-ocr page 1-
$0.
-ocr page 2-
r^ vyoö l
-ocr page 3-
y\\c .. \\7T
i
{% BIBLIOTHECA/L
\\
-ocr page 4-
f*~              het QOè izr3
Wetboek voor Iederben.
VERZAMELING :\';,
BEVATTENDE, .
De Grondwet, het Burgerlijk Wetboek, de Kieswet, de Gemeentewet,
de Belastingwetten, de Wét op het Faillissement, de Wet op
het Recht van Vereeniging en Vergadering, de Wét op
de Fabrieks en Handelsmerken,, de.. Arbeidswet, de
Wet op de Kamers van Arbeid, de Hinderwet,
de Veiligheidswet en de Stoomwet,
zooals zij luiden op 1 September 1897,
UITGEGEVEN ONDER TOEZICHT VAN
Mr. M. NAUTA,
Advocaat en Procureur te Utrecht.
UTRECHT,
J. G. B ROE SE.
1897.
-ocr page 5-
VOORBERICHT.
De in den laatsten tijd meer en meer ontwakende belang -
stelling in de Staatsaangelegenheden, in verband met de uit-
breiding van het Kiesrecht, deden den Uitgever van dit werkje
besluiten tot het bijeenbrengen van eene verzam eling van die
VvWetten, welker kennis in het dagelijksch leven het meest te
pas kan komen, en op zijn verzoek heb ik mij belast met de
samenstelling van dat Wetboek voor iedereen.
Het was mij soms moeilijk om te beslissen of ik een Wet
moest opnemen of niet, vooral daar ik rekening moest houden
met den omvang van het werk. Een onhandig dik boek zou
zeker geen aftrek vinden. Ik hoop er nu in geslaagd te zijn
met de opgenomen Wetten het boekje inderdaad te maken tot
eene Verzameling, waarin ieder iets van zijne gading vindt.
Utrecht, Augustus 1897.
M. NAUTA.
-ocr page 6-
GRONDWET VOOR HET KONINGRIJK DER NEDERLANDEN.
Blad*.
HOOFDSTUK I. Van het Rijk en zijne Inwoners.........     1
„ II. Van den Koning................     2
Afd. 1. Van de Troonopvolging.........     2
„ 2. Van het inkomen der Kroon.......     4
„ 3. Van de Voogdij des Konings.......     5
„ 4. Van het Regentschap..........     G
.. 5. Van de inhuldiging des Konings.....     8
„ 6. Van de Macht des Konings.......     9
„ 7. Van den Raad van State en de Miuisterieele
Departementen.............    11
HOOFDSTUK III. Van de Staten-Generaal...........    12
Afd. 1. Van de samenstelling der Staten-Generaal    12
„ 2. Van de Tweede Kamer der Staten-Generaal    13
B 8. Van de Eerste Kamer der Staten-Generaal    14
„ 4. Beschikkingen aan beide Kamers gemeen    15
„ 5. Van de Wetgevende Macht.......    17
„ (i. Van de Begrooting...........   20
HOOFDSTUK IV. Van de Provinciale Staten en de Gemeentebe-
sturen...................   20
Afd. 1. Van de samenstelling der Provinciale
Staten................   20
„ 2. Van de Macht der Provinciale Staten . .   21
„ 3. Van de Gemeentebesturen.......    22
HOOFDSTUK V. Van de Justitie................   24
Afd. 1. Algemeene beschikkingen........   24
^ 2. Van den Hoogen Raad en de Regterlijke
Collegiën...............   25
HOOFDSTUK VI. Van den Godsdienst.............   27
„ VII. Van de Financiën..............   27
VIII. Van de Defensie..............   28
„ IX. Van den Waterstaat.............   29
„ X. Van het Onderwjjs en het Armbestuur.....   30
„ XI. Van Veranderingen........• ....   30
Additioneele Artikelen.....................   31
-ocr page 7-
HET WETBOEK VOOR IEDEREEN.
-ocr page 8-
GRONDWET
VOOH HET
KONINGRIJK DER NEDERLANDEN.
18 87.
EERSTE HOOFDSTUK.
VAN HET RIJK EN ZIJN INWONERS.
Art. 1. Het Koningrijk der Nederlanden omvat het grond-
gebied in Europa, benevens de koloniën en bezittingen in
andere werelddeelen,
2.  De Grondwet is alleen voor het Rijk in Europa ver-
bindende, voor zoover niet het tegendeel daaruit blijkt.
Waar in de volgende artikelen het Rijk wordt genoemd,
wordt alleen het Rijk in Europa bedoeld.
3.  De wet kan provinciën en gemeenten vereenigen en
splitsen en nieuwe vormen.
De gi-enzen van het Rijk, van de provinciën en van de
gemeenten kunnen door de wet worden veranderd.
4; Allen die zich op het grondgebied van het Rijk bevinden,
hebben gelijke aanspraak op bescherming van persoon en
goederen.
De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemde-
lingen, en de algemeene voorwaarden, op welke ten aanzien
van hunne uitlevering verdragen met vreemde Mogendheden
kunnen worden gesloten.
5.  leder Nederlander is tot elke landsbediening benoembaar.
Geen vreemdeling is hiertoe benoembaar, dan volgens de
bepalingen der wet.
6.  De wet verklaart wie Nederlanders en wie ingezetenen zijn.
Een vreemdeling wordt niet dan door eene wet genatura-
liseerd.
-ocr page 9-
2
GRONDWET.
De wet regelt de gevolgen der naturalisatie ten aanzien
van de echtgenoot en minderjarige kinderen van den gena-
turaliseerde.
7.  Niemand heeft voorafgaand verlof noodig, om door de
drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens
ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
8.  Ieder heeft het regt om verzoeken, mits schriftelijk, aan
de bevoegde magt in te dienen.
Elk verzoek moet door den verzoeker onderteekend zijn.
Onderteekening uit naam van anderen kan alleen geschieden
krachtens schriftelijke, bij het verzoek overgelegde volmagt.
Wettig bestaande ligchamen kunnen aan de bevoegde magt
verzoekschriften indienen, doch alleen over onderwerpen tot
hunnen bepaalden werkkring behoorende.
9.  Het regt der ingezetenen tot vereeniging en vergadering
wordt erkend.
De wet regelt en beperkt de uitoefening van dat regt in
het belang der openbare orde.
TWEEDE HOOFDSTUK.
VAN DEN KONING.
EERSTE AFDEKI.ING.
Van de Trootiopvolying.
10.  De Kroon dei\' Nederlanden is en blijft opgedragen aan
Zijne Majesteit Willem Frederik, Prins van Oranje-Nassau,
om door Hem en Zijne wettige nakomelingen te worden
bezeten erfelijk, overeenkomstig de navolgende bepalingen.
11.  De Kroon gaat bij erfopvolging over op Zijne zonen en
verdere mannelijke, uit mannen gekomen nakomelingen bij
regt van eerstgeboorte, met dien verstande, dat bij vóór-over-
lijden van een regthebbende diens zonen of verdere mannelijke
uit mannen gekomen nakomelingen op gelijke wijze in Zijne
plaats treden en de Kroon nooit in eene jongere lijn of een
jongeren tak overgaat, zoolang er in de oudere lijn of den ouderen
tak zoodanige nakomeling wordt gevonden.
12.  Bij ontstentenis van opvolgers in het voorgaande artikel
aangewezen, gaat de Kroon over op de in leven zijnde doch-
ters van den laatstoverleden Koning, bij regt van eerstgeboorte.
13.  Bij ontstentenis ook van de dochters, in het voorgaand
artikel bedoeld, gaat de Kroon over op de dochters van de
nedergaande mannelijke lijnen uit den laatstoverleden Koning
en, bij gebreke ook van deze en van hare nakomelingen, gaat
de Kroon over in de nedergaande vrouwelijke lijnen.
In deze gevallen heeft steeds de oudere lijn vóór de jongere,
-ocr page 10-
GRONDWET.                                                             3
de mannelijke tak vóór den vrouwelijken, de oudere vóór den
jongeren en hebben in iederen tak mannen vóór vrouwen en
ouderen vóór jongeren den voorrang.
14.  Bij ontstentenis van een opvolger, krachtens een der
drie voorgaande artikelen tot de Kroon geregtigd, gaat deze
over op de Prinses, door geboorte tot het Huis van Oranje-
Nassau behoorende, die den laatstoverleden Koning, in de lijn
der afstamming van wijlen Koning Willem Frederik, Prins van
Oranje-Nassau, het naast bestaat.
Bij gelijken graad van verwantschap heeft de eerstgeborene
den voorrang.
Is de bedoelde bloedverwante des Konings vóór hem over-
leden, dan treden hare nakomelingen in hare plaats, des dat
de mannelijke lijn vóór de vrouwelijke en de oudere vóór de
jongere en in iedere lijn de mannelijke tak vóór den vrouwe-
lijken, de oudere vóór den jongeren en in iederen tak mannen
vóór vrouwen en ouderen voor jongeren gaan.
15.  Bij ontstentenis van een opvolger, krachtens een der
vier voorgaande artikelen tot de Kroon geregtigd, gaat deze
over op de wettige mannelijke uit mannen gekomen nakome-
lingen van wijlen Prinses Carolina van Oranje, zuster van
wijlen Prins Willem den Vijfde en gemalin van wijlen den
Prins van Nassau-Weilburg, op gelijke wijze als in art. 11 ten
opzigte van de nakomelingen van wijlen Koning Willem Fre-
dcrik, Prins van Oranje-Nassau, is bepaald.
16.  Afstand van de Kroon heeft ten opzigte van de opvol
ging hetzelfde gevolg als overlijden.
17.  Het kind, waarvan eeno vrouw zwanger is op het oogen-
blik van het overlijden des Konings, wordt ten opzigte van
het regt op de Kroon als reeds geboren aangemerkt. Dood ter
wereld komende wordt het geacht nooit te hebben bestaan.
18.  Van de erfopvolging, zoowel voor zich zelve als voor
hunne nakomelingen, zijn uitgesloten alle kinderen, geboren
uit een huwelijk aangegaan door een Koning of eene Koningin
buiten gemeen overleg met de Staten-Generaal, of door een
Prins of Prinses van het regerend stamhuis buiten de bij de
wet verleende toestemming.
Zoodanig huwelijk aangaande, doet eene Koningin afstand
van, en verliest eene Prinses haar regt op de Kroon.
Wanneer de Kroon, hetzij door erfopvolging, hetzij ingevolge
artt. 15, 19, 20 of 21 in een ander stamhuis is overgegaan,
gelden deze bepalingen alleen voor de huwelijken, na het
tijdstip van dien overgang gesloten.
19.  Wanneer bijzondere omstandigheden eenige verandering in
of eenige voorziening omtrent de orde van erfopvolging raadzaam
maken, is de Koning bevoegd daaromtrent een voorstel te doen.
-ocr page 11-
4                                                            GRONDWET.
De Staten-Generaal, daartoe in dubbelen getale bijeenge-
roepen, beraadslagen en besluiten daarover in vereenigde ver-
gadering.
20.   Wanneer geen bevoegde opvolger naar de Grondwet
bestaat, wordt deze benoemd bij eene wet, waarvan het ontwerp
door den Koning wordt voorgedragen.
De Staten-Generaal, daartoe in dubbelen getale bjjeenge-
roepen,\' beraadslagen en besluiten daarover in vereenigde
vergadering.
21.  Wanneer bij overlijden des Konings geen bevoegde
opvolger naar de Grondwet bestaat, geschiedt de benoeming
regtstreeks door de Staten-Generaal in vereenigde vergadering.
Zij worden daartoe in dubbelen getale binnen eene maand na
het overlijden bijeengeroepen.
22.  Al de bepalingen omtrent de erfopvolging worden op
de nakomelingen van den eersten Koning, op wien krachtens
een der twee voorgaande artikelen de Kroon overgaat, toe-
passelijk, in dier voege, dat het nieuwe stamhuis ten opzigte
van die opvolging van hem zijnen oorsprong neemt op gelijke
wijze en met dezelfde gevolgen als het Huis van Oranje-Nassau
dit volgens art. 10 doet uit wijlen Koning Willem Frederik,
Prins van Oranje-Nassau.
Ditzelfde geldt in het geval van art. 15 ten opzigte van de
aldaar bedoelde nakomelingen van wijlen Prinses Carolina
van Oranje.
Het geldt evenzeer ten aanzien van de nakomelingen der
vrouw, die bij opvolging tot de Kroon is geroepen, met dien
verstande, dat de Kroon eerst bjj geheele ontstentenis van die
nakomelingen in de volgende lijn van het stamhuis, waartoe
die vrouw door geboorte behoorde, overgaat.
23.    De Koning kan geene vreemde Kroon dragen, met
uitzondering van die van Luxemburg.
In geen geval kan de zetel der regering buiten het Rijk
worden verplaatst.
TWEEDE AFDEEI.ING.
Van het inkomen der Kroon.
24.   Behalve het inkomen uit de domeinen, door de wet
van 26 Augustus 1822 afgestaan, en in 1848 door wijlen Koning
Willem II tot Kroondomein aan den Staat teruggegeven,
geniet de Koning een jaarlijksch inkomen uit \'s Lands kas,
waarvan het bedrag bij elke troonsbeklimming door de wet
wordt vastgesteld.
25.   Den Koning worden tot deszelfs gebruik, zomer- en
winter-verblijven in gereedheid gebragt, voor welker onderhoud
-ocr page 12-
5
GRONDWET.
echter niet meer dan ƒ50.000 jaarlijks, ten laste van den Lande
kunnen worden gebragt.
26.   De Koning en de Prins van Oranje zijn vrij van alle
personele lasten.
Geen vrijdom van eenige andere belasting wordt door hen
genoten.
27.  De Koning rigt zijn Huis naar eigen goedvinden in.
28.   Het jaarlijksch inkomen eener Koningin-weduwe, gedu-
rende haren weduwelijken staat, uit \'s Lands kas is f 150.000.
29.  De oudste van des Konings zonen, of verdere mannelijke
nakomelingen, die de vermoedelijke erfgenaam is van-de Kroon,
is des Konings eerste onderdaan, en voert den titel van Prins
van Oranje.
30.   De Prins van Oranje geniet als zoodanig uit \'s Lands
kas een jaarlijksch inkomen van /\' 100.000, te rekenen van den
tijd, dat hij den ouderdom van achttien jaren zal hebben ver-
vuld; dit inkomen wordt gebragt op f 200.000, na het voltrek-
ken van een huwelijk, waartoe bij de wet toestemming is
verleend.
DERDE AFDEELING.
Van de voogdij des Konings.
31. De Koning is meerderjarig als zijn achttiende jaar vervuld is.
Hetzelfde geldt van den Prins van Oranje, ingeval deze Re-
gent wordt.
32.  De voogdij van den minderjarigen Koning wordt geregeld
en de voogd of voogden worden benoemd bij eene wet.
Over het ontwerp dier wet beraadslagen en besluiten de
Staten-Generaal in vereenigde vergadering.
33.  Deze wet wordt nog bij het leven van den Koning, voor
het geval der minderjarigheid zijns opvolgers, gemaakt. Mogt
dit niet zijn geschied, zoo worden, is het doenlijk, eenige der
naaste bloedverwanten van den minderjarigen Koning over
de regeling der voogdij gehoord.
34.   Alvorens de voogdij te aanvaarden, legt elke voogd,
in eene vereenigde vergadering van de Staten-Generaal, in
handen van den voorzitter, den volgenden eed of belofte af:
„Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning; ik zweer
„ (beloof) al de pligten, welke de voogdij mij oplegt, heilig
„te vervullen, en er mij bijzonder op te zullen toeleggen,
„om den Koning gehechtheid aan de Grondwet en liefdo_
„voor zijn volk in te boezemen."
„Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!" („Dat beloof\' ik!")
35.   Ingeval de Koning buiten staat geraakt de regering
waar te nemen, wordt in het noodige toezigt over zijn persoon
-ocr page 13-
6
GRONDWET.
voorzien naar de voorschriften, omtrent de voogdij van een
minderjarigen Koning in art. 32 bepaald.
De wet bepaalt den eed of de belofte door de hiertoe benoemde
voogd of voogden af te leggen.
VIERDE AFDEELING.
Van het Regentschap.
36.   Gedurende de minderjarigheid van den Koning wordt
het Koninklijk gezag waargenomen door eenen Regent.
37.   De Regent wordt benoemd bij eene wet, die tevens de
opvolging in net regentschap, tot \'s Konings meerderjarigheid
toe, kan regelen. Over het ontwerp dier wet beraadslagen en
besluiten de Staten-Generaal in vereenigde vergadering.
De wet wordt nog bij het leven van den Koning, voor het
geval der minderjarigheid zijns opvolgers, gemaakt.
38.  Het Koninklijk gezag wordt mede aan eenen Regent
opgedragen, ingeval de Koning buiten staat geraakt de rege-
ring waar te nemen.
Wanneer de hoofden der ministeriële departementen, in rade
vereenigd, oordeelen dat dit geval aanwezig is, geven zij van
hunne bevinding kennis aan den Raad van State, met uitnoo-
diging om binnen een bepaalden termijn advies uit te brengen.
39.  Blijven zij na afloop van den gestelden termijn bij hun
oordeel, dan roepen zij de Staten-Generaal in vereenigde ver-
gadering bijeen, om hun, onder overlegging van het advies
van den Raad van State, zoo dit is ingekomen, van het voor-
handen geval verslag te doen.
40.  Zijn de Staten-Generaal in vereenigde vergadering van
oordeel, dat liet in art. 38, 1ste lid, omschreven geval aanwezig
is, dan verklaren zij dit bij een besluit, dat op last van den
in art. 108, 2de lid, aangewezen voorzitter wordt afgekondigd
en dat op den dag der afkondiging in werking treedt.
Bij ontstentenis van dezen voorzitter wordt door de verga-
dering een voorzitter benoemd.
41.  In het geval van art. 40, is do Prins van Oranje, wan-
neer hij zijn achttiende jaar vervuld heeft, van regtswege Regent.
42.  Ontbreekt een Prins van Oranje of heeft de Prins van
Oranje zijn achttiende jaar niet vervuld, dan wordt in het
regentschap voorzien op de wijze in art. 37 bepaald; in het
laatste geval tot aan het tijdstip waarop hij zijn achttiende
jaar vervuld heeft.
43.  Bij liet aanvaarden van het regentschap legt de Regent
in eene vereenigde vergadering van de Staten-Generaal in
handen van den voorzitter den volgenden eed of belofte af:
„Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning; ik zweer
„(beloof), dat ik in de waarneming van het Koninklijk
-ocr page 14-
GRONDWKT.                                                              7
„gezag, zoolang de Koning minderjarig is (\'zoolang de
„Koning buiten staat blijft de regering waar te nemen),
„de Grondwet steeds zal onderhouden en handhaven.
„Ik zweer (beloof), dat ik de onafhankelijkheid en het
„grondgebied des Rijks met al mijn vermogen zal verde-
„digen en bewaren; dat ik de algemeene en bijzondere
„vrijheid, en de regten van alle des Konings onderdanen
„en van elk hunner zal beschermen en tot instandhouding
„en bevordering van de algemeene en bijzondere welvaart
„alle middelen aanwenden, welke de wetten te mijner be-
„schikking stellen, gelijk een goed en getrouw Regent
„schuldig is te doen."
„Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!" („Dat beloof ik!")
44.  Wanneer een Regent buiten staat geraakt het regent-
schap waar te nemen, zijn de artt. 38, 2de lid, 39 en 40 toe-
passelijk.
Is de opvolging in het regentschap niet geregeld, dan wordt
art. 37, 1ste lid, toegepast.
45.  Het Koninklijk gezag wordt waargenomen door den Raad
van State:
1°. bij het overlijden des Konings, zoolang niet in de troon-
opvolging volgens art. 21 is voorzien, voor den minderjarigen
Troonopvolger geen Regent benoemd is, of de Troonopvolger
of Regent afwezig is;
2°. in de gevallen van artt. 40 en 44, zoolang de Regent
ontbreekt of afwezig is; en bij overlijden van den Regent,
zoolang zijn opvolger niet benoemd is en het regentschap aan-
vaard heeft;
3°. ingeval de troonopvolging onzeker is en de Regent ont-
breekt of afwezig is.
Deze waarneming houdt van regtswege op, zoodra de bevoegde
Troonopvolger of Regent zijne waardigheid heeft aanvaard.
Wanneer in het regentschap moet worden voorzien, dient
de Raad van State het daartoe strekkend ontwerp van wet in:
in de gevallen, onder 1°. en 2°. vermeld, binnen den tijd
van eene maand na de aanvaarding der waarneming van het
Koninklijk gezag;
in het geval, onder 3°. vermeld, binnen den tijd van eene
maand nadat de troonopvolging heeft opgehouden onzeker
te zijn.
46.  Eene wet bepaalt, bij de benoeming van den Regent of
bij de aanvaarding van het regentschap door den Prins van
Oranje, de som, die op het jaarlijksch inkomen van de Kroon
zal worden genomen voor de kosten van het regentschap.
Deze bepaling kan gedurende het regentschap niet worden
veranderd.
-ocr page 15-
8                                                           GRONDWET.
47.  Zoodra het in art. 38 omschreven geval heeft opgehouden
te bestaan, wordt dit door de Staten-Generaal in vereenigde
vergadering verklaard bij een besluit, dat op last van den
voorzitter, in art. 40 vermeld, wordt afgekondigd.
48.  Dit besluit wordt genomen op voorstel van den Regent
of van ten minste twintig leden der Staten-Generaal.
Deze leden dienen hun voorstel in bij den voorzitter der
Eerste Kamer, die de beide Kamers onmiddellijk in vereenigde
vergadering bijeenroept.
Is de zitting der Kamers gesloten, dan zijn die leden bevoegd
de oproeping zei ven te doen.
49.  De hoofden der ministeriële departementen en de voogd
of voogden zijn persoonlijk gehouden aan de Kamers der Staten-
Generaal, zoo dikwerf\' dit wordt gevraagd, omtrent den toe-
stand van den Koning of van den Regent verslag te doen.
Art. 94, 3de lid, is ten deze ook op de voogden toe-
passelijk.
50.  Onmiddellijk na afkondiging van het in art. 47 om-
schreven besluit herneemt de Koning de waarneming der
regering.
VIJFDE AFDKEMNG.
Van de inhuldiging dei Konimja.
51.  De Koning, de regering aanvaard hebbende, wordt
zoodra mogelijk plegtig beëedigd en ingehuldigd binnen de
stad Amsterdam, in eene openbare en vereenigde vergadering
der Staten-Generaal.
52.  In deze vergadering wordt door den Koning de volgende
eed of belofte op de Grondwet afgelegd:
„Ik zweer (beloof) aan het Nederlandsehe volk dat ik de
„Grondwet steeds zal onderhouden en handhaven.
„Ik zweer (beloof), dat ik de onafhankelijkheid en het
„grondgebied des Rijks met al mijn vermogen zal verdedigen
„en bewaren; dat ik de algeiueene en bijzondere vrijheid en.
„de regten van alle mijne onderdanen zal beschermen, en tot
„instandhouding en bevordering van de algemeene en bij-
„zondere welvaart alle middelen zal aanwenden, welke de wet-
„ten te mijner beschikking stellen, zooals een goed Koning
„schuldig is te doen."
„Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!" („Dat beloof ik !")
53.  Na het afleggen van dezen eed of belofte wordt de
Koning in dezelfde vergadering gehuldigd door de Staten-
Generaal, wier voorzitter de volgende plegtige verklaring uit-
spreckt, die vervolgens door hem en elk der leden, hoofd voor
hoofd, beëedigd of bevestigd wordt:
-ocr page 16-
GRONDWET.                                                   9
„Wij ontvang-en en huldigen, in naam van het Nederlandsche
„volk en krachtens de Grondwet. U als Koning; wij zweren
„(beloven), dat wij uwe onschendbaarheid en de regten uwer
„kroon zullen handhaven; wij zweren (beloven) alles te zullen
„doen wat goede en getrouwe Staten-Generaal schuldig zijn
„te doen."
„Zoo waarlijk helpe ons GodAlniagtig!" („Dat beloven wij!")
ZESDE AFDEELING.
Van de Magt des Koning*.
54.  De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verant-
woordelijk.
55.   De uitvoerende magt berust bij den Koning.
56.  Door den Koning worden algemeene maatregelen van
bestuur vastgesteld.
Bepalingen, door straffen te handhaven, worden in die maat-
regelen niet gemaakt, dan krachtens de wet.
De wet regelt de op te leggen straffen.
57.  De Koning heeft het opperbestuur der buitenlandsche
betrekkingen.
58.   De Koning verklaart oorlog. Hij geeft daarvan onmid-
dellijk kennis aan de beide Kamers der Staten-Generaal, met
bijvoeging van zoodanige mededeelingen, als Hij met het
belang van den Staat bestaanbaar acht.
59.  De Koning sluit en bekrachtigt alle verdragen met
vreemde Mogendheden. Hij deelt den inhoud dier verdragen
mede aan de beide Kamers der Staten-Generaal, zoodra Hij
oordeelt dat het belang van den Staat dit toelaat.
Verdragen die wijziging van het grondgebied van den Staat
inhouden, die aan het Rijk geldelijke verpligtingen opleggen
of die eenige andere bepaling, wettelijke regten betreffende
inhouden, worden door den Koning niet bekrachtigd dan na
door de Staten-Generaal te zijn goedgekeurd.
Deze goedkeuring wordt niet vereischt, indien de Koning
zich de bevoegdheid tot het sluiten van het verdrag bij de
wet heeft voorbehouden.
60.    De Koning heeft het oppergezag over zee- en landmagt.
De militaire officieren worden door Hem benoemd. Zij worden
door Hem bevorderd, ontslagen of op pensioen gesteld, volgens
de regels door de wet te bepalen.
De pensioenen worden door de wet geregeld.
61.    De Koning heeft het opperbestuur der koloniën en be-
zittingen van het Rijk in andere werelddeelen.
De reglementen op het beleid der regering aldaar worden
door de wet vastgesteld.
-ocr page 17-
10
GRONDWET.
Het muntstelsel wordt door de wet geregeld.
Andere onderwerpen deze koloniën en bezittingen betreffende,
worden door de wet geregeld, zoodra de behoefte daaraan
blijkt te bestaan.
62.    De Koning doet jaarlijks aan de Staten-Generaal een
omstandig verslag geven van het beheer dier koloniën en be-
zittingen en van den staat waarin zij zich bevinden.
De wet regelt de wijze van beheer en verantwoording der
koloniale geldmiddelen.
63.    De Koning heeft het opperbestuur van de algemeene
geldmiddelen.
Hij regelt de bezoldiging van alle collegiën en ambtenaren,
die uit \'s Rijks kas worden betaald.
De wet regelt de bezoldiging van den Raad van State, van
de Algemeene Rekenkamer en van de regterlijke magt.
De Koning brengt de bezoldigingen op de begrooting dei-
Rijksuitgaven.
De pensioenen der ambtenaren worden door de wet geregeld.
64.    De Koning heeft het regt van de munt. Hij vermag
zijne beeldtenis op de muntspeciën te doen stellen.
65.    De Koning verleent adeldom.
Vreemde adeldom kan door geen Nederlander worden aan-
genomen.
66.    Ridderorden worden door eene wet, op het voorstel
des Konings, ingesteld.
67.    Vreemde orden, waaraan geen verpligtingen verbonden
zijn, mogen worden aangenomen door den Koning en, met
Zijne toestemming, door de Prinsen van Zijn Huis.
In geen geval mogen andere Nederlanders, of de vreemde-
lingen, die in Nederlandsche Staatsdienst zijn, vreemde orde-
teekenen, titels, rang of waardigheid aannemen, zonder bijzonder
verlof van den Koning.
68.    De Koning heeft het regt van gratie van straffen, door
regterlijk vonnis opgelegd.
Hij oefent dat regt uit na het advies te hebben ingewonnen
van den regter daartoe bij algemeenen maatregel van bestuur
aangewezen.
Amnestie of abolitie worden niet dan bij eene wet toegestaan.
69.    Dispensatie van wetsbepalingen kan door den Koning
slechts worden verleend met magtiging van de wet.
De wet, welke deze magtiging verleent, noemt de bepalingen,
waarover de bevoegdheid tot dispensatie zich uitstrekt.
Dispensatie van bepalingen van algemeene maatregelen van
bestuur is toegelaten voor zoover de Koning zich de bevoegd-
heid daartoe bij den maatregel uitdrukkelijk heeft voorbehouden.
70.    De geschillen tusschen provinciën onderling; provinciën
-ocr page 18-
GROND WKT.                                                           11
en gemeenten; gemeenten onderling; alsmede tussehen pro-
vinciën of gemeenten en waterschappen, veenschappen en veen-
polders, niet behoorende tot die, vernield in art. 153 of tot
die, waarvan de beslissing krachtens art. 154 is opgedragen
aan den gewonen regter of aan een collegie, met administrative
regtspraak belast, worden door den Koning beslist.
71.    De Koning draagt aan de Staten-Generaal ontwerpen
van wet voor en doet hun zoodanige andere voorstellen als Hij
noodig acht.
Hij heeft het regt de door de Staten-Generaal aangenomen
wetsontwerpen al of niet goed te keuren.
72.    De wijze van afkondiging der wetten en der algemeene
maatregelen van bestuur en het tijdstip waarop zij aanvangen
verbindende te zijn, worden door de wet geregeld.
Het formulier van afkondiging der wetten is het volgende :
„Wij enz. Koning der Nederlanden enz.;
„Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen
„te weten:
„Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat enz.;
(De beweegreden der wet.)
„Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met
„gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden
„en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze enz."
(De inhoud der wet.)
„Gegeven enz."
Ingeval eene Koningin regeert of het Koninklijk gezag door
een Regent of door den Raad van State wordt waargenomen,
wordt de daardoor noodige wijziging in dit formulier gebragt.
73.  De Koning heeft het regt om de Kamers der Staten-
Generaal, elke afzonderlijk of beide te zamen, te ontbinden.
Het besluit, waardoor die ontbinding wordt uitgesproken,
houdt tevens den last in tot het verkiezen van nieuwe Kamers
binnen veertig dagen, en tot het zamenkomen der nieuw
verkozen Kamers binnen twee maanden.
De Raad van State, het Koninklijk gezag waarnemende,
oefent het regt van ontbinding niet uit.
ZEVENDE AFDEELINO.
Van den Raad van State en de Ministeriële
Departementen.
74.   Er is een Raad van State, welks zamenstelling en
bevoegdheid worden geregeld door de wet.
De Koning is voorzitter van den Raad, en benoemt de leden.
De Prins van Oranje heeft, nadat zijn achttiende jaar is
vervuld, vanregtswege zitting in den Raad.
-ocr page 19-
12                                                          GRONDWET.
75.   De Koning brengt ter overweging bij den Raad van
State alle voorstellen, door hom aan de Staten-Generaal te
doen, of door deze aan hem gedaan, alsmede alle algemeene
maatregelen van bestuur van het Rijk en van zijne koloniën
en bezittingen in andere werelddeelen.
Aan het hoofd der uit te vaardigen besluiten wordt melding
gemaakt, dat de Raad van State deswege gehoord is.
De Koning hoort wijders den Raad van State over alle
zaken, waarin hij dat noodig oordeelt.
De Koning alleen besluit, en geeft telkens van zijn genomen
besluit kennis aan den Raad van State.
76.  De wet kan aan den Raad van State of aan eene
afdeeling van dien Raad de uitspraak over geschillen
opdragen.
77.  De Koning stolt ministeriële departementen in, benoemt
er de hoofden van, en ontslaat die naar welgevallen.
De hoofden der ministeriële departementen zorgen voor
de uitvoering der (irondwet en der andere wetten, voor zoo-
verre die van de Kroon afhangt.
Hunne verantwoordelijkheid wordt geregeld door de wet.
Alle Koninklijke besluiten en beschikkingen worden door
een der hoofden van de ministeriële departementen mede-
onderteekend.
DERDE HOOFDSTUK.
VAN DE STATEN-GENERAAL.
EERSTE AKDEEl.ING.
Van de samenstelling der Staten-Generaal.
78.   De Staten-Generaal vertegenwoordigen het geheele
Nederlandsche volk
79.  De Staten-Generaal zijn verdeeld in eene Eerste en
Tweede Kamer.
80.  De leden der Tweede Kamer worden regtstreeks geko-
zen door de mannelijke ingezetenen, tevens Nederlanders,
die de door de kieswet te bepalen kenteekenen van geschikt-
heid en niaatschappeljjken welstand bezitten, en den door die
wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig
jaren mag zijn, hebben bereikt.
De wet bepaalt, in hoeverre de uitoefening van het kiesregt
wordt geschorst voor de militairen beneden den rang van
offlecier bij de zee- en de landmagt voor den tijd, gedurende
welken zij zich onder de wapenen bevinden.
Van de uitoefening van het kiesregt zijn uitgesloten zij,
wien dat regt bij regterlijke uitspraak is ontzegd; zij die in
-ocr page 20-
13
GRONDWET.
gevangenschap of\' hechtenis zijn; zij die bij regterlijke uit-
spraak de beschikking of\' het beheer over hunne goederen
hebben verloren; zij die in het burgerlijk jaar, voorafgaande
aan de vaststelling der kiezerslijsten, van eene instelling van
weldadigheid of van een gemeentebestuur onderstand hebben
genoten en, voor zoover de kieswet, hetzij zeker bedrag van
den aanslag in eene of meer Rijks directe belastingen, hetzij
het bezit van een of meer grondslagen van zoodanigen aanslag
ais vereischte van kiesbevoegdheid stelt, zij die hun aanslag
in die belasting of belastingen niet hebben voldaan.
81.   De Tweede Kamer bestaat uit honderd leden, die ge-
kozen worden in kiesdistricten.
De verdeeling van het Rijk in kiesdistricten en alles wat
verder het kiesregt en de wijze van verkiezing betreft, wordt
door de wet geregeld.
82.  Do P]erste Kamer bestaat uit vijftig leden.
Zij worden verkozen door de Provinciale Staten, in de vol-
gende verhouding.
Noordbrabant.......6.
Gelderland........6.
Zuidholland........10.
Noordholland.......9.
Zeeland.........2.
Utrecht.........2.
Friesland.........4.
Overijssel.........3.
Groningen........3.
Drenthe.........2.
Limburg.........3.
W.
Ingeval van vereeniging, splitsing of grensverandering van
provinciën of vorming van nieuwe, voorziet de wet in de
wijziging, welke daardoor in deze verhouding noodig zal worden
bevonden.
83.  Wanneer de Staten-Generaal in dubbelen getale worden
bijeengeroepen, wordt aan de gewone leden van elke Kamer
een gelijk getal buitengewone leden toegevoegd op dezelfde
wijze als de gewone te verkiezen.
Het besluit der bijeenroeping wijst tevens der dag der ver-
kiezing aan.
TWEEDE AFDEELING.
Van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
84.  Om lid der Tweede Kamer te kunnen zijn wordt alleen
vereischt dat men mannelijk Nederlander zij, niet bij regterlijke
-ocr page 21-
14                                                  OROHDWET,
uitspraak do beschikking of het beheer over zijne goederen
hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den
ouderdom van dertig jaren vervuld hebbe.
85.    üe leden der Tweede Kamer worden gekozen voor
vier jaren.
Zij treden te gelijk af en zijn dadelijk herkiesbaar.
86.  De leden stemmen zonder last van of\' ruggespraak met
hen die benoemen.
87.   Bij bet aanvaarden hunner betrekking leggen zij den
volgenden eed of belofte af:
„Ik zweer (beloof) getrouwheid aan de Grondwet."
r7.oo waarlijk belpe mij God almagtig!" („Dat beloof ik!\')
Alvorens tot dien eed of belofte te worden toegelaten, leggen
zij den volgenden eed (verklaring en belofte) van zuivering af:
„Ik zweer (verklaar), dat ik, om tot lid der Staten-Generaal
„te worden benoemd, directelijk of indirecte]ijk, aan geen
„persoon, onder wat naam of voorwendsel ook, eenige giften
„of gaven beloofd of gegeven heb.
„Ik zweer (beloof), dat ik. om iets hoegenaamd in deze
„betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd
„eenige beloften of geschenken aannemen zal, directelijk of
„ indirecte! ijk."
„Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!" („Dat verklaar en
„beloof ik!")
Deze eeden (beloften en verklaring) worden afgelegd in
handen van den Koning, of in de vergadering der Tweede
Kamer, in handen van den Voorzitter, «laartoe door den Koning
gemagtigd.
88.   De Voorzitter wordt door den Koning benoemd voor
het tijdperk eener zitting, uit eene door de Kamer aangeboden
opgave van drie leden.
89.  De leden genieten, tot vergoeding der reiskosten, eens,
heen en terug, voor elke zitting, zoodanige som, als naar de
afstanden door de wet zal worden geregeld.
Ais verdere schadeloosstelling wordt hun toegelegd eene
som van ƒ2000 \'s jaars.
Deze schadeloosstelling wordt niet genoten door de leden,
die het ambt van Minister bekleeden, noch ook, voor den tijd
der zitting, door hen, die gedurende de geheele zitting afwe-
zig bleven.
DKKDK AFUKEMNG.
Van de Eerste Kamer der Stolen-Generaal.
90.   Om lid der Eerste Kamer te kunnen zijn moet men
voldoen aan de vereischten voor het lidmaatschap van de
-ocr page 22-
GRONDWET.                                                   15
Tweede Kamer gesteld en bovendien of behooren tot de hoogst-
.mngeslagenen in de Rijks directe belastingen öf eene of meer
hooge en gewigtige openbare betrekkingen, bij de wet aan-
gewezen, bekleeden of bekleed hebben.
Het getal der hierboven bedoelde hoogstaangeslagenen wordt
in elke provincie bepaald tot één, die tevens de algemeene
vereischten bezit om lid der Staten-Generaal te zijn, op iedere
vijftien honderd zielen.
91.  De leden der Eerste Kamer worden gekozen voor negen
jaren.
Art. 86 is op hen van toepassing. Zij leggen bij het aan-
vaarden hunner betrekking gelijke eeden (beloften en verkla-
ring) af, als voor de leden der Tweede Kamer zijn bepaald,
hetzij in handen van den Koning, hetzij in de vergadering der
Kerste Kamer in handen van den Voorzitter, daartoe door den
Koning gemagtigd.
Zij genieten reis- en verblijfkosten volgens de wet.
Een derde gedeelte treedt om de drie jaren af, volgens een
daarvan te maken rooster. De uitvallende leden zijn dadelijk
herkiesbaar.
92.  De Voorzitter wordt door den Koning uit de leden be-
noemd, voor het tijdperk eener zitting.
VIKBDE AFDKELING.
Beschikkingen aan beide Kamers geineen.
93.  Niemand kan te gelijk lid der beide Kamers zijn.
Die te gelijk of op meer dan ééne plaats tot lid van de
Eerste of van de Tweede Kamer of van beide Kamers is ge-
kozen, verklaart welke dier benoemingen hij aanneemt.
94.- De hoofden der ministeriële departementen hebben zit-
ting in de beide Kamers. Zij hebben alleen eene raadgevende
stem, ten ware zij tot leden der vergadering mogten benoemd
zijn.
Zij geven aan de Kamers, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk,
de verlangde inlichtingen, waarvan het verleenen niet strijdig
kan worden geoordeeld met het belang van den Staat.
Zij kunnen door elke der Kamers worden uitgenoodigd om
te dien einde ter vergadering tegenwoordig te zijn.
95.   Beide Kamers hebben, zoowel ieder afzonderlijk als in
vereenigde vergadering het regt van onderzoek (enquête) te
regelen door de wet.
96.  Een lid van de Staten-Generaal kan niet te gelijker tijd
zijn vice-president of lid van den Raad van State, president,
vice president of lid van of procureur-generaal of advocaat-
generaal bij den Hoogen Raad, noch president of lid van de
-ocr page 23-
16                                                  GRONDWET.
Algemeene Rekenkamer, noch Commissaris des Konings in
eene provincie.
De wet regelt voor zooveel noodig de gevolgen van de ver-
eeniging van het lidmaatschap van eene der beide Kamers
met andere dan de in het eerste lid uitgesloten, uit \'sLands
kas bezoldigde ambten.
Krijgslieden in werkelijke dienst, het lidmaatschap van eene
der beide Kamers aanvaardende, zijn gedurende dat lidmaat-
schap van regtswege op non-activiteit. Ophoudende lid te zijn,
keeren zij tot de werkelijke dienst terug.
Zij, die na hunne verkiezing tot lid van de Staten-Generaal
een bezoldigd Staatsambt, dat zij niet reeds tijdens die ver-
kiezing vervulden, aannemen, verliezen van regtswege het
lidmaatschap, maar zijn herkiesbaar.
97.   De leden der Staten-Generaal zijn niet geregtelijk ver-
volgbaar voor hetgeen zjj in de vergadering hebben gezegd of
aan haar schriftelijk hebben overgelegd.
98.   Klke Kamer onderzoekt de geloofsbrieven harer nieuw
inkomende leden, en beslist de geschillen, welke aangaande
die geloofsbrieven of de verkiezing zelve oprijzen.
99.   Klke Kamer benoemt haren griffier. Deze mag niet
tegelijk lid van eene der Kamers zijn.
100.  De Staten-Generaal komen ten minste eenmaal \'sjaars
te zamen.
Hunne gewone zitting wordt geopend op den derden Dinsdag
in September.
De Koning roept eene buitengewone zitting bijeen, zoo dik-
wijls Hij zulks noodig oordeelt.
101.   De afzonderlijke vergaderingen der beide Kamers en
evenzoo de vereenigde vergaderingen worden in het openbaar
gehouden.
De deuren worden gesloten, wanneer een tiende gedeelte
der aanwezige leden het vordert of de Voorzitter het noodig
keurt.
De vergadering beslist, of\' met gesloten deuren zal worden
beraadslaagd.
Over de punten in besloten vergadering behandeld, kan
daarin ook een besluit worden genomen.
102.    Is bij overlijden des Konings of bij afstand van de
Kroon de zitting gesloten, dan vergaderen de Staten-Generaal
zonder voorafgaande oproeping.
Deze buitengewone zitting wordt op den vijfden dag na het
overlijden of na den afstand geopend.
Zijn de Kamers ontbonden, dan vangt deze termijn aan van
den afloop der nieuwe verkiezingen.
103.   De zitting der Staten-Generaal wordt in vereenigde
-ocr page 24-
GRONDWET.                                                          17
vergadering der beide Kamers door den Koning of door eene
Commissie van Zijnentwege geopend. Zij wordt op dezelfde
wijze gesloten, wanneer Hij oordeelt dat het belang van den
Staat niet vordert haar te doen voortduren.
De gewone jaarlijksche zitting duurt ten minste twintig
dagen, tenzij de Koning gebruik make van het regt in art. 73
omschreven.
104.  Bij ontbinding van eene der Kamers of van beide sluit
de Koning tevens de zitting der Staten-Generaal.
105.  De Kamers mogen noch afzonderlijk noch in vereenigde
vergadering beraadslagen of besluiten, zoo niet meer dan de
helft der leden tegenwoordig is.
106.  Alle besluiten over zaken worden bij volstrekte meer-
derbeid der stemmende leden opgemaakt.
Bij staken van stemmen wordt het nemen van het besluit
tot eene volgende vergadering uitgesteld.
In deze, en evenzoo in eene voltallige vergadering, wordt,
bij staken van stemmen, het voorstel geacht niet te zijn aan-
genomen.
De stemming moet geschieden bij hoofdelijke oproeping,
wanneer een der leden dit verlangt en alsdan mondeling.
107.  De stemming over personen voor de benoemingen of
voordragten in de Grondwet vermeld, geschiedt bij gesloten
en ongeteekende briefjes.
De volstrekte meerderheid der stemmende leden beslist; bij
staken van stemmen beslist het lot.
108.  Bij eene vereenigde vergadering worden de beide Ka-
mers als slechts ééne beschouwd en nemen hare leden naar
willekeur door elkander plaats.
De Voorzitter der Eerste Kamer heeft de leiding der verga-
lering.
VIJFDE AFDEELING.
Van de Wetgevende Magt.
109.  De wetgevende magt wordt gezamenlijk door den Ko-
ling en de Staten-Generaal uitgeoefend.
110.  De Koning zendt Zijne voorstellen, hetzij van wet. hetzij
mdere, aan de Tweede Kamer bij eene schriftelijke boodschap
)f door eene commissie.
Hij kan aan bijzondere door Hem aangewezen Commissaris-
sen opdragen de Ministers bij het behandelen van die voor-
stellen in de vergaderingen der Staten-Generaal bij te staan.
111.  Aan de openbare beraadslaging over eenig ingekomen
voorstel des Konings gaat altijd een onderzoek van dat voor-
stel vooraf.
2
-ocr page 25-
18
GRONDWET.
De Kamer bepaalt in haar Reglement van Orde de wijze,
waarop dit onderzoek zal worden ingesteld.
112.  De Tweede Kamer, alsmede de vereenigde vergadering
der Staten-Generaal, heeft het regt wijzigingen in een voorstel
des Konings te maken.
113.  Wanneer de Tweede Kamer tot aanneming van het
voorstel, hetzij onveranderd, hetzij gewijzigd, besluit, zendt zij
het aan de Eerste Kamer met het volgende formulier:
,De Tweede Kamer der Staten-Generaal zendt aan de Eerste
„Kamer het hier nevensgaande voorstel des Konings en is van
„oordeel, dat het, zoo als het daar ligt, door de Staten Gene-
„raal behoort te worden aangenomen."
Wanneer de Tweede Kamer tot het niet-aannemen van het
voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning met
het volgende formulier:
„De Tweede Kamer der Staten-Generaal betuigt den Koning
„haren dank voor Zijnen ijver in het bevorderen van de belan-
„gen van den Staat en verzoekt Hem eerbiedig het gedane
„voorstel in nadere overweging te nemen."
114.  De Eerste Kamer overweegt, met inachtneming van art.
111, het voorstel zoodanig als het door de Tweede Kamer is
aangenomen.
Wanneer zij tot aanneming van het voorstel besluit, geeft
zij daarvan kennis aan den Koning en aan de Tweede Kamer,
met de volgende formulieren:
„Aan den Koning!
„De Staten-Generaal betuigen den Koning hunnen dank voor
„Zijnen ijver in het bevorderen van de belangen van den Staat
„en vereenigen zich met het voorstel zooals het daar ligt."
„Aan de Tweede Kamer!
„De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft aan de Tweede
„Kamer kennis, dat zij zich heeft vereenigd met het voorstel
„betrekkelijk . ..., op den ...., aan haar door de Tweede
„Kamer toegezonden."
Wanneer de Eerste Kamer tot niet-aanneming van het voor-
stel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning en aan
de Tweeede Kamer, met de volgende formulieren:
„Aan den Koning!
„De Eerste Kamer der Staten-Generaal betuigt den Koning
„haren dank voor Zijnen ijver in het bevorderen van de be-
„langen van den Staat en verzoekt Hem eerbiedig het gedane
„voorstel in nadere overweging te nemen."
„Aan de Tweede Kamer!
„De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft aan de Tweede
„Kamer kennis, dat zij den Koning eerbiedig heeft verzocht
„het voorstel betrekkelijk....... op den...... aan haar door de
-ocr page 26-
19
GRONDWET.
„Tweede Kamer toegezonden, in nadere overweging te nemen."
115.    Zoolang de Eerste Kamer nog niet heeft beslist, blijft
de Koning bevoegd het door Hem gedaan voorstel weder
in te trekken.
116.    Ue Staten-Generaal hebben het regt voorstellen van
wet aan den Koning te doen.
117.    De voordragt daartoe behoort uitsluitend aan de
Tweede Kamer, die het voorstel overweegt op gelijke wijze
als zulks ten aanzien van \'s Konings voorstellen is bepaald,
en, na aanneming, aan de Eerste Kamer verzendt met het
volgende formulier:
„De Tweede Kamer der Staten-Generaal zendt aan de Eerste
„Kamer het hiernevens gaande voorstel, en is van oordeel, dat
„de Staten-Generaal daarop \'s Konings bewilliging b \'hooren
„te verzoeken."
Zij is bevoegd aan een of\'meer van hare leden de schriftelijke
en mondelinge verdediging van haar voorstel in de Eerste
Kamer op te dragen.
118.    Wanneer de Eerste Kamer, na daarover op de gewone
wijze te hebben beraadslaagd, het voorstel goedkeurt, zendt
zij het aan den Koning met het volgende formulier:
„De Staten-Generaal oordeelende, dat het nevensgaande
„voorstel zou kunnen strekken tot bevordering van de belangen
„van den Staat, verzoeken eerbiedig daarop \'s Konings be-
„ williging."
Voorts geeft zij daarvan kennis aan de Tweede Kamer met
het volgende formulier:
„De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft kennis aan de
„Tweede Kamer, dat zij zich heeft vereenigd met het van haar
„op den...... ontvangen voorstel betrekkelijk......, en daarop na-
„mens de Staten-Generaal \'s Konings bewilliging heeft ver-
„ zocht."
Wanneer de Eerste Kamer het voorstel niet goedkeurt, zoo
geeft zij daarvan kennis aan de Tweede Kamer met het vol-
gende formulier:
„De Eerste Kamer der Staten-Generaal heeft geene genoeg-
„zame reden gevonden om op het hiernevens teruggaande
„voorstel \'s Konings bewilliging te verzoeken."
119.    Andere voordragten, dan voorstellen van wet, kunnen
door elke Kamer afzonderlijk aan den Koning worden gedaan.
120.    De Koning doet de Staten-Generaal zoo spoedig mo-
gelijk kennis dragen, of hij een voorstel van wet, door hen
aangenomen, al dan niet goedkeurt. Die kennisgeving geschiedt
met een der volgende formulieren:
„De Koning bewilligt in het voorstel." of:
„De Koning houdt het voorstel in overweging."
-ocr page 27-
20                                                          GRONDWET.
121.    Alle voorstellen van wet, door de Staten-Generaal
aangenomen en door den Koning goedgekeurd, verkrijgen kracht
van wet en worden door den Koning afgekondigd.
De wetten zijn onschendbaar.
122.    De wetten zijn alleen voor het Rijk verbindende voor
zoover daarin niet is uitgedrukt dat zij voor de koloniën en
bezittingen in andere werelddeelen verbindend zijn.
ZESDE AFDEELING.
Van de beyrootiny.
123.    Door de\' wet worden de begrootingen van alle uitgaven
des Rijks vastgesteld, en de middelen tot dekking aangewezen.
124.   De ontwerpen der algemeene begrootingswetten worden
jaarlijks van wege den Koning aan de Tweede Kamer aange-
boden, dadelijk na het openen der gewone zitting van de
Staten-Generaal, vóór den aanvang van het jaar, waarvoor de
begrootingen moeten dienen.
125.  Geen hoofdstuk der begrooting van uitgaven kan meer
dan die voor één departement van algemeen bestuur behelzen.
leder hoofdstuk wordt in één of meer ontwerpen van wet
vervat.
Door zoodanige wet kan overschrijving worden toegestaan
126.  De verantwoording van de Rijksuitgaven en ontvang-
sten over elk dienstjaar wordt, onder overlegging van de door
de Rekenkamer goedgekeurde rekening, aan de wetgevende
magt gedaan naar de voorschriften van de wet.
VIERDE HOOFDSTUK.
VAN DE PROVINCIALE STATEN EN DE GEMEENTE.
BESTUREN.
EERSTE AFDEELING.
Van de samenstelling der Provinciale Staten.
127.  De leden der Provinciale Staten worden voor zes jaren
regtstreeks gekozen door de mannelijke ingezetenen der pro-
vincie, tevens Nederlanders, die de door de wet te bepalen
kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijken welstand
bezitten en den door die wet te bepalen leeftijd, welke niet
beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt.
Het tweede en derde lid van art. 80 zijn hierbij van toe-
passing.
De helft dier leden treedt om de drie jaren af.
Om lid der Provinciale Staten te kunnen zijn wordt ver-
-ocr page 28-
GRONDWET.                                                  21
eischt, dat men mannelijk Nederlander en ingezeten der pro-
vincie zij, niet bij regterlijke uitspraak do beschikking of het
beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de ver-
kiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van vijf en twintig
jaren vervuld hebbe.
De verkiezing van de leden der Provinciale Staten heeft
plaats op de wijze door de wet te regelen.
128.   Niemand kan te gelijk zijn lid der Eerste Kamer van
de Staten-Generaal en lid der Staten eener provincie, noch
ook lid der Staten van meer dan ééne provincie.
129.  De leden der Staten leggen, bij het aanvaarden hunner
betrekking, den volgenden eed of belofte af:
„Ik zweer (beloof) trouw aan de Grondwet en aan de wetten
.„des Rijks."
„Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!" („Dat beloof ik!")
Zij worden tot dien eed (belofte) toegelaten na alvorens te
hebben afgelegd gelijken eed (verklaring en belofte) van zui-
vering als hierboven in art. 87 voor de leden van de Tweede
Kamer der Staten-Generaal is bepaald.
130.  De Staten vergaderen zoo dikwerf in het jaar als de
wet bepaalt, en bovendien wanneer zij door den Koning bui-
tengewoon worden bijeengeroepen.
De vergaderingen zijn openbaar, met hetzelfde voorbehoud
als ten aanzien van de vergadering der Kamers van de Staten-
Generaal is bepaald in art. 101.
131.   De leden der Staten stemmen zonder last van of rug-
gespraak met hen die benoemen.
132.  Omtrent het beraadslagen en stemmen gelden de regels,
in artt. 105, 106 en 107 ten aanzien van de Kamers der Sta-
ten-Generaal voorgeschreven.
TWEEDE AFDEELING.
Van de magt der Provinciale Staten.
133.  Het gezag en de magt van de Staten worden door
de wet geregeld met inachtneming van de voorschriften in
de volgende artikelen dezer afdeeling vervat.
134.  Aan de Staten wordt de regeling en het bestuur van
de huishouding der provincie overgelaten.
Zij maken de verordeningen die zij voor het provinciaal
belang noodig oordeelen.
Die verordeningen behoeven de goedkeuring de3 Koning8;
deze kan niet worden geweigerd dan bij een met redenen
omkleed besluit, den Raad van State gehoord.
135.  Wanneer de wetten of de algemeene maatregelen van
bestuur het vorderen, vorleonen de Staten hunne medewerking
tot uitvoering daarvan.
-ocr page 29-
22
GRONDWET.
136.   Elk besluit der Staten tot het invoeren, wijzigen of
afschaffen van eene provinciale belasting, behoeft de goedkeu-
ring des Konings.
De wet geeft algemeene regels ten aanzien van de provin-
ciale belastingen.
Deze belastingen mogen den doorvoer, den uitvoer naar en
den invoer uit andere provinciën niet belemmeren.
137.   De begrooting der provinciale inkomsten en uitgaven,
jaarlijks door de Staten op te maken, behoeft de goedkeuring
des Konings.
De wet regelt het vaststellen van de provinciale rekening.
138.   De Staten kunnen de belangen van hunne provinciën
en van hare ingezetenen bij den Koning en bij de Staten-
Generaal voorstaan.
139.  De Staten benoemen uit hun midden een collegie van
Gedeputeerde Staten, waaraan, volgens de regels door de wet
te stellen, de dagelijksche leiding en uitvoering van zaken
worden opgedragen, en zulks hetzij de Staten zijn vergaderd
of niet.
140.  De magt des Konings om de besluiten van Provinciale
Staten of van Gedeputeerde Staten, die met de wet of\' het
algemeen belang strijdig zijn, te schorsen en te vernietigen,
wordt bij de wet geregeld.
141.  De Koning stelt in elke provincie een Commissaris aan
met de uitvoering Zijner bevelen en met het toezigt op de
verrigtingen der Staten belast.
Deze Commissaris is voorzitter van de vergadering der Pro-
vinciale Staten en van die der Gedeputeerde Staten en heeft
in laatstgenoemd collegie stem.
Zijne jaarwedde en de kosten zijner woning worden op de
begrooting der Rijksuitgaven gebragt. De wet beslist of andere
uitgaven van het provinciaal bestuur ten laste van het Rijk
komen.
DERDE AFDEEI.INO.
Van de Gemeentebesturen.
142. De zamenstelling, inrigting en bevoegdheid der gemeente-
besturen worden door de wet geregeld met inachtneming der
voorschriften in de volgende artikelen dezer afdeeling vervat.
143.  Aan het hoofd der gemeente staat een raad, welks
leden regtstreeks voor een bepaald aantal jaren worden
gekozen door de mannelijke ingezetenen der gemeente, tevens
Nederlanders, die de door de wet te bepalen kenteekenen van
geschiktheid en maatschappelijken welstand bezitten en den
-ocr page 30-
23
GRONDWET.
door die wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en
twintig jaren mag zijn, hebben bereikt.
Het tweede en het derde lid van art. 80 zijn hierbij van
toepassing.
Om lid van den raad te kunnen zijn wordt vereischt dat
men mannelijk Nederlander en ingezeten der gemeente zij. niet
bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over
zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid
ontzet zij en den ouderdom van drie en twintig jaren
vervuld hebbe.
De verkiezing van den raad heeft plaats op de wijze door
de wet te regelen.
De voorzitter wordt door den Koning, ook buiten de leden
van den raad benoemd en door hem ontslagen.
144.  Aan den raad wordt de regeling en het bestuur van
de huishouding der gemeente overgelaten. Hij maakt de ver-
ordeningen, die hij in het belang der gemeente noodig oordeelt.
Wanneer de wetten, algemeene maatregelen van bestuur of
provinciale verordeningen het vorderen, verleenen de gemeente-
besturen hunne medewerking tot uitvoering daarvan.
Wanneer de regeling en het bestuur van de huishouding
eener gemeente door den gemeenteraad grovelijk worden ver-
waarloosd, kan eene wet de wijze bepalen, waarop in het
bestuur dier gemeente, met afwijking van de beide eerste
zinsneden van dit artikel, wordt voorzien.
De wet bepaalt, welk gezag het gemeentebestuur vervangt,
wanneer dit in gebreke blijft in de uitvoering der wetten, der
algemeene maatregelen van bestuur of der provinciale veror-
deningen te voorzien.
145.  De magt des Konings om de besluiten van gemeente-
besturen, die met de wet of het algemeen belang strijdig zijn,
te schorsen en te vernietigen wordt bij de wet geregeld.
Die magt is onbeperkt ten aanzien van de plaatselijke ver-
ordeningen en reglementen.
146.  De besluiten der gemeentebesturen, rakende zoodanige
beschikking over gemeente-eigendom en zoodanige andere
burgerlijke regtshandelingen welke de wet aanwijst, alsmede
de begrootingen van inkomsten en uitgaven, worden aan de
goedkeuring der Gedeputeerde Staten onderworpen.
Het opmaken der begrootingen en het vaststellen der reke-
ningen wordt door de wet geregeld.
147.  Het besluit van een gemeentebestuur tot het invoeren,
wijzigen of afschaffen eener plaatselijke belasting, wordt voor-
gedragen aan de Gedeputeerde Staten, die daarvan verslag
doen aan den Koning, zonder wiens goedkeuring daaraan geen
gevolg mag worden gegeven.
-ocr page 31-
24                                                          GRONDWET.
De wet geeft algemeene regels ten aanzien der plaatselijke
belastingen.
Deze belastingen mogen den doorvoer, den uitvoer naar
en den invoer uit andere gemeenten niet belemmeren.
148.   De gemelde besturen kunnen de belangen van hunne
gemeenten en van hare ingezetenen voorstaan bij den Koning,
bij de Staten-Generaal en bij de Staten der provincie waartoe
zij behooren.
VIJFDE HOOFDSTUK.
VAN DE JUSTITIE.
KERSTK AKDKKLING.
Algemeene bepalingen.
149.   Er wordt alom in het Rijk regt gesproken in naam
des Konings.
150.  Het burgerlijk en handelsregt, het burgerlijk en militair
strafregt, de regtspleging en de inrigting der regterlijke magt
worden bij de wet geregeld in algemeene wetboeken, behoudens
de bevoegdheid der wetgevende magt om enkele onderwerpen
in afzonderlijke wetten te regelen.
151.  Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan na
voorafgaande verklaring bij de wet dat het algemeen nut de
onteigening vordert en tegen vooraf genoten of vooraf verze-
kerde schadeloosstelling, een en ander volgens de voorschriften
van eene algemeene wet.
Deze algemeene wet bepaalt ook de gevallen in welke de
voorafgaande verklaring bij de wet niet wordt vereischt.
Het vereischte, dat de verschuldigde schadeloosstelling vooraf
bctnald of verzekerd zij, geldt niet. wanneer oorlog, oorlogs-
gevaar, oproer, brand of watersnood eene onverwijlde inbei,it-
neming vordert.
152.  Waar in het algemeen belang eigendom door het open-
baar gezag moet worden vernietigd of, hetzij voortdurend,
hetzij tijdelijk moet worden onbruikbaar gemaakt, geschiedt
dit tegen schadeloosstelling, tenzij de wet het tegendeel bepaalt
Het gebruik van eigendom tot het voorbereiden en het
stellen van militaire inundatie\'n, wanneer dit wegens oorlog
of oorlogsgevaar wordt gevorderd, wordt bij de wet geregeld.
153.   Alle twistgedingen over eigendom of daaruit voort-
spruitende regten, over schuldvordering en andere burgerlijke
regten behooren bij uitsluiting tot do kennisneming van de
regterlijke magt.
154.   De wet kan de beslissing van twistgedingen, niet be-
-ocr page 32-
25
GRONDWET.
hoorende tot die, vermeld in art. 153, hetzij aan den gewonen
regter, hetzij aan een collegie met administratie o regtspraak
belast, opdragen; zij regelt de wijze van behandeling en de
gevolgen der beslissingen.
155.   De regterlijke magt wordt alleen uitgeoefend door
regters, welke de wet aanwijst.
156.   Niemand kan tegen zijnen wil worden afgetrokken
van den regter, dien de wet hem toekent.
De wet regelt de wijze, waarop geschillen over bevoegdheid,
tussehen de administrative en regterlijke magt ontstaan, wor-
den beslist.
157.   Buiten de gevallen in de wet bepaald, mag niemand
in hechtenis worden genomen, dan op een bevel van den regter,
inhoudende de redenen der gedane aanhouding.
Dit bevel moet bij, of zoo spoedig mogelijk na de aanhouding
beteekend worden aan dengene, tegen wien het is gerigt.
De wet bepaalt den vorm van dit bevel en den tijd binnen
welken alle aangehoudenen moeten worden verhoord.
158.   Het binnentreden in eene woning tegen den wil van
den bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij de wet
bepaald, krachtens eenen bijzonderen of algemeenen last van
eene magt door de wet aangewezen.
De wet regelt de vormen, waaraan de uitoefening van deze
bevoegdheid gebonden is.
159.  Het geheim der aan de post of andere openbare instel*
ling van vervoer toevertrouwde brieven is onschendbaar, behalve
op last des regters, in de gevallen in de wet omschreven.
160.   Op geen misdrijf mag als straf gesteld worden de
algemeene verbeurdverklaring der goederen, den schuldige
toebehoorende.
161.   Alle vonnissen moeten de gronden, waarop zij rusten,
inhouden en in strafzaken de wettelijke voorschriften, waarop
<le veroordeeling rust, aanwijzen.
De uitspraak geschiedt met open deuren.
Behoudens de uitzonderingen door de wet bepaald zijn de
teregtzittingen openbaar.
De regter kan in het belang der openbare orde en zedelijk"
beid van dezen regel afwijken.
TWEEDE AFDEEI.INO.
Van de regterlijke magt.
162.   Er bestaat een opperste geregtshof onder den naam
van Hooge Raad der Nederlanden, waarvan de leden door
den Koning, overeenkomstig het volgende artikel worden
benoemd.
-ocr page 33-
26
GRONDWET.
163.   Van eeno voorgevallen vacature wordt door den Hoo-
gen Raad aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal kennis
gegeven, die ter vervulling daarvan eene voordragt van drie
personen aan den Koning aanbiedt, ten einde daaruit eene
keuze te doen.
De Koning benoemt den president en den vice-president,
uit de leden van den Hoogen Raad.
164.  De leden der Staten-Generaal, de hoofden der ministe-
riële departementen, de gouverneurs-generaal en de hooge
ambtenaren onder anderen naam met gelijke magt bekleed in
de koloniën of bezittingen des Rijks in andere werelddeelen,
de leden van den Raad van State en de Commissarissen des
Konings in de provinciën staan, wegens ambtsmisdrijven in
die betrekkingen gepleegd, ook na hunne aftreding te regt
voor den Hoogen Raad ter vervolging hetzij van \'s Konings
wege, hetzij van wege de Tweede Kamer.
De wet kan bepalen dat nog andere ambtenaren en leden
van hooge collegiën wegens ambtsmisdrijven voor den Hoogen
Raad te regt staan.
165.   De Hooge Raad heeft het toezigt op den geregelden
loop en de afdoening van regtsgedingen, alsmede op het na-
komen der wetten door de leden der regterlijke magt.
Hij kan hunne handelingen, beschikkingen en vonnissen,
wanneer die met de wetten strijdig zijn, vernietigen en buiten
werking stellen volgens de bepaling door de wet daaromtrent
te maken en behoudens de door de wet te stellen uitzonde-
ringen.
De overige bevoegdheden van den Hoogen Raad worden
geregeld bij de wet.
166.   De leden van de regterlijke magt worden door den
Koning aangesteld.
De leden van de regterlijke magt, met regtspraak belast,
en de procureur-generaal bij den Hoogen Raad worden voor
hun leven aangesteld.
Zij kunnen worden afgezet of ontslagen door uitspraak van
den Hoogen Raad in de gevallen bij de wet aangewezen.
Op eigen verzoek kunnen zij door den Koning worden ont-
slagen.
Indien een collegie belast wordt met administrative regt-
spraak in het hoogste ressort voor het Rijk, zijn de eerste,
tweede en vierde zinsnede van dit artikel op de leden daarvan
toepasselijk.
Zij kunnen worden afgezet of ontslagen op de wijze en in
de gevallen, bij de wet aangewezen.
Dit artikel is niet toepasselijk op hen die uitsluitend belast
zijn met regtspraak over personen, behoorende tot de zee- of
-ocr page 34-
27
GRONDWET.
an draagt of tot eenige andere gewapende magt of met de
>eslissing van disciplinaire zaken.
ZESDE HOOFDSTUK.
VAN DE GODSDIENST.
167.   Ieder belijdt zijne godsdienstige meeningen met vol-
ïomen vrijheid, behoudens de bescherming der maatschappij
en harer leden tegen de overtreding der strafwet.
168.  Aan alle kerkgenootschappen in het Rijk wordt gelijke
bescherming verleend.
169.  De belijders der onderscheidene godsdiensten genieten
allen dezelfde burgerlijke en burgerschapsregten, en hebben
gelijke aanspraak op het bekleeden van waardigheden, ambten
en bedieningen.
170.  Alle openbare godsdienstoefening binnen gebouwen en
besloten plaatsen wordt toegelaten, behoudens de noodige
maatregelen ter verzekering der openbare orde en rust.
Onder dezelfde bepaling blijft de openbare godsdienstoefe-
ning buiten de gebouwen en besloten plaatsen geoorloofd,
waar zij thans naar de wetten en reglementen is toegelaten.
171.  De traktementen, pensioenen en andere inkomsten, van
welken aard ook, thans door de onderscheidene godsdienstige
gezindheden of derzelver leeraars genoten wordende, blijven
aan dezelve gezindheden verzekerd.
Aan de leeraars, welke tot nog toe uit \'s Lands kas geen,
of een niet toereikend traktement genieten, kan een trakte-
n.ent toegelegd, of het bestaande vermeerderd worden.
172.  De Koning waakt, dat alle kerkgenootschappen zich
houden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de wetten
van den Staat.
173.  De tusschenkomst der Regering wordt niet vercischt
bij de briefwisseling met de hoofden der onderscheidene kerk-
genootschappen, noch, behoudens verantwoordelijkheid volgens
de wet, bij de afkondiging van kerkelijke voorschriften.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
VAN DE FINANCIËN.
174.  üeene belastingen kunnen ten behoeve van \'s Rijks kas
worden geheven, dan uit krachte van eene wet.
Deze bepaling is ook toepasselijk op heffingen voor het ge-
bruik van Rijks-werken en inrigtingen, voor zooveel de regeling
van die heffingen niet aan den Koning is voorbehouden.
175.  Geene privilegiën kunnen in het stuk van belastingen
worden verleend.
-ocr page 35-
28
GRONDWET.
176.   De verbindtenissen van den Staat jegens zjjne schuld-
eischers worden gewaarborgd. De schuld wordt jaarlijks in
overweging genomen ter bevordering der belangen van de
schuldeischers van den Staat.
177.  Het gewigt, de gehalte en de waarde der muntspeciën
worden door de wet geregeld.
178.  Het toezigt en de zorg over de zaken van de Munt en
de beslissing der geschillen over het allooi, essai en wat dies
meer zij, worden door de wet geregeld.
179.  Er is eene Algenieene Rekenkamer, welker zamenstel-
ling en taak door de wet worden geregeld.
Bij het openvallen eener plaats in deze Kamer zendt de
Tweede Kamer der Staten-Generaal eene voordragt van drie
personen aan den Koning, die daaruit benoemt.
De leden der Rekenkamer worden voor hun leven aangesteld.
Het 3dc en 4de lid van art. 166 is op hen van toepassing.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
VAN DE DEFENSIE.
180.  Alle Nederlanders daartoe in staat, zijn verpligt mede
te werken tot handhaving der onafhankelijkheid van het Rijk
en tot verdediging van zijn grondgebied.
Ook aan ingezetenen die geen Nederlanders zijn, kan die
pligt worden opgelegd.
181.  Tot bescherming der belangen van den Staat is er eene
zee- en eene landmagt, bestaande uit vrijwillig dienenden en
uit dienstpiigtigen.
De wet regelt de verpligte krijgsdienst. Zij regelt ook de
verpligtingen die aan hen, die niet tot de zee- of landmagt,
behooren, ten aanzien van \'s Lands verdediging opgelegd kun-
nen worden.
182.  Vreemde troepen worden niet dan krachtens eene wet
in dienst genomen.
183.  De dienstpiigtigen ter zee zijn bestemd om te dienen
in en buiten Europa. Aan de dienst, door her. in do koloniën
en bezittingen in andere werelddeelen te vervullen, worden
<loor de wet voordeelen verbonden.
184.  De dienstpiigtigen te land mogen niet dan met hunne
toestemming naar de koloniën en bezittingen van het Rijk in
andere werelddeelen wyorden gezonden.
185.  Wanneer in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere
buitengewone omstandigheden de dienstpiigtigen die niet in
werkelijke dienst zijn, door den Koning geheel of ten doele
buitengewoon onder de wapenen worden geroepen, wordt on-
verwijld een voorstel van wet aan de Staten-Generaal gedaan,
-ocr page 36-
29
GRONDWET.
3m het onder Je wapenen blijven der dienstpligtigen zooveel
noodig te bepalen.
186.  Al de kosten voor de legers van het Rijk worden uit
\'s Rijks kas voldaan.
De inkwartieringen en het onderhoud van het krijgsvolk,
de transporten en leverantiën van welken aard ook voor de
legers of verdedigingswerken van het Kijk gevorderd, kunnen
niet dan volgens algemeene regels bij de wet te stellen en
tegen schadeloosstelling ten laste van een of meer inwoners
of gemeenten worden gebragt.
De uitzonderingen op die algemeene regels voor het geval
van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandig-
heden worden bij de wet vastgesteld.
Of er oorlogsgevaar, in den zin waarin dat woord in \'s Lands
wetten voorkomt, aanwezig is, beslist de Koning.
187.  Ter handhaving van de uit-of inwendige veiligheid kan
door of van wege den Koning elk gedeelte van het grondgebied
des Rijks in staat van oorlog of in staat van beleg verklaard
worden. De wet bepaalt de wijze waarop en de gevallen waarin
zulks geschieden kan en regelt de gevolgen.
Bij die regeling kan worden bepaald, dat de grondwette-
lijke bevoegdheden van het burgerlijk gezag ten opzigte van
de openbare orde en de politie geheel of ten deel e op het
militair gezag overgaan; en dat de burgerlijke overheden aan
de militaire ondergeschikt worden.
Daarbij kan wijders afgeweken worden van de avtt. 7, 9,
158 en 159 der Grondwet.
Voor het geval van oorlog kan ook van art. 156, 1ste lid,
worden afgeweken.
NEGENDE HOOFDSTUK.
VAN DEN WATERSTAAT.
188.  De wet geeft regels omtrent het waterstaatsbestuur,
het oppertoezigt en toezigt daaronder begrepen, met inacht-
neming der voorschriften in de volgende artikelen van dit
hoofdstuk vervat.
189.  De Koning heeft het oppertoezigt over alles wat den
waterstaat betreft, londer onderscheid of de kosten daarvan
worden betaald uit \'s Rijks kas of op eene andere wijze
gevonden.
190.  De Staten der provinciën hebben het toezigt op alle
waterstaatswerken, waterschappen, veenschappen en veenpol-
ders. Nogtans kan de wet het toezigt over bepaalde werken
aan anderen opdragen.
De Staten zijn bevoegd, met goedkeuring des Konings, in
-ocr page 37-
80
GRONDWET.
de bestaande inrigtingen en reglementen der waterschappen,
veensehappen en veenpolders veranderingen te maken, water-
8chappen, veensehappen en veenpolders op te heften, nieuwe
0]> te rigten en nieuwe i-eglenienten voor zoodanige instel-
lingen vast te stellen. Tot verandering van de inrigtingen of
reglementen kunnen de besturen van die instellingen voor-
stellen aan de Staten dier provincie doen.
191.   De besturen van waterschappen, veensehappen en veen-
polders kunnen volgens regels, door de wet te stellen, in het
huishoudelijk belang van die instellingen verordeningen
maken.
TIENDE HOOFDSTUK.
VAN HET ONDERWIJS EN HET ARMBESTUUR.
192.   Het openbaar onderwijs is een voorwerp van de aan-
houdende zorg der Regeering.
De inrigting van het openbaar onderwijs wordt, met eer-
biediging van ieders godsdienstige begrippon, door do wet
geregeld.
Er wordt overal in het Rijk van overheidswege voldoend
openbaar lager onderwijs gegeven.
Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezigt der
overheid, en bovendien, voor zoover het middelbaar en lager
onderwijs betreft, behoudens het onderzoek naar de bekwaam-
heid en zedelijkheid des onderwijzers; het een en ander door
de wet te regelen.
De Koning doet van den staat der hooge-, middelbare- en
lagere scholen jaarlijks een uitvoerig verslag aan de Staten-
Generaal geven.
193.   Het armbestuur is een onderwerp van aanhoudende
zorg der Regeering, en wordt door de wet geregeld. De
Koning doet van de v"errigtingen dienaangaande jaarlijks een
uitvoerig verslag aan de Staten-Generaal geven.
• ELFDE HOOFDSTUK.
VAN VERANDERINGEN.
194.  Elk voorstel tot verandering in de Grondwet wijst de
voorgestelde verandering uitdrukkelijk aan. De wet verklaart
dat er grond bestaat om het voorstel, zoo als zij het vaststelt,
in overweging te nemen.
195.   Na de afkondiging dezer wet worden de Kamers ont-
bonden. De nieuwe Kamers overwegen dat voorstel en kunnen
niet dan met twee derden der uitgebragte stemmen de aan
haar overeenkomstig voornoemde wet voorgestelde verandering
aannemen.
-ocr page 38-
GRONDWKT.                                                 31
196.  Gedurende een regentschap kan in de troonopvolging
geene verandering worden gebragt.
197.  De veranderingen in de Grondwet, door den Koning
en de Staten-Generaal vastgesteld, worden plegtig afgekondigd
en bij de Grondwet gevoegd.
ADDITIONELE ARTIKELEN.
Artikel I. Alle bestaande autoriteiten blijven voortduren,
tot dat zij door andere, volgens deze Grondwet, zijn vervangen.
II.  Alle op het oogenblik der afkondiging van de verande-
ringen in de Grondwet verbindende wetten, reglementen en
besluiten worden gehandhaafd, tot dat zij achtereenvolgens
door andere worden vervangen.
III.  De heerlijke regten betreffende voordragt of aanstelling
van personen tot openbare betrekkingen zijn afgeschaft.
De opheffing der overige heerlijke regten en de schadeloos-
stelling der eigenaren kunnen door de wet worden vastgesteld
en geregeld.
IV.  Art. 151 der Grondwet is niet toepasselijk ten aanzien
van aardhaling, ingeval de specie wordt genomen van gronden,
waarop de verpligting tot levering tegen of zonder vergoeding,
krachtens gewoonte of verordening, zoowel als uit anderen
hoofde, in 1886 rustte.
V.  Het eerste lid van art. 152 der Grondwet blijft buiten
toepassing, tot dat de \'wettelijke regeling omtrent de gevallen
waarin geene schadeloosstelling in geval van vernietiging of
voortdurende of tijdelijke onbruikbaarmaking van eigendom
verleend wordt, zal zijn in werking getreden.
i) De artt. VI, VII, VIII, IX, XI en XII bevatten voorschriften, die niet
meer wolden nageleefd. De vermelding is dus hier overbodig.
-ocr page 39-
BURGERLIJK WETBOEK.
INHOUD.
EERSTE BOEK. van personen.                                                  Blz.
I8 Titel. Van het genot en het verlies der burgerlijke
regten....................     35
2* „        (Vervallen).
3« „ Van de akten van den burgerlijken stand ....     36
4» .. Van woonplaats of domicilie..........     46
5e .. Van het huwelijk...............     47
6e .. Van de regten en verpligtingen der eehtgenooten     61
7e „ Van de wettelijke gemeenschap van goederen en
derzelver beheer...............     63
8° _ Van huwelijksche voorwaarden.........     66
9e „         Van gemeenschap of huwelijksche voorwaarden,
bij tweede of verder huwelijk........     72
10e B Van de scheiding van goederen.........     73
11" „ Van de ontbinding des huwelijks........     75
12* „ Van de scheiding van tafel en bed.......     80
18« „ Van het vaderschap en de afstamming der kin-
• deren....................     82
14e ., Van bloedverwantschap en zwagerschap.....     88
15e „ Van de vaderlijke magt.............     89
168 „ Van minderjarigheid en voogdij.........     93
17» „ Van haudligting................   110
18" „ Van curatele ..................   113
19» „ Van afwezigheid................    118
-ocr page 40-
INHOUD.                                                     33
TWEEDE BOEK. van zaken.                                                      Blz.
1\' Titel. Van de zaken en derzelver onderscheiding. . .   127
2" „ Van bezit en de regten die daaruit voartvloeijen   132
3" „ Van eigendom.................   137
4e , Van de regten en verpligtingen tusscheu eigenaars
van naburige erven.............   143
5e „ Van erfdieustbaarheden............   150
6" „ Van het regt Tan opstal .... .......   154
7e „ Van het erfpachtsregt.............   155
8\' „ Van grondrenten en tienden...........   157
9\' „ Van het vruchtgebruik.............   161
10\' „ Van het gebruik en de bewoning........    170
11* , Van erfopvolging bij versterf..........    171
12\' „ Van uiterste willen...............   178
13" „         Van uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen
en vau bewindvoerders...........    199
141" „         Vau het regt van beraad en het voorregt van
boedelbeschrijving..............   201
15" „ Van het aanvaarden en verwerpen van erfenissen   204
16* „ Van boedelscheiding..............   207
17* „ Van onbeheerde nalatenschappen........   218
18» „ Van bevoorregte schulden............   219
19" „ Van pand.............•.....   223
20« ., Van onderzetting of hypotheek.........   225
DERDE BOEK. van verbindtenissen.
1\' Titel. Van verbindtenissen in het algemeen......   237
2« ,         Van verbindtenissen die uit contract of overeen*
komst geboren worden............   249
3\' „ Van verbindtenissen die uit kracht der wet geboren
worden...................   253
4" „ Vau het te niet gaan der verbindtenissen ....   257
5" „ Vau koop en verkoop.............   271
6\' „ Van ruiling..................   281
7e , Van huur en verhuur.............   282
8« „ Van het regt van beklemming.........   292
9" „ Van maatschap of vennootschap.........   292
10" „ Van zedelijke ligchamen............   298
11* „ Van schenkingen................   300
12" „ Van bewaargeving...............   304
8
-ocr page 41-
34                                                      INHOUD.
Hlz.
18" Titel.   Van bruiklecning............\\ . .   310
14° „         Van verbruikleening..............   312
15\' „         Van gevestigde of altijddurende renten.....   314
16\' „         Van kans-overeenkomsten............   315
17\'\' „        Van lastgeving.................   317
18" „         Van borgtogt.................   321
19* „        Van dading..................   325
VIERDE BOEK. van BEWIJS en verjaring.
1" Titel.    Van bewijs in liet algemeen..........   329
2" „         Van schriftelijk bewijs.............   329
3" „        Van bewijs door getuigen............   333
4\'\' „        Van vermoedens................   330
6° ,         Van bekentenis................   337
6e „        Van den geregtelijken eed...........   337
7e „        Van verjaring.................   340
-ocr page 42-
B U R G E R L IJ K WETBOEK.
EERSTE BOEK.
VAN PERSONEN.
EERSTE TITEL.
VAN HET GENOT EN UET VERLIES DER BURGERLIJKE REGTEN.
Artikel 1.
Het genot der burgerlijke regten is onafhankelijk van de
staatkundige regten, welke alleen overeenkomstig de Grondwet
worden verkregen.
2.  Allen die zich op het grondgebied van den staat bevinden
zijn vrij, en bevoegd tot het genot der burgerlijke regten.
Slavernij en alle andere persoonlijke dienstbaarheden, van
welken aard of onder welke benaming ook bekend, worden
in het rijk niet geduld.
3.   Het kind, van hetwelk eene vrouw zwanger is, wordt
als reeds geboren aangemerkt, zoo dikwijls deszelfs belang
zulks vordert.
Dood ter wereld komende, wordt het geacht nooit to hebben
bestaan.
4.   Geenerlei straf heeft den burgerlijken dood of het ver-
lies van alle de burgerlijke rechten ten gevolge.
TWEEDE TITEL.
Vervallen door de Wet op het Nederlanderschap en het
ingezetenschap van 12 December 1892 (Stbl. N°. 268).
-ocr page 43-
36                                             I BOEK. VAN PERSONEN.
DERDE TITEL.
VAN DE AKTEN VAN DEN IlL\'llGEKI.UKEN STAND.
EEltSTE AFDEELINO.
Van de registers van den burgerlijken stand in het algemeen.
13.    Er bestaan in iedere gemeente registers van geboorten,
van huwelijksaangiften, van huwelijksafkondigingen, van huwe-
lijken en echtscheidingen, en van overlijden.
.Deze registers worden afzonderlijk gehouden door een of
meer ambtenaren van den burgerlijken stand, die daartoe door
de gemeentebesturen worden benoemd.
Met \'s Konings vergunning kunnen twee of meer registers
van elke soort worden gehouden in gemeenten, waarin daaraan
behoefte blijkt te bestaan.
14.   Van alle registers van den burgerlijken stand, die der
huwelijksaangiften en der huwelijksafkondigingen alleen uit-
gezonderd, zal een dubbel worden gehouden.
15.   De eerste en laatste bladzijde van de registers van den
burgerlijken stand moeten door den voorzitter van de arron-
dissenientsregtbank, of door een\' regter, welke denzelven zal
vervangen, gekantteekend, en voorts alle de bladen door den-
zelven gewaarmerkt zijn.
16.  De akten zullen achter elkander in de registers worden
ingeschreven, zonder dat eenig wit vak tusschen beide zal
mogen worden open gelaten. Al hetgeen mogt worden door-
gehaald, tusschen beide of op den kant geschreven, zal moeten
worden goedgekeurd, en, even als de akte zelve, geteekend
worden; zullende niets bij verkorting of met cijfers mogen
worden uitgedrukt.
17.  De ambtenaren van den burgerlijken stand zullen in de
door hen op te maken akten niets mogen invoegen, het zij
bij aanteekening, het zij door eenige inlasschingen hoe ook
genaamd, buiten hetgeen door de verschijnende partijen, over-
eenkomstig de wet, moet worden verklaard.
18.   Bij de akten van den burgerlijken staud zullen worden
; a. uitgedrukt het jpar en de dag harer inschrijving, mitsgaders
de voornamen, namen, de ouderdom, het beroep en de woon-
plaats, zoowel der verschijnende partijen, als der getuigen.
19.  In alle de gevallen, waarin de belanghebbende partijen
niet verpligt zijn in persoon te verschijnen, zullen zjj zich
-ocr page 44-
III TITEL. VAN DE AKTEN VAN DEN BURGERL. STAND.             37
door eenen gemagtigde, daartoe bij authentieke akte aange-
steld, mogen laten vertegenwoordigen.
20.   De getuigen, van welke men bij de akten van den
burgerlijken stand gebruik maakt, zullen daartoe door de
belanghebbende personen worden gekozen, en moeten zijn
manspersonen, meerderjarig en binnen het Koningrijk hunne
woonplaats hebbende.
Ook nabestaanden zullen als getuigen worden toegelaten.
21.   De ambtenaren van den burgerlijken stand zullen aan
de verschijnende partijen, mitsgaders aan de getuigen, de
akten voorlezen, en daarin vermelden, dat aan die formaliteit
is voldaan.
ledere akte moet door den ambtenaar van den burgerlijken
stand, de verschijnende partijen en de getuigen worden getee-
kend ; wanneer de eene of andere der partijen of der getuigen
niet mogt kunnen teekenen, moet van de oorzaak des belet
sels in de akte melding worden gemaakt.
22.    De registers zullen door den ambtenaar van den bur-
gerlijken stand op het einde van ieder jaar worden afgesloten ;
en zal, in de maand Januarij daaraanvolgende, één der dub-
bele worden overgebragt in de archieven der gemeente, en
het andere dubbel, mitsgaders de registers der huwelijksaan-
giften en der huwelijksafkondigingen, ter griffie van de
arrondissements- regtbank.
23.  De volmagten en andere stukken, welke bij de akten
van den burgerlijken stand worden gevorderd, zuilen aangc-
hecht blijven aan de registers, welke ter griffie van de arron-
dissements-regtbank moeten worden overgebragt.
24.   Een ieder is bevoegd om zich, door de bewaarders der
registers van den burgerlijken stand, uittreksels uit die regis-
ters te doen afgeven. Die uittreksels, wanneer zij met de
registers overeenstemmen, en door den voorzitter der arron-
dissements regtbank, of door den regter die dezen vervangt,
zijn gelegaliseerd, zullen geloof verdienen, tot op het oogen-
blik dat de valschheid daarvan, met inachtneming der regelen,
bij het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering voorgeschre-
ven, zal zijn beweerd.
25.  Wanneer op den kant van eene reeds ingeschrevene
akte moet worden melding gemaakt van eene andere akte,
tot den burgerlijken stand betrekkelijk, wordt zulks gedaan
door den ambtenaar van den burgerlijken stand in de loopende
onder hem berustende registers, of in die welke in de archie-
ven der gemeente zijn overgebragt; en door den griffier der
arrondisseinents-regtbank, in die welke ter griffie berusten.
De zorg voor de eenvormige inschrijving is aan het open-
baar ministerie opgedragen, aan hetwelk de ambtenaar van
-ocr page 45-
38
I HOEK. VAX PERSONEN.
den burgerlijken stand, binnen tien dagen na de aanteekening
daarvan kennis geeft.
(ieene uittreksels uit registers van den burgerlijken stand
zullen mogen worden afgegeven, tenzij daarbij worden gevoegd
de aanteekeningen, welke zich op den kant van de akte mo-
gen bevinden.
26.    Men kan, zoowel door getuigen als door bescheiden,
bewijzen dat registers van den burgerlijken stand nooit heb-
ben bestaan, of verloren zijn geraakt, of wel. dat eene inge-
schrevene akte daaraan ontbreekt.
In geval van vervalsching, verandering, verscheuring, ver-
nietiging of verdonkering eener akte van den burgerlijken
stand, zal het vonnis, waardoor van het misdrijf blijkt, de
kracht hebben welke aan gewijsden in strafzaken ten aanzien
van burgerlijke regtsgedingen bij dit Wetboek is toegekend.
27.    De ambtenaren van den burgerlijken stand, of andere
bewaarders, zijn, ieder voor zoo veel hem aangaat, aansprake-
lijk voor het rigtig houden en bewaren der registers.
Elke verandering, elke vervalsching in de akten, elke in-
schrijving op een los blad, mitsgaders alle overtreding, tegen
de voorschriften van dezen titel begaan, kunnen aan de par-
tijen grond opleveren om tegen die ambtenaren of bewaar-
ders, schadevergoeding te eischen.
In geval van overtreding, tegen de voorschriften van dezen
titel begaan, kunnen die ambtenaren en bewaarders, voor
zoo verre daartegen niet bij het Wetboek van Strafregt is
voorzien, door de arrondissements-regtbank worden verwezen
in eene geldboete, niet te bovengaande de som van honderd
gulden.
Mij het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering wordt de
proces-orde op dat stuk voorgeschreven.
28.    Het openbaar ministerie is verpligt de ter griffie van
de arrondissements-regtbank overgebragte registers en de
daaraan gehechte stukken te onderzoeken, en van deszelfs
bevinding proces-verbaal op te maken. Het is bevoegd om
inzage te nemen van het dubbel der registers hetwelk bij de
gemeentebesturen berust.
TWEEDE AVnEEMNCl.
Van de akten van geboorten.
29. De aangiften van geboorten zullen binnen drie dagen
na de bevalling moeten worden gedaan aan den plaatselijken
-ocr page 46-
III TITEL. VAN DE AKTEX VAX DEX BUBOEBL. STAXD.             39
ambtenaar van den burgerlijken stand, en in tegenwoordig"
heid van twee getuigen.
Die ambtenaar zal daarvan dadelijk eene akte opmaken.
Hij is bevoegd om te vorderen dat het kind aan hem worde
vertoond.
30.   De aangifte der geboorte van een kind zal door den
vader moeten worden gedaan, of, bij gebreke van dien, door
de geneesheeren, heelmeesters, vroedmeesters, vroedvrouwen
of andere personen, welke bij de bevalling zijn tegenwoordig
geweest, en wanneer de moeder buiten hare woning bevallen
is, zal de aangifte moeten geschieden door den persoon ten
wiens huize zij bevallen is.
31.  De akte van geboorte zal vermelden :
1°. Het jaar, den dag, het uur en de plaats der geboorte;
2°. De kunne van het kind en de voornamen welke aan het-
zelve zullen worden gegeven ;
3°. De voornamen, namen, het beroep en de woonplaats der
ouders ;
4°. De voornamen en namen, den ouderdom, het beroep en
de woonplaats der aangevers en der getuigen.
32.  Wanneer het kind buiten echt geboren is, mag de naam
des vaders niet bij de akte worden vermeld, ten ware deze
het kind, het zij in persoon, het zij door eenen gematigde,
bijzonderlijk daartoe bij authentieke akte aangesteld, erkenne.
33.   Die een pas geboren kind gevonden heeft, is gehouden
daarvan aangifte te doen aan den ambtenaar van den burger-
lijken stand der plaats, alwaar hetzelve is ontdekt; mitsgaders
de kleederen en andere goederen aan te duiden en te ver-
toonen, welke nevens het kind mogten zijn gevonden, en ein-
delijk op te geven alle de omstandigheden opzigtelijk den tijd
wanneer, en de plaats waar het kind ontdekt is.
Het daarvan op te maken proces-verbaal moet daarenboven
vermelden den vermoedelijken ouderdom des kinds, zijne kunne,
de bijzondere kenteekenen welke hetzelve mogt nebben, de
namen welke men aan hetzelve zal geven, mitsgaders het ge-
sticht waarin, of den persoon bij wien hetzelve is verbleven
Dit proces-verbaal moet in de registers van geboorten worden
ingeschreven.
34.   Wanneer het kind dadelijk in een gesticht is opgeno-
men, zal de in het bovenstaande artikel vermelde verklaring
moeten worden gedaan door het hoofd of een der bedienden
van dat gesticht.
35.    Wanneer een kind gedurende eene zeereis geboren
wordt, moet de akte van geboorte binnen vier en twintig uren
door den scheepskapitein of gezagvoerder op het dagregister
van het schip worden ingeschreven, in tegenwoordigheid van
-ocr page 47-
40
I BOEK. VAN PERSONEN.
ilcn vader, wanneer deze aan boord is, en van twee getuigen
zich op het schip bevindende.
36.   In de eerste haven, welke het schip zal aandoen, wan-
neer die binnen het koningrijk gelegen is, zal de scheepska-
pitein of gezagvoerder verpligt zijn aan het departement voor
de marine een uittreksel uit het dagregister van het schip,
bevattende de aanteekening van de geboorte van het kind, op
te zenden.
Wanneer het vaartuig is ingeloopen, het zij in eene der
over/.eesche bezittingen van den staat, het zij in eene vreemde
haven, zal het hierboven vermelde uittreksel worden toege-
zondon, in het eerste geval, aan het hoofd der Nederlandsche
regeering in die bezitting, en, in het laatste geval, aan den
Nederlandschen consul, in die haven of in de naastgelegene
plaats gevestigd; en zijn deze verpligt dat uittreksel in hunne
archieven te bewaren, en een door hen gelegaliseerd afschrift
aan het departement voor de marine te doen toekomen. Dien
onverminderd blijft de scheepskapitein of gezagvoerder gehou-
den, bij de terugkomst van het vaartuig binnen het koningrijk,
te handelen zoo als bij het eerste lid van dit artikel is bepaald.
37.  Het hoofd van het departement voor de marine zal dat
uittreksel, door hem gelegaliseerd, opzenden aan den ambtenaar
van den burgerlijken stand der woonplaats van den vader des
kinds, of van de moeder, indien de vader onbekend is.
De ambtenaar van den burgerlijken stand is verpligt het-
zelve uittreksel dadelijk in de registers in te schrijven, en
daaraan vast te hechten.
38.  De akte van erkenning van een kind, door den ambte-
naar van den burgerlijken stand opgemaakt, moet, volgens
hare dagteekening, in de registers worden ingeschreven, en
van die erkenning moet worden melding gemaakt op den kant
van de akte van geboorte, zoo die aanwezig is.
Indien de erkenning van het kind bij eene andere authen-
tieke akte is gedaan, kan ieder belanghebbende vorderen dat
daarvan worde melding gemaakt op den kant der akte van
geboorte.
In geen geval, kan het verzuim der aanteekening van eene
erkenning op den kant der geboorte-akte aan het erkende
kind worden tegengeworpen, ten einde zijnen verkregen staat
te betwisten.
DEI1DE AEDEKMNG.
Van de hmve1ijks-aangiften en afkondigingen.
39.   De ambtenaren van den burgerlijken stand zullen in
het daartoe bestemde register de huwelijks-aangiften inschrjj-
ven, welke overeenkomstig artikel 105 en 106 gedaan worden.
-ocr page 48-
111 TITEL. VAN DE AKTEN VAN DEN BURGERL. STAND.            41
40.   Die aangifte zal vermelden de voornamen, namen, den
ouderdom, het beroep en de woonplaats der aanstaande echt-
genooten, mitsgaders hun voornemen om met elkander in den
echt te treden,
Wanneer die aangifte in geschrifte is gedaan, zal de amb-
tenaar van den burgerlijken stand dezelve overschrijven, alleen
op het register teekenen, en het stuk daaraan vasthechten.
41.  Wanneer aan den ambtenaar van den burgerlijken stand
niet blijkt dat voor de aangevende personen eenig wettig be-
letsel bestaat om met elkander in den echt te treden, zal hij
dadelijk de afkondigingen doen, welke bij art. 107, 108 en 109
vernield zijn.
42.   De akten, waaruit zal moeten blijken dat de afkondi-
gingen hebben plaats gehad, zullen in het register, volgens
de orde harer dagteekening, ingeschreven en door den amb-
tenaar van den burgerlijken stand onderteekend worden.
43.   Van de akten van stuiting des huwelijks, welke aan
den ambtenaar van den burgerlijken stand betoekend zijn, zal
op den kant der akte van afkondiging eene aanteekening
worden gesteld. Hetzelfde zal plaats hebben ten opzigte van
vonnissen of akten, waarbij de stuiting wordt opgeheven.
VIERDE AFDEEL1NG.
Van de akten van huwelijk en van eclitscheiiing.
44.   Nadat bij den ambtenaar van den burgerlijken stand
zal zijn afgelegd de verklaring der partijen, waarvan bij artikel
135 gesproken wordt, zal hij in naam der wet verklaren dat
dezelve door den echt aan elkander verbonden zijn, en daarvan
dadelijk in het daartoe bestemde register eene akte opmaken.
45.  De huwelijksakte zal vermelden:
1°. De voornamen, namen, den ouderdom, de geboorteplaats,
het beroep en de woonplaats dor echtgenooten, en, wan-
neer zij te voren gehuwd waren, de voornamen en namen
van de vroegere echtgenooten;
2°. Hunnen staat van meerderjarigheid of minderjarigheid;
\'•i°. Do voornamen, namen, het beroep en de woonplaats
hunner ouders;
4°. De toestemming van de ouders, grootouders of voogden,
of wel het verlof van den regter, in de gevallen waarin
hetzelve gevorderd wordt;
5°. De tusschenspraak van den regter, zoo die heeft plaats
gehad;
6°. De gedane huwelijks-afkondigingen, ter plaatse alwaar
die vereischt worden, en, in geval van stuiting, de op-
heffing daarvan;
-ocr page 49-
42                                            I BOEK. VAX PEBSONEN.
7°. De verklaring der partijen om elkander tot echtgenooten
te nemen, en de uitspraak van hunne echtvereeniging
door den openbaren ambtenaar;
8°. De voornamen, namen, den ouderdom, het beroep en de
woonplaats der getuigen, mitsgaders de graden van
bloedverwantschap ot\' aanhuwelijking, welke tusschen hen
en de partijen mogten bestaan;
9°. De erkenning van natuurlijke kinderen, zoo die plaats
heeft,
46.  Wanneer een huwelijk bij gevolmagtigde, of wel in een
bijzonder huis, voltrokken wordt, zal van die omstandigheid
uitdrukkelijke melding in de akte worden gemaakt,
47.   De overschrijving van de akten van huwelijk, in een
vreemd land aangegaan, zal in de loopende registers van de
woonplaats der echtgenooten geschieden,
48.   De akte van inschrijving coner echtscheiding aal be-
vatteu:
1°. De voornamen, namen, het beroep en de woonplaats der
gescheiden echtgenooten;
2". De vermelding van het vonnis waarbij de echtscheiding
is uitgesproken, van hetwelk een afschrift aan het register
zal blijven gehecht;
3°. De vermelding van het getuigschrift van den griffier,
strekkende tot bewijs dat tegen het vonnis door geen
wettig middel kan worden opgekomen.
Die akte zal, volgens hare dagteekening, in de hüwe-
lijks-registers worden ingeschreven, en zal daarenboven
de partij, die de echtscheiding heeft verkregen, verpligt
zijn te zorgen, en de andere bevoegd zijn te vorderen,
dat daarvan aanteekening worde gedaan op den kant
der huwelijks-akte.
49.   Wanneer het bewezen is dat de registers zijn verloren
geraakt, zal de inschrijving eener echtscheiding, zoo wel door
bescheiden als door getuigen, kunnen worden bewezen.
VIJFDE AKDEF.LIXG.
Van de akten ran overlijden.
50.  De akten van overlijden zullen worden opgemaakt door
den ambtenaar van den burgerlijken stand der plaats, alwaar
de persoon overleden is, en op de verklaring van twee ge-
tuigen.
Wanneer het blijkt dat de overledene elders zijne woon-
plaats heeft gehad, zal de ambtenaar van den burgerlijken
stand een uittreksel van de akte van overlijden doen toekomen
-ocr page 50-
III TITEL. VAN DE AKTEN VAN DEX ItUBGERL. STAND.            43
aan dien van de laatstbekende woonplaats van den overledene,
ten einde insgelijks in de registers aldaar te worden inge-
schreven.
51.  Zij zullen bevatten:
1°. De voornamen, den naam, den ouderdom, het beroepen
de woonplaats van den overledene, mitsgaders den dag
en het uur des overlijdens;
2°. De voornamen en den naam van den anderen echtge-
noot, indien de overledene getrouwd of wel weduwenaar
of weduwe was;
3°. De voornamen, den naam, den ouderdom, het beroep en
de woonplaats der aangevers, en, wanneer zij bloedvor»
wanten zijn, den graad van bloedverwantschap;
De akten van overlijden zullen daarenboven bevatten,
voor zoo verre men zulks kan te weten komen, de voor-
namen, namen, het beroep en de woonplaats der ouders
van den overledene, mitsgaders deszelfs geboorteplaats.
52.  De ambtenaar van den burgerlijken stand zal geene akte
van overlijden van een pas geboren kind mogen opmaken, dan
voor zoo verre aan hem zal zijn gebleken, dat de geboorte van
het kind in het daartoe bestemde register is ingeschreven.
Bij ontstentenis van dien, zal die ambtenaar niet vermogen
uit te drukken dat het kind overleden is, maar alleen, dat
hetzelve als levenloos is aangegeven. Hij kan, in zoodanig
geval, bij twijfeling omtrent de deugdelijkheid der aangifte,
vorderen dat het kind aan hem worde vertoond.
Hij zal daarenboven de verklaring der getuigen ontvangen,
opzigtelijk de voornamen, namen, het beroep en de woonplaats
van de ouders van het kind, met aanduiding van het jaar en
de maand waarin, en den dag en het uur waarop het kind is
ter wereld gebragt.
Die akte zal, overeenkomstig hare dagteekening, in de sterf-
registers worden ingeschreven, zonder dat daardoor eenigcr-
raate zal zijn beslist of het kind levend, dan wel dood is ter
wereld gekomen.
53.  (Dit artikel is vervallen bij art. 50 der Uegrafeniswet
van 10 April lcS69, (Stbl. No. 65).)
54.   Wanneer een sterfgeval heeft plaats gehad in burgerlijke
of militaire gasthuizen, in gevangenhuizen of andere openbare
gestichten, zullen de hoofden, gezagvoerders, bestuurders, ei-
piers of opzigters van die gestichten, verpligt zijn daarvan
binnen vier en twintig uren aangifte te doen aan den ambte-
naar van den burgerlijken stand, welke, na zich van het over-
lijden te hebben verzekerd, eene akte, overeenkomstig het be-
paalde bij artikel 51, zal opmaken.
Er zullen bovendien in die gestichten bijzondere registers
-ocr page 51-
44
I BOEK. VAN PERSONEN.
worden gehouden, waarin van het overlijden en de daartoe
betrekkelijke omstandigheden zal worden melding gemaakt.
55.  (Dit artikel is vervallen bij artikel 50 der Begrafeniswet.)
56.  Ue ambtenaar, welke het verbaal van schouwing zal
hebben opgemaakt, is verpligt aan dien van den burgerlijken
stand dadelijk opgave te doen van al hetgeen vereischt zal
worden om de akte van overlijden op te maken.
De ambtenaar van den burgerlijken stand zal een afschrift
van de akte van overlijden doen toekomen aan dien der be-
kende woonplaats van den overledene, ten einde door dezen
in de registers te worden ingeschreven.
57.  De griffiers der criminele hoven en regtbanken zijn ver-
pligt, binnen vier en twintig uren, na het ten uitvoer leggen
van doodvonnissen, aan den ambtenaar van den burgerlijken
stand van de plaats, alwaar het vonnis is ten uilvoer gelegd,
te doen toekomen afschrift van het bij die gelegenheid opge-
maakte procesverbaal.
Zij zullen aan den voet van dat proces-verbaal alle aandui-
dingen opgeven, welke vereischt worden om de akten van
overlijden, overeenkomstig art. 51, te kunnen opmaken.
58.  De ambtenaar van den burgerlijken stand, ter plaatse
alwaar de veroordeelde is ter dood gebragt, zal afschrift van
de akte van overlijden doen toekomen aan dien van de laatst*
bekende woonplaats van den veroordeelde, ten einde door dien
ambtenaar insgelijks in de registers te worden ingeschreven.
59.   In geval van eenen geweldigen dood, van het ter dood
brengen van eenen veroordeelde, of van het overlijden in ge-
vangenhuizen, zal van die omstandigheden in de registers
geene melding worden gemaakt, en de akte van overlijden
eenvoudig worden ingerigt naar den vorm, bij artikel 51 voor-
geschreven.
60.  Wanneer een sterfgeval gedurende eene zeereis hoeft
plaats gehad, moet de akte van overlijden binnen de vier en
twintig uren, door den scheeps-kapitein of gezagvoerder, in
het dagregister van het schip worden ingeschreven, in tegen-
woordigheid van twee getuigen, zich aan boord van het schip
bevii/dende.
Een uittreksel van die akte zal aan het departement voor
de marine worden toegezonden, even en in dier voege als bij
artikel 36 opzigtelijk de akten van geboorten is bepaald.
Het hoofd van het departement voor de marine zal het uit
treksel van de akte van overlijden, door hem gelegaliseerd,
aan den ambtenaar van den burgerlijken stand der bekende
woonplaats van den overledene doen toekomen.
61.  Bij bijzondere reglementen wordt bepaald, op hoedanige
wijze het overlijden van krijgslieden, welke te velde, in den
-ocr page 52-
III TITEL. VAN BK AKTEN VAN DEN BURGERLIJKEN STAND. 45
slag, of in \'s rijks dienst buiten het Koningrijk zijn gestorven,
in de gewone registers van den burgerlijken stand zal worden
ingeschreven.
62. Wanneer het bewezen is dat de sterfteregisters nooit
hebben bestaan, dat die zijn verloren geraakt, dat eene inge-
schrevene akte daaraan ontbreekt, of dat bijzondere omstan-
digheden de inschrijving der akte van overlijden hebben ver-
hinderd, zal dat overlijden zoo wel door getuigen als door
bescheiden kunnen worden bewezen.
ZESDE AFDEELING.
Van naams- en voornaams-veranderingen.
63.  Niemand mag zijnen geslachtnaam veranderen, of eenen
anderen bij den zijnen voegen, zonder toestemming des Konings.
64.  Het verzoek daartoe kan niet worden toegestaan, dan
na verloop van één jaar, te rekenen van den dag, waarop van
hetzelve in de officiële nieuws papieren zal zijn melding ge-
maakt.
65.  In dien tusschentijd, kunnen de belanghebbende partijen,
bij een verzoekschrift, aan den Koning in te leveren, de gron-
den doen gelden, waarop zij vermeenen zich tegen het verzoek
te kunnen verzetten.
66.  Indien het verzoek wordt toegestaan, zal het besluit
worden overhandigd aan den ambtenaar van den burgerlijken
stand van de geboorteplaats van den verzoeker, welke ambte-
naar hetzelve in de loopende registers zal inschrijven, en daar-
van aanteekening doen op den kant der geboorte-akte.
67.  De naams-verandering of naams-bijvoeging, door den
Koning, overeenkomstig de bepalingen van deze afdeeling toe-
gestaan, zal nimmer kunnen worden aangevoerd tot bewijs van
vermaagsehapping.
68.  Niemand kan van voornaam veranderen, of voornamen
bij de zijnen voegen, zonder toestemming van de arrondisse-
ments-regtbank zijner woonplaats, op daartoe gedaan verzoek,
na verhoor van het openbaar ministerie, te verleenen.
69.  Wanneer de règtbank de verandering of bijvoeging van
voornamen toestaat, zal de uitspraak worden ter hand gesteld
aan den ambtenaar van den burgerlijken stand van de geboorte-
plaats van den verzoeker, ten einde door dien ambtenaar in
de loopende registers te worden ingeschreven, en daarvan mei-
ding te worden gemaakt op den kant der geboorte-akte.
-ocr page 53-
46
I IIOKK. VAN PERSONEN.
ZEVENDE AFDKEMXG.
Van de verbetering der akten van den burgerlijken stand,
en ran derzelver aanvulling.
70.  Wanneer geene registers hebben bestaan, of dezelve zijn
verloren geraakt, vervalsclit, veranderd, verscheurd, vernietigd,
verdonkerd of verminkt; wanneer akten daaraan ontbreken, of
wanneer in de ingeschrevene akten dwalingen, uitlatingen óf
andere misslagen hebben plaats gehad, zal zulks grond ople-
veren tot aanvulling of tot verbetering der registers.
71.  Het verzoek daartoe zal alleen kunnen worden ingeleverd
bjj de arrondissements-regtbank, binnen welker regtsgebied de
registers zijn of hadden belmoren te worden gehouden, dewelke,
behoudens hooger beroep, na verhoor van het openbaar minis-
terie, en, wanneer daartoe gronden zijn, van de belanghebbende
partijen, deswege zal uitspraak doen.
72.   Deze uitspraak zal alleen geldig zijn tusschen de par-
tijen, welke dezelve hebben verzocht, of te dier gelegenheid
zijn opgeroepen.
73.  Alle uitspraken tot verbetering of tot aanvulling van
akten, welke in kracht van gewijsde zijn gegaan, zullen door
den ambtenaar van den burgerlijken stand, dadelijk na der-
zelver vertoon, in de loopende registers worden ingeschreven,
en zal, in geval van verbetering, daarvan worden melding ge-
maakt op den kant der verbeterde akte, overeenkomstig het
bepaalde bij art. 25.
VIERDE TITEL.
VAN WOONPLAATS OP DOMICILIE.
74.  Een ieder wordt geacht zijne woonplaats te hebben al
waar hij zijn hoofdverblijf heeft gevestigd.
Bij gebreke van zoodanige woonplaats, wordt de plaats des
werkelijken verblijfs daarvoor gehouden.
75.   De verandering van woonplaats zal stand grijpen door
do werkelijke woning in eene andere plaats, gevoegd bij het
voornemen om aldaar zijn hoofdverblijf te vestigen.
76.  Dat voornemen wordt bewezen door eene gedane ver-
klaring, zoo wel bij het bestuur der gemeente welke men ver-
laat, als bij dat der gemeente waar de woonplaats wordt over-
gebragt.
Bij gebreke van verklaring, zal het bewijs van het voorne-
raen uit de omstandigheden worden opgemaakt.
77.  Die tot openbare bedieningen worden geroepen, behou-
-ocr page 54-
47
V TITEL. VAN HET HUWELIJK.
don hunne woonplaats, indien zij het tegenovergestelde voor-
nemen niet aan den dag hebben gelegd.
78.  Eene getrouwde vrouw, welke niet van tafel, bed, bij-
woning en goederen is gescheiden, heeft geene andere woon-
plaats dan die van huren man; minderjarigen volgen de woon-
plaats van hunne ouders of voogden; meerderjarigen, die onder
curatele zijn gesteld, die van hunne curators.
79.  Meerderjarige dienstboden of werklieden hebben hunne
woonplaats in het huis van diegenen, bij welke zij dienen of
werken, indien zij bij dezelve inwonen.
80.  Het sterf huis van een overledene wordt geacht daar te
zijn, alwaar de overledene zijne woonplaats gehad heeft.
81.  Het staat aan partijen, of aan eene van haar, vrij bij
eene akte, en tot eene bepaalde zaak, eene andere woonplaats
dan hare werkelijke te kiezen.
Die keuze kan zijn algemeen, en strekt zich dan zelfs uit
tot de executie: of worden beperkt in dier voege als de par-
tijen, of eene van haar, zal goed vinden. In deze gevallen,
kunnen de exploiten, dagvaardingen en vervolgingen, bij de
akte uitgedrukt of bedoeld, geschieden aan de gekozene woon-
plaats, en voor den regter dier woonplaats.
82.  Indien het tegendeel niet bij beding is overeengekomen,
kan men de voor zich gekozene woonplaats veranderen, mits
de nieuwe woonplaats in dezelfde gemeente zij gelegen, en de
verandering aan de wederpartij worde beteekend.
VIJFDE TITEL.
VAN HET HUWELIJK.
Algemeene bepaling.
83.  De wet beschouwt het huwelijk alleen in deszelfs bur-
gerlijkc betrekkingen.
EERSTE AFDEKKING.
Van de hoedanigheden en voorwaarden, die vereischt worden
om een huwelijk -te kunnen aangaan.
84.  De man kan te gelijker tijd slechts met ééne vrouw,
de vrouw slechts met éénen man door het huwelijk verbonden zijn.
85.  Tot het wezen van het huwelijk wordt de vrije toestem-
ming der aanstaande echtgenooten vereischt.
86.  Een jong man, den vollen ouderdom van achttien, en
-ocr page 55-
48                                            I BOEK. VAN PERSONEN.
eene jonge dochter den vollen ouderdom van zestien jaren niet
bereikt hebbende, mogen geen huwelijk aangaan.
De Koning kan echter, om gewigtige redenen, dit verbod
door het verleenen van dispensatie opheffen.
87.  Het huwelijk is verboden tusschen alle personen, die
elkander bestaan in de opgaande en nederdalende linie, hetzij
door wettige, hetzij door onwettige geboorte, of door aanhu-
welijking; en in de zijdlinie tusschen broeder en zuster, wet-
tige of onwettige.
88.  Ook is het huwelijk verboden:
1°. Tusschen schoonbroeder en schoonzuster, wettige of on-
wettige ;
2°. Tusschen oom of oud-oom en nicht of achter-nicht, mits-
gaders tusschen moei of oud-moei en neef of achter-neef,
wettige of onwettige.
De Koning kan, om gewigtige redenen, het verbod, in dit
artikel vervat, door het verleenen van dispensatie opheffen.
89.  Een persoon, die bij regterlijk vonnis van overspel is
overtuigd, mag nimmer met den medepligtige aan dat over-
spel in het huwelijk treden.
90.  Tusschen personen, wier huwelijk, om welke reden ook,
door echtscheiding is ontbonden, mag nimmer een nieuw
hnwelijk plaats hebben.
91.  Eene vrouw kan geen nieuw huwelijk aangaan, dan na
verloop van drie honderd dagen na de ontbinding van het
vorige huwelijk.
92.  Echte kinderen kunnen, gedurende hunne minderjarig-
heid, geen huwelijk aangaan, zonder de toestemming van
hunnen vader en hunne moeder te hebben verzocht en dezelve
te hebben verkregen, het zij van beiden, het zij van den vader
alleen, indien de moeder zich niet verklaart, of met den
vader in gevoelen verschilt.
In het laatste geval, is de vader gehouden, het zij bjj de
akte van toestemming, het zij ten overstaan van den ambte-
naar van den burgerlijken stand, te verklaren dat de toestem-
ming van de moeder is gevraagd geweest.
Wanneer de vader overleden is, of zich inde onmogelijkheid
bevindt om zijnen wil te verklaren, wordt de toestemming van
de moeder vereischt.
98. Indien de vader en moeder beide overleden zijn, of
zich in de onmogelijkheid bevinden om hunnen wil te verklaren,
vervult de grootvader van vaders zijde hunne plaats.
Bij gebreke van den grootvader van vaders zijde, wordt de
toestemming van den grootvader van moeders zijde vereischt.
94. Wanneer zoowel de grootvader van vaders zijde, als
die van moeders zijde ontbreken, wordt de toestemming ver-
-ocr page 56-
49
V TITEL. VAN HET HUWELIJK.
eischt van de grootmoeder van vaders zijde, en, bij gebreke
van deze, van de grootmoeder van moeders zijde.
95.  Wanneer de vader en de moeder, mitsgaders de groot-
vaders en grootmoeders, ontbreken, of wanneer zij zich allen
in de onmogelijkheid bevinden om hunnen wil te verklaren,
kunnen echte kinderen, zoo lang zij minderjarig zijn, geen
huwelijk aangaan, zonder de toestemming van hunnen voogd
en hunnen toezienden voogd.
In geval van weigering van beide, of van één hunner, is
de kantonregter, op verzoek van den minderjarige, bevoegd
het verlof tot het aangaan des huwelijks te verleenen, na
verhoor of na behoorlijke oproeping van den voogd en den
toezienden voogd, mitsgaders van vier uit de naaste, binnen
het rijk woonachtige en meerderjarige bloedverwanten, tot den
graad van vollen neef ingesloten, zoo veel mogelijk in gelijk
getal uit de twee liniën te verkiezen.
Bij gebreke van het genoegzaam getal bloedverwanten, bin-
nen het rijk, zal dit getal worden aangevuld door meerder-
jarige en binnen de Nederlanden wonende personen, welke
den verzoeker door aanhuwelijking in den bovengemelden
graad bestaan.
Indien er geene nabestaanden binnen het Koningrijk aan-
wezig zijn, of indien, na behoorlijk gedane oproeping, geen dei-
bloedverwanten of der aangehuwden, noch, in persoon, noch bij
eenen bijzonderen gevolmachtigde, verschijnt, zal de kantonregter
het verlof toestaan ofweigeren, nadat hij den voogd en den toe-
zienden voogd zal hebben geraadpleegd of behoorlijk opgeroepen.
96.   In het geval bij het tweede lid van het vorige artikel
voorzien, zijn, zoowel het kind als de voogd, de toeziende
voogd en de opgekomen nabestaanden, bevoegd bij de arron-
dissements-regtbank, door middel van een verzoekschrift, tegen
de uitspraak van den kantonregter op te komen. De regtbank
zal op dit verzoek, na verhoor van de wederpartij en van het
openbaar ministerie, en zonder anderen vorm van geding, het
verzochte verlof, bij eindvonnis, toestaan of weigeren.
97.  Natuurlijke kinderen, wettiglijk door den vader erkend,
kunnen, zoo lang zij minderjarig zijn, geen huwelijk aangaan,
zonder de toestemming van hunnen vader.
Bij gebreke van den vader, wordt de toestemming der moe-
der vereischt.
98.   Natuurlijke doch niet erkende kinderen, of degene die,
na de erkenning, hunnen vader en hunne moeder hebben
verloren, of wier ouders buiten de mogelijkheid zijn hunnen
wil te verklaren, kunnen, zoolang zij minderjarig zijn, geen
huwelijk aangaan, zonder toestemming van hunnen voogd en
hunnen toezienden voogd. In geval van weigering van beiden
4
-ocr page 57-
50
I BOEK. VAN PERSONEN.
of van een hunnei-, zal de kantonregter het verlof daartoe
kunnen verleenen, na verhoor of behoorlijke oproeping van
den voogd en toezienden voogd, behoudens het beroep, het
zij van de kinderen, het zij van hunnen voogd of toezienden
voogd, op dezelfde wijze als bij artikel 96 is voorgeschreven.
99.   Echte kinderen, die meerderjarig zijn, doch den vollen
onderdom van dertig jaren nog niet hebben bereikt, zijn ins-
gelijks verpligt om tot het aangaan van een huwelijk de toe-
stemming van hunnen vader en hunne moeder te verzoeken.
Wanneer zij die toestemming niet hebben bekomen, kunnen
zij de tusschenkomst inroepen van den kantonregter, binnen
wiens gebied de vader of de moeder met der woon gevestigd
zijn, en zulks met inachtneming der bepalingen van de vol-
gende artikelen.
100.   Binnen den tijd van drie weken, te rekenen van den
dag waarop het verzoek aan den kantonregter is gedaan, zal
deze voor zich doen verschijnen den vader, of, bij gebreke
van den vader, de moeder, mitsgaders het kind, ten einde
hun alle zoodanige vertoogen te doen als hij in hun weder-
zijdsch belang zal oorbaar achten. De kantonregter zal een
proces-verbaal van de verschijning der partijen opmaken, zon-
der daarbij de redenen op te geven welke door haar over en
weder zijn aangevoerd.
101.   Indien de vader, of, bij gebreke van dien, de moeder
niet verschijnt, zal tot het huwelijk worden overgegaan, op
de vertooning der akte, waaruit van die nietverschijning blijkt.
102.  Indien het kind niet verschijnt, kan het huwelijk niet
worden voltrokken, zonder een hernieuwd verzoek tot tus-
schenkomst.
103.    Indien, partijen verschenen zijnde, de vader, of, bij
gebreke van dien, de moeder bij de weigering volhardt, mag
het huwelijk niet worden voltrokken, dan na verloop van drie
volle maanden, te rekenen van den dag der verschijning.
104.   De bepalingen der vijf laatste artikelen zijn insgelijks
toepasselijk op natuurlijke kinderen, ten aanzien van de per-
sonen, wier toestemming tot het huwelijk bij artikel 97
vereischt wordt.
TWEEDE AFDEELING.
Van de formaliteiten welke de voltrekking van het huwelijk moeten
voorafgaan.
105.  Alle personen die met elkander een huwelijk willen
aangaan, moeten daarvan aangifte doen bij den ambtenaar
van den burgerlijken stand der woonplaats van eene der
partijen.
-ocr page 58-
V TITEL. VAN HET HUWELIJK.                                      51
106.  Deze aangifte zal, het zij in persoon, het zij bij zooda-
nige geschriften geschieden, waaruit, van het vcornemen der
aanstaande echtgenooten met genoegzame zekerheid kan blij-
ken, waarvan eene akte door den ambtenaar van den burger-
lijken stand zal worden opgemaakt.
107.  Vóór het voltrekken van het huwelijk, zal de ambtenaar
van den burgerlijken stand twee afkondigingen doen voor de
deur van het huis der gemeente, en wel op twee volgende
zondagen.
Deze huwelijksafkondigingen, en de akte die daarvan moet
worden opgemaakt zullen bevatten :
1°. De voornamen, namen, den ouderdom, het beroep en de
woonplaats der aanstaande echtgenooten, en, indien
dezelve reeds vroeger getrouwd zijn geweest, de namen
van hunne vorige echtgenooten;
2". De voornamen, namen, het beroep en de woonplaats van
hunne ouders ;
3°. Den dag, de plaats en het uur waarop de afkondigingen
zijn geschied, met vermelding of zulks de eerste of de
tweede zij.
108.   Wanneer de aanstaande echtgenooten hunne woon-
plaats niet in dezelfde gemeente hebben, zullen de beide
afkondigingen moeten geschieden in de gemeenten, alwaar
ieder der partijen gevestigd is.
109.   Indien de aanstaande echtgenooten slechts zes maan-
den hunne woonplaats in eene gemeente hebben gehad, zullen
de huwelijks-afkondigingen daarenboven moeten gedaan worden
in de gemeente, alwaar zij laatstelijk zijn gevestigd geweest.
110.   Een uittreksel van de akte van afkondiging moet, ge-
durende den tijd die tusschen de eerste en tweede afkondiging
verloopt, aangeplakt worden en aangeplakt blijven aan de
deur van het huis der gemeenten, alwaar die afkondigingen
gedaan zjjn.
111.   De Koning of de ambtenaren welke hij daartoe zal
aanwijzen, zijn bevoegd om, uit hoofde van gewigtige redenen,
dispensatie te verleenen van de tweede afkondiging,
112.  Wanneer het huwelijk binnen een jaar, te rekenen van
de eerste huwelijks-afkondiging, niet is voltrokken, zal het-
zelve niet voltrokken mogen worden, dan nadat alvorens
wederom nieuwe afkondigingen zullen gedaan ziju.
113.  Trouwbeloften geven geene regtsvordering tot het aan-
gaan des huwelijks, noch tot vergoeding van kosten, schaden
en interessen, uit hoofde der niet vervulling van de beloften,
alle bedingen tot schadeloosstelling te dezer zake zijn nietig.
Wanneer echter de aangifte des huwelijks bij den ambtenaar
van den burgerlijken stand van eene afkondiging gevolgd is,
-ocr page 59-
52
I BOEK. VAN PERSONEN.
kan zulks grond opleveren tot het vorderen van vergoeding
van kosten, schaden en interessen, uit hoofde der werkelijke
verliezen, welke de eene partij, door de weigering der andere,
in hare goederen mogt hebben geleden, zonder dat daarbij
eenige winstderving zal kunnen in aanmerking komen.
Deze regtsvordering verjaart door verloop van achttien
maanden, te rekenen van de eerste huwelijks-afkondiging.
DEBDE AFDEELING.
Van het stuiten des huwelijks.
114.  Het regt om de voltrekking van een huwelijk te stuiten,
komt alleenlijk toe aan de personen en in de gevallen, bij de
volgende artikelen voorzien.
115.   Degene die met eene der partijen door het huwelijk
alsnog verbonden is, mitsgaders de kinderen uit dat huwelijk
voortgesproten, zijn bevoegd om het nieuw aan te gaanhuwe-
lijk te stuiten, doch alleenlijk op grond van het bestaande
116.   De vader, of, bij gebreke van dien, de moeder, kan
het huwelijk stuiten, in de volgende gevallen:
1 °. Wanneer hun kind, nog minderjarig zijnde, de vereischte
toestemming niet bekomen heeft;
2°. Wanneer hun meerderjarig kind, den vollen ouderdom
van dertig jaren niet hebbende bereikt, verzuimd heeft
hunne toestemming, en, bij weigering daarvan, de tus-
schenkomst van den kantonrechter te verzoeken, welke
volgens artikel 99 vereischt wordt;
3°. Wanneer eene der partijen, uit hoofde van gebrek aan
verstandelijke vermogens, onder curatele gesteld, of de
curatele uit dien hoofde verzocht, en op dat verzoek nog
niet is beslist;
4°. Wanneer eene der partijen de vereischten niet bezit om,
overeenkomstig de bepalingen van de eerste afdeeling
van dezen titel, een huwelijk te kunnen aangaan;
5°. Wanneer degene, met wien hun kind in het huwelijk
wil treden, uit hoofde van misdaad vervolgd wordt, of
tot eene onteerende straf is veroordeeld;
6°. Wanneer de vereischte huwelijks-afkondigingen geen
plaats hebben gehad;
7°. Wanneer eene der partjjen, uit hoofde van verkwisting,
is onder curatele gesteld, en het voorgenomen huwelijk
blijkbaar het ongeluk van hun kind zoude te weeg brengen.
117.   Bij gebreke van beide ouders, zijn de grootvaders of
grootmoeders bevoegd om het huwelijk van hunne kleinkinde-
-ocr page 60-
53
V TITEL. VAN HET HUWELIJK.
ren te stuiten, om de redenen, bij het 1, 3, 4, 5, 6 en 7de lid
van het vorige artikel uitgedrukt.
De stuiting kan, voor zoo veel de reden aangaat, welke b\'y
het eerste lid is vermeld, alleen plaats hebben met inachtne-
ming der volgorde, welke bij artikel 93 en 94 is vastgesteld.
118.   Bij gebreke van grootouders, kunnen de broeders, zus-
ters, ooms en moeijen, mitsgaders de voogd, toeziende voogd,
curator en toeziende curator, een voorgenomen huwelijk stuiten:
1°. Wanneer de voorschriften van artikel 95 en 98, omtrent
het bekomen van verlof tot het aangaan van het huwelijk,
niet zijn in acht genomen;
2\'. Om de redenen bij het 3, 4, 5 en 6de lid van artikel
116 uitgedrukt.
119.   De echtgenoot, wiens huwelijk door echtscheiding is
ontbonden, kan het huwelijk zijner voormalige echtgenoote
stuiten, wanneer zij een nieuw huwelijk wil aangaan, vóór
het verloopen van drie honderd dagen na het ontbinden van
het vroegere.
120.   Het openbaar ministerie is verpligt een voorgenomen
hnwelijk te stuiten, in de gevallen bij artikel 84 tot 91 inge-
sloten vermeld.
121.   Van de stuiting des huwelijks wordt kennis genomen
door de arrondissements-regtbank, binnen welker ressort de ge-
meente gelegen is, alwaar het huwelijk moet worden voltrokken.
122.  In de akte van stuiting moeten alle de middelen wor-
den uitgedrukt, waarop de stuiting gegrond is, en mogen
geene nieuwe middelen worden voorgedragen, voor zoo verre
dezelve niet na de stuiting mogten zijn opgekomen.
123.  Bij het Wetboek van Burgerlijke Kegtsvordering is de
wijze bepaald, waarop de stuiting des huwelijks zal moeten
gedaan en derzelver opheffing gevraagd worden.
124.   Wanneer de stuiting is afgewezen, zullen de opposan-
ten, met uitzondering nogtans van bloedverwanten in de op-
gaande en nederdalende linie, en van het openbaar ministerie,
tot vergoeding van kosten, schaden en interessen kunnen
worden verwezen.
125.   Wanneer er stuiting van een huwelijk plaats heeft,
zal het aan den ambtenaar van den burgerlijken stand niet
geoorloofd zijn hetzelve te voltrekken, dan nadat aan hem
zal zijn ter hand gesteld een vonnis in kracht van gewijsde ge-
gaan, of ecne authentieke akte, waarbij de stuiting is opgeheven,
op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen.
Wanneer het huwelijk mogt zijn voltrokken voor dat de
stuiting is opgeheven, zal het geding ter zake dier stuiting
kunnen worden voortgezet, en het huwelijk worden nietig
verklaard, bijaldien de eisch aan den opposant is toegewezen.
-ocr page 61-
54                                            I BOEK. VAN PERSONEN,
VIERDE AFDEELINO.
Van de voltrekking des huwelijks.
126.  Alvorens tot de voltrekking des huwelijks over te gaan,
zal de ambtenaar van den burgerlijken stand zich doen ter
hand stellen:
1°. De geboorte-akte van ieder der aanstaande echtgenooten;
2°. Eene authentieke akte, houdende de toestemming van
den vader, de moeder, den grootvader of de grootmoe-
der, den voogd en den toezienden voogd, of wel het bij
den regter verkregen verlof, in de gevallen waar hetzelve
vereischt wordt; de toestemming kan ook bij de huwe-
lijks-akte zelve worden gegeven;
3°. De akte waaruit blijkt van de tusschenkomst van den
kantonregter, in de gevallen waarin die vereischt wordt;
4°. In geval van tweede of volgend huwelijk, de akte van
overlijden van den vorigen echtgenoot, of de akte van
echtscheiding, of wel afschrift van het verlof van den
regter, bij afwezigheid van den anderen echtgenoot ver-
leend;
5°. De akte van overlijden van alle de zoodanigen die hunne
toestemming tot het huwelijk zouden hebben moeten
geven;
6°. Het bewijs dat de huwelijks-afkondigingen zonder stuiting
zijn afgeloopen, ter plaatse alwaar die afkondigingen,
overeenkomstig artikel 107 en volgende van dezen titel,
vereischt worden, of wel dat eene gedane stuiting is
opgeheven.
127.   Degene der aanstaande echtgenooten, die buiten de
mogelijkheid mogt zijn om zijne geboorte-akte, bij het eerste
lid van het. vorige artikel vereischt, te vertoonen, zal zulks
kunnen aanvullen door eene akte van bekendheid, afgegeven
door den kantonregter van zijne geboorteplaats of woonplaats,
op de verklaring van vier getuigen van het mannelijk of
vrouwelijk geslacht, bloedverwanten of geene bloedverwanten
zijnde.
Deze verklaring zal inhouden de vermelding van de plaats
en, zoo na mogelijk, van het tijdstip der geboorte, mitsgaders
de oorzaken die beletten om eene akte daarvan over te leggen.
Het gebrek eener geboorte-akte zal ook kunnen worden
verholpen, het zij door eene dergelijke, doch beëedigde ver-
klaring, afgelegd door de getuigen, welke bij de voltrekking
des huwelijks moeten tegenwoordig zijn, of wel door eene bij
den ambtenaar van den burgerlijken stand afgelegde beëedigde
verklaring van den aanstaanden echtgenoot, houdende dat hij
-ocr page 62-
55
V TITEL. VAN HET HUWELIJK.
zich geene geboorte-akte of akte van bekendheid kan ver-
schaffen.
In de huwelijks-akte zal van de eene of andere dier ver-
klaringen worden melding gemaakt.
128.   Indien partijen buiten de mogelijkheid zijn om de
akten van overlijden, bij art. 126, n°. 5 vermeld, in te leveren,
zal dat gebrek, op dezelfde wijze als in het geval van het
voorgaande artikel, kunnen worden verholpen.
129.   Indien de ambtenaar van den burgerlijken stand wei-
gert om een huwelijk te voltrekken, op grond van de onge-
noegzaamheid der stukken en verklaringen, bij de vorige
artikelen gevorderd, zullen partijen de bevoegdheid hebben
zich bij verzoekschrift tot de arrondissements-regtbank te
keeren; welke regtbank na verhoor van het openbaar ministerie,
mitsgaders, wanneer daartoe gronden zijn, van den ambtenaar
van den burgerlijken stand, summier en zonder hooger beroep,
over de genoegzaamheid of ongenoegzaamheid der stukken
zal uitspraak doen.
130.   Het huwelijk zal niet mogen worden voltrokken, vóór
den derden dag na dien der laatste afkondiging, die dag zelve
niet daaronder begrepen.
131.   Het huwelijk zal in het openbaar, in het huis der ge-
meente, ten overstaan van den ambtenaar van den burgerlijken
stand der woonplaats van eene der beide partijen, worden
voltrokken, en in tegenwoordigheid van vier getuigen, het zij
nabestaanden of vreemden, manspersonen, meerderjarig zijnde,
en binnen het Koningrijk gevestigd,
132.  Indien eene der partijen, uit hoofde van een behoorlijk
bewezen wettig beletsel, verhinderd wordt zich naar het huis
der gemeente te begeven, zal het huwelijk kunnen worden
voltrokken in een bijzonder huis binnen dezelfde gemeente
gelegen, mits geschiedende in tegenwoordigheid van zes ge-
tuigen.
Bij de huwelijks-akte zal, in dat geval, worden melding ge-
maakt van de oorzaak welke daartoe heeft aanleiding gegeven.
133.   De aanstaande echtgenooten zijn verpligt bij de vol-
trekking van hun huwelijk in persoon voor den ambtenaar
van den burgerlijken stand te verschijnen.
134.   Het zal aan den Koning vrijstaan om, uit hoofde van
gewigtige redenen, aan partijen te vergunnen het huwelijk
door eenen bijzonderen bij authentieke akte gevolmagtigde te
mogen voltrekken.
Indien de lastgever, voordat het huwelijk voltrokken is,
wettiglijk met eenen anderen persoon mogt zijn in den echt
getreden, zal het huwelijk, bij eenen gevolmagtigde voltrokken,
als niet geschied beschouwd worden.
-ocr page 63-
56
I BOEK. VAN PERSONEN.
135.  De aanstaande echtgenooten zullen, ten overstaan van
den ambtenaar van den burgerlijken stand, en in tegenwoor-
digheid der getuigen, moeten verklaren, dat zij elkander aan-
nemen tot echtgenooten, en dat zij getrouwelijk alle de pligten
zullen vervullen, welke door de wet aan den huwelijken staat
verbonden zijn.
136. Geene godsdienstige plegtigheden zullen vermogen plaats
te hebben, voordat de partijen aan den bedienaar van hunnen
eeredienst zullen hebben doen blijken, dat het huwelijk ten
overstaan van den ambtenaar van den burgerlijken stand is
voltrokken.
137.  In geval van overtreding door de ambtenaren van den
burgerlijken stand, tegen de bepalingen van dezen titel be-
gaan, kunnen die ambtenaren, voor zoo ver daartegen niet bij
het Wetboek van Strafregt is voorzien, door de arrondisse-
ments-regtbank worden gestraft met eene geldboete, de som
van honderd gulden niet te boven gaande; behoudens de regts-
vordering der belanghebbende partijen tot schadevergoeding,
indien daartoe gronden zijn.
VIJFDE AFDEELINO.
Van de huwelijken welke buiten \'s lands zijn voltrokken.
138.  De huwelijken, in een vreemd land aangegaan, het zij
tusschen Nederlanders, het zij tusschen Nederlanders en vreem-
delingen, zijn van waarde, indien dezelve voltrokken zijn naar
den vorm, in dat land gebruikelijk, mits de huwelijks-afkon-
digingen, volgens de tweede afdeeling van dezen titel, binnen
dit Koningrijk, zonder stuiting des huwelijks, hebben plaats
gehad, en de Nederlandsche echtgenooten niet hebben gehan-
deld tegen de bepalingen, in de eerste afdeeling van denzelfden
titel vervat.
139.   Binnen het jaar na de terugkomst der echtgenooten
op het grondgebied van het Koningrijk, zal de akte van
huwelijks-voltrekking, in een vreemd land aangegaan, in het
openbaar huwelijks-register van hunne woonplaats moeten wor-
den overgeschreven.
ZESDE AFDEELING.
Van de nietigheid eens huwelijks.
140.  De nietigheid eens huwelijks kan alleen door den regter
worden uitgesproken.
141.   De nietigverklaring van een huwelijk, in strijd met
-ocr page 64-
V TITEL. VAN HET HUWELIJK.                                      57
artikel 84 aangegaan, kan worden gevorderd door dengenen,
die met een der echtgenooten door vroeger huwelijk is ver-
bonden, door de echtgenooten zelve, door de bloedverwanten
in de opgaande linie, door alle degenen die bij de verklaring
der nietigheid belang hebben, en door het openbaar ministerie.
Indien de nietigheid van het vroegere huwelijk wordt
staande gehouden, zal de bestaanbaarheid of onbestaanbaar.
heid van dat huwelijk vooraf moeten beslist worden.
142.  De wettigheid eens huwelijks, zonder de vrije toestem-
ming der beide echtgenooten, of ook van een van hen aan-
gegaan, kan alleen worden tegengesproken door de echtge-
nooten of door dengenen van hen, wiens toestemming niet is
vrij geweest.
Wanneer er dwaling heeft plaats gehad in den persoon met
wien men gehuwd is, kan de wettigheid alleen worden betwist
door dengenen der echtgenooten, die in dwaling gebragt is.
