
134.   Beberas,         
afd. Sipoeti, Lampongs; prijs 10 cents de 100.
mm                     *                    1 ÖO        *        • "
135.   Semoeli, »                           •
136.   Peledas          •          •                "               •
137.   Pantis,           »          »               »               «
138.   Soetsoe, Moesi, Palembang.
139.   Segah, afd. Sipoeti, Lampongs; prijs ƒ i,

20
de 100.
R I O U W.
140. Sage Badak, rivieren Paney en Bela, Riouw; prijs 10 Sp. Matten
de 100 bos.
BILLITON.
141.   Nangak.
142.   Bakau.
143.   Loea.
144.   Mansoelak.
14;. Blambangan.
146.   Boeway.
147.   Semamboe.
148.   Oedang.
149.   Koepak.
150.   Kikir.
151.   Passir.
152
    Dahan.
153.   Pako.
154.   Pongho.
155.   Bidei.
156.   Toengal.
Verschillende voorwerpen van Kottan, als hoeden, manden, siga-
renkokers, matten en kleedingstukken, zie afd. Nijverheid.
311.   Kotlliiilsiii robnsta BI. — Oea J. Java, Sumatra, Borueo.
312.   K. Jnnghuliniana Miq. —Rottan-sampei. R. sampou J. Java.
De Korthalsia\'s zijn kleine palmen niet dunne stammen
en ruit- of wigvormige, stekelig getande bladen. — V.
313.   Metroxylon laeve Mart. — Sac/oe papeda M. Ambon, Kiraj J.
Gladde Sagoe. Archipel, Achterindië. Stam middelmatig hoog,
2 voet dik met onregelmatige lidteekens der afgevallen bladen
bedekt. Blad veeren 20 voet en langer, lang gesteeld: bloem-
kolf zeer groot; vrachtjes sehubbig. Uit den stam wordt de
Sagoe gewonnen. De bladen dienen tot dakbedekking.
-ocr page 98-
•80
314.   Raphia Knffla Mart. — Raflia, Palmier de Mayotte. Macla-
gasear, op vochtigen grond aan de zeekust of langs rivier-
oevers. Tronk kort, dik,geringd; bladveeren groot, vinspletig,
met gestekelde middennerven; bloemkolf zeer groot, vertakt;
vruchten met scliubbige schaal.
De vezels van de jonge bladen worden door de inboorlingen
gebezigd tot liet maken van kleedingstukken en veel naat-
Europa en Amerika uitgevoerd voor het aanbinden van tuin-
planten. — V.
315.   Mauritia flexnosa L. — Miriti. Mauritia-palm. Een der edelste
en schoonste palmen van Amerika. De stam is recht, glad,
rolrond of in het midden gezwollen en wordt tot 80 en 100
voet hoog en 5 voet in omtrek. De bladen zijn groot, waaier-
vormig; de bloemkolven zeer groot; de vruchten rond met
kleine bruine schubben.
De bladen, vruchten en stam worden door de inlanders
tot vele doeleinden gebruikt. De opperhuid der bladen levert
de vezelstof voor het maken van hangmatten.
Sub-Ord. Borasseae.
316. ItorasMi* flabellifornils L. — Lontar M. Siwalani. Toeahoea
Tim. Lontar-palm. De Palmyra-palm der Aziaten. Geheel
Oostindië, Perzië, Ceylon en de Archipel, in vele streken
gekweekt.
Deze prachtige palm wordt gewoonlijk van 40—00, zelfs
100 voet hoog. De jonge stammen zijn bedekt met de onder-
ste gedeelten der bladstelen. Het hout is hard, zwartachtig;
de bladen zijn waaiervormig, de bladstelen 8—10 voet lang,
doornig; de vruchten bruingeel.
Het hout is zeer bruikbaar; uit de bloemkolven wordt
suiker bereid; de vruchten worden gegeten. De bladen wor-
den gebruikt als dakbedekking en tot het vlechten van matten,
mandjes enz., ook als papier om met een scherpe stift te
beschrijven. Van de bladvezels wordt dun touw gemaakt.
De wol aan den voet der bladstelen dient om te flltreeren
en ook als bloedstelpend middel.
-ocr page 99-
81
Voorwerpen in het Museum.
i. Afbeelding van den Lontar-palm.
2.   Vezelstof en bladen.
3.   5 Hoeden van Lontar-bladen (eiland Kotti).
4.   3 Lontar-bladen met opschriften (uit Java, Bali en Atjeh).
5.   Handschrift op Lontarblad (Sumatra).
6.   2 Stuks kinderspeelgoed van Lontarblad
7.   36 Voorwerpen van het eiland Sawoe, alk afkomstig van den Lon-
tar-palm, die op dit kleine onvruchtbare eiland den inlanders voed-
sel, kleeding en huisraad levert en geheel in hunne behoeften voorziet.
Rank waaruit de doeëe of het suikerhoudend vocht vloeit. Ifoebi.
Schaal waarin de doe\'ce wordt opgevangen.
Mandje ter beschutting, opdat de vogels het vocht niet uitdrinken.
Kebiha.
Gordel. Dari-waki.
Kwast om de schaal te reinigen. Heboro.
Scheede van een mes. Hopte.
Drinkschaal. Ifaba nginot.
Bord. A\'erigi ngaii.
Lepel. Kaba-hoeroc.
Sirihmandje. Kenoto kenana.
Tabaksdoosje. Kejiata rounai.
Tabaksdoos. Ana halri.
Gieter. Kababa.
7<tti. Tikoeha.
Toewak-zeefje. Tikoeha doeee.
Slaapmat. Depi.
Hoofdpeluw. Htloe.
Zetel A\'eleki.
Vorstenhoed. Hegoedoe koetot.
Vorstinnenhoed. Hegoedoe leniaai
Hoofdsieraad. Hidi.
2 Draagmanden. Hofee.
Juk. Epa doeëe
Paardenhoofdstel met leidsel. Ketanga.
Touw waaraan men een varken bindt. Dari wawi.
Touw waaraan men strijdhanen bindt. Dari-manoe,
Schoeisel. Helapa.
Strijdveder. Koupageè.
Groote schaal. Jlaik wortna.
Kleine schaal. Jfaik naiki.
G
-ocr page 100-
82
Om kleinen voorraad te bergen. Keroekoe.
Plank. Keli of blaajce.
Span voor dakwerk. Keli-amoe.
Doorgebroken hout ter beschouwing van den loop der draden waar
door het vocht zich opwerkt. Keli-pada.
Sub-Ord. Cocoïxeae.
317.   Astrocaryuiu vulgare Mart. — Awarra-palm. Brazilië, Guy-
ana. Suriname. Stam van 20—30 voet; bladveeren gevindr
8—10 voet lang.
De vezels die door weeking uit de bladen worden verkregen,
zijn taai en sterk, donkerkleurig en uitstekend geschikt voor
touwwerk en fijne weefsels. Zij zijn in Brazilië bekend onder
den naam Tucum, in Suriname als Awarra. Zij worden door
de inlanders gebezigd- voor hangmatten, hoeden en touwwerk.
De zaden leveren een goede olie. — V.
KOKOS.
318.   Cocos nucifera L.. — Kelapa. Klappa M. Klapperboom.
Kokospalm. Over geheel Indie en tropisch Amerika verspreid,
in de lage landen, vooral bij de kusten en niet hooger dan
2000 voet boven de oppervlakte der zee.
Boom van (50—75 voet hoogte. Stam geringd, dikwijls go-,
kromri of heen- en weergebogen. Bladveeren 6—12 voet.
Bloemkol!\' opgericht, vertakt: vruchten groot, eivormig, flauw
driekantig.
Hout hard en bruikbaar: bladen evenals de vezels rondom
den voet der bladstelen, tot vlecht- en mandewerk gebezigd.
Uit het sap der bloemstengels wordt arak en azijn gemaakt.
De dikke vezelachtige vruchtschil levert de kokosvezel (Coïr)
van den handel, algemeen gebruikt voor matten, borstels,
touwwerk enz. De middenribben der bladen dienen tot het
maken van grove bezems: uit de bloemscheeden maakt men
fakkels en scheplepels; de nog niet ontrolde bladknoppen
worden als groente gegeten; van de nog jonge witte blaadjes
maakt men mandjes, waarin men de rijst stoomt. De pitten
der rijpe vruchten leveren olie, of gedroogd de Kopra. Uit
-ocr page 101-
83
Je bloemkolven wordt een suikerhoudend vocht getapt, waar-
uit palmwijn en arak bereid worden.
Geen boom heeft zoovele nuttige eigenschappen als de
Kokos, en wegens de voortbrengselen der vruchten alleen,
kopra en kokosvezel, is de cultuur voor den Indischen land-
bouw zeer aan te bevelen, vooral aan de zeekusten, waar
geen andere gewassen tot voordeel kunnen gekweekt worden.
De kokosboom groeit het best op lage nabij het strand
liggende leemhoudende zandgronden. Waar de grond veel
klei bevat, dragen de boomen niet zoo goed. Diepe alluviale
leembeddingen langs rivier-oevers, waar de omringende lan-
den van tijd tot tijd worden overstroomd, geven de rijkste
oogsten.
Voor den aanleg van een kokos-plantage wordt een kwee-
kerij aangelegd, met 50 pCt. meer zaai-noten dan er planten
noodig zijn.
De keus der zaainoten moet met groote zorg geschieden,
en liet best is de boomen uit te kiezen, wier vruchten men
tot zaainoten zal gebruiken.
Na acht maanden worden de plantjes uitgeplant in ruime
gaten (3 voet middellijn) op een onderlingen afstand van
22 voet. Door heiningen of heggen moet het vee, de wilde
varkens enz., zorgvuldig geweerd worden. Acht jaar na de
planting zijn de boomen in volle dracht en men berekent
de opbrengst van de vruchtdragende boomen dooreen op
ƒ2.50 \'sjaars.
Ook de kokosboomen staan aan allerlei gevaren bloot.
Klappertorren, witte mieren, ratten, kalongs en eekhorens
kunnen groot nadeel aanrichten en moeten zorgvuldig be-
streden worden.
De hoeveelheid vezels in elke schil hangt van allerlei om-
standigheden af. In Ceylon leveren 1000 noten 150 eng. pd.
vezelstof. De schil wordt van de noot getrokken met een
ijzeren pen, die in den grond is bevestigd. Door één man
kunnen op deze wijze ongeveer 1000 noten daags worden
ontbolsterd. Daarna worden de bolsters geweekt, somtijds
zes maanden lang: vervolgens gaan zij door een braakmachine,
worden gedroogd, gehekeld en in bundels gepakt voor den
handel. Deze vezels zijn dan nog ruw en alleen voor borstel-
werk geschikt; door andere werktuigen worden zij later go-
0*
-ocr page 102-
84
zuivere! en gereed gemaakt om gesponnen te worden. Deze
spinmachines zijn tegenwoordig tot groote volkomenheid
gebracht en kunnen met eenige oefening door inlanders
worden behandeld.
De bereide vezels wordt in balen van 200 Eng. pd. geperst
voor de lading. De pogingen om de gedroogde vruchtschil
in Engeland tot vezelstof te bewerken, zijn mislukt. De meeste
Coïr-vezel wordt uit Ceylon in Engeland ingevoerd, doch
thans worden ook groote ladingen van Bonibay en de West-
kust van Indië verzonden.
Vele fabrieken voor het weven van Coïr-garen zijn reeds
in Britsch-Indië gevestigd. Het spinnen wordt goedkooper
uit de hand gedaan op de plaatsen van productie. Op de
Engelsclie kokos-mattenfabrieken wordt het garen gesorteerd
in verschillende tinten en variëteiten. Het weven geschiedt
door hydraulische kracht, doch in Lancashire is men begon-
nen met stoomkracht daartoe aan te wenden. Het weven der
goedkoopste matten geschiedt meest in de gevangenissen.
