-ocr page 1-
-ocr page 2-
Ynm^l^j^
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
«f
^7/
SFURTr^<b*
•tfffft*^
ZIELESTRIJD EN ZIELKVREDE.
-ocr page 6-
-flj
,81
-ocr page 7-
/(£ £ v-.ti.
ZIELESTRIJD en ZIELEVREDE. \'
OTTO FUNCKE,
Predikant to Breinen,
Schrijver van: ,, Waak op mijn ziel" en „Paulus te Water en te Land"
OPGEDRAGEN AAN PROFESSOR ü\'. J. J. VAN OOSTERZEE.
VERTAALD DOOR
H. C. H. REYERS.
TWEEDE DRUK.
—■&t
ROTTERDAM,
D. BOLLE.
-ocr page 8-
MJ.MUUK.V. — 3KBI.l\'ER8DRl>li TAK H. C. A. THI1.MK.
-ocr page 9-
ZIJNEN VADERLIJKEN VRIEND,
DEN HEKR
5J0HANNES yJACOBUS VAN QoSTERZEE,
THEOLOGE DOCTOR
KN
GEWOON HOOGLEERAAR AAN DE UNIVERSITEIT TE UTRECHT
RlDDEB VAN ONDERSCHEIDENE ÜKDEN,
-ocr page 10-
WORDT DIT HOEK MET DANKBAARHEID EN LIEFDE
OPGEDRAGEN
DOOR
Fsai.m                                                                       Den Schrijver.
12\'2 : 1—3.
-ocr page 11-
VOORREDE.
Het land is vol preeken, en deze hier, die thans haren loop
beginnen, staan in menig opzicht ver beneden vele, die reeds
lang in omloop zijn. Zij maken er geen aanspraak op, orato-
rische meesterstukken en modelwerken te zijn ; zij dragen
ook geene nieuwe scheppende denkbeelden voor, die het
raadsel der wereld konden oplossen, maar de eeuwig oude
goddelijke waarheden. Nochtans wagen zij het, openlijk in het
licht te verschh\'nen.
„Maar, waarom dan, daar er toch zoo vele goede preeken
zijn?" — Nu, ieder vogeltje, dat God schiep, heeft zn\'n eigen
lied. Zoo heeft ook iedere dienstknecht van den hemelschen
Koning zijn eigenaardig talent ontvangen, en ook mij heeft
God er een van een bijzonderen stempel gegeven. Die preek-
manier is in \'t geheel niet voor allen, maar toch voor velen,
en voor menigeen is slechts deze geschikt. Wel weet ik, dat,
hoe eigenaardiger eeno wijze van sproken is, zij ook des te
lichter ontaardt en geheel verwerpelijk wordt en dat men dus
daarbij met verdubbelden ernst behoort te waken en te bid-
den (*). Maar het is toch eene eigenaardigheid, die ook haar
(*) Den verschillenden Duitschen recensenten, die in de beide laatste jaren
iriyne schrijfwijze zoo scherp onder het nies hebben genomen, betuig ik bij dezen
mijn hartelijken dank. Onverschillig om welke reden zij zoo scherp waren, — ik
heb daarb\\j iets geleerd, en ik denk, dat zij \'t ook bemerken zullen, indien lij
-ocr page 12-
VIII
recht heeft en mh\' door God gegeven is, en allerlei netten
zijn noodig om allerlei vissohen te vangen. En zoo waag ik
het dan en laat op mfjne overige schriften dit eerste bun-
deltjo preeken volgen. — Bijna moet ik mij verwonderen, dat
ik het nu eerst doe, want God weet en ook mijne gemeente
weet, dat ik eiken Zondag van den kansel het beste geef,
wat ik geven kan. De preek-uron zijn de hoogste punten van
mijn inwendig en uitwendig loven. Alles, wat gedurende de
geheele week in lief en leed, in strijd en vrede mijne ziel
in beweging brengt, smelt hier zijne klanken inéén, vindt
hier zijne eenheid, harmonie en verzoening.
Deze tegenwoordige preeken nu (ja al mijne preeken) hebben
een geheel herderlijk, psychologisch en alzoo persoonlijk
karakter, gelijk dan ook vooral het herderlijk werk de ziel van
mijn ambtsleven is. Zoo is haar toon dan vrij, vertrouwelijk,
hartelijk, inzonderheid ook tot hot geweten gericht, onver-
biddelijk in de gewetens indringend. Dit zal voor velen zeer
onaangenaam zijn; andoren zullen den „kanseltoon", den plech
tigen „pathos", de „hoogere vlucht" er in missen. Zij zullen
het afkeuren, dat ik overal de waarheden des Bijbels, die op
de eeuwigheid betrekking hebben, door voorbeelden, gelijke-
nissen
en geschiedenissen, zooals ze het dageUjkscho leven
aanbiedt, vertolk en opheldor. Ik verdedig dit verder niet,
het is nu mijne manier, de voor mij door en door natuurlijke
manier. Wien de spijze niet behaagt, kan zo immers laten
staar., maar hij wachte er zich voor, datgene „gekunsteld
en gezocht" te noemen, wat boven of beneden zijn eigen
horizont ligt, of wat niet met de mode overeenkomt. Ik voor
mijn persoon beschouw den Heiland niet slechts als mijn
zedelijk voorbeeld, maar ook als mijn voorbeeld in het pre-
willen en dun weten z\'u\' ook, dat mijn dank geheel eerlyk en hartelijk geineend
is. Ik wilde eerst aan hen, namelijk juixt aan de critici, deze preeken updrwjen,
en ik heb dit -dechts nagelaten, omdat men dit lichtelijk, hoewel „uk ten onrechte,
als ironie beschouwd /oude hebben.
                                               D* Schrijver.
-ocr page 13-
IX
dikeut en zoo stroef ik or naar, ofschoon dan ook mot een
gering gevolg, om Hom ook hiorin steeds moer gelijk to
worden.
Maar ook do bepaald Bremensche kleur dezer prookon heb ik
niet trachten uit to wisschon, ofschoon zij, goln\'ktndig mot
deze Duitsche uitgaaf, in verscheidene andere talon vcrsclnj-
nen. Ik bedoel met deze Bremenscho kleur dit, dat do strijd
togen het moderne Christendom overal doorklinkt. Wij zijn
hier in Bremen toch op kerkelijk gebied zoo verbazond „voor-
uitgegaan", als nergens in Dnitschland. Wij hebbon hier
het hoofdkwartier vah den linkervleugel van het Protes-
tantenbond, en door de liberaliteit onzer kerkelijke over-
heid mag op onze kansels ieder prediken wat hem goed-
dunkt, hoewel het ook lijnrecht tegen iedor artikel dor ker-
kelijko geloofsbelijdenis inloopt. Zoo vorkeeren wij hier dan
in een mooielijkon strijd, die in dit opzicht tegenwoordig
nog spociflek-Bremensch is. Maar ik bon overtuigd, dat dezelfde
vijand voor de deuren van alle evangelische kerken loert en dat
hij or ook zal binnenkomen, en zoo heb ik niets weggelaten
van hetgeen ik mot het oog hierop gevestigd, bestrijdend en
waarschuwend gezegd heb. Kortom, de preekon zijn juist zoo,
als zij uitgesproken zijn; daarom zijn zij ook wat lang, daar
wij hior helaas niets, in het geheel niets van een Liturgie
hebben. Wie ze te lang vindt, dio zal zien, dat zn\' zoo
ingoricht zn\'n, dat men gemakkelijk ophouden en weder begin-
nen kan.
Wat verder de toehoorders betreft, zn\' bestondon geenszins
alloon uit dezulken, die in het strong-bijbolsch standpunt
van don prediker doolden. Personen van do moest verschil-
lende partijen werden onder hen gevonden. Ook dat heeft
op den geheelon toon invloed uitgeoefend. Maar als ik mü
dikwijls mot de twijfelaars en andere verontruste personen
bezig houd, dan zal dat toch ook wel elders en voor anderen
nuttig zijn. Hoe zelden komt in deze dagen iemand zonder
twn\'feling en allerlei inwendige stormen tot vrede? - Ik geloof,
-ocr page 14-
X
dat diegenen, dio iets van de natuur van liet „dorstende
hort" (Psalm 42) bezitten, mij niet borispen zullen, als ik de
stem van don twn\'fol dikwijls aan het woord laat komen.
Wat nu don inhoud juist van dezo preeken betreft, die
wordt reeds door den titel opgegeven: „Zielestrn\'d on Ziele-
vrede." Zjj zh\'n dus in de eorsto plaats noch van een pole-
mischon noch van eon apologetischen aard; zij houden zich
ook weinig op met do groote kerkolijke, noch met de sociale
en volstrekt niet met de staatkundige vraagstukken van den
tegonwoordigen tijd. Dergelijke preeken zyn zeker hoogst
noodig, maar ik geloof, dat anderen meer dan ik geroepen
zijn, om ze voor de Christelijke gemeente te houden. — Ook
heb ik don vvonsch van diegenen niet vervuld, die mij ver-
zochten, preeken over de christelijke deugden on hare betrach-
ting in het dagelijkscho leven uit te geven. Dit kan wellicht
later geschieden; oerst moet echter do grond gelegd zün;
eerst moet ovor de beletsels en over de ware bronnen des
vrodes gesproken worden.
Dat ook onder de kerkelijk gezindo liodon over \'t geheel
weinigen het tot eeno vrooiyke gemoedsgesteldheid van vrede
en vreugde en tot een ongestoord kinderlijk genot van het
heil dor verlossing brongen, is een treurig feit, dat ieder
zielzorger gedurig opniouw verneemt. Hot is belangrijk,
dit feit in het licht te stellen, maar het is nog belangrijker,
de oorzakon daarvan bloot te loggen, om daarna den weg
ter redding aan te wijzen. En dat is hot dool dozer preeken.
Geen tijdelijke belangen maar oeuwigo belangen, de belangen
van hot geweten on hot hart, dio oouwig dezelfde zijn, treden in
iedore overdenking op don voorgrond. Zoo geloof ik ook,
dat lieden van alle kerken, sekten en partijen — do leden
der Roomsch-Katholieke kerk niet uitgezonderd - daaruit
eenig nut kunnen trokken, zoo zij dorsten naar de eeuwig-
heid en behoefte aan verlossing gevoelen. Uit do hitte van
de hevige twisten dor partijen van onzen tijd willen alzoo
deze getuigenissen don mensch tot de stilte des harten en
-ocr page 15-
XI
der binnenkamer leiden; zij willen het ernstig herinneren,
dat alles, alles verloren is, zoo hot „inwendig loven" niet
gezond, niet rein, niet jeugdig frisch blijft. Zjj willen den
weg aanwijzen om, met verwerping van allo geestelijk kome-
diespel, tot de waarachtige verootmoediging des tollenaars
te komen en vervolgens tot het juichende Halleluja: „Ik heb
nu den grond gevonden, die mn\'n anker eeuwig houdt!"
De zeven eorsto proeken over „Davkï on Nathan" sproken
vooral van zelfbedrog en zelfverblinding, over zelfbooordee-
ling en zelfvoroordeeling, over vergeving en uitdolging dor
zonde. De elf preken over Elia willen den aard, de natuur
en heerlijkheid des geloofs voorstellen, maar ook op de aan-
vechtingen, smarten en worstelingen wijzen, dio Gods kin-
doren op hun aardschon pelgrimstocht nu eenmaal niet
gespaard kunnen worden. Op den Thabor, in den verheerlijkten
Christus vindt dan alle zoeken en verlangen, vragen en kla-
gen, streven en strijden zijn zalig dool. Thans echter is
„strijd en arbeid" de leus.
„Beter een leven zonder Christendom dan een Christendom
zonder leven",
zoo heeft een dienstknecht van Christus
gezegd, die thans reeds uit de aardsche strijdplaats is wegge-
rukt. Dat is een paradox en toch een waar woord. Het is
zoo, voor hen die iets gesmaakt hebben van de liefde, die
in Jezus verschenen is, is het denkbeeld ontzettend, dat
hun loven „een leven zonder christendom" zoude moeten zyn.
Maar nochtans, een „christendom zonder leven", zonder
leven des gebeds, leven der liefde, levon des geloofs, loven
der hoop, een christendom zonder een bestendig werken en
worden, zonder strijd en overwinning, — een christendom,
dat slechts mondbolijdenis, kerkelijke ceremoniën en vemen-
tingen, uiterlijke godsdienstoefeningen, partijvragon en par-
tijstrn\'d, genootschapsleven en genootschapswerken kont,
maar „het verborgen leven met Christus in God" niet kent, —
dat verdient zijnen naam niet. Ja, die op dit standpunt staan,
verkeeren in grooter govaar dan zij, wier leven ook den
-ocr page 16-
xn
schijn des christcndoms niet bezit, want zij hebbon den
naam (hobbon ook aangaande zich zelven de meoning) dat
leven, terwijl zü toch dood zijn naar het oordeel van Hem,
die in het verborgene ziet (Openbaring 3 : 1). Zij houden
hunnen dood voor loven en worden door die zelfverblinding,
meer dan do als zoodanig openlijk bekende lieden dezer
wereld, weerhouden het lovon te zoeken, dat werkelijk dien
naam waardig is. Indien ik mij niet bedrieg, zjjn er tegen-
woordig vele zulke lieden, en hoe gelukkig zoude ik ztJn,
indien ik hun een weinig „oogcnzalf" geven mocht!
Zoo gaat dan henen, gjj kindoren mijner stille uren! Vele
tranen, (tranon van allerlei aard), vele zuchten on klachten
worden door u gestort en geslaakt, maar hot grooto Halle-
lu.ja over hot woord dos kruises is toch do grondtoon van
uw hart Treedt de woningen van diegenen binnon, dio heilig
leed dragon on draagt het uwe bfl, opdat hot woningen van
troost en vreugde worden! (laat henen on wekt do droo-
monden en slapendon, die noch het doel dos levens, noch
den ernst des doods recht bedenken! Verschrikt do ovor zich
zelven tevredene Farizoün, rukt mot onvorbiddoln\'kon ernst
do verblinden uit hun kerkhofsvrede! Verleent uwe vriondo-
lijko hulp aan twijfolendo, zoekende, ontroerde zielen! Brengt
licht on balsem aan allen, dio onder zware laston zuchton,
en die zich aan do beschikkingen van hot Godsbostuur op
stoffelijk on goostcln\'k gebied niet kunnen onderworpen.
Beweegt allen, dio u hooien, tot den heiligen strijd togen
vleesch on bloed, tegen wereld en zonde, on dan vorloono
God de Hoer zijne genadige hulp, opdat de zielestrijd tot
ziolevredo leido!
Breinen, op den Zondag
Tnvocavit 1881.                                     O. FüNCKJt.
-ocr page 17-
I.
DIE MAN IS DES DOODS!
Geliefde Hoorders! In eene gevangenis van Noord-Ame-
rika zat een roover en moordenaar, die ook in zijne boeien
nog door zijn weerbarstig, verstokt, ongenaakbaar wezen
een voorwerp van ontzetting was. Ieder beroep op zjjn
geweten, iedere opwekking tot bekeering, ieder woord, dat
bem op den Heiland der zondaren wees, was slechts met
zijnen spot beantwoord geworden. Daar trad op zekeren
dag een eerwaardig beer niet witte haren in zijne cel. Deze
sprak hem zacht en medelijdend toe en zeide onder ande-
ren: „Het is toch eene oneindig groote liefde van God,
dat Hij voor zulke zondaren, als w ij zijn, zijnen Zoon over-
gegeven heeft!" En zie, dit woord verbrak de boeien van
het verstokte hart; het was als de zonneschijn, die het ijs
doet smelten.
Ik bedrieg mü wel niet, als ik geloof, dat gij deze ge-
schiedenis als waarheid aanneemt. Men plaatst anders lich-
telyk en gaarne achter duizenden vau „bekeeringsgeschie-
denissen" zijne dikke, twijfelende vraagteekens. Men heeft
daartoe ook recht. In dit geval maken wij geen bezwaar, het
verhaalde te gelooven. Het wordt voor echt verklaard door
ZIELESTRIJD.                                                                             1
-ocr page 18-
2
ons hart en geweten. — Nu, wat was het dan, dat het
hart van den moordenaar zoo schokte P Het was niet het
woord des Evangelies; dat had hjj toch stug en barsch
versmaad; neen het was dit, dat hem het Evangelie hier
i 11 persoon verscheen, dat eeue werkelijke straal van de
minzaamheid, zachtmoedigheid, barmhartigheid van Jezus
in zijn hart drong. Dat zulk een eerwaardig heer, die zjjne
grijze haren met eere droeg, die in de menschelijke maat-
schappij als onberispelijk bekend stond, dat die zich met
hem, den roover en moordenaar, gelgk stelde, zich met hem op
de arme zondaarsbank plaatste, dat die zoo vol medelijden
en zoo broederlijk zeide: „zondaars als wjj," — dat ver-
raste hem, dat vernietigde hem, dat lichtte hem op, dat
leerde hem gelooven aan Gods liefde, aan Gods herschep-
pende macht.
En dat ons woord, als wij spreken met verdoolden en on-
boetvaardigen, met verlorene zonen, met misdadigers van
allerlei aard, met ilagdalena\'s en dronkaards, — dat, zeg
ik, ons woord, ook wanneer het rechtstreeks van de lippen
van .lezus en de Apostelen genomen is, nochtans meestal
ledig terugkeert, - zoude het „geheim" hiervan niet groo-
tendeels daarin zijne verklaring vinden, dat ons het edele
ootmoedige „Wij" van den ouden Amerikaan ontbreekt?
— Ik bedoel natuurlijk niet het woord „Wjj" alleen,
maar den geest, waarmede het wordt uitgesproken en
waaruit het altijd Aveder opnieuw moet geboren worden. Ik
bedoel den even medelijdenden als met hoop bezielenden
toon, die in al de woorden van dien Heer klonk, wien nie-
mand van eenige zonde overtuigen konde ; ik bedoel den
indrukwekkenden ootmoed, waarmede de Apostel Paulus
zich „den voornaamsten der zondaars" noemt: — ik be-
doel den warmen handdruk, den trouwen blik, den broe-
-ocr page 19-
3
derlijken zin, die ook den meest van God vervreemden
mensch zegt, dat men hem eerljjk en werkelijk als een
deelgenoot van de heerlijkheid des eeuwigen levens erkent;
ik bedoel het tegendeel van deze beleedigende minzaam-
heid des hoogmoeds, van deze aristokratische genade, waar-
van wij zoo dikwijls getuigen zijn. O, gij verstaat mij,
waarde Hoorders! en ik denk, dat wjj niet meer zoo schie-
lijk van verstoktheid en van vijandschap tegen het Evan-
gelie willen spreken, maar liever het hart van den Evan-
gelist grondig onderzoeken.
Wat ik bedoel, is dit: het is iets anders, met het v e r-
stand van het vreeslijke der zonde overtuigd te zijn en
iets anders, van onze eigene, grenzenlooze schuld tegenover
God in het diepste van ons gemoed w er kei ij k
doordrongen te wezen. Men spreekt met opgetogenheid
over de vrijheid en algenoegzaamheid van Gods genade,
dat is dus over het geheel onverdiende van zijne ont-
ferming, en toch schuilt er in het hart eenige hoogmoed
op eigene waarde en gerechtigheid, waardoor wn\' ons aller-
gunstigst van de meeste personen van ons geslacht onder-
scheiden. Natuurlijk zeggen wn\' dat niet; — o neen,
dat verbiedt ons onze christelijke beschaving. Wij spreken het
zelfs in onze gedachten niet duidelijk uit en toch ligt
het in ons hart. — liij ontelbaar vele rechtzinnige en ijverige
christenen is een niet overwonnen overblijfsel van Farize-
ïsme aanwezig. Het is misschien zeer schoon gekleurd, en
toch is het wat het is, namelijk „de doode vlieg in de zalf
des apothekers", waarvan de Prediker van Salomo spreekt.
Het gevolg daarvan is, dat wij meer of min onbekwaam
worden, om in den geest des Heilands een heilzamen in-
vloed op diegenen uit te oefenen, die nog verre zijn; want
niet slechts in Noord-Amerika, maar in ieder land, volk
-ocr page 20-
4
en stand, hebben ook de grofste zondaars een zeer rijn
instinkt voor het Farizeïsme dergenen, die hen tot
bekeering roepen, en overal gevoelt zich ook de diepst
gezonkene door dit Farizeïsme als eene doodelijke beleediging
gekwetst. — Maar wjj worden door dit booze overblijfsel
niet slechts onbekwaam om anderen tot de bron des
levens te leiden, — neen, neen, daaruit vloeit verder nog iets
ergers voort, namelijk dat wij nu ook zelve niet met bljj-
den moed uit die bron kunnen putten, dat wjj versto-
ken blijven van de levendige blijdschap in den Heer, dat
wjj den vollen, zaligenden troost van de vergeving der zon-
den niet deelachtig worden, dat wjj niet, — wat wij toch
naar Gods wil moesten doen — „uit ons geloof leven." Zal
het geloof aan de in Christus verschenen genade ons wer-
kelijk persoonlijk rechtvaardigen en levend maken, dan moe-
ten wjj eerst het getuigenis van God over de zonde geheel
op ons eigen persoon toepassen, dat is dan, het zwaard van
God in ons hart drukken, dat is dan ook, alle Farizeïsme
in de kiem dooden.
Hoe gelukkig zoude het zjjn, indien wjj allen daarvan
verlost werden! Dat ik arme mensch niet in staat ben,
om u van dat booze overbljjfsel te bevrijden, behoef ik
niet te zeggen. Ik heb het toch zelf in mjjn eigen hart
gevonden, en alleen daardoor weet ik zeer zeker, dat het
ook in uw binnenste schuilt, il aar wat geen mensch kan doen,
dat kan liet tweesnijdend zwaard van Gods woord, als wjj
het met stillen eerbied aannemen. Zoo laat ons dan in
eene reeks van preken eene oude geschiedenis met elkan-
der beschouwen en daarin, als in een heiligen spiegel, de
geschiedenis van ons hart leeren kennen, — ik bedoel de
geschiedenis van Davids val, zelfverblinding, zelfveroor-
deeling, inkeer, omkeer, terugkeer naar huis.
-ocr page 21-
•">
2 Samuel 12: 1-G.
En de Heere zond Nathan tot David. Als die tot hem in-
Invam zeide hu\' tot hem: Daar waven twee mannen in ééne
stad, de een ryk en de ander arm. De rijke had zeer
veel schapen en runderen, maar de arme had gansch niet,
dan een eenig klein ooilam, dat hij gekocht had, en had
\'t gevoed, dat het groot geworden was hij hem en zijne
kinderen tegelijk; het at van zijne hete en dronk van zijnen
beker, en het sliep in zijnen schoot en het was hem als
■eene dochter.
Toen nu den rijken man een wandelaar overkwam, ver-
schoonde hjj te nemen van zjjne schapen en van zijne run-
deren, om voor den reizenden man, die tot hem gekomen
■was, wat te bereiden, en hij nam des armen mans ooilani,
•en bereidde dat voor den man, die tot hem gekomen was.
Toen ontstak Davids toorn zeer tegen dien man, en hij
zeide tot Nathan: Zoo waarachtig als de Heere leeft, de
man, die dat gedaan heeft, is een kind des doods. En dat
ooilam zal hij viervoudig wedergeven, daarom dat lnj deze
zaak gedaan, en omdat hij niet verschoond heeft!
Davids woord: „die man is een kinddesdoods,"
zy het middelpunt onzer overdenking; het wijst ons op:
I. eene uitwendige geschiedenis;
II. eene inwendige geschiedenis.
1.
Onze geschiedenis verplaatst ons in Jeruzalem, in
het paleis van koning David. Ik hoop, dat ik mü niet
vergis, zoo ik het als overbodig beschouw, hier eerst te
zeggen, wie David was. Niet alleen hem, die er aanspraak
•op maakt, een bijbelsch christen te zijn, neen, ook ieder,
«die een beschaafd mensch wil zijn, moet het leven van
-ocr page 22-
ti
dezen Israëlietischen koning helder voor oogen staan. Wy
willen er hier niet over spreken, dat hy de gunsteling van
Jehova heet en dat hij de stamvader van onzen Heiland is,
— wij spreken er niet over, dat hij het ideaal van een
man, een ridder, een geduldig lijder is, — wij spreken er
niet over, dat hy een zanger was, wiens liederen, uit hei-
lige vreugde en heilig leed geboren, heden nog, drieduizend
jaren na zynen dood, in alle talen der aarde gezongen wor-
den, — neen, hy was ook een belangrijke persoonlijkheid
in de geschiedenis der wereld. Hij had Israël, dat in een
ordeloozen toestand verkeerde, tot eene van de eerste natiën
der wereld gemaakt. Zeer zelden was er op aarde een vorst,
die door zyne onderdanen zoo bemind werd als David, en
ten tijde van onze geschiedenis stond hy op het toppunt
zijner macht.
Op den morgen van den dag, waarvan wy spreken, zat
de koning in zijn burcht. Wat er in zyne gedachten om-
ging, wordt ons niet gemeld. Was het de staatkunde, was het
de verwachting eener goede tijding van het Ammonitisch
oorlogstooneel, waren het allerlei plannen voor de toekomst,
wy weten het niet. Eéne zaak slechts weten wij, dat hij
zich dien dag niet bezig had gehouden met het onderzoe-
ken van zijn hart en dit zy\'n hart in het licht van Gods aange-
zicht te plaatsen. Wy willen wegens dit verzuim geen steenen op
hem werpen. Ach, indien hier iemand was, die de bevoegdheid
had, om diegenen, die zich heden reeds ernstig met deze
zaak hadden bezig gehouden, te doen opstaan, — dan,
vrees ik, zouden wy de beschamende ondervinding opdoen,
dat de meeste toehoorders — moesten blijven zitten.
Maar bjj David bestond er juist heden voor dit verzuim
eene by\'zondere en zeer treurige reden. Zijne Psalmen doen
ons zien, dat dit stille gesprek van zy\'n hart met God vroe-
-ocr page 23-
7
ger zijn lust en zijne vreugde was, en wie weet, wat ziele-
leven is, die weet ook, dat deze heilige werkzaamheid de
bron zijner daden, zyner deugden, zijner blijdschap was.
Beefde hij thans voor hetgeen hij vroeger als de vreugde zijns
levens beschouwde, zoo lag de oorzaak daarvan in de
afschuwelijke misdaad, door hem gepleegd. Wat ik bedoel,
is algemeen bekend, — men behoeft slechts de namen Uria
en Bathseba te noemen, dan staat de met koninklijk purper
bekleede echtbreker en moordenaar voor onze oogen.
Hoe was echter zulk een diepe val mogelijk bij een man,
die in geestelijk opzicht zoo hoog stond ? Hoe kwam hij
daartoe ? — Ja, waarde Broeder ! hoe kwaamt gy er toe,
zoo en zoo te handelen, dat en dat te zeggen, hoe werdt
gij zoo door de zonde verstrikt, dat gij later met ontzet-
ting uitriept: „Dit had ik nooit voor mogelijk gehouden!"
Hoe hoog men ook staat, er is niet veel noodig, om diep
te vallen, zoo men niet op zijne schreden let. Men behoeft
slechts op te houden met waken en bidden, dan is men
midden in de verzoeking; men behoeft zijne lagere neigin-
gen en lusten slechts een weinig de teugels te vieren, en men is
in het verderf; ja, men behoeft slechts zorgeloos te zijn,
dan is terstond alles aan het wankelen. O, er is een ver-
nietigend oordeel over de menschelijke natuur in gelegen,
dat de mensch in den afgrond stort, zoo hjj niet op zijne
schreden let! Zalige tijd, wanneer wjj in niets anders
belang zullen stellen, dan in het goddelijk licht, leven en
lieven! Zalige tijd, wanneer wfl niet meer angstvallig op onze
schreden behoeven te letten. Maar slechts hij zal dezen
tijd beleven, die thans op zijn vaandel schrijft: „Waakt en
bidt!"
Het waken en bidden is echter het moeielijkst, als men
uit traagheid niet werkzaam wil zijn. Men zou denken,
-ocr page 24-
8
dat men nu dan toch tjjd genoeg had, om op zich zelven
acht te geven, maar de ondervinding leert het tegendeel.
O. tot hoeveel schandelijke zonde wordt juist door vrije
uren aanleiding gegeven! Het is waar, wat een spreekwoord
zegt, dat de lediggang de aanvang van alle zonden is. En
bjj het licht bezien is dit ook geen wonder, want de
ledigganger zondigt toch reeds door zijn nietsdoen tegen
den wil van God.
David was (2 Sam. 11: 1) niet, gelijk hjj anders deed en
gelijk zijn plicht was, met het leger uitgetrokken. Hy gaf
zich te Jeruzalem aan een gemakkelijk leven over. Dit is
voor iedereen gevaarlijk, het gevaarlijkst echter voor iemand,
die, gelijk David, aan eene zeer ingespannen werkzaamheid
gewoon is. Zjjn hart was thans als eene onbewaakte ves-
ting, die de vjjaud gemakkelijk konde binnensluipen. David
had niets te doen, en zoo verviel hjj dan tot hetgeen niet
deugt. Zoo zag hij, wat hij anders niet gezien zoude heb-
ben, gevoelde, beraamde, volbracht, wat anders verre van
hem verwijderd gebleven zoude zijn. Dit alles wordt in
2 Samuël 11 zoo eenvoudig verhaald ; en het is ook zoo
ontzettend eenvoudig, wanneer de mensch niet meer op zijne
hoede is. En zoo eenvoudig, bijna als iets dat vanzelf
spreekt, volgt het eene misdrijf °P het andere. Het is de
vloek der slechte daad, dat zij de moeder van andere slechte
daden moet worden. — Uria moet sterven, nadat Bathseba
verleid was; de aanblik van dezen man zoude toch voor
den koning tegelijk eene beschuldiging en een gevaar zijn
geweest, derhalve —! En daar David hem toch gevoegelijk
niet met zijne eigene hand kon dooden, zoo moet hij an-
deren daartoe verleiden, derhalve —! En daar een recht-
vaardig koning eenen man van eer toch niet zonder
proces kan veroordeelen, zoo moet er een list uitgedacht
-ocr page 25-
9
worden; derhalve; —! Gij ziet het, een geheel spinneweb
van zonden ontstaat met eene natuurlijke noodzakelijkheid
uit de eerste. Waar de Geest des Heeren is, daar is vrij-
heid, maar waar men Hem wederstaat, waar men zich
door zijn eigen geest laat leiden en aan list en lust over-
geeft, daar is niets dan slavernij. En deze wordt door geene
hemelsche of aardsche macht gebroken, dan door zelfver-
oordeeling. Daaraan dacht David echter niet. Hij wilde zijne
misdaad verzwijgen voor God, voor de menschen, voor zich
zelven. Langzamerhand viel hem dat ook reeds gemakke-
lijker. De zaak begon te verjaren; er was reeds gras over
gewassen. Onder het volk zeide men wellicht reeds : Uria is
den heldendood voor het vaderland gestorven; zijne we-
duwe echter had het geluk, koningin te worden.
David vermoedde op den morgen van den dag, waarover
wy spreken, niet, dat juist deze dag eene bijzondere betee-
kenis voor zijn leven verkrijgen zoude. De zon was opge-
gaan evenals op eiken anderen morgen, helder en warm scheen
zij in de levendige straten van Jeruzalem, en zij ging ook
op dezelfde wijze onder, als zij anders pleegt onder te gaan.
Ook verhieven zich geene buitengewone golven in de brui-
sende zee der volken; op het groote tooneel der wereld ging
alles zijn gewonen gang. Er zoude volstrekt niets anders
geschieden, dan dat koning David met zijne beide oogen
zag, wat hij als vroom en verlicht man reeds lang had
kunnen zien; niets, volstrekt niets, dan dat hij vernam, wat
hij reeds lang had kunnen weten, namelijk — dat God
niets vergeet. Maar deze hoogst eenvoudige gebeur-
tenis zoude voor alle geslachten der aarde eene buitenge-
wone beteekenis verkrijgen, geiyk onder anderen ook deze
onze samenkomst bewijst. Deze gebeurtenis, die nauwe-
IJjks den naam eener gebeurtenis schijnt te verdienen, zoude
-ocr page 26-
10
voor David eene volslagene omwenteling zijn; zjj zou-
de van den koning eenen bedelaar, van den rechtvaardige
eenen goddelooze, van den rechter eenen misdadiger
maken. —
Terwijl de koning in zijne staatsiekamer zit, wordt de
Profeet Nathan aangediend. „Hij kome, hjj zal wei-
kom zijn!" is het snelle en onbevangen antwoord van den
vorst. Waarom zoude hij ook niet komen ? Nathan was,
om het zoo uit te drukken, Davids hoiprediker, Davids
biechtvader, ja, — indien koningen vrienden kunnen heb-
ben, zoo was hjj — Davids vriend. Met hern placht de
koning alles te overleggen, wat op zaken van den godsdienst
betrekking had. Hem had hij eens het plan medegedeeld, om een
prachtigen tempel voor Jehova te bouwen. Nathan, die dit eerst,
gelijk men denken kan, blijmoedig goedkeurde, — want
wie zoude zich niet verblijden, wanneer de machtigen dei-
aarde Godshuizen bouwen ? — Nathan moet wel is waar
kort daarna in den naam van Jehova het plan verwerpen,
maar mag David nu zeggen, dat de Eeuwige voor hem
een huis wil bouwen, zooals er nooit een geAveest is en zijn zal.
God wil namelp uit Davids geslacht eenen koning ver-
wekken, die tegelijk een Zoon van God zal zijn en wiens
rjjk zich over de geheele wereld uitstrekken en haar zaligen,
hemel en aarde, tijden en eeuvvigheden omvatten zal. (2:
Sam. 7 : 1—10.)
Geen wonder, dat David eenen man, die zulke boodschap-
pen brengen konde, welkom heette. David was in ge-
spannen verwachting, wat Nathan heden te openbaren had,
en wij zijn het ook. Het heeft toch iets bijzonder boei-
ends, de ontmoeting van twee uitstekende en geestrijke
mannen bij te wonen en naar hunne gesprekken te luisteren.
En werkelijk, aan lichtstralen des geestes zal het niet ont-
-ocr page 27-
11
breken. Zy zullen schitteren en treffen; God geve, dat zy
ook ons gemoed treffen mogen!
Nathan treedt binnen; zijn aangezicht is zeer ernstig, en
zeer ernstig is de geschiedenis, die hy terstond voordraagt.
\\YTy hebben haar reeds gehoord; ja, toen wy nog kleine
knapen en meisjes waren, heeft zy reeds eenen diepen indruk op
ons gemaakt. Wie gevoel heeft voor hetgeen dichterlijk,
meesterlyk, schoon is, die moet de dichterlyke schoonheid
dezer gelykenis bewonderen; wie een hart bezit, die zal
hier door een diep medelyden getroffen worden; wie nog in
staat is, om toornig te worden, die moet hier in een
hevigen toorn tegen den ryken, onmeedoogenden man ont-
vlammen.
Wy mogen niet denken, dat deze geschiedenis slechts in
dien „barbaarschen tijd" mogelyk was! Ach, helaas,
neenl In ons midden, dikwijls in de nabyheid onzer groote
beurzen, dikwijls in verborgene hoeken wonen zulke rijke
lieden, die door hunne speculaties en zwendelaryen duizenden
bij duizenden van „geringe lieden," zonder medelyden of barm-
hartigheid tot den bedelstaf hebben gebracht. Of is het niet veel
verschrikkelyker, den geringen man van zyne spaarpen-
ningen te berooven, terwijl aan iedere penning wie weet
hoeveel zweetdruppels kleven, — te berooven, zeg ik,
want er is ook een roof, die onder de bescherming der
wet mogelyk is I is dat niet veel ergerlijker, dan eenen
armen man zyn eenig schaapje te ontnemen? —En aan den
anderen kant, zijn er ook in Duitsche landen niet eene
menigte huizen, waar het geheele huiselyk geluk daardoor tot
in zyne grondslagen verwoest is, dat ryke mannen, om aan
hunne lusten te voldoen, een kind des huizes verleidden en
bedierven? De wet kan deze losbandigen, die door hunnen
mammon een vrijbrief voor een zondig leven meenen te
-ocr page 28-
12
bezitten, niet treffen. Maar God telt de ontelbare tranen, die
door hun toedoen geweend worden. Zoo heeft de geschie-
denis van het geroofde schaapje nog eiken dag plaats, wie
weet hoe dikwijls, midden in christelijke landen. (Pre-
diker 4 : 1.)
Ook datgene, wat Nathan verhaalde, was echter verschrik-
kelijk genoeg. Het verwondert ons dan ook niet, dat Davids
toorn in lichtelaaien gloed ontvlamde. Hij gevoelt zich
koning en ridder tegelijk. Hij neemt geen tijd om na te
denken, want wat behoeft hij nog na te denken? Hier moet
wraak genomen, hier moet een gedenkteeken voor de
gerechtigheid opgericht worden! Zoo zeker als er een God in
den hemel leeft, roept David, „de man, die dat gedaan
heeft, is een kind des doods." Natuurlijk moet uit het ver-
mogen van den misdadiger aan den armen man viervoudige
vergoeding gegeven worden; maar dat is te weinig. Met
geld kan zulk een misdrijf niet naar eisch gestraft wor-
den. De ziel van den rijken man moet dus geofferd wor-
den als een zoenoffer voor het schaapje. Wel is waar
denkt ook David er volstrekt niet aan, om het leven van
een dier met een menschenleven gelijk te stellen. Maar hier
is het eene geheel andere zaakl Hier is het een misda-
dige aanslag van het drieste geweld, van de snoode heb-
zucht tegen alles, wat recht en gerechtigheid, barmhartig-
heid en menschenliefde heet. En dat in een rjjk, waar
Jehova de hoogste Koning is! Ha! de dood van den rijke
moet voor alle machtigen in den lande eene ontzettende waar-
schuwing zh\'n. Het zwaard van den beul, dat het hoofd
doet vallen, moet een geweldig schild worden, dat tot
bescherming van alle armen, geringen, machteloozen, wedu-
wen en weezen verstrekt. Dit wil de koning, en hy roept
Jehova daarbij als getuige aan.
-ocr page 29-
13
II.
„Maar," — zoo hoor ik meer dan ée\'ne stem roepen, —
„maar is het denkbaar, dat David werkelijk zoo met
blindheid geslagen was ? Zoude de moordenaar van Uria
werkelijk niet gemerkt hebben, dat de fabel van Nathan
op hem doelde? Waarlijk, zij was toch zoo toepasselijk en
persoonlijk mogelijk, zij konde toch nauwelijks duidelijker
zjjn." — En toch was zjj, gelijk wij zien, nog lang niet
duidelijk genoeg. David denkt er niet aan, haar op zich
zelven toe te passen; Nathan moet met zjjn donderend
woord: „Gjj zijt die man," nog veel duidelijker en per-
soonljjker worden.
Waarlijk, het zoude ongelooflijk zijn, dat een, niet slechts
schrander maar ook diep godsdienstig mensch zoo geheel
blind voor zijn eigen toestand kan wezen, indien, — ver-
geeft het mij, maar het moet er uit! — indien wij niet
zelven wie weet hoe dikwijls daarvoor het bewijs had-
den geleverd! Het „onmogelijke" moet reeds mogelijk zijn,
wanneer het plaats vindt in onze eigene borst. Niet waar ?
wjj kunnen datgene niet meer een geheim noemen, wat-
ons eigen leven openbaart! , De slang was listiger clan al
het gedierte des velds," lezen wjj op het eerste blad des
Bijbels. Datzelfde blad doet ons echter ook terstond zien,
dat de slang iets van dezen listigen geest aan hen, die
naar hare stem luisterden, had ingeblazen. De zonde der
eerste ouders is erg genoeg, maar deze ontzettende poging,
om hunne zonde voor zich zelven, zich zelven voor God te
verbergen, zich zelven te rechtvaardigen, is veel erger.
Wanneer de mensch de zonde niet als zonde wil erkennen,
kiest hij inderdaad de party van den vorst der duisternis
en vereenzelvigt zich geheel met de zonde. Zoo lang
-ocr page 30-
14
wjj ons zelf op deze wijze verontschuldigen, zijn wij in de
macht der hel. Het is echter eene opmerking, die ieder
menschenkenner maakt, dat ook de domste en eenvoudig-
ste eene verbazende bekwaamheid bezit, om nu eens schoo-
nere dan weder gebrekkiger vijgebladeren te vinden, nu eens
dichtere dan weder doorschijnende sluiers te weven, — tot
verberging zijner zonde. Wie zich aan den invloed „der
oude slang" overgeeft, dien worden inderdaad „de oogen
geopend," zoodat hij met eene geheel fabelachtige gesle-
penheid zich zelven leert geruststellen en met eenen val-
schen vrede bedriegen. Dat is het eigenlijke slangen vergift.
Dit vergift in zich zelven te zoeken, te vinden, te ontdekken,
zonder verschooning bloot te leggen en zonder eenige hof-
felijkheid bij zijnen naam te noemen, is eene reddende daad,
en groot is de mensch, die haar verricht, — die haar a 11 ij d
o p n i e u w verricht, want zjj is altijd weder noodig, totdat
wij in de woonstede der waarheid zijn.
Een mensch is zooveel waard, als hij eerlijk, als hij op-
recht is; met andere woorden, hij is zoo veel waard, als
ziin wil naar de stem des gewetens in zjjn binnenste en de
stemmen des Geestes uit den hemel getrouw en opmerk-
zaam luistert, die ter harte neemt en opvolgt. Op den wil
komt het aan. Wilt gjj niet, dan kan ook God zelf u niet
tot zelfkennis, veel minder nog tot zinsverandering bren-
gen. Deze hoog ernstige vraag: «Wilt gij gezond worden?
Wilt gjj uwe krankheid erkennen ?" wordt dagelijks aan uw
geweten gedaan. Die mensch is nog geheel door zelfverblinding
bevangen, die daarop met een gevoel van zelfgenoegzaam-
heid antwoordt: „Dat spreekt vanzelf! natuurlijk!" Ach,
hoe dikwijls zegt men: „Ik wil I" maar hoe zeldzaam is
het, dat men werkelijk wil!
De kunst om zich zelven van den druk zijner zonden te be-
-ocr page 31-
15
vrijden is zeer veelsoortig. Het eenvoudigste is natuurlijk,
zijne zondige daden eenvoudig te vergeten, waarbij,
zooals ieder menschenkenner weet, niet het geheugen, maar
de wil de hoofdrol speelt. Het ligt in onzen aard, dat wjj
zooveel in ons vermogen is datgene vast houden, wat ons
gemoed weldadig aandoet en verkwikt, wat ons verheft en
verblijdt. Daarentegen vergeten wjj wat ons met ter
harte gaat, bestrijden en stooten af, wat ons in onze
levensontwikkeling en levensvreugde hindert. En zoo
bestrijdt de mensen, die zyn aardsche levensgenot wil
behouden, niets zoo sterk als de veroordeelende rechterstem
van zn\'n geweten, want in het gansche heelal is er niets,
dat ons zulk eene inwendige hel veroorzaakt, als wanneer
onze zonden ontwaken en luide tegen ons getuigen. - Wat
doet men nu, om ze tot zwjjgen te brengen ? Vraag liever,
wat doet men niet? Boeken konde men er over schrijven,
hoe de dwaze mensch, die niet bekennen wil, zijn hart
zoekt te stillen. Hier werpt men zich in den maalstroom
van bedwelmende uitspanning, — salonvermaak, drinkge-
lagen, kunstgenot, opera, allerlei muziek, dit alles komt,
hoe verschillend het er uitziet en ook werkelijk is, hier noch-
tans op hetzelfde neder. — Anderen zijn steeds bezig met
eene overstelpende menigte van werkzaamheden en zaken,
hetzij dit geldspeculaties, wetenschappelijke vraagstukken,
werkzaamheden tot nut van het algemeen, of zelfs tot
opbouw van het Godsrijk zijn, — in het eene en het andere
geval is de bedoeling dezelfde: — men wil niet tot zich
zelven komen. Hier ziet gij menschen, die daardoor hun
geweten tot zwygen trachten te brengen, dat zjj hunne
lijdende medemenschen op de vriendelijkste wijze met wel-
daden overladen: maar ik heb ook integendeel menschen
gekend, die, door de beschuldiging van hun geweten
-ocr page 32-
ir,
gefolterd, hunne medemenschen op de laagste wijze kwelden,
om — slechts — zich zelf te vergeten. Hoe oneindig groot
het verschil van handelen bjj dezen en genen ook schjjne
te zijn, toch komen zjj daarin overeen, dat zij de verzenen
tegen Gods prikkelen slaan en zich niet willen buigen.
Maar al deze pogingen om de zonde te vergeten zijn
vruchteloos. Wij kunnen den steen wel afwentelen, maar
altijd rolt hjj weder op ons terug. Wij moeten derhalve
uitvluchten zoeken, om de majestueuze stem des gewetens
te doen zwijgen.
Daar vindt men dan veel tot zijne verschooning op te
noemen. „Wij zijn verleid," zeggen wy. Zóó te spre-
ken schamen wjj ons thans niet, terwijl wij er anders altijd
op roemen, dat wy geheel onafhankelijk van menschen zjjn.
Of: „Wjj werden zoo opgewonden, — en ons tempera-
ment speelde ons parten," zoo zeggen thans personen, die
doorgaans zoo gaarne over hunne zelfbeheersching spreken.
Of: „ W ü zagen niet helde r", zeggen zij, die zich
toch anders op hun scherpen blik zooveel laten voorstaan. —
Of de nog veel grooter zonden van Pieter en Paul (die hier
nu echter niets mede te doen hebben) moeten als ontlas-
tende getuigen optreden! Daarenboven bestaat er eene
afschuwelijke geestelijke goochelaarskunst. Door middel van
deze heeft er met de snelheid des bliksems eene groote
verandering met de zonde plaats, — ik bedoel natuurlijk
met die, welke men zelf beeft gepleegd. In een oogenblik
is de onbeschoftheid in openhartigheid, de lafhartigheid in
bescheidenheid, de woeste toorn in eene schuldelooze opwel-
ling des bloeds, de wellust in beminnelijke zwakheid, de
vuige hebzucht in lofwaardige spaarzaamheid, de misdaad
van allerlei aard in louter ongeluk veranderd.
Alles met elkander loopt op zelfbedrog uit. Moesten
-ocr page 33-
17
wjj niet gruwen van dit woord, — van deze zelfmoorders-
kunst? Wie wil bedrogen zjjn? Hoe toornig worden wij,
als iemand ons beliegt, bedriegt, misleidt en op het dwaal-
spoor brengt, hetzij nÜ dit met daden of gebaren, met
woorden of ook slechts met stilzwjjgen doet! Wie wil
gemeenschap hebben met dien, die hem bedriegt? Alle
gemeenschap wordt door logen en bedrog onmogelijk gemaakt.
Zoo zeggen wij allen, zoo veroordeelen wjj alle bedriegers,
en zie — nu bedriegen wjj ons zelven en nog wel daar,
waar wjj aan de zuivere waarheid de grootste behoefte heb-
ben. Wjj drijven met ons zelven den spot. Hoe? is het
geen volslagen waanzin, dit schandeljjk vergrijp tegen
zich zelven te begaan? Zoude het niet beter zijn, duizend-
maal bedrogen te worden, dan eenmaal ons zelven te
bedriegen ? Ach, God verlosse ons van het slangengift van
het zelfbedrog, opdat wjj niet bljjven in de macht der duis-
ternis! —
Door den invloed van het zelfbedrog was nu ook David
zoo geheel en al verduisterd, en het is volstrekt niet noo-
dig, te denken, dat de koning toen door laaghartige vlei-
ers omringd was, die al zijnen angst wegredeneerden. O
neen, hjj zal daarmede zelf wel geslaagd zjjn. »De mensen"
— zoo heeft iemand gezegd — „is een tooneelspeler en
draagt een drievoudig masker. Hij verbergt zich voor de
menschen, voor zich zelven en voor God." Zoo was het ook
bjj David. Wij zouden hem, - ach, wij zouden hem slechts
al te goed — verstaan, indien hjj ongeveer op de volgende
wjjze redeneerde : „Inderdaad, ik heb gewild, dat Uria daar
zoude staan, waar hij sneuvelen moest. Maar moesten daar,
waar hij stond, ook geen mannen staan?\'\' „Het zwaard ver-
teert zoowel dezen als genen," zoo luiden de eigen woorden
van David, waarmede hjj den hoofdman, die den dood van
ZIELKSTKIJD.                                                                               2
-ocr page 34-
18
Uria bericht, antwoordt. Wjj zien, hoe hij daarbij de schou-
ders ophaalt; „het is \'t beloop der wereld. Het is treurig,
dat het zoo is, maar het is nu eenmaal zoo! — Na
den dood van Uria echter heb ik zijne weduwe tot koningin
verheven! Heb ik daarmede den doode niet geëerd ?
Het is zoo, ik heb haar reeds vroeger in mijn paleis doen
komen. Het is waar, ik had moeten wachten, totdat Uria
dood was. Maar — iets vroeger, iets later, dat is toch
eigenlijk slechts eene bijzaak, eene zaak van tn\'d. Onze
zwakheden hebben wij toch ook allen, en dan, — nu, ik ben
toch ook koning in het land, zoodat ik toch ook wel iets
boven anderen vooruit mag hebben."
Wat nu dit laatste betreft, zoo was er inderdaad destijds
nauwelijks een enkele vorst in de wereld, die van Davids
handelwijze eene gewetenszaak gemaakt zoude hebben. En
waarom spreek ik van oude dagen? Waarom ook slechts
van vorsten? Ach, zoolang God de Heer de oogen van
eenen mensch niet opent en hem doet zien, dat iedere meer
dan gewone gave ook eene meer dan gewone taak oplegt,
en dat wij onze voorrechten in de eerste plaats daartoe
bezitten, om des te krachtiger te kunnen helpen en dienen, —
ik zeg, zoo lang God dat eenen mensch niet openbaart,
zoo lang gelooft de machtige, hooggeplaatste, rijke zeer licht,
dat hij boven de algemeene rechten en plichten verheven is.
Nu, David was echter door God verlicht. Wjj meenen
ook niet, dat hij door al die drogredenen, waarvan wij
spraken, zijn geweten werkelijk tot zwijgen had gebracht.
Hü had het slechts verdoofd, maar dan ook zeer sterk
verdoofd. En het is mogelijk, dat een mensch door voort-
gezette list en werkzaamheid dezen toestand van bedwel-
ming gedurende menig tiental jaren, ja wellicht tot den
dood toe kan doen bestaan; maar het geweten en de stem
-ocr page 35-
1!)
<les Geestes te d o o d e n, dat is niet mogelijk. En hoe
langer die verdooving duurt, des te ontzettender zal een-
maal het ontwaken zijn.
Dat het by David niet tot het verschrikkelijkste kwam,
daardoor zorgde de medelijdende ontferming van Jehova,
die tot zjjn verloren zoon den profeet Xathan zond. Het
is zoo, daartegen zoude David zich ook weerbarstig hebben
kunnen verzetten, en dan ware hu\' reddeloos verloren.
Maar zoo diep gezonken was hij nog niet. Het is zelfs
mogelijk, dat David zich reeds onder het uitspreken van
Nathans gelijkenis ontroerd gevoelde, dat reeds toen de
magneetnaald van zijn hart in eene zeer onrustige bewe-
ging was, dat luj eensklaps eene overeenkomst zag tas-
schen deze geschiedenis van Nathan en eene zekere andere
oude geschiedenis, — maar schielijk vond het huichelachtig
hart een middel, om deze onaangename stemming te doen
wijken en de beschuldigende stem te doen zwijgen. Juist
de toorn, de schijnbaar zoo heilige toorn tegen den onmee-
doogenden man, deze huichelachtige toorn wijst hem den
weg tot de vlucht — voor zich zelven. Ik bedoel niet, dat
deze toorn tegen dien misdadiger op zich zelf gehuicheld was.
O neen, David vond inderdaad dat misdrijf zeer afschu-
welijk. De huichelarij bestaat slechts daarin, dat David in
de donkere schaduw van dien man zich zelven verbergen,
dat hij door zijnen rechtmatigen toorn anderen, ja zich zel-
ven misleiden wil. Eerlijkheid ware het geweest, zoo hy
in dat beeld zijne eigene beeldtenis ontdekt had. Huiche-
larü is het, dat hjj door zijnen geveinsden toorn de bloed-
verwantschap met dien mensch in diepe verontwaardiging
loochent.
O, mjjne Broeders! deze geveinsde toorn is een der
meest terugstootende vormen van de huichelarij, van het
-ocr page 36-
20
geestelijk tooneelspel. Verschrikt niet voor dit woord, of
ja, verschrikt hevig, maar wascht uwe handen niet in
onschuld, als het genoemd wordt! Neemt den schijn niet aan
alsof het een smokkelgoed was, dat in uw hart nooit eene
schuilplaats had gevonden. Zelfs een Apostel als Petrus
moet zich toch door Paulus van huichelarij laten beschuldi-
gen. (Gal. 2: 11—15.) Petrus zelf vermaant toch de
christenen, — hoort het: de christenen, de bekeer de
christenen! — «Legt af alle huichelarij!" De kracht echter
tot het afleggen der huichelarij verkrijgen wij zeker niet,
zoo lang wij niet weten, dat wij daaraan schuldig staan.
O deze huichelachtige toorn, waarmede wij bij onze
medemenschen deze en die zonde zoo gestreng beoordeelen
en veroordeelen, alleen opdat anderen toch volstrekt niet
op de gedachte komen, dat wij ook hare slaven zyn, het-
geen toch werkelijk zoo is, — deze huichelachtige toorn is
eene zeer algemeene zonde. Het gebeurt zelfs, dat vrome
lieden het ongeloof van deze en gene bekenden
gestreng veroordeelen, terwijl zij toch zelf door twijfelingen
gefolterd worden. Waarom spreken zij daarover dan zoo
scherp:\' Nu, opdat zh\' den roem van hunne vroomheid niet
verliezen. Van den anderen kant hebben mij eenige per-
sonen beleden, dat zjj in de kringen van ongodsdienstige
lieden ook geducht gescholden hadden op de „dweepers,
piëtisten huichelaars," terwijl zij toch sedert lang, onvol-
daan over zich zelven en de gansche wereld, overtuigd
waren, dat bij die personen de waarheid en de vrede was.
Maar men vreesde, onder de duisterlingen en vromen
gerekend te worden!
Mijne Broeders! de logenachtigheid van het menschelijk
hart is ontzettend groot! Als men dit met opmerkzaam-
heid gadeslaat, dan huivert men en men zendt met de
-ocr page 37-
21
Apostelen de verzuchting ten hemel: „Heer! wie kan dan
zalig worden?" Heer! Hoc zoude het mogelijk zijn, dat dit
onreine, arglistige hart een reine tempel van uwen Geest,
uwe waarheid, uwe liefde wordt ? En inderdaad, bjj de
menschen is het onmogelijk, maar bjj God zjjn alle dingen
mogeljjk. En dit mogelijke zal werkelijk worden bij u.
En hoe het werkelijk wordt, hoe het geschiedt, dat God
zich hartelijk over onze ziel ontfermt, opdat zij niet verlo-
ren ga, — hoe het geschiedt, dat Hij onze zonden achter
zich terug werpt en in ons het nieuwe hart en den reinen
geest schept, — ook dat zal ons onze geschiedenis leeren.
Wy kunnen bij dat alles weinig doen, niets dan dat wn\'
zien willen, wat te zien is, en dan een waarachtig tol-
lenaarsgebed. Ach, dat dit weinige, hetwelk nochtans zoo
zeldzaam plaats heeft en zoo moeielyk is, slechts bij ons
allen gevonden werdl Dan zouden wij spoedig gered zijn,
want door onze kracht vermogen wij niets, maar in onze
onmacht werkt de herscheppende kracht van God. Amen.
-ocr page 38-
II.
GIJ ZIJT DIE MAN !
Waarde Hoorders! Onlangs werd in een christelijk gezel-
schap een zeker man als „het echte model van een o pree fa-
ten en openhartigen christen" beschreven. „Hij is een
mensch, zooals er tegenwoordig weinigen zn\'njhjj doet zich
juist zoo voor als hij werkelijk is," — zeideeenedame,
en nauwelijks waren deze woorden uitgesproken, toen de
man, over wien men sprak, onverwachts binnentrad. Allen
glimlachten en men moest hem, of men wilde of niet, dit
glimlachen verklaren. Hjj zelf werd echter zeer ernstig
en zeide langzaam, op ieder woord drukkende: Ik — zoude —
mij — altijd — voordoen — zooals — ik — ben ? — Mijne
vrienden! daarvoor wacht ik mjj wel! Niet eens tegenover
mijne geliefde vrouw, die toch onder anderen ook mynziel-
zorger en biechtvader is, vertoon ik mij geheel zooals ik
ben. Ik zoude vreezen, dat zij niet weten zoude, wat zij
van my moest denken, indien zjj op de geheele inwendige
gesteldheid mijner gedachten, wenschen en begeerten den
blik moest vestigen. O, gelooft het maar, ieder, ook de
ootmoedigste tollenaar en vooral de meest met zich zelven
-ocr page 39-
23
ingenomen Farizeër, — ieder heeft zijne geheimen, zijne
grenzen, zijn „tot hiertoe en niet verder." En juist daar-
door veroordeelt iedereen zich zelf.
Mij dunkt, de man heeft gelijk. — Ik ontken het zeer
groote verschil der karakters niet. Er zijn menschen,
die zich geheel door een achterhoudend, geveinsd, logen-
achtig bestaan onderscheiden. Zij schijnen werkelijk te
gelooven, dat de taal alleen daartoe dient, om de gedachten
te verbergen, en de gedachten slechts daartoe, om zich zelf
voor zich zelf te verbergen. Geheel het tegenovergestelde
heeft bij die personen plaats, die aan eene overmate van
openhartigheid wezenlijk Jijden. Zij maken niet slechts van
hun hart geen moordkuil — zooals men dat noemt, — neen,
zij komen met alles voor den dag, wat er in hun binnenste
omgaat, en berokkenen zich zelven en anderen daardoor
dikwijls veel harteleed. Dit „met alles" moet echter niet
woordelijk worden opgevat. Ook zij hebben hun „moord-
kuil," waarin zn" om goede redenen geen oog laten staren.
Nu, indien zij er dan zelf maar den blik op wilden
vestigen en den heiligen God er laten inzien, dan zoude
dat ook niet zoo erg zijn, want niet alles behoort aan men-
schen bekend te zijn, zelfs aan de beste vrienden niet. Een
geheim kabinet te hebben, is geen zonde. Maar — zooals
wij den vorigen Zondag gezien hebben — ook tegenover ons
zelven en God is die oprechtheid moeielijk genoeg. Wij
zagen, dat wij eene heillooze bekwaamheid bezitten, om
onze zonde te vergeten, of te verbergen, of toch hoe langer
zoo kleiner te maken, totdat zij eindelijk zoo klein is, dat
wy haar zelf in het geheel niet meer zien. Zoo was het ook
met D a v i d. En zoo was hy er toe gekomen, om dezelfde
zonde, die hij, maar in een duizendmaal grooter mate, zelf
begaan had, in een ander te veroordeelen, — gelijk men
-ocr page 40-
24
zegt „met een goed geweten;" ja deze heilige ijver streelde
zjjnen „ouden mensch" zeer.
In zulk een toestand zouden wy nu reddeloos verloren
zijn, indien God de Heer ons zoo uit het oog verloor, als
wij Hem. Maar Hij zij geprezen! Hy vergeet ook de
onoprechten niet, en Hij weet den toegang tot hun hart te ver-
krygen, om hen tot zich zelven te brengen. Wie het gees-
telijk leven kent, zal daarvan een treilend getuigenis kun-
nen geven, en alleen de herinnering van de wijze, waarop
God voor de redding zijner ziel heeft gezorgd, zal hem
nog tranen van dankbaarheid doen storten. Hem zal het
niet ongeloomjk voorkomen, dat de blinde I z a k door het
bedrog zijner vrouw, of dat de hebzuchtige Bileam eerst
door eene ezelin en daarna door eenen Engel tot nadenken
werd gebracht, dat J o n a door zeestorm en kauwoerde,
Petrus door een hanengekraai, P a u 1 u s door de per-
sooniyke verschijning van Jezus zelven verschrikt en opge-
wekt werden.
Dat het echter bij zulk eene opwekking niet altijd op
eene zachte wnze toegaat, is ook reeds door de aangehaalde
voorbeelden gebleken. Moet een mensch uit het water
getrokken worden, dan vat ik hem, zoo het zijn moet, bij de
haren, ja, indien ik daarbij een van zijne vingers in
gevaar moest brengen, zoude ik mg niet bedenken.
Ook bn\' David moest het op eene harde wijze geschie-
den. ZJjne rechterlijke uitspraak: „Die man is des doods"
deed ons zien, hoe diep hij zelf in den geestelijken dood
verzonken was. Hooren wij nu, hoe God hem door den
mond van zijnen Profeet doet verootmoedigen en opwekken!
-ocr page 41-
25
2 Samuel 12: 7".
Toen zeide Nathan tot David: Gjj zjjt die man.
Het Profetenwoord: „G ij z y t die man" is het onder-
werp onzer prediking.
Vestigen wfl het oog, vooreerst op de stoute,
onverwachte wending, en maken wij daarvan ten
tweede, e ene eerlijke persoonlijke toep as sin g.
I.
David had niet vermoed, dat die geschiedenis slechts
eene gelijkenis en de gelijkenis slechts een net was, waarin
hij zelf, de trotsche koningsadelaar, gevangen moest wor-
den. De rechter David zat daar met de weegschaal der
gerechtigheid in zijne hand. Over de verschrikkelijke zonde
van eenen ongenoemde en onbekende sprak hjj plechtig een
vernietigend vonnis uit, en zie, daar verschijnen op de
gewitte wand tegenover hem de vingers van eene geestenhand
en schrijven het ontzettende ,Mene, M e n e, T e k e 1," —
dat is: „de onbekende en ongenoemde, dien gij veroordeelt,
dat — zijt gij!" De doodelijke pijl, dien de koning intoom
ontvlamd op den schaamteloozen zondaar had afgeschoten, —
zie, door eene onzichtbare hand wordt hjj terug geslingerd
en treft den koning midden in het hart. „Die man is des
doods!" zeide David. „Gij zjjt die man!" zeide Nathan.
Slechts vier woordjes zijn het, te zamen elf letters, bijna
dezelfde woorden, die de koning gebruikt had, slechts een
weinig gewijzigd. Dat is alles! Maar het is genoeg, om
David te vernietigen.
In dit ééne oogenblik ontzonk hem de wereld. Want wat
-ocr page 42-
26
blijft er nog over voor eenen man, voor eenen m a n G o dsT
voor eenen gezalfde des Heeren, — wanneer zijne eer, zh>
adel, z|jne deugd, zijne gerechtigheid, zijne vroomheid in
het heilige vuur, dat God uit den sterrenloozen, donkeren
hemel doet nederdalen, eensklaps verbranden en vergaan ?
—   „Gij zijt die man," — hierin bestaat het geheele von-
nis. Alles, wat Nathan verder zegt, is slechts de uitbrei-
ding van dit donderend woord, is slechts de aankondiging van
den vloek, die op het misdrijf volgt. — Wh\' laten nu
heden den koning voor den ontzettenden afgrond staan. Wat
daarbij in zijne ziel omgaat, het woord, dat hü daarbij
spreekt, willen wy den volgenden Zondag beschouwen.
Laat ons thans met het oog op ons zelven bij Nathan en
zijn woord stilstaan.
Zeker ontbreekt het hier niet aan zoogenaamd fijnge-
voelige zielen, die den Profeet wegens zijne hardheid
berispen. „Neen, zoo met de deur in het huis te vallen,"
—   zeggen zij — „zoo op den man af, zoo scherp! Dat moest
toch het zenuwgestel van den vorst op de geduchtste wijze
schokken. Dat moest hem diep ontroeren en verlegen
maken." Nu, mijne Broeders! dit was ook juist de bedoeling.
Voor teergevoeligheid en hoffelijkheid is er thans geen tijd.
De insnijding moet gedaan worden. En moet ik eenmaal
eene insnijding ondergaan, dan, in Gods naam, liever met
een zeer scherp mes, en snel en door en door, dan met een
stomp mes, dat slechts langzaam of in \'t geheel niet door-
dringt. Wilt gij, moogt gh\', moet gij eenen broeder eene
verborgene zonde onder het oog brengen, zeg dan, — met
liefderijken ootmoed, maar ook met trouwen moed - zeg
ronduit, wat gij zeggen wilt! O dit ellendig laveeren, deze
wenken uit de verte, deze zinspelingen en algemeenheden,
waarbij men bemerkt, hij wil iets zeggen en spreekt het
-ocr page 43-
27
toch niet uit, — het is de barbaarschheid zelve. Men zit
daarbij °P heete kolen. Gjj noemt het liefde en verschoo-
ning, als gij zoo handelt, gelijk men gewoonlijk doet. Maar
bedrieg u niet! Is het liefde, dan is het eigenliefde; is het
verschooning, dan is het zelfverschooning.
Wij willen derhalve den mannenmoed van den Profeet
bewonderen, en aan bewonderaars heeft het hem dan ook nooit
ontbroken. En toch is hij slechts een van die krachtige
dienstknechten van God, die werkelijk geene menschen
vreesden en wel daarom niet, omdat zij in den vollen
zin des woords de menschen — liefhadden. Ziet op
M o z e s, zooals hij zonder vrees voor de gramschap van
Farao gedurig opnieuw vordert: „Zoo spreekt Jehova: laat
Israël trekken!" Ziet op E 1 i a, die onverschrokken tot den
woedenden Achab zegt: „Gij zijt het, die Israël beroert!"
Ziet op Daniël, die met heilige kalmte den Babyloni-
schen wereldbeheerscher verkondigt, dat hfj op weg is, om
door zijnen hoogmoed den dieren gelijkte worden.
Ziet op Jo hannes den Dooper, die zonder vrees voor de
woede der diep gezonkene Herodias tot den overspeligen
koning spreekt: „Het is u niet geoorloofd, haar te hebben!"\'
een woord, dat zijn geweten duurzaam ontrustte.
Hier zegt nu menigeen met een diepen vromen zucht:
„Och ja, dat waren hofpredikers door Gods genade! Maar
zooals diegenen waren, die aan de hoven onzer protestant-
sche vorsten dit ambt bekleedden, — het is bedroevend. Hoe
geheel anders zoude het er in de wereld uitzien, zoo deze
mannen het heilige zwaard van Gods woord op de rechte
wyze gebruikt hadden. Maar ach, zjj waren voor het groot-
ste gedeelte vleiers en huichelaars." Daarop antwoord ik
nu in de eerste plaats, dat dit niet waar is; dat ook in
de rijen der evangelische hofpredikers een groot getal van.
-ocr page 44-
28
ware helden gevonden werd. En ik voeg er bij, dat vooral
thans in het grootste gedeelte onzer drukpers tegen de zeer
eerwaardige en zelfstandige mannen, die de hofpredikers
van onzen keizer zijn, een lastertaal wordt uitgebraakt, wier
vuilaardigheid hare weerga zoekt. Het onderwerp is zeer
geliefd. Gij allen echter, die de waarheid lief hebt, weest
op uwe hoede, dat gij u niet onder het vaandel der leu-
genaars schaart!
Ik wil echter volstrekt niet ontkennen, dat sedert de dagen
van Konstantijn vele kerkleeraars duizende malen geboeleerd
hebben met de gouden kalveren der macht en des Mamrnons!
Dat zij zich door den wind lieten drijven, „die uit de hoogte"
woei, ik bedoel niet uit den hemel, maar uit de vorstelijke
kabinetten; — dat zij, in plaats van de rechten, vrijheden
en belangen van het arme volk voor te staan, zijne onder-
drukking en uitzuiging goed keurden, — dat zij, in plaats
van de grooten der aarde tot bekeering te roepen, zich
heesch schreeuwden, daar zij voor de onderdanen steeds het-
zelfde predikten: „Gehoorzaamt! Gehoorzaamt! God wil,dat
gij gehoorzaamt!" Wellicht zoude de kerk thans niet zoo
machteloos en zoo veracht zijn, en waarschijnlijk zoude tegen-
woordig het sociale vraagstuk niet als zulk een dreigende
spookgestalte aan den gezichteinder der christelijke volken
staan, indien de „bedienaren des woords" over het alge-
meen den ganschen inhoud van dit woord hadden gepre-
dikt, indien zij dus by voorbeeld den machtigen, rijken,
beschaafden gepredikt hadden, dat al onze voorrechten, ons
aanzien, onze begaafdheden ons de verhevene en zalige taak
opleggen, om ootmoediger, dienstwilliger, hulpvaardiger,
barmhartiger, weldadiger, vriendelijker, werkzamer te zijn
dan andere lieden. — Zoo wil ik ook niet ontkennen, dat er
te allen tijde door vele hofpredikers ontzettend veel onheil is
-ocr page 45-
2!»
gesticht, dat zij, in plaats van het geweten der grooten te
scherpen, het verstompt, ja dikwijls genoeg hunne misda-
den geadeld hebben!
Daar staat Nathan zeker als een geheel andere man voor
ons oog! Maar moet dat de zegen onzer geschiedenis zjjn ?
Wilt gü uit de hoogte de zonden der hofpredikers veroor-
deelen ? Dat zjj verre ! O gij, die hnnne zonden zoo scherp
veroordeelt, — de hand op het hart! Weet gy werkelijk
zeer nauwkeurig, dat gij in zulk eene betrekking de banier
der waarheid omhoog gehouden, — dat gij liever kerker,
smaad en verbanning met de waarheid, dan eere, luister,
goud en een leven in overvloed zonder de waarheid
gekozen zoudt hebben? Zjjt gjj daarvan vast overtuigd? O,
ik bid u, onderzoek uw hart en denk er over na, hoe gü
in uwe minder aanzienlijke omstandigheden u ten opzichte
van de waarheid hebt gedragen! Hebt gü u niet — wie
weet hoe dikwijls ? — gebogen voor den geest des tyds,
voor den geest uwer partij, voor den heerschenden geest
der samenleving, — ofschoon gü zeer goed wist, dat al deze
„geest" niets dan vleesch en dwaalgeest is? Hebt gij niet
dikwüls medegelach en, waar gü, om uws gewetens
wil, hadt moeten protesteeren, of zelfs medegedaan,
wat uw hart veroordeelde ? Waarom ? Uit vrees 1 — Och,
het was niet, omdat uw hoofd op het spel stond! O neen,
het was slechts om het hoofdschudden en den medelüden-
den glimlach van eenige heeren en dames te ontgaan, die
gü toch zelf, geheel in stilte, oppervlakkige, door en door
onverstandige lieden noemdet. — En nog iets: hebt gij niet
menigmaal dezen en genen uwer medemenschen op gevaar-
lijke dwaalwegen gezien, en wat deedt gü dan ? Ja, gü lof-
redenaar van Nathan! hier kwam het er op aan, te toonen,
dat ook in u vryheid, moed en liefde bestond. Maar — niet
-ocr page 46-
30
waar ? — in plaats van hem te waarschuwen, tegen te hou-
den, liet gij liever uwen broeder in het verderf loopen. Gij
wildet u niet aan het gevaar bloot stellen, om eene „onaan-
gename ontmoeting" te veroorzaken.
O mijne Broeders! wn" allen, allen, aanzienlijken, gerin-
gen, mannen, vrouwen, — wij allen moeten met het oog
op de heldengestalte van Nathan ons als de tollenaar ver-
ootmoedigen en met diepe schaamte leeren bidden: „God!
wees mij zondaar genadig wegens alles, wat ik ten opzichte
van mijnen naaste verzuimde! wegens mh\'n schandelijk boe-
leeren om eer en gunst van menschen! Sterk mij voor de
toekomst en herstel Gn, naar uwe genade, wat ik bedorven
heb, want ik ben er niet toe in staat!" — Wij, die toch
allen blijmoedige getuigen van Jezus Christus moesten
zijn, wy moeten hier ieder tot zich zei ven spreken: „Gö
zijt die man, die — vermoedelijk niet gewaagd zoude
hebben, wat Nathan durfde," en: „Gij zn\'t die man, die
vermoedelijk de vreeselyke strafpredikatie niet zoo stil
en ootmoedig opgenomen zoude hebben, gelijk David het
werkelijk deed."
II.
Zoo worde hier de blik gevestigd op de geschiedenis van
ons hart! De geschiedenis van onzen tekst moet ons
niet tot allerlei beschouwingen over de geschiedenis der
wereld, der kerk, der beschaving, niet tot allerlei filosofie,
bedilling en muggezifterij aanleiding geven, — neen, over
de geschiedenis van ons hart moet zij ons doen nadenken.
En niet slechts deze ééne geschiedenis, maar alle geschie-
denissen van den Bijbel. Als wü die opmerkzaam beschou-
wen, dan zien wij, dat zij alle van zonde en genade
-ocr page 47-
31
getuigen, daarvan, dat de zonde het verderf der menschen
is, en daarvan, dat er bjj God redding is, eene bron van
vergeving en vernieuwing. Alles wy°st op genade en heer-
hjkheid. Maar welke groote zaken Gods woord hiervan
ook verkondige, — het blijft alles voor ons toch een „dood
kapitaal." voordat wij het goddelijk getuigenis over de zonde
als een getuigenis tegen ons, geheel persoonlijk tegen ons,
opvatten en begrijpen, — voordat wjj dus het woord „Gjj
zjjt die man" als een scherpsnjjdend, verdelgend zwaard in
ons hart drukken, in dit hart vol hoogmoed, eigenwaan, list,
lust, weerbarstigheid en versaagdheid. Voordat dit
geschiedt bestraalt ons het licht van de eeuwige sterren dei-
genade niet; zg blijven woorden zonder hemelsche kracht.
En ofschoon gij — wat overigens een groot voorrecht is, —
gelijk Timotheus van kinds af de heilige Schrift kent, en
ofschoon gij onder de zegenende handen van godzalige ouders
waart opgewassen, en ofschoon gij persoonlijk met men-
schen- en engelentongen de heerlijkheid van het christelijk
geloof kondet roemen, en ofschoon gij wegens uwe vrome
werken zelfs door de „heiligen" hoog geprezen werdt, —
zoo heeft dat alles toch geene waarde voor de eeuwigheid,
indien het niet rust op den grond van een gebroken hart
(Psalm 51 : 10), indien gü dat woord „Gij zjjt die man"
niet als eene persoonlijke toespraak van God tot uw eigen
Ik vernomen hebt.
„Maar wat bedoelt gü daarmede?" — hoor ik vragen.
„Moet ik mij dan ter meerdere eere Gods voor slechter
verklaren, dan ik ben ? Ik ben toch geen echtbreker, dronk-
aard, meineedige, roover en dergelijke. Moet ik mij nu
misschien van al deze zonden betichten? Moet ik door
kunst en verbeelding zoolang peinzen en Avroeten, totdat ik
dit werkelijk geloof?"
-ocr page 48-
32
Niets minder dan dit, mijn Broeder! Niets moet gij doen
door kunst en verbeelding. Slechts e\'éne zaak behoort gij
te doen, — opmerkzaam luisteren naar den overtuigen-
den Geest van God. En wanneer gij opmerkzaam naar
Hem luistert, dan zult gij weldra begrijpen, dat die grove
uitspattingen der zonde slechts de uitwendige gestalten van
eene gezindheid zijn, die insgelijks, ofschoon ook
geheel verscholen, op den bodem van u w hart sluimert. In
allen gevalle heeft uw Heiland, (die toch onder anderen ook
wel de grootste kenner van het menschelijk hart was), —
deze zachtmoedige Jezus heeft toch dat harde woord
gesproken: „Uit het hart komen voort booze bedenkingen,
doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valsche getui-
genissen." (Matth. 15: 19.) Gij hoort toch, wat Hij zegt:
Uit het hart van den mensen, dat is, van eiken mensch,
zooals hij nu eenmaal van nature is, daaruit komen de
gedachten te voorschijn, bij gelegenheid, gelijk de golven
in de zee zich verheffen bij gelegenheid van den wind. En dat
woord sprak Jezus, ofschoon Hij, om mij in de taal dei-
wereld uit te drukken, door de edelste en braafste men-
schen, als Johannes, Nathanaël en anderen omringd was.
Hy wist toch wel, dat zulke gedachten slechts bij weinigen
de zondige daad ten gevolge hebben; maar Hij wist
ook, dat deze omstandigheid weinig tot rechtvaart) i-
g i n g der menschen verstrekt. Het hangt veel af van de
opvoeding, van beschaving, van temperament, bloed, over-
geërfd karakter, van de omgeving, welke men moet ont-
zien of die alle banden doet verbreken, van de gelegenhe-
den en verzoekingen, — het hangt hiervan af, of de opvlie-
gende mensch een moordenaar wordt, dan wel een man,
die uit staatkundige voorzichtigheid zijne gramstorigheid
verbergt.
-ocr page 49-
33
Geheel hetzelfde kan men natuurlijk van andere zonden
zeggen. Die edele, vrome en hooggeplaatste Engelschman
stortte warme tranen, toen hij eenen beruchten roover en
moordenaar het schavot zag beklimmen. En toen men naar
de reden van die tranen vroeg, wat antwoordde hy toen?
Hoort: „Met dezen armen mensch zat ik op dezelfde school-
bank. Ik verzeker u, hij en ik hadden geheel hetzelfde tem-
perament, geheel dezelfde verkeerde karaktertrekken. Hy
is in slechte handen gevallen, terwijl al mijne opvoeders mij
leerden, hoe men zjjne handen vouwt om te bidden en daarop
met deze zelfde handen eenen goeden strijd strijdt." — Het
is onnoodig, hier iets bij te voegen. Wy zien, dat deze
hooggeachte vrome met het oog op den moordenaar tot zich
zelven zeide: „Gjj zyt die man!" *)
En hoor dan, wat Jezus in denzelfden geest zegt van
hem, „die eene vrouw aanziet om haar te begeeren," of
van hem, „die op zijnen broeder toornig is," (Matth. 5:28,
21, 22) en zie dan, of gü nog den moed bezit, om echtbre-
kers en moordenaars als eene geheel andere klasse van
wezens te beschouwen, dan gjj zelf zijt.
Of lees, wat Jezus van de Farizeërs zegt. Ja, van de
Farizeërs —! Wie ter wereld zoude niet iedere overeen-
komst van karakter, iederen graad van verwantschap met
hen loochenen? Wat is onteerender in iedere klasse der
*) Het fu n dam en tee Ie onderscheid der menschen is dus
niet gelegen in hunne natuurlijke geaardheid. Het ver-
toont zich eerst, wanneer de hemelsche waarheid in Christus vra-
gend en wervend, lievend en lokkend tot de menschelijke ziel
«preekt. En al naardat de mensch het hooge of het lage, het licht
of de duisternis kiest, daarnaar, maar niet naar zijn natuurlijk
karakter zal hij geoordeeld worden.
                               De Schrijver.
ZIELESÏRIJD.                                                                            3
-ocr page 50-
:;i
heclendaagsche maatschappij, clan de beschuldiging van Fari-
zeïsine — ? En toch, terwijl men zoo vol zelfvertrouwen
uit de hoogte op de Farizeërs nederziet, gelijkt gij spre-
kend op dien Farizeër, welken Jezus zóó laat spreken:
„Ik dank U, o God! dat ik niet ben gelijk deze — tolle-
naar;" zoo sprak de Farizeër, en gij zegt: „gelijk deze
F a r i z e ë r," en gij wordt daardoor juist het tegendeel
van eenen tollenaar, wien God kan rechtvaardigen. Bestu-
deer derhalve zonder Farizeërsgeest, wat Jezus van de
Parizeen zegt, b. v. van hunne splinter zien de bedilzucht
(Matth. 7 : 1 v.v.), of hoor dat 23ste hoofdstuk van Mat-
theus, waar het eene „Wee" met klimmenden nadruk op
het andere volgt. Hoor, wat Jezus daar zegt van de mug-
genzifterij der Farizeën, van hunne geestdrijverij, van hun
even pedante als onware vertoon van godzaligheid. Vestig
het oog b. v. op dien geveinsde, die zijne schotels van buiten
doet schitteren van reinheid, terwijl zij van binnen toch
vol roof en onmatigheid zijn, — zie hem eens scherp in
de oogen en vraag dan uzelven, of gij niet dikwijls op hem
geleken hebt; of gij niet ook nog, sedert gij den weg des
vredes kent, dikwijls veel meer op datgene, wat door de
menschen gezien wordt, dan hetgene in het verborgene des
harten werkelijk plaats heeft, uwe aandacht vestigt ? — —
Of ga aan de hand van Nathan in de groote beelden-
galerü\' der bijbelsche geschiedenis en beschouw eer-
lijk de zondaarsgestalten, welke de graveerstift des Heili-
gen Geestes ons hier voor oogen heeft geplaatst. „Met
E v a\'s zondenval is eigenlijk de geschiedenis van iedere
zonde geschilderd," zegt een groot godgeleerde. En wie
zoude niet op zijne borst moeten slaan, als hij ziet, hoe
zij staat, waar zij niet staan, blijft, waar zn\' vluchten, hoort,
wat zij niet hooren moet, hoe zij zich indenkt en verdiept
-ocr page 51-
35
in hetgeen verboden is, en hoe zij nu, in de toenemenoie
verbijstering van haren geest, zich zelve vergetende, God
vergetende, „instinktmatig" (zoo zegt men) de hand uit-
stak en nam en at. — En als Adam, de man, zich zoo
gemakkelijk en snel door zijne vrouw, juist door zijne vrouw,
laat verleiden, even alsof hij niet een eigen weg mocht gaan,
alsof hij zyn lot niet van het hare mocht scheiden, — hoe,
gij mannen! gij vrouwen! klopt u het hart niet ? Ach, hoe
dikwjjls geschiedt het, dat ook nog onder het christendom
de echtgenooten, die elkanders leidslieden tot Gods hart
moesten zijn, elkanders zonde vergoelijken en navolgen — !
En als gö dan hoort, hoe Adam de schuld op de vrouw,
de vrouw echter op de slang zoekt te werpen, — klinkt u
niet uit dat alles het woord in het oor: „Die man zijt gij!
Die vrouw zijt gij! Juist op dezelfde wijze hebt gij gis-
teren nog gehandeld."
En verder ; wanneer gij K a ï n beschouwt en gij hoort
zjjn onbeschaamde, koude woord: „Ben ik mijns b roe-
der s hoeder?" — ik vraag u, was deze gezindheid niet
dikwijls genoeg ook bij ons aanwezig? Want de dood slag
— ik durf het zeggen, zelfs op het gevaar af, dat iemand
het als lichtzinnig wilde beschouwen, — de doodslag is in
dit geval bijzaak. Maar deze koude ongevoeligheid van het
hart, de „wortel des doodslags," deze afkeer van hem, die
hem in den weg staat, deze snoode zelfzucht, die slechts
aan zich zelf denkt, slechts voor zich zelf alles hebben,
niets opofferen, niets verloochenen wil, — zijn dit bij udan
zulke vreemde gasten ? — en als dezelfde Kaïn eerst on-
beschaamd en weerbarstig zijne zonde volstrekt niet voor
zonde wil erkennen, en haar terstond daarop voor zoo groot
verklaart, dat ook Gods genade tegenover haar te klein is,
hoe? heeft ook bij u deze karakterlooze verandering van
-ocr page 52-
36
stemming, dit omslaan van trotsche weerbarstigheid in ver-
saagdheid niet dikwijls plaats gehad ? Derhalve ook hier
weder: „Gij zyt die man!"
(Jij zult ongetwijfeld verzekeren, dat er geene verwant-
schap bestaat tusschen u en deze vrouw des aartsvaders en
haren zoon, die den ouden Izak zoo schandelijk bedriegen.
Men heeft deze geschiedenis „eene afschuwelijke huichelach-
tige komedie" genoemd. Ook gij, mijn Broeder! hebt het
recht om haar zoo te noemen. Maar als gij bedenkt, dat
Kebekka en Jakob toch slechts den wil van Jehova
volbrengen wilden, — dat de ziel dier geschiedenis daarin
bestaat, dat deze vrome lieden, om den wille van het goede
doel, zich ten opzichte van de verwerpelijke middelen gerust
stellen, - dan zult gij uit deze geschiedenis niet slechts
zien, dat het Jezuïtisme zoo oud is als de wereld, maar dat
ook gij — — nu, voltooi zelf den volzin, nadat gij vooraf
uw geheugen geraadpleegd hebt!
Op deze wijze zouden wij nu het geheele oude Testament
kunnen doorwandelen. Maar clan zoude ik u van eene werk-
zaamheid ontslaan, waartoe ik u toch eigenlijk wilde opwek-
ken. *) En daarom wil ik hier ook slechts zeer kort op de
*) Laat mij slechts op ééuen man wijzen, want zijn beeld is zoo
bijzonder gepast voor ons naar goud hongerend geslacht; — ik
bedoel B i 1 e a m, den door God verlichten ziener. (4 Mozes 22 — 24.)
«Rijk kan ik worden! Rijk en groot wil ik worden!" zulk een geest
en zulk een verlangen gloeit in zijn binnenste. En zie, nu geeft
hij op alle vermaningen en waarschuwingen van God geen acht.
Verblind, betooverd door de hebzucht, door deze ééne gedachte ver-
vuld, ziet de profeet niet, wat het stomme lastdier ziet. En ook nu,
daar hij zien moet, laat hij zich toch niet redden. Hij wil alles,
wat God wil ; slechts dit ééne moet God willen, wat Bilcam wil.
Daardoor wordt de profeet van Jehova de verrader van de zaak van
-ocr page 53-
37
geschiedenis van het nieuwe Testament wijzen. In de dwaas-
heden en zonden der Apostelen onze eigene te vinden, moest
ons niet te moeieiyk vallen. Met eene geheel voorbeelde-
looze oprechtheid en eenvoud hebben deze mannen in de
Evangeliën hunne zwakheden aan de wereld verhaald. Dat
is ons tot troost geschreven, gelijk ook de zonden der
geloofshelden van het oude Testament. Wh\' moeten daaruit
zien, dat zij been van ons been en nochtans Gods oogappels
waren. Het is echter ook tot onze vermaning beschre-
ven, opdat wh\' in hunne gebreken de onze vinden en ons
daardoor tot waarachtige boetvaardigheid laten bewegen.
Wanneer dan de leerlingen met kinderachtige eerzucht
twisten, wie onder hen de grootste zoude zyn, — wanneer
zn\' in hunne vrees voor het lijden den Meester waarschu-
wen voor den weg, die de redding der geheele wereld moest
worden, — wanneer zij slapen, als z\\j met den Heer waken,
er op inslaan, als zij zich stil houden, wanneer zij het hooge
woord voeren, als zij zwijgen, wanneer zij verloochenen, als
zij belijden moesten, — niet waar? wanneer wij dithooren,
dan is het ons, alsof een stuk van onze levensgeschiedenis
Jehova en de verderver zijner eigene ziel. «Juist, zooals Judas Iska-
rioth," zegt gij. Ja, juist zoo, inaar niet gelijk deze alleen. Waart
ook gij, mijn waarde Christen! niet uu en clan door de begeerte
naar geld of eer of eenig ander weieldsch goed zoo geheel en al
weggesleept, zoo geheel betooverd door een «ideaal," — Hat gij daar-
door uwen God bijna geheel vergeten kondet ? — Neen, niet slechts
dal. Neen, met allerlei kunstgrepen en drogredenen verklaardet gij
alle wenken en vingerwijzingen van God in uw voordeel, mishan-
•deldet zelfs (het is treurig, het te zeggen) Gods heilig woord zoo
lang, totdat het zeggen moest, wat gij hooren wildet. Zoo is dus
ook liileam een spiegel, waarin wij ons beeld zien.
De Schrijver.
-ocr page 54-
:J8
verhaald werd. Wanneer zy wanhopig schreeuwen in den
storm op het meer, alsof thans alles verloren was, zij, die
toch nog even te voren en reeds zoo dikwijls de bewijzen
der reddende en almachtige liefde van Jezus met handen
mochten tasten, — moet gij bij zulk een tafereel niet met
droefheid verklaren: Ach ja, mjjn Heer en Heiland! zoo
ben i k, zoo was ik gisteren nog, — ik, die kort te
voren, vol verrukking over de ondervinding van uwe nabij-
lieid en macht, plechtig beloofd en gezworen had, dat ik alle
moedeloosheid en allen twijfel voor eeuwig vaarwel zou
zeggen.
Zal ik nu nog spreken van het kruis op Golgotha ? Even-
als onder den „boom der kennis" in het Paradijs, zoo wer-
den onder den kruisboom de diepten van het menschelijk
hart onthuld. Dikwijls genoeg is daarop opmerkzaam
gemaakt. De schijnheilige overpriesters en schriftgeleerden,
Pilatus en Herodes, de wereldsche menschen, — de verloo-
chenende Petrus en het wispelturige volk, ja zelfs de krijgs-
knechten, die bij het kruis met dobbelsteenen speelden, —
hoort gij niet, hoe zij allen als uit éénen mond roepen:
,Veroordeel ons niet, — (Uj zfjt die man!" — ?■ Waarlijk,
het is geen dichterlijke bloem, maar de werkelijke waarheid,
wanneer de dichter onder het kruis van Jezus klaagt: „Ik
deed door mijne zonden, Hem al die jamren aan." Dan
eerst, wanneer wij dat verstaan, wordt ons het kruis ook
een heldere spiegel der goddelijke ontferming, ja een troon
van hemelsche heerlijkheid.
Ik ben aan het einde, maar gij, waarde Hoorder! moet
thans het begin maken, een begin, dat gedurende dit
geheele leven geen einde neemt. Ik meen, dat gij Gods woord
-ocr page 55-
39
zóó begint te lezen, dat gij overal liet woord „Gij zijt die
man" verneemt. — Zoo zullen dan uwe Bijbel-uren
ongetwijfeld biechtstoel-uren voor n worden. Maar
dan is het ook God de Heer zelf, die uwe getrouwe biecht
hoort, en Hjj zelf zal u de absolutie geven. Hij zelf
zal u zijne almachtige band tot vernieuwing uws gemoeds
op het hoofd leggen: „Wees goedsmoeds, mijn zoon! uwe
zonden zijn u vergeven. Ik, Ik delg uwe misdaad uit als
eene wolk. Zie, Ik maak alles nieuw." En zoo zal dan
„de man des doods\'\' een erfgenaam des levens worden.
En nog iets anders mag ik u beloven. Als gij in zulk
een geest de schrift leest, dan zult gij ook tot de vaste
overtuiging komen, dat zij van God ingegeven, dat zjj
Gods w o o r d is. Dit kinderlijk te gelooven wordt tegen-
woordig ook voor vele zoekende zielen, die ik uit eigene
ervaring zeer goed begrijpen kan, zeer moeielijk. „Ja (zoo
spreken zü) indien wjj eerst wisten, dat de Bijbel werkelijk
Gods woord was, dan zoude het natuurlijk gemakke-
lijk zyn, te gelooven. Maar juist dit is het, wat wjj
betwijfelen. Er staan zoo vele aanstootelijke geschiedenis-
sen in, zoo vele wonderen, die al het voorkomen van fabelen
hebben. Daar kunnen wij niet over heen komen." Nu,
mijn Broeder! ga er dan eerst om heen, laat ze voovloopig
rusten. Bij het biddend lezen van den Bijbel trachte uw
oog u z e 1 v e n en uwen G o d te vinden. Dan zult gjj
weldra bemerken, dat de geschiedenis en de toestand van
uw eigen hart van dien aard zijn, dat gij, voor uw eigen
persoon, een wonder van God verwachten en bidden moet,
waartegen alle wonderen des Ouden Testaments slechts een
kinderspel zijn, — dat wonder namelijk, dat uw onreine,
vergiftigde hart een tempel des heiligen Geestes en der
goddelijke heerlijkheid worde.
-ocr page 56-
40
Gij zult verder erkennen : wat de Bijbel over het mensche-
ljjke hart zegt, dat is zoo waar, zoo diep, dat het slechts
van den alwetenden Hartenkenner afkomstig kan zjjn.
Wat ons daar echter van Gods hart en van Gods genadige
gezindheid onthuld wordt, dat kan wederom slechts uit
Gods hart afkomstig zijn, dat zoude nu en eeuwig in geens
menschen hart, zin en mond zjjn opgekomen.
En zoo zult gjj dan, mjjn Broeder! in weerwil van tegen-
strjjdigheden en onnauwkeurigheden in kleine bijzaken, in
weerwil van verschillende lezingen, twijfelachtige plaatsen
enz., nochtans een vasten grondslag in den Bijbel gevonden
hebben, eenen grondslag, die onwankelbaar is, dewijl gjj
daarin gevonden hebt. waartegen de geheele wereld geen
stroohalm waard is: — uzelvenenuwenGod; —
u ze 1 ven in uwen God. Amen.
-ocr page 57-
III.
IK BEN DIE MAX.
Waarde Hoorders! Wjj hebben reeds op twee achter-
eenvolgende Zondagen de stem van den Profeet Nathan
gehoord. Nu staat de naam Nathan tegenwoordig in de
beschaafde wereld zeer goed aangeschreven, ofschoon het
een Jodennaam is. Ondertusschen, wanneer thans in de
meer ontwikkelde standen tien personen Nathan prijzen,
dan bedoelen zeker negen van hen niet onzen Profeet, maar
den valschen Profeet, dien onze dichter Lessing geschapen
en „den Wjj ze" gedoopt heeft. Zijne wijsheid nu heeft hjj
aan den dag gelegd in de parabel van de drie rin-
gen, die den meesten van u bekend is. Derhalve is ook
de nieuwe Nathan groot door eene gelijkenis, en ook deze
gelijkenis heeft een godsdienstigen inhoud. Maar by het
licht bezien verkondigt zü het einde van allen godsdienst.
Zij leert ons, dat eene onmiddellijke goddelijke openbaring
aan de menschen niet te vinden is; zij leert, dat wij haar
ook niet noodig hebben, daar eene edele gezindheid en een
rechtschapen wandel de beste godsdienst is.
Nu, dat zoude inderdaad niet zoo kwaad zijn, als er niet
ééne zaak bestond — de zonde, de zonde, die ons hart
-ocr page 58-
42
verduisterd, ons verstand verduisterd, onzen wil bedorven,
al onze krachten verlamd heeft. Van de macht der zonde
schijnt de moderne Nathan niets te weten. Juist dit echter
is het A. 13. C. van den bjjbelschen Nathan en van
alle getuigen Gods: ,De zonde is het verderf der men-
schen." Door uwe zonde zijt gij uitwendig en inwendig
„de man des doods," zoo sprak Nathan tot David, zoo tot
zich zelven, zoo tot u, zoo tot mij. Hh- ziet ook van verre
het morgenrood van het rijk der genade (2 Samuël 7), hjj
kent ook de bron der vergeving en vernieuwing, maar slechts
voor hen, die dat A. B. C. eerst grondig geleerd hebben.
Dat tusschen dien anderen en dezen Nathan, tusschen den
prediker der eigengerechtigheid en den prediker van de
gerechtigheid des geloofs volstrekt geen brug gelegd kan
worden, ligt voor de hand. Hier is Ja, daar is Neen.
Wie van de beide vijandige broeders is nu uw vriend,
waarde Hoorder? Ach, God ontferme zich! Millioenen van
hen, die gedoopte christenen zijn, zweren op het vaandel
van den Lessingschen Nathan. Hij is de groote Profeet,
de wijze, de vader van het verlichte christendom, dat door
louter verlichting niets dan een nevel is geworden. De
bn\'belsche Nathan echter moet een hardvochtige, hoogmoe-
dige paus zjjn, een duisterling, die met zijne steile ooster-
sche denkbeelden een lang overwonnen standpunt vertegen-
woordigt.
Zoo dan, waarde Hoorder! wien hebt gij lief? — Zorg,
dat gij dit nauwkeurig weet! En dat gn\' den bybelschen
Nathan werkelijk lief hebt, dat zult gij ontdekken, zoo gij
u zelven vraagt, hoe gij die menschen bejegend hebt, die
u in kleine of groote zaken Nathansdiensten bewezen? —
Of herinnert gij u zulke personen en gelegenheden niet?
Meent gü zelfs, dat gij geenen Nathan noodig hebt? Zoudt
-ocr page 59-
4;;
gÜ wellicht ook zeggen — gelijk mij gisteren nog iemand
zeide —: „Ik zal mjj toch zelf wel het beste
kennen?" Ach, daardoor zoudt gij reeds het duidelijk
bewijs leveren, dat gij u zelven nog in het geheel niet kent.
Er is geen mensch op aarde, die niet nu en dan eenen
Nathan noodig zoude hebben. Waarom? — dat hebben
wij onlangs besproken. Maar hoe weinigen hebben er eenen!
In de zoogenaamd beschaafde kringen wordt het door den
goeden toon geëischt, dat de een den ander prijst, verheft,
streelt. — wat natuurlijk niet belet, dat men achter den
rug van elkander kwaad spreekt en tegen elkander intri-
geert. Maar helaas Avillen ook velen, die zich Christe-
n e n noemen, niets van eene terechtwijzing in den omgang
weten. Zij willen wel is waar „in het algemeen groote
zondaars" zijn, maar niet in bijzonderheden. Zoodra het
heet: „Broeder! dat en dat is uwe bijzondere zonde!"
dan begint men het kwalijk te nemen. Hebt gij geenen
Nathan, die u nu en dan eerljjk en trouw uwe dwaasheden
of verkeerdheden onder het oog brengt, dan ontbreekt u
eene belangrijke zaak. Of het uwe vrouw is — die u toch
het beste kennen moest en die het ook op de zachtste wyze
zal zeggen, — of een christelijke vriend of wie ook — dit
bespreken wjj thans niet. Maar indien het u aan zulke
personen ontbreekt — zoo onderzoek u zelven! Hebt gij
ook misschien hen, die u helpen wilden, teruggestooten door
uwe ongenaakbare, hoogmoedige, lichtgeraakte, onaantastbare,
op eigengerechtigheid fiere wijze van zyn ? Hebt gjj hen niet
door de slechte ontvangst, die zjj by u vonden, van u ver-
dreven, hen, die toch uwe beschermengelen hadden kunnen
worden? — O, ik bezweer u, maak het uwe vrouw, uwen
man, vriend, broeder gemakkelijk, als geestelijke raadslie-
den iets tot u te spreken; moedig hen aan om terug te
-ocr page 60-
44
komen, zoo uw leven u werkelijk dierbaar is. — Laat ons
heden bij David leeren, hoe men de goddelijke waarheid
ter harte rnoet nemen, zoo zij ons midden door de hel ten
hemel zal leiden.
2 Samuel 12: 13a.
Toen zeide David tot Nathan: ik heb gezondigd tegen
Jehova.
„Die man is des doods", — dat was de zonde in den
derden persoon. „G ij z jj t die man", dat was de zonde
in den tweeden persoon. „Ik heb gezondigd tegen
Jehova", — dat was de zonde in den eersten persoon.
David erkent daarmede, dat hjj zich zelven trof, toen hu\'
dien derden persoon zoo gestreng veroordeelde, hij erkent
verder, dat Nathan met volkomen recht den derden persoon
in een G ij veranderde. Vestigen wij dus heden onze aan-
dacht op Davids belijdenis:
„Ik ben die man."
1. In dit doodvonnis wordt de oude David
weder levend.
II. Hij verbreekt daarmede de ketenen eener
ontzettende gevangenschap.
I.
Indien het verloop onzer geschiedenis ons onbekend was,
dan zouden wjj in de hoogste spanning vragen, hoe David
dat vernietigend woord van Nathan wel opnemen zoude.
