-ocr page 1-
-ocr page 2-
ytwto *2cft6
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
HEILIG IS DE LENTE DES LEVENS!
-ocr page 6-
UITOICaEVKN IIÜUK UK VKHKKMUINU
TtR BKVOBDBMNO VAN CHR18TUJJKK LKCTUUR.
-ocr page 7-
ov\\Z iq
c
HEILIG IS DE LENTE DES LEVENS!
EEN BOEK VOOR JONGELINGEN.
Uit fcct Hooftduitsch
Prol\'. G. WEITBRECHT,
ONDER TOEZICHT
De. A. W. BRONSVELD.
—*mm TWEEDE DRUK. ««•«*-
AMSTERDAM,
HÖVEKER & ZOON.
-ocr page 8-
Gedrukt dij G. J. THIEME te Arnhem.
-ocr page 9-
EEN WOORD VOORAF.
Het is niet de eerste reize, dat ten onzent een boek verschijnt,
opzettelijk voor jongelingen geschreven. Zoo zag in het jaar
1818 een werk het licht, geheeten: „Voorjongelingen bijzon-
derlijk uit de beschaafde standen.\'" Een zestal Redevoeringen
bevatte het, welke gehouden waren door niemand minder dan
door
Joannes Clarisse. Deze arbeid van den beroemden
geleerde vond „zoo algemeene en uitstekende toejuiching,"
dat hij zes jaren later op veler verlangen nog een „tweede
zestal" aan het eerste toevoegde.
In dit twaalftal toespraken, tot jongelingen gericht, wordt
zeer veel voortreff\'elijks aangetroffen. Van geleerdheid, bele-
zenheid, schrift- en mcnschenkennis ontmoeten wij hier de
overvloedige bewijzen. Men kan het duidelijk bemerken, dat
Clarisse een hart had voor zijn jeugdige toehoorders.
Meer dan een zijner onderwerpen, welke hij steeds in aan-
sluiting aan een woord uit den bijbel behandelde, is gelukkig
gekozen. „Hoe maken wij ons regt beminnelijk?" Zoo luidt
de vraag
, waarop het antwoord wordt gezocht naar aan-
leiding van het bekende bericht bij Markus
X: 21a:
„Jezus, hem aanziende, beminde hem." Over valsche vriend-
schap, over de macht der zinnelijkheid en het versmaden
-ocr page 10-
I!
ERH WOORD VOORAF.
van het goddelijke, over het vroegtijdig zoeken van God,
en nog menige andere zaak, worden hier door den geestigen
en welsprekenden polyhistor treffelijke dingen gezegd. De
Bedevoering over Absaloms dood is in haar soort een waar
meesterstuk, dat uij niet zonder stichting en leering lezen.
Toch zou ik een nieuwe uitgave ran
Clarisse\'s boek ten
sterkste afraden. Zijn woord, dat vóór meer dan een halve
eeuw met toejuiching werd ontvangen, zou thans de aan-
dacht van hen, voor wie het oorspronkelijk: werd\'gesproken,
te weten voor „jongelingen," niet o f slechts met moeite boeien.
We di ukken ons thans zoo geheel anders uit. Oordeel uit
ilezen aanhef: „Het is met een onuitsprekelijk genoegen,
dat ik mij thans in uw bevalligen kring bevinde, edelaar-
dige jongelingen.\' Reeds de aanblik van zoovele jeugdige
mensehen, alle blozende van gezondheid en vol van moed,
wier levendig schitterend oog en bescheiden gelaat de onschuld
en braafheid van hun hart aankondigt en waarborgt, en
die zoowel de sieraad en het voorbeeld zijn hunner tijdge-
nooten, als de ecre en vreugde hunner ouderen en naast-
bestaanden, en de hooj> van het vaderland en van Gods\'
kerk;
— reeds de aanblik van zulk een belangrijke ver-
eeniging van deugden en talenten is regt verkivikkelijk voor
mij en hartverhoogend."
— Ieder gevoelt het: zoo moet
men tot jongelieden niet meer spreken. Dat is de toon niet
meer, dien men moet aanslaan.
Doch afkeuren is gemakkelijker dan beter doen. Het is
waarlijk een probleem: Hoe moet er tot jongelieden in onzen
tijd gesproken ivorden over hun geestelijke belangen, over
God en zijn dienst? De genius van den ernst en van den
goeden smaak beware ons voor het
humoristische genre,
i/dijk wij ho/ien aan de bekoring van liet
scntimcntcele
ontkomen te zijn.
Ook dienen wij, naar het mij voorkomt, ons te wachten
voor het nevelachtige, waarin vele auteurs, die liefst tot
-ocr page 11-
EEN WOORD VOORAF.                                   III
onze jongelingschap het woord richten, een welbehagen schijnen
te hebben. De lieflijke poëzie van de Génestet kan een tijd-
lang ons aantrekken, maar een rijper wordende geest heeft
behoefte aan degelijker voedsel en raster lijnen. Men wil
iets positievers.
„Toch niet de leer der kerk?"\' zoo klinkt het met out-
zettiny ons tegen; „met het bovennatuurlijke, met de
dogmatiek hebben wij afgedaan!"
liet is inderdaad een heroïek pogen, voor onze jongeling-
schap op te treden, met den bijbel in de hand. Wie hef
durft, verdient als een man van moed geprezen te worden.
Zal hij niet overmoedig heeten, niet blijken iets te onder-
nemen, waarvan hij al het bezwaarlijke niet heeft overwogen,
dan moet hij krachten en eigenschappen bezitten, welke niet
aan elk sterveling geschonken zijn. Hij moet onzen tijd
kennen in zijne deugden en ondeugden; hij moet weten wat
er gist en omgaat bij het opgroeiend geslacht; hij moet den
toon weten te treffen, die de aandacht trekt; hij moet kunnen
afdalen zonder zich te verlagen, kunnen opheffen zonder
zich te overspannen. Als een kind van onzen tijd moet hij
profeteeren van de dingen der eeuwigheid, en den naam
van „op de hoogte" onzer dagen te wezin nut koopen ten
koste van ernst en geloof. De wereld der letterkunde en
der beeldende kunst, het wetenschappelijk streven van onzen
tijd in zijn materialistisch karakter, het smachten van menig
hart naar iets beters dan het ongeloof kan aanbieden, dat
alles moet worden gekend door den man, die spreken wil
naar het hart, en wat meer zegt, naar de behoefte van onze
jongelingschap.
Naar mijn bescheiden meening is de hoogleeraar Weit-
brecht een man, die veel van het genoemde in zich ver-
eenigt. Wat hij zegt verdient te worden gehoord, en hij zegt
het op zulk een wijs dat men er naar hooren kan, onwil-
lekeurig er naar luistert. Hij
preekt niet, muur hij vervult
-ocr page 12-
IV                                    EEN WOORD VOORAF\'.
evenmin tot lichtvaardig gekeuvel. Hij is geestig zonder
ongeestelijk, onderhoudend zonder onheilig te worden. Het
verwondert ons niet, dat zijn boek in Duitschland gretig
wordt gekoeld en gelezen. Men gevoelt,
die toon moet tegen-
woordig worden aangeslagen.
De vertaling, welke hier wordt aangeboden, moge voor
zichzelve spreken. Zij is iets korter dan het oorspronkelijke,
en had misschien hier en daar eene omwerking moeten zijn,
iets minder aan Duitsche toestanden moeten herinneren.
Maar beter dan zulk eene „bewerking" zou een soortgelijk
oorspronkelijk boek wezen, tot welks vervaardiging misschien
dit bezielend werk van
WEITBRECHT dezen of genen opwekt.
Aan stof ter bespreking ontbreekt het niet, en
variis modis
bene fit.
„Jongelingen, gij zijt sterk,\'\'1 zegt Johannes in zijn brief;
hij moge het ook kunnen zeggen van ónze jongelingen, voor
wie het woord van
Weitijkecht tot rijken zegen zij.
A. W. BRONSVELD.
Utrecht, Juni 1880.
-ocr page 13-
INLEIDING.
Mijn jonge vriend! Gij kent het spreekwoord: D<i morgen-
stond heeft goud in den mond. Gij kent het niet alleen van
hooren zeggen, maar gij hebt het ook in uw eigen leven en wer-
ken beproefd bevonden. Gij zijt \'s morgens frisscher, vroolijker,
veerkrachtiger, ondernemender, misschien ook wel beninne-
lijker, dan wanneer de eerste uren van den dag reeds voorbij zijn.
Ook de wereld heeft dan voor u een ander aanzien, \'s Morgens
is zij als in haar zondagsgewaad, terwijl zij langzamerhand, naar-
mate de tijd verloopt, haar gewoon alledaagsch voorkomen
krijgt. Des daags dringt keer op keer het zuchten en klagen
van het schepsel tot u door, terwijl \'s morgens alles nog rust
en de wereld als het ware nog droomt van haar vroegere
paradijsvreugde, en in stilte haar beste krachten toerust voor
den arbeid van den dag. Van hoeveel gewicht is het, dat gij
de morgenuren goed besteedt! Indien gij ze verslaapt of
verdroomt, berooft gij uzelf van het beste gedeelte van den
dag; dan begint gij uw arbeid temidden van de misnoegdheid
der wereld, zonder dat gij uwe ziel gedompeld hebt in het
element des vredes, dat u in de morgenuren omzweeft als
een adem Gods. Ontwijdt gij geheellijk de eerste morgenuren
\\
-ocr page 14-
INLEIDING.
II
door zonde, door strijd, door verbittering en verontreiniging
uwer ziel, dan hebt gij den worm laten komen aan den wor-
tel van het leven, dat u dien dag geschonken wordt. Het is
mogelijk dat gij langzamerhand in een betere gemoedsstemming
geraakt, maar de bloem, de geur, de wijding van den dag
zijn onherroepelijk verloren.
Ook uw jongelingstijd is een morgenstond , waarvan men
zeggen kan, dat hij goud in den mond heeft. Hetgeen den
morgenstond zoo schoon maakt, dat is ook de schoonheid
van uwe jongelingsjaren : frissche kracht, vroolijke moed , een
helder oog, eene wereld, die open voor u ligt, welker donkere
afgronden tot nog toe voor uw oog vriendelijk verborgen
zijn gebleven, een rijke toekomst, een blinkend licht en steeds
hooger stijgende zon. Van hoeveel gewicht is het, dat deze
morgentijd van het leven goed besteed worde! Brengt gij
hem in ledigheid, in onmannelijke beuzelarijen door, dan be-
neemt gij uzelf do beste uren en de beste kracht uws levens,
dan staat gij naderhand voor de groote en ernstige levens-
taak , zonder uwe ziel vervuld, verzadigd en gereinigd to
hebben met de eeuwige idealen, welke alleen instaat zijn aan
het doen en werken van den man zijne waarde, zijne heili-
ging te geven, en hem te schragen in de vele teleurstellin-
gen, die hem wachten. Een verbeuzelde jongelingstijd — hij
brengt die betreurenswaardige halftnannen voort, die, na een
korten strijd met het leven , de wapenen zoo spoedig van
zich werpen, en hetzij mismoedig, werktuigelijk, zonder eenig
hooger streven, hun beroep als een daeloonersdienst vervullen,
of zich aan de levenszatheid overgeven en als miskende ge-
nieén, ontevreden met God en de wereld, eenzaam hun weg
vervolgen. En wanneer gij daarenboven uw jongelingstijd,
den morgen uws levens, niet slechts verbeuzelt en verdroomt,
maar door zonde bevlekt en vergiftigt, — wat zal daarvan
het gevolg zijn? Dan wordt uw levenswortel ziek, »dan viel
de vorst in den lentenacht, de téerc bloesems lagen ter
neer, nu zijn zij verwelkt en verdord." Wel kan me-
nige bloesem weder opleven, wel kan door de kracht Gods
-ocr page 15-
INLEIDING.
III
uw innerlijke levenswortel weder gezond worden. Toch, in het
gunstigste geval — wat verloren is, blijft verloren; de eerste-
lingen der kracht zijn verkwist, de liefelijke levensgeur is vergaan,
en er zijn vergiftigde wonden in het leven des geestes, die wel
genezen, maar leelijke, nu en dan pijnlijke en steeds weder
openbrekende litteekens nalaten.
De jaren, waarin gij nu staat, mijn jonge vriend, zijn beslis-
send voor uw geheele aardsche leven, ja, beslissend voor de
eeuwigheid. De eerstelingen behooren God toe, zij zijn heilig,
ulleilig is de lente des levens!" roept de dichter uit, en een
ander dichter zegt:
Beheerscht uzclven; hebt de kracht
Te huivren, waar de zonde lacht,
Den moed om God te vreezen,
Om kuiscli en vroom te wezen.
Zoo laat dan een vriendelijk en welgemeend woord, dat u
gaarne door de dagen uwer jeugd zou willen geleiden, een goede
plaats bij u vinden !
-ocr page 16-
-ocr page 17-
1.
IDEAAL, GELOOF EN BIJBEL.
Wanneer gij tot uzelf inkeert, zult gij neigingen van tegen-
overgestelden aard in u ontdekken. Er woont in u een rede-
lijke begeerte, om uw plicht naar uw beste kracht te ver-
vullen, niets te doen, waarvoor gij u voor uzelf, voor uw
eigen geweten, zoowel als voor anderen behoeft te schamen;
in u woont een zucht naar het ideale, het onvergankelijke,
het eeuwige, het goddelijke; een streven om u boven het
lage, het alledaagsche, het gewone te verheffen; een strijd
om uw leven en streven, uw handel en wandel te vormen naar
het ideaal, dat u voor oogen zweeft. Lage karakters noemen
zulk streven naar het ideale: dweepen. Wee den jongeling,
die nooit eens in dezen zin gedweept heeft! Hij zou
een dor gemoed moeten hebben. Maar gij zult ook de
ondervinding opdoen, dat behalve dezen aandrang tot het
ideale, ook een tegenovergestelde neiging in uwe ziel woont,
een aandrang om liever uwe lusten te volgen dan uw plicht,
eene macht, die u altijd weder tot vele dingen aandrijft, waar-
over gij u naderhand voor uzelf en voor anderen moet scha-
-ocr page 18-
6                                           INNERLIJK!\', TWEESTRIJD.
men. Dikwijls gevoelt gij u verlamd in uwe vlucht naar het
hoogere, en onverbiddelijk wordt gij tegengehouden; want in
u woont iets, dat u met zich trekt, en al uw worstelen en
streven is dikwijls niets anders dan een gedurig verheffen
en terugzinken, een willen en niet kunnen, eene afwisseling
van goede voornemens en hun slechte volbrenging. Op die
wijze voert gij een dubbel leven; uw eigen ik is gescheiden
in oen deel, dat naar het ideale gekeerd is, en een ander, dat
de lagere wereld der zinnen toebehoort. Aan het eerste komt
de heerschappij toe, maar het andere heeft haar in haar bezit.
Ditzelfde heeft lang vóór u reeds een ander ondervonden,
die ons een treffende beschrijving van dezen gemoedstoestand
heeft gegeven: »Want hetgeen ik doe, dat ken ik niet, want
hetgeen ik wil, dat doe ik niet, maar hetgeen ik haat, dat doe
ik. Want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen,
dat vind ik niet. Want het goede, dat ik wil, doe ik niet,
maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Maar ik zie een
andere wet in mijne leden, welke strijdt tegen de wet mijns
gemoeds, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde,
die in mijne leden is. Ik ellendig mensch! wie zal mij ver-
lossen uit het lichaam dezes doods ?" Zoo heeft de apostel Paulus
de macht, die naar het lagere trekt, in zichzelf gevoeld en
daarover geklaagd. Maar hij heeft ook den weg uit dezen strijd
gevonden, of liever, hij heeft hem niet vanzelf gevonden, maai
hij is er op geleid.
Wilt gij beproeven, waarde vriend, met de u verleende
menschelijke krachten een einde aan dezen tweestrijd te
maken, en den aandrang naar boven een duurzame, vaste en
beslissende zegepraal te doen behalen ? Wanneer gij deze vraag
bevestigend beantwoordt, waag dan gerust eene poging. De jeugd
staat gaarne op zichzelve, en wil eerst haar eigen kracht in-
spannen , eer zij naar andere hulp uitziet. Laat het zoo zijn.
Het is wel eene poging waard. Immers God heeft, vóór Hij
zijn Zoon als Verlosser en Redder in de wereld zond, de men-
schen ook op zichzelven laten staan, en hen hun eigen weg
laten wandelen, opdat zij in het groot problema van een
-ocr page 19-
7
OPLOSSINGEN.
don mensch waardig en Gode welgevallig leven buil eigen,
aangeboren kracht zouden beproeven. Begin dan den strijd;
maar laat mij éen ding van u verzoeken. Neem den strijd ern-
stig. zeer ernstig 0]>. Het is niet genoeg dat gij nu en dan
uw beter ik laat overwinnen, maar dat moet steeds meer een
regel, en langzamerhand de vaste regel worden. Het is nietge-
noeg dat gij grove dwalingen vermijdt, maar de verborgene
en kleinere moeten eveneens ophouden. Het is niet genoeg
dat uwe hand rein blijve van de aanraking van het gcmeene,
maar uw tong moet het ook zijn. En niet alleen de tong :
ook het hart, de fantazie, het gedachtsnleven moet rein en on-
bevlekt worden. Het is niet genoeg dat gij met zuchten en
klagen het kwade overwint, het goede doet, want het goede
moet geen dwang wezen, maar gij moet het liefhebben, het
moet u eene vreugde zijn. Wanneer gij aldus uwe taak op u
neemt, en uw doelwit zoo hoog stelt, — wat zal dan het
einde van uw arbeid wezen ?
In de dagen van het heidendom hebbon de besten en edel-
sten in dit strijden en streven den moed verloren, en de
armen neer laten zinken, zoodat zij eikenden en bekenden:
»Zóo gaat het niet!" en uitzagen naar een hoogere hulp,
naar iets volmaakt goeds en zedelijks , dat in mensehenge-
daante van den hemel zou nederdalen. Ook gij zult, hoe
ernstiger en dieper gij u deze zaak voorstelt, des te zekerder
tot deze uitkomst geraken. Ik ken zulk een jongen, overmoe-
digen hemelbestormer, die door het denkbeeld van den plicht
in geestdrift was gebracht, en op de vleugelen dezer geest-
drift dacht op te stijgen tot het toppunt van het volmaakt
goede en zedelijke; maar hij verloor zijn geduld bij dezen
vruchteloozen Sisyphus-arbeid: »Xeen , langer kan ik dezen
strijd niet volhouden, den reuzenstrijd van den plicht!" riep hij
in wilde opgewondenheid, »ik heb het gezworen, ja ik heb
gezworen mijzelf in toom te houden, — hier is uwe kroon,
zij blijve in eeuwigheid voor mij verloren ! Neem haar terug
en laat mij zondigen!" Ik heb anderen gekend, die niet zoo
plotseling de gehoorzaamheid aan deugd en plicht lieten varen,
-ocr page 20-
8
OPLOSSINGEN.
maar allengs, zeer langzaam, hun zedelijk ideaal steeds lager
steldin, in hun eischen aan zichzelven steeds verflauwden, tot
zij eindelijk met de gewone burgerlijke eerbaarheid en recht-
scbapenbeid tevreden waren, en uit den tot den hemel zich
vei lullenden adelaar een huismusch geworden was, die be-
hagen schepte in den lof van gelijkgestemde zielen en spot-
tend andere adelaars naoogde, die, zooals hijzelf in vroegere
betere jaren, hun weg hemelwaarts namen.
Moge God verhoeden, dat gij aldus uw zedelijk ideaal lang-
zameihand verlaagt, of er plotseling mede breekt! Laat het
liever zijne kracht behouden , en erken de waarheid, dat gij ,
wanneer uw beter ik, de wet uws gemoeds , uw zedelijke wil
den boventoon wil houden , wanneer die edele slaaf, die in u
is, wil vrij worden, gij een hoogeren , bovenmenschelijken
bijstand behoeft, een goddelijke kracht, die vrijwillige liefde
tot het goede in u werkt en het kwade overwint. Het is niet
genoeg , dat slechts een voorbeeld van het goede u van buiten
af worde gegeven. Het voorbeeld heeft wel is waar dit vóór
boven het korte, ijzige : »Gij zult," dat het een levende illu-
stratie is van de doode wet door een menschelijk beeld van
vleesch en bloed. Maar eene kracht, die gij niet reeds tevoren
hebt, kan u ook niet door een voorbeeld ingegeven worden.
Het kan de sluimerende kracht wekken, het kan de gewekte
kracht verlevendigen en aanmoedigen, maar het kan geen
geheel nieuwe kracht in u brengen. Het blijft ook een ver-
w\\jderd ideaal voor u, waarnaar gij vol verlangen uwe armen
uitstrekt, zonder dat gij het ooit aan uw hart zult kunnen
drukken. Wat baat het den kranke, wanneer gij hem een
door en door gezond, krachtig mensch aan zijne sponde brengt,
en hem zegt: zoo moet gij ook zijn? Wat helpt het den hon-
gerige, wanneer hij een weldoorvoed, verzadigd mensch ziet?
Dan gevoelt hij het contrast tusschen zichzelf en dezen nog
sterker, en het beklagenswaardige van zijn eigen toestand
treedt hem nog helderder in het licht. Neen, de hulp kan en
mag niet slechts daarin bestaan, dat u een voorbeeld van deugd
voorgehouden wordt. Daarmede zijt gij niet grondig geholpen.
-ocr page 21-
9
SCHULD.
Maar een nieuwe geest, een nieuwe kracht, een geest van
goddelijk leven, eene kracht van overwinnende liefde moet in
uwe ziel geplant worden. Dan wordt de dienstbaarheid in u
weggenomen, het goede niet alleen gewild, maar ook volbracht.
En hebt gij ook niet in andere opzichten deze hulp noo-
dig? Gesteld, dat gij heden het besluit naamt, u in het ver-
volg aan niets verkeerds schuldig te maken; gesteld dat gij
dit besluit in zijn volle kracht uitvoerdet, en van heden af
onberispelijk leefdet, dan zou toch hetgeen u tot op dezen
dag ontbroken heeft, niet aangevuld zijn. Want elke over-
treding, welke gij begaat, vormt voor God eene schuld, en
déze schuld zal geenszins daardoor afbetaald worden, dat er
uren, maanden, jaren over heengaan. Bij God zijn geen ver-
jaarde schulden. Gij kunt ze ook niet daarmede aflossen, dat
gij in de toekomst zooveel te onberispeltjker leeft. Want daar
het uw plicht is, elk oogenblik het beste te doen, wat gij
kunt, hebt gij elk .oogenblik uw geheele kracht voor de zede-
lijke taak van dat oogenblik noodig, en er blijft nooit een
overschot, waarmede oude zonden gedekt kunnen worden.
Evenmin als iemand zijne schulden daarmede kan afdoen, dat
hij er geene meer maakt, evenmin kunt gij vroegere dwalin-
gen goedmaken, door ze in het vervolg te vermijden en al
uwe krachten te wijden aan het doen van het goede. Indien
derhalve uwe zondenschuld van vroeger betaald zal worden;
indien zij niet als een eeuwige aanklacht vóór u zal blijven
staan, dan kan dit alleen daardoor geschieden, dat de ver-
gevende genade Gods u al uwe schulden kwijtscheldt, dat er
eene verzoening voor u tot stand wordt gebracht, welker be-
werker gijzelf niet zijt. Om kort te gaan, gij hebt een godde-
lijke tusschenkomst, een vrijmakende genade van noode, zoowel
tot dekking van hetgeen u tot nu toe ontbroken heeft, als tot
vermijding van verdere misslagen. In Jezus Christus is zij
u aangeboden, in uw doop werd zij verzegeld. Op haar
moet gij uw jongelingsleven vestigen en opbouwen, dan hebt
gij een goeden grond gelegd en de verdere bouw zal goed
gelukken. Vrede des harten, heilige kracht, heilige vreugde
-ocr page 22-
10
AANVALLEN.
zal het erfdeel uwer jeugd zijn, en het «heilig is de lente des
levens!» zal bij u tot zijn volle waarheid komen.
Op deze verzoenende en vrijmakende goddelijke genade
rust de Kerk, binnen welke gij geboren en opgevoed zijt; zij
is de kern en het middelpunt van het geloof, waarop gij
zijt gedoopt en dat gij bij uwe bevestiging hebt beleden.
Zeker ontbreekt het heden ten dage niet aan stemmen, die
dit geloof verouderd, de geheele Christelijke levensopvatting
overwonnen noemen. Van alle kanten verheffen zij zich, en
de menschen , van wie zij uitgaan, doortrekken landen en zeeën,
zij dringen door in elk gebied der wetenschap, om dit oude
geloof te doen wankelen en omver te stooten. Met den teles-
coop doorzoeken zij den sterrenhemel, en verklaren ilat zij
alle mogelijke dingen in de onmetelijke ruimte hebben ge-
vonden, maar geen God; daarom kan er ook geen zijn,
en evenmin een onzichtbare hemel, eene woonplaats voor de
zalige geesten. De aardlagen worden doorwoeld, en men komt
tot het resultaat, dat de langzaam voortgaande natuurproetssen,
waarvan zij getuigen, geene plaats overlaten voor de werk-
zaamheid van een goddelijken Schepper. De stamboom van
den mensch wordt nagegaan, en men rust niet voordat de
glans van het goddelijk evenbeeld is verbleekt en een apen-
gezicht den beschouwer tegengrijnst. En met hoeveel vreugde,
met hoeveel haast wordt elke nieuwe vondst verkondigd, wan-
neer men in den mensch een nieuwe gelijkenis met den aap,
of in den aap een nieuwe gelijkenis met den mensch meent
gevonden te hebben! De geest van den mensch wordt onder-
zocht, en men komt tot de ontdekking, dat er niets in vervat
is, wat ook het dier niet reeds heeft, zoodat eigenlijk de
geest in het geheel geen eigen zelfstandig bestaan zou heb-
ben, maar alleen eene de stof, het vleesch aanklevende kracht
zou wezen. Jlen beschouwt de krachten en de wetten der
natuur, en bevindt dat het Christelijk geloof aan wonderen
daarmede niet samen kan gaan. Op leergestoelten en op de
straten wordt deze wijsheid verkondigd, in gehoorzalen en in
gelagkamers voert zij het woord; wereldbekende dagbladen
-ocr page 23-
11
TEGEN HET GELOOF.
en dorpscouranten geven haar de getuigenis, dat zij waarheid
is. Komt zij eindelijk met de bewering voor den dag, dat
»geen beschaafd mensch" nog op het standpunt van het oude
Christelijke geloof staat, en worden daardoor allen, die nog
aan dat geloof vasthouden, onder den ban van onbeschaafd -
heid en barbaarschheid gedaan, dan behoort er reeds een zekere
moed toe, om zich door zulke machtspreuken niet te laten
verschrikken. Want beschaafd wil men altijd gaarne zijn, en
het vermoeden van gemis aan verstand laadt men niet gaarne
op zich, vooral als men nog jong is en zjn levensloop pas
begint.
Wanneer zulke redeneeringen ook tot u doordringen, en zij,
die ze houden, uit de hoogte op U neerzien, en u misschien
met een vloed van aanhalingen uit klassieken en niet klas-
sieken overstelpen, l.oud u dan vooral aan dien beproefden
levensregel, welke luidt: Bang maken zegt niets. Dat geen
denkend mensch aan de Christelijke waarheden gelooft, is
doodeenvoudig eene onwaarheid; met veel meer recht kunt gij
beweren, dat geen denkend mensch de waarheden van het
Christelijk geloof als onzin verwerpt, en dat er van oudsher
veel meer gedachteloosheid ia het loochenen is geweest. On-
derzoek dan ook juister, wat deze helden van de beschaving
en den vooruitgang als algemeen geldende waarheid in de
plaats stellen van de Christelijke geloofswaarheden. Dan zult
gij zien, dat er tot het aannemen van hetgeen zij als
waarheid aanprijzen, tenminste een even sterk geloof be-
hoort, als tot het aannemen der Christelijke waarheid; dat
daarentegen hetgeen werkelijk bewezen wordt, de Chi iste-
lijke geloofswaarheden zeer nabij komt en er zeer goed mede
samengaat. Immers redelijk is niet alles wat het eerste het beste
gezonde rnenschenverstand, dat echter dikwijls noch gezond,
noch verstandig is, als mogelijk of waarschijnlijk aanneemt.
Hoeveel is er niet tusschen hemel en aarde, hoeveel gebeurt er
niet in de wereld, waarbij het verstand van duizenden stilstaat,
en dat toch is en toch geschiedt!
Redelijk is veelmeer hetgeen aan de diepste behoeften van
-ocr page 24-
12
WAT IS REDELIJK ?
geest en hart beantwoordt, datgene, waarop eene wereldbeschou-
wing, eene levenswijsheid gebouwd kan worden, die den mensch
bevredigt, veredelt, verbetert en in zijn moeielijkste uren
krachtig en duurzaam troost. Vraag het eens aan die geloof-
verwerpende wijsheid, of zij dit geven kan. De dichter Scl.ubart
kwam eens in zijn wilde jaren in de Pfalz bij een man, die juist
in zijn bijbel las. «Mijnheer Schubart," zcide deze tot hem,
»gij zijt ziek, en dit boek zou u kunnen genezen." Dit is een
getuigenis voor de redelijkheid van den bijbel.
Voor eenigen tijd is mij een gedicht onder de oogen geko-
men, waarin iemand zich beklaagt, dat het denken hem alles
ontroofd heeft: God, eeuwigheid, Heiland, alles. Hier moet de
dichter toch eenigszins zichzelf misleid hebben; want men
verliest veel eerder zijn God, daardoor dat men te weinig
denkt, dan dat men te veel denkt, en onder alle vij-
anden van het geloof aan God is gebrek aan nadenken de
gevaarlijkste. Het is waar, dat menig jongeling aan zijn
geloof is gaan twijfelen, niet uit gebrek aan nadenken, maar
door eerlijk, ingespannen denken, terwijl een ander gedachte-
loos, met de sleur mede, zijn geloof, waaraan hij zich door
een Christelijke opvoeding gewend had , vasthoudt en zich zulk
een inwendigen strijd bespaart. Hoe komt dat ? Vanwaar de
twijfel? Is hij onvoorwaardelijk zondig en verwerpelijk? Of vindt
hij eenige rechtvaardiging in de jaren, waarin de geest tot
zelfstandig denken ontwaakt ?
Twijfel en duivel — die twee woorden rijmen bijna, en hoe
dikwijls wordt er niet op gewezen hoeveel verwantschap er
tusschen hen bestaat, en dat de twijfel reeds op zichzelf iets
duivelsch is. Want de eerste twijfel, die op aarde werd uit-
gesproken, het sheeft God ook gezegd?" is immers van de
slang uitgegaan, en heeft in zijn verdere ontwikkeling tot de
treurige gebeurtenis van den zondenval geleid. Hoe juist dit
ook zij met betrekking tot on/e eerste ouders, zoo mogen wij
toch onzen tegenwoordigen toestand niet onvoorwaardelijk met
dezelfde mate meten als den toestand van reinheid in het
paradijs, en wij zullen den twijfel, die daar eene inblazing van
-ocr page 25-
d3
DE TWIJFEL.
den duivel was, niet ook bij ons door een rechtstreeksche in-
werking van den booze kunnen verklaren. Wat niet goddelijk
is, behoeft daarom juist niet duivelsch te zijn; maar er is ook
een gebied van het eenvoudig menschelijke, en hiertoe zouden
wij den twijfel willen rekenen, zooals hij zich tegenwoordig
zoo dikwijls bij jongelieden vertoont, en zelfs bij dezen en
genen een noodzakelijken overgang in hun geestelijke ontwik -
keling vormt. Dit geldt in het bijzonder van hen, die een
streng wetenschappelijke loopbaan kiezen; maar hoe meer het
ongeloof zich ook in die kringen een weg baant, wier taak
het niet is, zich met wetenschappelijke onderwerpen bezig te
houden, zooveel te minder zal de geloofstwijfel zich tot de
eigenlijk wetenschappelijke kringen bepalen , zooveel te meer
wordt van elk denkend jongeling geëischt zich juiste denk-
beelden er van te maken.
Wel is waar zijn er gelukkige, men zou kunnen zeggen be-
genadigde naturen, die zich zonder inwendigen strijd , kalm
en geleidelijk van het kinderlijk geloof tot dat van den man
ontwikkelen, en die zelfs bij het diepst en scherpzinnigst na-
denken nooit in tweestrijd geraken met hetgeen het geloof
hunner kindsheid was. Vraagstukken, die den geest van anderen
in verwarring brengen, lossen zich voor hen gemakkelijk en
eenvoudig op; de doornen des twijfels, die een ander tot in
het vleesch dringen , laten bij hen geen wond achter. Dat zijn
gelukkige menschen, maar zij behooren meer en meer tot de
uitzonderingen. Hoewel allen niet even erg wankelen, behoo-
ren toch zij, die rustig en gestadig met gelijken tred hun
weg blijven bewandelen, en uit het geloof der kindsheid tot
het zelfbewuste geloof van den rijperen leeftijd overgaan ,
meer en meer tot de zeldzaamheden. Verwonder u hierover
niet, waarde vriend, en schrik niet, wanneer vroeg of laat
zulke vragen ook in u opkomen. De ontwikkeling van uw
geestelijk leven brengt het mede , dat gij eenmaal de be-
hoefte gevoelt, om niet meer eenvoudig aan te nemen wat
anderen u mededeelen, maar zelf te onderzoeken en te oor-
deelen. Gij onderwerpt uw geestelijke bezitting, die zich min
-ocr page 26-
14                                             DE TWIJFEL.
of meer bewust in u gevormd heeft, aan een diepgaand
onderzoek, en gij wilt in de verschillende levenskringen niet
meer op de aanbeveling van anderen afgaan, maar tot een
eigen, vrije, zelfstandige overtuiging komen. Ook uw geloofs-
leven ontgaat niet zulk een critisch proces; gij wilt niet
meer slechts gelooven om het zeggen van anderen, maar zelf
erkennen , ondervinden. Dit is gaheel zooals het behoort, en gij
hebt er volkomen recht op. En toen de Samaritanen tot de
vrouw zeiden : »Wij gelooven niet meer om uws zeggens wil,
want wijzelven hebben Hem gehoord, en weten, dat deze waar-
lijk is de Christus," is daarmede de overgang van het onzelf-
standig tot het zelfstandig geloof getcekend.
Maar wat gebeurt er nu? Terwijl gij begint te onderzoeken en
te ziften, terwijl gij u voorneemt een zelfstandige overtuiging in
u te vormen, komt gij in aanraking met het ongeloof, dat u met
ftl den verblindenden glans tegemoet treedt, dien een schijn
van wetenschappelijkheid, de bekoring van het nieuwe, liet
aan do jeugd eigen welgevallen in een verzet tegen het gewone
en oude er op werpen. Dat imponeert, dat maakt indruk op
het gemoed ; de loochening schijnt eene daad te zijn , eene be-
vrijding, eene verovering. En zoo is het reeds menigeen gegaan,
totdat hij niet alleen kwam tot het twijfelen aan enkele din-
gen, maar allen grond onder de voeten voelde wegzinken,
zoodat hij aan het geheele Christelijke geloof, aan allen gods-
dienst, aan God, aan het onzichtbare en eeuwige in het alge-
meen twijfelde en wanhoopte, en zelfs niet zeker was of mis-
schien het geheele bestaan der wereld, het zijne er onder begrepen,
niets dan schijn en begoocheling ware.
Maar juist in zulke gevallen heb ik altijd het duidelijkst gezien,
welk een onderscheid er tusschen twijfel en twijfel bestaat. Het
ligt niet daarin, dat de een weinig, de ander meer, een derde alles
in twijfel trekt, maar daarin , dat bij den een de twijfel eene
dwaling van het verstand, om zoo te zeggen eene ontwikkelings-
ziekte van het denken, bij den ander daarentegen eene dwaling
van het hart en den wil is. Is de twijfel bij den jongeling
alleen in het verstand gelegen, dan vrees ik niet voor hem,
-ocr page 27-
DE TWIJFEL.                                             15
al gaat hij ook nog zoo ver in het loochenen, al is zijn twijfel
ook nog zoo hevig. Want bij dieper en rijper nadenken zal hij
vanzelf het rechte spoor terugvinden, hij zal voor de ge-
volgtrekkingen der loochening terugschrikken en zich over-
tuigen dat, wanneer men redeneeringen tegen redeneeringen
opweegt, er in het geloof toch nog altijd oneindig meer rede-
Hjklieid is dan in hot ongeloof. Daarom zal zulk een jongeling
nooit bij zijn twijfel blijven, maar juist door de kracht zijner
natuurlijke geestelijke ontwikkeling uit de diepste duisternis
langzamerhand tot volle klaarheid en helderheid komen. Dien-
aangaande zeide J. F. v. Meijer: «Wanneer er in den twijfel
geen geloof ware, dan zou de twijfel de zekerheid van het
niets zijn, clan ware er geen inwendige strijd , maar het stukje
hemelsch zuurdeeg, onder het meel uwer natuur gemengd,
dat brengt juist uw hart aan het gisten. Onderdruk slechts
de werking uw.s harten niet, maar bevorder haar door het vuur
der wijding en des gebeds."
Zulk een eerlijke twijfel weet ook waarheen hij zich wenden
moet. Johannes de Dooper begon in de gevangenis ook te twij-
felen, of Jezus waarlijk de verwachte en beloofde Messias was.
Maar hij onderdrukte die gedachte niet in zich, en nog minder
zocht hij opheldering over den persoon des Heeren bij de Fa-
i\'izeeiin en andere tegenstanders van Jezus, maar hij wendde
zich rechtstreeks tot Hemzelf, en werd door de verwijzing naar
zijne woorden en daden ook werkelijk terechtgebracht. Hier
wordt de weg gewezen, dien de twijfel heeft in te slaan,
wanneer het om de \'waarheid te doen is; men moet den Heer
zelf hooren, niet zijne vijanden; het Nieuwe Testament lezen,
niet het een of ander boek over Kracht en Stof.
Geheel anders en veel gevaarlijker wordt de zaak, wanneer
de twijfel niet alleen eene afdwaling van het verstand, maar
van het hart en den wil is; wanneer eene vervreemding van
God, langzamerhand en door eigen schuld ontstaan, hem heeft
voorbereid, en hij geboren is uit een daaruit gevolgden tegen-
zin tegen den geheelen geest van het Christelijk geloof, mis-
schien zelfs uit de begeerte, om een zekere theoretische recht-
-ocr page 28-
16
DE TWIJFEL.
vaardiging te vinden van een teugelloos, ongebonden en eerloos
leven. Tegen zulk een twijfel vermogen geen redeneeringen. Men
kan personen, die tegenover het geloof dit standpunt hebben
ingenomen, door allerlei bewijsgronden voor een oogenblik in
het nauw brengen, misschien zelfs overreden, maar nooit
overtuigen, en men kan zeker zijn, dat zij bij een volgende
gelegenheid voor de zevende maal met hun »maar" aankomen,
dat reeds zesmaal weerlegd is.
Er is eene sage van een reus Antaeus, een zoon der aarde,
die in zijne gevechten telkenmale zijn uitgeputte kracht kon
vernieuwen, door zijne moeder, de aarde, met zijne handen
aan te raken. Herkules echter, die ook met hem worstelde ,
bemerkte dit, hield hem met zijn beide handen in de hoogte
en drukte hem op die wijze dood. Wanneer de twijfel steeds
uit het hart en den wil, als uit de moederaarde, nieuwe le-
venskracht kan putten, dan is het niet mogelijk hem te over-
winnen. Maar wanneer hij alleen door het verstand wordt
gevoed, terwijl het hart met oprechtheid naar het goddelijke
streeft, dan vermindert langzamerhand zijne kracht, en spoedig
ligt hij overwonnen aan uwe voeten. Of de twijfel bij u eene
zaak van het verstand of van den wil is, daarvan kunt gij
gemakkelijk de proef nemen. Wat is de diepste, de geheim-
zinnigste wensch van uw hart? Dat het Christendom waarheid
blijke te zijn, of niets dan bedrog en dwaling? Wat verheugt
u meer, eene ontdekking, die als eene bekrachtiging van het
geloof, of zulk eene, die tot steuning van het ongeloof kan
dienen? Voelt gij u bij de gedachte, dat het Christelijk geloof
eene hersenschim is, gelukkig of ongelukkig? Zou het u eene
bron van vreugde of van smart zijn? Ziet, daarop komt
het aan. Wordt gij bij de gedachte aan den ondergang
van uwe geloofswereld angstig en bevreesd, dan is dit een
teeken dat de twijfel bij u alleen in het hoofd zetelt en dus
ook weder genezen kan worden. Kunt gij echter met vreugde
aan de vernietiging uwer geloofswereld denken, alsof gij daar-
door van een gehaten last, van een onaangename stremming
van uw levensgenot wierdt bevrijd, dan ligt bij u de twijfel
-ocr page 29-
17
DE BIJBEL.
dieper, en uwe redeneeringen tegen het Christelijk geloof zijn
slechts schijnbaar van wetenschappelijken, in werkelijkheid van
zeer persoonlijken aard. Dit blijkt ook daaruit, dat zulk een
slechtgeaarde twijfelaar niet tot den bijbel zelf zijne toevlucht
neemt, zooaN hij, die eerlijk twijfelt, dit doet; en zich niet
tot den persoon van Jezus wendt, tot zijne woorden, zijne daden
en den geheelen indruk, dien Hij op het hart maakt; maar
opzettelijk altijd zulke autoriteiten opzoekt en najaagt, van
wie hij eene versterking van zijn ongeloof kan hopen. Hij wil
niets anders meer hooren, dan wat koren is op zijn molen.
Menigeen echter, die in hoofdzaak de Christelijke waarheden
gelooft, voelt zich door den twijfel aan enkele dingen bezwaard,
en daar hij er niet overheen kan stappen, kan hij ook tot geen
blijmoedig, opgewekt geloof komen. » Alles ware goed en wel,
en ik zou met al het andere vrede hebben," zegt deze of gene,
»maar dat eene ezelin heeft gesproken, dat zon en maan eenmaal
op het bevel van een mensch hebbfn stilgestaan, dat kan ik
niet voor waar aannemen, en wanneer dat leerstukken van het
Christelijk geloof zijn, dan is dit geloof ten eenenmale niets
voor mij." Het is waar, dat het ongeloof met bijzondere voor-
liefde die twee voorbeelden uit de reeks van bijbelsche won-
deren aangrijpt, om het geheele Christelijke geloof aan wonderen
belachelijk en het Christendom in het algemeen tot het voor-
werp te maken van zijn smaad en spot. Vooral beroepen zij
zich liefst op deze beide voorbeelden, die overigens niets
meer van den bijbel weten, en slechts duistere herinneringen
aan enkele feiten behielden. Voor hen is het dan gemakkelijk
tenminste door deze twee verhalen te kunnen toonen, dat
zij nog eenige bijbelkennis uit den overigen ondergang van
hun geloof hebben gered. Maar, waarde vriend, hangt nu de
waarheid van het Christelijk geloof daarvan af, of Bileams
ezel wis en zeker gesproken heeft, en of de zon eens stil
heeft gestaan te Gibeon en de maan in het dal van Ajalon ?
Ook is er niemand zalig geworden, omdat hij daaraan geloofde,
en nog niemand veroordeeld, omdat hij er niet aan geloofde.
Wanneer het wonder van Bileams ezel en Jozua\'s zon zoo
2
-ocr page 30-
18
DE BIJIJEL.
volstrekt onaannemelijk voor u zijn, laat dan vooreerst die
wonderen met rust. Bileam en Jozua kunnen, wanneer dat
alles is, gerust wachten tot gij in een gunstiger gemoedsstem-
ming komt. Laat echter om hunnentwil niet den geheelen bijbel
voor u zijne waarde verliezen.
Om tot een vast vertrouwen op de geloofwaardigheid van den
bijbel te komen, behoeft gij ook juist niet met de wonderen to
beginnen. Begin eerst met de practische levenswijsheid, die hij
u biedt. Verdiep u ernstig en grondig in de redenen van Jezus r
geef u zonder terughouding aan den indruk over, dien zij op u
maken, en let wel op, of niet als het ware een bovenaardsche
macht u omzweeft en tot u komt. Hoe dieper gij in het karakter
der woorden van Jezus doordringt, en hoc meer gij uw leven
naar het zijne tracht te vormen, zooveel te duidelijker zal u het
geheim zijner persoonlijkheid worden, zooveel te minder zal
het u verwonderen, dat een man, bij wien zulke woorden
des eeuwigen levens te vinden zijn, ook wonderen gedaan
heeft; en des te meer zult gij erkennen, hoe nauw woorden
en werken bij Hem samenhangen. Het is een vergeefsche arbeid r
Jezus van zijne daden te willen scheiden, Hem te gelooven
en wat Hij deed te verwerpen. Want zijne woorden staan in
de nauwste betrekking tot zijne wonderdaden, tot het boven-
menschelijke, goddelijke zijner persoonlijkheid. Voorts getuigt
het van groote oppervlakkigheid, wanneer men zegt, dat men
Jezns als zedelijk voorbeeld kan behouden, al verwerpt men
Hem ook als den wonderdoenden Zoon Gods. Is Hij Gods Zoon
niet geweest, dan kan Hij ook ons voorbeeld niet zijn, want
dan lijdt zijn karakter aan de ondeugd der zelfverheffing, welke
het geheele beeld misvormt en als voorbeeld volstrekt onge-
schikt maakt. Door zoodanige overwegingen en erkentenissen,
die zich aan den persoon van Jezus vastknoopen, zult gij
inzien dat het gebied van het wonderdadige met de openbaring
Gods vanzelf aan de wereld is gegeven, en dat geen willekeur
en wanorde, maar de hoogste orde het beheerscht; ja, wie-
weet, of niet eindelijk Jozua en Bileam ook genade in uwe
oogen vinden.
-ocr page 31-
DE BIJBEL.                                               19
Er is eigenlijk geen boek op aarde, waar de eigenwijs-
lieid van geleerden en ongeleerden zooveel, en zooveel ten
onrechte op af te dingen heeft, als de bijbel. Bij elk ander
boek verlangt men van hem, die zich vermeet er een oordeel
over uit te spreken, dat hij het tenminste eenmaal goed heeft
doorgelezen; bij den bijbel is dit een ander geval. Man-
nen, die er sedert hun schooljaren nauwelijks ëen blik in
hebben geslagen, doen er uitspraak over als kenden zij elk
kapittel van buiten. In de diligence, in den trein, aan de table
d\'hóte ontmoet gij een jong mensch, die nauwelijks vijf en
twintig zomers achter zich heeft, maar de gelegenheid bij het
haar grijpt, om u in do krachtigste bewoordingen zijne ver-
achting van den bijbel en van hen, die er aan gelooven, uit
te spreken. Aanvankelijk zijt gij verwonderd, verrast, be-
schroomd door de groote onbeschroomdheid, waarmede hij zijne
uitspraken doet; maar spoedig wordt uwe verwondering van
geheel anderen aard, wanneer gij uit zijne oordeelvellingen
opmaakt, hoe door en door onnauwkeurig en oppervlakkig zijne
kennis van den bijbel en diens verhalen is. Aarzelend waagt
gij het, hem op deze of gene dwaling opmerkzaam te ma-
ken, maar hij let er ternauwernood op. «Bijzaken, bijzaken;
in hoofdzaak blijft het toch bij hetgeen ik zeg.\'\' Gij richt
eindelijk de vraag tot hem, of hij den bijbel ook leest. »Le-
zen?" vraagt hij verwonderd, »maar, waar denkt gij aan?
Welk beschaafd mensch leest nog in den bijbel? Op mijn woord
verklaar ik u, dat ik sedert twaalf jaar geen blik in den
bijbel heb geslagen." En dat heet nu »een beschaafd oordeel."
Evenals lichtvaardigheid de gevaarlijkste vijandin is van het
geloof aan God, zoo is onwetendheid de gevaarlijkste vijandin
van den bijbel.
In een bekend en dikwijls aangehaald woord, dat wel verdient
ter harte genomen te worden, zegt Góthe: »De groote vereering ,
waarvan de bijbel bij vele volken en geslachten der aarde het
voorwerp is geweest, dankt hij aan zijn innerlijke waarde, en hij
is niet alleen een volksboek, maar het boek der volken, omdat
hij de lotgevallen van éen volk als zinnebeeld voor alle andere
-ocr page 32-
20
DE BIJBEL.
beschrijft, zijne geschiedenis aan het ontstaan der wereld
vastknoopt, en door alle trappen van aardsche en geestelijke
ontwikkeling heen, tot in de verste gewesten der uiterste
eeuwigheid voert. Wanneer men er de noodige inleiding en
opheldering aan toevoegde, dan zou dit boek verdienen da-
delijk weder zijn vroegeren rang in te nemen, en niet alleen
het gemeenschappelijke boek, maar de gemeenschappelijke bi-
bliotheek van alle volken te worden; en wijze mannen, geen
eigenwijze dwazen, zouden het hoe langer hoe meer, naarmate
de beschaving in den loop der eeuwen grooter werd, ten deele
als fondament, ten deele als middel ter opvoeding kunnen
gebruiken."
En Herder schrijft aan een jongen vriend: »Wie Homerus als
een schoolmeester leest, leest hem zeker slecht, laat staan
wie Gods Woord op die wijze leest. Zooals een kind de stem
zijns vaders, zooals een bruidegom de stem zijner uitverkorene,
zoo hoort gij de stem Gods in de Schrift, en de weerklank
der eeuwigheid, die er in weergalmt, dringt tot u door. Ik
werd ook eens door die ziekte aangetast, waarin Gods Woord
mij toescheen als een uitgeperste citroen; nu is het mij, God-
dank, weder eene vrucht, die aan den levensboom groeit. Lees
slechts den bijbel, niet zonder regelmaat, maar elk boek op
zichzelf, kies er de helderste uren van den dag voor, b. v. de
morgenuren, en laat u geheel door den geest des schtijvers
doordringen. Verplaats u bij de geschiedkundige boeken in de
kindsheid der wereld, waarvan zij verhalen, in de armoede en
de nooddruft hunner schrijvers. In deze arme hut woont God,
tot deze kindsheid spreekt de Vader ! Zoek in deze boeken geen
kunst, versiering of gezochte schoonheid, maar waarheid, gevoel
en eenvoud. Een ongelukkige spreekt en zucht nog altijd zooals
Job zuchtte, ofschoon niet met dezelfde opeenvolging van beel-
den en verheven bewoordingen."
Maar juist, omdat er tevoren sprake was van Göthe, ligt
er menigeen misschien nog een ander »maar" op de tong.
Is het geen bedenkelijke zaak voor den bijbel en het Christe-
lijk geloof, dat de grootste vernuften het öf bepaald geloo-
-ocr page 33-
21
DE BIJBEL.
chend, óf er met schouderophalen op hebben neérgezien?
Laat mij, voordat ik deze vraag beter in het licht stel, aan-
vankelijk een kort antwoord geven.
Aangenomen dat het zoo ware, en dat de meeste groote
vernuften op die wijze tegenover het Christendom en den
bijbel stonden, zooals gij dit zegt, dan zou dit wel zeer
treurig zijn, maar het zou toch uit den aard der zaak niets
anders wezen dan eene bevestiging van de woorden van Jezus,
wanneer Hij zijn Vader dankt: »dat Gij deze dingen den
wijzen en verstandigen habt verborgen, en den kinderk ens
geopenbaard;" en van het apostolisch woord: «Niet vele wij-
zen naar het vleesch, niet vele edelen, niet vele machtigen
zijn geroepen." Ja, juist een van die groote geesten, op wier
vijandige houding tegen het Christendom men zich gaarne
beroept, Schiller n. 1. , bekent dat »wat geen verstand der
verstandigen ziet, door den eenvoud van een kinderlijk ge-
moed wordt gekend." Ik herhaal het: aangenomen, dat de
grootste geesten zich van den bijbel hadden teruggetrokken,
dan zou het geloof zich hierover toch niet bevreesd behoeven
te maken. Maar de geheele stelling is onwaar, uit misver-
stand ontstaan en door lichtvaardigen als onomstootelijke waar-
heid nagesproken. Het is waar, dat Göthe zich bij tijden
met innerlijk genoegen een heiden heeft genoemd, dat Schiller
»uit godsdienst" geen godsdienst wilde omhelzen, en wanneer
het dan volstrekt zoo zijn moest, de knieën liever boog voor
de goden van Griekenland, dan voor den éenen God, die aan
hun heerschappij een einde maakte. En wanneer Lessing in
«Nathan der Weise" juist aan het Christelijk geloof de minst
beminnelijke vertegenwoordigers geeft, komt dat zeker we
niet uit bijzondere voorliefde voor de Christelijke kerk voort.
Maar welk een voorname oorzaak van deze afkeerigheid en
koelheid ligt in den gebrekkigen vorm, waarin het Christen-
dom hun in die dagen dikwijls voor oogen trad! Wanneer
Schiller er over klaagt, dat de natuur sedert het verval
van den Griekschen godsdienst zonder goden is, dan is
dit slechts een nagalm van het doodsche geloof aan God,
-ocr page 34-
22                                        DUITSCIIE IIEItOËN
dat in Schillers tijd ook in de kerk heerschte en zich don
goeden God slechts «hoog, boven in den hemel" voorstelde,
en niet als dengene die, almachtig en overal tegenwoordig,
in de natuur leeft; wiens goedheid tot ons komt in den geur
der bloemen, wisns nabijheid ons omsuist in de koelte des
avonds.
Ik wenschte dat menigeen, die zich met zijn ongeloof op
Schiller of Lessing beroept, zooveel eerbied voor het heilige had
als deze beide mannen, zooveel begrip van de heerlijkheid van
het Christendom als Góthe.
En is dan met die weinige dichters en denkers, die van
liet Christendom afkeerig waren, de reeks der groote geesten
gesloten? Was Luther dan ook niet een groote geest, een der
grootste zelfs, die ooit geleefd hebben? Of was Copernicus, die
zooals rnen beweert, aan de bijbelsche astronomie en daardoor
aan den bijbel den genadestoot gegeven heeft, een higer vernuft,
in vergelijking met de helden der beschaving uit den tegen-
woordigen tijd? het grafschrift echter, dat hij voor zich zelf
gemaakt heeft, luidt alrlus:
»Niet de genade, die een Paulus gevonden heeft, wil ik, noch
de liefde, waarmede Gij Petrus vergaaft; neen, die, welke de
zondaar aan het kruis ontving, haar begeer ik."
Leibnitz was een der meest veelzijdige geesten van den nieu-
veren tijd; van hem is een passielied afkomstig, waarvan het
laatste vers luidt:
Lasz die matte Seel empfinden
JJeiner Liebe siisze Klutj
Wem nicht Deiues Leidecs Glut
Kann das kalte Herz entziinden,
Jesu, der musz wie ein Stein,
Ohne Licb\' und Lebcn sciu.
Hoe geloovig knielt Klopstock voor den lijdenden en ster-
venden Verlosser! Met hoeveel geestdrift richtte Herder de
opmerkzaamheid zijner tijdgenooten op de lang miskende
schoonheden der Heilige Schrift, bepaaldelijk van het Oude
-ocr page 35-
23
EN HET CHRISTENGELOOF.
Testament! Hoe ver is Schiller b. v. in de Jungfre.u von Or-
leans boven dat platte rationalisme, dat al het wonderbare
als mystiek en bijgeloovig •wegcijfert, verheven! Leeft hij in
dit stuk niet juist in de wonderwereld des geloofs, die den
onzichtbaren achtergrond vormt voor het zicht- en tastbare, en
uit welker diepten de gestalten der geschiedenis opstijgen ? Hoe
diep doordrongen zijn Uhlands edelste balladen, zooals b. v.
•der Waller, die verlorne Kirche, van de grond- en kernwaar-
heden van het Christendom ! En wanneer hij met het oog op
de schoonheid der aardsche lente op die groote heerlijke lente
wijst, die wij hier slechts uit de verte groeten en die boven
aanbreekt, zijn dat ook niet tonen van ware Christelijke hoop?
In de tijden van Duitschlands vernedering, in het begin
onzer eeuw, toen vele helden der zoogenaamde Verlichting
met hun vaderlandsliefde zoo goed als op het nulpunt ge-
komen waren, stond een der machtigste mannen van dien tijd,
op wien liet Duitsche volk nu nog met recht trotsch is, Freiherr
von Stein, vast op zijn post, nis hoek-, grond- en edelsteen
van zijn volk, en de diepste oorsprong zijner kracht was niets
anders dan zijn vast, onveranderlijk geloof. Aan diezelfde bron
ontleende ook een andere held uit dien tijd zijne kracht, na-
melijk Ernst Moritz Arndt, die zoo bijzonder de gave had de
jeugd niet liefde en geestdrift te vervullen. In het lied: »Ik
weet aan wien ik geloof,\'\' heeft hij zijne geloofsbelijdenis afge-
legd, en wat naar deze belijdenis cnomstootelijk bij hem vast-
staat, dat is »het licht uit den hooge, de Heiland Jezus Christus,
de rots, op wien ik bouwe, die onvergankelijk is."
Zal ik nog meer getuigen aanvoeren ? Slechts in het voor-
bijgaan herinner ik u nog aan de mannen, die in den laatsten
tijd Duitschland groot hebben gemaakt en het oude verlangen
van het volk hebben vervuld, mannen, die niemand tot de
mindere, iedereen veelmeer tot de groote geesten van Duitsch-
land zal rekenen. Juist de uitstekendsten onder hen, op den
troon, in den raad en op het slagveld, zijn mannen, die reeds
dikwijls hun Christelijk geloof met vrengde en openhartigheid
beleden hebben. Daarentegen zie ik in den tegenwoordigen
-ocr page 36-
24                   DÜITSCHE HEROËN E.V HET CHRISTENGELOOF.
tijd onder hen, die het luidst tegen het bijbelsch geloofschreeu-
wen, tevergeefs naar een groot man om.
Gij ziet hieruit, waarde vriend, dat gij in het geheel niet in
slecht gezelschap zijt, wanneer gij u aan het oude geloof houdt,
en dat de bewering, dat de uitstekendste geesten slechte Chris-
tenen zijn geweest, niet meer dan eene bewering is, door de
zoodanigen aangevoerd, die den lof van een grooten geest slechts
aan ongeloovigen toekennen; de anderen echter, die niet in hun
kader passen, opzettelijk of onwillekeurig, stilzwijgend voorbijgaan.
Het komt bij menschelijke grootheid niet alleen op gaven des
verstands, of op kunstgewrochten aan, maar op de verheffing
en veredeling, welke men in het leven des volks teweeg brengt.
En gelukkig is de oude en nieuwe en nieuwste geschiedenis aan
mannen van dien aard, die tegelijk goede Christenen waren,
nog rijk genoeg. Hoe ernstiger gij dit geloof opvat, en hoe
ijveriger gij er naar streeft het in het leven te laten doordringen,
zooveel te gemakkelijker zal het u worden, zoowel aan de eischen
van een geheiligd jongelingsieven te voldoen, als een Gode en
menschen welgevallig karakter te verkrijgen. Wat is echter ka-
rakter ? Daarover zullen wij in het volgende hoofdstuk spreken.
-ocr page 37-
Ii.
KARAKTER EN VRIJHEID.
Twee zaken behooren tot een karakter : een eigenaardige ,
menschelijke persoonlijkheid en een hoogere wil, die haar
doordringt.
Gij hebt in u een bepaalden, bijzonderen aard, een eigen
natuur, waaraan gij wel arbeiden , die gij wel beschaven kunt,
maar wier innerlijk wezen gij toch niet instaat zijt anders
te maken. De tijd, waarin gij leeft, drukt reeds op u een
eigenaardigen stempel, want er is niemand, die zich geheel
aan den invloed kan onttrekken, dien zijn tijd op hem uit-
oefent. Uw aard zou in vele dingen anders zijn, gij zoudt
verscheidene zaken anders beschouwen , wanneer gij bijvoor-
beeld honderd jaar geleden geleefd hadt. Bovendien geeft het
land, waarin gij geboren zijt, het volk , waartoe gij behoort,
reeds tevoren een zekere richting aan uw zijn, waaraan
gij u niet kunt onttrekken. Het feit alleen, dat gij een Ne-
derlander zijt, maakt u in vele opzichten anders dan een
Franschman, Engelschman en Italiaan; met uwe nationaliteit
behoort gij tot een bijzonder type, dat altijd, zelfs wanneer het
-ocr page 38-
20
TEMPERAMENT.
u in het geheel niet te stade komt, weder in het licht treedt.
En niet alleen bestaat dat onderscheid tusschen de volken :
ook de provincie, uit welke gij afkomstig zijt, of gij een ronde
Zeeuw zijt, of een onverzettelijke Fries; ja zelfs de stad, waartoe
gij behoort, kan u van kindsbeen af een bijzonder iets ge-
ven , waaraan men u reeds dadelijk herkent. Treden wij een
nog nauwer kring binnen, dan heeft elke familie, ook de uwe,
een type, waarvan niemand zich gemakkelijk losmaakt. F-vcn-
als in het uiterlijk voorkomen, in de gelaatstrekken, in enkele
houdingen en bewegingen, de familiegelijkenis dikwijls op ver-
rassende wijze aan den dag komt, zoo gebeurt dit ook met
betrekking tot den inwendigen levensvorm, met betrekking
tot het leven der ziel en des geestes. Naarmate ecne familie
een rijkere geschiedenis, grooter besef van eigenwaarde en meer
levenskracht heeft, naar die mate zal zij ook meer instaat zijn
aan haar enkele leden haar bijzonder kenmerk mede te deelen.
Deze eigenaardigheden van tijd, volk, stam, familie, hebt
gij ongetwijfeld met een kleineren of grooteren kring van an-
deren gemeen. Maar gij hebt ook veel, dat u alleen eigen is,
zoodat gij u daardoor van ieder ander, hij moge door familie-
of andere betrekkingen nog zoo nauw aan u verwant zijn,
onderscheidt. Wanneer men van de lagere diersoorten zeggen
kan, dat geen twee schepsels volkomen op elkander gelijken ;
wanneer in het plantenrijk niet een grasje, niet een blaadje
volkomen gelijk is aan het andere, dan geldt dit nog meer
van den mensch, als de kroon der schepping. Want hoe hoo-
ger men klimt in het gebied der schepping, zooveel te rijker
en menigvuldige!- kenmerkt zich elk afzonderlijk leven , zooveel
te meer is elk individu r.iet slechts een exemplaar van zijne
soort, maar iets afzonderlijks , een individualiteit.
Van veel belang voor elks persoonlijken aard is b. v. het-
geen men iemands temperament pleegt te noemen. De
wetenschap heeft zich van oudsher moeite gegeven, om de
verschillende temperamenten, die bij de menschen gevonden
worden , onder zekere algemeene rubrieken te brengen, en
naar deze den bijzonderen aard van elk mensch te bepalen.
-ocr page 39-
TEMPERAMENT.                                                27
Vervolgens heeft men ontdekt, dat het grootste onderscheid
daarin lag, dat sommigen een heerschcnde neiging hebben om
zelf te handelen en invloed uit te oefenen op de buitenwereld,
terwijl anderen meer onder de macht der buitenwereld staan en
van haar indrukken ontvangen. Daarna heeft men opgemerkt,
dat zoowel de zelfhandelende als de hoofdzakelijk ontvangende
naturen weder velschillend zijn, daar sommigen in hare zelf-
werkzaamheid, of in haar aannemen een zekere gelijkmatigheid
toonen , terwijl anderen daarbij ongestadig, met snelle afwisseling
te werk gaan. Op deze wijze is men tot de onderscheiding van
vier temperamenten gekomen.
Deze temperamenten strekken evenmin tot lof als tot schande.
Een cholerische aard is uit zichzelf geen voorrecht, een phleg-
matische geen schande. Het komt er geheel op aan, in wiens
dienst elk dezer temperamenten komt. Geen enkel is zonder
zedelijke gevaren en zonder zedelijke voorrechten. Een cholerisch
mensch heeft aanleg tot een vast karakter, tot duurzame vol-
harding, maar ook tot onbarmhartig doordrijven; een sangui-
nisch man zal zich zonder moeite een begrip van zijne taak
maken, haar met vroolijken moed op zicli nemen, en wan-
neer het noodig is, snel van de eene op de andere overgaan,
maar zijn gevaarlijkste vijand is de onbestendigheid en op-
pervlakkigheid. De phlegmatische geaardheid heeft het voor-
deel, dat zij gemakkelijk haar gelijkmoedigheid, haar zielerust
bewaart, maar traagheid, onverschilligheid, stompzinnigheid
liggen er als zooveel loerende vijanden achter verborgen.
Wat eindelijk het melancholisch temperament aangaat, hoe
dicht grenst het aan de schoone deugden van den ernst, der
degelijkheid, der nauwgezetheid, der innerlijke werkzaamheid,
— hoe gemakkelijk vervalt het echter ook in gebreken als
moedeloosheid, versaagdheid, overgevoeligheid en prikkelbaar-
heid , dolle ingekeerdheid tot zichzelf. Gij zijt dus door het
bezit van het een of ander temperament van de vervulling
uwer zedelijke taak niet meer of minder verwijderd, maar uw
temperament dient alleen om de zedelijke taak, die u gege-
ven is, voor uw persoon nauwkeuriger te kenschetsen; daarom
-ocr page 40-
28
DE GODSUEDACIITE
heeft elk dezer vier temperamenten evenzoo goed uitstekende
weldoeners als beruchte boosdoeners aan de menschheid ge-
geven. Napoleon I had even goed een cholerisch temperament
als Karel de Groote en Lutlier; de lichtzinnige Heine bezat
een melancholischen aard evenals de verheven Schiller en de
godvruchtige Gellert; Voltaire was even sanguinisch als de
vrome Oetinger.
Wat is echter, wanneer wij de temperamenten allen samen-
vatten en tot hun diepsten oorsprong terugbrengen, wat is
de eigenlijke kern van eiken menschelijken aard, van ieders
individualiteit? Waarop rust haar recht, haar bestaan? Dat
brengt ons tot God zelf, op het geheime goddelijke werken
en handelen terug. Gods wijsheid als Schepper is veelzijdig,
zijne gedachten zijn onbegrensd, daarom worden zij ook in
de wereld op eindeloos verschillende wijzen verwezenlijkt. Elke
bijzondere aard van het geschapene, en in het bijzonder elke
menschelijke individualiteit is in den grond niets anders dan
de verwezenlijking en uitdrukking van een bijzondere eigen-
aardige gedachte van den Schepper; men zou gerust kunnen
zeggen : elke menschelijke persoonlijkheid is de menschwording
van een goddelijke gedachte, eene verwezenlijking en uitdruk-
king daarvan in vleesch en bloed, in menschelijke vormen ,
gesproten uit de ondoorgrondelijke diepten van de goddelijke
wijsheid des Scheppers. Daarmede komt elke menschelijke indi-
vidualiteit eerst in het ware licht, in den vollen glans van
haar eeuwige beteekenis. Ook in u, waarde vriend, wil eene
Godsgedachte tot werkelijkheid komen, zij is het teeken, waar-
onder gij geboren zijt, als het ware de ster, die uw uit- en
inwendige levensvorming leiden en beheerschen moet; of zoo
gij wilt, de beschermengel, die u van den beginne af gegeven
is als leidsman door dit leven.
Deze uwe rechtmatige persoonlijke geaardheid is het fonda-
ment, waarop uw karakter zich moet voortbouwen en ontwik-
kelen. Wel is ook tot u, van uw eerste levensontwikkeling
af, iets doorgedrongen, waardoor uw eigenaardig, innerlijk
voorkomen misvormd, uwe eigenaardigheid in ondeugd ver-
-ocr page 41-
IN DK MENSCHELIJKE PERSOONLIJKHEID.                         29
anderd is. Dit verkeerde , verderfelijke element is het kwade ,
de zonde.
Welke van deze beide uitdrukkingen u het liefst is,
is hetzelfde; de naam dcet niets ter zake. Echter denken wij
bij het woord szonde" meer dan bij de andere uitdrukking
aan den God, tegen wien de zonde een verzet is , en daarom
zou het hier de voorkeur verdienen. Wanneer ik zeg: »dat
is slecht," dan bepalen zich mijne gedachten tot de wereld en
hare verordeningen. Zeg ik echter : »dat is zondig ," dan denk
ik daarbij dadelijk aan den God , die door de zonde beleedigd
wordt. Daarom zijn er ook menschen , die het woord «slecht"
altijd nog beter kunnen verdragen dan het woord «zondig."
De beteeken is van het woord echter daargelaten — vanwaar
komt bij u de zonde , vanwaar komt zij bij den mensch in het
algemeen ? Want dat zij er is , in de wereld in het algemeen
en bij u in het bijzonder, dat valt niet te betwijfelen.
Vanwaar komt zij dus ? Is zij van anderen tot u over-
gekomen ? Zijt gij alleen door het voorbeeld van anderen
zondig geworden ? Ongetwijfeld is het voorbeeld van veel be-
teekenis, en menigeen is in de ketenen eener zonde, eener
ondeugd geraakt, omdat hij zich door het voorbeeld van een
ander liet leiden. Maar al kunt gij nog zoo goed eenige uwer
ondeugden van slechte voorbeelden afleiden — uwe zonde in
haar geheel , uw zondige staat wordt daardoor toch niet
verklaard. Want hoe zou het komen , dat nooit hier of daar
een menschelijke ziel ongedeerd bleef door een slecht voorbeeld,
maar dat elke, zonder onderscheid, wordt aangetast ? Hoe
zou het komen , dat kinderen reeds in hun vroegste jeugd het
slechte gemakkelijker nadoen dan het goede ? Dat, wanneer zij
tusschen twee benamingen van een voorwerp kunnen kiezen ,
een fatsoenlijke en dus geoorloofde, en een onfatsoenlijke en
daarom verbodene, zij altijd een bijzondere voorliefde voor
de laatste zullen toonen ? Vanwaar komt toch het: »Aitimur
in vetitum semper cupimusque negata
? Naar het verbodene
gaat \'s menschen streven en begeerte uit?" Waarom neemt
bij u en andere menschen het kwade vanzelf toe, terwijl het
goede door voortdurenden strijd met moeite wordt verkregen ?
-ocr page 42-
30                                                   DE ZONDE.
Wanneer gij ernstig over deze vragen nadenkt en er een
eerlijk antwoord op geeft, dan zult gij het slechte, dat in n
is , niet slechts als het werk van anderen kunnen beschouwen ,
als het gevolg van hun voorbeeld en verderen invloed, maar
gij zult moeten zeggen : In mij is van kindsbeen, van mijne
geboorte af, eene neiging, eene overhelling tot het kwade, zoo-
dat de zonde meer in mijne natuur ligt dan heiligheid, en
alleen omdat het slechte, dat van buiten af tot mij kwam,
zulk een vriendelijken en welwillenden weerklank vond in mijn
hart, kon het werkelijk macht over mij krijgen. Een aange-
boren, overgeërfde neiging tot het kwade — ja, dat is het.
Wat uit vleesch geboren is, is vleesch. Zoo diep wortelt het
kwaad. Het is geene ziekte, die eerst later is uitgebroken,
maar een aangeboren krankheid. En daarom wordt de vorming
van het karakter een strijd , waarin de zegepraal onmogelijk
alleen door menschelijke hulpmiddelen behaald kan worden.
Want een aard, die van den oorsprong af ziek is, is niet meer
instaat de kracht tot genezing uit zichzelf voort te brengen.
Wanneer men voor dit feit staat, kan men zich ook niet
daarmede troosten, dat dit de noodzakelijke onvolkomenheid
der menschelijke natuur is, zooals dikwijls gezegd wordt, ter-
wijl men met nictsbeteekenende uitvluchten aankomt, als : »Ik
ben ook maar een mensch, en omdat ik een mensch ben, ben
ik geen engel, en omdat ik geen engel ben, heb ik ook mijne
gebreken."
Is het kwade een onvermijdelijke onvolkomenheid der men-
schelijke natuur, waarom zegt uw geweten u dan telkens,
wanneer gij eene fout begaat, dat gij haar hadt kunnen en
moeten vermijden ? Waarom voelt gij u schuldig en verant-
woordelijk voor uw persoon? En dat het slechts eene onvol-
imuiktheid zou zijn, is weder zeer oppervlakkig gezegd. Er
is toch een groot onderscheid tusschen, of iemand zich naar
een hem gesteld doel heen beweegt, en het alleen nog maar
niet bereikt heeft, dan of hij een tegenovergestelde richting
inslaat, van het doel afgekeerd. Het is toch iets anders of een
wandelaar vroolijk op den rechten weg voortgaat, of dat hij
-ocr page 43-
31
ONVOLMAAKTHEID.
is verdwaald, en nu hier dan daar onzeker rondzwerft. Het
is iets anders of een geschrift, wat den stijl betreft, nog niet
geheel volmaakt is, of dat liet wemelt van fouten, die in strijd
zijn met de eerste regelen der taalkunde. Evenzoo is er ook
een groot onderscheid tusschen onvolmaaktheid en zonde. Gene
streeft naar de bereiking van het doel, is er echter nog een
eindweg van verwijderd; deze beweegt zich in eene van liet
doel afgekeerde richting.
Dit is het feit, waartegen geen ontkennen of loochenen
helpt, maar dat noodzakelijk erkend moet worden : Dat er in
mijne natuur, behalve de Godsgedachte, welke er tot rijpheid
in wil komen, een andere, tegen God gekeerde macht is, welke
zich tegen de verwezenlijking der Godsgedachte verzet. Dat
is het slijk, dat verwijderd, de smet, die van den stempel
afgewas?chen moet worden, en het doel uwer karaktervorming
is niets anders, dan dat de Godsgedachte, naar welke gij ge-
schapen zijt, in uw persoon, in uw leven tot volle, reine,
harmonische en geheele verwezenlijking kome. Vóór ieder
staat het beeld van wat hij eens zijn moet; zoolang hij dit
niet is, zal hij geen vrede hebben. Dat gaat echter, tenge-
volge van de nu eenmaal bestaande storing en verkeerdheid,
niet andeis dan door ernstigen strijd met zichzelf. Wie zijn
natuurlijke geaardheid in al haar misvormdheid tot ontwik-
keling laat komen, zooals zij zich ontwikkelen wil, alsof het
oorspronkelijke , eigenaardige , reeds uit zichzelf het goede
en schoone ware; wie zich van alle eischen der zelfontwikke-
ling terugtrekt met de woorden: »Ik ben nu eenmaal zooals
ik ben, en zooals ik ben moet men mij aannemen," die zal
wel een zonderling, misschien ook, wanneer het meeloopt,
een origineel worden, maar nooit een zelfstandig karakter
bezitten. Want dit is het onderscheid tusschen een origineel
en een man van karakter: de eerste laat aan zijne neigingen
vrij spel, terwijl deze zich vormt door ernstig zelf bedwang:
gene heeft eene levensgestalte vol misvormingen en afwijkingen
van allerlei aard, het karakter ontstaat uit de langzame afschei-
ding van alles wat misvormt. Zonderlingheid en karakter staan
-ocr page 44-
32                                                       DE ZEDE.
tegenover elkander als karikatuur en portret. De dikke, pot-
sierlijke, gulzige, grappige, zedelooze, door en door geraeene
Falstaff bij Shakspere is ongetwijfeld een origineel, maar een
karakter ? Verre vandaar ! Juist het tegendeel!
En welke zijn nu de machten, aan welker tucht de natuur-
lijke geaardheid onderworpen moet worden, wanneer zij zich
tot een zedelijk karakter zal volmaken ? Zij treden in allerlei
gedaanten voor or,s op. Allereerst noem ik de zede, die zich
beroepend op een zeker hooger gezag, perken stelt aan de
wild voortwoekerende eigenaardigheden. Wij bedoelen met
»zede" in deze beteekenis, geen pedante, uiterlijke wetten,
die u in elke kleinigheid voorschrijven wat betamelijk is en
wat niet, en uw vrije bewegingen aan banden dreigen te
leggen; maar wij meenen met »zede," de goede zeden, d. w. z.
die, welke zich in een volk, in eene maatschappij, of zelfs
in eene familie van oudsher hebben gevestigd, als de gemeen-
schappelijke maatstaf van hetgeen betamelijk, rechtmatig,
goed en edel is. Vele jongelingen zoeken een zekere genia-
liteit in het verachten van zulke gemeenschappelijke, in den
loop der geschiedenis ontstane begrippen van goede zeden,
zoowel in hun denkwijze, als in hunne uiterlijke handelingen.
Dit achten zij geniaal, omdat er wel eens genieën geweest
zijn, jongelingen, die met geestdrift liet ideale najaagden, die
zich tegen de verkeerde en bekrompen begrippen, welke men
in hun tijd van tucht en zeden had, verzetten; en nu zijn velen
van de meening, dat deze tegenkanting het genie kenmerkt,
en dat, hoe minder de een of ander zich aan goede zeden
gelegen laat liggen, hoe meer hij bewijst een man van genie
te zijn. Bemerken zij langzamerhand, dat men zich met ver-
ontwaardiging en spot van hun gedragswijze afkeert, en dat
de goede zeden zich niet ongestraft onder de voeten laten
treden, dan beklagen zij zich, dat zij niet begrepen worden,
dan bejammeren en bezingen zij zichzelven als de offers van
een tragisch noodlot. De hedendaagsche zeden laten waarlijk
speelruimte genoeg voor de ontwikkeling van een oorspron-
kelijken en eigenaardigen geest, en niemand behoeft ze onder
-ocr page 45-
33
HET GEWETEN.
de voeten te treden, om zich vrij, naar de eischen van zijn
diepsten aanleg te ontwikkelen; zij zullen niets meer doen
dan zekere perken stellen aan zijn verkeerden aard, en tevens,
wanneer hij er zich aan onderwerpt, eene hulp en bijstand
zijn in den strijd tegen den natuurlijken en onbedwongen
aard.
Wel kan de zede ook op een dwaalspoor geraken, en zelfs
wanneer dat het geval niet is, blijft het gebied, dat zij bc-
heerscht, altijd beperkt. Zij geeft eenige regels aan voor onze
uiterlijke handelwijze, maar niet voor het geheel gebied onzer
handelingen, nog daargelaten, dat zij zich in geen geval tot
het inwendige leven van hart en wil uitstrekt. En toch is dit
juist de bron en de oorsprong, waaruit het uiterlijke voort-
komt; en waar de natuurlijke aard aan banden gelegd moet
worden, daar moet dit juist in het binnenste, in den grond
geschieden. Hier treedt nu, als een hoogere macht, met niet
slechts menschelijk gezag, zooals de zede, maar met goddelijke
macht bekleed, het geweten op. Wie een karakter wil hebben,
wie zichzelf tot een man van karakter wil ontwikkelen, die mag
niet naar zijne luimen en naar willekeur handelen, hij mag ook
niet tevreden zijn, wanneer zijne daden aan de eischen der goede
zeden beantwoorden, maar hij moet ook leeren naar zijn geweten
te handelen.
Uw geweten treedt voor u op met een onverbiddelijk, onver-
mijdelijk: «gij moet." Men kan er niet op afdingen; wat het
gebiedt kan niet van kracht verminderen; het heeft slechts dat
eene steeds herhaalde, streng volgehouden bevel: doe wat goed
is, laat na wat slecht is. Hetzij het zijn afradende stem vóór
de daad laat weerklinken, of zich na de daad bestraffend laat
hooren: wat het zegt is altijd hetzelfde, dat namelijk het goede
gebeuren moet en het kwade niet; en de wijze, waarop het
spreekt, is altijd dezelfde, namelijk met een onverbiddelijk, streng
bevel, dat alle tegenspraak reeds tevoren belet. Waarop wijst
dit strenge optreden van het geweten? Op een hooger, op het
allerhoogste gezag, waarop het rust, namelijk op het gezag van
God. De tegenstelling van hetgeen betaamt en niet betaamt,
3
-ocr page 46-
34                                           HET GEWETEN.
waarop de zede wijst, wordt onder de tucht van het geweten
do scherpere tegenstelling vr.n goed en kwaad; en terwijl de
zeden rusten op de autoriteit van het volk, van de familie,
van den staat, rust het geweten op het gezag van God zelf.
Terwijl de tucht der zede zich slechts bij enkele grovere uitin-
gen van den verkeerden aard laat gelden, dringt de tucht van
het geweten tot den wortel door. Wilt gij een man van karakter
worden, handel dan naar uw geweten, en stel u onder zijne
tucht, maak het tot u.ven vasten levensregel het goede te doen
en het kwade te haten en te laten, omdat de heilige God het
zoo wil.
Wel is waar geeft ons geweten ons over hetgeen eigenlijk
goed of kwaad is, geen geheel bevredigend en betrouwbaar
uitsluitsel. Menigeen wordt door zijn geweten vrijgelaten iets
te doen, wat een ander beslist verboden wordt; het gebeurt
dikwijls, dat twee personen tegenovergestelde dingen doen,
en dat elk zich op zijn geweten beroept. Dat komt daar-
door, dat ons geweten ons slechts in het algemeen zegt, dat
wij het goede moeten doen en het kwade laten, en daarom-
trent geen nadere bepalingen geeft, maar deze geheel aan
onze kennis van hetgeen goed en kwaad is, overlaat. En daar-
door kan men op een dwaalspoor komen, hetzij plotseling, in
eens, of door een langzamen achteruitgang en toenemende
verdorvenheid. Deze verdorvenheid kan zoo ver gaan, dat
men eindelijk de slechtste en schadelijkste dingen, zooals
leugen, bedrog, onmatigheid geoorloofd acht, en zich over
het schandelijkste niet meer schaamt. Daarom, wanneer ik u
zeg: Wilt gij een man van karakter worden, handel dan naar
uw geweten, dan kunt gij wel antwoorden: »Hoe kan dat,
wanneer de stem van het geweten mij niet nauwkeurig en
veitrouwbaar uitgelegd wordt, zoodat ik wete wat goed en
wat slecht is?" Zeer juist, zulk cenc uitlegging moeten wij
hebben. Maar vanwaar? Wie kan onfeilbaar uitleggen be-
halve Go.1 ? Wie kan do stem verklaren, buiten Hem, van
wien zij komt ? Welnu, Hij heeft haar verklaard, en gij
hebt die verklaring in uw Catechismus. De overoude Tien
-ocr page 47-
35
DE TIEX GEBODEN.