In alle de gevallen bij dit artikel voorkomende, is men in
den eisch tot nietigverklaring niet ontvankelijk, wanneer er
eene aanhoudende zamenwoning gedurende den tijd van drie
maanden heeft plaats gehad, sedert dat de echtgenoot zijne
volkomene vrijheid bekomen heeft, of de dwaling door hem
ontdekt is.
143.   Wanneer een huwelijk is aangegaan door iemand die,
uit hoofde van gebrek aan verstandelijke vermogens, is onder
curatele gesteld, kan de wettigheid des huwelijks worden be-
twist door deszelfs vader, moeder en andere bloedverwanten
in de opgaande linie, broeders, zusters, ooms en moeijen,
mitsgaders door den curator, en eindelijk door het openbaar
ministerie.
Na de opheffing der curatele, kan de nietigheid alleen wor-
den ingeroepen door den echtgenoot die onder curatele was
gesteld, en is ook deze daartoe niet ontvankelijk, na eene
zamenwoning van zes maanden, te rekenen van de intrekking
der curatele.
144.   Indien een huwelijk is aangegaan door een persoon,
welke den bij art. 86 vereischten ouderdom niet bereikt had,
zal de nietigverklaring kunnen worden gevraagd, het zij door
dien echtgenoot, het zij door het openbaar Ministerie.
De wettigheid des huwelijks zal nogtans niet kunnen wor-
den betwist:
1*. Wanneer op den dag der regtsvordering tot nietigver-
klaring, de echtgenoot of echtgenooten den vereischten
ouderdom hebben bereikt;
2°. Wanneer de vrouw, den vereischten ouderdom niet heb-
bende bereikt, vóór den dag der regtsvordering zwanger is.
145.  De nietigheid van alle huwelijken, aangegaan met over-
-ocr page 65-
58
I BOEK. VAN PERSONEN.
treding der bepalingen in artikel 87, 88, 89 en 90 vervat, kan
worden ingeroepen, het zij door de echtgenooten zelven, het
zij door hunne ouders of bloedverwanten in de opgaande linie,
het zij door allen die daarbij belang hebben, het zij eindelijk
door het openbaar ministerie.
146.   Wanneer een huwelijk is aangegaan zonder toestem-
ming van den vader, de moeder, de grootouders, den voogd
of den toezienden voogd, zal deszelfs nietigverklaring, in de
gevallen, waarin de toestemming, of wel het verhoor van den
voogd, volgens artikel 92, 93, 94, 95, 97 en 98 vereischt wordt,
alleen kunnen gevorderd worden door degenen wier toestem-
ming of verhoor, volgens de wet, noodzakelijk is geweest.
De regtsvordering tot nietigverklaring kan door de bloed-
verwanten, wier toestemming vereischt werd, niet worden aan-
gevangen, wanneer het huwelijk door hen uitdrukkelijk of
stilzwijgend is goedgekeurd, of wanneer zes maanden zonder
tegenspraak van hunne zijde verloopen zijn, sedert het tijdstip
waarop zij van het huwelijk hebben kennis gedragen.
Ten aanzien van huwelijken, in een vreemd land aangegaan,
wordt die kennis niet voorondersteld, zoo lang de eehtge-
nooten zullen zijn in gebreke gebleven om de akte van huwe-
lijks-voltrekking, overeenkomstig de voorschriften van artikel
139, in de openbare registers te. doen overschrijven.
147.  De nietigheid van een huwelijk, hetwelk niet ten over-
staan van den bevoegden ambtenaar van den burgerlijken
stand, en in tegenwoordigheid van het vereischte getal ge-
tuigen, is voltrokken, kan worden ingeroepen, door de echt-
genooten, door den vader, de moeder en andere bloedverwanten
in de opgaande linie, mitsgaders door den voogd, den toe-
zienden voogd en door allen die daarbij belang hebben, en
eindelijk door het openbaar ministerie.
In geval van overtreding van artikel 131, voor zoo veel de
hoedanigheid der getuigen betreft, is het huwelijk niet nood-
wendig nietig, maar zal de regter naar de omstandigheden
beslissen.
Wanneer er uiterlijk bezit van den huwelijken staat aanwezig
is, en er eene akte van huwelijks-voltrekking, ten overstaan
van eenen ambtenaar van den burgerlijken stand verleden,
vertoond wordt, zijn de echtgenooten niet ontvankelijk om,
ten gevolge van dit artikel, de nietigheid des huwelijks te
vragen.
148.  In alle de gevallen waarin, overeenkomstig art. 141,
145 en 147, eene regtsvordering tot nietigverklaring kan wor-
den aangevangen, door degenen die daarbij belang hebben,
kan zulks niet geschieden door de bloedverwanten in de zijd-
linie, door kinderen uit een ander huwelijk geboren, of door
-ocr page 66-
VI T1T. VAN DE REGTEN EN VERPLIGTINGEN DER ECHTGENOOTEN. 59
vreemden, zoo lang de echtgenooten beide in leven zijn, doch
alleenlijk wanneer zij daarbij een reeds verkregen en dadelijk
belang hebben.
149. Na de ontbinding van het huwelijk, is het openbaar
ministerie niet ontvankelijk de nietigheid daarvan te vragen.
160. Een huwelijk, hetwelk nietig verklaard is. heeft niet-
teniin alle deszelfs burgerlijke gevolgen, zoo wel ten opzigte
der echtgenooten, als van de kinderen, wanneer hetzelve te
goeder trouw door beide de echtgenooten is aangegaan.
151.  Wanneer de goede trouw alleenlijk bestaat aan de zijde
van een der echtgenooten, heeft het huwelijk geene burgerlijke
gevolgen, dan alleen ten voordeele van dien echtgenoot en van
de kinderen uit het huwelijk gesproten.
De echtgenoot die in de kwade trouw heeft verkeerd, kan
tot vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens den
anderen verwezen worden.
152.  In de gevallen van de twee voorgaande artikelen, houdt
het huwelijk op burgerlijke gevolgen te hebben, te rekenen
van den dag waarop hetzelve bij vonnis is nietig verklaard.
153.  De nietigheid eens huwelijks kan aan de regten van
derden geen nadeel toebrengen, wanneer deze ter goeder trouw
met de echtgenooten hebben gehandeld.
154.  Geen huwelijk is nietig in geval van overtreding dev
bepalingen van artikel 91. 99, 103, 107 en 130, of indien,
buiten hetgeen bij artikel 132 is voorgeschreven, het huwelijk
niet openlijk in het huis der gemeente is voltrokken geworden.
In die gevallen, is de bepaling van artikel 137 op de amb-
tenaren van den burgerlijken stand toepasselijk.
ZEVENDE AFDEELING.
Van het bewijs van het bestaan des hwvelijhs.
155.  Het bestaan van een huwelijk kan niet anders worden
bewezen dan door de akte van deszelfs voltrekking, in de re-
gisters van den burgerlijken stand ingeschreven, behoudens de
gevallen bij de volgende artikelen voorzien.
156.  Wanneer het blijkt dat er geene registers hebben be-
staan, of dat dezelve zijn verloren geraakt, of ook dat de hu-
welijks-akte daaraan ontbreekt, wordt de genoegzaamheid der
bewijzen van het bestaan des huwelijks ter beoordeeling van
den regter overgelaten, mits er een uiterlijk bezit van den
huwelijken staat aanwezig zij.
157.  De wettigheid van een kind kan, uit hoofde van het
gebrek van het vertoonen der trouw-akte zijner overledene
-ocr page 67-
60                                            I BOEK. VAN PERSONEN.
ouders, niet worden betwist, indien hetzelve het uiterlijk bezit
heeft van zijnen staat, overeenkomstig zijne geboorte-akte, en
de ouders openlijk als man en vrouw hebben geleefd.
ZESDE TITEL.
VAN DE BEOTEN EN VERrLIGTINQEN DER ECHTOENOOTEN.
158.   De echtgenooten zijn elkander wederkeerig getrouwheid,
hulp en bijstand verschuldigd.
159.  De echtgenooten verbinden zich over en weder, door
<le enkele daad des huwelijks, hunne kinderen te onderhouden
en op te voeden.
160.  De man is het hoofd der cchtvereeniging.
Als zoodanig verleent hij aan zijne vrouw bijstand in regten,
of verschijnt aldaar voor haar, behoudens de uitzonderingen
hierna omschreven.
Hij bestuurt de goederen aan de vrouw persoonlijk toebe-
hoorende, ten zij het tegendeel zij bedongen.
Hij moet die goederen als een goed huisvader beheeren, en
is voor alle verzuim in dat beheer verantwoordelijk.
Hij vermag hare onroerende goederen, zonder hare medewer-
king, niet te vervreemden of te bezwaren.
161.  De vrouw is aan haren man gehoorzaamheid verschuldigd.
Zij is verpiigt met den man zamen te wonen, en hem overal
te volgen waar hij dienstig oordeelt zijn verblijf te houden.
162.  De man is verpiigt zijne vrouw bij zich te ontvangen
in het huis hetwelk hij bewoont.
Hij is gehouden haar te beschermen, en haar al hetgeen
noodig is, volgens zijnen staat en zijn vermogen, te verschaffen.
163.  De vrouw, al is zij zelfs buiten gemeenschap van goe-
deren getrouwd, of van goederen gescheiden, kan, zonder bij-
stand van haren man in de akte, of zonder zijne schriftelijke
toestemming, niets geven, vervreemden, verpanden, verkrijgen,
het zij voor niet, het zij onder eenen bezwarenden titel.
Indien de man zijne vrouw heeft gemagtigd om zekere akte
of verbindtenis aan te gaan, is de vrouw daardoor niet gereg-
tigd om, zonder uitdrukkelijke toestemming van deu man,
eenige betaling te ontvangen, of daarvoor kwijting te geven.
164.  Ten opzigto van handelingen of verbindtenisson, door
de vrouw aangegaan, wegens alles wat de gewone en dage-
hjksche uitgaven der huishouding betreft, vooronderstelt de wet
dat zij de bewilliging van haren man heeft bekomen.
165.  De vrouw kan niet in regten verschijnen zonder bijstand
van haren man, al is zij buiten gemeenschap van goederen
-ocr page 68-
VII TITEL. VAN DE WETTEL. OEMEENSCH. VAN GOED. ENZ. 61
getrouwd, of van goederen gescheiden, of eene openbare koop-
vrouw.
166.  De bijstand van den man is niet noodig:
1\'. Wanneer de vrouw in strafzaken vervolgd wordt;
2°. In eene regtsvordering tot echtscheiding, tot scheiding
van tafel en bed, of van goederen.
167.  Wanneer de inan weigert zijne vrouw te magtigen om
eene akte aan te gaan, of om in regten te verschijnen, kan
zij van de arrondissements-regtbank van hunne gemeene woon-
plaats verzoeken daartoe gemagtigd te worden.
168.  Eene vrouw, met uitdrukkelijke of stilzwijgende toe-
stemming van haren man, openbare koopvrouw zijnde, kan
zich zonder zijnen bijstand verbinden, in en omtrent alles wat
die koopmanschap betreft.
Wanneer zij met haren man in gemeenschap is getrouwd,
is ook hij door die handelingen verbonden.
Zij wordt voor eene openbare koopvrouw gehouden, wanneer
zij, afzonderlijk van haren man, koopmanschap drijft.
Indien de man zijne toestemming intrekt, is hij verpligt die
intrekking openlijk bekend te maken.
169.  Wanneer de man uit hoofde van afwezigheid of andere
redenen wordt verhinderd om zijne vrouw bij te staan of te
magtigen, of een tegenstrijdig belang heeft, kan de kanton-
regter van de woonplaats der echtgenooten haar de bevoegd-
heid verleenen om in regten te verschijnen, verbindtenissen
aan te gaan, beheer te voeren, en alle andere akten te ver-
rigten.
170.  Eene algemeene magtiging, zelfs bij huwelijksche voor-
waarden bedongen is niet verder geldig dan met betrekking
tot het beheer der goederen van de vrouw.
171.  De nietigheid der handeling, gegrond op het ontbreken
der magtiging, kan alleen door de vrouw, den man of hunne
erfgenamen worden ingeroepen.
172.  Wanneer eene vrouw, na de ontbinding des huwelijks,
eene overeenkomst of akte, in het geheel of ten deele, heeft
ten uitvoer gelegd, welke zij zonder de vereischte magtiging
had aangegaan, is zij onbevoegd om de vernietiging dier over-
eenkomst of akte te vragen.
173.    De vrouw kan- zonder bewilliging van haren man
uiterste wilsbeschikkingen maken.
-ocr page 69-
82                                            I BOKK. VAN PERSONEN\'.
ZEVENDE TITEL.
VAN DE WETTELIJKE GEMEENSCHAP VAN GOEDEREN EN
DEBZELVER BEIIEEB.
EERSTE AFDEEMNG.
Van de wettelijke gemeenschap van goederen.
174.   Van het oogenblik der voltrekking des huwelijks be-
staat, van regtswege, algeheele gemeenschap van goederen
tusschen de echtgenooten, voor zoo verre daaromtrent bij huwe-
lijksche voorwaarden geene andere bepalingen gemaakt zijn.
Die gemeenschap kan, staande huwelijk, niet door onderlinge
overeenkomst der echtgenooten worden opgeheven of gewijzigd.
175.   De gemeenschap omvat, wat hare baten betreft, alle
de roerende en onroerende goederen der echtgenooten, zoo
wel tegenwoordige als toekomende, ook die welke zij om niet
verkrijgen, ten zij de erflater of de schenker uitdrukkelijk het
tegendeel mogt hebben bepaald.
176.   Zij omvat, wat hare lasten betreft, alle de schulden
door ieder der echtgenooten, het zij vóór, het zij staande hu-
welijk gemaakt.
177.   Allo vruchten en inkomsten, mitsgaders winst en ver-
lies, staande huwelijk, komen mede ten bate en schade der
gemeenschap.
178.   De doodschulden, na het overlijden vallende, worden
door des overledenens erfgenaam alleen gedragen.
TWEEDE AFDEEMNG.
Van het beheer der gemeenschap.
179.  De man alleen beheert de goederen van de gemeenschap.
Hij kan dezelve verkoopen, vervreemden en bezwaren, zon-
der tusschenkomst van de vrouw, behoudens het geval, bij
. het derde lid van artikel 195 voorzien.
Hij kan, bij wege van schenking onder de levenden, niet
beschikken, noch over de onroerende goederen der gemeen-
schap, noch over het geheel, of over een bepaald gedeelte of
hoeveelheid der roerende goederen, dan alleen om aan kinde-
ren, uit hun huwelijk gesproten, eenen stand te bezorgen.
Hij mag zelfs niet, bij wege van schenking, over een bjjzon-
-ocr page 70-
VII TITEL. VAN DE WETTEL. GEMEENSCH. TAN GOED. ENZ. 63
der stuk roerend goed beschikken, indien hij zich het vrucht-
gebruik daarvan voorbehoudt.
180.  Wanneer de man afwezig is, of zich in de onmogelijkheid
bevindt om zijnen wil te verklaren, en er onverwijlde nood-
zakelijkheid bestaat, kan de vrouw de goederen van de gemeen-
schap verbinden of vervreemden, na daartoe door den kanton-
regter gemagtigd te zijn.
DERDE AFDEELING.
Van de ontbinding der gemeenschap, en van het regt om
daarvan afstand te doen.
181.  De gemeenschap wordt van regtswege ontbonden:
1°. Door den dood;
2°. Door het aangaan van een huwelijk, op verlof van den
regter, na afwezigheid van den echtgenoot;
3°. Door echtscheiding;
4°. Door scheiding van tafel en bed:
5°. Door scheiding van goederen.
De bijzondere gevolgen van de ontbinding, in de gevallen
bij No. 2, 3, 4 en 5 van dit artikel voorzien, zijn geregeld in
de titels welke over die onderwerpen handelen.
182.   Na het overlijden van een der echtgenooten, is de
langstlevende verpligt, indien er minderjarige kinderen over-
blijven, binnen den tijd van drie maanden, eene boedelbe-
schrijving te doen opmaken van de goederen, welke de
gemeenschap uitmaken. Die boedelbeschrijving kan onderhands,
doch moet in tegenwoordigheid van den toezienden voogd,
worden opgemaakt. Bij gebreke van zoodanige boedelbeschrij-
ving, duurt de gemeenschap voort, ten voordeele van de min-
derjarigen, doch nimmer ten hunnen nadeele.
183.  Na de ontbinding der gemeenschap, wordt de gemeene
boedel bij helfte verdeeld tusschen den man en de vrouw, of
hunne erfgenamen, zonder aanzien der zijde waarvan die goe-
deren zijn voortgekomen.
De regelen, welke zijn vastgesteld in den zestienden titel
van het tweede boek, handelende van boedelscheiding,
zijn toepasselijk op de verdeeling der wettelijke gemeenschap.
184.  De kleedingstukken, de kleinooden en gereedschappen,
behoorende tot het beroep van een der echtgenooten, mite-
gaders de boekerijen en verzamelingen van voorwerpen van
kunst en wetenschap, en eindelijk de papieren of gedenkstuk-
ken, bijzonder tot het geslacht van een der echtgenooten
betrekkelijk kunnen aan de zijde waarvan zij oorspronkelijk
afkomstig waren, worden terug gevorderd, tegen den prijs
-ocr page 71-
64
I BOEK. VAN PERSONEN.
waarop dezelve in der minne, of door deskundigen, geschat
worden.
185.  De man kan, na de ontbinding der gemeenschap, voor
/ de schulden dier gemeenschap voor het geheel worden aange-
sproken, behoudens zijn verhaal tegen de vrouw of hare
erfgenamen voor de helft.
186.   De eene echtgenoot kan, na de scheiding en deeling
der algeheele gemeenschap, niet door schuldeischers worden
vervolgd voor schulden, welke de andere echtgenoot, vóór het
huwelijk, mogt hebben gemaakt, blijvende die schulden ten
laste van dengenen der echtgenooten, die dezelve heeft aan-
gegaan, of van zijne erfgenamen; behoudens het verhaal, voor de
wederhelft, tegen den anderen echtgenoot of diens erfgenamen.
187.   De vrouw heeft het regt van de genieenschap afstand
te doen ; alle overeenkomsten, daartegen strijdende, zijn nie-
tig; afstand gedaan hebbende, kan zij uit de gemeenschap
niets terug vorderen dan alleen het linnengoed en de klee-
deren tot haar lijf behoorende.
Zij wordt door dezen afstand ontheven van de verpligting
om bij te dragen tot de schulden der gemeenschap, tenware
zij zich als openbare koopvrouw mogt hebben verbonden.
Onverminderd het regt der schuldeischers op de gemeen-
schap, blijft de vrouw in de verpligting om te voldoen,
zoo wel de schulden die zij als openbare koopvrouw heeft
aangegaan, als degene die zij vóór haar huwelijk heeft ge-
maakt ; behoudens, in het eene of andere geval, haar verhaal
voor het geheel op haren man, of diens erfgenamen.
188.  De vrouw, die van het voorregt, bij het vorige artikel
omschreven, wil gebruik maken, is verpligt, binnen den tijd
van eene maand na de ontbinding der gemeenschap, ter grif-
fie van de arrondissements-regtbank ter laatste gemeene
woonplaats, eene akte van afstand uit te brengen, op verbeurte
van dit voorregt.
Indien de gemeenschap door den dood van den man ont-
bonden wordt, begint de termijn van eene maand te loopen
van den dag waarop de vrouw van dat overlijden heeft ken-
nis gedragen.
189.   Indien de vrouw binnen den voorzeiden termijn is
overleden, zonder eene akte van afstand te hebben uitgebragt,
zijn hare erfgenamen bevoegd, binnen den tijd van eene maand
na haar overlijden, of nadat zij van dat overlijden hebben
kennis gedragen, en op de wijze bij het vorige artikel om-
schreven, van de gemeenschap afstand te doen.
De aanspraak der vrouw tot terugvordering van haar lin-
nengoed en kleederen uit de gemeenschap, kan door hare
erfgenamen niet worden gemaakt.
-ocr page 72-
VIII TIT. V. HUWEL. VOOHW. IN HET ALGEM.                      65
190.   Indien de erfgenamen van de vrouw niet eenpariglijk
hebben gehandeld, zoodat de een de gemeenschap aanvaard,
en de andere daarvan afstand gedaan heeft, kan degene, die
dezelve aanvaard heeft, niet meer genieten dan het erfdeel,
hetwelk hem voor zijn hoofd toekomt in de goederen, die bij
scheiding aan de vrouw zouden zijn te beurt gevallen.
Het overschot blijft aan den man, of deszelfs erfgenamen,
die daarentegen jegens den erfgenaam, die afstand gedaan
heeft, belast zijn met de voldoening van al hetgeen de vrouw,
in geval van gedanen afstand, zoude hebben kunnen vorderen,
doch alleen ten beloope van het erfdeel, hetwelk dengenen,
die afstand gedaan heeft, voor zijn hoofd toekomt.
191.    De vrouw, die zich de goederen der gemeenschap
heeft aangetrokken, kan van die gemeenschap geenen afstand
meer doen.
Daden van eenvoudig beheer, of het behoud der goederen
betreffende, brengen dat gevolg niet te weeg.
192.    De vrouw, die eenige goederen van de gemeenschap
heeft weggemaakt of verduisterd, blijft in gemeenschap, niet-
tegenstaande haren gedanen afstand; hetzelfde geldt ten aan-
zien van hare erfgenamen.
193.  Tn geval de gemeenschap door den dood van de vrouw
ontbonden wordt, kunnen hare erfgenamen van de gemeenschap
afstand doen, binnen den tijd, en in don vorm, ten aanzien
der vrouw zelve voorgeschreven.
ACHTSTE TITEL.
VAN HUWELIJKSCHE VOORWAARDEN.
EERSTE Al\'DEEMNCI.
Van huwelifksche voorwaarden in het algemeen.
194.  De aanstaande echtgenooten kunnen door huwelijksche
voorwaarden afwijken van de regelen, opzigtelijk de wettelijke
gemeenschap vastgesteld, mits dezelve niet met de goede zeden
of met de openbare orde strijdig zijn, en bovendien onder de
navolgende bepalingen.
195.   Zij vermogen niet af te wijken van de regten, welke
uit de magt van den man, als zoodanig, en uit de vaderlijke
magt voortspruiten, noch van de regten welke de wet aan de
betrekking van langstlevenden echtgenoot heeft verbonden.
Zij kunnen insgelijks niet afwijken van de regten, welke
aan den man, als het hoofd der echtverbindtenis, toekomen;
5
-ocr page 73-
66
I. HOEK. VAN PKR80NEN.
behoudens echter hot vermogen der vrouw om voor zich te
bedingen het beheer hurer roerende en onroerende goederen,
mitsgaders het vrije genot harer inkomsten.
Het staat hun ook vrij te bedingen dat, niettegenstaande
de wettelijke gemeenschap, de onroerende goederen, de in-
schrijvingen op het grootboek der nationale schuld, en de
andere effecten en insehulden, ten name der vrouw staande
en door haar aangebrugt, of\' die, staande huwelijk van hare
zijde in de gemeenschap mogten vallen, buiten hare mede-
werking, niet door haren echtgenoot /.uilen mogen worden
vervreemd of bezwaard.
196.    De aanstaande echtgenooten kunnen bij huwelijksche
voorwaarden geen afstand doen van hetgeen hun de wet in
de nalatenschap hunner afkomelingen toekent noch de nala-
tenschap dier afkomelingen regelen.
197.    Zij mogen niet bedingen dat de een tot een grooter
aandeel in de schulden zal gehouden zijn dan deszelfs aandeel\'
in de baten der gemeenschap beloopt.
198.   Zij kunnen niet, in algemeene bewoordingen, bedingen
dat hunne verbintenis zal geregeld worden door buitenlandsche
wetten, of door eenige gewoonten, wetten, wetboeken of plaat-
selijke keuren, welke te voren in de onderscheiden gedeelten
des Koningrijks zijn van kracht geweest.
199.    De uitsluiting der gemeenscha]) van goederen brengt
geene uitsluiting van winst en verlies mede, ten ware ook
deze uitdrukkelijk uitgesloten mogt zijn.
De gemeenschap van winst en verlies wordt geregeld door
de bepalingen van de tweede afdeeling van dezen titel.
200.   Ook kan, in geval van uitsluiting of beperking van
gemeenschap, de som worden bepaald, welke de vrouw jaarlijks
tot de huishouding en de opvoeding der kinderen uit hare goe-
deren zal moeten bijdragen.
201.   Dij gebreke van bedingen daaromtrent, zijn alle de
vruchten en inkomsten uit de goederen van de vrouw ter bc-
schikking van den man.
202.  De huwelijksche voorwaarden moeten, op straffe van
nietigheid, vóór het aangaan des huwelijks, bij notariële akte
worden verleden.
Zij beginnen te werken van het oogenblik der voltrokking van
het huwelijk; geen ander tijdstip mag daarvoor worden bepaald.
203.    De veranderingen die daarin, vóór het voltrekken des
huwelijks, zouden mogen worden gemaakt, kunnen op geene
andere wijze worden tot stand gehragt, dan door eene akte, in
denzolfden vorm als de huwelijksche voorwaarden verleden.
Geene veranderingen zijn bovendien van waarde, zonder de
tegenwoordigheid en de gelijktijdige toestemming van allo de
-ocr page 74-
VIII TIT. V. HUWEL. VOOKW. IN HET ALGEM.                     67
personen, die in de huwelijksclie voorwaarden partijen geweest zijn.
204.    Na de voltrekking des huwelijks, kunnen de hu\\velijk-
sche voorwaarden op geenerlei wijze worden veranderd.
205.   Bij uitsluiting der gemeenschap van goederen, kan de
aanbrengst der roerende goederen, met uitzondering van inschrij-
vingen op het grootboek der nationale schuld, en andere op
naam staande effecten en inschuldcn. op geene andere wijze
worden bewezen, dan door derzelver vermelding bij de huwe-
lijkscho voorwaarden, of door eene beschrijving, door den notaris
en de partijen onderteekend, en vastgehecht aan de minuut van
de huwelijksclie voorwaarden, in welke daarvan melding moet
•worden gemaakt.
206.    Minderjarigen die de vereischten bezitten om een
huwelijk aan te gaan, zijn ook bekwaam om toe te stemmen in
alle overeenkomsten welke de huwelijksclie voorwaarden bevat-
ten mogen, mits de minderjarigen, bij het maken daarvan, den
bijstand hebben gehad van diegenen, wier toestemming tot het
aangaan van het huwelijk noodzakelijk was.
Indien het huwelijk plaats heeft uit kracht van het verlof
waarvan bij artikel 95 en 98 gesproken wordt, moet het ont-
werp der huwelijksclie voorwaarden bij het verzoek om verlof
worden gevoegd, ten einde daaromtrent gelijktijdig worde beschikt.
207.    Geene bepalingen in huwelijksclie voorwaarden voor-
komende, waarbij van de wettelijke gemeenschap geheel of ge-
doeltclijk wordt afgeweken, zullen ten aanzien van derden vroe-
gor kunnen werken, dan van den dag der overschrijving dier
bepalingen in een openbaar register, hetwelk daarvan zal worden
gehouden, tor griffie der regtbank van het arrondissement waarin
het huwelijk is voltrokken, of de huwelijks-akte is overgeschre-
ven, bijaldien het huwelijk buiten \'s Iands is aangegaan.
208.  De regelen welke opzigtclijk de wettelijke gemeenschap
zijn voorgeschreven, zijn steeds van toepassing, voor zoo verre
daarvan niet, het zij uitdrukkelijk, het zij uit den aard der be-
dingen, bij huwelijksclie voorwaarden gemaakt, is afgeweken.
Hoedanig en op welke wijze gemeenschap van goederen zij
bedongen, heeft do vrouw, of hebben hare erfgenamen, de be-
voegdheid om. daarvan afstand te doen, op de wijze en in de
gevallen bij den vorigen titel voorzien.
209.   De huwelijkscho voorwaarden, mitsgaders schenkingen
ter zake van huwelijk, vervallen, wanneer dezelve niet door een
huwelijk zijn opgevolgd.
-ocr page 75-
68                                            I BOEK. VAN PERSONEN.
TWEEDE AFDEELING.
Van de gemeenschap ran winst en verlies en van die der
vruchten en inkomsten.
210.    Indien door de aanstaande echtgenooten slechts is be-
dongon, dat er zal bestaan gemeenschap van winst en verlies,
sluit dit beding de wettelijke algeheele gemeenschap van goe-
deren uit, en bepaalt zich daartoe dat, bij de ontbinding dezer
gemeenschap, tusschen de echtgenooten de winsten, bij hen,
staande huwelijk, verkregen, worden gedeeld, en de verliezen
gedragen.
211.   Elk der echtgenooten deelt in de winsten, en draagt
in do verliezen, voor de helft, indien daaromtrent geene andere
bepaling bij de huwelijksche voorwaarden gemaakt is.
212.   Voor winst wordt bij deze gemeenschap gehouden de
vermeerdering van beider bezittingen, staande huwelijk, opge-
komen uit de vruchten en opbrengsten van clks goederen, arbeid
en vlijt, en uit den opleg van onverteerde inkomsten; voor ver-
lies, de vermindering dier bezittingen, door uitgaven boven de
inkomsten veroorzaakt.
213.    Onder winst is niet begrepen al hetgeen een der echt-
genooten, staande huwelijken, bij erfenis, making of schenking
verkrijgt, onverschillig of dit van nabestaanden, of van vreenv
den, afkomstig zij; behoudons de bepaling van art. 222.
214.   Onroerende goederen en effecten, staande huwelijk aan-
gekocht, op wiens naam dit ook geschied zij, worden voor winst
gehouden, ten zij het tegendeel daarvan blijke.
215 Rijzing of daling van do waarde der goederen aan een
der echtgenooten toekomende, wordt voor geen winst of verlies
gerekend.
216.   Verbetering van onroerende goederen, door aanwas, aan-
spoeling, vertimmering of op eenige andere wijze ontstaan, wordt
mede niet als winst beschouwd, maar bevoordeelt alleen den
eigenaar dier onroerende goederen.
217.   Schade of vermindering, door brand, watersnood, afspoe-
ling of anderzins veroorzaakt, behooit niet onder de gemeene
verliezen, maar komt tot last van den eigenaar, wiens goederen
beschadigd of verminderd zijn.
218.   Alle schulden, de echtgenooten te zamen betreffende, en
staande huwelijk gemaakt, moeten als verlies tot deze gemeen-
schap gebragt worden.
Wat een der echtgenooten door misdrijf verbeurt, is niet daar
onder begrepen.
219.   Het beding dat tusschen de echtgenooten slechts eene
gemeenschap van vruchten en inkomsten zal bestaan,
-ocr page 76-
VIII TIT. V. 1IUWEL. VOOKW. IN HliT ALGKM.                    69
houdt eene stilzwijgende uitsluiting in, zoo van de wettelijke
algelieele gemeenschap van goederen, als van die van winst
en verlies.
220.  Zoo wel bij de bedongene gemeenschap van winst en
verlies, als bij die van vruchten en inkomsten alleen, in de
artikelen 210 en 219 omschreven, moeten de roerende goederen,
aan ieder der echtgenooten bij het aangaan des huwelijks toe-
behoorende, uitdrukkelijk worden opgegeven in de huwelijksche
voorwaarden zelve, of wel in eene beschrijving, door den notaris
en de partijen onderteekend, en vastgehecht aan de minuut van
do huwelijksche voorwaarden, in welke daarvan melding moet
zijn gemaakt; zonder dit bewijs, Worden de roerende goederen
voor winst gehouden.
221.   Van de roerende goederen, staande huwelijk, bij erfenis,
legaat of schenking, aan ieder der echtgenooten opkomende,
moet door beschrijving blijken.
Bij gebreke van beschrijving, bevattende de roerende goederen
welke, staande huwelijk, aan den man zijn opgekomen, of bij
gebreke van bescheiden, waaruit daarvan kan blijken, is de man
onbevoegd om zoodanige goederen als de zijne terug te nemen.
Indien geene beschrijving aanwezig is van de roerende goe-
deren welke, staande huwelijk, aan de vrouw zijn opgekomen,
of bij gebreke van bescheiden, waaruit kan blijken waarin die
goederen hebben bestaan, en welke derzelver waarde is, is deze,
of zijn hare erfgenamen bevoegd om van het bestaan en de
waarde dier goederen door getuigen, en des noods door de al-
gemeene bekendheid, te doen blijken.
222.   Onder vruchten en inkomsten worden mede gerekend
jaarlijksche, maandelijksche, wekelijkscho, en andere dergelijke
inakmgen, schenkingen of uitkeeringen, gelijk ook lijfrenten ; en
zijn mitsdien in beide do bedingen van gemeenschap begrepen,
van welke in deze afdeeling wordt gehandeld.
DERDE AFDEELING.
Van de giften tusschen de aanstaande echtgenooten bedongen.
223.   De aanstaande echtgenooten mogen bij huwelijksche voor-
waarden aan elkander, wederkeerig, of een van beiden aan den
anderen, zoodanige giften doen, als zij voegzaam zullen oordee-
len, behoudens de inkorting dier giften, voor zoo verre daardoor
de regten zouden zijn benadeeld van degenen aan wie een wet-
telijk aandeel toekomt.
224.  Die giften kunnen betrekkelijk zijn, het zij tot tegen-
woordige en bij de akte bepaaldelijk omschreven goederen, het
zij tot do geheele of gedeeltelijke nalatenschap van den schenker.
-ocr page 77-
70                                            I BOEK. VAN PERSONEN.
225.   tuften vnn dien aard zijn van waarde, zonder de uit-
drukkelijkc aanneming van dengenen aan wien dezelve ge-
maakt zijn.
226.   Ine giften kunnen plaats hebben onder voorwaarden,
welker uitvoering van don wil des schenkers afhangt.
227.   Alle giften van tegenwoordige en bepaalde goederen zijn
onherroepelijk, behalve in liet geval van niet voldoening aan de
voorwaarden onder welke zij gemaakt zijn.
228.    I»e giften van de geheele of gedeeltelijke nalatenschap
van den schenker zijn onherroepelijk; met dien verstande, dat
hij niet meer over de goederen, in die gift begrepen, om niet
mag beschikken, behalve over geringe sommen tot belooning,
of om andere redenen, door den regter te beoordeelen.
Uit hoofde der niet-voldoening aan de voorwaarden, kunnen
die giften worden herroepen.
229.    Geene giften van tegenwoordigo en bepaaldelijk om-
schreven goederen, tusschen do echtgenooten hij huwelijksche
voorwaarden gemaakt, worden geacht te zijn onderworpen aan
de voorwaarde van overleving van den begiftigde, ten ware die
voorwaarde uitdrukkelijk mogt zijn gemaakt.
230.   (ieene gift van do geheele of gedeeltelijke nalatenschap
des schenkers bij huwelijksche voorwaarden, het zij door den
oenen echtgenoot aan den anderen, het zij over en weder, ge-
maakt, zal aan de kinderen, uit het huwelijk gesproten, over-
gaan, wanneer de begiftigde echtgenoot vóór den schenker mogt
komen te overlijden.
VIERDE AFDEELINC.
Van giften welke aan de aanstaande echtgenooten, of aan
kinderen uit hun tamelijk, gedaan zijn.
231.    Zoo wel bij huwelijksche voorwaarden, als bij afzon-
derlijke notariële akte, vóór het aangaan des huwelijks, en ter
zake van hetzelve verleden, kunnen derden aan do aanstaande
echtgenooten, of aan een hunner, zoodanige giften doen as zij
voegzaam oordeelen, behoudens de inkorting dier giften, voor
zoo verre daardoor de regten zijn benadeeld van degenen aan
wie een wettelijk aandeel toekomt.
232.   Indien die giften bij huwelijksche voorwaarden zijn
gedaan, wordt tot derzelver geldigheid niet gevorderd de uit-
drukkelijke aanneming door den begiftigde; wanneer daaren-
tegen de gift, bij afzonderlijke akte heeft plaats gehad, heeft
dezelve geen gevolg dan na de uitdrukkelijke aanneming.
233.   Kene gift van het geheel of van een gedeelte der na-
latenschap van den schenker, hoezeer alleen ten behoeve der
-ocr page 78-
IX TIT. VAN GEMEENSCHAP OF HUVVEL. VOOIIW.                   71
echtgenooten, of van een hunner, gedaan, wordt echter altijd
geacht ten behoeve van de kinderen en af komelingen, uit het
huwelijk geboren, te hebben plaats gehad, in het geval dat de
schenker den begiftigde overleeft, en het tegendeel niet uit-
drukkelijk bij de akte is bepaald.
Die giften vervallen, indien de schenker den begiftigde, en
de kinderen en de afkomelingen uit het huwelijk geboren,
overleeft.
234.  De bepalingen van artikel 224, 220, 227 en 228 zijn
insgelijks toepasselijk op de giften, waarvan in deze afdeeling
gesproken wordt.
NEGENDE TITEL.
VAN GEMEENSCHAP OP IIUWELUKSCHE VOORWAARDEN, BIJ
TWEEDE OP VERDER HUWELIJK.
235.   Ook in tweede en verder huwelijk bestaat van regts-
wege algeheele gemeenschap van goederen tusschen do eeht-
genooten, voor zooverre daaromtrent bij huwelijksehe voor-
waarden geene andere bepalingen zijn gemaakt.
236.   Hij tweede of verder huwelijk kan echter, indien er
kinderen of afkomelingen uit het vroeger huwelijk aanwezig
zijn. aan den nieuwen echtgenoot, door de vermenging van
goederen en schulden bij eenige gemeenschap, geen meerder
voordeel opkomen, dan ten beloopo van het minste gedeelte
hetwelk een dier kinderen, of bij vooroverlijden deszelfs afko-
melingen, bij plaatsvervulling, genieten, en zonder dat dit
voordeel immer het een vierde des boedels van den hertrouw-
den echtgenoot mag te boven gaan.
De voorkinderen of derzelver afkomelingen hebben, ten tijde
van het openvallen der nalatenschap van den hertrouwden
echtgenoot, eene regtsvordering tot inkorting oi vermindering;
en hetgeen het geoorloofd gedeelte te boven gaat, valt ten
voordecle van die nalatenschap.
237.    De man of de vrouw, kinderen of afkomelingen heb-
bende uit het vroeger bed, een tweede of volgend huwelijk aan-
gaande, mag aan den tweeden of verderen echtgenoot, ook bij
huwelijksehe voorwaarden, geene meerdere voordcelen bespreken,
dan hetgeen bij het vorige artikel broeder is omschreven.
238.   Do echtgenooten mogen elkander door zijdelingsche wegen
niet meer geven, dan hun bij de hier boven gemaakte bepalingen
is toegestaan.
Alle giften onder oenen verdichten titel, /if aan tusschen beide.\' 3
komende personen gedaan, zijn nietig.
239.    Voor giften aan tusschen beide komende personen ge-
daan, zullen gehouden worden de zoodanige, welke door een der
-ocr page 79-
72                                            I HOEK. VAN PERSONEN.
echtgenooten aan de kinderen, of aan een der kinderen van den
mede-echtgenoot, uit een vroeger huwelijk gesproten, gedaan
worden, alsmede de giften welke door den schenker zijn gedaan
aan bloedverwanten, van wie de andere echtgenoot, ten tijde dei-
gift, de vermoedelijke erfgenaam zal zijn; al ware het ook dat
de laatstgemelde den begiftigden bloedverwant niet hadde
overleefd.
240.   Ook in het geval waarin kinderen zijn uit een vroeger
huwelijk, worden winst en verlies gelijkelijk tusschen de eeht-
genooten gedeeld, ten zij de gemeenschap daarvan bij huwelijk-
sche voorwaarden zij uitgesloten of gewijzigd.
TIENDE TITEL.
VAN I>E SCHEIDING VAN GOEDEREN".
241.   De vrouw kan, staande huwelijk, bij den regter schei-
ding van goederen vragen, doch alleen in de volgende ge-
vallen:
1°. Wanneer do man, door oen kennelijk wangedrag, do goo-
deren der gemeenschap verspilt, en het huisgezin aan on-
dergang blootstelt;
2°. Wanneer, door de wanorde en het slecht beheer zijner
zaken, de waarborg voor het huwelijksgoed der vrouw, en
voor hetgeen haar naar regten toekomt, zoude verloren gaan,
of ook door grof verzuim in het beheer van het huwelijks-
goed, hetzelve zoude worden in gevaar gebracht.
Scheiding van goederen bij onderlinge toestemming is nietig. •
242.     De eiscli tot scheiding van goederen moet openlijk
worden bekend gemaakt.
243.     De schuldeischers van den man kunnen in het geding
tusschen beide komen, om den eisch tot scheiding van goederen
te betwisten.
244.    De scheiding van goederen moet, voor het ten uitvoer
leggen daarvan, openlijk worden bekend gemaakt, op straffe van
nietigheid der tenuitvoerlegging.
Het vonnis, waarbij de scheiding van goederen is toegewezen,
heeft, wat deszelfs gevolgen betreft, eene achteruitwerkende
kracht, te rekenen van den dag der regtsvordoring.
245.   Do vrouw kan gedurende het geding, met bewilliging
van den regter, behoedmiddelen in het werk stellen, ten einde
te voorkomen dat de goederen worden weggemaakt en verspild
246.     Het vonnis, waarbij de scheiding van goederen is toe-
gestaan, vervalt van regtswege, indien hetzelve niet, blijkens
eene daarvan op te maken authcn\'iekc akte, vrijwillig is ten
uitvoer gelegd door de werkelijke verdeeling der goederen ; of
-ocr page 80-
X TIT. V. DE SCHEIDING VAN GOEDEREN.                          73
wanneer, binnen den tijd van ééne maand nadat het vonnis
kracht van gewijsde heeft bekomen, geene regterlijke vervol-
gingen daartoe door do vrouw zijn begonnen en ïegelmatig wor-
den voortgezet.
247.   De schuldeischers van den man die. niet in het geding
zijn tusschen beide gekomen, kunnen zich tegen de scheiding
verzetten, al ware dezelve reeds ten uitvoer gelegd, indien hunne
regten daardoor opzettelijk mogten verkort zijn.
248.     Niettegenstaande de scheiding van goederen, is de
vrouw verplicht om, naar evenredigheid van haar vermogen en
dat van haren man, bij te drager, tot de kosten der huishou-
ding en de opvoeding der kinderen, door haren man bij haar
verwekt.
Bij onvermogen van den man, komen die kosten ten laste van
de vrouw alleen.
249.   De vrouw, welke van goederen gescheiden is, bekomt
de vrije beheering daarvan terug, en kan, niettegenstaande de
bepalingen van artikel 1(S3, van den regter eene algemeene be-
williging bekomen, om over hare roerende goederen te beschikken.
250.   De man is niet verantwoordelijk aan de vrouw, indien
zij van goederen gescheiden zijnde, nalatig is geweest om den
koopprijs van een onroerend goed, hetwelk zij op bekomen be-
williging van den regter vervreemd heeft, te gebruiken of weder
te beleggen, ten ware hij het contract mede hebbe helpen tot
stand brengen, of bewezen zij dat de penningen door hem ont-
vangen zijn, of ten zijnen voordeele gestrekt hebben.
251.   De gemeenschap, door scheiding van goederen ontbonden
zijnde, kan, met toestemming der echtgenooten, worden hersteld.
Zulks kan niet anders geschieden dan bij eene authentieke
akte.
252.   Wanneer do gemeenschap hersteld is, worden de zaken
in denzelfden staat terug gebragt alsof er geene scheiding had
plaats gehad, onverminderd de nakoming der handelingen, wel-
ke, gedurende het tusschenvak sedert de scheiding tot op het
herstel der gemeenschap, door de vrouw verrigt zijn.
Alle overeenkomsten waardoor de echtgenooten de gemeenschap
zouden herstellen, op andere voorwaarden dan waarop zij bevo-
rens geregeld was, zijn nietig.
253.    De echtgenooten zijn verpligt het herstel der gemeen-
schap openlijk bekend te maken.
Zoo lang die openlijke bekendmaking geen plaats heeft gehad,
kunnen de echtgenooten de gevolgen der herstelde gemeenschap
niet aan derden tegenwerpen.
-ocr page 81-
74
I BOEK. VAN PERSONEN.
ELFDE TITEL.
VAN DE ONTBINDING DES HUWELIJKS.
EERSTE AFDEELING.
Van de ontbinding des huwelijks in het algemeen.
254 Het huwelijk wordt ontbonden :
lo. Door den dood;
2o. Door afwezigheid van een der echtgenooten gedurende tien
jaren, en een daarop gevolgd nieuw huwelijk van don an-
deron echtgenoot, overeenkomstig de bepalingen van de
vijfde afdeeling des negentienden titels;
3o. Door rogterlijk vonnis, na scheiding van tafel en bed uit-
gesproken, in de gevallen, en overeenkomstig do bepalingen
van de tweede afdeeling van dezen titel:
4o. Door echtscheiding, overeenkomstig de bepalingen van de
derde afdeeling van dezen titel.
TWEEDE AFDEELING.
Van de ontbinling des huwelijks, na de scheiding
van tafel en bed.
255.   Wanneer echtgenooten van tafel en bed zijn gescheiden,
het zij uit hoofde van eene der redenen bij artikel 288 vermeld,
het zij op beider verzoek, en do scheiding gedurende vijf volle
jaren, zonder verzoening der partijen, heeft stand gehouden, zal
het aan ieder hunner vrijstaan om den anderen in regten op te
roepen, en te eischon dat het huwelijk worde ontbonden.
256.   Die eisch zal dadelijk worden ontzegd, indien de verwe-
ïvnde partij, na drie malen, van maand tot maand, in regten te
zijn opgeroepen, niet verschijnt, of, opkomende, zich tegen den
eisch verzet, of eindelijk, van hare zijde verklaart bereid te zijn
zich met de wederpartij te verzoenen.
257.   Indien de gedaagde partij in den eisch toestemt, zal de
regtbank de echtgenooten bevelen om te zamen, en in persoon,
voor een of meer harer leden te verschijnen, die hen tot eene
verzoening zullen trachten over te halen.
Indien de poging daartoe niet mogt gelukken, zal de regter
eene nieuwe verschijning bevelen, ten minste drie, en ten hoogste
zes maanden na de eerste, en zullen daarbij worden opgeroepen
de naaste bloedverwanten in de opgaande linie der beide echt-
genooten.
258.    Wanneer ook deze verschijning vruchteloos mogt af-
-ocr page 82-
XI TIT. VAN DE ONTBIND. DES HUWELIJKS.                      75
loopen, het zij do bloedverwanten, bij het vorige artikel vermeld,
al of\' niet verschenen zijn, zal de regtbank, op het rapport van
commissarissen, en na verhoor van het openbaar ministerie,
uitspraak doen, en zal de eiscli worden toegewezen, indien be-
hoorlijk aan alle de formaliteiten, hierboven omschreven, is
voldaan.
Het staat niettemin aan de regtbank vrij hare uitspraak,
gedurende den tijd van zes maanden na het voldingen der zaak.
aan te honden, indien het haar mogt zijn gebleken dat er nog
waarschijnlijkheid van verzoening bestaat.
259.  Tegen de uitspraak der regtbank wordt, uiterlijk gedu-
rende ééne maand, beroep bii den hoogeren regter toegelaten.
260.   Het vonnis waarbij de ontbinding is uitgesproken, moet
in de registers van den burgerlijken stand worden ingeschreven,
op dezelfde wijze en op dezelfde straften als, ten aanzien der
echtscheiding, bij artikel \'27(i is bepaald.
261.   Door do ontbinding des huwelijks wordt geen inbreuk
gemaakt op de wettelijke gevolgen der scheiding van tafel en
bed, bij artikel :>01 opgegeven, noch op de voorwaarden welke,
in geval van minnelijke scheiding, naar aanleiding van artikel
292, door partijen zijn geregeld : blijvende deze gevolgen en
voorwaarden in hunne volle kracht.
DEKDE AFDEELING.
Van echtscheiding.
262.   De vordering tot   echtscheiding kan alleen in regten
worden aangevangen, bij
    de arrondissements-regtbank dei-
woonplaats van den man,
   behoudens het geval bij art. 266
voorzien.
263.  Echtscheiding kan nimmer door onderlinge toestemming
plaats hebben.
264.    De gronden, welke eenc echtscheiding kunnen ten
gevolge hebben, bestaan alleen in de navolgende:
1°. Overspel;
2°. Kwaadwillige verlating;
3". Veroordeeling wegens misdrijf tot eene vrijheidsstraf van
vier jaren of langer, na het huwelijk uitgesproken;
4°. Zware verwondingen of zoodanige mishandelingen, door
den eenen echtgenoot jegens den anderen gepleegd, waar-
door diens leven wordt in gevaar gebragt, of waardoor
hem gevaarlijke verwondingen zijn toegebragt.
265.  Wanneer een der echtgenooton tot eenige straf is ver-
wezen, bij een vonnis, waaruit van een begaan overspel blijkt,
zal men tot het bekomen van echtscheiding geeno andere for-
-ocr page 83-
76
I HOEK. VAN PERSONEN.
maliteiten behoeven in acht te nemen, dan dat aan de arron-
dissements-regtbank een afschrift van dat vonnis worde aange-
boden, met bijvoeging van het bewijsschrift dat hetzelve vonnis
door geene wettige regtsmiddelen aan eenig beroep onderwor-
pen is.
Deze bepaling is insgelijks toepasselijk, wanneer de echt-
scheiding gevraagd wordt uit hoofde van de veroordeeling van
één der echtgenootcn wegens misdrijf tot eene vrijheidsstraf van
vier jaren of langer.
266. De eisch tot echtscheiding, uit hoofde van kwaadwillige
verlating, zal worden gedaan bij den regter der laatste gemeene
woonplaats, welke de echtgenooten ten tijde der verlating heb-
ben gehad, en kan alleen worden toegestaan, wanneer degene
der echtgenooten die de gemeene woonplaats, zonder wettige
oorzaak, heeft verlaten, in zijne weigering volhardt om tot
zijnen echtgenoot terug te koeren.
De regtsvordering daartoe kan niet vroeger worden aange-
vangen, dan na verloop van vijf jaren, te rekenen van het
tijdstip waarop de echtgenoot de gemeene woning verlaten heeft.
Wanneer de verwijdering eene wettige oorzaak heeft tot
grond gehad, zal da termijn van vijf jaren beginnen te loopen
van het oogenblik waarop die oorzaak beeft opgehouden.
267 De vrouw, het zij eischeresse tot echtscheiding, het zij
verweerderesse, kan, met bewilliging van den regter, gedurende
den loop van het geding, de woning van den man verlaten.
De regtbank zal het huis aanwijzen, alwaar de vrouw ver-
plicht zal zijn baar verblijf te houden.
268.   De vrouw is bevoegd eene uitkeering tot onderhoud te
vorderen, welke door den regter bepaald zijnde, de man
verpligt is aan haar, gedurende het regtsgeding, te vol-
doen.
Wanneer de vrouw, zonder verlof van den regter, het aan
haar aangewezen verblijf verlaat, kan zij, naar omstandigheden,
worden verstoken van alle aanspraak op die uitkeering, en
zelfs, wanneer zij eischeresse is, niet ontvankelijk worden ver-
klaard om hare regtsvordering voort te zetten.
269.    De regtbank, aan de vrouw een verblijf aanwijzende,
kan tevens, op het daartoe gedaan verzoek, bepalen aan wien
der echtgenooten, hangende het geding, de kinderen zullen
worden toevertrouwd.
270.   Do regten van den man, opzigtelijk hot beheer der goe-
deren van de vrouw, worden, gedurende het geding, niet
geschorst, behoudens de bevoegdheid der vrouw om, ter bewa-
ring van haar regt, gebruik te maken van de behoedmiddelen,
welke bij het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering op dat
stuk zijn aangewezen.
-ocr page 84-
XI TIT. VAN DK ONTBIND. DES HUWELIJKS.                       77
Allo akten van den man, waardoor de regten van do vrouw
opzettelijk verkort worden, zijn nietig.
271.   Het regt om echtscheiding te vorderen vervalt door de
verzoening der eehtgenooten, om het even of die verzoening
hebbe plaats gehad, nadat de eene echtgenoot had kennis gedra-
gen van de daadzaken, welke grond tot de regtsvordering had-
den kunnen opleveren, dan wel, nadat de eisch tot echtschei-
ding in regten gedaan is.
De wet vooronderstelt die verzoening, wanneer man en vrouw
weder zamen wonen, nadat laatstgemeldo de gemeenschappelijke
woning, op verlof van den regter, had verlaten.
272.   De echtgenoot, welke eene nieuwe regtsvordering aan-
vangt, op grond van eene nieuwe oorzaak, na de verzoening
opgekomen, mag, ter staving van zijnen eisch, van de oude
redenen gebruik maken.
273.    De regtsvordering tot echtscheiding, uit hoofde van
kwaadwillige verlating, vervalt, indien de echtgenoot, vóór het
uitspreken der echtscheiding, in de gemeene woonplaats terug
keert. Wanneer echter, na de terugkeering, de echtgenoot ander-
ïnaal, zonder wettige oorzaak, de gemeene woonplaats verlaat,
zal do andere echtgenoot eene nieuwe regtsvordering tot echt-
scheiding kunnen aanvangen, zes maanden na de verlating, en
van de oude redenen tot staving van zijnen eisch gebruik
maken.
In dat geval, zal de regtsvordering tot echtscheiding, door
eene opgevolgde terugkeering van den echtgenoot, niet ver-
vallen.
274.   Indien in de beide gevallen, bij artikel|265 voorzien, de
echtgenoot zes maanden heeft laten verloopen, te rekenen van
don dag waarop het vonnis kracht van gewijsde bekomen heeft,
is hij niet meer ontvankelijk om eene regtsvordering tot echt-
scheiding aan te vangen.
Indien de eene echtgenoot zich buiten het Koningrijk bevindt,
op het tijdstip der veroordeeling van den anderen, zal de voor-
schreven termijn van zes maanden aanvang nemen, te rekenen
van den dag der terugkeering.
275.   De regtsvordering tot echtscheiding vervalt, indien een
der beide eehtgenooten vóór de uitspraak is overleden.
276.    Het vonnis, waarbij do echtscheiding is uitgesproken,
moet, ten verzoeke van beide partijen, of van ééne derzelve,
in de registers van den burgerlijken stand hunner woonplaats
worden ingeschreven, uiterlijk binnen den tijd van zes maan-
den, te rekenen van den dag waarop dat vonnis voor geen
wettelijk beroep vatbaar is.
Indien de inschrijving binnen dien termijn niet is geschied,
vervalt daardoor de kracht van het vonnis, waarbij de echt-
-ocr page 85-
78
I BOEK. VAN PERSONEN.
scheiding is uitgesproken, en kan die om dezelfde redenen niet
op nieuw worden geëischt.
277.   De echtgenoot aan wien de eisch tot echtscheiding is
toegewezen, behoudt alle de voordeden, hom door den anderen
echtgenoot ter zake des huwelijks toegezegd, al waro het dat
deze voordeden wederkeerig bedongen mogten zijn.
278.   Daarentegen verliest de echtgenoot, tegen wien de echt-
scheiding uitgesproken is, alle de voordeden, welke de andere
echtgenoot ter zake des huwelijks aan hem had toegezegd.
279.    Door echtscheiding worden niet dadelijk opvorderhaar
de bedongen voordeden, welke eerst na den dood van een der
echtgenooten gevolg moesten hebben; maar hij, aan wien de
eisch tot echtscheiding is toegewezen, kan zijn regt tot die
voordeden eerst na het overlijden van de wederpartij doen gelden.
280.   Indien de echtgenoot, op wiens verzoek de echtschei-
ding is uitgesproken, geene genoegzame inkomsten heeft tot
zijn levensonderhoud, zal do regtbank hem uit de goederen van
den anderen echtgenoot eene uitkeering tot onderhoud mogen
toeleggen.
281.   De uitkeering zal worden bepaald volgens den staat en
het fortuin van dengenen der echtgenooten welke dezelve ver-
schuldigd is.
In geval van merkelijke vermindering van deszelfs fortuin
zal de uitkeering kunnen worden ingekort, en zij zal zelfs ten
cenen male ophouden, zoo dra do andere partij dezelve niet
verder behoeft.
282.   De verpligting tot hot verschaffen van levensonderhoud
houdt op door den dood van een der echtgenooten.
283.   De uitkeeringen, welke door derden bij een huwelijks-
contract zijn besproken, blijven bij voortduring verschuldigd aan
dengenen der gescheiden echtgenooten, ten wiens behoeve dezelve
beloofd waren.
284.   De kinderen zullen verblijven bij dengenen der echtge-
nooton, op wiens verzoek de echtscheiding is uitgesproken.
Niettemin zal de regtbank, bij het uitspreken der echtscheiding,
het zij ten verzoeke van bloedverwanten, het zij op de vordering
van het openbaar ministerie, het zij ambtshalve, in het belang
der kinderen kunnen bevelen, dat alle of eonigon hunner aan
den anderen echtgenoot, of aan een derden persoon, zullen
worden toevertrouwd.
In geval van overlijden van dengenen aan wien de kinderen
waren toevertrouwd, zal de regtbank daartoe, op do wijze hier-
boven omschreven, eonen anderen persoon kunnen benoemen;
onverminderd de bevoegdheid der regtbank om, bij veranderde
omstandigheden, die beschikking, op verzoek van den belang-
hebbenden echtgenoot, in te trekken of to wijzigen.
-ocr page 86-
XII T1T. VAN DE SCHEID. V. TAFEL EN BED.                      IV
285.   Onverminderd do bepaling van het eerste lid van het
~vorige artikel, behouden de vader en de moeder de regten,
welke uit de ouderlijke niagt of de voogdij voortspruiten.
Wie ook de persoon zij aan wien de kinderen zijn toevertrouwd,
behouden de beide ouders de bevoegdheid om voor hun
onderhoud en hunne opvoeding te waken, en zullen daartoe,
naar evenredigheid vr.n hun vermogen, moeten bijdragen.
286.   De ontbinding des huwelijks door echtscheiding zal de
kinderen, uit dat huwelijk geboren, van geene der voordeden
versteken, die hun door de wetten, of door de huwelijks-
bedingen van hunne ouders, verzekerd waren.
Kchter zullen do kinderen daarop geene aanspraak hebben,
dan op dezelfde manier en in dezelfde omstandigheden, als of
er geene echtscheiding had plaats gehad.
287.   Indien de gescheiden echtgenooten in gemeenschap van
goederen getrouwd waren, zal de verdeeling der goederen plaats
.hebben, op den voet en de wijze als bij den zevenden titel is
bepaald.
TWAALFDK TITEL.
VAN DE SCHEIDING VAN TAFEL EN BED.
288.   In de gevallen, welke grond tot echtscheiding opleveren,
zal het aan de echtgenooten vrijstaan om de scheiding van tafel
en bed in regten te vragen.
Die regtsvordoring zal ook kunnen worden aangevangen, ter
zake van buitensporigheden, mishandelingen en grove belee-
digingen, door den eenen echtgenoot jegens den anderen begaan.
289.   Zij wordt op dezelfde wijze als die tot echtscheiding
aangelegd, voortgezet en uitgewezen.
290.   De echtgenoot, welke eene regtsvordering tot scheiding
van tafel en bed heeft aangevangen, is niet ontvankelijk om
uit hoofde van dezelfde oorzaak echtscheiding te vragen.
291.   Scheiding van tafel en bed kan ook door den regter
worden uitgesproken, op het verzoek, door de beide echtgenooten
te zamen gedaan, zonder dat deze gehouden zijn eene bepaalde
oorzaak op te geven.
Zoodanige scheiding zal niet kunnen worden toegestaan, ten
zij de echtgenooten gedurende den tijd van twee jaren zijn ge-
trouwd geweest.
292.   Alvorens scheiding van tafel en bed to vragen, zijn do
echtgenooten vorpligt, bij eene authentieke akte, alle de voor-
waarden dier scheiding te regelen, zoo wel te hunnen opzigte,
als met betrekking tot hunne kinderen.
De schikkingen tusschen hen beraamd, om plaats te hebben
-ocr page 87-
80
I BOEK. VAN PERSONEN.
gedurende het regterlijk onderzoek, moeten aan de bekrachtiging
van de regthank worden onderworpen, oin, des noods, door
haar geregeld te worden.
293.   De aanvrage der heide echtgenooten geschiedt hij ver-
zoekschrift aan de arrondissomentsregtbank van hunne \\voon-
]>laats; en moet daarbij worden overgelegd, zoo wel afschrift der
huwelijks akte, als van de overeenkomst waarvan bij het eerste
lid van het vorige artikel wordt gesproken.
294.   He regthank zal daarop aan de heide echtgenooten be-
velen om te zamen en in persoon te verschijnen voor een of
meer harer leden, welke aan hen de noodige vertoogen zullen
doen.
Indien de echtgenooten bij hun voornemen volharden, zal de
regter eene nieuwe verschijning, na verloop van zes maanden,
bevelen.
295.   De regthank zal zes maanden na de tweede verschijning
uitspraak doen, na verhoor of behoorlijke oproeping der naaste
bloedverwanten van de echtgenooten in de opgaande li-.iie, en
op de conclusiën van het openbaar ministerie.
296.   Bij weigering van de gedane aanvrage, kunnen de echt-
genooten te zamen, uiterlijk binnen eene maand na de uitspraak,
daartegen bij verzoekschrift aan den hoogeren regter opkomen.
297.   Door scheiding van tafel en bed wordt het huwelijk niet
ontbonden, maar zijn de echtgenooten daardoor van de ver-
pligting tot zamenwoning ontheven.
298.   Scheiding van tafel en bed hoeft altijd de scheiding van
goederen ten gevolge, en zal grond opleveren tot de verdeeling
der gemeenschap, even als of het huwelijk geheel ontbonden
ware.
299.    Door de scheiding van tafel on bed wordt het beheer
van den man over de goederen zijner vrouw opgeschort.
De vrouw bekomt het vrije beheer harer goederen terug, en
kan, niettegenstaande de bepalingen van artikel 103, van den
regter eene algemeene magtiging erlangen om over hare roe-
rende goederen te beschikken.
300.   De vonnissen tot scheiding van tafel en bed zullen openlijk
worden bekend gemaakt.
Zoo lang deze openlijke bekendmaking niet heeft plaats ge-
had, zal het vonnis tot scheiding van tafel en bed niet tegen |
derden kunnen werken.
301.   De bepalingen van artikel 265, 20G, 267, 268, 269. 270,
271, 272, 273, 274, 275, 277, 278, 279, 280, 281, 282, 283,284,
285 on 286 zijn insgelijks toepasselijk op de scheiding van
tafel en bed. door den oenen jegens den anderen echtgenoot
gevraagd.
Indien de scheiding heeft plaats gehad om eene der redenen
-ocr page 88-
XIII TIT. V. H. VADERSCH. EN DE AFSTAM. D. KIND.            81
welke grond tot echtscheiding zouden hebben kunnen opleveren,
is ook artikel 372 te dezen toepasselijk.
302.  Wanneer de regter, na de overeenkomst te hebben over-
«ogen, waarvan in het eerste lid van artikel \'292 gesproken
wordt, de scheiding van tafel en bed op verzoek der beide
echtgenooten toestaat, zal die scheiding alle de gevolgen hebben,
welke bij de overeenkomst zijn bedongen.
303.   De scheiding van tafel en bed gaat, van regtswegc, te
niet door de verzoening der echtgenooten, en doet alle de ge-
volgen van het huwelijk herleven, behoudens nogtans jegens
derden de voortdurende kracht van de handelingen, welke ge-
durende het tijdvak tusschen de scheiding en de verzoening mogten
hebben plaats gehad.
Alle hiermede strijdende bedingen tusschen de echtgenooten
zijn nietig.
304.  Wanneer het vonnis, waarbij de echtgenooten van tafel
en bed worden gescheiden, openlijk is bekend gemaakt, zullen
de echtgenooten de gevolgen hunner vei\'zoening niet tegen
derden kunnen doen werken, wanneer zij niet insgelijks en op
dezelfde manier openlijk hebben doen bekend maken dat de
scheiding heeft opgehouden te bestaan.
DERTIENDE TITEL.
VAN HET VADERSCHAP EN DE AFSTAMMING DER KINDEREN.
EERSTE AFDEEL1NG.
Van wettige kinderen.
305.   Het kind, hetwelk staande huwelijk is geboren of verwekt,
heeft den man tot vader.
306.   De wettigheid van een kind, hetwelk vóór den hon-
derd tachtigsten dag des huwelijks geboren is, kan door den
man worden ontkend. Nogtans zal de ontkenning geen plaats
kunnen hebben in de navolgende gevallen:
1°. Wanneer de man, vóór het huwelijk, van de zwangerschap
heeft kennis gedragen:
2°. Wanneer hij bij het opmaken van de akte van geboorte is
tegenwoordig geweest, en deze akte door hem is onder-
teekend, of eene door hem gegevene verklaring inhoudt
dat bij niet kan teekenen;
3". Wanneer het kind niet levend is ter wereld gekomen.
307.  De man kan de wettigheid des kinds ontkennen, indien
hij bewijst, dat hij sedert den drie honderdsten tot den hon-
derd tachtigsten dag vóór de geboorte van het kind, het zij
6
-ocr page 89-
82
I BOEK. VAK PERSONEN.
uit hoofde van verwijdering, het zij door de gevolgen van eenig
toeval, in de natuurlijke onmogelijkheid geweest is met zijne
vrouw gemeenschap te hebhen.
De man kan, door zich op zijne natuurlijke onmagt te be-
roepen, niet ontkennen dat het kind het zijne is.
308.   De man kan de wettigheid des kinds niet ontkennen
op grond van overspel, ten ware de geboorte voor hem zij ver-
borgen gehouden; in welk geval, hij zal worden toegelaten om
het bewijs dat hij de vader des kinds niet is tot volkomenheid
te brengen.
309.  Hij kan de wettigheid ontkennen van een kind, het-
welk geboren is drie. honderd dagen na dien, waarop een vonnis
tot scheiding van tafel en bed kracht van gewijsde heeft ver-
kregen, onverminderd het vermogen van de vrouw om alle
zoodanige daadzaken aan te voeren, welke geschikt mogten zijn
tot bewijs dat haar man de vader des kinds is.
Wanneer de ontkenning is geldig verklaard, zal door de
verzoening der echtgenooten het kind geenen wettigen staat
kunnen verkrijgen.
310.   Het kind, hetwelk drie honderd dagen na de ontbin
ding des huwelijks wordt geboren, is onwettig.
311.  In de gevallen bij artikel 306, 307, 308 en 309 voorzien,
zal de man de wettigheid des kinds moeten ontkennen, binnen
eene maand, indien hij zich bevindt op de geboorteplaats van
het kind, of binnen den omtrek daarvan;
Binnen twee maanden na zijne terugkomst indien hij af-
wezig is;
Binnen twee maanden na de ontdekking van het bedrog,
indien men de geboorte van het kind voor hem had verborgen
gehouden.
Alle buiten rogten verleden akten, inhoudende de ontkenning
van den man, zijn krachteloos, zoo zij niet binnen twee maan-
den van eene regtsvordering zijn achtervolgd.
Indien de man, na de ontkenning, bij eene buiten regten
verleden akte, te hebben gedaan, komt te overlijden binnen den
voorschreven termijn, zal aan zijne erfgenamen een nieuwe ter-
mijn van twee maanden geopend zijn, ten einde hunne regts-
vordering aan te vangen.
312.  De regtsvordering, door den man aangevangen, vervalt,
indien de erfgenamen dezelve niet voortzetten binnen twee
maanden, te rekenen van het overlijden van den man.
313.  Wanneer de man is overleden, voordat hij zijn regt te
dezen opzichte heeft doen gelden, maar terwijl de tijd daartoe
nog loopende was, zullen de erfgenamen de wettigheid des
kinds niet kunnen ontkennen, dan alleen in het geval van
artikel 307.
-ocr page 90-
XIII TIT. V. K. VADKRSCH. EN DE AFSTAM. D. KIND.             83
Dc regtsvordering tot hot betwisten van de wettigheid van
het kind, zal moeten worden aangevangen binnen den tijd van
twee maanden, te rekenen van het tijdstip waarop het kind
zich za! hebben in het bezit gesteld van de goederen van den
man, of van het tijdstip waarop de erfgenamen in dat bezit
door het kind gestoord zijn.
314.    In de gevallen waarin de erfgenamen, naar aanleiding
van artikel 311, 312 en 313, bevoegd zijn om eene regtsvor-
dering tot liet betwisten der wettigheid van een kind aan te
vangen of te vervolgen, zullen zij een termijn hebben van zes
maanden, indien een of meer hunner buiten het Koningrijk
woonachtig zijn.
Indien een of moer hunner buiten Europa woonachtig zijn,
zullen zij oen termijn van een jaar hebben.
In geval van oorlog ter zee, zullen de termijnen van zes
maanden en van een jaar worden verdubbeld.
315.  Alle regtsvordering tot het ontkennen van de wettig-
heid van een kind zal gerigt moeten worden tegen eenen bij-
zonderen aan het kind toe te voegen voogd, en zal de moeder
behoorlijk in het geding moeten worden opgeroepen.
316.  De afstamming van wettige kinderen wordt bewezen door
de akten van geboorten, in de registers van den burgerlijken
stand ingeschreven.
Bij gebreke van zoodanige akten, is het ongestoord bezit van
den staat van wettig kind voldoende.
317.  Het bezit van dien staat wordt bewezen door daadzaken,
welke, het zij te zamen, het zij afzonderlijk, de betrekking van
afstamming en verwantschap tusschen eenen bepaalden persoon
en het geslacht, tot hetwelk hij beweert te behooren, aan-
toonen.
De voornaamste van deze daadzaken zijn, onder anderen:
Dat die persoon altijd den naam heeft gedragen van den
vader, van wien hij beweert af te stammen ;
Dat de vader hem als zijn kind heeft behandeld, en als zoo-
danig in zijne opvoeding, zijn onderhoud en zijne kostwinning
heeft voorzien ;
Dat hij aanhoudend als zoodanig in de maatschappij erkend is;
Dat do nabestaanden hem als zoodanig erkend hebben.
318.  Niemand kan zich op eenen staat beroepen die strijdig
is met dien, welke zijnó akte van geboorte en het bezit, met
die akte overeenstemmende, hem geven, en wederkeerig kan
niemand den staat betwisten van dengenen die een bezit heeft,
overeenkomstig zijne akte van geboorte.
319.   Bij gebreke van zoodanige akte en onafgebroken bezit
van staat, of wanneer het kind onder valsche namen, of als
geboren uit eenen vader en eene moeder die onbekend zijn, in
-ocr page 91-
84                           \'         I BOEK. VAN PERSONEN.
de registers is ingeschreven, kan de afstamming door getuigen
bewezen worden. •
Dit bewijs kan nogtans niet worden toegelaten, dan wanneer
er een begin is van bewijs door geschrifte; of wanneer de
vermoedens of aanwijzingen, voortvloeiende uit daadzaken die
reeds onbetwistbaar zijn, als genoegzaam zwaarwigtig kunnen
worden beschouwd om zoodanig middel van bewijs toe te
laten.
320.   Het begin van bewijs bij geschrifte vloeit voort uit
familie-bescheiden, uit registers en huisselijke papieren van den
vader of de moeder, of ook wel uit openbare of onderhandsche
akten, voortkomende van iemand die in het geschil betrokken
is. of. nog in leven zijnde, daarbij belang zoude hebben gehad.
321.   Het tegenbewijs kan bestaan in alle zoodanige middelen
als geschikt zijn om aan te toonen, dat degene die zich op zijne
afstamming beroept het kind niet is van de moeder welke hij
voorgeeft te hebben; of ook, het moederschap bewezen zijnde,
dat hij het kind niet is van den man van die moeder.
322.   De burgerlijke regtbanken alleen zijn bevoegd om kennis
te nemen van regtsvorderingen, waarbij men zich op eenigen
staat beroept.
323.   De lijfstraffelijke regtsvordering wegens het misdrijf van
verduistering van staat kan niet worden aangevangen, voordat
het eindvonnis over het geschil van dien staat is uitgesproken.
Het staat evenwel aan het openbaar ministerie vrij om, wan-
neer do belanghebbende partijen stilzitten, eene lijfstraffelijke
regtsvordering uit hoofde van verduistering van staat aan te
vangen, mits er een begin van bewijs bij geschrifte, overeen -
komstig art. 320, aanwezig zij, en over het aanwezen van dat
begin van bewijs aanvankelijk zij beslist.
In het laatste geval, zal de voortzetting der openbare regts-
vordering door geen burgerlijk geding kunnen worden geschorst.
\' 324. De regtsvordering tot inroeping van den staat is, ten
opzigte van het kind. aan geene verjaring onderworpen.
325.   Deze regtsvordering kan door de erfgenamen van het
kind. hetwelk zijnen staat niet heeft ingeroepen, niet worden
aangevangen, ten ware het kind minderjarig, of binnen drie
jaren na zijne meerderjarigheid mogt overleden zijn.
326.   De erfgenamen kunnen echter zoodanige regtsvordering
voortzetten, wanneer zij door het kind is aangelegd, ten zij liet-
zelve bet geding drie jaren na de laatste proces-akte hebbe on-
vervolgd gelaten.
-ocr page 92-
XIII TIT. V. H. VADERSCH. EN DE AFSTAM. D. KIND.            85
TWEEDE AFDEELING.
Van de wettiging van natuurlijke kinderen.
327.   Kinderen buiten huwelijk verwekt, met uitzondering van
degenen die in overspel of in bloedschande zijn geteeld, worden
door het opvolgend huwelijk van hunnen vader en hunne moeder
gewettigd, wanneer deze hen, vóór het aangaan des huwelijks,
wettiglijk hebben erkend, of wanneer die erkenning plaats heeft
bij do akte van voltrekking zelve.
328.   Kinderen, uit ouders geboren, tusschen welke, zonder
bekomene dispensatie van den Koning, geen huwelijk mogt be-
staan, kunnen op geene andere wijze worden gewettigd, dan
door dcrzclver erkenning bij de huwelijks-akte.
329.   Indien de ouders, vóór of bij het aangaan des huwelijks,
mogten hebben verzuimd hunne natuurlijke kinderen te erkennen,
kan dit verzuim worden hersteld door brieven van wettiging,
bij den Koning, na ingewonden ad vijs van den hoogen raad,
verleend.
330.   Op gelijke wijze als bij het vorige artikel is bepaald,
kunnen ook worden gewettigd natuurlijke en wettiglijk erkende
kinderen, uit ouders geboren die, uit hoofde van het overlijden
van een hunner, hun voorgenomen huwelijk niet hebben kunnen
tot stand brengen.
331.   In de beide gevallen, bij de twee laatstvoorgaande arti-
kelen uitgedrukt, zal de hooge raad, alvorens zijn advijs uit te
brengen, de bloedverwanten der verzoekers hooren of doen hoo-
ren, en zelfs kunnen bevelen dat het verzoek ter wettiging, door
middel van aan te wijzen openbare nieuwspapieren, worde be-
kend gemaakt.
332.    Wettiging, het zij door het opvolgend huwelijk der
ouders, het zij, in het geval van artikel 329, bij brieven van
wettiging verleend, heeft ten gevolge, dat de kinderen dezelfde
regten genieten als of zij sedert het huwelijk waren geboren.
333.   In het geval bij artikel 330 voorzien, heeft de wettiging
slechts kracht, van den dag waarop de brieven door den
Koning zijn verleend; zij kan alzoo, ten aanzien der erfopvolging,
niet strekken ten nadeele van wettige voorkinderen, gelijk zij
ook niet werkt in de erfopvolging van andere bloedverwanten,
dan voor zoo verre dezelve in het verleenen der brieven van
wettiging hebben toegestemd.
334.    Op gelijke wijze, en onder dezelfde bepalingen als bij
de vorige artikelen is vermeld, kunnen ook reeds overledene
kinderen, welke nakomelingen hebben nagelaten, gewettigd wor-
den; in welk geval, de wettiging ten voordeele van die afko-
melingen strekt.
-ocr page 93-
86
I BOEK. VAN PERSONEN.
DEKDE AFDEELING.
Van de erkenning van natuurlijke kinderen.
335.    Door het erkennen van een natuurlijk kind worden
burgerlijke betrekkingen geboren tusschen dat kind en zijnen
vader of zijne moeder.
336.    Het erkennen van een natuurlijk kind kan door alle
authentieke akten geschieden, wanneer zulks niet reeds bij de
akte van geboorte, of ter gelegenheid van het aangaan des
huwelijks, gedaan is.
Zoodanige erkenning kan ook plaats hebben door eene akte,
hij den ambtenaar van den burgerlijken stand opgemaakt, en in
de registers ingeschreven op de wijze als bij artikel 38 is be-
paald.
337.   De erkenning van een natuurlijk kind, door eenen min-
derjarige gedaan, zal niet van waaide zijn, ten zij de minder-
jarige den vollen ouderdom van negentien jaren hebbe bereikt,
en de erkenning niet het. gevolg zij van dwang, dwaling, bedrog
of verleiding.
Eene minderjarige dochter nogtans zal die erkenning kunnen
doen, voordat zij den ouderdom van negentien jaren vervuld heeft.
338.   Kinderen in overspel of bloedschande geteeld kunnen
niet worden erkend, behoudens, ten opzigte van laatstgemelde,
de bepaling van artikel 328.
339.   Geene erkenning van een natuurlijk kind zal, gedurende
het leven van de moeder, worden aangenomen, wanneer zij niet
in die erkenning heeft toegestemd.
Wanneer zoodanig kind, na het overlijden der moeder, erkend
is, heeft de erkenning geen ander gevolg, dan alleen met opzigt
tot den vader.
340.    De erkenning, staande huwelijk, door een der echtge-
nooten gedaan, ten vcordeele van een natuurlijk kind, hetwelk
hij, vóór zijn huwelijk, bij eenen anderen persoon dan zijn echt-
genoot verwekt heeft, kan noch aan dien echtgenoot, noch ook
aan do kinderen uit dat huwelijk geboren, schade toebrengen.
Niettemin zal die erkenning hare gevolgen hebben, na de
ontbinding van dat huwelijk, wanneer daaruit geene afkomelin-
gen overblijven.
341.    Alle erkenning door den vader of de moeder gedaan,
gelijk mede alle inroeping van staat van de zijde van het kind,
kan betwist worden door alle degenen die daarbij belang hebben.
342.   Het onderzoek naar het vaderschap is verboden.
In geval echter van eenig misdrijf bij de artt. 242—245,
249 of 281 Wetboek van Strafrecht voorzien, wanneer het
tijdstip, waarop het misdrijf begaan is, met dat der zwanger-
schap overeenstemt, kan de schuldige, op de daartoe gedane
-ocr page 94-
XIV TIT. VAN BLOEDVERWANTSCHAP EN ZWANGERSCHAP. 87
vordering der belanghebbende partijen, verklaard worden vader
van het kind te zijn.
343.  Het onderzoek, wie moeder van het kind is, wordt toe-
gelaten.
In zoodanig geval, is het kind verpligt te bewijzen dat het is
hetzelfde kind van hetwelk de moeder is bevallen.
Tot geen bewijs door getuigen wordt het kind toegelaten, ten
ware reeds een begin van bewijs bij geschrifte mogt bestaan.
344.   Geen kind zal worden toegelaten om te onderzoeken
wie zijn vader of zijne moeder is, in de gevallen, in welke, vol-
gens artikel 338, de erkenning niet kan plaats hebben.
VEERTIENDE TITEL.
VAN BLOEDVERWANTSCHAP EN ZWAGERSCHAP.
345.  Bloedverwantschap bestaat in de betrekking tusschen
personen, welke de een van den anderen afstammen, of eenen
gemeenen stamvader hebben.
De betrekking van bloedverwantschap wordt berekend door
het getal der geboorten; elke geboorte wordt een graad
genoemd.
346.  De opvolging van graden maakt de linie.
Men noemt eene regte linie de opvolging van graden
tusschen personen, die de een van den anderen afstammen;
zijd linie, de opvolging van graden tusschen personen, die niet
van elkander afstammen, maar die eenen gemeenen stamvader
hebben.
347.  De regte linie wordt onderscheiden in regte neder-
dalende, en regte opgaande linie.
De eerste maakt het verband tusschen den stamvader en die
van hem afstammen; de laatste verbindt eenen persoon met
diengenen van welken hij afstamt.
348.  In de regte linie rekent men, dat er tusschen de per-
sonen zoo vele graden zijn als er geboorten bestaan: zoo staat,
in de nederdalende linie, de zoon, met betrekking tot den vader,
in den eersten graad; de kleinzoon in den tweeden, en zoo
voorts; en wederkeerig staan, in de opgaande linie, de vader en
grootvader met betrekking tot den zoon en kleinzoon, in den
eersten of\' tweeden graad, en zoo vervolgens.
349.  In de zijdlinie worden do graden berekend door het
getal der geboorten, eerst tusschen den eenen bloedverwant en
den naasten gemeenen stamvader, en vervolgens tusschen dezen
en den anderen bloedverwant: zoo bestaan twee broeders elkander
in den tweeden graad, ooms en neven in den derden, volle neven
in den vierden, en zoo vervolgens.
-ocr page 95-
K,K
I BOEK. VAN PERSONEN.
350.  Zwagerschap bestaat in de betrekking welke door
aanhuwelijking geboren wordt tusschen deneenen der echtgenooten
en de bloedverwanten van den anderen.
Er bestaat geene zwagerschap tusschen de wederzijdsche
bloedverwanten der echtgenooten.
351.  De graden van zwagerschap worden op dezelfde
manier als die der bloedverwantschap berekend.
352.   Door de ontbinding des huwelijks wordt de zwagerschap
tusschen den eenen der echtgenooten en de bloedverwanten van
den anderen niet opgeheven.
VIJFTIENDE. TITEL.
VAN DE VADERLIJKE MAGT.
EERSTE AFDEELINU.
[ Van de gevolgen der vaderlijke magt, ten opziyte van den
persoon den kinds.
353.  Een kind, van welken ouderdom ook, is eerbied en
ontzag aan zijne ouders verschuldigd.
De ouders zijn verpligt hunne minderjarige kinderen te onder-
houden en op te voeden; ten aanzien van de meerderjarige,
gelden de bepalingen in de derde afdeeling van dezen titel
voorkomende.
354.  Het kind blijft onder hunne magt tot aan zijne meer-
derjarigheid.
355.  De vader alleen oefent, gedurende het huwelijk, deze
magt uit.
Indien de vader daartoe buiten de mogelijkheid is wordt hij
door de moeder vervangen.
356.  Een minderjarig kind mag zonder toestemming van zijnen
vader het ouderlijk huis niet verlaten.
357.  Wanneer de vader gewigtige redenen van misnoegen
heeft over het gedrag van zijn kind, kan de arrondissements-
regtbank, op zijn verzoek en ten zijnen koste, dat kind in ver-
zekerde bewaring doen stellen, op zoodanige plaats als de regt-
bank, op voordragt des vaders, zal oordcelen te behooren.
De regtbank, na verhoor van hot openbaar ministerie, zal dat
verzoek kunnen toestaan, doch niet langer dan voor den tijd
van drie maanden, indien het kind den vollen ouderdom van
vijftien jaren niet heeft bereikt, of voor den tijd van één jaar,
nadat het kind zijn zestiende jaar is ingetreden, tot op deszelfs
meerderjarigheid.
-ocr page 96-
89
XV TIT. VAN DE VADEKLIJKE MACT.
Er zal to dezen opzigte geene geregtelijke formaliteit worden
in acht genomen, behalve het bevel tot vastzetting, waarin
echter de redenen niet zullen worden uitgedrukt.
358.  Wanneer de moeder de langstlevende en niet hertrouwd
is, en de vastzetting van het kind verzoekt, zal de regtbank,
na verhoor van twee uit de naaste vaderlijke bloedverwanten,
het verlof daartoe kunnen verleenen.
359.  De vader, en bij gebreke van dien de moeder, blijft
altijd meester om den tijd der verzochte vastzetting te ver-
korten.
360.   Het kind kan, na zijne vastzetting, daartegen opkomen,
door middel van een verzoekschrift bij den hoogeren regter,
welke, na verhoor van den vader of van de moeder, mitsgaders
van het openbaar ministerie, onverwijld zoodanig zal beslissen
als hij zal vermeenen te behooren.
361.    Alle de bepalingen van deze afdeeling, met uitzonde-
ring alleen van de bij artikel 358 voorgeschreven verpligting
tot verhoor van de vaderlijke bloedverwanten, zijn ook van toe-
passing op natuurlijke en wettelijk erkende kinderen en hunne
ouders.
TWEEDE AFDEELING.
VAN DE GEVOLGEN DEK VADEULI.IKE MAGT, TEN OPZIGTE VAN
DE GOEDEREN VAN HET KIND.
362.  De vader heeft, gedurende het huwelijk, het bewind
over de goederen aan zijne minderjarige kinderen toebe-
hoorende.
Deze bepaling is echter niet toepasselijk op zoodanige goe-
deren, welke, het zij bij akte onder de levenden, het zij bij eene
uiterste wilsbeschikking, aan de kinderen zijn geschonken of
gemaakt, onder bepaling dat het bewind daarover aan een of
meerdere daartoe aangestelde bewindvoerders, buiten den vader,
zal worden opgedragen.
Wanneer zoodanig gesteld bewind, om welke redenen ook,
mogt vervallen, gaan de bedoelde goederen over onder het be-
heer van den vader.
Niettegenstaande de aanstelling van bijzondere bowindvoer-
ders, in voege voorschreven, heeft de vader het regt om, ge-
durende de minderjarigheid van zijn kind, van eerstgemelden
rekening en verantwoording te vragen.
363.  De vader, als bewindvoerder over de goederen van zijne
kinderen, is verantwoordelijk, zoo voor den eigendom, als voor
de vruchten van zoodanige goederen waarvan hij het genot
niet heeft.
-ocr page 97-
90
I BOEK. VAN PERSONEN.
Wat de goederen betreft, waarvan de wet hem het vruchtge-
not toekent, is hij alleen verantwoordelijk voor derzelver
eigendom.
364.  De vader kan over de goederen zijner minderjarige kin-
deren niet beschikken, dan met inachtneming der regelen, welke
ten opzigte van het vervreemden van goederen, aan minder-
jarigen toebehoorende, bij den titel van de minderjarig\'
heid, voogdij, enz. zijn voorgeschreven.
365.   In alle gevallen, waarin de vader een tegenstrijdig be-
lang met dat zijner minderjarige kinderen mogt hebben, zullen
Inatstgemelde worden vertegenwoordigd door eenen bijzonderen
curator, door den kantonregter te benoemen.
366.  Gedurende het huwelijk, heeft de vader, en, na deszelfs
ontbinding, heeft de langstlevende vader of moeder, het vrucht-
genot van de goederen, welke aan hunne kinderen toebehooren,
tot dat deze den vollen ouderdom van twintig jaren hebben be-
reikt, of eerder mogten zijn gehuwd.
367.  Met dat vruchtgenot zijn de volgende lasten verbonden:
1°. De zoodanige, waartoe de vruchtgebruikers verpligt zijn;
2°. Het onderhoud en de opvoeding der kinderen, overeenkom-
stig het vermogen van laatstgemelden;
3°. De betaling van renten en van interessen van hoofd-
sommen ;
4°. De begrafeniskosten van het kind.
368.  Het vruchtgenot heeft geen plaats:
1°. \'J\'en opzigte van zoodanige goederen, welke de kinderen
door afzonderlijken arbeid en vlijt mogten hebben ver-
kregen ;
2°. Ten opzigte van de goederen, welke aan hen bij akte onder
de levenden of bij uiterste wilsbeschikking zijn geschon-
ken of gemaakt, onder de uitdrukkelijke voorwaarde
dat de ouders daarvan het vruchtgenot niet zouden bekomen.
369.   Het vruchtgenot houdt op door het overlijden der kin-
deren.
370.  De langstlevende der echtgenooten, welke mogt verzuimd
hebben om, overeenkomstig artikel 182, eenen inventaris te doe»
opmaken, zal door dat verzuim het vruchtgenot verliezen van alle
de goedereu, welke aan de minderjarige kinderen toebehooren.
871. Insgelijks houdt het vruchtgenot op ten aanzien van de
moeder, welke een tweede huwelijk mogt hebben aangegaan.
372. Wanneer een huwelijk door echtscheiding is ontbonden, zal
degene der echtgenooten, tegen wien de echtscheiding is uitge-
sproken, het vruchtgenot verliezen
Indien de echtscheiding tegen den vader is uitgesproken, treedt
de moeder niet vroeger in het vruchtgenot dan na het overlijden
van den vader.
-ocr page 98-
XV TIT. VAN DE VADERLIJKE MAOT.                               91
373.  In alle de gevallen waarin het vruchtgenot ophoudt of
verloren wordt, heeft de kantonregter de bevoegdheid om aan
de ouders, uit de inkomsten der kinderen, eene jaarlijksche uit-
keering toe te leggen, ten einde, gedurende hunne minderjarig-
heid, tot bevordering hunner opvoeding te worden besteed.
374.  De vader of de moeder van natuurlijke en wettelijk er-
kende kinderen hebben geen vruchtgenot van de goedereu, aan
die kinderen toebehoorende.
DERDE AFDEELING.
Van de wederzydsche verpligHngen t uitteken de ouders
of voorouders en de kinderen en verdere
afkoinelingen.
375.  Een kind heeft geene regtsvordering tegen zijne ouders
tot het bekomen van eenen gevestigden stand door huwelijks-
uitzet. of op eene andere wijze.
376.   De kinderen zijn verpligt hunne ouders en andere
bloedverwanten in de opgaande linie, wanneer zij behoeftig zijn,
te onderhouden.
377 Schoonzoons en schoondochters moeten insgelijks, en in
dezelfde gevallen, aan hunne schoonouders onderhoud verschaffen,
doch deze verpligting houdt op:
1». Wanneer de schoonmoeder tot een tweede huwelijk is over-
gegaan;
2°. Wanneer diegene der echtgenooten, door wien de zwager-
schap bestond, en de kinderen, uit deszelfs huwelijks-veree-
niging met den anderen echtgenoot gesproten, overleden
zijn.
378.  De verpligtingen, welke uit de bepalingen der twee
voorgaande artikelen voortvloeijen, zijn wederkeerig.
379.  Het onderhoud zal worden geregeld naar evenredigheid
der behoeften van dengenen, die hetzelve vordert, en het ver-
mogen van dengenen, die tot dat onderhoud verpligt is.
380.  Wanneer hij die onderhoud geeft of ontvangt tot zoo-
danigen staat geraakt, dat de een hetzelve niet meer kan geven,
of de andere hetzelve niet meer noodig heeft, het zij geheel of
gedeeltelijk, zal de ontheffing of vermindering daarvan kunnen
gevorderd worden.
381.  Wanneer degene, die tot het geven van onderhoud ver-
pligt is, bewijst buiten staat te zijn het geld, daartoe vereischt,
op te brengen, kan de regtbank, na onderzoek van zaken,
bevelen dat hij dengenen, aan wien hij onderhoud verschuldigd
is, bij zich in huis zal nemen en aldaar van het noodige voorzien.
382.   Wanneer de vader of de moeder aanbiedt om het kind,
-ocr page 99-
92
I BOEK. VAN PERSONEN.
aan hetwelk zij onderhoud verschuldigd zijn, hij zich in huis te
voeden en te onderhouden, zijn zij daardoor vrijgesteld van de
gehoudenis om aan die verpligting op eene andere wijze te
voldoen.
383.  Natuurlijke en wettelijk erkende kinderen zijn onderhoud
aan hunne ouders verschuldigd.
Deze verpligting is wederkeerig.
384.  Alle overeenkomsten, waarbij zoude worden afgezien van
het regt om onderhoud te genieten, zijn nietig en van onwaarde.
ZESTIENDE TITEL.
VAN MINDERJAEIGHEID EN VOOGDIJ.
EERSTE Al\'DEEMNG.
Van de minderjarigheid.
385.   Minderjarigen zijn de zoodanigen die den vollen ouderdom
van drie en twintig jaren niet hebben bereikt, en niet vroeger
in den echt zijn getreden.
Wanneer het huwelijk vóór hunnen vollen ouderdom van drie
en twintig jaren is ontbonden, keeren zij niet tot den staat van
minderjarigheid terug.
Minderjarigen welker ouders beiden, of\' een van beiden, zijn
overleden of beidon ontzet zijn van de vaderlijke magt.
staan onder voogdij, op den voet en de wijze als bij
de derde, vierde en vijfde afdeelingen van dezen titel is voor-
geschreven.
TWEEDE Al\'DEELlNG.
Van de voogdij in het algemeen.
386.   In iedere voogdij is slechts een voogd, behoudens de
bepalingen van artikel 401, 406 en 418.
387.  Een ieder die niet, naar aanleiding van de achtste en
van de negende afdeeling van dezen titel, van de voogdij is
uitgesloten of verschoond, is verpligt dezelve aan te nemen.
Wanneer de benoemde voogd weigerachtig of in gebreke is
de voogdij uit te oefenen, zal daarin door den kantonregter
worden voorzien door de benoeming van eenen bewindvoerder,
in de plaats en ten koste van den voogd.
In dat geval, is de voogd verantwoordelijk voor de verrigtin-
gen van den bewindvoerder, behoudens zijn verhaal jegens laatst-
gemelden.
-ocr page 100-
XVI TIT. VAN MINDERJA1UGH. F.N VOOGDIJ.                       93
388.  Wanneer, naar aanleiding der bepalingen van dezen en
den volgenden titel, de tusschenkomst van bloedverwanten of
aangehuwden van den minderjarige vereischt wordt, zullen deze
steeds ten getalle van vier worden opgeroepen, en uit de naaste
en zooveel mogelijk in de beide linten, worden gekozen.
Indien eenig opgeroepen bloedverwant of aangehuwde niet
verschijnt, kan de regter de verschijning gelasten van een ander
bloedverwant of aangehuwde, zelfs in verderen graad.
Die bloedverwanten of aangehuwden moeten zijn manspersonen,
meerderjarig en binnen het koningrijk woonachtig.
Wanneer zich geen genoegzaam getal bloedverwanten of aan-
gehuwden binnen het koningrijk bevindt, is de regter slechts
gehouden zoodanige te hooren, die binnen hetzelve woon ach-
tig zijn.
389.  Telken reize wanneer da tegenwoordigheid, het zij van
den toezienden voogd, het zij van bloedverwanten of aange-
huwden vanden minderjarige, gevorderd wordt, zullen zij zich door
eenen bijzonderen gevolmagtigde kunnen laten vertegenwoor-
digen.
Do gevolmagtigde zal slechts in den naam van één persoon
kunnen optreden.
De regter kan gelasten, dat hij, die zich heeft laten verte-
genwoordigen, in persoon verschijne.
Zij die, zonder voldoende reden van verschooning niet per-
soonlijk verschijnen en zich, voor zooverre hunne persoonlijke
verschijning niet is gelast, ook niet door een bijzonderen gevol-
magtigdo doen vertegenwoordigen, zullen door den regter, voor
wien zij moeten verschijnen, tot eene geldboete worden ver-
wezen van ten hoogst vijf en twintig gulden.
390.  Alle voogden zijn verpligt, tot zekerheid van hun beheer,
hypotheek te geven tot beloop eener aan het beheer der voogdij
geëvenredigdo geldsom.
Tot dat einde zal de kantonregter onverwijld, na verhoor
van den voogd, den toezienden voogd en de bloedverwanten of
aangehuwden van den minderjarige, de hoegrootheid dier som
bepalen, en daarbij acht slaan op den aard der goederen, den
minderjarige toebehoorende, op derzelver opbrengst en op de
verantwoordelijkheid, welke ten laste van den voogd uit het
beheer dier goederen zoude kunnen voortvloeijen.
De kantonrechter zal, bij het daarvan op te maken proces-
verbaal, summiere opgaven doen van de onderscheidene geuitto
meeningen, en de redenen zijner beslissing vermelden.
De uitspraak van den kantonregter zal door de zorg van den
toezienden voogd, en op deszelfs verantwoordelijkheid, bij voor-
raad worden ten uitvoer gelegd, niettegenstaande het beroep,
waarvan in artikel 393 wordt gesproken.
-ocr page 101-
94                                            I BOEK. VAN TEKSONEN.
391.   De kantonregter zal, ten verzoeke van den voogd, en
na verhoor van de hierboven aangeduide personen, kunnen be-
velen dat de effecten aan toonder, aan den minderjarigetoebe-
hoorende, in de consignatie-kas in bewaring worden gegeven ; in
welk geval, de waarde dier effecten, bij het bepalen der hoegroot-
heid van de hypotheek, niet zal in aanmerking worden genomen.
392.   Indien de voogd, op het oogenblik waarop hij verpligt
is hypotheek te geven, geene of geene genoegzame goederen
bezit, welke voor zoodanig verband vatbaar zijn, is hij gehou-
den aan zijne verpligting. voor het geheel of voor het ontbre-
kende, te voldoen, zoo dra hij goederen van dien aard ver-
kregen heeft.
393.   De voogd, de toeziende voogd en de bloedverwanten
of aangeliuwden, die tot het uiten van hun gevoelen gehoord
zijn, kunnen tegen de uitspraak van den kantonregter, bij ver-
zoekschrift, in beroep komen bij de arrondissements-regtbank,
welke, na verhoor van het openbaar ministerie, en, des noods,
van den voogd, den toezienden voogd en de bloedverwanten
of aangeliuwden, zonder verderen vorm van proces, bij uiterlijk
gewijsde, de som zal bepalen, tot welker beloop de hypotheek
zal moeten worden gegeven.
394.   Wanneer gedurende de voogdij de gegoedheid van den
minderjarige merkelijk toeneemt, zal de kantonregter, na ver-
hoor van de personen, bij artikel 390 vermeld, bevelen dat de
hypotheek worde vergroot mot eene door hem te bepalen som;
behoudens het beroep, waarvan in het vorige artikel gespro-
ken wordt.
De voogd zal vermindering van de hypotheek mogen vragen,
indien buiten zijne schuld, gedurende zijn beheer, de gegoedheid
van den minderjarige eene aanmerkelijke vermindering heeft
ondergaan.
395.  Allo geschillen over de waarde der tot hypotheek aan-
geboden goederen zullen door den kantonregter worden beslist,
na verhoor der bij art. 390 vermelde personen, en behoudens
het beroep aan de arrondissements-regtbank, welke zal hande-
len zoo als bij art. 393 is voorgeschreven.
396.  De hypotheek «al worden gesteld, het zij bij de akte
dor benoeming van den voogd of bij zijne eedsaflegging, het
zij bij elke andere authentieke akte.
397.  De voogd zal het vermogen hebben om de hypotheek,
waartoe hij verpligt is, of welke hij reeds mogt hebben gesteld,
te vervangen, het zij door het stellen van hypotheek op de
goederen van eenen derden daarin toesteinmenden persoon, het
zij door middel van, ten behoeve van den minderjarige, ver-
bonden inschrijvingen op het grootboek der nationale schuld,
berekend naar den koers van den dag.
-ocr page 102-
XVI TIT. VAN MINDERJARIGH. BN VOOGDIJ.                       95
398.  Do waarborg houdt op, en de hypothecaire inschrijvin-
gen of verbanden op het grootboek zullen, ten koste van den
minderjarige, worden doorgehaald of opgeheven, zoo dra het
beheer van den voogd geëindigd en, door het afleggen der reke-
ning, de overgifte der bescheiden en de betaling der slotsom,
de verantwoordelijkheid is opgehouden.
399.  De akten tot het vestigen der inschrijvingen en der
doorhalingen van de hypotheek, welke uit krachte dezer afdee-
ling zullen plaats hebben, zijn aan geene regten van registratie
en hypotheek onderworpen, behoudens het salaris van den
bewaarder, hetwelk ten laste van den minderjarige valt.
DERDE AFDEEL1NG.
Van de voogdij van den vader en de moeder.
400.   Na de ontbinding van het huwelijk, door den dood
van een der echtgenooten veroorzaakt, behoort de voogdij dei-
minderjarige kinderen, van regtswege, aan den langstlevende
der ouders.
401.   De vader kan desniettemin aan de langstlevende moe-
der eenen bijzonderen raadsman toevoegen, zonder wiens toe-
stemming zij geene daad, de voogdij betreffende, zal kunnen
verrigten, behoudens haar beklag aan de arrondissements-regt-
bank, wanneer zij vermeent dat de weigering van den raads-
man de belangen der minderjarigen benadeelt.
Indien de vader bijzonderlijk de handelingen heeft vermeld,
waartoe de raadsman benoemd is, zal de voogdesse het vermo-
gen hebben om de verdere handelingen zonder zijnen bijstand
te verrichten.
402.   Do benoeming van den raadsman geschiedt, het zij bij
uiterste wilsbeschikking, het zij bij alle andere authentieke en
bijzonderlijk daartoe ingerigte akten.
403.    Indien, na het overlijden van den man, de vrouw ver-
klaart of. daartoe wettig opgeroepen, erkent zwanger te zijn.
zal door den kantonregter een curator over de ongeboren vrucht
worden benoemd, op de wijze als ten opzichte der benoeming
van voogden is voorgeschreven,
Deze curator is verpligt alle noodige en dringende maatre-
gelen in het werk te stellen, welke tot het behoud en beheer
der goederen vereischt worden, en zulks zoo wel ten bate van
liet kind, indien hetzelve levend ter wereld komt, als van alle
andere belanghebbende personen.
Wanneer het kind levend ter wereld komt, wordt die curator
van regtswege deszelfs toeziende voogd, ten ware reeds voor
de andere kinderen een zoodanige toeziende voogd mogt
bestaan.
-ocr page 103-
!I6
I BOEK. VAN PERSONEN.
.404. De moeder ia niet verpligt de voogdij aan te nemen;
echter moet zij, in geval van weigering, de plichten van voog-
desse waarnemen, en eenen anderen voogd doen benoemen ; zij
blijft verantwoordelijk tot op liet tijdstip dat laatstgemelde de
voogdij zal hebben aanvaard.
405.    Indien de moeder, voogdesse zijnde, tot een volgend
huwelijk wil overgaan, zal zij, vóór het aangaan van dat huwe-
lijk, zich tot den kantonregtcr moeten wenden, welke, na de
bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige te heb-
ben gehoord of behoorlijk opgeroepen, en behoudens beroep aan
den hoogeren regter, zal beslissen of de moeder de voogdij zal
kunnen behouden.
Wanneer zij in gebreke blijft aan dit voorschrift te voldoen,
verliest zij van rechtswege de voogdij, en haar man is hoofde-
lijk voor het geheel aansprakelijk wegens alle gevolgen der
voogdij, welke zijne vrouw onbevoegdelijk behouden heeft.
Het verlies der voogdij, in voege voorschreven, belet niet dat
de moeder, zoo daartoe gronden zijn, door den kantonregter als
voogdesse kan worden aangesteld, met inachtneming van de
voorschriften der vijfde afdeeling van dezen titel.
406.     Wanneer de moeder in de voogdij bevestigd, of op
nieuw als voogdesse benoemd is, wordt haar man van regts-
wege mede voogd, en benevens zijne vrouw hoofdelijk voor het
geheel aansprakelijk wegens alle handelingen, na het aangaan
des huwelijks verrigt; alles behoudens de bepalingen van arti-
kel 401.
De mede-voogdij van den man vervalt, zoo dra de vrouw
ophoudt voogdesse to zijn.
De voogdij van de vrouw vervalt, indien de mede-voogd tot
de voogdij onbevoegd is, of daarvan ontzet wordt, ten ware de
ontzetting geschied zij ter zake van onnoozelheid, krankzinnig-
heid of razernij.
Bij ontbinding van het tweede huwelijk treedt de moeder in
de voogdij terug.
407.    De vader of de moeder, alvorens een nieuw huwelijk
aan te gaan, is verpligt aan den toezienden voogd der minder-
jarigen aan te bieden eenen behoorlijken staat der goederen,
welke het vermogen van den minderjarige uitmaken.
Wanneer do vader of do moeder in gebreke blijft om, vóór
het aangaan van het huwelijk, aan dit voorschrift te voldoen,
verliest dezelve de voogdij, en zal er een andere voogd bc-
noemd worden.
408.   De vader, of, bij gebreke van dien, de moeder, heeft de
voogdij zijner, of harer natuurlijke wettelijk erkende kinderen.
Bij minderjarigheid van den vader of de moeder, wordt in-
middels door den kantonregter in de voogdij voorzien.
-ocr page 104-
XVI TITEL. VAN MINDEKJARIGH. EN VOOGDIJ.                    97
VIEKDE AFDESLING.
Van de voogdij, door den vader of de moeder opgedragen.
409.    De langstlevende der ouders alleen heeft hot regt om
eenen voogd over zijne minderjarige kinderen te benoemen.
Hij zal zelfs verscheidene personen kunnen benoemen, ten
einde, bij ontstentenis, elkander in de voogdij op te volgen.
410.   De benoeming van den voogd geschiedt bij uiterste wils-
beschikking, of bij elke andere authentieke en bijzonderlijk
daartoe ingerigte akte.
411.   Wanneer de moeder hertrouwd zijnde niet in de voogdij
is gehandhaafd, of niet op nieuw als voogdesse is benoemd; of,
wanneer de vader of de moeder, naar aanleiding van art. 407,
van do voogdij is uitgesloten, zijn zij onbevoegd om eenen voogd
over hunne minderjarige kinderen te benoemen.
412.   Wanneer de moeder hertrouwd is, en, in de voogdij ge-
bleven zijnde, eenen voogd over de kinderen van haar eerder
huwelijk benoemd heeft, zal die benoeming niet van waarde
zijn, voordat die door den kantonregter, na verhoor of behoor-
lijke oproeping der bloedverwanten of aangehuwden van den
minderjarige, zal zijn bekrachtigd.
VIJFDE AFDEELING.
Van de voogdij door den kantonregter opgedragen.
413.    Indien een minderjarig kind overblijft, zonder vader,
moeder, of voogd door den vader of de moeder benoemd, gelijk
ook wanneer de voogd, eene der opgenoemde betrekkingen
hebbende, zich in het geval van uitsluiting of vrijstelling be-
vindt, alsmede wanneer beide ouders ontzet zijn van de vader-
lijke macht, zal in de voogdij door den kantonregter worden
voorzien.
414.    De kantonregter zal te dien einde doen oproepen de
bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige, tan einde
te zamen te worden geraadpleegd over den persoon, wiens be-
noeming het meest met de belangen van den minderjarige
zoude strooken.
Hij zal daarvan een proces-verbaal opmaken, bevattende de
verschillende gevoelens der verschijnende personen, en voorts da-
delijk den voogd benoemen.
De ingevolge art. 388, tweede lid, en art. 389, derde lid, op-
geroepen bloedverwant of aangehuwde kan ook afzonderlijk
worden gehoord.
415.    Wanneer de kantonregter den persoon benoemt, welke
door de meerderheid der leden van de familie is aangeduid,
zal de benoeming dadelijk van kracht zijn.
7
-ocr page 105-
98                                     I BOEK. VAN PERSONEN.
Indien daarentegen de keus op eenen anderen persoon valt
dan die door de meerderheid is opgegeven, zal de kantonregter,
wanneer de eene of andere der tegenwoordig zijnde bloedver-
wanten of aangehuwden- zulks vordert, verpligt zijn het proces-
verbaal onverwijld aan de arrondissements-regtbank in te zenden-
welke, na verhoor of behoorlijke oproeping van dezelfde nabe,
staanden, de benoeming zal moeten goedkeuren, of wel defini-
tievelijk eenen voogd aanstellen.
416.   Wanneer geene bloedverwanten of aangehuwden van
den minderjarige binnen het Koningrijk aanwezig zijn, of ook
wel, wanneer geen der nabestaanden, behoorlijk opgeroepen,
verschijnt, zal de kantonregter alleen tot de keus van den
voogd overgaan.
Indien de opgeroepen nabestaanden slechts gedeeltelijk zijn
opgekomen, zal de benoeming plaats hebben, na verhoor der
tegenwoordig zijnde bloedverwanten of aangehuwden.
417.   De benoeming van eenen voogd geschiedt op het ver-
zoek van de bloedverwanten van den minderjarige, van zijne
schuldeischers, of andere belanghebbende partijen, of zelfs ambts-
halve door den kantonregter der woonplaats van den minder-
jarige.
De ambtenaar van den burgerlijken stand zal verpligt zijn
den kantonregter kennis te geven van het overlijden van alle
personen, welke minderjarigen mogten nalaten, en van alle
tweede en volgende huwelijken van ouders, die minderjarige
kinderen hebben.
418.  Indien de minderjarige, binnen het Koningrijk gevestigd
zijnde, goederen in eene of meerdere koloniën bezit, zal het
beheer over die goederen aan eenen bewindvoerder in iedere
kolonie, op verzoek van den voogd, kunnen worden toever-
trouwd.
In dat geval, is de voogd wegens de verrigtingen van dien
bewindvoerder niet verantwoordelijk.
De bewindvoerder wordt op dezelfde wijze als de voogd ge-
kozen.
419.   De voogd zal de voogdij moeten aanvaarden op den
dag zijner benoeming, wanneer die in zijne tegenwoordigheid
heeft plaats gehad, of anderzins op den dag waarop de be-
noeming aan hem zal zijn beteekend geworden.
Hij is verpligt, vóór het aanvaarden der voogdij, in handen
van den kantonregter den eed af te leggen, dat hij de aan
hem toevertrouwde voogdij naar behooren en getrouwelijk zal
waarnemen.
420.   In de voogdij over natuurlijke kinderen wordt door den
kantonrechter, zonder eenig voorafgaand verhoor, voorzien.
-ocr page 106-
XVI TITEL. VAN MINDEKJABIGH. EN VOOGDIJ.                    99
ZESDE AFDEEL1NG.
Van de voogdij van kinderen, welke in eenig gesticht
zijn opgenomen.
421.  Minderjarigen, die in eenig gesticht van weldadigheid
zijn opgenomen, verblijven, zoo lang zij zich daarin bevinden,
of daartoe behooren, onder de voogdij van de regenten van dat
gesticht.
Deze zijn van het stellen van zekerheid vrijgesteld.
ZEVENDE AFDEELING.
Van den toezienden voogd.
422.  In elke voogdij, met uitzondering van degene waarover
bij het vorige artikel wordt gehandeld, zal een toeziende voogd
door den kantonregter worden benoemd, op de wijze als bij de
vijfde afdeeling van dezen titel is voorgeschreven.
423.  De voogden, welke in de derde en vierde afdeeling van
dezen titel zijn aangeduid, zijn verpligt, alvorens de voogdij te
aanvaarden, eenen toezienden voogd te doen benoemen; bij ge-
breke van dien, kunnen zij uit de voogdij worden ontzet, on-
verminderd de schadevergoedingen aan den minderjarige toe-
komende.
424.  Wanneer de voogdij door den kantonregter is opgedra-
gen, zal de benoeming van den toezienden voogd onmiddellijk
na die van den voogd plaats hebben, en bij eene en dezelfde
akte geschieden.
425.   Indien do toeziende voogd, niet van de voogdij zijnde
uitgesloten, of wettig verschoond, mogt in gebreke blijven zijne
betrokking te aanvaarden, zal hij, ten zijnen koste, en onver-
minderd zijne gehoudenis tot vergoeding van kosten, schaden
en interessen jegens den minderjarige, door eenen anderen per-
soon, op de wijze bij artikel 387 voorgeschreven, worden ver-
vangen; onverlet zijn verhaal op laatstgemelden.
426.  De toeziende voogd zal, alvorens zijne werkzaamheden
aan te vangen, in handen van den kantonregter den eed moeten
afleggen, dat hij zijnen pligt deugdelijk en getrouwelijk zal
waarnemen.
427.  Do verpligtingen van den toezienden voogd bestaan in
het waarnemen der belangen van den minderjarige, wanneer
dezelve met die van den voogd in tweestrijd zijn.
428.  Hij is, op straffe van vergoeding van kosten, schaden
en interessen, verpligt toe te zien dat de voogd aan zijne ver-
pligting voldoe door het stellen van hypotheek, of door dezelve
-ocr page 107-
100                                   I BOEK. VAN PERSONEN.
zoo daartoe termen zijn, aan te vullen, overeenkomstig artikel
390 en volgende van dezen titel, mitsgaders dat de hypotheek
behoorlijk worde ingeschreven.
Hij is insgelijks, en op dezelfde straffe, gehouden den voogd
te noodzaken tot het maken van inventaris of boedelbeschrij-
ving, in alle de nalatenschappen, welke aan den minderjarige
zijn opgekomen.
429.   Hij zal van den voogd (behalve vader en moeder) om
de twee jaren eene summiere rekening en verantwoording vor-
deren, en zich doen vertoonen de effecten en bescheiden, aan
den minderjarige toebehoorende.
Deze summiere rekening zal worden opgemaakt op ongezegeld
papier, en overgegeven zonder eenige kosten, noch geregtelij-
ken vorm.
430.   Wanneer de voogd weigerachtig is om aan het voor-
schrift van het vorige artikel te voldoen, of wanneer de toe-
ziende voogd in die summiere rekening sporen van ontrouw of
grove nalatigheid ontdekt, zal hij de afzetting van den voogd
moeten vorderen.
Hij zal die afzetting insgelijks moeten verzoeken in alle
andere gevallen bij de wet bepaald.
431.  Wanneer do voogdij opengevallen of door do afwezigheid
van den voogd verlaten is, zal de toeziende voogd, op straffe
van vergoeding van kosten, schaden en interessen, de benoeming
van eenen nieuwen voogd moeten doen bewerkstelligen, en ver-
pligt zijn inmiddels alle zoodanige daden van voogdij te ver-
ïigten, welke geen uitstel kunnen lijden.
432.  De bediening van toezienden voogd eindigt op hetzelfde
tijdstip als de voogdij.
ACHTSTE AFDEELING.
Van de redenen die van de vooi/dij en de toeziende voogdij
verschoonen.
433.    Geen persoon, welke den minderjarige niet als bloed-
verwant of aangehuwde bestaat, kan genoodzaakt worden de
voogdij of toeziende voogdij te aanvaarden, wanneer zich binnen
het ressort van de arrondissements-regtbank alwaar dezelve is
opgedragen, bloedverwanten of aangehuwden bevinden, welke
in staat zijn de voogdij uit de oefenen.
434.    Van de voogdij en de toeziende voogdij kunnen zich
verschoonen:
1". Zij, die zich in dienst van den staat buiten\'s lands bevinden;
2". Krijgslieden in werkelijken land- of zeedienst;
3°. Zij, die buiten hunne provincie met openbare ambten
bekleed zijn, of ook wel dezulken, die ter oorzake van die ambten
-ocr page 108-
XVI TITEL. VAN MINDERJARIGH. EN VOOGDIJ.               101
verpligt zijn zich op bepaalde tijdstippen buiten de provincie
te begeven;
De personen, bij de drie vorige nommers vermeld, kun-
nen zich van de voogdij of toeziende voogdij doen ont-
slaan, indien de daarbij vermelde redenen van verschooning
na hunne benoeming zijn ontstaan;
4°. Zij, die den vollen ouderdom van zestig jaren hebben be-
reikt; wanneer zij vroeger benoemd zijn, kunnen zij zich
op hun vijfenzestigste jaar van de voogdij of toeziende
voogdij doen ontslaan;
.5°. Zij, die door eene zware en behoorlijk bewezen ziekelijkheid
of ongemak gekweld zijn;
Deze kunnen hun ontslag verzoeken, wanneer de zieke-
lijkheid of het ongemak, na hunne benoeming als voogd of
toeziende voogd, is ontstaan;
6°. Zij, die, kinderloos zijnde, met twee voogdijen of toeziende
voogdijen belast zijn;
7°. Zij, die, een of meer kinderen hebbende, met ééne voogdij
of toeziende voogdij zijn belast;
8°. Zij, die op den dag hunner benoeming vijf wettige kinde-
ren hebben, daaronder begrepen die, welke in den krijgs-
dienst voor het koningrijk gestorven zijn.
De vader kan, om geene der redenen hier boven ver-
meld, zich van de voogdij over zijne eigene kinderen doen
ontslaan.
435.   Hij die van eene voogdij of toeziende voogdij wenscht
ontslagen te worden, is, op straffe van het verlies zijner be-
voegdheid daartoe, verpligt zich bij verzoekschrift, en ten zijnen
koste, tot de arrondissements regtbank te wenden, en zulks binnen
den tijd van acht dagen, te rekenen van den dag zijner benoeming,
wanneer hij daarbij is tegenwoordig geweest, of wel van de
gedane beteekening, en zal de regtbank, zonder vorm van proces,
en behoudens beroep aan den hoogeren regter, de voorgedrageno
redenen van verschooning aannemelijk verklaren of wel ver-
werpen.
Niettegenstaande het aanvoeren van redenen tot verschooning,
is do voogd of de toeziende voogd verpligt bij voorraad de
voogdij of toeziende voogdij waar te nemen, tot dat deswege
definitievelijk zal zijn beslist.
NEGENDE AFDEELIN\'G.
Van de bevoegdheid tot, de uitsluiting en afzetting run, en.
de. tijdelijke voorziening in de voogdij of toeziende voogdij.
436.  Tot de voogdij of toeziende voogdij zijn onbevoegd;
1°. Minderjarigen ;•
-ocr page 109-
102                                   I BOEK. VAN PERSONEN.
2°. Zij, die onder curateele zijn gesteld;
3°. Vrouwen, behalve de moeder ;
4°. Allen, die in persoon, of wier vader, moeder, echtgenoot of
kinderen, tegen den minderjarige een regtsgeding voeren,
waarin de staat van den minderjarige, zijn fortuin of een
aanmerkelijk gedeelte zijner goederen betrokken is.
437.   Van de voogdij of toeziende voogdij zijn uitgesloten, en
kunnen zelfs worden ontzet, wanneer zij reeds werkzaam zijn :
1°. Zij, die tot eene onteerende straf zijn veroordeeld;
2". Zij, die een bekend slecht levensgedrag houden;
3*. Zij, die in de waarneming der voogdij of toeziende voogdij
onbekwaamheid of ontrouw aan den dag leggen ;
4°. Zij, die van oene andere voogdij of toeziende voogdij zijn
ontzet geworden;
5°. Zij, die in staat van faillissement of kennelijk onvermogen
verkeeren.
438.   De afzetting van eenen voogd geschiedt, behoudens
hooger beroep, door de arrondissements-regtbank, op verzoek van
den toezienden voogd, of van een der bloedverwanten of aan-
gehuwden van den minderjarige tot den vierden graad ingeslo-
ten, en zelfs op aanvrage van het openbaar ministerie.
De regtbank, alvorens uitspraak te doen, is in alle gevallen
verpligt den voogd en den toezienden voogd te hooren, wanneer
laatstgemelde niet zelf de afzetting heeft verzocht.
In het vonnis, waarbij de voogd wordt afgezet, zal hij tevens
worden veroordeeld om rekening en verantwoording van zijn
beheer aan zijnen opvolger te doen.
439.   De afzetting van den toezienden voogd geschiedt door
dezelfde regtbank, en behoudens hetzelfde beroep, op verzoek
van den voogd, of van een der bloedverwanten of aangehuwden,
bij het vorige artikel omschreven, en zelfs op aanvrage van het
openbaar ministerie; in allen gevalle, na verhoor van den toe-
zienden voogd.
440.   Het staat aan de arrondissements-regtbank vrij om, wan-
neer daartoe dringende redenen inogten bestaan, hangende het
geding, den voogd, of den toezienden voogd, in de uitoefening
zijner werkzaamheden te schorsen, en in het beheer der voogdij
of der toeziende voogdij voorloopig te voorzien.
440». Indien de voogd of toeziende voogd tot eene vrij-
heidsstraf van meer dan één jaar wordt veroordeeld, of zich
ter zake van zoodanige veroordeeling tijdens hot bekomen dei-
voogdij of toeziende voogdij in verzekerde bewaring bevindt,
kan de arrondissementsregtbank tijdelijk in de uitoefening zijner
werkzaamheden voorzien door de benoeming van een plaats-
vervangenden voogd of toezienden voogd.
De bepalingen van de artt. 438 en 439 betreffende de afzet-
-ocr page 110-
XVI TITEL. VAN MINDEBJARIGH. EN VOOGDIJ.                  103
ting zijn op deze tijdelijke voorzieniag toepasselijk, behoudens
dat de voorziening ook op eigen verzoek van den voogd of
toezienden voogd kan geschieden.
De bepalingen van de achtste afdeeling van dezen titel zijn
op den plaatsvervangenden voogd of toezienden voogd van
toepassing.
Geraakt de benoemde plaatsvervangende voogd of toezienden
voogd zelf in het geval bij het eerste lid voorzien, dan kan de
arrondissements-regtbank hem op gelijke wijze door een ander
vervangen.
Het beheer van den plaatsvervangenden voogd of toeziende»
voogd eindigt van regtswege met de invrijheidstelling van hem,
wien hij vervangt.
De bepalingen der Wet betreffende de regten en verplich-
tingen van voogden en toeziende voogden zijn op den plauts-
vervangenden voogd of toezienden voogd toepasselijk.
TIENDE AFDEELING.
Van het toezigt van den voogd over den persoon den minderjarigen.
441.  De voogd zal voor den persoon van den minderjarige
zorg dragen, en denzelven in alle burgerlijke handelingen ver-
tegenwoordigen.
De minderjarige is aan zijnen voogd -eerbied verschuldigd.
442.  Wanneer de voogd zwaarwigtige redenen van misnoe-
gen heeft over het gedrag van den minderjarige, zal hij diens
opsluiting kunnen verzoeken, met inachtneming van hetgeen te
dien opzigte bij den vorigen titel is vastgesteld.
De regtbank kan in de opsluiting niet bewilligen dan na ver-
hoor of behoorlijke oproeping van den toezienden voogd, en de
bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige.
ELFDE AFDEELING.
Van het bestuur van den voogd.
443.  De voogd moet de goederen van den minderjarige als
een goed huisvader besturen, en is verantwoordelijk voor de
kosten, schaden en interessen, die uit zijn slecht beheer zouden
kunnen voortvloeijen.
Indien aan den minderjarige, het zij bij akte onder de leven-
den, het zij bij eene uiterste wilsbeschikking, goederen zijn ge-
schonken of gemaakt, en het bewind daarover aan een of meer-
der daartoe aangestelde bewindvoerders is opgedragen, zijn de
bepalingen omtrent den vader, in artikel 362 voorkomende, op
den voogd toepasselijk.
-ocr page 111-
104                                  I BOEK. VAN PERSONEN.
444.  De voogd zal, binnen tien dagen nadat hij de voogdij
heeft aanvaard, de ontzegeling vorderen, indien de verzegeling
heeft plaats gehad; en dadelijk, in tegenwoordigheid van den
toezienden voogd, overgaan of doen overgaan tot het inventa-
riseren der goederen van den minderjarige.
De inventaris of boedelbeschrijving zal ook onderhands kunnen
worden opgemaakt, on door den voogd en toezienden voogd
moeten worden onderteekend; in allo gevallen, zal de deugde-
lijkheid daarvan door den voogd onder eede, ten overstaan van
den kantonregter, moeten bevestigd worden; wanneer de inven-
taris onderhands is opgemaakt, zal dezelve ter griffie van den
kantonregter moeten worden overgebracht.
445.  Indien de minderjarige iets aan den voogd verschuldigd
is, zal deze zulks bij den inventaris moeten opgeven; bij gebreke
van die opgave, kan de voogd hetgeen aan hem mogt verschul-
digd zijn niet vorderen, voordat de minderjarige meerderjarig
geworden zal zijn; hij zal bovendien verliezen de achterstallige
renten en interessen der hoofdsom, vervallen sedert het opmaken
van den inventaris tot op het tijdstip dat de minderjarige zal
zijn meerderjarig geworden; behouden echter dat gedurende
dat tusschenvak de verjaring tegen den voogd niet zal loopen.
446.  Bij het aanvaarden van elke voogdij, met uitzondering
van die, welke door den vader of de moeder gevoerd wordt,
zal de kantonregter, na verhoor van den toezienden voogd, en
na oproeping der bloedverwanten of aangehuwden van den min-
derjarige, bij raming, on naar gelang der goederen die bestuurd
moeten worden, het beloop der som bepalen, welke de minder-
jarige jaarlijks zal kunnen verteren, gelijk mede de kosten welke
op het beheer der goederen kunnen vallen; alles behoudens het
beroep aan de arrondissements-regtbank, indien de kantonregter
zich niet met de meening van het meerendeel der verschenen
nabestaanden vereenigd heeft.
Bij dezelfde akte zal ook worden bepaald, of de voogd gemag-
tigd is om zich in zijn beheer te bedienen van eenen of meer
bijzondere loontrekkende bewindvoerders, onder zijne verant-
woordelijkheid de zaken waarnemende.
447.  De voogd is verpligt alle de meubelen of huisraad, die
den minderjarige bij de opening der voogdij, of gedurende der-
zelver loop, te beurt vallen, mitsgaders de roerende goederen
welke geene vruchten, inkomsten of voordeelen opleveren, te
doen verkoopen, met uitzondering van de zoodanige, welke, met
bewilliging van den kantonregter, en na verhoor of behoorlijke
oproeping van den toezienden voogd, mitsgaders van de bloed-
verwanten of aangehuwden van den minderjarige, in natura
mogen bewaard blijven.
Die verkoop moet geschieden in het openbaar en door eenen
-ocr page 112-
XVI TITEL. VAN MINDEBJARICH. EN VOOGDIJ.               105
üievoegden ambtenaar, met inachtneming der plaatselijke gebrui-
ken, ten ware de kantonregter, na verhoor of oproeping als
voren, inogt bevelen dat deze of gene bepaaldelijk aan te wijzen
voorwerpen, in het belang van den minderjarige, onder de hand
worden verkocht, voor of boven den prijs, waarop dezelve door
daartoe te benoemen deskundigen mogten geschat zijn.
De kantonregter kan ook, na hetzelfde verhoor, den openbaren
«f onderhandschen verkoop toestaan van roerende goederen,
welke, naar aanleiding van het eerste lid van dit artikel, in
natura bewaard zijn, indien het belang van den minderjarige
zulks vordert.
Koopmanschappen kunnen door den voogd onder de hand,
door middel van makelaars, tegen den koers, en vruchten van
landgoederen, ter markte of anderzins, tegen den marktprijs
worden verkocht.
448.  De vader en de moeder, voor zoo verre zij het wettelijk
vruchtgenot hebhen van de goederen aan den minderjarige toe-
behoorende, zijn vrijgesteld van de verpligting om de meubelen
of andere roerende goederen te verkoopen, zoo zij verkiezen
dezelve te bewaren, ten einde die naderhand in natura terug
te geven.
In dat geval, zullen zij, ten hunnen koste, die goederen naar
derzelver opregte waarde doen schatten door eenen deskundige,
die door den toezienden voogd zal worden benoemd, en bij den
kantonregter den eed zal afleggen. Zij zullen de begroote waarde
van zoodanige goederen moeten opleggen, welke zij niet in
natura mogten kunnen opleveren.
449.  De voogden zijn verpligt hetgeen van de inkomsten, na
aftrek der verteering overschiet, te beleggen, zoodra het batig
slot het vierde gedeelte der gewone inkomsten van den minder-
jarige te boven gaat.
Zij mogen de penningen van den minderjarige op geene andere
wijze beleggen, dan door den aankoop van inschrijvingen op het
grootboek der werkelijke schuld van dit koningrijk, van onroe-
rende goederen of in rentegevende schuldbrieven, gehypothekeerd
op vaste goederen, welker onbezwaarde waarde ten minste een
derde boven de te beleggen som bedraagt.
Wanneer de voogden gedurende den tijd van één jaar zijn in
gebreke gebleven om eenige geldsommen, overeenkomstig het
voorschrift van dit artikel, te beleggen, zijn zij daarvan de wet-
telijke interessen verschuldigd.
450.   Indien zich onder de goederen van den minderjarige
bevinden certificaten van de nationale schuld, zijn de voogden
verpligt de overschrijving daarvan op het grootboek, ten name
van den minderjarige, te doen bewerkstelligen.
D* toeziende voogd zal voor de uitvoering van dezen maat-
-ocr page 113-
106                                   I BOEK. VAN PERSONEN.
regel moeten zorg dragen, op straffe van vergoeding van kosten,
schaden en interessen.
451.   De voogd zal ten behoeve van den minderjarige geen
geld mogen opnemen, noch diens onroerende goederen vervreem-
den of verpanden, noch deszelfs effecten, schuldvorderingen en
actiën verkoopen of overdragen, zonder daartoe door den kanton-
regter te zijn gemagtigd. De kantonregter zal deze magt niet
veileenen, dan uit hoofde eener volstrekte noodzakelijkheid of
van een klaarblijkelijk voordeel, en na verhoor of na behoorlijke
oproeping van den toezienden voogd en van de bloedverwanten
of aangehuwden van den minderjarige, mitsgaders op de conclu-
siën van het openbaar ministerie.
452.  In geval van verkoop van onroerende1 goederen, zal de
voogd bij zijn verzoekschrift moeten overleggen eenen staat
van alle de goederen van den minderjarige, met opgave van de
zoodanige welke hij zoude wenschen te vervreemden.
De kantonregter is bevoegd om den verkoop toe te staan,
het zij van de aangewezen goederen, het zij van zoodanige
andere, wier vervreemding aan hem min bezwarend in het
belang des minderjarigen mogt toeschijnen.
453.  De verkoop moet geschieden in het openbaar, ten over-
staan van den toezienden voogd, door middel van een bevoegden
ambtenaar, en volgens de plaatselijke gebruiken.
454.  De kantonregter is bevoegd om, in buitengewone ge-
vallen, en wanneer het belang van eenen minderjarige zulks
vordert, verlof te verleenen tot den onderhandschen verkoop
van een onroerend goed.
Dat verlof zal echter niet worden toegestaan, dan op een met
redenen bekleed verzoek van den voogd, en met eenparig goed-
vinden van den toezienden voogd, en van de bloedverwanten of
aangehuwden van den minderjarige.
Indien de opgeroepen bloedverwanten of aangehuwden niet
allen verschijnen, zal het eenparig goedvinden van degenen die
opkomen voldoende zijn.
Het onroerend goed zal voor geenen lageren prijs mogen
worden verkocht, dan waarop hetzelve, vóór het verleend verlof,
zal zijn geschat geworden, door drie deskundigen, door den
kantonregter te benoemen.
455.  De formaliteiten, bij artikel 451 voorgeschreven, zijn niet
toepasselijk, wanneer bij een vonnis, op verzoek van een der
mede-eigenaars van een onverdeeld stuk goed, de verkoop
bevolen mogt zijn, behoudens echter dat die verkoop steeds in
het openbaar zal moeten geschieden.
456.  Indien de kantonregter, naar aanleiding van artikel 451,
verlof verleent tot den verkoop van effecten, aan den minderjarige
toebehoorende, kan hij tevens bepalen dat die verkoop onder de
-ocr page 114-
XVI TITEL. VAN MINDERJAR1GH. EN VOOGDIJ.               107
hand, door middel van makelaars, geschiede, mits de effecten
van dien aard zijn dat derzelver waarde, op den dag des ver-
koops. door gewone prijscouranten kan worden aangetoond.
457.  De voogd vermag geen onroerend goed van den minder-
jarige op eene andere wijze dan in de openbare veiling te
koopen.
In dat geval, zal de koop echter niet van kracht zijn, dan
ten gevolge der goedkeuring van den kantonregter, verleend
overeenkomstig de voorschriften en onder de bepalingen van
het tweede, derde en vierde lid van artikel 454.
458.  De voogd vermag de goederen van den minderjarige
niet voor zich zelven te huren of in pacht te nemen, ten zij de
voorwaarden door den kantonregter, na verhoor of behoorlijke
oproeping van de bloedverwanten of aangehuwden van den
minderjarige, mitsgaders van den toezienden voogd, zullen zijn
goedgekeurd; in welk geval, laatstgemelde bevoegd is om de
overeenkomst met den voogd te sluiten.
Hij vermag, zonder dezelfde goedkeuring geene opdragt aan
te nemen van regten of schuldvorderingen jegens den onder
zijne voogdij staande persoon.
459.  De voogd vermag eene erfenis, aan den minderjarige
opgekomen, niet anders te aanvaarden dan onder het voorregt
van boedelbeschrijving.
                       •
Hij vermag geene erfenis te verwerpen, zonder daartoe, op de
wijze bij artikel 451 vermeld, verlof bekomen te hebben.
460.  Hetzelfde verlof wordt vereischt tot het aannemen
eener gift aan eenen minderjarigen gedaan; zij zal ten opzigte
van den minderjarige dezelfde gevolgen hebben als ten opzigte
van een meerderjarig persoon.
461.  Alvorens eene regtsvordering voor den minderjarige in
te stellen, of zich op eene regtsvordering, tegen denzelven ingesteld,
te verdedigen, kan de voogd, te zijner verantwoording, zich
daartoe doen magtigen door den kantonregter, die daarop het
gevoelen der bloedverwanten of aangehuwden van den minder-
jarige, en van den toezienden voogd, inneemt.
De voogd die, niet voorzien van dit verlof, eene regtsvor-
dering heeft ingesteld, of zich daartegen verdedigt, kan door
den regter tot de betaling der proces kosten uit eigene beurs
worden verwezen, indien wordt bevonden dat hij zonder rede-
lijken grond het regtsgeding aangevangen of volgehouden
heeft; onverminderd zijne gehoudenheid tot verdere vergoeding
van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn.
Hetzelfde kan plaats hebben, indien mogt blijken dat de
voogd door valsche voorgevens, of verberging der waarheid,
zoodanig verlof mogt hebben verkregen.
462.  Het staat aan den voogd niet vrij in eene regtsvorde-
-ocr page 115-
108
I BOEK. VAN PERSONEN.
ring, tegen den minderjarige ingesteld, te berusten, zonder
daartoe gemagtigd te zijn door den kantonregter, op de wijze
als in den aanvang van het vorige artikel is vermeld.
463.  Hetzelfde verlof wordt vereischt, wanneer de voogd
eene scheiding of verdeel ing wil vragen ; doch kan hij, zonder
dat verlof, antwoorden op eenen eisch tot scheiding of ver-
deeling tegen den minderjarige gedaan.
464.  De regelen, welke ten opzichte der scheiding en ver-
deeling van goederen, waarbij minderjarigen belang hebben,
zullen moeten worden in acht genomen, zijn bepaald bij den
zestienden titel van het tweede boek, handelende van b o e -
delscheiding.
465.  De voogd kan, zonder het verlof waarvan bij artikel
451 wordt gesproken, in den naam van den minderjarige
geene dading aangaan, noch de beslissing van eene zaak aan
scheidsmannen opdragen.
466.  Indien de vader of de moeder met den vooroverleden
echtgenoot in algeheele of in beperkte gemeenschap is getrouwd
geweest, kan dezelve, na verhoor of behoorlijke oproeping van
de bloedverwanten of aangehuwden, mitsgaders van don toe-
zienden voogd, en op de conclusiën van het openbaar
ministerie, door den kantonregter worden gemachtigd om de
goederen, de nering, het bedrijf, den handel, de fabrijk of der-
gelijke, gedurende eenen bepaalden tijd, en zelfs tot de meer-
derjarigheid, in gemeenschap met de minderjarigen, te mogen
aanhouden.
Dit verlof kan niet worden toegestaan, ten zij aan den kan-
tonregter, na inzage van de boedelbeschrijving, zij gebleken
van het aanmerkelijk belang der minderjarigen, en van den
waarborg, dien do voogd of do voogdesse oplevert. Hetzelve
zal, op verzoek van den voogd, of van den toczienden voogd,
na verhoor als voren, kunnen worden ingetrokken.
TWAALFDE AFDEELING.
Van de rekening en vevantwoording der voogdij.
467.  Elke voogd is, bij het eindigen van zijn beheer, ver-
pligt tot het doen van eene slotrekening en verantwoording.
468.  Die rekening en verantwoording zal gedaan worden ten
koste van den minderjarige, zoo dra deze zijne meerderjarigheid
heeft bereikt, of aan zijne erfgenamen, zoo dra de minderjarige
is overleden, of aan den vader of de moeder zoodra deze we-
der de vaderlijke magt kan uitoefenen.
De voogd zal de kosten daartoe voorschieten.
Men zal daarin aan den voogd goeddoen alle noodzakelijke,
betamelijke en behoorlijk gerechtvaardigde uitgaven.
-ocr page 116-
XVII TITEL. VAN HANDLIGTING.                                  109
469.  De voogd vermag ten zijnen eigen bate geene som als
loon in rekening te brengen.
Hij mag nogtans het loon ontvangen, hetwelk hem bij uiterste
wilsbeschikking, of bij de in artikel 410 vermelde authentieke
akte, mogt zijn toegelegd.
470.  Elke overeenkomst, rakende de voogdij of de voogdij -
rekening, welke tusschen den voogd en den minderjarige, meer-
derjarig geworden zijnde, mogt plaats hebben, is nietig en van
onwaarde, wanneer dezelve niet is voorafgegaan van eene be-
hoorlijke rekening en verantwoording, met overlegging der noo-
dige bewijsstukken; van welk alles zal moeten blijken door
eene schriftelijke erkentenis van dengenen aan wien de rekening
gedaan is, ten minste tien dagen vóór de overeenkomst afgegeven.
471.  Het slot van rekening, door den voogd verschuldigd,
zal, zonder dat zulks geëischt worde, renten dragen van den
dag af dat de rekening gesloten is.
