-ocr page 1-
%i<**xxi<#*m*&*ivx%x m
-ocr page 2-
VYW^ ï^JUAa
-ocr page 3-
^BfijtfS?
-ocr page 4-
u
WIJ ZULLEN ELKANDER WEDERZIEN.
-ocr page 5-
Oedrukt bg Df. Erven Loosjer, te Haarlem.
-ocr page 6-
00 & i
WIJ ZULLEN ELKANDER WEDERZIEN.
Woorden des levens
BIJ DEN DOOD ONZER DIERBAREN.
VERZAMELD
J. J. L. TEN KATE.
cV\\^b» OwA.
AMSTERDAM,
D. B. CENTEN.
-ocr page 7-
„This is a book for those whose friends, though once on earth,
have now „passed into the heavens." The subject of which it treats,
must ever prove intensely interesting, so long as death continue»
to desolate our ln-arts and homes."
J. M. Killen, Our friends in Heaven.
(Preface.)
-ocr page 8-
\\-%^%^^^>-\'.\\.V\\.^>.^^>-^^^^^^-V.^.\'V.-*.-V^.V>.\'V.^-W-N.-V.\\.V-\\.>.N.N.N.\'VN,v^.\'V.XN.-\\.VXV\'V.\\.N.>.\\.-VVVV%V\\.A.>.>.\'>.V-^-
Met stille vreugde begroet ik dezen v ij t\'d e n druk van mijne:
i> Woorden des Levens bij den dood onzer dierbaren". Ook nu
heb ik daar slechts twee ivoorden bij te voegen: éen van dank
voor de goede plaats aan het goede woord geschonken; éen van
vernieuwden zegen over zoo menig bladzij, reeds gezegend aan
menig hart.
Vele geliefde medepelgrims, die voor vijf-en-twintig jaren de
eerste uitgave van dit boeksken met dankbaarheid begroetten, zijn
reeds vooruitgegaan naar het Vaderhuis daar Boven ; maar, niet
waar?
wij volgen, en het blijft intusschen voortruischen in ons
reislied:
„Een Wederzien aan \'t eind der wegen
„Heeft God in \'t hart geprofeteerd!"
En Gods profeciën zijn Ja en Amen.
Sept. 1887.                                           J. J. L. TEN KATE.
w
-ocr page 9-
INHOUD.
I LEERREDENEN.
Bladz.
I. DE VERLOSSING VAN ONS LICHAAM...................        1.
II. HET WEDERZIEN HIERNAMAALS...................... 23.
III. DE NIEUWE AARDE................................. 47.
II. MENGELINGEN.
HET ONTWAKEN...................................... 73.
VERRIJZEN — EEN PAASCHHYMNE..................... 84.
ONSTERFELIJKHEID................................... 87.
LEVEN EN STERVEN....... .......................... 90.
KERKIIOFBLOEMEN.................................... 91.
DE GEZELLIGHEID DES TOEKOMENDEN LEVENS............ 95.
HIERNAMAALS....................................... 97.
RUK TEN HEMEL. — FRAGMENT........................ 98.
LICHT IN DEN NACHT................................. 99.
WEDERZIEN EN HERKENNEN........................... \'101.
EEN HOOP EN EEN TROOST............................ i06.
VRIENDSCHAP BLIJFT.................................109.
JA, DAAR !..........................................110.
IS DE HOOP OP HEREENIGING NIET ONGEGROND?........ 111.
-ocr page 10-
Bladz.
DES HENSCHEN ZIEL IS EEN ONVERDERFELIJK WEZEN\'.....   118.
TROOST BIJ DEN DOOD EENS DIERBAREN................   120-
DE DROOM EENER WEES . . ...........................   122.
DE BESTE VERTROOSTING.............................   126.
HEBBEN WIJ ELKANDER VOOR HET LAATST GEZIEN ?.....   127.
NA EEN UITVAART...................................   131.
DE DAG BREEKT SPOEDIG AAN.........................   134.
GEDACHTEN VAN I.AVATER............................   134.
INDIEN ONS HIERNAMAALS GEEN WEERZIEN WACHTTE ....   136.
AAN BEDROEFDEN....................................  141.
LICHT IN DEN NACHT................................   141.
BROEDERLIEFDE BIJ DE LIEFDE TOT ALLEN OOK IN DEN
HEMEL............................................   146.
AAN EEN LIEVEN DOODE...............................   148.
WAAROM ?...........................................   149.
-ocr page 11-
DE VERLOSSING VAN ONS LICHAAM.
LEERREDEN
OVER
ROM. VIII: 23.
5« DRUK.
1
-ocr page 12-
-ocr page 13-
ROM. VIII: 23.
OOK WIJ-ZELVEN, DIE DE EEKSTELINGEN DES GEESTES HEBBEN,
WIJ OOK ZELVEN ZUCHTEN IN ONS-ZELVEN, VERWACHTENDE DE AANNEMING
TOT KINDEREN, DE VERLOSSING ONZES LICHAAMS.
„Het leven is mij Christus en het sterven is mij gewin." Indien
er één woord in de Schrift dat andere woord hevestigt: „De
wijsheid Gods is der waereld een dwaasheid," dan is het dit. Want
voor den „natuurlijken" mensch, voor de kinderen dezer waereld,
bevat het een tweevoudig raadsel.
„Het sterven is mij gewin," zegt Paulus, en daar schijnt al wat
menschelijk in den mensch is, tegen in te druischen. „Hoe? de
dood! hij is immers de uitblussching van het licht des levens; de
verdwijning van al wat ons dierbaar is; de verwisseling van Gods
lieve zon en al de schatten en genietingen waarover zij opging,
voor de kille duisternis van het graf, in troosteloze, bewusteloze,
eindeloze eenzaamheid. Het sterven eene winst?... \'t Is veeleer
het grootste verlies; want alles kan herwonnen worden; alleen
het verloren leven niet!"
Zoo spreekt de mensch van nature: hij verstaat de wonderspreuk
niet: en durfden zijne lippen vertolken water op den bodem zijner
ziel ligt, zij zouden geen geringer beschuldiging uitbrengen dan
i*
-ocr page 14-
4
die van overspanning en dweeperij. Van waar dit? Het andwoord
is niet verre: \'tis, omdat bij hem de voorwaarde niet vervuld is,
waarop dat schijnbaar zoo duistere woord een evangelie wordt
vol van hemelsche klaarheid. Paulus toch zegt niet maar in\'tal-
gemeen, dat het sterven een gewin is voor allen en bij alles: maar
bepaaldelijk dan, wanneer Christus ons leven is.
„Christus ons leven!"... Nieuwe onbegrijpelijkheid!... Onder-
vraag nu wederom den „natuurlijken" mensch, en hij zal u ver-
klaren: „Het leven is mij — al wat mijn hoofd en hart vervult;
dat is: de waereld, met haar lief en leed, haren arbeid en hare
vermaken, haar goud en hare bloemen; al wat ik liefheb: mijn
eer bij menschen, de betrekkingen die mijn eenzaamheid aanvullen
en de banden weven die mij aan anderen verbinden: mijn gade,
mijn kinderen, mijn vrienden: kortom: alles wat het leven aan-
brengt op zijn bonten stroom..."
„En Christus ?" Ja, bij deze vraag zal er een trek van verlegen-
heid, zoo maar niet van weerzin op zijn gelaat zich vertoonen,
en zoo hij oprecht genoeg is om niet te veinzen, zal het heeten:
„Welnu, Christus is mij een schaduw over het leven: de ernstige
verstoorder dikwijls mijner vreugde, een dreigende vinger tusschen
de bloemen in mijn feestzaal. Of, zoo ik al, nu en dan, door tegen-
spoed of teleurstelling, mij voor een oogenblik met zijne strakke,
boeteverkondigende, ijdelheidprei\'kende somberheid verzoenen laat,
dan is hij mij hoogstens een voorbijgaande gedachte, die zoo lang
duurt tot de voorspoedszon wefv schijnt, of mijn aangeboren lucht-
hartigheid, op vleugelen van aardsche hoop, weer alle zorgen voor
zich heendrijft... . Neen , neen, Christus is mijn leven niet, en mijn
sterven blijft een verlies!"
Rampzalige taal, die een bittere, wanhopige jammerklacht
wordt, wanneer, t\'avond of morgen, de onverbiddelijke ure slaat,
-ocr page 15-
5
waarop de waereld verdwijnt met al hare begeerlijkheid, en het
brekend hart een godlijken troost behoeft om God te gemoet te
durven gaan. Huiveren wij er van terug, en zoeken wij liever
de leuze van Paulus tot de onze te maken: ja, rusten wij niet,
eer wij die nog meer bepaald mogen uitbreiden tot het heerlijk
woord van onzen tekst, en wij ook, „vol van de eerstelingen des
geestes," in stille verzuchting ons mogen verkwikken aan de
„verwachting dei\' aanneming tot kinderen, de verlossing van ons
lichaam." Of is het niet heerlijk, in deze vallei der zonde, der
smarte en des doods, gerust te kunnen voortwandelen in de wèl
gegronde hoop eener eeuwige zaligheid?
Mocht, onder Gods zegen, de tegenwoordige ure daaraan dienst-
baar zijn, als wij, naar onzen tekst, overdenken: het zuchten
en hopen der geloovigen!
I.
Onze Apostel begint het hoofdstuk, waaruit wij onzen tekst
ontleenen, met een lofverhefling der zalige voorrechten en ver-
wachtingen, die \'t deel zijn van hen die Gods genade smaken
en, dien tengevolge, nu dan ook Hem met hun gantschen wandel
verheerlijken.
Voor hen is geen veroordeeling te vreezen; want zij zijn vrij-
gemaakt van de wet der zonde en des doods, door Christus Jezus,
dien God daartoe in de waereld gezonden heeft. Zij zijn niet
meer naar den vleesche, bedenkende hetgeen des vleesches is,
en alzoo Gode niet kunnende behagen: neen, door den geest de
werkingen des vleesches doodende, mogen zij zich, als kinderen
Gods en mede-erfgenamen van Christus, in de hope der zaligheid
verheugen. Die hoop vertroost hen onder alle beproevingen: zij
versterkt hen onder \'t lijden, waarin zij met het gantsche schepsel
-ocr page 16-
6
deelen; zij doet hen zelfs dat lijden zegenen, als een opvoedings-
middel dat hen vormt voorde aanstaande heerlijkheid, die immers,
spijt alle strijd en moeite, onbetwijfelbaar zeker bleef.
Gij bemerkt het, mijne Vrienden! de Apostel ziet eerst rondom
zich heen op de aardsche vergankelijke schepping, waarvan Adam
het hoofd is, om straks den blik vooruit te werpen in de eeuwige
geestelijke schepping, die Christus uit haar te voorschijn zal
roepen, als de groote dag komt, waarop Hij alle dingen nieuw
zal maken. Die aardsche schepping verkeert in een staat van
verderfelijkheid. Met den val des menschen werd de aarde ver-
vloekt, en het verderf sloop in de natuur. Daarmede greep een
groote verandering in de gantsche aardsche schepping plaats: de
heerlijke eenstemmigheid , die te voren in al haar deelen geheerscht
had, werd verbroken; de levenskrachten, waarvan de werken
Gods hier beneden doordrongen waren, vertraagden. In plaats
van vrede, kwamen verdeeldheid en strijd: in plaats van een in
Gods gemeenschap onvergankelijk leven, kwamen vergankelijkheid
en dood in de waereld. Dit geschiedde buiten den wil van het
schepsel, en met zijn eigenlijk wezen in tegenspraak. De geheele
natuur toch huivert terug voor den dood: de plant keert zich
van zelf naar het licht, het dier zoekt zijn voedsel en ontwijkt
met een verwonderlijk instinkt wat het schadelijk is. Alles wil
leven: alles wil zich in zijn bestaan verheugen; ja, nog een beter
leven dan het tegenwoordige leven bereiken. Naar zulk een
heerlijk leven, naar zulk een nieuwe en onvergankelijke Para-
dijsvreugde, ziet de gantsche lagere schepping met smachtend
verlangen uit: gelijk de aanstaande moeder naar het oogenblik,
waarop zij, van hare smarten ontbonden, het nieuwe schepsel
ten leven baren zal.
En indien nu die gantsche lagere schepping alzoo reikhalst naar
-ocr page 17-
7
■den tijd, wanneer, naar de zinnebeeldige taal der Profeten, de
wolf met het lam zal verkeeren, de zon en de maan helderder
schijnen, de woestijn en de eenzame plaats vrolijk en lustig zullen
bloeien: hoe zou dan niet in nog veel hooger mate de redelijke
en zedelijke mensch, de geloovige Christen, naar een toekomstigen
staat van heerlijkheid uitzien?
„Ook wij," zegt de Apostel, „die de eerstelingen des geestes
hebben, ook wij zuchten in ons-zulven." Ook wij, die den geest,
als eersteling en aanvang van den door God ons toegedachten
grooten zegen en als onderpand der toekomstige volkomen ver-
lossing, in ons hebben, gevoelen dat wij ons nog in een onvol-
maakten toestand bevinden. Wij ook verkeeren in die zelfde barens-
weën, waaronder degantsche schepping zucht; want wij smachten,
vooral niet minder dan zij, naar een aanstaande vernieuwing en
verheerlijking.
Wij doen dat „in het binnenste," d. i. in ons-zelven, van gant-
scher harte: — zeker met droefheid, want de tegenwoordige toe-
stand kwelt en drukt; maar toch ook, door Gods genade, met
•een blijde, onbedriegelijke hoop, „verwachtende de aanneming tot
kinderen, te weten de verlossing onzes lichaams." De uitdrukking
komt in den beginne vreemd voor. Hoe? heeft Paulus niet „de
eerstelingen des geestes," en moet hij dan de „aanneming tot
kinderen" nog verwachten als iets toekomstigs? Zijn de geloovigen
niet reeds kinderen Gods? Zegt Johannes niet\'): „Zoovelen Chris-
tus aangenomen hebben, dien heeft hij macht gegeven kinderen
Gods te worden (namelijk) die in Zijnen naam gelooven." En
wederom *): „Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods." Ja, verklaart
Paulus-zelf niet \'): „Gij zijt allen kinderen Gods, door \'tgeloof
\') Joh. I : 12.                •) I. Joh. III : 2.               «) Gal. III : 26.
-ocr page 18-
8
in Christus Jezus." En elders \'): „Overmits gij kinderen zijt, zoo
heeft God den geest zijns Zoons uitgezonden in uwe harten, die
roept: Abba, Vader! zoo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht,
maar een zoon: en indien gij een zoon zijt, zoo zijt gij ook een
erfgenaam van God door Christus" — ?
Zoo is \'t. Maar de Apostel bedoelt hier met „aanneming" niets
anders dan de uitwendige, volkome openbaring dier aanneming.
Gods geest getuigt met den geest der geloovigen dat zij kinderen
Gods zijn: maar hier op aarde, waar zij nog in \'t geloof en niet
in de aanschouwing leven, missen zij nog de volle heerlijkheid
van het kindschap Gods. Christus is hun leven, en daarom zullen
zij niet sterven in der eeuwigheid en als een Koninklijk Priester-
dom met Hem leven: maar hier beneden, zoolang de proeftijd
duurt, is „dit hun leven nog met Christus verborgen in God \')."
Dat geldt vooreerst van het nieuwe levensbeginsel-zelf des
Christens. Wat menschenoog kan zien wat er in hem omgaat?
Hoe stil en bedekt ontwikkelt zich de nieuwe mensch in zijn hart?
Verborgen is de innerlijke zelfstrijd eener ziel, die zich losmaakt
uit de banden der zonde, om de waarheid te gemoet te streven.
Verborgen zijn hare verzuchtingen, bij het hongeren en dorsten
naar gerechtigheid. Verborgen zijn de morgenflikkeringen der
zelfkennis, der droefheid, des berouws, der verootmoediging voor
den Heer, dieelkander afwisselen in zijn binnenste. En wederom —
verborgen zijn de invallende stralen van Gods genade , die het hart
verlichten en verwarmen. Verborgen is het stilworden der ziel tot
God, door de vertroosting van Christus\' naam. Verborgen, het
Abba-roepen des geestes; de nieuwe bewegingen der liefde tot
God en den naaste; de worstelingen met de zonde, de overwin-
\') Gal. IV : 6—7.                  \') Coll. III : 3, 4.
-ocr page 19-
9
ningen in Gods kracht. Verborgen, eindelijk, zijn al die zoete,
onuitsprekelijke voorgevoelens der zalige eeuwigheid. Van die
Eeuwigheid is zijn Tijdelijk Leven de kiem, die in detegenwoor-
dige waereld diep begraven ligt, hier wel wortelt en groeit, maar
eerst in de betere waereld volkomen zal uitbotten, bloeien en
vruchten dragen.
Ja, ook met betrekking tot hun uitwendig leven, zijn de geloo-
vigen nog niet openlijk aangesteld in de heerlijkheid der kinderen
Gods. Zij zijn een heilig volk — en toch struikelen zij allen in vele.
Hun burgerschap is in den Hemel — en toch zwerven hunne voeten
nog over den aardschen pelgrimsweg. Zij zijn bestemd voor een
eeuwige vreugde — en toch zijn de tranen der droefheid menig-
maal in hunne oogen. Zij roepen elkander toe: ,,Verblijdt u!" —
en toch verzuchten zij: „Ik ellendig mensch!" Zij zijn verkoren
tot Koningen en Priesters — en toch vindt gij bij hen noch gedaante
noch heerlijkheid. Zij smaken de eerstelingen van het manna dat
verborgen is — en toch zwoegen zij hier dikwerf voor een schamel
stuk broods in \'t zweet huns aangezichts. Zij bezitten goederen die
noch motte noch roest verteren, een onvergankelijke erfenis in de
hemelen — en toch kan het hun gebeuren, dat zij als Lazarus
hongeren of als Job verarmen. De onverderfelijkheid wacht hen —
en toch verouderen en verstompen zij, naar lichaam en geest. Zij
kunnen niet sterven in der eeuwigheid — en toch hebben zij den
dood nog in \'t gezicht. Zij zijn de verkoren erfgenamen van heel
de aarde en hare volheid, die het Godsrijk en Zijnen burgers is
toegezegd — en toch kunnen zij hier beneden vaak niet eens zoo-
véél voeten gronds koopen als noodig zijn om hun gebeente eene
laatste rustplaats te verzekeren.
Neen, het blijkt ook uitwendig nog niet, dat zij aangenomen
zijn tot Gods kinderen!___ En van waar dit? — De reden ligt
-ocr page 20-
10
voor de hand: omdat zij de verlossing huns lichaams nog niet
bezitten. Zij behooren met hun lichaam nog tot de tegenwoordige,
bezoedelde, lijdende, vergankelijke schepping. Dat lichaam is het
reiskleed, dat eerst moet afgelegd worden, wil liet witte feestkleed
der ruste worden aangetrokken. Dat lichaam is de tabernakel,
die eerst verbroken moet worden, wil het huis dat niet met
handen gemaakt maar eeuwig in de hemelen is, worden betrok-
ken. Dat lichaam is de zaadkorrel, die eerst in de aarde moet
vallen en sterven, wil hij levendig worden. Dit verderflijke moet
onverderflijkheid aandoen, en dit sterflijke onsterflijkheid. Dan
eerst zal het woord geschieden dat geschreven is: „De dood is
verslonden tot overwinning: dood, waar is uw prikkel? graf,
waar is uw triomf?" Zoolang er nog één vijand overblijft, kunnen
Gods kinderen als zoodanig niet leven en genieten. De laatste
vijand nu die te niet gedaan wordt, is de dood: en hij wordt
eerst te niet gedaan, als dit vleesch wordt afgelegd, d. i. als wij
„verlost worden uit dit lichaam."
Is het dan wonder, zoo onze Apostel verklaart, dat Gods kin-
deren naar die verlossing smachten? Is het wonder, dat zuchten
en juichen zich bij hem en hen samensmelt in één oogenblik,
in dat woord dat wij overdenken, een woord der heilige smarte
en der heilige hope tevens: „Wij verwachten de aanneming tot
kinderen, de verlossing onzes lichaams?"
II.
Des Christens zuchten en hopen geldt alzoo de aanstaande
heerlijkheid van \'t kindschap Gods, die zijn deel wordt bij de ver-
lossing des lichaams. Geen wonder, dat hij in dat lichaam zucht;
geen wonder, dat hij op de verlossing uit dat lichaam hoopt:
want is \'t niet een lichaam der zonde, een lichaam der smarte,
-ocr page 21-
-11
een lichaam des doods, dat hij omdraagt en waarvan de bevrij-
ding hem is toegezegd?
Gods kinderen verwachten nog maar, bezitten nog niet, de
aanneming, de aanstelling, de openlijke verheerlijking als Gods
kinderen; want zij wonen nog in een lichaam der zonde.
Ik weet het wel, het lichaam-zelf is niet de bron of zetel der
zonde. Dat is het hart. „Van uit het hart des menschen," sprak
de grootste Menschenkenner, „komen voort booze bedenkingen,
doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valsche getuige-
nissen en lasteringen." Maar ach, hoe stelt dit lichaam, als de
bedorven zinnelijkheid daarin heerscht, nog gedurig zijn leden
tot wapenen der ongerechtigheid! Ja, ook waar Gods geest in
het hart gebied voert, zoekt het lichaam met zijne „schandelijke
bewegingen" nog zoo vaak den beteren mensch daar binnen te
binden en te overwinnen. Wij hebben den strijd tegen vleesch
en bloed; tegen de leden die op de aarde zijn: tegen de begeer-
lijkheden die ombruischen door onze aderen. Het is het oog —
dat opziet naar den Verboden Boom, om te ontwaren dat zijne
vrucht goed is tot spijze of begeerlijk om verstandig te maken.
Het is het oor — dat de fluisterstem der Verleiding opvangt en
indrinkt en overbrengt naar het hart, dat, zoo het al overwint,
toch niet overwint dan na heftigen strijd vol van vreeze en schaamte
en worstelend gebed, en met verlies van de maagdelijke frisch-
heid der onschuld. Het zijn de lippen — die de wacht overrom-
pelen, voor haar uitgezet door de christelijke omzichtigheid, en
nu eer zij het weet verrast door het ijdele, het booze, het toor-
nige woord, indien maar niet door het onreine en Godbedroevende ,
dat met geen spade boetetranen kan worden teruggenomen. Het
is de hand — die zich uitstrekt naar het ontzegde, die der on-
gerechtigheid\', den wrevel, der misdaad te gemoet komt, als een
-ocr page 22-
12
al te willig werktuig. Het is de voet — die het half weêrstrevig
hart meevoert naar de plaats der zonde, den kuil der schande,
de diepte der ellende. Hoe vaak onderdrukt het lichaam de wer-
kingen des geestes! Het hangt lood aan de vleugelen des gebeds.
Het deelt zijn traagheid, zijn lusteloosheid, zijn aardschgezind-
heid mede aan de ziel. Het verstoort zoo menigmaal de sabbatsrust
des gemoeds, of belemmert den christelijken moed tot het goede,
zoodat we nalaten wat wij willen, doen wat wij ons niet voor-
namen, niet voltooien wat wij beginnen, en niet volbrengen wat
wij wenschen! Hoe onafgebroken moeten wij waken, bidden en
kampen om het vleesch te dooden. En hoe moeten wij ons-zelven
onophoudelijk toeroepen: „Weet toch en vergeet niet, dat onze
oude mensch met Christus gekruisigd is, opdat het lichaam der
zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen!"
Is het dan wonder, zoo de geloovigen zuchten bij de verwach-
ting der aanneming tot kinderen, de verlossing van hun lichaam
der zonde?
Zeker neen! Maar evenmin is het wonder, dat zij van vreugde
gloeien, dat de zucht een juichtoon wordt, bij de overdenking
der vaste hoop dat die verlossing hun zeker geschonken zal
worden....
Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid : een geestelijk lichaam
wordt er opgewekt. O, mijne Vrienden! stelt het u voor, zoo gij
kunt, een omkleedsel te dragen, dat, wel verre van zich tegen
onzen beteren, geestelijken mensch te verzetten, met hem in vol-
maakte overeenstemming is, hem te gemoet komt en helpt. Den
Heer gelijkvormig te zijn. Geen vleesch meer, dat anders spreekt
dan Gods geest in ons. Geen booze meer, die verzoeken kan.
Geen zinnelijkheid meer, die verbijsteren kan. Geen Adam in ons.
-ocr page 23-
"13
Allen strijd geëindigd te voelen. Geen slagboom tusschen Gods
wil en onzen wil. Geen wet meer in de leden, die krijg voert
tegen de wet des gemoeds, maar ééne wet: Gods wil; en één wil:
Gods wet! Onbelemmerd in denken en gevoelen, te bedenken al
wat lieflijk, al wat rechtvaardig is, al wat welluidt,al watdeug-
delijk en loflijk is bij God en de Zijnen. Gods nabijheid alom te
ontwaren. Geen wenschen te kennen, dan dezulken die uitgaan
tot Hem en zich oplossen in Hem, gelijk alle stroomen zich op-
lossen in de zee. Onbelemmerd toe te nemen, door geen logge stof
verhinderd, in kennis en heiligheid. Op te klimmen, ongekluis-
terd door den aardschen ledenlast, van licht tot licht, van deugd
tot deugd, bij een hersteld evenwicht van alle krachten en gaven.
Een nieuwe waereld te zien opengaan, die, bij alle onuitputtelijke
verscheidenheid, telkens hare éénheid terug vindt in Hem, uit
Wien, door Wien en tot Wien alle dingen zijn. En zóó zonder
hinderpaal vooruit te streven naar het doel: „Weest volmaakt,
gelijk uw Vader die in de hemelen is!".... Is dat geen zalige
verwachting? En is het niet gants natuurlijk, dat Gods kinderen
naar hare vervulling uitzien, meer dan wachters naar den morgen?
Maar die verlossing die zij wenschen en verwachten, is ook, in
de tweede plaats, daarom voor hen een voorwerp van verlangend
zuchten en verbeidend juichen, omdat het de verlossing zal zijn
niet slechts van een lichaam der zonde, maar ook van een lichaam
der smarte.
Dat lichaam heeft smart en geeft smart. Het heeft zijn eigen
stoffelijk lijden niet alleen, maar brengt ook vaak de ziel in lijden,
gelijk deze wederkeerig het lichaam pijnigt. — Ons lichaam deelt
de prikkelbaarheid, de wisselvalligheid, de broosheid der stof,
waaruit het genomen is. Wat al nooden, wat al behoeften dringt
-ocr page 24-
14
het ons op, die, onvervuld, met smarten slaan!... Is de honger
niet een scherp zwaard? Kan de dorst niet branden als vuur?
Koude, hitte, arbeid, nijpen en drukken ze ons niet op hunne
beurt? En wie zal ze tellen, al de ziekten en kwalen, die ons fol-
teren kunnen, eer de ure der ontbinding geslagen heeft?... En
ware het alleen de stof\', die daaronder leed! Maar de band tus-
schen ons lichaam en onzen geest is zoo nauw, dat de gewaar-
wordingen des eenen zich pijlsnel aan den andere mededeelen. —
Zoo gaat de ziel vaak gebukt onder den last die de leden drukt.
Het lichaamswee wekt ongeduld: het ongeduld doet klagen en
morren: het klagen en morren veroorzaakt schaamte en smart,
die wederom voor datzelfde lichaam de pijn verdubbelen. Want
gelijk het lichaam machtig is om den geest te bestrijden en vaak
te verwinnen, zoo is het tegelijk alzoo machteloos, dat het op
zijne beurt door de werkingen des geestes, de driften des harten,
de bewegingen des gemoeds, de gewaarwordingen en aandoeningen
der ziel, gekrenkt, gebogen, gefolterd, versleten wordt!....
Neen, \'t is niet immer de plotselinge krankte, die den aard-
schen tabernakel doet krimpen van weedom, niet immer de tijd,
die den blos wegvaagt van de wangen, het vuur der oogen
bluscht, de hairen doet vergrijzen, de borst pijnlijk doet adem-
halen, het hoofd buigt naar de aarde. Ook de armoe, ook de
ellende der waereld, ook de rampen en weérwaardigheden des
levens, ook de teleurstellingen en grieven, ook het hartzeer,met
één woord, doen het lichaam lijden, dat het lijden der ziel nu
verdubbelt.
Neen, geen wonder, nog eens, dat de Christen vaak zucht
onder dat kruis, dat hij overal meé moet dragen, en verzucht
naar den dag der verlossing!
-ocr page 25-
15
Geloofd zij God! die verlossing komt, Gods kinderen zullen
ontslagen worden van het lichaam der smarte, en in hunne nieuwe
woning zal geen rouw meer zijn, noch moeite, noch gekrijt.
„Het lichaam wordt gezaaid in zwakheid: het wordt opgewekt
in kracht." Geen zonde meer daar binnen, die de ziekte der ziel
was: en daarom ook geene ziekten meer in het lichaam, die de
gevolgen der zonde zijn. Geen kwelling meer in het hart, dat
verheven is boven den invloed der eerste dingen: en daarom dan
ook geen kwalen meer, ombruischende in de aderen en rond-
spokende door de leden, zoolang wij in dit dal der schaduwen
vertoeven. Geen honger meer; geen dorst meer; geen koude
meer die verkleumt; geen zon meer die verschroeit; geen arbeid
meer die verstijft; geen overspanning die knakt. Alle oude won-
den gesloten, en voor nieuwe wonden geen plaats meer. Geen
rampen of zielesmarten, die ontijdig het veege lichaam ineen
doen zakken, als een ondermijnde woning. Maar het brandend
zweet van het nu blinkend voorhoofd gewisclit; de bijtende tra-
nen gedroogd van het verjeugdigd gelaat; alle rimpels geslecht;
alle voren geëffend; alle zwakheden weggenomen; alle gebreken
hersteld; elke trek, elke speling op het aangezicht, gelouterd en
verheerlijkt. De oogen blinkende van den koninklijken glans der
hoogste liefde, vreugde en vrede. Met één woord, het geheele
huis des geestes stralende van het afschijnsel der heerlijkheid
Gods, die, onder onuitsprekelijke vreugde, in de verloste ziel is
uitgestort!
O, wij verstaan het, het is de blijdste hope, de hope der
zaligheid-zelve, die den Christen doet verlangen naar de verlos-
sing uit het lichaam der smarte, die hem de voorrechten van
het kindschap Gods eerst recht zal doen smaken!
-ocr page 26-
46
En nog eens, voor het laatst, die verlossing die zij wenschen
en wachten, doet hen zuchten en juichen, omdat het, eindelijk,
de verlossing zal zijn niet slechts van een lichaam der zonde en
een lichaam der smarte, maar ook van een lichaam des
doods!
Een lichaam des doods!... Ja, wij dragen het om, zoolang wij
hier beneden zijn, van onze intrede in het leven af aan.
Wij worden geboren om te sterven, en beginnen te sterven
als wij geboren worden; ja, wij sterven dagelijks. Dat is: niet
alleen verkeeren wij, met alles wat ons lief en dierbaar is, öp
aarde onophoudelijk in gevaar om elkander onder de aarde te
ontzinken, maar werkelijk snellen wij met eiken dag, met ieder
uur, met iedere sekonde — den dag, het uur, de sekonde van
ons verscheiden te gemoet. Onze polsslagen zijn geteld, en zij
vliegen weg onder onze hand, zonder poozen, zonder weder-
keeren, tot geen pols meer klopt.
Zeker, zoo wij in Christus Jezus zijn, heeft de dood zijn scher-
pen prikkel voor ons verloren, want de prikkel des doods is de
zonde, en Christus heeft ons van den vloek der zonde verlost.
Maar toch, ook voor den geloovige blijft de dood toch nog altijd
een beschamend, een bedroevend, een huiveringwekkend ver-
schijnsel: en hij gevoelt het, geen ware, geen duurzame, geen
volkomen kindervreugde in God voor hem, eer het uit zijne toe-
komst voor eeuwig is weggenomen! — Beschamend is hem de
gedachte aan het lichaam des doods: want zij herinnert hem —
zoo hij het anders vergeten kón! — dat hij een zondaar is; want
de dood is de bezoldiging der zonde, en indien hij geen zondaar
ware, hij zou niet behoeven te sterven. — Bedroevend is hem de
gedachte aan het lichaam des doods: want zij herinnert hem —
zoo hij het anders niet ervaren had! — dat ook de zijnen het
-ocr page 27-
17
omdragen, en dat elk volgend oogenblik hem een vaarwel van
brekende lippen kan te gemoet voeren. En dat woord van: „Vaar-
wel," ook waar wij hopen en gelooven, ook waar het zich in een:
„Tot weerziens" oplost, is altijd hard: hardst voorzeker voor den
achterblijvende, die midden in den strijd blijft staan, verarmd
aan zijne dierbaarste bezittingen. — Maar huiveringwekkend ook
is de gedachte aan het lichaam des doods. De hand, die geesten
lichaam scheidt, is zoo geheimzinnig: de verborgenheden der
stervensure zijn zóó ondoorgrondelijk; de verandering, die de laatste
dag in het lichaam doet ontstaan, zóó geweldigen zóó droevig...
Hoe zal \'t hem zijn, als het jongste zweet op \'t voorhoofd rijst;
als de onnatuurlijke scheiding van wat oorspronkelijk niet bestemd
was om gescheiden te worden, den geest doet verrijzen naar den
Vader der geesten, het lichaam doet vergaan tot stof inhetstot,
in een verborgen hoek der aarde?... Ziet, hier is geen kond-
schapper die wederkeerde; en zoo er vroeger éen herrees uit de
groeve, geen Lazarus heeft ook met een enkel woord gerept van
de geheimen des doods, en de verrezen heiligen naast Jezus\'kruis
verschenen in Jeruzalem, maar — bleven sprakeloos voor ons.