Geboden zijn de echte, waarachtige, onfeilbare uitlegging, de
vertrouwbare opheldering van hetgeen het geweten in het alge-
meen in zijn: »doe het goede, laat het kwade" eischt. Naar
deze zullen de zeden, wanneer zij goed willen blijven, zich
moeten richten en vernieuwen. Wilt gij dus een karakter heb-
ben, maak dan Gods gebod tot het richtsnoer van uw leven,
laat elk dezer geboden een grondbeginsel voor uw denken,
spreken en handelen worden; laat uw geheele persoonlijkheid
doordrongen zijn van deze goddelijke woorden : Hoe zal een
jongeling zijn pad rein houden? Hoe zal hij een goed karakter
verkrijgen? Wanneer hij zich houdt aan uw woord. Ps. 119 : 9.
Wie is karakterloos? Die geen beginselen heeft, en niet met
vastheid naar deze beginselen handelt, maar willekeurig, zoo-
als zijn tijdelijk belang het meebrengt; die heden zóo spreekt
en morgen anders, naar gelang van de personen, met wie hij
te doen heeft, en de betrekkingen, die hij in het oog moet
houden. Daarom geeft ook alleen het karakter den menschen
betrouwbaarheid. Op karakterlooze menschen kan men niet
rekenen; bij menschen van karakter weet men tevoren, dat
zij naar do beginselen, die men vroeger bij hen beproefd heeft,
zullen handelen. Dank daarom God, dat Hij u in de Tien Ge-
boden zulk een schoon, afgerond, volledig S3\'steem van wetten
voor ons spreken en handelen geeft, als het model, waarnaar
ons karakter gevormd, als het geraamte, dat door ons leven
met vlcesch moet worden bekleed.
Wanneer nu het gebod ook maar de kracht bezat, den
verkeerden aard, die zich in den mensch heeft vastgewor-
teld, te vernietigen, en den goeden, oorspronkelijken aard
weder in de plaats te stellen, de Godsgedachte, die in elke
persoonlijkheid woont, vrij te maken van de verontreiniging
van het kwade, dat er zich van heeft meester gemaakt, en
haar tot volle, harmonische verwezenlijking te brengen! Maar
het is de oude klacht, dat het gebod difc niet kan! Het kan
u een doelwit voor oogen stellen; het kan zeggen wat worden
moet en hoe het moest zijn: het kan de richting aangeven,
volgens welke gij uw karakter moet vormen, maar het geeft
-ocr page 48-
36
DIEPSTE KRACHT TOT KARAKTERVORMING.
niet de kracht om deze richting in te slaan en haar standvastig
te volgen tot het doel hereikt is. Het is wat kompas en roer
zijn voor een schip; maar de kracht, die het vaartuig in be-
weging zet, den wind, die de zeilen bol doet staan, den stoom,
die de raderen doet wentelen, kan het niet verschaffen. Zoo
gaat het niet vooruit. Menigeen beproeft het met zijn geringe
krachten, met zijn goeden wil en goede voornemens; maar wie
zal een stoom- of zeilschip, bij gebrek aan andere voortstuwende
krachten, met de hand bestieren en tot zijn doel brengen? De
hand wordt lam, lang voordat het schip slechts een duim breed
gevorderd is; de strooming voert het mede, en drijft het tegen
wil en dank reddeloos voort, van het doel af inplaats van
naar het doel toe, tegen de klippen, inplaats van naar een
zekere haven.
Uit den hemel moet de wind komen, die de zeilen van
het schip bol doet staan, uit den hemel de ware en volle
kracht voor de vorming van het menschelijk karakter. Het
is de heilzame, reddende genade Gods in den persoon van
Jezus Christus;
zij geeft de kracht om alle mismaking weg
te nemen, elke verkeerde neiging vaarwel te zeggen, het
aardsche wezen en de wereldsche lusten te verloochenen; zij
geeft kracht om den waren aard te doen herleven, om matig,
rechtvaardig en godzalig te wandelen in deze tegenwoordige
wereld. Zij dringt door tot in het binnenste van den mensch,
als een krachtige levensadem, en vernieuwt in he m het beeld
Gods. Zij geeft aan de Godsgedachte, volgens welke gij gescha-
pen zijt, en die tot nu toe niet vrij kon worden, kracht en
leven. »In u woont een edele slaaf, wien gij de vrijheid schen-
ken moet;" maar gij kunt den slaaf eerst dan de vrijheid geven,
wanneer gij uw hart opent voor de kracht uit den Hooge. Dan
eerst komt uw ware persoonlijkheid met haar wezenlijke, diepste
kern tevoorschijn, en neemt de plaats in, welke haar toekomt.
Een geheel nieuw mensch is daarbinnen opgestaan. Deze heeft
niet dadelijk zijn volle ontwikkeling bereikt, maar hij is er,
heeft levenskracht in zich en de taak om alles langzamerhand
te hervormen. Het gaat niet zonder strijd, maar het gaat.
-ocr page 49-
37
GEZINDHEID EN KARAKTER.
Het oorspronkelijke Godsbeeld, dat eerst binnen in u is
opgewekt, wordt langzamerhand in alle trekken uwer per-
soonlijkheid hersteld , en hoe meer dit het geval is, hoe meer
uw Christelijke karaktervorming vordert. Wanneer eens uw
geheele persoonlijkheid beheerscht, geleid en doordrongen is
van de Godsgedachte, naar welke gij geschapen zijt; wanneer
gij naar uw bijzonderen aard de heerlijkheid van den God,
die u geschapen en wiens genade u vernieuwd heeft, duide-
delijk weerspiegelt, dan heeft uw karaktervorming haar doel
bereikt. Een volmaakt, geheel gevormd karakter vertoont
dien God in al zijne deelen, en door zijn eigenaardige samen-
stelling wordt niets dan het reine, goddelijke licht uitgestraald.
Daarom is een zedelijk karakter nog iets meer dan een zede-
lijke gezindheid. Deze is ongetwijfeld iets zeer prijzenswaardigs,
en gave God, dat zij even rijkelijk bij jong en oud gevonden
wierd; maar zij is daarbij iets inwendigs, hetgeen het woord,
dat van zin is afgeleid, aanduidt; een goede gezindheid te
hebben is zooveel als goede beginselen te hebben; maar hoe
gemakkelijk kan het gebeuren, dat de beste voornemens on-
uitgevoerd blijven , dat de eerlijkste gezindheid slechts gezind-
heid blijft ei? geen daad wordt! Hetzij, omdat eigen traagheid,
het zwakke vleesch den gewilügen geest in den weg treedt,
hetzij omdat de inachtneming van uiterlijke omstandigheden,
menschenvrees en behaagzucht, storend werken. Eerst wan-
neer de gezindheid daad wordt, wanneer zij de geheele per-
soonlijkheid als eene kracht doordringt, en in het geheele leven
eens menschen op eigenaardige wijze, naar zijn bijzonderen
aanleg, optreedt en een krachtige gestalte aanneemt, eerst dan
wordt zij karakter.
Nog meer. Eerst wanneer uw persoonlijke aard geheel
doordrongen en beheerscht is door het licht en leven Gods,
zijt gij ook doorgedrongen tot de ware vrijheid, Hoe vreemd
is er reeds met dit woord omgesprongen! Hoe vaak hebben
onwetenden en verleiders het misbruikt, en welk een misbruik
maakt men er nog heden ten dage van! Waaraan denken
jongelieden al niet, wanneer er van vrijheid sprake is! Deze
-ocr page 50-
38
VniJIIEID.
denkt aan dit, gene aan iets anders, waaraan hij gaarne mcê
zou willen doen, maar dat hem nog verboden, of waarvan
hij buitengesloten is. De een denkt aan het bezoeken van
sociëteiten, een tweede aan rooken, een derde aan bals en
corceclies, een vierde aan al de heerlijkheden van het stu-
dentenleven. Op die wijze wordt voor menigeen de vrijheid
verbrokkeld tot niets dan bijzondere vrijheden, zoodat zij, uit
overvloed van zooveel enkele vrijheden, in het geheel niet
tot de ware vrijheid komen , evenals menigeen door te veel
genietingen het ware ger.ot verliest. Die vrijheden, waarde
vriend, kunnen u uit zichzelven nog niet vrij maken ; integen-
deel, zij worden tot zooveel banden en ketenen, wanneer gij
niet tevoren in uw diepste wezen zijt vrij geworden. Maar hoe
geschiedt dit ?
Wanneer zeggen wij b. v. van een volk, dat het een vrij
volk is? — Wanneer het zich zijne wetten en verordeningen
niet door de een of andere vreemde macht moet laten opdrin-
gen, maar wanneer het deze uit zichzelf voortbrengt, in over-
eenstemming met zijn diepsten aard, zoodat de wetten en ver-
ordeningen, waaraan het gehoorzaamt, niet anders zijn dan de
uitdrukking van hetgeen het volgens zijn diepste zelfbewustzijn
denkt en gevoelt. Zulke voorschriften zijn dan geen lastige
dwang, door welken de vrijheid des volks wordt onderdrukt,
maar veeleer de vorm, waardoor zij zich uitdrukt en aan het
licht treedt.
Hetgeen echter voor een volk geldt, geldt cok voor elk
mensch in het bijzonder. Hij alleen is vrij, die zich in over-
eer.stemming met zijn diepsten aard kan bewegen, naar zijn
innigste behoefte en zijn oorspronkelijkste natuur zijn leven
kan vormen, en daarin door geen vreemde, vijandige macht
wordt gehinderd. Maar wat is uw diepste aard ? Is het uw
zucht naar genoegen? Geve God, dut dit niet de kern van uw
leven uitmake! Wat is dan de diepste behoefte van uwe natuur?
Is het de behoefte aan ongestoorde genietingen, aan onafge-
broken gekijf en getwist, aan dansen en drinken? Moge God
verhoeden, dat dit do diepste begeerte en behoefte van uw
-ocr page 51-
VRIJHEID.                                                39
hart zou zijn! En toch denkt gij daaraan het eerst, wanneer
er sprake is van vrijheid, en gij verbeeldt u vrij te wezen,
wanneer gij in deze dingen kunt doen zooals het u lust. Ik wil
u zeggen, mijn vriend, wat uw hart in zijn diepsten grond
zoekt en begeert, welke bestemming uw oorspronkelijke aard
heeft, namelijk gemeenschap mst uwen God, een te zijn met
Hem, opname van zijn leven in het uwe. Dit verlangen moet gij
allereerst bevredigen, wanneer gij werkelijk vrij wilt zijn.
Zie dien vogel in zijn kooi; oogenschijnlijk ontbreekt hem
niets, dat voor zijn welzijn noorlig is. De kooi is rein gehouden,
zelfs keurig in orde; de vogel, die er in zit, heeft evenmin
gebrek aan frisch water als aan voedsel, de lekkerste beetjes
worden hem gebracht — waarom wordt hij niettegenstaande
dat alles niet recht vroohjk ? Waarom blijft er iets mats, iets
gedrukts aan zijn gezang in de gevangenschap? Hij is niet in
zijn element, want zijn clement is de blauwe lucht, het geurige
groen van het bosch, en zoolang hij niet in zijn element is,
mist hij zijne vrijheid. Wat zijn alle lekkernijen voor hem, wan-
neer hij een gevangene moet zijn?
Menig jongeling vergeet door de uiterlijke zoogenaamde vrij-
heden, naar welke hij haakt, dat er r.og een ware innerlijke
vrijheid is; en door allerlei uiterlijke genietingen, in welke hij
zijne vrijheid heeft gesteld, acht hij het goddelijke levenselement,
de goddelijke levensatmosfeer gering, in welke zijn geest alleen
waarlijk vrij kan zijn, omdat alleen in deze zijn geest zich
naar zijn diepsten aard, zijn oorspronkelijkste behoeften kan
bewegen. Zulk een jongeling gelijkt op den vogel, die geschapen
is, om vrij onder den hemel te vliegen, maar die door de
lekkernijen, welke men hem biedt, langzamerhand het element
vergeet, waarvoor hij geschapen is, waarin hij zich moet be-
wegen, wanneer hij vrij wil zijn. Wie is het echter, die u
uwe vrijheid heeft ontroofd, en u met zinnelijke genietingen wil
voeden, om u het goddelijk element te doen vergeten? Het is
de zonde.
Wilt gij dus vrij zijn, begin dan met u los te maken van
de zonde, en tot uw levenselement, tot uw God in te keeren.
-ocr page 52-
WAT IS VRIJHEID?
40
Het oogenblik, dat een mensen zich afkeert van zijne zonde,
van j-ijne zelfzucht en liefde tot de wereld, en zich met God
vereenigt, dat is het geboorteuur der ware vrijheid. Want
op dat oogenblik zegt hij den vreemden tiran den dienst op,
en keert tot zijn eigen naar God geschapen aard terug, om
voortaan in overeenstemming met deze zijne eerste natuur te
leven. Wanneer het hart zich geloovig overgeeft aan het god-
deüjke leven, ontstaat de ware vrijheid, en in de vorming
des levens naar Gods wil, naar Gods gebod en verordening,
draagt zij hare vruchten. Hij is niet waarlijk vrij, die, zooals
men gewoonlijk zegt, kan doen wat hij wil; maar hij is
vrij, die kan willen en doen wat hij moet, omdat het door
God gestelde gebod in overeenstemming is met zijn diepsten
aard.
Hebt gij deze ware vrijheid verkregen, dan zullen de enkele
bijzondere vrijheden u op haar tijd, voor zoover zij goed voor
u zijn, geschonken werden. Voor zoover zij u echter nu nog
onthouden zijn, ja, misschien uw leven lang om de een of
andere oorzaak onthouden blijven, moet gij daarover niet on-
gelukkig of ontevreden wezen, of over slavernij en tirannij
klagen en zuchten. Want meer en meer zult gij leeren juist
daardoor te toonen, dat gij in het ware bezit uwer vrijheid
zijt, doordat gij, wanneer het noodig is, die uiterlijke zooge-
naamde vrijheden kunt missen, zonder dat uw levensgeluk er
door verstoord wordt. De grenzen, die door een nuttige rnen-
schelijke, of door een goddelijke bepaling voor een ieder naar
zijn ouderdom, stand en beroep zijn getrokken, zijn voor den
waarlijk vrije geen lastige, onverdragelijke dwang, tegen welken
hij zich met hevigheid verzet, maar zij zijn hem eene tucht,
die hij zichzelf zou opleggen, zelfs al ware zij hem niet van
buiten af door de wet opgelegd, en door welke hem in elk
geval niets ontnomen wordt, dat voor zijn innerlijke bevrediging
onmisbaar is.
Derhalve is het juist de vrijheid, de vrijheid in den vollen
en waren zin des woords, die aan den dag gelegd en be-
krachtigd wordt door de onderwerping van ieders persoonlijken
-ocr page 53-
41
WAT IS VRIJHEID?
aard aan de tucht der goede zeden, van het geweten, aan de
goddelijke wet en de reddende genade Gods, kortom in elke
ware karaktervorming. En dit is het doel, waarheen God door
zijn reddende genade alle menschen wil voeren : dat namelijk
elks persoonlijke aard, elke individualiteit opga in het goddelijke
wezen, niet om daardoor vernietigd te worden, zoodat er ten
laatste een volkomen eenvormigheid zou ontstaan, maar opdat
het éene wezen Gods zich in millioenen en millioenen vrije per-
soonlijkheden openbare, evenals op een zomersenen dag elk der
millioenen dauwdroppels een en hetzelfde zonlicht weerspiegelt,
maar elk door een andere straalbreking.
-ocr page 54-
III.
WELZIJN VAN \'T LICHAAM.
Oog en oor en al onze lichamelijke zintuigen brengen tot
onzen geest de indrukken over, die tot zijne ontwikkeling noo-
dig zijn, en wanneer, omgekeerd, de geest de ontvangen in-
drukken naar buiten wil weergeven, heeft hij daartoe het
lichaam als zijn werktuig van noode. Waarneming, gedachte,
gebaarden, spraak, daad — alles geschiedt door middel van
het lichaam. En hoe wonderbaar is het ingericht! Het is een
kunstwerk van God, den Allerhoogste, wiens gelijkenis ons is
ingeprent. Gods cenige Zoon heeft een menschelijk lichaam
aangenomen , om daarin het grootste werk te volbrengen , dat
de geschiedenis kent: het werk van de verlossing en vernieu-
wing der menschheid. Uw eigen lichaam is bestemd, om de
tempel van Gods Geest te worden en tevens met uwc ziel in
den levenden God vroolijk te zijn. Ja, het is bestemd, om een-
maal, als het door den dood en de ontbinding zal zijn heen-
gegaan, deel te hebben aan de toekomende volmaking der
wereld, aan de zaligheid en heerlijkheid van het voleindigde
Godsrijk. Maar, geen rechten zonder plichten, en hoe greoter
de eer is, die het menschelijk lichaam reeds is weervaren en
-ocr page 55-
43
WELZIJN VAN \'T LICHAAM.
nog te wachten staat, des te meer van gewicht is het, dat de
heiligheid der jeugd ook in het leven van ons lichaam te zien
gegeven en uitgedrukt wordt. Is een lichaam een werktuig des
geestes, — hoeveel is er dan aan gelegen, dat dit werktuig in
goeden staat is en de noodige kracht bezit.
Verzuim dus niets, wat tot sterking, staling en gezonde ont-
wikkeling van uw lichaam wordt vcieischt; houd verre van u
alle weekclijkheid , vadsigheid, genotzucht, welke, helaas, vooral
in de steden zoo licht zich meester maken van de jeugd. Hoe
fietsen en onfrisch zijn de gestalten, welke we hier en daar op
onze straten en in onze plaatsen van ontspanning zien op en
neer gaan, om te zien en gezien te worden. Die oudheerachtige,
geparfumeerde jongelieden, die bij hunne kleeding meer letten op
elegant en modern fatscen dan daarop, dat men er zich kloek
en vrij in bewegen kan; die liever rijden dan loopen; de bergen
liefst uit de laagte bezien, en in de balzaal beter thuis zijn dan
in het vrije veld, in het ruime woud! Vanwaar zou het vader-
land mannen verkrijgen orn raad en daad te plegen, indien
zulk eene verwijfdheid de overhand neemt? Men zou dan keizer
Vespasianus wel gelijk geven, die tot een sterk geparfumeerd
jong officier zeide: lik had liever, dat gij naar knollook rookt,
dan naar pomade."
Maar vooral moet ik op twee deugden uwc aandacht vesti-
gen, door welker betrachting het welzijn van uw lichaam wordt
bevorderd, terwijl haar geringachting het verwoest: wij be-
doelen de matigheid en de kuischheid. Van oudsher is de naam
der Germaansche volksstammen, wat hun maat houden in het
drinken betreft, niet bijzonder gunstig geweest. Van de Duit-
schers zeide onlangs nog een Franschman, dat zij, eer zij
drinken een biervat, en daarna een vat bier zijn. Daar is wel
iets van aan. En w-aarom zit op den Maandagmorgen menig
jong koopman lusteloos en mat voor zijne boeken, en menig
gymnasiast of student met een stompzinnig hoofd op de leer-
banken? Is het niet, omdat er des Zondags tegen de matigheid
gezondigd werd? Ja, achten velen het niet eene eer en een
bewijs van mannelijke ontwikkeling, dat men zich een roes heeft
-ocr page 56-
44
MATIGHEID.
gedronken? Ik heb jongelieden gezien, die nog volkomen nuch-
ter waren, maar zich althans den schijn gaven van beschonken
te zijn. O dwaasheid der schande! Te stamelen in plaats van
te spreken, te zwaaien in plaats van te gaan — voorwaar,
een groote eer! Indien men zulk een woesreling den volgenden
dag eens kon laten zien, hoe hij zich den vorigen avond
had voorgedaan, zou hem dan de schaamte de wangen niet
rood kleuren, indien hij zich nog schamen kan? Maar het
blijft bij dien éenen avond niet. En zulke avonden verzwak-
ken lichaam en geest, en al nemen wij niet dadelijk de ge-
volgen waar, zij blijven niet achter en treden later in het
licht. Nog onlangs stond ik aan het sterfbed van een jongen
man, die de tering had, en reeds van den dood geteekend
was. Zijn oog lag diep en stond zoo mat; zijne wangen waren
ingevallen, en al zijne trekken slap en krachteloos. Met tra-
nen van weemoed dacht hij aan de jonge menschen van zijn
leeftijd, die nu met frissche kracht en blijden levensmoed zich
een onafhankelijke eigen plaats in de maatschappij verworven
hadden, en »weet gij,\'; zoo zeide hij, »wat mij deze ziekte zoo
moeielijk doet dragen? Ik kon ook gezond en krachtig zijn als
de anderen, maar ik ben er zelf schuld aan, dat ik zoo ellen-
dig ben geworden. Ik ben reeds op het gymnasium begonnen
met drinken, ik heb het op de hoogeschool voortgezet, en ben
nu plotseling ineengezonken en geworden wat ik nu ben." En
Lij had vele gaven, hij was de trots en de vreugde van zijne
ouders, die thans met onuitsprekelijke smart aan zijn sterfbed
stonden, en weinige dagen later hem de oogen toedrukten.
Wacht u voor de eerste zonde tegen de matigheid en nuch-
terheid! Strijd manmoedig tegen alle aanzoek tot onma-
tigheid! Houd in eten en drinken altijd maat, alzoo dat uw
geest meester in huis blijft en uw lichaam hem gehoorzamen
kan; dat uwe gedachten steeds helder, uwe bewegingen vrij en
zeker, uwe woorden verstandig blijven, en gij elk oogenblik op
elke roepstem, die tot u komt, ook als het eene stem Gods
was, ja als het de roeping uit deze wereld was, blijmoedig
kunt antwoorden: «Hier ben ik."
-ocr page 57-
KUISCHIIEID.                                                     45
Maar niet alleen in het vermijden van het te veel bij het
eten en drinken vertoont zich de matigheid, doch ook in de
wijze, waarop beiden genoten worden. Het is een der verkeerdste
dingen ter wereld, als het eten om het eten geschiedt, ja
een soort kunst of wetenschap wordt. Zonder twijfel heeft ook
de smaak zijne eischen, en als God zelf aan de spijzen hunne
smakelijkheid, aan den wijn zijn geur geschonken heeft, dan
is hiermede, om zoo te zeggen, iets aesthetisch aan de zaak
gegeven. Maar als men reeds jongelieden over een fijn en
zeldzaam gerecht zoo buitensporig in geestdrift ziet geraken,
dan is dit een stuitend schouwspel. Dan hoor ik liever het
gejubel, waarmee kinderen het lievelingseten op tafel zien ver-
schijnen. Een Christenmensen geniet spijs en drank als lichame-
lijke gaven Gods met dankzegging. Hij eet niet om te eten, en
drinkt niet om te drinken, maar hij doet beiden, omdat het
lichaam het vereischt, en dankt God er voor. Wel schijnen velen
het niet meer oorbaar te achten aan tafel te bidden, vooral
niet als men gasten heeft; ja er zijn zeer geavanceerde men-
schen, die nog altijd Christenen heeten, maar die zich beleedigd
achten, als iemand naast hen aan tafel bidt. Men vroeg eens
aan den ouden predikant Flattich op spottenden toon, of bij hem
aan huis alles bad? «Neen," zeide hij, tik heb een paar zwijnen,
die bidden niet."
De deugd der matigheid heeft eene tweelingzuster, die met
haar hand aan hand gaat, en dat is de deugd der kuischheid.
Aan haar moeten wij vooral denken, als er sprake is van het
rein bewaren des lichaams. Ik behoef ze u niet te schetsen,
de pestilentie, die in de donkerheid wandelt, en het verderf,
dat op den middag verwoest. Ik behoef ook hare gevolgen niet
te schilderen: het bevlekte lichaam, het gebrandmerkte ge-
weten , de bezoedelde verbeelding, de vergane kracht, den
verwoesten geest. Ik heb een jongeling gekend, van reus-
achtige sterkte. Hij had een forsche, breede borst, beenderen
ais ijzer en spieren als van steen. In lichaamsoefeningen werd
hij door niemand overtroffen. Het was een lust hem aan te
zien. Wat kon er van hem niet worden ? Plotseling echter
-ocr page 58-
4G
KUISCIIHEID.
begon hij te kwijnen, zijne kracht verviel, zijn geestelijke
vatbaarheid verdween; hij werd afgetrokken, traag, onver-
schillig, en thans zit hij als een ideoot in een stoel wezenloos
te lachen, en kent geen hooger genot dan een pijp tabak.
De worm, die aan hem knaagde en hem verteerde, was de
onkuischheid. Gij kent uit de geschiedenis van het Oude Testa-
ment den richter Simson. Nu, vele gaven had hij naar lichaam
en geest. En toch hoe weinig heeft hij tot stand gebracht!
Zijne daden zijn avontuurlijk en opmerkelijk — maar het waren
geen verlossende daden. Hij verspilde zijne kracht in op zichzelf
staande heldenstukken, waardoor het volk weinig werd gebaat.
En vanwaar dit gebrek aan eenheid in zijn leven ? Omdat hij
zijne zinnelijkheid niet wist te beheerschen, en dientengevolge
de slaaf werd nu van deze en dan van gene vrouw, die hem
in haar strikken wist te vangen, en zijne heldenkiacht brak.
Zoo verwoestend werkt de onkuischheid zelfs op de grootste
lichamelijke sterkte.
De groote keurvorst van Brandenburg bedacht dit bijtijds
en redde daardoor zijne ziel en zijn lichaam. Als jeugdig
prins kwam hij in den Haag, en ontmoette daar vele wei-
sprekende krijgs- en staatslieden, maar ook niet weinige zede-
looze, jonge edellieden, die hem weldra in hunne vermaken en
uitspattingen zochten te doen deelen. Eens noodigden zij hem
uit tot een feest, dat tot laat in den nacht duurde, en
behalve den prins waren allen min of meer beschonken.
Daar verschenen eenige lichtzinnige vrouwen, die door het
gezelschap jubelend begroet werden. Den keurvorst echter
steeg het bloed naar het aangezicht van toorn en schaamte,
toen hij zag in welk gevaar hij hier gelokt was. Hij stond
op, om het gezelschap te verlaten. Men riep hem toe, dat
nu eerst het feest recht begon ; maar hij riep: »Ik ben het
aan mijne ouders, mijne eer en mijn vaderland verplicht, deze
plaats dadelijk te verlaten." En den volgenden morgen zat
hij reeds te paard, en reed de stad uit naar de legerplaats
van den stadhouder Frederik Hendrik, die toen de stad Breda
belegerde. Toen hij vernam, waarom de keurvorst zoo over-
-ocr page 59-
47
KUISCHHEID.
haast de stad verlaten had, riep hij vol bewondering uit:
»Uwe vlucht verraadt meer heldenmoed, dan wanneer ik Breda
verover. Wie reeds zoo vroeg zichzelf kan overwinnen , dien zal
het grootste gelukken." En het grootste is hem gelukt. Was
Frederik Willem in den Haag niet zoo ridderlijk gevlucht, wie
weet of hij ooit bij Fehrbellin zoo ridderlijk en zegevierend zijn
degen had weten te gebruiken. Tijdige vlucht verhoedt veel,
waarover men zich later zou moeten schamen. Hoe menigeen is
tot zonde en schande vervallen, omdat hij te laf was om op het
rechte oogenblik te vluchten. Was Jozef voor de verzoeking niet
gevloden, dan was hij waarschijnlijk nooit in de gevangenis
gekomen, maar had ook niet Egypte\'s volk en zijns vaders huis
van den hongersnood gered. Zijne geschiedenis bewijst duidelijk
hoa vaak een jongeling, die in Gods kracht zulk een krachtige
verzoeking weerstaat, en zijne onschuld behoudt, later een bij-
zondere mate van geestelijke kracht ontvangt, om ock anderen
tot een zegen te worden. De kerkvader Ephraïm, bijgenaamd
de Syriër, kwam te Edessa wonen naast eene vrouw van slech-
ten naam. «Ontbreekt u iets?" vroeg zij hem eens, toen zij hem
uit haar kamer voor het venster zag staan. »Niets, dein eenige
steenen en wat kalk, om dit venster dicht te metselen, waar-
door gij in mijne kamer ziet."
Tijdig vluchten! Als gij u in een verkeerd gezelschap bevindt,
vlucht! Als een beeld, een tooneel u boeit, zoodat onreine ge-
dachten in u zich verheffen — wond u af, en vlucht! Komt
u een schandelijk boek in handen, stuit uw oog op een volzin,
eene bladzijde, een opschrift, waardoor uwe gedachten vergiftigd
worden, werp het boek van u, en vlucht. En komen, door
welke aanleiding ook, onreine beelden en lusten in u op, doe
dan wat anders, denk dan aan wat anders, lees, werk, zaag
hout, vest uwe gedachte op een tekst, een gezangvers, bid tot
God, roep uit alle macht, loop u moê in bosch en veld, kortom,
doe het een of het ander, om de verkeerde gedachten te ont-
loopen. Wacht u vooral voor weekelijkheid, want zij is een
broeinest van allerlei lusten en gedachten, een moeras, waaruit
voor ziel en lichaam doodelijke miasmen opstijgen. Toen Frederik
-ocr page 60-
48
WEEKELIJKHEID.
Willem I, koning van Pruissen, nog een knaap was, ontving
hij eens een fraaien kamerjapan ten geschenke. «Denwelken de
jonge heer eerst van achter en van voren, van buiten en van
binnen nauwkeurig bezien heeft, alstoen echter hem gegrepen
en in het vuur heeft geworpen, hetwelk, daar het winter was,
in een schoorsteen sterk gebrand heeft." En waardoor behield
de oude Ernst Moritz Arndt zijn lichamelijke kracht en frisch-
heid tot op hoogen ouderdom? Hij was als jongeling bloeiend
en sterk, vol van een levenslust, die in menig opzicht voor
hem eene verzoeking was; en dat des te meer omdat hij stu-
deerde in het dartele Stralsund, en een bijzonder behagen
had in de genietingen der jeugd. Om echter kuisch te blijven,
en uit de stad even onbesmet terug te keeren, als hij er was
binnengekomen, leefde hij zoo eenvoudig mogelijk. Brood en
water was zijn ontbijt; \'s avonds bleef hij thuis en vergenoegde
zich met brood en een glas bier of water. Ook zocht hij zijn
lichaam door voetreizen, koude baden (tot in November) en een
korten slaap te harden, en het vleesch onder den wil des
geestes te brengen. Ja, hij dacht er een tijdlang ernstig over,
om de studie met den landbouw te verwisselen, en ook na
zijn studententijd sliep hij wel eens op harde planken, of wan-
delde in de vrije natuur, om meester te blijven over zichzelf.
Dat alles behoeft gij nu niet na te doen, maar deugdelijk
werken en echt moê worden: dat is een zegen. Zorg dat gij
eiken avond moede zijt en behoefte gevoelt aan slaap, als
gij ter ruste gaat, en beveel, eer gij inslaapt, uw lichaam
en uwe ziel der hoede Gods en zijner heilige engelen; en als
gij \'s morgens ontwaakt, dan moet gij zooals Luther zegt,
fluks het bed verlaten, uw »dat geve God" bidden, en dan
vroolijk aan den arbeid gaan. Een rein en gezond lichaam
als woning voor een reine en gezonde ziel — daarmee zegene
ons God!
-ocr page 61-
IV.
VORMING YAN DEN GEEST.
Het leven uws lichaams is niet het eenige en niet liet ge-
wichtigste, dat bewaakt en verzorgd moet worden. Uw lichaam
is slechts de woning en het werktuig voor den geest, en deze
heeft even goed behoefte aan voeding, verzorging, ontwikkeling
en beschaving.
Maar wat is beschaving? Ligt zij alleen in uiterlijke vormen
en manieren? Wel, hoeveel verlegen menschen zijn er dan
niet in de wereld, die in gezelschap niet goed weten wat zij
met hun uiterlijken mensch moeten aanvangen, en die toch,
zoodra zij beginnen te spreken, door en door beschaafd blijken
te zijn. En omgekeerd, hoeveel welgemanierde menschen zijn
er, wier bewegingen en vormen onberispelijk zijn, en die toch,
zoodra men zich met hen inlaat, of wanneer hun hartstochten
in het spel komen, blijken geven van groote uwheid en on-
beschaafdheid! Met beschaving moet allereerst geestesbescha-
ving bedoeld worden , en zij bestaat dus uit de ware ontwik-
keling, vorming en opleiding der verschillende krachten van
den geest.
4
-ocr page 62-
50
DOMHEID.
Vooreerst is daar de kracht der waarneming, van het den-
ken, van het weten. Deze moet bijzonder geoefend zijn, wan-
neer zij hare taak wil vervullen. Betoont iemand zich hierin
nalatig, dan wordt hij ongetwijfeld wat men met het woord
»dom" pleegt te betitelen. Van nature is niemand dom; hoog-
stens kan hij met betrekking tot de krachten zijns verstand*
weinig begaafd zijn. Maar weinig begaafJheid en domheid zijn
twee zeer verschillende dingen. Wanneer iemand met geringe
verstandelijke gaven toch het weinige, dat hij heeft, getrouw
aanwendt, wanneer hij zich een kleiner gebied van wetenschap,
grondig toeiiigent en dan met bescheidenheid blijft erkennen
waar zijn weten ophoudt en zijn nietweten begint, dan zal het
geen verstandig mensch in het hoofd komen hem dom te noe-
men. Omgekeerd kan iemand, die de schoonste en rijkste gaven
heeft, zoover komen, dat hij deze beschamende benaming ver-
dient, wanr.eer hij zich op zijne gaven verlaat, niets geregeld
en grondig leert, alles ten halve weet, en daarbij steeds in
de overtuiging leeft, dat hij zeer veel weet, en daarom in
alles meepraat, tepas en te onpas. Zoo iemand gaat langza-
merhand achteruit met zijn verstand en oordeel, en behoort
dan feitelijk tot de sdommen." Daaiom zal men dikwijls zien,
dat rijkbegaafde jongelingen, wat hun kennis aangaat, door
anderen voorbijgestreefd worden, die veel minder natuurlijke
begaafdheid hebben dan zij. Van zooveel invloed is Goddank
de mate van begaafdheid niet, dat het geheele bestaan van
een mensch er van zou afhangen; de getrouwheid, waarmede
hij hetgeen hem gegeven is gebruikt en bestuurt, is van on-
eindig meer gewicht. »Den eenen gaf hij vijf ponden, den
anderen twee, den derden öen," staat er geschreven in de ge-
lijkenis. Daarmede wordt natuuilijk op het verschil van be-
gaafdheid gedoeld. Maar bij het afrekenen ontvangt de knecht
met de twee ponden juist denzelfden lof en dezelfde waar-
deeiing zijner diensten als hij, die vijf ponden had: »Wel,
gij goede en getrouwe dienstknecht, over veel zal ik u zetten."
En hij, die éen pond had, zou zeker evenzoo geprezen zijn,
wanneer hij zijn plicht had gedaan. Nog meer: zelfs hij, die
-ocr page 63-
51
BEGAAFDHEID.
het meeste ontvangen heeft, wordt nog genoemd als een, die
«over weinig getrouw is geweest." Met andere woorden: ook
de hoogste mcnschelijke begaafdheid is van weinig belang,
wanneer men haar naar den lioogstcn maatstaf meet; en ook
de geringste menschelijkc begaafdheid is groot genoeg, wan-
neer men als een goede en getrouwe dienstknecht zijn plicht
wil vervullen, en de plaats bekleeden wil, die God ons in de
wereld aanwijst.
Echter is het niet genoeg, dat gij uw verstandelijke gaven
oefent, gij moet ook weten waardonr. Welke middelen moet uw
geest aangrijpen, opdat uw oordeel, uw denken en weten be-
schaafd worden?
Misschien maakt gij u albrlei grootsche voorstellingen van
hetgeen men noodig heeft, wat men moet weten en hebben
gelezen, om aanspraak te kunnen maken cp den lof van ware
geestesbeschaving. Ik begin liefst met aan al die veelom vat-
tende en hooge eischen perken te stellen, en zeer prozaïsch
en dioogweg te zeggen: Tot beschaving van den geest behoort
allereerst
, dat men alles, vjat men in zijn stand en beroep
te leeren heeft
, flink en grondig leert. Wanneer het derhalve,
nadat gij 03n goede school hebt bezocht, uwe bestemming is
koopman te worden, met een groven boezelaar voor in den
winkel te staan, of achter do toonbank de koopwaren voor uwo
klanten af te wegen, dan moet gij waarlijk niet denken, dat
dit een beschaafd rnensch, zooals gij zijt, onwaardig is; maar
gij moet ten volle overtuigd zijn, dat juist dit werkelijk tot de
vorming van uw geest behoort. Of wanneer gij u voorbereidt
voor de akademie, en dientengevolge op allerlei droge studiën,
die u in het geheel niet aanstaan, moet zitten blokken, denk
dan niet dat dit eigenlijk een onwaardige arbeid is, en dat het
veel meer ontwikkelend zou zijn, een schoon verhaal te lezen
of u in poëzie te verlustigen; maar wees overtuigd, dat juist
deze droge studie voor de beschaving van uw geest van groot
belang is. Niets maakt een onaangenamer indruk dan een jong
mensch, die over alle mogelijke dingen, welke misschien juist
de dagelijksche conversatie-stof van de ubeschuafde" wereld uit-
-ocr page 64-
52
ONS BEROEP.
maken, zeer «beschaafd" kan spreken, die precies weet wat de
critiek over den jongsten roman te zeggen heeft, of wie tegen-
woordig den Othello of den Richard III het best speelt; maar
die in hetgeen hij eigenlijk weten moest slecht tehuis is. Dat
is een nietsbeteekenende beschaving, die den naam, waarmede
zij prijkt, nauwelijks verdient. En toch loopen er veel derge-
lijke misgewassen der beschaving in de wereld rond, en wan-
neer men aan hun beschaving twijfelt, dan nemen zij dat zeer
kwalijk.
Ik geloof inderdaad dat de zucht naar beschaving bij
jeugdige lieden de handen vol zal hebben, wanneer zij zich
alles, wat hun beroep of verdere wetenschappelijke ontwik-
keling vordeit, grondig tocéigenen. Zco gij een hoogere school
bezoekt, tot voorbereiding voor de akademie b.v. dan zijn waar-
lijk de lessen aldaar reeds voldoende, om u met allerlei vak-
ken van wetenschap bekend te maken, en gij hebt voorzeker
genoeg en meer dan genoeg te doen, om u al de stof, die
u aangeboden wordt, toe te eigenen en te verwerken. Zijt gij
echter reeds bezig met het aanleeren van een bepaald vak in
handel of nijver] eid, dan zult gij er, hoe grondiger, ijveiiger
en nauwgezetter gij het uitoefent, zooveel te meer middelen
tot geestesbeschaving in ontdekken, en gelegenheid en aan-
sporing genoeg hebben, om, boven de piozaïsche opvatting van
uw beroep verheven, tot een geestelijker, edeler en ruimer
opvatting er van te komen. Er is immers een groot on-
derscheid tusschen een koopman, die slechts zijne waren in
den winkel heeft, hun prijs en hun gebruik kent, en er fcich
overigens niet om bekommert, en een ander koopman, die
ook iets van het land weet, vanwaar die voortbrengselen ko-
men, die zich van dat land en zijne inwoners eene voorstelling
kan maken, die weet hoe en waar de waren zijn gewonnen,
hoe ze bewerkt zijn, welke plaats zij innemen in het algemeen
han delsverkeer, en zoo voort. In het eei ste geval spreken
wij van een onbeschaafd, in het tweede van een beschaafd
koopman.
En zoo gaat het op elk gebied. Ieder beroep heeft behalve
-ocr page 65-
53
VORMING DER FANTAZIE.
zijn materieels uiterlijke zijde, ook een geestelijke kern, wiarop
acht moet worden geslagen, aan welker eischen moet worden
voldaan; deze taak moet men vervullen, als men volkomen
op de hoogte van zijn beroep wil zijn; zij geeft ook voer een
ieder die middelen tot beschaving aan, welke voor elk in zijn
eigen stand en beroep belangrijk en verkrijgbaar zijn. En hoe
rijk en verscheiden zijn de middelen, die de tegenwoordige tijd
eiken ijverigen jongeling aan de hand doet, om ook in een
beroep, dat eigenlijk niet wetenschappelijk is, tjt de geestelijke
kern door te dringen.
Hebt gij dan nog t;jd over, om u door eigen loetuur te
ontwikkelen en te beschaven, ook op een gebied, dat niet
onmiddellijk met uw vak in verband staat, dan is dit zooveel
te beter. Ik denk daarbij voornamelijk aan die lectuur, welke ,
zonder bepaald wetenschappelijk te zijn, toch in het algemeen
den geest ontwikkelt, of ook slechts boeit. Het is goed wan-
neer gij langzamerhand met het beste, dat de beste vertegen-
woordigers der letterkunde hebben voortgebracht, bekend wordt,
want daarin zijn schatten van beschaving opgehoopt, die voor
u niet verborgen moeten blijven. Maar alles op zijn tijd en
met orde. Het is niet noodig dat gij dadelijk met de com-
pleete werken van Goethe, Schiller of Shakspere begint. De
ondervinding leert, dat een schrijver minder gelezen wordt,
naarmate men zijne werken vollediger, netjes ingebonden, op
volgorde in zijne kast heeft staan. Want men moet het belang-
rijke eerst u\'.t veel andere dingen van minder waarde zoeken,
en dan komt men er moeielijker toe. Het is veel beter te
beginnen met enkele stukken, die bijzonder geschikt zijn, en
deze behoorlijk te bestudeeren. Wie zou ook den geheelen
Schiller en Goethe in eens kunnen verteren? Niet elk stuk is
voor eiken leeftijd geschikt, en daarom, wanneer gij aan het
lezen der classieken gaat, grijp dan niet blindelings om u
heen, maar roep den raad en de leiding in van een rnan van
ondervinding, of van een vriend, dien gij in dit opzicht kunt
vertrouwen. De buitenlandsche classieke litteratuur heeft veel
voortgebracht, dat, hoe schoon en volmaakt het ook uit een
-ocr page 66-
54
LECTUUR.
aesthetisch standpunt moge zijn, toch gevaarlijk is voor de
jeugdige fantasie, en dan eerst gebruikt kan worden, wanneer
liet zedelijk karakter een veel grooter vastheid heeft verkregen,
dan gewoonlijk in de jongelingsjaren het geval is. Wel beweert
men dikwijls, dat men bij het lezen van zulke dingen zich op
een aesthetisch, niet op een streng zedelijk standpunt plaatsen
moet, en dat dan het zedelijk oordcel er ook niet onder lijden
zal; maar hoe gemakkelijk dit in theorie zij vol te houden, in
de practijk is het niet te doen. Want uw geestelijk leven is
nu eenmaal ondeelbaar, en al doet gij nog zoozeer uw best
om een minder kiesche scèno, die gij bij het lezen der clas-
sieken ontmoet, louter uit een aesthetisch oogpunt te bewon-
deren, er worden toch gedachten in u opgewekt, en uwe fantazie
ontvangt toch eene aanleiding, om zich beelden te scheppen,
die gemakkelijk voor uw geheele zedelijke leven verderfelijk
kunnen zijn.
Hier geldt hetzelfde als bij andere kunstvoortbrengselen; b. v.
in de schilder- en beeldhouwkunst. Dat zij geschikt zijn om den
smaak te vormen, lijdt geen twijfel. Maar waarom juist naakte
beelden en voorstellingen daartoe behooren, zie ik niet in. Het
beschouwen van zulke dingen kan wel onschadelijk zijn voor het
naïeve standpunt, waarop die boerin stond, welke meende dat
de Hylas-groep in het park van Stuttgart voorstelde »hoe de
Apostel Paulus den heidenen predikte." Zij zag de naakte figuren
eenvoudig voor wilden aan, die rog niet zoover gekomen waren,
om zich te kleeden. Ook kunnen zij onschadelijk zijn, wanneer
men ze zuiver uit hei oogpunt eens kundenaars beschouwt, die
het stoffelijke geheel voorbijziet, en zich geheel met schoone
vormen en hjnen bezighoudt. Maar zij zijn het niet voor hen,
die noch zoo naïef als de boerin, noch zoo aesthetisch ontwik-
keld als de kunstkenner, maar gewone, jeugdige menschenkin-
deren zijn met vleesch en bloed. Dan moet men oppassen, dat
er niet onder den naam van aesthetische ontwikkeling een aan-
tal slechte gedachten in uwe ziel binnengesmokkeld wordt, en
op die wijze eene vergiftiging van uw geheele zijn veroorzaakt
worde, welker gevolgen onberekenbaar zijn.
-ocr page 67-
ROMANS.                                                     55
Vooral moet men op zijne hoede wezen tegen die geschriften,
verhalen en romans, welke tot de litteratuur van den dag be-
hooren. Laat u niet van het spoor brengen door het opper-
vlakkige gezegde, dat een beschaafd mensen toch het een en het
ander gelezen moet hebben, om er een oordeel over uit te spre-
ken en er in gezelschap over te kunnen praten. Reeds het feit,
dat het lezen er van tijd en veel tijd kost, verdient overweging.
Ongetwijfeld heeft uitspanning voor den geest even goed als
rust voor het lichaam haar waarde en hare aanspraken; maar
eerlijk gezegd — zijn deze romans, die in de leesbibliotheken
van de eene hand in de andere gaan, en er steeds het meest
gelezen en gebruikt uitzien , zijn ze wel een geestelijke uit-
spanning in den waren zin des woordj d w. z. een aangenaam,
weldadig, versterkend uitrusten? Wanneer men waarlijk uitrust,
moet men tegelijkertijd nieuwe krachten verzamelen, zijn geeste-
lijk leven als door een veifrisschend en verkwikkend bad ver-
sterken. Kan men dit in het algemeen van onze nieuwste romans
zeggen ?
Wordt de geest er niet veelmeer in een kunstmatige opge-
wondenheid door gebracht, die verzwakt, inplaats dat zij nieuwe
krachten geeft? En doet die opwinding en die kunstmatige
spanning haar verstorende , verzwakkende, vermoeiende en ver-
wocstendc uitwerking niet tot in de uren van arbeid, tot in
het beroepsleven gevoelen f Wie zulke lectuur voor zijne uit-
spanning zoekt, komt mij voor als iemand, die zich aan den
brandewijn overgeeft, om zijn lichaam te versterken, of versche
lucht wil scheppen in eene brecikas vol sterk riekende vreemde
gewassen.
Tot zoover over de ontspanning, die in het lezen van zulke
mode-romans gezocht wordt! Hoe staat het nu met den
beschavenden en vercdjlenden invloed , dien zij op uw geest
moeten uitoefenen ? Wel , ik denk , dat zaken , die uw geest
niet kunnen verkwikken of versterken, hem ook niet kun-
nen beschaven. Plato heeft in zijn idealen staat, met het
oog op hetgeen de jeugd ter lezing in handen zou krijgen,
een strenge keus geëischt, ja zelfs voorgeschreven, dat de
-ocr page 68-
5G
ROMANS.
wet alleen zulke boeken moest toestaan, welke geschreven wa-
ren door mannen, die den ouderdom van vijftig jaar hadden
bereikt, als kloeke burgers werden geacht, en zelven reeds roem-
volle daden hadden verricht. Maar hoe kan de geest veredeld
worden, wanneer, zooals in veel romans het geval is , hem het
eenc geestelooze beeld na het andere wordt voorgehou len. Leert
gij daardoor het menschelijk hart kennen ? Dat beweren al die
openlijke aankondigingen en aanbevelingen, maar gij moet zelf
bekennen, dat de personen, die in zulke romans optreden,
hemelsbreed verschillen van die, waarmede gij dagelijks omgaat.
En wat met eenige waarheid en natuurlijkheid beschreven
wordt, dat zijn meestal zulke diepten en afgronden van het
menschelijk hart, dat zij liever voor een jongeling verborgen
moesten blijven. Of leert gij daardoor zekere kringen en klassen
der maatschappij beter kennen? De romanlitteratuur onzer lees-
bibliotheken schildert bij voorkeur die kringen, tot welke gij
waarschijnlijk niet behoort, namelijk den hooggeplaatsten aristo-
cratischcn stand, of de laagste, diepgezonken volksklassen, die
morren in hun ellende. Maar wees er van overtuigd, dat die
schrijvers, welke uitsluitend zulke onderwerpen behandelen, in
beide kringen juist zooveel of zoo weinig thuis zijn als gijzelven.
Een ander beschrijft weder allerlei uitgezochte ondeugden, waar-
uit hij het beeld van een » vrome" samenstelt, of hij neemt
allerlei uitgezochte deugden en voortreffelijkheden, en maakt
daarvan het beeld van een beschaafd mensen uit den kring der
ontwikkelden, en gij kunt er zeker van zijn, dat noch het
eene noch het andere beeld de minste waarde heeft voor echte
levenswijsheid.
Daarom verzuimt gij niets voor uwe beschaving, wanneer gij
deze romans ter zijde laat liggen, en u daarentegen bij die
classieke werken houdt, die beproefd en waarlijk voor de jeugd
geschikt zijn. Menig jongeling uit den beschaafden stand is
zoover gekomen, dat hij, alleen door het veelvuldig lezen van
romans, Schiller vervelend vindt, en slechts zoolang behagen
schept in Lessing, als deze tegen de orthodoxen en Göze te velde
trekt.
-ocr page 69-
57
VORMING VAN DEN GEHEEL EN MENSCH.
Wat gij ook leest, lees met mate. Wacht u voor die lees-
woede, waardoor gij uwe boeken niet meer behoorlijk in u
opneemt, maar verslindt. Men kan met de beste lectuur zijn
geest overladen, en zoodoende zijn geestelijk leven verstoren
en van streek brengen; in het gunstigste geval blijven bij
zulk een overdaad zelfs de beste boeken onvruchtbaar. De ge-
stalten, die zij u voorstellen, trekken uw fantazie voorbij,
zonder dat zij den door den schrijver gewenschten en be-
oogdon dieperen, duurzamen indruk nalaten. Loopt gij dus ge-
vaar tot zulk eene leeswoede te vervallen, onthoud u dan liever
een tijdlang van zulke lectuur, hoe moeielijk het u ook valle;
zulk eene beteugeling is voor de gezondheid van den geest
onmisbaar.
De beschaving van den geest bepaalt zich niet alleen tot het
weten, of tot de fantazie, maar heeft betrekking op den ge-
heelen
mensch, op al zijn geestelijke krachten en in het bij-
zonder op zijn wil. De geheele mensch moet uit het ruwe en
genieene, uit de bekrompenheid van zijn eigen ik opgeheven
en in het element van het ideale, het goddelijke overge-
plaatst en daarvan doordrongen worden. Ware beschaving van
den geest moet het zoo ver brengen, dat uit het menschelijk
beeld het heilige, heerlijke beeld Gods tevoorschijn kome, en
haar doel is, dat ieder op zijne wijze het licht en het leven
van den éenen God wêerspiegele, evenals in een bloemperk
elke bloem prijkt met haar eigen kleurenmengeling tot eer van
Hem, die haar zoo heerlijk bekleedt. Wat baat alle weten-
schap , wanneer het hart ongevoelig en de wil onbuigzaam
blijft? Wat baten de schoonste beelden, die de fantazie schept,
wanneer onze gehee\'.e levensrichting, zooals zij door den wil
bepaald wordt, onedel en slecht is? ^Beschaving maakt vrij,"
heeft men reeds dikwijls gezegd, en vele vereenigingen hebben
het zelfs als zinspreuk op hare banieren geschreven. Ja, zeker
maakt beschaving vrij, maar slechts dan, wanneer zij niet
alleen het verstand verrijkt, maar tot het middelpunt, het hart
doordringt, en den wil, die door de zonde gebonden was,
weder vrijmaakt tot het goede. Het grootste gebrek aan be-
-ocr page 70-
58                                    VORMING DOOR DEN BIJEEL.
schaving is uwe zonde, en de beste kracht tot beschaving is
die, welke u van uwe zonde verlost. Gaat de beschaving niet
verder dan tot het weten, en dringt zij niet door tot het hart,
de zonde overwinnend, dan brengt zij, zooals Wellington het
zeer waar uitdrukte, slechts doortrapte duivels voort. Naar de
waarnemingen van hen, die met crimineele gevangenen te doen
hebben, zijn de geslepenste misdadigers zij, die verstandelijk
liet meest ontwikkeld zijn; «zij, die het op de school tot een
zekere hoogte van beschaving gebracht hebben, zijn in den
regel de onverbeterlijksten, gevaarlijksten en onvolgzaamsten.
Aan zondige harten treeft het alleen verstandelijke onderwijs
slechts nog meer wapenen van ongerechtigheid in de hand."
Is het weten dan niets? O neen, het is zeker veel waard, maar
het is niet voldoende voor grondige beschaving. Bij deze komt
het er op aan, dat de zonde overwonnen worde. Maar dit
te doen ligt niet in eens menschen macht. Wanneer de Zoon
u vrijmaakt, dan zijt kü waarlijk vrij. Zoo moet dan de god-
dclijke genade zelve den vasten grond der beschaving in u
leggen en in de kern uws levens het beeld van God vernieu-
wen, dan eerst zal al uw weten vruchtbaar en gezegend voor
u zijn.
Wanneer wij dan ook van noodzakelijke, veelzijdige bescha-
ving spreken, kunnen wij den Bijbel, dat krachtige middel tot
beschaving, niet stilzwijgend voorbijgaan. Reeds spraken wij
van zijne betcel\'.enis en waarde voor het geloof; maar niet min-
der groot is zijne waarde voor de beschaving. Hoe uitgestrekt
is de horizont, dien hij ontsluit van het eene uiteinde der
wereld tot het andere! Hoe ver reikt zijn blik vaa het begin
des hemels en der aarde, tot den nieuwen hemel en de nieuwe
aarde! Hoe verheven is de samenvatting van het zichtbare en
liet onzichtbare, de levenden en de dooden, het verleden en
de toekomst in de hand en het rijk van den God! Welk een
waar en zeker inzicht geeft hij in het menschelijk hart, met
zijne hoogten en diepten, zooals geen ander boek ter wereld
dat kan! Daar zijn niets dan menschen van vleesch en bloed,
zooals zij leefden en streefden, dikwijls door een paar streken
-ocr page 71-
VORMING DOOR DEN DIJDEL.                                     59
eoo prachtig en kenschetsend geteekend, als slechts een vol-
maakt kunstenaar het vermag. En welk eene verscheidenheid van
gestalten en verhoudingen, welk een rijkdom van tinten en
kleuren, van de donkerste demonische gestalten af, door alle
schakeeringen heen, tot den glans van den Eéne, Volkomene,
Heilige, die zoo geheel eenig is, en toch allen behoort! Welke
zielkundige raadselen doen zich hier voor ons op, die met al
hun geheimzinnigheid toch zoo klaar zijn. Toedore lierzangen
worden afgewisseld door verhalen, kinderlijk en gemoedelijk als
een epos, en door verwikkelingen en voorvallen geweldig als
een drama.
De waarde, die de Bijbel voor de beschaving heeft, kan
men nauwelijks treffender erkennen dan de man, die anders
niet tot de bijzondere vrienden van den Bijbel behoorde, maar
toch bekende, dat wanneer hij eens tot levenslange gevangc-
nisstraf veroordeeld werd, en slechts éen boek mede mocht
nemen, hij zonder aarzelen naar den Bijbel zou grijpen, daar
geen boek meer rijkdom, verscheidenheid en opwekkende
kracht bezat. Daarom heeft ook een der jongste schrijvers,
die oveiigens geheel tot de profeten van den tegenwoordigen
tijdgeest behoort, gezegd: «Afgezien van zijne waarde voor
den godsdienst blijft de Bijbel, uit een zuiver aeslhetisch oog-
punt beschouwd, het model van een volksboek. In den Bijbel
zijn de oorspronkelijke vormen en lijnen van het menschelijk
leven weergegeven; wij kunnen er nog altijd uit loeren." Ja,
zelfs al lieten zulke stemmen zich in den tegenwoordigen tijd
niet hooren, dan toch zou de geheele ontwikkeling?geschie-
denis van Europa voor de waarde van den Bijbel voor de
beschaving getuigen. Zijne woorden zijn door een Raphael,
een Leonardo da Vinci, een Albrecht Dürcr met kleuren en
gestalten, door een Bach, een Handel met melodiën gcïl-
lustreerd. Aan het begin der geschiedenis van de Germaan-
sche letterkunde staat als een eerst, onvergankelijk gedenk-
stuk van den Germaanschen gaest de Gothische bijbelvertaling
van Ulfilns; en daar, waar de Germaansche geest zich los-
worstelt van de ketenen der Roomsche kerk, waar dienten-
-ocr page 72-
co
VORMING DOOR DEN BIJBEL.
gevolge een nieuwe taal zich eene baan breekt in het Duitsche
volk, en nieuwe gedachten met zich draagt, daar is het weder
eene bijbelvertaling, waarin zij zich het eerst uitdrukt, t. \\v. in
die van Luthcr. En kent gij die twee heerlijke gedichten uit
den overouden tijd niet, de eerste poëtische hulde, die het
Duitsche volk den Heiland der wereld heeft gebracht, den
Saksischen «Heiland" en den »Christ" van den monnik Otfried
van Weiszenburg? Ziet dus, welk een nauw verband er van
den beginne af tusschen de Gerraaansche beschaving en den
Bijbel bestond.
Maar ook heden ten dage is de Dijbel nog het fondament
voor de ontwikkeling van alle standen, van de laagste zoo-
wel als van de hoogste; hij is het boek voor allen. Noem den
Bijbel weg, en wij hebben geen boek meer, dat als het ware
eer» band en gemeenschappelijk eigendom is voor het geheele
volk, dan verliest de volksbeschaving haar eenheid, de ver-
schillende volksklassen scheiden zich af naar haar verschil-
1 enden trap van beschaving, zij verstaan elkanders taal niet
meer, treden in strijd tegen elkander op, en een Babylo-
nische verwarring is er het einde van. Na al deze getuige-
nissen uit den verleden en den tegenwoordigen tijd voor de
waarde, welke de Dijbel voor de beschaving heeft, moet het
altijd in de hoogste mate twijfelachtig zijn, of iemand, die er
op roemt den Bijbel in lang niet gelezen te hebben en niet
te weten wat er in staat, nog den naam van een beschaafd
mensch verdient. Hij moge zoo geleerd en belezen zijn als
hij wil, van de diepste en innigste behoefte aan beschaving
heeft hij geen begrip. Zorg er dus vcor, dat gij eiken dag
tijd hebt voor uw Bijbel. Vergenoeg u niet met hetgeen gij
er in de openbare godsdienstoefening of elders bij brokstukken
van hoort, maar lees hem in zijn verband met ware aan-
dacht en diepen eerbied. Dan zal zijn diepe beteekenis hoe
langer hoe klaarder voor u worden, en gij zult zelf onder-
vinden, welk een ontwikkelende, aansporende, zedelijke, in het-
kort, welke beschavende kracht in het lezen van den Bijbel is
gelegen.
-ocr page 73-
GOEDE MANIEREN.                                               61
Uit die vorming van het hart spruit dan ook zulk een uiter-
lijke houding
voort, als met alle recht van een beschaafd
mensch verwacht wordt. Is de ruwheid uit het hart weggc-
nomen, dan zal zij zich ook in het uiterlijke niet meer ver-
toonen. De ware beleefdheid wordt niet van buiten af aange-
bracht, maar openbaart zich van binnen naar buiten ; haar ziet
men juist bij jongelieden zoo gaarne, en zij kan zich slechts
daar ontwikkelen, waar de grootste vijand der onbeschaafd-
heid, de ingenomenheid met zichzelven, geheel overwonnen is.
In hoofdzaak bestaat zij uit niets anders, dan uit het aan den
dag leggen van bescheidenheid. Bescheiden zijn, dat is door-
drongen wezen van de overtuiging, dat het eigen ik, met al
zijne aangelegenheden, voor de wereld in het geheel niet van
zooveel gewicht en daarom voor anderen ook niet zoo belang-
rijk is, dat het overal op den voorgrond geplaatst moet wor-
den. Daarom moet men zich echter r.iet opzettelijk verbergen,
zooals de nieuw uitgeroepen koning Saul deed, toen hij zich
achter de vaten verstak. Niettegenstaande dat, heeft men
hem toch eindelijk gevonden, en dat men hem achter de
vaten moest zoeken, he ft, zoover men weet, geen schade
aan zijn koninklijke waardigheid gedaan. Onbescheidenheid is
een teeken van onbesohaafdheid en maakt ook de uiterlijke vor-
men onbeschaafd, omdat een onbescheiden mensch aan zijn
eigen persoon, denkbeelden en opvatting een gewicht hecht,
dat zij in het geheel niet hebben. Bescheidenheid is een tee-
ken van ware beschaving; het eigen ik met zijne belangen
wordt binnen zijn bestek teruggebracht en dringt zich niet
langer op.
Wat meer in het bijzonder de kunst van conversatie be-
treft, gij moet nooit vergeten, dat niet hij aanspraak kan
maken op den eerenaam van een aangenaam mensch, die an-
deren veel over zichzelf, over zijn lief en leed, of zelfs over
zijne kwalen, óf over hetgeen hij gaarne eet en drinkt, uit-
voerig weet te onderhouden, maar hij, die onderwerpen
weet te vinden, waarin de ander tehuis is, en waarover hij
door kan spreken. Voor de uiterlijke beleefdheid geldt ook:
-ocr page 74-
62                                               BESCHEIDENHEID.
ïEen ieder zie niet op het zijne, maar op hetgeen van een
ander is." Op deze wijze heeft menigeen, zonder zich al te
veel in te spannen, den naam van een bijzonder aangenaam
mensch gekregen. Want vele menschen stellen dan het meest
uw gezelschap op prijs, wanneer gij hen in het gesprek on-
gemerkt op een onderwerp brengt, waarover zij u zeer goed
bescheid kunnen geven, hen dan kalm door laat spreken en
uzelven tot luisteren bepaalt. Gij kunt er op afgaan, dat gij
dan den naam zult krijgen, dat gij aangenaam in gezelschap
en een beschaafd jongmensch zijt. Daarentegen is het mot
menigen begaafden en overigens degelijken jongeling gebeurd,
dat hij, door zich onbescheiden voorop te zetten, hen, met wie
hij te doen had, tegen zich innam, en dientengevolge ook
om zijn werkelijk goede eigenschappen niet meer gewaardeerd
werd. Daardoor maakte hij zich het vooruitkomen in de we-
rcld zoo moeielijk, dat hij naderhand niet die plaats in de
maatschappij bereikte, welke hij door zijne gaven en karakter
verdiende.
Goethe heeft wel is waar gezegd: Alleen nullen zijn be-
scheiden. Hij had goed spreken, want hij was Goethe, en wan-
neer hij de eerste was, vond men dat natuurlijk en billijk. Ik
twijfel er echter zeer aan, of Goethe, wanneer hij toevallig
een onbescheiden mensch ontmoette, dadelijk het genie in hem
bespeurde, en nog meer twijfel ik er aan, of op dit woord af,
de wereld geneigd zal zijn, ieder, die het er op aanlegt grof
te zijn, voor het tegendeel van een nul, dus b. v. voor een
genie, of een toekomstig weldoener der menschheid, en daaren-
tegen hem, dia zich bescheiden gedraagt, voor een »nul" te
houden. Wanneer er iets goeds in u steekt, dan zou er geen
besturende God in den hemel moeten zijn, wanneer Hij u niet
eenmaal de gelegenheid gave, het als man in toepassing te
brengen. Laat Hij echter uwe gaven verborgen en geheim blij—
ven, wacht dan getroost uw tijd af, en denk slechts dat Hij
het doet, opdat het goede, dat in u is, iets goeds blijve en
niet docr te vroeg aan het licht te komen, verdorven worde.
De maatschappij — daar kunt gij gerust op aan, — gaat niet
-ocr page 75-
C3
BESCHEIDENHEID.
te gronde, wanneer gij u met uw jeugdige persoonlijkheid be-
hoorlijk achteraf houdt.
Wij hebben reeds vroeger gezegd, dat een hoofdvereischte
voor ware beschaving des geestes is, dat men meester van zijn
vak zij. Wat daar slechts in het kort werd aangestipt, zullen wij
nu nog verder uitwerken, omdat het van groot belang voor
de regeling van het leven eens jongelings en het goede gebruik
van zijn tijd is.
-ocr page 76-
V.
HET BEROEPSLEVEN.
Arbeid is liet recht en tle plicht van elk mensch , en daarom
ook van elk Christen. Wel is waar heeft men in dan laat-
sten tijd der Christelijke wereldbeschouwing verweten, dat zij
voor de tegenwoordige maatschappij niet meer jiaste, omdat
zij den plicht van den arbeid een gevolg van den zondeval en
bijgevolg een noodzakelijk kwaad achtte. Maar hij, die dit be-
weert, laadt allen schijn op zich, alsof hij met den Bijbel
slecht bekend is, slechter dan men van iemand zou moeten
verwachten, die zich verplicht rekent er tegen te strijden.
Want reeds vóór den zondeval zegt God tot de menschen,
dat zij de aarde aan zich moeten onderwerpen, en hoe konden
zij dit anders dan door arbeiden? Wanneer er verder staat,
dat God den mensch in den hof Eden zette, om dien te bebou-
wen en te bewaren, hoe kon dat anders geschieden dan door
arbeid? Te arbeid is dus de oorspronkelijke taak van den
mensch, niet het betreurenswaardig gevolg van den zondeval.
Ja, in een opzicht heeft de zondeval inderdaad eene veran-
dering in het arbeidsleven gebracht. »In het zweet uws aan-
-ocr page 77-
65
ARBEID.
schijns zult gij uw brood eten, totdat gij tot de aarde weder-
keert." Door de zonde is de arbeid een last geworden, die de
krachten van den mensch sloopt en hem eindelijk geheel ver-
nietigt. De drukkende en verterende last dus, en niet de arbeid
zelf, is een gevolg van den zondeval. Welk onderscheid er tus-
schen beiden bestaat, hebt gijzelf reeds menigmaal ondervonden.
Vandaag hebt gij iets af te maken, dat u gemakkelijk van de hand
gaat. De arbeid vermoeit u niet, hij put u niet uit, gij zijt vol
lust aan uw werk. Dat is nog een soort herinnering aan het
paradijs. Morgen staat gij voor een anderen arbeid, gij talmt
en draait er om heen, gij begint dan eens hier en dan eens
daar, denkt er tot hoofdbrekens toe over na en komt toch niet
op goeden gang. Dat is de last van den arbeid, ontstaan uit de
zonde en de verzwakking, welke onze krachten daardoor onder-
gaan hebben.
Arbeid is menschenrecht en menschenplicht. Hij is het middel,
waardoor de mensch als geboren heerscher kan optreden over
de natuur en de buitenwereld, door ze voor zijne doeleinden
te gebruiken en er den stempel van zijn eigen geest op af te
drukken. In den arbeid is ook de vervulling van den aan-
geboren plicht des menschen, om zijne medemenschen te die-
nun
, door hen met zijne gaven en krachten van nut te zijn
en te trachten hun te verschaffen, wat zij voor lichaam en
geest noodig hebben. Arbeid is dus heerschappij, en arbeid is
dienst; in den arbeid zijt gij koning, in den arbeid zijt gij
knecht.
Er is echter velerlei arbeid, evenals er velerlei gaven zijn.
Het is verkeerd, dat er op de benaming «arbeider," narbei-
dende klasse" uitsluitend, of tenminste grootendeels aanspraak
wordt gemaakt door hen, die den eigenlijken handenarbeid ver-
richten. Door dit spraakgebruik wordt juist het in die klassen
heerschende vooroordeel versterkt, alsof in de hoogere standen
niet gearbeid, maar alleen verteerd zou worden wat de joarbei-
ders" voortbrengen. Er zijn vele manieren om zijn recht als
heerscher tegenover de natuur, zijn plicht als dienstknecht
tegenover zijne medemenschen uit te oefenen. Gij kunt over de
5
-ocr page 78-
GG
ARBEID.
natuur heerschen, door als handwerksman hare grondstoffen in
nuttige voorwerpen te veranderen, als kunstenaar haar tot het
symbool, het doorzichtig omhulsel eener gedachte te maken,
als volgeling der wetenschap hare wetten te verkondigen, hare
krachten te leeren begrijpen; gij kunt over de aarde heerschen
door als geoioog de geschiedenis van haar ontstaan, als aard-
rijkskundige de gedaante harer oppervlakte na te gaan, of als
koopman hare voortbrengselen in den handel te brengen. Gij
kunt uwe medemenschen dienen naar hunne lichamelijke be-
hoeften, wanneer gij helpt verschaffen, wat noodzakelijk is voor
het leven des lichaams, of wanneer gij hun lichamelijke smarten
en krankheden helpt verzachten en genezen; gij kunt hen die-
nen naar hun verstandelijke en geestelijke behoeften in de
wetenschap, in de kerk. Welk een groote speelruimte voor alle
soorten van beroep, elk op zijne wijze schoon en waardig, elk
een rijke verscheidenheid van arbeid en dienstbetooning in
zich sluitend! Zijt gij reeds tot een van deze soorten van be-
roep besloten, en op welken grond wilt gij uwe beslissing doen
rusten ?
«Beroep" is een schoon woord, maar het eischt ernstig na-
denken. Want waar beroep is, moet ook iemand zijn, die be-
roept, en wanneer gij zegt: »dat is mijn beroep," dan betee-
kent dit niets minder dan «daartoe ben ik geroepen." Hij, die
beroept, is God, en daarom moet gij er bij de keuze van uw
beroep zeker van zijn, dat het werkelijk een beroep van God
is, wanneer gij u uitspreekt voor het een of ander arbeidsveld,
en dat gij door zulk eene beslissing de goddelijke roeping niet
tegenstreeft. Maar waaraan nu de goddelijke roeping te kennen?
Zijn er bepaalde kenteekenen voor, en hoe kunnen deze nader
omschreven worden ?
Er zijn gelukkige jongelingen, wien de kwelling eener be-
roepskeuze geheel bespaard blijft. Aanleg, neiging, de wil der
ouders, uiterlijke omstandigheden, alles werkt samen, om
hen de een of andere loopbaan te doen kiezen. Op deze wijze
is reeds menig predikantszoon weder een degelijk geeste-
lijke, menig soldatenkind een flink officier, menig dokters-
-ocr page 79-
KEUS VAN\' EEN BEROEP.                                        67
Jvind een goed geneesheer geworden. Bij anderen is, ook wan-
neer zij huns vaders beroep niet kiezen, hun eigen loopbaan
door aanleg en neiging zoo ondubbelzinnig aangegeven, dat
ook hier de keuze eenvoudig is, gesteld namelijk, dat de
uiterlijke omstandigheden niet bepaald ongunstig zijn. Dat zijn
menschen, wien het beroep om zoo te zeggen aangeboren en
van kindsbeen af op het voorhoofd geschreven is. In zulke
gevallen is, dunkt mij, cok de goddelijke roeping duidelijk.
AVant deze wordt gewoonlijk niet aangeduid door teekenen en
wonderen en stemmen uit den hemel, maar door den natuur-
lijken gang van zaken, waar een vroom gemoed den weg van
het goddelijk wereldbestuur en der Voorzienigheid even goed in
herkent.
Er zijn, wanneer men het nauwkeuriger beziet, drie din-
gen, op welke men daarbij het oog gevestigd moet houden.
Uw eigen aanleg, de wensen en wil van hen, die onmiddellijk
An Cods plaats boven u staan, en eindelijk de aard van de
uiterlijke omstandigheden en betrekkingen. Komen deze drie
lijnen allen in een bepaald punt tezamen, dan is, zooals wij zoo-
even gezien hebben, alles in orde. Maar hoe staat het, wanneer
zij óf in \'t geheel niet op een bepaald punt uitloopen, óf
naar verschillende richtingen gaan, b. v. wanneer de aanleg
en neiging van een jongeling op dit, de wil der ouders en de
uiterlijke omstandigheden daarentegen op een geheel ander be-
roep heenwijzen?
Xemen wij eerst het geval, dat gij noch door aanleg en
neiging, noch door den wil uwer naaste betrekkingen, noch
door den overigen gang der zaken tot de een of andere loop-
baan zijt geroepen. Nu, zoo geheel onbepaald zal de gesteld-
heid wel nooit zijn. Al is er geen bepaald beroep, dan zal er
toch een zeker gebied zijn, dat u op deze of gene wijze aan-
geduid is. Of gij u aan den handel, de industrie of de we-
tenschap zult wijden, daarover zal zeker een der genoemde
•drie factoren u uitsluitsel kunnen geven. Wanneer er niets
anders is, kan b. v. de leermethode, die gij tot nog toe
gevolgd hebt, de school, die gij bezocht, een zekere rich-
-ocr page 80-
C8
KEUS VAN EEN BEROEP.
ting voorschrijven. Ga dan maai\' vooreerst nog zoo voort; de
verdere loop der omstandigheden zal wel nadere en juistere
aanduidingen geven, wanneer gij opmerkt en u gewent ook in
het kleine Gods hand te erkennen. Botsing en innerlijke strijd
zijn er slechts dan, wanneer de drie factoren niet overeenstem-
men. Wie heeft dan recht? En waaraan moeten wij de roeping
Gods herkennen?
Bijvoorbeeld: Uwe neiging en ook uw aanleg bestemmen u
voor een wetenschappelijk beroep; uw vader is echter niet van
dit gevoelen en wenscht, dat gij u aan den handel of de in-
dustrie wijdt. Wat nu? In een geval is ook hier de stand van
zaken duidelijk genoeg, en wordt u dientengevolge een bepaalde
weg gewezen, wanneer uw vader namelijk eenvoudig verklaart:
«Ik geef u de middelen niet, die voor een wetenschappelijke
opleiding noodig zijn, en wijs u eene plaats aan in deze of gene
zaak."
Weg te loopen van uw vader en op uw eigen hand te gaan
studeeren, dat zult gij om allerlei goede redenen niet willen
doen; er blijft dus niets anders over, dan u met gehoorzaam-
heid naar hem te voegen, al is het ook met een bezwaard
hart, en het verdere aan God op te dragen, die ook den wil
uws vaders veranderen en besturen kan, gesteld, dat uw be-
roep werkelijk in de door u gewenschte richting ligt. Toen
Luther als Erfurter student de studie der rechten, waartoe
zijn vader hem bestemd had, eigenmachtig opgaf, en zonder
zijn vader er iets van te laten weten, in het Augustijner
klooster ging, heeft God dit ongetwijfeld achteraf voor hera
en het Duitsche volk tot een grooten zegen doen worden.
Maar toen hij in het jaar 1507 zijn vader, die voor zijne pries-
terwijding overgekomen was, aan tafel vroeg: «Lieve vader,
waarom hebt gij er u zoo hevig tegen verzet, en waart gij
zoo vertoornd, dat gij mij niet gaarne een monnik liet wor-
den, en het misschien ook nu nog niet gaarne ziet?" toen
antwoordde de waardige vader in tegenwoordigheid van al de
heeren, die aan tafel zaten: »Gij geleerden, hebt gij niet in
de Heilige Schrift gelezen, dat men vader en moeder moet
-ocr page 81-
KEUS VAN EEN BEROEP.                                        69
eeren?" En Luther schrikte bij deze woorden en wist er niets
op te zeggen.
Echter behoeft de zaak niet dadelijk tot zulke uitersten ge-
dreven te worden, dat gij slechts te kiezen hebt tusschen weg
te loopen of u te onderwerpen. Het gebeurt veel meer, dat
tegenover uwe neiging slechts de duidelijk, en bepaald uitgespro-
ken wensch van uw vader staat, dien hij, wanneer gij volstrekt
bij uwe keuze blijft, bereid is op te offeren, al is het met een
bezwaard hart. Ik wil niet ontkennen, dat gij u op gevallen
kur.t beroepen, waarin de een of ander, door zich streng aan
de keuze te houden, waartoe hij zich door aanleg en neiging
geroepen achtte, zich een schitterende loopbaan heeft geopend.
Maar laat mij u éen ding verzoeken: Acht de wensr.hen van
hen, die boven u staan, niet gering! Acht het niet gering uw
vader leed te berokkenen. Vraag uzelf ernstig en oprecht voor
God af, of de beweeggronden, die u tot dit beroep dringen,
rein en of zij van genoeg gewicht zijn, om aan uws vaders
wensch weerstand te bieden? Of hetgeen in u zijn wensch
weerstreeft, waarlijk een innerlijke roeping is, en of niet
een verkeerde eerzucht, de lust tot een aangenamer en ge-
makkelijker leven, naar geldelijk voordeel, of ik weet niet
welke andere bijbedoeling, daarbij ten grondslag ligt ? Of
het in uw geval goed gehandeld is, dat het beroep, dat
toch een dienst der liefde jegens den naaste moet zijn, daar-
mede begint, dat gij jegens den allernaaste den üefdeplicht
verzaakt?
Het kan wel gebeuren, dat naderhand alles goed, en gij in
het vasthouden aan uwe keus gerechtvaardigd wordt. Maar dit
zijn toch altijd uitzonderingen, en zijt gij gerechtigd uw eigen
geval als zulk een te beschouwen? Gewoonlijk kennen uwe
ouders uwe gaven beter dan gijzelf, en in geen geval zullen
zij u tot iets aanzetten, waarvoor gij volstrekt geen aanleg
hebt. Er zijn er immers maar weinigen, die uitsluitend be-
stemd zijn voor een bepaald gebied, en slechts daarop iets
eervols en lofwaardigs kunnen verrichten. Men mag dus on-
derstellen, dat ook uwe gaven niet zoo eenzijdig zijn, en dat
-ocr page 82-
70
KINDERLIJKE GEHOORZAAMHEID.
het u met eenige vlijt en een krachtigen wil gelukken zal T
ook in het beroep, waartoe gij u voor het oogenblik minder
voelt aangetrokken , tot goede resultaten te komen. Behoudt gij,
ook op meer gevorderden leeftijd, de liefde voor het beroep, dat
gij gaarne gekozen zoudt hebben, nu, dan zal het u een aan-
gename bezigheid en uitspanning in uw vrije uren, of een
liefelijke afwisseling van uw beroepsleven zijn, op de hoogte te
blijven van uw lievelingsvak.
Ik herinner mij de geschiedenis van een jongeling, die naai
den wil zijns vaders een handwerk moest loeren, maar die
meende, dat hij voor schilder in de wieg was gelegd. On-
gaarne gaf de vader eindelijk toe aan de dringende beden
van zijn zoon, zond hem naar de akademie en liet hem
bovendien nog eene reis naar Italië doen. Maai- met al zijne
inspanning kwam hij toch niet op een goede hoogte. Hij
schilderde er op los, historie en landschappen, genrestukken
en portretten, maar niemand lette op zijne werken. Hij kwam
tot de bitterste ellende, en was der wanhoop nabij. Toen
kwam een reddende gedachte in hem op, en hij voerde haar
uit. Hij keerde terug tot het handwerk zijns vaders, dat hij
als leerling tamelijk goed geleerd had, maakte het zich met
kracht en volharding geheel eigen, teekende tusschenbeiden een
stukje, gebruikte het voor zijn handwerk, de boekbinder^,
en zie het handwerk werd gezegend en de kunst, tot weikei
uitsluitende beoefening hij niet geroepen was, hoe stellig hij
het ook had gemeend, vormde in verbinding met het hand-
werk een niet alleen aangename, maar ook voor zijne zaak voor-
deelige opluistering. Zoo heeft de vader toch ten laatste gelijk
gehad.
Wanneer iemand zoo stellig van mcening is, dat hij tot wat
groots is geschapen, tegen God en menschen zijn wil doorzet,
tot hij zich ten laatste geducht stoot, dan komt mij altijd eene
plaat voor den geest, die ik eens gezien heb. Daar was een
aardbol op geteekend, en iemand trad er op toe met jeugdige
fierheid op het gelaat, met een trotsche houding, prachtig ge-
kleed en versierd, en daaronder stond: »Zoo heb ik mij voor-
-ocr page 83-
71
ALLIUECHT DÜRER.
genomen, door de wereld te komen." Op de andere zijde echter
komt hij er weder uit, gehavend en mishandeld, gebukt en
vernederd, en daaronder staat: » Lieve vriend, het wou niet
gelukken; wilde ik er door, dan moest ik bukken."
Dit «bukken" voor den wil des vaders, hoe trouw heeft Al-
brecht Dürer het gedaan. Hoelang heeft hij zich tegen den
wensch van zijn hart, maar naar den wil des vaders, op diens
werkplaats gevormd! Wel trok de schilderkunst hem sterk aan,
maar uit kinderlijke gehoorzaamheid bedwong hij het verlangen
van zijn hart. Aarzelend waagde hij het eindelijk zijn vader met
zijne neiging tot de kunst bekend te maken ; toen hij echter
zag hoe onaangenaam deze er door getroffen werd, voegrle hij
zich er naar in alle stilte. Op zijn zestiende jaar stelde hij
op zeer verdienstelijke wijze het lijden van Christus in gedre-
ven zilver voor, en opnieuw drong hij er bij zijn vader op aan,
dat deze hem verlof zou geven zich geheel aan de kunst te
wijden. Ook nu waren er nog bezwaren, daar de vader spijt
had over den tijd, dien hij aan het goudsmeden had besteed.
Eindelijk kwam toch de inwilliging der ouders, en Albrecht
Dürer is er geen minder kunstenaar om geweest, dat hij ver-
scheidene jaren naar den wil zijns vaders in diens werkplaats
gearbeid heeft.
Andere plichten en moeielijkheden komen er voor, •wanneer
de natuurlijke begaafdheid en neiging voor een beroep door
den wensch en den wil der ouders ondersteund worden, maar
de uitwendige omstandigheden de vervulling van dien wensch
in den weg staan. Daar is b. v. een jongeling, die grooten
lust en den besten aanleg voor een wetenschappelijk vak zou
hebben, maar wien de middelen ontbreken, om zijn doel te
bereiken en die ook geen mogelijkheid ziet ze te verkrijgen.