De renten van hetgeen de minderjarige aan den voogd schuldig
blijft zullen niet loopen, dan van den dag der aanmaning tot beta-
ling, na het sluiten van de rekening en verantwoording gedaan.
472.  Alle regtsvordering van den minderjarige tegen zijnen
voogd, betrekkelijk de verrigtingen der voogdij, verjaart met.
tien jaren, te rekenen van den dag der meerderjarigheid.
ZEVENTIENDE TITEL.
VAN HANDLIGTING.
473.  Door handligting kan de minderjarige meerderjarig wor-
den verklaard, of kunnen aan hem bepaalde regten van meer-
derjarigheid worden toegekend.
474.  De handligting, door welke de minderjarige meerder-
jarig wordt, wordt verkregen door venia aetatis of
brieven van meerderjarigverklaring, te ver-
leenen bij den hoogen raad, die echter niet van kracht zijn,
dan nadat dezelve door den Koning zullen zijn goedgekeurd,
en te dien einde aan hem door den hoogen raad opgezonden.
475.  Het verzoek om brieven van meerderjarigverklaring
kan aan den hoogen raad worden gedaan door den minderjarige,
wanneer deze den vollen ouderdom van twintig jaren heeft bereikt.
Hij het verzoekschrift moet eene akte van geboorte, of, wan-
neer die niet geleverd kan worden, een ander deugdelijk blijk
van den vereischten ouderdom worden overgelegd.
476.  De hooge raad, alvorens op het verzoek te beslissen,
hoort den vader, en bij gebreke van dezen, de moeder van den .
minderjarige; wanneer de vader en de moeder des minderja-
rigen overleden zijn, of zich in de onmogelijkheid mogten be-
-ocr page 117-
110
I BOEK. VAN PERSONEN.
vinden om hunnen wil te kennen te geven, moeten de voogd,
de toeziende voogd, mitsgaders do bloedverwanten of aange-
huwden van den minderjarige, worden gehoord of behoorlijk
opgeroepen.
477.   De hooge raad zal aan de arrondissements-regtbank
van de woonplaats des minderjarigen, of ook wel, bij te groo-
ten afstand van deze, aan den kantonregter kunnen opdragen
om de hier boven vermelde personen te hooren.
Het verbaal van dit verhuor zal alsdan aan den hoogen raad
worden ingezonden, met bijvoeging van alle de inlichtingen en
aanmerkingen, welke de regtbank of de kantonregter zal noo-
dig oordeelcn.
478.   De meerderjarigverklaarde staat in alles met den meer-
•derjarigo gelijk.
Ten opzigte van het aangaan van een huwelijk, blijft hij ech-
ter in de vcrpligting om, achtervolgens de bepalingen van de
artikelen 92, 93 en 94, de toestemming zijner ouders of groot-
ouders te verkrijgen, tot dat hij den vollen ouderdom van drie
en twintig jaren zal hebben bereikt.
479.    Het staat aan den hoogen raad vrij om, in het belang
des minderjarigen, in de brieven van meerderjarigverklaring de
bepaling te voegen, dat hij, aan wien dezelve verleend worden,
desniettegenstaande, tot dat hij den vollen ouderdom van drie
en twintig jaren hebbe bereikt, zijne onroerende goederen niet
anders zal mogen vervreemden of bezwaren, dan met toestem-
ming van den kantonregter zijner woonplaats, na verhoor of
behoorlijke oproeping van den vader, of, deze ontbrekende, van de
bloedverwanten of aangehuwden.
In geval van verkoop, mag de kantonregter ook toestaan dat-
dezelve onderhands geschiede.
480.   Handligting, waarbij aan eenen minderjarige bepaalde
regten van meerderjarigheid worden toegekend, kan, wanneer
de minderjarige den vollen onderdom van achttien jaren heeft be-
reikt, op zijn verzoek, door den kantonregter worden verleend.
Tegen den wil van dengene der ouders, die do vaderlijke magt
uitoefent, wordt zij niet verleend.
481.   Wanneer beide de ouders in leven zijn, beslist de kan-
tonregter na verhoor of behoorlijke oproeping van dengonc der
•ouders, die de vaderlijke magt uitoefent, en van de bloedverwan-
ten of aangehuwden.
Wanneer de minderjarige onder voogdij staat, beslist de kan-
tonregter na verhoor of behoorlijke oproeping van den voogd,
den toezienden voogd, de bloedverwanten of aangehuwden en
van den vader of do moeder, zoo een van beiden in leven mogt
zijn zonder met de voogdij belast te wezen.
De artikelen 388 en 389 zijn ten deze van toepassing.
-ocr page 118-
XVII TITEL. VAN HANDLIGTING.                            111
De kantonvegter kan, alvorens te beslissen, de persoonlijke
verschijning van den minderjarige gelasten.
Vóór het sluiten van het verhoor bepaalt de kantonregter den
dag, waarop hij zijne beschikking geven zal.
Binnen veertien dagen na den dag der beschikking kan hooger
beroep worden ingesteld door den minderjarige en door ieder,
die op het verzoek gehoord is.
Art. 342 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering is
hier niet van toepassing.
Een nieuw verhoor kan in hooger beroep worden bevolen.
Is niet de verzoeker zelf in beroep gekomen, dan wordt op
dat beroep niet beslist zonder dat hij is gehoord of opgeroepen
om gehoord te worden.
482.  Bij het verleenen der handligting bepaalt de kanton-
regter uitdrukkelijk, welke regten van meerderjarigheid aan den
minderjarige worden toegekend.
483.  De minderjarige, die dusdanige handligting heeft beko-
men, wordt als meerderjarig beschouwd, alleen opzigtelijk de
daden en verrigtingen, uitdrukkelijk, in voege voormeld, aan hem
opgedragen, en kan daartegen, op grond van minderjarigheid,
niet in zijn geheel worden hersteld. Voor het overige, blijft hij
in den volstrekten toestand van minderjarigheid.
484.  De bevoegdheid en de regten, uit krachte der artikelen
480, 481 en 482, aan den minderjarige toe te kennen, mogen
zich niet verder uitstrekken dan tot de gedeeltelijke of de ge-
heele ontvangst, de uitgave van, en de beschikking over zijne
inkomsten, het sluiten van verhuringen, het bebouwen zijner
landerijen, en het uitoefenen van zoodanige bedrijven als daar-
toe noodzakelijk zijn, het uitoefenen van eenig handwerk, het
oprigten van, of deelnemen in eenige fabrijk, en eindelijk tot
het drijven van nering en handel.
In de beide laatste gevallen is de minderjarige bevoegd om,
evenals een meerderjarige, alle verbindtenissen te sluiten, tot
die tabrijk, nering en handel betrekkelijk, met uitzondering van
de vervreemding en de bezwaring zijner vaste goederen en van
de vervreemding of verpanding zijner rentegevende effecten, in-
schrijvingen in grootboeken van openbare schuld, hypothecaire
schuldvorderingen en aandeelen in naamlooze of andere ven-
nootschappen.
Hij kan ter zake der handelingen, waartoe hij krachtens de ver-
krogone handligting bevoegd was, het zij eischende of vervve-
rende in regten optreden. Art.78 geldt voor die handelingen niet.
485.  De handligting. bij de vijf vorige artikelen omschreven,
kan door do arrondissetnents regtbank worden ingetrokken, indien
de minderjarige daarvan misbruik maakt, of er gegronde vrees
bestaat dat hij dit zal doen.
-ocr page 119-
112
I BOEK. VAN PERSONEN.
De intrekking geschiedt, wanneer beide de ouders in leven
zijn, op verzoek van den vader of, zoo de vaderlijke magt door
de moeder wordt uitgeoefend, op verzoek van deze; wanneer
de minderjarige onder voogdij staat, op verzoek van den voogd
of toeziendcn voogd.
Op het verzoek wordt niet beslist dan na verhoor ofbehoor-
lijke oproeping van den minderjarige en van den voogd, indien
het verzoek door den toezienden voogd, of van dezen; indien
het verzoek door den voogd is gedaan.
De regtbank kan gelasten, dat ook de bloedverwanten of aan-
gehuwden, en de vader of de moeder, zoo een van beiden in leven
mogt zijn zonder met de voogdij belast te wezen, zullen worden
opgeroepen om gehoord te worden.
Zij beslist zonder hooger beroep.
486.  Alle handligting, in dezen titel vermeld, gelijk ook de
intrekking volgens het voorgaande artikel, moet openbaar be-
kend worden gemaakt, bij behoorlijke afkondiging en plaatsing
in het officieële dagblad en in dat van de woonplaats des min-
derjarigen, of, bij gebreke daarvan, in het dagblad eener naast-
gelegene plaats.
In de afkondiging der handligting moet naauwkeurig worden
vermeld hoedanig, en tot welk einde dezelve is verleend. Vóór
deze afkondiging, werkt zoomin de handligting als de intrekking
van dezelve tegen derden.
ACHTIENDE TITEL.
VAN CURATELE.
487.  De meerderjarige, die zich in eenen gedurigen staat van
onnoozelheid, krankzinnigheid of razernij bevindt, moet onder
curatele worden gesteld, al is het dat hij bij tusschenpozing het
gebruik zijner verstandelijke vermogens bezit.
Een meerderjarig persoon kan ook uit hoofde van ver-
kwisting onder curatele gesteld worden.
488.  Elk bloedverwant is bevoegd om, uit hoofde van onnoo-
zelhoid, krankzinnigheid of razernij van zijnen bloedverwant,
diens curatele te verzoeken.
Ter oorzake van verkwisting, kan de curatele alleen worden
verzocht door de bloedverwanten in de regte linie, en door die
in de zijdlinie tot den vierden graad ingesloten.
In het eone en andere geval, kan de eene echtgenoot verzoeken
dat de andere onder curatele worde gesteld.
Hij die gevoelt door zwakheid van vermogens niet in staat
te zijn om zijne eigene belangen behoorlijk waar te nemen, kan
zelf vragen om onder curatele te worden gesteld.
489.   Indien, in geval van razernij, de curatele niet is ver-
-ocr page 120-
113
XVIII TITEL. VAN CURATELE.
zocht door de personen, in het vorige artikel omschreven, is
het openbaar ministerie daartoe verpligt.
In geval van onnoozelheid of krankzinnigheid, kan de curatele
insgelijks door het openbaar ministerie worden gevorderd tegen
iemand, die noch echtgenoot, noch bekende bloedverwanten, bin-
nen het koningrijk heeft.
490.    Alle verzoeken tot curatele moeten worden ingediend
bij de regtbank van het arrondissement der woonplaats van
dengenen, tegen wien het verzoek gerigt is.
491.    De daadzaken, waaruit van de onnoozelheid, krankzin-
nigheid, razernij of verkwisting kan blijken, moeten bij het ver-
zoekschrift bepaaldelijk worden opgegeven, en daarbij worden
gevoegd zoo wel de bewijsstukken, als eene opgave der getuigen.
492.   Indien de regtbank van oordeel is dat die daadzaken ge-
noegzaam gewigtig zijn oin tot curatele te kunnen aanleiding
geven, zal zij de bloedverwanten of aangehuwden moeten hooren.
493.    De regtbank zal, na verhoor of behoorlijke oproeping
van de personen, bij het vorige artikel aangeduid, dengenen,
wiens curatele verzocht is, moeten ondervragen; wanneer deze
buiten staat mogt zijn om zich te kunnen verplaatsen, zal de
ondervraging in zijne woning moeten geschieden, door een of
meer daartoe benoemde regters, door den gritfier vergezeld, en,
in alle gevallen, in tegenwoordigheid van het openbaar mi-
nisterie.
De ondervraging zal niet vroeger plaats kunnen hebben, dan
nadat zoo wel het verzoekschrift als het verslag, bevattende
de door de bloedverwanten geuitte gevoelens, aan dengenen,
wiens curatele verzocht is, zullen zijn betoekend geworden.
494.  Indien de regtbank, na verhoor of behoorlijke oproeping
van de bloedverwanten of aangehuwden, on na verhoor van
dengenen, wiens curatele verzocht is, oordeelt genoegzaam te
zijn ingelicht, zal zij, zonder eenige verdere formaliteiten, op
het verzoekschrift kunnen beschikken; in het tegenovergestelde
geval, zal zij het hooren van getuigen bevelen, ten einde de
aangevoerde daadzaken tot klaarheid te brengen.
495.   Na de ondervraging in artikel 49S vermeld, zal de
regtbank, zoo daartoe gronden zijn. eenen provisionelen bewind-
voerder benoemen, om voor den persoon en de goederen van
dengenen wiens curatele verzocht is, zorg te dragen.
496.   Het vonnis op een verzoek om curatele zal niet anders
dan in eene openbare teregtzitting kunnen worden uitgesproken,
na verhoor of behoorlijke oproeping der partijen, en op de con-
clusiën van het openbaar ministerie.
497.   In geval van beroep, kan de hoogere regter, zoo .laar-
toe gronden zijn, dengenen wiens curatele is verzocht, op nieuw
ondervragen of doen ondervragen.
8
-ocr page 121-
114
I BOEK. VAN PERSONEN.
498.   Allo vonnissen of arresten, waarbij curatele verleend
wordt, zullen van wege de verzoekers binnen de tien dagen,
aan de wederpartij moeten beteekend en openbaar gemaakt
worden, door derzelver plaatsing in de officiëcle dagbladen, mits-
gaders in een nieuwspapier der provincie, indien hetzelve be-
staat, alles op straffe van vergoeding van kosten, schaden en
interessen, zoo daartoe grondeii zijn.
499.   Wanneer de curatele gevraagd wordt, naar aanleiding
van het vierde lid van artikel 488, hoort de regtbank de bloed-
verwanten of aangehuwden, en den echtgenoot des verzoekers,
en zullen gevolgd worden de bepalingen, in de artikelen 493,
494, 495 en 496 vervat. Het openbaar ministerie zorgt, in dat
geval, voor de bekendmaking van de uitspraak, op de wijze in
artikel 498 voorgeschreven.
500.   De curatele zal aanvangen te werken, te rekenen van
den dag dat het vonnis of het arrest zal zijn uitgesproken.
Allo handelingen, die daarna door den onder curatele gestelde
zijn verrigt, zijn van regtswege nietig.
Nogtans behoudt degene, die uit hoofde van verkwisting is
onder curatele gesteld, hot vermogen om uiterste wilsbeschik-
kiug te maken.
501.   Alle handelingen, welke mogten hebben plaats gehad
voor hot verleenen der curatele, op grond van onnoozelheid,
krankzinnigheid of razernij uitgesproken, zullen kunnen worden
vernietigd, indien de oorzaak der curatele blijkbaar bestond, op
het tijdstip waarop die handelingen verrigt zijn.
502.   Na iemands dood, kunnen de door hem verrigte han-
delingen, do uiterste wilsbeschikkingen alleen uitgezonderd, op
grond van onnoozelheid, krankzinnigheid of razernij, niet wor-
den bestreden, dan in geval do curatele vóór zijn overlijden mogt
zijn verleend of verzocht geworden ten ware het bewijs der
kwaal uit de bestredone handeling zelve voortvloeide.
503.  Zoo dra de uitspraak tot curatele kracht van gewijsde
bekomen heeft, zullen door den kantonrogter een curator en een
toeziende curator over den onder curatele gestelde worden be-
noemd, met inachtneming der bepalingen, bij de vijfde afdeeling
van den zestienden titel van dit boek voorgeschreven.
In dat geval, houden de bemooijenissen van don provisionelen
bewindvoerder op, en is deze verpligt aan den curator rekening
en verantwoording van zijn beheer af te leggen; wanneer hij
zelf tot curator benoemd wordt, zal de aflegging dier rekening
aan den toezionden curator geschieden.
504.   Do man wordt van regtswege curator over zijne onder
curatele gestelde vrouw.
505.   De vrouw kan tot curatrice over haren man worden be-
noemd. In dat geval, zal de kantonrogter, na verhoor of op-
-ocr page 122-
115
XIII TITEL. VAN CURATELE.
roeping van de bloedveiwanten of sangehuviden van den onder
curatele gestelde, e enen toezienden curator aanstellen, mitsga-
ders den vorm en de voorwaarden der besturing regelen; be-
houdens het beroep van de vrouw aan de arrondissements-regt-
bank zoo zij vermeent door de beschikkingen van den kanton-
regter bezwaard te zijn.
506.  De onder curatele gestelde staat gelijk met oenen min-
derjarige.
Wanneer hij, die uit hoofde van verkwisting onder curatele
gesteld is, zich ten huwelijk wil begeven, zijn daarop toepasse-
lijk de bepalingen der artikelen 93 en 206.
De wetsbepalingen omtrent de voogdij over minderjarigen, bij
artikel 886 tot en met 399, bij artikel 424 tot en met 443, bij
artikel 444, 445, 446, 449 en volgende van de elfde en twaalfde
afdeelingen van den zestienden titel voorkomende, gelden ins-
gelijks bij de curatele.
507.  Indien de onder curatele gestelde persoon minderjarige
kinderen heeft, en de andere echtgenoot overleden is, of zich
buiten de mogelijkheid bevindt om de voogdij te kunnen waar-
nemen, zal de curator van don onder curatele gestelden insge-
lijks voogd van die minderjarigen zijn.
508.  De inkomsten van dengenen die, uit hoofde van onnoo-
zelheid, krankzinnigheid of razernij, onder curatele is gesteld,
moeten bij/.onderlijk besteed worden om diens lot te verzachten
en zijne genezing te bevorderen.
509.  Ingetrokken bij de Wet van 27 April 1884 (Stbl. 96.)
510.  Als boven.
511.   De arrondissements-regtbank heeft mede het vermogen
om den persoon die. volgens do laatste zinsnede van artikel 487,
uit hoofde van verkwisting, onder curatele is gesteld, het zij te
gelijk met deze voorziening, bet zij daarna, uiterlijk voor één
jaar, doch zoo noodig, telkens uiterlijk voor één jaar te ver-
lengen, in een verbeterhuis te doen plaatsen, wanneer blijkt dat
zijne eigene veiligheid of do openbare zedelijkheid dit vordert,
en dat hij door een buitensporig en slecht gedrag voor de
zamenleving gevaarlijk is. Indien er onverwijlde noodzakelijkheid
bestaat, en de vertraging tot den afloop van het regterlijk
onderzoek zoude kunnen gevaarlijk zijn, is de regtbank bevoogd
om, hangende dat onderzoek, zoodanige voorloopigo behoed-
middelen, en, des noods, de vastzetting te bevelen, als de om-
standigheden vorderen.
512.  Het verzoek tot. vastzetting kan aan de regtbank worden
gedaan door den echtgenoot van den onder curatele te stellen
of gestelden persoon, door zijne bloedverwanten in de regte linie,
en door die in de zijdlinie, tot den derden graad ingesloten, door
-ocr page 123-
116
I BOEK. VAN PERSONEN.
zijnen curator, en door het openbaar ministerie, dat altijd op
zoodanig verzoek zal moeten worden gehoord.
Aan alle dezen staat de weg van hooger beroep open.
513.   Het gedaan verzoek tot zoodanige vastzetting, of tot de
verlenging van deze, moet beteekend worden aan hem tegen
wien het is gerigt.
Hij is bevoegd om daartegen zijne bezwaren bij do regtbank,
en zelfs, door beroep, bij den hoogeren regter in te brengen,
terwijl het echter aan den regter vrijstaat om, daartoe billijke
gronden zijnde, zijn bevel bij voorraad uitvoerbaar te verklaren.
De opheffing der vastzetting kan mede door hem gevraagd
worden, en de arrondissements-regtbank moet, alvorens deze te
verleenen, daarop hooren allen die, volgens het vorige artikel,
de bevoegdheid zouden hebben om de vastzetting te verzoeken.
De beslissing daarop is aan beroep onderworpen.
514.   Ken minderjarig kind van oenen onder curatelen gestelden
persoon kan geen huwelijk aangaan, noch bedingen deswege
maken, dan met inachtneming der voorschriften van de artikelen
95 en 20G.
515.   Niemand, uitgezonderd echtgcnooten en bloedverwanten
in de opgaande of nederdalende linie, is verpligt eene curatele
of toeziende curatele langer dan acht jaren te behouden ; na
verloop van dien tijd, kan de curator of de toeziende curator
zijn ontslag vorderen, en moet hem dit worden verleend.
516.   De curatele eindigt, wanneer de oorzaken ophouden die
daartoe hebben aanleiding gegeven; nogtans zal de opheffing
van dezelve niet worden verleend dan met inachtneming der
formaliteiten, bij de wet voorgeschreven om curatele te bekomen\',
en zal degene, die onder curatele gesteld is, de uitoefening zijner
regten niet, kunnen hervatten, voordat het vonnis tot opheffing
der curatele kracht van gewijsde zal hebben verkregen.
517.   De opheffing van curatele moet worden bekend gemaakt
op de wijze bij artikel 498 voorgeschreven.
SLOTBEPALING.
518.   De minderjarige die zich in staat van onnoozelheid,
krankzinnigheid of razernij bevindt, wordt niet onder curatele
gesteld, maar blijft onder het toezigt van deszelfs vader, moeder
of voogd.
-ocr page 124-
NEGENTIENDE TITEL.
VAN AFWEZIGHEID.
EERSTE AFDEELINO.
Van voorloopiye voorzieningen.
519.    Indien iemand zijne woonplaats verlaten heeft, zonder
volmagt tot het waarnemen zijner zaken en belangen, of
order op het beheer derzelve gesteld te hebben, of wel indien
de door hem gegeven volmagt is vervallen, en indien er nood-
zakelijkheid is om in dat beheer, geheel of gedeeltelijk te voor-
zien, of hem te doen vertegenwoordigen, zal, op verzoek van
belanghebbenden, of ook van het openbaar ministerie, door de
regtbank van de woonplaats des afwezigen, een bewindvoerder
worden benoemd om zijne goederen en belangen, geheel of
gedeeltelijk, te beheeren en waar te nemen, voor zijne regten
op te komen, en hom daarbij te vertegenwoordigen.
Alles onverminderd de bijzondere wetsbepalingen, voor het
geval van faillissement, of van kennelijk onvermogen.
520.   De bewindvoerder is verpligt om, dos noods na verze-
geling, te maken behoorlijke beschrijving van de goederen,
waarover hem het beheer is toevertrouwd. Hij zal het gereede
geld, daarbij gevonden, of hetwelk naderhand door hem mogt
worden geïnd, storten in de kas der geregtelijke consignation,
en verder zich regelen naar de voorschriften omtrent het beheer
van goederen aan minderjarigen toebehoorende, voor zoo verre
die op zijn bewind van toepassing kunnen worden gemaakt,
ten ware omtrent dit een of ander door de regtbank anders
mogt zijn bepaald.
521.   De bewindvoerder is verpligt jaarlijks aan het openbaar
ministerie bij do regtbank die hem benoemd heeft, te doen
summiere rekening en verantwoording, en to vertoonen de
eftecten en bescheiden tot zijn beheer behoorende. Deze reke-
mng zal worden opgemaakt op ongezegeld papier, en overgege-
ven zonder eenigen geregtelijken vorm. Het openbaar ministerie
kan daarop zoodanige voordragt aan de regtbank doen, als het-
zelve in het belang van den afwezige zal noodig oordeelen.
De goedkeuring dezer rekening brengt geen nadeel toe aan
het regt, hetwelk de afwezige, of andere belanghebbenden, tegen
dezelve mogtcn kunnen doen gelden.
-ocr page 125-
118
I BOEK. VAN PERSONEN.
522.    De bewindvoerder is bevoegd als belooning te bereke-
nen, bij het doen van zijne jaarlijksche rekening, twee en een
half ten honderd der ontvangst, en een en een half ten hon-
derd dor uitgaven.
TWEEDE AT\'DEELINO.
Van de verklaring van vermoedelijk overlijden.
523.   (1). Indien iemand zijne woonplaats hoeft verlaten, zon-
der volinagt tot het waarnemen van zijne zaken gegeven, of
order op het beheer van dezelve gesteld te hebben, en wanneer
vijfjaren zijn verloopen na zijn vertrek, of na de laatste tijding,
waaruit kon blijken dat hij in leven was, zonder dat in die vijf
jaren bewijs is ingekomen van zijn aanwezen of van zijn over-
lijden, om het even of er voorloopige voorzieningen zijn bevo-
len dan niet, zal zoodanige afwezige, ten verzoeke van belang-
hebbenden, op daartoe bekomen verlof van de regtbank zijner
verlatene woonplaats voor diezelfde regtbank kunnen worden
opgeroepen, bij eene openbare dagvaarding, loopende op eenen
termijn van drie maanden, of zoo veel langer als door de regt-
bank mogt worden bevolen.
Wanneer op die dagvaarding noch de afwezige, noch iemand
voor hem, opkomt, die van zijn aanwezen doet blijken, zal
verlof tot eene tweede dergelijke dagvaarding, en op deze
tweede, in hot geval als voren, verlof tot eene derde dergelijke
dagvaarding worden verleend.
Deze dagvaardingen moeten telkens worden geplaatst in zoo-
danige nieuwspapieren als de regtbank, bij het verleenen van
het eerste verlof, uitdrukkelijk zal aanwijzen, en ook telkens
worden aangeplakt aan de voorname deur der vergaderplaats
van de rechtbank, en aan het huis der gemeente, binnen welke
de afwezige zijne woonplaats had.
(1) Bij do Wet van « Julij 1855, Stbl. No. G7, zijn do artt. 523, 52C en
549 gewijzigd en in bepaald:
Art. 1. liet tijdsverloop van vijl\' tot tien jaren, in do artikelen 523, 520 en
54a van het Burgerlijk Wetboek gevorderd, wordt beperkt tot drie jaren,
wanneer do afwezige tot de bemanning of passagiers blijkt behoort te heb-
ben van een sehip, waarvan gedurende dien t\\jd geene berigten z\\jn inge-
komen.
De termjjn van drie jaren vangt aan mot de laatsto tijding van het «chip,
en, zoo er van geeno tyding bljjkt, met den dag van het laatsto in zee ste-
ken van het «chip.
Art. 2. Hetzelfdo tijdsverloop van vijf of tien jaren, wordt tot één jaar
ingekort, wanneer de afwezige vermist is ter gelegenheid eener noodlottige
gebeurtenis op \'s lands kuiten, binnenlandsehe zeeën of wateren, aan eenig
vaartuig, aan een dool zijnor bemanning of zijner passagiers overkomen.
De tormijn van één jaar vangt aan met het tijdstip waarop de gebeurtenis
geacht moet worden te hebben plant} gegrepen.
-ocr page 126-
XIX TITEL. VAN AFWEZIGHEID.                             119
524.   Indien op de derde dagvaarding, nooli de afwezige, noch
iemand voor hem is opgekomen, die behoorlijk van zijn aanwezen
doet blijken, kan door de regtbank, op daartoe gedanen eisch,
na verhoor van liet openbaar ministerie, worden verklaard, dat
er regtsvermoeden van overlijden bestaat, sedert den dag nadat
de afwezige kan worden gerekend zijne woonplaats te hebben
verlaten, of na de laatste tijding van zijn leven, en welke dag
bepaaldelijk in het vonnis moet worden uitgedrukt.
525.    De regtbank zal, alvorens op den eisch uitspraak te
doen, des noods na een daartoe bevolen getuigen-verhoor, te
houden in tegenwoordigheid van het openbaar ministerie, letten
op de beweegredenen der afwezigheid, op de oorzaken die het
ontvangen van tijdingen van den afwezige hebben kunnen ver-
hinderen, en op alle andere omstandigheden, tot het vermoeden
van overlijden betrekkelijk.
Zij kan, naar aanleiding van dit alles, liet doen van uitspraak
uitstellen tot nog uiterlijk vijf jaren boven den tijd, in artikel
523 vermeld, en zoodanige nadere oproepingen en plaatsing
daarvan in de nieuwspapieren bevelen, als zij in liet belang des
afwezigen mogt noodig oordeelen.
(\') 526. Indien iemand bij het verlaten zijner woonplaats
eene volmagt tot het waarnemen van zijne zaken gegeven, of
orde op het beheer derzelve heeft gesteld, en er tien jaren zijn
verloopen na zijn vertrek, of na de laatste tijding van zijn
leven, zonder dat in die tien jaren bewijs van zijn aanwezen
of van zijn overlijden zal zijn ingekomen, kan zoodanige af-
wezige, ten verzoeke van belanghebbenden, worden opgeroepen,
en kan worden verklaard, dat er regtsvermoeden van over-
lijden bestaat, op de wijze en volgens de voorschriften in de
drie voorgaande artikelen vermeld. Dit verloop van tien jaren
wordt gevorderd, als ware het ook dat de gegeven volmagt of
gestelde orde van den afwezige vroeger mogten zijn geëindigd.
In het laatste geval echter, zal in het beheer worden voor-
zien op de wijze, als in de eerste afdeeling van dezen titel is
vermeld.
527.    De verklaring van vermoedelijk overlijden moet alge-
meen worden bekend gemaakt door middel van dezelfde nieuws-
papieren, in welke de openbare oproepingen zijn geplaatst ge-
weest.
• DERDE APDEEI.1NC.
Van de regten en verpligtingen van vermoedelijke erfgenamen
en andere belanghebbenden, na de verklaring
van vermoedelijk overlijden.
528.   De vermoedelijke erfgenamen van den afwezige, welke,
(.\') Zie de noot bij art. 523.
-ocr page 127-
120
I BOEK. VAN PERSONEN.
het zij volgons versterfregt, het zij volgens uiterste wilsbe-
schikking, tot zijno nalatenschap geregtigd zouden zijn geweest
op den dag, in het vonnis uitgedrukt, zijn bevoegd van den
bewindvoerder, indien deze bestaat, rekening, verantwoording
en afgifte te vorderen, en om de goederen van den afwezige
in bezit te nemen; alles tegen het stellen van persoonlijke of
zakelijke, geregtelijk goedgekeurde zekerheid dat die goederen
zullen worden gebruikt, zonder dezelve te vorslimmeren of te
verwaarloozen, mitsgaders voor de teruggave der goederen of
van derzelver waarde, indien de aard der goederen dit mogt
medebrengen, en zulks ten behoeve van den afwezige, wanneer
hij terug mogt komen, of van andere erfgenamen, van wier
beter rcgt daarna moeht blijken.
De vermoedelijke erfgenamen, mitsgaders alle belanghebbenden
zijn dienvolgens bevoegd om de opening der uiterste wilsbe-
schikkingen, zoo die bestaan, te vorderen.
529.   Bij gebreke van het stellen der zekerheid in het voor-
gaande artikel vermeld, zullen de goedoren onder het beheer
van eenen derde worden gesteld, en kan ten opzichte van roe-
rende goederen, verkoop worden bevolen, met inachtneming der
voorschriften, in artikel 833 en 834 van dit Wetboek voor-
komende.
530.    De vermoedelijke erfgenamen hebben, ten opzigte van
hot genot van de goederen van den afwezige, dezelfde regten,
en zijn aan dezelfde verpligtingon onderworpen, welke ten
aanzien van vruchtgebruikers zijn voorgeschreven, voor zoo verre
de bepalingen, op dat onderwerp gemaakt, toepasselijk zijn, en
daaromtrent hierna niet anders is voorzien.
531.   Op denzolfden voet als dit in de drie voorgaande arti- "
kelen omtrent de vermoedelijke erfgenamen des afwezigen is
bepaald, kunnen de legatarissen, en alle anderen die op de
goederen van den afwezige, na zijn overlijden, eenig regt zou-
den gehad hebben, hetzelve bij voorraad uitoefenen.
532.   Zij die eenige goederen van den afwezigen onder hun
bezit of helieer hebben verkregen, zijn, ieder voor zoo veel
hem aangaat, daarvan aan den afwezige, wanneer hij terug
mogt komen, of aan andere erfgenamen, of regthebbenden, wol-
ke mogten opkomen, en van hun beter regt doen blijken, reke-
ning, verantwoording en afgifte schuldig.
533.  De vermoedelijke erfgenamen zijn dadelijk bij het inbe-
zitnemen verpligt tot eene behoorlijke beschrijving van alle de
goedoren, door den afwezige achtergelaten. Aan hen wordt het
voorregt van boedelbeschrijving toegekend. Hij gebreke van
zoodanige boedelbeschrijving, en in de gevallen bij artikel 1077
voorzien, verliezen zij het hior-boven toegekend voorregt, on-
verminderd de verpligtingen in het vorige artikel omschreven.
-ocr page 128-
XIX TITEL. VAN AFWEZIGHEID.                            121
534.  Behoudens de voorgaande bepalingen, en voor zoo verre
dien ten gevolge niet anders is bevolen, kunnen de vermoede-
lijke erfgenamen de goederen van den afwezige, in welker
bezit zij zijn getreden, bij voorraad onder elkander verdeelen,
met inachtneming der voorschriften, omtrent boedelscheiding
gemaakt.
De vaste goederen mogen nogtans, om tot de verdeeling te
geraken, niet worden verkocht, maar zullen, in het geval dat
zij niet kunnen worden verdeeld, of in eene of andere kaveling
begrepen, onder sequestratie worden gesteld, en de inkomsten
daarvan uitgekeerd, zoo als bij de verdeeling zal worden over-
eengekomen.
Van alles moet eene akte worden opgemaakt en geteekend,
waaruit tevens blijkt wat aan legatarissen of andere geregtig-
den is uitgekeerd.
535.  De beschrijving en de akte, in het voorgaande artikel
vermeld, mitsgaders de akte waarbij zekerheid is gesteld, moe-
ten worden gebragt en bewaard ter griffie van de regtbank,
die het vonnis van vermoedelijk overlijden heeft gewezen.
536.  Zij die, ten gevolge van de voorgaande bepalingen,
vaste goederen in hun aandeel hebben gekregen, of met het
beheer daarvan zijn belast, kunnen tot hunne zekerheid vorde-
ren, dat die goederen worden opgenomen door deskundigen,
daartoe te benoemen door de regtbank van het arrondissement
waarin zij gelegen zijn, en zal van derzelver gesteldheid beschrij-
ving worden gemaakt. Nadat de deskundigen verslag aan de
regtbank gedaan, en deze hetzelve zal hebben goedgekeurd,
het openbaar ministerie daarop gehoord zijnde, moet de be-
schrijving met het verslag op de griffie worden bewaard.
637. De vaste goederen van den afwezige, die aan iemand
der vermoedelijke erfgenamen zijn toebedeeld of onder deszelfs
beheer zijn gesteld, mogen vervolgens niet worden vervreemd,
noch bezwaard, voordat de tijd, hierna in artikel 540 bepaald,
zal zijn verloopen, ten zij om gewigtige redenen, en met verlof
van de arrondissements-regtbank.
538. Indien de afwezige, na de verklaring van vermoedelijk
overlijden, terugkeert, of er bewijs inkomt dat hij nog in leven
is, zijn zij, welke vruchten en inkomsten van zijne goederen
hebben getrokken, verpligt dezelve terug te geven, te weten,
de helft wanneer de terugkomst plaats heeft, of het bewijs van
leven inkomt, binnen vijftien jaren na don dag van het vor-
moedelijk overlijden, in het vonnis uitgedrukt, of wel een vierde,
wanneer zulks later, doch vóór het verloop van dertig jaren
na dat tijdstip, plaats heeft.
Alles echter met die bepaling, dat de regtbank die het von-
nis van vermoedelijk overlijden heeft uitgesproken, uit aanmer-
-ocr page 129-
122
I BOEK. VAN PERSONEN.
king van de geringheid der achtergelatene goederen, de terug-
gave van vruchten en inkomsten anders mag regelen, of wel
daarvan geheele ontheffing kan verleenen.
539. Indien de afwezige in gemeenschap van goederen, of
slechts van winst en verlies, of van vruchten en inkomsten, is
getrouwd, en zijn echtgenoot verkiest de bestaande gemeenschap
te laten voortduren, kan dezelve de provisionele inbezitneming
der vermoedelijke erfgenamen, en de uitoefening der regten,
die eerst door den dood van den afwezige zouden worden gebo-
ren, tegenhouden, en, onder de verpligtiug der beschrijving in
artikel 533 vernield, het beheer der goederen, vóór alle anderen,
op zich nemen of behouden.
Doch kan de opschorting dier inbezitneming en de verdere
gevolgen daarvan niet langer plaats grijpen, dan gedurende
tien volle jaren, te rekenen van den dag bij het vonnis uitge-
drukt. waarbij het vermoedelijk overlijden is verklaard.
Indien echter de echtgenoot zich niet tegen de inbezitneming
der vermoedelijke erfgenamen verzet, zal hij zijn aandeel in
de gemeenschap, of eigene goederen, en al hetgeen waartoe hij
overigens mogt geregtigd zijn, naar zich nemen, mits zekerheid
stellende voor zoodanige goederen die voor teruggave vat-
baar zijn.
De vrouw, de voortduring der gemeenschap verkiezende,
behoudt het regt om, bij vervolg van tijd, van die gemeen-
schap afstand te doen.
540.  Wanneer dertig jaren zijn verloopen na den dag van
het vermoedelijk overlijden, in het vonnis uitgedrukt, of ook
wanneer vroeger honderd volgende jaren zijn verstreken sedert
de geboorte van den afwezige, zijn de borgen ontslagen, en.
blijft de verdeeling der achtergelaten goederen, voor zoo verre
dezelve bereids heeft plaats gehad, stand houden, of kan anders
door de vermoedelijke erfgenamen tot eene definitieve verdee-
ling worden overgegaan, en kunnen alle andere regten op die
nalatenschap definitievelijk worden uitgeoefend. Het voorregt
van boedelbeschrijving houdt alsdan op, en kunnen de vermoe-
delijke erfgenamen tot aanvaarding of tot verwerping worden
verpligt, volgens de voorschriften op dat onderwerp bestaande.
541.   Indien vóór den tijd, in het voorgaande artikel uitge-
üi:ikt, tijding inkomt van het overlijden van den afwezige, kun-
nen zij, die op het tijdstip van dat overlijden, uit krachte der
wet, of uit beschikkingen van den afwezige, regten op zijne
nalatenschap hebben verkregen, of in die regten zijn opgevolgd,
rekening, verantwoording en afgifte vorderen, op den voet van
artikel 532 on 538.
5-12. Indien do afwezige mogt terug komen, of van zijn leven
doen blijken, nadat dertig jaren zijn verloopen, sedert den dag
-ocr page 130-
123
XIX TITEL. VAN AFWEZIGHEID.
van zijn vermoedelijk overlijden, bij het vonnis uitgedrukt, heeft
hij alleen regt om zijne goederen terug te vorderen in den staat
waarin zij zich alsdan bevinden, mitsgaders den prijs van die
goederen, welke vervreemd zijn, of wel de zoodanige welke uit
de opbrengst zijner vervreemde goederen zijn aangekocht, alles
echter zonder eonige vruchten of inkomsten.
543.   Eveneens zullen de kinderen en verdere afkomelingen
van den afwezige zijne goederen terug ontvangen, voor zoo
verre zij mogten opkomen binnen dertig jaren na het tijdsver-
loop bij artikel 540 vastgesteld.
544.   Wanneer bij vonnis regtsvermoeden van overlijden ia
verklaard, moeten alle regtsvorderingen ten laste van den af-
wezige worden ingesteld tegen de vermoedelijke erfgenamen,
welke zijne goederen hebben in bezit genomen; behoudens het
vermogen van deze laatsten om het vooi regt van boedelbeschrij-
ving te doen gelden.
VIERDE AFDEEMNG.
Van de regten, opgekomen aan tenen afwezige, wiens bestaan
onzeher is.
545.  Hij die aanspraak maakt op een regt, hetwelk van eenen
afwezige op hem overgegaan zoude zijn, doch hetwelk eerst aan
den afwezige is opgekomen nadat zijn bestaan onzeker is ge-
worden, is verpligt te bewijzen dat de afwezige heeft geleefd
op het tijdstip dat het regt aan dezen is opgekomen ; zoo lang
hij zulks niet bewijst, zal hij verklaard worden in zijnen eisch
niet ontvankelijk te zijn.
546.   Indien aan eonon afwezige, wiens bestaan onzeker is,
eene nalatenschap of een legaat opkomt, waartoe, indien hij niet
in leven ware, anderen zouden geregtigd zijn, of waarin anderen
met hem zouden moeten doelen, kan zoodanige nalatenschap of
legaat, of het gedeelte daarvan, door die anderen in bezit wor-
den genomen, even als of zoodanig iemand overleden ware, zon-
der dat zij verpligt zijn deszelfs overlijden te bewijzen: zij
moeten echter daartoe vooraf vergunning verkrijgen van de
regtbank waar het sterfhuis gevallen is, welke, des noods, open-
bare oproeping kan bevelen, en, in dat geval, ten behoeve der
belanghebbenden de noodige behoedmiddelen voorschrijven.
547.  De bepalingen van de twee voorgaande artikelen sluiten
de bevoegdheid niet uit tot het opvorderen van erfenissen en
alle andere regten, die aan den afwezige of aan zijne regtheb-
benden nader mogten blijken toe te komen. Die bevoegdheid en
die regten gaan alleen te niet door het tijdsverloop, tot verjaring
vereischt.
-ocr page 131-
124
I BOEK. VAN PERSONEN.
548. Indien daarna de afwezige terugkomt, of zijn regt op
zijnen naam wordt vervolgd, kan de teruggave van vruchten en
inkomsten worden gevorderd, te rekenen van den dag dat
aan den afwezige het regt is opgekomen, op den voet en onder
de bepalingen van artikel 538.
VIJFDE AFDEEL1NO.
Van de gevolgen der afwezigheid, met betrekking tot het
huu>elyk en de kinderen.
\') 549. Indien, buiten het geval van kwaadwillige verlating,
een der echtgenooten gedurende tien volle jaren, van zijne
woonplaats afwezig is, zonder dat eenige tijding van deszelfs
leven of dood is ingekomen, is de achtergebleven echtgenoot
bevoegd, op daartoe bekomen verlof van de arrondissements-
regtbank der gemeene woonplaats, zoodanigen afwezige hij drie
opeenvolgende openbare dagvaardingen op te roepen, op do
do wijze in artikel 528 en 524 omschreven.
550.    Indien, op de derde dagvaarding, noch de afwezige,
noch iemand voor hem is opgekomen, die behoorlijk van zijn
aanwezen doet blijken, kan de regtbank aan den achtergebleven
echtgenoot vergunnen een ander huwelijk aan te gaan. De be-
palingcn van artikel 525 zijn te dezen toepasselijk.
551.     Indien, na de verleende vergunning, doch vóór het
aangaan van een ander huwelijk, de afwezige mogt opkomen,
of iemand het behoorlijk bewijs van deszelfs leven inbragt, ver-
valt de verleende vergunning van rechtswege.
Na het aangaan van een ander huwelijk, heeft de afwezige
regt om ook van zijne zijde een ander huwelijk aan te gaan.
552.   Indien de vader zijne woonplaats verlaat, met achter-
lating van minderjarige kinderen, zonder orde op zijne zaken
gesteld te hebben, zal de moeder alle regten van den man uit-
oefenen, zoo wel met betrekking tot de opvoeding der kin-
deren, als tot het beheer van hunne goederen. De bloedverwan-
ten of aangehuwden van den afwezigen vader kunnen zich daar-
tegen bij den kantonregter verzetten, die alsdan, behoudens be-
roep aan de arrondissements-regtbank, uitspraak doet.
553.   Indien een der echtgenooten, minderjarige kinderen uit
een vroeger huwelijk hebbende, of ook vader of moeder, weduw-
naar of weduwe zijnde, hunne woonplaats verlaten, zonder voor
hunne minderjarige kinderen te hebben gezorgd, voorziet de
kantonregter bij voorraad in de voogdij, met inachtneming dor
voorschriften, vervat in de vijfde afdeeling van den zestienden
titel van dit boek.
554.   Hetzelfde moet plaats hebben, indien vader en moeder
(V) Zie dc noot bij artikel 5^3.
-ocr page 132-
XIX TITEL. VAN AFWEZIGHEID.                             125
afwezig zijn, of indien een tier echtgenooten komt te overlijden,
nadat de andere zijne woonplaats heeft verlaten, zonder voor
hunne minderjarige kinderen te hebben gezorgd, gelijk mede in
het geval dat minderjarige natuurlijke kinderen onverzorgd zijn
achtergebleven.
Hetzelfde heeft mede plaats indien van beide ouders de een
van de vaderlijke magt is ontzet en de andere zijne woonplaats
verlaten heeft zonder voor zijne minderjarige kinderen gezorgd
te hebben.
-ocr page 133-
TWEEDE BOEK.
VAN ZAKEN.
EERSTE TITEL.
VAN DE ZAKEN EN DERZELVER ONDERSCHEIDING.
EERSTE AFDEELINO.
Van zaken in hei algemeen.
Artikel 555.
De wet verstaat door zaken alle goederen en regten welke
het voorwerp van eigendom kunnen zijn.
556.  Al hetgeen door regt van natrekking tot eene zaak be-
hoort, daaronder begrepen de vruchten, zoo wel natuurlijke als
die door nijverheid worden verkregen, zoo lang dezelve tak- of
wortelvast, of aan den grond gehecht zijn, maakt een gedeelte
der zaak uit.
557.   De burgerlijke vruchten worden alleen geacht een ge-
deelte der zaak uit te maken, zoo lang dezelve niet opeischbaar
zijn; behoudens de bijzondere wetsbepalingen en overeenkomsten.
558.  Natuurlijke vruchten zijn:
1°. Degene welke de aarde uit haar zelve voortbrengt;
2°. Al hetgeen de beesten opleveren of uit de beesten gebo-
ren wordt.
Vruchten van nijverheid, die uit den grond getrokken worden,
zijn al hetgeen door bebouwing verkregen wordt.
Burgerlijke vruchten zijn huur- en pachtpenningen, interessen
van geldsommen en verschuldigde renten.
TWEEDE AFDEELINO.
Van de onderscheiding der zaken.
559.  Zaken zijn ligchamelijk of o n 1 i g c h a ui e 1 ij k.
560.   Zaken zijn roerend of onroerend, volgens do
bepalingen der twee volgende afdeelingen.
-ocr page 134-
I TITEL. VAN DE ZAKEN EN DERZELVER ONDERSCH.            127
561.   Roerende zaken z ij n verbruikbaar of o n v e r-
\'bruikbaar; verbruikbaar zijn de zoodanige die door gebruik
•verloren gaan.
DERDE AFDEEÜINO.
Van onroerende zaken.
562.   Onroerende zaken zijn:
1°. Grouderven en hetgeen daarop gebouwd is;
U". Molens, met uitzondering van zoodanige waarvan in ar-
tikel 566 wordt gehandeld;
\'3°. Boomen en veldgewassen, die met hunne wortels in den
grond vast zijn, onafgeplukte boomvruchten, mitsgaders
delfstoffen, als: steenkolen, veen en dergelijke, zoolang
deze voorwerpen nog niet van den grond gescheiden en
uitgedolven zijn;
4°. Schaarhout van kapbosschon en hout van hoogstammigo
boomen, zoolang hetzelve niet gekapt is;
5°. Buizen of goten, die tot waterleiding in een huis of op een
erf dienen ;
En, in het algemeen, alles wat aan een erf of aan een
gebouw aard- of nagelvast is.
563.   Door bestemming worden onder onroerende zaken be-
grepen:
1°. Bij fabrijken, trafij ken, molens, smederijen en dergelijke
onroerende zaken, de persen, disteleerketels, ovens, kuipen,
vaten, en verdere gereedschappen, bepaaldelijk tot derzel-
ver wezen behoorende, al waren die voorwerpen niet aard-
of nagelvast;
2°. Bij woonhuizen, de spiegels, schilderijen en andere sieraden,
wanneer het hout of muurwerk waarop dezelve zijn vast-
gemaakt, een gedeelte is van het beschot, den muur
of het pleisterwerk van het vertrek, al waren die voor-
werpen overigens niet nagelvast;
3°. Bij landelijke eigendommen, de mesthoop of mestvaalt tot
bemesting der landen bestemd;
De duiven tot eeno duivenvlugt behoorende;
De konijnen in de konijnen-warande;
De visschen die zich in de vijvers bevinden;
4°. De bouwstoffen, welke van do afbraak van een gebouw
voortkomen, indien zij bestemd zijn om het gebouw weder
op te trekken ;
Kn, in het algemeen, allo zoodanige vooiwerpen welke
de eigenaar tot een blijvend gebruik aan zijne onroerende
zaak verbonden heeft.
-ocr page 135-
128                                           II BOEK. VAN ZAKEN.
De eigenaar wordt geacht zoodanige voorwerpen tot een
blijvend gebruik aan zijne onroerende zaak verbonden te heb-
ben, wanneer dezelve daaraan zijn vastgehecht door aard-,
tiramer- of metselwerk, of wanneer zij daarvan niet kunnen
worden losgemaakt, zonder dezelve te breken of te beschadigen,
of zonder het gedeelte van het onroerend voorwerp, waaraan
zij zijn vastgehecht, te breken of te beschadigen.
564.   Zijn almede onroerende zaken de navolgende regten:
1°. Het vruchtgebruik en gebruik van onroerende zaken;
2°. De erfdienstbaarheden;
3°. Het regt van opstal;
1°. Het erfpachtsregt;
5°. Grondrenten, het zij in geld of in natura verschuldigd:
6°. Het tiendregt;
7°. Het regt van beklemming;
8°. De regtsvorderingen, dienende om onroerende zaken terug
te eischen of te doen leveren.
VIERDE AFDEELING.
Van roerende zaken.
565.   Roerende zaken uit haren aard zijn de zoodanige die
zich zelven kunnen verplaatsen, of die verplaatst kunnen
worden.
566.   Schepen, schuiten, ponten, op vaartuigen geplaatste of
andere losse molens en baden, en dergelijke voorwerpen, zijn
roerende zaken.
567.   Als roerende zaken door wetsbepaling worden be-
schouwd:
1°. Het vruchtgebruik en gebruik van roerende zaken;
2". Gevestigde renten, het zij altijddurende of lijfrenten ;
3°. Verbindtenissen en vorderingen, die opeischbare geldsom-
men of roerende goederen tot onderwerp hebben;
4". Actiën of aandeelen in maatschappijen van geldhandel,
koophandel of nijverheid; zelfs wanneer onroerende goe-
deren, tot die ondernemingen betrekkelijk, aan die maat-
schappijen toebehooren. Deze actiën of aandeelen worden
geacht roerende zaken te zijn, doch ten opzigte van ieder
der deelgenooten alleenlijk zoo lang de gemeenschap duurt;
5°. Aandeelen in \'s Rijks schuld, het zij dezelve bestaan in
inschrijvingen op het grootboek, het zij in certificaten,
schuldbekentenissen, obligatiën of andere effecten, met de
daartoebehoorende coupons of rente-bewijzen;
6». Actiën in of coupons van obligatiën van alle andere geld-
leeningen, daaronder begrepen die, welke door vreemde
mogendheden zijn aangegaan.
-ocr page 136-
I TITEL. VAN PE ZAKEN EN DERZELVER ONDERSCH.         129
568.  Indien bij de wet, of in eenige burgerlijke handeling,
de uitdrukking wordt gebezigd van roerende goederen, in-
boedel, meubelen of huis raad, stoffering of een huis
met al hetgeen zich daarin bevindt, zonder eenige bij-
voeging, uitlegging, uitbreiding of beperking, worden de voor-
zeide uitdrukkingen geacht de voorwerpen te bevatten, welke
bij de volgende artikelen zijn aangeduid.
569.  De uitdrukking roerende goederen bevat, zonder
uitzondjering, alles wat, volgens de hier-boven vastgestelde re-
gelen, voor roerend wordt gehouden.
570.  De uitdrukking inboedel bevat alles wat in voege
voorschreven voor roerend wordt gehouden, met uitzondering
van het gereed geld, van actiën, schuldvorderingen en andere
regten, bij artikel 567 vermeld, van koopmanschappen en grond-
stoffen, van werktuigen tot fabrijken, trafijken, of den landbouw
behoorende, mitsgaders van bouwstoffen tot het opbouwen be-
stemd, of van afbraak afkomstig.
571.   De uitdrukking meubelen of huisraad bevat al
hetgeen, wat volgens het voorzeide artikel, tot den inboedel
behoort, met uitzondering van paarden en levende have. van
rijtuigen met hun toebehooren, van edelgesteenten, boeken en
handschriften, teekeningen, prenten, schilderijen, beelden, ge-
denkpenningen, natuurkundige en wetenschappelijke werktuigen,
en andere kostbaarheden en zeldzaamheden, van lijflinnen, wapens,
granen, wijnen en andere levensmiddelen.
572.  De uitdrukking een huis met al hetgeen zich
•la ar in bevindt bevat alles wat, volgens artikel 569, voor
roerende goederen wordt gehouden, en in het huis gevonden, met
uitzondering van het gereed geld en van de inschulden en andere
regten, waarvan de bescheiden zich in het huis mogten bevinden.
573.  De uitdrukking stoffering bevat alleen die meubelen,
welke tot gebruik en versiering der vertrekken dienen, als:
behangsels en tapijten, bedden, stoelen, spiegels, pendules, tafels,
porseleinen, en andere voorwerpen van dien aard.
Schilderijen en beelden, welke een gedeelte van de meubelen
eens vertreks uitmaken, zijn daaronder insgelijks begrepen, doch
geenszins de verzamelingen van schilderijen, prenten en beelden,
die op galerijen en bijzondere vertrekken geplaatst zijn.
Hetzelfde geldt omtrent porseleinen ; alle de zoodanige die een
gedeelte uitmaken van de sieraden eens vertreks, zijn onder de
uitdrukking van stoffering begrepen.
574.   De uitdrukking een gemeubileerd huis of een
huis met zijne meubelen, bevat alleen de stoffering.
<>
-ocr page 137-
130
II BOEK. VAN ZAKEN.
VIJFDE AFDEELING.
Van zaken, met betrekking tot derzelver bezitters.
675 Er zijn zaken die aan niemand toebehooren; de overige
zijn het eigendom of van den staat, of van gemeenschappen, of
van bijzondere personen. _ .. -
576.   (rrondorvcn en andere onroerende zaken die onbeheerd
zijn en gecnen eigenaar hebben, gelijk mede de zaken van den-
genen die zonder erfgenaam overleden is, of wiens erfenis is ver-
laten, behooren aan den staat.
577.   Insgelijks behooren aan den staat de wegen en straten,
welke te zijnen laste zijn, de stranden der zee, de bevaarbare
en vlotbare stroomen en rivieren met hunne oevers, de grootc
en kleine eilanden en de platen welke in die wateren opkomen,
gelijk ook de havens en reeden; onverminderd de door titel of
bezit verkregen regten van bijzondere personen of gemoen-
schappen.
578.   Door oevers worden, in het vorige artikel, verstaan de
boorden van rivieren, meeren of stroomen, welke bij gewone
tijden, als het water op het hoogste is, door dat water over-
dekt worden, en niet hetgeen door watervloeden overstroomd is.
579.   Als eigendom van den staat worden insgelijks aange-
merkt alle gronden en getimmerten welke tot \'s lands vesting-
werken behooren. en gevolgelijk alle gronden waarop eenige
werken van verdediging zijn aangelegd geworden, als: wallen,
borstweringen, grachten, bedekte wegen, glacien of vooruitsprin-
gende werken, pleinen waarop krijgsgebouwen gesticht zijn,
linien, posten, verschansingen, redouten, dijken, sluizen, kanalen
en hunne boorden; insgelijks onverminderd de door titel of be-
zit verkregen regten van bijzondere personen of gemeenschappen.
580.   In alle vestingen van den staat, wordt als militaire lands-
grond aangemerkt de geheele oppervlakte, begrepen:
1". In vestingen met bedekte wegen en glacis voorzien, tus-
schen den voet van de glooijing van den hoofdwal en den
teen van den bedekten weg, en zoo deze van eene voor-
gracht is voorzien, tot en met den buitenboord van deze
gracht. De walgang der bolwerken is hieronder begrepen,
volgons eene getrokkene lijn door de keclen van de eene
gordijn tot de andere ;
2°. In vestingen zonder bedekte wegen of glacis, van den bin-
nenteen des hoofdwals tot en met den overboord der grach-
ten van de enveloppen of buitenwerken;
3°. In vestingen zonder eenige buitenwerken, van den binnen-
voet des walgangs tot aan en met den overboord der daarom
gelegene grachten;
-ocr page 138-
II TITEL. VAN BEZIT EN REGTEN ENZ.                          131
4°. Eindelijk, indien er zich achter den hinnenvoet der wal-
gangen, scheislooten, bermen, enz. mogten bevinden, zullen
ook deze strooken gronds, met hunne boomgewassen en
andere opstallen, gerekend worden tot de militaire lands-
gronden te behooren.
581.  Alle onbewoonde forten, mitsgaders redouten, vooruit-
springende posten, verschansingen, liniën en batterijen, zijn ge-
heel militaire landsgronden, met alle de zoo achterwaarts als
voorwaarts en ter zijde gelegene gronden, bij derzelver aanleg
door het gouvernement aangekocht..
Op alle do bewoonde forten zijn de bepalingen toepasselijk,
in het voorgaande artikel vermeld.
582.  Zaken aan eene gemeenschap toebehoorende zijn de zoo-
danige die het gezamenlijk eigendom zijn van een zedelijk
ligchaam.
583.  Zaken aan bijzondere personen toebehoorende zijn de zoo-
danige die het afzonderlijk eigendom zijn van een of meer en-
kele personen.
584.  Men kan op zaken hebben, het zij een regt van bezit,
het zij een regt van eigendom, het zij een regt van erfgenaam-
schap, het zij een vruchtgenot, het zij een regt van erfdienst-
baarheid, het zij een regt van pand of hypotheek.
TWEEDE TITEL.
VAN BEZIT EN DE REGTEN DIE DAARUIT VOORTVLOEUEN.
EERSTE AFDEELING.
Van den aard van het bezit, en de voorwerpen die daarvoor
vatbaar zijn.
585 Door bezit wordt verstaan het houden of genieten eoner
zaak, welke iemand, of in persoon, of door een ander in zijne magt
heeft, als of zij hem toebehoorde.
586.  Bezit is of te goeder trouw, of te kwader trouw.
587.  Het bezit is te goeder trouw, wanneer de bezitter de
zaak bezit uit kracht eener wijze van eigendoinsverkrijging,
waarvan de gebreken\' aan hem onbekend zijn.
588.  Het bezit is te kwader trouw, wanneer de bezitter ken-
nis draagt dat de zaak, welke hij bezit, aan hem niet in eigen-
dom toebehoort.
De bezitter wordt geacht te kwader trouw te zijn, van het
oogenblik dat eene regtsvordering tegen hom te dier zake is
ingesteld, indien het geding te zijnen nadeele beslist wordt.
-ocr page 139-
132                                            II BOEK. VAN ZAKEN.
589.  De goede trouw van den bezitter wordt steeds vooronder-
steld; hij die kwade trouw beweert, moet dezelve bewijzen.
590.  Men wordt steeds geacht voor zich zelven te bezitten,
zoo lang het niet bewezen is dat men heeft aangevangen voor
een ander te bezitten.
591.   Wanneer men heeft aangevangen voor een ander te
bezitten, wordt men altijd voorondersteld hot bezit onder den-
zelfden titel voort te zetten, zoo niet het tegendeel bewezen is.
592.  Men kan noch uit eigen wille, noch door enkel tijds-
verloop, voor zich zelven de oorzaak en het beginsel van zijn
bezit veranderen.
593.  Zaken welke niet in den handel zijn, kunnen geen voor-
werp van bezit opleveren.
Hetzelfde geldt zoo wel ten opzigte van niet voortdurende
als van niet zigtbare erfdienstbaarheden, behoudens de bepaling
van artikel 609.
TWEEDE AFDEELING.
Van de wijze waarop het bezit wordt verkregen, wordt
behouden, en verloren gaat.
594.  Bezit wordt verkregen door de daad van eene zaak
onder zijne magt te brengen, met het oogmerk om dezelve voor
zich te behouden.
595.  Zinneloozen kunnen door zich zelve geen bezit verkrijgen.
Minderjarigen on gehuwde vrouwen kunnen, door de daad, het
bezit eener zaak verkrijgen.
596.  Men kan het bezit eener zaak verkrijgen, of door zich
zelven, of door een ander, die in onzen naam heeft nangevan-
gen te bezitten.
In het laatste geval, verkrijgt men het bezit, zelfs alvorens
men van het in bezit nemen der zaak kennis heeft bekomen.
397. Het bezit van alles wat een overledene beeft bezeten
gaat, van het oogenblik van zijn overlijden, over tot zijne erf-
genamen, niet alle hoedanigheden en gebreken van hetzelve.
598.  Men behoudt het bezit, zoo lang hetzelve niet aan een
ander is overgegaan, of kennelijk is verlaten geworden.
599.  Men verliest het bezit vrijwillig, zoo dra men hetzelve
aan een ander overdraagt.
600.  Men verliest het bezit, zelfs zonder den wil om de zaak
aan een ander over te dragen, wanneer men die kennelijk verlaat.
601.  Men verliest, tegen zijnen wil, het bezit van een stuk
lands, erf of gebouw:
1°. Wanneer een ander zich daarvan, tegen wil en dank van
den bezitter, in het bezit stelt, en gerustelijk het genot,
gedurende den tijd van één jaar, behoudt;
-ocr page 140-
II TITEL. VAN BEZIT EN REGTEN ENZ.                      133
2°. Wanneer een erf door een buitengewoon toeval verdron-
ken is.
Het bezit gaat door eene tijdelijke overstrooming niet verloren.
Men verliest het bezit van eene algemeenheid van roerende
zaken, op de wijze bij hot eerste lid van dit artikel oni-
schreven.
602.   Het bezit eener roerende zaak wordt tegen den wil
van den bezitter verloren:
1 °. Wanneer de zaak is weggenomen of gestolen:
2°. Wanneer dezelve is verloren, en men niet weet op welke
plaats zij zich bevindt.
603.  Men verliest het bezit van onligchamelijke zaken, wan-
neer, gedurende een jaar, een ander daarvan het rustig genot
heeft gehad.
DERDE AFDEELINO.
Van de regten die uit het bezit voortvloeijen.
604.  Het bezit te goeder trouw geeft, ten opzichte der zaak,
aan den bezitter het regt:
1°. Dat hij bij voorraad, en tot het tijdstip der geregtelijke
terugvordering, als eigenaar wordt aangemerkt;
2°. Dat hij den eigendom der zaak, door middel van verjaring,
verkrijgt;
3°. Dat hij tot op de geregtelijke terugvordering de vruchten
geniet, welke de zaak oplevert;
4°. Dat hij in het bezit der zaak moet worden gehandhaafd,
wanneer hij daarin gestoord wordt; of in het bezit moet
worden hersteld, wanneer hij hetzelve verloren heeft.
606. Het bezit te kwader trouw geeft aan den bezitter,
ten opzigte der zaak, het regt:
1°. Oin bij voorraad, en tot op het tijdstip der geregtelijke
terugvordering, als eigenaar te worden aangemerkt;
2". Om do vruchten der zaak te genieten, doch onder gehou-
denis om die aan den regthebbende terug te geven;
3°. Om in het bezit te worden gehandhaafd of hersteld, zoo
als in het vierde lid van het vorige artikel gezegd is
606.   De regtsvordering tot handhaving in het bezit heeft
plaats, indien iemand \' is gestoord in het bezit van een stuk
lands of erf, van een huis of gebouw, van een zakelijk regt of
van eene algemeenheid van roerende zaken.
607.  Deze regtsvordering wordt ook toegelaten, al ware het
bezit bekomen van iemand die onbekwaam was om to kunnen
vervreemden.
608.   Zij heeft geen plaats tegen dengenen die het regt tot
-ocr page 141-
134                                     II BOEK. VAN ZAKEN.
eene erfdienstbaarheid betwist, ten zij het geschil eene voort-
durende en zigtbare erfdienstbaarheid mogt gelden.
609 Indien er geschil ontstaat over de geldigheid van den
regtstitel tot eene niet voortdurende, of tot eene niet zigtbare
erfdienstbaarheid, kan de regter bevelen dat de partij, die bij
het ontstaan van het geschil het genot daarvan heeft, dat genot
gedurende het geding behoude.
610.    Er kan geeno regtsvordering tot handhaving in het
bezit plaats hebben, opzigtelijk voorwerpen welke de bezitter
niet wettiglijk kan bezitten.
611.    Koerende ligchamelijke zaken kunnen geen onderwerp
uitmaken van eene regtsvordering tot handhaving in derzelver
bezit, behoudens do slotbepaling van artikel 600.
612.    Huurders, pachters en anderen die houders van eene
zaak voor een ander zijn, kunnen geene regtsvordering tot
handhaving in het bezit aanvangen.
613.    De regtsvordering om in het bezit te worden gehand-
haafd kan worden aangevangen, togen elk en een iegelijk die
den bezitter in zijn bezit stoort, zelfs tegen den eigenaar, be-
houdens de regtsvordering van dezen ten petitoire.
Indien niettemin dat bezit ter bede, heimelijk of door geweld
verkregen is, kan de bezitter de regtsvordering om in het bezit
te worden gehandhaafd niet aanvangen tegen dengenen van wien
liet bezit in diervoege is verkregen, of aan wien hetzelve is
ontnomen.
614.    De regtsvordering tot handhaving in het bezit moet
worden aangevangen binnen het jaar, te rekenen van den dag
waarop de bezitter in zijn bezit gestoord is geworden..
615.    Deze regtsvordering strekt om de stoornis te doen op-
houden en don bezitter in zijn bezit te handhaven, inet ver-
goeding van kosten, schaden en interessen.
616.    Het bezit wordt gerekend steeds bij hem geweest te
zijn die. het regt van bezit niet verloren hebbende, daarin door
den regter is gehandhaafd geworden, behoudens hetgeen nader
omtrent de vruchten is bepaald.
617.    Indien ter gelegenheid eener regtsvordering tot hand-
having in een bezit, hetgeen van wederzijde gevorderd wordt,
de regter vermeent dat hetzelve niet behoorlijk bewezen is,
zal hij, zonder over het bezitregt uitspraak te doen, kunnen
bevelen, of dat het voorwerp onder geregtelijke bewaring worde
gesteld, of dat de partijen ten petitoire zullen procederen, of
hij zal aan eene der partijen het bezit bij voorraad toestaan.
Dat bezit geeft alleen het regt om het genot der betwiste
zaak te hebben gedurende het geding over den eigendom, en
onder gehoudenis om van de genotene vruchten rekening
te doen.
-ocr page 142-
135
II TITEL. VAN BEZIT EN KEOTEN ENZ.
618.   Indien de bezitter van een erf of van een gebouw daar-
van liet bezit zonder geweld verloren beeft, kan hij tegen den
houder eene regtsvordering aanvangen, strekkende om in het
bezit hersteld en gehandhaafd te worden.
619.    In geval van gewelddadige ontzetting, heeft de regts-
vordering tot herstelling in het bezit plaats, zoo wel tegen
degenen, die de gewelddadigheid hebben geploegd, als die de-
zelve hebben bevolen.
Zij zijn allen hoofdelijk voor het geheel verantwoordelijk.
Oin in die regtsvordering ontvankelijk te zijn, behoeft de
aanlegger slechts de daad der gewelddadige ontzetting te be-
wijzen.
620.   Diezelfde regtsvordering kan worden aangevangen tegen
alle degenen die zich te kwader trouw van het bezit hebben
ontdaan.
621.   De regtsvordering tot herstelling en handhaving, waar-
van in artikel 018 gesproken wordt, moet worden aangevangen
binnen het jaar, te rekenen van den dag waarop het bezit is
gestoord geworden ; en in geval van gewelddadige ontzetting,
moet de regtsvordering tot herstelling in het bezit worden
aangevangen binnen denzelfden tormijn, te rekenen van den
dag waarop het geweld heeft opgehouden.
Men is in die regtsvordering niet meer ontvankelijk, zoo
dra men een geding ten petitoire beeft aangevangen.
622.    De regtsvordering tot teruggave en herstelling in het
bezit strekt altijd om den vorigen bezitter in zijn bezit te
handhaven of te herstellen, en hem te doen beschouwen even
als of hij het bezit nimmer verloren had-.
623.   Bij deze regtsvorderingen zullen ten .aanzien der bezit-
ters, zoo te goeder als te kwader trouw, omtrent hunne regten
aangaande het genot der vruchten en de gemaakte kosten ge-
durende het bezit, de regelen gelden, welke hierna in den der-
den titel op dat stuk voor de opvordering van eigendom zijn
voorgeschreven.
624.    Ook na verloop van het jaar, hetwelk de wet toekent
om de regtsvordering tot herstelling in het bezit aan te van-
gen, heeft degene, die op eene gewelddadige wijze van zijn
bezit is beroofd, het regt om, bij wege eene r ge wo n e regt s-
v ordering, dengenen, die het geweld heeft gepleegd, te doen
veroordeelen tot de teruggave van alles wat hem ontnomen is,
en tot de vergoeding der kosten, schaden en interessen, door
die feitelijkheden veroorzaakt.
-ocr page 143-
136                                            II BOEK. VAN ZAKEN.
DERDE TITEL.
VAN EIGENDOM.
EEIiSTE AFDBELING.
Algemeene bepalingen.
625.   Eigendom is het regt om van eene zaak liet vrij genot
te hebben en daarover op de volstrektste wijze te beschikken,
mits men er geen gebruik van make, strijdende tegen de wetten
of de openbare verordeningen, daargesteld door zoodanige magt.
die daartoe, volgens de Grondwet, de bevoegdheid heeft, en mits
men aan de regtcn van anderen geen hinder toebrenge; alles
behoudens de onteigening ten algemeenen nutte tegen behoorlijke
schadeloosstelling, ingevolge de Grondwet.
626.    De eigendom van den grond bevat in zich den eigen-
dom van hetgeen op en in den grond is.
De eigenaar kan op den grond alle beplantingen doen en
gebouwen stellen, welke hij goedvindt; behoudens de uitzonde-
ringen in den vierden en vijfden titel van dit boek gemaakt.
Onder den grond mag hij naar goedvinden bouwen en graven,
en uit dat graven alle vruchten trekken, welke hetzelve kan
opleveren : behoudens de wijzigingen, uit de wetten en veror-
deningen van politie op het stuk der mijnen, uitveening en
andere dergelijke voorwerpen voortvloeiende.
627.   leder eigendom wordt vermoed vrij te zijn.
Hij die beweert eenig regt op eens anders zaak te hebben,
moet dat regt bewijzen.
628.   De verdeeling van eene zaak, welke aan meer dan een
persoon toebehoort, geschiedt overeenkomstig de regelen, ten
op/.igte van de scheiding en verdeeling der nalatenschappen
voorgeschreven.
629.   De eigenaar beeft het regt om de aan hem toebehoo-
rende zaak van iederen houder terug te vorderen, in den staat
waarin zij zich bevindt.
630.   De bezitter te goeder trouw beeft het regt om alle
de vruchten, welke bij van de teruggevorderde zaak tot op
den dag der regtsvoidering genoten heeft, voor zich te l>ehou-
den. Hij is verpligt tot teruggave van alle de vruchten sedert
den aanvang dier regtsvordering genoten, onder aftrek van de
kosten, tot de verkrijging dier vruchten, voor het bebouwen,
bszaaijen en bearbeiden van den grond, besteed.
Hij heeft wijders regt tot terugvordering der noodzakelijke
uitgaven, tot het behoud en ten nutte der zaak aangewend,
-ocr page 144-
III TITEL. VAN EIGENDOM.                                  137
gelijk ock om de opgeëischte zaak onder zich te houden, zoo
lang de kosten en uitgaven, in dit artikel ongenoemd, niet
aan hem zijn vergoed.
631.  Met hetzelfde regt, en op dezelfde wjjze, kan de be-
zitter te goeder trouw, bij de teruggave van de opgeëischte
zaak. terug vorderen de door hem in voege als voren bestede
kosten tot het verkrijgen dier vruchten welke, op het oogen-
blik der teruggave, nog niet van den grond zijn gescheiden.
632.  Hij heeft daarentegen geene aanspraak op de terug-
gave van zoodanige kosten, als door hem gemaakt zijn ter
verkrijging van de vruchten die hij ten gevolge van zijn bezit
behoudt.
633.   Hij heeft evenmin regt om, bij de teruggave der zaak,
de kosten en uitgaven in rekening te brengen, door hem ge-
maakt tot onderhoud der zaak, als welke onder de uitgaven
tot behoud en ten nutte der zaak, hier-boven in artikel 680
vermeld, niet worden verstaan.
Wanneer er geschil ontstaat over hetgeen als kosten tot
onderhoud moet worden beschouwd, zullen de voorschriften
omtrent het vruchtgebruik te dien aanzien gevolgd worden
634.   De bezitter te kwader trouw is verpligt:
1°. Om alle de vruchten der opgeëischte zaak met dezelve
terug te geven, zelfs de zoodanige die niet genoten zijn,
indien de eigenaar die had kunnen genieten; hij kan
echter, zoo als dit in artikel 630 is bepaald, de kosten
aftrekken of terug vorderen, welke door hem gedurende
zijn bezit tot behoud der zaak zijn gemaakt, en ook de
zoodanige die, tot de verkrijging der vruchten, voor het
bebouwen, bezaaijen en bearbeiden van den grond, zijn
besteed;
2°. Om alle kosten, schaden en interessen te vergoeden;
3°. Om, in geval hij het goed niet mogt kunnen teruggeven,
daarvan de waarde te voldoen, zelfs wanneer dat goed
buiten zijne schuld, of bij toeval, is verloren gegaan, ten
zij hij mogt kunnen bewijzen dat de zaak evenzeer zoude
vergaan zijn, indien de eigenaar die had bezeten.
635.  Hij, die zich op eene gewelddadige wijze heeft in bet
bezit gesteld, kan de door hem gedane uitgaven niet terug
vorderen, al waren dezelve ook tot behoud van het goed nood•
zakelijk geweest.
636.   De uitgaven tot nut en verfraaijing blijven ten laste
van dengenen, die te goeder of te kwader trouw bezeten heeft,
doch hij heeft het regt om de door hem aangebragte voorwer-
pen van nut en verfraaijing tot zich te nemen, indien zulks
kan geschieden zonder het goed te beschadigen.
637.  Hij. die de teruggave van eene ontvreemde of verlorene
-ocr page 145-
138
II BOKK. VAN ZAKEN.
zaak vordert, is niet verpligt aan den houder den door dezen-
besteden koopprijs terug te geven, ten ware de houder de zaak
op eene jaar* of\' eene andere markt, op eene openbare veiling,
of van eenen koopman gekocht heeft, die bekend staat in der-
gelijke voorwerpen gewoonlijk handel te drijven.
638.   In zee geworpene en door de zee opgeworpene goe-
deren kunnen door den eigenaar worden terug gevorderd, met
inachtneming der wettelijke voorschriften op dat stuk bestaande*
TWEEDE AFDEELISG.
Van de wijze waarop eiyeitrfont verkregen wordt.
639.   Eigendom van zaken kan op geene andere wijze wor-
den verkregen, dan door toeëigening. door natrekking. door
verjaring, door wettelijke of\' testamentaire erfopvolging, en
door opdragt of levering ten gevolge van eenen regtstitel van
eigendoms overgang, afkomstig van dengenen die geregtigd
was over den eigendom te beschikken.
640.   Koerende zaken, welke aan niemand toebehooi-en, wor-
den het eigendom van dengenen die zich dezelve het eerst
toeeigent.
641.   Het regt om zich het wild of de visschen toe te eigenen
behoort, bij uitsluiting, aan den eigenaar van den grond waarop
zich het wild, of van het water waarin zich de visschen be-
vinden: behoudens de regten door derden verkregen, waarvan
zij tegenwoordig het genot hebbon, en onverminderd de wetten
en verordeningen op dat stuk aanwezig.
642.   De eigendom van eenen schat behoort aan dengenen,
die denzelven op zijn eigen grond gevonden heeft. Indien de
schat op den grond van een ander gevonden wordt, behoort
de eene helft aan den vinder, en de wederhelft aan den grond-
eigenaar.
Men verstaat door eenen schat al zoodanige verborgene of
begravene zaak, waarop niemand zijn regt van eigendom kan
bewijzen, en die door een louter toeval ontdekt is.
643.   Al hetgeen met eene zaak vereenigd is, of met dezelve
één ligchaam uitmaakt, behoort aan den eigenaar, volgens de
regelen bij de volgende artikelen vastgesteld.
644.   Grroote en kleine eilanden, en door aanslijking droog
gewordene platen, die zich in onbevaarbare en onvlotbare ri-
vieren nederzetten, behooren aan de eigenaars der oevers aan
de zijde waar zij zich gevormd hebben. Indien het eiland zich
niet aan éénen kant heeft opgeworpen, behoort hetzelve aan
de eigenaars der beide oevers, te rekenen van de lijn die men
vooronderstelt in het midden van de rivier getrokken te zijn.
-ocr page 146-
III TITEL. VAN EIGENDOM.                                  139
645.  Inilien een stroom of eene rivier, door eenen nieuwen
arm te maken, het aan den oever liggend land van eenen
eigenaar doorsnijdt en tot een eiland maakt, behoudt de eige-
naar den eigendom van zijn land, zelfs wanneer dat eiland zich
in eenen stroom of in eene bevaarbare en vlotbare rivier ge-
vormd had.
646.  De eigendom van stroomen en rivieren brengt mede
den eigendom van den grond, waarover het water loopt.
647.  Indien een stroom of eene rivier eenen nieuwen loop
aanneemt en zijne oude beddingen verlaat, nemen de eigenaars
van de gronden, welke zij hierdoor verloren hebben, bezit van
de verlatene beddingen om zich schadeloos te stellen, een
iegelijk naar evenredigheid van den grond dien hij verloren
heeft.
648.  De tijdelijke overstrooming van eenen stroom of eene
rivier doet den eigendom noch verkrijgen noch verloren gaan.
649.  Verdronken landen blijven aan den eigenaar toebe-
hooren.
Niettemin, indien derzelver bepoldering of droogmaking,
door den Koning, voor het algemeen belang, of tot beveiliging
van nabijgelegen eigendommen, noodzakelijk wordt geacht, en
door deskundigen bewezen wordt dat die verdronken landen
voor bepoldering of droogmaking vatbaar zijn, zullen derzelver
eigenaars aangemaand worden om dezelve te bewerkstelligen
of daaraan deel te nemen, en, bij weigering of ontstentenis
daarvan, van hunnen eigendom ten behoeve van den staat
kunnen worden onteigend, tegen gelijktijdige voldoening van
de waarde, waarop die gronden, als verdronken land, zullen
worden geschat.
650.  De eigenaar van een zeeduin is van regtswege eigenaar
van den grond, waarop het zeeduin rust.
Indien een aan het zeeduin aangrenzend stuk lands door
den wind met zand zoodanig wordt overstoven, dat het land
met het zeeduin vereenigd wordt, en daarvan niet kan worden
onderscheiden, wordt het land de eigendom van dengenen aan
wien het zeeduin toebehoort, ten ware hetzelve, binnen vijf
jaren na de overstuiving, door eene afheining of grenspalen
zij afgescheiden.
651.  De aanslijkingen en aanwassen, welke natuurlijk, lang*
zamerhand en ongemerkt, aan de landen, bij een loopend water
gelegen, aangroeijen, worden aanspoelingen genaamd.
De aanspoeling komt ten voordeele van de eigenaars van
den oever, zonder onderscheid of in den titel van eigendom
al of niet melding worde gemaakt van de hoegrootheid der
landen; behoudens de wetten en verordeningen opzigtelijk
voet- en jaagpaden.
-ocr page 147-
140                                     II BOEK. VAN ZAKEN.
652.  De bij het tweede lid van het vorige artikel gemaakte
bepaling is ook toepasselijk op aanspoelingen, welke aan de
oevers van bevaarbare meeren plaats hebben.
Dezelfde bepaling is eindelijk ook toepasselijk op aanwassen,
gorsingen en schorren, door de zee aan de stranden en aan
de oever» der rivieren, alwaar ebbe en vloed gaat, aange-
gpoeld, het zij de oever aan den staat, of wel aan bijzondere
personen of gemeenschappen, toebehoort.
653.  Aanspoeling heeft geen plaats ten aanzien van vijvers.
De eigenaars derzelve behouden steeds den grond die door
het water bedekt wordt, wanneer het tot die hoogte gekomen
is dat de vijver zich daarvan ontlast, ofschoon ook de hoe-
veelheid van het water naderhand weder afneme.
Zoo ook, omgekeerd, verkrijgt de eigenaar van den vijver
geen regt op de landen aan den oever gelegen, die door zijn
water, bij buitengewone hoogte van hetzelve, overdekt worden.
654 Het wordt als geene aanspoeling aangemerkt, indien
een stuk lands door het geweld van den stroom in eens van
het eene land afgescheurd en aan het andere aangeworpen
wordt, mits de eigenaar zijn regt binnen drie jaren na die
gebeurtenis doe gelden. Na dit tijdsverloop, wordt ook dat
afgescheurde en niet gevorderde stuk gronds de eigendom van
dengenen, aan wiens land hetzelve aangeworpen is.
655.   Al hetgeen op een erf geplant of gezaaid is, behoort
aan den eigenaar des gronds.
656.   Al hetgeen op een erf gebouwd is, behoort aan de
grondeigenaars, mits het gebouwde met den grond vereenigd
zij ; behoudens de wijzigingen in artikel 658 en 659 voorkomende.
657.   De eigenaar van den grond, die met bouwstoffen,
welke aan hem niet toebehoorden, gebouwd heeft, moet daar-
van de waarde voldoen; hjj kan tot vergoeding van kosten,
schaden en interessen worden veroordeeld, indien daartoe
gronden zijn, doch heeft de eigenaar der bouwstoffen geen
regt om dezelve weg te nemen.
658.   Indien iemand met zijne eigene bouwstoffen op den
grond van een ander werken heeft aangelegd, kan de grond-
eigenaar het gebouwde voor zich behouden, of den anderen
noodzaken om hetzelve weg te nemen.
Indien de grondeigenaar vordert dat het gebouwde worde
weggenomen, zal het afbreken moeten geschieden ten koste
van dengenen die de werken gemaakt heeft, en deze laatste
kan zelfs tot vergoeding van kosten, schaden en interessen
worden veroordeeld.
Indien daarentegen de grondeigenaar het gebouwde wil aan
zich behouden, moet hij de waarde van de bouwstoffen, mits-
gader.s het werkloon, betalen, zonder dat echter de meerdere
-ocr page 148-
III TITEL. VAN EIGENDOM.                                  141
waarde van hot erf daarbij in aanschouw zal kunnen worden
genomen.
659.    Indien hot bouwen door eenen bezitter te goeder
trouw is verrigt, kan de eigenaar niet vorderen dat het ge-
bouwde worde weggenomen; maar hij heeft de keus om, of
de waarde der bouwstoften en het werkloon te voldoen, of
eene geldsom te betalen, evenredig aan de meerdere waarde
van het erf.
660.    De drie bovenstaande artikelen zijn ook toepasselijk
op de beplantingen en bezaaijngen.
661.   Hij, die van eene niet aan hem toebehoorende stof
een voorwerp van eene nieuwe soort maakt, wordt eigenaar
van dat voorwerp, mits hij don prijs der stof betale, en, zoo
daartoe gronden zijn, de kosten, schaden en interessen ver-
goede.
662.   Wanneer het nieuwe voorwerp zonder toedoen van
den mensch en door de toevallige vereeniging van onderschei•
dene stoffen, aan verschillende eigenaars toebehoorende, is
voortgebragt, alsdan wordt het nieuwe voorwerp eene tusschen
alle de eigenaars gemeene zaak, naar evenredigheid van de
waarde der stoften, welke oorspronkelijk aan ieder hunner
hebben toebehoord.
663.   indien het nieuwe voorwerp is voortgebragt door de
vereeniging van onderscheidene stoffen, aan verschillende
eigenaars toebehoorende, en door de daad van een dier eige-
naars, zoo bekomt laatstgemelde daarvan den eigendom
onder gehoudenis om aan de anderen de waarde der stoften
te voldoen, met vergoeding van kosten, schaden en interessen,
indien daartoe gronden zijn.
664.   Wanneer, in de gevallen bij de twee bovenstaande
artikelen voorzien, de stoffen gevoegelijk kunnen worden
gescheiden, zal een ieder kunnen terug vorderen hetgeen hem
toebehoort.
665.  Eigendom wordt verkregen door verjaring, nadat men
eene zaak heeft bezeten gedurende den tijd welken de wet
bepaalt, en overeenkomstig de voorwaarden en onderscheidin-
gen, welke bij den zevenden titel van het vierde boek van
dit wetboek zijn vastgesteld.
666.  De wijze waarop eigendom door middel van wettelijke
erfopvolging of testamentaire erfstelling verkregen wordt, is
bij den elfden en twaalfden titel van dit boek behandeld.
667.    De levering van roerende zaken, onligchamelijke uit-
gezonderd, geschiedt door de enkele overgave, welke door den
eigenaar of\' in zijnen naam is verrigt, of door de sleutels van
het gebouw, waarin zich die zaken bevinden, over te geven.
De levering wordt niet vereischt, indien de verkrijger de
-ocr page 149-
142
II BOEK. VAN ZAKEN.
zaak reeds, uit krachte van oenen anderen titel, in zijne
magt heeft.
668.    De levering van schuldvorderingen die niet a a n
toonder luiden, en andere onligchamelijke zaken, geschiedt
door middel van eene authentieke of onderhandsche akte,
waarbij de regten op die voorwerpen aan een ander worden
overgedragen.
Die overdragt heeft ten aanzien van den schuldenaar geen
gevolg dan van het oogenblik dat dezelve aan hem is betee-
kend geworden, of dat hij de overdragt schriftelijk heeft aan-
genomen of\' erkend.
Ten opzigte van effecten en schuldvorderingen aan toonder
wordt de overgave voor levering gehouden.
669.   De levering van inschrijvingen op het grootboek der
nationale schuld geschiedt ingevolge de voorschriften en ver-
ordeningen op dat stuk bestaande.
De levering van op naam staande aandeelen in maatschap-
pijen geschiedt overeenkomstig derzelver statuten, en, bij ge-
breke van bepalingen daaromtrent, op de wijze als bij het
Wetboek van Koophandel op dat stuk is voorgeschreven.
670.  De bepalingen der twee voorgaande artikelen, maken
geen inbreuk op de wetten en gebruiken in zaken van koop-
handel.
671.  De levering of opdragt van onroerende zaken geschiedt
door de overschrijving van de akte in de daartoe bestemde
openbare registers.
Indien de akte onderwerpen of handelingen inhoudt, welke
niet tot de geleverde zaak betrekkelijk zijn, is het voldoende
om bij authentiek uittreksel slechts te doen overschrijven al
hetgeen die zaak betreft, mits in dat geval de partijen, het
zij bij het opmaken van het uittreksel voor den notaris en
getuigen, het zij bij eene onderhandsche verklaring, op het
uittreksel te stellen, hare toestemming geven dat de over-
schrijving der akte overeenkomstig dat uittreksel geschiede.
VIERDE TITEL.
VAN DE BEGTEN EN VEBPLIGTINGEN TUSSCHEN EIGENAARS VAN
NABURIGE ERVEN.
672.   Er bestaan tusschen de eigenaars van naburige erven
regten en verpligtingen, welke voortvloeijen, het zij uit de
natuurlijke ligging der erven, het zij uit de bepalingen der wet.
673.   Erven die lager liggen zijn, ten behoeve van degene
die hooger gelegen zijn, verpligt het water te ontvangen,
hetwelk daarvan natuurlijk afloopt, zonder dat zulks door
mensehen toedoen bevorderd worde.
-ocr page 150-
IV TITEL. V. D. REGTEN EN VF.RPMGT. ENZ.                   143
De eigenaar van het erf dat lager ligt mag geenen dijk of
«dam opwerpen, waardoor deze uitwatering belet wordt; daar
entegen mag de eigenaar van het hooger gelegen erf niets
in het werk stellen, waardoor de toestand van hetgeno dat
lager ligt verzwaard wordt.
674.   Die eene waterbron op zijn erf heeft mag daarvan,
naar goeddunken, gebruik maken, behoudens het regt hetwelk
de eigenaars van lager gelegene erven, het zij door eonigen
titel, het zij door verjaring, overeenkomstig artikel 745, mog-
ien verkregen hebben.
675.   De eigenaar van de waterbron mag den loop der bron
niet veranderen, indien dezelve aan de inwoners van eene
stad, een dorp of gehucht, het voor hen noodzakelijke water
verschaft.
In dat geval, heeft de eigenaar aanspraak op eene door
deskundigen te regelen schadeloosstelling, ten ware het gc-
bruik des waters wettig verkregen of verjaard mogt zijn.
676.  Hij wiens eigendom gelegen is aan don oever van een
stroomend water, hetwelk niet tot het openbaar domein be-
hoort, mag van dat voorbij loopend water tot bespoeling van
zijn erf gebruik maken.
Degene wiens erf door dat water doorsneden wordt, mag
•daarvan zelfs in de tusschenruimte, welke het water door-
loopt, gebruik maken, mits hij, ter plaatse waar zijn erf
•eindigt, aan het water deszelfs natuurlijken loop wedergeve.
677.   Wanneer er tusschen eigenaars, aan welke die wate-
ren eenig nut kunnen verschaffen, geschil ontstaat, moeten de
regtbanken, bij de beslissing daarvan, het belang van den
landbouw met de onschendbaarheid van het regt van eigen-
dom trachten overeen te brengen, en zich, in allen gevalle,
ïjedragen naar de bijzondere en plaatselijke verordeningen
opzigtelijk den loop, de hoogte en het gebruik der wateren.
678.   Ieder eigenaar kan zijnen nabuur noodzaken hunne
aan elkander grenzende eigendommen af te scheiden.
De afscheiding moet ten genieenen koste gedaan worden.
679.   Ieder eigenaar mag zijn erf afsluiten, behoudens de
uitzondering bij artikel 715 gemaakt.
680.  De eigenaar die zijn erf heeft afgesloten, verliest het
regt van klaauwengang en stoppelweide, naar evenredigheid
van den grond, welken hij door de afsluiting aan de gemeene
weiding onttrekt.
681.  Alle muren dienende tot afscheiding tusschen gebouwen,
landerijen, hoven en tuinen, worden gerekend gemeene muren
te zijn, ten ware er een titel of teeken, het tegendeel aan-
duidende, mogt bestaan.
Indien de gebouwen niet even hoog zijn, wordt de scheids-
-ocr page 151-
144                                      II BOEK. VAN ZAKEN.
muur slechts voorondersteld gemeen te zijn, tot de hoogte
van het minst verhevene gebouw.
682.  Het teeken dat een scheidsmuur niet gemeen is bestaat
onder anderen daarin :
1°. Dat het bovenste van den muur aan den eenen kant
opstaande en loodregt met deszelfs voetstuk is, en aan
den anderen kant schuins afloopt;
2°. Dat de muur een gebouw of eene terras steunt of
schraagt, zonder dat er van den anderen kant een ge-
bouw of ander werk aanwezig zij ;
3°. Dat bij het bouwen van den muur slechts aan de eene
zijde, het zij een kap, het zij steenen lijsten en vooruit-
stekende steenen zijn geplaatst, geworden.
In die gevallen wordt de muur gerekend bij uitsluiting
toe te behooren aan den eigenaar, aan wiens kant het
gebouw, de terras, de lijsten en vooruitstekende steenen
of de goot van zoodanige kappen, gevonden worden.
683.  De reparatiën en wederopbouwing van den genieenen
scheidsmuur komen ten laste van alle degenen die op den
muur regt hebben, en zulks naar evenredigheid van ieders regt.
Niettemin kan elke mede-eigenaar zich bevrijden om tot
de kosten van reparatie en wederopbouwing bij te dragen,
door zijn regt van mede-eigendom op den weder op te bouwen
of te herstellen muur te laten varen, mits de scheidsmuur
geen aan hem toebehoorend gebouw schrage of steune, of in
de steden en aaneengebouwde voorsteden en dorpen niet tot
afscheiding verstrekke van aan elkander grenzende huizen,
opene plaatsen en tuinen.
684.  Elke mede-eigenaar mag tegen den genieenen muur
aanbouwen, en in denzetven, tot op de helft der dikte, balken
ribben, ankers of andere ijzer- of houtwerken doen plaatsen,
mits de muur zelf daardoor geene schade ljjde.
685.   Ieder mede-eigenaar mag den gemeenen scheidsmuur
hooger doen optrekken, maar hij moet alleen de kosten van
verhooging dragen, mitsgaders de reparatiën tot onderhoud
van hetgeen zich boven de hoogte der gemeene scheiding
bevindt, en bovendien de vergoeding der schade, die door de
zwaarte veroorzaakt wordt, naar evenredigheid van den last,
en volgens de waarde.
Indien de gemeene scheidsmuur niet in staat is om de
verhooging te dragen, moet degene die den muur wil optrek-
ken denzelven voor zijne kosten geheel op nieuw doen opbou-
wen, en de meerdere dikte moet van den grond aan zijnen
kant afgenomen worden.
686.   Ieder mede-eigenaar van eenen gemeenen scheidsmuur
mag op het gedeelte hetwelk hem toebehoort eene goot leggen,
-ocr page 152-
IV TITEL. V. D. REGTEX EN VERPLIGT. ENZ.                 145
en het water doen uitloopen, het zij op zijn erf, het zij op
den openbaren weg, indien zulks niet bij de wetten of ver-
ordeningen verboden is.
687.   De mede-eigenaar des muurs, welke niet tot de ver-
hooging heeft bijgedragen, kan den mede-eigendom dier
verhooging verkrijgen, mits betalende de helft van de gemaakte
onkosten, mitsgaders de helft der waarde van den grond,
indien daarvan tot verbreeding is gebruik gemaakt.
688.  Geen muur kan zonder den wil van deszelfs eigenaar
worden gemeen gemaakt.
689.   Geen der mede-eigenaars mag, zonder toestemming
van den anderen, in den gemeenen muur eenige diepte of
holte maken, noch tegen denzelven eenig werk aanbrengen
of doen steunen.
In de gevallen, bij artikel 6S4 en 685 voorzien, kan de
mede- eigenaar vorderen, dat vooraf door deskundigen de
noodige middelen worden beraamd, ten einde het nieuwe werk
aan zijne regten geen nadeel toebrenge.
Indien het nieuwe werk aan den eigendom van den nabuur
nadeel veroorzaakt heeft, moet hij daarvoor schadeloos worden
gesteld ; zullende echter de schade, toegebragt aan hetgeen
tot verfraaijing van den scheidsmuur heeft verstrekt, bij het
opmaken der schadeloosstelling, niet in aanmerking komen.
690.    Een ieder kan in de steden en aaneengebouwde
voorsteden en dorpen zijnen nabuur noodzaken om bij te dragen
tot het maken of het stellen van afsluiting, dienende tot af-
scheiding van hunne huizen, opene plaatsen en tuinen.
De wijze en de hoogte der afsluiting zullen geregeld wor-
den volgens de bijzondere verordeningen en plaatselijke ge-
bruiken.
691.  Elk der naburen mag te zijnen koste in de plaats van
eene gemeene heining eenen gemeenen muur zetten, maar
geenszins eene heining in plaats van eenen muur.
692.   Geen der naburen mag, zonder de toestemming van
den anderen, in den gemeenen scheidsmuur eenig venster of
andere opening maken, op welke wijze het ook zijn moge.
Hij mag dit echter doen in dat gedeelte van den muur, het-
welk hij te zijnen koste optrekt, mits zulks dadelijk bij de
optrekking geschiede, op de wijze bij de twee volgende
artikelen omschreven.
693 De eigenaar van eenen muur die niet gemeen is, en
waartegen het erf van eenen andere onmiddelijk aanligt, mag
in dien muur lichten of vensters maken van digte ijzeren
traliën voorzien, en met vaststaande ramen.
De traliën zullen, ten hoogste, één palm tusschen ruimte de
eene van de andere mogen hebben.
10
-ocr page 153-
146
II BOEK. VAN ZAKEN.
694.  Deze vensters of openingen mogen niet lager gemaakt
worden dan vijf\' en twintig palmen boven den vloer of grond
der kamer, welke men verlichten wil, indien dezelve met de
straat gelijkvloers is, en niet lager dan twintig palmen boven
den vloer, voor hoogere verdiepingen.
695.  Men mag over het afgesloten of onafgesloten erf van
zijne naburen geene regtstreeksche uitzigten hebben, noch
vensters waardoor men op eens ander erf ziet, noch balkons
of\' andere dergelijke vooruitspringende werken, ten zij er een
afstand van twintig palmen worde gelaten, tusschen den muur
waarin men zoodanige werken maakt, en het erf.
696.   Ter zijde of in de schuinte mag men op het erf van
zijnen nabuur geene uitzigten hebben, ten zij op eenen afstand
van vijf palmen.
697.  De afstand, waarvan in de twee voorgaande artikelen
gesproken is, wordt gerekend van den buitenkant van den
muur in welken de opening gemaakt wordt, en indien er
balkons of soortgelijke uitstekende werken zijn, van derzelver
buitensten rand tot aan de scheidslinie der beide erven.
698.   De bepalingen in artikel 681 tot en met artikel 697
vervat, zijn toepasselijk op iedere afsluiting van hout, dienende
tot scheiding tusschen gebouwen, opene plaatsen en tuinen.
699.   Wanneer het tot reparatie van eenig gebouw nood-
zakelijk is om op den grond van den nabuur eenig steiger-
werk te plaatsen, of\' daarover te gaan, om bouwstoffen aan
te brengen, is de eigenaar van dien grond verpligt zulks te
dulden, behoudens schadeloosstelling, indien daartoe gronden
zijn.
700.   Elk eigenaar is verpligt zijne daken zoodanig in te
rigten. dat het regenwater op zijn erf of op den openbaren
weg afloope, indien dit laatste niet bij de wetten of bij verorde-
ningen is verboden : hij mag het water niet op den grond van
zijnen nabuur doen uitloopen.
701.  Niemand vermag water of vuilnis door de goten van
eens anders erf\' te laten loopen, ten ware hij daartoe het regt
mogt hebben verkregen.
702.   Alle gebouwen \'), muren, heiningen of andere schei-
dingen, welke, het zij door ouderdom, het zij uit anderen
hoofde, dreigen in te storten\', en die het naburige erf in ge-
vaar brengen, of over hetzelve heen hangen, moeten afgebro-
ken, opgebouwd of hersteld worden, op de eerste aanmaning
van den eigenaar des naburigen erfs.
O In art. il der Wet van \'29 Maart 1833 (Stbl. no. 11) luidt deze bepaling:
Alle gebouwen, schoorsteenen enz. Het woord „schoorsteeneu" is in de
offlcieele uitgave weggelaten.
-ocr page 154-
IV TITEL. V. D. BE GTEN EN VEBPLIGT. ENZ.                 147
703.   Hij, die, in de nabijheid van eenen gemeenen of niet
gemeenen muur, eenen put, een riool, of een sekreet laat
graven ; die aldaar eenen schoorsteen of eene stookplaats, een
oven of fornuis wil metselen; er eenen stal of roestbak tegen
aan wil bouwen, of tegen dien muur een magazijn of pakhuis van
zout, of eene verzamelplaats van bijtende stoffen, wil aanleg-
gen, of daartegen andere schadelijke of gevaarlijke werken
wil maken, is verpligt de tusschenruimte te laten ofte maken,
welke bij de bijzondere verordeningen of gebruiken te dien
op/.igte is voorgeschreven, of al zoodanige werken aan te
leggen als die reglementen en gebruiken voorschrijven, ten
einde alle schaden voor de naburige erven te voorkomen.
704.   Regenbakken, putten, sekreten, riolen, goten en der-
gelijke, tusschen naburige erven gemeen, moeten ten koste
der eigenaars onderhouden, geruimd of gereinigd worden.
705.   De ruiming van gemeene sekreten moet beurtelings,
dan over het eene, en dan over het andere erf geschieden.
706.   Alle grachten of slooten tusschen twee erven worden
voorondersteld gemeen te zijn, indien er geen titel of teeken
van het tegendeel aanwezig is.
707.  Het wordt, onder anderen, als een teeken dat de gracht
of sloot niet gemeen is, beschouwd, wanneer de kade of op-
geworpene aarde alleenlijk aan de eene zijde van de gracht
of sloot gevonden wordt.
In dat geval, wordt de gracht of sloot gerekend voor het
geheel aan dengenen toe te behooren, aan wiens kant de
opgeworpene aarde zich bevindt
708.  De gemeene grachten of slooten moeten op gezamen-
lijke kosten worden onderhouden.
709.  leder der aangrenzende eigenaars mag in de gemeene
gracht of sloot visschen, varen, zijne beesten drenken, en daar-
uit tot zijn gebruik water scheppen.
710.   ledere hegge, welke twee erven van elkander scheidt,
wordt voorondersteld gemeen te zijn, ten ware er titel, bezit
of teeken van het tegendeel mogt bestaan.
De boomen die zich in de gemeene hegge bevinden zijn
gemeen, gelijk de hegge zelve, en ieder der eigenaars heeft
het regt om te vorderen dat die boomen omgehakt worden.
711.   De eene nabuur kan den anderen noodzaken tot het
planten van nieuwe heggen, ten gemeenen koste, indien de
vorige, gemeen zijnde geweest, tot aanwijzing der scheidslinie
tusschen de beide erven hebben verstrekt.
712.  Het wordt, onder anderen, als een teeken dat de hegge
niet gemeen is, aangemerkt, wanneer slechts een der erven
afgesloten is.
713.   Het is niet geoorloofd hoog opschietende boomen of
-ocr page 155-
148                                      II BOEK. VAN ZAKEN.
heggen te planten, dan op den afstand welke bij de tegen-
woordig bestaande bijzondere reglementen, of ten gevolge van
vaste en erkende gebruiken, bepaald is, en bij ontstentenis
van reglementen of gebruiken, op den afstand van twintig
palmen van de scheidslinie der beide erven, voor zoo verre
de hoogopschietende boomen betreft, en op den afstand van
vijf palmen, ten aanzien der heggen.
714.    De nabuur heeft het regt om te vorderen dat de
boomen en heggen, op eenen korteren afstand geplant, worden
uitgeroeid.
Hij op wiens erf de takken der boomen van zijnen nabuur
overhangen, kan den laatstgenoemden noodzaken die takken
af te snijden.
Indien de wortels der boomen op zijn erf doorschieten,«heeft
hij het regt om die aldaar zelf weg te hakken; ook de takken
mag hij zelfs afsnijden, indien de nabuur op zijne eerste aan-
maning geweigerd heeft zulks te doen, en mits hij niet op
den eigendom van den nabuur trede.
715.    De eigenaar van een stuk lands of erf, hetwelk tus-
schen andere landen zoodanig ligt ingesloten dat hetzelve
geenen toegang heeft tot den gemeenen weg of de gemeene
vaart, is bevoegd om van de eigenaars der naastgelegen lan-
den te vorderen, dat zij hem eenen uitweg, ten dienste van
zijn land of erf, aanwijzen, onder verpligting eener vergoeding,
geë\'venredigd aan de schade daardoor te veroorzaken,
716.   Deze uitweg moet gemeenlijk genomen worden aan
de zijde waar de toegang van dit stuk lands of erf tot den
gemeenen weg of de gemeene vaart de kortste is, zoo echter
dat altijd bij voorkeur die rigting genomen worde, welke de
minste schade veroorzaakt aan het land, waarover die uitweg
is verleend.
717.   Indien het regt tot schadevergoeding, aan het slot
van artikel 715 vermeld, door verjaring is te niet gegaan,
blijft niettemin de uitweg voortduren.
718.   De verleende uitweg houdt op, van het oogenblik dat
dezelve door het ophouden der omstandigheden, bij artikel
715 vermeld, niet meer noodzakelijk is, en men kan zich op
geene verjaring beroepen, hoe lang de uitweg ook moge heb-
ben bestaan.
719.   Voetpaden, dreven of wegen aan verscheiden geburen
gemeen, en welke hun tot eenen uitweg dienen, kunnen niet
dan met gemeene toestemming worden verlegd, vernietigd of
tot een ander gebruik gebezigd, dan waartoe dezelve zijn
bestemd geweest.
720.  De regten en verpligtingen ten openbaren of gemeen-
telijken nutte daargesteld, ten onderwerp hebbende de voet-
-ocr page 156-
V TITEL. VAN ERFDIENSTBAARHEDEN.                            149
en jaagpaden langs bevaarbare of vlotbare rivieren, het maken
of het herstellen van wegen, dijken en andere openbare of
gemeentelijke werken, zijn bij bijzondere wetten en verorde-
ningen geregeld.
VIJFDE TITEL.
VAN ERFDIENSTBAARHEDEN.
EERSTE APDEELING.
Van den aard en de onderscheidene soorten van
erfdienstbaarheden.
721.   Erfdienstbaarheid is een last waarmede een erf be-
zwaard is, tot gebruik en ten nutte van een erf, hetwelk aan
eenen anderen eigenaar toebehoort.
Dezelve mag, noch ten laste, noch ten behoeve van eenen
persoon, daargesteld worden.
722.   Alle erfdienstbaarheden bestaan in de verpligting om
iets te dulden, of iets niet te doen.
723.  Erfdienstbaarheid geeft geenen voorrang aan het eene
erf boven het andere
724.  De erfdienstbaarheden zijn voortdurende of niet voort-
durende.
Voortdurende erfdienstbaarheden zijn de zoodanige welker
gebruik voortduurt of kan voortduren, zonder dat daartoe des
mensellen toedoen noodig zij; van dien aard zijn de waterloo-
pen, het gootregt, het uitzigt en andere dergelijke.
Niet voortdurende erfdienstbaarheden zijn dezulke welke
tot derzelver uitoefening \'s menschen toedoen noodig hebben,
als daar zijn: het regt van overgang, van water te halen,
beesten te weiden en andere soortgelijke.
725.  De erfdienstbaarheden zijn zigtbaar of onzigtbaar.
Zigtbare erfdienstbaarheden zijn de zoodanige waarvan door
uitwendige werken blijkt, gelijk eene deur, een venster, eene
waterleiding en soortgelijke.
Onzigtbare zijn dezulke welke geen uitwendig teeken van
hun bestaan hebben, gelijk het verbod om op een erf te bon-
wen, of om niet dan tot op eene bepaalde hoogte te mogen
bouwen, het regt om beesten te weiden, en andere waartoe
\'s menschen toedoen noodig is.
726.    Wanneer men eenen muur of een gebouw op nieuw
optrekt, blijven de heerschende en lijdende dienstbaarheden
ten opzigte van den nieuwen muur ot van het nieuwe gebouw»
-ocr page 157-
150                                     II BOEK. VAN ZAKEN.
voortduren, zonder dat dezelve evenwel kunnen verzwaard
worden, en mits de wederopbouwing geschiede voordat de
verjaring der dienstbaarheden plaats hebbe gehad.
727.   Hij die het regt van erfdienstbaarheid van uit z i g t
of van licht heeft, mag zoo vele vensters of lichten maken
als hij goedvindt; maar hij mag, na te hebben gebouwd of
van zijn regt gebruik gemaakt, derzelver getal in het vervolg
niet vermeerderen.
Door licht wordt alleen het noodige licht, zonder u i t-
z i g t. verstaan.
728.   Ken ieder is bevoegd om zoo hoog te bouwen als
hem goeddunkt, mits de verhooging van een gebouw niet ten
behoeve van een ander erf verboden zij. In dat geval, heeft
de eigenaar van het heerschende erf het regt om alle tim-
mering of verhooging, bij den titel verboden, te beletten of
te doen wegnemen.
729.    Onder de erfdienstbaarheid van waterloop en
drop verstaat men slechts het regt om schoon water, maar
niet om vuilnis te doen uitloopen.
730.   De dienstbaarheid van gootregt is het regt om
water en vuilnis te kunnen doen uitloopen.
731.  De eigenaar van een erf die het regt heeft van inbal-
king of inankering in eens anders muur, is bevoegd om nieuwe
balken en ankers in de plaats der vergane te leggen, maar
hij mag derzelver getal niet vermeerderen, noch de plaatsing
veranderen.
732.   Hij die het regt heeft om op het water van een na-
burig erf te varen, moet bijdragen tot de onkosten welke
noodzakelijk zijn om het water steeds vaarbaar te houden,
ten ware hij mogt verkiezen van zijn regt af te zien.
733.  De erfdienstbaarheid van voetpad is het regt om
te voet over eens anders land te mogen gaan;
Die van r ij p a d of d r e e f is het regt om daarover te paard
te rijden, of beesten te drijven;
Die van w e g is het regt om er met een wagen, een rijtuig,
enz., over te rijden.
Indien de breedte van het voetpad, van de dreef of van den
weg, niet bij den titel is bepaald, wordt die breedte geregeld
overeenkomstig de bijzondere verordeningen of plaatselijke ge-
bruiken.
Onder de erfdienstbaarheid van r ij p a d of d r e e f is die
van voetpad; onder de erfdienstbaarheid van weg, die van
r ij p a d. dreef en voetpad stilzwijgend begrepen.
734.  De erfdienstbaarheid van waterleiding is het
regt om water uit of over eenig naburig erf naar het zijne
. heen te leiden.
-ocr page 158-
V TITEL. VAN ERFDIENSTBA.ARHEDEN.                        151
735.  Hij aan wien eene erfdienstbaarheid verschuldigd is,
heeft het regt om al zoodanige werken te maken, welke tot
het gebruik en behoud dier erfdienstbaarheid noodzakelijk zijn.
Die werken komen te zijnen koste, en niet ten koste van
dfn eigenaar van het dienstbaar erf.
736.  In geval de eigenaar van het dienstbaar erf bij den
titel belast is om te zijnen koste de tot gebruik en behoud
der erfdienstbaarheid noodzakelijke werken te maken, kan hij
zich ten allen tijde van dien last bevrijden, door aan den
eigenaar van het goed. aan hetwelk de erfdienstbaarheid ver-
schuldigd is, zoodanig gedeelte van het dienstbaar erf af te
staan, als tot het genot der erfdienstbaarheid noodzakelijk is.
737.  Indien het heerschende erf mogt worden verdeeld, blijft
de erfdienstbaarheid voor ieder gedeelte verschuldigd, zonder
dat evenwel de toestand van het dienstbaar erf moge verzwaard
worden.
Indien het alzoo een regt van overgang geldt, zijn alle
de mede-eigenaars van het verdeelde erf verpligt dat regt
langs denzelfden weg als vóór de verdeeling uit te oefenen.
738.  Hij die een regt van erfdienstbaarheid heeft, mag
daarvan slechts gebruik maken volgens zijnen titel, en, bij ge-
breke van titel, volgens de verordeningen of plaatselijke ge-
bruiken, en in allen gevalle op de minst bezwarende wijze.
Hij mag, noch op het diensthare, noch op het heerschende
erf, eenige verandering maken, waardoor de toestand van het
eerstgemelde zonde verzwaard worden.
739.  De eigenaar van het dienstbare erf mag niets verrigten
hetgeen strekken mogt om het gebruik der erfdienstbaarheid
te verminderen, of hetzelve ongemakkelijker te maken.
Hij mag noch de gesteldheid der plaats veranderen, noch de
uitoefening der erfdienstbaarheid verleggen naar eene plaats,
verschillende van die waarop de erfdienstbaarheid oorspronke-
lijk gevestigd is, ten ware de verandering mogt kunnen ge-
schieden zonder den eigenaar van de heerschende erfdienst-
baarheid te benadeelen.
740.  Die een regt van erfdienstbaarheid heeft wordt geacht
al datgene te hebben hetgeen noodzakelijk is om daarvan, op
de minst bezwarende wijze voor den eigenaar van het dienst-
bare erf, gebruik te maken. Alzoo omvat het regt om uit eens
anders bron water te halen noodzakelijk het regt van toegang
tot de bron over het dienstbare erf.
741.  Indien het dienstbare erf verdeeld wordt, blijft ieder
gedeelte met de erfdienstbaarheid bezwaard, voor zoo veel tot
derzelver uitoefening noodzakelijk is.
-ocr page 159-
152                                     II BOEK. VAN ZAKEN.
TWEEDE AFDEELINO.
Op hoedanige wijze erfdienstbaarheden worden daargesteld.
742.  Erfdienstbaarheden worden daargesteld of door eenen
titel, of door verjaring.
743.  De titel van aankomst van eene erfdienstbaarheid moet
in de daartoe bestemde openbare registers worden overge-
schreven.
744.  De voortdurende en zigtbare erfdienstbaarheden kunnen,
zoo wel door verjaring, als door titel, verkregen worden.
745.  Voor den eigenaar van een lager gelegen erf, die van
de bron van een hooger liggend erf gebruik maakt, begint de
verjaring niet te loopen dan van het oogenblik waarop hij
zoodanige uiterlijke werken heeft gemaakt en voleind, welke
tot bevordering van den val, of van den loop des waters op
zijnen eigendom, bestemd zijn.
746.  De voortdurende en te gelijker tijd onzigtbare erfdienst-
baarheden, zoo als ook de niet voortdurende, het zij dezelve
zigtbaar of onzigtbaar zijn, kunnen slechts bij eenen titel wor-
den daargesteld. Het genot, zelfs sedert onheugelijke jaren, is
niet voldoende om dezelve te verkrijgen.
747.  Wanneer het bewezen is dat tegenwoordig van elkan-
der gescheiden erven voorheen aan denzelfden eigenaar hebben
toebehoord, en dat deze dezelve in zoodanig eenen toestand
gesteld heeft, waaruit eene voortdurende en zigtbare erfdienst-
baarheid zoude zijn ontstaan, geldt deze bestemming in plaats
van eenen titel van erfdienstbaarheid.
748.  Indien de eigenaar van twee erven tusschen welke,
vóór de verkrijging daarvan, een zigtbaar teeken van erfdienst-
baarheid bestond, over één dezer erven beschikt, zonder dat
de overeenkomst eenige bepaling omtrent deze erfdienstbaar-
heid behelze, zal dezelve, het zij heerschende, het zij lijdende,
ten behoeve of ten laste van het vervreemde erf blijven bestaan.
749.  Ken der mede-eigenaars van een erf kan, door zijn
toedoen alleen, buiten weten der andere, het regt van erf-
dienstbaarheid voor hunne gezamenlijke bezittingen verkrijgen.
DERDE AFDEELINO.
Op hoedanige wijze erfdienstbaarheden te niet gaan.
750.  Erfdienstbaarheden gaan te niet, wanneer de zaken
zich in zoodanigen staat bevinden dat men van dezelve geen
gebruik meer kan maken.
751.  Indien het dienstbare of het heerschende erf niet geheel
-ocr page 160-
VI TITEL. VAN HET BEGT VAN OPSTAL.                         153
«n al te niet gegaan of vernield is, blijft de erfdienstbaarheid
voortduren, naar mate de gesteldheid der erven zulks toelaat.
752.  Krfdienstbaarheden, welke te niet zijn gegaan uit hoofde
der oorzaak in artikel 750 vermeld, herleven, indien de zaken
in zoodanigen staat hersteld zijn, dat men daarvan gebruik
kan maken, ten ware er een voldoende tijd verloopen zij, waar-
door, volgens artikel 754, de verjaring zoude plaats hebben.
753.  Alle erfdienstbaarheden gaan te niet, wanneer het
heerschende en het dienstbare erf in dezelfde hand vereenigd
•zijn; behoudens de bepaling van artikel 748.
754.  Erfdienstbaarheid gaat ook te niet, wanneer daarvan
in dertig achtereenvolgende jaren geen gebruik is gemaakt.
Deze dertig jaren beginnen niet te loopen dan van den dag
waarop men eene blijkbare en met de erfdienstbaarheid strij-
•dige daad heeft verrigt.
755.  Indien niettemin het heerschende erf in zoodanig eenen
toestand is gesteld geweest, waardoor de uitoefening der erf-
dienstbaarheid onmogelijk is geworden, heeft de verjaring plaats
door het enkele verloop van dertig jaren, te rekenen van het
oogenblik waarop het erf in dier voege heeft kunnen hersteld
•zijn, dat de uitoefening der erfdienstbaarheid daardoor wederom
zoude zijn mogelijk geworden.
756.  De wijze waarop men van eene erfdienstbaarheid kan
gebruik maken, verjaart even als de erfdienstbaarheid zelve,
en op gelijke manier.
757.  Indien het heerschende erf aan verscheiden eigenaars
onverdeeld toebehoort, belet het genot van één dier eigenaars
de verjaring ten opzigte van alle de overige.
ZESDE TITEL.
VAN HET REGT VAN OPSTAL.
758.  Het regt van opstal is een zakelijk regt om gebouwen,
werken of beplantingen op eens anders grond te hebben.
759.  Hij, die het regt van opstal heeft, kan hetzelve ver-
vreemden en met hypotheek belasten.
Hij kan de goederen, aan het regt van opstal onderworpen,
met erfdienstbaarheden bezwaren, doch alleen voor het tijdvak
gedurende hetwelk hij het genot van dat regt bezit.
760.  De titel van aankomst van het regt van opstal moet
in de daartoe bestemde openbare registers worden overge-
schreven.
761.  Zoo lang het regt van opstal duurt, kan de grondeige-
naar dengenen die dat regt heeft niet beletten de gebouwen
en andere werken te sloopen, of de beplantingen te rooijen.
-ocr page 161-
154                                            II BOEK. VAN ZAKEN.
en een en ander weg te nemen, mits laatstgemelde den prijs
daarvan, tijdens het verkrijgen van het regt van opstal, hebbe
voldaan, of wel de gebouwen, werken en beplantingen door
hem zelven gesteld of gemaakt zijn, en voorbehoudens dat de
grond zal moeten worden hersteld in den staat waarin dezelve
zich vóór het opbouwen of beplanten bevond.
762.  Bij het eindigen van het regt van opstal treedt de
grondeigenaar in den eigendom van de gebouwen, werken en
beplantingen, onder gehoudenis om de waarde daarvan op dien
tijd te betalen aan dengenen die het regt van opstal had,
welke laatste regt van terughouding zal hebben, tot dat die
betaling zal voldaan zijn.
763.  Indien het regt van opstal gevestigd is op eenen grond
waarop zich reeds gebouwen, werken en beplantingen bevon-
den, welker waarde door den verkrijger van dat regt niet vol-
daan is, zal de grondeigenaar, bij het eindigen van bet regt
van opstal, alle die voorwerpen terugnemen, zonder daarvoor
tot eenige schadeloosstelling gehouden te zijn.
764.   De verordeningen van dezen titel zullen alleen van
kracht zijn, voor zoo verre daarvan door de overeenkomsten
der partijen niet is afgeweken.
765.  Het regt van opstal gaat, onder anderen, verloren:
1°. Door vermenging;
2°. Door het te niet gaan van den grond;
3°. Door de verjaring van dertig jaren;
4°. Na verloop van den tijd, welke bij de vestiging van het
regt bedongen of bepaald is.
763. Indien geene bijzondere bedingen of\' bepalingen om-
trent het eindigen van het regt van opstal gemaakt zijn, zal
de eigenaar van den grond hetzelve kunnen doen ophouden,
doch niet vroeger dan na verloop van dertig jaren, mits ten
minste een jaar te voren aan dengenen, die het regt van op-
stal heeft, bij behoorlijk exploit aanzegging doende.
ZEVENDE TITEL.
VAN HET ERFPACHTSREGT.
767.  Erfpachtsregt is een zakelijk regt om het vol genot
te hebben van een aan een ander toebehoorend onroerend goed,
onder gehoudenis om aan laatstgemelden, als eene erkentenis
van deszelfs eigendom, eene jaarlijksche pacht te voldoen, het
zij in geld, het zij in voortbrengselen of vruchten.
De titel van aankomst van het erfpachtsregt moet in de
openbare daartoe bestemde registers worden overgeschreven.
768.  De erfpachter oefent alle de regten uit, welke aan
-ocr page 162-
155
VII TITEL. VAN HET EKFPACHTSREGT.
den eigendom van het erf\' verknocht zijn, doch hij vermag niets
te verrigten, waardoor de waarde van den grond zoude worden
verminderd.
Hij mag alzoo, onder anderen, geene af- of uitgravingen
doen van steen, steenkolen, turf. klei of andere soortgelijke
tot het erf behoorende grondspeciën, ten ware de ontginning
reeds mogt zijn aangevangen, toen zijn regt is geboren.
769.  De hoornen welke gedurende het erfpachtsregt sterven,
of door een toeval worden omgeworpen, komen ten voordeele
van den erfpachter, mits hij andere in derzelver plaats stelle.
Hij heeft insgelijks de vrije beschikking over alle beplan-
tingen, door hem zelven aangelegd.
770.   De grondeigenaar is tot geenerlei reparatie gehouden.
Daarentegen is de erfpachter verpligt het in erfpacht uit-
gegeven goed te onderhouden, en daaraan de gewone repara-
tiën te doen
Hij mag door het stellen van gebouwen, of door het ont-
ginnen of beplanten van gronden, het erf verbeteren.
771. Hij is bevoegd om zijn regt te vervreemden, met hypotheek
te belasten, en den grond, in erfpacht uitgegeven, met erf-
dienstbaarheden te bezwaren, voor het tijdvak van zijn genot.
772.  Bij het eindigen van zijn regt, kan hij wegnemen alle
zoodanige; door hem gestelde gebouwen of gemaakte beplan-
tingen, waartoe hij, uit kracht der overeenkomst, niet gehou-
den was; doch hij is verpligt de schade te vergoeden welke
door dat wegnemen aan den grond mogt veroorzaakt zijn.
Niettemin heeft de grondeigenaar regt van terughouding
op die voorwerpen, tot dat de erfpachter hem het verschul-
digde volledig voldaan heeft.
773.   De erfpachter is onbevoegd om van den grondeigenaar
te vorderen dat hij de waarde betale van de gebouwen, wer-
ken, betimmeringen en beplantingen, hoegenaamd, welke eerst-
gemelde heeft gemaakt, en die zich bij het eindigen der erf-
pacht op den grond bevinden.
774.   Hij draagt alle belastingen, welke op het erf zijn
gelegd, het zij gewone, het zij buitengewone, het zij jaarlijk-
sche, het zij dezulke die slechts eenmaal moeten worden betaald.
775.   De verpligting om de erfpacht te voldoen is onsplits-
baar, blijvende ieder gedeelte van den in erfpacht uitgegeven
grond voor de geheele pacht aansprakelijk.
776.   De erfpachter kan geenerlei vrijstelling van betaling
der pacht vorderen, noch uit hoofde van vermindering, noch
van het geheel ophouden des genots.
Zoo niettemin de erfpachter gedurende vijf achtereenvolgende
jaren van het geheel genot is beroofd geweest, zal hem kwijt-
schelding verschuldigd zijn voor den tijd van zijn gemis.
-ocr page 163-
156                                           II BOEK. VAN ZAKEN.
777.   Ter zake van eiken overgang van het erfpachtsregt
of van verdeeling eener gemeenschap, is geene buitengewone
uitkeering daarvoor verschuldigd.
778.   Bij het eindigen van het erfpachtsregt, heeft de eige-
naar tegen den erfpachter eene personele regtsvordering tot
vergoeding der kosten, schaden en interessen, veroorzaakt
door nalatigheid en gebrek van onderhoud van het erf, en
voor de regten die de erfpachter door zijne schuld niogt hebben
laten verjaren.
779.   Wanneer het erfpachtsregt door het verloop dea tijds
is geëindigd, wordt hetzelve niet stilzwijgend vernieuwd, doch
kan hetzelve bij voortduring blijven bestaan tot wederopzeg-
ging toe.
780.   De erfpachter kan van zijn recht worden vervallen
verklaard, ter zake van merkelijke aan het goed toegebragte
schade, of van het grovelijk misbruiken daarvan ; onverminderd
de regtsvordering tot vergoeding van kosten, schaden en
interessen.
De vervallenverklaring kan ook worden uitgesproken ter
zake van wanbetaling der erfpacht, gedurende vijf op elkander
volgende jaren, en nadat de erfpachter vruchteloos tot de
betaling bij behoorlijk exploit zal zijn aangemaand, ten minste
zes weken vóór het aanvangen der regtsvordering.
781.   De erfpachter zal de vervallenverklaring, uit hoofde
van aan het goed toegebragte schade of misbruik van genot,
kunnen verhinderen, wanneer hij de zaken in haren vorigen
staat herstelt, en voor het vervolg voldoende zekerheid geeft.
782.  Alle de bij dezen titel vastgestelde verordeningen zul-
len alleen plaats grijpen, voor zoo verre daarvan door de over-
eenkomsten der partijen niet is afgeweken.
783.   Erfpachtsregt gaat op dezelfde wijze te niet. als bij
artikel 765 en 766 opzigtelijk het regt van opstal is bepaald.
ACHTSTE TITEL.
VAN ÜRONDBENTEN EN TIENDEN.
784.   Door grondrenten wordt verstaan eene schuldpligtig-
heid, het zij in geld, het zij in voortbrengselen of vruchten,
welke de eigenaar van een stuk onroerend goed daarop vestigt,
of bij de vervreemding of vermaking van hetzelve, te zijnen
voordeele, of ten voordeele van eenen derde, voorbehoudt.
De titel van aankomst zal in de daartoe bestemde openbare
registers worden overgeschreven.
785.  Indien eene grondrente op een stuk goed is gevestigd,
heeft de vorige eigenaar, aan wien de rente verschuldigd is.
•
-ocr page 164-
VIII TITEL. VAN GRONDRENTEN EN TIENDEN.                157
geen regt om dat goed, uit hoofde van wanbetaling der rente,
terug te vorderen.
786.   De schuldpligtigheid der grondrente rust bij uitsluiting
op het goed zelf, en blijft, ingeval van deel ing, ieder deel
voor de geheele rente verbonden, zonder dat. in eenig geval,
de persoon van den bezitter in zijne overige goederen daarvoor
aansprakelijk zij.
üe bovenstaande bepaling is niet toepasselijk op de schuld-
pligtigheid van een zeker evenredig aandeel der vruchten,
waarvan in de volgende artikelen gehandeld wordt.
787.   De schuldpligtigheid van tienden, of van eenige andere
evenredige hoeveelheid van vruchten, moet, over elke inza-
meling van vruchten, aan de schuldpligtigheid onderworpen,
voldaan worden.
788.   Indien bij de vestiging, of bij het voorbehoud van
tienden, geen uitdrukkelijk beding wordt gemaakt, het zij ten
aanzien der soorten van vruchten daaraan onderworpen, het
zij ten aanzien van derzelver evenredige hoeveelheid, wordt
daardoor verstaan een tiende gedeelte van zoodanige vruchten,
welke, volgens het gebruik der plaats, aan tiendpligtigheid
onderworpen zijn; of zoodanige uitkeering in geld als, volgens
dat gebruik, wegens sommige vruchten, in plaats van tienden
in natura, voldaan wordt.
789.   Kr is niets verschuldigd indien het land braak of
onbebouwd is blijven liggen, of- gebezigd is tot het kweeken
van vruchten welke niet aan de schuldpligtigheid onderwor-
pen zijn.
790.   Insgelijks is niets verschuldigd van de graanvruchten
die onrijp zijn afgesneden.
791.    De schuldpligtigen van welke in artikel 787 eu vol-
gende gesproken wordt, zijn gehouden om, ten tijde van het
inzamelen der vruchten, dezelve aan hoopen of schoven van
dezelfde grootte, in rijen te stellen.
De hoopen of schoven moeten onuitgezocht worden ge-
plaatst, naar mate de vruchten worden ingezameld.
792.   Zij zijn verpligt de hoopen of schoven gedurende vier
en twintig uren op hunne akkers te laten staan, na vooraf
den tiendheffer, volgens plaatselijk gebruik, te hebben doen
verwittigen.
793.   Gedurende\' dien tijd, kan dengene, aan wien de uit-
keering verschuldigd is, de hoopen of schoven aanwijzen welke
hem toekomen; hij zal de telling mogen beginnen waar hij
verkiest, maar wijders moeten volgen de orde waarin de hoo-
pon of schoven gesteld zijn.
794.   Indien degene, aan wien de uitkeering verschuldigd
is, in gebreke blijft die aanwijzing te doen, zal de schuld
-ocr page 165-
15,s
II BOEK. VAN ZAKEN.
pligtige het vermogen hobben om aan denzelven zijn aandeel
aan te wijzen, on de hoopen of schoven ter beschikking van
den daartoe geregtigde moeten laten.
795.   De schuldpligtige die de vruchten heeft weggevoerd
zonder aan zijne verpligting te hebben voldaan, zal de dubbele
waarde moeten betalen van de uitkeering waartoe hij ver-
pligt was.
796.   Indien de schuldpligtigheid op jongen van beesten of
bijen-zwermen gevestigd is, zal de schuldpligtige aan den
geregtigde zijn aandeel kunnen uitleveren, of hem de waarde
daarvan in gold voldoen, berekend naar den hoogsten prijs,
gedurende den tijd van zes weken nadat de uitkeering kan
worden gevorderd.
De schuldpligtigheid waarover dit artikel handelt, wordt
nimmer onder de algemeene benaming van tienden begrepen,
maar moet uitdrukkelijk zijn gevestigd of\' voorbehouden.
De tienden worden gekweten zoo als die uit de hand vallen,
zonder dat de tiendheff\'er de beste kiezen, of de tiendpligtige
de slechtste geven mag.
797.   Do verschenen en niet voldane schuldpligtigheden,
waarover bij artikel 787 en volgende gesproken wordt, ver-
jaren door het tijdsverloop van één jaar, te rekenen van den
dag waarop de uitkeering kon gevorderd worden.
Die van de overige grondrenten verjaren door een tijdsver-
loop van vijf jaren.
798.    De grondrenten, mitsgaders de tienden en andere
schuldpligtigheden, in eene zekere evenredige hoeveelheid van
vruchten bestaande, kunnen altijd worderr afgekocht, al ware
het tegendeel uitdrukkelijk bedongen.
Het is echter geoorloofd de voorwaarden van den afkoop
te bepalen, en zelfs te bedingen dat de rente niet kan worden
afgekocht dan na een bepaald tijdsverloop, mits den tijd van
dertig jaren niet te boven gaande.
799.  Indien de af koopprijs van grondrenten, tienden of andere
evenredige schuldpligtigheden niet bepaald .is bij de vestiging,
noch daaromtrent bij den afkoop tusschen partijen wordt overeen-
gekomen, zal dezelve geregeld worden op de navolgende wijze:
Bij eene grondrente in geld, kan de schuldpligtige volstaan
met de oplegging van het twintigvoudig bedrag derzelve.
Indien de schuldpligtigheid niet in geld, maar in andere
voorwerpen, verschuldigd is, bestaat de afkoopprijs evenzeer
uit het twintigvoud van de jaarlijksche opbrengst, en wordt
de waarde daarvan gerekend volgens de landelijke marktprijzen
der laatstverloopene tien jaren, door elkander gerekend, en bij
gebreke van dezelve, bepaald bij deskundigen, door partijen
of door den regter te benoemen.
-ocr page 166-
VIII TITEL. VAN GRONDRENTEN EN TIENDEN.                159
Bij tienden en andere evenredige jaarlijksche uitkeeringen,
strekt de zuivere opbrengst der vijftien laatste jaren, door
elkander, tot maatstaf der hoeveelheid van de jaarlijksche
opbrengst, na voorafgaanden aftrek der twee voordeeligste en
der twee nadeeligste jaren, üe verpachtingen der vijftien
laatste jaren, onder aftrek als hier-boven, leveren het bewijs
op van die opbrengst, en alleen bij gebreke van zoodanige
verpachtingen worden de gewone en hier-boven gemelde regelen
bij de waardering gevolgd.
800.  Indien het goed, gedurende de laatste vijftien jaren,
geene zoodanige vruchten heeft opgebragt die aan tienden en
andere evenredige en jaarlijksche uitkeeringen onderworpen
zijn, zal het beloop van den afkoop, door den regter, na ver-
hoor van deskundigen, worden geregeld.
801.  Het regt van grondrenten en van alle andere schuld-
pligtigheden, waarvan in dezen titel wordt gehandeld, gaat
verloren:
1". Door vermenging, wanneer de renten of schuldpligtigheid
en de eigendom van den grond in dezelfde hand komen;
2°. Door onderlinge overeenkomst;
3\'. Door afkoop, op de wijze hier-boven omschreven;
4°. Door verjaring, wanneer hij, aan wien de grondrente of
schuldpligtigheid verschuldigd was, dertig jaren heeft
laten verloopen, zonder van zijn regt gebruik te maken;
5°. Door het te niet gaan van den grond.
Echter gaat door overstrooming, vergraving of uitveening
het regt niet verloren, wanneer de grond daarna door de
natuur of door den arbeid weder droog wordt.
(1) 802. De bepalingen, in dezen titel voorkomende, zijn
alleen toepasselijk op grondrenten, tienden en andere schuld-
pligtigheden, welke na de invoering van dit Wetboek zullen
worden gevestigd of voorbehouden. Zij strekken dus geenszins
om zoodanige tienden, of andere schuldpligtigheden, als bij
vorige wetten zijn afgeschaft, te doen herleven, noch ook om
de bestaande te regelen, te wijzigen of te vernietigen.
(1) De afkoopbaarstelling van alle vóór de Invoering van het B. W. geves-
tigde tienden enz. is geregeld bü de wet van 12 April 1H72, Stbl. No. 25.
-ocr page 167-
160                                     II BOEK. VAN ZAKEN.
NEGENDE TITEL.
VAN HET VRUCHTGEBRUIK.
EERSTE AFDEELING.
Van den aard des vruchtgebruiks en de wijze om hetzelve
te verkrijgen.
803.  Vruchtgebruik is een zakelijk regt om van eens anders
goed de vruchten te trekken, als of men zelf eigenaar daarvan
was, mits zorgende dat de zaak zelve in stand blijve.
804.  Indien echter onder het. vruchtgebruik verbruikbare
zaken zijn begrepen, kan de vruchtgebruiker volstaan met,
bij het eindigen van het vruchtgebruik, eene gelijke hoeveelheid,
hoedanigheid en waarde terug te geven, of den prijs te betalen
op welken de zaken hij den aanvang des vruchtgebruiks mogten
geschat zijn, of volgens de waarde van dat tijdstip mogten
geschat worden.
805.   Vruchtgebruik kan gevestigd worden ten behoeve van
een of meerdere bepaalde personen, ten einde daarvan het
genot te hebben, het zij gezamenlijk, het /ij bij opvolging.
In geval van genot bij opvolging, zal het vruchtgebruik
alleen genoten worden door de personen welke in leven zijn
op het oogenblik dat het regt van den eersten vruchtgebruiker
zijnen aanvang neemt.
806.  Vruchtgebruik wordt verkregen door de wet, of door
den wil des eigenaars.
807.  De titel van vruchtgebruik van een onroerend goed
moet in de openbare daartoe bestemde registers worden over-
geschreven.
Wanneer het een roerend goed geldt, wordt door de levering
het zakelijk regt geboren.
TWEEDE AFDEELING.
Van de regten van den vruchtgebruiker.
808.  De vruchtgebruiker heeft het regt om alle soorten van
vruchten te genieten, die van het goed, waarvan hij het vrucht-
gebruik heeft, kunnen voortkomen, om het even of de voort-
brengselen bestaan in natuurlijke vruchten, in vruchten van«
nijverheid, of in burgerlijke vruchten.
809.  De natuurlijke vruchten en de vruchten van nijverheid,
die bij den aanvang van het vruchtgebruik nog aan boomen of
wortels vast zijn, behooren aan den vruchtgebruiker.
-ocr page 168-
IX TITEL. VAN HET VRUCHTGEBRUIK.                       161
Degene die zich in denzelfden staat bevinden op het oogen-
blik dat het vruchtgebruik eindigt, behooren aan den eigenaar,
zonder vergoeding, van de eene of andere zijde, der kosten van
bearbeiding en bezaaijing, maar onverminderd dat gedeelte der
vruchten, hetwelk aan eenen deelhebbenden pachter, het zij
bij het begin, het zij bij het eindigen des vruchtsgebruiks, mogt
toekomen.
810.   De burgerlijke vruchten worden gerekend van dag tot
dag verkregen te worden, en behooren aan den vruchtgebruiker,
naar mate zijn vruchtgebruik duurt, welk ook het tijdstip
moge wezen waarop dezelve betaalbaar zijn gesteld.
811.  Het vruchtgebruik van eene lijfrente geeft ook aan den
vruchtgebruiker, gedurende het vruchtgebruik, het regt om de
loopende renten te ontvangen.
Indien de voldoening der lijfrente bij vooruitbetaling moet
plaats hebben, is de vruchtgebruiker geregtigd tot den geheelen
termijn, welke gedurende het vruchtgebruik heeft moeten
voldaan worden.
Die het vruchtgebruik eener lijfrente heeft zal nimmer tot
cenige teruggave verpligt zijn.
812.  Indien het vruchtgebruik zaken bevat die zonder dade-
lijk te niet te gaan, echter langzamerhand door het gebruik
verminderen, zoo als kleederen, linnen, huisraad en andere
soortgelijke, heeft de vruchtgebruiker het regt om zich daarvan
te bedienen tot het gebruik, waartoe die zaken bestemd zijn,
zonder evenwel verpligt te zijn om, bij het eindigen des vrucht-
gebruiks, die zaken in eenen anderen staat terug te geven,
dan in dien waarin zij zich alsdan bevinden, voor zoo verre
zij niet door de kwade trouw of schuld van den vruchtgebruiker
mogten zijn slechter geworden.