Herinner u slechts, hoe het b ij u was, wanneer iemand u
eene „bittere waarheid" zeide, die het binnenste van uw
-ocr page 61-
4:»
hart niet zoo scherp trof als Nathans woord, — neen,
geheel eenvoudig: „dien en dien hebt gij door uw woord zeer
gegriefd" — „daar en daar hebt gjj uzelven echter zeer
vergeten" — „hoe hebzuchtig hebt gij u in deze zaak ge-
dragen!" Is het niet zoo? Dan kookte het in uw binnenste!
En zaagt gij niet doorgaans naar wapenen om, om den
slechten strijd te strijden — den strijd der zelfrechtvaar-
diging?
Zoo was het met u. En nu een koning tegenover zijnen
onderdaan, een oostersche alleenheerscher (naast wien
onze hedendaagsche vorsten slechts knechten schjjnen te zijn)
tegenover eenen man uit het volk! — Hoe ? Had David dien
Xathan niet in ijzeren boeien kunnen doen klinken? — Of
zouclt gij zeggen: „thans was de zaak toch te kras en te
klaar. Wat zoude David als een man, die toch vroom wilde
zijn, er tegen in hebben willen brengen?" O vriend! hoe
slecht kent gij het menschelijke hart en uw eigen hart! Niets
is zoo waar, zoo overtuigend, dat men daarop volstrekt geen
aanmerkingen zou kunnen maken. En nu zulk een geestrijk
man als David was! Wilde hij ook de schandelijke daad
zelve niet rechtvaardigen, dan konde hjj zich tot den vorm
van het veroordeelend woord bepalen. Konde hij Nathan
niet onbescheiden en oneerbiedig noemen ? Konde hij zich
niet beklagen over de aanmatigende bemoeizucht van den
Profeet, die voor zijne eigene deur genoeg en meer dan ge-
noeg schoon te vegen had ; hij moest zijne schoolmeesterach-
tigheid afleggen; de koning zoude zijne aangelegenheden
zeer goed alleen met God afdoen enz.?
Maar David liet al deze heillooze en onwaardige listen
en kunsten varen, die ons helaas, zoo wel bekend zjjn. Ook
deed hij niet, gelijk dikwijls meer ontwikkelde christenen
doen, die hun onrecht erkennen, om niet — ach, ik durf
-ocr page 62-
46
het nauwelijks zeggen, want ik waag mijne eigene eer
daarbij! — om niet den roem der nederigheid te ver-
liezen. Zjj stemmen alles toe, ja zjj danken hem, die hun
hunne verkeerdheid onder het oog heeft gebracht, zij danken
hem in \'t openbaar, want zjj weten, dat dit christelijk en
lofwaardig is — en heimelijk ergeren zij zich en peinzen er
op, boe zij, bij de eerste gelegenheid, hunnen Natban ook
eens duchtig „de waarheid zullen zeggen." — Maar zoo deed
David niet. Hjj heeft het Xathan niet heimelijk en ook niet
later kwalijk genomen. Een schitterend bewijs van het
tegendeel heeft hij den Profeet gegeven, daar hij hem, juist
hem, het liefste wat hij op aarde bezat, zijnen zoon Salomo,
den troonsopvolger, toevertrouwde, om hem op te voeden.
Hierdoor verkondigde David aan de geheele wereld, dat hjj
dezen gestrengen Profeet als den besten man in het land
beschouwde.
David heeft alzoo, alle strikken van het zelfbedrog ver-
brekende, van alle uitvluchten afziende, kort en goed zjjne
schuld beleden: „Ik heb gezondigdtegenJehova;—
het is juist zoo, gelijk gjj, Nathan! gezegd hebt; ik
ben de man des doods." *) In deze diep ootmoedige
*) Ik wil er thans s 1 e e li t s in liet voorbijgaan
opmerkzaam op maken, dat David hier ook voor eenen m e n s c li
zijne zonden belijdt, daar ik een afzonderlijk klein geschrift over
dit gewichtig punt geschreven heb. «Belijdt elkander de misdaden !"
zoo vermaant de Apostel Jakobus, en op dergelijke wijze spreken
andere Godsmannen. Dat nu iedere belijdenis, en dus ook de be-
lijdenis voor menschen, slechts dan waarde heeft, als zij geheel
oprecht is, behoeft niet gezegd te worden. En toch gebeurt het zoo
dikwijls, dat M. en N. wel hunne groote zondigheid in het alge-
meen of ook deze en gene bijzondere zonde belijden, maar uit dwaze
-ocr page 63-
47
bekentenis nu vindt David zich zelven terug. Hier her-
kennen wij den man Gods door alle verduisteringen der
zonde heen. Wie zich onder de sterke hand van God kan
------------------                                                                                   v
schaamte juist datgene verzwijgen, wat hen liet meeste drukt
en kwelt. Daarop kan dan zooals van zelf spreekt, geen zegen van
boven nederdalen. Dat onze hoogmoed zich zoo geducht tegen zulk
eene belijdenis verzet, kan voor den discipel van ,lezus slechts eene
nieuwe reden zijn, om zich tot zulk eene vrijmoedige belijdenis te
laten dwingen. Wij beginnen toch eerst te leven, wanneer onze
eigenwaan verdwenen is.
Wie il men de zonden belijden zal, dit moet zich naar de om-
standigheden regelen. Dat niet iedereen, ook niet ieder christen,
daarvoor geschikt is, ligt voor de hand ; maar het is ook niet
gezegd, dat het de predikant moet wezen. Ontdekt uwe zonden
voor hem, van wien gij de vaste overtuiging koestert, dat de waar-
heid, wijsheid en barmhartigheid van Jezus Christus bij hem wonen,
dat hij u niet sparen en ook u niet verachten zal. Is nu deze
man, op wien gij vertrouwt, uw predikant, — ook goed; is het een
»leek", (God verlosse ons van dit woord !) — ook goed. De hoofd-
zaak is, dat gij beiden eerlijk, als voor Gods aangezicht, met elkan-
der handelt. Daartoe behoort ook, dat uwe belijdenis oog in oog
geschiedt; de schriftelijke bekentenissen zijn meestal slecht. Het
papier is geduldig en kan niet blozen. Wanneer gij echter bloost
van smartelijke schaamte, dan is dat slechts het morgenrood van
eenen nieuwen levensdag. En als uwe stem beeft en hapert, dan
is juist dit beven en haperen de intonatie van een groot Halleluja. —
Ontelbare vrome lieden komen tot geen innerlijken vrede, omdat
zij hun hart niet voor meuschen willen uitstorten en hun zeggen
wat er in \'t geweten omgaat. Zoo blijven zij in hunne geestelijke
boeien en vinden noeh de vreugde Gods, noch de gemeenschap des
geloofs en der voorbede, die hun juist die belijdenis had kunnen
verschaffen.
De Schrijver.
-ocr page 64-
48
vernederen, die bezit de vatbaarheid om door God verhoogd
te worden,
En deze verhevene ootmoed was de adel van al die man-
nen, door wie God de Heer zijn rh\'k op aarde stichtte. Zij
brengen, waar het vereischt wordt, de wenschen en aan-
doeningen hunner ziel gewillig ten oft\'er, om het hart van
God te vinden. Zij erkennen de rechtvaardigheid zijner oor-
deelen, opdat Hij hen rechtvaardigen kunne door de kracht
zijner ontferming. Aiiron zweeg stil"; weet gü, waarde
Hoorders ! waar dat geschreven staat ? Het volgt kort na
het bericht, dat God de Heer zijnen dienstknecht Aiiron,
die een misstap had begaan, zijne twee oudste zonen plot-
seling van zijne zijde rukte. „Aiiron echter zweeg stil!"
Merkt gij de welsprekendheid van dit zwijgen op ? Waar-
lijk, alle groote daden en woorden van Aiiron, die toch
zoo talrijk waren, hebben niet zoo veel waarde, als dit
heilige stilzwijgen. — Of ziet op M o z e s, Aiirons broeder,
den man, die „getrouw was in het geheele huis van God,"
en toch — wegens eene enkele overtreding mocht hij niet
in het land van zijn warm verlangen, van zijne vurige
hoop komen, in dit Kanaiin, waarvoor hij honderd jaar lang
geleefd, gestreefd, geleden, gestreden had. Nochtans —
zwijgend en biddend, zonder eenigen klaagtoon, beklimt
hij den berg Nebo. Geen wonder, dat hij „aan den mond
van Jehova" sterven mocht. — En naast dit onsterfelijke
broederpaar kunt gij nog vele andere zonen van Abraham
plaatsen, van Job af, die by de puinhoopen van al zijnen
voorspoed God loofde, tot op Pau lus, die zich door den
,doorn in het vleesch" niet liet verbitteren, maar wien
Gods genade genoeg was. De grootheid van al deze man-
nen bestond daarin, dat zij God alleen als groot beschouw-
den, maar zelven niets tegenover Hem wilden zijn.
-ocr page 65-
49
En met deze heilige schare vereenigt zich heden ook
D a v i d weder, ja hij behoort voortaan weder tot de eerste
lijn. Hjj is overigens echter ook een kind van zijnen
tijd, en dat wil zeggen, van een b a rb a ar se h e n tijd.
Ook de grootste Godsmannen in die eeuwen staan in menig
opzicht op een veel lager zedelijk standpunt, dan wij. kin-
deren des Nieuwen Verbonds. Wij ontstellen b. v. als wjj
lezen, dat David een huis vol vrouwen had. Zijn geweten
werd daarover echter niet ontrust. Wij huiveren verder,
als wjj hooren, hoe David met de krijgsgevangen Ammo-
nieten gehandeld heeft.
„Hij legde hen onder zagen en ijzeren dorschwagens en
deed ze door den ticheloven doorgaan." (2 Sam. 12: 31.)
En dat alles in eenen tijd, toen hij op de nieuw gestemde
harp zong: „Mij is barmhartigheid bewezen, Ontferming,
die ik niet verdien."
Hier is van toepassing: „Zooals de tjjd is, is de man."
Wat hem echter hoog verheft boven den geest van zijnen
tijd, het is dit, dat het dorsten naar G o d, naar den
levenden God, de eigenlijke ziel van zijn leven was, dat de
gemeenschap met God en de vrede in God ten slotte op
hooger prijs door hem gesteld werd, dan alle ander goed
en geluk in de geheele wijde wereld, — dat hjj de waar-
heid Gods als waarheid eerbiedigde, ook dan, wanneer
deze waarheid hem zei ven des doods waardig verklaarde, —
dat hjj met oprechtheid des harten danken konde voor
de zwaarste verootmoedigingen, zoo zij hem slechts weder
tot zich zelven en tot zijnen God brachten. Uit dezen in-
wendigen grond des ootmoeds en des geloofs ontsproten
al zjjne deugden, waarover wy onlangs spraken, en die hem
in zijnen tijd tot het ideaal van eenen held en koning
maakten. Uit dezen grond ontsproot ook de eenvoudige
ZIELESTKIJD.                                                                           4
-ocr page 66-
50
eerlyke belijdenis: „Ik heb gezondigd tegen den Heer."
Het is zoo gelijk gij, o Nathan! gezegd hebt: „Ik ben de
man des doods."
il.
Op dit oogenblik werd David uit een ontzettenden
kerker verlost. Op dit oogenblik ondervond hij in zijn
binnenste, wat hjj in een zijner liederen zingt: „Onze ziel
is ontkomen, gelijk een vogel den strik des vogelvangers;
de strik is gebroken en wij zijn vrij." Een ontzettend jaar
van gevangenschap door eigen schuld is ten einde. Eindelijk,
eindelijk verbreekt de gekluisterde ziel de ketenen des zelf-
bedrogs, waarmede zij zich zelve gekluisterd had. Eindelijk
is David weder aan Gods deur, ofschoon het ook vooreerst
nog eene gesloten e deur is.
Ja eindelijk, eindelijk, nadat hij vele ellendige nachten
had doorleefd. O David, arme David! waarom dan nu
eerst? Waarom hebt gij, dwaze man! u zelven zoolang
gekweld en afgemarteld? — Dat het zoo met hem gesteld
is geweest, heeft hjj ons zelf bericht. Dit bericht vinden wjj
in den 2:Jsten Psalm, dien ik zoo even voorgelezen heb; waar-
Ijjk een Psalm, waarvoor hem de geheele zondaarswereld
dankbaar moet zjjn. Hjj heeft ons daarin het beeld zijner
ziel voor oogen geplaatst, die zich heen en weder wendt,
daar zij zich niet verootmoedigen wil en die daardoor onbe-
schrijfeljjk lijdt. „Toen ik het wilde verzwijgen, versmachtte
mjjn gebeente door mjjn gekerm den gansenen dag. Want
uwe hand lag dag en nacht zwaar op mij ; mijn levenssap
verdroogde als in zomerdroogte. Toen bekende ik U mjjne
zonde enz." Dit „toen\'\' wijst juist op het punt, waarop
de heilzame wending plaats heeft, die tot inwendige gene-
-ocr page 67-
51
zing leidt. Wat echter aan de andere zijde van dit punt
ligt, dat is ontzettend.
Als men op het uitwendige ziet, dan is juist het omge-
keerde liet geval. Datgene, wat de menschen ontzettend
noemen, de gevolgen der zonde en wel de allersmartelijkste
gevolgen, beginnen thans eerst na de schuldbelijdenis. Maar
al het lyden dezes tijds kan verdragen worden, als de vrede
Gods in het harte woont. Geheel onverdragelijk echter is
voor eenen mensch, die eenmaal den vrede Gods heeft
gesmaakt, — geheel onverdragelijk is voor hem de inwendige
ervaring van Gods toorn. Doodsklokken klinken hem bij al
het gejuich en vreugdebedrijf\' der wereld in bet oor, en \'.il
de schoonheid van hemel en aarde is voor hem als met
rouwfloers omhuld.
Zoo was het ook bjj David. Aanhoudend vermaande hem
de Geest van God tot berouw en schuldbelijdenis; Hij liet
hem geen rust, maar David stelde zich zelven gerust. „Ik
wilde het verzwijgen," zegt lijj. Hjj wilde voor zich zelven,
voor God en menschen zijne zonde niet bekennen, wilde
zijnen hoogmoed niet breken. Zoo had er dan een ontzet-
tende inwendige strijd plaats, die nu en dan bedaren mocht,
maar dan weder gedurig met nieuwe hevigheid begon.
Lichaam en ziel dreigden daaronder te versmachten: wat
hy leed, kan geen schepsel in de geheele wereld doorstaan,
behalve — een kind van God, dat door eigen schuld
verdoold is geraakt.
God heeft den mensch zóó geschapen, dat hjj Hem zoeken
of ook Hem ontvluchten, dat hij zich vol liefde aan Hem
overgeven of ook weerspannig Hem versmaden kan. Zoo
groot is de kleine mensch, dat hy in staat is, zich tegen
den almachtigen God te verzetten. Hy kan in tweedracht
leven met God, waardoor hij dan trouwens ook in tweedracht
-ocr page 68-
52
leeft met zich zelven, daar hg Gods beeld draagt. Maar
hjj kan dat alles. Hij begaat daarmede eenen g e e s t e-
1 ij k e n zelfmoord, maar hij kan dat, even goed als hij een
lichamelijken zelfmoord kan begaan.
AVilt gij met God twisten, omdat Hy ons zoo geschapen
heeft? >,\'og gisteren zeide mij eene zwaar beproefde lijderes:
„Och, dat God ons tocli zóó geschapen had, dat wjj alleen
het goede konden kiezen!" Dergelijke stemmen hoort men
niet zelden. Maar die zoo spreken, weten niet, wat zij zeg-
gen. Alleen het goede kunnen doen, dat heet
zoo veel als het goede te moeten doen. En houdt het
dn niet op, het goede te zijn? Voor u wordt het goede
eerst goed, als gy het gekozen hebt in weerwil van de ver-
lokkende verzoeking tot het kwade, in heiligen haat en
strijd tegen het kwade. „Aangeboren deugden" zijn nog
geene deugden in den strengelen zin des woords, zg hebben
geene zedelijke waarde, geene waarde voor de eeuwigheid.
De aangeborene zachtmoedigheid bijvoorbeeld heeft zoo lang
geene hoogere waarde, als de zachtmoedige nooit in eene
omstandigheid kwam, waardoor hij opgewekt werd om toor-
nig te worden en zich te wreken, in deze aanvechting eerst
zal de zachtmoedigheid hare vuurproef moeten doorstaan.
De menscli, die slechts het goede konde doen, zonder het
kwade overwonnen te hebben, zoude niets dan eene machine
zijn, die voortreffeiyk werkt, of een edel dier, dat een goed
instinkt opvolgt. Wel spreekt men van zachtaardige paar-
den, getrouwe honden, geduldige en zachte schapen, maar
geen mensch denkt er over, om aan deze trouw en dit
geduld eene zedelijke waarde toe te kennen. Goddelijke deugd
en hemelsche grootheid is — in deze wereld althans —
slechts daar aanwezig, waar ook misdaad en zelfverlaging,
verlaging tot beneden het dier, verlaging tot in de hel toe
-ocr page 69-
53
mogelijk zijn. Beklagen we ons derhalve niet, dat wij zoo
diep kunnen zinken, want slechts daarom kunnen wjj zoo
hoog stijgen! Beklagen we ons veel meer daarover, dat wij
van ons vermogen om ons zei ven te bedriegen en Gods
Geest te wederstaan, zulk een veelvuldig en vreeseljjk
gebruik maken! „Wij," — zeg ik, ofschoon toch eigenlijk
over David gesproken wordt. Maar zjjne geschiedenis is
toch voor alle eerlijke personen slechts een spiegel, waarin
zij hun eigen aangezicht zien. „Wij" derhalve, zeg ik,weten
daarvan een treurig lied te zingen, in welk eene zee van
smarten wjj zinken, als wjj de zonde geen zonde willen
heeten. Dan heeft het verschrikkelijke plaats, dat wij niet
kunnen bidden, niet spreken met God. De gemeenschap
houdt op.
Laat mjj een beeld gebruiken, dat vooral voor de gehuwde
personen in ons midden duidelijk zal zijn. Ik neem eens
aan, dat een man, die anders zeer gelukkig met zjjne vrouw
leefde, deze zijne vrouw op de bitterste wijze heeft gekrenkt.
Zijn geweten klaagt hem daarover ook aan, maar zijn hoog-
moed (hij noemt dat zijne manneljjke eer) verbiedt hem, zich
te buigen. Nu vraag ik u, is dat niet een ontzettende toe-
stand ? Men is stom tegen elkander, men ontwijkt elkander,
ja men ontwijkt zelfs elkanders blikken. Kene wczenljjke
marteling is het, voor de kinderen en tegenover eiken derden
en vierden, die er soms komt, dien onnatunrljjken toestand
te verbergen. En is men niet bij elkander, dan is deinwen-
dige jammer even onverdrage]ijk; het hart is als eene een-
zame woestijn, waar alle winden doorheen ruischen. Er kan
geen sprake van zijn, dat men door iets verblijd konde
worden, en ieder, met wien men te doen heeft, moet onder
die inwendige duisternis lijden. En toch, hoe lang duurt
-het dikwjjls, totdat het verlossende, den ban brekende woord :
-ocr page 70-
54
, Vergeef het mij, ik heb u verkeerd bejegend!" over de
lippen komt. Nu is echter ook de zon doorgebroken en het
geheele landschap eensklaps veranderd.
Zoo is het ook geheel en al met de betrekking tusschen
God en de menscheiyke ziel, behalve dat hier de oorzaak
der verduistering altijd aan éénen kant ligt en dat de
ellende der menschelijke ziel, die zich zelve de eenzaamheid
berokkend \'heeft, nog oneindig grooter is. David konde in
dat geheele vreeseln\'ke jaar niet bidden, dat beteekent,
zijn inwendige mensch konde geen adem halen. Kent gij,
waarde christen! het harteleed van zulk een belemmering
der ademhaling? Ik wil hier niet met diegenen twisten,
die vermoedelijk toch niet hier zijn en die als uit de hoogte
glimlachend zeggen.- „Och, niet meer kunnen bidden, —
dat zoude een ongeluk zijn? Een vooruitgang is het,
als men zich boven dat kinderachtig en zwakkeln\'k stand-
punt verheven heeft." — Ach! aan de deur dezer arme
ingebeelde rijken sluimert reeds de wanhoop, en zij zal
spoedig genoeg verschrikkelijk ontwaken. Spreken we heden
niet verder over hen! — Maar gij, die een goddelijk vader-
hart boven de wolken kendet, eene veilige toevlucht bü alles,
wat uwe harten in vreugde en leed gevoelden, — gij, die,
door waarachtige godsvrucht bezield, dagelijks uwe ziel in
de wereld der eeuwigheden indompeldet en dan verkwikt,
verfrischt, vervuld met krachten der eeuwigheid, uw kruis
op u naamt en uwe wapenen opvattet, — gjj, die uw bin-
nenkamertje binnentraadt gedrukt en neergebogeu, en er
uitgingt met opgerichten hoofde, met een nieuw lied op
uwe lippen, diep doordrongen van de overtuiging: „Alles,,
alles, alles moet heerlijk worden, dewijl mijn Heer Jezus
Christus heerschappij voert," — en nu niet meer kunnen
bidden, omdat eene donkere wolk tusschen God en de zieL
-ocr page 71-
55
staat, — dat is eene inwendige hel. Woorden
van een gebed kan men wel is waar ook in zulk een toe-
stand nog wel spreken, men kan zelfs voor anderen bidden,
en het is erg genoeg, als men het doet, want het is onwaar-
heid. Het oefent volstrekt geen invloed op het binnenste
uit, ja de woorden des gebeds vallen als beschuldigingen
op het hart terug, zoolang wij de innerlijke doodelijke wond
niet erkennen, zoolang wjj God geen gelijk willen geven.
O, hoe kan de menseh toch zoo waanzinnig zijn, dat hjj
zijnen God zoolang trotseert en zich zelven innerlijk ver-
woest ! Men hoort zoo dikwijls droevige klachten: „Ach,
my ontbreekt de opgewektheid des gebeds; ik bezit er niets
van; Gods woord stemt mij niet tot vreugde; ik kan zijne
beloften niet aannemen, en zoo ik ze voor een oogenblik
aangenomen heb, kan ik haar niet vast houden." Nu, klaag
dan niet alleen, maar onderzoek en vraag naar de oor-
zaak! Als de waterleiding in uw huis haren dienst
weigert, niet waar ? dan zegt gij, zö moet ergens verstopt
zijn, en gij zoekt nu het punt. w aar zij verstopt is. Wel-
aan, de bron van God heeft overal overvloed van water;
vloeit zij niet, dan moet het ergens aan u haperen. Smeek
den Hartenkenner, dat Hij het u ontdekke, dat Hij u oogen
geve, die iets deugen, dat Hij uwe oogen aanrake, opdat
zjj zien. Voor alle dingen vertrap uwen hoogmoed, die
zijne eigene gerechtigheid wil vast houden, onder uwe voeten,
anders kunt gij niet gered worden.
Voor mijne oogen staat een man, die eene diepe chris-
telijke kennis en ondervinding bezat. In godsdienstige bijeen-
komsten voerde hij dikwijls het woord en werd gaarne
gehoord. Ook bracht hij gaarne zijne offers voor de zaken
van het Godsrijk en was zeer hulpvaardig, waar hy armoede
en ljjden vond. En nochtans lag er iets sombers in het
-ocr page 72-
56
gelieele voorkomen van den man; er was iets onrustigs en
gejaagds in zijne wijze van zijn. Ik beschouwde het als
mijn herderlijken plicht, hem dit te zeggen. Hij gaf echter
de ware reden niet op, maar zeide eenmaal: „dat hjj van
jongs af zwaarmoedig was geweest!" een andermaal: „dat
er demonische aanvechtingen bestaan, waarvan ik, als jonge
man, nog niets begreep," enz. Zoo liet ik hem zuchtend
gaan. Daar sloeg onverwachts zijn sterfuur. „Nu moet het
er toch uit," riep hjj met luider stem, terwjjl zijn oog
vreeselijk rolde en het angstzweet op zijn voorhoofd stond.
„Ik heb, vijftien jaren geleden, een meineed gezworen, om
een stoffelijk voordeel te behalen. De rechters en de gelieele
wereld geloofden de waarheid van mijnen eed, maar ik was
van dat oogenblik af de rampzaligste mensen. Daar ik het
wilde verzwijgen, versmachtten mijn lichaam en ziel, en
toch wilde ik, als een algemeen geacht man, mijne eer
niet verliezen. Het schandelijk verkregen goed heb ik tien-
maal en twintigmaal op allerlei wijze weggeschonken, maar
mijn geweten was en bleef vreeselijk ontrust. Xu moet het
er uit! o (!od, wees dezen huichelaar genadig!"
Niet waar ? hoe ontzettend, dat de man gedurende vijftien
jaren zich /.elven zoo gemarteld en de gemeenschap met
God in eenen strijd met God veranderd had. Iets dergelijks,
hoewel ook niet zóó erg en grof, heeft maar al te dikwijls
plaats.
Hoe menigeen konde vrij worden, als hjj de stem van
oude bloedroode zonden uit de diepte van zijn hart hooren,
als hjj de sombere spookgestalten, die hem gedurig ver-
schijnen en de oude misdaad herinneren, niet door kunst-
middelen verdrijven, maar met een oprecht berouw zich zelven
voor God en ook voor de rechte menschen veroordeelen en
Gods ontferming zoeken wilde. — Dat hjj, zoo veel moge-
-ocr page 73-
07
lijk, zijn onrecht ook door daden herstellen moet, behoeft
niet eens gezegd te worden.
Het behoeft echter ook niet altijd eene enkele zondige
daad te zijn, die zoo tusschen u en onzen God staat.
Neen, er kan iets in uwen stand en toestand zijn, dat u
van den vrede en van de opgewektheid des gebeds berooft.
By voorbeeld eene zekere praktijk in uw h a n d e 1 s 1 e v e n,
die thans eene alledaagsche zaak voor u is, waaraan gij u
reeds lang gewend hebt en waarover u toch te zijner tjjd
de Geest van God ernstig bestrafte. Of daar is eene stief-
moeder; zjj wil eene besliste christin zijn, maar zij heeft
er zich lang aan gewend, hare aangenomene kinderen voor
hare eigene te doen achterstaan. Thans is zij zich hiervan
niet meer bewust; eertijds bestrafte de Geest haar daar-
over, dien zij echter geen gehoor wilde geven, en nu is
de verblinding gebleven. Dat stiefkinderen dikwijls even-
eens tegen stiefmoeders zondigen, behoef ik wel niet te
zeggen. — Ook in het h u w el ij k komt het voor, dat
beide echtgenooten liet eens worden over iets, wat toch niet
recht is; ofschoon hun geweten hen eerst gewaarschuwd
had, brengen zij elkander in den waan, dat zjj betamelijk
handelen en beiden hebben den hoogeren vrede verloren. —
Doch ik moest tot den avond toe doorspreken, indien ik al
de toestanden en omstandigheden wilde opnoemen, waardoor
„het kanaal verstopt" kan worden, en dan zoude ik wellicht
toch nog niet gezegd hebben, waarin bij dezen en genen
onder u de kwaal gelegen is.
De hoofdzaak is deze, dat gij het inziet dat er iets in
uw binnenste hapert en w a a r het hapert; dan zal er ook
hulp ondervonden worden. „Want bjj den Heer is genade
en vele verlossing" en geene kwaal is zoo wanhopig erg.
dat de hemelsche Geneesheer haar niet zoude kunnen gene-
-ocr page 74-
58
zen. Slechts die mensen is reddeloos verloren, die zich
niet gedurig opnieuw met berouw voor Hem wil neder-
buigen. Ook hij, die eens, om het zoo uit te drukken, in
grooten stijl en grondig is bekeerd geworden, mag voor de
„kleine bekeering," die steeds weder noodzakelijk is, niet
terugbeven. - Of wat zoude er, gij waarde Vrouwen! van
uwe huishouding worden, indien gn\' het bjj de ééne en gron-
dige schoonmaak wildet laten berusten? Ja het is zoo,
daarbij wordt alles geheel opgeruimd, nagezien, opgewreven,
verbeterd, gelapt, versteld, al naardat het noodig is. Dat
alles is ook ongetwijfeld zeer nuttig en heilzaam. En noch-
tans, hoe degelijk gij de zaak ook behandeld hebt, zoude
uw huishouden toch spoedig op een puinhoop gelijken, indien
gij nu wildet rusten en tot u zelve zeggen: „Welaan,mijne
ziel, eet en drink nu en wees vroolijk! Voor jaar en dag
behoeft gjj u over deze dingen nu niet meer te kwellen."
Gij glimlacht over deze woorden; nu, glimlacht maar! Het
is echter om te weenen, dat — ten opzichte van het inwen-
dige huishouden der ziel — duizenden bij duizenden van
geestelijk ontwaakte menschen op die dwaze huisvrouw
gelijken, van wie ik zoo even sprak; dat ook zij zich gerust
stellen, omdat zij toch bekeerd en kinderen van God zijn
geworden, terwijl zjj niet bedenken, dat in hunne harten een
slecht zuurdeeg ingedrongen is, dat slechts door eene nieuwe
grondige bekeering erkend en verbannen kan worden.
Nu, wat vernieuwing der bekeering is, dat
kunnen wjj by David leeren. In het lange en aan gebeur-
tenissen zoo rijke leven van dezen Godsman was er waar-
schijnlijk wel geen tijdstip gewichtiger dan dit, waarvan hij
met deze woorden spreekt: „Ik beleed U mijne zonde."
Terwijl wij ons in deze zoo belangrijke stof verdiepten en
er ons voorloopig slechts bij bepaalden, dat de koning eerlijk
-ocr page 75-
59
en zonder omwegen zijne zonde bekende, hebben wjj de
woorden zijner schuldbelijdenis nog niet meer van nabij
beschouwd. Deze woorden zijn ook slechts weinige: „Ik
heb tegen den Heere gezondigd," — en zij zouden ook weinig
uitdrukken, zoo wjj niet wisten, dat zjj uit een gebroken
hart zijn voortgekomen. Dat zij dit zijn, heeft David vooral
hierdoor getoond, dat hij zicli aan de vreeselijke gevolgen
der zonde, zonder eene enkele klacht, onderwierp, gelijk wjj
nader zullen zien. Wij hebben dat verder vernomen uit
de aangrijpende woorden van den 32sten Psalm. Wij hebben
echter nog eenen anderen Psalm, den ólsten, die eene even
hartroerende als hartverbiydende verklaring van die korte
schuldbelijdenis is. Dit gebed van den boeteling heeft juist
tot opschrift: „Toen Nathan tot David was gekomen." Wij
zullen den volgenden Zondag de schuldbelijdenis van David
uit dit gebed leeren verstaan. Ik verzoek u, waarde Hoor-
ders ! dat gij intusschen dezen Psalm opmerkzaam en biddend
overdenken wilt. Gjj zult daardoor niet slechts een schoonen
band tusschen deze en de volgende preek leggen, maar wei-
licht ook allerlei draden tusschen uwe harten en de wereld
der eeuwigheid spinnen, of sedert lang afgebrokene draden
opnieuw aanknoopen. Laat ons niet dralen met deze zaak!
Onze dag is kort; spoedig komt de nacht, wanneer niemand
meer werken kan. Amen.
-ocr page 76-
IV.
DE DROEFHEID NAAR GOD.
,0, dat ik vleugelen hadde als duiven, dat ik weg mocht
vliegen en ruste vinden! Zie, dan vloog ik verre weg en
bleef in — de w o e s t jj n !" — Met waar ? Welk een tref-
fende gloed van vurig verlangen ligt in dit Psalmwoord !
(Psalm 55 : 7, 8.) Terstond worden wij in het diepste
onzes gemoeds daardoor aangegrepen en medegesleept. Ja,
vleugels, vleugels om te vliegen, dat is het, wat ons ont-
breekt! Toen wjj nog kinderen waren, vonden wjj nog al
onze vreugde en al ons genot in datgene, wat onder onze
oogen en handen was. Maar die tijden zijn reeds lang voorbij.
Reeds lang hebben wjj den knagenden worm in alle schoon-
heid en vreugde van het geschapene ontdekt. En hoe verlie-
vener het ideaal is, dat wij ons van den mensch hebben
gevormd, des te smartelijker worden wjj aangedaan door de
velerlei belemmeringen en boeien der gevangenschap, waarin
wij ons bevinden. „O, hadden wij vleugels, om weg te vliegen
uit zoo menigen druk, uit zoo menigen benauwenden toe-
stand, weg uit deze aanhoudende onrust en verwarring, dat
wij rust mochten vinden, dat wij vlogen, vlogen — — —."
„Ja, waarheen dan ?" Nu, waarheen anders, dan naar de
-ocr page 77-
lil
wereld der eeuwige stilte, naar die wereld, waar al ons
smachtend verlangen bevredigd, al onze hoop vervuld zal
worden!
Ach, ons hart wordt zoo bezwaard
Door het aardsch gedruist-h,
Daar ons oog zoo smachtend staart
Op het Vaderhuis.
In dat alles, waarde Reisgenoot! hebt gij nu volkomen
yelijk, en toch wil de Psalmist eene andere vlucht nemen
met zijne vleugels: „Hadde ik vleugels als de duiven —
dan vloog ik naar eene w o e s t jj n." Gij stemt het toe,
dat is eene verrassende, onverwachte wending. Hen zoude
denken, daarheen zou het smachtend verlangen zich wel
het allerlaatste uitstrekken. Wat is toch de woestijn ? Is
/jj niet het verblijf des doods ? Alle kleuren zijn hier ver-
dwenen, alle klanken weggestorven ; alles, wat men op aarde
schoonheid, genot, verkwikking noemt, heeft hier zijn akelig
graf gevonden. Maar neen, — niet alles! Twee zaken
blijven : de blik naar b o v e n, op den hemel, die
boven de woestijn even heerlijk schittert als boven het Para-
dys, en de blik naar binnen, in ons eigen hart. En
dewijl onder ons en rondom ons alles verstorven is, dewijl
slechts die twee zaken blijven, zoo dwingt de woestijn den
mensch, zich in deze twee te verdiepen, in de inwendige
wereld van het hart, en in de hoogere wereld, waar God
alles is.
Behoef ik nu eerst te bewijzen, dat wjj menschen er
doorgaans zeer moeieljjk toe komen om ons in het inwen-
dige en in het eeuwige recht te verdiepen, als de Heer ons
niet in de woestijn brengt ? O ja, dat is de woestijn,
wanneer de wereld rondom ons eene bitterheid voor ons
-ocr page 78-
(12
geworden en verstorven is, wanneer wij op grievende lijdens-
wegen hare nietigheid zóó ondervinden moeten, dat ons
niets overblijft dan de blik naar binnen en naar boven!
Zalig de man, die in zulk eenen toestand de taal van God
verstaat, zich niet laat verbitteren door de bitterheid des
levens, zich niet verbittert tegen zijnen God, maar nu naar
binnen en naar boven, naar boven en naar binnen zijne
richting neemt. Die zal dan ook ondervinden, wat Jehova
beloofd heeft: „Ik zal uwen weg met doornen omtuinen;
ik zal u in eene woestijn leiden en vriendelijk met u spre-
ken, ja, ik zal u de woestijn tot eene waterbron doen worden
en de wildernis tot eenen lusthof."
Wij zien, dat de hoofdzaak bij de woestijn hierin bestaat:
„met God alleen, alleen met God."\' Het komt in den grond
der zaak op hetzelfde neder, wanneer Jezus u vermaant:
„Ga in uwe binnenkamer en sluit de deur achter o en
spreek met uwen Vader in het verborgene. Zulke binnen-
kamer-uren zouden wy ook wel kunnen hebben, wanneer
alles in het leven naar wensch gaat, wanneer onze weg
door het paradijs loopt en niet door de woestijn. Ja,
wij zouden dit k unne n, en het ontbreekt ook niet
geheel aan zulke begenadigde zielen, die dat werkelijk
kunnen. Zij zyn echter dun gezaaid. Vooral in ons onrus-
tige, rustelooze, heen en weer bewogene, luidruchtige geslacht
zijn er weinigen, die gaarne met God en met zich zelven
alleen willen zijn. De meeste menschen, ook velen, die
nog aan de kerk gehecht zjjn, zjjn eigenlijk bang voor de
stille binnenkamer. Daarom moet dan de getrouwe Leids-
man der menschen de wereld voor ons dikwijls tot eene
woestjjn maken, ons alles ontnemen en alleen nog den blik
naar boven laten behouden, opdat de binnenkamer weder
in hare eer hersteld worde.
-ocr page 79-
63
Zoo had God ook voor David de wereld tot eene woestijn
gemaakt, gelijk wij gezien hebben. Sedert Nathan hem
den blinddoek had afgerukt, was voor David de geheele
wereld en al zjjne eigene eer en heerlijkheid als in het niet
verzonken. Hg begreep echter Gods wenk, ging in zijne
binnenkamer, boog zich neder en bad. Ja, hy was met
God alleen. Hy zag niets anders dan deze twee: zijne
zonde en zijnen God. De woorden van zijn gebed zijn ons
in den 51sten Psalm bewaard, en wij willen thans zien,
hoe zij alle geworteld zijn in de bekentenis van David :
2 Samüel 12 : 13«.
Ik heb gezondigd tegen den Heeue.
,l)es zondaars droefheid naar God"
/.al het onderwerp onzer overdenkingen zijn.
I. Wij bepalen ons vooreerst bij I) a v i d s s c h u 1 d-
gevoel en droefheid;
TI. Vervolgens zal deze h e i 1 i g e d r o e f h e i d ons
tot een spiegel verstrekken, waarin wij onzen tijd en
ons zelven beschouwen.
I.
Ik dwaal zeker niet, als ik vermoed, dat menigeen in
uw midden die bekentenis van David eenigszins flauw
vindt. Gij beweert wel niet, dat zij te weinig woorden
bevat. Hoe zouden uit eene geprangde borst vele woor-
den kunnen voortkomen ? — Een oog vol tranen en een
mond, die stom is, terwijl de lippen slechts zenuwachtig
beven, leggen dikwijls de beste schuldbelijdenis af. Het
tollenaarsgebed, waarop de Heiland ons toch als een
voorbeeld wijst, bevat immers ook slechts zes woordjes,
-ocr page 80-
li-1
evenals de schuldbelijdenis van David slechts uit zes woor-
den bestaat. — Neen, dat is het niet. Maar gjj zegt:
„Die woorden zijn ons niet warm genoeg, zjj zijn door \'t
veelvuldig gebruik zoo onbeduidend en flauw geworden."
Nu, ik stem u toe, dat het voor hem, die niet scherp hoort,
eveneens luidt als wanneer deze en gene zegt: „Ja wel,
helaas ja, ik heb verkeerd gedaan ; het is niet goed, maar
wjj zijn immers allen zondaars, wjj hebben allen onze
gebreken," — waarmede zich clan het grofste Farizeïsme
zeer goed kan vereenigen. Ik erken ook, dat de woorden
van David slechts een holle klank zouden kunnen zijn;
want welke woorden zijn zoo heerljjk, dat men ze niet tot
eene phrase kan verlagen I leder woord geldt zoo
veel en zoo weinig, als de man waard is,
die het uitspreekt. Toen koning S a u 1 door
Samuel van zijne zonde overtuigd werd, legde lijj ook eene
bekentenis af, wier w oorden even goed waren als die
van David. Saul zeide namelijk: „Ik heb gezondigd, omdat
ik het gebod des Heeren overtreden heb." (1 Sam. 15:
21-^25.) Wat wil men meer? Meen, meer woorden
wilde God ook niet, en toch bleef zyii toorn op Saul rusten,
want die woorden ontbrak het aan waarheid, derhalve aan
alles. De valschheid van zijn woord blijkt terstond, als wjj
zien, hoe Saul zijne schuldbelijdenis door allerlei verklarin-
gen en verontschuldigingen tot zijne verdediging laat volgen.
Davids woorden zijn niet een armezondaars-gesnap —
zooals men, helaas, dag aan dag genoeg en meer dan genoeg
kan hooren! — zjj zijn ook niet een soort van eerherstelling,
waardoor David de zaak met God wil vereffenen om weder
in eene dragelijke verhouding met Hem te komen, — neen,
zij beteekenen eene onbewimpelde zelfveroordeeling: Ik ben,
zoo ik naar verdienste behandeld word, geheel verloren.
-ocr page 81-
65
De 518*8 Psalm, dien wjj zoo even hoorden, spreekt dit
denkbeeld in iederen volzin uit. Zooals David hier bidt.
had tot dusverre nog nooit een mensch over zijne zonde
tot God gesproken, en ook na David heeft geen mensch,
zelfs de Apostel Pauhis niet (Kom. 8.), dieper en ontroe-
render getuigenis over het menschelijk bederf afgelegd. Het
zijn klanken, die door geene kunst uitgedacht kunnen wor-
den, maar de oorspronkelijke klaagtonen van het dorstende
hert (Psalm 42), zooals zij slechts uit de diepten van
een verbrijzeld hart geboren kunnen worden. *) Daarin
spreekt een diep smartgevoel, dat men niet recht verklaren
en vertolken kan. Maar wel is David door zijne woorden
de uitlegger en tolk der gedachten geworden, die in milli-
oenen naar God bedroefde harten sluimerden en geene to-
nen konden vinden. Ja, wat de droefheid naar God is,
dat kan men hier leeren, maar tevens ook zien, hoe in
de verrottende zaadkorrel van het menschelijke hart het
leven der eeuwigheid ontkiemt en ontspruit.
Intusschen, hoe veel uitvoeriger de Psalm ook zij dan
die bekentenis, — de kiem daarvan is toch reeds geheel
vervat in de zes kleine woordjes.- ,Ik heb gezondigd tegen
den Heer." Blk," zoo begint David. „Ik" is anders een
slecht woord. Dat weet ook de ongeloovige; daarom leert
hij zijne kinderen, dat zij hunne gesprekken en brieven niet
met „Ik" beginnen, dat zn\' in \'t algemeen, als zij bemind
willen worden, van hun Ik niet zooveel ophef mogen maken.
*) Zelfs de lichtzinnige Voltaire, die reeds bezig was, om onzen
Psalm in spotverzen over te zetten, moet geheel ontsteld de pen
weggeworpen hebben, toen hij met moeite tot aan het 12de vers
was gekomen. Het: «Schep mij een rein hart, o God!" greep als
eene ijzeren hand zijn geweten aan.
                         De Schrijver.
Z1KI.KSTK1JD.                                                                               5
-ocr page 82-
66
Jammer echter, dat liet daarbij meer om een staatkundig
verbergen dan om eene dooding der Ikheid te doen is.
De Geest van God daarentegen voert ons altjjd ten s t r jj d e
tegen ons Ik.
Slechts bjj het Credo, bij de geloofsbelijdenis, en btf de
belijdenis der zonden moet men met Ik beginnen. Derhalve:
„I k geloof," — geljjk dan ook elk der drie hoofddoelen
van de Apostolische geloofsbelijdenis begint met de twee
woordjes: „Ik geloof." Niet: „De christelijke kerk belijdt
dat," — niet: „In mijne familie gelooft men dat," neen, i k
persoonlijk geloof dat, op grond van mijne persoonlijke
ervaring. Dan eerst, wanneer ik zóó kan spreken, verdient
mijn geloof dien naam. — Desgelijks moeten wjj bfj de
b e 1 ij d e n i s der zonden altijd „ik zeggen, gelijk ook de
„verloren zoon" i k zegt. Hy werpt geen zijdelingschen
blik op de booze wereld, hjj zegt niets van den glibbeiïgen
bodem, dien hy juist, juist hij had moeten betreden, hg
tracht niet een gedeelte van zijne schuld op anderen te
schuiven, wat hy toch ongetwijfeld met weinig moeite zou
hebben kunnen doen, — neen, zijn Ik maakte hy aanspra-
kelijk voor het geheele onheil. „Ik heb gezondigd tegen
den hemel en voor U, o Vader."
Zoo is het ook bjj David en zoo klinkt het door zijn gebed
henen. Hy is met God geheel alleen. De gansche wereld
gaat hem niets aan, noch de vrome noch de goddelooze
wereld. En wat zegt hij dan nu van dit zijn „Ik?" —
„Ik heb gezondigd tegen den Heer." Derhalve: „Ik —
tegen Jehova —" daarin bestaat de zonde. Wanneer de
mensch met zijn Ik zich verzet tegen het goddelijke Ik —
dat heet zondigen. En omgekeerd, dat heet den goeden
strijd des geloofs te strijden, wanneer een Jozef tegen-
over de verleidster ontsteld uitroept: „Hoe zoude ik zulk
-ocr page 83-
67
een groot kwaad doen en zondigen tegen God?" Met recht
beschouwde hij het als het grootste van alle kwaad, zich
tegen God te verzetten. Gewillig verdroeg hij alle moge-
lijke aardsche rampen, om dit grootste kwaad, dat de hel
achter zich heeft, te ontvlieden. „Tegen God" derhalve is
de zondigende mensch in opstand.
Waarover moet men zich hierbij mi meer verwonderen
en bedroevend Over de snoode ondankbaarheid, die
daarin gelegen is, dat ik opstand pleeg tegen den Gever
aller goede gaven ? Of over de 1 i c h t z i n n i g h e i d en v e r-
m e t e 1 h e i d, dat zulk een arme aardsche worm den strijd
tegen den Almachtige en Eeuwige durft ondernemen ? Of
over den zei f m oord plegen den waanzin, dat de
mensch de gemeenschap met God verbreekt, waaruit alleen
toch datgene kan voortvloeien, wat den mensch tot mensch
maakt, — vrede, liefde, leven, licht, vrijheid, sclioon-
lieid en heerlijkheid ? —
O, welk eene ontzettende zaak is toch de zonde! Moed-
willig verlaat de mensch daardoor de bron van alle leven.
Of de zondaar dit bij elke bijzondere gelegenheid helder
inziet of niet, dit doet niets ter zake. Het is echter zoo.
Of een mensch, die vergift inneemt, de gevolgen helder
inziet, dat is, wat de uitwerking betreft, onverschillig;
zoo of zoo, hu\' is vergiftigd. Zoo dikwijls ik zondig, ver-
klaar ik door dit feit, dat ik daardoor leven en geluk hoop
te verkrijgen, dat ik iïijj van God los maak, ja Hem in
het aangezicht sla. Waarom b. v. zoudt gij 1 i e g e n, indien
gij niet denkt, dat het u voordeel oplevert? En toch zegt
u daarbij uw geweten, dat gij opstand tegen Gods majes-
teit begaat, als gij in strijd met de waarheid spreekt. —
Ik wil gaarne erkennen, dat deze gansche afgrond der boos-
heid den mensch slechts zelden duidelijk voor den geest
-ocr page 84-
tiS
staat. Wanneer de Profeet Jezaia zegt: „Om alle (godde-
lijke) heerlijkheid is een omhulsel" (4: 5 grondtekst), zoo
kan men ook zeggen : „Om alle menschelijke zonde is een
omhulsel;" is nameiyk dit omhulsel weggevallen, weet de
inensch volkomen, wat hij doet, als hy zondigt, dan han-
delt hij niet meer menschelijk, maar duivelsch. In de
meeste gevallen verkeert de zondige mensch in eene zekere
bedwelming, door eigen schuld zich berokkend, wordt hjj
betooverd door zijne lusten en verblind door den geest dei-
wereld, die hem van allen kant omringt en bestookt. In
de meeste gevallen volgt hij zijne lage en onreine driften
op, niet met het oogmerk om tegen God te strijden, niet
om zich van God te scheiden. Wordt hij echter nuchter,
wakker en helder, dan ziet hij, wat hjj gedaan heeft, en
hoe waarachtiger zijne droefheid is, des te dieper wordt
zijn inzicht: „tegen den Heer heb ik gezondigd."
Dit treedt ook bij David zoozeer op den voorgrond, dat
al het andere daarbij verdwijnt. „Tegen U alleen heb
ik gezondigd," zoo klaagt hy (vers 6), ofschoon hjj toch
ook tegen [Ma, wien hij vermoord, tegen Bathseba, die
hj) verleid, tegen zijne familie en tegen zijn volk, aan wie
hij zulk een slecht voorbeeld gegeven had, — gezondigd had.
Nochtans zegt hjj: „tegen U alleen, O God!" „Dit, niet
meer en niet minder, is mijne geheele s c h u 1 d." En dit
was ook zijne geheele droefheid. Wel had Nathan hem
aangekondigd, dat lijj om zijner zonde wil in eene zee van
smarten moest ingedompeld worden, maar David denkt er
niet over, God te bidden, dat Hij deze gevolgen moge
afwenden. „Delg mijne zonden uit," zoo klinkt het door
den geheelen Psalm, maar niet: „Scheld mij de straf kwijt!"
Het uitwendige onheil wil hij gaarne dragen, nadat de
zonde, het grootste onheil, is gepleegd. En ook later, daar
-ocr page 85-
69
nu werkelijk liet zwaarste ïyden hem treft, is hjj geheel
stil en onderworpen en spreekt op ieder rustpunt van zijnen
lijdensweg: „Het is recht, wat de Heer doet, want ik heb
tegen den Heer gezondigd."
Dit „tegen God" is dus zijne schuld, dit „tegen God" is
zijne smart. En nu h{j zoo den blik op zijn leven als op
eenen afgrond vestigt, wordt al zijne eigene deugd en eer
door vlammen verteerd, door de vlammen van Gods hei-
ligheid. Niets blijft hem over, dat hij Gode ten offer kan
brengen. Ja toch, ééne zaak blijft. Welke dan ? Nu juist
deze diepe smartelijke erkentenis, dat niets, volstrekt niets
gebleven is. Dit is iets, waarop Gods oog kan rusten.
„De offers, die Gode behagen, zyn een verbroken geest:
een beangst en verslagen hart zult Gij, o God niet verach-
ten" (vers 19).
David meent echter niet, dat door zulk een angst dei-
ziel de zonde verzoend is, of dat zulk eene droefheid
naar God den mensch een recht geeft, om genade van God
te e i s c h e n. Dat zij verre ! Integendeel, „ik vind mijn
heil alleen in uwe ontfermingl" — dit ziet David even
helder in, als een Paulus, Augustinus en Luther. Gods
vrije genade alleen kan hem de inwendige vrijheid terug-
geven. Hij weet thans, dat de mensch door al zijn willen
en al zijn werken de helsche macht der zonde in zijn bin-
nenste niet overwinnen kan, want zij is ons aangeboren,
in ons gevestigd, is met ons inwendig leven (solidair) één
geworden. „Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren en mijne
moeder heeft mij in zonde ontvangen" (vers 7). Er bestaat
slechts ééiie redding. Welke dan ? Dat God zelf, de eeu-
wige God, den mensch, die tot Hem de toevlucht neemt,
geheel vernieuwt, dat Hij hem niet slechts de afzon-
derljjke zonden vergeeft, maar de macht der zonde in het
-ocr page 86-
70
diepste van zijne ziel verbreekt, daar Hü hem eenen geheel
nieuwen geest geeft; — dat Hjj aan het hart niet slechts
een zekere mate van troost, gerustheid, licht, kracht en
vreugde schenkt, maar dat Hü dit hart zelf uit hemelsche
stoffen vernieuwt, li e r s c h e pt. Daarom bidt de koning:
„Schep in mij. o God! een rein hart, en geef mij eenen
nieuwen, vasten geest." (vs 12).
Met deze bede treedt Uavid geheel en al op den bodem
des Nieuwen Testaments. Wat Jezus, onze Heiland, tot
Xikodemus zegt: „Voorwaar, zoo iemand niet van boven
geboren wordt, kan hjj het rijk van God niet zien" (Joh.
3 : 3), dat erkent ook David. Het onderscheid bestaat
slechts hierin, dat hjj eerst om datgene s m e e k t en het
daarop van verre aanschou w t, wat de Heiland in zijn
eigen persoon werkeljjk aanbiedt, als Hij zegt: „ Dat is
mijn lichaam, dat voor u verbroken, dat is mijn bloed,
dat voor u vergoten wordt tot vergeving der zonden," of
als Hjj zegt: „Ik wil komen en woning bjj u maken." —
Het onderscheid echter tusschen David en de meeste ker-
kelp gezinde personen is hierin gelegen, dat zij niet gelijk
David de noodzakelijkheid e e n e r n i e u w e s c h e p-
p i n g erkenden. Zjj willen aan hun hart lappen, verstel-
len en opknappen, of ook, als zij zich iets vromer uitdruk-
ken: laten lappen, verstellen en opknappen, terwijl hier
toch geen kruid of pleister baat, maar alleen een nieuwe
scheppingsdag. Juist zoo, geln\'k God eens hemel en aarde
schiep, toen Hjj sprak: „Het worde!" en zie, hetgroote
wonder geschiedde „en het werd," zóó moet aan mjj een
nieuw scheppingswonder geschieden, indien ik behouden zal
worden. Zoo dacht David. En wat deukt gjj daarover,
mijn Broeder?
-ocr page 87-
71
11.
Wellicht was er nooit, zoolang de wereld bestaat, een
mensehengeslaeht, dat de zonde zoo lichtzinnig beschouwde,
als het geslacht, welks leden wij zijn; — ik bedoel daar-
mede juist de tegenwoordige beschaafde volken, die zich
de christelijke noemen. En zjj doen wel, zich zoo te no<\'men,
want alles, wat zij zijn en bezitten, hebben zij aan den
godsdienst des kruis es te danken. Het kruis opGolgotha
echter is ongetwijfeld het reusachtige, door God verordende
monument boven het graf van alle menscheljjke eer en
menschelijke heerlijkheid. En desniettegenstaande willen
juist deze beschaafde volken, juist de menschen van den
nieuweren tijd, voor het grootste gedeelte, niets weten van
de diepe bedorvenheid van het menschelijke hart, ja zjj
beschouwen het als een uitstekend bewjjs van hunne bescha-
ving, dat zij boven dit «standpunt" verheven zijn. Op eene
ruwe, ja men moet zeggen bijna beestachtige wijze loochent
het materialisme ronduit, dat er z o n d e en schuld
bestaat. Met eene duidelijkheid, die niets te wenschen
overlaat, schrjjft b. v. een van de groote profeten dezer
wijsheid (Büchner): ,Zonde en schuld zijn een onding.
Liefde en haat, edelmoedigheid en verraad, moord, misdaad
en huichelarij zÜn noodzakelijke gevolgen van
zekere verbindingen der stof in de hersens."
Daaruit leidt hij dan zeer consequent de gevolgtrekking
af: «Den mensch is alles geoorloofd, wat gedaan kan wor-
den tot bevrediging van zijne natuurlijke neiging." — *)
*) Ik voeg er nog twee woorden van Moleschott en Feuerbach bij:
*De menschelijke vrijheid is een onding. Slechts menschelijke
-ocr page 88-
72
Nu, gij stemt het toe, daarmede houdt alles op! Alle zede-
ljjkheid wordt tot een hersenschim gemaakt; deugd en
misdaad zjjn evenzeer de noodzakelijke voortbrengselen van
dezelfde werking der natuur. Wat de mensen doet, dat
moet hij doen; wat de mensch eet, dat is hy. De vree-
selijkste misdadigers verdienen even weinig straf als dolle
honden; zy verdienen slechts ons medelijden, want zij
zjjn de offerlammeren der menschheid.
Men behoeft geen menschenkeuner te zjjn, om in te zien
dat de ondergang van het menscheln\'k geslacht ontwijfel-
baar zeker is, zoodra deze helsche wijsheid de algemeene
„moraal" mocht worden. Maar hij zoude zeker geen nien-
schenkenuer zijn, die gelooven wilde, dat deze leer, om
hare huiveringwekkende gevolgen, slechts weinig aanhan-
gers zoude vinden. Wat vragen toch de meeste menschen
naar de gevolgen, welke eene leer voor de geheele wereld
heeft, indien deze leer hunne lusten en driften vleit? —
Inderdaad, met veel list en kunst en met duizend zeer ver-
leidelijke gronden drukt het materialisme het zegel dei-
goedkeuring op datgene, waarnaar het wellustige vleesch
buitendien hunkert en smacht.
Maar, God zij dank! het grootste gedeelte van ons volk-
gevoelt nog een afschuw van eene leer, die zonde en schuld
naar de spokenwereld, berouw en boetvaardigheid naar het
dolhuis verwijst. Maar de meerderheid van deze meerder-
heid is nochtans in den grond des harten door het materia-
eigenwaan kan van zelfbepaling en van de werkelijkheid van het
bewustzijn spreken." En het andere woord: «Het is onnoodig nog
te zeggen, dat het christelijk geloof de huichelarij van het zelfbe-
drog is — de hoofdzonde van den tegenwoordigen tijd."
De Schrijver.
-ocr page 89-
73
lisme besmet, want zjj verzet zich bewust of onbewust tegen
den geest des Bijbels, inzonderheid tegen de bjjbelsche leer
over de zonde. Ook onder de „ernstig gestemde" lieden
vinden sommigen de taal van onzen Psalm overdreven,
anderen vinden haar belachelijk, nog anderen noemen haar
ronduit „walgelyk." Zy" beschouwen haar als eene belee-
diging der menschelijke natuur. Wel spreken zjj van de
zonde, maar zy denken daarbij aan afzonderlijke
overtredingen. Zy kennen eigenlijk slechts z onden, maar
niet de zonde, als het slechte zuurdeeg, dat de geheele
menschelyke natuur doordrongen en bedorven heeft. En
deze zonden bestaan eigenlijk slechts daarin, dat men
een vergrijp tegen de maatschappelijke orde of tegen zy"n
eigen levensgeluk begaat. Dat de zonde een vergrijp
tegen God is, gelijk de Schrift overal aantoont, — dat
juist hierin het zondige der zonde bestaat, — dat alle
ellende in de wereld daarvan een onvermijdelijk gevolg is,
dat men zich van God, de bron van alle leven, heeft los-
gemaakt, — dat zyn waarheden, die ook verreweg de
meeste welgezinde lieden niet als waarheden, maar als
dwaasheden beschouwen. Ten opzichte van God zoude men
zich gemakkelijk gerust stellen, indien de zonde maargeene
onaangename gevolgen had! En als zy die in de werke-
lijkheid niet heeft, als zij zelfs een rooskleurig gewaad
draagt, — wie spreekt dan van zonde? Ik zeg het niet
uit scherts, ik zeg het met diepe droefheid: „de goede God"
speelt voor de meeste kinderen van onzen tjjd slechts
eene dichterlijke rol. Hij is de „goede Vader"
boven het sterrendak, die de zwakheden zijner kinderen
gaarne door de vingers ziet. „Wie gelooft het echter, dat
Hy zich zoo sterk vertoornt, en wie vreest voor dezen zijnen
toorn?" Ja, wie? Gaat in de salons en in de bierhuizen,
-ocr page 90-
74
gaat op de beurs en naar de familiefeesten en vraagt!
Ach, ook van vele kansels wordt deze voorstelling, dat de
mensch in den eigenlijken zin des woords iets tegen God
kan doen en dat God op den mensch vertoornd kan zijn,
als oostersche dweeperij gebrandmerkt.
De grondkwaal van ons geslacht, de hoofddwaliug, waar-
uit alle andere dwalingen voortvloeien, is de onbekendheid
met het menscheljjke hart, de onwetendheid ten opzichte van
de zonde. Wij zijn toch buitengewoon vooruitgegaan in
de wereldkennis, wij zijn buitengewoon bekwaam en schran-
der, als het er op aankomt, om van de gaven en goederen,
de krachten en elementen dezer zichtbare wereld zooveel
mogelijk partij te trekken. Het is verbazend, hoe ver de
algemeene ontwikkeling gevorderd is. Hoort men de lieden
zoo spreken, b. v. in de sociëteiten, dan zoude men denken,
dat ieder van hen een staatsman, een wijsgeer, een wetgever,
een arts en wat al meer, in één en denzelfden persoon was
En werkelijk moet men er zich over verwonderen, dat vele
lieden in de nabijheid en de verte over alle dingen weten
te spreken (— nog verwonderlijker is het zeker, hoe onbe-
scheiden zij ook over die zaken spreken, waarvan zö niets
weten, —) maar hoe dit ook zij: zoodra zij over het men-
schelijke hart beginnen te spreken, leggen zij eene
onwetendheid aan den dag, die men heidensch zoude noe-
men, zoo men ze niet bij gedoopte „christenen" aantrof,
en die men als belachelijk zoude beschouwen, indien zij
niet de bron van zulk eene groote ellende was. Overal in
de geheele wereld zyn de kinderen van ons geslacht te
huis, maar niet in hun eigen huis, in het huis van hun —
har t.
„Het menschelijk hart, zoo spreken zij, heeft wel zijne
zwakheden, maar in den grond is het edel en goed. Egoïsten
-ocr page 91-
75
z\'un wij natuurlijk allen, en een egoïst blijft de mensch ook
tot in den hoogsten ouderdom. Nu, dat kan toch ook geen
zonde zijn, als hij — zoo voegt men er eenigszins verlegen
bjj, — als hg\' slechts niet onbominnelijk wordt, slechts niet
onwelvoegelijk te werk gaat en zijnen medemenschen rede-
nen tot klachten geeft. „ leder is zich zei ven de naaste" —
dat is het ééne, maar ,leven en laten leven," — dat is
het andere."
Zoo spreken ontelbaar vele, zeer beschaafde, vriendelijke,
vreedzame heden, zoo ook ontelbaar vele vaders, moeders,
onderwijzers en andere opvoeders. Arme kinderen, die door
hen onderwezen worden! Zij kunnen noch hun eigen hart
noch Gods hart, noch hunne krankheid, noch den hemel-
schen Arts leeren kennen. Opvoeding „voor het leven,"
maar niet voor de wereld der eeuwigheid; beschaving door
wetenschap en kunst, maar geene vernieuwing des harten :
in staat te zjjn om zich in beschaafde kringen te bewegen
en den lof der menschen te verwerven, maar niet om in
Gods welgevallen te deelen ; alles te vermijden, wat aan-
stoot en ergernis geeft, slechts te doen wat met den goeden
toon, takt en smaak overeenkomt, onverschillig hoe het
binnen in het hart ook gesteld moge zijn, — dat zijn dan
alzoo de bedoelingen der opvoeding. Derhalve, om het by
den rechten naam te noemen: op den schijn komt het
aan en niet op het wezen. „Verstoring van de
harmonie der wereld, (zoo heeft onlangs iemand
geheel in den geest van ontelbaar vele personen geschreven)
dat is zonde." Wjj begrijpen het al, zjj is met lomp-
heid, onwetendheid, domheid en ruwheid ongeveer hetzelfde.
Geen wonder, dat bjj zulk eene opvatting de b e s c h a-
v i n g als datgene geprezen wordt, wat vrij maakt, ook
van de zonde vrij maakt, terwijl zjj in de werkelijkheid
-ocr page 92-
7G
slechts leert, de zonde te — bemanteleii. O dwaze artsen,
die slechts de uitwendige verschijnselen (symptomen) der
ziekte bestrijdt, maar u niet om het zieke bloed bekom-
mert! Dwaze hoveniers, die aan den onedelen boom edele
vruchten bindt, en dan u zelven wilt doen gelooven, dat
de boom nu goed is. Neen, zulke artsen, zulke hoveniers
zjjn er niet, maar — — !
.Maar, zoo hoor ik vragen, waarom spreekt gij zoo uit-
voerig over deze richting van den geest des tjjds? Nu,
inderdaad, dat zoude geheel onnoodig en dus eene tjjdver-
spilling zn\'n, indien niet wjj allen, die hier zitten, allen
zonder uitzondering met dezen tijdgeest besmet waren,
de een in meerdere, de ander in mindere mate. Het is zeer
moeielijk, zich aan de algemeene, heerschende strooming
te onttrekken, en wat wy dringend noodig hebben is juist
datgene, waarvan ook de goedgezinden zoo weinig willen
weten, namelijk: „dikwijls de stilte te zoeken, naar de
woestijn te vliegen" en de ingangen en uitgangen van het
hart te onderzoeken. Dat beteekent echter — daar wy nu
eenmaal zijn zooals wij zjjn — zich gedurig opnieuw te
verootmoedigen voor God.
Voor ons vleesch is dat zeker moeielijk en onaangenaam.
Maar het blijft toch waar: den ootmoedige (en
slechts den ootmoedige) verleent God genade,
alzoo ook licht en leven, troost en blijdschap. Dit is nu
trouwens een kabinetsgeheim van Gods kinderen,
want het geluk der liefde is een stil geluk, dat men niet
uitbazuint, zooals de wereld doet. Het tegendeel kan
men echter overal zien, dat namelijk die menschen, die
zich om geen zonde en bekeering bekommeren, van den
vrede en de rust der ziel verstoken ziju en het in den
loop van hun leven hoe langer zoo meer worden. In het
-ocr page 93-
77
verborgene knaagt toch de worm des gewetens, laat zich
in stille uren hooren en doet zelfs dikwjjls onverwachts
zijnen huiveringwekkenden kop te voorschijn komen. Mogen
millioenen beschaafde heeren en dames in deze dagen met
Rousseau zeggen: „Ik bezit een gevoel van eigenwaarde
als eene ziel, die zich vertoonen mag," — nochtans hebben
deze over zich zelven voldane personen geen flauw begrip
van het zieleheil eens christens, die in waarheid zingen
mag: „Mij is ontferming wedervaren, ontferming, die ik
niet verdien." En al is het ook de beroemde Goethe zelf
geweest, die te kwader ure het kwade, tegen de boetvaar-
digheid vijandige woord gesproken heeft: „Niets is
interessanter, dan de mens e hen te leer en
kennen, maar wacht ei- u voor, dat gij u ze 1 f
leert kennen!" — nochtans, ten spijt van Goethe, zijn
het dwazen en narren, die zoo handelen. Zij blijven van
den vrede verstoken. Ach, het is om te weenen, dat er
zoo weinige kinderlijk blijmoedige menschen in ons geslacht
zijn, dat toch zoo hijgend jaagt naar genot!
De donkere, diepe weg, dien David betreden en dien lijj
ons in den Sisten Psalm geschilderd heeft, is de eenige
weg om tot vollen vrede des gemoeds, tot het bezit van
een kinderlijk blijmoedig hart te komen. Verstaat mjj
echter niet verkeerd! Ik bedoel niet, dat de bekeering bij
iederen geloovige op deze in het oog vallende, plotselinge,
lichaam en ziel schokkende wijze plaats moet hebben. O
neen, o neen! Gods wegen met zijne kinderen zijn niet zoo
eenvormig, maar oneindig verschillend. De een komt door
de ontsteltenis over zich zelven tot het Evangelie; de ander
wordt door de blijdschap, die het Evangelie hem verschaft,
langzamerhand tot eene steeds diepere kennis van zijn hart
geleid. Aan J o n a wordt in den hevigen storm en te midden
-ocr page 94-
7H
van het gebruis der zee, — aan Nathanael onder den
zacht {luisterenden vijgeboom het verborgene van zijn hart
ontdekt. De aartsvader J a k o b moet eerst een vreeselijken
nachtelijken strijd met God doorstaan, waarbij hem de
heup gebroken werd, voordat zijne ziel genezen is, terwijl
zijn grootvader Abraham in de stille school van God leer-
de : „Ik ben stof en asch en nochtans is God mijn vader."
D a v i d moet eerst door een zwaren val, 8 a u 1 u s door liet
lasteren van den Heer zoo diep zinken, voordat zij leeren,
wat genade is ; vele anderen daarentegen, en vooral vele
v r o u w e 1 ij k e gemoederen, worden onder het suizen van
een zachten wind tot boetvaardigheid bewogen. Tot boet-
vaardiglieid — dat is dan tot de innige en diepe overtui-
ging: „In mij zclven en mijn leven is niets, waarop ik
mijne hoop kan bouwen." Ot\' gij langs een gemakkelijker
of steiler pad daartoe komt, dat is Gods zaak, voor een
gedeelte ook uwe zaak ; maar daartoe komen moet gij, zoo
uw hart tot onbedriegelyken vrede en ware vreugde komen
zal. ïusschen ons en den berg der verheerlijking ligt de
woestijn. Het is nog heden zoo, gelijk eene Israëlitische
vrouw voor drieduizend jaren gezongen heeft (1 Samuel 2 :
6) „De Heer doodt en maakt levend; Hij voert in het
doodenrijk en Hij voert er weder uit." Eerst komt het
„Wee!" over ons zelven en dan de kool van het goddelijk
altaar, die onze lippen aanroert. (Jezaia 6.)
Ik weet niet beter te sluiten dan met de klanken van een
lied, dat de hoofddenkbeelden onzer leerrede samenvat:
In \'t leven is een harteleed,
Een grensloos, grievend wee,
Zwaar als de zware rotsklomp is \'t,
Diep als de diepe zee.
-ocr page 95-
7\'.»
De ziel gevoelt dat harteleed
Als ze om de zonde treurt,
De boetetraan het oog ontrolt,
En de angst de wang ontkleurt.
De tijd heeft voor dit harteleed
Geen balsem, die \'t verdrijft,
Geen aardsch genot verbant het ooit.
Daar \'t in den dood zelfs blijft.
Maar van dit groote harteleed
Redt ons des Midd\'laars bloed;
Zyn liefde, zijn gerechtigheid
Schenkt vrede aan ons gemoed.
Amen.
-ocr page 96-
V.
VERGEVING.
Waarde Hoorders! „Hoe veranderen toch de tijden I" —
zoo dacht ik dezer dagen, toen ik bij eene onzer publikatie-
zuilen stond en daar een reusachtig plakkaat zag, waarop
met duimgroote letters de vraag was gedrukt: „Is er
een God?" Iedereen werd uitgenoodigd, om in de groote
zaal van het Casino, derhalve in eene openbare danszaal,
eene voordracht over dit onderwerp te hooren. Die uitnoo-
diging kwam niet van een atheïst, maar van de orthodoxe
Evangelische Vereeniging, en een van onze „orthodoxe"
predikanten zoude de voordracht houden en hjj heeft haar
gehouden voor eenige duizenden menschen uit alle standen.
Eene groote verbazing overviel mjj, toen ik daar stond.
Daarover moet men dus thans midden in eene stad, die
zich sedert duizend jaren eene christelijke noemt, dispu-
teeren: „Of er en dat er een God is?" Is het niet,
alsof wij nog vóór den eersten scheppingsdag leefden, dat
men over deze vraag spreekt als over die: „Of er spoken
zp ?" Is het niet, alsof kinderen er over spreken, of zjj
hunnen vader al dan niet willen erkennen ? Waarlijk, het
was mij by dat plakkaat, als moest men God in den hemel
daarover om vergeving bidden.
<
-ocr page 97-
81
En toch keur ik dit plakkaat niet af. Ik heb er toch
zelf\', na rijp beraad, vóór gestemd, om langs dezen weg
ons volk bijeen te roepen. Ook denk ik zelf eerlang op
dezelfde plaats over een dergelijk onderwerp, daarover na-
melijk, dat er „zonder wonder geen Evangelie" is, te spre-
ken. Diegenen echter, die nog uit oude, overgeërfde voor-
oordeelen tegen vergaderingen op zulke plaatsen zijn, zullen
na verloop van weinige jaren over zich zelven glimlachen.
Niet daarin bestaat het treurige, dat men in groote volks-
bijeenkomsten over de betwiste hoofdzaken van het Evan-
gelie spreekt, maar dit is het bedroevende, dat het
noodig is; dit is een teeken des tyds, dat ons veel te
denken geeft.
Er komt een weemoedige glimlach om onze lippen, als
men aan die zaken denkt, waarover de christenen in vroe-
gere eeuwen redetwistten. Al de volzinnen der Apostolische
Geloofsbelijdenis, van het „Ik geloof in God den Vader,
den Schepper" af, tot: „Ik geloof een eeuwig leven" ston-
den onder alle Protestanten en Katholieken vast, en onbe-
twist was ook de stelling, dat de Bijbel de onbedriegelijke
bron van alle godsdienstige waarheid is. De Hervorming
ontstond uit de vraag: „Hoe wordt de zondaar gerechtvaar-
digd voor God?" De strijd had daarover plaats, of deze
rechtvaardiging door het geloof alleen of door geloof en
werken geschiedt. Dat was de vraag, die destijds de wereld
in beweging bracht.
Bijna belachelijk schijnt het ons echter toe, als wjj lezen,
waarover de verschillende partijen der Protestanten onder
elkander twistten, en wel met zulk een toorn en ijver, dat
zij bijna den band der gemeenschap braken. Over den aard
der tegenwoordigheid van Christus in het Avondmaal werd,
bijvoorbeeld, een hevige strijd gevoerd. Verstaat mij wél,
Z1E1.ESTKIJD.                                                                                                   <*>
-ocr page 98-
S2
niet daarover, of Jezus werkelijk in het Avondmaal tegen-
woordig en werkzaam is? Neen, dit stond bh\' allen vast.
Slechts over de wh\'ze waarop streed men allerhevigst.
En zoo was het ook met de andere punten van verschil.
De fondamenteele leerstukken des geloofs echter stonden
vast als rotsen in de zee. Zijn wn\' dan werkelijk zoo hoog
verlicht, zeggen de goddeloozen, dat men de vraag, of
er een God is, als eene nog onbesliste vraag op de
groote markt des levens werpen kan? Of, zoo spreken
de vromen, zijn wjj dan zoo diep gezonken, dat de
redelijkheid van het geloof in God openlijk bewezen moet
worden? — Nu, noem het verlicht of noem het
gezonken, wie echter onzen tijd en ons geslacht kent, die
zal niet slechts zeggen: „het mag geschieden!" maar:
„het moet geschieden!" En wie de kerkelijke toestanden
van onze stad kent, die zal er bijvoegen : En hier in Bre-
men moet het vooral geschieden, ofschoon deze stad dan
ook eertijds „de herberg der kerk van Christus" werd
genoemd.
„Ja, maar dan zal het Evangelie immers zeer spoedig
niets meer in de wereld beteekenen?" hoor ik vragen. „Dan
zullen de christenen weldra slechts eene zeer kleine sekte
zijn, die zich in den pruilhoek verschuilt en op het groot
geheel natuurlijk volstrekt geen invloed meer uitoefent ?"\' —
Deze vrees deel ik volstrekt niet. Integendeel ben ik er
vast van overtuigd, dat eindelijk — en wie weet hoe spoe
dig — de koningrijken der wereld het eigendom van onzen
Heer en Christus worden, en het Evangelie zich als de
glorierijke banier der overwinning boven al de macht der
machtigen en boven al de wetenschap van de wijzen dezer
wereld verheffen zal.
Er zijn twee ontzettende werkelijk bestaande zaken, die
-ocr page 99-
8:5
het menschelh\'k geslacht gedurig weder met eene magneti-
sche kracht naar het Evangelie zullen heentrekken, geln\'k
het dorstende hert zich naar de bron getrokken gevoelt.
Deze twee zaken, die voor ieders oog zichtbaar zijn, heeten —
zonde en dood! De dood en de luid sprekende behoefte
in elke menscheiyke borst aan leven, aan eeuwig leven
zal de menschen altijd weder naar den Godsdienst drij-
ven. Wat zeg ik — naar den godsdienst? Neen, ik
zeg zelfs naar het kruis op Uolgotha, omdat er
nooit eene andere plaats was of zijn zal, waar men zeker-
heid van het eeuwige leven ontvangt, dan deze. — De andere
zaak echter is — de zonde. Mogen de heeren van de
groote kunst en wetenschap duizendmaal bewijzen, dat er
geene zonde, geene schuld bestaat, dat de mensch zoo zjjn
moet, als hij is, en zoo handelen moet, als hij handelt, —
mogen zij hunne gronden en bewn\'zen talloos als het zand
aan den oever der zee, in gesloten legerafdeelingen laten
oprukken, — nochtans zal dit groote heerleger als kaf
in den wind vervliegen voor de majestueuze stem des
gewetens, die door alle omhulsels van het zelfbe-
drog heenklinkt en u veroordeelt, — voor den kreet der
ziel om verzoening en verlossing, die zich steeds opnieuw
in des menschen borst doet hooren en die zich verheft met
eene kracht, welke door geene macht der wereld gesmoord
kan worden.
En ten slotte zal toch ook dit verlangen slechts in het-
zelfde kruis tot rust komen, dat op Golgotha\'s heuvel zich
verheft en dat hoog verheven boven al het harteleed der
menschheid stil en plechtig als met hemelsche klokken de
goddelyke genade verkondigt, die den verloren zoon, die
met heilig berouw naar huis terug keert, tot het hart des
Vaders trekt. Over deze droefheid naar God hebben wij
-ocr page 100-
84
den vorigen Zondag gesproken. Slechts voor hen, die dit
woord begrepen hebben en die iets van deze droefheid wil-
len weten, — slechts voor hen is de tegenwoordige preek
over de vergeving der zonden van eenige waarde.
Laat ons met een biddenden geest op dit belangrijke
onderwerp, de vergeving der zonde, thans onze aandacht
vestigen.
O, mijne waarde Hoorders! zoo dikwijls ik daarover
spreek, huivert mijne ziel, gevoel ik mij gedrukt door het
bewustzijn van mijne onmacht en onbekwaamheid. De zaak
is zoo onuitsprekelijk teeder en kiesch, zij wordt zoo lichte-
ïyk verkeerd begrepen en uitgelegd, een verkeerd gebruik
van haar gemaakt, zoodat ik hopen moet, dat iets van die
geheime huivering, die mü, den spreker, vervult, ook bjj
u, de hoorders, aanwezig moge zjjn.
2 Samuki. 12 : 13*.
Nathan sprak tot David: „Zoo heeft ook de Heer uwe
zonde weggenomen; gjj zult niet sterven!"
Onderwerp:
„God heeft uwe zonde van uweggenomen,"
dat wil zeggen, zjj is
I.  vergeven;
II.  vergaan;
III. vergeten.
I.
„Waar is zulk een God als Gy, die de zonde vergeeft 1"
roept verbaasd en aanbiddend de Profeet Micha uit (7 :18);
-ocr page 101-
8.-»
en alle lofzangen en .jubelpsalmen van Gods kinderen onder
het Oude en Nieuwe Verbond weten God niet beter te
prijzen, niet liooger te eeren, dan wanneer zjj dit verkon-
digen: „Hjj vergeeft de zonde!" In het verheerlijken der
schuldvergevende ontferming doet hunne harp den belder-
sten en liefeljjksten toon vernemen. — En zoo was ook
David, die zich diep ontroerd voor den man des doods
had verklaard, een geheel ander mensch geworden, toen
Nathan hem openbaarde: ,Zoo heeft ook Jehova uwe
zonde van u weggenomen". Dit woord was hem meer
waard dan alle kronen der wereld. Vol verbazing staat
hy voor dit wonder der eeuwige ontferming. Hü zelf noemt
zijne zonde ,eenen zwaren last, die hem te zwaar is
geworden." Nu is deze verpletterende last door Gods
almachtige hand afgewenteld. Nu kan hjj weder adem halen.
De man des doods is weder een man des levens gewor-
den.
Als wij de heilige liederen van dezen man lezen, dan
zien wn\', dat hjj in het gansche heelal naar beelden omziet,
om daarmede het verhevene dezer waarheid af te malen,
■dat God zonde vergeeft, en dat Hjj uitdelgt hetgeen
bestaat, alsof het nooit had bestaan. Hjj beschouwt den
hemel, die zoo onmetelijk hoog boven de aarde is, hjj
beschouwt den opgang der zon in het oosten en haren reus-
achtigen loop naar het westen, — ja, nu heeft hjj derechte
beelden, nu verheft hjj zjjne stem en juicht: „Zoo hoog
de hemel is boven de aarde, is zjjne goedertierenheid
geweldig. Zoo verre het oosten is van het westen, doet Hjj
onze overtredingen van ons." Op dergeljjke wjjze zegt
Mie ha, dat Jehova de schuld zjjn volks doet verzinken
in de diepte der zee, en wanneer ze daar ligt, wie durft
dan ook slechts de tegen God vijandige gedachte koeste-
-ocr page 102-
86
ren, om ze er weer uit te halen ? Desgelijks schildert
.1 e z a i a, hoe door Gods genadebetoon de bloedroode zonde
sneeuwwit wordt. „Bloedrood" is de kleur van schuld en
misdrjjf. „sneeuwwit" de kleur der onschuld en gerechtig-
heid. Wie verstaat niet deze verrukkelijke taal ? — En
wie verstaat het niet, als wederom bij Jezaia de Heer
spreekt: „Ik, Ik delg uwe overtreding uit als eene wolk
en uwe zonde als eenen nevel"? O, hoe hartverkwikkend
is dit beeld! Hebt gjj wel eens gezien, mijne Hoorders!
hoe het is, als de zon met krachtige, overwinnende stralen
op den nevel werkt, hoe die wolk dan eerst in onrust komt,
zich daarna verdeelt en wegvliedt in wonderlijke, spook-
achtige gestalten? Maar het duurt niet lang, dan is
nevel en wolk geheel verdwenen. Geen oog kan ze meer
ontdekken, en inderdaad, zjj bestaan ook in \'t geheel niet
meer. Wat nevel en damp was, dat heeft slechts moeten
bijdragen om het blauw des hemels zoo veel donkerder,
de lucht zoo veel frisscher te maken. — Zoo hebben de
Godsmannen van alle tijden er zich op toegelegd, om met
letters, die van de aarde tot den hemel reiken, deze waar-
heid de wereld voor oogen te plaatsen: „ Wjj hebben eenen
God, die zonden\'vergeeft."
Slechts in Israël kende men dezen God. Het geheele
heidendom, ook in zijne edelste vertegenwoordigers, weet
van Gods genade niets. Van den huiveringwekkenden „njjd
der goden" tegenover gelukkige menschen weet het wel
te verhalen, maar niet van de ontferming der goden over
de met schuld beladenen. De wereldberoemde Grieksche
wijsgeer Aristoteles zegt: „De Godheid bestaat niet om lief te
hebben, maar om bemind te worden." En een ander: „De
wraak hebben do Goden voor zich alleen behouden, omdat
zij het zoetste van alles is." En een derde van de wijzen
-ocr page 103-
87
der oudheid laat zich aldus hooren: „De Godheid vergeet
het onrecht nooit en eeuwig gedenkt zjj de begane zonde I"
Wee den mensch, die met oprecht berouw zijne zonden
betreurde en nu tot zulk eene gevoellooze Godheid zjjne
toevlucht nam! Waren Aristoteles en zijne vrienden bij
David gekomen, dan zoude slechts de zelfmoord zijn laatste
toevlucht zijn gebleven. — Is het niet zoo ? Juist tegen-
over zulke uitspraken van het klassieke heidendom schit-
. tert de heerlijkheid van den troost des Evangelies in haren
schoonsten luister! Neem eens zulke woorden, als de zoo
even gehoorde, en plaats ze naast de woorden van Jezus:
„Komt herwaarts tot Mij, gij allen die vermoeid en belast
zijt, enz.!" — Hoe\'!* Klinken deze niet tegenover die
andere, gelijk nachtegaalsgezang tegenover het gekras van
roofgierige raven ?
De „moderne heidenen" vinden daarin trouwens niets
bijzonders, dat God zonde vergeeft. Wel is waar verwer-
pen zij Gods geheelen genaderaad in Christus als een laf
bakersprookje, maar dat God onze Vader is en de zonde
gaarne vergeeft, dit (zeggen zij) spreekt vanzelf. En juist
met dit „spreekt vanzelf" toonen zjj, dat zij het niet ver-
staan. Zjj weten niets van God, want zij kennen zjjne
heiligheid niet; zij weten ook niet wat en wie de
mensch is, want zij hebben geen besef van het ontzettende
der zonde. Daarom heeft ook God eigenlijk niets te ver-
geven; beschouwt men de zaak in haren grond, dan ver-
geven zjj zich de zonde zelf.
Vanwaar echter komen dan onze hedendaagsche heidenen
aan hunne „schoone" redevoeringen over Gods genade? Die
bekomen zij niet uit hun eigen hart en geweten, ook niet
uit hunne wijsbegeerte en wetenschap; aan het Christen-
dom hebben zij die ontleend. Zjj hebben echter vergeten,
-ocr page 104-
88
dat Gods woord slechts tot de bekommerde gemoederen
van vergeving der zonden spreekt. En daarom is hunne
leering slechts een hersenschim. Zn willen eene bjj zonder
angel, en zjj bedenken niet, dat eene bij zonder angel
een — ljjk is. Wie den honig des Evangelies wil zonder
zijn wondenden angel, die bedriegt zich zelf en zal een-
maal tot zijne ontzetting inzien, dat datgene, wat hjj waar-
heid noemde, niets dan eene ijdele, niets beteekenende
zegswjjze is. God beware ons voor zulk eene teleurstelling!
Maar Iaat ons ook zelf wakend en biddend ons daarvoor
bewaren! Laat ons ons zelven wantrouwen op hetzelfde
oogenblik, dat de vergeving der zonden ons toeschijnt iets
alledaagseh te zijn! Waarlijk, die „blinde heidenen",
die zich martelden en folterden, geeselden, kastijdden, ja
zich zelven of hunne geliefde kinderen vermoordden, om
rust voor hunne schuldgevoelende ziel te ontvangen, deze
„blinde heidenen" zijn nochtans verlichter dan die „verlichte
hedendaagsche menschen," die zich zelven zoo gemakkelijk
vergiftenis schenken. Ongetwijfeld waren en zijn zulke
heidenen met hunne zelfkastijdingen toch op den dwaal-
weg. ïïjj weten het, dat de mensch in alle eeuwigheid
noch door zijn werken noch door zyn lyden de zonde kan
uitwisschen. Maar zü hebben toch een inzicht in de diepten
der zonde, zij hebben een besef van Gods heiligheid, en
dat is de zekerste weg, om op Gods liefde en ontferming
juichende den blik te vestigen. Die God, die zelfs „het
geschreeuw der hongerige raven hoort", zal zulke naar
genade hongerende harten wel weten te vinden, gelijk wij
gerust vertrouwen. Deze laatsten kunnen de eersten wor-
den, en die eersten, die de genade als hun uitsluitend eigen-
dom beschouwen, de laatsten. Iemand zeide eens tot mij:
Of het innerlijk naar behooren met u gesteld is, dat kunt
-ocr page 105-
89
gij daaraan zien, zoo dit lied u behaagt. En nu las hij:
„Mjj is ontferming wedervaren, Ontferming, die ik niet
verdien. Dit tel ik onder \'t w o n d e r b a r e" — — hier
viel de eenigszins zonderlinge man zich zelf in de rede en
zeide tienmaal Wonderbare! Wonderbare! VV o n-
d e r b a r e! - dat is de zaak, dat is het puntje op de i.
Ik ergerde mij destijds over die wonderlijke taal, vooral
omdat zjj op eene daarvoor zeer ongeschikte plaats gespro-
ken werd; maar toch is er eene groote waarheid in gelegen.
De vergiffenis moeten wjj als eene wonderbare daad
van goddelijke majesteit, vrijheid en genade beschouwen,
die dus door niets hoegenaamd, wat boven in den heinel
en onder op de aarde en inwendig in ons is, ooit geheel
kan begrepen worden.
Dat is reeds onder m e n s c h e n het geval, die toch
allen zondaars zjjn. Hebt gij iemand van uwe naasten
gekrenkt en benadeeld, b. v. door bitteren spot of schandelij-
ken laster, en komt gij later tot u zelf, zoodat het in uw
binnenste brandt en er een centenaarslast op uw harte
ligt — dan kunt gjj het niet meer uithouden en gjj waagt
het, en waagt er u zelven aan, en gij gaat tot uwen naaste
en bidt hem om vergeving. Wat zult gü doen, als luj
antwoordt: „Neen, vergeven wil ik niet, maar wreken wil
ik mij!" Wat zult gij doen? Gij kunt hem de vjjfde
bede van het Onze Vader wel herinneren, de Tienduizend
Talenten en dergelijke, gij kunt hem gemakkelijk aantoonen,
dat hu\' tegenover God geen recht heeft, om u uwe
zonde niet te vergeven, maar tegenover u heeft hjj dat
recht. En ofschoon gg uw hart uit uw lichaam wildet
rukken en hem ten zoen aanbieden, gij kunt hem daarmede
niet dwingen, u vergiffenis te schenken. En wat zal nu
een zondaar tegenover den heiligen God! — Heeft Hij lust,
-ocr page 106-
90
met u te twisten, zoo kunt gjj Hem op duizend vragen-
niet ééne beantwoorden.
Er kan dus geene sprake van zjjn, dat wjj de goddelijke
vergiftenis als iets beschouwen, dat vanzelf spreekt. Inte-
gendeel moeten wjj vragen: Hoe is het mogelijk?
Hoe kan het overeen gebracht worden met de w a a r h e i d,
dat God datgene, wat toch werkelijk bestaat, beschouwt
alsof het niet bestond, datgene, wat geschied is, beschouwt,
als ware het niet geschied ? — Hoe komt het met Gods
heiligheid overeen, dat Hij de boodschap der genade
doet verkondigen? — Hoe? Wordt dan de heiligheid
overwonnen door de barmhartigheid? Moet de rechtvaar-
digheid wijken voor de liefde? Dat zoude eene disharmonie
in God zei ven zün!
II.
Zulke overwegingen waren het, die Gods kinderen onder
het Oude Verbond gedurig opnieuw beangstigden wegens
de zonde.
„ Sion moet door recht verlost worden en hare gevangenen
met gerechtigheid," — verklaarden zij met volle recht. En
uit dien angst kwamen zn\' ook niet geheel tot rust, voordat
zü van verre op den heiligen Davidszoon zagen, die een
lid van de oude menschheid was, en nochtans eene nieuwe
menschheid in zich bevatte; één van ons, die zelfzondeloos
en rein, nochtans, beladen met de schuld van zijn geslacht,
voor de menschheid den weg des doods betrad. De oud-
testamentische hoop op verlossing van de zonde is als het
ware slechts de achterwaarts vallende schaduw van het
kruis, dat op de hoogte van Golgotha werd opgericht, -
zjj ontstaat wanneer de ziel, van een zalig voorgevoel ver-
-ocr page 107-
91
vuld, uit de verte op het heilig offervuur staarde, dat van
het altaar des kruises zijne vlammen deed opstijgen.
En Hij, die de diepten van het menschelijk hart kent,
Hy heeft het als zoo moeielijk beschouwd, dat een boet-
vaardig hart de prediking van het woord des kruises
gelooft, dat Hij ons inhetsakramentdesheili-
gen Avondmaals juist de zonden vergevende en zon-
den vernietigende genade nog eenmaal afzonderlijk voor oogen
heeft geplaatst. In heilig medelijden met onze zinnelijke
natuur laat Hij het ons daar als \'t ware met de oogen
aanschouwen, met de handen tasten, met den mond proe-
ven, dat HJj werkelijk voor ons heeft genoeg gedaan. Ter-
wijl wij op zinnelijke wn>e ondervinden, dat brood en wijn
met ons lichamelijk organisme geheel vereenigd worden,
moeten wij daardoor gesterkt worden in het onwankelbaar
geloof, dat Hij zelf even werkelijk tot ons is ingegaan, Hij
de Heilige in de onheiligen, om woning in ons te maken. 1)
Daarom zeggen wij: Geen mensch op aarde verstaat het
artikel van de vergeving, indien hij het niet onder het kruis
van Christus bestudeert. Maar deze „studie" moet daarin
bestaan, dat men in het diepste van zijn binnenste „met
Christus gekruisigd" wordt, in het wezen der zaak evenzoo
als de kwaaddoener, natuurlijk niet lichamelijk maar gees-
telijk, daar men het gansche wee der zonde, die den Heere
Jezus aan het kruis heeft gebracht en ons veroordeelt, met
Hem gevoelt. Slechts zulk eenen mensch kan God verge-
ven; ja, het zoude onzedelijk zijn, dien te vergeven, die
dit niet gevoelt.
1) Voor den denkenden lezer spreekt liet vanzelf, dat ik met
deze opmerkingen slechts op ééne zijde van het Avondmaal wilde
wijzen.
                                                                     De Schrijver.
-ocr page 108-
92
.Stel u eenen vader voor, wien zijn eigen kind belogen
heeft (— ach, de geschiedenis, die ik thans verhalen wil,
is eene gelijkenis van hetgeen ieder oogenblikgeschiedt! —)
Het anders zoo vroolijke kind is nu stom, koud, terugge-
trokken, maar in weerwil van alle vermaning en bestraffing
toont hij geen spoor van berouw. Voor den vader wordt
deze toestand echter ondragelijk en hij zegt tot het kind:
„Nu, gij hebt wel is waar gelogen, maar dat moet ons niet
langer van elkander verwijderd houden ; wees maar weder
vroolijk en goedsmoeds!" Niet waar ? zulk een vader zoude
zijn kind in den diepsten grond des harten bederven, want
hjj zoude hem de zonde als eene weinig beduidende zaak
doen beschouwen. — Zoo grof als die vader maken het
zeker niet velen; maar toch zijn er zeer velen, die uit
gemakzucht en eigenliefde de zaak tegenover den weerbar-
stigen zoon zeer onverschillig opnemen en haar trachten
te vergeten. Maar in al de oorkonden van God klinkt
altijd deze ééne toon, dat God slechts dien mensch genade
bewijst, die ootmoedig is, dat wil zeggen: die zich zelven
verootmoedigd heeft.
Zulk eenen mensch kan God op grond van het offer van
Christus vergeven, zonder iets te doen, wat met zyne vol-
maaktheden strijdt. De boetvaardige zondaar is in
zoo verre geen zondaar meer, als zijn inwendige mensch
zich geheel van hem gescheiden heeft. Ik spreek niet
figuurlijk, niet zinnebeeldig, ik meen het wezenlijk zoo geheel,
als ik zeg: Slechts het omhulsel is hetzelfde gebleven,
maar de ziel is geheel en al eene andere. De berouwheb-
bende, over wien Gods aangezicht licht, is een geheel ander
mensch, dan diegene was, op wien Gods toorn rustte. De
„verloren zoon," die tot zijnen vader terugkeert, met de
belijdenis van zonden op de bevende lippen, is een mensch,
-ocr page 109-
03
die met den trotschen, loszinnigen, tieren man, die naar
het scboone, bekoorlijke ver gelegen land trok, volstrekt
niets gemeens heeft. Voor der menschen oog zag deze
er zeer prachtig uit, en hij die in lompen terugkeerde, zeer
verachtelijk j in het oog van God is het juist het omge-
keerde. — Wie zich in zijn hart van zyne zonde bekeert,
die leeft niet meer in haar, als in zijn element; zy is niet
meer een deel van zijn inwendig wezen. Het is zoo, zij zal
hem gedurig weder besmetten als slijk, maar daarover zal
hij de grootste smart gevoelen: zjj zal op hem aansluipen
als eene slang en zich aan zijn hiel hechten, maar hy zal
haar afschudden, wellicht in een zwaren strhd, waarin hy
pijnlijke wonden bekomt. Maar nooit zal hij haar aan zijnen
boezem koesteren. Eindelijk zal hij ook uitwendig geheel
daarvan verlost worden, nadat hij zich inwendig van haar
heeft losgemaakt. Niet de zonde, niet zijn eigen wil, niet
zijne eigene lusten, maar de wil van God, de ontferming
van God wordt in de bekeering — als zjj echt is — het
eigenlijke element van den mensch.
Daarom heeft de diepzinnige Franschman Pascal volkomen
gelijk, als hy zegt: „De grootheid van den mensch bestaat
in de kennis zijner ellende. Hij is alzoo ellendig, omdat
hy het werkelijk is; hij is echter groot, omdat hij het
weet" en (dit voegen wij er bjj) de ontferming
van God zoekt. Juist daardoor, dat hij erkent, diep
gevallen te zijn, toont hy te begrijpen, dat hij eigen-
ly k hoog moest staan, dat de zonde niet in zyn wezen
te huis behoort. Wanneer de mensch zich bekeert, vestigt
hy dus het oog op zijn eigenlijken oorsprong en de levens-
bron, waarvan hy zich op eene schandelijke wyze verwijderd
heeft. Hij ziet het in, dat hy eigenlijk een koningskind is,
en toch een dief en een bedelaar is geworden. Deze droef-
-ocr page 110-
Ü4
heid, dat hij zoo diep is gezonken, dit smachtend verlangen
om weder omhoog te stijgen, dit is de ware adel, de ware
grootheid van den mensch.
Niemand late zich derhalve op het dwaalspoor brengen,
wanneer de kinderen dezer wereld zeggen, hetgeen zij
dikwijls zeggen: „De bekeering is volslagene
karakterloosheid, zij is een afval van ons
eigen Ik". Ja, zulk een afval is zij ook, maar een
afval van het bedorven, geruïneerde Ik en een terugkeer tot
het heilige ideaal der menschheid, dat in Jezus lichame-
ïyk verschenen is. En daarom is de bekeering geene
karakterloosheid, maar juist het tegenovergestelde: met de
bekeering begint de eigenlijke karaktervorming,
want hier eerst wordt de mensch waar ten opzichte van
God en ten opzichte van zich zelf\'. Dat in dien schijnbaar
karakterloozen omkeer, welke wij bekeering noemen, juist
de karaktervorming plaats vindt, daarvan zijn niet slechts
Paulus en Petrus, maar alle groote mannen in de kerke-
lijke geschiedenis, van Chrysostomus en Augustinus tot op
Luther en Kalven, tot op Spener en Zinzendorf. krachtige
getuigen. En wie van ons een christelijk karakter wil
worden, die kan het slechts door de bekeering worden.
Indien gij heden daarmede werkelijk het begin maaktet, zoo
zoudt gij er ook heden reeds het eerste begin van bespeu-
ren, dat gij van de dienstbaarheid der menschen en van
de dwingelandij van den tijdgeest verlost werdt. Wezenlijk
vrije menschen worden slechts achter de geslotene deur
der binnenkamer geboren.
En daar het woord van de vergeving der zonden slechts
daar gesproken wordt, waar de zonde de vijandin van
den mensch is geworden, zoo gaat daarmede ook geene
vermaning tot de heiliging en tot den strijd
-ocr page 111-
95
gepaard. Voor een kind, dat zoo even zijne hand in het
vuur gebrand heeft, haal ik balsem; barbaarschheid
zoude het zijn, eene rede over het gevaarlijke van het vuur
voor hem te houden. Deze rede houdt het thans zelf. Zoo
zegt ook Jezus tot de „groote zondares", die zonder een
woord te spreken nochtans zulk eene krachtige belijdenis
had afgelegd, slechts zeer eenvoudig: „Uwe zonden zijn
u vergeven! Ga henen in vrede!" — Zoo zegt ook Nathan
tot David kortweg: „Uwe zonde is van u weggenomen !"
en geen woord, dat hij zich voortaan beter gedragen en
eenen goeden strijd strijden moest. Nathan was met het
menscheUjk hart beter bekend dan die wijze vromen, die
steeds beweren, dat de barmhartigheid altijd nog vroeg
genoeg komt, en dat Nathan den koning eerst nog een
poos had moeten laten beven en het hem niet zoo gemak-
kelijk maken. Nu, wat het gemakkelijke betreft, zoo zul-
len wij in onze eerst volgende overdenkingen zien, dat hij,
ofschoon hem vergeving was geschonken, nochtans de smar-
tely\'ke gevolgen zijner zonde ondervinden moet. Maar hier
juist toont David, dat Inj de zonde zelve, en niet hare
gevolgen, het meeste haat en vreest. Hy toont het, dat juist
door de vergeving der zonde de liefde tot de zonde in hem
gestorven was.
En zoo moet het altijd zijn. Begraven worden, vernie-
tigd worden moet de macht der zonde juist door de liefde
van God, die u door de vergeving bewezen wordt. De
goddelijke vrijspraak is niet een schoon voord, neen,
daarin nadert de goddelijke Geest zelf tot u, een heilige,
vreugdevolle, zalige Geest, die nu in uw hart woning
maakt.
-ocr page 112-
9ti
III.