De verschillende tinten, roomkleur, roodbruin, zwartachtig
enz. worden eerst zorgvuldig gescheiden en daardoor ver-
krijgt men in de cocos-matten die aangename afwisseling van
kleuren. Kabels van Coïr zijn uitstekend tegen den invloed
van zeewater bestand; zij zijn licht en veerkrachtig.
In 187!)—80 zijn alleen uit Travancore voor zes millioen
gulden artikelen van den kokosboom uitgevoerd.
De naam ("oir is afgeleid van liet Indisch Kayari, touw
of koord.
Kokos-monsters in het Museum.
1.   Cocos nucifera L. Afbeelding van den boom.
2.   Vruchtschil.
3.   Ruwe vezelstof van de vruchtschil.
4.   Vezelstof van den stam, voor manden.
5.         »          » de bladen.
6.   Gomoetoe of doek van de bladscheeden.
7.  Wortelvezels.
8.   Vezels van de oudere vruchtstelen
-ocr page 103-
85
Kokosvezel bewerkt,
zooals die wordt aangevoerd op de Londensche markt.
Waarde April -1887.
9. Ceylon Coïr Fibre Ë 7—12 de Ton.
10. Coïr Brush Fibre.
.11. Cochin Coïr Fibre É 12—16.
12.   Fair medium Cochin Varh in Bales Ë 16—17.
13.   Common             »                      « Ë 18—21.
14.   Superior Cochin Coïr » - £ 22—35.
15.   Fine              «          » » «
16.    Good              »            ■\' » »
17.   Common Ceylon • » Dholl.
18.   Fine                • « » (Bale).
19.   Medium          » » »
20.   Cinnamon •        »        •
21.   Medium          »                 « (Ballot).
22.   Yellow            » » »
23.   Common .« » « (Ballot).
24.   Medium Angengo « «         «
25.   Fine               »         • »         »
26.   Superior Alipat                ■•
27.   Coconada »                    » Ë 8 — 10.
28.   Good roping Bales £ 5—14.
29.  Twee afbeeldingen van het bewerken der Kokosvezels.
Voetmatten, schotelmatjes, vegers en andere voorwerpen van
Kokosvezel, zie Afd. Nijverheid.
319. Attalea fnnifera Mart. — Coquillo-palm. Piassaba of Piassave.
Brazilië eti Centraal-Amerika. Stam ongeveer 30 voet hoog;
bladen opgericht, gevind, 18—20 voet lang.
Deze palm brengt door de uitrafeling van zijn bladsclieeden
eene grijze, harde en buigzame vezelstof voort, die sedert
lang in Brazilië wordt gebruikt voor touwwerk, tapijten,
bezems, boenders enz. De jaarlijksehe uitvoer dezer stof naar
Europa bedraagt ongeveer 350000 kilogr. Zij wordt onder den
naam Piassave veel voor grof borstelwerk gebezigd.
De vrucht is bekend als Coquillo, kleine Kokos of steen-
Kokos; de harde schaal is uitstekend geschikt voor snij- en
draai werk. Van deze vruchten wordt een aanzienlijke hoe-
veelheid naar Europa uitgevoerd.
-ocr page 104-
86
Ord. Pandaneae.
Bekend door de luchtwortels en wenteltrapvormig geplaatste bladen.
320.   Pandanus spurius Knnipli. — Pandan matti M. P. laut besaar
J. Am bon, 13ali, Java. Bladen 2—3 voet lang, op den rug
rood gedoornd: vruchten vezelachtig. — V.
321.   P. utilis Bory. — Mascarenen, Madagascar: naar Indiéover-
gehraclit Pyramidale boom van 00 voet hoog met drietallige
gevorkte takken : bladen (i voet lang, op den rug rood gedoornd;
vrucht en pyramidaal.
322.   P. furcatns Roxb. — Tjankueang M. S. Voor-Indie, Java.
Stam tot 40 voet boog met dikke gevorkte takken; 20—24
voet lange, dikke, donkergroene, gedoomde bladen. Mannel.
bloemen in hangende trossen, zeer welriekend. — V.
323.   P. latifolius Rninph. — Bidoer S. Pandan rampé gedé 3.
Archipel. Veel gekweekt. Stam 8—9 voet boog; bladen 6 voet
lang, breed, dik, stijf, gedoomd: mann. bloemkolf 3 voet
lang: scheeden wit met groene punt.
De bladen zijn welriekend en als reukwerk in gebruik.— V.T.
324.   P. Sainak Hssk. — Pandan mmak of tikker J. Met smalle,
lange, groene, witachtig gedoomde bladen.
De bladen dienen tot liet maken van matten. — V. T.
325.   P. inosclial ns 1\'iuiipli. — Poedak i. Pandan kastoeri Anib.
Plengix Bali. Haraghag S. Stam 8—12 voet hoog, van onder
op twee-, drievorkig vertakt, aan den voet wortelend: blad-
kroon bolvormig; bladen aan den voet wit- en geelgroen,
stijf uitstaande, 3—4K voet lang: mannel. bloemkolf wei-
riekend.
Wegens de welriekende bloemen op Java veel geplant: op
Ambon van Java ingevoerd. De bladen tot verpakking ge-
bruikt. Van de bladen worden stoel- en vloermatten ge-
maakt. Volgens een rapport van bet Dep. Middelburg der
Maatscb. v. Nijverh. (1875) zijn de vezels bestand tegen witte
mieren. — V. T.
320. P. stc\'tiophylliis Kurz. — Saun(/-rien(/anrj J. Java. — V.
327. P. labyrinthcius Knrz. — Altoeicai.Sumatra.(Siboga). — V.
Verschillende voorwerpen van Pandangvezelstof: Sigaren-
kokers, matten, geldzakken enz.
-ocr page 105-
87
Ord. Cyci.anthaceae.
328. Carlndovica palmata B. et P. — Panama-stroo. Centraal-
Amerika. In Oost- en West-Indië hier en daar overgebracht.
Stam houtig met afhangende luchtwortels; bladen stijf, saam-
gevouwen, waaiervormig; bloemscheeden zijdelingsch.
De bladen leveren het stroo, waarvan de beroemde Panama-
hoeden worden gevlochten.
De bladen worden in kokend water gelegd en na eenigen
tijd daaruit genomen om vervolgens in lauw water te worden
gedompeld, dat met liet san van citroenen is zuur gemaakt.—V.
i. Panama-blad.
2.        /\' stroo.
3.  Vier Panama-hoeden.
Ord. Aroïdeae.
Hiertoe behoort de Aronskelk.
329.   Slim-omnium Horsfleldii Miq. — Waloer S. Java. Bladstelen
% voet: bladen 1 voet lang, 8—10 deelig. — V.
330.   Conophalliis giganteus Schott. — Batoe of Geroemboet M.
Baddoel atjocng of Hoes S. Voor-Indië. Malabar, Ceylon,
Sumatra, Java. Bladstelen ö—7 voet lang. wrattig-ruw; bloem-
scheede donkerpurper. — V. T.
i\'M. Colocasia antiquornm Schoft.— Talus of Taloes S. KimpolS.
Linjal
J. In alle keerkringslanden. Door geheel Indië ge-
kweekt. Bladen zeegroen: de schijf schildvormig, eirond,aan
den voet tweespletig; vele bloemschachten uit denzelfden
oksel, korter dan de bladstelen: bloemscheeden oranjegeel.
De knolwortelen zijn rijk aan zetmeel en worden, evenals
de bladen, door de inlanders gegeten. — V.
3c2. Caladiuin arborescens Vent. — Mokko Mokko. Guyana. Suri-
name op moerassige plaatsen langs de rivieren. Stengel 5—6
voet hoog, cylindervormig, glad; bladen 1 voet lang, even
lang als de bladstelen: bloemkolf groen, inwendig wit met
donkerrood binnenste.
De vezelachtige stengels zijn aanbevolen voor het maken
van papierstof. — Stengels.
-ocr page 106-
K8
Ord. Hydrocharideae
Familie van waterplanten, waartoe ons Kikkerblad (Hydrocharis;
behoort.
333.   Enhalns Koeiiigii Rich. (E. Aceroïdes). — Lamoe, Dring o
laut
M. Lalamoet Amb. Gossongi Tern. Barna Mak. Indische
zee, in de baaien en ondiepe plaatsen, vooral in het meer
oostelijk gedeelte van den Archipel. Java, Celebes, Bali,
Molukken, Soembawa, Flores, N. Guinea. Wortel zodevormend
onder het zand voortkruipend ; bladen onder water lijnvormig,
slap, boven water komende spoedig verdroogd. De mannel.
en vrouwe), bloemen afzonderlijk: vruchten zachtstekelig,
rondachtig.
Volgens Rumphius bedekt deze waterplant geheele opper-
vlakten van de stranden, zoodat deze op weilanden gelijken.
De vruchten worden gegeten (Zollinger): van de vezels der
bladen worden in de Molukken vischnetten vervaardigd.
Vezelstof van het eiland Ansoes, N. Guinea.
Ord. Typiiaceae.
Hiertoe behooren onze Dullen of Duikelaars (Typha).
334.   Typha angustifolia L. — Hawalinjan S.J. of Assiwoeng radja
memtri
S.: ook Walinni J. Smalbladige Dnlle of Doetebolten
Over de geheele aarde, in bijkans alle luchtstreken verspreid
Java, in moerassen, Timor. Rladen smal lijnvormig, hoogei
dan de bloemstengel.
De bladen worden gebruikt tot het maken van matten: d«
jonge spruiten zijn eetbaar. De vezelstof is aanbevolen voo\'
de papierfabrikatie. De plant is van groot belang als oever-
plant, daar hare lange, kronkelende wortels het wegschuiven
en afbrokkelen van den grond verhinderen. De wortels en
bundels gebonden, dienen door hunne lichtheid om kinderen
te leeren zwemmen. — V.
Ord. Flagellarieae.
335. Flagellaria minor BI.— OarlettikS. Rottan krult, R. kofa\'oh
Banka. Malakka, Java, Pinang. Halm klimmend, buigzaam,
vertakt, met scheeden bedekt: bladen smal, stijf, met lange
klauwieren — V.
-ocr page 107-
89
Ord. Cyperaceae.
Hiertoe behooren onze Rietgrassen en Zeggen (Carex).
336.   Finibristylis efoliata Steud. — Wawalingian, Mendoeng,
Djoekoet boeboe-oet S. Java, Malakka, in turfgronden. Halmen
14 tot \\\\i voet hoog; bloemaartjes in schermen. — V.
337.   Rhynchospora Wallichiana Knnth. — Blitmbum lanan. Ge-
heel Indié en de Archipel. Mauritius. Java op de Alang-velden.
Lage rietachtige plant met driehoekige slanke halmen en
roestkleurige, ronde bloemhoofd.jes — V.
Ord. Gramineae.
Grassen.
338.   Hyiiienachne interrnpta Buse. — Somboot\'SoemboeS. Voor-
Indië, Java, in moerassen. Een grassoort, wier stengels onder
water dik en wortelend, tot vele voeten hoog groeien. Bloe-
men in aarvormige pluimen.
De wortels dienen op Java tot larnpenpitten. — V.
339.   Oryza sativa L. — Padie. Rijstplant. In alle keerkringslanden
gekweekt Halm meervoudig, 3—4 voet hoog; bladen lijn-
vormig-langwerpig, ruw: bloemen in gedrongen vertakte
pluimen. Het rijststroo wordt voor verpakking en andere
nuttige doeleinden gebezigd.
340.   Saccharaui offlcinarum L. — Het suikerriet, reeds in eene
andere afdeeling beschreven, levert in zijne stengels eene
grondstof, die voor papierbereiding is aanbevolen.
341.   Saccharuiii spontaneum L. — Glagah J. M. S. Kawok M.
Euri gedé S. Geheel Indië op droge plaatsen. Halm rond,
glad, van 8—20 voet hoog: bladscheeden lang, bladen zeer
lang, lijnvormig, plat; bloempluim smal pyramidaal, zilver-
harig: komt veel op de Alang-velden voor in groepjes, die
hoog boven het gras als eilandjes uitsteken. Somtijds vormt
het Glagah-gras alleen uitgestrekte wildernissen, waardoor
het moeielijker is zich een weg te banen dan door de wouden.