813.  Indien het vruchtgebruik kaphout bevat, zal de vrucht-
gebruiker daarvan het genot hebben, mits in acht nemende
de orde en hoeveelheid van het kappen, overeenkomstig het
doorgaand gebruik der eigenaars, zonder dat de vruchtgebrui-
ker of\' zijne erfgenamen eenige schadeloosstelling kunnen vor-
deren, ter zake dat de gewoonlijke kapping, het zij van kap-
hout, rijshout, of\' hoogstammige boomen, gedurende het vrucht-
gebruik, door hem mogt nagelaten zijn.
814.  De vruchtgebruiker, mits in acht nemende de vaste
tijdstippen, en de gewoonten der vorige eigenaars, heeft ook
het genot van die partijen hout van opgaande boomen, welke
regelmatig gehakt worden, het zij dit hakken geschiede op
gezette tijden over eene zekere uitgestrektheid lands, het zij
hetzelve besta in eene zekere hoeveelheid boomen, zonder
onderscheid over de geheele uitgestrektheid van het land
genomen.
11
-ocr page 169-
162                                      II BOEK. VAN ZAKEN.
815.   In alle andere gevallen, vermag de vrachtgebruiker
zich geene opgaande ljoomen toe te eigenen.
Niettemin kan hij de door toeval uit den grond gerukte of\'
afgebrokene boomen gebruiken tot het doen der reparatiün,
tot wefke hij gehouden is.
Hij kan zelfs, te dien einde, indien het noodig is, boonion
doen omhakken, mits hij van de noodzakelijkheid der repara-
tien, ten overstaan van den eigenaar, doe blijken.
816.  De vruchtgebruiker kan uit de bosschen staken nemen
voor de wijngaarden, en hetgeen noodig is om de vruchtboo-
men te stutten en de tuinen te onderhouden en te beteelen.
Hij heeft geen regt om boomen tot brandhout te kappen,
maar hij heeft het genot van hetgeen jaarlijks, of op andere
gezette tijden, van de boomen afkomt; alles echter met inaehtne-
ming van het gebruik der plaats, of van de gewoonte des eigenaars.
817.   De boomen, welke uit eene kweekerij, zonder die te
beschadigen, kunnen getrokken worden, behooren insgelijks
tot het vruchtgebruik, mits de vruchtgebruiker zich omtrent
de weder-aanvulling gedrage naar het plaatselijk gebruik en
de gewoonte der eigenaars.
818.  Doode vruchtboomen, gelijk ook die bij toeval zijn uit
den grond gerukt of afgebroken, behooren aan den vrucht-
gebruiker, mits hij andere in derzelver plaats stelle.
819.  De vruchtgebruiker kan iri persoon het regt van zijn
vruchtgebruik uitoefenen, of het goed verhuren, of verpachten,
of zelfs het vruchtgenot verknopen, bezwaren, of om niet
afstaan. Hij moet zich echter, het zij bij eigen genot, het zij
in geval van verhuring, verpachting of\' afstand, ten .aanzien
van dat genot, gedragen naar het plaatseljjk gebruik en de
gewoonte der eigenaars, zonder de bestemming van het goed
ten nadeele des eigenaars te veranderen.
Ten aanzien van den tijd der verhuring of verpachting,
moet hij zich, volgens den verschillenden aard en de bcstem-
ming der zaken, mede gedragen naar de plaatselyke gebrui-
ken en de gewoonte der eigenaars.
Hij gebreke van zoodanige gebruiken of gewoonte, mogen
huizen voor geen langeren tijd dan voor vier, en landerijen
dan voor zeven jaren worden verhuurd.
820.  Alle verhuringen of verpachtingen van in vruchtge-
bruik bezeten onroerende goederen, aangegaan meer dan twee
jaren vóór het ingaan van de huur of de pacht, zullen ten
verzoeke van den eigenaar kunnen worden vernietigd, indien
het regt van den vruchtgebruiker binnen dien tijd ophoudt.
821.  De vruchtgebruiker heeft het genot van de vermeerde-
ring, welke aan het goed, waarvan hij het vruchtgebruik heeft,
door aanspoeling is aangekomen.
-ocr page 170-
168
IX TITEL. VAN HET VRUCHTGEBRUIK.
Hij heeft, even als of hij zolf eigenaar was, het genot van
ile erfdienstbaarheden, en, in het algemeen, van alle andere
regten, waarvan de eigenaar het genot kan hebben. Hij heeft
al/.oo het genot der jagt en visscherij.
822.  Hij heeft, op dezelfde wijze als de eigenaars, ook het
genot van de mijnen, steen* of kolengroeven en veenderijen,
die bij den aanvang van het vruchtgebruik reeds ontgonnen
waren.
823.  De vruchtgebruiker heeft geen regt, hoe ook genaamd,
op mijnen, steen- of kolengroeven on veenderijen, die nog
niet ontgonnen zijn; en vermag derhalve geen steenkolen, turf
of andere delfstoffen uit te graven, wanneer de ontginning of
verveening nog niet begonnen is, ten zij het tegendeel uit
zijnen titel blijke.
824.  De vruchtgebruiker heeft geen regt op den schat, die,
gedurende het vruchtgebruik, op het erf waarvan hij het go-
not heeft, door een ander mogt gevonden worden.
Indien hij zelf den schat vindt, vermag hij zijn deel daarvan
ti\' vorderen, overeenkomstig artikel 642.
825.  De eigenaar is gehouden den vruchtgebruiker het vrucht-
gebruik te laten genieten, zonder hem daarin eenigc belem-
mering toe te brengen.
826.  De vruchtgebruiker kan bij het eindigen van het vrucht-
gebruik geene schadeloosstelling vorderen, wegens verbeteringen
die hij mogt beweren gemaakt te hebben, al ware het dat de
waarde van het goed daardoor mogt zijn vermeerderd.
Desniettegenstaande kunnen die verbeteringen in aanmerking
worden genomen, bij de waardeering der schaden welke aan
het goed mogten zijn aangebragt.
827.  De spiegels, schilderijen en andere sieraden, welke de
vruchtgebruiker heeft aangebragt, kunnen door hem of zijne
erfgenamen worden terug genomen, mits de plaatsen in haren
vorigen staat worden hersteld.
828.  De vruchtgebruiker mag alle zakelijke regtsvorderingen
uitoefenen, welke de wet aan den eigenaar toekent.
DERDE AFDEELING.
Van de verpligtingen des vruchtgebruikers.
829.  De vruchtgebruiker neemt de zaken over in den staat
waarin zij zich bij den aanvang des vruchtgebruiks bevinden.
Hij moet dezelve bij het einde des vruchtgebruiks terug geven
in den staat waarin zij zich op dat tijdstip bevinden, behou-
dens de bepalingen van artikel 826 en 827, en de schadeloos-
stollingen, welke aan den eigenaar, wegens aangebragte schade,
verschuldigd zijn.
-ocr page 171-
164                                      II BOEK. VAN ZAKEN.
830.   De vruchtgebruiker moet te zijnen koste, en in tegen-
woordigheid van den eigenaar, of deze ten minste behoorlijk
opgeroepen zijnde, eene beschrijving der roerende en eenen staat
der onroerende goederen, welke aan het vruchtgebruik onder-
worpen zijn, laten opmaken.
Niemand kan van deze verpligting, bij de akte waarbij het
vruchtgebruik wordt daargesteld, worden ontheven.
De beschrijving en staat kunnen onderhands worden opge-
maakt, indien de eigenaar tegenwoordig is.
831.   De vruchtgebruiker moet persoonlijke of zakelijke, ge-
regtelijk goedgekeurde, zekerheid stellen, dat hij van de zaak,
waarvan hij het vruchtgebruik heeft, als een goed huisvader
zal gebruik maken, zonder dezelve te verslimmeren, of te ver-
waarloozen, mitsgaders dat de goederen zullen worden terug
gegeven, of derzelver waarde, indien het goederen geldt waar-
van bij artikel 804 wordt gehandeld.
832.   De vruchtgebruiker kan, bij de akte waarbij het vrucht-
gebruik wordt daargesteld, van de verpligting om zekerheid
te stellen worden ontheven.
Ouders die het wettelijk vruchtgenot hebben van de goede-
ren hunner kinderen, zoo als ook diegenen, welke hun goed
onder voorbehoud van vruchtgebruik hebben verkocht of ten
geschenke gegeven, zijn daartoe niet gehouden.
Hetzelfde geldt ook omtrent den vruchtgebruiker van zaken,
die onder het beheer van andere personen gesteld zijn, behou-
dens, voor zoo veel deze aangaat, de bepaling van artikel 836.
833.  Zoo lang de vruchtgebruiker geene zekerheid stelt,
heeft de eigenaar het regt om het aan vruchtgebruik onder-
worpen goed zelf te besturen, mits van zijne zijde zekerheid
stellende. Bij gebreke van dit laatste, zullen de onroerende
goederen verhuurd, verpacht, of onder het beheer van eenen
derde gesteld worden; de geldsommen, onder het vruchtgebruik
begrepen, zullen worden belegd, en de eetwaren en andere
zaken, waarvan men geen gebruik kan maken, zonder die te
verteren, worden verkocht, ten einde de prijs, welke zij op-
brengen, insgelijks belegd worde.
De renten dezer geldsommen, mitsgaders de huur- en pacht*
penningen, behooren aan den vruchtgebruiker.
834.   Indien het vruchtgebruik, voor het geheel of gedeel-
telijk, in roerende goederen bestaat, welke door het gebruik
verminderen, verliest de vruchtgebruiker, bij gebreke van het
stellen van zekerheid, het genot dier goederen niet, mits hij
onder eede verklare dat hij geene zekerheid heeft kunnen vin-
den, en belove dat hij de goederen, bij het einde des vrueht-
gebruiks, zal terug leveren.
Niettemin mag de eigenaar vorderen dat aan den vruchtge-
-ocr page 172-
IX TITEL. VAN HET VRUCHTGEBRUIK.                       165
bruiker slechts dat gedeelte der roerende goederen worde over-
gelaten, hetwelk voor deszelfs gebruik noodzakelijk is, en dat
het overschot worde verkocht en de prijs daarvan belegd, ge-
lijk in het voorgaande artikel gezegd is.
835.   Door de vertraging in het stellen van zekerheid wordt
de vruchtgebruiker niet verstoken van de vruchten waarop hij
aanspraak kan maken, als welke hem verschuldigd zijn van
het oogenblik waarop het vruchtgebruik zijnen aanvang heeft
genomen.
836.  Zij, die benoemd zijn om de aan vruchtgebruik onder-
worpen goederen te besturen, zijn gehouden, alvorens hun be-
wind te aanvaarden, persoonlijke of zakelijke geregtelijk goed-
gekeurde, zekerheid te stellen.
837.   De bewindvoerders zijn verpligt ieder jaar aan den
vruchtgebruiker rekening en verantwoording te doen, mitsga-
ders het slot van rekening uit te keeren.
Bij het eindigen van hun beheer moeten zij zoo wel aan
den eigenaar, als aan den vruchtgebruiker, rekening en ver-
antwoording afleggen.
De eigenaar die, naar aanleiding van het eerste lid van
artikel 833, het bestuur der goederen heeft, is gehouden, op
dezelfde wijze, aan den vruchtgebruiker rekening en verantwoor-
ding af te leggen.
838.  De bewindvoerders kunnen worden afgezet om dezelfde
redenen als de voogden; mitsgaders, uit hoofde van nalatig-
heid in de voldoening der verpligting, aan hen bij het eerste
lid van het vorige artikel opgelegd.
839.  Indien, om welke redenen ook, het bewind ophoudt,
treedt de vruchtgebruiker in alle zijne regten terug.
840.  De vruchtgebruiker is alleen verpligt de reparatiën
tot onderhoud te doen.
De grove reparatiën blijven ten laste van den eige-
naar, ten ware dezelve veroorzaakt mogten zijn door verzuim
van gewoon onderhoud, sedert den aanvang van het vrucht-
gebruik; in welk geval, de vruchtgebruiker ook daartoe ge-
houden is.
841.  Als grove reparatiën worden aangemerkt:
Die van zware muren en gewelven;
De herstelling van balken en geheele daken;
De geheele herstelling van dijken, van winterkaden, ge-
metselde waterwerken, mitsgaders die van steun en scheids-
muren.
Alle andere reparatiën worden als gewoon onderhoud gerekend.
842.  Noch de eigenaar, noch de vruchtgebruiker, is ge-
houden te doen opbouwen hetgeen door ouderdom ingestort,
of door toeval vernield is.
-ocr page 173-
166
II BOEK. VAN ZAKEN.
843.  De vruchtgebruiker is gehouden, gedurende zijn genot,
voor zijne rekening te nemen alle jaarlijksche en gewone las-
ten van het erf\', gelijk grondrenten, belastingen en andere,
die gewoonlijk als lasten der vruchten worden beschouwd.
844.  Wat de buitengewone lasten betreft, waarmede het
goed, gedurende het vruchtgebruik, mogt worden bezwaard,
is de eigenaar verpligt dezelve te betalen, doch de vruchtge-
bruiker is gehouden hem de interessen daarvan, gedurende
het vruchtgebruik, te vergoeden.
Indien de vruchtgebruiker die lasten voorgeschoten heeft,
vermag hij dezelve, bij het eindigen van het vruchtgebruik,
terug te eischen, doch zonder eenige interessen.
845.  Die een algemeen vruchtgebruik of een vruchtgebruik
onder algemeeneh titel heeft, moet met en benevens den eige-
naar de schulden betalen, op de wijze als volgt:
Men begroot de waarde van het goed, hetwelk aan het
vruchtgebruik is onderworpen ; men bepaalt vervolgens, naar
evenredigheid van die waarde, hetgeen tot de betaling der
schulden door liet goed moet worden opgebragt.
Indien de vruchtgebruiker de som welke van het goed moet
worden opgebragt wil voorschieten, moet de hoofdsom, bij het
eindigen des vruchtgebruiks, zonder eenige renten, aan hem
worden terug gegeven.
Zoo de vruchtgebruiker dit voorschot niet wil doen, heeft
de eigenaar de keus, of om deze som te betalen; in welk
geval, de vruchtgebruiker de interessen daarvan, gedurende
het vruchtgebruik, aan hem schuldig wordt; of om een ge-
deelte der goederen, aan het vruchtgebruik onderworpen, tot
het beloop der som die opgebragt moet worden, te doen be-
zwaren of verkoopen.
846.   Hij, die onder eenen bijzonderen titel een vruchtge-
bruik heeft, is niet gehouden de schulden te voldoen, waar-
voor het aan vruchtgebruik onderworpen erf verhypothekeerd is.
Indien hij dezelve betaalt om de gedwongene onteigening van
het erf te voorkomen; heeft hij zijn verhaal op den eigenaar.
847.  Eene lijfrente, of jaarwedde tot onderhoud, welke door
eenen erflater is gemaakt, moet door dengenen aan wien
het geheele vruchtgebruik is gemaakt, voor het geheel worden
voldaan, en door hem, aan wien slechts een gedeelte van het
vruchtgebruik is nagelaten, naar evenredigheid van zijn ge-
not, zonder dat door een van beiden eenige terugvordering mag
worden gedaan.
848.  De vruchtgebruiker is alleen gehouden tot de kosten
van regtsgedingen welke zijn vruchtgebruik betreffen, en tot
alle overige veroordeelingen, waartoe die gedingen kunnen
aanleiding geven.
-ocr page 174-
IX TITEL. VAN HET VRUCHTGEBRUIK.                           167
Indien het geschil te gelijker tijd don eigenaar en den vrucht
gebruiker aangaat, en zij beiden in het geding betrokken zijn,
zullen zij tot de kosten bijdragen, in evenredigheid hunner
wedcrzijdsche belangen, door den regter te bepalen.
849.    Indien, gedurende het vruchtgebruik een derde per-
soon zich eenige onwettige aanmatiging op het erf veroorlooft,
of anderzins de regten van den eigenaar tracht te verkorten,
is de vrcuhtgebruiker gehouden daarvan aan den eigenaar
kennis te geven; bij gebreke hiervan, is hij verantwoordelijk
voor alle schaden, welke daardoor voor den laatstgenoemden
zouden mogen ontstaan, op dezelfde wijze als hij zoude
moeten vergoeden het nadeel, door hem of door degenen,
voor wie hij moet instaan, toegebragt.
850.   Indien de goederen onder beheer van derden gebragt
zijn. zijn de bewindvoerders, op strafte van vergoeding van kos-
ten, schaden en interessen, gehouden voor de regten des ei-
genaars en voor die van den vruchtgebruiker te waken.
Zij kunnen, voor den eigenaar of voor den vruchtgebruiker,
noch eischende. noch verwerende, in regten optreden, zonder
daartoe door dengenen dien de zaak aangaat gemagtigd te zijn.
851.  Indien eene kudde beesten, waarvan het vruchtgebruik
is gegeven, door toeval of door ziekte, en buiten de schuld
des vruchtgebruikers, geheel verloren gaat. is deze alleenlijk
verpligt aan den eigenaar verantwoording te doen van de hui-
den, of van derzelver waarde.
Indien de kudde niet geheel is verloren gegaan, is de vrucht-
gebruiker gehouden het getal der gestorven beesten uit, de
jongen aan te vullen.
852.   Indien het vruchtgebruik niet op eene geheele kudde,
maar op een of meer beesten is gelegd, en een of meer der-
zelve, buiten de schuld des vruchtgebruikers, zijn komen te
sterven, is deze niet verpligt dezelve aan te vullen, of de
waarde daarvan uit te keeren, maar hij moet alleen de huiden
of de waarde daarvan teruggeven.
853 De vruchtgebruiker van een schip is verpligt om het-
zelvo, in geval eener buitenlandsche reis, te laten verzekeren.
Hij gebreke hiervan, is hij verantwoordelijk voor alle schade,
welke daardoor voor den eigenaar zoude mogen bestaan.
VIERDE Af DEELING.
Hoe het vruchtgebruik eindigt.
854. Vruchtgebruik eindigt:
1°. Door den dood van den vruchtgebruiker;
2". Wanneer de tijd tot welken, of de voorwaarden waaronder
dezelve is toegestaan, verloopen of vervuld zijn;
-ocr page 175-
168                                     II BOEK. VAN ZAKEN.
3». Door vermenging, wanneer de bloote eigendom en het
vruchtgebruik zijn gekomen in dezelfde hand;
i". Door afstand van den vruchtgebruiker, ten behoeve van den
eigenaar;
5». Door verjaring, wanneer de vruchtgebruiker gedurende
dertig jaren van zijn regt geen gebruik heeft gemaakt;
6°. Door den geheelen ondergang der zaak, waarop het vrucht-
gebruik is gevestigd.
855.   Vruchtgebruik ten voordeele van verscheiden personen
gezamenlijk gegeven, houdt eerst op door den dood van den
ïaatsten.
Vruchtgebruik ten voordeele van een zedelijk ligchaam houdt
op door ontbinding van hetzelve.
856.   Het vruchtgebruik, hetwelk gegeven is tot dat een
derde persoon eenen zekeren ouderdom zal bereikt hebben,
blijft tot dat tijdstip voortduren, al ware het dat deze persoon
vóór den vastgestelden ouderdom mogt overleden zijn ; behoudens
hetgeen, bij den vijftienden titel van het eerste boek van dit
Wetboek, aangaande het wettelijk genot van de ouders be-
paald is.
857.  Oeen vruchtgebruik kan aan een zedelijk ligchaam langer
dan voor dertig jaren worden toegestaan.
858.   Indien slechts een gedeelte der aan vruchtgebruik on-
derworpene zaak is te niet gedaan, \'blijft het vruchtgebruik
voor hetgeen overig is bestaan.
Overstrooming van den grond doet het vruchtgebruik geens-
zins te niet gaan, voor zoo verre de vruchtgebruiker, naar den
aard der zaak, in staat is zijn regt uit te oefenen.
Het vruchtgebruik herleeft in zijn geheel, nadat de grond
door de natuur of door den arbeid weder zal zijn droog ge-
worden; behoudens de bepaling van artikel 649.
859.   Indien het vruchtgebruik alleen op een gebouw ge-
vestigd is. en dit gebouw door brand of een ander toeval ver-
nield, of door ouderdom is ingestort, heeft de vruchtgebruiker
geen regt van genot, noch op den grond, noch op de bouw
stoffen.
Indien het vruchtgebruik gevestigd is op een stuk goed,
waarvan het gebouw een gedeelte uitmaakt, blijft de vrucht-
gebruiker in het genot van den grond, en mag zich van de
bouwstoffen bedienen, het zij om hetgeen vernield is weder op
te bouwen, het zij om andere gebouwen te herstellen, welke
een gedeelte van het goed uitmaken.
860.   Het vruchtgebruik van een vaartuig gaat te niet,
wanneer dit zich buiten staat bevindt om hersteld te worden
De vruchtgebruiker heeft geen regt op het wrak of de over-
blijfselen.
-ocr page 176-
X TITEL. VAN HET GEBRUIK EN DE BEWONING.                1GC
861.  Het vruchtgebruik van eene rente, inschuld of verbir.;l-
tenis, houdt niet op door de aflossing der hoofdsom.
De vruchtgebruiker heeft het regt om de wederbeleggin *
daarvan te zijnen voordeele te vorderen.
862.  Het vruchtgebruik kan ook eindigen door het mi ;-
bruik hetwelk de vruchtgebruiker van zijn genot maakt, rn. t
zij door het goed te beschadigen, het zij door hetzelve, bij
gebreke van genoegzame herstelling en onderhoud, te laten
vervallen.
863.  De regter kan, in die gevallen, en naar gelang der
omstandigheden, liet zij de geheele vernietiging van het vrucht-
gebruik uitspreken, het zij de goederen onder het beheer van
eenen derde stellen, of wel dezelve aan den eigenaar doen
overgeven, met last om jaarlijks aan den vruchtgebruiker
eene bepaalde som te betalen, tot op het oogenblik toe,
waarop het vruchtgebruik zoude hebben moeten ophouden.
Indien evenwel de vruchtgebruiker of deszelfs schuldeischers
aanbieden om het gepleegde misbruik dadelijk te herstellen,
en voor het vervolg voldoende zekerheid te geven, zal de
regter den vruchtgebruiker in het genot van zijne regten kun-
nen handhaven,
864.  Het te niet gaan van het vruchtgebruik doetdehuur-
contracten, volgens artikel 819 aangegaan niet ophouden.
TIENDE TITEL.
VAN HET GEBBUIK BH DE BEWONING.
865.  Het regt van gebruik en dat van bewoning zijn zake-
lijke regten, welke verkregen worden en te niet gaan op
dezelfde wijze als het vruchtgebruik.
866.   De verpligting aan den vruchtgebruiker opgelegd
om zekerheid te stellen, staat en beschrijving te maken, als
een goed huisvader te genieten en de zaak terug te geven, is
ook op hem die het regt van gebruik of bewoning heeft
toepasselijk.
867.  Het regt van gebruik en dat van bewoning worden
geregeld naar den titel, waarbij dezelve zijn daargesteld;
indien bij den titel geene bepalingen omtrent de uitgestrekt-
heid dier regten gemaakt zijn, worden dezelve overeenkomstig
de volgende artikelen geregeld.
868.   Hij, die het regt van gebruik op een erf heeft, ver-
mag daarvan slechts zoo vele vruchten te trekken, als hij voor
zich en zijn huisgezin noodig heeft.
869.  Zaken welke door het gebruik verloren gaan, kunnen
geen onderwerp uitmaken van het regt van gebruik, doch
-ocr page 177-
170                                            II IiOEK. VAN ZAKEN.
indien dat regt op soortgelijke zaken is toegestaan, wordt
hetzelve als vruchtgebruik beschouwd.
870.   De gebruiker mag zijn regt aan geen ander afstaan
oi\' verhuren.
871.   Ten aanzien van beesten, heeft de gebruiker het regt
daarmede zijn werk te doen, en de melk, voor zoo verre de
behoefte van hem en zijn huisgezin vordert, alsmede de niest,
te gebruiken, doch hij heeft geenszins het genot van de wol
of de jongen der beesten.
872.   Het regt van gebruik, op een erf gevestigd, bevat
noch de jagt, noch de visscherij, maar de gebruiker heeft het
genot der erfdienstbaarheden.
873.   Ten opzigte van een huis, bestaat er geen onderscheid
tusschen het regt van gebruik en dat van bewoning.
Hij die het regt van bewoning in een huis heeft, mag
daarin met zijn huisgezin wonen, zelfs indien hij op het tijd-
stip, waarop hem dat regt werd toegestaan, mogt zijn onge-
huwd geweest.
Dat regt bepaalt zich tot hetgeen noodzakelijk is ter be-
woning van den gebruiker en van dcszelfs huisgezin.
874.   Het regt van bewoning mag niet worden afgestaan,
noch verhuurd.
875.   Indien de gebruiker alle de vruchten van het erf geniet,
of het geheele huis bewoont, is hij even als een vruchtge-
braiker verpligt de kosten van bebouwing en de herstellingen
tot onderhoud, mitsgaders de belastingen en andere lasten, te
dragen.
Indien hij slechts een gedeelte\' der vruchten geniet, of een
deel van het huis bewoont, moet hij tot die kosten en lasten
bijdragen, naar evenredigheid van zijn genot.
876.   Het gebruik van bosschen en beplantingen, aan een-
en bijzonderen persoon toegestaan, geeft aan den gebruiker
alleen het regt om zich van het doode hout te bedienen, en
om van het hakhout te nemen hetgeen voor hem en zijn
huisgezin noodig is.
ELFDE TITEL.
VAN ERFOrVOLGINCl HIJ VEIiSTEBF.
EERSTE AEDEEL1NG.
Algemeene Bepalingen.
877.   Erfopvolging heeft alleen door den dood plaats.
878.   Indien verseheiden personen, van v, elke de een tot des
-ocr page 178-
XI TITEL. VAN ERFOPVOLO. BIJ VERSTERF.                  171
anderen erfenis geroepen is, door een en hetzelfde ongeval, of
op denzelfden dag, omkomen, zonder dat men weten kunne wie
het eerst overleden zij, worden zij vermoed op hetzelfde oogen-
blik gestorven te zijn, en er heeft geen overgang van erfenis
van den eenen ten behoeve van den anderen plaats.
879.  Tot de erfenis worden door de wet geroepen :
1°. De wettige en de natuurlijke bloedverwanten, volgens de
hierna vastgestelde regelen;
2°. Bij gebreke van deze, de langstlevende echtgenoot.
Bij gebreke van bloedverwanten en van eenen overblijvenden
echtgenoot, vervallen de goederen aan den staat, onder den
last om de schulden te voldoen, voor zoo ver de waarde dier
goederen toereikende is.
880.   De erfgenamen treden van regtswege in het bezit dei-
goederen, regten en regtsvorderingen van den overledene.
Indien er geschil ontstaat wie erfgenaam, en alzoo tot dat
bezit bevoegd is, kan de regter bevelen dat de goederen onder
geregtelijke bewaring zullen worden gesteld.
De staat moet zich door den regter doen in het bezit stellen,
en is, op straffe van vergoeding van kosten, schade en inte-
ressen, gehouden de nalatenschap te laten verzegelen, en eene
boedelbeschrijving te doen opmaken, in den vorm, voor de
aanvaarding van nalatenschappen onder het voorregt van boe-
delbeschrijving vastgesteld.
•"•« 881. De erfgenaam heeft eene regtsvordering tot verkrij-
ging der erfenis tegen alle degenen die, het zij onder dien
titel of zonder titel, in het bezit zijn van de geheele nalaten-
schap, of van een gedeelte daarvan, mitsgaders tegen degenen,
die met arglist hebben opgehouden te bezitten.
Hij kan deze regtsvordering instellen voor het geheel, indien
hij alleen erfgenaam is, en voor zijn aandeel, zoo er meerdere
erfgenamen zijn.
Die regtsvordering strekt tot afgifte van al hetgeen zich,
onder welken titel ook, in de nalatenschap bevindt, met de
vruchten, inkomsten en schadeloosstelling, volgens de regelen
welke in den derden titel van dit boek ten aanzien van de
opvordering van eigendom zijn voorgeschreven.
882.  Die regtsvordering verjaart door een tijdsverloop van
dertig jaren, te re.kenen van den dag waarop de erfenis is
opengevallen.
883.  Ten einde als erfgenamen te kunnen optreden, moet
men bestaan op het oogenblik dat de erfenis is opengevallen,
met inachtneming van den regel, bij artikel 3 van dit Wetboek
vastgesteld.
884.  Bij de Wet v. d. 7 April 1869, (Sb. No. 56) is dit art.
afgeschaft en voorts bepaald:
-ocr page 179-
172
II BOEK. VAN ZAKEN.
Indien eene nalatenschap, waartoe zoowel goederen in Ne-
derland als buiten \'s lands behooren, gedeeld wordt tusschen
vreemdelingen en Nederlanders, nemen de laatstgenoemden
eene waarde vooruit, evenredig naar de mate van hun erfdeel
met de waarde der goederen, van welker eigendomsverkrijging
zij door buitenlandsche wetten of gewoonten zijn uitgesloten.
De waarde wordt vooruit genomen op de goederen der na-
latenscliap ten aanzien waarvan de uitsluiting niet bestaat.
885.  Als onwaardig om erfgenamen te zijn, worden be-
schouwd en als zoodanig van de erfenis uitgesloten:
1°. Hij, die veroordeeld is, ter zake dat hij den overledene
heeft omgebrngt of getracht om te brengen;
2°. Hij, die bij regterlijke uitspraak overtuigd is tegen den
erflater lasterlijk te hebben ingebragt eene beschuldiging
van een misdrijf waartegen eene vrijheidsstraf met
een maximum van ten minste vier jaren is bedreigd;
3°. Hij, die den overledene door geweld of feitelijkheid belet
heeft zijnen uitersten wil te maken of te herroepen;
4°. Hij, die den uitersten wil van den overledene heeft ver-
duisterd, vernietigd of vervalscht.
886.   De erfgenaam, die uit hoofde van onwaardigheid van
de erfenis is uitgesloten, is gehouden tot de teruggave van
alle vruchten en inkomsten, waarvan hij sedert het openvallen
der erfenis genot heeft gehad.
887.   Kinderen van eenen onwaardig verklaarden persoon,
uit eigen hoofde tot de erfenis komende, zijn niet uitgesloten
door de schuld van hunne ouders: doch deze zijn in geen geval
bevoegd om van de goederen dier nalatenschap het vruchtgenot
te vorderen, hetwelk de wet aan ouders op de goederen van
hunne kinderen toekent.
888.   Plaatsvervulling geeft aan den vertegenwoordigenden
persoon het regt om te treden in de plaats, in den graad en
in de regten van dengenen die vertegenwoordigd wordt.
889.  Plaatsvervulling heeft in de regte nedergaande wettige
linie in het oneindige plaats.
Dezelve wordt in alle gevallen toegelaten, het zij de kinderen
van den overledene te zamen tot de erfenis komen met de
nakomelingen van een vooroverleden kind, het zij, alle de
kinderen van den overledene vóór hem gestorven zijnde, de
nakomelingen dier vooroverledene kinderen zich onderling in
gelijke of ongelijke graden bestaan.
890.  Er bestaat geene plaatsvervulling ten opzigte van
naastbestaanden in de opgaande linie. De naaste in ieder der
beide liniën sluit ten allen tijde dengenen uit, die in eenen
verderen graad is.
891.   In de zijdlinie wordt de plaatsvervulling toegelaten ten
-ocr page 180-
XI TITEL. VAN ERF0PV0LG. BIJ VERSTERF.                  173
voordeele van kinderen en nakomelingen van des overledenens
broeders en zusters, het zij die gezamenlijk met hunne ooms
of moeijen tot de nalatenschap komen, het zij dat, na het
vooroverlijden der broeders en zusters van den overledene, de
erfenis overga tot derzelver nakomelingen, aan elkander in
gelijke of in ongelijke graden bestaande.
8P2. Plaatsvervulling wordt ook toegelaten in iedere erfop-
volging van zijdmagen, wanneer, nevens dengenen die den
erflater het naast in den bloede bestaat, er nog kinderen of
afkomelingen aanwezig zijn van vooroverleden broeders of
zusters van eerstgemelden; in welk geval, deze bij plaatsver-
vulling met hunne ooms of moeijen, oudooms of oudmoeijen,
tot de erfenis geregtigd zijn.
893.  In alle de gevallen, waarin plaatsvervulling wordt
toegelaten, heeft de verdeeling bij staken plaats; indien dezelfde
staak verscheidene takken heeft voortgebragt, geschiedt de
onderverdeeling in iederen tak wederom bij staken, en onder
de personen in denzelfden tak geschiedt de verdeeling bij
hoofden.
894.  Niemand kan voor eenen levenden persoon bij plaats-
vervulling optreden.
895.  Ken kind ontleent niet van zijne ouders het regt om
hen te vertegenwoordigen, en men kan zelfs dengenen ver-
tegenwoordigen wiens boedel men niet heeft willen aanvaarden.
896.  De wet slaat geen acht, noch op den aard, noch op
den oorsprong der goederen, om de erfopvolging in dezelve te
regelen,
897.  Alle erfenissen welke, hetzij geheellijk, het zij voor een
gedeelte, aan bloedverwanten in de opgaande of zijdlinie te
beurt vallen, worden in twee gelijke deelen gekloofd, waarvan
het eene aan de nabestaanden in de vaderlijke, en het andere
aan die in de moederlijke linie, te beurt valt, behoudens de
bepalingen in artikel 901, 902 en 906, voorkomende.
De erfenis kan nimmer uit de eene linie tot de andere
overgaan, dan wanneer er in ééne der beide liniën, noch bloed-
verwant in de opgaande linie, noch zijdmaag gevonden wordt.
898.  Deze eerste verdeel ing tusschen de vaderlijke en de
moederlijke liniën daargesteld zijnde, heeft er geene verdere
kloving tusschen de onderscheidene takken plaats; maar de
helft, aan iedere linie te beurt gevallen, behoort aan den erf-
genaam, of de erfgenamen, welke den overledene het naast in
graad bestaan, behoudens het geval van plaatsvervulling.
-ocr page 181-
174
II BOEK. VAN ZAKEN.
TWEEDE AFDEELINO.
Van de erfopvolging in de wettige nederdalende, opgaande
en zijd Huif.
899.   De kinderen of hunne afstammelingen erven Tan hunne
ouders, grootouders, of\' verdere bloedverwanten in de opgaande
linie, /.onder onderscheid van kunne of eerstgeboorte, en zelfs
wanneer zij uit verschillende huwelijken verwekt zijn.
Zij erven voor gelijke deelen bij hoofden, wanneer zij allen
in den eersten graad zijn en uit eigen hoofde geroepen wor-
den; zij erven bij staken, wanneer zij allen, of een gedeelte
hunner, bij plaatsvervulling opkomen.
900.   Indien de overledene noch nakomelingen, noch broeders
of zusters achtergelaten heeft, wordt de nalatenschap in twee
gelijke deelen tusschen de bloedverwanten in de vaderlijke, en
die in de moederlijke opgaande linie verdeeld, behoudens de
bepaling van artikel 906.
De naaste in graad in de opgaande linie bekomt de helft
aan zijne linie behoorende, met uitsluiting van alle anderen.
Bloedverwanten in de opgaande linie, van denzelfden graad,
erven bij hoofde.
901.  Wanneer de vader en de moeder van eenen persoon,
welke zonder nakomelingen overleden is, hem overleven, be-
konit ieder hunner een derde gedeelte der nalatenschap, indien
de verstorvene slechts éénen broeder, of ééne zuster heeft ach-
tergelaten, welke het overige derde gedeelte bekomt.
De vader en de moeder erven ieder voor een vierde, gedeelte,
indien de overledene meerdere broeders of zusters heeft aeh-
tergelaten, en in dat geval, vallen aan deze laatstgemelde de
twee overige vierde gedeelten te beurt.
902.  Wanneer de vader of de moeder van iemand, zonder
nakomelingen overleden, vóór hem gestorven is, zal de langst-
levende de helft der nalatenschap bekomen, indien de over-
ledene slechts éénen broeder of ééne zuster achterlaat; één
derde, indien hij er twee achtergelaten heeft; en één vierde
gedeelte, indien er meerdere broeders of zusters achtergeble-
ven zijn. De overige deelen vallen aan de broeders en zusters
te beurt.
903.  Indien vader en moeder van eenen persoon, welke
zonder nakomelingschap gestorven is, vooroverleden zijn, wor-
den de broeders en zusters tot de geheele erfenis geroepen,
met uitsluiting der bloedverwanten in de opgaande linie, en
der overige zijdmagen.
904.   De verdeeling van al hetgeen, volgens de bepalingen,
der hier bovenstaande artikelen, aan de broeders en de zusters
-ocr page 182-
XI TITEL. VAN ERFOPVOLG. UU VERSTERF.                     175
tookumt. rre.sclii<-ilt onder lien in gelijke ileelen, indien zij allen,
van hetzelfde bed zijn; doch indien zij uit verschillende huwe-
lijken zijn voortgesproten, wordt hetgeen zij erven in twee
gelijke deelen tusschen de vaderlijke en de moederlijke linien des
overledenen verdeeld; de volle broeders en zusters bekomen
hun deel in beide de liniën, en die van halven bedde slechts
in de linie tot welke zij behooren. Indien er niet dan halve broe-
ders of zusters, van éénen kant slechts, zijn achtergebleven,
bekomen zij de geheele nalatenschap, met uitsluiting van alle
andere bloedverwanten in de andere linie.
905.   Bij gebreke van broeders en zusters, en tevens van
nabestaanden in eene der beide opgaande liniën, komt de na-
latenschap voor de eene helft aan de in leven zijnde bloed-
verwanten in de opgaande linie, en voor de wederhelft aan
de zijdmagen in de andere linie, met uitzondering van het
geval bij het volgende artikel vermeld.
Bij gebreke van broeders en zustors en van nabestaanden in
de beide opgaande liniën, worden in iedere zijdlinie de naaste
bloedverwanten, ieder voor de helft, tot de erfenis geroepen.
Indien er in dezelfde zijdlinie bloedverwanten van denzelfden
graad gevonden worden, deelen zij onder elkander bij hoofden,
behoudens de bepaling van arikel 892.
906.   De langstlevende vader of moeder erft alleen de go-
lieele nalatenschap van zijn kind, hetwelk zonder af komeliigen
en zonder broeders of zusters na te laten, overleden is.
997.  Onder de benaming van broeders en zusters, in deze
afdeeling voorkomende, worden steeds de wettige afstammc-
lingen van ieder hunner begrepen.
998.  Bloedverwanten welke den overledene verder dan in
den twaalfden graad bestaan erven niet.
Indien in de eene linie geene bloedverwanten van den graad,
waarin men erven kan, gevonden worden, bekomen do bloed-
verwanten in de andere linie de geheele erfenis.
DERDE AFDEELING.
Van erfopvolging wanneer er natuurlijke kinderen
aanwezig zijn.
909.  Indien de overledene wettelijk erkende natuurlijke
kinderen heeft achtergelaten, wordt de nalatenschap gebeurd
op de wijze als bij de drie volgende artikelen bepaald is.
910.    Indien \' de overledene wettige afstammelingen heeft
achtergelaten, erven de natuurlijke kinderen een derde van
het aandeel, hetwelk zij zouden gehad hebben, indien zij wettig
waven geweest; zij erven de helft der nalatenschap, indien de
-ocr page 183-
176
II BOEK. VAN ZAKEN.
overledene geene afstammelingen, maar wel bloedverwanten in
de opgaande linie, of broeders en zusters of derzelver afstam*
melingen heeft achtergelaten; en drie vierden, indien er slechts
nabestaanden in eenen verderen graad zijn overgebleven.
Indien de wettige erfgenamen den overledene in ongelijke
graden bestaan, bepaalt de naaste in de eene linie, zelfs ten
aanzien dergenen welke zich in de andere linie bevinden, de
hoegrootheid van het aandeel, hetwelk aan het natuurlijk kind
verschuldigd is.
911.  In alle de gevallen, bij het vorige artikel voorzien,
wordt het overschot der nalatenschap, op de wijze als bij de
tweede afdeeling van dezen titel bepaald is, onder de wettelijke
erfgenamen verdeeld.
912.  Indien de overledene geenen bloedverwant in den graad,
waarin men erven mag, achtergelaten heeft, bekomen de na-
tuurlijkc kinderen de geheele nalatenschap.
913.   In geval een natuurlijk kind vooroverleden is, zijn
deszelfs wettige kinderen en afstammelingen bevoegd de bij
artikel 910 en 912 aan hen toegekende voordeden te vorderen.
914.   De hier-bovenstaande bepalingen zijn niet op in overspel
of in bloedschande verwekte kinderen toepasselijk.
De wet verleent hun alleenlijk het noodige levensonderhoud.
915.   Dat onderhoud wordt geregeld overeenkomstig do
gegoedheid des vaders of der moeder, en naar het getal en de
hoedanigheid der wettelijke erfgenamen.
916.  Indien de vader of de moeder, bij hun leven, aan een
in overspel of bloedschande verwekt kind het noodige levens-
onderhoud heeft verzekerd, kan dat kind geene verdere aan-
spraak hoegenaamd op de nalatenschap van deszelfs vader of
moeder maken.
917.   De nalatenschap van een natuurlijk kind, zonder nako-
melingschap overleden, vervalt aan den vader of aan de moeder,
die hetzelve erkend heeft, of aan ieder hunner voor de helft,
indien het door beide is erkend geweest.
918.   In geval van vooroverlijden der ouders van een natuur-
lijk kind, hetwelk geene nakomelingschap heeft nagelaten,
keercn de goederen, welke hetzelve uit de nalatenschap der
ouder.s verkregen heeft, indien die goederen nog in natura
in den boedel aanwezig zijn, tot de wettige afstammelingen
van zijnen vader ot zijne moeder terug; hetzelfde geldt ten
aanzien van actiën tot terugvordering, indien er zoodanige
bestaan, en van den koopprijs der goederen, zoo dezelve ver-
vreemd zijn, en die koopprijs nog verschuldigd is.
Alle de overige goederen gaan over tot de natuurlijke broeders
of zusters, of tot hunne wettige nakomelingen.
919.   De wet kent aan een natuurlijk kind geen regt hoe-
-ocr page 184-
XII TITEL. VAN UITERSTE WILLEN.                         177
genaamd toe op de goederen der bloedverwanten van zijne
ouders, behalve in het geval bij het volgende artikel vermeld.
920. Indien een dier bloedverwanten kwam te overljjden,
zonder nabestaanden in den erfelijken graad, noch langstlevenden
echtgenoot achter te laten, is het natuurlijk erkend kind
geregtigd om de nalatenschap te vorderen, met uitsluiting van
den staat.
En indien het natuurlijk kind sterft, zonder afstammelingen,
noch ouders, noch natuurlijke broeders of zusters of nakome-
lingen van deze, noch langstlevenden echtgenoot achter te la-
ten, behoort deszelfs nalatenschap insgelijks, en met uitsluiting
van den staat, aan de naaste bloedverwanten van zijnen vader
of van zijne moeder, welke hem erkend heeft; en indien hij
door beide erkend is, behoort de eene helft zijner nalatenschap
aan de naaste bloedverwanten van vaders kant, en de wederhelft
aan die van moeders zijde.
De verdeeling in beide liniën geschiedt volgens de regelen,
omtrent gewone erfopvolging voorgeschreven.
TWAALFDE TITEL.
VAN UITERSTE WILLEN.
EERSTE AFDEELINO.
Algem een e bepa tingen.
921.   De goederen welke iemand bij zijn overlijden nalaat,
behooren aan zijne wettelijke erfgenamen, voor zoo verre hjj
daarover niet bij uitersten wil wettiglijk mogt hebben be-
schikt.
922.  Een testament of uiterste wil is eene akte, houdende
de verklaring van hetgeen iemand wil dat na zijnen dood zal
geschieden, en welke akte door hem kan worden herroepen.
923.   Uiterste wilsbeschikkingen ten aanzien van goederen
zijn, of algemeen, of onder eenen algemeenen titel, of
onder eenen bij zonderen titel.
Elke dezer beschikkingen, het zij dezelve gedaan zij onder
de benaming van erfstelling, het zjj onder de benaming
van legaat, of onder elke andere benaming, zal kracht
hebben, volgens de regelen bij dezen titel voorgeschreven.
924.  Eene uiterste wilsbeschikking ten voordeele van de
naaste bloedverwanten, of het naaste bloed van
den erflater, zonder verdere aanduiding, wordt geacht te
zijn gemaakt ten voordeele van zijne door de wet geroepen
erfgenamen.
12
-ocr page 185-
178                                      II BOEK. VAN ZAKEN.
925.   De uiterste wilsbeschikking ten voordeele van de
armen, zonder andere aanduiding, wordt geacht gemaakt te
zijn ten behoeve van alle de noodlijdenden, zonder onderscheid
van godsdienst, welke in de plaats, alwaar de erfenis is
opengevallen, door armen-inrigtingen bedeeld worden.
926.  De erfstellingen over de hand, of\' fidei-commissaire
substitntiën zijn verboden.
Dienvolgens is, zelfs ten aanzien van den benoemden erf-
genaam of legataris, nietig en van onwaarde elke beschik-
king, waarbij dezelve belast wordt de erfenis of het legaat
te bewaren, en aan eenen derde, voor het geheel, of voor een
gedeelte, uit te keeren.
927.  Van de bij het vorige artikel verboden erfstellingen
over de hand zijn uitgezonderd die welke bij de zevende en
achtste afdeelingen van dezen titel zijn toegelaten.
928.   De bepaling waarbij een derde, of, bij diens voor-
overlijden, alle deszelfs wettige kinderen, reeds geboren of die
nog zullen worden geboren, zijn geroepen tot liet geheel of tot
een gedeelte van hetgeen de erfgenaam of legataris, bij zijn
overlijden, van de erfenis of van het legaat onvervreemd of
onverteerd zal overlaten, is geene verbodene erfstelling over
de hand.
Door zoodanige erfstelling of legaat mag de erflater zijne
erfgenamen, aan welke een wettelijk erfdeel toekomt, niet
benadeelen.
929.   De beschikking, waardoor een derde tot eene erfenis
of een legaat geroepen wordt, in het geval dat de geroepen
erfgenaam of legataris dezelve niet geniet, is van waarde.
930.   Hetzelfde heeft plaats omtrent een uiterste wilsbe-
schikking, waarbij het vruchtgebruik aan den eenen, en de
bloote eigendom aan den anderen gegeven wordt.
931.  De bepaling waarbij de nalatenschap of het legaat,
of wel een gedeelte van dezelve, onvervreemdbaar is ver-
klaard, wordt voor niet geschreven gehouden.
932.   Indien de bewoordingen eener uiterste wilsbeschikking
duidelijk zijn, mag men daarvan door uitlegging niet afwijken.
933.  Indien daarentegen de bewoordingen eener uiterste wils-
beschikking voor onderscheidene opvattingen vatbaar zijn,
moet men veeleer nagaan welke de bedoeling des erflaters
geweest zij, clan zich, tegen die bedoeling, aan den letterlijken
zin der woorden houden.
934.  In zoodanig geval, moeten ook de bewoordingen wor-
den opgevat in den zin die met den aard der beschikking en
derzelver onderwerp het meest overeenkomt, en bij voorkeur
in dier voege dat de beschikking eenige uitwerking of
gevolg hebbe.
-ocr page 186-
179
XII TITEL. VAK UITERSTE WILLEN.
935,   In allo uiterste wilsbeschikkingen worden de voorwaar
don, die onverstaanbaar of onmogelijk zijn, of die met do
wetten en goede zeden strijden, voor met geschreven gehouden.
936.   De voorwaarde wordt gehouden voor vervuld, wanneer
hij, die bij de niet-vervulling daarvan belang niogt hebben, de
vervulling heeft belet.
937 De vermelding van een valsche beweegreden wordt
voor. niet geschreven gehouden, ten zij uit den uitersten wil
blijken mogt dat de erflater de beschikking niet zoude heb-
ben gemaakt, indien hij van de valschheid der beweegreden
kennis had gedragen.
938.   De vermelding van eene, het zij ware, het zij valsche,
beweegreden, die echter niet <le wetten of de goede zeden
strijdt, maakt de erfstelling of het legaat nietig.
939.   Indien een ondeelbare last aan verscheidene erfgemv
nien of legatarissen is opgelegd geworden, en een of meerder
hunner van de erfenis of het legaat afzien, of wel onbekwaam
zijn om het gemaakte te beuren, zal hij die zich voor het
geheel van den last wil kwijten, het hem nagelaten gedeelte
kunnen vorderen, en zijn verhaal hebben op de nalatenschap,
voor hetgeen hij voor de andere inogt hebben betaald.
940.   Uiterste willen, gemaakt ten gevolge van dwang,
bedrog of arglist, zijn nietig.
941.   Indien door een en hetzelfde ongeval, of op denzelf
den dag, mogten omkomen de erflater en de erfgenaam of de
legataris, of degene, die bij eene geoorloofde ondererfstelling
in plaats van dezen laatsten zoude zijn opgetreden, zonder
dat men weten kunne, wie van de alzoo omgekomene het
eerst overleden zij, worden zij vermoed op hetzelfde oogenblik
gestorven te zijn, en er heeft geen overgang van regten ten
gevolge van den uitersten wil plaats.
TWEE.lE AEDEËLINCi.
Van de bekwaamheid om bij uitersten wil te beschikken of
daarvan voordeel te genieten.
942.   Tot het maken of herroepen van oenen uitersten wil
moet men zijne verstandelijke Vermogens bezitten.
943.   Alle personen kunnen bij uitersten wil beschikken,
en daaruit voordeel genieten, uitgezonderd de zoodanige die
daartoe, volgens de bepalingen van deze afdeeling, zijn onbe-
kwaam verklaard.
944.   Minderjarigen, die den vollen ouderdom van achttien
jaren niet hebben bereikt, mogen geen uitersten wil maken.
945.   De bekwaamheid van den erflater wordt beoordeeld
-ocr page 187-
180                                     II BOEK. VAN ZAKEN.
naar den staat waarin hij zich bevond op het oogenblik dat
de uiterste wil gemaakt is.
946.   Om uit krachte van eenen uitersten wil iets te kun-
nen genieten, moet men bestaan op het oogenblik van den
dood des erflaters, met inachtneming van den regel bij art. 3
van dit Wetboek vastgesteld.
Deze bepaling is niet toepasselijk op personen, die geroe-
pen zijn om uit stichtingen genot te trekken.
947.   Makingen bij uiterste wilsbeschikking ten behoeve
van openbare instellingen, godsdienstige gestichten, kerken of
armen-inrigtingen, hebben geen gevolg, dan voor zoo ver de
Koning aan de bewindvoerders dier gestichten de magt zal
hebben verleend om die aan te nemen.
948.   Een echtgenoot kan geen voordeel genieten door de
uiterste wilsbeschikkingen van zijnen mede echtgenoot, indien
het huwelijk zouder behoorlijke toestemming mogt zijn aange-
gaan, en de erflater gestorven is op een tijdstip, waarop de
wettigheid van dit huwelijk te dier oorzake nog in regten
kon worden betwist.
949.   De man of de vrouw, die, kinderen uit een vroeger
bed hebbende, een tweede of volgend huwelijk aangaat, zal
bij uitersten wil aan zijnen lateren echtgenoot niet meer mo-
gen geven dan het minste gedeelte hetwelk één der wettige
kinderen geniet, en zonder dat, in eenig geval, de beschik-
king hot vierde deel van zijne goederen mag te boven gaan.
950.   Echtgenooten kunnen, ten opzigte van de goederen
welke in gemeenschap zijn, niet verder beschikken dan over
het aandeel dat ieder hunner in de gemeenschap heeft. Indien
echter eenig goed uit de gemeenschap is gemaakt, kan de
legataris hetzelve niet in natura vorderen, indien dat goed
niet aan de erfgenamen van den erflater is aanbedeeld. In dat
geval, wordt de legataris schadeloos gesteld uit het aandeel
in de gemeenschap, aan de erfgenamen van den erflater aan-
gekomen, en, bij ongenoegzaamheid, uit de goederen aan die
erfgenamen persoonlijk toebehoorende.
951.   Een minderjarige, ofschoon den ouderdom van achttien
jaren bereikt hebbende, kan bjj uitersten wil ten voordeele
van zijnen voogd geene beschikking maken.
Meerderjarig geworden zijnde, kan hij zijnen gewezen voogd
niet bij uitersten wil bevoordeelen, dan na het afleggen en
sluiten der voogdijrekening.
Van de twee hierboven gemelde gevallen zijn uitgezonderd
bloedverwanten van den minderjarige in de opgaande linie,
die zijne voogden zijn, of geweest zijn.
952.   Minderjarigen kunnen niet bij uitersten wil beschikken
ten voordeele van hunne leermeesters, gouverneurs of gouver-
-ocr page 188-
181
XII TITEL. VAN UITEKSTE WILLEN.
nanten, welke met hen te zamen wonen, noch ten voordeele
van hunne onderwijzers of onderwijzeressen, bij welke de minder-
jarigen in de kost besteed zijn.
Hiervan zijn uitgezonderd de beschikkingen tot vergelding
van gedane diensten, bij wijze van legaat gemaakt, met inacht-
neming echter zoo wel van de gegoedheid van den maker, als
van de diensten die aan denzelven zijn bewezen.
953.   De geneesheeren, heelmeesters, apothekers en andere
personen de geneeskunde uitoefenende, welke iemand gedurende
de ziekte, waaraan hij overleden is, bediend hebben, alsmede
de bedienaars van den godsdienst, welke hem gedurende die
ziekte hebben bijgestaan, kunnen geen voordeel trekken uit de
uiterste wilsbeschikkingen, welke zoodanig persoon, gedurende
den loop dier ziekte, te hunnen behoeve mogt hebben ge-
maakt.
Hiervan zijn uitgezonderd:
1». De beschikkingen tot vergelding van gedane diensten,
bij wijze van legaat gemaakt, even als bij het vorige
artikel is vastgesteld;
2*. De beschikkingen ten voordeele van den echtgenoot
van den erflater;
o". De beschikkingen, zelfs algemeene, gemaakt ten voor-
deele van bloedverwanten tot den vierden graad inge-
sloten, indien de overledene geene erfgenamen in de
regte linie mogt hebben nagelaten; ten ware degene,
te wiens voordeele de beschikking gemaakt is, zelf onder
het getal dier erfgenamen mogt behooren.
954.   De notaris, die eenen uitersten wil bij openbare akte
heeft verleden, en de getuigen die daarbij zijn tegenwoordig
geweest, kunnen niets genieten van hetgeen aan hen bij dien
uitersten wil mogt zijn gemaakt.
955.   Indien ouders wettige en ook natuurlijke, doch wettiglijk
erkende, kinderen nalaten, zullen deze laatste uit de uiterste
wilsbeschikkingen hunner ouders niet meer mogen genieten,
dan hetgeen aan hen bij den elfden titel van dit Boek is
toegekend.
956.   Overspelers of overspeelsters en hunne medepligtigen
kunnen uit elkanders uitersten wil geen voordeel genieten,
mits van het overspel, voor het overlijden van den erflater,
door een regterlijk gewijsde gebleken zij.
957.   (Afgeschaft \'bij de Wet van den 7 April 1869, Slbl. n°. 56).
958.  Een uiterste wilsbeschikking, gemaakt ten voordeele
van iemand die onbekwaam is om te erven, is nietig, zelfs
wanneer de beschikking mogt zijn gemaakt op den naam van
cenen tusschenbeiden komenden persoon.
Voor tusschenbeiden komende personen worden gehouden,
-ocr page 189-
182
II HOEK. VAN ZAK F.N.
de vader en de moeder, do kinderen en afstammelingen, en de
echtgenoot van dengenen die onbekwaam is om te erven.
959. Hij, die veroordeeld is omdat hij den erflater heeft
omgebragt; hij, die den uitersten wil des erflaters heelt ver-
donkerd, vernietigd of vervalschtj of die den erflater door ge-
weld of dadelijkheden heeft belet zijnen uitersten wil te her-
roepen of te veranderen, zal, evenmin als zijn mede echtgenoot
en zijne kinderen, uit den uitersten wil eenig voordeel kunnen
genieten.
DERDE AFDBELING.
Vkh de leiftiime portie of het wettelijk erf/let I. en erin de inkoi-
ting der giften, welke die portie zonden verminderen.
"""" 960. De legitime portie of hot wettelijk erfdeel is een ge-
deelte der goederen, hetwelk aan de bij de wet geroepene erf-
genamen in de regte linie wordt toegekend, en waarover de
overledene, noch bij gifte onder de levenden, noch bij uitersten
wil, beeft mogen beschikken.
961.   In de nederdalende linie, indien de erflater slechts één
wettig kind nalaat, bestaat dat wettelijk erfdeel in de helft
van de goederen, welke het kind bij versterf zoude hebben
geërfd.
Indien er twee kinderen overblijven, is het wettelijk erfdeel
voor ieder kind twee derde gedeelten van hetgeen hetzelve bij
versterf zonde erven.
**•" In geval de overledene drie of\' meer kinderen nalaat, zal
het wettelijk erfdeel drie vierde gedeelte bedragen van hetgeen
elk kind bij versterf zoude gehad hebben.
Onder den naam van kin deron worden begrepen de afstam-
melingen, in welken graad zij ook zijn: echter worden deze
alleen gerekend in plaats van het kind. hetwelk zij in de na-
latenschap van den erflater vertegenwoordigen.
962.   In de opgaande linie bedraagt het wettelijk erfdeel
altijd de helft van hetgeen, volgens de wet, aan eiken bloed-
verwant in die linie bjj versterf toekomt.
963.   liet wettelijk erfdeel van een natuurlijk, doch wettig-
lijk erkend kind, bestaat uit de helft van dat gedeelte, het-
welk de wet aan hetzelve in de nalatenschap bij versterf
toekent.
964.   Bij gebreke van bloedverwanten in de opgaande en de
nederdalende linie, en van natuurlijke, wettiglijk erkende kin-
deren, mogen de giften, bij akte onder de levenden of bij uitor-
sten wil gedaan, het geheele beloop der goederen van de nala-
tonschap bevatten.
-ocr page 190-
XII TITEL. VAN UITERSTE WILLEN.                          183
965.  Wanneer de beschikking, bij akte onder de levenden
of\' bij uitersten wil gedaan, bestaat in een vruchtgebruik of in
eene lijfrente, waarvan het beloop het wettelijk erfdeel bena-
deelt, hebben de erfgenamen, aan welke dat erfdeel is toege-
kend, de keus of om deze beschikking uit te voeren, of wel
om aan de begiftigden of legatarissen den eigendom van het
beschikbaar gedeelte af te staan.
966.  Het aandeel, waarover men beschikken mag, kan, het
zij in het\'geheel of gedeeltelijk, bij akte onder de levenden of bij
uitersten wil, aan vreemden, of wel aan kinderen of andere
personen die tot eene erfenis geregtigd zijn, worden \\vegge-
schonken, behoudens de gevallen waarin deze laatste, naar aan-
leiding van den zestienden titel van dit boek, tot inbreng ge-
houden zijn.
967.  De giften of schenkingen, het zij onder de levenden,
het zij bij uitersten wil gemaakt, welke aan het wettelijk erf-
deel mogten te kort doen, zullen bij het openvallen der nala-
schap kunnen woiden verminderd, doch alleen op de vordering
van de legitimarissen en van derzelver erfgenamen of regt-
hebbenden.
Desniettegenstaande zullen de legitimarissen van die ver-
mindering niets kunnen genieten ten nadeele van de schuld-
eischers van den overledene.
968.    Om de hoegrootheid van het wettelijk erfdeel te be-
palen, maakt men eene opsomming van alle de goederen, die
op het Jijd_süp_van het overlijden van den gever of erflater
aanwezig waren;.men voegt daarbij het beloop der goederen,
•waarover bij giften onder de levenden beschikt is, berekend
naar den staat, waarin zij zich op het tijdstip der gift be-
vonden hebben, en hunne waarde op het oogenblik van het
overlijden van den gever; men berekent over alle die goederen,
na de schulden daarvan te hebben afgetrokken, hoeveel, naar
mate van de betrekking der legitimarissen, het erfdeel is hetwelk
zij kunnen vorderen, en men trekt daarvan af\'hetgeen deze, zelfs
met vrijstelling van inbreng, van den overledene hebben ontvangen.
969.   Alle vervreemding van eenig goed, het zij onder den
last eener lijfrente, het zij met voorbehoud van vruchtgebruik,
aan een der erfgenamen in de regte linie gedaan, wordt be-
schouwd als eene gift,
970.   Indien de gegevene zaak voor het overlijden van den
schenker, buiten schuld van den begiftigde, is verloren gegaan,
zal zij niet worden begrepen onder de massa der goederen
over welke het wettelijk erfdeel moet worden berekend.
De gegevene zaak zal onder de massa worden begrepen,
indien zij ter oorzaak van het onvermogen van den begiftigde
niet kan worden terug verkregen.
-ocr page 191-
184
II BOEK. VAN ZAKEN.
971.   De giften onder de levenden zullen nimmer mogen
worden verminderd, dan nadat alle de goederen, welke bij
uitersten wil zijn weggemaakt, zullen bevonden worden niet
genoegzaam te zijn om het wettelijk aandeel te verzekeren.
Wanneer alsdan eene vermindering van de giften onder de
levenden moet plaats hebben, zal men dezelve aanvangen met
de gift welke het laatst gedaan is, en alzoo verder van deze
tot de vroegere opklimmen.
972.  De teruggave van de onroerende goederen, welke naar
aanleiding van het voorgaande artikel moet plaats hebben,
geschiedt in natura, niettegenstaande alle tegenstrijdige
bepalingen.
indien echter de vermindering moet worden toegepast op
een erf, hetwelk niet gevoegelijk kan worden verdeeld, zal
de begiftigde, zelfs wanneer het een vreemde is, de bevoegd-
heid hebben om in gereed geld op te leggen hetgeen den
legitimaris toekomt.
973.  De vermindering der bij uitersten wil gedane makingen
zal geschieden zonder onderscheid te maken tusschen de erf-
stellingen en legaten, ten zij de erflater uitdrukkelijk mogt
hebben bevolen dat deze of gene erfstelling of legaat bij
voorkeur moest worden voldaan; in welk geval, zoodanige
erfstelling of legaat niet zal worden verminderd, dan in geval
de waarde van de andere makingen niet mogt toereikend zijn
om het wettelijk erfdeel op te leveren.
974.   De begiftigde zal de vruchten van hetgeen de gift
meer bedraagt dan het gedeelte waarover beschikt kan worden
terug geven, te rekenen van den dag dat de gever overleden
is, indien de eisch tot vermindering is gedaan binnen het
jaar, en anderszins van den dag dat die eisch gedaan zal zijn.
975.   De onroerende goederen, die uit krachte van vermin-
dering in den boedel moeten terug keeren, worden daardoor
vrij van de schulden of hypotheken, door den begiftigde
daarop gelegd.
976.   De regtsvordering tot vermindering of teruggave kan
door de erfgenamen vervolgd worden tegen derde bezitters
van de onroerende goederen, welke een gedeelte van het
gegevene uitmaken en door de begiftigden vervreemd zijn,
op dezelfde wijze en in dezelfde rangschikking als tegen de
gevers zelve.
Deze regtsvordering moet aangelegd worden volgens de
orde van de dagteekeningen dier vervreemdingen, te beginnen
met die gift welke het laatst gedaan is.
Desniettemin zal de regtsvordering tot vermindering of
teruggave tegen derde verkrijgers geen plaats hebben, dan
voor zoo verre de begiftigde geene andere goederen mogt
-ocr page 192-
185
XII TITEL. VAN UITERSTE WILLEN.
hebben overgehouden, welke in de gift begrepen waren, en
deze niet genoegzaam zijn om het wettelijk erfdeel in zijn
geheel te voldoen, of indien de waarde der vervreemde goederen
niet 011 zijne persoonlijke goederen mogt kunnen worden verhaald.
Die regtsvordering zal, in allen gevalle, verloren gaan door
het tijdsverloop van drie jaren, te rekenen van den dag waarop
de legitimaris de erfenis heeft aanvaard.
VIERDE AKDEELINO.
Van den rorm der uiterste uilten.
977.   Geen uiterste wil kan bij dezelfde akte door twee of
meer personen gemankt worden, het zij ten voordeele van
eenen derde, het zij onder den titel van eene wederkeerige
of onderlinge beschikking.
978.   Een uiterste wil kan alleen worden gemaakt, of bij
eene olographiesche of eigenhandig geschreven akte, of bij
eene geheime of geslotene beschikking.
979.  Een olographiesche uiterste wil moet met de hand des
erflaters geheel geschreven en geteekend zijn.
Dezelve moet door den erflater bij eenen notaris in bewaring
worden gesteld.
De notaris, bijgestaan door twee getuigen, zal daarvan on-
middellijk eene door hem met den erflater en de getuigen
geteekende akte van bewaargeving opmaken, het zij aan den
voet van den uitersten wil, indien dezelve open aan hem is
ter hand gesteld, het zij afzonderlijk, indien het stuk verzegeld
aan hem mogt zijn aangeboden; in welk laatste geval, de
erflater, in tegenwoordigheid van den notaris en de getuigen,
op den omslag moet aanteekenen én door zijne onderteekening
bekrachtigen, dat hetzelve zijnen uitersten wil bevat.
In geval de erflater door eenige verhindering, die na de
onderteekening van den uitersten wil of van den omslag is
opgekomen, den omslag of de akte van bewaargeving, of wel
beiden, niet kan teekenen, moet de notaris daarvan, even als
van de oorzaak des beletsels, melding maken.
980.  Zoodanige olographiesche uiterste wil, overeenkomstig
liet voorgaande artikel, door den notaris zijnde in bewaring
genomen, heeft dezelfde kracht als een bij openbare akte
gemaakte uiterste wil, en wordt gerekend gemaakt te zijn op
den dag der akte van bewaargeving, zonder aanzien der dag-
teekening welke zich in den uitersten wil zelven mogt bevinden.
De als olographiesche uiterste wil door den notaris in be-
waring genomen akte wordt, tot het bewijs van het tegendeel
vermoed met de hand^van den erflater geheel geschreven en
geteekend te zijn.
-ocr page 193-
186                                     ir BOEK. VAN ZAKEN.
(Het tweede lid is bijgevoegd door de Wet van 18 Juni
1892 St.bl. no. 140; Het tweede lid is ook van toepassing op
de in de beide voorgaande artikelen bedoelde testamenten,
die voor bet in werking treden dier Wet bij eenen notaris
zijn in bewaring gegeven.)
981.    De erflater kan ten allen tijde zijn olographiesch tes-
tament terugvorderen, mits bij, ter verantwoording van den
notaris, van de teruggave bjj eene authentieke akte doe blijken.
Ooor de teruggave wordt bet olographiesch testament als
herroepen beschouwd.
982.    Hij een enkel onderhandscb, door den erflater geheel
gesebreven, gedagteekend en onderteekend stuk, kunnen, zon-
der verdere formaliteiten, beschikkingen na doode worden
gemaakt, doch alleen en bij uitsluiting, ter aanstelling van
executeuren, ter bestelling van begrafenis, tot het maken van
legaten van kleederen, van lijfstoebehooren, van bepaalde
lijfssieraden en van bijzondere meubelen.
De herroeping van zoodanig stuk kan op dezelfde wijze
onder de hand geschieden.
983.   Indien zoodanig stuk, als waarvan in het vorige artikel
is gesproken, na het overlijden van den erflater gevonden
wordt, moet hetzelve worden aangeboden aan den regter van
bet kanton alwaar de erfenis is opengevallen; deze zal, indien
het stuk verzegeld is, hetzelve openen, en, in allen gevalle,
een proces-verbaal van de aanbieding, alsmede van den staat
waarin hetzelve zich bevindt, opmaken; hij zal eindelijk dat
stuk aan eenen notaris ter hand stellen, ten einde hetzelve
onder zijne minuten te bewaren.
984.    Ken olographiexche uiterste wil, welke gesloten aan
den notaris is ter band gesteld, zal, na den dood des erflaters,
aan den kantonregter worden aangeboden, welke zal handelen
zoo als bij artikel 989, ten aanzien van beslotene uiterste
willen is voorgeschreven.
985.   Een uiterste wil bij openbare akte moet ten overstaan
van eenen notaris, en in tegenwoordigheid van twee getuigen,
worden verleden.
986.    De notaris moet den wil des erflaters, zoo als die
zakelijk aan hem door den erflater is opgegeven, in duidelijke
bewoordingen schrijven of doen schrijven.
Indien de opgave buiten de tegenwoordigheid der getuigen
is gedaan, en het opstel door den notaris is gereed gemaakt,
inoeti de erflater, alvorens de voorlezing daarvan geschiede,
ijnen wil nader zakelijk, in tegenwoordigheid der getuigen,
opgeven.
Daarna zal, in tegenwoordigheid der getuigen, de uiterste
wil door den notaris worden voorgelezen, en na die voorlezing
-ocr page 194-
XII TITEL. VAN UITERSTE WILLEN.                         187
door hem aan den erflater worden afgevraagd of het voorge-
lezene zijnen uitersten wil bevat.
Indien de uiterste wil in tegenwoordigheid der getuigen is
opgegeven, en terstond is in geschrift gebragt, zal gelijke
voorlezing en afvraging in tegenwoordigheid der getuigen
geschieden.
De akte moet vervolgens door den erflater, den notaris en
de getuigen worden onderteekend.
Indien de erflater verklaart dat hij niet kan onderteekenen,
of indien hij daarin verhinderd wordt, moet ook die verklaring
en de oorzaak der verhindering in de akte worden vernield.
Van de nakoming van alle deze formaliteiten moet uitdruk"
keiijk worden melding gemaakt in de akte van uitersten wil.
987.  Wanneer de erflater een besloten of geheim testament
wil maken, zal hij verpligt zijn zijne beschikkingen te onder-
teekenen, het zij hij die zelf geschreven hebbe, het zij hij die
door eenen anderen hebbe laten schrijven; het papier hetwelk
zijne beschikkingen bevat, of het papier hetwelk tot een om-
slag dient, indien er een omslag gebruikt wordt, zal gesloten
en verzegeld worden.
De erflater zal hetzelve alzoo gesloten en verzegeld aan den
notaris, in tegenwoordigheid van vier getuigen, aanbieden,
of hij zal het in hunne tegenwoordigheid moeten doen sluiten
en verzegelen, en moeten verklaren dat in het gemelde papier
zijn uiterste wil begrepen is, en dat die uiterste wil, het zij
door hem zelven geschreven en door hem geteekend is of
door een ander geschreven en door hem geteekend is. De
notaris zal daarvan eene akte van superscriptie opmaken, die
op dat papier, of op het papier tot omslag dienende, zal
geschreven worden; deze akte zal zoo wel door den erflater,
als door den notaris, benevens de getuigen, onderteekend
worden, en in geval de erflater door eenige verhindering, die
na de onderteekening van den uitersten wil is opgekomen,
de akte van superscriptie niet kan onderteekenen, zal van
do oorzaak van het beletsel melding gemaakt worden.
Alle de in tegenwoordigheid van den notaris en de getuigen
in acht te nemen formaliteiten moeten worden vervuld, zonder
intusschen tot eenige andere akte over te gaan.
De besloten of geheime uiterste wil moet onder de minuten
van den notaris blijven berusten, die dat stuk ontvangen heeft.
988.    In geval de erflater niet kan spreken, maar wel
schrjjven, zal hij een besloten uitersten wil kunnen maken,
mits dezelve met zijne hand geheel geschreven, gedagteekend
en onderteekend worde, hij denzelven aan den notaris en de
getuigen aanbiede, en boven de akte van superscriptie in
hunne tegenwoordigheid schrijve en onderteekene dat het
-ocr page 195-
188                                      II BOEK. VAN ZAKEN.
papier hetwelk hij hun aanbiedt zijn uiterste wil ie; waarna
de notaris de akte van superscriptie zal schrijven en daarin
melding maken dat de erflater die verklaring, in tegenwoor-
digheid van den notaris en de getuigen, geschreven heeft;
en zal bovendien worden in acht genomen al hetgeen bij het
voorgaande artikel is bepaald.
De uiterste willen, in het voorgaande en in dit artikel
bedoeld, worden, tot het bewijs van het tegendeel, vermoed
door de erflaters onderteekend, laatstgemelde uiterste willen
daarenboven met zijne hand geheel geschreven en gedagtee-
kend te zijn.
(Het tweede lid is bijgevoegd door de Wet van 18 Juni
1892 Stbl. no 146.)
989.   Na den dood van den erflater, moet de besloten of
geheime uiterste wil worden aangeboden aan den regter van
het kanton alwaar de erfenis is opengevallen; deze regter zal
dien uitersten wil openen en proces-verbaal opmaken van de
aanbieding en de opening van den uitersten wil, alsmede van
den staat waarin zich dezelve bevindt, en dit stuk daarna aan
den notaris, die de aanbieding heeft gedaan, terug geven.
990.   De notaris, die onder zijne minuten eenen uitersten
wil, van welken aard ook, heeft, moet daarvan, na den dood
van den erflater, aan de belanghebbende personen kennis geven.
991.    De getuigen, die bij het maken van uiterste willen
tegenwoordig zijn, moeten zijn van het mannelijk geslacht,
meerderjarig, en ingezetenen van het koningrijk. Zij moeten
de taal verstaan, waarin de uiterste wil is opgesteld, of die
waarin de akte van superscriptie of van bewaargeving is
geschreven.
Tot getuigen van eenen uitersten wil, bij openbare akte
op te maken, kunnen niet genomen worden de erfgenamen
of de legatarissen, noch dorzclver bloedverwanten of aange-
huwden, tot in den vierden graad ingesloten, noch de zoons
of kleinzoons, of bloedverwanten in denzelfden graad, noch
de huisbedienden der notarissen voor welke de uiterste wil
verleden wordt.
992.   Ken Nederlander, die zich in een vreemd land bevindt,
zal geenen anderen uitersten wil kunnen maken, dan bij
authentieke akte en met inachtneming van de formaliteiten
welke in het land, alwaar de akte verleden wordt, gebrui-
kelijk zijn.
Hij is echter bevoegd om bij een onderhandsch stuk te be-
echikken, op den voet en de wijze als hier-boven bij artikel
982 is omschreven.
993.    In tijd van oorlog, kunnen de krijgslieden en andere
personen tot de legers behoorende, en zich in hot veld ofwel
-ocr page 196-
XII TITEL. VAN UITERSTE WILLEN.                          189
in eene belegerde plaats bevindende, hunnen uitersten wil
maken ten overstaan van eenen officier, welke ten minste don
graad van luitenant heeft, en in tegenwoordigheid van twen
getuigen.
994.  De uiterste wil van personen die zich, gedurende den
loop eener reis, op zee bevinden, kan verleden worden ten
overstaan van den kapitein of den stuurman van het vaartuig,
of, bij gebreke van dezelve, voor dengenen die hunne plaats
vervult, in tegenwoordigheid van twee getuigen.
995.   In plaatsen met welke alle gemeenschap, uit hoofde
van de pest of andere besmettelijke ziekte, verboden is, kun-
nen de uiterste willen gemaakt worden voor elk openbaar
ambtenaar, in tegenwoordigheid van twee getuigen.
996.   De uiterste willen, in de drie voorgaande artikelen
vermeld, zullen door de erflaters, alsmede door degenen voor
wie zij verleden zijn, en ten minste door een der getuigen,
onderteekend moeten worden.
Indien de erflater of een der getuigen verklaart dat hij niet
schrijven kan of belet wordt te teekenon, zal van die verkla-
ring, alsmede van de oorzaak van het beletsel, in do akte
uitdrukkelijk worden melding gemaakt.
997.  Deze uiterste willen zullen krachteloos zijn, indien de
erflater komt te sterven zes maanden nadat de oorzaak, waarom
dezelve in dien vorm zijn gemaakt, heeft opgehouden.
998.   In de gevallen bij artikel 993, 994 en 995 voorzien,
kunnen de daarbij vermelde personen beschikken bij een onder-
handsch stuk, mits hetzelve geheel door de hand des erflaters
zij geschreven, gedagteekend en onderteekend.
999.   Zoodanige uiterste wil zal krachteloos zijn, indien de
• erflater is overleden drie maanden nadat de oorzaak, in voor
zeide drie artikelen vermeld, heeft opgehouden, ten ware dat
stuk bij eenen notaris mogt zijn in bewaring gegeven, op de
wijze als bij artikel 979 is voorgeschreven.
1000.   De formaliteiten, waaraan de onderscheidene uiterste
willen, volgens de bepalingen van deze afdeeling, onderworpen
zijn, moeten worden in acht genomen, op straffe van nietigheid.
VIJFDE AFDEELINO.
Van <le erfstellingen.
1001.   Erfstelling is eene uiterste wilsbeschikking, waarbij
de erflater aan een of meer personen de goederen geeft, welke
hij bij zijn overlijden zal nalaten, het zij in het geheel, het
zij voor een gedeelte, zoo als de helft, een derde.
1002.   Hij het overlijden van den erflater, treden van regts-
-ocr page 197-
190                                            II BOEK. VAN ZAKEN.
wege in hot bezit van de nagelateno goederen, zoo wel de l>ij
uitersten wil benoemde erfgenamen, als degenen nan wie de
wet een gedeelte in de nalatenschap toekent.
Du artikelen 881 en 882 zijn op hen toepasselijk.
1003.    Indien er geschil ontstaat wie erfgenaam, en alzoo
tot het bezit bevoegd is, kan de regter bevelen dat de goedereu
onder geregtelyke bewsiring zullen worden gesteld.
ZESDE AFDFELIXG.
Van legaten.
1004.   Een legaat is eene bijzondere beschikking, waarbij
de erflater aan een of meer personen zekere bepaalde goederen
geeft, of wel alle zijne goederen van eene zekere soort: als,
bij voorbeeld, alle zijne roerende of onroerende goederen, of
het vruchtgebruik van alle of van een gedeelte zijner goederen.
1005.  Allé zuivere en onvoorwaardelijke legaten geven, van
den dag van het overlijden van den erflater af, aan den
legataris het regt om de gelegateerde zaak te vorderen, welk
regt op zijne erfgenamen of regtverkrjjgenden overgaat.
1006.    De legataris zal de afgifte van de gelegateerde zaak
aan de erfgenamen of legatarissen, die daarmede belast zijn,
moeten vragen.
Hij heeft het regt op de vruchten of interessen, van den
dag af van het overlijden van den erflater, indien de eiseh tot
afgifte binnen het jaar is gedaan, of indien die afgifte binnen
hetzelfde tijdvak vrijwillig heeft plaats gehad. Indiemdie eisch
later geschiedt, heeft hij slechts regt op de vruchten en de
interessen, te rekenen van den dag dat de eisch gedaan is.
1007.   De interessen of vruchten van de gelegateerde zaak
loopen ten voordeele van den legataris, van den dag van het
overlijden, welk ook het tijdstip zij waarop hij de afgifte heeft
geëischt:
1°. Wanneer de erflater zijne begeerte daaromtrent in den
uitersten wil verklaard heeft;
2°. Wanneer eene lijfrente of een jaar-, maand-of weekgeld,
onder den titel van levensonderhoud, is gelegateerd.
1008.   De belastingen welke, onder welke benaming ook, op
legaten ten behoeve van den staat gelegd zijn, komen ten laste
van den legataris, ten zij de erflater het tegendeel hebbe bevolen.
1009.    Indien de erflater aan onderscheidene legatarissen
de voldoening van eenen last heeft opgelegd, zijn zij daartoe
gehouden, elk in evenredigheid van de hoegrootheid van zijn
legaat, ten zij de erflater daaromtrent anders mogt hebben
beschikt.
-ocr page 198-
XII TITEL. VAN UITERSTE WILLEN.                         191
1010.    De gelegateerde zaak zal worden uitgekeerd met al
hetgeen daartoe behoort, en in den staat waarin zij zich op
den dag van het overlijden van den erflater bevindt.
1011.  Hetgeen echter de erflater, na het legateren van eenig
onroerend goed, tot vergrooting van hetzelve aangekocht of
verkregen heeft, is, al ware het ook daaraan grenzende, niet
in het legaat begrepen, ten zij deerflater anders hadde bevolen.
üe verbeteringen, verfraaijingen of nieuwe opbouwingen,
op den gelegateerden grond door den erflater gemaakt, of de
vergrooting van den omtrek van cenen ingesloten grond,
zullen zonder nieuwe beschikking gerekend worden een ge-
deelte van het legaat uit te maken.
1012.   Indien vóór of na het maken van den uitersten wil,
de gelegateerde zaak voor eene schuld van de nalatenschap,
of ook voor de schuld van eenen derde, bij hypotheek ver-
bonden of met een vruchlgebruik belast is, is degene die het
legaat moet uitkeeren niet gehouden, om het goed van dat
verband te ontheffen, ten ware hij bij eene uitdrukkelijke
beschikking van den erflater belast zij zulks te doen.
Indien echter de legataris de gehypothekeerde schuld mogt
hebben voldaan, zal hij deswege een verhaal hebben op de
erfgenamen, overeenkomstig artikel 1152.
1013.    Wanneer de erflater eenig bepaald goed van een
ander gelegateerd heeft, zal dit legaat nietig zijn, hetzij de
erflater al dan niet geweten hebbe dat dit goed hem niet
toebehoorde.
1014.   De bepaling van het vorige artikel belet echter niet
dat aan den erfgenaam of legataris, als voorwaarde, de ver-
pligting kan worden opgelegd om aan derden zekere uitkee-
ringen uit zijne eigene goederen te doen, of schulden kwijt
te schelden.
1015.   Legaten van onbepaalde zaken, doch van een zeker
geslacht, zijn bestaanbaar, het zij de erflater zoodanige zaken
hebbe nagelaten of niet.
1016.  Wanneer het legaat in eene onbepaalde zaak bestaat,
is de erfgenaam niet verpligt de beste soort te geven, maar
hij kan ook met het afgeven der slechtste niet volstaan.
1017.    Indien hlootelijk de vruchten of inkomsten zijn ge-
legateerd, zonder dat de erf later het woord vruchtgebruik
of gebruik heeft gebezigd, blijft het goed onder het beheer
van den erfgenaam, die verpligt is de vruchten en inkomsten
aan den legataris uit te keeren.
1018.    Ken legaat, aan eenen schuldeischer gemaakt, wordt
niet gerekend tot afdoening der schuld te zijn nagelaten, zoo
min als een legaat, aan dienstboden gemaakt, kan geacht
worden tot betaling van verdiend loon gegeven te zijn.
-ocr page 199-
192                                     II BOEK. VAN ZAKEN.
1019.   Wanneer de nalatenschap niet voor het geheel of
een gedeelte is aanvaard, of wanneer dezelve is aanvaard
onder het voorregt van boedelbeschrijving, en de nagelatene
goederen niet voldoende zijn om de legaten in hun geheel te
voldoen, zullen alle de legaten, in evenredigheid van hunne
hoegrootheid, worden verminderd, ten ware de erflater daar-
omtrent anders mogt hebben beschikt.
ZEVfcNDE AFDEELING.
Van de geoorloofde erfstellingen over de hand, ten behoeve van
kleinkinderen en afstammelingen van broeder* en zusters.
1020.   De goederen waarover ouders hot regt van beschik"
king hebben, kunnen door hen, bij uitersten wil, geheel of
gedeeltelijk, worden gegeven aan een of meer hunner kinde-
ren, met last om die goederen uit te keeren, zoo wel aan
derzelver kinderen die reeds geboren zijn, als aan die welke
nog geboren zullen worden.
In geval van vooroverlijden van een kind, zal dezelfde be-
schikking kunnen worden gemaakt ten voordeele van een of
meer kleinkinderen, met last om de goederen aan hunne kin-
deren, welke reeds geboren zijn, en nog geboren zullen worden,
uit te keeren.
1021.  Insgelijks zal de uiterste wilsbeschikking bestaanbaar
zijn ten voordeele van een of meer broeders of zusters van
den erflater, voor het geheel of een gedeelte der goederen
die bij de wet niet buiten beschikking gehouden zijn, onder
den last om de goederen uit te keeren, zoo wel aan de kin-
deren van zijne voorzeide broeders en zusters, welke reeds
geboren zijn, als aan die welke nog geboren zullen worden.
Dezelfde beschikking kan worden gemaakt ten voordeele
van een of meer kinderen van vooroverleden broeders of zus-
ters, onder den laat om de goederen uit te keeren, zoo wel
aan derzelver kinderen die reeds geboren zijn, als aan die
welke nog geboren zullen worden.
1022.    Indien de bezwaarde erfgenaam sterft, met achter-
lating van kinderen in den eersten graad, en afkomolingen
van een vooroverleden kind, zullen deze laatste, bij plaatsver-
vulling, het aandeel van het vooroverleden kind genieten
Hetzelfde zal plaats hebben, indien, alle de kinderen in
den eersten graad vooroverleden zijnde, degene die met de
overgave belast is niet dan kleinkinderen nalaat.
1023.   De beschikkingen, bij art. 1020 en 1021 toegelaten,
zullen niet anders gelden dan voor zoo verre de erfstelling
over de hand slechts zal zijn gemaakt voor éénen graad, en
ten voordeele van alle de kinderen van den bezwaarden per-
-ocr page 200-
XII TITEL. VAN UITERSTE WILLEN.                         193
soon, die reeds geboren zijn en nog geboren zullen worden,
zonder uitzondering, of voorrang van ouderdom of\' kunne.
1024.  De regten van de bij erfstelling over de hand geroe-
pene erfgenamen nemen aanvang op het tijdstip dat het genot,
van den bezwaarde ophoudt.
De vrijwillige afstand van het genot, ten voordeele van de
verwachters gedaan, zal geen nadeel kunnen toebrengen aan
de schuldeischers van den bezwaarden persoon, wier schuld-
vorderingen ouder dan deze afstand zijn, noch aan de kinderen
die na. dien afstand mogten geboren worden.
1025.  Hij die de, volgens de voorgaande artikelen, geoorloofde
beschikkingen maakt, mag bij uitersten wil, of bij eene latere
notariële akte, het goed zelf, gedurende den tijd van het be-
zwaar, onder het beheer stellen van een of meer bewindvoerders.
In dat geval, zijn de bepalingen van artikel 836, van het
eerste en tweede lid van artikel 837 en van artikel 838 op
de bewindvoerders toepasselijk. Zij mogen loon voor hunne
moeite in rekening brengen, in de gevallen en op de wijze
als ten aanzien der uitvoerders van uiterste willen bij den
volgenden titel is bepaald.
1023. Bij overlijden, of bij gebreke van den gestelden be-
windvoerder. benoemt de regtbank. op verzoek van de be-
zwaarden of van andere belanghebbenden, of ook op vorde-
ring van het openbaar ministerie, eenen anderen in de plaats
van den ontbrekenden.
1027.   Binnen eene maand na het overlijden van dengenen
die, onder den last van uitkeering, over de goederen beschikt
heeft, zal, op verzoek van den gestelden bewindvoerder,
van den belanghebbende, of van het openbaar ministerie, eene
boedelbeschrijving worden gemaakt van alle de goederen die
de nalatenschap uitmaken.
Indien het gemaakte slechts in een legaat bestaat, zal er
eene bijzondere lijst worden gemaakt van alle de daaronder
begrepene voorwerpen.
Deze boedelbeschrijving of lijst zal de begrooting der roe-
rende goederen bevatten.
1028.  De .boedelbeschrijving of lijst zal gemaakt worden in
tegenwoordigheid van den benoemden bewindvoerder en andere
belanghebbenden, of deze behoorlijk zijnde opgeroepen.
Indien deze bij de boedelbeschrijving tegenwoordig zijn, kan
dezelve onder de hand geschieden ; in welk geval, dat stuk,
binnen den tijd van veertien dagen na het voleindigen van de
boedelbeschrijving, ter griffie van de arrondissements-regtbank
moet worden overgebragt.
De kosten, daarop vallende, komen ten laste der goederen,
in de beschikking over de hand begrepen.
13
-ocr page 201-
194                                     II BOEK. VAN ZAKEN.
1020. Indien de erflater geenen bewindvoerder heeft benoemd,
worden de goederen door den bezwaarden erfgenaam beheerd,
en is deze verpligt zekerheid te stellen voor de bewaring,
het behoorlijk gebruik en de wederoplevering der goederen,
ten wiire de erflater hem uitdrukkelijk van alle verpligting
tot het stellen van zekerheid hadde vrijgesteld.
1030.   De bezwaarde erfgenaam die, in het geval van het
vorige artikel, geene zekerheid kan stellen, moet gedoogen
dat de goederen, op verzoek van belanghebbenden, of op de
vordering van het openbaar ministerie, worden gesteld onder
het beheer van eenen bewindvoerder, door de regtbank te
benoemen, te wiens aanzien zullen gelden alle de regten en
verpligtingen, ten opzigte van voogden over minderjarigen
vastgesteld. Do slotbepaling van artikel 1025 hier-boven is
ook op «leze bewindvoerders toepasselijk.
1031.   De bezwaarde erfgenaam, die zelf het beheer heeft,
moet het bezwaarde goed als een goed huisvader gebruiken,
en staat daaromtrent, alsmede ten aanzien van het dragen
van kosten en lasten, en het doen van reparatiën, gelijk met
eenen vruchtgebruiker.
1032.   De onroerende goederen, alsmede de renten en schuld-
vorderingen, mogen niet worden vervreemd of\' bezwaard dan
op verlof van de arrondissement» regtbank, na verhoor van
den verwachter en van het openbaar ministerie.
Dat verlof kan alleen verleend worden, in geval van volstrekte
noodzakelijkheid, of van blijkbaar voordeel, zoo wol van den ver-
wachter als van de bezwaarde erfgenamen, en, in geval van ver-
vreemding,tegen zekerheid vn n wederbelegging onder hetjfideicom-
missair verband, indien de bezwaarde het goed zelf beheert.
Indien de goederen onder bewind zijn gesteld, zijn de be-
windvoerders verpligt de opbrengst te beleggen op den voet
als ten aanzien van voogden is voorgeschreven.
1033.   De erfstellingen over de hand, welke bij deze afdee-
ling zijn geoorloofd, kunnen zelfs door geene minderjarigen
aan derden worden tegengeworpen, indien zij niet zijn open-
baar gemaakt, te weten: wat de onroerende goederen betreft,
door overschrijving in de daartoe bestemde registers, en voor
zoo veel gehypothekeerde schuldvorderingen aangaat, door
eene inschrijving op de goederen welke voor die schuldvorde-
ringen verbonden zijn, of door ecno te doene vermelding ter
zijde der reeds bestaande inschrijvingen.
1034.   De wettelijke of bij uitersten wil geroepen erfgena-
men van dengenen die de erfstelling over de hand heeft
gemaakt, zullen, in geen geval, aan de verwachters het gebrek
van overschrijving, inschrijving of vermelding, bij het vorige
artikel bevolen, kunnen tegenwerpen.
-ocr page 202-
XII TITEL. VAN UITERSTE WILLEN.                          195
1035.  De bewindvoerders zijn verpligt voor de overschrijving,
inschrijving of vermelding bij artikel 1033 bevolen, te waken,
op straffe van vergoeding van kosten, schade en interessen.
Alle belanghebbenden hebben het regt te vorderen dat aan
de gezegde voorschriften worde voldaan.
ACHTSTE AFDEEMNQ.
Van de erfstellingen over de hand in hetgeen de erfgenaam
of legataris onvervreemd en onverteerd zal nalaten.
1036.  In geval van erfstelling, of van legaat, op den voet
als bij artikel 928 is vermeld, is de bezwaarde erfgenaam of
legataris bevoegd om het aan hem gemaakte te vervreemden
en te verteren, en zelfs bij schenking onder de levenden daar-
over te beschikken, ten zij dit laatste door den erflater, voor
het geheel of ten deele, mogt zijn verboden.
1037.   De verpligting tot het maken eener boedelbeschrijving
of lijst, na het overlijden van den erflater, en tot het over-
brengen van die stukken ter griffie van de arrondissements-
regtbank, bij artikel 1027 en 1028 voorgeschreven, is ook
toepasselijk op den bezwaarden erfgenaam of legataris, van
welken bij deze afdeeling wordt gehandeld, doch hij is niet
gehouden om eenige zekerheid te stellen.
1038.   Na het overlijden van den bezwaarden erfgenaam of
legataris, heeft de verwachter het regt om de dadelijke afgifte
te vorderen van hetgeen van de erfenis of van het legaat i n
natura mogt zijn overgebleven.
Ten aanzien van de gereedo penningen of van de opbrengst
der vervreemde voorwerpen, kan uit aanteekeningen van den
bezwaarden erfgenaam of legataris, uit huisselijke papieren, of
door alle andere bewijsmiddelen worden opgemaakt, of, en in
hoeverre, er iets van de erfenis of van het legaat is over-
gebleven.
NEGENDE AFDEELING.
Van het. herroepen van uiterste wilsbeschikkingen en het
vervallen van dezelve.
1039.   Een uiterste wil kan. noch in zijn geheel, noch ten
deele, herroepen worden dan bij eene latere uiterste wilsbe-
schikking, of bij eene bijzondere notariële akte, waarbij de
erflater de geheele of gedeeltelijke intrekking van zjjnen vroe-
geren uitersten wil te kennen geeft, onverminderd de bepaling
van artikel 981.
1040.    Indien een latere uiterste wil, welke de uitdrukke-
-ocr page 203-
196
II BOEK. VAN ZAKEN.
lijke herroeping van den vorigen bevat, niet is voorzien van
de formaliteiten welke tot de deugdelijkheid van eenen uiter-
sten wil worden vereischt, maar wel van die welke gevorderd
worden tot de deugdelijkheid van eene notariële akte, zullen
de vroegere beschikkingen, welke in de latere akte mogten
zijn herhaald, niet als herroepen worden beschouwd.
1041.   Eene latere uiterste wil, waarbij de voorgaande niet
op eene uitdrukkelijke wijze herroepen wordt, vernietigt alleen
de beschikkingen, in dien vroegeren uitersten wil vervat, welke
met de nieuwe beschikkingen niet zijn overeen te brengen, of
daarmede strijden.
De bepaling van dit artikel is niet toepasselijk, wanneer
de latere uiterste wil nietig is, uit hoofde van gebrek in den
vorm, al ware dezelve ook geldig als notariële akte.
1042.   De herroeping, het zij uitdrukkelijk, het zij stilzwij-
gende, bij eenen lateren uitersten wil gedaan, zal volkomen
van kracht zijn, ofschoon die nieuwe akte buiten gevolg blijve,
door de onbevoegdheid van den gestelden erfgenaam of legataris,
of door hunne weigering om de erfenis te aanvaarden.
1043.   Alle vervreemding, zelfs bij verkoop, met vermogen
van weder-inkoop, of bij verrniling, welke de erflater van het
gelegateerde goed, geheel of gedeeltelijk, doet, zal de her-
roeping van het legaat, ten aanzien van al wat vervreemd of
verruild is, met zich brengen; ten ware het vervreemde goed
in des erflaters boedel mogt zijn teruggekeerd.
1044.  Alle beschikking bij uitersten wil gedaan, onder eene
voorwaarde, van eene onzekere gebeurtenis afhangende, en
van zoodanigen aard dat de erflater gerekend moet worden
aan het al of niet voorvallen dier gebeurtenis de uitvoering
zijner beschikkiug verbonden te hebben, zal vervallen, indien
de gestelde erfgenaam of legataris vóór de vervulling der
voorwaarde komt te overlijden.
1045.  Wanneer do voorwaarde, volgens de bedoeling van
den erflater, alleen de uitvoering der beschikking opschort,
belet zulks niet dat de gestelde erfgenaam of legataris een
verkregen regt hebbe, hetwelk hij aan zijne erfgenamen over-
draagt.
1046.  Een legaat vervalt, wanneer het gelegateerde goed,
bij het leven van den erflater, geheel is te niet gegaan.
Hetzelfde heeft ook plaats, indien het goed, na zijnen dood,
zonder toedoen of schuld van den erfgenaam of van andere
personen, door welke het legaat verschuldigd is, te niet is
gegaan, ofschoon deze mogten hebben verzuimd dat goed op
zijn tijd uit te keeren, wanneer het, in handen van den lega-
taris geweest zijnde, eveneens zoude zijn te niet gegaan.
1047.  Een legaat van eene rente, inschuld of andere schuld-
-ocr page 204-
XII TITEL. VAN UITERSTE WILLEN.                           197
vordering op oenen derde, vervalt ten aanzien van hetgeen
gedurende bet leven van den erflater daarop mogt zijn betaald.
1048.  Eene beschikking, bij uitersten wil gedaan, vervalt,
wanneer de gestelde erfgenaam of\' legataris de erfenis of het
legaat verwerpt, of onbekwaam bevonden wordt om dezelve
te genieten.
Indien bij de beschikking voordeden aan derden waren ge-
maakt, zullen dezelve, in dat geval, niet vervallen, maar zal
degene aan wien de erfenis of het legaat opkomt daarmede
belast blijven, behoudens echter de bevoegdheid van dezen, om
van de erfenis of van het legaat gaaf\' en onvoorwaardelijk af-
stand te doen, ten behoeve van dengenen aan wien de voor-
deelen waren besproken.
1049.  Er zal aanwas plaats hebben ten voordeele van de
gestelde erfgenamen of legatarissen, in geval de erfstelling of
het legaat aan verscheidene personen gezamenlijk gemaakt is,
en de beschikking ten opzigte van eenigen der mede-erfgena-
men of mede-legatarissen geen gevolg kan hebben.
De erfstelling of het legaat zal geacht worden gezamenlijk
gemaakt te zijn, wanneer het gemaakt is bij eene en dezelfde
beschikking, en de erflater niet aan elk der mede-erfgenamen
of mede-legatarissen zijn bepaald aandeel in het goed heeft
aangewezen, zoo als de helft, een derde deel, <:nz.
De uitdrukking voor gelijke aandeelen o f\' g e d e e 1-
t e n wordt niet geacht eene aanwijzing te zijn van een zooda-
nig bepaald aandeel, als waarvan in dit artikel gesproken
wordt.
1050.  Voorts zal de erflater mede geacht worden gezamen-
lijk gelegateerd te hebben, wanneer eene zaak, die zonder
schade te lijden niet voor verdeeling vatbaar is, bij dezelfde
akte aan onderscheidene personen, al ware het ook afzonder-
lijk, is gemaakt geworden.
1051.  De vervallen-vcrklaring van uiterste wilsbeschikkingen
kan, na den dood des erflaters, worden gevraagd, ter zake van
het niet ten uitvoer brengen der voorwaarden.
In dit geval, zullen zij te wier behoeve de vervallen-verkla-
ring zal zijn gedaan, de goederen terug nemen, vrij van alle
lasten en hypotheken, welke de vervallen verklaarde erfgenaam
of legataris daarop mogt hebben gelegd.
Zij zullen zelfs tegen derde houders der onroerende goederen
dezelfde regten als tegen den benoemden erfgenaam of lega-
taris kunnen uitoefenen.
-ocr page 205-
198                                            II BOEK. VAN ZAKEN.
DERTIENDE TITEL.
VAN UIT VOERDERS VAN UITERSTE WILSBESCHIKKINGEN EN VAN
BEWIND VOERDERS.
1052.  Een erflater inag, het zij bij uitersten wil, het zij bij
zoodanige onderhandsche akte als bij artikel 982 vermeld is,
het zij bij eene bijzondere notariële akte, een of meer uitvoer-
ders van zijne uiterste wilsbeschikkingen aanstellen.
Hij kan ook verscheiden personen benoemen, ten einde bij
ontstentenis elkander als uitvoerders op te volgen.
1053.  Getrouwde vrouwen, minderjarigen, zelfs wanneer deze
handligting hebben bekomen, onder curatele gestelde personen,
en alle degenen die onbevoegd zijn om verbindtenissen aan te
gaan, mogen geene uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen
zijn.
1054.  Aan de uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen kan
door den erflater de bezitneming van alle de goederen der
nalatenschap, of van een bepaald gedeelte daarvan, worden
gegeven.
In het eerste geval strekt zich die bezitneming uit zoo wel
tot de onroerende als tot de roerende zaken.
Het bezit zal van regtswege niet langer duren dan één jaar,
te rekenen van den dag waarop de uitvoerders zich in het
bezit hebben kunnen stollen.
1055.   Indien alle de erfgenamen het daaromtrent eens zijn,
kunnen zij het bezit doen ophouden, mits zij de uitvoerders
der uiterste wilsbeschikking in staat stellen tot de betaling
of afgifte der zuivere en onvoorwaardelijke legaten, of doen
blijken dat die legaten reeds zijn voldaan.
1056.  De uitvoerders eener uiterste wilsbeschikking moeten
de nalatenschap doen verzegelen, indien er minderjarigen of
onder curatele gestelde erfgenamen zijn, welke op het overlij-
den van den erflater van geene voogden of curators zijn voor-
zien, of zoodanige erfgenamen welke noch in persoon, noch bij
gemagtigden, tegenwoordig zijn.
1057.  Zij moeten eene boedelbeschrijving doen opmaken van
de goederen der nalatenschap, in tegenwoordigheid, of na bij
behoorlijk exploit gedane oproeping der erfgenamen welke
zich binnen het koningrijk bevinden.
1058.  Zij dragen zorg dat des overledenens uiterste wil
worde ten uitvoer gelegd, en zij kunnen, in geval van geschil,
in regten optreden, om de geldigheid van den uitersten wil
staande te houden.
1059.  Indien de vereischte penningen niet voorhanden zijn
tot het uitkeeren der legaten, hebben de uitvoerders de be-
-ocr page 206-
XIII TITEL. VAN UITVOERDERS ENZ.                        199
voegdheid om do roerende goederen des boedels en, des noods
ook een of meer der vaste goederen, doch de laatstgemelde
niet anders dan met toestemming der erfgenamen, of, bij, ge-
breke daarvan, met verlof van de arrondissements-regtbank, in
het openbaar, en volgens de gebruiken der plaats, te doen
verkoopen; alles ten ware de erfgenamen mogten goedvinden
om het noodige voorschot van penningen te doen.
Die verkoop zal ook onder de hand kunnen geschieden, in-
dien allo de erfgenamen het daaromtrent zijn eens geworden,
behoudens de bepalingen ten opzigte van minderjarigen en
onder curatele gestelde personen.
1060.  De uitvoerders die het bezit van de nalatenschap
hebben zijn bevoegd om, zelfs in regten, de schulden in te
vorderen welke, gedurende dat bezit, vervallen en opeischbaar zijn.
1061.  Zij hebben geene bevoegdheid om de goederen dei\'
nalatenschap te verkoopen, ten einde dezelve in staat van
scheiding en deeling te brengen, maar zijn verpligt om, bij
het eindigen van hun beheer, aan de belanghebbenden rekening
en verantwoording te doen, met uitkeering van alle de goe-
deren en effecten des boedels, benevens het slot der rekening,
ten einde tusschen de erfgenamen gescheiden en gedeeld te
worden. In het maken der scheiding moeten zij de erfgenamen
behulpzaam zijn, indien deze zulks vorderen.
1062.  De magt van den uitvoerder eens uitersten wils gaat
niet tot zijne erfgenamen over.
1063.  Indien er verscheidene uitvoerders van eene uiterste
wilsbeschikking zijn, die dezen last aangenomen hebben, kan
één hunner, bij gebreke van de andere, alleen werkzaam zijn,
en zij zijn ieder voor het geheel ter zake van hun beheer aan-
sprakelijk, ten ware de erflater hunne werkzaamheden mogt
verdeeld hebben, en dat ieder hunner zich binnen den kring
der hem opgedragene bemoeienissen hebbe gehouden.
1064.  De onkosten, door den uitvoerder eener uiterste wils-
beschikking gemaakt, voor de verzegeling, de boedelbeschrij-
ving, de rekening en verantwoording, en de overige tot zijne
werkzaamheden betrekkelijke zaken, komen ten laste der nji-
latenschap.
1065.  Elke bepaling, waarbij de erflater bevolen heeft dat
de uitvoerder zijns uitersten wils van het opmaken eener boe-
delbeschrijving, of van het afleggen van rekening en verant-
woording, zal zijn ontheven, is van regtswege nietig,
1066.  Onverminderd het reeds bepaalde voor het geval van
vruchtgebruik, van erfstellingen over de hand, en van minder-
jarigen en onder curatele gestelden, mag de erflater bij uiter-
sten wil, of bij eene bijzondere notariële akte, een of meer
bewindvoerders aanstellen, ten einde de goederen, aan zjjno
-ocr page 207-
200                                            II BOEK. VAN ZAKEN.
erfgenamen of legatarissen nagelaten, gedurende dorzelver
leven, of\' gedurende eenen bepaalden tijd te beheeren, mits
hierdoor geene inbreuk worde gemaakt op de vrije uitkeering
van het wettelijk aandeel der erfgenamen.
De bepalingen van artikel 1063 zijn op dit geval toepasselijk.
1067.  Indien de erflater geene personen heeft aangewezen
welke in de plaats van de ontbrekende bewindvoerders zullen
optreden, wordt daarin door de arrondissements-regtbank, op
verhoor van het openbaar ministerie, voorzien.
1068.  Niemand is gehouden den last van uitvoerder eener
uiterste wilsbeschikking, of van bewindvoerder eener erfenis
of eens legaats, aan te nemen, doch hij die zoodanigen last
heeft aanvaard is verpligt denzelven te voleindigen.
Indien de erflater aan den uitvoerder voor de waarneming
zijner werkzaamheden geene bepaalde belooning heeft toege-
kond, of geen bijzonder legaat daarvoor aan denzelven gemaakt
heeft, is laatstgemelde voor zich, of, meer dan één uitvoerder
benoemd zijnde, zijn zij bevoegd voor hen te zamen het loon
in rekening te brengen, hetwelk bij artikel 522 aan bewind-
voerders van goederen van afwezigen is toegekend.
1069.  De uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen, mits-
gaders de bewindvoerders, bij artikel 1066 vermeld, kunnen
om dezelfde redenen als de voogden worden\'afgezet.
VEERTIENDE TITEL.
VAN HET REGT VAN BERAAD EN HET VOORREGT VAN
BOEDELBESCHRIJVING.
1070.  Alle personen, aan welke eene erfenis is opgekomen
en die verkiezen mogten om de gesteldheid der nalatenschap
te onderzoeken, ten einde te kunnen beoordeelen of het van
hun belang is dezelve, het zij zuiver, het zij\'onder het voor-
regt van boedelbeschrijving, te aanvaarden, of wel te vorwer-
pen, zullen het regt hebben om zich te beraden, en daarvan
eene verklaring moeten afleggen ter griffie van de regtbank
van het arrondissement, binnen hetwelk de erfenis is openge-
vallen; zullende die verklaring in het daartoe bestemde re-
gister worden ingeschreven.
1071.  Aan den erfgenaam wordt, te rekenen van den dag
der afgelegde verklaring, een tijdvak van vier maanden ver-
gund ten einde den boedel te doen beschrijven en zich te beraden.
Niettemin is de arrondissements-regtbank bevoegd om, wan-
neer de erfgenaam in rcgten vervolgd wordt, uit hoofde van
dringende redenen, den hior-bovon bepaalden termijn te ver-
lens\'\'n.
-ocr page 208-
XIV TITEL. VAN HET EEGT VAN BERAAD ENZ.                201
1072.  Gedurende den voorschreven termijn, kan do erfge-
naam, die zich beraadt, niet worden genoodzaakt de hoedanig-
heid van erfgenaam aan te nemen. Geene regterlyke veroor-
deeling kan tegen hem worden verkregen, en de uitvoering
van de vonnissen, die ten laste van den overledene zijn uit-
gesproken, blijft opgeschort.
Hij is verphgt, even als een goed huisvader, voor het behoud
der goederen van de nalatenschap zorg te dragen.
1073.  De erfgenaam die zich beraadt is bevoegd om aan
den regter verlof te vragen, ten einde al zoodanige voorwerpen
te verkoopen welke niet behoeven of niet kunnen worden be-
waard, mitsgaders om al zulke daden te verrigten die geen
uitstel dulden.
De wijze van verkoop zal bij het regterlijk verlof worden
bepaald.
1074.  De regter kan, op verzoek der belanghebbende par-
tijen, alzoodanige maatregelen voorschrijven welke hij mogt
noodig achten, zoo wel tot behoud van de goederen der nala-
tenschap, als van de belangen van derden.
1075.  Na verloop van den termijn bij artikel 1071 bepaald,
kan do erfgenaam worden genoodzaakt de nalatenschap te
verwerpen of dezelve te aanvaarden, het zij zuiver, het zij
onder het voorregt van boedelbeschrijving. In het laatste ge-
val, moet daarvan eene verklaring worden afgelegd, op de-
zelfde wijze als bij artikel 1070 is vastgesteld.
1076.  Zelfs na verloop van den termijn, behoudt de erfge-
naam het vermogen om den boedel te doen beschrijven, en
denzelven onder het voorregt van boedelbeschrijving te aan-
vaarden, ten zij hij zich als zuiver erfgenaam hebbe gedragen.
1077.  De erfgenaam verliest het voorregt van boedelbeschrij-
ving, en wordt als zuiver erfgenaam beschouwd:
1°. Indien hij willens en wetens, en te kwader trouw, eenige
goederen, tot de nalatenschap behoorende, niet op de
boedelbeschrijving heeft gebragt;
2°. Indien hij zich aan verduistering van goederen, tot de
erfenis behoorende, heeft schuldig gemaakt.
1078.  Het voorregt van boedelbeschrijving heeft ten gevolge:
1°. Dat de erfgenaam niet verder tot de betaling derschul-
den en lasten .der nalatenschap gehouden is, dan ten
beloope der waarde van de goederen welke dezelve be-
vat, en zelfs dat hij zich van die betaling kan ontslaan,
door alle de goederen, tot de nalatenschap behoorende,
aan de beschikking der schuldeischers en legatarissen
over te laten;
2°. Dat de eigen goederen van den erfgenaam niet met die
der nalatenschap worden vermengd, en dat hij het regt
-ocr page 209-
202
II BOEK. VAN ZAKEN.
behoudt om zijne eigen inschulden tegen de nalatenschap
te doen gelden.
1079.  De erfgenaam, die de nalatenschap onder het voorregt
van boedelbeschrijving heeft aanvaard, is verpligt de daartoe
behoorende goederen als een goed huisvader te besturen, en
de nalatenschap, zoo dra mogelijk, tot eftenheid te brengen; hij
is aan de schuldeischers en legatarissen verantwoording ver-
schuldigd.
1080.  Hij vermag de roerende en onroerende goederen der
nalatenschap op geene andere wijze te verkoopen dan in het
openbaar, en volgens de gebruiken der plaats, of door make-
laars, indien er koopmansgoederen in den boedel aanwezig zijn.
Hij is gehouden om, in geval van verkoop van onroerende
goederen welke met hypotheek belast zijn, de opgekomen hy-
pothekaire schuldeischers te voldoen door middel van eene
overwijzing op den kooper van het onroerend goed, ten be-
drage van hetgeen die schuldeischers te vorderen hebben.
1081.  Hij is verpligt, indien de schuldeischers of andere be-
langhebbenden zulks vorderen, voldoende zekerheid te stellen
voor de waarde der roerende goederen in de boedelbeschrijving
begrepen, en voor dat gedeelte van de waarde der onroerende
goederen, hetwelk niet aan de hypothekaire schuldeischers is
overgewezen.
Indien hij in gebreke blijft deze zekerheid te stellen, zullen
de roerende goederen worden te gelde gemaakt, en zoo wel
de opbrengst daarvan, als het niet overgewezen gedeelte dei-
onroerende goederen, in handen van eenen daartoe door den
regter te benoemen persoon worden gesteld, om daaruit de
schulden en lasten der nalatenschap te voldoen, voor zoo verre
het bedrag derzelve nalatenschap toereikende zal zijn.
1082.  Binnen den tijd van drie maanden, te rekenen van
het verloop des termijns bij artikel 1071 bepaald, zal de erf-
genaam verpligt zijn om, door middel van eene aankondiging
in een der officiële dagbladen, mitsgaders in een nieuwspapier
van de provincie, indien hetzelve bestaat, de onbekende schuld-
eischers op te roepen, ten einde zoo wel aan deze als aan
degene die bekend zijn, en aan de legatarissen, dadelijk reke-
ning en verantwoording van zijn beheer af te leggen, en hunne
schuldvorderingen en legaten te voldoen, voor zoo verre het
bedrag der nalatenschap toereikend zal zijn.
1083.  Na het aanzuiveren der rekening en verantwoording,
zal de erfgenaam aan de schuldeischers, welke op dat tijdstip
mogten bekend zijn, hunne vorderingen, het zij in het geheel,
het zij in evenredigheid van het beloop der nalatenschap, moe-
ten voldoen.
De schuldeischers, die na de uitdeeling opkomen, zullen,
-ocr page 210-
XV TITEL. V. H. AANVAARDEN EN VERWERPEN VAN ERFENISSEN. 203
naar mate dat zij zich aanmelden, alleen uit de onverkochte
goederen en het overschot worden betaald.
1084.  Indien er eenig verzet plaats heeft, kunnen de schuld*
eischers niet worden voldaan, dan ten gevolge eener rang-
schikking, door den regter te regelen.
1085.  De legatarissen kunnen de voldoening van hunne le-
gaten niet eischen, dan na verloop van den bij artikel 1082
bepaalden termijn, en na de uitbetaling, waarvan bij artikel
108:i gesproken wordt.
De schuldeischers, die na de voldoening der legaten opko-
men, hebben alleen hun verhaal tegen de legatarissen.
Dat verhaal verjaart door een verloop van drie jaren, na den
dag op welken de uitbetaling aan den legataris heeft plaats
gehad.
1086.  De erfgenaam, die de nalatenschap onder het voor-
regt van boedelbeschrijving heeft aanvaard, kan niet vroeger
in zijne eigene goederen worden aangesproken, dan nadat hij,
tot het afleggen zijner rekening zijnde aangemaand, mogt zijn
in gebreke gebleven aan die verpligting te voldoen.
Na het aanzuiveren der rekening, zijn zijne eigen goederen
alleen aansprakelijk voor de voldoening der geldsommen, welke,
van de nalatenschap afkomstig, in zijne handen zijn gekomen.
1087.  De kosten van verzegeling, van boedelbeschrijving,
van het opmaken der rekening, mitsgaders alle andere, die op
eene wettige wijze gemaakt zijn, komen ten laste der nalaten-
schap.
1088.  De bepalingen van artikel 1071, 1077 en volgende
zijn insgelijks toepasselijk op erfgenamen, die, zonder zich van
het regt van beraad bediend te hebben, eene erfenis onder het
voorregt van boedelbeschrijving aanvaard hebben, door de ver-
klaring af te leggen, bij het slot van artikel 1075 vermeld.
1089.  Eene bepaling, waarbij de erflater zoude hebben ver-
boden om van het regt van beraad en van het voorregt van
boedelbeschrijving gebruik te maken, is nietig en van onwaarde.
VIJFTIENDE TITEL.
VAN HET AANVAARDEN EN VERWERPEN VAN ERFENISSEN.
EERSTE AFDEELINO.
Van het aanvaarden van erfenissen.
1090. Eene erfenis kan of zuiver, of onder voorregt van
boedelbeschrijving, worden aanvaard.
-ocr page 211-
204
II BOEK. VAN ZAKEN.
1091.  Niemand is gehouden eene hem opgekomene erfenis
te aanvaarden.
1092.  Erfenissen, aan getrouwde vrouwen, minderjarige en
onder curatele gestelde personen opgekomen, kunnen niet wet-
tiglijk worden aanvaard, dan met inachtneming derwetsbepa-
lingen welke die personen betreffen.
Erfstellingen, bij artikel 947 vermeld, en door den Koning
goedgekeurd, kunnen alleen worden aangenomen onder het
voorregt van boedelbeschrijving.
1093.  Het aanvaarden eener erfenis heeft eene terugwerkende
kracht tot op den dag waarop dezelve is opengevallen.
1094.  De aanvaarding eener erfenis geschiedt u i t d r u k-
kelijk ofstilzwijgend; dezelve geschiedt uitdrukkelijk,
wanneer men in een authentiek of\' onderhandsch geschrift den
titel of de hoedanigheid van erfgenaam aanneemt; de aan-
vaarding geschiedt stilzwijgend, wanneer de erfgenaam eene
daad verrigt, welke zijne meening om de erfenis te aanvaarden
noodzakelijk aan den dag legt, en waartoe hij slechts in zijne
hoedanigheid als erfgenaam zoude zijn bevoegd geweest.
1095.  Al hetgeen tot de begrafenis betrekking heeft, de
daden dienende alleen tot bewaring, als ook die welke strek-
ken om op de nalatenschap toezigt te hebben, of dezelve bij
voorraad te beheeren, worden niet gerekend daden te zijn,
welke de stilzwijgende aanvaarding eener erfenis kenschetsen.
1096.  Indien erfgenamen verschillen omtrent het al of niet
aanvaarden eener erfenis, kan de een dezelve aanvaarden, en
de andere die verwerpen.
Indien de erfgenamen verschillen omtrent de wijze van aan-
vaarding eener erfenis, wordt dezelve onder voorregt van boe-
delbeschrijving aanvaard.
1097.  Wanneer iemand aan wien eene erfenis is opgekomen
overleden is, zonder die verworpen of aanvaard te hebben, zijn
deszelfs erfgenamen bevoegd de erfenis in zijne plaats te aan-
vaarden of te verwerpen, en de bepaling van het voorgaande
artikel is op hen toepasselijk.
1098.   Hij, die voor zijn erfdeel eene erfenis heeft aanvaard
vermag het aandeel niet te verwerpen, hetwelk hem doorregt
van aanwas is opgekomen, behalve in het geval bij artikel
1100 voorzien.
1099.    Een meerderjarige kan tegen eene door hem gedane
aanvaarding eener erfenis niet in zijn geheel worden hersteld,
dan alleen in het geval dat die aanvaarding mogt geschied
zijn ten gevolge van dwang of van een te zijnen opzigte
gepleegd bedrog.
Hij kan niet tegen zjjne aanvaarding opkomen, onder voor-
geven van daardoor benadeeld te zijn, dan alleen in geval de
-ocr page 212-
XV TITEL. V. H. AANVAARDEN EN VERWERPEN VAN ERFENISSEN. 205
erfenis meer dan de helft is verminderd, ten gevolge der
ontdekking van eene op het oogenblik der aanvaarding onbe-
kende uiterste wilsbeschikking.
1100.   Het aandeel eens erfgenaams, die tegen zijne aan-
vaarding is in zijn geheel hersteld, behoort niet door aanwas
aan zijne mede-erfgenamen, dan voor zoo verre zij hetzelve
aanvaarden.
1101.   Ue bevoegdheid •om eene erfenis te aanvaarden ver-
jaart door het verloop van dertig jaren, te rekenen van den
dag waarop dezelve is opengevallen, mits vóór of na het
verloop van dat tijdvak de nalatenschap aanvaard zij door
een van degenen die door de wet, of door eenen uitersten
wil, daartoe geroepen zijn; onverminderd echter de regten van
derden op de nalatenschap, door eenigen wettigen titel ver-
kregen.
1102.    De erfgenaam die do erfenis verworpen heeft, kan
dezelve nog aanvaarden, zoo lang zij nog niet door degenen
welke door de wet of door eenen uitersten wil geroepen wor-
den aanvaard is, behoudens de regten van derden, zoo als bij
het voorgaande artikel gezegd is.
TWEEDE AFDKELIXG.
Van het verwerpen van erfenissen.
1103.   Het verwerpen eener erfenis moet uitdrukkelijk ge-
schieden, en moet plaats hebben door middel eener verklaring,
afgelegd ter griffie van de arrondissements-regtbank, onder
welks ressort de erfenis opengevallen is.
1104.   De erfgenaam die de nalatenschap verwerpt wordt
geacht nooit erfgenaam geweest te zijn.
1105.   Het erfdeel van dengenen die de erfenis verworpen
heeft, wordt door regt van aanwas door zijne mede-erfgenamen
verkregen. Indien hij alleen erfgenaam is, vervalt hetzelve
aan de nabestaanden in den volgenden graad, of, indien er
geene bloedverwanten in den graad, waarin men erven kan,
aanwezig zijn. aan den overgebleven echtgenoot.
Indien deze allen.de nalatenschap verwerpen, kan de staat
dezelve vorderen.
1106.   Hij die eene erfenis verworpen heeft kan nimmer bij
plaatsvervulling vertegenwoordigd worden; indien hij de eenige
erfgenaam in zijnen graad is, of indien alle de erfgenamen
de erfenis verwerpen, komen de kinderen uit eigen hoofde en
erven bij gelijke deelen.
1107.  De schuldeischers van dengenen die ten nadeele hun-
-ocr page 213-
206
II BOEK. VAN ZAKEN.
ner regten eene erfenis heeft verworpen, kunnen zich door
den refter doen magtigen om de nalatenschap in naam van
hunnen schuldenaar, in zijne plaats en voor hem, te aanvaarden.
In dat geval, wordt de verwerping der erfenis niet verder
dan ten voordeele der schuldeischers, en ten beloope van
hunne schuldvorderingen, vernietigd; dezelve is geenszins nietig
ten voordeele van den erfgenaam die de erfenis heeft verworpen.
1108.   De bevoegdheid om eene erfenis te verwerpen kan
door geene verjaring verloren gaan.
1109.   Men kan, zelfs bij huwelijksche voorwaarden, geenen
afstand doen van de erfenis van iemand, die nog in leven is,
noch de regten vervreemden, welke men, bij vervolg van tijd,
op zoodanige erfenis mogt kunnen verkrijgen.
1110.   Erfgenamen welke goederen, tot eene nalatenschap
behoorende, hebben te zoek gemaakt, of verborgen gehouden,
verliezen de bevoegdheid om de erfenis te verwerpen; zij
blijven zuivere erfgenamen, niettegenstaande hunne verwerping,
zonder dat zij eenig deel in het te zoek gemaakte of verbor-
gene mogen vorderen.
1111.  Niemand kan tegen de verwerping eener nalatenschap
worden in zijn geheel hersteld, dan in geval die verwerping
heeft plaats gehad ten gevolge van bedrog of dwang.
ZESTIENDE TITEL.
VAN BOEDELSCHEIDING.
EEKSTE AFDEEI.INO.
Van boedelscheiding en hare gevolgen.
1112.  Niemand is genoodzaakt in oenen onverdeelden boedel
te blijven.
De boedelscheiding kan, niettegenstaande eenig daarmede
strijdig verbod, ten allen tijde worden gevorderd.
Er mag echter overeengekomen worden, om de boedelschei-
ding gedurende eenen bepaalden tijd niet te doen plaats grijpen.
Zoodanige overeenkomst is slechts voor vijfjaren verbindend,
maar kan telkens na afloop van den termijn vernieuwd worden.
1113.    De schuldeischers van den erflater, mitsgaders de
legatarissen, zijn bevoegd, om zich tegen de boedelscheiding
te verzetten.
De akte van boedelscheiding, verleden na zoodanig verzet,
en voor dat voldaan is hetgeen tijdens het verzet ten behoeve
-ocr page 214-
XVI TITEL. VAN BOEDELSCHEIDING.                         207
van den .schuldeisend\' of legataris verschenen en opvorderbaar
was, is nietig ten opzigte van zoodanigen schuldeischer of
legataris.
1114.   Tegen de regtsvordering tot de boedelscheiding kan
•de verjaring alleen worden ingeroepen door den erfgenaam
of den mede-erfgenaam, die afzonderlijk, gedurende den tijd tot
de verjaring gevorderd, het bezit heeft gehad van goederen,
tot den boedel behoorende, edoch niet verder dan ten aanzien
van die goederen.
1115.   Indien al de erfgenamen het vrije beheer over hunne
goederen hebben, en tegenwoordig zijn, kan de boedelschei-
ding plaats hebben op de wijze en door middel van zoodanige
akte als zij goedvinden.
1116.  Namens hen, die het vrije beheer over hunne goederen
niet bezitten, kan de boedelscheiding niet gevorderd worden,
dan met inachtneming der omtrent zoodanige personen bij de
wet vastgestelde voorschriften.
De man kan, zonder medewerking zijner vrouw, de boedel-
scheiding vorderen, of mede tot stand brengen, van al de
goederen, welke in de gemeenschap vallen.
Ten aanzien van goederen, welke aan de vrouw zijn opge-
komen en niet tot de gemeenschap behooren, gelijk mede,
indien er tusschen de echtgenooten scheiding van goederen
plaats heeft, is de vrouw bevoegd de boedelscheiding te vor-
deren of mede tot stand te brengen, mits zij daartoe door den
man bijgestaan of gemagtigd, of door den regter gemagtigd zij.
1117.   Indien een of meer der belanghebbenden weigeren
of nalatig blijven tot de boedelscheiding mede te werken,
nadat die bij regterlijk vonnis bevolen is geworden, benoemt
de arrondissements-regtbank, indien deze benoeming niet reeds
bij hot vonnis heeft plaats gehad, op het verzoekschrift dei-
meest gereede belanghebbenden, voor de weigerachtigen of
nalatigen, of, voor zoo verre zij tegenstrijdige belangen hebben,
voor ieder hunner, een onzijdigen persoon, ten einde als be-
windvoerder, op den voet van art. 519 tot 522, zoodanige
erfgenamen bij de boedelscheiding te vertegenwoordigen, en
hetgeen zij ontvangen te beheeren.
In dat geval, gelijk mede indien zich onder de erfgenamen
personen bevinden, welke het vrije beheer over hunne goederen
niet bezitten, kan de boedelscheiding niet plaats hebben, dan
met inachtneming der bepalingen, vervat in de volgende ar-
tikelen, en zulks op straffe van nietigheid, in geval van
overtreding van eenige der voorschriften, vervat in de artikelen
1118, lste lid en 1120.
1118.   Bij de boedelscheiding moeten de toeziende voogden
en toeziende curators tegenwoordig zjjn.
-ocr page 215-
208
II BOEK. VAN ZAKEN.
Indien de kantonregter van oordeel is, dat de voogd en
de toeziende voogd beiden, of de curator en de toeziende
curator beiden, of de bewindvoerder, een met de door hen
vertegenwoordigde erfgenamen tegenstrijdig belang hebben, wor-
den door hem ambtshalve een of meer deelvoogden benoemd, om
bij de scheiding te waken voor het belang van die erfgenamen.
1119.   Indien er nog geene boedelbeschrijving bestaat, zal
die, het zij vooraf bij eene afzonderlijke, het zij tegelijk met
de boedelscheiding, en bij eene en dezelfde akte, worden
opgemaakt, overeenkomstig de voorschriften van de wet.
Indien echter al de erfgenamen, tijdens het overlijden van
den erflater tegenwoordig zijnde, en het vrije beheer over
hunne goederen hebbende, geene boedelbeschrijving hebben
opgemaakt, en later voorgevallen veranderingen in den staat
des boedels de naleving der wetsbepalingen omtrent de boe-
delbeschrijving onmogelijk maken, vangt de boedelscheiding
aan met eene zoo nauwkeurig mogelijke opgave van den boedel,
zoodanig als die door den erflater is nagelaten, van de daarin
sedert voorgevallen veranderingen eu van deszelfs tegonwoor-
digen staat. De deugdelijkheid van die opgave wordt daarbij
beëedigd door dengenen of door diegenen, die in het bezit
der onverdeelde nalatenschap is of zijn gebleven.
1120.    De boedelscheiding wordt verleden bij akte, ten
overstaan van eenen door partijen verkozen, of. in geval van
verschil, door de arrondissements-regtbank, op het verzoek-
schrift van de meest gereede belanghebbenden, benoemden
notaris, in tegenwoordigheid en onder goedkeuring van den
kantonregter, die, tot bewijs daarvan, de akte mede onder-
teekent, zonder daarvan echter een proces-verbaal op te maken.
1121.   Indien de kantonregter zijne goedkeurig aan de ont-
worpen boedelscheiding weigert, en de gezamenlijke erfgena-
men en hunne vertegenwoordigers niogten vermeenen, dat die
weigering niet gegrond is, geeft de kantonregter de redenen
zijner weigering op, en worden dezelve opgenomen in een door
den notaris op te maken proces-verbaal.
De ontworpen boedelscheiding, door den kantonregter en
den notaris gewaarmerkt, wordt, met een afschrift van dit
proces-verbaal, door den notaris ter griffie gebragt.
Het proces-verbaal van den notaris en de ontworpen boe-
delscheiding zijn vrij van zegel en registratie.
De erfgenamen, of de meest gereede hunner, kunnen hunne
bezwaren, bij een met redenen bekleed verzoekschrift, inbren-
gen bij de arrondissements-regtbank. Deze doet daarop, des
noods na verhoor van den kantonregter en van partijen, en
in allen gevalle van het openbaar ministerie, uitspraak in
het hoogste ressort.
-ocr page 216-
209
XVI TITEL. VAN BOEDELSCHEIDING.
In geval van goedkeuring, wordt daarna de boedelscheiding,
ten overstaan van den notaris, in tegenwoordigheid van den
kantonregter verleden, overeenkomstig het ontwerp, hetwelk,
na door den president en griffier gewaarmerkt te zijn, wordt
terug gegeven aan den notaris en door dezen aan de minute
vastgehecht.
1122.   Indien de erfgenamen, of een of meer hunner, van
oordeel zijn, dat de onroerende goederen des boedels, of som-
mige daarvan, het zij in het belang van den boedel, tot betaling
van schulden als anderszins, het zij om eene behoorlijke ver-
deeling te kunnen daarstellen, verkocht behooren te worden,
kan de regtbank, na verhoor der andere belanghebbenden of
deze behoorlijk opgeroepen zijnde, den verkoop bevelen, over-
eenkomstig de voorschriften van de artikelen 690 tot 694 van
het Wetboek van Burgerlijk eRegtsvordering, des echter, dat,
indien de verkoop in het openbaar geschiedt, de tegenwoor-
digheid, immers de behoorlijke oproeping, van toeziende voog-
den en toeziende curators wordt gevorderd.
Indien een der • mede-erfgenamen een stuk onroerend goed
koopt, heeft zulks ten zijnen opzigte hetzelfde gevolg, als of
hij het bij scheiding verkregen had.
1123.  De waardering der op het tijdstip der boedelscheiding
in den boedel aanwezige goederen, geschiedt als volgt:
Schuldvorderingen en aandeelen in maatschappijen, welke
in prijscouranten, op openbaar gezag daargesteld en uitgegeven,
vermeld zijn, worden volgens die prijscouranten gewaardeerd.
Andere roerende goederen, tegen de waarden op welke zij
bij de boedelbeschrijving geschat zijn, ten ware een of meer
erfgenamen eene nadere schatting door eenen deskundige mogten
verlangen.
Onroerende goederen, tegen den prijs, door drie deskundigen
te bepalen.
1124.  De deskundigen worden benoemd door de belangheb-
benden, of, in geval van verschil, door den kantonregter, bin-
nen wiens kanton de erfenis is opengevallen, of, voor zoover
het de waardering van onroerende goederen betreft, door den
kantonregter, binnen wiens kanton die goederen gelegen zijn.
Makelaars doen de waardering op den eed, bij den aanvang
hunner bediening afgelegd.
Andere deskundigen worden vóór de waardering beëedigd
door den kantonregter, binnen wiens kanton de erfenis is
opengevallen, of, voor zoo verre het de waardering van onroe-
rende goederen betreft, door den kantonregter, binnen wiens
kanton die goederen gelegen zijn.
Indien partijen, ten aanzien van onroerende goederen, buiten
het koningrijk gelegen, omtrent de deskundigen niet kunnen
14
-ocr page 217-
210                                     II BOEK. VAN ZAKEN.
overeenkomen, bepaalt de kantonregter van het kanton, waar
de erfenis is opengevallen, hoe die deskundigen benoemd en
beëedigd worden en is ook zelf tot die benoeming en beëedi-
ging bevoegd.
1125.  Na de regeling van den inbreng en van hetgeen door
den boedel aan een of meer der erfgenamen, uit welken hoofde
ook, verschuldigd is, wordt het overschot van den boedel en
het aandeel van iederen erfgenaam of staak bepaald.
Vervolgens wordt, met onderling goedvinden der belang-
hebbenden, bij toescheiding aangewezen, welke goederen in
ieders aandeel vallen, en, zoo daartoe gronden zijn, welke
geldsom wegens een of meer aandeelen ter gelijkmaking moet
uitbetaald worden. Zoo de belanghebbenden zich wegens zoo-
danige toescheiding niet kunnen verstaan, worden er zoo vele
kavelingen gemaakt, als er erfgenamen ot staken zijn, en be-
paalt het lot de toedeeling der kavelingen.
De onderverdeeling van de aan eenen staak toebedeelde
goederen, geschiedt op gelijke wijze.
1126.  Na de loting zijn de erfgenamen bevoegd tot de ruiling
van de hun bij het lot toebedeelde kavelingen, mits zulks
geschiede vóór het sluiten der akte van scheiding, en daarin
worde opgenomen.
Deze ruiling heeft hetzelfde gevolg, als of de over en weder
geruilde goederen waren toegescheiden.
Eene dergelijke ruiling kan, op dezelfde wijze en met hetzelfde
gevolg, ook omtrent een gedeelte der toegescheiden goederen
plaats hebben tusschen erfgenamen, welke het vrije beheer
over hunne goederen bezitten.
1127.  De papieren en bewijzen van eigendom, tot de toebe-
deelde goederen behoorende, worden overgegeven aan hem aan
wien de goederen zijn toebedeeld.
Indien die stukken betrekking hebben op een aan meer dan
één erfgenaam toebedeeld goed, verblijven zij bij dengenen,
aan wien het voornaamste gedeelte van zoodanig goed is
toegescheiden, onder verpligting, om daarvan aan de mede-
erfgenamen inzage, en, zoo iemand hunner zulks begeert, af-
schriften of uittreksels ten diens koste te geven.
1128.   l>e algemeene boedelpapieren blijven in bewaring van
hem, dien de meerderheid der erfgenamen, of, in geval van
verschil, de kantonregter daartoe benoemd heeft, onder gelijke
verpligting, om inzage en uittreksels of afschriften te geven,
als bij het vorige artikel is bepaald.
1129.  leder erfgenaam wordt geacht onmiddelijk te zijn
opgevolgd in de hem toebedeelde, of in de door hem bij
aankoop, krachtens art. 1122, verkregen goederen.
Geen der erfgenamen wordt alzoo gerekend immer den
-ocr page 218-
XVI TITEL. VAN BOEDELSCHEIDING.                          211
eigendom van de andere goederen der nalatenschap gehad te
hebben.
1130.  De mede-erfgenamen zijn verpligt, ieder in evenredig*
hoid van zijn aandeel, elkander over en weder te vrijwaren
tegen alle stoornis en uitwinning, welke uit eene oorzaak,
vóór de verdeeling ontstaan, voortkomen, mitsgaders voor de
gegoedheid van schuldenaren van renten of andere schuld-
vorderingen.
De vrijwaring heeft geen plaats, wanneer die bepaaldelijk
bij een bijzonder en uitdrukkelijk beding in de akte van boedel-
scheiding is uitgesloten. Zij houdt op wanneer de mede-erfge-
naam door zijne schuld de uitwinning ondergaat.
De vrijwaring voor gegoedheid van schuldenaren van eene rente
of anders schuldvordering des boedels, is alleen dan verschuldigd,
wanneer de schuldvordering aan een der erfgenamen voor het
volle bedrag is toebedeeld, en indien door zoodanigen erfge-
naam wordt bewezen, dat de schuldenaar reeds tijdens het ver-
lijden der akte van boedelscheiding onvermogend was.
De vordering tot vrijwaring in het voorgaande lid bedoeld,
kan niet worden ingesteld na verloop van drie jaren sedert de
boedelscheiding.
1131.  Indien een of meer der erfgenamen zich buiten staat
bevinden om hun aandeel in de ter zake van eenige vrijwaring
aan hunnen mede-erfgenaam verschuldigde schadeloosstelling
te voldoen, wordt het door hem of hen verschuldigde aandeel,
naar evenredigheid van ieders erfdeel, omgeslagen over den
gewaarborgden en de mede-erfgenamen, die in staat zijn te
betalen.
TWEEDE AFDKKI.ING.
Van inbreng.
1132.  Onverminderd de verpligting van alle erfgenamen
tot voldoening aan, of verrekening met hunne mede-erfgenamen,
van alles wat zij aan de nalatenschap schuldig zijn, moeten
alle schenkingen onder de levenden, welke zij van den erflater
hebben genoten, worden ingebragt:
1°. Door de erfgenamen in de nederdalende linie, wettige
of natuurlijke, het zij dezelve de nalatenschap zuiver,
of onder het voorregt van boedelbeschrijving hebben
aanvaard; en het zij dezelve slechts tot het wettelijk
erfdeel of tot meerder zijn geroepen ; ten ware de giften
met uitdrukkelijke vrijstelling van inbreng zijn gedaan,
of de begiftigden bij eene authentieke akte, of bij
uitersten wil, van de verpligting tot inbreng zijn ont-
heven;
-ocr page 219-
212                                      II BOEK. VAN ZAKEN.
2°. Door alle andere erfgenamen, het zij bij versterf, het zij
bij uitersten wil, doch alleen in het geval dat de erflater
of schenker den inbreng uitdrukkelijk heeft bevolen of
bedongen.
1133.  De erfgenaam die de erfenis verwerpt is niet gehouden
in te brengen hetgeen aan hem geschonken is, dan ter aan-
vulling van zoodanig gedeelte als waardoor het wettelijk
erfdeel zijner mede erfgenamen mogt verkort zijn.