Nu, wat allereerst de «mogelijkheid" betreft, het begrip er van
is zeer rekbaar. Menigeen ziet slechts dan mogelijkheid voor
iets, wanneer tevoren alles helder en juist afgebakend is en
ook de moeielijkheden, die misschien voorkomen, van dien aard
zijn, dat men dadelijk er overheen kan zien, en het zekere
uitzicht heeft ze uit den weg te ruimen. Anderen daarentegen
-ocr page 84-
72
LIVINGSTONE.
willen van geen onmogelijkheid hooren, en zijn levendig over-
tuigd, dat er geen uiterlijke moeielijkheden bestaan, die niet
door vlijt, geestkracht, volharding en geduld overwonnen kun-
nen worden. Jongelieden van de eerste soort zullen overal
slechts dan vooruitkomen, wanneer zij door de omstandigheden
zelve begunstigd en als het ware gedragen worden, en ook
later, wanneer zij eens een bepaald beroep hebben, dan zullen
zij niet licht iets meer dan het gewone tot stand brengen. Tot
moeielijke ambten zullen zij zoo goed als nooit bekwaam zijn.
Ondernemende lieden daarentegen, die elke uitwendige moeie-
1 ijkheid op hun levensweg, zoolang zij geen duidelijke bewijzen
van het tegendeel hebben, als een hun door God opgelegde
taak beschouwen, welke zij vervullen en vermeesteren moeten,
kunnen zich ook met geringe middelen den weg banen tot een
groot en schoon arbeidsveld.
David Livingstone, de groote Schotsche reiziger, die het in
dien tijd nog cnbezochte vasteland van Afrika van het Oosten
naar het Westen doorreisd heeft, was de zoon van een armen
marskramer, en hij bezat de middelen niet om zelfs het een-
voudigste en meest alledaagsche te leeren. Reeds op zijn ne-
gende jaar moest de weetgierige knaap den geheelen dag op
de fabriek werken, om zijne ouders van een deel hunner zorgen
te ontlasten, \'s Morgens om zes uur begon de fabrieksarbeid,
en eerst om acht uur \'s avonds kwam er een einde aan. Hoe
moest hij nu tijd tot leeren vinden ? De jonge Livingstone
voorzag er in , door den tijd tusschen acht uur \'s avonds en mid-
dernacht, of nog later, voor dat doel te gebruiken. Dikwijls
sloeg de bezorgde moeder zijn boek toe, nam het van de tafel
weg, en deed den onvermoeiden knaap naar bed gaan. Zijne
boeken moest hij ook zelf verdienen. Toen hij zijn eerste week-
loon ontvangen en een deel daarvan aan zijne ouders gegeven
had, kocht hij zich van het overschot een Latijnsche spraak-
kunst, die hij \'s nachts doorstudeerde, met dit gevolg, dat hij
op zijn zestiende jaar Virgilius en Horatius door dit leerboek
had leeren begrijpen. Hij besloot nu geneesheer te worden
maar hoe zou hij de noodige opleiding daartoe ontvangen? De
-ocr page 85-
73
PERTHES.
avonduren waren al spoedig niet voldoende, en zijn vindingrijke
geest peinsde op andere middelen. Wanneer hij aan zijne spin-
machine werkte, legde hij er het boek op, zoodat hij onder
den arbeid zin voor zin lezen kon, al raasden en dreunden de
machines ook om hem heen. Wat hij op deze wijze leerde,
vulde hij \'s winters aan door colleges aan de akademie te Glas-
gow te bezoeken voor het op de fabriek verdiende geld. Zoo
leidde hij zichzelf tot geneesheer en reiziger op, zonder ooit een
penning onderstand van iemand ontvangen te hebben; en wan-
neer hij later in het binnenland van Afrika, in de wilder-
nissen van het woud, onder alle mogelijke hindernissen zijn
dagboek schrijven en zijne opmerkingen kon aanteekenen, dan
dankte hij dit aan de oefening, die hij in de spinnerij had
verkregen, om temidden van het geraas en het geweld, zijne
aandacht aan de studie te wijden.
Zoo was ook Perthes, de Duitsche boekhandelaar, er steeds
op uit, aan te vullen wat aan zijne kennis tekort kwam,
want in zijne jeugd was hij zeer arm en niet instaat het
noodige te leeren. Hij greep zijn toekomstig beroep aan als
een middel, om de menschheid te dienen en mede te werken
tot haar welzijn. Maar tijd en geld waren hem spaarzaam toe-
gemeten. Zijne moeder stond hem haar weduwpensioen af, tot
een bedrag van 21 gulden, maar dat was juist voldoende om
den bcekhandelaarsleerling van schoenen te voorzien, want
hij moest den geheelen dag loopen. Zijn oom schonk hem zijn
afgelegde kleêren, en zijne tante zorgde voor zijn linnen, ter-
wijl zijn patroon hem vier gulden zakgeld gaf voor het ge-
heele jaar. Aan privaatlessen viel niet te denken. Perthes
nam voor zich alleen de Fransche en Engelsche spraakkunst
ter band, en menigmaal viel de vermoeide jongen, als hij
\'s avonds laat studeerde, over zijne boeken in slaap. Den vol-
genden morgen echter ging hij weer even trouw en flink aan
zijn werk.
Een bekend spreekwoord luidt: «Help uzelf, en God zal u
helpen." Dikwijls wordt dat woord in een goddeloozen zin op-
genomen, namelijk: gij moet uw eigen God zijn; Hij, die
-ocr page 86-
74
EIGEXIIÜLP EN GODSIIULP.
daarboven in den hemel is, helpt u toch niet, en ziet niet
naar u om. In deze beteekenis zou ik u het zooeven ge-
noemde spreekwoord nooit willen aanbevelen. Echter wel in den
zin van »bid en arbeid, dan helpt God altijd." Om Gods
zegen en hulp te bidden, op deze hulp te vertrouwen, en in
dit geloovig vertrouwen te handelen, ook wanneer allerlei
moeielijkheden in den weg komen, dat betaamt een Christen.
«Met mijn God spring ik over een muur," heeft David gezegd,
maar daarmede heeft hij niet gemeend, dat het springen en
worstelen hem zoodoende bespaard zouden worden. En toen Jo-
zua het volk Israël door de Jordaan voerde, hadden zij wel
de belofte, dat God hen op wonderbare wijze over het water
en door het water zou helpen, maar zoolang het volk slechts
aan den oever stond, en de golven van den sterk gezwollen
stroom zag voorbijtrekken, geschiedde er geen teeken en kwam
er geen goddelijke hulp. Eerst toen de voorsten van den
tocht, de priesters, op den stroom toetraden, en hunne voe-
ten het water aanraakten, weken de golven achteruit; de
wateren, die van boven afvloten, bleven staan, die van bene-
den liepen af, en er was een droge weg. Dus met moed aan
den gang! Zijt gij werkelijk geroepen tot een beroep, dan
zullen ook de uiterlijke omstandigheden, al zijn zij nog zoo
moeielijk, effen gemaakt worden, zoodia gij uwe taak aan-
durft. Daartoe behoort slechts moed, vertrouwen op God en
geduld.
In deze beteekenis komt ook een ander spreekwoord tot
zijn recht, namelijk: «Ieder is de maker van zijn eigen fortuin."
Niet alsof\' men naar Gods zegen niet behoefde te vragen, of
zich met geweld een geluk zou kunnen toeéigenen, dat God
niet wil toestaan. Wanneer de hoogste Bestuurder in den hemel
eens Neen heeft gezegd, dan blijft het daarbij. Maar dat
»maken" van zijn fortuin beteekent, dat men arbeiden en zich
inspannen moet. Met slapen komt men niet tot een goed be-
roep, ook niet door op zijn gemak toe te zien wat anderen
doen, of door zich met allerlei liefhebberijen bezig te houden,
die van geen belang zijn voor de roeping des levens, maar
-ocr page 87-
7.-.
ONTEVREDENHEID MET HET BEROEP.
door flinken arbeid, en wanneer het zoo zijn moet, ook door
den strijd met de tegenwerking van uiterlijke omstandigheden.
Dat men daarbij nog altijd groote behoefte aan den goddelijkcn
zegen heeft, en dat in honderd gevallen God den arbeid nog
moet voorbereiden, eer de mensch iets tot stand kan brengen,
daarvoor wordt steeds gezorgd, en dat weten ook zij het best,
die zich met de meeste kracht op het maken van hun fortuin
toeleggen.
Maar gelukt het dan altijd? Komt het niet dikwijls voor,
dat de mocielijkheden, die in den weg staan, sterker zijn dan
de tegenstand, dien men hun kan bieden, en dat ten laatste
de volstrekte onmogelijkheid tevoorschijn treedt? Zeer zeker.
Menigeen blijft door de macht der omstandigheden tot een la-
ger beroepsgebied beperkt, en komt met al zijne inspanning, en
strijd, en stadeeren niet hooger op. Dan komt het eerst recht
tepas: de goddelijke roeping te gehoorzamen, want dan is het
duidelijk, dat hetgeen zich als beroep voordeed, toch in waar-
heid geen roeping was. Wacht u dan voor die ontevredenheid
en bitterheid, die zoo gaarne het gevoel kweekt, dat men toch
eigenlijk te goed, te beschaafd voor zijn beroep is. Beschouw
liever het beroep, waarop gij u nu eenmaal moet toeleggen,
als den post, die u door God is toevertrouwd, en arbeid uit
alle macht, opdat gij hem met eere vervult. Bedenk dan, dat
bij de beoordeeling van ieders ambtsvervulling niet de grootte
van het hem toevertrouwde goed, niet de uitgestrektheid van
zijn arbeidsveld in de eerste plaats geschat wordt, maar veel
meer of hij trouw is bevonden. Toen Mozes aan het hof van
Pharao in al de wijsheid der Egyptenaren onderwezen was,
meende hij met recht tot groote dingen geroepen te zijn, viel
met moed op zijne taak aan, en sloeg een Egyptenaar dood, om
met deze daad zijn bevrijdingswerk te openen. Toen hij dienten-
gevolge moest vluchten en in de woestijn kwam, bij Jethro bleef
wonen, Zippora vond en de schapen van zijn schoonvader hoedde,
heeft hij zich nooit over zijn lot beklaagd, dat hij nu van een
Egyptischen vorst tot een Midianietischen schaapherder was ver-
nederd, maar hij heeft getrouw zijn herdersambt vervuld, en
-ocr page 88-
TROUW IN \'T BEROEP.
76
zou zijn leven lang deemoedig en geduldig daarbij gebleven
zijn , wanneer God hem niet weder had geroepen.
Overigens geeft een oogenschijnlijk minder belangrijk beroep
een leergierigen man gelegenheid genoeg, om, terwijl hij zijne
taak met getrouwheid vervult, ook zijne liefde voor de weten-
schap te bevredigen, al heeft hij deze studie niet tot zijne
hoofdbezigheid kunnen maken. Menigeen wordt op deze wijze
nog in zijn latere leven schadeloos gesteld voor hetgeen hij
zich vroeger door den druk der omstandigheden moest ont-
zeggen. Zoo ontdekte niet lang geleden een Engelsch natuur-
onderzoeker op een wetenschappelijke reis in het hooge noorden
van Schotland, te Thierso, een bakker, over wiens natuurkun-
dige kennis hij versteld was. Deze teekende met meel een
geografische en geologische kaart van Schotland op den vloer,
en maakte hem op verscheidene onnauwkeurigheden opmerk-
zaam, die hij op de in gebruik zijnde kaarten had gevonden.
Behalve dat ontdekte de natuuronderzoeker in hem een beter
botanist dan hijzelf was. Hij had eene plantenverzameling,
die bijna compleet kon genoemd worden; alle exemplaren
waren zeer goed gerangschikt en met hare wetenschappelijke
benamingen voorzien. Daarbij schaamde hij zich in het ge-
heel niet eenvoudig bakker te zijn, en hij dreef zijn handwerk
met vlijt, met lust en bekwaamheid. Zijn geleerde vriend
overtuigde zich hiervan door de proeven, die hem voorgezet
werden.
Wanneer gij echter eens een beroep gekozen hebt, leg er
u dan met vlijt op toe, oefen het met getrouwheid uit. Trouw
is de hoofddeugd van het beroepsleven. Trouw zijn in het be-
roep beteekent er al zijne kracht aan geven, om aan de
eischen van het beroep te voldoen, en dat niet alleen naar
de letter, maar in geest en in waarheid. In dit opzicht zijn
er drie soorten van menschen: ontrouwe, halftrouween trouwe.
Er zijn er, die hun beroep slecht vervullen, zich niet be-
kommeren om hetgeen het eischt, en hun tijd in ledigheid of
met allerlei liefhebberijen verkwisten. De bezigheden, die er
aan verbonden zijn, laat men door anderen verrichten, of zij
-ocr page 89-
77
TROUW EN ONTROUW.
blijven maar liggen. Dat is de ontrouw in het beroepsleven,
die onvermijdelijk gevolgd wordt door een toenemend verval
van de zaak, en het meer en meer ongeschikt worden van
den ontrouwen waarnemer voor eiken beroepsarbeid. Daarom
zeide eens een man van zaken: Wanneer een koopman boe-
ken begint te schrijven en voor auteur wil doorgaan, dan is
de zaak failliet, of op het punt om failliet te worden; in alle
geval staat het er niet goed mede. — Liefhebberijen en an-
dere bijzaken, die in geen verband staan met het beroep,
zijn als een geheime worm , die aan de vrucht van den ar-
beid knaagt. Vraag het slechts aan die menschen, wier ver-
mogen te gronde gericht, wier grootheid vervallen is, aan
hen, die zonder bijzondere uitspattingen of slecht gedrag, het
ruime vaderlijke erfdeel verkwist, een bloeiende, door den vader
nagelaten zaak in een jammerlijk verwaarloosden toestand ge-
bracht hebben, welk een groot aandeel de ontrouw in hun
beroep aan het ongeluk heeft. In vroegere jaren, toen de
zaken nog eer vanzelf gingen, en ieder afzonderlijk in zijn
beroep door vaste verordeningen beschermd en voor concurrentie
gevrijwaard werd, kon zulk een vadsige en gemakkelijke op-
vatting van de zaak minder bedenkelijk zijn, ofschoon er ook
uit de oudste tijden geen voorbeeld van bekend is, dat iemand
door iets anders dan vlijt en getrouwe vervulling van zijne
plichten tot iets waarlijk groots gekomen is. Zooveel te
meer heden ten dage, in den tijd der vrije concurrentie, van
den algemeenen strijd om het bestaan, nu het ambt den man
niet meer maakt, maar de man het ambt moet maken, nu
kan slechts hij, die zich vlijtig op zijn beroep voorbereidt
en het trouw uitoefent, iets goeds tot stand brengen. —
Naast deze ontrouwe arbeiders zijn er anderen, die hun be-
roep vervullen op zulk eene wijze, dat men hen met den naam
van halftrouwen zou kunnen bestempelen. In dit geval ver-
richt men, wat naar de overeenkomst, naar de letter ver-
richt moet worden, wat voor de instandhouding der zaak,
de uitoefening van het ambt volstrekt noodzakelijk is, maar
geen tittel meer. Bij eiken buitengewonen arbeid, al is hij
-ocr page 90-
78
HALFTROLW.
ook nog zoo noodzakelijk voor het geheel, vraagt men zichzelf
af: «Kan dat van mij verlangd worden?" en wanneer het ant-
woord naar de letter der wet ontkennend uitvalt, dan steekt
men ook geen hand uit, hoe dringend er ook behoefte aan zij.
Dat is getrouwheid naar de letter, maar niet naar den geest
der wet, en dus in den grond ook ontrouw; het is het stand-
punt van den huurling, maar niet van een rentmeester, die zijn
beroep als een hem door God toevertrouwden post aanziet en
dezen getrouwelijk wil waarnemen. Deze halve trouw zal juist
daarom altijd ontmaskerd worden en niets anders blijken te.
zijn dan ontrouw. Zij leidt er toe om het gebied van hetgeen
«verlangd kan worden" steeds meer te doen inkrimpen, zoo-
dat zelfs het noodzakelijke en met recht geuischte steeds meer
te veel wordt; voornamelijk heeft zij tengevolge, dat in bui-
tengewone tijden, wanneer het beroep vanzelf buitengewone
eischen stelt aan de krachten van ieder in het bijzonder, aan
deze dringende eischen niet voldaan wordt, en er zoodoende
afbreuk aan de getrouwheid in het beroep gedaan en groot
nadeel toegebracht wordt aan de hoogste belangen der geheele
zaak.
AVeg dus met de halve trouw, met de trouw eens huur-
lings, even goed als met de trouweloosheid! Als men zijn ge-
heelen persoon, al zijne kracht geeft, dan is men eerst ge-
trouw, en dat wordt door God in tijd en eeuwigheid gezegend.
Deze trouw vraagt niet bij de gestelde eischen: »Kan men dat
van mij verlangen?" maar: »Is het noodig?" en daarnaar han-
<lelt zij. Hij, die trouw is, weet dat hij aan zijn beroep is ge-
bonden, niet slechts door de keten eener uiterlijke overeen-
komst, maar door den vrijen band der liefde jegens den naaste
en door het oude, den mensch tot eeuwige eer strekkende
bevel Gods: Maakt u de aarde en hare krachten onderdanig.
Door deze getrouwe beroepsvervulling is de doctor der Heilige
Schrift, Martinus Luther, tot hervormer der Christelijke kerk,
de leeraar in het Grieksch, Philippus Melanchton, tot Prae-
ceptor Germaniae geworden. Hoe meer gij uw beroep ook als
een dienst leert beschouwen, zooveel te gemakkelijker zal het
-ocr page 91-
79
STIPTHEID.
;i vallen getrouw te zijn. Ook do winst, die, uw arboid u aan-
brengt, hebt gij dan niet voor u allo™, maar zij is u gegeven
om andoren nog op ruimer schaal uwe liefdediensten te kunnen
bowijzon.
Twoo voorbeelden van bijzondere getrouwheid in do uit-
oefening van hot beroep, van welke in de laatste jaren de
nieuwsbladen melding maakten, mogen hier nog oene plaats
vinden.
Een baanwachter in Noord-Amerika wil juist de brug voor
den naderenden trein neerlaten, maar ziet, dat niet ver van
hem zijn kind in het water valt en niet hartverscheurende
kreten zijn naam roept. Wat moet hij doen? Hier het met de
golven worstelende kind, daar de voortstoomende trein met al
die menschen er in. De vader strijdt een ontzettenden strijd,
maar slechts een oogonblik. Met vaste hand laat hij de brug
neer, de spoortrein stoomt er over hoen, maar het arme kind
is verdronken. Dat is getrouwheid in het beroep. — Bij Bax-
aume zag oen Duitsch bevelhebber in December 1870 hoe zijn
regiment in de flank aangevallen word, en kreeg tegelijkertijd
oen schot in de borst. Verlamd gaat hij nog naar zijn overste,
en meldt, mot de hand aan don helm: »Wij zijn in den vleugel
aangevallen; ik bon zoo vrij to rapporteeren, dat ik doodelijk
gewond ben." Daarop stort hij noör; hij stierf den volgenden
dag, getrouw tot den dood in zijn beroep.
Ik zou dit hoofdstuk over de getrouwheid in het beroep
niet willen sluiten, zondor nog in het bijzonder over die deugd
te spreken, welke wij stiptheid plegen te noemen. Stiptheid
is eigenlijk niets anders dan getrouwheid in het kleine. Deze
goede eigenschap is belangrijk genoeg, want wie in het go-
ringste trouw is, die is het ook in het groote, en wie in
het geringste verkeerd handelt, die doet het ook in het
groote. Melanchton kon het niet uitstaan, wanneer iemand
bij eene afspraak zcide, dat hij binnen zoo of zooveel da-
gen de zaak ten uitvoer zou brengen. Hij verlangde steeds
een nauwkeuriger tijdsbepaling, en evenals hij deze zelf stipt
hield, zoo wenschte hij het ook van anderen. En terecht —
-ocr page 92-
80
STIPTHEID.
want wie een werk, dat hij volgens zijn plicht en beroep
heden gereed moet hebben, eerst morgen levert; wie om
half vijf komt, daar waar hij om vier uur moest zijn, al-
leen omdat hij er niet vroeger stoe kwam," zooals zoo dik-
wijls de uitvlucht der traagheid luidt; wie er verder bij zijn
werk alleen op ziet, of het »in het algemeen" een bevre-
digenden indruk maakt en den oppervlakkigen beoordeelaar
bevalt, van dien moet het zeer twijfelachtig zijn, of men
hem iets groots kan toevertrouwen. Washington had een se-
cretaris, die zich over zijn telaat komen verontschuldigde
door te zeggen »dat zijn horloge achterliep." »Dan staat
er niets anders op," antwoordde Washington , »dan dat
gij een ander horloge koopt, of ik een anderen secretaris
neem."
Het hoogste voorbeeld van ons doen en handelen is toch
altijd weder God zelf. En hoe schoon en goed is alles in zijne
wereld tot op het kleinste toe ; welk een volkomen en grondi-
gen arbeid doet de geschiedenis ons zien; hoe juist geschiedt
alles op zijn tijd, hoe nauwkeurig en stipt worden zijne beloften
vervuld en komen zijne gerichten! En Christus, — hoe duide-
lijk wordt in zijn geheele werk en leven de geheele Schrift
vervuld, zonder dat een jota of tittel ontbreekt.\' Daarom kon
Hij ook ten laatste met een luid: »Het is volbracht" zijn hoofd
buigen. Wees getrouw in het kleine, opdat gij ook eenmaal op
een volbrachte levenstaak neer kunt zien!
Bovendien zijn de begrippen »klein\'\' en «groot" voor het
leven in het algemeen en het beroepsleven in het bijzonder
van zeer betrekkelijken aard. Een zandkorrel is iets kleins,
maar naar gelang zij ergens komt te liggen, kan zij van
grooten invloed zijn. Komt zij in uw oog, dan kan zij u
van uw gezichtsvermogen, komt zij in uwe hersenen, dan kan
dit u van het verstand of leven berooven. Eene schroef aan
eene machine is iets kleins, maar onder bepaalde omstandig-
heden hangt de juiste gang der machine, de veiligheid van
honderden menschen er van af. Zoo kan ook bij de zooge-
naamde kleinigheden een zekere aaneenschakeling van om-
-ocr page 93-
81
STIPTHEID.
standigheden hun een groote beteekenis geven. Uit kleinigheden
bestaat het leven; die dingen zijn zeldzaam, welke reeds op
het eerste gezicht groot en belangrijk schijnen.
Juist de eischen der stiptheid brengen mij op iets anders,
wat den jongeling wel op het hart gedrukt mag worden. Xauw-
keurigheid moet er namelijk vooral zijn in het gebruik van
tijd en geld, waarover wij in een volgend hoofdstuk zullen
handelen.
0
-ocr page 94-
VI.
TIJD EN GELD.
Deze twee dingen heeft een bekend spreekwoord in nauw
verband met elkander gebracht: Tijd is geld. Dit woord
is, voor zoover ik weet, uit de Engelsche taal afkomstig, en
had zijn oorsprong in Amerika. Daar past het ook met het
standpunt, dat het vertegenwoordigt, het best. Er is iets
waars in. Hoe meer tijd, hoe meer mogelijkheid om geld te
verdienen. Tijd gewonnen, geld gewonnen. Maar toch zou het
treurig zijn, als tijd niet meer ware dan geld. Geld laat zich
weder vergoeden; verkwiste tijd is onherstelbaar verloren;
tijd is meer dan geld; tijd is kennis, tijd is beschaving, tijd
is een deel van het leven, tijd is eeuwigheid. Het is met den
tijd van het menschelijk leven een bijzonder geval. Het leven
is lang of kort, al naardat men het beschouwt. Het kind en
den jongeling lijkt het lang, maar kort schijnt het den grijs-
aard toe. Het is lang, want men kan er veel in arbeiden,
veel liefde bewijzen, veel geluk en vreugde aanbrengen, veel
haten, zichzelven en anderen veel smart veroorzaken, veel zon-
digen, zooveel, dat men er in eeuwigheid voor boeten moet.
-ocr page 95-
83
KORTE DUUR VAN DEN TIJD.
Het is kort, want het vliegt pijlsnel voorbij; nooit komen wij
aan het einde van onzen dagelijkschen arbeid, en wij laten ook
na het langste en werkzaamste leven slechts onvolkomen werk
na. Het is kort in vergelijking van de taak, die ons gegeven
is, kort in vergelijking van de lange eeuwigheid. Het duurt
zeventig jaren, en wanneer het lang is tachtig, maar beide ge-
tallen worden door betrekkelijk weinigen bereikt. En hoeveel
gaat er van een menschenleven af; hoe kort is de tijd, waar-
over de mensch vrij en zelfbewust beschikken kan! Wanneer
gij tot uzelven komt en over de waarde des tijds begint na te
denken, dan is er reeds een tiental jaren verstreken , d. i. in
het gunstigste geval reeds een zevende, misschien ook reeds
een derde deel of de helft van uw leven. En hoeveel gaat er
van de rest nog af, waarover de vrije beschikking u niet is
toegestaan ! Dagelijks zooveel uien slaap, deels omdat uwe na-
tuur er behoefte aan heeft, deels omdat gij het u onnoodig
hebt aangewend — dat maakt tezamen in een menschenleven
een aanzienlijk aantal uren uit. Daarbij nog al die tijd, dien
gij door ziekte, pijn en allerlei zwakheden niet tot uw vrije
gebruik hebt — waarlijk, het korte menschenleven smelt op
schrikbarende wijze ineen, wanneer men overlegt hoe weinig
tijd men in den vollen zin des woords leeft, d. w. z. niet
slechts bestaat en ademt, maar zijn tijd aan het eigenlijke
levensdoel kan wijden.
Het verleden, het tegenwoordige en de toekomst — dat zijn
de drie verschillende gestalten des tijds. Het snelst gaat het
tegenwoordige voor ons voorbij. Streng genomen kan men het
in het geheel niet vasthouden; het oogenblik, dat ik het tegen-
woordige noem en met het woordje »nu" aanduid, is ook reeds
voorbij. Zoo staan wij eigenlijk in het midden tusschen het ver-
leden en de toekomst, en wij verkrijgen slechts dan iets, wat
wij tegenwoordig noemen, wanneer wij bij het jongst verledene
en de naaste toekomst ter leen gaan, en dit geleende met den
naam van het tegenwoordige bestempelen. Uit dit verheven zijn
boven den tijd blijkt ongetwijfeld, dat de geest aan God ver-
want, naar Gods beeld geschapen is, hij toont er door aan,
-ocr page 96-
84                                      INDEELING VAN DEN TIJD.
dat hij niet onverbrekelijk aan den tijd gebonden is, doch er
zich boven verheffen kan; maar aan den anderen kant treedt
de snelle gang onzer dagen, het voortvliegen van den tijd
zooveel te duidelijker aan het licht.
En de jongelingsjaren, deze belangrijke voorbereidingstijd,
wat krimpen zij met zulke berekeningen ineen! Nemen wij et-
den tijd van het veertiende tot het twee en twintigste levens-
jaar voor, dat zijn dus acht jaren, of 2920 dagen, of 70080
uren. Een schoon getal! Maar hoeveel wordt daarvan verslapen ?
Met het «septem horas dormisse sat est" is menigeen het niet
meer eens, hij heeft acht uren noodig, dus juist een derde ge-
deelte van den dag. Er blijven dus nog maar 46720 uren over.
En hoeveel gaat hier nog om allerlei redenen van af? Nu is
40000 nog wel een schoon aantal uren , waarin men iets dege-
lijks kan tot stand brengen. Jawel, maar vergeet niet, dat deze
som met elke minuut, met elke seconde kleiner wordt. Want
dat is ook nog een onderscheid tusschen tijd en geld: geld
kunt gij bewaren, tijd niet. Het geld ligt in de kast en wordt
niet minder, tenminste niet vanzelf. De tijd wordt echter van-
zelf steeds minder en minder. En er iets mede te beginnen kan
slechts onder éene voorwaarde, namelijk wanneer de tijd vlijtig
en nuttig besteed wordt. En goed besteed is alleen die tijd,
welke, hetzij middellijk of onmiddellijk, dienstig is voor het tij-
delijke en eeuwige, het aardsche en hemelsche levensdoel. Wan-
neer ik nu zie, dat ik van een kostbare zaak juist geen over-
vloed heb, wat doe ik dan? Antwoord: Ik tracht haar ordelijk
en wijs te besteden, opdat dit altijd op de juiste wijze, de
juiste plaats, den juisten tijd en tot de juiste doeleinden ge-
schiede.
Deze indeeling van den tijd is van de grootste beteekenis
voor het goede tijdsgebruik. Zooveel voor den arbeid, zooveel
voor ontspanning, in gewone omstandigheden tenminste; het
kan immers ook wel gebeuren dat aan den eenen of den an-
deren kant iets toegegeven moet worden. Maar hoeveel wordt
ook in den arbeidstijd uitgewonnen door behoorlijke tijdsver-
deeling.\' Wanneer gij u voor eene reis gereed maakt en uw
-ocr page 97-
INDEELING VAN DEN TIJD.                                      85
koffer te pakken hebt, en gij werpt er uwe zaken wanordelijk
in, dan moogt gij ten laatste nog zoo hard drukken en einde-
lijk op het deksel staan, om er alles in te krijgen — gij zult
toch zelfs in een grooten koffer betrekkelijk weinig kunnen ber-
gen, en bovendien bij het uitpakken nog het verdriet hebben van
het een of ander geschonden te vinden. Wanneer gij echter
tevoren de ruimte behoorlijk indeelt en elk stuk op zijn juiste
plaats legt, zoodat alles goed op elkander past, dan zult gij
niet alleen tweemaal zooveel kunnen bergen als met het orde-
looze instoppen, maar nog de voldoening smaken aan het eind-
doel uwer reis alles in goeden toestand te vinden. Waarom ?
Omdat in het eerste geval veel ruimte ongebruikt verloren
gaat, terwijl in het tweede elk plaatsje behoorlijk gevuld wordt.
Wat van de ruimte geldt, geldt ook van den tijd. Wie zijn tijd
goed weet te deelen, brengt meer tot stand, en maakt hetgeen
hij tot stand brengt, beter, dan hij, die er slechts zonder plan
op loswerkt. Hoe menig kwartier gaat op zulk eene wijze ver-
loren, dat bij een goede indeeling voor den arbeid gebruikt zou
kunnen worden! Hoeveel verdriet, dat men heden niet goed
klaar heeft kunnen komen, zou bespaard blijven, als men gis-
teren wat aanhoudender of wat langer gewerkt en zoo de taak
gelijkmatiger verdeeld had.
Voor een goede verdeeling van den tijd moeten voorname-
lijk twee voorschriften in acht genomen worden. De eerste is :
Stel nooit uit tot morgen, wat gij heden kunt doen. Er zijn
jongelieden, die den tegenovergestelden regel schijnen te eer»
biédigen, namelijk om nooit heden te doen, wat tot morgen
kan gelaten worden. Vooral laten zij zich hierdoor bij minder
aangenaam werk leiden, terwijl toch een goede indeeling van
tijd en arbeid er op uit moet zijn het onaangename altijd het
eerst te doen. Anders komt men nooit klaar en heeft ook nooit
het bevredigend gevoel van volbrachten arbeid. Hoe onaan-
genamer een werk voor ons is, zooveel te meer hebben wij,
om het uit te voeren, het eerste krachtige besluit, de eerste
frissche kracht noodig. Het aangename wordt altijd nog wel
ten uitvoer gebracht, al is de kracht zoo frisch niet meer.
-ocr page 98-
8C
liESTEDEN VAN DEN TIJD.
Het onaangename daarentegen schijnt ons, hoe langer de uit-
voering uitgesteld wordt, des te moeielijker toe, en blijft ein-
delijk geheel achterwege, tot groote schade van ons beroep.
Dikwijls verwondert men er zich over, wanneer men zulk een
werk moedig en zonder aarzelen aanvat, hoeveel gemakke-
lijker het gegaan is, dan men dacht. Daarom: dadelijk doen,
wat dadelijk godaan kan worden, en het onaangenaamste altijd
het eerst — dat is de eerste regel. Maar bij alle snelheid van
handelen — geen overijling! Daarom luidt de andere regel:
doe het cene na het andere. De haast, vyaarmede men dikwijls
twee of drie dingen tegelijk begint, leidt tot niets goeds en
kan licht veroorzaken, dat ze tenminste alle drie de sporen
van overhaasting dragen. Er zijn wel menschen van bijzonde-
ren aanleg en geestkracht, die met gemak verscheidene wer-
ken tegelijkertijd kunnen beginnen en voortzetten. Zoo kon
Cesar, zooals men weet, altijd aan eenige schrijvers gelijk
dicteeren en wist bij elk, die zich tot hem wendde, waar hij
gebleven was en hoe hij vervolgen moest. Maar niet ieder is
een Cesar — gelukkig, zeggen wij; en wij gewone menschen-
kinderen zijn dan toch zoo gemaakt, dat het eene noodzakelijk-
heid voor ons is, het eene na het andere te doen. Anders
gaat het al licht gepaard met een verlies aan tijd, duidelijk-
heid en nauwkeurigheid, en daarom riep ook met het grootste
recht een koopman zijn ijverigen, maar eenigszins haastigen
bediende toe: »Iets langzamer, opdat wij spoediger het doel
bereiken!"
Weet men echter zijn tijd goed te verdeelen, dan komt het
or op aan den aldus geregelden tijd goed te besteden en er
ook spaarzaam mede te zijn. Want, al regel ik mijne uitgaven
nog zoo goed, en zij overtreffen toch ten laatste de inkomsten,
dan beteekent mijne indeeling niets. In dit opzicht luidt het
eenige en eenvoudige voorschrift: Geen tijd verliezen ! De tijd
is als een akker. Wordt hij flink bearbeid, dan draagt hij
vruchten; laat men hem braak liggen, dan draagt hij onkruid,
doornen en distelen. Ledigheid is des duivels oorkussen, en
wanneer hij een ledig huis vindt, dat met bezemen gekeerd en
-ocr page 99-
87
ONTSPANNING.
versierd is, dan neemt hij tot zich zeven andere geesten, die
erger zijn dan hijzelf, en zij keeren bij dien mensch in en wo-
nen aldaar. Hoe komt het dan, dat op het braakliggend land
onkruid, doornen en distelen groeien? De geheele lucht is altijd
vol van allerlei zaden en kiemen, die, naarmate de wind ze
drijft, hier en daar neórvallen, en waar niemand hun in den
weg treedt, tot ontwikkeling komen. Een ledigganger gelijkt op
zulk een akker; de geestelijke atmospheer, die hem omgeeft, is
vervuld met allerlei vergiftige kiemen van verzoeking en verlei-
ding, en een ledig hart, een ongebruikte tijd is juist de ware
grond, waarin zulke dingen zich ontwikkelen. In den oorlog is
het eene zaak van het grootste gewicht om, bij de aanvoering
van een leger, den soldaat ook dan bezig te houden, wanneer
<le vijand het niet bepaald noodzakelijk maakt. Dat houdt de
krijgstucht in stand, terwijl een werkeloos leger spoedig zijn
zedelijke kracht begint te verliezen, en eindelijk geheel bande-
loos en oproerig wordt.
Hiermede wordt niet bedoeld, dat alle tijd verloren en in
ledigheid doorgebracht is, die niet bepaald aan den arbeid
wordt besteed. Rust is niet noodzakelijk tijdverkwisting, uit-
spanning nog geen lediggang, maar eer een andere wijze van
bezigheid; inplaats van te werken en te handelen naar buiten,
worden dan de krachten van den geest geconcentreerd en tot
het inwendige beperkt, of omgekeerd, in plaats van een voort-
durende werkzaamheid van den geest treedt een flinke krachts-
ontwikkeling naar buiten. De geleerde rust uit van het lezen
•door tuinarbeid of houtzagen, de houthakker of tuinier vindt
na het houtzagen en tuinieren uitspanning in het lezen. Wie
veel met anderen moet omgaan rust uit, wanneer hij zich in
■eenzaamheid terugtrekt; wie door zijn beroep in de stilte leeft
vindt uitspanning in het zien van andere menschen. De stadbe-
woner gaat voor zijne uitspanning naar buiten, de buitenman
om dezelfde reden naar de stad. Altijd echter is het niet een
werkeloos zijn, maar een veranderde wijze van werkzaamheid,
wanneer het namelijk een goede soort van uitspanning is. Vol-
maakt werkeloos te zijn, is misschien bij zieken te rechtvaar-
-ocr page 100-
88                                                ONTSPANNING.
digen, wanneer de zenuwen zoo zijn verzwakt, dat elke werk-
zaamheid vanzelf is verboden, of op reis, wanneer de trein te
laat aankomt, en men zich in de wachtkamer verveelt, hoewel
in deze beide gevallen nog niet geheel. Want de zieke heeft
zijn arbeidsveld in zijn binnenste, en hij, die zich in de wacht-
kamer verveelt, kan ook in zichzelven keeren en vooral het geduld
in zijn hart opwekken en versterken, of hij kan zich over zijne
medereizigers ontfermen, en zoo zijn Christelijk liefdewerk ver-
richten, doordien hij zijnen naaste vriendelijk van zijne verveling
verlost.
Rust en uitspanning worden eerst dan een ongeoorloofde
ledigheid, wanneer zij niet meer als het middel tot voortbren-
ging van nieuwe en frissche arbeidskracht worden beschouwd,
maar ter wille van zichzelven gezocht worden; wanneer men ze
dus verder uitstrekt dan voor het herstel der kracht noodig en
nuttig is, of wel, onder den naam van uitspanning, zich met
dingen bezighoudt, die inderdaad niet tot uitspanning, maar
tot zinnelijk genot dienen. Wat er voor verpoozing is, b.v. in
het lezen van een de zenuwen spannenden roman, of in een
spel, dat de hartstochten opwekt, of in een maaltijd van uit-
gezochte spijzen, of in een driftig dispuut met anderen, of in
de deelneming aan een flauwe, beuzelachtige conversatie, kan
ik niet goed begrijpen, en dikwijls leert de ondervinding, dat
er groote behoefte bestaat, zich na zulke zoogenaamde verpoo-
zingen van de verpoozing weder te verpoozen. De natuur zelve
levert altijd de proef op de som. Was de uitspanning behoorlijk,
dan voelt men zich naderhand frisch, versterkt en opgewekt
tot nieuwen arbeid. Was zij echter niets dan ledigheid en tijd-
verkwisting, dan is men naderhand even lusteloos, of luste-
loozer dan tevoren. Dit valt ook dan op te merken, wanneer
de tijd, dien men aan uitspanning besteedt, bovenmate wordt
verlengd. Het gaat er mode als met het slapen. Wie daarin
maat houdt, voelt zich naderhand versterkt en opgewekt, terwijl
de langslaper in lang nog den slaap niet uit de oogen kan
wrijven, en hoe langer hij zijn slechte gewoonte voortzet, zoo-
veel te meer behoefte aan slaap krijgt.
-ocr page 101-
GELD.                                                     89
Wanneer de uitspanning den arbeid ten doel heeft, en de
arbeid zich ten doel stelt God en den naaste te dienen, dan is
de tijd goed besteed. En bij zulk eene indeeling en zulk een
gebruik van den tijd zullen ook de klachten niet gehoord wor-
den, dat men voor dit of dat, wat gebeuren moest, geen tijd
heeft. Ik denk hierbij aan vele dingen, maar vooral aan het
hebben van tijd voor het kweeken van den omgang met God,
voor bijbel en gebed. Wie zich een goed begrip maakt van
zijn tijd, wie hem goed gebruikt, die vindt ook op de werk-
dagen, en wel in het begin en aan het einde van eiken dag,
tijd genoeg om zijne werkzaamheid en zijne gedachten te bepa-
len tot inkeer in zichzelven en eene verheffing des harten naar
boven. En wie zijn rusttijd goed begrijpt en gebruikt, die zal
zeker b.v. ook op den Zondag »tijd hebben," om lichaam en ziel
te laten rusten in het element der ware en volmaakte rust,
namelijk in hetgeen Godes is. Wie dit begrijpt en daarnaar
handelt, die zal ondervinden, dat er geen rust is, waardoor de
ziel in haar diepsten grond zoo verkwikt, gelaafd en versterkt
wordt, als die, welke zij geniet, wanneer zij zich met vrome
aanbidding opheft tot God, en zelfs het afgematte lichaam in
deze rust deelt.
Maar wij zijn van eene vergelijking van tijd en geld uitge-
gaan, en gij zult tot de overtuiging gekomen zijn, dat tijd
onder alle omstandigheden meer is dan geld, ja, dat het
bijna onbillijk is tijd en geld op die wijze naast elkander te
stellen, als het spreekwoord het doet. Tijd is edeler dan geld;
het laatste wordt in het Nieuwe Testament eens de sonrecht-
vaardige mammon" genoemd, en er veel van te hebben geldt
als gevaarlijk voor de ziel, terwijl ik mij in het geheel niet
kan herinneren, dat over den tijd op dezelfde wijze gesproken
wordt. Toch hebben zij dit met elkander gemeen, dat voor
beiden een goede indeeling en een gepaste spaarzaamheid van
het hoogste belang is, en dat om die reden zeer dikwijls
zij, die goed met het eene kunnen omgaan, ook het andere
goed besteden, en omgekeerd. Wat nu echter de uitdrukking
«onrechtvaardige mammon" aangaat, hiermede wordt niet op
-ocr page 102-
00
DE ONRECHTVAARDIGE MAMMON.
de wijze der communisten alle eigendom veroordeeld en als
onrecht en diefstal gebrandmerkt; zij velt niet een afkeurend
vonnis over de bezitting van ieder in het bijzonder, maar zij
wil slechts aanduiden, dat er in het algemeen in de wereld
aan niets zooveel onrecht is verbonden, dat niets tot zooveel
zonde, onmeedoogendheid, strijd en twist, bedrog en ontrouw
aanleiding geeft, en bij niets een rechtvaardige verdeeling,
naar ieders gaven en verdiensten, zoo onmogelijk is, als bij
het geld. De gemeenschap van goederen in de Christelijke ge-
meente te Jeruzalem was immers iets geheel vrijwilligs, en
de apostel Paulus gebiedt den «rijken dezer aarde" niet, dat
zij afstand doen van hun rijkdom , maar alleen dat zij er zich
niet op verhoovaardigen, en hem goed gebruiken, tot eer van
God, tot nut van den naaste en zichzelven tot heil. »Geld is
slijk," zeggen velen, maar een koopman, die dit een weinig
huishoudelijken vriend hoorde zeggen, antwoordde: »Ja, maar
slijk is geen geld." Men mag niet vergeten, dat het onder-
scheid tusschen de rijken, die bezwaarlijk in het koninkrijk
der hemelen komen, en tusschen de armen, wien het koninkrijk
der hemelen wordt beloofd, minder in geld of goed, dan wel
in het hart ligt. Ik meen dit reeds daarom, omdat er ner-
gens gezegd wordt, hoeveel vermogen iemand hebben moet
om rijk te zijn, en hoe weinig hij moet hebben om arm ge-
naamd te worden. Menigeen wordt door hen, die in de maat-
schappij onder hem staan, voor een rijk man gehouden, terwijl
hij zichzelven arm vindt, in vergelijking met hen, die boven
hem staan en meer hebben dan hij; ja, hij heeft misschien
meer moeite om aan den kost te komen, dan hij, die hem
om zijn ruim inkomen benijdt. Arm en rijk zijn geen vaste
grootheden, en juist daarom ligt het onderscheid tusschen
de menschen niet in hun stoffelijke bezittingen, maar in hun
gesteldheid van binnen. Of iemand tot een klomp gouds of tot
een goudkorreltje zegt: »gij zijt mijn troost," of zijn hart
hangt aan een prachtige villa of aan een ellendige hut, of
hij op zijn goudstukken of op koper roem draagt, dat maakt
geen eigenlijk verschil uit. Een zoogenaamde arme, die naar
-ocr page 103-
91
WIE IS RIJK?
goud dorst, en geen goudklomp of goudkorreltje heeft, waar-
tegen hij zeggen kan: «Gij zijt mijn troost," en daarom echter
met begeerte den goudklomp van zijn buurman aanziet, en
denkt: »Ach, waart gij van mij, dan zoudt gij mijn troost
zijn;" een arme, die met afgunst en haat tot den zoogenaamden
rijke opziet en er al zijne gedachten op gericht heeft, om te
trachten zijn geld en zijne bezittingen te vermeerderen, hij ver-
dient den naam van srijke" in den ongunstigen zin van het
woord, meer dan hij, die tevreden is met wat hij heeft, aan
anderen, welke meer hebben, het hunne gunt, en van hetgeen
hem gegeven is een Godegevallig en voor den naaste nuttig
gebruik maakt.
Wel is waar is de jeugd nog in den gelukkigen toestand,
dat deze geld- en mammonsquaesties betrekkelijk ver verwijderd
zijn. En dat is goed. Want het is geen goed teeken, wanneer
een jongeling allereerst aan verdiensten en inkomen denkt. Maar
dat de tegenstelling van rijk en arm hem ook in zijne jeugd
reeds in het oog springt, dat hij misschien tusschen hen in
staat en dagelijks het onderscheid gevoelt, dat kan hem niet
bespaard blijven. Twee jongelieden bezoeken tezamen de een
of andere inrichting — de een leeft tehuis in weelde, en
kent de zorgen om aan den kost te komen slechts van hooren
zeggen, de andere wordt door armoede gedrukt, ïiet het zorg-
volle gezicht van zijn vader, de bekommerde oogen zijner
moeder. De een kaa over een ruim zakgeld beschikken, de
ander over een zeer gering of in het geheel geen. De een
kan zich vele genoegens en genietingen veroorloven, de ander
is gedwongen dat te ontberen. In de vacantie gaat de een
naar Zwitserland, de ander is blij, wanneer hij de middelen
bezit om een bescheiden bezoek bij zijne betrekkingen af te
leggen. Gene spreekt vrijuit en zonder zorg over zijne plannen,
want hij weet niet anders dan dat hij de akademie zal be-
zoeken, zich in zijn vak bekwamen en dan zijn intrede in
de wereld doen. Deze ziet het eindexamen slechts met halve
vreugde tegemoet, want zijn vader weet nog niet, hoe hij
de middelen bij elkander zal krijgen om hem te laten studee-
-ocr page 104-
92
ARM EN RIJK.
ren. Zulke tegenstellingen doen zich ook in de jeugd gevoelen.
Voor hen, die reeds een beroep gekozen hebben, en op
achttienjarigen leeftijd instaat zijn geld te verdienen, liggen
die quaesties van bezitting en inkomen nog meer voor de hand.
Dan geldt het voor jong zoowel als voor oud, dat zij hun ver-
trouwen niet op den rijkdom zetten. De rijken niet op den
rijkdom, dien hunne ouders hebben en die eens vanzelf op
hen zal overgaan, de armen niet op den rijkdom, dien zij zou-
den willen hebben en dien zij eens hopen te verkrijgen. Want
hoe meer de zoon van den rijke op zijns vaders rijkdom pocht,
des te zekerder zal hij eens ondervinden, dat deze onder
zijne handen verdwijnt. En hoe meer de arme het rijk worden
tot levensdoel maakt, des te ongelukkiger zal hij zich gevoe-
len, wanneer hij dit doel in het geheel niet, of tenminste
niet in die mate bereikt, als hij had verwacht; zooveel te
duidelijker zal het hem worden, dat niemand leeft, omdat hij
vele goederen heeft, in zoover namelijk leven niet enkel be-
staat uit eten en drinken, uit rijden gaan en feestvieren, maar
uit het gevoel van waar geluk, van volkomen bevrediging in
den diepsten grond der ziel. En wanneer den arme het leven
dikwijls treurig toeschijnt, vergeet dan niet, dat uw Vader in
den hemel beter voor u zorgt dan gijzelf kunt, dat Hij reeds
van menigen armen en geringen knaap een uitstekenden man
heeft gemaakt, wiens nagedachtenis nog heden gezegend wordt,
ja, dat de grootste, dingen, die in de wereld ten uitvoer
worden gebracht, niet door rijken, maar meest door kinde-
ren van arme ouders zijn gedaan, omdat in veel gevallen
de rijkdom eer eene hindernis, dan eene aansporing tot krach-
tig handelen bleek te zijn. Om niet te spreken van de apos-
telen — Luther was b. v. de zoon van een armen land-
bouwer en bergwerker, Kepler bracht zijne dagen in armoede
door, Schiller is met ontberingen opgegroeid, en het heeft
hem juist in vergelijking met Goethe zijn leven lang goed
gedaan, dat hij het juk in zijne jeugd leerde dragen. De
groote keurvorst Friedrich "Wilhelm van Brandenbuig beleefde
het in zijn moeielijke jeugd, dat aan zijne tafel dikwijls het
-ocr page 105-
03
SPAARZAAMHEID.
noodzakelijkste ontbrak, en toch is hij een groot keurvorst
geworden.
Of het nu veel of weinig zij, waarover gij in uwe jeugd hebt
te beschikken, het is altijd van belang, dat gij leert goed er
over te beschikken, en ook hier getrouw zijt in het kleine,
waardoor gij recht krijgt eenmaal ook naar grootere zaken uit
te zien. Verkwisting, al gaat zij ook uit van een schatrijken
jongeling, is verkeerd, en wanneer een rijke zoon vijf en veer-
tig gulden zakgeld in de maand verbruikt, heeft hij slecht ge-
handeld, niettegenstaande zijn vader hem zooveel kon geven
en ook werkelijk gaf. Niet alleen dat hij zich aan behoeften
gewende, die bij een jongeling onuitstaanbaar zijn, en tegelij-
kertijd aan uitgaven, die, als zij worden voortgezet en met het
klimmen der jaren nog aanmerkelijk toenemen, eindelijk toch
boven zijne krachten gaan: maar het verteren van zooveel geld
is uit zichzelf reeds iets onbehoorlijks. Wie veel heeft, heeft
niettemin den plicht om maat te houden en spaarzaam te zijn,
zoowel als hij, die weinig heeft. Toen Friedrich Wilhelm III van
Pruisen nog een knaap van tien jaar was, bracht de tuinmans-
jongen op een kouden Januaridag een mandje met schoone,
rijpe, in de broeikas gekweekte kersen. De prins wilde ze
gaarne koopen en vroeg wat ze kostten. »Vijf thaler," was het
antwoord. Toen wendde de knaap zich met beslistheid af, en
zeide: »Een hand vol kersen, vijf thaler? Weg er meé, ik neem
ze niet."
Zeer schandelijk is echter het gedrag van de jongelingen,
die, ofschoon zij wel weten, hoe moeielijk het voor hunne
ouders is, de kosten voor de opvoeding en ontwikkeling hun-
ner kinderen te dragen, toch van hun kant niet daarnaar
handelen, maar óf hun ouders het laatste geld afpersen, óf
vele schulden maken, die de vader dan goed- of kwaadschiks
moet betalen, opdat mijnheer zijn zoon den voornamen heer
spele en zich niets ontzegge. Wacht u toch voor het maken
van schulden, het neemt de vrijheid en den vrede weg, en
omdat men het zoolang mogelijk tracht te verbergen, lijdt ook
de kinderlijke openhartigheid er onder. En geen schulden-
-ocr page 106-
94                                                 SPAARZAAMHEID.
maker weet hoe ver hij zal komen, wanneer hij eens begonnen
is. Menigeen is in zijne jeugd langzamerhand zoo diep gezonken,
dat hij, om er zich uit te helpen, een dief werd. Wie niet
bijtijds leert naar zijne inkomsten te leven, en zich alles te
ontzeggen, wat boven zijne krachten gaat, die zal er in het levtn
zwaar voor moeten boeten. De Engelschen zeggen: «Honderd
pond inkomen, negen en negentig pond en negentien shilling
verbruik — goede administratie. Honderd pond inkomen, lion-
derd pond en een shilling verbruik — slechte administratie."
Daar ligt het verschil tusschen goede en slechte regeling in
twee shillings.
Ik bedoel echter niet., dat men zich reeds dan naar zijn ver-
mogen voegt, als men leert voor zichzelven niet meer te gebrui-
ken dan men naar zijne omstandigheden kan, maar wanneer
men zich ook bijtijds gewent iets voor anderen over te hebben.
Dat is nog geen goede spaarzaamheid, die juist afgepast de
uitgaven voor eigen behoeften in overeenstemming brengt met
de inkomsten. Maar de waarlijk spaarzame richt zijne uitgaven
zoo in, dat hij ook nog iets goeds kan doen. Wie alles, wat
hij ontvangt, voor zichzelven gebruikt, is een verkwister, al is er
nog zulk eene overeenstemming tusschen uitgaven en inkomsten.
In dit opzicht valt er iets schoons te leeren van den heer v.
Pourtalés in Neurenburg. Twee collectanten voor een weldadig
doel kwamen bij hem en hoorden, toen zij het huis binnentra-
den, hoe hij eene dienstbode berispte, omdat zij onnoodig een
lucifer had weggeworpen.
»Dat begint goed," dachten de collectanten. Ja, en het ging
verder ook goed, want zij kregen een bijdrage van 900 francs.
Toen zij niet nalaten konden hunne verwondering over deze rijke
gift uit te spreken, werd hun geantwoord: sJuist omdat ik op
een lucifer zie, kan ik groote bijdragen voor een goed doel
geven." Eene pen, die een zijner bedienden had weggeworpen,
raapte hij op en gebruikte haar juist om een schuldenaar , die
om uitstel had gevraagd, een toestemmend antwoord te geven.
Iets dergelijks verhaalt Dr. Fliedner van Kaiserswerth:
»Op eene reis naar Holland, waar ik collecteeren moest, kwam
-ocr page 107-
LIEFDADIGHEID.                                              95
ik te Amsterdam bij een rijk koopman. Reeds in den gang
hoorde ik hem zijne knechten beknorren, omdat zij zijne leidsels
in den regen lieten bederven. Hij ontvangt mij tamelijk koel,
laat zich mijne papieren geven en leest ze opmerkzaam door,
zonder van gelaat te veranderen. Ik denk: O wee, wanneer ik
hier vijf gulden ontvang, mag ik blij zijn.
sEindelijk staat hij op, gaat naar zijn secretaire en haalt
er een zakje met vijftig gulden uit, dat hij mij met liefderij-
ken ernst geeft. Ik bedank hem met de grootste verrassing en
•sta op het punt weg te gaan, toen ik gewaar word dat hij met
eene soort verlegen angstvalligheid het zakje naziet. Daar valt
mij in, dat hij zeker wel het ledige zakje terug wil hebben.
Ik zeide hem dus, dat, wanneer hij het wenschte, ik het hem
dankbaar wéér zou geven. Xu klaart zijn gelaat plotseling op,
en hij zegt vriendelijk: «Jawel, mijnheer, jawel, de zakjes zijn
geld waard." Ik nam daarop mijn afscheid, hoorde echter nog
hoe hij mij tot afscheid toeriep: »Maar, mijnheer, denk aan
het zakje."
Zeg niet dat het niet aangaat zoo iets van jongelieden te
vergen, dat het eene zaak voor volwassenen en niet voor de
jeugd is, om anderen iets te geven. Het weldoen is iets, waar-
aan men zich moet gewennen, en men kan er niet vroeg
genoeg mede beginnen zich deze gewoonte eigen te maken.
Wij moeten van jongsaf leeren, het als natuurlijk te beschou-
wen, dat tevoren een deel van datgene, waarover wij te ver-
voegen hebben, ten dienste van anderen zij, die er gebrek
aan hebben. Hebt gij week- of maandgeld, dan begrijp ik
niet, wat er ongerijmds in zou zijn, wanneer gij vooruit een
zeker deel daarvan voor het een of ander weldadig doel af-
zondert, en er vrijwillig afstand van doet. De uitvlucht: ïdat
men het geld niet zelf verdient, en dat het belachlijk is ook
daarvan nog weldaden te bewijzen, dat doet mijn vader wel" —
die uitvlucht kan men dikwijls hooren, maar zij betee-
kent weder niets. Het komt er niet op aan vanwaar het
geld wel komt, maar het is van belang of gij van datgene,
waarover gij vrij beschikken, dat gij geheel voor uzelven
-ocr page 108-
-JC
LIEFDADIGHEID.
besteden kunt, vrijwillig een deel aan anderen offert, en i.
zoo bijtijds aan het geven gewent. Menigeen leert het nooit,
en wanneer zij voor de dwaasste voorwerpen van weelde hon-
derden wegwerpen, gaat elke gulden, ja elke cent, dien zij aan
anderen moeten geven, hun als van het hart. Dat komt om-
dat zij zich niet bijtijds gewend hebben het hunne als een
goed aan te zien, dat zij niet voor zichzelven alleen hebben. Of
wanneer gij het eerste zelfverdiende geld in de handen hebt —
welk eene vreugde! Maar laat die vreugde niet zelfzuchtig,
laat het geld niet tot een mammon, tot een afgod worden;
breng er liever een deel van in de hemelsche spaarbank door
wél te doen, want deze gaat nooit te niet en betaalt hare
percenten niet alleen op haar tijd, maar ook rijkelijk. Als
men zich verontschuldigt door te zeggen, dat men niets heeft,
dan valt de verontschuldiging als beschuldiging op den per-
soon zelf terug, men heeft niets, omdat men niets geeft. Wie
geven wil, moet hebben, jawel, maar wie hebben wil, moet
ook geven. Leer dat in uwe jeugd, dan kunt gij het als gij
oud zijt. Een door zijne weldadigheid bekend man, bij wien
in den duren tijd dagelijks arme menschen kwamen eten,
placht te zeggen , dat de armen eigenlijk niet bij hem aten,
maar hij bij de armen. Hoe hij dat bedoeld heeft, is gemak-
kelijk te raden.
Friedrich Wilhelm III van Pruisen had als knaap ook zijn
behoorlijk zakgeld, dat de koning hem liet uitbetalen. Toen
hij echter eens hoorde, dat een arme man wegens eene som
van ongeveer veertig gulden in den hoogsten nood was, vroeg
hij naar den staat van zijne kas , en toen hij hoorde dat er nog
negentig gulden in waren , gaf hij dadelijk bevel er den armen
man veertig van te doen toekomen. Dat was ongetwijfeld
slechts opgespaard zakgeld, maar het heeft waarlijk daardoor
niet aan waarde verloren. Oberlin was predikant in een armoe-
dige gemeente van het Steinthal en door zijne weldadigheid
welbekend. Maar wie weet, of hij zooveel goed had gedaan ,
wanneer hij er zich niet reeds op jeugdigen leeftijd aan ge-
wend had, niet alleen aan zich ,• maar ook aan anderen te
-ocr page 109-
97
LIEFDADIGHEID.
denken ? Zijn vader had, als leeraar aan het gymnasium van
Straatsburg, een schraal inkomen, waardoor hij van tijd tot tijd
in groote verlegenheid was. Niettegenstaande dat, was hij er
op gesteld aan elk zijner kinderen wekelijks een paar stuivers
zakgeld te geven, opdat zij zouden leeren zelfstandig met hun
geld om te gaan. De jonge Fritz Oberlin was gewoon zeer
zuinig op zijn zakgeld te zijn. Deed het geval zich dan eens
voor, dat de vader een inkumende schoenmakers- of kleer-
makersrekening niet dadelijk kon betalen, en kwamen er dien-
tengevolge diepe rimpels op zijn voorhoofd, dan haastte de
knaap zich zijn spaarpot te halen, en schudde vol vreugde
zijn kleinen schat in de handen zijns vaders uit. En toen hij
eens op de markt zag, hoe verscheidene moedwillige knapen
eene boerin zulk een stoot gaven, dat haar mand met eieren
haar van het hoofd viel, vloog hij als een pijl uit den boog
naar huis, haalde zijn goedgevulden spaarpot, gaf al zijn geld
aan de verbaasde boerin, en ijlde toen weer weg, zonder haar
den tijd te laten om te bedanken.
Ga heen en doe desgelijks! Er zijn genoeg rimpels glad te
maken en tranen te drogen.
7
-ocr page 110-
VII.
DE ZONDAG.
Een geregeld terugkeerende rustdag is eene behoefte voor
den mensch, en dat zooveel te meer naarmate hij meer
bes-chaafd is, zijne behoeften veelvuldiger, de eischen, die
hem gesteld worden, verscheidener zijn. Hoe men ook ar-
beidt, men moet zijn rustdag hebben, tot welken stand, tot
welken leeftijd men ook behoore, tot welk beroep men zich
ook voorbereide. De school, het kantoor, de werkplaats, de
studeerkamer of wat het zij — het een zoowel als het ander
verbruikt onze kracht, en maakt rust noodzakelijk, niet alleen
door den slaap \'s nachts, maar ook door een veranderde, rus-
tiger wijze van k-ven gedurende een bepaalden dag. Iemand
kan zich een tijdlang aan deze natuurwet onttrekken; hij kan
dag op dag doorwerken, de werkdagen zoowel als den Zondag;
hij kan hiermede verscheidene jaren voortgaan, .maar zeker
zal het oogenblik komen, dat de gevolgen van deze wijze van
leven zichtbaar worden en de onafgebroken ingespannen kracht
begint te verslappen.
Het lichaam heeft zulk een uitrusten noodig. Het is aan
-ocr page 111-
99
DE ZONDAG.
slijten onderhevig, en hoe weldadig een vrij nurtje na den
arbeid, een gezonde slaap gedurende den nacht ook werken,
toch is dat niet voldoende om het slijten tegen te gaan. Dik-
wijls zijn er door geneeskundigen overtuigende bewijzen ge-
leverd, dat het menschelijk lichaam, om niet te verslappen,
behalve de dagelijksche rusturcn, ook van tijd tot tijd een
langere rust, een betere verpoozing en uitspanning der krach-
ten noodig heeft. En hoe grooter en vermoeiender de arbeid
is, die door de eisenen van het tegenwoordige leven aan
ieder in het bijzonder is opgelegd, zooveel te noodzakelijker
is zulk een regelmatig terugkeerende deugdelijke ontspan-
ning. Welke geheel andere eisenen stelt reeds de school tegen-
woordig in vergelijking met vroeger! Toen ging het in een
matig tempo; het doel, waarnaar men streefde, was niet
moeielijk te bereiken, het aantal vakken beperkt, en daarom
de arbeid ook aangenamer. Nu gevoelt daarentegen elke arbeid,
ook die, welke in de jeugd en door de jeugd geschiedt, den
invloed van spoorweg en telegraaf. Juist nu zijn rustdagen,
reeds uit het standpunt van lichamelijke ontwikkeling, onont-
beerlijk. Ve grootsteedsche beambte, geestelijke, geneesheer,
die zijn Zondag niet, zooals het behoort, aan de rust kan
wijden, moet daarvoor eiken zomer eenige weken lang naar
buiten, naar de bergen, om van de twee en vijftig Zondagen,
die hij in een jaar mist, er tenminste dertig in te halen. Hij
bereikt er echter op verre na niet mede wat hij door een ge-
regelden , wekelijkschen rustdag zou bereiken.
Als men meent, dat zulk een rustdag veel tijdverlies en eene
vermindering van arbeidskrachten veroorzaakt, dan heeft men
het mis. Een voorbeeld diene tot opheldering. Jaren geleden
gingen eenige vrienden der zondagsrust met hunne tegen-
standers de volgende weddenschap aan: Twee voerlieden met
gelijke wagens, gelijke lading en gelijke bespanning zouden op
een Maandagmorgen dezelfde reis aanvaarden, de Zondagsvriend
zou met zijn span eiken Zondag uitrusten, de andere echter eiken
Zondag doorrijden. Wat gebeurde er? Den eersten Zondag was
de tegenstander drie of vier mijlen voor; langzamerhand werd
-ocr page 112-
100
BE ZONDAG.
dit verschil minder; in de zesde week kwam de Zondagsvriend
zijn tegenstander vooruit, en hij bereikte met zijne nog krach-
tige paarden bijtijds het doel, terwijl de dieren van den ander
uitgeput en te laat aankwamen. Dat waren nu wel is waar
paarden; maar ik denk dat de lichaamsbouw van den mensch
in dit opzicht niet geheel daarvan afwijkt. Lord Palmerston,
de bekende Engelsche staatsman, verheugde zich nog op
hoogen leeftijd in een flinke gezondheid, en schreef dit geluk
toe aan de omstandigheid, dat hij zijn beginsel om des Zon-
dags niet te werken, gedurende zijn geheele leven trouw was
gebleven.
Evenals het lichamelijk leven, heeft ook het leven des ge-
moeds
zulk eene ontspanning noodig, en dit, zoo het mogelijk
is, nog in hoogere mate. En dat weder in den tegenwoordigen
tijd wel bijzonder sterk. De velerlei toestanden van het leven
verteren niet alleen de krachten van \'iet lichaam, maar ook
die der ziel. Hoeveel angst en strijd, hoeveel onaangenaams
en verrassends, hoeveel spanning en ontroering brengt eene
week met zich mede! Waar moet de mensch al niet aan den-
ken, voor hoeveel moet hij reeds in zijne jeugd zorgen! In
welk een stoffelijke atmosfeer moet hij de geheele week door
leven, met hoeveel stof komt hij in aanraking, totdat zijne
ziel er geheel onder bedekt is! Wat zijn er veel dingen, die
hem naar beneden trekken, die zijne vlucht verlammen en hem
in den kring van het alledaagsche opsluiten! — Hoe moeielijk
wordt het de liefelijker zijden van het leven niet te verwaar-
loozen, b.v. het familieleven! Daarom is het wel noodig dat
men tenminste een dag in de week vaststelt, waarop de ziel
het stof kunne afschudden, een andere lucht inademen, en zich
in een vrijer, beter element bewegen.
En het in engeren zin geestelijke, namelijk het Christelijke
leven — hoezeer heeft het behoefte aan een inkeer tot zich-
zelven en eene verfrissching! Als wij volmaakte heiligen waren,
dan hadden wij den Zondag misschien niet noodig, tenminste
niet om een inniger gemeenschap tusschen God en ons te
doen ontstaan. Dan zou onze ziel rusten in God, zich onop-
-ocr page 113-
DE ZONDAG VOOR HET HART.                                  101
houdelijk in zijn bestaan verlustigen, en al het aardsclie van
het leven, al zijne wederwaardigheden en verstrooiingen zouden
niet instaat zijn den geest af te trekken van zijn Maker en
zijne rust te verstoren. Maar hier op aarde zijn wij geen vol-
maakte heiligen, en daarom heeft de Christelijke gemeente
reeds in den tijd der apostelen, toen men nauwelijks begonnen
was zich van den oudtestamentischen wettelijken sabbat los te
maken, dadelijk den Zondag, als den dag van Christus\' opstan-
ding, tot een heiligen feestdag gewijd. Wij zijn niet instaat,
bij al de onrust van het leven, bij al zijne moeielijkheden
en zorgen en arbeid, onze betrekking tot God zoo ter harte te
nemen, als het behoort, en de gemeenschap met Hem voort-
durend en onafgebroken in stand te houden. Menige zaak
treedt in den loop der dagen en der uren tusschen den men-
schelijken geest en zijn God, vele dingen houden hem er van
af zijnen God zoo nabij te blijven als hij moest.
Dan komt de Zondag als een dag, die bijzonder aan God en
aan de gemeenschap met Hem gewijd is. Dan komt de wei-
aangename tijd. waarop God het heeft veroorloofd te rusten. De
geest komt dan tot zijn Schepper en vindt rust in de bron van
zijn bestaan. Waar de banden tusschen dezen en God losser zijn
geworden, worden zij opnieuw aangetrokken, verbrokene weder
vastgemaakt en de bestaande versterkt.
Hoe moeielijk komt menig goed Chiisten er toe gedurende
de week een helder bewustzijn van zijn samenhang met de
kerk en de Christelijke gemeenschap te erlangen. Hij leeft
voor zichzelven, arbeidt in zijn beroep, heeft weinig tijd om met
anderen om te gaan, en voor zoover hij door zijn ambt of
zijne zaken in aanraking met zijne medechristenen komt, ge-
schiedt dit niet naar de beteekenis en den geest van een
inniger gemeenschap. En toch moet deze door elk Christen,
onverschillig of hij jong of oud is, bevorderd worden. De
Zondag komt, ontrukt ieder in het bijzonder aan de af-
zondering van zijn beroepsleven, en plaatst hem als lid
der Christelijke gemeenschap temidden van de feestvierende
menigte.
-ocr page 114-
102                                         ZONDAG E\\ SABBAT.
Wij willen niet van een wettelijken sabbat naar de voor-
schriften van het Oude Testament spreken. Wij vergeten niet
dat de sabbat om den mensen is gemaakt en niet de mensch
om den sabbat. Onze sabbat is niet een plicht, een juk, maar
een recht, eene verademing in ons leven. Wij willen ook geen
sabbat vieren, maar den Zondag. Met den sabbat heeft de kerk
van het Nieuwe Testament reeds daardoor afgedaan, dat zij
den Zaterdag heeft laten varen en den rustdag op den Zon-
dag heeft verzet. Hiermee is echter volstrekt niet gezegd, dat
de Zondag niet moet worden geheiligd. Vergeet niet, dat alleen
hij, die met Christus is opgestaan, de vrijheid mag genieten
van Gods kinderen, en kan zeggen: »Alle dingen zijn mij
geoorloofd." Tot die vrijheid worden allen geroepen, maar
het is er verre van, dat allen er toe zouden zijn gekomen.
Kent gij iets van Christus\' gemeenschap, misbruik toch uwe
vrijheid niet, om het vleesch te behagen. Wees tegenover de
wereld, ook op den Zondag, eer te schuchter dan te vrij.
Stel er vooral geen behagen in uwe ouders of vrome men-
schen, die een meer gestrenge viering van den Zondag voor-
staan, te ergeren, en voeg u onder het juk, dat altijd zachter
is dan dat der wereld of der eigenwillige godsvrucht, u Hetzij
dat gij eet, hetzij dat gij drinkt, doe het al ter eeie Gods."
Maar ook hierdoor, ja juist daardoor zal uw Zondag helder en
vriendelijk worden en blijven.
Hoe wilt gij echter nu uw Zondag vieren? Wanneer lichaam,
ziel en geest hem noodig hebben, dan hebben alle drie er
ook recht op, dat men hen bij de viering in aanmerking neme.
Laat dus vrij hel lichaam zijn deel van de Zondagsvreugde
hebben! Het moet ook weten, dat het Zondag is. Maar zorg
steeds dat gij, bij de lichamelijke ontspanning, die gij neemt,
ook een goed geweten bewaart, uw binnenste rein houdt en
met dankbaarheid geniet, en dat ook vooral uw lichamelijke
ontspanning een Zondagsch karakter drage. Geschreeuw, rumoer
en krakeelen passen des Zondags wel het minst; dat velen
hun geschreeuw onder den naam van gezang laten doorgaan,
verai dert niets aan de zaak. Zondig en verkeerd wordt deze ten
-ocr page 115-
103
LICHAMELIJKE ZONDAGSRUST.
behoeve van het lichaam genomen uitspanning, wanneer men
doet alsof de Zondag daarvoor en voor niets anders ware, en
eindelijk, wanneer zij in zulk eene mate genoten wordt, dat
het lichaam niet verfrischt en verkwikt, maar opnieuw inge-
spannen en vermoeid wordt. Wie \'s Maandags morgens met een
zwaar hoofd en afgemat lichaam ontwaakt, zoodanig, dat hij
noodzakelijk van de uitspannende Zondagsvermaken moet uit-
rusten, heeft zijn rustdag slecht besteed.
Van veel meer gewicht dan de rust des lichaams is die
van de ziel en het gemoed. Zij hebben de geheele week door
veel te verdragen, en wie weet of het schrikbarende toenemen
van ziekten van den geest en het gemoed onder de beschaafde
volken niet ten deele ook daardoor veroorzaakt wordt, dat
het gemoed niet genoeg tot zijn Zondag, dat is tot zijne rust
komt. Op velerlei wijzen kunt gij uw zieleleven op den Zondag
verkwikking en ontspanning verschaffen.
Een rustig en harmonisch natuurgenot, een liefelijk land-
schap, de stilte van het woud — hoe heerlijk kan de ziel
daarin rust en verkwikking vinden van de woeling van het
dagelijksche leven! De verstrooide en uiteenloopende gedach-
ten verzamelen zich en worden opgelost in een minder klaar
en bestemd, maar toch zeer weldadig gevoel! Ook de kunst,
wanneer men er een goed en verstandig gebruik van maakt,
dient tot uitspanning en vei frissching van het gemoedsleven,
zoowel die, welke in klanken tot het hart spreekt en \'sle-
vens scherpe dissonanten in harmonische akkoorden oplost,
als die, welke haar ideeën in woorden uitdrukt en als poëzie
haar bloemen op den hobbeligen weg van het aardsche leven
strooit. Of wel een gezellig bij elkander zijn, dat het ge-
moed aangenaam opwekt, en niet bestaat uit beuzelachtige,
doellooze gesprekken, maar dat de ziel met die aangename
rust vervult, welke men gevoelt, als men in den kring,
waarin men zich beweegt, op zijne plaats is; eene gezelligheid,
die u voert buiten uw dagelijkschen gedachtenloop, die u doet
denken aan andere onderwerpen, andere belangen en zoo-
doende den horizont van uw geest uitbreidt en u een gevoel
-ocr page 116-
104
1)E ZONDAG VOOR GEEST EN HART.
van innerlijke bevrediging geeft — zij is ook eene gave, die
de Zondag u schenkt. Maar wanneer er sprake is van bij el-
kander zijn, dan weet ik niet wat des Zondags beter geschikt
is om het gemoed rust en uitspanning te. geven, dan liet
familieleven ,
zij het in nauweren of\' wijderen kring. Hoe
vreemd kunnen zij, die ons het naast bestaan, ons in don
loop eener week worden, wanneer ieder zijn bijzonderen werk-
kring heeft, waarin hij zich beweegt! Het is al veel, wan-
neer men elkander aan tafel geregeld ziet en spreekt. Dan zijn
de Zondagen heerlijk, om weór eens gezellig bij elkander te
zijn. Dan kunt gij over vele dingen met uw vader en uwe moe-
der spreken, waartoe in de week geen tijd en gelegenheid
was; gij kunt in nauwer betrekking tot hen komen, u opnieuw
van hunne liefde overtuigen, hun opnieuw liefde en vertrou-
wen bewijzen, en aldus de zegeningen van het familieleven, de
zegeningen van een innige verhouding tot uwe ouders steeds
weder nieuw ontvangen. Dat zal zeker gunstig werken op
geheel uw verder leven en streven, op uw geheele toekomst.
Laat u niet om den tuin leiden door hen, die u het familie-
leven , het samenzijn met vader en moeder op den Zondag
als een lastigen band willen doen beschouwen! Hier is de bron
van uwe kracht, hier liggen de kiemen van uwe toekomst en
uw levensgeluk.
Deze verschillende wijzen om het lichamelijk en geestelijk
leven des Zondags te verfrisschen, hebben elk haar recht en
daarom ook haar zegen voor den in- en uitwendigen mensch.
Maar zij moeten zich niet losmaken van hetgeen toch steeds
de schoonste kroon en het hoogste doel van de Zondags-
viering uitmaakt, zij moeten zich niet losmaken van de ge-
meenschapsoe/ening met God,
maar daaraan dienstbaar zijn,
daarop doelen. Wanneer de opwekking van het leven in God
het vaste eeuwige middelpunt uitmaakt, waaromheen alles
zich schaart, natuurgenot en kunstgenot, gezelligheid en
familieleven, dan is bet goed. Maar wanneer natuur, kunst,
familie, gezelligheid in de plaats moeten komen van den om-
gang met God, dan ziet het er slecht mede uit. Zij kunnen
-ocr page 117-
DE ZONDAGRUST IN GOD.                                     105
dat op den duur niet. Elke rust, elke ontspanning, die van
het lichaam en het gemoed zoowel als die van den geest,
moet toch in den grond een rusten in God zijn. Wanneer hst
lichaam zich met de ziel in den levenden God verheugt,
wanneer het door de Zondagsrust Gods goedheid en liefde
gevoelt, dan rust het waarlijk en wordt werkelijk verkwikt.
Wanneer de zial al haar zorgen en nooden, al haar onrust
en kwelling, alles wat haar drijft en verstrooit, samenvat in
de gedachte aan den trouwen God in den hemel, die baron -
hartig en genadig is en ten laatste alles goed maakt, dan
rust zij inderdaad uit; wanneer zij de zonden en schulden dei\'
week kan dompelen in de zee der goddelijke genade, die in
den Zoon ontsloten is, dan is er ware Zondagsvrede. Natuurge-
not en kunst, poëzie en muziek zijn schoone gaven, en God heeft
er vele vertroostende en versterkende krachten in gelegd. Doch
zij bevredigen de diepste behoefte aan rust van het menschelijk
hart niet; zij maken de oppervlakte effen, maar dringen niet
door tot den grond. Doch Gods hand reikt zoover, en hij, die
zijn Zondag gebruikt om haar opnieuw te vatten en vast te
houden, is daardoor tot de ware bron gekomen, waaruit hij
de geheele week door lafenis en verkwikking kan putten.
Daarom bereikt de Zondag eerst dan volkomen zijn doel
bij u, wanneer de opbouwing van uw innerlijk, geestelijk
leven
het resultaat, het eigenlijke hoogtepunt van uwe Zon-
dagsviering is, wanneer het zich dieper grondvest in God,
uw geestelijk eigendom werkelijk vermeerderd wordt en gij
u hoe langer hoe meer losmaakt van uw aangeboren en aan-
gewende gebreken, terwijl uw geheel innerlijk leven zich
vaster hecht op het fondament van ware gemeenschap met
God. Daartoe dienen twee genademiddelen : de Bijbel en het
Avondmaal. Gebruik dus den Zondag om u behoorlijk met
het Woord Gods bekend te maken. Gij komt er misschien in
de week moeielijker toe; is er dan geen tijd om de Schrift
rustig en geregeld te lezen en bij hare woorden stil te staan,
welnu, gebruik dan den Zondag om u in den Bijbel te ver-
diepen.
-ocr page 118-
106
OPBOUWING.
Doch niet alleen voor uzelven moet gij Gods Woord hebben,
maar ook gemeenschappelijk met anderen. De Zondag is een
dag van Christelijke gemeenschap, daarom is uwe plaats op
dien dag niet alleen tehuis in de stilte, ook niet alleen bui-
ten in het groene boscli, maar ook daar, waar de Christelijke
gemeente bij elkander komt, in het huis Gods. Wat de »god-
dienstoefening in de natuur" aangaat, dat is nog een zeer
twijfelachtige zaak. Zij doet denken aan den dienst op de
hoogten, dien de Joden in het Oude Testament om niets ter
wereld wilden nalaten, en waaraan zij altijd weer de voorkeur
gaven boven de godsdienstoefening in den tempel te Jeruza-
lem: vandaar dat ook van de beste koningen van Israël
gezegd woi\'dt: »Evenwel werden de hoogten niet weggeno-
men, het volk offerde en rookte nog op de hoogten." Dat
was ook zulk eene godsdienstoefening ,,in de vrije natuur."
Xu leven wij wel is waar niet meer in den tijd van den tem-
pel Salomo\'s, maar in den tijd van de aanbidding Gods in
geest en in waarheid. Meestal is ook de godsdienst het minste
bij zulk eene Zondagsviering in de natuur, en, al begint zij
met een lofzang, van lieverlede komt er een geheel andere
stemming voor den dag.
Maak het u dus tot een vasten regel, des Zondags, ook
wanneer niemand u daartoe opwekt, de openbare godsdienst-
oefening niet te verzuimen. Zelfs wanneer de preek u om
de een of andere reden niet bijzonder aantrekt, — dan
zullen toch de oude, in de school geleerde kerkliederen,
de vanouds bekende bijbelteksten met hunne wonderlijke
kracht, de tonen van het orgel en het gevoel van aan de
Chiistelijke gemeente toe te behooren, een verheffenden, op-
bouwenden en weidoenden invloed op uwe ziel uitoefenen.
Ten tijde van den Freiherr von Stein hoorde men van den
kansel ook veel rationalistischen onzin. Toch verzuimde hij
niet des Zondags om de beurt met zijne ondeihoorigen de
kerk te bezoeken, en wanneer hij onvoldaan tehuis kwam,
kon hij wel eens scherp uitvallen over den predikant, die
«meer over de ossen en ezels wist te praten, die de arke des
-ocr page 119-
KERK IN DE VRIJE NATUUR.                                  107
verbonds voorttrokken, dan over het heiligdom zelf."\' Maar
hij voegde er dan bij: «Wij kunnen getroost zijn; al is de
preek slecht, clan klinkt tusscher.in toch een lied van Dr.
Luther en Paul Gerhard, en wanneer men vroom wil zijn,
dan gaat het toch."
En nu het AvJodmaal] In de oudste Christelijke gemeenten
heeft men eerst eiken dag, daarna eiken Zondag het heilig
Avondmaal gevierd; tegenwoordig is de viering voor elk in
het bijzonder zeldzamer geworden. Maar een goed Christen,
een Christelijk jongeling zal vanzelf van tijd tot tijd de be-
hoefte gevoelen om zich deze kostelijke gave, die de Zondag
hem brengt, eigen te maken. Het is een maal des geloofs voor
een ieder, die zich het in Christus aangeboden heil op grond
der gegeven belofte persoonlijk toeeigent. Het is een maal
der liefde, van innige gemeenschap met de heiligen, van ver-
eflening van alles, wat als scheiding en stoornis optreedt
tusschen den eenen mensch en den anderen. Het is een maal
der hope op een toekomstige opstanding, op eene vereeniging
van alle kinderen Gods aan de tafel huns Vaders in het rijk
der hemelen. Word geen vreemdeling aan dezen maaltijd,
zooals zoovelen doen, die er op den Zondag na hunne bevesti-
ging voor het eerst en het laatst aan hebben deelgenomen,
en zich dan in een ernstige en gevaarlijke krankheid tever-
geefs aftobben om in de goede «stemming" te geraken- Neem
het niet te lichtvaardig op, en wacht u het onwaardig en
onvoorbereid, lichtzinnig en gedachteloos te ontvangen. Neem
het ook niet te zwaar op. Het schijnt mij dikwijls toe, alsof
ernstige jongelingen zich wel eens te hooge voorstellingen
maken van de vereischten voor een goede avondmaalsviering.