Hieruit laat zich dan ook de vraag beantwoorden, die
tegenover het woord van de vergeving zoo lichtelijk
opkomt. „Vergeven en vergeten", dat zijn twee
woorden, die altijd zoo bijeengevoegd worden als geld en
goed, veld en akker. Wij allen meenen toch, dat clan eerst
recht vergeven is, wanneer deze vergevene zonde ook ver-
geten wordt. Wij hooren echter ook zeer dikwijls de men-
schen zeggen: „Vergeven wil ik het wel, maar vergeten
kan ik het niet." En dat is ook in zekeren zin niets kwaads.
Mijn geheugen houdt niet altijd met het hart gelijken tred-
Ja, uit mijn geheugen iets uit te wisschen, hiertoe ben ik
volstrekt niet in staat. Ik kan het niet verhinderen, dat
lang vergetene zaken uit de verborgene diepte van mijnen
geest plotseling weder opduiken en te voorschijn komen.
Dikwijls is slechts het gezang van een vogel, de klank van
een posthoorn noodig, om oude gebeurtenissen nieuw te
maken. — Zoo kan ik ook niet beloven, dat ik er nooit
meer aan denken wil, dat iemand mij in zijne boosaardig-
heid een vinger heeft afgeslagen. Hoe goed mjjn wil ook
wezen mocht, zoo zal toch de plaats, waar de vinger zit-
ten moest, maar niet meer zit, mij altijd die treurige
gebeurtenis herinneren. Maar hoe, als nu de man, die mij
zoo sloeg, tot mjj komt en mij om vergeving vraagt, en
wel op zulk eene wijze, dat ik hem innig lief krijg, en
onze harten zich nu aan elkander verbinden ? Juist daar-
door, dat hjj weent over zijnen toorn, en ik hem gaarne
vergeef hetgeen -hu\' gedaan heeft, juist daardoor leeren wjj
elkander nu zóó kennen, dat er een duurzame band van
innige vriendschap tusschen ons geknoopt wordt. Is het
-ocr page 113-
97
niet zoo? daa heeft men een vinger verloren en eenen
vriend gevonden. Met een dankbaren glimlach zal ik nu
het gebrek aan mijne hand zien. Het herinnert mij niet
den vijand, die mij sloeg, maar den vriend, wien mij deze
booze slag geschonken heeft, — doch neen, niet de slag,
maar de vernietiging van dezen slag, dien hij onder tranen
veroordeelde en dien ik vergaf.
Dat zijn menschelijke voorbeelden, maar wij mo-
gen ze ook toepassen op onze betrekking tot den heiligen
en barmhartigen God. Het zoude lichtzinnig zijn, indien
het niet de dwaasheid zelve was, te zeggen dat God v e r-
g e e t. Hoe kan de Alwetende iets vergeten, derhalve niet
meer weten? Nochtans, ofschoon Hij ook geene van al
uwe zonden vergeet, zoo denkt Hij daaraan niet meer als-
zonden. Als zonden bestaan zij voor Hem niet meer.
ZJj zyn toch juist in de boetvaardige schuldbelijdenis dat-
gene geworden, wat u tot Hem heeft geleid, zij zyn in
de vergiftenis datgene geworden, wat u voor eeuwig met-
Hem verbonden heeft.
En wanneer alzoo God de Heer uwe zonde als zonde
vergeet, dan moogt gij haar ook vergeten, wanneer u barm-
hartigheid is geschied. De hoog gezegende Tersteegen zingt
in zijn schoone lied: „Wat hebt Gij mij toch innig lief," —
nadat hij de verzoenende kracht van Christus\' bloed heeft
geprezen: „Vergeten heb ik mijne zonde, als
waar\' zij nooit geschied." Ei, konde men zeggen, waarde
Tersteegen, gij vergist u! Gij hebt haar niet vergeten,
anders kondet gij niet meer over haar spreken en wist gij
ook van uw vergeten niets — doch op grond van het
vorige verstaan wü hem. Vergeten heeft hij de zonde als
eene schuld, die tusschen hem en God staat; want zijn
God heeft vergeven en vergeten: zij bestaat niet meer als-
ZIELESTRIJD.                                                                             7
-ocr page 114-
98
een scheidsmuur tusschen God en den mensch. Het
goddelijk vergeten heeft hij echter niet vergeten. Neen,
aan dit vergeten wil hjj in alle eeuwigheid denken. Dit
goddelijk vergeten is de band des levens, die God en den
zondaar op de innigste wijze met elkander verbindt. Wie
een geestelijk leven kent, die weet, dat juist het ootmoe-
dig dankbare gedenken van dit goddelijk vergeten het
beste wapen is tegen de macht der zonde en tegen de
bestorming door nieuwe verzoekingen. Dit gedenken van het
goddelijk vergeten vervult het hart tegelijk met heiligen
ernst en reine hemelvreugd.
Wilt gij hiervan een voorbeeld zien, zoo lees de brieven
van den Apostel Paulus. Daar zult gij vinden: Juist dit,
dat hem, den lasteraar en vervolger, den rgrootsten dei-
zondaars", Gods ontfermende liefde is bewezen, — juist
dit verleent hem de kracht tot heiliging, tot volharding in
iederen strijd en tot het verduren van iedere verdrukking.
Juist dit „mij is barmhartigheid geschied" dringt hem nu,
om op alle zonnige hoogten en in alle duistere diepten van
het aardsche leven te verkondigen, wat God aan hem
gedaan heeft en wat Hij aan iederen zondaar wil doen. Deze
oudervondene barmhartigheid geeft hem de kracht om lief te
hebben en in de liefde te volharden, in weerwil van allen
ondank, in weerwil van allen smaad en alle vervolging. —
Dit alles, hoop ik, is ook voor u geene vreemde zaak. Gij en
ik, wij zijn zeker geen Paulussen. Maar zoo ook wjj iets van
datgene ondervonden hebben, wat hg in leven en in sterven
prijst, dan moet ook in onze kleine betrekkingen dezelfde
vrucht daaruit voortkomen; moet althans dezelfde aandrift,
dezelfde heerschende richting der ziel ook bij ons gevonden
worden. Want, zooals wij zagen, de goddelijke vergeving
beteekent geenszins, dat God den zondaar slechts kwijt-
-ocr page 115-
90
scheiding verleent, maar dat Hy hem van zijnen last
bevrjjdt, dezen van zijnen last ontslagenen zondaar nu juist
met den kus der vergevende liefde aan zijn hart trekt, om
bestendig met Hem verbonden te blijven. Hier heeft eene
geheimzinnige ineenvloeiing van het goddelijke en men-
sehelijke wezen plaats, waarvoor de taal geen woorden bezit.
Jakob Böhm zegt ergens van deze zaak: „Gelijk het
hout, dat op den haard verbrandt, niet slechts door de
vlam verteerd wordt, maar juist daardoor, dat het ver-
teerd wordt, ons welzijn bevordert, ons licht en warmte
verschaft, zoo is het met de zonde, die in het vuur van
Gods liefde vernietigd wordt." En verder, — zoo voe-
gen wij hierbij, — wanueer in den wintertijd sneeuw en ijs
de aarde met eene dikke korst bedekken, dan is zij daar-
mede niet slechts overdekt, maar ook van allen levenwek-
kenden invloed verstoken en tot eene verstijving als die
des doods veroordeeld. Nu breekt echter in de lente de
warme zon en de zacbte zuidenwind deze korst. Thans
wordt de aarde niet slechts zichtbaar, neen, juist deze
ijskorst, die baar deed verstijven, wordt in een verzachtend
en vruchtbaarmakend levenselement veranderd.
Ik zoude vreezen, u te beleedigen, indien ik deze beel-
den nog verklaren wilde. Zjj zijn duidelijk genoeg. Wjj
zeggen slechts: wanneer de Apostel schrijft, dat dengenen,
die God lief hebben, alle dingen medewerken
ten goede, dan behoort tot dit „alle dingen" ook de
zonde. Slechts met bevende lippen kunt gö dat zeggen,
maar met bevende lippen kunt gjj het ook zeggen.
O, welk een geluk, welk eene zielverheffende zaak is
toch de zekerheid van de vergeving! Inderdaad: „waar
vergeving der zonden is, daar is leven en zaligheid!" Daar
kan men altijd blijde en goedsmoeds zu\'n. Ik bedoel niet
-ocr page 116-
100
eene blijdschap des gevoels, — neen, de blijdschap, die
ik bedoel, kan niet slechts met het zweet van den arbeid
gepaard gaan, maar ook met het angstzweet; zij kan ook
daar bestaan, waar de tranen uit het oog vloeien en de
handen gewrongen worden, gelijk wjj dat ook bij David
zullen zien. Nochtans moet in het christenhart eene blijd-
schap wonen, die alle blijdschap overtreft, die blijdschap
namelijk over het geluk, dat men een kind van God
is door Jezus Christus. Dan weet men toch: Zjjn wjj kin-
deren, zoo zijn wij ook erfgenamen, en alles, wat ons nog
naar het lichaam of in onze aardsche lotgevallen drukt,
het is alles slechts een overgang en moet weldra verdwij-
nen, gelijk de nevel voor de zon. Kent gjj deze blijdschap\'?
Wie neen zegt, die doe onderzoek naar het „waarom?"
Aan de zijde van God kan de oorzaak niet liggen. Menig
christen schijnt dit te gelooven. Geen lichtzinnige, neen,
zeer ernstige mannen en vrouwen hoort men dikwijls aldus
zeggen, vragen en klagen: „Ja, zoo ik persoonlijk
slechts wist, dat mjj rayne zonde werkelijk vergeven is,
dat ik persoonlijk alzoo een kind van God ben, dan wilde
ik wel blijmoedig zjjn. Ik zie met werkelijke afgunst op
zulke personen, als den geraakte en de groote zondares,
tot wie Jezus geheel persoonlijk zeide: „Uwe zonden zjjn
u vergeven." Ja, die wisten het nu en konden zich wel
verblijden! Of zoo er ook slechts een Nathan tot mij kwam
en mjj op goddelijk gezag zeggen wilde: „Uwe zonde is
van u weggenomen!" Nu, ik weet wel, dat dit niet geschie-
den kan. Maar daarom heb ik den Heer gebeden, mü het
een of ander bijzondere\' bewjjs te geven, dat Hij ook mij
in genade heeft aangenomen Ook ik zoude zoo gaarne,
evenals die waarde christin, eene zoo duidelijke stem hoo-
ren: ,Gn\' zjjt verlost, gij, gij, gn\'!" of evenals anderen
-ocr page 117-
101
door eene wonderbare verschijning, een gezicht, eene buiten-
gewone ondervinding tot onwankelbare zekerheid komen.
En indien dit alles onmogelijk is, dan moest de Heer mjj
toch ten minste een levendig gevoel van zijne genade
geven. Ook dat heb ik niet. Al mijn bidden is vergeefsch,
en zoo wacht ik sedert jaar en dag vruchteloos."
En het is te hopen — zoo ga ik voort — dat gij ook
verder tevergeefs op bijzondere stemmen en gezichten wacli-
ten zult; want onverschillig, of deze werkelijk of ingebeeld
zijn, zoo kunnen zij nooit en nimmer het fondament van
uw vertrouwen zijn. En wanneer de uren der verzoeking
komen, dan zijn al uwe eigene ervaringen niet in staat om
u staande te houden, en gij weet zelfs niet meer, wat gij
daarvan denken moet. Slechts één fondament blijft, name-
lijk dit: „Jezus neemt de zondaars aan." Dit
is voldoende. Dit fondament heeft God u in zijn woord
gegeven, en zoo gij een boetvaardig zondaar zijt, plaats
u dan eenvoudig daarop en spreek: „Hier ben ik! Mij ook
heeft Rij aangenomen!" Of uw gevoel daarbij zeer
levendig en vrooln\'k is, dat hangt van allerlei zaken af, die
met de vrije genade niets te doen hebben. Hier komen
het natuurlijke temperament en allerlei toestanden van
lichaam en ziel mede in het spel. Zalig zijn zij, die niet
zien, smaken, gevoelen en nochtans gelooven en uit hun
geloof leven, gelijk een kind in het vertrouwen op de
beloften des vaders vroolijk leeft, ofschoon het daarvan nog
volstrekt niets ziet. — Het wachten op bijzondere wonde-
ren, teekenen, gezichten, droomen, stemmen bovendien, het
is niets dan ijdelheid of ongeloof\' of beide tegelijk. De
openbaring, die gij noodig hebt, is eens voor al gegeven
in het teeken van het heilige kruis, dat van Golgotha\'s
heuvel zoo ernstig en toch zoo verzoenend zijn licht ver-
-ocr page 118-
102
spreidt in eene wereld vol angst en jammer. Hoor het
woord , Volbracht!" dat hier klinkt, en sluit het diep in uw
verslagen hart! Zink hier aanbiddend neder en weet, dat
het voortaan niet meer de zonde is, die u scheidt van God,
maar de liefde tot de zonde. Weet en geloof, dat uwe
zonde niet meer bestaat op het oogenblik, wanneer gy haar
werkelijk vervloekt, uwe levenswortels uit haar los maakt
en de verdienste van Christus aanneemt.
Houd u daaraan vast en laat u door geen duivel, wereld,
dood of zonde aan het twijfelen of wankelen brengen. En
ofschoon uw eigen hart „neen" mocht zeggen, zoo hecht
aan Gods woord en getuigenis meer geloof. Zoo zult gij
dan met den dichter instemmen in zijnen lofzang:
O, zalige vreugde, het licht is verschenen,
Vrees, wantrouwen, twijfel is eind\'lijk verdwenen,
\'t Geloof heeft mijn geest nu het angstige schromen
Door \'t woord der belofte voor immer ontnomen.
Ik weet het en loof steeds die liefde des Heeren,
Zoo waar als Gods handen zijn rijk nog regeeren,
Zoo waar als zijn zonne nog praalt daar omhoog,
Zoo waar vond ik, zondaar, genade in zijn oog.
Amen.
-ocr page 119-
VI.
EEN ERNSTIG „MAAR.
Geliefde Hoorders I
„De stichtelijkste ondervinding, die ik in mijn geheele,
dikwyls zoo bittere kollektantenleven heb opgedaan (zoo
verhaalt een man, die voor een gesticht voor stompzinnige
kinderen kollekteerde), deed ik in eene armoedige hut te
Elberfeld op. In weerwil van het armoedige aanzien van
het huisje trad ik het binnen; eene inwendige stem drong
mij. Toen ik de deur opende zag ik een stok-oud, behoeftig
moedertje achter het spinnewiel zitten. Ik werd verlegen
met de zaak, stamelde eenige verontschuldigingen en wilde
teruggaan. Het goede oudje riep echter: „Halt daar?
blijf toch! hier woont een koningskind!Meentgy
dan niet, dat ook ik voor de zaak van den grooten Koning
wil bijdragen?" En zij zocht in hare kast en vond twee
penningen; zij gaf die met vreugde."
Zoo verre de kollektant; en wij nu — ? Niet waar, in
alle behoeften en alle schulden van de werkzaamheden voor
het Godsrijk zoude volkomen voorzien worden, indien ook
slechts de helft der volgelingen van Christus zoo dachten,
als deze oude, arme en toch zoo jeugdige, rijke spinster!
Koningskinderen zijn wij door Gods genade in Christus, en
-ocr page 120-
104
voor koningskinderen is het eene innige behoefte, voor de
belangen van des Konings zaak werkzaam te zijn. O, laat
ons dit voor oogen houden, wy die door den Geest des Hee-
ren tot een nieuw leven geboren zjjn: koningskinderen, kin-
deren van den goddelijken Koning zyn wij, even zeker, als
wy kinderen van onze aardsche ouders zijn. En daar wjj
door de vergeving der zonden (zooals wij den vorigen Zon-
dag zagen) Gods kinderen zijn, zoo zijn wij ook Gods
erfgenamen, en alles, wat in den hemel en op de aarde
is, moet ons te zijner tyd als een kostelijk erfgoed ten
deele vallen. Moesten wij dus niet altijd blijmoedig zjjn,
zingen en juichen?
Inderdaad, een onvergankelijk zaad der vreugde
blijft in de harten van Gods kinderen, in welke omstandig-
heden zjj dan ook verkeeren. En deze zyn dikwijls moeie-
lyk genoeg. „Zoolang wjj in dezen tabernakel zijn, zjjn
wij bezwaard" en nemen deel aan het zuchten en verlangen
van het beangste schepsel. (Romeinen 8 : 18 — 24.) De
stormen, die de wereld teisteren, gaan de tenten van Gods
kinderen geenszins voorbij. ^eei\' diepzinnig en schoon zegt
de edele bisschop Sailer: „Het Evangelie zonder lijden is
voor den hemel bestemd; het Inden zonder Evangelie voor
de hel: het f] vange 1 ie met 1 ij de n voor de
aard e." Hier kan ieder terstond vernemen, wat hemel,
hel en het leven op aarde is! Ja, dat wy hier het „Eva n-
gelie met lyden" bezitten, dit wordt iederen christen
diep ingeprent. Vermoedelijk slaakt juist nu, terwijl ik dit
zeg, menigeen een diepen zucht; en dat is ook geen zonde,
als het maar geen morrende zucht is.
Het smartelijkste lyden echter en tegelijk het heilzaamste
is dat, hetwelk zich als een r e c h t s t r e e k s c h gevolg
van deze of gene bepaalde zonde aan ons oog vertoont.
-ocr page 121-
105
En juist hierover, dat ook de begenadigde christen de
vrucht zyner zonden moet oogsten, wenschen wjj heden
te spreken.
2 Samüel 12: 14.
Maar dewijl gij door deze daad de vijanden des Heeren
hebt doen lasteren, zal de zoon, die u geboren is, den dood
sterven.
Een ernstig „maar\'\'
zal heden door ons overwogen worden.
I.     De zonde is vergeven — maar toch
blijft hare bittere vrucht.
II.    De vrucht is bitter — maar zij ver-
andert in hemelsche zoetheid.
I.
Is het niet eene smartelijke teleurstelling voor David,
als Nathan eerst zegt: „Uwe zonde is van o weggenomen"
en daarop laat volgen: „Maar dewijl gij de vijanden van
Jehova hebt doen lasteren, zal uw kind sterven" —? Als
God de zonde vergeeft, dan is zij ook vergeten, derhalve
in niets opgelost. Hoe strookt het dan daarmede, dat Hü
haar nochtans straft? — Is dat niet eene tegenstrijdigheid?
Is God dan niet met zich zei ven in strijd? Indien de
gevolgen der zonde even smartelijk zijn, alsof zij niet
vergeven was, wordt daardoor clan het woord der vergeving
niet geheel verduisterd? — Inderdaad, dit zoude zoo zijn,
indien men dit gericht als een uitvloeisel van Gods toorn
moest beschouwen. Waar ook slechts een schaduw van
toorn is, daar kan zeker geen sprake van vergeving zijn.
-ocr page 122-
106
Wie zingen en zeggen kan: „Mij is barmhartigheid geschied,"
die beschouwt God als eene zuivere bron van liefde, wel-
dadigheid en goedertierenheid. Zoo moet dus ook deze
tucht over de zonde een uitvloeisel van Gods liefde zijn.
En zoo is het, en juist dit toont ons het leven van
koning David op de duidelijkste wjjze. Laat ons toch
bedenken, dat God juist zijne geliefdste kinderen met dub-
bele gestrengheid behandelen moet. Zy vallen dieper dan
de kinderen der wereld, want zij stonden hooger. Grooter
is daarom ook hunne schuld, grooter de ergernis, die zij
geven. Dit moet hun diep ingeprent worden. David had
niet slechts tegen God, niet slechts tegen zich zelven
gezondigd, neen, hy had in uitgestrekte kringen verwar-
ring teweeggebracht. Hy had door zy\'ne zonde ook devjjan-
den van Gods volk, die hjj meer en meer tot de aanbid-
ding van Jehova moest bewegen, doen lasteren. Hy, op
wien alle heidenen het oog vestigden, hij, die zoo veel
onheil konde stichten als geen ander mensch, hu\' had gehan-
deld als een blinde heiden. Het moest voor de geheele
wereld blijken, dat de God van David dit niet ongewroken liet.
Gy allen hebt wel eens hooren zeggen: „M. is een piëtist,
en toch heeft hy my bedrogen;\'\' of: „A. is zulk eene rechte
„vrome," en toch heeft zy onwaarheid gesproken;" of: „die
en die wil een rechte orthodoxe zyn, en toch behandelt hij
züne arbeiders volstrekt niet humaan;" enz. Met groote
zorgvuldigheid sommen de ongeloovigen op deze wyze al
de zonden der „vromen" op. Zy verbeelden zich, daar-
door het bewys te leveren, dat de geloovigen in hun zede-
ïyk leven niet beter zyn dan alle anderen. Daarmede zoude
dan zeker het vonnis over het geloof zyn uitgesproken;
want indien het Evangelie de menschen niet beter maakt,
dan is het niets waard
-ocr page 123-
107
Maar bewijzen die woorden niet juist het tegendeel van
hetgeen zjj bewijzen moeten ? Zjjn zjj niet juist een bewijs
voor den hoogeren zedelijken geest van het christendom ? —
Waarom zegt men dan niet: „die en die is een atheïst,
en toch heeft hn" een valschen wissel afgegeven;" of:
„die en die is een materialist, en nochtans een dronkaard;"
of: „die en die is een vrijzinnige, en toch heeft hjj geen
hart voor de armen?" Niet waar? zoo spreekt niemand.
En indien iemand zoo sprak, dan zouden niet slechts de
piëtisten, maar ook de atheïsten en materialisten daarover
lachen. Waarom dan ? Nu, omdat dezen het zeer goed
weten, dat het ongeloof geene macht tegen de zonde is,
maar veeleer eene krachtige aansporing om er weinig
bezwaar in te zien. Daarentegen beseffen ook de kinderen
dezer wereld zeer juist, dat iedere onzedelijkheid met het
geloof in strijd is en dat uit het geloof, als zijne natuur-
ljjke vrucht, iedere deugd geboren wordt.
Daarom spreken zij zooals zy spreken. Daarom wenden
zich ongeloovige lieden, als zij barmhartigheid zoeken, het
liefst tot diegenen, die van Gods barmhartigheid iets weten
te zeggen. En zelfs diegenen, die het christendom ver-
worpen en de humaniteit daarvoor in de plaats gesteld heb-
ben, zoeken nochtans, wanneer zh" wezenlijk humane, barm-
hartige, langmoedige, geduldige, zachtmoedige, onbaatzuch-
tige menschen noodig hebben, hen niet in de rijen dergenen,
die „slechts humaan zijn en niet christelijk." maar in de
rijen van hen, die eenvoudig slechts christelijk zn\'n en niet
humaan, dat wil zeggen: wien het genoeg is, het eigendom
van Christus te zijn, en die er juist daarom geene behoefte
aan gevoelen, om van hunne humaniteit zooveel ophef te
maken. Zoude het b. v. de geheele wereld niet als iets
belachelijks beschouwen, aanhangers van D. Strausz of
-ocr page 124-
108
Feuerbach of E. v. Hartmann als bestuurders van Magda-
lena-gesticbten, idiotenscliolen, huizen tot redding van ver-
lorenen en dergelijke te beroepen? — Neen, daar moet men
„piëtisten" hebben ; dezen alleen hebben het noodige geduld.
Kortom, dat de jongeren van Christus, indien zij dit
werkelijk zijn, eene hoogere zedelijkheid bezitten, is aan
geen twijfel onderhevig. Maar juist daarom stichten zjj ook
met hunne zonden zooveel te meer nadeel en geven daar-
door aanleiding tot uitdrukkingen als deze: „Och, zij zjjn
in den grond der zaak niet anders dan wjj; men ziet
wel, het is geheel onverschillig, wat men gelooft; in de
praktijk komt alles op hetzelfde uit." De christenen moe-
ten het licht der wereld zijn; zij moeten de vuurtorens
zh\'n, die de door storm verstrooide scheepjes op de duistere
zee dezer wereld de veilige haven wijzen, en nu doen zij
hen van den rechten koers afdwalen door valsch vuur!
Geen wonder derhalve, dat „het oordeel begint van het
huis Gods" (1 Pet. 4:17), geen wonder, dat juist „de
uitverkorene vreemdelingen in de verstrooiing" (1 Pet. 1 :1)
de gansche gestrengheid van Gods heiligheid ondervinden
moeten. Slechts uit dit gezichtspunt kan men het begrijpen,
waarom God zoo gestreng met Mozes in het gericht treedt.
Hij, de „vriend van Jehova," die „getrouw was in het
geheele huis van God," moet nochtans, omdat hij een enkele
maal ontrouw was geweest, ten grave dalen, voordat hij
den bodem van het vurig verlangde Kanaün betreedt. PJn
welke lange jaren, ja tientallen van jaren moeten Jakob en
zijne moeder Rebekka de gevolgen hunner misdaad onder-
gaan ! O denkt daarover na, gy die u Gods kinderen noemt I
Juist u moet God met dubbele gestrengheid behandelen.
David is daarvan het treffendste voorbeeld. Ofschoon
hem vergeving van zyne zonden geschonken is, moet bij
-ocr page 125-
109
het nochtans tot aan het einde van zijn leven ondervinden:
,waarmede iemand zondigt, daarmede wordt hu\' gestraft."
In de eerste plaats kondigt Nathan hem, in ons tekstwoord,
aan, dat het kind der zonde sterven zal. De geheele wereld
moet hierin een oordeel Gods over Davids zonde zien. —
Hoe zwaar dit bijzondere strafgericht nu echter ook was,
zoo zjjn toch d i e vruchten der zonde, die om zoo te
zeggen een natuurlijk gevolg daarvan zijn, nog veel
ontzettender. Die schrikkelijke gebeurtenissen, waarmede
Xathan den koning bedreigde (vs. 10—12), voordat hij
zijne zonde beleed, zjj hebben in weerwil van Davids
berouw en in weerwil van de goddelijke vergeving alle
plaats. Wie het verdere leven van David met opmerkzaam-
heid gadeslaat, die zal ontdekken, dat David in zijn eigen
huis het roer niet meer in handen heeft. In het bewustzijn
van zijne eigene zware schuld heeft hij de vastheid van
geest en van handelen verloren, durft hy zjjne volwassene
kinderen niet met nadruk bestraften en moet nu dingen
beleven, die zoo ontzettend zyn, dat men ze slechts kan
aanstippen. In den kring zijner eigene kinderen wordt bloed-
schande en moord gepleegd, ja eindelijk komt Absalom, de
zoon, in opstand tegen zijnen vader David. Alle familie-
banden schijnen verbroken, sedert de vader zoo diep geval-
len was. — En evenzeer als v a d e r, heeft David ook als
koning gezag en kracht verloren. Het volk, dat hem
alles te danken had, staat tegen hem op, en in de hevige
vlammen van den burgeroorlog moet David zijne kroon als
\'t ware opnieuw veroveren. Het zedenbederf schijnt tot
alles doorgedrongen te zijn, sedert de vrome koning zulk
een diepen val heeft gedaan.
Maar (zegt gij) David had toch ook door zjjn diepe
berouw doen zien, welk eene schrikkelijke zaak de zonde is.
-ocr page 126-
110
Waarom nemen de lieden dat dan niet ter harte? Waarom
laten zij zich dan zijn berouw niet tot voorbeeld dienen ? —
O mijn vriend! dan kent gij de wereld slecht. Voor de
oprechten heeft deze zijne droefheid naar God zeker een
grooten zegen opgeleverd en doet dit nog; ik hoop, ook
voor ons, die hier vergaderd zijn. Maar bij de groote
menigte was het toen evenals tegenwoordig: de zonden
der vromen dienen haar tot dekmantel van hare lichtzin-
nigheid en hare losbandigheid; op het berouw der vro-
men, dat wil dan zeggen op hun protest, haat en strijd
tegen de zonde, slaan zij echter geen acht. Waarom
niet ? Nu, omdat het hun niet aangenaam is, daarop acht
te slaan, of ook omdat zn\' daarvan werkelijk niets begrijpen.
Kortom, men maakt zich zelven diets, of gelooft werkelijk,
dat hetgeen de vromen schuldgevoel en bekeering noemen,
niets anders dan maskerade en poppenspel is.
Zoo moeten dan ook voor David de gevolgen der zonde
hun natuurlijk verloop hebben, opdat hij in deze beproeving
aan de wereld zoude kunnen toonen, wat de bekeering is,
en dat het werkelijk iets anders is, wanneer een kind van
God valt, dan wanneer de natuurlijke mensch Gods gebod
versmaadt.
Ook wij allen, zoo velen van ons in den geloove leven,
moeten op velerlei wijze ondervinden, dat de tijdelijke gevol-
gen der zonde nooit achterwege blijven, ofschoon wij ver-
geving van God ontvangen hebben. Ik wil er hier niet
over spreken, dat ieder tijdelijk en inzonderheid ieder licha-
melyk lijden, totdat ons hart in den dood breekt, niets
anders is dan de „bezoldiging der zonde." Wjj zh\'n „ver-
losten van Jezus Christus," en toch moeten wij hier lijden,
alsof wij geen verlosten waren. Wij zijn „tot het eeuwige
leven" geroepen, en toch komt voor ons de nacht des doods!
-ocr page 127-
111
Dat wy in het lijden en den dood niet b 1 ij v e n, dat is
vel onze troost; maar dat is eene zaak des geloofs en
niet des aanschouwens. Zooals ik zeide, dit willen wij hier
slechts aanroeren. Maar moeten wij ook niet dikwijls
in het leven zien, ja aan ons zelven ondervinden, dat zware
zonden ook zware onheilen na zich sleepen, onverschillig of
wy ons al dan niet na het plegen der zonde bekeerd hebben ?
Daar staat voor mijne oogen een man, die op eenen tyd,
toen hij nog geenen Verlosser kende, een valschen wissel
had geschreven en daarvoor in de gevangenis kwam. Hij
is sedert lang een nieuw mensch geworden. Maar heden
nog, tien jaren na die gebeurtenis, moet hij, als hjj om
eene betrekking vraagt, dit woord hooren: Ach zoo, gij
zjjt d i e persoon! — het doet mij leed, dat ik u niet kan
aanstellen! — Ik zie daar een ander, die een zeer gelukkige
bruidegom was. Daar hy echter ook een kind van God
was, meende hij aan zijne bruid een zekeren misstap van
zijn vroegere leven te moeten bekennen. Het gevolg was,
dat de jonkvrouw hem op hetzelfde oogenblik met verach-
ting den rug toekeerde. — Ginds zien wy dien geliefden
christen, door de gevolgen van de zonden zyner jeugd naar
lichaam en ziel geknakt, en zoo zal hy zijne ievensreis
moeten voortzetten, totdat hy ingaat in de rust, die nog
overblijft voor het volk van God. — Of treedt met mij
een M a g d a 1 e n a-g e s t i c h t binnen ! — Onder de meisjes,
welke gy daar vindt, zyn er verscheidene, die men heilige
bloemen van God kan noemen. Zy\' hebben het reeds gedu-
rende jaar en dag bewezen, dat het oude voorbijgegaan en
alles, alles nieuw geworden is. Maar hoeveel zy ook reeds
geleden hebben door de gevolgen van hare zonde, zullen
zy* nochtans, wanneer zij de wereld intreden, deze wereld,
die tegelijk eene sadduceesche én farizeesche is, meest
-ocr page 128-
112
altyd moeien ondervinden, dat het voor haar ontzettend
moeieln\'k is, eene eervolle betrekking te vinden, ofschoon
juist zij het grootste vertrouwen verdienen. — Geene zon-
den straften zich zelve meer, dan die tegen \'s menschen
eigen lichaam zijn gepleegd. Voornamelijk echter moeten
vrouwelijke personen, als zij de beschermende grenzen
overschrijden, welke God haar reeds door hare natuur heeft
aangewezen, levenslang daaronder ljjden.
Ik heb eenvoudige, in het oog vallende voorbeelden aan-
gehaald. Het zjjn werkelijke geschiedenissen uit het leven,
maar deze geschiedenissen zn\'n g e 1 ij k e n i s s e n van dat-
gene, wat ieder oogenblik rondom ons plaats heeft. Ja,
zijn wjj allen niet zelve persoonlijke getuigen voor de waar-
beid van onzen tekst ? Hebben wij allen niet dikwijls onder-
vonden, dat wij de gevolgen onzer zonden, ook van d i e
zonden, waarvan wij reeds lang afstand hadden gedaan,
nochtans onder bittere smarten moesten en gedeeltelijk nog
moeten dragen? Ik herinner u slechts den tranenoogst,
welken u een hard, of spottend, of onrein woord, dat gij
wellicht in eene onbewaakte ure uitspraakt, heeft opgeleverd.
Uw berouw, hoe eerlijk het ook wezen moge, baat u in
dit opzicht niets. De wereld gelooft toch niet aan de ver-
nieuwing, die door het boetvaardig berouw tot stand is
gebracht. Zy kan daaraan ook niet gelooven, want zij
begrijpt daarvan niets. Ook moet men eerljjk erkennen,
dat de gifplanten der huichelarij, der valsche bekeering,
zich zeer dikwijls onder de echte planten van God mengen.
Werden nu met de vergeving der zonden ook hare gevol-
gen opgeheven, dan zoude dat nog duizendmaal erger zijn.
Ja, niemand zoude ten slotte bij zich zelven nog recht kun-
nen onderscheiden, wat in zjjne boetvaardigheid geestelijk
en wat vleescheiyk is. Ook de christenen moeten goed
-ocr page 129-
113
toezien, dat zg zich niet door „vrome" woorden en gebaren
laten misleiden. Maar zij moeten nog meer waken, dat z|j
niet door hun wantrouwen „de glimmende vlaswiek uit-
blusschen en het gekrookte riet verbreken," dat zij niet
eenen der geringsten ergeren en afstooten, die in Jezus
gelooven.
De gevolgen der zonde blijven dus niet achterwege. God
kan en wil ze in den regel niet door een wonder afwenden
en opheffen, maar Hij wil ze tot een smeltoven maken,
waarin de verborgene slakken door ons gezien en door
heilig vuur uitgesmolten worden. Nu eerst is het zoo
gezuiverde goud bruikbaar voor Gods kroon en heerlijkheid.
II.
,Ik dank U, dat Gjj mij verootmoedigt, want als Gü
my verootmoedigt, maakt Gij mij groot en helpt mij!" —
Dit wonderbaar dankgebed, dat noch Solon noch Socra-
tes zouden begrepen hebben, dit gebed, dat voor de wijzen
dezer wereld in alle tijden een raadsel en eene dwaasheid
is, en dat nochtans David boven de wijzen van alle tijden
hoog verheft, — hij heeft het juist in dien smeltoven
geleerd. Hu\' dankt God, dat hy hem vernietigd heeft,
want juist in het donker dal der vernedering heeft hij
zijnen God gevonden zooals nooit te voren. Toen hu" in
deze donkerheid de hand, die hem tuchtigde, wilde kussen,
vond hn\' haar zoo dicht bij zijne lippen als nooit te voren,
en in zjjn oor klonk een krachtige en zachte stem: „Ik
heb u altijd liefgehad, daarom trek ik u tot mü, (juist
thans, juist zoo) uit louter goedertierenheid."
Ziet daar den man, zooals hij met God worstelt om het
leven van zijn kranke zoontje, dat Bathseba hem geschon-
ZIELKSTKI.ÏD.                                                                           8
-ocr page 130-
114
ken had. (vers 15—24.) Maar hoe luide z{jne smeekingen
ook zijn, die hg\' ten hemel doet stijgen, nochtans sterft het
kind. Toen David dit verneemt, richt hjj zich op uit het
stof, wascht en zalft zich, trekt feestkleederen aan en gaat
in het huis des Heeren, om daar te a a n b i d d e n. Hij
aanbidt, dat is: hjj maakt zich los van zich zelven en ver-
diept zich in zijnen God en in de wegen en de wonder-
bare wijsheid van zijnen God, hjj offert zich zelven aan God,
opdat God weder alles kunne zijn in alles, wat hjj doet en
ondervindt. Het is alsof \\vjj hem met Angelus Silesius
hooren bidden: .Dood nu mijnen wil en mijnen zin; ruk
mijn hart uit mijn hart, al moest het ook zjjn met duizend
smarten !\'* - Wie het geestelijk leven uit eigene ervaring
kent, die zul weten, dat zulk eene smartelijke veroordeeling
van zich zelven de aanvang van het einde aller smarten
is. Die zal \'t ook begrijpen, dat David met opgerichten
hoofde en vasten tred uit het huis des Heeren terugkeert
naar zjjn huis, dat hij een veranderd man is, zelf vertroost
en sterk genoeg om zijne treurende vrouw te vertroosten.
De lieden van zijne omgeving begrijpen dit wonder niet,
en zij kunnen het ook niet begrijpen, want het is een
„geheim der vromen." Wat anderen als de verkeerde wereld
beschouwen, dat is helder en licht voor hen, die zich
gewillig door God in de woestijn hebben laten leiden. Zoo-
dra het kind gestorven is, richt David zijn hoofd op, want
nu ziet hij duidelijk in, wat God wil. En ofschoon zijn gebed
ook niet zóó verhoord is geworden, als hij wenschte, zoo
is het nochtans verhoord, want de biddende man heeft van
boven de kracht ontvangen om G o d g e 1 ij k te geven.
Nu heet het: „Ik heb aan Gods hart en zin mijn hart en zin
overgegeven." De zware tuchtiging is voor hem nu juist een
bewijs, dat God aan hem denkt, dat Hij zijne ziel zoekt,
-ocr page 131-
115
dat Hij hem als zyu kind en niet als een bastaard behan-
delt. (Hebreen 12: 5-12.)
Gelijk het voor onze kleinen dikwijls een soort van ziels-
verluchtiging is, dat de ouders hunne ondeugden straften,
zoo is het ook met de kinderen van God. De yernederin-
gen en smarten, die ons ten gevolge onzer zonden treffen,
zijn voor ons dikwijls als lichtstralen, die door de duister-
nis heen breken en ons de groete der zon brengen. Hoe-
zeer wij voor de tucht beven, zoo zeggen wij toch: tucht
moet er zijn. Daarom is er eene diepe waarheid in de
woorden van onzen dichter Bückert:
Hebt gü tegen God gezondigd,
Wensen terstond de straf er bü!
Van de schuld, op u geladen,
Maakt u toch de straf slechts vrij.
Beter dat de tucht des Heeren
Schieljjk diepe wonden slaat,
Dan dat steeds des Vaders roede
Dreigend voor uwe oogen staat.
De christen, die eenen verzoenenden God kent, zegt „tucht"
in plaats van „straf." Dat is een schijnbaar gering en toch
een zeer groot verschil; want Gods tucht is enkel liefde;
zij wil slechts trekken, opvoeden voor het land der eeuwige
vreugde. Heil hem, die het begrijpt!
„O müne zonde! mijne zonde! — zoo riep diep
geschokt een waardig christen, toen hij met zeven onmon-
dige kinderen bij het graf der innig geliefde vrouw stond
en de aardkluiten dof en huiveringwekkend op de doodkist
vielen, — „o mpe zonde! müne zonde!" Hu, die datzeide,
was een hoogst eerbiedwaardig man, en daarom begrepen
de meeste personen van den lijkstoet even weinig van zijne
-ocr page 132-
116
woorden, alsof hjj Chineesch had gesproken. En zjj zouden
nog minder begrepen hebben, wat dezelfde man later zeer
zacht zeide: „Nooit was ik er zoo vast van verzekerd, een
kind van God te zijn, en daarom was ik nooit zoo verblijd
als heden." Dat schijnt een doolhof van tegenstrijdigheden.
Voor de kinderen van (iods huis behoeft men deze uitdruk-
kingen niet uit te leggen. Zij weten, dat tuchtiging niets
anders is dan eene roeping naar het vaderhuis. (1) God
zoekt ons daardoor naar huis te brengen, terug te brengen
in het ware tehuis onzer ziel. En zijne pogingen leiden
zonder eenigen twijfel tot het doel, indien wij slechts oot-
moedig op Hem vertrouwen en zonder morren ons stil aan
Hem onderwerpen.
Ik was nog een zeer jong mensch, toen ik de ziekenka-
mer van eenen beproefden getuige van Jezus Christus bin-
nentrad, die reeds zeer lang en vooral op dien oogenblik
door buitengewoon diepe dalen des lijdens werd geleid.
Bijna beangst vraagde ik: „hoe gaat het u?" En wat ant-
woordde de man? „Goed, zeer goed, broertje; mjjn Hei-
land heeft m\'ij al m ijn e zonden vergeven!"
Daarbij vloeiden heete tranen over de wangen van den aan
het ziekbed geboeiden man en zijne stem beefde; maar
zijn oog schitterde wonderbaar, verhelderd door den vrede,
die alle verstand te boven gaat. De eindeloos lange dalen
der verootmoediging hadden hem dus zoo weinig doen
betwijfelen, dat God hem zijne zonden vergeven had, dat
hü integendeel juist daardoor nog nader tot Gods hart was
gekomen en den polsslag zijner heilige liefde slechts zooveel
te sterker had gevoeld.
(1) 11 e i ia s u c ii u ii g — dat gewoonlijk bezoeking betee-
kent, wordt door den schrijver hier zóó gebezigd, dat hij vooral op
heira »te huis" zinspeelt.
                                                     Vertaler.
-ocr page 133-
117
Ach, hoe hemelsbreed van zulk eene gezindheid verwjj-
derd zijn verreweg de meesten ook van diegenen, die in
goede dagen aanhoudend „Heere, Heere!" zeggen en hun
gebedenboek onberispelijk doorbidden. Zjj zeggen wel, dat
zjj door hunne zonden de hel hebben verdiend; maar komt
er een tegenspoed, die zelfs in de verte niet op de hel
gelijkt, dan stuiven zy op, alsof God de Heer zich vergre-
pen had. Ja, in het ondergaan van den tegenspoed komt
het werkelijke onderscheid tusschen geloovigen en ongeloo-
vigen (die anders dikwijls zoo veel op elkander schijnen te
gelijken) het sterkst aan den dag. Dezen knarsetanden of
razen en tieren, zij zijn met eene gevoellooze onderwerping
in somber gepeins verzonken of zij vertwijfelen, — terwijl
dit alles zeer dicht aan elkander grenst. De eerstgenoemden
daarentegen weten, dat juist thans hun God en Heiland
intrek in hunne harten wil nemen en daarin woning maken,
dat Hij hen juist thans volmaken, sterken, bevestigen en
fondeeren wil. Zy ondervinden het, dat het, gelijk Lobstein
ergens zegt, niet zoozeer de vrouwen, maar de tegenspoeden
.zijn, die „vlechten en weven hemelsche rozen in \'t mensche-
ljjk leven." De dwaasheid en heerlijkheid des Evangelies
komt nergens sterker uit, dan in het denkbeeld, dat ver-
drukking tot heerlijkheid leidt, dat de kastijding een bewijs
van Gods vaderlijke liefde en het stil verdragen van de
tucht een bewijs van het echte kindschap is. In dezen
samenhang verstaat men dan ook de schoone woorden van
«enen mystiek, die juist wegens het halfdonker, dat ze
-omgeeft, zoo aantrekkelijk zijn:
Of lieven lijden is,
Of ljjden lieven is, —
Hecht zeggen kan ik \'t niet,
-ocr page 134-
118
Maar klagen wil ik niet,
Daar \'t lijden lieflijk is,
Als lijden lieven is.
Ziel! buig u biddend neer,
Dan leeft gij in uw Heer,
Hoe hevig \'t vuur ook blaakt
En zijnen loop nooit staakt
Dan aan des hemels rand; —
Daar is mijn vaderland!
Ik zoude de schoonheid van dezen Duitschen Psalm
bederven, zoo ik hem nog verklaren wilde. Hetgeen wij nog
verder van David hooren, zal hem ons vanzelf nog beter
doen verstaan. Wij mogen namelijk eene bijzonderheid uit
Davids leven niet onopgemerkt laten, welke ons dezen zoo
diep gevallen man in eene grootheid vertoont, in eene groot-
heid van zelfvernedering, die ons bijna ontstelt en in allen
gevalle diep beschaamt. Ik bedoel die gebeurtenis, toen de
koning, vluchtende uit zjjne residentie, vluchtende voor zijn
eigen zoon en voor zijn eigen volk, op de schandelijkste
wijze door Si mei\' wordt gesmaad. (2 Sam. 16 : 5 — 14.)
Deze laaghartige mensch loopt naast den koning, werpt hem
met slijk en steenen en vloekt onophoudelijk: „Weg, weg
met u! gij bloedhond, gy booswicht!" Wh\' begrijpen het,
dat de mannen, die David vergezelden, in woede ontstoken,
den afschuwelijken mensch Avilden dooden. Maar begrijpen
wü ook Davids woord: „Laat hem vloeken, want
de Heer heeft het hem geboden" -? Wij ver-
wonderen ons niet, dat dit woord van David zoowel door
de oudtestamentische „heidenen" in zijn gevolg, als ook door
de hedendaagsche heidenen en lafaards als dwaas wordt
-ocr page 135-
119
beschouwd. Ja, ook geestelijk gezinde menschen moeten
over de beteekenis dezer woorden eerst recht nadenken, zoo
zij zich daaraan niet ergeren zullen.
Vooreerst moet men zeggen, dat David geenszins met
eene karakterlooze slapheid het wanbedrijf van Simeï ver-
ontschuldigt: o neen, deze ontvangt later zjjne verdiende
straf (1 Koningen 2 : 0, 42, 4ö). Maar nog minder wil
David den Heer in den hemel voor de oorzaak van Simeï\'s
zonde verklaren. De woorden van David: „de Heer heeft
bet hem geboden" willen slechts dit zeggen: „Daar Simeï
nu eenmaal door eigen schuld is, zooals hij is, zoo ruw, zoo
goddeloos, — zoo heeft God nu de omstandigheden zóó be-
stuurd, dat Simeï al zijn gif tegen mij moet uitbraken."
De boosaardige Simeï is alzoo voor David slechts de
gerechtsbode van den goeden God. Dat Simeï geen recht heeft
om den koning te lasteren, dit komt bij David op dit oogen-
blik niet zoozeer in aanmerking, als de waarheid, die in
het woord „bloedhond" ligt. Daar plaatst zich de ver-
moorde Urias voor Davids geest; — en ach, deze bloe-
dige burgeroorlog, die rondom hem woedt en de menschen
bij duizenden verslindt, — hu\' zoude ook wel geen plaats
hebben zonder die bloedschuld van David. Zoo ziet David
dan achter het voorhangsel der menschelijke zonde de hei-
lige hand van God. Daarom verzet hij zich niet tegen hare
tucht; neen; hij drukt den prikkel slechts des te dieper in
zijn hart, zoodat het dit geheel doorvlijmt: — Gn\', mijn God
zijt rechtvaardig! Uw wil geschiede, betoon ons slechts uwe
ontferming !
Ziet daar, wat zielegrootheid en zielenadel is! Men moet
tegenover dit beeld zijn oog met diepe schaamte nederslaan,
zoo men zich herinnert, hoe onbetamelijk en onstichtelijk
men zelf in veel minder moeielijke omstandigheden gehan-
-ocr page 136-
120
deld heeft. „"NVaardigljjk het Evangelie te wandelen"
(Filipp. 1 : 27), is eene groote zaak, maar „waardigiyk liet
Evangelie te 1 ü d e n," is het moeielpste in dezen wandel.
Onder de verschillende soorten van lijden nu worden d i e
liet zeldzaamst waardigiyk ondergaan, die ons door m e n-
s c h e n berokkend worden. Ziekten, sterfgevallen en derge-
lyke onheilen komen, zoo zegt men, rechtstreeks van God,
maar de hand van God ook in der menschen hand op
te merken, dit is weinigen gegeven. En toch is het van een
onuitsprekelijk groot belang, deze Davids-wijsheid te leeren,
want zeer vele van de smarten des levens worden ons door
menschelijke dwaasheid en slechtheid berokkend, hetzij door
schandelijke schurkestreken, die ons van have en goed, van
eer en goeden naam berooven, hetzij door giftige spotter-
nijen, die ons diep in liet vleesch snijden. Wee ons, indien
wü daar slechts menschen zien, aan wie wij prijs gegeven
zijn, en niet achter deze menschen den grooten, heiligen,
liefderijken Opvoeder en Ontfermer! Wie onzer moet echter
niet bekennen, dat hjj deze les nog slecht heeft geleerd P
Ik wil gaarne de eerste zijn, die liet erken, dat ik dikwijls
zeer vergramd werd, wanneer onverstandige of zelfs boos-
aardige personen mij als predikant of schrijver verguisden.
Ik hoop in dit opzicht iets gevorderd te zijn, maar toch wor-
den juist hier onze hartstochten het eerst in beweging gebracht,
wanneer menschen ons bestrijden, die inderdaad voor hunne
eigene deur genoeg te vegen hebben.
Maar nu die hand achter het voorhangsel! Gelukkig hy,
die haar opmerkt! Gelukkig hjj, die thans tot zich zelf
zegt: „De Heer heeft het den lasteraar of spotter zoo
geboden! Die zoude thans niet kunnen doen, wat hy kan,
zoo de Heer het niet wilde. God wil het, en Hij wil mij
daarmede dus iets zeggen." — Dat is toch de rijkdom van
-ocr page 137-
121
het christelijk leven, dat gij Hem overal vindt, op alle
hoogten en in alle diepten van het aardsche leven, alzoo
ook in deze diepte. En dat is de christelijke wisheid,
overal te leeren verstaan en te behartigen, wat uw God u
te zeggen heeft. Welaan, wat heeft God u dan thans te
zeggen door uwen Simeï? Gewis niet dit, dat de wereld
zoo slecht is en dat de menschen zoo bedorven zn\'n. Dat
wil God u zeker niet zeggen; dat weet gü reeds al te goed.
Alzoo iets anders? Ja; wat dan? Nu, dat „wat" is
eene persoonlijke en bijzondere aangelegenheid tusschen God
en u, die slechts achter de deur der binnenkamer (maar
daar ook zeer zeker) in orde gebracht kan worden. En zeker
zullen ook hier verscheidene personen zijn, die met mij zeg-
gen moeten: „Mijne vijanden hebben tot bevordering mijner
zelfkennis meer bijgedragen, dan alle mijne vrienden." —
Zoo spreekt echter slechts een christen. De natuurlijke
mensch wordt door de boosheid der menschen (ach! zeer
dikwijls zelfs door hunne rechtmatige berisping!) slechts
verbitterd, vertoornd en alzoo in het Farizeér-harnas gejaagd.
Slechts de geestelijk gezinde zoekt ook in de vuilnis de
korreltjes van de gouden waarheid.
Zoo worden bijvoorbeeld tegenwoordig allen, die op het
Evangelie prjjs stellen, door de groote menigte voor stijve
orthodoxen, bekrompene piëtisten, dompers, dweepers, onhan-
delbare dwarshoofden of zelfs voor huichelaars uitgekreten.
Ik erken, dat zij, die zoo spreken, daartoe volstrekt geen
recht hebben. Zij liegen dikwijls tegen beter weten aan, en
indien dit het geval niet is, zoo weten zij niet, wat zij doen.
„Het moet zoo gaan," want de wereld kent ons niet.
Evenwel, — denkt gü niet, dat het u tot zeer heilzame
ontdekkingen zoude leiden, indien gij eens nauwkeurig onder-
zoeken wildet, of er niet iets van het zuurdeeg der „geeste-
-ocr page 138-
122
lijke" stijfhoofdigheid, bekrompenheid, kleingeestigheid, ja
ook schijnheiligheid, in nw christelijk leven is ingeslopen?
— En moest het aan den anderen kant voor u, gij waarde
christen! die ten gevolge van uwe geheele ontwikkeling en
ondervinding op een v r jj e r standpunt staat, — moest het,
zeg ik, voor u niet zeer nuttig zijn, de eenigszins aanmati-
gende en onverstandige oordeelvellingen van bekrompene
christenen over uw persoon te hooren? Als zij b. v. zeg-
gen: „Hij is niet beslis t," „niet recht bekeerd," „hij heult
nog met de wereld" enz. Volgens mijne ervaring kan men
overal iets leeren. Och, dat wij zoo wjjs werden als de
b ij e n, die haren honig zelfs uit de vergiftige planten halen!
Doch nu wil ik eindigen, ofschoon ik nog zeer veel te
/eggen had, maar het is te vreezen, dat de eene zaadkorrel
de andere bedekken en zoodoende in het opgaan hinderen
zoude. P]rnstige vragen zijn in dit uur op grond van Gods
woorden aan ons hart en geweten gedaan. Denkt daarover
in de stilte verder na! Ik verzoek u daarom, legt thans
geene bezoeken af, ten minste in het eerste uur niet.
Ontvangt ook niemand! Zelfs de meest geliefde mensehen
zouden thans voor u op de vogels gelijken, die het pas
gezaaide koren wegpikken (ilatth. 13: 4). Thans moeten
wij doen, zooals Maria deed, de gezegende vrouw.- „zij over-
legde al deze woorden in haar hart." Geve God, dat uit
zulke overleggingen iets voortkome, dat ons in tijd en eeuwig-
heid doet zingen ! Amen.
-ocr page 139-
Vil.
DE HOOGSTE TRIOMF DER ALMACHTIGE
GENADE.
Waarde Hoorders! Het was in het midden van Novem-
ber, toen de eerste sneeuw met een hevigen storm door de
lucht dwarrelde, dat een omstreeks veertigjarig man met
zyn tweejarig dochtertje op den arm mijne studeerkamer
binnentrad; beiden waren geheel met sneeuw bedekt. Het
was een hooge, prachtige Germaansche gestalte. Iets fiers
en vrijs lag op het schoone gelaat; schoone, diepe, blauwe
oogen staarden u aan, maar toch was er ook eene onuit-
sprekeln\'k groote weemoedigheid op dat gelaat te lezen.
De man was uit Midden-Duitschland en op het punt, om
als landverhuizer naar Amerika te vertrekken. Toen ik
het kind, dat er uitzag als een roos, op mijne armen nam,
haar iets schonk en liefkoosde, zeide de man met eene dofte
stem: „Ja — zij heeft ook geene moeder meer." Dat „ja"
was eene goedkeuring van mijne liefkoozing en moest te
kennen geven, dat de kleine aan zulk eene liefde behoefte
had. — De man was dus weduwnaar. Gedurende den langen
tijd, dat zijne vrouw ziek lag, was hy achteruit gegaan,
was „in de handen der Joden gevallen" en had aan hen
-ocr page 140-
124
zijn goedje verloren. Eenen zoon en eene dochter (van 13
en 12 jaren) had hjj te huis bij bloedverwanten achterge-
laten; die moesten eerst nog als lidmaat bevestigd worden.
Dit een en ander vernam ik langzamerhand. Hij zelf trok
nu arm, eenzaam, treurig met zijn kindje naar eene vreemde
donkere wereld, waarvoor hjj huiverde. Welk een toonbeeld
vol treurigheid!
Maar wat zocht de man bjj mjj? Nu, zijn predikant had
hem mijn adres gegeven en gezegd, dat hjj, zoo hij hier
eenige hulp noodig mocht hebben, zich tot mjj moest wen-
den. Zoo kwam hij dan. En waaraan had hij dan behoefte?
Ik dacht, dat hij geldelijke ondersteuning zoude vragen.
Maar neen; zjjne behoefte bestond hierin, dat hjj geen
B ij b e 1 had. Hjj had den zijnen voor de kinderen, die te
huis waren gebleven, achtergelaten. „Zonder Bijbel echter
(zeide hjj) kan en wil ik niet op het water en naar het
vreemde land; gaarne wil ik hem betalen." Ik nam den
besten, dien ik had, en verzocht hem, dien als geschenk
aan te nemen. Hij dankte mij diep bewogen. „Zoo," —
zeide hij, terwijl hij hem tegelijk met het kind aan zjjne
borst drukte, — ,zoo, nu kan toch nog alles goed worden!"
Hjj sprak zoo, als iemand, die vroeger in de lucht gezweefd
en nu vasten grond gevonden heeft. En hjj had gelijk.
Het beste, wat het oude vaderland geven en datgene, wat
het vreemde land tot een nieuw vaderland maken kan, dat
hield hij aan het hart. Maar spoedig daarop legde hjj den
Bjjbel op de tafel en zeide op eenen smeekenden toon:
Eenen liefdedienst wilt gij mjj nog wel bewjjzen ? Zoek
mij toch mjjn bevestigingstekst. Ik ken hem van
buiten, maar ik weet niet waar hij staat. Hjj heet: Jezus
Christus, gisteren en heden dezelfde en in alle eeuwigheid!"
Nadat ik de plaats had opgeslagen, legde de man plech-
-ocr page 141-
125
tig zijn wijsvinger daarop en las langzaam, op ieder woord
den klemtoon leggende: „Jezus — Christus — gisteren
— heden — in eeuwigheid — dezelfde; — ja (voegde hjj
er bij), men moet het g e 1 o o v e n en ik wil het geloo-
ven." — H|j ging met Bijbel en kind en hij ging met een
ander gezicht.
Ik echter bleef peinzend achter en zond den trouwen
Duitschei] man mijn gebed na. O, dacht ik, wat zoude er
van deze wereld vol ellende toch worden, indien men er
den Heere Christus uit wegnam ? Hoe zoude men dan nog
moed vinden, om ook slechts een enkel bedroefd menschen-
kind te troosten ? — En toch, ofschoon Jezus de Heiland
werkelijk op aarde is verschenen, ofschoon ook de wereld door
Hem eene zeer groote verandering heeft ondergaan, — toch
blijft er zoo veel verborgen en openbaar harteleed, dat het
christelijke leven steeds een toestand van wachten en ver-
langen is. Dat .lezus Christus heden en in alle eeuwigheid
de Heer is, dat moet men g e 1 o o v e n, zooals de land-
verhuizer zeide, en zalig, wie er evenals hij met heilige
vastberadenheid bijvoegt: „Ik wil het gelooven 1" Die heeft
nog veel heerlijks vóór zich.
Doch weet gij wel, waarin zich de triomf van Jezus het
schitterendst openbaren zal ? Mij dunkt daarin, wanneer
wij het niet meer gelooven, maar met handen tasten
kunnen, dat Hij ook al het onheil, hetwelk wj] door onze
zonden aan de zielen onzer medemenschen berok-
kend hebben, in louter geluk en heil veranderd heeft!
Konden wij aan dezen triomf thans niet gelooven en
mochten wij dien in de toekomst niet aanschouwen,
dan zoude de vreugde over de goddelijke vergeving altijd
met een nevel overtogen blijven. De geschiedenis van David,
die door zijne zonde zoo vele menschen niet slechts uitwen-
-ocr page 142-
126
dig, maar ook inwendig ongelukkig had gemaakt, geeft ons
aanleiding tot deze overdenking.
Romeinen 5 : 206.
Waar de zonde machtig geworden is, daar is toch de
genade Gods veel machtiger geworden. (1)
De hoogste triomf der almachtige genade.
I. De macht onzer zonde tot verleiding onzer mede-
menschen.
II. De macht der genade in de uitdelging dezer zonden.
I.
Zoudt gij, mijn Broeder! u een leven van hemelsche
vreugde kunnen voorstellen, indien gij wist, dat deze of
gene uwer medemenschen, geheel of gedeeltelijk door
uwe schal d, een prooi van den eeuwigen dood is gewor-
den? Ware het niet onzedelijk, gelukkig te zijn, zoolang
anderen door uwe schuld in liet ongeluk verkeeren ? Zeer
zeker! En zeer zeker kan ook dat niet een gedeelte uwer
zaligheid uitmaken, dat God de slechte gevolgen uwer
zonden uit uw geheugen uitwischt. Waarlijk, op dit gebied
hebben wjj groote behoefte aan licht en troost.
Ik verwacht wel, dat menigeen zal zeggen: „Dat zijn
toch duistere zaken, waarover ik nog nooit heb gedacht."
Nu, dan is het thans hoog tijd! „Moet ik mijns broeders
hoeder zjjn ?\'\' dit is eene K a ï n s-vraag, maar niet de
taal van eenen christen. Inderdaad weet de christen, dat
hjj zn\'ns broeders hoeder moet zh\'n, maar hoe nu, indien
hij, in plaats van zijn hoeder te zijn, door hardvochtigheid
(•1) Vertaling van Luther.
-ocr page 143-
127
of onreinen lust verleid, zelfs zyn verderver was geworden ? —
Het ongeloof weet natuurlijk van deze zorgen niets.
Het zal zeggen, dat onze beschouwing eene met de haren
hier bijgesleepte zelfkwelling is. Dit verwondert ons niet.
Het ongeloof maakt de harten koud jegens de medemen-
schen; het maakt inhumaan, in weerwil van alle gezwets
over humaniteit. Wie den mensch slechts als een tijdelijk
wezen beschouwt, dat in het graf zijn einde vindt, — wie
niets weet van een eeuwig bestaan in de wereld der hei-
ligheid, voor dien is de mensch slechts eene bloem zonder
waarde, die verwelkt. Op dit standpunt kan men zich dan
gemakkelijk troosten over het leed en onheil, dat men
anderen berokkend heeft. „Zij liggen nu toch in liet grat
en niets\' pjjnigt hen meer!" zoo heet het daar. — Hier
spreken wjj over de teedere bekommering van echt christe-
ïyke harten, over zorgen, die ons echter hier en daar ont-
rusten moeten, zoo zeker als zonder de hellevaart dei-
zelfkennis de hemelvaart der keunis van God geen plaats
kan hebben. Als onze Heiland zegt, dat het gewinnen der
geheele wereld iets gerings is tegenover het schade-lijden
van uwe ziel, hoe wilt gij dan vrede hebben bij de gedachte,
dat gij de schade van zoo vele andere zielen hebt bewerkt ?
De geschiedenis van David heeft mij op dit onderwerp
gebracht, üavid had wel, op grond van zijn diep berouw,
vergeving zijner zonden ontvangen en de zaligheid van het
kindschap terug gevonden. Hy was in zijne vreugde over
de oude en nieuwe genade ook geenszins aan het wankelen
gebracht door de diepten des tegenspoeds, waarin God hem
leidde. Dat alles zagen en begrepen wij.
Maar nu komt er iets anders. Hn\' had niet slechts zelf
gezondigd, maar door zijnen val ook uitgestrekte kringen
doen zondigen. Zijn val was een val voor velen geworden.
-ocr page 144-
128
Zijne zonde was tegelijk eene ergernis, die hij gaf\'. In
de eerste plaats denken wjj hier aan den vermoorden Urias.
Toen hij door de pijlen der Ammonieten viel, vermoedde
hij wellicht volstrekt niet, dat het eigenlijk de koning was,
die hem vermoordde. Indien hij het vermoed had, dan
zoude zijn laatste woord wel een vloek over den moordenaar
en een ten hemel gezonden kreet om rechtvaardige wrake
zijn geweest Maar indien hij ook noch levende noch ster-
vende iets van Davids misdaad vermoedde, — ik vraag u,
hoe moest de koning sidderen, als hij er aan dacht, dat hij
den vermoorde in de andere wereld ontmoeten zoude?
Maar wij zien, dat üavid door zijn slechte voorbeeld ook
in zijne eigene familie de onzedelijkheid eene woonstede
heeft doen vinden. Hjj durfde daarom niet krachtig tegen
de ten hemel schreiende zonde zjjner kinderen optreden.
En toen Absalom in het oproer en den strijd tegen zijn eigen
vader den dood ondergaat, daar vinden wjj David niet in
eenen „rechtvaardigen toorn" over dezen ontaarden zoon ; —
neen, eene wanhopige droef heid schokt zijn binnenste. ,Absa-
lom, mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon ! Ach! dat
ik voor u gestorven ware!" zoo roept hij geheel ontsteld
en wil zich niet laten troosten. Wie een scherp gehoor
heeft, die hoort uit deze woorden: „Niet gij, maar ik had
den dood verdiend. Door mijn ergerlijk voorbeeld zijt gij
zoo goddeloos geworden! Het is door mijne schuld en ik
kan haar door niets weder vergoeden."
Insgelijks had de koning door zijne zonden de zedeiyk-
heid van het geheele volk ondermijnd; ja, nog meer, hij
had ook de vijanden van Gods volk doen lasteren."
(2 Samuel 12 : 14). Het volk van Israël, en in de eerste
plaats zijn koning, moesten daar staan als een licht in de
wereld en de natiën der aarde moesten hoe langer zoo
-ocr page 145-
129
meer door dit licht aangelokt en tot de verheerlijking van
Jehova opgewekt worden. Nu was juist het tegendeel
geschied. Nu zeide men onder Syriërs, Ammonieten, Fili-
stijnen en Feniciërs: „Ha! de mannen van Israël zondigen
evenzeer als wij, en de koning, die zulke vrome liederen
zingt, is evenzeer als wij een slaat\' van zijne lusten en harts-
tochten. Waar liet hem gelegen komt, daar grijpt hij toe!
Men ziet nu, het komt alles op hetzelfde neder, of men
Baal dan wel Jehova dient." — Kortom, onafzienbaar was
het zedenbederf, dat in kleinere en grootere kringen door
David bevorderd was. Hoe konde hjj zich nu daarover
troosten ?
Reusachtig is de wasdom onzer zonde, zoo men bedenkt,
dat zij een onkruid is, hetwelk ook op den vreemden
akker wordt gezaaid en hier schielijk opwast en naar alle
zjjden het zaad in de rondte strooit. En de fladderende
vogelen des hemels en de waaiende winden zijn ook behulp-
zaam en dragen het herwaarts en derwaarts. Eene slechte
daad is als een steen in een stil meer geworpen. Hij valt
slechts op eene kleine plaats; maar de kringen, die daar-
door in het water ontstaan, verbreiden zich hoe langer zoo
verder, daar de een den anderen vooruitdringt, tot aan den
oever toe. En als gij een slecht woord spreekt, een onrein
of ruw woord voor de ooren van een anderen mensch, dan
is het vooreerst slechts voor dezen mensch een vergif.
Maar van daar uit werkt het verder. Hoe ver? Dat ont-
trekt zich aan het menschelijk oog. Meestal zullen zich de
golvingen uwer zonden door duizende harten henen voort-
zetten, tot aan de kusten der eeuwigheid. De menschheid
is een groot levend organisme: wie er op eenig punt
een druppeltje vergif in stort, behoeft zich niet te verwon-
deren, zoo het later blijkt, dat hij het geheele organisme
ZIELESTRIJD.                                                                                 9
-ocr page 146-
130
bedorven heeft. Wfl hebben zoo even alleen van slechte
woorden gesproken. Wat daarover gezegd is, geldt nog
meer van slechte daden.
Plaatsen we naast den oudtestamentischen David het
voorbeeld van den Apostel Pau lus! Wjj weten, dat hij
vóór zijne bekeering een lasteraar en vervolger der gemeente
van Christus was; wy weten, dat hij, als een wilde bloed-
gierige wolf, onder de schaapjes van Jezus heeft gewoed.
Het is waar, hij handelde „in zijne onwetendheid," maar
deze onwetendheid was geenszins eene schuldelooze. Nu
grijpt de hand des Heeren den vervolger aan, en deze
wordt terstond het „uitverkoren werktuig" van Jezus
Christus.
Hoe bedroevend moet het nu voor hem zijn, dat hij zoo
ontzettend veel onheil in de familiekringen der christenen
heeft gesticht! Maar toch, deze christenen vloekten
hem niet. Zjj baden roor hem, die hen beleedigde en ver-
volgde, en ontvingen hem na zijne bekeering als eenen
geliefden broeder! Laat ons dit ten minste onderstellen!
Nemen we aan, dat de vervolgde christenen allen stand-
vastig bleven in hunne belijdenis, ofschoon het ook moge-
lijk is, dat eenigen van hen onder de hitte der beproeving
den Heiland verloochend hebben en weder tot het ongeloof
vervallen zijn. Nemen wy eens aan, dat de vervolgde christe-
nen allen getrouw zijn gebleven, dan mogen wy ook aan-
nemen, dat de verdrukking, die Saulus hen deed ondergaan,
voor hen een geestelijke zegen is geworden, eene kracht
tot hunne eeuwige behoudenis.
Met het oog op hen konde Paulus zich dus in allen
gevalle troosten, toen hem later zijne zonde ontdekt werd.
Hij zag en ondervond, dat God genadig ten goede had
beschikt, wat hy door zy\'ne zonde ten kwade had gedacht.
-ocr page 147-
131
Maar ongetwijfeld had Paulus door zijn woeden ook velen
verhinderd, het geloof aan te nemen. Verder had hjj onge-
twjjfeld anderen aangespoord, om met hem de christenen
te vervolgen. Later echter, toen hjj dezelfde personen met
zich op den weg des vredes wilde brengen, keerden zjj hem,
als eenen afvallige en verrader, smadelijk den rug toe. Hjj
konde de booze geesten wel te voorschijn roepen, maar hen
weder bannen, dat konde hij niet. Hjj konde zijne landgc-
nooten wel tot fanatieke vijanden van Jezus maken, maar
de vijanden in volgelingen veranderen, dat konde hjj niet.
Had hjj nu deze mensehen niet voor tijd en eeuwigheid op
het geweten? En hoe konde hjj zich in zn\'n heil verbljj-
den, wanneer hij daaraan dacht ?
Men konde, kan en zal mjj hier tegenwerpen : „Nu, juist
Paulus konde zich wel troosten! Heeft lijj in zjjn natuur-
lijk leven vele zielen van den Heer afgetrokken, zoo
heeft hij toch later, door de reusachtige werkzaamheid van
zijn geheele leven tot in den marteldood toe, voor denzelf-
den Heer nog veel meer zielen gewonnen. En wint hij
voor Hem niet nog eiken dag nieuwe volgelingen door zjjne
schriften en door zjjn heilig voorbeeld, dat voor ons aller
oogen staat ? — En zoo is het ook met D a v i d, van wien
wij immers zagen, dat alleen reeds zjjn boetpsalm (Psalm
51) voor tallooze menschen een hemelladder uit den afgrond
der zonde naar het rijk des lichts is geworden en steeds
opnieuw wordt. Zouden dan zulke vruchten des nieuwen
levens niet de menigte der vorige zonden bedekken ?
Ja, dat is alles zeer juist. Zeker moet ook ons de her-
innering, dat wij met onze zonde niet slechts ons zei ven
bedorven, niet slechts Gods naam ontheiligd, maar ons ook
op eene geduchte wijze aan de menschheid vergrepen heb-
beu, en dat wij daardoor vele menschen in het bewandelen
-ocr page 148-
132
van hunne booze wegen gesterkt of hen zelfs het eerst op
verderfelijke wegen gebracht hebben, — juist dit, zeg ikT
moet voor u, die nu bekeerd zjjt, eene krachtige drangrede
zijn, om alles, wat gij zjjt, hebt en kunt, aan te wenden,
om nu ook door woord en daad Gods naam onder de mensch-
heid te verheerlijken. Zoo zult gij dan ten opzichte van d e
menschheid in haar geheel een soort van zoen-
offer brengen. Ik onderstel, dat het u door Gods genade
gelukt, in plaats van het giftkruid, dat gij vroeger geplant
hadt, hemelsche bloemen te planten. Ja, heil hem, die
niet alleen de poorten van het hemelsche Jeruzalem bin-
nentreedt, maar vergezeld door hen, die door zijne liefde-
rijke pogingen overgebracht zjjn uit de macht der duisternis
in het rijk der heiligheid en des lichts! Maar nochtans
— wat vertroost ons ten opzichte van diegenen, die wij nu
toch eenmaal „op ons geweten" hebben — ?! Hoe zoudt
gij, waarde Hoorder! bijvoorbeeld dien man getroost heb-
ben, die aan eene jonkvrouw beloofd had, met haar in het
huwelijk te treden, maar haar later verlaten had, omdat
hy eene andere lief had gekregen ? De eerste (en alzoo de
ware) verloofde was, door de ondergane ontrouw, wanhopig
geworden, was op eenen weg gekomen, die zoo duister is,
dat men hem niet noemen kan. Zoo was zn\' naar lichaam
en ziel ellendig te gronde gegaan en met eene verwensching
van den woordbreker gestorven. — Die jonge man was thans
een bejaard heer geworden; die lichtzinnige een bekeerd
christen. Maar juist daarom brandde hem nu zijne
oude zonde, die hjj vroeger als nietsbeduidend had beschouwd,
op zh\'n hart. „Dag en nacht*\' (zoo zuchtte hij) ,staat dat
meisje als eene aanklaagster voor mijne oogen. Dat God
mij persoonlijk vergeven heeft, zoude ik wel kunnen geloo-
ven; maar hoe kan ik tot rust komen bij de gedachte aan
-ocr page 149-
13:3
de bedrogene en verleide?" — Ik ben bier, geliefde Broe-
ders en Zusters! op een ernstig en zeer teeder gebied geko-
men. Hoe gaarne ik u alle droefheid spare, zoo zoude het
toch zeer wenschelijk zijn, dat menigeen in deze vergade-
ring iets van de droefheid van dien christen gevoelen mocht.
O, op dit gebied liggen zonden zonder tal. en geenszins zjjii
de mannen alleen hier de schuldigen. De lichtzinnigheid,
waarmede de leden van beide geslachten elkander verwach-
tingen doen koesteren, die toch geen goeden grond hebben,
doet dagelijks een zeer groot getal harten in deze wereld
teleurgesteld, verbitterd, wanhopig worden. Wel noemt het
de rechtsgeleerdheid en de politie geen misdaad, als door
uwe schuld een teleurgesteld hart breekt en inwendig sterft,
maar uw geweten spreekt, indien het althans nog spreekt,
eene geheel andere taal. En dat niet duizenden bjj dui-
zenden, wanneer zij aan de zonden hunner jeugd — en ach:
ook dikwijls van hunnen ouderdom — denken, eene derge-
ljjke droefheid gevoelen als die man, dat is droevig
genoeg en slechts een teeken van de namelooze lichtzinnig-
heid, waarmede zij de beschuldigende stem van hun gewe-
ten tot zwegen hebben gebracht, — deze stem, die zich toch
moet doen hooren als een noodgeschrei, opgezonden tot God,
voordat zij werkelijk tot zwijgen wordt gebracht. Waarlijk
de Magdalena-ge nootschappen zouden niet behoeven te gaan
bedelen en alle werkzaamheden der „inwendige zending"
tot redding der menschelijke zielen zouden overvloed van
middelen en krachten bezitten, indien de harten van alle
menschen levendig gevoelden, hoe veel zh\' aan en in de
mcnschheid behooren goed te maken.
Laat m.ü nog -een voorbeeld uit mijne ondervinding
mededeelen. Er kwam een christelijk, wezenlijk vroom man
hfl mij, die zich te kwader ure door den geldduirel had
-ocr page 150-
134
laten medesleepen. Hij eischte namelijk op eene gestrenge
wijze de betaling eener kleine schuld van eenen arbeidzamen,
maar door gebrek aan werk achteruitgeganen huisvader.
De arme man werd daardoor zwaarmoedig, ging heen en
verhing zich. Voor de menschen was de schuldeischer
wel in z\\jn recht, maar zijn hart veroordeelde hem. En zijn
angst werd ook daardoor niet gestild, dat hij der weduwe
van dien arbeider de schuld kwijt schold, ja haar en hare
kinderen met weldaden overlaadde Alt\'jd heette het : „Maar
de ziel van dien man haclt gij kunnen behouden, voor ver-
twijfeling en misdaad bewaren."
En zoude ons slechts dat kwaad ontrusten, hetwelk wjj
gedaan hebben? Is het niet dikwijls eene even groote zonde,
als wij het goede, dat wij konden doen, niet deden — ? Als
wij onverschillig, hardvochtig, gierig onze hand gesloten
hielden en zoodoende hen, tot wie wij als helpende Engelen
Gods konden naderen, door onze zelfzucht van het geloof
aan de liefde (eerst van het geloof aan de liefde der
menschen en daardoor ook van het geloof aan de liefde
van God) beroofden? Of als wij uit lafhartigheid zulke
medemenschen, die wij hadden kunnen waarschuwen, toen
wy hen op gevaarlijke wegen zagen, nochtans in den afgrond
lieten loopen? Daarbij zeiden wij dan wel: Om hen te
sparen, hadden wij gezwegen; inderdaad echter spaarden wjj
slechts ons zelven. Ach! veel te weinig denken wjj aan
onze zonden van verzuim. En toch schijnt onze
Heiland en Koning juist deze voor de talrijkste en grootste
te houden. Want Hjj stelt ons diegenen, die Hij op den
jongsten dag tot de duisternis zal veroordeelen, als dezulken
voor, die niet gedaan hebben, wat zij konden en, moesten
doen, die alzoo zelfzuchtig en hardvochtig slechts zich zelven
lief gehad, slechts voor zich zelven geleefd hebben. (Matth.
-ocr page 151-
135
25 : 31 enz.) Niet die misdaden, die door mensehehjke
vechters gestraft worden, maar zonden van nalatigheid of
verzuim, die in het oog der menschen doorgaans iets gerings
schijnen te zjjn, hebben hun den toorn vergaderd voor den
dag des toorns.
Gy ziet, dat het gebied, waarover wjj spreken, zeer groot
is. Er is wel niet licht iemand, tegen wien zich niet in deze
en de andere wereld beschuldigende gestalten verheffen, die
met recht kunnen zeggen : Door uw booze doen of laten hebt
gij mijne ziel benadeeld, hebt gjj mijn vertrouwen op Gods
waarheid en liefde geschokt. Hoe zullen wij nu daarover
getroost worden? Hoe zal ons hart van zulke angsten
bevrjjd worden ?
II.
Hier kan niets ter wereld vrede geven, dan alleen het
vertrouwen op de almacht der goddelijke
genade. Het woord des Apostels: „Waar de zonde mach-
tig is geworden, daar is toch de genade veel machtiger
geworden," — dat mogen wfl ook wel zóó verklaren: „ Waar
mijne zonde de macht had, om anderen tot het kwade te
verleiden, daar zal Gods genade nog machtiger zijn, om deze
verleiden te redden." De barmhartige God zal op de eene
of andere wijze, in deze of gindsche wereld een tegen-
wicht verschaften, waardoor datgene, wat gü bedorven hebt,
hersteld wordt. Om uwentwil zal niemand het eeuwige
leven moeten verliezen. Hier bljjke het, dat wjj in vollen
ernst belijden: „Ik geloofde vergeving der z o.n-
d e n." Geloof ik de vergeving der zouden, dan geloof ik
<>ok de uitdelging der zonden; geloof ik de uitdelging mijner
zonden, dan geloof ik ook, dat Gods wijsheid en genade de
-ocr page 152-
136
slechte uitwerksels, welke mijne zonden bij de menschheid
teweeg brachten, opheft — Of zoude een vader, die zijnen
eerst losbandigen, verloren, maar nu met oprecht berouw
teruggekeerden zoon weder aan zh\'n harte drukt, zoude hg
ook niet gezind zijn, de schulden van zijn zoon te betalen
en al de schade, die hn° veroorzaakt heeft, te vergoeden \'*
Zeker zal de vader, die vergeven heeft, daartoe volkomen
genegen zijn, want slechts zóó kan het geliefde kind weder
eene eervolle plaats onder de menschen innemen. Het is
zoo, aardsche vaders zullen ook in dit opzicht zeer dikwijls
niet kunnen doen, wat zij willen.
Maar zoude ook de eeuwig rijke God te arm zijn, om
onze schulden te betalen ?
Zeker moet hier het geloof aan de almacht der genade,
aan het onbegrensde van Gods wijsheid en liefde eene zeer
hooge vlucht nemen. Overal is het gelooven wel een g e 1 o o-
v e n en niet een aanschouwen, smaken, voelen en tasten.
maar God zorgt toch doorgaans, dat wy niet geheel zonder
smaken en zien onzen weg betreden. Ten opzichte echter
van die herstelling van hetgene wfl bedorven hebben, kun-
nen wjj doorgaans slechts gelooven zonder te zien, en zoo
is het in allen gevalle altijd ten opzichte van die personen,
die in het ongeloof gestorven zijn en zich dus niet meer
hier beneden bevinden.
Van de wegen van God met de zielen en van zn\'ne werk-
zaamheid aan de zielen van hen, die onze aarde verlaten
hebben, is ons volstrekt niets bekend, en het zoude verme-
telheid en dwaze tijdverspilling zijn, dit te willen onder-
zoeken. Maar wy mogen wel op grond van de Schrift
zeggen, dat ook deze geesten nog in de hand van Jezus
zyn, en dat vóór den grooten dag des Heeren, vóór de
wederkomst en het gericht, het laatste en beslissende oor-
-ocr page 153-
137
deel nog niet uitgesproken wordt. „Tot op den dag van
Jezus C h r i s t u s" moeten de beginsels van het geloof
en het ongeloof, die in deze wereld ontstaan zijn, nog wel
op de eene of andere wijze tijd tot ontwikkeling hebben.
(Filipp. 1 : G.) Waarom zullen wij geene hoop meer koes-
teren voor hen, die toch zonder bewuste vyandschap tegen
Christus, zonder volslagen haat tegen de waarheid de eeuwig-
heid zjjn ingegaan ? In allen gevalle zal Jezus Christus,
de getrouwe Herder van alle menscheu, zorg dragen, dat
niemand verloren gaat, ten zjj dan dat hij met volle bewust-
heid en met besliste vijandschap Hem, den Verlosser, ver-
worpen heeft. En wat gij (hetzy gij als een David of als
een Saulus, hetzy gij als een Petrus of als een Thomas
gezondigd hebt) — wat gij door grove misdrijven of door
fijne verloochening aan deze en gene menschelyke ziel bedor-
ven hebt, — dat zal Hij goed maken door de macht der
wijsheid en liefde, die in Hem woont.
Een troostrijk : „Gedenk, wat de Almachtige kan!" levert
ons de geschiedenis der twaalf zonen van den aartsvader
Jakob op. Ten hemel schreiend is inderdaad de zonde,
welke zijne goddelooze zonen aan hunnen broeder Jozef
begaan. Het doet den kleinen kinderen reeds de tranen in
de oogen komen en het bloed naar het voorhoofd stijgen,
als men hun verhaalt, hoe die snoodaards hunnen broeder
in den kuil werpen, maar zelf gaan zitten eten, hoe zy hem
daarop aan de Ismaëlieten verkoopen en in eene koude
wereld uitstooten. En bijna nog zwaarder zondigen zy
tegen hunnen vader, wien zij, om hunne misdaad te bedek-
ken, in den waan brengen, dat een wild dier zijnen lieveling
heeft verscheurd. En langer dan een tiental jaren gaan zy
daarhenen onder den vloek van deze ontzettende zonden-
schuld. Toen komt de s m e 1 t-o v e n. Hoe langer zoo
-ocr page 154-
138
dieper, vele weken, ja vele maanden komen de zondaars in
het heilige vuur.
Maar op hetzelfde oogenblik, toen het blijkt, dat zij over
hunne zonde „bedroefd naar God" en diep verslagen zijn, —
op hetzelfde oogenblik, toen zij zich gedrongen gevoelen om
uit de diepte van hun beangstigd gemoed te belijden: „Dat
hebben wjj aau onzen broeder verdiend!" — op hetzelfde
oogenblik vallen ook de hulsels van den nacht en het wordt
licht om hen henen. — En wat komt thans aan
het licht? Thans blijkt het, dat God al het kwade,
door de zondaars bedreven, op de heerlijkste wijze ten goede
heeft beschikt; het blijkt, dat de misdaden dezer snood-
aards Jozef niets benadeelen en de liefderijke oogmerken
van God niet verijdelen konden. Jozef is op dezen schijn-
baar zoo duisteren weg innerlijk beproefd en gelouterd;
wat het uitwendige betreft, is hjj groot en aanzienlijk,
niet slechts een machtig heer, maar de redder van geheel
Egypte geworden. En nu verschijnt hij ook als de redder
van Israël! — Voor Jakob echter was deze moeieljjke
ljjdensschool een weg tot versterking van de heiligende
gemeenschap met zijnen God. — En de kwaaddoeners
zei ven? Nu, bij hen was het niet anders. Door de beproe
vingen, die God over hen beschikte, zijn zjj tot de erken-
tenis van hunne zonde, tot zelfveroordeeling en verootmoe-
diging en alzoo op de paden, die ten eeuwigen leven lei-
den, gebracht geworden. De ontzettende, duistere geschie-
denis eindigt, dank zü der wonderbare wjjsheid en der
almachtige genade van God, in een lofgezang, en deze lof-
zang luidt: „Gijlieden hebt kwaad tegen mü gedacht, maar
God heeft het ten goede gedacht. Daarom zijt getroost
en vreest niet!\'\'
Deze geschiedenis toont ons op eene treffende wijze, hoe
-ocr page 155-
139
God door zijn liefderijk bestuur zelfs de zwartste duister-
nis in het helderste licht kan veranderen; zjj geeft de
schoonste uitlegging van onzen tekst: , Waar de zonde mach-
tig is geworden, daar is de genade nog veel machtiger gewor-
den." — Als eene heilige, geheimzinnige Sphinx staat dit
beeld bij het begin der geheele geschiedenis
van het G o d s r ij k. Het is en blijft een raadselachtig
beeld voor het natuurlijk oog, maar het oog, dat vol tra-
nen des berouws is, ziet daarin een groot licht, dat zijne
stralen voor alle toekomstige tjjden, ja voor de eeuwigheid
doet schijnen. Of zouden wjj ons daarin bedriegen ? Zoude
dat niet ook eenmaal het einde van de geheele geschie-
denis der menschheid zijn, dat wy, in het licht
eener nieuwe zon, juichende inzien, dat God zelfs aan de
zonden der menschen zulk eene richting heeft gegeven, dat
zij eindelijk niet tot zonde en verharding, maar tot boet-
vaardigheid en verlichting moesten leiden ? — Wfl geloo-
ven dat, want „wij gelooven eene vergeving der zonde."
Wij gelooven, dat God alles besloten heeft onder het onge-
loof, opdat Hij zich over allen ontferme!
Wie van zulke heerlijke verwachtingen een dekman-
tel der ongerechtigheid wilde maken, — wie zich
door zulke groote, zalige uitzichten tot lichtzinnigheid in het
zondigen wilde laten verleiden, — die heeft noch God noch
zich zelven, noch Gods heiligheid noch zijne eigene zonde
gekend. En daarom is ook Gods genade voor hem eene
verborgene zaak. Hem kan men slechts toeroepen: „Dwaal
niet, God laat zich niet bespotten!" ,Gü echter naar uw
verhard en onboetvaardig hart vergadert u zelven den toorn
als eenen schat tegen den dag des toorns en der openbaring
van het rechtvaardig oordeel Gods." (Romeinen 2 : 5.)
Maar de oprechte zielen, die om hunne zonden en om het
-ocr page 156-
140
benadeelen hunner medemenschen door deze hunne zonden
van ganscher harte treuren, die leiden wjj in den geest op
de hoogte van den Thabor en toonen hun de geheele wereld
en menschheid in het licht der goddelijke verheerlijking.
Verdwenen zjjn alle smetten, alle schaduwen, — wegge-
storven zijn alle disharmoniën, alle wanklanken en wanhoops-
kreten; — licht, liefde, heerlijkheid, luister, vrijheid, leven
en zaligheid worden door al het geschapene verkondigd.
En een krachtige zang stijgt van de nieuwe aarde tot den
nieuwen hemel omhoog en wederom uit den hemel naar
beneden op de nieuwe aarde: O, diepte des rijkdoms beide
der wijsheid en der kennisse Gods! O diepte des rijkdoms
beide der barmhartigheid en der heiligheid Gods! Uit Hem
en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij eere
in eeuwigheid! Amen.
-ocr page 157-
VIII.
EEN MENSCH GELIJK WIJ.
Waarde Toehoorders!
Onlangs ontstelde ik hevig, toen ik in eene stille ure
mijnen Bpel opsloeg en het begin van den 108sten Psalm
las: ,o God! het is mü een rechte ernst." (*) Ik konde
niet verder lezen, mijn hart klopte, mijn geweten werd ont-
rust over dat woord: „o God! het is mij een rechte ernst."
En mijn schrik verdween ook niet, toen ik ontdekte, dat
het woord in den Hebreeuwschen grondtekst eenigszins anders
luidt. Het bleef toch voor my zoo staan, want hoewel ook
niet hier en hoewel niet met deze woorden, zoo heeft David
toch dikwijls hetzelfde gezegd.
Gy stoutmoedige, gij benijdenswaardige man (dacht ik),
die met zulke woorden voor het aangezicht van den heiligen
en alwetenden God kunt verschijnen! — Wel is waar wilde
ik my spoedig verwonderen over mijnen schrik. De Psal-
mist zegt immers niets bijzonders, niets over groote wer-
ken, door hem verricht, niets over verhevene deugden, over
groote vorderingen in de heiligmaking, — geen woord!
(\') In de Staten-vertaling staat: O, God! mijn hart is bereid.
-ocr page 158-
142
Hjj zegt toch slechts, hetgeen ieder verstandig mensch
beschouwen moest als iets, dat vanzelf spreekt, —
dat wjj ons namelijk geheel tot vollen ernst gestemd moe-
ten gevoelen, als er over het allerhoogste, over het welbe-
hagen van God gesproken wordt. Iets dat vanzelf spreekt
—  zeg ik, want alle zaken dezer wereld zijn toch tegenover
deze groote zaak, die de oorsprong en grond van het heelal
is, niets anders dan onbeduidende bijzaakjes.
En toch, toen ik mij hiermede troosten wilde word mijn
schrik slechts grooter. AVn\' weten het wel: „geene halven
verkrijgen de vrijheid en het hemelrijk," wjj weten er zeer
goed over te spreken, dat men het leven moet wagen om
het leven te winnen. En toch, is het niet zoo, dat wjj
deze allerbelangrijkste zaak over \'t algemeen slechts als
eene bijzaak behandelen, al naar gelang van omstandig-
heden ons daarop toeleggen ? — Wordt die groote, geheel
persoonlijke vraag: „Wat moet ik doen om zalig te
worden ?" niet gedurig op den achtergrond gedrongen door
al die andere vragen, waarvan de groote en kleine wereld,
die ons omringt, geheel vervuld is ? —
Wellicht zijn er ook in deze vergadering personen, die zeg-
gen: „Wij weten niet, wat gij wilt. wij weten niet, waarom
gij u zelven en ons zoo ontrust! Wij zjjn toch wel geene
heiligen, maar wjj zjjn oprecht. Meer kan de Heer onze
God niet verlangen en meer zegt ook de Psalmist niet."
—   Neen, meer zegt inderdaad de Psalmist niet en meer
verlangt inderdaad ook God niet. Maar niets is bedroe-
vender, dan dat gij met den eigenlof: „Wjj zijn immers
oprecht," — zoo schielijk gereed zijt.
Ik wil mjj niet lang bezig houden met de dwazen, die
zich met eene verwonderlijke naïeviteit op de volgende wjjze
laten hooren: „Natuurlijk geloof ik niet meer, wat in
-ocr page 159-
143
den Bjjbel staat, en sedert lang loop ik ook niet meer
naar de kerk; natuurlijk ben ik verre verheven boven het-
geen ik eens bjj den predikant heb geleerd, — maar ik
ben oprecht! Ik ben geen dweeper, geen huichelaar, geen
gcestdrn\'ver, maar ik ben oprecht." — Waarde Hoorders!
de kansel is geen plaats voor satire, daarom wil ik slechts
zeggen: de oprechtheid van deze „oprechten" heeft den in-
houd van eene nul.
Maar ook kerkelijk gezinde lieden, ijverige lieden van
de „christelijke party," die echter altijd op hetzelfde stand-
punt blijven staan en zelf wel gevoelen, dat zij eigenlijk
volstrekt geen vracht van hun christendom genieten, zjj
troosten zich zoo gemakkelijk: „Nu, het zal nog wel
komen; wij zn\'n toch oprecht." Zoo nemen zij maar
dadelijk als bewezen aan, wat nog geheel onzeker is, en
achten datgene zoo gemakkelijk, wat toch zoo moeielijk
is; — zoo moeieljjk, zeg ik, want ons hart is van nature
niet oprecht, maar arglistig en logenachtig, en d i t dage-
lijks weder in te zien, is het eerste teeken der — oprecht-
beid. Laat ons onze oprechtheid daardoor bewjjzen, dat
wij aan onze oprechtheid twijfelen. Laat ons onzen gods-
dienstigen ernst daardoor openbaren, dat wjj beven over
het woord; „o God! het is mij een rechte ernst!" — Laat
ons liever vurig bidden: „Help ons, o God! opdat wjj
den rechten ernst mogen verkrijgen!"
Maar wij willen ook elkander behulpzaam zijn. AVie
de heilige beeldengalerij des Bijbels opmerkzaam beschouwt
en de dienstknechten Gods, die ons hier voorgesteld woi-
den, in het oog ziet, die ontdekt, dat zij in duizenden van
zaken oneindig veel van elkander verschillen, maar dat zjj
nochtans allen, van Abel af tot op Johannes en Paulus, één
gemeenschappelijken stempel dragen. Welken dan ? — Nu
-ocr page 160-
144
dezen, dat hun allen op het voorhoofd geschreven staat: ,0
God! het is mij waarlijk ernst! —
Hoe denkt gij er over, indien wij eens tot bestiering,
versterking, verbetering, verlevendiging onzes geloofs in
eene reeks van predikaties het beeld van eenen Godsman,
wien het „waarlijk ernst\'\' was, voor onze oogen plaatsen ?
Ik betwijfel het niet, dat u dit aangenaam is, en wil u ook
niet lang in onzekerheid laten, wie het is, op wien ik
mijne keus heb gevestigd, — het is de Profeet E1 i a.
Wij willen echter niet zijnen geheelen levensloop beschou-
wen, maar blikken op zijn inwendig leven werpen : op
zjjne geheime worstelingen, aanvechtingen, lijden, vreugde,
smarten, verkwikkingen, op zijn leven in het gebed, dat
leven der hoop, op zijn sidderen en versagen willen wQ
het oog vestigen.
Wij staren dus in de eerste plaats niet op dien Elia, die
op de hoogten der aarde daarhenen treedt, geweldige won-
deren verricht en met goden en menschen strijdt. Daarover
zal echter ook gesproken worden. Maar in de eerste plaats
beschouwen wij den eenzamen Elia, die in donkere dalen
worstelen en strijden moet, om tot het licht en de vrije
lucht des Heeren te komen.
Voordat wij echter hooren naar hetgeen het Oude Testa-
ment over hem bericht, willen wij het oordeel en getuigenis
van eenen Apostel vernemen.
Jakobus 5: 17, 18. (met 1 Koningen 17: 1).
Elia was een mensch geiyk wij, en hij bad een gebed,
dat het niet regenen zoude, en het regende niet op aarde
in drie jaren en zes maanden.
En hij bad wederom, en de hemel gaf den regen en de
aarde bracht hare vrucht voort.
-ocr page 161-
145
(En Elia, de Thisbiter, uit de burgers van Gilead, sprak
tot Achab: zoo waarachtig als de Heere, de God van Israël,
leeft, voor Wien ik sta, er zal deze jaren noch dauw noch
regen komen, tenzij dan dat ik het zeg.)
Wij vragen op grond van dit apostolische getuigenis:
Wie was Elia?
en wjj antwoorden:
I. Een raensch — zooals er zelden een
mensch was;
II. Een mensch zooals wij — moeten zij n;
III. Een mensch zooalswjj — kunnenworden.
I.
Wie was Elia? — Is \'t niet zoo: zoo dikwijls wjj vra-
gen: Wie is die of die, dan zoeken wij onwillekeurig met
onze oogen de voorouders, de ouders, de wortelen,
waaruit die mensch gesproten is. Wij weten echter van
de ouders van Elia niets, en dit is voor menigeen wellicht
eene teleurstelling. „Mijn overgrootvader — mijn groot-
vader — mijn vader — ik," — zoo schrijft ergens Hamann,
de groote Magus van het noorden. Geen woord vooraf,
een punt er achter. En wij verstaan zijne woorden ook zon-
der eene wijdloopige verklaring. De appel valt niet ver
van den stam; de kinderen aarden naar de ouders. Dat
geldt in het goede, dat geldt in het kwade. Men behoeft
slechts op de straat te zien, om de levende verklaring van
Hamanns woorden te vinden. Wie de menschen kent, die
kent ook de macht van het bloed. Hoe dikwijls komen bjj
ZIELESTRIJD.                                                                               10
-ocr page 162-
140
mensclien van de hoogste beschaving, die in de schitterend-
ste omstandigheden leven, eensklaps de blijken hunner onbe-
schaafde afkomst te voorschijn, al is het ook slechts in een
gebaar, in een lach, in een woord! En omgekeerd, hoe
dikwijls vertoonen zich ook in de diepst gezonken misdadi-
gers onverwachts liefelijke, edele karaktertrekken; en als
wij navorschen, dan was het wellicht het gelaat eener reeds
lang overledene moeder, welks vriendelijken glimlach wij
gezien hebben.
Maar, hoe waar dit alles ook zijn moge, zoo bestaan er
toch reeds in het gewone leven ontelbare uitzonderingen
op dezen regel. Het grootste onderscheid ontstaat echter
uit de verschillende verhouding, waarin kinderen van éénen
vader tot den hemel se hen Vader staan. De vrome Abel
en Kaïn, die hem versloeg, de edeldenkende Jozef en de
snoodaards, die hem verkochten, waren kinderen van dezelfde
vaderen. Hetzelfde bloed vloeide in hunne aderen, in dezelfde
omstandigheden, in denzelfden geestelijken dampkring zijn zjj
geboren en opgegroeid. En toch staan zij naast elkander
als licht en duisternis.
Vanwaar komt dit? Nu, hoe groot ook de invloed van
den familiegeest is, dieper nog gaat de invloed, dien geloof
of ongeloof op het geheele wezen van den mensch uit-
oefenen. En hier komt het ten slotte toch geheel op de
v r ij e, persoonlijke beslissing aan. Een dwaas is
hij, die hoopt, dat hij door zijne vrome familie zoo zacht-
kens naar den hemel zal medegenomen worden; aan den
anderen kant gaat ook niemand verloren door de zonden
zijner vaderen. Het niet te ontwijken noodlot van den
„familiegeest," waarover de romanschrijvers zoo veel bazelen,
bestaat in de werkelijkheid niet.
De opvoeding van eiken mensch in de school van God
-ocr page 163-
147
heeft ten doel, dat hg de groote, beslissende keuze doe.
Alles dringt tot eene inwendige beslissing. Voor ieder
komt de ure, waarin hij kiezen moet tusschen het boven
of beneden, het licht of de duisternis. Het geloof is
derhalve eene geheel persoonlijke, vrije zaak, die zich ten
slotte door niets laat verklaren, dan door het: „ik wil."
In den geloovige heeft dan echter eene nieuwe schepping
plaats, die wederom door niets te verklaren is dan door
het: „God sprak : Er zij licht!"
Hoe Elia nu op den Aveg des geloofs is gekomen —,
welke aanvechtingen, twijfelingen, stormen, worstelingen
hy eerst moest beleven, hoe dikwijls hjj eerst gevallen en
opgestaan is, geweifeld en gewankeld heeft, - dat weten
wjj niet. Het is dus ook vruchteloos, daarnaar onderzoek
te willen doen. Wel kennen wjj den naam zijner geboor-
teplaats, het dorp Thisbe in GileaJ. Maar dit bericht
baat ons ook niets. Het wijst ons slechts weder geheel
op Gods vrije genade, want Gilead was een half heidensch
gewest, en zoo zal Elia van zyne medeburgers wel weinig
opwekking ontvangen hebben om naar het eeuwige te
streven. — Wy moeten hier dus enkel en alleen naar boven
zien, op de geheime werkplaats van God, en tevens den
blik vestigen op het hart van den mensch, op den aard
en het vermogen des geloofs. Als eene nieuwe schep-
ping van God moeten wy den geloofsheld Elia beschou-
wen en geene verdere verklaring zoeken.
Ja, en welk eene schepping was dat ?! Byna driedui-
zend jaren zyn er in de zee der eeuwigheid verzwolgen,
sedert deze buitengewone Godsman van de boschryke ber-
gen van Gilead in de vlakte van Jizreël afdaalde, een man
in het haren gewaad, maar de eeuwigheid op zyn voor-
hoofd en de bliksemschichten van Jehova in zy\'ne hand.