1134.  Indien de inbreng meer bedraagt dan het erfdeel,
behoeft dat meerdere niet te worden ingebragt, onverminderd
het bepaalde bij het vorige artikel.
1135.  De ouders behoeven de giften niet in te brengen die
aan hun kind door deszelfs grootouders gedaan zijn.
Op gelijke wijze behoeft een kind, dat uit eigen hoofde de
erfenis zijner grootouders beurt, niet in te brengen de door
deze aan zijne ouders gedane gift.
Daarentegen moet het kind, dat slechts bij plaatsvervulling
die erfenis beurt, de giften inbrengen, welke aan zijne ouders
gedaan zijn, zelfs indien het kind de nalatenschap zijner ouders
mogt hebben verworpen.
Het kind is echter, in geval van zoodanige verwerping, niet
jegens zijne mede-erfgenamen in de grootouderlijke nalaten-
schap aansprakelijk voor de schulden zijner ouders.
1136.  Giften, welke aan den eenen echtgenoot door een der
ouders van den anderen echtgenoot gedaan zijn, zijn zelfs
voor de helft niet aan inbreng onderworpen, al ware het
ook dat de geschonken voorwerpen in de gemeenschap vielen.
Indien de giften gezamenlijk aan de beide echtgenooten
door den vader of de moeder van een hunner gedaan zijn,
moet de inbreng voor de helft plaats hebben.
Wanneer de giften aan den echtgenoot door zijnen eigen
vader of zijne eigene moeder gedaan zijn, moet hij dezelve
voor het geheel inbrengen.
1137.  De inbreng geschiedt alleen in do nalatenschap des
schenkers; dezelve is slechts door den eenen erfgenaam ten
behoeve van den anderen verschuldigd.
Ten behoeve van legatarissen, cf van schuldeischers van
den boedel, heeft geen inbreng plaats.
1138.  Inbreng geschiedt, het zij door het genotene in
natura in den boedel terug te brengen, het zij door zoo veel
minder dan de andere deelgenooten te ontvangen.
1139.  De inbreng van onroerende goederen kan geschieden
ter keuze des inbrengers, het zij door dezelve in natura
terug te geven zooals zij zich op het oogenblik van den
inbreng bevonden, het zij door het inbrengen der waarde, welke
zij ten tijde der gifte hadden.
-ocr page 220-
213
XVI TITEL. VAN BOEDELSCHEIDING.
In het eerste geval, is de inbrenger verantwoordelijk voor
de vermindering, welke de goederen door zijne schuld
hebben ondergaan, en verpligt om dezelve te zuiveren van de
lasten en de hypotheken, daarop door hem gelegd.
Alle noodzakelijke uitgaven, tot behoud van het goed ge-
daan, en de kosten van onderhoud, moeten, in hetzelfde ge-
val, aan den inbrenger worden vergoed, met inachtneming
der regelen bij den titel van vruchtgebruik voorge-
schreven.
1140.  De inbreng van gereed geld geschiedt ter keuze des
inbrengers door de betaling van deszelfs bedrag, of door zich dat
bedrag in mindering van zijn erfdeel te doen aanbedeelen.
1141.  De inbreng van roerende goederen geschiedt ter
keuze des inbrengers door de teruggave der waarde zoo als
die ten tijde der schenking geweest is, of door de goederen
in natura terug te geven.
1142.  Behalve de schenkingen in artikel 1132 aan inbreng
onderworpen, moet ook worden ingebragt al hetgeen is ver-
strekt om aan den erfgenaam eenen stand, een beroep of be-
drijf te verschaffen, of ter betaling van deszelfs schulden, en
al hetgeen ten huwelijk is gegeven.
1143.  Aan inbreng zijn niet onderworpen:
De kosten van onderhoud en opvoeding;
De uitkeeringen tot noodzakelijk levens-onderhoud;
De uitgaven tot het aanleeren van eenigen tak van koop-
handel, kunst, handwerk of bedrijf.
De kosten van studie;
De kosten tot plaatsvervanging of nummerverwisseling in \'s
lands gewapenden dienst;
De bruiloftskoston, kleederen en kleinoodien tot huwelijks-
uitzet gegeven.
1144.   De interessen en vruchten van hetgeen aan inbreng
is onderworpen, worden eerst vorschuldigd van den dag dat eene
erfenis is opengevallen.
1145.  Al hetgeen door toeval en zonder schuld van den
begiftigde is verloren gegaan, behoeft niet te worden in-
gebragt.
DERDE AFDEELING.
Van de betaling der schulden.
1146.  De erfgenamen die eene erfenis hebben aanvaard,
moeten in de betaling der schulden, legaten en andere lasten,
zooveel dragen als in evenredigheid staat met hetgeen ieder
uit de nalatenschap ontvangt.
-ocr page 221-
214                                     II BOEK. VAN ZAKEN.
1147.  Zij zijn tot die betaling persoonlijk, en ieder naar-
mate van de hoegrootheid van zijn erfdeel, gehouden, onver-
minderd de regten der schuldeischers op de geheele nalaten-
schap, zoolang die nog is onverdeeld, mitsgaders die der
hypothekaire schuldeischers.
1148.  Indien onroerende en tot de nalatenschap behoo-
rende goederen met hypotheken bezwaard zijn, heeft ieder
der mede-erfgenamen het regt om te vorderen dat die lasten
uit den boedel worden gekweten, en de goederen van het
verband bevrijd, alvorens er tot het vormen der kavelingen
worde overgegaan.
Wanneer de erfgenamen de nalatenschap verdeelen in den
staat waarin zij zich bevindt, moet het bezwaarde onroerende
goed worden geschat op denzelfden voet als de overige onroe-
rende goederen; alsdan wordt de hoofdsom der lasten van
den geheelen prijs des goeds afgetrokken, en de erfgenaam,
aan wien het onroerend goed te beurt is gevallen, blijft als-
dan alleen ten aanzien zijner mede-erfgenamen met do vol-
doening der schuld belast, en moet hen daarvoor vrijwaren.
Indien de lasten alleen op het onroerende goed gevestigd
zijn, zonder dat daarbij een personeel verband bestaat, kan
geen der mede-erfgenamen vorderen dat de last worde afbe-
taald, en alsdan wordt het onroerende goed onder de verdee-
ling begrepen, onder aftrek van de hoofdsom dier lasten.
Ü49. Ken erfgenaam die, ten gevolge van eene hypotheek,
meer dan zijn aandeel in de gemeene schuld betaald heeft,
kan van zijne mede-erfgenamen terug vorderen hetgeen ieder
hunner persoonlijk in de schuld had moeten bijdragen.
1150.   Indien een der mede-erfgenamen in verval van zaken
geraakt, wordt zijn aandeed in de hypothekaire schuld over
de overige omgeslageu, naar evenredigheid van eens ieders
erfdeel.
1151.  Een legataris is niet voor de schulden en lasten der
nalatenschap verbonden, onverminderd het verhaal van den
hypothekairen schnldeischer op het gelegateerde onroe-
rend goed.
1152.  Indien de legataris de schuld heeft gekweten, waar-
mede het gelegateerde onroerend goed bezwaard was, treedt
hij daardoor van regtswege in de regten van den schuldeischer,
ten laste der erfgenamen.
1153.  De schuldeischers en de legatarissen van den o ver-
ledene mogen van de schuldeischers van den erfgenaam vor-
deren, dat de boedel van den overledene worde afgescheiden
van dien des erfgenaams.
1154.  Indien de schuldeischers of legatarissen hunne regts-
vordering tot afscheiding hebben aangevangen binnen den tijd
-ocr page 222-
XVI TITEL. VAN BOEDELSCHEIDING.                         215
Van zes maanden nadat de nalatenschap is opengevallen, heb-
ben zij de bevoegdheid om hunnen eisch in de daartoe bestemde
openbare registers, ter zijde van ieder stuk onroerend goed,
tot de nalatenschap behoorende, te doen aanteekenen, met
dat gevolg, dat de erfgenaam, na die aanteekening, het goed
niet mag vervreemden of bezwaren, ten nadeele van de regten
dier eischers ten laste der nalatenschap.
1155.  Dat regt kan echter niet meer worden uitgeoefend,
zoo dra er schuldvernieuwing in de schuldvordering tegen
den overledene plaats heeft, door den erfgenaam als gehulde-
naar aan te nemen.
1156.  Hetzelve regt verjaart door het tijdsverloop van
drie jaren
1157.  De schuldeischers van den erfgenaam hebben geene
bevoegdheid om die afscheiding des boedels tegen de schuld-
eischers der nalatenschap te vorderen.
VIERDE AFDEELINO.
Van de vernietiging van aangegane boedelscheiding.
1158.   Boedelscheidingen kunnen worden te niet gedaan:
1". Ter zake van dwang;
2°. Ter zake van bedrog, door een of meer deolgenooten
gepleegd;
3". Ter zake van bonadeeling, meer dan een vierde gedeelte
bedragende.
Het enkel overslaan van een of meer voorwerpen, tot den
boedel behoorende, geeft alleen regt om deswege eene nadere
scheiding te vorderen.
1159.   Om te beoordeelen of er benadeeling plaats heeft,
moeten de goederen naar derzelver waarde op het tijdstip der
scheiding worden geschat.
1160.   Degene tegen wien, ter zake van benadeeling, eisch
tot vernietiging gedaan is, kan de herscheiding beletten, door
aan den eischer, het zij in gereed geld, het zij i n natura,
op te leggen hetgeen aan diens erfdeel ontbreekt,
1161.   De mede erfgenaam, die het aan hem toebedeelde
geheel of gedeeltelijk heeft vervreemd, kan geene vernietiging
der boedelscheiding, ter zake van dwang of bedrog, vragen,
indien de vervreemding heeft plaats gehad na het ophouden
van den dwang of het ontdekken des bedrogs.
1162.   De regtsvordering tot vernietiging verjaart door het
tijdsverloop van drie jaren, te rekenen van den dag der boe-
delscheiding.
1163.   De regtsvordering tot vernietiging heeft plaats opzig-
-ocr page 223-
216                                      II BOEK. VAN ZAKEN.
telijk elke akte welke ten oogmerk heeft om den onverdeel-
den staat tusschen medeerfgenamen te doen ophouden, om het
even of de akte onder den naam van koop en verkoop, ruiling,
dading, of anderzins, mogt verleden zijn.
Doch wanneer de boedelscheiding, of eene daarmede gelijk-
staande akte, is voltrokken, kan er geene vernietiging worden
gevraagd van eene dading, welke mogt gemaakt zijn om de
wezenlijke zwarigheden, in de eerste akte voorkomende, uit
den weg te ruimen.
1164.   De regtsvordering tot vernietiging der boedelscheiding
wordt niet toegelaten tegen den verkoop van erfregt, zonder
bedrog aan een of meerder mede-erfgenamen te hunnen bate
of schade door de mede-erfgenamen of door een hunner gedaan.
1165.    Geene herscheiding, na de vernietiging der boedel-
scheiding gedaan, kan nadeel toebrengen aan de regten be-
vorens wettiglijk door derden verkregen.
1166.  Alle afstand van het regt om vernietiging eener
scheiding te vragen is van onwaarde.
VIJFDE AFDEELING.
Van boedelverdeeling door den vader, de moeder of andere
bloedverwanten in de opgaande linie, tusschen hunne
afkomelingen gemaakt.
1167.  De vader, de moeder en andere bloedverwanten in de
opgaande linie mogen bij uiterste wilsbeschikking, of bij nota-
riële akte, tusschen hunne kinderen en afkomelingen de ver-
deeling en scheiding hunner goederen maken.
1168.    Indien alle de goederen, welke de bloedverwant in
de opgaande linie op den dng van zijn overlijden nalaat, niet
in de verdeeling begrepen zijn geweest, zullen die niet ver-
deelde goederen volgens de wet worden verdeeld.
1169.   Indien de verdeeling niet gemaakt is tusschen alle
de kinderen, die ten tijde van het overlijden in leven zijn, en
de afkomelingen der vooroverledene, zal de verdeeling geheel
en al nietig zijn. Kr kan eene nieuwe verdeeling in den wet-
telijken vorm worden gevorderd, het zij door de kinderen of
afkomelingen die daarbij geen aandeel gekregen hebben, het
zij zelfs door degenen tusschen welke de verdeeling gemaakt is.
1170.    De verdeeling, door eenen bloedverwant in de op-
gaande linie gedaan, kan worden betwist uit hoofde van bena-
deeling, meer dan een vierde bedragende. Zij kan almede
worden betwist, indien de verdeeling, en hetgeen met vrijstel-
ling van inbreng is vooruit gemaakt, het wettelijk erfdeel van
den een of ander der afkomelingen mogt hebben verkort.
-ocr page 224-
XVII TITEL. VAN ONBEHEERDE NALATENSCHAPPEN. 217
Do regisvordering, bij dit artikel toegelaten, verjaart door
een tijdsverloop van drie jaren, te rekenen van den dag waarop
de erflater is overleden.
1171.  üe afkomelingen welke, om eene der redenen in het
voorgaande artikel uitgedrukt, de verdeeling betwisten, zullen
de kosten, tot de schatting der goederen vereischt, moeten
vooruitschieten, en die kosten zullen te hunnen laste blijven,
indien hunne vordering ongegrond bevonden wordt.
ZEVENTIENDE TITEL.
VAN ONBEJIEEliDE NALATENSCHAPPEN.
1172.    Wanneer, bij het openvallen eener nalatenschap, zich
niemand opdoet die daarop aanspraak maakt, of wanneer de
bekende erfgenamen dezelve verwerpen, wordt de nalatenschap
als onbeheerd beschouwd.
1173.   De arrondissements-regtbank, onder welker ressort
de nalatenschap opengevallen is, moet op verzoek der belang-
hebbende personen, of\' op de voordragt van het openbaar minis-
terie, eenen curator benoemen.
Indien de curateele verleend wordt ter zake dat zich niemand
opdoet, die als erfgenaam aanspraak op de nalatenschap maakt,
benoemt de regtbank bij voorkeur tot curator den gestelden
uitvoerder van den uitersten wil, ten ware deze mogt verlan-
gen door een ander vervangen te worden.
1174.   De curator is gehouden de nalatenschap te doen ver-
zegelen, en door eenen notaris eene boedelbeschrijving te doen
opmaken, mitsgaders de nalatenschap te beheeren en tot effen-
heid te brengen.
Hij is verpligt, door oproepingen in de openbare nieuwspa-
pieren of andere doelmatige middelen, de erfgenamen op te
sporen.
Hij moet in regten optreden ten aanzien der regtsvorderin-
gen, die tegen de nalatenschap zijn aangevangen, en alle regten
die den overledene toebehoorden uitoefenen en voortzetten.
Hij is verpligt het gereed geld, hetwelk zich in de nalaten-
schap bevindt, mitsgaders de opbrengst der verkochte roerende
en onroerende goederen, in de kas der geregtelijke consigna-
tiën te storten, ten einde te strekken tot behoud der regten
van belanghebbende partijen, en daarvan, aan wien zulks zal
behooren, rekening te doen.
1175.  Indien zich, na verloop van drie jaren, te rekenen van
het openvallen der nalatenschap, geen erfgenaam opdoet, zal
de slotrekening moeten worden gedaan aan den staat, welke
-ocr page 225-
218
II BOEK. VAN ZAKEN.
bevoegd zal zijn om zich bij voorraad in het bezit der nagelaten
goederen te doen stellen.
1176. De bepalingen voorkomende in art. 522, mitsgaders
in art. 1082, 1083, 1084, 1085 en 1087, zijn ook op de curators
van onbeheerde nalatenschappen toepasselijk.
ACHTTIENDE TITEL.
VAN BEVOOltREGTE SCHULDEN.
EEBSTE APDEELINO.
Van bevoorregte schulden in het algemeen.
1177.  Alle de roerende en onroerende goederen van den
schuldenaar, zoowel tegenwoordige als toekomstige, zijn voor
deszelfs persoonlijke verbindtenissen aansprakelijk.
1178.  Die goederen strekken tot gemeenschappelijken waar-
borg voor zijne schuldeischers; derzelver opbrengst wordt onder
hen, ponds ponds gelijke, naar evenredigheid van eens ieders
inschuld, verdeeld, ten ware er tnsschen de schuldeischers
wettige redenen van voorrang mogten bestaan.
1179.    De voorrang tnsschen schuldeischers spruit voort
uit privilegie, uit pand, en uit onderzetting of hypotheek.
Van pand en onderzetting wordt bij den negentienden en
twintigsten titel van dit boek gehandeld.
1180.   Privilegie is een regt door de wet toegekend aan den
eenen schuldeischer boven den anderen, alleen uit hoofde van
den aard der schuld.
Pand en hypotheek gaan boven privilegie, behalve in de
gevallen, waarin de wet uitdrukkelijk het tegendeel bepaalt.
1181.  Tnsschen bevoorregte schuldeischers wordt de rang
geregeld naar den verschillenden aard der voorregten.
1182.  Bevoorregte schuldeischers, die in denzelfden rang zijn,
worden ponds ponds gelijke betaald.
1183.    De voorrang van \'s rijks schatkist, de orde waarin
dezelve wordt uitgeoefend, en de tijd van deszelfs duur, worden
geregeld door de bijzondere wetten daartoe betrekkelijk.
Die van de besturen der gewesten, gemeenten, dijken, polders,
wateringen, en andere dergelijke gemeenschappen, wegens de
door hen te heffen lasten, worden geregeld door de wetten en
de wettige op dat stuk daargestelde verordeningen.
1184.  De privilegiën hebben tot onderwerp, of zekere be-
paalde goederen, of alle de roerende en onroerende goederen
-ocr page 226-
XVIII TITEL. VAN ËEVOORREGTE SCHULDEN.                  219
in het algemeen. De eerste hebben den voorrang boven laatts-
genoemde.
TWEEDE AFDEELINO.
Van de voorregten gevestigd op zekere bepaalde goederen.
1185.  De bevoorregte schulden op zekere bepaalde goederen
zijn:
1°. De geregtskosten uitsluitend veroorzaakt door de uitwin-
ning van eene roerende of onroerende zaak. Deze worden
uit de opbrengst van het uitgewonnene goed boven alle
andere bevoorregte schulden, en zelfs boven pand en
hypotheek, gekweten;
2°. De huurpenningen van onroerende goederen, de kosten
van reparatie waartoe de huurder verpligt is, mitsgaders
alles wat tot de nakoming van de huur-overeenkomst
betrekking heeft;
3°. De nog onbetaalde koopprijs van roerende goederen;
4°. De kosten tot behoud eener zaak gemaakt;
5°. De kosten tot bearbeiding eener zaak aan den werkman
verschuldigd;
6°. Hetgeen door eenen herbergier, als zoodanig, aan eenen
•reiziger is geleverd ;
7\'. De vrachtloonen en bijkomende onkosten;
8". Hetgeen aan metselaars, timmerlieden en andere werk-
bazen is verschuldigd wegens den opbouw, aanbouw en
de reparatiön van onroerende goederen, mits de schuld-
vordering niet ouder zij dan drie jaren, en de eigendom
van het perceel aan den schuldenaar zij verbleven;
9°. De vergoedingen en betalingen waartoe openbare ambte-
naren, uit hoofde van verzuim, misslagen en misdrijven,
in de uitoefening hunner bediening gepleegd, gehou»
den zijn.
1186.  De verhuurder kan zijn voorregt doen gelden op de
vruchten welke door takken aan de boomen, of door wortels
aan den grond, nog zijn vastgehecht; voorts op de ingeöogste
en nog niet ingeöogste vruchten die zich op den bodem be-
vinden, en op al hetgeen op den bodem is, zoo tot stoffering
van het gehuurde huis of der landhoeve, als tot bebouwing of
gebruik van het land, zoo als het vee, de bouwgereedschappen
en dergelijken; onverschillig of de hier-boven gemelde voor-
werpen al dan niet aan den huurder toebehooren.
Indien de huurder een gedeelte van het verhuurde goed aan
een ander wettig in huur heeft afgestaan, kan de verhuurder
zijn voorregt op de voorwerpen, die zich in of op dat gedeelte
-ocr page 227-
220                                     II BOEK. VAN ZAKEN.
bevinden, niet verder doen gelden, dan alleen in evenredigheid
van het door den tweeden huurder overgenomen gedeelte, en
voor zoo verre de laatstgemelde niet mogt kunnen aantoonen
zijne huurpenningen volgens |de overeenkomst te hebben
voldaan.
1187.   Niettemin worden de nog verschuldigde koopprijs van
gekochte zaden en de nog verschuldigde kosten van den oogst
van het loopende jaar, bij voorrang boven den verhuurder, be-
taald uit de opbrengst van den oogst, en de nog niet betaalde
koopprijs van gereedschappen uit de opbrengst van die gereed-
schappen.
1188.    De verhuurder kan de roerende goederen, waarop
hem bij artikel 1186 voorregt is toegestaan, in beslag nemen,
indien dezelve buiten zijne toestemming vervoerd zijn; en hij
behoudt daarop zijn voorregt, al waren dezelve ook aan eenen
•derde, door inpandgeving, of op eene andere wijze, verbonden,
mits hij die voorwerpen geregtelijk hebbe opgeëischt binnen
•den tijd van veertig dagen na het vervoeren der roerende
goederen tot eene landhoeve behoorende, en binnen den tijd
van veertien dagen, indien het zaken betreft welke tot stof-
fering van een huis hebben verstrekt.
1180. Het voorregt van den verhuurder strekt zich uit tot
de vervallen huur- en pachtpenningen, gedurende de laatste
.drie jaren en het loopende jaar.
1190.   De verkooper van roerende en nog onbetaalde goe-
•deren kan zijn voorregt doen gelden op den koopprijs van die
goederen, indien zij zich nog in handen van den schuldenaar
bevinden, zonder onderscheid of hij die goederen op tijd of
•zonder tijdsbepaling verkocht heeft.
1191.    Indien de verkoop zonder tijdsbepaling gedaan is,
heeft de verkooper zelfs de bevoegdheid om de goederen terug
te eischen, zoo lang deze zich in handen van den kooper be-
vinden, en het wederverkoopen daarvan te beletten, mits de
terugeisching geschiede binnen dertig dagen na de aflevering,
en de goederen zich nog bevinden in denzelfden staat waarin
zij zijn geleverd geworden.
1192.    De verkooper kan evenwel zijn regt niet uitoefenen
dan na den verhuurder van het huis of van de landhoeve, ten
ware bewezen zij dat de verhuurder kennis droeg dat de meu-
belen en verdere goederen, voor het huis of de landhoeve
dienende, door den huurder niet waren betaald.
1193.    De voorregten vermeld bij artikel 1185, N°. 4, 5, 6,
7, 8 en 9, worden uitgeoefend als volgt:
Die van N°. 4, op de zaak tot welker behoud de kosten zijn
gemaakt;
Die van N°. 5, op de zaak die bearbeid is;
-ocr page 228-
XVIII TITEL. VAN BEVOORREGTE SCHULDEN.                   221
Die van N°. 6, op de goederen die door den reiziger in de
herberg zijn gebragt;
Die van N°. 7, op het vervoerde goed;
Die van N°. 8, op de opbrengst van het opgebouwde, aan-
gebouwde of herstelde perceel;
Die van N°. 9, op het bedrag van de door de ambtenaren
gestelde zekerheid, en de daarop verschuldigde renten.
1194.    Indien onderscheiden bevoorregte schuldeischers, van
•welke in deze afdeeling wordt melding gemaakt, mogten te
zamen loopen, hebben de onkosten, die gemaakt zijn tot be-
houd van het goed, den voorrang, indien dezelve gemaakt zijn
na het tijdstip waarop de overige bevoorregte schulden zijn
geboren.
DERDE AFDEELING.
Van de noorregten op alle de roerende en onroerende
goederen in het algemeen.
1195.  De bevoorregte inschulden op alle de roerende en
onroerende goederen in het algemeen zijn de hierna vermelde,
en worden in de volgende orde verhaald:
1°. De geregtskosten, uitsluitend veroorzaakt door uitwin-
ning en boedelredding: deze hebben voorrang boven
pand en hypotheek;
2". De begrafeniskosten, behoudens de bevoegdheid des
regters om dezelve te verminderen, indien zij bovenmatig
zijn;
3°. Alle kosten van de laatste ziekte;
4*. Het loon van dienst- en werkboden over het versche-
nen jaar, en hetgeen over het loopende jaar verschul-
digd is;
6\\ De schuldvorderingen wegens levering van levensmiddelen,
gedaan aan den schuldenaar en deszelfs huisgezin, ge-
durende de laatste zes maanden;
6". De schuldvorderingen van kostschoolhouders voor het
laatste jaar;
7°. De schuldvordering van minderjarigen of onder curatele
gestelden ten\'laste van hunne voogden en curators, ter
zake van derzelver beheer: voor zoo verre dezelve niet
kunnen worden verhaald uit de hypotheken of andere
zekerheid, welke, naar aanleiding van den zestienden
titel van het eerste boek van dit Wetboek, mogt gesteld
zijn. .
-ocr page 229-
222                                       II BOEK. VAN ZAKEN.
NEGENTIENDE TITEL.
VAN PAND.
1196.  Pand is een regt hetwelk de schuldeischer verkrijgt
op eene roerende zaak, die hem door den schuldenaar, of door
een ander in deszelfs naam, tot zekerheid der schuld, is ter
hand gesteld, en aan den schuldeischer de bevoegdheid geeft
om zich bij voorkeur boven de andere schuldeischers uit die
zaak te doen betalen; met uitzondering van de kosten van
uitwinning en van de onkosten die, na de inpandgeving, tot
behoud van de zaak gemaakt zijn, en welke den voorrang zullen
hebben.
1197.  Pandovereenkomst wordt bewezen door alle middelen,
die voor het bewijs der hoofdverbindtenis zijn toegelaten.
1198.  Pandregt op ligchamelijke roerende zaken en op in-
schulden aan toonder wordt gevestigd door het brengen van
het pand onder de magt van den schuldeischer of van een derde,
omtrent wien partijen zijn overeengekomen.
Het is niet bestaanbaar op zaken, die in de magt van den
schuldenaar of den pandgever worden gelaten of met den wil
van den schuldeischer terugkeeren.
Het gaat te niet, wanneer het pand uit de magt van den
pandhouder geraakt.
Is het echter door dezen verloren of aan hem ontvreemd, dan
heeft hij het regt van terugvordering bjj art. 2014, tweede lid,
bedoeld, en wordt bij terugbekoming van het pand het pandregt
geacht nooit verloren te zijn geweest.
De onbevoegdheid van den pandgever om over de zaak te
beschikken, kan aan den schuldeischer, die haar in pand heeft
genomen, niet worden tegengeworpen, onverminderd het regt
tot terugvordering van hem, die de zaak verloren heeft, of aan
wien zij is ontvreemd.
1198bis. Tot vestiging van pandregt op papier aan order
wordt behalve het endossement de overgaaf van het papier
gevorderd.
1199.  Pandregt op onligchamelijke roerende zaken, met
uitzondering van papier aan order of aan toonder, wordt ge-
vestigd door kennisgeving der verpanding aan hem, tegen wien
het in pand gegeven regt moet worden uitgeoefend. Door dezen
kan van die kennisgeving en van de toestemming des pandge-
vers een schriftelijk bewijs worden gevorderd.
1200.  De schuldeischer mag, ingeval de schuldenaar of de
pandgever niet aan zijne verpligtingen voldoet, zich het pand
niet toeëigenen. Alle hiermede strijdende bedingen zijn nietig.
-ocr page 230-
XIX TITEL. VAN PAND.                                      223
1201.  Wanneer door partijen niet anders is overeengekomen,
is de schuldeischer, ingeval de schuldenaar of pandgever niet
aan zijne verpligtingen voldoet, geregtigd om na het verstrijken
van den bepaalden termijn, of, indien geen vaste termijn is
bepaald, na eene sommatie tot voldoening, het pand in het
openbaar, naar plaatselijke gewoonten en op de gebruikelijke
voorwaarden, te doen verkoopen, ten einde uit de opbrengst het
beloop der schuld met de renten en kosten te verhalen.
Bestaat het pand uit ter markt of ter beurze verhandelbare
koopmansgoederen of effecten, dan kan de verkoop ook aldaar
geschieden, mits door tusschenkomst van twee makelaars in
het vak.
1202.  In allen geval kan, wanneer de schuldenaar of de
pandgever in gebruike is aan zijne verpligtingen te voldoen,
de schuldeischer in regten vorderen, dat het pand tot verhaal
der schuld met de renten en kosten zal worden verkocht op
de wijze door den regter te bepalen of wel de regter op des
schuldeischers vordering toestaan, dat het pand aan dezen,
voor een bedrag bij het vonnis te bepalen, tot het beloop der
schuld met renten en kosten in betaling zal verblijven.
Van de vervreemding van het pand in de gevallen, bij dit
en het vorig artikel bedoeld, is de schuldeischer verpligt den
pandgever uiterlijk den volgenden dag kennis te geven. Be-
rigt per telegraaf\' of aangeteekenden brief geldt voor behoor-
lijke kennisgeving.
1203.  De schuldeischer is verantwoordelijk voor het verlies
of de vermindering van het pand, voor zooverre zulks door
zijne nalatigheid mogt hebben plaats gehad.
De schuldenaar is van zijne zijde verpligt aan den schuld-
eischer te vergoeden de nuttige en noodzakelijke onkosten
die de laatstgemelde tot het behoud van het pand gemaakt
heeft
1204.  Indien eene inschuld in pand gegeven is, en deze
inschuld interessen opbrengt, verrekent de schuldeischer die
interessen met degene welke hem mogten verschuldigd zijn.
Indien de schuld, tot welker zekerheid eene inschuld in
pand gegeven is, geene interessen opbrengt, worden de in-
teressen, die de pandhouder ontvangt, op de hoofdsom gekort.
1205.  Zoo lang dg houder het in pand gegeven goed niet
misbruikt, is de schuldenaar onbevoegd om daarvan de terug-
gave te vorderen, voordat hij ten volle betaald hebbe, zoo wel
de hoofdsom, als de interessen en onkosten der schuld, voor
welker zekerheid het pand gegeven is, alsmede de onkosten
die tot behoud van het pand gedaan zijn.
Indien er tusschen denzelfden schuldenaar en denzelfden
schuldeischer eene tweede schuld mogt bestaan, tusschen hen
-ocr page 231-
224                                     II BOEK. VAN ZAKEN.
zelve aangegaan na het tijdstip der pandgeving, en op-
eischbaar vóór de betaling, of op den dag zelve van de be-
taling, der eerste schuld, is de schuldeischer niet gehouden
zich van het pand te ontdoen, voordat hem beide schulden
ten volle zijn voldaan, al mogt er zelfs geen beding gemaakt
zijn om het pand voor de betaling der tweede schuld te
verbinden.
1206.  Het pand is ondeelbaar, niettegenstaande de schuld
onder de erfgenamen van den schuldenaar of onder die van
den schuldeischer mogt deelbaar zijn.
De erfgenaam van den schuldenaar die zijn gedeelte in de
schuld betaald heeft, kan de teruggave van zijn aandeel in
het pand niet vorderen, zoolang de schuld niet ten volle is
gekweten.
Wederkeerig mag de erfgenaam van den schuldeischer die
zijn aandeel in de schuld ontvangen heeft, het pand niet
terug geven ten nadeele van diegenen zijner mede-erfgenamen
die niet betaald zijn.
1207.   De hier-boven gemaakte bepalingen zijn niet toe-
passelijk op zaken van koophandel, of op banken van leening
welke bij openbaar gezag zijn gevestigd, voor zoo verre
bij het Wetboek van Koophandel, of bij de verordeningen
omtrent die instellingen, bijzondere bepalingen zijn gemaakt.
TWINTIGSTE TITEL.
VAN ONDERZETTNG OF HYPOTHEEK.
EERSTE APDEELING.
Algemeene bepalingen.
1208.  Onderzetting of hypotheek is een zakelijk regt op
onroerende goederen, strekkende om daaraan de voldoening
eener verbindtenis te verhalen.
1209.  Dat regt is uit deszelfs aard ondeelbaar en ge-
vestig 1 op alle de verbodene onroerende goederen in hun ge-
heel, op elk van die goederen en op ieder gedeelte van
dezelve.
De goederen blijven daarmede belast, in welke handen do-
zelve ook overgaan.
1210.  Voor hypotheek zijn alleen vatbaar:
1°. Onroerende goederen welke in den handel zijn, niet
derzelver toebehooren, voor zoo verre dat laatste als
onroerend goed beschouwd wordt;
-ocr page 232-
225
XX TITEL VAN ONDERZETTING OP HYPOTHEEK.
2". Het vruchtgebruik derzelve goederen en hun toebe-
hooren;
3°. De regten van opstal en erfpacht;
4°. De grondrenten, het zij in geld, het zij in natura
verschuldigd;
5". Het tiendregt;
6°. Het regt van beklemming.
1211.  De hypotheken strekken zich uit tot alle de latere
verbeteringen van het bezwaarde goed, ook tot hetgeen, door
aanwas of opbouw, met hetzelve vereenigd is.
1212.  Het onverdeeld aandeel in een gemeen onroerend
goed kan met hypotheek worden bezwaard. Na de ver-
deeling van hetzelve, blijft de hypotheek alleen gevestigd op het
deel dat aan den schuldenaar, die de onderzetting heeft ver-
leend, is toebedeeld, behoudens de bepaling van artikel 1377.
1213.  Roerende goederen zijn voor geene hypotheek vatbaar.
1214.  Hypotheek kan niet worden gevestigd dan door hem
die de bevoegdheid heeft het bezwaarde goed te vervreemden.
1215.  Zij die op een onroerend goed slechts een zoodanig
regt hebben, hetwelk door eene voorwaarde is opgeschort, of
in zekere gevallen kan worden ontbonden of te niet gedaan,
kunnen geene hypotheek toestaan, dan die aan dezelfde voor-
waarden, ontbinding of te niet doening onderworpen is.
1216.  Goederen van minderjarigen, van degenen die onder
curatele staan, en van afwezigen, zoolang derzelver bezit slechts
bij voorraad verleend is, kunnen niet anders met hypotheek
worden bezwaard, dan om de redenen, en overeenkomstig de
formaliteiten, welke bij de wet zijn vastgesteld.
1217.  Hypotheek kan alleen bij notariële akte worden ver-
leend, uitgezonderd in de gevallen bij de wet uitdrukkelijk
aangewezen.
De volmagt tot het verleenen van hypotheek moet bij authen-
tieke akte worden verleden.
De voogd, de curator, de getrouwde man, of elk ander die,
uit kracht der wet of eener overeenkomst, verpligt is hypotheek
te geven, kan daartoe bij vonnis worden genoodzaakt, hetwelk
dezelfde kracht zal hebben als of hij in de hypotheek hadde
toegestemd, en bepaaldelijk zal aanduiden de goederen op
welke de inschrijving \'zal geschieden.
De getrouwde vrouw welke bij huwelijksche voorwaarden
hypotheek heeft bedongen, kan, zonder den bijstand van haren
man, of de magtiging van den regter, de hypothekaire inschrij-
vingen bewerkstelligen, en de vereischte regtsvorderingen
daartoe aanleggen.
1218.   Uit kracht van eene overeenkomst in een vreemd land
verleden, kan geen hypotheek worden ingeschreven op goederen
15
-ocr page 233-
226                                     II BOEK. VAN ZAKEN.
liinnen hut koningrijk gelegen, ten ware het tegendeel bij
traktaten mogt zijn bepaald.
1219.   De akte waarbij hypotheek wordt gevestigd moet
bevatten eene bijzondere opgave van het bezwaarde goed, en
van deszelfs aard en ligging, naar aanleiding der kadastrale
indeeling.
Ten aanzien van tienden en grondrenten, waaromtrent niet
bepaaldelijk kan worden opgegeven welke bijzondere percoelen
daarmede belast zijn, zal men met de juiste omschrijving en
aanwijzing der schuldpligtige streek, gemeente of polder in de
akte kunnen volstaan.
1220.  Hypotheek kan alleen op tegenwoordige goederen
worden gevestigd. Eene hypotheek op toekomstige goederen
is nietig.
Indien echter de vrouw bij huwelijksche voorwaarden het
vestigen van hypotheek heeft bedongen, of, in het algemeen,
een schuldenaar zich heeft verpligt aan den schuldeischer
hypotheek te geven, kan de man of de schuldenaar worden
genoodzaakt aan zijne verpligting te voldoen, door aanwijzing
ook van goederen welke hij, na het ontstaan der verbindtenis,
mogt hebben verkregen.
1221.  Eene hypotheek is slechts van waarde, in zoo verre
de som, waarvoor dezelve is toegestaan, zeker en bij de akte
bepaald is.
Indien de schuld voorwaardelijk of derzelver hoegrootheid
onbepaald is, zal de vestiging der hypotheek slechts kracht
hebben tot het beloop der geschatte waarde, welke partijen
gehouden zijn in de akte op te geven.
1222. Ue schuldeischer kan, in geen geval, eene vermeerdering
van hypotheek vorderen, ten ware het tegendeel bedongen of
bij de wet bepaald zij.
1223.   Alle bedingen, bij welke de schuldeischer gemagtigd
zoude worden om zich het gehypothekeerde goed toe te eigenen,
zijn nietig.
Het staat echter den eersten hypothekairen schuldeischer vrij
om, bij het vestigen der hypotheek, uitdrukkelijk te bedingen
dat, bij gebreke van behoorlijke voldoening der hoofdsom, of
van de betaling der verschuldigde renten, hij onherroepelijk
zal zijn gemagtigd het verbonden perceel in het openbaar te
doen verkoopen, ten einde uit de opbrengst te verhalen zoo
wel de hoofdsom als de renten en de kosten. Dat beding zal
op de openbare registers moeten worden aangeteekend, en zal
de veiling moeten plaats hebben op de wijze als bjj artikel
1255 is voorgeschreven, niet uitzondering alleen dat de tegen
"woordigheid van den kantonregter niet vereischt wordt.
-ocr page 234-
XX TITEL. VAN 0NDEBZETT1NO OF HYPOTHEEK.              227
TWEEDE AFDEELING.
Van de inschrijving der hypotheken en van den rorm
der inschrijving.
1224.   De inschrijving der hypothekaire verbanden moet
geschieden in de daartoe bestemde openbare registers.
Bij gebreke van die inschrijving, heeft de hypotheek geene
kracht hoegenaamd, zelfs niet ten opzigte van schuldeischers,
die geen hypothekair verband hebben.
1225.  De inschrijving van eene hypotheek is van onwaar-
de, indien dezelve gedaan is op eenen tijd, waarop de eigen-
dom van het goed aan eenen derde zijnde overgegaan, de
schuldenaar daarop zijn eigendomsregt reeds verloren had.
1226.  De rang der hypothekaire schuldeischers wordt bepaald
naar de dagteekening hunner inschrijving, behoudens de uit
zonderingen bij de twee volgende artikels vermeld.
Zij die op denzelfden dag zijn ingeschreven, hebben geza-
menlijk eene hypotheek van dezelfde dagteekening, zonder
onderscheid op welk uur de inschrijving gedaan is, al ware
het ook dat het uur door den bewaarder mogt zijn aange-
teekend.
1227.  Indien bij de koopakte, tot waarborg van onbetaalde .
kooppenningen, hypotheek op het verkochte goed is bedongen,
en de inschrijving is geschied binnen acht vrije dagen na de
overschrijving dier koop-akte op de daartoe bestemde openbare
registers, zal deze hypotheek den voorrang hebben boven de
hypotheken welke de kooper, binnen dat tijdsverloop, op hst
goed mogt hebben toegestaan.
1228.   Dezelfde bepaling is toepasselijk, indien bij akte van
scheiding hypotheek is bedongen tot waarborg van hetgeen
de eene deelgenoot aan den anderen, ten gevolge eener schei-
ding, schuldig blijft, of tot vrijwaring van het aanbedcelde
goed. Ook in dat geval geven de inschrijvingen, binnen acht
vrije dagen na de overschrijving der akte van scheiding, voor
zoo veel dit beding betreft, door den deelgenoot bewerkstel-
ligd, den voorrang boven de hypotheken welke de verkrjjger,
binnen dat tijdsverloop, op het goed mogt hebben toe-
gestaan.
1229.  De schuldeischer die ingeschreven is voor eene hoofd-
som welke interessen of renten voortbrengt, is geregtigd om,
uiterlijk voor twee jaren en voor het loopende jaar, wegens
interessen of renten in denzelfden rang van hypotheek geplaatst
-ocr page 235-
228                                      II BOEK. VAN ZAKEN.
te worden als voor zijne hoofdsom; onverminderd zijn regt
om, ten aanzien van andere renten dan bij de eerste inschrij-
ving verzekerd waren, bijzondere inschrijvingen te nemen
welke sedert derzelver dagteekening hypotheek zullen te
weeg brengen.
1230.    Indien de akte, waarbij de hypotheek is gevestigd,
een uitdrukkelijk beding bevat, waarbij de schuldenaar in zijne
bevoegdheid is beperkt, het zij om het bezwaarde goed buiten
toestemming des schuldeischers te mogen verhuren, het zij ten
aanzien van de wijze waarop, of van den tijd gedurende wol-
ken hetzelve zal kunnen worden verhuurd, het zij ten aanzien
van de vooruitbetaling der huurpenningen, zal zoodanig beding
niet alleen verbindende zijn tusschen de partijen, maar ook
tegen den huurder kunnen worden ingeroepen door den sehuld-
eischer die zoodanig beding op de openbare registers zal
hebben doen aanteekenen.
Alles onverminderd de bepalingen van artikel 1377, welke,
zoo daartoe gronden zijn, door alle de schuldeischers zullen
kunnen worden ingeroepen, om het even of er al dan niet
eenig beperkend beding op het stuk der verhuring of vooruit-
betaling gemaakt zij.
1231.  Om de inschrijving te bewerkstelligen, stelt de schuld-
eischer, het zij in persoon, het zij door eenen derde, aan den
bewaarder der hypotheken, van den kring waarin de goederen
gelegen zijn, ter hand twee, door den schuldeischer of den
derde onderteekende borderellen, waarvan het eene op het
uitgegeven afschrift van den titel kan gesteld worden.
Die borderellen bevatten:
1 °. Eene bepaalde aanduiding van den schuldeischer en van
den schuldenaar, en de opgave der woonplaats, door
eerstgemelden gekozen binnen den kring van het kan-
toor des bewaarders.
• De inschrijving op de goederen van eenen overledene
kan gedaan worden ten name van den overledene;
2". De dagteekening en den aard van den regtstitel, met
opgave van den ambtenaar door of ten overstaan van
welken de akte is verleden, of van den regter die de
te bezwaren goederen, naar aanleiding van het voor-
laatste lid van artikel 1217, heeft aangeduid;
3°. Het beloop der inschuld, of de begrooting der voor-
waardelijke en onbepaalde regten welke verzekerd moeten
worden, mitsgaders den tijd waarop de schuld opeisch-
baar is;
4°. De aanduiding van den aard en de ligging der goede-
ren waarop de hypotheek is gevestigd, naar aanleiding
der kadastrale indeeling, onverminderd het bepaalde bij
-ocr page 236-
XX TITEL. VAN ONDERZETTING OF HYPOTHEEK.              229
het tweede lid van artikel 1219, ten aanzien van tiende
en grondrenten;
5°. De bedingen welke, naar aanleiding van het vorige
artikel, mitsgaders van het tweede lid van art. 1223 en
van het tweede lid van art. 1254, tusschen den schuld-
eiseher en den schuldenaar mogten gemaakt zijn.
1232.  De bewaarder behoudt een der borderellen, ten einde
hetzelve in zijn register in te schrijven onder de dagteekening
van de overgave. Hij geeft onmiddelijk aan dengenen die de
inschrijving verzocht heeft het andere borderel terug, aan den
voet van hetwelk hij den dag der overgave vermeldt. Hij is
eindelijk verpligt, indien zulks gevorderd wordt, uiterlijk bin-
nen vier en twintig uren, op dat borderel naderhand bij te
voegen het nommer waaronder de inschrijving in zijne regis-
ters heeft plaats gehad. Beide deze verklaringen zullen door
hem worden onderteekend.
1233.  Bij het vorderen der aanteekening, waarvan in artikel
1154 gesproken wordt, zijn de schuldeischers of de legataris-
sen verpligt aan den bewaarder der hypotheken ter hand te
stellen:
1°. Een authentiek afschrift van den eisch tot afscheiding
der goederen;
2°. De doodakte van den overledene, of een ander deugde-
lijk bewijs dat de regtsvordering is aangevangen binnen
de zes maanden na het openvallen der nalatenschap;
3°. Twee borderellen houdende, naar het voorschrift van
artikel 1231, N°. 4, de aanduiding van den aard en de
ligging der goederen, ter zijde van welke de aanteeke-
ning wordt gevorderd; en zijn de bepalingen van art.
1232 op deze borderellen toepasselijk.
1234.  Het is aan dengenen die eene inschrijving heeft laten
doen, alsmede aan zijne vertegenwoordigers, of die uit krachte
eener authentieke akte deszelfs regt verkregen hebben, geoor-
loofd om in het register der hypotheken de door hem gekozen
woonplaats te veranderen, mits hij eene andere in denzelfden
kring kieze en aanwijze.
1235.  De inschrijving kan, ter zake van verzuim der hier-
boven voorgeschrevene formaliteiten, niet worden vernietigd,
dan alleenlijk in geval zij den schuldeischer, den schuldenaar,
de schuld, of het bezwaarde goed, niet op eene voldoende wjjze
kenbaar maken.
1236.  De inschrijving doet de hypotheek stand houden zon-
der vernieuwing.
1237.  De kosten der inschrijving zijn voor rekening van den
schuldonaar, indien het tegendeel niet bedongen is.
1238.  De regtsvorderingen tegen de schuldeischers, waartoe
-ocr page 237-
230
It BOEK. VAN ZAKEN.
do inschrijvingen aanleiding kunnen geven, moeten aangelegd
worden voor de bevoegde regtbank, door middel van dagvaar-
dingen, gedaan aan hunnen persoon, of aan de laatste woon-
plaats, die blijkens het register gekozen is; en zulks niette-
genstaande het overlijden, het zij van de schuldeischers, het
zij van degenen bij wie zij domicilie hebben gekozen.
DERDE AFDEELING.
Van de doorhaling der inschrijvingen.
1239.  De inschrijvingen worden ten koste van den schuldenaar
doorgehaald, of met toestemming der daartoe bevoegde belang-
hebbende partijen, of ten gevolge van een vonnis, het zij in
het hoogste ressort gewezen, het zij in kracht van gewijsde
gegaan.
1240.  In beide gevallen, leggen degenen die de doorhaling
verzoeken ten kantore van den bewaarder over eone authentieke
akte, waarbij tot de doorhaling wordt gemagtigd, of een
authentiek afschrift van zoodanige akte of van het vonnis,
daartoe strekkende.
Bij de in het vorig lid bedoelde authentieke akte mag nie-
mand als lasthebber optreden dan voorzien van eene schriftelijke
volmagt.
1241.    Indien in eene doorhaling niet wordt toegestemd,
moet dezelve gevraagd worden voor de regtbank, onder welker
regtsgebied de inschrijving gedaan is, ten ware die vordering
ondergeschikt zij aan een geschil, hangende voor eene andere
regtbank; in welk geval, de eisch tot doorhaling zal verwezen
worden naar de regtbank, voor welke het hoofdgeschil aan-
hangig is.
Echter zal de overeenkomst, tusschen den schuldeischer en
den schuldenaar aangegaan, om, ingeval van geschil de vorde-
ring voor eene door hen bepaalde regtbank te brengen, tusschen
henlieden moeten nagekomen worden.
VIERDE AFDEELING.
Van de gevolgen der hypotheken legen derde bezit/eis.
1242.  De schuldeischor die eene ingeschrevene hypotheek
heeft, vervolgt zijn regt op het verbonden onroerende goed, in
welke handen zich dat ook bevinde, om gerangschikt on be-
taald te worden volgens de orde van inschrijving.
-ocr page 238-
XX TITEL. VAN ONDERZETTING OF HYPOTHEEK.              231
1243.  De schuldeischer heeft het regt om, na gedaan bevel
aan den schuldenaar, het verbonden onroerende goed onder
den derden bezitter in beslag te nemen en te doen verkoopen.
Hierbij, en bij de rangschikking op de opbrengst daarvan,
tusschen de onderscheidene schuldeischers, moeten de formali-
teiten worden in acht genomen ten opzigte van geregtelijke
uitwinningen en rangschikking, in het Wetboek van Burger-
lijke Regtsvordering voorgeschreven.
1244.   De derde bezitter kan zich tegen den verkoop ver-
zetten, indien hij kan aanwijzen, dat zich alsnog in het bezit
van den oorspronkelijken schuldenaar bevinden een of meer
onroerende goederen, mede hypothekair voor dezelfde schuld
verbonden, en klaarblijkelijk voldoende om daaraan die schuld
te verhalen. In zoodanig geval kan hij, met schorsing der uit-
winning van zijn eigendom, de voorafgaande uitwinning van
het mede-verbonden goed onder den oorspronkelijken schul de-
naar vorderen.
1245.  In geval eene hypotheek is gevestigd op één onroerend
goed, en een of meerder gedeelten daarvan tot derde bezitters
mogten zijn overgegaan, behoudt de schuldeischer de bevoegd-
heid om zijn regt op het verbonden goed, of op zoodanig ge-
deelte daarvan, als hij raadzaaam of voldoende acht, voor het
geheel te doen gelden, even als of het verhondene zich nog
onverdeeld in het bezit van den schuldenaar bevond.
1246.    De derde bezitter die, het zij bij uitwinning, het zij
vrijwillig, de schuld heeft gekweten, is bevoegd, als daardoor,
uit kracht der wet, in de regten des schuldeischers zijnde ge-
treden, om. na aftrek van zijn aandeel in evenredigheid tot de
gezamenlijke waarde van de verbondene goederen, de verdere
hypothekaire regten voor deze inschuld op de mede-verbondene
goederen, of gedeelten van dezelve, te doen gelden.
1247.  In de gevallen bij de twee vorige artikelen vermeld,
zal de inschrijving van de hypotheek alleen op dat goed óf
gedeelte van hetzelve worden doorgehaald, waarop de schuld-
vordering is verhaald, of waarvan de derde bezitter de schuld
heeft gekweten, en op het verder verbondene niet eer dan nadat
de betaald hebbende of uitgewonnen derde bezitter zijn regt,
volgens het laatstvoorgaande artikel, zal hebben doen gelden,
of in de doorhaling zal hebben toegestemd. Tot verzekering
van zijn regt, is de gesubrogeerde schuldeischer verpligt daar-
van aanteekening te laten doen op de openbare registers.
,1248. De derde bezitter heeft altijd het regt, tot op het
tijdstip der toewjjzing toe, om de uitwinning van het bij hem
bezeten verbonden goed te doen ophouden, door de kwijting
van de ingeschrevene schuld met de renten overeenkomstig
artikel 1229, mitsgaders de kosten.
-ocr page 239-
232                                     II BOEK. VAN ZAKEN.
1249.    Hetgeen het verbonden goed bij uitwinning meer •
opbrengt dan de hypothekaire lasten en kosten bedragen,
wordt uitgekeerd aan den derden bezitter.
1250.  De ert\'dienstbaarheden en andere zakelijke regten,
zoo wel ten laste als ten bate van het uitgewonnen goed,
die door den overgang aan den derden bezitter waren te niet
gegaan, herleven, nadat hetzelve aan een ander is toegewezen.
1251.  De verminderingen welke, door schuld of onacht-
zaamheid van den derden bezitter, ten nadeele der hypothekaire
schuldeischers, aan het goed zijn veroorzaakt, leveren tegen
denzélven eene regtsvorclering tot schadeloosstelling op; hij
kan de door hem gemaakte onkosten en verbeteringen niet
terug vorderen, dan ten beloope van hetgeen het goed, door
de verbeteringen, in waarde vermeerderd is.
1252.  De derde bezitter die de hypothekaire schuld betaald,
of de geregtelijke uitwinning daarvoor heeft ondergaan, heeft
zijn verhaal tot vrijwaring tegen den schuldenaar.
VIJFDE AFDEELING.
Van het te niet gaan der hypotheken.
1253.   De hypotheken gaan te niet:
1". Door het te niet gaan der hoofd-verbindtenis;
2". Door des schuldeischers afstand van de hypotheek;
3°. Door geregtelijke rangschikking.
1254.  Degene die het bezwaarde goed heeft gekocht, het
zij bij geregtelijke uitwinning, het zij ten gevolge eener wil-
lige verkooping voor eenen in geld bepaalden prijs, kan vor-
deren dat het gekochte perceel worde ontlast van alle hypo-
thekaire lasten, die den koopprijs te boven gaan, met inacht-
neming der voorschriften bij de volgende artikelen gegeven.
De zuivering zal echter bij willige verkooping geene plaats
hebben, indien de partijen bij het vestigen der hypotheek zulks
uitdrukkelijk zijn overeengekomen, en dat beding op de open-
bare registers is aangeteekend.
Zoodanig beding kan slechts door den eersten hypothekairen
schuldeischer gemaakt worden.
1255.  In geval van willige verkooping, zal de vordering
tot ontlasting niet kunnen worden gedaan, ten zij de ver-
kooping hebbe plaats gehad in het openbaar, volgens plaat-
selijke gebruiken, ten overstaan van eenen openbaren ambte-
naar, en in tegenwoordigheid van den regter van het kanton,
-ocr page 240-
XX TITEL. VAN ONDERZETTING OF HYPOTHEEK.              233
alwaar alle of het meerendeel der goederen gelegen zijn; en
voorts de ingeschrevene schuldeischers daarvan zijn verwittigd
geworden, ten minste dertig dagen voor de toewijzing, bij
een exploit, hetwelk zul moeten worden beteekend aan de
woonsteden die de schuldeischers bij de inschrijving hebben
gekozen.
1256- De kooper die het genot wil hebben van het voor-
regt, bij artikel 1254 vermeld, is gehouden om, binnen eene
maand na de toewijzing, eene geregtelijke rangschikking tot
verdeeling van den koopprijs te doen openen, overeenkomstig
de regelen bij het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering
voorgeschreven.
1257.  Bij de rangschikking zal de doorhaling worden bevo-
len van de inschrijvingen die niet batig zijn gerangschikt.
Zoodanige inschrijvingen die slechts voor een gedeelte batig
in aanmerking komen, zullen slechts voor dat gedeelte in
stand blijven, tot op de betaling toe, welke de schuldeischer
dadelgk zal kunnen vorderen, zonder aanzien of de inschulden
opeischbaar of niet opeischbaar zijn.
Ten opzigte van inschulden welker geheel bedrag batig is
gerangschikt, zullen de inschrijvingen gehandhaafd blijven, en
de kooper tot dezelfde verpligtingen zijn verbonden, en
dezelfde tijdsbepalingen en uitstellen genieten, als de oor-
spronkelijke schuldenaar.
1258.  Bij het opmaken der hoegrootheid van hypothekaire
inschrijvingen, zal de altijddurende rente worden berekend
tegen de hoofdsom, in de akte vermeld, en, bij gebreke daar-
van, tegen het twintigvoud der rente; en zullen lijfrenten of
levenslange pensioenen worden berekend, en tot hoofdsom
gebragt, naar gelang van den ouderdom des genieters, of van
dengenen op wiens lijf de lijfrente is gevestigd, of\' naar den
tijd gedurende welken het genot moet duren; alles overeen-
komstig de gewone waarde der lijfrenten, naar begrooting
van deskundigen.
1259.   Inschrijvingen op goederen van voogden, curators en
mans, ten behoeve van minderjarigen, onder curatele gestelden,
of getrouwde vrouwen, en, in het algemeen, alle inschrijvingen
voor schulden, voortspruitende uit verbindtenissen die voor-
waardelijk zijn, of welker hoegrootheid onbepaald is, blijven,
in zoo verre zij voor het geheel, of voor een gedeelte, batig
zijn gerangschikt, ten laste van het verkochte perceel gehand-
haafd, tot op het tijdstip waarop, na het vervallen der voogdij
of der curatele, de ontbinding des huwelijks, of de uitkomst
van de voorwaardelijke of onbepaalde verbindtenis, zal blijken
of, en tot welk beloop, de hypothekaire schuldeischers op de
kooppenningen geregtigd zijn.
-ocr page 241-
234                                     II BOEK. VAN ZAKEN.
1260.  De kooper houdt de kooppenningen onder zich tot
het beloop der som waarmede het perceel, naar aanleiding
van het vorig artikel, belast blijft; indien daaromtrent bij de
veilconditiën niets anders is bepaald, is hij verpligt aan den
verkooper of andere geregtigden de wettelijke rente dier som
uit te keeren tot op het tijdstip der eindelijke uitbetaling van
den koopschat.
1261.   Indien echter de kooper, of zijne opvolgers, het per-
ceel zoodanig verslimmeren of verwaarloozen, dat daardoor de
zekerheid der geregtigden zoude kunnen verminderen of ver-
loren gaan, hebben deze de bevoegdheid om in regten te eischen
dat de onbetaalde kooppenningen dadelijk zullen worden af-
gelost, en belegd, het zij in hypothekaire inschrijvingen op
andere onroerende goederen, het zij in inschrijvingen op het
grootboek der nationale werkelijke schuld; in beide gevallen,
onder hetzelfde verband, en onder dezelfde bepalingen, als of
de kooppenningen onder den kooper, of diens opvolgers, waren
verbleven; alles onverminderd de vergoeding van kosten, scha-
den en interessen, zoo daartoe gronden zijn.
Ingeval de eisch tot dadelijke aflossing, bij het vorige lid
bedoeld, wordt toegewezen, zal de regter tevens eenen bekwa-
men persoon benoemen, die met de .ontvangst der kooppen-
ningen en de belegging zal belast zijn.
1262.    Indien, in het geval van art. 1259, bij uitkomst blijkt
dat degene te wiens behoeve de inschrijving is geschied niets
te vorderen heeft, of minder dan de oorspronkelijk ingeschre-
vene som, wordt het verband opgeheven, en worden de onvol-
dane kooppenningen uitgekeerd, het zij ten behoeve van-de
hypothekaire schuldeischers, wier inschrijvingen geheel of ge-
deeltelijk niet batig waren gerangschikt, en zulks met inacht-
neming van den rang waarin zij waren geplaatst, het zij ten
behoeve van den oorspronkelijken oigenaar des perceels, of
andere regthebbenden.
1263.   Indien ter zake van inschrijvingen, hij hetzelfde arti-
kel 1259 vermeld, latere geheel of gedeeltelijk niet batig zijn
gerangschikt, en alzoo moeten worden doorgehaald, zal de
regier bij het vonnis van rangschikking bevelen dat door den
hypotheek-bewaarder, ambtshalve, nevens de doorhaling, op de
registers worde aangeteekend dat de schuldeischers hun regt
behouden op hetgeen bij uitkomst van de onbetaalde kooppen-
ningen mogt overschieten.
1264.  In geval, bij regterlijke uitwinning, één perceel, be-
vattende onderscheidene onroerende goederen, waarvan een of
meer onbelast, en andere met hypotheek bezwaard zijn, in zin
geheel voor éénen prijs is verkocht, zal de prijs van elk on-
roerend goed, naar evenredigheid van den geheelen koopprijs,
-ocr page 242-
XX TITEL. VAN ONDERZETTING OP HYPOTHEEK.             235
ten behoeve van de op elk stuk goed ingeschreven sehuld-
eischers, door den regter, na verhoor van deskundigen, worden
bepaald.
ZESDE AFDEKI.INU.
Van de openbare bekendheid der registers, en van de verant\'
woordelijkheid fan de bewaarders der hypotheken.
1265.   De bewaarders der hypotheken zijn gehouden om aan
alle degenen die zulks verlangen inzage te geven van hunne
registers, en een afschrift uit te leveren van de akten welke
op hunne registers zijn overgeschreven, en van de bestaande
inschrijvingen en aanteekeningen, of wel een getuigschrift dat
er geene bestaan.
In allen gevalle, zijn zij verpligt, bijaldien bevorens in-
schrijvingen op het goed hebben bestaan die naderhand zijn
doorgehaald, van die daadzaak, zonder verdere bijzondere aan-
duiding, melding te maken op het door hen te geven afschrift
of getuigschrift.
1266.   Zij zijn verantwoordelijk voor de nadeelen spruitende:
1°. Uit hunne nalatigheid in het doen van tijdige en naauw-
keurige overschrijvingen, inschrijvingen, melding van bo-
perkende bedingen en van aanteekeningen, welke te
hunnen kantore gevorderd zijn;
2°. Uit het verzuim om in hunne getuigschriften molding
te maken van eene of meer bestaande inschrijvingen.
ten ware, in het laatste geval, de misslag voortkwame
uit onvoldoende opgave, die hun niet zoude kunnen
worden ten laste gelegd;
3°. Uit doorhalingen, gedaan zonder dat de stukken, bij
artikel 1240 vermeld, aan hen zijn overgelegd;
4°. Uit het verzuim der opgave, bij het tweede lid van het
vorige artikel vermeld.
1267.  Het onroerende goed, te welk? aanzien de bewaarder,
in zijn getuigschrift, één of meerdere ingeschrevene lasten
mogt verzuimd hebben op te geven, is van die lasten niet
ontheven; behoudens de verantwoordelijkheid van den be-
waarder jegens dengenen die het getuigschrift, waarin de
misslag heeft plaats gehad, verlangd heeft, en onverminderd
het verhaal van den bewaarder op de schuldeischers die on-
verschuldigde betaling hebben genoten.
1268.   In geen geval mogen de bewaarders der hypotheken
weigeren of vertragen oin akten, waarbij de eigendom wordt,
overgedragen, over te schrijven, hypothekaire regten in Ie
-ocr page 243-
236                                      II BOEK. VAN ZAKEN.
schrijven, inzage van hunne registers te geven, of verzochte
getuigschriften af te geven, op straffe van vergoeding van
kosten, schaden en interessen jegens de partijen; te welken
einde, op verzoek van hen die zulks begeeren, door eenen
notaris of deurwaarder, niet twee getuigen, een verslag van
des bewaarders weigering of vertraging zal worden opgemaakt.
-ocr page 244-
DERDE BOEK.
VAN VERBINDTENISSEN.
EERSTE TITEL.
VAN VKRRINDTEKISSKX IN HET ALGEMEEN.
EERSTE AFDEET.INO.
Alge m eene Ji e pa 11 n g e n.
Artikel 1269.
Alle verbindtenissen ontstaan of uit overeenkomst, of\' uit
de wet.
1270.    Zij strekken om iets te geven, te doen, of niet te
doen.
TWEEDE AFDEEI.1N0.
Van de verbindtenissen om iets te geven.
1271.  In de verbindtenis om iets te geven is begrepen de
verpligting om de zaak te leveren, en voor derzelver behoud,
tot op het tijdstip der levering, als een goed huisvader te
zorgen.
Deze laatste verpligting is meer of minder uitgestrekt ten
aanzien van zekere overeenkomsten, waarvan de gevolgen te
dezen opzigte in de titels daartoe betrekkelijk aangewezen
worden.
1272.    De schuldenaar is jegens den sthuldeischer tot ver-
goeding van kosten, schaden en interessen gehouden, indien
hij zich in de onmogelijkheid heeft gesteld om de zaak te leveren,
ot voor derzelver behoud niet behoorlijk heeft gewaakt.
1273.  Bij eene verbindtenis om eene bepaalde zaak te geven,
is deze voor rekening van den schuldeischer, van het oogen-
blik der verbindtenis. Bij nalatigheid van den schuldenaar om
-ocr page 245-
. 238                               III BOEK. VAN VEBBINDTBNI8SEN.
de zaak te leveren, is dezelve,\'van het oogenblik dier nala-
tigheid, voor zijne rekening.
1274.  De schuldenaar wordt in gebreke gesteld, het zij door
een bevel of andere soortgelijke akte, het zij uit kracht e der
verbindtenis zelve, wanneer deze medebrengt dat de schuldc-
naar in gebreke zal zijn, door het enkel verloop van den
bepaalden termijn.
DERDE AFDEEMNO.
Van rerbiiidtenissen om iets te doen, of niet te doen.
1275.  Alle verbiudtenissen om iets te doen, of niet te doen,
worden opgelost in vergoeding van kosten, schaden en inte-
ressen, ingeval de schuldenaar niet aan zijne verpligting
voldoet.
1276.  Niettemin heeft de schuldeischer het regt om de
vernietiging te vorderen van hetgeen strijdig met de verbind-
tenis verrigt is, en hij kan zich door don rogter doen mag-
tigen om, ten koste van den schuldenaar, het gedane te doen
vernietigen; onverminderd de vergoeding van kosten, schaden
en interessen, indien daartoe gronden bestaan.
1277.  De schuldeischer kan ook, in geval de; verbindtenis
niet ten uitvoer wordt gebragt, gemag\'tigd worden om zelf die
verbindtenis te doen uitvoeren ten koste van den schuldenaar.
1278.  Indien de verbindtenis bestaat in iets niet te doen,
is degene die daartegen handelt, uit hoofde van die over-
trediug alleen, gehouden tot vergoeding van kosten, schaden
en interessen.
VIERDE AFDEELINQ.
Van de vergoeding van kosten, schaden en Interessen,
voortspruitende itit het niet nakomen eener
verbindtenis.
1279.    Vergoeding van kosten, schaden en interessen, voort-
spruitende uit het niet nakomen eener verbindtenis, is dan
eerst verschuldigd, wanneer de schuldenaar, na in gebreke te
zijn gesteld, nalatig blijft om die verbindtenis te vervullen,
of indien hetgeen de schuMenaar verpligt was te geven of te
doen, slechts kon gegeven of gedaan worden binnen zekeren
tijd, welken hij heeft laten voorbijgaan.
1280.  De schuldenaar moet, indien daartoe gronden bestaan,
veroordeeld worden tot vergoeding van kosten, schaden en
interessen, zoo dikwijls hij niet bewijzen kan dat het niet uit-
voeren of het niet tijdig uitvoeren der verbindtenis voortkomt
uit eene vreemde oorzaak, die hem niet kan worden toege-
-ocr page 246-
I TITEL. VAN VERBINDTENISSEN IN HET ALGEMEEN.         239
rekend, al heeft er ook geene kwade trouw van zijne zijde
plaats gehad.
1281.   Geene vergoeding van kosten, schaden en interessen
heeft plaats, indien de schuldenaar door overmagt of door
toeval verhinderd is geworden om iets te geven of te doen,
waartoe hij verpligt was, of iets gedaan heeft hetwelk hein
verboden was.
1282.   De vergoeding van kosten, schaden en interessen,
welke de schuldenaar regt heeft te vorderen, bestaat, in het
algemeen, in het verlies hetwelk hij heeft geleden, en in de
winst welke hij heeft moeten derven, behoudens de hierna
vermelde uitzonderingen en wijzigingen.
1283.   De schuldenaar is slechts gehouden tot vergoeding
der kosten, schaden en interessen, welke men voorzien heeft
of heeft kunnen voorzien, ten tijde van het aangaan der ver-
bindtenis, ten ware het aan zijne arglist te wijten zij dat de
verhindtenis niet is nagekomen.
1284.    Zelfs indien het niet nakomen der verbindtenis te
wijten is aan de arglist van den schuldenaar, moet de ver-
goeding van kosten, schaden en interessen, ten opzigte van
de door den schuldeischer gcledene schade en de winstderving,
alleenlijk datgene bevatten, hetwelk een omniddelijk en dade-
lijk gevolg is van het niet nakomen der verbindtenis.
1285.  Indien bij de verbindtenis bepaald is dat degene die
in gebreke blijft om dezelve na te komen, bij wege van scha-
devergoeding, eene zekere som zal betalen, kan aan de andere
partij geene meerdere noch mindere som worden toegewezen.
1286.   In verbindtenissen die alleen betrekkelijk zijn tot de
betaling van eene zekere geldsom, bestaat de vergoeding van
kosten, schaden en interessen, uit vertraging in de uitvoering
voortkomende, alleenlijk in de bij de wet bepaalde interessen,
behoudens de bijzondere regelen op den koophandel en op
borgtogten betrekkelijk.
Die vergoeding van kosten, schaden en interessen is ver-
schuldigd, zonder dat de schuldeischer eenig verlies behoeve
te bewijzen.
Zjj is alleenlijk verschuldigd van den dag dat dezelve in
regten gevorderd is, uitgezonderd de gevallen waarin de wet
die van regtswege doet loopen.
1287.    Vervallene interessen van hoofdsommen kunnen
wederom interessen opbrengen, het zij ten gevolge eener ge-
regtelijke aanvraag, het zij krachtens eene bijzondere overeen»
komst, mits de aanvraag of do overeenkomst loope over
latei\'ensi\'n, ten minste voor een geheel jaar verschuldigd.
1288.    Niettemin brengen vervallen inkomsten, als pacht-
en huurpenningen, altjjddureade of lijfrenten, interessen voort,
-ocr page 247-
240                               III BOEK. VAN VEBBINDTENISSEN.
van den dag dat de eisch gedaan, of de overeenkomst gesloten is.
Dezelfde regel is toepasselijk op teruggaven van vruchten
en op interessen, die door oenen derde aan den schuldeischer
tot ontlasting van den schuldenaar betaald zijn.
VIJFDE AFDEELNO.
Van voorwaardelijke verbindtenissen.
1289.   Eene verbindtenis is voorwaardelijk, wanneer men
dezelve doet afhangen van eene toekomstige en onzekere
gebeurtenis, het zij door de verbindtenis op te schorten, tot
zoodanige gebeurtenis plaats hebbe, het zij door de verbind-
tenis te doen vervallen, naar mate de gebeurtenis al of, niet
voorvalt.
1290.   Alle voorwaarden om iets te doen dat onmogelijk,
met de goede zeden strijdig, of bij de wet verboden is, zijn
nietig, en maken de overeenkomst, die men daarvan heeft
doen afhangen, van onwaarde.
1291.    De voorwaarde om iets niet te doen hetwelk onmo-
gelijk is, maakt de verbindtenis, onder die voorwaarde aange-
gaan, niet van onwaarde.
1292.    Alle verbindtenissen zijn nietig, indien derzelver
vervulling alleenlijk afhangt van den wil van dengenen die
verbonden is. Indien echter de verbindtenis afhangt van eene
daad, waarvan de vervulling in zijne magt staat, en die daad
heeft plaats gehad, is de verbindtenis van kracht.
1293.  Alle voorwaarden moeten vervuld worden op zoodanige
wijze als partijen waarschijnlijk gewild en verstaan hebben.
1294.  Indien eene verbindtenis afhangt van de voorwaarde
dat zekere gebeurtenis binnen eencn bepaalden tijd zal plaats
hebben, wordt de voorwaarde gehouden te ontbreken, indien
de tijd verloopcn is, zonder dat de gebeurtenis hebbe plaats
gehad.
Bijaldien de tijd niet bepaald is. kan de voorwaarde altijd
vervuld worden, en wordt dezelve niet gehouden te ontbreken,
voordat het zeker is dat de gebeurtenis geen plaats zal hebben.
1295.  Indien eene verbindtenis afhangt van de voorwaarde
dat zekere zaak binnen eenen bepaalden tijd niet zal gebeuren,
is die voorwaarde vervuld, indien de tijd verloopen is, zonder
dat de bedoelde zaak gebeurd zij. De voorwaarde is insgelijks
vervuld, indien het, vóór het verloop van dien tijd, zeker is
dat de gebeurtenis geen plaats zal hebben; doch wanneer er
geen tijd is bepaald, is de voorwaarde niet vervuld voordat
liet zeker is dat de bedoelde zaak niet zal gebeuren.
1296.  De voorwaarde wordt gehouden voor vervuld, indien
-ocr page 248-
I TITEL. VAN VERBINDTENISSEN IN HET ALGEMEEN.          241
de schuldenaar, die zich onder dezelve verbonden heeft, de
vervulling der voorwaarde heeft verhinderd.
1297.  Indien de voorwaarde vervuld is, werkt zij achteruit,
tot den tijd, waarop de verbindtenis is geboren.
Bij overlijden van den schuldeischer vóór de vervulling van
de voorwaarde, gaan mitsdien deszelfs regten over op zijne
erfgenamen.
1298.  De schuldeischer kan, vóór de vervulling der voor-
waarde, alle middelen in het werk stellen welke tot bewaring
van zijn regt noodzakelijk zijn.
1299.  Eene verbindtenis onder eene opschortende voorwaarde
is de zoodanige welke afhangt, of van eene toekomstige en
onzekere gebeurtenis, of van eene reeds gebeurde, doch aan
partijen nog onbekende zaak.
In het eerste geval, kan de verbindtenis niet worden ten
uitvoer gebragt, dan nadat de gebeurtenis heeft plaats gehad;
in het tweede geval, is de verbindtenis van kracht van den
dag af dat dezelve is ontstaan.
1300.  Indien de verbindtenis van eene opschortende voor-
waarde afhangt, blijft de zaak die het onderwerp van de
verbindtenis uitmaakt voor rekening van den schuldenaar, die
slechts verbonden is om dezelve te leveren, wanneer de voor-
waarde vervuld is.
Indien de zaak geheel en al is verloren gegaan buiten toe-
doen van den schuldenaar, blijft er noch van de eene, noch
van de andere zijde, eenige verbindtenis bestaan.
Indien de zaak buiten toedoen van den schuldenaar in
waarde is verminderd, heeft de schuldeischer de keus om of
de verbindtenis te verbreken, of de zaak te eischen in den
staat waarin dezelve zich bevindt, zonder eenige vermindering
van den uitgeloofden prijs.
Indien de zaak door toedoen van den schuldenaar in waarde
is verminderd, is de schuldeischer geregtigd om, of de ver-
bindtenis te verbreken, of de zaak te eischen in den staat
waarin dezelve zich bevindt, met vergoeding van kosten,
schaden en interessen.
1301.  Eene ontbindende voorwaarde is de zoodanige welke,
na hare vervulling, de verbindtenis doet ophouden, en de
zaken weer tot den vorigen stand doet terugkeeren, even als
of er geene verbindtenis bestaan had.
De voorwaarde schort de nakoming der verbindtenis niet
op; alleenlijk verpligt zij den schuldeischer om hetgeen hij
ontvangen heeft terug te geven, in geval de bij de voorwaarde
bedoelde gebeurtenis stand grijpt.
1302.   I)e ontbindende voorwaarde wordt altijd vooronder-
steld in wederkeerige overeenkomsten plaats te grijpen, in
16
-ocr page 249-
242                               III BOEK. VAN VERBINDTENISSEN.
geval e ene der partyen aan hare verpligting niet voldoet.
In dat geval, is de overeenkomst niet van regtswege
ontbonden, maar moet de ontbinding in regten gevraagd
worden.
Deze aanvraag moet ook plaats hebben, zelfs indien de ont-
bindende voorwaarde wegens het niet nakomen der verplig-
ting in de overeenkomst mogt zijn uitgedrukt.
Indien de ontbindende voorwaarde niet in de overeenkomst
is uitgedrukt, staat het den regter vrij om, naar gelang der
omstandigheden, aan den verweerder, op deszelfs verzoek,
eenen termijn te gunnen om alsnog aan zijne verpligting te
voldoen, welke termijn echter den tijd van ééne maand niet
mag te boven gaan.
1303.  Degene te wiens opzigte de verbindtenis niet is
nagekomen, heeft de keus om of de andere partij, indien zulks
mogeljjk is, tot de nakoming der overeenkomst te noodzaken,
of derzelver ontbinding te vorderen, met vergoeding van kosten,
schaden en interessen.
ZESDE AFDEELING.
Van verbindtenissen met tijdsbepaling.
1304.  Eene tijdsbepaling schort de verbindtenis niet op,
maar slechts hare uitvoering.
1305.  Hetgeen slechts op tijd verschuldigd is, kan niet
geëischt worden, voordat de vervaltijd verschenen is; maar
hetgeen vooraf betaald is kan niet worden teruggevorderd.
1306.  Eene tijdsbepaling wordt altijd verondersteld bepaald
te zijn ten voordeele van den schuldenaar, ten ware uit den
aard van de verbindtenis zelve, of uit de omstandigheden, mogt
blijken dat de tijdsbepaling ten voordeele van den s3huld-
eischer is geschied.
1307.  De schuldenaar kan het voorregt eener bijgevoegde
tijdsbepaling niet meer inroepen, wanneer hy in staat van
faillissement of van kennelijk onvermogen verklaard is, of door
zijn toedoen de door hem ten behoeve van den schuldeischer
gestelde zekerheid is verminderd.
ZEVENDE AFDEELING.
Van alternatieve verbindtenissen, of van verbindtenissen
die ter keuze van eene der partijen staan.
1308.  In alternatieve verbindtenissen wordt de schuldenaar
bevrijd door de levering van ééne der beide zaken, welke in
de verbindtenis vervat zijn, maar hy kan den schuldeischer
-ocr page 250-
I TITEL. VAN VERBINDTENIS8EN IN HET ALGEMEEN.          243
niet noodzaken om een gedeelte van de eene, en een gedeelte
van de andere te ontvangen.
1309.  De keus behoort aan den schuldenaar, indien dezelve
niet uitdrukkelijk aan den schuldeischer is toegestaan.
1310.  Eene verbindtenis is zuiver en eenvoudig, schoon de-
zelve ter keuze of op eene alternatieve wijze is aangegaan,
indien eene der beide beloofde zaken geen onderwerp der ver-
bindtenis kon uitmaken.
1311.  Eene alternatieve verbindtenis is zuiver en eenvoudig,
indien eene der beloofde zaken verloren gaat, of zelfs door
toedoen van den schuldenaar niet meer kan geleverd worden.
De waarde dier zaak kan niet in derzelver plaats worden aan-
geboden. Indien beide zaken zijn verloren gegaan, en de schul-
denaar oorzaak is van het vergaan van eene van beide, moet
hij de waarde betalen van die zaak, welke het laast is te niet
gegaan.
1312.  Indien in de gevallen, bjj het voorgaande artikel ver-
meld, de keus aan den schuldeischer is gelaten, en eene der
zaken slechts verloren is gegaan, moet de schuldeischer, indien
zulks buiten toedoen van den schuldenaar geschied is, de zaak
hebben, die overgebleven is; indien het door toedoen van den
schuldenaar geschied is, kan de schuldeischer of de overgeble-
ven zaak vorderen, of de waarde van die welke verloren is
gegaan.
In geval beide zaken zijn vergaan, kan de schuldeischer, in-
dien zulks ten aanzien van beide, of zelfs van eene derzelve,
aan de schuld van den schuldenaar is toe te schrijven, de
waarde van de eene of andere vorderen, naar zijne keus.
1313.    Dezelfde beginselen gelden zoo wel in het geval dat
meer dan twee zaken in de verbindtenis zjjn begrepen, als dat
de verbindtenis bestaat in iets te doen of niet te doen.
ACHTSTE AFDEELING.
Van solidaire of hoofdelijke verbindtenissen.
1314.  Eene hoofdelijke of solidaire verbindtenis heeft tusschen
verscheidene schuldeischers plaats, wanneer de titel uitdrukke-
lijk aan ieder van hen het regt geeft om de voldoening der
geheele schuld te eischen, in dier voege dat de betaling, aan
een hunner gedaan, den schuldenaar bevrijdt, ofschoon ook de
verbindtenis uit haren aard tusschen de onderscheidene schuld-
eischers splitsbaar en deelbaar mogt zijn.
1316. Het staat aan de keus van den schuldenaar om den
eenen of anderen der schuldeischers te voldoen, zoo lang hij
niet door een van hen in regten is aangesproken.
-ocr page 251-
244
III BOEK. VAN VERBINDTENISSEN.
Niettemin bevrijdt de kwijtschelding, door een der hoofde-
lijke schuldeischers gedaan, den schuldenaar niet verder dan
voor het aandeel van dien schuldeischer.
1316.  Er heeft hoofdelijke verbindtenis van de zijde dei-
schuldenaren plaats, wanneer zij allen verpligt zijn tot eene
en dezelfde zaak, zoo dat elk hunner voor het geheel kan
worden aangesproken, en de voldoening, door een van hen
geschied, de overige schuldenaars ten aanzien van den schuld-
eischer bevrijdt.
1317.  Eene verbindtenis kan hoofdelijk zijn, alhoewel een
der schuldenaren op eene andere wijze, dan de overige, tot
voldoening derzelfde zaak mogt verpligt zijn, bij voorbeeld,
indien de eene slechts voorwaardelijk verbonden is, terwijl de
verbindtenis van den anderen zuiver en eenvoudig is, of indien
de een eene tijdsbepaling heeft bedongen, welke aan den an-
deren niet is toegestaan.
1318.  Geene verbindtenis wordt voorondersteld hoofdelijk te
zijn, ten zij zulks uitdrukkelijk bepaald zij.
Deze regel lijdt alleenlijk uitzondering in de gevallen, waarin
een verbindtenis uit kracht eener wetsbepaling voor hoofdelijk
gehouden wordt.
1319.  De schuldeischer eener hoofdelijke verbindtenis kan
diengenen der schuldenaren aanspreken,\'welken hij verkiest,
zonder dat deze hem het voorregt van schuldsplitsing kunne
tegenwerpen.
1320.  De vervolgingen, tegen éénen der schuldenaren gerigt,
beletten den schuldeischer niet om ook tegen de overige zijn
regt te doen gelden.
1321.  Indien de verschuldigde zaak mogt vergaan door toe-
doen van een of meer der hoofdelijke schuldenaren, of nadat
deze in gebreke waren gesteld, zijn de overige mede-schulde-
naren niet ontheven van de verpligting om de waarde der
zaak te betalen, doch zijn dezelve niet gehouden tot vergoeding
van kosten, schaden en interessen.
De schuldeischer kan alleenlijk de vergoeding van kosten,
schaden en interessen verhalen, zoowel op de schuldenaren,
door wier toedoen de zaak is verloren gegaan, als op degenen
die in de voldoening nalatig zijn geweest.
1322.  De eisch tot betaling van interessen, tegen een der
hoofdelijke schuldenaren gedaan, maakt dat de interessen ook
loopen ten aanzien van alle de overige.
1323.  Een hoofdelijke mede-schuldenaar, in regten door den
schuldeischer aangesproken zijnde, kan zich bedienen van alle
exceptiën die uit den aard der verbindtenis voortvloeijen, en
van alle die hein persoonlijk eigen zijn, mitsgaders van alle de
zoodanige welke aan alle de mede-schuldenaren gemeen zjjn.
-ocr page 252-
I TITEL. VAN VERBINDTENI8SEN IN HET ALGEMEEN.          245
Hij kan zich niet bedienen van zoodanige exceptiën die enkel
aan de personen van sommige der overige mede-schuldenaren
eigen zijn.
1324.  Indien een der schuldenaren de eenige erfgenaam wordt
van den schuldeischer, of indien de schuldeischer de eenige
erfgenaam wordt van een\' der schuldenaren, doet deze schuld-
vermenging de hoofdelijke schuld niet vervallen, dan alleenlijk
voor zoo veel het aandeel van dien schuldenaar of schuldeischer
betreft.
1325.  De schuldeischer in de verdeeling der schuld ten aan-
zien van een der mede-schuldenaren toegestemd hebbende,
behoudt zijne hoofdelijke vordering tegen de overige, doch
onder aftrek van het aandeel van den schuldenaar, welken hij
van de hoofdelijke verbindtenis ontslagen heeft.
1326.  Een schuldeischer, die het aandeel van een der schul-
denaren afzonderlijk ontvangt, zonder bij de kwijting zijn
hoofdelijk regt, of zijne regten in het algemeen, voor te
behouden, doet geenen afstand van zijn hoofdelijk regt, dan
alleen met betrekking tot dezen schuldenaar.
Een schuldeischer wordt niet geacht den schuldenaar van
zijne hoofdelijke verbindtenis te hebben ontslagen, indien hij
van denzelven eene gelijke som ontvangt als zijn aandeel in
de schuld bedraagt, indien de kwijting niet met zoo vele
woorden inhoudt dat het ontvangene voor zijn aandeel
Btrekken zal.
Hetzelfde geldt ook omtrent den eisch tegen een der mede-
schuldenaren enkel voor zijn aandeel gedaan, zoo lang deze
schuldenaar in den eisch niet heeft toegestemd, of daarop geene
regterlijke veroordeeling gevolgd is.
1327.  Een schuldeischer, die afzonderlijk en zonder voor-
behouding het aandeel van een der mede-schuldenaren in
achterstallige renten of\' interessen eener schuld ontvangt, ver-
liest zijn hoofdelijk regt slechts ten aanzien der vervallene
renten of interessen, en niet ten opzigte van degene welke
nog vervallen moeten, of van de hoofdsom, ten ware de afzon-
derlijke betaling gedurende tien achtereenvolgende jaren mogt
hebben plaats gehad.
1328.  Eene verbindtenis, schoon hoofdelijk zijnde ten aanzien
van den schuldeischer, \' is nogtans van regtswege deelbaar
tusschen de schuldenaren, welke onder elkander niet verder
dan ieder voor zijn aandeel verbonden zijn.
1329.  De mede-schuldenaar eener hoofdelijke verbindtenis
die de geheele schuld voldaan heeft, kan van de overige niet
meer terugvorderen dan het aandeel van ieder hunner bedraagt.
Indien een van hen onvermogend is om te betalen, wordt
het verlies, door zijn onvermogen veroorzaakt, ponds ponds
-ocr page 253-
246                              III BOEK. VAN VERBINDTENI8SEN.
gelijk verdeeld tusschen de overige schuldenaren die betalen
kunnen en dengenen die de schuld voldaan heeft.
1330.  In geval de schuldeischer een der schuldenaren van
deszelfs hoofdelijke verbindtenis heeft ontslagen, en een of
meer der overige schuldenaren onvermogend zijn geworden,
wordt het aandeel der onvermogende ponds ponds gelijk om-
geslagen over alle de schuldenaren, zelfs over degenen die
bevorens van de hoofdelijke verbindtenis zijn ontslagen.
1331.  Indien de zaak, waarvoor verscheidene personen zich
•ils hoofdelijke mede-schuldenaren hebben verbonden, slechts
een van hen aangaat, zijn zij wel ieder voor het geheel aan
den schuldeischer verbonden, maar onder elkander worden zij
beschouwd als borgen voor dengenen wien de zaak betreft, en
moeten dienvolgens door denzelven worden schadeloos gesteld.
NEGENDE AFDEEMNG.
Van deelbare en ondeelbare verbindtenissen.
1332.  Eene verbindtenis is deelbaar of ondeelbaar naar mate
dezelve tot onderwerp heeft of eene zaak die in de levering,
of eene daad die in de uitvoering al of niet vatbaar is, het
zij voor ligchamelijke, het zij voor onligchamelijke verdeeling.
1333.  Eene verbindtenis is ondeelbaar, ofschoon de zaak of
de daad welke zij tot onderwerp heeft uit haren aard deel-
baar zij, indien de strekking der verbindtenis dezelve niet
vatbaar maakt voor eene gedeeltelijke uitvoering.
1334.  Het hoofdelijke eener verbindtenis geeft aan dezelve
geenszins het kenmerk van ondeelbaarheid.
1335.  De verbindtenis die voor verdeeling vatbaar is moet
tusschen den schuldenaar en den schuldeischer worden ten
uitvoer gebragt, even alsof dezelve ondeelbaar was; de deel-
baarheid is slechts van toepassing ten opzigte van hunne erf-
genamen, die de schuld niet kunnen vorderen, of die niet
verpligt zijn dezelve te voldoen, dan alleenlijk voor het aan-
deel waarvan zij erfgenamen zijn, of waartoe zij gehouden zijn,
als vertegenwoordigende den schuldeischer of den schul-
denaar.
1336.  Het beginsel, in het vorige artikel vastgesteld, lijdt
uitzondering opzigtelijk de erfgenamen van den schuldenaar:
1°. In geval het eene hypothekaire schuld betreft:
2°. Wanneer de schuld in eene bepaalde zaak bestaat;
3°. Ten opzigte van eene alternatieve schuld van zaken,
ter keuze van den schuldeischer, indien eene dier
zaken ondeelbaar is;
4°. Indien bij den titel een der erfgenamen alleen met de
uitvoering der verbindtenis belast is;
-ocr page 254-
I TITEL. VAN VERBINDTENISSEN IN HET ALGEMEEN.          247
5\'. Indien, het zij uit den aard der verbindtenis, het zij
van de zaak die daarvan het onderwerp uitmaakt, het
zij uit het oogmerk hetwelk men zich in de overeen-
komst heeft voorgesteld, blijkbaar is dat het de be-
doeling der handelende partijen geweest is, dat de
schuld niet bij gedeelten zoude kunnen voldaan worden.
In de drie eerste gevallen, kan de erfgenaam, die in het
bezit is van de verschuldigde zaak, of van het goed dat voor
de schuld met hypotheek belast is, voor het geheel
vervolgd worden op de verschuldigde zaak, of op het met
hypotheek bezwaarde goed, behoudens zijn verhaal op zijne
mede-erfgenamen.
In het vierde geval, kan de erfgenaam die alleen met de
schuld belast is, en in het vijfde geval kan ook ieder erfge-
naam voor het geheel, worden vervolgd, behoudens het ver-
haal van laatstgemelden op zijne mede-erfgenamen.
1337.  Een iegelijk dergenen die gezamenlijk tot eene
ondeelbare schuld verpligt zijn, is voor het geheel derzelve
aansprakelijk, al ware het ook dat de verbindtenis niet hoof-
delijk mogt zijn aangegaan.
1338.  Hetzelfde geldt ook omtrent de erfgenamen van den-
genen die tot eene zoodanige verbindtenis gehouden is.
1339.  Ieder erfgenaam van den schuldeischer kan de uit-
voering eener ondeelbare verbindtenis in derzelver geheel
vorderen.
Geen hunner alleen mag de geheele schuld kwjjtschelden, noch
de waarde ontvangen, in plaats van de zaak.
Indien slechts een der erfgenamen de schuld heeft kwijt-
gescholden, of de waarde der zaak ontvangen, mag zijn mede-
erfgenaam de ondeelbare zaak niet vorderen, ten zij in reke-
ning brengende het aandeel van den mede-erfgenaam die de
schuld kwijtgescholden of de waarde ontvangen heeft.
TIENDE AFDEELINO.
Van verbindtenissen onder beding van straf of poenaliteit.
1340.  Het beding van straf is zoodanige bepaling waarbij
iemand tot zekerheid .van de uitvoering eener verbindtenis
tot iets bepaalds verpligt is, in geval dezelve niet nageko-
men wordt.
1341.   De nietigheid der hoofdverbindtenis maakt ook het
beding van straf nietig.
De nietigheid van het beding van straf heeft geenszins die
der hoofdverbindtenis ten gevolge.
1342.  De schuldeischer kan, in plaats van de straf te vorderen
-ocr page 255-
248                           III BOEK. VAN VERBINDTENISSEN.
tegen den schuldenaar die in gebreke is, de nakoming der
hoofdverbindtenis eischen.
1313. De bepaling van straf strekt in plaats van vergoe-
ding van kosten, schaden en interessen, welke de schuldeischer
lijdt uit hoofde van het niet nakomen der hoofdverbindtenis.
Hij kan niet te gelijk de hoofdschuld en de straf vorderen,
ten ware de laatstgenoemde enkel op de eenvoudige vertra-
ging mogt gesteld zijn.
1344.  Het zij de oorspronkelijke verbindtenis al of niet eene
tijdsbepaling bevatte, binnen welke dezelve moest uitgevoerd
zijn, is de straf niet verbeurd dan wanneer degene die ver-
bonden is om iets te geven, of om iets te ontvangen, of wel
om iets te doen, daarin nalatig gebleven is.
1345.    De straf kan door den regter gewijzigd worden,
indien de hoofdverbindtenis voor een gedeelte is vervuld.
1346.  Indien de oorspronkelijke verbintenis, met bepaling
van straf, eene ondeelbare zaak betreft, is de straf verschul-
digd door de overtreding van een enkelen der erfgenamen
van den schuldenaar; en dezelve kan gevorderd worden, het
zij voor het geheel van dengenen die tegen de verbindtenis
gehandeld heeft; het zij van ieder der mede-erfgenamen voor
zijn aandeel, behoudens derzelver verhaal op dengenen die
veroorzaakt heeft dat de straf verbeurd is; alles onvermin-
derd de regten der hypothekaire schuldeischers.
1347.  Indien de oorspronkelijke verbindtenis, onder bepaling
van straf, deelbaar is, wordt de straf slechts verbeurd door
dengenen der erfgenamen van den schuldenaar, die tegen
dezelve verbindtenis handelt, en alleen voor zoo verre zijn
aandeel in de hoofdverbindtenis betreft, zonder dat er eenige
regtsvordering kunne bestaan tegen degenen die de verbind-
tenis hebben nagekomen.
Deze regel lijdt uitzondering, wanneer het beding van straf
bijgevoegd is met het oogmerk dat de voldoening niet bij
gedeelten zoude kunnen geschieden, en een der mede-erfge-
namen de nakoming der verbindtenis in derzelver geheel ver-
hindercl heeft; in dit geval, kan de straf van dezen laatstge-
melden voor het geheel geëischt worden, en van de overige
mede-erfgenamen slechts voor hun aandeel, behoudens hun
regt van verhaal.
1348. Indien eene deelbare hoofdverbindtenis, onder bepa-
ling eener ondeelbare straf, slechts ten deele is nage-
komen, wordt de straf, ten aanzien der erfgenamen van den
schuldenaar, vervangen door eene vergoeding van kosten,
schaden en interessen.
-ocr page 256-
II TITEL. VAN VERBINDTBNISSEN DIE UIT CONTRACT ENZ. 249
TWEEDE TITEL.
VAN VERBINDTENISSEN DIE UIT CONTRACT OP OVEREENKOMST
GEBOREN WORDEN.
EERSTE AFDEELING.
Algemeene Bepalingen.
1349.  Eene overeenkomst is eene handeling waarbij een of
meer personen zich jegens een of meer andere verbinden.
1350.  Eene overeenkomst wordt aangegaan om niet, of
onder eenen bezwaren den titel.
De overeenkomst om niet is de zoodanige waarbij de eene
partij aan de andere, zonder eenige baat, een voordeel toekent.
Een overeenkomst onder eenen bezwarenden titel is
zoodanig eene welke ieder der partijen in de verpligting brengt
om iets te geven, te doen, of\' niet te doen.
1351.  In het algemeen, kan niemand zich op zijnen eigen
naam verbinden, of iets bedingen, dan voor zich zelven.
1352.  Niettemin kan men zich voor eenen derde sterk maken
of instaan, door te beloven dat dezelve iets doen zal, behou-
dens de vordering tot schadevergoeding tegen dengenen die
voor eenen derde ingestaan of beloofd heeft denzelven iets te
doen bekrachtigen, indien deze derde weigert om de verbind-
tenis na te komen.
1353.  Men kan ook ten behoeve van eenen derde iets bedin-
gen, wanneer een beding, hetwelk men voor zich zelven maakt,
of eene gift, die men aan een ander doet, zulk eene voor-
waarde bevat.
Die zoodanig een beding gemaakt heeft, kan hetzelve niet
meer herroepen, indien die derde verklaard heeft daarvan te
willen gebruik maken.
1354.  Men wordt voorondersteld bedongen te hebben voor
zich zelven, en voor zijne erfgenamen en regtverkrijgenden,
ten ware het tegendeel uitdrukkelijk bepaald zij, of uit den
aard der overeenkomst mogt voortvloeijen.
1355.  Alle overeenkomsten, het zij dezelve eene eigene be-
naming hebben, het zij dezelve onder geene bijzondere bena-
ming bekend zijn, zijn onderworpen aan algemeene regelen,
welke het onderwerp van dezen en van den vorigen titel uit-
maken.
De bijzondere regelen ten aanzien van bepaalde overeen-
komsten worden opgegeven in de titels welke over ieder dezer
-ocr page 257-
250                               III BOKK. VAN VERBTNDTEJJISSEN.
overeenkomsten handelen, en de bijzondere regelen omtrent
handelszaken zijn vastgesteld bij de wetten tot den koophan-
del betrekkelijk.
TWEEDE AFUEELINO,
Van de voorwaarden welke vereischt worden tot de bestaan-
baarheid der overeenkomsten.
1356.  Tot de bestaanbaarheid der overeenkomsten worden
vier voorwaarden vereischt:
1°. De toestemming van degenen die zich verbinden;
2°. De bekwaamheid om eene verbindtenis aan te gaan;
3°. Een bepaald onderwerp;
4°. Eene geoorloofde oorzaak.
1357.   Geene toestemming is van waarde, indien dezelve
door dwaling is gegeven, door geweld afgeperst, of door be-
drog verkregen.
1358.   Dwaling maakt geene overeenkomst nietig, dan wan-
neer dezelve plaats heeft omtrent de zelfstandigheid der zaak
welke het onderwerp der overeenkomst uitmaakt,
Dwaling is geene oorzaak van nietigheid, indien zij alleen-
lijk plaats heeft omtrent den persoon met wien men voor-
nemens is te handelen, ten zij de overeenkomst voornamelijk
uit aanmerking van dezen persoon zij aangegaan.
1359.  Geweld, gepleegd tegen dengenen die eene verbind-
tenis heeft aangegaan, levert grond op tot nietigheid der
overeenkomst, ook dan wanneer hetzelve gepleegd is door
eenen derde, ten wiens behoeve de overeenkomst niet gemaakt is.
1360.   Geweld heeft plaats, wanneer hetzelve van zoodani-
gen aard is om op een redelijk mensch indruk te maken, en
wanneer het hem de vrees kan inboezemen dat hij zijnen
persoon of zijn vermogen aan een aanmerkelijk en dadelijk
aanwezend nadeel zoude blootstellen.
In het beoordeelen daarvan, moet men acht slaan op den
ouderdom, de kunne en den stand der personen.
1361.   Geweld maakt eene overeenkcmst nietig, niet alleen
wanneer hetzelve gepleegd is jegens eene der handelende
partijen, maar ook jegens derzelver echtgenoot of bloedver-
wanten in de opgaande of de nederdalende linie.
1362.   De vrees alleen uit eerbied jegens vader, moeder of
andere bloedverwanten in de opgaande linie voortkomende,
zonder bijkomend geweld, is onvoldoende tot vernietiging der
overeenkomst.
1363.  Men kan niet meer tegen eene overeenkomst, uit
hoofde van geweld, opkomen, indien na het ophouden van
-ocr page 258-
II TITEL. VAN VERBINDTENISSEN DIE UIT CONTRACT ENZ. 251
het geweld die overeenkomst is goedgekeurd, het zij uitdruk-
kelijk, het zij stilzwijgende, het zij dat men den tjjd, bij de
wet bepaald om in zijn geheel hersteld te worden, hebbe
laten voorbijgaan.
1364.    Bedrog levert eenen grond op tot vernietiging der
overeenkomst, wanneer de kunstgrepen, door eene der par-
tijen gebezigd, van dien aard zijn dat het klaarblijkelijk is
dat de andere party zonder die kunstgrepen de verbindtenis
niet zoude hebben aangegaan.
Bedrog wordt niet voorondersteld, maar moet bewezen
worden.
1365.  Een ieder is bevoegd om verbindtenissen aan te gaan,
indien hij daartoe door de wet niet onbekwaam is verklaard.
1366.  Onbekwaam om overeenkomsten te treffen zijn :
1°. Minderjarigen;
2°. Die onder curatele gesteld zjjn;
3°. Getrouwde vrouwen, in de gevallen bij de wet voorzien,
en, in het algemeen, alle degenen aan wie de wet het
aangaan van zekere overeenkomsten verboden heeft.
1367.  De bij het vorige artikel onbekwaam verklaarde per-
sonen kunnen mitsdien tegen hunne verbindtenissen opkomen
in alle gevallen, waarin dat vermogen niet bij de wet is
uitgesloten.
De personen die bekwaam zjjn om zich te verbinden kun-
nen zich geenszins beroepen op de onbekwaamheid der min-
derjarigen, onder curatele gestelden, en getrouwde vrouwen,
met welke zij gehandeld hebben.
1368.  De zaken welke in den handel zijn kunnen alleen-
ljjk het onderwerp van overeenkomsten uitmaken.
1369.  Eene overeenkomst moet tot onderwerp hebben eene
zaak welke ten minste ten aanzien van hare soort bepaald is.
De hoeveelheid der zaak kan onzeker zijn, mits die hoeveel-
heid naderhand kunne worden bepaald of uitgemaakt.
1370.    Toekomstige zaken kunnen het onderwerp eener
overeenkomst uitmaken.
Men kan echter geenen afstand doen van eene erfenis die
nog niet opengevallen is, noch over zoodanig eene nalaten-
schap eenig beding aangaan, zelfs niet met toestemming van
dengenen over wiens nalatenschap gehandeld wordt; behou-
dens de bepalingen van artikel 224, 231 en 233.
1371.  Eene overeenkomst zonder oorzaak, of uit eene valsche
of ongeoorloofde oorzaak, aangegaan, is krachteloos.
1372.   Indien er geene oorzaak is uitgedrukt, en er echter
eene geoorloofde aanwezig is, of ook indien er eene andere
geoorloofde oorzaak dan de uitgedrukte bestaat, is niettemin
de overeenkomst van kracht.
-ocr page 259-
252                                 III BOEK. VAN VERBINDTENISSEN.
1373.   Eene oorzaak is ongeoorloofd, wanneer dezelve bij
de wet verboden is, of wanneer dezelve strijdig is met de
goede zeden, of met de openbare orde.
DERDE AFDEELING.
Van het gevolg der overeenkomsten.
1374.   Alle wettiglijk gemaakte overeenkomsten strekken
dengenen die dezelve hebben aangegaan tot wet.
Zij kunnen niet herroepen worden, dan met wederzijdsche
toestemming, of uit hoofde der redenen welke de wet daartoe
voldoende verklaart.
Zij moeten te goeder trouw worden ten uitvoer gebragt.
1375.   Overeenkomsten verbinden niet alleen tot datgene
hetwelk uitdrukkelijk bij dezelve bepaald is, maar ook tot
al hetgeen dat, naar den aard van dezelve overeenkomsten,
door de billijkheid, het gebruik, of de wet, wordt gevorderd.
1376.   Overeenkomsten zijn alleen van kracht tusschen de
handelende partijen.
Dezelve kunnen aan derden niet ten nadeele verstrekken;
zij kunnen aan derden geen voordeel aanbrengen, dan alleen in
het geval voorzien bij artikel 1353.
1377.  Niettemin kan door ieder schuldeischer de nietigheid
worden ingeroepen van alle door den schuldenaar onverpligt
verrigte handelingen, hoe ook genaamd, waardoor de schuld-
eischers zijn benadeeld, mits bewezen worde, dat hij het ver-
rigten der handeling zoowel de schuldenaar als degene met
wien of ten wiens behoeve hij handelde, de wetenschap bezat,
dat daarvan benadeeling van de schuldeischers bet gevolg
zoude zijn.
Regten, door derden te goeder trouw verkregen op de goede-
ren die het voorwerp waren van de nietige handeling, worden
geëerbiedigd.
Om de nietigheden van door den schuldenaar gedane han-
delingen om niet in te roepen, kan de schuldeischer volstaan
met aan te toonen, dat de schuldenaar op het oogenblik der
handeling wist, dat hij daardoor zijne schuldeischers benadeelde,
onverschillig of de begiftigde die wetenschap al dan niet
deelde.
VIERDE AFDEELINQ.
Van de uitlegging der overeenkomsten.
1378.  Indien de bewoordingen eener overeenkomst duidelijk
zijn, mag men daarvan door uitlegging niet afwijken.
-ocr page 260-
III TITEL. VAN VERBINDTENISSEN DIE UIT KRACHT ENZ. 253
1379.   Indien de bewoordingen eener overeenkomst voor
onderscheiden uitleggingen vatbaar zijn, moet men veeleer
nagaan welke de bedoeling der handelende partijen geweest
zij, dan zich aan den letterlijken zin der woorden binden.
1380.   Indien een beding voor tweederlei zin vatbaar is,
moet men het veeleer opvatten in den zin waarin hetzelve
van eenige uitwerking kan zijn, dan in dien waarin het geen
het minste gevolg zoude kunnen hebben.
1381.  De bewoordingen voor tweederlei zin vatbaar, moeten
opgevat worden in den zin die met den aard van de overeen-
komst het meest overeenstemt.
1382.  Hetgeen dubbelzinnig is moet uitgelegd worden naar
hetgeen gebruikelijk is in het land of op de plaats, alwaar
de overeenkomst is aangegaan.
1383.  Bestendig gebruikelijke bedingen worden geacht stil-
zwijgend in de overeenkomst te zijn begrepen, schoon dezelve
daarbij niet zijn uitgedrukt.
1384.  Alle bedingen, in eene overeenkomst gemaakt, moeten
in derzelver verband genomen, en het eene door het andere
uitgelegd worden; ieder derzelve moet in den zin worden
opgevat welken het geheel beloop der overeenkomst medebrengt.
1385.   In geval van twijfel, wordt eene overeenkomst uit-
gelegd ten nadeele van dengenen die iets bedongen, en ten
voordeele van hem die zich verbonden heeft.
1386.  Hoe algemeen ook de bewoordingen zijn waarin eenn
overeenkomst aangegaan is, omvat dezelve echter alleen die
zaken waaromtrent het blijkt dat partijen voornemens waren
te handelen.
1387.   Indien men in eene overeenkomst een geval heeft
uitgedrukt, om de verbindtenis duidelijk te maken, wordt
men niet geacht daardoor te hebben willen inkorten en be-
perken de naar regten verbindende kracht, welke de overeen-
komst in de niet-uitgedrukte gevallen heeft.
DERDE TITEL.
VAN VERBINDTENISSEN DIE ÜIT KRACHT DER WET GEBOREN WORDEN.
1388.   De verbindtenissen, die uit kracht der wet geboren
worden, spruiten voort of uit de wet alleen, of uit de wet
ten gevolge van \'s menschen toedoen.
1389.  De verbindtenissen, welke uit kracht der wet geboren
worden ten gevolge van \'s menschen toedoen, vloeijen voort
of uit eene regtmatige, of uit eene onregtmatige daad.
1390.   Wanneer iemand vrijwillig, zonder daartoe last te
hebben bekomen, eens anders zaak met of zonder deszelfs
-ocr page 261-
254                            III BOEK. VAN VEBB1NDTENISSEN.
weten waarneemt, verbindt hij zich daardoor stilzwijgend om
de waarneming voort te zetten en te voltooijen, tot dat degene
wiens belangen hij waarneemt in staat zjj om in die zaak
zelf te voorzien.
Hij moet zich insgelijks belasten met al hetgeen tot die zaak
behoort.
Hij onderwerpt zich aan alle de verpligtingen welke hij
zoude hebben moeten nakomen, in geval hij bij eene uit-
drukkelijke lastgeving was gemagtigd geworden.
1301. Hij is verpligt met zijn beheer voort te gaan, al ware
het ook dat degene wiens belangen hij waarneemt mogt ko-
men te overlijden voordat de zaak is ten einde gebragt, tot
tijd en wijle de erfgenaam dit beheer op zich kan nemen.
1392.   Hij is gehouden opzigtelijk dat beheer de pligten
van een goed huisvader te vervullen.
Niettemin is de regter bevoegd om de vergoeding der kos-
ten, schaden en interessen, welke door schuld of nalatigheid
des waarnemers mogten veroorzaakt zijn, te matigen, naar
gelang der omstandigheden die hem tot de waarneming der
zaak bewogen hebben.
1393.   Degene wiens belangen door een ander behoorlijk
zijn waargenomen, is gehouden de verbindtenissen, door den
waarnemer in zijnen naam aangegaan, na te komen, denzelven
schadeloos te stellen wegens alle persoonlijke door hem aan-
gegane verbindtenissen, en aan hem alle nuttige of noodza-
keiijk gedane uitgaven te vergoeden.
1394.   Hij die eens anders zaak zonder lastgeving heeft
waargenomen, is tot geen loon geregtigd.
1395.   Iedere betaling doet eene schuld vooronderstellen;
hetgeen zonder verschuldigd te zijn betaald is, kan terugge-
vorderd worden.
Ten opzigte van natuurlijke verbindtenissen, waaraan men
vrijwillig voldaan heeft, kan geene terugvordering vallen.
1396.  Die bij vergissing, of met zijn weten, iets ontvangen
heeft dat hem niet verschuldigd was, is verpligt het niet-
verschuldigde terug te geven aan dengenen van wien hij
hetzelve ontvangen heeft.
1397.  Wanneer iemand die bij vergissing meent schuldenaar
te zijn eene schuld betaald heeft, is hij geregtigd om het
betaalde van den schuldeischer terug te vorderen.
Niettemin houdt dit regt op, in geval de schuldeischer, ten
gevolge van die betaling, de schuldbekentenis vernietigd heeft,
behoudens het verhaal van dengenen die betaald heeft op den
wezenlijken schuldenaar.
1398.   Degene die, te kwader trouw, iets ontvangen heeft
hetgeen hem niet verschuldigd was, moet hetzelve teruggeven
-ocr page 262-
III TITEL. VAN VERBINDTENISSEN DIE UIT KRACHT ENZ.         255
met de interessen en vruchten, te rekenen van den dag der
betaling, en zulks onverminderd de vergoeding van kosten,
schaden en interessen, indien de zaak eenige vermindering
heeft ondergaan.
Indien de zaak vergaan is, al had zulks ook door toeval
plaats gehad, is hjj verpligt de waarde te betalen, met vergoe-
ding van kosten, schaden en interessen, ten ware hij konde
bewijzen dat de zaak insgelijks zoude vergaan zijn, indien zij
verbleven was onder dengenen aan wien dezelve had moeten
terug gegeven worden.
1399.   Die iets, hetwelk onverschuldigd te goeder trouw
door hem ontvangen was, verkocht heeft, kan volstaan met
den koopprijs terug te geven.
Indien hij de zaak te goeder trouw om niet heeft vervreemd,
behoeft hij niets uit te keeren.
1400.   Hij aan wien de zaak is terug gegeven, is gehouden
zelfs aan dengenen die dezelve te kwader trouw bezeten heeft
alle noodzakelijke uitgaven te vergoeden, welke tot behoud
der zaak zijn aangewend.
De bezitter is geregtigd om de zaak zoo lang in zjjn bezit
te houden, tot dat die uitgaven vergoed zjjn.
1401. Elke onregtmatige daad, waardoor aan een ander schade
wordt toegebragt, stelt dengenen door wiens schuld die schade
veroorzaakt is in de verpligting om dezelve te vergoeden.
1402.   Een ieder is verantwoordelijk, niet alleen voor de
schade, welke hij door zijne daad, maar ook voor die welke
hij door zijne nalatigheid of onvoorzigtigheid veroorzaakt heeft.
1403.   Men is niet alleen verantwoordelijk voor de schade,
welke men door zijne eigene daad veroorzaakt, maar ook voor
die welke veroorzaakt is door de daad van personen voor
welke men aansprakelijk is, of door zaken welke men onder
zijn opzigt heeft.
De vader en, bij gebreke van dien, de moeder zijn verant-
woordelijk voor de schade, veroorzaakt door hunne minderjarige
kinderen, die bij hen inwonen.
De meesters en degenen die anderen aanstellen tot de waar-
neming hunner zaken zijn verantwoordelijk voor de schade,
door hunne dienstboden en ondergeschikten veroorzaakt in de
werkzaamheden waartoe zij dezelve gebruikt hebben.
De schoolonderwijzers en werkmeesters zijn verantwoordelijk
voor de schade door hunne leerlingen en knechts veroorzaakt,
gedurende den tijd dat dezelve onder hun toezigt staan.
De hier-boven vermelde verantwoordelijkheid houdt op, in-
dien de vader en de moeder, de schoolonderwijzers en werk-
meesters bewijzen dat zy de daad, voor welke zjj aansprakelijk
zouden zijn, niet hebben kunnen beletten.
-ocr page 263-
256                                III BOEK. VAN VERBINDTENISSEN.
1404.  De eigenaar van een dier, of degene die zich van
hetzelve bedient, is, zoo lang hetzelve tot zijn gebruik verstrekt,
aansprakelijk wegens de schade welke het dier heeft veroor-
zaakt, het zij hetzelve onder zijn toezigt en bewaring, dan
wel verdwaald of ontsnapt zij.
1405.  De eigenaar van een gebouw is verantwoordelijk voor
de schade door deszelfs geheele of gedeeltelijke instorting ver-
oorzaakt, indien deze door verzuim van onderhoud, of door
een gebrek in de bouwing of inrigting, is te weeg gebragt.
1406.  In geval van moed willigen of onvoorzigtigen doodslag,
hebben de overblijvende echtgenoot, de kinderen of de ouders
van den nedergeslagene, die door zijnen arbeid plegen te worden
onderhouden, eene regtsvordering tot schadevergoeding, te
waarderen naar gelang van den wederzijdschen stand en de
fortuin der personen, en naar de omstandigheden.
1407- Moedwillige of onvoorzigtige kwetsing of verminking
van eenig deel des ligchaams geeft aan den gewonde het regt
om, behalve de vergoeding der kosten van herstel, ook die der
schade, door de kwetsing of de verminking veroorzaakt, te
vorderen.
Ook deze worden gewaardeerd naar gelang van den weder-
zijdschen stand en de fortuin der personen, en naar de om-
standigheden.
Deze laatste bepaling is in het algemeen toepasselijk bij de
waardering der schade, ontstaan uit elk misdrijf tegen den
persoon gepleegd.
1408.  De burgerlijke regtsvordering ter zake van beleediging
strekt tot vergoeding der schade, en tot betering van het
nadeel, in eer en goeden naam geleden.
De regter zal, bij de waardering daarvan, letten op het min
of meer grove van de beleediging, benevens op de hoedanigheid,
den stand en dé fortuin der wederzijdsche partijen, en op de
omstandigheden.
1409.  De beleedigde kan bovendien eischen dat bij hetzelfde
vonnis worde verklaard, dat de gepleegde daad is lasterlijk,
of beleedigend.
Het vonnis zal, indien de beleedigde zulks vordert, ten koste
des veroordeelden, openbaar worden aangeplakt, bij zoo vele
exemplaren als, en daar waar de regter zulks zal bevelen.
1410- Onverminderd hare gehoudenheid tot schadevergoeding,
kan de verwerende partij de toewijzing van de vordering, bij
het voorgaande artikel vermeld, voorkomen, door het aanbod
en de werkelijke aflegging van eene openbare verklaring voor
den regter, houdende dat haar de gepleegde daad leed doet;
dat zij deswege verschooning vraagt, en den beleedigde houdt
voor een persoon van eer.
-ocr page 264-
IV T1TF.I. VAN HET TE NIET GAAN DKR VERBINDTENISSEN, 257
1411.  De regtsvorderingen in de drie voorgaande artikelen
vermeld, komen ook toe aan de echtgenooten, ouders, groot-
ouders, kinderen en kleinkinderen, wegens beleediging hunnen
echtgenooten, kinderen, kleinkinderen, ouders en grootouders,
na derzelver overlijden, aangedaan.
1412.  De burgerlijke regtsvordering ter zake van beleediging
kan niet worden toegewezen, indien niet blijkt van het oog-
merk om te beleedigen.
Het oogmerk om te beleedigen wordt niet aanwezig geacht
voorzoover de dader klaarblijkelijk heeft gehandeld in het
algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging.
1413.  Ook kan de burgerlijke regtsvordering niet worden
toegewezen, indien de beleedigde aan het telaste gelegd feit
bij regterlijk gewijsde onherroepelijk is schuldig verklaard.
Hij echter die kennelijk met het eenige doel van beleediging,
ook dan wanneer de waarheid der aantijging uit een gewijsde
of eene authentieke akte, blijkt, iemand deswege met beleedi-
gingen vervolgt, is verpligt aan denzelven de schade te ver-
goeden, welke deze daardoor lijdt.
1414.  Alle regtsvorderingen. waaromtrent bij de voorgaande
zes artikelen is gehandeld, vervallen door uitdrukkelijke kwijt-
schelding, öf ook door stilzwijgende, indien, na de gedane en
aan den beleedigde bekend gewordene beleediging, door hem
zoodanige blijken van verzoening of van vergiffenis zijn gege-
ven, die met het voornemen om schadevergoeding of betering
van eer te vorderen niet kunnen worden overeengebragt.
1415.  De regtsvordering tot schadevergoeding, bij artikel
1408 vermeld, gaat niet verloren noch door den dood van den
beleediger, noch door dien van den beleedigde.
1416.   De burgerlijke regtsvordering ter zake van beleedi-
ging vervalt door verloop van een jaar, te rekenen van den
dag dat de daad gepleegd en aan den aanlegger bekend was.
Alle overige burgerlijke regtsvorderingen tot schadevergoe-
ding wegens daden welke tot strafvordering kunnen aanleiding
geven, gaan te niet door de verjaring die ten opzigte dezer
strafvordering is vastgesteld.
VIERDE TITEL.
VAN HET TE NIET GAAN DER VERBINDTENISSEN.
1417.  Verbindtenissen gaan te niet:
Door betaling;
Door aanbod van gereede betaling, gevolgd van consignatie
of bewaargeving;
17
-ocr page 265-
258                                III BOKK. VAN VKKBINUTKNISSKN.
Door schuldvernieuwing;
Door vergelijking of compensatie;
Door schuldvermenging;
Door kwijtschelding der schuld;
Door het vergaan der verschuldigde zaak;
Door de nietigheid of de te nietdoening;
Door de werking eener ontbindende voorwaarde, waarvan
in den eersten titel van dit boek gehandeld is; en
Door verjaring, welke het onderwerp van eenen afzonder-
lijken titel uitmaakt.
KKRSTK AFDBKI.INO.
Van betaling.
1418.   Eene verbindtenis kan gekweten worden door een
ieder die daarbij belang heeft, gelijk een mede-schuldenaar
of een borg.
Eene verbindtenis kan zelfs gekweten worden door eenen
derde, die daarbij geen belang heeft, mits die derde handelde
in naam en tot kwijting van den schuldenaar, of, indien hjj
in zijn eigen naam handelt, hij niet in de regten van den
schuldeischer gesteld worde.
1419.   Eene verbindtenis om iets te doen kan door eenen
derde niet gekweten worden in weerwil van den schuldeischer,
indien deze belang heeft dat de daad door den schuldenaar
zei ven verrigt worde.
1420.  Men moet eigenaar zijn van de zaak die in betaling
gegeven wordt en bevoegd zijn om die te vervreemden, zal
de betaling geldig wezen.
Niettemin kan de voldoening van eene geldsom, of van
eenige andere verbruikbare zaak, niet terug gevorderd worden
van dengenen die dat in betaling gegevene te goeder trouw
verbruikt heeft, alhoewel die voldoening geschied zij door
iemand die daarvan geen eigenaar of onbekwaam was om de
zaak te vervreemden.
1421.  De betaling moe\'; gedaan worden aan den schuldeischer,
of aan iemand die volmagt van hem heeft, of die door den
regter of door de wet gemagtigd is om voor denzelven te
ontvangen.
De betaling, gedaan aan iemand die geene magt had om
voor den schuldeischer te ontvangen, is van waarde, voor zoo
verre de schuldeischer dezelve goedkeurt of daardoor werkelijk
is gebaat geworden.
1422.  De betaling te goeder trouw gedaan aan iemand die
in het bezit is der inschuld, is van waarde, ook dan wanneer
die bezitter naderhand bij uitwinning uit dat bezit gestooten is.
-ocr page 266-
IV TITEL. VAN HET TE NIET GAAN DER VEUBINDTEN1SSEN. 259
1423.   De betaling, aan den schuldeischer gedaan, is niet
van waarde, indien hij niet bekwaam was om dezelve te ont-
vangen, dan voor zoo verre de schuldenaar mogt bewijzen
dat de schuldeischer door de betaling werkelijk is gebaat
geworden.
1424.    De betaling, gedaan door eenen schuldenaar aan
zijnen schuldeischer, in weerwil van eene inbeslagneming of
oppositie, is niet van waarde ten aanzien der schuldeischers
die de inbeslagneming of oppositie gedaan hebben; dezelve
kunnen, naar aanleiding van hun regt, den schuldenaar nood-
zaken om op nieuw te betalen, behoudens, in dat geval, deszelfs
verhaal op den schuldeischer.
1425.    Geen schuldeischer kan genoodzaakt worden eene
andere zaak in betaling te nemen, dan die hem verschuldigd
is, ofschoon ook de aangebodene zaak van gelijke of zelfs
van meerdere waarde zij.
1426.  Geen schuldenaar kan zijnen schuldeischer verpligten
om betaling van eene schuld bij gedeelten te ontvangen, al
mogt die schuld ook deelbaar zijn.
1427.   De schuldenaar van eene zekere en bepaalde zaak
is bevrijd door de afgifte der zaak, in den staat waarin de-
zelve zich ten tijde der levering bevond, mits de verminderin-
gen, welke die zaak mogt ondergaan hebben, niet door zijn
toedoen of verzuim veroorzaakt zijn, noch ook door de schuld
of het verzuim van zoodanige personen voor welke hij ver-
antwoordelijk is, noch ook door dat hij, vóór het opkomen
dier verminderingen, in de levering achterlijk gebleven is.
1428.   Indien de zaak welke verschuldigd is alleenlijk is
bepaald ten aanzien van hare soort, is de schuldenaar, om
zich van de schuld te ontheffen, niet verpligt om van de
beste soort, maar hij kan ook niet volstaan met van de
slechtste te geven.
1429.   De betaling moet gedaan worden ter plaatse welke
bij de overeenkomst bepaald is; indien geene plaats daarbij
vastgesteld is, moet de betaling, ten aanzien van eene zekere
en bepaalde zaak, geschieden ter plaatse alwaar, tijdens het
aangaan der verbindtenis, de zaak, die daarvan het onderwerp
uitmaakt, .zich bevond.
Buiten deze twee gevallen, moet de betaling geschieden
ter woonplaatse van den schuldeischer, zoo lang deze bij
voortduring blijft wonen in de gemeente alwaar hij, ten tijde
van het aangaan der verbindtenis, woonachtig was, en ander-
zins ter woonplaatse van den schuldenaar.
1430.    Ten opzigte van huren, pachten, jaarwedden tot
onderhoud, altijddurende renten of lijfrenten, interessen van
geleende geldsommen, en, in het algemeen, van al wat bij
-ocr page 267-
260                                III BOEK. VAN VERBINDTENISSEN.
het jaar of bij kortere geregelde termijnen betaalbaar is,
wordt door drie kwijtingen, waaruit van de betaling van drie
achtereenvolgende termijnen blijkt, het vermoeden geboren
dat ook de vroegere termijnen voldaan zijn, ten ware het
tegendeel mogt bewezen worden.
1431.   De kosten, op de betaling vallende, komen ten laste
van den schuldenaar.
1432.   De schuldenaar van verscheidene schulden heeft het
regt, by het doen der betaling, te verklaren tot voldoening
van welke dier schulden hij de betaalde som wil doen ver-
strekken.
1433.   De schuldenaar van eene schuld die op interessen
loopt kan, buiten de toestemming van den schuldeischer, de
betaling, welke hij doet, niet doen verstrekken tot aflossing
van de hoofdsom bij voorkeur van voldoening der interessen.
De betaling die gedaan is op de hoofdsom en op de inte-
ressen, maar waarmede de geheele schuld niet is afgedaan,
strekt in de eerste plaats tot voldoening der interessen.
1434.  Wanneer hij die verscheiden sommen schuldig is eene
kwijting heeft aangenomen, waarbij de schuldeischer verklaard
heeft dat hetgeen hij ontvangen heeft in het bijzonder tot
voldoening van eene dezer schulden verstrekt, kan die schul-
denaar niet meer vorderen dat de betaling gerekend worde
tot kwijting van eene andere schuld gedaan te zijn, ten zij er
van de zijde van den schuldeischer bedrog of verrassing hebbe
plaats gehad.
1435.   Indien de kwijting niet inhoudt voor welke schuld
de betaling gedaan is, moet de betaling gerekend worden
gedaan te zijn in voldoening van die schuld, welke de schul-
denaar, onder de te gelijk vervallene schulden, destijds het
meeste belang had te voldoen; doch indien alle de schulden
niet mogten vervallen zijn, wordt de betaling geacht gedaan
te zijn in voldoening der schuld die vervallen was, boven de
nog niet vervallene, ofschoon deze eerste minder bezwarende
zijn mogt, dan de andere.
Indien de schulden van gelijken aard zijn, moet de toereke-
ning op de oudste gedaan worden; doch alles gelijk staande,
geschiedt de toerekening op elke schuld naar evenredigheid.
Indien eene der schulden vervallen is, wordt de toerekening
gedaan even als omtrent de vervallene schulden.
1436.  De subrogatie, of indeplaatsstelling in de regten van
den schuldeischer ten behoeve van eenen derden persoon, die
denzelven betaalt, geschiedt of bij overeenkomst, of uit kracht
der wet.
1437.   Deze indeplaatsstelling geschiedt bij overeenkomst:
1 °. Wanneer de schuldeischer, de betaling van eenen derden
-ocr page 268-
IV TITEL. VAN HET TE NIET GAAN DER VERBINKTENISSEN.        261
persoon ontvangende, denzelven doet treden in de regten,
regtsvorderingen, voorregten en hypotheken, welke hij
ten laste van den schuldenaar heeft.
Deze subrogatie moet uitdrukkelijk, en gelijktijdig
met de betaling, geschieden;
2°. Wanneer de schuldenaar eene som gelds ter leen op-
neemt, ten einde zijne schuld te betalen, en den geld-
schieter in de regten van den schuldeischer te doen treden,
moeten, om deze subrogatie van waarde te doen zijn,
zoowel de akte van geldopneming als de kwijting bij
authentieke akte verleden worden, en moet in de akte
van geldopneming verklaard worden dat de som geleend
is om daarmede de betaling te doen; terwijl voorts de
kwijting moet inhouden dat de betaling gedaan is uit
penningen die tot dat einde door den nieuwen schuld-
eischer zijn voorgeschoten.
Deze subrogatie wordt zonder de medewerking van
den schuldeischer bewerkstelligd.
1438.  Subrogatie heeft plaats uit kracht der wet :
1°. Ten behoeve van dengenen die, zelf schuldeischer zijnde,
eenen anderen schuldeischer, die, uit hoofde van deszelfs
bevoorregte schuld of hypotheek, een beter regt heeft,
voldoet;
2°. Ten behoeve van den kooper van eenig onroerend goed,
die den koopprijs daarvan besteedt tot betaling der
schuldeischers, aan welke dat goed door hypotheek
verbonden was;
3°. Ten behoeve van dengenen die, met anderen, of voor
anderen, gehouden zijnde tot voldoening van eene schuld,
belang had om dezelve te voldoen;
4°. Ten behoeve van den erfgenaam die, eenen boedel onder
het voorregt van boedelbeschrijving aanvaard hebbende,
de schulden der nalatenschap met zijne eigene penningen
betaald heeft.
1439.   De subrogatie, bij de voorgaande artikelen bepaald,
heeft plaats zoo wel tegen de borgen als tegen de schuhle-
naren; dezelve kan den schuldeischer in zijne regten niet
verkorten, indien hij slechts gedeeltelijk betaald is; in dit
geval, kan hij zijne regten, ten aanzien van hetgeen hem nog
verschuldigd blijft, uitoefenen, bij voorkeur boven dengenen
van wien hij slechts eene gedeeltelijke voldoening bekomen
heeft.
-ocr page 269-
262                                III ROEK. VAN VERI1INDTENISSKN.
TWEEDE AFDEELING.
Van aanbod van gereede betaling, gevolgd van consignatie
of bewaargeving.
1440.   Indien de sehuldeischer weigert zijne betaling te
ontvangen, kan de schuldenaar hem aanbod van gereede be-
taling van het verschuldigde doen, en, bij weigering van den
sehuldeischer om hetzelve aan te nemen, de geldsom of zaak
in geregtelijke bewaring stellen.
Zoodanig aanbod, gevolgd van bewaargeving, bevrijdt den
schuldenaar, en strekt te zijnen opzigte tot betaling, mits
hetzelve op eene wettige wijze gedaan zij; blijvende het alzoo
in bewaring gebragte voor rekening van den sehuldeischer.
1441.   Om zoodanig aanbod van waarde te doen zijn, is het
noodig:
1°. Dat hetzelve gedaan worde aan eenen sehuldeischer
die bevoegd is om te ontvangen, of aan dengenen die
de inagt heeft om voor hem te ontvangen;
2°. Dat het gedaan worde door iemand die bevoegd is om
te betalen;
3°. Dat het loope over de geheele opeischbare som en de
interessen, mitsgaders over de kosten die vereffend zijn,
en over eene som gelds voor de kosten die nog niet
vereffend zijn, onder voorbehoud van nadere vereffening;
4°. Dat de tijdsbepaling verschenen zij, indien dezelve ten
behoeve van den sehuldeischer bedongen is;
5*. Dat de voorwaarde waaronder de schuld is aangegaan
vervuld zij:
fi°. Dat het aanbod gedaan worde op de plaats alwaar de
betaling, volgens de overeenkomst, zoude moeten ge-
schieden, en indien er geene bijzondere overeenkomst
deswege bestaat, het zij aan den persoon van den schuld-
eischer het zij te zijner werkelijke of gekozene woonplaats;
7". Dat het aanbod gedaan worde door eenen notaris of door
eenen deurwaarder, beide met twee getuigen.
1442.   Om eene consignatie van waarde te doen zijn, wordt
geene magtiging van den regter vereischt; het is genoegzaam :
1°. Dat dezelve zij voorafgegaan van eene aan den schuld-
eischer beteekende kennisgeving, houdende aanwijzing van
den dag, het uur en de plaats, waarop de aangebodene
zaak in bewaring zal gesteld worden;
2°. Dat de schuldenaar zich van de aangebodene zaak ont-
daan hebbe, door .dezelve in bewaring te stellen ter
plaatse door de wet tot het ontvangen van consignatiën
-ocr page 270-
IV TITEL. VAN HET TE NIET GAAN DER VERBINDTENISSEN. 263
aangewezen, met de interessen tot den dag der bewaar-
stelling toe;
3°. Dat er door den notaris, of door don deurwaarder, beide
met twee getuigen, een proces-verbaal worde opgemaakt
behelzende den aard der aangebodene nuintspeciën, de
weigering van den schuldeischer om dezelve te ontvan-
gen, of dat hij tot die ontvangst niet verschenen is, en
eindelijk het doen van de consignatie zelve;
4°. Dat bijaldien de schuldeischer tot de ontvangst niet ver-
schenen is, het proces-verbaal der consignatie hem betee-
kend zij, met aanmaning om het in bewaring gebragte te
ligten.
1443.  De onkosten, gevallen op het aanbod van gereede
betaling en op de consignatie, zijn voor rekening van den
schuldeischer, indien dezelve wettiglijk zijn geschied.
1444.  Zoo lang het in bewaring gebragte niet door den
schuldeischer is aangenomen, kan de schuldenaar hetzelve terug
nemen; in dat geval, zijn deszelfs medeschuldenaren en borgen
niet bevrijd.
1445.  Wanneer de schuldenaar zelf een vonnis verkregen
heeft, hetwelk in kracht van gewijsde gegaan is, en waarbij
zijn gedaan aanbod goed en van waarde verklaard is, kan hij,
zelfs met toestemming van den schuldeischer, het in bewaring
gebragte niet meer terug nemen ten nadeele zijner mede-schnl-
denaren en borgen.
1446.  De mede-schuldenaren en borgen zijn insgelijks bevrijd,
indien de schuldeischer, na den dag van de beteekening dei-
consignatie, een jaar heeft laten voorbijgaan, zonder derzelver
bestaanbaarheid te betwisten.
1447.   De schuldeischer die zijne toestemming gegeven heeft
dat de schuldenaar het in bewaring gebragte terug neme, nadat
de consignatie bij een regterlijk vonnis, dat kracht van gewijsde
bekomen had, was verklaard van waarde te zijn, kan niet meer,
om betaling van zijne schuld te bekomen, gebruik maken van
de voorregten of hypotheken welke daaraan verknocht waren.
1448.  In geval het verschuldigde bestaat in eene zekere
zaak, welke geleverd moet worden op de plaats alwaar dezelve
zich bevindt, moet de schuldenaar den schuldeischer geregtelijk
doen aanmanen om dezelve naar zich te nemen bij eene akte,
welke aan deszelfs persoon of woonplaats, of aan de woon-
plaats die tot de volbrenging der overeenkomst gekozen is,
moet beteekend worden. Indien deze aanmaning gedaan is, en
de schuldeischer de zaak niet tot zich neemt, kan de schulde-
naar van den regter verlof bekomen om dezelve op eene andere
plaats in bewaring te stellen.
-ocr page 271-
264                                III HOEK. VAN VERBINDTENISSEN.
DERDE AFDEEI.ING.
De seh uldvern ieii wing.
1449.   Schuldvernieuwing wordt op drieërlei wijze te weeg
gebragt:
1°. Wanneer een schuldenaar ten behoeve van zijnen schuld-
eischer eene nieuwe schuldverbindtenis aangaat, welke in
de plaats gesteld wordt van de oude, die daardoor ver-
nietigd wordt;
2°. Wanneer een nieuwe schuldenaar wordt gesteld inde plaats
van den vorigen, die door den schuldeischer van zijne
verbindtenis ontslagen wordt;
3°. Wanneer, ten gevolge eener nieuwe overeenkomst, een
nieuwe schuldeischer gesteld wordt in de plaats van den
vorigen, te wiens opzigte de schuldenaar van zijne ver-
bindtenis ontslagen wordt.
1450.   Schuldvernieuwing kan slechts plaats hebben tus-
schen personen die bekwaam zijn om verbindtenissen aan
te gaan.
1451.  Schuldvernieuwing wordt niet verondersteld; de wil
om dezelve daar te stellen, moet duidelijk uit de akte blijken.
1452.  Schuldvernieuwing, door het in de plaats stellen van
oenen nieuwen schuldenaar, kan geschieden zonder medewerking
van den eersten schuldenaar.
1453.   Delegatie of overzetting, waarbij een schuldenaar aan
zijnen schuldeischer eenen anderen schuldenaar geeft, die zich
ten behoeve van den schuldeischer verbindt, brengt geene schuld-
vernieuwing te weeg, indien de schuldeischer niet uitdrukkelijk
verklaard heeft dat hij van meening was om zijnen schuldenaar,
die de overzetting gedaan heeft, van deszelfs verbindtenis te
ontslaan.
1454.   De schuldeischer zijnen schuldenaar, door wien de
overzetting geschied is, van zijne verpligting ontslagen heb-
bende, heeft op denzelven geen verhaal, indien de in de plaats
gestelde in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen
is geraakt, ten ware zulks bij de overeenkomst uitdrukkelijk
mogt zijn voorbehouden, of de in de plaats gestelde schuldenaar
reeds op het oogenblik der overzetting openlijk in staat van
faillissement of van kennelijk onvermogen mogt zijn geraakt.
1455.   De schuldenaar die zich, bij overzetting, aan eenen
nieuwen schuldeischer verbonden heeft, en daardoor ten aanzien
van zijnen vorigen schuldeischer ontslagen is, kan aan den
nieuwen schuldeischer niet tegenwerpen de exceptiën, welke hij
tegen den eersten zoude hebben kunnen doen gelden, al ware het
-ocr page 272-
IV TITEL. VAN HET TE NIET GAAN DER VERBINDTENISSEN. 265
dat dezelve hem bij het aangaan der nieuwe verbindtenis niet
bekend zijn geweest, behoudens echter, in het laatste geval,
deszelfs verhaal op den oorspronkelijken schuldeischer.
1456.  Enkele aanwijzing, door den schuldenaar gedaan, van
iemand die voor hem betalen moet, brengt geene schuldver-
nieuwing te weeg.
Hetzelfde geldt ook omtrent een enkele aanwijzing, door
den schuldeischer gedaan, van iemand die voor hem moet
ontvangen.
1457.   De voorregten en hypotheken, aan de oude schuld-
vordering verbonden, gaan niet over tot die welke in derzelver
plaats is gesteld, ten ware de schuldeischer zich zulks uitdrukkelijk
mogt hebben voorbehouden.
1458.  Wanneer de schuldvernieuwing wordt te weeg gebragt
door eenen nieuwen schuldenaar in de plaats van den vorigen
te stellen, gaan de voorregten en hypotheken die oorspronkelijk
aan de schuldvordering verbonden waren niet over op de
goederen van den nieuwen schuldenaar.
1459.  Wanneer de schuldvernieuwing plaats vindt tusschen
den schuldeischer en een der hoofdelijke schuldenaren, kunnen
de voorregten en hypotheken niet voorbehouden worden, dan
alleenlijk op de goederen van dengenen die de nieuwe schuld-
verbindtenis aangaat.
1460.  Uoor de schuldvernieuwing, tusschen den schuldeischer
en een der hoofdelijke schuldenaren gemaakt, worden de overige
mede-schuldenaren van hunne verbindtenis ontslagen.
Schuldvernieuwing, ten aanzien van den hoofdschuldenaar te
weeg gebragt, ontslaat de borgen.
Indien evenwel de schuldenaar, in het eerste geval, de toe-
treding der mede-schuldenaren, en, in het tweede, die der
borgen gevorderd heeft, en de mede-schuldenaren of borgen
weigeren om tot de nieuwe schikking toe te treden, blijft
de oude schuldverbindtenis voortduren.
VIERDE AEDEELING.
Van compensatie of vergelijking van schuld.