Jungh.
De bladen dienen tot dakbedekking, ook tot het maken van
goede matten. Met het gras worden de buffels gevoed. De
bloemen zijn aan haar voet met een lange, glanzige zilverkleu-
rige wol omkleed. — Blad, V. T.
-ocr page 108-
90
E S P A R T O.
342.   Stipa tenacissima L.
343.   Lygeum Spartitm Löfl.
Sparte-gras: Alfa.
De Sparte-vezelstof, die tegenwoordig zulk een groote rol
speelt bij de papierbereiding, is van beide bovengenoemde
grassoorten afkomstig.
Stipa tenacissima groeit op dorre gronden van Spanje,
Portugal en noordwestelijk Afrika, zoowel op de gebergten
als op de vlakten. Op de hooge bergvlakten van Algerië vormt
zij het voorname bestanddeel der weiden en de jonge spruiten
zijn een uitmuntend veevoeder. In Algerië heet deze plant
Alfa, in Spanje Esparto Atocha.
Lygeum Spartum wordt in geheel Spanje, Noord-Afrika
en rondom de Middellandsche Zee, dus ongeveer in dezelfde
streken gevonden, doch meer op lage, kleiachtige, eenigszins
vochtige gronden. Deze is talrijk in de provincie Oran en
in Algeriti bekend onder den naam El sengha. In Spanje heet
zij Esparto basto of Albardin.
Van beide soorten schijnt de eerste als geschikt voor droge
gronden, het meest algemeen te worden gekweekt.
Beide grassoorten bedekken ontzaggelijke oppervlakten van
de woeste streken van Spanje en noordwestelijk Afrika. De
stijve, taaie bladen gelijken veel op die van onze helm en
worden in Spanje en Algerië tot allerlei soort van vlechtwerk
gebezigd.
De Sparte groeit alleen in het warmere klimaat van Zuid-
Europa, binnen den groeikring der olijfboomen en wordtin
Spanje van Murcia tot Gibraltar overal geëxploiteerd. Men
kweekt haar op de schraalste gronden, waar geen andere
cultuur mogelijk is. in den zomer worden de bladen zorg-
vuldig ingeoogst, en wel zoo dat men de planten niet tot
bloei en vruchtdraging laat komen. De kweeking geschiedt
door scheuring van stoelen in den herfst.
De vezelstof is zeer taai, geschikt voor grof touwwerk en
niet aan verrotting in water onderhevig: daarom wordt zij
veel voor touwen in putten gebezigd.
-ocr page 109-
91
Een groote hoeveelheid Sparte wordt te Marseille aange-
voerd. De vrouwen en meisjes uit den omtrek maken daar-
uit allerlei vlechtwerk, waartoe eene voorafgaande weeking
in water noodig is. Van dit vlechtwerk worden manden en
matten gemaakt, die met spartevezel worden genaaid. Ook
door de tuinlieden wordt de Sparte veel tot aanbinden der
boomen en het omwinden der enten gebruikt. De voornaamste
bestemming evenwel is voor de papierfabrikatie, waarvoor zij
eene uitstekende grondstof levert. Daartoe wordt zij dooi-de
valhamer van de kiezelachtige huid ontdaan, waardoor de
sterke buigzame vezels los komen, die tot papierpap bereid
en door chloor gebleekt worden.
Volgens v. Muller kunnen van een acre 10 Ton (10 000
Kilo) droge Sparte verkregen worden ter waarde van ƒ500
tot ƒ600, en is tegenwoordig de vraag grooter dan het aan-
bod. In April 1887 was de prijs te Londen reeds 5 — 0 £ de
Ton. Goed schrijfpapier kan uit Sparte gemaakt worden zon-
der bijmengsel: de bewerking is gelijk aan die van lompen,
maar zindelijker. De prijs van Sparte-papier verschilt van
ƒ500 tot ƒ600 de Ton.
In 1862 is de eerste lading Alfa van Oran door een En-
gelsch vaartuig als grondstof voor de papierfabrikatie aan-
gevoerd. In 1870 bedroeg de uitvoer reeds I!7 millioen kilo.
In 1884 zijn in Engeland voor de papierfabrieken 184 000
Tons ter waarde van ruim 13 millioen gulden ingevoerd.
i. Lygeum Spartum. Vezelstof.
2.   Stipa tenacissima
3.   Matwerk.
4.   Papier van Sparte.
344. Eragrostis abyssinica Link — Teff-gras. Dit gras met hooge
stengels, lange, iets omgerolde bladen en fijne, losse bloem-
pluimen wordt in Abyssinië als graangewas geteeld en voor-
ziet door zijn voedzaam meel voor een belangrijk deel in het
levensonderhoud der inlanders. Het is over geheel tropisch
Afrika verspreid. De Congonegers maken van zijn bladen
sterke matten en kleedingstukken.
Teff-gras en matten uit het Congo-gebied.
-ocr page 110-
92
BAMBOE.
De Bamboes zijn overblijvende Grassen met rietachtige
of houtachtige, dikwijls klimmende, altijd vertakte stengels,
die zeer snel groeien, dikwijls 60 jaren en ouder worden
en na den bloei spoedig of langzaam sterven. Het aantal
soorten is zeer talrijk en deze worden in verschillende groepen
onderscheiden, welke gezamenlijk onder den naam Bambn-
seeën worden begrepen. Sommige soorten zijn zoo dun als
een pijpesteel en slechts eenige duimen hoog: anderemaken
stengels van 120 voet lengte en 7 duim dikte. De meeste
Bamboes zijn oorspronkelijk in de keerkringslanden: doch
ook in noordelijk China en Japan komen zij voor: vele
soorten kunnen in minder warme klimaten zooals Zuid-Europa
worden geacclimateerd.
De Bambuseeën worden in twee hoofdafdeelingen onder-
scheiden; bij de eene is de vrucht eene echte graan vrucht,
wier schil met liet zaad samenhangt, bij de andere meteen
losse min of meer vleezige schil voorzien. Elke aideeling wordt
verdeeld in twee groepen: De eerste in de Rietachtigen
(Arundinariae) met 3 meeldraden en de echte Bamboes (En-
bambusae) met 6 meeldraden, de tweede in de Hoomaclitigen
(Dendroealameae) met tweenervige kelkkafjes en de Melo-
eanneeën met veelnervige ot\' ontbrekende kelkkafjes.
De Bamboes zijn over de warmere streken van Azië,
Afrika en Amerika verspreid. De Amerikaansche soorten
(ongeveer 80) zijn echter geheel verschillend van die der
oude wereld, behalve eene enkele, de Bambusa vulgaris. Dl
de oude wereld zijn ruim \'100 soorten onderscheiden: doch
haar aantal zal bij meer onderzoek veel grooter blijken.
Bentham heeft in zijn Genera Plantarum \'22 geslachten van
Bambuseeën aangenomen.
De Bamboes zijn met de Palmen de meest sprekende karak-
ters van den tropisehen plantengroei.
De toepassingen die de bewoners der keerkringslanden van
de Bamboes maken, zijn talloos. De stengels leveren materiaal
voor huisbouw, meubelen, werktuigen van allerlei aard. De
vruchten en .jonge spruiten dienen als voedsel, de bladen als
dakbedekking. De buitenste bast der stengels wordt voor
-ocr page 111-
93
allerlei vlechtwerk gebezigd. De voornaamste toepassingen
zijn beschotten voor woonhuizen, kranjangs, matten en stroo-
hoeden. De laatste worden op Java hier en daar door de
inlanders zoo lijn bewerkt dat zij met de beste Europeesche
stroohoeden kunnen wedijveren.
Uit de vezels kan ook door weeking touw en papier wor-
den gemaakt. De toepassing tot papierstot\', voor jaren door
Th. Routledge zeer aanbevolen, schijnt echter aan groote
bezwaren onderhevig te zijn. De bewerking is niet moeielijk.
Bij de Chineezen worden de stengels in stukken van 4—5
voet lengte gespleten die in bundels gepakt, met tusschen-
lagen van kalk in groote waterbakken worden gestapeld.
Na Ji—4 maanden is daardoor de bamboe zoo week gewor-
den dat zij tot pap kan worden gestampt. Deze pap wordt
op zeeven uitgegoten en door vuur of\' in de zon gedroogd.
Het daardoor verkregen papier wordt door de Chineezen
ongelijmd tot schrijven met penseelen gebruikt: met visch-
blaas en aluin gelijmd, naar Europa verzonden, waar het
wegens zijne fijnheid veel tot het afdrukken van lithografiën
en xylografiën wordt gebezigd. Zijn geelachtige kleur wordt
veroorzaakt door een bijmenging van Nankin-katoen.
Het bezwaar tegen de toepassing ligt in de rnoeielijkheid
om een geregelden aanvoer van versche scheuten te bekomen
zonder de stoelen in twee of drie jaar te gronde te richten.
Bovendien is het voortdurend vervoeren van het materiaal
uit de bamboe-bosschen zeer ongezond, en zijn de jonge
stammen met haren bedekt, die de geregelde bewerking
verhinderen. Eindelijk heeft de bamboe in bewoonde streken
te veel waarde voor dagelijksch gebruik, om tot het maken
van papierstot te dienen. De Chineezen echter schijnen het
gebruik van jonge scheuten niet noodzakelijk te achten.
De Chineezen gebruiken, bepaaldelijk voor hunne scheep-
vaart, zeer sterk touwwerk, dat zij uit bamboe vervaardigen.
Daartoe wordt het gedeelte van het hout dat onder de bui-
tenste oppervlakte ligt, met een mes overlangs gespleten tot
reepen van 2—3 cM. breed en \'2 inM. dik. De lengte is ge-
woonlijk 4 M. Voor gewone touwen worden eenige dezer
reepen in elkander gedraaid gelijk bij ons de hennep; voor
sterker touwwerk worden de reepen bij 8—10 tot een ronde
tres stevig gevlochten; deze tressen worden in groote ketels
-ocr page 112-
04
in water met kalk gekookt, waardoor het stugge touw lenig
en bruikbaar en tevens bruin gekleurd wordt. Voor het ge-
bruik onder water is echter dit touw minder geschikt dan
dat van palm schors.
Volgens Hasskarl wordt ook door de inlanders op Java
touw uit bamboe gemaakt, vooral uit de Bamboe apoes of
B. tali (Gigantochloa Apus).
Alle bamboe die tot bouwmateriaal bestemd is, moet,
alvorens men ze gebruikt, geruimen tijd onder water bewaard
worden, daar ze anders dooi- de boeboek geheel vernield
wordt. Zijn bamboe en hout goed uitgeloogd, dan worden
ze niet meer door die kevertjes aangetast. Sum. Exped.
Bamboes in het Museum.
Stengels.
At\'d. Arundinariae.
Dunne lietachtige stengels.
345.   Aruiidinaria Japonica Sieb. et Zncc. — Saiotih. Japan. Te
Buitenzorg gekweekt.
346.   A. floribunda Thw. — Ceylon. Te Buitenzorg gekweekt.
347.   A. sterilis. — Japan, Hoobitikas.                  ld.
348.   A. spee. Japon. — Kokantsih.
349.   A. stolonifera Krz. — Japan. Iloteitsih.
35Ü. A. siamensis Krz.
351.   Phyllostachys Bambnsoides Sieb. et Zucc. — Jalake, Bamboe
Tjina.
Japan, China, Himalaya. Te Buitenzorg gekweekt.
Afd. Euba.mbusae; echte Bamboes.
352.   Bauibusa nana Roxb. v. gracillima. Kautsik. — China, Japan.
Te Buitenzorg gekweekt.
Stengel niet hooger dan 0—8 voet.
-ocr page 113-
95
353.   Bambusa nana — Jatake. Japan. Te Buitenzorg gekweekt.
Met gelen stengel.