O, het is geen wonder, zoo de voorstelling van het aanstaande
sterfbed der onzen en van ons-zelven ons wel eens doet verzuch-
ten: „Ik ellendig raensch, wie zal ons verlossen van het lichaam
dezes doods? Ik wenschte reeds ontbonden en bij Christus te zijn!.."
Welnu, Geliefden! die verzuchting lost zich op in dezen juich-
toon der blijde verwachting: „Dat zal eenmaal anders worden!"
Van het lichaam des doods zullen wij eerlang verlost worden en
daarmede van de vreeze des doods, van zijn pijn en zijn over-
macht beide.
„Het lichaam wordt gezaaid in verderflijkheid: het wordt opge-
5e druk.
                                                                              2
-ocr page 28-
18
wekt in onverderflijkheid." Gelijk wij het beeld des Aardschen
gedragen hebben, zoo zullen wij ook het beeld des Hemelschen
dragen. De Aardsche Mensch dien wij geleken, is de eerste Adam,
die sterven zag en sterven moest. De Hemelsche mensch is de
tweede Adam, is de Heer uit den Hemel, die van onsterfelijken
omringd is en zelf levend is tot in alle eeuwigheid.
O, onuitsprekelijk zalige gedachte, een vreugde te genieten die
niet eindigen, niet eenmaal zelfs verpoozen zal! De zijnen daarbij
naast zich te hebben, onafgebroken en altoos. Den Heer te volgen
waar hij ons heen leidt, door Gods onvergankelijke hemelen, met
een voet die niet meer verstijven, met een oog dat niet meer ver-
duisteren, met een hart dat niet meer breken kan... Ontwaakt
te zijn voor eeuwig, uit eiken slaap, ook uit den laatste: om te
blijven waken, zonder vermoeid te worden — te blijven werken,
zonder zich de taak onvoltooid uit de kille vingeren te voelen
wegrukken; altijd jong; altijd krachtig; altijd vol des levens en
der levenskrachten; ja, der levensvolheid, uitgaande van Hem
die het Leven is! Eeuwig te zien, van aangezicht tot aangezicht,
wat wij hier slechts bij oogenblikken als een raadselachtig spiegel-
beeld voorbij zagen zweven. Eeuwig te hooren, wat wij op Aarde
niet hooren konden en wat in den Hemel nooit genoeg gehoord
kan worden. Eeuwig in het harte om te dragen, wat hier tot het
hart ter nauwernood kan opklimmen. Gode gelijkvormig te zijn
geworden, den alleen Onverderflijke — onverderflijk in Hem! En
zóó, als kinderen het beeld des Vaders, zóó als broeders en zusters
de gelijkenis des Eerstgeborenen te dragen, in al wat wij zijnen
hebben___
Hoe zal ons dan, ja dan wel zijn ?
Hoe ons dan zijn zal, weten wij niet: maar de geloovigen weten hoe
hun te moede is bij de verwachting zulker dingen. En hunne ziel is
-ocr page 29-
19
in hen als in barensnood, reikhalzende naar het nieuwe leven; en
zij zuchten van verlangen en zij juichen van hope, bij de toezegging
der aanneming tot kinderen, de verlossing huns lichaams!
Ik heb mijn raak voleindigd. Neen, toch nog niet voleindigd,
want nog ééne vraag zweeft mij op de lippen, die ik niet weêr-
houden mag. Is ook ü dat heilig zuchten en hopen bekend, waar-
van wij gesproken hebben? Verlangt gij ontslagen te worden van
dit uw lichaam der zonde, der smarte, des doods? en zoo ja,
doet gij dat op goede gronden?...
Vreest gij den dood — of verlangt gij naar hem ? —
Vreest gij hem ?___Dat is niet: Ontwaart gij die onwillekeurige
huivering, die eiken zondaar kan aangrijpen bij de gedachte aan
de bittere bezolding der zonde, ook nadat hij heeft aangenomen
en beleden, dat zij door Christus voor hem is aanvaard? Dat is
nog minder: Deinst uw vleesch en bloed terug voor den verplet-
terenden slag, die den tabernakel van één zal scheuren, wier
pennen zoo diep en zoo vast zijn geslagen in den bodem uwer
zinnelijke menschennatuur? — Want op beide vragen zondt gij:
ja! kunnen zeggen, zonder nochtans daarbij den dood waarlijk te
vreezen. Vreest gij den dood met uw hart? Vreest gij den dood —
niet zoo zeer om hem-zelven, dan wel om hetgeen op hem volgen
moet? — Grijpt een onverwinnelijke angst u aan, bij de gedachte
voor het aangezicht Gods te moeten verschijnen en rekenschap te
geven van \'t geen gij gedaan hebt in het vleesch, hetzij goed,
hetzij kwaad, en vergolden te worden naar uwe werken? — Gij
onderstelt dus, dat gij door uwe werken niet gerechtvaardigd kunt
worden bij den driemaalheiligen God, die „een verterend vuur"
is? Hieraan althans doet gij wel, want tegen de wet zal niemand
bestaan... Maar arme, naakte, verloren zondaar! weet gij dan
-ocr page 30-
20
niet dat er een Zaligmaker is, Wiens gerechtigheid u kleeden,
Wiens tusschenkomst u behouden kan? — Gij weet het!—Maar
gelooft gij het ook?... En zoo neen! waarom dan toch niet? Zoo-
lang gij liet niet gelooft, kan u die wetenschap niet baten. 0,ont-
zettend zou het geweest zijn, zonder eenige hoop op verzoening
geboren en gestorven, den rechtvaardigen Vergelder in handen te
hebben moeten vallen, die reden had te zeggen: „Goed heb ik u
gemaakt naar lichaam en ziel: waarom zijt gij kwaad geworden?
Mijn toorn blijve op u!" Maar onuitsprekelijk ontzettender zou
het mi zijn verloren te gaan, nu ons gantsche leven niets anders
is dan een onophoudelijk vernemen van de teedere smeekstem des
Barmhartigen, die als met vaderlijke tranen bidt: „Daar is ver-
zoening en vergeving: mijn zoon, geef mij uw hart! Neem Jezus
aan en mijn hemel staat u open!"
Neemt Jezus aan. Ja, doet het nog, gij die het tot heden ver-
zuirnd hebt. Het is laat: maar niet te laat. Gij kunt Hem niet
missen, en Hij die u zou kunnen missen, Hij wil het niet. Hij
wenscht van u aangenomen te worden, en wacht alleen tot gij
dat óók wenscht, om u aan te nemen voor immer!... Daar staat
gij, kind van één dag! op de buigende zode, die alleen nog maar
U gescheiden houdt van uw graf, dat onder uwe voeten gaapt.
Aan uw linkerhand staat — de Dood, met al zijn schrikken en
vervaamissen, met zijn stekenden prikkel en al de gruwzaamheden
des schimmenrijks. Aan uw rechterhand staat — de Eeuwigheid,
met het vonnis der verwerping, met den worm die niet sterft,
met het vuur dat niet gebhischt wordt! Maar vóór u staat —
Jezus, met uitgebreide armen... Werp er u in — en de Dood
zal verdwijnen, en de Eeuwigheid zal van gedaante veranderen:
want daar is geen verdoemenis voor die in Christus Jezus zijn,
en die in Hem gelooft, zal niet sterven!...
-ocr page 31-
21
Getuigt dat hier — niet gij, o Zaligen! die daar boven reeds
•wandelt in het eeuwige licht. Wij weten het, gij zult den berg
uwer heerlijkheid niet verlaten, om, al ware \'t ook maar één
oogenblik, terug te keeren tot deze lage vallei, waaruit de Koning
des levens u voor immer heeft weggedragen. Gij kunt het niet
en — gij begeert het niet. Het behoeft ook niet: want wij hebben
een wolk van getuigen hier rondom ons liggende. Die wolk vormt
gij, armen van geest; reinen van harte; kinderlijke zielen; held-
haftige strijders! die, langs den weg des geloofs en der vernieuwing,
aan Christus\' hand tot God zijt teruggekeerd, en nu voortwor-
stelt, door alle deuren en slagboomen heen. naar Zijnopen Hemel!
Daar wandelt gij reeds, naar de verzekerdheid van uw hart, dat
met de waereld heeft afgerekend en nu van haar niets meer
wacht, noch aan haar iets meer te geven heeft, om alles aan
God te geven en alles van God te verwachten!
Uw lichaam-alléén is nog beneden, en daar is nog maar ééne
poort overgebleven, die uwe hope scheidt van haar volle ver-
vulling. Die poorte heet: „uw graf." Gij zult er niets in achter-
laten dan den versleten reismantel, die daar boven niet meer
noodig is, omdat gij er blijven zult in de woonstede die eeuwig
is in de hemelen. Gij behoeft niet te sterven om haar te zien
opengaan: want gij zijt gestorven, van den heildag af, waarop
gij met Christus gekruist werdt!...
O, gij gelukkigen, vergeet niet dat gij het zijt: en herinnert
u onophoudelijk door wien gij het werdt! Duurt het oogen-
blik, waarop de laatste grendel zal worden weggeschoven, langer
dan gij gemeend hadt, —oefent u in de lijdzaamheid, die wacht
en niet vooruitloopt, die duldt en niet haast, en de zoetste be-
vinding werkt der zekerste verwachting!.... „Zalig die het
heimwee hebben, want zij zullen thuis komen." Of, zal de ure
-ocr page 32-
22
der verlossing misschien spoediger slaan dan gij hadt vermoed :
welnu, des te beter! Want in geen geval kondt gij u verrekenen,
die alle dingen schade hebt gerekend bij het uitnemende gewicht
der aanstaande heerlijkheid, en dagelijks uwe dagen hebt leeren
tellen, opdat gij een wijs harte bekomen mocht!.. Houdt dan
de lampen brandende, want gij weet den dag noch de ure,
waarin de Hemelsche Bruidegom komen zal. Dit weet gij: bij
eiken klokslag van den toren, is Hij een uur dichter, bij eiken
polsslag een voetstap nader bij.
Hoort! Zijne schreden ruischen in ons midden.
Heer, wie zal de eerste zijn ?
Wij danken U dat wij leven; wij danken U dat wij sterven
mogen.
Hetzij wij leven of sterven, wij willen het U doen, o Heer!
want gij zijt ons deel in eeuwigheid.
AMEN.
W
-ocr page 33-
HET WEDERZIEN HIERNAMAALS.
LEERREDEN
OVER
JOH. XVI : 22.
-ocr page 34-
-ocr page 35-
JOH. XVI : 22.
IK ZAL U WEDEROM ZIEN, EN UW HAKT ZAL ZICH VERBLIJDEN,
EN NIEMAND ZAL UWE BLIJDSCHAP VAN U WEGNEMEN.
"Wij zijn van gisteren en weten niet. Toch is de zucht naar
kennis niet alleen een der eigenaardigste kenmerken, maar ook
een der schoonste voorrechten onzer natuur. Het is nog niet ge-
openbaard wat wij zijn zullen; maar wij weten, dat, als Christus
zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen, want wij
zullen Hem zien, gelijk Hij is. Is het dan wonder, dat wij menigmaal
uit de diepte van dit eerste leven een blik naar boven slaan, of
wij, door den sluier der verborgenheid heen, een enkelen lichtstraal
mochten opvangen van de heerlijkheid van dat tweede leven, die
hier niet gezien wordt, maar die God heeft weggelegd voor allen
die Hem liefhebben? En als wij nu, den één voor, den andere na,
van onze zijde zien verdwijnen, op den weg dien wij gaan, in
het huis waar wij wonen, aan den disch waar wij aanzitten; als
wij telkens en telkens weer zoo menig vriendelijk oog zich zien
sluiten, dat ons met zijn licht verblijdde en vertroostte; als wij
allengskens eenzamer en eenzamer de pelgrimsreis voortzetten
-ocr page 36-
26
naar het huis des Vaders — nog éénmaal, is het dan wonder,
dat wij ons daar soms in den geest verplaatsen, en, peinzende
aan die allen die ons vóór zijn gegaan, de vrage voelen oprijzen
in ons binnenste: ,.Zal ik hen wederzien? Zal daar eene herken-
ning plaats hebben?\'" De vraag kan voor niemand onzer onver-
schillig zijn; want wie is onder ons die niemand mist en eens
door niemand gemist zal worden ?
Ik wenschte eene poging te beproeven, of het mogelijk ware
haar eenigermate te beandwoorden, en sloeg den Bijbel open, of
ik een klaar en bestemd woord mocht vinden, dat in het volle
licht der openbaring de toestemming boven twijfel stelde. Maar
zoodanig woord vond ik niet; en bij eenig nadenken werd het mij
duidelijk waarom ik het niet vond: maar duidelijk evenzeer, dat
ik als Evangelieprediker mijn roeping niet te buiten zou gaan,
wanneer ik die vraag nochtans op den christelijken kansel bracht,
indien ik hare beandwoording kon vasthechten aan een zoodanige
uitspraak, die althans zijdelings daartoe het recht gaf.
Zulk een uitspraak meende ik gevonden te hebben in het voor-
gelezen tekstwoord.
Het is een woord van Jezus uit de afscheidsreden tot zijne
Apostelen in den laatsten nacht voor zijn lijden en sterven. Het
Avondmaal is gevierd, de lofzang gezongen: zij gaan uit naar den
Olijfberg. En nu, al wandelende naar den hof der smarte, opent
de getrouwe Heiland het hart voor de Zijnen. Nog éénmaal kon-
digt Hij hun zijn lijden aan, als door Gods Profeeten voorspeld,
als nochtans voor hen, zwakke jongeren, een steen des aanstoots,
want zij zouden Hem verlaten en verloochenen. Hij waarschuwt
hen tegen ontrouw aan Hem en liefdeloosheid jegens elkander, tegen
moedeloosheid bij de haat en miskenning der waereld, en vertroost
hunne harten over Zijn aanstaande scheiding door de belofte des
-ocr page 37-
27
heiligen Geestes, die hen zelf in de waarheid zal leiden, en tevens
de waereld overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oor-
deel. „Die Geest," zegt hij, „zal mij verheerlijken, want hij zal
\'t uit het mijne nemen en zal \'t u verkondigen!" En als ware
deze toezegging nog niet genoeg om de afscheidstranen te ver-
zoeten, zoo laat nu de Heer er bemoedigend op volgen: „Een
kleinen tijd en gij zult mij niet zien, en wederom een kleinen
tijd en gij zult mij zien, want ik ga henen tot den Vader. Voor-
waar, voorwaar, ik zeg u, gij zult schreien en klagelijk weenen,
en bedroefd zijn, terwijl zich de waereld verblijdt, maar uwe
bedroefdheid zal tot blijdschap worden. Gij hebt nu wel droefheid,
maar ik zal u wederzien, en uw hart zal zich verblijden, en
niemand zal uwe blijdschap van u wegnemen!" Zoo belooft hij
hun dan vóór de poorte des grafs een zalig Wederzien na de
opstanding. Die blijdschap zou juist uit hunne droefheid geboren
worden, en voorts door geen dood des Meeren meer worden ver-
broken, ja nimmermeer ophouden. De Heer heeft woord gehouden :
zij hebben Hem wedergezien, den Verheerlijkte, nog veertig dagen
op aarde, en nu reeds achttien eeuwen in den Hemel! En wij
ook, zoo wij volharden, zullen Hem zien gelijk Hij is, en al
Zijne jongeren met ons. Zoo brengen wij dan het woord van
onzen Meester op ons-zelven over, wien Hij immers in alles gelijk
is geworden, uitgenomen de zonde. Hij, de waarachtige Mensch,
die ons tot ware menschen wil maken , geeft ons in Zijne heer-
lijkheid uit lijden, en al wat daarmede in verband staat, het
beeld van onze eigen toekomst te aanschouwen, zoovelen wij
in Hem zullen gevonden worden. Komt, gaan we dan van
Zijn woord uit, bij onze tegenwoordige beschouwing van liet
Wederzien Hiernamaals, en leeren wij dat achtereenvolgends
kennen als:
-ocr page 38-
28
I.   Een mensclielijk verlangen,
II.   Een christelijken wensch,
III.    Een hemelsche hoop,
IV.    Een heerlijke verwachting;
— om met een woord van waarschuwing en vertroosting het
overwogene te besluiten.
I.
Het Wederzien der onzen hiernamaals is een Menschelijk Ver-
langen.— Zietdaar in de eerste plaats u een waarheid genoemd,
mijne vrienden! die ik zoo algemeen en zoo onweersprekelijk
geloof, dat hare opzettelijke verdediging een overtollig werk mag
heeten.
Verre van mij dan ook de poging om te willen bewijzen wat
geen bewijs behoeft, omdat gij mij de slotsom gewonnen geeft
reeds eer het betoog is begonnen. Al wat ik wil, is u herinneren,
dat dit verlangen inderdaad, wel verre van door beweegredenen
van buiten in ons verwekt te zijn, veeleer zijn grond heeft in
het wezen-zelf onzer natuur. Immers, het ontstaat uit een dub-
bele behoefte der menschheid, zoo diep geworteld, dat men eer
het hart zou verscheuren dan haar wegrukken uit zijn bodem:
zij heeten
behoefte aan onsterfelijkheid, en
liefde tot de onzen.
Of is het niet zoo, mijne medechristenen! als wij ons een
Wederzien hiernamaals verbeelden, ligt daarbij niet stilzwijgend
ten grondslag ons verlangen naar Onsterfelijkheid? Het geloof aan
zulk eene onsterfelijkheid woont, met meer of minder bestemd-
heid, in het binnenste van alle menschen. \'t Is waar, sommigen
-ocr page 39-
20
hebben haar stoutweg ontkend; maar het is hun gegaan even als
den Godloochenaars : het geweten, vaak plotseling ontwaakt,
maakte hen tot leugenaars en deed hen, in weerwil van zich-
zelven, geloof hechten aan \'t geen zij-zelf met alle inspanning
als een dwaasheid trachtten te verwerpen. En die onsterfelijkheid,
wier zekerheid zich, spijt alle drogredenen der zinnelijkheid, op-
dringt aan het verstand en de conscientie, is een zicli-zelf bewuste
persoonlijke zelfstandigheid. Spreekt den stervende zooveel gij wilt
van een onvergankelijk overblijven zijner nagedachtenis bij de
menschen, of van de voortzetting van zijn leven in dat zijner
nakomelingschap; predikt hem een terugvloeien van zijnen geest
in de Godheid, waaruit hij zijnen oorsprongheeft, gelijk de stroom,
uit de dampen der zee geboren, zich straks wederom spoorloos
oplost in den schoot der zee. Hij zal het hoofd schudden en and-
woorden, dat gij met zulke troostredenen zijn hart niet kunt
verkwikken. En geen wonder! wij gevoelen het, dat het niets
dan woordspeling is, den naam van Onsterfelijkheid te geven
aan de instandhouding onzer gedachtenis, indien deze al mogelijk
ware; — dat de mensch maar niet een lid is van het menschdom
en alleen het leven van zijn geslacht leeft, gelijk de plant en het
dier, maar bovendien ook zijn eigen leven leeft en een bestemming
heeft voor zich-zelven; — dat hij die bestemming niet volkomen
bereikt in dit leven van vorming en voorbereiding, en dat alzoo
zonder de mogelijkheid om haar in een volgend leven te bereiken,
zijn geheel verblijf hier beneden niets dan eene nuttelooze ver-
schijning, ja, de onwezendlijkheid-zelve zou zijn geweest. Neen,
ons ik willen wij behouden en ontwikkelen; ons zelven willen wij
in de eerste plaats hervinden. Met persoonlijke zelfbewustheiden
zelfstandigheid wenschen wij voort te leven: want — om ons bij
ons onderwerp te bepalen — zoo wij verlangen de onzen hier-
-ocr page 40-
30
namaals weder te zien, het is evenzeer om door hen herkend te
worden als om hen te herkennen.
Daar komt dan de Liefde tot de onzen bij. Zeker, er is een
natuurlijke liefde, die zich gelden doet bij eiken mensch die nog
niet geleerd heeft, den laatsten trek van het Goddelijk Beeld in
zijn hart te verwoesten. Indien het waar is, dat de zonde in den
mensch een neiging heeft verwekt om zijn naaste te haten, het
is even waar, dat de neiging om zijn naaste lief te hebben daar-
tegenover staat, als de overgeblevene sprank van het vuur der
Liefde, dat in zijn oorspronkelijken staat in hem leefde. Indien
de vatbaarheid om te beminnen uit ons binnenste verdwenen
ware, dan ware ook het aanrakingspunt verdwenen, waar zich
het Goddelijke met het Menschelijke ontmoeten kunnen: met andere
woorden, dan zouden wij opgehouden hebben menschen te zij n
En inderdaad, wie heeft ze niet, die hij, zij \'t dan op zijne wijze,
d. i. vaak gebrekkig en zelfzuchtig, maar nochtans innig lief heeft?
Wij zijn van het Ouderlijk Huis af aan gewoon aan het gezellig
verkeer en den vertrouwelij ken omgang met hen, die in de eerste
plaats door de banden des bloeds aan ons verbonden zijn. De kring
van hen, met wie wij leven en \'t leven genieten, heeft zich sedert
steeds uitgezet. In onze eigene woning en daarbuiten zoeken wij
dagelijks de aangezichten, wier aanschouwing ons een lieflijke ge-
woonte werd: de handen, die ons zegenen en van ons gezegend
worden; de harten, die aan de onzen op\'t nauwste verknocht zijn.
En welk een smarte nu,hen één voor één van onze zijde en uit ons oog
te zien verdwijnen! Wij gevoelen het pijnlijk bij ieder Vaarwel aan
den grens van tijd en eeuwigheid: die scheiding moest niet zijn,
de dood moest daar niet wezen! Maar nu zij er is en hij niet
ophoudt de bezolding der zonde te betalen, is dit althans nog een
zweem van overwinning in de treurige nederlaag, dat ons hart
-ocr page 41-
31
niet vergeet wie het eenmaal beminde. Het beeld der verstorvenen
wandelt met ons voort hier beneden. Wij gedenken hunner in
onze vreugde en hunner allermeest in ons lijden. En wie ook later
dit leven aanbrengt om hunne ledige plaatsen te bezetten; wat
wij ook verwachten van de ontmoeting der onbekenden in het
leven hiernamaals: ons oog keert zich onwillekeurig met heimwee
naar de graven, waar onze welbekenden slapen; en wij fluisteren
het hunner assche toe: „Zullen wij elkander weerzien daar ginder,
weerzien en herkennen?"
Gewis, dat verlangen is menschelijk, want uit twee menschelijke
behoeften is het geboren. Alleenlijk, dat bevredigt ons niet: want
wij weten het, niet alles wat wij menschelijk noemen, is geoor-
loofd, sints onze natuur door de zonde bedorven is. Spreekt zelfs
niet de Apostel van een „natuurlijken mensch" in tegenoverstelling
van den „geestelijken mensch?" en is die zucht naar wederzien
en herkenning in den grond der zake niet bloot zinnelijk van aart,
een begeerte onzer lagere natuur, die liever moest worden onder-
drukt dan gevoed? Het is niet genoeg te erkennen dat wij ver-
langen : de vraag is, of wij mogen verlangen. Welnu, wij mogen \'t:
het menschelijk verlangen is een Christelijke Wensch; want wel
verre van in strijd te zijn met Gods deugden of met onze eigene
bestemming, is hij daarmede veeleer in overeenstemming.
Ons verlangen naar een wederzien en herkennen der onzen
hiernamaals is geoorloofd: want het is niet in strijd met Gods
deugden: noch met Gods almacht, noch met Gods liefde, noch
met Gods wijsheid.
Niet met Gods almacht. Want schoon het waar is, dat de dood
ons lichaam ontbindt, onze gelaatstrekken uitwischt, onze oogen
bluscht, en weldra niets van onze vroegere uiterlijke gedaante
-ocr page 42-
32
overlaat dan een handvol stof en een onherkenbaar lijkgebeente —
wat zou den Almachtige kunnen verhinderen de herkenning der
verheerlijkten te doen plaats hebben, waar immers de wezendlijke
persoonlijkheid niet is vernietigd maar veeleer tot haar volle recht
gekomen? Neen, wij behoeven niet eenmaal met zekeren Kerk-
vader *) te verwachten, dat de afgescheidene zielen de gelijkenis
en gedaante harer lichamen behouden. Wij behoeven niet eenmaal
te beweeren, dat God op de aangezichten der verheerlijkte lichamen
de grondtrekken der vroegere — immers spiegels en uitdrukking
des inwonenden geestes? — veredeld zal herhalen. Het is genoeg
te vertrouwen, dat God in elk geval bij machte is, om langs
den weg eener hoogere dan bloot zinnelijke aanschouwing, de
herkenning te doen plaats hebben op de meest onbedriegelijke
wijze.
Zou Zijn liefde het niet gedoogen? Maar die liefde bedoelt
immers ons volkomen geluk, en zoo het Wederzien onzer dier-
baren, ware \'t ook voor één enkel uur, ons reeds hier op aarde
onuitsprekelijk gelukkig zou maken, wat zou het dan ginder
voor eeuwig zijn!
Maar Gods wijsheid kan het verbieden! En waarom dan toch?
Als Gods wijsheid twee menschen op aarde samenbracht; als
Gods wijsheid hen naast elkander den weg ten leven deed be-
wandelen; als Gods wijsheid hen dan aan elkanders zaligheid
deed arbeiden, zoodat ze elkaar weêrkeerig dank weten als redder
hunner zielen — wat onbehoorlijks zou er gelegen kunnen zijn
in een wederontmoeting daarboven, waarbij de oude banden,
maar verheerlijkt, weer aangeknoopt, de oude arbeid, maar op
hemelsche wijze, voltooid konden worden?
\') Irenaeus.
-ocr page 43-
33
Ik ben reeds ongemerkt genaderd tot wat ik hier in de tweede
plaats wilde opmerken, dat het wederzien hiernamaals evenmin
ook met onze bestemming in strijd is.
Of is het niet onze bestemming, ook in die andere waereld,
die immers de volmaking zal zijn der tegenwoordige, te samen
te leven, te samen te genieten, te samen God te verheerlijken?
Maar zou dat samen zijn dan zoeter zijn, wanneer men elkander
niet kende? Zou het daarom juist vruchtbaarder of heilzamer
zijn? Was het hier beneden dan bekoorlijker bij enkel vreemden
dan in den kring, waar ook vrienden ons wachtten? Zoo het
samen lijden op aarde de smart verminderde, zou het samen zich
verheugen in den hemel de blijdschap niet verdubbelen? Vuurt het
den arbeid niet aan, te voleindigen met wie men begon? En zou
het bespreken van de dingen Gods, die men samen ondervond op
de reize naar het Vaderhuis, niet de dankbaarheid voor den Vader
verhoogen ? Men zal Gods leidingen en bezoekingen en uitred-
dingen en louteringswegen, op aarde ervaren, toch niet vergeten
in dien hemel, werwaarts zij henen voerden? Integendeel, zij
zullen eerst recht klaar en helder worden voor het gezaligd oog,
en nieuwe lofzangen doen opwellen uit het gezaligd hart. Maar
indien dan het geheugen, gelijk al onze vermogens, daar ginder
tot volmaaktheid zal worden gebracht; indien de herinnering aan
de gebeurde dingen mede zal werken om Hem meer en meer te
doen verheerlijken, die uit allen nood heeft gered, die uit eiken
val deed opstaan, die op elke bede heeft gezegend, ook op de
laatste in de ure des doods — hoe zou het dan in strijd kunnen zijn
met die bestemming, ook hen te herkennen, die met ons leden en stre-
den, weenden en baden, geloofden en hoopten, leefden en streefden
en — nu herleefden alsdeelgenooten onzer zaligheid, gelijk ze eens
deelgenooten waren van alles waardoor die zaligheid is gewerkt!
5e druk.
                                                                              3
-ocr page 44-
34
Wat dunkt u, mijne vrienden! heb ik te stout gesproken toen
ik het Menschelijk Verlangen naar een weerzien en herkenning,
een Christelijken Wensch durfde noemen?
„Een Christelijke Wensch?" zegt misschien iemand uwer: „het
zij zoo, maar in elk geval dan toch slechts een — wensch! Hoe
menigmaal verrijzen er ook betamelijke wenschen in ons binnenste,
aan wier vervulling wij nochtans niet durven of kunnen gelooven,
en die wij als schoone hersenschimmen al zuchtend opgeven. Is
het ook hier zoo niet?" Ik durf het betwijfelen, mijne vrienden!
Ik durf nog verder gaan dan ik deed, en in den Christelijken
Wensch ook een Hemelsche Hope begroeten. Met andere woorden,
ik meen dat wij een Wederzien hiernamaals op goede gronden
mogen verwachten. Ik vind die gronden in:
De stemmen van ons Hart, en
de wenken der Schrift.
De stemmen van ons hart. Ik had liever moeten zeggen, van
onze christelijke zelfbewustheid, Gods geest in ons, die uit den
onze spreekt! Of— zegt het mij — een heilig verlangen, zóó diep
geworteld in het christelijk gemoed, zóó algemeen gevonden
bij allen die één Heer en één geloof deelachtig zijn: is het niet
uit God? En doet God, die de waarachtige en getrouwe is, wel
ooit een verlangen ontstaan, dat Hij niet voornemens is te ver-
vullen? Gods wezen is Liefde, en Liefde zal den hemel tot hemel
maken. Liefde tot God allereerst, en tot Hem, in Wien God zich
ons geopenbaard en gegeven heeft, den gezeger.den Verlosser der
waereld. Maar dan ook liefde tot Gods kinderen, de verlosten
diens eeuwig Gezegenden. En — gelijk men te recht gevraagd
heeft — zou nu ons hart niet juist een dier eerste, een der on-
willekeurigste, een der reinste, een der zaligste toepassingen dezer
-ocr page 45-
35
heilige aandoeningen missen, als wij geen kennis droegen van
onze mede-verheerlijkte dierbaren? Op aarde was het onze lieve-
lingspsalm: „Ai ziet, hoe zoet, hoe lieflijk is \'t, dat zonen van
\'t zelfde huis eendrachtig samenwonen, waar \'t Liefdevuur niet
wordt verdoofd," en onder de lieflijkheden des hemels zou deze
ééne worden gemist? De Apostelen des Meeren zullen gezeten zijn
op de twaalf troonen Israëls: zij zullen dus herkenbaar zijn in
hunne persoonlijkheid: een Titus en een Lydia zullen hunnen
Paulus herkennen, hun geestelijken vader in Christus; een Markus
en Cornelius hunnen Petrus, hunnen leermeester en heilverkonder:
de Twaalve elkander, als medelijders en medeheerschers met hun
gekruisten en verhoogden Rabbouni, — en zoo menig gezegend
werktuig in \'s Heeren hand, zoo menig verkondiger van het Goede,
zoo menig leidsman tot de wateren des Vredes, zoo menig strijder
en uitbreider van Gods Koninkrijk, zou niet worden herkend door
de dorstigen die hij drenkte, de zielen die hij won? „Ik zal hem
zoeken maar niet vinden," zegt onze ziele, „wien ik naast God
mijne zaligheid verschuldigd ben? Ik zal, na dien Ééne, aan Wiens
voet de eerste dank moet worden neergelegd, den tweede niet
vinden, aan wiens hart ik mij wil werpen om hem te zeggen wat
ik op aarde niet zeggen kon: „Gij waart mij een uitverkoren
werktuig, want uw woord en voorbeeld hebben mij behouden?.." "
— „Neen," zegt ons hart, „dat niet," en wij willen daarin ons
hart gelooven!
„Maar Gods Woord is de waarheid: wat leert ons Gods Woord
ten dezen? Daar komt het eeniglijk op aan!" — Het zij verre
van ons, wijs te willen zijn boven of buiten hetgeen geschreven
staat. Toch zijn er vragen, die de Schrift, en met wijsheid, niet
rechtstreeks beandwoordt, zonder daarom de wenken terug te
houden, die wel geen vrijheid geven om er een geloofsartikel op
3*
-ocr page 46-
96
te bouwen, maar nochtans ruimte genoeg laten om de hoop te
doen leven. Dat geldt ook van de vraag naar een weerzien en
herkennen. Vergeefs zoekt gij een ronduit: „Ja!" in de heilige
bladen, om een reden die wij nader zullen noemen, maar onge-
noemd reeds nu eerbiedigen. Toch heeft voor den oplettenden
bijbellezer de Schrift ook ten dezen niet gants gezwegen. Ik her-
inner u het woord des Apostels, die, uit zijn verdrukking opziende
naar den grooten dag des vredes, zijnen Thessalonicensen toeroept:
,,Welke is onze hope of blijdschap of kroone des roems? En zijt
gij die ook niet voor onzen Heer Jezus Christus in zijne toekomst?"
en ik vraag u, hoe die geloovigen te dien dage des Apostels kroon
of blijdschap kunnen zijn, indien hij hen niet mag herkennen? —
Ik herinner u de gelijkenis des Heeren, waarin de rijke man,
opziende uit de pijne, een Abraham herkende die daarboven aan-
zat en den armen bedelaar die aanlag in zijn schoot, en ik vraag
u, of de Heer ook zelfs aan het bijwerk eener gelijkenis één trek
zou kunnen bijvoegen, met de waarheid strijdig? — Ik wijs u
op den Thabor, waar de Jongeren des Heeren in de twee ver-
heerlijkte gedaanten Mozes en Elias begroetten; en ik vraag u,
of de tastelijke berg aan drie stervelingen meer te kennen zal
geven dan de berg van Gods heiligheid aan de algemeene ver-
gadering der onsterflijken en rechtvaardigen van het Hemelsche
Jeruzalem ? — Ja, ik wijs u op den verheerlijkten persoon van
onzen Heiland, zooals Hij, uit het graf verrezen, door Maria werd
herkend in den Hof, door de Emmaüsgangers onder de breking
des broods, door de Apostelen in hun woning, door al de Zijnen
op den berg Zijner hemelvaart; en ik vraag u, of wij de belofte niet
hebben, dat ons verheerlijkt lichaam het Zijne zal gelijkvormig zijn,
en of wij daaruit niet mogen besluiten tot de hooge waarschijnlijk-
heid eener herkenning ook van de onzen, Zijne broeders en zusters?