-ocr page 164-
148
„Elia brak dooi\' als een vuur en zijn woord brandde als
een fakkel," zoo heeft Jezus Sirach (hoofdst. 48 : 1) den
man uit Thisbe kernachtig en schilderachtig beschreven.
Bijna drieduizend jaren zijn er sedert verloopen, maar het
schijnt, dat de sporen zijner voetstappen in deze anders zoo
veranderlijke wereld voor geen verdwijning vatbaar zjjn.
Gedurende alle tijden staat hij daar als een ernstige spie-
gel voor de geloovigen, gedurende alle tijden brengt hjj
ontelbare predikers des goddelijken woords in geestdrift.
Maar ook de schilders, dichters, toonkunstenaars zitten heden
nog, evenals eeuwen geleden, aan zijne voeten en laten
zich door dit wonderbare beeld tot nieuwe werken bezielen.
Zoo indrukwekkend was zijn wandel op aarde, dat negen-
honderd jaren later, toen Jezus Christus in het vleesch ver-
scheen, al het volk riep: „Het is Elia!" Ja, wij gevoe-
len allen dien indruk: „Hij is gestorven en leeft nog."
Doch wat zeggen wij „gestorven"? Neen, niet gestorven
is lijj, ofschoon hij sterfelijk was. Zijn vertrek uit de wereld
was een wonder, gelijk zijn geheelen weg door de wereld
een wonder was. Zoo talrijk en zoo groot zyn de wonde-
ren, die aan hem en door hem verricht zjjn, dat ook onder -
scheidene geloovigen niet anders kunnen denken, dan dat
hier eene opsiering der geschiedenis door de volksoverle-
vering heeft plaats gehad. Inderdaad, als een mensch, die
met goddelijke almacht doet wat hij wil, en over de krach-
ten des hemels evenals over de elementen der aarde gebiedt,
zoo staat hij daar. Tegenover dezen reus schijnen wjj slechts
sprinkhanen. Zoo verheven is hij boven de gewone, mensche-
lijke behoeften en aandoeningen, dat velen hem als een
somberen monnik, ja als een wreeden tiran beschouwen.
Tegen de geheele wereld aanvaardt de onverschrokkene den
strijd en, al staat hij alleen, hij siddert niet! ,Mg\'n God
-ocr page 165-
140
is kracht", dat beteekent zijn naam, en wat zijn naam zegt,
dat predikt zjjn geheele leven. Het predikte aan een diep
bedorven geslacht, dat God iets is, ja, dat Hjj alleen
kracht en leven is; het predikt echter ook, dat een Gods-
man door de macht van God — waar het noodig is — alver-
mogend is. Als een cherub met het vlammend zwaard
staat hij daar; goden, koningen, priesters vallen onder zijne
slagen, en tegelijk wordt zijne geheele ziel door de tranen
eener weduwe bewogen.
„Jehova\'s Engelen hadden Klia, toen hij nog een kinde-
ken was, met vlammende spijze gevoed en in vlammende
windsels gewikkeld," — zoo verklaarden de oude Joodsche
rabbijnen deze wonderbare verschijning.
En nochtans, van dezen man, tot wien wjj uit de laagte
met verbazing opzien, dien wij zoeken en ontvlieden tege-
lyk, van hem is geschreven:
II.
„Elia was een m e n s c h, geluk wij." Niet waar? wy
zouden kunnen glimlachen over dit woord, ja wij zouden
willen protesteeren tegen dit woord. Maar wy houden onze
tong in toom, want wy herinneren ons, dat het een A p o s-
t e 1 is, die zoo schrijft. Waarlijk, al te kalm schijnt ons
thans de kalme Jakobus.
Maar het schijnt ook slechts zoo. Hy denkt er niet aan,
dat hy met zijn woord het reuzengroote beeld van Elia, dat
de Schrift ontwerpt, in het geringste zou kunnen v e r d o n-
keren. Dat hij „een mensch was gelijk wij" aan de eene
zyde, en dat hy over de krachten der hemelen beschikte aan
de andere zijde, daarin ziet Jakobus volstrekt geene tegen-
strijdigheid, zelfs geene tegenstelling. Integendeel, hjj zegt in
-ocr page 166-
150
oenen adem: Elia was een m e n s c h gelijk wij en b a tl, dat het
niet regenen zoude, en het regende niet in drie jaren enz. Daar
noemt Jakobus alzoo een van zjjne wonderen; hij zoude ook
een ander, of ze alle op de rij at\' genoemd kunnen hebben.
Jakobus vormt zich dus geene lagere voorstelling van Elia
dan wjj; h ij hee ft slechtseenehooge re voorste 1-
ling van datgene, wat een mensen is, namelijk een
biddend mensch. Omdat Elia een biddend mensch was,
zijn voor den Apostel al zyne wonderen niet verwonderlijk.
Met die woorden: „Hij bad" noemt hij het geheim zijner
macht, en toch noemt hij daarmede iets, dat de zaak van
iederen mensch konde en moest zijn. Want niets is men-
schelijker bij den mensch dan dit, dat hij bidt. Daar ech-
ter de meeste kinderen van ons geslacht niet bidden, zoo-
als er werkelijk, namelijk naar Gods wil, gebeden moet
worden, — daarom weten zij niet wat God is, noch ook
wat de mensch is, weten niet wat Gods genade, noch ook
wat het menschelijk geloof tot stand kan brengen. En uit
dit gemis alleen vloeien al die bange twijfelingen ten opzichte
van Gods groote daden voort, waarvan de geheele Bijbel,
inzonderheid ook de geschiedenis van Elia, melding maakt.
„Zie hij bidt!" zoo stelt Jezus zijnen volgeling Ana-
nias gerust, die er huiverend tegen opziet, om ten behoeve
van Saulus, den vervolger der gemeente, in den dienst des
Evangelies werkzaam te zijn.
Jlet die woorden: „Zie, hn\' bidt" (zoo, gelijk men naar
mijnen wil behoort te bidden) — verklaart Jezus dit voor
de geheele wereld zoo gewichtige wonder, dat de verbitterde
vijand van Jezus zyn „uitverkoren werktuig" is geworden.
Zoo weet ook Ananias, dat men van eenen mensch, die bidt,
het beste kan hopen; nu is de man, dien lijj als eenen
woesten wolf beschouwde, voor hem een geliefde broeder
-ocr page 167-
151
geworden; dat „zie, hij bidt" heeft zijn oordeel geheel ver-
anderd. En gelijk het toen was, zoo is het heden nog.
Onbezorgd kan men zjjn ten opzichte van hem, die een wer-
kehjk biddend leven leidt. Hoge hij nog diep in gods-
dienstige twijfelingen steken, zij vinden eindelijk haar eeuwige
graf in het: „zie, hij bidt!" Moge iemand nog door zware
verzoekingen geplaagd worden, nog met groote gebreken
bevlekt zijn, door dat: „zie, hij bidt" is de bijl aan hun
aller wortelen gelegd. En uit dit „zie, hij bidt!\'\' gaat het
licht der zon op over allen aardschen jammer en alle har-
teleed, die het menschenkind bestormen. Tot eenen mensch.
die bidt, kunt gy u vol vertrouwen wenden; moge hij
van nature gierig, hardvochtig en zelfzuchtig zijn, nochtans
zult gü bjj hem met uw leed een goede, hartelijke ontvangst,
voor uwe aangelegenheden eene warme belangstelling vin-
den. Niets maakt den mensch zoo menschelijk, zoo humaan
in den besten zin des woords, zoo Gode gelijkvormig, als
wanneer van hem gezegd kan worden: „zie, hij bidt !"
Want het bidden bestaat toch niet daarin, dat men vrome
woorden uitkraamt en voor onzen goeden God eene voor-
dracht houdt over zijne verhevenheid en onze nietigheid, over
zijnen rijkdom en onze armzaligheid. Ach, zulke „voor-
drachten in biddenden vorm" kan men, — ik zeg het met
droefheid — helaas maar al te dikwijls hooren; zjj worden
niet slechts door de kinderen der wereld, maar ook door
alle gezonde christenen veroordeeld. Met het waarachtige
gebed hebben zij niets gemeens. Bidden bestaat hierin,
dat men zijn hart voor God uitstort, juist voor Hem, zoo-
als het is, — dat men Hem zijn hart, zijnen zin, zijnen
wil offert, dat men Hem zoekt en zich zelven verliest.
Waar geen hart is, dat naar God schreit, daar is onge-
twijfeld geen gebed. Mogen de woorden daarbij zijn zoo-
-ocr page 168-
152
als zjj willen of moge er geen enkel woord gesproken wor-
den, — dit doet niets ter zake. De Heer ziet het harte aan.
Wie echter zóó bidt, dat lijj zjjn ik, zijnen wil daarbij
geheel aan God overgeeft, die Avordt daardoor een deelge-
noot van liet Godsbestuur. Uit dit oogpunt moeten alle
wonderen beschouwd worden. Ook de wonderen, die Elia
deed, hebben, zooals Jakobus zegt, hunne kracht, hunnen
oorsprong, hun licht in het: „Hij bidt." — Hjj bad —
daarom was hij, wat hij was, daarom konde hu\', wat hjj
koude.
Hetzelfde, dat Jakobus van Elia zegt, drukt deze zelf
uit met de woorden: ,1 k sta voor Go d." (1 Kon. 17:
1.) Toen hij geheel onverwachts, als een uit den hemel
nederschietende bliksemstraal, aan het afgodische en licht-
zinnige koningshof verscheen, was dit zijne volmacht, dit
de verklaring zijner wondermacht: „Zoo waar als Jehova
leeft, voor wien ik sta." Hy had ook kunnen zeggen: „voor
wien ik kniel," of: „voor wien ik lig," want het staan
voor God wordt zeer dikwijls een liggen. — Met de woor-
den: „Jehova, voor wien ik sta,\'\' wordt echter tegelijk het
gestadige uitgedrukt. Niet nu en dan staat hij eens
voor God, zooals in den vroegen morgen en den laten
avond, of soms op een ander tijdstip, als eene bijzondere
aanleiding het vereischt. Neen, dit is zijn altijddurend
standpunt. Wat hij ook verrichte, wat er ook in zijn binnen-
ste omga, — hij leeft en beweegt zich in Gods tegenwoor-
digheid.
Ach, de meeste kerkelijk gezinde personen maken slechts
nu en dan bjj God hunne opwachting. Daarvoor zjjn
allerlei gelegenheden, de huiselijke godsdienstoefening, de
kerkgang, ook ontbreekt het niet geheel aan de afzonde-
ring in de binnenkamer. Maar het leven in zijn geheelen
-ocr page 169-
153
omvang gaat zijnen gang zonder Hem. Ja, dit niet alleen,
neen, als men het zich eerlijk bekent, w i 1 men Hem vol-
strekt niet daarbij hebben. Het zoude hun onaangenaam
zijn, indien Hy hen wilde toespreken bij hunne dageljjk-
sche gewoonten, werkzaamheden en uitspanningen. Men
wil Hem niet medenemen naar het gezelschap, en dat
Hij zelfs over de uitoefening van handel of bedrijf i\'egeeren
zoude, wordt als onuitstaanbaar beschouwd. Als onuit-
staanbaar wordt het beschouwd, te moeten denken, dat
Hü ons, bij het schrijven van eenen brief, over de schouders
ziet.
En toch is d a t alleen vroomheid, die den naam verdient,
als ik er naar streef om mijn standpunt bestendig voor
Gods aangezicht te hebben. „Wandel voor mijn aangezicht
en wees vroom!" zoo roept God Abraham toe; dat is de
geheele Katechismus van den aartsvader. En wederom
spreekt Hij: „Ik wil u met mijne oogen leiden." Waar-
ljjk eene hoogst verblijdende belofte! Maar hoe kan
daarvan sprake zjjn, als wij niet bestendig met onze oogen
naar zijne oogen zien, peinzend, vragend, uitvorschend:
„Heere! wat wilt Gij, dat ik doen zal \'f Gij allen, die
onophoudelijk zucht: „Och, wist ik maar wat God wil,
dat ik doen zal! Maar alles is zoo duister, zoo verbor-
geu!" — onderzoekt u zelven met allen ernst, of gij met
Elia zeggen kunt: „Die God, voor wien ik sta"?
Dat is het standpunt, waar men veilig staat, waar het
helder en licht is, en van waar alle wegen naar het lichte
einddoel loopen. Men spreekt zooveel van zyn stand-
punt. Men neemt zoo gaarne eene deftige houding aan
en zegt: „Miju standpunt verbiedt mü dat," of „dat is nu
eenmaal mijn standpunt, daarvan laat ik mü niet afbren-
gen." Maar gij moogt nu zoo geleerd en zoo verstandig
-ocr page 170-
154
en zoo deugdzaam en zoo rechtzinnig zjjn als gjj wilt, noch-
tans is uw standpunt op zand gebouwd, als het niet het
standpunt van Elïa is — voor God, in God. Die dit stand-
punt hebben, die staan werkelijk vast, die kennen hunnen
weg en die verstaan het ook, het licht en het zout voor
hunne medemenschen te worden. 1) i e gaan eindelijk vol
vertrouwen uit deze wereld, niet naar eene onzekere toe-
komst, maar naar het licht van dien God, voor wien zij
op aarde reeds stonden in den geloove. Voor Hem zullen
zy ook hier boven staan in het land van den eeuwigen
zonneschijn, omdat zjj voor Hem stonden in het land van
storm en onweder. En zonder dit standpunt zyn alle ker-
keljjkheid en alle vrome ijver en goede werken niets dan
— „ ijdelheid der ijdelheden." — Ken leven des gebeds te
leiden en voor God te staan, dit is echter niets bovenmen-
schelijks, maar eenvoudig menscheiyk, zoo men eerst weet,
wat een mensch is.
Eha was alzoo een mensch, gelijk wy — moesten zijn,
konden zijn. Hij was een biddend mensch. Wat een mensch
is, afgescheiden van God, slechts op zich zei ven
staande, daarvan geeft Jakobus eene zeer droevige, en toch
ware, ontzettend ware, voorstelling. Hy vraagt: „Wat is
uw leven ? Een damp is het, die schiehjk verdwijnt. De
mensch vergaat als de bloemen van het gras." (Jak. 4 :
14; 1 : 10.) Hoe hy echter bet hart van den mensch
beschouwt, zoolang het niet van boven wedergeboren is,
dit blijkt ons op eene ontroerende wyze, als wy lezen, welk
nameloos onheil alleen door de tong, die toch slechts een
van de kleinste leden van het menscheiyk lichaam is,
wordt gesticht, zoolang de oude geest door haar spreekt.
(3:1 — 12.) Hetzelfde blijkt ons, als wjj het vreeselijk
„wee u" hooren, dat hy over die ryken uitspreekt, die hun
-ocr page 171-
155
goed slechts naar eigen lust en wil gebruiken en besteden.
(4: 1 enz.) En met al deze getuigenissen staat hij in de
volkomenste harmonie met zijnen Heiland en met al die
mannen, die de dragers der goddelijke openbaring zijn
geweest.
Zoo hebben dan Gods dienstknechten op aarde den
mensch altyd op de verootmoedi^endste wijze voorgesteld,
dat wil zeggon datgene, wat „de natuurlijke mensch" is,
heeft, kan, ziet, denkt, zorgt, zoekt. En dit is de reden,
waarom eene door den wereldgeest bedwelmde wereld hen
duisterlingen noemt en tot het einde der dagen noemen zal.
Maar deze zelfde dienaren van God zingen op hoogen toon
van eene heerlijkheid des menschen in God, van eene
volmaking van den mensch door de herstelling der kinder-
lyke betrekking tot God, van eene zaligheid des menschen,
die geen oog ooit gezien, geen oor ooit gehoord heeft en
die in geens menschen hart ooit is opgekomen, — die dan
ook in het oog van de kinderen der wereld de grootste
hersenschim, de ongerijmdste fabel is. Wy moeten het
geduldig verdragen, door de wereld tegelijk als donker-
zienden en helder-zienden, als duisterlingen en opgewon-
dene geestdiïjvers beschimpt te worden. Wij moeten dit
verdragen, of — met de wereld in troosteloosheid verzinken.
De grootheid van den mensch bestaat dus niet in de
eerste plaats daarin, dat hij een „drager der beschaving en
ontwikkeling is." Zeker moet hn" ook dit zijn, maar hij kan
daarbij, gelijk onze eeuw bewijst, dierlijk ruw zijn. Zij bestaat
niet daarin, dat lijj alle goederen der wereld bezit en geniet;
daarbij kan hij nochtans wanhopig ongelukkig en arm als
een bedelaar zijn. Zjj bestaat verder niet daarin, dat hü
de kunst verstaat om anderen te beheerschen; desniette-
min kan hij toch een ellendige slaaf van zijne hartstochten
-ocr page 172-
156
en lusten zijn. Zn\' bestaat eindelijk ook niet daarin, dat
hn\' groote „natuurlijke deugden" bezit; daarbij kan hij toch
een mensch zonder rust of vrede, en een zeer onuitstaan-
bare Farizeër zijn. Meen, de grootheid van den mensch
bestaat daarin, dat hij door het geloof een kind van God
is; zijne grootheid bestaat daarin, dat hij zich aan de red-
dende, heiligende, verheerlijkende macht der goddelijke
genade overgeeft. Hoe getrouwer en oprechter hij dat doet,
des te grooter is hij voor God, des te heerlijker zal hij eens
voor de geheele wereld schitteren, moge hy thans in uni-
form of toga, in kiel of in purper optreden.
De geschiedenis van Elia echter zal ons wijzen, niet op
de toekomstige maar op de reeds tegenwoordige
heerlijkheid van dien mensch, die met vollen ernst belijdt:
„Ik geloof in God, den Vader, den Almachtige, Schepper des
hemels en der aarde." Dus niet het |beeld van Christus,
maar het beeld van eenen man, die den Heiland nog ver-
wachtte, zal zich hier voor onze oogen plaatsen. Maar hoe
sterk zal het ons tot het hart van Jezus trekken, als wij
zien, dat ook deze vurige geest mat en moedeloos
wordt, omdat hü het woord Heiland nog niet kan uit-
spreken. Hoe zal het ons verder troosten, als wjj zien, dat
deze man, die zoo groot was, dat God hem vrijstelling van
de smarten en duisternissen des doods verleenen, ja hem
opdragen konde, een troostende vriend des Heilands op den
berg der verheerlijking te zh\'n (Lukas 9:30, 31), — dat
hü nochtans zijne zwakheden, zijne gebreken, zijne tempera-
mentsfeilen had gelijk wij, omdat ook hu\', gelijk wij, in zon-
den ontvangen en geboren was.
Ja, „hjj was een mensch gelijk wjj", dat wil zeggen, hij
bezat in den goeden en slechten zin al de kenmerken, waar-
door de menschen op elkander gelijken en waardoor zij van
-ocr page 173-
157
alle andere wezens onderscheiden zijn. Hij had geen ande-
ren weg tot God, dan ook wij hehben, en moest evenals
wij .uit zijn geloof leven."
Heeft hij zich desniettemin boven het grootste gedeelte
der geloovigen van vroeger en later tijd zoo verre verhe-
ven, zoo is dit slechts daardoor geschied, dat hjj den weg,
die voor ons allen open staat, zoo veel getrouwer, ernstiger
en bereidvaardiger bewandeld heeft.
Wachten wjj ons hier echter voor misverstand! Wjj
bedoelen niet, dat in iederen tjjd iedere geloovige, die even
oprecht zijnen God dient, dezelfde werken konde doen,
die Elia deed. Onlangs zeide iemand in een christelijk
gezelschap: „Een zendeling, die het geloof van eenen
Paulus had, zoude ook de werken van Paulus ver-
richten." Dat klinkt zeer vroom, maar is het niet; inte-
gendeel, het is een barbaarsch woord, want het veroor-
deelt allen, die niets groots tot stand brengen, /al dan
ieder schilder, die zich met zijne geheele ziel aan de kunst
toewijdt, een Kaphael worden ? Zeker niet! Zal ieder diplo-
maat, die even getrouw in zjjn beroep is, als Bismarck het
was, daarom een Hismarck worden ? Zeker niet! Nu, zoo
zijn er ook in de geschiedenis van het Godsrjjk uitstekende
geesten, scheppende persoonlijkheden, die door de almach-
tige hand van God met gaven en krachten zjjn gezegend,
welke Hij aan alle anderen weigert. — Ieder op zijn plaats,
ieder in zijnen tjjd heeft zijne bijzondere roeping! Melanch-
thon zoude nooit Luthers werken hebben kunnen doen en
Euther de werken van Melanchthon niet. En wat inzonder-
heid de wonderen betreft, God geeft ze of weigert ze,
al naar de gesteldheid van den tjjd. Paulus is niet door
raven, maar door den arbeid zijner handen gespjjzigd gewor-
den; hjj had geen raven noodig. En is hij eindelijk niet
-ocr page 174-
158
op een vurigen wagen ten hemel gevaren, maar op een
schavot gestorven, zoo moet ons dit volstrekt niet doen
denken, dat hij minder vroom was dan Elia. Had dezelfde
Elia in de dagen van üavid geleefd, dan zoude hij wellicht
geen enkel wonder hebben kunnen doen, want het geloot
kan en wil geene wonderen verrichten, wanneer de toestand
van het Godsrijk op aarde de wonderen niet dringend nood-
zakelijk maakt. Dat volk van Israël, waarmede Elia te
doen had, was zoo diep gezonken, zedelijk bedorven, ver-
wilderd, dat het slechts nog het grove schrift der wonde-
ren konde lezen. Het arme volk was naar lichaam en
geest zoozeer in de macht van afgodische priesters, dat het
niet anders dan door handtastelijke bewijzen tot de over-
tuiging gebracht konde worden : Jehova is God, Hy alleen!
Derhalve niet de wonderen maken Elia groot, maar het
eenvoudige, getrouwe geloof, waarom God hem als zijn
werktuig gebruiken konde. Dat deze krachtige man gehoor-
zaam was als een kind, dat was zijne grootheid. In dit
alles was hjj alzoo een mensen gelp wij — zijn moesten,
zijn konden en dus ook
III.
kunnen worden. Was de kennis des heils en de gees-
teljjke begaafdheid by de verschillende personen en ook naar
gelang van de tijden des Godsrps hoogst verschillend, zoo
was de eisch van God aan zijne dienaren altijd geheel
dezelfde. „Geef mij, mijn zoon! uw hart! Wandel voor
mijn aangezicht en wees oprecht!" dit was de eerste,die aan
den mensch gedaan werd, en het zal ook de laatste zjjn.
Hierin ligt alles opgesloten. Elia, zooals reeds gezegd is,
nam dezen eisch met vollen ernst ter harte, en daarom was
-ocr page 175-
150
\'hij, wat hij was. En wij zouden zijn, wat wy helaas, helaas
in den regel niet zijn, indien wjj mensclien waren, die geljjk
de mensch Elia bidden, gelooven, gehoorzamen, dienen wil-
den. Maar ach ! het is toepasselijk op duizenden, die zich
onder de christenen rangschikken, wat de overigens zoo
ongelukzalige David Strausz ergens zegt: „zij gelooven
niet werkelijk, maar zjj gelooven slechts te
gelooven." Hun geloot\' is aangeleerd, maar niet aange-
boren en ingeboren op den weg der nieuwe geboorte; het
is eene verstandszaak, eene gevoelszaak, maar zonder heili-
gen wil. Zy spreken groote dingen, maar zjj hebben een
afschrik van iedere zelfverloochening, zij willen het leven
verwerven, maar zonder dood, de kroon des levens zonder
strijd. Zjj bidden, maar, bij het licht bezien, slechts om
den goddehjken wil voor hun eigen wil te doen buigen;
zij bidden zoo, alsof God onze loondienaar ware, die slechts
bestaat, om onze wenschen te vervullen. Zjj veroordeelen
wel het ongeloof, ja zelfs de ongeloovigen ; maar wanneer
het er op aan komt, in smartelijke omstandigheden een
blijmoedig, stil vertrouwen op God aan den dag te leggen,
dan hoort men slechts klachten en twijfel. — Ik heb altijd
gezegd: „zij zy\'n zoo"; want ongetwijfeld zoude het onrecht-
vaardig zijn, rondweg te zeggen: „G ij allen zyt zoo! Wij
allen zijn zoo!" Maar ieder van ons moet zich zelven
onderzoeken, hoeveel er van dit oppervlakkige geloof ook
in zijn leven gevonden wordt.
Ziet, Elia geloofde werkelyk, dat dezelfde God, die hemel
■en aarde geschapen heeft, hem, Elia, onmiddellijk en per-
soonlyk naby was, zoo nabij als zy\'n eigen adem. Hy
geloofde werkelijk, dat het even dwaas als misdadig is, het
woord en den wil van God niet op te volgen. Zoo gaat hy
ook op Gods bevel zeer gerust zelfs de hel tegemoet, even-
-ocr page 176-
160
als een kind, dat aan geen gevaar gelooft, daar, waar zijne
moeder het heenzendt. Wel heeft ook hy somtijds gewan-
keld, (want hü was immers een mensch gelijk wij), —
maar omdat hjj een biddend mensch was, zoo konde geen
weerspannigheid en versaagdheid hem op den duur gekluis-
terd houden. „Onbeweeglijk in den Hee r" is daarom
de heersehende grondtrek van zjjn leven. Hoe men hem
overigens ook moge beoordeelen, d i t getuigenis kan nie-
mand hem weigeren, dat hy een ,,m a n" was, zooals er in
alle tijden slechts weinige mannen waren.
Ik wensch niemand te beleedigen, maar mij dunkt, dat
er heden weinig mannen zijn, mannen, die weten wat zij
willen, en willen wat zjj weten, en willen wat zy willen,
mannen, die niet bewogen worden door den tijdgeest, door
partijgeest, door den zwijmelgeest eener zoogenaamde bescha-
ving, — weinig zelfstandige karakters, persoonlijkheden.
Hoe komt dat ? Dit komt daarvandaan, dat er zoo weini-
gen zijn, die een leven met God kennen. Ontelbaar
velen meenen, dat het juist het kenmerk van den man is,
boven geloof, gebed en Gods woord verheven te zijn. Vele
anderen, die een scherperen blik hebben, wagen echter
slechts Nikodemo s-w e g e n te betreden of ook dit zelfs
niet. Ja, niet zelden gebeurt het, dat mannen — om
niet van „kwezelarij" verdacht te worden, openlijk datgene
vermijden waarnaar zij in stilte vurig verlangen, openlijk
glimlachen over hetgeen hun in het geheim eerwaardig is.
Zoude men het gelooven? Mannen — — !! Elia was een
man, dewijl hij — bad.
En gelyk het echte mannelijke karakter, zoo ontvangt ook
het edele v r o u w e 1 ij k karakter zijne wy\'ding, zijne kracht,
zijne wet, zijne tucht, zijnen geest in het geloof en het
gebed. De vrouw, de gade, de moeder, de zuster, de vrien-
-ocr page 177-
101
din, — voor ieder van haar is het biddend geloof de bron
der vernieuwing en der ware schoonheid.
Men spreke mn\' tegen; maar ik verzoek u, volgt eerst
onze beschouwingen zonder vooroordeel, zonder zelfbeha-
gen, zonder die farizeeuwsche, zelfmoord plegende zucht
tot zelfbehoud, die de grootste vijand van den nieuwen
geest is. Wellicht zult gij mij dan weldra niet meer tegen-
spreken.
O, mijne waarde Broeders en Zusters ! Dikwijls hoor ik
U uitroepen: „Hoe groot is toch onze tjjd! Hoe reusachtig
zijn de werken van ons geslacht I" — Ik vereenig mjj geheel
met deze bewondering. Ook mijn hart is dikwijls opgetogen
van verbazing, als ik zie, hoe de „moderne mensch" al de
krachten der wereld voor zijnen zegewagen spant. Ik sta
daarover verbaasd, maar toch zie ik, dat deze zelfde mensch
door al dien vooruitgang der beschaving niet gelukkiger,
noch vrijer, noch beter wordt! Ik sta verbaasd over den
ernst en de geestkracht van den mensch, wanneer er sprake
van is, gebergten te doorboren, werelddeelen te scheiden,
zeeën te verbinden, - maar ik zou willen weenen, als ik
zie, hoe hjj daarbij en daardoor zich zelf vergeet, zijn eigen
hart, de werkzaamheid aan zijn eigen persoon. Hier ont-
breekt doorgaans alle ijver, alle ernst. De zin voor het
stoffelijke drukt de geesten in het stof neder. Men heeft
in onzen tijd geen tüd voor deeeuwigheid, —
men zoude over dit gezegde lachen, indien het niet zoo
ontzettend was. Geen tijd voor de eeuwigheid — hierin
is de ellende van ons geslacht gelegen.
O, dat deze uren, waarin wij rondom Elia vergaderd zijn,
de eeuwigheid in ons mogen doen leven, dat
zy een heilig vuur in onze harten mogen ontsteken en vooral
het eerlijke besluit doen nemen: Ik wil, ik moet, ik
Z1EI.ESTKIJD.                                                                          11
-ocr page 178-
162
zal met vollen ernst de zaak des g e 1 o o f s ter
harte nemen.
Dan, Geliefden 1 — hoe verre menigeen thans ook nog
van de blijmoedige belijdenis van zijnen Heiland verwijderd
moge zijn, — dan zullen wy nochtans allen met Elia aan-
landen op den eeuwigen Thabor, op den berg der verheer-
ïyking van Christus, waar ook wh\' veranderd worden naar
datzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid. Geef ons
dit, o Heere! Amen.
-ocr page 179-
IX.
ELIA IN DE EENZAAMHEID.
Waarde Hoorders! Het is reeds lang geleden, toen ik
ergens in eene herberg aan tafel zat. Een zeer met zich
zelven ingenomen heer sprak aanhoudend en zeer luid. Zijn
derde woord waren steeds de rechten van denmensch.
Over de algemeene rechten van den mensen wist hjj niet
genoeg uit te weiden. Dit verhinderde hem echter niet,
over allerlei dingen en toestanden lage en vuile aanmerkin-
gen te maken. Eindelijk verloor een der aanwezigen het
geduld en zeide: „Mijnheer 1 Gij spreekt altijd van de rech-
ten van den mensch, van de rechten, waarop de menscli in
de wereld aanspraak heeft; weet gü niets van de rechten
van God, van het recht, dat God op u heeft?"
„Hoe zoo" (stotterde hij verlegen) „God — rechten — op
mij?" „Ja," zoo luidde het antwoord, -- „God, uw Schep-
per en Verlosser, heeft een recht op u, zoodat uw lichaam
en ziel Zijn tempel moeten zijn. En Hy zal u eenmaal voor
zijne vierschaar dagen, omdat gij zijn recht zoo schandelijk
veracht; omdat gij bijvoorbeeld de tong, die Hij u gegeven
heeft, tot een werktuig van onreine geesten maakt." Hierop
antwoordde de man koud en spottend: „Beste heer! dat zijn
-ocr page 180-
104
standpunten! Gjj hebt uw standpunt en ik het mijne."
Ja, zoo zijn en zoo spreken de menschen van onzen tijd.
Zy meenen Gods recht en waarheid te niet gedaan te hebben,
als zij op hoogen toon zeggen: „dat is nu eenmaal mijn
standpunt." Ja, waarlijk zij hebben er een, indien het maar
niet elke twee dagen veranderde! Zij hebben er wel een,
maar liet is de vraag, of het wel het rechte is, of het stand
houdt, als de stormen loeien en de onweders woeden en
er nu gevraagd wordt: Wat bezit gij, o mensch ! dat geene
macht der wereld en des doods u ontrooven kan ? Den naam
standpunt verdient slechts dat fondament, waarop men
voor alle gevallen bestand kan zijn. Dat is nu het rechte
standpunt, als men voor God en in God staat, op God ziet
en naar Gods rechten vraagt. Dit hebben wij den vorigen
Zondag bij Klia gezien.
Maar dit standpunt is niet iets, dat terstond de noodige
vastheid bezit. O neen, ook hun, die reeds zeer vast staan,
wordt nochtans toegeroepen: „ Wie staat, zie wel toe, dat
hij niet valle!\'\' En ofschoon men ook in eenen strijd de
overwinning behaalt, daarmede is het nog niet afgedaan.
Steeds komt men in nieuwe beproevingen, verootmoedigin-
gen, verzoekingen. Dat moest ook Elia ondervinden. Onge-
twyfeld was het iets groots, dat hij zonder vrees of sidde-
ring het hof en de priesterschaar den goddelyken banbliksem
in het aangezicht slingerde. Maar wie een mannenhart in
den boezem draagt, die zal ook gevoelen, dat het iets opwek-
kends was, zóó met heiligen trots de geheele wereld te
bestrijden. Of echter dezelfde man ook op eenzame, ver-
borgene, verootmoedigende wegen met opgerichten hoofde
daarheen zal gaan ? Laat ons zien!
-ocr page 181-
105
1 Koningen 17 : 2-6.
En het woord des Heeren kwam tot hem, zeggende:
Ga weg van hier, en wend u naar het oosten en verberg
u aan de beek Krith, die naar den Jordaan stroomt;
En gij zult uit de beek drinken, en ik heb de raven
geboden, dat zij u daar onderhouden zullen.
Hij ging dan henen, en deed naar het woord des Heeren,
want hij ging en woonde aan de beek Krith, die naar den
Jordaan stroomt.
En de raven brachten hem brood en vleesch des morgens
en des avonds, en hjj dronk uit de beek.
Elia in de eenzaamheid,
I. Door zijn volk vervloekt,
II. Door raven verzorgd,
III. Met God alleen.
1.
„Zoo waar als Jehova leeft, zal er deze jaren noch dauw
noch regen komen, tenzjj dat ik het zegge." Dat was de
verpletterende boodschap van Elia geweest, — tekst, thema,
preek alles te zamen. Dus niet maar alleen het thema,
zooals de vrienden van een omhaal van woorden meenen,
•die het zich niet anders kunnen voorstellen, dan dat Elia
in eene uitvoerige rede de redenen van zulke goddelijke
strafgerichten heeft opgegeven. Waartoe was zulk eene opgaaf
van redenen noodig? Zij stonden in het bloedende geweten
des volks geschreven. — De Profeet wees echter met een
-ocr page 182-
166
wenk op eene deur ter redding, want daar hjj op de straf-
bedreiging liet volgen : „t e n z ij ik het z e g g e,\'\' gaf
hij daarmede te kennen, dat hjj haar konde terugnemen.
Dat echter zulk eene genade slechts aan een boetvaardig,
ootmoedig volk ten deel konde vallen, moest wederom ieder
zelf begrijpen. Maar juist dit zeiden zich de menschen
toen even ongaarne als tegenwoordig. Israël trad de geopende
deur der genade niet binnen, en daarom moest het de
strafgerichten ondergaan.
De bronnen verdroogden, de beken vloeiden niet meer,
de boomen verwelkten, de vruchtbare akkers werden in
rotsen veranderd, de schitterende zon gloeide thans als het
verzengend vuur van Gods toorn. Groot werd de nood en
eiken dag nog grooter. Het zoude gemakkelijk zijn, een
roerend tafereel op te hangen van de ellende, die mensen
en vee moest ondergaan. Maar waartoe zulk eene schilde-
ring? Waartoe die opwinding van verbeeldingskracht en
zenuwen ? Onze tijd levert ons genoeg en meer dan genoeg
ontzettende beelden op!
Vestigen wjj liever het oog op Elia. Eenzaam staat daar
de man Gods onder een weeklagend en vloekend volk. En
zy vloekten h e m. Het was toen gelijk heden. Als men in
nood verkeert zijn er weinigen, die ootmoedig belijden:
„Het is de schuld onzer zonde"; — zij zoeken de oorzaken
der ellende bij de menschen, bij de regeering, in de wetten,
in de omstandigheden. In dit geval zoude men zelfs God
hebben moeten vloeken. Daarvoor huiveren echter nog de
meesten. Zoo moest het dan de Profeet zijn, tegen wien
de toorn van allen losbarstte. Men sprak zoo, alsof hjj,
wie weet door welke toovermiddelen, de ramp had doen
ontstaan. Hem haatte en vervolgde men; en hoe zoude
men zich verblijd hebben, indien hij het eerst van honger
-ocr page 183-
167
gestorven was. Nog drie jaren na dezen tjjd grauwt Achab
Elia toe: „Z ij t g y het, die Israël beroert ?" Op
oostersche wjjze drukt hy in den vragenden vorm uit, wat
wij met drie uitroepingsteekens zouden zeggen : „Gy beroert
en verdierft en verderft het volk." Elia verkeerde in een
vreesljjken toestand. Het scheen dat Gods strafgerichten
ook Gods afgezant vernietigen moesten. Op dezen tweele-
digen nood, het gebrek aan voedsel en den volkshaat, laat
het woord van Jehova den blik werpen, want het luidt:
«Verberg u aan de beek Krith!" Verbergen moet liij
zich, om den storm der vervolging te ontgaan.
Zoude Elia dezen loop der zaken wel verwacht hebben ?
Had hy niet veeleer gedacht, dat de nood het volk zou
hebben leeren bidden, dat het zich rondom hem zoude
scharen en naar den weg der redding vragen, wanneer de
almachtige God zijn woord zoo blijkbaar staafde ? En hoe
veelbelovend, hoe hartverbln\'dend zoude dan zn\'n arbeid zijn
geweest! Na echter staat hy daar als de vervloekte vijand
van Israël.
Zoo gaat het echter dikwyls in het rijk van God. Door
heilige geestdrift gedreven, doet men iets in den naam
des Heeren. Men aanvaardt een beroep, om Hem daarin
te dienen, — men neemt een gewichtig besluit, waarby men
zich geheel door de gedachte aan de eeuwigheid laat lei
den, — men brengt een groot otter voor de zaak van God, —
men begeeft zich tot eenen zondaar, om hem uit het verderf
te redden, — men legt een getuigenis af voor de zaak van
God, — men handelt met vollen ernst naar het woord:
„Ik en myn huis willen den Heere dienen." Dat alles deed
men in de vaste overtuiging, dat God het zoo verlangt.
En Hij verlangt het ook werkelyk. Nemen we aan, dat
het een heilig vuur was, dat u deed gloeien. Gy hadt
-ocr page 184-
168
vooraf niet berekend, welke hindernissen, gevolgen, oft\'ers,
smarten uit uwe handelwijze konden ontstaan. Maar ofschoon
gy aan al deze gevolgen niet hadt gedacht, zoo vonden zn\'
toch schielijk en onverbiddelijk plaats. Door de vijanden
werdt gij in het nauw gebracht, bespot, gelasterd, vervolgd.
Uwe vrienden echter schudden over u het hoofd, trokken
zich stilzwijgend terug of zeiden u ook in het aangezicht
dat gij u door uw jjvervuur in ongelegenheid hadt gebracht
en nu zelf de gevolgen uwer handelwijze moest ondervinden.
Zoo staat gjj daar verlaten, gedrukt, en God de Heer doet
geen wonder, om de smartelijke gevolgen van hetgeen gij
in den geloove verrichttet af te wenden. Ja, het schjjnt
u dikwjjls toe, alsof Hij zich niet om u bekreunt en uw
schreien niet hoort. Dat is dan een moeielijke toestand. Groot
is het gevaar, dat men dan ten opzichte van zich zelven,
van zijn geloof, ja zelfs van zijnen God begint te twjjfelen.
Maar wanneer het u, in mindere of meerdere mate, zoo
gaat, herinner u dan, dat de getrouwste dienstknechten
van God op dezelfde wijze beproefd zijn geworden. Denk
bjj voorbeeld aan M o z e s, die zich toch moeieljjk genoeg
door God liet bewegen, om Israëls bevrijding van Farao
te eischen. Eindelijk onderwerpt hij zich aan Gods wil.
Maar in plaats dat God hem nu op gebaande wegen leidt,
vindt liij bezwaar op bezwaar. Zijn eigen volk is stug
en koel jegens hem, omdat zijn toestand door hem, die de
redder moet zijn,* aanvankelijk slechts verergerd wordt.
De Egyptenaars haten hem, de koning verhardt zich steeds
opnieuw, en zelfs de teekenen der goddelijke macht schijnen
een langen tijd volslagen machteloos te zyn tegenover den
trots des dwingelands. — En de w jj z e n uit het o o s-
t e n, die, door heilig verlangen naar eenen Heiland gedre-
ven, geheele landen doorgereisd hadden, zjj vinden nu in
-ocr page 185-
1G9
het land, waarop de ster hen gewezen had, eeneu koning
met een slang in den boezem, schriftgeleerden met onge-
voelige, koude harten, een onverschillig volk en den vurig
verlangde niet als eenen koningszoon, maar als een arm
kind, dat in een stal geboren is. Zoude ook hun het hart
niet gesidderd hebben P Zouden ook z|j niet in bange uren
gesmeekt hebben: Help ons, o God! opdat wjj het vertrou-
wen op uwe ster niet verliezen ? Van L u tb er weten wjj,
dat zijne ziel meer dan eens door eene bange huivering
bevangen werd, wanneer hjj de onverwachte en voor een
gedeelte zoo vreeselijke gevolgen van zjjn moedig getuige-
nis zag. — Ja, er zullen weinige dienaren van God zijn,
die niet dikwijls ontsteld zjjn geworden over hetgeen zij
toch in den geloove gedaan hebben. Zoo is ook E1 i a
geheel en al verlaten. De vromen in den lande houden zich
angstvallig verre van hem verwijderd; de anderen vervol-
gen hem; de hongersnood klopt ook aan zijne woning. Ja,
man, wat nu? Maar hg geeft zjjn sidderend hart geheel
over aan het hart van God en nu wordt het kalm. Hjj
zegt ook tot zich zelven: „Werp uwe bekommernis op den
Heer; Hij zal u verzorgen en uwe ziel niet eeuwig in onrust
laten." En dat mocht hij en dat mochten alle kinderen van
God, die het wilden leeren te wachten en stil te zijn, onder-
vinden, dat niemand beschaamd wordt gemaakt, die op God
vertrouwt.
„Als het uurtje is gekomen, Redt Hjj uit met macht."
II.
Elia bleef niet alleen. „Het woord des He er en
kwam tot He m." God zelf naderde tot zijnen eenzamen
dienstknecht, en dit niet als een zwijgende, maar als een
-ocr page 186-
170
sprekende God, als. een vertroostende Vader. „Met moeder-
handen geleidt Hü de zijnen bestendig overal." Wanneer
echter de „Vader aller geesten," die beter troost, dan iemand
door zijne moeder getroost wordt, tot ons komt, hoe kan
er dan nog sprake zijn van eenzaamheid ? Ofschoon een
kind van God ook in de allermoeielijkste en (zooals men
zegt) wanhopigste omstandigheden verkeert, zoo is toch
het begin van het einde van allen jammer gekomen op het
oogenblik, wanneer men in het diepste der ziel vast over-
tuigd wordt van hetgene David zóó uitdrukt: „De Heer
denkt aan mij." Denkt Hij aan u, denkt de groote God
aan uwe kleine zaken, dan zijt gy in de beste handen, dan
moet de hulp nabij zijn, ofschoon er ook nog niets van te
bespeuren is. Zijt gij een arme man, maar weet gij, dat
een even rijke als barmhartige mensen uwen toestand kent
en ter harte neemt, dan zijt gij gerust en goedsmoeds. En
nu, — zoo de almachtige God en Schepper uwer gedenkt!
Hoe gij van dit goddelijk gedenken innerlijk vast overtuigd
wordt, dat is volkomen onverschillig, indien gij er slechts
vast van verzekerd wordt. En om u daarvan te verzekeren,
staat Hem de geheele schepping ten dienste. Derhalve niet
slechts zijn woord en de stem van zijnen Geest, — neen,
zonnestraal en bloem, het gezang van een kind, de weldaad
van eenen mensch en wat al meer. Geen schepsel is zoo
klein en zoo groot, dat God de Heer daarvan niet een
Evangelist zou kunnen maken, die vertroostend en vol mede-
doogen tot u zegt: „Ik denk aan u en zegen u."
Hoe God tot zijnen dienstknecht Elia naderde, hoe
Hü hem den weg der redding aanwees, door een gezicht,
in eenen droom, door eenen Engel of op eenige andere
wijze, — dit vernemen wy niet. Zoo willen wjj ons daar-
over het hoofd dan ook niet breken. Genoeg, op de eene
-ocr page 187-
171
of andere bovennatuurlijke w|jze ontving Elia het hevel:
,Ga weg van hier en wend u naar het oosten en verberg
11 aan de beek Krith, die naar den Jordaan stroomt. En
gij zult uit de beek drinken, en ik heb de raven geboden,
dat z|j u daar verzorgen." Deze boodschap kan slechts
op eene bovennatuurlijke wijze tot Elia gekomen
zjjn. Dat gulzige raven hem van voedsel zouden voorzien,
dit konde Elia niet door vleesch en bloed of eenige men-
srheln\'ke wetenschap geopenbaard worden, maar alleen door
zijnen Vader in den hemel, die de Schepper en Kegeerder
van alle schepselen is. „Ik heb de raven geboden, u daar
te verzorgen", — waarlijk, Elia moest geen mensch z|jn
geweest, indien bij deze boodschap z|jn hart niet gesidderd
had. Zjjn gevoel zeide hem: „dat is toch stuitend", en zjjn
verstand voegde daarb|j: „dat is onmogelijk", — onmoge-
l|jk, dat deze gulzigste van alle dieren u vrijwillig vleesch
en brood zouden geven. Waar zij het vandaan zullen krijgen,
is niet te begrijpen, en dat z|j het zullen afgeven, zelfs
wanneer zij het in overvloed hebben, is geheel ondenkbaar.
Ja, deze weg is geheel in s tr|j d met d e natuur.
Nu zingt Tersteegen wel: „Gaat het tegen de natuur, dan
gaat het recht en schoon". En gewis, hij heeft daarin vol-
komen gel|jk, want in den regel is dit het zegel en ken-
merk, dat Gods hand in het spel is, zoo het wonderbaar
toegaat, dat wil zeggen, in strijd met alle menschelyke
kunst en kracht, list en lust. Maar het is ook waar, dat
onze natuur van zulke wegen van God afkeerig is. Het
is ook waar, dat de menschen duizendmaal, wanneer God
de Heer op zulke, naar onze meening duistere wegen w|jst,
bewust of onbewust de oogen sluiten. Natuurlijkerwijze
bl|jven z|j dan zonder licht en troost van boven en klagen,,
dat God al hun bidden en smeeken niet verhoort en in
-ocr page 188-
172
weerwil van zijne belofte hun den weg niet wjjst, dien zjj
bewandelen moeten! O, dat wij toch nederig en eenvoudig
werden, om de wenken van God te verstaan en op te
volgen, ook wanneer zij met de „verstandige"\' denkbeelden,
die wij ons gevormd hebben, zoo sterk mogelijk in strijd
zijn. Zoo zouden wjj dan de heerlijkheid Gods zien, terwijl
wjj nu, ach, hoe dikwijls! in de donkere kamer zitten.
Of het en dat het den Profeet zeer gemakkelijk is
gevallen, zich met Gods wil te vereenigen, behoeven wij
niet aan te nemen. Maar wat er ook in zjjn hart moge
omgegaan zijn, het einde der zaak is, dat hij zich geheel
overgeeft. Hij laat alle eigenzinnigheid en het gansche
protest zjjner natuur met mannenmoed varen. „Elia ging
heen en deed naar het woord des Heeren." Hjj geloofde,
hjj vertrouwde op zijnen God, daarom deed hjj naar het
woord des Heeren; deze beide zaken, gelooven en doen,
z|jn onafscheidelijk met elkander vereenigd, gelijk zonlicht
en zonnestraal. Geloof te bezitten, dat is: zulk eene onwan-
kelbare overtuiging van Gods liefde en vrijheid te bezitten,
dat men zich aan Zijnen wil gewillig onderwerpt. Geschiedt
dit met een bljjmoedigen geest, — dat is het beste;
geschiedt het met vreeze en beven en tranen in het oog,
dan is het ook goed, indien het slechts zonder morren
geschiedt. God weet wel, welk maaksel wjj zjjn en dat
er naast de nieuwe natuur eene oude is, die hare rechten
onbeschaamd doet gelden en ook bij de beste personen
slechts zeer, zeer langzaam sterft.
Zoo zien wij dan ook dat Elia, een man met zulk een
ijzeren wil, met zulk een onwrikbaar vast karakter, zooals
er zelden in de geschiedenis voorkomen, — wij zien, dat
hjj nochtans stil en willeloos gehoorzaamt. Voor zijne natuur
konde het niet aangenaam zyn, zoo „werkeloos en doelloos,"
-ocr page 189-
173
gelijk men het noemt, neder te zitten en van den eenen
morgenstond tot den anderen te wachten en steeds opnieuw
te wachten. Dit geduldige, machtelooze wachten en stil z\\jn
is, om het zoo uit te drukken, — de vrouwelijke zijde
van het geloof; zij was voor Elia veel moeieln\'ker dan het
mannelijke element des geloofs, het werken, handelen,
strijden. Maar juist omdat het moeielijker is, moet de
Profeet het leeren. Desgelijks gij en ik, waarde Broeder!
die alles, alles meenen te kunnen dragen en dulden, maar
niet het „gebonden zijn." Dit is dus juist de les, die wij
zullen moeten leeren. Denk daaraan op den rechten tijd!
Wat nu het wonder betreft, dat Elia dag aan dag
beleeft, zoo heb ik reeds opgemerkt, dat het van een zeer
aanstoot gevenden aard is. Met het water kan het nog
„natuurlijk" zijn toegegaan. Zegt men, dat Elia wel een
onderaardsche vergaderplaats van water kan gevonden heb-
ben, waar de vochtigheid zoo lang bewaard was gebleven, —
ik wil het niet tegenspreken. Maar dat de raven hem des
morgens en des avonds brood en vleesch brengen, dit is
door niets, door niets hoegenaamd te verklaren, dan hier-
door, dat de onzichtbare hand van den onzichtbaren God in
de dingen der zichtbare wereld ingrijpt en iets nieuws schept,
dat door geene menscheiyke rede en ervaring begrepen kan
worden. „Ik heb de raven gebode n", dat is de
verklaring van dit wonder, eene verklaring, die natuurlijk
slechts voor dien mensch iets waard is, wien het met het
goddelijke „Ik" ernst is, die er innig van doordrongen is,
dat dit goddelijke „Ik" met het menschelijke „Ik" in eene
rechtstreeksche, ommiddelljjke verbintenis wil treden. Kin-
derachtig is de verklaring van eenige godgeleerden, die ons
berichten, dat onder de raven de inwoners eener nabügele-
gene stad, Kab geheeten, verstaan moeten worden. En niet
-ocr page 190-
174
minder belachelijk is het, als anderen de geschiedenis zoo
verklaren, dat Elia op raven jacht heeft gemaakt en dat de
door hem gedoode raven de plaats van brood en vleesch
voor hem vervangen moesten. Dan zjjn mn\' die personen
aangenamer, die ronduit verklaren: wjj kunnen dat niet
gelooven. Maar al ware het ook mogelijk, (wat niet mogelijk
is,) het ravenwonder uit de wereld te doen verdwijnen, zoo
zoude het toch geheel onmogelijk zijn, de talrijke en reus-
achtige wonderen uit het overige der geschiedenis van Elia
weg te redeneeren. Neem er de wonderen uit weg, en er
blijft volstrekt niets van over!
Mocht echter iemand zeggen: „Goed, dan laat ik de geheele
geschiedenis van Elia vallen! Ik heb haar tot mijne zalig-
heid niet noodig! Ik houde mn\' aan den Heere Christus" —
dan moet ik u antwoorden: „Indien uw Heer Christus
werkelijk uw steun zal zijn in leven en in sterven, indien
het die Heiland is, wien het Evangelie verkondigt, dan
komt gij by Hem zonder wondergeloof nog minder terecht
dan bij Elia. Zonder wonder is er geen Evangelie! Zonder
wonder is er geen geloof aan den Bijbel! Zonder wonder
is er niet eens een geloof aan het bestaan van God, aan
eenen Schepper en Onderhouder der wereld, aan eenenGod,
die gebeden verhoort en den weg zijner kinderen regelt.
Schrap het woord wonder uit, en gü schrapt het Evan-
gelie, ja gü schrapt (laat mij dwaselijk spreken) den leven-
den en persoonlijken God zelven uit! Zonder wonder is er
geen geloof, want het geloof zelf is reeds een wonder, een
feit, dat door niets anders in het gansch heelal verklaard
kan worden, dan door eene onmiddellijke goddelijke werking.
Dat men aan krachten, machten en werkingen eener onzicht-
bare wereld gelooft, dat is, van het standpunt van het
bloote verstand beschouwd, eene ongerijmdheid, omdat noch
-ocr page 191-
175
deze onzichtbare wereld, noch hare inwerkingen op de schep-
selen bewezen kunnen worden. Wie er zijne gronden
voor heeft, dat hij eene goddelijke openbaring, hetzij
door woord, hetzjj door wonderdaad, hetzij m den persoon
van Jezus, loochenen wil, dien zal men nu en nimmer tot
het tegendeel kunnen dwingen, — die moet echter ook
inzien, dat lijj daarmede het gansche christendom verwerpt.
Nu, waarde Hoorders! ik weet het, dit wilt gjj niet. Gij
zh\'t er, hoop ik, allen van overtuigd, dat men eenen God
moet hebben, die wonderen doet, of in \'t geheel geenen
God hebben, die een hart voor ons heeft, en voor wien wjj
een hart kunnen hebben. Maar, zoo hoor ik zeggen, daaruit
volgt toch nog niet, dat ieder wonder, hetwelk de Bijbel
verhaalt, werkelijk geschied is. Inderdaad, daaruit,
dat er een God is, die wonderen doet, volgt zeker nog niet.
dat de geheele Bijbel Gods woord is en dat ieder bericht
der Schrift op waarheid berust. Wij hebben daarvoor, Gode
zij dank! andere, zeer goede gronden. Hier zeg ik slechts
dit, dat een wonder daardoor voor echt wordt verklaard,
dat het een heilig doel doet bereiken, dat het de liefderijke
gezindheid van den heiligen God en Vader jegens de men-
schenkinderen openbaart, dat het God, den Schepper en den
Verlosser der menschheid, in een helderder licht plaatst.
Bat dit doel nu bh\' al de wonderen der geschiedenis van
Elia bereikt wordt, is gemakkelijk te bewijzen.
Zien wij op het wonder onzer geschiedenis! Zoude Elia
niet van honger sterven, zoude niet het Gode onwaardige
geschieden, dat de getrouwe getuige van God met de god-
deloozen werd weggeraapt, dan moest God hem op eene
wonderbare wijze onderhouden, want de menschen wilden
hem niet helpen en hij zelf konde zich niet helpen. Zoo
gebiedt nu God de raven, zijne dienaars te worden. Voor-
-ocr page 192-
17(3
zeker, Hij zoude hem nog op duizenderJei andere wijzen
hebben kunnen helpen. Maar Hij wilde het nu juist zóó,
en waarom Hn\' het juist zóó wilde, waarom Hij juist de
raven tot zn\'ne spysmeesters maakte, dat kan diegene wel
begrijpen, die in de zaken der goddeln\'ke huishouding een
weinig te huis is. 1)
I) Ik kan niet nalaten, ei\' bij deze gelegenheid op te wijzen,
hoe liefderijk in Gods woord overal over de dieren gesproken
wordt. Het is zoo, geen godsdienstig boek en geene wijsbegeerte
van alle eeuwen inaakt zulk eene diepe en niet te dempen kloof
tusschen menschen en dieren, als juist de Bijbel. Men vestige het
oog slechts op zijn eerste blad, dat over de schepping spreekt.
Water en aarde doen op Gods bevel de dieren voortkomen : maar
als er over den m e n s c h gesproken wordt, hooien wij den almaeh-
tigen, heiligen God de verhevene woorden spreken : «Laat ons
menschen maken naar ons beeld en onze gelijkenis enz." Niet als
stamverwante wezens worden in de heilige Schrift de dieren naast
de menschen geplaatst, maar als schepselen, waarover de mensch,
als de koninklijke gebieder in de schepping, heersenen en waarvan
hij gebruik maken moet. Die moderne wetenschap, welke de gren-
zen tusschen mensch en dier tracht te doen verdwijnen, graaft,
voor haar deel, het graf van alle humaniteit en menschenwaarde.
Maar ook de dieren zijn Gods schepselen, en als de zoodanige-
rooet de mensch hen eerbiedigen. Zoo hij een mensch en niet een
oninenseh is, dan moet zijne heerschappij zoo zacht en weldadig
wezen, als maar eenigszins mogelijk is. Alle noodeloos kwellen dei\'
dieren is zonder twijfel een gruwel voor God, is een inbreuk op
de rechten van dien God, die den mensch tot heerscher, maarniet
tot beul in zijne schepping heeft aangesteld. Zeker mag en moet
de mensch de dieren gebruiken, voor zoover het tot zijn wezenlijk
heil verstrekt, maar misbruiken mag hij ze niet, want dan is hij
ontrouw ten opzichte van het hern toevertrouwde talent. — »De
rechtvaardige ontfermt zich over zijn vee," zegt Gods woord, en de
-ocr page 193-
177
Men zal misschien zeggen: „Ja, als het nog duiven waren
geweest, of hoenders of ooievaren of huishonden, kortom,
zulke dieren, die zich vertrouwelijk bij den menseli aan-
sluiten, liefde van hem ondervinden en hem wederkeerig
liefde en trouw betoonen. Dat zoude zich nog laten hoo-
wet des Ouden Testaments geeft eene lange reeks van voorsehrif-
ten, die allo eene goddelijke ontferming over de dieren ademen.
•Men zal den dorschenden os niet muilbanden, — men zal geen
vogel vangen als hij op de jongen zit. — men zal een bokje niet
koken in de melk zijner moeder enz." Ja zelfs de gestrenge viering
van den Israëlietischen Sabbath wordt gebroken, wanneer het te
doen is om eenen os uit het water te trekken of een lastdier, dat
gevallen is, op te richten. Ook elders is de Bijbel vol liefelijke
wenken, die den mensch opwekken om de dieren zacht en liefderijk
te behandelen. Hoe zorgvuldig moet Noach een paar van elke die-
rensoort in de ark verzamelen en mag er geen verloren laten gaan.
Hoe liefelijk is het, dat eerst de raven en daarna de duiven
als pioniers van den mensch de droog wordende aarde moeten onder-
zoeken ! Zoo maakt ook de profeet de adelaars tot beelden
van het zich ten hemel verheffend geloof; de h e n echter, die met
eigen gevaar hare kiekens onder hare vleugels bijeen vergadert,
maakt zelfs onze Heiland tot het beeld van zijne eigene reddende,
zorgende liefde. Ooievaar, zwaluw, kraanvogel en t o r-
t e 1 d u i f worden ons voorgesteld als dieren, die de roepstem van
hun binnenste beter en getrouwer opvolgen, dan de naar Gods
beeld geschapen mensch de roepstem opvolgt, die hem opwekt om
geloovig naar de wereld der onzichtbare dingen te streven. O s en
ezel kennen hunnen meester en den zegen van de kribbe huns
meesters beter, dan de mensch den disch en de bronnen van zijnen
Ood weet te waardeeren. Doch men zoude een boek moeten schrij-
ven, zoo men alles ook slechts oppervlakkig wilde vermelden. —
En hoe dikwijls spreekt de Schrift over de trouw en liefde der
dieren jegens den mensch! Zoek inaar en gij zult vele schoone
ZIE1.ESTU1JD.
                                                                          12
-ocr page 194-
178
ren." Ik zeg echter: Dat zoude lang zoo schoon en veel-
beteekenend niet zijn! Juist de gulzige raven
moeten h e t z ij n! Het is dezelfde verhevene goddelijke,
schijnbaar tegenstrijdige handelwijs, welke van het vervloekte
martelhout des kruises eenen troon der heerlijkheid heeft
voorbeelden vinden, van de klagende ezelin van lülcam tot op het
lastdragende veulen, waarop Jezus rijdt, van liet vriendelijke hondje
van Tobias (41 : 9) tot op de honden, die medelijdende!\' dan de
ïnensehen de zweren van Lazarus lekken, en die beroemde hondjes,
die zich voeden met de kruimels, die van de tafel hunner heeren
vallen. (Matth. 15.)
Het is een slechts al te treurig bewijs, dat de «beschaving"
geene ruwheid en onmenschelijkheid verhindert, als er thans overal
in christelijke landen genootschappen tot bescherming der dieren
worden opgericht, en wel om zeer goede redenen, daar ze noodzakelijk
zijn. omdat de barbaarschheid jegens de dieren zoo algemeen is
geworden. Maar wat wil men nog klagen over onbeschaamde jon-
gens en ruwe voerlieden, — wat wil men nog klagen over de groote
heeren en hunne wreedaardige drijfjachten, — daar er in naam
der wetenschap eene foltering der dieren in grooten stijl plaats
heeft, eene foltering, die met elke beschrijving spot? Ik bedoel de
vivisectie. Men zegge, wat men wil, maar dat kan niet slechts
de kenner van Gods woord, neen, dat kan ieder, die zijn hart en
geweten laat spreken, inzien, dat de dieren niet daartoe door God
zijn geschapen, dat wij ze op duizenderlei wijze, maanden lang, uit
de eene akelige folterkamer in de andere brengen. Waarlijk, het
zuchten en kermen van het mishandelde schepsel zal tegen den
mensch ten hemel schreien! Die God, die het schreeuwen dei-
hongerige raven voor een inroepen van zijne hulp verklaart (Psalm
447 : 9) — hoe zal Hij over dit kermen van zoo ontelbaar vele gefol-
terde dieren, die onder den naam der wetenschap koelbloedig, lid
voor lid en eiken dag weer opnieuw, gemarteld en dikwijls tot
nieuwe martelingen kunstmatig in het leven gehouden worden, —
-ocr page 195-
170
■gemaakt, — dezelfde sehjjnbare tegenstrijdigheid is het,
als God de raven in spijsmeesters verandert. Elia moest .
daaruit leeren en ook gij moet daaruit leeren, dat er een
God in den hemel is, die ,de booze natuur in liet tegen-
overgestelde kan veranderen. Of ziet gij niet in, dat die
hoe, vragen wij, zal God over dit kermen en weeklagen oordeelen? —
Geloove, wie het gelooven kan, dat God langs zulk eenen weg de
middelen tot verzachting van menschelijk lijden wil aanwijzen !
Nog is er van zulk een nut weinig of niets aan het licht gekomen.
Maar al nemen wij ook aan, dat door zulke talrijke eu afschil we-
lijke proefnemingen met de dieren eene nieuwe kennis van het
menschelijk organisme verkregen werd, — al nemen wij dit nu
ook eens aan, dan moeten wij toch zeggen: de prijs is te hoog!
Het nut wordt reeds daardoor een nadeel, dat de vele personen,
die zulk een werk verrichten, onveimijdelijk een gedeelte van hunne
ware menschheid verliezen, dat zij innerlijk ruwer en dus ook
onbekwamer worden om hunne lijdende medeinenschen recht te
behandelen. De mogelijkheid daargelaten, dat voor enkele uitste-
kend bekwame mannen de vivisectie bij wijze van uitzondering
geoorloofd is, — in allen gevalle, zoo onbarmhartig, zoo veelvuldig!
zoo zonder roeping als zij thans plaats heeft, is zij eene schande
en een vloek voor ons geslacht! Wij christenen moesten ons scha-
men voor Kannibalen en Hottentotten, zoo zij de folterkamers onzer
«wetenschap" binnenkwamen. Maar glimlachend en fier begaan
thans de christelijke studenten zulk eene wreedheid, waarvan de
Nieuw-Zeelander een afschuw zoude hebben. Wie daartegen niet
protesteeren wil in het belang der dieren, die protesteere in het
belang der menschen, die door zulke «oefeningen" zedelijk bena-
deeld worden; want voordat men dieren als gevoellooze steenen
en houten kan behandelen, moet men eerst een stuk van zijn eigen
hart dooden.
Met diegenen echter, die met eene bespottelijke teergevoeligheid
de dieren bijna als broeders en zusters beschouwen, die ook op hunne
-ocr page 196-
180
God, die de natuurlijke geaardheid der dieren in het tegen-
overgestelde verandert, ook uw booze hart veranderen ert
bekeeren kan en wil, daar Hij een God der raenschen
is — \'i En wanneer gij eerst bü u zelven en anderen dit
wonder aanschouwt, dat God in eenen mensch werkelijk
een nieuw hart schept, dat Hij bijvoorbeeld door zijnen
Geest eenen ongevoeligen gierigaard in eenen barmhartigen,
milddadigen man verandert, wien het geven, helpen en
dienen een lust is, of als Hü uwe morrende, vreesachtige
zielsgesteldheid in stille onderwerping en dankbare tevre-
denheid verandert, waarom zoudt gij dan nog aan het won-
der der raven twijfelen \'i Of indien de ravengeschiedenis u
thans opwekt om met blijden moed om dat wonder dei-
vernieuwing van uw hart te bidden, heeft het dan ook niet
bij u een heilig doel bereikt? Voorwaar, gij zjjt van allen
twijfel aan Gods wondermacht voor eeuwig verlost, wanneer
gij in het middelpunt van uw hart deze wondermacht
persoonlijk ondervonden hebt. De menschwording van Jezus
Christus in u, de geboorte van Jezus Christus in uw hart
is een wonder, waartegen alle wonderen der geschiedenis
van Elia wezenlijke kleinigheden zijn. Hebt gij echter
beurt »in naam der wetenschap" tle oude kloof tussehen mensch
en dier dempen, — met hen heb ik niets gemeens. Het is opmer-
kelijk, geheel uit denzelfden bodem, namelijk uit den bodem van
het naturalisme, atheïsme, materialisme is ook die
wreedheid voortgesproten. Het zijn de materialisten, die, al naar
dat temperament, stemming en gelegenheid liet medebrengen, nu
eens het dier als een gelijksoortig wezen aan hun hart drukken,
dan weder hetzelfde dier bij levenden lijve het hart uitsnijden,
alsof het geen gevoel had. Het rechte midden vindt slechts de
godsdienstige mensch, de mensch die gelooft.
De Schrijver.
-ocr page 197-
181
•dit persoonlijk wonder niet ondervonden, dan kan u uw
geloof aan alle overige wonderen, die in den Bjjbel verhaald
worden, niets baten; want deze alle hebben dat ten doel.
Dit hebben wij in de ravengeschiedenis gezien. En zoo
hebben deze raven Elia niet slechts lichamelijke, maar
ook hemelsche spijze gebracht. Juist dit, dat z ij het waren,
gaf hem zeer veel te denken en te danken, en hun schor
gekras zal voor hem eene ware hemelsche muziek zijn
geweest. En daaraan had hjj ook groote behoefte.
111.
Het was geen kleinigheid voor Elia, in de woeste rots-
kloven van het Kritli-dal zoo eenzaam en geheel alleen te
zijn. „Een jaar zonder boeken! dat is toch ontzettend!"
roept de geleerde. „Ken jaar zonder gezelschappen en zonder
kunstgenot — onverdragelijk!" roept de dame uit de groote
wereld. „En ik zoude van verveling sterven, indien ik een
jaar lang geene zaken had !" zegt de koopman, die gewoon
is, van den ochtend tot den avond in de beslommering van
den arbeid te zijn. Nu ja, gemakkelijk zoude het
eenzame jaar wel niemand van ons gevallen zijn! De men-
schen van de negentiende eeuw moeten altijd veel beweging
rondom zich hebben, indien zij wel te moede zullen zijn.
Zij hebben vooral behoefte aan zeer veel hulpbronnen en
opwekkingen van buiten, om zich in hun leven te kunnen
verblijden. Het ontbreekt hun aan den inwendigen schat,
waarvan zjj kunnen teren, daarom is hun de eenzaamheid
als een geestelijk verhongeren. Maar al mochten er ook
voor Elia enkele uren zijn, waarin de eenzaamheid drukkend
voor hem was, toch mogen wij niet denken, dat de tijd
hem lang is gevallen.
-ocr page 198-
182
"Wel had hij geen papieren boeken, maar was de groot-
sche wereld van het gebergte rondom hem niet een open-
geslagen, reusachtig boek van God? Hoe zal Elia in dit
boek gelezen hebben! Hoe zullen alle schepselen rondom
hem, de welriekende of de verwelkende bloem, het rui-
schende woud en de murmelende beek, het vogeltje op de
takken en de gloeiende avondwolken, de brullende leeuw
en de sissende slang, de schitterende sterrenhemel en de
vertrapte worm, — hoe zullen, zeg ik, alle voorwerpen der
schepping beelden en gelijkenissen der onzichtbare wereld
voor hem geworden zijn ! Het is wonderbaar, hoe voor een
gemoed, dat in God zjjne ruste heeft, de „doode natuur"
levend wordt, hoe zij daarvoor hare verborgene schatkameren
opent en tot eene krachtige openbaring van God doet ver-
strekken. Op de volmaaktste wijze zien wij dit bij dien
Eenige, die, geln\'k niemand anders, altyd en geheel bij zijnen
Vader was. Maar de schrijvers der bijbelsche boeken toonen
meer of min allen, dat zij iets van de stem des E e u wi-
g e n gehoord hadden, die door de woestijn en door de
balsemtuinen, door zeegolven en van den wind bewogene
grashalmen henen klinkt. En wie onder verstandige en
vrome landlieden geleefd heeft, die weet ook, welk eene
kostelijke godsdienstige wijsheid zij dikwijls werkelijk van
den boom plukken of uit de aarde graven. De stedeling
daarentegen, zooals hjj gewoonlijk is, met zijne meestal zoo
eenzijdige verstandsontwikkeling, met zyne wetenschap, —
dat wil zeggen, met zijne duizenderlei brokstukken uit alle
mogelijke wetenschappen, — hij staat doorgaans voor het
boek der natuur met gebonden handen, zoodat hij niet in
staat is, het te openen. — Zonder twijfel zal Elia ook langs
dezen weg, door de stem van God in de schepselen, meniger-
lei openbaring ontvangen hebben. Veel in de binnenwereld
-ocr page 199-
183
heeft hij verstaan door de buitenwereld, en wederom de
buitenwereld door het beluisteren van de inwendige wereld
des harten. Alles, wat hij zag en hoorde, heeft hem op
het binnenste van zijn hart en tevens naar boven op zijnen
God gewezen. Want dat is het eigenaardige van Gods kin-
deren, dat, wat zij ook zien, hooren, smaken, gevoelen,
ontwaren, ondervinden in lief en leed, — dat zij geen rust
hebben, voordat het een ladder voor hen geworden is, waar-
langs zij in hun hart afdalen en tot God opstijgen. Elia
heeft zonder twijfel van dat eenzame jaar ijverig gebruik
gemaakt, om in de diepten van zijn hart af te dalen; met
de lamp van God heeft hij biddende alles onderzocht, zijn
vroegere leven en zijn tegenwoordigen toestand. Hoeveel,
dat niet rein, niet waarachtig, niet eerbaar was, kan hij
toen nog ontdekt hebben! Hoe menige verborgene ver-
keerdheid, hoe menige onopgemerkte zonde, zal hij daar op
het spoor zjjn gekomen! De grootste winst nu, die wjj
kunnen behalen, bestaat hierin, dat wjj ons zelven zedelijk
bankroet verklaren. Daaruit vloeit dan al het andere voort.
Wat Elia verder in den geest bezig hield, was zonder
twijfel de toekomst van Israël. Aan dit volk was
toch het geheele werk van zijn leven gewijd, voor dit volk
klopte zijn gansche hart, om den wille van dit volk moest
hy ook lijden. Hij was een patriot in den edelsten zin
des woords. Onder geen volk ter wereld nu hebben de
grootste volksvrienden zooveel smaad en vervolging moeten
ondergaan, als in Israël. Dat ondervond reeds Mozes, de
eerste regent van dit volk, en het was niet anders in de
dagen van Saulus, toen zich de wolken van het verplette-
rende strafgericht boven Israël samenpakten. Ook Elia oogstte
in zijn geheele leven slechts haat en gramschap. Dit weer-
hield hem echter niet, voor zijn volk bestendig te bidden
-ocr page 200-
184
en op nieuwe wegen van redding en hervorming te pein-
zen; want slechts de ongeloovige wanhoopt en slechts hij,
die zich zelven rechtvaardigt, wordt verbitterd.
Kortom, dewijl Elia zijnen God in zijne eenzaamheid bh\'
zich had, zoo was de eenzaamheid niet eenzaam meer; nog
minder was zij doodend, maar eene bron des levens.
In allen gevalle was de eenzaamheid van den Profeet aan
de Krith slechts een voorteeken van de eenzaamheid, die
de stempel van zjjn geheele leven was, zooals wij nog zul"
len zien. En wederom is Elia slechts ee\'n der vele
dienstknechten van God, die eenzame uren zonder tal en
verlatene toestanden onophoudelijk beleven moesten.
Hoe eenzaam was bijvoorbeeld No ach! Het geheele
Godsryk stond in zyne dagen slechts op dit ééne hoofd;
alle andere hoofden volgden eene andere richting dan het
zijne. Niet anders is het later ook met Abraham! Er
ligt een waas van weemoed en zwaarmoedigheid over dat
eenzame heen- en weertrekken dezer godgewijde nomaden,
die in Kanaiin als in een vreemd land moeten omzwerven
en die door vriend en vijand als „wonderlijke gasten" aan-
gezien worden. Desgelijks leefde 11 o z e s veertig lange
jaren in de Midianitische bergen onder beminnenswaardige
heidenen, die echter toch niet begrepen, wat zijn hoogste
goed uitmaakte. En toen hij zich later te midden van zijn
volk bevond, was hjj daar nochtans als de eenzame vogel
op het dak. Zal ik nog spreken van D a v i d s jarenlange
vluchtelingsleven in de woestijn ? Zal ik nog spreken van
de Profeten, die niet slechts eenzaam waren, wanneer
zij op de puinhoopen van Jeruzalem zaten, maar ook mid-
den in het gewoel des volks? Want eenzaam is men niet
slechts daar, waar geene menschcn zijn, maar ook daar, waar
men door de menschen. die daar zijn, niet begrepen wordt.
-ocr page 201-
185
En de Godsmannen in liet Nieuwe Verbond, van J o h a n-
•n e s den D o o p e r af, die „in de woestijn" was, tot op
den ziener J o h a n n e s, die op de kale rotsen van Pat-
mos, te midden van het gebruis der zee, verbannen en
verlaten door de geheele wereld, zjjn oog ten hemel richt, —
zjj allen zijn, deels uit eigen beweging, deels door godde-
lijke leiding (die zij dan echter ook welkom heetten) zeer,
zeer dikwijls eenzaam geweest. En zonder twijfel ligt in
deze heilige eenzaamheid het geheim hunner kracht.
Zelfs Jezus Christus, onzen Heiland, noemen wjj in dezen
samenhang. Niet omdat Hij God a Zoon was, maar omdat
Hn\' „des menschen Zoon", een echt mensch, d e echte
mensch was, zocht Hij zoo dikwjjls de eenzaamheid en de
stilte. In de stilte der woestijn, op de eenzame bergtoppen,
onder den schitterenden sterrenhemel zoekt Hij in gods-
dienstige overpeinzing rust, versterking, verheffing. Als
opnieuw gewapend en opnieuw bezield keert Hjj dan in het
gewoel en gedruis des levens terug.
Wjj kinderen der negentiende eeuw zjjn voor het grootste
gedeelte zeer weinig met de stilte ingenomen. Het is ook
werkelijk eene zeer bewogene wereld, waarin God de Heer
ons heeft geplaatst. Het leven is thans zoo onrustig, zoo
bont, zoo gejaagd; de arbeid is voor de meesten niet
meer eene stille werkzaamheid, maar een strijd, „een strijd
om het bestaan," zooals men niet zonder grond zegt. De
behoeften des levens bestaan tegenwoordig in zooveel
en zooveel verstrooiingen. Duizend onrustige en ver-
ontrustende stemmen dringen aanhoudend ook tot in de stilste
huizen door, al is het ook slechts door het kanaal, dat wjj
„de pers van den dag" noemen. Kortom, de wereld is thans
zeer bewogen, en wjj moeten haar nemen, zooals zjj is.
God heeft er ons in geplaatst, en wjj moeten er niet uit
-ocr page 202-
186
loopen. Noch op de wijze der monniken, noch op die der piëtis-
ten moeten wjj ons uit de wereld verwijderen. Licht en
zout der wereld moeten wj) zijn, omdat wy discipelen van
Jezus z\\jn. Het licht nu moet op den kandelaar staan
midden in het huis, en het zout moet niet buiten pot en
schotel zijn, maar met de spijzen vermengd. Deze beelden
hebben geene verklaring noodig.
Maar ofschoon wjj ook midden i n de wereld moeten zijn
en geheel ten behoeve der wereld, dan toch niet van
de wereld. (Joh. 17 : 14.) Wij moeten een anderen geest
hebben dan de kinderen der wereld. Wij hebben een ander
doel, waarnaar wh\' streven, eene andere wereld, waarin wij
adem halen, andere smarten, andere genoegens, andere
wapenen, andere kleederen, dan de kinderen der wereld, —
indien het namelijk recht met ons gesteld is. — Maar zeer
dikwijls is het niet recht met ons gesteld. Wij zijn in ons
zelven niet, zooals wjj moesten zijn, en zy\'n dan ook voor
de wereld niet, wat wjj voor haar behoorden te zijn.
Waarom niet? Nu, omdat wij te zeer in de wereld
zijn en dus wereldsch worden, dewijl ons zout zijne kracht
heeft verloren.
Ik bedoel, gelijk reeds gezegd is, niet, dat wij onzen
weg over \'t geheel eenzamer moesten maken, dan God
hem gemaakt heeft; wij moeten uit eigene verkiezing noch
naar de Krith noch naar Patmos trekken. Maar d i t bedoel
ik, dat wjj nog wel grootere behoefte aan stille uren
zullen hebben, dan onze Heiland daaraan had. Die moeten
wjj dus nemen, gelijk Hy\' ze nam. — Wie het weet, wat
innerlijk leven is, die weet ook, dat liet in de stilte geboren
is, dat het in de stilte gevoed en steeds opnieuw gelou-
terd en versterkt moet worden. Wie een innerlijk leven
kent, die weet, dat hy\' juist in die tyden, toen hy met
-ocr page 203-
187
God en met zich zelven, met Gods woord en met de schrif-
ten van geestrijke, godvruchtige menschen alleen was, dat
lijj toen zijn beste goed ontving, datgene, wat licht, moed
en vrede aan het gemoed verleent, maar ook datgene, wat
hem naar lichaam en ziel in staat stelt om bij vernieu-
wing met opgewektheid werkzaam te zijn in de wereld, in
de familie, in de samenleving, in het beroepsleven, in het
Godsrijk. Ach, eene menigte edele kiemen gaat
verloren, omdat deontwikkeling door de heilige
eenzaamheid ontbreekt. Ook duizenden van e h ri s-
tenen bederven alles, wat oorspronkelijk en vrij in hen is,
en worden vromen naar den alledaagschen sleur, onzelf-
standige partijmenschen, napraters en naloopers op uitge-
holde sporen. Om dat te weten, behoeft men slechts door
het venster op de straat te zien. Men heeft in onzen tijd
geen tijd voor de eenzaamheid, en daarom heeft men later
noch licht noch kracht in de gemeenschap. Een boog, die
altijd gespannen is, verslapt, en een christen, die altijd
geven wil, verarmt. Wh\' hebben volstrekte behoefte aan
tijden, waarin zich het water verzamelen kan, en wij van
boven en van binnen het noodige ontvangen; tijden, waarin
wij inwendig werkzaam zh\'n en datgene verwerken, wat
wjj ontvangen hebben. \') Wat moet er echter van zulke
\') Er is geene gemeenschap, ilie aan den weldadigen invloed
van het stille samenzijn geen behoefte heeft. Moge b. v. een hu we-
lijk aanvankelijk zeer gelukkig zijn, zoo zal het nochtans weldra
innerlijk verarmen, indien de echtgenooten niet dikwijls alleen,
geheel alleen met hun beiden zijn. Echtgenooten, die altijd met
elkander naar concerten, schouwburgen, voordrachten en dergelijke
loopen, maar niets van die stille uren weten, zijn niet gelukkig.
Hun huwelijk is niet, wat het wezen moet. Juist die stille uren,
waarin, verre van het onrustige gedruis des levens, een echtgenoot
-ocr page 204-
188
christenen worden, die van niets anders weten, dan van
beroepszaken en vervolgens van christelijke gezelschappen,
comitc-zittingen, vereenigingsavonden, voorlezingsavonden,
vergaderingen van partijen en dergelijke bijeenkomsten. —
en die noch in hunne familie recht tevreden, noch in hun
zijn oog op het oog van den anderen vestigt en beiden het hart
voor elkander uitstorten, waarin men zich geheel aan elkander
mededeelt, elkanders lief en leed onderling bespreekt, elkander ver-
maant, vertroost, raadpleegt, kortom: de harten inéén laat vloeien, —
deze uren zijn hot, waaruit de duurzame jeugdige frischheid dei-
echtelijke gemeenschap voortvloeit. Waar zulke uren pijnlijk en
vervelend zijn, daar knaagt reeds de worm aan het huwelijksgeluk,
daar is het reeds verwelkt.
Geldt dit van de echtelijke gemeenschap, zoo geldt het nog veel
meer van uwe gemeenschap met uwen God. Gij, geheel persoon-
lijk, moet nu en dan — en wel hoe vaker des te beter — met
Hem eene stille ure hebben. Hier moet gij recht tot u zelf komen
en uwe ziel doen stilstaan in haren ijdelen loop. Dat is niet gernak-
kelijk, want evenals een aal ontglipt zij u gedurig weder. Gij
moogt echter niet rusten, voordat zij stil houdt, en God zal u hei-
pen. Gij moet u zelf rekenschap vragen over al uw doen, laten,
handelen en zijn, gij moet inzien, wie gij zijt; want waarom wilt
gij wachten, totdat het te laat is ? Gij moet God biddeti, dat Hij u
licht geve; gij moet met Samuël zeggen: »Spreek, Heere! uw
knecht hoort." Gij zult dan ondervinden, dat Hij u altijd iets te
zeggen, maar ook, dat Hij altijd iets te geven heeft. Deze
stille uren zullen voor u eene bron van vreugde, van vrijheid, van
vrede worden, zij zullen u met blijden moed bezielen om te strij-
den en te werken op deze aarde, maar ook voor den ingang in het
hemehijk, in de wereld der eeuwigheden.
Niemand zegge: «Voor zulke stille uren heb ik geen tijd!" —
Tijd heeft men steeds voor de dingen, die men wil omdat zij drin-
gend noodig zijn. Men neemt den tijd, dan heeft men (Hen. En
-ocr page 205-
189
binnenkamertje stil worden, ja, die er in het geheele jaar
nauwelijks toe komen, om een goed boek aandachtig te
lezen — ?!
Nu, de goede Herder laat zijne dwalende schaapjes niet
zoo lichtelijk varen. Zjj dwingen Hem dikwijls, dat Hj) hen
tot stilte noodzaakt, dat Hij hen eenzaam maakt op den
weg van bittere smarten. Hebben wij geen tjjd voor Hem,
dan geeft Hjj ons dien. Wij, die geheel onmisbaar meen-
den te zjjn, worden wellicht plotselings uit alles weggerukt
en op het ziekbed geworpen. Nu moeten wjj zien. dat de
wereld ook zonder ons haar gewonen gang gaat. Maar of
deze eenzaamheid ons tot zegen zal verstrekken, dit hangt
van ons af. De meesten hebben het niet geleerd, van haar
gebruik te maken, en haken er dan slechts naar, om er
spoedig van verlost te worden.
Maar ook op andere wijzen leidt de Heer ons in de
woestijn,\'* om vriendelijk met ons te spreken, ingeval wij
Hem namelyk willen hooren. U, waarde Zuster I werden
door den dood ontnomen , die de lust en vreugde uwer
oogen waren. Gjj, mijn Broeder! zaagt u bitter teleurge-
steld door hen, op wier trouw g(j kasteelen gebouwd zoudt
hoeveel bezigheden men ook hebben moge, een der stille Zon-
dagsuren moet men ten minste nemen, om met zich zelf en
zijnen God geheel alleen te zijn. En dit uur zal weldra de zon
van den Zondag worden en u het morgenrood van den opgang van
de zon der eeuwigheid van verre doen aanschouwen. Maar ook in
den loop der week kan het dikwijls gebeuren, dat men midden in
zijn aardsche werk de stem van den roependen God hoort. Dan
behoort men spoed te maken en niet te vertragen. Dan behoort
men te bidden: «Gij ademtocht uit de eeuwige stilte dring door tot
den grond mijner ziel!" — Als de wind zich verheft, moet de kapi-
tein de zeilen ophijschen !
                                                De Schrijver.
-ocr page 206-
190
hebben. Anderen werden dooi- allerlei omstandigheden in
eene vreemde wereld geslingerd, en het gelukt hun niet,
zich bij iemand aan te sluiten, welk eene behoefte aan
liefde hun hart ook gevoele. — Er zjjn inzonderheid vele
eenzame vrouwelijke personen, want de vrouw kan
niet, gelijk zoo dikwijls de man, hare eenzaamheid doen
ophouden en in de ruime samenleving zoeken, wat het enge
huis haar weigert. De vrouw moet zich laten zoeken, en
hoe dikwijls wordt zij niet gezocht! Ja, in de grootste
familiekringen staat dikwijls eene innig geloovige vrouw
onuitsprekelijk eenzaam, want niemand deelt in hetgene zij
gevoelt, en wat voor haar het hoogste en zaligste is, dat
beschouwen de anderen als eene geestelijke krankheid, wei-
licht zelfs als krankzinnigheid!
Ja, het is waar, dikwijls schijnt het, dat God de een-
zaamheid te drukkend maakt. Bedenk dan echter, dat de
grootste getuigen van God ook zeer eenzaam hebben moeten
zijn en dat het ook hun dikwijls zeer moeieljjk is gevallen.
Maar zjj hebben ondervonden, dat de stem des Hee-
r e n door de woestijn gaat; en dat zult ook gü ondervin-
den, indien gij stil naar Hem luistert, indien gij dan
leeren wilt, u zijne genade genoeg te laten zijn. Juist
dan, wanneer Hjj de wegen rechts en links met doornen
omtuint en alleen het uitzicht naar boven open laat, juist
dan wil Hij zich aan ons openbaren. De tjjd zal eenmaal
komen, wanneer gü juichende erkent, dat gij alles gevon-
den hebt, toen gij alles verloort, om Hem, uwen God,
recht te vinden In deze eenzame toestanden zult gij inner-
ljjk zelfstandig worden, rjjk in uwen God, vrij van de
mensehen en van alle schepselen. Ten zijnen tijde zal dan
ook die God, die alles weet, wat gij noodig hebt, u ook
het me n s c h e 1 ij k e wedergeven, voor zoo ver het u tot
-ocr page 207-
191
heil verstrekt. Geloof\' Hem slechts, dat Hij een V a d e r
is, u w Vader; — uw zorgdragende, medelijdende, barm-
hartige, liefderijke Vader, — geloof\' het slechts en gij zijt
behouden.
„Wat u en and\'ren treilen moog\'
Is niet voor God verborgen,
Hij kent en ziet toch van omhoog
Uw droefheid en uw zorgen.
Al onze tranen slaat Hij gade,
In \'t grievendst leed troost zijn genade; —
Leef dan tevreden voor Gods oog!"
Amen.
-ocr page 208-
X.
DE NIEUWE GEMEENSCHAP MET DE WEDUWE.
Geliefde Hoorders! Een van de predikers onzer stad heeft
eene breedvoerige rede gehouden over datgene, waarin de
„Bijbelgeloovigen" en de „liberale christenen" overeenstem-
men. Hij zelf behoort tot de zoogenaamde liberale rich-
ting, en hij zoude gaarne, om des lieven vredes wil, eenen
grooten en breeden gemeenschappeljjken grond-
s 1 a g hebben ontdekt. Het is hem, helaas, niet gelukt.
Zn\'n onderzoek heeft, mij ten minste, tot een resultaat
gebracht, dat geheel het tegenovergestelde van het door hem
bedoelde is. En gy allen zult mij gelijk geven, als ik u
herinner, dat de spreker vooral hierover uitweidde :
Eene overeenstemming kan geen plaats vinden, indien wjj
(op de kerkelijke rechterzijde) de onderscheiding van
geloovigen en ongeloovigen niet laten val-
len. —
Daar deze redevoering in het openbaar gehouden is en
uittreksels daarvan in de meest gelezene bladen onzer stad
zn\'n medegedeeld, die in ieders hand zijn gekomen, beschouw
ik het als mijnen plicht, haar voor u te bespreken, opdat
ieder wete, uit welken hoek de wind waait. Want het is
-ocr page 209-
193
niet e e n e enkele stem, die wij hier hooren, neen,
liet is een getuigenis en eene openbaring van den algemeenen
tijdgeest, waarmede wij te doen hebben.
Tussehen geloovig en ongeloovig mogen wij dus geen
onderscheid meer maken! Dan eerst, wanneer wij deze
onderscheiding laten vallen, zal eene goede verstandhou-
ding mogelijk zijn! — Nu, dan zien wjj er eens voor al van
af. Zij zal noch voor den jongsten dag, noch op dien dag
tot stand komen. — Ja, indien de man gezegd had: ,\\Vees
niet al te spoedig gereed, om u zelven eenen geloovige te
noemen!" — dan zoude dat zonder twijfel eene zeer nuttige
vermaning z|jn geweest. Of indien hij gezegd had: „Wees
niet al te spoedig gereed om dezen en genen medemensen
onder de ongeloovigen te rekenen! Oordeelt niet voor den
tjjd!" — dan zoude hij slechts gezegd hebben, wat ook ik
duizendmaal biddend en vermanend gezegd heb. Wederom
zoude hij met my overeengestemd hebben, indien hij ge-
zegd had, dat vele kerkelijke en rechtzinnige lieden van
den aard en het wezen des geloofs eene geheel verkeerde
en oppervlakkige voorstelling hebben. Wanneer hjj echter
met zijne woorden zegt — en ik weet, dat dit daarmede
gezegd wordt — : „Op het geloof komt het volstrekt niet
aan; wat iemand gelooft, dit komt in \'t geheel niet in aan-
merking; dit is volstrekt geen onderscheidend kenmerk I"
— zoo moeten wy daartegen zoo beslist mogelijk protes-
teeren.
Wjj protesteeren daartegen niet slechts in onzen naam,
daar wij weten, dat wij alleen door het geloof tot Ood
zjjn gekomen en alleen door het geloof de hoop des eeuwi-
gen levens bezitten, — neen, wjj protesteeren in den naam
van onzen Heiland en Koning Jezus Christus, die het
overal en steeds opnieuw gezegd heeft, dat de mensch
ZIKI.ESTRI.II).                                                                           13
-ocr page 210-
194
slechts gered kan worden door het levende geloof in Hem,
waardoor men zich geheel aan Hem overgeeft; — wij protes-
teeren verder in den naam van alle Apostelen en Profeten,
in den naam van alle Godsmannen van Abel af, die in den
geloove heenging, tot op den discipel van Christus, die in
deze minuut, in het geloovig vertrouwen op zijnen Heiland,
het oog sluit en de wereld der eeuwigheid ingaat; — in
hun aller naam protesteeren wjj! Want zij allen zijn alleen
door het geloof voor God gerechtvaardigd geworden. Zij
allen hebben gestreng onderscheiden tusschen geloovigen en
ongeloovigen. Zij allen hebben in de menschheid slechts
éénen grooten strijd, namelijk dien tusschen geloof en onge-
loof, gezien. Indien de eisch van dien spreker rechtmatig
is, dan zijn al die personen dweepers en geestdrijvers, ju,
fanatieken en menschenhaters geweest, want zij verklaren,
dat diegenen niet in het geestelijk leven en het eeuwig
leven deelen, die moedwillig in het ongeloof volharden.
Het geloof voor eene onverschillige zaak te verklaren,
dat heet het einde van allen godsdienst te verkondigen!
Neen, neen I zoolang wjj onzen Bjjbel niet in het vuur
werpen, zoolang wij het Evangelie niet als eene dweeperij
brandmerken, zoolang zullen wij zeggen: het ware geloof
is het hoogste en kostelijkste, dat in de menschheid gevon-
den wordt; het is het eenige, wat het onreine menschen-
kind den heiligen God kan aanbieden; het is echter ook
de wortel en ziel van alle ware beschaving en humaniteit.
Dit zeggen niet wjj, — dit zegt de wereldgeschiedenis en
de geschiedenis van den dag.
Zoo als de mensch gelooft, zoo is hjj; het ge-
loof maakt den man in de kern van zjjn wezen. Dat zagen
wij reeds in de laatste preeken. Op eene bijzonder liefelijke
wijze echter zullen ons onze tegenwoordige overdenkingen
-ocr page 211-
195
toonen, wat het beteekent en is: „Gods oogen zien op het
geloof." Zjj zullen ons echter verder doen opmerken, dat
deze oogen van God het geloof ook daar weten te ontdek-
ken, waar geen menschenoog het zoude zien.
1 KONINGEN 17 : 7—16.
En het geschiedde na vele dagen, dat de beek uitdroogde,
want er was geen regen in het land geweest. Toen
geschiedde het woord des Heeren tot hem, zeggende: Maak
u op, ga henen naar Zarphath dat bij Sidon is, en woon
aldaar! Zie ik heb daar eene weduwvrouw geboden, dat zij
u onderhoude.
Toen maakte hjj zich op en ging naar Zarphath. Als lijj
nu aan de poort der stad kwam, zie, zoo was daar eene
weduwvrouw, hout lezende. En hij riep tot haar en zeide:
Haal mjj toch een weinig water in dit vat, dat ik drinke.
Toen zij nu henen ging om te halen, zoo riep hjj tot
haar en zeide : Haal mjj toch ook eene bete broods in uwe
hand! Maar zij zeide: Zoo waarachtig als de HeereuwGod
leeft, indien ik eene koek heb, dan alleen een handvol meel
in de kruik en een weinig olie in de Hesch. En zie, ik
heb een paar houten gelezen, en ik ga henen, en zal het
voor mjj en voor mijnen zoon bereiden, dat Avij het eten
en sterven.
En Elia zeide tot haar: Vrees niet, ga henen, doe naar
uw woord, maar maak mjj vooreerst eene kleine koek daar-
van, en breng ze mij hier uit; doch u en uwen zoon zult
gjj daarna wat maken. Want zoo zegt de Heere, de God
Israëls: Het meel van de kruik zal niet verteerd worden
en de olie der flesch zal niet ontbreken, tot op den dag,
dat de Heere regen op den aardbodem geven zal.
-ocr page 212-
196
En zjj ging henen en deed naar het woord van Elia;
zoo at zjj en hij en haar huis vele dagen. Het meel van
de kruik werd niet verteerd en de olie van de fiesch ontbrak
niet, naar het woord des Heeren, dat Hy gesproken had
door den dienst van Elia.
De nieuwe gemeenschap met de heiden-
s c h e vroii w
zjj het onderwerp onzer beschouwing; wjj beschouwen
1. het afscheid van de ravenbeek ;
II. de ontmoeting met de Fenicische ;
III. den adel en de waarde dezer vrouw.
1.
Wij hebben voor acht dagen een blik op het leven van
den edelen heremiet Elia geslagen, die verlaten door alle
menschen, ja gehaat en vervolgd, op zjjne geheimzinnige
schuilplaats door raven gespjjsd werd. Dit geschiedde zoo
een geheel jaar lang, en dagelijks herhaalde zich dat won-
der tweemaal. Des morgens en des avonds meldden zich
de raven met schor gekras als de door <Jod gezondene spijs-
meesters aan, de murmelende beek echter verschafte onzen
Profeet tegelijkertijd eene zachte eentonige muziek en
lavenden drank. Daar — daar komt het hem voor, alsof het
water vermindert.\' — En zijne opmerking heeft hem niet
bedrogen. Het kleine watertje verliest voor zijne oogen van
dag tot dag al meer en meer. Hoe zal dit afloopen ? De
beek droogt uit. Maar nog heeft Elia geen dorst geleden,
toen het woord van Jehova reeds tot hem komt. Hij ont-
vangt een nieuw bevel om te vertrekken: „Maak u op en
ga naar Zarphath enz." (Vs. 0.)
-ocr page 213-
197
AVaarom geschiedt dat? Waarom droogt de beek uit?
De Schrift geeft eene zeer natuurlijke reden op, namelijk:
„er was geen regen in het land" (Vs. 7). Nu, zonder twij-
fel, dat was zeer natuurlijk 1 Maar zoude dan d i e God, die
in de geheele geschiedenis van den Profeet zoo b o v e n-
n a t u u r 1 ü k werkzaam is, die God, die hem door raven
spijst, die God, die eertijds voor zijn geheele volk bronnen
deed ontspringen uit de rotsen der woestijn, — zoude d i e
dan niet ook aan Elia op eene wonderbare wijze water
hebben kunnen verschaffen — ? Is het wonder, dat thans
dag op dag in Zarphath geschieden zal, niet even groot,
als liet ontspringen eener nieuwe bron geweest zoude zijn ?
Zonder eenigen twijfel! — Er moeten dus meer belangrijke
redenen voor bestaan. God wil Elia daar niet lan-
g e r doen b 1 ij v e n; uit de eenzaamheid wil Hu\'
hem onder raenschen brengen, en wel evenzeer
om zijns zelfs wil, als om dezer menschen wil. De beek-
moet uitdrogen, opdat het geloof van Elia niet uitdroge;
de beek moet uitdrogen, opdat de stille tranen eener ver
verwijderde, eenzame, biddende weduwe afgedroogd worden.
Over de heilige eenzaamheid van den Profeet hebben wjj
onlangs gesproken en daarbij opgemerkt, dat deze stille tijd
hem zeker veel edele geestelijke vrucht heeft opgeleverd.
Maar de langdurige eenzaamheid heeft ook hare groote
g e v a r e n, en dat had zij ook voor onzen Profeet, want
„hij was een menscli, gelijk wij." — „Welke gevaren ech-
ter zoude dan de eenzaamheid hebben?" hoor ik vragen.
Nu, die zoo vragen, zijn vermoedelijk nog nooit een jaar
aan de Krith of op Patmos of op den Wartburg geweest.
Ik heb het zelf gedurende eenige jaren ondervonden, hoe
gevaarlijk de afzondering van menschen voor ons worden
kan. Hoe licht gebeurt het, dat men, ofschoon ook onder
-ocr page 214-
198
vrome vormen, toch slechts voor zich zelven leeft, dat men
aan eene levenswijze gewoon wordt, waarbij men zich om
geene vormen of personen bekreunt, hetwelk later een hoogst
nadeeligen invloed op het verkeer in de samenleving uit-
oet\'ent. — En ik denk hier niet slechts aan de u i t e r-
1 ij k e vormen, waarin men leeft en zich beweegt. Neen,
men wordt ook licht, als men zoo lang op zich zelf mag
leven, al te zelfgenoegzaam en souverein, eenzijdig in zijne
beschouwingen en eigenzinnig in zijn denken en doen, en
dat alles, wat het ergste is, zonder dat w n\' het zelf
bemerken. Wjj allen hebben het noodig, dat wij door
het verkeer met andere mensehen gepolijst en ontwikkeld
worden. Wij mensehen moeten gestadig door menschen
opgevoed worden. — Maar evenals ons hart in de een-
zaamheid lichtelijk door eene zekere onbewuste t r o t s c h-
h e i d overmeesterd wordt, zoo sluipt bijna nog lichter de
versaagdheid het hart binnen en dikwijls wel gelyk-
tijdig met die trotscliheid. Versaagdheid echter is de moeder
van alle onmacht. Daarom mag een mensch niet te lang
eenzaam zijn, — ook dan niet, als hij geen familie, geen
beroep of bedrijf, geen maatschappelijke verplichtingen heeft.