354.   B. Tulda Roxb. — Peka Banu, Bengale. In Buitenzorg ge-
kweekt.
Stengels dik en hoog; 20—70 voet in 30 dagen.
355.   B. spinosa Rxb. (B. Blnmeana Schuil.). — Bamboe doeri.
Stekelige Bamboe. Java. Stengels dik en hoog.
356.   B. vulgaris WendI, var. uiaculaia. — Bamboe toctoel. Ge-
vlekte Bamboe. Stengels middelmatig dik.
Bekend door haar glanzige, schildpadvlekkige oppervlakte.
Uitstekend geschikt voor meubels en kleine voorwerpen,
bloemvaasjes, sigarenkokers enz. — V. T.
357.   B. vulgaris var. viridis. — Bamboe hancr yeuli.
Stengels dik en hoog. Volgens Hasskarl spoedig aan rotting
onderhevig en niet geschikt voor woningen.
358.   B. vulgaris var. lutea. — Bamboe koening.
Als de vorige in hoedanigheid.
359.   B. vulgaris WendI. — Bamboe Djavoa. Malang.
360.   B. vulgaris var. B. hauer sèah.
361.   B. verticillata. — Bamboe andong ot\' andeng. — V.
362.   B. spee. Japon. — Leukeutik.
363.   B. spec. Java. — Bamboe lengka.
Kenbaar aan hare heen en weer gebogen stengels.
364.  Leieba Ruuiphiana Krz. ö lineata. — Leieba soerat. Ambon.
365.   I. Ruuiphiana " sylvestris Krz. — Leieba djahat. »
366.   L. Ruuiphiana ; alba Krz. — Leieba poetih.                  »
367.   L. Ainahussana Rniuph. — Leieba boeloe nitoe.             »
368.    uu                u                  u           0         u Boeroe.
369.   Gigantochloa Atter Kurz. var major. — Atter besaar. Javsi,
Buitenzorg. Stengels tot 40 voet.
Wordt spoedig door de boeboek opgeteerd en is alleen
voor heiningen enz. geschikt. Hssk. — Stengel, V. T.
370.   G. aspera Krz. — Bamboe bitoeng. Java. Stengels 60-70 vt. lang.
Volgens Hasskarl spoedig door insecten verteerd.
-ocr page 114-
9C
371 . G. maxima Krz. — Bamboe andong besaar.
Volgens Hasskarl geschikt tot het bouwen van liuizen, voor
beschotten, voetmatten, wateremmers enz. — Stengel, V. T.
37\'2. G. maxi ma Krz 8 minor. — Bamboe andong ketjil.
373.   Gigantochloa robusta Krz. — Bamboe woeloeng. — Stengel,
V. T.
374.   G. Atter minor. — Bamboe atter ketjil. Java.
375.   G. Atter nigra. — Bamboe Ham. Zwarte Bamboe. Java.
376.   G. Apus Kurtz. — Bamboe apoes. Bamboe tali. Java.
Volgens Hasskarl is deze soort vooral geschikt voor be-
schotten van huizen, voor mandewerk, hoeden, dakbedekking
en touwwerk. Tot het laatste doel wordt de stengel zoowel
fijn gespleten in den diameter van het riet, alsook grof ge-
spleten, geslagen en gedraaid. — Stengel, V. T.
377.   G. Wallichiann Krz. — Birma.
378.   G. monogyna.
Atd. Mei.ocannae. Besdragende Bamboes.
De Bamboes dezer afdeeliug brengen vleezige of besachtige vruchten
voort.
379.   Helocanna brachyclada Krz. « viridis.— Bamboe boeloeidjoe.
380.   M. brachyclada Krz. 3 lutea — Bamboe boeloe koening. —
Stengel, V.
381.   M. Blumei Krz. « major. — Bamboe tamiang besaar. —
Stengel, V.
382.   M. Binmei Krz.. 8 minor. — Bamboe tamiang ketjil.
383.   M. tennispiculata Krz. — Bamboe iratun Java.
384.   M. Zollingerii Krz. — Bamboe sirit koeda besaar.
385.   M. Hasskarl ia n a Krz, — Bamboe leng ka tali, B. kruik.
380. M. gracilis Kurz. B. Boeloe akar. Singapore. Java.
Stengels 10 voet hoog.
-ocr page 115-
07
Bamboes, alleen onder inlandsche namen bekend.
387.  Bamboe boeloe. (Melocanna sp.) — V. T.
.\'588.   B. ampel (Bambusa fera?) Passoeroean. — V.
389.   B. gading. Malang. — V.
390.   B. orie. Passoeroean. — V.
391.   B. petoeng. Malang. — V.
392.   B. tjengkong (Melocanna sp.) Malang. — V.
393.   B: vooolooh (Melocanna sp.) Malang. — V.
394.   B. poeloetan.
395.   B. batoeëng itam. Sumatra.
Wordt zeer groot en dikwijls 27 Cent. dik.
Voor vele doeleinden gebruikt, Sum. Exp.
396.   B. boeloen talang. Sumatra.
Dun van wand, gemakkelijk splijtbaar. Sum. Exp.
397.   B. auwoeive itam. Sumatra.
Hard en dicht; donkergroen. Sum. Exp.
398.   B. auwoeive of auwoeive koening. Sumatra.
Hard en bochtig. Sum. Exp.
399.   B. boeloe hampo. Sumatra.
De geledingen worden als kookpotten voor de rijst gebruikt.
Sum. Exp.
400.   B. boeloe sariéq. Sumatra.
Groen met lange geledingen. Sum. Exp.
401.   B. boeloe kasaq. Sumatra.
Groen met zeer lange geledingen, niet dikker dan 6 Cent
Sum. Exp.
402.   B. batoeëng koenang. Sumatra.
Geel met overlangsche groene strepen. Wordt gebruikt voor
omwandingen. Sum. Exp.
403.   B. boeloe,
404.   B. tali.
405.   B. ampel. Bezoeki.
400. B. Banjoemas, 7 monsters.
407.   B. itam. Bezoeki.
408.   B. petoeng «
409.   B. lampar «
410.   B. bloendi.
1
-ocr page 116-
08
Verschillende voorwerpen van Bamboe.
i.  Bloeiende stengel van Bambusa vulgaris, gedroogd.
2.   Voorstelling der fabrikatie van Bamboe-hoeden te Tangerang, Java.
3.   Hoeden en Toedongs.
4.   Vuurwaaiers, vischfuiken.
5.   Bamboe-splijtsels om vuur aan te maken.
6.   Bamboe-vezelstof.
7.   Bamboe-papier, verschillende kwaliteiten.
8.   Bamboe-touw,             «
9.   Fluiten, weversspoelen, sigarenkokers.
10.   Mandjes van allerlei aard.
11.   Twee leunstoelen en een rustbank.
12.   Buik- en voet-randjoes, door de inlanders in den oorlog gebruikt,
bij wijze van voet-angels;
en vele andere voorwerpen in de afdeeling Nijverheid.
-ocr page 117-
Vezelstoffen van welke alleen
de inlandsehe namen bekend zijn.
NEDERLANDSCH INDIË.
1.
■2.
3.
Agel, Japara. — V.T.
Aka balato, Sumatra Exp.
Ara, Aras, Banka.
Arah, Billiton. — V.T.
Bago, (Gnetum ?) Salatiga. —
V.T.
Bakil, Billiton. — V.
Bamban. — V.T.
Bandot, Salatiga.— V.T.
Bando, Malang. — V.T.
Bangie, Passoeroean. —S.T.
Btmiian, Billiton. —V.T.
Banoesoe, Timor. — V.T.
Baroek, Billiton. — V.T.
Bendon, Bangil. — V.T.
Benko, Salatiga. — V.
Bentah, Billiton. — V.T.
Benta akar, Billiton.— V.T.
18.  Berbat, Billiton. — V.T.
19.  Besto, Malang. — V.T.
20.  Bibist, Salatiga. — V.
21.  Bikat, Borneo. (Anoden-
dron?) —S.V. \')•
22. Boeboe, Banka. — V.T.
23.  Boeloe. — V.T.
24.  Boeroet. (Artocarpus rigida ?)
Preanger. — V.T.
25.  Brendo. — V.T.
26.  Dedaban, Japara — T.
27.  Beloendang orang, Bangil.—
V.T.
28.  Djabang, Djabon, Banka.-T.
29. Djadam (Aloë barbadensis ?),
Japara. — T.
30.  Bjeloempang, Salatiga.-V.T.
31.  Djenoe, Salatiga.
6.
7.
8,
9,
10.
11
12.
13
U
45
16
17
") Omtrent de Bi/cat-vezél kan worden meegedeeld dat deze waarschijnlijk
afkomstig is van eene slingerplant (Anodendron rubescens T. B.), fam. der
Apocyneae, in \'t wild veelvuldig voorkomende op Borneo en in de Z. O.
Afd. aldaar ook Tjempol kikies genoemd.
Uit een onderzoek dezer vezelstof door de Heeren Stern & Co. te Haarlem
in 1866 is gebleken dat zij zeer sterk is en ziek tamelijk goed laat verspin-
nen. De bewerking kost echter te veel aan arbeidsloon wegens de kortheid
der vezels en de knoopjes die er in liggen. Volgens genoemde firma zou de
prijs hoogstens / 30 de 100 kilo kunnen bedragen. Zie ook Tijdschr. voor
Nijverh. 1866, Handel. 1866 bl. 47. Natuurk. Tijdschr. v. N.-L, 29, 430.
-ocr page 118-
100
59.  Kali goeboek, Salatiga. — V.
60.  Kemloea of Menoewa, Sala-
tiga. — V.
61.  Kendal kebo (Elaeocarpus
sp.?), Cheribon. — B.
62.  Kendal sapie, Kediri.—V.T.
63.  Kemiren (Hernandia?) Ke-
diri. — B.
64.  Kepajong (Carpophyllum
macrocarpum?), Banka.
65.  Kepang, Billiton. — V.T.
66.  Kepor, Banka. — T.B.
67.  Kilakki (Grewia oblongifo-
lia?), Cheribon. —V.T.
68.  Ki-oela, Cheribon.
69.  Kliwoe, Japara. — V.T.
70.  Koang (Urostigma super-
bum?), Banka. — V.
71.  Koesa, Timor. — V.T.B.
72.  Kolang soesoe, Ti mor.—V.T.
73.  Kontolan, Cheribon. — S.
74.  Laindong, Menado. — B.
(geklopt).
75. Lampaiva. — V.T.
76.  Z«na,Menado.—B.(geklopt).
77.  Langusey, Menado. — B.
(geklopt).
78.  Lew6a,Borneo.—V.,weefsels.
79.  Lemoedjan, Banka. — V.T.
80.  Lentet, Malang.
81.  Lelie, Billiton. — V.
82.  Loewinjan, Salatiga. — V.
83.  Loewing, Cheribon. — V.
84.         »         Salatiga. — V.T.
Sb.Looyong, Bangil. — V.T.
32.  Djoodjo, Japara. — T.
33.  Dloempangan, Japara. — ï.
34.  Dloewang, Cheribon.—Blad.
35.  Gambl (Boehmeria?) Ma-
lang. — V.
36.  Gambil, Japara. — V.T.
37.  Gampriet, Salatiga. — V.
38.  Ganemoe (Gnetum), Me-
nado. — V.T.
39.         » lirang « B. (geklopt)
40.  Gedok, Kediri. — V.T.
41.  Gedengan, Kediri. — V.
42.  Gempangan,Passoeroea.n.—
V.T.
43.  Gloempang. Soerakarta.
44.  Gondong, Kediri. — V.
45.         *         Bangil. —V.T.
40. Got, Kediri. — S.B.
47.  Grossok, Kediri. — V.T.
48.  Hamberang, Kediri.— V.T.
49.  Hinier, Salatiga. — V.
50.  Itap, Billiton. — V.T.
51.  Kalam, Soepajang, Sum.
Exp. — V. \')
52.  Kalas, Salatiga. — V.T.
53.  Kalikambing, Japara.—V.T.
54.  Kandajahan] (Casparea cas-
trata?), Preanger. — V.T.