Gij moet niet medebrengen, maar ontvangen. Ontvankelijk en
begeerig naar goddelijke sterking behoort gij te zijn, door-
drongen van uw eigen onwaardigheid en schuld, maar ook
van Gods genade en lankmoedigheid. En wanneer gij u den
vorigen Zaterdag hebt moeten afsloven op uw aardsche dag-
werk en ter nauwernood tijd hebt gehad om u voor te be-
reiden, maar toch vurig naar eene verkwikking der ziel ver-
-ocr page 120-
108                                         AVONDMAALSVIERING.
langt, kom dan gerust Wie waarlijk verlangt, is ook goed
voorbereid, zoo zeker als iemand , die hongerig of dorstig is,
voor spijs en drank is voorbereid. »Maar ik heb geene behoefte,"
zegt gij misschien, ohet eene jaar voor, het andere na." Leg
u hier niet bij neder. Wanneer in het lichamelijk leven een
mensch dagen, ja weken lang geene behoefte aan krachtige
spijs of drank gevoelt, dan zeggen wij: hij is ziek, er is iets
niet in orde. Zoo ook, wanneer een mensch jaar in jaar uit
geene behoefte gevoelt aan de innigste vereeniging met zijn
God en zijn Heiland, moet men zeggen: hij is inwendig ziek,
er is iets niet in orde in zijn Christelijk leven. Let op, waar
bij u het gebrek schuilt. Zie toe of gij niet heimelijk vreest
tot uzelven in te keeren, uzelven te beproeven, waartoe gij door
de voorbereiding tot het Avondmaal verplicht zijt. Zie toe,
of uw hart niet aan vermaken, verstrooiingen, misschien aan
zonden hangt, waarvan gij wel gevoelt, dat zij niet bij eene Avond-
maalsviering passen, en waarvan gij toch geen afstand wilt doen.
Zie toe of uw innerlijk leven ook op dwaalwegen is geraakt,
waarvan gij in uw dagelijksche bezigheden geen bewustheid
hebt, maar die u duidelijk worden, wanneer gij tot de deel-
neming aan het heilig Avondmaal uitgenoodigd wordt. De
gedachte aan zulk een verkeerde richting ligt voor de hand.
Beproef uzelven!
Tot zoover over den Zondag. Het gebied van ontspanning
en verkwikking, dat hij voor ons opent, is uitgestrekt en kan
alles bevatten wat eerbaar, wat billijk, wat kuisch, wat liefe-
1 ijk is, wat wèl luidt; alles wat deugd en eer mag hee-
ten. En hij, die den Zondag goed viert, geniet er de ge-
heele week van. De Zondag is de eerste dag der week, als
het ware de wortel van de weekdagen. Uit een gezonden
wortel komen ook gezonde takken, bladeren, bloesems en
vruchten voort. En een gezonde rustdag brengt gezonden
arbeid voort. Een kerkvader heeft den Zondag den koning
en vorst aller dagen genoemd; een ander zeide» dat een leven
zonder Zondag als een lange tocht door de woestijn zonder
rustplaats zou zijn. Een edele koning van Pruisen, Friedrich
-ocr page 121-
I)E ZONDAG MAAKT HE WEEK.                                109
Wilhelm III, zeide gewoonlijk: »De Zondag maakt de week."
Als hij de week maakt, dan maakt hij ook ten laatste het
leven; want wat is het langste menschenleven anders dan een
paar duizend weken, die aan elkander geschakeld zijn, en
waarvan elke den stempel heeft ontvangen van den Zondag,
waarmede zij begint ?
-ocr page 122-
VIII.
VERMAKEN.
Wij hebben vroeger voor de uitspanning eene plaats open-
gelaten bij de indeeling van den tijd, en haar uitdrukkelijk
van den lediggang onderscheiden; wij hebben zelfs voor de
uitspanning van lichaam, ziel en geest een bijzonderen dag
vrijgehouden. Daardoor heeft dan ook hetgeen wij onder
vermaken verstaan, een recht van bestaan gekregen in het
jongelingsleven. Nu moeten wij nog nauwkeuriger nagaan,
welke vermaken het zijn, die een heiligen jongelingstijd kun-
nen veraangenamen, onder welke voorwaarden een ernstig
jongeling er deel aan kan nemen. Hier is vooral de reëel van
toepassing: vermaken moeten verdiend zijn, namelijk verdiend
door trouwen arbeid, door nauwgezette plichtsvervulling. Na
den werkdag een Zondag, na arbeid rust, dat zegt reeds ons
natuurlijk gevoel. Nooit is men \'s avonds in den familie- of
vriendenkring vroolijker, dan wanneer men den geheelen dag
door gearbeid en zijn dagelijksch werk volbracht heeft. Daaren-
tegen werpt slechte plichtsvervulling hare donkere schadu-
wen ook op de uren, die aan vermaak en uitspanning gewijd
-ocr page 123-
Ui
VERMAKEN.
zijn, en waar dat niet meer hst geval is, wanneer men na
een gebrekkige vervulling van zijne plichten vroolijk en zelfs
uitgelaten zijn kan, dan is óf de vroolijkheid voorgewend, óf
zij is een bewijs, dat het geweten reeds zeer verhard is. Daarbij
spreekt het vanzelf, dat de ai beid het grootste deel, het ver-
maak slechts een gering percent van onzen tijd mag in-
nemen. Niet tevergeefs heeft God na zes werkdagen een
rustdag voorgeschreven. Zij die, omdat zij rijk zijn en hun
brood niet behoeven te verdienen, hun tijd met niets anders
dan «genoegens" doorbrengen, komen door al die genoegens
tot geen eigenlijk genoegen meer. Zij worden geblaseerd, niets
kan hen meer verheugen. Zij spreken tot het lachen: Gij zijt
uitzinnig, en tot de vreugde: Wat wilt gij? Wat uitspanning
moest zijn, wordt op deze wijze arbeid, en wel tot een arbeid ,
waardoor de krachten nog veel meer uitgeput worden, dan
door den hardsten arbeid van geest of lichaam. Vraag maar
eens aan het eind van het seizoen aan een trouwen bezoeker
van bals en soirees, hoe hij het gemaakt haeft, en hij zal u
zuchtend verhalen aan hoeveel feestelijkheden, partijen en
dergelijken hij don geheelen winter heeft moeten deelnemen.
Waarom moeten al die menschen, bij wie arbeid het minste
en vermaak het meeste is, noodzakelijk naar badplaatsen, om
er hun zenuwgestel te ontspannen en te versterken ? Is dat
geen duidelijk bewijs welk een zwaren arbeid zulk een winter
oplevert, een bewijs dat, wie het vermaak om het vermaak
najaagt, er eindelijk geheel ongeschikt voor wordt? Dus elk
genoegen moet verdiend zijn en met mate behoort er van ge-
noten te worden.
Daarbij moeten uwe genoegens in overeenstemming zijn met
uwe jeugd! Er moet een frisch, krachtig streven in liggen,
dat eigen is aan de jeugd; genoegens, waaraan een zekere
ideale kern niet ontbreekt, en die geenerlei verwantschap
hebben met het gemeene. B. v. het kaartspel is toch eigenlijk
gezegd een dor en geesteloos tijdverdrijf, hoezeer het ook
tegenwoordig in vele klingen in de mode is; ook het voort -
durend bezoek van schouwburg en bals en het lezen van gebla-
-ocr page 124-
112
EENVOUD IN \'T VERMAAK.
seerde romans. Daarentegen prijs ik als een zeer gepast ver-
maak een flinken tocht op schaatsen in den winter, een vroo-
lijke zwemoefening in den zomer, een gezonden loop over
berg en dal in al de vier jaargetijden, een goed boek, dat
den geest aangenaam ontspant en de fantasie opwekt, een
geestige vertelling, een onschadelijke gezelligheid en wel het
liefst zulk eene, die zich aan den familiekring aansluit, onder
diens onmiddellijke tucht staat, en als niets meer dan eene
uitbreiding er van beschouwd kan worden. Maar vooral de
voetreizen! Zelfs al is men het niet geheel eens met de lof-
redenaars van den goeden ouden tijd, dan kan men toch in
zoover een tegenzin hebben tegen de spoorwegen, omdat door
hen de voetreizen zeldzaam geworden zijn. Toch heeft men
nog altijd den troost, dat zij, wien het werkelijk om het
wandelen te doen is, ook nu nog niettegenstaande de spoor-
wegen en juist door middel van hen, hun plan kunnen vol-
voeren, daar de locomotief hen snel naar die punten voert,
welke voor tochten te voet het schoonst zijn, zoodat zij frisch
en krachtig aankomen, waar het ware genot begint.
Niettemin is het altijd iets genoegelijks, wanneer jonge-
lieden eene voetreis ondernemen ook in de nabijheid van eene
spoorweglijn. liet geeft een verheffend, trotsch gevoel, den
spoorweg te kunnen missen en te denken: »Rijd maar door
en fluit zoo hard ge kunt, ik bereik mijn doel ook zonder
u." Maar wanneer gezonde, krachtige jongelingen hun uit-
stapje zoo inrichten, dat zij, per spoortrein in Zwitserland
aangekomen, per trein naar den Rigi worden gebracht, per
trein den top bereiken, den volgenden dag op dezelfde wijze
teruggaan en dan verder, te paard of in een rijtuig, op een
ezel of per stoomboot — ach, dan hebben zij nog weinig be-
grip van het genoegen, dat het reizen kan geven, in weerwil
van hun alpenstok met al de bergpassen en watervallen en
toppen, die er in zijn gebrand!
Wie zegt ook, dat eene voetreis zich noodzakelijk zoover
moet uitstrekken en altijd bergen en gletschers moet omvat-
ten ? »Wilt gij in den vreemde trekken ? Zie, het goede is
-ocr page 125-
113
EENVOUDIUHEID.
zoo nabij," — aan hoeveel jongelingen moet dat steeds weder
voorgehouden worden, wanneer zij reeds allerlei verre hoogten
bestegen hebben, en hun eigen land niet kennen! Tegenwoor-
dig durft men er nauwelijks voor uitkomen, waar men in de
vacantie geweest is, als men niet tenminste van een uitstapje
naar den Rijn of de Harz kan vertellen; voor velen is ook
dat reeds te gering, en most men naar Zwitserland of Italië
geweest zijn, als men wil medespreken, wanneer er sprake is
van reizen; en ten laatste zullen alleen nog maar de poolstre-
ken als een waardig zomerverblijf genade in hun oogen vinden.
Dat brengt mij nog op iets anders. De genoegens der jeugd
moeten, onder anderen, niet met overmatige kosten gepaard
gaan. Het staat er meö als met het speelgoed van kinderen.
Hoe duurder en kunstiger het speelgoed is, zooveel te minder
zal het den smaak der kinderen op den duur bevredigen. Hoe
eenvoudiger en goedkooper het is, zooveel te liever speelt het
kind er mede; ja, het wordt eerst dan met vele kostbare voor-
werpen eigen en vertrouwd, wanneer zij een vernielend en
vereenvoudigend proces hebben ondergaan. Juist zoo is het
met de genoegens der jeugd. Hoo gemakkelijker ze te bekomen
zijn; hoe minder kosten, bezwaren en voorbereidende maat-
regelen zij met zich brengen, zooveel te beter zijn zij; en hoe
omslachtiger, kostbaarder en ingewikkelder zij zijn, zooveel
te minder deugen zij juist voor de jeugd, zooveel te spoediger
heeft men er genoeg van. In dit opzicht zag koning Fredrich
Wilhelm III van Pruisen altijd met bijzondere voldoening op
de genoegens van zijn geboortedag terug. Wanneer zijne kin-
deren hun vermaak en hunne vreugde ver wilden zoeken, dan
zeide hij hun: »Gij wilt altijd de hoogt3 in en bedenkt niet
hoe het mij op uw leeftijd ging. Ik kreeg op mijn verjaardag
een residaplantje, eenige stuivers waard, en wanneer mijn
hofmeester mij eenig genoegen wilde verschaffen, dan bracht
hij mij naar den tuin van de school, en liet mij daar voor een
dubbeltje kersen geven." Waar is de jeugd, die heden ten
dage door een residastekje of een pond kersen in een feestelijke
stemming geraakt?
8
-ocr page 126-
114
GENOEGENS.
Vóór alle dingen moet een genoegen, wanneer het gepast
wil wezen, onschuldig zijn. Waar tegen matigheid en orde,
tegen tucht en goede zeden gezondigd wordt, waar genietingen
opgezocht worden, die zijn verboden, hetzij omdat zij verkeerd,
of tenminste ongeschikt zijn voor de jeugd, daar is het gc-
noegen niet edel en gepast meer, daar werkt het ook niet meer
verkwikkend, maar verslappend op den geest, niet meer als
balsem, maar als vergift. Maar wat is nu in engeren zin 011-
schuidig, en wat niet?
Er zijn genoegens, waarvan het niet twijfelachtig is of zij
verkeerd, of wel geoorloofd zijn, b.v. een uitstapje in de vrije
natuur aan den eenen, en een dronkenmanspartij aan den an-
deren kant. Maar behalve die dingen, welke stellig verkeerd
en die welke prijzenswaardig zijn, bestaan er nog vele, waarover
niet zoo gemakkelijk een oordcel is te vellen. Dit komt vooral
uit, wanneer men, bij hetgeen men zich veroorlooft, niet
alleen naar de menschen, maar ook naar God vraagt; wanneer
men niet alleen het door de menschen geoorloofde, maar ook
den wil en het gebod Gods tot richtsnoer van zijn handelen wil
maken. Dan komen wij tot die dingen, welke als het ware op
de grens staan, zooals het bezoek van schouwburgen, van bals
en andere vermakelijkheden, waarover ook onder ernstige
Christenen verschil van meening is. Laat ons dus zien, wat men
hiervan denken moet, en dat wel niet in het algemeen, maar
in het bijzonder, en in hoever zulke genoegens op jeugdigen
leeftijd gepast zijn.
Wat ten eerste het dansen betreft, dan is het zeker dat
reeds zeer vele menschenkinderen een zeer gelukkige en
vroolijke jeugd gehad hebben, zonder precies te weten wat
eene polonaise en wat eene frangaise is. Wederom is het zeker,
dat zeer veel jongelieden, die dansles genomen hadden, en
wat zij hadden geleerd, ook uitoefenden, toch een onschul-
dige en reine jeugd achter zich hebben. Dit bewijst nu vrij
duidelijk, dat het schuldige of onschuldige van dit genoegen
niet in de zaak zelve ligt, maar in den persoon, die zich dit
genot veroorlooft en in de nadere omstandigheden, die het
-ocr page 127-
H5
DANSEN.
vergezellen. En dat is het juist. Er is niets aardigers dan
een troepje dansende kinderen, echter niet op een kinderbal,
maar buiten op straat, of op de groene weide. David danste
uit alle macht voor de ark des verbonds, en de dochter van
Herodias danste ook; maar het was bij die twee toch iets
zeer verschillends. De prediker Salomo geeft aan het dansen,
zoowol als aan het klagen zijn tijd, ofschoon, voor zoover ik
weet, het dansen der jonkvrouwen in het Oude Testament
door deze alleen, en niet paar aan paar met jongelingen werd
uitgevoerd.
Wat zon er ook in het dansen voor verkeerds zijn ? Is het
dan zoo erg, wanneer men zich op de maat der muziek, naar
de wetten der schoonheid, bevallig en kunstvol, dan eens snel,
dan wéér langzamer voortbeweegt? Wel zeker, beste vriend,
wanneer het u bij het dansen om niets anders te doen is, dan
om goede houdingen en schoone, afgeronde, harmonische be-
wegingen — dans er dan maar op los zooveel gij wilt, naar
hartelust. Wanneer het bij het dansen alleen daarop aankomt,
dan had de oude. Flattich geen ongelijk, die, toen zijne jongens
hem verlof vroegen om te dansen, ten antwoord gaf: »Zoo,
wilt gij zoo gaarne springen? Weet ge wat, daar is de Bir-
kensche hoogte, springt eens naar boven en dan weer terug,
dan kunt gij uw verlangen bevredigen en behoeft niemand om
vergunning te vragen." In de maat was dat misschien ook
wel gegaan, en wat de bevalligheid der bewegingen aangaat,
geloof ik zeker, dat ze niet minder geweest zou zijn, dan
wanneer in de danszaal de paren wild ronddraaien.
Wel is waar heeft Flattich toen zijne jongelieden door het
hun gegeven antwoord tevreden gesteld, maar menig jongeling
is het met deze opvatting in \'t geheel niet eens. Al legt hij
eerst den meesten nadruk op de beweging, hij zal toch ein-
delijk antwoorden: »Jawel, maar het dansen is slechts half
genoegen, wanneer het niet paarsgewijze geschiedt. Daarin ligt
eigenlijk het aantrekkelijke." Tegenover deze bewering zou
men het voorbeeld van Friedrich Wilhelm I, den vader van
Frederik den Groote, kunnen aanhalen. Deze placht elk jaar
-ocr page 128-
H6
DANSEN.
op den 11**" September, den herinneringsdag aan den slag
van Malplaquet, een eigenaardig feest te vieren. Het middag-
maal was iets fijner dan anders. »Na hetzelve begon Zijne
Majesteit de koning ook te dansen, maar alleen met officieren
en voornamelijk met oude generaals. Daaronder bevond zich
de luitenant-generaal von Pannewitz, die in den slag van Mal-
plaquet een geweldigen houw over het hoofd had ontvangen.
Vrouwen waren niet bij dezen dans tegenwoordig , maai\' Hare
Majesteit de koningin retireerde zich met de princessen en
de dames, zoodra het middagmaal voorbij was en de dans
begon." Nu zal men zeggen: »Deze koning was geen ideaal
van aesthetischen smaak en daarbij reeds een oud man, overi-
gens heeft hij zeker nog andere danspartijen aan zijn hof
gehad, waar paarsgewijze gedanst werd." Dat is waar, maar
even zeker is het, dat het dansen met «officieren en generaals"
hem veel genot verschaft heeft. En waarom ligt juist het aan-
trekkelijke van het dansen daarin, dat het paar aan paar ge-
schiedt? Komen wij hier niet op gevaarlijken grond? Daarop
antwoordt men, dat het dansen de allerbeste gelegenheid aan-
biedt, om zich aan een vrijen, onbevangen omgang met het
andere geslacht te gewennen. Dit voordeel is mij niet geheel
duidelijk. Want ten eerste meen ik, dat het zoo erg niet is,
wanneer de omgang van een jongeling met het andere geslacht
vooreerst rog een weinig onvrij en schroomvallig blijft. Die
al te vroege gemakkelijkheid op dit punt, dat vrije en onbe-
schroomde optreden, dat men gaarne den naam geeft van »savoir-
vivre," zullen verstandige ouders gansch niet ongaarne bij
hunne jongelieden missen. Daarbij valt het nog te betwijfelen ,
of het dansen waarlijk aan de uitgesproken bedoeling beantwoordt.
Of zouden de gesprekken op bals, die om hun lafheid en on-
beduidenheid tot een spreekwoord zijn geworden, het ware
verbindingsmiddel, de juiste wijze van omgang zijn? Men kan
honderd andere gelegenheden opsommen , waarbij een verstan-
dige, binnen de noodige perken blijvende omgang veel ge-
makkelijker tot stand komt, dan onder het dansen, dat
reeds daarom geen verheven soort van gezelligheid mede-
-ocr page 129-
\\\\1
DANSEN.
brengt, omdat het \'t woord niet tot zijn recht laat komen.
Want terwijl men zich tot den dans gereed maakt, of in den
dans rondzweeft, of van den dans uitrust, kan men eigenlijk
geen verstandig gesprek voeren. Wel is waar is het nog altijd
even verstandig als b.v. menig pandspel of gekeuvel, dat toch
ook zeer onbeduidend kan zijn, zonder dat men juist danst.
Het is ook, Gode zij dank, ongetwijfeld waar dat menige
jongeling en jonge dochter in de onschuld des haiten vermaak
schept in het dansen en toch rein en zedig blijft. Immers de
jonge Perthes in Hamburg heeft zich in zijn tijd met zulk een
heilig, ernstig streven op het dansen toegelegd, dat hij het op
zijn «innerlijke volmaking toepaste." Hem heeft het zeker geen
nadeel gedaan. Maar even zeker is het ook, dat bij het harts-
tochtelijk dansen ook nog iets anders in het spel is, wat men
niet zou willen zeggen, wat men misschien zichzelf niet eens
bekent, en wat zich toch in den diepsten grond des harten
roert. En daarom blijft er hier niets anders over, dan een
ieder, die het dansen als een onschuldig vermaak aanprijst, te
vermanen, dat hij zich naar zijn geweten oprecht en waar af-
vraagt: Word ik daardoor naar omhoog, of naar omlaag ge-
voerd? Worden mijn edele of onedele neigingen er door gebaat?
Gevoel ik mij na zulk een genoegen dichter bij God of verder
van Hem? Word ik er door opgewekt om de plichten van mijn
beroep goed te vervullen, of maakt het mij verstrooid en
traag? Hoe werkt het op mijn gedachtenleven? Worden daar-
door niet gedachten in mij opgewekt, die liever in \'t geheel
niet in mijne ziel moesten opkomen? Men kan deze vragen niet
altijd dadelijk beantwoorden, maar zeker kan men na verloop
van eenigen tijd zichzelven genoeg kennen op dit punt. En wan-
neer op deze vragen niet met een goed geweten een gunstig
antwoord gegeven kan worden, dan is het een duidelijk bewijs,
dat het genoegen voor den persoon in quaestie niet onschuldig
is, maar dat het gevaarlijk is voor zijne ziel en daarom moet
worden vermeden, zelfs al veroorzaakt het hem evenveel pijn
er afstand van te doen, als wanneer hij een hand af hieuw
of een oog uitrukte. In elk geval is het opmerkenswaardig
-ocr page 130-
H8
DANSEN.
dat, van alle vrije kunsten, het dansen de eenige is, die bij
den Christelijken eeredienst nooit toegepast geworden is.
Bij deze overwegingen, die op ieders persoonlijk leven be-
trekking hebben, zou men nog een meer algemeene kunnen
voegen. Het is mogelijk, dat iets voor een enkelen persoon
tot op een zekere hoogte onschuldig en niet gevaarlijk is,
maar toch in het algemeen een karakter heeft aangenomen,
dat met een ernstige levensopvatting en de plichten der jeugd
niet samengaat. Wanneer een zoogenaamd genoegen van dien
aard is, dat het, zooals iedereen weet, reeds veel schade heeft
aangericht, veel onheil veroorzaakt; wanneer het eene gestalte
heeft verkregen, waardoor het naar de gesteldheid van het
menschelijk hart zeer voor de hand ligt dat het altijd meer
schade, meer onheil zal berokkenen aan onervaren, jeugdige
gemoederen, dan behoort het niet op het gebied van een
heiligen jongelingstijd. En de ondervinding leert zeer bepaald,
dat daartoe de openbare dansgelegenheden te rekenen zijn,
die buiten den kring van het familieleven treden, en dienten-
gevolge niet meer onder de tucht en het toezicht van anderen
staan. Blijven zij binnen den kring der familie, dan hebben
zij reeds dadelijk een ander karakter, ofschoon het ook daar
ieders plicht is, een vaste overtuiging te krijgen, of hij er met
een goed geweten aan mag deelnemen of niet. Maar in alle
geval is het een onloochenbare zaak, dat door zulke publieke
bals reeds menig jeugdig hart vergiftigd en in een maalstroom
van genotzucht, ijdelheid en zinnelijke genietingen gesleurd
is, die hem verderfelijk is geworden, waaruit hij zich althans
slechts onder veel smart en bittere ondervindingen heelt kun-
nen werken. Zulke feiten moeten dan toch op de beoordeeling
der genoegens, waarmede zij gepaard gaan, en op den lust om
er aan deel te nemen eenigen invloed uitoefenen. Is er sprake
van een ïbal ten voordeele der armen," of voor een ander
weldadig doel, dan verandert dat niets aan de zaak. Deze
manier van weldoen schijnt mij meer dan zonderling toe, en
altijd herinnert het mij aan die dame, welke, toen zij naar
een bal ging en door een bedelaar werd aangesproken, uitriep:
-ocr page 131-
HO
DALS.
«Lieve hemel, wat wilt gij dan? Ik dans immers heden
voor u."
Wanneer eene stoombootmaatschappij verscheidene schepen na
elkander tengevolge van het een of ander ongeval verliest,
dan bezint ieder zich nog eens vóór hij zich aan een schip
van deze maatschappij toevertrouwt. Wanneer op een spoorweg-
lijn dikwijls botsingen of andere ongelukken voorkomen, dan
dalen de aandcelen in waarde en liet voorzichtige publiek
verliest het vertrouwen. Wanneer eene plaats, waar gebaad
wordt, blijkt gevaarlijk Ie zijn en er \'s zomers een of meer
personen verdrinken, dan kiest men een andere. Zou het dan
na zulke voorbeelden niet te verwachten zijn, dat die gcnoe-
gens, welke voor velen het zedelijk bederf zijn geweest, lang-
zamerhand aan crediet verliezen? Wie in zijn Onze Vader de
zesde bede met ernst bidt, mng zich ook niet onnoodig op
plaatsen begeven, die zeer waarschijnlijk gevaarlijk voor hem
zullen worden. Want het is ongerijmd, te bidden: »Lcid ons
niet in verzoeking," en ze zelf op te zoeken.
Tot besluit moge dienen wat een ervaren onderwijzer van
een publiek bal zegt, dat hij als jongeling bijwoonde. »Wat
zag ik? Ik zag menschen, die bij de tonen van een viool, een
bas en een klarinet in een kring ronddraaiden, terwijl zij de
dikke stoffige lucht inademden en de zweetdruppels langs hun
gelaat liepen. Ik zag karikaturen, die zelf vol afgunst om
andere karikaturen lachten; ik zag zinnelijke menschen, onbe-
teekenende dwazen, die hun ijdel geklap aan hunne dames ver-
kwistten en haar toch niet bevielen. Ik zag verwaande pronkers vol
zelfbehagen rondwandelen, anderen het loon van hun arbeid
van een gansche week verdansen en verteren, en anderen
hetzelfde doen met het geld, dat zij van anderen geleend had-
den. Terwijl ik uitwendig vroolijk en belangstellend scheen,
walgde\' ik inwendig, en ik voelde mij vreemd en niet op mijn
gemak; loodzwaar drukte de gedachte op mijne ziel: O hoe
ijdel is dit jagen naar zinnelijk genot, hoe koud zijn deze
woelige feesten!"
Wat nu verder den schouwburg aangaat, deze staat in den
-ocr page 132-
120                                          DE SCHOUWBURG.
rang der genoeger.s reeds een trap hooger dan het dansen.
Want het dansen is niets dan gebaar, en het zwaartepunt
der dramatische kunst ligt juist in het vrije woord, en het
gebaar is slechts bijzaak. In de klassieke oudheid nam zij,
zooals bekend is, een hoogen rang onder de publieke volks-
vermaken in, waaraan de jeugd ook zonder bedenken deelnam.
De eerste Christelijke kerk was er tegen, eensdeels omdat de
voorstellingen in zulk een nauw verband stonden met den
heidenschen godsdienst, en ook om de onzedelijkheid, welke
er in dien tijd van wanorde en ongebondenheid onafscheide-
lijk mede verbonden was. Later, toen de kerk een univer-
seeler gestalte aannam, heeft zij vooral te Konstantinopel aan
het Bijzantijnf-che hof het schouwspel geduld, en de midden-
eeuwen hebben juist een soort Christelijk tooneel tevoorschijn
geroepen. Dat waren de zoogenaamde » mysteriën," dramati-
sche voorstellingen uit de lijdensgeschiedenis, waarvan wij nog
Je eerwaardige overblijfselen in de passiespelen van Oberammer-
gau zien.
Wel is waar ontaardden ook de mysteriën zeer spoedig.
Men trachtte den ernst der lijdensgeschiedenis door ingevoegde
kluchten en grappige tooneelen te verminderen. De tocht der
Emmaüsgangers en hun samenzijn met den Heer in de herberg
werd als een vroolijke drinkpartij voorgesteld; de Heer maant
tot ernst, de discipelen worden steeds vroolijker en uitgelatener,
totdat Je/us heengaat en de discipelen door den waard weg-
gejaagd worden, omdat zij niet kunnen betalen. Dit geestelijke
schouwspel echter is de moeder van het wereldsche; de kerk
de moeder van den schouwburg. Nog in den tijd der Hervor-
ming heeft niet alleen de vrome en edele Hans Sachs zijn
vastenavondspelen gedicht, maar de volgelingen der humanisten
plachten ook stukken van Plautus en Terentius op te voeren,
of wel voor dit doel nieuwe stukken te dichten. Melanchton
trad bij gelegenheden op. Luther hechtte aan dit spelen zijn
volste goedkeuring: »Comedies te spelen moet men met het
oog op de knapen in de school niet weren, maar vergunnen
en toestaan; ten eerste, opdat zij zich oefenen in de Latijnsche
-ocr page 133-
121
SCHILLER OVER HET TOONEEL.
taal, ten tweede omdat in de comedies op kunstige wijze
personen worden afgeschilderd en voorgesteld, waardoor den
menschen wordt geleerd en voorgehouden wat een knecht, een
heer, een jongeling en een grijsaard betaamt. Daarenboven
worden ook beschreven en aangetoond de listige aanslagen en
het bedrog der kwaaddoeners."
Dat klinkt ongeveer hetzelfde als de verhandeling van Schil-
ler over »de schouwburg als een moreele instelling," waarin
hij met veel nadruk op de betrekking tusschen schouwburg en
kerk gewezen heeft. In vullen ernst zegt Schiller: »Hij, die
het eerst de opmerking maakte, dat de hechlste steun voor
een staat de godsdienst is, heeft, misschien zonder het te
weten of te willen, het tooneel van zijn edelste zijde verdedigd.
Juist deze ontoereikendheid, deze wankelende kracht der poli-
tieke wetten, die den godsdienst onontbeerlijk maken voor den
staat, bepalen ook den zedelijken invloed van het tooneel."
Verder wijst Schiller er op, dat voor het grootste deel der
menschheid de godsdienst zijne kracht verliest, wanneer hunne
beelden, hunne symbolen, hunne schilderingen van hemel en hel
vernietigd worden, en dat daarom voor staat en kerk het
tooneel een zeer te waardeeren bondgenoot is, want het geeft
aanschouwelijke voorstellingen, tastbare werkelijkheid, het voert
deugd en ondeugd, gebrek en ellende, dwaasheid en wijsheid
in duizend beelden bevattelijk en waar voor de menschen op.
»Wanneer er geen moraal meer geleerd wordt, wanneer geen
godsdienst meer geloof vindt, dan zal toch somtijds een heilzame
beving de menschheid overvallen, en in stilte zal ieder zijn
goed geweten prijzen, wanneer Lady Macbeth als vreeselijke
slaapwandelaarster hare handen wascht en alle welriekende
geuren van Arabië beproeft om de afschuwelijke moordlucht
te verdrijven. Even zeker als de zichtbare voorstelling krach-
tiger werkt dan de doode letter, evenzoo zeker werkt het
tooneel dieper en duurzamer dan zedeleer en wet." Voorts
verwacht Schiller van het tooneel, dat het door de voorstelling
van diep menschelijk lijden berusting in het eigen lot, door
het openleggen van de diepste beweeggronden van den men-
-ocr page 134-
122
HET TOOXEEL.
schelijken wil toegevendheid in het oordeel over misdadigers
zal teweeg brengen, dat het eene gelegenheid zal zijn — de
cenige misschien — om ook den grooten dezer wereld de
waarheid te zeggen. En dit geldt natuurlijk niet alleen van
het treurspel, maar ook van het blijspel. Want terwijl dit de
menschelijke gebreken en zwakheden aan de bespotting prijs
geeft, tuchtigt het deze nog gevoeliger dan door de verschrik-
kingeu der tragische vergelding.
Het is zeker een groote en schoone taak, die Schiller hier
aan het tooneel stelt. En wanneer wij Schillers eigen drama\'s
nemen, dan zullen wij niet tegenspreken, dat hij van zijn kant
alies gedaan heeft, wat de dichter kan doen, om het tooneel
op de hoogte van de hem gestelde taak te houden. Zijne drama\'s
zijn veredelend voor de zeden, zonder dat het woord er toe-
passing op vindt, dat hij eens over een zeker soort would-be
moreele stukken uitgesproken heeft: »Wanneer het kwaad
uitbreekt, zet de deugd zich aan tafel." Ook de hoogere
wijding van godsdienstig geloof ontbreekt evenmin aan de
in Schillers beste drama\'s voorgestelde deugd. Maar zelfs
wanneer de litteratuur geen andere, of bijna geen andere drama\'s
had voortgebracht, dan die van zulk een zedelijk gehalte zijn,
dan zouden wij toch de gedachte niet van ons kunnen weren,
dat Schiller in deze verhandeling de beteekenis van het tooneel
voor het zedelijke volksleven te hoog gesteld heeft. Wanneer
hij met zulk een stellig vertrouwen verwacht, dat do zedelijke
ideeën, die op het tooneel zichtbaar voorgesteld worden, duur-
zaam en krachtig werken op het zedelijk bewustzijn des volks,
dan wordt deze verwachting . door de ondervinding niet beves-
tigd. De werking is een zinnelijke, en daarom misschien voor
het oogenblik tamelijk sterk en krachtig, maar niet voortwer-
kend en duurzaam, evenmin als de afschrikkende werking, die
b.v. door eene terechtstelling wordt uitgeoefend op hen, die mede
toeschouwen. Wie Lndy Macbeth gezien heeft, zooals zij haar
handen wascht, die zal wel in het diepst zijner ziel een af-
grijzen gevoeld hebben; maar of deze aanblik alleen sterk
genoeg is, om hem van een soortgelijke misdaad terug te
-ocr page 135-
123
HET TOONEEL.
houden, dat is nog de vraag. De beteekenis en het gewicht
van het zien met de oogen in tegenstelling van het enkele
lezen en hooren vertellen, mag niet al te hoog geschat worden.
Het tegenovergestelde geval kan zich ook voordoen, dat name-
lijk een stuk, dat alleen gelezen of gehoord is , meer op den
geest, en dus reiner en duurzamer werkt, dan wanneer men
het stuk op het tooneel ziet voorgesteld, waar het oog en de
belangstelling dikwijls zóo door decoraties en costumes worden
geboeid, dat er geene geestkracht genoeg overblijft, om de diepere
beteekenis van het stuk te leeren kennen. De vraag: Hoe is
er gespeeld? staat juist bij de ijverigste schouwburgbezoekers
zóo op den voorgrond, dat voor de door Schiller verwachte
zedelijke werking niet veel belangstelling meer overblijft.
Bovendien, wanneer het publiek reeds tevoren weet, dat
het verdichte gebeurtenissen zijn, die het op het tooneel
ziet voorgesteld, dan is de zedelijke invloed reeds zeer ver-
zwakt. Wat men op het tooneel ziet, is in het oog der men-
schen eene wereld op zichzelve, aan wier invloed zij hun
privaat leven niet onderwerpen.
Wij willen na dit alles in het geheel niet ontkennen, dat een
tooneel in den idealen toestand, zooals Schiller het geschilderd
heeft, veel voor de zedelijke opvoeding van het volk, voor de
verscherping van het geweten, tot verhooging van liefde tot
het goede en den afschuw van het kwade zou kunnen doen.
Wij willen ook de hoop niet opgeven, dat het nog eens in den
loop des tijds aan de eisenen voldoen zal, welke zijn edelste en
ernstigste vrienden er aan gesteld hebben. Maar daarbij moeten
wij toch vooral niet uit het oog verliezen, dat het tooneel
slechts in zeer beperkten zin zulk een zedelijke instelling zou
kunnen zijn, en dat het zich, wat zijne belangrijkheid betreft,
nooit in de verste verte rnet de Kerk zou kunnen meten, noch
met de zedelijke kracht, die deze ten dienste staat.
Maar nu komt nog de hoofdzaak: De geheele dramatische
litteratuur is volstrekt niet, zooals Schiller haar zich heeft
voorgesteld; zij is van dien aard, dat de moreele invloed,
dien zij op de toeschouwers uitoefent, haar óf onverschillig
-ocr page 136-
124
HET TOONEEL.
óf eene bijzaak is; dat zij zelfs voor een gedeelte den arbeid
der zedelijke opvoeding geheel tegenwerkt. De tooncelscbi ij-
vers zijn dun gezaaid, die bij hunne voortbrengselen de
zedelijke behoeften van het volk in het oog houden. Integen-
deel, wanneer men hen hieromtrent op het een of ander op-
merkzaam maakt, spreken zij zeer wijsgeerig over het onver-
standige en ongepaste moialiseeren op aesthetisch gebied, en
zeggen vrijuit, dat hunne kunst niet het goede, maar het
schoone moet dienen. Daarom zijn ook de tooneelstukken dun
gezaaid, waarvan men verwachten kan, dat zij het zedelijk
leven zullen bevorderen; men mag reeds blij zijn, wanneer
zij niet juist verderfelijk zijn voor de goede zeden. Die stuk-
ken, welke de meeste menschen strekken," beantwoorden ge-
woonlijk het minst aan het ideaal, dat Schiller zich stelde.
Het is waar, dat ook die schouwburgbezoekers dun gezaaid
zijn, namelijk onder hen, die er geregeld komen, welke met
het doel gaan om zich zedelijk te verbeteren. Integendeel
zij spreken het openlijk uit: «Wanneer ik naar den schouw-
burg ga, wil ik niet opgevoed, maar geamuseerd worden,
hetzij door tragische verschrikkingen, of door kluchtige scherts."
De verslagen van het tooneel klagen er dikwijls over, dat de
beste klassieke stukken voor een slecht bezette zaal gespeeld
worden, terwijl er bij nietsbeteekenende, ja zelfs slechte en
onkiesche kluchtspelen geen plaats ledig blijft.
Wat volgt hieruit? Dat de toestand van ons tooneel, over
het geheel genomen, niet van dien aard is, dat men heden
ten dage het bezoek van den schouwburg een jongeling zonder
aarzelen zou kunnen aanbevelen. Rechtschapen en verstandige
mannen hebben reeds beproefd het dichter te brengen bij
Schillers ideaal, maar hunne pogingen zijn mislukt. J. F. v.
Meijer, bekend door zijne bijbelvertaling en andere voortreffe-
lijke geschriften, liet zich door zijne vrienden bewegen, in
het jaar 1803 de leiding van het Frankforter tooneel op zich
te nemen. De overwegende aesthetische richting van dien tijd,
de nieuwe vlucht, waarin de dramatische dichtkunst zich
sedert eenige tientallen van jaren verheugde, de voornamelijk
-ocr page 137-
125
IIET TOONEEL.
door Schiller bevorderde en aanbevolen invoering van hoogere
zedelijk-godsdienstige ideeën in het drama, de dorheid en ver-
veling van de toenmalige kanselredenen, die verlicht en ver-
standig wilden zijn en aan geen beschaafd mensch konden
behagen: deze en andere oorzaken deden hem met Schiller de
hoop koesteren, dat het tooneel van gedaante veranderd en
met een nieuw leven bezield zou kunnen worden. Maar hoe
meer v. Meijer toen reeds zijn geest had laten doordringen van
den ernst des Christelijken levens, zooveel te meer moeielijk-
heden ontmoette hij overal, waar hij flink wilde doortasten en
hervormend optreden. In dezen strijd met hindernissen verloor
hij allengs moed en kracht, en nadat hij drie jaar lang als een
man had gekampt, gaf hij zijne betrekking weder op, enkeerde
tot zyn eigenlijk beroep van rechter terug.
Zijn wij nu tot de slotsom gekomen, dat, ten eerste, het
tooneel, ook onder de beste omstandigheden, slechts een zeer
beperkte waarde voor de zedelijke vorming heeft, en ten
tweede, dat feitelijk de toestand van het tooneel in het alge-
meen niet aan zijn grootsche taak beantwoordt, dan kunnen
hieruit gemakkelijk gevolgtrekkingen gemaakt worden. Uit
het resultaat n°. 2 blijkt zeer duidelijk, dat een goed Christen
niet best een geregeld en vast theaterganger kan zijn. Daartoe
is zijn tijd hem te kostbaar, en zijne gedachten en begeerten
strekken zich te ver en te hoog uit, dan dat zij bevrediging
zouden kunnen vinden in den schouwburg. Wanneer wij dan
volgens resultaat n°. 1 niet kunnen gelooven, dat de zedelijke
waarde van een in den schouwburg gezien goed stuk veel
grooter is, dan wanneer datzelfde stuk afzonderlijk of in een
kring van vrienden gelezen wordt, dan willen wij daardoor
het zien van goede klassieke stukken niet verwerpen, maar
alleen, wat zijn zedelijke waarde betreft, binnen zijn juiste
grenzen terugvoeren. Wat zou er ook van onze buitenlieden
worden, als de mensch zijn diepste en duurzaamste zedelijke
indrukken in den schouwburg moest ontvangen? Wij weten
toch ook als Christenen, dat er eene kracht des Geestes bestaat,
die het hardste menschenhart geweldiger aangrijpen, krach-
-ocr page 138-
126                                          HET TOONEEL.
tiger bewegen en schokken kan, dan de sterkste tooneeleffecten.
Overigens hebben wij reeds dadelijk den schouwburg niet
zoozeer met het oog op de zedelijke vorming, maar veel-
meer als een vermaak beschouwd, en dat verlangen ook in-
derdaad de meesten, die den schouwburg bezoeken. En er gaat
ook werkelijk een aangename opwekking der phantasie met
de ontwikkeling van een tooneelstuk gepaard; het opkomen
en de oplossing der intrigue, de overgang van de verwikke-
ling tot de catastrophe; de bevrediging, die het gemoed bij
de slotscöne ondervindt, dat alles tezamen, gevoegd bij het
genot, dat oog en oor heeft, wekt den geest aangenaam op,
houdt hem bezig en ontspant hem ook in zekeren zin. En
wanneer een jongeling van tijd tot tijd, natuurlijk met ver-
gunning van hen, aan wier gezag hij zich te onderwerpen
heeft, een goed stuk, zooals wij het gekenschetst hebben, of
een klassieke opera of tragedie ziet opvoeren, dan zou ik
niet weten wat op zichzelf hiertegen zou zijn. Wel kan het
voor u bedenkelijk zijn, b. v. wanneer uw geest door hetgeen
gij ziet, meer opgewonden dan opgewekt wordt, of wan-
neer de zinnelijke zijde van uw gemoed meer opwekking on-
dervindt dan do geestelijke, wanneer gij verstrooid en lusteloos
bij uw arbeid, of de gedachte aan God u daardoor onaange-
naam en lastig wordt. Maar dit zijn bedenkingen, welker be-
staan niet door algemeene wetten kan bepaald worden, maar
welker beantwoording, evenals bij het dansen, aan een nauw-
gezette voor Gods aangezicht gehouden zei f beproeving moet
worden overgelaten. In elk geval behoeft gij u niet verdrietig
te maken, wanneer om de een of andere oorzaak, om uiter-
lijke omstandigheden of anderzins, het bezoek van schouwbur-
gen u voorloopig geweigerd wordt. Wanneer b. v. uwe ouders
het beter vinden, dat gij vooralsnog het theater niet bezoekt,
meen dan niet, dat gij zoo heel veel mist. Daar is zooveel
haast niet bij, en zelfs wanneer u zoo iets vreeselijks over-
kwam, dat gij uw leven lang in geen schouwburg kwaamt,
en in het graf moest dalen zonder Wilhelm Teil of Maria
Stuart op het tooneel gezien, of de opvoering van een klucht-
-ocr page 139-
127
WAT MAG EN NIET MAG.
spel bijgewoond te hebben, dan zou dat, eigenlijk gezegd,
geen leemte in uw zedelijke, wetenschappelijke, aesthetische
of maatschappelijke vorming zijn. Ook anderen , met wie gij
misschien omgaat, zullen zulk een gemis ternauwernood be-
merken , en indien zij er u op aanzien, dat gij nooit in den
schouwburg zijt geweest, laat hen dan stil begaan. Gij zijt
toch zeker in uwe jeugd niet minder vroolijk dan zij, met al
hun bals en theaters.
Op zekeren dag komt er iemand bij een beroemd Engelsch
geneesheer voor krankzinnigen, en vraagt hem om een mid-
del, dat hem van diepe zwaarmoedigheid zou kunnen genezen.
»Wel," zcide de dokter, »ga naar de komedie en hoor er
den komiek NT., dan zult gij zeker vroolijk gestemd worden."
«Dokter," antwoordde de zieke zuchtend, »die komiek X. —
ben ikzelf." Terwijl hij dus bij anderen een uitbundige vroo-
lijkheid opwekte, was er ellende in zijn eigen hart. Blijkt
het, dat de kunst zulke slechte resultaten heeft voor hen, die
haar zelf uitoefenen — hoe zou zij dan instaat zijn anderen
krachtdadig te steunen in de smarten des levens, en hun ook
slechts eenigermate te vergoeden, wat een Christen aan kracht
en troost bezit? Geneesheer, genees uzelven!
Tot zoover over de vermaken in het algemeen, en over
het dansen en het bezoek van schouwburgen in het bijzonder.
Al kunt gij nog zoo goed bij een genoegen zeggen: »Ik mag
toch," of: »Dat kan niemand mij verhinderen," dan is dat
toch niet genoeg. «Alles is mij geoorloofd, maar niet alles
is mij nuttig." En ik geloof dat jongelieden, waar het op
genoegens aankomt, zich er veel te spoedig bij neerleggen,
dat zij dit of dat doen x>mogen" en te weinig vragen, of
het waarlijk goed en nuttig voor hen is. Wanneer het alleen
op het mogen aankwam, — ja dan mag men veel dingen in
de wereld. Men mag zijn tuin zonder hek laten, of \'s nachts
de deur open laten staan; men mag zijn goud en zilver op
de straat of buiten op het veld laten liggen; men mag nog
veel andere dingen, maar men doet het daarom toch niet,
om de eenvoudige reden, dat het niet tepas komt, d. w. z.
-ocr page 140-
128                                      WAT MAG EN NIET MAG.
dat het nadeelig en schadelijk is. Dit moet ook bij de onder-
scheiding der onschuldige en laakbare genoegens onze maat-
staf zijn. Aan het slot van dit hoofdstuk mogen echter nog de
woorden van een man van veel ondervinding hier eene plaats
vinden, die na een leven vol vreugde en leed, als grijsaard
op zijne jongelingsjaren terugzag: «Verblijd u, o jongeling!
in uwe jeugd, en laat uw hart zich vermaken in de dagen
uwer jongelingschap en wandel in de wegen uws harten en
in de aanschouwing uwer oogen; maar weet, dat God ora al
deze dingen u zal doen komen in het gericht." (Pred. 11: 9.)
-ocr page 141-
IX.
GEVOEL VAN EER EN EERZUCHT.
Van de genoegens tot het gevoel van eer is de overgang
schijnbaar groot. Dit laatste schijnt eer in het hoofdstuk over
arbeid en beroep thuis te behooren, dan in dat over het
genoegen; want voor een nauwgezette vervulling van het
beroep kan het gevoel van eer als een belangrijke drijfveer
dienen, terwijl het met vermaak en genot weinig te doen
heeft. Maar niet zoo haastig geoordeeld! Waar het gevoel
van eer alleen den arbeid beheerscht, en alleen hier als
werkende kracht voorkomt, daar ziet het er reeds beden-
kelijk uit; dan ligt het vermoeden voor de hand, of het doel,
waarnaar men met zijn gevoel van eer jaagt, niet juist is
om eer te verkrijgen, lof in te oogsten, zoodat op die wijze
het gevoel van eer langzamerhand in zucht naar eer is over-
gegaan. Waar het daarentegen van de rechte soort is, daar
worden vermaak en uitspanning er niet minder door be-
heerscht dan de arbeid voor het beroep; het is een zuur-
deesem, dat het wezen en werken der menschen, ook daar,
waar het oordeel van anderen in het geheel niet in aan-
merking komt, met een vasten, edelen geest doordringt.
9
-ocr page 142-
130
EER.
Welk een grenzenlooze verwarring er in de hoofden van vele
jongelieden heerscht ten opzichte van de eischen, die hun
door het gevoel van eer gesteld worden, kan men het best
waarnemen, wanneer men oplet, waarin de een en ander zijn
eer stelt. Daar is b. v. de jonge A.; die rekent het zich tot
eene eer in den trein een sigaar op te steken en te rooken
als een Turk. Zijn buurman B. heeft het er op gezet het
eerst onder zijne vrienden van gelijken leeftijd als hij, de spo-
ren van een baard te vertoonen en te kweeken. Vriend C,
een latje, vindt het een groote eer naar de nieuwste mode en
het elegantste snit gekleed te zijn. De rijke bankierszoon D.
vindt het zeer vleiend voor zijn eergevoel, wanneer hij op
een gemeenschappelijken tocht fijnen wijn drinkt, terwijl zijne
vrienden zich met bier moeten vergenoegen. En ginds beroemt
de lieftallige E. er zicli op, dat hij gisteren avond een onge-
hoord aantal glazen bier heeft gedronken, een behoorlijken
roes had, en zich nu nog zeer onwel gevoelt. Ziet gij daar dat
troepje winkeljongens, die juist van hun Zondagsche wande-
ling thuiskeeren? Eenigen hunner waggelen op bedenkelijke
wijze; zij konden nog heel goed rechtop gaan, maar het
prikkelt hun gevoel van eer om dronken te schijnen. Het
strijdt bepaald met zijn gevoel van eer, wanneer F. bij het
onderzoek naar een gemeen schelmstuk, dat in de school is
uitgevoerd, iets zegt, wat tot de openbaring der waarheid
zou kunnen bijdragen. Maar het strijdt er niet tegen, wanneer
hijzelf iets heeft gedaan en de dader niet gevonden wordt, dat
hij de geheele klasse om zijnentwil laat straffen. Datzelfde,
op andere punten zoo fijne gevoel van eer, verhindert hem
niet het schriftelijk weik van anderen af te schrijven, of van
andere ongeoorloofde hulpmiddelen gebruik te maken, dus op
bedriegelijke wijze met vreemde veeren te pronken en on-
billijke voordeelen op zijne medeleerlingen te behalen. Ook de
leugen zelfs geldt onder zekere omstandigheden als iets eer-
vols, als namelijk de bedrogene een leeraar of patroon, en
geen collega of makker is. In het laatste geval is het natuur-
lijk »heel wat anders." Doch hiervan nog meer in het hoofdstuk
-ocr page 143-
131
PERSOONLIJKE EER.
over waarheidsliefde. Middelerwfjl mogen deze voorbeelden vol-
doende zijn.
Welke hand brengt orde in dien chaos van begrippen en
leidt zoodoende het in zijn recht herstelde gevoel van eer op
den goeden weg? Zoo snel zal er wel moeielijk een omkeer
in deze wereld van begrippen tot stand komen. Maar toch is
het misschien goed, wanneer wij tot opheldering van den
stand van zaken en tot wegneming van eenige duisterheden
tenminste op een paar punten opmerkzaam maken.
Waar het gevoel van eer rechtmatig is, daar moet toch
noodzakelijk de eer voorhanden zijn. Hebt gij haar? Ja zeker.
Gij hebt haar als mensch, die naar Gods beeld geschapen,
door Gods Zoon verlost, tot kind van God gewijd en tot
een eeuwige heerlijkheid geroepen is. Dat is de hoogste eer,
die aan uw persoon is geschonken. Gij hebt verder de eer
van tot een volk te bshooren, dat een roemrijk verleden achter
zich heeft en veel schoons en nuttigs heeft voortgebracht. Het
is eene eer voor u tot deze of gene stad te behooren, die onder
hare zusters een loffelijke plaats inneemt, menig beroemd
man binnen haar muren geboren zag worden en menig nuttig
werk tot stand heeft gebracht. Het is eervol voor u, wanneer
gij tot dezen of genen stand behoort, welks diensten \\oor
het uiterlijk en innerlijk welzijn des volks, voor zijne veilig-
heid en welvaart nuttig en gezegend zijn. En zijt gij van
dezen stand ook nog geen werkzaam lid, maar slechts bezig
er u toe voor te bereiden, dan rekent gij er u toch reeds in
stilte toe, en gevoelt zeer goed mede, wat tot eer of oneer
van dien stand strekken kan. Gij bezit ook eer als lid
eener familie, die misschien aan vaderland, staat of kerk
den een of anderen uitstekenden man heeft geleverd, of
zich, wanneer dit het geval niet is, den naam eener recht-
schapen, soliede en goede familie verworven heeft. Gij hebt
eindelijk misschien voor uw eigen persoon de eer dat, in
den beperkten kring uwer bezigheden, uwe taak, door Gods
hulp, wèl gelukt is, dat uwe ouders, superieuren of onder-
wijzers om uw bekwaamheid, waarheidsliefde , voorzichtigheid,
-ocr page 144-
WAT IS BER?
132
vertrouwen in u stellen, dat zij u misschien den voorrang
hebben gegeven boven anderen, die er in andere opzichten
tneer recht op hadden dan gij.
In deze en andere dingen ligt uwe eer, en wanneer gij hiervan
gevoel en bewustheid hebt, dan is dat niet meer dan billijk
en goed. Maar hier loopen nu de wegen uiteen. Nu komt het
er op aan, of iemand zijne eer als lid der menschheid, der Christen-
heid, van het volk, van een stand, eener familie en die, welke
hem zelf toekomt, als eene bron van rechten of als eene bron
van plichten aanziet; eischt hij daardoor van anderen, dat zij
hem hulde bieden, of eischt hij van zichzelven, dat hij het noodige
doe, om zich die eer waardig te maken? In het kort: er is een
gevoel van eer der zelfzucht, en dat is verwerpelijk; er is
echter ook een gevoel van eer der liefde, en dat is goed. In
het eerste geval geraakt het gevoel van eer op de zooeven
afgeschilderde dwaalwegen, in het laatste geval komt het op
het rechte spoor. Wij zullen dat nog verder in bijzonderheden
ontwikkelen. Iemand is op een kantoor altijd nog de laatste
geweest, omdat hij de jongste was. Nu komt een ander, die
jonger is dan hij, en schiet, op. Als hij nu de eer, die hij
daardoor verkrijgt, hoofdzakelijk of uitsluitend als eene bron
van allerlei rechten en privilegiën beschouwt, dan zal zijn ge-
voel van eer zich spoedig in de belachelijkste en verkeerdste
dingen uiten, zoo zelfs, dat verstandige menschen een lichten
graad van krankzinnigheid zouden onderstellen. En dit is
nog het gunstigste geval. In het ergste geval kan het zelfs zoover
komen, dat hij tegenover zijn jongeren en onervaren collega
zijn eer in dingen zoekt, die waarlijk schandelijk zijn. Beschouwt
hij daarentegen zijne verhooging als eene bron van nieuwe plichten,
die hem nu opgelegd worden, dan zal hij zijn best doen, zijn
nieuwe plaats waardig te vervullen, door zooveel te ijveriger,
getrouwer en nauwgezetter het zijne te doen en den jongere
met een goed voorbeeld voor te gaan. Of de scholier wordt
bevorderd tot student. Leidt hij daaruit niets dan nieuwe rechten
en aanspraken af, dan zal hij spoedig tot die muzenzonen be-
hooren, die alleen in ruwe manieren, in onmatig rooken, in
-ocr page 145-
133
EER EN PLICHT.
drinken en krakeelen, in het houden van groote honden en
het ergeren der politie hun eer zoeken. Leidt hij er daaren-
tegen nieuwe en hoogere plichten uit af, dan zal hij er zijne
eer in zoeken als vrij student met nog grooter getrouwheid
en nauwgezetheid dan vroeger het zijne te doen, en zijne zelf-
standigheid onder anderen ook daarin te toonen, dat hij de
heilzame perken, die hem tot nog toe door ouders of leer-
meesters gesteld waren, nu zichzelven stelt. Of bepalen wij ons
tot de nationale eer! Die bestaat niet daarin, dat men zich
allerlei rechten toeeigent, omdat men tot het een of ander
volk behoort, en niet verachting neerziet op andere natiën; hij,
die weet, dat zijn nationale eer hem nieuwe plichten oplegt,
zoekt er zijne eer in, om de deugden, waardoor zijn volk groot
geworden is, met zooveel te meer ijver uit te oefenen, de on-
deugden daarentegen, die het van tijd tot tijd hebben doen
teruggaan en zinken, zooveel te ernstiger te vermijden. Hij
rust niet op de lauweren, die zijne vaderen in het vuur van het
gevecht en met moeitevollen arbeid voor hem geplukt hebben ,
maar wat zij hem nagelaten hebben, dat tracht hij te ver-
werven, om het ook te bezitten. En zob willen wij dan met
éen woord zeggen: Gevoel van eer hebben, is: zich bewust te
zijn van de zedelijke plichten, die de eer der menschheid, van
het volk, van den stand en de familie ons oplegt, en er ernstig
naar te trachten deze plichten trouw te vervullen. Met het per-
soonlijk gevoel van eer is dit hetzelfde geval. Wannneer iemand,
nadat hem een groote of kleine zaak goed gelukt is, zich
neerzet en wierook en loftuitingen afwacht, dan ziet het er
slecht uit met zijn gevoel van eer. Wanneer hij de zaak goed
begrijpt, dan is alles, wat hem gelukt, slechts eene aansporing
tot nieuwen, getrouwen arbeid, dan is het vertrouwen, dat
hem geschonken wordt, eene drijfveer om het zich in ieder
opzicht waardig te maken. Het gevoel van eer, dat slechts
op werkelijke of denkbeeldige rechten pocht, is toch in den
grond niets anders dan hoogmoed en ijdelheid.
Wordt op deze wijze het gevoel van eer niet door zelfzucht,
maar door liefde en plichtgevoel geleid, dan zal het ook geen
-ocr page 146-
134
IEDER ZIJN PLAATS.
gevaar loopen in die belachelijke overgevoeligheid te ont-
aarden, welke maakt, dat men zich niets wil laten gezeggen,
noch in scherts, noch in ernst, en zich dadelijk gekrenkt
en beleedigd gevoelt. Wanneer vader of moeder, onderwijzer
of chef u iets onder het oog brengt, of u om de een of
andere oorzaak streng berispt, dan kunt gij er zeker van
zijn, dat het uwe eer in het geheel niet schaadt, wanneer
gij de berisping stil en nederig draagt; en wie u iets anders
raadt, u aanspoort en zegt: »Dat behoeft gij u op uw leeftijd
niet te laten welgevallen, spreek maar flink tegen," die raadt
u tot het kwade en niet ten goede. Want het strekt den
jongeling tot eer, wanneer hij zich laat gezeggen door hen,
die het beter weten dan hij , en den mensch strekt het tot eer,
wanneer hij in den omgang niet anderen de plaats inneemt,
die hem toekomt. Liever plaatst hij zich nog een weinig lager;
dan zegt men naderhand: Vriend, ga hooger op; alsdan zal het
u eer zijn voor hen, die met u aanzitten. Wie echter tegen-
over hen, naar wie hij zich moest voegen, den beleedigde
speelt, die zorgt slecht voor zijne eer, want hij maakt aan-
spraak op een hoogere plaats, dan hem eigenlijk toekomt, en
moet het zich laten welgevallen, flat men hem "met een zacht
of onzacht: «Vriend, zet u lager!" weder daar plaatst, waar
hij behoort, hetgeen noch aangenaam, noch eervol is. Dit geldt
niet alleen tegenover hoogeren in rang of ouderdom, maar
ook in den omgang met jongelieden van gelijken leeftijd. Het
is mij nog nooit voorgekomen, dat iemand, die iedere grap,
welke zijne kameraden zich veroorloofden, elke terechtwijzing, die
zij hem gaven, veikcerd opnam en dadelijk den beleedigde
speelde, daarmede veel eer inlegde. Integendeel, hoe meer hij
dit doet, zooveel te bespottelijke!\' zal hij zich maken in het
oog van anderen; terwijl hij voor zijne eer meent te strijden,
wordt hij voortdurend uitgelachen, en hoe vuriger hij zich
inspant om in aanzien te stijgen, zooveel te onverbiddelijker
klinkt hem tegen: «Vriend, zet u lager." Wie er daarentegen
zijne eer in zoekt, niet door elke kleinigheid, die anderen hem
in woorden of daden, in doen of laten toevoegen, van streek
-ocr page 147-
WAT IS «GEMEEN"?
135
gebracht te worden, wie eerst dan van leer trekt — en dan
ook krachtig — wanneer hij in aanraking komt met iets, dat
werkelijk gemeen is, vooral wanneer hijzelf in verzoeking
komt eene laagheid te begaan: die is een trouw bewaker van
zijne eer.
Wat is echter gemeenheid? Men hoort het woord dikwijls,
gebruikt het ook menigmaal zelf, zonder dat men er altijd
oen juist begrip van heeft. Gemeen is, in het algemeen ge-
nomen, alles wat zich alleen op het gebied van het gewone,
zinnelijke, zichtbare beweegt, zonder dat het op iets hoogers
betrekking heeft, en met een dieperen, edeler geest vervuld
is. Er bestaat b.v. een zekere gemeenheid in het eten, welke
zelfs aan den voornaamsten, fijnsten maaltijd gevonden kan
worden. Zij bestaat daarin, dat men alleen eet om te eten,
dat het eten zelf het doel is, en niet strekt om nieuwe
kracht te geven, opdat de arbeid gedaan worde, zooals het
behoort. Als lekkerbekkerij tot eene gewoonte is geworden, dan
is zij eene laagheid. Voor een Christen is het eten reeds daarom
niets gemeens meer, omdat hij het met dankzegging aan God
als eene gave Gods gebruikt. Verder is er eene gemeenheid in
het werken, die zoowel in de armste hut als op het rijkste
kantoor te vinden is. Zij bestaat daarin, dat men arbeid en
beroep niet anders beschouwt, dan als middelen, om zich
zinnelijk genot te verschaften, inplaats van den arbeid aan te
zien als don post, waar God u gezet heeft, als een middel
om anderen te dienen, en het geld als een goed, waarover
God u als rentmeester gesteld heeft. In deze beteekenis treedt
liet gemeene hoofdzakelijk voor ons op in de gedaante van
hebzucht, genotzucht, gierigheid, winstbejag, terwijl een
Christelijk jongeling en man zich daardoor onderscheidt, dat
er bij hem niets laags te vinden is, maar dat hij alle dingen,
zoowel groote als kleine, gewone en ongewone, met het oog
op God en tot zijne eer verricht. Daarom komt ook uit den
Christelijken geest het ware gevoel van eer voort, door welks
kracht men zichzelven te goed acht, om zich tot het gemeene en
verachtelijke te verlagen, het gevoel van eer, dat op het be-
-ocr page 148-
WAT IS DGEMEEN"?
436
wustzijn rust van die eeuwige, goddelijke bestemming, waarvan
elke menschelijke persoonlijkheid door de schepping en de ver-
lossing het merk draagt.
Dit is slechts de eerste trap der gemeenheid, wanneer men
zich om het hoogere niet meer bekommert en doet alsof het
niet bestaat. Op den tweeden trap is men d:in, wanneer men
bepaald tegen het hoogere en goddelijke zondigt, het zelfs
onder de voeten treedt. Dit kan geschieden door de daad,
wanneer men in zijne handelwijze alle hoogere eischen van
godsdienstzin, zielenadel, dankbaarheid, barmhartigheid, zede-
lijkheid voorbijziet, en zich alleen door de grove zinnelijkheid
on zelfzucht laat leiden. Dit zijn uitingen van gemeenheid,
die wij het meest met dezen naam bestempelen. Zij kan zich
echter ook in woorden openbaren. Waar gij menschen ontmoet,
die desbewust en vol behagen de spreuk uiten: »Laat ons eten
en drinken, want morgen sterven wij, en al het overige is
onzin," dan kunt gij er zeker van wezen, dat het lage karak-
ters zijn, waarmede gij in aanraking zijt gekomen. Waar men
er behagen in schept, te bespotten wat anderen heilig is, en
het te doen zinken in het slijk; waar men gelukkig is met
elke ontdekking, die de afstamming des menschen van de apen
en zijn dierlijk karakter opnieuw schijnt te bevestigen; waar
men niet kan afwachten, tot de wetenschap ten laatste nog
de eenige overblijfselen der heerlijkheid van den menschelijken
geest dood heeft verklaard, daar is het de laagheid, die zich
in zulk eene vernielingszuoht verlustigt. En waar gij met men-
schen in aanraking komt, die zich reeds op jeugdigen leeftijd
op hunne schande en losbandigheid beroemen, en schandelijke
dingen spreken over schaamte en schroomvalligheid, wend u
dan zoo spoedig mogelijk van hen af, en maak dat uw gevoel
van eer niet door zulke gemeenheid besmet wordt.
De derde en hoogste trap van gemeenheid is die, welke het
hoogere, goddelijke, eeuwige noch openlijk verwaarloost, noch
op ruwe wijze veracht, maar het schijnbaar tot zijn recht laat
komen, terwijl men er zich in werkelijkheid als dekmantel
van bedient, om zijn onheilige belangen zooveel te ongestoorder
-ocr page 149-
137
LAAGHEID.
te kunnen najagen. Wie op dezen trap staat acht niet alleen
de gaven des geestes gering en treedt ze met voeten, maar
hij maakt ze juist dienstbaar aan zijne laagheden. Daarom
is ook deze trap de afschrikwekkendste. Hij kcmt, Gode zij dank,
betrekkelijk weinig bij de jeugd voor, want hier heeft de ge-
meenheid een graad van geslepenheid en geraffineerdheid bereikt,
welke gelukkig meestal eerst op lateren leeftijd verkregen wordt.
Dan maakt men gebruik van de edele gave der vriendschap,
om onervaren gemoederen te verleiden en in het verderf te
lokken. Dan dringt men zich in het vertrouwen van anderen
in, om er op schandelijke wijze voordeel van te trekken. Onder
het voorwendsel van de geestelijke belangen, de beschaving,
de innerlijke opgewektheid van een jongeling te bevorderen,
wekt en voedt men allerlei booze lusten in hem. Men lokt
hem ongemerkt in zonde en verkeerdheid, tot hij zich in het
net verstrikt en men hem geheel in zijne macht heeft, om óf
naar welgevallen nut van hem te trekken, óf hem met honend
gelach aan zijn lot over te laten. Hier neemt de laagheid een
duivelsch karakter aan. Haar onovertroffen type is de kus,
met welken Judas zijn Vriend en Meester verraadt, om in het
bezit der zilverlingen te komen.
Dit zijn nu de eigenlijke laagheden, waartegen uw gevoel
van eer in opstand moet komen, wanneer het door den waren
geest geleid wordt. Dan moet het zwaard getrokken en den
indringer de deur gewezen worden. Daar is gevoeligheid op haar
plaats; maar zich te laten gezeggen, zich nederig te houden,
gaarne te dienen, inplaats van zich als een heer aan te stellen —
dat heeft nog nooit de eer eens jongelings\'benadeeld; integendeel.
Een op deze wijze geleid en ontwikkeld gevoel van eer zal
u ook het best tegen den vijand beschermen, die in hooge mate
de eigenschappen bezit, om u tot oneer te brengen, en dat is
de dwaze menschenvrees, dat wil zeggen de lafheid, welke alleen
uit angst voor hetgeen anderen zouden zeggen of denken,
tegen beter weten in, het goede nalaat en het kwade doet.
Deze schandelijke lafheid behoort tot de ergste vijanden der
jeugd. Eerzame jongelingen hooren de gemeenste, lichtzinnigste
-ocr page 150-
138                                               LAFHEID.
gesprekken van anderen stilzwijgend aan, laten in hunne tegen-
woordigheid het heiligste hespotten en belasteren, onkiesche
taal gebruiken, en zij komen er niet tegen op — waarom ?
Omdat zij vreezen als strenge zederechters en zwartgallige
vitten uitgelachen te worden. Zij doen met een slecht geweten
mede in de uitspattingen van anderen — en waarom ? Om
niet den naam te krijgen van zonderlingen, die iets anders
en beter willen zijn dan de overigen. Maar, mijn goede vriend,
dan zorgt gij slecht voor uwe eer. Denkt gij dat di° slechtge-
aarde jongelingen zelven er u om eeren, wanneer gij uit angst
voor hen uw heiligste en beste overtuigingen verloochent?
In het geheel niet, zij verachten er u om. En laat mij u een
ding zeggen: Wie zich niet kan laten uillaclicn, van hem
komt niets terecht;
op zijn hoogst een jammerlijk, karakterloos
mensen, een riet, dat de wind heen en weer drijft, nooit een
man, die vast en trouw in zijne overtuiging staat. Ik ben er
zeker van, dat, als men onze gevangenissen en •werkhuizen
bezoekt en er op let, wat liet begin is geweest van zoo
menige loopbaan, die met misdaad is geëindigd, het dikwijls
zal zijn, dat iemand den moed niet had op een beslissend
oogenblik neen! te zeggen. Doe uwe eer niet tekort door zulk
eene lafheid, die erger is dan elke andere lafheid! Bescherm
en bewaar uwe eer door den zedelijken moed, die beter is dan
hetgeen men dwaselijk «courage" noemt.
Terwijl het gevoel van eer berust op hetgeen men is en
heeft, heeft de eerzucht betrekking op hetgeen men zou wil-
len worden en verkrijgen. Iets degelijks te worden, eenmaal
een nuttig. geacht lid der maatschappij te zijn, dat is een
doel, dat ieder normaal ontwikkeld jongeling voorzweeft, een
krachtige drijfveer in zijne studiën, zijn streven en zijn arbeiden.
Maar het is met de eerzucht hetzelfde geval als met het ge-
voel van eer: er is eene eerzucht der liefde en eene eerzucht
der zelfzucht. Deze tegenstelling komt reeds zeer vroeg aan
den dag. In een school wedijveren twee jongens met elkaêr
om de eerste plaats. De een zou de eerste willen zijn, om
dan te genieten van het tiotsche gevoel, dat hij al de anderen
-ocr page 151-
139
EERZUCHT EN ZELFZUCHT.
onder zich heeft, en er zich dan ook behoorlijk op te ver-
heffen : dat is de eerzucht der zelfzucht. De ander zou de
eerste willen zijn, en denkt dan aan de vreugde, die hij daar-
door zijn vader verschaft, aan het vooruitzicht, dat hem daar-
door geopend wordt, om eens iets degelijks te worden en
zijne plaats naar behooren te vervullen — dat is de eerzucht
der liefde. Als het den eerste mislukt, wordt hij ongelukkig,
hatelijk, verbitterd, knorrig, terwijl de ander zich gemakkelijk
troost en tevreden stelt, zich niet ongelukkig voelt, en nog
minder onvriendelijk jegens anderen is dan vroeger! Twee
anderen solliciteeren tezamen om eene betrekking. De eene
denkt aan de eer, die er aan verbonden is, aan den voornamen
rang, dien hij daardoor bekleedt, aan de gemakkelijke leefwijze,
die hem daardoor mogelijk wordt gemaakt, aan den triomf
van een zegepraal over zijn minder gelukkige mede-sollicitan-
ten — dat is de eerzucht der zelfzucht. De andere denkt aan
het goede, dat hij in zijne betrekking doen kan, aan de vreugde,
die hij zal smaken, wanneer hij haar nauwgezet en trouw
waarneemt, aan de vele gelegenheden, die zij hem biedt, om
zijne gaven en krachten ten dienste van anderen te gebruiken —
dat is de eerzucht der liefde. Voor den een is de eer zelve
het doel, een genot, waarin hij alleen zich verlustigt, niet
vragende of de eer verdiend is, of niet; of men er door eerlijke
middelen toe gekomen is, of niet. Voor den ander is de eer,
waarnaar hij dingt, slechts het middel tot een hooger doel,
namelijk van een krachtiger, veelomvattender en rijker arbeid.
Zoo heeft Paulus met ijver voor zijne eer gewaakt (Verg.
I Cor. 9); het was, om zoo te zeggen, het doel van zijne eerzucht,
om het Evangelie voor niet te prediken, daarbij door het werk
zijner handen zijn brood te verdienen, en zijne gemeente niet
tot last te zijn. Hieraan hield hij zich zoo streng, dat hij zelfs
zeide : »\\Vant het ware mij beter te sterven, dan dat iemand
dezen mijnen roem ijdel zou maken." Maar met deze eerzucht
wilde hij niet zichzelven op een voetstuk stellen en lof inoogsten,
maar hij wilde het Evangelie een weg banen, en aan hen, die
het vijandig waren, elk voorwendsel, ontnemen, alsof hij daarbij
-ocr page 152-
440
VALSCHE EERZUCHT.
zijn eigen voordeel bedoelde; de eer, waarnaar hij streefde,
was hem slechts het middel om de uitbreiding van het Evan-
gehe te bevorderen en gemakkelijk te maken. En toon hij
zich te Philippi, nadat hij zonder vonnis en zonder recht ge-
gecseld en gevangen genomen was, op zijn Romeinsch burger-
recht beriep, en zich door den achtbaren raad van Philippi
buiten de stad liet geleiden, was het hem niet om zijn eigen
persoon te doen — hij heeft genoeg bewezen, dat hij dezen
zoo hoog niet stelde, — maar hij hoopte, en met het volste
recht, dat zulk eene voldoening de zaak van het Evangelie
ten nutte zou komen.
Over de gevaren, waarin een jongeling door zelfzuchtige
eerzucht vervallen kan, heeft een degelijk on ervaren Christe-
lijk opvoedkundige, de oude predikant Flattich, het volgende
gezegd: » Waar het gemoed een verkeerden plooi heeft aan-
genomen en er eerzucht bij komt, daar zoeken de jonge-
lieden eer te behalen, niet door hetgeen betaamt, maar door
hetgeen geld kost. Zij maken veel drukte van rijden, het be-
zoeken van koffiehuizen en partijen, en schamen zich niet bij
minderen schulden te maken en door hen voorbijgestreefd te
worden. Zij willen gaarne geëerd zijn, en stellen zich toch
grof en ongemanierd aan; zij willen gaarne geprezen worden,
en doen niet de minste moeite om beminnelijk te zijn; zij
zouden gaarne bemind wezen, en zij doen wat anderen onaan-
genaam en lastig is, en men zou hen alleen moeten eeren,
omdat zij een groote inbeelding van zichzelven hebben en gee\'erd
willen zijn."
Het is alsof men hen voor zich ziet,- die jongelieden, aan
welke Flattich bij deze beschrijving dacht. Hij zegt verder:
» Terwijl de ware eer alles zoekt, wat loffelijk is, legt de am-
bitie zich slechts op enkele dingen toe. Wie eerzuchtig is,
wijdt zich met al zijne krachten aan eenige zaken, waarin hij
zijne eer zoekt, en kan op andere punten zeer goed eervergeten
zijn; vandaar dat de eerzuchtigste menschen dikwijls tot de
schandelijkste ondeugden vervallen." En wat komt er van een
jongeling terecht, die zich alleen door eerzucht tot het goede
-ocr page 153-
141
WARE ROEM EN KRACHT.
Iaat aansporen, wanneer de eer achterwege blijft? Wanneer
hetgeen hij erlangt, ver beneden zijne verwachtingen blijft, en
de menschheid zich ook niet haast de nieuw opkomende zon te
bewonderen en het nieuwe genie te bewierooken? Hij wordt ont-
zenuwd en mismoedig, klaagt over levenszatheid en miskenning;
zijn energie is gebroken; ziin hart is moede, wanneer de ver-
wachte openlijke onderscheiding niet komt; verbitterd en afgunstig
ziet hij op anderen, die minder jacht op eer hebben gemaakt,
en toch meer geëerd zijn geworden; de liefde voor zijn werk
gaat te niet, en het einde is, dat zoo iemand ook niet meer
ten uitvoer brengt, wat hij krachtens zijne gaven en bekwaam-
heden zou kunnen en moeten doen. Zoo kan zelfzuchtige eer-
zucht een vuur worden, waarin al\'.es verteerd wordt: geluk,
liefde, vriendschap, hoop, kracht en bewustheid van kracht,
gaven en lust tot arbeid.
Waar gevoel van eer en liefde tot de eer bestaan en goed
geleid worden, daar is een beschermende wal om hart en leven
gelegd, die tegen alles wat onedel is waakt en alleen het
goede en edele binnenlaat. Maar wij willen hetgeen in deze
hoofdstukken over zelfbewaking en zelfveredeling gezegd is, niet
besluiten, zonder er nog eens uitdrukkelijk op gewezen te hebben,
vanwaar de kracht om hot goede te doen en het slechte te ver-
mijden, moet komen. Dat slot moet met het begin overeenstemmen.
Van den beginne af hebben wij op het geloof aan God en zijn
Woord gewezen, en nu zullen wij ook hetgeen over zelbewa-
king en zelfveredeling te zeggen is, met de gedachte aan God
besluiten. Want alles samengevat: een goede behartiging van
het lichamelijk levent, een goede uitoefening van het beroep en
een waardig gebruik van tijd en geld, matigheid in de genoe-
gens en een waar gevoel van eer, dat alles vereenigt zich toch
ten laatste in en loopt uit op de tucht, die God zelf in de harten
uitoefent en onder welke een ieder staat, die steeds als in
Gods tegenwoordigheid wandelt.
-ocr page 154-
X.
HET GEBED.
Laat dus een woord over het gebed tot besluit dienen van
al die dingen , welke tot zelf bewaking en veredeling\' dienen.
Met het volste recht heeft men het gebed het ademhalen
van den inwendigen mensch genoemd. Het ademhalen is even
zoo goed een zeker bewijs van een voorhanden zijnd leven,
als het onontbeerlijke middel, om het bloed frisch en krachtig
te houden.
Evenzoo is het gebed het zekere bewijs van een aanwezig
inwendig leven, en ook het onmisbare middel, om de krach-
ten van het geestelijk leven steeds te vernieuwen, en het
noodige voedsel uit hoogere sfeeren te verschaffen. Men kan
zich geen levend geloof aan God, geen waarachtige vroom-
heid voorstellen zonder gebed. Want waar men aan een God
gelooft, die nabij is, daar bestaat ook zeker de behoefte om
met Hem in aanraking te komen, persoonlijken omgang met
Hem te hebben; en deze omgang met God is juist het gebed.
Daarom is ook het gebed zoo oud als de godsdienst zelf, ja,
er is eigenlijk geen godsdienst zonder gebed. En hoe vol-
-ocr page 155-
HET GEUED DIJ DE HEIDENEN.                            143
maakter de godsdienst is, zooveel te schooner vindt men er
het leven des gebeds in ontwikkeld. Het gebed der fetisch-
dienaars bestaat in een wensch, dien zij aan den een of an-
deren fetisch voordragen. Als de wensch niet vervuld wordt,
dan werpt hij den fetisch weg en neemt er een ander voor
in de plaats. Een gebedsleven, of zelfs maar een geregeld
verkeer met de Godheid komt op dezen laagsten trap niet
voor. Hooger staat b. v. reeds het pclytheïsme der Grieken,
daarom wordt ook daar meer gebeden. Homerus beschrijft ons
gaarne zijne helden, zooals zij hunne handen opheffen tot de
beschermende goden, in het gebed hunne aangelegenheden
voordragen, of voor een verhoorde bede danken. Maar het
veelgodendom laat ook hier geen aanhoudend gebedsleven toe.
De bede om enkele gaven komt het meest voor, het dankge-
bed is reeds veel zeldzamer. En de beden, die den goden
opgedragen worden, hebben in werkelijkheid slechts betrek-
king op uiterlijke gaven, op bescherming en zegepraal, ge-
zondheid en redding van den dood. Daarom komt het ook
niet tot een persoonlijke gemeenschap in het gebed; want om
geestelijke en zedelijke gaven wordt niet gebeden, die ont-
leent de mensen doorgaans aan zichzelven. De goden zijn voor
hem hoogere, rijker begaafde en sterker wezens, tot wie de
mensen zich in bijzondere gevallen wendt, maar zij zijn niet
de bron, waaruit elke goede en volkomen gave ieder oogen-
blik voortkomt, en zij kunnen het ook niet zijn, omdat hun
aantal zoo groot is. Daarentegen bewijst ons Christelijk geloof
dat het de volmaking is van alle geloof en eiken godsdienst
ook daardoor, dat het \'t gebed tot zijn volle ontwikkeling
laat komen. Onze God woont in de hoogte en in zijn heilig-
dom, heilig en hoog verheven, en toch is Hij een ieder van
ons nabij. In Hem leven en zijn wij, van Hem ontvangen wij
elk oogenblik leven en kracht, Hij is het ware voedsel voor
onzen geest, dat deze in het gebed tot zich neemt; en niet
eer vindt de onrustige menschelijke ziel rust, dan wanneer
zij rust vindt in God.
Daarom, wanneer gij uw geest goed wilt verzorgen, voed
-ocr page 156-
144                                           HET NOODGEBED.
hem dan met de goddelijke krachten, die gij in den persoon -
lijken omgang met God verkrijgt. Er zijn vele trappen, waar-
langs gij langzamerhand kunt opstijgen tot op de eigenlijke
hoogte van het gebedsleven. Op den ondersten trap staat het
gebed in nood. Dikwijls scheurt het zich los uit het lijdende
en angstige hart, zonder dat gij er uzelven helder bewust van
zijt. Menigmaal stijgt het als een verborgen verzuchting uit
een hart op, dat reeds lang met het geloof aan God afgedaan
meende te hebben. Nood leert bidden, is een bekend spreek-
woord. Wij willen zulk een noodkreet tot God niet verachten,
al zijn ook de lippen, waaraan hij ontsnapt, meer gewoon te
vloeken dan te bidden. Het is toch een aanknoopingspunt,
dat het angstige hart weder met de onzichtbare wereld ver-
bindt, een noodsein, dat in doodsgevaar zoekend ten hemel
stijgt. Wie weet, of misschien niet daardoor de band wordt
gelegd, die een verloren zoon weder tot den Vader brengt.
Schaam u dus niet over een gebed in nood, al moet gij be-
kennen, dat gij uw God reeds lang hadt vergeten. Hij zendt
u juist daarom dien nood, opdat Hij u een noodkreet afperse,
die naar den hemel opklimt. Maar laat het dan niet bij dezen
noodkreet blijven. Houd de in den nood aangeknoopte be-
trekking met God ook in stand, wanneer de nood voorbij is.
Maak u tegenover God niet schuldig aan iets, wat bij de
menschen ongetwijfeld als een onedele handelwijze zou gelden,
namelijk dat gij u tot iemand om hulp wendt in den nood,
en wanneer de nood voorbij is, hem niet meer wilt kennen.