-ocr page 47-
37
O, hemelsche hoop dan, mocht zij ons niet beschamen, maar
uit God zijn, want hare verwachting is heerlijk!
Een Heerlijke Verwachting is die hope des Wederziens:
hier reeds vol vertroosting en heiliging;
eens, in de vervulling, hoe zalig!
Neen, wij duchten niet, dat wij dingen begeeren. die boven het
menschelijk bereik liggen, wanneer wij ons met een herkenning
vleien; en geven ons, voor oogenblikken althans, in die verwachting
toe, om een schat van vertroosting te smaken.
Zeker, de gedachte: „Zij die ik liefheb, zijn nabij God, en daar
hebben zij het oneindig beter dan zij het ooit op aarde konden
hebben," is een balsemdroppel in de wonde der scheiding. Maar
hoeveel lieflijker nog is de nevengedachte: „En daar, bij God, vind
ook ik hen eenmaal weder!" Zóó wordt wat een verlies scheen
alleen een tijdelijk gemis : zoo verandert het moeielijk: „Vaarwel!"
in een juichend: „Tot weerziens!" Onze afgestorvenen zijn ons
nu alleenlijk vooruitgereisd, en staan ginds ons te wachten aan
het beter strand. En waar wij moedeloos nederzinken op ons pad
met de Davidsklacht in het hart: „Mijn vader en mijn moeder
hebben mij verlaten!" \') of met vader Jacob jammerende, „dat
onze Jozefs en Simeons niet meer zijn en ook onze Benjamins
van ons worden weggenomen" \'), daar droogen allengskens onze
tranen op bij de voorstelling van dien morgen, waarop God zal
vereenigen wat zelfs de dood niet kan scheiden. Vele woningen
zijn er in het huis des Vaders, en voor een wijle zijn onze ge-
liefden in een aangrenzend vertrek, maar wij weten het, dat zij
daar zijn: een dunne wand houdt ons gescheiden, en de deur
behoeft slechts open te gaan om ons hen te doen zien!"
■) Ps. XXVII. \') Gen. XLII.
-ocr page 48-
38
En die gedachte heeft ook een heiligende kracht. Voorzeker,
het moet er ons in de eerste plaats om te doen zijn, in Gods
oogen genade te vinden en voor Christus te verschijnen zonder
smet of rimpel: maar wij mogen toch ook daar benevens den
ijver wel sterken door liet vooruitzicht: „Ook zij die mij lief-
hebben, zullen daar ginds mijne verschijning aanschouwen! Zij
zullen de getuigen zijn van mijn verandwoording voor den hemel-
schen Rechter: wee mijner, zoo zij het gelaat moesten afwenden
van mij!" Ja, als de strijd des levens zich verdubbelt; als de zonde
lokt, of de waereld dreigt: als de handen slap worden en de knién
knikken: als het schild des geloofs ons dreigt te ontzinken en
wij de wapens willen wegwerpen, dan fluistert vaak een welbe-
kende stemme ons toe: „Om den wille van ons Wederzien, houdt
goeden moed! Ook óns zoudt gij verliezen, als gij Ood verloort.
Nog één dag, mijn zoon! nog één nacht, mijn dochter! nog
weinige uren, mijn gade, of mijn broeder — en gij rust uit aan
mijn hart, dat u nimmer vergat!\'"
En is die verwachting zoo zoet en zoo rein, hoe heerlijk zal
dan de vervulling niet wezen! Onder de liefelijkste herinneringen
onzes levens staan de zulken vooraan, die ons de uren terugroepen ,
toen wij, na korter of langer scheiding, terug werden gebracht
in de armen der onzen. Maar dat wederzien was van korten duur,
want het geschiedde op aarde, waar alles geleend is en niets beklijft.
Maar daar Boven zullen wij de onzen voor eeuwig hervinden.
Daar rijzen bergen noch zeeën meer tusschen ons en hen; daar
voert geen wisselend levenslot ons meer uit elkanders nabijheid;
daar scheurt ons geen dood meer verrassend van één. Gelijk ook een
uwer dichters gezegd heeft: „De paerel der bestendigheid rust in
de schelp der eeuwigheid." Of gelijk een uwer wijzen heeft ge-
-ocr page 49-
39
sproken: „Slechts voor éénen dag zullen wij te samen komen,
maar die dag heeft geen avond, want daar zal geen nacht zijn!"
O onuitsprekelijke vreugde des Wederziens! hoe verhoogt het hare
waarde, dat zij niets van den tijd heeft te vreezen; dat men van
haar zeggen kan wat van God-zelven en al het Goddelijke geldt:
„Zonder schaduw van omkeering!\'\'
En dat eeuwig samenzijn zal een zalig samenzijn wezen.
Hier beneden is het een proeftijd, en tegenover enkele uren van
gemeenschappelijken zegen, stonden maanden en jaren, waarin
onze hoogste vreugde slechts deze was: het tranenbrood samen
te breken en samen te dragen aan hetzelfde kruis. Dat zal daar
Boven niet meer zijn. Daar zijn alle tranen van de oogen gewischt;
daar is geen kruis meer, geen moeite noch verdriet. Daar zal
men niets te deelen hebben dan een altijd toenemend geluk; dan
steeds rijker ervaringen van een vrede, die alle verstand te boven
gaat: van een vreugde, die daar beneden in geen menschenhart
was opgekomen: van een jeugd der ziele en een leven des geestes,
die immer gevoed en versterkt worden met nieuwe krachten en
lichten en gaven, en zegening op zegening. O onuitsprekelijke
vreugde des Wederziens! hoe doet het hare waarde klimmen, dat
zij slechts het begin is van een gelukstaat zonder einde, dat men
op haar kan toepassen wat van God-zelven en al het Goddelijke geldt:
„Uwe dagen hebben geen einde; uwe heerlijkheid is volkomen!"
En dat kan niet anders, want dat eeuwig zalig Weerzien zal
een heilig Wei-rzien zijn. — Hier beneden kleefde de zonde ons
aan, en zij juist wierp een schaduw op het vrolijkste licht. Hoe
vaak werd ons samenzijn voor een wijle verbitterd, wanneer de
oude mensch zich vertoonde in wrevel of onwil, in het liefdeloos
woord of den stuurschen blik. Wij zagen de onzen struikelen, en
struikelden zelven, tot onze smart of onze schaamte; en de jam-
-ocr page 50-
40
merlijke zelfzucht verwijderde soms onder één zelfde dak, wat
eens onder één zelfde harte gerust had! Dat zal daar Boven zoo
niet meer zijn. Daar is geen zonde meer: daar is het hart ge-
heiligd: daar is God in allen en allen zijn in God. Daar werkt
men altijd samen tot Zijne verheerlijking, want elke gedachte is
van Hem vervuld, en iedere daad getuigt van Hem. Gelijk wij in
Christus Gods beeld hervinden, zóó hervinden wij Christus\' beeld
in elkander, op het stralend voorhoofd, in de werken des lichts,
in het licht der liefde, dat ons bedekt als een kleed. O nog eens,
onuitsprekelijke vreugde des Wederziens! hoe onwaardeerbaar
maakt het u, dat gij rein zult zijn van eiken aardschen smet,
ja! dat van u zal gelden wat van God geldt en al het Zijne:
„Heilig, heilig, driemaal heilig! Daar is gantsch geen duisternis in!"
Zoo hebben wij dan nu het Wederzien Hiernamaals achtereen-
volgends leeren kennen als een menschelijk verlangen, een chris-
telijken wensch, een hemelsche hoop, een heerlijke verwachting;
en ik ben daarbij, zoo mijn voornemen niet geheel mislukt is,
met die heilige behoedzaamheid te werk gegaan, die het onderwerp
eischte, en waarvan de Schrift-zelve mij het voorbeeld gaf.
De Schrift zelve; want — wij hebben het reeds opgemerkt —
zij verzwijgt daaromtrent meer dan zij zegt, zij zegt minder, dan
zij vermoeden laat.
En daarin juist ligt een waarschuwing voor ons, die ik u niet
mag onthouden. Ziet, het is goed en noodig, dat het verlangen
naar den hemel op de aarde in ons wone: alleenlijk, een iegelijk
onderzoeke zich-zelven of dat verlangen het ware zij en overeen-
komstig Gods wil. Gij hebt een strijd op aarde, o menschïenhet
kan u gebeuren, dat gij daarbij moedeloos roept tot den dood
om u te verlossen, ook dan wanneer gij nog volkomen onvoor-
-ocr page 51-
-ii
bereid zijt om hem te volgen. Zoo toont gij te wanen, dat men
de aarde slechts heeft te verlaten om in den hemel te komen,
en niets heeft te doen dan te sterven om daar eeuwig zalig te
leven. Zoo ziet gij in het volgende leven niets dan een bloote
voortzetting van uw aardsche betrekkingen, die door den dood
werden geschorst, en gij acht u geschikt om het te aanvaarden
gelijk gij zijt en gelijk gij blijven wilt. Maar \'s Heeren Woord
bemoedigt u niet! Het reikt uwer zinnelijkheid geen voedsel, het
toont u nimmer de poorte des hemels, zonder daar boven te
schrijven: „Die niet gelooft, is veroordeeld; die niet wedergeboren
wordt, kan niet ingaan; zonder heiligmaking zal niemand den
Heer zien." Zoo wij naar den hemel verlangen, het mag niet zijn,
omdat wij ontslagen wenschen te zijn van de moeiten en zorgen
der aarde: maar omdat ons hart naar God uitgaat, als naar het
Hoogste goed; omdat het Hem wil aanschouwen, Hem kennen
gelijk het van Hem gekend wordt, in Hem zich verliezen tot Wien
het geschapen is: en omdat het nu eenmaal weet, dat die be-
geerte hier beneden niet vervuld kan worden, zoolang wij niet
verlost zijn uit het lichaam des doods.
O gij treurenden onder mijne iezers! die uwe dooden niet kunt
vergeten, ziet toe dat gij om hunnentwil de levenden niet veron-
achtzaamt! Ziet toe, dat uw zoetelijk droomen van het andere
leven u de taak dézes levens niet doe verzuimen, die daar heet:
„Strijdt gij om in te gaan!" Beproeft u-zelven, of het bedrog niet
in uw hart is; en ot dat heimwee naar den hemel, dat gij mis-
schien voor een teeken van ware Godsvrucht houdt, niet in den
grond der zake veelmeer het verlangen is naar een mensch dan
naar God; naar de aardsche liefde van het zondige schepsel dan
naar de hemelsche liefde van den heiligen Schepper, die de eerste
moet zijn en de laatste! Ook hier vindt dat woord zijn hoogere
-ocr page 52-
42
toepassing: „Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en zijne gerech-
tigheid, en alle andere dingen zullen u worden toegewor-
pen!" *) Om Hem moet het u te doen zijn, Wiens nabijheid
alleen den hemel hemel maakt. Hebt toch geen zinnelijke gedach-
ten van het leven achter het graf, dat in dat graf alles achterliet
wat aardsch en uit de aarde was. Geen vleesch en bloed beërft
Gods Koninkrijk: zijne burgers zijn den engelen Gods gelijk, en
nemen ten huwelijk noch geven ten huwelijk. Kik verbond, dat
alleen zijn grond had in onze lagere natuur, is daar te niet gedaan ;
slechts wat reeds hier uit God was, zal blijven: de verwantschap
der zielen, die haar vereenigingspunt vonden in de liefde Gods,
die daar is in Jezus Christus, het middelpunt van hun leven.
Woont die liefde Gods in uwe harten? Was zij het, die u aan-
trok tot de dierbaren, die u vooruit zijn gegaan; die u aan hen
verknocht heeft hier beneden ? Hadt gij Christus lief in hen,
Christus die ook hen verloste, ook in hen een gestalte had, ook
hen naar Zijne gelijkenis herschiep? O, zeker, dan moogt gij naar
hen verlangen, omdat dit verlangen u niet schaden zal. Want
dan is het een verlangen tot heerlijkheid Gods, Wiens genade
zich openbaart ook in de verzameling van het verstrooide en de
hereeniging van het gescheidene. Dan gevoelt gij, dat de afwijzing
van dien wensch aan uwe zaligheid niet schaden zou, omdat gij
nochtans Hem zoudt kennen die de Zaligheid is. Dan blijft u de
bekrooning van dien wensch één genot onder duizenden; terwijl
de begeerte om God te zien de vervulling blijft der éénige be-
hoefte, waarin alle anderen zich hebben opgelost. Gij Christenen
dan, die het ééne Noodige hebt gevonden! behoudt boven alles
wat gij hebt, en neemt wat God u bovendien wil geven, in ood-
•) Matth. VI : 33.
-ocr page 53-
43
moedigen dank aan, als wel aangename maar overtollige gaven
eener Liefde, die overvloedig is, ja zonder mate, gelijk haar God.
Verblijdt u in het vooruitzicht, dat gij uwen Heiland zult aan-
schouwen en al de Zijnen met hem. En zoo Zijne Engelen u
dragen zullen in Abrahams schoot, welnu, dan moge \'t uw hart
vertroosten, dat gij ze misschien zult herkennen voor dezulken,
die hier eenmaal met u gewandeld hebben en ginds niet ophielden
voor u te bidden !...
En zoo gij nu nog eene vraag hadt, die u bekommert, mijne
Vrienden ! ik zou mij des niet verwonderen.
Het zou de vraag kunnen zijn der bezorgde liefde: „Ach, zal
ik iil de mijnen daar hervinden? En zoo ik ze herken, die daar
zijn, zal ik dan niet weten wie daar ontbreken ? en zal de deernis-
alleen mij niet belemmeren in het volle genot der zaligheid, die
mij was toegezegd ?"
Ik stem het u toe, de kracht des medelijdens kan voor de
waarachtige liefde het licht van menigerlei blijdschap verduisteren.
Christus heeft voor de vreugde het kruis gekozen en de schande
gedragen: Hij verliet Zijn hemel, kleedde zich in ons vleesch en
bloed, en stierf om ons te verlossen. Maar met dezelfde volheid
van erbarming woont Hij nu boven in Zijne zaligheid, terwijl
duizenden der Zijnen hier beneden nog geprest worden door de
verdrukkingen der waereld. Hij weet, dat zij hier beneden juist
zoolang op hunne rechte plaats zijn, als zij bestemd zijn om te
blijven; want de hoogste Liefde en de Hoogste Wijsheid zijn één.
Welnu, even zoo weten de Hemelingen voor de arme afwezigen
van hun geslacht geen andere, geen betere schuilplaats, dan die
hun door God is beschikt. Zij beminnen gelijk God bemint; zij
zien alle dingen aan gelijk God ze aanziet, en Zijne oordeelen
-ocr page 54-
44
benevelen hun hart zoo min als de zaligheid van God. Voorwaar,
voorwaar! juist dat bewijst den adel des Hemels, dat hij zich door
geenerlei herinneringen van het verledene kan laten beroeren.
In de kracht der heiligen, die van al wat boos en ongoddelijk is,
verlost zijn, ligt de kracht om God te zien — en daarin ligt juist
een oneindige kracht om zich onvatbaar te maken voor wat de
liefde zou kunnen krenken, den vrede Gods bedroeven, dehemel-
sche vroomheid verstoren: met één woord, voor alle terugwerkingen
eener waereld, die dan niet meer is.
Neen, gij verlosten des Heeren! maakt uw hart niet week door
de vreeze, dat gij uw verloren zoon of uwe verdoolde dochter
daarboven zoudt kunnen missen, dat gij u weduwen zoudt kunnen
gevoelen in den hemel, of weezen ook bij den Hemelschen Vader.
Slaat geen vermetele hand aan de gordijn der eeuwigheid, die
God hier niet opheft. Wie weet, of somwijlen de verloren ge-
waanden niet zijn heengegaan met een kiemken des Eeuwigen
Levens in het hart, zóó klein, dat Gods oog-alleen het kon onder-
scheiden. Wie zegt u, wat er ter liiatster ure nog geschieden
kan tusschen God en de scheidende ziel? Maar al ware\'t ook, dat
gij hiernamaals niet allen hervondt, die gij nu daar zoudt wen-
schen, vreest niet, want God zal u genoeg zijn! Gij zult weten,
in de liefde gerust, dat Gods erbarmen in het gantsche heelal
niets vergeet of verzuimt wat erbarming verdient Gij zult weten,
in eeuwigen vrede, dat Hij alles heeft welgemaakt en alom. Gij
zult weten, in de zalige aanbidding Gods, dat Hij zich verheerlijkt
in alle diepten, gelijk in alle hoogten. Dan-alléén zouden de zaligen
niet zalig kunnen zijn, als zij niet wisten dat God ook buiten
den hemel Zijne heerlijkheid handhaaft: als zij vreezen moesten
dat Zijne eer ergens, waar dan ook, verkort kon worden. Uit de
volheid van kracht, waarin zij „al het oude voorbijgegaan" voelen,
-ocr page 55-
45
blijkt het echte wezen hunner zaligheid. Ziet, het is al nieuw ge-
worden! Werpt alle zorgen op den Heer, gij zijne bondgenooten!
uitgenomen die ééne: om uwe roepingen verkiezing vast te maken,
om u-zelven te behouden en die u hooren. Wekt door uw leering,
trekt door uw voorbeeld!
„Wat moet ik doen om zalig te worden?" — vroeg eens een
onzer.
„Geloof in den Heere Jezus Christus!" was het andwoord van
den Apostel: „En gij zult zalig worden, gij en uw huis."
Gij hebt diezelfde vraag gedaan, en hetzelfde andwoord is tot
u gekomen. Daar kan geen ander wederandwoord op volgen, dan
het woord, waarbij reeds hier de verwachting des Wederziens alle
vreeze buitendrijft: „Aangaande mij en mijn huis, wij zullen den
Heere dienen!"....
AMEN.
-ocr page 56-
-ocr page 57-
DE NIEUWE AARDE.
LEERREDEN
OPENB. XXII : 1—5.
-ocr page 58-
-ocr page 59-
OPENBAE. XXII: 1—5.
EN HIJ TOONDE MIJ EEN ZUIVERE RIVIER VAN HET WATER DES LEVENS,
KLAAR ALS KRISTAL, VOORTKOMENDE UIT DEN TROON GODS EN DES LAMS.
IN \'T MIDDEN VAN HARE STRAAT EN OP DE EENE EN DE ANDERE ZIJDE
DER RIVIER WAS DE BOOM DES LEVENS , VOORTBRENGENDE TWAALF VRUCHTEN ,
VAN MAAND TOT MAAND GEVENDE ZIJNE VRUCHT: EN DE BLADEREN DES BOOMS
WAREN TOT GENEZING DER HEIDENEN.
EN GEEN VERVLOEKING ZAL ER MEER TEGEN [IEMAND] ZIJN : EN DE TROON
GODS EN DES LAMS ZAL DAAR IN ZIJN, EN ZIJNE DIENSTKNECHTEN ZULLEN
HEM DIENEN :
EN ZULLEN ZIJN AANGEZICHT ZIEN, EN ZIJN NAAM ZAL OP HUNNE VOOR-
HOOFDEN ZIJN.
EN ALDAAR ZAL GEEN NACHT MEER ZIJN, EN ZIJ ZULLEN GEENE KAARS
NOCH LICHT DER ZON VAN NOODE HEBBEN, WANT DE HEERE GOD VERLICHT
HEN; EN ZIJ ZULLEN ALS KONINGEN HEERSCHEN IN ALLE EEUWIGHEID.
Zoudt gij wel altijd op aarde willen blijven? Op deze vraag,
mijne Vrienden! zult gij u-zelven verschillende and woorden geven ,
al naar mate gij gezind zijt. Wie waereldschgezind is, zegt in
den regel: ja; maar wie hemelschgezind is, zegt: neen. Wanneer
wij afgoden op aarde hebben, dan beproeven wij ook zooveel
mogelijk ons de aarde tot een paradijs te maken en wij verzetten
5e druk.
                                                                           \' 4
-ocr page 60-
50
ons tegen de gedachte: „Beschik uw huis, want gij moet sterven."
Alleen de naakte, wanhopende slaaf der zonde roemt zich menig-
malen los van den wensch om hier heneden te blijven. Maar hij
heeft der ijdelheid den scheidsbrief niet rustig gegeven: de ijdel-
heid is hem trouwloos geworden, zij heeft hem jaloersch ge-
maakt, en het is in de hitte dier ijverzucht, wanneer hij de aarde
begint te versmaden, zich over het leven beklaagt, en zich den
dood wenscht.
Geheel anders de Christen. Hij is een levend lid des Heeren:
daarom is zijn vaderland bij den Heer die ten hemel is gevaren.
Naar dien hemel gaat zijn verlangen uit, maar kalm en gedul-
dig, omdat hij het geloof heeft, dat voor haasten bewaart. Maar juist
met die kalmte zal hij u, zelfs in zijne gelukkigste uren, zonder
aarzelen de verzekering geven: „Neen, niet altijd zoude ik op
aarde willen blijven, al kon ik het ook!" Wel is waar, er zijn
bijzondere oogenblikken, waarin de aarde in den vollen lichtglans
der vriendelijkheid Gods, den Christen tegenblinkt als een Thabor:
waarin het hem is als zag hij den Heer in Zijne heerlijkheid, en
als daalde reeds de Hemel met al zijne Zaligen neder. Er zijn
oogenblikken, waarin uit het levendig gevoel der alomtegenwoor-
digheid Gods de volle zekerheid opgaat, dat ook de aarde ééne
der vele woningen is in het Huis des Vaders. Dan kan den ge-
loovige gebeuren wat eens een Petrus gebeurde: dat hij juichend
uitroept: „Heer! \'t is goed dat wij hier zijn, laat ons hier taber-
nakelen bouwen!" Maar dat zijn oogenblikken , waar ernstig tegen-
over staan de dagen der beproeving, de weken dei\' verzuchting\',
de jaren van pelgrimssmart; — dagen en weken en jaren, waarin
de Christen met den Apostel betuigt: „Ik heb eene begeerte om
ontbonden te worden en met Christus te zijn, want dat is zeer
ver het beste!" En toch is er in die betuiging geen levensmoeheid ,
-ocr page 61-
.-.1
geen ontevredenheid over Gods leidingen, geen blindheid voor
Gods gaven, waarin wij ons reeds hier beneden verheugen. Neen!
maar daarom verlangt de Jonger des Heeren naar de toekomende
waereld, omdat hij bij den ruil oneindig hoopt te winnen: omdat
er tegenover iedere onvolmaaktheid en armoede dezes levenseene
bijzondere heerlijkheid in bet toekomende leven staat; omdat ons,
in plaats van bet onzekere leengoed in dit land der vergankelijk-
heid en des doods, een blijvende erfenis in het land der Levenden
is weggelegd; omdat wij, zoovelen wij waarlijk Christenen zijn,
naar het woord van Petrus „wedergeboren zijn tot een levende
hope, door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden. tot
een onverderflijke en onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis,
die in de hemelen voor u is bewaard!" \') Of, om bet in een enkel
woord samen te vatten, omdat Christus ten hemel gevaren is,
daarom mogen wij de aarde ook niet tot ons vaderland maken:
daarom staren wij Hem met blijdschap en verlangen na in dat
volmaakte Koninkrijk, dat hiernamaals den Zijnen is bereid van
vóór de grondlegging der waereld. •)
Tot zulk een blik naar Boven kan ook de overdenking van
onze tekstwoorden, onder Gods zegen, ons gewenschte aanleiding
geven. Zoeken wij ze dan eerst in hun waren zin te kennen, om
straks rnet den inhoud winst te doen voor bet leven onzer zielen!
Na de aankondiging van een nieuwen hemel en eene nieuwe
aarde *), hangt onze Ziener ons van beide een tafreel op, met de
gloeiendste verwen geschilderd. Hij maalt vooreerst een Nieuw
Jeruzalem, in wonderbare grootte, pracht en overvloed*); ver-
volgends, als daar rondom heen gelegen, een Nieuw Paradijs,
•) 1 Petr. 1:3,4. ») Dr. J. p. lange, Predigten. 1844, S. 127.
\') Openb. XXII : 1, 2. \') Openb. XXI : 9—27.
-ocr page 62-
5-2
waarin nevens den Levensstroom ook de Levensboom wordt ge-
vonden \'), terwijl hij eindelijk in eenige bijzonderheden aanwijst,
dat alle betrekkingen, goederen en heerlijkheden dezer nieuwe
waereld en des levens aldaar, van eeuwigen duur zullen zijn s).
Hij maalt eerst, zeiden we, een Nieuw Jeruzalem, dat uit den
hemel op aarde nederdaalt. Dat nieuwe Jeruzalem, wel beschouwd,
is geen Stad, maar een enkel gebouw, hoewel grooter dan alle
steden der aarde en daarom Stad genoemd, \'t Is niets anders dan
een Tempel, dezelfde die tot hiertoe, in de profetische gezichten
van Johannes, de woning Gods in den hemel is geweest en met
dezen hemel op de vernieuwde aarde is nedergedaald: gelijk dan
ook onze Ziener er van spreekt als van een woning Gods bij de
menschen, en niet als van een Stad, waarin de burgers der
nieuwe aarde zouden huizen. Deze wonen veeleer in het heerlijk
Paradijs, dat Gods tempelwoning omringt; terwijl een groot deel
hunner als priesters en hoogepriesters het voorrecht genieten die
tempelwoning gedurig te bezoeken. Bij deze opvatting wordt veel in
de beschrijving van het Nieuwe Jeruzalem ons duidelijk, dat ons
anders vreemd en raadselachtig zou zijn gebleven. Afzonderlijke
gebouwen zijn menigmalen even hoog als breed en diep, en daarom
past de opgegeven maat zeer goed voor een Tempel, maar niet voor
een Stad. Het Nieuwe Jeruzalen heet 12,000 stadiën hoog, zijn muur
slechts 144 ellen; zoo is dan die muur niets dan een borstwering,
gelijk aan die welke ook den aardschen tempel omgaf. Het Nieuwe
Jeruzalem heeft de heerlijkheid Gods en het Lam is hare kaars.
De heerlijkheid Gods, de lichtwolk of schechina, hing boven de
verbondsarke in het heilige der heiligen: de kaars of de kandelaar
bevond zich in den voorhof — beide uitdrukkingen doen ons dus
\') Openb. XXII : 1, 2. *) vs. 3-5.
-ocr page 63-
58
wederom aan een Tempel denken, terwijl ééne kaarse of één
kandelaar in het beeld eener eigenlijk gezegde Stad niet zou passen.
Dat zelfde Nieuwe Jeruzalem, hoewel het twaalf poorten bezit,
heeft echter, naar ons teksthoofdstuk, slechts ééne straat: ook
tot den aardschen tempel leidden wel verschillende wegen, maar
slechts één, de oostelijke hoofdweg in \'t midden, heette de straat
des tempels. In het nieuwe Jeruzalem brengen de koningen der
aarde de heerlijkheid en eer, de kostelijkste schatten van de volken
die zalig worden: dat herinnert ons ten duidelijkste aan de offer-
gaven en geschenken, die menigmaal door aardsche koningen den
aardschen Tempel werden toegezonden, en daar ten deele opge-
dragen. Bij de poorten van het Nieuwe Jeruzalem staan engelen
als wachters, opdat er niets onreins zou binnen komen: zóó ston-
den ook wachten uit de Leviten aan de poorten des aardschen
tempels dag en nacht. In dien aardschen Tempel was de ver-
vloeking of verbanning uitgesproken, waarover straks nader: in
den Hemel wordt geen vervloeking meer gehoord. Eindelijk be-
vreemdt het ons bij deze opvatting niet langer, dat Johannes in
het gantsche Nieuwe Jeruzalem geen tempel ziet: immers dit
Jeruzalem-zelf was niets dan een onzachlijke Tempel. Ware met
het Nieuwe Jeruzalem metterdaad een eigenlijk gezegde Stad
bedoeld geweest, dan had er geen afzonderlijke Tempel mogen
ontbreken. En dit Nieuwe Jeruzalem, deze heerlijke uitgebreide
Tempel, is geen andere dan de Hemeltempel, waarin God ook tot
hiertoe woonde: dezelfde, dien ook Johannes in zijn geestverruk-
king meermalen daar Boven aanschouwde, wanneer hem daar
„een deure werd geopend." Daar de gantsche Hemel op de Nieuwe
Aarde nederdaalde, daalde die Tempel mede neer, en heet nu het
Nieuwe Jeruzalem. De voorstelling van een Tempel in den Hemel
wil aanduiden, dat God in den Hemel woont: waar Hij woont,
-ocr page 64-
54
moet hij een woning hebben: een Godswoning nu is een Tempel.
Deze Hemehvoning, zeiden we, daalt, naar Johannes\' voorstel-
ling, in "t midden der Nieuwe Aarde neder. De Oude Aarde is
niet alleen verjongd maar ook gelouterd uit den zuiverende»
waereldbrand weergekeerd: gelijk het goud dat gezuiverd werd
in den vuurkroes. De vroegere aarde had eenmaal het voorrecht
een Paradijs, den Hof Eden, in haar midden te bezitten: de Nieuwe
Aarde is geheel Paradijs. ,,Daar is geen zee meer," want dat
element, dat nu verreweg het grootste gedeelte der aarde over-
dekt, en, voor de menschen dor en onherbergzaam, alleen tot de
lagere schepping behoort, heeft zijn doel bereikt. „Daar zijn geen
tranen meer, daar is geen dood meer, noch geween, noch gekrijt,
noch moeite, want de eerste dingen zijn voorbijgegaan." Daar
woont God midden onder Zijn volk, gelijk Hij in den Hof van
Eden omwandelde in \'t midden zijner zalige bewoners »).
Ja, gelijk wij uit de twee eerste verzen van ons teksthoofd-
stuk ontwaren, ook het hoofdkenmerk des Paradijzes, de fonteine
en de boom des Levens worden daar hervonden!
Zóó toch lezen we:
Vs. i. En hij (de Engel, een der zeven, die de zeven phiolen
had en die den Ziener wegvoerde naar de hoogte, van waar
hij het Nieuwe Jeruzalem en de Nieuwe Aarde beschouwde!)
toonde mij een zuivere rivier van het water des
levens, klaar als kristal, een kristalhelderen Levensstroom,
voortkomende uit den troon Gods en des Lams.
In Ezechiëls *) profetische schildering, die hier onzen Ziener
blijkbaar voor den geest heeft gestaan, komt er een bron van
onder den drempel des Tempelhuizes te voorschijn, wendt zich
\') Openbar. XXI : 1-4. >) Ez. XLVII.
-ocr page 65-
55
naar het brandofferaltaar rechts, verdwijnt daar in den grond
en komt buiten aan de zuidzijde vanden muur weer te voorschijn,
wordt al grooter en grooter en stroomt in oostelijke richting door
liet omliggende land voort. Zóó is de voorstelling ook hier. De
Levensbron stroomt door het midden der gouden tempelstraat,
en zet straks buiten den tempelniuur haren loop voort, het gantsche
omliggende Paradijs besproeiend. Even als alles in deze zinnelijke
voorstelling van bovenzinlijke zaken, moet deze Levensfontein
figuurlijk worden opgevat: zij is, gelijk meermalen in de Schrift, *)
een beeld van den uit God uitgaanden heiligen Geest, van den
stroom der krachten des eeuwigen Levens, die in het binnenste
der gezaligden worden uitgestort.
Vs. 2. In \'t midden van hare straat, en op de eene
en de andere zijde der rivier, was de boom des levens,
voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot
maand gevende zijne vrucht: en de bladeren des
booms waren tot genezing der Heidenen.
Aan de oevers van dien Levensstroom, die het Nieuwe Paradijs
doorkronkelt, groeit — niet maar één Levensboom, maarLevens-
geboomte, boomen des Levens, die twaalf vruchten dragen, d. i.
die in elk der twaalf maanden een bijzondere, nieuwe vrucht,
ja vruchtenoogst voortbrengen. Die vruchten zijn in den zelfden
zin de spijze des Levens, waarin de fonteine het water des Levens is.
De uitnemendste genadegiften Gods zullen onophoudelijk den zaligen
worden geschonken, om hen te doen voortgaan van kracht tot
kracht: en dat wel niet in onbewegelijke ééntonigheid, maar
onder een eeuwig worden en wassen. Altijd rijker, altijd heer-
lij ker, zullen zij met steeds nieuwe, dieper en inniger genietingen
») Joh. VII : 38. Verg. met Openb. XXI : C.
-ocr page 66-
50
der zaligheid gevoed en gesterkt worden. En de bladeren van
het geboomte zullen zijn tot genezing der Heidenen,
der volken. De voorstelling van bladeren die tot genezing strekken ,
is op zich-zelve niet vreemd; want nog heden worden allerlei
boomblaaren als geneesmiddelen gebruikt. Vreemder echter mag
liet bij den eersten oogopslag schijnen, dat er nog sprake kan
zijn van genezing in een Betere Waereld , waar immers geen dood
meer is en waar dus ook de voorhoede en wegbereidster vanden
dood, de lange sleep onzer ziekten en kwalen, niet meer gevonden
kan worden? Of, zoo men de uitdrukking zinnebeeldig moet op-
vatten gelijk al het overige, zou het dan kunnen beteekenen,
dat de Heidenen in \'t Nieuwe Paradijs nog van goddeloosheid en
zonde genezen en eerst daar tot bekeering zouden moeten worden
gebracht? De opheldering schijnt deze. Naar ons vorig hoofdstuk,
vs. 24—27, en \'t gezegde in ons 2de vs., bevinden zich op de Nieuwe
Aarde, die nu geheel Paradijs is, buiten de muren des Tempels,
dezulken onder de volkeren, die bij het laatste oordeel in het boek
des Levens geschreven worden bevonden. Dezen, die gedurende
hun leven op aarde met vrome volharding tegen de zonde hebben
gestreden en gejaagd naar verlossing, die echter den weg des
heils en den waren Heiland buiten hunne schuld niet hebben leeren
kennen, zóó dat hun strijden en streven tot zekere hoogte vruch-
teloos is gebleven, zullen, na hunne opstanding uit de dooden,
wandelen in het volle licht der kennisse Gods en des Lams, en
zich met blijdschap en verrukking den Heere onderwerpen. In
hen sluimerde de aanleg tot geloof in den Verzoener en Middelaar:
om den wille van dien aanleg zijn zij behouden geworden; maar
nu moet die aanleg dan ook worden ontwikkeld. Uit den toestand
des zwakken geloofs en der schemerende kennis moeten zij op-
klimmen tot de rijpheid des vollen mannelijken wasdoms in Christus.