55.  Kanoenak of Koekbai/e, Ti-
mor. — V.T.
56.  Kapassan, Japara. — V.T.
57.  Kasoengka (Gnetum lati-
folium?),— V.T.
58.  Kasoengka aren (Gnetum
latifolium?), — V.T.
\') Kalam. Pennen voor het schrijven van Arahische karakters. De zwarte
zijn gemaakt van de hoornachtige nerven der idjoeq, de vezelstof die aan
den Anoe-palm (bl. 71) gevonden wordt, de bruine zijn gesneden uit de sten-
gels van eene varensoort, Palve rasam genoemd; zie n°. 113.
-ocr page 119-
101
86.  Mankarei, Billiton. — V.T.
87.          // Banka.
88.  Manon, Malang. — V.T.
89.  Margamon, Billiton.—V.T.
90.  Maroyan, Menado. — B.
91.  Menang koemboen, Sum.—
Blad, V.
92.  Mendang, Malang.—V.T.
93.  Mentaivoeh, Billiton.—V.T.
94.  Merkannang, Banka. —T.
95.  Mesiang bigan, Sum. — V.
96.  Metaba, Banka. — B.T.
97.  Mingor, Cheribon. — V.
98.  Miren, Salatiga. — V.T.
99.  Moenong, u             V.
100.  IVa\'ai,Menado.—B.(geklopt).
101.  Nanas BalL— V.
102.       // blanda.— V.T.
103.  Nemlos, Kediri. — V.
104.  Noenoe, Timor. — V.T.
105.  Noenoek, Billiton. —V.T.
106.  Oerissan, Japara. — V.T.
107.  Oyot peron. Japara. — T.
108.     » soenda,
109.     ii prawan,
110.     // ragan,
ill. // roko,
112. n tembelekkan,ia,^a,ra, i
113.  Padan dahon, Japara.
114.  Pakis, Malang. — V.T.
115.  Pakoe rasam. — V.
116.  Peheer (Ficus?), Preanger.
117.  Pelelet, Japara.- V.T.
118.  Pengan, Menado. — B.
119.  Poedoek, Billiton. — V.T.
120.  Poeloes (Urtica ?), Kediri.—
V.
121.       f             ii Preanger.—
V.T.
122.  Poeloetan kebo, Japara. —
V.T.
123.         «         Salatiga. — S.
124.  Poempoeroetan (Triumfet-
ta sp.?), Kediri. — V.
125.  Poengpoeloetan (Triumfet-
ta sp.?), Cheribon. — V.
120. Poeroet (Artocarpus?),
Cheribon. — V.
127.  Prit, Malang. — V.T.
128.  Ridis, Billiton. — V.T.
129.  Sambangan. — V.S.
130.  Samptje, Sumatra. — T
131.  Sa-oetan, » S.V. l)
132.  Sawukomu, Menado, ge-
klopte B.
133.  Sehang, Kediri. — B.
\') Sa-oetan. Een klimmende heester van Sumatra, groeiende in met zwaar
hout bewassen berggleuven en waar het terrein, zonder moerassig te zijn,
ceuigszins vochtig is. De twijgen, die, zooals de Rottan in geledingen van
ongeveer 15 Kijnl. duim verdeeld zijn, zoeken in de groote en menigvuldig
vertakte boomen den steun om hoog te klimmen en hereiken een lengte
van 10—15 vaam.
Door eene zeer dunne afschilling van den bast komen de vezels, die daur
tegen zitten, te voorschijn. Deze ontschilling wordt eerst een weinig bevor-
derd met den nagel of met een mesje. Zoodra die ontschilling tot het lid
(boekoé) gekomen is, vermijde men de vezels daaraf te trekken, doch legge
dan die in korte stukken gesneden en ontschilde twijgen gedurende 2—3
-ocr page 120-
•102
134.  Senoe, Salatiga. — V. j 136. Sepet, Japara. — V.
135.       » Kediri.-V.           | 137. » Malang. — V.T.
dagen op eene plaats buiten de zon, ten einde de vezels winddroog te ma-
ken. Eerst met den derden dag kunnen zij van de geleding worden afgetrok-
ken, waarna ze in zuiver water gewassen en weder winddroog gemaakt
worden. De tijd van inzameling is volgens den inlander het best, wanneer
de twijgen de volle lengte van 10—15 vaam hebben bereikt, en dan nog
wel bij wassende maan; terwijl in het tegenovergesteld geval de vezels minder
goed loslaten en ook brozer zijn.
Be cultuur vercischt geen andere zorg dan dat men er op lette, de twijgen
gelegenheid te geven naar boven te werken en daarvoor steun te vinden.
De aanplanting geschiedt door scheuring van den stoel; de gescheurde
plantjes worden op ongeveer 2—3 el afstands van elkaar geplant.
Bovenstaande mcdedceling is gegeven door de Kamer van Koophandel te
Padang. Volgens een later bericht van den Heer H. L. van der Waarden
is de bewerking aldus: De leden worden in vieren gesplitst en van den bast
ontdaan. De bast wordt in helder water gelegd en gekookt. Als het water
goed kookt, wordt de bast er uit genomen, en is dan zoo week dat hij ge-
makkelijk van de vezels ontdaan kan worden door strijken met een bamboe-
latje, welke bewerking sahoet of suwit genoemd wordt. De overblijvende bast
bevat nog veel vezels en kan mogelijk ook voor iets geschikt gemaakt wor-
den, evenals het roodbruine vocht dat zieh bij de koking uit den bast op-
lost en in het water achterblijft.
Door onderzoek bij de Maatschappij van Nijverheid is gebleken dat deze
vezelstof zeer arm is aan vetdeelen en daardoor dor en moeielijk spinbaar
is, doch door bewerking zachter wordt. Monsters met vlas en ook onvermengd
gesponnen Sa-oetan, alsmede met indigo geverfde Sa-oetan, toonden dat zij
de verf goed aanneemt. Zij wordt dienstig geacht voor touwslagerijen en
zeilmakerijen. De gesponnen vezel bleek even sterk, schoon niet sterker dan
vlas, zoodat de waaide van de prijzen zal afhangen. Tijdschr. v. Nijverheid,
1872, bl. 154.
Monsters in het Museum ontvangen van de Kamer van Koophandel te
Padang en van den Heer H. L. van der Waarden, ass.-resid. van de afd.
Aycr bangies en Rau, Sumatra\'s Westkust.
Saoetan-plant. Herbarium van gedroogde stengels, bladen, bloemen en vruchten.
Stengellid met den bast.
Stengellid zonder bast.
Gekookte bast.
Geweekte bast.
Half verwerkte bast.
Afval der gekamde vezels.
Vezelstof in de kampong verwerkt.
Vezelstof onder toezicht van den inzender verwerkt.
-ocr page 121-
103
159.  Timo, Kediri. — V.
160.  Tjaboera, Billiton.—V.T.
161.  Tjeplokan, (Physalis angu-
lata?) Kediri.— S.V.
162.  Tjitjir, Malang. — V.T.
163.  Tjoebadakoetan,Sum.—T.
164.  Toelan, Banka.
165.  Toembarang, Borneo.—V.
weefsels.
166.  Toena, Timor — V.T.
167.  Toengkol, Japara. — V.T.
168.  Wara (Flagellariaindica?),
Billiton. - V.T.
169.  Waroe kongkong (Hibis-
cus ?) Japara. — V.
170.  Wesnoe, Japara. — V.
171.  Widang, Malang. — V.T.
172.  Wiedja, Cheribon.—V.B.T.
173.  Wiesnoe, "            V.T.
174.  Woloemoe, Menado. — B.
(geklopt).
175.  Woolar, Waliran (Tylo-
phora tenuis?), Japara. —
V.T.
176.  Woowoe (Flagellaria in-
dica?), Japara. — T.
138.  Sentet, Malang. — V.T.
139.  Seroetan, »                u
140.  Sodoprijo, «               «
141.  Soebet deking, Japara »
142.  Soegei ayer, Banka -/
143.  Soekat Zoetangr, Japara *
144.  Soeket kedot, Japara. — V.
145.  Soeloer, Salatiga. — S.
146.  Soewa. — B.V.T. en paar-
dentuig.
147.  Songilèh, Banka. - V.T.
148.  Talok (Grewia?), Kediri.
149.  Tangkola, Preanger.
150.  Tambang handeon. — V.T.
151.  Tapang, Banka. — V.T.
152.  Tapassan, Japara. — T. en
weefsel.
153.  Taroq, Sumatra, geklopte
B.T.
154.  Teep, Menado. — B.
155.  Teliting, Banka.
156.  Tembessie, Passoeroean. —
V.T.
157.  Tengang (Gnetum sp.?).
Borneo. — V., weefsels.
158.  Teteboran, Cheribon.
Uit andere gewesten.
177.   Japansche hennep. Fuatsa f\'oe.
Vezels, garen, weefsels.
178.   Pluis van een rietplant, Japan.
179.   Tschikoesa ori (Urtica Thunbergiana?), Japan.
Vezel, bladen, weefsel.
180.   Zen-Mai (Varen), Japan.
Plant, wollige vezel en weefsel.
181.   Koe Tzoe (Pueraria Thunbergiana?), Japan.
Plant en weefsel.
-ocr page 122-
104
182. Rameh, Japan.
Vezelstof en weefsel
183 fa-fu, Japan.
Weefsel van Aïcuso.
184.   Lief of Lie/fa. Vezelstof van den boom Chugar, Arabië.
185.   Chiendent, wortels van eene grassoort uit Italië, voor stoffers
enz. De gewone soort borstelwerk Chiendent genoemd, wordt
gemaakt van de wortels van Andropogon Ischaemura L., de
betere soorten van die van Chrysopogon Gryllus Trin.
186.   Kontom, vezelstof uit Siam.
Vezelstoffen van Suriname, onderzocht door
de Maatschappij van Nijverheid,
Zie Tijdschrift 1879, bl. 121.
187.   Phrynium Cusiipo Rosc. (Scitamineae). — Warimbo, Suri-
name. Levert een fraaie sterke vezelstof voor het vlechten
van mandjes. — V.
188.   Tillandsia usneoides L. (Bromeliaceae). — Caragata, Crin
végétal d\'Amérique, Plantaardig paardehaar, New Orleans
Moss, Barbe espagnole, Spanish Moss, Old man\'s Beard.
Zuid-Amerika, ook in Suriname. Vezelstof van eene Ananas-
achtige plant, gebruikt voor opvulling. — V.
189.   Xylouia spec. (Anonaceae). — Pegrecoe, Suriname.
De buitenbast geschikt voor versiering  van bloemenman-
den enz. — V.
190.   Kamakoeté, Suriname. Niet geschikt voor touwwerk. — V.
191.   Koeli kojoko, » Geschikt »             » — V.
192.   Jarikokali, » Niet geschikt »             » — V.
193.   Koejeti, * // // //             » — V.
194.   Kamina-tetei        n         Als N°. 189.
Zeilgras (Singrasi), Suriname. Zie Bromeliaceae.
Boschzuurzak,
                 »         Zie Anona muricata.
Jngisopé,                          ii         Zie Agave.
Maho,                              ii         Zie Hibiscus elatus.
Ita-palm,                         »         Zie Mauritia flexuosa.
Pita-vlas,                         t         Zie Agave.
-ocr page 123-
REGISTER DER WETENSCHAPPELIJKE NAMEN.
No.
