-ocr page 1-
•
\'s Rijks Veeartsenijschool
te Utrecht
UB-ZUID
ODA
4816
Het Hoofdgebouw aan de Biltstraat.
£-/.*/. wy
-ocr page 2-
i Intusschen nam het aantal empirici —
lieden, die zonder de minste theoretische
kennis zich tot veearts opwierpen —
i steeds toe. De voornoemde commissie, die
in 1814 met eenige wijziging door den
souvereinen vorst was herbenoemd, zag
dit met leede oogen aan. Ook bestonder
geen enkel veeartsenijkundig handboek
in de Nederlandsche taal, totdat in 1819
dr. A. Numan, geneesheer te Hoogezand,
op uitnoodiging van de Maatschappij tot
Nut van \'t Algemeen, zijn Handboek voor
Veeartsen
het licht deed zien. Kort daar-
op, den 13 September van datzelfde jaar,
werd het besluit tot oprichting eener
i veeartsenijschool door koning Willem I
geteekend. Te Utrecht werd aan het
einde der Biltstraat eene katoenfabriek
aangekocht voor ongeveer ƒ 32,000 en in
eene voor dien tijd doelmatige veeartse-
nijschool herschapen.
De Polikliniek.
Reeds den 10en December 1821 opende
i de directeur, prof. dr. Th. Gr. van Lith
i de Jeude, zijne lessen in anatomie en
physiologie, spoedig gevolgd door prof.
Vosmaer, die natuur- en scheikunde voor
zijn rekeniner had ; den tot hoogleeraar
benoemden dr. Numan werden de practi-
sche vakken toevertrouwd. Als prosector
-ocr page 3-
was de heer T. D. Schtybaert aangesteld,
terwijl verder een adsistent, een apotheker,
een hoefsmid, een oeconoom en een op-
ziener over de „kweekelingen," het per-
soneel voltooiden.
Z. M. Koning\' Willem I gaf weldra
een persoonlijk blijk van \'zijne belang-
stelling in de jeugdige instelling. Met
. Z. D. H. den prins van Hessen—Darm-
stadt bracht Z. M. den 9 October 1822
een bezoek aan de school, welke dien
nacht tevens hare hooge gasten mocht
herbergen.
Zoo ging alles geregeld zijn gang, tot-
dat er in 1851 eene omwenteling aan de
inlichting tot stand kwam. Ondertus-
schen was prof. Numan in 1826 tot
ditecteur benoemd en hadden in 1830
door de revolutie een awntal kweekelin-
gen de school verlaten ; doch het veefonds
raakte uitgeput, .zoodat de kosten der
school niet langer daaruit konden worden
bestreden. Toen besloot de regeering, do
instelling verder uit \'s lauds schatkist te
bekostigen en zij verhief ze tot eene
Rijks-Veeartsenijsehool ; hare leeraren
werden daardoor rijksambtenaren. Zoo-
wel de school als het personeel onder-
gingen nu eene geheele verandering.
Prof. Numan, wien het meest eervolle
ontslag was verleend, werd als directeur
opgevolgd door den buitengewonen hoog-
leeraar dr. P. H. J. Wellenbergh, die in
1841 als zoodanig was aangesteld, terwijl
het aantal leeraren werd uitgebreid. Om
hier alle mutaties in het onderwijzend
personeel te vermelden, zou te ver voeren ;
het zij voldoende te constateeren, dat
; steeds de meesi. uitstekende mannen het
onderwijs aan de school hebben geleid.
• Toch moeten wij hier iemand noemen\',
I aan wien de veeartsenijschool en de vee-
artsen van Nederland zeer veel versehul-
digd zijn. In April 1872 n.1. trad prof.
Wellenbergh af als directeur en werd
hij opgevolgd door een man, voor wien
i de g v o o t e reorganisatie dei- school was
I weggelegd. Dat was dr. Th. Mac Gil-
lavry, een Nederlander van Sohotsche
afkomst, thans, sinds 1877, hoogleeraar
aan de universiteit te Leiden. Hij is het
geweest, onder wiens beheer het meeren-
deel der tegenwoordige gebouwen, naar de
behoeften van dien tijd, is tot stand geko-
raen. Van 1874-\'77 heeft men gewerkt aan
deze vernieuwingen: de kliniekzalen met
-ocr page 4-
de verschillende paardestallen ; het, woon-
gebouw dei- internen, waarin tevens de
collegezalen en de laboratoria voor natuur-
en scheikunde benevens het museum voor j
natuurlijke historie, (met collegezaal)
zijn gevestigd; de ontleedzaal naast het
oude hoofdgebouw, gelegen langs de
Grift, enz. Hij is het ook geweest, die
het onderwijs gebracht heeft, op wat het
toen wezen moest; die het aantal leeraren
uitbreidde en die, niettegenstaande zijne
tallooze en drukke bezigheden, nog tijd
vond, om zijn geliefkoosde studiën, aua-
tomie en physiologie, voort te zetten.