»Roep Mij aan in den dag der benauwdheid, en Ik zal u uit-
helpen," dat is eene belofte, die onwankelbaar vaststaat.
Maar onmiddellijk sluit zich hierbij de eisch aan: »En gij
zult Mij eeren." Vergeet dus het danken niet. Laat echter
het danken onder anderen ook daarin bestaan, dat gij voortaan
meermalen komt, en gij tenminste van het gebed in nood
opklimt tot het smeekgebed.
Het smeekgebed onderscheidt zich hierin van het gebed in
nood, dat het zich in alle mogelijke aangelegenheden, groote
en kleine, en niet alleen in zulke, waar groot gevaar aan
-ocr page 157-
HET SMEEKGEBED.                                       145
verbonden is, lot God wendt. Gewen u er aan, den God, die
in nood helpt, niet als een God aan te zien, alleen goed genoeg
om u te helpen, want dan zoudt gij afdalen tot het standpunt
van het polytheïsme, of zelfs van het fetiehisme. Wanneer Hij
u zoo machtig en zoo volkomen kan helpen, dan is Hij toch te
groot en te goed, om slechts als aanvulling te dienen, waar
uw eigen kracht en kunst tekort schieten. En omgekeerd,
wanneer uwe kracht en uwe kunst u in den nood zoo onbarm-
hartig in den steek laten, dan moogt gij gevoegelijk vragen,
of zij in het geheel wel toereikende zijn, en gij ook in gewone
gevallen niet behoefte hebt aan uw God. Gij moet alles uit
zijne hand ontvangen, alles als eene gave van Hem aanzien,
Hem om alles leeren bidden, ook daar waar het niet op leven
en sterven, op goed en bloed aankomt. Wis niet bidt, lijdt
groot gebrek, waar het op de gaven van het innerlijk, geeste-
lijk leven aankomt; uiterlijk is hij misschien zeer rijk, ja
beter bedeeld dan menig ander, maar dat is ook alles, en wat
hij bezit, heeft toch nooit meer dan een uiterlijke, tijdelijke
waarde. Waar zij daarentegen in het gebed verkregen werden,
daar zijn ook uiterlijke, aardsche gaven zegeningen van boven,
waardoor het hart van hem, die ze ontvangt, naar boven ge-
trokken en nauwer met den hemelschen Gever verbonden wordt.
En dat is juist de oorzaak, waarom onze hemelsche Vader,
ofschoon Hij weet wat wij behoeven, nog voordat wij het Hem
vragen, toch om elke goede gave gibeden wil worden. Ook een
aardsch vader kent misschien zeer goed het verlangen, waar-
mede het hart van zijn zoon vervuld is. Maar hij wacht tot
zijn zoon er hem om bidt. Waarom ? Omdat dit veel meer in
overeenstemming is met de plaats van den zoon tegenover den
vader, dan wanneer hem alles als vanzelf in den schoot viel.
Daarom erkent ook de mensch door het smeekgebed, dat hij
afhankelijk is van God; hij erkent, dat het niet een plicht,
maar vrije genade van God is, wanneer Hij den mensch allerlei
goede gaven geeft.
Wel is waar hebben verscheiden geleerde en ongeleerde men-
schen ons willen bewijzen, dat het smeekgebed slechts een
•10
-ocr page 158-
146                                      HET SMEEKGEBED.
beperkte kracht heeft. Dat liet goddelijke wereldbestuur van
den beginne af alles vast geregeld had, en dat het eene ver-
metelheid zou zijn, wanneer de mensch wilde verwachten, dat
hij door zijn gebed iets zou veranderen in den vastgestelden
loop der dingen. Dat dus het smeekgebed onder alle omstan
digheden slechts een innerlijke waarde kon hebben, namelijk
dat het \'t hart stil, kalm en onderworpen maken kan.
Verre zij het van ons, deze vrucht van het gebed tot God
gering te achten; de hoogste kunst in het bidden is toch altijd
het: «Niet mijn wil, maar uw wil geschiede." Maar inderdaad,
wanneer alleen de rust en de bevrediging der ziel bedoeld wordt,
kan die desnoods ook niet zonder gebed verkregen worden,
als men zich, daar het nu eenmaal toch niet anders gaat, in
het onveranderlijke schikt.\' Hij, die de mogelijkheid ontkent, dat
wij door ons gebed iets verkrijgen, wat wij zonder gebed niet
verkregen zouden hebben, neemt alle kracht en leven uit het
gebed weg. Hij is dan in tegenspraak met de duidelijke getui-
genissen van den Heer zelf, die geheel iets anders belooft aan
hen , die bidden, dan onderworpenheid en vrede, evenals niet
de eenstemmige ondervinding van allen, die op hun gebed
allerlei goede gaven, ook voor het aardsche leven, ontvangen
hebben. Welk eene voorstelling maken zulke mensehen zich clan
van het goddelijk wereldbestuui ? Als een noodlot, dat on-
verbiddelijk en vast zijn weg vervolgt, en overal, evenals in
de oude tragedie, den mensch daardoor verheft, dat het hem
vernietigt? Natuurlijk wordt daarmede niet bedoeld, dat alles,
ook het onverstandigste en verderfelijkste, geheel in tegen-
spraak met Gods wil, op het gebed der menschen toegestaan
zou worden. Zoo vast is het samenstel der goddelijke wereld-
orde wel, dat het aan de verhooring van menschelijke beden
bepaalde perken stelt. Maar zoo onverzettelijk is het niet,
dat de mazen van het net niet rekbaar zouden zijn, dat
niet op een gegeven punt de loop iets veranderd, en daarna
toch weder in de aanvankelijke richting teruggebracht zou
kunnen worden.
Of doet niet ook de mensch door zijn vrijen wil vele dingen,
-ocr page 159-
GEB EDS VERHOORING.                                              147
dooi\' welke hij op den loop van zaken invloed oefent en ver-
schijningen en gebeurtenissen tevoorschijn roept, die zonder
hem niet geweest zouden zijn? De kunst en de grootheid van
het goddelijk wereldbestuur bestaan niet daarin, dut het den
vrijen wil des menschea onderdrukt, maar dat het hem viij
laat handelen, en hetgeen hij gedaan heeft, bij het geheel
inweeft en dienstbaar maakt aan de goddelijke doeleinden.
Juist zóo staat het met het smeekgebed en den invloed, dien
het op den loop der dingen uitoefent. Indien het goddelijke
wereld plan geen plaats overliet voor gebedsverhooring, dan
zou het ook de vrije handelingen der menschea buitensluiten.
Want die regeling is de beste niet, welke noodig heeft dat
men zich streng tot in de kleinste bijzonderheden aan haar
programma vasthoudt, maar die, van welke men hier en daar
wat kan weglaten , zonder dat zij in hoofdzaak van haar richting
en doel afgebracht wordt.
De treffendste bewijzen tegen alle bezwaren ten opzichte van
de gebedsverhooring zijn altijd weder de feitelijke gebedsverhoo-
ringen, die de ondervinding ons leert kennen. Zulke ondervin-
dingen zouden nog veel meer opgedaan worden, en veel minder
menschen zouden meenen met alle recht over niet verhoorde
gebeden te mogen klagen, indien de verhooring niet dikwijls
op zulk een geheel andere wijze geschiedde, dan wij hadden
gedacht, zoodat velen door hunne verblindheid en stompheid
van zinnen in het geheel niet bemerken, dat hunne bede verhoord
is. Ik weet niet of het volgende verhaal historisch waar is,
in elk geval kenschetst het op voortreffelijke wijze het men-
schelijk hart. Een schipper valt in het water en is in gevaar
van te verdrinken. Nu roept zijne ziel tot God: «Help mij uit,
red mij!" Op dit oogenblik grijpt hij een touw, dat zijne ka-
meraden hem tot redding toegeworpen hadden. »IIet is al in
orde," roept hij tot den hemel, terwijl hij het touw gr-jpt,
•het is niet noodig meer, ik heb mijzelven al geholpen!" Dat de
gebedsvethoorng juist in het toewerpen van het touw bestond,
daaraan dacht hij niet.
Het smeekgebed staat hooger dan het gebed in nood. Het
-ocr page 160-
148                                          GEBEDS VERHOORT. NG.
wendt zich niet alleen in de dringendste, moeielijkste aangelegen-
heden tot God, maar onder alle omstandigheden. Het brengt
den menseh daardoor nader tot God, en is reeds de uitdrukking
van een inniger persoonlijke betrekking tot Hem. Het breidt
zich uit tot de voorbede, neemt ook de aangelegenheden van
den naaste in zich op, en verheft zich daardoor tot een pries-
terlijk karakter. En hoe schoon is het niet, wanneer men
zich reeds in de jeugd op de priesterlijke voorbede toegelegd
heeft, en het hart zich gewent met waarachtig medelijden
deel te nemen aan anderer lief en leed! Maar hierbij moet uw
hart niet blijven stilstaan. Het moet zich gewennen tot God
te komen, ook al heeft het om geen bijzondere zaak te bidden,
al wordt het niet bewogen door bijzondere aangelegenheden van
zichzelven of van anderen.
De bede moet zich verder ontwikkelen tot het eigenlijke gebed,
tot het eenvoudige gesprek en verkeer met God. Nu zijn wij
weder een trap hooger gestegen. De bede heeft een bepaalde,
afzonderlijke gave op het oog; het gebed, het gesprek des harten
met God wil slechts den Gever en den omgang met Hem. Ginds
is God als het ware het middel om tot het doel, namelijk de
gave te komen; hier is God zelf het doel. Evenals het eene be-
hoefte voor het kind is, met zijne moeder te spreken, ook wanneer
het niets bijzonders op het hart heeft; evenals het den vriend
eene behoefte is bij zijn vriend te zijn en met hem een woord te
wisselen, al valt er geen bijzondere zaak te behandelen : even-
zoo is het eene behoefte voor elk vroom gemoed, om bij God
te zijn, innerlijken omgang met Hem te hebben, zijne stem
te hooren, zijne hand te voelen, ook wanneer er geen bijzon-
dere bede tot Hem opgezonden behoeft te worden. Daarom
kan ook het gebed in deze beteekenis, «zonder ophouden"
geschieden; het is niet noodig dat het altijd met stem en ge-
baar gepaard gaat; het is met eiken arbeid te vereenigen, en
bij uitspanning en genoegen is ket een onbedriegelijke maat-
staf, naarmate het gebed er beter of slechter bij past, of het
een geoorloofd genoegen is, of niet. Als een heilige melodie
begeleidt het de bezigheden van den dag, zijn lief en leed,
-ocr page 161-
149
GEBED EN AANBIDDING.
zijn last en lust; wat de ademhaling is voor het lichaam,
dat is het gebed voor den geest, wanneer het voortdurend
«en hemelschen levensadem in den niensch doet neerdalen.
Wanneer echter de geest geheel in zijn God opgaat, wan-
neer het rnenschelijk ik, in het gevoel van zijn eigen nietig-
heid en Gods onmetelijkheid, op den achtergrond treedt, en
niet meer met God spreekt, maar slechts met zich laat
spreken, Hem hoort, zijn algenoegzaam en volkomen wezen in
zich opneemt en daarvan geniet, dan klimmen wij tot een
nog hoogeren trap op, namelijk tot dien der aanbidding. En
wanneer het voorwerp van deze aanbidding de heerlijkheid,
de grootheid, de welgelukzalig\'ieid Gods is, en de niensch,
zichzelven vergetend, met blijde vei wondei ing deze goddelijke
grootheid aanschouwt en tot in zijn binnenste wordt bewogen,
dan komt daaruit voort het loven en prijzen van God, dat wij
met recht als den hoogsten trap des gebeds kunnen aandui-
den. Gebed in nood, smeek- en dankgebed, dat is menschen-
werk; aanbidding en lof — dat is het werk van engelen.
Ginds de aardsche werkdag, hier de hemelsche sabbat; ginds de
strijd met \'slevens moeite en ellende, hier een voorsmaak
van de toekomstige volmaking. Gelukkig hij, die in dagen van
nood tot God roept, tot Hem kan bidden onder alle omstan-
digheden. Maar gelukkiger nog hij, die kan aanbidden, loven
en prijzen, en het gelukkigst hij , die ook in angst en ellende
nog loven en prijzen kan. Voor hem hebben angst en ellende
hun scherpsten prikkel verloren.
Deze opklimming in het gebed sluit zich in zekeren zin
aan het klimmen der jaren aan. Men kan de verschillende
trappen als de kindsheid, de jeugd en den rijpen mannelijken
leeftijd van het gebed beschouwen. Maar wie zal het bij den
jongeling weren, wanneer hij zich reeds op zijn leeftijd tot het
volmaakte gebed, tot lof en aanbidding verheft, vooral omdat
de geest juist in die jaren gaarne de hoogste vlucht neemt?
AVanneer David, de herdersknaap, in de aanschouwing van
de heerlijkheden van den dag, of de majesteit van den nacht,
eene opwekking vindt om te aanbidden, te prijzen en te loven;
-ocr page 162-
150                                          LOF EN PRIJS.
wanneer al het geschapene bij hem samenstemt tot een koor,
waarvan zonder ophouden een machtige lofpsalm opstijgt;
of wanneer Paulus, de diepzinnige denker, bij de beschou-
wing der wonderbare wegen, die God in di geschiedenis dei-
volken beschikt heeft en ook nu nog beschikt, zijn aangezicht
bedekt en met lof en aanbidding voor de voeten nederzinkt
van den God, uit wien en door wien en tot wien alle dingen
zijn: zoo is ook het eene zoowel als het andere gebied, natuur
en geschied enis, voor uw oog ontsloten, en zij kunnen de
ladder worden, waarlangs uwe ziel zich verheft en verdiept in
de aanbidding en den lof van de grootheid en heerlijkheid
Gods. Laat zóo uw gebedsleven steeds meer een afdruk wor-
den van die heerlijke verzameling gebeden, het boek dei-
Psalmen, dat door nienigen noodkreet, door menige klacht,
door vele groote en kleine gebeden zich heenworstelt tot lof
en aanbidding, totdat in de laatste Psalmen alle zuchten en
smeekingen opgelost worden in een heerlijk Halleluja; tot een
afbeelding van dat schoone, volmaakte en voortreffelijke gebed,
dat Christus de Heer zelf aan zijne jongeren geleerd heeft, dat
alle belangen van het rijk Gods en van den mensch. bedre-
ven zonden en toekomstige verzoekingen en rampen doet weg-
smelten in den lof, den prijs en de aanbidding van Hem,
wien het rijk en de kracht en de heerlijkheid is tot in eeu-
wigheid.
Onze vaderen hebben echter, waar van gebed sprake was,
aan ouden en jongen een belangrijk onderscheid ingeprent
tusschen dat, wat men in het latijn voralio mentcdis" en voratio
oralis"
noemt. Met het eerste meende men het gebed in ge-
dachten , dat zich niet uitdrukt in bepaalde woorden en ge-
baren, en met het tweede het gebed, dat ook een uüerlijken
vorm verkrijgt door gebaren en woorden. Doch onze vaderen
maakten hier slechts een onderscheid, geen scheiding, want
beiden, het gebed des harten en het gebed in woorden zijn op
het nauwst verbonden, en men zou ze niet dan met groote
schade van elkander kunnen scheiden. Een gebed in woorden,
zonder dat het een gebed des harten is, zou spoedig niets
-ocr page 163-
151
GEBED MET IIAUT EN MONft.
zijn dan liollo klanken. Want, wie alleen op bepaalde tijden
van den dag, bijv. des morgens of des avonds zijne handen
vouwt en bidt, maar nooit in dien tusschentijd gedurende zijn
arbeid of zijne uitspanning zijn hart tot God verheft, en on-
bemerkt en onbeluisterd in de stilte zijns harten tot God spreekt,
dien zal het niet gelukken op vastgestelde bede-uren oplettend
te zijn en zijne wijd en zijd verspreide gedachten alle bijeen te
verzamelen. Veeleer wordt het hem iets ongewoons met God
te spreken, en langzamerhand zal hij het óf geheel nalaten,
óf het blijft geen spreken tot God meer, maar wordt eeno
phrase uit gewoonte. Wat van deze beide zaken het ergst, is,
valt moeielijk te zeggen.
Maar het zou ook moeielijk zijn het gebed des harten alleen
op den duur vol te houden, zonder bepaalde uren, waarin
men de handen vouwt en woorden tot God spreekt. »Ik bid
nooit, omdat ik altijd bid," is een grootsch en stoutmoedig
gezegde. Het wil zeggen: ik heb geen gebed met woorden
noodig en gcon bepaalde tijden om te bidden, daar mijn hart
gedurig spreekt tot God. Wie dat zeggen kan, is een volmaakt
heilige, of met zijn bidden is het niet bijzonder goed gesteld.
En van de honderd gevallen komt het laatste zeker negen en
negentig maal voor. Onze gedachten dwalen soms wonderlijk
af. Met den besten wil om ze bij God Ie bepalen, zwerven
zij tcch zoo licht rond en vestigen zich op andere dingen,
wanneer haar richting naar God niet van tijd tot tijd een be-
paaldcn uiterlijken vorm, een tastbare verwezenlijking ontvangt
in woord en gebaren. Evenals het woord, dat men spreekt,
een uitvloeisel is der gedachten, zoo dient het ook wederom
als steun en uitgangspunt van den gcdachtengang, en geeft
dien een bepaalde richting, duidelijkheid en beslistheid. Hoe
merkwaardig vormen zich »oms onze gedachten over de een
of andere zaak! Men peinst er lang over, en geeft zich veel
moeite om tot het ware begrip er van te komen, of de rechte
uitdrukking te vinden, en men vordert maar niet, totdat men
er den een of anderen vriend over spreekt, en door dat
gesproken woord verkrijgt opeens die innerlijke gedachten-
-ocr page 164-
152                                  HET UITGESPROKEN GEBED.
gang een groote nauwkeurigheid en duidelijkheid. Ja, zelfs
zonder mondeling gesprek, als men de pen ter hand neemt
en op papier zoekt te brengen, wat ons innerlijk bezighoudt —
hoe veranderen langzamerhand die onbestemde beelden in ons
in bepaalde gedaanten met scherpe omtrekken! Dit is de be-
teekenis van het woord, dat gesproken of geschreven wordt,
en dit is ook van toepassing op het bidden. E-m innerlijk ge-
bed alleen , dat zich niet in woord of gebaar uitdrukt, moet
onvermijdelijk uit de sfeer der gedachten terugzinken tot het
gebied van onbestemde gevoelens en gewaarwordingen, en deze
zullen in rook en damp verdwijnen, of zoo zij al een schijn-
leven blijven leiden, zijn zij toch niet meer in staat invloed
te oefenen op de gedachten en den wil.
Dus behooren het gebed des harten en het gebed der lippen
waarlijk bij elkander. Dit laatste vormt als het ware de stel-
lage, het eerste het binnenwerk ; het gebed des harten alleen
verdwijnt en lost zich op, het gebed der lippen alleen wordt
doodsch; ginds mist men helderheid, beslistheid en vastheid;
hier warmte en leven; ginds de . stevige beenderen, hier het
warme vleesch en bloed.
Het is niet alleen van gewicht, dat uw innerlijk gebeds-
leven nu en dan een uiterlijken vorm krijgt, \'maar het is
noodzakelijk dat gij hiervoor een bepaalden tijd en een vast
uur afzondert, en naar algemeene ervaring zijn hiervoor de
uren bij het begin en einde van den dag de meest geschikte.
Denk niet dat het vaststellen van zulk een bepaalden tijd een
ztchzelven opgelegde, wettelijke, onevangelische slavernij is, en
men hier slechts met zijne behoefte moet te rade gaan. De
beste en uitstekendste mannen der Christelijke kerk, wien
zonder twijfel hunne vrijheid naar het Evangelie even dier-
baar was als aan u, hebben, zonder schade te doen aan
hun gebedsleven, hiervoor bepaalde oogenblikken afgezonderd.
Van Luther en anderen is dit immers bekend, maar ook
Freiherr von Stein bijv. had het zich tot een regel gemaakt,
iederen morgen na het aankleeden een kwartier of half uur
te wijden aan een stil gebed. Ook verzocht hij een vriend,
-ocr page 165-
153
GEBEDSUREN".
dien hij bij zich had genoodigd, niet op Goeden Vrijdag te
komen, daar hij dien ganschen dag voor overpeinzing en gebed
bestemd had.
Hij, die het vlijtigst is, zou een leeglooper worden, wanneer
hij, inplaats van zich aan vaste werkuren te houden, alleen
dan wilde arbeiden, als hij er juist bijzonderen aandrang toe
gevoelde, of er bijzonder voor gestemd zou zijn. Die uiterlijke
aandrang en die innerlijke lust tot werken vertoonen zich
menigmaal eerst dan, wanneer men zonder aandrang of ge-
neigdheid is begonnen. Dan bemerkt men, hoeveel er te doen is,
dan gevoelt men, hoe gaarne men arbeidt. Het gaat evenzoo
met het gebed; en hier ziet men wederom hoe nauw lahora
met ora verbonden is. Als twee vrienden in een groote stad
wonen en beiden veel te doen hebben, zijn zij er op gesteld
van tijd tot tijd persoonlijk bij elkaér te zijn, en het is hun
niet voldoende, het te laten aankomen op de een of andere
aanleiding of aandrang van binnen. Maar om zeaker van hunne
zaak te zijn, stellen zij een avond in de week vast, en bepalen
dat zij, onder welke omstandigheden ook, elkander tenminste
eens in de week moeten zien En nu, uw hart leeft ook in eene
omgeving vol afwisseling, hetzij dat gij in een groote of kleine
stad woont; en daarom, als gij er aan hecht om geregeld uwen
Heer en God te ontmoeten, is het niet voldoende dit aan het
toeval over te laten, en het daarvan te laten afhangen, of
gij er toe gedrongen wordt door eene aanleiding van buiten
of van binnen. Maar gij moet den tijd vaststellen, die eens
voor altijd gewijd is aan den omgang met uw Vader in de
hemelen. En zonder deze oogenblikken af aan liet begin en
einde van den dag. Zijt gij dan op het bepaalde uur soms niet
in eene stemming om te bidden, dan moet dit u er niet van
afhouden, maar integendeel eene aansporing zijn tot het gebed ;
want hoe minder lust gij er toe gevoelt, hoe meer het een
teeken is, dat gij er groote behoefte aan hebt.
En als er niets bijzonders is voorgevallen, dat gij tot een
onderwerp van uw gebei zoudt kunnen maken, zoo mag ook
dit u niet terughouden. Wie waarlijk bidt zal nooit in dit
-ocr page 166-
154                                             STOF TOT 11IDDEN.
geval komen, want hij zal wel dikwijls te veel, maar nooit
te weinig stof hebben. Gebeurt het echter werkelijk bij u,
denk dan aan die schoone reeks van geboden, die wij hier-
boven bespraken; neem daaruit het een of ander motief;
begin bijv. eens met te danken, dat God u oogen en ooren
en al uwe ledematen schonk, dat Hij u verstand en zintuigen
heeft gegeven en nog onderhoudt, enz.; — aan stof tot bidden
zal het u nooit meer ontbreken. En vooral dan niet, wanneer
gij u reeds in uwe jeugd hebt gewend, om in uwe gebeden
niet alleen aan uzelven te denken, maar het «onze" en «ons"
van het Onze Vader in ernst opvat en ook in liet belang
van anderen tot God gaat. Want het algemeen priesterschap
van het Nieuwe Testament is niet alleen niet meer beperkt tot
een enkelen stam, maar ook niet tot zekeren ouderdom, en
ongetwijfeld past de priesterlijke voorbede voor anderen ook
aan de jeugd.
Niet minder krachtig dan tegen die innerlijke hinderpalen
zult gij tegen allerlei uiterlijke zwarigheden moeten strijden.
»Ik heb vandaag nog geen tijd gehad om te bidden ," of »ik
kan er tegenwoordig geen tijd meer voor vinden zooals vroe-
ger," hoe dikwijls hoort men zoo iets zeggen; nu eens met
oprecht leedwezen, dan met onverschillig schouderophalen.
Daar is een jonge klerk, die \'s morgens reeds zoo vroeg naar
het kantoor moet, of zooveel moet studeeren, dat hem geen tijd
overblijft voor iets anders. Hier is een milicien, en deze is
overtuigd, dat van zoo iets bij hem geen sprake zijn kan.
Daar een toekomstig student, die zich op een examen voor-
bereidt, en van den vroegen morgen tot den laten avond
zoo onder het werk is begraven, dat voor hem naast labora
geen plaats voor ora is overgebleven. Nu, mijn vriend ,
het kan wel zijn, dat gij zeer veel te doen hebt, en bijna
niet tot uzelven komt; het tegenwoordige leven en streven der
jeugd brengt dat met zich. Maar is niet juist dat jagen in
het leven een sterke aansporing, om, voordat men zich des
morgens in dien stroom werpt, en nadat men ei- zich des
avonds aan onttrokken heeft, een kleine spanne tijds te be-
-ocr page 167-
155
TIJD TOT BIDDEN.
houJen, om zijne gedachten te verzamelen en tot zichzelven in
te koeren? En zou het dan waarlijk zoo onmogelijk zijn , een
oogenblik te vinden, wanneer men het ernstig wil? Beken
het maar, gij hebt bij al uw werk en uw haasten en jagen
toch nog wel tijd voor het een en ander, dat gij als lief-
hebberij bijhoudt, en gij kunt, wanneer gij waarlijk wilt,
zeer goed bij het aanbreken en het einde van den dag een
oogenblik overhouden, om uw hart voor God tot rust en stilte
te brengen. Ondanks alle haast neemt men toch den tijd om
te eten — moet gij dan aan uwen geest den tijd niet gunnen,
zich te doordringen met de eeuwigheid, waaruit hij zijn voedsel
ontvangt ? Een beroemd evangelisch dienaar der kerk kwam
op eene inspectiereis bij een geestelijke, die niet naleefde,
wat hij zijne gemeente predikte. Op de vraag, of hij ook in
huis godsdienstoefening hield, antwoordde hij verlegen, dat
hij daarvoor geen tijd had. «Broeder," zeide toen zijn gees-
telijke voorganger, »gij hebt wel tijd, maar geen eeuwig-
heid." — Zorg dan, mijn vriend, bijtijds, dat gij de eeuwig -
heid niet mist!
Dat een gebedenboek door ons niet geteld wordt onder de
noodzakelijke vereischten voor het Christelijk leven der jeugd,
kan men uit het voorgaande genoegzaam opmaken. Gebeden-
boeken zijn op hunne plaats, waar hetgeen de harten eener
kleine of grootere vergadering beweegt, gezamenlijk wordt
uitgedrukt. Gebedenboeken dienen ook als steun en staf,
waar iemand in het bidden de eerste wankelende schreden
doet. Maar evenals men den staf en den steun gebruikt met
het doel en de hoop ze langzamerhand te kunnen ontberen,
zoo is dit ook het geval met de gebedenboeken. Zij kunnen
wel in gegeven omstandigheden eene weldaad zijn voor hem,
die heeft leeren bidden, wanneer om de een of andere reden
zijne ziel moede en terneergeslagen is, en zij geen gedachten
en woorden meer kan vinden. Toch zijn in zulke gevallen
woorden en gedachten van anderen meestal ontoereikend, en
troost men zich liever daarmede, dat God ook de onuitge-
sproken verzuchtingen in het diepst van het gemoed kent en
-ocr page 168-
156
GEBEDENDOEKEN.
hoort. Maar in elk geval moet gij met uw gansche bidden niet
van een gebedenboek afhankelijk zijn, doch u oefenen om
zonder vreemde hulp met uwen God en Heer te spreken en
al uwe bekommernissen op Hem te werpen. Velen worden
eigenlijk nooit los van het gebedenboek, omdat zij steeds in
den waan verkeeren, dat een gebed altijd bestaan moet uit
fraaie woorden, een goeden gedachtengang en een zekere
volledigheid. Maar een gebed is geen kunstige aanspraak, en
God, tot wien gij bidt, is geen criticus; want voor Hem is
het gekras der raven een gebed en het juichen der kleine
kinderen een lofzang. Laat u daarom door zulke oppervlakkige
bedenkingen niet terughouden, met uwen God en Heer zoo
te spreken, als het u temoede is, in schoone taal, zooals de
Psalmen, of in kinderlijk stamelen; goed gerangschikt of een
weinig verward — de hoofdzaak is toch altijd, dat gij bidt,
en wel van harte bidt, dat gij alle gebeden leert opzenden,
van den noodkreet af tot de aanbidding met lof en dank,
zoowel in uw binnenste, zonder ophouden , als uitwendig met
woorden en gebaren op bepaalden tijd. Zoo zal het leven uws
gebeds een heilige keten zijn, die u steeds nauwer aan God
verbindt, een goede schutsmuur, die u tegen uw gevaar-
lij kste vijanden beschermt, krachtige vleugelen, waarmede
gij u verheft boven zoo menig bezwaar, zoo menigen last,
die aan anderen hunne geestkracht ontneemt — eene bron van
ware, duurzame kracht voor het hemelsch en aardsch leven.
Dan zal uw innerlijk leven de gestalte aannemen en altijd
meer verkrijgen, die aan God en menschen behaagt, wanneer
het ru^t op den grond van het geloof en het zich volmaakt in
Gods gemeenschap, lichaam en geest versterkt en bewaart,
beroep en vermogen , tijd en geld recht gebruikt en naar de
ware grootheid streeft. Dan zal ook uw eigen bestaan, dat
op vaste grondslagen is opgebouwd , uit zichzelven de ware plaats
innemen tegenover anderen. Hiermede naderen wij tot een
tweede reeks van deugden, die als een schoone krans het
hoofd van den jongeling moeten versieren, namelijk tot die,
waarbij niet meer in de eerste plaats sprake is van zelfvol-
-ocr page 169-
157
GEBEDENBOEKEN.
making en zelf bewaking, maar van het innemen en bewaren
der juiste betrekking tegenover anderen.
Het eerste, dat gij aan een ander verschuldigd zijt, en
waarop gij even goed voor uzelven aanspraak maakt, is, dat
gij achting voor hem koestert. Doch daarover in een nieuw
hoofdstuk.
-ocr page 170-
XI.
DE ACHTING VOOR ANDEREN.
Wij bedoelen hier niet die achting, welke wij schuldig zijn
aan hen, die hooger geplaatst zijn en boven ons staan; ook
niet die, welke wij onwillekeurig aan iedereen betuigen, die
zich door de een of andere bijzondere daad heeft onderschei-
den. Wij spreken hier van den eerbied, dien wij tegenover
een ieder moeten in achtnemen, wie en wat hij ook zijn moge,
die onafhankelijk is van rijkdom, begnafdheid, stand of ver-
dienste, en die den mensch alleen daarom toekomt, omdat hij
mensch is. Waarop berust deze eerbied, dien wij een ieder,
zonder onderscheid, verschuldigd zijn?
Voor den Christen berust hij ten eerste op hetgeen de
mensch is volgens zijn oorspronkelijke natuur en zijn aan-
leg: geschapen naar Gods beeld, door den Schepper kun-
stig geformeerd en heerlijk toegerust, begaafd met geest en
verstand, bestemd om te leven in gemeenschap met den
hoogen God. Van God komen, God toebehooren, tot God
wederkeeren — dat is zeker aller eerbied waardig. Het is
waar, als men den mensch in \'t algemeen beschouwt, zooals
-ocr page 171-
459
MEXSCIIEX VERACHTING.
wij hem ontmoeten, clan zou men kunnen zeggen, Jat er van
deze heerlijkheid, die hem tot een voorwerp van eerbied
moest maken, niet veel te bespeuren is. Het ontbreekt ook
niet aan menschenhaters en verachters, die ongeloovig het
hoofd schudden, waar van menschenwaarde gesproken wordt
en van den eerbied, dien men haar is verschuldigd. »Gods
evenbeeld? Jawel, een afstammeling van een gorilla. Ver-
stand, begaafdheid? Dat kan wel zijn, maar waartoe gebruikt
hij zijn verstand? Om moord werktuigen uit te vinden, de
meest geslepe:; misdaden te bedenken, boosheid en bedrog te
plegen. Hoe meer men de menschen en hunne geschiedenis
leert kennen, hoe meer de verachting van menschen de plaats
inneemt van den eerbied. Alles is leugen en bedrog, zelfzucht,
leedvermaak, laagheid en gemeenheid. De mensen is zoo laag,
dat hij iets van vreugde in zich voelt bij het ongeluk van zijn
besten vriend, en dat hij daarover in een verborgen hoekje
van zijn hait een zekere voldoening smaakt."
Zoo heeft reeds menigeen gesproken en gewanhoopt aan
de rnenschheil en ze veracht, behalve natuurlijk bet eigen
Ik, waarvoor altijd de diepste eerbied werd gekoesterd. Zeker ,
als men jong is, zal men niet zoo licht tot zulk eene verach-
ting der menschen vervallen. Dit zou ook bovenmate droevig
zijn, tienmaal droeviger, dan wanneer een oude knorrepot
zulke ideeën krijgt. Toch ligt er een zeer ernstige waarheid
ten grondslag aan de redeneeiingen der rnenschenverachters.
Altijd en altijd weór treft het ons, dat c!e natuur des men-
schen, die oorspronkelijk zoo heerlijk was, slechter is geworden,
niet alleen aan haar oppervlakte, maar in de diepte des harten,
vanwaar \'s levens uitgangen zijn. Het is ook niet voldoende
menschenhaters te wijzen op liet tegenovergestelde, op zooveel
goeds, dat er nog over is in de menschelijke natuur, op zooveel
edele menschen, die er in de wereld geweest zijn en nog steeds
zijn. Want het zal hun niet moeielijk vallen ook in het zoo-
genaamde goede, dat de menschelijke natuur nog heeft bewaard,
allerlei vlekken en smetten aan te toonen, vele dingen weder
terug te leiden tot zelfzuchtige beweeggronden, en in elk
-ocr page 172-
i 60                                        \'S MEXSCHEN WAARDE.
geval te bewijzen, hoe in de meeste lofwaardige daden de
ijdelheid en zelfzucht tevoorschijn treden en het goede der
handelingen wpgnemen. Heinrich Heine heeft er een zeker
demonisch genoegen in, om vele zijner schoonste en aangrij-
pendste gedichten onverwacht cynisch, verachtelijk en . spot-
tend te laten eindigen; en dit laatste bederft dan geheel en
al den indruk van het geheel. Dit gebeurt ook menigmaal
bij de goede daden der menschen. Zij beginnen prachtig en
komen ook soms tot een voorbeeldig einde; maar dan treedt
eensklaps het ware Ik op den voorgrond, en de zelfzucht en
zelfvoldaanheid werpen donkere schaduwen over hetgeen goed
was begonnen en voortgezet. En wat al die edele menschen
betreft — van hen zegt de menschenhater, dat hij er niet
velen ziet, en de weinigen, die hij kent, moest hij op klaar-
lichten dag met een lantaarn zoeken. Dat zijn uitzonderingen,
waardoor het verachtelijk oordeel over den mensen in het alge-
meen evenmin kan worden omvergeworpen, als de bekende
valschheid der katten daardoor, dat er nu en dan eenige exem-
plaren voorkwamen, die minder valsch waren.
Neen, hetgeen men in de menschelijke natuur moet eer-
biedigen, is voor den Christen eene zaak van geloof. Omdat
de mensch oorspronkelijk naar Gods beeld is geschapen, houdt
het geloof staande, dat zulk een beeld van God niet eenvoudig
kan worden uitgewischt, zooals men met een spons het schrift
van een leerling van de lei wegveegt, maar dat toch iets
van dat Godsbeeld in ieder hart overblijft, zij het dan ook
bedorven en misvormd. Dat gij echter een recht hebt, om
aan zulk een overblijfsel te gelooven, dat onder de grofste
zonden bewaard blijft evenals een goudstuk, dat men in het
slijk heeft verloren, dat waarborgt u het bestuur yan God,
die zich immers van de zondige menschheid nog niet heeft
afgewend, maar van den beginne aan een plan heeft gemaakt
om haar te verlossen. Met andere woorden: de achting van
een Christen voor zijn naaste berust, behalve op de schepping
naar Gods beeld, ook nog op het feit van de verlossing door
Christus. Daaraan herinnert ons Paulus: «Geliefden, veracht
-ocr page 173-
\'S MENSCHEN WAARDE.                                  161
dien niet, voor wien Christus gestorven is." De verlossing heeft
niet alleen betrekking op de massa, maar op ieder persoonlijk.
Elke ziel op zichzelve heeft God zóo duur gekocht, dat de geheele
wereld met haar in waarde niet gelijk staat. Voor ieder per-
soonlijk is Christus mensch geworden en gestorven. Ieder
persoonlijk is hierdoor in zijne menschhei 1 geadeld, dat Gods
Zoon de menschelijke natuur heeft aangenomen. Iedereen, hij
moge nog zoo slecht en diep gezonken zijn, is geroepen tot
eene heerlijkheid, tegenover welke het heerlijkste en edelste,
dat de wereld aanbiedt, in het niet verdwijnt. Ieder is ge-
roepen om als kroondrager in het rjk des Vaders te blinken
als de zon, hoe slecht het hier met hem moge gesteld zijn
door zonde en schuld. Antistes Spleiss, die in 1854 stierf,
sprak eens te Schaffhausen over de heerlijkheid der Christenen.
Een slaperige en havelooze knaap zat naast hem, hij pakte hem
bij den arm, schudde hem flink, en zeide: sllans Adam, de
herdersjongen hier, zal een koning en priester worden; denk
toch eens wat dat is en word wakker, anders wordt een
ander het in uwe plaats."
Dus is de waarde, die elke ziel, elke persoonlijkheid voor
God heeft, krachtens de schepping en de verlossing, de
grondslag van den eerbied, dien wij aan den mensch als
mensch zijn verschuldigd. Wij moeten daarom niet alleen
daaraan denken en daarop letten, wat hij nu is, maar ook
op hetgeen hij door de kracht der genade kan worden.
Daarom is het ook niet goed tot iemand te zeggen: »Ik
veracht u!" Dat beteekent toch: Ik erken in u niets meer,
wat mijne achting waard is. En toch is er nog iets in ieder,
zelfs in den diepst gezonken mensch, een aanknoopingspunt
voor het betere, eene herinnering aan iets hooger, een licht-
straal van Gods heerlijkheid, die onze achting waardig is.
Een zucht van den diepst gezonken mensch, die bijna onder-
gegaan is in de zonde, een zucht van ontwakende erkenning
van zijne ellende, éen zucht van een donker voorgevoel van
iets beters, waartoe hij zou kunnen geraken, verheft hem
verre boven het redelooze schepsel, maakt hem den eerbied
11
-ocr page 174-
162
VERLEIDING EX ERGERNIS.
der menschen waardig. Gij moogt wel zeggen: Ik veracht
die daad, zij is voor mij een voorwerp van afschuw en ver-
ontwaardiging, maar gij hebt geen recht den persoon te ver-
achten. God veracht hem immers ook niet, anders zou Hij
niet voor hem laten regenen en zijne zon over hem doen op-
gaan. Dus moet gij aan uw naaste, hij zij dan goed of slecht,
alles achten, wat God aan hem heeft geformeerd. Acht zijn
leven, brengt daaraan geen stoornis of schade toe, brengt het
niet moedwillig in gevaar. Acht nog meer zijne ziel, als iets,
dat uit Gods adem is geboren, door Christus is gekocht en
tot heerlijkheid is geroepen. Doet haar geen nadeel door een
slecht voorbeeld, dat gij misschien onwillekeurig geeft, nog
minder door opzettelijke, duivelsche verleiding, door met
bewustheid ergernis te geven. Dan zou het u beter zijn, zoo
een molensteen om uw hals ware gedaan en gij geworpen
waart in het diepste der zee. Verleiding is diefstal, ja een
moord, gepleegd onder de meest verzwarende omstandig-
heden aan een kostbaar leven, dat door drievoudig eigemloms-
recht Go.l toebehoort Het is erger dan de vernieling van
het kostbaarste kunstwerk, want geen kunstwerk komt in de
verste verte de waarde nabij van eene menschenziel. Wij staan
hier voor iets, dat bijzonder van gewicht is bij den omgang van
jongelieden, die in jaren verschillen. Overal waar jonge men-
schen van ongelijken leeftijd samenzijn, op kantoren, in kazer-
nen, in scholen, in gestichten, daar oefenen vanzelf de oude-
ren een zekeren invloed uit op de jongeren. En de jongeren,
ook al willen zij het niet bekennen, zien op de ouderen en
zijn licht geneigd na te doen , wat zij van hen zien. Hierin ligt
voor de ouderen een zware en ernstige verantwoordelijkheid.
Dan moet men beJenken, dat er gevaar bestaat voor zielen,
die door het geringste slechte voorbeeld, de meest onbedui-
dende verzoeking tot het verderf kunnen worden geleid.
Menigeen meent het niet slecht, als hij een jongere er toe
brengt om kwaad te doen; hij doet het meer uit overmoed
en onbezonnenheid. Maar de gevolgen zijn toch slecht, en de
wrange vruchten blijven niet uit; de verzoeking heeft een
-ocr page 175-
ACHTING VOOR \'T GEWETEN VAN ANDEREN.                  163
aanvang genomen; de verteerende vonk is ontvlamd, het gif
is in de ziel uitgestort — wie zal het weder wegnemen ? Wie
zal den loop van het kwade stuiten?
Voor verleiders is het een vreeselijk woord, wat Joh. Heer-
mann, de bekende Evangelische dichter uit den dertigjarigen
oorlog, eens naar Breslau aan zijn zoon schreef, die het rechte
pad had verlaten: «Zoodra God mijne ziel opeischt, zal ik voor
zijn zetel nedervallen en zal hen, uwe verleiders, binnen het
jaar voor zijn rechterstoel dagen, en gij ook, wanneer gij u
niet bekeert, zult u voor God en mij moeten verantwoorden."
De zoon werd hierdoor in het geweten getroffen en bekeerde
zich, maar op de verleiders bleef toch de zware verantwoording
rusten.
Heb eerbied voor de ziel van een ander, maar heb ook
eerbied voor zijn geweten en voor zijne overtuiging. Wanneer
gij uzelven een vermaak veroorlooft met een gerust geweten,
maar een ander gevoelt zich verplicht om het zich te ontzeg-
gen, laat hem dan met rust en beproef liever uzelven, of de
gronden, waarop gij het u vergunt wel vast zijn, en of niet
eer de bedenkingen, die hem verbieden mede te doen, ook
voor u van kracht moesten wezen. Het is een groote onver-
draagzaamheid, iemand van gelijken leeftijd, die zich ter
zake van het geweten en om een goed voorbeeld te geven,
onthoudt van het bezoeken van schouwburgen en van andere
dingen, er op aan te zien, hem lastig te vallen, te trachten hem
zijne overtuiging te ontnemen, en om tot dit doel te geraken v
de toevlucht te nemen tot lagen spot. Juist zij, die altijd den
mond vol hebben van vrijheid, verdraagzaamheid enz. zijn soms
de grootste tirannen voor de gewetens van anderen. Maar het-
zelfde geldt ook voor het tegenovergestelde. Als uw geweten u
verbiedt aan iets deel te neraen, en u een genoegen ontzegt,
maar een ander geniet er van met een goed geweten en een
vroolijk hart, omdat het op zichzelven niet slecht is, maar slechts
door misbruik schadelijk kan worden, dan moet gij ook in
dit geval zijn geweten en overtuiging eerbiedigen en u er
voor in acht nemen hem te bestraffen en te veroordeelen. God
-ocr page 176-
164
SCHELDWOORDEN.
heeft allerlei wegen, waarop Hij de menschen leidt. Den een
houdt Hij streng in toom en veroorlooft hem in geringe mate
wat men gewoonlijk \' genietingen en vrijheid noemt; aan een
ander geeft Hij meer speelruimte en staat hem het een en ander
toe, zonder hem evenwel buiten hot bereik zijner tucht te laten
komen.
Menigmaal wordt bij den omgang der jeugd de achting,
die men den mensch schuldig is, gekwetst door allerlei scheld-
woorden,
waarop men elkander wederzijds onthaalt, en waarin
de een den ander zoekt te overtreffen. Dikwijls deelt men ze
uit in alle vriendschap en vroolijkheid, of tenminste zoo,
dat men niets kwaads bedoelt, en niet meent, dat het ge-
bruikte scheldwoord in zijn ganschen inhoud en omvang op
hem moet worden toegepast, wien men het toevoegt. In
zulk een geval zegt men later gewoonlijk, dat het niet ernstig
gemeend was. Maar ook in deze schijnbaar onschuldige ge-
vallen zijn de scheldwoorden toch een gevaarlijk iets, zij
kwetsen den eerbied, dien men aan anderen schuldig is, en
dat ziet men het beste aan de slechte gevolgen, die ook het
gebruik in scherts somtijds na zich sleept, en aan de wond er-
bare gemakkelijkheid, waarmede scherts in ernst, blijspel in
drama overgaat. In de Bergrede worden de scheldwoorden
gerangschikt onder het zondigen tegen het vijfde gebod, en
is het »dwaas" noemen geacht als eene soort van moord, waar-
door men strafbaar wordt voor het helsche vuur. Door zulke
woorden ontneemt men aan de persoonlijkheid des menschen
zijne waarde; iets, wat God geadeld en hoog geplaatst heeft,
wordt naar beneden in het stof gerukt, het beeld van God
wordt veranderd in een dwaas, ja zelfs in een onredelijk en
onrein dier.
De gewone benaming, waarmee wij onze achting voor ande-
ren uitdrukken, is beleefdheid. Zij is volstrekt niet iets onver-
schilligs, maar eenvoudig het erkennen van de waarde, welke
de mensch als mensch voor ons heeft. Haar vorm moge ver-
anderen in den loop der tijden, zij moge onderscheiden zijn
bij verschillende volken onder verschillende hemelstreken,
-ocr page 177-
BELEEFDHEID.                                          165
op verschillenden trap van beschaving, maar overal vinden
wij een algemeene uitdrukking voor de hoogachting, die wij
voor den mensch gevoelen. De Indiaan of Kaffer hecht even-
veel aan beleefdheid als de Europeaan, de boer evenveel als
de beschaafde wereldling der stad. Ook de koningen hebben
hunne soort van beleefdheid, want: «stiptheid is de beleefd-
heid der koningen." Wanneer gij een onbekende beleefd beje-
gent, zegt gij hem als het ware: ik ken u nog niet, ik weet
nog niets van u, maar als mensch zijt gij voor mij achtens-
waardig." Bij beleefdheid is er dus niet alleen sprake van
uiterlijke vormen, die men even goed zou kunnen nalaten,
maar zij is een zedelijke plicht. Onbeleefdheid is niet alleen
een aesthetisch, maar ook een zedelijk gebrek, een gebrek
in het karakter, en zoo wordt het ook door de wereld be-
oordeeld. De heerlijkste gaven, de grootste kennis, ja zelfs
goede eigenschappen, die hij bezit, zijn dikwijls niet bij machte
voor een jongen man een weg door het leven te banen, wan-
neer hij zich onbeleefd en ongemanierd gedraagt. En daarentegen
heeft menig vriendelijk, beleefd en gedienstig gedrag bijge-
dragen om niet onbeteekenende leemten in gaven en kennis aan
te vullen en deuren te openen, die van groote beteekenis waren
om vooruit te komen.
Behalve dat zulke beleefdheid een algemeen bewijs van
achting is, geeft zij ook aan hem, die haar uitoefent, eene
zeer veilige stelling tegenover anderen. Ten eerste dwingt
men door een beleefd gedrag hem, met wien men te doen
heeft, ook tot beleefdheid, wat in zekere gevallen een zeer
groot voordeel is en aan onaangename verklaringen dadelijk
een groot deel van haar heftigheid en scherpte ontneemt.
Men wordt het toch eerder eens, als men beleefd met eik-
ander omgaat, dan wanneer men dadelijk met geschreeuw en
grofheden begint. Ook wordt het beleefd tegemoetkomen soms
eene brug, waardoor langzamerhand een betere wederzijdsche
kennismaking en inniger verkeer, en misschien een voor beide
partijen rijke en gezegende vriendschap tot stand komt. In
verdichte verhalen gebeurt het wel eens, dat duurzame vriend-
-ocr page 178-
160
UELEEFDIIEID.
schap haar ontstaan te danken heeft aan de grootste grof»
heden, en dat de harten eerst onder krachtige scheldwoorden
elkander hebben gevonden. Maar in werkelijkheid is de zaak
toch anders. Met harpoenen, die in het vleesch dringen en
wonden slaan, vangt men walvisschen, maar gewoonlijk geen
vrienden. Wilt gij echter met iemand, dien gij toevallig leert
kennen, in geen nadere betrekking komen, omdat u dit vol-
strekt niet wenschelijk toeschijnt, dan is dit een derde voor-
deel van de beleefdheid. Zooals zg eene brug worden kan van
den een tot den ander, zoo kan zij ook, als het noodig is,
uitstekend dienst doen als verhindering en scheidsmuur, om
gevaarlijke en zich indringende lieden op betamelijken afstand
te houden. Zij onderscheidt zich in dezen ook zeer tot haar
voordeel van de grofheid en afstootende ruwheid. In grof-
heid ligt altijd eene uitdaging, en zij geeft hem, tot wien zij
gericht is, een recht om te antwoorden; afgemeten beleefdheid
daarentegen laat geen dergelijk antwoord toe, maar trekt tus-
schen de personen eene grenslijn, die niet zoo licht overschreden
wordt. Zoo hebt gij, terwijl gij den naaste de eer en de achting
bewijst, die hem toekomen, tegelijk daarin een wapen, waar-
mede gij uzelven dien eerbied verschaft, die noodzakelijk is,
wanneer men jong of oud zijnde, met de gaven, die men
heeft ontvangen, anderen werkzaam wil dienen en iets in de
wereld wil ten uitvoer brengen.
Maar met den eerbied voor den naaste is eene deugd onaf-
scheidelijk verbonden, en hoe meer men tegen haar zondigt,
hoe grooter recht wij hebben hier over haar te spreken, wij
bedoelen de waarheidsliefde.
-ocr page 179-
XII.
DE WAARHEIDSLIEFDE.
Waarheid is een plicht van eerbied jegens den naaste, en alle
leugen is een bewijs, dat men anderen minacht. Waaiheid is
een liefdeplicht, want zij is een vereischte voor iederen om-
gang en de leugen snijdt alle onderlinge gemeenschap af.
Wij moeten de waarheid spreken, omdat wij allen leden zijn
van éen lichaam, en omdat zonder haar de Christelijke ge-
meenschap niet bestaan kan, evenmin als elke andere. Waar-
heid is een plicht van vertrouwen, want ik misbruik op schan-
delijke wijze het vertrouwen van hem, dien ik bedrieg. Waar-
heid is een plicht van ware vroomheid, want hij, die liegt,
verandert hetgeen is, komt daardoor in opstand tegen de
verordeningen Gods en geeft in hare plaats een andere,
verkeerde regeling. Leugen is dus opstand tegen God, weér-
streven tegen Gods bestel. De duivel is de leugenaar van
den beginne, omdat hij van den beginne opstond tegen God,
en op de leugen is het zegel van de duivelschc herkomst
bijzonder duidelijk gedrukt, daar zij God weerstaat, een eerlijk
en open vertrouwen schandelijk misbruikt en den band der
-ocr page 180-
168                                                LEUGEN.
gemeenschap tusschen de menschen losser maakt, ja geheel
ontbindt. Zij treft aan alle zijden , boven en beneden, rechts
en links, zij -vernietigt de heiligste banden, vergiftigt de
innigste betrekking. De leugenaar onteert niet alleen God en
den naaste, maar ook zichzelvcn, en daarin ligt de laagheid
van de leugen. Daarom is zij niet alleen een gebrek, eene
zonde, maar een schandelijk kwaad. Dit is het onderscheid
tusschen zonde en laster, dat de laatste tegelijkertijd hem
schandvlekt, die hem bedrijft, hij is niet alleen slecht, maar
afschuwelijk en terugstootend. De meeste gebreken kunnen
als overdreven deugden worden beschouwd: gierigheid als
overgroote spaarzaamheid, verkwisting als overdreven vrij-
gevigheid , eerzucht als overdreven eergevoel. Maar enkele
zijn er, die zulk eene keerzijde niet hebben, en onder deze
weinige behoort de leugen. Zij schandvlekt den mensen,
daar zij hem ongeschikt voor den omgang met anderen
en hun vertrouwen onwaardig maakt; omdat door haar een
der edelste en meest verheven voorrechten van den mensch,
de spraak, verminkt, misbruikt en vernederd wordt. Want
God heeft de spraak gegeven, opdat men zijn innigste gedach-
ten zou kunnen mededeelen, zijn gansche hart voor elkander
zou kunnen uitstorten, en opdat langs dien weg de geesten
der menschen gemeenschap zouden oefenen. En juist onze
taal moet door allen, die haar kennen en liefhebben, worden
beschouwd als zulk eene, die bijzonder voor waarheid spreken,
voor trouwen en eerlijken omgang geschikt is, en waardoor
men, als in geen andere, het binnenste zijns gemoeds en zijn
innigste gevoelens kan openbaren. Geen landgenoot heeft dat
schandelijk woord uitgevonden, dat de spraak gegeven is om
de gedachten te verbergen. En daarom begaat een Neder-
lander, die zijne spraak tot leugen misbruikt, een dubbele
zonde, een verraad aan een kleinood van zijn volk. De leuge-
naar gebruikt de spraak juist om zijne gedachten te verbergen
en anderen omtient zijne plannen te misleiden; wat den omgang
moest bevorderen maakt hij tot een muur, tot een blinddoek
voor de oogen van anderen en tot een valstrik voor hun voet.
-ocr page 181-
ZIJ MAAKT ONBRUIKBAAR.                                     169
In oude tijden verhaalde men, dat een vader eens drie
■slechte zonen had: een dief, een dronkaard en een leugenaar.
Dat maakte hem zeer bedroefd en hij klaagde zijn nood aan
een edelman. Deze riep de drie zonen tot zich, en zeide in
zichzelven: Als men de kat op de kaas vastbindt, eet zij die
niet op. Hij stelde dus den dronkaard over zijn wijnkelder
en den dief over zijn geld, en waarlijk, beiden hadden genoeg
van hun oude gewoonte en kwamen gelukkig weder op den
goeden weg. De leugenaar alleen was voor niets te gebruiken,
hij sprak onwaarheid, niet tot eigen voordeel, maar uit louter
vermaak; zoo bracht hij het gansche huis in de war, schand-
vlekte den goeden naam van zijn meester, en wist steeds, als
het er op aan kwam, de schuld op anderen te schuiven. Toen
zond de edelman hem eindelijk aan zijn vader terug, en liet
dezen zeggen: »De dronkaard en de dief zijn met Gods hulp
brave mannen geworden, maar bij den leugenaar is het boter
aan de galg, die zal het teeken des duivels tot zijn einde
dragen."
Ik zou niet gaarne de verantwoordelijkheid op mij nemen
voor de kuur, die de edelman den dronkaard en den dief deed
ondergaan; maar deze anecdote uit den ouden tijd leert ons
•toch, dat de leugen een vreeselijk kwaad is, waartegen men
bijna niets kan doen, dat zij vaster wortel schiet dan eenige
andere zonde, en dat zij iemand ongeschikt maakt voor een
eerlijk beroep. Een leugenaar kan men nergens gebruiken,
noch als man van zaken, noch als beambte, noch als boekhouder,
•en ook niet als correspondent, bij het leger of bij het onder-
wijs. Vroeger zou voor iemand, die talent had om te liegen,
de diplomatie hebben opengestaan, in den tijd toen de Fransch-
man Talleyrand het bovengenoemde beruchte woord uitsprak:
»De spraak is gegeven om de gedachte te verbergen, niet om
ze te openbaren." Daarom heeft de eerlijke Blücher hem uit-
genoodigd op de brug van Jena plaats te nemen, voordat hij
haar in de lucht deed springen. Maar onlangs is het er ook
in dit vak slecht voor den leugenaar uit gaan zien, sedert de
Duitsche rijkskanselier de meest ongedwongen openhartigheid
-ocr page 182-
170                  MOET MEN ALTIJD DE WAARHEID SPPEKEN?
ook in de taal der diplomatie heeft ingevoerd. Maar ik behoef
het immers niet met nadruk te zeggen, hoe schandelijk de
leugen i?. Gij en andere jongelieden, voor zooveel gij nog
hecht aan eer en goeden naam, zijt zoo volmaakt van de
laagheid der leugen overtuigd, dat gij allen het verwijt van
een leugenaar te zijn, als een der zwaarste beleedigingen
beschouwt, en hem, die systematisch leugen spreekt, de bena-
ming van eerlijk en braaf niet waardig keurt. En al is het
niet altijd een streng zedelijke verontwaardiging, die gij over
de leugen gevoelt, dan is het toch een aesthetische, als ik het
zoo noemen mag, die ontstaat uit het gevoel, dat gemeenheid
en laagheid aan de leugen ten grondslag liggen. Bijv. : In eene
zaak is iels gebeurd, dat voor hem, die het gedaan heeft,
zeker geen aangename gevolgen zal hebben. »Wie heeft het
gedaan?" vraagt de patroon. Geen antwoord. «Die het gedaan
heeft, moet het zeggen." Niemand spreekt. »AIs de dader
niet tevoorschijn komt, zullen allen verantwoordelijk worden
gesteld en de gevolgen moeten dragen." Ieder zwijgt, er volgt
geen antwoord. En zoo gebeurt het, dat allen moeten boeten
voor iets, dat een gedaan heeft. De dader, die zijn naam niet
genoemd heeft, voelt geen bijzondere onrust; hij is zelfs in-
staat boos te worden, als hij later, nadat zijne daad op een
andere wijze ontdekt is, van leugen wordt beschuldigd. En
toch heeft hij gelogen, want zijn zwijgen sprak tegenover de
gedane vraag en het antwoord luidde: »Ik heb het niet ge-
daan." Bij de leugen voegJe hij nog een tweede onedele
handeling, daar hij door te zwijgen anderen mede de onaan-
gename gevolgen zijner daad deed gevoelen. Zeldzame dwaling
van zijn eergevoel! Zijn trots verbiedt hem op te staan, zijn
naam te noemen en de gevolgen zijner daad te dragen. Maar
dat anderen, onschuldigen, van medewerking worden ver-
dacht, onder de gevolgen lijden en om zijnentwil uit een
verkeerd oogpunt worden beschouwd — daartegen komt zijn
eergevoel volstrekt niet op.
Bovendien is het een vreemde dwaling, die men dikwijls
genoeg ontmoet, namelijk dat men tegenover hen, die hooger
-ocr page 183-
MOET MEN ALTIJD DE WAARHEID SPREKEN?                   171
en boven ons geplaatst zijn, niet denzelfden plicht der waarheid
behoeft uit te oefenen, als tegenover zijns gelijke. Dezelfde
jongeling, die zich diep beleedigd gevoelt, wanneer hij bedro-
gen wordt door een makker, door iemand van zijne jaren, en
niet alleen wanneer hij de lijdende partij is, maar ook wanneer
hij iets dergelijks hoort verhalen — vindt het in zekeren zin een
gerechtvaardigde verdediging, de waarheid te verbergen voor
zijne chefs of meesters, wanneer deze haar trachten te weten
te komen, om orde en goede zeden te bewaren. En zoo krijgen
mannen van zaken en andere lieden, die zich anders streng
houden aan eerlijkheid en bezorgd zijn voor hun goeden naam,
plotseling een merkwaardig ruim geweten, als er spraak is
van betaling aan den Staat, bijv. van de opgave van hun
inkomen voor de belasting. Zij beschouwen in dit geval den
Staat als hun vijand, die er op uit is hen te berooven van
hetgeen hun toebehoort, tegenover wien men zich dus in een
toestand van zelfverdediging bevindt, zoodat men het recht
heeft van elk voordeel gebruik te maken. En het zijn er niet
slechts weinigen, die zich veroorloven in zulke omstandig-
heden de waarheid te verbloemen, maar velen vereenigen
zich soms en spreken af, wat het antwoord van allen zal zijn.
Zijn dit dan jongelieden met onedele bedoelingen? Zijn het
leugenaars? Volstrekt niet, en wee hem, die dat zou durven
zeggen. Neen, het zijn eerlijke en volgens hun eigen over-
tuiging betrouwbare, waarheidlievende menschen. Zij gevoelen
evenmin dat in hun gedrag iets oneerlijks ligt, als een soldaat,
die in oorlog zijne toevlucht neemt tot eene krijgslist. Maar,
mijn vriend, als gij u teweer stelt tegen orde en goede zeden,
dan is dat reeds een slecht teeken, want het bewijst, dat
gij u schaart aan de zijde van wanorde en oneerlijkheid. En
is de leugen tegenover uwe meerderen iets anders dan een
leugen tegen uwe gelijken? Ik zie daarin geen verschil. "Wat
u laag toeschijnt tegenover een makker van denzelfden leeftijd»
dat is waarlijk niets minder tegenover een chef, en de wet
straft hem, die zijne belasting ontduikt even goed als bedrieger,
als hem, die in bijzondere aangelegenheden oneerlijk is geweest.
-ocr page 184-
172
LIEGEN IN KORTSWIJL.
En toch, ook in den omgang met makkers wordt oprecht-
heid niet altijd als een vereischte beschouwd. Men maakt
hierin ook een onderscheid. Eene leugen, om een materieel
voordeel te verkrijgen boven anderen, ja, dat is natuurlijk
gemeen! Maar liegen »voor de grap," een ander iets op de
mouw spelden, en dan, als het geloofd wordt, hem duchtig
uitlachen, daarin steekt niets kwaads, integendeel, dat is
een aangename uitspanning. Nu, het kan zijn dat er veel
bij te lachen valt. Maar gesteld dat hij, dien men bedriegt,
jonger is, een nieuweling, een onervaren knaap, is het dan
zoo aardig, kunstig of vermakelijk, om hem iets wijs te maken,
en dan nog wel iets, dat zeer goed mogelijk kan zijn? En
als gij nu iemand, die niet goed zijn verstand heeft, iets
wijs maakt, dat een meer begaafde dadelijk zou bemerken dat
bedriegerij was, is het dan grappig of kunstig met de onnoo-
zelheid van zulk een armen jongen te spotten? En zullen die
menschen, hetzij dan dat zij zwak van verstand of onervaren
nieuwelingen zijn, op het gebied, waarop gij hen ontmoet,
zullen zij door die bedriegerijen niet reeds van den aanvang
af verlegen of afgeschrikt, of ook wel verbitterd worden?
En gij loopt gevaar om iemand, die u met kinderlijk ver-
trouwen en onbevooroordeeld tegemoet komt, door zulk een
gedrag eens voor altijd te kwetsen, zoodat gij nooit wéér
zijn gansche vertrouwen kunt winnen. Ik heb innig medelijden
met een ieder, die zoo kinderlijk, moedig en onbezorgd een
kring binnentreedt, en ieder het beste toevertrouwt, en nu
plotseling moet erkennen, dat men zijn vertrouwen misbruikt,
■en dat het veel beter is de menschen te wantrouwen, dan
zich geheel aan hen te geven.
Het is toch altijd een onwaardige plaats, die men den
mensch aanwijst, wanneer men hem slechts beschouwt en
gebruikt als een voorwerp om zich mede te vermaken. In
geen geval hebben wij recht onzen naaste als het middel te
gebruiken om ons doel te bereiken, dat doel moge dan eigen
voordeel, of aangename onderhouding zijn. Men verhaalt tot
■eer van een held uit de oude Grieksche geschiedenis, dat hij
-ocr page 185-
173
DE NOODLEUGEN.
nooit, zelfs niet uit scherts, had gelogen. Zou men als Chris-
ten minder prijs mogen stellen op de waarheid?—Iets anders
is de dichterlijke, vrije omwerking van een gegeven onder-
werp, de poëtische verdichting van gebeurtenissen, waarin
men het leven en het hart der menschen wil schetsen. Iets
kan waar zijn, zonder dat het waarlijk geschied is, d. w. z.
de teekening van hart en leven in verhaal kan volkomen
waar zijn, al is de vorm vrij gevonden. In dit geval is het
volkomen onverschillig of de geschiedenis juist op die wijze
heeft plaatsgegrepen of niet. Maar wij spreken hier niet van
dergelijke vindingen en vormen, maar van den dagelijkschen
gemeenzamen omgang, waarin ieder moet kunnen onderstellen,
dat hetgeen een ander hem zegt, met de waarheid overeenkomt.
In vollen ernst worden echter niet alleen door jonge en
lichtvaardige, maar ook door bezadigde, ernstige en waardige
mannen twee soorten van leugen verdedigd, namelijk de zco-
genaamde noodleugen en de leugen uit beleefdheid. Twee
vreemde gedaanten, die de vastgestelde grens der waarheid
zoeken te overschrijden! Laat ons haar wat nauwkeuriger be-
schouwen!
Wat is eene «noodleugen?" De naam is reeds slecht gekozen.
Als een kind voor zijn vader staat met het vooruitzicht van
straf te verkrijgen, omdat het kwaad heeft gedaan, maar vrij
kan heengaan als hij het met slimheid loochent, dan bevindt
dat kind zich klaarblijkelijk in nood, en als het zich daarom
achter eene onwaarheid zoekt te verschuilen, is het een nood-
leugen. Hij liegt niet uit lichtzinnigheid, niet om zich bezig
te hauden , niet omdat hij in het liegen zelfs vermaak schept,
maar alleen uit nood. Waar moet het heen, als wij de nood-
leugen zoo ver wilden uitbreiden? Maar reeds protesteeren
de verdedigers van de noodleugen. Zóo is het niet gemeend.
Eene noodleugen is eene onwaarheid, waai toe men de toe-
vlucht neemt, om daardoor een veel grooter kwaad en onheil
af te wenden, dan de onwaarheid op zichzelve is, en dan wordt
zij begaan, niet tot eigen voordeel, maar voor het nut en
welzijn van anderen. Als iemand door een woedenden moor-
-ocr page 186-
174                              WAT IS EEN NOODLEUGEN?
denaar wordt vervolgd, en in mijn huis vlucht, en de moor-
denaar komt na eene poos bij mij en vraagt, of de vervolgde
binnen is gegaan, is het dan niet een geoorloofde leugen,
wanneer ik door een krachtig: neen! den ander red? Of als
iemand, die doodziek is, naar iets vraagt, dat, naar waarheid
beantwoord, hem den dood zou aandoen — mag daar geen
liefderijke misleiding plaats vinden? Men heeft nog vele zulke
voorbeelden verzonnen, meest zulke, die in het leven volstrekt
niet voorkomen, en men heeft kort en goed gezegd: Er
zijn gevallen, waarin leugen geen zonde, maar plicht is.
Zelfs den aartsvader Abraham haalt men aan als voorstander
van de noodleugen, want hij heeft toch zijne vrouw uitge-
geven voor zijne zuster, opdat koning Pharao haar niet tot
vrouw zou nemen en hem dooden.
Maar laat ons deze ware en verdichte gevallen van moorde-
naars, vervolgden, zieken enz. laten rusten. Gij wilt het goede,
de liefde dienen door de leugen. Dat is: gij wilt kwaad doen,
opdat er goed uit voortkome. Gij zijt een verklaard vijand
van alle Jezuïeten, vooral om het schandelijke grondbeginsel,
dat het doel de middelen heiligt. En ziet, gijzelf huldigt dit
beginsel. Het verhoeden van een onheil is het goede doel,
de leugen het slechte middel. Gij verplaatst de scherpe grens-
lijn tusschen goed en slecht, tusschen waarheid en onwaar-
heid. Gij zegt dat in sommige gevallen de onwaarheid beter
en loffelijker is dan de waarheid. Dat is gevaarlijk. Grens-
steenen verplaatsen heeft men van oudsher als eene misdaad
beschouwd, en in oude tijden moesten zij, die dit gedaan
hadden, na hun dood als geesten rondzwerven. Zou het dan
anders zijn op moreel gebied? Waar zult gij ophouden als
gij eenmaal de zoogenaamde noodleugen volgens beginsel hebt
toegelaten? Zal het hart des menschen, die doortrapte sophist,
niet spoedig aan deze of gene leugen iets ontdekken, waar-
door zij onder de afdeeling van de noodleugen valt, en waardoor
een kwaad zou kunnen worden voorkomen, dat veel grooter
was dan die kleine onwaarheid? Ik hoorde onlangs van een
kleinen jongen, die een zeer slechte daad had bedreven,
-ocr page 187-
175
ZIJ IS GEVAARLIJK.
waardoor hij op een gevoelige straf kon rekenen. Hij loochende
alles standvastig, maar tevergeefs; de zaak kwam toch aan
het licht. Toen werd de straf verdubbeld. Hiertegen protes-
teerde de kleine sophist hevig: »Ik heb alleen gejokt, opdat
mama niet bedroefd zou zijn, dat ik zoo ondeugend was!" De
echte, ware noodleugen!
Ja, maar nu de vervolgde, de moordenaar, de zieke ? Die
komen altijd weer tevoorschijn en zullen de noodleugen be-
dekken met den mantel der liefde. Het is waar, niemand zal
beweren dat hij , die in genoemde gevallen tot eene onwaar-
heid de toevlucht neemt, een leugenaar moet genoemd worden
in de gewone beteekenis van het woord. Het is tocli iets
anders of men onwaarheid spreekt om anderen te sparen, of
om eigen voordeel. Daarom moeten zulke gevallen altijd zacht
worden beoordeeld. Maar het is toch weder iets anders, zulk
eene handelwijze voor de juiste en ware te doen doorgaan. De
genoemde gevallen zullen zich, daar waar zij zich voordoen ,
meestal gemakkelijker laten oplossen zonder de waarheid te
beleedigen, dan men van uit de verte zou meenen. Tusschen
een ruw voor den dag komen met de waarheid en eene nood-
leugen zullen vele middenwegen zijn, en door deze te bewan-
delen dient men even goed zijn eigen geweten als het voordeel
van anderen, en in het ergste geval, als er een beslissend ja
of neen vereischt wordt, — dan mag ik toch ook waarlijk
wel aan een goddelijk wereldbestuur en eene Voorzienigheid
gelooven, die er voor zorgen, dat de waarheid geen onheil
maar geluk teweeg brengt. In zulke twijfelachtige gevallen
moeten wij ons houden aan hetgeen een duidelijk en uit-
drukkelijk bevel van God is. En zulk een duidelijk gebod
is: de verplichting steeds en in alle omstandigheden de waar-
heid te spreken. En het is Gods gebod niet, dat wij in zoo-
vele gevallen onwaar zijn. Blijf ik dus der waarheid getrouw,
dan sta ik op een vast punt, en voor de gevolgen, die het
waarheidspreken met zich brengt, ben niet ik verantwoordelijk,
maar die God, die ons het gebod van waarheid zonder grenzen
of uitzonderingen gegeven heeft. Wanneer ik daarentegen met
-ocr page 188-
176                                   LEÜOEN ÜIT BELEEFDHEID.
de onwaarheid gemeene zaak maak, dan komen de slechte-
gevolgen voor mijn eigen rekening. En hoe licht kan dat
gebeuren! De zieke, dien gij door eene onwaarheid tot be-
daren zoekt te brengen, heeft toch iets bemerkt, hij doet
meer vragen, eischt nadere verklaring, gij moet de eerste
onwaarheid steunen door een gansche reeks van andere, en
eindelijk valt het kunstig gebouw toch ineen, en de schade,,
daardoor veroorzaakt, is grooter dan die, welke te vreezen
was, wanneer men waarheid had gesproken.
En al heeft de aartsvader Abraham ook bedrogen — hem
is zijne noodleugen slecht genoeg bekomen. Zij had tengevolge
dat het geen haar verscheelde of er was gebeurd, wat hij
door zijne onwaarheid hoopte te verhinderen. Gij kunt dat
nalezen in Gen. 12 : 10—20. Dat het nog goed afliep was
niet de verdienste van Abraham, maar de genadige bestiering
Gods. En hoe denkt gij, dat de aartsvader, de vriend van
den waren God, voor den heidenschen Pharao zal gestaan
hebben, toen deze achter de onwaarheid kwam en hem vroeg::
»Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt?"
Houden wij ons daarmede niet verder op; laat ons afstand
doen van de zoogenaamde noodleugen en ons houden aan de-
waarheid , door welker schild wij toch altijd het best worden
beschermd. Voor de zoogenaamde beleefdheidsleugen weet ik
geen plaatsje, waar men haar zou kunnen verbergen voor
het onderzoekend oog der waarheid, of haar zou kunnen
wikkelen in de plooien van haar helder rein gewaad. Gij.
krijgt bezoek op een oogenblik, dat het u bijzonder slecht
gelegen komt. «Het verheugt mij zeer u te zien/\' spreekt
uw mond, maar uw hart denkt: «Hoe vervelend, dat hij juist
nu aankomt. Ik wilde, dat hij op de Mookerhei zat." Maar
verlangt dan de beleefdheid niet, dat ik mijn genoegen over
elk bezoek te kennen geef, om het even of het mij verheugt
of verveelt? Volstrekt niet. Gij behoeft hem niet zóo aan te
zien, dat hij gaarne weder weg zou gaan; maar gij behoeft,
u ook niet te houden alsof gij opgetogen van blijdschap zijt,
en als gij door dringende zaken verhinderd zijt, u aan hemi
-ocr page 189-
177
LEUGEN UIT BELEEFDHEID.
te wijden, dan zal hij dit als een verstandig mensch ook niet
kwalijk nemen, als gij het hem openhartig en eerlijk zegt.
Maar is uwe verhindering niet dringend en zou het u alleen
aangenamer zijn ongestoord te wezen, welnu, zoek dan een
weinigje Christelijke liefde bij elkaér, wees tenminste vrien-
delijk en beleefd, ook al kunt ge niet zeggen: »Het doet
mij genoegen;" zoek het onaangename gevoel te overwinnen,
en als gij er toe komen kunt, bij het afscheid van harte te
zeggen: »Nu, het is mij aangenaam geweest, u weder te
zien," dan hebt gij een meesterstuk volbracht, een meester-
stuk van waarheid en nog bovendien van liefde.
De andere leugens uit beleefdheid zijn nog minder te ver-
ontschuldigen. Wanneer een pedante makker u zijne gedichten
voorleest, zoo is het volstrekt niet de plicht der beleefdheid
te zeggen, dat ze prachtig zijn, maar het is voldoende als
gij het eene of andere noemt, dat prijzenswaardig is; voor
het overige echter op zachter of krachtiger toon ook de keerzijde
van de medaille te aanschouwen geeft, al naardat uwe verhou-
ding tegenover hem en zijn karakter is. Koning Lodewijk XIV,
bedwelmd door het gevoel zijner grootheid en gaven, had het
ongelukkige denkbeeld zich ook op het dichten toe te leggen;
hij droeg zijn hofdichter Goileau eenige verzen voor en vroeg
toen zijn oordeel er over. De dichter boog diep en] zeide:
»Ik verbaas mij er over , dat Uwer Majesteit niets onmogelijk
is. Uwe Majesteit wilde ditmaal slechte verzen maken en zie,
zelfs dit is Haar gelukt." Of zijn allerchristelijkste Majesteit
na dit kompliment nog langer dichter heeft willen zijn, meldt
het verhaal niet.
Moet ik nu nog spreken over die bekende leugen uit be-
leefdheid, dat men zich als «niet thuis» laat verontschuldigen,
wanneer men geen bezoek kan afwachten? Het kan geen kwaad
als wij er kort over spreken, daar menigeen zich reeds in
zijne jeugd met zulke praktijken ophoudt. Men verontschul-
digt zich gewoonlijk door te zeggen: ieder weet toch, dat
deze formule niets anders is dan een beleefde wijze om te
zeggen, dat het op dit oogenblik niet gelegen komt, bezoek
12
-ocr page 190-
178
WOORD HOUDEN.
te ontvangen. Het gezegde: «niet thuis" is gelijk aan een
geldstuk, waarop wel een zekere waarde staat, maar waarvan
ieder weet, dat de eigenlijke waarde geheel anders is. Niemand
wordt er dus door bedrogen, ieder weet wat hij van deze
verontschuldiging moet denken. Dat is waarlijk een zeldzame
beleefdheid , bij welke het beter is iets te zeggen in den vorm
eener onwaarheid, dan in den vorm der waarheid! Als ieder-
een weet wat die phrase beduidt, waarom zegt men het dan
niet met ronde woorden, overeenkomstig de waarheid? Maar
in dit «iedereen weet het" zit juist de kneep. Volstrekt niet
iedereen weet het, dat dit geldstuk zooveel minder waarde
heelt dan de stempel aanwijst. Er zijn eerlijke mannen ge-
noeg, die dat «niet thuis" voor goede munt aannemen, en
zeer in hun vertrouwen worden geschokt, als het later blijkt
eene onwaarheid te zijn. En ook tegenover hen, die beter
zijn ingelicht, ligt de bedoelde beleefdheid dier onware ver-
ontschuldiging daarin, dat zij toch misschien gelooven aan
een waarlijk niet tehuis zijn. Als op uw bevel een bezoek met
de boodschap is afgewezen, dat gij niet tehuis zijt, en men u
later aan het venster ziet, dan is u dat toch niet aangenaam,
en de ander zal ook niet tevreden zijn. Daaruit blijkt duidelijk,
dat het niet zoo vanzelf spreekt, dat dit «niet thuis\' wordt
verstaan in den vorm van «ik kan geen bezoek afwachten."
Bovendien pleegt men door deze onware spreekwijze een
onrecht tegenover hen, die ook m het maatschappelijk leven
nauwkeurig de waarheid betrachten. Wat zij zeggen wordt
dan ook minder waard, en wanneer zij waarlijk niet tehuis
zijn, gelooft men het niet. Toch zijn hunne woorden zooveel
waard als zij uitdrukken — een man een man, een woord
een woord! Ja, is bij hen ja, en neen, neen. Zoo moet het
zijn. Als uit de taal der beleefdheid de leugen gebannen is,
wanneer die leugenachtige «onderdanige dienaars" en »toe-
genegen vrienden" wegblijven uit den dagelijkschen omgang,
dan zal de wereld er zeker niet onbeleefder door worden, de
onderdanigheid en het dienen, de genegenheid en de vriend-
schap zullen op aarde niet minderen, maar het zal der
-ocr page 191-
WOORD HOUDEN.                                           179
beschaafde wereld tot eer verstrekken, dat, als een gevolg
daarvan, de woorden, die men tot elkander spreekt, in waarde
stijgen, en eindelijk weder verstaan moeten worden volgens
hetgeen zij meenen en zeggen.
De Romeinen hadden veel op met vormen en beleefdheid,
maar hoeveel eenvoudiger en daarom ook meer overeenkomstig
de waarheid was bijv. de stijl hunner brieven! Wanneer men
bedenkt, hoeveel bij ons gelogen wordt door het opschrift
«waarde" of jgeachte" enz., en in de onderteekening smet
hoogachting" of »met verscbukligden eerbied" enz., dan moet
men den Romeinschen bi iels (ijl bewonderen en bijna benijden,
die zoo eenvoudig alles samenvat: Cicero Allico salutem.
Cicero groet Atticus. Misschien bevatte dat «salutem" ook
wel een leugen, maar dan inoet het al zeer ver gekomen zijn,
en in elk geval was bij dezen eenvoudigen groet de moge-
lijkheid van onwaar te zijn veel zeldzamer dan bij ons.
Tot de waarheid moet ook nog bijzonder worden gerekend
het trouw zijn aan het gegeven woord. Eigenlijk moest het
niet noodig wezen, dat daarover werd gesproken en moest dat:
een man een man, een woord een woord, ook in dit opzicht
vanzelf spreken en overal geldig zijn. In \'t algemeen beschouwt
ieder eerlijk mensch zich gebonden door eene belofte. Maar
in het dagelijksche leven, vooral in kleinigheden, veroorlooft
menigeen het zich, om dat niet zoo nauw te nemen. Hij heeft
beloofd eene kennis op dit of dat uur te ontmoeten. Daar komt
iets in den weg, eene omstandigheid van buiten, of hij heeft
er geen lust in en hij komt een kwartier, een half uur te
laat, of in het geheel niet. Er zijn wel zwarigheden, die
het iemand onmogelijk maken eene belofte te houden — daar-
van spreken wij nu niet. Maar er zijn ook verhinderingen,
die best uit den weg konden geruimd worden, wanneer men
ernstig wilde en men er cp gesteld was zijn woord te
houden. Toen Blücher van Ligny naar Waterloo trok, waren
de wegen onbegaanbaar, en viel de regen in stroomen neder.
Blücher had echter aan Wellington beloofd den 18en Juni
bij hem te zijn. Hier en daar zuchtte een doodmoede soldaat:
-ocr page 192-
•180
NOODELOOS ZWEREN.
het gaat niet, en voor Blücher zelf was niet alleen het slechte
weder, maar ook zijn gekwetste voet een voldoende uitvlucht
geweest om te laat te komen. Maar wat zeide hij? «Kinderen,
het moet gaan, ik heb het immers mijn broeder Wellington
beloofd. Wilt gij dat ik mijn woord breek ?" Iets van dat stipte
woordhouden wenschen wij jong en oud toe, ook al is er geen
fprake van een beslissenden veldslag. Want woordhouden moet
in kleine zaken worden geleerd en geoefend.
Hoe meer wij leeren ons in alle opzichten streng te houden
aan de waarheid, in ernst en scherts, in moeielijke gevallen en
in het dagelijksch verkeer, in hetgeen behoort tot de beleefd-
heid en de kunst van den beschaafden omgang met anderen,
des te meer zullen die betuigingen verdwijnen, waarmede zoo-
velen hunne gezegden meenen te moeten steunen en versterken,
en die óf als onnutte woorden, óf als ontheiliging van heilige
namen zondig zijn. Eigenlijk moet reeds de achting voor zicbzel-
ven een jongeling weerhouden, aan zijne woorden op die wijze
kracht bij te zetten. Want als iemand alles, wat over zijne
lippen komt, met een »zeker waar, op mijn woord van eer,
zoo waar als ik hier sta" en dergelijke, meent te moeten op-
sieren, dan geeft hij hierdoor een slecht en treurig getuigenis
van zichzelven. Hij zegt als het ware: »ik kan niemand aanraden
en ook van de menschen niet verwachten, dat zij mij op mijn
woord gelooven. Ik moet eerst nog eenige kunstige gewichten
daaraan hangen, zoodat het meer waard is en zwaarder in
de weegschaal valt." Een ieder moest zich toch eerst ernstig
bedenken, eer hij zulk een getuigenis gaf van zichzelven. Het
spreekwoord luidt: »de waarheid spreekt weinig, de leugen
veel," en shoe duurder eed, hoe grooter leugen." Maar het is
toch zoo waar, dat ons gezellig verkeer in zoo hooge mate
doordrongen en doortrokken is met onwaarheid, dat de leugen
als het ware burgerrecht verkrijgt in den onderlingen omgang,
dat het geen wonder is , wanneer de gevolgen langzamerhand
tevoorschijn treden en men zich eindelijk gewent alleen dan
een woord te gelooven, wanneer er verschillende verzekerin-
gen aan verbonden worden, dat het geen scherts is, maar
-ocr page 193-
MISBRUIK VAN HEILIGE NAMEN.                            181
•volle ernst, niet alleen beleefdheid, maar de uitdrukking
van eene overtuiging en van een innerlijk gevoelen.