Wy moeten onder menschen verkeeren, zoo wy niet op die
klippen zullen verzeilen.
En daarom ontvangt Elia bevel om te vertrekken! Om
/.yns zelfs wil, maar ook om den wil van anderen, die hy
dienen moet, moet hij verder. En omdat hij moet, zoo wil
hij. Wy zien hem, zooals hy zjjnen wandelstaf opneemt,
zooals hy afscheid neemt van het eenzame, dorre rotsen-
dal. Denkt gij niet, dat daarbij menige warme traan langs
zijne wang is gevloeid? O, wie eenmaal afscheid heeft
genomen van eene plaats, waar hij zoo veel met üod gewor-
steld en gestreden heeft, waar hij echter ook het ruischen
-ocr page 215-
199
zjjner voetstappen gehoord, waar hjj op de heerlijkste wijze
zijne nabijheid en hulp ondervonden en den vrede zijner
ziel gevonden heeft, — die weet, hoe moeieljjk zulk een
afscheid was! Al was het ook de eenzaamste pastorie in
het gansche land, al was het ook een woest, rotsachtig dal,
zooals bn\' Elia, al was het ook eene ziekenkamer, waarin
men duizend smarten leed, of al was het zelfs de cel eener
gevangenis, — nochtans scheidde men met het gevoel: „Hoe
heilig is deze plaats! Hier is in waarheid Gods huis, hier
is de poorte des hemels !" — En zóó heeft ook Elia afscheid
genomen. Maar de wil van God, — niet, gelyk men
gewoonlijk zegt, des menschen wil, de eigen wil, — neen,
de wil van God was zh\'n hemelrijk. Met goeden moed ver-
trok hij, ofschoon de toekomst er wonderlijk genoeg uitzag.
Zjjne reis bracht hem door een verdroogd, woest land,
eenen weg van twintig tot dertig Duitsche mijlen lang,
midden door een volk heen, dat hem gaarne verscheurd
zoude hebben; maar Elia ging stil en gerust daar henen.
Wij weten niet, hoe de Profeet op dezen weg onderhouden
is geworden, maar hij ondervond op de eene of andere wijze,
wat de dichter zoo schoon zegt:
Leidt Gij mij ook door woestijnen,
Heer! ik volg, mijn steun zjjt Gij!
Uit de wolken geeft Gij spijze,
Uit de steenrots drenkt Gij mij.
Ik vertrouw: uw wond\'re wegen
Eindigen in vreugd en zegen.
Bijzonderheden worden ons over die reis niet medege-
deeld, en wjj vernemen ook niets van hetgeen hjj op deze
reis dacht; maar het zal niet zonder zwaren strijd zjjn
afgeloopen. Wat bijzonder moeielijk voor hem was, bijzon-
-ocr page 216-
200
der verootmoedigend voor den Israëlietischen vaderlander,
voor den Profeet van den eenigen waarachtigen God, dat
was dit, dat hn\' in het land der h e i d e n e n, ja, juist in
dat heidensch land, hetwelk het vaderland zijner doodvij-
andin Izebel was, — dat hij juist daar zijne toevlucht zoe-
ken en vinden moest! Voorwaar, daar heette het ook, gelijk
later tot Johannes: „Zalig is hij, die aan mij niet geërgerd
wordt!" — En nu verder: „Ik heb eene weduwe gebo-
den, dat zij u verzorge." Ik bid u, merk deze goddelijke
dwaasheid op ! Eerst de r a v e n, die anders toch zoo gierig
zijn en alles, wat hun voorkomt, zelf verslinden; — daarna
eene w e d u w e, die zelve niets heeft, die juist op het punt
is, om den hongerdood te sterven! Ik heb de raven —
de weduwe geboden, u te verzorgen ! Geheel op denzelfdcn
toon, geheel met hetzelfde woord zegt Jehova het eene en
het andere!
Ja, Heer! Gij heet Wonderbaar en wonderbaar zijn uwe
wegen. Het zal geheel tegen de natuur gaan, tegen al ons
hoogmoedig verstand, berekening en wetenschap ! God gaat
zjjne meer dan zonderlinge wegen, wegen, die duizendmaal
geheel en al ongerijmd schijnen te zijn. Wie ten opzichte
van God niet op het dwaalspoor wil komen, die moet der-
halve inderdaad dikwijls gelooven en zelfs doen, wat naar
menschen oordeel dwaas en ongerijmd is. Dat is dan moeie-
lijk. Velen van ons weten daarvan te verhalen, maar ook
daarvan, dat het op een weldadig doel uitloopt. Zoo wist
ook Elia, dat de eenvoudige gehoorzaamheid het beste en
eenige antwoord op Gods bevelen is. En zoo reisde hij
voorwaarts, steeds voorwaarts. Wij hooren zijnen vasten
stap over het zoo hard als eene rots geworden land, en
eindelijk staan daar voor zijne oogen de muren en tinnen,
tempels en torens der oude Fenicische stad Zarphath
-ocr page 217-
201
of Sarepta, zooals zij in de dagen van Jezus werd genoemd.
Achter de stad echter golfde tot in liet eindeloos verschiet
de blauwe zee. een gezicht dubbel kostelijk, lichaam en
ziel verkwikkend, juist in dezen tijd, toen nergens elders
water te zien was.
Zarphath lag namelijk aan het strand der Middellandsche
Zee, tusschen de wereldberoemde steden Tyrus en Sidon.
Reeds sedert oude tijden heerschte in dit Fenicische rijk
eene uitstekende beschaving en voornamelijk eene njjver-
beid, die zelfs in Egypte te vergeefs hare weerga zocht.
Dat David en Salomo hunne bouwmeesters en kunstenaars
uit Fenicië ontboden, weten wjj uit de heilige geschiedenis.
Maar hier waren ook belangrijke wolspinnerijen en weve-
rijen, waar het edelste lijnwaad vervaardigd werd. Hier
werd voor alle vorstelijke hoven der wereld met het sap
eener slak het purper geverfd, en, om van andere zaken te
zwijgen, hier was het glas uitgevonden en de eene glas-
blazerij stond hier naast de andere, afgewisseld door groote
smeltovens, waarin edele en onedele metalen door vuur
gelouterd werden. Zarphath nu moet wel eene voorname
industrieplaats zijn geweest, want dat woord beteekent:
Smelthut.
En juist deze naam had den Profeet zeker reeds op aller-
lei gedachten gebracht. Wij weten, hoe de smeltoven in
de Schrift als zinnebeeld wordt gebruikt. „De dag des
Heeren is als het vuur van eenen goudsmid." „Hu\' zal
zitten en smelten en het zilver reinigen; Hij zal de kinde-
ren van Levi reinigen en louteren als goud en zilver."
(Maleachi 3 : 2, 3.) En wederom bij Jezaia (48. : 10):
„Ik wil u uitverkoren maken in den oven der ellende." —
Het is zoo, deze woorden waren ten tijde van Elia nog
niet gesproken, maar de vergelijking lag te nabij, dan dat
-ocr page 218-
202
zulk een nadenkend man als onze Profeet niet daarop geko-
men zoude zijn. „Alzoo naar eenen smeltoven ga ik!" zoo-
sprak hjj bjj zich zelven. Ja, waarlijk! Twee en een half
jaar zoo op ééne plaats te zitten en voor zijn volk niets te
kunnen doen, te weten, hoe ontzettend dit zijn geliefde volk
lijdt, en steeds wachten, wachten, wachten! — dat was
voor eene vurige ziel als die van Elia werkelijk een smelt-
oven. Doch zien wjj, hoe \'t hem gaat.
II.
De Profeet nadert de stad. Ook het anders zoo vrucht-
bare Fenicië was door droogte en hongersnood bezocht.
Het trotsche, weelderige en goddelooze handelsvolk, dat
Israël tot zijnen onzedelijken afgodendienst had verleid,
zuchtte onder de tuchtroede, die in de eerste plaats over
Israël gezwaaid werd. Dat had de Profeet reeds gezien.
Groot zal zeker zijne spanning zijn geweest bij de gedachte,
hoe en waar en in welken toestand hij zijne toekomstige
verzorgster vinden zal ? In welk een spanning verkeert men
niet. als men op eene nog onbekende plaats komt, waar
men een langen tjjd moet blijven! Daar ziet men met
belangstelling naar eiken berg en ieder huis, ieder bosch,
iederen struik, vooral op de raenschen, die hem ont-
moeten. Hoe levendig gaat daar het oog in het rond;
welke vragen verdringen daar elkander in het hart! En
•vaarlijk, hier was het toch nog eene bijzondere zaak!
Zeker b a d de Profeet om licht en leiding van boven, maar
hy moest ook zelfniet werkeloos blijven, maar zijne
zinnen, zyn verstand, zijnen geest ijverig en trouw gebrui-
ken. Niet voor droomende, slaperige menschen wijst en
baant God de Heer de wegen, maar slechts voor dezulken,
die al hunne krachten naar zijnen wil gebruiken.
-ocr page 219-
203
Elia is nog niet in de stad zelve, maar in een klein
bosch voor de poort; daar ziet hij eene bleeke, lmlf ver-
hongerde vrouw, met eene onbeschrijfelijk treurige uiiJ.ruk-
king in het gelaat. Zjj verzamelde een weinig dor hout,
waaraan zeker in dien slechten tijd geen gebrek was. Had
Elia nu, zooals de mensch van nature altijd doet, op dat-
gene gezien, wat voor oogen is, dan zoude ]\\g liet laatst
van alles op de gedachte zjjn gekomen, dat deze vrouw
zijne verzorgster zijn en worden konde. Zij leed toch blijk-
baar zelve gebrek. Maar Elia had reeds iets van die god-
delijke eigenschap aangenomen, — zooals ik hoop, ook «rü,
waarde Hoorders! — dat namelijk juist de ellende hem
aantrekt. Hij weet, dat God vooral daar nabij pleegt te
wezen, waar de ongelukkigen zijn. Juist dit bekommerde,
bleeke gelaat is het, wat Elia voor die vrouw doet stil
staan. „Hij werd met ontferming bewogen", dat beteekent,
hij stond innerlijk stil, en zoo stond hij dan ook licha-
meln\'k stil. —; Ik zoude hier wel eene pauze van eenige
minuten willen maken, opdat ieder er over nadenken konde,
hoe hy zich gisteren en eergisteren gedroeg, toen hij men-
schelijke ellende ontmoette, doch ik verzoek u, dat gij u
te huis deze pauze vergunt. Moet gij dan wegens gisteren
en eergisteren om vergeving bidden, dan komt het u wellicht
voor den dag van heden en morgen ten goede.
Wenden wij ons weder tot den Thisbiter! Om te ont-
dekken, hoe de gezindheid dezer vrouw is, knoopt hij een
gesprek met haar aan, en begint hij met een verzoek:
„Haal mij toch een weinig water in dit vat!" Dat was een
fijne trek, een meesterlijke greep, waaraan men den men-
schenkenner herkent. "Wil men namelijk iemands geaard-
heid leeren kennen, dan moet men hem iets verzoeken, eenen
dienst van hem verlangen. Die Eliëzer, die voor den zoon
-ocr page 220-
204
van zijnen heer Abraham eene vrouw zocht, — lijj had
waarlijk eene moeielijke en, zooals men het gewoonlijk
noemt, eene ondankbare taak. Maar ook hij stelde, om
zeker te gaan, dit teeken : „Is de maagd, die ik het ver-
zoek, terstond en blijmoedig gereed om te dienen, —
zegt zij, als ik haar om water verzoek: „drink — ik wil
uwe kameelen ook drenken ! — dan zal d i e het zijn, die
Gij, o God! verkoren hebt." En wij weten, dat hjj met
zijne (helaas, helaas, ouderwetsche) wijsheid goed
geslaagd is.
Ik zoude bij deze gelegenheid zeer nuttige opmerkingen
kunnen maken over de opvoeding der kinderen en
vooral van de dochters, om haar met blijmoedigheid in
nederigheid en eenvoudigheid des harten te leeren dienen
en helpen. Ik zoude daarover kunnen spreken, waarom zoo
menige vrouwelijke persoon ongehuwd blijft en waarom nog
meerderen in het huwelijk noch gelukkig zijn, noch geluk-
kig maken. Ik zoude dan moeten zeggen,-dat de oorzaak-
juist in de hoogere standen zeer dikwijls daarin gelegen
is, dat men de meisjes wel allerlei nieuwerwetsche, onvrucht-
bare, en onbekookte wijsheid leert, maar niet datgene, wat
het vrouwelijkste van alles is, het dienen en helpen
in den geest des v redes. Maar reeds hoor ik stem-
men, die mij toeroepen: „Laat dat rusten! Maar al te
dikwijls luidt gij deze klok!" Ik zal haar nochtans nog
dikwijls luiden, mijne Hoorders! en wel, omdat ik u zoo
lief heb. En omdat gij weet, dat het uit liefde geschiedt,
moet het u niet verdrieten, my aan te hooren, en nog beter
zoude het zijn, indien gij mij door uwe daden gehoor gaaft,
terwijl ook uw geweten aan mijne woorden getuigenis geeft.
Heden laten wjj dit onderwerp echter rusten, want wjj
hebben nog veel te doen, voordat wjj Elia tot in zijn nieuwe
-ocr page 221-
205
verblijf\' kunnen vergezellen. — De Profeet verzoekt dan
die bleeke vrouw om eenen dienst. Hebt gij niet reeds
dikwijls gezien, welk eene merkwaardige verandering er
met de meeste gezichten, die eerst zoo glad en vriendelijk
waren, plaats heeft, wanneer men nu iets begint te ver-
zoeken, dat eenige moeite veroorzaakt of een oft\'er vor-
dert? — Als men vraagt om geld, of om een hulpbetoon,
eene werkzaamheid — welk eene angstige spanning komt
er dan dikwijls op het gelaat! Hoe verlegen, hoe onrustig,
hoe onaangenaam, hoe koel wordt het! Men meent, het
is volstrekt niet meer dezelfde mensen, die u zoo even nog
zoo vriendelijk en beminnelijk toelachte en van de grootste
vriendschap verzekerde.
Doch, Gode zij dank! er zijn ook, beide onder het vrouwelijk
en mannelijk geslacht zulke personen, voor wie het dienen
en helpen een lust en eene vreugde is en wier aangezichten
nog eens zoo vroolyk en gelukkig worden, wanneer men hen
in de gelegenheid stelt om te dienen. Zal ik ook hier
weder vragen: „Behoort gij, waarde Hoorder! tot deze
klasse?" — In allen gevalle, onze heidensche vrouw te
Zarphath behoorde er toe. Ofschoon haar zelve de diepste
kommer aan het hart knaagde, ofschoon haar lichaam en
ziel tot bezwijkens toe afgemat zijn, zoo gaat zij toch ter-
stond heen, om voor den vermoeiden wandelaar eenen dronk
te halen.
Dat is een klein teeken van eene groote zaak! Als een
oud spreekwoord zegt, dat men aan den klauw den leeuw
kent, zoo is het ook waar, dat men aan de vriendelijke,
welwillende menschenliefde de kinderen des geloofs kent;
en, in \'t voorbijgaan gezegd, aan het gemis dezer menschen-
liefde ook het gemis van echte vroomheid, die dan door geene
Katechismuswijsheid en rechtzinnigheid vergoed kan worden.
-ocr page 222-
206
Elia komt dan ook terstond tot het sterke vermoeden,
dat dit de vrouw is, welke God tot zijne verzorgster heeft
bestemd, en tot wie hij wederom als redder is gezonden.
Om hiervan zekerder te worden, voegt hy bij het eerste
verzoek terstond een tweede en roept haar in het heengaan
toe: „Breng mjj ook eene bete broods mede!" Dat de
vrouw er zoo uitgehongerd uitziet, verhindert hem dus niet,
dezen wensch uit te spreken. Integendeel, luj wil juist zoo
hare omstandigheden op het spoor komen. En hij heeft
zich niet misrekend. Levendig keert zich de treurige vrouw
om, het geslotene hart ontsluit zich, de mond opent zich,
die tot dusverre stom was van treurigheid. Zij sprak:
„Zoo waar als de Heere, uw God, leeft, ik heb niets, dat
gebakken is; alleen een handvol meels in het vat en een
weinig olie in de flesch. En zie, ik heb een paar houten
opgelezen en ga heen en wil het voor mij en mynen zoon
bereiden, om liet te eten en dan te sterven." - Geven wij
nauwkeurig acht op deze woorden! Merken wn\' het wel
op, dat de vrouw alzoo niet overdrijft! Zij bljjft
zeer stipt bij de waarheid en zegt niet: „Ik heb niets.\'-
De meeste mannen en vrouwen — ach, niet slechts in het
heidensche Zarphath, maar ook in het christelijke Bremen ! —
zouden er geen het minste bezwaar in gezien hebben, te
zeggen: ,0, beste man! ik heb immers zelve niets!" Want
wat zien de menschen voor bezwaar in eene „kleine nood-
leugen"? Was echter ooit een noodleugen geoorloofd, dan
was zjj het hier! Maar juist hier zien wjj, dat men niet
met noodleugens, maar alleen met de strenge, onbewim-
pelde waarheid het doel bereikt.
Derhalve zeer eerlijk, juist zoo, als het is, deelt de vrouw
den wezenljjken toestand mede: „Ik heb nog een klein
weinig meel en olie, genoeg voor een laatsten maaltijd voor
-ocr page 223-
207
mijn kind en mjj. Daarna willen wjj gaan liggen en —
sterven!" Hoort gij niet den toon der vertwijfeling uit
deze woorden ? Maar daarin komt geen vloek voor, noch
tegen God, noch tegen de menschen. Welk een aandoenlijk
beeld van ellende echter, zoodat de tranen in het oog moe-
ten komen, als men zich in haren toestand verplaatst! —
Wees echter maar stil, gü arme vrouw 1 Thans, nu uw
nood het hoogst is gestegen, is Gods hulp het meest nabij!
Uw jammer is slechts daarom zoo diep en groot, opdat
Gods heerlijkheid zich duizendmaal grooter aan u vertoo-
nen moge!
III.
Wie de Schrift recht leest, (dat wil zeggen, wie haar
niet maar zoo oppervlakkig leest, maar opmerkzaam en
nadenkend, op ieder woord de aandacht vestigend, leest)
— dien moet het reeds in het oog vallen, dat de vrouw
zegt: „Zoo waar als Jehova, uw God, leeft!" Zjj zegt
dus niet: „Zoo waar als Baal leeft!" of „bij de groote
Astarte, ik heb niets!" Neen, den God van Israël roept
zj) als getuige aan, dat hare woorden waarheid zijn. Gelijk
later de Syrofenicische vrouw, die edele landgenoote dezer
weduwe, wier geloof Jezus zelf bewonderde, — gelijk
zij de tyding van den reddenden Zone Davids met een hart
vol vurig verlangen vernomen had, — zoo had onze weduwe
de boodschap van Jehova, den eenigen en heiligen God.
den Schepper, Vader en Hechter van alle menschen, geloo
vig aangenomen. Wellicht had een door Achab en Izebel
verdreven Israëliet haar daarvan onderricht. Maar het is
niet noodig, dit te onderstellen. Bij het veelvuldig ver-
keer aan de grenzen tusschen Israëlieten en Feniciërs wer-
-ocr page 224-
208
den zonder twijfel alle heidenen van die landstreek eenigs-
zins bekend met den godsdienst van Israël. Maar iets anders
is het, met het oor daarvan te hooren en met het verstand
te begrijpen, en iets anders met heiligen gloed daarin te
leven en als een verzinkende zich daaraan vast te klem-
men. Hier herkennen wij de ziel, die iets zoekt, wat de
geheele wereld niet geven kan; hier ontdekken wjj iets van
dat dorsten van het hert, waarvan David in den 42sten
Psalm zoo roerend zingt.
Dat wij ons in dit vermoeden niet vergissen, toont ons
het volgende. Elia is thans in het diepste zijner ziel over-
tuigd, dat hij zijn doel heeft gevonden en niet verder
behoeft te zoeken. De eenvoudige woorden der vrouw, die
van diepe smart getuigen, hebben zijn hart geschokt, maar
de eed, dien zjj bjj den naam van Jehova zweert, heeft
hem getoond, dat hg hier met een der verstrooide kinde-
ren van God te doen heeft en dat hij dit kind tot den Vader
moet leiden. „Op Jehova hebt gij u beroepen, Jehova zal
u redden!" zoo klinkt liet in zijne ziel. Zjjn mond echter
spreekt: „Vrees niet, ga heen en doe, zooals gij gezegd
hebt; maar maak mg vooreerst eene kleine koek daarvan
en breng ze mg hier uit, doch u en uwen zoon zult gg
daarna wat maken. Want zoo zegt de Heere, deUod Israëls:
Het meel van de kruik zal niet verteerd worden, en de
olie der hesch zal niet ontbreken, tot op den dag, dat
de Heere regen op den aardbodem geven zal."
„Vrees niet!" — zoo begint de Profeet. Dat is de
gewone handelwijze van onzen God; als hij eenen mensch
wil helpen, zoo is het zijne eerste daad, dat hg den
inwendigen storm stilt. Dan heet het altijd: „Vrees
niet, geloof alleenlijk! Ween niet! Wijk niet! Werp uwe
bekommernis op den Heerl Zwijg den Heere en verbeid
-ocr page 225-
1>0! i
Hem!" en dergelijke hemelsche woorden meer. Het geloot
moet eerst opgewekt, worden, voordat de hulpe zelve kan
verschijnen. Dat moeten wij ons steeds opnieuw lierinne-
ren, en dat bewijst ons ook de ondervinding: Zoo wij stil
zijn, worden wij geholpen ! „ Vrees niet," zegt dan de
Profeet met innemende en medelijdende liefde, maar ook
met die van de overwinning verzekerde kalmte, met die
heilige majesteit, welke d i e n mensch eigen is, die het
weet, dat de almachtige <iod zelf achter hem staat. En
nadat hij zoo het bange hart met het licht der hoop heeft
vervuld, zegt hij zeer kalm: .Doe juist zoo, gelijk gij zoo
even gezegd hebt". Maar hij voegt er een e i s e h en eene
I» e 1 o ft e bij, namelijk, het eerste gebak moet zij
h e\'m brengen! Doet gij dat in kinderlijk vertrouwen,
dan zult gij ondervinden, dat de scheppende kracht van
Jehova u heden en morgen en eiken dag tot aan het einde
van den tijd des gebreks in e e 1 en olie v er n i e u w t.
Dat is een woord, hetwelk ons veel te denken geeft. Wjj
zien vooreerst, dat Elia het weinige, dat aanwezig is,
geenszins veracht. Wegens de trouw met dit kleine
zal God z.jjn groote wonder verrichten. Aan het geringe
knoopt Gods genade wijselijk en huishoudelijk aan. Wie
denkt hierbij niet aan de spijziging van vijfduizend men-
schen door weinige brooden en vischjes, die toch, naar den
mensch gesproken, zoo goed als niets waren! En wie hoort
hier niet in den geest de stem van den Hemelkoning, die
na het afloopen van den maaltijd zijne Apostelen beveelt:
„Vergadert de overgeschotene brokken, opdat er niets ver.
loren ga!" O, dat acht geven op de „brokken" moeten wij lee-
ren; het verachten der brokken moeten wjj afleeren ! Niemand
komt tot iets groots, noch in deze, noch in gene wereld,
die het kleine als klein, het geringe als gering beschouwt^
ZIKLESTRI.IT1.                                                                                       14
-ocr page 226-
210
Ik heb onlangs het opstel eener verstandige en zeer
opmerkzame huisvrouw gelezen, waarin juist daarover gehan-
deld werd, hoeveel in de meeste huishoudingen te gronde
gaat, omdat men aan brokken, kruimels, stukken, lappen
volstrekt geen waarde hecht, in \'t algemeen omdat men op
het geringe niet genoeg acht geeft. Hare berekening toonde
duidelijk aan, dat in ons geliefde Duitschland, geheel alleen
in de huishoudingen, ieder jaar ten. minste voor honderd
millioenen Mark aan nationaal eigendom te gronde gaat. 1)
Zij had daarbij aangenomen, dat in den loop van een jaar
in ieder huishouden voor veertien Mark noodeloos bederft.
Dat is echter zeer liefderijk gerekend, want het bedraagt
voor elke geheele familie niet eens vier penningen per dag.
Ach, bij hoe velen gaat het bij Marken de deur en het ven-
ster uit! — üe genoemde vrouw ging daarna verder tot
de lompen, lappen en stukken over en maakte dergelijke
rekeningen op. Genoeg, zij bewees, dat het thans tamelijk
arme Duitschland, indien het wilde leeren liet kleine in
acht te nemen, te verzamelen en te bewaren, weldra de rjjk-
ste natie der wereld zoude zijn! — Nu, ik weet niet, of
dit juist wel zoo wenschelijk voor ons zoude zijn. Maar
dit weet ik, dat in honderdduizenden van huisgezinnen, waar
thans zorg en gebrek woont, vrede en welvaart hun intrek
zouden nemen, en dat ontelbare andere, die thans nauwe-
lijks voor zich zelf genoeg hebben, nog iets zouden hebben
om aan den behoeftige te geven, indien zij het voorbeeld
van God wilden leeren navolgen; indien zij wilden leeren,
de handvol meel in de kruik in acht te nemen en de afge-
vallen brokken zorgvuldig te vergaderen.
Het tweede, dat wjj nu bij deze gebeurtenis opmerken,
1) Een Mark, bestaande uit 100 Pfenuige, is gelijk aan 60 cent.
-ocr page 227-
211
is dit, dat de vrouw terstond een vast vertrouwen op Elia
aan den dag legt, daar zij het waagt, z^jne woorden op te
volgen. Zij zegt dus niet met die sluwe voorzichtigheid,
welke thans reeds ieder knaapje op de straat kent: .Ik
zal er mij wel voor wachten, voor u het eerst mijn meel
te bakken! Eerst komen wjj, en daarna, als de waarheid
van uw woord gebleken is, komt gn\' aan de beurt." Neen,
zij heeft vertrouwen! — Het is ongetwijfeld onverstan-
dig, als men eiken mensch in alles gelooft; maar het is
nog erger, als men iederen mensch wantrouwt. Ik herin-
ner mij nog. ja, ik voel het nog, welk een nadeeligen indruk
het op mijn hart maakte, toen een leeraar van het gymna-
sium tot ons, zeventienjarige knapen, zeide: „Gij moet
iederen mensch voor een spitsboef houden, zoolang gij niet
het tegendeel weet." Ik vermeld dit, om bij deze gele-
genheid alle opvoeders en ouders te bidden, hunne kinde-
ren toch van zulk eene wijsheid des duivels te verschoonen.
Wilt gij de kinderlijkheid der kinderen niet tot in den wor-
tel toe bederven, dan moet gij hen ook tot het vertrouwen
op de menschen opwekken, in zoo verre de waarheid het
veroorlooft. — In ons geval was de proef zeker zwaar,
maar de vrouw had een oog voor het goddelijke in Elia,
omdat in haar zelve iets van het goddelijke geboren was.
Zij bespeurde bet terstond: „Dit is geen zelfzuchtig man !
dit is een getuige der waarheid; hij bedriegt mij niet."
Zoo gaat zö dan henen op zijn woord en doet naar dat
woord, eenvoudig als een kind, — men zou ook kunnen
zeggen: eenvoudig als eene vrou w : want het echt vrou-
welijke, de heilige eenvoud der vrouw, heeft eene diepe
verwantschap met de kinderlijkheid. Het vrouwelijke en
kinderlijke nu treffen zekerder de kern der zaken en lei-
den zekerder tot het doel, dan al de wijsheid der wijzen
-ocr page 228-
212
n al het verstand der verstandigen. De vrouw mag nu
ondervinden, niet slechts, hoe God het meel vermeerdert,
neen, des grooten Gods tegenwoordigheid, de betooning
zijner liefde en almacht mag zij zelve ondervinden, tën dat
s toch ook het einddoel van ieder wonder van den beginne
der wereld af aan geweest.
Het wonder der vermeerdering van meel en olie heeft
ach dus twee en een half jaar lang dag op dag herhaald,
dat heet, het is ongeveer negenhonderdmaal geschied. De
menschelijke eigenwijsheid vraagt dan wel : „Maar waarom
dan zoo d i k w n\' 1 s ? Waarom geeft God niet terstond den
geheelen voorraad voor den geheelen tijd. die nog volgen
moet ?" — .Ia, zoo zijn wij en zoo vragen wij. Wjj zou-
den den eersten October 187!» gaarne reeds alles hebben,
wat wij noodig hebben tot het begin der volgende eeuw.
Wij zouden heden reeds gaarne zien, hoe alles gaan zal en
hoe al de wenschen en zorgen van ons hart tot aan onzen
laatsten levensdag bevredigd zullen worden. Wij zouden,
als wij het onverholen uitspreken, gaarne onafhankelijk
zijn van onzen (iod en zooveel bedrijfskapitaal bezitten, dat
wjj ons zelven helpen kunnen.
God de Heer wil eehter, dat wij bed e laar s bljjren
tegenover Hem, dat wij dagelijks opnieuw tot den troon
zijner genade met de bede om hulp moeten naderen, en
wel met onze aardsche, zoowel als met onze geestelijke
behoeften, om alzoo van de hand in den tand te leven.
Ons geestelijk leven blijft, zoolang wij bier beneden ver-
keeren, slechts daardoor in gezonde beweging en werk-
zaamheid, dat wij altijd opnieuw genoodzaakt worden, zjjn
aangezicht te zoeken. Zoo en alleen zoo ondervinden wjj
dan ook aanhoudend het warme kloppen van zjjn hart en
de kracht van zijnen arm. Derhalve, gelijk de Israëlieten
-ocr page 229-
213
in de woestijn eiken morgen opnieuw weder hun Manna
zoeken en verzamelen moesten, om eiken morgen opnieuw
weder beide te ondervinden: vooreerst, dat wij niets zijn
noch hebben zonder (Jod. ten tweede, dat zijne goedertie-
renheid eiken morgen nieuw is, — juist op dezelfde wijze
is het met ons en het gansene volk van (!od op aarde nog
gesteld. Uod zorgt er wel voor, dat wij zonder Hem niet
gereed kunnen worden, en houdt ons kort. Langzaam slechts
doet Hij ons vooruit komen in den strijd tegen onze zonde,
ofschoon wij ook gaarne zouden willen vliegen. (Jok in de
aardsche zaken doet Hu ons inzien, dat elke dag zijne plaag
heeft, die zwaar genoeg is om ons omver te werpen, indien
Hij niet ons met onze lasten draagt. De hoofdsom is, dat
wij alle gedachten van zelfstandigheid en onafhankelijkheid
veroordeelen moeten, maar desgelijks ook alle zwaarmoedige
bekommeringen, en slechts zoo recht innig en eenvoudig met
Hem leven en Hem liefhebben, waarbij wij dan wel bemer-
ken zullen, dat Hij een Vader is en niet een barbaar.
O hoe troostrijk is toch deze geschiedenis, en toch
is alles, wat daarin vertroostend is, tegelijk eene ernstige
v e r m a n i n g. Men kan ze volstrekt niet uitputten; men
vindt steeds nieuwe diepten der kennis en der wijsheid
Gods. Of is dat niet eene verrukkelijk heerlijke zaak, dat
de hoog verhevene, almachtige God, voor wien gansche natiën
zjjn als een stofje aan de weegschaal, — dat Hij in de
groote onstuimige zee der volkeren deze enkele, eenzame
ziel, die naar Hem verlangt, opgemerkt en hare tranen
geteld heeft —? Ziet, hier is het wonder aller wonderen,
waarop men niet genoeg kan wijzen. Wie eerst dat ervaren
heelt: Uod heeft zich persoonlijk mijn persoon aangetrok-
ken, Hjj heeft persoonlijk acht geslagen op de verborgene
zuchten en smarten van injjn hart, — voor dien zjjn de
-ocr page 230-
214
buitengewone inwerkingen van God op meel, olie, water,
brood, visch, of op blinde oogen, verlamde voeten, jichtige
banden, of ook op koude lijken, — eene wezenlijke kleinig-
beid. Dit is het wonder, dat al onze bevatting te boven
gaat, dat Hij in de groote woestijn der wereld zulk een
enkel, dorstend bloempje niet voorbijziet, maar zijnen Engel
zendt, om het zorgvuldig en teeder in den hemelschen tuin
te planten.
En daarom moet gij met een gerust hart op de groote
menschenwereld staren. Al worden er ook dagelijks dui-
zenden weggeraapt, zonder de blijmaar des Evangelies
gehoord te hebben, nochtans gaat niemand verloren, die voor
zijne genade ontvankelijk is. Waar slechts een glimmende
vlaswiek is, daar zal Hij haar wel tot eene heldere vlam
doen ontbranden. Bij de weduwe te Zarphath bewerkte dit
de Profeet Elia ; maar hier beneden en daar boven heeft
Hij Profeten, Engelen en Apostelen in overvloed. Zorg gij
slechts, dat gij voor hen de deur niet sluit!
En nu nog ééne zaak! Elia, den koninklijken, kraehtigen
Profeet, mocht het niet verdrieten, jaren lang alleen
voor deze vrouw en haren zoon te leven. Hg
had toen geene andere zending, dan voor deze beide zielen
stil en geduldig werkzaam te zijn. Dat was geene gemak-
kelijke school, en het wordt ons ook niet uitdrukkelijk
bericht, dat zij hem zeer gemakkelijk is gevallen. - Ach,
wat is iemand van ons tegenover Elia ? En toch beken ik,
dat ik een afkeer van zulk eene schijnbaar onbeduidende
werkzaamheid zoude hebben. Wij willen allen zoo gaarne
in een aanzienlijken en ruimen kring werkzaam zijn. Onze
Heiland, die uit den hemel gekomen en boven allen ver-
heven is, hoe staat Hij stil bij iedere menschenziel! Moge
het een kind zijn, of een kranke, een misdadiger of een
-ocr page 231-
215
bezetene, — men ziet het Hem altijd aan, dat Hjj met
innerlijke ontferming bewogen is, want Hj) weet, dat Hij
met eene majesteit te doen heeft. O, wat is het groot,
ééne menschenziel wel te doen, ééne neergebogene men-
sehenziel op te richten uit het stof, ééne verlorene ziel
weder op die plaats te brengen, waar zij eigenlijk behoort
te zijn! Welk een dag van licht en zegen zoude uit dezen
benevelden Octobermorgen geboren worden, indien ook slechts
de derde van degenen, die hier zijn, beschaamd, verootmoe-
digd, aangemoedigd door het voorbeeld van Elia, heden een
verbond met zijne ziel maakte, dat hij ééne enkele
familie eens geheel en getrouw en standvastig in zijne
voorbede, in zijne gemeenschap, in zijne liefderijke werk-
zaamlieid wil opnemen; - dat hij niet rusten wil, voordat
zij van den dwaalweg terug en te huis is gekomen!
Wij declameeren zoo veel over de eindelooze waarde eener
menschelijke ziel, maar gaan in de praktijk, ach zoo dik-
wjjls, koud, onverschillig, gedachteloos of in gedachten,
haar voorbij en merken den stillen noodkreet niet op. Laten
we het declameeren aan de tooneelspelers over, en oefenen
we ons, door de kracht der liefde van Christus, om in navol-
ging van Hem, het verlorene te zoeken !
Elia was, wat de kennis des heils betreft, nog lang zoo
ver niet, als wij zijn, maar hij was zich werkelijk en in de
diepte des gemoeds van de oneindige waarde van iedere
menschelijke ziel bewust. Daarom bleef hij het geduld
behouden; anders zoude zijn hart wel van ongeduld gebro-
ken zijn, toen hij jaren lang niets dan de zielzorger van
moeder en zoon wezen moest. Voorwaar, dat hij den hemel
sloot, is groot, en dat hn" den hemel opende, is grooter,
maar dit geduld is grooter dan beide! Dat hjj vuur uit
den hemel deed vallen, is groot, en dat hij, de alleen
-ocr page 232-
21»)
staande man, moedig den tiran trotseerde, is grooter, maar
dat bet hem niet te klein was, de tranen dezer weduwe af
te drogen, dat is het grootste, juist omdat het zoo „klein"
is en omdat hij zulk een groot man was. — Dat die vrouw
echter eene voortreffelijke leerlinge is geweest, dat verder
in de hut der weduwe geheel nieuwe Psalmen aangeheven
zijn, zullen ons de volgende overdenkingen leeren.
Kn ook in onze hutten, huizen en paleizen zoude jubel-
toon en vreugdezang, in weerwil van al de ellende dezer
wereld, nimmer ophouden, indien wij datgene, wat ons de
tegenwoordige geschiedenis leert, eenvoudig wilden behar-
tigen. Waarom zouden ook wij niet met geheel onze ziel
trachten te leven in deze gehoorzaamheid des geloofs, waar-
uit alle vrijheid, in dezen ootmoed, waaruit alle helden-
moed, in deze geestelijke armoede, waaruit alle rijkdom
geboren wordt ? — Hebben wij ons werkelijk aan dezen
heiligen arbeid der zelfopoffering gewijd, dan zullen ook
wij in de dagen van storm en zonneschijn den juichtoon
aanheffen:
„Koemt, roemt den Heer! Ziet, zijn erbarmen
Bestraalt ons in den somb\'ren tijd,.
Kn zijn genade draagt ons armen
Van eeuwigheid tot eeuwigheid."
Amen.
-ocr page 233-
XI.
JAMMERKLACHT EN JUBELTOON IN HET HULS
DEK WEDUWE.
Geliefde Hoorders! .,De dijken zijn gebroken! De dijken
zjjn bezweken! Het water nadert met geweld!\'\' — Ditvree-
selijk bericht liep voor eenige dagen van straat tot straat,
van huis tot huis. Snel, als hadden de vleugelen des winds
het gedragen, vloog het door de gansche stad. Welk eene
beweging ontstond er nu! Hoe ontsteld en verbijsterd wer-
den de meeste mensehen! Alles rende heen en weer! Eeni-
gen bergden hnnne goederen uit de benedenvertrekken op
hoogere verdiepingen, anderen lieten terstond hunne huizen
met alles, wat daarin was, in den steek; anderen voorzagen
zich van pompen en zandzakken, om het water tegen te
honden. Nu, God de Heer heeft ons ditmaal gespaard.
Wel is er veel vernield en nog meer bedorven, maar toch
bleven wjj voor het ergste bewaard; doch niet door onze
kunst en kracht, maar door Gods barmhartigheid.
Ach, hoe dikwjjls hoort men tegenwoordig, als er van
overstroomingen, hongersnooden, groote branden uit oude
tjjden gesproken wordt, — hoe dikwjjls hoort men dan de
wjjze lieden met welgevallen zeggen: Jets dergelijks kan
-ocr page 234-
218
in onzen tijd niet meer gebeuren! Door onze inrichtingen
en door de middelen der hedendaagsche beschaving zijn wij
daarvoor beveiligd!" Nu, het is te hopen, dat dit over-
moedige, lichtzinnige gezwets voortaan voor altijd zwijgen
zal. De burgers onzer stad, de rijken zoowel als de armen,
hebben eens weder leeren sidderen. Het behoefde slechts
nog een dag langer zoo te regenen, als het reeds weken
lang geregend had, clan brak niet één dijk, neen. dan bra-
ken zij alle. God alleen was het, die de wolken en de hoog
gestegen wateren gebood: „Tot hiertoe en niet verder!"
Wij hebben echter geleerd, wat het beteekent: „Als de
Heer de stad niet bewaakt, te vergeefs waken de wachters!"
Wij hebben geleerd, dat zich de groote God in den hemel
in spijt van alle uitvindingen en ontdekkingen van den nieu-
wen tijd, nochtans het laatste woord voorbehoudt. Met
ootmoedige dankbaarheid moeten wij Hem, en Hem alleen
de eere geven en zeggen: Heer! wij zijn liet niet waard,
dat Gy ons zoo gered hebt; maak Gij ons uwe groote
genade waardig!
Voor ditmaal derhalve zijn wij met grooten schrik en
kleine schade vrijgekomen. Er zal echter een dag komen,
waarop in de geheele wijde wereld alle dijken breken. Ik
bedoel, al die behoed- en verdedigingsmiddelen, welke de
menschenkinderen, zooals liet ook betaamt, tegen de ver-
woestende en woedende elementen hebben opgericht, zullen
dan als ellendige kaartenhuizen ineenstorten. Het oude,
indrukwekkende lied, dat zoo dikwijls van de lippen onzer
voorvaderen gehoord is: „Dies ir a e, dies illa, sol-
vet sec la in fa villa" — „de dag des toorns, die
geduchte dag, zal \'t heelal in stof veranderen," — dit
lied zal, in spijt van allen twijfel en spot van ons geslacht,
nochtans zijne vervulling vinden. En hoe zal het zjjn, wan-
-ocr page 235-
219
neer de hemelen vergaan zullen met groot gedruis en de
aarde en hare elementen van hitte versmelten, en alzoo
alle werken der menschen als papierstrooken in het vuur
verbranden! Ja, wat zal dat zijn, en hoe zoude liet u te
moede zijn, indien gij dat beleven moest?
„Nu, het zal toch bezwaarlijk het geval zijn, dat wjj dit
beleven," hoor ik velen zeggen. En ik erken, dat dit ook
niet zeer waarschijnlijk is. Daarentegen moet gij weten,
dat voor u persoonlijk zeer zeker de dag zal komen,
ja, dat reeds de dag van morgen die dag kan zijn, waarop
,de dijken breken," die tot dusverre uw lichamelijk en tijde-
lijk leven beschutten en beschermden. Hoe zal het dan ecli-
ter zijn? Zult gij dan de kracht bezitten, om kalm en moe-
dij? te zeggen: „Nadert slechts, nadert, gij donkere golven!
Breekt gij ook door de djjken, die mijn tijdelijk leven be-
schermden, nochtans zult gn\' mij welkom zjjn. Uu\' draagt
mjj slechts naar de veilige haven des eeuwigen vredes, waar
mü een hooger, heiliger, heerlijker leven wacht, waar myn
Heiland en mijn Koning mjj zijne heerlijkheid geven zal."
— Hoe is het, waarde Broeder! durft gij zoo spreken, wan-
neer de groote dijkbreuk van uw leven plaats heeft? — Gij
wordt ongerust, gij twyfelt; gij zegt, wie kan het weten,
hoe het hem dan te moede zal zijn ?
Nu, men kan het wel weten, als men weet, dat .Jezus
onze Heiland is. Wie dat weet, die weet ook, dat Hij groo-
ter is dan onze zonde en grooter dan onze dood. * >f ech-
ter onze gemeenschap met Hem van den echten stempel is,
dit moet zich toch hier, in den tijd van het aardsche leven,
openbaren. En wel inzonderheid in die tijden, wanneer
de kleinere dijkbreuken plaats vinden, ik bedoel
de tijden des tegenspoeds, wanneer een gedeelte van
ons aardsche geluk vernietigd wordt. Dat zijn. zoo
-ocr page 236-
220
te zeggen, voorbereidende oefeningen voor die geduchte
ure wanneer wjj van alles wat vvjj bezitten, voor altijd los-
gerukt worden, en alles, wat wij bezitten, van ons.
Laat ons lieden zien, hoe ook de vrouw te Zarphath, en
met baar de Profeet in zulk ecne beproeving kwam. Laat
ons uit baar voorbeeld leeren, boe men zich onder de tijde-
lijke bezoekingen behoort te gedragen, opdat ons hart gesterkt
worde tot de zalige afreis naar het vaderhuis !
1 Koningen 17 : 17—24.
En het geschiedde na deze dingen, dat de zoon dezer
vrouw, de waardin van den huize, krank werd, en zijne
krankheid werd zeer sterk, totdat geen adem in hem over-
gebleven was.
En zij zeide tot Elia: Wat heb ik met u te doen, gjj man
Gods? Zü\'t gij by mij ingekomen, om mijne ongerechtigheid
in gedachtenis te brengen en om mynen zoon te dooden P
En hjj zeide tot haar: Geef mij uwen zoon ! en hij nam
hem van haren schoot, en droeg hem boven in de opper-
zaal, daar hjj zelf woonde, en hij legde hem neder op zjjn
bed. En bij riep den Heere aan en zeide: Heere mijn
God ! hebt Gij dan ook deze weduwe, bij dewelke ik her-
berge, zoo kwalijk gedaan, dat Gij haren zoon gedood hebt ?
En hjj mat zich driemaal uit over dat kind, en riep den
Heer aan en zeide: Heere mijn God 1 Iaat toch de ziel
des kinds in hem wederkomen!
En de Heer verhoorde de stem van Elia, en de ziel des
kinds kwam weder in hem, dat het weder levend werd.
En Elia nam het kind en bracht het af van de opperzaal
in het huis en gaf het [zijne moeder, en Elia zeide: Zie,
uw zoon leeft I
-ocr page 237-
221
Toen zeide die vrouw tot Elia : Nu weet ik dit, dat gij
een man Gods zijt, en dat het woord des Heeren in uwen
mond waarheid is.
.Jammerklacht en jn beltoon i n h e t huis il e r
w e d u w e.
I. De leerschool.
II. De lijdenssehool.
III. Het aanschouwen der heerlijkheid Gods.
I.
Onze tekst brengt ons weder in het huis der Fenicische
weduwe. Er is nauwelijks een stand, die in de heilige
Schrift hooger geëerd wordt, dan de weduwstaat, en
ook hieruit blijkt de teedere menschenliefde van God onzen
Heiland. Wet en Profeten zijn vol van woorden tot
bescherming der weduwen en van bedreigingen tegen hare
verachters. In de Psalmen hooren wij woorden als deze:
„De Heer houdt den wees en de weduwe staande. Hy is
de Vader der weezen en de Kichter der weduwen." En is
het niet eene achtbare rij van edele weduwen, waarop Gods
bijzonder welgevallen rust ? — ;Ziet daar bij voorbeeld R u t h,
de jonge, beminnelijke weduwe uit het land der Moabieten,
maar die gelijk de zonnebloem haar hoofd opheft naar het
licht, dat Sion bestraalt, en die dan ook uitverkoren wordt,
om de stammoeder van Jezus te worden. — Welk eene
heilige biddende gestalte is verder die weduwe, wier ledige
kruiken de Profeet tëlisa met olie vult, opdat hare zonen
geen slaven zouden worden. (2 Kon. 4.) — Denkt aan die
H a n n a, die eene halve eeuw in den weduwstaat had
-ocr page 238-
222
geleefd, en haav geheele lange leven was niets dan een
vurig verlangen naar den Zaligmaker, totdat zij Hem wer-
keljjk aanschouwde en daarna in vrede ontsliep! — Denkt
aan die weduwe in den tempel te Jeruzalem, die met
bevende hand twee peuninkskes in de offerkist liet vallen,
en van wie Jezus getuigde, dat zij meer dan alle anderen
gegeven had. — Denkt aan die diep bedroefde weduwe te
N a ï n, die op weg is, om haren eenigen zoon te begraven,
en aan wie Jezus niet slechts den zoon maar zich zelven
schonk.
Het woord w e d u w e, zooals het in het Duitsch wordt
uitgesproken, doet denken aan .wijd (of groot) wee." En
waarlijk, wie het hart der vrouw kent, wie het weet, hoe
de wereld voor haar sterft, als de geliefde man van haar
hart sterft, dien behoeft men niet eerst te zeggen, hoe
treffend deze beteekenis is. En wanneer de Hebreërs eene
vrouw, wier man overleden was, [rA 1 manah," dat is]
de eenzame noemden, zoo komt dit met het üuitsche
op hetzelfde neder: eene weduwe is eene vrouw, wier wee
zoo wijd en diep is, omdat zij in het diepste van haar hart
zoo eenzaam is geworden, omdat zjj door niemand ter
wereld begrepen wordt. Natuurlijk geldt dit slechts van de
rechte weduwen, die zich stil aan den Heer onderwerpen,
in heiligen, vrouwelijken eenvoud. Maar op haar rust ook
Gods welgevallen. Wie het leven met opene en heldere
oogen beschouwt, die ziet ook overal, dat God de Heer
aan haar zijne beloften, dat Hij de Vader en Helper, de
hand en het oog der rechte weduwen wil zijn, wonderbaar
vervult. Wij echter, zoo wij rechte christenen zijn, moeten
zijne getrouwe en gewillige medewerkers zijn.
En dat moest ons niet moeieiyk vallen! Wie een echte
man is, wie slechts iets van de heilige ridderlijkheid bezit,
-ocr page 239-
223
die zal zich altijd gedrongen gevoelen, om zich jegens eene
weduwe kiesch en welwillend, vriendelijk en hulpvaardig
te gedragen. Mocht Elia ons in dit opzicht tot een goed
voorbeeld verstrekken ! Langer dan twee jaren heeft deze
krachtige geest met de eenzame weduwe te zamen gewoond
en het zich niet laten verdrieten, haar de paden te wijzen,
die naar den haar onbekenden God leidden. Deze weduwe
beeft de Heiland met een onvergankelijken eerekrans ver-
sierd, toen Hjj tot zijne stadgenooten te Nazareth het vol-
gende over haar zeide: „Er waren vele weduwen in Israël
in de dagen van Elia, toen de hemel drie jaren en zes
maanden gesloten was, — en tot geene van haar werd
Elia gezonden, maar alleen naar Sarepta der Sidoniêrs tot
eene weduwe." (Lukas 4 : 25 enz.)
Nu hebben wjj reeds in de vorige predikatie gezien, hoe
Gods genadige verkiezing en de eigenschappen dezer vrouw
in een zeer innig verband stonden. „Zonder geloof is het
onmogelijk, Gode te behagen", dat geldt hier en dat geldt
overal. Maar overal behaagt ook het geloof den Heer
in den hemel, hoe wonderlijk het dikwijls ook onkenbaar
gemaakt en met allerlei stof bedekt moge zijn. Hij weet
het toch te ontdekken en brengt het aan het licht. Wel
was de tjjd nog niet aangebroken, dat God de Heer zijne
vredeboden aan alle volkeren der aarde konde zenden. Daar-
toe moest eerst het werk der verlossing op Golgotha vol-
bracht zjjn. Maar toch zoude het ook in deze tijden, toen
God de heidenen liet wandelen op hunne eigene wegen,
nochtans niet aan teekenen ontbreken, dat Hij hunner
gedenkt en dat ook hun lief en leed Hem ter harte gaan.
In dit opzicht zijn de geschiedenis der Moabietische Eu tb,
de geschiedenis van den Syriër N a & m a n, de boetpredi-
king van Jona in N i n e v e schitterende lichtstralen, die den
-ocr page 240-
±24
duisteren nacht verlichten. Maar geene zendingsgeschiede-
nis in het oude Testament is zoo liefelijk en verheven tege-
lijk als deze hier.
Wij zonden er gaarne wel veel meer van hooren, op welke
w ij z e Klia, die voor zoo ver wij weten de eerste zendeling
in de heidenwereld was, zijn werk heeft verricht. Ik denk
natuurlijk niet, dat Blia zich gedurende die twee jaren
alleen met den zielstoestand dezer twee menschen bezig
gehouden, hen den gansenen dag onderwezen en met hen
gebeden en gezongen heeft. Dat zoude onnatuurlijk zijn.
Zeker heeft Elia ook gearbeid, want welk mensen kan
zonder arbeid gezond blijven ? Hoe dikwijls zal hij ook aan
het strand der zee gewandeld hebben en hoeveel nieuwe
denkbeelden mogen bier bij het kind der bergen opgeko-
men zijn, als zjjn oog op de eindelooze blauwe wateren
gevestigd was ! Maar dat de Profeet ook aan deze beide zie-
len getrouw gearbeid heeft, en dat hij juist dit als zijne voor-
naamste roeping in de jaren zijner ballingschap beschouwde,
behoeven wij wel niet te verzekeren. Indien zich hunne
gemeenschap slechts tot olie en meel had bepaald, dan
zoude de heidensche vrouw by het lijk van haren zoon niet
zóó gesproken hebben, als wij haar weldra zullen hooren
spreken.
Het kan wel niet anders, dan dat een Israëlietische man
en eene heidensche vrouw wederzijds veel in elkander
verdragen moesten, wat niet zoo gemakkelijk was.
Ondertusschen, alle verscheidenheid van ras, stam, stand,
beschaving, taal, zeden, geslacht, — al deze verscheiden-
heden, hoe groot zij op zich zelve ook zjju mogen, zijn klei-
nigheden, wanneer de personen het daarin eens zjjn, dat zij
met Azaf zeggen: „Heer! indien ik U slechts bezit!" Er
bestaat eene diepe, stille, wonderbare a 11 i-
-ocr page 241-
antie tusschen alle zielen, die een wezen-
lijk biddend leven leiden, die streven naar
licht en genade, kracht en wijshei d van
boven. Waar dat is, daar is bij alle overige verscheiden-
heid nochtans dezelfde polsslag en hartklopping. Daar is
dezelfde weg en hetzelfde doel en dezelfde tucht van boven,
waarin zij elkander steeds terugvinden. De „gemeenschap
der heiligen" is toch, Goddank, niet slechts een geloofs-
artikel!
En ofschoon de vrouw te Zarphath „slechts eene heiden-
sche" was, zoo kan men Elia toch met zijne leerlinge geluk
wenschen. Er bestaat geene heerlijker werkzaamheid, dan
in een hart, dat met smachtend verlangen naar God zoekt, het
hemelsche zaad uit te strooien, en hoe minder zulk een
hart van God weet, des te meer vreugde levert deze arbeid
op. Ontzettend moeielijk, vermoeiend en doodend is het
verkeer met zulke personen, die innerlijk op die ,vette
koeien van Samaiïa" gelijken, die over zich zelven zoo
geheel voldaan zjjn, en om \'t zoo uit te drukken, van dat-
gene leven, wat zfl in zich zelven bezitten. Zij zeggen op
alles: „Ja, ja!" — vinden dit zoo heerlijk, zoo liefelijk,
dat zoo diepzinnig of schoon, maar nochtans bemerkt men,
dat hun binnenste er geen belang in stelt; zij hebben niets
te zeggen en te vragen, zij zoeken niets meer, derhalve
vinden zij ook niets. De omgang met zulke lieden is voor
eenen prediker ondragelijk; hjj zoude geheel onverdragelijk
zijn, indien de man niet bekennen moest, dat — het met
hemzelven dikwijls eveneens gesteld is. Maar gemakkelijker
is het, met Joden en heidenen om te gaan, wanneer dezen
wezenlijk belang in het eeuwige hebben leeren stellen,
«lemakkelijker is het, met ongeloovigen te verkeeren, wanneer
dezen innerlijk naar het bezit der waarheid streven. Het is
ZIELESTRI JD.                                                                  15
-ocr page 242-
22(5
als eene oase in de woestijn, wanneer men raenschen vindt,
die u met groote oogen aanzien, als gjj hen met de genade
en den vrede Gods bekend maakt, en die met een bewo-
gen hart verzoeken: „O zeg mij dat nog eens!" of wier oog
zich met tranen vult en wier lippen beven, omdat het gewe-
ten beeft over het goddelijk woord. In zulk een hart staat
de hemelsche kerstboom geheel gereed. Men behoeft slechts
de lichten aan te steken, en dan ontbreekt er niets aan
zijnen luister.
En hoe zal de weduwe te Zarphath, met haar naar waar-
heid dorstend hart, hebben opgezien, als de Profeet den eenen
verrassenden hemelschen lichtstraal na den anderen in haren
nacht deed schijnen! Hoe. zal zij geluisterd hebben, als hij
tot haar sprak over uen e enigen God, die alle dingen
geschapen heeft en alle dingen onderhoudt en regeert; die
alle wegen en lotgevallen der menschenkinderen bestuurt
en regelt, en zonder wiens wil geen haar van ons hoofd
valt! Hoe zal zij geluisterd hebben, als hij haar van Gods
leidingen met zijn volk Israël en van zijne genadige bedoe-
lingen met alle volken der aarde verhaalde, — als hij van
den „Vertreder der slang" getuigde, dien God reeds in het
Paradijs heeft beloofd, en die in de volheid des tyds uit
Abrahams zaad en uit Davids stam zoude voortkomen! Toen
zal het oog dezer heidensche, door vurig verlangen bezielde
vrouw dikwijls wel met tranen van heilige vreugde gevuld
zijn geweest. Dat dat alles waarheid was, daarvoor leverde
toch hare eigene ervaring bewijzen genoeg. En de Profeet
zal door de vragen, door de tegenwerpingen, ja ook door
de twijfelingen dezer edele leerlinge wellicht even veel geleerd
hebben, als zij door hem, want men leert door niets zooveel
als door onderwijzen. Wat er in het hart omgaat, wordt
dikwijls eerst helder, licht en vast, als men gedrongen wordt,
-ocr page 243-
227
het uit te spreken. Goede vragen echter, die iemand gedaan
worden, openen hem dikwijls geheel nieuwe diepten en
hoogten der waarheid, brengen hem op nieuwe kostelijke
denkbeelden, waarop hij anders in het geheel niet gekomen
zoude zn\'n.
11.
Zoo ging het een tijd lang en wellicht een langen tijd.
Er lag een groote zegen in dit samenleven, en men zoude
denken, dat het verder zoo rustig en harmonisch had kun-
nen voortgaan. Maar Gods gedachten zn\'n niet onze gedach-
ten. Het stille leven verandert in storm. - Hebt gij wel
eens, waarde Hoorder! bjj een stil meer gestaan, dat daar
als \'t ware lag te sluimeren, helder en diep? Bergen en
wolken, hoornen en struiken, huizen en torens spiegelden
zich daarin en geen golf bewoog zich. Daar — op eens,
plotselings en onverwachts breekt een windvlaag los uit
de bergkloof. Nog maar weinige oogenblikken, en het water
is in eene omstuimige beweging; bruisend en schuimend
verheffen zich de baren; met een hevig geraas slaan de
golven tegen den oever: verdwenen zijn in een punt des
tijds al die schoone beelden des vredes, en wee den schip-
per, die thans niet waakt, maar in zjjn vaartuig slaapt!
Juist op dezelfde wijze gaat het dikwijls in liet mensclie-
ljjke leven. Uit eene richting, vanwaar men het in \'t geheel
niet vermoedt, steekt een storm op en werpt alles door
elkander. Niet anders was het in Sarepta. God had aan
de weduwe haren zoon, om het zoo uit te drukken, uit den
dood terug gegeven. Zü wilde nog eenmaal met hem eten
en zich dan met hem nederleggen en sterven. Alle hoop
op het leven was verdwenen. Toen gaf God hem haar als
opnieuw terug. Hoe konde zjj vermoeden, dat God haren
-ocr page 244-
J2S
zoon door een wonder behouden had, om hem zoo spoedig
weder weg te nemen?
Waarom geschiedde dat? Waarom kwam deze zware
beproeving? Ja, waarom? „Aanvechting leert op het woord
acht geven," zegt Jezaia. 1) Daar hebt gjj het „w a a r o m"!
Aanvechting is datgene, wat ons bestrjjdt, wat ons in onze
aangename, zorgelooze rust opschrikt, wat ons dringt om
onze wapenen te onderzoeken en op te vatten, wat nns
dwingt om te strijden of om te keeren. — En de aanvech-
ting is van velerlei aard. Zij heeft echter altijd hetzelfde
doel, — zij moet ons iets 1 e e r e n. Ongelukkige menschen,
die daarvan niets weten en ook niets willen weten, die
zelfs wel meenen, als zeer ontwikkelde lieden te spreken,
wanneer zü zeggen: „Het is alles toeval; den eenen treft
dit, den anderen dat; een dwaas slechts vraagt naar
oogmerk en doel!" — Ongelukkige menschen! Wat zullen
zij doen, als de tegenspoed hen treft? Nu, zjj zullen trach-
ten af te schudden, wat zich laat afschudden, trachten te
vergeten, wat zich laat vergeten, trachten te bemantelen,
wat. zich laat bemantelen. Maar wanneer het lijden hoog
stijgt, en liet afschudden, vergeten en bemantelen onmo-
geljjk is, dan — nu, dan zullen zij de prooi der wanhoop
worden! — Ongelukkige menschen zijn echter ook diege-
nen, die in den tegenspoed niets anders leeren, dan dat
alles ijdelheid is in deze wereld, ijdel, onzeker en
erbarmelijk; dat het leven derhalve eigenlijk liet leven niet
waard is. Ook h e n leert de tegenspoed niets. Zoolang
het licht der eeuwigheid ons bij die klacht over de ijdelheid
van alle dingen niet bestraalt, is dit, dat alles ijdel is, eene
nietswaardige kennis, die slechts lam en versaagd maakt.
1) Jezaia 28:19 volgens ile vertaling van Luther.
-ocr page 245-
229
Neen, iets anders moet ons de beproeving leeren. Wat
dan ? Nu dit: op het woord a c li t geven, namelijk
op Gods heilig woord. Het is zoo, de Bijbel is een dik
boek en daarin staan honderdduizende woorden van God.
Maar zij komen allen neder op dit ééne getuigenis, dat wjj
menschen, aan ons zelven overgelaten, verloren zijn, maar
dat wjj door Gods genade kunnen en zullen gered worden.
Op dit woord leert de beproeving ons acht geven. Dit
oogmerk van God wordt, helaas, nog lang niet altijd bereikt,
maar dit i s toch het oogmerk van God en het wordt
bereikt bij de oprechten. Terwijl de anderen verbitterd en
verstompt worden, geven dezen er acht op, dat de beproe-
ving eene diepere heiliging ten doel heeft, dat de aan-
vechting tot hoogeren vrede leiden moet.
Het is trouwens zeer verootmoedigend voor ons menschen,
dat wjj dit «acht geven" eerst door de beproevingen, die
altjjd smartelijk zijn, moeten leeren. Ieder vogeltje luistert
toch met innige vreugde naar de stem zijner moeder, en
wjj zouden eerst door de beproevingen op het woord van
onzen God en Vader acht leeren geven ? Ja, dat wij ons
dit moeten laten zeggen, is bitter — en toch is het noodig.
Het is erg, dat het zoo is, maar het is zoo. Zonder van
uw inwendig leven datgene uit, trek van uwe kennis en
ervaring van het goddelijke woord en de goddelijke genade
datgene af, wat in de tjjden en op de wegen der beproeving
door u verkregen is, en gij zult bevinden, dat gij dan het
beste uitzondert. — Het is zoo, niet bij alle menschen is
dezelfde mate van beproeving noodig. .lohannes mocht wel
een efl\'ener weg betreden, dan zjjn vriend Petrus, de stille
Maria van Bethanië een gemakkeljjker pad, dan de van
nature zoo onreine, zinnelijke Maria van Magdala. Maar
dit heeft toch zonder uitzondering plaats bjj allen, die de
-ocr page 246-
230
Heer tot heerlijkheid wil leiden, dat het niet zonder
beproeving geschiedt, en dat eerst deze beproeving hen
leert, de bedoelingen van den heiligen God, die onze heilig-
making en onzen vrede wil, geheel te verstaan en te bevatten.
De weduwe te Zarphath was zeker op eenen goeden weg.
Zal de Heer ons echter van de eene heerlijkheid tot de andere
leiden, dan gaat het niet anders dan door de eene diepte
na de andere. De vrouw had goed geleerd, maar nu moet
zn\' ook het examen, het onderzoek ondergaan ; dit alles is
echter niets, dan enkel liefde, God had nog buitengewone
heilrijke bedoelingen met deze weduwe. Zij zoude met
zulk eene ervaring van Zijne genade en heerlijkheid bevoor-
recht worden, als nog geen mensch vóór haar, sedert de schep-
ping der wereld. Maar gelijk het zoo dikwijls geschiedt, —
deze genaderijke heerlijkheid Gods naderde haar in de
gestalte en het omhulsel van eene duistere wolk des tegen-
spoeds. Ach, wij menschenkinderen denkeu zoo zelden, als
ons een lijden overkomt: thans komt de H e e r, thans nadert
in deze wolk de liefde van dien God, die zich op de innig-
ste wijze voor altyd met u wil vereenigen. Wjj deinzen
daarvoor terug als voor een spooksel, krommen en wenden
ons heen en weder. — Wellicht bezitten wjj zoo veel zeit-
kennis, dat wjj niet morren en klagen, maar erkennen, dat
God het recht heeft om met ons, zondaars, zoo te handelen.
Nochtans denken wjj er meestal volstrekt niet aan, dat zulk
eene kastijding liefde is, en dat de Vader der heeiijjk-
heid ons juist langs dezen weg tot heerlijkheid wil leiden.
Wij worden treurig en verslagen. Zoo was het ook bh\' de
weduwe te Zarphath. Wat echter bij eene heidensche vrouw
zeer natuurlijk was, moest bij ons, christenen, waarlijk niet
zoo zijn.
,Na deze dingen werd de zoon der vrouw krank en zijne
-ocr page 247-
231
krankheid werd zoo sterk, dat er geen adem in hem over-
bleef." Of Ulia niet bespeurd had, dat de ziekte gevaarlijk
was, of dat Gods Geest hem verhinderde, zich daarmede te
bemoeien, — kortom, het schijnt, dat hij zich om dit lijden
niet bekommerd had, voordat het, zooals men zegt, te laat
was, dat is, voordat hij met de weduwe bn\' het lijk van
den knaap stond. Nu is het toch overal, waar rechte vader-
en moederharten kloppen, eene onuitsprekelijke droefenis,
als een der kinderen sterft. Dan wordt er altijd een stuk
van ons eigen hart mede weggerukt; ik heb dat ook meer
dan eenmaal ondervonden. Ach, velen zijn er hier, die in
de laatste maanden dezen bitteren kelk hebhen moeten ledi-
gen! Hoe dikwijls ben ik in den laatsten tijd bjj ouders
geweest, wier harten zoo bedroefd waren, dat zij voor geen
vertroosting vatbaar schenen te zijn. Hoe groot is echter
het leed vooral dan, wanneer het stervende kind het eenige
is, hun alles, waarin vreugde, troost en hoop opgesloten
liggen. Door zulk een sterfgeval wordt dan het leven voor
een tjjd lang werkelijk in eene woestijn veranderd. Ja in
eene woestijn, — maar in eene woestijn, waar de Heer ons
ontmoeten wil. Wie zich dan buigt onder zijne krachtige
hand, wie zich verootmoedigt, wie de velerlei afgoderij, die
men ook juist met zijne kinderen zoo lichtelijk pleegt, eerlijk
belijdt — wie al worstelende zoo ver komt, dat hij zeggen
kan: „Heere! zoo ik slechts U bezit, dan vraag ik niets
naar hemel en aarde," — die zal dan ook ondervinden, dat
de getrouwe God hem het liefste en beste ontnam, om zijn
beste en liefste, ja zich zelven aan Hem te geven. Juist de
stervende kinderen zijn voor duizenden van ouders gidsen en
wegwijzers naar den hemel geworden.
Dat ondervond ook onze weduwe. Ook haar kind stierf,
haar eenig kind, een zoon, de eenige troost in hare eenzaam-
-ocr page 248-
232
heid, de vreugde van het heden, de hoop van hare toekomst,
de steun van haren ouderdom. En nu is dat alles op eens
verloren! Dat was zeer zwaar.
Hoe gedraagt zich nu de vrouw in hare beproeving ? Nu,
waarljjk zóó, dat men ziet, dat zy acht geeft op het
woord van God, hetwelk zij van Elia ontvangen heeft.
„Wat heb ik met u te doen, gij man Gods? Gij zijttotmij
in huis gekomen, opdat aan mijne ongerechtigheid gedacht
en mijn zoon gedood zoude worden." Het is eene zeer
opgewonden taal, die wij daar liooren, en vreemdsoortig is de
wijze van uitdrukking. Wat zij echter zeggen wil, is dui-
delijk. .Ik heb niets met u te doen," — dat beteekent:
„Uwe heilige tegenwoordigheid, uwe vertrouwdheid met den
heiligen God, heeft rajj nochtans volstrekt niet tot heil ver-
strekt. Integendeel schijnt het, dat juist tegenover uw
geheiligde en reine leven mijne zonde voor God des te
meer openbaar is geworden en dat nu juist daarom het recht-
vaardig strafgericht mij getroffen heeft."
In allen gevalle, hetzij wij hare woorden zóó, hetzü WÜ
ze eenigszins anders opvatten, zooveel is duidelijk: de vrouw
beschouwt deze droefenis als eene rechtvaardige goddelijke
kastijding, die zij door hare zonden zeer goed verdiend heeft.
Hoe groot haar leed ook is, grooter is, naar hare eigene
meening, hare zonde. Zij heeft, door Gods Geest geleid,
daarin zulk een diepen blik geslagen, dat zij inziet, hoe God
het volste recht tot zulk een bezoeking heeft. Zij veront-
schuldigt zich dus niet, neen, zü beschuldigt zich zelve en
verontschuldigt God. Zjj geeft Hem de eere en zich zelve
de schande.
O, hoort dat toch, gjj, die u christenen noemt, hoort het
toch, hoe hier deze heidensche vrouw spreekt! Hoort het
en schaamt u, gij die bij ieder leed, dat u treft, opvliegt
-ocr page 249-
2:33
alsof u iets vreemds overkwam; gn\', die zoo geneigd zijt,
om te klagen, dat uwe wegen al te moeielijk zijn, of die
zelfs murmureerend en farizeesch spreekt: „Ik weet toch
niet, waarom dit m jj overkomt. Ik ben toch altijd den
Heer onzen God getrouw geweest en heb nooit een kind
eenig leed gedaan." Ziet, deze heidensche vrouw heeft meer
kennis van de heiligheid en majesteit Gods, zjj bezit ook
meer zelfkennis, een dieper inzicht van hare gemoedsgesteld-
heid, dan de meeste gedoopte christenen. — Of zoude dat
soms zelfkwelling zyn, dat zij een innig verband tusschen
de tucht van God en hare zonde ziet V Is het eene dweep-
achtige zelfkwelling dat zij den lijdenslast nu ook nog met
een „ingebeelden" zondenlast verzwaart? O, wie zich zelven
kennen, weten dit beter. Onze geschiedenis doet ons echter
zien, dat Gods welgevallen op haar rustte, omdat zij zich
zóó boog, als zij zich boog. Omdat zij zoo eerlijk op het
bestraffend woord van God acht gegeven heeft, zal zij
nu ook zien, welk een heil en welk een vrede in het woord
van genade en heerlijkheid Gods ligt opgesloten. Wan-
neer een mensch in den tijd des onspoeds een onpartijdig
oordeel over zich zelven velt, dan is de akker des harten
omgeploegd, zoodat nu de hoogverhevene God in de met
tranen bevochtigde voren de zaadkorrels voor eenen rijken
oogst van vreugde kan strooien. Nu kan Hij openbaren,
dat het lijden slechts uit de liefde voortvloeide, ja, dat het
lijden zelf liefde was. Hij doet ons nu, hetzij uitwendig en
inwendig, hetzij alleen inwendig, iets daarvan vermoeden,
gevoelen, aanschouwen, ondervinden, dat het lijden heerlijk-
lieid werkt en dat zjj, die hier met tranen gezaaid hebben,
met vreugde zullen oogsten. Men verstaat dan wat de
dichter zegt:
-ocr page 250-
234
, Onder bange lijdenssmarte
Vormt de Meester geest en harte
Naar zijn heil\'ge beeldtenis.
Schiep Hij ons uit \'t stof der aarde.
Hij herschept tot hooger waaide
Langs den weg der droefenis.\'\'
III.
Daar zit de vrouw met haar doode kind op den schoot
en de Profeet staat bjj haar, zelf diep getroft\'en. Zij klaagt
hem hare smart. Wat was ook natuurlijker dan dit ? Waar-
toe zouden de menschen bij elkander zijn in eene wereld
vol droefheid, indien zij elkander niet wederkeerig hun leed
wilden klagen en hun leed helpen dragen ? Dat zij verwacht
zoude hebben, wat nu toch werkelijk geschieden zal, daar-
van kan volstrekt geen sprake zijn. Maar hoe mocht het
haar reeds te moede worden, toen Elia met een wonderba-
ren toon der stem uitriep: „Geef mij uwen zoon hier!"
Wat mocht er eensklaps in haar hart omgaan, toen hij het
koude lijk in zijne armen sloot en daarmede naar zijne kamer
ging ? B Wat wil hij dan toch ?" vraagt haar bevend hart —
en Elia wist, wat hij wilde.
Het is zoo, zoolang er sedert de schepping der wereld
eene geschiedenis des menschdoms bestond, was het nog
niet gehoord, dat een doode weder levend was geworden.
Geene stem, noch in de redelijke, noch in de redelooze schep-
ping, konde den geloovige den moed geven, om op eene
opwekking der dooden te hopen. Maar hoe heilzaam het
ook is, de wetten en de stemmen der natuur te bestudee-
ren, hoe voortreffelijk het ook is, op de lessen der geschie-
denis acht te geven, — toch is het nog beter, nog zaliger,
-ocr page 251-
235
nog zegenrijker, naar de stem van Gods Geest te luisteren
en den aandrang des geloofs op te volgen. Toen Elia, in
de benauwdheid zijner ziel, zijne biddende zuchten klagend
en vragend tot God opzond, toen werd hem plotseling
iets duidelijk. Het werd hem duidelijk, dat het Gods wil
was, deze weduwe te helpen. Hij werd er van verzekerd,
dat deze diep ootmoedige vrouw uit hare droefenis gered
moest worden, en dat het doel der goddelijke
beproeving reeds bij haar bereikt was. Dit helder inzicht,
dat Elia door den Geest van God geschonken werd, was
zoo helder en zoo sterk, dat er nu geen hinderpaal meer
voor hem bestond. Hij wist: de knaap zal weder levend
worden ; liy wist echter ook, dat God gebeden wil zijn, wan-
neer Hij helpen zal.
Zoo stort clan de Profeet, daar liy\' in zijne opperzaal met
het lijk alleen is, zijn hart voor God uit, terwijl de doode
op het bed ligt. De woorden, die de Profeet ten hemel
zendt, luiden byna oneerbiedig. Het is, als beklaagde hy\'
zich by God, dat Hij zijne kinderen zoo hard behandelt:
„Heere, mijn God! hebt Gij dan ook deze weduwe, wier gast
ik ben, zoo kwalijk gedaan, dat Gij haren zoon gedood hebt ?"
Maar onze God weet het gebrekkige in de woorden zijner
kinderen voorbij te \'^ea en alleen te letten op hetgeen hunne
bedoeling is. Hij ziet en hoort dieper, en verstaat wel, wat
de Profeet wil zeggen, namelijk, dat deze beschikking voor
hem geheel onverklaarbaar en raadselachtig is. — Na zyn
kort en wonderlijk gebed, dat, naar den gewonen maatstaf
gemeten, in \'t geheel geen gebed is en nochtans door God
als een krachtig gebed wordt aangenomen, — na dit gebed
strekt hy zich over den knaap uit, de levende over den
doode. Daarna staat hy\' op, strekt zich weder over hem
uit, staat weder op, legt voor de derde maal zyn warme
-ocr page 252-
2:56
lichaam op het koude lijk en staat weder op. Zjjn gebed
echter luidt kort en goed: „Jehova, mijn God! laat de ziel
dezes kinds in hem wederkomen !"
Geheel op dezelfde wjjze gaat het bij de opwekking uit
den dood, die door den Profeet Elisa geschiedt. (2 Konin-
gen 4.) Het zoude ongetwijfeld een schoon onderwerp zijn,
als men deze en andere doodenopwekkingen, door het < )ude
Testament medegedeeld, vergelijken wilde met de dooden-
opwekkingen, die door den Heiland zijn verricht. Wij zouden
dan opmerken, hoe hier, in het Oude Testament, alles zoo
langzaam, zoo omslachtig, zoo worstelend, zoo — veroorlooft
mij die uitdrukking — zoo tegennatuurlijk plaats heeft. Jezus
daarentegen staat daar als de Vorst des levens in heilige
kalmte. Men bemerkt liet, dat Hjj eenen overwonnen vijand
gebiedt, als Hjj den dood doet wjjken, en dat Hjj slechts
over zijn eigendom beschikt, als Hij het leven oproept. Ves-
tigt uw oog slechts op hetgeen van de opwekkingen in het
huis van Jaïrus, aan de poort van Naïn, op den dooden-
akker van liethanië verhaald wordt. — (Matth. 9, Luk. 7, Joh.
11). Alles is daar zoo bekoorlijk, zoo liefelijk, zoo gemak-
keljjk. Bij Hem is het wonder natuur, omdat zijne natuur
zelve louter wonder is. De tijd ontbreekt mjj echter, om
hier verder over uit te weiden. Wilden wij eene vergelij-
king maken, dan zoude het u allen terstond in het oog
springen, dat ook de grootste mannen, die uit vrouwen gebo-
ren werden, inderdaad niet waardig waren, de riemen zijner
schoenen te ontbinden. Maar dit slechts in het voorbijgaan
opgemerkt! In allen gevalle was het een ongehoord wonder,
dat de Heer de stem van Elia zoo verhoorde, en dat de ziel
van het kind, die reeds in de onderwereld was. moest terug-
keeren. De hutte der weduwe weergalmde nu weder van
nieuwe Psalmen, van Psalmen en Halleluja\'s, die nooit weg-
-ocr page 253-
237
stierven, die uit den tjjd tot in de eeuwigheid klonken.
Elia geeft den zoon aan zijne moeder weder met de korte
woorden: .Ziedaar, uw zoon leeft." De man, die steeds
weinig woorden gebruikte, hield daarbij geene preek, en
hij beschouwt het ook als overbodig, eene zedeles uit die
gebeurtenis af te leiden. Wat daarbij te denken is, dat
zal zij zelve wel denken. En zij spreekt ook uit, wat
denkt: „Nu weet ik, dat gij een man Gods zjjt, en dat
des Heeren woord in uwen mond waarheid is." En zij wist
nog meer, dan zjj thans konde uitspreken. Zij zag niet
slechts haren zoon in het leven teruggekeerd, en erkende
deze redding als een bewijs voor de goddelijke zending
van Elia, — neen, God zelf was het, die haar verscheen.
God zelf openbaarde zich aan haar als den God des levens,
als den God, die den dood aan kluisters legt voor eeuwig.
Of zoude deze vrouw nu niet hebben ingezien, dat die
God, die thans, om hare droefheid weg te nemen, haren
zoon uit de dooden opwekte, dat Hij ook ten jongsten dage
a 1 zijne kinderen tot de heerlijkheid des levens zal oproe-
pen \'r* Waarlijk, op het voorhoofd van den opgestanen knaap
schitterde voor Elia en voor die vrouw het geheimzinnige,
zalige morgenrood der opstanding van alle kinderen van God.
Wjj hebben dan gezien, dat de beproeving, welke de
«eduwe ondervond, slechts een wolkje was, dat voorbij-
trok. Dit is nu, Gode zij dank! voor den christen met
iedere beproeving het geval. Zij is slechts kort van duur;
want aan den eindpaal wacht de onvergankelijke heerlijk-
lieid, waarnaar wjj bij alle beproevingen moeten uitzien en
waarvoor alle beproevingen ons moeten voorbereiden. En
wie dit weet, kan nimmer tot wanhoop vervallen; hij blijft
ook in de donkerste dagen een kiem van vreugde en hoop
behouden.
-ocr page 254-
238
Maar niet iedere beproeving wijkt op ons gebed, zooals
hier te Zarpliatb. Er zijn beproevingen, die „weggebeden"
kunnen worden, en zulke, die eenvoudig ondergaan moeten
worden. Als ik zeg, dat zij weggebeden moeten worden,
dan verstaat gij mjj toch wel. Ik wil daarmede zeggen,
dat zjj ons treffen om ons wakker te maken, om ons tot
ons zelven en tot onzen God te brengen. Is dit doel bereikt,
dan kunnen zij weggenomen worden. Dat zullen nu ook d i e
beproevingen, die een blijvend of toch langdurig kruis zijn,
dat dagelijks opnieuw getorscht moet worden.
.Maar," zoo vraagt gij, „waaraan zal men dan bemerken,
of de beproeving bestemd is, om duurzaam of voorbijgaand
te zijn?" Ik antwoord: Dit behoeft gij volstrekt niet te
bemerken. Gij behoort vooreerst slechts te zorgen, dat
datgene bij u bereikt worde, wat bereikt moet worden,
namelijk, dat gjj inniger met uwen liefderijken God ver-
eenigd wordt. Dan moet gij afwachten en dan kunt gij
ook afwachten (want gy bezit nu eene nieuwe kracht om
te dragen), wat uw God en Heiland verder doet. Wel
moogt gij bidden: „Vader! indien het mogelijk is, laat
dezen drinkbeker van mij voorbijgaan, doch niet gelijk i k
wil, maar gelijk G ü wilt," — maar, de uitzonderingen
daargelaten, toch slechts zóó, dat gij uwen wil en zin daarbij
ootmoedig aan den liefderijken wil en de hoogere wijsheid
van uwen God onderwerpt. Verder dan het gebed van
Gethsemane brengen wij het toch nooit. Hoe zouden wjj
het ook verder willen brengen, daar de Heiland zelf voor
dit bolwerk, namelijk voor den wil des Vaders, vol ootmoed
bleef staan? — Daar, waar geen drinkbeker meer gedron-
ken zal worden, zullen wjj dan ook inzien, dat de grens
van zijnen wil ook de grens van ons wezenlijk geluk was.
Thans zien wij dat nog niet. Wü meenen dikwijls het
-ocr page 255-
239
tegendeel te zien ; wy moeten het derhalve g e 1 o o v e n. Zelden
gebeurt het, dat wy ten opzichte van aardsche beproevingen,
die ons of anderen treffen, de volle zekerheid bezitten:
(!od wil ons van dit lijden verlossen, indien wjj Hem geloo-
vig en vol eenvoud daarom bidden. Somtijds gebeurt dit
wel. Zoo kwam ik eens in het huis van eenen landman,
wiens achttienjarige zoon aan epileptische toevallen leed.
Vader en zoon waren beiden oprechte dienaren van Jezus
Christus. Nauwelijks hadden zg mij begroet, toen zij mij
met oogen, die van vreugde straalden, verklaarden, dat
het zeker was, dat God het lijden der vallende ziekte ophef-
fen zoude, indien wjj met ons drieën Hem ernstig daarom
wilden bidden. Het blijmoedige en vaste vertrouwen dezer
eenvoudige menschen was onwankelbaar ; ook ik deelde
daarin weldra geheel. Ik zeg er niet veel van; de jon-
geling kreeg zijne verschrikkelijke toevallen niet weder,
maar drie jaren later, door de tering aangetast, ging hij
in tot de vreugde van zijnen Heer.
Ja, zulk eene vaste overtuiging, dat onze wil ook in de
tijdelijke aangelegenheden met den wil van God geheel in
overeenstemming is, heeft wel eens plaats. Men wachte
zich echter voor zelfmisleiding! Men wachte zich te zeg-
gen: „Dezen last kan God niet op ons laten liggen!"
O, God kan u veel, zeer veel doen lijden, omdat Hij eeuwig
is en op uwe eeuwigheid het oog heeft gevestigd. «God
is langmoedig, omdat Hij eeuwig is;" Hij is echter ook
dikwijls onbarmhartig (naar den mensch gesproken), omdat
Hij eeuwig is. Maar hoe het ook zjj — drijft de beproe-
ving u tot het gebed, d. i. beweegt zij u, om uw hart ten
offer te brengen, dan wordt gij altijd verhoord, ook wanneer
uitwendig alles bjj het oude blijft. 1) Het blijft echter
1) Onlangs vraagde ik op de katechisatie eenen leerling: Of God
-ocr page 256-
240
toch niet bij liet oude. Want alles is nieuw, als men weder
zeggen kan: Heer, mijn Herder, bron van alle vreugde!
Ik ben de Uwe, Gjj zijt de mijne, — niemand zal ons
scheiden ! Amen.
gebeden verhoort? Ken knaap zeide frisch weg: »Neen\'\'! Eenige
anderen zeiden : ».Ia\'\'. De meesten waren van meening: «Somtijds
verhoort Hij ze en somtijds niet." Ik vrees, dat ook vele lezers
dezer bladzijden van dezelfde meening zijn. E» toch, liet zoude
een onverdragelijk denkbeeld zijn. — liet zonde ons alle opgewekt-
lieid tot het gebed ontnemen, indien wij moesten twijfelen, of God
ons verhoort of niet, indien wij denken moesten, dat het, om \'t zoo
uit te drukken, aankomt op de stemming, waarin God verkeert.
Op eenen God, die zoo willekeurig te werk gaat, kan ik niet
inet een moedig vertrouwen steunen. Het moet onwankelbaar vast
staan, dat Hij mijne smeekstem altijd hoort en dat Hij altijd dat-
gene geeft, wat voor mij het beste is; maar niet, wat naar
mijne, maar wat naar Zijne wijsheid het beste is.
Hij is niet onze looiulienaar, maar onze opvoeder. Wij bidden Hem
dikwijls om iets uitwendigs, Hij echter geeft ons iets inwendigs,
en eenmaal zullen wij inzien, dat Hij onze behoeften beter kende
dan wij zelven. Of zoude de biddende Jezus in Gethsemane, en
zoude Paulus, die den Heer driemaal bad, hein van den «doorn in
het vleesch" te verlosen, (2 Kor. 12 : 7 enz.) niet verhoord zijn?
De Schrijver.
-ocr page 257-
XII.
HET G0DSGER1CHT OP DEN KAKMEL.
Waarde Hoorders! Het was een van de vreeseljjkste
middelen, waarmede het pausdom de volkeren der aarde
beheerschte, wanneer een volk en land met het I n t e r-
dict werd gestraft. Velen van u weten, wat dat betee-
kende. Geen klok mocht dan geluid, geene kerkdeur voor
de godsdienstoefening geopend worden. Geen Avondmaal
werd gevierd, geen kind gedoopt, geen huwelijk ingezegend.
De zieken stierven, zonder dat een priester hen met den
zegen des Evangelies mocht vertroosten. Zonder eenige
plechtigheid, zonder dat er een woord des vredes werd ver-
nomen, bracht men de dooden ten grave. Dat was ont-
zettend. Men ontnam den volke het Christendom, voor
zoover dit mogelijk was.
Het is zoo, in den tegenwoordigen tijd zjjn er honderd-
duizenden, die dat volstrekt niet erg vinden, en die zich
werkelijk om al deze dingen niet bekreunen; die zich niets
bekreunen om allen godsdienst en alle kerkelijke hande-
lingen. maar zich zei ven van den godsdienst berooven.
Maar wanneer het eens werkelijk gebeurde, dat alle kerk-
gebouwen gesloopt werden en geeno torens meer naar den
ZIELESTRIJD.                                                                  16
-ocr page 258-
242
hemel wezen, zooals velen dat gaarne zouden zien; als er
geen klokkentoon meer over de huizen-massa der steden
en over de stille velden van het land klonk, als zich geen
orgel meer deed hooren bij de lofzangen der feestvierende
gemeente, als er geen sakrament meer bediend, geen Evan-
gelie meer verkondigd werd; als er bjj de graven geen
woord meer gesproken werd van de hoop op eene andere
wereld — — dan, dan zoude bet weldra blijken, dat licht
en troost en vreugde uit de wereld verdwenen waren; dat
de menschheid in weerwil van alle ontwikkeling en bescha-
ving in eene nieuwe barbaarschheid verzonk; dat het met
alle poëzie en geestdrift voor altijd gedaan was, en dat
eene koude, dierlijke ongevoeligheid de harten der menscben
beheerschte. De menschheid zoude het niet lang uithou-
den, zooals ons het voorbeeld der Fransche revolutie heeft
getoond, toen men, in woedenden haat tegen Christus, kerk,
Zondag en priesters afschafte, maar weldra weder in hunne
rechten herstellen moest.
Onze tegenwoordige leerrede zal ons oog nu ook op een
volk vestigen, dat onder het interdict lag. Wjj hebben
in de vorige overdenkingen gezien, dat Israël, nadat het
zoo lang het recht en het woord van Jehova veracht had,
nu onder den goddeljjken banvloek moest liggen. Vreeselijk
en somber rustten de strafgerichten van God op het ramp-
zalige volk; het land was met graven bedekt, met graven
van menschen, die door honger, kommer en pestilentie weg-
geraapt waren. Hard als een rots, woest en verstorven lag
daar het anders zoo paradijsachtige land, en de schitterende
zon, die anders eene moeder der vreugde is, vertoonde zich
thans aan de versmachtende menschheid als het vlammend
oog van den vertoornden God. Ja, het volk lag onder het
goddelijk interdict. Laat ons heden zien, hoe het door de
-ocr page 259-
243
liand van God wordt opgeheven. Wij hebben straks deze
verhevene gebeurtenis reeds voorgelezen, en ik leg thans
-slechts nog eenmaal den nadruk op het hoofdwoord :
1 Koningen 18 : 21. 1)
Toen naderde Elia tot het gansclie volk, en zeide: Hoe
lang hinkt gij op twee gedachten? Zoo de HEEKE God
is, volgt Hem na; en zoo het Baal is. volgt hem na! Maar
het volk antwoordde hem niet één woord.
Het Godsge richt op den Kar mei.
I. De ontmoeting van Elia met Achab.
II. De volksvergadering op den berg.
III.    De beschuldiging en vraag door Elia tot het volk
gericht.
IV.    Jehova\'s antwoord met vuurvlammen.
I.
Vat nu den wandelstaf op. waarde Hoorders! Van het
Godgewijde huis des vredes. van de woningen der stillen
in den lande moeten wij nu afscheid nemen en ons begeven
naar de stormachtig bewogene wereld, naar den strjjd met
goddeloosheid en diepe bedorvenheid. Jaren en dagen zijn
voorbijgegaan en z|j zijn Elia lang genoeg gevallen, want
het was verschrikkelijk gesteld in het land, dat Jehova
1) De lezers dezer preeken moet ik verzoeken, liet gelieele
18de hoofdstuk tot vers 39 opmerkzaam te bestiideeren, voordat zij
liet volgende lezen.
                                                            De Schrijver.
-ocr page 260-
244
verkoren bad. Van boetvaardigheid, van bekeering, van
terugkeering tot Jehova was niets te bespeuren. En men
achtte het niet genoeg, dat men God en zijn woord ver-
achtte, neen, met eene bloedige vervolging roeide men de
Profeten van Jehova uit (1 Kon. 19 : 14), terwijl anderen
heimelijk door geheime dienaren van Jehova in holen onder-
houden werden (1 Kon. 18 : 13).
Zoo was het gesteld in Israël. Voor Elia echter was,
gelijk wij reeds vroeger zagen, deze lange tijd van wachten
te Zarphath een rechte smeltoven. Hoe dikwijls zal hy des
daags en des nachts het oog op den Hemel gevestigd en
de vraag ten hemel opgezonden hebben: „Wachter! is de
nacht haast voorbij ?" Dat Elia echter niet te vergeefs in
dezen smeltoven is geweest, dat hij naar zijn inwendigen
mensch daarin krachtig gesterkt, inniger met God vereenigd,
boven alle schepselen meer verheven is geworden — dit
doet ons nu de geschiedenis zien. Na twee en een half
jaar namelijk kwam het woord, dat verlossing aankondigde :
„Ga heen, vertoon u aan Achab, want ik zal regen geven
op den aardbodem." Toen juichte de ziel van den Profeet
met heldere jubelklanken. Reeds ziet lijj berg en dal weder
met groen bekleed: in den geest ziet hjj, hoe het thans
zoo uitgehongerde volk met dankbare vreugde weder zijn
voedsel gebruikt. Maar laat ons wel opmerken: God zegt
hem niet: „Ik wil thans regen geven op de aarde," maar:
„(ia heen en vertoon u aan A c h a b, w a n t ik zal
regen geven op aarde." Wat heeft dan Achab daarmede
te doen ? Nu, wjj zullen het terstond zien. Aan Achab
was het verkondigd geworden, dat het [strafgericht beginnen
zoude ; Achab moet ook hoeren, dat God wil helpen. Hü
is het hoofd des volks, en zonder zijne medewerking kan
er geene hervorming tot stand komen. Daarom moest Elia
-ocr page 261-
245
in de tegenwoordigheid van Achab den hemel sluiten en
in tegenwoordigheid van Achab hem weder openen. Het
moet hem duidelijk blijken: de regen zoowel als het gebrek
aan regen is niet natuurlijk, maar eene werking van Gods
hand.
Waar en hoe vond nu Elia den armzaligen koning ? Ach
dat is meer dan karakteristiek. Achab trekt door zijn land
en volk rond. Waarom ? Wellicht, om als een goed lands-
vader aan zijne vreeselyk lijdende onderdanen troost en
hulp te verleenen ? — Weg met die gedachte! Hij trekt
rond, om aan bronnen en beken voedsel te zoeken voor
zijne — paarden en muilezels! Hjj zal ook wel een prach-
tigen paardenstal gehad hebben en een paardenkenner zijn
geweest. Nu neemt hij voor deze zijne lievelingen overal
het voeder, waar hij het vindt, en onttrekt het aan zijne
landskinderen, die het tot voeding hunner laatste koe of
hunner honger lijdende geit dringend noodig hebben. De
wegstervende kindertjes, de vermagerde grijsaards, de hol-
oogige vrouwen, de wegkwijnende mannen, hij bekreunt er
zich niet om, maar de paarden, die arme, schoone Arabi-
sche paarden, die slanke, vlugge Syrische muildieren, d i e
moeten gered worden. Intusschen gaan de menschen te
gronde, zonder dat hij mededoogen met hen heeft.
Mijne Broeders! „De rechtvaardige ontfermt zich over
zjjn vee," maar niet ieder, die zich over zijn vee ontfermt,
ontfermt zich ook over zijne medemensehen! Dat toont
ons Achab, en dat zien wfl heden ten dage dikwijls. Er
zijn menschen genoeg, die eene hartelijke liefde jegens
paarden en honden aan den dag leggen, maar die voor
hunne lijdende medemenschen niets gevoelen. Zij zjjn te
zeer op hun gemak gesteld, om een uur aan eenen zieken
buurman te wijden, te gierig, om hem wat soep te zenden,
-ocr page 262-
2415
te ongeduldig om gedurende tien minuten bedaard naar de
klachten van vertwijfelde menschen te luisteren. Dat is
Achabs geest: voor de dieren te zorgen en de menschen
aan hunne ellende over te laten. Zeker willen wij de die-
ren medelijdend en ontfermend blijven behandelen, maar
laat ons toezien, dat wij daardoor niet tot dwaasheid ver-
vallen, laat ons toezien, dat het goede niet de vijand van
het betere worde! Dit zoude echter geschieden, indien wij
om de bescherming der dieren de bescherming der m e n-
s c h e n wilden vergeten. Waarlijk, hier is nog oneindig
veel te doen. Lijdende menschen omringen ons overal, en
zij worden voor een gedeelte door hunne medemenschen
zonder noodzaak gekweld. Zoo worden, om slechts ééne
zaak te noemen, honderdduizenden onder ons volk, (ach,
lionderden ook in onze stad!) tot zulk een Zondagsar-
b e i d gedwongen, die niet noodzakelijk is. Laat ons man-
nelijk, in het openbaar en in het bijzonder, tegen dit schan-
daal getuigenis afleggen! Laat ons, ieder naar zijn ver-
inogen, onze pogingen aanwenden, om aan deze en andere
mishandeling van menschen een einde te maken 1 Laat ons
God bidden om oogen, die voor alle menschelijke ellende
geopend zijn, en om eene vaste, trouwe, zachte, liefderijke
hand om hen te helpen, opdat ook wij niet tot dien ver-
foeieln\'ken Achabsgeest vervallen en om de dieren de men-
schen, of\', zooals anderen, om kleederpracht, schoone meu-
belen, bloemen, boomen, kleinoodiën het Inden onzer mede-
menschen of\' broederen vergeten.
Doch keeren wij tot de geschiedenis van onzen tekst
terug! Achab is dan op reis, om voeder voor zijn vee te
zoeken. Daar ontmoet hem Elia. Dat zoude nu een onder-
werp zijn voor een schilder: de dwingeland, hoog en trotsch
te paard, met oogen, die van toorn fonkelen, de hand aan
-ocr page 263-
-
247
het gevest van zjjn zwaard, — tegen hem over staande
Elia, kalm, vastberaden, onversaagd, door geen hartstocht
beheerscht, zonder wapen, slechts met een staf in zijne
hand, maar nochtans moedig.
Het liefst zoude Achab ongetwijfeld den Profeet in stuk-
ken gehouwen hebben, maar de onzichtbare hand van God
houdt hem tegen. Wellicht weerhoudt hem ook eeneinwen-
dige stem, die hem zegt: ,Indien er nog redding en hulp
mogelijk is, dan moet zij door dezen man komen. Wordt
hij gedood, dan is alles verloren." In allen gevalle, hij
vergrijpt zich aan Elia niet, maar zonder een woord van
begroeting zegt hij op barschen toon: ,Zjjt gü het, die
Israël beroert P" Dat moet beteekenen: „Gij booswicht zjjt
\'iet, die het vaderland in het ongeluk hebt gestort." —
Elia werpt echter den pijl op hem terug en spreekt met
heiligen toorn: ,Ik beroer Israël niet, maar gij en uws
vaders huis, daarmede, dat gü de geboden des Heeren ver-
laten hebt en de Baiils navolgt." Elia zoude Achab duizend
ten hemel schreiende misdaden en een lang zondenregister
van schandelijke ongerechtigheden hebben kunnen voorhou-
den. Maar hjj noemt slechts dit ééne, wat de meeste men-
schen ook tegenwoordig als iets gerings beschouwen, namelijk
den afval van God. Waarom noemt hij slechts dit?
Nu, omdat daaruit al het andere voortvloeit, omdat dit
ééne alles, wat onwaardig en slecht is, in zich bevat. Hier
staat alzoo beschuldiging tegen beschuldiging : ,Gjj zjjt
het, die Israël beroert!" schreeuwt Achab den Godsman
toe. Het is eene oude geschiedenis. De Profeten heeft
men vermoord, omdat zij de zonden der vorsten en des
volks bestraften. Dat noemde men verraad, tegen het volk
gepleegd. En wat heeft den Heiland aan het kruis gebracht?
Wat de Apostelen in ketenen en boeien en eindelijk op het
-ocr page 264-
248
blok ? Wat was liet, waarom de eerste Christenen bjj hon-
derdduizenden geslacht werden in den tijd der Romeinsche
keizers ? Het was altyd dezelfde beschuldiging: „Zij zijn
oproermakers, zjj maken revolutie!" — En waarom zijn
millioenen van Christenen in de middeleeuwen gefolterd en
gemarteld geworden P Zy willen zich, heette het, niet aan
de wetten van den staat onderwerpen, de heerschende
Uoomsche kerk niet erkennen, zjj zjjn rustverstoorders. En
nog weinig weken geleden heeft een Jood in eene groote
vergadering onzer residentiestad de onbeschaamdheid gehad,
te zeggen: „De orthodoxen vergiftigen scholen en kerken." —
Altijd werden de ware volgelingen van Christus als vevo-
lutionairen gebrandmerkt!
Is hierin dan niet eenige waarheid gelegen? ü zeker,
zij vorderen de inwendige revolutie, die wij bekeering noe-
men, zjj vorderen den overgang van alle standen, ook van
de vorsten, uit den geest der wereld tot den geest van
Jezus Christus. Zjj zeggen liet luide, dat de wereld en de
volkeren niet eerder behouden zijn, voordat zjj weenend en
biddend de toevlucht nemen tot het kruis van Christus en
zich in plaats van den zelfzuchtigen geest der wereld den
geest der liefde en barmhartigheid laten schenken. De
waarheid, de eeuwige waarheid, die uit God is, is onge-
twijfeld revolutionair en vernietigt het slechte conser-
vatisme. Ik zeg het „slecht e" conservatisme, dat met
zich zelf tevreden is, dat echter helaas by de liberale
party bijna nog meer gevonden wordt dan by die, welke
zich de conservatieve noemt.