A. sativa Mill.............. 266
A.------variët........267—270
Andropogon Ischaemum L.(bl. 104)
Anodendron coriaceum Miq. 447
A. rubescens T.B......(bl. 104)
Anona muricata Dun....... 4
A. squamosa L............ 5
Antiaris Toxicaria Lesch.... 498
Aquilaria Agallocha Roxb. . 456
A. malaccensis Lam........ 157
Aralia papyrifera Hook..... 424
Areca Cate\'chu L........... 299
Arenga obtusifolia Mart.... 300
A. saccliarifera Labill....... 301
Artocarpus Blumei Tréc... 202
A. elastica Rnw............ 200
A. incisa L. f..............499
A integrifolia L...........201
A. pubescens W........... 202
Arundinaria iloribundaThw. 346
A. japonica S. et Z........345
A. siamensis Krz...........350
A. sterilis.................347
A. stolonifera Krz.......... 349
A.  spec.................... 348
Astrocaryum vulgare Mart.. 317
Attalea funifera Mart.......319
Averrhoa Carambola L..... 79
Bambusa Blumeana Schuil. 355
B.  nana Roxb. var___ 352—353
B. spinosa Roxb...........355
B. Tulda Roxb.............354
B. verticillata.............. 361
B. vulgaris Wendl. Variët. 356-360
No.
Abelmoschusesculentus WA. 28
Abroma augusta L......... 64
A. fastuosa 11. B.......... 64
Abutilonatropurpureum Hssk. 20
A. graveolens W. A. var. hir-
tum..................... 49
A. indicum G. Don........ 47
A.---------var. populifolium. 48
A. Leschenaultianium Don. 46
A. populifolium Lam...... 48
A. striatum Dicks......... 22
A. sundaicum G. Don...... 24
Acacia tomentosa Willd .... 444
Adansonia digitata L....... 43
Agati grandi/lora Desv..... 93
Agave angustifolia Haw .... 277
A. Cantula Roxb...........278
A. foetida L............... 285
A. geminiflora Gawl........280
A. lurida Aii.............. 282
A. rigida Muil. var. Sisalana 279
A. Rumphii Hssk.........278
A. Scolymus Karw.........284
A. Verae-Crusis Mill.......283
A. Xalapensis Roezl........284
Albizzia micrantlia Boiv.... 442
A. odoratissima Benth.....442
Aleurites moluccana Willd. 462
A. triloba Forst............ 462
Aloë barbadensis Mill....... 290
A. vulgaris L.............290
Alstonia scbolaris R. Br___446
Amorauni dealbatum Roxb.. 248
Ananassa bracteata Ldl.....274
-ocr page 124-
106
No.
Bambusa spec............. 363
Barringtoma spicata BI..... 118
Bixa Orellana L............ 6
Blumea macrophylla D.C... 130
Boehmeria candicans Hssk. 207
B. nivea Gaud.............207
B.-----ft tenacissinia...... 207
Bombax malabaricum D.C.. 44
B. pentandrum L.......... 45
Borassus flabellitbrmis L.... 316
Uouea Gandaria BI........ 86
B. macrophylla Grill\'....... 86
Bromelia Karatas L....... 272
BroussonnetiapapyriferaVent.176
Bruguiera eriopetala W. A.. 116
B.  Rumpliii BI............. 116
Butea frondosa Roxb....... 98
Caesalpinia alata L......... 104
C.  Sappan L..............103
C\'. timoriensis D. C........ 105
Caladiura arborescens Vent. 332
Calamus................... 307
C. javensis BI.............. 308
C. Manan Miq............. 309
Calopliyllum inophyllum L . 9
Calotropis gigantea R. Br.. 149
Cannabis sativa L. var indica 175
Capura Zollingeriana T. etB. 84
Carludovica palmata R. etP. 328
Caryota urens L........... 302
Cassia mimosoïdes L....... 106
Cedrela febrifuga BI....... 81
C. Toona Roxb............. 81
Cephalandra indica Naud... 122
ChrysopogonGryllusTrin.(bl.\'104)
Clerodendron fragrans Vent. 150
C. paniculaturn L.......... 151
Coccinia Wightiana Roem . 122
Cocos nucifera L........... 318
Codonopsis javanica Miq. ... 132
Coleus scutellaroïdes Benth. 152
Colocasia antiquorum Scliott 331
Colnnibia javanica BI...... 72
C. serratifolia D. C........ 73
Conocephalus suaveolens BI. 203
Conophallus giganteus Scliott 330
Conyza macrophylla BI.... 130
Corchorus capsularis L..... 77
No.
Cordia bantamensis BI......  136
C. suaveolens BI...........  137
Cot\'dylinc flexuosa Miq.....  276
Corvpha elata Roxb........  304
C. Gebanga BI.............  305
Covellia didyma Miq.......  195
C. hispida Miq............  194
C. juncea L................    90
Crotalaria sericea Retz.....    89
C.  tenuifolia Roxb.........    90
Cynoglossurn robustum Hssk.  138
Cyrtosiplionia reflexa Miq ..   148
Daemonorops. .No. 307 en bl. 78
Daphne pendula Smith.....  154
Derris pubipetala Miq......  102
Diospyros Ebennm Retz....  133
Di ploplira ctum auriculatum
Dest\'....................    71
Dipterocarpus Spanoghei Bl.    10
Donacodes Walang Miq.....  219
Dracontomelon niangiferum
Bl......................    87
Drirnvspermum ambiguum
Meisn...................  160
ü. Blumei Dec............  189
D.  urens Rend.............  158
Durio zibetliinus D.C......    46
Dysoxylon mollissirnum BI..    80
Enhalus Aceroïdes.........  333
E.  Koenigii Rich...........  333
Eragrostis abyssinica Lk....  344
Eriolaena montana.........    58
Eriodendron anfractuosuniD.C. 45
Erythrina fusca Lour......    96
E. indica Lam.............    95
E. spathacea D.C..........   J97
Eugeissonia tristis Grill\', .(bl. 78)
P\'agraea fragrans Roxb.....  135
Eicus acaniptoplivlla Miq ..  182
E. alba Rnw. .."...........  189
E.  annulata Bl............  180
F.  asperiuscula Klit.......  192
F. coronata Rnw..........  192
E.  elastica Bl..............  186
F.  elegans Hassk..........  187
F. fulva Rnw..............  188
F. glabella Bl..............  184
F. globosa Bl..............  181
-ocr page 125-
107
No.
Grewia inaequalis Bl:...... 68
G. laevigata Vahl.......... 66
G. Microcos L............. 70
G. oblongifolia Bl.......... 67
G.odorata Bl............. 69
G. scabrida Wall.......... 69
Grifflthia latifolia T.B.....127
Guazuma Bhimei G . Don.. 65
G. tomentosa Kunth....... 65
Heliconia Bihai L.......... 264
H. buccinata Roxb.........264
HeliconiopsisambonensisMiq 264
Helicteres hirsuta Bl....... 52
H. javensis Bl............. 54
H.IsoraL................ 51
H. viscida Bl.............. 53
Herpestis Monniera H.B.K. 139
Hibiscus callosus Bl........ 39
H. elatus Swartz.......... 33
H. esculentus L. . .. ....... 28
II. Lampas Cav........... 41
H. liliiflorus Cav........... 36
H. macrophyllus Roxb..... 29
H. mutabilis L............. 37
H. Rosa sinensis L......... 35
H. tiliaceus L...... ........ 30
H. tiliaceus il. pi........... 31
H.--------v. tortuosus..... 32
H. tortuosus Roxb......... 32
H. tricuspis Banks......... 34
H. venustus Bl............. 38
II. vulpinus Rnw.......... 29
II. zeylanicus L............ 27
Hymenachne interrupta Buse 338
Hypaphorus sub-umbrans
Hssk.................... 90
Hyrtanandrapentandra Miq. 208
Indigofera tinctoria L...... 92
Intsia ambonensis Thouars.. 107
Jati\'opha Manihot L.......169
J. multifida L.............. 170
Kerria japonica DC......... 115
Kleinhovia hospita L....... 50
KorthalsiaJunghuhnianaMiq. 312
K. robusta Bl............. 314
Laportea costata Miq....... 205
L. crenulata Gaud.......... 204
Leea rubra Bl............. 82
No.
Ficus hirta Vahl........... 191
F. hispida L.i\'............. 194
F. infectoria Roxb.........183
F. lepicarpa BI............ 195
F. leucoptera Miq.......... 190
F. mysorensis Roth........ 179
F. politoria Lam........... 193
F. religiosa L............. 185
F. rhizocarpa T. et d. V.... 197
F. septica Rmph........... 19(5
F. toxicaria L............. 188
Fimbristylis efoliata Steud.. 336
Flagellaria minor BI.......335
Flemingia congesta Roxb. .. 100
Fourcroya cubensis Haw. .. 287
F. gigantea Vent........... 285
F.  tuberosa Ait............ 280
Gigantochloa Apus Krz.....376
G.  aspera Kr/..............370
G. Atter Kurz. v. major.... 369
G.------var...........374—375
G. maxima Krz........371—372
G. monogyna.............. 378
G. robusta Kr/............. 373
G. Wallicbiana Krz.......377
Girardinia heterophylla Dcne. 206
Gossypium................ 42
G. arboreum L........42 bl. 9
G. barbadense L.......42 // 9
G.---------var. religiosum42 » 9
G.-------------acumina-
tum................42 h 9
G. herbaceum L.......42 * 10
G.---------var. vitifolium
Roxb................42 » 10
G.---------var. obtusifo-
lium Roxb..........42 » 10
G.---------var. micran-
thum Cav...........42 » 11
G. hirsutum Willd.....42 « 10
Gr. indicum Lam.......42 // 10
Gnetum edule Bl..........216
G. funiculare Bl...........217
G. Gnemon L.............213
G. latifolium Bl...........214
G. neglectum Bl........... 215
Grewia affinis Hassk...... 70
G. celtidifolia Juss........ 68
-ocr page 126-
408
No.
Leieba AmahussanaRmph. 367-368
L. Rumphiana Krz......364-366
Leucaena glauca Bentli... . 410
Leucosyke alba Z. et M..... 242
Limnanthenum calycinum
Miq....................434
L. indicum Twaithes.......434
Livistona rotundifolia Mart. 306
Lufla foetida Cav..........424
Lygeum Spartum Löfl...... 343
Macaranga Mappa Muil .... 464
Malachra heptaphylla Fisch. 23
Mallotus albus Muil........ 468
M. Blunieanus Muil........ 463
M. macrostachyus Muil......467
Manicaria saccifera Gaertn.. 303
Manihot Janipha Pohl...... 469
Mappa moluccana Spr...... 464
Marunta dichotoma Wall... 220
Marumia muscosa BI....... 449
Mauritia flexuosa L........345
Melocanna Blumei Krz. 384—382
M. brachyclada Krz. var. 379—380
M. gracilis Krz............386
M. Hasskarliana Krz....... 385
M. tenuispiculata Krz......383
M. Zollingerii Krz.........384
Melochia corchorifolia L.... 64
M. inclica Hook............ 60
Memorialis pentandra Wedd. 208
Metroxylon laeve Mart...... 343
Michelia Champaca L...... 2
Mitrephora macrantha Hassk 3
MoringapterygospermaGaertn 88
Morus indica Rmph........477
Af. papyrifera L..........476
Musa Cliffbrtiana L........224
M. —---------\'< seminifera. .. 222
M.------------var......223—225
M. niindanensis Rmph...... 227
M. ornata Roxb............ 227
M. Rumphiana Krz........228
M.---------« simiarum. 229—234
M.---------8 violacea....... 232
M.---------y Sapientum 233—237
M.---------,T Paradisiaca 238-239
M.---------e corniculata.... 240
M. Variëteiten........ 244-203
No.