-ocr page 67-
57
Do vruchten van den Levensboom zouden zij nog niet kunnen
dragen: voor de vaste spijze zijn zij nog te zwak, maar zooveel
wordt hun te kennen en te smaken gegeven, als waarvoor zij
vatbaar zijn en als hen allengskens kan vormen tot volmaakt
rechtvaardigen en koninklijke Priesters, gelijk de anderen, wier
volle zaligheid zij eindelijk deelachtig worden.
Heeft onze Ziener aldus, in eenige veelbeteekenende trekken,
ons, onder het beeld van een Nieuw Paradijs, den toestand van
altijd toenemende zaligheid en heerlijkheid voor oogen gehouden,
waarin de erfgenamen des Beteren Levens zullen verkeeren, in de
nu volgende drie verzen wijst hij ons, wederom onder zinnebeelden,
op de eeuwige duur en onveranderlijkheid van dat Betere Leven.
Vs.3. En geen vervloeking zal er meer tegen iemand
zijn; en de troon Gods en des La ms zal daar in z ij n,
en Zijne dienstknechten zullen Hein dienen.
In die Betere Waereld zullen geen personen of dingen meer
gevonden worden, die. als heidensch-onheilig of ongoddelijk, de
verdelging door vuur verdienen \'): daar zal geen schuld meer
zijn, om wier wille God de Nieuwe Aarde, of iets dat tot haar
behoort, met den banvloek zou belasten Bij gevolg kan niemand
het geluk, dat hij daar geniet, ooit meer verliezen. En de troon
Gods en des Lams zal daar zijn. Deze uitdrukking staat
in het nauwste verband tot de voorgaande. Naar Josua VII.
vs. 12, wilde Jehovah niet bij de Israëlieten zijn, zoolang ei\' nog
een vervloeking of verbanning bij hen over was, d. i. zoolang er
in hun midden nog iets gevonden werd, dat den verdelgingsvloek
gewijd was. Was dat uit den weg geruimd, dan was er ook niets
dat den Heer belette bij Zijn volk te blijven: gelijk het dan ook
») Levit. XXVIII. Deut. VII. Josua VII, enz.
-ocr page 68-
:,s
in de Profecy van Zacliarias heet; „Jehovah is koning in Jeru-
/alem, en geen vervloeking is meer in haar, en Jeruzalem woont
in vrede" \'), d. i. wordt niet meer door anderen gestoord. want
de boozen zijn gericht en verwijderd. Even zoo nu heeft de heilige
God op de Nieuwe Aarde, waar geen vervloeking, geen ban meer
is, Zijnen troon. In dit tweede Paradijs, in dien hemelschen
Godstempel, ..het Nieuwe Jeruzalem,"\' gaat immers (naar vs. 27
van ons vorige hoofdstuk), „niet binnen dat verontreinigt en
gruwelijkheid doet en lengen spreekt, maar die geschreven zijn
in het boek des Levens en des Lams." Daarom heeft God onder
hen Zijn vasten, blijvenden zetel, waarbij zij zich altijd in Zijne
weldadigheid verheugen. En als Zijne dienstknechten zul-
len zij Hem dienen. Tot de duurzaamheid van alles wat be-
trekking heeft tot de dingen des lieteren Levens, behoort ook de
bestendige, onafgebroken, wij zouden hier in den tijd zeggen:
dagelijksche godsdienst. Daarom worden Gods knechten voorge-
steld als reine Priesters, als dezulken die op de Nieuwe Aarde op
hemelsche wijze volbrengen wat eens op de Oude Aarde en op
aardsche wijze de Priesters deden bij het bezorgen van de uit-
wendige verrichtingen des Heiligdoms: gelijk het dan ook reeds\')
heette van hen, die hunne Meederen gewasschen hebben in het
bloed des Lams: „Zij zijn voor den troon Gods en dienen Hem
dag en nacht in Zijnen Tempel."
Vs. 4. En zij zullen Zijn aangezicht zien, en Zijn
naam zal op hunne voorhoofden zijn.
Zij zullen als Hoogepriesters vrijen toegang hebben tot het
Heilige der Heiligen, waar de Heer Zijne zichtbare tegenwoordig-
heid doet ondervinden. In \'t Oosten laat een Koning zich zelden
\') Zach. XIV : 11. •) Openb. VII : 15.
-ocr page 69-
50
aan liet volk zien: dit voorrecht wordt slechts gegund aan dege-
nen die hem het naaste omringen, die in zijne gunst deelen en
met de hoogste waardigheid bekleed worden. De Koning dei-
koningen nu woont in een ontoegankelijk licht: niemand heelt
Hem ooit gezien, en zelfs eenen Mozes was het niet geoorloofd
Gods aangezicht te aanschouwen, terwijl slechts de uiterste slippen
van Zijn gewaad Hem getoond konden worden. Zóó zal het op
de Nieuwe Aarde niet zijn : daar zullen de verlosten smaken wat
reeds een David zich wenschte \') : „Ik zal Uw aangezicht in ge-
rechtigbeid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld" :
overeenkomstig de belofte des Goddelijken Rergpredikers: „Zalig
zijn de reinen van harte, want zij zullen Uod zien"1). Dat mag
dan beteekenen: zij zullen tot God in de innigste betrekking, in
de nauwste gemeenschap staan, die door niets meer wordt afge-
broken of belemmerd, en Hem meer en meer in al Zijne volmaakt-
heden leeren kennen.
Hoe meer een ziel inwendig gereinigd wordt, hoe meer zij zalig
wordt, gelijk God zalig is, des te waarachtiger, des te levendiger
kent zij God. Hiernamaals zijn de zielen zonder smet en rimpel,
d. i. van alle zonde gezuiverd: daarom dan ook is haar leven
ééne onafgebroken, zalige Godsaanschouwing. Zij zien den Onzien-
lijke in het aangezicht van Jezus Christus, die Zijn uitgedrukt
beeld is; in het voleindigde verlossingswerk: in de zaligheid der
engelen en vernieuwde menschen; in de duizendvoudige heerlijk-
heid van het tweede Paradijs, met al zijn wonderen van goddelijke
almacht en genade! Wanneer er hier gezegd wordt, dat de ver-
losten aldaar Gods naam op hunne voorhoofden dragen, herkennen
we daarin terstond een toespeling op de gouden plaat, die de
\') Ps. XVII : 15.       *) Matth. V : 8.
-ocr page 70-
00
aardsche Hoogepriester op \'t voorhoofd droeg; en gevoelen we,
dat daarmede nog eenmaal wordt aangeduid, dat in dat Betere
Leven alle krachten en gaven den Heere worden geheiligd, in
Hoogpriesterlijk verkeer met Hem. Ue hoofdgedachte intusschen,
die in deze verzen doorstraalt, is, dat de zaligen dit voorrecht
eeuwig en altoos mogen smaken. Hier geldt het woord \'): „Wei-
gelukzalig, o Heer! zijn Uwe knechten, die bestendig voor Uw
aangezicht staan."
Vs. 5. En aldaar zal geen nacht zijn, en zij zullen
geen kaars, noch licht der zon van noode hebben:
want de Heer God verlicht hen; en zij zullen als ko-
ningen heerschen in alle eeuwigheid.
Reeds in het voorgaande hoofdstuk (vs. 21, 23 en 25) was er
gezegd, dat het Nieuwe Jeruzalem geen zon behoeft, maar door
Gods heerlijkheid verlicht wordt, zoodat er een onafgebroken dag
heerscht, wiens stralen eindeloos schijnen. Maar wat vroeger van
dat Nieuwe Jeruzalem in \'t algemeen gezegd was, wordt hier
herhaald met betrekking tot elk der bewoners van de Nieuwe
Aarde. Zij zullen in Gods licht bestendig wandelen. Naar de
schildering des Zieners moeten wij ons voorstellen, dat het geheele
vierkant des voorhofs, gelijk de geheele hemelsche Tempel-zelf,
gelegen is op een berg, die ver boven de bergen der aarde omhoog
rijst. Van die ontzachlijke hoogte af, bestraalt deze uit doorzichtig
goud gebouwde tempel, die in zijn omvang een Stad der steden
gelijkt, of liever bestraalt de heerlijkheid des Heeren die van hem
uitgaat, de geheele Nieuwe Aarde als hare zon; want daar is
thands geen zon en geen maan meer, omdat met den Hemeltempel
de geheele Hemel op de aarde is nedergedaald, omdat de Hemel
\') 1 Kon. X: 8.
-ocr page 71-
61
op aarde is. Die heerlijkheid Gods, die de plaats vervangt van
den kandelaar in den aardschen tempel, wier lampen \') bestendig
moesten ontstoken worden, kent geen vermindering, maar licht
immer voort met den zelfden luister, die den glans van den middag
beschaamt. Daar zal geen nacht meer zijn: daar is het
eeuwig licht. Wie niet geheel vreemd is in de H. Schrift, gevoelt
wat hiermede bedoeld wordt. Duisternis en nacht zijn aldaar
meermalen zinnebeelden van onkunde en dwaling, van zonde en
onreinheid, van tijdelijke en geestelijke ellende. Zoo heeten de
Heidenen, bij Paulus, „verduisterd in \'t verstand door de onwe-
tendheid die in hen was": zóó wordt er tegen de ongerechtigheid
gewaarschuwd met het woord: ,,Hebt geen gemeenschap met de
onvruchtbare werken der duisternis"; zóó wordt het verderf
hiernamaals genaamd „de buitenste duisternis", en zóó heeten
de kinderen des toorns „waterlooze fonteinen, denwelken de don-
kerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt." Licht
daarentegen beteekent in de Schrift beurtelings kennis, heiligheid,
zaligheid. Zoo staat er, dat door Jezus\' komst in de waereld
dengenen die zaten in de schaduwen des doods, „een licht," de
ware kennisse Gods en hunner bestemming, „is opgegaan." Zoo
heet God van wege Zijn heiligheid „een Licht," en worden de
geloovigen vermaand te wandelen als „kinderen des lichts," dat
is: in reinheid en godsvrucht van hart en leven. Zoo wordt het
Nieuwe Jeruzalem en het tweede Paradijs, met al zijn genietingen
en zaligheden, genoemd „de erve der heiligen in \'t licht." Is nu
hiernamaals geen nacht meer, maar een eeuwig licht der heer-
lijkheid Gods overal en altoos, dan wil dat zeggen, dat daar
alle dwaling, alle boosheid is afgelegd, geen smart of ellende
\') Exod. XXVII: 20.
-ocr page 72-
82
meer dreigt, maar allen van den grootste tot den kleinste, van
God geleerd zijn, onbesmet en smetteloos, Hem gelijk, die
geen zonde heeft gekend of gedaan, gelukkig en zalig. En
dat wel zonder tussclienpozen, zonder ooit gevaar te loopen van
ook zelfs één enkelen maal de vvaarlieid te miskennen of te
vergeten, te wankelen of te struikelen, te lijden of te vreezen —
want al wat ten deele was, is voorbijgegaan, daar het Vol-
maakte is gekomen: al wat hier nog aan kwijning of verande-
ring onderworpen was, is vast en onverwelkelijk geworden, want
het is een Onbeweeglijk Koninkrijk! En daarin zullen de Zaligen
als koningen heerschen in alle eeuwigheid. Zij zijnde
zachtmoedigen. die nu het aardrijk bezitten. Zij hebben met Jezus
geleden: daarom zijn zij nu met Hem verheerlijkt. Zij hebben met
Jezus overwonnen: daarom zijn zij nu gezeten op Zijnen troon ,
gelijk Hij overwonnen heeft en gezeten is op Zijns Vaders troon.
Een sfeer van heerlijke werkzaamheid , geheel in overeenstemming
met hun innigsten aanleg, die nu volkomen gereinigd en ont-
wikkeld is, wordt hun ontsloten, waarbij meer dan koninklijke
kracht en macht en geestelijke rijkdom en goddelijke heerlijkheid
hun van God zal geschonken worden: en dat wederom zonder
schaduw van omkeering, van eeuwigheid tot eeuwigheid!... .
Zietdaar dan, mijne vrienden! de schildering van het Nieuwe
Paradijs, en van den eeuwigen duur der heerlijkheden dos Toe-
komenden levens, gelijk ons die door een Johannes met de rijkste
kleuren wordt afgemaaid. Wat zegt uw hart nu tot deze dingen?
Is het brandend in uw binnenste van hoop, en blijdschap, en ver-
langen, en hebt gij alzoo toegeluisterd met de aandacht van hem
die spreken hoort over hetgeen in de nauwste betrekking staat
tot zijn lot en leven, over zijn toekomst, zijn erfenis, de aan-
-ocr page 73-
63
staande plaats zijner eigene zalige inwoning? Of wel, liet al het
gehoorde u onverschillig ? Of\' was \'t u hoogstens te moede als
luisterdet gij naar een schoone tooververtelling, liefelijk om aan
te hooren, maar toch ten slotte niets meer dan een verdichting,
zonder grond of werkelijkheid? Het laatste is wel niet te ver-
wachten hij Christenen, die het Evangelie voor waarachtig houden,
en ook te midden van de zorgvuldigheden der week hehoefte
hebben om eene ure af te zonderen, om juist uit dat Evangelie
te worden versterkt en geleerd. Welaan, hebt gij inderdaad de
hoop voelen ontwikkelen in uw binnenste, toen er van het eeuwige
Hiernamaals werd gesproken? Zoo ja, beproeft u-zelven in de
eerste plaats, of die hoop op goede gronden steunt, of zij uit
God is, en dus niet kan worden beschaamd! — Wie mag waarlijk
hopen, dat hij eens liet Nieuwe Paradijs zal zien en Gods heer-
lijkheid eeuwig genieten? Gij hebt het gehoord, mijne vrienden!
in die Nieuwe Waereld is geen vervloeking: daar kan niets komen ,
dat Gods banvloek uitlokt: daar gaat niets in, dat ontreinigt en
gruwelijkheid doet en leugen. Wie liet Land des Lichts wil zien,
moet dus reeds hier hij aanvang en als een kind des Lichts, zelf
den banvloek hebben uitgesproken over alle ongerechtigheid en
zonde, en die dagelijks wegdrijven uit zijn hart en leven, in de
kracht des heiligen Geestes. Mijne vrienden, doet gij alzoo? Zijt
gij aller zonden vijand? En al is het ook, dat gij tot uwe smart
hier nog maar een klein beginsel hebt der volmaakte gehoor-
zaamheid, zegt1 is liet uw ernstig voornemen, uw lusten strijd,
uw onophoudelijk gebed, om niet alleen naar sommige maar naar
alle geboden Gods te leven ? Zijt gij van harte bekeerd tot Hem
die u gebiedt: „Zijt heilig, want ik ben heilig?\'" En zijt gij nu
door een oprecht en werkzaam geloof het eigendom van Hem,
Wiens bloed reinigt van alle zonden, en die de Zijnen stelt tot
-ocr page 74-
64
een uitverkoren geslacht, een Koninklijk Priesterdom, een heilig
volk, om te verkondigen de deugden Desgenen die hen uit de
duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht? — Zoo neen?
IJdel is uwe hope, ingebeeld uw hemel. Dan komt in de eerste
plaats het woord tot u: „Die den naam van Christus noemt, sta
af van ongerechtigheid! Die niet van Boven geboren is, kan het
Koninkrijk Gods niet ingaan." Wil eens ons hart in den hemel
zijn, dan moet reeds hier bij aanvang de hemel in ons hart zijn.
De beginselen eens Nieuwen Levens in ware gerechtigheid en
heiligheid, moeten bestaan in de ziele, die eens dat leven in al
zijn volheid smaken wil. Bedenk dan wat tot uwen vrede dient.
Erkent uwe onreinheid, en laat u wasschen van al uwe zonden
in het bloed des Lams. Hebt gij dat gedaan; zijt gij met Hem
gestorven en met Hem opgestaan om in nieuwigheid des levens
te wandelen: o, houdt dan de onwankelbare belijdenis uwer hope
vast! Geeft dan toe aan de rijke verwachtingen, die Gods beloften
in u doen ontwaken! Gij ziet wel niet, maar gij gelooft: en het
geloof is ook een vaste grond der dingen die gij hoopt, een bewijs
der zaken die gij niet ziet; en niet ziende maar geloovende,
moogt gij u verheugen met een onuitsprekelijke en heerlijke
vreugde!
Ja, vreugde boven alle aardsche vreugde moet er in uw bin-
nenste oprijzen, o Christenen! als gij alzoo met gegronde hoop
moogt uitzien naar de onverderfelijke heerlijkheid des Nieuwen
Levens hiernamaals. Dan is het bij uitnemendheid: „Verblijdt u,
en wederom verblijdt u!"\' Wat al bronnen van vertroosting, van
bemoediging, van zaligheid! Welk een voorsmaak van de rivier
des Levens en van de veelvuldige Levensvruchten, worden bij dat
uitzicht genoten! Hier hebt gij het Paradijs verloren: distelen
en doornen bedekken het aardrijk, dat om der zonden wil vervloekt
-ocr page 75-
65
is; in \'t zweet van uw aangezicht eet gij uw brood en met smarte
brengt gij uwe kinderen ter waereld; vele zijn de tegenspoeden
des rechtvaardigen, en gij ondervindt het dat men door beproeving
en verdrukking moet ingaan in het Koninkrijk Gods. Maar, o
vreugde! een herwonnen Paradijs wacht u, veel heerlijker dan
het eerste. Daar geen Pison of Hiddekel, geen aardsche water-
lbnteine, maar de groote, onuitputtelijke stroom des Eeuwigen
Levens, des Geestes, der krachten, gaven en lichten, die heiligen
en zaligen. Daar geen enkele boom des Levens tegenover een boom
der Kennisse des Goeds en des Kwaads; maar het Kwaad te niet
gedaan, het Goede eenig en eeuwig bloeiende, de Kennis- en
Levensboom één, en die boom vermenigvuldigd, verduizendvou-
digd, het nieuwe Paradijs doorgeurende en overstrooiende met
de veelheid en veelvoudigheid zijner vruchten. Daar geen stemme
Gods, wandelende door den hof in den wind des daags: maar
het aangezicht Gods, altijd zichtbaar in Zijne volle heerlijkheid
voor allen die Hem dienen. Hier is alles zoo traag in ontwikkeling,
zoo kort van bloei, zoo onzeker en onstandvastig: daar rijpt alles
snel, zonder gevaar van mislukking, en harmoniesch : en al het
gerijpte blijft er duurzaam. De vruchten prijken er niet slechts
na maar naast de bloesems; de oogst is er vertwaalfdubbeld;
de dienst Gods onafgebroken: de gemeenschap Gods onverstoord;
de zaligheid in Zijne tegenwoordigheid wordt er altijd vernieuwd,
vergroot, en door andere nog heerlijker verwisseld. De heiliging
is er een voortgaande, altijd en bij allen. Priesterlijke werkzaam-
heid, zelfontwikkeling en medearbeiding aan de ontwikkeling van
anderen, is er de verhevene levenstaak; meer dan koninklijke
heerlijkheid, de onverwelkelijke levenskroon!
Hier hangt nog vaak de nevel der onkunde. Daar wacht u het
volle licht der kennis: Godskennis, zelfkennis, kennis der eeuwige,
5e druk.
                                                                              5
-ocr page 76-
66
levende Waarheid. Hier beerscht nog vaak het duister der zonde.
Daar schijnt eeuwig en altoos het licht der gerechtigheid, bij het
gelijkvormig worden aan Christus. Hier valt nog vaak de nacht
der smarte, der krenkte, straks des doods. Daar rijst, al hooger
en hooger, het vreugdelicht, een eeuwige bloei, een onverderfe-
lijke jeugd, een onvergankelijk leven: leven door en in God.
Zoo verblijdt u dan en verlangt er naar!
Ja, verlangen moet in u wonen: maar — dat verlangen moet
beteugeld worden door onderwerping aan Gods wil, die den weg
bepaalt en den duur almeet.
Dat verlangen leere u geduldig zijn bij alles wat u ontmoet, door
de gedachte: \'t is hier alles oefening en voorbereiding. Dat ver-
langen leere u ware wijsheid, om alles te vermijden wat den zegen
uwer hope en uwe vreugde zou kunnen verminderen. Wij kunnen
verkeerde schatten ophoopen en ingebeelde goederen najagen, en
dan zien wij niet met den blik van het ware verlangen naar de
eeuwige erfenis uit. De ijdelheid verduistert onzen blik, zoodat
wij den groenen levensboom niet van verre zien groeien in het
land des Levens. De waereldsche zorg brengt donkere wolken
voor onze ziel, zoodat wij de heerlijkheid des Heeren niet aan-
schouwen, die ons bestraalt uit de verte, meer dan zon en sterren.
De waereldsche begeerte doet den blik ter aarde dalen en kluistert
de ziel aan dit stof. Iedere verontrusting door aardsehe dingen,
verzwakt en verlamt of\'onti\'oof\'t ons het verlangen naar de schatten,
den vrede en de heerlijkheid hiernamaals bij den Heer. Daarom
moeten ze verscheurd, die banden die ons geestelijk leven omstrikt
houden, zullen we sterk zijn in onze begeerte om ontbonden te
worden en met Christus te wezen, met het beste bij den Beste!
De Heer is bereid u te helpen: Hij wacht op uw gebed: Hij voor-
komt uwe verzuchting — Hij is met u. Moed gehouden dan, en
-ocr page 77-
C7
in Zijne kracht reeds hier u voorbereid tot hetgeen Hij u heeft
weggelegd! Laat zóó uw verlangen geheiligd worden, opdat het
U heilige. Leeft reeds hier in zulke overdenkingen, oefeningenen
werkzaamheden als verwant zijn met, als opleiden tot, als be-
kwaani maken voor hetgeen u wacht in liet Nieuwe Paradijs, in
•den eeuwigen Hemeltempel Gods.
Daar zult ge drinken uit de Levensbron — laaft er u reeds
hier aan, door toenemende gemeenschap met Hem die het Leven
is, en die zegt: „Zoo iemand dorst heeft, die kome." Daar zult
ge eten van den Levensboom — laat u reeds hier genezen door
zijne blaaren; laat het Kruis uw Levensboom zijn. Wordt gesterkt
door het geloof en vermenigvuldigt zóó uwe vreugde in den Heer.
Daar zult ge Hem dienen, Zijn aangezicht zien, Zijn naam op uwe
voorhoofden dragen, Zijn heerlijkheid aanschouwen, met Hem
heerschen in eeuwigheid — weest hier dan reeds als Priesters
in uw huis, door gebed en heilig leven; ziet Hem in Zijne werken
en wonderen, in Christus Zijnen Zoon, in al Zijne beloften, in
heel Zijn arbeid aan uw hart, dat volkomen gereinigd moet worden.
.Zijn naam strale o uit het oog en worde ingedrukt op al uwe
daden. Al wat gij doet, doet het Hem ter eere. Begint het in Zijne
kracht: voltooit liet tot Zijne heerlijkheid. Heiligt het Hem, heiligt
Hem u-zelven, naar lichaam en ziel, in alle betrekkingen. Laat
Zijne heerlijkheid over u schijnen, in elke overgebleven duisternis.
Heerscht reeds hier als Koningen over uw hart, uwvlcesch, uwe
begeerlijkheden, uwe zorgen, uwe twijfelingen, over de zonde en
<ie waereld. Overwint den duivel: overwint den dood. Dan zal uw
verlangen u een kracht Gods worden tot de verkrijging. Gij zult
vatbaar worden gemaakt voor den Hemel, want gij zult hemelsch
worden. En gij zult het woord des Dichters verstaan, dat ook
aan u bewaarheid wordt:
-ocr page 78-
08
........ „De kennisse van God
„Is \'t zaad, waaruit het Hoogcr Leven tot;
„De spanne tijds van ons verblijf op aarde,
„Is de akker, die het opving en bewaarde.
„Bij \'t sterven breekt uit dezen moederschoot
„Het volle zaad in \'t volle daglicht. Ryzen
„En bloeien, God met rijpe vruchten spijzen,
„Dat, Christen! is het leven na den dood."
Dat geve God ons allen te ondervinden, naar den rijkdom
Zijner genade in Christus Jezus!
                                        AMEN.
Iff
•
-ocr page 79-
-ocr page 80-
Getrouwe Heer! Gij wilt mijn Goed, mijn God,
Mijn erfenis en \'t deel mijns bekers wezen;
Gij onderhoudt gestaag het hcuchlijk lot,
Dat Gij, zoo mild, voor mij hebt uitgelezen.
De schoonste plaats mat Gij inet ruime snoeren:
O Heerlijk erf! gij kunt mijn ziel vervoeren.
Straks maakt ge, o God! mij \'t levenspad bekend,
Waarvan in druk \'t vooruitzicht mij verheugde.
Uw aangezicht, in gunst tot mij gewend,
Schenkt mij in \'t kort verzadiging van vreugde.
De lieflijkhcên van \'t zalig Hemelleven
Zal ceuwelijk Uw rechterhand mij geven!
Psalm XVI
-ocr page 81-
MENGELINGEN.
-ocr page 82-
Daar zal ik met de blijde scharen,
Gelijk iu licht en reinheid, staan,
Kn \'t nooit gestoord geluk ervaren,
Met Hcilgen heilig om te gaan j
Daar wordt, tot eeuwige gcneucht,
Hun heil mijn heil, mijn vreugd hun vreugd.
\'k Zal daar den vriend mijn dank betalen,
Die mij den heihveg wijzen wou,
En hem, zelfs millioencn malen,
Xog zeeguen voor zijn liefde en trouw;
Daar vind ik bij mijn God en Heer
Dien trouwsten vriend op aarde weer.
Daar roept — o mocht mij God dit geven ! —
Wellicht een zalige ook tot mij:
„Wees welkom, gij hebt mij het leven,
„De ziele mij behouden, gij!"
O God, wat zaligheid, hoe groot!
Een ziel te redden van den dood.
Wat zijt gij, ondermaansche kwalen!
Bij al den glans der majesteit,
Die ons daarboven zal omstralen ,
Door aller eeuwen eeuwigheid?
Wat is een oogenblik van druk
Bij zulk een eindeloos geluk ?
Ev. Gez. CXCII : 9, 10, 11, 12.
(Naar Gkllert.)
-ocr page 83-
Met ontwaken.
Zu. Gij hebt goed geslapen ?
Hu. Beter dan ooit. Het heugt mij niet, dat ik zelfs als kind
ooit zoo zoet, zoo kalm, zoo verkwikkend geslapen heb. Gij weet
nog wel, als onze oude vader \'s morgens de kamer intrad, waar
wij hem zaten te wachten, dan placht hij op onze vraag, hoe hij
geslapen had, te andwoorden: „Als een zalige." Als een zalige —
zóó zou ik nu ook wel willen andwoorden — heb ik geslapen, of
liever als een zalige ben ik ontwaakt. Ik gevoel mij als herleefd;
het is mij als had ik alle vermoeidheid, alle behoefte aan slaap,
voor immer afgelegd. Er stroomt een frischheid door mijne leden,
er is een gemakkelijkheid in mijn bewegingen, die ik nimmer
heb gekend. Het is mij als of ik wel zou kunnen vliegen als ik
wilde.
Zu. En het bevalt u goed in dit oord ?
Hu. Zie, ik moet u zeggen, wij hebben samen menig heerlijk
plekjen op aarde bezocht, maar hier is het dan bij uitnemendheid
en boven alle beschrijving schoon. Welke boomen! waarlijk he-
melhoog! Zij dragen bloesems en vruchten tegelijk. Hunne takken
bewegen zich in den morgenwind, en daarbij ruischt het zoo liefelijk
uit hunne toppen, als herbergden die een geheelen zwerm ge-
-ocr page 84-
74
pluimde zangers, ofschoon ik geen enkel vogeltjen ontwaar. Achter
de boomen verrijzen de bergen. Hunne slanke vormen teekenen
zich duidelijk af tegen de blauwe lucht; en soms drijven er wol-
ken, in alle kleuren van morgen- en avondpracht gloeiend, langs
hunne helling en over hunne kruinen heen. Op den allerhoogsten
top, uit een melkwitten, doorzichtigen, schemerenden nevel, is
het als verhieven zich de poorten, torens en paleizen eener groote,
heerlijke Stad. En van dienselfden top stort zich een groot water
naar beneden, dat ik geen stroom maar een meir zou willen
noemen, en dat toch niet met ontzettend gedruisch, maar met
harmoniesch gemurmel langs de oneffenheden van den bergweg
nederkronkelt. Ver in liet ronde spatten de droppels, die boomen
en bloesems besproeien en een koelte verspreiden, die door de
borst begeerig wordt ingeademd. En deze weide, waar wij nu staan,
wat is ze vol en dicht en met verwonderlijk schoone bloemen
bezaaid ! Wij wandelen er over heen, maar de grasjens en de bloe-
men buigen zicli niet onder onzen voet. Het is hier een eenzaam
plekjen, maar er zijn uitzichten naar alle kanten: de onverzade-
lijke blik dringt van het eene verschiet in het andere, en de horizon
deinst al verder en verder.
Zij. Hebt gij dat alles al eens meer gezien ? of ziet gij het heden
voor de eerste maal?
Hu. Ofschoon ik mij hier zoo recht te huis gevoel, ofschoon
mij alles zoo bekend voorkomt, toch, neen! als ik mij goed bezin,
moet ik zeggen, dat ik hier nooit te voren geweest ben.
Zij. En verwondert het u niet, dat gij mij wéér naast u ziet?
Hu. Maar zijt gij dan niet altijd naast mij geweest?
Zu. In zekeren zin wel, in eenen anderen zin niet. Uwe oogen
hebben mij in lang niet gezien: ik ben eens uit uw gezicht
verdwenen.
-ocr page 85-
75
Hu. Daar doemt het op uit mijn herinnering als een donkere
wolk-------bange dagen, lange nachten... maar, hoe zonderling!
terwijl ik vroeger zoo zeer vatbaar was voor smartelijke gepein-
zen en gewaarwordingen, is het mij nu als kan ik ze niet meer
goed vatten, niet meer goed begrijpen: zij schijnen mij geheel
vreemd geworden.
Zij, Denk aan den veertienden Februari!
Hu. Nu wordt mij alles op eenmaal duidelijk ! \'t Was op zekeren
voordenmiddag. Vier dagen hadt gij krank gelegen. Wij hadden
ons zeer beangstigd, maar toch nog altijd het beste gehoopt.
Plotseling overviel u een groote matheid; gij leundet het hoofd
tegen mijn borst aan; gij zeegt ter zijde met een diepen zucht;
gij stierft — het is uitgemaakt: gij zijt gestorven.
Zij. Ik ben gestorven, en zie, ik leef!
Hu. Als gij gestorven zijt, en als ik u zie — dan droom ik
zeker?
Zu. Gij droomt niet, want gij zijt wakker.
Hu. Of gij zijt uit den hemel tot mij op aarde nedergezonden,
opdat ik u een oogenblik zou wederzien, om straks op nieuw voor
vele jaren uw afwezigheid te betreuren?
Zu. Neen, thands scheiden wij niet meer. \'t Is waar, ik ben
u te gemoet gezonden, maar niet naai- de aarde daar beneden.
Werp een blik rondom u: waar hebt gij ooit op Aarde zulke
boomen, zulke bloemen, zulk water gezien? Sla een blik op uzel-
ven: gij gingt gebogen onder den last der jaren en de gebreken
des ouderdoms. Thands zijt gij verjongd; gij gaat niet meer, gij
zweeft; uwe oogen zien niet maar, zij zien onmetelijk ver. En
keer den blik in uw binnenste: zijt gij ooit zoo te moede geweest
als heden?
Hu. Het is mij als ware mijn hart, binnen in mij, een diep,
-ocr page 86-
7G
ondoorgrondelijk, altijd bewogen en toch zoo geheel stil en rustig
meir. Ja, als ik rondzie, als ik mij-zelven aanschouw, als ik een
blik in mijn binnenste werp, als ik uwe hand in de mijne voel —
dan zou ik haast zeggen: ik ben zalig, ik ben in den hemel.
Zij. Gij zijt het.
Hu. Maar dan zou ik immers gestorven moeten zijn?
Zij. Gij zijt het. Hebt gij dan niet ziek gelegen , op de zelfde
plaats waar ik gestorven ben, en werwaarts ook gij begeerdet
gebracht te worden? Heeft uw zoon niet dag en nacht, zonder van
uwe zijde te wijken, u zoo trouw en liefderijk verpleegd? Hebt
gij niet dag en nacht de blauwe oogen uwer dochter op u zien
rusten, glinsterend van noode weerhouden tranen ? Heeft dan niet
een diepe schemering, een glanzig donker, u den aanblik van
«we kinderen en alles wat u omringde, op eenmaal onttogen?
Hu. Ik ben gestorven!... Heer van leven en dood! op mijne
knieën dank ik U, dat Gij ook aan mij iets zoo groots hebt vol-
bracht, dat Gij ook mij tot het groote geluk, tot het heerlijke
voorrecht hebt geroepen van te sterven, van zalig te sterven.