En deze verzekeringen worden nog erger, wanneer heilige
namen er bij worden gebruikt, hetzij dan de namen van God
en Christus, of andere, die nauw daaraan verbonden zijn.
Christus vermaant zijne jongeren in de Bergrede, dat zij niet
bij alles moeten zweren, niet alleen niet bij den naam van
God, maar ook niet bij den hemel, bij de aarde, bij Jeru-
zalem, omdat al deze dingen slechts als bevestiging gebruikt
worden wegens hunne betrekking tot God, en dus de ver-
achting, die hen treft, in den grond aan God tebeurt valt.
Met dit verbod om te zweren heeft natuurlijk de eed, dien de
overheid eischt, niets te maken. Want de overheid heeft on-
voorwaardelijk zulk een aanroepen van het hoogste en heilig-
ste, dat er voor den mensch bestaat, zulk een majestueusen
met het hoogste gezag bekleeden eisch tot het spreken dei-
waarheid van noode. Hierdoor getuigt zij meteen ten duide-
lijkste, dat zij hare taak niet kan vervullen, wanneer zij bij
hare onderdanen geen geloof aan God en zijne vreeze kan
onderstellen. Den Christen betamen dus die onnoodige ver-
zekeringen in het privaat leven volstrekt niet, en vooral niet,
wanneer zij direkt of indirekt in betrekking staan tot God.
Het hooge en hoogste aanroepen, om de eene of andere
nietswaardige bewering te staven en te versterken, bewijst,
dat men hetgeen groot en heilig is geringschat en profa-
neert. Ja nog meer, men doet daardoor afbreuk aan het
recht en de . macht van den hoogen God zelf. Want als
ik iets betuig bij God, bij den hemel, Bijbel enz., dan ligt
in dit »bij" toch opgesloten, dat ik God, hemel, Bijbel enz.
als onderpand geef voor de waarheid van mijn gezegde. Hoe
kan ik mij echter vermeten het bestaan Gods, of zijn hemel -
sche woning, of zijn heilig woord en getuigenis tot onderpand
te geven voor mijne woorden ? Hoe kan ik iets als onderpand
geven, dat mij volstrekt niet toebehoort, waarover ik niet
heb te beschikken? Hieruit ziet men duidelijk het overmoedige,
zondige ingrijpen in Gods recht en eigendom.
-ocr page 194-
182
MISBRUIK VAN HEILIGE NAMEN.
Daarom wordt er ia de Bergrede nog meer bijgevoegd, waarbij
men niet zweren mag: het eigen hoofd, het leven; en
als grond is aangevoerd: gij kunt niet éen haar wit of zwart
maken, m. a. w.: ook uw hoold, uw leven behoort niet u,
maar Gode. En gij bemerkt het best daaraan , dat gij geen
recht hebt er over te beschikken, omdat gij niet instaat zijt
het geringste te doen, de kleur van éen haar te veranderen.
Hoe kunt gij dan zweren bij uw hojfd? Hoe kunt gij uw le-
ven tot onderpand geven? Bedenkt gij niet, dat gij daardoor
aan Cod ontneemt, wat Hem toebehoort ? Als iemand u een
kostbaar kleinood ter bewaring heeft gegeven, en gij geeft
het als pand voor een ellendige zaak, die uzelven betreft, dan
begaat gij een groot onrecht tegen hem, die het u heeft toe-
vertrouwd. En dit is ook het geval, wanneer men van zijn
leven of van zijne ziel een eedsformulier maakt.
Ik zou hier ook liever die treurige gewoonte met stilzwijgen
voorbijgaan , dat de naam van God en heilige dingen , behalve
bij betuigingen , nog gebruikt wordt als eene uitdrukking van
gemaaktheid of gemcedsaandoening. Daar het nu, helaas, vol-
gens de ervaring een feit is, dat zelfs jongelieden, en volstrekt
niet alleen iij, welke tot de zoogenaamde lagere volksklasse
behooren, met vloeken zijn begonnen en dat trouw volhouden,
zoo mag ik toch niet verzuimen tenminste iret eenige woorden
er tegen te waarschuwen. Indien het reeds lichtzinnig en een
onteeren van het heiligste en ingrijpen in Gods oppermacht
is, wanneer men heilige namen als pand geeft voor ondoor-
dachte verzekeringen, dan is het, zoo mogelijk, nog zondiger,
wanneer men heilige namen en voorwerpen op eene wijze
behandelt, als waren zij juist goed genoeg om zijn toorn,
zijne vreugde, zijne bewondering of verrassing er aan te koelen.
De naam van God, die hernel en aarde gemaakt heeft, de
naam van het kruis, waaraan de grootste daad der wereld-
geschiedenis zich vasthecht, de naam van Gods Zoon, die de
beste, edelste en reinste was onder de kinderen der menschen —
zulke namen als het ware te gebruiken als vaten, waarin men
het bezoedelde en onreine water zijner gevoelens giet, dat is
-ocr page 195-
183
VLOEKEN.
zeker eene gedachte, waardoor elk hart, waarin nog eenige
godsvrucht, eenige vrees voor het heilige woont, met schrik
en afkeer moet vervuld worden! Maar, zegt gij misschien,
het zijn toch niet altijd heilige namen, die op deze wijze
worden gebruikt, of eigenlijk misbruikt. Men kan bij zijne
uitroepingen ook andere dingen nemen, natuurverschijnselen,
als bliksem, donder enz., dat is toch geen kwaad? — Dat
kan wel zijn, dat het niet zoo erg is als hetgeen waarvan
wij spraken. Maar ik zou hier gaarne de woorden der Bergrede
over het onnoodig zweren weder te binnen willen brengen.
Deze natuurverschijnselen loopen toch steeds op God uit, zooals
b\'j Mattheus V hemel, aarde en Jeruzalem. Waarom gebruikt
men zulke uitroepingen, zooals men bij aandoeningen pleegt
te doen? Omdat zij indrukwekkend zijn. En waaraan ont-
leenen zij die eigenschap? Zij is eene openbaring van Gods
majesteit. God is het, die met zijne hand den bliksem slingert
en den weg wijst. Gods stem is het, die in den donder door
de hemelen weerklinkt en de aarde doet sidderen. En de
onweerswolken zijn zijne wagenen, waarop Hij in nacht gehuld
voortrijdt door het uitspansel boven de aarde. Denk daaraan
en vraag u dan af: zijn ook deze natuurverschijnselen niet
te groot, te heerlijk, te goddelijk en indrukwekkend, dan
dat ik ze zou mogen gebruiken om mijn nietigen toorn, mijn
kinderlijke vreugde, mijn dwaze bewondering en verrassing
er door aan te duiden? Hoe klein is de mensch tegenover
zulke natuurmachten, en hoe dwaas staat het, wanneer hij
zijn spel met hen drijft en ze als in overmoed of onverstand
aanroept! Wees op uwe hoede, dat zij niet na lang en ge-
duldig wachten eenmaal opstaan en verpletterend neerkomen
op u en alles, wat u toebehoort.
-ocr page 196-
XIII.
DANKBAARHEID.
> Ondank is \'s werelds loon!" zegt het spreekwoord, en het
spreekwoord heeft, helaas, gelijk. Maar als ieder nu meent
daaruit de gevolgtrekking te mogen maken, dat men van hem
niets anders behoeft te verwachten dan ondank, dan vergist
hij zich zeer. Een kwaad wordt daardoor niet verontschuldigd,
dat het door velen, misschien zelfs door de meesten wordt
bedreven, laat staan dan dat het in eenc deugd verandert.
En toch heeft het listige menschenhart middelen en namen
gevonden, om ook dit groote kwaad der ondankbaarheid te
verbergen onder den dekmantel der deugd. «Omdat iemand
mij eens heeft welgedaan, mij eene weldaad heeft bewezen,
volgt daaruit niet, dat ik voor hem mijne zelfstandigheid mag
opofferen, of wel verplicht ben, die aan hem te geven. Het
zou laf zijn, zich door zulke verplichtingen te laten binden
en in zijn vrije beweging te doen belemmeren, en mijn wei-
doener zal, als hij een edel mensch is, dit zelf het minst van
allen wenschen." Nu, mijn waarde vriend, wij hebben allen
eerbeid voor uwe zelfstandigheid, maar al beroept gij u op
-ocr page 197-
VANWAAR DE ONDANK?                                 485
haar, daarom is de plicht der dankbaarheid u nog niet kwijt-
gescholden.
Waarom komt de ondank zoo menigvuldig voor? Waarom
valt het den mensch zoo moeielijk dankbaar te zijn? Omdat
men hierdoor erkent verplichtingen te hebben tegenover an-
deren, en die bekentenis heeft voor den menschelijken hoog-
moed altijd iets drukkends en daarom iets onaangenaams.
Deze hoogmoed is een ding vol tegenstrijdigheden. Men is
spoedig besloten de hulp van anderen aan te nemen of in te
roepen. Maar later dat te erkennen en zich tegenover den
ander ook uiterlijk volgens deze verplichting te gedragen, dat
gedoogt de hoogmoed niet. Maar juist die tegenstrijdigheid
ontdekt ons het diepste wezen der ondankbaarheid. In den
grond is zij niets anders dan schandelijk loochenen van eene
vroeger aangegane schuld , dus oneerlijkheid, leugen. Dat men
haar niet met woorden, maar met daden loochent, verandert
niets aan de zaak. Want daden spreken ook, zoo goed als
woorden, en of gij een plicht door woorden loochent, of
door uwe handelwijs hem loochent, het komt eigenlijk op
hetzelfde neer. Als ik aan een buurman eene som gelds heb
geleend, en hij heeft beloofd het op een bepaalden dag te-
rug te geven, maar hij laat den termijn verstrijken zonder
een woord te zeggen en vele andere termijnen bovendien,
ziet mij bijna niet aan , gaat kalm zijns weegs en neemt het
zeer kwalijk als ik hem een zachte aanmaning doe toekomen,
dan weet ik inderdaad niet, waarom zulk een gedrag edeler
of eerlijker zou zijn, dan het eenvoudig ontkennen der geleende
som. Evenzoo handelt nu de ondankbaarheid. Zij is eene zuster
der leugen, zooals de dankbaarheid eene zuster is der waar-
heid. En dat de ondankbaarheid in haar innerlijk wezen eene
leugen, eene cneerlijkheid is, dat juist drukt op haar den
stempel van het kwade en de laatrheid.
Schiller laat ons in zijn Wilhelm Teil een blik slaan in de
leugen der ondankbaarheid, wat zeer overeenkomstig de wer-
kelijkheid is, maar niet eervol voor de menschelijke natuur.
Teil wil naar Altdorf gaan; zijne vrouw Hedwig raadt het
-ocr page 198-
186
HAAT UIT ONDANKBAARHEID.
hem af, omdat de landvoogd daar is. Teil stelt haar gerust,
de landvoogd zal hem zeker in vrede laten. Eens had de
landvoogd hem ontmoet op een eenzaam bergpad, rechts de
loodrechte rotswanden, links de gapende afgrond, terwijl deze
hem kort tevoren voor eene kleinigheid zwaar gestraft had.
Ontzetting greep den tiran aan, hij verbleekte en zijne knieën
sidderden. Toen trad Teil vreedzaam en bescheiden op zijde
en sprak: »Ik ben het, heer landvoogd!" en liet hem onge-
hinderd voorbijgaan. Teil hoopte nu, dat zulk een edelmoe-
digheid het hart van den dwingeland zachter voor hem had
gestemd. Maar zijne vrouw Hedwig kende dit hart beter :
T)at hij eens voor u beefde h uw dood,
Want nooit vergeeft hij, dat gij zwak hem zaagt.
De loop van het verhaal geeft haar gelijk. En juist daarin
maakt de ondankbaarheid haar afschuwelijke gezindheid open-
baar, dat de weldaad in zekere omstandigheden op haar
dezelfde uitwerking heeft als een doodelijke beleediging. Is
het niet zoo? De toevallige ontmoeting met iemand, aan wien
gij verplichting hebt, of ook wel alleen de herinnering aan
hem, wekt in u onaangename gewaarwordingen op, omdat
de verplichting u middelerwijl lastig geworden is, of gij
uzelven moet bekennen, dat gij u in dien tijd niet zoo jegens
uw weldoener hebt gedragen, als hij het recht had te ver-
wachten. Ir.plaats van dit onaangename schaamtegevoel, dat
in u opkomt, wanneer gij hem ontmoet, aan uzelven toe te
schrijven en te erkennen, dat gij gefaald hebt, brengt gij
het terug op hem, aan wien gij verplichting hebt, als had
hij een groot onrecht begaan door u wel te doen, en eene
onbescheidenheid met u door zijn bestaan gedurig daaraan
te herinneren. Zoo verandert de ontvangen weldaad in gal
en venijn in het booze en ondankbare hart des menschen;
de weldoener wordt voor den ondankbare niet alleen onver-
schillig, maar lastig en terugstootend.
Ondankbaarheid was het begin van het heidendom, van de
-ocr page 199-
187
ONDANK VERWOEST HET KARAKTER.
schepselvergoding, zooals ten duidelijkste wordt aangetoond
in het eerste hoofdstuk van den brief van Paulus aan de Ro-
meinen. Reeds daaruit kunt gij zien, dat ondankbaarheid vol-
strekt niet zulk een klein en onschuldig vergrijp is, als jeugdige
lichtzinnigheid wel denkt. «Zij, God kennende, hebben Hem
als God niet verheerlijkt of gedankt, maar zijn verijdeld ge-
worden in hunne overleggingen, en hun onverstandig hart is
verduisterd geworden." Zij hebben Gods werk gezien en het
zich ten nutte gemaakt, Gods gaven aangenomen en genoten,
maar zij hebben zich niet van de gaven gericht tot den Gever,
van het werk tot den Schepper; ondankbaar bleven zij met
hunne gedachten en gevoelens hangen aan het werk en aan
de gave. Zoo kwamen zij door ondank tot de vergoding van
liet schepsel en werden heidenen. Hier is allereerst sprake van
ondank tegen God en niet tegen de menschen. Maar hetzij hij
begaan wordt tegen God of tegen menschen — hij blijft toch
altijd dezelfde, altijd is hij eene leugen, een loochenen door
daden van ontvangen weldaden, en men mag wel zeggen : als
ondank tagen God zulke ernstige gevolgen voor de ontwikke-
ling van den menschelijken geest heeft gehad, dan kunnen de
gevolgen van ondank tegen menschen niet anders dan nadee-
lig zijn.
En zij zijn het. Reeds in het dagelijksch leven; want met
welk recht mag de ondankbare in \'t vervolg op weldaden en
hulp rekenen? Vooral zijn zij het voor den innerlijken mensch.
Ondank werkt even schadelijk op het karakter als de leugen;
hij maakt den mensch langzamerhand ongevoelig voor alles,
wat anderen aan hem doen; ja nog meer, hij maakt hem
laag en verachtelijk, vernietigt in hem alle fijngevoeligheid
en zin voor het edele en brengt de zelfzucht, de innerlijke
ruwheid tot de grootste en meest schaamtelooze ontwikkeling.
De man, d:e in de bloedige dagen der Fransche revolutie het
eerst de sabel ophief tegen de ongelukkige, edele en sclioone
prinses Lambelle, was een mulat, die de ongelukkige bijzon-
der haatte, omdat zij hem eens met weldaden had overladen.
Hoe is in de geschiedenis de naam der familie Frangipani
-ocr page 200-
188                               DANK ---- GEEN HANDELSZAAK.
onteerd! Het huis der Hohenstaufen had hen tot aanzien er.
invloed in Italië gebracht. En wat was de dank? Dat Con-
radin, de laatste der Hohenstaufen, toen hij na den noodlot-
tigen slag van Skurkola tot een Frangipani de toevlucht
nam, door dezen werd verraden en op het schavot gebracht.
De vertaling van den naam Frangipani herinnert levendig
aan het woord: die mijn brood eet, treedt mij met voeten,
en ook aan het toppunt van den zwartsten ondank eens men-
schen, dat wij vinden in den persoon van Judas den verra-
der. Hoe gansch anders gedraagt zich de dankbaarheid! Waar
de ondank vervreemdt, daar vereenigt zij, en elke onder-
vonden weldaad, elk liefdeblijk wordt tot een band, die den
dankbare verbindt met den weldoener. De ondank ontwikkelt
de zelfzucht, de dankbaarheid hartelijke liefde tot den naaste.
Ondank maakt arm, dankbaarheid rijk. De ondank roept alle
booze geesten op en opent voor hen de deur des harten; de
dankbaarheid doet als koesterende zonneschijn de edelste kie-
men en bloesems van het hart ontluiken. Kortom, op de dank-
baarheid ligt de zegen der waarheid, op den ondank de vloek
der leugen.
Merk echter wel op: gij moet u niet daarom dankbaar toonen,
om op die wijze zoo spoedig mogelijk met uwen naaste te
hebben afgedaan, hem het ontvangene terug te geven en dan
te zeggen: het is alles weer in orde, wij hebben met elkaér
afgerekend, en de een heeft den ander niets meer te verwijten.
Dat is geen dankbaarheid; want de grondtoon van zulk eene
gezindheid is geen liefde, maar onverschilligheid of afkeer.
Men verlaagt zoodoende de bewijzen der liefde en de dank-
bare beantwoording er van tot een rechtsgeding en eene
handelszaak, hoewel ware liefde toch nooit betaald kan worden.
De liefde is het eenige, waarin ook een Christen met goed
geweten de schuldenaar van een ander mag zijn en blijven,
waarom Paulus vermaant: zijt niemand iets schuldig dan eik-
ander lief te hebben. En de eenvoudige oorzaak hiervan is,
dat men in de liefde evenals in de dankbare beantwoording
ervan nooit genoeg kan doen, laat staan dan te veel. Be-
-ocr page 201-
DANKBAARHEID IN \'T KLEINE.                                189
schouwt men daarentegen een liefdeblijk als eene zaak, welker
waarde men kan bepalen, die men moet vereffenen door iets
van dezelfde waarde terug te geven, dan is dit evenmin dank-
baarheid, als dat een winkelier mij voor het geld. dat ik op
de toonbank leg, een overeenkomstig deel zijner waren over-
reikt. Zulk een zakelijke opvatting zou de dood zijn van alle
dankbaarheid. Ja, zeer vaak is zulk een danken niets dan een
huichelachtig masker van den snoodsten ondank. Men denkt:
ik wil hem niets schuldig blijven; ik wil aan hem geen ver-
plichting hebben, ik zal hem spoedig iets teruggeven, dan
staan wij weder gelijk. Zulk eene gedachte zou alleen dan
gerechtvaardigd zijn, wanneer gij eene gave niet kondt af-
wijzen, en toch wist dat zij met slechte bedoeling gegeven
•was. Maar dit behoort dan niet meer tot de dankbaarheid.
Ware dankbaarheid is van langen duur; zij wordt volstrekt
niet uitgewischt door teruggave of tegenbewijs. Het doet haar
genoegen en het is haar eene behoefte zich bij elke gelegen-
heid opnieuw te toonen, niet altijd door gaven en geschen-
ken, maar wel door hartelijkheid en vriendelijkheid. Vandaar
komt het, dat dankbare lieden meestal vroolijk en vrien-
delijk zijn. Bij allerlei personen, die zij ontmoeten, komen
hun aangename herinneringen voor den geest van deze of die
vriendelijkheid, die zij van hem hadden genoten, al is het
dan ook iets gerings of onbeduidends. De dankbaarheid ver-
geet zulke kleinigheden niet, integendeel zij grift het goede,
dat zij ontvangt, in marmer. Ondankbare menschen zijn daar-
entegen dikwijls ook de meest ontevredene en terugstootende,
omdat zij eene hoofdbron der vreugde, de vriendelijke herin-
nering aan ontvangen liefdeblijken dwaselijk en met bewustzijn
afsluiten.
Maar, zegt misschien een ondankbare, die met God en
menschen ontevreden is, ik heb waarlijk geen reden om iemand
dankbaar te zijn, want niemand heeft mij ooit bijzonder veel
liefde betoond. Ja, beste vriend, als gij er op wacht, dat men
u een groote som gelds aanbiedt, of een prachtig en kost-
baar geschenk geeft, of dat gij uwe dankbaarheid bewaren
-ocr page 202-
190                                OOTMOED IN HET DANKEN.
wilt tot ge eens door de hulp van anderen uit levensgevaar
gered wordt, of uw huis in brand staat en goede vrienden en
trouwe buren zich bij het blusschen zeer verdienstelijk maken
jegens u en het uwe, dan hebt gij misschien gedurende uw
gansche leven geen waardig voorwerp voor uwe dankbaarheid.
Maar dat is juist ondank, dat gij oog noch oor hebt voor die
duizend kleine en groote vriendschapsbewijzen, die gij reeds
op uwen levensweg ondervonden hebt en zeker dagelijks nog
ondervindt, zoo gij niet reeds lang de menschen van u helt
vervreemd door uwe gemelijkheid en ondankbaarheid. Open
uwe oogen en ooren, neem elk vriendelijk woord, elk klein
hulpbetoon, een hartelijk goeden morgen of goeden avond
niet aan als blijken van eerbied, die vanzelf spreken, maar
als bewijzen van liefde, die dank waardig zijn — en het zou
wel wonder wezen, als de ijskoist om uw zelfzuchtig hart niet
eindelijk ontdooide en een gevoel van dankbaarheid uwe ziel
vervulde. Een mensch, die waarlijk heeft geleerd te danken,
kan er niet meer mede ophouden; nooit ontbreekt het hem
aan aanleiding tegenover God en menschen, en zoo dikwijls
hij met anderen samenkomt, wordt hij opnieuw tot dankbaar-
heid bewogen. Wie daarentegen niet dankbaar kan zijn voor
kleinigheden, van hem is het zeer twijfelachtig of hij in ge-
wichtige gevallen den plicht der dankbaarheid wel vervullen zal.
Het is waar, een nederige en bescheiden zin moet als grond-
slag aanwezig zijn, indien de dankbaarheid wil bloeien en
vruchten dragen. Als gij temidden van uwe broedeis en zusters
zit als een pacha van drie paardenstaarten, uwe zuster com-
mandeert, u door de dienstboden Iaat bedienen en bij geiegen-
heid de hulde ontvangt van eenige tantes, die over u zijn
opgetogen — ja, dan moet dit alles wel zoo gaan, alle diensten
en vriendelijkheid zijn slechts schuldige verplichting tegenover
den voornamen jongenheer, met zijne buitengewone gaven
en deugden, en waar zulk een hoogmoedige en met zichzelve
ingenomen gezindheid regeert, \'daar wordt de dankbaarheid
verstikt. Als deze heersenen wil, dan moet gij bij hetgeen
anderen voor u doen, een gevoel hebben, dat men onge-
-ocr page 203-
WAT IS PIËTEIT?
191
veer zóo zou kunnen omschrijven: Het is toch vreemd en
wonderlijk, dat de menschen, die ik ontmoet, mij zooveel
liefde en vriendschap bewijzen. Als ik mijzelven onbevooroordeeld
beschouw, dan moet ik bekennen, dat ik over \'t algemeen
dikwijls geen beleefde jongen ben, en dan verwondert het mij,
dat men toch zoo goed voor mij is.
Een bijzondere vorm der dankbaarheid is hetgeen wij pië-
teit
plegen te noemen. En hoe meer er over geklaagd wordt
dat onze hedendaagsche jeugd zich niet om piëteit bekom-
mert, des te noodiger is het, dat wij dezen edelen tak
der dankbaarheid nauwkeuriger beschouwen. Piëteit is nauw
verwant met dankbaarheid, daar zij evenals deze gegrond
is op iets, dan men tevoren heeft ontvangen. Maar zij is
toch iets anders. Een gevoel van dankbaarheid komt reeds
voort uit een voorbijgaande aanraking met iemand, of door-
dat men een oogenblik met hem in betrekking staat. Maar
piëteit wordt eerst gevoeld na een lang en aanhoudend ge-
ven en ontvangen, dat berust in de betrekking, waarin beide
partijen tot elkander staan, zooals bijv. tusschen vader en kind,
onderwijzers en leerlingen , vaderland en burgers. Dus volgt uit
den aard der zaak, dat hetgeen ik als piëteit beschouw en
behandel, voor mij iels eerwaardigs is, wat bij dankbaarheid
alleen volstrekt niet het geval behoeft te zijn. Piëteit dringt
in dit opzicht verder en dieper door dan de dankbaarheid , en
daarom is zij ook onderscheiden door een naam, die eigenlijk
vroomheid, godsdienstzin beteekent. En waarlijk, wie piëteit
gevoelt jegens menschen, die zal zeker niet verre zijn van
de godsvrucht; wie echter onder de aardsche betrekkingen
niets als eerwaardig en heilig erkent, die zal er moeielijk toe
te brengen zijn Gode de eer te geven, die Hem toekomt.
Zoo eischt de piëteit van u, dat gij zulke personen, ver-
eenigingen of inrichtingen, die door hun ouderdom, hunne
positie of hunne beteekenis voor \'t algemeen of voor u in
het bijzonder eerbiedwaardig zijn, hiermede overeenkomstig
beschouwt en behandelt, als bijv. ouders, familie, school en
onderwijzers, chefs, geboortestad, vaderland, kerk enz.; en
-ocr page 204-
-192                                       WAT IS PIËTEIT?
zelfs dan, wanneer gij niet direkt van hen afhankelijk zijt,
maar tegenover hen kunt staan met een zekere zelfstandig-
heid in oordeel en betrekking. In die oogenblikken staat men
op het beslissende keerpunt, waar het openbaar wordt of men
piëteit heeft of niet, wanneer men voor de eerste maal met
eigen denken, beproeven en oordeelen optreedt tegen inricli-
tingen en personen, die men tot nog toe als onomstootelijke
autoriteiten heeft erkend. Het kleine kind is nog niet in staat
piëteit te toonen jegens zijne ouders, maar wel de jongeling,
die langzamerhand zelfstandig wordt, en de man, wiens
karakter is gevormd. Bij een knaap, die voor het eerst met
zijn tasch op den rug de school binnentreedt, kan in de ge-
wone omstandigheden geen sprake zijn van piëteit jegens den
onderwijzer, maar wel bij den leerling, wien langzamerhand
de oogen zijn geopend, zoodat hij ziet en onderzoekt. Zoo
zal de piëteit jegens het vaderland en zijne instellingen dan
eerst recht van kracht en werkzaam zijn, wanneer men zijn
eigen gedachten begint te krijgen over politiek, zijn eigen
voorstellingen maakt, hoe men gaarne de maatschappij zou
inrichten, als men door studie der geschiedenis, of door ver-
blijf in den vreemde in staat is gesteld, andere toestanden en
inlichtingen te vergelijken met die in het vaderland. Met andere
woorden, de jaren der jongelingschap zijn juist die, waarin de
piëteit in de harten ontkiemt, opgroeit en haar eerste proef
moet doorstaan.
Bij dat ontwakend zelfstandig oordeel ontdekt het oog ook
wel zwakheden en schaduwzijden in personen en inrichtingen,
waartegen men tot nog toe met kinderlijk, eenvoudig ontzag
heeft opgezien. Dit is nu het eerste, waarin de piëteit zich
vertoont. Toen Noach wijn gedronken had, lag hij ontkleed
in zijne tent. Zijn jongste zoon Cham komt, ziet het en loopt
snel naar zijne broeders, om hun lachend te toonen, wat er
geschied is. Sem en Japhet echter nemen een kleed, leggen
het op hunne schouders, gaan achterwaarts, om de naaktheid
huns vaders niet te zien, en bedekken hem. Daar hebt gij
in dit kleine beeld de gansche tegenstelling van piëteit en
-ocr page 205-
GEBREK AAN PIËTEIT.                                       193
verachting. Nu komt het er op aan, of gij evenals Cham de
gebreken en zwakheden, die gij bij ouders en onderwijzers,
vaderland en kerk ontdekt, gaarne en met leedvermaak
beschouwt, of spottend oververtelt en aan de groote klok
hangt, of dat gij ze met fijn gevoel voor uzclven en anderen
bedekt, zelf er niet over spreekt en niet duldt, dat anderen
er liefdeloos over spreken. Hij is een slechte jongen, die
zich niet schaamt het huis, waarin hij is opgegroeid, de
inlichting, aan welke hij zijne vorming te danken heeft, de
zaak, waarin hij zich voorbereidt voor zijn beroep, de ge-
meente, onder wier bescherming hij leeft, de kerk, die zijn
geestelijke moeder is, óf zelf te schandvlekken óf kalm toe Ie
zien dat anderen het doen. Oneerbiedigheid is laagheid, want
wie hen veracht, aan\' wie hij zijn ontstaan te danken heeft,
veracht en onteert zichzelven. Ook dienstboden moesten een
aandeel hebben in de achting, die de piëteit voorschrijft.
Béranger, de bekende Fransche dichter, had eene huishoudster,
die de leelijke gewoonte had in \'t geheim zijn wijn op te
drinken, maar anders was zij trouw. Hij liet haar dus uit
oude gehechtheid hare betrekking behouden tot zij stierf, en
was de eenige, die bij hare begrafenis achter de kist ging.
En hoe is het heden ten dage in dit opzicht met de jeugd
gesteld? Is de klacht gegrond, dat haar meer de piëteit ontbreekt
dan aan vroegere geslachten? Beproefde opvoeders, grondige
kenners der jeugd, die volstrekt geen blinde lofredenaars zijn
van vervlogen tijden, doen eenparig deze klacht hooren, en
wie zelf ervaring wil opdoen, heeft daartoe, helaas, overal
gelegenheid. Oneerbiedige opmerkingen over ouders, klagen
en redeneeren over onderwijzers, over de school en hare ge-
breken, hoogmoedig critiseeren van hetgeen hunne meerderen
doen, uit de hoogte de gemeente veroordeelen, waartoe men
behoort, dat alles kan men dezer dagen bijna overal hooien ,
waar jongelieden samenkomen. En dan de kerk, waarin zij
zijn gedoopt, opgevoed en aangenomen! Zij is voor velen vogel-
vrij verklaard, en er is geen sprake van, dat eenige verplich.
ting jegens haar erkend wordt. Gedwongen voegen zij zich naar
13
-ocr page 206-
VANWAAR \'T GEBREK AAN PIËTEIT
194
de wetten en bepalingen, waaronder zij op dit oogenblik staan,
en naar de personen, van wier oordeel het nu afhangt, of
zij in hunne betrekking zullen vooruitkomen; maar zoo ras
die afhankelijkheid is opgeheven, bekommert men zich niet
meer om hen, en ziet hen zelfs niet aan, wanneer men hen
op straat ontmoet. Wij weten niet juist hoe het vroeger was,
maar het is een feit, dat het er slecht mede uitziet, zooals
het nu is.
Vanwaar komt het? Iets er van komt wel voor rekening
van de jonge jaren. Het eerste ontwaken van het bewust-
zijn, dat men zelf ook iets is en iets kan, is een groot ge-
not, en men begrijpt het, dat een jongeling geneigd is zich
bovenmatig aan dit genot over te geven. De eerste uitoefe-
ning van een aangeboren recht des menschen — en dat is
de echte kritiek — voert licht tot overdreven gebruik er
van. Tegenover personen, inrichtingen en toestanden, waarin
men zich tot nog tce eenvoudig schikte en die men nam zoo-
als zij waren, nu te staan met een eigen oordeel, zich als zelf-
denkende persoonlijkheid te plaatsen tegenover alles, wat leeft
en werkt, kruipt en vliegt, nu dat is eene hoogte die, wanneer
men haar voor het eerst beklimt, zooals de jongelingsjaren
dat met zich brengen, wel het hoofd een weinig doet duizelen.
Dan gaat het daar in het klein zooals bij de nieuwere philo-
sophie in het groot, die toen zij tot zichzelve kwam , zoo met
zichzelve was ingenomen, dat zij straks het »Ik" als het eenig
waarlijk bestaande op den voorgrond plaatste, en tot heer dei-
wereld maakte. Wat Paulus zegt van hen, die met Gods
Geest waren vervuld: dat de heiligen de wereld oordeelen
zullen, dat past de jeugdige geest gaarne op zichzelven toe,
al is hij geenszins doordrongen en vervuld van Gods Geest.
Daardoor wordt iets verklaard van het betreurde en bekla-
genswaardige gebrek aan piëteit, maar nog lang niet alles.
Kn het is niet te loochenen, dat, al brengt men nog andere
faktoren in rekening, toch het feit blijft bestaan, dat dehe-
dendaagsche tijdgeest bijzonder gunstig is voor de ontwikke-
ling der oneerbiedigheid. Onze tijd heeft een buitengewoon
-ocr page 207-
HOE OPENBAART ZICH DE PIËTEIT?
195
krachtig bewustzijn van hetgeen hij kan voortbrengen; de
materieele krachten ontwikkelen zich op wonderbare wijze,
de eene uitvinding volgt op de andere, politieke vraagstukken,
die lang de volkeren in beweging hebben gebracht, naderen
tot een crisis en dringen tot eene beslissing, en op kerkelijk
gebied worden de meest ingrijpende vragen van den geest
des menschen besproken in koffiehuizen en op straat. Een
ieder heeft het gevoel van te kunnen handelen, en hoe minder
hij inderdaad bijgedragen heeft tot den vooruitgang van den
tijd, met des te meer zelfvoldoening spreekt hij van onzen
tijd en neemt zijn deel aan den roem zijner scheppingen. Zoo
komt het dat een geest de overhand verkrijgt, die het gezag
veracht en er zich boven verheft. Met de kerk en het geloof
is het begonnen en vandaar heeft het zich uitgebreid naar
alle zijden. De Christelijke kerk, die toch inderdaad, men-
schelijkcr wijze beschouwd, zeer eerbiedwaardig en voor de
geestelijke ontwikkeling der menschheid van bijzonder veel
beteekenis en zegen is, wordt als oud en zwak van geest op
zijde gezet, om daar rustig te sterven. Het geloof der va-
dercn, niet alleen eerbiedwaardig door zijn ouderdom , maar
ook door de kracht, die duizenden en millioenen in leven en
sterven daarin hebben gevonden, wordt voor dwaasheid,
krankzinnigheid, ja zelfs onredelijkheid uitgemaakt. Toestanden
van ouds beproefd bevonden, worden met een slag omverge-
worpen, afgeschaft en met stille trom ten grave gedragen. Wat
geworden is in de geschiedenis ontzegt men alle recht, slechts
de luim van het oogenblik mag gebieden. De levende heeft
gelijk. Wij, het tegenwoordige geslacht, zijn de verlichten,
de verstandigen, de beschaafden, wij hebben het ver gebracht,
voor ons zijn de kunstige werktuigen, de reusachtige verde-
digingsraiddelen, de groote oorlogen en overwinningen; de
ouden waren wel goede lieden, maar toch wel wat kleingeestig
en bekrompen. Dat is de taal, die in onzen tijd gevoerd wordt
door de pers en ook menigmaal door de lieve jeugd. Zooals
de ouden zongen, piepen de jongen. Het jongste geslacht is
altijd het verstandigste, dat volgt uit het moderne begrip van
-ocr page 208-
196
TEGEN STROOM.\'
vooruitgang. De ouderen van dagen en alles wat tot hen be-
hoort, worden natuurlijk met hunne zienswijzen en begrippen
beschouwd als oud ijzer, en worden door het opkomende
geslacht dienovereenkomstig behandeld. Zoo is gebrek aan
eerbied waarlijk een product van den tijdgeest, die een geest
der ontkenning, van hoogmoed, van terzijdestellen en opstand
is tegen het gezag, dat door de geschiedenis ia gegeven. Het
socialisme, die stelselmatige ontkenning van alle piëteit, is
de laatste en bitterste vrucht van den tijdgeest.
Moet daarom een ieder voor zich worden verontschuldigd,
wanneer hij geen piëteit beeft of oefent? Wordt hem hier-
door de uitvlucht aan de hand gedaan: »Men kan van mij
geen piëteit verwachten, ik ben een kind mijner eeuw?"
Volstrekt niet. Wee hem, die alleen een kind zijner eeuw is
en niets anders, die niet ook een deel der eeuwigheid in zich
gevoelt, dat hem verheft boven zijn tijd! Wee hem, wiens
innerlijk wezen en karakter een product is der verschillende
stroomingen zijner eeuw, die de kracht niet heeft zichzelven
te besturen en des noods tengevolge van een genomen be-
sluit zich tegen dezen maalstroom verzet. Wie dat niet ver-
mag, kan nooit de taak vervullen, hem door God in deze
wereld opgelegd. Want God heeft karakters en geen niets-
beduidende wezens noodig om in de wereld te arbeiden. Hij
bouwt zijn huis uit vaste steenen, niet uit opgewaaid zand.
Hij maakt de pilaren van zijn tempel, die de gansche wereld
omvat, uit eiken en niet uit riet, dat door den wind heen en
weder bewogen wordt.
En juist de jeugd is er het allerminst toe geroepen, om
zich door den wind als een lichte veder te laten slingeren en
voortjagen. Hoe trotscher zij is op haar vrije idealen, hoe
minder zij den geesten dienstbaar wil zijn, die de menigte
behcerschen, maar den edelen drang van haar eigen geest
wil volgen, hoe meer zij de verplichting heeft niet blindelings
met de dwaasheid van haar tijd mede te doen, zich niet t?
werpen in den draaikolk, waarin de dolzinnige menigte danst
rondom hare afgoden, maar haar eigen leven te vormen naar
-ocr page 209-
197
TEGEN STROOM!
de eenige blijvende idealen en te leven naar de wetten van
het waarlijk schoone, groote, edele en verhevene. En al is
er in onze dagen weinig zin voor piëteit — toch zij het
verre, dat een edele jongeling met deze lichtzinnige tonen
instemme. Deze verkeerde invloeden moeten hem te meer
aansporen, om er zich met grooten ernst tegen te verzetten
en in gezindheid, woord en daad en gansche gedrag de pië-
teit te eeren en te beoefenen, wat de voornaamste grondslag
is van ons huiselijk, maatschappelijk en kerkelijk leven. Dat
hij echter niet de piëteit daar beginne, waar de naam hem
heenwijst, namelijk bij het hoogste gezag, bij dien God, die
Heer is over allen, en bij het geloof aan Hem, die onze va-
deren heeft gesterkt. Dan zal bij den jongeling dat lichtvaar-
dige critiseeren vanzelf ophouden, voor hetwelk niets heilig
en eerbiedwaardig is, en in dezen tijd, die niets heilig acht
en alles wil verwoesten, zullen jongelingen opgroeien, die
door hunne piëteit de hoop op betere tijden doen herleven.
-ocr page 210-
XIX.
VREDE EN ONVREDE.
Niet altijd komt gij op zulk eene wijze in aanraking met
anderen, dat uw innerlijk of uitwendig leven er voordeel van
heeft, of dat gij gedrongen wordt om piëteit en dankbaarheid
te beoefenen. Soms heeft het tegendeel plaats. Uw goede
verstandhouding met anderen dreigt op te houden, en dat moet
men vermijden , anders ontstaan er weder storingen , die vereffend
moeten worden. De kunst om dreigende vredebreuken te ver-
mijden, noemen wij vreedzaamheid. De kunst om den verstoorden
vrede weder te herstellen noemen wij verzoening. Dit zijn
twee deugden, die zoowel het leven van den jongeling moeten
versieren, als dat van den mensch en den Christen.
Vrede maakt rijk, twist maakt arm, zegt het spreekwoord,
dat niet slechts geldt voor het algemeen, maar ook voor ieder
in \'t bijzonder, en niet alleen voor ouden, die in een proces
zijn gewikkeld, maar ook voor jongeren, wier twist meer een
eigen aangelegenheid is en zeker ook over minder gewichtige
zaken handelt. Vrede maakt rijk, vroolijk en tevreden, geeft
ons lust in het werk en geschiktheid om het te voltooien ;
-ocr page 211-
199
VERMIJD GESCHILLEN.
twist verteert, maakt verdrietig en ontevreden, afgetrokken
bij ons werk en slecht gestemd bij onze ontspanning. Altijd
weerklinkt in ons hart het laatste, harde woord, dat wij van
den ander hoorden, altijd zijn de gedachten bezig met het-
geen men toen zelf zeide, of gezegd zou hebben, als men
er maar dadelijk aan had gedacht, en dat men niet wil ver-
zuimen bij de eerste gelegenheid de beste aan den man te
brengen. Hoe nauwer twee jongelieden vroeger verbonden
waren, hoe ontevredener zij zijn, wanneer zoo iets tusschen
hen is gekomen. En men moet niet vergeten, dat de omgang
met God dan ook niet gemakkelijk valt, als het hart vol bit-
terheid is tegen den broeder. Ja, twist verteert, uit en in-
wendig, naar lichaam, ziel en geest.
Daarom benaarstig u vreedzaam te wezen. En dit ge-
schiedt op tweeerlei wijze. Vooreerst daardoor, dat gij u er
voor wacht, ooit den vrede te verstoren, en dan dat gij, als
anderen zijn begonnen, niet door «antwoorden" het kwaad
verergert en vergroot, maar liever als het mogelijk is het in
stilte verdraagt en alzoo onschadelijk maakt. Over de eerste
soort van vreedzaamheid behoef ik niet verder te spreken,
naar ik meen. Men moet wel een twistziek karakter hebben,
om zonder oorzaak anderen tot hatelijkheden en strijd te prik-
kelen. Maar neem dit toch in \'t voorbijgaan ter harte: men kan
reden tot twist geven, al is het niet kwaad gemeend. Als de
een gaarne plaagt en door woorden en daden zich eene grap
met een ander veroorlooft, dan kan het licht gebeuren, dat
de scherts slecht wordt opgenomen en in bitteren ernst ont-
aardt. Wees dus dubbel voorzichtig, als gij van nature tot
plagen geneigd zijt; iedereen kan het niet verdragen, al vinden
zij, die er niet in betrokken zijn, het ook nog zoo aardig. Om
des vredes wil moet men eene aardigheid voor zich kunnen
houden, en niet de slaaf worden van zijne geestigheid. Of
iemand bemoeit zich met goede bedoeling, maar wat onhandig
met de aangelegenheden van zijn naaste, en dit kan ook tot
onaangename verwikkelingen en groote ontevredenheid aan-
leiding geven, ook al was men niet voornemens te twisten.
-ocr page 212-
200                       HET VERDRAGEN VAN BELEEDIGINGEN.
Het is waar, men kan zich niet voor alles in acht nemen,
en menigmaal moet men het er op wagen den ander te ont-
stemmen, ter wille van recht en waarheid. Maar voor zoover
het u betreft, zooveel u mogelijk is, houd vrede met alle
menschen, en geef geen aanleiding om dien te verstoren. Spreek
niet ondoordacht of onbezonnen, opdat uw woord niet een
vonk worde, die een hevigen brand ontsteekt in het hart van
een ander.
Doet echter de andere iets, dat den vrede verstoren kan,
dan is het uwc taak, niet kwaad met kwaad te vergelden,
maar het in orde te brengen en te vereirenen. Misschien is
het volstrekt niet zoo kwaad gemeend als het wel lijkt. Mis-
schien heeft uwe tegenpartij, toen hij het woord uitsprak,
volstrekt geen beleediging bedoeld. En eindelijk, wanneer
hij eene beleefdheid heeft verzuimd, die gij van hem mocht
verwachten, dan is het kinderachtig, beleecligd te zijn; in
zulk een geval moet men kunnen zien, zonder te zien, en
men moet instaat zijn iets niet op te merken, ook al heeft
men het gemerkt. Kunt gij dat echter niet zoo laten voorbij-
gaan, spreek dan openhartig met hem, vraag hem hoe het
gekomen is, wie weet of alles niet goed afloopt en een mis-
verstand schuld was van alles.
Maar als er nu sprake is van eene beleediging, die een
ander opzettelijk heeft begaan ? Dan eerst hebt gij waarlijk
gelegenheid uwe vredetaak te vervullen. De mogelijkheid be-
staat nog, dat de beleedigende woorden of daden niet met
voordacht zijn geschied, maar in eene opwelling van het oogen-
blik, dat zij dus niet de uitdrukking zijn van zijn ware ge-
zindheid, maar slechts het gevolg eener aandoening, die
hem als een vreemde macht heeft overmeesterd. Verstan-
dige vreedzaamheid stelt zulke woorden en daden, welke
voortkomen uit een oogenblikkelijke opwelling, gelijk met
hetgeen een koortslijder doet. Die kan zijne hand tegen u
opheffen — gij weet dat hij het eigenl:jk niet doet, maar de
koorts. Hij zal u de grootste scheldwoorden naar het hoofd
werpen, gij blijft bedaard, want hij is het niet, die spreekt,
-ocr page 213-
DE KUNST VAN ZWIJGEN.                                     201
maar zijne tong wordt door een vreerade macht bestuurd,
die op dit oogenblik zijn organisme beheerscht. Zoo kunt gij
bij al het fraaie, dat iemand in opgewondenheid en drift tot
u zegt, kalm denken: dat zegt niet hijzelf, zijne ziel, zijn
hart, maar die klanken zijn daardoor ontstaan, dat een booze
vreemde macht over hem is gekomen en zich op dit oogen-
blik van zijne spraakorganen heeft meester gemaakt. Wacht
het rustig af, tot de aanval voorbij is, de zon zal wel weder
door de wolken heenbreken. Nubicula est, transibit. Het is
een wolkje, het zal voorbijgaan.
Indien mij nu echter ook deze geruststelling wordt ontno-
men ? Als ik moet aannemen dat de ander, voorbedacht en
met overleg, in koelen bloede zijne pijlen tegen mij richt? Nu,
in uwe jeugd zal dat geval zich niet dikwijls voordoen. Dan
ontstaat twist toch meestal uit opvliegendheid. Ontmoet gij
echter werkelijk eens zulk een koelbloedigen beleediger, dan
zou het een slechte verdediging zijn, als gijzelf het harnas
wildet aantrekken en driftig en blindelings er op losgaan.
Het is moeielijk strijden als men met onrustige, gejaagde be-
wegingen en onzekeren blik staat tegenover een kalme we-
derpartij, die elksn slag en stoot berekent. Wanneer gij kunt,
houd hem dan bedaard zijn onrecht voor, evenals Christus
met kalmte tot den dienstknecht sprak: Waarom slaat gij Mij ?
Maar kunt gij het niet bedaard doen, zwijg dan liever stil.
Want hoe driftiger gij wordt, hoe meer de ander tracht kalm
te zijn, en hoe bedaarder hij is, hoe meer uw toorn zal ont-
vlammen, tot gij niet meer meester zijt over uzelven, niet
me«r weet wat gij doet, en dientengevolge woorden zegt en
dingen doet, die u vernederen. Dan zijt gij waarlijk door het
kwade overwonnen en hebt een nederlaag geleden, zij het
ook niet uiterlijk, dan toch inwendig. En zoodra uwe drift
voorbij is, kenmerkt een levendig gevoel van beschaming deze
nederlaag in een gemoed, dat nog niet verstompt is. Naar-
mate een aanval boosaardiger is, moogt gij u minder laten
medesiepen tet dien toon, dien de beleediger heeft aange-
slagen. Kunt gij dit niet anders vermijden dan door zwijgen
-ocr page 214-
202
KWAAD WERKT KWAAD.
en heengaan, nu zoo zwijg in \'s vredes naam en pak u weg.
In zulke gevallen is de vlucht geene lafhartigheid, maar eene
daad van waren moed. Want wie zijne tong bedwingt, is
sterker dan die eene stad inneemt.
Het «betaald zetten" van beleedigende gezegden of daden is
een gevaarlijk werk. Een onvermijdelijk gevolg er van is, dat
de strijd der hartstochten heviger wordt. Want als B. er zich
0|> toelegt A. alles betaald te zetten, dan zal hij het niet zoo
inrichten, dat hij met de grootste nauwkeurigheid juist zoo-
veel teruggeeft als hij heeft ontvangen. Veeleer krijgt A. bij
de betaling zijner rekening een grooter of kleiner overwinst.
Dat bemerkt A. dadelijk, en dit geeft hem aanleiding om er
bedacht op te zijn, deze winst te vereffenen. Ook hij is wederom
niet zoo bijzonder nauwgezet; B. voelt zich dus ook verplicht
het verschil aan te vullen, en zoo verbittert de een den
ander, en in korten tijd worden woorden geuit, die hevig en
beleedigend genoeg zijn om voor lang, misschien voor altijd
als scheidsmuur te staan tusschen twee harten, die vroeger
elkaér trouw waren. Wie kwaad met kwaad , scheldwoord met
scheldwoord vergeldt en alzoo vijandschap veroorza-ikt, die is
door het kwade overwonnen, daar hij zich do\'or de booze
macht, welke hem overviel, heeft laten verleiden zelf kwaad te
doen. Want het kwade wordt niet goed, omdat het eene ver-
gelding is. Als men kwaad met kwaad vermenigvuldigt of bij
elkaér optelt — krijgt men dan goed? Dit zou een vreemde
rekening zijn. Neen, men heeft dan vele verkeerde daden in
plaats van éene enkele, de som van het kwade in de wereld
is vermeerderd, zijne macht versterkt. Wie echter niet buiten
zichzelve geraakt door het kwade, dat hem wedervaart: wie
rustig kan blijven, zwijgen of heengaan, die heeft den aanval
afgeslagen en kwaad door goed overwonnen, vooreerst voor
zichzelf, verder misschien ook in zijne tegenpartij, als deze
er toe komt zijn ongelijk te bekennen, wat zeker nooit ge-
beurd zon zijn, als kwaad met kwaad vergolden was.
Het is hier nu de plaats, om eenige woorden te spreken
over een vreemde gedragslijn, die men volgt na een ont-
-ocr page 215-
HET DUEL.                                            203
vangen beleediging, namelijk de uitdaging tot een duel. Men
prijst het duel als een betamelijke wijze, om zich recht te ver-
schaffen, in tegenstelling van het blinde er op los slaan. De
voldoening is dan niet zoozeer het gevolg van wilde hartstocht,
maar is gebracht onder tucht, orde en regelmaat. Dat is dan
veel edeler en ridderlijke!\'; de woede verandert op deze wijze
in bedaarden moed, men valt den tegenstander niet onbezonnen
aan met mes of dolk, zooals een boerenjongen zou doen,
maar men laat het hem vooruit weten en geeft hem gelegen-
heid zich volgens de regelen dei\' kunst te verdedigen. Dat
kan wel waar zijn. Maar in dat licht beschouwd, is het duel
toch niet anders dan een overblijfsel van middeneeuwsche
barbaarschheid, eene herinnering aan den tijd van het vuist-
recht. Er was een tijd, dat het er met de bescherming door de
overheid slecht uitzag, daar den menschen óf geen recht werd
gedaan, öf zij er zeer lang op moesten wachten. Deze tijd
was tegelijk wild en bloedig; toen was de psrsoonlijke, rid-
derlijke moed a\'.les waard en bedekte alle andere gebreken.
Het was natuurlijk en verklaarbaar, dat mannen van het
zwaard, die iets met elkaér hadden, het naar vastgestelde regels
en bepalingen met elkaér uitmaakten, en iemand, wiens eerge-
voel beleedigd was, door eene daad van persoonlijken moed zijne
eer, die in gevaar was gebracht, kon herstellen.
Maar die beide gevallen, waardoor de tweestrijd toen nuttig
was, zijn heden ten dage van geene waarde. Wij leven in
eene maatschappij, die zóo geregeld is, dat ieder recht kan
verkrijgen als hij waarlijk beleedigd is, en op fatsoenlijke wijze
in zijne eer kan worden hersteld. En wat het andere geval
betreft, zoo wordt ook heden nog de manhaftigheid naar
waarde in eere gehouden, namelijk in de weerbaarheid, waar-
van zij een der steunpilaren is; maar men acht daarom
toch niet meer, dat iemand, door een strijd te wagen, die
persoonlijken moed vordert, alle mogelijke vlekken van zijn
wapenschild kan afwisschen. Iemand wordt leugenaar genoemd,
wij laten hier in het midden of het verdiend is of niet. Dat
is eene beleediging, die moet worden uitgewischt. Hij daagt
-ocr page 216-
204
HET DUEL.
den beleediger uit, zij kruisen hunne degens, of richten hunne
pistolen op elkaér; een wordt gewond of misschien beiden,
misschien ook niemand — wat is er dan uitgemaakt? Welk
mensch met gezond verstand zal de gevolgtrekking maken:
omdat de beleedigde den ander heeft uitgedaagd en op dood
en leven met hem heeft gestreden, is het nu uitgemaakt dat
hij geen leugenaar is? Daar is niets bewezen, dan dat hij
moed genoeg had, om een duel aan te gaan, misschien ook
wel, dat hij geen moed genoeg had, om zich te verzetten tegen
sommige dwaze vooroordeelen en valsche begrippen van eer.
En dat hij geen leugenaar, maar een waarheidlievend mensch
is, bewijst hij noch door het ontvangen, noch door het uit-
deelen van wonden.
Van uit een verstandelijk oogpunt, zonder er den godsdienst
mede te moeien, zou ik dus reeds zeggen: gij zijt nooit ver-
plicht iemand eene uitdaging te zenden, noch die van een
ander aan te nemen. Het eerste behoeft niet, omdat men
volgens geen enkele wet der logica bewijzen kan, dat uwe
eer ongeschonden blijft, wanneer gij een ander uitnoodigt te
beproeven of hij u een kogel in het lijf jagen, of uw gelaat
met een degen verminken kan. En evenmin zijt gij gedwon-
gen eene uitdaging aan te nemen. Want gij hebt dan zeker
den ander onrecht gedaan, of u een beleedigende uitdrukking
tegen hem veroorloofd, en dan is het waarlijk geen schande,
maar eervol, wanneer gij de beleediging herroept en om ver-
geving vraagt. Als iemand u daarom minacht, bewijst dit
slechts, dat zijne begrippen van eer gidieel en al in de war
zijn, en gij behoeft u volstrekt niet te bekommeren om het-
geen hij van u denkt. Het kan ook zijn, dat gij gelijk hebt
en der waarheid getrouw zijt gebleven; het zal u dan ook niet
rnoeielijk vallen de bewijzen te leveren en als uw tegenpartij
daarmede geen genoegen neemt, verwijs hem dan gerust naar
het gerecht.
Maar nu nog wat anders! Het is waar, het leven is niet
het hoogste goed, maar toch een goed, dat men alleen dan
in de waagschaal mag stellen, wanneer hoogere belangen dan
-ocr page 217-
205
HET DUEL.
die van het dagelijksch leven op het spel staan. Bij de zoo-
genaamde »zaak van eer" is dat gewoonlijk niet het geval;
integendeel, het is soms verwonderlijk voor welke beuzelingen
twee menschenlevens op het spel worden gezet. En daar,
waar de eer beleedigd is — wij zagen immers zooeven, dat
de logica nog moet gevonden worden, die bewijst, dat men
geschonden eer door pistool of degen kan herstellen. Daarom
heeft geen mensch het recht, om zulke oorzaken zijn leven en
het leven van een ander in de waagschaal te stellen. Als hij
het toch doet, dan bezondigt hij zich aan een goed, dat hem
van God is toevertrouwd, speelt lichtzinnig met een edele
zaak, verkort voor zich en een ander den tijd tot vooiberei-
ding voor de eeuwigheid, die waarlijk reeds kort genoeg is,
begaat een roof aan hetgeen Godes is; kortom, veieenigt
doodslag en zelfmoord in éene daad. Bij het duel is er dus
niet alleen sprake van verstand, maar ook van geweten, niet
slechts van een zondigen tegen de logica, maar van een mis-
drijf tegen God.
Deze waarheid blijft van kracht, ook al neemt God bij een
jongeling de tijden der onbezonnenheid in aanmerking en al
Iaat Hij alles tot een goed einde komen. Op een Duitsche
hoogeschool gebeurde het eens, dat een student dooi\' zijne
vrienden en bekenden zoolang bepraat werd, tot hij zelf ge-
loofde dat eene zaak van eer, waarin hij betrokken was, slechts
door een duel uit de wereld kon gebracht worden. Hij was
weinig, zijne tegenpartij daarentegen zeer in den wapenhandel
geoefend. Vol bange verwachting betrad hij het strijdperk.
Maar toen zijne tegenpartij voor hem stond, kwam een bo-
venmenschelijke kracht in hem. »Help mij nu, Heer Jezus
Christus!" riep hij met luider stem, zwaaide zijn degen en
drong in strijd met alle regelen der kunst, maar met zooveel
geweld op zijne tegenpartij in, dat deze geheel in verwarring
werd gebracht en de strijd eindelijk zonder bloedvergieten
werd bijgelegd. Als iemand nu onder het aanroepen van den
naam van Christus een duel begint, dan is, wat hem betreft, dit
wel goed, maar daarmede is hij toch nog niet gerechtvaardigd.
-ocr page 218-
206
VERGEVINGSGEZINDHEID.
Gustaaf Adolf, de koning der Zweden, wien zeker niemand
den roem der grootste dapperheid betwisten zal, was uit be-
ginsel een tegenstander van het duel en duldde het ook niet
onder zijne officieren. Wie bloed vergiet in een duel, zeide
hij, moet daarvoor zijn eigen bloed geven. En eens liet hij,
nadat hij in schijn in een duel tusschen twee officieren had
toegestemd, dadelijk een galg oprichten voor den overwinnaar.
Dus bleef de strijd achterwege.
Indien echter, ondanks alle pogingen om den vrede te be-
waren, deze gedurig en op ernstige wijze verstoord wordt,
dan moet de vreedzaamheid hare plaats inruimen voor hare
zuster de vergevensgczindheid.
De vergevensgezindheid eischt twee dingen van u. Ten eente
dat gij alle pogingen van den ander om den gestoorden vrede
weder te herstellen , met alle bereidwilligheid en van ganscher
harte tegemoet komt. Ten tweede, dat gij in het geheel
niet wacht tot de andere komt, maar bereid zijt, zelf den
eersten stap tot verzoening te doen. Wij willen den eersten
eisch, als den gemakkelijksten, het eerst bespreken. Dat het
schandelijk is, iemand, die iets tegen een ander heeft mis-
dreven en nu tot hem komt en zegt: »Het spijt mij, ik heb
slecht gehandeld, vergeef het mij," hard en ruw af te wijzen,
dat zegt reeds het natuurlijk gevoel. Wanneer de beleediger
niet alleen zijn onrecht innerlijk gevoelt, maar zich ook te-
genover den beleedigde zoo vernedert, dan is alle voldoening
gegeven, die men van hem kan verwachten. Iemand moet
al zeer met zichzelven zijn ingenomen en eene onoplettendheid
voor zijn eigen persoon als een soort hoogverraad, een mis-
drijf tegen het hoogste en edelste beschouwen, als hij zich
in zulk een geval ruw en kortaf afwendt. Hij zou dan
moeten denken, dat hij nooit in het geval was geweest of
kon komen, dat hij bij menschen of bij God om vergeving
en geduld moest vragen. Anders zou ook wel de gedachte bij
hem opkomen: «Met welk oordeel gij oordeelt, zult ook gij
geoordeeld worden, en met welke mate gij meet, zult ook gij
gemeten worden." Wie niet vergeven wil, plaatst zich op het
-ocr page 219-
HOE VAAK VERGEVEN?
207
harde, strenge, koude en terugstootende standpunt van het
recht. Hij huldigt de stelling dat het recht de grond en bo-
dem is, die hij als de ware beschouwt voor het verkeer der
menschen onder elkaér. Verder zegt hij er mede, dat ook de
verhouding van den mensch tegenover God uitsluitend volgens
het strengste recht moet worden geregeld. Hij laat van zijn
kant alle aanspraak varen op vergeving en genade bij God
en menschen. Dat is de zin van de bede van het Onze Vader ,
evenals van de bekende gelijkenis van den barmhartigen meester
en den onbarmhartigen dienstknecht.
Toen de oude Ziethen eens door zijn koninklijken meester
zwaar beleedigd en teruggezet was, vroeg hij met korte
•woorden zijn afscheid, en dacht zeker in zijn hart evenals
Jona: Billijk is mijn toorn ontstoken ter dood tce. Maar toen
hij op een avond alleen in zijne kamer was, trad koning Frederik
binnen, stak hem de hand toe, en zeide: »Ziethen, gij zijt boos
op mij? Gij hebt mij vele dingen kwalijk genomen;" en toen
de groote koning met bewogen stem voortging: »Als ik in
het vervolg met het leger uittrek en de soldaten vragen:
waar is vader Ziethen? — wat moet ik dan zeggen? Moet ik
zeggen: vader Ziethen is knorrig en neemt mij iets kwa-
lijk?" — Toen sprongen den ouden Ziethen de tranen uit de
oogen, zijn toorn verdween en de Oostenrijkers voelden het
dat Ziethen er bij was. Wie verdient hier meer bewonderd
te worden, de smeekende koning of de vergevende. Ziethen?
Maar dat vergeven moet toch een grens hebben ? Eens ja;
ook twee- of driemaal. Maar dan moet men toch zeggen: »nu
mag het niet meer gebeuren." En als het dan toch weer ge-
beurt, dan is het met het vergeven gedaan en heeft het
strenge recht zijn loop. Evenzoo dacht Petrus ook, ongeveer
achttienhonderd veertig jaar geleden, en hij vroeg daarom
aan zijn Meester: «Heer, hoe menigmaal zal mijn broeder tegen
mij zondigen en ik hem vergeven?" En daar hij zeer edel-
moedig wilde zijn, voegde hij er bij: «zevenmaal?" Hij dacht
dat dit ruim gerekend was en dat het voor de achtste keer niet
noodig was vergiffenis te schenken. Maar hoe luidde het ant-
-ocr page 220-
208
NIET REKENEN!
woord? sik zeg u, niet zevenmaal maar zevenligmaal zeven-
maal," Dat beteekent niet: 490 maal, en bij de491ste gelegen-
heid behoeft het niet meer. Er is hier geen sprake van een
mathematisch getal, maar het is zinnebeeldig. De beteekenis
is: gij moet niet tellen hoeveel keeren gij vergeeft. Wie het
zijn buurman narekent, dat hij heden en gisteren en eergis-
teren geduld met hem moest hebben, die staat reeds op een
verkeerd standpunt. Hij toont daarmede, dat zijne vergeving
niet uit liefde voortvloeit, want de liefde telt en rekent niet.
Bedenk hoeveel geduld uwe omgeving den ganschen dag met
u hebben moet, en regel daarnaar uw gedrag jegens anderen.
Bedenk hoeveel overtredingen God u eiken dag vergeeft en
behandel anderen evenzoo. Als uw ergste vijand het er op
toelegde u te ergeren en uw geduld te oefenen, dan zou het
hem toch niet mogelijk zijn gedurende een ganschen dag zoo
diep en zoo dikwijls tegen u te zondigen, als gij het in ge-
wone tijden, zonder bijzondere misdaden, in uwe beste en
braafste dagen doet tegenover God. Gij hoopt dat dit zal ver-
geven worden. Goed, maar blijf dan zelf ook niet achter. Dat
narekenen en bij gelegenheid een ander voorhouden hoe
menigmaal men reeds vergiffenis heeft geschonken is klein-
geestig, bekrompen en schandelijk; hem altijd weder vergeven
zoo menigmaal er om gevraagd wordt, is grootmoedig, vrij-
gevig, edel, koninklijk, goddelijk. En nog meer, die narekent,
heeft nog niet vergeven, anders zou hij er niet als iets bij-
zonders gedurig aan denken. En wie een ander gedurig voor-
houdt: dat en dat en dat heb ik u edelmoedig vergeven, die
bewijst, dat in hem toch nog een »maar," eene ontevredenheid
is achtergebleven, en dat zijne vergiffenis meer bestond in
woorden dan inderdaad.
Maar als nu de ander niet den eersten stap doet tot ver-
zoening ? Dan geldt voor u die andere, zwaarder eisch der
vergevensgezindheid, dat gij besluit den eersten stap te doen
en niet te lang te wachten, zoo mogelijk nog vóór de zon is
ondergegaan. Want als de dag en het dagwerk is geëindigd,
moet ook deze twist voorbij zijn; wat men eens een nacht
»
-ocr page 221-
209
AAN BEIDE ZIJDEN SCHULD.
lang laat hangen, dat hecht zoo licht aan hart en ge-
moed vast, en het wordt iedeien dag moeielijker het te ver-
wijderen. Dus nog vóór zonsondergang den eersten stap tot
verzoening gedaan! Maar wie moet hem doen ? »Wie de meeste
schuld heeft," zegt gij. Ja, als dat maar zoo spoedig bepaald
was! Maar meestal verwijt de een den ander, dat hij het eerst
is begonnen. En wat het wonderlijkste is, ieder heeft gelijk.
Want zelden ontstaat een twist zóo, dat men een scherpe
lijn kan trekken, den grenssteen kan plaatsen en zeggen: tot
hiertoe was alles vrede en harmonie, maar met het éene
woord, dat deze of die heeft gesproken, begon de twist. Onge-
merkt begint het gesprek scherper te worden, een ontevreden
toon mengt zich er tusschen, eerst onduidelijk, dan altijd
klaarder, scherper en sterker, en ongemerkt zit men midden
in de geschiedenis. Zoo hebben meestal beide partijen even-
veel schuld. Als de een scherp en grof geweest is, heeft de
ander zijn aandeel geleverd door prikkelbaarheid en kwalijk-
nemendheid.
Nu en dan is de schuld minder gelijk verdeeld. Gij zijt min-
der de oorzaak van den twist geweest dan wel uwe tegenpartij.
Maar wie moet en kan dat beslissen? Gij zelf? Neen, dan
zoudt gij rechter zijn in uw eigen zaak. Of anderen, die tegen-
woordig waren? Ik vrees, dat hunne opinies ook verdeeld
zouden zijn, want het oordeel der jeugd over recht of onrecht
vormt zich gaarne volgens persoonlijke genegenheid of afkeer.
Maar al zoudt gij op schrift kunnen bewijzen, dat gij de minste
schuld hebt, dan zoudt gij hierdoor toch niet van den plicht
ontslagen zijn, om het eerst de hand ter verzoening te reiken.
Want gij hebt minder schuld, maar zijt niet zonder schuld,
en uw persoonlijk aandeel, al is het nog zoo gering, moet gij
daardoor erkennen, dat gij het eerst de hand aanbiedt. Hoe erns-
tiger gij zulk eene schuld opvat, hoe minder gij u met anderen
zult vergelijken, wier overtredingen gij voor nog grooter houdt
dan de uwe, maar gij zult hooren naar uw geweten en uwen
God, en het zal u meer en meer eene behoelte worden, eene ver-
zoening tot stand te brengen en er uw deel toe bij te dragen
14
-ocr page 222-
210
VERZOENING.
In de kanselarij van den heer von Stein gebeurde het eens,
dat een bediende over eene pas onderteekende, gewichtige
oorkonde in verstrooidheid den inktkoker uitgoot inplaats
van zand. Toornig sprong Stein op, rukte den man het papier
uit de hand en wreef hem den inkt in het gezicht. Den vol-
genden dag, toen de man terugkwam, liep Stein hem tc-
gemoet, greep zijne beide handen, was buitengewoon vriende-
lijk en drukte hem bij het afscheid een zwaar goudstuk in de
hand. Stein had dat niet behoeven te doen. Hij was president,
de ander zijn bediende, die voor en na met hem verkeeren
■moest, hetzij gaarne of ongaarne. Waarom was de man zoo
verstrooid geweest? Hij had de fout begaan. Zoo had Stein
kunnen denken. Maar hij dacht anders, hij dacht als Christen
en gedroeg zich als een waar edelman.
Gij moet niet vergeten, dat in Qods oog een deel der schuld
toch rjehcel en al schuld is, eene daad op zichzelve, die Hij
ook als zoodanig beoordeelt. Een aandeel in de schuld bestaat
slechts volgens de menschelijke beoordeeling, niet volgens de
goddelijke. En aangenomen, dat gij geen schuld hadt voor
God en menschen — gij hebt toch altijd eene schuld tegenover
anderen, en dat is de schuld der liefde, die niet vraagt: wat
komt mij toe? maar: wat is nuttig voor den naaste? wat
kan hem helpen?
Denk aan uw eigen verlossing. De zonde is een strijd
tusschen God en menschen, en bij dezen strijd is zoo vol-
komen als nooit bij een strijd van menschen onder elkaér
het geval is, alle schuld aan den oenen, alle onschuld aan
den anderen kant. Aan God is niets, aan den roensch is alles
te wijten. En deze God, die geene schaduw van schuld heeft,
wil zonder tegemoetkoming, ja buiten weten van den mensch
verzoening en verlossing tot stand brengen, en reikt vrien-
delijk de hand aan den mensch, die nog niets van Hem wil
welen en zich van Hem afwendt. Als Hij dat niet gedaan
had, zou de wereld tot op den huldigen dag zonder verzoe-
ning en verlossing gebleven zijn. En gij behoort ook tot de
menschheid, die op deze wijze is verlost. En wat u tebeurt
-ocr page 223-
2H
LIEFDE TOT VIJANDEN.
is gevallen, een vergevende har.d van de zijde van Hem,
die geen de minste schuld had — zoudt gij dat weigeren
aan den broeder, die tegen u heeft gezondigd?
Gij weet niet, of de dood niet den een of ander van u weg-
rukt , terwijl hij in strijd en tweedracht met u leeft. En hoe
vreeselijk zou het zijn, zelf onverzoer.d de wereld te verlaten,
of den ander de eeuwigheid te zien ingaan, zonder nog een
blik, een woord , een handdruk der verzoening te hebben
gewisseld. Wij kunnen toch alleen krachtens vrije genade en
vergeving hopen op een genadig oordeel hiernamaals. En hoe
kunnen wij daarop hopen, wanneer wijzelven niet de hand
willen reiken tot vergeving en verzoening?
O, heb ze lief, die God u heeft gegeven,
Zoolang u God met hen vereent!
Het uur zal slaan, het uur zal zeker komen,
Dat ge aan hun groeve treurt en weent.
En zet een wacht bestendig voor uw lippen,
Zoo licht ontglipt een bitter woord.
Bij God! gij hadt volstrekt geen boos bedoelen,
Maar \'t heeft uw naaste \'t hart doorboord.
Dan \'t weenend oog in \'t kerkhofgras verborgen,
Van tranen nat, knielt gij ter neer
Bij \'t somber graf, de rustplaats van uw doode;
Maar ach! gij ziet hem nimmer weer.
Helaas! hij zitt noch hoort; hij zal niet komen,
Opdat gij weer hem welkom heet;
De mond die vaak u kuste, kan niet spreken:
«\'t Is al vergeven, wat gij deedt."
Zoo schildert E. Freiligrath het zelfverwijt, dat een hart
gevoelt, dat van geene verzoening heeft willen weten. Maar
met nog veel meer kracht, als met de bazuin van het laatste
oordeel, spreekt Christus zelf tot de onverzoenlijke menschen-
-ocr page 224-
212
LIEFDE TOT VIJANDEN.
harten en brengt hun de tijdelijke en eeuwige gevolgen van
hun gedrag ouder het oog. Lees daaromtrent Matth. 5 vers
25 en 20.
En wanneer niets helpt; als uw uitgestrekte hand spottend
of toornig wordt teruggestooten, dan zijt gij nog niet waar gij
wezen moet. De vergevensgezindheid moet liefde worden tot den
vijand, en wacht totdat zich eene gelegenheid voordoet, om een
goed woord te zeggen, of een hulpvaardige daad te verrichten.
Het is waar, men moet de gelegenheid afwachten. In zulk
<-en geval h het niet verstandig en geen plicht der liefde, om
zijne opmerkzaamheden en diensten op te dringen. Als uwen
vijand hongert, spijzig hem, als hem dorst, geef hem te
drinken. Maar de gelegenheid zal gevonden worden, en de
ware liefde heeft geopende oogen, om die gelegenheden op te
merken. Dezo liefde tot vijanden is reeds in do wetten der
s hepping gegrondvest, daar regen en zonneschijn zonder
onderscheid van gezindheid en gedrag worden uitgedeeld.
Onder de oud-testamentische wetten was het gebod gegeven
om, wanneer men den os of ezel van zijnen vijand zag verdwalen,
of onder zijn last bezwijken, men hem dadelijk moest helpen,
zelfs al verzuimde men zijn eigen zaken. Hoe hoog staat
hier de moraal der Mozaïsche wet boven de beste vertegen-
woordigers der heidensche zedeleer, welke zich, bij de vraag,
wat tot het gedrag jegens anderen behoorde, toch niet boven
het gevoelen konden verheffen, dat men zijne vrienden goed
on zijne vijanden kwaad moest doen! Maar in den ruimsten en
hoogsten zin wordt de liefde tot vijanden en de vergevens-
gezindheid ons voorgesteld in de verlossing en verzoening
door Christus. God heeft ons verzoend door den dood zijns
Zoons, toen wij nog vijanden waren. Hij heeft, toen de mensen-
beid nog afkeerig was, alles gedaan om haar te redden, en
het liefste daarvoor opgeofferd. Hier ziet gij meteen, hoe nauw
geloofsleer en moraal in het Christendom vereenigd zijn, en
hoe verkeerd het is, de geloofswaarheden prijs te geven
en alleen de zedeleer van het Christendom te willen be-
houden. Dat beteekent met andere woorden: de boom mag
-ocr page 225-
VIJANDSLIEFDE IX DEN OORLOG.                                213
blijven staan, want zijne vruchten zijn goed; maar de wortel
moet weg.
Het is bekend, hoe rijk de laatste Fransch-Duitsche oorlog
is aan voorbeelden van Christelijke liefde tot vijanden, die
door beide natiën werden gegeven. Het is minder bekend,
wat ten tijde van den Noord-Amerikaanschen burgeroorlog een
officier van het noordelijk leger in een dagblad mededeelt,
en wat ik hier bijvoeg. Hij moest als ordonnance-officier in
gloeiende zomerhitte een rit maken, zoodat zijne tong aan het
verhemelte kleefde. Bijna versmachtend van dorst kwam hij
aan eene bron en wilde afstijgen , om zijne veldflesch te vullen,
maar zijn paard, dat zeer wild was, maakte zulke sprongen,
dat de anders zoo bekwame ruiter niet afstijgen kon. Hij gaf
daarom zijne flesch aan een naast hem staanden soldaat, met
het verzoek die te vullen. Deze sprak een vreeselijke verwen-
sching uit en zeide : »Vul zelf je flesch!" Deze woorden deden
den toorn van den officier ontbranden. >;God geve, ellendeling,
dat ik u eens moge aantreffen, als ge van dorst versmachtend
bidt om een glas water, opdat ik het genoegen moge smaken,
het u te weigeren!" Twee jaar later kwam hij licht gewond
in het hospitaal te Washington; en spoedig was hij zoo ver
genezen, dat hij aan zijne lotgenooten kleine diensten kon
bewijzen. »Op een zeer warmen dag, toen de zalen tot stik-
kens toe vol waren, nam ik een glas en een kruik met ijs-
water en reikte iederen gewonde een dronk toe. Plotseling
richtte een man zich van zijn bed op, en riep met holle stem:
«Water, om Gods wil, water!" Ik stond als versteend — het
was dezelfde, die mij een teug koud water had geweigerd.
Hij herkende mij niet dadelijk. In mijn binnenste zeide iets:
Ga heen, laat hem het gerinkel van het ijs hooren, ga nog
eens en nog eens langs hem heen, geef aan allen wat, alleen
aan hem niet; dit is de dag der wrake! Maar een andere
stem zeide: Vriend, het is heden de welaanpename dag, ver-
geef, zooals uw Verlosser u heeft vergeven! Een on weerstaan -
bare aandrang bracht mij aan zijn bed, ik stak mijn arm
onder zijn hoofd en bracht den beker aan zijn verdroogde
-ocr page 226-
2U
VIJANDSLIEFDE IN DEN OORLOG.
lippen, O, hoe dronk hij! — Nooit zal ik den blik vergeten»
waarmede hij mij aanzag." Later verhaalde de man aan den
officier, dien hij eerst onder het drinken herkende, dat hij
toenmaals wegens een andere oorzaak geheel buiten zichzelven
was, zich dadelijk daarop over zijn gedrag had geschaamd,
en sedert twee jaren hem gezocht had met het doel, om hem
vergeving te vragen.
-ocr page 227-
XV.
VRIENDSCHAP.
Niets behaagt den mensch zoozeer,
In dit aardsche leven,
Dan dat hij een trouwen vriend
Heel zijn hart kan geven;
zingt Simon Dach, die dan ook in zijn leven den zegen van
echte vriendschap rijkelijk heeft genoten en doen genieten.
De naam »vriend" lijdt in deze dagen aan een zekere on-
bestemdheid, daar nu zoovele dingen er onder doorgaan. Als
iemand met een ander elke week eens in een grooten gezel-
ligen kring samenkomt, dan spreekt hij bij gelegenheid van
hem als »een vriend van mij," vooral wanneer »de vriend" door
rang en verdiensten eene plaats inneemt, die op hen, die nu
en dan hem ontmoeten, een zekeren glans doet vallen. Me-
nigeen heeft zich reeds kunnen verwonderen, hoevele men-
schen zijne «vrienden" zijn , die zich bij gelegenheid op hem
beroepen — personen , van wie hijzelf niets naders weet. Van
deze vriendschap in ruimeren en den ruimsten zin, die eigenlijk
«bekendheid" of «kennis" moest heeten, spreken wij niet. Zulke
«goede vrienden" te hebben is geen kunst, zoodra men
-ocr page 228-
216
VRIENDSCHAP EN GEZELLIGHEID.
slechts zijne vier wanden verlaat en den een of anderen ge-
zelschapskring binnentreedt. Maar van gezelligheid moeten
wij de vriendschap bepaald onderscheiden. De eerste heeft
slechts betrekking op bepaalde uren en oogenbükken, de vriend-
schap omvat alle tijden van den dag. Gene dient voornamelijk
voor de conversatie, of een ander bepaald doel, deze heeft niet
zulk een bepaald oogmerk, zij heeft haar doel in zichzelve.
Schiller\'s dichtregel :
Hebt gy iets, geef het mij dan, naar de waarde zal ik u betalen,
Zijl gij iets, o dat dan onze zielen elkander verstaan —
kenmerkt op treffende en schoone wijze het onderscheid tus-
schen kennissen en vrienden. Daarom kan het gezellige leven
een onbepaald getal menschen samenbrengen, terwijl de vriend-
schap zich bepaalt tot de keuze van enkelen. Beiden zijn dus
geroepen, elkander aan te vullen. Vriendschap zonder gezel-
ligheid wordt licht eenzijdig en eentonig, gezelligheid zonder
vriendschap heeft licht tengevolge, dat iemand eene menigte
bekenden en kameraden heeft, maar geen vriend, die nauw
met hem is verbonden, met wien hij een vertrouwelijk woord kan
spreken en wien hij de innigste en gewichtigste gebeurtenissen
kan openbaren. Daarom zegt Ruckcrt: «Die man is dwaas, die
de menigte der vrienden telt; een bundel riet zal u niet hei-
pen, waar een staf u ontbreekt." Niet iedereen zonder onder-
scheid heeft die behoefte aan innige vriendschap. Daar zijn er,
die liefst alleen hun weg gaan, en zich wel aansluiten aan
een ruimer kring, die geen verdere aanspraak maakt op hun
persoon, maar die niets willen weten van een nauwer aan-
sluiten aan enkelen. Zoo ver het gaat, kunnen zij zich daar-
mede tevreden stellen, maar inderdaad ontbreekt hun toch
iets, voornamelijk in de dagen der jeugd. Als eindelijk de
nood aan den man komt, dan hebben zij het nog het beste,
die zich gaarne en geheel-en-al aan weinigen of aan een en-
kele gegeven hebben, ,ook al ontbrak hun de gave zich in een
ruimen gezelschapskring op hun gemak te gevoelen.
-ocr page 229-
VRIENDSCHAP IN DE JEUGD.                                    217
Dat de vriendschap bijzonder ;n de dagen der jeugd bloeit,
is natuurlijk volmaakt zooals \'t behoort. De persoonlijkheid,
die nog gevormd moet worden, sluit zich gemakkelijker en nau-
wer aan een andere aan, dan zij, die i eeds haar vollen wasdom
heeft bereikt; zij heeft ook veel meer behoefte aan zulk een
verbond. Dat heeft God wijselijk zoo beschikt. En daar boven-
dien bij de jeugd de indrukken levendiger en warmer zijn dan
later, zoo wordt de vriendschap vanzelf ook levendiger en
warmer gekleurd. Zij kan zelfs dweepend worden, en dat is
ook nog niet af te keuren. Wat den man naderhand meer
op zichzelven plaatst en ook een rustiger tint geeft aan den om-
gang met zijne vrienden, zijn eigen zaak of beroep, zijn eigen
gezin, waarvan hij het hoofd is, dat houdt den jongeling
niet zoo bezig. Hij heeft wel zijn gezin, maar hij is daarvan
geen heer en meester — tenminste niet onder gewone om-
standigheden — maar een, misschien zeer ondergeschikt lid;
het is een geschenk, waarin hij zonder zijn toedoen geboren
en opgegroeid is, terwijl hij den vriend vrij kan kiezen en
met hem op gelijken voet staat. Daar komt voor menigen
jongeling eene periode, waarin de vriend hem nader aan het
hart ligt en meer bezighoudt dan zijne familie.