Het eenvoudige, rondborstige antwoord van Elia is der-
halve dit: dat de oorzaak der gansene ellende hierin gelegen
was, dat de vorsteiyke familie Gods \'.voord verlaten en
het volk ook daartoe verleid had. Het was toen, geiyk
-ocr page 265-
240
altijd: het ongeloof en het materialisme zjjn van boven,
dat is, zjj zjjn uit de hoogere standen altijd doorgedrongen
tot de lagere. — Hierover willen wy thans echter niet
verder spreken. — In ée\'ne zaak, dit zagen wjj, zijn Achab
en E]lia het eens: daarin namelijk, d a t Israël verward
is. Hoe zal het nu uit die verwarring verlost worden?
De koning weet daarvoor geenen weg, maar de Profeet wél.
II.
„Ga henen en vertoon u aan Achab, want Ik zal regen
geven op de aarde," zoo veel en niet meer had God aan
Elia gezegd; al het overige bleef aan hem over-
gelaten. Niets is dwazer, dan de meening, dat de men-
schen, die er zich op toeleggen, om hunnen wil geheel aan
Gods wil te onderwerpen, daardoor onzelfstandige menschen
zouden worden. O, er blijft nog zeer veel plaats voor zelf-
standigheid over; dit hebben wij reeds bij Elia opgemerkt.
Ja, juist deze menschen alleen zijn zelfstandig, omdat zij
onafhankelijk zijn van den tijdgeest, evenals van alle men-
scheljjke beoordeeling en onafhankelijk van alle schepselen.
Zelfstandig werkzaam zal Elia ook datgene regelen, wat
noodig is, voordat God kan doen regenen op den aardbo-
dem. De Profeet wist wel, wat dat was: eerst bekeering,
inkeer tot zich zelven en terugkeer tot God, — dan kan
ook uitwendige, lichamelijke redding komen, en dan
slechts is zij weldadig.
Om echter het arme volk tot bekeering te brengen, moet
liÜ het eerst bü elkander hebben. Het moest verder, daar
bet zoo sterk door de leugen en den wellust van den Paiils-
dienst verstrikt en betooverd was, door een handtasteiyk
bewys overtuigd worden, dat Jehova den^schepter van het
-ocr page 266-
250
wereldbestuur altijd in handen heeft en dat alle andere
goden niets anders dan hersenschimmen of gewrochten der
verbeelding zijn. Zoo had dan Elia een reusachtig plan,
dat slechts in z ij n hoofd en hart konde ontstaan: op den
berg Karmel in tegenwoordigheid van het vergaderde Israël
zullen de Goden spreken en wel door vuur.
Welk een fabelachtig denkbeeld! Was dat niet eene al
te gewaagde proefneming? Inderdaad, de Profeet verwacht
niets meer en niets minder dan een Godsgericht, een Gods-
gericht in den verhevensten stijl. Van Godsgerichten heeft
men in oude tijden zeker veel misbruik gemaakt, ja daar-
mede een strafwaardig spel gedreven. Wjj weten, dat in
de middeleeuwen nu eens de vuurproef, dan weder de water-
proef op allerlei wijze werd aangewend, om schuld en
onschuld aan den dag te brengen. Wij weten ook, dat langs
dezen weg ontelbaar vele menschen ongelukkig zjjn gemaakt.
(jod de Heer heeft niet beloofd, dat Hij zich zóó open-
baren zoude. Als J o n a zegt: „Werpt mij in de zee, dan
zal zü stil worden, want God laat het slechts om mynent-
wil zoo stormen," — als E1 i a hier zegt: „Bouwt twee
altaren, dan zal Jehova op het zijne het vuur tot een getui-
genis doen nederdalen," — dan berustten zulke beloften
van een zichtbaar Godsgericht op de bijzondere betrekking,
waarin deze beide mannen tot God in den hemel stonden.
Wee den mensch, die zoo iets wilde nabootsen! Hjj zoude
niets anders doen, dan God verzoeken, zoude ook slechts
een voorwerp van den spot der menschen worden. 1>
1) Tegenwoordig staan in de Kvangelische kerk een oud en een
nieuw geloof tegenover elkander. Heide beweren, Gods eer en het-
heil des volks te bedoelen ; beide beweren, de dragers der godde-
lijke waarheid te zijn. Wat is nu het Godsgericht, waardoor dit
-ocr page 267-
251
Elia deed, hetgeen hjj deed, in de vaste overtuiging van
zyne innige vereeniging met zijnen God. Daarom is het
ook dwaas, te vragen: „Hoe, indien God hem eens in den
steek had gelaten ?" — Ja, — indien — ? Deze gedachte
kwam in \'t geheel niet bij hem op. Omdat hij wist, dat
het alleen de eer van zijnen God was, en niet zijne eigene
eer, die hij zocht, daarom wist hij ook : Hij zal my niet
beschaamd laten staan. — Wat echter Achab betreft, deze
werd met tandengeknars de dienaar van Elia en verzamelde
het volk en de afgodische priesters op den berg. Wien dit
ongeloofelyk voorkomt, die denke aan het spreekwoord:
Nood breekt ijzer.\' Nood breekt ook de trotschheid van
eenen Achab. Wanneer koning en volk aan den rand des
afgronds staan, als de menschen op het punt staan om van
honger te sterven, dan besluiten zij wel tot allerlei, wat
zy anders versmaad zouden hebben.
Dat echter Elia juist den Karmel tot vergaderplaats
bestemde, daarin openbaart zich de heilige, heldhaftige
poëzie van den Profeet. Deze berg met zijne reusachtige
hoogvlakte is als \'t ware een groot altaar van Jehova. Het
groote proces beslist moet worden .\' Mij dunkt, disputeereu en boe-
ken schrijven helpt niet, vuur uit den hemel en andere wonderen
hebbeu wij niet te verwachten. Zonder twijfel zal d i e partij
moeten overwinnen, aan wier zijde de betooning des (ieestes en
der kracht verschijnt. Waar vreugde en vrede, menschlievendheid
en medelijden, krachtige vertroosting en werkzaamheid, blijmoedig-
heid in leven en sterven zich in de grootste mate openbaren, daar
zal, zelfs naar het eindoordeel der wereld, de overwinning zijn. -
O, dat wij, aanhangers van het oude geloof, toch in de kracht van
onze goddelijke wapenrusting dit bewijs leverden en der wereld
zulk een (iodsoordeel voor oogen plaatsten !
De Schrijver.
-ocr page 268-
252
komt in geen aanmerking, dat het voor \'t volk moeieljjk
was dien te beklimmen. Maar het moest ook moeieln\'k
zjjn. Wie Gods heerlijkheid wilden aanschouwen, moesten
daartoe iets doen en daarvoor iets opofferen. En
wanneer do menschen daarboven aankwamen, moest het
reeds gemakkelijker zijn, de alledaagsche stemming te laten
varen en biddend op te zien tot den Schepper aller dingen,
den Vader aller geesten.
Hier boven nu zien wy de wonderbare vergadering. Er
zijn twee godsdienstige partijen, de party van Jehova en
de party van Baal; maar hoe ongelijk zijn zij in getal!
Ach, aan de zijde van Jehova staat slechts een eenige, een-
voudige man, eenzaam en verlaten. Ieder wijkt schuw voor
hem terug, want zjjn vriend te heeten stelt aan smaad en
vervolging bloot. Aan de andere zijde staat de koning des
lands. zijn gansche volk en de priesters, die het leiden; van
dezen zijn er bijna vijfhonderd. Ach, dat arme volk I Hoe
bleek zijn de gezichten, hoe verlegen de houding; hoe wan-
hopig zien sommigen er uit, hoe treurig de anderen; hoe
trotsch dezen, hoe versaagd genen! Allen zien echter met
de meest gespannen verwachting de dingen te gemoet, die
gebeuren zullen.
Maar nu, welk een held is Elia! Zoo geheel alleen de
geheele wereld te trotseeren! Hoe sterk in God moet zijn
hart zijn geweest, zoodat het hier niet siddert en versaagt,
waar koning en volk en priesterschap met grimmigen haat
tegenover hem staan en hem allen voor een verrader des
vaderlands, eenen dwaas, geestdrjjver en dweper houden!
Nu, zóó eenzaam als Elia stond bijna niemand; maar mis-
kend, vervolgd en veracht werden de grootste Godsmannen
bpa allen. „Wie van de Profeten hebt gn\' niet vervolgd
en gedood?" vraagt Jezus, en weldra leverde zjjn eigen
-ocr page 269-
253
vergoten bloed het bewijs, dat de wereld de oude was geble-
ven, en de geheele kerkgeschiedenis levert hetzelfde bewijs.
Impopulair in de hoogste mate zjjn verreweg de meeste
menschen geweest, die in het rijk van God iets tot stand
hebben gebracht. Wat volgt daaruit? Dat ook wy, ofschoon
wij in betere tijden leven, er niet voor terug moeten dein-
zen, door velen miskend, ja ook bespot te worden. — Laat
ons het echter maar bekennen, dat ons dit zeer moeielijk
valt. Ieder sla op zijne borst en onderzoeke, hoe het met
hem gesteld zoude zijn, indien hij om zijn geloof en zijne
hoop en zijne liefde voor Jezus door alle menschen, die hem
omringen, voor eenen dwaas werd gehouden, — of als het
hem zyn vermogen, zyne vrijheid, zjjn bloed en leven moest
kosten! Heil u, indien gij na ernstig zelfonderzoek kunt
zeggen (al is het ook met bevende lippen, al is het o k
met een traan in het oog): „Ik weet, dat ik door Gods
genade en kracht ook d a n zoude vast staan." — Ja, groot
zou het getal der belijders en der martelaren heden ten
dage wel niet zijn. Ach, de gouden kalveren, die
men meerderheid van stemmen en geest des tijds aan de
eene zijde, en Mammon, macht en invloed aan de andere
zijde noemt, — zij worden door de groote meerderheid met
bewondering aangebeden. Ontelbaar vele personen worden
reeds bang, als zy in een geïllustreerd Familieblad, b. v.
in de ,Gartenlaube," een artikel lezen, waarin het ernstige,
positieve Christendom wordt bespot. Hoe velen zijn er ver-
der, die den spot en het medelijdend hoofdschudden hunner
buren of neven kunnen verdragen? En dan vooral, wanneer
nu zeer geleerde lieden, uit naam van de resultaten dei-
wetenschap, het geloof aanvallen ? — Ja, men wil wel gods-
dienstig zijn; maar men kan toch niet eenzaam staan, men
kan toch niet voor den dag komen als „een achterblyver,
-ocr page 270-
254
die niet met zijnen tijd is medegegaan"! — Indien de Apos-
telen zoo gedacht hadden, dan zoude de wereld heden ten
dage nog eene heidensche zijn! Indien doctor Maarten Luther
zoo gedacht had, dan zoude hn\' te Worms voor keizer en
rijksdag zijn geloof verloochend hebhen. Maar deze mannen
hebben zeer bedaard de tegenspraak der wereld verdragen
en gedacht: God zal ons te zijner tijd wel in onze eer her-
stellen. Dat de waarheid eindelijk voor eeuwig moet zege-
vieren, hiervan waren zij verzekerd.
Onlangs stond ik op de plaats, waar, thans meer dan
vierhonderd en vjjftig jaar geleden, Joh annes Husz
verbrand is geworden. Ja, destijds werd hy met smaad en
hoon overladen; een narrenkap zette men hem op, met
afbeeldingen van duivels omhing men hem. Als men thans
echter door de schoone stad Constanz gaat, ziet men, dat
deze eeuwen geleden vermoorde man de roem der stad is.
In de beeldengalerijen wordt hij verheerlijkt, duizenden van
vreemdelingen beschouwen vol eerbied de vuile gevangenis,
waar hjj om zijns geloofs wil versmachtte en gemarteld
werd. Vol eerbied betreden zij de zaal, waar hij eene goede
belijdenis voor het Concilie aflegde, en vervolgens zelfs de
plaats, waar de vlam zijn edel lichaam verteerde! Hij, die
eens als een Satan behandeld werd. is nu de roem der stad.
Toen ik op de plaats stond, waar hij door de vlammen
inging tot de vreugde des hemels, moest ik diep bewogen
mijne handen vouwen en bidden: „Och mijn God en Hei-
land! beziel ook mij met den vasten moed des geloofs!
Heer! verleen Gij mü kracht, opdat ik in mijnen strijd
onwankelbaar en getrouw, standvastig en onversaagd vol-
harde." — En dit gebed hebben wjj, zwakke kinderen der
negentiende eeuw, wel noodig en daartoe moeten wjj ons
ernstig opgewekt gevoelen, als wij den eenzamen en toch
-ocr page 271-
255
zoo bemoedigen Elia boven op de hoogte van den Karmel
beschouwen.
III.
Als een koning en gebieder staat hjj daar voor het volk.
Onversaagd en onverschrokken opent hij zijnen mond en
spreekt met een e krachtige stem een donderend woord,
dat in alle gewetens zijn weerklank vindt: „Hoe lang
hinkt gij op beide zijden? Is de Heere God, zoo wandelt
Hem na; is het echter Baal, zoo wandelt dien na!" Het
is alzoo geene vrome redevoering, die hjj voor hen houdt,
het is eene vreeselijke beschuldiging, die hij hun
allen te zamen en ieder in \'t bijzonder, den vorsten en den
bedelaars, in het aangezicht slingert: „G ij zjjt karak-
terloos! Gij weet niet, wat gü wilt: gij
wendt u nu eens herwaarts, dan weder derwaarts. Heden
denkt gü wel eens, Jehova konde toch wel God zijn, gij
wordt getrotten bij de herinnering zjjner oude daden en
gunstbewijzen; maar het duurt niet lang, of gij hangt
weder den hedendaagschen godsdienst aan en buigt u als
eene bieze voor de afgoden van de grootheid dezer wereld
en den lust des vleesches."
Wjj zien dus, ook Elia is te trotsch, om door krachtige
welsprekendheid het volk te trekken, te lokken of zelfs te
bidden, dat zü tot Jehova terug zouden keeren. Neen,
z ü moeten eene vrjje keus doen. Hij wil hen
niet door een vloed van woorden bewegen om Jehova te
volgen; maar een besluit moeten zij nemen; van deze
ellendige, karakterlooze handelwijze moeten zjj afstand doen.
„Ondubbelzinnigheid, beslistheid, vastheid, die verlang ik
van u, indien gij mannen wilt zijn."
-ocr page 272-
250
Maar deze toespraak, die voor drieduizend jaar gehouden
werd, is zjj ook niet gepast voor liet geslacht van onzen
tijd ? Heeft ook bjj ons niet dikwijls dat hinken op twee
gedachten plaats? Moet men niet zeggen: juist op gods-
dienstig gebied weten de meeste mensehen niet, wat zjj
willen ? Zeer velen zijn er niet, die geheel beslist het
ongeloot\' huldigen. Weinigen zijn er, die uitdrukkelijk
verklaren: ,Wy willeu van het gansche Christendom niets
hoegenaamd weten en niets hooren; onze godsdienst is
geldverdienen, een leven van uitspanning en genot. Over
het woord „Heiland" lachen wij slechts. Zoo lang wy
op aarde zijn, zullen wij ons zeil\' wel redden. Zjjn wjj
echter dood, dan zijn wjj dood; eene onsterfelijke ziel heeft
de mensch evenmin als de mol." — Ik erken, het getal
van hen, die, als besliste bestrijders van het Evangelie,
zoo spreken, wordt van jaar tot jaar grooter, maar het is
toch nog klein in verhouding tot de anderen. Maar nog
veel kleiner is het getal van hen, die beslist g e 1 o o v i g
zjjn en die van ganscher harte met warmte en geestdrift
zeggen: „Ik en mijn huis, wij zullen den Heere dienen !"\'
die zeggen: „Jezus is mjjn Heiland; daarom zij Hem
geheel mijn leven gewijd ! Jezus is mijn Koning: daarom
wil ik Hem dienen met alles, wat ik ben en bezit. Jezus
is mijne eer en heerlijkheid; daarom zal ik al den spot
der wereld verachten. I >e zonde is mijne grootste vijandin;
daarom is het mijn levenstaak, dag op dag, uur op uur,
haar door den Geest van Jezus te bestrijden." — Hoe
zeldzaam zijn zulke besliste personen! — ik bedoel, die
dat niet slechts met woorden belijden, maar met de daad.
Hoe is het echter bij de m e e s t e n ? Zjj leven gedach-
teloos daar henen. Hun Christendom bestaat daarin, dat zy
zekere kerkelijke handelingen laten verrichten aan hunne
-ocr page 273-
257
kinderen en aan zich zei ven; dat zij nu en dan wel eens
eene preek willen hooren en, op zijn schoonst, voor kerken
en Christelijke doeleinden ook wellicht een klein offer bren-
gen. Maar het Ch risten dom mag hen volstrekt
niet belemmeren! Er is geen sprake van, dat men
onder de tucht des heiligen Geestes staat, dat men naar
werkelijke vernieuwing des harten streeft; er is geen sprake
van, dat Gods Geest ons geheele leven, ons familieleven,
maatschappelijk leven, beroepsleven met zijn licht bestralen
en het beheerschen moet. Christus wordt de Heer genoemd ;
maar Hy heeft in werkelijkheid niets te bevelen. Men troost
zich met de hoop op eene zalige eeuwigheid; maar deze
eeuwigheid heeft geenen invloed op den tijd. .Men spreekt
van eene onsterfelijke ziel, maar men laat haar koelbloedig —
verhongeren en van dorst versmachten!
Laat ons bij het ophangen van dit tafereel toch niet
alleen aan diegenen denken, die buiten zijn, maar ook aan
ons, kerkelijke lieden! Aan de beslistheid van ons geloof
ontbreekt het ons allermeest; daardoor ontbreekt het nu
ook aan de blijmoedigheid, aan het zaligend getuigenis des
Geestes, dat wjj (iods kinderen zijn. Het is ons geen volle
ernst met het Christelijk leven; nu eens, omdat wij te
lafhartig zijn tegenover andere menschen, te lafhartig
wellicht zelfs tegenover onze eigene dienstboden, voor wie
wjj ons schamen, Gods woord te lezen en een Onze Vader
te bidden! Dan weder is het ons geen ernst, omdat wij
te zeer op ons gemak gesteld, te wereldschgezind,
te vleescheljjk zijn en ons in onze genoegens, in onze oude
gewoonten niet willen laten storen! Nu eens zjjn wjj onbe-
slist, omdat wjj te gierig zijn en de offers, die de Heer
van ons vordert, niet willen brengen. Dan weder zijn wjj
onbeslist, omdat wij zoo eigenzinnig, zoo groot in
ZIKLESTRI.II).                                                                           17
-ocr page 274-
258
onze eigene schatting zjjn, ons zelven en anderen niet beken-
nen willen, waar en hoe wjj gezondigd hebben, de oude
kluisters niet verbreken willen, die ons knellen.
Maar Elia vordert beslistheid, en onze Heiland vordert
beslistheid. Of het een — of het ander! Geheel het hart
aan den Heer gewjjd, of in \'t geheel niet! Bij dat onbe-
sliste gemoedsbestaan geniet men in den tjjd des aardschen
levens zijnen vrede, zijnen troost, zijne nabijheid niet en
kunnen wij ons ook niet vertroosten met de hoop op het
erfdeel der heiligen in het licht, voor de toekomst. Bij dat
onbesliste gemoedsbestaan verliezen wjj de hemelsche wereld
en ook de aardsehe. Bjj dat onbesliste gemoedsbestaan
kunnen wij geen eerbied voor ons zelven hebben, noch eer-
bied van anderen verwachten! „Of het een —of het ander!"
zegt Elia. „Wandelt met God of wandelt naar den geest
der wereld!" Wandelen met God, dat is dus de zaak.
Het is dus niet genoeg, dat wij Gode nu en dan de ver-
schuldigde hulde bewijzen, neen, wjj moeten met Hem
wandelen, voor zijn aangezicht staan bij alles, wat wij
doen. .Voor \'s Heeren oog te leven. Schenkt ware zielsge-
neugt: Aan Hem zich toe te wjjden, Vormt hier voor hemel-
vreugd. Zoo gjj dan niets wilt weten, Niets anders kunt
en doet, Dan Jezus na te volgen — Is \'t vrede in uw
gemoed!"
Wat heeft nu liet volk op deze beschuldiging gezegd Y
Xiets! Een somber zwijgen is het antwoord. En dit was
ook het beste antwoord, dat zjj in dit geval konden geven.
Zij verdedigen zich niet; zjj zoeken geene beschuldiging
tegen den Profeet in te brengen: zij zwijgen. En onge-
twijfeld steeg in dat uur uit menig beklemd en verslagen
hart een zucht om verlossing tot God omhoog. O, dat ook
wj] zwijgen, wanneer ons geweten getroffen is; dat wij niet
-ocr page 275-
259
«3e preek, niet den prediker berispen, maar toi ons zelven
inkeeren en, terwijl wij Gode zwijgen, ons zelven oordeelen
en nieuwe voornemens van verbetering opvatten!
IV.
Elia doet nu aan het volk het voorstel, dat de Goden
door vuur zullen beslissen. Daden moeten spreken; Baiil
en Jehova zullen ieder zjjn altaar en zijnen otterstier heb-
ben ; ieder zal aangeroepen worden, dat hij zich openbare,
en hij. die door vuur antwoordt, zal de ware God zijn. Hem
zal het volk voortaan dienen. — Daarbij staat Elia aan de
Baiilspriesters den voorrang af. In geval Baal zich door
vuur openbaart, zal lijj het terstond gewonnen hebben.
Dat de zaak aan het volk behaagde, is niet te verwon-
deren. Hun is een schouwspel altijd welkom. Maar ook
de Baiilspriesters konden er niets tegen inbrengen, indien
zü niet terstond hun aanzien bij het volk wilden verliezen.
Ongetwijfeld gevoelden zij zich door angstige vrees beklemd,
maar wjj moeten toch bedenken, dat zij niet zonder
hope waren. Verkeerd zoude het zijn te gelooven, dat al
de afgodspriesters van de nietigheid hunner goden over-
tuigd waren. Wonderbare demonische invloeden zijn dik-
wijls genoeg vermeld geworden. (Ik herinner u slechts de
Egyptische toovenaars Jannes en Jam bres, van wie Mozes
verhaalt.) Dat Jehova echter in dit geval den Satan toe-
riep: tot hiertoe en niet verder! dat al het geschreeuw der
Baiilspriesters onbeantwoord bleef, — dat al hun snijden
met messen en al hun bloedvergieten niets baatte, dat zjj
alzoo na zich zes uren lang vermoeid te hebben, hunne
machteloosheid erkennen moeten, dit verwondert ons niet.
Het is een akelig tafereel var. het wezen der afgoderij, dat
-ocr page 276-
260
ons hier voor oogen wordt geplaatst, maar wij willen onze
iiandacht op een stichteljjker schouwspel vestigen.
Nu de machteloosheid der Baiilspriesters gebleken is,
gaat Elia aan z |j n werk. H|j spreekt minder door woor-
den dan door daden, die eene verhevene symbolische betee-
kenis hebben en een onvergetel|jken indruk op het volk
moeten maken. Eerst herstelt h|j het vervallen en met
geweld omvergeworpen altaar van Jehova, dat hier
op dezen majestueuzen bergtop van oudsher had gestaan.
Hij richt dus geen nieuw altaar op, neen, het oude herstelt
hij. Dat was duidelijk gesproken: „Onze redding is daarin
gelegen, dat wij tot den ouden godsdienst terugkeeren;" —
gelijk ook de redding der Christelijke volken daarin bestaat,
dat zij tot het oorspronkelijk Evangelie ernstig terugkeeren.
Het oude altaar nu herstelt Elia met twaalf steenen,
die hjj zorgvuldig uitzoekt. Op het getal twaalf ligt
de nadruk; het hadden er niet even goed dertien of dertig
kunnen zijn. Twaalf was het getal der stammen Israêls;
zjj waren thans in twee vijandige, Ijverzuchtige rjjken ver-
deeld. Elia zegt: zjj behooren b|jeen, en zij komen ook
weder b|j elkander, maar slechts door een gemeenschap-
pelijk altaar, geloof en Godsvereering. Hierin bestaat de
eenheid. — Nadat h|j zoo het altaar hersteld heeft, wordt
het hout daarop gelegd, en op het hout het offerdier.
Eene diepe en breede groeve was daar omheen gemaakt en
zoowel do groeve met water gevuld, als ook altaar en
offer met water overgoten. Waar het water vandaan
gekomen is, of, zooals de reiziger Kobinson bericht, ter
halver hoogte van den berg in eene rotskom eene zeer
groote massa water is geweest, of dat men het uit de zee
naar boven heeft gebracht, hierover zullen wjj ons thans
niet bekommeren. — Maar waartoe moet dat water dienen?
-ocr page 277-
261
Nu, Elia kende de sluwheid zijner vijanden, die het later
gemakkelijk zóó zouden trachten voor te stellen, alsof de
Profeet door een kunstgreep of door een bedrog het offer
had doen verbranden. Elia kende ook het menscheljjk
hart genoeg, om te weten, hoe geneigd wjj menschen
zjjn, om later alles natnurljjk te verklaren, waar God
op buitengewone wijze tusschen beide is gekomen. Ach,
wie \'heeft niet wel eens gebeden: „Heere! indien Gij mij
in deze omstandigheid helpt, dan zal ik het niet betwjjfe-
len, dat Gij de gebeden verhoort?" Wanneer echter de
hulp kwam? Niet waar. dan redeneerden wij: Wie weet.
of niet ook zonder mjjn gebed alles geheel vanzelf zoo
uitgevallen zoude zyn ? !"
Zwijgende had Elia alles gedaan, wat hjj gedaan had.
Nu echter heft hij biddend zijne handen ten hemel. Maar
hoe konde Elia bidden, daar hij toch even te voren nog
bitter gespot had? Leest het slechts, hoe onverbiddelijk hij
de Baiilspriesters aan de kaak stelt en cgelijk met hunnen
god voor het geheele volk bespot. Ja, dat zal menigeen
wellicht als ergerlijk en lichtzinnig beschouwen. Inderdaad
is de geestigheid eene gevaarlijke gave, en de spotternij
vooral. Maar ook de schoonheid is eene gevaarlijke gave.
en ontelbare, vooral vrouwelijke personen worden daardoor
gedurig in het verderf gestort. Nochtans is schoonheid eene
kostelijke gave van God. — De kunst om andere menschen
na te bootsen in hun doen en spreken, is zeer gevaarlijk
en voor velen een valstrik geworden; nochtans kan ook deze
gave tot eer van God worden aangewend. De gevaarlijkst\'
aanleg is zonder twijfel die tot spotternij. O hoeveel
onheil, hoeveel diepe, bittere droefheid, hoeveel onverzoen-
lïjke vijandschap is daardoor ontstaan, en wie deze gave
bezit, moet zich eerst ernstig bedenken, voordat hij er
-ocr page 278-
2U2
gebruik van maakt. „Een scherp woord is spoedig gezegd,
maar veroorzaakt den beleedigde een langdurige smart."
Nochtans kan men ook met den spot de zaak des Heeren
dienen. Luther, de trouwhartige en barmhartige Duitscher,
werd door zjjn geweten niet ontrust, als lijj in zijne geschrif-
ten met bitteren spot de bedriegerijen van priesters en
monniken geeselde. Hy moest hen voor het volk in hunne
nietigheid ten toon stollen, om het volk van deze dwinge-
landij te verlossen. Geheel hetzelfde had bh\' Elia plaats.
Hü bedoelde daarbij alleen de eer van God en niet zijne
eigene eer. De afgodspriesters moesten zedeiyk vernietigd
worden, zoo het volk den waren God terug zoude vinden.
Zoo kan de bespotting dei- afgoden en het gebed tot God
in hetzelfde uur van dezelfde lippen vloeien.
Imi w a t bidt lijj dan ? Dat gebed is kort en krachtig,
zooals alles, wat de man zegt. Het zijn slechts vijftig
woordjes, die over zjjne lippen komen, maar men voelt het,
dat er vooraf veel in zijn hart is omgegaan. Daarom spreekt
uit zijn gebed zulk een wonderbaar krachtig geloof. Als
een hamerslag treft ieder woord de harde harten der kin-
deren Israéls, en door de wolken heen dringt het door tot
in het hart van (Jod.
„Jehova, God van Abraham. Izak en Jakob," — zoo
begint lijj en daarmede herinnert hjj God zijne beloften,
aan de aartsvaderen geschonken, dat uit Israël de Kedder
voor de geheele menschheid zal verschijnen. Hij houdt God
aan zyn woord. Tegelijk wekt hy daardoor bij het volk
de oude herinneringen van den heerlijken voortijd op. Die
mannen, die zoo vol eenvoud en vol ootmoed hunnen pel-
^rimsweg met God bewandelen, plaatst hij als bescha-
mende gestalten voor het oog van het afgevallen, losbandige
geslacht van zijnen tijd. Dezen ouden, getrouwen God bidt
-ocr page 279-
263
lift, dat Hij heden aan dit volk zijne tegenwoordigheid, macht
en heerlijkheid openbare, opdat Zijn naam weder verheer-
IJjkt worde in Israël, en opdat het tevens ook bhjke, dat
Elia zijn knecht is, en dat hij alles, wat hij gedaan heeft,
in Gods naam heeft gedaan, — dat hij het derhalve niet
gedaan heeft in sombere woede en in gramstorige geest-
dry verij, maar om den wille der waarheid Gods. Het was
Elia niet om zijne eigene eer te doen; maar hij konde geen
invloed op het volk verkrijgen, zoolang het hem als zijnen
vijand beschouwde. Ook een godvruchtig mensch behoort
voor de handhaving zjjner eer te zorgen, anders kan hjj
niet op anderen werken.
, Verhoor my, Heere! verhoor my, dat dit volk wete,
dat Gy, Heere! God zijten dat Gij hun hart daarna bekeert" —
zoo luidt het krachtige slot des gebeds. 1) De bekee-
ring derhalve, dat is het, waartoe God de mensch en bren-
gen wilde en ook heden brengen wil. — Dat ons hart zich
geheel aan God toewyde, dat \'t liet hinken op beide zijden
late varen, dat het vast met Hem vereenigd blijve, dat
\\\\\'ij liet leeren, voor Hem en met Hem te wandelen door
het geloof, — dat is het, zonder hetwelk al het andere
niets is. Zoolang de Heer onze God door zijne leidingen
in lief en leed dat niet bereikt heeft, baten ons de warmste
godsdienstige aandoeningen, de schoonste bekentenissen, de
heerlijkste ervaringen van Gods genade en goedertierenheid
niet. Zoolang baat het niet, dat wij ons geloof tegenover
de spotters voortreffelijk weten te verdedigen en allerlei
vrome werken verrichten, — dit alles baat ons niet, indien
wij onzen eigen wil niet verzaken en ons hart tot eene
woning voor den wil van God ontsluiten. „Dat Gij daarna
1) Vertaling van l.uther — ook ilie der oude Nederlandsehe.
-ocr page 280-
2(54
hun hart bekeert": dit is derhalve het smeekgebed van
Elia voor Israël.
En nu moet de groote beslissing nabij zÜn! Was het
reeds vroeger stil geweest en onder liet gebed nog stiller
geworden, thans was er eene huiveringwekkende, doodsche
stilte. Geen hart klopt, ieders ademhaling staat stil, en
zie — uit den blauwen, geheel onbewolkten hemel valt —
vuur, en dat vuur verteert offer, altaar, steenen, hout, aarde
en likt het water uit de groeve weg tot den laatsten drup-
pel toe. Hier aan een bliksemstraal te denken, is ongerijmd,
daar er geen wolkje aan den hemel stond (vers 44). Het
is blijkbaar een wonde r, een ingrijpen van de onzichtbare
wereld in de zichtbare. Wie dat niet gelooven kan, die kent
God nog niet. Wie het niet gelooven kan, die moet het
grootere wonder gelooven, dat er namelijk oudtijds een menscli
bestond, die zulk eene geschiedenis verzinnen konde.
Dit zoude in mijn oog een grooter wonder zijn.
En ziet, diep getroffen vallen allen op het aangezicht neder.
Allen, die daar in het stof liggen, zijn in het diepst van
hun gemoed ontroerd door de tegenwoordigheid en heer-
lükheid van den eeuwigen en hoogst verhevenen God. Hij
heeft zich geopenbaard, Hij heeft door vuur gesproken —
dat is aan geen twijfel onderhevig. Eene met diep gevoel
uitgesprokene belijdenis geeft lucht aan de geprangde har-
ten. Duizeudstemmig klinkt het uit het stof ten hemel :
„Jehova is Gob, Jehova is God!" — Persoonlijk heeft Hij
ons, menschelijke personen, zijne heerlijkheid geopenbaard ;
persoonlijk willen wjj Hem nu dienen, Hem volgen, Hem
gehoorzamen.
En dit in het stof gebogen volk meent het werkelijk
getrouw en oprecht te dezer ure. P^n toch weten wü, dat
daaruit weinig duurzame verbetering is voortgekomen, of
-ocr page 281-
265
wellicht in het geheel geene. Vanwaar kwam dat? Elia
zoude het later ondervinden, toen na vuur, storm en aard-
beving op de kruin van den Horeb het stille, zachte suizen
zijn hart ontroerde. De Wet werkt slechts toorn, en alle
openbaringen van goddelijke macht en majesteit kunnen de
harten niet verbeteren. De liefde, die uit den hemel neder-
daalde en zich om onzentwil aan de ellende onderwierp,
die is het, die bezit daartoe de kracht. En als zich nu
achter Elia en het brandende altaar op den top des Kar-
mels het beeld des kruises aan ons vertoont, als wjj van
de verbleekende lippen van onzen stervenden Heiland nu
de woorden hooren: „Komt herwaarts tot mij, gij allen,
die vermoeid en belast zijt; ik zal u ruste geven", dan
moeten onze harten van vreugde juichen, omdat wjj lande-
ren des Nieuwen Verbonds zijn; dan zullen wij echter ook
met eene nieuwe harp zingen ••
Ik ben de Uwe. Spreek, mijn Heiland:
„Amen! Gy behoort mij toe!" —
Dat|Uw dierbre \\aam mijn harte
Altijd voor U gloeien doe!
Dat ik, wat ik doe of late,
Met U, in U leven moog\',
U getrouw, door U gezegend,
Ook bjj \'t breken van mijn oogl          Amen.
-ocr page 282-
XTII.
EEN BIDDEND MENSCH MET BEBLOEDE HANDEN.
Wees gegroet, geliefde Gemeente I in den naam van
onzen gemeenschappelijken Koning en Heiland Jezus Chris-
tus! Het is lang geleden, dat ik het laatst op deze plaats
stond, en God weet, dat het mij zelf eindelijk zeer lang
gevallen is. Maar ik dank God, dat ik, verfrischt en opge-
wekt naar lichaam en ziel voor u kan optreden, als een
man met vernieuwde kracht. En zoo veel heerlijks heb ik
met mijne oogen in dezen tijd aanschouwd, als zelden in
mijn vroegere leven. Nochtans sloop op het laatst het heimwee
en een innig verlangen naar de oude, geliefde werkzaamheid
mijn hart binnen. Maar als men zoo een maand lang in de
prachtigste natuur heeft geleefd, dan kan men er zich slechts
van lieverlede en langzaam van losmaken. Terwijl ik hier
sta, klinkt in mijne ooren nog het ruischen van geweldige
stroomen, die in den afgrond hunne klotsende golven voort-
stuwen; ik zie bruisende wateren, die zich, dartelend in de
zonnestralen, van eene duizelingwekkende hoogte in de diepte
nederstorten; ik hoor in den geest het liefelijk geluid van
de klokjes der kudden op de zonnige Alpenweide. Nog hoor
ik het verwijderde donderend neerstorten der lawinen in de
-ocr page 283-
267
wonderbaar majestueuze eenzaamheid der gletscherwereld!
Ik vestig in den geest mijn oog op al de heerlijkheid der
hooge Alpen; ik zie heldere meren, waarin het blauw des
hemels zich spiegelt, in alle kleuren schitteren, ik zie ze
als zilver glinsteren in het zachte licht der maan.
Haar het kan ook gevaarlijk worden, dat de ziel zich zoo
in de heerlijkheid der natuur verdiept. Het was op een
vroegen Zondagmorgen, dat ik alleen bij een van de schoonste
meren der wereld stond, het Lago M aggio re. De
alom beroemde Borromeesche eilanden lagen daar voor mij
in het zuiverste licht. Hen zachte wind woei door het don-
kere loof der cipressen, der palmen, der kastanjes, der
citroenen en olijven. Het was alsof geheele eilanden
zich wilden bewegen, zich langzaam losrukken en wegdrij-
ven in het blauwe water. En de bergen in de verte, de
geheele Simplon-keten, met hare kruinen den hemel dra-
gende, schitterend en glinsterend in het zilverkleed van ijs
en sneeuw, waarmede God de Heer haar sedert duizenden
van jaren heeft getooid, — zij dreven in een dampkring,
zoo wonderbaar, zoo onbeschrijfelijk schoon, als alleen de
gloeiende zon van het zuiden dien maakt.
Daar, lnj de beschouwing van deze verhevene heerlijkheid,
werd mijne ziel geschokt en ontsteld door eene vreeselijke
gedachte. „Hoe," zoo peinsde ik, „deze prachtige aarde is
slechts de voetbank van den eeuwigen God; zoo groot en
heerlijk is Hij! Werelden schept Hij door den ademtocht
zijns monds, en Hij, zulk een God, zoude met het onreine
menschenkind, in gemeenschap treden?! De mensch is toch
slechts een nietig stofje in \'t heelal, en al deze heerlijkheid,
die uw oog aanschouwt, zoude slechts om des menschen
wil bestaan? O gij kleine mensch, gü onreine mensch, zoo
slecht, dat het nog het beste is, wat gü doen kunt, zoo gij
-ocr page 284-
268
ii over u /.elven schaamt, — wat zyt gy. dat God uwer
gedenken, dat God met belangstelling voor u zorgen zoude ?
Beeld u toch niet in, dat gij het middelpunt, de ziel, het
hoofd van alle schepselen zjjt! Eene schaduw zijt gij, die
over de aarde heenzweeft, een vluchtige ademtocht, die ont-
staat en verdwijnt."
Daar, ter goeder ure, klonk stil en plechtig eene b i d-
k 1 o k aan de overzijde van liet water. Als een klank uit
de eeuwigheid klonk het over het uitgestrekte meer. Drie-
maal drie klokslagen waren het; toen was het weer stil. —
Maar eene andere geest was in mij levend geworden; ik
was weder tot mij zelven gekomen, losgerukt uit de strikken
van de betooverende macht der wereld. Men mensch was
liet, die dit klokje luidde en zijne medemenschen opriep,
om de handen biddend ten hemel te heffen en aan het
verbond te gedenken, dat God met de menschen gemaakt
heeft, als Vader, Zoon en Heilige Geest. Hoe heerlijk en
majestueus de wereld ook zij, hoe ellendig en machteloos
daarentegen de mensch ook zij, zoo machteloos, dat een
waterdruppel hem verstikken, een tochtwind hem. doodeu
kan, — nochtans is de mensch grooter dan de wereld, want
hij mag spreken met den Schepper aller dingen, hij mag
tot Hem naderen, als een kind tot zjjnen vader, hij ma»
1) i d d e n — h ij alleen onder alle schepselen op aarde.
O, welk een voorrecht, welk eenen adel bezitten wij, daar
wij menschen zijn! Wee ons, indien wn\'dezen adel verachten,
indien wij \'t verachten of gering achten, dat wjj ons hart
voor God mogen uitstorten, dat de klaagtonen en dank-
tonen, de zuchten en Halleluja\'s van ons kleine hart in
het hart van den Almachtige en Heilige dringen, dat Hij
ons hoort, ons verhoort en in zijne Helde doet deelen.
„God zal den zucht gebed noemen, en het gebed macht, en
-ocr page 285-
269
de macht van God zal, als ik het wagen mag dit te zeggen,
zich voor die macht buigen, welke Hij in eenen zucht heeft
gelegd, die van Hem is," — met deze woorden spreekt
Vinet de heerlijkheid en majesteit des gebeds uit. Deze
taal schijnt ons bijna te stout te klinken. Laat ons heden,
daar wjj met onze geschiedenis van Ëlia voortgaan, erken-
nen, dat zij niet te stout is.
1 Koningen 18 : 40-46.
En Elia zeide tot hen: Grijpt de Profeten Üaiils, dat
niemand van hen ontkome! En zy grepen ze, en Elia voerde
ze af aan de beek lüson en slachtte ze aldaar.
Daarna zeide Elia tot Achab: Trek op, eet en drink;
want daar is een geruisch eens overvloedigen regens. Alzoo
toog Achab op om te eten en te drinken; maar Elia ging
op naar de hoogte van Karmel en breidde zich uit, voor-
waarts ter aarde. Daarna legde hg zijn aangezicht tusschen
zijne knieën. En hy zeide tot zijnen jongen: Ga nu op, en
zie uit naar de zee! Toen ging hy op en zag uit, en zeide :
Daar is niets. Toen zeide hij: Ga weder henen zevenmaal!
En het geschiedde op de zevende maal, dat hy zeide :
Zie, eene kleine wolk, als eens mans hand, gaat op van de
zee. En hij zeide : Ga op, zeg tot Achab: Span aan en kom
af, dat u de regen niet ophoude!
En het geschiedde ondertusschen, dat de hemel van wol-
ken en wind zwart werd, en daar kwam een groote regen,
en Achab reed weg en toog naar Jizreël.
En de hand des Heeren was over Elia, en hy gordde
zyr.e lendenen en liep voor het aangezicht van Achab henen,
tot daar men te Jizreël komt.
-ocr page 286-
270
Een biddend mensch met bebloede handen.
I. Hoe Elia bloedige wraak laat uitoefenen over de
verleiders van het volk.
II. Hoe hij om zegen bidt over het verleide en boet-
vaardige volk.
III. Hoe zjjn geloof in een lang biddend worstelen
beproefd en gekroond wordt.
I.
Niet waar, welk eene wonderbare geschiedenis is dat \'f
Wij verwonderden ons bij onze laatste overdenkingen, dat
Elia bijna in éénen adem spotten en bidden kan. Hetgeen
wij heden hooren, is nog meer bevreemdend: dezelfde Elia
kan in hetzelfde uur honderden van menschen ter dood
brengen en in hetzelfde uur zijne met bloed bevlekte han-
den tot het gebed vouwen. „O, dat deze vreeselijke gebeur-
tenis maar niet in den Bijbel stond," zeide mij onlangs
eene goede vrouw. Maar al stond zij er ook niet in, dan
bleven ei- toch nog allerlei bijzonderheden uit de geschie-
denis van Elia over. die niet minder „aanstootelijk" zgn,
(b. v. wat \'J Koningen 1 : !» enz. beschreven staat). Ook
ik verklaar openhartig, dat ik reeds als kind een afgrijzen
van deze menschenslachting gevoelde. Het is ook om er van
te beven. Laat ons slechts den moed hebben, om het ons
zóó voor te stellen, als het ons bericht wordt. De bespotting
der Baaispriesters door Elia is reeds het weerlicht, dat het
onweder van het strafgericht vooraf gaat. Die spot is de
inwendige, zedelijke vernietiging der bespotten, zooals dan
ook het woord .sarkasme" zooveel beteekent als „insnijding
-ocr page 287-
271
in het vleesch." — Maar ook in de werkelijke beteekenis
van het woord zoude dit vleesch het strafgericht ondergaan.
Elia maakt van de gunstige stemming des volks gebruik
en roept met donderende stem: „Grijpt de Profeten van
Baal." En het volk, dat thans erkent, dat de afgodspriesters
de oorzaak van al zjjne ellende zijn, werpt zich op hen in
woesten toorn. Men trekt, rukt, stoot, sleept de tegen-
strevenden duizend voet hoog den berg af. En als men
beneden bij de Kison gekomen is, klinkt het nieuwe bevel
hen te slachten. Hlia gaat met zh\'n voorbeeld voor, en weldra
zjjii de golven der Kison bloedig rood gekleurd ; gekleurd
door het bloed van honderden van menschen stroomen zij
naar de nabij gelegene zee.
„En een man. die dat op zijn geweten heeft, kan die
bidden?" zoo hoor ik menigeen angstig vragen. „O, gij
hadt dit afgrijselijke tafereel verre van ons verwijderd moe-
ten houden en ons slechts den bid den den Elia
voor oogen plaatsen." Maar dan, mijne waarde Hoorders!
zoude ik een v a 1 s c h e munter zijn geweest. Neen.
wij willen Elia begrijpen zooals hij werkelijk is, als den
ijzeren man der Wet, waarin het niet heet: Genade gaat
voor recht, maar: Kecht gaat voor genade. De dag der genade
was nog niet aangebroken: nog heette het: „Oog om oog,
tand om tand." Wij moeten Elia naar zijnen tijd en de
toenmalige omstandigheden trachten te begrijpen. Het is
zeer verkeerd, wat een uitlegger schrijft: „Hoeveel grooter
was toch koning Saul, die op den dag zijner groote over-
winning, toen men hem tot wraak tegen zijne versmaders
aanspoorde, edelmoedig zeide: Heden zal niemand sterven,
Avant de Heere heeft heil gegeven in Israël." Die verge-
Ijjking is geheel ongepast. Het is zeer verkeerd, te zeggen:
„Op den dag van Karmel had God toch ook zijn heil en
-ocr page 288-
272
zijne heerlijkheid geopenbaard; nu hadden de menschen
daaraan door barmhartigheid en liefde beantwoord moeten
hebben." — BJj Saul betrof het eene persoonlijke
wraak, en deze wordt in den Bijbel nooit goedgekeurd. Bij
het dooden der Baaispriesters was het echter eene andere
zaak.
Vooreerst moeten wij zeggen, dat volgens de Israëlie-
tische wet alle afgodendienaars, en inzonderheid de ver-
leiders tot afgoderij, des doods schuldig waren, derhalve
ook de Baiilspriesters (I)eutr. lü : 15 enz.; 17 : 5). Daar
nu de overheid haren plicht niet deed, zoo treedt de Profeet
in den naam van Jehova op en doet het volk justitie uit-
oefenen. Nochtans zoude Elia bezwaarlijk tot dit laatste
middel zijn overgegaan, indien liet niet volstrekt nooditf
was geweest. Zoude liet volk Israël niet spoedig weder
tot den schandelijken en onzedeiyken Baiilsdienst vervallen,
zoude liet voor den volslagenen, zoowel godsdienstigen als
staatkundigen ondergang bewaard worden, — dan moesten
deze verleiders vallen. Zoo lang zij leefden, was al de
arbeid en al de strijd van den hervormer vruchteloos. Van
persoonlijken haat is daarbij volstrekt geen sprake.
Zwaar genoeg zal het Elia gevallen zijn, dat hij doen moest,
wat hy deed. Maar de hervorming, ja liet bestaan van
het geheele Godsrijk op aarde stond hier op liet spel.
Duizendmaal grooter onheil hadden de Haalspriesters in
Israël gesticht, duizendmaal grooter onheil zouden zjj ver-
der, indien zy bleven leven, gesticht hebben.
Men spreekt dikwijls van geschiedkundige «ood-
z ake lij k h eden. Zoo was het eene geschiedkundige
noodzakelijkheid, dat de K a n a a n i e t e n, dit diep gezon-
ken, geheel bedorven volk, met wortel en tak door Israël
werden uitgeroeid; het was verschrikkelijk, dat het nood-
-ocr page 289-
273
zakelijk was, maar het was noodzakelijk. Het was eene
geschiedkundige noodzakelijkheid, eene noodzakelijkheid vooi
den vrede van Europa, dat Polen verdeeld werd. Het
was onuitsprekelijk smartelijk voor dat volk; maar het
konde niet anders. — Zoo zeggen ook de staatkundigen:
het was eene geschiedkundige noodzakelijkheid, het \\va?
noodzakelijk voor de eenheid van Duitschland, dat Hanno-
ver en Hessen door Pruisen geannexeerd werden ; dat was
zeer hard, maar het konde niet anders. — Men mag zich
bij de beoordeeling van belangrijke staatkundige vraagstuk-
ken niet door overdrevene teergevoeligheid laten leiden,
maar ook op het gebied van het Godsrijk moet men zich
daarvoor wachten. Ook hier vinden wjj veel, dat op zich
zelf ontzettend is; maar in dien tijd en onder dieomstan-
digheden was het de eenige mogelijkheid, om het rijk des
Heeren op aarde in stand te houden. Genoeg, wanneer wij
ons met onze gedachten daarin verplaatsen, dan moeten wjj
erkennen: het hart van Elia moge gesidderd hebben, maar
zijn geweten bleef gerust, en ik houd het voor mogelijk,
dat hij niet slechts n a deze bloedige handeling, maar ook
toen zij plaats had, van ganseher harte kan gebeden heb-
ben. — In het Nieuwe Verbond heerscht natuurlijk een
andere geest: daar heet het: liever lijden, dan uitwendig
strijden : door liefde ovenvinnen, de nederlaag lijden en toch
zegevieren, in de zwakheid machtig zijn; — daar heet het:
de barmhartigheid roemt tegen het oordeel. Maar in zijnen
t.jjd konde Elia niet anders handelen, dan hjj handelde.
11.
Elia beschouwt echter thans, na den dood der afgods-
priesters, zijn werk geenszins als volbracht. Hij heeft mede-
ZIKI.KSTKI.lll.                                                                                      18
-ocr page 290-
274
lijden met den nood des volks. Het is zijn vurige wenseli,
dat het volk nu ook het vriendelijk aangezicht van den
zegenenden, liefderijken Vader in den hemel moge zien.
Het eigenlijke kenmerk van Gods wezen is liefde en barm-
hartigheid; dit wist Elia niet zóó, gelijk wij het in Christus
weten, maar hjj vermoedde het toch ook reeds. Alle straf-
gerichten van God, hoe ontzettend zn\' ook zijn mogen, zijn
slechts doorgangspunten, slechts middelen tot het doel,
tot het doel der heiliging en der eeuwige behoudenis van
al het verlorene. En daar Elia zag, dat de kinderen Israëls
thans van ganscher harte hun eigen onrecht en de recht-
vaardigheid van Jehova, hunnen Bondsgod, erkenden, zoo
wist hij ook met onwankelbare zekerheid, dat er nu ook
regen, en inet den regen uitwendige redding komen zoude.
Hij kende het hart van zijnen God, gelijk een gehoorzaam
kind het hart van zijnen vader kent en zeggen kan: dit en
dat zal mijn vader zeer zeker doen.
Zoo zendt hij clan den wachtenden Achab de boodschap: —
„Trek op, eet en drink, want er is een geruisen als van
een overvloedigen regen." Vermoedelijk had Achab en het
geheele volk den gansenen dag gevast, daar hij op de hemel-
sche openbaringen wachtte. Het zal hem lastig genoeg zijn
gevallen, en zoo trekt hjj met opgeruimden geest om te
eten en te drinken naar den frisschen top van den Karmel,
waar vermoedelijk zijne tent was opgeslagen.
Hoe kan Elia echter zeggen : „Het ruischt reeds als bij
den regen ?" Kuischte het dan werkelijk reeds ? J a en
neen. „Neen!" voor andere lieden nog niet, ook voor
het lichamelijk oor van Elia nog niet. Zelfs het
kleinste wolkje was nog niet aan den hemel te zien. —
„Ja!" voor het oog en oor des ge 1 o o f s. Gelijk Jezus
van het doode meisje zegt: „Zij is niet dood, maar zij
-ocr page 291-
275
slaapt" — geljjk Hij in den geest des geloofs reeds weder
de rustige ademhaling van het kind hoort, zoo hoort Elia
liet ruischen van den regen; want lig weet: God maakt
mij niet beschaamd. In den geest ziet hij reeds, hoe de
dorstende grond door den regen verkwikt en met nieuw
groen bekleed was. en hoort hij, hoe mensch en vee juich-
ten in eene hernieuwde wereld. Voor hem ruischte het;
hoezeer ook datgene, wat zijne oogen zagen, juist het tegen-
deel getuigde, dit bekommerde hem weinig. „Het geloof\'
is een vast vertrouwen (een inwendige grondslag) op hetgene
men hoopt, en twijfelt niet aan datgene, wat men niet ziet."
In de goddelijke belofte, in den goddelijken wil wortelt liet
geloot\', niet in datgene, wat zichtbaar is en door devijfzin-
nen waargenomen wordt.
Kennen wij z u 1 k een geloof\'7 Neon — ? — Nu, dan
kennen wij in \'t geheel nog geen geloof, want dit alleen is
geloof\'. En hoe gelukzalig wordt de mensch door zulk een
geloot\', als hij den regen en zegen der eeuwige genade
reeds in de dorre woestijn en op den vervloekten akker vol
doornen en distels hoort ruischen, — als hij de heerlijklieid
Gods reeds ziet, waar alles, wat liet lichamelijk oog aan
schouwt, niets dan nietigheid, jammer en ellende predikt, —
als hij in het Godsrijk de overwinning en zegepraal reeds
ziet, waar zich, zoowel in de christenheid als in de heiden-
wereld, niets dan nederlagen aan liet oog vertoonen! O.
hadden wij steeds deze zalige, heilige verbeeldingskracht
des geloofs, deze verbeeldingskracht, welke de hoogste wer-
keljjkheid is; waarlijk, zij zoude ons ieder donker dal in
een Paradijs veranderen. — Mijne Broeders! Moedeloos en
neerslachtig zijn wjj doorgaans, wanneer lichamelijk lijden
ons treft, of wanneer ons allerlei andere dingen overkomen.
die ons grieven: geringschatting en verachting door men-
-ocr page 292-
27(i
schen. veredeling van aangename verwachtingen, die wjj
voor de toekomst gekoesterd hadden. Waarom zfjn wjj dan
zoo moedeloos? waarom buigt gij u neder, mijne ziel! en
zjjt zoo onrustig in my ? Ja. waarom ? — Omdat wij niet
gelooven, dat dengenen, die God lief hebben, alle dingen
ten beste dienen, tot hun eeuwig welzijn medewerken, —
omdat wjj niet gelooven, dat verdrukking heerlijkheid werkt,
ofschoon Gods mond het overal verzekert,
Hoe verootmoedigd, hoe ongelukkig zijn wij verder dik-
wijls, als wjj zien, dat wij zulke langzame vorderingen
maken op den weg der heiligmaking, en dat onze oude
zonden zich altijd weder opnieuw vertoonen? Waarom zijn
wij zoo bedroefd? Nu, over ons gebrek aan strijd, oprecht-
heid, werkzaamheid en trouw moeten wij zeker treuren, en
wjj behooren te verbeteren, wat wjj verbeteren kunnen, met
heiligen ernst. Maar dan moeten wij ook goedsmoeds wor-
den en er vast van verzekerd zijn: „God is getrouw! Hjj,
die het goede werk\' begonnen heeft, zal het ook voleindi-
gen." — „Het ruischt reeds, als voor den regen", moeten
wij in den geloove zeggen.
,Het ruischt reeds als voor den regen", dit behooren zjj
te zeggen, die in het gebed met God worstelen om eene
menschenziel, ofschoon het daarmede volstrekt niet beter
wordt. Toen M o n i c a jaren lang om haren A u g u s t i-
n u s gebeden had, werd het toch slechts hoe langer zoo
erger. Toch wist zij, dat een kind van zoo vele tranen en
gebeden niet verloren konde gaan; zjj bleef in dit onwan-
kelbaar vertrouwen volharden. Daar zag zjj des nachts in
den droom in Gods heiligdom; zij hoorde het gezang der
verheerlijkte gemeente, en een Engel kwam bjj haar en
sprak: „Daar, waar gjj zult staan, daar zal ook uw zoon
staan." Ja, toen ruischte het ook, alsof de regen nabij was>
-ocr page 293-
277
•en Monica volhardde in liet geloot\' en werd niet beschaamd
gemaakt. — Zoo heb ik eene arme boerenvrouw gekend.
wier eenige zoon een monster van ongerechtigheid was.
Ten laatste wist de moeder zelfs niet meer, waar ter wereld
hjj rondzwierf. Nochtans zeide de vrome vrouw zeer gerust:
„Gered wordt hij toch!" Zjj zeide het ook nog, toen
haar oog in den dood brak: „Gered wordt hij toch!" Dat
was haar laatste woord, en zij vergiste zich niet. Aan het
graf der moeder verscheen ook plotselings de zoon: hij was
wanhopig. Wat hem echter uit die wanhoop redde, wat
hem tot de armen van den eeuwigen liedder zijne toevlucht
deed nemen, dat was het laatste woord zijner stervende
moeder: „Gered wordt hy toch." Toen men hem dat
mededeelde, loste zich zijne verharding in een stroom van
tranen op. — „Dit geloovige moedertje hoorde het ook
ruisehen, als wilde het regenen, toen alles nog dor was,
•en zij werd niet bedrogen.
En wie zoude ooit bedrogen zijn geworden, die standvas-
tig is gebleven? Wie zoude ooit steenen voor brood ont-
vangen hebben aan Gods tafel, die evenals de Kanaueesche
vrouw slechts volhardde in het gebed? Dit geloof en deze
handelwijze zullen wjj bij Elia leeren.
III.
Vestigen wfl dan ons oog op den met God worstelenden
Elia. Hij dacht niet: het regenen is nu de zaak
van God, het moet nu vanzelf komen; i k heb nu
immers mijn plicht gedaan en ben ook door die bovenmen-
schelijke inspanning afgemat en ellendig genoeg. Neen.
Elia wist, dat God gebeden wil zijn, als Hü iets geven zal.
Elia wist verder, dat hij thans de tusschenpersoon tusschen
-ocr page 294-
278
God en Israël moest zijn. Door zijne tusschenkomst was?
het strafgericht, de droogte, gekomen; lnj echter, die den
hemel gesloten had, moest hem nu ook openen. Het volk
moest hem niet slechts als den heiligen rechter, maar ook
als den weldoener leeren kennen. Het gebed mi is de too-
versleutel, die den hemel opent.
Ziet daar den man Gods in een rotskloot\' op de halve
hoogte van het gebergte; hij zit op de aarde en legt z jj n
hoofd tusschen de knieën, terwijl hij bidt.
Op de ceremoniën bjj het gebed komt het zeker niet
aan; men kan de handen vouwen of gelijk I\'aulus met
geboeide handen in de gevangenis zitten; men kan ook bid-
den, terwijl men met zijne handen maait, naait of aardap-
pelen schilt. .Men kan de knieën buigen, maar men kan
ook bidden, terwijl men zjjiie knieën en voeten aan den
weefstoel gebruikt. Men kan daarbij gaan, of staan, of op
zijn aangezicht liggen — op dit alles komt het in \'t geheel
niet aan, maar enkel en alleen daarop, dat men werkelijk
bidt, zijn hart tot God verheft.
.Maar deze gebogene houding van den Profeet wil ons
tocli iets zeggen. Is liet niet wonderbaar? Deze man,
die tegenover de menschen eenen vurigen geest, eenen
onwankelbaren moed en eenen weergaloozen heldengeest aan
den dag legde, die daar voor hen stond als een onbuigzame
eik, — deze man is als een worm tegenover God. — Ik
zeg nog meer: juist omdat Elia tegenover God zoo
neergebogen, zoo klein, zoo arm, zoo zwak is, juist daarom
is hij tegenover de geheele wereld zoo moedig, dat hjj den
dood zelfs trotseert, en zoo onafhankelijk van alle menschen.
En behoeven wij te bewijzen, dat het omgekeerde ook plaats
heeft? O, al deze onzelfstandige, weifelende karakters, die
zich door eiken ademtocht van den tijdgeest als een riet
-ocr page 295-
279
door den wind laten bewegen, die voor de meerderheid van
stemmen en voor het gezag en de macht van menschen, ja
voor het gezwets der ellendigste dagbladen terstond de
zeilen strijken, — tot deze mannen, die geen mannen znn
>>n waarvan ons land heden toch vol is, — tot hen allen
kan men vrijmoedig zeggen: „Gij leidt geen gebedsleven,
en daarom zijt gjj geljjk een ellendig riet, dat zich voor
wind en golven buigt." Ontelbaar is het getal dertrenen,
die het bidden als vernederend beschouwen, en juist daar-
om zijn zij zoo vernederd, zoo afhankelijk, zoo onvrij. Ach,
die aardwormen wanen, dat het eenigszins onteerend zoude
zijn. hunne oogen op te heft\'en tot den oppermachtigen God
in den hemel en Hem de eere te geven! Ja, zelfs onder
diegenen, die het gebed op prijs stellen, zijn er niet wei-
nigen, die zich schamen, in tegenwoordigheid van hunne
kinderen en dienstboden hun hoofd te buigen en hunnen
mond te openen in liet gebed. ;.\\Vraarom schamen zij zich
dan? Vreezen zjj misschien, daardoor iets van hun gezag
te verliezen ? O, dat zij toch begrepen, hoe hun gezag
tegenover de kinderen en tegenover de dienstboden juist
daardoor zoo sterk wordt, dat zjj zich vol ootmoed buigen
voor het onzichtbare, hemelsche gezag!
Om nu echter tot Elia terug te keeren, — het wordt ons
niet gezegd, welke woorden over zijne lippen znn geko-
men ; wellicht was het slechts een onuitsprekelijk zuchten,
hetwelk God zelf vertolkte, en welks inhoud: „Zend, Heere !
een genadigen regen" ook wjj weten. Daar zien wfl nu
iets merkwaardigs. Nadat Klia een tijd lang gebeden heeft,
zendt hjj z\\jnen jongen naar den top des bergs, waar hö
ver, zeer ver konde zien naar het westen, naar den regen-
hoek, over de eindelooze, golvende zee. De jongen moest
daar uitzien en bericht brengen, zoo hg wolken zag opstjj-
-ocr page 296-
280
gen. Met een treurig gezicht keert hij echter terug:
,Mijnheer! ik zie niets." „Ga dan weder naar boven!" —
En terwijl de gehoorzame dienaar naar boven en naar
beneden gaat, worstelt Elia met nieuwe kracht. Dittooneel
herhaalt zich juist zes maal. Ik zeg niets van het won-
derbare, dichterlijke waas, dat op dit tafereel ligt. Wie
daarvan uit zich zelf niets bespeurt, dien zouden het ook
mijne woorden niet doen opmerken.
Hier zien wjj het echter aan de onverdrotene, heilige
volharding van Elia, wat het beteekent: „Volhardt in den
gebede!" (ielijk Abraham met God worstelt in een lang,
heilig bidden en smeeken om de zielen der inwoners van
Sodorn, — geluk Jakob zich vastklemt aan God: „Ik zal
U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent," — gelijk de
Kananeesche vrouw zich voor .Jezus nederwerpt: „Maar
toch eten de hondjes de kruimels, die van de tafels hunner
heeren vallen," — zoo is hier in het gebed van Elia eene
heilige, alles trotseerende geestkracht, een goddelijke gloed,
een onwrikbaar geloofsvertrouwen, dat volstrekt geene
bezwaren kent en zich door niets ter wereld laat afwijzen.
Het is, zooals wij onlangs opmerkten, zelden het geval, dat
wij ten opzichte van onze aangelegenheden zoo onvoorwaar-
delijk tot God bidden en zeggen mogen: „Dat en dat moet
Gy doen, o God! zoo zeker als Gjj God zjjt." Maar er zijn
toch gevallen, waarin men zeer zeker weet: „dat God dit
en dat doet, strekt tot eer van zijnen Naam, tot uitbreiding
van zijn rjjk op aarde," en dan mag men ook in uitwendige
zaken met aandrang bidden en van de verhooring verzekerd
zijn. Zoo kwam L u t h e r aan het ziekbed van zijnen vriend
Melanchthon; de artsen hadden hem reeds opgegeven. „Ach,
mijn God!" riep Luther, „hoe heeft de duivel dit edele werk-
tuig van Jezus Christus geschonden!" Daarop stak hij
-ocr page 297-
281
zijnen vriend de hand toe en sprak: ,GJj zult niet sterven."
en nu ging hij, juist als Elia, in eenen eenzamen hoek
en sprak heftig met God. Hij stelde Hem voor, dat hij
Melanchthon niet missen konde, en dat hjj (Luther) God den
dienst moest opzeggen, indien Hjj dezen medehelper van
zijne zijde wegnam. En verwonderlijk schielijk stond de
getrouwe man van zijn ziekbed op.
Elia moest zeker lang worstelen. Maar waarom doet
God dan eerst nadat Elia zevenmaal met zooveel aandrang
gebeden heeft, hetgeen Hij toch reeds vooraf besloten had
te doen ? Vraag het allen, die in een langdurigen gebeds-
strijd leeren moesten, wat aanhouden, geduldig zijn, wach-
ten, stil zijn is ! Vraag hen : W a a r o m ? Zij weten het
allen, dat zjj door niets anders zoo tot de innige gemeen-
schap met God gedreven, zoo met God verbonden, zoo in
God gesterkt zjjn, dan door den langen strijd. De zeevaar-
der wordt een zeeman slechts in den storm, de krijgsman
een held slechts in den hevigen strijd. Zoo is het ook in
het geestelijk leven, in het geloofsleven. De overwinning
is slechts aangenaam, wanneer de strjjd lang en heet was ;
het Halleluja klinkt slechts dan zuiver en helder, wanneer
het geroep uit de diepte zoo recht treurig was. Dan heet liet:
Wel u, gü kind der trouwe!
G\' ontvangt dan voor Gods troon,
Aan d\' eindpaal van uw rouwe,
Uw overwinningskroon.
God zelf reikt u de palmen
In uwe rechterhand,
En gij zingt vreugdepsalmen
In \'t hemelsch vaderland.
-ocr page 298-
282
Wij moeten ons hier echter diep leeren schamen, dat ons
gebed doorgaans zoo harteloos, zoo geesteloos, zoo sleur-
werkachtig, zoo werktuigelijk is. Hoe droog, hoe koud,
hoe verstrooid zijn wij dikwijls daarbij ! Zijn wij ook voor
het uitwendige alleen, zoo zijn wij toch niet alleen met God.
Ach, onze ijdele, lichtzinnige, vleeschelijke en hoogmoedige
gedachten, zij fladderen zoo in onze gebeden rond als lastig
gevogelte. En hoe weinig ernstige wil, hoe weinig innige
overtuiging, dat ons gebed ook werkelijk door de wolken
dringt en Gods hart vindt, is er dikwijls in! Zoo is het
dan geen wonder, dat menigeen gedurende tientallen van
jaren bidt, zonder dat hij eene levende, onwankelbaar zekere
ondervinding opdoet: Mijn gebed is werkelijk verhoord
geworden.
Elia zal de heerlijkheid Gods aanschouwen. Zijn geloof
zal niet beschaamd gemaakt worden. Toen de jongen ten
laatsten male terugkomt, is zijn stap vlugger, de toon zijner
stem vroolijker. „Meester!" zegt hij, „ik zie eene wolk
opstijgen, zoo groot als eene manshand." Dit wolkje steeg
op uit den regenhoek. Het was zoo goed als niets. Hoe
licht konde de zon zulk een wolkje oplossen! Voor Elia ech-
ter was het eene goddelijke openbaring. Moge zulk een
wolkje in duizend andere gevallen niets beteekenen, hier
beteekent het alles. Hier is het eene rechtstreeksche bood-
schap uit het goddelijk heiligdom: „Gehoord en toegestaan
is uwe bede." Terstond zendt Elia daarom den jongen tot
Achab en laat hem zeggen: „Span aan en rjjd heen (naar
Jizreël), dat u de regen niet overvalle!" - Elia nu, de
door vasten, bidden, arbeid, strijden zoo verzwakte man,
wordt wonderbaar door de hand van Jehova gesterkt, zoo-
dat hij voor Achab uitloopt en voor hem in Jizreël, de
zomerresidentie, komt. Hier wil hij nu aan de zjjde des
-ocr page 299-
283
konings aan de hervorming des volks werkzaam zijn.
Terwijl wjj dit slechts kortelijk vermelden, willen wij nog
een oogenblik bjj de „wolk zoo groot als eene hand" blijven
stilstaan. Gelyk ik zeide, deze kleine wolk zonde op andere
tijden zooveel als niets beteekend hebben, maar thans
was z-ü voor Elia iets groots. Het was eene verandering,
eene onuitsprekelijk geringe verandering; maar deze ver-
andering had plaats ten gevolge van zijn gebed ; nu wist
hij, het andere volgt weldra. En inderdaad, weldra verheft
zich een wind en de geheele hemel is zwart van wolken en
er komt een geweldige regen. Die kleine wolk echter had
Hlia reeds alles gezegd.
Waarde Broeders! Het gaat met het geloof dikwijls
wonderbaar. O, hoe menige godvruchtige heeft dagen, weken,
maanden lang geworsteld met God! Er kwam echter geene
stem, geen antwoord uit den hemel, geen begin van hulp,
geen tecken, dat God aan hem dacht. Daar, - daar kwam
er eensklaps eene kleine wolk, zoo groot als eene hand;
het was niet de hulp zelve: maar het was een teeken:
God de Heer heeft u nog niet vergeten. Wellicht was het
een onverwacht bewijs van liefde, u door den een of anderen
mensch geschonken, of het was eene inwendige blijdschap,
die plotselings de ziel vervulde, of het was een woord dei-
heilige Schrift; wellicht ook slechts een toevallig kinder-
woord, dat eensklaps als een lichtstraal des hemels in de
duisternis van het hart viel; — wat het was. daarop komt
het niet aan. Maar terstond gevoelt men het clan : God
denkt aan mij; Hij is bij mij. Het kleine wolkje zegt het:
de regen en zegen zullen komen op hunnen tijd. Zoo was,
om een voorbeeld te noemen, een geacht leeraar in de
diepste droefheid gedompeld, omdat zjjne geliefde vrouw
naar het krankzinnigengesticht gebracht moest worden, en zijne
-ocr page 300-
284
ziel was op het punt om wanhopig te worden. Op het
oogenblik, toen het rijtuig voor de treurige reis reeds voor
de deur kwam, werd den diep bedroefde een bewijs van
hartelijke liefde geschonken door een gcmeentelid, van wien
lift niets anders dan vijandschap had verwacht. Dit schonk
eene krachtige vertroosting aan zijn gemoed. Deze onver-
wachte wending, vooral het feit, dat deze wending in zijn
binnenste juist op dit oogenblik plaats had, was voor hem
„de kleine wolk," die van de groote en algemeene hulp
eene krachtige verzekering gaf. En hjj heeft zich niet
bedrogen. Gij echter, waarde Christen ! zult iets dergelijks
kunnen verhalen, indien gij een leven met God kent.
Doch nu, geliefde Hoorders! moeten wjj voor ditmaal van
Elia en ook van elkander scheiden. Nemen we alles, wat
wjj geboord hebben, mede naar de stilte, naar de stilte van
het hart en de stilte der binnenkamer; want wjj hebben
slechts datgene, wat wij wakend en biddend vasthouden.
Maar dan kan het ons ook geen duivel ontrooven; dan kan
eene geheele wereld vol ongeloof ons geluk niet verstoren.
O hoe rijk, hoe gelukkig, hoe groot zh\'n wij toch door de
barmhartigheid van onzen God, die zich over ons, en niet
over de engelen heeft ontfermd, die tot onze ellende is
afgedaald om ons te verheften tot züne heerlijkheid. Wjj
begrijpen het niet, maar wjj aanbidden. En laat ons daarom
thans nog biddend en dankend met elkander zingen: „Roemt,
mensehen! roemt den naam des Heeren, die zulke groote
wond\'ren doet!" Amen.
-ocr page 301-
XIV.
AAN DEN RAND DEK VERTWIJFELING.
Waarde Hoorders! Onlangs stond ik in ons museum
voor eene groote schilderij, en konde er mij eerst na gerui-
men tijd van verwijderen. Ook velen van u hebben haar
gezien; ik bedoel „de fakkels van Nero." Natuurlijk spre-
ken wij hier niet over de schoonheid dezer schilderij als
kunstgewrocht, maar over hetgeen zij voorstelt, en dan moet
ik zeggen: die schilderij heeft voor mjj eene zeer krachtige
preek gehouden. Zij stelt ons liet paleis en park van keizer
Nero voor oogen. Het is schemeravond. De keizer en zijn
gevolg hebben juist het middagmaal gebruikt en allen bege-
ven zich naar den tuin van het paleis, want daar is een
schouwspel te zien: de Christenen zullen ver-
brand worden! Als schouwspel moeten zjj branden,
eene prikkeling voor de zenuwen van d oververzadigde,
door zinnelijk genot verstompte dienaren der wereld. — De
kinderen des vredes zijn beschuldigd, de stad Rome in brand
gestoken te hebben. Nu moeten zij als vijanden van het
menschelijk geslacht verbrand worden.
Ziet hen daar! Men heeft hen aan hooge palen vast-
gebonden, men heeft hen geheel omwikkeld met werk en
-ocr page 302-
286
pek, alleen de hoofden zyn zichtbaar. Juist nu plaatsen,
op keizerlijk bevel, de slaven er ladders tegen aan en maken
van die menschen — brandende fakkels!
Dat is het e e n e tafereel. En nu links : daar is de keizer-
lijke hofhouding, de keizer zelf in een gouden draagstoel
door reusachtige negers gedragen. Koud en gestreng is
zijn aangezicht; aan een gouden ketting houdt hu\' een getem-
den tijger; maar ongetemd drijven in zijne borst alle wilde
dierlijke hartstochten hun spel. En achter en naast den
keizer zien wjj heidensche priesters, danseressen, dansers,
zangers, zangeressen, lichtekooien, allen half beschonken,
half naakt, allen tezaamgekomen, om zich aan dit afgrijse-
lijke schouwspel te verlustigen. De martelingen van onschul-
dige menschen, die langzaam verbranden, - het is het
laatste nagerecht der voorname Komeinsche wereld. — O,
merkt het op, — alle beschaving en kunst, schoonheid en
ontwikkeling, pracht en luister, wetenschap en wijsbegeerte.
die er in de wereld bestond, was aan liet Komeinsche kei-
zershof vereenigd. O hoort het, hoort het, gij die altijd
meent, dat ontwikkeling en beschaving de wereld konden
hervormen! Hier is alle heerlijkheid der wereld, hier is
alle ontwikkeling en beschaving, en daarbij de volkomenste
zedelijke — barbaarschheid en dierlijkheid! En deze dier-
lpheid. zij toont hare vijandschap tegen het E v angel ie.
(ielijk hier, zoo heeft de wereld met alle middelen drie
eeuwen lang tegen de belijders van het Evangelie gewoed.
Met groote letters staat op de lyst der schilderij geschre-
ven: ,Het licht schijnt in de duisternis, maar de duister-
nis heeft het niet begrepen." Men konde geen beteren
bijbeltekst kiezen, dan dezen Dat eene wereld, die zoo
losbandig, zoo zinnelijk, zoo vleescheljjk, zoo hoogmoedig
is als de wereld, die ons in het hof van Nero voor oogen
-ocr page 303-
287
wordt geplaatst, — dat z jj het Evangelie niet begrijpen
kan, dat zij het echter haten kan en haten moet — dit
spreekt vanzelf. En het is nóg zoo overal, waar de onder-
houding en verzorging van het zinnelijke Ik de hoofdzaak
is, waaraan men zijne gedachten wijdt.
En toch heeft die schilderij ook eene zeer lichte zijde.
Ik bedoel hier niet dit, dat er toch ook menschen waren, die
het licht begrepen en aangenomen hebben, die het meer
lief hadden dan hun leven; — neen, ik bedoel thans dit,
dat deze martelaars, dit kleine hoopje Christenen, zoo macli-
teloos, zoo ellendig, beschouwd als een zoenoffer der wereld, —
dat die personen nochtans de overwinning hebben behaald.
Niet Nero, — dat is nu een bloed- en vloeknaam, — maar
deze brandende Christenen aan de schandpalen! Hoe ? Moogt
gjj bij zulk een aanblik nog twijfelen aan de toekomst van
het Godsrijk? Indien het u, moedeloos Christen! heden
onmogelijk schijnt, dat de volken der aarde nog eenmaal
werkelijk Christelijk zullen worden, — voorwaar, destijds
scheen die zegepraal des Evangelies, die toen toch wer-
kelijk plaats had, nog veel onmogelijker. Zoo op dat uur
een Profeet bij Xero was gekomen en hem gezegd had.
dat derdehalve eeuw later het geheele, wereldoverheerschende
Home den godsdienst der „levende fakkels" belijden zoude,
hij zoude hem — — neen, hjj zoude hem niet gedood,
hij zoude hem met hoongelach naar een k r a n k z i n n i-
g e n b u i s gezonden hebben.
En nu. hoe weinig deze gansche schilderij ook met de
geschiedenis van Elia gemeen schijnt te hebben, zoo lezen
wjj toch terstond onzen tekst. Ik twijfel niet, dat de den-
kende hoorders spoedig den diepen, inwendigen samenhang
zullen bespeuren en Elia als een der „levende fakkels"
beschouwen.
-ocr page 304-
288
1 Koningen li> : 1—8.
Kn Achab zeide aan Izebel alles, wat Elia gedaan had, eit
dat hij al de Profeten (van liaiil) met het /waard gedood had.
Toen zond Izebel eenen bode tot Elia om te zeggen:
Zoo doen mij de goden en doen zoo daartoe, voorzeker, ik
zal morgen omtrent dezen tijd uwe ziel stellen, als de ziel
van een van henlieden.
Toen hij dat zag, maakte lijj zich op en ging henen om
zijns levens wille, en kwam tot Berseba in Juda, en liet
zijnen jongen aldaar. Maar hij zelf ging henen in de woestijn
eene dagreis, en kwam, en zat onder eenen jeneverboom,
en bad. dat zijne ziel stierve en zeide: Het is genoeg, neem
nu, Heere! mijne ziel: want ik ben niet beter dan myne
vaderen. En hij legde zich neder en sliep onder den jene-
verboom, en zie, toen roerde hem een Engel aan en zeide
tot hem: Sta op, eet! En hij zag om, en zie, tot zijn
hoofdeinde was een koek op de kolen gebakken en eene
Hesch met water. Alzoo at lijj en dronk, en legde zich
wederom neder.
En de Engel des Heeren kwam ten anderen maal weder
en roerde hem aan en zeide: Sta op, eet; want de weg
zoude voor u te veel zijn.
Zoo stond hjj op en at en dronk, en hg ging door de
kracht derzelver spijze veertig dagen en veertig nachten,
tot aan den berg Gods Horeb.
De onwrikbare man aan den rand de r
v e r t w ij f e 1 i n g.
I. De smartelijke teleurstelling van Elia en zijne vlucht
naar de woestijn.
-ocr page 305-
289
II. Zjjne ergernis over het Godsbestuur en zjjn afkeer
van het leven.
lil. Zjjne herstelling door hemelsche boodschap en spijze.
I.
Wjj zjjn in de woestijn, in de onmetelijke woestijn, die
tusschen Palestina en Egypte ligt. Zoo ver het oog reikt,
ziet het niets dan gloeiend, schitterend zand. .Meedoogenloos
schiet de zon hare ongebroken stralen. Daar is geen boom,
die schaduw verleent; ternauwernood hier en daar een
ellendige bremstruik, geene bron, die murmelend door het
zand heendringt. Hier klinkt geen gezang van een vogeltje;
geen geluid van een levend wezen, dat de eenzaamheid
breekt, of\' het moest dan het schorre geblaf van den jak-
hals of het gesis eener slang zjjn. Hier draagt alles, alles
den stempel des doods; geen wonder, dat wij er geen men-
schelijk wezen ontdekken. — En toch, zien wij wel goed ?
Daar nadert toch iemand, met wankelende schreden; als
een dronkene waggelt hij heen en weder. Het is een man;
hjj schijnt ontzettend afgemat, eene geknakte gestalte. Wfl
kunnen niet in zijn aangezicht zien, want hij heft het niet
ten hemel op; hij ziet ook niet ter zijde; een doel voor
zijne reis schijnt lijj ook niet te hebben. Nu gaat hij rechts,
dan weder gaat hij links, als iemand, die zelf niet weet,
wat en waarheen hij wil. Daar zinkt hjj eindelijk neder
onder een jeneverboom (eigenlijk.- bremstruik) en uit zijn
hart en over zijne lippen komt eene weeklacht, zoo ontroe-
rend, zoo merg en been doordringend, van zulk eene zee
van smarten getuigende, als zelden eenig menschelijk woord :
.Het is genoeg, Heere! zoo neem nu mijne ziel!" Daar,
aan den toon der stem, herkennen wjj den man. Het is
ZIELESTRIJD.                                                                  10
-ocr page 306-
200
Elia; maar het is niet meer de oude. Een riet geworden is
de edele eik, verouderd is zijn gelaat en gebogen zijne
gestalte. Verdwenen zjjn de moed en de kracht. Hy, die
met een blijmoedig geloof de wereld trotseerde, — wjj zien
het met een enkelen blik. — hg is het leven moede, en
nauwelijks is hjj neergezegen, of hij is in een vasten slaap.
Laten we hem slapen, eu zien we, wat er toch geschied is
en wat toch zoo sterk was. om den sterkste in Israël te
doen nederzinken.
„Op den goeden God kan men zich eens voor al niet
verlaten," heeft iemand gezegd. AVelk een schandelijk woord!
ik roepen. Op wien zal men zich dan verlaten, anders
dan op den goeden God? — Ja, en toch heeft een zeer
vrome man dit „schandelijke woord" gesproken, namelijk
de zalige vader Goszner. Hu\' was, zooals gij weet, een
groot ijveraar voor de zending, en in deze zijne heilige
werkzaamheden, waarvoor hij zijne kracht veil had tot den
laatsten bloeddruppel toe, had hij liet moeten ondervinden,
dat Gods kinderen ook met hunne beste verwachtingen,
bedoelingen en plannen dikwijls teleurgesteld worden, dat
ook dan, wanneer zij vast overtuigd waren: „God zal
ons hulp en uitkomst schenken", God de Heer nochtans
dikwijls geheel andere wegen ging en de werken zijner kin-
deren schipbreuk deed ljjden.
Wie met de geschiedenis van het Godsrijk een weinig
bekend is, die verstaat dat en die weet, dat de goddelijke
politiek met alle menschelijke berekeningen spot; dat de
geheimen van het goddelijk kabinet dikwijls eene wezen-
lflke versmading schijnen te zjjn van alle gebeden, plannen
en verwachtingen van Gods getrouwste kinderen op aarde.
Hoe dikwijls schijnt het ons toe, alsof God de Heer zich
om hun weenen en bidden in \'t geheel niet bekreunt, maar
-ocr page 307-
201
slaapt, evenals Baal, wien Elia juist daarover bespotte.
Ondertusschen regeert Izebel de wereld, en vergiet het
bloed van Gods heiligen, gelijk men vuil water wegwerpt,
en speelt met de hoofden der Profeten alsof het speelpen-
ningen waren.
Ja, onder alle dienstknechten van God heeft wel niemand
eene meer bedroevende teleurstelling ondervonden dan Elia.
Moest hjj na alles, wat tot nu toe geschied was, niet vast
overtuigd zijn, dat Gods uur gekomen was, om Israël tot
hervorming en bekeering te brengen? Hij was te Jizreél
gekomen om midden in die residentie van het rijk de banier
van Jehova weder te planten, en het gansche volk heeft
zich rondom hem geschaard en luistert naar zijne stem,
alsof het de stem van God was. Groote vreugde doet het
hart van dezen edelsten van alle vrienden des vaderlands
kloppen. Niet slechts het vaderland, neen, het Godsrijk is
gered!
Zie — wat is dat? Een bode komt van het koninklijk
hof. Somber is zijn voorkomen, onheilspellend is zijn blik.
Hij opent zijnen mond en zegt eentonig: „Zoo laat Izebel.
de koningin, u zeggen : De goden mogen mü dit en dat
doen, zoo ik niet morgen om dezen tijd uwe ziel doe, als
eene van deze zielen." Dat durft alzoo die vrouw, dat durft
zij, nadat Jehova zich met zulke teekenen in genade en
strafgericht heeft geopenbaard! En dat laat Achab, de
koning, toe. die toch de heerlijkheid van Jehova met eigen
oog had aanschouwd! O, gij armzalige vrouwenslaaf! met
poppen moest gij spelen, maar niet over een koninkrijk
regeeren! — Maar het volk? Zjj, die uit den diepsten
grond des harten Gode de eere hadden gegeven, die zoo
even nog met verbazing en in diepe stilte naar den krach-
tigen Profeet geluisterd hebben? — Wat zoude Izebel dan
-ocr page 308-
2! 12
aanvangen, indien liet volk thans als e\'én man opstond en
verklaarde: „Hjj is des doods, die dezen man Gods een
haar krenkt!"? Arme, bedrogen man, die 7ip iets van het
volk verwacht! Het is zoo, „de stem des volks is de stem
van God" is een oud spreekwoord; het behoort echter niet
tot de spreuken der wijsheid, maar der dwaasheid! Sedert
het Hozanna, waarmede Israël zijnen Messias op den Palm-
zondag toejuichte, zoo spoedig door het „kruisig hem!"
vervangen werd. moest dat spreekwoord niet meer bestaan.
En indien Jezus, de grootste weldoener der menschheid, op
de ontzettendste wijze ondervinden moest, hoe het met den
geest en de stem des volks gesteld is, zoo moest ook reeds
Klia dit op eene bittere wijze ondervinden. Ontegenzeggelijk
was het een ellendig geslacht, waarmede hij te doen had.
Zoo verlaten, dit durven wij zeggen, zoude hij heden niet
zijn: maar hij zoude liet toch slechts daarom niet zijn,
omdat het niet aan zulke personen ontbreekt, die God door
zijnen Geest uit de dienstbaarheid der menschen heeft ver-
lost. Daaraan ontbrak het ook in de tijden van Elia niet
geheel; maar zij zaten in den schuilhoek en durfden dien
niet verlaten. De lieden, die hem omringen, mochten het,
gelijk men zegt, goed meenen, maar liet was toch hun
voornaamste grondbeginsel, dat men in alle gevallen voor
zijn eigene veiligheid moet zorgen. Zie toch, hoe zij ver-
bleeken! Zie, hoe zij den Profeet angstvallig ontwijken,
nit vrees, dat zij, indien zij zich met hem inlaten, met hem
veroordeeld zullen worden. Zjj steken de hoofden bijeen,
zjj fluisteren, z,y zijn bevreesd; het eene hoopje na het
andere verwijdert zich; het duurt niet lang, daar staat Elia
geheel alleen. Nu ontbreekt nog alleen de beulsknecht, en
het hoofd van Elia ligt onder de hand van Izebel, gelijk
acht eeuwen later het hoofd van Johannes op den schotel
-ocr page 309-
2!tt
voor Herodias. Kunt gij u wel eene rechte voorstelling van
dezen toestand vormen, eene rechte voorstelling van de
gedachten en gewaarwordingen, die thans het hart van Elia
hevig doen kloppen?
II.
Het is een woord van Kikkert : .Indien gjj (jod eerst
voor iederen zegen wildet danken, dan zoudt gij volstrekt
geen tijd hebben om nog over eenigen nood te klagen."
Dat is inderdaad een voortreffelijk woord, want bij duizend
menschen, die onder het kruis gebogen gaan, is het negen-
honderd negen en negentig maal waar. Ja, het is a 11 y d
waar, zoolang onze blik gevestigd blijft op de toekomstige
verheerlijking der wereld, op de toekomstige zaliging der
menschheid, op het erfdeel der heiligen in het licht, die
wjj eens aanschouwen, en waarvoor alle tegenspoeden en
droefenissen van den tjjd ons slechts moeten voorbereiden.
Ja, indien de uitkomst heerlijk is, dan geldt het van alle
beproevingen dezes tyds, dat zij „niet in aanmerking komen
tegenover de heerlijkheid, die ons geopenbaard zal worden.\'"
Zoo is het, maar hoe dan, wanneer nu ook de eeuwig-
h e i d donker is ? Dan verdwijnt zeker alle vreugde en
genot, dan zwijgt dankzegging en gezang. En zoo was het
bjj Elia. Over het persoonlijk voortbestaan na den dood.
de persoonlijke zaligheid was voor de vromen van het Oude
Testament niet zulk een helder licht opgegaan als voor
ons. Zij konden zich die in allen gevalle slechts denken
als leden van het verloste heilige volk. Maar dit volk was
immers blijkbaar niet in staat om in het heil des Heeren
te deelen; dit zag Elia thans duidelijk in. Eenen Messias
der wereld uit dit volk te verwachten, scheen een ongerijmd
-ocr page 310-
204
geloof\' te zijn. En was Israël verloren, dan was alles ver-
loren, clan waren alle beloften van God aan Abraham, Izak,
.facob, Mczes en David ijdel en nietig; alles verdwenen !
— En op God zelven nog te hopen, die zulk een spel met
zijne kinderen toeliet, scheen toch ook dwaasheid te zyn.
Kortom, de wereld was hem ontzonken; de hemel was
fluister, de aarde duister, het verleden, het heden, de toe-
komst duister; het rijk van God was verzwolgen door het
rijk der wereld.
Zoo verdween elke zweem van hoop uit het hart van den
Profeet, en een onoverwinnelijke afkeer van het leven greep
plaats in zijn diep gewonde hart. Waar alle hoop dood is,
daar heeft het leven geen de minste waarde meer. Elia
vlucht niet, om zijn leven te behouden; maar de gehate
izebel moet ten minste dien triomf niet hebben, dat zij
zijn bloed zoude vergieten, — hij vlucht, want alle menschen
worden dooi" hem gehaat. Midden door Samarië en Judea
heen neemt hjj zijnen weg, en overal ontmoet hij denzelfden
jammerlijken geest. Zoo komt hjj tot Berseba aan den
ingang der woestijn. Hij trekt herwaarts en derwaarts, als
iemand, die niet weet, wat hij wil. Daar, — daar opent
zich voor zijne oogen de huiveringwekkende woestijn. Dat
is het, wat geschikt voor hem is. Zoo ziet het er in zijn
binnenste ook uit. Hü ontslaat zijn getrouwen dienaar,
die hem zeker trachtte te bemoedigen; maar de nabijheid
van ieder menscheljjk wezen is hem drukkend ; zjjn mond
is sprakeloos en verstorven is zyn hart. Eene geheele dag-
reis ver gaat hy de woestijn in. — „Hoe zal hjj daar in
\'t leven blijven, wat zal hij eten en drinken ?" Dwaze vraag!
Waarom zoude hij niet van honger en dorst sterven? Eene
geheele dagreis ver gaat hy voort, om toch zeker te zijn,
dat geen mensch hem stoort, dat geen lastige trooster hem
-ocr page 311-
295
nadert. Eindelijk zinkt hij neder, zooals wij gezien hebben,
en bijna als het rochelen van eenen stervende klinken
zijne woorden: „Het is genoeg; zoo neem nu, Heere ! mijne
ziel, want ik ben niet beter dan al mijne vaderen." O,
arme Elia! zeg het slechts recht uit; gij meent eigenlijk
niet: „Het is genoeg," gij meent: „het is te veel\'" en gij
hebt op uwe wijze ook gelijk, (jij zoudt volkomen gelijk
hebben, indien gij alleen waart overgebleven, zooals gij
meent. Gij zoudt volkomen gelijk hebben, indien storm en
vuur en aardbeving de eenige middelen waren, waarmede
God de menschheid tot zich kan trekken, (iy zoudt volko-
men gelijk hebben, indien op den tijd der Wet niet de tijd
der genade volgde, met zijn stille, zachte suizen. Zoo ech-
ter strekt gij, de grootste ijveraar voor de Wet, slechts tot
het grootste bewijs, dat de Wet toorn werkt, en dat alleen
in de ontferming van God de kracht tot redding is gelegen.
God zij geprezen, de neergezegen man onder den jene-
verboom, hoe groot hij ook is, is niet de grootste, die uit
eene moeder is geboren. Kicht uw hoofd op, Elia! en zie
op den man, die daar onder den olijfboom in den hof
G e t h s e m a n e worstelt! Ook Hy is diep bedroefd, op
zijn aangezicht ligt Hij, angstzweet staat op zijn voorhoofd ;
maar toch wanhoopt Hij niet; toch mort Hij niet tegen
God; toch neemt Hy\\ hoewel dan ook sidderend, den beker
aan, dien God hem toereikt; toch vereenigt zich zijne ziel
met den wil des Vaders en ottert Hy zich zelven zonder
tegenstreven op. Ja, die is het, Elia! door wien ook uwe
ziel genezen zal. — Doch, wat spreken wij ? Hy hoort
immers onze stem niet; hy slaapt. Droefheid des harten
en vermoeidheid des lichaams, beide vereenigen zich, om
hem in een diepen slaap te doen zinken.
O, hoe ontroerend en droevig is de diepe neerslachtigheid
-ocr page 312-
290
van zulk een man! Als een man, die een rechte man is,
weent, dat treft ons diep, en hier is het een man, die een
toonbeeld van mannelijke kracht en echten heldenmoed
mag heeten. Is zulk een man eenmaal moedeloos, dan is
hij het ook geheel, dan is het onmogelijk hem te troosten.
Ja. onmogelijk zoude een menscb hem getroost kunnen
hebben. God zelf moet tot hem afdalen en den man zjjn
aangezicht doen zien. Wjj zullen echter vernemen, hoe moeie-
ljjk het zelfs voor Hem wordt. God zelf wordt alzoo de
zielzorger van den man. wiens grootste zorg tot nog toe aan
de zaak van God was gewijd, die met al zijne kracht geij-
verd had voor den Heer. Hij wordt nu door God verpleegd,
gelijk een ziek kind door de teedere, zachte moederhand.
Wat het beteekent: „Ik zal u troosten, gelijk iemand door
zijne moeder wordt getroost\'\', wat het beteekent: „Met
moederhanden geleidt Hij de zijnen getrouw op al hunne
paden*\', dat zullen wij hier leeren verstaan.
Doch voordat wij dit liefelijk tafereel beschouwen, moe-
ten wij onze aandacht op het treurige gebed van Elia ves-
tigen : „Zoo neem nu. Heere ! mijne ziel, want ik ben niet
beter dan alle mijne vaderen". „Ik gevoel het wel" wil hij
zeggen, „ik verdien geen beter lot, ik begeer ook geen
beter lot, derhalve ook geen langer leven, dan zjj allen;
en moet ik toch eenmaal sterven, dan hoe eerder hoe lie-
ver!" Dat hjj nochtans iets beters ondervinden zoude, dan
al zijne vaderen; dat Jehova hem als beter beschouwde,
ofschoon, of veeleer omdat hij zich zelven niet als beter
beschouwde, — daarvan vermoedde hij in die ure niets.
God heeft de kroon voor zjjn getrouwen dienstknecht gereed
gemaakt en spreekt: „Stil, wacht slechts een Aveinig!" —
Thans echter zien wjj den Godsman in het diepste ziele-
ljjden. Waarlijk, indien de gedachte aan zijnen God en
-ocr page 313-
207
Koning hem niet teruggehouden had, zoude hij een z e 1 f-
moor denaar geworden zijn.
Het gebeurt zeer dikwijls, dat menschen, die in moeie-
lijke omstandigheden verkeeren, naar den dood verlangen.
Dit verwondert mij ook volstrekt niet bij diegenen, die
niet aan een toekomstig leven gelooven, die er niets van
weten en trillen weten, dat wij hier in het land van strijd
en lijden gevormd moeten worden voor den grooten dag
der heerlijkheid. Waartoe nog te leven, als het geheele
leven slechts ellendige dagen vol leed en smart belooft!
Bij de oude S t o ï c ij n e n was de zelfmoord zelfs plicht,
als men zag dat men niet meer werken konde, noch voor
zich zelven, noch voor het vaderland. En op eene ontzet-
tende wijze neemt ook in onzen tijd de zelfmoord toe,
omdat het geloof aan oordeel en eeuwigheid bij zoo velen
verdwenen is. Evenwel is er nog by duizenden, wier mond
zegt: „na den dood is alles te niet", in den grond van
het hart een stille prediker, die den vinger opheffen vraagt:
„Ja, maar als toch eens op den dood het oordeel volgde?"
Wie echter werkelijk van het tegendeel overtuigd was,
wat zonde dien terughouden zich van het leven te berooven,
indien het leven geen genot meer oplevert ?
Maar ook bh\' zulke menschen, die aan eene eeuwigheid
en een oordeel gelooven, vernemen wij zeer dikwijls den
wensch, om uit dit „ellendige leven" verlost te worden.
Waarom wenschen zij dit dan? Nu, menigeen spreekt zoo,
terwijl hij zich zelf misleidt, zich zelf bedriegt. Indien God
de Heer hunnen wensch wilde vervullen en hen wegnemen,
dan zouden zij er zich met handen en voeten tegen ver-
zetten. De liefde tot het leven is diep in het hart van den
mensch geworteld, en zjj is ook zeer dikwijls in het geheim
nog aanwezig, waar de mond van den mensch om verlos-
-ocr page 314-
298
sing uit het leven bidt. — Maar ook waar deze wensch
ernstig gemeend is, moet men er beslist tegen strijden.
Waaruit komt bij tocli meestal voort? Immers daaruit,
dat Gods wegen ons niet behagen. Nu eens is het een
zwaar lijden, dat men zelf ondergaat, waardoor men van
het leven afkeerig wordt; dan weder zijn het drukkende
familieomstandigheden, die het leven verbitteren; dan weder
zijn het de wegen, die God in zijn rijk met de geheele
meiischheid inslaat, zooals b. v. in den tijd van Jona, die
zijner ziel den dood wenscht, omdat hij vermoedt, dat het
Godsrijk van Israël op de heidenen overgaat. Zoo kan men
ook dikwyls in het bonte gewoel en rumoer des levens,
als men altijd opnieuw in onrust verkeert en de eene
teleurstelling op de andere volgt, zulk een afkeer van het
leven bekomen, dat men ook roept: .Het is genoeg; ach,
ik ben die onrust moede." Vooral echter onstaat de afkeer
van het leven uit zwaar lichamelijk 1 ij d e n, waar-
door de mensch tot machteloosheid en werkeloosheid, tot
een hulpeloos, smartelijk en pijnlijk leven veroordeeld wordt.
En inderdaad, het is dikwijls ook ontzettend, zooals men-
schen moeten lijden, en wel jaren en tientallen van jaren
lang. Zeker willen wij diegenen zacht beoordeelen, die
in zulk een toestand smachtend naar den dood verlangen.
Wij moeten hun echter toch altijd zeggen, dat zjj in deze
stemming, waarin hun Gods wegen niet behagen, het minst
geschikt zjjn om tot het land des lichts in te gaan. Zü
moeten eerst stil en willeloos worden; zij moeten toch juist
in dit lijden leeren dulden, wachten, gehoorzamen, zich
onderwerpen, alles aan den Heer overlaten. Juist met dat
doel is deze smeltoven beschikt.
Toen ik laatst op reis was, liet mij in zekere stad een
zieke heer verzoeken, by hem te komen. Hy leed aan een
-ocr page 315-
299
ontzettend zenuw- en ruggeraergslijden; dag en nacht werd
hij, zooals men wel eens zegt, door helsche pijnen gefol-
terd en geen oogenblik met rust gelaten. Hij had eenen
predikant der „Evangelische kerk" gevraagd: wat hij in
zulk een geval van den zelfmoord dacht? Deze had geant-
woord, dat God de Heer het hem niet kwalijk zoude nemen,
indien hij aan zulk een ellendig bestaan een einde maakte.
(Dat dit geen geloovig prediker was, behoef ik niet eens
te zeggen.) De ongelukkige man had echter toch nog geene
vrijmoedigheid gevonden om de hand aan zich zelven te
slaan en eerst nog een anderen raadsman daarover willen
hooren. Hij liet daarom een katholieken priester komen en
raadpleegde ook dien. Deze zeide: „Zelfmoord is eene dood-
zonde." Zoo stond de arme man tusschen twee vuren en
ik moest nu de zaak beslissen. Wat ik echter gezegd heb,
dat is reeds vervat in hetgeen ik zoo even sprak. (De
Ujder is eenigen tijd daarna overleden.)