Gij weet, o Heer! hoe vaak die ure mij voor den geest stond, hoe
vaak ik U gebeden heb, dat Gij-zelf, daar i k het niet vermocht,
mij daartoe toch mocht voorbereiden, en dat mij een zacht en
zalig ontslapen ten deel mocht vallen. Nu, o Heer! Gij hebt deze
bede, gelijk alle anderen, verhoord. Gij hebt u hier, gelijk altijd,
heerlijk en boven bidden en denken genadig en barmhartig be-
toond. Wat vóór mij lag, is nu voorbij, \'t Is waar, schoon ik-zelf
gestorven ben, weet ik eigenlijk niet recht wat de dood is; maar
zooveel weet ik : de dood doet geen pijn. Gelijk men een kind,
terwijl liet slaapt, uit de donkere kamer naar den zonnigen voor-
jaarstuin overdraagt, zóó droegt Gij mij van de aarde ten hemel.—
Maar nu ook, liefste! houd mij niet langer op.
-ocr page 87-
77
Zij. Waar wilt gij heen ?
Hu. En dat vraagt gij nog? Tot wien anders dan tot Hem!
Alles is hier schoon en lieflijk: deze boomen, deze bloemen, dit
neêrstroomend water, deze frischheid, die zich over boomen en
bloemen en die]) in de ziele verspreidt: gij, uwe tegenwoordigheid,
waarin ik mij, na zoo lange scheiding, na zoo vele tranen wederom
verblijden mag! Maar dat alles is mij niet voldoende. Hem-zelven
moet ik zien! Hij mag Zijn Hemel zoo heerlijk maken als Hij wil.
dat vergoedt het gemis van Zijne tegenwoordigheid niet. Hij heeft
het onmogelijke mogelijk gemaakt: zoo lang, zoo onvermoeid, zoo
trouw heeft Hij aan mij gearbeid, dat ik zalig heb kunnen worden
Reeds eer ik geboren werd, heeft Hij mij aangenomen. Waar is
zij, de kleine Aarde? Daar draait zij zich: hoe ver van hier! In
welk een duisternis is zij gehuld! Ik zou niet gaarne tot haar
wederkeeren. Derwaarts is Hij nedergedaald: met Zijne heilige
voeten heeft Hij haar stof betreden. Hij heeft er gehongerd en
gedorst — Hij is er gestorven. Ach! Hij heeft mij den blik ge-
scherpt, om dieper dan ooit te voren in te zien in den afgrond
van Zijn doodelijk lijden! Daar heeft Hij mij Gode gekocht met
Zijn bloed, en opdat ik, Zijn dierbaar eigendom, niet weder voor
Hem zou verloren gaan, is Hij, van mijne vroegste jeugd af aan,
onophoudelijk met mij bezig geweest. Veel dat Hij voor mij gedaan
heeft, heb ik reeds erkend, toen ik nog daar beneden was. Meer
erken ik mi. Nog meer zal ik voortaan erkennen, als wij alles
te samen zullen overdenken. Nu heb ik daartoe ook geen tijd.
Ik heb geen rust: een onweerstaanbaar verlangen drijft mij en
prangt mij het hart. Naar Hem moet ik heen: ik moet Hem zien,
Hem danken, als ik nog in staat ben Hem te danken: als in de
overgroote vreugde het gevoel des danks niet ondergaat.
Zij. Gij zult Hem zien, maar niet vóór dat Hij tot u komt.
-ocr page 88-
78
Tot zoolang moet gij rustig zijn. Ik ben u te gemoet gezonden,
om o te zeggen dat dit Zijn wil is.
Hij. Eerst thands ontwaar ik recht duidelijk dat ik in den Hemel
ben — want mijn wil schikt zich zonder eenigen strijd naar Zijnen
wil. Ik had gemeend, dat het mij geheel en al ondragelijk zou
zijn, Hem hier niet te zien. En nu draag ik dat niet alleen: maar
ik draag het gaarne. Hij wil het, maar ik wil het ook. Iets anders
schijnt mij niet meer mogelijk. Zoo gemakkelijk viel dat ons daar
beneden niet! — Intusschen, als gij mij door Hem te gemoet zijt
gezonden, dan hebt gij ook met Hem gesproken? Hij heeft mis-
schien reeds menig woord met u gewisseld ?
Zij. Reeds menig woord.
Hu. O gij, gezegende! kunt gij mij zeggen, hoe u te moede
was, toen gij voor het eerst met Hem spraakt?
Zij. Juist zooals mij telkenmale te moede is, als ik met Hem
spreek. Thands spreek ik nog met u in een aardsche taal: daarin
laat zich zoo iets niet beschrijven.
Hu. Toen gij Hem voor de eerste maal spraakt, hebt gij Hem
toen terstond herkend ?
Zu. Terstond.
Hu. Zeker aan een luister, waardoor Hij alle Engelen overstraalt ?
Zu. Hij behoeft zich niet in uitwendigen luister te vertoonen:
men herkent Hem toch.
Hu. Denkt gij, dat ook ik Hem terstond zal herkennen, zonder
dat iemand mij zegt dat Hij het is?
Zu. Uw hart zal het u zeggen.
Hu. Hoe zal Hij wel jegens mij zijn? streng of vriendelijk?
Als ik daar beneden in de schaduwen van het aardsche leven met
Hem sprak, heeft Hij mij vaak zeer ernstig en streng geandwoord.
Zu. Dat moest Hij daar beneden doen om ons eigen bestwil.
-ocr page 89-
79
Hier is dat niet meer noodig: bier behoeft Hij Zijn bart niet
langer geweld aan te doen: Hij kan bier Zijne liefde den vrijen
loop laten. Zij is oneindig : daar konden wij baar niet doorgronden ,
en hier — eigenlijk evenmin.
Hu. Bestaat er hier onder u verschil van heerlijkheid en
zaligheid ?
Zij. Dat bestaat er zeker: maar daar de allerhoogsten ook
altijd de allernederigste!) zijn, zoo buigen zij zich steeds tot de
nederigsten ter neder. En dat kan Hij hun niet weigeren: want
Hij, die boven allen staat, is ook tevens van allen de nederigste.
En zoo wordt ten slotte dan toch het verschil wéér opgeheven,
en wij zijn allen één in Hem.
Hm. Zie, ik heb dikwijls gedacht, als ik maar in den Hemel
kom, als ik maar niet onder de vijanden des Heeren leven moet,
dan wil ik gaarne in den Hemel de minste van allen zijn. Gij ,
zoo meende ik, zoudt in veel hooger sfeeren wonen, en onze
kinderen ook, als zij de Aarde hadden begeven. Als gij ook dan
maar, al ware \'t alle honderd jaren, één enkelen maal tot mij
afdaaldet; als ik om de duizend jaren maar ééns verwaardigd
werd den Heer te zien — zoo dacht ik — het zou mij genoeg zijn.
Zij. Wees getroost! Wien Hij aanneemt, dien neemt Hij met
eere aan. Weet gij niet, hoe Hij ons beide dat in Zijn woord
heeft verzekerd ?
Hu. Zeker weet ik het, en ik aanschouw het nu met mijne
oogen, hoe Hij u met eer en heerlijkheid heeft gekroond. Tusschen
dat beeld van u, in uwe laatste ziekte, dat mij duidelijk voor
den geest staat, tusschen die verwelkende bloem en deze hemelsche
schoonheid — welk een onderscheid! Neen, deze blos op uwe
wangen kan niet meer verbleeken; dat licht in uwe oogen kan
niet meer verdonkeren: de last des ouderdoms kan deze uwe
-ocr page 90-
80
gestalte niet meer buigen. Zóó zult gij hier met mij wandelen:
gij zult mij een leidsvrouw zijn naar de heerlijkheden van het
Vaderhuis: en ook naar de anderen die mij lief zijn, zult gij mij
brengen.
Zij. Gij zult hen zien, zoodra gij den Heer gezien hebt.
lli.i. Wat was dat toch liefelijk, als wij vroeger onzen grijzen
vader in zijn dorp gingen bezoeken! Onze wagen kwam aange-
rold: daar traden zij dan allen op den drempel van het huis; en
onder allen zochten wij altijd het eerst zijn dierbaar, eerwaardig
gelaat. Hoeveel liefelijker zal het zijn, hem hier weder te zien.
Hij, wien de geringste vreugde met dankbaarheid jegens den
Gever vervulde: hij, die een grasspriet bewonderen kon, die een
blijden zonnestraal tegenlachte: hij, die zoo gaarne het oog naar
den starrenhemel opsloeg om den Schepper der waerelden teaan-
bidden: wat zal hij hier ondervinden, waar de wonderen der
almacht open en ontsluierd vóór hem liggen! Hij, die onophou-
delijk in zijn hart den Heer dankte voor de genade hem geschied
en voor de minste verkwikking, die hem op zijn moeilijken pel-
grimsweg ten deel viel — welk een dank zal hij nu zijn Verlosser
betalen\' — „Wij zullen elkander wederzien!" zoo sprak hij nog
in zijn laatste ziekte tot mij, terwijl hij, met al de kracht die
hem nog was overgebleven, mij de hand drukte: „Wij zullen
elkander wederzien, en God te samen voor Zijn genade danken!"
Zij. Weldra zult gij hem, weldra zult gij ook uw moeder
zien.
Hu. Mijn moeder, die mij zoo onuitsprekelijk liefhad, en die
ik nimmer heb gekend! Drie jaren was ik oud, toen ik haar
verloor. „Wat zal er van mijn arm kind worden ?" moet zij gezegd
hebben. Goede moeder! alles wat er van een mensch worden
kan — een burger des hemels. Door de genade des Heeren is het
-ocr page 91-
81
geschied, en ook. door de kracht uwer gebeden. — Is het niet zoo?
Zij. Zoo is het. Ik heb menigmaal met vader en moeder over
u gesproken.
Hu. Is X. hier?
Zn. Ja.
Hij. Dat had ik niet gedacht!.... Maar neen! dat was verkeerd
van mij: ik ben immers toch ook hier! — Maar die dierbare
panden, die ik op aarde achterliet? Zal ik tijding van hen ont-
vangen? Of ontglippen zij aan ons waarnemingsvermogen tot op
den dag des wederziens ?
Zij. Deze vraag zult gij zoo aanstonds zelf kunnen beandwoor-
dcn. Zie naar ginder heen.
Hij. Ik doe het, maar ik zie niets.
Zu. Tuur nog langer in die zelfde richting—en wil zien! —
Ziet gij nu?
Hu. Klaar en duidelijk. De plaats is mij welbekend. Dat is het
kerkhof, waar ik uw stoffelijk deel, dat op aarde achterbleef, liet
begraven. Hoe dierbaar was mij dat plekjen! Hoe menigmaal
heb ik het bezocht, terwijl ik, biddend bij uw graf, de oogen
■ophief naar den hemel — waar wij nu beide zijn. Onder schoone
boomen en bloemen, zoo dacht ik dan, wandelt zij nu daar
boven in een bloeiend Paradijs. Onder boomen en bloemen zal
ook haar hulsel rusten. Zóó ontstond er een bloemtuintjen en een
boschjen, en wat lente en zomer liefelijkst voortbrengen, ver-
sierde uw graf.
Zu. Ik wist het wel. Blik nu ginds naar beneden. Wat ziet gij?
Hu. Naast uw graf is een ander gedolven. De deur van het
kerkhof staat open: een lijkkist wordt uitgedragen; onze kinderen
volgen. Gij weent, geliefden mijner ziel! Waarom weent gij zoo
bitterlijk? Kondet gij ons zien, gelijk wij u zien, gij zoudt niet
5e druk.                                                                             6
-ocr page 92-
H-2
weenen, of het moest van heilig verlangen zijn. De kist wordt
neergelaten en zij werpen een handvol aarde op het deksel. Nu
is de groeve gesloten: nu rust mijn stof naast het uwe. Keert
nu huiswaards, geliefden! en een voorgevoel der hemelsche ver-
troosting die wij hier genietan, dale neder in uw hart! Maar
keert dikwijls terug en bezoekt liet graf uwer ouders! Als gij
daar weent en bidt, zullen wij niet verre van u zijn, en u hemel-
sche gaven brengen van den Heer. Wandelt steeds aan Zijne hand.
Hij is de ware Leidsman. Uwe ouders hebben het ondervonden.
En eenmaal brengt Hij ons allen wéér bij elkander.
Zu. Amen! zóó zal het zijn.
Hu. Hoort gij die klanken? Wat is dat? Verwonderlijk schoon,
als muziek op het water, zweven zij tot ons over, zich versprei-
dende door heel den hemel. Luister! En van gindschen kant,
ook een geluid, geheel anders weer, maar toch ook zoo heerlijk
en hartverrukkend.
Zu. Dat zijn Engelenchooren, die uit onmetelijke verten elkander
beandwoorden.
Hu. Wat zingen zij dan ?
Zu. Den lof des Eenen en Eenigen, die eeuwig en onuitspre-
kelijk is.
Hu. Reeds sedert eenigen tijd wandelt daar ginds een gestalte.
Zu. Beschouw haar van naderbij, en zeg dan waarvoor gij
haar houdt.
Hu. Gij zult mij, die de aarde nog pas verlaten heb, een aardsche,
kinderlijke vergelijking wel ten goede willen houden. Achter het
huis. waar ik geboren ben — gij weet het, ofschoon gij toen
reeds niet meer op aarde waart — had ik een tuin aangelegd.
Zoodra het nu voorjaar werd, begaf ik mij naar dien tuin, en
verheugde mij over zijn plantsoen en zijn veelbeloovenden bloei.
-ocr page 93-
83
Daar stonden veel booinen, veel struiken, veel bloemen; ik kende
ieder gewas, want ik-zelf had het geplant en verpleegd. Over
het minste twijgjen ging mijn oog, en als het liefelijk botte en
bloesemde, verblijdde ik mij van gantscher harte. Zóó schijnt mij
ook die vreemdeling daar ginds de hovenier in deze hemelgaarde
te zijn. Hij gaat rond, zoo stil en zonder eenige vertooning, maar
men kan wel merken, dat alles hem zeer nauwkeurig bekend is.
Met vergenoegde en tevreden blikken ziet hij overal heen, en de
geheele natuur hier schijnt hem buitengemeen te behagen. Hoe
is mij toch te moede? Tot hiertoe ben ik rustig geweest; kalm
en geregeld klopte mij het hart. Nu begint het onstuimig te
jagen; mij duizelt: de hemel met zijn heerlijkheid verdwijnt uit
mijn oogen: ik zie niets dan Hem-alleen. Wel is het mij, als
ontwaarde ik een gevoel van smart, maar in deze smart ligt een
hoogere zaligheid. Ik brand van verlangen om Hem te naderen.
Een bekende is hij zeker, en toch hebben mijne oogen hem nim-
mermeer aanschouwd. Nu keert hij zich om: hij ziet ons aan.
Hij schijnt zich over ons te verblijden. Het is als blonk er een
vreugdetraan in zijn oog. Ik kun mij niet langer bedwingen ; ik
moet naar hem heen: ik moet hem zeggen dat ik hem liefheb
boven alles wat ik ooit heb lief gehad. Hij heft de handen op —
hoe? er is een litteeken in zijn handen: uit het litteeken straalt
een hemelsch licht! Ja, dat zijn ze, dat zijn de doorgraven,
zegenende handen. Hij zegent ons! diep in het harte voel ik zijnen
zegen. Nu weet ik, dat ik in den Hemel ben: nu weet ik, dat
Hij het is.
Zij. Zoo ga dan tot Hem.
Dr. Frans Theremin.
G*
-ocr page 94-
84
herrijzen.
EEN PAASCHIIÏMKE.
Verrijzen\'. Heerlijke gedachte!
Welzalig die u mag verstaan!
Gij waait den kranke die versmachtte,
Als de adem van den Levende aan.
Een voorglans van des hemels weelden
Doet ge opgaan in dit heilig uur,
En juichend kleedt ge uw zinnebeelden
In alle vormen der natuur.
Het beek jen smelt zijn winterteugels,
De bloemen klimmen uit beur graf,
De vooglen schudden van hun vleugels
Een dauw van melodiën af.
\'t Geboomte heft, als palmenmeien,
De nieuwgeboren takken op.
rHozanna!" duistren de valleien,
En „Amen!" ruischt de heuveltop.
„Hernieuwing!"\' preekt de jonge lelie;
Een Godsbelofte is \'t kleinste blad;
De gantsche hof een Evangelie,
Een weg ten Nebo ieder pad.
Ja. zelfs de vlinder schijnt te roemen:
„Ik spon mij stervende in mijn web,
„Daar wekt me een hemel vol van bloemen,
,,En — \'k zweef, waar ik gekropen heb!"
-ocr page 95-
85
De hoop der Lente kleurt elk leven ,
En groent zelfs over \'t lijkgesteent\'.
Wat droomgestalten zien we zweven,
Sints lang begraven en beweend!
Wat lofgebeden , frisch en teder,
Gaan op in \'s harten heiligdom!
De jeugd der ziele bloesemt weder,
En de eerste liefde keert weerom!
In klank en kleur, benern en boven,
Tot waar de blauwe kimmen vlii\'Ti,
Roept Aarde en Hemel tot gelooven :
„Onsterflijkheid en Wederzien!"
Hoe zalig zal dat opstaan wezen,
Als, uit den schoot der eeuwigheid,
Een Paradijshof is verrezen,
Die onvergankbre lommer spreidt:
Waar de eens gescheiden paren knielen,
Waar Jacob bij zijn Jozef rust,
Waar de aangebroken lent\' der zielen
Den boom der Menschheid wakker kust;
Waar alles heerlijk zal ontknoppen
Wat hier in \'t stof niet bloeien kon,
Waar elk gebroken hart zal kloppen
In koestring van Gods liefdezon!
Waar ik U juichend weer zal vinden,
Goede Englen op mijn pelgrimsbaan,
Gij kort bezeetnen, lang beminden,
Die mij zoo vroeg zijt voorgegaan!
-ocr page 96-
86
Waar \'k eindlijk, eindlijk! U zal groeten ,
Mijn Heer, mijn Heil, mijn Levensvorst,
En grijpen Uw doorboorde voeten,
En zinken aan Uw broederborst!....
O Cbristen Paaschfeest! Dag der dagen!
Uw licht vertroost en heiligt mij.
Een andwoord Gods op al mijn vragen,
De rots van mijn geloof, zijt gij!
Gij maakt liet graf een hemelpoorte
Aan d\' uitgang van dit schaduwdal,
Den strijd des doods de weérgeboorte
Voor \'t leven dat niet sterven zal!
Het schijnbaar slapen is — ontwaken:
En als de zweetdoek \'t overspreidt,
Voelt juist het oog zijn windsels slaken,
En — ziet des Hemels heerlijkheid!
Gij menschengeest, zijt onverganklijk :
\'t Is groot — en groot is \'t, dat gij \'t weet....
Maar wie zijt gij, die, onafhankelijk,
De Vader aller Geesten heet?
Wie kent den polsslag van Uw leven,
O Gij, die eind hebt noch begin?
Wat schepsel kan den maatstaf geven
Van zooveel Wijsheid, Macht en Min?
Gij buigt U zeegnend naar beneden,
Gij beurt het stof tot U omhoog:
O diepte van verborgenheden!
O afgrond, deinzende uit mijn oog!
-ocr page 97-
87
Uw wezen, Heer! is niet te peilen;
Hier voelt de Cherub zich een worm,
En \'s menschen rede strijkt de zeilen,
Gelijk een zeeman in den storm.
Wij wagen \'tstaamlende U te prijzen,
Wij slaan Uw grootheid duizlend ga:
Ver boven Sterven en Verrijzen,
Staat Gij, o God... Hallelujah!
J. J. L. ten Kate.
De dood! Hij is toch verschrikkelijk; de worm zelfs kromt zich
voor hem, want hij ontneemt ons alles. Als men nu ziet hoe onze
Heer Jezus te Naïn een doode opwekt, dien men ten grave droeg,
en te Bethanië een anderen, die reeds vier dagen in het graf
gelegen had; wanneer men Hem verder van woningen des vredes
hoort spreken, waar wij onzen Anselmo zullen wederzien, en
waar de goede en vrome menschen van alle tijden en volken
vergaderd zullen worden; als men Hem dan zeggen hoort, dat
wie in Hem gelooft, niet sterven zal, al ware hij ook gestorven; —
verheugt het u dan niet, Andries? en zoudt gij niet van harte
in Hem gelooven?......................
Wat gewoonlijk te zien is en wat iedereen zien kan, is, dat
wij in ons binnenste uit twee krachten bestaan, die het niet ééns
zijn en elkander bestrijden — de ééne is van hooger natuur, die
van Onsterfelijkheid en het Oneindige, van een hoogste volmaakt-
heid, wijsheid, goedheid, rechtvaardigheid, begrip en gevoel heeft,
-ocr page 98-
88
en lust om naar dien regel te wandelen; die naar boven streeftT
waarheid zoekt en alles wil uitvorschen — maar onder den invloed
is van een andere, die haar overal hindert, haar overal in der»
weg staat, die haar licht en lust verduistert en kleurt, die
driftig en ongetemd is, naar geen raad luistert, en in het stol
kruipen en er zich meê voeden wil. De rook wordt door de ascli
voortgedreven. De Maan staat in de schaduw der aarde! . .
Zie, als er nooit deugdzame menschen waren geweest, zou ik
verloren zijn en gewanhoopt hebben bij die overgroote macht van
de schaduw der aarde in onze harten. Maar die groote menschen
hebben mij geleerd, dat de menschelijke ziel onsterflijk is, en
onoverwinlijk, wanneer zij zelve dat wil en slechts den moed
heeft op leven en dood zich te verdedigen. En deze hare onster-
felijkheid vertoont zich nu overal aan ons, en aan alle hoeken,
waar wij de slippen maar even oplichten en aanraken.
Zij heeft een innerlijken drang, een aangeboren verhingen om
onsterfelijk te zijn. Dit verlangen openbaart zich, wel is waar.
zelden in een reinen vorm, en de onsterfelijkheid waar wij men-
schen naar streven, is dikwerf zeer sterfelijk. Maar dit is slechts
een dwaling in de toepassing: het verlangen blijft desniettemin
bestaan.
Overal, waar wij een ingeschapen drang aantreffen, die voort-
jaagt naar het een of ander doel, vinden wij ook een daaraan
beandwoordenden aanleg en een overeenstemming tusschen beide,
zoodat de drang kan worden bevredigd of een vereeniging mogelijk
is. Hoe zou ook de natuur zóó kunnen dwalen, dat zij neigingen
zou instorten tot onmogelijke en tegenstrijdige dingen? De ver-
eeniging echter kan niet alleen plaats hebben, maar zij moet
ook, uit den aart der zaak, plaats hebben, en zou ook waarlijk
volgen als haar niets in den weg stond; en de drang is inderdaad
-ocr page 99-
Si)
niets anders dan liet besef van die betrekking, bij de dingen die
besef hebben, en de betrekking-zelve bij de dingen die het niet
hebben. In het middenpunt der aarde, b. v., hebben de lichamen
geen zwaarte: wanneer ik nu een kogel aan een draad hang en
op de hand of iets anders laat rusten, dan drukt hij in een rechte
lijn naar het middenpunt der aarde, want hij wordt verhinderd
het te bereiken. Een boom, een plant, die onder den blooten hemel
staat, groeit en staat rechtop: plaats ik ze nu in een kamer,
zoodat de invloed van zon en lucht belemmerd wordt om naar
behooren van boven op haar te werken, dan buigt zij zich naar
het venster. Als een visch in het water is, verlangt hij niet naar
het water, maar is er vrolijk en tevreden; en werpt men hem
op het drooge, dan gevoelt hij zich niet op zijn plaats en springt
en spartelt.
Als wij menschen dus een ingeschapen verlangen naar onster-
felijkheid bezitten, is het duidelijk dat wij in onzen tegenwoor-
digen toestand niet zijn waar wij behooren. Wij spartelen op
het drooge en er moet ergens een oceaan voor ons zijn ....
Gevoelen wij menschen aldus onze onsterfelijkheid, dan-alleen
als wij Ware Menschen, d. i. Christenen zijn, bezitten wij haar
reeds. Indien het waar is, dat de tijd niets anders is dan de
opvolging en afwisseling van allerlei dingen, dan zijn de ware
Christenen reeds daarom minder tijdelijk, omdat ze tevreden en
rustig zijn, daar zij hunne vastigheid hebben gevonden in den
onveranderlijken God.
Er moet wel iets wezendlijks, iets in zijn aard eeuwigs en on-
sterfelijks in hen zijn, want de kracht die in andere menschen
zoo geweldig en onweerstaanbaar heerscht en zoo veel kwaad en
jammer sticht, is in hen onderdrukt en geketend. En wat anders
toch dan het Eeuwige en Onsterfelijke kan het Tijdelijke onder-
-ocr page 100-
90
drukken en bedwingen? En hoe zou een Christen ook kunnen
sterven, en waardoor? Deze waereld en het hare heeft geen macht
over hem, is voor hem alsof zij niet bestond; en zij zou hem
kunnen vernietigen? Neen, neen, integendeel. Hij heeft haar
overmocht en zet liaar zijn voet op den nek als een overwinnaar,
en heft zijn blikken vrij naar dien hemel, die — niet zoo ver
van hem af is.
De Wandsbecker Bode.
leven en sterven.
Wenn die unbekannte Hand den letzten Pfeil
an das Haupt des Menschcn sendet, so biickt
er vorher das Haupt, und der Pfeil hebt bloss
die Dornenkrone von seinen Wunden ab.
Jean Paul.
Drie minuten — nog niet! — zijn ons deel hier op aard :
Een tot lachen; de tweede tot schreien;
En de derde, tot waken en bidden bewaard,
Is ter helft pas voorbij of — we scheien!
Maar de Heer vult het aan, \'t onvoltooide gebed;
En niet donker of diep zijn de groeven:
Zij zijn de indruksels maar van den lichtenden tred
Van zijn Engel, die zoekt waar we toeven.
En vliegt eindlijk de doodlijke pijl naar ons heen,
Door d\' onzichtbaren vinger gezonden ,
Ziet, dan buigen wij \'t hoofd, en de pijl neemt alleen
Ons de doornenkroon weg van de wonden.
J. J. L. ten Kate.
-ocr page 101-
01
Rerkbof bloemen.
1. HET LEVEN
wordt, even als een morgendroom, steeds helderder en duidelij-
ker, hoe langer het duurt en hoe naderbij de ontwaking is.
2. BEKOMMER U NIET TE ZEER ,
edele Grijsaard! wanneer uw geestvermogens beneveld worden, ter-
wijl uw lichaam zich voorover naar de aarde buigt, om daar
weldra in neder te zinken. Op zekeren zomernacht schitterden
de bloemen in den maneschijn, want de dauw had ze met paerlen
bestrooid; maar toen de morgen grauwde, werden zij treurig,
omdat de paerlen hunnen glans verloren, nu het maanlicht ver-
bleekte en de dauwdroppelen als koude, dofle tranen achterliet.
Maar zie! daar ging de zon op, en de bloemen schitterden op
nieuw; en in plaats van paerlen waren het juweelen die haar
tooiden en door hunne pracht de schoonheid van den nieuwen
dag verhoogden.
Ook voor u, o Grijsaard! zal een zon opgaan, in plaats van
het maanlicht dezes levens, die uw verdonkerde dauwdruppelen
heerlijk zal doen schitteren.
3. NIET ELKE ONSTERFELIJKHEID
is wenschenswaardig. Ook de verdoemden zijn onsterfelijk. De
goede nagedachtenis moet aan den naam , even als de Egyptenaars
aan de doode lichamen, niet alleen de onvergankelijkheid, maar
ook een liefelijken geur verleenen.
-ocr page 102-
92
4. DE GEDACHTE DES DOODS
moet ons enkel een middel tot verbetering, geenszins het doel-
einde zijn. Zoodra in het hart, even als in de hartbladen eener
hloem, de aarde van het graf valt, dan doet zij verwelken, in
plaats van te bevruchten.
5. HET STERVEN
valt zoo smartelijk niet, maar wel het scheiden van dierbare
zielen.
6. LAATSTE MENSCh!
denk niet na over den langen tijd vóór en achter u. In het heelal
is geen ouderdom, — de eeuwigheid is jong. Verzink in de golf,
wanneer die op uw laatste plek gronds aanspoelt: zij vergaat,
maar niet gij!
7. DE MENSCHEN
loochenen met even weinig gevoel het bestaan van God, als waar-
mede de meesten het aannemen. Zelfs in onze ware stelsels ver-
zamelen wij altijd enkel woorden tot legpenningen, zooals gierige
verzamelaars van muntkabinetten. Eerst zeer laat veranderen wij
de w-oorden in aandoeningen, de legpenningen in genot. Twintig
jaar lang kan men de Onsterfelijkheid der ziel gelooven — eerst
in het een-en-twintigste, in een verheven oogenblik, staat men
verbaasd over den rijken inhoud van dit geloof, over de warmte
van deze gezondheidsbron.
8. MET HET LEVEN
gaat het even als met den hemel. Juist omdat de sterren aan de
eene zijde ondergaan, moeten zij aan de andere zijde opkomen.
-ocr page 103-
9. DIT EERSTE LEVEN
is een chambre obscure, waarin de voorwerpen des anderen
levens met des te helderder licht vallen, naar mate zij meer
verduisterd is.
10. HET STERVEN
is verheven. Achter het zwarte gordijn doet de eenzame dood
het stille wonder, en werkt voor de andere waereld, terwijl de
sterveling met vochtige maar kortzichtige oogen voor het gordijn
van dit bovenmaansche tooneel staart.
11. HIERNAMAALS.
Waarlijk, indien ik dat leven hiernamaals kon beschrijven, dan
was ik reeds in dat leven overgegaan, en ook hij, die mij dan
verstond. Wij spreken tegenwoordig van de andere waereld even
als blinden van het zichtbare, vóór het lichten van hetkatarakt.
Het hart heeft iets anders noodig dan zintuigen. De oud-christe-
lijke uitdrukking van het Tijdelijke met het Eeuwige te verwisse-
len, is de ware uitdrukking. Achter het leven bestaat er geen
tijd, zoo min als vóór het leven.
12. DE HERINNERING AAN DE ONZEN.
„Geen doode reize met den levende!" zeiden de Ouden, „want
zijne asch beroert de golven en bedreigt hem met storm en onder-
gang."\' — O, hoe anders en hoeveel heerlijker begeleidt de afge-
storvene den christen, en leeft hij voort in zijn hart, terwijl deze
op hem de oogen slaat, onder het geween en de verdrukking der
buitenwaereld.
-ocr page 104-
94
13. DE MENSCH
moet evenmin het Tegenwoordige als de Toekomst ooit uit het
oog verliezen, evenmin de Aarde vergeten als den Hemel. Hij
moet zijn als de maan, die tegelijk rondom deze donkere aarde
en rondom de verre, stralende zon loopt.
14. ZOU HET MOGELIJK ZIJN?
Nu daar zoovele huizen klaagliuizen, zoovele velden slagvelden,
zoovele wangen bleek zijn; nu wij zoo menigmaal roodgeweende,
gebroken en gesloten oogen zien, zou het mogelijk zijn, dat nu
de laatste reddende haven van den armen reiziger, de groeve der
vertering, slechts een draaikolk ware die alles verslindt? En
wanneer eindelijk na duizende jaren onze aarde, door het allengs-
kens naderen van de zon, uitgestorven en ieder geluid op haar
verstomd zal zijn, zou dan de een of\'andere onsterfelijke geest
den stillen bol als een ledigen lijkwagen daarheen kunnen zien
trekken en zeggen: „Daar beneden vliegt het kerkhof\' van het
arme menschengeslacht in den krater der zon — op deze ver-
brande waereld hebben eenmaal vele schaduwen en droomen en
vluchtige gedaanten geweend en gebloed, maar nu zijn zij sedert
lang verteerd — vlieg in de zon, die ook u zal oplossen, schoone
woestenij! met uwe ingezogene tranen en verdroogd bloed?" —
Neen! dan zou de gewonde worm zich kunnen opheffen en tot
den Schepper mogen zeggen: „Gij hadt mij niet tot lijden moeten
scheppen!" De Algoede-zelf zou den worm het recht geven tot
die klacht, Hij die ons de deernis heeft ingeschapen en die in
ons allen spreekt om ons te bemoedigen, en die toch zelf in ons
de hope op Hem en de Eeuwigheid heeft neergelegd!
-ocr page 105-
95
15. BEN IK RIJP
voor de ooftkamer der kerkhoven? Maar is dan ieder menscli
daartoe rijp? Is hij niet op zijn negentigste jaar even onvolmaakt
als op zijn twintigste? — Ja, inderdaad! de dood neemt kinderen
en Vuurlanders weg. De mensch is zomerooft, \'t welk de hemel
moet plukken, vóór het rijp is. De toekomende waereld is geen
gelijkgeschoren laan, of een oranjerie, maarzij is de boomkweekerij
voor die stekjens, die men hier in dézen tuin uit het zaad wint.
Jean Pa ui,.
3& gezelligheid dos Toekomenden
Levens,
Het verblijf in de eeuwigheid zal gezellig en werkzaam zijn.