1461.   Twee personen wederkeerig elkanders schuldenaren
zijnde, heeft tusschen dezelve vergelijking plaats, door welke
de wederzijdsche schulden worden vernietigd, op de wijze en in de
gevallen hierna vermeld.
1462.   Arergelijking heeft van regtswege plaats, zelfs buiten
weten der schuldenaren, en de beide schulden vernietigen
elkander over en weder, op het oogenblik dat zij te gelijk
bestaan, ten beloope van derzelver wederkeerig bedrag.
-ocr page 273-
266                                III BOEK. VAN VBRBINDTENI88KN.
1463.  Vergelijking heeft alleen plaats tussehen twee schulden
die beide tot onderwerp hebben eene geldsom, of eene zekere
hoeveelheid van zaken die door het gebruik te niet gaan, van
dezelfde soort, en die wederzijds voor eene dadelijke vereffening
en opeisching vatbaar zijn.
Leveringen van granen en levensmiddelen welke niet betwist
worden, en waarvan de waarde bij prijscouranten bepaald is,
kunnen in vergelijking gebragt worden tegen vereffende en
opeischbare geldsommen.
1464.  Bekomen uitstel van betaling verhindert geene ver-
gelijking.
1465.  De vergelijking heeft plaats uit welke oorzaak ook
de wederzijdsche schulden voortspruiten, uitgezonderd:
1°. Wanneer de teruggave geëischt wordt van eene zaak,
waarvan de eigenaar wederregtelijk ontzet is;
2°. Wanneer geëischt wordt de teruggave van iets hetwelk
in bewaring of bruikleen gegeven is;
3°. Ten aanzien eener schuld, spruitende uit hoofde van
levens-onderhoud hetwelk verklaard is niet in beslag te
kunnen worden genomen.
1466.  Een borg kan in vergelijking brengen hetgeen de
schuldeischer aan den hoofdschuldenaar verschuldigd is, maar
de hoofdschuldenaar kan niet in vergelijking brengen hetgeen
de schuldeischer aan den borg verschuldigd is.
De hoofdelijke schuldenaar mag insgelijks niet in vergelijking
brengen hetgeen door den schuldeischer aan zijnen mede-schul-
denaar verschuldigd is.
1467.  Een schuldenaar die zuiver en eenvoudig heeft toege-
stemd in de overdragt van regten, door den schuldeischer aan
eenen derden gedaan, kan zich niet meer tegen dengenen te
wiens behoeve die overdracht gedaan is bedienen van de ver-
gelijking, welke hij, vóór dezelve, aan zijnen schuldeischer had
kunnen tegenwerpen.
De overdragt van regten, waarin de schuldenaar niet heeft
toegestemd, maar die aan denzelven is beteekend geworden,
verhindert slechts de vergelijking der schulden welke na de
gedane beteekening zijn aangegaan.
1468.  Indien de wederzijdsche schulden niet ter zelfde plaatse
betaalbaar zijn, kunnen dezelve niet in vergelijking gebragt
worden, dan met vergoeding van de kosten der overmaking.
1469.  Indien er verscheiden voor vergelijking vatbare en
van denzelfden persoon vorderbare schulden bestaan, moet men,
ten aanzien der vergelijking, de regelen volgen welke bij arti-
kcl 1435 zjjn voorgeschreven.
1470.  Vergelijking heeft geene plaats ten nadeele der ver-
kregene regten van eenen derde.
-ocr page 274-
IV TITEL. VAN HBT TE NIET GAAN DER VEHIIINOTENISSEN. 267
Aldus kan hij die, schuldenaar zijnde, schuldeischer gewor-
den is, nadat op het door hem verschuldigde door eenen derde
is heslag gelegd, zich niet, ten nadeele van den in beslag-
nemer, van de schuldvergelijking bedienen.
1471.   Hij, die eene schuld betaald heeft welke van regts-
wege door vergelijking vernietigd was, kan zich, bij het invor-
deren der inschuld welke hij niet in vergelijking gebragt heeft,
niet meer, ten nadeele van derden, bedienen van de voorregten
en hypotheken welke aan die inschuld verbonden waren, ten
ware hij eene wettige reden van onkunde mogt gehad hebben
omtrent het bestaan der inschuld met welke zijne schuld had
moeten worden in vergelijking gebracht.
VIJFDE AFDEELING.
Van schuldrermenging.
1472.  "Wanneer de hoedanigheden van schuldeischer en schul-
denaar zich in denzelfden persoon vereenigen, heeft van regts-
wege eene schuldvermenging plaats, waardoor de schuldvorde-
ring vernietigd wordt.
1473.  Schuldvermenging welke in den persoon van den
hoofdschuldenaar plaats vindt, strekt ook ten voordeele van
deszelfs borgen.
Die welke in den persoon van den borg plaats vindt, heeft
geenszins de vernietiging der hoofdverbindtenis ten gevolge.
Die welke in den persoon van een der hoofdelijke schulde-
naren plaats heeft, strekt niet verder tot voordeel zijner hoof-
delijke mede-schuldenaren, dan voor het aandeel in de schuld
waarvoor hij zelf schuldenaar was.
ZESDE AFDEELING.
Van kwijtschelding van schuld.
1474.  De kwijtschelding eener schuld wordt niet vooronder-
steld, maar moet bewezen worden.
1475.  De vrijwillige teruggave van een oorspronkelijk onder-
handsch schuldbewijs, door den schuldeischer aan den schul-
denaar gedaan, bewijst de kwijtschelding der schuld, zelfs ten
aanzien der hoofdelijke mede-schuldenaren.
1476.   De kwijtschelding eener schuld, of het ontslag bij
overeenkomst, ten behoeve van éénen der hoofdelijke mede-
schuldenaren gegeven, bevrijdt alle de overige, ten ware zich
de schuldeischer uitdrukkelijk zijne regten tegen de laatst-
gemelde mogt hebben voorbehouden.
-ocr page 275-
268                                III BOEK. VAX VERBINDTENISSEN.
In welk laatste geval, hij de schuld niet verder kan invor-
deren, dan na aftrek van het aandeel van dengenen aan wien
hij de schuld heeft kwijtgescholden.
1477.  De teruggave van eene in pand gegevene zaak is niet
voldoende oin de vrijstelling der schuld te doen vermoeden.
1478.  De kwijtschelding eener schuld, of het ontslag bij
overeenkomst, aan den hoofdschuldenaar toegestaan, bevrijdt
de borgen.
De kwijtschelding, aan den borg toegestaan, bevrijdt den
hoofdschuldenaar niet.
De kwijtschelding, aan eenen der borgen toegestaan, ont-
slaat de overigen niet.
1479.   Hetgeen de schuldeischer van eenen borg heeft ont-
vangen tot afdoening van deszelfs borgtogt, moet gerekend
worden in mindering der schuld betaald te zijn, en moet ver-
strekken tot ontlasting van den hoofdschuldenaar en van de
overige borgen.
BEVENDE AKIJEKI.INMi.
Van het vergaan der verschuldigde zaak.
1480.  In geval de zekere en bepaalde zaak, welke het onder-
werp der overeenkomst uitmaakte, vergaat, buiten den handel
der menschen geraakt, of verloren gaat, zoodanig dat men
van derzelver bestaan te eenenmale onkundig is, vervalt de
verbindtenis, mits de zaak vergaan of verloren zij buiten de
schuld van den schuldenaar, en voordat hij in de levering
daarvan nalatig gebleven was.
Zelfs dan wanneer de schuldenaar in gebreke is om eene
zaak te leveren, en hij voor geen onvoorziene toevallen heeft
ingestaan, is de verbindtenis vernietigd, indien de zaak op
gelijke wijze bij den schuldeischer zoude vergaan zijn, in geval
dezelve aan hem ware geleverd geweest.
De schuldenaar is gehouden het onvoorziene toeval, waarop
hij zich beroept, te bewijzen.
Op welke wijze ook eene ontvreemde zaak vergaan of verloren
zij, ontslaat dit verlies dengenen die deze zaak ontvreemd
heeft geenszins van de verpligting om de waarde te ver-
goeden.
1481.  Indien de verschuldigde zaak zonder toedoen van den
schuldenaar vergaan, buiten den handel der menschen geraakt
of verloren is, is de schuldenaar gehouden, in geval hij eenige
regten of vorderingen tot schadevergoeding betrekkelijk deze
zaak heeft, die aan zjjnen schuldeischer af te staan.
-ocr page 276-
IV TITKI.. VAN HKT TE NIET OAAN DEK VERBINDTENISSEN.        269
ACHTSTE AFDEEL1NO.
Van de nietigheid en van de vernietiging der verbindtenissen.
1432. Alle verbindtenissen door minderjarige of onder curatele
gestelde personen aangegaan zijn van regtswege nietig, en
moeten, op eene door hen of van hunnentwege daartoe gedane
vordering, worden nietig verklaard, op den enkelen grond der
minderjarigheid of der curatele.
De verbindtenissen, aangegaan door getrouwde vrouwen en
door minderjarigen die handligting hebben bekomen, zijn slechts
van regtswege nietig, voor zoo verre die verbindtenissen hunne
bevoegdheid te boven gaan.
1483.  De bepaling van het vorige artikel is niet toepasselijk
op verbindtenissen, voortvloeiende uit een begaan misdrijf, of
uit eene daad welke aan een ander schade heeft veroorzaakt.
Ook kan de minderjarigheid niet worden ingeroepen tegen
verbindtenissen door minderjarigen, bij huwelijksche voorwaar-
den, met inachtneming van art. 206, aangegaan.
1484.  Indien de formaliteiten ten voordeele der minderjari-
gen en onder curatele gestelden, tot de bestaanbaarheid van
zekere akten voorgeschreven, zijn vervuld, of de vader, de
voogd of de curator, handelingen heeft verrigt die de grenzen
van zijne bevoegdheid niet te buiten gaan, worden de minder-
jarigen en onder curatele gestelden, met opzigt tot die hande-
lingen. beschouwd als of zij dezelve na hunne meerderjarig-
heid, of buiten curatele, hadden verrigt, onverminderd hun
verhaal op den vader, den voogd, of den curator, zoo daartoe
gronden zijn.
1485.  Verbindtenissen door geweld, dwaling of bedrog aan-
gegaan leveren eene regtsvordering op tot derzelver ver-
nietiging.
1486.   Uit hoofde van benadeeling kunnen meerderjarigen
en ook minderjarigen, wanneer zij als meerderjarig worden
aangemerkt, alleen de vernietiging der verbindtenissen vorderen,
in de bijzondere gevallen bij de wet voorzien.
1487.  De nietigverklaring der verbindtenissen, op grond der
onbekwaamheid van de personen, bij artikel 1366 vermeld,
heeft ten gevolge dat de zaak en de partijen worden hersteld
in den staat waarin zij zich vóór het aangaan der verbindtenis
bevonden, met dien verstande dat al hetgeen aan de onbe-
voegden, tengevolge der verbindtenis, is uitgekeerd of betaald,
slechts kan worden teruggevorderd, voor zoo verre hetzelve nog
onder den onbevoegde berust, of voor zoo verre mogt blijken
dat deze door het uitgekeerde of betaalde werkelijk is gebaat,
-ocr page 277-
270                                III BOEK. VAN VEBBINDTENISSEN.
of dat het genotene te zijnen nutte is aangewend of gestrekt
heeft.
1488.   De nietigverklaring, op grond van geweld, dwaling
of bedrog, heeft insgelijks ten gevolge dat de zaak en de par-
tijen worden hersteld in den staat waarin zij zich vóór het
aangaan der verbindtenis bevonden.
1489.  In de gevallen, bij de artikelen 1482 en 1485 voor-
zien, is degene tegen wien de regtsvordering tot nietigverkla-
ring is toegewezen daarenboven tot vergoeding van kosten,
schaden en interessen verbonden, indien daartoe gronden zijn.
1490.  In alle gevallen waarin eene regtsvordering tot nietig-
verklaring eener verbindtenis niet bij eene bijzondere wetsbe-
paling tot eenen korteren tijd is beperkt, duurt dezelve vijfjaren.
Die tijd begint te loopen:
In geval van minderjarigheid, van den dag der meerder-
jarigheid ;
In geval van curatele, van den dag van derzelver opheffing;
In geval van geweld, van den dag waarop hetzelve heeft
opgehouden;
In geval van dwaling of bedrog, van den dag der ont-
dekking j
In geval van handelingen eener getrouwde vrouw, zonder
magtiging van den man aangegaan, van den dag der ontbin-
ding des huwelijks;
In geval van nietigheid, waarvan in artikel 1377 wordt
gehandeld, van den dag der ontdekking, dat de voor nietig-
heid vereischte wetenschap bestond;
De hierboven vermelde tijd voor het aanleggen der regts-
vordering is niet toepasselijk op de nietigheid, bij wege van
verdediging of exceptie voorgedragen, welke men steeds zal kun-
nen doen gelden.
1491.   Hij die vermeent de nietigverklaring eener verbind-
tenis op onderscheidene gronden te kunnen vorderen, is verpligt
alle die gronden te gelijk aan te voeren, op straffe van verstek
der zoodanige, die later mogten zijn aangevoerd, ten ware de
laatstgemelde door het toedoen der wederpartjj niet vroeger
hadden kunnen berekend worden.
1492.     De regtsvordering tot nietigverklaring vervalt,
indien de minderjarige, de onder curatele gestelde, de getrouwde
vrouw die zonder bijstand van haren man heeft gehandeld, of
hij die zich op geweld, dwaling of bedrog kan herroepen, de
verbindtenis uitdrukkelijk of\' stilzwijgend heeft bekrachtigd, na
den dag van de meerderjarigheid, de opheffing der curatele,
de ontbinding des huwelijks, het ophouden van het geweld, of
de ontdekking van de dwaling of des bedrogs.
-ocr page 278-
V TITEL. VAN KOOP EN VERKOOP.                               271
VIJFDE TITEL.
VAN KOOP EN VERKOOP.
EERSTE AFDEELING.
Algemeene bepalingen.
1493.  Koop en verkoop is eene overeenkomst, waarbij de eene
zich verbindt om eene zaak te leveren, en de andere om daar-
voor den bedongen prijs te betalen.
1494.   Zij wordt gehouden tusschen de partijen voltrokken
te zijn, zoodra deze het eens zijn geworden over de zaak en
den prijs, hoewel ook de zaak nog niet mogt geleverd, noch
de prijs betaald zijn.
1495.   De eigendom van het verkochte goed gaat niet eer
tot den kooper over, dan nadat de levering daarvan geschied
is, overeenkomstig artikel 667, 668 en 671.
1496.   Indien de verkochte zaak in een zeker en bepaald
voorwerp bestaat, is dezelve, van het oogenblik van den koop
af, voor rekening van den kooper, hoewel de levering nog niet
hebbe plaats gehad; en heeft de verkooper het regt om den
prijs te vorderen.
1497.   In geval goederen niet bij den hoop, maar bij het
gewigt, het getal of de maat verkocht zijn, blijven dezelve
voor rekening van den verkooper, tot dat dezelve gewogen,
geteld of gemeten zijn.
1498.  Indien, daarentegen, de goederen bij den hoop ver-
kocht zijn, zijn dezelve voor rekening van den kooper, alhoewel
dezelve nog niet gewogen, geteld of gemeten mogten zijn. •
1499.  Koop en verkoop op de proef aangegaan, of van
goederen die men gewoon is vooraf te proeven, wordt altijd
voorondersteld onder eene opschortende voorwaarde te hebben
plaats gehad.
1500.  Indien de koop met het geven van eene handgift of
eenen godspenning is gesloten, kan geene der partijen van
dien koop afzien, het zij door het laten behouden, het zij door
het terug geven, van de handgift of godspenning.
1501.  De koopprijs moet door de partijen bepaald worden.
Dezelve kan echter aan de begrooting van eenen derde
worden overgelaten.
Indien de derde de begrooting niet wil of kan doen, heeft
er geen koop plaats.
-ocr page 279-
272                                 III BOEK. VAN VERBINDTENISSEN.
1502.  De kosten der akten van koop en verkoop, en andere
bijkomende onkosten, komen ten laste van den kooper, indien
het tegendeel niet bedongen is.
1503.  Tusschen echtgenooten kan geen koop of verkoop
plaats hebben, dan in de drie volgende gevallen:
1°. Wanneer een der echtgenooten aan den anderen van
wien hij geregtelijk gescheiden is goederen overdraagt,
tot voldoening van hetgeen aan denzelven naar rechten
toekomt;
2°. Wanneer de overdragt die de man doet aan zijne vrouw,
zelfs van welke hij niet gescheiden is, eenige wettige
oorzaak heeft, als daar is tot wederbelegging van hare
vervreemde goederen, of van penningen die haar toebe-
hooren, indien namelijk die goederen of die penningen
van de gemeenschap zijn uitgesloten;
3°. In geval de vrouw aan haren man goederen overdraagt
tot betaling eener som, welke zij hem als huwelijksgoed
heeft beloofd, voor zoo ver die goederen van de ge-
meenschap zijn uitgesloten.
Behoudens echter, in deze drie gevallen, de regten der erf-
genamen van de handelende partijen, wanneer eene van laatst
gemelde alzoo eenig zijdelingsch voordeel mogt hebben bekomen.
1504.  Regters, leden van het openbaar ministerie, griffiers,
advocaten, procureurs, deurwaarders en notarissen mogen door
overdragt geene eigenaars worden van regten en regtsvorde-
ringen, waarover gedingen aanhangig zijn voor de regtbank,
onder welker regtsgebied zij hunne bedieningen uitoefenen, op
straffe van nietigheid, en vergoeding van kosten, schaden en
interessen.
1505.  Openbare ambtenaren mogen, op dezelfde straf, door
henzelven of door tusschenkomende personen, geene zaken
koopen die door hen of te hunnen overstaan verkocht worden.
1506.  Insgelijks mogen, op dezelfde straffen, door henzelven
of door tusschenkomende personen, bij onderhandschen verkoop
geene koopers worden:
Lasthebbers van zaken met welker verkoop zij belast waren;
Bewindvoerders van zaken, aan het rijk, de gewesten, de
gemeenten, of aan andere openbare instellingen, toebehoorende,
welke aan hunne zorg en beheer zijn toevertrouwd.
Het blijft echter aan den Koning voorbehouden om aan
openbare bewindvoerders vrijstelling van dit verbod te verleenen.
De voogden kunnen de onroerende goederen, aan hunne
pupillen toebehoorende, koopen, op de wijze bij artikel 457
bepaald.
1507.  Koop en verkoop van eens anders goed is nietig, en
kan tegen den verkooper grond opleveren tot vergoeding van
-ocr page 280-
V TITEL. VAN KOOP EN VERKOOP.                               273
kosten, schaden en interessen, indien de kooper niet geweten
heeft dat de zaak aan een ander toebehoorde.
1508.    Indien, op het oogenblik der verkooping, het ver-
kochte goed geheellijk mogt vergaan zijn, is de koop nietig.
Bijaldien slechts een gedeelte daarvan vergaan is, staat het
aan den kooper vrij om of den koop te laten varen, of het
behouden gebleven gedeelte te vorderen, en den koopprijs
daarvoor bij vergelijkende waardering te doen bepalen.
TWEEDE AFDEELING.
Van de verpligtingen der verkoopera.
1509.  De verkooper is gehouden om duidelijk uit te drukken
waartoe hij zich verbindt; alle duistere en dubbelzinnige be-
dingen worden te zijnen nadeele uitgelegd.
1510.   Hij heeft twee hoofdverpligtingen, namelijk, om de
verkochte zaak te leveren en dezelve te vrijwaren.
1511.   De levering is eene overdragt van het verkochte goed
in de magt en het bezit van den kooper.
1512.   De kosten der levering zijn ten laste van den ver-
kooper, en die der weghaling ten laste van den kooper, zoo
niet het tegendeel bedongen is.
1513.   He levering moet geschieden ter plaatse waar het
verkochte goed zich op het tijdstip der verkooping bevond,
indien daaromtrent geene andere overeenkomst getroffen is.
1514.    De verkooper is niet verpligt het goed te leveren,
indien de kooper den koopprijs niet betaalt, en de verkooper
hem geen uitstel van betaling heeft toegestaan.
1515.  (Ingetrokken bij art. 2 der Wet tot invoering van de
Faillissementswet.)
1516.  Indien de levering door de nalatigheid des verkoopers
achterwege blijft, kan de kooper vernietiging van den koop
vorderen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 1302
en 1303.
1517.   Het goed moet geleverd worden in den staat waarin
hetzelve zich op het oogenblik van den verkoop bevindt.
Van dien dag af aan, behooren alle vruchten aan den
kooper.
1518.  Dé verpligting om eene zaak te leveren bevat al wat
daartoe behoort en tot derzelver bestendig gebruik bestemd
is, mitsgaders de bewijzen van eigendom, indien die aanwe-
zig zijn.
1519.   De verkooper is verpligt het verkochte te leveren
in deszelfs geheelen omvang, zoo als het in de overeenkomst
uitgedrukt wordt, onder de navolgende wijzigingen.
18
-ocr page 281-
274                                Hl BOEK. VAN VKRBINDTENISSEN.
1520. Indien de verkoop van een onroerend goed geschied
is met vermelding van deszelfs uitgestrektheid of inhoud, tegen
bepaling van eenen zekeren prijs voor de maat, is de verkooper
gehouden om de hoeveelheid, bij de overeenkomst uitgedrukt,
te leveren; en indien hem dit onmogelijk is, of de kooper zulks
niet vordert, is de verkooper verpligt zich met eene evenredige
vermindering van prijs te vergenoegen.
1621. Indien, daarentegen, in het geval bij het vorige artikel
vermeld, het onroerend goed eenen grooteren omvang bevat,
dan in de overeenkomst uitgedrukt is, heeft de kooper de keus
om of den prijs in evenredigheid te verhoogen, of van den
koop af te zien, indien namelijk het meerdere een twintigste
gedeelte beloopt boven den omvang, bij de overeenkomst
uitgedrukt.
1522.    In alle andere gevallen, het zij een zeker bepaald
voorwerp verkocht zij, het zij de verkoop afgescheidene en
afzonderlijke erven tot onderwerp hebbe, het zij dezelve beginne
met de opgave der maat, of met de aanduiding van het ver-
kochte goed, gevolgd van de opgave der maat, levert de
vermelding dezer maat ten behoeve van den verkooper geen
grond op tot eenige vermeerdering van prijs voor het meerdere
der maat, noch ten behoeve van den kooper tot eenige vermindering
van prijs voor het mindere der maat, dan voor zoo verre het
onderscheid tusschen de werkelijke maat, en die welke in de
overeenkomst is uitgedrukt, een twintigste meer of minder
bedraagt, berekend naar de waarde van het geheel der verkochte
voorwerpen, ten zij het tegendeel mogt bedongen zijn.
1523.  Indien er, volgens het voorgaande artikel, grond bestaat
tot verhooging van den koopprijs voor het meerdere der maat,
heeft de kooper de keus om of van den koop af te zien, of
den verhoogden koopprijs te betalen, en zulks met de interessen,
in geval hij het onroerend goed gehouden heeft.
1524.   In alle gevallen waarin de kooper het regt heeft om
van den koop af te zien, is de verkooper gehouden hem, behalve
den koopprijs, indien hij denzelven ontvangen heeft, de kosten,
op den koop en de levering gevallen, terug te geven, voor zoo
verre hij die volgens overeenkomst mogt hebben betaald.
1525.  De regtsvordering tot aanvulling van den koopprijs,
van de zijde des verkoopers, en die tot vermindering van den
prijs, of tot vernietiging van den koop, van den kant des
koopers, moeten aangelegd worden binnen den tijd van een jaar,
te rekenen van den dag waarop de levering is geschied;
zullende, bij gebreke van dien, deze regtsvorderingen ver-
vallen zijn.
1526.  Indien twee erven bij dezelfde overeenkomst en geza-
lijk voor éénen prijs verkocht zijn, met opgave van de hoe-
-ocr page 282-
V TITEL. VAN KOOP EN VERKOOP.                               275
grootheid van ieder, en er bevonden wordt dat het eene meer
en het andere minder omvang heeft, wordt dit verschil tot het
vereischte beloop bij wege van vergelijking vereffend, on heeft
de vordering, het zij tot aanvulling, het zij tot vermindering
van den koopprijs, niet verder plaats, dan overeenkomstig de
hier boven vastgestelde regelen.
1527.  De vrijwaring, waartoe de verkooper, jegens den kooper
gehouden is, heeft twee strekkingen, namelijk, voor eerst, het
rustig en vreedzaam bezit van de verkochte zaak; ten tweede,
de verborgene gebreken dier zaak, of de zoodanige die aan-
leiding geven tot vernietiging van den koop.
1528.   Hoezeer bij den verkoop geen beding omtrent de
vrijwaring gemaakt zij, is de verkooper van regtswege verpligt
den kooper te waarborgen voor de uitwinning, welke de»e op
het geheel verkochte goed, of op een gedeelte daarvan, komt
te lijden, of wegens de lasten welke men beweert op dat goed
te hebben, en die bij het aangaan van den koop niet opge-
geven zijn.
1529.  Partijen kunnen, bij bijzondere overeenkomsten, deze
door de wet opgelegde verpligting uitbreiden of inkorten; zjj
kunnen zelfs overeenkomen dat de verkooper tot geene vrij-
waring hoegenaamd zal gehouden zijn.
1530.   Alhoewel bedongen moge zijn dat de verkooper tot
geene vrijwaring zal gehouden zijn, blijft hij nogtans aan-
sprakelijk voor de zoodanige, welke uit eene daad, door hem
zelven verrigt, voortspruit; alle hiermede strjjdende over-
eenkomsten zijn nietig.
1531.   De verkooper is, bij hetzelfde beding, in geval van
uitwinning, gehouden den koopprijs terug te geven, ten waflo
de kooper, ten tijde van den koop, het gevaar van uitwinnin-
gen mogt gekend hebben, of de zaak op eigen bate en schade
mogt hebben gekocht.
1532.   Indien vrijwaring beloofd, of dienaangaande niets is
bedongen geworden, heeft de kooper, in geval van uitwinning
het regt om van den verkooper te vorderen:
1°. De teruggave van den koopprijs;
20- De teruggave der vruchten, in geval hij verpligt is die
aan den uitwinnenden eigenaar uit te keeren;
3°. De kosten op den eisch van den kooper tot vrijwaring
gevallen, alsmede de kosten door den oorspronkelijken
eischer gemaakt;
4°. De vergoeding van kosten, schaden en interessen, mits-
gaders de geregtelijke kosten op den koop en de levering
gevallen, voor zoo verre de kooper die mogt hebbe»
betaald.
1533.  Indien op het oogenblik der uitwinning het verkochte
-ocr page 283-
276                                III BOEK. VAN VEKBINDTENI8SEN.
goed bevonden wordt in waarde verminderd, of aanmerkelijk
vervallen te zijn, het zij door de nalatigheid van den kooper,
het zij door overmagt, is de verkooper niettemin gehouden den
geheelen koopprijs terug te geven.
Doch indien de kooper voordeel heeft genoten van de door
hem toegebragte schaden, heeft de verkooper de bevoegdheid
om eene met dat voordeel gelijk staande som van den koop-
prijs af te trekken.
1534.  Indien het verkochte goed bevonden wordt op het
tijdstip der uitwinning, in waarde te zijn vermeerderd, zelfs
zonder toedoen van den kooper, is de verkooper verpligt aan
dezen te betalen hetgeen het verkochte goed boven den koop-
prijs waardig is.
1535.   De verkooper is verpligt aan den kooper terug te
geven, of door dengenen die de uitwinning gedaan heeft te
doen terug geven, al hetgene hij wegens reparatiën en nuttige
verbeteringen aan het goed heeft uitgeschoten.
Indien de verkooper te kwader trouw eens anders goed
verkocht heeft, is hij gehouden aan den kooper alle gemaakte
onkosten terug te geven, zelfs de zoodanige welke alleen tot
sieraad of vermaak aan het goed besteed zijn.
1536.  Indien slechts een gedeelte van het goed uitgewonnen
is, en dat gedeelte, met betrekking tot het geheel, zoo aan-
merkelijk is, dat de kooper aonder het uitgewonnen gedeelte
den koop niet zoude hebben aangegaan, kan hij den koop doen
vernietigen, mits hij de regtsvordering daartoe aanlegge bin-
nen één jaar na den dag, waarop het vonnis van uitwinning
in kracht van gewijsde is gegaan.
1537.   Wanneer, in geval van uitwinning van een gedeelte
van het verkochte goed, de koop niet vernietigd is, moet de
kooper voor het uitgewonnen gedeelte worden schadeloos ge-
steld, volgens de geschatte waarde welke het goed ten tijde
der uitwinning gehad heeft, doch niet naar evenredigheid van
den geheelen koopprijs, het zij het verkochte goed in waarde
moge zijn vermeerderd of verminderd.
1538.  Indien het verkochte goed bevonden wordt bezwaard
te zijn met erfdienstbaarheden, zonder dat die aan den kooper
zijn bekend gemaakt, of dat deze daarvan kennis kon dragen,
en die erfdienstbaarheden van zoo groot belang zijn, dat men
reden heeft om te vermoeden dat de kooper den koop
niet zoude hebben gesloten, indien hij daarvan ware onder-
rigt geweest, kan hij de vernietiging van den koop vorderen,
ten ware hij liever verkoos zich met eene schadeloosstelling
te vergenoegen.
1530. De vrijwaring ter zake van uitwinning houdt op, indien
de kooper zich bjj een vonnis, hetwelk in kracht van gewijsde
-ocr page 284-
277
V TITKL. VAN KOOP EN VEBKOOP.
is gegaan, heeft laten veroordeelen, zonder den verkooper te
roepen, en deze bewijst dat er genoegzame gronden aanwezig
waren om den eisch te doen ontzeggen.
1540.    De verkooper is gehouden tot vrijwaring wegens ver-
borgene gebreken van het verkochte goed, die hetzelve on-
geschikt maken tot het gebruik waartoe het bestemd is, of
die dat gebruik in dier voege verminderen dat, bijaldien de
kooper de gebreken gekend had, hij het goed, of in het geheel
niet, of niet dan voor eenen minderen prijs, zoude gekocht
hebben.
1541.    De verkooper is niet gehouden in te staan voor
zigtbare gebreken, welke de kooper zelf had kunnen ontdekken.
1542.  Hij moei voor de verborgene gebreken instaan, al
ware hij daarvan ook zelf onkundig geweest, ten zij hij, in dat
geval, bedongen had dat hij tot geene vrijwaring hoegenaamd
zal gehouden zijn.
1543.  In de gevallen bij artikel 1540 en 1542 vermeld, heeft
de kooper de keus om of het goed terug te geven en den
koopprijs terug te vorderen, of het goed te behouden, en zich
zoodanig gedeelte van den koopprijs te doen terug geven,
als de regter, na deskundigen hierop te hebben gehoord, zal
bepalen.
1544.   Indien de verkooper de gebreken van het goed ge-
kend heeft, is hij, behalve tot teruggave van den daarvoor
ontvangen koopprijs, nog jegens den kooper tot vergoeding
van alle kosten, schaden en interessen gehouden.
1545.   Indien de verkooper de gebreken van het goed niet
gekend heeft, is hij slechts gehouden tot de teruggave van
den koopprijs, alsmede om aan den kooper de kosten op den
koop en de levering gevallen, te vergoeden, voor zoo verre
hij die mogt hebben betaald.
1546.    Indien de verkochte zaak die verborgen gebreken
had, ten gevolge van dezelve, vergaan is, valt het verlies voor
rekening van den verkooper, die jegens den kooper gehouden
zal zijn tot teruggave van den koopprijs, en tot de overige schade-
vergoedingen, waarvan in de twee voorgaande artikelen is
melding gemaakt.
Doch het verlies, door toeval veroorzaakt, is voor rekening
van den kooper.
1547.  De regtsvordering, voortspruitende uit gebreken die
de vernietiging van den koop ten gevolge hebben, moet door
den kooper aangelegd worden binnen eenen korten tijd, over-
eenkoinstig den aard dier gebreken, en met inachtneming der
gebruiken van de plaats alwaar de koop gesloten is.
1548.  Deze regtsvordering heeft geene plaats bij verkoopin-
gen die op regterlijk gezag geschieden.
-ocr page 285-
278
III BOEK. VAN VERBINDTKNISSEN.
DERDE AEDKEL1NU.
Van de verpliytingen ran den kooper.
1549.  De hoofdverpligting van den kooper bestaat in het
betalen van den koopprijs, teii tijde en ter plaatse bij de over-
eenkomst bepaald.
1550.  Indien er bij het aangaan van den koop niets daarom-
ferent bepaald, is, moet de kooper betalen ter plaatse alwaar, en
op den tijd waarop de levering geschieden moet.
1551.   [Je kooper is, zelfs zonder uitdrukkelijk beding, tot
hot betalen van interessen van den koopprijs verpligt, indien
de gekochte en geleverde zaak vruchten of andere inkomsten
oplevert.
1552.  Indien de kooper door eene hypothekaire regtsvorde-
ring, of door eene regtsvordering tot reclame, in zijn bezit
gestoord is, of gegronde reden heeft om te vreezen dat hij
daarin zal gestoord worden, kan hij de betaling van den koop-
prijs opschorten, tot dat de verkooper de stoornis heeft doen
ophouden, ten ware deze liever verkoos zekerheid te stellen,
of er bedongen mogt zijn, dat de kooper, niettegenstaande
alle stoornis, tot de betaling verpligt is.
1553.  Indien de kooper den koopprijs niet betaalt, kan de
verkooper de vernietiging van den koop vorderen, overeen-
komstig de bepalingen van art. 1302 en 1303.
1554.  Niettemin zal, in geval van verkoop van waren en
meubelen, de vernietiging van den koop, ten behoeve van den
verkooper, van regtswege en zonder aanmaning plaats hebben,
na het verloopen van den tijd, tot afhaling van het verkochte
bepaald.
VIERDE AFDEELINO.
Van het regt van ivederinkoop.
1555.  Het vermogen om het verkochte weder in te koopen
spruit voort uit een beding, waarbij de verkooper zich het
regt voorbehoudt om het verkochte terug te nemen, tegen
teruggave van den oorspronkelijken koopprijs, en de vergoe-
ding waarvan in artikel 1568 gesproken wordt.
1556.  Het regt van wederinkoop mag voor geenen langeren
tijd dan voor vijf jaren worden bedongen.
Indien hetzelve voor een langer tijdvak bedongen is, wordt
die tijd tot de gemelde vijf jaren ingekort.
1557.  Het bepaalde tijdvak moet naar scherpheid van reg-
-ocr page 286-
279
V TITEL. VAN KOOP EN VERKOOP.
ten worden opgevat, hetzelve mag door den regter niet ver-
lengd worden, en wanneer de verkooper verzuimt om zijne
regtsvordering tot wederinkoop binnen den voorschreven termijn
te doen gelden, blijft de kooper onherroepelijk eigenaar van
het gekochte.
1558.   Dit tijdvak loopt ten nadeele van een ieder, zelfs van
minderjarigen, behoudens hun verhaal op die het aangaat,
indien daartoe gronden bestaan.
1559.    De verkooper van een onroerend goed, die zich het
vermogen om het verkochte weder in te koopen heeft voorbe-
houden, kan tegen eenen tweeden kooper zijn recht doen
gelden, al ware ook bij de tweede overeenkomst van dat beding
geene melding gemaakt.
1560.  Hij die gekocht heeft onder beding van wederinkoop
treedt in alle dn regten van zijnen verkooper; hij kan zich
van de verjaring bedienen, zoo wel tegen den waren eigenaar,
als tegen degenen die eenige hypothekaire of andere regten
op de verkochte zaak mogten vermeenen te hebben.
1561.  Hij kan tegen de schuldeischers van den verkooper
het voorregt van uitwinning doen gelden.
1562.  Indien hij die onder beding van wederinkoop een
onverdeeld aandeel in een onroerend goed gekocht heeft, na
eene tegen hem gerigte regtsvordering tot scheiding en deeling,
kooper van het geheel is geworden, kan hij den verkooper
verpligten het geheel over te nemen, in geval deze van het
gemelde beding wil gebruik maken.
1563.  Indien verscheidene personen eenig goed, tusschen
hen gemeen, gezamenlijk en bij eene en dezelfde overeenkomst
verkocht hebben, kan ieder hunner het regt van wederinkoop
slechts doen gelden voor zoo verre zijn aandeel bedroeg.
1564.  Hetzelfde heeft ook plaats wanneer iemand die alleen
eenig goed heeft verkocht verscheidene erfgenamen nalaat.
Ieder van deze mede-erfgenamen kan slechts van het ver-
mogen van wederinkoop gebruik maken, voor zoo veel zijn
aandeel in de nalatenschap bedraagt.
1565.  Doch, in de gevallen der twee voorgaande artikelen,
kan de kooper vorderen dat alle de mede-verkoopers, of mede-
erfgenamen, worden opgeroepen, ten einde zich onderling
nopens den wederinkoop van het geheele goed te verstaan; en
indien zij het niet eens worden, zal de eisch tot wederinkoop
worden ontzegd.
1566.  Indien de verkoop eener zaak, aan verscheidene per-
sonen toebehoorende, niet door alle gezamenlijk en voor het
geheel geschied is, maar ieder van dezelve afzonderlijk dat
gedeelte verkocht heeft, hetwelk hem daarin toebehoorde, kan
ieder hunner het regt van wederinkoop afzonderlijk, ten aan-
-ocr page 287-
280                                III BOEK. VAN VlsRBINDTENISSEN.
zien van het deel dat hem daarin toekwam, uitoefenen; en
de kooper kan dengenen die op deze wijze van zijn regt
gebruik maakt niet dwingen om het geheel over te nemen.
1567.    Indien de kooper verscheidene erfgenamen heeft na-
gelaten, kan van het regt van wederinkoop tegen ieder van
dezelve niet verder worden gebruik gemaakt, dan voor zoo-
veel zijn aandeel betreft, zoo wel in het geval dat de boedel
nog niet gescheiden is, als in het geval dat het verkochte
goed onder de erfgenamen is verdeeld.
Maar indien de boedel gescheiden is, en het verkochte goed
aan een der erfgenamen is te beurt gevallen, kan de regts-
vordering tot wederinkoop voor het geheel tegen dezen wor-
den aangelegd.
1568.  De verkooper die van het beding van wederinkoop
gebruik maakt is niet alleen verpligt den geheelen oorspronke-
1 ijken koopprijs terug te geven, maar ook te vergoeden alle
regtmatige kosten op en ter zake van den koop en de levering
gevallen, mitsgaders de noodzakelijke kosten van reparatiè\'n,
en die waardoor het verkochte goed in waarde vermeerderd
is, ten beloope van deze vermeerdering.
Hij kan niet in het bezit van het weder-ingekochte treden,
dan na aan alle deze verpligtingen te hebben voldaan.
Wanneer de verkooper, ten gevolge van het beding van
wederinkoop, zijn goed terug bekomt, moet hetzelve vrij van
alle lasten en hypotheken, door den kooper daarop gelegd,
tot hem overgaan ; hij is echter verpligt de huurovoreenkom-
sten, welke de kooper te goeder trouw mogt hebben aange-
gaan, gestand te doen.
VIJFDE AFDEEUXO.
Bijzondere bepalingen betrekkelijk den koop en verkoop
van inschulden en andere onligchamelyke
rcgten.
1560. De verkoop van eene inschuld bevat al wat daartoe
behoort, als borgtogten, voorregten en hypotheken.
1570.   Hjj die eene inschuld of een ander onligchamelijk
regt verkoopt moet instaan voor het aanwezen daarvan ten
tijde van de levering, hoewel ook de verkoop zonder belofte
van vrijwaring geschied zij.
1571.    Hij is voor de genoegzame gegoedheid van den
schuldenaar niet verantwoordelijk, ten zy hjj zich daartoe
verbonden hebbe, en slechts ten beloope van den koopprijs,
welken hij voor de inschuld ontvangen heeft.
1572.    Indien hij beloofd heeft te zullen instaan voor ge-
-ocr page 288-
281
VI TITEL. VAN RUILING.
noegzame gegoedheid van den schuldenaar, moet deze belofte
verstaan worden van deszelfs tegenwoordige gegoedheid, en
strekt zich niet uit tot het toekomstige, ten ware het tegen-
deel uitdrukkelijk bedongen zij.
1573.    Die eene erfenis verkoopt, zonder dat hij, stuk voor
stuk, opgeeft waarin dezelve bestaat, is niet verder gehouden,
dan tot vrijwaring van zijne hoedanigheid van erfgenaam,
1574.   Indien hij reeds de vruchten van eenig stuk goed
genoten, of het beloop van eenige inschuld, tot die erfenis
behoorende, ontvangen, of eenige goederen uit die nalaten-
schap verkocht mogt hebben, is hij verpligt dezelve aan den
kooper te vergoeden, indien niet uitdrukkelijk anders is be-
dongen.
1575.  De kooper is van zijnen kant verpligt aan den ver-
kooper te vergoeden al hetgeen deze wegens de schulden en
lasten der nalatenschap mogt hebben betaald, en datgene te
voldoen hetwelk de verkooper, als schuldeischer van de erfe-
nis, te vorderen had, ten ware het tegendeel mogt bedongen zijn.
1576.   Indien vóór de levering van eene verkochte inschuld
of van eenig ander onligchamelijk regt, de schuldenaar aan
den verkooper de schuld voldaan heeft is hij op eene vol-
doende wijze bevrijd.
ZESDE TITEL.
VAN RUILING.
1577.   Ruiling is eene overeenkomst, waarbij partijen zich
verbinden om aan elkander wederkeerig eene zaak in de plaats
van eene andere te geven.
1578.   Al hetgeen voor verkoop vatbaar is, kan ook het
onderwerp van ruiling uitmaken.
1579.  Indien de eene partij de zaak, welke haar in ruiling
gegeven wordt, reeds ontvangen heeft, en naderhand bewijst
dat de andere daarvan geen eigenaar was. kan zij niet ge-
noodzaakt worden tot levering van de zaak, welke zij van
haren kant heeft beloofd, doch alleenlijk om die welke z[j
ontvangen heeft terug te geven..
1580.  Hij, die door uitwinning gesteld is uit het bezit der
zaak, welke hij in ruiling heeft ontvangen, heeft de keus om
van de wederpartij vergoeding van kosten, schaden en inte-
ressen, of de teruggave der door hem gegevene zaak te
vorderen.
1581.    Indien eene zekere en bepaalde zaak, welke men
beloofd had in ruiling te geven, buiten schuld van den eige-
naar is verloren gegaan, wordt de overeenkomst voor vervallen
-ocr page 289-
282                                III BOEK. VAN VERBINDTENISSEN.
gehouden, en kan degene die van zijne zijde aan de overeen-
komst voldaan heeft de teruggave van het in ruiling gegeven
goed vorderen.
1582. Voor het overige zijn de regelen van de overeen-
komst van koop en verkoop op die van ruiling
toepasselijk.
ZEVENDE TITEL.
VAN HUUR EN VERHUUR.
EERSTE AKIJEEI.ING.
Algemeen f bepalingen.
1583.   Er bestaan tweederlei soorten van overeenkomsten
van huur en verhuur; huur van goederen, en huur van dien-
sten, werk en nijverheid.
1584.   Huur van goederen is eene overeenkomst, waarbij de
eene partij zich verbindt om der andere het genot eener zaak
te doen hebben, gedurende eenen bepaalden tijd en tegen
eenen bepaalden prijs, welken de laatstgemelde aanneemt te
betalen.
Men kan allerlei soort van goederen, het zij onroerende,
het zij roerende, verhuren.
1585.   Huur van diensten, van werk en van njjverheid is
eene overeenkomst waarbij de eene partij zich verbindt om
iets voor de andere, tegen betaling van eenen tusschen baar
bepaalden prijs ot\' loon, te verrigten.
TWEEDE AFbEEMNQ.
Van de regelen welke gemeen zijn aan verhuringen van
huizen en van landen.
1586.  De verhuurder is, door den aard van de overeenkomst,
en zonder dat daartoe eenig bijzonder beding vereischt wordt,
verpligt:
1°. Om het verhuurde aan den huurder te leveren;
2°. Om hetzelve te onderhouden in zoodanigen staat, dat het
tot het gebruik waartoe het verhuurd is dienen kan;
3°. Om den huurder het rustig genot daarvan te doen heb-
ben, zoo lang de huur duurt.
1587.  De verhuurder is gehouden het verhuurde goed in
alle opzigten in goeden staat van onderhoud te leveren.
Hij moet daaraan, gedurende den huurtijd, alle reparatiën
-ocr page 290-
VII TITEL. VAN Ht:i\'R EN VERHUUR.                             283
laten doen welke noodzakelijk mogten worden, met uitzonde-
ring van degene tot welke de huurder verpligt is.
1688. De verhuurder moet den huurder instaan voor alle
gebreken van het verhuurde goed, welke het gebruik daarvan
verhinderen, al mogt ook de verhuurder dezelve tijdens het
doen der verhuring niet gekend hebben.
Indien door die gebreken eenig nadeel voor den huurder
ontstaat, is de verhuurder gehouden hem deswege schadeloos
te stellen
1589.    Indien, gedurende den huur tijd, het verhuurde goed
door eenig toeval geheel en al vergaan is, vervalt de huur-
overeenkomst van regtswege. Indien het goed slechts ten deele
vergaan is, heeft de huurder de keus om, naar gelang der
omstandigheden, of eene vermindering van den huurprijs, of
zelfs de vernietiging van de huur-overeenkomst, te vorderen;
doch hij kan, in geen dier beide gevallen, aanspraak op schade-
vergoeding maken.
1590.      De verhuurder mag, gedurende den huurtijd, de
gedaante of inrigting van het verhuurde goed niet veranderen.
1591.    Indien, gedurende den huurtijd, het verhuurde goed
dringende reparatiën noodig heeft, welke niet tot na het ein-
digen der huur kunnen worden uitgesteld, moet de huurder
dezelve gedoogen, welke ongemakken hem ook hierdoor wor-
den veroorzaakt, en hoewel hij ook, gedurende het doen dier
reparatiën, van een gedeelte van het verhuurde goed versto-
ken zij.
Doch indien deze reparatiën langer dan veertig dagen du-
ren, zal de huurprijs verminderd worden naar evenredigheid
van den tijd, en van het gedeelte van het verhuurde goed,
waarvan de huurder zal zijn verstoken geweest.
Indien de reparatiën van dien aard zijn, dat daardoor het
gehuurde, hetgeen den huurder en zijn huisgezin ter bewoning
noodzakelijk is, onbewoonbaar wordt, kan dezelve de huur doen
verbreken.
1592.    De verhuurder is niet verpligt den huurder te waar-
borgen tegen de belemmeringen welke hem derden, door fei-
telijkheden, in zijn genot toebrengen, zonder overigens eenig
regt op het gehuurde te beweren; behoudens het regt van
den huurder om dezelve uit eigen hoofde te vervolgen.
1593.    Indien, daarentegen, de huurder in deszelfs genot
is gestoord geworden, ten gevolge eener regtsvordering welke
tot den eigendom van het goed betrekking heeft, heeft hij het
regt om eene geëvenredigde vermindering van den huurprijs
te vorderen, mits van die stoornis of belemmering aan den
eigenaar behoorlijk kennis gegeven zij.
1594.    Indien degenen die de feitelijkheden gepleegd heb-
-ocr page 291-
284
III BOEK. VAN VEKBINDTENISSEN.
ben eenig rcgt op het verhuurde goed beweren te hebben, of
indien de huurder zelf in regten gedagvaard is om tot ont-
ruiming van het geheel of van een gedeelte van het goed
verwezen te worden, of om de uitoefening van eenige erfdienst-
baarheid te gedoogen, moet hij den verhuurder daarvan be-
teekening doen, en hij kan denzelven tot vrijwaring oproepen.
Hij kan zelfs vorderen buiten het geding te worden gesteld,
mits hij dengenen opgeve voor wien hij in het bezit is.
1595.     De huurder mag, indien hem dit vermogen niet is
toegestaan, het goed niet weder verhuren, noch zijne huur aan
een ander afstaan, op straf van vernietiging der huur-overeen-
komst, en vergoeding van kosten, schaden en interessen, zonder
dat de verhuurder, na die vernietiging, verpligt zij de onder-
huur gestand te doen.
Indien het gehuurde in een huis of in eene woning bestaat,
welke de huurder zelf bewoont, kan hij een gedeelte daarvan,
onder zijne verantwoordelijkheid, aan een ander verhuren,
indien hem dat vermogen niet bij de overeenkomst is ontzegd
geworden.
1596.     De huurder is tot twee hoofdverpligtingen ge-
houden :
1°. Om het gehuurde als een goed huisvader te gebruiken,
en overeenkomstig de bestemming welke daaraan bij de
huur-overeenkoinst gegeven is, of volgens die welke, bij
gebreke van overeenkomst daaromtrent, naar gelang der
omstandigheden voorondersteld wordt;
2°. Om den huurprijs op de bepaalde termijnen te voldoen.
1597.    Indien de huurder het gehuurde tot een ander ge-
bruik bezigt dan waartoe het bestemd is, of tot een zoodanig
gebruik waardoor aan den verhuurder eenig nadeel kan ver-
oorzaakt worden, kan deze, naar gelang der omstandigheden,
de huur doen vernietigen.
1598.    Indien tusschen den verhuurder en den huurder eene
beschrijving van het verhuurde is opgemaakt, is laatstgemelde
gehouden het goed in dien staat weder op te leveren, waarin
hij hetzelve, volgens die beschrijving, heeft aanvaard; met
uitzondering van hetgeen door ouderdom of door onvermijde-
lijke toevallen vergaan of van waarde verminderd is.
1599.    Indien geene beschrijving is opgemaakt, wordt de
huurder ten aanzien van het onderhoud, hetwelk ten laste van
huurders komt, behoudens tegenbewijs, voorondersteld het
gehuurde in goeden staat te nebben aanvaard, en moet hij
hetzelve in dien staat teruggeven.
1600.    De huurder is aansprakelijk voor alle schaden, ge-
durende den huurtijd aan het verhuurde toegebragt, ten ware
hij bewees dat dezelve buiten *.ijne schuld hebben plaatsgehad.
-ocr page 292-
VII TITEL. VAN HUUR EN VERHUUR.                              285
1601.   Hij is echter niet verantwoordelijk voor brand, ten
zij de verhuurder mogt bewijzen dat de brand door de schuld
van den huurder is veroorzaakt.
1602.     De huurder is verantwoordelijk voor alle schaden
of verliezen door zijne huisgenooten, of door degenen aan wie
hij de huur mogt hebben overgedaan, aan het gehuurde toe-
gebragt.
1603.    De huurder mag, bij ontruiming van het gehuurde
goed, afbreken en naar zich nemen al hetgeen hij daaraan,
op zijn kosten, heeft doen maken, mits zulks gedaan worde
zonder beschadiging van het goed.
1604.    Indien de huur, zonder geschrift aangegaan, nog op
geenerlei wijze is ten uitvoer gebragt, en eene der partijen
dezelve ontkent, kan geen bewijs door getuigen worden aan-
genomen, hoe gering de huurprijs ook zij, en ofschoon men
zich ook op het geven van eenen godspenning mogt beroepen;
alleenlijk kan de beslissende eed worden gevorderd van den-
genen die het aangaan der huur ontkent.
1605.    Wanneer er geschil ontstaat over den prijs eener
verhuring, bij monde aangegaan, waarvan de uitvoering be-
gonnen is, en er geene kwijting aanwezig is, moet de ver-
huurder op zijnen eed geloofd worden, ten ware de huurder
mogt verkiezen den huurprijs door deskundigen te doen be-
grooten.
1606.    Indien de huur bij geschrift is aangegaan, houdt
dezelve van regtswege op, wanneer de bepaalde tijd verstre-
ken is, zonder dat daartoe eene opzegging vereischt worde.
160.7. Indien de huur zonder geschrift is aangegaan, houdt
dezelve op den bepaalden tijd niet op, dan voor zoo verre de
eene partij aan de andere de huur heeft opgezegd, met inacht-
neming der termijnen welke het plaatselijk gebruik medebrengt.
1608.   Wanneer de eene partij aan de andere eene opzeg-
ging van huur heeft beteekend, kan de huurder, hoewel in
het genot blijvende, zich niet beroepen op eene stilzwijgende
wederinhuring.
1609.   Indien, na het eindigen van eene verhuring bij ge-
schrifte aangegaan, de huurder in het bezit is gebleven en
gelaten, ontstaat daardoor eene nieuwe huur, waarvan de
gevolgen geregeld worden bij de artikelen, tot mondelinge
verhuringen betrekkelijk.
1610.   In het geval der twee voorgaande artikelen, strekt
zich de borgtogt, voor de huur gesteld, niet uit tot de ver-
pligtingen die uit de verlenging der huur ontstaan.
1611.   De huur-overeenkomst gaat geenszins te niet door
den dood van den verhuurder, noch door dien van den huurder.
1612.  Door verkoop van het verhuurde wordt eene te voren
-ocr page 293-
286                                III BOEK. VAN VKMHNDTENISSEN.
aangegane huur niet verbroken, ten ware dit bij de verhuring
mogt voorbehouden zijn.
Bij zoodanig voorbehoud, kan de huurder, zonder uitdruk-
kelijk beding, geene aanspraak op vergoeding maken, maar
met dat laatste beding, is hij niet tot ontruiming van het
gehuurde verpligt, zoo lang de verschuldigde vergoeding niet
is gekweten.
1613.   De kooper, met beding van wederinkoop, kan geen
gebruik maken van de bevoegdheid om den huurder tot ont-
ruiming van het gehuurde te noodzaken, voordat hij, door
het verstrijken van den termijn, voor den wederinkoop bepaald,
onherroepelijk eigenaar is geworden.
1614.   Ken kooper die gebruik wil maken van de bevoegd-
beid, bij de huur-overeenkomst voorbehouden, om, in geval
van verkoop, den huurder tot de ontruiming van het gehuurde
te noodzaken, is verpligt den huurder zoodanigen tijd te voren
te waarschuwen, als het plaatselijk gebruik tot het doen van
opzeggingen medebrengt.
Bij huur van landerijen moet de waarschuwing ten minste
oen jaar aan de ontruiming voorafgaan.
1615.  De verhuurder kan de huur niet doen ophouden door
te verklaren dat hij het verhuurde goed zelf wil betrekken,
ten ware het tegendeel mogt bedongen zijn.
1616.   Indien men bij de huur-overeenkomst is overeenge-
komen dat de verhuurder de bevoegdheid zoude hebben om
Tiet verhuurde huis of land zelf te betrekken, is hij verpligt
vooraf eene opzegging te doen beteekenen, zoo veel tijd te
voren, als bij artikel 1614 is vastgesteld.
DERDE AFDEELIMG.
Van de regelen welke bijzonder betrekkelijk zijn tot huur
van huizen en huisraad.
1617.   De huurder die een verhuurd huis niet van genoeg-
zaam huisraad voorziet, kan tot de ontruiming daarvan worden
genoodzaakt, tenzij hij voldoende zekerheid geve voor de be-
taling der huurpenningen.
1618.  Een tweede huurder is, ten aanzien van den eigenaar,
niet verder gehouden dan tot het beloop van den huurprijs
der tweede huur, welken hij, op het oogenblik van een gedaan
beslag, aan den eersten huurder zoude mogen schuldig zijn,
en zonder dat hij zich op betalingen, bij voorraad gedaan,
beroepen kan, ten ware die betalingen mogten zijn geschied
uit krachte van een beding, bij zijne huur-overeenkomst uit-
/jedrukt, of ten gevolge van plaatselijke gebruiken.
-ocr page 294-
VII TITEL. VAN HUUR EN VERHUUR.                             287
1619.  Geringe en dageljjksche reparatiën zijn voor rekening
van den huurder.
Bij gebreke van overeenkomst, worden als zoodanig aange-
merkt reparatiën aan winkelkasten, de sluiting der luiken of
blinden, de binnensloten, de vensterglazen, zoo binnen als
buiten \'s huis, en al hetgeen verder door het plaatselijk gebruik
daaronder begrepen wordt.
Niettemin komen die reparatiën ten laste van den verhuur-
der, indien zij door den vervallen toestand van het verhuurde
of door overmagt zijn noodzakelijk geworden.
1620.  Het schoonhouden van putten, regenbakken en sekre-
ten komt ten laste van den verhuurder, indien het tegendeel
niet bedongen is.
Het schoonhouden der schoorsteenen komt, bij gebreke van
beding, ten laste van den huurder.
1621.    De huur van meubelen, om een geheel huis, eene
geheele woning, een winkel, of eenig ander vertrek, daarmede
te stofferen, wordt gehouden voor zoo lang te zijn aangegaan,
als de huizen, woningen, winkels of vertrekken, volgens plaat-
selijk gebruik, doorgaans verhuurd worden.
1622.   De huur van gestoffeerde kamers wordt gehouden bij
het jaar te zijn aangegaan, wanneer dezelve is aangegaan
voor eene zekere som in het jaar;
Bij de maand, wanneer dezelve is aangegaan tegen eene
bepaalde som in de maand;
Bij den dag, wanneer dezelve is aangegaan tegen eene be-
paalde som voor iederen dag.
Indien niet blijkt dat de huur voor eene zekere som bij
het jaar, bij de maand, of voor iederen dag, is aangegaan,
wordt dezelve geacht volgens plaatselijk gebruik te zijn gesloten.
1623.    Indien de huurder van een huis of vertrek, na het
eindigen van den huurtijd, bij schriftelijke overeenkomst be-
paald, in het bezit van het gehuurde blijft, zonder dat zich
de verhuurder daartegen verzet, wordt hij geacht het verhuurde
op dezelfde voorwaarden te blijven behouden, voor den tijd
welken het plaatselijk gebruik medebrengt, en kan hij het
verhuurde niet verlaten, noch daaruit gezet worden, dan na
eene tijdige opzegging, overeenkomstig het plaatselijk gebruik
gedaan.
VIERDE AFDEELING.
Van de regelen welke bijzonder betrekkelijk zijn tot
huur van landerijen.
1624.    Indien bij eene huur-overeenkomst van landerijen
eene kleinere of grootere uitgestrektheid wordt opgegeven,
-ocr page 295-
288                                III BOEK. VAN VKRBINDTENISSEN.
dan dezelve werkelijk hebben, geeft zulks geen grond tot
vermeerdering of vermindering van den huurprijs, dan alleen
in de gevallen en volgens Je bepalingen bij den vijfden titel
van dit boek vastgesteld.
1625.   Indien de huurder van landerijen dezelve niet van
de tot beweiding of bebouwing noodzakelijke beesten en bouw-
gereedschappen voorziet; indien hij met de beweiding of be-
bonwing ophoudt, of te dien opzigte niet als een goed huis-
vader handelt; indien hij het gehuurde goed tot een ander
einde gebruikt, dan waartoe hetzelve bestemd is; of indien
hij, in het algemeen, de bedingen, bij de huur-overeenkomst
gemaakt, niet nakomt, en daardoor eenig nadeel voor den
verhuurder ontstaat, is deze bevoegd om, naar gelang der
omstandigheden, de vernietiging van de huur, met vergoeding
van kosten, schaden en interessen te vorderen.
1626.  Alle huurders van landerijen zijn gehouden de vruch-
ten in de daartoe bestemde bergplaatsen te bergen.
1627.   De huurder van landerijen is, op straffe van vergoe-
ding van kosten, schaden en interessen, gehouden den eigenaar
van alle feitelijkheden te doen kennis dragen, welke op de
gehuurde erven mogten gepleegd worden.
Deze kennisgeving moet gedaan worden binnen denzelfden
termijn, welke tusschen den tijd der dagvaardingen en den
dag der verschijning, naar mate van den afstand der plaatsen,
bepaald is.
1628.   Indien bij eene huur voor verscheidene jaren, gedu-
rende den huurtijd, de geheele of de halve oogst van een
jaar, door onvermijdelijke toevallen, is verloren gegaan, kan
de huurder eene vermindering der huurpenningen vorderen,
ten ware hij door den oogst der vorige jaren reeds mogt zijn
schadeloos gesteld.
Indien hij niet schadeloos gesteld is, kan de begrooting der
vermindering van de huurpenningen niet geschieden, dan op
het einde van de huur, wanneer net genot van alle de jaren
tegen elkander wordt in vergelijking gebragt.
De regter kan niettemin den huurder toestaan om voor-
loopig, naar mate van het geleden verlies, een gedeelte der
huurpenningen in te houden.
1629.    Indien de huur slechts voor één jaar is aangegaan,
en de oogst voor het geheel of voor de helft is verloren, is
de huurder ontheven van de betaling van den geheelen huur-
prijs of van een evenredig gedeelte van denzelven.
Wanneer het verlies minder dan de helft bedraagt, heeft
hij geene aanspraak op eenige korting.
1630.    De huurder kan geen korting erlangen, indien het
verlies der vruchten geleden is nadat dezelve van den grond
-ocr page 296-
VII TITEL. VAN HIUR EN VKBHUUB.                              289
zijn afgescheiden, ten ware bij de huurovereenkomst een
zeker gedeelte van den oogst in natura voor den eigenaar
bedongen zij; in welk geval de eigenaar zijn aandeel in het
verlies moet dragen, mits de huurder niet achterlijk geweest
zij om aan den eigenaar deszelfs aandeel in den oogst te leveren.
De huurder kan evenmin eenige korting vorderen, indien
de oorzaak der schade, tijdens het aangaan der huur, reeds
bestond en bekend was.
1631.   De huurder kan, bij een uitdrukkelijk beding, voor
de onvoorziene toevallen worden aansprakelijk gesteld.
1632.  Zoodanig beding wordt echter alleen verstaan gemaakt
te zijn ten aanzien van de gewone onvoorziene toevallen, als
daar zijn: hagel, bliksem, vorst, of\' het ontijdig afvallen der
bloesems van den boom of wijngaard.
Hetzelve strekt zich niet uit tot buitengewone toevallen, als
daar zijn: verwoestingen van den oorlog, of overstroomingen,
waaraan het land niet gewoonlijk onderworpen is; ten ware
de huurder alle, zoo wel voorziene als onvoorziene, toevallen
hebbe op zich genomen.
1633.  De huur van landen, zonder geschrift aangegaan, wordt
gerekend aangegaan te zijn voor zoodanigen tijd als de huurder
noodig heeft tot het inzamelen van alle de vruchten van het
verhuurde erf.
Aldus wordt de huur van eene weide, van eenen boomgaard,
wijngaard, en van alle andere gronden, waarvan de vruchten
binnen den loop van een jaar geheel worden ingezameld, ge-
re kend voor een jaar te zijn aangegaan.
De huur van bouwlanden, welke bij afwisselende zaaibeurten
bebouwd worden, wordt gerekend te zijn aangegaan voor zoo
vele jaren, als er beurten van dien aard zijn.
1634.  Indien, na het eindigen van eene schriftelijk aange-
gane verhuring, de huurder in het bezit van het goed blijft
en daarin gelaten wordt, worden de gevolgen van de nieuwe
huur door het voorgaande artikel geregeld.
1635.  De huurder wiens huur eindigt en hij welke hem in
de huur opvolgt zijn verpligt elkander over en weder met al
datgene te gerieven, dat vereischt wordt om het verlaten en
het betrekken van het goed gemakkelijk te maken, zoo wat
betreft de\' bebouwing voor het volgende jaar, het inoogsten
der nog te velde staande vruchten, als anderzins: alles over-
eenkomstig het plaatselijk gebruik.
1636.  De huurder moet insgelijks, bij zijn vertrek, het stroo
en de mest van het afgeloopen jaar achterlaten, indien hij
dezelve bij den aanvang van zijne huur ontvangen heeft; en
al had hij die zelfs niet ontvangen, kan de eigenaar dezelve,
volgens eene te maken begrooting, aan zich houden.
19
-ocr page 297-
\'<29Ü                                III nuEK. VAN VKUBINDTKNISSEN.
VIJFDE AEDEE1.IXO.
Van huur aan dienstboden en werklieden.
1637.   Men kun zijne diensten slechts voor eenen tijd, of
voor ecne bepaalde onderneming, verbinden.
1638.    De meester wordt op zijn woord, des gevorderd met
eeile gesterkt, geloofd:
Ten iianzien van de hoegrootheid van het bedongen loon;
Ten aanzien van de betaling van het loon over het versche-
nen jaar;
Ten op/.igte van hetgeen op rekening gegeven is van het
loon over het loopende jaar; en
Ten opzigte der tijdsbepaling, voor welki\' de huur is aan-
gegaan.
1639.   Dienst" en werkboden mogen, indien zij voor eenen
bepaalden tijd gehuurd zijn, zonder wettige redenen hunnen
dienst niet verlaten, noch uit denzelven worden weggezonden
voordat de tijd verstreken zij.
Indien zij binnen den bepaalden of gewonen huurtijd den
dienst, zonder wettige redenen, verlaten, verbeuren zy het ver-
diende loon.
De meester is echter bevoegd om hen te allen tijde, zonder
bet aanvoeren van redenen, weg te zenden, doch hij is, in dat
geval, verpligt aan hen, behalve het verschenen loon, tot
schadeloosstelling te betalen zes weken, te rekenen van den
dag waarop zij uit den dienst zijn weggezonden.
Indien de huur voor eenen korteren tijd dan zes weken is
aangegaan, of minder dan zes weken te loopen heeft, hebben
zij, in dat geval, regt op het volle loon.
ZESDE APDEEtlNO.
Van aanneming eau werk.
1640.   Bij het laten maken van werk, kan men overeen-
konien dat de werkman alleen zijnen arbeid of zijne nijver-
heid, of wel dat hij ook de stof leveren zal.
1641.    In geval de werkman de stof moet leveren, en het
werk. op welke wijze ook, vergaat, alvorens het geleverd is,
komt het verlies voor zijne rekening, ten ware hij die het
werk besteld heeft nalatig zij geweest om hetzelve te ontvangen.
1642.   Indien de werkman alleen zijnen arbeid of zijne
nijverheid moet leveren, en het vergaat, is hjj slechts voor
zijne schuld aansprakelijk.
1643.    Indien het werk, in het geval bij het voorgaande
-ocr page 298-
VII TITKI.. VAN HITR KN VKBHUOK.                              291
artikel vermeld, buiten eenig pligtverzuim van tien werkman
is verloren gegaaYi, voordat de levering geschied is, en zonder
dat hij die het werk besteld heeft nalatig is geweest om het-
zelve op te nemen en goed te keuren, heeft de werkman geene
aanspraak op zijn loon, ten ware de zaak door een gebrek in
de stof zelve verloren ware gegaan.
1644.  Indien een werk bij het stuk of bij de maat bearbeid
wordt, kan hetzelve bij gedeelten worden opgenomen; die op-
neming wordt geacht geschied te zijn voor alle de betaalde
gedeelten, wanneer de aanbesteder den werkman telkens be-
taalt naar evenredigheid van hetgeen afgewerkt is.
1645.  Indien een gebouw, voor eenen bepaalden prijs aan-
genomen en gemaakt, geheel of gedeeltelijk vergaat door een
gebrek in de zamenstelling, of zelfs uit hoofde van de onge-
schiktheid van den grond, zijn de bouwmeesters en aannemers
daarvoor, gedurende tien jaren, aansprakelijk.
1646.  Indien een bouwmeester of aannemer op zich genomen
heeft om een gebouw bij aanneming te maken, volgens een
bestek, met den eigenaar van den grond beraamd en vastge-
steld, kan hij gecrye vermeerdering van den prijs vorderen,
noch onder voorwendsel van vermeerdering der dagloonen of
bouwstoffen, noch onder dat van gemaakte veranderingen of
bijvoegselen die niet in het bestek begrepen zijn, indien die
veranderingen of vergrootingen niet schriftelijk zijn ingewib
ligd, en over derzelver prijs met den eigenaar geene overeen-
komst is getroffen.
1647.  De aanbesteder kan, des goedvindende, de aanneming
opzeggen, ofschoon het werk reeds begonnen zij, mits hij den
aannemer, wegens alle deszelfs gemaakte kosten, arbeid en
winstderving, volkomen schadeloos stelle.
1648.   Huur van werk houdt op door den dood van den
werkman, bouwmeester of aannemer.
Maar de eigenaar is gehouden aan de erfgenamen, naar
evenredigheid van den bij de overeenkomst bedongen prijs,
te betalen de waarde van het gedane werk en die der in ge-
reedheid gebragte bouwstoffen, mits dat werk of die bouw-
stoffen hem tot eenig nut kunnen verstrekken.
1649.   D.e aannemer is verantwoordelijk voor de daden van
degenen die hij in het werk stelt.
1650.  Metselaars, timmerlieden, smids en andere ambachts-
Heden, welke tot het zetten van een gebouw of het maken
van eenig ander aangenomen werk gebezigd zijn, hebben geene
regisvordering tegen dengenen te wiens behoeve de werken
gemaakt zijn, dan ten beloope van hetgeen deze aan den
aannemer schuldig is op het oogenblik waarop zij hunne
regtsvordering aanleggen.
t
-ocr page 299-
292                                III HOEK. VAN VEKBINDTENISSEN.
1651.   Metselaars, timmerlieden, smids en andere ambachts-
lieden, die zelven onmiddellijk en voor eenen bepaalden prijs
een werk op zich nemen, zijn gehouden aan de regelen in
deze afdeeling voorgeschreven.
Zij zijn aannemers in het vak waarin zij werkzaam zijn.
1652.   Arbeidslieden die eenig goed van een ander onder
zich hebben, om daaraan eenig werk te verrigten, zijn gereg-
tigd om dat goed onder zich te houden tot de volle voldoening
van de kosten en arbeidsloonen daaraan besteed, ten zij de
eigenaar voor die kosten en arbeidsloonen genoegzame zeker-
heid hebbe gesteld.
1653.  üe regten en verpligtingen van voerlieden en schippers
zijn in het Wetboek van Koophandel vastgesteld.
ACHTSTE TITEL.
VAN HET HEUT VAN BEKLEMMING.
1654.   Het regt van beklemming en van altijddurende be-
klemming, geboren uit overeenkomst, of door andere wettige
middelen ingesteld, wordt door de aan hetzelve eigene bepalin-
gen en bedongene voorwaarden, en, bij gebreke van deze, door
de plaatselijke gewoonten geregeerd.
NEGENDE TITEL.
VAN MAATSCHAP OF VENNOOTSCHAP.
EERSTE AFD1-.ELING.
Algemeene bepalingen.
1655.   Maatschap is eene overeenkomst, waarbij twee of
meerdere personen zich verbinden om iets in gemeenschap te
brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstaande voordeel
met elkander te doelen.
1656.  Alle maatschap moet een geoorloofd onderwerp heb-
ben, en tot het gemeenschappelijk belang der partijen aange-
gaan worden.
Ieder der vennooten moet of geld, of andere goederen, of
zijne nijverheid, in de maatschap inbrengen.
1657.  Maatschappen zijn of algeheel, of bijzonder.
1658.  De wet kent slechts de algeheele maatschap van winst.
Zij verbiedt alle maatschappen, het zij van alle de goederen,
het zij van een bepaald gedeelte van dezelve, onder eenen
s
-ocr page 300-
IX TITEL. VAN MAATSCHAP OF VKNNOOTSCHAP.                  293
algemeenen titel; onverminderd de bepalingen, vastgesteld in
den zevenden en achtsten titel van het eerste boek van dit
Wetboek.
1659.   De algeheele maatschap van winst bevat slechts het-
geen partijen, onder welke benaming ook, gedurende den loop
der maatschap door hare vlijt zullen verkrijgen.
1660.    De bijzondere maatschap is de zoodanige welke
slechts betrekking heeft tot zekere bepaalde zaken, of tot
derzelver gebruik, of tot de vruchten die daarvan zullen ge-
trokken worden, of tot eene bepaalde onderneming, of tot de
uitoefening van eenig bedrijf of beroep.
TWEEDE AFDEELING.
Van de verbindtenissen der vennooten onderling.
1661.  De maatschap begint van het oogenblik der over-
eenkonist, indien daarbij geen ander tijdstip bepaald is.
1662.    Ieder vennoot is aan de maatschap verschuldigd al
hetgene hij beloofd heeft daarin te zullen brengen; en, indien
deze inbrengst in een bepaald voorwerp bestaat, is hij tot vrij-
waring gehouden, op gelijke wijze als bij koop en verkoop
plaats vindt.
1663.    De vennoot die eene som gelds in de maatschap
moest inbrengen, en zulks niet gedaan heeft, wordt van regts-
wege, en zonder daartoe aangesproken te worden, schul-
denaar der interessen van deze som, te rekenen van den
dag waarop dezelve had behooren ingebragt te worden.
Hetzelfde geldt omtrent de geldsommen, welke hij uit de
gemeene kas genomen heeft, te rekenen van den dag waarop
hij dezelve tot zijn bijzonder voordeel daaruit getrokken heeft.
Alles onverminderd de vergoeding van meerdere kosten,
schaden en interessen, indien daartoe gronden zijn.
1664.  De vennooten die zich verbonden hebben om hunnen
arbeid en hunne vlijt in de maatschap aan te brengen, zijn
aan dezelve rekenschap verschuldigd van alle winsten, welke
zij, door zoodanige soort van nijverheid als welke het onder-
werp der maatschap uitmaakt, verkregen hebben.
1665.  Wanneer een der vennooten, voor zijne eigene rekening,
eene opeischbare som te vorderen heeft van iemand die mede
eene insgelijks opeischbare som verschuldigd is aan de maat-
schap, moet de betaling, welke hij ontvangt, op de inschuld
der maatschap en op die van hemzelven, naar evenredigheid
van beide die vorderingen, toegerekend worden, al ware het
ook dat hij, bij de kwijting, alles in mindering of voldoening
van zijne eigene inschuld mogt gebragt hebben; maar indien
-ocr page 301-
294
III HOEK. VAN VKBBINDTENISSF.N.
hij bij de kwijting bepaald heeft dat de geheele betaling zoude
strekken voor de inschuld der maatschappij, zal deze bepaling
worden nagekomen.
1666.  Indien een der vennooten zijn geheel aandeel in eene
gemeene inschuld der maatschap ontvangen heeft, en de
schuldenaar naderhand onvermogend is geworden, is die vennoot
gehouden het ontvangene in de gemeene kas in te brengen, al
had hij ook voor zijn aandeel kwijting gegeven.
1667.   Ieder vennoot is jegens de maatschap gehouden tot
vergoeding der schaden, welke hij aan dezelve door zijne schuld
heeft veroorzaakt, zonder dat hij die schaden kan in vergelijking
brengen met de voordeelen, welke hij door zijnen arbeid en
zijne vlijt in andere zaken aan de maatschap mocht hebben
aangebragt.
1668.  Indien de zaken, waarvan slechts het genot in de
maatschap is ingebragt, in zekere en bepaalde voorwerpen
bestaan, welke, niet door het gebruik te niet gaan, zijn dezelve
voor rekening van den vennoot, aan wien zij in eigendom
toebehooren.
Indien die zaken door het gebruik vergaan; indien zij in
waarde verminderen door dezelve te behouden ; indien zij bestemd
geweest zijn om verkocht te worden, of indien zij in de maat-
schap zijn aangebragt volgens eene begrooting, bij eene beschrij-
ving of inventaris bepaald, zijn zij voor rekening der maat-
schap.
Indien het goed geschat is, kan de vennoot niets meer vorderen
dan het beloop van die schatting.
1669.   Een vennoot heeft aanspraak op de maatschap, niet
alleen wegens de gelden welke hij voor dezelve heeft uitge-
schoten, maar ook wegens de verbindtenissen welke hij, te
goeder trouw, ten behoeve der maatschap heeft aangegaan,
en wegens de schaden welke onafscheidbaar zijn van zijn beheer.
1670.   Indien bij de overeenkomst van maatschap het aandeel
van ieder vennoot in de winsten en de verliezen niet is bepaald.
is elks aandeel geëvenredigd aan hetgeen hij in de maatschap
heeft ingebragt.
Ten aanzien van dengenen die slechts zijne nijverheid heeft
ingebragt, wordt het aandeel in de winsten en de verliezen
berekend gelijk te staan met het aandeel van dengenen der
vennooten, die het minst heeft ingebragt.
1671.  De vennooten kunnen niet bedingen dat zij de regeling
der hoegrootheid van hun aandeel aan een\'hunner of aan eenen
derde zullen overlaten.
Een zoodanig beding wordt voorondersteld niet geschreven
te zijn. en zullen alzoo de verordeningen van het voorgaande
artikel worden in acht genomen.
-ocr page 302-
IX TITKI,. VAN MAATSCHAP OF VENNOOTSCHAP.                  295
1672.   Het beding, waarbij aan een\' der vennooten alle de
voordeelen mogten toegezegd zijn, is nietig.
Maar het is geoorloofd te bedingen dat alle de verliezen bij
uitsluiting door een\' of meer der vennooten zullen gedragen
worden.
1673.  De vennoot die bij een bijzonder beding van de over-
eenkomst van maatschap met het beheer belast is, kan, zelfs
in weerwil der overige vennooten, alle daden verrigten. welke
tot zijn beheer betrekkelijk zijn, mits hierin te goeder trouw
te werk gaande.
Deze raagt kan, zoo lang de maatschappij duurt, niet zonder
wettige redenen herroepen worden; maar indien dezelve niet bij
de overeenkomst der maatschap, maar bij eene latere akte.
is gegeven, is zij, evenals eene eenvoudige lastgeving, her-
roepelijk.
1674.  Indien verscheidene vennooten met het beheer belast
zijn, zonder dat hunne bijzondere werkzaamheden bepaald zijn.
of zonder beding dat de een buiten den anderen niets zouden
moge verrigten, is ieder van hen afzonderlijk tot alle hande-
lingen, dat beheer betreffende, bevoegd.
1675.   Indien er bedongen is dat een der beheerders niets
buiten den anderen zoude mogen verrigten, vermag de eene,
zonder eene nieuwe overeenkomst, niet te handelen zonder
medewerking van den anderen, al mogt deze zich ook voor het
oogenblik in de onmogelijkheid bevinden om aan de daden
van beheer deel te nemen.
1676.    Bij gebreke van bijzondere bedingen omtrent de
wijze van beheer, moeten de volgende regelen worden in acht
genomen:
1". De vennooten worden geacht zich over en weder de
magt te hebben verleend om, de een voor den anderen,
te beheeren.
Hetgeen ieder van hen verrigt is ook verbindende voor
het aandeel der overige vennooten, zonder dat hij hunne
toestemming hebbe bekomen ; onverminderd het regt van
deze laatstgemelden, of van een\' hunner, om zich tegen
de handeling, zoo lang die nog niet gesloten is, te
verzetten.
2°. Ieder\'der vennooten mag gebruik maken van de zaken
aan de maatschap toebehoorende, mits hij dezelve tot zoo-
danige einden gebruike, als waartoe zij gewoonlijk bestemd
zijn, en mits hij zich van dezelve niet bediene tegen het
belang der maatschap, of op zoodanige wijze dat de
overige vennooten daardoor verhinderd worden om van
die zaken, volgens hun regt, mede gebruik te maken.
3 . Ieder vennoot heeft de bevoegdheid om de overige ven-
-ocr page 303-
296
III nOEK. VAN VEHRINDTENISSKN.
nooten te verpligten in do onkosten te dragen, welke
tot behoud der aan de maatschap behoorende zaken nood-
zakelijk zijn.
4°. Geen der vennooten kan, zonder toestemming der overige,
eenige nieuwigheden daarstellen ten aanzien der onroe-
rende goederen, welke tot de maatschap behooren, al
beweerde hij ook dat dezelve voor de maatschap voor-
deelig waren.
1677.   De vennooten die geen beheer hebben, mogen zelfs
de roerende goederen tot de maatschap behoorende, noch ver-
vreemden, noch verpanden, noch bezwaren.
1678.  Kik der vennooten mag, zelfs zonder toestemming
der overige, eenen derden persoon aannemen als deelgenoot in
het aandeel hetwelk hij in de maatschap heeft; doch hij kan
denzelven, zonder zoodanige toestemming, niet als medelid der
maatschap toelaten, al mogt hij ook met het beheer der zaken
van de maatschap bolast zijn.
DERDE AFDEEI.ING.
Van de verhindtenimen der vennooten ten aanzien
van derden.
1679.  üe vennooten zijn niet ieder voor het geheel voor
de schulden der maatschap verbonden; en een der vennooten
kan de overige niet verbinden, indien deze hem daartoe geene
volmagt gegeven hebben.
1680.  De vennooten kunnen door den schuldeiseher, met
wien zij gehandeld hebben, aangesproken worden, ieder voor
gelijke som en gelijk aandeel, a! ware het dat het aandeel in
de maatschap van den eenen minder dan dat van den anderen
bedroeg; ten zij. bij het aangaan der schuld, derzelver verplig-
ting, om in evenredigheid van hét aandeel in de maatschap
van elk vennoot te dragen, uitdrukkelijk zij bepaald.
1681.  Het beding dat eene handeling voor rekening dei-
maatschap is aangegaan, verbindt slechts den vennoot die
dezelve aangegaan heeft, maar niet de overige, ten zij de laatst-
genoemde hem daartoe volmagt hadden gegeven, of de zaak
ten voordeele der maatschap gestrekt hebbe.
1682.  Indien een der vennooten in naam der maatschap
eene overeenkomst heeft aangegaan, kan de maatschap
de uitvoering daarvan vorderen.
-ocr page 304-
IX T1TKL. VAN MAATSCHAP OF VENNOOTSCHAP.                 297
VIKBDB AFDEKLING.
Van de verschillende wijze, waarop de maatschap eindigt.
1683.  Maatschap eindigt:
1 °. Door verloop van den tijd voor welken dezelve is aangegaan;
2°. Door de vernietiging der zaak of de volbrenging dei-
handeling, die het onderwerp der maatschap uitmaakt;
3°. Door den enkelen wil van eenige of van slechts eenen
der vennooten:
4". Door den dood of de curatele van één hunner, of indien
hij in staat van faillissement of van kennelijk onver-
mogen is verklaard.
1684.   De ontbinding van maatschappen, voor eenen bepaal-
den tijd aangegaan, kan door eenen der vennooten, vóór den
afloop van dien tijd, niet anders gevorderd worden dan om
wettige redenen; zoo als, indien een ander vennoot niet aan
zijne verpligtingen voldoet, of eene aanhoudende ongesteldheid
hem onbekwaam maakt om de zaken der maatschap waar te
nemen; of andere soortgelijke gevallen, waarvan de wettigheid
en het gewigt aan de beoordeeling des regters worden over-
gelaten.
1685.   Indien een der vennooten beloofd heeft den eigendom
eener zaak in gemeenschap te zullen brengen, en deze zaak,
voordat zulks geschied is, vergaat, wordt de maatschap daar-
door, ten opzigte van alle de vennooten, ontbonden.
De maatschap is insgelijks, in alle gevallen, ontbonden door
het vergaan der zaak, wanneer alleen derzelver genot in ge-
meenschap is gesteld, en de eigendom aan den vennoot is
verbleven.
Maar de maatschap wordt niet verbroken door het vergaan
der zaak, waarvan de eigendom reeds in maatschap is ingebraut.
1686.   Maatschap kan slechts door den wil van eenige of
van slechts eenen der vennooten worden ontbonden, in geval
dezelve voor geenen bepaalden tijd is aangegaan.
De ontbinding geschiedt, in dat geval, door eene opzegging
aan alle de overige vennooten gedaan, mits die opzegging te
goeder trouw en niet ontijdig plaats hebbe.
1687.   De opzegging wordt geacht niet te goeder trouw te
zijn geschied, wanneer een vennoot de maatschap opzegt, met
oogmerk om zich alleen een voordeel toe te eigenen, hetwelk
de vennooten zich hadden voorgesteld gemeenschappelijk te
zullen genieten.
De opzegging geschiedt ontijdig, wanneer de zaken niet meer
in haar geheel zijn, en het belang der maatschap vordert dat
derzelver ontbinding uitgesteld worde.
-ocr page 305-
298                                til HOEK. VAN VERniNDTEXISSEN.
1688.   Indien bedongen is dat, in geval van overlijden van
een der vennooten, de maatschap niet deszelfs erfgenaam, of
alleen tusschen de overblijvende vennooten, zoude voortduren,
moet dat beding worden nagekomen.
In het tweede geval, heeft de erfgenaam des overledenen geen
verder regt dan op de verdeeling der maatschap, overeenkomstig
de gesteldheid waarin dezelve zich ten tijde van dat overlijden
bevond; doch hij deelt in de voordeelen en draagt in de ver-
liezen, die de noodzakelijke gevolgen zijn van verrigtingen,
welke vóór het overlijden van den vennoot, wiens erfgenaam
hij is. hebben plaats gehad.
1689.  De regelen omtrent de verdeeling der nalatenschappen,
de wijze dier verdeeling en de verpligtingen die daaruit tus-
schen de mede-erfgenamen voortspruiten, zijn ook toepasselijk
op de verdeeling tusschen vennooten.
TIEN UK TITEL.
VAN ZEDELIJKE LIUCHAMEN.
1690.  Behalve de eigenlijke maatschap erkent de wet ook
vereenigingen van personen als zedelijke ligchamen, het zij
dezelve op openbaar gezag als zoodanig zijn ingesteld of\'erkend,
het zij zij als geoorloofd zijn toegelaten, of alleen tot een be-
paald oogmerk, niet strijdig niet de wetten of met de goede
zeden, zijn zamengesteld.
1691.  Alle wettig bestaande zedelijke ligchamen zijn, even
als particuliere personen, bevoegd tot het aangaan van
burgerlijke handelingen, behoudens de openbare verordenin-
gen, waarbij die bevoegdheid mogt zijn gewijzigd, beperkt of
aan zekere formaliteiten onderworpen.
1692.    De bestuurders van een zedelijk ligchaam zijn, voor
zoo verre daaromtrent niet anders bij de instellingen, de
overeenkomsten en de reglementen is bepaald, geregtigd om
in naam van het ligchaam te handelen, hetzelve aan derden en
derden aan hetzelve te verbinden, mitsgaders, zoo eischende
als verwerende, in regten op te treden.
1693.  Alle handelingen, waartoe de bestuurders onbevoegd
waren, verbinden het zedelijk ligchaam slechts in zoo verre
hetzelve daardoor werkelijk is gebaat, of de handelingen nader-
hand behoorlijk zijn goedgekeurd geworden.
1694.  Indien de instellingen, de overeenkomsten en de
reglementen niets bepalen nopens het bestuur van het zedelijk
ligchaam, is niemand der leden bevoegd in naam van hetzelve
te handelen, of het ligchaam op eene andere wijze te v.erbin-
den, dan bij het slot des vorigen artikels is bepaald.
-ocr page 306-
X TITEL. VAN ZKDKMJKK LIOCHAMKN.                        299
1695.  Voor zoo verre daaromtrent niet bij de instellingen,
de overeenkomsten en de reglementen op eene andere wijze ia
voorzien, zijn de bestuurders verpligt om aan de gezamenlijke
leden van liet zedelijk ligchaam rekening en verantwoording
af\' te leggen, waartoe elk lid bevoegd is hen in regten op te
roepen.
1696.   Indien bij de instellingen, de overeenkomsten en de
reglementen geene bepalingen opzigtelijk het stemregt zijn ge-
maakt, heeft ieder lid van een zedelijk ligchaam gelijk regt
zijne stem uit te brengen, en woixlt het besluit bij meerderheid
van stemmen opgemaakt.
1697.  De regten en verpligtingen der leden van zoodanige
vereeniging worden geregeld naar de verordeningen, waarop
zij door het openbaar gezag zijn ingesteld of erkend, of naar
haar eigene instellingen, overeenkomsten en reglementen, en,
voor zoo verre die ontbreken, naar de bepalingen van dezen
titel.
1698.   De leden van een zedelijk ligchaam zijn niet per-
soonlijk aansprakelijk voor de verbindtenissen van hetzelve.
De schulden kunnen alleen verhaald worden op de goederen
van dat ligchaam.
1699.   Het zedelijk ligchaam op openbaar gezag ingesteld
wordt niet vernietigd door den dood of\' den afstand van het
lidmaatschap van alle leden, maar blijft als zoodanig bestaan,
tot zoo lang hetzelve wettiglijk is ontbonden.
Indien aile de leden in voege voorschreven ontbreken, is
de arrondissementsregtbank, onder welker gebied het ligchaam
is gevestigd, bevoegd om, op verzoek van den belanghebbenden,
en na verhoor en zelfs op requisitoir van het openbaar minis-
terie, de maatregelen voor te schrijven, welke tusschentijds,
in het belang van het zedelijk ligchaam mogten worden ver-
eischt.
1700.    Alle andere zedelijke ligchamun blijven bestaan tot
dat zij uitdrukkelijk zijn ontbonden, volgens hunne instellingen,
reglementen of overeenkomsten, of tot dat het doel of het
voorwerp der vereeniging ophoudt.
1701.  Indien de verordeningen van het zedelijk ligchaam, of
deszelfs instellingen, reglementen en overeenkomsten, deswege
geene andere bepalingen inhouden, is het regt der leden van
hetzelve persoonlijk, en gaat niet over op hunne erfgenamen.
1702.    Bij de ontbinding van zoodanig zedelijk ligchaam.
zijn de overblijvende leden, of wel het laatst overblijvend lid
verpligt de schulden van het ligchaam te voldoen, ten bedrage
der baten, en kunnen zij alleen het voordeelig slot onderling
verdeelen, of zich persoonlijk toeëigenen, en alzoo op hunne
erfgenamen overdragen.
-ocr page 307-
300
III BOKK. VAN VKRBINIITKNISSEN.
Zij zijn ten opzigte van de oproeping der schuldeischers,
het aanzuiveren der rekening en verantwoording, en het uit-
betalen der schulden, aan dezelfde verpligtingen onderworpen
als erfgenamen die eene erfenis onder het voorregt van boedel-
beschrijving hebben aanvaard.
Bij gebreke van voldoening aan die verpligtingen, zijn zij
persoonlijk, elk voor het geheel, aansprakelijk voor de schub
den, en dragen zij den last daarvan op hunne erfge-
naiuen over.
ELFDE TITEL.
VAN SCHENKINGEN.
EERSTE AKDEELING.
A Igemeene bepalingen.
1703.    Schenking is eene overeenkomst, waarby de schenker,
bij zijn leven, om niet en onherroepelijk cenig goed afstaat
ten behoeve van den begiftigde die hetzelve aanneemt.
De wet erkent geene andere schenkingen dan schenkin-
gen onder de levenden.
1704.  Schenking vermag alleen de tegenwoordige goederen
van den schenker te bevatten.
Indien dezelve toekomstige goederen bevat, is zij te dien
opzichte nietig.
1705.  De schenker mag zich niet voorbehouden de bevoegd-
heid om over een voorwerp, in de schenking begrepen, te
beschikken; zoodanige schenking wordt voor zoo veel dat
voorwerp aangaat als nietig beschouwd.
1706.   Het is aan den schenker geoorloofd zich het genot
of vruchtgebruik van geschonkene, roerende of onroerende
goederen, te zijnen eigen voordeele voor te behouden, of daar-
over ten behoeve van een ander te beschikken; in welke ge-
vallen, de bepalingen van den negenden titel van het tweede
boek van dit Wetboek zullen moeten worden in acht ge-
nomen.
1707.  Eene schenking is nietig, indien zij gemaakt is onder
voorwaarde om andere schulden of lasten te voldoen dan die
welke uitgedrukt staan in de akte van schenking zelve, of in
eenen staat welke daaraan zal moeten zijn vastgehecht.
1708.   De schenker mag zich voorbehouden om over eene
bepaalde geldsom uit de geschonkene goederen te beschikken.
-ocr page 308-
801
XI TITEL. VAN SCHENKINGEN.
Indien hij overlijdt zonder over die geldsom beschikt te
hebben, blijft het geschonkene in het geheel aan den begiftigde.
1709.  De schenker vermag zich het regt voor te behouden
om de gegevene goederen tot zich te doen terugkeeren, het zij
in geval de begiftigde alleen, of deze en zijne afkomelingen,
vóór den schenker kwamen te overlijden, maar dit kan niet
anders bedongen worden dan ten behoeve van den schenker
alleen.
1710.  Het gevolg van het regt van terugkeering zal daarin
bestaan, dat alle vervreemdingen der geschonkene goederen
worden vernietigd, en die goederen tot den schenker terug
keeren, vrij en ontheven van alle lasten en hypotheken, welke
daarop sedert het tijdstip der schenking mogten gelegd zijn.
1711.   De schenker is in geval van uitwinning tot geene
vrijwaring gehouden.
1712.  De bepalingen van artikel 926, 927, 928, 929 en 931,
die van art. 941, en eindelijk de zevende en achtste afdeelingen
van den twaalfden titel van het tweede boek, zijn op schen-
kingen toepasselijk.
TWEEDE APDEELINÜ.
Van de bekwaamheid om bij wege van schenking te
beschikken, en voordeel te genieten.
1713.  Alle personen mogen bij wege van schenking beschikken
en genieten, uitgezonderd de zoodanige welke de wet daartoe
onbekwaam verklaart.
1714.   Minderjarigen mogen niet bij wege van schenking
beschikken, behoudens hetgeen bij den achtsten titel van het
eerste boek van dit Wetboek is vastgesteld.
1715.  Schenkingen tusschen echtgenooten, staande huwelijk
gedaan, zijn verboden.
Deze bepaling is echter niet toepasselijk op geschenken of
handgiften van roerende, ligchamelijke voorwerpen, waarvan de
waarde niet bovenmatig is, in aanmerking van de gegoedheid
des schenkers.
1716.  Ten einde bekwaam te zijn om bij wege van schenking
voordeel te genieten, moet de begiftigde, op het tijdstip waarop
de schenking heeft plaats gehad, bestaan, met inachtneming
van den regel bij artikel 3 vastgesteld.
1717.  Schenkingen aan openbare of godsdienstige gestichten
gedaan, hebben geen gevolg, dan voor zoo verre de Koning
aan de bewindvoerders dier gestichten de magt zal hebben
verleend om die giften aan te nemen.
-ocr page 309-
302                                III BOEK. VAN VKHB1NDTKNISSKN.
1718. De bepalingen van het tweede en van hot laatste lid
van artikel 951, mitsgaders artikel 953, 954, 955, 956 en 958,
zijn op schenkingen toepasselijk.
DEKUF. AFDEEI.INO.
Van tien rortn der schenkingen.
1719.  (leene schenking, uitgezonderd degene waarvan bij
artikel 1724 wordt gehandeld, kan op straffe van nietigheid
anders gedaan worden dan bij eene notariëele akte, waarvan
de minuut onder den notaris is verbleven.
1720.  Geene schenking is voor den schenker verbindende,
of brengt eenig gevolg hoegenaamd te weeg, dan van den dag
waarop dezelve in uitdrukkelijke bewoordingen zal zijn aange-
nomen, het zij door den begiftigde zelven, het zij door eenen
persoon, aan wien door dezen, bij eene authentieke akte, de
volmagt is verleend oin schenkingen aan te nemen, welke aan
den begiftigde gedaan zijn, of in het vervolg mogten gedaan
worden.
Indien de aanneming niet bij de akte van schenking zelve
gedaan is, zal zulks kunnen geschieden bij eene latere authen-
tieke akte, waarvan eene minute zal worden gehouden, mits
dit plaats hebbe gedurende het leven van den schenker; in
welk geval, de schenking, ten opzigte van dezen laatstgenoemde,
slechts van kracht zal zijn van den dag, waarop de aanneming
aan dezen zal zijn beteekend geworden.
1721.  Schenkingen aan eene getrouwde vrouw gedaan, kun-
nen niet anders worden aangenomen dan overeenkomstig de
bepalingen van den zesden titel van het eerste boek van dit
Wetboek.
1722.  Schenking aan minderjarigen gedaan kan, gedurende
het leven der beide ouders, door den vader worden aange-
nomen.
Schenking aan onder voogdij staande minderjarigen, of
onder curatele gestelden, gedaan, wordt door den voogd of
den curator, daartoe door den kantonregter gemagtigd, aan-
genomen.
Indien de kantonregter de magtiging verleent, blijft de
schenking van kracht, al mogt de schenker vóór het verlee-
nen der magtiging zijn overleden.
1723.   De eigendom der in do schenking begrepene goederqn
wordt, zelfs wanneer die schenking behoorlijk is aangenomen,
niet door den begiftigde verkregen, dan door middel van
de overdragt, gedaan overeenkomstig art. 667. 668, en 671.
-ocr page 310-
XI TITEL. VAN SCHENKINGEN.                                     303
1724. De giften van hand tot hand, van roerende, Hgcha-
melijke voorwerpen, of van schuldvorderingen aan toonder,
vereisehen geene akte, en zijn van kracht door de enkele
overlevering aan den begiftigde, of aan eenen derde, die het
gegevene voor hem aanneemt.
VIEKOE AFDEEI.INO.
Van het herroepen en te niet doen van schenkingen.
1725.   Eene schenking kan niet worden herroepen, noch
dien ten gevolge te niet gedaan, ten zij in de volgende gevallen:
1°. Uit hoofde der niet-vervulling der voorwaarden, waar-
onder zij gedaan is;
2°. Indien de begiftigde zich schuldig of medepligtig heeft
gemaakt aan eenen aanslag op het leven van den schcn-
ker, of aan een ander misdrijf jegens denzelven;
3°. Indien hij weigert aan den schenker, nadat deze in ar-
moede is vervallen, levens-onderhoud te verschaffen.
1726.    In het eerste geval, blijft het geschonkene aan den
schenker, of hij kan hetzelve terug vorderen, vrij van alle
lasten en hypotheken welke daarop door den begiftigde mog-
ten gelegd zijn, met de vruchten en inkomsten bij denzelven
sedert zijne nalatigheid genoten.
De schenker kan, in dat geval, tegen den derden houder
van eene geschonkene onroerende zaak dezelfde regten uit-
oefenen als tegen den begiftigde zelven.
1727.   In de twee laatste gevallen bij artikel 1725 uitge-
drukt, wordt geen hinder toegebragt aan de vervreemding
van de geschonkene zaak, of aan de hypotheken of andere
zakelijke lasten welke de begiftigde op dezelve mogt gelegd
hebben, voordat de eisch tot tenietdoening der gift was inge-
schreven naast de bij artikel 671 vermelde overschrijving.
Alle vervreemdingen, hypotheken, of andere zakelijke lasten,
welke later dan de voorz. inschrijving door den begiftigde
mogten zijn gedaan, zijn nietig, indien de eisch ten gevolge
der herroeping wordt toegewezen
1728.   De begiftigde moet, in het geval van het vorige
artikel, de geschonkene zaak terug geven, met de vruchten
en inkomsten, te rekenen van den dag der regtsvordering, of,
in geval de zaak vervreemd mogt zijn, de waarde van dezelve,
op het tijdstip der regtsvordering, mede met de vruchten en
inkomsten sedert dat tijdstip.
Hij is daarenboven verpligt den schenker schadeloos te
stellen voor de hypotheken en andere lasten, waarmede on-
-ocr page 311-
304                                III HOEK. VAN VERlllXHTENISSEN.
roerende zaken, ook vóór de regtsvordering, door hem mogten
zijn bezwaard.
1729.   De regtsvordering, in het vorige artikel uitgedrukt,
vervalt na verloop van een jaar, te rekenen van den dag
waarop de daadzaak die grond tot dezelve geeft heeft plaats
gehad, en aan den schenker heeft kunnen bekend zijn.
Die regtsvordering kan niet worden aangelegd door den
schenker tegen de erfgenamen van den begiftigde, noch door
de erfgenamen van den schenker tegen den begiftigde, ten
ware, in dat laatste geval, de regtsvordering reeds door den
schenker ware aangevangen, of deze binnen het jaar van de
ten laste gelegde daad mogt zijn overleden.
1730.   Door de bepalingen van dezen titel wordt geen hin-
der toegebragt aan hetgeen bij den achtsten titel van het
eerste boek van dit Wetboek is vastgesteld.
TWAALFDE TITEL.
VAN BEWAARGEVING.
KERSTE AFDEEI.ING.
Vtm bewaargeving in het algemeen, en van derzeher
versch Wende soorten.
1731.   Bewaargeving heeft plaats, wanneer men het goed
van een ander aanneemt, onder de voorwaarde van hetzelve
te bewaren en in natura terug te geven.
1732.   Er zijn twee soorten van bewaargeving: de eigen-
lijk gezegde en de sequestratie.
TWEEDE AFDEEI.ING.
Van eigenlijk gezegde bewaargeving.
1733.   Eigenlijk gezegde bewaargeving wordt geacht om
niet te zijn aangegaan, zoo niet het tegendeel is bedongen.
Dezelve kan slechts roerende goederen tot onderwerp hebben.
1734.   Deze overeenkomst is niet voltrokken dan door de
wezenlijke of vooronderstelde overgave der zaak.
1735.   Bewaargeving geschiedt, of vrijwillig, of uit noodzaak.
1736.  Vrijwillige bewaargeving heeft plaats, ten gevolge
-ocr page 312-
XII TITEL. VAN BEVVAABOEVINO.                                  305
van de wederkeerige toestemming van den bewaargever en
den bewaarnemer.
1737.  Indien men zich zonder schriftelijk bewijs, of zonder be-
gin van schriftelijk bewijs, mogt beroepen op eene vrijwillige be-
waargeving, welker bestaan niet voor bewijs bij getuigen vatbaar
is, wordt degene, die als bewaarnemer aangesproken wordt, ge-
loofd, het zij omtrent de daadzaak zelve der bewaargeving, het
zij omtrent de zaak die het onderwerp der bewaring uitmaakt,
het zij omtrent de teruggave daarvan; alles overminderd hetgeen,
in het vierde boek, opzigtelijk den beslissenden eed bepaald is.
1738.    Vrijwillige bewaargeving kan slechts plaats hebben
tusschen personen die de bekwaamheid hebben om verbind-
tenissen aan te gaan.
Indien evenwel iemand die bekwaam is om verbindtenissen
aan te gaan iets in bewaring aanneemt van eenen daartoe
onbekwamen persoon, is hij aan alle de verpligtingen van
eenen wezenlijken bewaarnemer onderworpen.
1739.    Indien de bewaargeving door eenen bevoegden per-
soon gedaan is aan iemand die niet bekwaam is om verbind-
tenissen aan te gaan, heeft de bewaargever tegen den bewaar-
nemer slechts eene regtsvordering tot teruggave der in bewaring
gegevene zaak, zoo lang de laatstgemelde nog in het bezit
van dezelve is; of, indien de zaak niet meer bij den bewaar-
nemer berust, eene regtsvordering tot vergoeding, voor zoo
verre deze daardoor gebaat is.
1740.   Bewaargeving uit noodzaak is de zoodanige welke
men door eenig toeval gedwongen wordt te doen, zoo als
door brand, instorting van gebouwen, plundering, schipbreuk,
overstrooming, of andere onvoorziene toevallen.
1741.   Het bewijs door getuigen wordt omtrent de bewaar-
geving uit noodzaak toegelaten, al mogt de waarde van hetgeen
in bewaring gegeven is ook de som te boven gaan, welke,
naar den regel, niet voor bewijs bij getuigen vatbaar is.
1742 Voor het overige wordt de bewaargeving uit noodzaak
geregeld overeenkomstig de bepalingen op vrijwillige bewaar-
geving toepasselijk.
1743.   De bewaarnemer moet omtrent de bewaring der aan
hem toevertcouwde zaak dezelfde zorg aanwenden, welke hij
omtrent de bewaring zijner eigene zaken aanwendt.
1744.   De bepaling van het voorgaande artikel moet met
meerdere strengheid worden toegepast:
1°. Indien de bewaarnemer zich zelven tot de bewaring
heeft aangeboden;
2". Indien hij eenig loon voor de bewaring bedongen heeft;
3". Indien de bewaargeving eeniglijk in het belang van den
bewaarnemer geschied is;
20
-ocr page 313-
300                                 III HOEK. VAN VKmi.N\'DTKXISSKX.
4°. Inilion uitdrukkelijk bedongen is dat de bewaarnemer
voor alle soort van verzuim zoude aansprakelijk zijn.
1745.  In geen geval, is de bewaarnemer aansprakelijk we-
gens onvermijdelijke toevallen, ten ware hij in de teruggave
der in bewaring gegevene zaak mogt zijn nalatig geweest.
Zelfs in dat laatste geval, is hij niet aansprakelijk, indien
het goed bij den bewaargever insgelijks zoude vergaan zijn.
1746.   Herbergiers en logementhouders zijn als bewaarne-
mers verantwoordelijk voor de goederen welke de reizigers,
die bij dezelve hunnen intrek nemen, medebrengen. De be-
waargeving van zoodanige soort van goederen wordt als eene
bewaargeving uit noodzaak aangemerkt.
1747.  Zij zijn verantwoordelijk wegens diefstal of beschadi-
ging van de goederen der reizigers, het zij de diefstal begaan,
of de schade veroorzaakt zij door de dienstboden of andere
bedienden der herberg, het zij door ieder ander persoon.
1748.   Zij zijn niet verantwoordelijk voor gewelddadige
diefstallen, of die begaan zijn door personen welke de reizi-
ger zelf bij zich toegelaten heeft.
1749.   De bewaarnemer mag zich van het in bewaring ge-
geven goed niet bedienen, zonder het uitdrukkelijk of voor-
ondorsteld verlof van den bewaargever, op straffe van ver-
goeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe
gronden zijn.
1750.   Hij mag niet onderzoeken waarin de zaken bestaan
die hem in bewaring zijn gegeven, indien hem dezelve in eene
geslotene kist, of onder eenen verzegelden omslag, zijn toe-
vertrouwd geworden.
1751.    De bewaarnemer moet dezelfde zaak welke hij ont-
vangen heeft, terug geven.
Aldus moeten geldsommen in dezelfde stukken geld worden
teruggegeven, welke in bewaring zijn gegeven, het zij die
muntspeciën in waarde vermeerderd of verminderd zijn.
1752.    De bewaarnemer behoeft de in bewaring gegevene
zaak slechts terug te geven in den staat, waarin dezelve zich
bevindt op het tijdstip der teruggave.
De verminderingen, die dezelve buiten zijne schuld heeft
ondergaan, komen voor rekening van den bewaargever.
1753.   De bewaarnemer aan wien het goed door eene over-
magt ontnomen is, en die de waarde daarvan of iets anders
in de plaats ontvangen heeft, moet dit ontvangene aan den
bewaargever teruggeven.
1754.    De erfgenaam van den bewaarnemer, die, niet we-
tende dat eene zaak in bewaring ontvangen was, dezelve te
goeder trouw verkocht heeft, is alleenlijk gehouden den door
hem ontvangen koopprijs terug te geven, of, indien hij den»
-ocr page 314-
XII TITEL. VAN BEWAAROKVINO.                                  307
zelven nog niet ontvangen heeft, zijne regtsvordering tegen
den koopor af te staan.
1755.  Indien het in bewaring gegeven goed vruchten heeft
opgeleverd, die door den bewaarnemer geïnd of ontvangen
zijn. is hij verpligt dezelve terug te geven.
Hij is geene interessen van de aan hem toevertrouwde geld-
sommen verschuldigd, dan van den dag dat hij, daartoe aan-
gemaand, in de teruggave daarvan nalatig is geweest.
1756.  De bewaarnemer mag het bewaarde goed niet terug-
geven dan aan dengene die hem hetzelve heeft toevertrouwd,
of aan hem in wiens naam de bewaring gedaan is, of die
aangewezen is om hetzelve terug te ontvangen.
1757.   Hij kan van dengenen die de zaak in bewaring ge-
geven heeft geen bewijs vorderen dat deze de eigenaar van
dezelve was.
Indien hij niettemin ontdekt dat het goed is gestolen, en
wie daarvan de wezenlijke eigenaar is, moet hij dezen ken-
nis geven dat hetzelve goed bij hem in bewaring gesteld is,
met aanzegging om hetzelve binnen eenen bepaalden en ge-
noegzamen tijd op te eischen. Indien degene aan wien de
aanzegging gedaan is verzuimt het in bewaring gestelde goed
terug te eischen, is de bewaarnemer wettiglijk ontslagen door
de overgave van hetzelve goed aan dengene van wien hij
zulks ontvangen heeft.
1758.   In geval van overlijden van den bewaargever, kan
het goed alleenlijk aan deszelfs erfgenaam worden terug
gegeven.
Indien er meerdere erfgenamen zijn, moet hetzelve terug
gegeven worden aan alle gezamenlijk, of aan elk van hen, voor
zijn aandeel.
Indien de in bewaring gestelde zaak ondeelbaar is, moeten
de erfgenamen zich onderling omtrent de overneming van
dezelve verstaan.
1759.   Indien degene die de zaak in bewaring gegeven
heeft van staat veranderd is, bij voorbeeld, indien eene op
het tijdstip der bewaargeving niet gehuwde vrouw naderhand
getrouwd is, en zich alzoo onder de magt van haren man
bevindt; indien een meerderjarige bewaargever onder curatele
ia gesteld; in alle deze en soortgelijke gevallen, mag het in
bewaring gegeven goed niet teruggegeven worden, dan aan
dengenen die het beheer heeft over de regten en goederen
van den bewaargever, ten ware de bewaarnemer wettige gron-
den mogt hebben om de verandering van staat niet te weten.
1760.   Indien de bewaargeving door eenen voogd, curator,
echtgenoot of bewindvoerder gedaan is, en hun beheer geëin-
digd is, kan het goed alleenlijk terug gegeven worden aan
-ocr page 315-
308                                III BOEK. VAN VERBINDTENISSEN.
den persoon die door dezen voogd, curator, echtgenoot, of
bewindvoerder, vertegenwoordigd werd.
1761.   De teruggave der in bewaring gegevene zaak moet
geschieden ter plaatse bij de overeenkomst aangewezen.
Indien de overeenkomst de plaats tot de teruggave niet
aanwijst, moet dezelve gedaan worden op de plaats zelve waar
de bewaargeving geschied is.
De kosten, deswege te vallen, zijn voor rekening van den
bewaargever.
1762.   De in bewaring gegevene zaak moet aan den be-
waargever teruggegeven worden, zoodra hij zulks vordert, al
ware het ook dat bij de overeenkomst een bepaalde tijd voor
de teruggave mogt zijn vastgesteld, ten zij onder de handen
van den bewaarnemer beslag mogt gelegd zijn.
1763.   De bewaarnemer die wettige redenen mogt hebben
om zich van het fft bewaring gegevene goed te ontlasten,
kan hetzelve ook, vóór het tijdstip bij de overeenkomst be-
paald, aan den bewaargever terug geven, of, bij deszelfs wei-
gering, van den regter verlof bekomen om hetzelve op eene
andere plaats in bewaring te stellen.
1764.   Alle verpligtingen van den bewaarnemer houden op,
indien hij mogt ontdekken en bewijzen dat hij zelf eigenaar
is van het in bewaring gestelde goed.
1765.  De bewaargever is verpligt aan den bewaarnemer te
vergoeden alle onkosten welke hij mogt gemaakt hebben tot
behoud van het in bewaring gestelde goed, en hein schadeloos
te stellen wegens alle de schaden welke hem door de bewa-
ring mogten zijn veroorzaakt.
1766.   De bewaarnemer is geregtigd om het goed onder
zich te houden, tot de volle voldoening van hetgeen hem,
ter zake der bewaring, verschuldigd is.
DKliliK AEDEELINÜ.
Van sequestratie en derzelver verschillende soorten.
1767.    Sequestratie is de bewaargeving van eene zaak,
waarover geschil is, in de handen van eenen derde, die zich
verbindt om dezelve, nadat het geschil zal zijn uitgemaakt,
met de vruchten terug te geven aan dengenen die daartoe
zal worden geregtigd verklaard.
Deze bewaargeving heeft plaats, of door overeenkomst, of
op regterlijk bevel.
1768.   De sequestratie heeft bij overeenkomst plaats, wan-
neer het betwiste goed door een of meer personen vrijwillig
in handen van eenen derde is gesteld.
-ocr page 316-
XII TITEL. VAN BEWAARGEVING.                            309
1769.    Het is geen noodzakelijk vereischte dat sequestratie
om niet geschiede.
1770.   Sequestratie is aan dezelfde regelen onderworpen,
als de eigenlijk gezegde bewaargeving, behoudens de hierna
volgende uitzonderingen.
1771.   Zij kan roerende en onroerende zaken tot onderwerp
hebben.
1772.   De bewaarnemer, die met de sequestratie belast is,
kan niet van de bewaring der zaak worden ontslagen voor-
dat het geschil uitgemaakt is, ten ware alle de belangheb-
bende partijen daarin mogten toestemmen, of er eene andere
wettige reden mogt bestaan.
1773.  Sequestratie op regterlijk bevel heeft plaats, wanneer
de regter gelast dat eene zaak waarover geschil is in bewaring
gesteld worde.
1774.   Geregtelijke sequestratie wordt opgedragen, het zij
aan iemand omtrent wien de belanghebbende partijen onder-
ling zijn overeengekomen, het zij aan iemand die door den
regter van ambtswege daartoe benoemd is.
Jn beide gevallen, is degene aan wien de zaak is toever-
trouwd aan alle de verpligtingen onderworpen, welke de seques-
tratie bij overeenkomst medebrengt, en daarenboven gehouden
om jaarlijks aan de arrondissements-regtbank, op de vordering
van het openbaar ministerie, eene summiere rekening van zijn
beheer at te leggen, met vertooning of aanwijzing der aan
hem toevertrouwde goederen, zonder dat echter de goedkeuring
der rekening aan de belanghebbende partijen zal kunnen
worden tegengeworpen.
1775.  De regter kan sequestratie bevelen:
1°. Van roerende zaken, welke onder eenen schuldenaar
zijn in beslag genomen;
2°. Van een roerende of onroerende zaak, waarvan de eigendom
of het bezit tusschen twee of meer personen in geschil is;
3°. Van zaken, welke een schuldenaar tot kwijting zijner
schuld aanbiedt.
1776.   De aanstelling van eenen geregtelijken bewaarder
brengt tusschen den inbeslagnemer en den bewaarder weder-
keerige verpligtingen voort.
De bewaarder moet voor het behoud der in beslag geno-
mene zaken de zorg dragen van een goed huisvader.
Hij moet dezelve overgeven, het zij ten verkoop, om daar-
uit den inbeslagnemer te voldoen, het zij aan de partij tegen
welke de inbeslagneming heeft plaats gehad, indien deze
inbeslagneming is opgeheven.
De verpligting van den inbeslagnemer bestaat in het be-
talen van het bij de wet bepaalde loon aan den bewaarder.
-ocr page 317-
310                               III KOEK. VAN VERBINDTENISSEN.
DERTIENDE TITEL.
VAN BBUIKLEENINQ.
KERSTE APDEELIKO.
Algemeene bepalingen.
1777.    Bruikleening is eeno overeenkomst, waarbij de eone
partij aan de andere eene zaak om niet ten gebruike geeft,
onder voorwaarde dat degene die deze zaak ontvangt, dezelve,
na daarvan gebruik te hebben gemaakt, of\' na eenen bepaal-
den tijd, zal terug geven.
1778.   De uitleener blijft eigenaar van de geleende zaak.
1779.   Al hetgeen tot den handel der menschen behoort, en
niet door liet gebruik verloren gaat, kan het ouderwerp dezer
overeenkomst zijn.
1780.  De verbindtenissen, welke uit de bruikleening voort-
spruiten, gaan over tot de erfgenamen van dengenen die ter
leen geeft, en van hem die ter leen ontvangt.
Maar indien men de uitleening gedaan heeft alleen uit
aanmerking van dengenen die ter leen ontvangt, en aan des-
zelfs persoon in het bijzonder, kunnen deszelfs erfgenamen het
vorder genot van het geleende goed niet blijven behouden.
TWEEDE AFDEEMNG.
Van de. verpligtingen van dengenen die iets ter
bruikleening ontvangt.
1781.   Die iets ter leen ontvangt is gehouden, als een goed
huisvader, voor de bewaring en het behoud van het geleende
goed te zorgen.
Hij mag daarvan geen ander gebruik maken dan hetwelk
de aard der zaak medebrengt, of bij de overeenkomst bepaald
is; alles op strafte van vergoeding van kosten, schaden en
interessen, indien daartoe gronden zijn.
Indien hij het geleende goed gebruikt tot een ander einde,
of gedurende eenen langeren tijd, dan hij zulks behoorde te
doen, is hij daarenboven aansprakelijk voor het verlies van dat
goed, al had dit verlies ook door een bloot toeval plaats.
1782.  Indien de geleende zaak verloren gaat door een toe-
val, hetwelk degene die dezelve ter leen ontvangen heeft,
-ocr page 318-
XIII TITEL. VAN BKUIKLEENING.                            311
dooi\' zijne eigene zaak te gebruiken, had kunnen voorkomen,
of, indien hij, slechts een van beide kunnende behouden, aan
de zijne eenen voorrang heeft gegeven, is hij voor het verlies
der andere zaak aansprakelijk.
1783.  Indien de zaak bij het ter leen geven geschat is, komt
het verlies van dezelve, al ontstond dat ook door toeval, ten
laste van dengenen die de zaak ter leen ontvangen heeft, ten
ware het tegendeel mogt bedongen zijn.
1784.   Indien de zaak alleen ten gevolge van het gebruik
waartoe dezelve geleend is, en buiten schuld van den gebrui-
ker, in waarde vermindert, is deze wegens die vermindering
niet aansprakelijk.
1785.   Indien de gebruiker, om van de geleende zaak ge-
bruik te kunnen maken, eenige onkosten gemaakt heeft, kan
hij dezelve niet terug vorderen.
1786.   Indien verscheidene personen gezamenlijk dezelfde
zaak ter leen hebben ontvangen, zijn zij, ieder voor het geheel,
jegens den uitleener daarvoor aansprakelijk.
DEKDE Al\'DEELINCi.
Van de verpligtingen van den uitleener.
1787.   De uitleener kan de geleende zaak niet terug vor-
deren dan na verloop van den bepaalden tijd, of, bij gebreke
eener dusdanige bepaling, nadat dezelve tot het gebruik
waartoe zij was uitgeleend gediend heeft, of heeft kunnen
dienen.
1788.   Indien evenwel de uitleener, gedurende dat tijds-
verloop, of voordat de behoefte van den gebruiker opgehou-
den heeft, de geleende zaak, om dringende en onverwachts
opkomende redenen, zelf benoodigd heeft, kan de regter, naar
gelang der omstandigheden, den gebruiker noodzaken het
geleende aan den uitleener terug te geven.
1789.   Indien de gebruiker, gedurende de bruikleening, tot
behoud der zaak eenige buitengewone noodzakelijke onkosten
heeft moeten maken, welke zoo dringende waren dat hij daar-
van te voren aan den uitleener geene kennis heeft kunnen
geven, is deze verpligt hem dezelve te vergoeden.
1790.   Indien de ter leen gegevene zaak zoodanige gobre-
ken heeft, dat daardoor aan dengenen die zich van dezelve
bedient nadeel zoude kunnen worden toegebragt, is de uit-
leener, zoo hij die gebreken gekend, en daarvan aan den
gebruiker geene kennis gegeven heeft, voor de gevolgen ver-
antwoordelijk.
-ocr page 319-
312
III BOEK. VAN VERBINDTENISSEN.
VEERTIENDE TITEL.
VAN VEBBBUIKLEESIHO.
EERSTE AEDEEI.ING.
Algemeene, bepalingen.
1791.   Verbruikleening is eene overeenkomst, waarbij de
eene partij aan de andere eene zekere hoeveelheid van ver-
bruikbare zaken afgeeft, onder voorwaarde dat de laatstge-
melde haar even zoo veel, van gelijke soort en hoedanigheid,
terug geve.
1792.   Uit krachte dezer verbruikleening, wordt degene die
ter leen ontvangt eigenaar van het geleende goed ; en indien
hetzelve, op welke wijze ook, vergaat, komt dat verlies voor
zijne rekening.
1793.   De schuld, uit leening van geld voortspruitende, be-
staat alleen in de geldsom die bij de overeenkomst is uit-
gedrukt.
Indien er, vóór het tijdstip der voldoening, vermeerdering
of vermindering van de waarde der geldspecie, of verandering
in de gangbaarheid, plaats heeft, geschiedt de teruggave der
geleende som in zoodanige specie als ten tijde der voldoening
gangbaar is, berekend naar derzelver gangbare waarde op dat
tijdstip.
1794.   De regel, bij het vorige artikel vastgesteld, is van
geene toepassing, indien, ten opzigte der leening van een
zeker getal stukken van eene bepaalde munt, de partijen uit-
drukkelijk zijn overeengekomen, dat hetzelfde getal en dezelfde
soort van stukken zullen worden terug gegeven. In dit geval,
moet degene die ter leen ontvangen heeft het juiste getal
stukken van denzelfden aard, en niet meer noch minder, terug
geven.
Indien dezelfde soort van stukken niet meer in voldoende
hoeveelheid bestaat, moet het ontbrekende worden vergoed
met munt van hetzelfde metaal, zoo na mogelijk van hetzelfde
gehalte, en te zamen inhoudende even veel metaal fijn, als
de ontbrekende hoeveelheid der verschuldigde stukken metaal
fijn inhielden.
1795.   Indien staven goud of zilver, of wel andere waren,
zijn ter leen gegeven, moet de schuldenaar, hoezeer derzelver
waarde ook moge vermeerderd of verminderd zijn, altijd eene
gelijke hoeveelheid en hoedanigheid terug geven, en is tot
niets meerder gehouden.
-ocr page 320-
XIV TITEL. VAN VERBRUIKLEENINO.                              313
TWEEDE AFDEEI.ING.
Van de verpUgtingen des uitleener».
1796.   De uitleener kan het ter leen gegevene niet terug
eischen, voordat de tijd, bij de overeenkomst bepaald, ver-
streken is.
1797.   Geene tijdsbepaling gemaakt zijnde, kan de regter,
wanneer de uitleener de teruggave vordert, naar gelang der
omstandigheden, aan dengenen die de zaak ter leen ontvangen
heeft, eenig uitstel toestaan.
1798.  Indien men is overeengekomen dat hij die eene zaak
oi\' geldsom ter leen heeft ontvangen dezelve zal terug geven,
wanneer hij daartoe in staat zal zijn, zal de regter, naar ge-
lang der omstandigheden, den tijd der teruggave bepalen.
1799.  De bepaling van art. 1790 is op verbruikleening toe-
passelijk.
DERDE AFDEEI.ING.
Van de verpUgtingen den leeners.
1800.   Die iets ter leen ontvangt is verpligt hetzelve in
gelijke hoeveelheid en hoedanigheid, en op den bepaalden
tijd, terug te geven.
1801.    Indien hij zich in de onmogelijkheid bevindt om
hieraan te voldoen, is hij gehouden de waarde van het geleende
te betalen, waarbij zal moeten in aanmerking genomen wor-
den de tijd en de plaats, waarop het goed, ten gevolge der
overeenkomst, had moeten worden terug gegeven.
Indien deze tijd en plaats niet bepaald zjjn, moet de vol-
doening geschieden overeenkomstig de waarde welke de geleende
zaak, ten tijde waarop en ter plaatse alwaar de leening geschied
is, gehad heeft.
VIERDE AFDEEI.ING.
Van het ter leen geven op interessen.
1802.   Het is geoorloofd, voor leening van geld of andere
verbruikbare zaken, interessen te bedingen.
1803.  Hij die ter leen ontvangen, en interessen betaald
heeft die niet bedongen waren, kan dezelve niet terug eischen,
noch in mindering der hoofdsom doen verstrekken, ten ware
dezelve de wettelijke interessen te boven gingen; in welk ge-
-ocr page 321-
314                          III BOEK. VAN VEBBINDTENlSSEN.
val, het te veel betaalde kan worden terug geëischt, of in
mindering van de hoofdsom verstrekken.
De betaling van onbedongen interessen verpligt den schul-
denaar niet dezelve in het vervolg te betalen; maar bedongene
interessen zijn verschuldigd tot de teruggave of consignatie
der hoofdsom toe, zelfs indien de eene of andere na den ver-
valtijd mogt hebben plaats gehad.
1804.  Interessen zijn of wettelijke, of bij overeenkomst be-
dongen. De wettelijke interessen zijn bij de wet bepaald. De
bij overeenkomst bedongene interessen mogen de wettelijke
te boven gaan, in alle de gevallen waarin de wet zulks niet
verbiedt.
De hoegrootheid der bij overeenkomst bedongene interessen
moet in geschrift worden bepaald.
1805.  Indien de uitleener interessen bedongen heeft, zonder
dat het beloop daarvan bepaald zij, is degene die ter leen
ontvangen heeft gehouden het beloop der wettelijke interessen
te voldoen.
1806.   Het uewjjs van de betaling der hoofdsom zonder
voorbehoud van interessen gegeven zijnde, doet de voldoening
der interessen vooronderstellen, en de schuldenaar wordt
daarvan bevrijd.
VIJFTIENDE TITEL.
VAN GEVESTIGDE OF AI.TIJDDIRENDE RENTEN.
1807.   Het vestigen eener altijddurende rente is eene ovcr-
eenkomst, waarbij du uitleener interessen bedingt, tegen beta-
ling eener hoofdsom welke hij aanneemt niet terug te zullen
vorderen.
1808.  Deze rente is uit haren aard aflosbaar.
Partijen kunnen alleenlijk overeenkomen dat de aflossing
niet geschieden zal dan na verloop van eenen zekeren tijd,
welke niet langer dan voor tien jaren mag gesteld worden,
of zonder dat zij den schuldeischer vooraf verwittigd hebben
op eenen zekeren, door hen bevorens vastgestelden termijn,
welke echter den tijd van een jaar niet zal mogen te boven gaan.
1809.  De schuldenaar eener altijddurende rente kan tot de
aflossing genoodzaakt worden:
1". Indien hij niets betaald heeft op de gedurende twee
achtereenvolgende jaren verschuldigde renten;
2°. Indien hij verzuimt aan den geldschieter de bij de over-
eenkomst beloofde zekerheid te bezorgen;
3°. Indien hij in staat van faillissement of van kennelijk
onvermogen is verklaard.
-ocr page 322-
XVI TITEL. VAN KANS-OVEREENKOMSTEN.                    315
1810. In de twee eerste gevallen, bij het vorige artikel
vermeld, kan de schuldenaar zich van de verpligting tot af-
lossing ontheffen, indien hij binnen de twintig dagen, te rekenen
van de geregtelijke aanmaning, alle de verschenen termijnen
betaalt of de beloofde zekerheid stelt.
ZESTIENDE TITEL.
VAN KANS-OVEREENKOMSTEN.
EERSTE AFDEELING.
Algemeene bepaling.
1811.  Eene kans-overeenkomst is eene handeling, waarvan
de uitkomsten, met betrekking tot voordeel en nadeel, het zij
voor alle do partijen, het zij voor eenige derzelve, van eene
onzekere gebeurtenis afhangen.
Van dien aard zijn:
De overeenkomst van verzekering;
Bodemerij;
Lijfrenten;
Spel en weddingschap.
De beide eerste worden bij het Wetboek van Koophandel
geregeld.
TWEEDE AFDEELING.
Van de overeenkomst van lijfrenten en derzelver gevolgen.
1812.  Lijfrente kan bij eenen bezwarenden titel, of bij akte
van schenking, worden gevestigd.
Zij kan ook worden verkregen bij uiterste wilsbeschikking.
1813.  Lijfrente kan worden gevestigd, het zij op het lijf des
geldschieters, of van hem wien men daarvan het genot geeft,
het zij op dat van eenen derde, ofschoon deze daarvan geen
genot hebbe.
1814.  Dezelve kan gevestigd worden op het lijf van een of
meer personen.
1815.  Zij kan gevestigd worden ten behoeve van een\' derde,
hoewel het geld door een\' ander\' persoon geschoten zij.
In dat geval, is zjj echter niet onderworpen aan de forma-
liteiten welke tot schenkingen vereischt worden.
1816.  Alle lijfrente, gevestigd op het lijf van iemand die
overleden was op den dag waarop de overeenkomst is aange-
gaan; is krachteloos.
-ocr page 323-
316
III BOEK. VAN VERBINDTENISSEN.
1817.  Lijfrente kan tot zoodanig beloop van renten gesteld
worden, als partijen goedvinden te bepalen.
1818.  Degene te wiens behoeve eene lijfrente bij bezwaren-
den titel is gevestigd, kan de vernietiging van de overeenkomst
vorderen, indien de schuldenaar hem de bedongene zekerheid
voor derzelver nakoming niet bezorgt.
In geval van vernietiging, is de schuldenaar gehouden de
achterstallige bedongene renten te betalen, tot den dag toe
waarop de hoofdsom zal zijn afgelost.
1819.   Wanbetaling der verschenen lijfrente geeft den rent-
heft\'er geen regt om aflossing van de hoofdsom, of teruggave
van het door hem daarvoor afgestane goed, te vorderen; hij
heeft alleen het regt om zijnen schuldenaar voor de verschul-
digde renten aan te spreken en uit te winnen, en om zeker-
heid te vragen voor de te vervallene renten.
1820.    (Ingetrokken bij art. 2 der Wet ter invoering van
de Faillissementswet.)
1821.   De schuldenaar kan • zich niet van de betaling der
lijfrente ontheffen door de teruggave der hoofdsom aan te
bieden, en door af te zien van de terugvordering der betaalde
renten; hij is gehouden met de betaling der lijfrente voort
te gaan, gedurende het geheele leven van den persoon of der
personen op wier lijf de rente gevestigd is, hoe bezwarend
ook de betaling dier rente voor hem worden moge.
1822.   De eigenaar eener lijfrente heeft slechts een verkre-
gen regt op de lijfrente, naar evenredigheid van het getal dei-
dagen welke degene geleefd heeft, op wiens lijf de rente is
gevestigd.
Indien echter de overeenkomst medebrengt dat de rente
vooruit moet worden betaald, is het regt op den termijn die
betaald had behooren te zijn verkregen van den dag waarop
de betaling had moeten geschieden..
1823.   Men kan niet bedingen dat eene lijfrente aan geene
inbeslagneming zal onderworpen zijn, ten ware dezelve om
niet gevestigd zij.
1824.  De rentheffer kan de verschenen rente niet vorderen,
diin door te doen blijken van het leven van hem op wien de
lijfrente gevestigd is.
DERDE AFDEELIXO.
Van spel en weddingschap.
1825.  De wet staat geene regtsvordering toe, ter zake van
eene schuld uit spel of uit weddingschap voortgesproten.
-ocr page 324-
XVII TITEL. VAN LASTQEVING.                                   317
1826.  Onder de hier-boven staande bepaling zijn echter niet
begrepen die spelen welke geschikt zijn tot ligchaamsoefening,
als het schennen, wedloopen en dergelijke.
Niettemin kan de regter den eisch ontzeggen of verminde-
ren, wanneer hem de som overmatig toeschijnt.
1827.  Men mag de bepalingen der twee voorgaande arti-
kelen door geene schuldvernieuwing ontwijken.
1828.  In geen geval, kan hij die het verlorene vrijwillig
betaald heeft hetzelve terug eisehen, ten ware, van den kant
van dengenen die gewonnen heeft, bedrog, list of opligting
hebbe plaats gehad.
ZEVENTIENDE TITEL.
VAN LASTGEVINO.
EERSTE AFDEELING.
Van den aard der lastgeving.
1829.  Lastgeving is eene overeenkomst, waarbij iemand aan
eenen anderen de magt geeft, en deze aanneemt, om eene zaak
voor den lastgever, in deszelfs naam, te verrigten.
1830.  Last kan worden gegeven en aangenomen bij open-
bare akte, bij onderhandsch geschrift, zelfs bij eenen brief en
ook bij monde.
De aanneming van eenen last kan ook stilzwijgende geschie-
den, en afgeleid worden uit de volvoering van den last door
den lasthebber.
1831.  Lastgeving geschiedt om n et, ten ware het tegendeel
bedongen zij.
1832.  Lastgeving is of bijzonder, en slechts tot eene of
meerdere bepaalde zaken, of algemeen en tot alle de zaken
van den lastgever betrekkelijk.
1833.  Lastgeving. in algemeene bewoordingen vervat, strekt
zich alleen uit tot daden van beheer.
Om goederen te vervreemden, of met hypotheek te bezwaren,
om eene dading aan te gaan, of oin eenige andere daad van
eigendom te verrigten, wordt eene uitdrukkelijke lastgeving
vereischt.
1834.  De lasthebber mag niets doen hetwelk zijnen last te
buiten gaat; de magt om eene zaak bij wege van dading af
te doen bevat geenszins de bevoegdheid om dezelve aan de
beslissing van scheidsmannen te onderwerpen.
1835.  Vrouwen en minderjarigen kunnen tot zaakgelastigden
-ocr page 325-
318                          III BOEK. VAN VEKBINDTENISSEN.
gekozen worden, maar de lastgever heeft geene andere regts-
vordering tegen minderjarigen, dan overeenkomstig de alge-
meene bepalingen, die tot de verbindtenissen der minderjarigen
betrekkelijk zijn, en tegen getrouwde vrouwen, die zonder
machtiging harer mans den last hebben op zich genomen, dan
volgens de regelen, bij den zesden en achtsten titel van het
eerste boek van dit Wetboek voorgeschreven.
1836.  De lastgever kan dengenen met wien de zaakgelastigde
in die hoedanigheid gehandeld heeft onmiddellijk in regtcn
betrokken en de voldoening der overeenkomst vorderen.
TWEEDE AFDEELINO.
Van de verpligtingen van den lasthebber.
1837.  De lasthebber is gehouden den last, zoo lang hij
daarvan niet ontheven is, te volvoeren, en is verantwoordelijk
voor de kosten, schaden en interessen, die door het niet ten
uitvoer brengen van dien last zouden kunnen ontstaan.
Insgelijks is hij gehouden de zaak, waarmede hij ten tijde
van het overlijden van den lastgever eenen aanvang heeft
gemaakt, ten einde te brengen, indien er, door het niet onmid-
dellijk afdoen van de zaak, eenig nadeel zoude kunnen ontstaan.
1838.   De lasthebber is niet alleen aansprakelijk wegens
kwaad opzet, maar ook wegens verzuimen welke hij bij het vol-
voeren van zijnen last mogt hebben gepleegd.
Niettemin wordt de verantwoordelijkheid wegens verzuimen
minder streng toegepast, ten aanzien van dengenen die eenen
last om niet op zich neemt, dan van hem die daarvoor eenige
belooning ontvangt.
1839.   De lasthebber is verpligt rekenschap te geven van
hetgeen hij verrigt heeft, en aan den lastgever verantwoording
te doen van al hetgeen hij uit krachte van zijne volmagt
ontvangen heeft, al ware het ook dat het ontvangene niet aan
den lastgever mogt zijn verschuldigd geweest.
1840.  De lasthebber is verantwoordelijk voor dengenen dien
hij tot uitvoering van dien last in zijne plaats gesteld heeft:
1". Indien hij geene magt heeft bekomen om een\' ander in
zijne plaats te stellen;
2°. Indien hem die magt verleend is zonder aanduiding van
eenen bepaalden persoon, en degene dien hij daartoe
gekozen heeft blijkbaar onbekwaam of onvermogend is.
De lastgever wordt steeds voorondersteld aan den lasthebber
het vermogen te hebben gegeven om een\' ander in zijne plaats
te stellen tot het beheer van goederen welke buiten het grond-
gebied des koningrijks gelegen zijn.
-ocr page 326-
XVII TITEL. VAN LASTGEV1NG.                                   319
In allen gevalle, kan de lastgever den persoon, welken de
lasthebber in zijne plaats heeft gesteld, onmiddellijk aan-
spreken.
1841.  Indien, bij dezelfde akte, verscheidene gevolmagtigden
of zaakgelastigden zijn aangesteld, heeft te hunnen aanzien
geene hoofdelijke verbindtenis plaats, dan voor zoo verre zulks
uitdrukkelijk bepaald is.
1842.  De lasthebber is dn interessen der hoofdsommen,
welke hij tot zijn eigen gebiï.i\'.c bes!eed heeft, verschuldigd, te
rekenen van het tijdstip waarop hij daarvan gebruik heeft
gemaakt; en van de sommen die hij bij slot van rekening moet
uitkeeren, van den dag af, waarop hij in verzuim gesteld is.
1843.  De lasthebber die aan dengenen met wien hij in die
hoedanigheid handelt behoorlijk kennis gegeven heeft van zijne
volmagt, is niet aansprakelijk ten aanzien van hetgeen boven
zijnen last geschied is, ten ware hij zich daartoe persoonlijk
had verbonden.
DKRDE AFDEEI.ING.
Van de verpligtlngen van den lastgever.
1844.  De lastgever is verpligt na te komen de verbindte-
nissen, door den lasthebber, overeenkomstig de magt welke
hij hem heeft verleend, aangegaan.
Hij is niet gehouden tot hetgeen bovendien mogt geschied
zijn, dan voor zoo verre hij zulks uitdrukkelijk of stilzwijgend
bekrachtigd heeft.
1845.   De lastgever is verplicht aan den lasthebber terug
te geven de voorschotten en onkosten, welke deze tot uit-
voering van den last gedaan heeft, en hem zijn loon te betalen
indien zulks bedongen is.
Indien aan den lasthebber geen verzuim te wijten is, kan
de lastgever zich aan deze teruggave en betaling niet ont-
trekken, al mogt de zaak ook mislukt zijn.