Hoewel zijne vele werkzaamheden hem
zwaar op de schouders drukten, gevoelde
hij zich volkomen wèl in zijne gewichtige
betrekking; toch liet hij zich later de
benoeming tot hoogleeraar te Leiden
Het Hulpgebouw (rechts) en het Woongebouw (op den achtergrond).
Tot nu toe was nog nooit een veearts j
benoemd tot de hooge betrekking van .
directeur der Veeartsenijschool en in vele
opzichten mag (lil verwondering wekken ;
doch thans, nu prof. Mac Gillavry was
afgetreden, kwam hierin verandering. \\
Een der leeraren van de school, de heer ;
A. W. H. Wirtz, die eenige jaren als
paardenarts bij het leger had gediend J
en die sinds 1864 aan de school was
-ocr page 5-
verbonden, — die gedurende de reor-
ganisatie de rechterhand was geweest
van den hoogleeraar Mac Gillavry, —
werd benoemd tot opvolger van den
afgetreden directeur. Zijne benoeming
was thans tevens eene verheffing van
den veeartsenijkundigen stand in het
algemeen, en men mag het beschouwen
als een bewijs van de waardeering der
veeartsenij kunde voor de wetenschap
en voor de maatschappij. Dr. van Cap-
pelle zegt dan ook met\' recht: „De
„studie der voeartsenijkunde, zooals zij
„thans op wetenschappelijke grondsla-
„gen gevestigd is, mag inderdaad niet
„lichter geacht worden dan de studie der
„geneeskunde. Bij de geneeskundige be-
„handeling van dieren zijn nog grooter
„moeilijkheden te overwinnen dan bij die
„van menschen" (Eigen Haard 1880).
Na dit kort historisch overzicht van
het ontstaan en de wording van Neêr-
land\'s Veeartsenijkundige School, wen-
schen wij een beschrijving te geven van
de gebouwen der inrichting, zooals zij
thans bestaan. Het hoofdgebouw, aan
de Biltstraat, bevat behalve de bureaux,
de eetkamers voor de internen en andere
vertrekken van huishoudelijken ;iard, de
prachtig ingerichte musea van anatomie
en teratologie (de leer der monstei\'s).
Gezamenlijk bevatten zij bijna 3200 prae-
paraten, waarvan vele meermalen de
bewondering wekten van tal van buiten-
landsche geleerden. Verder vinden we
hier de bibliotheek, eveneens een belang-
rijke verzameling op veterinair gebied.
Zij telt ruim 11.000 boeken en andere
stukken ; helaas ! is zij voor de leerlingen
der school niet toegankelijk. Eindelijk be-
vat het hoofdgebouw de practiscbe, am-
phitheatersgewijze ingerichte college-zaal
voor ontleedkunde, hygiëne, natuurl. histo-
rie en raskennis, embryologie en teratolo-
gie, voederkennis, enz., terwijl ook de
apotheek in dit gebouw is gevestigd.
Grenzende hieraan, bevindt zich de
ontleed zaal voor practische ontleedkunde,
naai\' de inrichting van vroegeren tijd
bijgenaamd de Kelder. Tegenwoordig is
het aanzien van een „kelder" er nog
moeielijk in terug te vinden. Voorzien
van \'tal van zinken tafels, bevat zij ook
een draaibare inrichting, waarop het
cadaver gedurende de les al draaiende
aan het geheel e auditorium kan worden
vertoond. De zoldering bezit ee- zeer
-ocr page 6-
eigenaardige en practische verlichting;
aangezien de directe zonnestralen bevor-
derend inwerken op de ontbinding der
cadavers en de ontleedzaal is gelegen aan
de zuid-oostelijke punt van het terrein,
zijn er loodrechte, gegolfd glazen schot-
ten gezet, zóó, dat slechtfhet Hebt van
uit het noorden kan invallen. Daardoor
wordt een grooter oppervlak van ver-
lichting verkregen en is aan het be-
zwaar, hierboven genoemd, tegemoet ge-
komen.
De Ontleedzaal.