Met voordacht gaan wij elke bepaling voorbij, waar het oord
van ons toekomstig verblijf zal wezen, hoezeer wij het voor ons
allerwaarschijnlijkst achten, dat de verheerlijkte Aarde ons te dien
einde door den goeden en wijzen Schepper zal worden aangewezen:
ofschoon onze ziel, ontheven van het logge lichaam en metedeler
hulsel, den heerlijken lichame van Christus gelijkvormig, bekleed,
ook tevens het vermogen zal bezitten om zich naarde verstafgelegene
gedeelten der schepping te begeven, en aldaar den Grooten Maker
in de werken Zijner onbegrijpelijke almacht, wijsheid en heer-
lijkheid gade te slaan en te bewonderen. Maar hoe nu? zal de
Mensch in zijn toekomstig verblijf geheel en al op zich-zelven
staan, en niet met anderen in verbindtenis treden? Zal hij
-ocr page 106-
96
daar nimmer aan schepselen zijner soort zich kunnen aan-
sluiten, maar, aan zich-zelven overgelaten, een hem onbekende
bane eenzaam moeten bewandelen? Voorzeker niet! Totgezellig-
heid plantte hem zijn Formeerder de onweerstaanbare neiging in :
tot gezelligheid schiep Hij hem, opdat hij hierin middelen tot zijn
geluk en zijn volmaking vinden zou: en — in het Geestenrijk kan
en zal het niet anders zijn! Ook daar zullen de Onsterfelijken
zich onderling verbinden, en naar de mate der overeenstemming
hunner neigingen den band der hemelsche vereeniging nauwer
toesnoeron : ook daar zullen zij zich verbroederen tot onderling
geluk en volmaking, en zich verblijden in den weêrkeerigen was-
dom in kennis en heerlijkheid.
Onmisbaar zijn voor deze gezelligheid der Toekomst de bewij-
zen te vinden in onze Heilige Hoeken, en bijna overal wordt daarin
het genot des hoogsten geluks voorgesteld onder het beeld van
een gemeenschappelijke!! omgang, .la, de Apostel Paulus vond in
deze verwachting zelfs een grond van troost, waarmede hij de
geloovigen van Thessalonika bemoedigde. „Laat ons," dus schrijft
hij, „niet bedroefd zijn over onze dooden, als of wij geen hope
hadden," — van hen weder te zien — „want," voegde hij erbij,
„eens brengt God ons door Jezus allen bijeen, eens zullen wij
altijd bij den Heer zijn."\' Wat meer is, bij de roerend-grootsche
verheerlijking des Verlossers treffen wij Mozes en Elias, hoezeer
ecuwen na elkander van deze aarde weggenomen, bijéén in het
vertrouwelijkst gesprek met Jezus, daar zij vervolgends samen
naar den Hemel wederkeeren, gelijk zij samen uit den Hemel
waren nedergedaald.
— Overigens, dikwerf dacht ik bij mij-zelven : waarom weten
wij dan toch zoo weinig van de gesteldheid des Toekomenden
-ocr page 107-
07
Levens? Waarom is de mensch , op de grenzen van twee waerelden
geplaatst, zoo onkundig van die der geesten, die hem nochtans
eens tot zijn altijddurend verblijf zal worden aangewezen? Maar
wanneer ik dan wederom overdacht, hoe het een onmogelijkheid
is er meer van te kennen dan ons geopenbaard werd, en dan wij
uit dit geopenbaarde redelijkerwijze kunnen afleiden; wanneer
ik overwoog hoe heilzaam die duisternis der toekomst is voor
onze tevredenheid met het tegenwoordige, voor de vervulling
onzer plichten, voor de beoefening van ons geloof en voor de
vorming tot hooger geluk, dan eerbiedigde ik met dankbaar ge-
voel de liefderijke wijsheid des Hemelschen Vaders, Wiens plan
het altijd is, Zijn kinderen op Zijne, dat is, op de beste wijze,
naar het oord hunner bestemming heen te leiden. Ook zij het
genoeg, de onwankelbare hoop te mogen voeden, om, zoo wij
Jezus en Zijne verschijning hebben liefgehad, Hem eens gelijk te
wezen en eeuwig bij Hem te zijn. Heerlijk oogenblik, waarin
deze hoop vervuld zal worden! Oogenblik, dat den dag des doods
vroolijker doet worden dan de dag der geboorte, oogenblik van
waarheid, licht, leven en onsterfelijkheid!
W. Pape.
(Bekroonde Verhandeling over de waardij der
Wetenschappen in het volgend leven).
hiernamaals.
Niet elke goede ademt zijn leven uit, gelijk de bloem hare
geuren; niet elke goddelooze sterft onder folterpijnen. Dikwijls
is het juist omgekeerd. Wij moeten niet vreezen, deze disharmoniën
5e druk.                                                                                7
-ocr page 108-
08
van het uitwendig en inwendig Ieren met een vasten blik gade
te slaan. Zij zijn de zekerste waarborgen voor een oplossend,
verzoenend akkoord na het orgelpunt der graven.
Frederike Bremer.
Ulik ten Memel,
(Fragment).
Des Christens doodsklok is de sabbatsklok,
Die in des Hemels tempel wordt geluid:
Dat hoort zijn ziel, en met een heilgen schok
Van vreugde, vliegt zij haar omwindsels uit...
Waarheen? Wie die \'t vermeldt? Ons stoflijk oog
Heeft niet gezien!.. Maar onze ziele zag,
Zooveel \'t inwendig oog aanschouwen mag,
Zóó ver \'t geloof\' kan opzien naar omhoog!
Wij zagen, in den geesten door de kracht
Van \'s Heeren geest, de wondre heerlijkheid
Daar Boven voor de Zijnen weggeleid.
Wij zagen de oevers, waar de vrede lacht,
De palmen, waar de koele schaduw wenkt,
De velden in haar altijd groene jeugd,
De levende fonteinen van geneucht,
Waar Christus-zelf zijn schapen weidt en drenkt.
Geen tranen meer, maar eindlooze overvloed
Van vreugd, die duizendmaal de smart vergoedt.
De zwoegers in Gods wijngaard hebben rust;
-ocr page 109-
90
De strijders in Gods strijdperk smaken vree:
Een vroolijk danklied werd de bange beé,
\'t Geloof aanschouwen, en al \'t lijden lust.
Niets bleef er van het aardsch Gethsemané,
Niets dan de olijf; van \'t kruis niets dan de kroon:
Geen doornenkroon, maar de eeuwge lentekrans
Der rozen zonder doornen. Welk een glans
Van Blijdschap! Wat vertroosting bij Gods troon!
Al wat gescheiden is, hervindt elkaar:
Al wat verstrooid was, is voor eeuwig één,
Één hart, één ziel, bij de eigen zaligheén,
Nu elks en aller deel! Ziet, welk een schaar,
Weérblinkende als het licht! Hoort, welk een lied,
Weerklinkende als een waterval\'........
J. .1. L. TEN KATE.
(Dood en Leven, Ille Zang.)
licht in den nacht.
Ja, mijn God! Gij zijt. Bekende Onbekende, Gij zijt. Gij zijtde
Eeuwigheid; Gij zijt de Heiligheid; Gij zijt de Liefde. Het verstand
begrijpt U niet: maar het hart grijpt U en houdt U vast. De
gedachte bevat U niet, maar het gevoel vat U toch; want wij
zijn Uw geslachte, en Gij zijt niet ver van een iegelijk onzer.
\' Het hart heeft zijne eigene gronden, waarvan het verstand
niets weet. Het verstand heeft zich wel eens vermeten, God en
de Onsterfelijkheid en het Wederzien te loochenen. Maar het hart
was nog vermeteler, en geloofde in God, in een Eeuwigheid en
7*
-ocr page 110-
100
eeuwige Hereeniging. Het verstand zou ons wel willen overreden,
dat dit ons denkend , willend en liefhebbend Ik, even als het
hulsel dat het omkleedt, uit enkel stof te saam is geweven, en
lat het, als alle stof\', op den adem der vergankelijkheid verwaaien
moet. Maar het hart logenstraft den verwaten twijfelaar, en zegt:
«Wij zijn onsterfelijk, wij zullen elkander wederzien."
En dit gevoel onzer onsterfelijkheid is nooit zuiverder en krach-
tiger in ons, dan wanneer wij de verhevene natuur beschouwen:
wanneer wij den blik dompelen in een uitgestrekt verschiet:
wanneer wij van onze duinen de zee begroeten — dat beeld
der Eeuwigheid! — of als wij ons verliezen in de diepten van
den starrenhemel — dat beeld des Hemelschen vredes! Dan ont-
waakt er een heimwee in ons, dat de aarde met al hare schatten
niet bevredigen kan. Wij gevoelen dan, dat wij voor iets beters
geboren zijn dan voor de schitterende ellende van dit eerste
leven. De vreemdeling binnen in ons — ons eigen hart! —
schudt aan de traliën van zijn kerker. En wij verstaan het gekrijt
van den trekvogel, die de zwakke vleugelen uitslaat, beproevende
of het hem gelukken mocht zijn broeders na te reizen, naar een
zachter en zonniger hemel. Ja, waarlijk de mensch zou stof en
assche zijn, schaduw en droom, wanneer hij niet gewaar werd
dat hij het wa\'s. Dit gevoel, mijn Broeders, is onze onsterfelijk-
heid! Slapenden, zegt men, ontwaken als het nachtlicht uitgaat:
zoo zal de sluimerende geest ontwaken, als het schemerlicht der
zinnen verdooft. Treurige droomen, zegt men, voorspellen een
aangenamen dag: zoo zal het met den droom des levens zijn, als
hij voorbij is. De aarde gaat van het westen naar het oosten, en
toch is het ons als gaat zij van het oosten naar het westen: zoo
komt het ook ons voor, als gaan wij uit het leven naarden dood,
en ziet! wij gaan uit den dood naar het leven. Denkt aan den
-ocr page 111-
101
morgen, mijn Broeders! wanneer de avond nederdaalt. De maan
is de waarborg der zon, en de hoop is het onderpand der eeuwig-
heid. Ziet op naar den starrenhemel, als gij huivert voor het
graf. Ja, als er aan den hemel nooit een enkele star geschenen
had, dan zouden wij ons moedeloos nederleggen tot den langen
slaap. Deze schoone aarde zou ons een overwelfde grafkelder
schijnen, zonder vensters, opening of spleet. Maar nu! neen, zulk
een doodsspelonk is onze aarde niet. Door millioenen spleten zien
wij de stralen der Betere Waereld nedervallen. In eiken helderen
nacht zien wij als \'t ware de torenspitsen der Godsstad boven
onze hoofden vonkelen. In die Stad hebben wij het burgerrecht.
Dat leert ons dit ons eigen hart. en hierin willen wij ons eigen
hart gelooven.
L. Th. Kosegarten.
{Evaebia, I. hrate Uferprerfiyt, 271.)
"Wederzien en herkennen,
De wensch om met de voornaamste voorwerpen onzer liefde
eens hereenigd te worden, is ons allen gemeen en ontspringt uit
een onverdelgbare neiging onzer natuur. Maar in onze natuur
kan geen neiging voorhanden zijn, voor welke de Voorzienigheid
geen volkomen bevrediging bestemd heeft. Hereeniging is niet
alleen iets dat wij wenschen, maar onbetwistbaar ook iets wen-
schenswaardigs, en dus een mogelijk goed gevolg onzer aardsche
verbintenissen, dat wij even billijk aan Gods bestuur toeschrijven
als alle andere schikkingen in de waereld. Indien aan dit goed
-ocr page 112-
102
gevolg niets in den weg staat, dan behoort het gewis tot de oog-
merken Gods, die alle mogelijk Goed wil. En wat zou Gods wil
ooit in den weg staan?
Eeuwige scheiding zou een eeuwig kwaad zijn. Duurt de schei-
ding maar een tijd lang, dan is zij alleen een voorwaarde van
grooter toekomstige vreugden, die zonder haar geen plaats zouden
vinden. Eeuwig kan zij dus niet duren, ot\' die eeuwige duur
moest de noodzakelijke voorwaarde van nog hooger vreugden en
voordeelen zijn. En welke vreugden en voordeelen kan deze voor-
waarde toch geven?
Niets van alles wat wij hier bezitten, niet eens dezelfde werk-
tuigen onzer ziel, nemen wij met ons naar de andere waereld
mede. Krijgen wij onze geliefden weder, dan blijft ons een wezendlijk
voorwerp uit dit leven over, en wel het eenige dat ons bij moge-
1 ijkheid overblijven kan. Maar zoo niet, dan behouden wij niets
dan de bloote herinnering aan het verledene, en ons toekomstig
aanzijn heeft volstrekt niets met het tegenwoordige gemeen. In
het eerste geval is er onbetwistbaar meer samenhang in onze
lotgevallen: men ontdekt er meer een plan in en een nauwere
betrekking tusschen het tegenwoordige en toekomstige leven.
De nauwere verbintenissen des harten hebben den krachtigsten
invloed op onze zedelijke vorming. Deze nu, en de uit haar ont-
staande vatbaarheid voor het genot van hemelsche goederen, zou
zekerlijk een blijvend goed gevolg zijn, ook in geval eener eeuwi-
ge scheiding, doch deze verbintenissen kunnen ook zei ven een
hemelsch goed voor ons worden, en een gedurige onmiddelijke
bron van ons toekomstig geluk. Zij beantwoorden derhalven on-
eindig meer aan de oogmerken en schikkingen der Hoogste Wijs-
heid en Goedheid, die door ieder middel niet het minste maar
liet meeste goed zoekt te bereiken.
-ocr page 113-
103
Echte vriendschap, de zoodanige namelijk, die op gemeenschap-
pelijke godsvrucht is gegrond, is uit haren aard niet alleen voor
eeuwige voortduring vatbaar, maar deze ook volkomen waardig.
Dit geeft haar een inwendige bestemming voor de eeuwigheid.
Indien nu zulk een vriendschap nochtans even zoo vergankelijk
ware als al de ijdelheden van dit leven, dan stemde haar we-
zendlijk lot met hare natuurlijke bestemming niet overeen; dan
had zij, wat de mogelijkheid betreft, een ten uitersten hooge,
maar wat hare wezendlijkheid betreft (hare toevallige werkingen
daargelaten), een zeer middelmatige waarde. En indien men daar-
van eenmaal overtuigd was, deed men bijna voorzichtig wanneer
men zich zooveel mogelijk voor alle teedere verkleefdheid wachtte,
om zich hier en hiernamaals de zoo bittere smart der scheiding
te besparen.
Het Christelijk leven en streven eener liefderijke ziel kan geen
geschikter belooning vinden dan die onmiddelijk uit dezelfde
betrekkingen ontspringt, waarin zij zoo Christelijk geleefd en
gestreefd heeft Welke zaligheid verwekt niet het zien van zulke
deugden, waartoe men zelf aanleiding gegeven, wier wasdom
men zelf bevorderd heeft! Is niet onze neiging tot een voorwerp
te sterker, naarmate wij ons reeds aan dat voorwerp gelegen
lieten liggen? En is zij vooral dan niet allersterkst, wanneer het
ons groote inspanningen en opofferingen kostte?
Zaligheden, die onmiddelijk uit ons lijden ontspringen, zullen
ons ook de goedheid en wijsheid der vaak zoo donkere wegen
van Gods Voorzienigheid buiten twijfel in een veel helderder licht
plaatsen, dan de zulken die maar van verre, of liever eigenlijk
in het geheel niet, uit ons lijden volgen en alleen willekeurige
belooningen zijn. Hoe zalig zullen wij eens zijn in het genot van
gemeenschappelijke vreugde na gemeenschappelijk lijden! Hoe zal
-ocr page 114-
104
men daar dit lijden zegenen, waarin men ten deele zijne vreugde
gegrond weet!
Onze aanstaande lotgevallen zullen gewis naai- de behoeften
onzer zedelijke natuur ingericht zijn, zullen elke zedelijke ont-
wikkeling begunstigen. Zoo zijn een onkreukbare trouw in het
aankweeken zijner verbintenissen en een werkzame dankbaarheid
voor genoten liefde, voortreffelijke deugden, die van het voor-
werp waaromtrent zij werken, en van de gelegenheid om zich
bij voortduring te uiten, niet voor eeuwig beroofd kunnen wor-
den. Derhalven kunnen onze tegenwoordige innige verbintenissen
niet voor eeuwig ophouden, even zoo min als in onze toekom-
stige een gedurige onbestendigheid heersenen kan.
Uit deze beschouwingen volgt, dat een hereeniging met onze
dierbaren inderdaad voor ons toekomstig geluk in \'t geheel geen
onverschillige maar veeleer een hooggevvichtige omstandigheid is;
dat daardoor tevens een volmaakter samenhang, een veel nauwer
verband tusschen dit en het volgende leven ontstaat; dat dus de
zoo reikhalzend verlangde hereeniging, naar alle waarschijnlijkheid,
mede in het groote plan der Voorzienigheid is opgenomen. "Wij
kunnen van de Hoogste Goedheid niet anders verwachten ; en de
rede-zelve geeft aan de/.e hoop van ons hart hare volle goedkeuring.
Neen! wij twijfelen er niet aan, zij die deelnemen aan onze
tegenwoordige lotgevallen, behouden het oudste recht op onze
liefde: ons aanzijn is met het hnnne, om zoo te spreken, reeds
in de wortelen in één gevlochten. Zij hebben van ouds een zoo
gewichtigen, zoo onvergetelijken invloed op ons geluk geoefend;
door de lieflijkheid van zoovele gemeenschappelijke herinneringen
moet hiernamaals het verkeer met hen ons boven dat met alle
anderen aangenaam zijn, gelijk het reeds hier beneden was.
Daarenboven moet de hereeniging met hen de vervulling worden
-ocr page 115-
105
van een onzer vurigste en natuurlijkste wenschen; de beste ver-
gelding voor ons gezamentlijk lijden en strijden; de heerlijkste ,
zichtbaarste rechtvaardiging der Voorzienigheid, en het geldigste
bewijs der hooge goedkeuring, vvaarmeé God ons vertrouwen op
Zijne genade, en de getrouwe , liefderijke en dankbare gezindheden
van ons gemoed verwaardigd heeft. Zoo zeker als de wegen des
Hemelschen Vaders louter goedheid en waarheid zijn, zoo zeker
is het: „Wij zullen elkander wederzien!"
Maar hoe zullen wij elkander herkennen? Zal ons nieuwe
lichaam de gestalte, de kenbare trelsken van het aardsche bezitten,
schoon dan verheerlijkt en gelouterd? Het and woord op deze vraag
is onmogelijk: ook is het onnoodig. Genoeg, zoo wij vertrouwen,
dat liefhebbende zielen in elke gestalte elkander herkennen zullen ,
gelijk wij op aarde elkaar in elke kleeding herkend zouden hebben,
zoo al niet bij den eersten aanblik, dun toch spoedig genoeg.
Het gelaat des menschen ondergaat, door ziekten of rampen, of
zelfs alleen maar door de verandering die een klimmende ouder-
dom in het gantsche samenstel des lichaams te weeg brengt, zeer
aanmerkelijke wijzigingen. Hoe lang intusschen een vriend van
u afwezig moge geweest zijn, hoe ook zijn gelaat sedert veran-
derd zij: op het eerste oogenblik eener onverwachte ontmoeting
moogt gij misschien twijfelen, maar spoedig , zeer spoedig herkent
gij hem toch met de volkomenste zekerheid, en lachend met
weenende oogen drukt gij hem aan het hart. In ieder menschelijk
gelaat schijnen zekere trekken onverdelgbaar aanwezig te blijven,
zoo lang de ziel er in woont — „oogen sterven niet," heeft een
Dichter recht schoon gezegd. En deze trekken zijn het juist, die
de tolken van ieders bijzonder karakter uitmaken. In de kindsch-
heid spreken die trekken minder , omdat de ziel dan minder werk-
zaam is of omdat althans hare werkingen zich minder naar buiten
-ocr page 116-
IOC
openbaren: vandaar dan ook de groote gelijkheid in de gelaats-
trekken van alle zeer jonge kinderen. Waarom spreekt een af-
beeldsel van iemand die na zijn dood geschilderd wordt, zoo weinig?
Waarom mist het doorgaands de meest karakteristieke trekken
van den overledene? De ziel was het, welke die trekken vormde
en onderhield, en hare verlaten woonstede kon alleen maar in
grovere trekken het vorige gelaat behouden: de fijnere gingen
verloren. Zou men uit deze waarnemingen niet besluiten mogen,
dat ook dan zelfs, wanneer de gedaante van ons nieuwe lichaam
zeer aanmerkelijk van die van het tegenwoordige verschillen zal,
echter de ziel aan deze hare verheerlijkte medgezellin terstond
wederom zulke kenbare indrukselen zal geven , waardoor de vriend
zijnen vriend, de gade haren echtgenoot, reeds op het eerste
gezicht, en zonder nadere openbaring, zeer gemakkelijk herkennen
zal?
En gesteld ook, dat van onze aardsche gelaatstrekken geen
enkele meer overbleef\', dan nog was er geen nood, dan nog be-
hoefden wij geen bijzondere openbaring. God had dan maar alleen
te zorgen, dat wij weder met elkander in aanraking kwamen,
om het verder veilig aan ons-zelven over te laten, die dierbare
ontdekking te doen. Het kan niet missen, of die ontmoeting zou
spoedig den verbroederden geest doen ontdekken.
Prof. J. J. Engel.
<len hoop en een fr@0gfe
Wij zijn tot een gezellig leven bestemd, en ook de verheerlijkte
uiensch blijft een. gezellig wezen. Beschouwen wij derhalven de
Zaligen als leden eener maatschappij, zoo zullen wij zien dat het
-ocr page 117-
107
maatschappelijk geluk, \'t welk zij in deze betrekking genieten
zullen, een zeer aanmerkelijk deel hunner zaligheid moet uitmaken.
Men stelle zich, in de schoonste plaats van het Heelal, een
samenleving voor van de bloem, de keur van het menschelijk
geslacht, de uitverkorenen Gods van alle tijden en alle plaatsen,
allen verlost van de onvolmaaktheden en gebreken, die zelfs den
beste op aarde nog aankleefden, allen met opzicht tot verstand
en hart volmaakt, hoewel in een eindeloze verscheidenheid van
wijze en mate, volkomen heilig en volkomen gelukkig. Men stelle
zich aan het hoofd dezer maatschappij, verspreid over de onme-
telijke uitgebreidheid dier Hemelsche Waereld, den heerlijksten,
beminnenswaardigsten Zaligmaker voor, wien allen als hunnen
éénigen en genadigen Redder, den Redder van zonde en vloek,
den Verwerver van al hun geluk, onuitsprekelijk liefhebben,
wien zij met den diepsten eerbied als hun Hoofd vereeren, in
wiens tegenwoordigheid men zich, boven al wat wij denken
kunnen, vrolijk en gelukkig bevinden zal, en wiens nabijheid een
nooit gekende blijdschap in de harten zal uitstorten. Men voege
hierbij de weigelukzalige Engelen, zoo uitstekend in wijsheid,
zoo beminnelijk door welwillendheid, zoo verbonden aan de Ge-
meente van onzen Heer, en dan eerst volkomen aan hen bekend,
tot wier dienst zij in duizende gevallen hier onbemerkt gebruikt
werden. Verbeeldt u, indien gij kunt, zulk een samenleving,
waar niemand zondigt en niemand lijdt — waar liefde de band
zal zijn die allen vereenigt en de hoogste gelukzaligheid het deel
van allen zal wezen — waar niet ééne van die ongerechtigheden
zal gevonden worden, die hier de orde storen , het heil verwoesten;
niet ééne van die ellenden en rampen, die ons hier ongelukkig
maken: —waar geen heerschzucht of hoogmoed, waar geen boos-
heid of geweld of onderdrukking zullen indringen; —waar goede
-ocr page 118-
108
trouw en waarheid, gerechtigheid, liefde en eeuwige vrede wonen
zullen, en geen andere eerzucht zal gekend worden, dan de naijver
in het verhoogen van elkanders heil!....
Klopt uw hart niet sneller, als gij h deze heerlijke oorden,
als gij u zulk een weigelukzalige samenleving vertegenwoordigt?
Wat ontbreekt er aan de volmaaktheid van zulk een maat-
schappij? En welk een bekoorlijk vooruitzicht is het voor een
christen, daarin te zullen aantreden zijne beminde reisgenooten,
met wie hij op aarde den weg ten hemel bewandelde, hen te
zullen herkennen (waaraan zoo weinig te twijfelen
is als het aan twijfeling kan onderhevig wezen, of
wij ons geheugen behouden zullen!) met de vrienden
van zijn hart eene hier in God begonnen vriendschap, zonder
vreeze voor scheiding, te zullen voortzetten, en van tijd tot tijd
bekend te worden gemaakt met al de Heiligen, de Aartsvaders,
de Profeeten, de Apostelen, de Martelaren en zoovele anderen,
wier namen de geschiedenis bewaard heeft, of de eeuwigheid eerst
ontdekken zal!
Maar ach, wij gevoelen het, terwijl dit uitzicht u verrukt,
komt in uwe ziel de gedachte op aan nabestaanden , aan geliefden,
welke gij daar wel zoeken maar helaas! misschien niet vinden
zult. Gij zucht en vraagt: «Zal het denkbeeld van de afwezigheid
van dezen niet ons geluk aanmerkelijk verminderen? Zal het niet
een altijddurende worm zijn, die zelfs hemelsche genoegens kan
doen verwelken?" — Wat zullen wij andwoorden? Geen onder-
werp kan teederder wezen dan dit. Wij zien hier een donkerheid,
die wij niet kunnen wegnemen, maar die ons moet aansporen
tot verdubbeling van onze waakzaamheid en van onze voorbid-
ding voor de zielen der onzen.
Evenwel, dit mogen wij verwachten van Hem, die de Liefde
-ocr page 119-
109
is; dit moeten wij besluiten uit het begrip, "t welk Zijn woord
ons geeft van den aard der toekomende zaligheid, als zullende
volmaakt en zonder inmengselen van droefheid en van smart
zijn, dat Hij op een wijze welke wij niet kunnen bepalen, alles
zal vermijden, alles voorkomen, wat eenige stoornis zou kunnen
brengen in het onbelemmerd genot van de hoogste gelukzalig-
heid. En zekerlijk zullen daartoe niet weinig medewerken de
geheele overeenstemming van den wil der verheerlijkten met den
wil van God, de volledigste overtuiging van de onberispelijke
billijkheid van al Zijne handelingen, en liet helderst inzicht in
de onverbeterlijke wijsheid van Zijne eeuwige ontwerpen. Dit
weten wij, de gezaligden zullen in den zelfden geest denken als
hun Heer, die zeide: «Zoo wie den wil van God doet, die is mijn
broeder, en mijne zuster en mijne moeder.-\' \') Want daar, diiar
zal vooral de verwantschap van zielen onuitsprekelijk nader, in-
niger en duurzamer blijken dan die des bloeds; en mogelijk kun-
nen wij op dien staat deze woorden in allen nadruk toepassen:
»Wij kennen niemand meer naar den vleesche." *)
J. van der Roest.
Vriendschap blijft.
Vriendschap die den dood doorwaadt,
Kan zich, schoon \'t Heelal vergaat,
Veilig achten:
Vriendschap aan de Deugd gepaard,
Blijft op \'t rookend puin der aard
Eedier waereld wachten.
a) Mark. III : 35. ï) i Kor. V : 16.
-ocr page 120-
110
De eigen hand, die hier zijn hart
U verpandde in vreugde en smart,
Drukt U weder:
De eigen lippen van \'t gevoel
Aiimen voor Gods rechterstoel,
Vriendschap, even teder!
R. FEITH,
ia, daar!
Wij hebben wel eens saam\' voor \'t uur des doods gebeefd,
Dat u uit mijne, ot\' mij eens uit uw arm zou scheuren:
Nu sloeg uw sterfuur \'teerst... ik heb u overleefd...
Maar, \'k werd uw liefde onwaard door zonder hoop te treuren.
\'t Is waar, dat Echtgeluk, waarop ons aanzijn dreef,
Dat ons een Hemel schiep, is voor altoos geweken:
Een droom en nagedachte, is al wat me overbleef —
Maar \'t streelt nog mijn gemoed dat ik die aan mag kweeken.
„Wij zullen,\'\' spraakt gij eens—\'t gevaar scheen ver — tot mij:
„Wij zullen Hier niet lang meer voor elkander leven,
Maar Daar!\'-... (Gij weest omhoog.) Die taal was Profecy....
Wat innig voorgevoel had u die ingegeven?
Ja, Daar! \'k Verstond uw wenk — daar Boven is het Land,
Waar eedier liefde nog de geesten zal verbinden:
Wat heil wacht ons dus niet in dien volmaakten stand,
Daar wij in \'t stof des doods reeds voor den Hemel minden?
-ocr page 121-
111
Een Liefde, door de Deugd gekweekt voor Edens hof,
Draagt Daar eerst vrucht, schoon \'t graf haar bloemknop hier deed
(sluiten;
Haar wezenskiem bestaat uit meer dan sterflijk stof,
En zelfs uit sterflijk stof zal Eeuwig Leven spruiten.
Al mag ik dan, helaas! zoo lang deze aarde ons scheidt,
Zóó verre van u af, niets uit uw heilstaat weten,
Toch weet ik dat Gij daar uw liefsten vriend verbeidt:
Geen ziel kan, voor Gods troon, haar tweelingsziel vergeten!
Gedachte vol van troost!... Zij denkt dus nog aan mij:
Licht blijft haar ziel in liefde ook op mijn ziel nog werken.
Trots haar verwijdering is ze immer mij nabij,
Geen afstand, ruimte of plaats kan ooit een geest beperken.
Mocht gij, o Engel dan — me ontmoet in maagdenschijn! —
Door Gods genade mij tot leidsvrouw uitgelezen!
Mocht Gij — Gij, wie ik eens hervinde als Serafijn,
Van uit uw hooger sfeer voortaan mijn Schutsgeest wezen!
.1. Kisselius.
$§ d@ hoop op b@r@@niging niet
ongegrond?
Neen, wanneer wij hopen op een hereeniging met de onzen
hiernamaals in de Betere Waereld, doen wij dat zeker niet
zonder goede gronden.
Onze eerste grond (en wij beginnen hier met het mindere,
-ocr page 122-
U2
om atlengskena tot liet meerdere op te klimmen) ligt inde kracht
en de reinheid van den wensch naar deze hereeniging, die de
natuur, en, door haar, God-zelf onzer ziele heeft ingeschapen.
Ruwe en onbeschaafde menschen, wier geheele verbintenis geen
wezendlijker grond heeft dan de gewoonte: die alleen door uitwendig
verkeer met elkander verbonden zijn: die niets dan het zienlijke
met elkander deelen; die alleen door eigen nooddruft aan
elkander zijn geboeid, — zij kunnen zonder droefheid denken aan
hun aanstaande scheiding door den dood. Maai\' wie zou hun
verbintenis ook echte vriendschap kunnen noemen? Wie zou durven
beweeren, dat zij elkander ooit waarlijk hebben lief gehad? De
verlichte en beschaafde mensch daarentegen, de godvruchtige die in
de vriendschap en de liefde naar zedelijke grondbeginselen handelt,
moet volstrekt den wensch naar de oneindige voortduring zijner
betrekkingen gevoelen. Hij koestert de edelste behoefte aan de
zijnen, waarbij het denkbeeld eener eeuwige scheiding hem on-
verdraaglijk is. Geen wonder dan ook, dat de wijzen en goeden
van alle tijden, die de rechten van het waarachtig Menschelijke
kenden en erkenden, en zich boven de tijdelijke verschijnselenen
het zichtbare wisten te verheffen, eenparig geloofd hebben dat
de banden, door ware vriendschap en liefde geknoopt, onverbre-
kelijk zijn en dat de natuur ze door den dood niet kan vernie-
tigen. Ik erken, dat zij dit geloof op zeer Terschillende wijze,
niet altijd met gronden, en dikwijls slechts in fabelen en verdicht-
selen hebben voorgedragen: maar de waarheid, of ook slechts de
wensch dat dit geloof waarheid zijn moest, lag toch in hunne
harten, in welken vorm het dan ook werd ingekleed. Maar wie
nu heeft een zoo algemeenen wensch in ons hart gelegd? Kan
God ons doelloos kwellen met een onvervulbare begeerte? Zou,
om iets te noemen, de ongelukkige, die buiten zich-zelvenanders
-ocr page 123-
H3
niets dan de deelneming van zijnen weldoener als erlgoed dezes
levens heeft, zou hij vergeefs wenschen, dezen edele zijnen dank
aan gene zijde des grafs sterker en vuriger te mogen uitdrukken,
dan het hem hier als een verlaten, zwak en smeekend schepsel
mogelijk was?... Voorwaar, mij aangaande moet ik bekennen,
dat dewensch, mij-zelven daarginder weder te vinden, niet sterker
is dan die om met hen, die ik hier beminde, weder verbonden
te worden!
De tweede grond voor de mogelijkheid eener toekomstige
hereeniging van vermaagschapte zielen, is gelegen in de niet alleen
na den dood overgeblevene maar zelfs ook verhoogde en gescherpte
vermogens en krachten van onzen geest. Spreekt het niet van
zelf, dat onze ziel, wanneer haar voortduur geen vermindering
maar een verbetering voor haar zijn zal, volstrekt niets verliezen
kan van datgene wat zij als wezendlijke eigenschap bezit ? Behoudt
zij dan niet aan gene zijde des grafs haar vermogen om zich voor
te stellen, te gevoelen en te begeeren ? niet haar scheppend, oor-
deelend en uitvoerend vermogen? derhalven ook niet hare ver-
beeldings- en herinneringskracht, die tot de scheppendebehooren ?
Stel u slechts uwe aankomst daarginder voor! Zal zich, bij voor-
beeld, uwe dochter, hetzij dat gij elkander terstond of later ont-
moet, bij het zien van u, het beeld baars vaders, \'t welk haar
voorzeker diep genoeg ingedrukt is, niet mede levendig voorstellen ?
geene vreugde over uwe verschijning aldaar gevoelen? en geen
verlangen koesteren naar hereeniging met u? Zal uw beeld niet
de gedachte aan haren vader bij haar verlevendigen enalledaar-
aan verwante nevengedachten terugroepen ? Zijn de krachten en
vermogens, die zij hiertoe noodig heeft, niet nog zeer verhoogd
en volmaakt, in overeenstemming met haren tegenwoordigen
gestand? Even zoo zeker zult gij ook in ons, achtergeblevenen,
5e druk.