1846.  Ook moet de lastgever den lasthebber schadeloos stel-
len wegens de verliezen welke deze, ter gelegenheid der uit-
voering van zijnen last, mogt geleden hebben, mits hem te
dien opzigte geene onvoorzigtigheid te wijten zij.
1847.   Üe lastgever is aan den lasthebber interessen voor
gedane voorschotten verschuldigd, te rekenen van den dag
waarop de voorschotten gedaan zijn.
1848.  Indien een lasthebber door verscheidene personen is
aangesteld tot het waarnemen eener zaak, die aan hen allen
gemeen is, is elk hunner jegens hem, voor het geheel aanspra-
kelijk voor alle de gevolgen van de lastgeving.
-ocr page 327-
320
III BOEK. VAN VERB1NDTENI88EK.
1849.  De lasthebber heeft liet regt om hetgeen hij van den
lastgever in handen heeft zoo lang terug te houden, tot dat
hem alles betaald is hetwelk hij ten gevolge der lastgeving te
vorderen heeft.
VIERDE AFDEELIKG.
Over de verschillende wyzen waarop lastgeving eindigt.
1850.  Lastgeving eindigt:
Door herroeping der volmagt van den lasthebber;
Door de opzegging van den last door den lasthebber;
Door den dood, de curatele, den staat van faillissement of
van kennelijk onvermogen, het zij van den lastgever, het zij
van den lasthebber;
Door het huwelijk der vrouw die den last gegeven of ontvan-
gen heeft.
1851.  De lastgever kan den last herroepen wanneer hem zulks
goeddunkt, en, indien daartoe gronden bestaan, den lasthebber
noodzaken hem de volmagt, welke hij in handen heeft, terug te
geven.
1852.   De herroeping, alleen aan den lasthebber kenbaar ge-
maakt zijnde, kan aan derden, die, daarvan onkundig, met hem
gehandeld hebben, niet worden tegengeworpen; behoudens het
verhaal van den lastgever op den lasthebber.
1853.   De aanstelling van eenen nieuwen lasthebber, tot het
verrigten van dezelfde zaak, brengt de herroeping van den
eersten mede, te rekenon van den dag waarop die aanstelling
aan den laatstgemelde is kenbaar gemaakt.
1854.  De lasthebber kan zich van den last ontslaan door op-
zegging aan den lastgever.
Indien evenwel deze opzegging door hare ontijdigheid, of uit
eenigen anderen hoofde, door de schuld van den lasthebber aan
den lastgever tot nadeel verstrekt, moet hij deswege door den
lasthebber schadeloos worden gesteld; ten ware de laatstge-
melde zich in de onmogelijkheid bevond om den last verder te
volbrengen, zonder daardoor zelf eene aanmerkelijke schade te
lijden.
1855.   Indien de lasthebber onbewust is van den dood des
lastgevers, of van het bestaan van eenige andere oorzaak die
den last doet eindigen, is hetgeen hij in die onwetendheid ver-
rigt heeft van waarde.
In dat geval, moeten de verbindtenissen, door den lasthebber
aangegaan, nagekomen worden ten aanzien van derden die in
goede trouw zijn.
1856.  In geval de lasthebber overlijdt, moeten deszelfs erf-
-ocr page 328-
XVIII TITF.L. VAN BORGTOOT.                                     821
genamen daarvan aan den lastgever kennis geven, indien hun
de lastgeving bekend is, en inmiddels zorg dragen voor hetgeen
de omstandigheden in het belang van den lastgever mogten
vereischen; op straffe van vergoeding van kosten, schaden en
interessen, indien daartoe gronden zijn.
ACHTTIENDE TITEL.
VAN BORGTOOT.
EERSTE AFDEELING.
Van den aard van den borgtogt.
1857.  Borgtogt is eene overeenkomst, waarbij een derde zich,
ten behoeve van den schuldeischer, verbindt om aan de ver-
bindtenis van den schuldenaar te voldoen, indien deze niet zelf
daaraan voldoet.
1858.  Geen borgtogt kan bestaan, of er moet eene wettige
hoofdverbindtenis zijn.
Men kan zich niettemin borg stellen voor eene verbindtonis,
al mogt die ook kunnen vernietigd worden door eene exceptie,
welke alleen den verbondene in persoon betreft, bij voorbeeld
in geval van minderjarigheid.
1859.  Een borg kan zich tot niets meerder, noch onder meer
bezwarende voorwaarden, verbinden, dan waartoe de hoofdschul-
denaar verbonden is.
Borgtogt kan ook worden aangegaan voor slechts een gedeelte
der schuld of onder minder bezwarende voorwaarden. Indien de
borgtogt voor meerder dan de schuld, of onder meer bezwarende
voorwaarden, is aangegaan, is hij niet geheel van onwaarde,
maar bepaalt zich slechts tot datgene hetwelk in de hoofdver-
bindtenis is begrepen.
1860.  Men kan zich borg stellen zonder daartoe aangezocht
te zijn door dengenen voor wien men zich verbindt, en zelfs
buiten zijn weten.
Men kan zich ook borg stellen, niet alleen voor den hoofd-
schuldenaar, maar ook voor deszelfs reeds gestelden borg.
1861.  Borgtogt wordt niet voorondersteld, maar moet uitdruk-
kelijk worden aangegaan; men kan die niet verder uitstrekken
dan de bepalingen, onder welke dezelve is aangegaan.
1862.  Onbepaalde borgtogt voor eene hoofdverbindtenis strekt
zich uit tot alle de gevolgen der schuld, zelfs tot de kosten
der tegen den hoofdschuldenaar gedane regtsvordering, en tot
alle zoodanige welke gemaakt zijn nadat de borg deswege is
aangemaand.
21
-ocr page 329-
\'•>22                                III ItOKK. VAN VKH111NDTKN1SSEN.
1863.  De verbindtenissen der borgen gaan over op hunne erf•
gonnmen.
1864.   De schuldenaar die verpligt is borg te stellen moet
daartoe zoodanigen persoon aanbieden die de bekwaamheid heeft
om zich te verbinden, die genoegzaam gegoed is om aan de
verbindtenis te kunnen voldoen, en binnen het koningrijk woon-
aehtig is.
1865.  De gegoedheid van eenen borg wordt alleen beoordeeld
naar deszelfs vaste goederen of inschrijvingen op bet grootboek
der nationale werkelijke schuld, uitgezonderd in zaken van koop-
handel, en wanneer de schuld eene geringe som bedraagt. Men
kan geen acht slaan op onroerende goederen, waarover geschil
in regten bestaat, of waarvan de uitwinning, wegens deizelver
verren afstand, te moeijelijk zoude zijn.
1866.   Wanneer de borg, die door den schuldeischer vrijwillig,
of op rogtorlijkc uitspraak, is aangenomen, naderhand onvermo-
gond is geworden, moet er een nieuwe borg gesteld worden.
Deze regel lijdt alleenlijk uitzondering, in geval de borg gesteld
is ten gevolge eener overeenkomst, waarbij de schuldeischer
eenen bepaalden persoon tot borg gevorderd heeft.
1867.  Hij, die door de wet, of ten gevolge van een rogterlijk
gewijsde, verpligt is eenen borg te stellen, en dien niet mogt
kunnen vinden, kan volstaan met, in deszelfs plaats, een pand
of hypotheek te geven.
TWEEDE AFDEELING.
Vun de gevolgen van borgtocht tusschen den
schuldeischer en den borg,
1868.   De borg is jegens den cchuldeischer niet tot betaling
gehouden, dan bij gebreke van den schuldenaar, wiens goederen
vooraf moeten uitgewonnen worden.
1369. Do borg kan niet vorderen dat des schuldenaars goede-
ren vooraf uitgewonnen worden:
1°. Wanneer hij van het voorregt van uitwinning heeft afstand
gedaan;
2°. Wanneer hij zich hoofdelijk met den hoofdschuldenaar
verbonden heeft; in welk geval do gevolgen van deszelfs
verbindtenis geregeld worden naar de beginselen welke
ten opzigte van hoofdelijke schulden zijn vastgesteld;
;3°. Indien de schuldenaar eene exceptie kan in het midden
brengen, welke hem alleen en persoonlijk betreft;
4°. Indien de schuldenaar zich in staat van faillissement of van
kennelijk onvermogen bevindt;
5". In geval van geregtelijken borgtogt.
-ocr page 330-
XVIII TITEL. VAN BOÜOTOOT.                                     323
1870.  De schuldeischer is niet verpligt den hoofdschuldenaar
eerst uit to winnen, dan wanneer de borg, op de eerste geregte-
lijke tegen hem gerigte aanspraak, zulks vordert.
1871.   De borg die de nitwinning van den hoofdschuldenaar
vordert moot aan den schuldeischer de goederen van denzelven
aanwijzen, en de noodige penningen voorschieten om de uitwinning
te bewerkstelligen.
Hij kan goene aanwijzing doen van goederen, waarover geschil
in regten bestaat, noch van de zoodanige welke voor de schuld
zijn gehypothekeerd, en waarvan do schuldenaar niet meer in
het bezit is, noch eindelijk van goederen buiten het koningrijk
gelegen.
1872.    Wanneer de borg, overeenkomstig het voorgaande
artikel, eene aanwijzing van goederen gedaan en de noodige
penningen tot de uitwinning geschoten heeft, is de schuldeischer,
ten beloope der aangewezene goederen, met opzigt tot den
borg, verantwoordelijk voor het onvermogen van den hoofd-
schuldenaar, hetwelk bij gebreke van vervolgingen daarna ont-
staan zijn.
1873.  Wanneer verscheiden personen zich tot borgen hebben
gesteld voor denzelfden schuldenaar on voor dezelfde schuld, is
ieder van hen voor de geheelo schuld verbonden.
1874.   Niettemin kan elk hunner, zoo hij geen afstand heeft
gedaan van het voorregt van schuldsplitsing, op de eerste
geregtelijke aanspraak, vorderen dat de schuldeischer zijne
schuldvordering alvorens verdeele, en dezelve vermindere tot het
aandeel van eiken deugdelijk verbonden borg.
Indien, ten tijde dat een der borgen de schuldsplitsing heeft
doen uitspreken, een of meerder medeborgen onvermogend zijn,
is die borg. naar evenredigheid van zijn aandeel, gehouden voor
de onvermogenden te voldoen; maar hij is niet aansprakelijk,
indien derzelver onvermogen na de schuldsplitsing is opgekomen.
1875.   Indien de schuldeischer zelf, en vrijwillig, zijne regts-
vordering verdeeld heeft, kan hij tegen die schuldsplitsing niet
weder opkomen, al waren zelfs eenige der borgen onvermogend,
vóór den tijd dat hij de schuld verdeeld heeft.
DERDE AFDEELINO.
Van de gevolgen van borgtogt tusschen den schuldenaar en
den borg, en tusschen de borgen onderling.
1876.   De borg, die betaald heeft, heeft zijn verhaal op den
hoofdschuldenaar, het zij de borgtogt met of zonder deszelfs
medeweten gesteld zij. Dit verhaal heeft plaats, zoo wel ten
aanzien van de hoofdsom, als van de interessen en de kosten.
-ocr page 331-
324                           III BOEK. VAN VBRBINDTEN188KN.
Ten aanzien dier kosten heeft de borg slechts zijn verhaal,
voor zoo verre hij tijdig aan den hoofdschuldenaar heeft kennis
gegeven van de tegen hem gerigte vervolgingen.
De borg heeft ook verhaal tot vergoeding van kosten, schaden
en interessen, indien daartoe gronden zijn.
1877.  De borg die de schuld betaald heeft treedt van regtswege
in alle de regten welke de schuldèischer tegen den schuldenaar
gehad heeft.
1878.    Indien verscheiden hoofdschuldenaars van dezelfde
schuld ieder voor het geheel verbonden waren, heeft degene die
zich voor allen tot borg gesteld heeft op een ieder hunner zijn
verhaal tot terugvordering van al hetgeen hij betaald heeft.
1879.   De borg die eenmaal de schuld betaald heeft, heeft
geen verhaal op den hoofdschuldenaar die voor de tweede maal
betaald heeft, indien hij denzelven van de door hem gedane
betaling geene kennis heeft gegeven; behoudens zijne actie tot
terugvordering tegen den schuldèischer.
Indien de borg betaald heeft, zonder daartoe in regten te zijn
aangesproken, en zonder den hoofdschuldenaar daarvan te hebben
verwittigd, heeft hij op dezen geen verhaal, in geval die schul-
dennar, op het oogenblik der betaling, gronden mogt hebben
gehad om de schuld te doen vervallen verklaren; onverminderd
de regtsvordering van den borg tot terugvordering tegen den
schuldèischer.
1880.  De borg kan, zelfs voordat hij betaald heeft, den schul-
denaar aanpreken om door denzelven schadeloos gesteld, of van
zijne verbindtenis ontheven te worden:
1 °. Indien hij tot betaling in regten vervolgd wordt;
2°. (Ingetrokken bij art. 2 der Wet ter invoering van de
Faillissementswet.)
3°. Indien de schuldenaar zich verbonden heeft om hem bin-
nen zekeren tijd het ontslag van zijn borgtogt te bezorgen ;
4°. Indien de schuld opeischbaar is geworden, door het ver-
schijnen van den termijn op welken zij betaalbaar was gesteld.
5". Na verloop van tien jaren, indien de hoofd verbindtenis
geenen bepaalden vervaltijd heeft, ten ware de hoofdver-
bindtenis van dien aard zij, dat zij niet vóór eenen be-
paalden tijd kan vervallen, zoo als eene voogdij.
1881.  Indien verscheiden personen zich tot borgen hebben
gesteld voor denzelfden schuldenaar en ter zake van dezelfde
schuld, heeft de borg die de schuld voldaan heeft, in het geval
bij N". 1 van het vorige artikel voorzien, als ook wanneer de
schuldenaar is verklaard in staat van faillissement, zijn verhaal
op de overige borgen, ieder voor zijn aandeel.
De bepaling van het tweede lid van artikel 1329 is ten dezen
toepasselijk.
-ocr page 332-
XIX TITEL. VAN DADING.                                         325
VIERDE AFDEELING.
Van het te niet. gaan van borgtogt.
1882.  De verbindtenis, uit borgtogt voortspruitende, gaat te
niet door dezelfde oorzaken, waardoor de overige verbindtenissen
eindigen.
1883.  De scbuldvermenging, welke plaats heeft tusschen den
persoon van den hoofdschuldenaar en dien van den borg, wanneer
de een erfgenaam wordt van den anderen, vernietigt gecnzins
de regtsvordering van den schuldeischer tegen dengenen die
zich tot borg gesteld heeft van den borg.
1884.  De borg kan zich tegen den schuldeischer van alle
exceptiën bedienen, die aan den hoofdschuldenaar toekomen, en
tot de schuld zelve behooren.
Maar hij kan geene exceptiën in het midden brengen, welke
alleen den persoon van den schuldenaar betreffen.
1885.   De borg is ontslagen, wanneer hij, door toedoen van
den schuldeischer, niet meer treden kan in de regten, hypotho-
ken en voorregten van dien schuldeischer.
1886.  De vrijwillige aanneming van eenig onroerend of ander
goed, door den schuldeischer in betaling dor hoofdschuld gedaan,
ontslaat den borg. al ware het ook dat hetzelve goed naderhand
van den schuldeischer wierd uitgewonnen.
1887.  Ken eenvoudig uitstel van betaling, door den schuld-
eischer aan den hoofdschuldenaar toegestaan, ontslaat den borg
niet; doch deze kan in dat geval, den schuldenaar vervolgen,
om hem tot betaling te noodzaken, of om hem hot ontslag van
zijn borgtogt te bezorgen.
NEGENTIENDE TITEL.
VAN DADING.
1888.  Dading is eene overeenkomst waarbij partijen, tegen
overgave, belofte of terughouding eener zaak, een aanbangig
geding ten einde brengen, of een te voeren geding voorkomen.
Deze overeenkomst is slechts van waarde, indien zij schrifte-
lijk is aangegaan, al mogt zij ook eene zaak betreffen waar-
omtrent het bewijs door getuigen zoude kunnen worden toege-
laten.
1889.  Om eene dading te treffen, moet men de bevoegdheid
hebben om over de onderwerpen, in de dading begrepen, to
kunnen beschikken.
-ocr page 333-
326
III BOEK. VAN VEHI1INDTKNISSKN.
Voogden en curators kunnen geene dading treffen dan zich
gedragende overeenkomstig de bepalingen van den zestienden
en achttienden titel des eersten boeks van dit Wetboek.
De gemeenten en openbare instellingen kunnen geene dading
treffen, dan met inachtneming der formaliteiten, voorgeschreven
bij de wetten die haar betreffen.
1890.  Men kan over de burgerlijke belangen die uit een
strafbaar feit ontstaan, dading treffen.
De dading belet geenszins de vervolging van het openbaar
ministerie.
1891.  Dadingen bepalen zich tot derzel ver onderwerp; de daarbij
gedane afstand van alle regten, actiën en vorderingen moet
slechts verstaan worden, voor zoo verre die betrekking hebben
tot het verschil hetwelk tot de dading heeft aanleiding gegeven.
1892.  Dadingen maken slechts een einde aan die verschillen
welke daarin begrepen zijn, het zij partijen derzelver bedoeling
in bijzondere of algemeene bewoordingen bevat hebben, het zij
men die bedoeling afleide als een noodzakelijk gevolg van het-
geen uitgedrukt is.
1893.   Indien degene die eene dading getroffen heeft over
een regt hetwelk hem uit eigen hoofde toekwam, vervolgens
een dergelijk regt van een\' ander\' verkrijgt, is hij, met betrek-
king tot het nieuw bekomen regt, aan de bevorens aangegane
dading niet gebonden.
1894.  Dadingen, door een\' der belanghebbenden aangegaan,
verbinden de overige belanghebbenden niet, en kunnen door
hen niet worden ingeroepen.
1895.  De dadingen hebben tusschen de partijen kracht van
gewijsde in het hoogste ressort.
Men kan tegen dezelve niet opkomen, het zij uit hoofde van
dwaling in het regt, het zij uit hoofde van benadeeling.
1896.  Niettemin kan eene dading vernietigd worden, wanneer
er dwaling heeft plaats gehad omtrent den persoon, of omtrent
het onderwerp van het geschil.
Zij kan vernietigd worden in alle de gevallen, waarin bedrog
of geweld heeft plaats gehad.
1897.   Insgelijks kan men de vernietiging eener dading vragen,
wanneer dezelve, ten gevolge eener dwaling in feiten, is aan-
gegaan ten aanzien van eenen titel die nietig was, behalve in
het geval dat partijen uitdrukkelijk over die nietigheid eene
dading gesloten hebben.
1893. Eene dading, aangegaan op grond van stukken die
naderhand zijn bevonden valsch te zijn, en ten eenenmale
nietig.
1899. Eene dading over een geschil, waaraan reeds een
einde is gemaakt door een vonnis hetwelk in kracht van gc-
-ocr page 334-
XIX TITEL. VAN DAD1N0.                                    327
wijsde is gegaan, doch waarvan partijen, of eene derzelve, geene
konnis droegen, is nietig.
Indien het vonnis, waarvan partijen geene kennis droegen,
aan eenig beroep onderhevig was, is do dading van waarde.
1900.    Indien partijen, in het algemeen, eene dading hebben
aangegaan over alle zaken welke zij met elkander uitstaande
hebben, leveren de bescheiden die hun toen onbekend waren,
doch naderhand ontdekt zijn. geenon grond op tot vernietiging
der dading, ten ware dezelve door toedoen van eene der par-
tijen mogten zijn achtergehouden.
Maar de dading is nietig, indien dezelve slechts eene enkele
zaak tot onderwerp had, waarop door de naderhand ontdekte
bescheiden gebleken mogt zijn dat eene der partijen geen het
minste regt had.
1901.   Een misslag van berekening, bij eene dading hegaan,
moet hersteld worden.
-ocr page 335-
V 1 E R D E B O E K.
VAN BEWIJS EN VERJARING.
EERSTE TITEL.
VAN BEWIJS IN HET ALGEMEEN.
Artikel 1902.
Een iegelijk, die beweert eenig regt te hebben, of zich op
eenig feit tot staving van zijn regt, of tot tegenspraak van
eens anders regt, beroept, moet liet bestaan van dat regt of
van dat feit bewijzen.
1903.  De bewijsmiddelen bestaan in :
Het schriftelijk bewijs;
Met bewijs door getuigen;
De vermoedens;
De bekentenis ;
Den eed.
Alles met inachtneming der regelen bij de volgende titels
voorgeschreven.
TWEEDE TITEL.
VAN SCHRIFTELIJK 11EWIJS.
1904.   Schriftelijk bewijs geschiedt door authentieke of door
ondorhandsche geschriften.
1905.   Een authentieke akte is de zoodanige welke in den
wettelijken vorm is verleden, door of ten overstaan van open-
bare ambtenaren die daartoe bevoegd zijn ter plaatse alwaar
zulks is geschied.
1906.   Eene akte welke, uit hoofde van onbevoegdheid of
onbekwaamheid van den ambtenaar, of uit hoofde van een gebrek
in den vorm, niet voor authentiek kan gehouden worden, heeft
echter kracht van een onderhandsch geschrift, indien dezelve
door partijen onderteekend is.
1907.  Eene authentieke akte levert tusschen partijen en der-
zelver erfgenamen of regtveikrijgenden een volledig bewijs op
van hetgeen daarin vernield staat,
-ocr page 336-
329
II TITKI.. VAN SCHKIl\'TKl.I.IK BEWIJS.
1908.  Eene authentieke akte levert echter geen "Volledig be-
wijs op omtrent hetgeen daarin als een bloot te kennen geven
voorkomt, dan voor zoo verro het te kennen gegevene in een
dadelijk verband staat met het onderwerp der akte.
Indien hetgeen daarbij als een bloot te kennen geven voor-
komt, niet in een dadelijk verband staat met het onderwerp
der akte, kan hetzelve alleen dienen tot begin van schriftelijk
bewijs.
1909.   Indien eene authentieke akte van welken aard ook,
van valschhcid beticht wordt, kan derzelver uitvoering worden
geschorst, overeenkomstig do bepalingen van het Wetboek van
Burgerlijke Regtsvordering.
1910.   Nadere overeenkomsten, aangegaan bij eene afzonder-
lijke akte, in strijd met de oorspronkelijke, leveren alleen be-
wijs op tusschen de partijen die tot zoodanige akte zijn tocge-
treden, en hunne erfgenamen of regthebbenden, doch zij kunnen
niet tegen derden werken.
1911.    Als onderhandsche geschriften worden aangemerkt
onderhands geteokende akten, brieven, registers, huiselijke
papieren en andere schriften, welke zonder tusschenkomst van
eenen openbaren ambtenaar zijn opgemaakt.
1912.   Een onderhandsch geschrift, hetwelk erkend is door
dongenen tegen wien men zich daarop beroept, of hetwelk op
eene wettige wijze voor erkend wordt gehouden, levert, ton
aanzien van de onderteekenaars, en derzelver erfgenamen en
regtverkrijgenden, hetzelfde volledig bewijs op als eene authen-
tieke akte, en de bepaling van artikel 1908 is op gelijke wijze
daarop toepasselijk.
1913.  Hij, tegen wien men zich op een onderhandsch geschrift
beroept, is verpligt zijn schrift of zijne handteekening stellig te
erkennen of te ontkennen; doch zijne erfgenamen of regtver-
krijgenden kunnen volstaan met te verklaren dat zij hetzelve
niet erkennen als het schrift en de handteekening van dengenen
wien zij vertegenwoordigen.
1914.  In geval iemand zijn schrift of zijne handteekening
ontkent, of indien deszelfs erfgenamen of regtverkrijgenden ver-
klaren dezelve niet te erkennen, moet de regter bevelen dat de
echtheid daarvan geregtelijk onderzocht worde.
1915.  Onderhahdsche eenzijdige schuldverbindtenissen tot
voldoening van gereed geld, of van eene zaak welke op eene
bepaalde waarde kan worden gesteld, moeten geheel geschreven
worden met de hand van dengenen die dezelve onderteekend
heeft, of ten minste moet daaronder, behalve de handteekening,
met de hand des onderteekenaars geschreven worden eene goed-
keuring, houdende in voluitgeschrevene letters de som of de
hoegrootheid, of de hoeveelheid der verschuldigde zaak.
-ocr page 337-
330                       IV BORK. VAN BEWIJ8 EN VERJARING.
Bij gebreke hiervan, kan de geteekende akte, indien de ver-
bindtenis wordt ontkend, sleclits als een begin van schriftelijk
bewijs worden aangenomen.
De bepalingen van dit artikel, zijn niet toepasselijk op zaken
van koophandel.
1916.   Indien de som welke bij de akte zelve vermeld is,
verschilt van die welke bij de goedkeuring uitgedrukt
.staat, wordt de verbindtenis gerekend voor de minste som te
zijn aangegaan, zelfs clan ook wanneer de akte, mitsgaders do
goedkeuring, geheel en al door de hand van dengenen die zich
verbonden heeft geschreven zijn ; ten ware men kunne bewijzen
in welk van beide gedeelten van het stuk de misslag heeft
plaats gehad.
1917.   Onderhandsche akten hebben, ten aanzien harer dag-
teekening, tegen derden geene kracht, dan van den dag dat
dezelve zijn geregistreerd; of van den dag waarop degenen,
of een van degenen, die dezelve onderteekend hebben overle-
den zijn; of van dien waarop derzelver bestaan bewezen wordt
bij akten, door openbare ambtenaren opgemaakt; of wel van
den dag waarop de derde, tegen wien men zich van de akte
bedient, derzelver bestaan schriftelijk heeft erkend.
1918.   Registers en huiselijke papieren leveren geen bewijs
op ten voordeele van dengenen die dezelve geschreven heeft;
zij strekken tot bewijs tegen hem:
1°. In alle de gevallen waarin die stukken stellig molding
maken van eene ontvangene betaling;
2". Wanneer zij uitdrukkelijke melding maken dat de aan-
teekeniiig geschied is om een gebrek in den titel aan te
vullen, ten behoeve van dengenen te wiens voordeele zij
eene verbindtenis aanduiden.
In alle andere gevallen, zal de rechter daarop zoodanig acht
slaan als hij zal verineenen te behooren.
1919.  Koopmansboeken leveren een bewijs op tegen personen
die geen handel drijven, ten aanzien der hoedanigheid en der
hoeveelheid van de leveranciën welke daarop gebragt zijn ; mits
het van elders bewezen zij dat de koopman gewoon was aan
de tegenpartij dergelijke leveringen op crediet te doen, mits-
gaders dat de boeken overeenkomstig de bij het Wetboek van
Koophandel voorgeschrevene formaliteiten gehouden zijn, en ein-
delijk, dat de koopman de echtheid zijner vordering onder eede
bevestige.
Indien de koopman overleden is, moeten zijne erfgenamen
onder eede verklaren dat zij te goeder trouw gelooven dat de
schuld bestaat en onvoldaan is.
Koopmansboeken, niet rigtig gehouden, kunnen echter tot be-
wijs strekken tegen den koopman,
-ocr page 338-
II TITEL. VAN SCHRIFTELIJK BEWIJS.                        331
1920.  Aantoekeningen, door eenen schuldeischer gesteld op
eenen titel die altijd in deszelfs bezit is gebleven,"verdienen
geloof, alhoewel dezelve door hem noch onderteekend, noch ge-
dagteekend zijn, wanneer het geschrevene strekt tot bevrijding
van den schuldenaar.
Hetzelfde geldt omtrent aantoekeningen welke de schuldeischer
op het dubbel van eenen titel of op eene kwijting gesteld heeft,
mits dit dubbel of deze kwijting in het bezit van den schulde-
naar zij.
1921.  De eigenaar van eenen titel kan daarvan, te zijnen
koste, de vernieuwing vorderen, indien het schrift wegens onder-
dom of eenige andere reden onleesbaar wordt.
1922.   Indien oen titel gemeen is tusschen verscheidene perso-
nen, is ieder derzelve bevoegd te vorderen dat die op eene derde
plaats in bewaring worde gebragt, mitsgaders om daarvan te
zijnen koste een afschrift of uittreksel te laten inaken.
1923.   In eiken stand van een regtsgeding kan eene partij van
den regter verzoeken dat hare wederpartij bevolen worde om do
stukken over te leggen, die aan beide partijen gemeen zijn, do
zaak in geschil betreffen, en zich onder hare berusting bevinden.
1924.  Kerfstokken, met hun dubbel overeenkomende, verdienen
geloof tusschen degenen die gewoon zijn om de leveranciën,
welke zij in het klein doen, of ontvangen, op dusdanige manier
te bewijzen.
1925.  De kracht van een schriftelijk bewijs is in de oorspron-
kelijke akte gelegen.
Wanneer do oorspronkelijke akto bestaat, verdienen de afschriften
en de uittrsksels slechts geloof, voor zoo verre die overeen-
stemmen met liet oorspronkelijke stuk, welks vertooning steeds
kan gevorderd worden.
1926.  Wanneer de oorspronkelijke titel niet meer aanwezig
is, leveren do afschriften bewijs op, met inachtneming dor na-
volgende bepalingen :
1°. Do grossen of eerst uitgegevene afschriften leveren
hetzelfde bewijs op als de oorspronkelijke akte; hetzelfde
geldt omtrent afschriften welke op regterlijk gezag, in
tegenwoordigheid van partijen, of deze partijen behoorlijk
opgeroepen zijnde, zijn opgemaakt, gelijk mede omtrent
de zoodanige welke opgemaakt zijn in tegenwoordigheid
der partijen, en met derzelver wederzijdscho goedkeuring;
2». De afschriften welke zonder tusschenkomst van den regter,
of buiten toestemming van partijen, en na de uitgifte
der grossen of eerste afschriften, volgens de minuut van
de akte gemaakt zijn door den notaris voor wien die
akte is verloden, of door een van zijne opvolgers of door
ambtenaren welke, in deze hunne betrekking, de minuten
-ocr page 339-
332                           IV BOEK. VAN BEWIJS EN VERJARING.
in bewaring hebben en tot de uitgifte van afschriften
bevoegd zijn, kunnen, in geval de oorspronkelijke akte
verloren is geraakt, door den regier als volledig bewijs
worden aangenomen ;
3°. Wanneer de afschriften die naar de minuut eener akfe
gemaakt zijn niet vervaardigd zijn door den notaris voor
wien die akte verleden is, of door een zijner opvolgers,
of door openbare ambtenaren die als zoodanig de minuten
onder hunne berusting hebben, kunnen dezelve nimmer
anders dan tot een begin van bewijs door geschrift ver-
strekken ;
4". Authentieke afschriften van authentieke afschriften, of
van onderhandsche akten, kunnen, naar omstandigheden,
een begin van schriftelijk bewijs opleveren.
1927.  De overschrijving van ecne akte in de openbare regis-
teis kan alleenlijk tot een begin van bewijs door geschrift ver-
strekken.
1928.  Akten van erkentenis ontslaan van de verpligting om
den oorspronkelijken titel te berde te brengen, mits daaruit ge-
noegzaam van den inhoud des titels blijke.
1929.  Kene akte waarbij eeno verbindtenis, tegen welke de
wet eeno vordering tot nietigverklaring of tenietdoening toelaat,
bevestigd of bekrachtigd wordt, is slechts van waarde, indien
zij melding maakt van den hoofdinhoud dezer verbindtenis, als-
mede van de redenen waarom de te niotdoening zoude kunnen
gevraagd worden, en van het oogmerk om het gebrek, waarop
die vordering zoude berusten, te verbeteren.
Bij gebreke van eene akte van bevestiging of bekrachtiging,
is het voldoende dat de verbindtenis vrijwillig is ten uitvoer
gobragt na het tijdstip waarop dezelve, op eene bestaanbare wijze,
had kunnen bevestigd of bekrachtigd worden.
Do bevestiging, bekrachtiging of vrijwillige nakoming eener
verbindtenis, in den vorm en op het tijdstip, door de wet vcr-
oischt, gedaan, wordt gerekend voor eenen afstand der middelen
en exceptiën, welke men anders tegen die akte zoude hebben
kunnen in het midden brengen; onverminderd nogtans het regt
van derden.
1930.  Een schenker kan door geene akte van bevestiging de
gebreken verhelpen eener schenking die nietig in den vorm is;
dezelve schenking moet, om geldig te zijn, op nieuw in den
wettigen vorm worden gebragt.
1931.  De bevestiging, bekrachtiging of vrijwillige nakoming
eener schenking, door de erfgenamen of regtverkrijgenden van
den schenker, na deszelfs overlijden, gedaan, versteekt dezelve
van de bevoegdheid om zich op eenig gebrek in den vorm te
beroepen.
-ocr page 340-
3:53
III TITEL. VAN BEWIJS DOOR GETUIGEN.
DERDE TITEL.
VAN BEWIJS DOOR GETUIGEN.
1932.  Het bewijs door getuigen wordt toegelaten in alle do
gevallen waarin hetzelve niet door de wet wordt uitgesloten.
1933.  Dit bewijs wordt niet toegelaten om het aanwezen uan
te toonen van eenige akte of overeenkomst welke, het zij eene
verbindtenis, het zij eene ontheffing van schuld bevat, wanneer
het onderwerp de som of de waarde van drie honderd gulden
te boven gaat.
1934.   Geen bewijs door getuigen wordt toegelaten nopens
hetgeen tegen of boven den inhoud der schriftelijke akte gevorderd
wordt, noch ook omtrent hetgeen men mogt beweren dat vóór,
ten tijde, of na het opmaken van zoodanige akte zoude zijn
gezegd, al mogt ook de som of waarde, waarover het geschil is,
minder dan drie honderd gulden bedragen.
1935.   De bepalingen der twee bovenstaande artikelen zijn
geenszins op zaken van koophandel toepasselijk.
1936.  De bepaling van artikel 1933 is van toepassing, wanneer
bij de regtsvordering, buiten en behalve de hoofdsom, ook inte-
ressen gevorderd worden, welke, met de hoofdsom vereenigd,
de som van drie honderd gulden te boven gaan.
1937.   Die eenen eisch gedaan heeft, drie honderd gulden te
boven gaande, kan niet meer tot het bewijs door getuigen worden
toegelaten, al mogt hij ook zijne oorspronkelijke vordeiing tot
die som verminderen.
1938.  Het bewijs door getuigen wordt niet toegelaten in een
geding, waarin minder dan \'drie honderd gulden geëischt wordt,
wanneer de gevorderde som het overschot of een gedeelte uit-
maakt van eene grootere inschuld welke niet bij geschrifte
bewezen is.
1939.    De hier-boven gestelde regelen, lijden uitzondering,
wanneer er een begin van bewijs door geschrift aanwezig is.
Men noemt aldus alle geschrevene akten welke voort-
gekomen zijn van dengenen tegen wien de vordering gedaan
wordt, of van dengenen dien hij vertegenwoordigt, en welke de
daadzaak waarop men zich beroept, waarschijnlijk maken.
1940.    Dezelfde regelen lijden insgelijks uitzondering in alle
de gevallen waarin het uit den aard der zaak niet mogelijk is
geweest zich een schriftelijk bewijs te verschaffen.
Deze uitzondering is onder anderen toepasselijk:
1°. Op verbindtenissen die uit kracht der wet, ten gevolge
van \'s menschen toedoen, geboren worden;
2°. Op bewaargevingen uit noodzaak, en op de zoodanige welke
-ocr page 341-
ü-i-4                           IV BOKK. VAX BEWIJS KX VERJAKIKO.
gedaan zijn door reizigers in de herborg waar zij bunnen
intrek hebben genomen : alles naarmate van de hoedanigheid
der personen, en naar gelang van de omstandigheden
der zaak ;
3". Op verbindtenissen welke bij onvoorziene toevallen, waarbij
men geene schriftelijke akte heeft kunnen opmaken, aan-
gegaan zijn;
4°. In geval de titel welke tot schriftelijk bewijs dienen moest,
door ecne toevallige, onvoorziene en door ovennagt te weeg
gebragte gebeurtenis, is verloren geraakt.
1941.   In de gevallen waarin bewijs door getuigen wordt
toegelaten, moeten de volgende bepalingen worden in acht
genomen.
1942.  De verklaring van eenen enkelen getuige, zonder
ecnig ander middel van bewijs, verdient in regten geen geloof.
1943.   Indien do afzonderlijke en op zich zelve staande ge-
tuigenissen van verscheidene personen, omtrent verschillende
feiten, door haren zamenloop en verband strekken tot staving
eener bepaalde daadzaak, wordt het aan het oordeel des regters
overgelaten om aan die afzonderlijke getuigenissen zoodanige
kracht toe te kennen als de omstandigheden dit mogten ver-
eischen.
1944.  Iedere getuigenis moet met reden van wetenschap be-
kleed zijn.
Bijzondere meeningen of gissingen, bij redenering opgemaakt,
zijn geene getuigenissen.
1945.  In de beoordeoling der waarde van de getuigenis moet
do regter bijzonder acht geven op de onderlinge overeenkomst
der getuigen, op de overeenstemming der getuigenissen met
hetgeen van elders aangaande de zaak in het geding bekend
is, op de beweegredenen welke de getuigen kunnen hebben
gehad om de zaak op deze of gene wijze voor te dragen, op de
levenswijze, de zeden en den stand der getuigen, en, in het
algemeen, op alles wat op derzelvcr meerdere of mindere
geloofwaardigheid invloed zoude kunnen hebben.
1946.  Alle personen, bekwaam om getuigen te zijn, zijn ver-
pligt getuigenis in regten af te leggen.
Niettemin kunnen zich van het afleggen van getuigenis vor-
schooncn :
1°. Die aan eene der partijen in de zijdlinie bestaan in den
tweeden graad van bloedverwantschap of zwagerschap;
2°. Die den echtgenoot van eene der partijen bestaan in de
regte linie onbeperkt, en in de zijdlinie in den tweeden
graad;
\'M. Alle degenen die, uit hoofde van hunnen stand, beroep
pf wettige betrekking, tot geheimhouding verpligt zijn,
-ocr page 342-
III TITKL. VAN IIKW1.IS DOOK OKTI\'IOKIf.                         335
doch alleen en bij uitsluiting nopens hetgeen waarvan do
wetenschap aan hen als zoodanig is toevertrouwd.
1947.  Als onbekwaam om getuigen te zijn worden beschouwd,
en mogen niet worden gehoord, de bloed- en aanverwanten van
eene der partijen in de regte linie, en de echtgenoot, zelfs na
eene plaats gehad hebbende echtscheiding.
1948.  De getuigen moeten, volgens de wijze hunner gods-
dienstigo gezindheid, zweren of beloven dat zij de waarheid
zullen zeggen. %
1949.   Zij die den vollen ouderdom van vijftien jaren niet
hebben bereikt, mitsgaders zij die ter zake van onnoozelheid,
krankzinnigheid of razernij zijn onder curatele gesteld of han-
gende het geding, op bevel des regters, zich bij voorraad in
verzekerde bewaring bevinden, kunnen niet als getuigen worden
toegelaten.
Het staat echter aan den regter vrij oin zoodanige minder-
jarigen, of ook onder curatele gestelden, die bij tusschenpoozen
het genot hunner verstandelijke vermogens bezitten, zonder
eeds-arlegging te hooren, doch derzelver verklaringen zullen
slechts als toelichting mogen worden aangemerkt.
De regter zal alzoo geen geloof mogen slaan op hetgeen die
onbevoegde personen verklaren te hebben gehoord, gezien, bij-
gewoond en ondervonden, al ware zulks met redenen van weten-
schap bekleed, maar hunne verklaringen alleen doen strekken
om bekend te worden met, en op het spoor te geraken van
daadzaken, well e door de gewone middelen nader kunnen
worden bewezen.
1950.  Als getuigen kunnen gewraakt worden:
1°. Die in de zijdlinie bloed- of aanverwant is van eene dor
partijen, tot den vierden graad ingesloten;
2". De aanverwant van den echtgenoot van eene der par-
tijen, in de regte linie onbeperkt, en in de zijdlinie tot
in den vierden graad ingesloten ;
3°. De vermoedelijke erfgenaam, de begiftigde, de dienstboden
of bedienden van eene der partijen, of hij die een dado-
lijk of zijdelingsch belang bij het geding heeft;
4". Die ter zake van meineed of van een der misdrijven,
waarop in geval van herhaling art. 421 van het \\Vet-
boek van Strafrecht toepasselijk is, is veroordeeld.
1951.   Nogtans zullen bloed- en aanverwanten, mitsgaders
dienstboden of bedienden, in twistgedingen betrekkelijk tot den
burgerlijken staat der partijen, als zoodanig noch onbekwaam
zijn, noch kunnen gewraakt worden.
-ocr page 343-
33fi                           IV HOEK. VAN BEWIJS EN VERJAMNQ.
VIERDE TITEL.
VAN VERMOEDENS.
1952.  Vermoedens zijn gevolgtrekkingen welke de wet of de
regter uit eene bekende tot eene onbekende daadzaak afleidt.
Zij zijn van tweederlei aard :
Wettelijke,
En de zoodanige welke niet op de wet zelve zijn gegrond.
1953.   Wettelijke vermoedens zijn de zoodanige welke, uit
kracbte eener bijzondere wetsbepaling, met zekere handelingen
of met zekere daadzaken verbonden zijn.
Van dien aard zijn, onder andere :
1". De handelingen welke de wet nietig verklaart, omdat zij,
door haren aard en hare hoedanigheid alleen, vermoed
worden gepleegd te zijn om eene wetsbepaling te ont-
duiken;
2°. De gevallen waarin .de wet verklaart dat de eigendom,
of de bevrijding van schuld, uit zekere bepaalde omstan-
digheden wordt afgeleid;
3". Het gezag hetwelk de wet aan een regterlijk gewijsde
toekent;
4". De kracht welke de wet aan de bekentenis van eene der
partijen of aan derzelver eed toekent.
1954.   Het gezag van een geregtelijk gewijsde strekt zich
niet verder uit dan tot het onderwerp van het vonnis.
Om dat gezag te kunnen inroepen, wordt vereischt dat de
zaak welke gevorderd wordt dezelfde zij; dat de eisch op de-
zelfde oorzaak beruste, en door en tegen dezelfde partijen in
dezelfde betrekking gedaan zij.
1955.   Een arrest of vonnis in kracht van gewijsde gegaan,
waarbij iemand wegens eenig feit tot straf is verwezen, zal in
een burgerlijk geschil als een bewijs van dat feit worden aan-
genomen, behoudens tegenbewijs.
1956.   Indien iemand van een aan hem ten laste gelegd
feit is vrijgesproken, kan die vrijspraak bij den burgerlijken
regter niet worden ingeroepen om eenen eisch tot schadever-
goeding af te weren.
1957.  Vonnissen betrekkelijk den staat van personen, gewezen
tegen dengenen die wettiglijk bevoegd was om den eisch tegen
te spreken, zijn van kracht tegen elk en een iegelijk.
1958.   Een wettelijk vermoeden ontslaat dengenen, in wiens
voordcel hetzelve bestaat, van alle verdere bewijzen.
Ueen bewijs wordt tegen een wettelijk vermoeden toegelaten,
in geval de wet, op grond van dit vermoeden, zekere bepaalde
-ocr page 344-
V TITEL. VAN BEKENTENIS.                                       337
handelingen nietig verklaart, of den regtsingang weigert; ten
zij de wet zelve het tegenbewijs mogt hebben vrijgelaten, en
onverminderd hetgeen omtrent den geregtelijken eed en de ge-
regtelijke bekentenis vastgesteld is.
1959. Vermoedens welke niet op de wet zelve gegrond zijn
worden overgelaten aan het oordeel en aan de voorzigtigheid
van den regter, die echter op geene andere letten mag dan op die
welke gewigtig, nauwkeurig, bepaald en met elkander in over-
eenstemming zijn. Zoodanige vermoedens kunnen alleenlijk in
aanmerking komen in de gevallen waarin de wet het bewijs
door getuigen toelaat, en ook bijaldien, uit hoofde van kwade
trouw of\' bedrog, tegen eene handeling of akte wordt opge-
komen.
VIJFDE TITEL.
VAN BEKENTENIS.
1960. De bekentenis welke aan eene partij wordt tegenge-
worpen, is, of geregtelijk, of buiten regten afgelegd.
1691. Eene bekentenis mag niet gesplitst worden ten nadeele
van dengenen die dezelve heeft afgelegd.
Het staat echter aan den regter vrij om de bekentenis te
splitsen, indien de schuldenaar daarbij, tot zijne bevrijding, daad-
zaken heeft aangevoerd, welker valschbeid wordt bewezen.
1962.   De geregtelijke bekentenis levert een volledig bewijs
op tegen dengenen die dezelve, hetzij in persoon, het zij bij
eenen bijzonderen daartoe gevolmagtigde, heeft afgelegd.
1963.  De geregtelijke bekentenis kan niet herroepen worden,
ten ware bewezen wierd dat dezelve een gevolg is geweest van
eene dwaling omtrent daadzaken.
Onder voorwendsel van eene dwaling omtrent het regt, kan
dezelve niet herroepen worden.
1964.   Eene mondelinge bekentenis, buiten regten gedaan,
kan niet worden ingeroepen, dan in de gevallen waarin het
bewijs door getuigen is toegelaten.
1965.  In het geval bij het slot van het vorige artikel voor-
zien, blijft het aan des regters oordeel overgelaten welke kracht
aan eene mondelinge bekentenis, buiten regten gedaan, moet
worden toegekend.
ZESDE TITEL.
Van den geregtelijken eed.
1966.  De geregtelijke eed is van tweederlei aard:
1°. Die welke door de eene partij aan de andere wordt opge-
22
-ocr page 345-
338                           IV nOKK. VAN BEWIJS KN VERJARING.
dragen om de beslissing der zaak daarvan te doen afhangen:
deze wordt genaamd beslissende eed.
2°. Die welke door den regter, ambtshalve, aan eene der beide
partijen wordt opgelegd.
1967.   De beslissende eed kan worden opgedragen omtrent
alle geschillen, van welken aard ook, behalve degene waarover
partijen geene dading zouden mogen treffen, of waarin hare
bekentenis niet zoude kunnen worden in aanmerking genomen.
Dezelve kan in eiken stand van het regtsgeding worden opge-
dragen, zelfs dan wanneer geen ander middel hoegenaamd
aanwezig is om de vordering of de exceptie, ten aanzien van
welke de eed gevorderd wordt, te bewijzen.
1968.   Die eed kan alleen worden opgedragen omtrent eene
daadzaak welke persoonlijk zoude zijn verrigt, door dengenen
aan wiens eed de beslissing wordt opgedragen.
1969.   Hij aan wien de eed is opgedragen, en die weigert
denzelven af te leggen of terug te wijzen, of ook hij die den
eed heeft opgedragen, doch aan wien dezelve is terug gewezen,
en die weigert den eed af te leggen, moet in zijne vordering of
exceptie in het ongelijk worden gesteld.
1970.  Indien de daad omtrent welke de eed wordt opgedragen
niet is de daad van beide partijen, maar alleen van degene aan
welker eed de beslissing wordt overgelaten, mag de eed niet
worden terug gewezen.
1971.  Geen eed kan opgedragen, terug gewezen of aangc-
nomen worden, dan door de partij zelve, of door eenen daartoe
bijzonder gevolmagtigden persoon.
1972.  Die den eed heeft opgedragen of terug gewezen, kan
die daad niet weder intrekken, indien de wederpartij zich be-
reid heeft verklaard dien eed af te leggen.
1973.  Wanneer hij aan wien de beslissende eed is opgedragen,
of hij aan wiens eed de beslissing is terug gewezen, den eed
heeft afgelegd, is de tegenpartij niet ontvankelijk om de valsch-
heid daarvan te beweren.
1974.  De afgelegde eed levert geen bewijs op dan alleen ten
voordeele of ten nadeele van dengenen die denzelven opgedra-
gen of terug gewezen heeft, en van zijne erfgenamen en regt-
hebbenden.
1975.  Niettemin wordt een schuldenaar, aan wien de eed
door eenen der hoofdelijke schuldeischers is opgedragen, en die
denzelven heeft afgelegd, daardoor niet verder bevrijd dan voor
het aandeel van dien schuldeischer.
De eed, door den hoofdschuldenaar afgelegd, bevrijdt de
borgen..
1976.  De eed, door een der hoofdschuldenaran afgelegd,strekt
ten voordeele der mede-schuldenaren, en die welke door den
-ocr page 346-
VI TITEL. VAN DEN GEREGTELIJKEN EED.                       339
borg is afgelegd strekt ten voordeele van den hoofdschuldenaar,
indien namelijk, in deze beide gevallen, de eed is opgedragen
of terug gewezen geworden omtrent de schuld zelve, en niet
omtrent het hoofdelijke der verbindtenis of van den borgtogt.
1977.  De regter kan ambtshalve aan eene der partijen den
eed opleggen, het zij om daarvan de beslissing der zaak te doen
afhangen, het zij om daardoor een toe te wijzen bedrag te
bepalen.
1978.  Hij kan dat slechts doen in de twee volgende ge-
vallen :
1°- Indien de vordering of exceptie niet volledig bewezen is;
2°. Indien dezelve ook niet geheel van bewijs ontbloot is.
1979.  De eed omtrent de waarde der gevorderde zaak kan
door den regter aan den eischer niet worden opgelegd, dan
wanneer het onmogelijk is om die waarde op eene andere
wijze te bepalen.
Zelfs moet de regter, in dat geval, de som bepalen\'tot
welker beloop de eischer op zijnen eed zal geloofd worden.
1980.   De eed, door den regter aan eene der partijen op-
gelegd, kan door deze niet aan de wederpartij worden terug
gewezen.
1981.   De eed moet worden afgelegd voor de regtbank die
van het regtsgeding kennis neemt.
Indien een wettig beletsel dit onuitvoerlijk maakt, kan de
regtbank tot het afnemen van den eed een harer leden mag-
tigen, die zich alsdan naar de woning of het verblijf zal
begeven van hem die den eed afleggen moet.
Indien, in dit geval, die woning of dat verblijf te ver mogt
zijn verwijderd, of\' buiten het regtsgebied van de regtbank
gelegen, kan zij het afnemen van den eed opdragen aan den
regter der woonplaats of des verblijfs van dengenen die tot
de eeds-aflegging verpligt is.
1982.  De eed moet persoonlijk worden afgelegd.
Om gewigtige redenen is het don regter geoorloofd aan
eene partij toe te staan om den eed door een bijzonderen
bij authentieke akte daartoe gemagtigde te doen afleggen.
De volmagt moet, in zoodanig geval, den af te leggen eed
omstandig en nauwkeurig inhouden.
Geen eed mag worden afgenomen dan in tegenwoordigheid
der wederpartij, of deze daartoe behoorlijk zijnde opgeroepen.
-ocr page 347-
340                           IV BOEK. VAN BEWIJS EN VERJARING.
ZEVENDE TITEL.
VAN VERJARING.
EEBSTE AFDEELING.
Van verjaring in het algemeen.
1083. Verjaring is een middel om, door het verloop van
eenen zekeren bepaalden tijd, en onder de voorwaarden bij
de wet bepaald, iets te verkrijgen of van eene verbindtenis
bevrijd te worden.
1984.  Men kan vooraf geen afstand doen van de verjaring,
maar men kan wel afstand doen van eene verjaring welke
reeds verkregen is.
1985.   De afstand van verjaring geschiedt uitdrukkelijk of
stilzwijgende. De stilzwijgende afstand wordt afgeleid uit eene
daad welke doet vooronderstellen dat men zijn verkregen
regt heeft laten varen.
1986.   Hij, die niet mag vervreemden, mag geen afstand
doen van eene verkregene verjaring.
1987.  De regter mag ambtshalve het middel van verjaring
niet toepassen.
1988.   In eiken staat van het geding kan men zich op
verjaring beroepen, zelfs in hooger beroep.
1989.   Schuldeischers of andere belanghebbenden kunnen
opkomen tegen den afstand van verjaring door den schulde-
naar, ter bedriegelijke verkorting hunner regten gedaan.
1990.   Men kan door verjaring den eigendom niet verkrij-
gen van zaken die buiten den handel zijn.
1991.  De staat, de gemeenten en andere openbare gestichten
zijn aan dezelfde verjaringen onderworpen als bijzondere per-
sonen. en kunnen daarvan op gelijke wijze gebruik maken.
1992.   Om door middel van verjaring den eigendom eener
zaak te verkrijgen, wordt vereischt een voortdurend en on-
afgebroken, ongestoord, openbaar en niet dubbelzinnig bezit,
als eigenaar.
1993.    Daden van geweld, van zuivere willekeur, of van
eenvoudig gedoogen, kunnen geen bezit te weeg brengen, dat
de kracht heeft om eene verjaring te doen geboren worden.
1994.   De tegenwoordige bezitter die bewijst van ouds
bezeten te hebben wordt voorondersteld mede het bezit te
hebben gehad gedurende den tijd die tusschen beide verloopen
is; onverminderd het tegenbewijs.
-ocr page 348-
VII TITEL. VAN VERJARING.                                      341
1995.   Om den tot verjaring vereischten tijd te vervullen,
kan men bij zijn eigen bezit dat van den vorigen bezitter,
van wien men de zaak verkregen heeft, voegen, op welke
wijze men dezen ook zij opgevolgd, het zij onder eenen alge-
meenen of bijzonderen titel, het zij om niet, het zij onder
eenen bezwarenden titel.
                                                       •
1996.   Zij die voor een ander bezitten, mitsgaders hunne
erfgenamen, kunnen nimmer iets door verjaring verkrijgen,
door welk tijdsverloop zulks ook zoude mogen wezen.
Alzoo kan een huurder, bewaarder, vruchtgebruiker, en alle
anderen die het goed van den eigenaar ter bede onder zich
hebben, hetzelve niet door verjaring verkrijgen.
1997.   De personen, bij het voorgaande artikel vermeld,
kunnen den eigendom door verjaring verkrijgen, indien de
titel van hun bezit veranderd is, het zij uit eene oorzaak, die
van eenen derde afkomt, het zij door hunne tegenspraak tegen
het regt van den eigenaar.
1998.   Zij, aan wien de huurders, bewaarders en andere
bezitters ter bede het goed hebben overgedragen, bij eenen
titel tot overgang van eigendom geschikt, kunnen dat goed
door verjaring verkrijgen.
1999.   De verjaring wordt gerekend bij dagen, en niet bij
uren.
Zij is verkregen wanneer de laatste dag van den vereischten
tijd verloopen is.
TWEEDE AFDEELING.
Van de verjaring, beschouwd als een middel om iets
te verkrijgen.
2000.   Die te goeder trouw, en uit kracht van eenen wet-
tigen titel, een onroerend goed, eene rente of eenige andere,
aan toonder niet betaalbare, inschuld verkrijgt, bekomt daar-
van den eigendom, bij wege van verjaring, door een bezit van
twintig jaren.
Die te goeder trouw het bezit heeft gedurende dertig jaren,
verkrijgt den eigendom, zonder dat hij kan worden genoodzaakt
zijnen titel te toonen.
2001.  Een regtstitel\'die nietig is uit hoofde van een gebrek
in den vorm kan niet tot grondslag eener twintigjarige ver-
jaring verstrekken.
2002 De goede trouw wordt steeds voorondersteld, en
degene die zich op kwade trouw beroept moet dezelve
bewijzen.
2003. Het is voldoende dat op het oogenblik der verkrijging
de goede trouw bestond.
-ocr page 349-
342                          IV BOEK. VAN BEWIJS EN VEI1JARING.
DERDE AFDEELING.
Van de verjaring, beschouwd als een middel om van
eene verpligting bevrijd te worden.
2004.  Alle regtsvorderingen, 7.00 wel zakelijke als persoon-
lijke, verjaren door dertig jaren, zonder dat hij die zich op de
verjaring beroept verpligt zij eenigon titel aan te toonen, of
dat men hem eenige exceptie, uit zijne kwade trouw ontleend,
kunne tegenwerpen.
2005.   De regtsvordering van meesters en onderwijzers in
kunsten en wetenschappen, wegens de lessen welke zij bij de
maand, of voor korter tijd. geven;
Die van herbergiers en tafelhouders, wegens het verschaffen
van woning en kost;
Die van arbeiders en handwerkslieden, wegens hun loon;
Verjaren door verloop van een jaar.
2006.   De regtsvordering der artsen, heelmeesters en apo-
thekers, wegens hunne bezoeken, heelkundige diensten en
geneesmiddelen;
Die van deurwaarders, wegens hun loon voor het beteekenen
van akten en het ten uitvoer brengen van de hun opgedragene
werkzaamheden ;
Die der kostschool houders, wegens het kost- en schoolgeld
voor dcrzelver leerlingen, en van andere meesters, voor het
loon van hun onderwijs ;
Die der dienstboden, wegens de betaling van hun loon ;
Verjaren door verloop van twee jaren.
2007.    De regtsvordering der advokaten tot de betaling
hunner verdiensten, die der procureurs tot de betaling van
hunne voorschotten en loon, verjaren door verloop van twee
jaren, te rekenen van den dag dat het geding is uitgewezen,
of dat de partijen eene schikking hebben getroffen, of de vol-
magt op die procureurs is ingetrokken.
Ten aanzien van onafgedane zaken kunnen zij geene vol-
doening vorderen van voorschotten en verdiensten die meer
dan tien jaren mogten ten achteren zijn.
De regtsvordering der notarissen tot betaling hunner voor-
schotten en loon verjaart insgelijks door verloop van twee
jaren, te rekenen van den dag waarop de akten zijn ver-
leden.
2008.  De regt;-vorderingen :
Van timmerlieden, metselaars en andere werk-bazen, tot
betaling hunner leveranciën en loonen ;
Van kooplieden, voor de koopwaren, aan bijzondere, geene
-ocr page 350-
VII TITEL. VAN VEHJARINO.                                      343
handeldrijvende personen, of aan kooplieden die denzelfden
handel niet drijven, geleverd;
Verjaren door verloop van vijf jaren.
2009.   De verjaring, in de vier voorgaande artikelen ver-
meld, heeft plaats, ofschoon men met het doen van leveranciën,
diensten en arbeid zij voortgegaan.
Dezelve houdt slechts dan op te loopen wanneer eene
schriftelijke schuldbekentenis opgemaakt, of de verjaring, vol-
gena art. 2016 en 2017, gestuit is.
2010.   Niettemin kunnen degenen aan wie de verjaring,
bij art. 2005, 2006, 2007 en 2008 vermeld, wordt tegengewor-
pen, van hen die zich daarvan bedienen den eed vorderen dat
de schuld werkelijk is betaald geworden.
De eed kan opgelegd worden aan de weduwen en de erf-
genamen, of aan de voogden van laatstgemelde, indien zij
minderjarig zijn, ten einde te verklaren dat zij niet weten
dat de zaak verschuldigd is.
2011.   De regters en procureurs zijn niet meer aansprakelijk
wegens de afgifte der stukken na verloop van vijf jaren, na
de uitwijzing der gedingen.
Insgelijks zijn de deurwaarders ontheven van alle aanspra-
kelijkheid dienaangaande na verloop van twee jaren, te reke-
nen sedert hot uitvoeren van den last, of het beteekenen der
akten, waarmede zij belast waren.
2012.   De interessen van altijddurende renten of van lijf-
renten ;
Die van jaarwedden, tot onderhoud verstrekkende;
De huurprijzen van huizen en van landgoederen;
De interessen van geleende geldsommen, en, in het algemeen,
al hetgeen betaalbaar is bij het jaar, of bij kortere vastgestelde
termijnen;
Verjaren na verloop van vijf jaren.
2013.  De verjaringen, waarvan in artikel 2005 en volgende
van deze afdeeling gehandeld wordt, loopen tegen de minder-
jarigen en tegen degenen die onder curatele staan; onvermin-
derd hun verhaal op hunne voogden of curators.
2014.  Met betrekking tot roerende goederen die noch in
renten bestaan, noch in inschulden welke niet aan toonder
betaalbaar zijn, geldt liet bezit als volkomen titel.
Niettemin kan degene die iets verloren heeft of aan wien
iets ontvreemd is, gedurende drie jaren, te rekenen van den dag
waarop het verlies of de ontvreemding heeft plaats gehad, het
verlorene of ontvreemde als zijn eigendom terug vorderen van
dengenen in wiens handen hij hetzelve vindt, behoudens het
verhaal van den laatstgemelde op dengenen van wien hij het
bezit bekomen heeft, en onverminderd de bepaling van art. 637.
-ocr page 351-
344                           IV nOEK. VAN BEWIJS EN VERJARING.
V1ËIIDE AFDEELINO.
Van de oorzaken die de verjaring stuiten.
2016. De verjaring is gestuit wanneer de bezitter gedurende
meer dan een jaar van het genot der zaak beroofd is, het zij
door den vorigen eigenaar, het zij zelfs door eenen derde.
2016.  Zij wordt mede gestuit door aanmaning, dagvaarding
en elke daad van regtsvervolging, alle in don vereischten vorm
beteekend door eenen daartoe bevoegden ambtenaar, uit naam
van den regthebbende aan dengenen dien men beletten wil de
verjaring te verkrijgen.
2017.  Ook de dagvaarding voor eenen onbevoegden regter
stuit de verjaring.
2018.  Verjaring is echter niet gestuit indien het zij de aan-
maning of dagvaarding wordt ingetrokken of nietig verklaard,
het zij de aanlegger van zijnen eisch afstand doet, of dezelve
wordt ontzegd; het zij de aanleg, uit hoofde van het tijdsverloop,
is vervallen verklaard.
2019.  De erkentenis, door woorden of door daden, van het
regt van dengenen tegen wicn de verjaring loopt, door den
bezitter of den schuldenaar gedaan, stuit almede de verjaring.
2020.  De beteekening, overeenkomstig artikel 2016, aan een
der hoofdelijke schuldenaars gedaan, of diens erkentenis, stuit
de verjaring tegen alle de overige, zelfs tegen hunne erfgenamen.
De beteekening aan een der erfgenamen van eenen hoofde-
lijken schuldenaar gedaan, of de erkentenis van dien erfgenaam,
stuit de verjaring niet ten aanzien van de overige mede-erfge-
namen, zelfs niet in het geval van eene hypothekaire schuld;
ten ware de verbindtenis ondeelbaar mogt zijn.
Door deze beteekening of erkentenis wordt de verjaring ten
aanzien van de andere mede-schuldenaren niet verder gestuit
dan voor zoo veel het aandeel van dien erfgenaam betreft.
Om de verjaring der gehecle schuld ten aanzien van andere
mede-schuldenaren te stuiten, wordt vereischt eene beteekening
van alle de erfgenamen van den overleden schuldenaar, of eene
erkentenis door alle die erfgenamen gedaan.
2021.  De beteekening aan den hoofdschuldenaar gedaan, ot
deszelfs erkentenis, stuit de verjaring tegen den borg.
2022.  De stuiting der verjaring door een der hoofdelijke
schuldeischers geldt voor alle hoofdelijke mede-schuldeischers.
-ocr page 352-
VU TITEL. VAN VERJARING.                                      345
VIJFDE AFDEEL1NG.
Van de oorzaken die den Joop der verjaring schorsen.
2023.  De verjaring loopt tegen alle personen, behalve die-
genen ten wier behoeve de wet eene uitzondering maakt.
2024.  Verjaring kan niet beginnen noch voortgaan tegen
minderjarigen en tegen degenen die onder curatele gesteld zijn,
uitgezonderd in de gevallen bij de wet bepaald.
2025.  Verjaring heeft geen plaats tusschen echtgenooten.
2026.  Verjaring loopt niet tegen eene vrouw gedurende haar
huwelijk:
1°. Ingeval de regtsvordering der vrouw niet zoude kunnen
vervolgd worden dan na het doen eener keus omtrent de
aanvaarding of den afstand der gemeenschap;
2*. Ingeval de man, het eigen goed der vrouw zonder hare toe-
stemming verkocht hebbende, den verkoop moet vrijwaren,
en in alle andere gevallen waarin de actie van de vrouw
op den man zoude terugkomen.
2027.  Verjaring loopt niet:
Met betrekking tot eene inschuld welke van eene voorwaarde
afhangt, zoo lang die voorwaarde niet vervuld is;
Met betrekking tot een regtsgeding tot vrijwaring, zoo lang
de uitwinning geen plaats heeft gehad;
Met betrekking tot eene inschuld welke op eenen bepaalden
dag vervalt, zoo lang die dag niet verschenen is.
2028.  Verjaring loopt niet tegen eenen erfgenaam die eene
nalatenschap onder het voorregt van boedelbeschrijving aanvaard
heeft, ten opzigte zijner inschulden. ten laste der nalatenschap.
Verjaring loopt tegen eene onbeheerde nalatenschap, ofschoon
dezelve van geenen curator voorzien zij.
2029.  Zij loopt insgelijks gedurende den tijd dat de erfgenaam
zich beraadt.
Algemeenc bepaling
2030.  De verjaringen welke reeds vóór de afkondiging van
dit Wetboek eenen aanvang genomen hebben, zullen overeenkom -
stig de bepalingen van het vorige Wetboek worden geregeld.
-ocr page 353-
WET,
TOT REGELING VAN HET KIESBECHT EN DE BENOEMING
VAN AFGEVAABDIGDEN TEB EERSTE EN TWEEDE
KAMER DEB STATEN-GENERAAL.
(Vastgesteld den 7den September 18%, Stbl. no. 154, uitgegeven den 14den
September d. a. v. Gewijzigd b(j de wet van 31 Dec. 1896, Stbl. no. 245.),
EERSTE AFDEELING.
Van het kiesrecht.
§ 1. Van de kiezers.
Art. 1. De leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
worden gekozen door de mannelijke ingezetenen des Rijks,
tevens Nederlanders, die den leeftijd van vijf en twintig jaren
hebben bereikt, voor zoover zij over het laatstverloopen dienst-
jaar in eene of meer der Rijks directe belastingen zijn aan-
geslagen, het te dier zake verschuldigde voor of op den lsten
Maart voldaan hebben, en
a.  over het volle laatstverloopen dienstjaar zijn aangeslagen
in de grondbelasting voor een bedrag van ten minste een
gulden, in de vermogensbelasting, in de belasting op bedrijfs-
en andere inkomsten of naar een of meer der vijf eerste
grondslagen van de personeele belasting, zooals die is geregeld
bij de wet van 16 April 1896 (Stbl. no. 72); of
b.   indien zij niet overeenkomstig het bepaalde sub a zijn
aangeslagen, voldoen aan eene der volgende voorwaarden :
1°. dat zij als hoofden van gezinnen of als alleenwonende
personen op den 31sten Januari sedert den lsten Augustus van
het vorige jaar hebben bewoond,
krachtens huur, achtereenvolgens in dezelfde gemeente niet
-ocr page 354-
KIESWET.                                                 347
meer dan twee huizen of gedeelten van huizen, voor elk
waarvan, met of zonder bijbehoorenden grond of\' lokalen en
bijgebouwen, niet ter bewoning bestemd, de werkelijke huur-
prijs, per week berekend, ten minste heeft bedragen de som,
voor de gemeente of het gedeelte der gemeente, waar het
huis gelegen is, vermeld in de bij deze wet gevoegde tabel;
of, krachtens eigendom, vruchtgebruik of huur, eenzelfde
vaartuig van ten minste 24 kubieke Meter;
2°. dat zij op den Sisten Januari sedert den lsten Januari
van het laatstverloopen jaar bij dezelfde persoon, onderneming,
openbare of bijzondere instelling in dienstbetrekking of als
inwonende zoon in het bedrijf of beroep der ouders werkzaam
zijn en als zoodanig over dat jaar een inkomen hebben genoten
als voor de gemeente of het gedeelte der gemeente, waar zij
wonen, is vermeld in de bij deze wet gevoegde tabel;
of dat zij op den lsten Februari in het genot zijn van een
door eene openbare instelling verleend pensioen van gelijk bedrag;
met dien verstande dat voor hen, die in beide gevallen
verkeeren, zoo noodig, ter bereiking van het vereischte bedrag,
het inkomen en het pensioen worden samengeteld;
3°. dat zij op den lsten Februari sedert een jaar den eigen-
dom met recht van vrije beschikking hebben van ten minste
f 100 (nominaal), ingeschreven in de Grootboeken der Nationale
Schuld of van ten minste f 50, ingelegd in de Rijkspostspaar-
bank;
4°. dat zij hebben voldaan aan de eischen van bekwaamheid,
door of krachtens de wet gesteld voor de benoembaarheid tot
eenig ambt, voor de vervulling van eenige betrekking of voor
de uitoefening van eenig bedrijf of beroep.
2. Onder hen, die den leeftijd van vijf en twintig jaren
hebben bereikt, verstaat deze wet hen, die dien leeftijd hebben
bereikt vóór of op den 15den Mei.
De aanslag der vrouw in de Rijks directe belastingen geldt
voor haren man; die van minderjarige kinderen wegens goe-
deren, waarvan hun vader het vruchtgenot heeft, voor hunnen
vader.
Aanslagen in de grondbelasting wegens onroerende goederen
eener onverdeelde nalatenschap gelden ook voor den mede-
eigenaar, wiens naam niet bij den aanslag in het kohier is
vermeld, mits zijn aandeel in dien aanslag ten minste één
gulden bedraagt.
Door den aanslag in de grondbelasting, in art. 1 vermeld,
worden de hoofdsom en de Rijks opcenten verstaan.
Aanslag in de vermogens- of in de bedrijfsbelasting geeft
geene aanspraak op kiesrecht, indien hij het gevolg is van
eene met de waarheid strijdige aangifte.
-ocr page 355-
348                                                 KIESWET.
Bij de berekening van den werkelijken huurprijs wordt
maandhuur tot weekhuur herleid door deeling met 4, jaarhuur
door deeling met 50.
Bij de berekening van het inkomen, bedoeld in art. 1 b, 2°.,
eerste lid, worden vrije woning of inwoning en vrije kost en
inwoning gerekend op het bedrag, voor de gemeente of het
gedeelte der gemeente, waar zij genoten worden, vermeld in
de bij deze wet gevoegde tabel; enkel vrije kost op het bedrag,
vermeld in de laatste kolom, verminderd met dat, vermeld in
de voorlaatste kolom dier tabel. Overigens komt alleen geld
in aanmerking.
Indien het inkomen, bedoeld in art. 1 b, 2°., als vast week-,
veertiendaagsch-, maand- of jaarloon is genoten en dit loon
wegens ziekte of verwonding gedurende ten hoogste twee
maanden niet of niet ten volle is ontvangen, wordt het geacht
tot het normale bedrag te zijn genoten.
Indien gedeelten eener gemeente in de bij deze wet gevoegde
tabel afzonderlijk worden genoemd, wordt de grens tusschen
die gedeelten door Ons, Gedeputeerde Staten gehoord, bepaald
en wanneer verandering van omstandigheden daartoe aanlei-
ding geeft, gewijzigd.
Van deze besluiten wordt mededeeling gedaan in de Sta.at.s-
courant,
met bijvoeging van de adviezen van Gedeputeerde
Staten, voor zoover bij de besluiten van die adviezen is af-
ge weken.
3.   Van de uitoefening van het kiesrecht zijn uitgesloten:
zij, wien het kiesrecht ontzegd is bij eene onherroepelijk
geworden rechterlijke uitspraak.
zij, die in gevangenschap of hechtenis zijn;
zij, die bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak
de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben
verloren;
zij, die in het burgerlijk jaar, voorafgaande aan de vast-
stelling der kiezerslijsten onderstand van eene instelling van
weldadigheid of van een gemeentebestuur hebben genoten.
4.   Deze wet verstaat onder onderstand elke ondersteuning
in geld of andere benoodigdheden, tot leniging van nood aan
behoeftigen verstrekt.
6. De uitoefening van het kiesrecht wordt geschorst voor
de militairen beneden den graad van sergeant bij de zee- en
landmacht en de daarmede gelijkgestelden:
a.   ten aanzien van vrijwillig dienenden bij de zeemacht
gedurende hun diensttijd;
b.   ten aanzien van vrijwillig dienenden bij de landmacht
voor den tijd, gedurende welken zij zich onder de wapenen
bevinden;
-ocr page 356-
KIESWET.                                                  349
c.   ten aanzien van ingelijfden bij de militie voor den tijd,
gedurende welken zij niet met groot verlof zijn;
d.   ten aanzien van hen, die behooren tot de Koninklijke
Nederlandsche Marine-reserve voor den tijd, gedurende welken
zij in actieven dienst zijn.
De schorsing wordt niet toegepast ten aanzien van de bij
lit. o en b bedoelde militairen, voor zooverre zij kiesgerechtigd
zijn krachtens betaalde Rijks directe belasting of krachtens
huur, een en ander overeenkomstig het daaromtrent bepaalde
bij art. 1 dezer wet.
6.   Voor de bevoegdheid tot het kiezen van leden der Pro-
vinciale Staten gelden dezelfde regelen, als die welke in de
artt. 1—5 voor de bevoegdheid tot het kiezen van leden der
Tweede Kamer der Staten-Generaal zijn gesteld, met dien
verstande, dat men bovendien ingezeten der provincie moet zijn.
7.   Voor de bevoegdheid tot het kiezen van leden van den
gemeenteraad gelden dezelfde regelen, als die, welke in de
artt. 1—5 voor de bevoegdheid tot het kiezen van leden van
de Tweede Kamer der Staten-Generaal zijn gesteld, met dien
verstande, dat men bovendien ingezeten der gemeente moet
zijn, en dat zij, die niet vallen onder art. 1 o, over het volle
laatstverloopen dienstjaar in de gemeente moeten zijn aan-
geslagen in eene plaatselijke directe belasting tot ten minste
het bedrag, voor de gemeente of\' het gedeelte der gemeente,
waar zij wonen, vermeld in de tweede kolom der sub art.
1 b, 1°., bedoelde tabel en hun aanslag in die belasting op
den lsten Maart ten volle moeten hebben voldaan.
§ 2. Van de lijsten der kiezers.
8.   In elke gemeente wordt jaarlijks, naar aanleiding van
de opgaven en van het onderzoek in de artt. 10 en volgende
vermeld, door het gemeentebestuur eene lijst opgemaakt, de
inwoners aanwijzende, die tot het kiezen van leden van de
Tweede Kamer, van de Provinciale Staten en van den gemeen-
teraad bevoegd zijn.
Vormt eene gemeente meer dan één kiesdistrict voor de
Tweede Kamer, dan kan, voor zooveel die kiesdistricten sa-
menvallen met die voor de verkiezing van de Provinciale
Staten en van den gemeenteraad, voor ieder kiesdistrict eene
afzonderlijke lijst worden opgemaakt.
9.   De lijst vermeldt, in alphabetische volgorde, de namen
der kiezers en verder hunne voornamen, de plaats en dagtee-
kening hunner geboorte en de dagteekening hunner naturalisa-
tie, zoo die heeft plaats gevonden, de bepaling, waaraan zij
-ocr page 357-
350                                                  KIESWET.
het kiesrecht ontleenen en tot welke verkiezing zij bevoegd zijn.
Is eene gemeente in kiesdistricten verdeeld en geene toe-
passing gegeven aan het tweede lid van art. 8, of* is eene
gemeente in stemdistricten verdeeld, dan wordt daarenboven
melding gemaakt van de plaats hunner woning op den lsten
Februari van het jaar der vaststelling, en van het kiesdistrict
en het stemdistrict, waartoe zij dientengevolge behooren.
De kiezers van wie de plaats der woning niet met zekerheid
kan worden aangewezen, behooren tot het eerste kiesdistrict
en tot het stemdistrict, waarin het hoofdstembureau is geves-
tigd, of, is in de gemeente geen hoofdstembureau gevestigd,
tot het eerste stemdistrict der gemeente.
De vorm en de inrichting der kiezerslijst worden vastgesteld
bij algemeenen maatregel van bestuur.
10.  Jaarlijks vóór den 15den Februari zenden de ontvangers
der directe belastingen en der successierechten, ieder voor zijn
ressort, aan den.burgemeester door hen te waarmerken opga-
ven, waarin alle mannelijke inwoners der gemeente worden
opgenomen, die in de gemeente over het volle laatstverloopen
dienstjaar, overeenkomstig art. 1 a zijn aangeslagen, met aan-
teekening van hen, die het te dier zake verschuldigde op den
lsten Februari niet hebben voldaan.
Eveneens zenden gemelde ontvangers jaarlijks vóór den 15den
Februari aan den burgemeester gelijke opgaven van de overige
over het laatstverloopen dienstjaar in eenige Rijks directe
belasting aangeslagen mannelijke inwoners der gemeente, die
het te dier zake verschuldigde op den lsten Februari niet
hebben voldaan.
Van betalingen, in de maand Februari gedaan, kunnen do
belanghebbenden vóór den 3den Maart aan den burgemeester
doen blijken.
11.   De burgemeester noodigt vóór den 8sten Februari bjj
kennisgeving de mannelijke inwoners der gemeente uit, om
zoo zij in eene andere gemeente over het vol ie laatstverloopen
dienstjaar in eene der Kjjks directe belastingen zijn aange-
slagen, wat de grondbelasting betreft in eene andere gemeente
of in meer gemeenten te zamcn tot een bedrag van ten minste
één gulden, daarvan door overlegging der overeenkomstig het
bepaalde bij art. la voor voldaan geteekende aanslagbiljetten
vóór den loden Februari te doen blijken. Deze aanslagbiljet-
ten worden na de vaststelling der kiezerslijsten aan belang-
hebbenden teruggegeven.
12.   Bij dezelfde kennisgeving noodigt de burgemeester de
mannelijke inwoners der gemeente, die op grond van het be-
paalde bij het derde lid van art 2 aanspraak meenen te kun-
nen maken om geplaatst te worden op de kiezerslijst, uit,
-ocr page 358-
KIESWET.                                                  351
daarvan vóór den 15den Februari aangifte te doen. Het model
dezer aangifte wordt door Ons vastgesteld.
De bewijsstukken, bij zoodanige aangifte over te leggen,
waartoe moeten behooren het aanslagbiljet of door den ont-
vanger gewaarmerkt duplicaat daarvan, eene opgaaf van het
bedrag van het aandeel in den aanslag en de noodige beschei-
den ten bewijze van het gemeenschappelijk bezit, worden na
de vaststelling der kiezerslijsten aan belanghebbenden terug-
gegeven.
13.   Bij de kennisgeving, in art. 11 vermeld, noodigt de bur-
gemeester tevens de mannelijke inwoners der gemeente, die
krachtens art. 1 b aanspraak meenen te kunnen maken om
geplaatst te worden op de kiezerslijst uit, daarvan voor zoo-
veel noodig, vóór den loden Februari aangifte te doen.
14.    De in het voorgaand artikel bedoelde aangiften, waar-
van de modellen door Ons worden vastgesteld, moeten behel-
zen eene opgaaf van naam en voornamen en woonplaats van
den belanghebbende en eene door hem onderteekende verkla-
ring, betreffende de vereischten in art. 1 b omschreven, waarop
hij zijne aangifte grondt.
In geval de belanghebbende verklaart niet in staat te zijn,
zijne handteekening te stellen, kan worden volstaan met het
plaatsen van een handmerk in tegenwoordigheid van den
secretaris, of van een door den burgemeester aangewezen
ambtenaar ter secretarie der gemeente, die van de verklaring
en van het plaatsen van het handmerk in zijne tegenwoordig-
heid aanteekening doet op de aangifte.
Voorts moeten bij die aangiften worden overgelegd de op-
gaven en bewijsstukken, in de volgende artikelen genoemd.
15.   In het geval, voorzien bij art. 1 6, 1°., tweede lid, moet
worden overgelegd eene opgaaf, zoo mogelijk met aanduiding
van straat en nummer, van het huis of gedeelte van het huis
of wel, ingeval van eene verhuizing als aldaar bedoeld, van de
huizen of gedeelten van huizen, met of zonder bijbehoorenden
grond en lokalen en bijgebouwen, niet ter bewoning bestemd,
door den belanghebbende van den lsten Augustus van het
laatstverloopen tot en met den 31sten Januari van het loopende
jaar bewoond, van het bedrag van den huurprijs en van naam
en woonplaats van den verhuurder.
16.   In het geval, voorzien bij art. 16,1°., derde lid, moet
worden overgelegd eene opgaaf van den naam van het vaar-
tuig, van den inhoud, van den rechtstitel, krachtens welken
het is bewoond en, is deze huur, van naam en woonplaats van
den verhuurder.
17.   In het geval van dienstbetrekking als bedoeld bij art.
1 b, 2°., eerste lid, moet worden overgelegd eene opgaaf van
-ocr page 359-
352                                                 KIESWET.
den aard der dienstbetrekking van den belanghebbende, van
naam en woonplaats van den persoon bij wien, of van naam
en plaats van vestiging der onderneming of der bijzondere
in .telling of van den naam der openbare instelling, waarbij
hij van 1 Januari van het laatstverloopen tot en met den
Sisten Januari van het loopende jaar in dienstbetrekking was,
van het bedrag van het door hem over het laatstverloopen
jaar in die dienstbetrekking genoten inkomen, benevens van
vrije kost en vrije woning, voor zoover genoten.
indien het inkomen geheel of ten deele heeft bestaan uit
een vast weet, veertiendaagsch-, maand- of jaarloon, kan met
de opgave van het periodiek bedrag, en van den tijd, gedu-
rende welken dit werd genoten of wegens ziekte of verwon-
ding niet of niet ten volle werd genoten, worden volstaan.
Door den inwonenden zoon, die de bepaling van art. 1 b,
2°., inroept, moet worden overgelegd eene opgaaf van den
naam zijner ouders, vader of moeder, van het door hen uitge-
oefend bedrijf, van de werkzaamheden, die hij daarin verrichtte,
van het daarvoor over het laatstverloopen jaar in geld geno-
ten inkomen, benevens van vrije kost en vrije woning, voor
zoover genoten.
In het geval, voorzien bij art. 1 6, 2°., tweede lid, moet
worden overgelegd eene opgaaf van den naam der openbare
instelling en van het bedrag van het pensioen.
18.   In het geval, voorzien bij art. 1 b, 3°., moet worden
overgelegd eene door of vanwege de directie van de Groot-
boeken der Nationale Schuld of den directeur der Kijkspost-
spaarbank afgegeven verklaring.
De verklaring van den directeur der Rijkspostspaarbank
wordt den belanghebbende toegezonden op schriftelijke aan-
vraag met opgaaf van het nummer waaronder en het kantoor,
alwaar het spaarbankboekje is uitgegeven. In de verklaring
worden dit nummer en dit kantoor vermeld.
19.  In het geval, voorzien bij art. 1 b, 4°., moet worden
overgelegd eene opgaaf van het door den belanghebbende met
goed gevolg afgelegde examen en van het jaar en de plaats
der aflegging.
20.   Hij, die krachtens het bepaalde bij art. 1 b. I0., 2°.
tweede lid. 3° of 4°., op de kiezerslijst voorkomt, wordt, ten-
zij hij eene der voor de kiesbevoegdheid gestelde vereischten
heeft verloren of opgehouden heeft inwoner der gemeente, op
welker kiezerslijst hij geplaatst is, te zijn, op de kiezerslijsten
voor volgende jaren geplaatst, zonder nadere aangifte, in het
geval, voorzien bij art. 16, 1°., zoolang hij alsnog hetzelfde
huis of een gedeelte van hetzelfde huis of hetzelfde vaartuig
bewoont.
-ocr page 360-
353
KIESWET.
Aan hein, die krachtens het bepaalde bij art. 1 h, 2°., eerste
of derde lid, op de kiezerslijst voorkomt wordt, zoo hij nog
in de gemeente woont, door den burgemeester vóór den 8sten
Februari een aangiftebiljet ter invulling toegezonden.
21.  De burgemeester zendt jaarlijks vóór den lsten Februari
eene lijst van hen, die krachtens het bezit van ƒ 100 (nominaal),
ingeschreven in de (irootboeken der Nationale Schuld over-
eenkomstig het bepaalde bij art. 1 b, 3°., op de kiezerslijst
voorkomen, aan de directie dier Grootboeken. Deze doet vóór
den 15den Februari aan den burgemeester opgaaf van hen,
die op den lsten Februari niet meer aan de bij gemeld arti-
kel gestelde voorwaarden voldeden.
De burgemeester zendt jaarlijks vóór den loden Januari aan
den directeur der Rijkspostspaarbank eene lijst van hen, die
krachtens het bezit van ƒ50, ingelegd in de Rijkspostspnar-
bank, overeenkomstig het bepaalde bij art. 1 b, 3"., op de
kiezerslijst voorkomen, met vermelding der nummers waar-
onder, en der kantoren, alwaar de spaarbankboekjes zijn
uitgegeven. Deze doet vóór den 15den Februari aan den l>ui>
gemeester opgaaf van hen, die op den lsten Februari niet
meer aan de bij gemeld artikel gestelde voorwaarden voldeden.
22.  De Minister van Justitie doet jaarlijks vóór den 15den
Februari aan de burgemeesters toekomen eene gewaarmerkte
opgaaf van de namen in alphabetische volgorde gesteld, en
van de voornamen, met vermelding van plaats en dagteeke-
ning van geboorte, van de mannelijke personen, die vóór of
op den 15den Mei den leeftijd van vijf en twintig jaren zullen
hebben bereikt en bij onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen
hebben verloren, of aan wie bij onherroepelijk geworden
rechterlijke uitspraak het kiesrecht is ontzegd, en voor wie
dat verlies of die ontzegging op den lsten Februari van het-
zelfde jaar voortduurde.
23.  De burgemeester zendt jaarlijks na het van kracht
worden der kiezerslijst aan het bestuur^van elke der in de
gemeente \' gevestigde instellingen van weldadigheid, voorko-
ïnende op de lijst, bedoeld in art. 8 der wet van 28 Juni
1854 (Stbl. no. 100) e\'en afschrift of afdruk daarvan, benevens
eene afzonderlijke lijst, gemerkt A, van de namen der personen,
die voor plaatsing op de kiezerslijst in aanmerking kwamen,
doch wegens het genieten van onderstand van eene instelling
van weldadigheid of van een gemeentebestuur niet op die lijst
voorkomen. De gemelde besturen zijn verplicht jaarlijks vóór
den 15den Februari aan den burgemeester eene gewaarmerkte
opgave te doen toekomen van de namen van alle op deze
toegezonden lijsten voorkomende personen, welke in het laatst-
23
-ocr page 361-
354                                                 KIKSWET.
verloopen burgerlijk jaar van hunnentwege onderstand, recht-
streeks of middellijk, hebben genoten.
Voorts zendt de burgemeester jaarlijks vóór den 22sten
Februari aan de gemelde besturen oene lijst, gemerkt B, van
de personen, dio voor plaatsing op de kiezerslijst in aanmer-
king kunnen komen en niet voorkomen op de van kracht
zijnde kiezerslijst of op voormelde lijst A. Die besturen zijn
verplicht jaarlijks vóór den 8sten Maart omtrent die personen
gelijk*; opgave te doen, als in het vorig lid voorgeschreven,
24.    De bevelhebbers der in eene gemeente aanwezige zee-
of landmacht doen, ieder voor zooveel hem aangaat, jaarlijks
vóór den 15den Februari, aan den burgemeester toekomen
door hen gewaarmerkte opgaven van de namen, in alpha-
betische volgorde gesteld, en van de voornamen, met vermei-
ding van plaats en dagteekening van geboorte en van de
woonplaats, der manschappen beneden den in art. 5 bedoelden
graad, die voor of op den 15den Mei den leeftijd van vijf en
twintig jaren zullen hebben bereikt en op wie op den lsten
Februari van hetzelfde jaar art. 5, a, b, c of d, toepasselijk
is. Zij verstrekken telkenmale gelijke opg.iven omtrent de
personen, op wie art. 5, a, b, c of il, toepasselijk wordt, of
ophoudt toepasselijk te zijn.
Van deze opgaven wordt door de burgemeesters, die ze
ontvangen, ten aanzien van elk der daarin genoemde personen
zoo spoedig mogelijk mededeeling gedaan aan het bestuur der
gemeente zijner inwoning.
25.   De burgemeester stelt een voorloopig onderzoek in :
1°. of de opgaven der ontvangers personen vermelden, wier
aanslag in de vermogens- of in de bedrijfsbelasting grond
oplevert tot het vermoeden, dat hij het gevolg is van eene
met de waarheid strijdige aangifte ;
2°. of de feiten, vermeld in de bij de artt. 15, 16, 17 en 19
bedoelde aangiften juist zijn ;
3°. of zij, die krachtens art. 1 b, 1°., op de kiezerslijst voor-
komen op den lsten Februari alsnog aan de daarbij gestelde
voorwaarden voldoen ;
4°. of er onder hen, die voor plaatsing op de kiezerslijst in
aanmerking kunnen komen, zich personen bevinden, die krach-
tens het bepaalde bij art. 3, laatste lid, van plaatsing op de
kiezerslijst zijn uitgesloten.
Vóór den 8sten Maart brengt de burgemeester omtrent de
uitkomsten van dit onderzoek een schriftelijk verslag uit aan
het gemeentebestuur.
26.  Op verzoek van den burgemeester zijn verhuurders van
woningen, als bedoeld in art. 15, van vaartuigen, als bedoeld
in art. 16, en de personen en de bestuurders van ondernemin-
-ocr page 362-
KIESWET.                                                  355
gen of instellingen, als bedoeld in art. 17, verplicht binnen
14 dagen inlichtingen te verschaffen ten behoeve van het in
art. 25, 2°. en 3°., bedoelde onderzoek.
27.  Indien ten gevolge van het onderzoek, bij art. 25 be-
doeld, het gemeentebestuur besluit een persoon voorloopig niet
op de kiezerslijst te plaatsen, geeft de burgemeester dezen
daarvan vóór den 23sten Maart schriftelijk kennis.
28.  Het gemeentebestuur stelt de kiezerslijst telken jare
opnieuw vast op den 22sten Maart.
Het stelt tegelijkertijd alphabetische lijsten vast der namen
en voornamen van hen, die van de kiezerslijst zijn afgevoerd
en van hen, die daarop zijn gebracht, met vermelding van de
verder omtrent hen in de kiezerslijst voorkomende opgaven.
De kiezerslijst wordt, met de in het voorgaande lid bedoelde
lijsten, van den 23sten Maart tot en met den 21sten April op
de secretarie der gemeente voor een ieder ter inzage neder-
gelegd en, tegen betaling der kosten, in afschrift of\' afdruk
verkrijgbaar gesteld. Van dit een en ander geschiedt te gelij-
ker tijd openbare kennisgeving.
29.  Tot en met den 15den April is een ieder bevoegd bij
het gemeentebestuur verbetering van de door dat bestuur vast-
gestelde kiezerslijst te vragen, op grond dat hijzelf\' of een
ander, in strijd met de wet, daarop voorkomt, niet voorkomt,
of niet behoorlijk voorkomt.
30.  Indien het verzoek om verbetering van de kiezerslijst
niet den verzoeker betreft, wordt den belanghebbende door
don burgemeester binnen vier en twintig uren schriftelijk hier-
van mededeeling gedaan.
31.  De verzoeken om verbetering van de kiezerslijst worden,
met de bijgevoegde bewijsstukken, dadelijk tot en met den
2l8ten April voor een ieder op de secretarie der gemeente ter
inzage nedergelegd en in afschrift, tegen betaling der kosten,
verkrijgbaar gesteld.
Een ieder is tot tegenspraak van het verzoek bevoegd.
De tegenspraak wordt schriftelijk en uiterlijk den 23sten
April aan het gemeentebestuur ingediend.
32.  De burgemeester doet, ingeval verbetering van de kie-
zerslijst wordt gevraagd, op grond dat de verzoeker of een
ander in strijd met de wet daarop niet of niet behoorlijk voor
komt, binnen 24 uren na het inkomen van het verzoek ann
de besturen van elk der in art. 23 bedoelde instellingen me-
dedeeling van den naam van dengene, wiens plaatsing op de
lijst verlangd wordt
Deze besturen zijn verplicht binnen 7 dagea aan het ge-
meentebestuur kennis te geven van het feit, indien het zich
voordoet dat de persoon in het burgerlijk jaar, aan de vast-
-ocr page 363-
356
KIESWET.
stelling der lijst voorafgaande, van hunnentwege onderstand
heeft genoten.
33.  Na den 23sten April, doch vóór den 15den Mei, beslist
het gemeentebestuur over de verzoeken om verbetering en
worden de daarbij bevolen wijzigingen in de kiezerslijst aan-
gebracht, met waarmerking der wijzigingen door den burge-
meester en den secretaris.
De beslissing van het gemeentebestuur is met redenen om-
kleed en wordt in haar geheel door den burgemeester op de
secretarie der gemeente voor een ieder ter inzage nedergelegd
en in afschrift, tegen betaling der kosten, verkrijgbaar gesteld,
üe burgemeester doet hiervan ten spoedigste, uiterlijk op den
vijfden dag na dien der beslissing, openbare kennisgeving en
deelt te gelijker tijd de beslissing, is daarbij wijziging van de
kiezerslijst bevolen, schriftelijk mede aan hem wien de wijzi-
ging betreft. Gelijke mededeeiing geschiedt, wanneer het ver-
zoek om verbetering geheel of ten deele niet is toegewezen,
aan den verzoeker, zoo de gevraagde verbetering van de kie-
zerslijst hemzelven betrof.
De overgelegde bewijsstukken worden na de beslissing van
het gemeentebestuur aan belanghebbenden teruggegeven.
34.  Van den loden Mei tot den 15den Mei van het volgende
jaar blijft de door het gemeentebestuur vastgestelde lijst, zooals
die door zijne beslissingen al dan niet is gewijzigd, van kracht,
behoudens de wijzigingen daarin ten gevolge van rechterlijke
uitspraken, welke wijziging der lijst bevelen, te i ongen en
de aanteekeningen omtrent schorsing, daarin te maken over-
eenkomstig de bepalingen dezer wet.
De kiezerslijst blijft voor een ieder op de secretarie derge-
meente ter inzage nedergelegd en in afschrift of afdruk, tegen
betaling der kosten verkrijgbaar.
Afschrift of afdruk van de van kracht geworden kiezerslijst
wordt gezonden aan den burgemeester der gemeente, die hoofd-
plaats is van het kiesdistrict of waarin het geheele kiesdistrict
gelegen is. Aan hem geschiedt ook mededeeiing van de wijzi-
gingen, welke de lijst ten gevolge van rechterlijke uitspraken
ondergaat en van de krachtens art. 35 daarop gehoudene aan-
teekeningen.
35.  Het gemeentebestuur vermeldt bij eene door den bur-
gemeester en den secretaris gewaarmerkte aanteekening op de
kiezerslijst achter de namen der kiezers, omtrent wie opgaven
inkomen, als bedoeld in art. 24 dezer wet en die niet vallen
in de termen van het laatste lid van art. 5, de schorsing van
het kiesrecht en de opheffing der schorsing.
Van deze aanteekening wordt telkenmale onmiddellijk me-
dedeeling gedaan aan den kiezer, wJen zij aangaat. Hij kan,
-ocr page 364-
KIESWET.                                                  357
acht hij zich door do schorsing bezwaard, tegen deze aantee-
kening, binnen acht dagen na ontvangst der mededeeling,
herstel verzoeken bij het gemeentebestuur, dat daaromtrent
zoo spoedig mogelijk beslist. De bepalingen van art. 33 zijn
hierbij van toepassing.
36.  Gedurende vijf dagen, te rekenen van den dag der in
artt. 33 en 35 bedoelde kennisgeving, kan door een ieder, die
niet in de door het gemeentebestuur genomene beslissing be-
rust, de zaak bij een niet redenen omkleed verzoek, vergezeld
van de bewijsstukken en van een afschrift der beslissing van
het gemeentebestuur, worden onderworpen aan de uitspraak
van den kantonrechter, binnen wiens ressort de lijst is opge-
maakt.
Is eene gemeente in kiesdistricten verdeeld, en tevens in
die gemeente meer dan een kantongerecht gevestigd, dan is
de kantonrechter bevoegd, binnen wiens ressort hij, over wiens
kiesbevoegdheid verschil is, zijne woning heeft, of, indien hij
wel inwoner der gemeente is, maar niet binnen een bepaald
kiesdistrict zijne woning heeft, alsdan de kantonrechter of de
kantonrechters, binnen wiens of wier ressort het eerste kies-
district der gemeente gelegen is.
Met inachtneming der navolgende bepalingen wordt dit ver-
zoek als eene burgerlijke zaak berecht.
37.  De verzoeker laat zijn verzoekschrift met afschrift der
bewijsstukken en der beslissing van het gemeentebestuur, bin-
nen twee dagen na de indiening beteekenen aan hen, die bij
het verzoek aan het gemeentebestuur partijen zijn geweest.
Hij doet het exploit van beteekening ter griffie van het kan-
tongerecht nederleggen.
38.   De wederpartij kan binnen vijf dagen na deze beteeke-
ning eene memorie van antwoord aan den kantonrechter in-
dienen, met overlegging van bewijsstukken.
39.  De kantonrechter is bevoegd partijen te hooren en aan
elke van haar bewijsvoering door getuigen of een eed op te
leggen.
Binnen zes dagen doet hij zijne einduitspraak of geeft hij
eene beschikking als bedoeld bij het eerste lid van dit artikel.
In het laatste geval kan hij bij zijne beschikking tevens bij
provisie wijziging der kiezerslijst bevelen.
40.  De vernietiging van de ten gevolge van de artt. 36 tot
39 gedane uitspraak van den kantonrechter kan, doch alleen
wegens schending of verkeerde toepassing der wet gevraagd
worden aan den Hoogen Raad, door ieder, die bij die uitspraak
partij is geweest.
41.  Hij legt daartoe, binnen veertien dagen na den dag,
waarop het vonnis van den kantonrechter is uitgesproken, ter
-ocr page 365-
358                                                  KIESWET.
griffie van den Hoogen Raad een verzoekschrift neder, waarin
zijne gronden en eiscb tot cassatie worden ontvouwd, met
aanwijzing der wetsbepalingen, welke hij beweert te zijn ge-
schonden of verkeerdelijk toegepast.
Hij legt daarbij over een afschrift van het vonnis, waarvan
hij de vernietiging verlangt, en alleen die bewijsstukken, welke
hij voor den kantonrechter heeft gebruikt.
Partijen zijn niet gehouden zich van de tusschenkomst van
advocaten te bedienen.
42.  De verzoeker laat binnen acht dagen na het nederleggen
van het voormelde verzoekschrift ter griffie van den Hoogen
Raad aan de wederpartij beteekenen:
1°. een afschrift van dat verzoekschrift;
2». een afschrift van het bewijs, door den griffier van den
Hoogen Raad afgegeven, van het nederleggen van dit verzoek-
schrift ter griffie van dien Raad ;
en doet het exploit van beteekening ter zelfde griffie ne-
derleggen.
43.  De wederpartij kan, binnen veertien dagen na het ont-
vangen der beteekening, in het voorgaande artikel vermeld,
ter griffie van den Hoogen Raad een verzoekschrift doen ne-
derleggen, waarin hare beantwoording van den ingestelden
eisch van cassatie en hare conclusie worden ontvouwd.
Zij mag daarbij geen andere bewijsstukken overleggen, dan
die zij voor den kantonrechter heeft gebruikt.
44.  Binnen vier en twintig uren na afloop van den in art.
43 bedoelden termijn, stelt de griffier van den Hoogen Raad al
de te dier zake ontvangen en te zijner griffie nedergelegde stuk-
ken in handen van den procureur-generaal bij den Hoogen Raad.
45.  Deze brengt, binnen veertien dagen daarna, zijne con-
clusié\'n ter terechtzitting van den Hoogen Raad uit.
De Hooge Raad doet binnen veertien dagen daarna zijne
uitspraak.
46.  Wanneer de Hooge Raad grond vindt tot vernietiging
van het vonnis van den kantonrechter, beslist hij in hetzelfde
arrest de hoofdzaak, zooals de kantonrechter, die het vernietigde
vonnis heeft gewezen, had behooren te doen. Indien de beslis-
sing der hoofdzaak afhangt van daadzaken of rechtspunten,
welke bij de vroegere behandeling zijn onopgelost gelaten,
verwijst de Hooge Raad het geding naar den kantonrechter,
ton einde met inachtneming van de uitspraak van den Hoogen
Raad, de hoofdzaak verder te behandelen en te beslissen.
47.  De procureur-generaal bij den Hoogen Raad is, wanneer
geene der partijen zich tegen het vonnis van den kantonrech-
ter, in hare zaak gewezen, in cassatie heeft voorzien, bevoegd
die cassatie, in het belang der wet, te vragen.
-ocr page 366-
359
KIESWET.
Het te wijzen arrest kan de rechten, door de partijen ver-
kregen, niet benadeelen.
48.  Indien er geene wederpartij is, of\' deze niet heeft ge-
antwoord, komen de in art. 50 niet bedoelde kosten, zoo het
verzoek wordt toegestaan, ten laste van den Staat.
49.  Van de rechterlijke beslissing, welke wijziging van de
kiezerslijst beveelt, wordt uiterlijk den volgenden dag door
den griffier aan het bestuur der gemeente, welker kiezerslijst
daardoor wijziging behoeft, kennis gegeven.
Overeenkomstig deze rechterlijke beslissing wordt onverwijld
de kiezerslijst gewijzigd, inet aanteekening van de rechterlijke
beslissing, waarvan de wijziging een gevolg is en met waar-
merking door den burgemeester en den secretaris.
50.   De in de vorige artikelen bedoelde verzoekschriften,
stukken, voor de rechtsvordering benoodigd, beslissingen, uit-
spraken en kennisgevingen zijn vrij van zegel-, griffie- en
registrati ekosten.
De mededeelingen en kennisgevingen in de artt. 27, 30. 33
en 35 bedoeld, geschieden bij aangeteekenden brief.
Aangiften en stukken, waarvan de overlegging wordt gevor-
derd, bedoeld in artt 10—19, kunnen door belanghebbenden,
met inachtneming der door Ons te stellen voorschriften, kos-
teloos per post aan den burgemeester worden toegezonden. \')
§ 3. Van het kiezen.
51.  Op den dag der verkiezing kunnen bij den burgemeester
der gemeente, die hoofdplaats is van het kiesdistrict, of waarin
het geheele kiesdistrict gelegen is, van des voormiddags negen
uur tot des namiddags vier uur opgaven van candidaten wor-
den ingeleverd.
Deze opgaven moeten inhouden den naam, de voorletters
en de woonplaats van den candidaat en onderteekend zijn
door ten minste veertig kiezers, bevoegd tot deelneming aan
de verkiezing, waarvoor de inlevering geschiedt.
De vorm en de inrichting der opgaven worden vastgesteld
bij algemeenen maatregel van bestuur. Deze wijst tevens aan
den tijd en de plaats, waarop formulieren kosteloos voor de
kiezers verkrijgbaar moeten zijn.
52.    De inlevering der opgaven geschiedt persoonlijk door
1) K. B. 4 Jan. 1807, S. 44, bepjalt, dat de omslagen met bedoelde aangiften
en stukken, welke kosteloos per post door de belanghebbenden aan den bur-
gemeester kunnen worden toegezonden, moeten draden boven aan de voorzijde
bet opschrift: „Vry van briefport ingevolge art. 00 der kieswet" en in den
linker benedenhoek de vermelding van den naam en de woonplaats van den
afzender, gewaarmerkt door zijne handteekening. -
-ocr page 367-
360
KIESWET.
een of meer der personen, die haar hebben onderteekend. De
eandidaat kan daarbij tegenwoordig zijn.
De burgemeester stelt een bewijs van ontvangst ter hand
aan dengene, die de opgave inlevert.
53.   Voldoet de opgave niet aan de door of krachtens deze
wet gegeven voorschriften, dan wordt daarvan, met mededee-
ling van de redenen in het bewijs van ontvangst melding
gemaakt. De burgemeester is niet bevoegd eene opgave te
weigeren, dan wegens het gemis van het vereischte aantal
onderteekeningen.
De burgemeester doet de bij hem ingeleverde opgaven op
de secretarie der gemeente voor een ieder ter inzage neder-
leggen. Hij doet haar zoo sjioedig mogelijk in afschrift aan-
plakken en, tegen betaling der kosten, daarvan afschriften
verkrijgbaar stellen.
54.   De ingeleverde opgaven van candidaten worden, naar
de volgorde, waarin zij bij den burgemeester zijn ingeleverd,
door hem genummerd. Meerdere opgaven van denzelfden can-
didaat verkrijgen hetzelfde nummer als de eerst ingediende
dezer opgaven.
De namen, de voorletters en woonplaatsen der candidaten
worden door den burgemeester in alphabetische volgorde der
namen op eene lijst gebracht. Op deze lijst wordt aanteekening
gehouden van door den burgemeester, overeenkomstig art. 53
gemaakte opmerkingen.
De vorm en de inrichting dezer lijst worden vastgesteld bij
algeineenen maatregel van bestuur.
55.  De burgemeester van de hoofdplaats van een kiesdistrict,
hetwelk meerdere gemeenten omvat zendt, aan do burgemeesters
der overige gemeenten onverwijld opgave van de namen, voor-
letters en woonplaatsen der candidaten in alphabetische volgorde.
Ten minste drie dagen vóór den tot stemming bepaalden
tijd ontvangt elk kiezer, die bevoegd is aan de stemming deel
te nemen, van den burgemeester der gemeente, op welker
kiezerslijst hij voorkomt, eene kaart, bevattende eene oproeping
voor de stemming. Op deze kaart worden vermeld zijn naam
en voorletters, het nummer, waaronder hij op de kiezerslijst
voorkomt, het lichaam, waarin eene of meer plaatsen moeten
worden vervuld, het aantal te vervullen plaatsen, het stern-
district, waartoe hij behoort, de plaats der stemming in dat
district, de tijd der stemming, de namen en voorletters der
candidaten in alphabetische volgorde en do inhoud van art. 128
van het Wetboek van Strafrecht.
De vorm en de inrichting dezer kaart worden vastgesteld
bij algemeenen maatregel van bestuur.
Aan den tot deelneming aan de stemming bevoegden kiezer,
-ocr page 368-
KIESWET.                                       361
die zijne kaart heeft verloren, of wien geene kaart is toege-
zonden, wordt op zijne aanvraag door of vanwege den burge-
meester eene kaart uitgereikt, mits hij voldoende van zijne
identiteit doe blijken.
Ten minste drie dagen vóór den tot stemming bepaalden
tijd geschiedt tevens openbare kennisgeving van het lichaam,
waarin eene of meer plaatsen moeten worden vervuld, het
aantal te vervullen plaatsen, den tijd der stemming, de namen
en voorletters der candidaten in alphabetische volgorde en
den inhoud van art. 128 van het Wetboek van Strafrecht.
66. De stemming vangt aan des morgens te acht uren en
uuurt tot des namiddags te vijf uren.
57.   Het hoofd of de bestuurder van een bedrijf of eene
onderneming, waarin mannelijke personen, die den leeftijd
van vijf on twintig jaren hebben bereikt, arbeid verrichten in
fabrieken en werkplaatsen, is verplicht te zorgen dat ieder
van die personen, die bevoegd is tot de keuze mede te werken,
gedurende ten minste twee achtereenvolgende uren tusschen
acht uren des voormiddags en vijf uren des namiddags daartoe
gelegenheid vinde.
58.   Het hoofd of de bestuurder in het voorgaande artikel
bedoeld, is verplicht te zorgen dat in zijne fabriek of werk-
plaats, op eene plaats, waar arbeid wordt verricht, gedurende
twee werkdagen vóór, en op den tot stemming bepaalden tijd
op eene zichtbare wijze is opgehangen eene door hem onder-
teekende lijst de uren, in het voorgaand artikel bedoeld,
vermeldende, voor elk afzonderlijk of groepsgewijze of voor
allen gezamenlijk.
Op de woorden „arbeid" en „fabrieken en werkplaatsen"
is § 1 der Arbeidswet toepasselijk.
59.   De stemming geschiedt ten overstaan van het stem-
bureau in het voor iederen kiezer op de kiezerslijst aange-
wezen stemdistrict.
60.  In elk stemdistrict is een stembureau.
Elk stembureau bestaat uit drie leden, waarvan één voor
zitter is. Bovendien worden daarin minstens twee plaatsver-
vangende leden benoemd.
61.   De raad der\' gemeente, waarin het stembureau zitting
houdt, benoemt de leden en de plaatsvervangende leden van
het stembureau uit zijn midden.
De raad evenwel eener gemeente, welke meer dan één
stemdistrict bevat, kan buiten zijn midden inwoners dier
gemeente tevens kiezers in het kiesdistrict, waartoe het
stembureau behoort, telkens voor den tijd van twaalf maanden
tot leden on plaatsvervangende leden der stembureaux van
een kiesdistrict benoemen.
-ocr page 369-
862                                                  KIESWET.
62.  De burgemeester is voorzitter van het hoofdstembureau
der gemeente, waarin het gevestigd is. Is in eene gemeente
meer dan één hoofdstembureau gevestigd, dan is de burge-
meester der gemeente voorzitter van het hoofdstembureau van
het kiesdistrict, waarbinnen het gemeentehuis is gelegen. In
dit geval worden de voorzitters der andere hoofdstembureaux
door den gemeenteraad uit zijn midden benoemd en wordt
voor de stembureaux een der leden daarvan bij de benoeming
als voorzitter aangewezen.
In gemeenten waarin geen hoofdstembureau is gevestigd,
is de burgemeester voorzitter van het stembureau in het eerste
stemdistrict.
In de gevallen bij de twee voorafgaande leden bedoeld kan
de burgemeester zich laten vervangen door een lid van den .
gemeenteraad, daartoe door den raad aan te wijzen.
De voorzitters van alle andere stembureaux worden door
den gemeenteraad zooveel mogelijk uit zijn midden benoemd.
Is het getal der beschikbare gemeenteraadsleden niet toerei-
kend om daaruit voorzitters voor alle stembureaux in de
gemeente aan te wijzen, dan kan de raad daartoe inwoners
van de gemeente, tevens kiezers in het kiesdistrict, waartoe
het stembureau behoort, benoemen.
63.    De bij de opening der zitting van het stembureau
fungeerende voorzitter, leden of plaatsvervangende leden, die
kiezei\'s zijn in het district waarbinnen het stembureau zitting
houdt, kunnen slechts aan dat stembureau aan de stemming
deelnemen.
64.   Gedurende de stemming zijn steeds de voorzitter en
twee leden in het stembureau aanwezig.
Bij ziekte of\' noodzakelijke verhindering van den voorzitter
treden die leden, naar volgorde van benoeming, als zooda-
nig op.
De tijdelijke vervanging der leden wordt, zoo daaraan
behoefte bestaat, door den voorzitter van het stembureau
geregeld.
Zijn geene plaatsvervangende leden beschikbaar, dan worden
door den voorzitter uit de in het lokaal aanwezige kiezers,
een of meerdere leden benoemd, voor den tijd der ontsten-
tenis van de plaatsvervangende leden.
Van alle verwisselingen in de samenstelling van het stern-
bureau wordt op het proces-verbaal aanteekening gehouden
met opgave van de reden daarvoor en van den tijd der
vervanging.
66. Dij plaatselijke verordening, waarvan afkondiging ge-
schiedt, wordt voor elk stemdistrict een geschikt stemlokaal
•aangewezen.
-ocr page 370-
KIESWET.                                                  363\'
De burgemeester zorgt voor de inrichting van het lokaal.
66.   Op de tafel, voor het stembureau staande, ligt een
exemplaar dezer wet en der algemeene maatregelen van bestuur,
die op de verkiezing betrekking hebhen, en een afschrift of
afdruk van de kiezerslijst.
67.   De tafel is zoodanig geplaatst, dat de kiezers de ver-
richtingen van het bureau kunnen gadeslaan.
68.   Nevens of op die tafel staat de stembus, vervaardigd
naar het bij algemeenen maatregel van bestuur daarvoor vast
te stellen model en gesloten met twee verschillende sleutels,
waarvan de eene onder den voorzitter, de andere onder het
oudste lid berust.
69.  Buiten de ruimte voor het publiek bestemd, zijn in het
stemlokaal een of meer geheel van elkander afgescheidene
lessenaars geplaatst, waarvan de toegang zichtbaar is voor
het stembureau en voor het publiek, en waaraan de invulling
van het stembiljet in het geheim geschiedt.
De verdere inrichting van het stemlokaal, het aantal, de
plaatsing en de inrichting der lessenaars, worden bij algemeenen
maatregel van bestuur geregeld.
70.   üe burgemeester der gemeente, die hoofdplaats is van
het kiesdistrict of waarin het geheele kiesdistrict is gelegen,
draagt zorg, dat stembiljetten tot een met twintig ten honderd
van het getal der kiesbevoegden in het district vermeerderd
aantal, tijdig worden in gereedheid gebracht en in eene, aan
het aantal der kiezers in elke gemeente evenredige, hoeveel\'
heid aan de burgemeesters der gemeenten van het kiesdistrict,
zoo dit meerdere gemeenten omvat, worden toegezonden in
een verzegeld pak, waarop het aantal der zich daarin bevin-
dende biljetten is vermeld. Geen andere stembiljetten mogen
bij de stemming worden gebruikt.
71.    De burgemeester draagt zorg, dat vóór den aanvang
der stemming bij elk stembureau in zijne gemeente aanwezig
zijn stembiljetten tot een met twintig ten honderd van het
getal der kiesbevoegden in het stemdistrict vermeerderd aan-
tal. Deze biljetten worden aan het bureau toegezonden in een
verzegeld pak, waarop het aantal der zich daarin bevindende
biljetten is vermeld:
72.  Op het stembiljet zijn aan de eene zijde in alphabetische
volgorde de namen gedrukt der candidaten, waarover de
stemming geschiedl; aan de keerzijde is de handteekening
van den burgemeester der hoofdplaats van het kiesdistrict ge-
gestempeld.
De verdere inrichting van het stembiljet wordt geregeld bij
algemeenen maatregel van bestuur.
73.   Vóór den aanvang der stemming, alvorens iemand tot
-ocr page 371-
364
KIESWET.
deelneming daaraan wordt toegelaten, opent het stembureau
het pak met stembiljetten, telt de biljetten en sluit de bus,
na zich te hebben overtuigd dat zij volkomen ledig is.
74.   Tot de stemming wordt niemand toegelaten dan die
volgens de kiezerslijst bevoegd is tot de keuze mede te wer-
ken en in het bezit is van de bij art. 55 vermelde kaart.
75.   De kiezer overhandigt aan het stembureau de kaart,
vermeld in art. 55.
76.   De kiezer ontvangt daarop uit handen van den voor
zitter het stembiljet.
De biljetten mogen niet vroeger en alleen op deze wijze
aan de kiezers worden verstrekt.
De beide leden van het stembureau houden aanteekening
van het getal der verstrekte biljetten.
77.  De kiezer begeeft zich na ontvangst van het stembiljet
onverwijld naar eenen niet in gebruik genomen lessenaar en
stemt aldaar door met potlood zwart te maken een wit stipje
geplaatst in een stemvak voor den naam van den candidaat
.zijner keuze.
De voorzitter van het stembureau, na zich, zonder het stem-
biljet in handen te nemen, overtuigd te hebben dat het aan
de buitenzijde den voorgeschreven stempel draagt, doet den
kiezer het biljet in de stembus steken.
78.   Een der leden van het stembureau houdt, door het
stellen zijner paraphe naast den naam van den kiezer op een
afschrift of afdruk van de kiezerslijst, aanteekening, dat de
kiezer aan de stemming heeft deelgenomen.
79.   Een kiezer kan, wanneer hij zich bij de invulling van
zijn biljet vergist, eenmaal een nieuw stembiljet aanvragen,
mits het eerst overhandigde door hem wordt teruggegeven.
80.   Wanneer blijkt dat een kiezer lichamelijk hulpbehoe-
vend is, kan de voorzitter van het stembureau toestaan, dat
hij zich doe bijstaan.
81.   De kiezer, die na waarschuwing de bij deze wet of de
bij den tot uitvoering daarvan genomen algemeenen maatregel
van bestuur, gegeven voorschriften omtrent de stemming niet
opvolgt, wordt niet tot de stembus toegelaten, en is verplicht
het stembiljet, zoo hem dit reeds overhandigd is, terug te
geven.
De kiezer, die tot de stembus toegelaten, weigert het stern-
biljet in de bus te steken, is eveneens verplicht dit terug te
jeven.
De teruggegeven stembiljetten worden door het stembureau
onmiddellijk onbruikbaar gemaakt, op de wijze bij algemeenen
maatregel van bestuur te bepalen.
82.   Gedurende den tjjd, dat het stembureau zitting houdt,
-ocr page 372-
3G5
KIESWET.
zijn de kiezers bevoegd in het stemlokaal te vertoeven, voor
zoover de orde daardoor niet wor.lt verstoord en de voortgang-
der stemming niet wordt belemmerd.
De kiezers, die geen krijgslieden zijn, verschijnen daar onge-
wapend.
De in het stemlokaal aanwezige kiezers kunnen, zoo de
stemming niet overeenkomstig de wet geschiedt, bezwaren in-
brengen. Hiervan wordt door het stembureau in het proces-
verbaal der stemming melding gemaakt.
83.   De voorzitter van het stembureau is belast met de
handhaving der orde in het stemlokaal.
Niet dan op zijne vordering en alleen tot bedwang van
wanorde, mag eenige gewapende macht in het stemlokaal of
zijne toegangen worden geplaatst. De burgerlijke en militaire
autoriteiten zijn gehouden aan eene daartoe door den voor-
zitter van het stembureau gedane vordering te voldoen.
84.  Bevindt het stembureau, dat wanorde in het stemlokaal
of zijne toegangen den behoorlijken voortgang der stemming
onmogelijk maakt, dan wordt dit door den voorzitter verklaard.
De stemming wordt daarop aanstonds geschorst en tot den
volgenden dag des voormiddags te acht uren verdaagd.
De stembus wordt onmiddellijk, in tegenwoordigheid der in
het stemlokaal aanwezige kiezers, gesloten en verzegeld.
Het proces-verbaal der gehoudene zitting wordt daarna op-
gemaakt en evenals de sleutels, de niet gebruikte en de terug-
gegeven stembiljetten, elke soort afzonderlijk, de ingeleverde
kaarten en de kiezerslijst bedoeld in art. 78, in een verzegeld
papier gesloten. Van alle deze verrichtingen wordt door het
stembureau in het proces-verbaal melding gemaakt.
85.   Onmiddellijk na onderteekening van het aan het slot
van het vorige artikel bedoelde proces-verbaal, wordt dit met
de stembus en de verzegelde pakken, door den voorzitter van
het stembureau, zoo hij de burgemeester is, in bewaring ge-
nomen en anders aan den burgemeester ter bewaring overge-
bracht. Deze levert alles op den dag, waarop de stemming
wordt hervat, vóór den aanvang der stemming, opnieuw aan
het stembureau in.
De hervatte stemming duurt tot des namiddags vijf uren.
86.  Zoodra de in art. 56 of 85 voor de stemming bepaalde
tijd verstreken is, wordt dit door den voorzitter van het stern-
bureau aangekondigd en worden alleen de op het oogenblik
dezer aankondiging in het stemlokaal aanwezige kiezers nog
tot de stemming toegelaten.
Nadat de stemming is afgeloopen wordt het aantal kiezers
dat blijkens het aantal ingeleverde kaarten aan de verkiezing
heeft deelgenomen, en het aantal der niet gebruikte en der
-ocr page 373-
366                                                  KIESWET.
teruggegeven stembiljetten opgemaakt en aan de aanwezige
kiezers bekend gemaakt. Daarop wordt de kiezerslijst door het
stembureau, met opgave van het aantal der daarop gestelde
paraphen gewaarmerkt en worden, zoowel deze lijst, als de
niet gebruikte en de teruggegeven stembiljetten, elke soort
afzonderlijk, en de ingeleverde kaarten, in een verzegeld papier
gesloten.
87.  Onmiddellijk na de in art 86 voorgeschreven bekend-
making en verzegeling wordt de stembus geopend.
De stembiljetten worden dooreen gemengd, geteld en verge-
leken met bet getal kiezers, die aan de stemming hebbon deel-
genomen.
88.  De voorzitter opent de stembiljetten. Hij deelt, na ope-
ning van elk biljet, den naam mede van den candidaat of de
candidaten op wie eene stem is uitgebracht.
De oudste der leden van het stembureau ziet het stembiljet
na. De beide leden van het bureau houden aanteekening van
elke uitgebrachte stem.
89 Van onwaarde zijn andere stembiljetten dan die, welke
volgens deze wet en de tot hare uitvoering gegeven voorschrif-
ten mogen worden gebruikt.
Van onwaarde zijn voorts de stembiljetten:
waarop geen der candidaten is gekozen;
waarop de namen van andere personen dan de candidaten
of waarop andere bijvoegingen geplaatst zijn;
waarop meer candidaten zijn gekozen dan plaatsen te ver
vullen zijn;
waarop de aanwijzing van eenen candidaat is geschied op
eene andere wijze, dan is voorgeschreven bij art. 77;
en de stembiljetten, die eene aanduiding van den kiezer be-
vatten;
of die niet voorzien zijn van den voorgeschreven stempel.
Het stembureau beslist over de waarde van het stembiljet,
terstond nadat het biljet is geopend.
De voorzitter maakt de redenen van twijfel en de beslissing
onmiddellijk bekend. Van een en ander geschiedt aanteekening
in het proces-verbaal der stemming.
90.  Terstond nadat alle stembiljetten zijn geopend en de
daarop uitgebrachte stemmen opgenomen, maakt de voorzitter
van het stembureau het getal der geldig uitgebrachte stemmen
bekend, dat in het geheel en dat op elk der candidaten is
uitgebracht.
91.   Daarop worden de geopende, zoowel de geldige als de
van onwaarde verklaarde stembiljetten, elke soort afzonderlijk
in een verzegeld papier gesloten.
De verzegeling in de artt. 84, 86 en in dit artikel voorge-
-ocr page 374-
KIESWET.                                                  367
schreven, wordt geregeld bij algemeenen maatregel van bestuur.
Door de in het lokaal aanwezige kiezers kunnen bezwaren
worden ingebracht.
Vervolgens wordt aanstonds proces-verbaal opgemaakt van
de gehouden stemming. Hierin worden ook de ingebrachte be-
zwaren vermeld.
92.  Het proces-verbaal der stemming wordt door alle leden
van het stembureau geteekend. Het wordt met de verzegelde
pakken, in de artt. 86 en 91 bedoeld, door het jongste lid van
het stembureau, zoo dit niet is het hoofdstembureau van het
kiesdistrict, onverwijld naar den voorzitter van het hoofdstem-
bureau overgebracht.
93.  Het hoofdstembureau houdt den volgenden dag des voor-
middags te 9 uren in zijn stemlokaal eene zitting tot het
vaststellen van den uitslag der verkiezing.
Is te voorzien, dat de processen-verbaal alsdan nog niet alle
naar den zetel van het hoofdstembureau kunnen zijn overge-
bracht, dan wordt do zitting door den Commissaris der Ko-
ningin bij een met redenen omkleed besluit uiterlijk tot den
tweeden op den dag der stemming volgenden dag op door
hem te bepalen uur verdaagd.
De artt. 82 en 83 zijn op deze zitting toepasselijk.
De bij den voorzitter van het hoofdstembureau ingeleverde
processen-verbaal blijven bij hem in bewaring tot dat de uitslag
der verkiezing is vastgesteld.
94.  De voorzitter van het hoofdstembureau maakt in de bij
art. 93 voorgeschreven zitting het getal bekend der bjj elk
stembureau in het geheel en op eiken candidaat uitgebrachte
geldige stemmen, van onwaarde verklaarde stembiljetten en
vervolgens den dienovereenkomstig vastgestelden uitslag der
verkiezing.
Door de in het lokaal aanwezige kiezers kunnen bezwaren
worden ingebracht.
Zij worden in het proces-verbaal der zitting opgenomen.
95.  Het hoofdstembureau kan, hetzij ambtshalve, hetzij naar
aanleiding van een met opgave van redenen gedaan verzoek
van een of meer kiezers eene nieuwe opneming der stembil-
jetten, zoowel uit \'alle, als uit een of meer stemdistricten,
bevelen.
Het neemt daartoe een met redenen omkleed besluit. Het
gaat alsdan onmiddellijk tot deze opneming over. Het is be-
voegd daartoe de verzegelde pakken te openen en den inhoud
te vergelijken met de processen-verbaal der stembureaux.
Bij deze opneming worden de voorschriften gevolgd der artt.
86—92, eerste zinsnede.
96.  De vorm en de inrichting der in de artt. 84, 91 en 94
-ocr page 375-
368
KIESWET.
bedoelde processen-verbaal worden vastgesteld bij algemeenen
maatregel van bestuur.
97.  Terstond nadat de uitslag der verkiezing is vastgesteld
wordt het daarvan opgemaakte proces-verbaal, met de proces-
sen-verbaal der stembureaux en de overeenkomstig de artt. 86
en 91 verzegelde pakken, ingezonden aan het bestuur der ge-
meente, die hoofdplaats is van het kiesdistrict of waarin het
geheele kiesdistrict is gelegen.
98.  Het gemeentebestuur bewaart het proces-verbaal en
doet afschrift daarvan terstond aanplakken en ter secretarie
voor een ieder ter inzage nederleggen. Het bewaart de pro-
cessen-verbaal der stembureaux en de verzegelde pakken tot
dat over de toelating van den gekozene is beslist en vernie-
tigt ze vervolgens.
Van deze vernietiging wordt proces-verbaal opgemaakt.
TWEEDE AFDEELING.
Van de benoeming Tan afgevaardigden ter Eerste en Tweede
Kamer der Staten-Generaal en van hnnne aftreding.
§ 1. Van de afgevaardigden ter Eerste Kamer.
Art. 99. Leden der Eerste Kamer kunnen alleen zijn man-
nelijke Nederlanders, die niet bij rechterlijke uitspraak de
beschikking of\' het beheer over hunne goederen hebben ver-
loren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zijn, den ouderdom
van 30 jaren vervuld hebben en of behooren tot do hoogst-
aangeslagenen in de Rijks directe belastingen of één of meer
hooge en gewichtige openbare betrekkingen, door de wet
aangewezen, bekleeden of bekleed hebben. \')
1) Als hooge en gewichtige openbare bet>rekkingon. bedoeld in art. 90 van
de Grondwet, worden by de wet van 12 Aug. 1890, Stbl. nu. 14S, aangewezen :
Voorzitter en lid van eene der Kamers der Staten-Generaal;
Vice-President en lid van den Kaad van State ;
Staatsraad in buitengewonen dienst ;
President ea lid van de Algemeene Rekenkamer:
Directeur van het Kabinet des Konings;
Hoofd van een Departement van algemeen bestuur;
Buitengewoon gezant en gevolmachtigd Minister;
Minister-resident;
Consul-Generaal in Nederlandschen dienst;
President, Vice-President en lid van den Hoogen Raad;
Procureur-Generaal en Advocaat-Generaal by den Hoogen Raad j
President, Vice-President en lid van een gerechtshof;
Procureur-Generaal en Advocaat-Generaal bij een gerechtshof ;
President on lid van het Hoog Militair gerechtshof;
-ocr page 376-
369
KIESWET.
100.  In elke provincie wordt door Gedeputeerde Staten eene
lijst opgemaakt, hen aanwijzende, die in de op het oogenblik
van het vaststellen der lijst tot den loopenden dienst behoo-
rende kohieren, in de Rijks directe belastingen, zoo in opcenten
als in hoofdsom, het hoogst zijn aangeslagen.
101.    De aanslag der vrouw in de Rijks directe belastingen
wordt beschouwd als staande ten name van haren man, die,
van minderjarige kinderen als staande ten name van hunnen
vader, voor zooveel betreft de goederen, waarvan hij het
vruchtgenot heeft.
102.  Het opmaken der lijst geschiedt jaarlijks, naar aanlei-
ding der jaarlijks vóór 15 Maart aan Gedeputeerde Staten,
door de ontvangers der Rijks directe belastingen en der
successierechten in te zenden, door hen gewaarmerkte opga-
Advocaat-lisüaal voor \'sKonings ïee- en landmacht;
Commissaris des Konings in ecno provincie;
Lid van Gedeputeerde Staten;
Burgemeester van eene gemeente, welke volgens de laatste openbare volks-
telling uit meer dan 20000 zielen bestaat;
Curator van eene ryks-Universiteit ;
Curator van de gemeentelijke Universiteit te Amsterdam ;
Hoogleeraar aan eene ryks-Universiteit en hoogleeraar aan de gemeentelijke
Universiteit te Amsterdam;
Hoogleeraar-directeur en hoogleoraar aan de Polytechnische school ;
Voorzitter en lid van de Koninklijke Academie van Wetenschappen;
Luitenant-Admiraal; Vice-Admiraal; Sehout-by-nacht; Kapitein ter zee;
Generaal der infanterie; Luitenant-Generaal; Generaal-Majoor; Kolonel, bij
het Nederlandsch en Nederlandsch Indisch leger;
Voorzitter van het Muntcollegie;
Hoofdingenieur-adviseur on Hoofdingenieur van scheepsbouw;
Hoofdinspecteur, Inspecteur en Hoofdingenieur van den Rijkswaterstaat ;
Voorzitter van den Raad van toezicht op de spoorwegdiensten;
Voorzitter van het College voor de Zeevisecheryen ;
Voorzitter van de kamer van koophandel en fabrieken in eene gemeente, of
eene vereeniging van gemeenten, welke volgens de laatste openbare volks-
telling uit meer dan 20000 zielen bestaat ;
Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië;
Luitenant-Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië ;
Vice-president en lid van deu Raad van Nederlandsch-Indië ;
President en lid van de Algemcene Rekenkamer in Nederlandsch-Indië ;
Algemeen Secretaris van het gouvernement in Nederlandsch-Indië ;
Hoofd van een departement van algemeen bestuur in Nederlandsch-Initë;
President, Vtce-President\'en lid vau het Hooggerechtshof van Nederlandsch-
Indië ;
Procureur-Generaal bij het Hooggerechtshof van Nederlandsch-Indië :
President, Vice-President en lid van het Hoog Militair gerechtshof van
Nederlandsch-Indië:
Advocaat-fiscaal voor de land- en zeemacht van Nederlandsch-Indië;
Gouverneur van Celebes en onderhoorigheden, van Sumatra\'s Westkust en
van Atjeh en onderhoorigheden ;
Resident van Batavia, Soerabnya, Djokjokarta, Soerakarta en Samarang;
Gouverneur van Suriname;
Gouverneur van Curacao ;
Voorzitter van en Procureur-Generaarby het Hof van Justitie in Suriname
24
-ocr page 377-
370                                                  KIESWET.
ven, waarin alle belastingschuldige mannen en gehuwde
vrouwen op hunne tot den loopenden dienst behoorende
kohieren voorkomende en het bedrag waarvoor zij in elke
belasting afzonderlijk zijn aangeslagen worden aangewezen.
Gedeputeerde Staten noodigen de inwoners der provincie
uit, om, zoo zij in eene andere provincie dan die hunner
woonplaats in de Hijks directe belastingen zijn aangeslagen,
daarvan vóór 15 Maart te doen blijken.
103.  Gedeputeerde Staten brengen op de lijst zoodanig ge-
tal personen, binnen de provincie wonende, dat op iedere vijf-
tienhonderd inwoners der provincie één tot lid der Eerste
Kamer uit dezen hoofde verkiesbaar zij.
104.   De lijst vermeldt in alphabetische volgorde de namen
der hoogst aangeslagenen en verder hunne voornamen, de
plaats en dagteekening hunner geboorte, de dagteekening
hunner naturalisatie, zoo die heeft plaats gevonden en het
laagste gezamenlijke bedrag van aanslagen, dat tot de plaat-
sing op de lijst heeft geleid.
De vorm en de inrichting der lijst worden vastgesteld bij
algemeenen maatregel van bestuur.
105.   De lijst wordt uiterlijk op den laatsten April door
Gedeputeerde Staten vastgesteld, daarna geplaatst in de
Nederlatidsche Staatscourant van 5 Mei en tot en met 21 Mei
voor een ieder op de provinciale griffie ter inzage nederge
legd en in afschrift of afdruk, tegen betaling der kosten, ver-
krijgbaar gesteld.
106.   Tot en met 15 Mei is een ieder bevoegd bij Gedepu-
teerde Staten verbetering van de lijst te vragen, op grond dat
hij zelf of een ander, in strijd met de wet, daarop voorkomt,
niet voorkomt of niet behoorlijk voorkomt.
107.   Indien het verzoek om vérbetering van de lijst een
ander persoon dan den verzoeker betreft, wordt die andere
persoon door of vanwege Gedeputeerde Staten, binnen vier en
twintig uur, schriftelijk met het verzoek en de gronden van
het verzoek in kennis gesteld.
108.  De verzoeken om verbetering van de lijst worden, met
de noodige bewijsstukken, dadelijk tot en met 21 Mei, voor
een ieder op de provinciale griffie ter inzage nedergelegd en
in afschrift, tegen betaling der kosten, verkrijgbaar gesteld.
Een ieder is tot tegenspraak van het verzoek bevoegd.
De tegenspraak wordt aan Gedeputeerde Staten schriftelijk
en uiterlijk den 23sten Mei ingediend.
109.   Na 23 Mei, doch vóór 5 Juni, beslissen Gedeputeerde
Staten over de verzoeken om verbetering van de lijst. Zij ver-
beteren de lijst, zooals zij vinden te behooren, met waarmer-
king der wijzigingen door den voorzitter en den griffier.
-ocr page 378-
371
KIESWET.
De beslissing van Gedeputeerde Staten is met redenen om-
kleed en wordt in haar geheel op de provinciale griffie voor
een ieder ter inzage nedergelegd en in afschrift, tegen beta-
ling der kosten, verkrijgbaar gesteld. Gedeputeerde Staten
doen hiervan openbare kennisgeving en deelen de beslissing,
is daarbij wijziging van de lijst bevolen, schriftelijk mede aan
hem wien de wijziging betreft. Gelijke mededeeling geschiedt,
wanneer het verzoek om verbetering geheel of ten deele niet
is toegewezen, aan den verzoeker, zoo de gevraagde verbete-
ring van de lijst hem zelven betrof.
De nederlegging, verkrijgbaarstelling, kennisgeving en mede-
deeling, in het vorige lid bedoeld, geschieden uiterlijk 7 Juni.
110. Met 8 Juni wordt de nieuwe lijst van kracht en treedt
zij in de plaats van de bestaande.
Na dien tijd kan zij alleen ten gevolge van rechterlijke uit-
spraken, welke wijziging van de lijst bevelen, worden ge-
wijzigd.
Hl. Gedeputeerde Staten doen de van kracht gewordene
lijst plaatsen in de Nederlandsche Staatscourant van 15 Juni;
zenden dadelijk afschrift der lijst aan den Minister van Bin-
nenlandsche Zaken ; doen haar op de provinciale griffie voor
een ieder ter inzage nederleggen en in afschrift, tegen beta-
ling der kosten, verkrijgbaar stellen.
112.   Gedurende vijf dagen, te rekenen van den dag der in
art. 109 voorgeschreven kennisgeving, kan door een ieder die
niet in de door Gedeputeerde Staten genomene beslissing be-
rust, de zaak bij een met redenen omkleed en onderteekend
verzoekschrift, vergezeld van de bewijsstukken en van een
afschrift der beslissing van Gedeputeerde Staten, worden onder-
worpen aan de uitspraak der arrondissements-rechtbank binnen
wier ressort de lijst is opgemaakt.
Bij de behandeling van dit verzoekschrift worden, ook in
cassatie, do bepalingen in acht genomen, voor de behandeling
der verzoekschriften tot verbetering der kiezerslijst voor de
Tweede Kamer, de Provinciale Staten en den gemeenteraad
voorgeschreven, met dien verstande, dat bij de arrondissements-
rechtbank ook het openbaar ministerie wordt gehoord, het-
welk binnen\' vijf dagen conclusie neemt, en dat de arrondisse-
ments-rechtbank binnen acht dagen daarna uitspraak doet.
Partijen zijn niet gehouden zich van de tusschenkomst van
procureurs te bedienen.
113.   Van de rechterlijke beslissing, welke wijziging van de
lijst^ beveelt, wordt uiterlijk den volgenden dag door den
griffier kennis gegeven aan Gedeputeerde Staten der provincie,
wier lijst zij betreft.
Overeenkomstig deze rechterlijke beslissing wordt onverwijld
-ocr page 379-
372
KIESWET.
de lijst verbeterd, met aanteekening van de rechterlijke be-
slissing, waarvan de wijziging een gevolg is, en niet waar-
merking door den voorzitter van Gedeputeerde Staten en den
griffier der Staten. Verbeteringen, na 8 Juni aangebracht,
worden door Gedeputeerde Staten onverwijld in de Ncderland-
sche Staatscourant
bekend gemaakt.
114.   De voor de toepassing der voorgaande artikelen door
de ontvangers der Rijks directe belastingen en der successie-
rechten af te geven uittreksels uit de kohieren zijn vrij van
kosten.
115.    De leden der Eerste Kamer worden door de Pro-
vinciale Saten gekozen, op de door de provinciale wet
bepaalde wijze.
116.   De gewone tijd te hunner verkiezing is de tweede
Dinsdag der maand Juli.
Alsdan wordt voorzien in de vervulling van de plaatsen der
leden, die met den volgenden derden Dinsdag van September
naar den rooster moeten aftreden.
117.   De verkiezing ter vervulling der plaatsen, die door
ontslag, overlijden of om eene andere reden openvallen, ge-
schiedt binnen dertig dagen na dat openvallen.