Musa salaccensis Zoll......227
M. texlüis Ruiz...........227
Nauclea grandifolia D. C... 425
Nepenthes melamphoraReinw. 153
Nidularium Karatas........272
Ophioxylon Serpentinum L. 445
Opuntia cor.henillifera Mill.. 420
Oreocnide major Miq......240
O. sylvatica Miq..........241
Oryza sativa L.............339
Oudemansia hirsuta Miq... 52
O. javensis BI............. 54
O. viscida Miq............. 53
Pandanus furcatus Roxb. . . 322
P. labyrinthicus Krz.......327
P. latifolius Rmph.........323
P. moschatus Rmph........325
P. Samak Hassk...........324
P. spurius Rmph........... 320
P. stenophyllus Krz........326
P. utilis Bory.............. 321
Pangium edule Rnw........ 8
Parinarium Grifflthianum
Benth................... 444
P. multi/lorum Miq........ 144
Paritium tiliaceum W. Arn. 30
Parkia africana K. B....... 409
Pavonia zeylanica Cav...... 27
Pentapetes phoenioea L..... 59
Phormium tenax Forst.....289
Phrynium Casujio Rosc. .(bl. 404)
Phyllostachys Bambusoides
S. et Z.................. 354
Pipturus velutinus Wedd... 209
Pithecolobium urnbellatum
Benth............•;••■.••• 113
PlaqianthcraoppositifoliaR.
et Z.................... 163
Plectocomia elongata BI.... 310
Pluchea indica Less........434
Polyphragmon sericeum Desf. 129
Psychotria rhinocerotis Rnw. 128
Pterocarpus indicus Willd.. 101
Pterospermum acerifolium
Willd................... 57
P. diversifolium Bl........ 56
P. suberifolium Lam....... 55
PuerariaThunbergiana. .(bl. 103)
-ocr page 127-
•109
No.
Trichospermum javanicum BI. 7
Trigonella Foenum-graecumL. 91
Triumfetta rhomboidea Jacq. 74
T. trilocularis Ro.xb....... 74
T. villosiuscula BI......... 75
Turpinia sphaerocarpa Hassk. 85
Typha angustifolia L.......334
Uncaria Gambier Roxb..... 126
Uraria picta Desv......... 94
Urena Blumei Hassk....... 26
IJ. heterophylla Sm....... 25
II. Lappar/o D.C.......... 25
U. Iobata L............... 24
U. sinuata L.............. 25
Urostigma annulatum Miq. 180
U. canaliculatum Miq.....184
U globosum Miq.......... 181
U. infectorhim Miq........183
U. Karet Miq............. 186
(I. mysorense Miq........179
U. retigiosum Gasp.......185
Vrtica heterophylla Vahl... 206
U. Thunbergiana......(bl. 103)
Villebrunea rubescens Bl. .. 210
V. sylvatica Bl............ 211
Viscum oriëntale Willd. . .. 161
Visenia indica Houtt...... 60
Vitex Lonreiri Hook etArn. 141
Y. pubescens Vahl........ 142
V. trifolia L..............143
Wickstroemia Candolleana
Meisn................... 155
Willoughbya firma Bl......144
Wissadula Leschenaultiana
Hook................... 16
W. rostrata PI............ 15
W. zeylanica Med........ 15
Xylopia spec...........(bl. 104)
Yucca aloefolia L..........291
Y. draconis L.............292
Y. flaccida Haw........... 293
Y. gloriosa L.............294
Y. pendula Desf........... 295
Y. serrulata Haw.........296
Y. superba Haw..........297
Y. tenuifolia Haw......... 298
Zanonia macrocarpa Bl..... 123
Zizyphus Oenoplia Mill..... 82
No.
Quisqualis indica L........\'117
Raphia Ruffia Mart........314
Ravenala madagascariensis
Sonn..................265
Rhynchospora Wallichiana
Kth.................... 337
Ricinus communis L....... 165
Riedlea borbonica D.C..... 62
R. concatenata D.C....... 61
R. Guazumifolia........... 63
Roeslea regia.............. 288
Rottlera alba Iioxb........ 168
R. macrostachya Miq......167
R. oppositifolia BI........163
R. paniculata Adr. Juss. ... 166
Saccharum officinarum L. .. 340
S. spontaneum L..........341
Salmalia malctbarica Schott. 44
Sanseviera cylindrica Boj... 274
S. fasciata ...............275
S. latifolia Bot. Mag.......276
S. zeylanica Willd.........273
Sauromatum Horsfieldii Miq. 329
Schoutenia ovata Korth..... 78
Sesbania grandiflora Pers. . 93
Sesuvium repens Willd..... 171
Sida angustifolia Cav...... 13
S. compressa Wall........ 11
S.cordifolia L............. 12
S. rnucronulata D.C....... 14
S. rhombifolia L........... 11
Sloetia Sideroxylon T. B. . . 178
Sponia ambonensis Dn°..... 172
S. discolor Dne............ 174
S. orientalis Planch........173
S. velutina PI............. 172
S. Wightii PI.............173
Sterculia Blumei G. Don... 49
Sterculia foetida L........ 47
S. nobilis Sraith.....;..... 48
Stipa tenacissima L........342
Tamarindus indica L....... 108
Tectona grandis L. fll......140
Tetracera Assa D.C........ 1
Thespesia Lampas Dalz..... 41
T. macrophylla Bl......... 40
Tillandsia usneoides L..(bl. 104)
Trema ambonensis BI.....172
-ocr page 128-
REGISTER DER INLANDSCHE NAMEN.
(Behalve de namen, reeds vermeld onder No. 1—187
op bladz. 99—104).
No.
Agila............456
Ampaleh battang. .193
Ampelas..........193
Anau............3(M
Andi andi........67
Anggroeng.......173
Angin angin......212
Angsana.........101
Anjoewang.......276
An\'tjar...........198
Apiet............159
Aren, Areng......301
Aroy-harendong.. .119
------kakeedjoan.. .203
------kitjoebong.. .123
------tjoempal kikis 147
Assam, A. djawa.. .108
Assiwoeng radja
man tri.........334
Attoewai.........327
Awar-awar.......196
Awarra..........317
Baddoel atjoeng.. .330
Badoeri..........149
Bajoer........... 56
Bakko............116
Bakoe............116
Baleh angin.......168
Baliek angien.....168
Bama............333
Bambang.........220
No.
Bamboe...(bl. 92—96)
------andong......361
----------------besaar 371
----------------ketjil..372
------apoes.......376
------atter besaar.369
-------------ketjil...374
------bitoeng......370
------boeloe akar. .386
------------- idjoe. ..379
-------------koen ing 380
------djawa......359
------doeri........355
------hauer geuli . .357
------hauer seah...360
------iratun.......383
------itam.........375
------koening......358
------krisik........385
------lengka......363
------lengka tali.. .385
------sirit koeda be-
saar............384
------tali..........376
------tamiangbesaar381
------tamiang ket-
jil.............382
------tjina........351
------toetoel......356
------woeloeng___373
Bamboe-variëteiten387
No.
Bandengan.......171
Bandiel........... 82
Bangban..........220
Bangil............202
Baobab...........43
Batoe.............330
Baus.............150
Bayang...........107
Bebesaran........177
Bedjok............200
Bedoeri...........149
Bendo............202
Bidoer............323
Bientangoor...... 9
Bintanoli..........60
Bintinoe..........60
Birong...........188&
Bisoro............194
Blimbing......... 79
------manies...... 79
-----tjina........84
Blumbum lanam...337
Boea rau.........87
Boeboe-ai.........310
Boeda............200
Boeloe............114
Boeloestroe........121
Boenda...........200
Boenga haran tjadi 59
Boenoet kalodja.. .185
Boentoet oetjing. . 94
-ocr page 129-
m
No.
Ipie..............107
Ipo..............198
Jojang............10
Kadjoe-kajoe......93
Kajoe arang oetan.133
-----besi.........107
-----boelan......117
-----dadi........181
-----djaran......156
-----ganemoe.....214
------goerda......65
-----koeda.......156
-----timon.......129
Kakapassan .. .37, 159
--------koening . .. 39
Kakas............159
Kakatjangan...... 90
Kalassan.........203
Kallas............203
Kalok tjekko.....153
Kamadoeh........205
Karnelan djingan..H0
Kapas variëteiten.. 42
bl. 7 en 11
-----antoe.......27
Kapas oetan.... 39, 41
Kapinie..........178
Kapirit...........207
Kapoean..........190
Kapok............ 45
Karet............186
Kasintoe.........276
Kasoemba........ 6
Kasoengka........214
---------berit..2l6,217
Katisan..........138
Katoempang......47
Ka wok...........341
Kedaya........... 80
Kekembang laut .. 54
Kekontolan.....51, 52
Kelambak........156
Kelapa...........318
Kellor............ 88
Kemanden kerbo..l30
Kembang boegang.151
------kantjil...... 2
-----sepatoe...... 35
No.
Gadong laweb.....159
Gambas...........122
Gambier..........126
Gandaria......... 86
Gandja........... 77
Gandrie........... 86
Ganemoe.........214
Gangaboesan...... 59
Garintoe!.........213
Garoe............156
Gebang...........305
Gebang-paleng ... .305
Gedang betjiedjie. .223
Gelong laut.......171
Gempol...........125
Gei\'oemboel ......330
Getah gitan gedang.144
Gingiang berem... 83
Ginjeli...........175
Girang........... 83
Glagali...........341
Gliengum......... 6
Gloege........... 6
Gnemon......216, 217
Goede............109
Goenajah......... 86
Goenda leutiek___139
Gomoetoe.........301
Gossongi..........333
Ha happaan......
Hamberang berem.188
-----bodas........187
-----soe-gang.....191
Hamproe badak.. .128
Hanggassan gedeh.218
Hantap batoe.....49
-----passang...... 48
Haraghag.........325
Harendoeng-badak.119
Hai\'i-koekoen...... 78
Haringin..........105
Harras...........142
Hawalinjan........334
Hitam............433
Hitjoe............115
Hoë..............308
Hoei dangdoer ... .169
Hoes.............330
No.
Boentoet seroh.... 94
Bongol bas.......305
Bukkuh,Bukkuh-anl55
Dadap............95
------bong........97
------minjak......99
------serep .......96
------tjangkrieng.. 96
------wangie......97
Dadoq...........97
Dangdoer, D. alias. 44
------gedeh.......37
Daoe.............87
Daundoelang....."164
Daun kendi.......153
------koerap......"104
Dawon gatel......205
Deloewang.......176
Delondong........95
Diloewak......... 70
Djabon...........125
Djaloepang.......72
Djambeh.........299
Djangkang.... ■.... 47
Djarak, D. kepiar.165
Djarak tjina......170
Bjatti............140
------ sabrang.....65
------wolanda.....65
Djawan gawer... .152
Djawer kottok. .. .152
Djawoer wolanda.. 65
Djelatong.........204
Djerrieng.........113
Djewer burrum. ..152
Djoekoet boeboe-oet336
Djoerong.........211
Dloedoeng........95
Doerian........... 46
Dob.............48
Dohlok...........( 7
Dringo laut......333
Drowak..........72
Euri gedeh.......341
Fana.............227
Gaboes...........146
Gadel.............102
Gadelan..........102
-ocr page 130-
112
No.
Mendoeng........336
Mengando seringan 161
Meninjo..........213
Metti............127
Miara maas.......152
Mimiran..........211
Mlindjo..........213
Moentjang........162
Mokkó mokko.....332
Nanas............266
Nanas blanda\'.___278
■ bogor.......271
bied joh......268
kost\'a.......278
-----manies......270
------sabrang.....
278, 281, 282
------siesiek......271
------soerat.......269
------tembaga.....267
Nanka...........201
Nanka beurriet ...201
Nanka boeboor.... 4
Nanka wolanda ... 4
Nangsi...........211
Ngauloe..........87
Nila.............92
------koetjing..... 71
Nipo.............198
Njamploeng....... 9
Oar lettik........335
Oea..............311
Oebi dangdoer ... .169
Oedani...........117
Oepas............198
Oerang-oerangan .. 208
Oeris-oerissan.....66
Oeya-oeyahan . .. .192
Ohpoh ohpoh.....100
Ojong............121
Ommas..........308
Orok orok........132
Padie............339
Pakoe sorok radja. 153
Palan, Paloen. . . .116
Pandan kastoeri. .325
------laut besaar... 320
------matti.......320
No.