Het edelste en reinste, maar ook het zeldzaamste haken
naar den dood is dat, hetwelk niet voortvloeit uit den
wensch om van kruis en strijd ontslagen te worden, maar
uit het innige verlangen naar de volkomene vereeniging
met Jezus, wien onze ziele lief heeft. Ja, wie zoude niet
vurig verlangen naar het binnentreden van den kring van
alle zaligen en verlosten aan den kristallen stroom! Dat
is toch ons doel; maar wij moeten ons toch ook altijd
weder zeggen, dat wij aan het erfdeel der heiligen in het
licht geen deel kunnen hebben, zoolang wij niet genoeg
voorbereid zn\'n, en dat alleen God de Heer weet, w a n-
n e e r wij daartoe voorbereid zijn.
Wjj moeten ons vervolgens zeggen, dat wij niet slechts
voor ons zelven alleen op deze aarde zijn, maar dat wjj,
de verlosten, ook anderen behulpzaam moeten zijn, opdat
-ocr page 316-
300
ook zy het heil der verlossing deelachtig mogen worden.
Ik ben zeer ingenomen met die heerlijke liederen, waarin
het verlangen naar het hemelsch vaderland wordt uitge-
drukt, zooals b. v. .Jeruzalem, gij hooggebouwde stad
Och! woonde ik reeds in u!" maar zij mogen nooit den
voorgrond van ons zingen en bidden innemen. Het zjjn
Sabbathstonen, maar geen alledaagsche tonen. — Het
is iets ongezonds, zeer dikwijls ook iets onwaars, als zekere
Christenen zulke liederen als: «Och, ware ik reeds hier
boven," — Laat mij gaan, dat ik Jezus moge zien" enz. —
het liefste zingen. Het is iets ongezonds, en ook onwaars,
als men kinderen leert zingen: ,0, ware ik reeds een
Engel, daar in dat zalig land!" Neen, wij moeten het ons
en onzen kinderen zeggen, dat men thans aan zicli zelven
behoort te werken, en den Geest van God te laten werken
aan ons. Thans behoort het te zijn een worden, opwas-
sen, strijden en werken in de liefde tot a n d e r e n. Dan
zal te zijner tijd de heerlijkheid niet achterwege blijven.
De Apostel Paulus had ook begeerte om ontbonden te wor-
den en bij Christus te zijn. Inderdaad, zoo iemand een
recht tot deze begeerte had, dan had h ij het. Hjj was zoo
ver in de heiligmaking gevorderd als niemand buiten hem;
hjj ging onder zoo veel verdrukking gebogen als niemand
buiten hem; hjj had reeds zoo veel gewerkt voor anderen
en aan anderen, als niemand buiten hem. Nochtans protes-
steert hij zelf tegen zijn heimwee en zegt: Het is beter
bjj u te blijven, om u te dienen in Christus. — Dat is
geestelijke gezondheid, en wij willen daarnaar streven en
ons wel wachten voor alle schijnvrome, overdrevene teerge-
voeligheid en bovenal ,voor het zelfbedrog. Niet het ont-
vlieden van het kruis, maar het ontvlieden van de zonde is
de ziel van het heilige heimwee; het doet ons niet wenschen
-ocr page 317-
301
uit do wereld weggenomen te worden, maar vervult ons met
het vurig verlangen, om midden in de wereld de wereld te
ontvlieden en toch het licht en zout der wereld te zijn. Het
maakt den mensch niet slap en droomerig; neen, het spoort
hem aan om al zijne krachten in den dienst der zoekende
en reddende liefde te besteden. Kortom, het heimwee heeft
dan slechts waarde, als het tot heiligmaking, tot het ver-
krijgen van den geest van het vaderhuis aanspoort; uit de
gemeenschap met den heiligen Christus is onze hoop gebo-
ren, alleen in Hem wordt zij gesterkt, alleen in Hem wordt
zij vervuld.
Wat nu Elia betreft, zoo wenschte hij werkelijk, te mogen
sterven. En toch heeft hij later God gedankt, dat Hij zijn
wanhopig gebed niet vervuld en niet verhoord heeft. Maar
ofschoon God zijnen dienaar thans niet zóó verhoort, gelijk
deze gevvenscht had. zoo verhoort Hij hem toch zoo, gelijk
het tot zijn wezenlijk heil verstrekt. Hij zal weldra ont-
dekken, dat zijne klagende stem door de wolken is gedrongen.
Had luj tot dusverre zulke groote daden voor God verricht,
zoo zal God nu iets groots voor hem verrichten en toonen
dat Hij met teedere liefde voor het heil zijner ziel zorgt.
111.
Vooreerst was het reeds eene gave van God, dat Elia
konde slapen. Jeremias Gotthelf zegt ergens: „Voor onge-
lukkige menschen heeft God de Heer den slaap geschapen;
dit is de groote zee, waarin zij al hunne ellende kunnen
doen verzinken. En als zjj haar ook altijd weder daaruit
moeten opnemen, zoo is zij toch telkens lichter geworden."
Dat is goed gezegd, en wij allen hebben het dikwijls onder-
vonden, wanneer wy des morgens na eene goede nachtrust
-ocr page 318-
302
e omstandigheden, die wij des avonds voor geheel hopeloos
hielden, met een kalmeren, moediger blik beschouwden.
Elia zoude wel gaarne hebben blijven slapen en niet weder
opgestaan zn\'n, maar als hu\' desniettemin thans wakker
wordt, zal het toch iets anders zijn. De getrouwe man zal
thans leeren verstaan, wat het beteekent: „Ik wil de ver-
moeide zielen verkwikken en de hongerende zielen verza-
digen: het gekrookte riet wil Ik niet verbreken en de
glimmende vlaswiek niet uitblusschen.\'\'
Elia wordt uit zijnen diepen slaap gewekt. Dit is
gewoonln\'k niet zeer aangenaam, maar hu\' wordt zoo liefelijk
gewekt, als niemand vóór hem. Als hjj zijne vermoeide
oogen opent, staat daar voor hem. met een innemenden,
vriendelijken glimlach, in hemelsche schoonheid, een bode
des lichts uit de andere wereld. Welke gewaarwordin-
gen moest dat bh\' den neergebogen man teweeg bren-
gen! De doode woestijn, waarheen hij gevlucht was, is
voor hem een beeld van den dood, die in de wereld, ja
ook in hem zelven heerscht; maar de hemelsche wereld is
tot hem nedergedaald, licht en heerlijk. De aardbewoners
hebben hem verlaten, maar de hemelbewoners hebben zich
over hem ontfermd. De woestijn laat hem versmachten,
maar (iod zelf verandert de woestijn in een lusthof. Zie:
Met een goddelijken glimlach
Ziet de hemel op u neer.
Zaagt gij dezen glimlach? Sterv\'ling!
Rust dan! Want wat wilt gij meer?
Ja, dat was het groote in deze zaak, dat de Profeet
erkende: de Heer heeft my toch niet vergeten. Dat is eene
groote en belangrijke zaak, wanneer wij moedeloos op een-
zame paden ronddolen, verlaten door alle schepselen, wan-
-ocr page 319-
303
neer wy geenen uitweg uit donkere dalen zien en onze arme
ziel onder diepe smarten klaagt: „Mijn God! mijn God!
waarom hebt Gjj mjj verlaten? Maar zie, daar komt een
teeken, waardoor het ons duidelijk blijkt: God denkt toch
nog aan mij; Hjj is mijn vriend en helper. O, dan moge
de zee onstuimig woeden en de bergen doen verzinken,
nochtans vreest mijn hart niet meer; nochtans heft mh\'n hart
weder blijde lofzangen aan en ik weet: alles moet heerlijk
eindigen. — Zoo moet dan de Engel voor Elia tot een
bewijs verstrekken, dat de hemel voor hem geopend is.
Maar laat ons vooral op de bijzonderheden letten! God
zond niet slechts eenen Enge 1, maar eenen Engel met
s p ij s en d r a n k. Hij brengt water in eene reine kruik-
en brood op lieete steenen gebakken; alles dus zeer zorg-
vuldig toebereid. Het zijn geen troostwoorden en bood-
schappen uit den hemel, die de Engel brengt. God, die
het hart van den menscli kent, weet wel, dat Elia thans
veel te moedeloos is, veel te verbijsterd en te kleingeloo-
vig, dan dat hem iets konde helpen, wat niet tastbaar en
zichtbaar is. Geene vertroosting met de zevenduizend, die
nog overgebleven waren, geene voorspelling van een nieu-
wen tyd in het Godsrijk, — neen, daarvan mag de Engel
thans niets zeggen. Elia zou liet eenvoudig niet geloofd
hebben. De liefderijke ontferming van God moet hem thans
door iets stoffelijks, dat hij zien, voelen en proeven kan,
geopenbaard worden. Het lichaam moet thans verkwikt
worden, anders kan ook de neergebogene ziel niet versterkt
v/orden in het geloof.
De Engel moet dus nu in den naam van God als vrien-
delijke gastheer werkzaam zijn. Hy noodigt den Profeet
uit, om te eten en te drinken. — Och, hoe dikwijls
zoude het beter zijn, eenen mensch eten en drinken te
-ocr page 320-
:M
geven, of hein op eenige andere wijze lichamelijk te ver-
kwikken en te verblijden, dan hem met de schoonste gees-
telijke woorden toe te spreken. Lichaam en ziel staan
in een geheimzinnig innig verband en duizend kanalen
leiden van de eene zijde naar de andere over en weder.
Wie dit niet in het oog houdt, kan noch voor het lichaam
noch voor de ziel zijner medemenschen gunstig werkzaam
zijn. Een arts, die de menschen slechts als dieren behan-
delt en zich niet bekreunt om datgene, wat in hart, gewe-
ten en gemoed omgaat, is evenmin in staat, om iets goeds
tot stand te brengen, als een predikant, die altijd slechts
preekt bij zijne zieken en er zich niet om bekreunt, of de
persoon, met wien hjj te doen heeft, aan eene leverziekte
of een borstkwaal lijdt, of hij zijne lichamelijke verple-
ging heeft, of dat het hem daaraan ontbreekt, iedere geest-
teiyke moet ook een weinig geneesheer zijn: ik bedoel, hij
moet weten te rekenen met de aanvechtingen, die uit de
lichamelijke ziekten en kwalen voortkomen.
Wachten wij ons vooral ook daarvoor, dat wjj by de
armen slechts met een ,God helpe u, God behoede u !"
komen. Daarmede verbittert men slechts, ofschoon men
ook op de voortreffelijkste vertroosting en belofte uit Gods
woord mocht wijzen. Niet daardoor, maar met een korfje
vol goed brood zult gij voor den behoeftige op den Engel
in de woestijn gelijken. O, hoeveel natuurlijker, hoeveel
humaner is de groote, heilige God, dan zoo velen van Zijne
kinderen op aarde I Hü weet, dat hemel en aarde, tijd en
eeuwigheid voor eenen mensch onverschillig zijn, als hij
honger lijdt. Dan wil men eten hebben, en al het andere
is niets! Ook onze Heiland heeft voor de arme brnilofts-
lieden te Kana, toen er wijn ontbrak, niet eene schoone
redevoering over de zelfverloochening gehouden, maar hun
-ocr page 321-
305
door zijne wonderkracht goeden wijn verschaft. Hij gaf aan
het arme volk in de woestijn, dat honger had, brood en
visch in overvloed, nadat Hij hen met het woord, dat uit
den mond van God komt, gespijzigd had. Hij verlangde,
nadat Hij het twaalfjarig dochtertje van Jaïrus had opge-
wekt, — niet, dat men haar eenen Psalm zoude voorlezen,
maar dat men haar eten zoude geven. Zoo heeft Hij ook
bij het meer Gennesaret voor de leerlingen, die vermoeid
van den arbeid uit hun schip stegen, zorgvuldig als eene
moeder aan den oever eenen maaltijd bereid (Joh. 21); en
deze menschlievendheid, deze hemelsch heilige natuurlijk-
heid van God moet ons in verrukking brengen. Deze zorg
voor het uitwendige en lichamelijke welzijn van Elia,
welke wij hier aanschouwen, is treilend en roerend. Zij
moet tot onze vertroosting, maar ook tot onze leering ver-
strekken. Tot onze leering; want ook wn\' moeten zoo
met onze lijdende broeders omgaan. Wij mogen ons daar-
door echter ook laten vertroosten, want gelijk God
was in den ouden tijd, zoo blijft Hjj in eeuwigheid, zoo is
Hij ook heden met u en met mij.
Ach, waarom is ons gebedsleven zoo arm, zoo krachte-
loos en flauw? Nu, om vele redenen, maar vooral ook
omdat wij niet begrijpen, wat het beteekent: „Laat uwe
begeerten in alles met dankzegging bekend worden bij
God"; omdat wfl niet begrijpen wat het beteekent en is:
„Uw hemelsche Vader weet alles, wat gij van noode hebt."
Het tijdelijke brood, dat wy noodig hebben, gaat hem even
goed ter harte, als het brood voor de eeuwigheid, de aard-
sche behoeften even goed als de hemelsche, het dagelijksch
welzijn even goed als de eeuwige redding der ziel. Zooals
het thans echter meestal gesteld is, komen wij wel met
een geloovig, vrijmoedig hart tot Hem, wanneer het onze
ZIKI.KSÏR].Tn.                                                                          20
-ocr page 322-
306
geestelijke, eeuwige belangen geldt, maar meenen daaren-
tegen lichtelijk, dat het kleine en uitwendige Hem niet ter
harte gaat.
O. myne Broeders ! de Zondags-God moet voor ons de
God voor alle dagen worden. Dat wjj toch kinderen wer-
den en Hem als eenen Vader beschouwden I Slechts dan
zullen wij zoo recht in gemeenschap met Hem leven en zijne
vaderljjke liefde en hemelsche goedertierenheid bij eiken
voetstap op onzen weg ondervinden, en alle twijfelingen,
of H ij wel voor ons leeft, zullen als nevelen voor
de zon verdwijnen.
Welken indruk heeft nu echter de verschijning van den
Engel op Elia gemaakt? Welken indruk de gedekte disch
in de woestijn ? Zooals het schijnt, in \'t geheel geen! Werk-
tuigelijk eet de Profeet iets, maar hij blijft stom als een
visch en gaat, nadat hij gegeten heeft, weder liggen, even
alsof dat alles niets was. Dit is zeer karakteristiek. Zulke
ijzeren karakters als Elia zijn in alles beslist en volhardend,
zijn alles geheel, wat zij zijn. Zij hebben een sterk hart, en
er moet veel geschieden, voordat zij zwak worden en den.
moed verliezen. Zijn zij echter eenmaal moedeloos, dan zijn
zij het ook geheel en niet zoo gemakkelijk te genezen.
Elia had nu eenmaal zijne rekening gemaakt. Hij is daar-
mede gereed en de uitkomst luidt: ,Het is alles te niet:
alles te niet met Gods volk en rijk op aarde: onherstel-
baar verijdeld is de hoop van Israël." Wat baten daar
Engelen en brood en water uit den hemel? Hij slaapt ver-
der door. Zoolang men slaapt, vergeet men toch zijne ellende.
En de Engel laat hem rustig slapen. Hij bestraft hem
daarover dus volstrekt niet. Keen, lichaam en ziel moeten
eerst tot rust komen; hij kan wachten. Eindelijk wekt hjj
hem opnieuw, spoort hem wederom aan, om te eten en te
-ocr page 323-
307
drinken, daar hij hem zegt, dat hij zich tot eenen verren
tocht moet sterken. „Gij hebt eenen verren weg vóór u.*\'
heeft Luther vertaald; nauwkeurig volgens den grondtekst
is het: ,i)e weg is te veel voor u", indien gjj namelijk
geene bijzondere versterking ontvangt. Daarmede was tege-
ln\'k uitgesproken, dat zijne bede om den dood niet inge-
willigd zoude worden, maar dat hij in den dienst van God
nog werkzaam moest blijven. — VVat zegt nu Elia daarop P
Hij zegt wederom niets: derhalve geen blijmoedig: .,Heere!
hier ben ik", maar toch ook geen tegenspraak. Naar li-
cliaam en ziel gesterkt, staat hij op, zwijgend, maar hn
staat toch op; hij eet en drinkt en begeeft zich op reis.
Hij gehoorzaamt derhalve. Het is geene blijmoedige
gehoorzaamheid; maar het is tocli gehoorzaamheid. Het
is beter, wanneer de gehoorzaamheid eene blijmoedige is:
maar doet gjj niet gaarne, wat gij doen moet. zoo doe het
ten minste ongaarne; maar doe liet! Kunt gij b. v. niet
blijmoedig uwe gaven voor het Godsrijk geven, houdt de
gierigheid u nog gevangen, wordt gij nog door de traagheid
en gemakzucht des vleesches gebonden, nu, laat liet daarom
niet achterwege, maar doe het toch, uwe gierigheid en uwe
gemakzucht ten spijt.
Elia gaat dan ook. Somber is en blijft zijn hart; maar
hij gaat. Meer verlangt de Heer thans niet van hem. Elia
bemerkt weldra, dat hij in de gemeenschap der hemelingen
is geweest, en dat hij met hemelsche spijze is verkwikt,
want ofschoon hg veertig dagen en veertig nachten lang
reist, door het zand van eindelooze woestijnen en door barre
gebergten, tot aan den Sinaï, nochtans worden zijne knieën
niet moede en zijne voeten niet verlamd. Dat was een
voortdurend wonder van Gods liefde, maar weldra zal hij
er een aanschouwen, dat nog grooter is dan dit.
-ocr page 324-
MOS
Onlangs schreef my een oude, eerwaardige vriend uit
Holland: „Houd u den dood zoo lang mogelijk van het
lijf!" Nu, dat is zonder twijfel een goede raad. Wie het
verstond, hem op te volgen, die zoude de hoogste kunst
verstaan; want alles, wat verschrikkelijk en huiveringwek-
kend is, vereenigt zich in dat eéne woordje „dood." Dat
is waar, maar het is niet minder waar, dat deze dood ons
zonder barmhartigheid van dag tot dag naderbjj komt. Hoe
zullen wij hem ons van het ljjt\' houden? Zeker niet daar-
door, dat wjj ons best doen, om niet aan hem te d e n k e n.
De vijand, dien wij niet in het oog houden, verrast ons onge-
twijfeld het gemakkelijkst. Ken levens-elixer echter, om
het lichamelijk organisme voor het verderf te behoeden,
is er ook niet, hoe veel men daarnaar in de geheele wereld
ook gezocht heeft. Het lichamelijk leven is eens voor al
reddeloos aan den dood gewijd.
Hoe zal men zich dan nu den dood van het ljjf houden?
Wel roepen de slaven van den zinnelpen lust, als zij zich
van het eene genot op het andere werpen: „Ha, dat is
leven ■" Wij weten echter, dat zij juist zoodoende op licha-
melpe en geestelijke wijze het leven uitputten. — Hn ook,
dat men zijne ziel aanhoudend laaft en baadt in de wereld
van het schoone, in allerlei edele kunst en muziek, ook dit
houdt den dood niet van ons verwijderd. De wereld van
het schoone is wel een afschijnsel van de hoogere wereld
des levens en kan een voorgevoel van deze wereld verwek-
ken, maar zjj is niet het leven zelf. Als het op scheiden
aankomt, laat ons alle wetenschap, kunst, muziek, poëzie
en wijsbegeerte ellendig in den steek.
Zoo blijft dan slechts de eenige, oude weg over tot dien
Eenige, die zegt: „Ik ben de opstanding en het leven :
die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven;
-ocr page 325-
309
hij is uit den dood overgegaan tot het leven." Die door
het geloof in Jezus Christus met God één zijn geworden,
die kunnen niet sterven, ofschoon zij ook lichamelijk ster-
ven. Het is zoo, Elia kende den Levensvorst, die in men-
schelijke gestalte verschijnen zoude, niet. Hij is echter door
een onverbrekelijken band verbonden met dien God, die in
Christus verschijnen zal. Daarom is ook hij boven den dood
verheven, ofschoon hy het niet weet, en krachten des eeuwi-
gen levens zijn reeds thans in hem werkzaam, want zijn Ik
is één geworden met het goddelijke Ik. — Laten we dus
den treurigen man gerust zijnen weg voortzetten, en treu-
ren we niet te zeer over hem! Voor den rechtvaardige
moet het licht steeds weder opgaan en vreugde voor de
vrome harten. H ij zal dat ondervinden, en gij, waarde
Hoorders! zult het ook ondervinden, indien gn\' gelooven
wilt, gelijk hij wilde gelooven. God wil ons daartoe helpen,
indien wij ons door Hem slechts willen laten helpen. Amen.
-ocr page 326-
XV.
ADVENTSGEFLÜ1STEH OP DEN BERG DEK WET.
Geliefde Hoorders! Een groot kerkvader uit den helden-
tijd des Christendoms heeft gezegd : „Ik geloof datgene,
wat ongerijmd is." Dit woord is algemeen bekend, en men
heeft liet altijd als een afschuwelijk voortbrengsel der ortho-
doxie gebrandmerkt. — Inderdaad, indien daarmede bedoeld
was, dat men alles, wat ongerijmd is, gelooven moest, dan
behelsde dit woord de grootste ongerijmdheid, die denkbaar
is; dan was daarmede voor het jammerlijkste bijgeloof poort
en deur geopend. Tertullianus wil daarmede echter blijk-
baar slechts zeggen, dat de Christelijke waarheid, die mijne
ziel vol geloof en hoop omhelst, „absurd," dat is: met de
uitkomsten van het zoogenaamde gezond menschenverstand
en de uitkomsten der wetenschap in strijd moet zijn. En
daarin heeft hij volkomen gelijk. Of zoude het Evangelie
werkelijk met onze natuurlijke rede overeen moeten stern-
men ? — Een prediker van de kerkelijke linkerzijde in onze
stad heeft onlangs eene voordracht gehouden, waarvan het
hoofddenkbeeld is: „de godsdienstige waarheden moeten
geloofwaardig zijn; geloofwaardig is echter slechts datgene,
wat met de menschelijke rede overeenstemt." Waarlijk,
-ocr page 327-
311
over zulk een woord zoude men moeten lachen, indien het
niet zooveel onheil stichtte. Men moest er over lachen,
zeg ik, want het is even belachelijk, als wanneer ik zeggen
wilde: het water moet droog, het vuur moet nat zijn. Ik
bid u, — geloofwaardig zal slechts datgene zijn, wat ik
begrepen kan! Nu, zegt dan alle geloof voor tijd en eeuwig-
heid vaarwel, want het geloof is altijd slechts daar begon-
nen, waar het weten ten einde was. Wie van goddelijke
zaken niets gelooft, dan hetgeen hij met z\'u\'n verstand kan
berekenen, die gelooft in \'t geheel niets, die heeft daarmede
ook allen godsdienstigen troost over boord geworpen. Alles,
wat wij troost van den godsdienst noemen — en wat zoude
toch godsdienst zonder troost zijn ? — staat met de uitkom-
sten van ons natuurlijk denken in de scherpste tegenspraak.
Alle godsdienstige troost bestaat toch daarin, dat de onzicht-
bare, almachtige God zich met het \'arme menschenkind
inlaat, om zijnen jammer te verzachten. Kan echter de
menschelijke rede en wetenschap dit begrijpen? Kan de
rede begrijpen, hoe God gebeden verhoort ? Waarlijk neen !
Van liet standpunt der zuivere rede beschouwd is het gebed,
zooals de groote wijsgeer Kant zegt, „een kleine waanzin."
Kan de rede begrijpen, hoe de goddelijke Voorzienigheid
in het menschelyke leven werkzaam is, waarover toch ook
millioenen, die geen geloovige Christenen zijn, zoo gaarne
spreken P — Ik zeg: neen! en gü moet zeggen: neen! dit
aan te nemen is volslagen ongerijmd. Doch ik ga niet
voort; ik zeg slechts : zoodra gij het woord openbaring
uitspreekt, zegt gij met Tertullianus: „Ik geloof datgene,
wat ongerijmd is."
Geldt dit het geheele gebiedt der openbaring, zoo geldt
het, gelijk vanzelf spreekt, bovenal daar, waar wfl het
binnenste heiligdom van de geheele goddelijke openbaring
-ocr page 328-
;U2
binnentreden, waar wij het woord van de verlossing en her-
stelling der verlorene wereld door het kruis van Christus
vernemen. De raad Gods tot verlossing der menschheid is
eene verborgenheid „van de goddelijke rede," van het god-
delijke hart; hij is evenmin in eens menschen als in eens
Engels hart opgekomen. Laat er ons dus op voorbereid
zijn, dat hier alles donker is. Deinzen wij niet terug, wan-
neer onze rede ons hier geheel in den steek laat! Erkennen
we liet vooruit, dat er tot verlossing eener doodeln\'k kranke,
met schuld beladene, verlorene wereld iets geschieden moet,
wat geen verstand der verstandigen kan verstaan. .Naderen
we tot de verborgenheden van Gods ontferming niet met
onze kritische rede, maar met een bloedend geweten, met
een troosteloos, vredeloos, vredezoekend hart. De donker-
heid in het Heilige der Heiligen moet ons niet terugstoo-
en, zij moet ons welkom zijn, zoo wjj slechts in ons bin-
nenste ondervinden, dat Gods Geest hier een nieuw leven
schept.
Maar waarom hier van de verborgenheid der verlossing
gewaagd, daar wij toch over Elia, den man der Wet, willen
spreken? Waarom doen wij hier een greep in het Nieuwe
Verbond? Nu daarom, omdat wjj heden aan de zijde van
Elia het wonderbare ruischen van den nieuwen geest, dat
hem een voorgevoel van de toekomst schonk, zullen hooren.
Evenals de geheele geschiedenis van Israël, zoo heeft inzon-
derheid de geschiedenis van Elia het ontegensprekelijk bewijs
geleverd, dat de menschheid niet langs eenigen natuurlijken
weg gered kan worden. Al de heerlijkheid en macht dei-
Wet, al de ijver en al de werkzaamheid van Gods edelste
dienstknechten zijn machteloos afgestuit op de macht der
bedorvenheid van den mensch. Elia ziet geenen weg ter
redding meer; daarom is zijn hart door hopeloosheid als
-ocr page 329-
313
\'t ware gestorven. Laat ons heden zien, hoe dit hart weder
levend wordt, terwijl het eenig voorgevoel bekomt van de
goddelijke dwaasheid des Evangelies.
1 Koningen 19 : 8—1:5.
Zoo stond hjj op, en at en dronk, en luj ging door de
kracht derzelver spijze veertig dagen en veertig nachten,
tot aan den berg Gods Horeb.
En hij kwam aldaar in eene spelonk en vernachtte aldaar.
En ziet liet woord des Heeren geschiedde tot hem en zeide
tot hem: Wat maakt gij hier, Elia?
En hy zeide: Ik heb zeer geijverd voor den Heere, den
God der heerscharen, want de kinderen Israëls hebben uw
verbond verlaten, uwe altaren afgebroken en uwe Profeten
met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en
zij zoeken mijne ziel, om die weg te nemen.
En Hjj zeide: (ja uit en sta op dezen berg voor het aan-
gezicht des Heeren! — En zie, de Heer ging voorbij, en
een groote en sterke wind, scheurende de bergen en brekende
de steenrotsen voor den Heere henen; doch de Heere was
in den wind niet; en na dezen wind eene aardbeving; de
Heer was [ook| in de aardbeving niet.
En na de aardbeving een vuur; de Heere was [ook| in
het vuur niet; en na het vuur het suizen van eene zachte
stilte.
En het geschiedde, als Elia dat hoorde, dat hij zijn aan-
- gezicht bewond met zijnen mantel en uitging en stond in
den ingang der spelonk, en ziet, eene stem kwam tot hem
«n zeide: Wat maakt gg hier, I-HiaV
-ocr page 330-
314
Adventsgefluister op den berg der Wet.1)
I. Hoe de Profeet zijne klacht uitstort in Gods hart.
II. Hoe God den klagende troost met wonderbaren
troost.
1.
Wij vinden heden onzen Profeet op de ontzettende basalt-
kruin van den Sinaï, achtduizend voet hoog boven de zee.
Hoe is hij daar gekomen? De Engel heeft hem niet gezegd,
dat hij derwaarts zoude gaan; uit eigen beweging heeft hg
dit punt gezocht, en het na een langen tocht gevonden. De
bergkruinen .bezitten voor iederen mensch van een dichter-
lijken aanleg eene eigenaardige aantrekkingskracht. Hier
waait eene frissche vrjjheidslucht, eene lucht, die lichaam
en ziel verkwikt. Elia had echter niet in het algemeen
eenen berg gezocht, maar juist dezen berg. De Sinaï
was het heilig altaar van God, dat God zelf door zijne
tegenwoordigheid, door zijne openbaring had gewijd.
De Israëliet stelt hoogen prijs op zulke plaatsen; het
was niet slechts de herinnering, die hier sterk in zijne ziel
verlevendigd werd; neen, liet was hem, alsof God hier altijd
nog naderbij was, dan elders, alsof er iets overgebleven
was van het hemelsche, dat zich hier eertijds openbaarde.
Op heilige plaatsen te bidden, in heilige aarde begraven te
worden, was het innig verlangen van den Israëliet. Wan-
\') Advent, — zoo heeten de weken ter voorbereiding voor
liet feest van Jezus geboorte. Adventsgefluister — dat-
gene, wat vooruit reeds iets van den zachten, liefderijken geest
des Evangelies doet vernemen.
                                     De Vertaler.
-ocr page 331-
315
neer hij de plaats betrad, waar God in vroegere tijden met
menschen gesproken had, clan was hij met een diep getrof-
1\'en hart in blijmoedige aanbidding verzonken, dan was het
hem, alsof hij het ruischen van Jehova\'s voeten hoorde.
Wij staan in dit opzicht op een ander standpunt; wij weten
het, en nemen het ernstig ter harte, dat de aarde overal,
en overal evenzeer des Heeren is; dat het onverschillig is,
op welke plaats men begraven wordt; dat er evenmin
heilige plaatsen zijn als heilige ambten, vaten, huizen, klee-
deren; deze beschouwing der zaak is echter zoo oud als
het Christendom, maar niet ouder dan dit. Jezus was de
eerste, die zeide: Niet in Jeruzalem, niet op den Gerizim
zult gij aanbidden, maar overal, Avaar zich een dorstend
hart vol ootmoed en geloof in geest en waarheid tot God
verheft, daar is ook priester, tempel en altaar, alles tege-
lijk; — waar twee of drie in mijnen naam vergaderd zijn,
al ware het ook in eenen veestal of in eenen afgodstempel,
daar ben ik in hun midden. — AVy danken God, dat wy
dit weten; maar wij begrijpen toch ook dien trek en dat
verlangen der oudtestamentische heiligen. Ook onze harten
gevoelen zich altijd nog met een heilig verlangen aange-
trokken door Bethlehem en Jeruzalem, Bethanië en Naza-
reth, en wie zoude heden ook niet gaarne met den Profeet
de heilige hoogte van den Sinaï beklimmen ?
Zonder twijfel derhalve had hij dezen berg gezocht.
Sterker klopte zijn hart, toen h|j de donkere spitsen in de
blauwe verte te voorschijn zag komen; hij verhaastte zijne
schreden en gunde zich geene rust, voordat hjj de hoogte
had bereikt. Hier zocht en vond h\\j eene spelonk. HJj wil
hier overnachten; wellicht altijd hier blijven en een kluize-
naarsleven leiden, totdat de vurig verlangde dood komt.
Dan zal hier, in de rots van den Sinaï, zijn graf zijn. Ach,
-ocr page 332-
316
hn\' is al dat zwoegen en zwerven in de wereld immers zoo
moede, is er zoo geheel afkeerig van, iemand Aveder in de
oogen te zien. De wonde van zijn hart is nog niet geheeld;
nog beheerscht hem die vreeseln\'kc moedeloosheid, die zich
door niets wil laten troosten.
Toen Elia daar nu zit, in zwaarmoedig gepeins verzon-
ken, komt er leven in de zwijgende, ontzettende eenzaam-
heid. Kene krachtige en toch liefderijke, zachte stem spreekt:
„Wat maakt gjj hier, Elia? Hoe en waarom zijt gij
hier in deze eenzaamheid gekomen?" — Van wien is deze
wonderbare stem? Het is de stem van God zelven, die hier
z|jne barmhartige werkzaamheid tot heil der ziel voortzet,
waarmede Hy veertig dagen vroeger in de woestijn begon-
nen is. Die vraag van God schijnt zoo weinig te beteekenen,
en toch begrijpen wij licht, waarom de Heer juist nu die
vraag doet. Deze vraag: Wat maakt gij hier, Elia? te
midden der sombere gedachten van zijn diep bedroefd hart
tot hem gericht, — zij komt op het rechte tijdstip als een
schitterende zonnestraal. De Profeet moet zijn hart uit-
storten voor Hem, die al onze droefheid niet slechts begrn-
pen, maar ook lenigen kan. Is de droefheid groot, dan
maakt zij den mensch stom, maar de stomme wordt ook
lichtelijk inwendig dof, ja hard, koud, verbitterd. Dan is
eene vraag, die ons noodzaakt om te spreken, het begin dei-
redding, al moge die vraag voor den aangesprokene eerst
ook zeer onaangenaam zijn; ja, al moge zjj ook tot de
bitterste en hevigste uitbarstingen zijner droefheid aanlei-
ding geven, nochtans is zjj een weg tot zijne redding.
Gods wijsheid openbaart zich inzonderheid ook in de
vragen, die Hij tot de meuschenkinderen richt. „Waarom
is uw gelaat veranderd? Waar is uw broeder Abel?"
vraagde Hij Kaïn. — „Meent gij, dat uw toorn billijk ont-
-ocr page 333-
317
stoken is?" vraagde Hij den verbitterden Jona. — „Vrouwe,
wat weent gij, wien zoekt gij?" spreekt Jezus tot de wee-
nende Maria Magdalena bij het graf, — en Petrus, die
Hem driemaal verloochend heeft, en wien nog een ontzet-
tend zware last op het harte ligt, vraagt Hij driemaal:
.Hebt gjj mij lief?" — Wie over deze en andere vragen
nadenkt, die moet zeggen, dat zij van eene wonderbare,
hemelsche wijsheid getuigen; dat zij veel meer dan lange
redevoeringen van bestraffing en vertroosting den dwalenden
menseh tot nadenken over zich zelven kunnen brengen en
op den weg, die bem terug leidt tot God. Wij allen moeten
dat vragen loeren, niet zulk een kinderachtig vragen bij
het voorbijgaan op de straat: „Hoe vaart gij ?" waarbij
men zelfs niet eens het antwoord afwacht ; ook bedoel ik
natuurlijk niet het nieuwsgierige uitvragen, waardoor men
onkiesch en vrijpostig de geheimen van den naasten tracht
te ontdekken. Maar eene deelnemende vraag, uit m e cl e-
1 ij d e n geboren, heeft dikwjjls eene verlossende kracht. Zij
ontsluit het geslotene hart, en terwijl de menseh zijne droef-
heid uitspreekt en zijne schuld belijdt, is hij daarvan reeds
half verlost. Inzonderheid hebben vragen uit een kinder-
mond dikwijls eene geheimzinnige kracht, eene grootere
kracht wellicht, dan wanneer zjj uit den mond van eenen
Engel kwamen; en de kracht dezer vragen is daarom zoo
groot, omdat zij zonder overdenking en berekening, oog-
merk en strekking, de onmiddellijke uitdrukking des harten
zijn. Als een kind zijne moeder, die door twijfelingen wordt
gefolterd, vraagt: „Lieve moeder! kan de goede God ook
sterven?" dan begrijpen wjj> dat deze vraag voldoende was,
om de moeder uit hare duisternis tot het licht te brengen.
Kn hoe dikwijls zijn ontstemde en oneenige echtgenooten,
die zwijgend naast elkander zaten, tot nadenken gebracht
-ocr page 334-
318
en tot herstel van den vrede bewogen, wanneer b. v. een
driejarig knaapje de vraag deed: „Vader, moeder, waarom
spreekt gü nu niet met elkander ?" of: „Waarom ziet gij
elkander in \'t geheel niet aan ?" — Nu, zoo argeloos als
kinderen, kunnen wij niet vragen: maar wie door den Geest
des Heilands met hemelsche wn\'sheid en reddende, zoekende
liefde bezield is, die leert in de school van God dat vragen,
die leert het, wanneer hij zich zelven op de rechte wijze
ondervraagt, en zich door God gedurig laat ondervragen en
onderzoeken, die leert het dan ook. vragen te doen, die de
harten ontsluiten. Wie vragen kan, die kan o p v o e-
den; want rechte vragen naar de gesteldheid
van het hart en het geweten vergezellen
als ernstige, zoekende geesten hem, tot wien
z ij gericht z ij n. en verlaten hem niet, voo r-
d at hij tot zich zelven is gekomen.
Ook Elia viel ongetwijfeld een steen van het hart, toen
God hem die vraag deed. Zie, nu heeft hij toch eenmaal
gelegenheid, om zijne, zooals hij meent, zoo rechtmatige
klachten uit te spreken, en hij maakt van deze gelegenheid
het ruimste gebruik. Wjj behoeven echter by hetgene lijj
zegt, slechts kort stil te staan, want liet behelst voor ons
niets nieuws ; wjj weten reeds, wat er in zijn hart omgaat.
Dezelfde droefheid, die wy in de woestijn bij hem vonden,
heerscht nog in zijne ziel. De vertroosting door den Engel,
de hemelsche spijze, de veertigdaagsche reis, de indruk der
heilige bergen, — niets, niets heeft in het hart van den
krachtigen man de minste verandering te weeg gebracht.
Hjj blijft met eene treurige onverzettelijkheid op zijn stuk-
staan. „Ik heb geijverd voor Jehova, den God der heer-
scharen, — gebeden heb ik, gepredikt, geworsteld, gestre-
den, geofferd, geleden, het bitterste geleden, smaad, ver-
-ocr page 335-
•319
volging, eenzaamheid ; elke zenuw, eiken bloeddruppel, elke
kracht van lichaam en ziel, alles heb ik aan uwen dienst
gewijd, o God ! — en wat is het gevolg ? Het is hoe langer
zoo erger geworden. De kinderen Israëls hebben uw ver-
bond verlaten en uwe Profeten met het zwaard gedood.
Eenzaam en verlaten sta ik hier, uw laatste getuige, een
verbannen, vogelvrij verklaarde man, zoodat ieder, die mij
vindt, mij kan dooden." Niet waar? dat is eene wonderbare,
uit eene diep geschokte ziel voortgevloeide taal. Verwon-
dert het ons niet, dat Elia durft zeggen: „Ik heb v ooi-
den Heere geijverd", dat hij dit voor Gods aangezicht
durft zeggen? en God spreekt hem niet tegen.
Ach, hoe weinige menschen kunnen dat in waarheid van
zich zelven zeggen! De natuurlijke mensch ijvert slechts
voor zich zelven, worstelt en streeft slechts daarnaar, om
zich een gerust en gemakkelijk leven in deze wereld te
verschaften. Maar ook bij die volgelingen van Jezus, die
als zijne verlosten hebben leeren bidden: „Neem ons aan
als uw eigendom, vorm ons tot uwe kinderen, [I ter eere!"
— hoe is het met hunnen ijver voor de zaak van God
gesteld? — „Wij zjjn te traag, wy Christenen zijn veel te
traag", zeide mü een der ijverigste en werkzaamste Chris-
tenen, toen ik dertien jaar geleden in deze stad kwam. Ja
wel, te traag, te zeer op ons gemak gesteld, en dan weder
te lafhartig, en dan weder te gierig, en dan weder alles te
zamen! En ach! als wij ook iets doen, hoe zelden is het
uit zuivere liefde ! Hoeveel eigenliefde, ijdelheid en men-
schenvrees of gunstbejag mengen zich daarin! Hoe ver-
blinden en verbijsteren ons zoo dikwijls de partijbelangen !
Hoeveel zucht om zich als gestrenge rechters op te werpen,
zonder liefde, zonder zachtmoedigheid, zonder de werke-
ïyke bedoeling om de tegenstanders, tegen wie men ijvert,
-ocr page 336-
320
te verstaan en billijk te beoordeelen! Waarlijk wij moeten
bij onze werkzaamheid voor het rijk van God veel meer de
stilte opzoeken, in de stille gemeenschap met God ons laten
reinigen en heiligen, opdat wjj in waarheid kunnen zeggen,
wat Elia zeggen konde : , Ik heb geijverd voor den H e e re !"
Terwijl Elia dit van zich zelven getuigt, beschuldigt hjj
het volk, dat het niet slechts van Jehova is afgeweken,
maar ook zijne altaren vernield, ja zijne Profeten vermoord
heeft.
Dat was dus geschied, en dat dit geschied was, is ook
voor ons zeer leerzaam. Het ongeloof heeft de verdraag-
zaamheid op zijne lippen, maar in zijn hart sluimert de
haat tegen andersdenkenden. Dit geldt inzonderheid ook het
hedendaagsche nieuwe heidendom, dat zich in eene bewuste
vijandschap tegen het historisch Christendom, tegen het
Evangelie der openbaring, ontwikkeld heeft en voortdurend
ontwikkelt, Dit nieuwe heidendom heeft een prikkel in het
geweten. Het heeft een kwaad geweten tegenover de god-
delijke waarheid, die in het kruis geopenbaard is, en bewust
of onbewust is zijne leus : „Het kruis moet verworpen wor-
den tot eiken prijs!" — Dat het ongeloof een onzijdig
standpunt ten opzichte van het Evangelie inneemt, kan men
wel kinderen doen gelooven, maar geen mannen, die de
wereld kennen en het hart van den mensch. Voorloopig
verlangt het ongeloof wel is waar met een onschuldig gelaat
slechts gelijke rechten in de kerk, het verlangt slechts de
vrijheid, om zijne denkbeelden ook in de kerk te doen gel-
den. Wij hebben het in dit opzicht in onze goede stad reeds
verbazend ver gebracht. Op onze kansels mag door dienaren
der kerk gepredikt worden, wat ieder artikel onzer beljjde-
nis voor dwaasheid verklaart. Misleiden wjj ons echter
niet! Dat het ongeloof in de wereld vrije beweging
-ocr page 337-
321
moet hebben, spreekt vanzelf, maar als het eerst zijn recht
van bestaan in de kerk heeft verkregen, dan streeft het
ook naar de heerschappij, dat is, naar de onderdrukking
der zoogenaamde oud-geloovigen. Eerst moeten de recht-
zinnigen voor dom worden verklaard; „maar zij zijn de
dommen, die ontelbaar velen dom maken en zoodoende
de ware verlichting en gelukzaligheid tegenwerken; zulk
een werktuig der domheid, als de rechtzinnige kerk is. mag
de staat niet dulden." Maar verder zegt men : „De reclit-
zinnigen kunnen onmogelijk gelooven, wat zij leeren ; zij
zjjn derhalve huichelaars, en zij spreken slechts zoo, om
het volk in hunne macht te houden. Dat is geheel onver-
dragelijk; dat kan de moderne staat niet gedoogen." Eiu-
delijk: „De leer van de genade verhindert de werk-
zaamheid van den mensch ; de leer van de bedorvenheid
door de zonde belet de vrije beweging, de hooge vlucht van
den menschelijken geest; het geloof aan de „heilsfeiten"
brengt onzedelijke vruchten voort, omdat het de eigene
werkzaamheid van den mensch onnoodig maakt."
Zulke stemmen zijn voor ons, hier in het hoofdkwartier
van den kerkelijken vooruitgang, niets nieuws. Van hen, die
zóó denken, kan men niets anders verwachten, dan dat zij
alles aanwenden, om de rechtzinnigheid te vernietigen. De
fraaie woorden over de verdraagzaamheid worden slechts
zoolang gesproken, als het ongeloof zelf de heerschappij
nog niet in handen heeft. — Bereiden we er ons op voor,
dat er ernstige en moeielijke dagen voor de kerk zullen
aanbreken. Men zal de getuigen der goddelijke waarheid
wel niet meer met het zwaard ter dood brengen, maar men
zal hen zedelijk trachten te vernietigen. Men is met dezen
toeleg reeds goed aan den gang.
Keeren wij echter tot Elia terug, dan zien wij, dat in de
ZIELESTRIJD.                                                                  21
-ocr page 338-
322
beschuldiging van zijn volk eigenlek ook eene beschuldi-
ging van God zelven ligt opgesloten, omdat Hjj de macht
der boosheid niet had gefnuikt, den moord der Profeten
niet had verhinderd, en ook hem (Klia) op deze wijze zoo
eenzaam, zoo verlaten, zoo diep ongelukkig had laten wor-
den. Kortom: „Met recht ben ik vertoornd tot den dood
toe; met recht ben ik het leven moede ; ik heb alle reden
om te wanhopen aan mijn volk, aan mij zelven en ook, o
God! het vertrouwen op de wijsheid van uwe wegen te
verliezen."
Wat antwoordt Jehova nu den moedeloozen man ? Voor-
eerst merken wij op : Hjj bestraft hem niet. Hij konde hem
wel aantoonen. hoeveel verkeerds, hoeveel onheilig vuur er
in zijnen ijver was geweest; maar neen, Hij bestraft hem
met geen enkel woord; Hij laat dat alles rusten. God
maakt bij zijne kinderen de rekening in liet groot op, zoo-
dat Hjj op de hoofdrichting van hunne gezindheid ziet. Zoo
hooren wjj, dat van Mozes geschreven staat: „Hjj was
getrouw in het gansche huis van God," ofschoon hij in een
enkel geval ook ontrouw was geweest; zoo zegt Jezus op
hetzelfde uur, toen het geloof van Johannes wankelde, dat
men niet denken moest, dat Johannes een heen en weer
bewogen riet was. Gods oog ziet ook bjj Elia, hoe liet op
den bodem van zijn hart is gesteld. Het was toch zulk
eene heilige droefheid, die Elia gevoelde, zoo edel, zoo
geheel zonder zelfzucht; niet om zjjn persoon, maar om
het rijk van God; — daarop ziet de Heer. De heilige God
is dikwijls inedeljjdender en barmhartiger in zijn oordeel,
dan de barmhartigste mensehen. Hjj weet ook in aanmer-
king te nemen, wat tot verschooning van menige diep
bedroefde stemming zijner dienaren strekt. Zoo wil Jehova
ook hier niet bestraften, maar alleen vertroosten. Sinaï zal
-ocr page 339-
:323
voor Elia eene bron der genezing, eene bron van nieuwe,
heilige, jeugdige kracht worden, doch niet daardoor, dat
het de berg der Wet is, maar daardoor, dat hij van den
Sinaï op liet in de nevelen der toekomst gehulde Golgotha
zal staren en een voorgevoel van de macht des kruises
ondervinden.
II.
„Ga uit en sta op den berg voor het aangezicht des Hee-
ren," zoo spreekt de stem, die in de duisternis der spelonk
tot hem komt. Het blijkt dus, dat Elia iets zal zien,
want hooren konde hij toch ook in de spelonk. Niet door
woorden wil God den man troosten: de bodem van het
hart moet eerst op eene andere wijze toebereid worden,
voordat het troostwoord geloofd kan worden. Elia zal iets
zien, dat hem een helder licht doet opgaan over de toekomst
van het Godsrijk, over liet innerlijk wezen van zijnen God.
Zevenhonderd jaren vóór dit uur stond op dezelfde plaats
Mo zes. de man Gods. Ook hij was diep terneergebogen,
want hij meende, dat liet volk van God in den nacht des
ongeloot\'s en door ondraaglijke verdrukking te gronde zoude
gaan. Wat zag nu Mozes op deze zelfde plaats? Hij zag
een doornstruik, die met eene heldere vlam brandde en
nochtans ongeschonden bleef. Wat dit gezicht hem te kennen
moest geven, ligt voor de hand. Israël was die struik,
en het vreeselijke lijden in het heidensche Egypte was het
verterend vuur. dat het echter toch niet verteerde, omdat
Jehova zijn volk wonderbaar in stand hield. Dit gezicht,
was vervuld geworden. Israël was een groot volk gewor-
den en had wet en instellingen van Jehova ontvangen.
„Maar thans," zoo konde Hlia zeggen, „brandt het ook in
-ocr page 340-
:524
een veel erger vuur. in het vuur des ongeloofs, en alle oor-
deelen Gods, in groote wonderen geopenbaard, zijn niet in
staat geweest, om eenige verbetering te bewerken." Zoo
is dan ook Elia nog veel moedeloozer, dan Mozes was. Noch-
tans zal ook lijj troost ontvangen. Niet met woorden, maar
met eene taal, die slechts den almaclitigen God, den Schepper
des hemels en der aarde ten dienste staat, zal tot hem
gesproken worden. God maakt Sinaï hier tot een verheven
schouwtooneel, waar alle krachten en elementen der natuur
optreden en van zijnen weg op aarde getuigenis moeten
afleggen. En dat alles ten behoeve van een enkel treurig
menschenkind! — Daarover kunnen de naturalisten zeker
slechts lachen ; zij, die alles naar de el meten en daarom
in den uiensch niets anders zien, dan een stofje in het heelal.
Zij hebben er volstrekt geen besef van, wat het is, als de
Psalmzanger aanbiddend uitroept: .Wat is de mensch, dat
Gij zijner gedenkt en des mensehen kind. dat Gij U zijner
aantrekt?" (Psalm H.) Hun komt het belachelijk voor,
dat de krachten des heelals in beweging gebracht worden,
om het wankelend geloof en de kwijnende hoop van eenen
enkelen getrouwen dienaar Gods te versterken. Wie echter
eenen levenden God kent, die kan hier slechts juichen in
het stof. Hetgeen ons hier verhaald wordt, is zoo heerljjk,
zoo majestueus, zoo verheven, dat ieder mensch, die slechts
eenig gevoel bezit, er diep door getroffen wordt, en dat\'
ieder, die verstand heeft, zeggen moet: „Dat kan niet
verzonnen worden; dat moet werkeiyk zijn geschied!"
Het is nacht. Elia staat aan den ingang der spelonk.
Vóór hem. rechts en links, boven hem en beneden hem licht
alles in een diep stilzwijgen verzonken. Onder den schitte-
renden oosterschen sterrenhemel sluimert de donkere rotsen-
wereld van het gebergte met hare kloven, spelonken en
-ocr page 341-
:325
afgronden. Als sombere, slapende reuzen liggen de vele
duizenden voeten hooge bergen in het rond. Kondom de
■bergwereld strekt zich tot op onmetelijken afstand de barre
woestijn uit; zij vindt hare grenzen eerst bh\' de schuimende
golven der zee in het westen. Zoo staat nu Elia en staart
vragend en wachtend met een somberen blik in de verte,
alsof hij wilde zeggen: „Heere! Gij hebt my geroepen:
wat moet ik doen?" —
Zie, wat is dat? Uit de woestijn verheft zich de wind;
schielijk wordt de hemel met zwarte wolken bedekt. Wei-
dra is de wind een storm geworden, die, zonder eenig beletsel
te ontmoeten, door de uitgestrekte, akelige vlakte giert.
Hij wordt steeds heviger; pijlsnel is zijn loop. Zie, — thans
ontmoet hij een geweldig beletsel, de rotsen en bergen.
Het is een ontzettend schouwspel; de orkaan worstelt met
de reuzengestalten der rotsen. Hy wil ze omver rukken en
scheuren. En werkelijk, hij scheurt ze! Hier en daar bre-
ken de kruinen der bergen los en rollen met een ontzet-
tend geraas in den afgrond. — Maar hoe zoude ik het
kunnen beschrijven? Wie in de wereld der rotsen ooit een
orkaan heeft beleefd, kan zich eene flauwe voorstelling
maken van hetgeen op Sinaï is geschied. Dat is een don-
deren en rollen, een suizen en fluiten, een huilen en loeien,
alsof het einde aller dingen gekomen ware! En dat duurt
zoo een geruimen tijd, daarop wordt het stil. — Onver-
schrokken was Elia blijven staan. Wat was er hem aan
gelegen, zoo de storm hem, die het leven moede was, ook
werkelijk in den afgrond wierp? Maar dit ééne had hij
bemerkt: de Heer, znn God, was niet in den storm. Dat wil
dan zeggen: Elia gevoelde, dat het diepste, het innigste
van Gods wezen zich in dit natuurverschijnsel niet open-
fcaarde.
-ocr page 342-
:}2(5
Niet lang heeft de storm gezwegen, toen — o hoe ont-
zettend; de aarde beeft: de onbeweeglijke rotsgrond
schijnt op en neder te golven! Hen huiveringwekkend don-
derend geluid laat zich uit de diepte hooren; het is alsof
de ingewanden der aarde worden uitgestort. Het is, alsof
Hlia zien en hooren vergaat. Kondom hem storten toren-
hooge rotsen neder; de bergtoppen wankelen, groote water-
stroomen komen bruisend te voorschijn, boonien en rots-
blokken worden medegesleept naar de diepte, die zich als
een afgrond opent! — Zonder siddering wordt dat alles
beleefd door den eenzamen man, voor wien de vrees eene
onbekende zaak is; maar weder gevoelt lig hetzelfde: de
Heer is niet in de aardbeving! Zoo wacht hij dus op het-
gene volgen zal en reeds is een nieuw schouwspel in wor-
ding.
Zie, de donkere nacht wordt licht als de dag. Hier een
v uurzuil, daar een viuirzuil, die uit de diepte opstijgt
en omhoog vlamt. Het is ontzettend! Het gansche gebergte
schijnt in vlammen te staan. Knetterend verspreiden zich
de vuurstralen naar alle zijden, sissend dwarrelen zij op en
neder en verslinden alles, wat op hunnen weg ligt. (ieheele
massa\'s rots en aarde worden door dezen gloed in vurige
stroomen veranderd. Maar ook hier heeft de Profeet het-
zelfde gevoel: Jehova is niet in het vuur. Er is daar niets,
wat het hart van den krachtigen man ontroert, wat zijne
in duisternis gehulde ziel verlicht, zijne nedergebogene ziel
opricht en verkwikt.
En nu is alles weder duister en stil geworden. Zeer stil,
huiveringwekkend stil. Daar — o wonderbaar geluid, dat
iets belangrijks voorspelt! — daar nadert uit de verte een
stil, zacht suizen. Het is als een fluisteren van de
lente; maar er is nog iets anders, onuitsprekelijks, zoets
-ocr page 343-
327
en zaligs daarin, iets, dat geen mond kan uitspreken, geen
oor ooit gehoord heeft, iets, dat nooit in eens mensehen
hart is opgekomen. En nader komt het en steeds nader,
en zacht en aangenaam en verkwikkend verkoelt het\'t gloei-
ende voorhoofd van Elia. De man gevoelt zich tot in het
diepst zijner ziel ontroerd. In dit zachte suizen, — daarin
is de Heer, daarin is het eigenlijke wezen van Elia\'s God
uitgedrukt, en vol eerbied en aanbiddend bedekt hij zjjn
hoofd. „Heere, Heere! ik ben niet waardig, uw aangezicht
te aanschouwen. Wee mij, ik verga, ik ben een man van
onreine lippen! Hier ligt voor uwe Majesteit uw arme
dienstknecht in het stof."
„Wat beteekent nu dat alles?" — Zoude er werkelijk
iemand hier zijn, die nog zoo vraagt; zoude er werkelijk
iemand hier zijn, die deze hemelsche liederen zonder woor-
den, ook zonder woorden ter verklaring, niet verstaat? O,
wie eens zijnen Jezus in het oog en in het hart heeft
gezien; wie het genot zijner liefde eens heeft gesmaakt, die
zinkt hier aanbiddend neder en roemt zijne barmhartigheid;
die spreekt met verheugde lippen: „Gij, mijn Heiland en
Ontfermer! gij zijt het stille, zachte suizen in persoon."
Datgene, waarvan Elia in zijnen tijd slechts een voorgevoel
konde hebben, dat verstaan wij in het licht des kruises,
van dat kruis, waaraan Hij dorstende worstelde om onze
ziel, opdat zij het loon van zijnen strijd mocht worden. Maar
ook Elia begreep genoeg, om met nieuwe hoop bezield te
worden. — Wat God hem hier zegt, dat is toch geene
beschuldiging, alsof Elia het werk des Heeren niet behoorlijk
had verricht. Wat hij gedaan had, had hij werkelijk gedaan
-ocr page 344-
^28
„in den naam des Heer e n." Hij had naar de mate
van z jj n e kennis zoo goed mogelijk gehandeld. Neen,
het was geene beschuldiging van Elia, maar eene v e r k 1 a-
r i n g. waarom zijn werk tot bekeering van Israël niet
gelukkig konde slagen. En niet slechts eene verklaring,
maar eene hoogst v e r b 1 ij d e n d e voorspelling,
dat (iod de Heer. nog levenskrachten, nog krachtige mid-
delen tot redding en herstelling heeft, waarvan Elia niets
wist en niets konde weten. Onder de Wet, wier krachtigste
vertegenwoordiger Klia is, werden de zonde en goddeloos-
heid door straffen en geduchte oordeelen bestreden, door
hongersnood, pestilentie, oorlog, of, zoo wjj beeldspraak
willen gebruiken, door storm, vuur en aardbeving. Het
stille zachte suizen echter wijst op eenen nieuwen tijd, wan-
neer God met vriendelijke, zegenende lippen spreken zal
tot het verbrijzelde volk, wanneer genade zal gelden voor
recht, wanneer ontferming de schuld zal uitdelgen, wanneer
de kracht der liefde den verharden grond des harten zal
vernieuwen. Zoo leert men God eerst werkelijk kennen,
zoo zal dan ook de klacht van Elia verstommen en door een
lofzang vervangen worden, want zoo zal iets nieuws gebo-
ren worden in den lande.
Mijne waarde Hoorders! Wilt gij het groote gezicht van
Elia verstaan: storm, vuur, aardbeving hier, — het stille
en zachte suizen daar, — beschouwt dan den berg der
Wet, die in vuur en rookdamp is gehuld; uit de donder-
wolken echter laat zich eene ontzettende stem hooren:
„ Vervloekt zjj hü, die niet alle woorden dezer wet vervult!"
En beschouwt aan de andere zijde den berg, waar Jezus
Christus is gezeten, met zijn vriendelijk gelaat, te midden
van menschen, die Hij van hunne lichamelijke en geeste-
lijke ellende heeft verlost, en nu heft Hü zijne oogeu op,
-ocr page 345-
:!20
nu opent Hij zijne lippen en spreekt: „Zalig zjjn de armen
van geest; zalig zijn ze, die treuren; komt herwaarts tot
mij, allen, die vermoeid en belast zjjt, ik zal u ruste
geven!" — Ziet hier Elia, die den hemel dicht sluit, om
het volk tot boetvaardigheid te bewegen, en ziet chiar den
Heiland, die van zijnen eersten tot zijnen laatsten adem-
tocht slechts ééne gedachte heeft: zegenen, weldoen, lief
hebben! — Ziet Elia, die in heiligen toorn de Baiilspries-
ters doodt, en ziet den Heiland, die ook eenen Judas nog
kust, die ook voor de afschuwelijkste, huichelachtigste vijan-
den nog bidt: „Vader! vergeef het hun, want zij weten
niet, wat zij doen!" — Ziet Elia, die vuur doet nederdalen
op de krijgsknechten, die hem grijpen moeten, en ziet den
Heiland, die den verloochenenden Petrus zoo medelijdend
en barmhartig aanziet, die zijne beschermende hand over
eiken zondaar, elke Magdalena, eiken tollenaar, eiken kwaad-
doener, eiken verloren zoon uitstrekt, als Hy slechts het
eerste begin van ware zelfkennis, het eerste begin van
heilig heimwee in hunne harten ontdekt! — Ziet op Elia,
die, door de menscheu verlaten, verlaten door zijn eigen
hart, naar den dood verlangt, naar niets anders dan den
dood; — en ziet op den Levensvorst, die voor den dood
siddert en beeft, zooals nooit een mensen siddert, en die
nochtans vrijwillig den dood ondergaat, opdat wjj vrede
zouden hebben. Ziet op Hem, die, door God verlaten, noch-
tans zijnen God niet verlaat; door de menschen verlaten,
toch de menschen niet verlaat; door den moed en de kracht
zijner eigene natuur verlaten, toch het geloof niet laat varen.
Ja, wat de man onder den jeneverboom niet vermocht,
dat vermag de man, die onder de olijfboomen op zijn
aangezicht ligt, die te midden der zondaars zondeloos aan
het kruishout sterft, het Lam Gods, dat de zonde der wereld
-ocr page 346-
330
draagt. Elia was een mensch gelijk wjj ; ook hjj moest
aan de menschelijke zwakheid en onmacht zijnen tol betalen.
Maar Jezus — ja, ook Hij was een mensch; maar Hij was
niet een mensch gelijk wij, een bedorven mensch: neen,
de reine, de eenige volmaakte mensch, en dat konde Hij
slechts zijn, omdat Hij meer was dan een mensch, omdat
Hij niet slechts de ware Menschenzoon, maar ook de Zoon
des levenden Gods was. O heil hem, die onder het kruis
op Golgotha beseft en begrijpt, wat het is en beteekent:
,God was in Christus en verzoende de wereld met zicli
zelven" (2 Korinthen 5 : 19); die weet, wat met het stille,
zachte suizen bedoeld is, die de hemelsche bron kent, waar
het verstorven hart eeuwig nieuw en jeugdig frisch, eeuwig
rein en heilig, en rjjk in vrede worden kan en zal.
Zoo vraag ik u dan, waarde Christen! of uw hart reeds
eene woning van het stille, zachte suizen is geworden, of
dit stille, zachte suizen, deze kracht der ontferming en
liefde en lankmoedigheid uit den hemel neergedaald, ook
de ziel van uw leven, ook de kracht van al uw doen en
laten is geworden ? Ach, de meeste menschen, ook zoo velen
van hen, die zich Christenen noemen, schijnen van deze
kracht nog weinig begrip te hebben. Zij meenen altijd het
verste te komen met de opvoeding hunner kinderen, met
de behandeling van hunne dienstboden en andere menschen,
in hun bedrijf, beroep en omgang, — indien zn\' gestreng
en hard te werk gaan en het gestrenge recht laten gelden.
Zy wandelen niet in deze trouwe, zachtmoedige, volhar-
dende liefde, deze liefde, die om het heil der zielen in den
gebede met God worstelt, die altijd opnieuw geduld heeft,
altijd met nieuwe welwillendheid en toegenegenheid tot de
dwalende harten tracht te naderen. Ook de meeste ker-
kelijk gezinde lieden staan nog op het wettisch standpunt
-ocr page 347-
331
en meenen, als men anderen gestreng bestraft en bevreesd
maakt, dat dit iets goeds te weeg zal brengen. Maar door
schelden of slaan wordt nooit een onbeminnelijk mensch
beminnelijk gemaakt. De zoekende liefde met den heiligen
ernst, maar ook met den traan des medeljjdens in het oog,
daarin bestaat de kracht; de liefde, die altijd nog hoopt
en nooit verdoemt, daarin bestaat de kracht.
Indien wjj van nu af dezen geest van Jezus Christus in
onze harten en huizen, in ons familieleven, beroepsleven
en in onzen omgang met de menschen plaats wilden geven;
indien wjj reeds heden, ja het best op ditzelfde uur. naar
die personen wilden gaan, van wie wij door oude oneenig-
heid en beleedigingen sedert lang verwijderd zjjn, en wilden
er hen iets van laten bemerken, dat wjj heden liet stille,
zachte suizen in onze harten vernomen hebben, — ja, dan
zouden wjj dezen Zondag met meitakken versierd hebben,
met meitakken, die eeuwig groen blijven; \') dan zouden
de Engelen in den hemel over ons zingen en hun gezang
zoude een gezang in onze harten worden, dat tot in de
eeuwigheid klinken moest.
Ik kan slechts verzoeken, mijne Broeders en Zusters! —
gij echter moet willen. Dan zal God de Heer geven,
dat het willen ook volbrengen wordt. Amen.
1) Psalm 118 : 27 volgens de Duitsehe vertaling: »I)e Heere is
tiod, die ons verlicht. Versiert het feest met meitak
ken, tot aan de hoornen des altaars!"
-ocr page 348-
XVI.
ARBEID, VRIENDSCHAP, HOOI\'.
Waarde Hoorders! Gedurende mijne laatste vacantie-reis
had ik het genoegen, de plaats te mogen bezoeken, waar
eenige eeuwen geleden de drie Zwitsersche eedgenooten
Fürst, Mekhthal en Stauffacher zich met een heiligen eed
verbonden om het juk der dwingelandij, die hun vaderland
teisterde, af te schudden. Gij weet, dat deze plaats het
K ü 11 i heet. Dit Rfttli is een kleine, liefelijke bergweide
(Alm) beneden den met sneeuw bedekten Uri-Hothstock
en boven het heldere Vierwaldstiidter-meer gelegen. — Op
de plaats nu, waar de drie eedgenooten hunnen eed deden,
zijn drie bronnen ontsprongen. Elke van deze bronnen
heeft haren bijzonderen smaak. Zoo zeide mij de
gids. Ik werd diep getroffen door het zinrijke denkbeeld
dezer overlevering. Ja, waar de menschen voor de ware
vrijheid optreden, strijden en werken, daar ontspringen overal
levensbronnen. Ofschoon deze menschen zelf daarvan ook
weinig of niets zien en vernemen, ofschoon zjj ook te mid-
den van den strijd sneven, terwijl de overwinning nogonbe-
slist schijnt te zijn, toch hebben zy niet te vergeefs gestre-
den. Stroomen van levend water vloeien toch van hen uit,
-ocr page 349-
:m
als zjj van het water hebben gedronken, dat Jezus aan
zijne dorstende kinderen geeft en dat in hen eene fontein
wordt, springende tot in het eeuwige leven, (ieen getuige
der goddeln\'ke waarheid en genade strijdt te vergeefs op
aarde.
Elia bijvoorbeeld heeft weinig bespeurd van den zegen,
dien lijj door zijnen arbeid heeft aangebracht. Wij echter
hebben nog heden, zes en twintig eeuwen na zijn vertrek
van deze aarde, met dankbaarheid en vreugde uit de bron
gedronken, die onder zijnen voet ontsprongen is. —Haarde
bronnen der groote godsgezanten hebhen verschillend
water met een verschillenden smaak. Ofschoon
deze mannen allen uit é é n e n Geest geboren zijn en in
é é n e n geest werken, zijn nochtans hunne gaven, hunne
krachten, hun aanleg oorspronkelijk en dus ook van een
verschillenden aard. Wjj zien daar eenen grooten rijkdom
van persoonlijkheden en karakters. En dat is eene wijze
beschikking van God. Slechts Jezus kan alles zijn voor
allen; overigens heeft ieder zijnen bijzonderen aard voor
een zekeren kring van menschen, voor wie hjj werkzaam
behoort te zijn. — De getuigen van God moeten elkander
onderling aanvullen en verrijken. Deden zij dat niet, dan
zouden ook de grootsten en krachtigsten tot eenzijdigheid
en dwaling vervallen. Laat ons heden zien, hoe Jehova ook
den krachtigen Elia eenen even voortreffelijken man tot
metgezel geeft, wiens bron echter een anderen smaak heeft.
Laat ons zien, hoe juist hierdoor de Goddelijke Zielzorger
in eene dringende behoefte van Elia voorziet.
1 KONINGEN 1» : 13<>—21.
En zie, eene stem kwam tot hem, en zeide: Wat maakt
-ocr page 350-
334
gij hier, Elia? En hij zeide: Ik heb zeer geijverd voor den
Heere, den God der heerscharen; want de kinderen Israëls
hebben uw verbond verlaten, uwe altaren afgebroken en
uwe Profeten met het zwaard gedood, en ik alleen ben
overgebleven, en zij zoeken mijne ziel om die weg te nemen.
En de Heer zeide tot hem: Ga, keer weder op uwen weg,
naar de woestijn van Damaskus, en ga daarin en zalf Ha-
zaël tot koning over Syrië. Daartoe zult gij Jehu, den zoon
van Nimsi, zalven tot koning over Israël; en Elisa, den zoon
van Saphat van Abel Mehola zult gij tot Profeet zalven in
uwe plaats. En het zal geschieden, dat Jehu hem, die van
het zwaard Hazaëls ontkomt, dooden zal, en die van het
zwaard van Jehu ontkomt, dien zal p]lisa dooden. Ook heb
ik in Israël doen overblijven zevenduizend ; alle knieën, die
zich niet gebogen hebben voor Baal, en allen mond, die hem
niet gekust heeft.
Zoo girig hij van daar en vond Elisa, den zoon van Saphat,
die zelf ploegde met twaalf jok runderen voor hem henen,
en hij was bij het twaalfde. En Elia ging over tot hem
en wierp zijnen mantel op hem.
En hij verliet de runderen en liep Elia na, en zeide: Dat
ik toch mijnen vader en mijne moeder kusse; daarna zal ik
u navolgen. En hij zeide: Ga, keer weder, want wat heb
ik u gedaan ?
Zoo keerde hij weder van achter hem af en nam een jok
runderen en slachtte ze, en met het gereedschap der run-
deren zood hjj hun vleesch, \'t welk hij aan het volk gaf;
en zij aten. Daarna stond lijj op, en volgde Elia en diende
hem.
-ocr page 351-
335
Hoe God voortgaat, zijnen raoedeloozen
dienaar te troosten.
I. Hjj draagt hem een nieuwen arbeid op;
II. Hij geeft hem eenen trouwen vriend;
III. Hy ontdekt hem de groote, verborgene gemeente.
I.
„Elia was" (om de woorden van eenen anderen godge-
leerde te bezigen) „een man, als gehouwen uit de basalt-
rotsen van den Sinaï, gedoopt met het vuur van den Sinaï,
en zijne stem vol van den klank dier eeuwigheidsbazuin.
van den klank dier ontzettende donderslagen, die eertijds
Israël deden sidderen. Maar juist daarom is ook zijn gezicht-
einder begrensd. Hij ziet aan de eene zijde, als hjj op het
uitverkoren volk ziet, slechts hemelhooge bergen van god-
deloosheid en afval; aan de andere zjjde verheffen zich de
rotsen van den Sinaï, het altaar van Jehova, waar de klan-
ken der heilige wet nog in \'t rond weergalmen, en van welks
kruinen de bliksemstralen van den God der gerechtigheid
nederschieten. Buiten en behalve dit weet hij niets, hoopt
hjj niets. Zyn woord is als een hamer, die rotsen vermor-
zelt, maar van den zachten hemelschen balsem, die de gesla-
gene wonden kan heelen, heeft hjj zoo goed als niets by
zich."
Des te schooner en leerzamer is nu datgene, wat de
Profeet juist op den Sinaï beleefde. Hy was derwaarts
gereisd, om zijne moedelooze ziel slechts zoo veel te die-
per en te sterker met den geest der Wet te doortrekken.
Na moet hy juist hier vernemen, dat de oordeelen van God.
storm, vuur en aardbeving, slechts gezanten zijn, die
-ocr page 352-
33G
voor Gods aangezicht uitgaan om de baan te breken en
den weg te bereiden, maar dat God zelf in het stille, zachte
suizen komt en dat dan eerst het ware wezen van God
gekend en begrepen wordt.
Zoo is dan Elia, de grootste, verbevenste en meest majestu-
euze van al die krachtige mannen, die in den geest dei-
Wet werkten, tevens het treffende bewijs, dat de mensch-
beid langs dezen weg bare bestemming niet bereiken kan.
Hij is derhalve een wegbereider voor de komst des Ver-
lossers, een prediker van de noodzakelijkheid der verlossing
en verzoening in Christus, zooals weinige anderen. — Indien
wij nu slechts op datgene letten, wat de mond van Elia
spreekt, dan moest men gelooven, dat hjj van die godde-
lijke openbaring niets begrepen heeft, of, wat nog erger
zoude zijn, niets heeft willen begrijpen. Of zoude het hem
ook zoo gegaan zijn als ons, die dikwijls innerlijk overwon-
nen zijn en dan toch nog een tijd lang op denzelfden mor-
renden toon doorspreken en gelijk willen hebben ? Maar
hoe het dan ook moge zijn, in allen gevalle hooren wij hier
vooreerst geene dankende en aanbiddende stem.
Nadat het stille, zachte suizen heeft opgehouden en de
stem van God hem nu opnieuw vraagt: ,\\Yat doet gij
hier, Elia ?" antwoordt de sombere, onbeweeglijke man op
denzelfden klagenden, moedeloozen toon als vóór dat gezicht:
„Ik heb voor den Heer, den God der heerscharen, geijverd
enz." — het oude klaaglied!
Men wordt immers bang, als men dat hoort ? Men denkt,
nu zal God toornig worden en tot zijnen dienstknecht zeg-
gen : „Ga weg van mij, onverbeterlijke!" Maar Gods lank-
moedigheid is groot, en wij allen ondervinden dit dag aan
dag. Met diegenen van zijne kinderen echter, die Hij een
bijzonder moeielijken weg doet betreden, heeft Hij,
-ocr page 353-
337
als ik menschelijk mag spreken, ook dubbel en drievoudig
geduld. Hü ziet niet op de woorden, die zijne opgewondene
dienstknechten in hunne mismoedigheid voor den dag bren-
gen; Hy ziet alleen op den diepsten grond van hun hart.
Evenmin als Hij zich door fraaie, vrome woorden, die niet
uit het binnenste van den mensch voortkomen, laat mis-
leiden, evenmin laat Hn\' zich ten opzichte van zijne kinderen
op het dwaalspoor brengen, wanneer hun iets menschelijks
overkomt en zjj somtijds de woorden: ootmoed, gehoor-
zaamheid, geloof en hoop schijnen vergeten te hebben.
(Lees. wat in Exodus 3 en 4 en Jona 4 vermeld is).
Wat antwoordt God nu den moedeloozen man ? Hetgeen
wij reeds vroeger zagen, dat zien wij ook nu; hij redetwist
niet met Elia, en wel juist daarom niet, omdat Elia door
de zucht tot redetwisten beheerscht en verbijsterd is. Wan-
neer een mensch zoo onverzettelijk op zijne eigene meening
staat, dat hy toch altijd gelijk wil hebben, dan is \'t het
verstandigst, dat men geene woorden en redenen aan hem
verspilt. Al had men ook de overtuigendste redenen, zij
overtuigen hem toch niet. God wn\'st hier Elia dan ook niet
terecht; neen, Hy geeft hem iets te d o e n, te arbeiden.
Een langen weg moet hij afleggen, honderden mijlen, van
den Sinaï naar Damaskus. Hier moet hij Hazaël tot koning
van Syrië zalven; Jehu echter, den zoon van >»imsi, moet
hjj zalven tot koning van Israël; Elisa eindelijk, den zoon
van Saphat, tot Profeet in zyne plaats. (Vers 15 en 16.)
Uln\'ven wij vooreerst een oogenblik daarbij stilstaan, dat
de alwijze God, de Schepper en Kenner van het menschelijk
hart, Elia arbeid opdraagt, hem tot nieuwe, verhevene,
gewichtige werkzaamheden roept! Och, dat hier de treurende,
versaagde, zwaarmoedige, verbitterde lieden toch iets wilden
leeren! Dat ook zij hier iets wilden leeren. die ontelbare,
ZIELESTRIJD.                                                                           22
-ocr page 354-
338
ongelukkige mensehen, die niet meer arbeiden, omdat —
het is verschrikkelijk het te zeggen — omdat zy ook zonder
werkzaamheid genoeg bezitten om te leven. Alsof men
slechts werkte, om te eten! Weet gij dan niet, gij dwazen!
dat lediggang de aanvang van alle zonden, de bron van
alle ellende is; dat echter de arbeid eene bron des levens
is; dat niet alleen het lichaam, maar ook de ziel in den
arbeid, en slechts in den arbeid, frisch en vroolijk en jeug-
dig blijven? — Ja, hier is het graf van alle somber gepeins,
van alle zelf kwelling, van alle dwaze treurigheid en vrees;
hier is het graf van zoo vele lichtzinnige, onreine gedachten,
die men anders niet verbannen kan. — Het is \'t ongeluk
der bemiddelde lieden, dat zij zoo veel tijd hebben, om over
hunne kleine en groote tegenspoeden te peinzen. Hoe velen
maken, met de dwaasheid van een zelfmoordenaar, de droef-
geestigheid tot hun paradijs, en dit paradijs wordt voor hen
een doolhof, waaruit zij ten laatste geen uitweg kunnen
vinden! Hoe dank ik (iod, dat ik in zoo vele moeielijke
tijden van mijn leven altijd genoodzaakt was om te arbei-
den, voor anderen te werken en mij met de belangstelling
der liefde in hunnen toestand te verplaatsen. — Maar al
worden wjj daartoe ook niet gedwongen door eenen opgeleg-
den plicht, dan moeten wy onszelven daartoe dwingen
om onszelfs wil en om onzer medemenschen wil, want door
nieuwe werkzaamheid komt de ziel tot eene niewe, inner-
lijke ontwikkeling. Terwjjl zy tot heil van anderen iets
verricht, ontvangt zij een nieuw vertrouwen op God, en daar-
door ook een nieuw, heilig en blijmoedig zelfvertrouwen.
De lust tot werkzaamheid en ontwikkeling, het genot dei-
liefde, levenslust — zij liggen alle op dezelfde lijn. Daarom
moet ook Elia uit dat somber gepeins tot nieuwe werk-
zaamheid overgaan, uit de eenzaamheid tot het volle, fris-
-ocr page 355-
330
sche, warme menschenleven. Ziet, dat is goddelijke opvoed-
kunde!
De arbeid, dien God aan Elia opdraagt, en datgene, wat
Hy hem zegt, daar Hij dit bevel geeft, is echter tegelijk
van dien aard, dat het zijne ziel met nieuwe hoop en met
rechten troost vervult. Wjj kunnen dit, helaas, hier niet
verder uiteenzetten.
II.
Maar er waren nog twee andere zaken, die God den
Profeet mededeelde en die zijne ziel met zoeten troost
vervulden. Vooreerst wijst Hjj zeer nauwkeurig den man
aan, die voortaan de getrouwe metgezel van Elia zal zh\'n
in leed en in vreugde. Ten tweede doet God hem zien,
dat het ook met het volk nog geenszins zoo treurig gesteld
is, als Elia denkt; dat hy, die meent alleen overgebleven
te zijn, volstrekt niet alleen is, maar dat eene verborgene
gemeente van niet minder dan zevenduizend leden met
hem op denzelfden grond en bodem staat. — O. Gjj,
getrouwe, barirhartige Uod! welk een Zielzorger zijt Gij!
Wie schat uwe wijsheid naar waarde, wie verkondigt de
diepte en den rijkdom uwer liefde en ontferming? Hoe
onophoudelijk schenkt gij aan uwe treurende kinderen
steeds nieuwe middelen ter vertroosting! In de woestijn
moet een Engel den Profeet toonen, dat de onzichtbare
wereld hem nabij is, terwijl de zichtbare hem verlaat. In
de woestijn wordt de afgematte man door hemelsche sp^ze
gesterkt tot zgnen pelgrimstocht. Op den Sinaï worden hem
belangrijke, nieuwe uitzichten in de toekomst geopend, een
geheel nieuwe weg des heils hem ontdekt, en nu doet Gjj
hem ook zien, dat het tegenwoordige niet zóó donker is,
-ocr page 356-
:540
als hij meent; wijst hem eenen weg, om tot zijne ver-
troosting en verkwikking eenen deelgenoot in zijnen arbeid
en zijnen strijd te bekomen. — Ziet daar Gods vaderbart,
dat zóó den diep bedroefden Elia troost! Hebt gij ook reeds
ondervonden, waarde Christen! hoe het altijd bereid is, om
ook uwe smart te verzachten? „Neen, — ik niet"—hoor
ik zeggen. O, geloof\' het, mijn vriend! dan ligt het aan n,
aan uw ondankbaar hart en aan uwe doffe oogen. Bid God
dan om oogenzalf. opdat uw blik helder worde ! Maar velen
hoor ik ook met een innig dankbaar, diep bewogen hart
„Ja" zeggen. „Ja, ook wij hebben den God van Elialeeren
kennen als onzen barmhartigen, genadigen God, Arts, Her-
der en Heiland. Dit is ons thans weder levendig herinnerd,
en wjj willen het ook diep in onze ziel prenten voor de
donkere dagen." Nu, dat zeg ik met u ; blijven we aan ons
voornemen slechts getrouw !
Elia zal dus eenen getrouwen medearbeider en medestrij-
der hebben, die tot aan zijne laatste ure aan zijne zijde
staat en leed en vreugde met hem deelt. Met welk eene
groote belangstelling hij de aanwijzing van den nieuwen
metgezel ontving, zien wij daaruit, dat hjj hem terstond
opzoekt, terwijl God hem de zalving van Elisa echter het
laatst had genoemd. Wij kennen dezen man, den zoon van
Saphat uit Abel-Mehola, dat in de nabijheid van Sichem
lag. Ook bij is een man van groote vastberadenheid in de
zaak des Heeren en geheel vervuld van eenen diepen, vuri-
gen eerbied voor Elia. Dit zien wij terstond bjj de roeping.
Elia komt langs den akker, waar Elisa de rijke boerenzoon,
ploegt. Deze werkt met het twaalfde jok van de ossen, die
den thans met regen gedrenkten, dampenden grond, beploe-
gen. .la, nu is het weder een genot, te leven en te arbei-
den, — zoo mocht Elisa denken ; maar hij zal tot een geheel
-ocr page 357-
341
anderen arbeid overgaan. Op den ploegenden landman werpt
Elia eensklaps zijnen Profetenmantel. Geen woord tot ver-
klaring voegt de zwijgende man er bij, maar gaat, zonder
iets te zeggen, verder. Elisa verstaat echter de beeldspraak
van den zonderlingen man, hn\' verstaat het, wat Elia van
hem verlangt: hij moet thans met hem onder éénen mantel,
als \'t ware één lichaam met hem, op aarde wandelen. En
terstond is zijn besluit genomen : „Ik wil." Hij verlaat de
runderen, loopt den Profeet na en verzoekt hem : „Laatmjj
eerst heengaan en mijnen vader en mijne moeder kussen !" Dit
veroorlooft ook de anders zoo onbuigzame man, want hij weet
zeer goed, dat Elisa in weerwil van al de hartelijkheid des
at\'scheids zich niet terug zal laten honden. (Hü is niet
gelijk aan die personen, over wie Lukas 9, vers 59 tot 02
gesproken wordt.) Elisa neemt echter niet slechts afscheid,
maar hij slacht de ossen, waarmede hij zoo even geploegd
heeft, kookt het vleesch met het houten gereedschap, dat
aan de runderen is, en bereidt voor de dienstboden des
huizes en het volk, dat schielijk bijeengekomen is, een vroolijk
feest. Daarop verlaat hij alles en volgt Elia.
Daar hebben wij terstond den geheelen man, zooals hjj
werkelijk is. „Alles verlaten en Jehova dienen!" dat is
zijne zinspreuk. Geene aarzeling, geene bedenkingen, geene
voorwaarden, geen raadplegen met vleesch en bloed. Het
is juist het tegendeel van de gezindheid dier mannen, die
de Heiland laat zeggen: „Ik heb eenen akker gekocht,"
of: „Ik heb vy\'f jok ossen gekocht; daarom kan ik niet
komen. Ik bid u, verontschuldig mn\\" Elisa verontschul-
digt zich niet; hjj aarzelt ook niet. De rijke erfgenaam
laat alles varen; vader, moeder, vaderland, vrienden, akkers,
ossen, en wordt arm en eenzaam in de wereld om Jehova\'s
wil. Ja, zulk een man en slechts zulk eenen konde Elia
-ocr page 358-
342
gebruiken, slechts voor zulk een man konde hij achting
hebben. — Aan den anderen kant echter zien wij bij Elisa
eenen milden, zachten geest, die behoefte aan liefde gevoelt.
Niet zonder kus en omhelzing wil hij van zijne ouders
scheiden; niet zonder een feestmaal bereid te hebben, wil
hji de dienstboden des huizes en de buren verlaten. Dat
is eene andere zijde, eene innemende vriendelijkheid, eene
teedere, edele menschlievendheid, die bij Elia minder ont-
wikkeld is. En juist daarom had Elia zulk eenen man
noodig, juist zulk eenen; want hij en zijn medehelper moes-
ten elkander verstaan, maar evenzeer moesten beiden
elkander aanvullen. Personen, die dezelfde geaardheid bezit-
ten, versterken elkander lichtelijk in hunne gebreken, maar
kunnen elkander niet verrijken. Dat men in den grond dei-
zaak door ée\'nen geest bezield is, hetzelfde einddoel voor
oogen heeft, kortom, dat men elkander verstaat, maar aan
den anderen kant ook, dat men elkander aanvult, — dit
zijn de noodzakelijke vereischten der ware vriendschap en
gemeenschap. — Hij Elia waren de manneln\'ke deugden,
mannelijke kracht en zelfstandigheid en vrijheid op zulk
eene wijze ontwikkeld, dat zij aan hardheid en ruwheid
grensden. Ook Elisa is een man door en door; maar bij
hem ontbreekt het niet aan een zacht, vrouwelijk, goedhar-
tig element. En juist dit was voor Elia een onuitspreke-
ljjke zegen, zoodat wjj dan ook van nu af aan geen kla-
gende en moedelooze taal meer over ziine lippen hooren
komen. Men mag ook hierop wel het woord des dichters
toepassen: „Waar strengheid met zachtmoedigheid, waar
hardheid met lieftalligheid gepaard gaan, daar is een goede
klank."
Gelijk het bij Elia en Elisa was, zoo is het overal in
het menschenleven. Toen God den man geschapen had,.
-ocr page 359-
343
sprak Hij dat woord: „Het is niet goed, dat de mensch
alleen zij." Wat de Schepper van \'t menschelijke hart ech-
ter van den eersten mensch zeide, dat zegt Hij van allen.
Als God dan verder zegt: „Ik zal hem eene hulpe maken,
die om en bij hem zij," zoo noemt Hij daarmede den gewo-
nen weg, waarop de mensch de voor hem noodwendige
aanvulling zal vinden, waarop hij in liefde en wederliefde,
in gelukkig te maken en gelukkig gemaakt te worden, in
het gemeenschappelijk ondervinden van lief en leed moet
leven, streven en ontwikkeld worden. Het is echter om
vele redenen niet iederen man, en nog minder iedere vrouw
vergund, zich in den heiligen staat des huwelijks te bege-
ven. Nochtans moeten de mannelijke en vrouwelijke perso-
nen. wien dit geluk ontzegd is, geenszins eenzaam blijven.
«Dat is niet goed," zegt God de Heer, en daar Hij dit zegt,
moogt gij niet eigenwijs zijn, en zeggen: „Voor mij is het
echter toch goed." In vriendschap en gemeenschap
moeten de mensehen hunnen troost en hunne aanvulling
zoeken. Dat wil God, en daarom wil Hij ook eenen vriend
en eene vriendin geven aan hen, die Hem kinderlijk daarom
bidden. Hij wil het, indien ook wij het ernstig willen en
dus ook het stroeve, eigenzinnige en onoprechte, dat het ver-
gif van elke gemeenschap is, eerlijk willen haten.
Het is hoogst aangenaam en stichtelijk, te zien, hoe God
de Heer dikwijls harten, die van elkander verwijderd zijn,
met elkander vereenigt. Ik weet, dat ook hier personen
zijn, die juist ook in dit opzicht op eene schoone wijze onder-
vonden hebben, dat God hunne gebeden verhoort, en ande-
ren zullen het nog ondervinden, indien zij eerst met ern-
stigen aandrang de toevlucht nemen tot den troon van Hem,
die de eenzamen vertroosten wil. Ry wil heden nog de
vrienden te zamen brengen, evenals Hij dit in oude tijden
-ocr page 360-
344
deed. Mozes zonder Jozua is ondenkbaar. David zoude
bezweken zjjn, indien God hem Jonathan niet tot vriend had
geschonken. Het hart der maagd Maria zoude gebroken
zijn. indien zij het niet voor hare vriendin Elizabeth had kun-
nen uitstorten. Jezus zond zijne discipelen twee aan twee
uit, en Petrus kan men zicli zonder zijnen boezemvriend
Johannes niet voorstellen. Paulus wordt op zh\'ne reizen
bijna moedeloos, wanneer hij zijnen medestrijder Timotheus
een tijd lang moet missen. Bijna overal in de kerkelijke
geschiedenis zien wij groote getuigenparen optreden.
Ik wijs u slechts op Husz en Hieronymus, op Luther en
Melanchthon, zonder wien de groote hervormer meende, niet
te kunnen leven en ook niet behoefde te leven.
Staat een mensch alleen, dan is hiervan lichtelijk het
gevolg, dat hij of moedeloos of verbitterd wordt, of dat hij
laatdunkend, trotsch, eenzjjdig en eigenzinnig wordt en geen
open oog heeft voor het leven rondom hem noch voor zijne
eigene gebreken. Een verkeerd gevoel van onafhankelyk-
heid, ja een fijner of grover zelfbejag, zoodat men zonder
het op te merken slechts voor zich zelven leeft, het vast-
wortelen in zondige neigingen en gewoonten, waarvan men
het verkeerde zelfs niet meer inziet, dit zijn de gevolgen
van het alleen zijn uit eigen keuze. — Zal echter de omgang
dien zegen genieten, dien lijj genieten kan, dan moet hij,
gelijk hier bij Elia en Elisa, tegelijk in de liefde en de
waarheid zijnen grondslag bezitten. Het komt ons voor,
dat het voor Elia hoog tn\'d was, in alle opzichten hoog tijd,
eenen vriend aan zijne zijde te verkrijgen. Buitengewoon
eenzaam was zijn weg geweest, meer dan de weg van eeni-
gen anderen Profeet: een jaar aan de beek Krith volslagen
alleen; twee en een halfjaar te Zarphath bn" de heidensche
weduwe, vervolgens weder, na een kortstondig verkeer met
-ocr page 361-
345
liet volk, in de woestijn. Slechts eenige uren en dagen zien
wjj hem midden in den kring der menschen, en ook dan
zonder het aanknoopen van warme, persoonlijke betrekkin-
gen! Het gevolg daarvan is, dat hij in een toestand is
gekomen, waar trotschheid en versaagdheid inéénvloeien.
Of getuigt het niet van eenige trotsche zelfverheffing en
van vrij wat zelfverblinding, dat Elia gedurig met zijne
klacht voor den dag komt: „Ik ben alleen overgebleven"?
Hoe kwam het toch, dat hij er volstrekt niets van bemerkt
had, dat er nog zevenduizend overgebleven waren? Beoor-
deelde hij andere menschen wellicht al te zeer naar den maat-
staf van zijne eigene persoonlijkheid? Was ook misschien
zjjne geheele houding van dien aard geworden, dat de een-
voudige vrome lieden niet tot hem durfden naderen, omdat
hiï voor hen al te verheven en gestreng was? (Zoo zijn er
ook nog zulke Christenen, die wel op eene terugstootende
ea bijtende wüze bestraffen en veroordeelen en de treurige
gaaf bezitten om zwakke zielen moedeloos te maken, maar
geeue zachte hand, om eenen traan liefderijk uit des broe-
ders oog te wisschen.) En lag in hetgeen ik daar noemde
niet een groot gevaar voor Elia\'s geestelijk leven ? Waarlijk,
indien God den blinddoek niet van zijne oogen weggenomen
en hem op de verborgene groote gemeente des Heeren
gewezen had, dan zoude Elia verloren zijn geweest. Hij
zoude door zijne trotschheid en versaagdheid te gronde zijn
gegaan, want de verkeerde zelfstandigheid, die het goede,
dat bh\' anderen bestaat, geringschat of zelfs veracht, straft
zich zelve en doet het gevoel van verlatenheid ontstaan.
Wee hem, wien in moeielijke uren geene warme, trouwe hand
wordt aangeboden, waarin hij zijne bevende hand kan leggen 1
Wee hem, die over zijne zonde bedroefd is en niemand heeft,
die hem den weg kan aanwijzen om vergeving en ontfer;
-ocr page 362-
340
ming deelachtig te worden! Wee hem, die op den doolweg
is gekomen, zonder dat hij het zelf bemerkt, en die geenen
trouwen vriend bezit, die hem terecht wijst en hem onder
het oog brengt, hoe ver hjj is afgedwaald! Wee hem, wien
het trouwe hart ontbreekt, waartoe hij als tot een dierbaar
tehuis en tot eene veilige haven de toevlucht kan nemen
met alles, wat hij gevoelt in lief en in leed! — Kortom,
vriendschap en omgang zijn eene levensbehoefte, en gij moet
God den Heer deze zaak altijd opdragen. Het is een stuk
dagelijksch brood, waarvan wij hier spreken, en het is zeer
treurig, dat er zoo weinig met aandrang om deze zaak gebe-
den wordt.
111.
Vriendschap en omgang waren dus ook voor Elia drin-
gend noodig, ja vooral voor hem, omdat hg zulk een
groot, krachtig man was, maar ook voor de zaak van
het G o d s r ij k op aarde was het noodig.
Kr zijn tijden, waarin het Godsrijk op aarde slechts op
weinige hoofden berust. Wij merkten dit reeds vroeger
eens op en herinneren ons hier slechts den tijd van Noach,
van de aartsvaderen, van Mozes. En niet anders was het
ook in de dagen van Elia. Dat is echter een toestand,
die op den duur ondragelijk en zeer gevaarlijk is. Niet op
enkele, krachtige, baanbrekende, gezaghebbende persoon-
lijkheden, maar op eene groote, uitgestrekte gemeenschap
moet de zaak van het Godsrijk op aarde berusten. Zoo
heeft dan Elia niet slechts eenen opvolger gekregen, maar
zulk eenen opvolger, die midden onder de menschen leefde,
die onder de zevenduizend met allen ijver werkzaam was.
en er zich met zijne gansche ziel op toelegde, om door
-ocr page 363-
347
stille, ernstige, liefderijke werkzaamheid deze zevenduizend
in zeventigduizend te veranderen. Wij zien hem altijd te
midden van de kinderen zijns volks of\' te midden van de
leerlingen der Profeten of in de hoofdstad Samaria ver-
toeven. Nu eens reinigt hij eenen heidenschen krijgsover-
ste van zijne melaatschheid en redt daardoor tegelijk den
koning van Israël en een lsraëlietisch kind in het ver ver-
wijderd Syrië. Dan weder redt hij eene arme weduwe uit
haren benarden toestand, of zien wij hem genoegelijk leven
met eene welgestelde boerenfamilie te Sunem. Op een
anderen tijd brengt hij een geheel Syrisch leger, dat door
Jehova met blindheid was geslagen, in de handen der
Israëlieten, die echter hunne vijanden spijzigen en drenken
en daardoor met -zich verzoenen moeten. Kortom, deze
Elisa zocht, verzamelde en verzorgde de vromen, die nog
overgebleven waren, en dit te doen, is ook thans beter,
dan altijd heftige redevoeringen tegen het ongeloof en den
afval van onzen tijd te houden. Het is daarmede ongetwij-
feld somber en treurig genoeg gesteld, maar zij, wie het
aangaat, hooren gewoonlijk niet, wat tegen hen gesproken
wordt, en die er iets van hooren. bekreunen er zich niet
om. Laat ons daarom toezien, dat wij de paarden niet achter
den wagen spannen! Het komt er thans op aan, te verza-
melen, te vereenigen, te bevestigen, te versterken, te hei-
ligen, wat er nog is. Dat zij ook onze toeleg en werkzaam-
beid, en, God zij dank! daar zijn er nog meer overgebleven,
dan vele moedelooze lieden meenen !
Zevenduizend waren er overgebleven in Elia\'s tijd, die
Baal op geenerlei wijze gehuldigd hadden. Het zijn dus
niet zulke lieden, die slechts in het geheim Jehova gediend,
maar in \'t openbaar, uit beleefdheid en vrees, aan den geest
des tijds en het gouden kalf der macht hunne schatting
-ocr page 364-
348
gebracht hadden. Neen, zij hebben hunne knieën niet voor
Ba;il gebogen, niet met hunnen mond het afgodsbeeld gekust,
gelijk het voorschrift verlangde, en zij hebben daarom zon-
der twijfel veel moeten lijden. En het getal dezer mannen
was zevenduizend! Welk een wonder! Waarlijk, op nie-
mands woord, dan alleen op dat van den alwetenden God
zelven zoude Elia dit geloofd hebben. Zy waren zevendui-
zend in getal, en geen enkelen van hen had Elia gekend.
„Ik ben alleen overgebleven," had hij gezegd. O, hadde
hjj dit trotsche woord toch niet gesproken! Hoe moet hjj
zich nu schamen! Deze beschaming moet hem echter in
verrukking brengen. Terwijl hij het oog moet neerslaan
en belijden, dat hij zoo eenzijdig, eigenzinnig en partijdig
is geweest, juicht toch zijne ziel, omdat de zaak van God
op aarde nog niet verloren is.
En nu, wat zeggen wij hierover? Het is waar, die zeven-
duizend zijn zeer beroemd geworden, maar mij dunkt, dat
de meeste Christenen uit deze verrassende mededeeling van
God nochtans weinig geleerd hebben. O, dat wij hier
bedenken mochten, wat het beteekent: „De Heer kent
de zijnen!" Hjj zag in Saulus een uitverkoren werktuig,
toen iedereen in hem slechts den vijand van God zag. Hij
zag een groot volk des Heeren in de stad Korinthe, toen
zijn Apostel Paulus moedeloos het geweer wilde weg-
werpen. Wat de menschen, wat ook zijne getrouwste kin-
deren dikwijls niet zien, dat ziet het oog van God. Voor-
zeker, het is ook dikwijls het geval, dat Hij de goddeloos-
heid ziet, waar wjj vroomheid meenen te zien. De Fari-
zeën, die in de dagen van Jezus voor de onberispeiykste,
vroomste lieden werden gehouden, verklaarde Jezus voor
goddelooze huichelaars, en aan de gemeente te Sardes, die
eene stad Gods op den berg scheen te zyn, schrijft de
-ocr page 365-
;549
liand van Hem, die in \'t verborgene ziet: ,Gjj hebt den
naam, dat gü leeft, en zijt toch dood." Welk een ontroe-
rend woord ook voor ons! Het is eene vermaning voor
ons, die in het bezit van het Evangelie zjjn, die aan de
zijde van het positieve Christendom staan, die, zooals
het ons ook betaamt, in de werken der Christelijke liefde
werkzaam zijn, — eene vermaning, dat wij ernstig den
grond van ons hart onderzoeken, of ook wij niet slechts
den naam hebben, dat wij leven, en zjjn toch dood!
Intusschen is dit ons tekstwoord toch geschikt, om onze
harten met hoop te vervullen. De Heer kent de zijnen;
wjj kennen hen maar al te dikwijls niet! Welk eene ver-
maning: Wees voorzichtig! Welk eene vermaning: Wees
barmhartig in uw oordeel! — Verstaat mij niet verkeerd !
Het Christendom bezit onwankelbare grondslagen, en wee
hem, die ze aantast! „Gij moet van boven wedergeboren
worden, zoo gij het rijk van God zult ingaan." en deze
wedergeboorte kan slechts daar plaats hebben, waar een
hart zich aan den Heiland overgeeft met oprecht berouw
en geloof, dien Heiland, die de weg, de waarheid en het
leven is, de Henige, die ons van God geworden is tot wh\'s-
heid, en gerechtigheid, heiligheid en verlossing. De belij-
denis staat vast; niet ten opzichte van de belijdenis, maar
in de beoordeeling der personen wordt de ware verdraag-
zaamheid aan den dag gelegd. Maar in de beoordeeling
van den menscli kunnen wij ook niet licht te zacht en te
vol hoop zijn. Denken we maar altijd aan de zevendui-
zend, die God zag, en die Rlia niet zag, en die ook wjj
zoo lichtelijk niet zien, verblind door partijgeest, dogma-
tisme, kortzichtigheid, ijdelheid en allerlei vooroordeelen!