                                                                             8
-ocr page 124-
114
na onze aankomst bij u, uwe vrouw en uwen vriend weder lier-
kennen, tietzij insgelijks terstond of later. Ook gij zult uwe dochter
en ons, op denzelfden grond, van alle anderen onderscheiden; ook
gij zult zeggen: „Dat is hij! dat is zij!" En dan — een geeste-
lijke omhelzing, een geestelijke blijdschap, die alles overtreft, en
voor welke wij thands noch gevoel noch uitdrukking hebben!
Ik ga over tot een derden grond van de mogelijkheid der
toekomstige hereeniging van vermaagschapte zielen. In dit leven
hier op aarde draagt zekerlijk het uitwendige er veel toe bij, om
onze vrienden van anderen te onderscheiden, dewijl wij bier maar
al te zeer tot liet zinnelijke bepaald zijn. Wij kunnen ook, na
een scheiding van vele jaren, elkander, wat het lichamelijke be-
treft, geheel vreemd en onbekend worden. Maar blijft bij deze
vergelijking staan om het u denkbaar te maken, boe zielen, die
bier aan elkander verwant zijn geweest, aan gene zijde, ook na
de langste scheiding, elkaar herkennen en zich met elkander her-
eenigen zullen. Wat is voor die vrienden hier in deze waereld,
bij alle onzekerheid of zij voortaan elkander werkelijk toebehoord
hebben, eindelijk toch bet eenige en zekerste, dat hen uit alle
verlegenheid en verslagenheid redt? Is bet niet iets intellek-
tueels, \'t welk in de mededeeling der gedachten ligt? Zij her-
inneren zich voormalige voorvallen uit hun leven, bijzondei\' ge-
wichtige gebeurtenissen, lief en leed,inzonderheid de scliuldelooze
vreugden hunner jeugd. Door deze herinnering, door dit herdenken der
gemeenschappelijk doorleefde jaren, ontsluieren zich allengs hunne
zielen voor elkaar; het verledene wordt een bron van zekerheid voor
het tegenwoordige: zij herkennen elkander zonder eenige twijfeling,
en vreugdetranen in de oogen zijn de tolken van hun gevoel. Zóó
wellicht ook aan gene zijde des grafs! Ik wil niets op de moge-
lijkheid bouwen, dat het fijner bekleedsel van onze ziel — inzon-
-ocr page 125-
115
derheid wat onze zoogenoemde gelaatstrekken betreft, door welke
immers reeds hier niet zelden de eigenaardigheden en het zedelijk
karakter der ziel zichtbaar worden! —in de wezendlijke en meest
kenmerkende hoofdtrekken, in den grondvorm, een voor onzen dan
eindeloos scherperen blik licht bemerkbare gelijkvormigheid met
het vorige hebben kan. Maar ik wil mij enkel en alleen tot de
maatschappelijke betrekking bepalen, waarin wij met de overige
geesten in de kringen der eeuwigheid treden zullen. Zouden niet
onze gesprekken en bezigheden aanleiding geven tot de ontdekking
van de ons verwante zielen ? Zouden onze zielen, die elkander hier
zoo dikwijls — gelijk wij zeggen — in gedachten ontmoeten, en
zoo vaak gemeenschappelijke gewaarwordingen hebben, niet door
een openbaring van hare voormalige beginselen, neigingen en er-
varingen, op het spoor van hare vroegere betrekking gebracht
worden, en een opheldering verkrijgen kunnen die haar aanvan-
kelijk slechts meer en meer nader bracht, totdat zij elkander
steeds nauwkeuriger uitgevorscht, en, door een haar tot hiertoe
verborgene aantrekkingskracht aan elkander verbonden,eindelijk
wezendlijk herkend hadden ?Schijnt u dat zoo on mogelijk ? Mijn derde
grond voor de mogelijkheid der hereeniging van vermaagschapte
zielen kan dus gelegen zijn in de maatschappelijke betrekking der
geesten in alle kringen der Eeuwigheid.
Eindelijk: de reine wederzijdsche liefde van, zoo gij wilt. weinige,
maar in de hoogste mate eensgezinde harten, was ons, na de
liefde Gods, het dierbaarste goed op aarde, omdat zij een kiem
was van onze zedelijke waarde. En daarom kunnen wijonsgeene
voortduring wenschen, zonder de hereeniging met zulke harten,
in welke de Hoogste Liefde ons alles schonk wat ons lief was en
dat wij begeerden mede te nemen in de eeuwigheid.
Dat is mijn vierde grond voor de toekomstige hereeniging
8*
-ocr page 126-
"MG
van vermaagschapte zielen: en dewijl liij op onze zedelijke bestem-
ming betrekking heeft, noem ik hem den sterkste. Onze gantsche ze-
delijke waarde, wier voortduur en verhooging ons wenschelijk moet
zijn van wege den heiligen invloed dien zij op ons oefent, en wier ver-
nietiging ons evenmin onverschillig kan worden als wij mogen op-
houden deugdzaam te zijn — is onder verwante zielen te vast aan de
verbintenissen van dit eerste leven verknocht, üe zedelijk gevormde
mensch heeft toch veel van het goede, dat Gods genade in hem
gewerkt heeft, middelijk te danken aan zijne innigste vriendschaps-
en liefdesbetrekkingen op aarde: althands hebben deze zonder
twijfel tot ontwikkeling en verhooging van dat goede veel bijge-
dragen, door het gedurig te versterken en overvloediger te maken.
Welk een vaster band der zielen, welk een inniger mededeeling
des zedelijken levens en der zedelijke veredeling kunnen wij ons
voorstellen dan den band, die echtgenooten, ouders, kinderen
en vrienden aan elkander verbindt? Zijn deze zielen, wanneer
hare wederzijdsche overeenstemming een hoogen zedelijken graad
bereikt heeft, niet voor altijd vereenigd ? Klimt hare wederzijd-
sche liefde, wanneer zij zich boven het zichtbare verheft, niet
onweerstaanbaar tot steeds hooger volmaaktheid ? Hoeveel vermag
niet het voorbeeld van den man, van de vrouw, van de dochter,
van de zuster, van den vriend? Heffen deze verwante geesten
zich niet ten hemel, op de vleugelen der getrouwste liefde ? Wan-
neer de godsvrucht dreigt te verkoelen en de strijd te zwaar
begint te worden, hoe versterken zij dan niet vaak elkander
weêrkeerig, door aanmoediging, vermaning, waarschuwing, smee-
kingen en tranen, ja soms door één enkelen, veelbeteekenenden
blik! Kennen zij niet elkanders zwakke zijde, en de wonderbaar-
ste plaatsen van elkanders hart, en weten zij dus niet het best,
wanneer zij elkander met raad en daad moeten bijstaan? Ar-
-ocr page 127-
117
beiden zij niet allen aan onderlinge beschaving? Yereenigt niet
één en hetzelfde doel hunner pogingen hen onafscheidelijk met
elkander? "Weten zij niet door steeds toenemende ervaring, hoe
zij elkander zullen helpen op den weg van vooruitgang in al
■wat rechtvaardig en goed is? Maar wanneer zij op deze wijze
elkanders verstand en hart beschaven, wat doen zij dan anders
dan elkanders geluk bevorderen of beschermen, bevestigen of
vermeerderen, in zoover het geluk van ons-zelven, en inzonder-
heid van onze zedelijkheid afhangt? Dankten zij elkander hier
beneden niet menigmaal met een hartelijken handdruk of een
warmen traan, voor ware en reine vreugde, voor dat zoete ge-
voel van zelfvoldoening, dat Gods goedkeurende stem in het ge-
weten is? En zou het dan niet mogelijk zijn, dat deze niet enkel
natuurlijk maar ook zedelijk verwante geesten, aan gene zijde
des grafs weder met elkander vereenigd werden, nu zij hier zulk
een grooten invloed op de verwerving, het behoud en de ver-
hooging hunner zedelijke waarde gehad hebben, en hunne be-
stemming op oneindige vorderingen daarin is aangelegd? Zouden
deze vorderingen hun hiernamaals door de verbintenis met enkel
onbekenden even zoo gemakkelijk gemaakt worden, als door de
hereeniging met hunne vorige vertrouwden en bekenden? Het
voorbeeld van nieuwe, meerdere vrienden, hun onderhoud en
onderwijs moge bemoedigend en aangenaam zijn, tocli bewerkt
het dat niet wat een oudere verbintenis des harten te weeg brengt.
Eerbied en bewondering, ja, dat zullen de gevolgen eener nieu-
vve kennismaking zijn, die door de vreemdheid aan elkander nog
vermeerderd en versterkt worden; maar wacht geen oogenblik-
kelijke toenadering en innige zielsverbroedering. Deze veronder-
stellen eerst een langduriger omgang en meerder vertrouwelijkheid.
Zij zijn onmogelijk daar, waar nog achterhoudendheid en be-
-ocr page 128-
1-18
schroomdheid heerschen; en niet het tegenwoordige, maar het
verledene en het toekomende zijn hare moeder. Wat kan een
hooger onderwijs, een dringende aanmoediging uitwerken , wan-
neer dezulken door wie ze ons worden medegedeeld, de grenzen
niet weten waar wij op aarde zijn blijven staan? Hoe kunnen zij
nuttig voor ons worden, wanneer zij, met wie wij voor het eerst
in verbintenis treden, de maat onzer krachten nog niet kennen?
Neen, aan de hand van oude vrienden en bekenden, die met ons
gelijken tred houden, kunnen wij gemakkelijker voortgaan op
het pad van deugd en gelukzaligheid; en wanneer wij daar ginds
niets anders dan reeds meer geoefende en gerijpte zielen tot
onze gidsen konden hebben, \'t zou hetzelfde zijn alsof hier op
deze reis kinderen de volwassenen op denzelfden afstand volgen
moesten.
C. E. Sintenis.
Hes mensefeen zie] is een
©nwrderfeMjk weien,
al is zij in een verderfelijk lichaam geherbergd, en alsdemensch
begint te sterven, doet zij niets anders dan eenvoudig haar eer-
ste gewaad afleggen, dat haar onbruikbaar werd. Waarom beeft
toch de mensch zoo vaak voor deze verandering terug? Ziet hij
niet rondom zich een tallooze reeks van dierlijke wezens van
bekleedsels verwisselen, om in nieuwe bekleedsels verjongd te
worden? De slang kruipt onbezorgd over de verwelkte huid, die
nog maar weinige oogenblikken te voren haar omhulde. De kapel
-ocr page 129-
119
verwijlt niet bij haar doorgebroken kerker: en de mensch, die
haar naöogt waar zij opstijgt in het licht, noemt zich-zelven
sterfelijk? Hij siddert voor den dag zijner verjonging? Hij om-
helst met weedom het versleten reiskleed der zijnen , en zoekt
hun ijskoud masker met heete tranen te verwarmen? Hij ziet,
dat alles wat sterfelijk is in de natuur, rondom hem verandert
en herschapen wordt, ziet denzelfden tak die in de lente knoppen
en bloemen droeg, in den herfst verdorren, maar ook weder in
de volgende lente op nieuw herleven en met een onweérstaan-
baren drang uitbotten en bloesemen, even schoon als ooit! Hij
ziet hoe alles rondom, in de hem verwante schepping, in een
oneindigen cirkelgang voortgaat, in altijd nieuwe, jonge, schoo-
ner gedaante weder ontspruit; — en hij denkt en gelooft, dat
hij losgerukt is uit de onmetelijke keten zijner aardsche verwant-
schap? Hij-alleen, die nog geen verandering van hulsel ondergaan
heeft, hij-alleen twijfelt, niet alleen aan hare mogelijkheid, maar
zelfs aan hare volstrekte noodzakelijkheid ? Spreekt dan het woord
des Waarachtigen te vergeefs van een onmogelijkheid voor "vleesch
en bloed" om het Koninkrijk Gods te beërven? van een ontbon-
den en overkleed worden? van een ruilen van de aardsche tent
voor een huis dat eeuwig is in de hemelen? van het verderfelijke
dat de onverderfelijkheid moet aandoen? En predikt elke graan-
korrel die in de aarde valt en sterft, ons niet met den aanstaan-
den kostelijken korenhalm de heerlijke gedaanteverwisseling, die
als genadegift Gods ons wacht?
De Rijksgraaf Julius Soden.
-ocr page 130-
D20
Wroost bij den dood pens dierbaren,
_______
Mijn liart is vol, maar ik moet mijn pen bedwingen. Vele ge-
dachten, die zich binnen in mij vermenigvuldigen, en die ik
tegenover ieder ander zou uitspreken, zouden ten uwen opzichte
ontijdig zijn. Ik .schrijf niet om u te herinneren wat gij verloren
hebt, maar om u in gedachte te brengen wat gij bezit en niet
kunt verliezen. De Heer moge mij een goed woord ingeven, want
waarlijk, ik heb die)) medelijden met u. Ik gedenk daarbij aan de
zwakheid uwer krachten en de teergevoeligheid van uw hart; zoo-
dat, indien gij geen aandeel hadt aan de verhevene, groote en
dierbare beloften van het Evangelie, ik bijna vreezen zou dat gij
onder uwe beproeving zoudt moeten bezwijken. Dan, ik heb eenige
flauwe begrippen van de.s Heeren algenoegzaamheid en getrouw-
heid. en mag u aanspreken met de taal van Koning Darius: „Uw
God, dien gij geduriglijk dient, die zal U verlossen!" Drangrede-
nen tot gelatenheid onder Gods bestuur, geeft het heilig Woord
in overvloed aan de hand, maar het is een dubbele en alles te
boven gaande goedertierenheid, dat Hij beloofd heeft die in tijden
van bezwaar toe te passen en klem te geven. Uw Heiland heeft
gesproken: „Mijne genade is u genoeg." En God-zelf is zoo rijk
en zoo goed, dat Hij door een vriendelijken blik van Zijn Yaderoog
Zijnen kinderen ruime vergoeding kan geven voor alles wat Zijne
wijsheid mocht goedvinden hun te ontnemen. Wanneer Hij hen
levendig doet beseffen, waar Hij hen van verlost heeft, en wat
Hij voor hen bereid heeft, dan gaat hun weldra het licht op uit
de duisternis, het moeilijke wordt gemakkelijk, het bittere zoet\'
Al droogden voor ons de stroomen op, de hoofdbron blijft steeds
-ocr page 131-
121
vol en altoos vloeiende. Al de vreugde, die gij ooit met uwen
dierbare hebt mogen smaken, was van den Heer, die overvloe-
dig in staat is, om ook nu en altijd u blijdschap te geven. Hij,
dien gij lief hadt, is u ook slechts voor een korten poos vóór-
uitgegaan. Tracht door het geloof het blijde en heerlijke tijdstip,
waarop gij elkander in een Betere Waereld weder ontmoeten
zult, voor uw hart te vervroegen. Daar zal uwe gemeenschappe-
lijke godsvrucht, daar uw onderling verkeer, onuitsprekelijk beter
zijn, zonder onvolmaaktheid of stoornis, zonder verflauwing of
einde. Daar zullen alle tranen van de oogen worden gewischt,
alle wolken van kommer verdwenen zijn; en dan zult gij zien,
dat al uwe lotgevallen in deze waereld — de pijnlijke slag, die
u thands getroffen heeft, niet uitgezonderd—beschikt en bepaald
waren door oneindige Wijsheid en oneindige Liefde.
Hij die ons kent, omdat Hij weet wat in den mensen is, heeft
zelf menschelijke tranen gestort bij het graf van Lazarus zijnen
vriend; en daarom wraakt Hij ook onze tranen niet. Maar Hij
heeft er genadig voor gezorgd, dat wij niet door droefheid ver-
slonden zouden worden, gelijk zij die zonder hope treuren, omdat
zij zonder God en zonder Christus in de waereld zijn. Hij heeft
beloofd, dat alles ten goede medewerken en een vreedzame vrucht
der gerechtigheid geven zal. Hij heeft de waarheid en onverder-
felijkheid aan het licht gebracht. Hij is de Opstanding en het
Leven, en ook de vreugde des Wederziens behoort tot de belof-
ten Zijner vertroosting. Elk vriendelijk licht, dat hier voor onze
oogen wordt uitgebluscht, is de waarborg van een eeuwigen
dag. Als de zon opgaat, is de nachtlamp overbodig; en — gij
weet, wie de zon des Levens is!
John Newton.
-ocr page 132-
122
"©e droom eener wees.
\'k Stond op een berg — een kring van witte rozen
Omringde mij, dien ik niet uit kon treên.
"k Hoorde achter mij, in \'t oosten, zonder pozen
Een onweer, dat gewiekt te nadren scheen.
Soms deed een flikkerglans de wolken gloren —
Dan viel een bliksem neder aan mijn voet,
En donkrer werd de nacht. Het warme bloed
Scheen mij rondom het hart door angst bevroren.
„Ach," zuchtte ik, ,,hoe gants anders dan te voren!\'
Op eens — daar werd de sombere vallei
Veel helderder en groener: ook mijn harte
Sloeg warmer; en daar schemerde in de verte
Een vlakte, omtogen met een bloemensprei,
Die zachtkens golfde, en door wier bonte kleuren
Ik hier en daar den hemelsblauwen grond
Vol tintelende starren kon bespeuren.
Een witte, omsluierde gedaante stond
Nabij mij op een heuvel. En zij plukte
Een groote passiebloem, nabij een graf
Zich strenglende om een houten kruis. Zij drukte
Haar zacht aan \'t hart en daalde langzaam af
Tot in de vlakte; en heviger bewogen
De bloemen zich. Ik hield den adem in,
En volgde haar, de treurende vorstin,
-ocr page 133-
123
— Want daarvoor hield ik haar — met smachtende oogen.
Een nameloos verlangen greep mij aan,
En \'k strekte, op eens tot schreiens aangedaan,
De handen uit... Ik had mij niet bedrogen,
Zij wenkte met de bloem — ik was verstaan!
Nu daalde ze in het dal ter neer
Met statelijke schreén;
En al de bloemen bogen wéér
Xog sterker clan voorheen —
Tot ze eensklaps, wijkend van heur steel,
In dartelende vlucht
Op vlinderwiekjens van fluweel
Wegzweefden in de lucht.
De passiebloem, nog straks zoo schoon,
"Verloor haar groote bladerkroon,
En voor den bloemkelk van zooeven
Was in de hand der vreemde alleen
Een gouden beker nagebleven....
En de wind en \'t onweer dreven
Altijd dichter naar mij heen.
En de schaduw, die de verte had beneveld voor mijn oog,
Werd een dwarrelende nevel, stijgend tot den wolkenboog —
Tot ik, of een zee mij wiegde, in de diepte nederzonk,
In de hemelsblauwe vlakte, die van duizend starren blonk.
Maar de zwevende gestalte naderde in het starrenlicht,
En stond eindlijk, steeds gesluierd, zwijgend voor mijn aangezicht.
Ik zag haar aan — ik kon haar naam niet noemen,
Toch scheen het of zij mij geen vreemde was.
-ocr page 134-
124
Zij hiekl me een droomboek voor, en als ik las:
„Wien \'s morgens tranen wachten, droomt van bloemen,"
Zoo brak mijn hart van innig zielsverdriet,
En \'k weende. Maar daar ruischte \'t in mijn ooren,
— O zoete, o dierbre stem! — „Mijne Eerstgeboren!
„Zijt gij gelukkig sints ik u verliet?..."
En snikkend zeeg ik in heur armen neder,
Voortweenend, maar van enkel vreugde nu,
En \'k juichte: „O Moeder! ben ik wéér bij L\'?
«Och, werp dien sluier weg! Gij zijt het weder!...."
— "Nog niet, mijn kind," zoo ging zij vriendlijk voort,
«Zijt gij gelukkig?...." En heur vingers gleden
Mij zachtkens over de oogen, onder \'t woord:
«De hand der dooden heelt — gij hebt geleden:
»Ik neem uw droefheid weg!" — Daar droogden al
Mijn tranen op, en in het blauwe dal
Aanschouwde ik nieuwe starren. En ik vleide:
«Leg nu dat lijkkleed af, dat ik uw oog
•Begroeten en uw lippen kussen moog!
«O moeder, gij, zoo lang en bang beschreide!
"Bemint gij me in den Hemel dan niet meer?"
Zij reikte mij den gouden kelk en zeide:
«Drink ledig eerst, dan valt de sluier neer!
"Ik heb u immer lief, en meer dan immer:
«Liefde is Gods eigen wezen, en sterft nimmer!" —
En achter gindsche starren klonk het na,
Als of dat woord alle Engelen verheugde:
«Liefde is Gods wezen zelf, hallelujah!"
Toen greep ik met een bovenaardsche vreugde
Den kouden, zwaren lijdenskelk, en dronk
-ocr page 135-
•125
Zijn lange teugen, tot hij bij den laatste
Gants licht werd, en zijn gouden bodem blonk
Gelijk een spiegel, die mijn beeld weerkaatste.
\'k Verbleekte bij den jongsten bittren drop —
Toen nam mijn moeder mij vol mededoogen
Aan \'t hart. De sluier werd verscheurd. Hare oogen
Ontsloten zich. Ik zag verlangend op ,
Boog mijn gelaat naar \'t hare, en kuste teeder
Die trekken, nooit uit mijn herinnering
Geweken, blikte op nieuw, en kuste weder....
Nu daalden, in een dwarrelenden kring,
Op eenmaal al de bonte vlinders neder
En werden bloemgirlandes, ons al zacht
Omslingrend, en aldus aan één verbonden
Opnemende in de hoogte. Helder stonden
De starren in verrukkelijke pracht
Te glinstren. \'t Blauwe dal rondom ons henen
Werd licht. Ik lag aan \'t moederhart, en drong
Me al vaster aan haar boezem; en zij zong,
Terwijl de starren altijd klaarder schenen:
/•Liefde is Gods wezen!" — En «Hallelujah!"
Zoo zongen, dichter nu , Gods Englen na.
\'k Ontwaakte, ach! met de tranen nog in de oogen,
Die \'k meende dat de droom mij af zou droogen.
J. J. L. ten Kate
(Jean Pa ui. gevolgd.)
-ocr page 136-
1*5
He beste vertroosting,
Er is wellicht niemand, die ooit een aandoenlijk sterfgeval te
beweenen had, ol hij smachtte naar een woord van vertroosting,
hem toegesproken door den mond der Christelijke vriendschap.
Wat zal echter in zulke oogenblikken de medelijdende trooster
anders aanvatten dan de blijde hoop der Hereeniging in een Betere
Waereld ? Wie gevoelt niet, dat er een groot deel der zaligheid
van den Hemel zou verloren gaan, indien men de zijnen hierna-
maals niet herkende, noch hereenigd werd met hen, die hier in
den hoogsten zin ons geluk uitmaken en zonder welke ons leven
bijna al zijne aantrekkelijkheid verliest? En voor welk gevoelig
hart, dat zijn afgestorvene lievelingen beweent, is het dan geen
behoefte in de hope des Wederziens iets méér te zien dan een
dichterlijke bespiegeling of een schoonen droom?
Wel niet tot volkomen duidelijkheid maar nogtans tot zedelijke
zekerheid kunnen wij die hoop door Evangelische bewijzen bren-
gen. Zelfs zouden wij de spaarzame wijze, waarop de Schrift de
wenken dienaangaande geeft, beschouwen nis een geruststellend
blijk van waarheid voor een zaak, die juist daarom minder betoog
noodig had. omdat zij spreekt uit het hart van eiken treurenden
christen. Bovendien vinden wij daarin ook een waarschuwing, om
die leer niet te misbruiken tot lichtzinnige teleurstelling, of haar
enkel te beschouwen tot troost; maar vooral tot heiliging van
het hart en behoedzaam verkeer met hen die wij liefhebben:
-ocr page 137-
1\'27
opdat de verbintenis door de godsdienst zóó geheiligd worde,dat
wij eens met gerustheid een zalige wederontmoeting in het oord
•der reine deugd en onbezoedelde liefde mogen hopen en verwachten.
Bern. Verwey.
lebben wij elkander voor bet
laatst gezien?
„Hebben wij elkander voor het laatst gezien?" Zoo vraagt het
bekommerde hart in de bittere sclieidensiire, als onze vrome,
vroegstervende vrienden ons voorgaan naar het Land, van waar
niemand kondschap wederbracht. „Is die dierbare gestalte voor
immer uit ons oog verdwenen, zoodat zij alleen in onze herinne-
ring zal blijven bestaan, tot wij haar voor eeuwig verliezen als
ook ons oog zich sluit?"
Daar andwoorden gelijkelijk de Rede en de Bijbel: „Neen, gij
hebt elkander niet voor \'t laatst gezien! Uwe oogen zullen elkan-
der weder ontmoeten: die dierbare gestalte is niet voor immer uit uw-
gezicht verdwenen, want een groot, onverbrekelijk verband hecht
alle onsterfelijke geesten aan elkander." Die samenhang is ons
steeds nog verborgen, omdat de nevelen der aardsche waereld
ons nog omringen en ons lichaam als een sluier voor de oogen
van den geest hangt. Maai- als de nevelen er zijn opgetrokken
en overgedreven, dan valt de sluier weg; dan zullen wij
dezen samenhang volkomen doorzien : de geheele redelijke
schepping zal zich ontrollen voor ons verbaasd gezicht, en de
geheimen der geestenwaereld zullen onzen geest worden geopen-
baard. Gij moet hen zien, wie gij hebt welgedaan, die gij gered,
-ocr page 138-
128
ondersteund, verkwikt, getroost, op den weg van waarheid en
godzaligheid ten leidsman waart, met opoffering vaak en zelf-
verloochcning — gij moet hen zien, tot uw zalig loon! Gij
moet hen zien, die u het goede bewezen, u opgebeurd, u hulp
verleend, u vreugde verschaft, u onderwezen en versterkt heb-
ben, en die gij op aarde niet naar waarde hebt kunnen danken
— opdat gij voor den getrouwen vader, de vrome moeder, den
edelen man en do liefderijke gade, den gemoedelij ken vriend uwer
jeugd, heel de volheid van uw dankbaar hart zult kunnen uitstorten!
Hieruit volgt van zelf, dat wij de onzen herkennen zullen.
Zonder dit zou de vreugde des wederziens niet bestaan. Boven-
dien, het „Daarna"\' des Oordeels, dat op het „Eenmaal" des Stervens
volgt, dat den „mensch gezet" is, veronderstelt dat wij ons ge-
heel ons eerste leven kunnen herinneren; niet alleen dat wat wij
gedacht, gesproken en gedaan hebben, maar ook de omstandig-
heden waaronder en de betrekking waarin het geschied is; de men-
schen, met welke wij saam vereenigd waren, op wie wij gewerkt en
van wie wij indrukken ontvangen hebben ; hun voorkomen, hun ka-
rakter en denkwijze. Zonder zulk een herinnering zou er geen eigen-
lijk voortbestaan, geen wezendlijke onsterfelijkheid zijn: dan zouden
wij-zelven het niet zijn die leefden, dan waren \'t anderen die
in onze plaats traden. En wanneer wij dan nu de onzen met
volkomen herinnering wederzien, zouden wij hen dan niet her-
kennen? Niet herkennen aan hunne denkbeelden en gevoelens,
aan hunne neigingen en gezindheden, die, ofschoon verhoogd en
gezuiverd , echter over \'t algemeen dezelfde zijn die zij op aarde
waren; ook aan hun lichaam, dat in zijn verheerlijkten staat
zeker nog eenige gelijkenis met zijn aardsche gedaante vertoonen
zal, althands wat de hoofdvormen betreft, de eigenaardigste trek-
ken en edelste lijnen. Herkennen wij onze vrienden niet, die, jaren
-ocr page 139-
129
lang van ons gescheiden, onverwachts voor ons staan? Tijd en
kommer hebhen hun uiterlijk voorkomen veranderd, hun hoofd
vergrijsd, diepe voren op hun aangezicht geploegd, nochtans
herkenden wij hen, al ware \'t ook na eenig nadenken en vragen.
De verandering aan gene zijde des grafs moge grooter zijn,
daar staat tegenover dat het oog in het Nieuwe Leven dan ook
scherper en duidelijker zien zal; en — zouden ook daar geen
middelen en wegen zijn om ons aan elkander te openbaren? Hoe!
hier op aarde zouden zij, met wie wij dikwijls misschien slechts
een vluchtigen blik gewisseld hebben, elkander herkennen; en
hiernamaals in den hemel zouden zij dit niet kunnen, die jaren
lang bekenden, ja, lotgenooten waren, die liet\' en leed met elkan-
der deelden, die elkaar hunne geheimste gedachten openbaarden,
die elkander overal tot raad en troost en vreugde waren, die weder-
keerig elkanders beeltenis diep geprent hadden in hunne ziel ? Neen,
dat is onmogelijk! Ook de leerlingen en vrienden van onzen Heer
herkennen den opgewekten Leeraar en Vriend. Wel is waar, zij
die Hem het eerst zagen, herkenden Hem niet terstond, omdat
het vermoeden der waarheid niet in hen opkwam: maar nauwe-
lijks hebben zij eenige oogenblikken Zijne nabijheid gesmaakt, of
de schellen vallen hun van de oogen, en zij weten en gevoelen
wie met hen is. Maria meent eerst dat Hij de Hovenier is; maar
nauwelijks heeft zij den klank Zijner stem gehoord, het: „Ma-
ria!" uit Zijn mond vernomen, of met een: „Rabboni! mijn
Meester!" zijgt zij aan Zijn voeten neer. De oogen Zijner Discipe-
len, die aan Zijn zijde naar Emmaus wandelden, die Zijn woord
hoorden, waren gehouden zoodat zij hem niet kenden, maar hun
hart brandde in hen op een verwonderlijke wijze, en als Hij het
brood breekt, valt het hun in \'t oog, gaat het hun door \'t hart,
dat het de Heer is. Ja, een herkenning moet er in de Eeuwigheid
5e druk.
                                                                             9
-ocr page 140-
430
plaats hebben, of er zou iets aan het geluk der zaligen ontbreken.
Heil ons! wij zullen daar onze lievelingen vinden en — her-
kennen\' Welk een zaligheid, als dan de reeds lang gemiste,
in het lichtkleed der verheerlijking, ons in de oogen straalt,
de armen der liefde zich weder openen, het oog, waaruit
ons zoo dikwijls de hemel toelachte, met lieftallige vriende-
lijkheid glinstert, en de mond spreekt: ,.Nu ben ik voor
eeuwig de uwe, nu kan ons niets meer scheiden!" Verbeeld
u wat het zijn zou, als er, nadat gij reeds dagen lang
door de droefheid over uwen afgestorvene gefolterd waart T
een licht in u opging en gij zijn dood slechts gedroomd hadt;
als gij bij uw ontwaken bevondt dat hij nog leefde, of, als men
u in uwe bitterste smart, plotseling de tijding bracht, dat het
slechts een schijndoode was, die weder in dit leven terugkeerde —
onze dood is toch niet meer dan een schijndood, de stervenden
keeren weder in het leven, de levenden zijn in den dood! — Of
wel, verbeeld u, dat de stem der Almacht in het graf drongen de
banden des doods verbrak, zoodat de als verloren beweende lieve-
ling levend te voorschijn kwam. Wie zou in staat zijn deze uwe
verrukking te beschrijven? Wat geen oog gezien, geen oor
gehoord heeft, wat in geens menschen hart opgekomen is,
heeft God bereid dengenen die Hem lief hebben; en dit ééne
zou Hij hun niet bereid hebben? Hoe zou Hij de getrouwheid,
waarmede gij, dierbare vrienden! ons geliefd en voor ons geleefd,
geleden, gestreden en u-zelven ten otter hebt gebracht, ooit beter be-
loonen, dan wanneer hij ons weder tot u leidde? dan door ons
geluk, waarvan gij getuigen zijt, door onzen dank, door onze
eeuwige liefde ?
Dr. Frbd. Ehrenberg.
-ocr page 141-
131
Ha @«i uiivaari.
Neen, onze eigen zielepanden
Staan we toch zoo koel niet af,
Want de Liefde houdt haar banden,
Al verheft de Hoop haar staf!
Lang nog zien we, diep bewogen,
\'t Worstlen van dien vlotten geest,
En dien blik der stervende oogen
Die zijn nachtgroet is geweest.
En al weet ook onze smarte:
„Nu eerst leeft hij bij zijn Heer,"
Vaak verspreekt zich mond en harte
In een droef: „Hij is niet meer!"
Zij nochtans, wier stof wij dragen,
Zien terwijl, uit hooger sfeer,
Op ons klagen en beklagen
Met een kalmen glimlach neer.
Treuren zouden ze om ons treuren,
Lijden zouden ze om ons leed,
Zoo door \'s Hemels vrededeuren
Aardsche weemoed binnengleed.
Neen, voor hen geen medelijden,
Die in eeuwig zielsverblijden
-ocr page 142-
•132
Juichen in Gods hemelrijk:
Wij, nog zwoegende in dit slijk,
Wij juist vergen mededoogen!
Wij zijn de armen in hunne oogen!...
Zijn de vleuglen onzer ziel
Niet nog pas ter helft volwassen ?
Dobbert niet onze arme kiel
Midden o}> de groote plasschen?
Vaak nog missen we onzen God!
Ginds eerst lacht de Vaderwoning,
En of onze olijf al bot,
Och, nog ver is onze krooning!...
Weg dan met een weeklijkheid
Die de zaligen beschreit!
Onze lieve dooden leven.
Onze lieve dooden zweven
Om en bij ons. voet voor voet.
Voelen wij \'t in hun nabijheid
Wat er nog geworsteld moet,
Eer de zon van Christus\' vrijheid,
\'t Nieuwe Leven, ons begroet!
Leeren we aan Zijn kracht ons laven,
Eiken dwazen wensch begraven,
Die zich tegen Hem verzet,
En met vurig zielsgebed
D\'ouden schrik van \'t Vleesch bestrijden,
Die ons bij het graf verplet!