Een vrij groote zandvlakte, tot het af-
stappen en\' afdi-aven van de paarden
bestemd, scheidt de bovenstaande gebou-
wen van de thans volgende. Deze zijn in
de eerste plaats de kliniekgebouwen met
de paardenstallen. Aan de zuidzijde hier-
j van bevindt zich der kliniekzaal voor de
polikliniek; hierboven zijn gelegen de
collegezaal voor physiologie en pathologie
het physiologisch laboratorium, en de
vergaderzaal van den Raad van bestuur
(bestaande uit den directeur" en de
leeraren der school). Daarachter liggen
de paardenstallen, ruimte biedende voor
56 patiënten, en aan de noordzijde de zaal
voor de stationnaire kliniek, waarboven
-ocr page 7-
zich hutj fraaie museum van pathologische
anatomie en de leerzaal vpor dat vak be-
vinden.
Onmiddellijk hierachter treft men aan
het z. g. Hulpgebouw, hetwelk reeds voor
jaren door een steënen gebouw zou wor-
I den vervangen. Het bevat de leerzalen
voor geneeskunde, chirurgie, hoefbeslag
j en hoefziekten, verloskuude, vleeschkeu-
I ring, enz. benevens de wachtzaal voor de
externe leerlingen.
In tegenstelling met dit leelijke houten
| gebouwtje, staan we thans voor het fraaie
| steeneu gebouw, gesticht door prof. Mac.
I Gillavry. Om met de bovenste verdieping
I ervan te beginnen, vinden wij er het
nieuwe Museum van natuurlijke historie,
eerst sinds korten tijd daar gevestigd.
Tevens is er een collegezaal, met labora-
torium, voor dit vak. Gelijkvloers bevin-
den zich de laboratoria en de leerzalen
voor natuur- en scheikunde, naar de
eischen van den tijd ingericht, benevens
de woning van den opziener, terwijl op
de middelste etage de studie- en slaap-
ssaleu zijn gelegen van het veelbesproken
internaat. Het geheele gebouw, dat het
in hoogte van alle andere wint, wordt
daaiom wel ineens „het Woongebouw der
interne leerlingen" genoemd. Niet onver-
meld mag ook blijven de fraaie collectie
praeparaten voor de kennis der phar-
macie.
Uit denzelfden tijd als het zooeven
genoemde gebouw, dateert de hierachter
liggende liondenstal. ledere patiënt heeft
er zijn „buitentje", terwijl een afzonder-
lijke stal voor dolle honden op eenigen
j afstand er van is gelegen. In deze buurt
bevinden zich ook de koestal, de varkens-
stal, de zes stallen voor besmettelijke
ziekten van groote huisdieren, het koets-
huis, loodsen, enz., terwijl geheel noorde-
lijk een hortus botanicus is aangelegd
voor voeder-, vergift- en artsenijplan-
ten.
Wanneer wij nu nog melding maken
van het „kerkhof" en de weide die deze
geheele reeks van inrichtingen besluiten,
dan hebben wij de Veeartsenijschool in
hare geheele uitgestrektheid van het Z.
i naar het N. den lezer voorgesteld. Ons
-ocr page 8-
527
-ocr page 9-
rest dan nog iè vermelden, dat zich ook
naai- het W., gelegen aan de straat, een
file van gebouwen bevindt, bestaande (naar
volgorde) in : de woning van den hoofd-
opziener, het huis van den directeur der
school, het pare vacciogène (met bijbe-
hoorende stallen; en de smederij. Beide
laatste inrichtingen zijn ook dienstbaar
aan het onderwijs.
Aan \'s Rijks Veeartsenijschool zijn ver-
bonden, behalve de leeraar-directeur, dr.
A. W. H. Wirtz, een zevental leeraren,
drie onderwijzers en drie veeartsen-assis-
tent. Het onderwijs is verdeeld over
vier studiejaren ; aan het einde van elk
studiejaar wordt een examen afgenomen,
waarvan het candidaats- en het veearts-
examen staatsexamens zijn. Thans stu-
deereii ruim zestig leerlingen aan deze
voor ons land zoo gewichtige im-ichting,
alwaar in de laatste vijf jaren ruim
11,000 (zegge: ruim elf duizend!) zieke
dieren werden behandeld. Het aantal
gereed gemaakte recepten bedraagt jaar-
lijks zes- a zevenduizend !
Wij gelooven met dit opstel den lezeres--
sen en lezers van de Wereldkroniek geen
ondienst te hebben bewezen, door hen te
doen kennismaken niet eene der belang-
rijkste inrichtingen van ons koninkrijk,
met \'s Rijks-Veeartsenijsehool te Utrecht,
en hopen, dat het moge bijdragen tot
meer algemeene bekendheid van het
gewicht der veeartsenij kunde voor ons
geliefde vaderland.
Utrecht, November 1895.
N. H. Wolf.