Wat is nu echter de grondslag, waarop de ware vriendschap
moet rusten? Vooreerst moet er zijn een zekere verscheiden-
heid
en ook gelijkheid in hetgeen het persoonlijke leven van
den mensch uitmaakt. Een zekere verscheidenheid, omdat
anders dat elkaêr aanvullen niet mogelijk is, zonder hetwelk
men zich geen blijvende en vruchtdragende vriendschap kan
voorstellen. Dat twee jongelingen, die hetzelfde karakter, de-
zelfde begaafdheid, dezelfde liefhebberijen, gedachten en ge-
voelens over enkele zaken hebben, dat zij vrienden zullen
worden en blijven en behagen in elkander zullen vinden, dat
is niet goed denkbaar. Onder die vriendschapsverbonden, die
in de geschiedenis bekend en beroemd geworden zijn, weet
ik er ook geene, die op den grondslag van zulk eene over-
eenstemming is ontstaan en opgebouwd. Vooral het verschil
van temperament weegt hier zwaar. Twee personen van een
-ocr page 230-
218           WEDERZUDSCHE AANVULLING IN DE VRIENDSCHAP.
flegmatisch gestel verkeeren in groot gevaar om elkander te
vervelen; zijn zij sanguinisch, dan zullen zij veel twisten, vele
tooneelen van verzoening opvoeren en eindelijk, hetzij eens-
klaps of langzamerhand, van elkaC-r gaan. Twee cholerische
temperamenten zullen in hetzelfde geval zijn, alleen zullen
hij hen niet vele twisten en verzoeningen voorkomen, dadelijk
bij de eerste maal zullen zij gevoelen dat het goed is, wan-
neer een groote afstand tusschen hen ligt. Twee melancholische
menschen komen óf in het geheel niet samen, daar geen van
beiden zich bij den ander aarsluit, öf zij geven zich niet ge-
heel en al aan elkander, daar geen van hen de gave heeft,
hetgeen bij den ander diep is verborgen, tevoorschijn te
roepen en voor zichzelven toegankelijk te maken. Maar als het
melancholisch gestel een sanguinisch, en een cholerisch een
flegmatisch ontmoet, dan gaat het goed samen.
Maar is ware menschap niet denkbaar zonder een zekere
verscheidenheid van karakters, nog minder is zij het zonder
punten van overeenliomst. Gelijkheid van leeftijd en van be-
schaving is niet te ontberen. De een moet belang kunnen
stellen in hetgeen den ander vervult, anders ontbreekt het
der vriendschap aan voedsel en zij kwijnt weg. Hieruit moet
niet worden afgeleid, dat de vriendschap tot een zeker ge-
bied wordt beperkt, en dienen moet om een zeker doel te
bevorderen, zooals men bijv. spreekt van vriendschap met een
acsthetisch, poëtisch, litterarisch of politiek doel en dergelijke.
Streng beschouwd is het met het wezen der vriendschap in
strijd, wanneer men zich eenzijdig op dit of dat gebied be-
geeft, omdat kunst en wetenschap niet haar doel is, maar
dit in haar zelve ligt, en omdat zij eene verbinding der ge-
heele persoonlijkheid zijn wil, en niet alleen een verdrag om
eenige belangen te bevorderen. De ervaring leert ook, dat
zulk eene vriendschap dikwijls van korten duur is, omdat bij
eene beperking tot een enkel gebied, elk verschil van ge-
voelen scherp uitkomt en gemakkelijk een gewichtige zaak
wordt, waarbij het bestaan of het afbreken der vriendschap
ter sprake komt. Hoe menigmaal gebeurt het niet bij de
-ocr page 231-
WEDERZIJDSCIIE AANVULLING IN DE VRIENDSCHAP.            219
jeugd, dat alle ijver voor aesthetica of letterkunde langzamer-
hand verdwijnt, en dat dan ook het vonnis geveld is over
de vriendschap, die op dezen grondslag rustte. Liefhebberijen
veranderen immers zoo spoedig , moet dan de vriendschap rusten
op die veranderlijke grondvesten? Wees tevreden als uw vriend
tenminste een gevoel en begrip heelt voor hetgeen uwe ziel be-
weegt, en open gij ook wederom uw hart voor hetgeen zijne
ziel vervult, dan zal die wederzijdsche belangstelling, die uit
liefde voortvloeit, een hechter grondslag zijn , dan die kunstmatige
en gezochte verbonden, die ontstaan uit het beoefenen der
aesthetica en dergelijke dingen.
Verder spreekt het vanzelf, dat vriendschap niet kan bestaan
tusschen een slecht mensch en iemand, die het edele en
goede najaagt. Al is het volstrekt niet noodzakelijk, ja niet
begeerlijk, dat beide vrienden denzelfden trap van ontwikkeling
in hun zedelijk en godsdienstig leven hebben bereikt, zoo is
het toch noodig, dat beiden tenminste zich trachten te ont-
wikkelen en het met elkander eens zijn, om hetgeen goed en
Gode welgevallig is tot regel en richtsnoer van hun leven te
maken.
Maar hoe staat het nu met de wereld- en levensbe-
schouwing? Moet ook hierin overeenstemming tusschen de
vrienden heersenen? Het lijdt geen twijfel, dat zelfs de beste
vrienden over vele gewichtige of eenvoudige dingen zeer
verschillend kunnen denken, zonder dat de vriendschap daar-
onder lijdt. In dit opzicht heeft de jongeling veel voor be-
ven den man. Want terwijl de man in het geval komt, dat
hij bijv. voor zijn politieke gevoelens openlijk moet uit-
komen, en geroepen is zijne overtuiging te doen blijken in
handel en wandel, zoo wordt verschil van gevoelen daar
eerder een scheidsmuur tusschen de vrienden, dan bij den
jongeling, voor wien al deze dingen slechts privaat-aan-
gelegenheden zijn. Maar hoe staat het met hetgeen het
middelpunt der overtuiging, de grondslag der wereldbeschou-
wing en de bron van allen twist op aarde is, namelijk met
hel geloof? Kan de vriendschap verdragen, dat er in deze
-ocr page 232-
220
HARMONIE IN DE VRIENDSCHAP.
heiligste zaken een wezenlijk verschil is van opvatting? Wij
bedoelen niet alleen een verschillend beschouwen van sommige
geloofspunten, maar een volstrekte tegenstrijdigheid in de
beantwoording der hoogste en ernstigste vragen? Is bijv.
vriendschap tusschen een waar Christen en een ongeloovige
bestaanbaar ?
Indien ik met een man sprak, dan zou ik onvoorwaardelijk
Neen! zeggen. Twee mannen, die op een zoo verschillend
standpunt staan, kunnen elkaér wederkeerig dulden, zij kunnen
vriendelijk met elkander omgaan, zij kunnen eikaêr achten,
als ieder overtuigd is, dat de ander het waarlijk ernstig meent,
maar vrienden in die innige beteekenis, waai in wij vriendschap
in tegenstelling met maatschappelijk verkeer opvatten, kunnen
zij niet zijn. Daartoe ontbreekt hun te veel gemeenschap-
pelijkc grond en bodem. «Geestdrift voor de waarheid",
«arbeiden voor het welzijn der menschheid\'\' en dergelijke alge.
meene belangen kunnen wel op een ruimen kring, waarvan
de leden elkander overigens vreemd zijn, een zekere kracht
tot samenwerking uitoefenen, maar zij zijn te onbestemd
en te kleurloos, om de harten in vriendschap te doen ont-
branden.
Dus volstrekt Keen! bij mannen met een vaste, bepaalde
overtuiging! Maar daar deze bladen niet zoozeer moeten spre-
ken tot mannen als wel tot jongelingen, hebben wij met dit
eenvoudig Neen nog niet zoo spoedig afgehandeld, en wel
daarom dat, Gode zij dank, zulk een jeugdig ongeloof ge-
woonlijk niet zoo beslist is en nog steeds bezig is met zoe-
ken, wanneer maar een greintje ernst en waarheid daaraan
ten grondslag ligt. Daarom zou ik de gevolgtrekking niet
willen maken, dat geen innige vriendschap ontstaan kan tus-
fchen twee jongelingen, als de een aan het geloof vasthoudt
en de ander er van is vervreemd. Het is mogelijk, dank zij
een zekere jeugdige onbepaaldheid, die minder acht slaat
op duidelijke, afgeronde meeningen dan op ideale gevoelens
en wenschen, en waar deze zijn, daar gaat dadelijk het hai t
open. Men dweept samen met het ideaal, in het algemeen,
-ocr page 233-
221
HARMONIE IN DE VRIENDSCHAP.
met het ware en goede en schoone, en geheel en al geeft
men zich aan deze verheven denkbeelden over.
Het is waar, men kan niet aannemen, dat dit eene vriend-
schap van zeer langen duur zal zijn. Want met die idealen
heeft men ook eens afgedaan; bepaalde vragen plaatsen zich op
den voorgrond, en in den loop der jaren wordt het geloof
bij den een en het ongeloof bij d;n ander meer beslist en
vaster. Dit eerste tenminste dan, wanneer het u met uw
geloof waarlijk ernst is, als het niet in een hoekje van uw
hart een treurig leven leidt, maar wanneer het daarin heerscht
en regeert. Het is mogelijk, dat het geloof een tijdlang wordt
verdrongen door die idealen, maar als het toch eenige kracht
heeft, moet het na langer of korter tijd zich weder verheffen,
en dan zult gij inzien, dat zulk eene vriendschap u niet be-
vredigt. Trekt niet een ander juk aan met de ongeloovigen,
is tien apostolische vermaning, die op waarheid berust en
die ook u toonen zal dat zij het goed voor heeft.
Indien dit niet het geval is, dan is het, naar ik vrees, geen
goed teeken, en het plaatst den ernst van uw geloof in geen
voordeelig licht. Of schaamt gij u om tegenover uw vriend
daarmede voor den dag te komen? Dan is hij reeds niet meer
uw vriend, maar een heer en meester over u, en wel juist
op een punt, waarin gij van Gods- en rechtswege de meeste
vrijheid moet genieten. Maar dan is ook zijne vriendschap ge-
vaarlijk voor uw innerlijk le\\en. En dit is ook het geval, als
hij in zijn ongeloof niet meer zoekt, maar gereed is en het
toepast in zijn leven, wanneer hij op een afstand blijft van
alles, waarin Christelijk leven werkzaam is en gekweekt wordt,
als hij begint u te bewerken en u zijn onchristelijke denk-
wijze aanprijst, of wanneer hij spot met Christelijk geloof en
leven. Dan heet het: »WeIzalig is de man, die niet zit in het
gestoelte der spotters;" — een woord, dat niet alleen voor
ouden van dagen, maar ook voor de jeugd is geschreven.
Daar kan ook de vriend het oog zijn, dat men moet uitruk-
ken, de hand , de voet, die men moet afhouwen, opdat men
niet geërgerd worde. De gedachte, dat gij hem misschien nog
-ocr page 234-
222          VRIJHEID EN GELOOFSEENIIEID IN DE VRIENDSCHAP.
kunt winnen, moge goed en loffelijk zijn, maar of het dikwijls
geschiedt in het leven, dat is een andere vraag. Want alle
ervaring leert, dat in negen en negentig gevallen van de hon-
derd juist het tegendeel plaats grijpt, en dat «gewonnen
worden" eerder van toepassing is op u dan op uw vriend.
Als men een gezond inensch brengt bij iemand, die een over-
erfelijke ziekte heeft — wat is waarschijnlijker, dat de ge-
zonde den zieke gezond, of dat de zieke den gezonde ziek
maakt?
Te Güttingen maakten eens twee jongelingen kennis, toen
zij even twintig jaren oud waren, die later zeer verschillende
wegen bewandelden: de geestelijke dichter Spitta en de heer-
lijk begaafde, maar zeer lichtzinnige Heinrich Heine. De
laatste werd reeds op de hoogeschool buiten den kring der
studenten gesloten, en toen hij zijn vroegeren vriend Spitta,
die inmiddels gouverneur was geworden, in Luneburg opzocht,
en met al wat heilig was begon te spotten, vroeg Spitta:
»Wilt gij mij een genoegen doen?" >>Gaarne wanneer ik kan."
ïNu dan verzoek u, niet weder hier te komen." Dreigend
ging Heine weg. «Gij hebt het recht der gastvrijheid ge-
schonden, daar zult gij voor boeten." Dat «boeten" bestond
daarin, dat Spitta in Heine\'s ïieisehildcr belachelijk werd ge-
maakt. Dat heeft hem zeker geen kwaad gedaan.
Al breidt gij nu den kring uwer kennissen uit, en al stelt
gij er belang in, die personen en hunne begrippen te leeren
kennen, welke in de hoofdzaken gansch en al met u verschil-
len — zoo moet gij als vriend alleen hem kiezen, van wien
gij niet slechts een aangenaam gesprek of eene aanmoediging
op het een of ander gebied verwacht, maar met wien gij
in waarheid een kunt zijn, wel niet in alle mogelijke zaken,
maar in hetgeen betrekking heeft op uwe ziel en uwe zalig-
heid. Anders rust uwe vriendschap niet op het middelpunt
des levens, zooals het behoort, maar op den dagelijkschen
omgang evenals alle kennissen, en de ware wijding der
vriendschap ontbreekt. Als deze wil bestaan, dan moeten
de levenspaden van twee vrienden zich niet alleen kruisen of
-ocr page 235-
VRIJHEID EN GELOOFSEENIIEID IN DE VRIENDSCHAP.          223
snijden, maar het doel en het punt van uitgang moet het-
zelfde zijn.
Reeds in de oudheid wijdden de jongelingen hunne vriend-
schap aan de goden en plaatsten haar onder hunne bescher-
ming. En hoe nuttig en verkwikkend zijn die verbonden,
waarvan de Bijbel en de kerkgeschiedenis ons verhalen!
Hoe edel staan David en Jonathan naast elkander; hoe
liefelijk is hun leven, dat gescheiden door den toorn des
vaders, toch innerlijk vereer.igd blijft, tot de achtergebleven
David aan Jonathan, die in den slag is gesneuveld, die
woorden naroept, welke zoozeer getuigen van de teederste,
innigste vriendschap: »Ik ben benauwd om uwentwil, mijn broe-
der Jonathan! gij waart mij zeer liefelijk, uwe liefde was mij
wonderlijker dan liefde der vrouwen!" Maar hunne vriendschap
had ook een vasten grond. «Hetgeen wij beiden in den naam
des Heeren gezworen hebben, zeggende: De Heer zij tusschen
mij en tusschen u, zij tot in eeuwigheid!" Hoe is het verbond
van die twaalven, die zich om den Heer schaarden, een zegen
geworden voor de geheele wereld! Hoe innig en hartelijk
spreekt Paulus van Timotheus, die met hem van een zin en
gevoelen was, en hoe is deze vriendschap bewaard tot in den
dood. De laatste regelen, die wij van Paulus hebben, waren
aan Timotheus gericht, en hoe getuigt deze brief van edele,
warme vriendschap. Basilius, de Groote bijgenaamd, en zijn
landsman Gregorius van Na/.ianzus, leefden in het midden dei-
vierde eeuw als vrienden op de hoogeschool te Athene, en
de een hielp den ander, om in deze groote stad vol verzoe-
kingen en zedenbederf hart en geweten rein te bewaren. »\\Vij
schenen éene ziel in twee lichamen te zijn," schrijft Gregorius.
»Wij kenden slechts twee straten in de stad, de eene naar de
kerk en de bedienaars van het altaar, de andere naar de
openbare scholen en de leeraars der wetenschap. Ons eenig
doel was Christen te heeten en het te zijn." Wie weet of
deze beide mannen voor de kerk en de Christenheid zouden
geworden zijn, wat zij waren, als de een den ander niet tot
boezemvriend gehad had! Hoe schoon is het wat Augustinus
-ocr page 236-
224
HEROEMDE VRIENDEN.
aan zijn vriend schrijft, nadat deze waarlijk Christen was
geworden en daardoor met Augustinus éen geworden was
in zijn innerlijk leven: »Hoe verheug ik mij nu over u;
met welke woorden moet ik uitdrukken, dat hij, dien ik lang
in zekeren zin tot vriend had, nu een waar vriend is gewor.
den. Want nu heerscht er ook overeenstemming in goddelijke
zaken, gij zijt begonnen éen met mij te zijn in de hoop op den
Eeuwige. Ontbreekt hel vrienden aan overeenstemming in het
goddelijke, dan kan de vriendschap in wereldsche zaken ook
niet ■waarlijk bestaan.
Dus waart gij ook in wereldsche zaken
vroeger nog niet mijn ware vriend, want gij waart nog geen
deelgenoot in die goddelijke dingen, waarnaar de aardsche moe-
ten worden geschat. Nu is onze vriendschap waar en eeuwig,
want wij zijn niet alleen met elkander, maar ook met den
Heer vereenigd."
Het is iedereen bekend, hoe de Hervorming het werk was
van een verbond van vrienden. De ernstige, strenge en strijd-
lustige natuur van den Noordduitscher, die Luther eigen was,
moest zich verbinden met het zachtere, vertrouwelijke gemoed
van den Zuidduitscher, zooals Melanchton het bezat; en evenals
Melachton alleen zeker nooit hervormer zou geworden zijn, zoo
had Luther alléén het groote werk zeker niet met zooveel takt
en gematigdheid volbracht, als het nu geschiedde door de hulp
van den magister Philippus.
Hoewel het de sporen draagt van de toenmalige sentimen-
taliteit, zoo is liet toch treffend wat Christiaan Heinrich Zeiler
schrijft over de stichting van een vriendschapsverbond, waar-
toe ook hij behoorde. Op den 4en Juni 1801 nam hij van
zijne vier vrienden in Tubingen afscheid. »\'s Avonds na vijf
uur maakten wij eene wandeling in het dal van Wankheim.
De regen noodzaakte ons in het bosch onder een prach-
tigen beuk te schuilen. De regen in het bosch, de donkere
toppen boven onze hoofden, de glans der avondzon, die de
druppels om ons deed schitteren — alles bracht ons in een
plechtige stemming. Wij zongen langzaam eenige liederen.
Ik opperde het plan, hier op dit oogenblik ons verbond te
-ocr page 237-
225
BEROEMDE VRIENDEN.
hernieuwen. Met groote aandoening trad ik in den kling, gaf
de een na den ander de hand, en beloofde met luider stem aan
mijne vrienden, dat ik nooit van het pad der deugd zou wijken-
Ik wilde u deze belofte op deze plaats, als in Gods tegen-
woordigheid geven, zeide ik, opdat ik moge terugschrikken
als ik ooit in den afgrond van het kwade zou vallen. Donkere
beelden van gevaar, verzoeking en verleiding deden zich aan
mij voor. Al mijne vrienden omhelsden mij, ik weende luide.
Nadat ik bedaard was, zeide ik tot P.: «Geliefde vriend,
gij hebt den grootsten invloed op mij, verlaat mij nooit!" Hij
beloofde het en drukte mij krachtig de hand. Toen wij naast
elkaér stonden en zwijgend nadachten over Gods beschikkin-
gen, zagen wij boven ons een schoonen regenboog. Wij dachten
aan Xoach en werden langzamerhand opgewekter. Ik stelde
toen voor, op eiken 4 Juni en 1!) September, waar wij ook
mochten zijn, bijzonder voor elkander te bidden. Dit voor-
stel werd met vreugde aangenomen. Wij besloten ook, dat
wij, waar wij mochten zijn, tenminste eenmaal in het jaar
elkander zouden schrijven, zoo openhartig mogelijk, en nie-
mand zou den ander eene vermaning ten kwade duiden, ook
al was het eene vergissing. Eindelijk verlieten wij de plek en
gingen stil naar huis."
Wie twijfelt er aan, dat een verbond, in dien geest gesloten ,
voor allen, die er aan deelnemen, een zegen is voor het leven,
al is er ook in den vorm veel, dat een jongeling uit dezen
tijd vreemd toeschijnt. En hoe dit verbond werkte, toont het
verdere leven van Zeiler. Want toen hij in het volgende jaar
in een schitterende omgeving was, en deze op den jongen
man , die tot nog toe zeer ingetogen geleefd had, een hoogst
gevaarlijken invloed had, toen de geloofswaarheden voor
hem duister werden en ook zinnelijke hartstochten in hem
ontwaakten, waardoor hij waarlijk in oproer geraakte — toen
waren het de waarschuwende brieven zijner vrienden uit de
verte, hun hartelijke toespraak, de levendige herinnering aan
het toen gesloten verbond, waardoor Gods hand hem van den
afgrond terugbracht. Waarlijk, die vriendschap is toch iets
15
-ocr page 238-
226                                         TROUWE VRIENDEN.
anders, dan zulk een „aesthetische" of „litterarische", waarbij
de vrienden bedaard toezien, wanneer een jongeling zich in
het verderf stort.
Hoe het met deze soort van vriendschap vóór ongeveer
honderd jaren geschapen stond, verhaalt ons de Wands-
becker Bode. „Als gij hoort dat Piet zijn vriend Jan prijst,
dan hoort gij ook spoedig den lof van Piet door Jan uit-
bazuinen, en dat noemen wij_ dan vriendschap. En verder
hebben zij volstrekt geen betrekking op elkander dan dat de
een den ander ophemelt en zij elkaér bedriegen, want ieder
is eigenlijk slechts zijn eigen vriend en niet die van den an-
der." Daarom worden die verbonden zoo dikwijls opgelost,
omdat de vriend niet den lof toebracht, dien men verwachtte.
En is niet een dertigjarige vriendschap tusschen Goethe en
Herder daarom geëindigd, omdat Herder een werk van zijn
grooten vriend oprecht critiseerde? Waarlijk, het is niet on-
verschillig, wien gij tot vriend kiest. Gij kent het oude ge-
zegde : „Zeg mIj met wien gij verkeert en ik zal u zeggen wie
gij zijt." En een van onze dichters herinnert ons : „Een regen-
droppel viel op gloeiend ijzer, en was niet meer. Hij viel op
eene bloem, en glinsterde als een parel en bleef een dauw-
droppel. Hij zonk in een schelp op een gezegend oogenblik,
en werd een parel." Zoo kunt gij een vriend krijgen, die u in
\'t verderf stort, of een, die u laat zooals gij zijt, of een, die u
edeler, beter en vromer maakt. Kies voorzichtig, kies met God.
Maar hebt gij gekozen, en zooals wij hopen, goed gekozen,
behoud hem dan ook als uw vriend, en beoefen die twee grootste
deugden der vriendschap: trouw en oprechtheid. Trouw is een
veelgeprezen deugd der Germaansche volken van oudsher.
Maar trouw komt van vertrouwen. Hij is trouw, die zijn
vriend vertrouwt en dien zijn vriend vertrouwen kan. Tot trouw
behoort standvastigheid, die niet van vrienden verwisselt
als zomer- en winterkleederen, maar die vriendschap blijft
houden met den uitverkoren vriend. Onstandvastigheid is de
dood der vriendschap, en leidt er eindelijk toe, dat men een
menigte zoogenaamde „goede vrienden" heeft, maar eigenlijk
-ocr page 239-
227
TROUWE VRIENDEN.
geen goeden vriend bezit. Trouw zijn is het woord en de daad
van den vriend, ook al komt het ons vreemd voor, te rechtvaar-
digen en te vertrouwen, dat hij het toch goed meent. Trouw
zijn is ook de zwakheden en onvriendelijkheid van den vriend
•verdragen, zonder dat daardoor aan de vriendschap wordt af-
breuk gedaan. En hier vooral moet van kracht zijn , wat vroeger
gezegd is over de vreedzaamheid, verdraagzaamheid en ver-
gevensgezindheid. Tot de trouw behoort, den vriend voor-
staan tegenover anderen, een onverdiende veroordeeling van
hem afweren, dat wat anderen in hem berispen in een gunstig
daglicht stellen, en zoover gij dit naar waarheid doen kunt,
moedig voor hem in de bres springen, wanneer men liefde-
loos over hem spreekt. Vooral in nood wordt de trouw aan
den vriend beproefd. Als de vriend niet meer instaat is, u
in iets te helpen, of van nut te zijn; als hij u niet meer
geven kan wat men in het dagelijksche leven het genot
der vriendschap noemt; als hij ongelukkig is en slechts kan
ontvangen, niet geven, dan blijkt het wat hijzelf voor u is,
afgescheiden van uitwendige zaken, die in zijn persoon u
genot en voordeel verschaften; dan blijkt het of gij een waar
vriend zijt, of slechts een „tafelvriend" zooals Sirach zegt, die
niet trouw blijft in het ongeluk. Tafelvrienden zijn allen, wien
het niet te doen is om wat de vriend waarlijk is, maar alleen
om wat hij hun verschaft.
De edelste bloesem en kroon der vriendentrouw is den
vriend aan God op te dragen, en in uwe voorbede zijn uit-
en inwendige belangen te gedenken. En evenals dit de edelste
bloem der trouw is, zoo is het ook de duurzaamste keten
voor de harten en tevens de levendigste en krachtigste aan-
sporing om er voor te zorgen, dat alles tusschen u en uw
vriend in \'t reine is. Want is dit niet het geval, dan valt
het moeielijk voor hem te bidden.
Maar alles moet met zout gezouten worden, en het zout
der vriendschap is oprechtheid, waarheid en openhartigheid.
Het oog van den vriend kan zien, wat het scherpste oog van
zichzelven niet opmerkt, en het is een liefdedienst den vriend
-ocr page 240-
228                                              OPRECHTHEID.
op zoo iets opmerkzaam te maken. Doe dat bij uwen vriend,
hij zal u danken, en neem gij het ook dankbaar aan, dat hij
dit doet. Doe het niet in den geest van hoogmoedige vit-
terij, niet op ruwe, onhandige, onverstandige wijze. „Wacht
broeder, ik zal dien splinter uit uw oog doen," alsof dat de
gemakkelijkste en eenvoudigste zaak ter wereld ware, die
men even in het voorbijgaan verricht. Doe het eerder in den
geest der zachtheid en liefde; doe het voorzichtig, zooals het
zoo waar in die woorden uitgedrukt is: „En dan zult gij be-
zien, om den splinter uit uws broeders oog uit te doen."
Doe het op zulk eene wijze, dat hij gevoelt, dat gij u niet
boven, maar onder hem wilt plaatsen, hem niet veroordeelen,
maar hem liefde betoonen, niet over hem heerschen, maar
onder hem dienen. Als gij iets slechts van uw vriend ziet,
het lang voor u houdt, in stilte er met weinig liefde over
denkt, of met vreemden er over spreekt, vóór gij het hem
zelf zegt, dan handelt gij niet als vriend en plaatst een scheids-
muur tusschen u en hem, die uw verbond tot eene onwaar-
heid maakt. En wat kunt gij gioote diensten bewijzen tegen-
over anderen door liefjerijke openhartigheid! De gansche stad
kan roepen over een onzer gebreken, zonder dat het ons ter
ooren komt. Hoe liefelijk is het, wanneer de woorden onzer
vijanden, als zij waarheid behelzen, door den mond van den
vriend tot ons komen, en wij er door kunnen leeren. Maar
hoe menigmaal durft ook een Christenvriend de waarheid
niet zeggen? Dan hoort men: als hij het maar niet ten kwade
duidt, als hij maar niet beleedigd is. Wie door eene bestraf-
fing uit den mond van zijn vriend beleedigd wordt, die is
zeker nooit door den Heiligen Geest bestraft: bij hem is de
akker nog niet toebereid. Neen, dat is zeker het hoofdver-
eischte in alle Christelijke vriendschap, dat men zoo tegenover
elkander staat, dat men elkaér in liefde, zonder vrees en
bezorgdheid bestraft, en dat men verzekerd is nooit anders
dan hartelijken dank daarvoor terug te ontvangen. Beoefen
daarom de oprechtheid in de vriendschap. En verdraag ze
ook van een ander. Dat zal de proef zijn, dat uwe oprecht-
-ocr page 241-
229
OPRECHTHEID.
heid tegenover de zwakheden en gebreken van uwen vriend
niet voortkomt uit eigengerechtigheid en zelfverheffing, maar
uit ware liefde. Want „een waar vriend ziet uwe gebreken
en helpt o ze te bestrijden eer een ander ze heeft ontdekt."
Dus is de eene vriend het geweten van den ander, en zoo
wordt ware vriendschap iets, dat ons verder brengt, reinigt
en opbouwt, en met hare vruchten en haren zegen reikt tot
in het eeuwige leven. Zoo verhaalt Antistes Spleiss, nadat hij
een boezemvriend gevonden had: „Door de kennis met dezen
vriend werd ik waarlijk goed, en veel beter, dan ik vroeger
was. Mijn kortstondig, maar krachtig verkeer met hem heeft
slechts goede voornemens en gedachten in mij opgewekt.
Overal staat hij voor mij als een beeld van strenge, trouwe
en liefelijke deugd." Toen hij student in Schaffhausen was,
ging hij dikwijls Zaterdagsavonds op het pad, wandelde in den
nacht naar zijn vriend te Züiich, bleef daar den Zondag over,
en wandelde in den nacht van Zondag op Maandag weder
naar huis, om \'s morgens zijn college te kunnen bijwonen.
Indien wij nu van den nauweren vriendenkring overgaan tot
den ruimen kring van hen, met wie wij omgaan, herinneren
wij vroeger reeds te hebben opgemerkt, dat iemand zeer
geschikt voor innige vriendschap kan zijn, en toch zoo weinig
zin kan hebben voor gezellig verkeer, dat hij zich in iede-
ren grooteren kring niet op zijn gemak gevoelt. Dit berust
niet altijd op een onveranderlijken, natuurlijken aanleg;
het kan ook veel gewoonte zijn, of verlegenheid, die lang-
zamerhand overwonnen kan worden, en menigeen, die in
het begin gedrukt en stil was in een groot gezelschap, is zich
daarin langzamerhand tehuis gaan gevoelen, en verheugde
zich eindelijk op het uur, dat aan gezellig samenzijn gewijd
was. Maar anderen zijn wederom door de natuur minder voor
een grooten kring geschikt gemaakt, dan voor een vriend-
schappelijk verkeer met enkelen. En ook als zij toevallig in
een groot gezelschap zijn, nemen zij ongaarne deel aan een
algemeen gesprek, en behandelen liever zaken met hen, die het
dichtst bij hen geplaatst zijn. Zulke lieden moet men niet met
-ocr page 242-
230                                              GEZELLIGHEID.
geweld in het gezellige leven brengen, maar recht laten we-
dervaren aan hunne eigenaardigheid. Alleen als iemand zich
geheel en al afzondert, en geen zin heeft voor gezelligheid,
noch vriendschap, dan is dat een gebrek, dat aantoont hoe
er iets in zijn karakter niet goed is.
Al heeft nu gezelschap op een ruimer kring betrekking
dan vriendschap, en al is hier uit den aard der zaak de be-
trekking van den een tot den ander minder innig , zoo is het
toch volstrekt niet onverschillig, in welken gezelschapskring
gij u beweegt. Ondanks uzelven oefent hij grooten invloed
op uw denken en gevoelen, en het kan niet anders, of er
gaat iets van den geest, die daar heerscht, op uzelf over.
Zelfs bij mannen, die angstig waken over hunne vrijheid en
zelfstandigheid, ziet men het, dat de gedachte en het oordeel
van een gezelschap, waarin zij misschien tweemaal in de week
komen, hen formeel in bedwang houdt, of dat zij zich door
de gedachte: „wat zal men er van zeggen?" er van laten af-
houden, om hunne overtuiging standvastig te handhaven in
hun leven en werken. Zoo groot is de macht van het gezellig
verkeer bij den man — hoeveel te meer bij den jongeling!
Men zou wenschen, dat men zich in de eerste jaren der jeugd
beperkte tot de grenzen van een uitgebreide familie, en dat
alle gezelligheid van het gezin uitging en onder zijn invloed
stond. Maar ook later , wanneer de jongeling gaarne zelf zijne
makkers kiest, zonder dat het gezin ze hem geeft, of voor
hem bepaalt, moet toch het opzicht der ouders van kracht
blijven en het aansluiten aan den een of anderen kring, of
het deelnemen aan gezellig onderhoud en uitspanningen steeds
afhankelijk blijven van hunne toestemming. Sluit gij u aan,
buiten weten uwer ouders, of tegen hun wil, dan ontbreekt
de hoofdvoorwaarde van eiken goeden invloed, die dit gezel-
schap op uw innerlijke ontwikkeling kan hebben; de onop-
rechtheid en de ongehoorzaamheid vernietigen reeds tevoren
alle winst, zelfs al is de zaak op zichzelve volstrekt niet ge-
vaarlijk of slecht.
Wel is waar ligt het niet in de macht van éen persoon om
-ocr page 243-
231
KEUS VAN EEN GEZELSCHAP.
te bepalen, wat in een grooten gezelschapskring moet behandeld
en besproken worden. Soms maakt het juist de eigenaardige
aantrekkelijkheid van den omgang met velen in tegenstelling
met de vriendschap uit, dat de verschillende meeningen hier
en daar duchtig in botsing komen en de zaken van uit de
meest verschillende oogpunten worden behandeld. Men komt
later weder tot kalmte, blijft zich wederzijds eerbiedigen en
men kan elkaêr later weder ongedwongen ontmoeten en zeg-
gen, zooals die timmermansknecht tegen zijn baas: „daarom
geen vijandschap niet." Maar dit heeft ook zijne grenzen. Gij
zijt niet verantwoordelijk voor elk woord, dat in uwen kring
wordt gesproken, maar wel voor den toon, die er heerscht-
Gij kunt het bijvoorbeeld niet verhinderen, dat de een of de
ander van hen beslist ongeloovig is; maar gij kunt hem ver-
zoeken zijne meening niet op lichtzinnige wijze te uiten, of
met zijne ideeën den toon aan te geven in het gezelschap.
Gebeurt dit toch en kunt gij dit niet verhinderen, dan kunt
gij daar niet blijven, indien gij uw geweten rein bewaren wilt
en u niet medeplichtig aan dien toon wilt maken. Bovendien
mag men onderstellen, dat in een kring, waartoe, ik wil
niet zeggen een geloovig, maar een eerbaar en fatsoenlijk jong
mensch behoort, alles wat gemeen en onzedelijk is volstrekt
is verboden, en zelfs toespelingen er op niet worden geduld.
Hoort gij voor de eerste maal zoo iets, en ziet gij, dat er
niet dadelijk tegen wordt geprotesteerd, en wel met zooveel
kracht, dat den ander het zwijgen is opgelegd, dan is uw
weg duidelijk voor u afgebakend: weg uit dit gezelschap,
want daar is elke ademhaling vergift en elke schrede eene
schrede nader tot den afgrond ! Toespelingen zijn dikwijls erger
dan openlijke zedeloosheid, omdat zij aan de verbeelding
grootere speelruimte laten, en daarom grooter aantrekkelijk-
heid uitoefenen.
De Duitscher, van wien in deze bladen reeds meermalen
sprake was, Freiherr von Stein, was eens in gezelschap met
den toenmaligen groothertog van Weimar, die een aantal
gemeene verhalen mededeelde, en zich eindelijk ook met een
-ocr page 244-
232                 REINHEID IN DE DAGELIJKSCHE GESPREKKEN.
dubbelzinnige aardigheid tot Stein wendde. Toen zeide deze
ernstig: „Ik heb steeds een afschuw gehad van gemcene ver-
halen, en ik vind het niet passend, dat een vorst zoo spreekt
in tegenwoordigheid van jonge officieren." De groothertog
zweeg. Het werd doodstil in den kring. Na een paar minuten
streek de vorst niet de hand over zijn gelaat en vervolgde
het gesprek. Zij, die getuigen waren, waren heet en koud
geworden, en een overste bekende later, dat hij liever eene
batterij bestormde, dan dat hij zulk een tooneel bijwoonde.
Maar Steins woorden hadden een krachtige uitwerking.
Doch afgezien van dit alles, er bestaat nog altijd een
groot verschil tusschen de verschillende kringen van het ge-
zelschapsleven. Een gezelschap, dat zich nooit boven het ge-
wone peil verheft, zich alleen met beuzelachtige praatjes
bezighoudt, of met kaart- of pandspel ternauwernood op de
been wordt gehouden, kan den geest niet verheffen, en is
dan ook onwaardig en niet voor de jeugd geschikt; of waar
grappenmakers van beroep het woord voeren, flauwe aardig-
heden oververtellen of zelven maken, waar kaf gedorscht wordt
en men er zich slechts op toelegt den tijd te dooden, daar
wordt uw geest niet verfrischt, daar voelt gij u later ledig
en onvoldaan , en daarom past dit ook niet voor u. Wil de
geest uitrusten, dan kan hij dat niet doen in hetgeen geeste-
loos is, dit zal hem juist afmatten evenals een mensch door
gebrek aan lucht, of tenminste aan versche lucht wordt uit-
geput. Moet de geest iets hebben — en hij wil wat hebben ,
ook in gewone gesprekken — dan moet er ook geest zijn in
het onderhoud, dan moet het „liefelijk zijn en met zout
gekruid." Ook waar men zich geheel aan het gesprek over-
geeft, en zich laat medevoeren door de golven der con-
versatie, daar is een onderscheid tusschen geestig en geeste-
loos, tusschen zout en lafheid. En als gij niet bij machte zijt
uit eigen krachten uw gezelschap in ernst of scherts op een
zekere hoogte te houden, lees dan wat met elkander, een goed
verhaal of een stuk van de klassieken, of iets anders, dat
leerrijk is en van algemeen belang. Dat geeft stof tot gesprek,
-ocr page 245-
REINHEID IX DE DAGELUKSCIIE GESPREKKEN\'.                233
waardoor gij u toch eenigszins boven den alledaagschen sleur
verheft. Waarlijk, een ruim veld doet zich voor u open;
en de apostel Paulus wijst u in dit gebied nog den ruimsten
kring: ,,A1 wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat recht-
vaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wei-
luidt , zoo er eenige deugd is en zoo er eenige lof is, bedenkt
dat." En hoe gaat ons hart open, als men denkt aan alles
wat waar, eerlijk en liefelijk is! Welk een prachtige, breede
stroom voor het scheepje der gezellige samenleving, en hoe
veel aangenamer is het daar te varen dan in de poelen der
laffe alledaagschheid en grappigheid.
Vele Duitsche jongelingsvereenigingen zijn in den vorm,
dien zij vooral in de steden hebben verkregen, van alle zijden
bezien een uitmuntende gelegenheid om het samenzijn der
jeugd te bevorderen. Vooral geven zij hetgeen wij als de kroon
van ware gezelligheid moeten beschouwen: wederzijdsche op-
bouwing door gebed en het lezen der Heilige Schrift. Niet elke
kring is voor dezen hoogsten en edelsten vorm van verkeer
geschikt, en het zou dwaasheid zijn om hem daar met geweld
te willen invoeren , waar de geschikte personen niet voorhanden
zijn. Maar gelukkig is eene vereeniging van jongelieden, waarin
deze hoogste wijding van samenzijn, dit zich vinden in Gods
heiligdom vanzelf geschiedt en door allen als natuurlijk wordt
beschouwd. Dit is de bodem, waarop men van kennis op de
gemakkelijkste en meest ongezochte wijze vrienden wordt.
Hier wordt het innerlijke leven waarlijk verkwikt en versterkt,
hier ontvangt gij de beste krachten en aansporingen, om ia
oprechtheid een afschuw te hebben van alles wat slecht en
gemeen is, en ernstig te streven naar het goede en heilige.
Maar wat nu uw samenzijn beoogt, eenvoudige gesprekken,
leering of opwekking, het is altijd noodzakelijk, dat gij u
toelegt op het verkrijgen dier deugden der gezelligheid, zonder
welke gij voor de samenleving onbruikbaar zijt, of niet dat
kunt ontvangen en geven, waartoe gij eigenlijk instaat moest
zijn. Ook Rückert maakt hierop eene toespeling, wanneer hij
zegt:
-ocr page 246-
234                   DEUGDEN IN DEN DAGELIJKSCHEN OMGANG.
Elke steen, dien men gebruikt
Om een huis te bouwen,
Moet zijn lot eerst ondergaan,
Moet eerst zijn behouwen.
Dit «behouwen" is een der grootste zegeningen van het ge-
zellig verkeer, en daarom, wie dat niet kan verdragen, die-
blijve weg en wachte tot hij door zulke personen „behou-
wen" is, met wie hij niet in gezelschap, maar voor zaken in
aanraking komt. Men kan hem echter verzekeren > dat het voor
den steen een veel harder zaak is, dan wanneer hij in den
gezelligen kring behouwen wordt. Laat daarom vóór alle din-
gen, lichtgeraaktheid en kwalijknemendheid tehuis, wanneer
gij bruikbaar wilt zijn voor den omgang met anderen. Het is
een pijnlijk gevoel voor de anderen, wanneer zij weten dat
er een onder hen is, die steeds op het punt is zich be-
leedigd te voelen en gekrenkt te zijn. Ook voor kwalijknemende
lieden is het volstrekt niet aangenaam om bij elke kleinigheid
beleedigd te moeten wezen. Gij moet kunnen medelachen als
men om u lacht — dat behoort waarlijk tot de humor, en door
deze soort van humor kan men evenveel tot de gezelligheid
bijdragen als een ander door humoristische gezegden. Soms
moet men ook kunnen doen alsof men niets merkte, zelfs al
voelt men den steek wel. ,,\'t Is een steek, maar het bloedt
niet," zegt Hebei, en Saul, die als pas gekozen koning nog
in het volle gevoel zijner waardigheid was, deed alsof hij
het niet merkte, toen enkelen spraken: „Wat, zal deze ons
helpen?" en hem verachtten en geen geschenk brachten.
Maar wanneer de omgang iets goeds wil opleveren, dan is
het volstrekt noodzakelijk, dat niet ieder zich verlate op
hetgeen anderen ten beste zullen geven, maar dat ieder
zelf tot dit doel doe wat hij kan. In dit opzicht zijn, wel is
waar, de gaven verscheiden. Niet ieder heeft de gave van «en
onderhoudend gesprek te voeren, wat ook niet voor iedereen te
wenschen is, daar men licht wordt verleid om onnoodig veel
te spreken. Wat zou er van onze gezelschappen worden als de
-ocr page 247-
DEUGDEN IN DEN DAGELIJKSCHEN OMGANG.                  235
gave van onderhoudend te kunnen spreken plotseling algemeen
werd? Mogen wij daarvoor bewaard blijven! En niet ieder heeft
ook de gave een gezelschapskring te kunnen opwekken. Velen,
die misschien die gave hebben, willen niet voor den dag
komen met hetgeen zij bezitten. Maar niemand mag zich van de
verplichting ontslagen achten, om ook zijnerzijds er toe bij
te dragen, om het gezellig verkeer schooner, verhevener en
rijker te doen zijn. Al is het niet veel, dan toch iets, al is
het niet dikwijls, dan toch somtijds. Het is onnatuurlijk om
nooit te geven en steeds te ontvangen. Het is een ver-
dacht gezegde, wanneer iemand bijv. van eene jongelingsver-
eeniging of een anderen kring tehuis komt met de woorden:
„Vandaag was er nu niets te doen ; het was er vandaag gruwelijk
vervelend, ik ga er nooit meer naar toe," enz. Beste vriend,
zijt gijzelf daar geweest? Ja. Maar dan geeft gij met uwe
klachten over de verveling van het gezelschap een bewijs
van uw eigen armoede. Als gij daar waart — waarom hebt
gij dan niet voor iets beters gezorgd? Niet waar, gij hebt daar
gezeten en afgewacht wat anderen op het tapijt brachten v
dat hebt gij in stilte gecritiseerd, zonder zelf eene poging te
doen, om iets bij te dragen, en eindelijk zijt gij, na lange
redeneeringen, in uzelven tot het resultaat gekomen, dat het
er vandaag zeer vervelend was? Schaamt u! „Het was er
vervelend" beduidt altijd met andere woorden: ik ben ver-
velend geweest. Weg met al die kritiek, die niet instaat is.
zelf iets beters te leveren. Redeneeren is gemakkelijk, maar
gij toont een man te zijn door frisch aan te pakken en beter
te maken.
Maar al is de hardnekkige zwijger een genre, dat in een
gezelschap niet te sterk moet zijn vertegenwoordigd, zoo is
zijn tegenvoeter, de schreeuwer, een last voor allen, al komt
er slechts een van deze soort in een gezelschap voor. Het is
hem niet mogelijk een buurman behoorlijk te laten uitspre-
ken, — hij moet hem altijd in de rede vallen. Het is van
het hoogste gewicht dat het gezelschap geen oogenblik twijfel»
aan zijne meening omtrent een besproken onderwerp. Zijne
-ocr page 248-
236                   DEUGDEN IN DEX DAGELUKSCIIEN OMGANG.
stem hoort men altijd; daar zij altijd gelijk wil hebben, is zij
langzamerhand zoo luid geworden, dat zij boven alles uit-
klinkt. Het is onmogelijk in zijne nabijheid met een buurman
een ander gesprek te voeren; men hoort altijd hem alléén;
bovendien spreekt hij nooit tot éen persoon, maar altijd tot
velen, als het mogelijk is tot allen. Want wat hij weet, is
waardig door allen te worden vernomen; een of twee zijn
daarvoor een te klein publiek. Daarom kan men er op rekenen,
dat in een kring, waarin hem niemand gelijkkomt aan stem
en gevoel van eigenwaarde, op een gegeven oogenblik elk
ander gesprek zwijgt en men alleen den schreeuwer hoort.
Op zijn hoogst komt er hier of daar een aan met een beschei-
den vraag, of een bedeesd „maar." Dan krijgt de schreeuwer
eerst recht zijn genoegen , dan gevoelt hij zich in zijn element.
En als hij \'s avonds tehuis komt, is hij opgetogen over de
heerlijke oogenblikken, die hij in gezelschap heeft doorge-
bracht, en hij vermoedt niet, dat de slachtoffers van zijn
schreeuwen tehuis geeuwend hun laarzen uittrekken en zeg-
gen: „Die N.N. was vandaag weder onuitstaanbaar vervelend."
Nog merkwaardiger is het geval, wanneer in een gezelschap
twee zulke schreeuwers elkander ontmoeten. Langzamerhand
lost elk gesprek zich op in een tweegesprek tusschen die
beiden, en naar gelang van omstandigheden krijgt dit een
vreedzaam of krijgszuchtig aanzien. Dat iedereen hun onder-
houd zeer interessant vindt, spreekt voor hen vanzelf. Mijne
lezers, neemt u voor zulk schreeuwen in acht. Daar zijn be-
dorven jongelieden, die gewoon zijn t\'huis onder hunne jongere
familieleden, vooral onder bewonderende zusters en misschien
onder eenige toegevende tantes het hoogste woord te hebben ,
en dan, wanneer zij andere lieden in een grooter gezelschap
ontmoeten, meenen dat men hetzelfde van hen verwacht.
Dezulken zijn op den besten weg om de schreeuwers te wor-
den van het gezelschap. Het is gelukkig wanneer zij personen
ontmoeten, die hun den liefdedienst bewijzen, hen bij gele-
genheid binnen de grenzen terug te brengen, en het is dubbel
gelukkig, wanneer zij die wenken ter harte nemen.
-ocr page 249-
DEUGDEN IN DEN DAGELIJKSCHEN OMGANG.                 23 7
Wanneer wij alles samenvatten, dan zal wel de gronddeugd
der gezellige samenleving, het beste voorbehoedmiddel voor
die ondeugden, die ware vorming van het karakter zijn, waar
men zich in Gods kracht er op toelegt, om de zelfzucht, dien
wortel van alle kwaad, te bestrijden en den waren deemoed
te beoefenen. Uit dien deemoed komt ook de ware moed voort,
om daar, waar men eenmaal is, het zijne tot stichting en
verrijking van het geheel bij te dragen, en niet in dat hard-
nekkig zwijgen te vervallen; evenals die bescheidenheid, die
zich niet opdringt en daarom er ons voor bewaart, dat wij
ons het hoogste woord zouden aanmatigen. Christus heeft op
de bruiloft te Kana in alle stilte het water in zes steenen
vaten in wijn veranderd, en zoo ongemerkt, zonder de aan-
dacht bijzonder tot zich te trekken, den bruiloftsgasten den
edelsten drank voorgezet, dien zij bij dat feest ontvingen.
Dit is het ideaal van gezelschapsdeugd, dat gij moet nastreven,
het gemoed der anderen door edele opwekking en kostelijke
lafenis te verlevendigen, zoodat het hun vroolijk en aange-
naam temoede is, evenals de wijn het hart des menschen
verheugt, en het toch bijna ongemerkt doen, zonder het eigen
Ik op den voorgrond te plaatsen; gaarne het beste geven ,
wat men heeft, maar het niet geven ter wille van zichzelven,
uit zelfzucht, maar ter wille van anderen, uit liefde.
-ocr page 250-
XVI.
FAMILIELEVEN EN HUISGENOOTEN.
Het gezin is de oudste en eerwaardigste instelling van God
■op aarde, ouder dan gemeente, staat en kerk. Vóór er ko-
ningen en keizers waren, waren er ouders; eer men onderdanen
had, bezat men kinderen; vóór nog éene vriendschap was
gesloten, bestond de broederband. Daarom is en blijft het
gezin de grondslag voor alle openbare orde en welvaart; en
de vijanden van alle orde, zij, die alles willen vernietigen en
omverwerpen, weten zeer goed, waarom zij het familieleven,
zooals het heden bestaat, bovenaan op hunne lijst hebben
geplaatst. Valt dat, dan zal al het andere ook vallen; blijft het
bestaan, dan mag de boom der openbare orde worden om-
gehouwen, maar de wortels blijven in den bodem, en uit hen
kan en zal de orde weder opnieuw ontluiken.
Er zijn twee grondbetrekkingen, die in het familieleven
ontstaan en worden gegeven: eene boven- en ondergeschikt -
heid,
door de natuur gegeven in de wederzijdsche verhouding
van ouders tot kinderen, en een toestand van gelijkheid,
die gevonden wordt in de betrekking der ouders tot elkaér
-ocr page 251-
239
GEHOORZAAMHEID EN LIEFDE.
en der kinderen onder elkander. Daaruit ontstaan die voor-
naamste deugden, die het gezin steunen: gehoorzaamheid en
liefde, waarvan de eerste betrekking heeft op de onderge-
schiktheid, de tweede op de gelijkheid. En rust niet juist de
openbare welvaart op deze beide verhoudingen, op deze beide
deugden? Rust de gansche bloei van een volk niet daarop,
dat zij, die moeten bevelen en regeeren, weten te bevelen , en
zij, die moeten gehoorzamen en dienen, weten te gehoorzamen,
en dat doen? Dat de een met den ander samenwoont in liefde
en eendracht, en dat allen, zij, die heersenen, en zij, die ge-
hoorzamen, ouden en jongen, hooggeplaatsten en nederigen,
door den band der trouw zijn verbonden? Wie als kind geleerd
heeft zijne ouders te gehoorzamen, dien zal in later jaren
gehoorzaamheid aan wet en overheid niet moeielijk vallen;
wie het tehuis niet geleerd heeft, die zal ook steeds met wet
en overheid in een gespannen verhouding staan. Wie in het
gezin geleerd heeft met zijne broeders en zusters in liefde en
vrede te leven , die zal ook in later jaren een goed kameraad,
buurman, compagnon of huisgenoot zijn; en die onder zijne
broeders de gewoonte heeft aangenomen steeds gelijk te hebben
en nooit toe te geven , die zal later ook met iedereen in strijd
en tweedracht leven. Daarom liggen in het gezin de wortels
der kracht en de wortels der zwakheid van den staat. Waar
het beschouwd wordt als eene instelling Gods , en ieder in huis
de les leert, hem door God aangewezen , daar is het eene bron
van zegen zoowel voor ieder afzonderlijk als voor het alge-
meen ; waar men zondigt tegen de verordeningen, die God in
de familie heeft nedergelegd, daar verandert de zegen in vloek.
Daarom leert ons de geschiedenis van den ouden en nieu-
wen tijd, dat de welvaart van een volk met het familieleven
stijgt en zinkt, staat en valt. Griekenland en Rome getuigen
het en de nieuwere volken niet minder. Wat de Germaansche
volken, de Duitschers, Engelschen en Skandinaviërs nog heden
ten dage aan zedelijkheid en kracht vóór hebben boven de
Romaansche stammen, dat putten zij uit het familieleven, dat,
God zij gedankt, nog op gezonde grondslagen rust. De overoude
-ocr page 252-
240
HET FAMILIELEVEN.
Chineesche godsdienst zou met den op hem rustenden staat
reeds lang vervallen zijn, wanneer niet het familieleven, de
gehoorzaamheid van kinderen aan hunne ouders en de pié-
teit een zijner vaste zuilen waren. Welk een merkwaardige
beteekenis hebben die paar millioen Israëlieten onder de volken
verkregen ! Welk een onuitputtelijke kracht ligt in dezen
stam! Vanwaar komt dat? Zeker is dit een voorname grond,
dat de waarde van het familieleven, de zorg voor de tee-
deiste en innigste betrekkingen bij hem als een zorgvuldig
bewaard erfdeel der vaderen tot op den huidigen dag onver-
zwakt blijft bestaan. Dat weet men niet alleen door alge ■
meene en onbestemde waarnemingen, maar het is reeds
meer dan eens door de statistiek bewezen. Volken met een
gezond familieleven zullen altijd en overal den voorrang ver-
krijgen boven volkeren, waar het familieleven in verval is
geraakt. En het behoort waarlijk niet tot de geringste ver-
diensten der Kerkhervorming, dat zij het familieleven weder
in eere heeft gebracht als eene regeling door God ingesteld
en Hem welgevallig, nadat de middeneeuwen de monniken en
kloosters ten koste van het gezin hadden verpleegd en opge-
bouwd, alsof daaraan iets bijzonder heiligs en verdienstelijks
was. Daardoor komt het, dat bij de volkeren van Romaansche
afkomst, die op het standpunt der middeneeuwen bleven staan,
en de Hervorming van zich weren, het gezin tot nu toe niet
waarlijk gelukkig kan zijn, en dat tengevolge daarvan de
volken zelf niet kunnen bloeien. Het tehuis , dat Luther heeft
aangeprezen en waarvan hijzelf in zijne familie een waardig
voorbeeld gaf, is een der edelste goederen, die ons door de
beweging der zestiende eeuw werden teruggegeven. Daarom
heeft ook E. M. Arndt gezegd: .,In de stille huishouding van
Adam en Eva, in elk huis of huisje, is in het gesloten gezin
al het goede menschelijke en goddelijke leven te vinden, dat
op aarde kan bestaan."
Gelukkig de jongeling, die in zulk een gezin opgroeit en
daar zijn schoonste levensjaren doorbrengt! De vorming van
zijn karakter en beroep en de plaats, die hij later in de wereld
-ocr page 253-
HET VIJFDE GEBOD.                                           241
zal innemen, hebben hier hun vasten grond e.i bodem.
Hier worden de banden aangeknoopt, die hem door zijn gan-
sche leven zullen leiden; hier houdt het anker vast, zoodat
hij vol moed is, wanneer wind en golven zijn scheepje in ge-
vaar brengen. Daarom zeide Luther eens: „Indien wij geen vader
of geen moeder hadden, dan zouden wij wenschen, dat God
ons een hout of steen aanwees, dien wij vader en moeder
konden noemen. Hoeveel te meer moeten wij ons dan ver-
blijden, dat Hij ons levende ouders gegeven heeft, en wij
hun eer en gehoorzaamheid bewijzen mogen, daar wij weten
dat dit welgevallig is aan den Almachtige en alle engelen,
en allen duivelen verdriet doet, en dat \'t het beste werk is, dat
men kan verrichten, waarmee het geven van aalmoezen en al
wat men voor den naaste doet, niet is te vergelijken. Waar
zullen alle monniken en nonnen, die arme, beklagenswaardige
menschen, blijven, wanneer zij voor God en de gansche wereld
schaamrood en met schande bedekt zullen staan tegenover
een jong kind, dat dit gebod heeft vervuld, en zij moeten
bekennen, dat zij met al hunne goede werken niet waard zijn,
dit kind een teug water te reiken?"
,,Eert uwen vader en uwe moeder," dat is een der grond-
regels, waarop het familieleven berust. De plaats, die God
aan dit gebod heeft toegekend temidden van de overige,
is vol beteekenis. Het maakt den overgang van de eerste tafel
tot de tweede, van de plichten jegens God tot de plichten jegens
den naaste; het heeft betrekking op den naaste in zooverre
vader en moeder menschen zijn: het heeft betrekking op God,
voor zoover zij in Gods plaats over de kinderen zijn gesteld,
en een gezag bekleeden , dat, evenals alle andere macht op aarde,
op het allerhoogste, goddelijke gezag berust. Zoo is het vijfde
gebod de band, die de eerste tafel met de tweede vereenigt,
de knoop, die door de liefde tot God en den naaste als ineen-
gevlochten wordt. Maar vol beteekenis is ook de belofte, waar-
door God dit gebod, en dit alléén, heeft gekenmerkt. Waarom is
dat zoo? Juist omdat het in het middenpunt der tien geboden
staat, omdat hier de lijnen elkander ontmoeten, omdat hetgeen
16
-ocr page 254-
242 PLAATS VAN DIT GEBOD IN BIJBEL EN GESCHIEDENIS.
tegen dit gebod wordt gezondigd, indruischt tegen God en
menschen, omdat dit gebod het fondament is, waarop alle
tucht, zeden en orde in de wereld berusten, omdat er zooveel
op aankomt, dat dit gebod trouw en nauwkeurig wordt op-
gevolgd. Daarom heeft God hieraan nog eene belofte toege-
voegd, en wil Hij dit gebod voor de menschenkinderen bijzon-
der aantrekkelijk maken.
Maar de hooge ernst van dit gebod wordt hierdoor geens-
zins verzwakt. Eert — dat blijft staan. Het is kort, krachtig
en vol majesteit. Het duldt geen uitvlucht, geen omwegen ,
geen tegenwerpingen. Als eene natuurwet treedt het op; wee
hem, die daartegen zondigt! Want achter het bevel staat de
majesteit van een heiligen, alwetenden en almachtigen God,
die zijne bevelen altijd weder doet gelden, ook als de men-
schen ze willen ontduiken, en die hen telkens weder doet
ondervinden, dat de overtreding zijner geboden tot gewissen
ondergang voert. Eerbied jegens ouders is dus niet iets, dat
men naar willekeur kan doen of nalaten, zoodat het wel goed
zou zijn om het te doen, maar niet bijzonder slecht om het
te laten. Maar dat „eert" beteekent met andere woorden :
Doe het, zoo uw leven u lief is, er is hier sprake van zijn
of niet zijn, van zegen of verderf.
Als met het geluid eener bazuin geeft de wereldgeschiedenis
den uitleg van dit „eert" van Kain af, die als broedermoorder
toornig zijn vader verliet en dan zonder vaste woonplaats
en zwervend op aarde omdoolde; en van Absalom af, die
onder den vloek bezweek, dien de opstand tegen zijn vader
over hem gebracht had, tot op onze geschiedenis en den
tegenwoordigen tijd. Welke ellende en welke smaad ontstond
korten tijd na Karel den Groote uit den oorlog, dien de drie
zonen van Lodewijk den Vrome tegen hun vader voerden,
uit begeerte naar de heerschappij! Hoe is vooral de naam
van Lotharius gebrandmerkt, die op de meest misdadige wijze
allen kinderlijken eerbied met voeten trad en zich niet schaamde
zijn ouden vader te dringen openlijk boete te doen, om hem
verachtelijk te maken en onwaardig om langer als keizer te
-ocr page 255-
PIAATS VAN DIT GEBOD IN BIJBEL EN GESCHIEDENIS.         243
regeeren. Dat die ongehoorzame zonen na den dood des vaders
in een bloedigen strijd tegenover elkander stonden, was de
eerste zware straf, die hen trof. In dezen oorlog werd diezelfde
Lotharius door zijne broeders verslagen, en bij de daarop
volgende verdeeling kreeg hij wel een prachtig stuk land en
den trotschen keizerstitel er bij, maar er rustte geen zegen
op. Zijn rijk werd niet gesteund, zijne staten bleven niet
vereenigd; hijzelf werd monnik, om zijn geweten tot rust te
brengen, en met zijne zonen stierf zijn stam uit.
Dat is eene prediking uit de geschiedenis over den heiligen
•ernst van het vijfde gebod. En hoe zwaar hebben Koenraad
en Hendrik, zonen van Hendrik IV, er voor geboet, dat
zij het overtraden! Koenraad, de oudste, werd in den bloei
zijner jeugd weggenomen, eer hij het doel van zijn streven
had bereikt. Hendrik beklom wel den troon, dien hij door
bedrog had verkregen, maar hij genoot er niet van. Zijne
regeering was vol onrust, rijk aan teleurstellingen en neder-
lagen, en toen hij vier en veertig jaar oud was, stierf hij aan
een afschuwelijke ziekte, die als eene straf van God beschouwd
werd, en zonder kinderen, zoodat zijn geslacht met hem te
gronde ging. Onder het volk vertelde men, dat God hem alle
vreugde en kinderen onthouden had, omdat hijzelf zulk een
slecht kind voor zijn vader was geweest, en hem zoo menig-
maal diep had bedroefd. Maar dat met Gods hulp alles nu
zoo goed gaat met den keizer, die nu over Duitschland re-
geert, is dat ook niet een gevolg daarvan, dat hij van der
jeugd af vader en moeder eerde, het beeld der laatste, van
koningin Louise, tot in zijn ouderdom dankbaar herdenkt, en
hij het grootste, waarin God hem deed slagen, met kinderlijk
gevoel verbond aan hetgeen zijn vader begonnen en gedaan,
waarvoor hij geleden en gestreden had.
Eeren staat er, niet alleen liefhebben. Want dat kinderen
hunne ouders liefhebben, aan hen hangen, dat spreekt van-
zelf; dat behoeft hun niet door een gebod te worden ingeprent;
het is een natuurlijke aandrang. Men zal niet spoedig een kind
vinden, dat ïiiet een gevoel van liefde jegens zijne ouders
-ocr page 256-
244                                 EEREN EX LIEFHEBBEN.
in het hart draagt. Zelfs de stoutste en ongehoorzaamste kin-
deren hebben deze natuurlijke aanhankelijkheid. Maar hiervan
is niet voornamelijk sprake bij hetgeen de kinderen den ouders
schuldig zijn, maar wel dat zij een hooger gezag en eene ma-
jesteit erkennen, waarvan de ouders de beelddragers zijn. De
liefde heeft haar voorwerp naast zich, de eerbied heeft het
boven zich, en zoo behoort het hier te zijn. Daarom zegt ook
Luther: „Boven alle standen heeft God aan den vader- en
moederstand den voorrang gegeven, zoodat Hij niet alleen
gebiedt de ouders lief te hebben, maar hen te eeren. Want
jegens broeders, zusters en den naaste in \'t algemeen beveelt
Hij niets meer dan ze lief te hebben ; vader en moeder echter
zondert Hij af, zoekt hen uit boven alle andere menschen
op aarde en plaatst ze naast zich. Want het is veel meer, te
eeren dan lief te hebben
. daar het niet slechts liefde in zich
sluit, maar ook tucht, deemoed, ontzag, als tegenover eene
majesteit, die in hen verborgen is, zocdat men hoogen
prijs op hen stelt en hen als de hoogsten, na God be-
schouwt."
De ouders zijn het oudste gezag op aarde. Ook het gezag ,
dat de kroon en de eer van den koning uitmaakt, is in wer-
kelijkheid geen ander dan dat, wat den ouders toekomt. Het
onderscheid ligt alleen daarin, dat het eene betrekking heeft op
een grooteren, het andere op een kleineren kring; naar de inner-
lijke waarde echter zijn zij beiden gelijk. Daarom is hier eeren
op zijne plaats en niet alleen liefhebben. Zulk eeren is voor-
eerst een innerlijke daad, eene zaak van denken en gevoelen,
dat gij in uw hart met ontzag aan uwe ouders denkt en
tegen hen opziet, ook al weet gij misschien van vele kunsten
en wetenschap meer dan zij. Maar dan moet het zich ook
in woorden en daden openbaren; in de wijze, waarop gij met
hen spreekt ; in den toon, waarop gij hen antwoordt; in den
blik , waarmede gij hen aanziet; in de houding, waarmede gij
tot hen nadert, vooral als zij iets in u te berispen hebben,
wat hun mishaagt; in kleine dienstbewijzen, die gij uit hunne
oogen leest en vlug en gewillig verricht; vóór alle dingen in
-ocr page 257-
245
VADER EN MOEDER.
gehoorzaamheid, die de eigenlijke proef is van den eerbied
op jeugdigen leeftijd.
Vader en moeder —. laat ons niet vergeten op te merken,
dat elk afzonderlijk is genoemd. Er zijn kinderen, die een
bepaalde neiging hebben om hun kinderplicht slechts ten
halve te vervullen: vader óf moeder, al naardat persoonlijke
genegenheid hen naar de eene of andere richting drijft. Vooral
komt het in de jongelingsjaren nu en dan voor, dat men wel
is waar den vader den verschuldigden eerbied niet weigert,
maar tegenover de moeder eene wijze van spreken, antwoor-
den en gedragen zich veroorlooft, die lijnrecht in strijd is met
het vijfde gebod. En het geweten wordt dan gesust, doordien
men den vader den verschuldigden eerbied betoont. Dit is
een onzinnig, goddeloos onderscheid! Weet gij niet dat uw
vader en uwe moeder voor u een zijn, en dat gij door de
slechte onderscheiding, die gij maakt, vaneen scheidt en
losmaakt, wat door God was samengevoegd? Weet gij niet,
dat gij u op deze wijze zwaar bezondigt tegen den band, die
uw vader en uwe moeder tot éen leven verbindt ? Weet gij
niet, dat de eer, die gij uwe moeder bewijst, ook uwen vader
wordt toegebracht, dat het gebrek aan eerbied tegenover
uwe moeder ook uwen vader treft? Laat daarom dit zondig
onderscheid varen. Vader én moeder, de een zooals de an-
der, zonder verschil! Wij danken God, dat wij niet meer
staan op den bodem van het oude, heidensche familieleven.
In Griekenland was de plaats, die de vrouw in het gezin
innam, die eener slavin, en daardoor was het geheele fami-
lieleven gebrekkig. In Rome was de plaats der vrouw waar-
diger, maar eigenlijk was het minder de vrouw zelve, die
geëerd werd, dan de moeder van wakkere zonen en burgers.
Op dit heidensche standpunt was het verschil in eerbied jegens
den vader en de moeder in zekeren zin natuurlijk. Maar het
Christendom heeft de vrouw als hulpe naast den man ge-
plaatst; daar geldt zulk een verschil niet meer, en wie het
toch nog maakt, zinkt weder terug tot het lang overwonnen
heidensche standpunt.
-ocr page 258-
246              OP WELKEN GROND RUST HET VIJFDE GEBOD ?
Nog iets. Eert uw vader en uwe moeder, zooals zij zijn t
niet zooals gij ze zoudt willen hebben. Hun recht op uwen-
eerbied hangt niet af van hun persoon , van hun geest en
karakter, \\an hunne beschaving en dergelijke, maar alleen
van den wil, de opdracht en de verordening Gods, alleen
van den oudernaam, dien zij dragen. Dat uw vader een een-
voudig handwerksman is, en gij een toekomstig licht der kerk,
van het gerechtshof, aan het ziekbed, een aanstaand koop-
man of fabriekant: dat verandert in het minst niet aan den
plicht van den eerbied jegens uwen vader. Ik ken menschen , die
van uit hun nederigen stand niet slechts wat wilden worden,
maar reeds iets bijzonders geworden waren, en daarbij hun
vader en hunne moeder met onveranderden eerbied behan-
delden. Zoo weet ik van een officier, die na zijne terugkomst
uit den Franschen oorlog aan de spits van zijn regiment,
zijne geboorteplaats, eene kleine stad, binnenreed. Zijn be-
jaarde ouders, eenvoudige en geringe lieden, stonden temid-
den van de wachtende menigte op de markt. Hen zien, van het
paard springen en in hunne armen snellen, was het werk van
een oogenblik. Sedert dien tijd wonen zij bij hem in, en zelfs,
wanneer hij de voornaamste gasten ten eten heeft, zitten de
ouders aan tafel, en hij bejegent hen met den grootsten eer-
bied. Daaraan mocht menig knaap een beschamend voorbeeld
nemen, die meent, dat hij wonder wat tegen zijne ouders
mag zeggen, omdat hij over den rol en de beteekenis van
Mephistopheles in den Faust een opstel heeft gemaakt, of bij
de laatste verplaatsing de eerste zijner klasse is geworden en
veel bij zijne kameraden heeft in te brengeti, of in den vreemde
heeft geleerd de zaken volgens een nieuwe methode te be-
handelen , terwijl zijn vader zich nog aan de oude gewoonten
houdt. Dwaas! Aan wien hebt gij het te danken, dat gij moogt
leeren en reeds iets geleerd hebt? Hoe kunt gij u vermeten op
uwe ouders neer te zien wegens een voorrecht, dat gij aan hen
zijt verschuldigd? Voorwaar, die overmoed van die zooge-
naamde godsdienstige verlichting, dien deze en gene medebrengt
in zijn ouderlijk huis; die voornaamheid, waarmede hij nederziet
-ocr page 259-
OP WELKEN GROND RUST HET VIJFDE GEBOD?                247
op zijne ouders en hun dwaas geloof, waarboven hij verheven
is, terwijl hij met hen begint te redetwisten, als moest hij den
blinddoek van hunne oogen wegnemen, — zulk een gedrag is
niet alleen zonde, maar het is ook boven alle beschrijving dom.
Zelfs werkelijke gebreken en zwakheden, die gij misschien
in uwe ouders ontdekt, ontslaan u niet van den plicht van
eerbied jegens hen, juist omdat hunne waardigheid niet berust op
hunne persoonlijke eigenschappen en voortreffelijkheden, maar
op den oudernaam alleen. Jezus was zonder zonden, Maria was
eene zondares, Jozef een zondaar; van beiden wist en zag
Jezus het iederen dag, en toch was Hij zijnen ouders onder-
danig. Welke fouten uwe ouders ook hebben of begaan,
dat gaat u niets aan; uw plicht staat duidelijk voorgeschre-
ven: Eert uwen vader en uwe moeder. En als gij eenmaal
God rekenschap zult moeten geven van uw doen en laten, dan
zal de vraag niet zijn: Hoe hebben uwe ouders zich gedragen?
Hebt gij altijd op hunne gebreken gelet? Maar: Hebt gij uwe
ouders geëerd, zooals Ik u heb bevolen ? Waar moest het met
de wereld heen, als men eerbied en gehoorzaamheid wilde af-
hankelijk stellen van de zedelijke waarde of onwaardigheid van
hen, die over ons gesteld zijn! Want voor een ieder, die zijne
oogen gebruikt, is het zeer gemakkelijk bij hen, die gezag
over ons hebben, iets op te merken, dat niet behoorde.
Hier is vooral van kracht, wat wij vroeger over piëteit
zeiden. Men vindt in dezen tijd bij vele lieden eene geneigd-
heid om betrekking en persoonlijkheid met elkander te ver-
warren, en wanneer de laatste, om hare eigenschappen niet
achtenswaardig is, weigeren zij ook den verschuldigden eer-
bied te bewijzen aan het ambt, dat die persoon bekleedt.
Dat is een groote fout en een noodlottige dwaling. Want
alle regeling op aarde berust op de scherpe onderscheiding
tusschen persoon en ambt. Houdt deze onderscheiding op,
dan hebben wij onophoudelijk opstand en wanorde.
Daarom wanneer gij ouders hebt, die ook persoonlijk zoo
voortreffelijk zijn, dat de achting voor hun persoon en de
achting voor hunne ouderlijke betrekking vanzelf samenvallen,
-ocr page 260-
248                        VERTROUWELIJKHEID MET DE OUDERS.
dank God er voor, en verheug u duizendmaal, dat Hij u de
vervulling van het vijfde gebod zoo gemakkelijk maakt. Maar
is het tegenovergestelde het geval, waarvoor God u genadig
moge behoeden, dan geldt het zooveel te meer: Eert uwen
vader en uwe moeder! Zoek met het oog van kinderlijke
piëteit op, wat hun aanspraak geeft op achting en eer-
bied, al ware het ook — wat toch niet denkelijk is —
niets meer dan de vader- en moedernaam. „Al ware uw
vader een misdadiger met ketenen beladen, en gij zoudt u
zijner schamen, hem verachten en niet den eerbied bewijzen,
die het kind den vader verschuldigd is — gij zoudt een
schandelijk en vervloekt kind zijn. En als uwe moeder diep
gevallen was voor Gad en menschen, en gij zoudt haar daarom
verachten, uw hart van haar afkeeren en u schamen, haar
moeder te noemen en als moeder te eeren — dan waart gij
niet minder een schandelijk en vervloekt kind." In het kanton
Bazel kwamen korten tijd na elkander verscheidene diefstallen
voor, en eindelijk werd aan hem, die den dief ontdekte, een
hooge belooning toegezegd. Toen verscheen voor het gerecht
een jong man, die zijn vader als dief aanwees en vervolgens
de belooning opeischte. Men kon hem die niet weigeren, maar
men legde hem wegens zijn afschuwelijk gedrag jegens zijn
vader eene geldboete op, waardoor de belooning werd ver-
nietigd, en liet hem bovendien nog door de politie bewaken.
Al is er iets op dit vonnis aan te merken uit een rechterlijk
oogpunt, zoo pleit het toch voor het algemeen gevoel van recht.
Door zulken eerbied is het hartelijk, openhartig, vertrou-
welijk verkeer
met de ouders niet uitgesloten, maar het is er in
begrepen. Gewen u, om voor uwe ouders geen geheimen te
hebben, niets achter hun rug te doen, en niets te beginnen, wat
gij niet met een goed geweten in hunne tegenwoordigheid zoudt
kunnen voortzetten. Als gij ondsrstelt, dat zij, wanneer zij
tegenwoordig waren, u een vermaak niet zouden veroorlo-
ven, zie er dan liever van af, al vindt gij ook dat het on-
schuldig is, en al verlangt gij er zeer naar. Zelfs het onschul-
digste genoegen is veel te duur betaald, als zich daardoor
-ocr page 261-
VERTROUWELIJKHEID MET DE OUDERS.                       249
iets plaatst tusschen u en uwe ouders; en van het oogenblik
af, dat gij het voor uwe ouders moet verbergen is het geen
onschuldig genoegen meer. Draag zorg, dat tusschen u en hen
alles open en klaar zij. Is er iets tusschen u en hen gekomen,
dan komt er zoo gemakkelijk nog iets bij en weder iets, en dat
gaat zoo voort, tot het onvermijdelijk gevolg daarvan is, dat gij
innerlijk van uwe ouders vervreemdt. Wanneer iets dergelijks u
op het harte ligt, haast u dan er van bevrijd te worden, door
er met uwe ouders over te spreken.
In zijne „Herinneringen uit de jeugd van een oud man"
verhaalt de schilder Kügelgen een tooneel uit zijne jeugd,
dat den zegen van openhartig vertrouwen op zijn vader in
een bijzonder helder licht plaatst. Toen hij zeventien jaar oud
was, ontwaakte in hem een hartstochtelijke liefde voor een
jong meisje, dat zich toen in zijn ouderlijke woning op-
hield , en zijn bloed geraakte des te heviger in beweging
naarmate zijne natuur onbedorven was. Hij streed er tegen
met al zijne kracht, sloot zich meer dan vroeger bij zijn
broeder aan, bezocht vlijtig zijne vrienden en hield zelfs een
dagboek over zijn gedrag — het hielp alles niets; de gevolgen
der inspanning waren verdrietigheid en ontevredenheid. «Eens
kwam ik \'s avonds moede en afgemat tehuis, nadat ik met
een slecht geweten als een dwaze jongen door de heide ge-
loopen had. Ik wilde naar bed gaan, toen mijn vader op mij
toetrad, de hand op mijn schouder legde, en zeide: Gij hebt
iets op het hart? Ja, dat had ik zeker. Ik viel hem om den
hals en vroeg om een onderhoud. Vader nam mij mede op
zijne kamer, plaatste zijne kaars op eene console en ruimde
een hoop kaarten van de sofa weg. Daar zaten wij, omringd
door duizend benooJigdheden voor eene schilderswerkplaats,
waar ik mij steeds als kind het meest tehuis had gevoeld.
De bekentenis werd verlicht door zijne vragen, en er kwam
een gesprek uit voort, dat mij jegens mijn vader met onuit-
sprekelijke dankbaarheid vervulde, daar hij niet als rechter,
maar als een deelnemend vriend tegenover mij stond. Over
het geheel had hij zich zeker iets erger voorgesteld, dan ik
-ocr page 262-
250              ZEGEN EN GRENZEN VAN DE GEHOORZAAMHEID.
te bekennen had, want langzamerhand verliet de uitdrukking
van bezorgdheid zijn gelaat. In zulk een geval, zeide hij, moest
men zich niet schamen het hazenpad te kiezen, daar de overwin-
ning alleen in de vlucht gelegen was. Morgen moest ik voor
dag en dauw weg, het overige moesten wij aan God over-
laten. — Ik ging naar bed. Het gesprek met mijn vader had
mij met nieuwe banden der innigste en eerbiedigste liefde aan
dezen mijn besten vriend verbonden , en mij gesterkt. Ik stond
niet meer zooals vroeger alleen tegenover den vijand in mijn
hart, maar ik had mijn vader tot bondgenoot gemaakt en in
dit bewustzijn sliep ik rustig in."
Ook de overleden hofprediker W. Hoffmann in Berlijn was
gewoon uit den tijd, dat hij als geestelijke was aangesteld in
een gesticht voor krankzinnigen in het Winnendal, een voor-
val mede te deelen, dat op merkwaardige wijze aantoont,
welke macht de gedachte aan een vader kan uitoefenen, zelfs
op een afgedwaald en verduisterd gemoed. Een krankzinnige,
die het gevoel scheen verloten te hebben voor alles wat edel
en liefelijk is, werd door Hoffmann aan den sterfdag van
zijn vader herinnerd. Hij zweeg, zijne oogen vulden zich met
tranen, en van dit oogenblik af scheen het, dat de ban opgt-
heven was. Langzaam maar zeker ging hij zijn herstel te-
gemoet.
Heeft dan de gehoorzaamheid, die uit den eerbied jegens
ouders voortvloeit, niet hare grenzen? Kan het dan niet ge-
beuren, dat de ouders aan iemand iets bevelen, wat een vol-
strekt kwaad is en strijdt tegen het geweten en tegen Gods
gebod? Nu, beste vriend, ik geloof dat die vraag in uwe
omstandigheden wel overbodig is. Al verhaalt men voorbeel-
den, dat kinderen door hunne ouders werden gebracht tot
stelen, liegen en bedriegen, of dat in heidensche landen een
kind door zijne ouders met den vloek werd bedreigd en ge-
troffen, omdat het Christen wilde worden, dan zijn die din-
gen toch niet op u toepasselijk. Ik denk, dat gij u veilig
daaraan kunt houden, dat uwe ouders niets kwaads van u
zullen vorderen en u niet zullen verbieden te doen, wat
-ocr page 263-
ZEGEN EN GRENZEN VAN DE GEHOORZAAMHEID.               251
gij volgens uw geweten verplicht zijt. Indien gij ooit in
het geval komt, dat uw geweten met den wensch uwer ouders
in tweestrijd geraakt, dan is het u niet verboden, bescheiden
en eerbiedig, zonder tegen het vijfde gebod te zondigen, uw
afwijkende wenschen en meeningen te zeggen en te vragen,
dat men u niet dwinge dit te doen, of het niet weigert. En
wees dan vooreerst tevreden met het antwoord, dat gij ontvangt.
Men heeft zich beroepen op de geschiedenis van hertog
Ernst van Zwaben en zijn boezemvriend Werner, die door
den vader van Ernst, keizer Konraad II, in den ban werd
gedaan. Nu was het voor Ernst de vraag: Trouw aan den
vriend, of gehoorzaamheid aan den vader ? Want de keizer
verlangde van zijn zoon, dat hij Werner zou loslaten en
allen omgang met hem zou afbreken. Ernst stemde voor den
vriend, tegen den vader, werd ook in den ban gedaan en
viel in den strijd tegen de krijgslieden zijns vaders. Wij be-
wonderen die trouw aan den vriend en stellen ze op prijs 1
Maar wanneer wij vragen: Heeft de jonge hertog goed gehan-
deld, als men zijn gedrag toetst aan den maatstaf der god-
delijke geboden, dan moeten wij deze vraag toch ontkennend
beantwoorden. De rechten van den vader op den zoon zijn
ouder en hooger dan die van den vriend op den vriend. De
geschiedenis van het verbond tusschen David en Jonathan
toont ons dezelfde verwikkeling aan. Maar hoe gansch anders
is hier de ontknooping! Jonathan gehoorzaamt het bevel des
vaders, de vrienden scheiden, niet innerlijk, maar uiterlijk.
Terwijl Ernst valt in den strijd tegen den vader, valt Jona-
than in den oorlog tegen den vijand aan zijns vaders zijde,—
en is dit einde niet veel bevredigender en verheffender?
De vraag naar de grenzen der gehoorzaamheid heelt nog
een andere practische beteekenis, en wel: Moet de kin-
derlijke gehoorzaamheid het gansche leven lang voortduren,
of komt er een oogenblik, waarin die plicht niet meer van
kracht is, of tenminste niet onvoorwaardelijk moet worden
vervuld? Zeer zeker. Het is waar, de plicht van den eerbied
duldt nooit eene beperking, integendeel, hij treedt krachtiger
-ocr page 264-
252         GEHOORZAAMHEID EN EIGEN VERANTWOORDELIJKHEID.
op den voorgrond naarmate de jaren klimmen. Ja, de eerbied
jegens de ouders wordt edeler en reiner, wanneer hij ook
dan wordt betoond, als de uiterlijke afhankelijkheid van de
ouders ophoudt, en het kind instaat is op eigen voeten te
staan. Hij wordt dan niet vermengd met bijbedoelingen, maar
hij staat voor ons in zijn gansche reinheid en schoonheid.