Koewoeng.........301
Koevang, K.rottan.106
Kofïo.............226
Kohleh boddas....229
-----burrum......230
------heedjoh......231
------maas........233
Kokap...........202
Konneng......... 41
Kroh, Kokroh . .. .335
Krossoh..........190
Laban............142
Lalamoet.........333
Lameli...........146
Lainoe...........333
Langkap.........300
Langkeh, L. jang-
kang...........161
Laoe............. 87
Lateng........... 24
Latiang.......... 24
Leleba boeloe ni-
toe........367, 368
Leleba d jahat.....365
------poetili.......366
-----soerat.......364
Lengkeh..........161
Lida boeaja.......290
Lingoa...........101
Linjal............331
Loa..............183
Loentas..........131
Loleb............197
Lom.............113
Lontar...........316
Madang damar... .164
Madoeri..........149
Malang beranjam..l51
Malatti oetan.....150
------wolanda.....150
Manan...........114
Manan, Manau___309
Mangian.........116
Mangi mangi.....116
Mangkaras........157
Manoe...........114
Marabouw, Mer-
No.
Kerabang woengoe.227
Kemirie..........102
Kemplong........153
Kenda)...........136
Kendal prit.......137
Kendarah........86
Kentong-awar. . . .153
Kepodo...........132
Kepoh gedeh...... -47
Ketella djindraal. .169
------kajoe........160
------ pohon.......169
------randoe.......169
Ketepeng.........104
------badak.......104
Ketimoho......... 50
Kiara pereng......180
------tepok........180
Ki-assahan........ 1
Ki-badak.........135
Ki-bantjet........85
Ki-bawang bodas.. 80
Ki-besaar........177
Ki-buntur........212
Ki-ladja.......... 3
Ki-lakki........66, 67
------aroy........69
Ki-malakkian.....163
Ki-manita........104
Ki-meon.........163
Kinipol..........331
Kiraj............313
Ki-tagoen siegung.163
Ki-tetjangkier. . .. 64
Ki-t,jeiiai.........85
Ki-toeak.........114
Klampis..........111
Klappa...........318
Klepo............125
Kloei............207
Kloewi...........199
Klowak, Kloewak. 8
Koelaabbal.......226
Koelan besaar 216, 217
Koelan-oetan.....213
Koeiit bawang.... 80
Koeray, K. berem. .173
------merah.......172
bouw. .\'........107
-ocr page 131-
113
No.
Talus............331
Tampinies........178
ïangkiel.........213
Tangkil assoe.....216
------oetan........213
Tanglar monjet. .. 80
Tankelie.......... 50
Tankollo......... 50
Taroem aloes.....92
No.
Pandanrampégedeh323
------samakoftikker324
Pangi............ 8
Papassang........122
------lalakki......122
Peloetan.........24
Peté.............109
------zeilon.......110
Pimdieu.........109
Pinang boender...299
Pindis...........178
Pisang ayer......265
------ batoe. .221—225
------kapok.......225
------kipas........265
------oetan.......226
------patjieng.....264
------variëteiten232-263
Pisangan......... 3
Pitjoeng.......... 8
Plengis..........325
Piosso............98
Poedak...........325
Poelei kampong... 146
Poeleh pandak... .145
Poeli............146
Poeli-batoe.......129
Poeloes......204, 205
Poeloetan, P. laut. 22
------kerbo.......76
Poempoer-oetan... 74
Poepoeloetan.....25
Poetat lakki......118
Poeteran.........51
Poetjoek.........305
Poetjoeng oetan . .151
Pohon oepas......198
Pompohr-oetan25,26,74
------oetan koening. 75
Pré..............184
Puntoi...........109
Raho.............87
Ramania.........86
Rameh...........207
Ramplas.........193
Randoe...........45
------badak.......128
------koening.....128
No.
Rauhitoe.........87
Rawoe...........87
Ringin...........105
Rioed lakki lakki..264
Ris-riessan.......66
Rotta kokroh.....335
Rottan...........307
-----kroh........335
------sampei, Rott.
sampou ........312|Taroq............199
-----tjatjing......308JTatengohran...... 68
------variëteiten bl. ITelcpok...........167
75-79                       JTelipok...........134
Sagoe papeda.....313 Tembesoe talang. .135
Terap, Terep.....200
Tiernboel.........199
Timongho........50
Tissoek........... 29
Tjaliek angin.....163
Tjaliek angin berem!66
ïjalintjing........ 79
Tjalontjong berem.119
Tjambang......... 96
Tjammoen........209
Tjampaka........ 2
Tjankoeang.......322
Tjaoe solé........227
Tjawené soré...... 85
Tjekok...........117
Tjeribon..........120
Tjerlang.......... 56
Tjeuli-badak......120
Tjoebadak kampong201
Tjoetjoek......... 99
Toeahoea.........316
Toeloep..........27
Toeri............. 93
Toetoep-antjoer. ..164
Tom............. 92
Trema...........174
Troeëp...........200
Turrup.......200,202
Wadang,W. oerang 55
Wadoeri Wedoeri .149
Walan, Walang... 56
Walang..........219
Walee............133
Wali koekoen..... 78
8
Sai..............176
Sampora......... 72
Sapirie...........162
Sappan ..........103
Saung-i\'iengang .. .326
Sedangan.........306
Sedoedoe ajer.....119
Segoengoe........119
Semboeng lalakki .130
Sengo............11"
Sentarong........172
Serih bopar......196
Serian........... 81
Sei\'ikaja.......... 5
Setjang..........103
Sidagori.......... 61
Sidagori awehweh. 11
--------lanang .... 26
Sitadjo itam...... 71
Siwalan..........316
Soa wali.........217
Soeren merah .... 81
Soereng.......... 81
-----poetih....... 81
Sombo ofSoemboe.338
Sono kembang... .101
------kling........101
Sou..............213
ïakokkak oetan.. .450
Taliepoek.........167
Tali gnemon. 216, 217
Taloes............331
Talok............ 68
Tahimpoek.......167
-ocr page 132-
1-14
No.
Weroe...........112
Wirangin badak. .128
Wilodo...........195
Wora wari toem-
poek...........150
Yang............ 10
No.
Wali soa.........210
Walingi..........334
Waloer..........329
Warimbo.....(bl. 104)
Waroe...........30
------dogong......151
------gempoer .... 38
------goenoeng..... 33
No.
Waroe gombong . . 30
-----kembang soe-
soen........... 31
------landak....37, 38
------laut......... 40
Waron........... 91
Wawalingian.....336
Wedani..........117
-ocr page 133-
REGISTER DER NEDERLANOSCHE EN ANDERE
GEBRUIKELIJKE NAMEN.
No.
Abaca..................... -226
Agave (stinkende).......... 285
Alfa...................... 343
Aloë...................... 290
Aloë-hout................. 456
Ananas.............. ___266
Apenbroodboom............ 43
Awarra-palm.............. 347
Bamboe..............(bl. 92)
Bananen.................. 224
Barbe espagnole........(bl.404)
Behen- of Benboom........ 88
Bekerplant............... 453
Bowstring Hemp.......... 273
Broodboom...............499
Caoutchouc-boom.......... 486
Caragata..............(bl.404)
Cassave................... 469
Chiendent..............(bl.404)
China-gras................ 207
Cochenille-cactus........... 420
Coïr, zie Kokos........... 348
Coquillo-palm.............. 349
Cremortart-boom.......... 43
Crin végétal...........(bl. 104)
Doetebolten............... 334
Dulle..................... 334
Ebbenhout (onecht)........ 433
Esparto................... 342
Fenigriek................. 94
Garou de Malacca.......... 157
Gif boom (Javaansche)...... 498
Hennep (Indische).......90, 465
Hennep (Mexicaansche).....279
No.
Ilenneqnin................  279
Horse radish..............    88
Itapahn...................   345
Indigoplant................    92
Kapok....................    45
Katoen....................    42
Klapperboom..............   348
Kokospalm ...............   348
Lontarpalm .. j............   346
Makassertouw.............  457
Mangroven.............(bl.  33)
Manilla-hennep............   226
Maniok...................   469
Maiiritia-palm.............  345
Mauritius-hennep..........  285
Miriti.....................  345
Moerbeiboom (Indische)....   477
Moorva...................  273
Mussu.....................  303
Neilgherry-netel...........  206
Nettle-treë (lndian)........  473
New Orleans Moss.....(bl.404)
Nieuw-Zeelandsch vlas......  289
Nopal-cactus...............  420
Old Man\'s Beard.......(bl .404)
Paardehaar(Plantaard.).. (bl.404)
Parnier de Mayotte........  344
Palmyra-palm.............  346
Panama-stroo.............  328
Papier-moerbeiboom.......   476
Piassaba. Piassave.........  349
Pina.....................  270
Pinangpalm...............  299
Pinuella.................  270
8*
-ocr page 134-
146
No.
Sunn-hennep.............. 90
Tamarindeboom............ 108
Teil-gras..................344
Traveller\'s tree............\'265
Troelie-palm.............. 303
Vleeschhout............... 78
Vijgenboom . 179 (en volgg.)
Warkruid (Indisch)........117
Waterboom............... 265
Wokapalm................ 306
Wonderboom..............165
Wijnpalm................303
IJzerhout (Riouwsch)......178
Zonnehout................ 101
Zuurzak.................. 4
Zijdeplant.................149
No.
Pisang..................._   221
Pita...................._   270
Ral\'fia....................     3^4
Rameh..................."  207
Rammelaar..............._    cjq
Rijstpapierboom.........."   \\<^A
Rijstplant................|   339
Sagoeboom............../   3.J3
Sagueerpalm.............*   ggj
Sandelhout (rood)........j   iq^
Sappanhout..............\'   102
Sisal-hennep.............,\'   279
Spanish Moss...........0)1*104)
Sparte-gras.............., _"  34,3
Stuipboom..............,\'   -j^q
Suikerriet...............t ]  340
-ocr page 135-
REGISTER DER NATUURLIJKE ORDEN OF FAMIÜËN
EN ONDER-FAMILIËN.
Biadz.
Aloïneae..................    69
Amaryllideae..............    65
Ampelideae...............    27
Anacardiaceae.............    28
Anonaceae................      1
Apocyneae................    38
Araliaceae................    35
Arcceae...................    71
Aroïdeae.................    87
Artocarpeae...............    47
Asclepiadeae..............    39
Bixineao..................      2
Boragineae................    37
Borasseac.................    80
Bromeliaceae..............    62
Cacteae...................    34
Caesalpinieae.............    31
Campanulaceae............    36
Cannabineae..............    45
Celtideae..................    44
Coco\'ineae.................    82
Combretaceae.............    33
Compositae................    36
Corypheae................    72
Cucurbitaceae.............    34
Cyclanthaceae.............    87
Cyperaceae................    89
DÏcotyledoneae............      1
Dilleniaceae...............      1
Dipterocarpeae............      2
Dracaeneae...............    69
Ebenaceae.................    36
Euphorbiaceae............    43
Flagellarieae..............    88
Gentianeae................    37
Geraniaceae...............    26
Gnetaceae.................    56
Gramineae................    89
Guttiferae................      2
Bladz.
Haemodoraceae............    64
Hemerocalleae...........    68
Hydrocharideae...........    88
Labiatae..................    41
Leguminosae..............    28
Lepidocaryeae.............    73
Liliaceae..................    68
Loganiaceae...............    37
Loranthaceae..............    42
Magnoliaceae..............      1
Malvaceae.................      2
Maranteae................    57
Melastomaceae............    34
Meliaceae.................    27
Mimoseae.................    32
Monocotyledoneae.........    57
Moreae...................    45
Moringeae................    28
Museae...................    57
Myrtaceae.................    34
Nepentheae...............    41
Palmae...................    70
Pandaneae................    86
Papilionaceae.............    28
Portulaceae...............    44
Rhamneae.................    27
Rhizophoreae..............    33
Rosaceae..................    33
Rubiaceae.................    35
Sapindaceae...............    27
Scitamineae...............    57
Scrophularineae...........    37
Sterculiaceae..............    20
Thymelaceae..............    42
Tiliaceae..................    22
Typhaceae................    88
Urticaceae.................    44
Urticeae..................    49
Verbenaceae...............    37