Laat ons toch niet meenen, dat ieder kind van God zich
over godsdienstige zaken op dezelfde wijze moet uitdruk-
-ocr page 366-
350
ken als wij, hetzelfde moet doen en laten als wjj, zich van
dezelfde zaken moet onthouden, die voor ons wegens onze
persoonlijke eigenaardigheid nadeelig zijn, dat het nood-
zakelijk aan dezelfde werkzaamheden moet deelnemen,
dezelfde geestelijke bevindingen moet gehad hebben,
iedere bijbelplaats juist zoo verstaan als wij! Het gods-
dienstig leven i* dikwijls wonderlijk ingekleed, en wjj
moeten God bidden, dat Hij ons het oog verleene, om ook
de eerste kiemen te ontdekken en hare ontwikkeling te
bevorderen, hoe zonderling zjj er ook uitzien; anders kun-
nen en zullen wjj veel bederven en Aveinig goeds bevor-
deren. Denken wjj altijd aan den Heiland, die zoo dik-
wjjls een geloovig verlangen naar behoudenis ontdekte,
waar geen Apostel en Profeet iets gezien zoude hebben. Ja,
God hoort ieder verborgen zuchten om verlossing, al
komt het ook uit een hart, dat door duizend twijfelingen
gefolterd wordt, wellicht zelfs door den twjjfel, of er wel
een God bestaat- God aanschouwt iedere worsteling van
den geest om tot het eeuwige licht te komen, zelfs wan-
neer zij zich vooralsnog te kennen geeft in eenen strijd
tegen het woord der openbaring. Hij telt iederen traan,
die in het verborgen vloeit, iedere beweging om uit den
dood tot het leven, uit de duisternis tot het licht, uit de
zonde tot de heiligheid te komen. Hjj ziet dit alles, en
ook wij, zoo wjj liet licht en zout der wereld willen zh\'n,
moeten om helderziende ooffen bidden om dit te zien, om
bereidvaaridge zachte handen, om de klagende schaapjes
uit de doornen los te maken. Bedenken we, hoe uiterst
moeieljjk het tegenwoordig voor millioenen is, den weg
des heils te vinden; denken wjj aan de verwarrende indruk-
ken, in hunne jeugd ontvangen, aan de onchristelijke opvoe-
ding, aan de macht van den tijdgeest, aan de geduchte
-ocr page 367-
:351
macht van de drukpers, die toch grootendeels vijandig tegen
het Evangelie is; bedenken we, dat ontelbaar velen reeds
vroegtijdig met denkbeelden zijn gevoed, die hen met het
sterkste vooroordeel tegen de goddelijke waarheden bezie-
len, — dat vele menschen dikwjjls nooit eenen Christen
leeren kennen, in wien het leven van Christus eene gestalte
vol vreugde en vrede heeft verkregen, — bedenken wy
dat alles, dan zullen wij zacht oordeelen, en daar dikwijls
de teekenen van eene veelbelovende lente ontdekken,
waar anderen niets dan den dood des winters zien.
Zoek alzoo. waarde Broeder! in ieder, wien gij ontmoet,
iemand van de zevenduizend, totdat het ten volle blijkt,
dat hn\' de tucht des Heeren haat. De woorden van Nova-
lis : „Indien het alle menschen wisten, dan werden alle
menschen Christen," verraden zeker een gebrek aan men-
schenkennis. Mn\' zoude liet zeer aangenaam zijn, als hij
gelijk had j dan zouden alle menschen zalig worden. Dat
zij het nog allen vernemen en weten zullen, daarvoor zal
de Heer wel zorgen. Maar het is, helaas, niet waar, dat
men, om den Heer lief te hebben, Hem slechts behoeft te
aanschouwen. Er is, helaas, in den menschelijken boezem,
in weerwil van de hoogste bewijzen zijner liefde en de
krachtigste werking van zijnen Geest, ook een vreeselijk
„Ik wil niet!" Maar het is toch ook zeker, dat bij de
meeste menschen een onbegrensd verlangen, dorsten en
hongeren naar het heil des Heeren bestaat, — dat ontel-
baar vele menschen den Christus verachten, alleen omdat
zij Hem niet kennen; — dat velen met juichende vreugde
zijne voeten zonden kussen, indien de volgelingen van Chris-
tus op aarde zich beijverden, om hun door leven en voor-
beeld, woord en werk het heilige beeld van Jezus recht
voor hunne oogen af te malen.
-ocr page 368-
:\',52
Mocht dan dit uur van gemeenschappelijke overdenking
ons tot den echten, gezonden christenzin opgewekt en daarin
versterkt hebben: heilige geestdrift voor de eeuwige waar-
beid, die alleen in Jezus is; een heilig besluit, om ons
leven getrouwer, inniger, kinderlijker daarnaar in te richten ;
maar aan den anderen kant ook met een hart vol liefde en
hoop de thans nog verstrooide en verborgene kinderen van
G-od te zoeken en voor de ontwikkeling der teedere kiemen
te zorgen!
God verleene ons daartoe zijne hulp; dan zyn wy kinde-
ren des vredes. Amen.
-ocr page 369-
XVII.
DES ADELAARS VLUCHT NAAK DE EEUWIGE ZON.
,Wie heeft, dien zal gegeven worden; maar wie niet
heeft, van dien zal genomen worden ook wat hjj heeft"
(Lucas 19 : 20); zoo luidt een woord van onzen Heiland,
dat gij allen kent. Het is ook aan zulke personen bekend
en Avordt duizendmaal door hen uitgesproken, die anders
met het woord en den wil van Jezus niets te doen willen
hebben. Wanneer een rijk man eene onverwachte erfenis
krijgt, dan roept iedereen: „Daar hebt gjj het weder: wie
heeft, dien zal gegeven worden." Wanneer eene arme naaister
hare zuur verdiende spaarpenningen verliest, dan heet het:
„Ziedaar, wie niets heeft, van dien wordt ook genomen,
wat hij heeft." — Zoo bedilt men dan het Godsbestuur,
beschuldigt Hem van willekeur en onrechtvaardigheid, daar
Hij de goederen des levens zoo ongelyk verdeelt.
Het woord van .Jezus bedoelt echter inderdaad geheel
iets anders, ja het zegt juist het tegendeel van hetgeen de
wereld daarvan maakt. Wanneer wij het op zijne geboorte-
plaats opzoeken, dan komt het ons geheel anders voor.
Leest slechts de gelijkenis van de Tien Ponden, die aan de
knechten van den aanzienlijken heer waren toevertrouwd
ZIKI.KSTRI.in.                                                                 23
-ocr page 370-
354
(Lucas 19 : 12—26), dan zult gij zien, dat deze heer, als
het later tot de afrekening komt, dien knecht, die het
getrouwst en ij v e r i g s t was geweest, behalve het
andere hooge genadeloon nu ook dat pond geeft, dat hn\'
den luien, ontrouwen, onwaardigen dienstknecht ontnomen
heeft. By die gelegenheid spreekt Jezus het bovengenoemde
woord. Het beteekent derhalve: .Wie getrouw is met het-
gene hem toevertrouwd was, wie eerlijk gebruik heeft gemaakt
van het groote of kleine goed, waarmede hij winste moest
doen, — die zal ook grootere goederen en eindelijk het
hoogste goed waardig worden geacht."
Wh\' zien hier dus: bh\' de laatste afrekening zoekt
God iets bh\' ons, en al naar dat wij dit hebben of niet
hebben, zal ons vonnis luiden. Wij moeten dus iets h e fa-
ben, wat iets beteekent in Gods oog; wy moeten iets
hebben, derhalve kunnen wij ook iets hebben. Ons leven
moet toonen, dat wij eene winst hebben verkregen. Wat
is dat dan? Vraag u zelven eens, wat gij bezit, dat in het
goddelijk gericht en in de stormen des doods, wanneer alles
wankelt en breekt, stand houdt, — wat u niet verlaat en
wat gjj niet behoeft te verlaten ? Wat is dit ? Of is dit
in \'t geheel niet bij u aanwezig?
Zie, wij zijn in deze wereld geplaatst, opdat wij God tas-
ten en vinden zouden, en Hij laat zich aan niemand onbe-
tuigd. God heeft u op duizenderlei wijze gegeven, wat gij
verwerken moet in uwen inwendigen mensen, wat een bhj-
vend, onverderfeiyk goed moet worden. Het doel van dit
aardsche leven is, dat gij daarin een Gode toegewjjd mensch
wordt, een mensch, die voor de eeuwigheid leeft; dat gjj n
door den geest van het geloof aan de eeuwigheid laat bezielen
bh\' de zaken van den tjjd; dat gij uwen tijd, al uw tijdelijk
werk en werken laat doordringen van den geest der eeuwig-
-ocr page 371-
355
heid. Kortom, het doel van het aardsche leven is eerst
dan bereikt, wanneer gij u zelven en uwen God daarin gevon-
den hebt, uwe ellende en zijne genade; wanneer tusschen
u en uwen God een onverbrekelijke liefdeband is geknoopt,
die den dood en de hel doet trotseeren.
Nu zien wjj echter te midden der Christenheid millioenen,
die daarvan volstrekt niets willen weten Zy leven slechts
een leven in het vleesch, slechts voor deze wereld; zij
gebruiken, hetgeen zjj bezitten, alleen tot het welzijn van hun
vleesch en denken noch aan hunne eigene onsterfelijke ziel,
noch ook aan hunne medemensehen, die zij behooren te die-
nen. „Alle dagen vroolijk en prachtig te leven," of, zoo zij
hiertoe niet alle dagen in staat zijn, dan toch zoo vele dagen
als mogelijk is, — dat is hunne leus. Zy verkwisten het
hemelsche pond, dat hun toevertrouwd was.
Er zijn anderen, die zich uiterlijk wel zoo gedragen, als-
of zij met de kerk en Gods woord waren ingenomen, maar
van nabij beschouwd zijn het slechts ceremoniën, waaraan
zjj deelnemen. Van eene ernstige werkzaamheid, zoodat zij
gebruik maken van hetgene God hun openbaart en doet
ondervinden en van de genadegaven, die Hij scbenkt, is in
\'t geheel geene sprake, en daarom ook geene sprake van
een innerlijk geestelijk leven, dat het vleescheljjk leven regeert
en doordringt. Het geheele leven gaat buiten God om;
een vroom schijnend element drijft er slechts naast. — Er
zijn anderen, bjj wie het werkelijk tot eene opwekking, tot
diepere inzichten en ervaringen is gekomen, maar die zich,
half bewust, half onbewust, tegen de tucht van God ver-
zetten, die hier nog verderfelijke boeien breken, daar
eene verborgene zonde aan het licht brengen, ginds eene
heerschende verkeerdheid bestrijden wil. AVanneer men zoo
<len Geest bedroeft, dan komt men steeds meer tot een
-ocr page 372-
35ti
verdrijven van den Geest, en ongemerkt dringt daar de
geest dezer wereld binnen, waar Gods Geest geweken is.
Komt het nu bjj al deze personen tot de laatste
afrekening, dan bezitten zy niets, wat in liet oog van den
heiligen God iets beteekent. De ziel is arm en berooid,
en deze diepe armoede staat nu eensklaps op eene ontzet-
tende wijze voor haar oog. Datgene, waarvan de ziel hier
op aarde leefde, bezit zij niet meer. De kanalen dezer
wereld houden op te stroomen. Eten, drinken, pronk en
praal, schouwburg en danspartijen en allerlei ijdelheden en
zinnelijk genot, het is nu ten einde. Het verarmde hart
beseft nu zijne geestelijke armoede, die het vroeger nooit
bekennen wilde. Er blijft niets over, dan een ontzettende
dorst naar zinnelijk genot, die niet meer gelescht wordt j
dan blijft slechts de knagende worm in het geweten en de
verpletterende beschuldiging: gij hebt het niet beter willen
hebben, gij hebt u zelven in het verderf gestort! Geen lief-
hebbende vrienden omringen hem meer; hjj heeft toch, door
een schandelijk egoïsme beheerscht, slechts voor zich zelven
geleefd, en de hemel boven hem is donker. Hij heeft met
de gemeenschap met God den spot gedreven ; nu is de tijd van
het zoeken en vinden voorbij. — Is dat geen foltering der
hel ? Is dat niet een vlammend vuur in het hart, een worm.
die niet sterft, een vuur, dat niet uitgebluscht wordt? Wie
toch zoude dezen worm dooden, dit vuur uitblusschen Y
(Lees slechts wat Lukas 10 : 19—26 geschreven staat.)
Aan den anderen kant is het: »Wie heeft, dien wordt
gegeven." Ieder getrouw gebruik maken van Gods woor-
den, van de inwendige ervaringen, iedere werkzaamheid in
den dienst van Gods Geest ten behoeve van zich zelven.
en anderen, ieder werk van ware liefde maakt reeds hier
op aarde de ziel ruimer en vatbaarder, om nieuwe genade-
-ocr page 373-
:*57
gaven te ontvangen. Dit gaat wel is waar ook bij de getrouw-
sten met veel zwakheid en ontrouw gepaard, maar de oprech-
ten komen toch altijd weder in de opvoedingschool dei-
genade terug. Zoo komt men allengs tot een leven dei-
gemeenschap met God in Christus, waartegen wereld en
duivel machteloos zijn. Zoo wordt de kern van eenen nieuwen
mensch gevormd, die door geen dood kan vernietigd wor-
den. Integendeel, nu het aardsche lichaam des doods
bezwijkt, komt de geest tot vrijheid, wordt het geloof\' ver-
wisseld in aanschouwen, de hoop vervuld, het smachtend
verlangen naar volmaakte liefde bevredigd. Wie in den
genoemden zin heeft, dien wordt gegeven, namelijk juist
datgene, wat hy vurig verlangd en zich wel niet waardig
gemaakt heeft, maar waarvoor hij toch vatbaar bleek te zijn.
Dit toont ons nu ook de geschiedenis van Elia\'s hemel-
vaart, waarop wjj thans onze aandacht zullen vestigen. Hy
was een man, die in de moeieiykste omstandigheden gehan-
deld heeft naar dat woord: „Houd, wat gij hebt!" — die
bij vele zwakheden en gebreken toch een vroom en getrouw
dienstknecht van zijnen God was, en getrouw van zijn pond
gebruik maakte. Laat ons nu zien, hoe God hem met eere
kroont, en hem, omdat hij heeft, overvloedig geeft.
2 Koningen 2 : 11 en 12.\')
En het gebeurde, als zij voortgingen, gaande en spre-
kende, ziet, zoo was er een vurige wagen met vurige paar-
den, die tusschen hen beiden scheiding maakten. Alzoo
voer Elia in een onweder ten hemel.
\') Ik verzoek de lezers, vers 1 tot 19 aandachtig te lezen.
De Schrijver.
-ocr page 374-
:;:,8
En Elisa zag het en hjj riep: Mijn vader, mijn vaderf
wagen Israëls en zijne ruiteren! En hij zag hem niet meer,
en hij vattede zijne kleederen en scheurde ze in twee stukken.
Des adelaars vlucht naar de eeuwige zon.
I. Een scheiden zonder smart;
II. Hen naar huis gaan zonder sterven.
I.
Voor de tiende maal vestigen wjj thans onze aandacht
op den Profeet Elia. Op de door stormen geteisterde hoog-
ten van het leven der wereld hebben wij met hem gestaan,
en dan weder zjjn wij hem in donkere, eenzame dalen
gevolgd. Zelden wandelde hij in stillen, vroolijken zonne-
schijn. Heden echter is het een dag des vredes. Het is
toch beter geworden in Israël, dan het gedurende eene
reeks van jaren was geweest. Achab en Izebel hebben
reeds lang hunnen rechtvaardigen Rechter gevonden. De vol-
gende koningen gedroegen zich welwillender. De Profeten,
Elia met zijnen getrouwen Elisa naast zich, wonen thans
ongestoord onder hun volk. Profeten s c h o 1 e n bloeien.
Naar God dorstende zielen worden hier door gebed, onder-
zoek der Schrift, geestelijke gemeenschap en beoefening van
geestelijke muziek tot werkzame dienaren van Jehova gevormd.
Hier vergaderen de „stillen in den lande," die echter het
licht en zout der wereld zijn.
Deze stille gebouwen zal Elia heden voor de laatste maal
binnentreden. Hoe dikwijls heeft hij het hart van de zonen
der Profeten gesterkt! Heden neemt hij afscheid van hen,
zonder van het afscheid te spreken. — Er ligt een zeer
-ocr page 375-
:55ïi
eigenaardig waas, een geheimzinnig, indrukwekkend licht
op het tafereel, dat ons de Schrift hier voor oogen plaatst.
Wij worden op de velden, op de bergen en in de plaatsen
van het zuidoostelijk gedeelte van Kanaiin verplaatst. Twee
eerwaardige mannen zien wjj daar gaan, ernstig, stil en
waardig. De een is nog in zijne beste jaren, de ander een
grijsaard, maar, in weerwil van zijne witte haren, nog van
eene ongebroken kracht en met eene edele, bijna trotsche
houding. Beiden zjjn ons wél bekend. Nauwkeurig wordt
de weg beschreven, dien zij volgen: Gilgal, — Bethel, —
.lericho, — over den Jordaan, — naar de woestijn, Ieder
rustpunt wordt bij name genoemd, want deze weg is een
heilige weg. Nu zijn zij aan de overzijde van den Jordaan;
hier zijn zij voorloopig aan het doel. Niet op den gewijden
grond van Kanaiin, maar in de barre woestijn zal Gods
heerlijkheid verschijnen. Hoe dood de bodem der woestijn
ook zij, hij is toch reiner dan het door zooveel afgoderij
en misdaden ontwijde Kanaiin. Dat het in de woestijn
geschiedt, wat voor Israël zoo belangrijk is, dit is eene
krachtige strafpredikatie voor „het volk der verkiezing."
Het was een lange weg, dien Elia en Elisa met elkander
aflegden, en vroeger, dan omstreeks den tijd van zonson-
dergang, kunnen zij onmogelijk de plaats hunner bestem-
ming bereikt hebben. O, hoeveel hadden deze beide trouwe
vrienden al met elkander beleefd, in lief en leed, in dagen
van strijd en van vrede! Maar nu is het uur des afscheids
op handen. Zelfs de leerlingen der Profeten (die wij ons
natuurlijk niet als knapen, maar als volwassenen moeten
voorstellen) zelfs dezen hebben daarvan iets geweten. Zij
hebben een fluisteren van den hemelschen Geest vernomen,
en zij willen er Elisa door zacht gesproken woorden op
voorbereiden, dat heden zijn meester en vader „boven zijn
-ocr page 376-
m>
hoofd heen" aan de aarde ontrukt zal worden. Zjj zeggen
daarmede Elisa echter niets nieuws. Ook hij is er in zjjn
binnenste van onderricht, en beter dan die anderen, die
daarna, dwaas genoeg, den verdwenen Elia willen zoeken.
(Vers 16 tot 18).
Diep bewogen gaan de beide mannen daarheen en hunne
woorden zijn weinige. Al de menschen, ja bosch en akker,
rots en hemel, stroom en woestijn, — alles, alles komt hun
zoo plechtig voor. En inderdaad, voor Elia zal nu de eeuwige
Sabbatdag aanbreken; de man van den strijd zal ingaan
in het land des vredes. Het klokje achter het geheimzin-
nige voorhangsel der eeuwigheid heeft zacht geklonken, doch
niet als eene klok, die oproept om voor het gericht te ver-
schijnen, maar als de avondklok, waarmede het feest van
den volgenden dag wordt aangekondigd. Na een leven vol
onrust, strjjd, storm, duisternis zal het nu aan den avond
helder en stil worden. „Er is nog eene rust ophanden,
hoop, moede hart en word verlicht l" zoo klinkt het in het
hart van den Profeet.
Mijne waarde Broeders 1 hoe zoude het u te moede
z ij n, indien g y thans, op ditoogenblik, ver-
na a m t, dat gij heden avond omden tjjd van
de avondklok de andere wereld moest bin-
nentreden? — leder legge de hand op zijn hart en
geve zich zelven het antwoord! Ik ben niet zoo indringend
en zoo onbescheiden, om er naar te vragen, ofschoon het
zonder twijfel allerbelangrijkst zoude zijn, te kunnen zien,
welke gedachten en gewaarwordingen, vragen en verwach-
tingen thans in den grond der zielen van hen, die hier zijn,
plaats hebben. — Gij zult mij toestemmen, dat het zeer
belangrijk is, zich zulk eene vraag te doen, en het is des
te belangrijker, omdat wij ons die zoo zelden doen. Ook
-ocr page 377-
:«il
de meeste Christenen hebben toch een geheimen angst voor
het antwoord, een angst, dat zjj daardoor een al te diepen
blik op hun eigen toestand en in \'t algemeen op den ernst
van het leven zouden slaan. Belijden wij het maar, dat w$j
ons doorgaans het afscheid van deze wereld gaarne als iets,
dat nog verre verwijderd is, voorstellen, zelfs dan, wanneer
wjj over onze „gebrekkige gezondheid" en over „de ellende
des levens" veel te klagen hebben. Zelfs de ouden in ons
midden zullen mij dit toestemmen.
En tocli is dit afscheid niet slechts voor de ouden, maar
mogelijk ook voor de jongen zeer nabij. De vraag, die ik
zoo even deed, is dus niet van dien aard, als deze: „Wat
zoudt gij gevoelen, zoo de keizer u morgen tot den graven-
stand verhief?" of „hoe zoude het u te moede zijn, indien
morgen de zee hare wateren tot aan de poorten onzer stad
deed stroomen ?" Het eene is even onwaarschijnlijk als het
andere; wat daarentegen ons afscheid van deze wereld betreft,
zoo zjjn wij ontegenzeggelijk dwazen, indien wij daaraan niet
bjj al onze berekeningen, ontwerpen en plannen denken.
Luisteren we dan zeer dikwijls naar het luiden van het
klokje achter het geheimzinnig voorhangsel en gunnen we
ons geene rust, voordat deze klank aangenaam en welkom
voor ons geworden is. Hij, die gezegd heeft: „Ik ben de
opstanding en het leven," wil u deze gelukkige stemming
wel schenken, indien gij Hem aanneemt, zooals Hjj is.
Elia weet het dan, dat hij op den avond van den dag,
waarop wij hem van Gilgal naar de woestijn zien wande-
len, daarboven in de andere wereld zal zijn. Nochtans is
hy niet sterk ontroerd. Zijn geheele wezen ademt diepen
vrede en zalige rust. Het is alsof het slechts een o ver-
gang was uit eene ellendige hut naar een schitterend
paleis. Al komen er ook vele vragen bij hem op, noch-
-ocr page 378-
362
tans is de hoofdzaak voor hem eenvoudig en zeker: „God,
mijn God, mjjn Ontfermer, is daar boven dezelfde, als
hier beneden."
Dat echter Elia, en juist Elia, op eene wonderbare wijze
uit deze wereld weggerukt zal worden, dit verwondert ons
niet. Hoe eenzaam, hoe verlaten, hoe miskend was deze
manl Gelijk bijna geen ander leven, zoo was het zijne
een leven van strijd en onrust geweest. Hij had met de
grootste zelfopoffering voor den Heer geijverd; daarom zal
het nu ook op eene bijzondere wijze blijken, dat dit offer
Jehova welgevallig was. Door een groot teeken uit den
hemel wil God hem voor zijnen dienaar verklaren. Hy zal
den dood niet smaken, omdat hij liet leven niet zelfzuchtig
heeft lief gehad.
Vooreerst bepalen we ons bij het afscheid van de beide
getrouwe bondgenooten in strijd en in lijden. „Ach schei-
den, ach scheiden, ach scheiden, wie dacht toch het schei-
den eerst uit!" zoo luidt het in een oud, üuitsch volks-
lied en de harp van alle dichters doet de roerendste, aan-
doenlijkste tonen hooren, zoo dikwijls zij over het schei-
den spreken. Scheiden en mijden, dat zjjn toch in deze
wereld zeer alledaagsche zaken, maar dat zij zoo alle-
daagsch zijn, juist dat is het treurige van deze wereld!
Hier wordt het innig geliefde kind van de zijde der ouders
weggerukt, ginds de getrouwe echtgenoot en vader midden
uit den kring van hen, voor wier lichamelijk en geeste-
lijk welzjjn hij zorgde! Hier sterft de vriend in de armen
van zijnen vriend, die zich het leven zonder hem niet kan
voorstellen. Ginds begraaft men eene moeder, die ster-
vende aan haar zevende kind het leven schonk, en voor
den roiiwdragenden weduwnaar is het, alsof voortaan zjjn
geheele leven slechts nog een voortdurend sterven zal zjjnl
-ocr page 379-
363
O hoe menig getrouw hart is door het scheiden gebro-
ken! Hoe eenzaam is de wereld voor zoo menigeen, wan-
neer d i e personen sterven, wier liefde en gemeenschap
het leven van zijn leven was! Losgerukt te worden van
hen, met wie als \'t ware een gedeelte van onze eigene
ziel weggerukt en ontvlogen is, zoodat wij niet meer
dezelfden zijn, — het zoude inderdaad een onverdrageljjk
denkbeeld zijn. indien wjj van hen losgerukt waren, om
elkander nimmer weder te zien! — Zoude de mensch,
juist omdat hij mensch is, juist omdat hjj een wezen
is, dat slechts in de gemeenschap der liefde en in de ineen-
smelting des geestes gelukkig is, — zoude niet juist de
mensch zonder de hoop des eeuwigen levens en der eeu-
wige vereeniging het allerongelukkigste onder alle schep-
selen zijn? Voorwaar, indien de mensch deze hoop niet
hezitten mocht, dan zoude hij niet de kroon der schepping
neen, dan zoude hjj dat wezen zijn, waarin de toorn
van God zich zoo geopenbaard had, als in geen ander in
de gansche schepping. Niets zoude wreeder, ja duivel-
achtiger zijn, dan een wezen te scheppen met behoeften
en verwachtingen, die nooit bevredigd of vervuld kunnen
on zullen worden. Wjj moeten het geloof, dat God de
liefde is, naar het fabelboek verwijzen, óf wij moeten beslui-
ten, aan een eeuwig leven te gelooven.
Nu, van het wederzien en van eene nieuwe, bestendige
gemeenschap in eene betere wereld spreekt dan ook ieder-
een in de Christenheid. Gjj allen kent het liefelijke lied:
„Het is Gods wil, dat al wat leeft van \'t dierbaarst goed,
dat hij hier heeft, eens scheiden moet." Zeer vertroostend
en hartverkwikkend begint het laatste vers: „Nu moet
gij mij ook recht verstaan; als menschen van elkander
gaan, dan zeggen z\\j: „tot wederzien!" Zoo lispelt
-ocr page 380-
;S64
men daarom ook by de lijkkist, zoo schrijft men op de
grafzerk, zoo spreekt en zingt men boven het opene graf.
Maar wanneer men hen vraagt: „Op welken grond
gelooft gij aan een wederzien?" dan staan de meeste men-
schen verlegen en weten geen ander antwoord te stamelen
dan dit: „Ja, het is toch zoo schoon; het zoude toch
verschrikkelijk zy\'n, indien het anders ware!" Dat is ech-
ter een fondament van los zand. eene hoop, die den grond
der ziel niet verlichten, het gewonde hart niet heelen kan.
Wjj weten allen, dat het schoone en liefelijke eener zaak
nog geen bewijs is voor de werkelijkheid van haar bestaan.
Met sentimenteele uitdrukkingen wordt hier niets bewezen.
Gode zij dank! de kinderen des geloofs, zij, die hier bene-
den reeds met God, met den levenden God wandelden, met
dien God, die een Heiland der ootmoedige en naar de eeu-
wigheid dorstende zielen is, — zjj bezitten in de godde-
ljjke openbaring een beter fondament. „Wat doet gij, dat
gy weent en mij het hart breekt,\'- zegt de scheidende Pau-
lus tot de bedroefde Christenen te Cesarea. „In Jezus, den
Overwinnaar des doods en den Verlosser van zondaars, zjjn
wij één, blijven ook na de tijdelijke scheiding één in Hem,
zullen ook weldra weder als opgewekten uit den dood eeuwig
één zijn in Hem." Zoo betuigt hij den Christenen in woord
en geschrift.
Vestigt uw oog op de grenzenlooze droefheid van Jonathan
en David, daar zjj van elkander scheiden. Weeneude liggen
zü in elkanders armen en weten, dat zy elkander op aarde
niet zullen wederzien. Ontelbare tranen worden er vergoten,
maar bij den laatsten kus en handdruk kunnen zh\' tot elkan-
der zeggen: „De Heer is tusschen mij en u." God is de
levende band, die hen verbonden heeft en verbindt; in God
is hunne liefde gegrond. Die grond kan niet breken, noch
-ocr page 381-
3(55
door nood noch door dood een einde nemen. Wat in God
is, dat blijft. „Wie hier vereenigd zijn in God, zijn dit tot
in eeuwigheid." Hoeveel onder het Oude Testament dan
ook nog duister mocht zijn, hoe vele raadsels en vragen er
toen nog overbleven (want eerst in Jezus is het raadsel opge-
lost, hoe de zondige mensch, de mensch des doods tot de
gemeenschap met den Eeuwige, Levende en Heilige kan
komen), zoo veel was toch toen reeds duidelijk: de dood,
waaraan wij van nature onderworpen zijn, kan niet zoo
sterk zijn als die God. aan wien wij ons door het geloof
hebben overgegeven.
II.
Zoo was ook bij Elia en Elisa reeds vooraf\' de scherpe
prikkel aan de scheiding ontnomen. Was de droefheid over
het scheiden groot, zoo waren toch de hoop en de vreugde
nog grooter. Dat zij heden gescheiden zullen worden, is
hun bekend. Ook de wijze waarop? Dit weten wij niet.
— Hunne gewaarwordingen bij liet naderend afscheid zijn
echter zeer verschillend. Elisa moet nu alleen en eenzaam
den moeielijken strijd strijden ; hij, de leerling, zal een mees-
ter worden, de geestelijke veldheer der geloovigen in den
lande. Daarentegen zal Elia in de gemeenschap van alle
Engelen en alle verheerlijkten opgenomen worden. Geen won-
der, dat hjj zich door stille overdenking wil stemmen tot
de aanbidding voor den troon van den driemaal Heilige.
Hij is in eene zalige voorbereidingsstemming, van het stil
en heerlijk voorgevoel der hemelsche liefde vervuld. De
morgenglans der eeuwigheid bestraalt zjjn voorhoofd. Hij
luistert met een kloppend hart, of de klokken der eeuwig-
heid hun geluid niet doen hooren in het arme aardsche land,
evenals het kind luistert, of het klokje van den Kerstavond
-ocr page 382-
:3G6
nog niet luidt. Dezelfde reden echter, die Elia doet ver-
langen, alleen te zijn, beweegt ook zijnen leerling, om dicht
bij den geliefden meester te blijven. Het is niet alleen,
om van de laatste uren in zijne nabijheid nog zooveel mogelijk
partij te trekken, — neen, hij wil ook getuige zn\'n van het
heerlijke, waarvan zijne ziel een voorgevoel heeft. En wie
kan dat afkeuren ? Zoo ontstaat er dan, als men het zoo
noemen wil, een s t r ij d tusschen die beide mannen. Elia
verzoekt zijnen leerling, dat hij hem verlate ; deze verklaart
echter bh\' herhaling: „Zoo waar als de Heere leeft, ik ver-
laat u niet!" Het is wellicht de eerste wanklank tusschen
deze beide personen ; voor de eerste maal weigert Elisa zijnen
meester te gehoorzamen. Maar deze oneenigheid ontstaat
slechts uit de allerinnigste eenigheid en harmonie, welke
de harten verbindt, en daarom worden de beide mannen
juist door deze „oneenigheid" slechts des te vaster veree-
nigd. Elia laat eindelijk zijn verzet varen, en wjj zien hen
beiden vast aaneengesloten in een ernstig gesprek naar den
.lordaau en door den Jordaan en in de woestijn trekken.
Hoe ontroerd en vol voorgevoel de ziel van Elia ook moge
zijn, zoo denkt hu\' toch volstrekt niet alleen aan zich zel-
ven, maar hij denkt ook met teedere liefde aan hetgeen er
in het hart van zijnen vriend omgaat. Als een scheidende,
trouwe vader vergunt Elia aan Elisa nog eene bede te doen.
WJJ mogen hierbij echter niet stilstaan, daar ons de tjjd
ontbreekt.
Zoo was dan het laatste gesprek door die beiden gevoerd,
en nu zoude het groote wonder geschieden. De geheele
geschiedenis van Elia is toch zoo vol wonderen, als
geene andere in het Oude Testament. Wilde men ze uit deze
geschiedenis wegnemen, dan zoude men er het hart uitsnjj-
den. Als geschiedkundige kern zoude er dan slechts nog
-ocr page 383-
367
een profeet overblijven, die — in de woestp moe-
d e 1 o o s nederzinkt —, die dus juist het tegendeel
is van hetgeen Elia eigenlijk was. Het is zoo, de wonderen
stapelen zicli hier zóó op een, dat ook zij, die aan wonderen
gelooven, er mede verlegen zouden kunnen worden. Wjj
merkten het echter reeds op, dat zulk een ruw, diep gezon-
ken geslacht alleen langs dezen weg onderwezen konde wor-
den. God spreekt met de raenschen altijd zóó, gelijk zij
het begrijpen kunnen. Voor de eenvoudige kinderen teekent
HÜ als een wjjs opvoeder groote en grove letters op den
muur. Zoo moet het ons ook niet verwonderen, dat in de
gebeurtenis, die wij thans beschouwen, het eene wonder op
het andere volgt. Ken wonder is het toch, dat de profe-
tenleerlingen op de verschillendste plaatsen ingelicht zijn
over hetgeen gebeuren zal; een wonder is het ook, dat Elia
met eenen slag van zijn mantel den Jordaan droog maakt.
En nu vooral de wonderbare opneming van den Profeet in
de onzichtbare wereld!
Diegenen, die in het algemeen niets van het geloof wil-
len weten, die niet gelooven aan het bestaan en werken van
eenen levenden en persoonlijken God, die den spot drijven
met het geloof aan eene wereld, die voor ons nog onzicht-
baar, en toch de moederschoot van alle zichtbare en gescha-
pene dingen is, — die kunnen hier in \'t geheel niet mede-
spreken. Al zyn zy in hun eigen oog zeer wijs en verheven,
wjj kunnen slechts medelijden met hen hebben. Wat blijft
dan zouder het geloof aan eene onzichtbare wereld dit geheele
aardsche leven \'t Wat is het dan anders, dan een strijd
„om het bestaan," wat blijft er dan ten slotte nog over,
dan het grove materialisme en het naakte zelfbejag? Wat
blijft er dan over, dan een eindeloos jagen, rennen, rusteloos
streven naar aardsche goederen en vergankelijk genot en
-ocr page 384-
3(58
•laarachter — dood, lijkkist, graf en verrotting ? — Bestaat
er echter eene onzichtbare, hoogere wereld, die voor deze
zichtbare, lagere wereld werkzaam is, — wie wil dan den
Almachtige grenzen stellen, wie wil zeggen : dat kan geschie-
<len, maar dit niet? Dit is echter zeker, dat Gods wonde-
ren nooit willekeurig zijn, dat zij altijd eene opvoedkundige
beteekenis hebben. De mensehen moeten daardoor opgevoed,
hemelwaarts getrokken en gered worden ; de menschen moe-
ten door Gods wonderen de liefderijke bedoelingen van God
leeren kennen. AVordt de zaak uit dit gezichtspunt beschouwd,
dan zullen allen, die den levensloop van Elia met innige
belangstelling beschouwden, gemakkelijk inzien., waarom
.juist d i t leven zulk een verheven en heerlijk einde had.
Vergezellen wij in den geest de beide wandelaars ! De
avondzon werpt hare stralen op de woestijn en beschijnt
met haar pnrperkleurig licht de bergen en rotsen van het
Jordaandal. Met goud omzoomde rooskleurige wolkjes drjj-
ven in de donker blauwe lucht; alleen die eene reusach-
tige. geheimzinnige wolk gelijkt op eene onweerswolk. Zij
heeft den vorm van eenen troon des Eeuwigen, en het is,
alsof rollende donderslagen daaruit gehoord werden, en het
is, alsof zij hoe langer zoo meer naar beneden daalde en
zich voorwaarts bewoog. Wat heeft daar eensklaps plaats P
Kene heilige siddering grijpt de harten der beide mannen
aan, weerliclit en bliksemstralen, een gedruis en geloei als
van een onweersstorm vervult de lucht. — De aardsche
pelgrims worden door hemelschen lichtgloed verblind. Op
dit oogenblik is Elia van de zijde zijns vriends, met wien
hjj zoo even nog sprak, weggenomen. Elisa staat alleen,
de meester echter zweeft naar boven, door hemelsch licht
omstraald. .Toen zjj met elkander gingen, en hij sprak,
zie, daar kwam een vurige wagen met vurige paarden, en
-ocr page 385-
369
scheidden die beiden van elkander; en Elia voer alzoo in
het onweder ten hemel. Elisa nu zag het, en riep: Mjjn
vader, mijn vader! wagen Israëls en zijne ruiters! En hjj
zag hem niet meer." Zoo lezen wij 2 Koningen 2, vers 11
en 12. Zoo heeft dus Elisa verhaald. Hij heeft de gebeur-
tenis beschreven, zoo goed als hjj koude, maar wij belee-
digen den man niet, als wij zeggen: Hij kond e niet;
en wij verbljjden er ons over, dat hij niet konde. Onzer
menseheljjke taal ontbreken de woorden, om dingen der
eeuwigheid en der onverwelkelijke heerlijkheid uit te spre-
ken. Ook de ziener Johannes, die op Patmos maanden lang,
om het zoo uit te drukken, op den drempel des hemels
stond, brengt het niet verder, dan tot ontoereikende beel-
den en gelijkenissen. Dat moet ons verblijden, want het
doet ons zien, dat ook de edelste aardsche vaten veel te
gering zijn, om het eeuwige, dat toch voor ons bereid is,
te bevatten. De Apostel Paulus, die in het Paradijs opge-
trokken was, waagt het volstrekt niet, ons eene beschrijving
van hetgene hu\' vernam te geven, en zegt slechts: „Ik
hoorde onuitsprekelijke woorden." Maar uit dit „onuit-
sprekelijk" klinkt ons eene harmonie in het oor, die boven
alle aardsche harmonién verheven is. — Op een anderen
tyd zegt dezelfde Paulus: „Wat geen oog ooit gezien, wat
geen oor ooit gehoord heeft, wat in geens menschen hart ooit
is opgekomen, dat heeft Ood bereid voor degenen, die Hem
lief hebben." Daarmede is schijnbaar niets, en in werke-
lijkheid toch het hoogste gezegd. Het is toch reeds hier op
aarde zoo gesteld, dat wij datgene, wat ons hart en onze zinnen
het meeste verrukt, in het geheel niet, of slechts hoogst
gebrekkig beschrijven kunnen. Hoe natuurlijk is het dus,
dat wij geen raad weten en geen woorden kunnen vinden,
als het de beschrijving van het hemelsche betreft. De
ZIELESTRIJD.                                                                  24
-ocr page 386-
370
o n b e s c h r ij f e 1 ij k h e i d des hemels is zijne
schoonste beschrijving.
Wat echter bh\' al dat geheimzinnige voor Elisa onweer-
sprekelijk zeker was, dat is dit, dat zijn meester niet
gestorven en toch ook niet meer op aarde, maar, zonder den
dood te smaken, door geheimzinnige krachten van hemelsch
licht in de wereld der eeuwige rust en heerlijkheid over-
gebracht is. Hetgeen de Apostel Paulus zoo innig wenschte,
hetgeen hem echter niet ten deel konde vallen, dat hij
namelijk niet o n t kleed, maar over kleed mocht worden,
opdat het verderfelijke het onverderfelijke mocht aandoen,
dat heeft Elia mogen ondervinden. — Hoe echter dit alles
is geschied, li o e het sterfelijke lichaam onsterfelijk is
geworden, het vergankelijke vervangen door onvergankelijk-
heid, — hoe de ingang van Elia in het hemelsch Para-
dijs heeft plaats gehad en hoe hij daar door aartsvaders
en koningen, Profeten en Aartsengelen ontvangen is, daar-
van kan men wel, bij eenige inspanning der verbeeldings-
kracht, bonte en wegslepende voorstellingen maken, maar
gij, waarde Hoorders! als praktische, kalme lieden, zult mjj
die gaarne schenken. Blijven wij liever op de aarde en bij
datgene, wat ons bn\' onze omwandeling op aarde sterken
en verkwikken kan.
Hoe geheel komt het heengaan van onzen Profeet met
zijn geheelen aardschen strijd en wandel overeen! Storm,
vuur en aardbeving was het karakter van zn\'n leven en in
storm en onweder wordt hij weggenomen; een geestelijk
krijgsheld zonder gelijke, is hij geweest, zoo is ook een
vurige strijdwagen het zinnebeeld van zijnen zegepralenden
intocht in den hemel. Hoe geheel anders was het met Jezus,
die met de belofte van de „uitstorting des (Jeestes op alle
vleesih" op zijne lippen en zegenend met opgeheven han-
-ocr page 387-
H71
den stil wordt opgenomen in het eeuwige vaderhuis! Ook
hier weder zien wjj de tegenstelling van storm, vuur en
aardbeving aan de eene zijde en het stille zachte suizen
aan de andere zijde. "Waarlijk, indien het leven van Hlia
door eenen dichter was verdicht, dan moest men dien de
palm onder de dichters geven en voornamelijk zeg-
gen, dat hij op eene bewonderenswaardige wyze het heer-
ïyke beeld van zijnen held tot het einde toe in denzelfden
geest heeft voorgesteld. Nu is echter God de Heer zelf
de dichter, die evenwel zijne vinding tegelijk tot waarheid
en werkelijkheid maakte. Wjj kunnen Hem geen palm aan-
bieden, maar in het stof gebogen kunnen wjj Hem roemen
en prijzen, omdat Hij zulk eene belangstelling in het arme
menschenkind aan den dag legt.
En kunnen wjj het niet juist Klia gunnen, dat hjj zulk
eene onderscheiding boven alle andere menschen genoot ?
Hoe moeielijk was zijn weg! En dan die donkere dag, toen
hij, in volslagen moedeloosheid, onder den jeneverboom in
de woestijn nederzonk en bad: „Het is genoeg; zoo neem
nu, Heere! mijne ziel!" O, hoe zal thans dezelfde Elia
vergiffenis gevraagd hebben voor zijne moedeloos-
heid, — indien men in den hemel nog om vergeving bidt.
In allen gevalle, hoe zal hn\' God daarvoor gedankt heb-
ben, dat Hij zijne moedelooze bede niet vervuld had.
Gij stemt het toe, reeds hier op aarde moeten wij dik-
wyis ondervinden, dat onze vurigste wenschen groote dwaas-
heden waren, en dat het derhalve een bewijs van Gods
genade was, dat Hij onze gebeden niet zóó verhoorde, gelijk
wij meenden, dat Hy ze verhooren moest! Hoe dikwijls
moeten wij Hem hier reeds danken, dat Hn\' in spijt van al
ons wenschen en morren zynen weg is gegaan! Daarom
zwyge men toch een weinig stil en leere geduldig wachten!
-ocr page 388-
372
Wanneer in het rotsachtige dal van de Krith, wanneer in
Zarphath, de smeltovenstad, het hart van ongeduld dreigt
te bersten; wanneer men in de woestijn onder den jene-
verboom moede en moedeloos nederzinkt, omdat alles zoo
geheel anders gaat, dan wij meenen, dat het zoude en ook
moest gaan, — o, houd u slechts een weinig stil! Uw
God en uw Vader heeft juist voor u nog groote, zalige
verrassingen bereid; indien gy slechts wilt wachten en op
Hem vertrouwen! — Mogen wij dit echter reeds hier op
aarde dikwijls ondervinden, hoe dwaas zal ons dan eerst
al ons weenen, klagen, versagen en morren toeschijnen,
wanneer wij ook slechts den eersten trap der hemelsche
heerlijkheid bestegen hebben ! Derhalve geduld! —
Maar die heerlijke opneming van Elia was ook een
groote zegen voor alle geloovigen onder het Oude Testa-
ment, die na hem leefden en hem nastaarden. Waren hunne
uitzichten in de eeuwigheid dikwijls beneveld, zoo was toch
de hemelvaart van Elia een schitterende lichtstraal des
hemels, die eensklaps den nacht des Ouden Verbonds ver-
lichtte en den troost der hoop op de sterfbedden der vro-
men deed nederdalen. Wij, als kinderen des Nieuwen
Verbonds, zijn zeker hooger gezegend, ,0e nacht is voor-
bijgegaan, de dag is nabijgekomen," sedert de Koning des
lichts en de Vorst des levens, Jezus Christus onze Hei-
land, de banden des doods verbrak. Hoog roemt Jezus
zelf ons voorrecht, als Hij zegt: „Koningen en Profeten
wenschten te zien, wat gij ziet, en hebben het niet gezieu,
en te hooren, wat gij hoort en hebben het niet gehoord."
Wat wij hooren, als wij Hem hooren, dat is dit, dat Hij
den scheidsmuur der zonde, die tusschen ons en God stond,
heeft afgebroken; dat voortaan niemand meer van God
gescheiden is, omdat hij een zondaar is, maar slechts dan,
-ocr page 389-
373
als liy de zonde lief heeft. Wat wij zien, als wjj Hem
zien, dat is dit, dat Hy in eigen persoon de hemelladder is,
die Jakob eens in den droom zag, en dat deze hemel lad-
der niet voor Engelen, maar voor menschen is opgericht,
dat de kleinste en geringste van hen. die in eenvoudig-
heid gelooven, zonder vrees daarlangs kan opstijgen, uit
den diepsten afgrond des doods tot midden in de heer-
lijkheid Gods.
Wjj hebben geeno magische toovermiddelen noodig, zoo-
als het spiritisme aanwendt, om met de onzichtbare wereld
in betrekking te komen; wjj hebben geen geestengeklop
en oproeping van dooden noodig, om met de overledenen
in eene werkelijke gemeenschap te blijven. Wij hebben
slechts dit ééne noodig. dat wjj innig met Jezus, onzen
Heiland, vereenigd bljjven. Ieder van zijne volgelingen
kan en zal liet dageljjks ondervinden, dat lijj des te vaster
en blijmoediger van de werkelijkheid der hemelsche zalig-
heid overtuigd is, hoe getrouwer lijj in de kinderlijk geloo-
vige en gehoorzame gemeenschap met Jezus volhardt En
zoo zal het, als wjj wankelmoedig en beangst worden, ook
altjjd blijken, dat wjj ons op de eene of andere wjj/.e van
Hem verwjjderd liadden, dat wjj op de eene of andere
wjjze aan zjjnen Geest en zjjn gebod ontrouw waren
geworden.
Zoo laat ons dan met Hem wandelen, opdat wjj met
Hem sterven! Laat ons met Hem sterven, dan zullen
wjj ook zjjn verheerlijkt leven deelachtig worden. Nie-
mand wordt beschaamd gemaakt, die op Hem vertrouwt.
Kort is de dag des strjjds; weldra daalt de avond, en
op dezen avond volgt een eeuwige dag des lichts.
Er is nog eene rust voorhanden; —
Vermoeide ! welk een heerlijk licht!
-ocr page 390-
374
Zucht dan niet moed\'loos in uw banden,
Daar alle duisternis eens zwicht.
Zie op het Lam. dat u het leven
Voor zijnen herueltroon zal geven!
Maak spoed! Verzaak uw zin en lust!
Haast is de heete strjjd volstreden,
Haast is het zwaarste leed geleden,
Dan gaat <?Ü ™ tot uwe rust!              Amen.
-ocr page 391-
XV11I.
IN HET LICHT VAN DEN THABOR.
Waarde Hoorders! Op den Kerstavond van het afgeloo-
pen jaar mocht ik eene feestviering van doofstomme kinde-
ren bijwonen, en ofschoon het daarbij zoo stil en zonder
geluid toeging als bij geene andere Kerstfeestviering op
aarde, werd ik er toch zeer gesticht. Stichtelijk was reeds
de dankbare vreugde der kinderen onder de lichten van den
Kerstboom, die de liefde voor hen had aangestoken. Zulke
van verrukking schitterende gezichten ziet men slechts bij
doofstomme kinderen, die toch met hunne oogen niet slechts
zien, maar ook hooren en spreken moeten. Wel is waar
examineerde de onderwijzer of huisvader zijne leerlingen
over de feestgeschiedenis, daar hij hen op de afbeelding
van stal en kribbe, herders en Engelen wees, maar slechts
weinigen konden met zwakke en onduidelijke woorden
zeggen, wat zij dachten en gevoelden.
Daar was nu een jongske met een lief gezicht, dat zoo
gaarne wilde, maar niet konde antwoorden. Toen nu de
onderwijzer op het kindeke Jezus wees en vraagde: „Wie
is dat ?" toen schitterde zijn oog; hy deed alle mogelijke
moeite om den naam ,Jezus" uit te spreken, maar het
\\
-ocr page 392-
:;7(i
gelukte niet, totdat hg krampachtig de hand op het hart
drukte, en sprak met hart, mond, hand en oog tegelijk:
„Jezus!" De tranen kwamen mjj in de oogen. Het was
mij, alsof dit knaapje had willen zeggen: „Hij, naar wien
gjj vraagt, is toch geheel dezelfde, die daar binnen in mijn
hart woont: Jezus en mijn hart, mjjn hart en Jezus, die
zjjn één, die zijn met elkander verwant."
Och ja, als men maar altijd eerst met zijn hart en niet
met zijn hoofd tot Jezus wilde naderen, indien men slechts
de eeuwige behoeften van zijn hart trachtte te leeren kennen,
en dan naar de stem des evangelies wilde hooren, — hoe
geheel anders zoude het er dan in de wereld uitzien, en hoe
geheel anders in ons hart!
Onlangs zeide mij iemand: „Ik heb alle mogelijke moeite
gedaan, om de wonderen van het Oude Testament te geloo-
ven Reeds met de schepping viel het mij moeieiyk; de
sprekende slang heb ik natuurlijk als een zinnebeeld opge-
vat, den zondvloed heb ik met moeite aangenomen, maar
in den torenbouw van Babel ben ik geheel blyven steken.
Tot den Heer Christus ben ik natuurlijk in \'t geheel niet
gekomen." Ik zeide den waarden man, dat hij het echter
ook geheel verkeerd had aangelegd. Hij moest met zijn
naar verlossing dorstend hart, met zijn om verzoening schrei-
end geweten eerst tot Jezus gaan, bij Hem beginnen,
Hem leeren kennen en liefhebben; daar zoude hjj dan vin-
den, wat zijne ziel zocht. Vandaar uit moest lijj dan
de woorden en geschiedenissen, de wonderen en teekenen
van het Oude Testament beschouwen, en dan zouden zij
hem niet meer zoo vreemd voorkomen. De man heeft mijnen
raad opgevolgd en er zich wel bjj bevonden.
Hetzelfde raad ik u allen. Het Oude Testament verkrijgt
voor ons eerst leven en licht in het licht, dat van Jezus
-ocr page 393-
:577
uitstroomt, en wederom: alles, wat het Oude Testament
ons verkondigt, vindt zijne vervullingen verheerlijking, alzoo
ook zijne verklaring, in Jezus alleen. Zoolang wjj het beschou-
wen als iets, dat op zich zelf staat, zweeft alles in de lucht.
Ja, al het liefhebben en smachtend verlangen, tasten en
zoeken van alle menschenkinderen, van alle volken en
tijden, het vindt eerst in Jezus zijn doel; al het gelooven
en hopen der menschenkinderen, hoe verward, hoe onbestemd,
hoe beneveld en dwaas het dikwijls moge zjjn, het vindt
eerst in Jezus en in Jezus alleen zijne voldoening en bevre-
diging: — alle droeve klachten en bange vrees van het
mensehenhart, zjj veranderen eerst in de aanschouwing van
Jezus, maar dan ook zeker, in een vroolijken, eeuwigen lof-
zang. Hier zien wij God in de menschheid, hier zien wy
de menschheid in God, — God in de menschheid tot red-
ding der menschheid ; de verlorene menschheid in God behou-
den en verheerlijkt.
Dit verhevene, zaligende denkbeeld zullen ons onze tegen-
woordige overdenkingen helder en duidelijk voor oogen plaat-
sen. Zjj zullen ons toch doen zien, dat zelfs zulk een voor-
treffelijke geloofsheld als Elia zijne volkomene bevrediging
eerst vindt, daar hij voor de voeten van Jezus knielt. Wat
kan echter ook ons krachtiger tot Hem drijven, dan deze
ontdekking ?
Zoo gaat dan nog eenmaal met mjj Elia bezoeken; doch
niet op de kruin van den Karmel. noch op die van den
Sinaï, maar op den ïhabor, waar niet Elia, maar Jezus de
hoofdpersoon is. Voor de laatste maal willen wy Elia
beschouwen als eenen mensen „gelijk wjj," die gelijk wjj
Jezus als zijnen Heiland en Koning aanbidt.
-ocr page 394-
378
Lukas 9 : 29—31.
En als Hij bad, werd de gedaante zijns aangezichts ver-
anderd en zijne kleeding wit en zeer blinkend. En zie
twee mannen spraken met Hem, welke waren Mozes en
Elia, dewelke gezien zijnde in heerlijkheid, zeiden zijnen
uitgang, dien Hij zoude volbrengen te Jeruzalem.
In het licht van den Thabor
verschijnen ons heden tijd en eeuwigheid.
Wij vestigen
I.    Hen  blik op Jezus heerlijkheid;
II.    Een  blik op de geschiedenis van den voortijd;
III.    Een  blik op de wereld der eeuwigheid;
IV.    Een  blik op ons eigen binnenste.
1.
Hoorden wij voor acht dagen van eenen man, die i n
\'t geheel niet gestorven, maar met levenden lijve
in de wereld der onvergankelijkheid opgenomen is, —
berichten ons de Evangeliën van menschen, die g e s t o r-
v e n waren en midden in deze wereld des doods weder
levend gemaakt werden door de werking van het woord
van Jezus, en die alzoo tweemaal gestorven zijn, — zoo
vernemen wjj in onzen tekst een bericht, dat zoo mogelijk
nog wonderbaarder is. Wij zien Jezus, die, midden in de
wereld des doods, door hemelsch licht en hemelsch leven
verheerlijkt, terstond daarna echter weder als een gewoon
-ocr page 395-
379
aardbewoner te voorschijn treedt; wij zien vervolgens naast
Hem twee menschen, die vele eeuwen geleden de wereld
verlaten hebben, weder op aarde verschijnen. Jezus, de
eeuwige magneet van alle menschenzielen, is het, die hen
uit eene andere wereld herwaarts heeft doen komen.
Er ligt een wonderbaar waas van hemelsche poëzie over
deze geschiedenis, zooals dan ook over het geheel de Bijbel
het meest poëtische van alle boeken in de geheele wereld
is. Op eenen berg van het heilige land verplaatst ons de
Profeet ook heden weder; maar deze berg wordt een troon
van Gods heerlijkheid. Godheid en menschheid, eeuwigheid
en tijd, hemelsche en aardsche schoonheid vloeien hier op
eene geheimzinnige wijze inéén. Wjj zagen onlangs reeds,
dat inzonderheid de bergen de schouwplaatsen van Gods
groote daden zijn; wij merkten het ook op, hoe zij daar-
voor op eene bijzondere wijze geschikt zijn.
Dat echter ook juist de v e r h e e r 1 ij k i n g, — deze
zoo geheimzinnige, heilig-mystische gebeurtenis. — eene
stille berghoogte met een ruim uitzicht bijna gebiedend
eischte, is ons vanzelf duidelijk. Veel van de heilige
poëzie dezer gebeurtenis zoude verloren gaan, indien zjj,
in plaats van op een bergkruin, in een gewoon huis of ook
in eene synagoge was voorgevallen. En nu stelle men zich
juist dezen T h a b o r voor, waar volgens eene zeer oude
overlevering de verheerlijking heeft plaats gehad! Twee-
duizend voet boven den waterspiegel van het meer Gen-
nesaret, van den voet tot de kruin gehuld in eenen mantel
van altijd groen geboomte, stond de Thabor daar als een
koning, en al de andere hoogten van het Galileesche berg-
land als knielende aan zijne voeten. En hoe zal ik het
uitzicht beschrijven, dat de wandelaars op die hoogte geno-
ten! De met sneeuw bedekte toppen der Alpen van den
-ocr page 396-
380
Libanon praalden in het noorden. In het westen lag de
trotsche Karmel en daarachter de oceaan met zijnen schit-
terenden zilverglans. In het oosten en zuiden echter aan-
schouwde men het schoone üalilea, als eenen grooten.
lachenden tuin des Heeren, bezaaid met steden en vlekken.
Ja waarlijk, dat was eene plaats, waar hemel, aarde, lacht
en meer den Schoonste onder de menschenkinderen toejuich-
ten, eene plaats, als geschapen voor de verheerlijking van
den Eeniggeborene des Vaders !
Wat wordt ons dan hier nu bericht ? Kr wordt bericht,
wat eigenljjk niet bericht kan worden. In onze taal ontbreken
daarvoor de woorden, omdat geen mensch de zaak kent.
Jezus, die, gehuld in het eenvoudig pelgrimskieed, onder
zwaren strijd en zwaren arbeid zijnen weg betreedt; Jezus,
die wel in dit eenvoudig hulsel aller hemelen heerlijkheid
bezit, die echter juist daarom de Heiland is, omdat Hij
nooit zich zelven redt; die daarom zoo alvermogend is.
omdat Hij nooit iets voor zich zelven wil, — Jezus, die
daarom de Levensvorst is, omdat Hij zijn heilig leven nooit
liet\' heeft gehad, zooals de menschen hun leven liefhebben,
ja, die op het punt staat, om dit zijn heilig leven op te
otteren, opdat de kinderen des doods erfgenamen des eeu-
■wigen levens kunnen worden, — deze Jezus wordt hier
door de macht en liefde zijns Vaders in eenen toestand van
verheerlijking verplaatst.
Hemelsch leven en hemelsche heerlijkheid doorstralen znn
lichaam en geven zelfs aan zijne kleederen eenen schitte-
renden glans. Eene geheimzinnige wolk overschaduwt de aan-
wezigen, eene heilige huivering maakt zich daarbjj van de
leerlingen meester. En dit is ook geen wonder, want uit
deze wolk wordt de stem van God zelven gehoord: „Dit
is mijn geliefde Zoon; Hem moet gij hooren!"
-ocr page 397-
381
Toen de Heiland gedoopt werd en zijne openbare werk-
zaamheid zoude aanvaarden, werd ook deze stem gehoord.
Zij was een zegel op de tot dusverre doorleefde dertig
jaren van zjjn inwendig „worden", een getuigenis tevens,
dat Hij in staat was, om het werk Gods op aarde te ver-
richten. Thans is het einde zijner werkzaamheid nabij geko-
men: maar wat moeielijker is dan alle werkzaamheid, dat
is nu ophanden — de vreeselijke nacht van zjjn lijden en
sterven. De verzoekingen en aanvechtingen, die onophoude-
lijk de heilige ziel van Jezus bestormd hebben, zullen nu
eene hoogte bereiken, waarvan wij allen te zamen, God zjj
dank! ons geene voorstelling kunnen vormen. Voordat dit
zwaarste lijden Hem treft, klinkt nog eenmaal die stem uit
het hemelsche heiligdom. Die geheimzinnige lichamelijke
verheerlijking echter zegt door de daad hetzelfde, wat de
stem met woorden zegt.
Voordat de dagen van het sombere weder en de woe-
dende stormen aanbreken, plegen de hoog e Alpen tot
op de verhevenste toppen nog eenmaal in het heerlijkste
rozenroode licht te gloeien en te schitteren. Zoo is het ook
met deze verheerlijking van Christus vóór den nacht des
ljjdens. Deze ure op den Thabor, zij moet voor het Lam
Gods een groet uit het Vaderhuis zijn, zij moet Jezus een
voorgevoel schenken van de heerlijkheid, die den Overwin-
naar bereid is, zij moet Hem de gouden tinnen der Gods-
stad, die Hij zelf tegemoet snelt en waarheen Hjj de ver-
lorene kinderen geleidt, van verre doen aanschouwen. Den
Zoon des menschen in zijne vernedering verklaart de heilige
God voor zijnen geliefden Zoon; midden in\' de wereld dei-
zondaars verklaart Hij dezen Eenige voor dien, in wien Hy
zijn welbehagen heeft, wien allen moeten hooren, die het
leven hopen deelachtig te worden. Want, geliefde Broeders !
-ocr page 398-
382
de verheerlijking van Christus is niet zulk eene gebeurte-
nis als de hemelvaart van Elia. Dat was eene geschiedenis
van Elia; de verheerlijking van Christus is echter de
geschiedenis der menschheid. De verheerlijking van
Elia was als een schitterend tochtverschijnsel, dat onver-
wachts de lucht doorklieft; de verheerlijking van Jezus is
als eene nieuwe zon, die opgaat, om eene eeuwige lente te
scheppen.
11.
Wij bepalen ons beden echter niet alleen bij de verheer-
ljjking van Jezus op zich zelve, maar tevens by den w o n-
derbaren kring, die de verheerlijkte gestalte van Jezus
omringt. Inderdaad, dat was een kring, een concilie, zooals
er op deze aarde nooit een geweest is van den beginne af,
zooals er ook, vóór den dag der laatste bazuin, nimmer
weder een zal zijn. — „Och, waren wij toch daarbij geweest!"
zoo denken velen en zoo mogen zij ook wel denken. Doch
wacht slechts een weinig, totdat wij op den hemelse hen
Thabor komen. Daar zullen dan onze oogen zulk eenen
luister aanschouwen, dat zelfs de glans van den berg dei-
verheerlijking daar tegenover verbleeken moet. En toch was
het op dezen berg reeds zoo heerlijk!
Daar ziet gij met Jezus de drie voornaamste Aposte-
len, Johannes, Petrus en Jakobus. Zij zijn ons zeer goed
bekend. Zij zijn bestemd, om in den grooten strijd, die
nu weldra op aarde, te midden van de fel bewogene
wereld der volkeren, gevoerd zal worden, voorvechters en
veldheeren te zjjn. Op hen berust de geschiedenis der
toekomst. De gemeente des Nieuwen Verbonds is door
hen vertegenwoordigd. Maar nog leeft in hunne harten
-ocr page 399-
383
veel van den ouden vleeschelijken zin, nog worden hunne
oogen dikwijls gehouden, zoodat zij den Meester niet her-
kennen. Een bekrompen fanatisme vervult nog dikwijls
hunne zielen met onheilig vuur, en vooral kunnen zij het
hoogste en diepste, den doodsweg des Heilands, nog niet
begrepen. Ach, hoe dikwijls sprak Jezus met hen „over
den uitgang, dien Hij te Jeruzalem zoude volbrengen";
maar hoe dikwijls Hij dit ook deed, om er hen op voor
te bereiden, en om voor zich zelven den troost te vinden,
dat Hij door zijne deelnemende vrienden begrepen werd.
— Hij vond toch altijd weder slechts tegenstrevende har-
ten en doove ooren. Indien het hun mogelijk was gewreest,
dan zouden zjj den Heiland zeer zeker verhinderd hebben,
den drinkbeker te drinken, (Matth. l(i : 22.) Noch een
Petrus, noch een Johamies, noch zelfs Maria, de moeder
van Jezus, begrepen het kruis van Jezus, en zoo iets in
staat was geweest om Hem ten opzichte der menschheid
te doen wanhopen, indien iets Hem moedeloos had kun-
nen maken en onwillig om des Vaders wil te volbrengen.
dan zoude het dit gebrek aan doorzicht, zelfs bij de besten.
zijn geweest. Eenzaam moet Jezus zijnen weg betreden
door liet donkere dal, en deze duisternis was daarom zoo
duister, omdat er uren waren, waarin ook Hij zelf de
noodzakelijkheid dezer duisternis niet begreep. (Matth. 2(3:
39; 27 : 4(5 j Joh. 12 : 27, 28.) En omdat de leerlin-
gen het lijden van Jezus niet willen verstaan, kunnen zij
ook de heerlijkheid op den Thabor niet begrijpen. Zij
zijn hier derhalve slechts als toeschouwers tegenwoordig.
Hetgeen zij op het tegenwoordig oogenblik aanschouwen,
moet hun in de dagen der toekomst licht en vrede geven.
Voorloopig is datgene, wat Petrus als woordvoerder dei-
anderen spreekt, dwaas genoeg (vers 33.)
-ocr page 400-
:!84
Nochtans zal Jezus, die behoefte aan deelneming en
troost gevoelt, niet zonder troost en deelneming blijven;
en omdat God de Heer op de gansche aarde niemand
ontdekt, die in staat zoude zijn, om Hem dezen troost
te verschaffen, zoo zendt Hij uit eene andere wereld twee
mannen — want menschen moeten het zijn! — die den
heiligen Zoon des menschen door hunne toespraak sterken.
En tot zulk een verheven werk zijn Mozes en Elia geroepen.
.Maar schijnen nist juist deze beiden daartoe de aller-
ongesehiktste personen te zijn? Ja, indien het Jezaia en
Jeremia waren geweest, zij, die met indrukwekkende prole-
tische woorden spreken van het Lam, dat ter slachting
wordt geleid: zij, die dit als het grootste in den Messias
roemen, dat Hij komt, om de vermoeide zielen te verkwik-
ken en de hongerende harten te verzadigen! Doch Mozes
en Elia — deze mannen, in wie de Wet, zoo te zeggen,
belichaamd verschijnt, die met al hunne krachten voor
de Wet gewerkt hebben tot aan hun laatsten ademtocht, die
op niets anders gepeinsd hebben, dan hun volk tot de
getrouwe gehoorzaamheid aan de Wet te bewegen! - Ja,
juist daarom zijn zij de geschiktste mannen, om Jezus te
verkwikken en Hem hunne hulde te brengen. Dit feit,
dat juist z ij komen, om Jezus te dienen en te danken,
verkondigt het nadrukkelijker dan de hoogste welspre-
kendheid der schoonste woorden, dat de verlorene mensch-
heid niet door eigene werkzaamheid, maar slechts door
een plaatsbekleedend heilig offer gered koncle worden.
Juist Mozes en Elia hadden het, zooals geene andere
menschen ondervonden, dat de Wet slechts „toorn werkt,"
dat zjj juist de ernstigste en getrouwste menschen slechts
tot vertwijfeling brengt. Hoe diep verslagen staat Mozes
by den blik op het volk, dat rondom het gouden kalf
-ocr page 401-
385
danste, nadat het weinig dagen te voren met hart, mond
en handen de Wet van Jehova had aangenomen! Door toorn
en droefheid ontroerd, verbreekt hjj de tafelen der Wet en
houdt de scherven in zjjne bevende hand, als wilde hjj zeg-
gen: „Zoo gaat het niet," en wat hn\' verder moet
beleven, bevestigt slechts op de smartelijkste wijze deze
ervaring. Ja, ten slotte moet de groote wetgever door zjjnen
dood op den berg Nebo het bewjjs leveren, dat ook d i e
man, die meer dan iemand ter wereld aan de Wet getrouw
was geweest, — dat ook die man, die er zich met al zijne
reusachtige geestkracht op toegelegd had, om zich aan God
toe te wijden, — nochtans in het gericht van den driemaal
Heilige niet kan bestaan.
En was het met Elia anders ? Nu, wij kennen dezen
geweldigen ijveraar immers genoeg, en weten, wat hij onder-
vonden heeft. „Het volk moet en zal weder tot de Wet
terug," dat was de gedachte, waardoor zijn leven werd
bestuurd. Zoo doet hij het eene strafgericht op het andere
volgen. De Baaispriesters doodt hn\', den hemel sluit en
opent hij, vuur doet hij nederdalen op de vijanden, die hem
willen grijpen. Maar wat baat het? Denkt gn\' nog aan
dien dag, toen hij wanhopig, daar geloof en liefde hem
begaven, niet meer wetende, wat hij van God, van zjjn volk,
van zich zelven moest denken, onder den jeneverboom neder-
zonk, zeggende: „Het is genoeg; zoo neem nu, Heere!
mpe ziel!"? Denkt gij nog aan dien dag, toen hij op den
Horeb zijn hart uitstortte voor God: „Ik ben alleen over-
gebleven; uwe dienaren zijn vermoord, uw volk is in het
verderf gestort, my wil men dooden, alles is verloren!"? —
Ja, maar toen openbaarde hem ook zyn God in geheim-
zinnige teekenen, dat Hij langs een anderen weg, dat Hg
„door het liefelijk licht der Jgenade" de onheilige wereld
ZIKI.RSTKIJD.                                                                          ^5
-ocr page 402-
38(3
heiligen zal. Wat hem toen nog als een sprookje voor-
kwam, dat is thans licht en helder voor zijn oog. De
heilige Jezus, die op het punt staat om het kruis op zijnen
schouder te nemen, Hij is het stille zachte suizen in p e r-
soon.
Ik denk, dat wjj thans begrijpen, waarom ook geene
Engelen in den hemel zoo geschikt waren om Jezus te
dienen, als deze beide mannen. Zy hadden het bankbreu-
kige van alle menschenkracht en menschendeugd op zulk
een e ontroerende wijze ondervonden, als geene anderen van
hun geslacht. En juist daarom was voor hen zooals voor
geene anderen „de Wet een tuchtmeester tot Christus"
geworden, tot dien Christus, die slechts daardoor de Koning
der wereld werd, dat Hij, als de heilige Hoogepriester, zich
zelven otterde.
In weerwil dezer ervaring van eenen Mozes en Elia bele-
ven wjj het tegenwoordig, dat in ons midden, midden in
eene stad, die zich eene Christelijke noemt, nieuwe Profeten
eene nieuwe wet invoeren. Eene nieuwe w e t, zeg
ik, ofschoon zjj zich gedurig op Jezus beroepen. Maar zij
verwerpen het Evangelie van de verzoening en van de opstan-
ding; zij leeren het volk, dat het in het Christendom slechts
hierop aankomt, de godsdienstige denkbeelden van Jezus
te begrijpen en aan zjjn voorbeeld gelijk te worden. Zoo
komt het dan ten slotte toch slechts hierop neder, dat
wij ons zelven redden. O wee, mijne Broeders!
indien de Wet des Ouden Testaments de menschen, die
zich ernstig op hare onderhouding toelegden, reeds tot
vertwijfeling bracht, moeten wij dan niet driemaal vertwjj-
felen, wanneer wij door de navolging van Jezus rechtvaar-
dig voor God willen worden? Zullen niet juist diegenen,
die zich ernstig daarop toeleggen, van dag tot dag hoe
-ocr page 403-
387
langer zoo meer inzien, welk eene onpeilbaar diepe kloof
«r tusschen hen en den Heiland is? Leert niet de ervaring,
dat juist diegenen, die onder het kruis van Jezus en bij
zyn ledig graf hunnen vrede hervonden hebben, dat juist
zjj in hun doen en laten, liefde en lijden nog het meest
op den Heiland gelijken? Zonder twijfel bestaat het Chris-
teln\'ke leven daarin, dat Christus hoe langer zoo meer eene
gestalte in ons verkrijgt, en dat wy hoe langer zoo meer
naar het beeld van Christus verheerlijkt worden, maar zon-
der twijfel getuigen ook Schrift en ervaring, dat deze ver-
heeriyking slechts mogelijk is op den grondslag der vol-
brachte verzoening en door de gemeenschap met den ver-
heerlijkten Christus, „die ons door zijne opstanding heeft
wedergeboren tot eene levende hope.\'\' — Laat u niet mis-
eiden door schoone woorden, die altijd slechts op het hei-
lige voorbeeld van Jezus wijzen. Hoe vroom zulk eene
taal ook klinke, zoo verkondigt zij toch slechts eene nieuwe
wet, die ondragelijker is dan de oude. Wederom wordt u
daardoor voorgeschreven, door eigen verstand, kracht cu
deugd uw heil te bewerken. In een nieuw Jodendom of
heidendom werpen u die nieuwe Profeten terug; zn\' storten
de menschheid wederom in die oude troosteloosheid, waar-
toe zy voor tweeduizend jaren vervallen was. Mozes en
Elia zouden de eersten zijn, die met het oog op zulk een
zoogenaamden Verlosser, die slechts een leeraar en voor-
beeld is, diep ontsteld hunne kleederen zouden scheuren.
Mozes en Elia spreken met Jezus over den uitgang
„dien Hij te Jeruzalem zoude volbrengen." Jezus dood
en zijne opstanding zijn dus het onderwerp van hun gesprek
zijn datgene, wat hun geheele hart vervult. In zijnen tijd
had Mozes den dood des zondaars, die den wil van God
overtreedt, verkondigd. Heden juicht zijne ziel, omdat de
-ocr page 404-
888
eenige Heilige, die den gansenen wil van God volbrengt,
voor de zondaars wil sterven, opdat dezen het leven en de
heerlijkheid deelachtig worden. — In zjjnen tijd had Elia
gemeend: indien slechts alle vijanden van Jehova op aarde
gedood waren, dan zoude alles goed worden; heden ver-
blijdt zich zijne ziel, omdat het eenige Kind van den eeu-
wigeu Vader door zijn heilig bloed de schuld der mensch-
heid zal verzoenen. Hij vermoedt, lijj hoopt, ja hjj weet
het thans: deze heilige en toch zoo liefderijke en ontfer-
mende Jezus, die in den luister van hemelsch licht en hemel-
schen vrede voor hem staat, Hij zal de overwinning beha-
len, Hij zal het Godsrijk doen zegevieren. En het licht,
dat Hem thans omstraalt, zal zich van dezen Thabor in
de duistere wereld verspreiden, en geene plaats zal zoo
duister zijn, dat zü daardoor niet geheel en al verlicht
wordt. Hij weet het, dat deze heilige Sabbatsstilte, die
op de kruin van den Thabor heerscht, slechts eene voor-
spelling is van den zaligen, eeuwigen Sabbatdag, die voor
het gansche volk van God is bestemd. — Dat alles begrijpt
hij, omdat hij Elia is, omdat hij dien weg van het geeste-
lyk leven heeft betreden, dien hjj betreden heeft, — en
daarom kan en mag hjj thans des Heilands vertrooster zijn.
Voorwaar, hoe verheven zijn post in het oudtestamentisch
Godsrijk ook was, toch verricht hij thans een verhevener
werk, daar hij den Heiland der wereld eenen dienst bewijst.
111.
Wjj moeten echter nog op eene derde zijde van onze
geschiedenis opmerkzaam maken. Men heeft haar namelijk een
„k ij k v e n s t e r t j e in de andere wereld" genoemd,
en, mijns inziens, niet ten onrechte. Op vele vragen, die in
-ocr page 405-
389
ons hart opkomen, ontvangen wy hier althans eenige stille
•wenken ten antwoord. Dat Mozes, die vijftienhonderd jaren
vóór dezen tijd gestorven was, dat Elia, die zevenhonderd
jaren na hem van de aarde werd weggenomen, — dat deze
beide mannen evenwel nog bestaan, dat zij nog leven,
daarover willen wjj niet veel zeggen. Wij willen hier dus
niet redetwisten met hen, die met de onverschilligheid van
een zelfmoordenaar zeggen: ,planten, dieren, menschen —
alles heeft zgoen tyd, alles heeft hetzelfde einde, namelijk:
de aarde te bemesten. Men ziet het immers!" Wel zeker,
wie slechts op datgene ziet, wat hij ziet, dien moet het
steeds schemerachtiger voor de oogen worden, hoe langer
hij ziet. Maar wie alleen op de natuur ziet, die gelooft
niet. Alle troost begint eerst daar, waar de
natuur o p ho u d t, want slechts dat kan troost heeten,
wat ons ten opzichte van den dood, den geestelijken en licha-
melijken dood, gerust stelt. De dood is echter datgene,
wat de natuur verslindt. Zoo zyn dan diegenen, die niets
anders dan de zichtbare natuur aannemen, altijd troosteloos.
Jezus Christus glimlacht slechts medelijdend over diegenen,
die zóó spreken als wjj daar even hoorden. „De God, die
zich den God van Abraham, lzak en Jakob noemt, zoude
die deze zijne geloovigen of een ander van zijne kinderen
door den dood in het niet laten verzinken?" zegt Hy (Lukas
20 : 37) en met eene heilige kalmte verklaart Hy, dat Hij
het eeuwige leven wil geven aan allen, die in zynen naam
gelooven. Hy redetwist er niet over, of het mogeiyk is ;
Hy zegt eenvoudig: Het is zoo! Ook de Apostelen hebben
over deze zaak geene woorden verspild; zy verhalen met
de grootste kalmte, dat Mozes en Elia gekomen zyn. Bezwa-
a-en zagen zij daarin niet, want zy kenden God.
Moeielijker is de vraag, vv aar dan deze beide groote
-ocr page 406-
■m
mannen der Wet gedurende deze vele eeuwen zijn geweest ?
Dat is een geheimzinnig gebied ; ook onze tekst verspreidt
daarover geen licht. In allen gevalle is het zeker, dat
ook de grootste heiligen des Ouden Testaments niet tot
de volkomene rust, zaligheid en heerlijkheid konden komen,
voordat liet werk der verlossing volbracht was. (Hebreen
<> : 40.) Ja, zonder Jezus zouden ook zij voor eeuwig
kinderen des doods zjjn geweest. - Wjj moeten ons dus
de vaderen des Ouden Verbonds na hun verscheiden in
oenen toestand van wachten voorstellen; maar dit wach-
ten was door het heldere licht der hoop bestraald. Zij
wisten, dat de dag der zaligheid zoude aanbreken te
zijner tijd. - Dat deze wacht-school echter ook eene school
van zalig 1 e e r e n en ontwikkelen is geweest, dit
blijkt uit onzen tekst. Van eenen z i e 1 e s 1 a a p, waar-
van ook vele Christenen bazelen, kan derhalve geen sprake
zjjn. Mozes en Elia zjjn geestelijk vooruitgegaan, staan
thans op een hooger geestelijk standpunt, dan eeuwen
geleden anders zouden zjj niet geroepen zijn geworden om
Jezus te vertroosten. Ev is dus in de andere wereld nog
eene school voorde oprechten, en dat is goed!
Hoe gebrekkig en verward is de kennis van de gewichtig-
ste zaken dikwijls nog bij vele oprechte Christenen, wan-
neer zij van deze wereld scheiden! Hoe velen sterven,
wanneer nauwelijks het eerste licht der genade tot den
grond hunner ziel is doorgedrongen! Ja, om hier van
de geslachten, die vóór Christus gestorven zijn, geheel
te zwijgen: sterven er niet dagelijks in allerlei volk en
land, ja ook midden in de Christenheid duizenden, die van
het heil in Christus ternauwernood iets vermoeden ? Daar
wjjst onze geschiedenis als fluisterend op eene poort der
hope en geeft ons een wenk tot oplossing eener, belang-
-ocr page 407-
391
rijke vraag. Zjj zegt ons, dat er ook aan gindsche zijde
des grafs nog eene heilige school van ontwikkeling voor
de oprechten bestaat.
Maar er worden nog veel meer vragen over de toeko-
mende wereld gedaan: „Welk lichaam hebben wij na
den dood, of\' zullen wjj tot aan de opstanding in \'t geheel
geen lichaam hebl en? Staan wij in eene werkelijke
betrekking tot onze geliefden op aarde en tot de gebeur-
tenissen op dit benedenrond, of is voorloopig iedere brug
afgebroken? Zullen wjj onze geliefden herkennen en hoe
zullen wjj hen terug kunnen vinden?" — Zulke en derge-
lijke vragen komen dikwijls en bij herhaling in ons hart
op, en dit is ook natuurlijk. Maar ofschoon zij in de
Christelijke kringen zeer geliefde onderwerpen van bespre-
king zijn, zoo spreekt Gods mond toch zeer weinig over
deze zaken. Het zijn ten slotte toch slechts vragen der
nieuwsgierigheid, hoewel dan ook van eene zeer verklaar-
bare en edele nieuwsgierigheid, maar geen vragen naar
den weg der zaligheid. God wjjst ons in zijn woord
gedurig weder daarop, dat wij onze zaligheid werken moe-
ten met vreeze en beven en het overige aan Hem overla-
ten. Hjj verzekert ons overal, dat Jezus de Verlosser
der menschen is; derhalve niet slechts de Verlosser dei-
ziel, maar ook des Iichaams, want eene ziel zonder
lichaam verdient den naam m e n s c h volstrekt niet. Hij
verzekert ons, dat wij door den Geest van Jezus naar zijn
beeld, derhalve naar het beeld der verheerlijkte en hei-
lige menschheid, vernieuwd zullen worden.
Slechts zelden licht Gods woord het dikke voorhangsel,
dat de wereld der eeuwigheid verbergt, een weinig op. Zoo
in de gelijkenis van den rijken man en den armen La-
zarus, zoo ook in onze geschiedenis. Of geeft ons dit
-ocr page 408-
:«)2
niet veel te denken, dat Mozes en Elia in eene lichame-
lijke gestalte verschijnen ? Zjj hebben derhalve toch een
lichaam ontvangen. Hoedanig een lichaam, dit
wordt niet ge/.egd; maar dat het heerlijker was dan het
oude, dit bemerken wij, als Lukas bericht: Zij verschenen
„in heerlijkheid." — Wij bemerken verder, dat dit li-
chaam op het oude gelijkt, ja dat het eene volkomene ui;-
drukking is van den inwendigen mensen. Hoe zouden
anders deze beide mannen door de Apostelen, die hen toch
nooit persoonlijk gezien hadden, terstond herkend hebben
kunnen worden ? — Verder: deze beide dienaren van God,
die in één en denzelt\'den geest leefden en werkten, hebben
elkander in de andere wereld gevonden, ofschoon zij
hier op aarde door zulk een grooten afstand van tijd en
ruimte gescheiden waren. Eindelijk zien wjj, dat deze
bemelsche personen met de zaken van het Godsrijk op aarde
zeer bekend zijn en dat zü daarvoor de innigste belang-
stelling aan den dag leggen.
Dit alles stemt ons wel tot blijde verwachtingen en
opent ons heerlijke uitzichten; wij moeten echter toezien,
dat wij daaruit niet te veel afleiden. Het zoude toch ook
mogelijk kunnen zijn, dat God de Heer bij deze beide
geloovigen in het een en ander opzicht eene uitzondering op
den gewonen regel had gemaakt. Onze bespiegeling, onze
verbeeldingskracht, ja ook ons geloof en onze hoop moe-
ten altijd weder bescheiden de vleugels intrekken. Wij
moeten leeren wachten, en vast vertrouwen dat Christus,
als Verlosser en Hersteller der menschelijke natuur, alles
zoo heerlijk voltooit, dat wij zijn zullen „gelijk degenen,
die droomen."
-ocr page 409-
39:?
IV.
Hy is het, op wien wjj ten slotte toch alleen moeten
zien; Mozes en Elia zelfs schitteren slechts in het licht, dat
van Jezus op hen afstraalt. Ja, al de verstrooide godde-
ljjke lichtstralen, die wjj in de geheele oude menschheid
zien, leiden ten slotte slechts tot Jezus, in wien de
zon der genade is opgegaan, en alle stralen, die wjj in
den tijd n a Christus zien, wjjzen slechts op Hem
t e r u g, in wien al de volheid der Godheid en der mensch-
heid woont. — Zoo verdwijnen dan ook op den Thabor
Mozes en Elia, en de leerlingen zien niemand dan Jezus
alleen (vers 36), den Zoon van God in de gestalte der
geringheid, het Lam Gods, dat naar de ofi\'erplaats gaat.
Verdwenen is glans, luister en heerlijkheid; donkere wol-
ken stijgen op en kondigen den naderenden storm aan.
Jezus leidt de zijnen den strijd tegemoet en aan dezen
vernederden Jezus moeten de leerlingen voorloopig
v genoeg hebben. En zoo ook wij, zoolang wij op aarde
leven. Op dien Jezus alleen, die door strijd en dood de
overwinning en het eeuwige leven tegemoet gaat, moeten
ook wij steeds weder het oog vestigen, want Hy is de ver-
vulling der oude en de Alpha en Omega der nieuwe
wereld.
Stel u de krachtigste en meest begenadigde personen
der geheele kerkelijke geschiedenis voor, zonder datgene
in hun leven en zijn, wat Jezus toebehoort, en dan blijven
zij slechts zondige en gebrekkige raenschen. Een oude
Neurenbergsche meester heeft een kunstwerk vervaardigd,
dat van een diep Christelijk doorzicht getuigt en dat eens
eene indrukwekkende preek voor mü gehouden heeft. Jezus
en de Apostelen ziet men, zeer schoon uit hout gebeeldhouwd,
-ocr page 410-
304
Jezus verheven boven allen, de Apostelen op trappen
rondom hem. Eiken Apostel kan men losschroeven, zonder
dat daardoor het beeld van Jezus of dat van eenen anderen
Apostel aan het wankelen wordt gebracht. Maakt men
echter het beeld van Jezus los, dan vallen al de Aposte-
len. Zoo is het inderdaad; en wjj kunnen bjj de Aposte-
len alle Profeten, aartsvaders en hervormers van alle
tijden voegen, dan is het nog zoo.
Daarom moet het woord van Johannes den Dooper ons
aller zinspreuk worden: „Jezus moet wassen, maar
ik moet afnemen." In die mate, als ons natuurlijk
Ik afneemt, neemt Jezus in ons toe. Dit afnemen echter
heeft gewoonlijk helaas slechts op smartelijke wegen en
door smartelijke ondervindingen plaats. Het is treurig, dat
het zoo gaat; maar omdat wij zijn zooals wij zijn, gaat
het slechts zóó. Menige schoone verwachting van levens-
geluk moet verijdeld worden; menig uitstekend, voor de
toekomst veel belovend plan moet als een ellendig kaar-
tenhuis ineenstorten; menig flink begonnen werk moet
onvoltooid blijven wegens ons onvermogen. Op eene diep
verootmoedigende wijze moeten wjj leeren inzien, hoeveel
ijdelheid, onreinheid, dwaasheid ook onze beste werken
besmet heeft, zonder dat wy het bespeurden. En dit alles,
opdat wij niet steunen op onze eigene wijsheid, wijsbegeerte,
verstand, deugd en kracht. Verlaten moeten wjj worden
door zoovele menschen, op wier trouw wQ kasteelen bouw-
den; onverbiddelijk worden wij door den dood gescheiden
van zoo velen, wier liefde ons paradijs was, opdat wij van
de verderfelijke menschenvergocling, in wier strikken wij
zoo lichtelijk vervallen, afstand doen. — Bitter is het ver-
der, te ondervinden, dat niets, wat de geheele wereld ons
oplevert, ons dorstend hart kan bevredigen; dat aan alle
-ocr page 411-
895
vreugde en genot dezer wereld nu eens geheel onmerkbaar,
dan weder duidelijk hoorbaar de worm des doods knaagt.
Nochtans kan ons deze smartelijke ervaring niet gespaard
worden, want wjj moeten der wereldvergoding afsterven,
die ons zoo diep in het vleesch zit.
Maar wij moeten in de school van Jezus alles slechts
verliezen, om alles des te heerlijker in Hem terug te ont-
vangen. Jezus ontneemt ons niets, wat Hij ons niet dui-
zendvoudig vergoeden wil. Het aardsche verdwijnt, maar
datgene, wat eeuwig blijft, wordt ons in Hem geschonken.
De oude natuur, die wij van den eersten Adam ontvangen
hebben, moet sterven, maar eene nieuwe menschheid, in
het licht en de heerlijkheid des eeuwigen levens, wordt ons
in Jezus, den tweeden Adam, geschonken. Zijn wij in zijne
school van onze onmacht en nietigheid overtuigd geworden,
clan openbaart Hij vervolgens de kracht zijner genade in
deze onze zwakheid. Is zijne genade ons genoeg, dan schenkt
Hy ons eenen rijkdom, die onze stoutste voorstelling en
verwachting verre te boven gaat. Dit Ik, dat wij aan den
dood overgeven, zal in hemelsche schoonheid weder opstaan.
In de plaats van deze wereld, die wij laten varen, komt
een nieuwe hemel en eene nieuwe aarde; in de plaats van
deze genietingen en vermaken, die wij begraven, komt eene
vreugde en een genot, zoo groot, zoo zalig, dat alle blijde
uren van het aardsche leven slechts een zwak voorgevoel
daarvan geven.
Het is derhalve Gods bedoeling niet, dat wij in het groot
heelal zullen opgelost worden, zooals thans door velen
wordt geleerd; ook niet, dat onze persoonlijkheid „in God
opgelost" zal worden; neen, neen, deze onze persoon-
lijkheid zal tot eene zelfstandigheid en heerlijkheid komen,
die van geenen dood en geene stormen iets te vreezen
-ocr page 412-
390
heeft, nameljjk tot de heerlijkheid van Christus zelf. Wg
zullen niet ophouden, personen en karakters te zijn; neen,
wjj zullen dat door Christus eerst worden in de volle betee-
kenis van het woord, en wel voor alle eeuwigheid. Mozes
zal Mo/es, Elia zal Elia, gij zult gij blijven. Maar Jezus
zal alles zijn in allen. Is zn\'n kruis eerst uw kruis gewor-
den, clan zal zjjn kruis ook voor u zjjn, wat het voor Hem
was, - een troon van goddelijke heerlijkheid.
De Heer alleen staat aan de poort,
Hij, die vol heilig vuur hier kwam
En \'t menschdom, met een liefd\'rijk woord,
Verzoenend in zijn armen nam.
Zie op zijn kruis met dankb\'ren zin,
Want niemand gaat ten hemel in,
Tenzij een vonk in zijne ziel
Van dit brandaltaar nederviel.
Als reeds de zon van deze sfeer
Mij door haar lieflijk licht verblijdt,
Zoo breng me eens daar, waar Gij, o Heer!
De ware Zon der uwen zijt!
Blh\'f Gij, in vreugd en tegenspoed,
Ook bij \'t verlies van goed en bloed,
Blijf Oh\' mijn leven, gij mijn licht,
Dan sluit ik vroolijk de oogen dicht.           Amen.
-ocr page 413-
INHOUD.
BUdx.
Opdracht................ .      v
Voorrede.................    vu
I. David en Nathan...........1-140
1.    Die man is des doods..........      1
2.    (iy zijt die man!...........     22
3.    Ik ben die man...........     41
4.    De droefheid naar (ïod.........     60
5.    Vergeving..............     80
6.    Een ernstig „maar"..........    103
7.    De hoogste triomf der almachtige genade . .    123
II. De Pro feet E lia. .........141—396
8.    Een mensch gelijk w\\).........    141
9.    Elia in de eenzaamheid.........    163
10.    De nieuwe gemeenschap met de weduwe . .    192
11.    Jammerklacht en jubeltoon in het huis dei-
weduwe ..............   217
12.    Het Godsgericht op den Karmel.....   241
13.    Een biddend mensch met bebloede handen .    266
14.    Aan den rand der vertwijfeling......   285
15.    Adventsgefluister op den berg der wet . . .    310
16.    Arbeid, vriendschap, hoop........   332
17.    Des adelaars vlucht naar de eeuwige zon . .   353
18.    In het licht van den Thabor.......   375
-ocr page 414-
Bij D. BOLLE
BAZAAR VAN GOEDKOOPE BOEKEN
HANG No. 98 b/d ZEEVISCHMARKT
ROTTERDAM
is verkrijgbaar, zoolang de voorraad strekt:
De Compleete Dichtwerken van Nicolaas Beets, naar tijds-
orde gerangschikt en herzien, mot fraai portret van den Dichter -
4 Deelen — ingenaaid, prijs ƒ7.50 voor slechts ƒ3.00 — in vier bij
uitstek fraaie praclitbandeii, voor slechts ƒ5.50.
sJ^— Dl\'. Vos zegl hiervan in de Htitlenhimsche Kerkbode:
Keeils menigmaal maakte het bekende streven van dien boekhan-
delaar, om degelijke wei ken goedkoop in den handel te brengen, het
mij en voorzeker velen met mij mogelijk, een werk, welks bezit wij
begeerden maar welks aanschaffing de beurs verbood, ten eigendom
te verwerven; en hebben wij er hem menigmaal in den geest onzen
dank voor toegebracht, thans vooral doen wij het met geheel ons
hart. Niemand onzer zal het noodig ooidceleu, dat wij de gedichten
van BKETS, den gelauwerden dichter, aanbevelen. Ontegenzeggelijk
behooren zij tot die voortbrengselen van den nienschelijken geest,
waarover men nog spreekt en waardoor men den geest nog verkwikt
en voedt lang nadat de auteur reeds gestorven is. Als \'t een dichter
waardig is dat zijn zangen in het hoofd van het volk leven en tot
het hart er van spreken, wie zal dan niet in de eerste plaats 1SEETS
noemen.\' Wie, die aankweeking van waren Godsdienstzin begeerlijk
acht, zou het niet wenschen dat dit nog meer dan thans het geval
ware? Daarom zij den lieer BOLLE dank gebracht voor deze poging
uni de dichtwerken van BEETS te doen komen in vele handen, die
vroeger te kort waren om er naar te reiken. Moge die poging ge-
waardeerd worden! Ouders, vrienden, vraagt gij naar een boekwerk,
hetwelk gij op verjaardag, St. Nicolaas, Kerstmis of bij dergelijke
gelegenheden wilt schenken en waarvoor men nog lang daarna u
dankbaar zal wezen, — met vrijmoedigheid en beslistheid bevelen
wij u aan : De complete dichtwerken van N. HEEÏS, naar tijdsorde
gerangschikt en herzien, 1830 — 1884, nieuwe uitgaaf, met keurig
portret, zooals die netjes ingenaaid worden aangeboden voor ƒ3.00
of in vier sierlijke prachibanden voor slechts ƒ5.50.
-ocr page 415-
J. P. HASEBROEK. Eerste en Latere Gedichten. - opgedragen
aan Nicolaa? BEKTE — 3e herziene druk. — Ingenaaid voor slechts
ƒ1.25, in smaakvollen prachtband voor slechts ƒ1.80.
Verrukkend schoon zijn HASEBROEK\'s woorden en zielverheffend is
zijne poëzie — wie er kennis mede wil maken schalie zich bovenstaande
bundel aan, waarvan de rijke inhoud — die hieronder volgt —ons tot
lezen uitnoodigt:
Dertig jaren           Duurstede — Vondels vermaking — Bilderdijks
dood — Bilderdijks graf — De Vrouw: Kind. .long Meisje, Bruid, Moe-
der, Weduwe, Gewijde Non — Kerkklokstonen — De Balling (Hendrik
V) — Het blinde meisje - Kerstnacht — Weemoed — Leven des
dichters en dichterlijk leven — Herinnering. Aan den Rijn — Moeder-
lijden — Victoria -- Bedevaart — Kerkhofbloemen — Domburgs toren-
brand (in 1848) — Het woord — Aan Geertruide, spinnende — Hij
het slot te Duurstede — Op zee — De Lente — De Dauwdrop —
Trekvogels — Verhuizen — Vaarwel aan Zeeland — Sneeuw — Ver-
smaad niet de blondheid van \'t zachte gezicht — Zangen : Ken lied
voor haai\', .la, treur vrij omdat u de jonkheid ontvlood, o, Sluit voor
het woelen der tochten uwe ziel, Ach, waarom zoo vroeg geplukt, Ik
was gelukkig, Zij gaan vooruit, liij den dood eener in den Heer ont-
slapene vriendin - ZANGEN DES TUDS: De Obelisk van Luxor te Parijs—
De aartsbisschop van Parijs. Bij den dood van den Aartsbisschop d\'AUVe —
De Christus Consolator - Uit Italië — Februari 1848 en 1850 -
Hequiescat. Hij bet graf van de eerste helft onzer eeuw — Vertaalde
POËZIE : Mozes. Fragment — Aan het Rijm — De verloren koe, in de
Apennijnen — De koningin van \'t bal — Het lied der Marionetten —
Aan een volmaakten vriend — I.ied — Liedereu van tiiomas HOORE
(1 — XVIII) — Toegift: To a destined non (N. Beets) — Song
(.1 J. L. ten Kate).
J. P. HASEBROKK. Dicht en Ondicht. 2 Deelen. Prijs / 0.— voor
slechts /\' 2.25 In twee smaakvolle prachtbanden voor slechts f 3.—
O. FUNCKE. Fanlns te Water en te Land. 1 Deel ingenaaid
voor slechts ƒ 1.50. In keurigen prachtband voor slechts f 1.90.
O. FUNCKE. Waak op, myn ziel! Christelijk Dagboek 1 Deel. Prijs
f 5.25, voor slechts ƒ 3.90. In fraaien linnen band voor sleclits ƒ 4.75.
T. C. R. HÜYDECOPER. De Christen-leeraar en Huisvriend,
nog sprekende nadat hij gestorven is.
Ken Liijbelscb Dag-
boek. 2e Druk met portret. Prijs ƒ 5.25. In linnen band voor slechts ƒ 3.9\'.
C. H. SPURGEON. De zeven Wonderen van Genade. Uit het
Engelsch door Alma. 2e Druk. Prijs /\' 1.25, voor slechts f 0.75.
C. H. SPURGEON. Voor iederen morgen. Dagboek voor Huisgezin of
Binnenkamer. Naar het Engelsch door P. Huet. 4e druk. In heel linnen
band prijs f 2.40, voor slechts ƒ 1.90.
-ocr page 416-
.#1^
C. H. SPURGEON. Voor iederen avond. Dagboek voor Huisgezin
of Binnenkamer. Naar het Engelsen door H. E. Faure, 4e druk. In heel
linnen band, prijs f 2.40, voor slechts f 1.90.
JAMES SMITH. Het Herderlijk Morgenbezoek. Dagelijksche lierin-
neriugen voor het Volk des Heeren, naar de 50e Engelsche uitgave,
bewerkt door C. M. W. van de Velde, 6e druk. In heel linnen band
voor slechts f 1.50.
JAMES SMITH. Het Herderlijk Avondbezoek. Dagelijksche herin-
neringen voor het Volk des Heeren, naar de 50e Engelsche uitgave,
bewerkt door C. M. W. van de Velde, 6e druk. In heel linnen band
voor slechts ƒ 1.50.
PRACHTWERKEN.
De Werelddeelen van FRIED VAN HELLWALD, compleet in drie
groote lmp. Deelen, 1300 bladz. met 45 artistiek uitgevoerde platen,
in 3 weelderig versierde typische prachtbanden. Deel I Europa en de
Poolgewesten , Deel II Azië en Afrika, Deel III Amerika en Australië.
In het Nederlandsen bewerkt door .1. C. v. D. BERG. Prijs f 24, nu
voor slechts f 8.50.
Geographie, Land- en Volkenkunde, Natuurstaat en Beschaving. Plan-
tengroei en Dierenwereld, Landbouw en Nijverheid, en alle andere
wetenswaardigheden onzer geheele Aarde vindt men in dit Meester-
werk van HELLWALD bijeen. Geen droge opsomming van langdradige
verhandelingen en statistieken, maar boeiende, afwisselende lectuur
omvat dit in alle opzichten dit niet genoeg te waardeeren werk. \'t Is
in een woord gezegd, een sieraad in het Salon, een onderhoudend boek
in de Huiskamer, een boek voor den Geleerde en voor den Leek, voor
Onderwijzer en Leerling, een boek voor ieder die smaak voorhetgoede
en degelijke heeft.
Een en ander wordt franco door liet geheele Land ver-
zonden op ontvangst van Postwissel waarop het verlangde
vermeld staat.
!•* De compleete Catalogus van nieuwe Goed-
kOOpe Boeken wordt op aanvraag gratis en franc»
verzonden.
-ocr page 417-
I