Hoe schoon staat het voor den man van rijperen leeftijd ,
wanneer hij in den omgang met zijn bejaarde ouders, in zijn
spreken tot hen, in het dagelijksch verkeer al die teedere
blijken van kinderlijke gehoorzaamheid geeft, welke voortkomen
uit ware dankbaarheid en piëteit. Eerbiedig tot aan het graf
■en tot over het graf, altijd edeler en reiner, teerder en zorg-
zamer, hoe hooger ouderdom de ouders bereiken — dat is
Gods wil en gebod. Maar het is zeker een andere zaak met
de onvoorwaardelijke gehoorzaamheid. Deze zal vanzelf op
een gegeven oogenblik worden ingekort, en de ouders zullen
haar van dat oogenblik af niet meer verlangen zooals vroeger.
Maar welk is dat oogenblik? Is het de aanneming? Helaas,
vele jongelingen beschouwen deze plechtigheid grootendeels
uit het oogpunt, dat zij daardoor: >;hun eigen baas worden,"
der ouderlijke tucht ontwassen zijn en ontslagen worden van
de verplichting van stipte gehoorzaamheid. Wie zijne aanne-
ming in dit licht beschouwt, dien ontbreekt nog de grond-
slag van levenswijsheid en tucht. Of is het \'t verlaten van
het ouderlijke huis? Ach ja, velen zien met verlangen het
oogenblik tegemoet, dat de deuren van de ouderlijke woning
zich voor hen openen en zij naar buiten treden in de groote
wereld, in andere omstandigheden, in vrijer bewegingen,
zooveel mogelijk onafhankelijk van ouderlijke vermaningen.
Wie in deze stemming en gezindheid weggaat, die is nooit
in den eigenlijken zin in zijn ouderlijk huis thuis geweest.
Of op een bepaalden ouderdom ? Als men achttien of twintig
jaar is? Er is waarlijk geen reden voor, waarom iemand van
negentien jaar minder tot gehoorzaamheid verplicht is, dan
iemand van zeventien, alleen omdat hij negentien jaar is.
Neen, daar is een andere grenslijn. De plicht der gehoor-
-ocr page 265-
GEHOORZAAMHEID EN EIGEN VERANTWOORDELIJKHEID.         \'253
zaamheid jegens uwe ouders strekt zich zoo lang en zoo vei\'
uit, als gij staat onder hunne verantwoordelijkheid; hij heeft
daar zijne grens, waar tegenover God en mensch uw eigen
verantwoordelijkheid
voor uw doen en laten een aanvang neemt.
Zoolang de vader voor het doen en laten aansprakelijk is,
zoolang de zoon zich tegenover anderen kan verontschuldigen
door te zeggen: »Mijn vader heeft het mij bevolen," zoolang
is de zoon eenvoudig verplicht te gehoorzamen. Eerst wan-
neer de verantwoordelijkheid van den vader ophoudt, als de
zoon een werkkring krijgt en betrekkingen bekleedt, waarin hij
alleen rekenschap heeft te geven van zijne daden, en waarin
zij, aan wie hij rekenschap verschuldigd is, niet het beroep
op een ander kunnen aannemen, maar zich eenvoudig aan
hemzelven houden, dan is eerst het oogenblik gekomen,
waarop hij kan zeggen: Nu moet ikzelf weten wat mij te
doen staat, en ik kan van niemand, zelfs niet van mijn vader,
bevelen ontvangen omtrent hetgeen ik moet doen. Zoo ver
de verantwoordelijkheid van een mensch reikt, zoo ver moet
hij ook volmaakt vrij zijn in zijne handelingen. Toch zal een
ware zoon ook dan nog den raad van zijn vader dankbaar
aannemen en dien gaarne opvolgen; hij zal, ook al is hij het
niet met zijn vader eens, en al kan hij zijn raad niet opvolgen,
toch er in erkennen, wat voor hem van groot gewicht is
en wat hij in ernstige overweging neemt; al loopen hunne
wegen uiteen, hij zal den zijnen bewandelen vol eerbied jegens
zijn vader; maar die betrekking van bevelen en gehoorzamen
houdt op, wanneer de eigen verantwoordelijkheid optreedt,
en wel juist in die zaken en gevallen, waarvoor de zoon
aansprakelijk is. Als daarentegen een jongen, die nog niets
is en niets kan, en met eiken cent, dien hij uitgeeft, afhankelijk
is van zijns vaders beurs, thuis op zijne zelfstandigheid pocht,
en beweert dat hij geen kind meer is, en op zijne jaren niet
alles meer behoeft te verdragen, dan is bij zulk een gedrag
de tegenstelling van hetgeen men wil zijn en van hetgeen
men inderdaad is, in de hoogste mate belachelijk.
«Opdat uwe dagen verlengd worden in het land, dat u de
-ocr page 266-
254
GODS ZEGEN.
Heer uw God geeft." Dat is de bijzondere belofte, door God
als aanbeveling aan dit gewichtig gebod toegevoegd. Vanwaar
komt het dan, dat zoo menigeen, die zijn vak goed verstaat,
en bovendien knap en vlijtig, braaf en eerlijk is, toch niet
vooruit komt en zijn schoonste plannen alle mislukken? De
menschen zeggen in dit geval: »De fortuin is hem niet gunstig."
Maar »fortuin" is geen begrip, dat men vatten en waarbij men
iets redelijks denken kan. Indien wij inplaats van fortuin »ze-
gen" zetten, dan zijn wij op een beteren weg en kunnen ons
iets daarbij denken. En waarom ontbreekt menigeen Gods
zegen ? Zie terug op de vroegere of latere dagen zijner jeugd,
laat u door zijne ouders verhalen, hoe hij zich tegenover hen
heeft gedragen, hoe hij zijn plicht als kind niet hc-ft vervuld,
vader en moeder niet heeft geëerd en gehoorzaamd, den vader
heeft vertoornd, de moeder bedroefd en tot tranen bewogen.
Wee, wanneer vader en moeder tegen hun kind zuchten, want
zulke zuchten hangen als lood aan den gang van hun kind
door het leven, zij doen zijne plannen mislukken en maken,
dat het hem niet wél kan gaan!
En wederom, waarom komt een ander zonder bijzondere
gaven en geschiktheid, ondanks de vele fouten, die hij begaat,
zoo gemakkelijk vooruit, alsof hij door onzichtbare handen ge-
dragen en opgenomen werd? Wat hij begint gelukt hem, elk
voornemen slaagt; »hij is een gelukskind," zegt men in zijne
oppervlakkigheid. Maar wie dieper wil zien, gaat terug naarde
jeugd van den man, naar het dorp of de stad, waar hij is geboren,
hij klopt aan de deur zijner ouderlijke woning, waar hij als
kind heeft geleerd, en daar vindt hij een vader, die met een
tevreden glimlach zegt: ».la, mijn zoon was steeds braaf en
volgzaam, en gaf zich moeite om zijne ouders genoegen te
doen;" hij vindt eene moeder, die met oogen, van vreugde
glinsterende, uitvoerig verhaalt, hoe hij reeds als klein kind
aan zijne ouders hing, en hoe groote kracht een woord zijner
moeder, een blik van zijn vader op hem uitoefende, toen hij
knaap en jongeling geworden was. Dat is Gods zegen over
hen, die het vijfde gebod naleven.
-ocr page 267-
HET LEVEN MET BROEDERS EN ZUSTERS. 255
Dat ook ongehoorzame kinderen oud worden en in welstand
leven, dat volgzame kinderen soms vroeg sterven, of een
treurig leven leiden en zich met moeite staande houden, wie
zou dat willen loochenen? Maar ook, wie zou zich daardoor
laten bedriegen? Een Christelijk jongeling of man kent nog
een ander «lang leven" dan zulk een, dat uit een lange reeks
van jaren bestaat, namelijk het eeuwige leven voor het aan-
gezicht van God in den hemel. Hij kent nog een ander «wei-
gaan" dan uiterlijken v/elstand en vooruitkomen, namelijk dat
innerlijke goed, dien vrede van ziel en geweten, dien God
reeds hier op aarde zijnen kinderen schenkt en daar Boven
voleindigt. Hij kent nog een ander «land, dat de Heer uwen
God u geeft," dan dat schoone, aardsche tehuis, namelijk
het vaderland, dat hiernamaals als erfdeel in den hemel is
weggelegd.
Maar, zooals vroeger gezegd is, is in het gezin niet alleen
sprake van gezag en ondergeschiktheid, zooals dat bestaat
tusschen ouders en kinderen: er heerscht ook gelijkheid, en
wel in de verhouding van broeders en zusters onderling. En
deze lijnen, die in een gezin van de rechter- naar de linker-
zijde loopen, zijn in hunne soort van evenveel belang als die,
welke van boven naar beneden gaan. Want even gewichtig
als het is, dat op het bevel een gehoorzamen volgt, is het ook
van belang, dat een ieder leere om met anderen onder dezelfde
wet en voorwaarden te willen leven. Beide zaken zijn nauw met
elkander verbonden, zooals men het bij het familieleven ziet.
Gehoorzame zonen zijn meestal ook beminnenswaardige en
vreedzame broeders; onvriendelijke en twistzieke broeders
zijn in den regel ongehoorzame, oneerbiedige kinderen. Dat
wordt later in het burgerlijk leven in den omgang met
anderen nog duidelijker. Zij, die steeds procedeeren, zijn
meestal ook ontevreden ondergeschikten en onderdanen; te-
genover hun buurman willen zij altijd gelijk hebben, en zoo
willen zij ook alles beter weten dan de overheid; zij leven
onophoudelijk in twist, en zijn de grootste tegenstanders en
tegensprekers. Wie daarentegen met zijn buurman in vrede
-ocr page 268-
256                                 BROEDERS EN ZUSTERS.
leeft en met verstand processen weet te vermijden, van hem
kan men wel vooruit aannemen, dat hij een goed onderdaan
is, en zich aan de wet zal onderwerpen, zooals het betaamt.
Gij moogt dus de vraag: Hoe sta ik tegenover mijne broeders
en zusters? niet licht opvatten. Want hier hangt het eene
van het andere af, en bij hem, die in een opzicht zijne plaats
in het gezin slecht bekleedt en zijne plichten slecht vervult,
is het gansche familieleven niet in orde, en de wortels zijn
niet vast, waarmede hij in den bodem van het gezin is in-
geplant.
Zie, hoe goed en liefelijk is het als broeders van hetzelfde
huis samenwonen. Hier is vrede en eendracht als de grondtoon
aangeduid, waarnaar het leven van broeders en zusters moet
worden geregeld, als de grondslag, waarop beminnelijkheid
en liefde moeten worden opgebouwd. Hoeveel kan een broe-
der niet zijn voor broeders of zusters? Eerst speelmakker,
langzamerhand vriend, beschermer, raadgever in de gewich-
tigste en meest beslissende oogenblikken van het leven! Hoe
schoon is het, als de kinderen éen blijven, al heeft ieder van
hen een eigen tehuis, en al zijn vader en moeder uit het
midden der hunnen weggenomen! Hoe schoon en liefelijk is
het, als ieder van hen weet, dat hij op ieder oogenblik bij
elk zijner broeders of zusters alles ontvangen kan, wat hem
raad en hulp, troost en verlichting geeft. Niet tevergeefs
heeft Jezus in den kring zijner jongeren twee paar broeders
opgenomen, Petrus en Andreas, Jakobus en Johannes, als
een duidelijk voorbeeld, hoe de natuurlijke gehechtheid van
broeders heiliger en geestelijker moet worden, door zich als
jongeren aan Christus aan te sluiten, waardoor de band, die
hen vereenigt, wordt gewijd en nauwer toegehaald. Hoe treu-
rig is daarentegen een kring van broeders en zusters, waar
langzamerhand de een van den ander vervreemdt, en men
onverschillig naast elkander voortgaat, zonder veel van elkaêr
te weten, zonder zich om het welzijn van den ander te be-
kommeren, alsof men elkander niets aanging! En welk een
vloek is eindelijk die betrekking, wanneer zij door argwaan
-ocr page 269-
BROEDERS EN ZUSTERS.                                  257
vergiftigd is, en broeders en zusters leven in voortdurenden
heftigen strijd.
Nu, dat liefelijk en gezegend verbond tusschen broeders en
zusters onder elkander moet in de jeugd gesloten zijn, indien
het in hut latere leven de proef wil doorstaan en vruchten
wil dragen. Gewent men zich er reeds jong aan, om steeds
onder elkander te twisten: «wie de eerste zal zijn;" beschouwt
ieder der kinderen de andere steeds als zijne mededingers
en concurrenten, dan kan men niet begrijpen hoe een broeder-
lijk verkeer, rijk aan zegen en liefde, zich in hun verder
leven zal ontwikkelen. Gewent men er zich echter in den
beginne aan, om zich samen als een geheel te beschouwen en
elk afzonderlijk als leden, die geroepen zijn elkaér de hand te
reiken en te leven naar het woord: »En hetzij dat een lid lijdt,
zoo lijden al de leden mede; hetzij dat den lid verheerlijkt
woi\'de, zoo verblijden zich al de leden mede," den is een
goede grondslag gelegd voor de onderlinge aansluiting, en de
zegeningen zullen niet uitblijven. En ik wil niet nalaten er
op te wijzen, hoeveel er aankomt op den toon, dien juist
de broeders aannemen, zoowel onder elkander als tegenover
de zusters. Het is waar, als kinderen kunnen de broeders
onder elkander, of ook de broeders met de zusters twist hebben,
zonder dat de liefde daaronder lijdt. Zij maken dat de ruwe
kanten er een weinig afgaan. Maar het is anders wanneer
men jongeling geworden is; dan moeten do broeders trachten
langzamerhand die twisten te vergeten, anders zouden die
ongemerkt met hen groot worden, en zonder dat men er op
lette mede overgaan in hun zelfstandig leven.
Daarom, woont eendrachtiglijk met elkander! De betrekking
van broeders en zusters is wel zeer sterk, en kan menigen
stoot verduren eer zij verbroken wordt. Maar al is de kern
nog zoo vast, het zachte, fijne waas, dat er over ligt, is
zeer gevoelig, en even lang als de eerste het vol kan houden,
even spoedig gaat het laatste verloren. En dit waas maakt
de eigenlijke schoonheid en liefelijkheid van het leven van
broeders en zusters uit, en het moet zorgvuldig bewaard en
17 •
-ocr page 270-
258                                 UROEDERS EN ZUSTERS.
behoed worden, als de broederlijke lief Je tot in lengte van
dagen wil blijven bestaan. De zusters vertellen van hare
broeders, dat zij allen, zonder onderscheid, con tijd hebben,
waarin zij bepaald onuitstaanbaar zijn, namelijk omstreeks van
het veertiende tot het zestiende jaar; altijd staan zij in den
weg, zijn er op uit om de menschen te plagen, maken hunne
zusters het leven zuur, zijn onbehouwen en ruw, en diep
doordrongen van het bewustzijn hunner hooge waarde en
beteekenis in de maatschappij. Daar moet wel wat van aan
zijn, want de bekende Wurtembergsche pedagoog Flatticli
noemt zestien jaar een gevaarlijken leeftijd, omdat dan de
mijnheer en de knaap met elkander strijden. Dat moet een wenk
en aanwijzing voor den jongeling zijn, dat hij zich in deze
jaren bijzonder toelegge op vreedzaamheid en beminnens-
waardigheid, daar dan juist de gewone loop der natuur een
zoo sterke dosis huiselijke onvriendelijkheid en onverdraagzaam-
heid met zich brengt, zoodat hij niet bang behoeft te zijn,
ook bij het krachtigste streven naar lieftalligheid, te veel te
doen op dat gebied. Vooral staat het hem zeer goed, wanneer
hij niet slechts meent, dat hij thuis de zusters moet bc-
velen en zich door haar laten bedienen, maar als hij in-
ziet, dat hij haar ook moet dienen en helpen, waar hij kan.
En het maakt een even goeden indruk, indien hij in den
omgang met zijne zusters zijn jeugdige kracht niet juist
openbaart in die ruwe en krachtige uitdrukkingen, welke hij
op school of in een kantoor geleerd hoeft, en zich ook hier
er op toelegt om in woorden en gedrag welgemanierd te zijn.
Dit doet voorwaar geen afbreuk aan zijne kracht en jeugd,
maar het geeft haar integendeel maat en edelen vorm.
Dit is te meer noodzakelijk, indien gij als oudere bloeders naast
jongere broeders en zusters staat. In dat geval is het een
ernstige verantwoordelijkheid, die op uw jonge schouders
gelegd is. Gij weet, welk een gezag een oudere broeder
dikwijls tegenover een jongeren broeder heeft, een gezag,
dat menigmaal het ouderlijke evenaart. Wat een broeder zegt,
die reeds in seene zaak" is, al is hij dan nog maar eenvoudig
-ocr page 271-
DE OUDSTE BROEDER.                                   259
leerling, of die de hoogste klasse der school bezoekt, terwijl
d.e jongere broeder nog in de laagste is, of die in de vacantie
tehuis komt van eene kostschool, uit het buitenland, of zelfs
van de academie — dat heeft voor zulk een kleinen jongen
het gezag van een evangelie; wat hij doet en uitvoert, dat wordt
bewonderd; al worden zijne grappen niet begrepen, zij ver-
oorzaken toch een uitbundig gelach; en het nog zoo bescheiden
begin van een baard is voor de kleinen het ideaal van mannelijke
■waardigheid. Maar nu is het de vraag : Wat ziet uw jongere
broeder aan u? Wat doet gij hem bewonderen? Waarheen wordt
hij geleid , als hij u volgt? Welke woorden en uitdrukkingen
leert hij ? Welke zaken leert hij begeeren en op prijs stellen ?
Het is niet te berekenen, welk een diepen, blijvenden in-
druk het voorbeeld van een ouderen broeder op een jongeren
maakt; hoe het aan zijn gedachtengang, aan het leven van
zijn geest en hart een bepaalde richting kan geven, die zijn
volgend leven bepaalt. Hebt gij daarover reeds gedacht?
Indien niet, begin er dan nu mede. Iets van het tijdelijke
en eeuwige welzijn eens menschen], misschien, wel een groot
gedeelte er van, is voor uwe verantwoording. En dan, het is
uw broeder. Welke schuld zou uwe ziel drukken, welk een
brandmerk in uw geweten zou het zijn, als hij tengevolge van
uwe achteloosheid op slechte wegen verdwaalde! Een moord
uit onvoorzichtigheid begaan is iets, dat door onze rechters
zwaar wordt gestraft. En wanneer Qod hiernamaals zelf op
den rechterstoel zit, hoe denkt gij dan dat de moord, zij het
dan door nalatigheid, van eene mensohenziel gestraft wordt,
te meer wanneer het de geestelijke moord is van een broeder?
Wij kennen de mate dier straf niet juist, maar hij, die ge-
komen is om de zielen der menschen te redden, die wist
hoeveel de ziel van een mensch waard was, en de schuld kon
berekenen van hem, die haar ten verderve voert, heeft ge-
zegd: »Maar zoo wie een van deze kleinen ergert, het ware
hem nutter, dat een molensteen aan zijn hals gehangen en
dat hij geworpen ware in de diepte der zee. Wee den mensch,
door wien de ergernissen komen!"
-ocr page 272-
260
DIENSTBAREN.
Nog iets, wat bij de bespreking van het familieleven niet
gemist mag worden: de dienstbaren behooren ook tot het gezin.
Misschien hebt gij nog niets bespeurd van den grooten strijd
tusschen de arbeidende klasse en hunne meesters. Maar gij moet
weten, dat die strijd bestaat, en dat hij onze sociale, burgerlijke
en kerkelijke orde bedreigt en ook uw eigen toekomst. En gij
moet en kunt van uwe zijde iets bijdragen, om dezen kwaden
en gevaarlijken tegenstand te verminderen. Maar hoe? Wel
gelooft gij niet, dat bij do verbittering, die de harten der
dienstbaren vervult, bet gedrag der jeugdige leden van het
gezin, waar zij dienen, een groote rol speelt? Is het niet
dikwijls een slechte gewoonte der sjonge heeren" in huis,
dat zij meenen tegenover de dienstboden alles te mogen doen,
en hun overmoed den vrijen teugel te mogen laten? Het is
waar, slavernij in den strengen zin bestaat bij ons reeds lang
niet meer, en beeft in ons land eigenlijk nooit bestaan. De
verhouding van dienstboden tot hunne meesters is een vrij-
willig verdrag, en daarin zijn de dienstbaren uitdrukkelijk
erkend als personen, die vrij over zichzelvcn en hunne
krachten mogen beschikken. Maar juist wanneer men tegen-
over dienstboden zich streng houdt aan het verdrag, en men
hen alleen beschouwt als menseben, wier kracht en spieren
men voor een zekeren tijd gehuurd heeft, dan worden zij
daardoor niet meer als personen, maar als zaken beschouwd,
ja zelfs als koopwaar, en zoodoende komen wij midden in de
slavernij. In de slavenstaten wordt de kracht door anderen
verkocht, hier wordt zij door de dienenden zelven verhuurd.
Maar dat onderscheid is van weinig beteekenis tegenover het
feit, dat in beide gevallen hetzelfde is, namelijk dat men-
schen als zaken en koopwaren behandeld worden.
En dit is juist het punt, waar u als zoon des huizes een
dankbare taak is opgedragen. Behandel de dienstboden in huis
niet als zoodanig, die hun werk hebben te doen, daarvoor
worden betaald en verder niets te verlangen hebben; maar
beschouw en behandel hen als personen, als menschen, die
naar Gods beeld geschapen zijn, een onsterfelijke, door
-ocr page 273-
DIENSTBAREN.                                                201
Christus verloste ziel hebben en met u en de uwen mede-
erfgenamen zullen zijn van het koninkrijk der hemelen; als
menschen, die dezelfde gevoelens on gemoedsbewegingen heb-
ben als gij; en wien even goed als u, vriendelijkheid verblijdt
en onvriendelijkheid bedroeft. Als oudere lieden hun hunne
afhankelijkheid doen gevoelen, dan doet hun dat lang zoo-
veel pijn niet, dan wanneer menschen het doen, die. veel
jonger zijn dan zij, en die nog geen bewijs hebben geleverd,
dat zij in staat zijn de plaats, welke zij in de wereld innemen,
op waardige wijze te vervullen. Bedenk ook, dat elke arbeid
eigenlijk dienen is, en gij ook in de verhouding van een
dienaar zult komen, als gij eenmaal eene betrekking hebt
aanvaard. Dat gij niet werkt in de keuken of in den stal,
maar op een kantoor of ergens anders, dat verandert niets
aan het wezen der zaak. Maar dun zal het u ook niet on-
venchillig zijn, of gij als machine dienst moet doen of als
niensch moogt arbeiden; of men u vriendelijk of ruw bejegent;
of men de fouten, die gij begaat, met geduld of met streng-
heid beschouwt; of men u, wanneer gij eene betrekking bekleedt,
alleen huurt en dan gebruikt en partij van u trekt, of dat
men u nog iets anders laat zijn dan een arbeider. Nu, als
gij zoo iets wenscht in betrekking tot uw volgend leven, en
als gij het billijk vindt, dat die wenschen vervuld worden,
beschouw en behandel nu reeds de dienstboden in uw huis
dienovereenkomstig. Want met dezelfde maat, waarmede gij-
lieden meet, zal ulieden weder gemeten worden; een goede,
nedergedrukte en geschudde en overloopende maat zal men
in uwen schoot geven. En gelijk gij wilt, dat u de men-
schen doen zullen, doet gij hiin desgelijks.
En aangenomen, dat gij als vrij man door het leven kunt
gaan, naar niemand behoeft te vragen en niemand behoeft te
dienen, zoo hebt gij toch een Heer in den hemel, die veel
hooger boven u staat dan de hoogst geplaatste boven den minste
op aarde, en zeker verder boven u verheven is dan gij boven
de meid of knecht, die in uw huis dient. En toch, al staat
Hij nog zoo ver boven u en alle menschen, hoe is Hij jegens
-ocr page 274-
2ü2
DIEREN ALS HUISGENOOTEN.
allen en ook jegens u vriendelijk, goedertieren, lankmoedig
en geduldig! Hij is een zachte en geen harde Meester. Iede-
ren last, dien Hij den mensch oplegt, weegt Hij af naar zijne
kracht, en als een werk niet gedaan is in den tijd, waarin
het voltooid had kunnen zijn, dan wacht Hij lankmoedig een
jaar, of twee jaar en altijd langer. Neem daaraan een voor-
beeld , en zoo zeker gij dag aan dag voortleeft door de goedheid
en genade van dezen Meester, en reeds lang van den aard-
bodem verdelgd zoudt zijn , indien deze goedheid u niet droeg
en staande hield, zoo zie toe, dat gij die dingen, waardoor
gij zelf leeft, ook bewijst aan anderen. Er zal streng en
onbarmhartig recht gesproken worden over hem, die geen
liefde en barmhartigheid heeft uitgeoefend, en harde meesters,
ook harde jonge meesters, vinden hierboven ook een strengen
Rechter, ja misschien gevoelen zij reeds in dit aardsche leven
zijn zware , geweldige hand.
Ik weet niet recht of ik het durf wagen, nog lager af
te dalen in den kring der huisgenooten , en u in dit hoofdstuk
over het familieleven ook die huisgenooten op het hart te
diukken, welke God niet met verstand en spraakvermogen
heeft begiftigd, maar die toch behooren tot het dienende
schepsel, tot nut en hulp van den mensch. Een oude spreuk
zegt wel, dat men mensch en dier niet samen moet rekenen,
maar daar God toch in zijn heilig gebod vrouw, dienstknecht,
dienstmaagd, os en ezel heeft samengevat, en de rust van
den sabbat heeft toegewezen aan den zoon, de dochter, den
dienstknecht, de dienstmaagd, het vee en den vreemdeling,
zoo mogen wij het wel wagen hen ook hier bijeen te voe-
gen. Ik wil hier geen hoofdstuk over het kwellen der dieren
schrijven — daarvoor zijn andere personen en gelegenheden
beter geschikt. Maar dikwijls wordt door de jeugd, bij voor-
namen en bij geringen, vergeten, dat dieren zenuwen, ziel
en gevoel hebben, en niet slechts paarden, honden en katten,
maar ook muggen, kevers, rupsen en vlinders, niet alleen
groote dieren, maar ook de kleine en de allerkleinste. Nog
altijd zijn er lieden, die meenen, dat hoe kleiner een dier
-ocr page 275-
2C3
DIERENKWELLEN.
is en hoe gemakkelijker men het bijv. een poot uittrekt, hoe
minder pijn het hem doet. Doet het den mensch dan geen
pijn, wanneer bijv. eene machine hem in een oogenblik een
arm afrukt? Daarom wijs ik hier slechts met korte woorden
op een der schoonste en zinrijkste bijbelwoorden, dat geschikt
is om ook de onverstandige schepselen in het ware licht te
plaatsen: «Want het schepsel, als met opgestoken hoofde, ver-
wacht de openbaring der kinderen Gods. Want wij weten dat
het gansche schepsel tezamen zucht."
In eene aanspraak op de landsuniversiteit in Zwaban be-
weerde iemand, dat het Christendom niet geschikt was tot ken-
nis van en een hart voor de dierenwereld op te wekken. Indien
hij, die dat zeide, het Christendom en den Bijbel een weinig
beter gekend had, zou hem de hierboven aangehaalde uit-
spraak zeker niet ontsnapt zijn; en dm zou het hem misschien
getroffen hebben, welk een diepen blik op het redelooze
schepsel men door dit woord verkrijgt. Het beteekent niet,
dat de dierenwereld een bepaald verlangen heeft naar een
toekomenden tijd en een toekomenden toestand, waarin die
harde dienst niet meer op hen rust. Maar aan de pijn, die
hot geplaagde dier ondervindt, aan de smart des doods, die
liet doortrilt, als liet op gewelddadige wijze moet sterven, ligt
toch een onbewust gevoel ten grondslag, dat deze kwelling,
dat martelen eigenlijk niet moest bestaan, en dat het beha-
gc;n van vele menschen in het kwellen en vermoorden van
onschuldige dieren een gevolg is van een vreemde, bnoze
macht, die eigenlijk geen plaats moest hebben in de schep-
ping. Die uitroep van Bileams ezelin: »Wat heb ik u gedaan,
dat gij mij slaat?" is slechts een duidelijke uitdrukking van
hetgeen ook in den blik ligt van een door een ruwe hand
half dood geslagen paard, dat zijn verdrukker aanziet: »Wat
heb ik u gedaan? gij zijt de zondaar, de misdadiger, niet
ik." Of als een hartstochtelijk jager ons bij gelegenheid ver-
zekert, dat men den blik, waarmede een gewond, stervend
bert den jager aanziet, eerst moet leeren verdragen, daar hij
door merg en been gaat — wat is deze blik anders dan een
-ocr page 276-
264,
HET ZUCHTEND SCHErSEL.
stomme vraag: »Wat heb ik u gedaan, dat het zulk een
woeste vreugde geeft mij te dooden?" Ja, elke machtelooze
beweging van een gepijnigden vogel, met zijn poot of vleugel,
elk trekken van een insect, van een mug of tor in de hand
van den pijniger, is in den grond niets anders dan de stomme
vraag: »Wat heb ik u gedaan?" een protest tegen de men-
schelijke zonde, onder welker ruwe uitwerking ook de dieren-
wereld moet lijden, en tegen de onnatuurlijkheid van dien toe-
stand ; een wachten en verlangen naar het herstel der oorspron-
kelijke vrijheid en de oorspronkelijke harmonie in de natuur.
Maar het zij er verre van, dat uw genoegen in uwe huis-
dieren, in uwe torren- of kapellenverzameling zou moeten
ophouden. De dieien moeten immers den mensch dienen, niet
alleen tot voedsel , maar ook om zijn streven naar de kennis
van het werken en de wetten der natuur te bevredigen.
Maar hoe meer gij belangstelt in de dierenwereld, hoe. meer
gij u een dierenvriend noemt: hoe meer gij u in acht moet
nemen voor elke onnoodige marteling. Want waarlijk, men
toont zich geen ware dierenvriend, wanneer men aan de
dieren slechts zijne nieuwsgierigheid wil bevredigen, of zijn
spel met hen drijven, om het even of men hen daarbij
kwelt of niet — dan zouden de dieren alle oorzaak hebben
om te roepen: »De Heer beware mij voor mijne vrienden!"
Maar daardoor doet hij zich kennen, dat hij ook den dieren
recht toekent op het leven en de vreugde des levens, dat zijn
grootste genot is om niet hunne smarten, maar hunne vroo-
lijkheid te zien, en dat hij deze alleen in zooverre verstoort,
als het voor den mensch noodig is, of voor zijn onderhoud,
kleeding en voeding, of tot de ontwikkeling en verrijking
zijner kennis. De dierenwereld moet genoeg voor ons lijden, wat
haar niet bespaard kan worden; en daarom moeten wij ons des
te meer voornemen, dit lijden niet onnoodig te vermeerderen.
Sluit uw hart dan niet voor het wachten en verlangen van
het schepsel, en ontzie en eer het, zooveel het kan, vooral
wanneer het tot uwe huisgenooten behoort.
-ocr page 277-
XVII.
VADERLAND.
Wat het gezin in het klein is, dat is het vaderland in het
groot: de bodem, waarin wij zijn geworteld, het geboorteland,
waar wij tehuis behooren. Geen vaderland te hebben is als
uiterlijke toestand een groot ongeluk, als innerlijke gezindheid
een groote laagheiJ.
Misschien kent gij uit de geschiedenis der letterkunde het
sprookje van A. v. Chamisso: «Peter Schlemihls wonderlijke
geschiedenis." De held van dat verhaal verkoopt in onbezon-
nenheid zijne schaduw, en verbittert door het verlies van dat
schijnbaar zoo onbeduidende ding zijn geheele leven, tot hij
bijna wanhopig wordt, hoewel hij steeds geld in overvloed
heeft. Wat wordt onder die schaduw verstaan ? Wij zijn niet
geroepen om hier alle vermoedens, die men heeft geopperd,
te bespreken ; maar vrij algemeen meent men, dat de schaduw
niets anders beteekent dan geboorteplaats en vaderland, en
dat in dit sprookje de ellende en het verdriet van geen
vaderland te hebben, dat door geen geld of goed kan worden
gelenigd, is voorgesteld.
Daar zijn sommige natiën, die meenen alleen door het min-
achten van andere volken hun patriotisme te kunnen bewij-
zen. Zulk patriotisme is eigenlijk niets anders dan zelfzucht
op groote schaal. Deze zelfzucht wordt er niet minder groot
-ocr page 278-
266                                               VADERLAND.
door, doordien men haar zoo ver mogelijk uitstrekt, en in-
plaats van zijn eigen Ik, zijn eigen volk plaatst, en dat tot
het middelpunt van alles maakt; maar men behoort bij al
liet goede en schoone, dat men in eigen kring geniet, zij
deze dan ruimer of nauwer geirokken, ook een hart te heb-
ben voor hetgeen er buiten ligt, en een oog voor het edele,
schoone en goede , wat daar is te vinden. Daarom bestaat het
ware patriotismo niet in het geringschatten van andere volken.
Patriotisme is vaderlandsliefde , en ware liefde maakt het hart
niet eng, maar ruim, en berooft ons niet van den zin voor
het schoone en goede, wat anderen hebben, maar opent dien
eerst recht. Dus heeft een patriot zijn vaderland lief, omdat
het zijn vaderland is, hij verheugt zich over het goede, dat
men er vindt, en treurt over de gebreken, waaraan het lijdt;
hij komt daarin tegemoet, waar het noodig is en zooveel hij
kan; maar hij heeft nog plaats genoeg in zijn hart over, om
de gaven en de plaats te erkennen en op prijs te stellen, die
God aan andere natiën in de geschiedenis heeft gegeven.
Wat is het, dat een volk groot maakt? Is het de uitbreiding
van het land, het aantal der bevolking, of een uiterlijk ver-
toon van macht? Denk aan de overoude volkeren, aan de
Chaldeërs, de Assyriëïs, de Perzen met hunne heerschers —
hoe ver strekten zich de landen uit, waarover zij hun
schepter zwaaiden; geheele volksstammen werden bij hun rijk
ingelijfd, hunne macht was ontzettend, en toch — het waren
geen groote volken. Zij zijn gekomen en gegaan, hebben op-
gebouwd en verwoest, maar de menschheid heeft niet of zeer
weinig winst gehad van hun werken en bouwen. En dat is
liet juist, wat vooral tot een groot volk behooit, dat het
namelijk in Gods hand een werktuig is, om nieuwe wegen
voor de geschiedenis der raenschen te ontsluiten, dat het in
het leven zijns geestes, in de geheele geschiedenis zijner ont-
wikkeling grootsche ideeën verwezenlijkt, die de menschheid
verder brengen en als lichtende sterren blijven staan aan den
hemel der menschenwereld. Zoo hebben de Grieken in hunne
geschiedenis de idee der schoonheid en politieke vrijheid aan-
-ocr page 279-
267
ONS DIERBAAR VADERLAND.
schouwelijk gemaakt, de Romeinen de idee van het recht
en van den staat, de Israëlieten de idee der goddelijke hei-
ligheid en der menschelijke behoefte aan verlossing — dat
zijn de groote volkeren der oude wero\'.d.
Men heeft wel gezegd, dat patiïotisme en Christendom niet
bij clkaér passen, dat een g>ed patriot een slecht Christen,
en een goed Christen omgekeerd een slecht patriot moet zijn ;
maar zij, die dit beweren, kennen de geschiedenis niet en
weten niet wat zij zeggen. Als Christen kennen wij een beter
vaderland dan dit aardsche, namelijk een hemelsch en een
eeuwig, en wij weten dat wij hier geen blijvende stad heb-
ben , maar de toekomende zoeken. Wij zingen dus van gan-
scher harte mede:
Holland, Holland boven alles,
Boven alles hier op aard;
maar wij onderstrepen dat »hier op aard," en willen daar-
mede zeggen, dat Holland wel gaat boven al het aardsche,
maar niet boven alles, wat op aarde en in den hemel is.
Wij weten, dat boven deze wereld nog een ander land is,
beter nog dan ons land. Daarom is ons vaderland niet ons
hoogste goed, maar wel een hoog goed. liet is iets, dat God
ons heeft gegeven; het is een gebied, waarbinnen wij God
en den naaste moeten dienen naar onze beste krachten; het
is een eerepost, waar God de Heer ons geplaatst heeft. God
heeft mijn vaderland aan mij en mij aan mijn vaderland
gegeven, en het geldt ook hier: »Wat God heeft vereenigd,
zal de mensrh niet scheiden," laat staan dan dat God deze
scheiding zelf zou voltrekken en ons Christelijk geloof als een
scheidsmuur zou oprichten tusschen ons en ons vaderland.
Sla de bladen onzer geschiedenis op en overtuig u, hoe
de beste patriotten steeJs goede Christenen waren, en juist
uit hun Christendom de grootste kracht voor hun patriotisme
hebben geput. Want in zulke tijden, die ann de vaderlands-
liefde de zwaarste proef opleggen, in de dagen van verval,
en der kleine dingen — waaruit moet de patiiot dan zijn geloof
-ocr page 280-
208
WAT BEHOUDT HET VADERLAND?
putten aan eene toekomst voor zijn volk, indien niet uit
het vertrouwen op God, uit den blik op de onzichtbare wereld,
waar de lotgevallen der volkeren naar recht en gerechtigheid
worden beschikt, hunne schuld genadiglijk wordt vergeven,
en waaruit in tijden van smaad, nood en verdrukking nieuwe
kracht nederdaalt als een reddende engel? Waren Jezus\'
tranen, die Hij op den Olijfberg over Jeruzalem weende, niet
ook tranen uit liefde tot zijn vaderland ? Heeft Paulus geen
brandende liefde gekoesterd voor zijne broeders en vrienden
naar het vleesch?
Het is niet noodig hier allerlei voorbeelden aan te halen,
om te bewijzen dat het gezegde, dat men niet tegelijk op weg
kan zijn naar de stad Gods en tegelijkertijd zich hier beneden
tehuis kan gevoelen , getuigt van weinig nadenken. Het aard-
sche en het hemelsche vaderland staan niet tegenover elkan-
der, maar het een is het voorportaal en de kweekschool voor
het andere, en die zijn plicht jegens het vaderland zou willen
verzuimen, oogenschijnlijk uit belangstelling voor het rijk Gods
en zijne gerechtigheid, dien zou het woord van Christus treilen:
Zoo gij in eens anders goed niet getrouw zijt geweest, wie
zal u het uwe geven ? Indien gij niet trouw zijt in uw aard-
sche betrekking, waarin God u heeft geplaatst, hoe zult gij
getrouw zijn in de eeuwige en hemelsche?
Maar waarin toont zich het patriotisme bij den jongeling?
Met algemeenheden, met een vrij onbestemd gevoel van voor-
naamheid en dwepen in het wilde, met redevoeringen vol
geestdrift, met toasten , gedichten, »hoezee!" roepen, met nati-
onale feest- en vreugdedagen — met dat alles kan het vader-
land onmogelijk tevreden zijn, want daardoor wordt het niet
in stand gehouden.
Indien wij met iets zeer prozaïsch willen beginnen tegen-
over al die dwaze ontboezemingen, dan moet de vaderlands-
liefde allereerst betoond worden in het gehoorzamen der wetten
en verordeningen , die in het land van kracht zijn. Ons vaderland
staat niet altijd voor ons in die ideale gedaante, als hart ver-
heffende samenvatting van al wat schoon en groot is, zooals
-ocr page 281-
GEOORZAAMHEID AAN DE WET DES LANDS.                   269
wij dat soms denken bij het uitspreken van het woord »va ■
derland." Het vaderland heeft ook zijn prozaïsche zijde, het
staat soms voor ons in zijn daagsche kleeding, als wij dat
zoo mogen zeggen ; en in dit geval spreekt het minder tot
ons gevoel en onze verbeelding, dan tot onzen wil en ons
verstand. Dan treedt het op als staat, met bepaalde vastge-
stelde rechten en eischen; dan omvat het ons niet met de
teedere armen van een vader, maar het grijpt ons aan met
strengheid en ernst. Evenals het vaderland de poëzie is van
den staat, zoo is de staat het proza van het vaderland; daar
gaat alles vertrouwelijk, hier volgens recht; daar is het
ideaal, hier de luwe werkelijkheid.
Vandaar komt het, dat de jeugd, die in den regel meer
aandacht schenkt aan de ideale zijde der dingen, ook met
voorliefde denkt aan het vaderland, en minder belangstelt
in den staat. Men moet haar daarin niet storen, maar zij
mag niet vergeten, dat die uiterlijke en geregelde vonn van
het volksleven, zooals wij het in den staat zien, niet het
gevolg is van menschelijken luim en willekeur, maar eene
instelling Gods, die alle aanspiaak heeft op onze gehoorzaam-
heid ; want die wettelijke regeling berust niet op een verbond,
dat eenige menschen hebben gesloten, om zich wederzijds te
verdedigen , en die zoo begonnen een staat te vormen; en zij
berust ook niet daarop, dat eenige geweldigen zich boven de
anderen hebben verheven en hen gedwongen wettelijke rege-
lingen vast te stellen. Hoe zou uit het recht het ruwe geweld
kunnen ontstaan, dat toch juist ertoe dient om het ruwe geweld
te buigen en het te beperken ? Leest men ook druiven van
doornen, cf vijgen van distelen? Of hoe zou het recht door
een verdrag kunnen ontstaan, daar er reeds, om een verdrag
te laten gelden, enkele rechtsbegrippen en een begin van
wettelijke regeling moeten voorhanden zijn? Neen, al hangt
de bijzondere gedaante, die een staat aanneemt, van vele
invloeden af: het vormen van den staat zelf is toch ontstaan
door de natuur van den menschelijken geest; de behoefte aan
een regel is den menschen reeds in den beginne ingeplant,
-ocr page 282-
270
REVOLUTIES.
en daarom is zij, uit dit laatste oogpunt beschouwd, niet het
werk der menschen, maar van God, evenals het huwelijk en
het gezin eene verordening en instelling Gods zijn. De staat
is niet gemaakt, maar opgegroeid.
Daarom is gehoorzaamheid aan de overheid voor den Chris-
ten een plicht, die vanzelf spreekt. Luther werd het niet
moede, om het zijn volk in te prenten, hoeveel het kon ge-
nieten van een goede overheid. «Denkt gij niet, dat wanneer
de vogels en dieren konden spreken en de regelingen der
menschen konden zien, zij zouden zeggen: O gij menschen,
met ons vergeleken, zijt gij geen menschen, maar goden. Want
gij woont rustig, leeft en hebt alle dingen, maar bij ons is
de een geen oogenblik voor den ander zeker, noch wat zijn
leven, noch wat zijn huis of zijn voedsel betreft. Wat zijt gij
ondankbaar, dat gij niet opmerkt welk een heerlijk leven God
u gegeven heeft boven ons, dieren." En het is ook in geen
enkele omstandigheid Christelijk, gemeene zaak te maken
met oproer en opstand. Dat er uit de revoluties, waarvan
de geschiedenis ons verhaalt, later nu en dan iets goeds
voortkwam, dat mag ons oordeel niet benevelen. Want als
Gods genadige voorziening ook uit iets kwaads goed doet
voortkomen, dan houdt daardoor het kwade toch niet op
kwaad te zijn. En wij bedenken niet welke beteekenis de
revolutie heeft op den gang der geschiedenis in het algemeen,
maar of wij persoonlijk gerechtigd zijn om ons onder de op-
roerlingen te mengen. En dan kan men in alle omstandigheden
een beslist Keen ten antwoord geven. Maar de vrijheidsstrijd
van een onderdrukt volk tegen een vreemden tiran is die
niet loffelijk en gerechtvaardigd? Zeker, maar als het eene
volk zijne vrijheid tegen een ander verdedigt, dan is dat ook
geen opstand, maar een eerlijke oorlog. De revolutie geeft
wanorde inplaats van orde, geweld inplaats van recht, en
daarom is zij af te keuren, hetzij de heeren of de onderdanen
oproer maken. Echter zou eene revolutie, die in de hoogere
standen begint, nog beter te verdragen zijn dan eene, die in
de lagere klassen ontstaat, want in het laatste geval worden
-ocr page 283-
271
KRIJGSDIENST.
geesten en machten ontboeid, die met onbedwingbaar geweld
voortstormen en hen, die misschien met goede bedoeling de
beweging begonnen , met onweerstaanbare kracht op zijde
dringen en dan een aanvang maken met een wilde verwocs-
ting, totdat er niets meer te vernietigen is.
Wees dan onderdanig uit een innerlijke noodzakelijkheid,
niet alleen uit vrees voor straf, maar ook ter wille van het
geweten, omdat de instelling van den staat een werk Gods
is, en wanneer men hem veracht of zich er tegen vergrijpt,
treft ons de vloek, dien het verzetten tegen Gods regelingen
met zich sleept, en deze voert ons in jammer, ellende en
wanorde. Van dit standpunt uit moet gij ook do verschillende
eischen beschouwen, die de staat u oplegt, en wel in uwe
jaren voornamelijk den krijgsdienst. De tegenstelling tusschen
het poëtische begrip van het vaderland, en de ruwe, prozaïsche
regeling van den staat treft sommigen nooit in grooter mate,
dan wanneer het dragen der wapenen voor het vaderland,
zooals de jongeling het zich in zijne verbeelding voorstelt,
veranderd wordt in het eenvoudige asoldaat zijn" met al
die kleine en groote moeielijkheden, welke er aan zijn ver-
bonden. Maar juist daarom is dit de beste gelegenheid om
het patriotisme te toonen en te doen rijpen. Dan is er geen
sprake van oogenblikkelijke patriotische opwellingen, maar
van prozaïsche, dikwijls zeer geringe dagelijksche plichten ten
dienste van het geheel; dan kunt gij zien, wat tot nog toe
aan uw patriotisme kaf was of koren, schuim of goud. In
dien tijd treedt de vaderlandsliefde van den jongeling uit
hare jeugd als het ware over tot haar middelbaren leef-
tijd, en men kan ook hiervan zeggen: ïDe hartstocht vlucht,
maar de liefde blijft, de bloem valt af, maar de vrucht rijpt."
Wat alleen fantasie was, vervliegt; wat waarlijk ideaal was
blijft bestaan; dat verheft u boven de moeite en lasten aan
dezen stand verbonden, en reiner, gelouterd en gerijpt neemt
gij het van uit de kazerne mede terug in het burgerlijke
leven.
Gehoorzaamheid aan de wettelijke regeling, die bij het
-ocr page 284-
272
TROUW.
volk en het vaderland geldt — dat is het eenvoudigste en
meest voor de hand liggend bewijs van uwe vaderlandsliefde.
Maar dan moet zij verder van hare aanwezigheid doen blijken,
doordat de jonge vriend van het vaderland alle deugden
nastreeft, die van oudsher het sieraad en de glorie waren
van zijn volk, en de voornaamste dezer deugden is toch wel
godsvrucht en vroomheid.
Daaraan hielden zich reeds onze voorvaderen, nog vójr zij
Christenen waren. Hun hoogste goed, de vrijheid, brachten
zij hunnen goden ten ulier, daar zij met gebonden ledematen
en in deemoedige houding het bosch van Wodan naderden.
Zij, die anders hunne oogen vrij en stoutmoedig ophieven en
trotsch om zich heen zagen, sloegen nederig de oogen ter
aarde, wanneer de priester aan den god offerde en hun
zijn wil bekend maak\'e. Het scheen hun geen oneer voor
den vrijen man toe, van God afhankelijk te zijn en hunne
afhankelijkheid van Hem ook uiterlijk te erkennen en te be-
wijzen. Onderworpenheid aan Goil vormde den eersten grond-
slag voor hun trots. Zij maakten zich geene afbeelding van
de hemelingen, slechts in aanbidding zagen zij hen; ook
bouwden zij hun geen tempels, als hadden zij een voorgevoel
van de waarheid, welker be\'ijdenis den eersten Christengetui-
gen het leven kostte , dat, de Allerhoogste niet woont in tem-
pelen, met menschenhanden gemaakt. Maar des te inniger
was de liefde en vereering, waarmede zij naderden tot deze
onzichtbare goden, en des te beter waren zij voorbereid om
de prediking te ontvangen van den éenen God, die hemel en
aarde gemaakt heeft, en tot wien men moet bidden in geest
en waarheid.
En toen het Evangelie een nieuwen bodem zocht in de
wereld, en de oude volkeren geen bruikbaar materiaal meer
opleverden, om een nieuw deel der geschiedenis op te bou-
wen — waar werd toen de blijde boodschap van Christus met
grooter blijdschap ontvangen, waar werd zij meer het eigen-
dom van hart en gemoed, dan bij ons volk? Hoe hebben onze
voorvaderen trouw beloofd aan den God en Vader onzes Heeren,
-ocr page 285-
trouw.                                          273
aan den God, die over alles heerscht, en hoe gaven zij Hem
het beste, dat zij hadden! Maar de geest van goddeloosheid
en spotten met het heilige, de geest van valsche vrijheid en
zelfgenoegzaamheid, die het voor laf houdt zich voor God te
buigen en uit zijne openbaring licht en leven te putten —
die geest behoort bij ons niet tehuis, en is in den grond na-
deelig en verderfelijk voor onze jeugd. Toon uwe goed-Hol-
landsche natuur daardoor, dat gij het vrome geloof der va-
deren in eere houdt, en niet alleen uit piëteit, zooals men
de nagedachtenis van een overgrootvader bewaart, maar
uit overtuiging, dat dit geloof de steun en het sieraad uwer
jeugd, de kracht van uw leven en uw troost in lijden en
sterven is. Geloof en godsvrucht zijn niet slechts bijkomende
gaven van den geest eens volks, zaken, die langzamerhand
gewijzigd of gemist kunnen worden, zonder dat het veel na-
deel doet, maar zij behooren tot de innerlijke kern en het
wezen van een volk, en men kan ze niet prijsgeven, zonder
dat men zichzelven prijsgeeft.
En daar is nog eene deugd, waardoor ons volk zich van
oudsher onderscheidde, en die de jongeling nu ock moet be-
oefenen , namelijk de trouw. In waarheid was getrouwheid de
band, dis het volk vereenigde met zijn God en Verlosser,
het was de trouw van een diensiknecht aan zijn heer, van een
onderdaan aan zijn hemeischen Koning. Ja, trouw is evenals
geloof en godsvrucht een der grondsteenen van het Neder-
landsche karakter; ontrouw, bedrog en list zijn dingen, die
het vreemd zijn, en daarom moet ieder jongeling, die zijn
vaderland liefheeft, de heilige roeping volgen, om trouw te
zijn en leugen en bsdrog te mijden.
Maar in onze dagen wordt de klacht gehoord, dat de oude
Hollandsche getrouwheid in handel en wandel niet meer vast-
staat, dat in hare plaats menigmaal vervalsching, woeker-
winst, leugen en gedrog zijn gekomen, ja, dat de ontrouw
reeds begonnen is, de teederste en innigste betrekkingen
tusschen vrienden, tusschen ouders en kinderen, tusschen
overheden en onderdanen te vergiftigen. Dat zeggen niet
18
-ocr page 286-
274                                          trouw.
blinde lofredenaars van den goeden ouden tijd, maar dat
zeggen zij, die het goede, dat de tegenwoordige tijd aanbiedt,
zeer wel op prijs weten te stel len, en van ganscher harte
behooren tot onze eeuw. En waarlijk, wie een onbevooroor-
doelden blik werpt op de bewegingen van den hedendaag-
schen tijd, die kan niet ontkennen, dat deze klachten ge-
grond zijn. Met de trouw des geloofs is bij ons ook de trouw
in handel en wandel aan het wankelen gebracht, evenals om-
gekeerd ten tijde van onze vaderen trouw in aardsche en
trouw in hemelsche zaken elkander wederkeerig steunden en
bevorderlijk waren. De kostbare parel der trouw is, Gode zij
dank! nog niet verloren gegaan ; nog vindt zij eene plaats in
het paleis der vorsten, in de huizen der burgers en in do
hutten der armen; maar haar glans is dof geworden, zij heeft
leelijke vlekken gekregen. Het is nu voornamelijk de taak
der jeugd, om deze vlekken uit te delgen door van hun
kant alle ontrouw, oneerlijkheid en leugen te mijden, door
beslist vast te houden aan trouw en geloof, het hunne er
toe bij te dragen, dat de oude roem der trouw ons volk weder
worde toegekend.
Zulk een patriotisme, dat het tot zijn eersten plicht rekent,
de vaderlandsche deugden te beoefenen, houdt ook stand
in de zware tijden der beproeving, en gelooft dan aan eene
toekomst voor zijn vaderland, ook al kan het haar niet zien.
De tijden van vernedering voor land en volk kunnen weder-
komen — en dan zal men aanschouwen, wat ware vaderlands-
liefde is. Wanneer gij eenmaal in staat zijt, zelfstandig over
den politieken gang der gebeurtenissen te oordeelcn, kun-
nen er dingen in het land gebeuren, die gij diep moet be-
treuren of verafschuwen, die lijnrecht in tegenspraak zijn
met uwe idealen, die gij niet anders kunt beschouwen, dan
als een verderf voor het land en de inwoners. In zulke dagen
van uiterlijk ongeluk, of wat nog erger is, van inwendige
dwaling en verwarring, moet gij niet moedeloos de hand
in den schoot leggen, niet vertwijfelen aan uw vaderland,
het niet toornig den rug toekeeren, of zelfs vervloeken, niet
-ocr page 287-
GELOOF AAN \'T VADERLAND.
275
door woeste ongeregeldheden een beteren toestand met ge-
weld tevoorschijn willen roepen, maar met een sterken en
stillen geest wachten, hopen, geduldig zijn, werken en zorgen,
en als het noodig is ook zwijgen, lijden en bidden: dat is het
patri tisme in zijn schoonsten vorm en zijn edelste gedaante.
Gij zult zoo kunnen handelen , wanneer gij gelooft in een
God, die de volkeren, evenals de menschen, op velerlei wijzen
opvoedt, hen voert op raadselachtige wegen, als wilde Hij
hen rechtstreeks in het verderf voeren; maar toch altijd
laat Hij na den nacht het licht weder over hen opgaan. Het
is een slecht patriotisme, wanneer men in donkere dagen,
als alles verkeerd schijnt te gaan, zich ontevreden afwendt,
of de stormklok luidt tot den opstand, of uit het land gaat,
en van Amerika uit het vaderland slecht tracht te maken.
Wie dat doet, die heeft zijn vaderland nooit recht liefge-
had, maar alleen zichzelven; het vaderland was hem een
middel om zijn bijzondere doeleinden te bereiken, en toen
dit middel hem niet meer dienen kon, wierp hij het toornig
van zich. Deemoedig, onbaatzuchtig: dat is het kenmerk
van de ware liefde tot het vaderland. Zij zoekt zichzelve
niet, zij wordt niet verbitterd, zij bedekt alle dingen, zij
gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle
dingen. Zij verheugt zich met het blijde, zij weent met het
weenende vaderland. En als in het land een booze geest
macht verkrijgt, zoodat de geliefde gelaatstrekken van het
volk vreemd en onheilspellend worden, dan houdt de ware
vaderlandsliefde toch niet op, maar wacht in den gebede
op betere tijden, wanneer de blinddoek zal weggenomen
worden van de oogen des volks en het weder tot zijn goede
oude gebruiken terugkeert. En Gode zij dank! sedert ons volk
zijne plaats in de geschiedenis inneemt, heeft het na tijden
van dwaling en van vervreemding, toch weder den weg
teruggevonden tot hetgeen het naar Gods wil moest zijn en
worden.
-ocr page 288-
XVIII.
EEUWIGE JEUGD.
Wij zijn nu het einde van onzen tocht genaderd. Uitgaande
van hetgeen in de heilige, ernstige stilte van het hart ontwaakt
en het hart van den jongeling verbindt met zijn God en Hei-
land, hebben wij rondgezien in alle verschillende toestanden
en voorvallen, waarin hij komen kan, om daar zijn bepaalde
plaats te vervullen. Eerst trokken wij onze grenzen dichter,
en vervolgens altijd verder, tot wij eindelijk kwamen bij de
groote gemeenschap der volkeren, waartoe ook hij behoort
en welke hij naar zijn vermogen moet dienen. En wat zal
nu de eindpaal zijn van onzen tocht?
Het is een oude klacht, dat de jeugd snel vergaat als eene
roos. Dit is eene waarheid, die ook ernstig is uitgedrukt in
het geopenbaarde Woord van God. »De dagen des menschen
zijn als het gras, gelijk eene bloem des velds, alzoo bloeit
hij. Als de wind daarover gegaan is, zoo is zij niet meer,
en hare plaats kent haar niet meer."
Dit is een feit, dat onbetwistbaar vaststaat. Maar wat doet
gij met dit feit? Wat denkt gij er van? Menigeen is spoedig
-ocr page 289-
277
KORTE BLOEI DER. JEUGD.
met zijne gevolgtrekking gereed. De jeugd is zoo kort en
vluchtig, men moet den beker ledigen, terwijl hij bruist, de
roos pi ikken, vóór zij is uitgebloeid. Dan moet de korte duur der
jeugd gelden als een vrijbrief voor het wildste, overmoedigste,
naar genot jagende, en zelfs het lichtvaardigste leven. Men
zegt nog niet: »Laat ons eten en drinken, want morgen ster-
ven wij," maar wel: »Laat ons vroolijk en goedsmoeds zijn ,
want morgen zijn wij oud." Maai\' zijt gij doordrongen van de
gedachte, dat de dagen der jeugd heilig zijn, dan zullen
zulke gedachten, woorden en daden verre van u blijven.
Jeugd is lente, ja, verblijd u daarom in uwe jeugd, want
niet voor niets heeft God de lente vervuld met lust en
vreugde, zoodat alles dan juicht en zingt; maar het voorjaar
is ook de zaaitijd, en waar geen zaad is, daar groeit niets
in den zomer en heeft men geen oogst in den herfst. En
evenmin zult gij u aansluiten bij hen, die zonder nadenken
en stompzinnig hunne jeugd zien voorbijgaan, niet eens ge-
voelend dat zij jong zijn en bij het vlieden hunner jonge da-
gen hoogstens de schouders ophalen, en zeggen: »Wat zal
men er aan doen? Het is nu eenmail \'s werelds loop." Neen,
een betere, hoogere gedachte moet uwe ziel vervullen in
de lente van uw leven: ik wil mijne jeugd vasthouden, zij
zal mij begeleiden tot in den dood. Wat heilig is, mag niet
vluchtig zijn. Is mijne jeugd heilig, dan moet zij ook langer
duren dan een oogenblik.
Die gedachte schijnt te stout en berust toch op de waar-
heid. Gij kunt niet verhinderen, dat uwe jaren heenvlie-
gen, dat gij bij eiken geboortedag een cijfer voegt bij uwen
ouderdom. Dat uwe lichaams- en zielskracht, wanneer zij
langen tijd op dezelfde hoogte gebleven is, eindelijk weder
verzwakt, dat is evenzoo de natuurlijke gang der zaken; en
de gelukkigen zijn zeldzaam, die de kracht van lichaam en
ziel onverzwakt bewaren tot in hoigen ouderdom. Maar, zoo
sprak eenmaal een nog krachtig grijsaard, woont dan de geest
in het vleesch of is hij er zoo mede verbonden, dat ook hij
eene mummie wordt, wanneer het lichaam verstijft? Wat tot
-ocr page 290-
278                                   TWEEËRLEI OUniïIlDOM.
het lichaam behoort, moge er mede veranderen, maar wan-
neer de zinnen stomp worden, dan wordt de herinnering ook
doffer, dan wordt menige vreugde en menige genieting zwak-
ker. Maar is dit het leven des geestes? Hangt de kracht van
den wil af van de sterkte der spieren ? Van het merg der
beenderen? Van den moed en het gevoel van gezondheid? Of
moet, opdat ik liefhebbe, het bloed, dat reeds langzaam
vloeit, in sneller vaart gedrongen worden door zijn nauwe
gangen? Met andere woorden: Kan men zich alleen di\'in jong
gevoelen, wanneer men jeugdig is in jaren?
Daar is een groot onderscheid tusschen den eenen ouder-
dom en den anderen. Daar ziet gij iemand, die zichzelven
eerst en vervolgens anderen zoekt te misleiden omtrent den
naderenden ouderdom; in kleeding en manieren doet hij het
jonge volkje na, en wanneer die kunsten hem dan in den steek
laten en hij ondanks alle bedriegerijen bemerkt, dat hij oud
is en oud wordt, dan stort plotseling zijn gansche veerkracht
in, en hij wordt veranderd in een knorrigen, suffen grijsaard,
die de jeugd niet meer begrijpt en slechts gedurig er over
zucht, dat de wereld altijd slechter en ondankbaarder wordt,
en dat in zijne jeugd alles veel beter was. Daar is een ander,
die ook reeds den last van vele jaren op de vermoeide schou-
ders draagt, maar van binnen nog frisch en helder van geest
is. Wat do haiten der jeugd beweegt, dat vindt ook een
weerklank in zijn gemoed, maar kalmer, gematigder, zooals
liet past voor den hoogeren ouderdom; het vuur is bij hom
nog niet uitgebluscht; wanneer iets zijne ziel vervult, dan
vloeien woorden vol geestdrift over zijne meestal zwijgende
lippen en zijn oog straalt in den glans der jeugd. Wat houdt
hem jong tot in zijn laatste levensjaren? Zou het daarvan
komen, dat hij het in zijn jonge jaren goed gehad heeft, en
dat hij zijne kracht niet moest verspillen in moeielijkheden
en zwaren strijd? Maar hoe dikwijls is de feestavond des te
schooner en vroolijker, naarmate de arbeid van den dag
zwaarder was, en hoe menigmaal is het avondrood helderder
en rijker aan kleuren, naarmate de dag stormachtiger was?
-ocr page 291-
HET GEHEIM EENER EEUWIGE JEUGD.                      279
En omgekeerd, hoe dikwerf staat een verdrietige ouderdom
aan het einde eener jeugd vol zorgeloos genot! Neen, het
geheim van de eeuwige jeugd eens menschen ligt in iets an-
ders, het ligt in hem zei ven.
Hij heeft in zich iets eeuwigs, dat boven de wisseling dei-
jaren is verheven en niet door den tand des tijds wordt aan-
gerand. Dat werkt bij hem als een van die wonderdranken,
waarvan men veihaalt, dat zij dood en verderf, ja zelfs de
gebreken des ouderdoms verre hielden; als dat kleinood uit
die Duitsche heldensage, dat zulk eene levenskracht in zich
verborg, dat hij, die het aanzag, nooit den blos der gezond-
heid verloor, dat zijne haren nooit wit werden, al zag hij
het ook aan gedurende honderden jaren. En wat is nu
dat kleinood, dat eeuwige, dat zulk een verjongende kracht
op den gehcelen mensen uitoefent? Van nature is het een
ieder eigen, zoo zeker als zijn geest een ademtocht is uit
het onsterfelijke leven van den eeuwigen God. Ja, onze geest,
die lichtstraal van Gods heerlijkheid , die drop uit de godde-
lijke levensbron, die zin en aandrang voor het eeuwige,
goddelijke, ideale — dat is het, wat de wisselingen der tijden
weerstaat, dat is het element der jeugd in ons. lader mensch
heeft dezen aandrang in zich, maar niet ieder kweekt hem
aan, niet ieder geeft hem, wat hem toekomt; en dat is de
reden, waarom niet elkeen in staat is jong te zijn en te
blijven.
En het is van belang juist in de jeugd den grondslag der
eeuwige jeugd te leggen. Als gij uw tijd, uwe kracht, uwe
belangstelling alleen wijdt aan hetgeen de golven van den
tijd met zich voeren, aan het genot van het oogenblik,
aan onnutte vermaken, aan genot, vroolijkheid of gemak,
en wanneer gij daardoor nalatig zijt in het aankweeken van
lust en verlangen naar het eeuwige en hemelsche, dan kan
het niet anders, of de jeugd gaat met de jonge jaren voorbij,
met de kracht der spieren vergaat de vastheid van den wil,
de moed met de gezondheid, de vreugde met de oppervlak -
kige, voorbijgaande genoegens, en de ouderdom wordt eenzaam,
-ocr page 292-
280
VERJONGENDE KRACHT DF.R IDEALEN.
verlaten, vreugdeloos en treurig. Maar kweekt gij in uwe
jeugd den zin voor het eeuwige en onvergankelijke aan,
maakt gij er u eene gewoonte van, om uw grootste vreugde
en beste kracht te putten uit hetgeen tot den geest be •
hoort, uit het gebied van hetgeen onzichtbaar en boven
den tijd verheven is, dan zullen vreugde en opgewektheid,
veerkracht en frischheid van geest a van uwe jeugd af bege-
leiden naar uw ouderdom, en uw hoofd kronen met onver-
gankelijke jonkheid. Zóo is het bekende feit te verklaren,
dat zij, die alleen voor genot leven, zoo spoedig verwelken,
niet slechts uit- maar ook inwendig, terwijl menseden, die
zich naar het ideaal richten, hunne frischheid van geest tot
in hoogen ouderdom bewaren. De idealen zijn het, die jong
doen blijven, de idealen van het ware, het goede, het waar-
lijk schoone en edele.
Maar zij oefenen niet daardoor hunne verjongende kracht
uit, dat uwe verbeelding en uw gevoel in het voorbijgaan
door hen worden opgewekt en vervuld, niet daardoor, dat gij
in het wilde dweept met het ware, goede en schoone in het
algemeen, maar gij moet die idealen opnemen in het diepste
van uw hart, in het middenpunt van uw leven , en niet door
een plotselinge opwelling van gevoel, maar door een kracht-
tige, energieke daad van uw wil. Gij moet hen niet slechts
in stilte vereeren, maar uw leven naar hen vormen; niet
alleen in uw hart een altaar voor hen oprichten, dat met
blo3men versieren en goede indrukken er op olferen, maar
met woord en daad hen belijden. Met het kleven aan de
idealen moet een afschuw gepaard gaan van alles wat laag
en gemeen is, van al het onedele en Ieelijke, van leugen
en bedrog, en vóór alles een ernstige strijd tegen deze vij-
anden in uzelven, en vervolgens, voor zooveel het noodig is
tegen allen, met wie gij in aanraking komt. Dan slechts zullen
de idealen gedurende uw gansene leven hun verjongende
kracht behouden.
En nu nog eene schrede verder. Waar komen alle ware
idealen in samen? Waar is hun punt van eenheid, de waar-
-ocr page 293-
LEVENSKRACHT IN GOD.                                       28 l
borg hunner echtheid en van hunne verwezenlijking op aarde?
Nergens anders dan in God zelf. Neem den persoonlijken God
weg, dan worden alle idealen bleeke schimmen, zonder vast-
heid, zonder steun, en zij verdwijnen in de lucht. God is het,
van wien zij kracht, steun en waarde ontvangen. En als wij
dan bedenken, dat in ons, naast een zin voor het ideale ook
een trek naar het lage en zondige leeft, naast den geest ook
het vleesch — waar zullen wij dan de kracht ontvangen, die
onzen geest sterk genoeg maakt om het vleesch te overwin-
nen en door te dringen tot het rijk van den Eeuwige, in
het land der altooslurende jeugd? Van wien anders, dan van
den eeuwigen God, uit wiens leven onze geest is voortge-
komen en van wien hij steeds zijn voedsel en zijne kracht moet
ontvangen? Daarom, hebben wij vroeger gezegd: »De idealen
zijn het, die jong doen blijven, en trouw te zijn aan hen is
het geheim der eeuwige jeugd," nu gaan wij verder en zeggen:
Hij, die de idealen in zich vereenigt, hun kracht en waar-
heid en leven geeft, is God, en daarom is gemeenschap met
God de sleutel tot den hof, waarin de bloesem en frischheid
der jeugd onvergankelijk bloeien. Wie wil opgroeien, moet
staan in de voorhoven Gods, in zijne gemeenschap. Hij is
het, die uw hart verheugt, zoodat gij verjongd wordt als
een arend.
Zie op den top van den berg Nebo dien grijsaard, die den
last van honderd twintig jaren op de schouders draagt. Hij
heeft geen staf noodig, om er op te leunen, want zijne kracht
is niet verzwakt. Vrij en scherp dwaalt zijn blik in de verte;
nog is hij niet verduisterd; nog overziet hij het uitgestrekte
land, dat vóór hem ligt uitgebreid, tot aan de blauwe zee,
tot aan de met sneeuw bedekte bergtoppen. Het is Mozes,
de man Gods, die hierboven voor de eerste en laatste maal
het land overziet, dat aan zijn volk is beloofd, om dan het
oog te sluiten, het hoofd te buigen en in te gaan in zijne
ruste. Vanwaar heeft hij die onverzwakte kracht, die jeug-
dige frischheid, dat heldere en schitterende oog in zulk een
hoogen ouderdom ? Hoe komt het dat de dood, welke hem
-ocr page 294-
2S2
M1ZES\' JEUGD EX OUDERDOM.
nu nadert, geen venveerden hollen istam vindt, maar een
krachtigen eik, met gezonde takken en groene bladeren? Waar-
lijk, zijn leven was niet gemakkelijk, want hij was geplaagd,
meer dan eenig mensch op aarde; en de zorg voor een hardnekkig
volk, dat moeielijk te leiden was, hem veertig jaren lang
opgedragen. Het zou geen wonder zijn geweest, als de kracht
van zijn lichaam en geest langzamerhand was verminderd,
vooral op die jaren, die reeds op zichzelven, zonder eenige
moeite of arbeid, de kracht van den mensch verzwakken. Dat
goede vrienden, trouwe helpers en medearbeiders nu en dan
zijne kracht vernieuwden, zijn moed hadden versterkt, wan-
neer die hem ontzonk, daarvan is ook niets bekend. Integen-
deel weten wij, dat zelfs zij, die hem het naast bestonden, op
wier hulp hij moest kunnen rekenen, hem in beslissende
oogenblikken niet tot steun waren; dat Aüron hem bij zekere
gelegenheid alleen liet en zijne zuster Mirjam tegen hem op-
stond. En toch, ondanks alles, wat hem moest verzwakken,
vervult hij tot op het laatste oogenblik zijn zware taak ge-
heel en al, hij zingt tot afscheid nog een lied vol geestdrift
en kracht, en beklimt eindelijk alleen, zonder menschelijke
hulp, de steile hoogte van den Nebo tot op den top.
Vanwaar had hij die onverzwakte, jeugdige kracht? Men
mag wel zeggen: liet was de toewijding aan zijne taak, de
liefde tot zijn volk, de geestdrift voor de patriotische idealen
van vrijheid en roem zijner jeugd, die hem sterk deden blijven.
Wat aan deze idealen onrijp, zelfzuchtig, duister en onrein
was, was er van weggedaan, toen hij na de eerste mislukte
pogingen om ze te verwezenlijken, veertig jaren lang als herder
in de eenzaamheid geoefend werd in geduldig zijn en wachten.
God had toen als het ware zijne vrijheidsidealen verbroken,
om ze hem bij zijne beklimming van den Horeb gelouterd,
gereinigd en tot rijpheid gebracht terug te geven. Zoo kan
men toch zeggen: Het waren de idealen zijner jeugd en de
trouw aan hen, die hem jong deden blijven; maar vanwaar
kreeg hij de kracht, om vast te houden aan die idealen?
Waardoor werd altijd weder zijn geloof aan de toekomst van
-ocr page 295-
283
EEUWIGE JEUGD.
zijn volk gesterkt, dat zich steeds toonde van zijn meest
verdorven en slechtste zijde? Vanwaar had hij dat ideale
gezichtspunt bij de beschouwing en beoordeeling van het
hem toevertrouwde volk, zoodat hij niet alleen aanzag, wat
voor oogen was, maar hetgeen het naar het goddelijk ideaal
moest worden? Vanwaar vloeide hem die liefde, die opoffe-
ring, die geestdrift toe, die hem jong en krachtig deden
blijven? Nergens anders dan uit zijne gemeenschap met God,
uit zijn geloof aan Gods belofte, uit zijn vertrouwend op-
merken van hetgeen God reeds aan het volk gedaan had.
Ja, dat was zijn ideaal standpunt, dat hij het volk en zijn
werken onder het volk niet met de oogen der menschen,
maar met Gods oogen beschouwde, orrdat hij geheel in God
leefde en zich bewoog. Dan zag hij niet het hardnekkige,
ongehoorzame, wederspannige volk, dat hij dagelijks voor
zich had, maar de ideale gedaante van het volk, versierd
met de beloften Gods; hij zag niet den gapenden afgrond
tusschen het ideale doel van het volk en de treurige werke-
lijkheid, maar de hand Gods, die beiden, ideaal en leven,
krachtig omspant en er voor zorgt, dat ondanks alles altijd
de groote goddelijke idealen in het leven van enkele men-
schen, zoowel als van gansche volkeren, worden verwezenlijkt.
Dat houdt de ziel frisch, den moed levendig, den wil krachtig,
den geheelen mensch jung.
Wie in God leeft en met goddelijken blik de dingen be-
schouwt, die staat op het ware, ideale standpunt, die blijft
trouw aan zijne idealen, en hem blijven ook zijne idealen
trouw, zoodat hij in den geest niet ouder wordt, al worden
zijne dagen en jaren hier op aarde meer in getal. »Dit
heb ik gegrepen," staat er geschreven in een diepzinnige
alleenspraak over jeugd en ouderdom, »en nooit zal ik het
loslaten; dan m zie ik glimlachend het licht der oogen verduis-
terd worden en het witte haar verschijnen tusschen de blonde
lokken. Niets van hetgeen gebeuren kan, beklemt mij het
hart; de polsslag van het innerlijke leven blijft krachtig tot
in den dood."
-ocr page 296-
284                                  HET EEUWIGE LEVEN.
En nog schooner heeft Uhland een zoo geheiligde, jeug-
dige grijsheid geteekend met het vers:
Mag ook het lied aan \'s levens avonds zwijgen,
Toch ziet de geest nog heiige sterren stijgen.
Het zijn dezelfde sterren, die in een heilige jeugd reeds
den jongeling straalden in het hart, en hem, als hij haar
volgde, den weg wezen naar het kindeke, dat wij als Gods
Zoon aanbidden.
Ja, tot over dood en graf draagt ons de wiekslag der
jeugd. Wien het verval van lichamelijke krachten, zooals dat
in den ouderdom plaats grijpt, de jeuad en de frischheil van
den geest niet kan ontrooven, die heeft zijn innerlijk leveD
daardoor onkwetsbaar gemaakt voor den dood, want het be-
wijs is geleverd, dat zijn innerlijk wezen verheven is boven
de wisseling en het vergaan der dingen. Niet slechts is jonk-
heid tot in den ouderdom en tot aan den dood zijn deel,
maar zelfs de eeuwige jeugd. God is geen God der dooden,
maar der levenden. Hij, met wien God eenmaal in persoon-
lijke gemeenschap van geest en leven is getreden, heeft daar-
door ook het zegel der onsterfelijkheid ontvangen. Het voor-
hoofd , dat door Gods vinger is aangeraakt, is geteekend
met het merk der eeuwigheid, en voor dit teeken sluiten zich
de poorten van den dood en openen zich de deuren van het
eeuwige leven. Dan wordt het avondrood van dit aardsche
leven de morgenschemering van het eeuwige; dan worden
de sneeuwvlokken, die de late herlst uitstrooit, de voorboden
van een groot, zalig, heerlijk Kerstfeest.
De jongen worden moede en mat, en de jongelingen strui-
kelen. Maar die op den Heer vertrouwen, vernieuwen de
kracht, zoodat zij opstijgen met de vleugelen van een arend.
Vlieg dan naar boven, jonge adelaar! Op de hoogten woont
de vrijheid!
-ocr page 297-
INHOUD.
Inleiding ...........           1
I.   Ideaal, geloof en bijbel .......          5
Innerlijke tweestrijd 6. Oplossingen 7. Schuld 9. Aanvallen
tegen liet geloof 10. Wat is redelijk? 12. De twijfel 13. De
bijbel 17. Duitsebe heroën en het Christengeloof 22.
II.   Karakter en vrijheid. ..... . . 25
Temperament 26. De Godsgedachte in de mensehelijke per-
soonlijkheid 28. De zonde 30. Onvolmaaktheid 31. De zede 32.
Het geweten 33. De tien geboden 35. Diepste kracht tot ka-
raktervorming 30. Gezindheid en karakter 37. Vrijheid 38.
Wat is vrijheid? 40.
III.   Welzijn van \'t lichaam ....... 42
Matigheid 44. Kuischheid 45. Weekelijkheid 48.
IV.   Vorming van den geest ....... 49
Domheid 50. Begaafdheid 51. Ons beroep 52. Vorming der
fantazie 53, Lectuur 54. Romans 55. Vorming van den geheelen
mensch 67. Vorming door den bijbel B8. Goede manieren 6!.
Bescheidenheid 62.
-ocr page 298-
IXHorD.
V.   HtT BEBOEl\'SLEVBN......         .          .         .         64
Arbeid 05. Keus van een beroep 67. Kinderlijke gehoorzaani-
heid 70. Albrecht Dürer71. Livingstone 72. Perthcs 73. Eigen
hulp en Gods hulp 74. Ontevredenheid met het beroep 75.
Trouw in \'t beroep 70. Trouw en ontrouw 77. Halftrouw 78.
Stiptheid 79.
VI.  Tun en oei.d.........82
Korte duur van den tijd 83. Indeeling van den tijd 84. Be-
steden van den tijd 86. Ontspanning 87. Geld 89. De onrecht-
vaardige mammon 90. Wie is rijk? 91. Arm en rijk 92. Spaar-
zaamhcid 93. Liefdadigheid 95.
VII.  De zondag..........98
De Zondag voor het hart 101. Zondag en Sabbat 102. Licha-
niclijke Zondagsrust 103. De Zondag van geest en hart 104.
De Zondagsrust in God 105. Opbouwing 106. Kerk in de
vrije natuur 107. Avondmaalsviering 108. De Zondag maakt
de week 109.
VIII.   Vermaken.........110
Eenvoud in \'t vermaak 112. Eenvoudigheid 113. Genoegens
114. Dansen 115. Bals 119. De schouwburg 120. Schillerover
het tooneel 121. Het tooneel 122. Wat mag en niet mag 127.
IX.  Gevoel van eer en eerzucht ...... 129
Eer 130. Persoonlijke eer 131. Wat iseer?132 Eeren plicht
133. Ieder zijne plaats 134. Wat is „gemeen?" 135. Laagheid
137. Lafheid 138. Eerzucht en zelfzucht 139. Valsche eerzucht
140. Ware roem en kracht 141.
X.   Het gebed..........142
Het gebed bij de heidenen 143. Het noodgebed 144. Het
smeekgebed 145. Gcbcdsvcrhooring 147. Gebed en aanbidding
149. Lof en prijs 150. Gebed met hart en mond 151. Het
uitgesproken gebed 152. Gebedsuren 153. Stof tot bidden 154.
Tijd tot bidden 155. Gebedenboeken 156.
XI.   De achting toob anderen ....... 158
Mcnschenverachting 159. \'s Mensehen waarde 160. Verleiding
en ergernis 162. Achting voor \'t geweten van anderen 163.
Scheldwoorden 164. Beleefdheid 165.
-ocr page 299-
INHOUD.
XII.  De waarheidsliefde........167
Leugen 168. Zij maakt onbruikbaar 169. Moet men altijd de
waarheid spreken? 170. Liegen in kortswijl 172. De noodleugen
173. Wat is ecne noodleugen ? 174. Zij is gevaarlijk 175. Lengen
uit beleefdheid 176. Woord houdeu 178. Noodeloos zwoeren 180.
Misbruik van heilige namen 181. Vloeken 183
XIII.   Dankbaarheid. ........ 1SI
Vanwaar de oudank? 185. Haat uit ondankbaarheid 186. On-
dank verwoest het karakter 1S7. Dank — geen handelszaak 188.
Dankbaarheid in \'t kleine 189. Ootmoed in het danken 190.
Wat is piëteit? 191. Gebrek aan piëteit 193. Vanwaar\'t gebrek
aan piëteit? 194. Hoe openbaart zich de piëteit? 195. Tegen
stroom. 190.
XIV.   Vrede en onvrede .....          . . 198
Vermijd geschillen 199. Het verdragen van beleedigingen 200.
De kunst van zwijgen 201. Kwaad werkt kwaad 202. Het duel
203. Vergevcnsgczindheid 206. Hoe vaak vergeven? 207. Niet
rekenen! 208. Aan beide zijden schuld 209. Verzoening 210.
Liefde tot vijanden 211. Vijandsliefde in den oorlog 213.
XV.  Vriendschap.........215
A\'riendschap en gezelligheid 210. Vriendschap in de jeugd 217.
Wederzijdsche aanvulling in de vriendschap 218. Harmonie in
de vriendschap 220. Vrijheid en geloofsecuheid in de vriend-
schap 222. Beroemde vrienden 221. Trouwe vrienden 226. Op-
rechtheid 228. Gezelligheid 230. Keus van een gezelschap 231.
Reinheid in de dagelijksche gesprekken 232. Deugden in den
dagclijkschen omgang 234.
XVI.  Familieleven en iiuisgenouten.....233
Gehoorzaamheid en liefde 239. Het familieleven 240. Het
vijfde gebod 241. Plaats van dit gebod in bijbel en geschiede-
nis 242. Eeren en liefhebben 244. Vader en moeder 245. Op
welken grond rust het vijfde gebod? 246. Vertrouwelijk met
de ouders 243. Zegen en grenzen van de gehoorzaamheid 250.
Gehoorzaamheid en eigen verantwoordelijkheid 262. Gods zegen
254. Het leven met broeders en zusters 255. Broeders en zusters
256. De oudste broeder 259. Dienstbaren 260. Dieren als huis-
genooten 262. Dierenkwellen 263. Het zuchtend schepsel 264.
-ocr page 300-
INHOUD
XVII. Vaderland.........265
Ons dierbaar vaderland 267. Wat behoudt liet vaderland? 268.
Gehoorzaamheid aan de wet des lands 269. Revoluties 270.
Krijgsdienst 271. Trouw 272. Geloof aan \'t vaderland 275.
XVIII.   Eeuwige jeugd.........276
Korte bloei der jeugd 277. Tweeërlei ouderdom 278. Het
geheim eencr eeuwige jeugd 279. Verjongende kracht der idealen
280. Levenskracht in God 281. Mozes\'jeugd en ouderdom 282.
Eeuwige jeugd 283. Het eeuwige leven 28-4.