Leeren we ons in Hem verblijden,
Die van dood en doodsangst redt!
O, dan worden de enge groeven
-ocr page 143-
133
Groene oasen voor \'t gezicht,
Vredekaamren, die het licht
Dezer waereld niet behoeven:
Dan doorspeelt een morgengloed
De avondwolken die er hangen,
En ons dorstend zielsverlangen
Schept er uit Gods overvloed
Priesterlijke lotgezangen,
Koninklijken heldenmoed!...
Ai, wat vriendlijk stargewemel
Glimlacht van den hemelhoog!
Zóó blinkt Gods onzichtbre hemel
Ook van menig vriendenoog:
Duizende gekroonde helden,
Die, met hun gebed alleen,
Eens door vuur en golven snelden,
Leegren om ons strijdperk heen.
Duizende verloste zielen
Blazen ons in hemelgloed,
Bidden mei* zoo vaak wij knielen,
Gaan ons juichend te gemoet.
Aan de spitse van den stoet
Blinken onze lieve dooden,
Die ons wenken, die ons nooden...
Heere Jezus! Geef geduld,
Tot — Gij-zelf ons nooden zult.
J. J. L. ten Kate.
-ocr page 144-
134
He dag breekt spoedig aan,
De dag breekt spoedig aan, de groote dag der dagen,
Die dood en grafkuil uit de schepping weg zal vagen.-------
Dan zal de teedre ga, voor een onsterflijk leven,
Den vriend van hare ziel in de open armen zweven,
Hem drukken aan de borst, en juichen dat het graf
Den toevertrouwden schat zoo heerlijk wedergaf!
Dan zinkt opnieuw de vriend aan\'t hart zijns vriends ter neder,
Dan vindt de moeder haar geroofden zuigling weder!....
R. Feith.
©edaehten van lava f er.
i.
Noch ik noch eenig sterveling weet, hoe het onzer ziel zijn zal
na den dood van ons lichaam: en toch even zeker als ik ben,
dat Hij goed is die niets dan goed doet, even zeker ben ik er
van, dat de Liefde onzen ontbonden geest een volmaakte vrijheid
zal schenken, een duizendvoudig leven der blijdschap in God en
een onuitputtelijke kracht om allen meê te zaligen, die voor zalig-
heid vatbaar zijn.
O, die onvergelijkelijke vrijheid des ontbondenen! O, dat licht-
snel omhoog stijgen des weiwillenden! O, die mededeelingskracht
-ocr page 145-
135
des minnenden! — Welk een licht zijn geheele wezen! Welkeen
leven in alle punten zijner natuur! Welke stroomen van verkwik-
king en verzadiging vloeien zijner edele en nu geheel gerijpte
behoeften van alle zijden tegen! Welke heirscharen van liefelijke
gestalten breiden de verlangende armen naar hem uit! Welke
harmonische stemmen weerklinken uit het gewemel van deze
blinkende chooren: „Geest van onzen geest! hart van ons hart!
liefde uit de bron der liefde! liefhebbende ziel! gij zijt de onze
en wij zijn de uwe. Ieder onzer is de uwe, en gij zijt voor ieder
onzer de zijne! Onze God is de Liefde, en God, de Liefde, is de
onze. Wij zijn allen Godes, en de Hoogste Liefde is zalig in onzer
aller zaligheid!\'"
II.
O, mijn Vriend! daar bestaat een onverbrekelijk verband tus-
schen hetgeen gij de zichtbare en de onzichtbare waereld
pleegt te noemen: een onafgebroken gemeenschap tusschen de
liefhebbende bewoners der aarde en des hemels; een weérkeerig,
weldadig inwerken van de eene waereld op de andere. Hoe meer
gij u met deze gedachte vertrouwd zult maken, des te meer zult
gij van hare waarheid en waarde en heiligheid overtuigd worden.
Vergeet het niet, o nagebleven broeder! gij leeft zichtbaar inde
u nog onzichtbare waereld. Vergeet het niet: daar is blijdschap
in het rijk der liefhebbende geesten over uwen wasdom in reine,
onbaatzuchtige liefde: want alle liefde wordt, zonder dat gij het
weet, door de hemelsche geesten van zelve als liefde opgemerkt
en erkend, en het is misschien veelmeer letterlijk waar dan een
mensch denken kan, wat de Heer zegt: „Waar twee of drie ver-
gaderd zijn in Mijnen naam, daar ben ik in Hun midden."
-ocr page 146-
136
indien ons hiernamaals geen
weerden wachtte»
indien er in de Eeuwigheid geen herinnering aan ons tegenwoor-
dig leven en geen vernieuwing onzer aardsche verbintenissen
plaats had, zou de Hemel ééne zijner zoetste en wezendlijkste
vreugden voor ons missen. —
Hoe dierbaar en boven alles aangenaam is ons hier niet reeds
dikwijls de herinnering aan het verledene! Hoe dikwijls vergeet
dan onze geest al wat hem omringt! Hoe gaarne ontbeert en ver-
smaadt hij elke tegenwoordige vreugde, elk tegenwoordig genot,
wanneer hij zich de geschiedenis van vorige tijden vertegenwoor-
digt en in het herhaald gevoel van te voren genotene zaligheden
nog eenmaal weiden mag! —
En wat kan, onder alle vreugde der aarde, tegen de dadelijke
wederkeering van den verloren omgang met eenen vriend opwe-
gen? wat, tegen de dadelijke herstelling van vroegverscheurde
en langbeweende verbintenissen met onze beminden ?
Is onder alles wat anders het hart verheugt, onder allevreug-
den der zinnen, onder alle vreugden des overvloeds of der eere,
is er zelfs onder alle edeler vreugde van het gezellig verkeer wel
ééne die sterker het gevoel aandoet, wier werkingen weldadiger
zijn en meer geluks stichten, dan de vreugde des wederziens, na
een lange of zelfs hopelooze scheiding? — Wanneer beroepsbe-
zigheid of tegenspoed den echtgenoot en vader uit den schoot
van zijn gezin, uit de armen van vrouw en kinderen rukte, en
in dreigende gevaren, op onstuimige zeen, op het bloedige slag-
-ocr page 147-
137
veld, of in andere bedenkelijke omstandigheden bracht, waar
dood en verderf altijd aan zijne zijde waarden; en hij komt dan
terug uit zulke gevaren en valt de huisvrouw zijner jeugd aan
het luidkloppend hart, en zijne kinderen hangen aan zijn hals
en weenen dat zij hem weder hebben; — wanneer de lang afwe-
zige, lang reeds verloren en dood gewaande zoon weder in de
armen der bekommerde moeder ijlt: waar toch heeft de gantsche
uitwendige waereld eene vreugde als deze vreugde, eene verruk-
king als deze verrukking? Zou ons dus niet ontwijfelbaar in de
toekomende waereld eene der zoetste vreugden, waarvoor wij
vatbaar zijn, zou ons niet ééne der zaligste genietingen ontbreken,
wanneer ons de herinnering aan onze hier beleefde dagen ontbrak,
wanneer er geen vernieuwing onzer verkeering met onze bemin-
den plaats had ?
Daarenboven zou dan het gantsche tijdvak van ons tegenwoor-
dig aanwezen zoo goed als voor ons verloren zijn; ten minsten
hadden dan alle goede gevolgen van ons aardsche leven en alle
toekomend vreugdgenot niet de helft van de bekoorlijkheid voor
ons, welke zij hebben konden, dewijl wij van hunnen samenhang
met ons tegenwoordig doen en laten, en van de wijze waarop
wij voor deze vreugde vatbaar werden, niets hoegenaamd zouden
weten! Maar nemen wij de herinnering onzer daden en lotgeval-
len, ons bewustzijn en onze persoonlijkheid mede in de andere
waereld over, dan moet uit dit bewustzijn en uit deze herinne-
ringen noodwendig een verlangen naar hereeniging met diegene^
die wij hier kenden en beminden, in ons geboren worden. — En
God zou dit verlangen onbevredigd laten, en het daardoor tot
een nimmer opdroogende bron van geheime mismoedigheid in onze
ziele maken? — Hij zou het toelaten, dat elke andere zaligheid,
die wij genoten, door dit verlangen beneveld, dat deze éénige
-ocr page 148-
-138
ledigheid in ons hart nimmer vervuld zou worden? „Hij wil" —
zoo zegt Zijn heilig woord \') — „meer dan overvloedelijk doen boven
alles wat wij bidden of denken"; en zou Hij dan dit niet doen,
dat wij denken, verstaan en hopen, en dat wij zoo dikwijls met
vuur en tranen van Zijn liefde afsmeekten?
Maar daar is meer.
De Eeuwigheid moet, naar de uitdrukkelijke verzekeringen der
H. Schrift, den goeden menschen alles ophelderen, wat hier voor
hen in Gods oogen en leidingen ondoorgrondelijks was. Zij moet
hun al het goede, dat zij, zonder daarvoor beloond te worden,
hier op aarde deden, en al het lijden dat zij onschuldig droegen,
ruimschoots vergoeden. Maar dat een en ander schijnt, zonder
herinnering aan het tegenwoordige leven, en zonder vernieuwing
onzer aardsche betrekkingen, onmogelijk. — De eeuwigheid moet
ons alles ophelderen wat ons in Gods schikkingen en leidingen
met de Zijnen in dit leven donker en ondoorgrondelijk bleef.
„Hier" — zegt een Apostel des Heeren *) — „hier kennen wij
ten deele; maar wanneer het Volmaakte zal gekomen zijn, dan
zal het gedeeltelijk-kennen ophouden; want wij zien nu dooreen
duister glas raadselachtig, maar dan zullen wij zien van aangezicht
tot aangezicht." Maar hoe zou deze opheldering en ontwikkeling
mogelijk zijn, indien wij, hetgeen wij-zelven hier ondervonden en
aan anderen zagen, daar niet meer wisten? Hoe zou zij mogelijk
zijn, wanneer onze bekendschap met onze tijdgenooten daar niet
vernieuwd werd; wanneer wij van hunnen toestand en hunne lot-
gevallen in de eeuwigheid niets meer gewaar werden, en het dus
ook nooit beoordeelen en inzien konden, waarom God hen op dien
donkeren en doornigen weg geleid en hoe Hij Zijn wonderbaren
•) Efez. III : 20. ») 1 Kor. XIII : 9, 10, 12.
-ocr page 149-
139
raad heerlijk met hen uitgevoerd had? — De Eeuwigheid moet
alles beloonen wat in het aardsche leven onbeloond bleef, al het
goede dat wij hier volbrachten , al het onschuldig lijden dat wij hier
verdroegen. ,,Laat ons" — zegt de Schrift \') — ,.in het goed-
doen niet vertragen; want te zijner tijd zullen wij maaien; die
met tranen zaaien, zullen maaien met gejuich; en onze lichte
verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een gants
zeer uitnemend gewicht van heerlijkheid.\'\' Maai- ook deze vergel-
dingen schijnen ten aanzien van menige deugd die wij hier be-
oefend hebben, en van menig lijden dat wij hier doorstonden,
zonder herinnering aan ons aardsche leven, en zonder hereeniging
met onze tegenwoordige beminden, nauwelijks denkbaar. Zonder
herinnering van het verledene kan ook geen belooning van
het verledene plaats hebben; ten minsten zou ik dan niet weten,
dat het geluk waarmede God mij zegent, een gevolg en loon van
mijn aardsche leven was ; maar, zonder deze bewustheid verliest
dit geluk, hoc groot het ook oy zich-zelf moog wezen, toch al
het eigenlijk beloonende, al het verheerlijkende voor Gods wijs-
heid en rechtvaardigheid. Maar ook zonder hereeniging met
diegenen die wij hier gekend en bemind hebben, zonder bewust-
heid van hunnen toestand en lotgevallen in het Andere Leven,
schijnt ten minsten menige vergelding onzer deugd en menige
vergoeding van onzen kommer onmogelijk. Wat zou dan den
teederen vader beloonen, die zijn gemak en zijn rust en elke
andere vreugde des levens opofferde, om zich geheel aan de op-
voeding van zijn kroost te wijden? Wat de getrouwe, zorgvul-
dige moeder, die zoo menig zuren dag, zoo menig slapeloozen
nacht voor haren lieveling gewillig doorstond ; zoo menig bloe-
\') Gal. VI : 9. P9. CXXVI : 5. 2 Kor. IV : 17.
-ocr page 150-
140
digen traan weende, wanneer hij met krankheden en gevaren
worstelde, en ter vervulling barer moederlijke plichten, zoome-
nig kostelijk offer bracht? Wat zou die edelen voor hunne deugd
en hunne smart beloonen, wanneer de voorwerpen hunner tee-
derheid en trouw nu juist in de jaren eener naderende rijpheid daar-
heen sterven, en het geheele, met zooveel moeite opgetrokken
gebouw van schoone verwachtingen op éénmaal instort? Wat zou
dan den echtgenoot beloonen, die het boven duizenden verdiende
en door teederheid en liefde hoe langer hoe meer zocht te ver-
dienen, om met de vriendin van zijn hart, die op denzelfden
toon met hem gestemd was, een lang gelukkig leven door te
leven? Wat zou hem zijne ondragelijke smart verzoeten, wanneer
dat verbond der reinste vriendschap, nauwelijks toegehaald zijnde,
weder vanééngereten wordt? Wat, hem voor die lange reeks van
vreugdelooze, eenzame dagen beloonen, indien elke scheiding,
eeuwige scheiding is?
Voorzeker is God rijk genoeg, om ons andere vergeldingen voor
elke beoefening der deugd en voor elk doorgestaan lijden toe te
deelen, vergeldingen, die geen oog gezien en geen oor gehoord
heeft; maar de evenredigste vergelding, de meest gewenschte, de
wenschenswaardigste, zou zonder Wederzien toch onmogelijk
zijn. En waarom zouden wij het van Gods macht en goedheid
niet vertrouwen, dat Hij ook deze rechtvaardiging Zijner wetten
en wegen, ook dit zoo vurig verlangde loon der deugd en der liefde,
der lijdzaamheid en der smarte, ons niet ontzeggen zal?
Dr. C. G. Ribbeck.
-ocr page 151-
141
Aan bedroefden.
Schept moed! — Gij vindt uw dierbaar pand
In onbevlekten gloriestand,
Verleiding, vrees, gevaar, ellende en smart te boven:
Geheel gevoel, geheel genot,
Nabij zijn Heer. zijn Vriend, zijn God,
Wiens liefde Tijd noch Dood noch Hel hem kan ontrooven.
Mr. Jan de Kruyfk.
llebf in den nacht,
In der waarheid! wij, getuigen en gezanten van Christus, wij
hebben een woord van vertroosting en versterking voor de be-
droefden, en nooit is ons het afleggen dier getuigenis zóó kostelijk
als aan den rand van een gapend graf. Dat komt, omdat wij er
niet ons gebrekkig menschenwoord doen hooren, maar het woord
van dien God die ons geschapen heeft en die ons op zal wekken
uit den doode. Wij beroepen er ons op een heerlijk en goddelijk
feit, dat allen twijfel wegbant en elke duisternis verdrijft. Wij
wijzen er op dien dag, den schoonsten dag na den val, waarop
de grafsteen ter zijde werd gewenteld en de Christus Gods herrees,
-ocr page 152-
142
als de overwinnaar van dood en helle. Sints hij door het graf is
doorgegaan, is de schrik des grafs verdwenen; want "Jezus heeft
in de donkere groeve een heerlijke hoop achtergelaten, als een
lichtstraal des hemels. Wij weten dat Hij de eersteling is dergenen
die ontslapen zijn: de verloste Menschheid-zelve is opgestaan in
Zijn persoon. Hier is iets meer dan een redeneering of een betoog:
hier staan wij tegenover de werkelijkheid van het Eeuwige Leven,
zegevierende op de werkelijkheid des Doods. Nu kunnen wij dan
ook op de plaats-zelve der ontbinding den lofzang des Apostels
aanheffen: „Dood, waar is uw prikkel? Graf, waar uweoverwin-
ning?\'\' Xu kunnen wij zeggen: „Wie in Christus gelooft, zal niet
sterven!" En vraagt men ons, waar de onsterfelijke ziel blijft, wan-
neer het lichaam tot stof wederkeert? dan behoeven wijdenvin-
ger niet op te heffen naar het nevelachtig verschiet van een on-
bekenden hemel, maar wij noemen het Huis des Vaders, waar de
Heiland ons plaats bereidt en waar de Zijnen met Hem verbor-
gen zijn in God, tot zij met Hem in heerlijkheid zullen geopen-
baard worden. Xu kunnen wij tot de treurenden spreken van
een liefde Gods, die ons alle dingen doet medewerken ten goede,
en van een gezegend lijden, dat uitloopt op een eeuwigen triomf.
Voorwaar, voorwaar! wat God vereenigd heeft, kan de dood niet
scheiden; en eenmaal ontfangen wij de onzen uit des Heeren eigen
hand terug.
Daar is meer. In zekeren zin geeft de Heer ons de dierbaren
die wij verloren, reeds hier terug. Of geeft Hij ze ons niet weder,
-wanneer Hij ons zulk een stellige overtuiging hunner opstanding
geeft? Geeft Hij ze ons niet weder, wanneer Hij ons hen doet
aanschouwen als nevens Hem gezeten in Zijne Heerlijkheid? Wij
gevoelen hunne nabijheid, nu de afstand tusschen aarde en hemel
-ocr page 153-
143
verdwijnt, waar het geloof zijn vlucht neemt op de vleugelen des
gebeds.
Leven wij niet in gemeenschap met hen, zelfs in dit tegen-
woordige leven? Neen, als de dagen der rouwe voorbij zijn ge-
gaan en wij terugkeeren tot den arbeid des levens, behoeven wij
de naween onzer droefheid niet in vergetelheid te smoren. De
vergetelheid is als een tweede dood voor hen die wij liefgehad
hebben. Het is ook een dood voor ons, omdat hunne herinnering
in ons niet kan verzwakken zonder dat ons harte verarmt. Die
vertroosting begeeren wij niet, omdat zij treuriger is dan die
treurigheid-zelve, die zij weg wil nemen. Wij kunnen onze levens-
taak weer moedig opvatten met hen, die God ons heeft afgeéischt.
— Daar bestaat als \'t ware een geestelijk wederkomen onzer
welbeminden in ons midden, na den grooten slag. De gedachte
aan hen heeft niets bitters voor ons; en wel verre van die te
verbannen, kweeken wij haar dankbaar aan in ons hart. Zij
maakt ons losser van de aarde en brengt ons dichter bij den
hemel : zij voert ons als bij vervroeging den kring der gezaligden
binnen, waar ook onze plaats door den Heer is bereid! Zoo wan-
delen we dan voort in wezendlijke gemeenschap met hen, die ons
bij God verbeiden. Zij hebben zich voor ons geschaard bij die
wolke van getuigen, die, naar de schoone gedachte in den brief
aan de Hebreen, de onzichtbare met de zichtbare Kerk in een
heilige aanraking brengt. De herinnering aan de uitnemende
dienstknechten Gods die wij gekend hebben, aan die mannen
die den strijd der waarheid met kracht en oodmoed gestreden
hebben, zoowel als de teedere en vrome gedachtenis van hen
die op het innigst met ons verbonden waren, zweeft boven ons!
Der wolk gelijk, die Israël den weg wees in de woestijn, ver-
gezelt ons die wolk onzer verheerlijkte broeders, ons voorlichtende
-ocr page 154-
444
en bemoedigende. Zoo blijft liet Christelijk Huisgezin inwendig
vereenigd, ook als het door den dood getroffen werd. Het is niet
gescheiden van de leden die het verloren heeft, en de droefheid
heeft de leden die op aarde achterbleven, met des te hechter
banden omstrengeld. Het gantsche gezin is meer dan ooit beves-
tigd en ontfing als \'t ware een nieuwe wijding.
En terwijl ik alzoo gewezen heb op het Huisgezin op aarde,
gedompeld in rouwe, zou ik nu op het Huisgezin in den hemel
moeten wijzen, voor immer hereenigd in heerlijkheid. Hier stuiten
we op een groote verborgenheid. Toch willen wij het gaarne uit-
spreken, dat wij gelooven aan een voortbestaan van het Huisgezin
in den hemel, dat is: in het Nieuwe en Heilige Leven dat God
ons heeft weggelegd in een waereld, waar alles vrede en eenstem-
niigheid zijn zal. Gewis, het Huisgezin zal een verandering onder-
gaan, want het zal verheerlijkt worden. Het zal met het gezin
gaan gelijk met elk zijner leden: het verderfelijke moet onver-
derfelijkheid aandoen. De aardsche, onvolmaakte inrichting zal
door een hemelsche worden vervangen, maar het wezen blijft
bestaan Zoodra wij aannemen, dat onze eigen persoonlijkheid, en
daarmede de herinnering aan het eerste leven op aarde, onge-
schonden bewaard zal blijven, houden wij er ons van verzekerd
dat de meer bijzondere band, die hier beneden de reisgenooten
vereenigde, daar Hoven op nieuw zal worden aangeknoopt, gerei-
nigd van alle zelfzucht en zonde. Vergeten wij niet, dat de liefde
Gods zoowel een bijzondere als een algemeene is. Verbeelden
wij ons niet, dat een veeleer onbepaalde dan onmetelijke liefde,
die geen wijziging of verscheidenheid kende, daarom juist een
hooger trap van volmaaktheid bezitten zou. Hoe zou het mogelijk
zijn, dat zij, die in het tegenwoordige leven door den wille Gods
-ocr page 155-
145
ten nauwsten met elkander vereenigd waren, die hetzelfde kruis
droegen, die de gemeenschap der heiligen in al hare innigheid
smaakten, zulk een reinen omgang in \'t Hemelsch vaderland niet
zouden voortzetten ? Maken wij toch de tegenstelling tusschen het
Christelijk en het Eeuwige Leven niet al te groot! Hebben wij niet
reeds in zekere mate het Eeuwige Leven? Hebben wij het niet
in kiem en beginsel? Christus bezat het in zijne volheid, omdat
Hij zonder zonde was. Hij heeft het Hemelsche Leven reeds op
aarde geleefd. En toch, schoon hij de geheele menschheid lief had,
heeft Hij toch Zijne vrienden gehad en onder Zijne vrienden één
uitverkoren Discipel, dien Johannes, die zich-zelven noemde den
discipel dien Jezus lief had. Meer heb ik niet noodig, om
te gelooven aan het voortbestaan van het Christelijk Huisgezin
en van de teedere verknochtheid die het eenmaal te samenhield.
Het Evangelie leert ons, dat er tusschen de „buitenste duisternis\'\'
en de verblijfplaats der gelukzaligen een „onoverkomelijke klove"
gesteld is; maar tusschen de verloste aarde en den hemel be-
staat geen klove. Het leven des hemels is voor ons begonnen, en
als wij beter Christenen waren, zouden wij het dieper gevoelen.
Gij bedriegt u niet, o gij, die in de scheiding met vreugde denkt
aan het Wederzien ter rechterhand Gods! Die hoop, die zoo ver-
kwikkend is voor uwe ziele, is welgegrond, indien immers het
schepsel niet op den voorgrond staat bij uwe uitzichten in de
eeuwigheid en uw verlangen naar den hemel niet in de eerste
plaats het verlangen is om hen weder te vinden, die gij op aarde
hebt liefgehad. Wanneer het zoo ware, zoudt gij onder het
dekkleed van hemelsgezindheid een zondige waereldsgezindheid
koesteren: want de hemel is niet alleen een zalige woning, het is
ook een heilige plaats: het oord waar de orde volkomen hersteld
is, en waar God volstrekt over de harten heerscht. Diedeze hope
5e druk.
                                                                            iO
-ocr page 156-
14G
in zich heeft, reinige zichzelven, gelijk Hij rein is die hem hopen
leert en de hope niet zal beschamen !
Edm. de Pressensé.
allen,, ook in den hemel,
Men heeft wel eens beweerd, dat de Bijzondere Vriendschap
zich in den Hemel op zal lossen in de Algemeene liefde, en dat
een hooger mate van toegenegenheid voor dezen ot\'genen dan voor
allen, een blijk van bekrompenheid zou zijn, een vol maak t-recht-
vaardige onwaardig. Maar vinden wij dan bij den besten Christen
op aarde iets dat naar een zoodanige schijnvolmaaktheid zweemt?
Leert de ondervinding misschien, dat Gods kinderen, hoe ook zij
toenemen in liefde tot alle menschen, minder vatbaar worden voor
bepaalde vriendschap, minder hartelijk voor hunne bloedverwan-
ten en betrekkingen en de meer vertrouwde medereizigers op den
levensweg, die zij zich uit de broederen hebben uitgekozen? Dat
zij verre! Men houdt het er, integendeel, algemeen voor, dat de
beste Christenen, en zij die het meeste vervuld zijn zoowel van
broederlijke liefde jegens alle huisgenooten des geloofs als van al-
gemeene welwillendheid en dienstvaardigheid jegens al hunne
medeschepselen, ook het warmste en standvastigste zijn in hunne
bijzondere vriendschap. En waarom dan zou het Hiernamaals an-
ders zijn? Waarom zou in den hemel de Bijzondere Vriendschap
meer dan op aarde verloren moeten gaan in de Algemeene Men-
-ocr page 157-
147
■schenliefde ? Maar wij hebben een afdoend bewijs, dat het alzoo
niet behoeft te wezen. Niemand zal wel veronderstellen, dat een
Christen in den staat der heerlijkheid volmaakter zal zijn dan
zijn groote Meester reeds hier op aarde was. Wij zullen wel im-
mer op een onmetelijken afstand beneden Hem blijven. Welnu,
hoezeer Hij alle menschen liefhad, en wel zoo als niemand voor
of na Hem, daar Hij voor ons gestorven is toen wij nog vijanden
waren, toch was Hij vatbaar voor het menschelijk gevoel van
vriendschap. Hoe lief had Hij de Discipelen, die hem overal volgden :
en toch, ook onder deze onderscheidde hij er éénen, die bij uit-
nemendheid Zijn vriend was. Als dan Jezus zich zijnJohannes
niet schaamde, zouden wij de behoefte aan een Johannes wel waar-
lijk en ooit ontwassen?
Ik houd er mij, integendeel, van overtuigd, dat de uitgestrekt-
lieid en volmaaktheid der vriendschap niet weinig tot onze ge-
lukzaligheid hiernamaals zou toebrengen. Hoevelen hebben er niet
in allerlei tijden en aan allerlei plaatsen geleefd, die elkanders
aangezicht nooit gezien hebben en nochtans zoozeer overeenstem-
den in gevoelens en beginselen, dat zij, van de eerste ontmoeting
af aan, elkander gewis de warmste sympathie zouden hebben toe-
gedragen. Hoe menig een voelt zich vaak, onder het lezen des
bijbels, door deze of gene figuur boven alle andere aangetrokken,
bij den stillen wensch : „Och, had ik hem of haar gekend!" Waar-
om zou zulk een verlangen in een toekomstigen staat niet vervuld
kunnen worden ? De begeerte om, bij voorbeeld, een Apostel
Paulus of Johannes te zien en persoonlijk te leeren kennen, is
toch den edelsten en reinsten mensch niet onwaardig. Wie zal
haar ongerijmd of aanmatigend noemen en ongeschikt om ooit te
worden verwezendlijkt ? Zeker, de grootste vreugde die den gezalig-
de wacht, zal wel bestaan in het van aangezicht tot aangezicht
-ocr page 158-
148
ontmoeten van tien eenigen, dierbaren Meester: maar dit neemt
jiiet weg, dat de hemelsche blijdschap toch ook voor een deel zal
bestaan in de kennismaking met de grootste Zijner heiligen en
vooral met de /.ui ken onder hen, die wij voor onze geestverwan-
ten bij uitnemendheid erkenden.
In deze waereld, verder, zijn onze vriendschapsbetrekkingen
beperkt, niet alleen tot onze tijd- en landgenooten, maar tot een
klein gedeelte van deze, ja zells tot een klein gedeelte van hen
die ons niet onbekend zijn, die wij voor achtenswaardig en bemin-
nelijk houden en die, onder andere omstandigheden, misschien tot
onze beste vrienden zouden behoord hebben. De opheffing van alle
beletselen, die hier vaak het verwante van het verwante geschei-
den houden, acht ik een van de wenschenswaardigste en waar-
schijnlijkste zegeningen eener Betere Waereld.
Eindelijk, ik zie niet in, waarom zij, die onze dierbaarste vrien-
den np aarde geweest zijn, dat ook in den hemel niet zouden
blijven, met volle kennis en berinnering hunner vroegere vriend-
schap.
                                                                      Dr. Whatei.y.
Aartsbisschop van Dublin.
Jkan QQn li@v@n doode.
Gij hebt ons niet toebehoord, toen gij nog op aarde wandeldet:
gij waart des lieeren. En zoo dan kunnen wij niet anders dan
danken, dat gij ons zoo lang geleend zijt geweest en — datgene
vastho uden wat wij door u outt\'angen hebben.
-ocr page 159-
149
Zalige geest! gij blijft onder mis wonen. Van liet beste, dat gij
zelf bezeten liebt, hebt gij ons zooveel gegeven, dat wij u nog
bezitten nadat gij ons ontnomen zijt. Klaar en duidelijk alsof wij
u nog zagen, staat gij in ons midden, zoodat wij u nog kunnen
raadplegen en uwe lippen ons nog leeren, ook nadat de dood ze
reeds gesloten beeft. (.ij hebt op aarde voor ons gebeden en ge-
waakt, met zooveel trouw en innigheid, dat de zegen uwer voor-
bede ook thans nog niet is uitgeput, maar op ons neer zal dalen,
zoo lang wij leven, als een verkwikkende hemeldauw. Ook te mid-
den der aanschouwing in het Eeuwige Licht, zult gij ons niet
vergeten; want het Eeuwige Licht is toch niets anders dan het
licht dir Eeuwige Liefde, en uwe gedachten aan ons zullen
gebeden zijn.
Dr. A. Tiioi.uck.
WaarorriF
Ach, waarom altijd weer die oogen rood bekrcten,
Die klachten om de doón, die gij niet wederziet?
Kortzichtigen! hebt gij in \'s Meeren raad gezeten.\'
Miskent uw troostloos wee de Hoogste Liefde niet?
Wie zegt u, dat niet ginds de dierbren, u ontnomen,
Den nacht verwisselden voor eeuwgen zonneschijn?
Dat gij, die waant gij waakt, iets anders doet dan droomend
Dat zij, de ontslapenen, niet juist de ontwaakten zijn?
-ocr page 160-
150
Wie zegt u, dat niet ginds, met rozen op de wangen,
Uw doodsbleek kindeken aan Jezus\' voeten zit,
Uw broeder \'t voorspel zingt van blijde welkomstzangen,
Uw bruid de feestkroon vlecht, uw moeder voor u bidt?
Waarom dan altijd weer uw eigen klacht beluisterd,
Uw smart getroeteld, in uw eigen hart gewroet,
Die tranen steeds geplengd, en nooit het woord gefluisterd:
„Tot hiertoe, verder niet! Uw Heiland leeft, houd moed!\'1
De zware steen is lang door de Engten weggeschoven:
Alleen de zweetdoek bleef in de onderaardsche cel.
Daar is een balsem voor de zielen die gelooven,
Een Hemel achter \'t Graf, een Weerzien na \'t Vaarwel!
Een Weerzien! Zalig woord. O, vroeggestorven vrinden,
Herhaalt het, waar ik klaag! En, klagend hart, zwijg stil!
Verliezen moet hij hier, die ginder wéér zal vinden,
En tijdlijk sterven die voor eeuwig leven wil!
Hen weerzien voor altijd! die dierbren van voordezen!
Hereenigd! saaingevat in \'t zaligst Zielsverbond!
O, elke Wanhoopsklacht zou nu Godslastring wezen,
Daar ieder kruis op \'t graf de Onsterflijkheid verkondt!
J. J. L. TEN KATE.
w
-ocr page 161-
Uitgave D. B. CENTEN, Amsterdam.
„Hoop, Geloof en Liefde strenglen
Palmen rond ons huisgezin,
Waar de zielen zich reruienglet*
In het snteltrunr Virer min:
Gij regeert, en al Uwe Engten
Gaan ten onzent uit en in."
KIGKJM HAAEB,
GULDEN WOORDEN
VOOR AL DE LEDEN VAN HET HUISGEZIN.
DOOR
J. J, L> TEN KATE,
Tweede druk.
Inhoud: De Kinderwaereld. \'s Levens lente. Chris-
telijke trouwring. Ouderzorg en ouderzegen. Rouw en
trouw. Waarin niet is dienstknecht en vrije. Het Vader-
huis daar Boven.
Prijs: Gebonden ƒ1.50; Gebrocheerd ƒ1.—. Bij
tientallen: Gebonden ƒ 12.50; Gebrocheerd ƒ 7.50.
-ocr page 162-
-
Uitgave D. B. CENTEN, Amsterdam.
„Die \'t Heelal heeft gewogen , Hij woog ook
uw kruis:
Veel woningen geeft Hij den Zijnen;
Maar ile laatste liet best: naar het Vaderlijk
Huis
Voert de wisslende tent der woestijnen".
Dicht bil het Vaderhuis.
d
LEKTUUR
Aan den Avond des Levens
DOOR
J. J. L TEN KATE.
In prachtband ƒ 2.50; Gebrocheerd ƒ1.90.
„Wij gelooven, dat een tal van grijzen, Ds. TEN
KATE dankbaar zullen wezen voor deze herfstgave
en dat menig oud, maar door de verjongende kracht
des geloofs niet verouderd, hart met blijdschap de
lichtstralen zal opvangen, welke in deze bladen, als
uit het Hemelsch Vaderhuis, \'t welk der grijzen oog
reeds in de schemerende verte aanschouwt, ook op de
donkerste dagen en moeilijkste vragen der grijsheid
vallen."