In geval van ontbinding der Eerste Kamer, geschiedt de
verkiezing van de leden der Eerste Kamer binnen veertig
dagen na de dagteekening van het besluit tot ontbinding.
118.   Gedeputeerde Staten zenden ten spoedigste aan den
benoemde een door den voorzitter en den griffier te teekenen
uittreksel uit de notulen der Staten-vergadering, waarin hij
is benoemd.
Dit uittreksel vermeldt het getal der bij de stemming tegen-
woordige leden van de Staten, dat der op den benoemde uit-
fjebraohte stemmen, en de omstandigheden, die op de geldigheid
der stemmen van invloed geweest zijn. Het strekt den benoemde
tot geloofsbrief.
119.   De benoemde geeft, bij het bekomen van het uittreksel,
een bewijs van ontvangst daarvan af en geeft binnen drie
weken na de dagteekening van dat bewijs, kennis aan de
Gedeputeerde Staten, of hij de benoeming aanneemt.
Hij wordt, laat hij dien tijd zonder kennisgeving voorbijgaan,
geacht de benoeming niet aan te nemen.
120.   Die in meer dan ééne provincie is benoemd, verklaart
aan de Gedeputeerde Staten dier provinciën, binnen den in
het vorig artikel gestelden termijn, welke benoeming hjj aan-
neemt.
Hij wordt, laat hij dien tijd zonder verklaring voorbijgaan,
•jeacht geene der op hem uitgebrachte benoemingen aan te
nemen.
-ocr page 380-
373
KIESWET.
121. Binnen veertien dagen nadat Gedeputeerde Staten kennis
hebben bekomen, dat een benoemde de benoeming niet aan-
neenit, of nadat de in de artt. 119 en 120 bepaalde tijd verstre-
ken is, doen de Provinciale Staten eene nieuwe keuze.
122 De tot lid der Eerste Kamer benoemde legt, indien
hij voorkomt op de lijsten der hoogstaangeslagenen, nevens
zijn geloofsbrief, aan de Kamer over een uittreksel, voor zoo-
veel zijn persoon betreft, van de provinciale lijst van hoogst-
aangeslagenen waarop hij gebracht is en eene door hem zelven
af te geven verklaring, vermeldende alle openbare betrekkin-
gen die hij bekleedt. Indien hij niet voorkomt op de lijsten
der hoogstaangeslagenen, legt hij nevens zijn geloofsbrief en
de verklaring, vermeldende alle openbare betrekkingen die
hij bekleedt, over een uittreksel uit de geboorteregisters of,
bij gemis daarvan, eene akte van bekendheid, waaruit de tijd
en plaats zijner geboorte blijken en eene verklaring, vermel-
dende welke der hooge en gewichtige openbare betrekkingen,
bedoeld in art 99, hij bekleed heeft.
123.   De geloofsbrief moet door den gekozene, binnen vier
maanden na zijne dagteekening, bij de Kamer worden inge-
zonden. De griffier der Kamer doet aan den Minister van
Binnenlandsche Zaken mededeeling der ingekomen geloofs-
brieven.
Is de geloofsbrief niet binnen den in de vorige zinsnede
bepaalden termijn ingezonden, dan wordt de plaats geacht
opnieuw te zijn opengevallen.
124.   De leden der Eerste Kamer kunnen ten allen tijde
hun ontslag nemen. Het wordt door hen ingezonden aan de
Kamer, die het ter kennis brengt van den Minister van Bin-
nenlandsche Zaken, of, zoo de zitting der Kamer gesloten is,
aan dien Minister.
125.  Wanneer een lid der Eerste Kamer ophoudt Nederlan-
der te zijn of bij rechterlijke uitspraak de beschikking of het
beheer over zijne goederen heeft verloren of van de verkies-
bnarheid ontzet is of na zijne verkiezing een bezoldigd Staats-
ambt aanneemt, dat hij niet reeds tijdens die verkiezing
vervulde, houdt hij op lid te zijn.
De nieuwe verkiezing geschiedt alsdan binnen dertig dagen
na den dag, waarop de Minister van Binnenlandsche Zaken
kennis van het feit heeft bekomen.
§ 2. Van de afgevaardigden ter Tweede Kamer.
126.   Leden der Tweede Kamer kunnen alleen zijn manne-
lijke Nederlanders, die niet bij rechterlijke uitspraak de be-
schikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren,
-ocr page 381-
374
KIESWET.
noch van de verkiesbaarheid ontzet zijn en den ouderdom van
dertig jaren hebben vervuld.
127.   De leden der Tweede Kamer worden gekozen in de
kiesdistricten, waarin het Rijk wordt verdeeld, door hen die
op de lijnt van kiezers voor deze Kamer zijn gebracht.
Kene bij deze wet gevoegde tabel regelt de verdeeling des
Rijks in kiesdistricten.
In elk district wordt één lid der Kamer gekozen.
128.    Üe kiesdistricten worden, na ingewonnen advies der
Gedeputeerde Staten, door den Minister van Binnenlandsche
Zaken verdeeld in stemdistricten. In de gemeente welke hoofd-
plaats is van het kiesdistrict of in het deel der gemeente,
hetwelk een kiesdistrict uitmaakt, wordt te gelijker tijd het stern-
district aangewezen, waarin het hoofdstembureau zitting heelt.
De verdeeling geschiedt in dier voege, dat een stemdistrict
in den regel niet meer dan duizend kiezers bevat en in geen
geval samenvoeging van gemeenten of deelen van verschillende
gemeenten plaats heeft.
129.   De gewone tijd ter verkiezing der leden van de Tweede
Kamer, is de eerste Dinsdag der maand Juni.
Alsdan wordt voorzien in de vervulling van de plaatsen der
leden, die met den volgenden derden Dinsdag van September
moeten aftreden.
130.   De verkiezing ter vervulling der plaatsen, die door
ontslag, overlijden of om eene andere reden openvallen, ge-
schiedt binnen dertig dagen na dat openvallen.
In geval van ontbinding der Tweede Kamer geschiedt de
verkiezing van de leden der nieuwe Kamer binnen veertig
dagen na de dagteekening van het besluit tot ontbinding.
131.  De Minister van Binnenlandsche Zaken bepaalt, ter
vervulling eener tusschentijds in de Tweede Kamer openval-
lende plaats, den dag der verkiezing.
Hij bepaalt vóór elke verkiezing voor leden van de Tweede
Kamer, de dagen, waarop, zoo noodig, de stemming en de
herstemming zullen geschieden. Bij de periodieke verkiezingen
wordt de dag der stemming niet vroeger bepaald dan den
lOden Juni.
Bij de periodieke verkiezingen geschieden de stemming en
de herstemming in alle kiesdistricten op dezelfde dagen.
De stemming en do herstemming geschieden in alle stern-
districten van het kiesdistrict op dezelfde dagen.
132.  Op den dag der verkiezing, zoodra de door de wet tot
het inleveren der opgaven van candidaten bepaalde tijd is
afgeloopen, sluit de burgemeester van de gemeente, die hoofd-
plaats is van het kiesdistrict of waarin het geheele kiesdistrict
is gelegen, de lijst der candidaten.
-ocr page 382-
375
KIESWET.
Is geen candidaat op die lijst gebracht, dan verklaart de
burgemeester dat niemand is benoemd.
Is slechts één candidaat op die lijst gebracht, dan verklaart de
burgemeester dezen candidaat te zijn benoemd tot lid der Kamer.
De burgemeester maakt van zijne handeling onmiddellijk
proces-verbaal op, dat ter secretarie van de gemeente voor
een ieder ter inzage wordt nedergelegd, in afschrift wordt
aangeplakt en, tegen betaling der kosten, verkrijgbaar gesteld.
De vorm en do inrichting van het proces-verbaal worden
vastgesteld bij algemeenen maatregel van bestuur.
133.   Zijn er meer eandidaten opgegeven, dan geschiedt over
hen, uiterlijk binnen veertien dagen, eene stemming.
Bij eerste stemming wordt geen hunner benoemd, dan met
volstrekte meerderheid van stemmen.
Bij herstemming, noodzakelijk wanneer die meerderheid bij
de eerste stemming niet is verkregen, wordt men benoemd
met de meeste stemmen. Indien de stemmen staken is de oudste
in jaren de benoemde. In geval van gelijken ouderdom beslist
het lot.
De volstrekte en de betrekkelijke meerderheid worden vast-
gesteld naar het aantal van waarde zijnde in de stembussen
gevondene stembiljetten.
134.   Wanneer bij eene eerste stemming geene volstrekte
meerderheid is verkregen, wordt onmiddellijk door den voor-
zitter van het hoofdstembureau van het kiesdistrict eene lijst
opgemaakt, bevattende de namen der twee eandidaten, die bij
de eerste stemming de meeste stemmen hebben erlangd.
Komen ten gevolge van gelijk aantal stemmen meer dan
twee eandidaten voor plaatsing op de lijst in aanmerking, dan
worden deze allen daarop geplaatst.
De herstemming heeft plaats uiterlijk binnen veertien dagen
na de eerste stemming.
135.  De benoemde ontvangt onverwijld van den burgemeester
der gemeente, die hoofdplaats is van het kiesdistrict of waarin
het geheele kiesdistrict is gelegen, een afschrift van het pro-
ces-verbaal, waaruit zijne candidaatstelling of zijne banoeming
blijkt en, in geval van stemming of herstemming, van den
voorzitter van het hoofdstembureau afschriften van de daarvan
opgemaakte processen-verbaal.
Deze afschriften strekken den benoemde tot geloofsbrief.
136.  De benoemde geeft binnen drie dagen na het bekomen
van het afschrift of de afschriften een bewijs van ontvangst
daarvoor af, en geeft, binnen vier weken na de dagteekening
van dat bewijs, kennis aan den burgemeester der gemeente,
die hoofdplaats is van het kiesdistrict of waarin het geheele
kiesdistrict is gelegen, of hij de benoeming aanneemt.
-ocr page 383-
376                                                 KIESWET.
Hij wordt, laat hij dien tijd zonder kennisgeving voorbijgaan,
geacht de benoeming niet aan te nemen.
137.  Die in meer dan één kiesdistrict is benoemd, verklaart
aan de burgemeesters der gemeenten, die hoofdplaatsen zijn
van die kiesdistricten of waarin het geheele kiesdistrict is
gelegen, binnen den in het vorig artikel gestelden termijn,
welke benoeming hij aanneemt.
Hij wordt, laat hij dien tijd zonder verklaring voorbijgaan,
geacht geene der op hem uitgebrachte benoemingen aan te
nemen.
138.   De burgemeester der gemeente, die hoofdplaats is van
het betrokken kiesdistrict of waarin het geheele betrokken
kiesdistrict is gelegen, geeft onmiddellijk kennis aan den Mi-
nister van Binnenlandsche Zaken wanneer een benoemde zijne
benoeming heeft aangenomen.
Gelijke kennisgeving geschiedt wanneer een candidaat vóór
de stemming of zoo iemand, die in herstemming komt vóór
de herstemming komt te overlijden of wanneer een benoemde
zijne benoeming niet heeft aangenomen, of de in de artt. 136
en 137 bepaalde tijd verstreken is.
Binnen veertien dagen geschiedt eene nieuwe verkiezing op
den dag, door den Minister van Binnenlandsche Zaken te be-
palen.
Hetzelfde vindt plaats, zoo iemand de benoeming in één
district heeft aangenomen en in een ander voorkomt op de
lijst der candidaten over wie eene stemming of herstemming
moet geschieden in het laatstgenoemd district.
139.  Ue burgemeesters der gemeenten, die hoofdplaatsen
zijn van kiesdistricten of waarin het geheele kiesdistrict is
gelegen, geven onmiddellijk aan den Minister van Binnenland-
sche Zaken kennis van de lijst van candidaten over wie eene
stemming of herstemming moet geschieden.
140.    Wanneer het proces-verbaal van den burgemeester
niemand als benoemd aanwijst, geeft deze daarvan kennis aan
den Minister van Binnenlandsche Zaken. Binnen veertien
dagen geschiedt eene nieuwe verkiezing op den dag, door den
Minister van Binnenlandsche Zaken te bepalen.
141.    De tot lid der Tweede Kamer benoemde legt, nevens
zijn geloofsbrief, aan de Kamer over een uittreksel uit de
geboorte-registers, bij gemis daarvan, eene akte van bekend-
heid, waaruit tijd en plaats zijner geboorte blijken, en eene
door hem zelven af te geven verklaring, vermeldende alle
openbare betrekkingen die hij bekleedt.
142.   De geloofsbrief\' moet door den benoemde, binnen vier
maanden na zijne dagteekening, bij de Kamer worden inge-
zonden. De griffier der Kamer doet aan den Minister van
-ocr page 384-
377
KIESWET.
Binnenlandsche Zaken mededeeling der ingekomen geloofs-
brieven.
Is de geloofsbrief niet binnen den in de vorige zinsnede
bepaalden termijn ingezonden, dan wordt de plaats geacht op
den eersten dag na afloop van dien termijn opnieuw te zijn
opengevallen.
143.   De leden der Tweede Kamer kunnen ten allen tijde
hun ontslag nemen. Het wordt door hen ingezonden aan de
Kamer, die het ter kennis brengt van den Minister van Bin-
nenlandsche Zaken, of, zoo de zitting der Kamer gesloten is,
aan dien Minister.
144.   Wanneer een lid der Tweede Kamer ophoudt Neder-
lander te zijn of een der andere in art. 126 vermelde vereisch-
ten verliest, of na zijne verkiezing een bezoldigd Staatsambt
aanneemt, dat hij niet reeds tijdens die verkiezing vervulde,
houdt hij op lid te zijn.
De nieuwe verkiezing geschiedt alsdan binnen dertig dagen
na den dag, waaróp de Minister van Binnenlandsche Zaken
kennis van het feit heeft bekomen.
§ 3. Van de aftreding der leden van de Eerste en Tweede Kamer.
145.    Een derde gedeelte van de leden der Eerste
Kamer treedt om de drie jaren af.
Het eerste aftredende derde bestaat voor Noordbrabant uit
2 leden, Gelderland 2, Zuidholland 4, Noordholland 3, Utrecht
1, Friesland 1, Overijssel 1, Groningen 1, Drenthe 1 en Lim-
burg 1, te zamen 17 leden.
Het tweede bestaat voor Noordbrabant uit 2 leden, Gelder-
land 2, Zuidholland 3, Noordholland 3, Zeeland 1, Utrecht 1,
Friesland 1, Overijssel 1, Groningen 1, Drenthe 1 en Limburg
1, te zamen 17 leden.
Het derde bestaat voor Noordbrabant uit 2 leden, Gelder-
land 2, Zuid-Holland 3, Noordholland 3, Zeeland 1, Friesland 2,
Overijssel 1, Groningen 1 en Limburg 1, te zamen 16 leden.
146.   Bij ontbinding der Eerste Kamer begint de rooster van
aftreding telkens opnieuw te werken, over twee jaren, te be-
ginnen met den eerstvolgenden derden Dinsdag in September.
Bij ontbinding der Tweede Kamer treden de leden af drie
jaren na den eerstvolgenden derden Dinsdag in September.
147.   Het lot bepaalt den tijd, waarop elk lid der Eerste
Kamer naar den rooster aftreedt, zooverre deze dien tijd niet
zelf heeft aangewezen.
148.   Die ter vervulling eener buiten den gewonen tijd van
aftreding opengevallen plaats tot lid der Eerste of Tweede
Kamer is verkozen, treedt af op het tijdstip, waarop degene,
in wiens plaats hij is verkozen, moest aftreden.
-ocr page 385-
378
KIESWET.
STRAFBEPALINGEN.
149.    Hij die in de aangiften bij art. 13 bedoeld, op-
zettelijk eene valsche opgaaf doet aangaande een feit, waarvan
de plaatsing op de kiezerslijst afhankelijk kan zijn, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste één jaar.
150.  Hij, die bij het onderzoek in art. 25 en art. 26 bedoeld,
opzettelijk eene valsche opgaaf\' doet aangaande een feit, waar-
van de plaatsing op de kiezerslijst van den persoon, dien het
onderzoek geldt, afhankelijk kan zijn, wordt gestraft met ge-
vangenisstraf van ten hoogste zes maanden.
151.   Hij, die eene opgave, als bedoeld in art. 51 inlevert,
wetende dat zij voorzien is van handteekeningen van personen,
die niet bevoegd zijn tot deelneming aan de verkiezing, waar-
voor de inlevering geschiedt, terwijl zonder die handteekenin-
gen geen voldoend aantal voor eene wettige opgave zou over-
blijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
drie maanden of eene geldboete van ten hoogste honderd twin-
tig gulden.
Met gelijke straf wordt gestraft hij, die wetende dat hij niet
bevoegd is tot deelneming aan de verkiezing, eene voor die
verkiezing ter inlevering bestemde opgave, als bedoeld bij art.
51, heeft onderteekend.
152.   Hij die niet voldoet aan de verplichting, opgelegd in
art. 2G, wordt gestraft met eene geldboete van ten hoogste
drie gulden.
153.  De bestuurders van instellingen van weldadigheid, die
niet of niet behoorlijk voldoen aan de voorschriften vervat in
de artt. 23 en 32, worden gestraft met eene geldboete van
ten hoogste honderd galden.
154.   Overtreding van de artt. 57 en 58 dezer wet wordt
gestraft met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geld-
boete van ten hoogste vijf en zeventig gulden.
155.   De voorzitter, de leden en de ter vervanging opgeroe-
pen plaatsvervangende leden van het stembureau, die gedu-
rende de stemming buiten noodzaak afwezig zijn. worden ge-
straft met eene geldboete van ten hoogste honderd gulden.
156.  De kiezer die niet voldoet aan de bij art. 81 opge-
legde verplichting tot teruggave van het stembiljet wordt
gestraft met eene geldboete van ten hoogste drie honderd
gulden of hechtenis van ten hoogste twaalf dagen.
157.   De in de artt. 149, 150 en 151 bedoelde strafbare
feiten worden als misdrijven, die in de artt. 152, 153, 154,
155 en 156 bedoeld, worden als overtredingen beschouwd,
158.    Hij veroordeeling wegens een der in de artt. 149 en
-ocr page 386-
KIESWET.                                                  379
150 omschreven misdrijven kan ontzetting van de in art. 28
no. 3 van het Strafwetboek vernielde rechten worden uitge-
sproken.
SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN.
159.  Wanneer de in deze wet bepaalde verrichtingen op
eenen Zondag of algemeen erkenden Christelijken feestdag
mochten vallen of de daarin gestelde termijnen op eenen
Zondag of algemeen erkenden christelijken feestdag mochten
afloopen, treedt de eerstvolgende dag, geen Zondag of alge-
meende erkende Christelijke feestdag zijnde, daarvoor in de
plaats.
Voor zoover de bepaling van den tijd voor die verrichtingen
aan het openbaar gezag is opgedragen, worden daarvoor
geene Zondagen, of algemeen erkende Christelijke feestdagen
aangewezen.
160.   Deze wet is, voor zoover niet het tegendeel daaruit
blijkt ot bij de provinciale wet of de gemeentewet bijzondere
regelingen zijn gemaakt, toepasselijk op de verkiezingen van
de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, van de
Provinciale Staten en van de gemeenteraden.
161.   Deze wet kan worden aangehaald onder den titel van
„kieswet."
162.   De wet van 4 Juli 1850 {SUL no. 37), gewijzigd bij
art. VII van de Additioneéle artikelen der Grondwet, door de
wet van 30 December 1887 (Stbl, no. 257) en door de wet
van 11 Januari 1894 (Stbl. no. 5) vervalt.
(Het overige gedeelte van dit artikel en de artt. 1C3, 104
en 165 kunnen onvermeld blijven als niet meer van toe-
passing.)
-ocr page 387-
T A B E L,
HKDOKLD IN DE ARTIKELEN 1 EN 2 DER KlESWET.
-
\' I
Vrije Vrije
GEMEENTE
Huur-
Mini* woning | kost en
mum iu-jof inwo-l inwo-
prijs
komen | ning | ning
DEEI per GEMEENTE.
bedoeld in artikel
| 1 b 1\'.
1 b 2". | 2 2
Provincie NOOEDBRABANT.
fi,n
\'« Hertogenbosoh (behalve Orthen). . . .
Bergen op Zoom (stad), Breda, Helmond
(kom en onmiddellijke omgeving), Tilburg
(behalve Berkdijk\' en \'t Laar, Reit en
Reitsche hoeve, Hasselt, Stokhasselt,
Heikant, Groeseind en Rauwbrake), Waal-
wp..................
Bosoijen, Boxmeer, Boxtel, Cuyk en St.
Agatba (dorp), Eindhoven, Geertruiden-
bcrg (kom), Ginneken en Bavel (kom
Ginneken), Grave, \'s Hertogenboech (Or-
tlien), Heusdcn, Mierlo (\'t Hout), Ooster-
bout (kom). Oss, Oudenbosch (kom). 1\'rin*
sonliago (Duitenhuis en buiten Water-
poort), Ravenstein, Rosendaal en Nispen
(kom van Rosendaal), Rosmalen (Hint-
liam), Teteringcn (Terheidensche hoek,
Zandberg on Teteringscho dijk), Tilburg
(overig deel), Vugbt, de Werken en
Sleeuwijk (kom), Werkendam (kom),
Wondricbem (kom)..........
Almkerk, Baardwijk, Boers, Berghcm,
Bergen op Zoom (overig deel), Berlieum,
Beugen en Rijkevoort, Croinvoirt, Din-
teloord en I\'riusland. Dongen (kom),
Drongelen, Hangoort, Gausoijen enDoe-
voren, Drunon, den Dongen, Dussen,
Munster en Muilkerk, Engelen, Esch,
Etten en Leur (kom Etten en kom Leur),
I\'ijnaart en Heiningen, Geldrop, Gemert
(kom), Gestel en Bluarthcm (het deel
grenzende aan Eindhoven), Goirle (kom),
Halsteren, Haps, Helmond (overigdeel),
Helvoirt, Herpt, Hooge en Lage Zwa-
luwe, Klundcrt, Linden, Lith, Loon op
Zand, Maashees en Overloon, Meeuwen
Hill en Bnbylonienbroek, St. Miehiels-
f 450.-
ƒ87,50
/•300.-
1,25
350.-
62,50
250, -
32r>,-
50,—
225,—
-ocr page 388-
KIESWET.                                                  381
Vrije Vrye
Huur- | Mini- woning ; kost en
[mam In-lof inwo-j lnwo-
prijs f komen | ning | ning
bedoeld in artikel
1 b 1°. 1 b 2°.
         2             2
GEMEENTE
DEEL der GEMEENTE.
gestel, Mill en St. Hubert, Nieuwkuik,
Nieuw Vossemeer, Oeffelt, Oirsehot(kom),
Oisterwijk (kom), Ossendreeht, Ouden-
bosch (overig deel), Prinsenhage (overig
doel), Kosendaal ei Nispen (overig deel),
Sprang, Standdaarbuiten, Steenbergen
en Kruisland, Stratum (bet deel gren*
zende aan Eindhoven), Stryp (hot deel
grenzende aan Eindhoven), Terbeiden,
Tongelre (het deel grenzende aan Eind-
hoven), Valkenswaard, Veghel (kom) en
Middegaal, Vierlingsbeök, Vlijmen, Wan-
rooy, Willemstad, Woensdrecht.....
W oenscl (liet deel grenzende aan Eind-
hoven), Wouw, Zevenbergen, Zondert
(kom).................
Cuyk en St. Agatha (overig deel), Dongen
(overig deel), Etten en Leur (overig deel),
Geertruidenberg (overig doel), Gemert
(overig deel), Gestelen Blaarthem (overig
deel), Ginneken en Bavel (overig deel),
Goirle (overig deel), Mierlo (overig deel),
Oirsehot (o\\erig deel), Oisterwijk (overig
doel), Oosterhout (overig doel). Rosmalen
(overig deel), Stratum (overig dcel),Strijp
(overig deel), Teteringen (dorp), Tongelre
(overig deel), Veghel (overig doel), de
Werken en Slceuwyk (overig deel), Wer-
kendam (overig deel), Woensel (overig
deel), Woudricnem (overig deel), Zun-
dert (overig deel). Overige gemeenten.
f 300,—
300,—
ƒ200,.
200, -
/•i.-
ƒ 37,r,o
37,50
0,80 275,— 25,— 175,—
Provincie GELDERLAND.
Arnhem (behalve de buitenwijken en
Schaarsbergen).............
Arnhem (bnitenwyken).........
Nijmegen (stad).............
Culomborg, Nijmegen (Hatort en Hees,
rondom Nijmegen), lienkum (Oostorbeek),
Ulieden (Velp), Tiel, Ubbergon (Beek),
Wageningen (stad), Zutphen......
Apeldoorn (kom van de hoofdafdeeling
Apeldoorn), Hrummcn (kom), Buurinalsen
en Trieht (dorpen), Doesburgh, Doetin-
ehem (stad), Ede (kom), Geldermalsen
(kom), Harderwijk (stad), Herwen en
Aerdt (Tolkamer), Nymegen (overig deel),
Kenkiim (dorp), Kneden (Steeg, Dieren
on Ellekom), Vuren en Dalem (Dalem),
Zalt-Bommel, Zovcnaar (stad.....
Ammerzoden, Arnhem (Schaarsbergen),
f 500.-
450.-
4O0,-
/•100.
87.
/\'325,-
3( 0,-
275,-
1,..)
1,50
,50
350,—
fi2,50
250, -
50.-
1,—
325,—
-ocr page 389-
382                                                 KIESWET.
Vrije Vryc
woning kost en
ofinwo- inwo-
Huur-
Mini-
mum in-
komen
GEMEENTE
OF
DEEL der GEMEENTE.
nmg
prgs
mng
bedoeld in artikel
1 b 2°. I 2
1 b 1(
Barnoveld (kom), Beesd, Bemmel, Bou-
ningen, BeuNichem, Brakel, Brammen
(overig deel), Buren,Buurmalsen (overig
deel), Deil, Didam (kom). Dodewaard,
Doorwerth, Driel (kom Kerk-Briel), Dru-
ten (kom), Duiven, Echteld, Ede (Ben-
nekom, Veenondaal en Dunteren), E1-
burg, KIst, Ermelo (dorpen Ermelo en
Nunspeet), E wijk, Geldermalsen (overig
deel). Gent, Groesbeek (kom), Hat tem
(stad), Hedel, Hemmen, Herwen en Aerdt
(Lobith) He teren, Huissen, Hummelo (de
dorpen Hummelo en Laag-Keppol),Hur-
wenen, Uzendoorn, Kesteren, Lienden,
Lochem (kom), Maurik, Millingen (kom),
Njjkerk, Fannerden, Renkum (overig
deel), Rheden (Spankeren), Rossum, Ro-
zendaal, Valburg, Voorst. Vorden (kom).
Vuren en Dalem (Vuren), Wadcnoijen,
Wagcningen (overig deel), Wamel (kom),
Warnsveld (kom), Westervoort (kom),
Wijchcn (kom), Winterswijk (dorp),
Wisch (Terborg), Zoelen........
Apeldoorn (overig deel), Barnoveld (overig
deel), Didam (overig deel), Doetinchem,
(stad, schependom), Driel (overig deel),
Bruten (overig deel), Ede (overig deel),
Ermelo (overig deel), G roesbeek (overig
deel), Harderwijk (overig doel), Hattciu
(overig deel), Horwen en Aerdt (overig
deel), Hummelo (overig deel), Lochem
(overig deel), Millingen (overig doel),
Rheden (Laag Soeren), Ubbergen (overig
deel), Vorden (overig deel), Wamel (ovo-
rig deel), Warnsveld (overig deel), Wes-
tervoort (overig deel), Wijclien (overig
deel), Winterswijk (overig deel), Wisch
{overig deel), Zevenaar (overig deel),
Overige gemeenten . . . . *.....
f 37,50
/•300.-
ƒ200,"
n.-
0,80 I 275,-
25,—
175,—
Provincie ZUIDHOLLAND.
Rotterdam (behalve Kralingschc Veer en
Charlois...............
\'s Gravenhage .............
Hillegersberg (Zwaanshals), Rotterdam
(Kralillgsche Veer en Charlois) ....
Delft, Dordrecht, Gouda, Hof van Delft
(stadsgedeelte), Leiden, Schiedam, Vrijcu-
ban (stadsgedeelte)...........
Capelle aan den IJssel, Gorinchem, Loos-
duinon, Maassluis, Rijswijk, Vlaardingen,
Voorburg...............
f 350,—
325,—
325,-
f 550.-
500,—
500,—
/•125.-
100.-
100,—
f 2,50
2,25
300, •
275,-
87,50
75,-
1,75
450.-
1,50
400.-
-ocr page 390-
KIESWET.                                                 383
Vrjjo Vrije
woning kost en
of inwo- inwo-
ning I ning
Huur- Mini-
mum in
prys komen
GEMEENTE
op
DEEL deb GEMEENTE.
bedoeld in artikel
1 b 1». I 1 b 2°. I 2 !
\'s Gravenzande, Hellevoetsluis, Hillegers-
berg (overig deel), IJsselmondo, Krim-
pen aan den IJsscl, Nieuworkerk aan
den IJssel, Overscliie, Ridderkerk,
Schoonhoven, Vlaardinger-Ambacht,
Zwijndrecht (kom en Meerdervoort) .. .
Aarlanderveen, Alblasscrdam, Alkemade,
Alphen, Ammerstol, Arkel, Beijerland
(Oud-), Bergschenhock, Bodegraven, Bos-
koop, Briello, Dubbeldam, Gouderak,
Haastrecht, Hardinxvold, Hazerswoude,
Hollovoot (Nieuw-), Hillogersberg, (Ter
lireggo), Hillegom, Hof van Delft (overig
deel), Hoog-Blokland,. Katwijk, Kethol,
Koudokerk, Krimpen aan de Lek, Leider-
dorp, Leerdam, Lekkcrkerk, Letterland
(Nieuw), de Lier, Lisse, Maasland, Mid-
delharnis (kom), Monster, Moordrecht,
Naaldwijk, Nourdwyk, Noordwijkerhout,
Oegstgeest, Ouderkerk aan den IJssel,
Ondowater, Oudshoorn, Papendrocht,
Pernis, Rijnsburg, Rozenburg, Sassen-
hoim, Scliiebroek.Schipluiden.Sliedrecht,
Sommelsdijk (kom), Stompwijk (Leid-
scliendam), Valkenburg, Veur, Voor-
hout, Voorschoten, Vryenban (overig
deel), Warmond, Wassenaar, Watorin-
gen, Woerden, Zoetorwoude, Z\\vaminer-
dain, Zwijndrecht (overig deel) ....
Middclharnis (overig doel), Sommelsdyk
(overig deel), Stompwijk (overig deel),
Overige gemeenten..........
ƒ1,25
f 62,50
ƒ250,—
ƒ 350,—
225,-
200.-
1,-
1,—
325,-
300,—
50,—
37,50
Provincie NOORDHOLLAND.
Amsterdam (behalve de bij de wet van
20 Maart 18i)o IStaatsblad no. 89) aan
Amsterdam toegevoegde, doch in deze
tabel afzonderlijk genoemde voormalige
doelen van Nieiiwer-Amstol, Sloten en
Diemen)...............
Amsterdam (do voormalige wyk H. van
N\'ieuwer-Amstol en het bij de wet van
20 Maart 1x00 {Staatsblad no. 39) aan
Amsterdam toegevoegd voormalig deel
van Sloten), Haarlem, Haarlemmcrliedo
en Spaarnwoudo (in do onmiddellijke
omgeving van Haarlem), Heemstede
(Meester Lottelaan), Ouder-Amstel (Om-
val). Sloten (Sloterdyk, Baarsjes en IJ-
polder), Watergraafsmeer......
Weesp................
f2,50
/\'350.-
/125.-
fi>r>o,-
2,—
1,78
325,
300,.
100,—
87,50
500,—
450,—
-ocr page 391-
384
KIESWET.
Vrije Vr\\je
woning | kost en
ofinwo-l inwo-
ning [ ning
GEMEENTE
OF
DEEL der GEMEENTE.
bedoeld in artikel
1 b 2°.
         2 I
fh 10
/"400,-
Alkmaar, Velzen (IJmuiden), Zaandam .
Amsterdam (het by de wet van 20 Maart
1890 (Staatsblad no. 39) aan Amsterdam
toegevoegde voormalige deel van Die-
men), Beverwijk, Bloomendaal (Bloemen*
daal en Overveen), Bussum, Diemen,
Haarlemmerliede en Spaarnwoude (Half-
weg), den Helder (den Helder en Nicuwe-
Diep), Hilversum, Hoorn, Koog aan de
Zaan, Muiden, Purmerend, Sloten (81o-
ten en Osdorp), Velzen (Jan (iijzenvaart),
"Wormerveer, Zaandijk........
Aalemoor, Beemstor, Bennebroek, Bloe-
mendaal (Vogelenzang), Broek op Lan-
gendyk, Buiksloot, Edam, Enkbuizen,
Haarlemmerliede en Spaarnwoude (ove-
rig deel), Haarlemmermeer, Heemstede
(overig doel), Huizen, Ilpemlam, Krom-
menie, Landsmeer, Medemblik, Monnio
kendam,
        Naarden,         Nieuwendam,
Nieuwer-Amstel, Noord-Scbarwoude,
Oostbuizen, Oostzaan, OudkarspeI,Ouder-
Amstel (overig deel), Ransdorp.Scboten,
Spaarndam, Uitgeest, Uitboorn, Velzen
(overig deel), Weesperkarspel, West-
zaan, Wijde-Wormcr, Wijk aan Zee en
Duin, Wormcr, Zandvoort, Zuid-Sehnr-
woude ................
Abbekerk, Akersloot, Andyk, Ankeveen,
Anna Paulowna, Assendelft, Avenhorn,
Barsingorborn, Beets, Bergen, Berkbout,
Blaricum, Blokker, Bovenkarspel, Broek
in Waterland, Callantsoog, Castricum,
Egmond aan Zee, Egmond-binncn,Graft,
\'s Graveland.............
Grootebroek, Harenkarspel, Heemskerk,
Heer Hugowaard, Heilo, den Helder
(overig deel), Hensbroek, Hoi-gkarspel,
Hoogwoud, Jisp, Katwoude, Koedyk,
Kortenboei". Kwadijk, Laren, Limmen,
St. Maarten, Marken, Middelie, Midwoud,
Nederborst den Berg, Nibbixwoud,
Nieuwo-Niedorp, Obdam, Opmeer,Opper-
does, Oterleek, Oudendijk, Oude-Nie-
dorp, Oudorp, St. Pancras, Petton, de
Rijp. Sebagcn, Scbellinkbout, Schermer-
born, Scboorl, Spanbroek, Sybekarspel,
Terschelling, Texel, Twisk, Urk, Urscm,
Venhuizen, Vlieland, Warder, Warmen-
buizen, Wervershoof, Westwoud, Wie-
ringen, Wieringcrwaard, Wftdenes,Win-
kel, Wognum, de Zijpe, Zuid- en Noord-
f?5,-
f275,-
1,25
350,
02,50
250,-
1,-
325,-
50,-
225, -
300.-
37,50
200, -
-ocr page 392-
3S.-)
Vrije
Vrye
GEMEENTE
Hmir- 1 Hini-
woning
kost en
[mum in-
oi inwo-
1Ï1WO-
prijs | komen
ning
ning
DEEL deb GEMEENTE.
bedoeld in artikel
1 b 1°. | 1 b 2». 1 2
2
/•a-.so I /"200.-
25, - I 175,-
/•300.-
275,^
Schermer, Zwaag .
Overige gemeenten
0,80
Provincie ZEELAND.
ƒ1,75   |/\'450,- ! f 87,50
1,50 400.- | 75, -
1,25 :150,- 02,50
1,-         25,- 50.
f300,-
| 275,-
250.-
225,-
Vlissingen ..............
Middelburg..............
Koudekerke (\'t Zandt), Oost- en Wcst-
Souburg ...............
Goes, Yerseke, St. Laurens (Brigdamme),
Neuzen (kom), Zierikzee.......
Aagtekerke, St. Annaland, Arncmuidcn,
Axel (kom), Baarland, Biggekerke, Bors-
sele, Brouwershaven, Bruinisse, Burgh,
Oolijnsplaat, Domburg, Dreisohor, Drie-
wegen, Duivendijke, Elkerzee, Ellemeet,
Ellewoutsdijk, \'a-Gravenpolder, Grijps-
kerke, Haamstede, \'s Heer Abtskorko,
\'s Heer Arendskerke, \'s Heerenhook,
Heinkenszand, Hoedekenskerkc, Hulst,
Kapelle, Kats, Kattcndijke, Kerkwerve,
Kloetinge, Kortgene, Koudekerke (overig
deol), Krabbondyke, Kruiningen, St. Lau-
rens (dorp), St. Maartensdijk, Meliskerke,
Nieuwerkerk, Nieuw- en St. Joostland,
Nisse, Noordgouwo, Noordwelle, Ooster-
land, Oostkapelle, Oudelaude, Oud-Vos-
semeer, Ouwerkork, Ovezande, St. Phi-
lipslami, Poortvliet, Renesse, Killand-
Jiatli. Eitthem, Sas van Gent, Sclierpe-
nisse, Schore, Serooskerke (Schouwen),
Sorooskerko (Walcheren), Stavenisse,
ïholen, Veere, Vrouwenpolder, Waarde,
Wemeldinge, Westkapello, Wissekerke,
Wolphaartsdijk, Zonneiuaire, Zoute-
lande ................
Axel (overig deel), Neuzen (overig deel),
Overige gemeenten..........
200, -
175,—
1.
0,80
:suo,-
37,50
25.-
Provincie UTRECHT.
Jutphaas (hot bij de wet van 20 Maart
1890 (StaatsbluU no. 40) aan Jutphaas
toegevoegde voormalige deel van
Utrecht), Oudennjn (het b\\\\ de wet van
20 Maart 1890 (Staatsblad no. 40) aan
Oudenrijn toegevoegde voormalige deel
van Utrecht).............
Utrecht (behalve de by de wot van 20
Maart 1890 (Staatsblad no. 40) aan Utrecht
toegevoegde voormalige doelen van de
Bildt, Jutphaas en Oudenrijn).....
f2,
/325,-
/"100,-
ƒ500,"
100, -
25
500,.
-ocr page 393-
386                                                           KIESWET.
Vrije
woning
of hrwo-
ning
Vrye
kost en
inwo-
ning
Huur- | Mini-
Imum in-
prys I komen
GEMEENTE
OF
DEEL der GEMEENTE.
bedoeld in artikel
1 b 1°. I 1 b 2°.
           2               2
Utrecht (de bij de wet van 20 Maart
1896 (Staatsblad no. 40) aan Utrecht
toegevoegde voormalige deelon van de
Bildt en Jutphaas)..........
Amersfoort (stad)...........
Baarn (kom), de Bildt (kom), Soest
(Soestdijk, Langeind, Middolwijk en do
Kerkeburen>, Zeist (kom).......
Abcoude-Baambrugge, Abcoude-Proostdy,
Breukelen-Nijem-ode, Brcukclcn-St. Pie-
ters (Vechtzijdo), Driebergen. Harmeien,
Jutphaas (overig deel), Loenen, Maars-
nen, Maarsseveen (Nieuw-), Nigtovccht,
Oudenrijn (de Moern), Khcnen (stad),
Kijsenburg, Veenendaal (dorp), Veldhui-
zen (de Mecrn), Vleuten (de Meern),
Vreeland, Vreeswijk, Wijk bij Duurstede,
Willige Langerak (nabij Schoonhoven) .
Achttienhoven, Amerongen, Amersfoort
(overig deel), Baarn (overig deel), Ben-
schop, Breukelen St. Pieters (Breukeler-
veen), Bunnik, Bunschoten, Cothon,
Doorn, Eenmes, Haarzuilens, Hoenkoop,
Hoogland, Houten,IJssclstein.Jaarsveld,
Kamerik, Kockengen. Laag-Nieuwkoop,
Langbroek, Lcersum, Leusden, Linscho-
ten, Loenersloot, Loosdrecht, Lopik,
Maarn, Maarsseveen (Oud), Maartens-
dijk, Mydrecht, Montfoort, Odijk, Ouden-
rijn (overig deel). Polsbroek, Benswoudo,
Rhenen (overig deel), Kuwiel, Schalk-
wijk, Snelrewaard, Stoutenburg, Tien-
hoven, Tuil en \'t Waal, Utrecht (het bh;
de wet van 20 Maart 1896 Staatsblad
no. 40) aan Utrecht toegevoegde voor-
malige deel van Oudenrijn), Veenendaal
(overig deel), Veldhuizen (overig deel),
Vinkevecn, Vleuten (overig deel), Werk-
hoven, Westbroek, Willeskop, Willige
Langerak (overig deel), Wilnis, Wouden-
berg, Zegveld, Zuilen.........
de Bildt (overig deel), Soest (overig deel),
Zeist (overig deel)..........
ƒ1,75
1,50
/•300.-
275,-
\' 87,50
75,-
400, -
1,25
02,50
250,—
325,
50.
Ü25.-
1,
0,80
300.-
275,-
37,50
25,-
/"75,-
02,50
200,-
175.-
/"275,-
250,-
Provincie FRIESLAND.
f 1,50
Leeuwarden..............
Bolsward, Franekor (behalve Vijf- en
Zevenhuizen en Uitburen), Harlingen,
Leeuwarderadeel (Huizum, Schrans en
verlengde Schrans), Snoek......
Aengwirden (Heerenveen), \'t Bildt, Has-
/"400,-
1,25
350, -
-ocr page 394-
387
KIESWET.
Vrije
kost en
inwo-
ning
Vrije
woning
of inwo-
ning I
ï artikel
Huur-
prys
f Mini-
ni Km in
| komen
bedoeld i
1 b 2°.
GEMEENTE
DEEL der GEMEENTE.
16 1°
kcrland (Nijehaske tot en met de Schans
en de Joure), Lemsterland (de Lemmer),
Schoterland (Heerenveen), Utingeradeel
(Akkrum)..............
Achtkarspelen, Aengwirden (overig deel),
Baarderadeel, Barradeel, Dantumadeel,
Bokkum...............
Doniawerstal, Ferwerderadeel, Franeker
(VQf-en Zevenhuizen en Uitburen),Frane-
keradec), Gaasterland, Haskerland (ove-
rig deel), Hemelumer Oldephanrt, Hen-
naarderadecl, Hindeloopen, Idaardera-
deel, IJlst, Kollumerland, Leeuwardcra-
deol, Lemsterland (overig deel),Menal-
dumadcel, Oostdongeradecl, Opstcrland,
]ïauworderhem,Schoterland (overig doel),
Sloten, Smallingerland, Stavoren, Tiet-
jerksteradccl, Utingeradeel (overig deel),
AVestdongoradeel, Weststollingworf
(Wolvega), Wijmbritsoradeel, Wonsora-
deol, Workum............
AVcststellingwcrf (overig deel), Overige
gemeenten.....•........
/"225,-
200,-
/•325,-
300,-
fhO,-
37,50
1,-
0,80
200.-
175.-
800.-
37,50
25,-
Provlncle OVBKIJSEL.
f1,15
1,50
1,25
ƒ450,—
400,-
350.-
ƒ87,50
75,-
62,50
],-
325,—
50, -
1.-
300, -
37,50
0.80
275, -
25, -
Zwolle................
Deventer, Enschedé, Kampen (stad) . .
Hengelo (kom en naaste omgeving) . .
Almelo (Ambt) (bij de stad), Almelo
(stad), lïornc (kom en naaste omgeving),
Usselmuidcn (kom), Lonneker thy En-
seliedé, alsmede Glaucrbrngge), Losser
(nabij Oldenzaal). Oldenzaal. Steenwijk .
Avoroerst, Blokzijl, Dalfsen, Delden (stad),
Diopenvcou, Genemuidon, Goor, Graf-
liorst, Hasselt, IJsselmuiden (overig
deeL, Kampen (overig deel). Kamper-
veen, Markelo (karspel Goor), 01de-
markt, Dist, Kaalte, Rijssen, Stecnwijkcr-
wold, Vollenhavo (Stad), Vollenhove
(Ambt), AVijhe (belialvo Marie), Wilsum,
Zalk en Veecaten, Zwartsluis, Zwoller-
kerspel................
Almelo (Ambt) (overig deel),Borno (overig
deel), Hengelo (overig deel), Lonnekor
(overig deel). Losser (overig deel), Mar-
kelo (overig deel), Wijlie (Marie), Overige
gemeenten...............
f 300.-
275,-
250.-
225,-
200,—
175.-
Provincle GRONINGEN.
Groningen ....
Haren (Helpman)
/2,-
1,75
| ƒ 100, — \\fS2S,-
87,50 | 300, -
/"500.-
450, -
-ocr page 395-
388                                                  KIESWET.
Vrye i Vrije
| Mini- I woning | kost en
imuin in-;of inwo-j inwo-
[ komen ; ning | ning
bedoeld in artikel
1 b 2°.
         2
GEMEENTE
OF
DEEL deiï GEMEENTE.
prijs
1 b 1°.
Appingedam (Appingedam, het Bolwerk
en Solwcrd), Delfzijl (Delfzijl en Farm-
sim] . Haren (dorp), Hoogezand, Nieuwo-
schans, Onstwedde (Stadskanaal), Oude
Fekela, Sappemeer, Sloehteren (Fox-
ham), Veendam, AVildervank, "\\Vinscho-
ii\'i!, Zuidbroek............
Appingedam (Opwierda, MarHSiim, Juk-
werd en Tjamsweerd), Delfzijl, (Wei-
werd, Heveskes, Oterdum, Meedhuizen
on Uitwierda), Haren (overig deel),
Onstwedde (overig deel), Sloehteren
(overig deel). Overige gemeenten . . .
/*325,-
/50,-
/"225,-
/\'l.
37,50 | 200,-
1,
Provincie DRENTHE.
Assen, Borger (Nieuw-Buinen), Meppel . I ƒ1,
/•325,- fhO,- \\f 22ö,-
Anlo (Annerveen, Spijkerboor, Eextor- i
veen, Annervecnsch kanaal en Eexter*
veensch kanaal). Borger (veongedeelte), !
Coevorden (kom), Enimen (Nieuw-Am- j
sterdam), Gasselte (Gasseltcrboerveen, j
Gasselterbocrvecnschemond, Gasselter- :
nyveen en Gasselternijveensehemond), !
Gieten (Gieterveen, Bounerveen en Bare-
veld), Hoogeveen (kom), Nijeveen, Odoorn
(veongedeelte), Roden (Nietap), Ruiner-
wold, de Wyk............          1,—
Anlo (overig deel), Borger (overig deel),
Coevordon (overig deel), Emmen (overig
deel), Gasselte (overig deel), Gieten
(overig deel), Hoogeveen (overig deel),
Odoorn (overig deel), Boden (overig deel),
Overige gemeenten.........• ! 0,80
Provincie LIMBURG.
Heer (bij Maastricht), Maastricht, Meers*
sen (sectie C), Roermond (kom), Venlo
(stad met het stadsgedeelte van den
Bantuin)...............! ƒ1,25 |/350,-
Amby, Borg en Terbl\\jt (Plonkert), Gen-
nep, Gronsveld (Heugem), Heer (overig
deel), Heerlem (kom), Kerkrade (Kork-
rade en Holz), Maasbree (kom van Ble-
riek), Meerssen (soetiën B en 1)), Oud-
Vroenhoven, St. Pieter, Vaals (kom),
Valkenburg..............j                   325
Beek (dorp), Bemelen, Berg en Terblyt
(overig deel), Bergen, Bocholtz, Borg-
haren, Bunde, Echt (kom), Eygelshoven,
Eysden. St. Geertruid, Gronsveld (overig
deel), Gulpen (kom), Heerlen (overig
37,50
200, •
ƒ62,60
f 250,-
225,—
50,-
-ocr page 396-
389
KIESWET.
Vrije Vrjje
GEMEENTE
Huur-
Mini- I woning koat en
mumin- of inwo- inwo-
OF
prijs
komen 1 ning j ning
DEEL deb GEMEENTE.
jodoeld in urtikcl
1 b V.
1 b \'J°. j 2
o
dcol), Horn, Horst {kom}, Houthem,
Hulsberg, Ittoren, Kerkrade (overig doel),
Klimmen, Maasniel, Meerssen (sectie A),
Mescb, Mhoer, Mook, Nicuwenhagen,
Ottorsum, Oud-Valkenburg, Rij ek holt,
Roermond (overig deel), Schaesberg,
Schin op Geïille, Simpelveld, Sittard
(kom), Svralmen (kom), Tegelen, Ubach
over Worms, Vaals (overig deel),Venlo
overig deel), Venray (dorp), Voorendaal,
Weert (kom), Wylro, Wittem.....
Beek (overig deel), Echt \\overig deel),
Gulpen (overig deel), Horst (overig deel),
[ Maasbree (overig deel), Sittard (overig
, deel), Swalmen (overig doel), Venray
(overig deel), Weert (overig deel), Ove-
rige gemeenten............
n.-
f 300,-
f -\'J7,50
0,80
25,-
-ocr page 397-
TABEL,
BEDOELD IN ABT. 127 DEB KlESWET.
(De Kiesdistricten zijn aangegeven met vette letter; achter elk
district zijn vermeld de daartoe behoorende Gemeenten
en Gedeelten van gemeenten.)
GRONINGEN. — Groningen.
HOOGELAND. — Hoogezand, Haren, Noorddijk, Bedum, Ten Boer,
Slochteren.
ZUIDHORN. — Zuidhorn, Aduard, Ezinge, Leens, Ulrum, Oldehove,
Grypskork, Oldekerk, Grootegast, Marum, Adorp, Hoogkerk, Leek, Klooster-
buren, Winsuin.
APPINGEDAM. — Appingedam, Delfzijl, \'t Zandt, Bierum, tTithuizer-
meeden, Uithuizen, Usquert, Warffum, Eenrum, Baflo, Stedum, Middelstum,
Kantens, Loppersum.
WINSCHOTEN. — Winschoten, Termunten, Nieuwe Schans, Beerta,
Nieuwolda, Midwolda, Finsterwolde, Noordbroek, Zuidbroek, Scheemda, Bel-
lingwolde. Wedde.
VEENDAM. — Veendam, Meeden, Sappemeer, Muntendam,Oude-Pekela,
Nieuwe-Pekela, Vlagtwedde, Oustwedde.
ASSEN. — Assen, Wildervank, Zuidlaren, Anlo, Gieten, Gasselte, Boden,
Peize, Eelde, Norg, Vries, Rolde.
EMMEN. — Emmen, Borger, Odoorn, Schoonebeek, Dalen, Zweelo, Sleen,
Oostorhesselen, Coevorden, Westerbork, Beilen.
LEEUWARDEN. — Leeuwarden, Leeuwarderadeel, Idaarderadeel.
HARIjINGEN. — Harlingen, Barradeel, Wonseradeel, Bolsward, Workum,
Hindeloopen.
FRANEKER. — Franeker, Franekeradeel, \'t Bildt, Menaldumadeel,
Baarderadeel, Hennaarderadeel.
SNEEK. — Sneek, Wymbritseradeel, Stavoren, Hemelumer Oldephaert,
IJlst. (Tiiasterland, Sloten, Rauwerderhem, Doniawerstal.
SCHOTERLAND. — Schoterland, Utingeradecl, Opsterland, Haskerland,
Aenywirdon.
DOKKUM. — Dokkum, Oostdongeradeel, Westdon geradeel, Dantumadeel,
Ferwerderadeel. Ameland, Schiermonnikoog.
TIETJERKSTERADEEL. — Tietjerksteradeel, Kollumerland, Acht-
karspelen, Smallin^erland.
WESTSTELLINGWERF. — Weststellingwerf, Ooststellingwcrf, Lem-
sterland. Kmilde, Diever. Vledder, Havelte.
STEENWIJK. — Steenwijk, Steenwijfeerwold, Oldemarkt. Kuinre, Blan-
kenham, Blokzijl, Stad-Vollenhove, Ambt-Vollenhove, Giethoorn, Wanneperveen,
Zwartsluis, Staphorst, Hasselt, Genemuiden, Nieuwleusen.
MEPPEL. — Meppel, Dwingelo, Nijeveen, Ruinen, Ruinerwold, Hoog eveen,
Zuidwolde, de Wijk, Avereest.
ZWOLLE. — Zwolle, Zwollerkerspel, Dalfsen, wyhe, Heino.
KAMPEN. — Kampen, Kamperveen, Grafhorst, IJsselmuiden, Wilsum,
Zalk en Vcccaten, Oldebroeb, Elburg, Doornspijk, Heerde, Hattem.
-ocr page 398-
I
KIESWET.                                                  391
OMMEN. — Stad-Ommen, Ambt-Ommen, Gramsbergen, Stad-Hardenberg,
Ambt-Hard e»berg, den Ham, Hellendoorn, Vriezenveen, Kaalte, Holten.
ALMELO. — Stad-Almelo, Ambt-Almelo, Tubbergen, Ootmarsum, Dene-
kamp, Wierden.VVeerselo, Borne, Rassen.
ENSCHEDÉ. — Enschedé, Oldenzaal, Losser, Haaksbergen, Hengelo,
Lonneker.
DEVENTBE. — Deventer, Diepenveen, Bathmen, Voorst, Olst.
LOCHÏÏM. — Loehem, Markelo, Goor, Stad-Delden, Ambt-Delden, Die-
penheim, Gorssel, Laren, Borculo, Neede, Eibergen, Ruurlo, Groenlo.
ZUTPHEN. Zutphen, Vorden, Warasveld, Brummen, Hengelo, Steenderen.
Hummelo, Doesburg.
DOE?lJVCHEJVl. — Stad-Doetinehem, Ambt-Doetinchem, Winterswijk,
Aalten, Lichtenvoorde, Wisch, Dinxperlo, Zelhem, Gendringen.
RHËUEN. — Rheden, Zevenaar, Rozendaal, Westervoort, Duiven,Huissen.
Didam, Angerlo, Bergh, Wehl, Herwen en Aerdt.
ARIHEM. — Arnhem.
ELSP. — Eist, Wageningen, Doorwerth, Renkum, Valburg, Heteren,Hem-
men, B«mmel, Gent, Pannerden, Ewijk, Beuningen.
NIJÏÏEGEN. — Nijmegen, Millingen, Ubbergen, Groesbeek, Heumen.
DRUTEN. — Druten, Overasselt, Wtfchen, Balgoy, Batenburg, Bergharen,
Horssen Appoltern, Driel, Hurwenen, Rossum, Zalt-Bommel, Aramerzoden,
Brakel, Zuiiichem, Poederoijen, Hedcl, Kerkwijk, Gameren, Dreumel, Wamel,
Heere warden.
T.IE1. — Tiel, Zoelen, Geldermalsen, Wadenoijen, Est en Opijnen, Ophe*
mert, Vrik, Deil, Beest, Waardenburg, Haaf ten, Maurik, Lienden, IJzendoom.
Echteld Dodewaard, Kesteren.
WIJX BIJ DUURSTEDE. — Wijk bij Duurstede, Driebergen, Rijsen-
burg, Iuigbroek, Cothen, Werkhoven, Odijk, Houten, Schalkwijk, Tuil en
\'t Waal,Jutphaas, Vreeswijk, IJsselstein, Lopik, Jaarsveld, Benschop, Willige,.
Langer s, Montfoort, Hoenkoop, Polsbroek, Willoskop, Snelrewaard, Culenborg.
Beusicbun, Buren, Buurmalscn, Bunnik, Oudonryn.
EDi — Ede, Barneveld, Nijkerk, Scherpenzeel, Renswoude, Veenendaal,.
Rhenen Amerongen, Leersum, Hoevelaken.
AMIRSPOORT. — Amersfoort, Bunschoten, Eemnes, Baarn, Hoogland,
Soest, houtenburg, Leusden, Woudenberg, Maarn, Zeist, Doorn, de Bildt.
Maartendijk, Achttienhoven, Westbroek.
APELDOORN. — Apeldoorn, Spe, Ermolo, Harderwijk, Putten.
UTE1CHT I. — Het deel der gemeente Utrecht, gelegen oostelijk van
don Kro.mon RUn, de Oude Gracht en de Vecht.
UTRJCHT II. — Het overige gedeelte der gemeente Utrecht.
BREtKELiEN". — BreukelenOiijenrode, Breukelen-St. Pieters, Nieuwveen,.
Nieuwkoo, Zevenhoven, Ter Aar, Abcoude-Proostdij, Abcoude-Baambrugge,.
Loosdreci, Vinkeveen, Vreeland, Loenen, Loenersloot, Mydrecht, Wilnis»
Maarssev«n, Maarsscn, Tienhoven, Zuilen, Vleuten, Laagnleuwkoop, Kocken-
gen, Kam-ik, Zegveld, Haarzuilens, ltuwiel, Harraelen, Veldhuizen, Linschoten.
HILVRSUM. — Hilversum, Ouder-Amstel, Watergraafsmeer, Diemen,,
Muiden, barden, Huizen, Blarieum, Laren, Bussum, Weesp, Weesperkarspel,.
Ankeveentfederhorst den Berg, Nigtevogt, Kortenhoef, \'s Graveland.
HOOR. — Hoorn, Zwaag, Berkhout, Avenhorn, Ursein, Schermerhorn>
OudendijkBeets, Beemster, Oosthuizen, Warder, Middelie, Kwadijk, Purme-
rend, Edai Katwoude, Monnikendam, Marken.
ENKHtZEN. — Enkhuizcn, Medcmblik, Opperdoes, Twisk, Abbekerk,
Hoogwoud,Winkel, Opmeer, Spanbroek, Obdain, Hensbroek, Sijbekarspel.
Wognum, bbixwuud, Midwoud, Wervershoof, Andijk, Bovenkarspel, Groote-
brook, Hoorspel, Westwoud, Blokker-Schellinkhout, Wijdenes, Venhuizen,Urk.
Al.iKMA.it. — Alkmaar, Heiloo, Bergen, Schoorl, Warmenhuizen, Ha-
renkarspel,.t. Maarten, Schagen, Wieringerwaard, Barsingerhorn, Nieu\\ve-
Niodorp, *de-Niedorp, Heerhugowaard, Oudkarspel. Noord-Scharwoude,
Zuid-Scharndo. Broek op Langendijk, St.Pancras, Koedijk, Ondorp, Oterleek.
DEN HL,DER. — Den Helder, Texel, Vlieland, Terschelling, Wieringen,
Anna Pauloia, Zijpe, Callantsoog, Petten.
-ocr page 399-
392                                                 KIESWET.
AMSTERDAM I. — Het gedeelte der gemeente Amsterdam, gelegen
binnen eene lijn, getrokken als volgt: van het snijpunt der aslijnen van het
Noordzeekanaal en zijkanaal H door het midden van het Noordzeekanaal
tot aan het Droogdok; vervolgens langs de doorvaart van de Realengracht
tot op het snijpunt van de Prinseneilandsgracht, vervolgens langs die gracht
tot langs den Spoordijk, tot aan de Westerdokskade, vervolgens door het
midden van de Korte Prinsengracht tot de Noordzijde van de Brouwersgracht
tot den Singel en van daar tot aan de Noordzijde van de Korte Korsjespoort-
steeg, langs die steeg tot aan de oostzijde van den N.Z. Voorburgwal, ver-
volgens langs den N.Z. Voorburgwal tot aan de doorsnede van de Uaadhuis-
straat, daarna de zuidzijde dier straat tot aan de doorvaart van den Singel,
vervolgens langs de Oostzijde van den Singel tot de doorvaart van den
Binnen-Amstel, daarna langs het noordelijk gedeelte van den Amstel tot den
Zwanenburgwal, vervolgens de westzijde van den Zwanenburgwal tot de
St.-Anthoniebrecdstraat, deze straat langs tot over de Nieuwmarkt, oostelijk
langs de Vischmarkt, door het midden (westzyde) van de Geldorscle kade
naar de doorsnede in het IJ tot aan den afsluitdijk, vervolgens lanjs dien
afsluitdyk tot aan de grens der gemeente en van daar in noordwastelyke
richting tot aan het beginpunt.
AMSTERDAM II. — Het gedeelte der gemeente Amsterdam, gelegen
binnen eene lyn getrokken als volgt: van af den afsluitdijk naar Scielling-
woude langs de doorsnede van het IJ tot aan den oostelyken doorjang in
het open havenfront langs de oostzijde van de Geldersche kade tot aan de
llechtboomsloot, langs de noordzijde van de Kechtboomsloot tot aan Ie Oude
Schans (noordzijde) tot aan den lïapenburgwal, voorts langs den Kapnburg-
wal, en het Entrepotdok (Laagte Kadijk) tot aan het snypunt van ie Sar-
phatistraat; de noordzijde van die straat volgende tot aan de Zeeburg<rstraat
(noordzijde) en van daar langs de doorvaart in het Loozingskanaal ti langs
den Diemerdijk tot aan den Immetjeshorn en verder in noordelyke ichting
over het IJ langs de grens der gemeente, langs den Noorder IJ- en 2eedyk
tot aan het beginpunt.
AMSTERDAM III. — Het gedeelte der gemeente Amsterdam, lelegen
binnen eene lijn, getrokken als volgt: van af den Immetjeshorn, la#s den
Diemerdijk tot aan de doorvaart van het Loozingskanaal, vervolgens angsde
Buitensingelgraeht (zuidzyde) tot aan de Kavaleriekazerne, daarna Ings de
doorvaart der Muidergracht langs de zuidzijde van den Hortus Btanicus,
langs de doorvaart van de Nieuwe Heerengracht (zuidzyde) tot -an den
Amstel. Vervolgens door de doorvaart van den Amstel (oostzijde) to aan de
Sehutpbrug en van daar in noordoostelijke richting langs de grenfder ge-
xneente tot aan het beginpunt.
AMSTERDAM IV. — Het gedeelte der gemeente Amsterdanrgelegen
binnen eene lyn, getrokken als volgt: van de Zeeburgerstraat (uidzy*de)
langs de noordzyde van de Sarphatistraat tot aan het snijpnn van het
Entrepotdok, vervolgens langs de doorvaart van het Entrepotdok uidzyde)
en den Rapenburgwal (zuidzijde) tot aan do Oude Schans, daarnalangs de
doorvaart van de Oude Schans (zuidzijde) tot aan de doorvaa van de
llechtboomsloot, vervolgens de zuidzyde dier Kechtboomsloot t aan de
Geldersche kade, van daar langs de Geldersche kade (oostzijde) i Nieuwe
Markt (oostzyde) in zuidelyke richting, naar den Zwanenburgwal, ?rvolgens
langs den Zwanenburgwal (oostzyde) tot het snypunt in den Amdl en van
daar in westelijke richting naar het Sophiaplein ; vervolgens langdat plein
(zuidzyde) door de Keguliersbreedstraat (noordzyde) langs de doönede van
het Thorbeckeplein (oostzyde) en de Reguliersgrachteu (oostzijdept aan het
snijpunt in de Stadhouderskade. Vervolgens die kade in oostel\\3 richting
tot aan het snypunt in den Amstel, daarna de doorvaart (westzy* van den 4
Amstel tot waar men de aslyn ontmoet der Nieuwe Keizcrsgraohforvolgens
de Nieuwe Heerengracht (noordzyde) langs de zuidzyde vanen Hortus
Botanicus en de noordzyde van de Muidergracht, langs de Kavjriekazerue
tot aan het snypunt der Buitensingelgracht, vervolgens langs cïBuitensin-
gelgracht (noordzijde) tot aan het beginpunt.
AMSTERDAM V. — Het gedeelte der gemeente Amsterm, gelegen
-ocr page 400-
/
KIESWET.                                                 393
binnen eene lyn getrokken als volgt: van af het punt in don Amstel,alwaar
de Stadhouderskade die rivier snydt en van daar langs de Stadhouderskade
tot aan de doorsnede van hot Vondelspark. Vervolgens de doorsnede van hot
Willemspark langs de Schinkelkade en voorts in zuidelijke on oostelyke rich-
ting langs de grens der gemeente tot aan den Amstel en van daar langs den
Amstel tot aan het beginpunt.
AMSTERDAM VI. — Het gedeelte der gemeente Amsterdam, gelegen
binnen eene lyn, getrokken als volgt: van af do doorvaart van den Singel
bij de Munt (zuidzijde) tot aan de Gasthuismolensteeg, door de Gasthuis*
molensteeg (zuidzyde), Harten*, Roe- en Laurierstraten (zuidzijden) met eene
recht doorgetrokken lijn tot in de Buitensingelgracht; vervolgens langs de
doorvaart van de Buitensingelgracht (noord-oostzydc) en do Stadhouderskade
(noordzyde) tot tegenover de Nicolaas-Witsenstraat, vervolgens door het
midden dier straat (westzijde) langs de doorvaart van de lieguliorsgracht
(westzyde), het Thorbeckeplein (westzijde), de Reguliersbreestraat tzuidzijde)
tot aan hot beginpunt.
AMSTERDAM VII. — Het gedeelte der gemeente Amsterdam gelegen
binnen eene lyn, getrokken als volgt: van af de doorsnede dor Raadhuisstraat
(noordzijde) langs den N.Z. Voorburgwal (westzijde) tot aan de Korsjospoort-
.steeg. Vervolgens de zuidzijde dier steeg tot aan de doorvaart van den Sin-
gel, daarna den Singel (westzijde) in noordelijke richting vuigcnde tot aan
de Brouwersgracht; vervolgens de Brouwersgracht (zuidzijde^, tot aan de
doorvaart van de Prinsengracht, daarna de Prinsengracht tegenover de
Noordermarkt tot aart do doorsnede der Westerstraat. De Westerstraat (zuid-
zijde) langs het Marnixplein (zuidzijde) tot aan de doorvaart der Marnixkade.
Vervolgens langs de Marnixkade en Buitensingelgracht loostzijde) tot waar
men het verlengde van de aslyn der Laurierstraat ontmoet; verder door het
midden der Laurierstraat, Reestraat, Hartenstraat en Gysthuismolonsteeg
(noordzyde), daarna langs de doorvaart van den Singel (westzijde) tot aan
het beginpunt.
AMSTERDAM VIII. — Het gedeelte der gemeente Amsterdam, gelegen
binnen eene lijn, getrokken als volgt : van het snijpunt der aslijnen van het
Noordzeekanaal en zykanaal H., zuidwaarts langs de grens der gemeente tot
aan de Haarlemmervaart. Vervolgens langs de doorvaart der Haarlemmervaart
(noordzijde) tot aan het Nassauplein. Daarna langs de doorvaart der Mar-
nixkade tot aan de Zaagbarrièrc, vervolgens langs de Westerstraat (noord-
zijde) tot aan de doorvaart der Prinsengracht (westzyde) tot aan het snijpunt
der Westerdokskadc. Van daar langs de Prinseneilandsgracht (westzijde) tot
aan de aslyn van de Realengracht. Vervolgens langs het Realeneiland tot
aan de doorvaart van het Noordzeekanaal en van daar in Noorrleiyko rlch-
ting tot nan het beginpunt.
AMSTERDAM IX. — Het gedeelte der gemeente Amsterdam, gelegen
binnen eene lyn, getrokken als volgt: van af den noordelijken hoek van \'t
Nassauplein, langs de doorvaart der Haarlemmervaart (zuidzijde) tot aan de
grens der gemeente. Vervolgens zuidwaarts die grens volgende langs de
Kostverloren Wetering tot aan de doorvaart van de Schinkcikade (noordzy\'de).
Vervolgens de doorsnede van het Willemspark en Vondelspark (noordzyde)
tot aan de doorvaart van de Stadhouderskade en van daar langs de doorvaart
dier kade (westzyde), Buitensingelgracht (westzijde) en de Nassaukade tot
aan het beginpunt.
HAARLEM. - Haarlem
BEVERWIJK. — Bevorwyk, Zandvoort, Bloemendaal, Schoten, Spaarn-
dam, Haarlemmerliede en Spaarnwoude, Velsen, Assendelft, Westzaan, Krom»
menie, Wyk aan Zee en Duin, Heemskerk, Uitgeest, Costricum, Akersloot,
Limmen, Ègmond binnen, Egmond aan Zee.
ZAANDAM. — Zaandam, Koog a. d. Zaan, Zaandyk, Wormerveer, Wormer,
Jisp, Graft, de Rüp, Zuid- en Noord-Schermer, Wijdewormer, Oostzaan, Hpen-
dam, Landsmeer, Buiksloot, Broek in Waterland, Nieuwendam, Ransdorp.
HAARLEMMERMEER. — Haarlemmermeer, Sloten, \'Heemstede,
Bennebroek, Aalsmeer, Uithoorn, Leimuiden, Lisse, Hillegom,, Alkemade,
Nieuwer-Amstel.
-ocr page 401-
394                                                  KIESWET.
LEIDEN. - Leiden.
KATWIJK. — Katwijk, Noordwjjk, Noordwijkerhout, Sassenheim, Voor-
hout, Oegstgeest, Warmond, Rijnsburg, Valkenburg, Leiderdorp, Rynsater-
woude, Woubrugge, Oudshoorn, Koudekerk, Zoeterwoude, Voorschoten, Veur,
Wassenaar.
GOUDA. — Gouda, Boskoop, Moerkapelle, Waddinxveen, Moordrecht,
Nieuwerkerk a. d. IJsel, Ouderkerk a. d. IJsel, Krimpen a. d. IJsel, Krimpen
.1. d. Lek, Gouderak, Lekkerkerk, Capelle a. d. IJssel.
BODEGRAVEN". — Bodegraven. Aarlanderveen, Hazerswoude, Alphen,
Zwammerdam, Rietveld, Woerden, Waarder, Barwoutswaarder, Papekop,
Lange Ruige Weide, Reeuwijk, Oudewater, Hekendorp, Haastrecht, Vlist,
Stolwijk, Schoonhoven, Bergambacht, Ammerstol, Berkenwoude.
DELFT. — Delft, Hof van Delft, Pijnacker, Vrijenban, Berkel Bleiswijk,
Zevenhuizen, Bergschenhoek, Hillegersberg.
LOOSDUINEN. — Loosduinen, \'a Gravesande, Maassluis, Maasland,
de Lier, Naaldwyk, Schipluiden, Monster, Wateringen, Ryswyk, Voorburg,
Stompwijk, Nootdorp, Zoetermeer, Zegwaard, Benthuizen.
SCHIEDAM. — Schiedam, Overschie, Schiebroek, Kethel, Vlaardingen,
Vlaardingcrambacht.
ROTTERDAM I. — Het deel der gemeente, begrensd door eene lijn,
loopendc van het snypunt der aslijnen, van de rivier de Maas en het Boe-
rengat door het midden van laatstgeineld water van het Oostplein en van
de Oostpoort; van daar langs de oostzijde der Boezemkolk, het stoomgemaal
buitensluitende, over het midden van de Boezembrug en het Oostvestplein,
tot het midden van den Goudschenweg; vervolgens midden over deze straat
het Goudsche plein en den Crooswijkschen weg tot aan de voormalige Kra-
lingsche grens; verder >suid-oostwaarts ombuigende langs die grens tot het
midden van de rivier de Maas en eindelijk van daar door het midden van
de rivier stroomafwaarts tot het punt van begin. De voormalige gemeente
Kralingcn.
ROTTERDAM II. — Het deel der gemeente, begrensd door eene lijn,
loopende van het snijpunt der aslijnen van den Goudschen weg en het Oost-
vestplein, westwaarts midden door de gracht van den Goudschen Singel, door
de sluis aan het Couwenburghseiland en de Rotte; vervolgens langs denoord-
zijde der huizen, aan de Galerij tot in het midden van de Delftsche vaart;
van daar door het midden van de Schiekolk en de Schie tot de grens van
Hillegersberg, en verder langs die grens en die van de voormalige gemeente
Kralingen tot aan het Zuideinde van den Achterweg; vervolgens over het
midden van den Crooswijkschen weg, het Goudsche plein en den Goudschen
weg tot aan het punt van begin.
ROTTERDAM III. — Het deel der gemeente, begrensd door eene lijn,
loopende van het snijpunt der asiynen van de Leuvehaven en deLeuvebrug-
steeg midden door die steeg en de Schildersteeg tot het midden van de gracht
van den Sehiedamschen Singel; van daar noordwaarts midden door die gracht
tot aan het midden van den Binnenweg, midden over den Binnenweg tot aan
de grens der kadastrale gemeente Delfshaven; van daar langs die grens en
langs de grens van Overschie tot het midden van de Schie, midden door
dat water en de Schiekolk tot het midden van de Delftsche vaart; van daar
benoorden langs de huizen aan de Galerij midden door de Rotte tot tegen-
over het midden van de Tweede Lombardstraat; van daar het midden van
die straat en van do Eerste Lombardstraat volgende tot het midden van
de Boerenvischmarkt en midden over de Boerenvischmarkt en de Korte Tu-
renstraat tot het midden van de Delftsche vaart; van daar midden over het
Spui en de Vlasmarkt tot het midden van de sluis „het Spui" ; vervolgens
van daar midden door do Steigergracht en de Leuvehaven tot het punt van begin.
ROTTERDAM IV. — Het deel der gemeente, begrensd door eene lyn,
loopende van het snijpunt der asiynen van de rivier de Maas en de Leuve-
haven stroomafwaarts midden door de rivier langs de voormalige Charloische-
en vervolgens langs de Schiedamsche en Overschicsche grens tot het midden
van de Coolsehe straat; van daar langs de grens der kadastrale gemeente
Delfshaven tot aan het midden van den Binnenweg, midden door den Binncn-
-ocr page 402-
395
KIESWET.
weg oostwaarts tot aan het midden van de gracht van den Schiedamschen
Singel, midden door die gracht tot aan het midden van de Schildersteeg en
midden door die steeg en de Leuvebrugsteeg tot aan het midden van de
Leuvenaven en eindelijk van daar zuidwaarts midden door die haven tot aan
het punt van begin. De voormalige gemeente Charlois.
ROTTERDAM V. — Het deel der gemeente, begrensd door eene lijn,
loopende van het snijpunt der aslijnen van de rivier de Maas en het Boeren-
gat, stroomopwaarts midden door de rivier; vervolgens langs de voormalige
Kralingsche, de IJsselmondsche en de voormalige Charloisclie grens tot weder
in het midden van de rivier; van daar stroomopwaarts midden door de rivier
tot aan de verlengde aslyn van de Leuvehaven, midden door die haven en
de Steigergracht tot midden voor de sluis „het Spui"; van daar midden over
de Vlasmarkt en het Spui tot aan het midden van de Korte Torenstraat,
midden door die straat en de Boerenvisehmarkt tot aan het midden van de
Eerste Lombardstraat, midden door die straat en de Tweede Lombardstraat
tot midden in de Rotte; van daar midden door de sluis van het Couwenburghs-
eiland, de gracht van den Goudschen Singel, het Oostvestplein en de Boe-
zembrug; vervolgens beoosten langs de Boezemkolk; het stoomgemaal inslui-
t?nde, midden door de Oostpoort, het Oostplein en het Boerengat tot het punt
van begin.
BRIEIiLE. — Brielle, den Bommel, Ooltgensplaat, Stad aan \'t Haringvliet,
Oostvoorne, Vierpolders, Nieuwenhoorn, Hellevoetsluis, Nleuw-Helvoet, Roc-
kanje, Heenvliet, Geervliet, Zwartewaal, Spijkenisse, Hekelingen, Zuidland,
Abbenbrofk, Oudeiihoorn, Rozenburg, Pernis, Hoogvliet, Poortugaal, Gouds*
waard, Piershil, Zuid-Beijerland, Nieuw-Beijerland.
*s GRAVENHACxE I — Het gedeelte der gemeente \'s Gravenhage,
gelegen binnen eene lijn, getrokken als volgt: beginnende aan de Laakbrug
op den straatweg van \'s Gravenhage naar Delft, volgende westwaarts de zuid-
oostzijde van de Laak of Moiensloot (grensscheiding met de gemeente Rijswijk)
tot de Beekwatering of Lange Laak (grensscheiding met de gemeente Loos-
duinen), deze noordwaarts volgende tot het punt, gelegen in de lijn, uitma-
kende het verlengde van de as van het zoogenaamde Uitpad in den Zuster-
po|der; vervolgens oostwaarts langs die lijn en de as van gemeld Uitpad tot
aan den hoek bij den voormaligen molen „de Ooievaar"; verder oostwaarts
door het midden der gracht van den Zuidbinnensingel en van een kort stuk
Zuidwal, langs de as van Glasblazerslaan, een klein gedeelte Lange Beesten-
markt, Hamerstraat, Nieuwe Molstraat; voorts noordwaarts door de as van
de Wagenstraat tot de Spuistraat, oostwaarts door de as van Spuistraat, Lange
Pooten, straat ten zuiden het Plein, Korte Pooten en Heerengracht, door het
midden der gracht van den Zuidoostbuitensingel tot de Rijnstraat, door de
as van deze straat en rondom het noordelijkste terrein van den Staatsspoor-
weg, verder Zuidwaarts langs de as van den Schenkweg tot de Schenkwatering
(grensscheiding met de gemeente Voorburg) en eindeiyk westwaarts langs
deze en die met de gemeente Ryswijk tot de Laakbrug.
\'S GRAVENHAGE II. — Het gedeelte der gemeente \'s Gravenhage,
gelegen binnen eene lyn, getrokken als volgt: beginnende bij den hoek van
de Wagenstraat en Nieuwe Molstraat, Hamerstraat, een klein gedeelte Lange
Beestenmarkt, Glasblazerslaan, door het midden van een kort stuk Zuidwal
en van den Zuidbinnensingel tot aan den hoek bij den voormaligen molen
„de Ooievaar"; verder westwaarts door do as van het zoogenaamde Uitpad en
den Zusterpolder en in het verlengde van dio as naar de Beekwatering of
Lange Laak (grensscheiding met de gemeente Loosduinen), noordwaarts die
grens volgende tot aan de as van den Loosduinschen weg, verder noordwaarts
langs de Beeklaan (grensscheiding met de gemeente Loosduinen) tot het
punt, gelegen in de lyn in het verlengde van het midden der Elandsgracht;
vervolgens oostwaarts langs die lijn het midden van de Elandsgracht, de
Hoogowalsgracht, Mauritskadegracht, door de as van de Kanaalstraat en door
het midden van Koningskadegraeht en Benoordenhoutsche watering tot de
grensscheiding met de gemeente Wassenaar, deze grens eerst tot den noord-
oostelyken hoek en daarna zuidwaarts tot het midden der Schenkwatering
volgende (grensscheiding met de gemeente Voorburg); voorts westwaarts langs
-ocr page 403-
396                                                 KIESWET.
laatstbedoelde grens tot de brug van den Schenkweg en door de as van den
Schenkweg, rondom het noordelijkste terrein van den Staatsspoorweg, verder
westwaarts door de as der Rijnstraat, door het midden dor gracht van een
deel Zuidoostbuitensingel en door de as van Heerengracht, Korte Pooton, straat
ten zuiden het Plein, Lange Pooten en Spuistraat tot den hoek der Veene-
straat en eindelijk zuidwaarts door de as van de Wagenstraat tot den hoek
van de Nieuwe Molstraat.
\'s GRAVENHAGE III. — Het gedeelte der gemeente \'s Gravenhage,
gelegen noordelijk van de lijn, aanvangende op de Beeklaan (grensscheiding
met de gemeente Loosduinen), in het verlengde van het midden van de
Elandsgracht oostwaarts volgende dat verlengde, het midden van de Elands-
gracht, de Hoogewalsgracht, de Mauritskadegracht, de as van de Kanaalstraat
en het midden van Koningskadegracht en Benoordcnhoutsche watering tot
den noordoos tel ijken hoek van de grensscheiding met de gemeente Wassenaar.
DORDRECHT. — Dordrecht,\' Dubbeldam, Zwijndrecht, Papendrecht,
Heerjansdam.
RIDDERKERK - Ridderkerk, Barendrecht, Hcndrik-Ido-Ambacht,
IJsselmonde, lthoon, \'s Gravendeel, Stryen, Maasdam, Puttershoek, Heinen-
oord, Oud Beijerland, Mijnshecrenland, Westmans, Klaaswaal, Numansdorp.
GORINCHEM. — Gorinchem, Herwijnen, Vuren, Nederheinert, Wyk en
Aalburg, Veen, Op- en Neer-Andel, Glossen, Ryswijk, Woudrichom, de Wer-
ken en Sleeuwijk, Werkendam, Schelluinen, Arkel, Kedichem, Heukelum,
Asperen, Hardinxveld, Giessen, Nieuwkerk, Giessendam, Molenaarsgraaf.
Hoogblokland, Hoornaar, Noordeloos, Nieuwland.
SLI33DRECHT. — Sliedrecht, Vianen, Hagestein, Everdingen, Schoon-
rewoerd. Leerdam, Hei- en Boeikop, Leerbroek, Lexmond, Meerkerk, Ameide,
Tienhoven, Langerak, Goudriaan, Kieuwpoort, Groot-Ammers, OttolanQ\\,
Peursum, Brand wyk, Bleskensgraaf, Wijngaarden, Streefkerk, Nieuwlekkerland
Alblasserdam. Oud-Alblas.
MIDDELBURG. - Middelburg, Vlissingen, Veere, Oostkapelle, Domburg,
Vrouwenpolder, Serooskerke, Aagtekerke, Gry*pskerke, Westkapellc, St. Lau-
rens, Meliskerke, Zoutelande, Biggekerke, Oost-en West Souburg, Koudekerke,
Bitthem, Kieuw- en St. Joostland, Arnemuiden.
OOSTBURG. - Oostburg, Cadzand. Retranchement, Zuidzaude, Sluis,
Aardenburg, Eede, St. Kruis, Waterlandkerkje, Uzendyke, Breskens, Groede,
Nieuwvliet, Schoondijke, Hoofdplaat, Biervliet, Neuzen, Hoek, Philippine,
Westdorpe, Zaamslag. Sas van Gent, Axel.
GOES. — Goes, \'s Heer-Arendskerke, \'s Heer-Abtskerke, Wolphaartsdyk,
Heinkenszand, \'s Gravenpolder, Kattendyke, Kloetinge, Wemeldinge, Wisse-
kerke, Colijnsplaat, Kortgene, Kats, Tholen, Oud-Vossemcer, Poortvliet. St.
Annaland. Stavenisse, St. Maartensdyk, Scherpenisse, St. Philipsland
HONTENISSE. — Hontenisse, Overslag, Zuiddorpe, Koewacht, Bosch-
kapelle, Hulst, Clinge, St. Jansteen, Stoppoldyk, Hengstdyke, Graauw en
Langendam, Ossenisse, Rilland-Bath, Waarde, Schore, Kruiningen, Krabben*
dyke, Yerseke, Kapelle, Borsselen, Driewegen, Nisse, Ovezande, Hoedekens-
kerke, \'s Hnerenhoek, Oudelande, Eilewoutsdyk, Baarland.
ZIEBIKZEE. — Ziprikzee, Haamstede, Noordwelle, Renesse, Serooskerke,
Burgh, Elkerzee, EUemeet, Brouwershaven, Zonnemaire, Duivendyke, Kerk-
werve, Noordgouwe, Dreischor, Oosterland, Nieuwerkerk, Ouwerkerk, Brui-
nisse, Goedereede, Ouddorp, Stellendam, Dirksland, Melissant, Middelharnis,
Sommelsdijk, Oude-Tonge, Nieuwe-Tonge, Herkingen.
BERGEN OP ZOOM. — Bergen op Zoom, Woensdrccht, Ossendrecht,
Huybergen, Putte, Nieuw-Vossemeer, Wouw. Halsteren, Rosendaal en Nispen,
Steenbergen en Kruisland.
BREDA. — Breda, Rucphen en Vorenseinde, Hoeven, Etten en Leur,
Prinsen hage. Terheyden.
OOSTERHOUT. — Oosterhout, Zundert, Rosbergen, Ginniken en Bavel,
Teteringen, Dongen, \'s Gravenmoer, Loon op Zand, Gilzp en Reyen, Chaam,
Baarle-Nassau.
ZEVENBERGEN. - Zevenbergen, Dlnteloord en Prinsland, Oud en
Nieuw Gastel, Fynaart en Heiningen, Willemstad, Klundert, Standdaarbuiten,
-ocr page 404-
397
KIESWET.
Oudenbosch, Hooge en Lage Zwaluwe, Geertruidenberg, Made en Drimmelen,
Raamsdonk.
WA.ALWIJK. — Waalwijk, Almkerk, Dussen, Munster en Muilkerk,
Waspik, Meeuwen, Hill en Babyloniënbroek, Heesbeen, Eet hen en Gendereu,
Drongelen, Hangoort, Gansoyen en Doeveren, Besuyen, Baardwijk. Drunen,
Nieuwkuyk, Vimmen, Empel en Meerwijk, Engelen, Bokhoven, Hedikhuizen,
Herpt, Oudheusden, Heusden, Capelle, Sprang, Vrtyhoere Capelle, Crornvoirt,
Helvoirt. TTdenhout, Berkel, Haaren.
TILBURG. — Tilburg, Oisterwyk, Moergestel, Hilvarenbeek, Goorle,
Alphen en Kiel, Diossen, Üost-, West- en Middelbeers.
EINDHOVEN. — Eindhoven, Hooge en Lage Mierde, Heuse], Bhidel en
Netersel, Oirsehot, Lieinpde, Vessem, Win tel re en Knegsel. Zeelst, Strijp,
Woensel, Best, Stratum, Gestel en Blaarthem, Hoogeloon. Hapert en Casteren,
Duizel en Steensel, Eersel, Luyksgestel, Borkel en Schaft, Bergeyk, Dom-
melen, Westerhoven, Veldhoven en Mere veld hoven, Riethoven, Oerle, Val-
kenswaard.
HELMOND, — Helmond, Tongelre, Nunen, Gerwen en Nederwetten,
Zesgehuchten, Hakel en Milheeze, Deurne en Liesel, Vlierden, Geldrop, Mier-
lo, Lierop, Asten, Someren, Leende, Heeze, Maarheezo, Soerendonk, Sterksel
en Gassel, Budel. Aalst, Waalre, Stiphout, Aarle-Rixtel.
MAASTRICHT. - Maastricht, St. Pieter, Üud-Vroenhoven, Meerssen,
Ambij. Heer. Gronsveld, Eysden.
GULPEN. — Gulpen, Mesch, Rijekholr, St. Geertruid, Mheer, Noorbeek,
Slenaken, Wittem, Vaals, Bocholtz, Simpelveld, Wijlre, Valkenburg, Oud-Val-
kenburg, Margraten, Cadier en Keer, Bemelen, Berg en Terblyt, Houthem,
Kerkrade, Voerendaal, Sehin op Geulle, Heerlen, Sehaesberg, Klimmen.
SITTARD. ~- Sittard, Borgharen, Itteren, Bunde. Geulle, Esloo, Stein,
Urmond, Obblcht en Paponhoven, Grevenblcht, Limbricht, Bom, Nieuwstadt,
Broeksittard, Munstergeleen, Geleen, Beek, Spaubeek, Sehimmert, Hulsberg,
Wynandsrade, Nuth, Ulestraten, Schinnen, Amstenrade, Hoensbroek, Bruns-
sum, Schinveld, Jabeck, Bingelrade, Merkelbeek, Oirsbeek, Eygelshoven, Ubach
over Wornis, Nieuwenhagen.
ROERMOND. — Itoermond, Susteren, Koosteren. Echt, Ohé en Laak,
Stevensweert, Vlodrop, Posterholt, St. Odiliënberg, Meliek en Herkenbosch,
Montfort, Maasbracht, Linne, Herten, Maasntel. Horn, Beegden, Heel en
Panheel. Wessem, Thorn, Swalmen, Beessel.
VENLO. — Venlo, (ïrebbenvorst, Arcen en Velden, Broekhuizen, Meerlo,
Wanssum, Venray, Bergen, Ottersum, Gennep, Mook, Sambeek, Vierlingsbeek,
Maashees en Overloon, üploo, St. Anthonis en Ledeacker, Bell\'eld, Tegeien.
WEERT. — Weert, Hunsel, Stramproy. Nederweert, Roggel,Heythuizen,
Neer, Kessel, Meyel, Helden, Sevenum, Maasbree, Horst, Buggenum, Nun-
hem, Haelen, Ittervoort, Neeritter, Baexem, Grathem.
GRAVE. — Grave, Boxmeer, Aiem. Maren en Kessel, Lith, Lithoyen,
Geffen, Oss. Ooyen en Teeftelen, Megen, Haren en Maeharen, Dieden, Demen
en Langel, Deursen en Dennenburg, Huisseling en Neerloon, Berghem, Her-
pen, Heeseh, Schayk, Ravenstein, Reek, Velp, Escharen, Gassel. Beers, Linden,
Ouyk en St. Agatha, Oeft\'elt, Haps, Beugen en Rykevoort, Wunroy, Mill en
St. Hubert. Nistelrode.
\'sHERTOGENBOSCH. — \'s Hertogenbosch, Vught, den Dungen, Ber-
licum. Rosmalen, Nuland, Boxtel, Esch.
VEGHEL. — Veghel, Uden, Zeeland, St. Michielsgestel, Schü\'ndel, St.
Oedenrode, Dinther, Heeswijk, Erp, Boekei, Gemert, Son en Breugel, Lies-
hout, Beek en Donk.
-ocr page 405-
WET
TOT REGELING EN BEPERKING DER UITOEFENING
VAN HET REGT VAN VEREENIGING EN
VERGADERING.
Art. 1.
Tot de oprigting eener vereeniging wordt geene magtiging
gevorderd.
2.  De vereeniging, strijdig met de openbare orde, is ver-
boden.
3.  Met de openbare orde wordt strijdig geacht elke vereeni-
ging, welke tot doel heeft:
1". ongehoorzaamheid aan of overtreding van de wet of eene
wettelijke verordening;
2°. aanranding of bederf der goede zeden;
3°. stoornis in de uitoefening der regten, van wie het ook zij.
4.  (Vervallen.)
5.   Geene vereeniging, buiten die door de Grondwet of andere
wetten ingesteld, treedt als regtspersoon op dan na öf door eene
wet, öf door Ons te zijn erkend.
Alle voor onbepaalden tijd of voor langer dan dertig jaren aan-
gegane vereenigingen, welke als rechtspersonen willen optreden,
behoeven eene erkenning door de wet.
Dergelijke vereenigingen, voor minder dan dertig jaren aan-
gegaan, kunnen door Ons worden erkend.
6.  Do erkenning geschiedt door goedkeuring van de statuten
of reglementen der vereeniging.
Die statuten of reglementen bevatten het doel, de grondslagen,
den werkkring en de overige regelen der vereeniging.
-ocr page 406-
WET OP DE VEREENIGING EN VERGADERING.                 399
7.  De erkenning wordt door Ons alleen geweigerd, op gronden,
ontleend aan het algemeen belang.
Het besluit van weigering is met redenen omkleed.
8.  Wijziging of verandering der goedgekeurde statuten ver-
eischt nadere goedkeuring.
9.  De goedgekeurde statuten, wijzigingen of veranderingen wor-
den door de Staatscourant openbaar gemaakt.
10.  De afwijking van goedgekeurde statuten geeft aan het
openbaar ministerie de bevoegdheid om bij den burgerlijken regter
de vervallen-verklaring der vereeniging van hare hoedanigheid
van regtspersoon te vorderen.
De regter, de vervallen-verklaring uitsprekende, kan aan de
vereeniging, niettegenstaande hooger beroep of voorziening in
cassatie, de bevoegdheid tot het plegen van burgerlijke hande-
lingen bij voorraad ontzeggen.
De verevening der zaken eener van hare regtspersoonlijkheid
vervallen verklaarde vereeniging geschiedt onder toezigt des
regters, die de vervallen-verklaring uitsprak op de wijze en met
inachtneming der vormen, omtrent onbeheerde nalatenschappen
vastgesteld.
11.  Nadat door den benoemden curator de roerende en onroe-
rende goederen der vereeniging verkocht en de schulden be-
taald zijn, wordt het batig slot, zoo er een is, aan hen, welke
op het oogenblik der vervallen-verklaring leden der vereeniging
zijn. of aan hunne regthebbenden, elk voor het aandeel, dat zij
in de vereeniging hebben, uitgekeerd.
12.  Vereenigingen, niet als regtsporsonon volgens deze wet inge-
steld of erkend, kunnen als zoodanig geene burgerlijke hande-
lingen aangaan.
De overeenkomsten namens haar gesloten, en de goedoren
namens haar verkregen, worden ten opzigte van het Rijk en
van derden beschouwd als volgende de personen, welke de
overeenkomst gesloten en de goederen aanvaard hebben, al is
het ook, dat in de overeenkomsten en titels de handelende per-
sonen slechts als gemagtigden of beheerders der vereeniging
zijn aangewezen.
13.  De onderlinge verhouding der leden van vereenigingen,
welke niet als regtspersonen kunnen optreden, regelt zich naar
de door hen vastgestelde reglementen en de algemeene regelen
van het burgerlijk regt.
De bepalingen van artt. 1700 en 1701 van het Burgerlijk
Wetboek blijven op deze vereenigingen, ofschoon niet als regts-
personen beschouwd, van toepassing.
14.   De bepalingen der voorafgaande artikelen zijn niet
van toepassing op de burgerlijke maatschap of vennootschap,
noch op vennootschappen van koophandel, wederkeerige ver-
-ocr page 407-
400                WET OP DE VEBEENIGING EN VERGADEBING.
zekerings- of waarborgmaatschappijen en scheepsreederijen.
De bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Wet-
boek van Koophandel blijven op deze onderwerpen van toepas-
sing.
15.   Vereenigingen, welke vóór het in werking treden dezer
wet bestonden, worden beoordeeld naar de wetten, waaronder
zij zijn opgerigt.
16.   Vreemdelingen, geene ingezetenen zijnde, kunnen niet
zijn leden van staatkundige vereenigingen.
17.   (Vervallen).
18.   Openbare vergaderingen tot gemeenschappelijke beraadsla-
ging worden in de opene lucht niet toegelaten, dan op bekomene
vergunning van het hoofd van het gemeentebestuur, verleend
vijf dagen, vóór dat de vergadering wordt gehouden.
Onze Commissaris in de provincie kan zoodanige vergunning
intrekken, of, bij weigering der vergunning door het hoofd van
het gemeentebestuur, haar van zijnen kant op verzoek van
belanghebbenden verleenen.
19.   Tot alle vergaderingen in gebouwen, waarbij het publiek
wordt toegelaten, hebben de ambtenaren van algemeene en
plaatselijke politie den vrijen toegang.
Weigering van toegang geeft recht aan de ambtenaren der
politie om, bijgestaan door het hoofd van het gemeentebestuur,
zich den toegang te verschaffen.
20.   Het dragen van wapenen is verboden in de vergaderingen,
in de twee voorgaande artikelen bedoeld.
Dit verbod is niet toepasselijk op militaire officieren en onder-
officieren, in uniform gekleed.
21.   Bijeenkomsten om zich in het hanteren van wapenen te
oefenen, worden op plaatsen, in den regel voor het publiek
toegankelijk, of wanneer zij door meer dan tien personen wor-
den bijgewoond, niet toegelaten dan met vergunning van het
hoofd van het gemeentebestuur.
Deze vergunning wordt niet verleend dan ten minste vijf
dagen, vóór dat de bijeenkomst wordt gehouden, en onder de
voorwaarden, in het belang der openbare veiligheid gevorderd.
Het 2de lid van art. 18 is ten deze van toepassing.
22.   Elke vergadering, waarin de openbare orde wordt gestoord,
of tegen de bepalingen dezer wet wordt gehandeld, gaat op de
opvordering der politie terstond uiteen.
23.     Onverminderd de straffen, vastgesteld op bijzondere
misdrijven in geoorloofde of ongeoorloofde vereenigingen en ver-
gaderingen, of ter gelegenheid daarvan gepleegd, worden zij,
die artt. 16, 18, 20 en 21 overtreden, gestraft met geldboete
van vijftig cents tot honderd gulden of hechtenis van éen dag
tot twee maanden.
-ocr page 408-
FA1LLISSEMENTSWET.
TITEL I.
Van Faillissement.
EERSTE AFDEELING.
VAN DE FAILLIETVERKLARING.
Art. 1.
De schuldenaar, die in den toestand verkeert dat hij heeft
opgehouden te betalen, wordt, hetzij op eigen aangifte, hetzij
op verzoek van een of meer zijner schuldeischers, bij rechter-
lijk vonnis in staat van faillissement verklaard.
De faillietverklaring kan ook worden uitgesproken, om
redenen van openbaar belang, op de vordering van het Ópen-
baar Ministerie.
2. De faillietverklaring geschiedt door de rechtbank van
de woonplaats des schuldenaars.
Indien de schuldenaar zich buiten het Rijk in Europa heeft
begeven, is de rechtbank zijner laatste woonplaats bevoegd.
Ten aanzien van vennooten onder eene firma is de recht-
bank, binnen\' welker gebied het kantoor der vennootschap is
gevestigd, mede bevoegd.
Indien de schuldenaar binnen het Rijk in Europa geene
woonplaats heeft, doch aldaar een beroep of bedrijf uitoefent,
is de rechtbank, binnen welker gebied hij een kantoor heeft,
bevoegd.
Wordt in het geval van het derde of vierde lid of in dat
van artikel 3 door meer dan ééne daartoe bevoegde rechtbank
op verschillende dagen de faillietverklaring uitgesproken, dan
26
-ocr page 409-
402                             VAN DE FAILLIETVERKLARING.
heeft alleen de eerst gedane uitspraak rechtsgevolgen. Heeft
de uitspraak van verschillende rechtbanken op denzelfden dag
plaats, dan heeft alleen de uitspraak van de rechtbank, die
in de wetten van 9 April 1877 (Stbl. nos. 74—78) het eerst
genoemd wordt, rechtsgevolgen.
Ten aanzien van naamlooze vennootschappen, wederkeerige
verzekerings- of waarborgmaatschappijen, coöperatieve of andere,
rechtspersoonlijkheid bezittende, vereenigingen en van stich-
tingen geldt, ter toepassing van dit artikel, de plaats, waar
zij haren zetel hebben, als woonplaats.
3.  De gehuwde vrouw, die zelfstandig een beroep of bedrijf
uitoefent of een eigen vermogen bezit, kan ook ter plaatse,
waar zij dit doet of waar zij gevestigd is, in staat van faillis-
sement worden verklaard.
4.   De aangifte tot faillietverklaring wordt gedaan en het
verzoek daartoe ingediend ter griffie en niet den nieesten
spoed in raadkamer behandeld. Het Openbaar Ministerie wordt
daarop gehoord.
Ten aanzien eener vennootschap onder eene firma, moet de
aangifte inhouden den naam en de woonplaats van elk der
hoofdelijk voor het geheel verbondene vennooten.
Het vonnis van faillietverklaring wordt ter openbare terecht-
zitting uitgesproken en is bij voorraad, op de minute uitvoer-
baar, niettegenstaande eenige daartegen gerichte voorziening.
5.    De verzoekschriften, bedoeld in het vorige artikel en in
de artikelen 8, 9, 10, 11, 67, 155, 166, 198 en 206, worden
ingediend door een procureur.
6.   De rechtbank kan bevelen, dat de schuldenaar worde
opgeroepen, om in persoon of bij gemachtigde gehoord te
worden. De oproeping geschiedt bij brief door den griffier.
De faillietverklaring wordt uitgesproken, indien summierljjk
blijkt van hot bestaan van feiten of omstandigheden, welke
aantoonen, dat de schuldenaar in den toestund verkeert dat
hij heeft opgehouden te betalen, en, zoo een schuldeischer het
verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van dezen.
7.  Hangende het onderzoek kan de rechtbank den verzoeker
toestaan den boedel te doen verzegelen. Zij kan daaraan de
voorwaarde van zekerheidstelling, tot een door haar te bepa-
len bedrag, verbinden
De verzegeling geschiedt door den kantonrechter. Buiten de
verzegeling bljjven, doch worden in het procesverbaal korteljjk
beschreven, de goederen vernield in artikel 21, no. 1.
8.  De schuldenaar, die in staat van faillissement is verklaard,
nadat hij op de aanvraag tot faillietverklaring is gehoord,
heeft gedurende acht dagen, na den dag der uitspraak, recht
van hooger beroep.
-ocr page 410-
403
VAN DE FAILLIETVERKLARING.
Zoo hij niet is gehoord, heeft hij gedurende veertien dagen,
na den dag der uitspraak, recht van verzet. Indien hij tijdens
de uitspraak zich niet binnen het Rijk in Europa bevindt,
wordt die termijn verlengd tot eene maand.
Van het vonnis, op het verzet gewezen, kan hij gedurende
acht dagen, na den dag der uitspraak, in hooger beroep komen.
Het verzet of hooger beroep geschiedt bij een verzoekschrift
in te dienen ter griffie van het rechtscollege, dat van de zaak
kennis moet nemen. De voorzitter bepaalt terstond dag en
uur voor de behandeling. Uiterlijk op den vierden dag, vol-
gende op dien waarop hij zijn verzoek heeft ingediend, wordt
door den schuldenaar van het gedane verzet of ingestelde
hooger beroep, alsmede van den tijd voor de behandeling
bepaald, bij deurwaarders-exploot aan den procureur, die het
verzoek tot faillietverklaring heeft ingediend, kennis gegeven.
Deze kennisgeving geldt voor oproeping van den schuldei-
scher, die de faillietverklaring heeft uitgelokt.
De behandeling geschiedt op de wjjze bij artikel 4 voor-
geschreven.
9.   Bij afwijzing van de aangifte of aanvraag tot failliet-
verklaring bestaat recht van hooger beroep, gedurende acht
dagen na den dag der afwijzing.
Hetzelfde geldt bij vernietiging der faillietverklaring ten
gevolge van verzet, in welk geval van het hooger beroep door
den griffier van het gerechtshof, waarbij het is aangebracht,
onverwijld wordt kennis gegeven aan den griffier van de recht-
bank die de vernietiging heeft uitgesproken.
De instelling en behandeling van het hooger beroep geschiedt
op de wijze in de artikelen 4 en 6 voorgeschreven.
10.   Elk schuldeischer, met uitzondering van hem die de
faillietverklaring heeft verzocht, en elk belanghebbende heeft
tegen de faillietverklaring recht van verzet gedurende acht
dagen na den dag der uitspraak.
Het verzet geschiedt bij een verzoekschrift in te dienen ter
griffie van het rechtscollege, dat de faillietverklaring heeft
uitgesproken.
De voorzitter bepaalt terstond dag en uur voor de behan-
deling. Uiterlijk op den vierden dag, volgende op dien waarop
hij zijn verzoek heeft ingediend, wordt door den verzoeker
van het gedane verzet, alsmede van den tijd voor de behan-
deling bepaald, bij deurwaarders-exploot kennis gegeven aan
den schuldenaar en, indien de faillietverklaring door een schuld-
eischer is verzocht, ook aan den procureur, die namens dezen
het verzoek tot faillietverklaring heeft ingediend.
Deze kennisgeving geldt voor oproeping van den schuldenaar
en van dien schuldeischer.
-ocr page 411-
404
VAN DE FAILLIETVERKLAKtNG.
De behandeling geschiedt op de wijze bij artikel 4 voorge-
schreven.
11.   üe schuldeischer of de belanghebbende, wiens in het
vorige artikel bedoeld verzet door de rechtbank is afgewezen,
heeft recht van hooger beroep, gedurende acht dagen na den
dag der afwijzing.
Hetzelfde geldt, bij vernietiging der faillietverklaring door
de rechtbank ten gevolge van dat verzet, voor den schuldenaar,
den schuldeischer, die de faillietverklaring verzocht heeft, en
het Openbaar Ministerie, in welk geval tevens het tweede lid
van artikel 9 van toepassing is.
De instelling en behandeling van het hooger beroep geschiedt
op de wijze in de artikelen 4 en 6 voorgeschreven.
Is het verzet bjj het gerechtshof gedaan, dan is hooger
beroep uitgesloten.
12.    Van het arrest, door het gerechtshof gewezen, kunnen
de schuldenaar, de schuldeischer die de faillietverklaring ver-
zocht, de in art. 10 bedoelde schuldeischer of belanghebbende
en het Openbaar Ministerie, gedurende acht dagen na den
dag der uitspraak, in cassatie komen.
Het beroep in cassatie wordt aangebracht en behandeld op
de wijze bij de artikelen 4, 6 en 8 bepaald.
Indien de cassatie is gericht tegen een arrest, houdende
vernietiging van het vonnis van faillietverklaring, geeft de
griffier van den Hoogen Raad van het verzoek tot cassatie
onverwijld kennis aan den griffier van het gerechtshof dat de
vernietiging hoeft uitgesproken.
13.   Indien ten gevolge van verzet, hooger beroep of cas-
satie de faillietverklaring wordt vernietigd, blijven niettemin
geldig en verbindend voor den schuldenaar de handelingen,
door den curator verricht vóór of op den dag, waarop aan het
voorschrift tot aankondiging overeenkomstig art 15 is voldaan.
Hangende het verzet, het hooger beroep of de cassatie kan
geene raadpleging over een akkoord plaats hebben, noch tot
de vereffening van den boedel buiten toestemming van den
schuldenaar worden overgegaan.
14.  Het vonnis van faillietverklaring houdt in de benoeming
van een der leden van de rechtbank tot rechter commissaris
in het faillissement, en de aanstelling van een of meer curators.
Van de faillietverklaring wordt door den griffier onverwijld
kennis gegeven aan de administratie der posterijen en der
telegrafie.
Een uittreksel uit het vonnis van faillietverklaring, hou-
dende vermelding van den naam, de woonplaats of het kantoor
en het beroep van den gefailleerde, van den naam van den
rechter commissaris, van den naam en de woonplaats of het
-ocr page 412-
VAN DE FAILLIETVERKLARING.                                    405
kantoor des curators, van den dag der uitspraak, alsmede van
den naam, het beroep en de woonplaats of\' het kantoor van
ieder lid der voorloopige commissie uit de schuldeischers, zoo
er eene benoemd is, wordt door den curator onverwijld geplaatst
in de Nederlandsche Staatscourant en in een of meer door den
rechter-commissaris aan te wijzen nieuwsbladen.
15.    Zoodra een vonnis van faillietverklaring ten gevolge
van verzet, hooger beroep of cassatie is vernietigd, en in de
twee eerste gevallen de termijn, om in hooger beroep of in
cassatie te komen, verstreken is zonder dat daarvan gebruik is
gemaakt, wordt door den griffier van het rechtscollege, dat
de vernietiging heeft uitgesproken, van die uitspraak kennis
gegeven aan den curator en aan de administratie der posterijen
en der telegrafie.
De curator doet daarvan aankondiging in de bladen in ar-
tikel 14 genoemd.
16.  Indien de toestand des boedels daartoe aanleiding geeft,
kan de rechtbank, op voordracht van den rechter-commissaris
en na de commissie uit de schuldeischers, zoo die er is, ge
hoord te hebben, bevelen hetzij de kostelooze behandeling,
hetzij, na verhoor of behoorlijke oproeping van den gefail-
leerde, en in dit geval bij beschikking in het openbaar uit
te spreken, de opheffing van het faillissement.
17.   Elke in dezen titel bevolen plaatsing in de Nederland\'
sehe Staatscourant
geschiedt kosteloos.
Alle stukken, opgemaakt ter voldoening aan de bepalingen
van dezen titel, zijn vrij van zegel en van de formaliteit van
registratie.
Daaronder zijn evenwel niet begrepen de processen-verbaal
en akten, houdende verkoop of andere overeenkomsten, noch
de stukken betrekkelijk andere rechtsgedingen over rechten
en verplichtingen van den boedel, dun die welke het gevolg
zijn van de verwijzing door den rechter-commissaris bedoeld
in artikel 122.
Het bevel tot kostelooze behandeling van het faillissement
heeft bovendien ten gevolge vrijstelling van griffiekosten.
18.    De beschikking, bevelende de opheffing van het faillis-
sement, wordt op dezelfde wijze openbaar gemaakt en daar-
tegen kunnen de schuldenaar en de schuldeischers op dezelfde
wijze en binnen dezelfde termijnen opkomen, als ten aanzien
van het vonnis van faillietverklaring is bepaald. Indien na
eene dergelijke opheffing opnieuw aangifte of aanvraag tot
faillietverklaring wordt gedaan, is de schuldenaar of de aan-
vrager verplicht aan te toonen, dat er voldoende baten aan-
wezig zijn om de kosten van het faillissement te bestrijden.
19.  Bij elke rechtbank wordt door den griffier een openbaar
-ocr page 413-
406                                    VAN DE FAILLIETVERKLARING.
register gehouden, waarin hij, voor ieder faillissement afzon-
derlijk, achtereenvolgens, met vermelding der dagteekening,
inschrijft:
1°. een uittreksel van de rechterlijke beslissingen, waarbij
de faillietverklaring uitgesproken of de uitgesprokene
weder opgeheven isj
2°. den summieren inhoud en de homologatie van het akkoord;
3°. de ontbinding van het akkoord;
4°. het bedrag van de uitdeelingen bij vereffening;
5°. de opheffing van het faillissement ingevolge artikel 16;
6". de rehabilitatie.
Omtrent vorm en inhoud van het register worden door Ons
bij algemeenen maatregel van bestuur nadere regels gegeven.
De griffier is verplicht aan ieder kostelooze inzage van het
register en tegen betaling een uittreksel daaruit te verstrekken.
Op het register bestaat een alphabetische klapper.
TWEEDE AFDEELING.
VAN DE GEVOLGEN DHR FAILLIETVERKLARING.
20.  Het faillissement omvat het geheele vermogen van den
schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen
hij gedurende het faillissement verwerft.
21.  Niettemin blijven buiten het faillissement:
1°. de goederen vermeld in artikel 447, nos. 2—5 van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de gelden
of jaarwedden vermeld in artikel 756, 3°. van dat Wet-
boek, de gagie, indien de gefailleerde schipper ofsche-
peling is, en het auteursrecht; alsmede hetgeen in het
eerste lid van artikel 448 van genoemd Wetboek om-
schreven is, tenzij in het faillissement schuldeischers
opkomen wegens vorderingen, vermeld in het tweede
lid van dat artikel;
2°. hetgeen de gefailleerde gedurende het faillissement
door persoonlijke werkzaamheid verkrijgt of een gedeelte
daarvan, ter beoordeeling van den rechter-commissaris;
3°. de gelden, die aan den gefailleerde verstrekt worden
ter voldoening aan eenen wettelijken onderhoudsplicht;
4\'. een door den rechter-commissaris te bepalen bedrag
uit de opbrengst van het in artikel 366 van het Bur-
gerlijk Wetboek bedoelde vruchtgenot, ter bestrijding
van de in artikel 367 van dat Wetboek vermelde lasten;
5°. de uitkeering, die de gefailleerde, krachtens de bepaling
van artikel 373 van het Burgerlijk Wetboek, uit de
inkomsten zijner kinderen geniet.
-ocr page 414-
VAN DE GEVOLGEN DER FA XLIETVEKKLAHING.                    407
22.   Tndien de gefailleerde wegens een ambt of bediening
een traktement, soldij of pensioen geniet, waarop schuldeischers
alleen binnen de grenzen en op de wijze, voorgeschreven bij
de bijzondere wetten en wettelijke verordeningen op dit on-
derwerp vastgesteld, rechten kunnen doen gelden, geschiedt
de uitoefening dier rechten, gedurende het faillissement, uit-
sluitend door den curator ten behoeve van den boedel, en
nemen door de faillietverklaring alle rechten, door afzonder-
lijke schuldeischers verkregen, een einde.
In dit en het vorige artikel wordt onder „gefailleerde" mede
begrepen de echtgenoot van den in eenige gemeenschap ge-
huwden gefailleerde.
23.   Door de faillietverklaring verliest de schuldenaar van
rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het
faillissement behoorend vermogen, te rekenen van den dag
waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken, die dag daar-
onder begrepen.
24.  Uit verbintenissen, door den schuldenaar na de failliet-
verklaring aangegaan, ontstaan geene aanspraken tegen den
faillieten boedel, dan voor zooverre deze ten gevolge daarvan
is gebaat.
25.   Rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot
den faillieten boedel behoorende ten onderwerp hebben, wor-
den zoowel tegen als door den curator ingesteld.
Indien zij, door of tegen den gefailleerde ingesteld of
voortgezet, eene veroordeeling van den gefailleerde ten gevolge
hebben, heeft die veroordeeling tegenover den faillieten boe-
del geene rechtskracht.
26.  Rechtsvorderingen, die voldoening eener verbintenis uit
den boedel ten doel hebben, kunnen gedurende het faillisse-
ment ook tegen den gefailleerde op geene andere wijze inge-
steld worden, dan door aanmelding ter verificatie.
27.   Indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring
aanhangig en door den schuldenaar ingesteld is, wordt het
geding ten verzoeke van den gedaagde geschorst, ten einde
dezen gelegenheid te geven, binnen een door den rechter te
bepalen termijn, den curator tot overneming van het geding
op te roepen.
Zoo deze aan die oproeping geen gevolg geeft, heeft de
gedaagde het recht ontslag van de instantie te vragen ; bij
gebreke daarvan kan het geding tusschen den gefailleerde en
den gedaagde worden voortgezet, buiten bezwaar van den
boedel.
Ook zonder opgeroepen te zijn, is de curator bevoegd het
proces te allen tijde over te nemen en den gefailleerde buiten
het geding te doen stellen.
-ocr page 415-
408 VAN DE GEVOLGEN DER FAILUETVEKKLARING.
28.   Indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring
aanhangig en tegen den schuldenaar ingesteld is, is de eischer
bevoegd schorsing te verzoeken, ten einde, binnen een door
den rechter te bepalen termijn, den curator in het geding te
roepen.
Door zijne verschijning neemt deze het proces over en is de
gefailleerde van rechtswege buiten het geding.
Indien de curator verschijnende dadelijk in den eisch toe-
stemt, zijn de proceskosten van de tegenpartij geen boedel-
schuld.
Zoo de curator niet verschijnt, is op het tegen den
gefailleerde te verkrijgen vonnis de bepaling van het tweede
lid van artikel 25 niet toepasselijk.
29.   Voor zooverre tijdens de faillietverklaring aanhangige
rechtsvorderingen voldoening eener verbintenis uit den boedel
ten doel hebben, wordt het geding, na de faillietverklaring
geschorst, om alleen dan voortgezet te worden, indien de
verificatie der vordering betwist wordt. In dit geval wordt hij,
die de betwisting doet, in de plaats van den gefailleerde,
partij in het geding.
30.   Indien vóór de faillietverklaring de stukken van het
geding tot het geven van eene beslissing aan den rechter zijn
overgelegd, zijn het tweede lid van artikel 25 en de artikelen
27—29 niet toepasselijk.
De artikelen 27—29 worden weder toepasselijk, indien het
geding voor den rechter, bij wien het aanhangig is, ten ge-
volge van zijne beslissing wordt voortgezet.
31.  Indien een geding door of tegen den curator, of ook in
het geval van art. 29 tegen een schuldeischer wordt voort-
gezet, kan door den curator of door dien schuldeischer de
nietigheid worden ingeroepen van handelingen, door den
schuldenaar vóór zijne faillietverklaring in het geding ver-
richt; zoo bewezen wordt dat deze door die handelingen de
schuldeischers desbewust heeft benadeeld en dat dit aan zijne
tegenpartij bekend was.
32.  In de gedingen, door of tegen den curator ingesteld of
voortgezet, of in het geval van artikel 122 tegen een schuld-
eischer gevoerd, kan de rechter den gefailleerde de eeden
opleggen, bedoeld bij artikel 1977 van het Burgerlijk Wetboek.
33.  Het vonnis van faillietverklaring heeft ten gevolge, dat
alle gerechtelijke tenuitvoerlegging op eenig deel van het
vermogen van den schuldenaar, vóór het faillissement aange-
vangen, dadelijk een einde neemt, en dat, ook van hetzelfde
oogenblik af, geen vonnis bij lijfsdwang- kan worden ten
uitvoer gelegd.
Indien de schuldenaar zich in gijzeling bevindt, wordt hij
-ocr page 416-
VAN !>E GEVOLGEN DER FAILLIETVERKLARING.              409
ontslagen, zoodra het vonnis van faillietverklaring in kracht
van gewijsde is gegaan, behoudens toepassing van artikel 87.
34.   Indien vóór het faillissement van den schuldenaar de
uitwinning zijner roerende of onroerende goederen zoo ver
was gevorderd, dat de dag van den verkoop reeds was bepaald,
kan de curator, op machtiging van den rechter-commissaris,
den verkoop van den boedel laten voortgaan.
35.  Van vóór de faillietverklaring opgemaakte akten kan
de door artikel 671 van het Burgerlijk Wetboek of artikel
309 van het Wetboek van Koophandel gevorderde oversehrij-
ving, en van bevorens verleende hypotheken, alsmede van de
akten genoemd in artikel 315 van laatstgemeld Wetboek de
inschrijving, na de faillietverklaring niet geldig meer\' ge-
schieden.
36.  Indiening eener vordering ter verificatie heeft stuiting
der verjaring ten gevolge.
37.  Indien eene wederkeerige overeenkomst ten tijde van
de faillietverklaring zoowel door den schuldenaar als door zijne
wederpartij in het geheel niet of slechts gedeeltelijk is nage-
komen, is deze laatste bevoegd den curator te sommeeren bin-
nen acht dagen te verklaren of hij de overeenkomst gestand
wil doen. Indien de curator zich daartoe binnen dien tijd niet
bereid verklaart, is de overeenkomst ontbonden en kan de
wederpartij voor schadevergoeding als concurrent schuldeischer
opkomen; verklaart de curator zich daartoe wel bereid, clan
is hij verplicht bij die verklaring zekerheid te stellen voor de
richtige nakoming der overeenkomst.
Deze bepalingen zijn niet toepasselijk op overeenkomsten,
waarbij de verbintenis van den gefailleerde eene uitsluitend
door dezen persoonlijk te verrichten handeling inhoudt.
38.  Indien in het geval, bedoeld bij het vorige artikel, de
levering van waren, die ter beurze op termijn worden verhan-
deld, bedongen is tegen een vastgesteld tijdstip of binnen een
bepaalden termijn, en dit tijdstip invalt of die termijn verstrijkt
na de faillietverklaring, wordt de overeenkomst door de fail-
lietverklaring ontbonden en kan de wederpartij van den ge-
failleerde zonder meer voor schadevergoeding als concurrent
schuldeischer opkomen. Lijdt de boedel door de ontbinding
schade, dan is de wederpartij verplicht deze te vergoeden.
39.  Indien de gefailleerde huurder is, kan zoowel de curator
als de verhuurder de huur tusschentijds doen eindigen, mits
de opzegging geschiede tegen een tijdstip, waarop dergelijke
overeenkomsten naar plaatselijk gebruik eindigen. Bovendien
moet bij de opzegging de daarvoor overeengekomen of gebrui-
kelijke termijn in acht genomen worden, met dien verstande
echter, dat een termjjn van drie maanden in elk geval voldoende
-ocr page 417-
410                  VAN DE GEVOLGEN DER FAILLIETVERKLARING.
zal zijn. Zijn er huurpenningen vooruitbetaald, dan kan de
huur niet eerder opgezegd worden, dan tegen den dag, waarop
de termijn, waarvoor vooruitbetaling heeft plaats gehad, eindigt.
Van den dag der faillietverklaring af is de huurprijs boedelschuld.
40.  Alle bezoldigde personen, in dienst van den gefailleerde,
kunnen hunne betrekking opzeggen en hun kan wederkeerig
door den curator hunne betrekking opgezegd worden, met in-
achtneming van de gebruikelijke of overeengekomen termynen,
met dien verstande echter dat een termijn van zes weken in
elk geval voldoende zal zijn. Van den dag der faillietverkla-
ring af is het salaris boedelschuld.
41.  Erfenissen, gedurende het faillissement aan den gefail-
leerde opkomende, worden door den curator niet anders aan-
vaard dan onder voorrecht van boedelbeschrijving.
Tot het verwerpen eener nalatenschap behoeft de curator
machtiging van den rechter-eommissaris.
42.  Onverminderd de bijzondere bepalingen in de artikelen
44—46 omtrent schenkingen gemaakt, kan ten behoeve van
den boedel de nietigheid ingeroepen worden van alle vóór de
faillietverklaring door den schuldenaar onverplicht verrichte
handelingen, hoe ook genaamd, waardoor de schuldeischers
benadeeld zijn, mits bewezen worde, dat bij het verrichten der
handeling zoowel de schuldenaar als degene met wien of te
wiens behoeve hij handelde, de wetenschap bezat, dat daarvan
benadeeling der schuldeischers het gevolg zoude zijn.
43.  Indien de handeling, waardoor de schuldeischers bena-
deeld zijn, verricht is binnen veertig dagen vóór de failliet-
verklaring en de schuldenaar zich niet reeds vóór den aanvang
van dien termijn daartoe had verplicht, wordt de aan het slot
van het vorige artikel bedoelde wetenschap, behoudens tegen-
bewjjs, vermoed aan beide zijden te bestaan:
1°. bij overeenkomsten, waarbij de waarde der verbintenis
aan de zijde van den schuldenaar aanmerkelijk die der
verbintenis aan de andere zijde overtreft;
2°. bij handelingen ter voldoening van of zekerheidstelling
voor eene niet opeischbare schuld;
3°. hij handelingen, door den schuldenaar met of ten behoeve
van zijn echtgenoot of zijne bloed- of aanverwanten tot
in den derden graad verricht.
44.  Om de nietigheid van door den schuldenaar gedane
schenkingen in te roepen, kan de curator volstaan met aan
te toonen, dat de schuldenaar op het oogenblik der schenking
wist, dat hij daardoor zijne schuldeischers benadeelde, onver-
schillig of de begiftigde die wetenschap al dan niet deelde.
45.  Schenkingen, gedaan binnen veertig dagen vóór de fail-
lietverklaring, worden, behoudens tegenbewijs, vermoed te zijn
-ocr page 418-
VAN DB GEVOLGEN DER FAILLIETVERKLARING.                411
gedaan met de wetenschap, dat de schuldeischers daardoor
benadeeld worden.
Deze termijn wordt verdubbeld, indien de begiftigde een bloed-
of aanverwant tot in den derden graad van den schenker is.
46.  De begiftigde, van wien niet bljjkt dat hij met den
vermogenstoestand van den schenker bekend was, is niet ver-
plicht het door hem ontvangene terug te geven, voor zooverre
hij aantoont, dat hij, ten tijde der faillietverklaring, ten gevolge
der schenking niet was gebaat.
47.  De nietigheid van de voldoening, door den schuldenaar,
aan eene opeischbare schuld kan alleen dan worden ingeroepen,
wanneer wordt aangetoond, hetzij dat hij, die de betaling ont-
ving, wist dat het faillissement van den schuldenaar reeds
aangevraagd was, hetzij dat de betaling het gevolg was van
overleg tusschen den schuldenaar en den schuldeischer, ten
doel hebbende laatstgenoemde door die betaling boven andere
schuldeischers te begunstigen.
48.  Krachtens het vorige artikel kan geene terugvordering
geschieden van hem, die als houder van een papier aan order
of toonder, uit hoofde zijner rechtsverhouding tot vroegere
houders, tot aanneming der betaling verplicht was.
In dit geval is hij, te wiens bate het papier is uitgegeven,
verplicht de door den schuldenaar betaalde som aan den
boedel terug te geven, wanneer wordt aangetoond, hetzij dat
hij bij de uitgifte van het papier de in het vorige artikel
genoemde wetenschap bezat, hetzij dat de uitgifte het gevolg
was van een overleg als in dat artikel bedoeld.
49.   Rechtsvorderingen, gegrond op de bepalingen der ar-
tikelen 42—48, worden ingesteld door den curator.
Niettemin kunnen de schuldeischers op gronden, aan die
bepalingen ontleend, de toelating eener vordering bestrijden.
60.  Beëindiging van het faillissement door de homologatie
van een akkoord doet de rechtsvorderingen in het vorige
artikel bedoeld vervallen, tenzij het akkoord boedelafstand
inhoudt, in welk geval zij ten behoeve van de schuldeischers
vervolgd of ingesteld kunnen worden door de vereffenaars.
61.   Behoudens het bepaalde bij artikel 46 moet hetgeen
door de nietige handelingen uit het vermogen van den schul-
denaar gegaan is, door hem, tegen wien de nietigheid wordt
ingeroepen, teruggegeven worden.
Zoo deze daartoe niet in staat is, of zoo hy het ontvangene
niet meer kan teruggeven in den toestand, waarin hij het
ontving, is hij jegens den faillieten boedel tot schadevergoe-
ding verplicht.
Rechten op het terug te geven goed, door derden te goeder
trouw verkregen, worden geëerbiedigd.
-ocr page 419-
412                VAN DE OEVOLOEN DER FAILLIETVERKLARINO.
Het door den schuldenaar ontvangene, of de waarde daar-
van, wordt door den curator teruggegeven, voor zooverre de
boedel er door is gebaat. Voor het tekortkomende kan degene,
tegen wien de nietigheid wordt ingeroepen, als concurrent
schuldeischer opkomen.
52. Voldoening na de faillietverklaring doch vóór de be-
kendmaking daarvan, aan den gefailleerde gedaan, ter ver-
vulling van verbintenissen jegens dezen vóór de faillietver-
klaring aangegaan, bevrijdt hem, die haai deed, tegenover den
boedel, zoolang zijne bekendheid met de faillietverklaring
niet bewezen wordt.
Voldoening, als in het vorig lid bedoeld, na de bekendma-
king der faillietverklaring aan den gefailleerde gedaan,
bevrijdt tegenover den boedel alleen dan, wanneer hij, die
haar deed, bewijst dat de faillietverklaring te zijner woon-
plaatse langs den weg der wettelijke aankondiging nog niet
bekend kon zijn, behoudens het recht van den curator om aan
te toonen, dat zij hem toch bekend was.
In elk geval bevrijdt voldoening aan den gefailleerde den
schuldenaar tegenover den boedel, voor zooverre hetgeen door
hem voldaan werd ten bate van den boedel is gekomen.
63.    Hij, die zoowel schuldenaar als schuldeischer van den
gefailleerde is, kan zich op schuldvergelijking beroepen, indien
zijne schuldvordering en zijne schuldplichtigheid beide zijn
ontstaan vóór de faillietverklaring of voortvloeien uit hande-
lingen vóór de faillietverklaring met den gefailleerde verricht.
De schuldvorderingen op den gefailleerde worden zoo noodig
berekend naar de regels in de artikelen 130 en 131 gesteld.
64.  Niettemin kan noch de schuldenaar van den gefailleerde
zijne schuld vergelijken met eene vordering, door hem tegen
den gefailleerde verkregen, noch de schuldeischer zijne vorde-
ring met eene schuld aan den gefailleerde, door hem van een
derde overgenomen, terwijl die schuldenaar of schuldeischer
wist dat de faillietverklaring reeds was aangevraagd of aan-
gevraagd zou worden.
Na de faillietverklaring overgenomen vorderingen of schulden
kunnen nimmer in vergelijking gebracht worden.
55. De schuldenaar van den gefailleerde, die zijne schuld
wil vergelijken met eene schuldvordering aan order of toonder,
is gehouden te bewijzen dat hij reeds op het oogenblik der
faillietverklaring te goeder trouw eigenaar was van het order-
of toonderpapier.
66. Hij, die zich met den gefailleerde in eene gemeenschap
bevindt, die ten gevolge van of tijdens het faillissement van
den schuldenaar wordt ontbonden, is bevoegd van het bij
scheiding aan den gefailleerde komende aandeel in de baten
-ocr page 420-
VAN DE GEVOLGEN DER FAILLIETVERKLARING.                413
diens aandeel in de ter zake van die gemeenschap aange-
gane schulden af te houden.
57.  De hypothekaire schuldeischer, die het Deding, vermeld
in artikel 1223 van het Burgerlijk Wetboek, heeft gemaakt,
en de pandhouder kunnen hunne rechten uitoefenen, alsof er
geen faillissement ware.
Is hunne vordering eene zoodanige als vernield in de arti-
kelen 130 en 131, dan kunnen zij dit alleen doen na verificatie
en niet anders dan tot veihaal van het bedrag, waarvoor de
vordering is erkend.
58.   De hypothekaire schuldeischer en de pandhouder, in
het vorige artikel bedoeld, zijn verplicht hunno rechten uit
te oefenen vóór het verstrijken van ééne maand, nadat de
insolventie is begonnen, behoudens de bevoegdheid van den
rechter-commissaris om dien termijn te verlengen. Na verloop
van dien tijd zal de curator de verpande voorwerpen opeischen,
en deze, evenals de verhypothekeerde goederen, behoudens het
recht van den pandhouder of hypothekairen schuldeischer op
de opbrengst daarvan, zelf doen verkoopen op de wijze bij
artikel 174 omschreven.
De curator kan te allen tijde het verpande voorwerp lossen,
tegen voldoening van het daarop verscnuldigde met de interes-
ten en kosten.
59.   Üe hypothekaire schuldeischer of pandhouder, die van
zijne rechten gebruik heeft gemaakt, is verplicht de opbrengst
van het verbonden goed aan den curator te verantwoorden,
met uitkeering van hetgeen die opbrengst het verschuldigde
niet de interesten en kosten te boven gaat.
Indien die opbrengst niet toereikende is om den hypothe-
kairen schuldeischer of den pandhouder te voldoen, treedt deze,
zoo hij zijne vordering heeft doen verifieeren, voor het ontbre-
kende als concurrent schuldeischer in den boedel op.
60.   Üe schuldeischer, die gerechtigd is goederen, aan den
schuldenaar toebehoorende. terug te houden, totdat zijne schuld-
vordering is gekweten, verliest door de faillietverklaring van
den schuldenaar dit recht van terughouding niet.
61.  In geval van faillissement van den man, neemt de vrouw
alle roerende en onroerende goederen, welke haar toebehooren
en niet in de gemeenschap vallen, terug.
De aanbrengst der goederen, bij het aangaan des huwelijks
buiten de gemeenschap gehouden, wordt bewezen zooals bij
artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek is voorgeschreven.
Van de roerende goederen staande huwelijk hij erfenis, legaat
of schenking aan de vrouw opgekomen en buiten de gemeen-
schap vallende, moet, in geval van geschil, blijken op eene der
wjjzen in artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek aangegeven.
-ocr page 421-
414                   VAN DE GEVOLGEN DER FAILLIETVERKLARING.
De goederen, voortgesproten uit de belegging of wederbe-
legging van gelden aan de vrouw buiten de gemeenschap toe-
behoorende, worden insgelijks door haar teruggenomen, mits
die belegging of wederbelegging, in geval van geschil, door
voldoende bescheiden, ten genoegen van den rechter, zij be-
wezen.
Indien de goederen, haar toebehoorende, door haren man
zijn vervreemd, doch de koopprijs nog niet is betaald, of wel
de kooppenningen nog onvermengd niet den faillieten boedel
aanwezig zijn, kan zij haar recht van terugneming op dien
koopprijs of op de voorhanden kooppenningen uitoefenen.
Voor hare persoonlijke schuldvorderingen treedt de vrouw
als schuldeischeres op.
62.  De vrouw heeft geen aanspraak op den boedel ter zake
van voordeelen bij huwelijksche voorwaarden besproken. We-
derkeerig kunnen de schuldeischers geen genot hebben van de
voordeelen, die de vrouw aan den man bij huwelijksche voor-
waarden heeft toegezegd.
63.  Het faillissement van den in eenige gemeenschap van
goederen gehuwden echtgenoot wordt als faillissement van die
gemeenschap behandeld. Het omvat, behoudens de uitzonde-
ringen van artikel 21, alle goederen, die in de gemeenschap
vallen, en strekt ten behoeve van alle schuldeischers, die op
de goederen der gemeenschap verhaal hebben. Indien de echt-
genoot, die failliet verklaard is, goederen bezit, die niet in
de gemeenschap vallen, worden ook deze onder het faillisse-
ment begrepen, maar zijn alleen aansprakelijk voor de schulden,
waardoor de gefailleerde persoonlijk verbonden is.
De bepalingen in deze wet vervat omtrent handelingen door
den schuldenaar verricht, zijn, bij faillissement van een in ge-
meenschap gehuwden echtgenoot, toepasselijk op de handelingen
waardoor de gemeenschap wettig verbonden is, onverschillig
wie der echtgenooten deze verrichtte.
DERDE AFDEELING.
VAN HET BESTUUR OVER DEN FAILLIETEN BOEDEL.
§ 1. Van den rechter-commissaris.
64.  De rechter-commissaris houdt toezicht op het beheer en
de vereffening van den faillieten boedel.
65.  Alvorens in eenige zaak, het beheer of de vereffening
des faillieten boedels betreffende, eene beslissing te geven, is
de rechtbank verplicht den rechter-commissaris te hooren.
66.  De rechter-commissaris is bevoegd ter opheldering van
-ocr page 422-
VAN HET BESTUUR OVER DEN FAILLIETEN BOEDEL. 415
alle omstandigheden, het faillissement betreffende, getuigen te
hooren of een onderzoek van deskundigen te bevelen.
De getuigen worden gedagvaard namens den rechter-com-
missaris.
Bij niet-verschijning of weigering om getuigenis af te leggen,
zijn de artikelen 116—119 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering toepasselijk.
De echtgenoot of gewezen echtgenoot, de kinderen en verdere
afkomelingen en de ouders en grootouders des gefailleerden
kunnen zich van het geven van getuigenis verschoonen.
67.  Van alle beschikkingen van den rechtercommissaris is
gedurende vijf dagen ho.oger beroep op de rechtbank. De
rechtbank beslist na verhoor of behoorlijke oproeping van de
belanghebbenden.
Niettemin valt geen hooger Jberoep van de beschikkingen
vermeld in de artikelen 21 2°. en 4°., 34, 58, eerste lid, 79,
94, 98, 100, 102, 125. 127, vierde lid, 173, 174, 175, 177, 179
en 180.
§ 2. Van den curator.
68.  De curator is belast met het beheer en de vereffening
van den faillieten boedel.
Alvorens in rechten op te treden, behalve waar het verificatie-
geschillen betreft, alsmede in de gevallen van de artikelen 37,
39, 40 en 58, tweede lid, behoeft de curator machtiging van
den rechter-commissaris.
69.  Ieder der schuldeischers, de commissie uit hun midden
benoemd en ook de gefailleerde kunnen bij verzoekschrift
tegen elke handeling van den curator bij den rechter-commis-
saris opkomen, of van dezen een bevel uitlokken, dat de curator
eene bepaalde handeling verrichte of eene voorgenomen han-
deling nalate.
De rechter-commissaris beslist, na den curator gehoord te
hebben, binnen drie dagen.
70.  Indien meer dan één curator benoemd is, wordt voor
de geldigheid hunner handelingen toestemming der meerder-
heid of bij staking\' van stemmen eene beslissing van den rech-
ter-commissaris vereischt.
De curator, aan wien bij het vonnis van faillietverklaring
een bepaalde werkkring is aangewezen, is binnen de grenzen
daarvan zelfstandig tot handelen bevoegd.
71.  Het salaris van den curator wordt in elk faillissement
door de rechtbank vastgesteld.
In geval van akkoord wordt het salaris bij het vonnis van
homologatie bepaald.
-ocr page 423-
416             VAN HET BESTUUR OVEIl DEN FAILLIETEN BOEDEL.
72.  Het ontbreken van de machtiging van den rechter-com-
missaris, waar die vereischt is, of de niet-inachtneming van
de bepalingen vervat in de artikelen 78 en 79, heeft, voor
zooveel derden betreft, geen invloed op de geldigheid van de
door den curator verrichte handeling. De curator is deswege
alleen jegens den gefailleerde en de schuldeischers aansprakelijk.
73.  De rechtbank heeft de bevoegdheid den curator te allen
tijde, na hem gehoord of behoorlijk opgeroepen te hebben, te
ontslaan en door een ander te vervangen, of hem een of meer
medecurators toe te voegen, een en ander hetzij op voordracht
van den rechter-eommissaris, hetzij op een met redenen om-
kleed verzoek van een of meer schuldeischers, de commissie
uit hun midden, of den gefailleerde.
De ontslagen curator legt rekening en verantwoording van
zijn beheer af aan den in zijne plaats benoemden curator.
§ 3. Van de rommissie uit (Je schuldeischers.
74.  Bjj het vonnis van faillietverklaring of bij eene latere
beschikking kan de rechtbank, zoo de belangrijkheid of de
aard des boedels daartoe aanleiding geeft, uit de haar bekende
schuldeischers eene voorloopige commissie van een tot drie
leden benoemen, ten einde den curator van advies te dienen,
zoolang over de benoeming van de in het volgende artikel
genoemde commissie geen beslissing is genomen.
Indien een lid van de voorloopige commissie zjjne benoeming
niet aanneemt, bedankt of overlijdt, voorziet de rechtbank,
uit eene voordracht van een dubbeltal door den rechter-com-
missaris, in de daardoor ontstane vacature.
75.  Hetzij al of niet eene voorloopige commissie uit de
schuldeischers is benoemd, raadpleegt de rèchter-commissaris
op de verificatievergadering de schuldeischers, na afloop der
verificatie, over de benoeming van eene definitieve commissie
uit hun midden. Zoo de vergadering deze wenschelijk acht,
gaat hij dadelijk tot de benoeming over. Ook deze commissie
bestaat uit een tot drie leden.
Een verslag van het hieromtrent verhandelde wordt in het
proces-verbaal der vergadering opgenomen.
Indien een lid van de definitieve commissie zijne benoeming
niet aanneemt, bedankt of overlijdt, voorziet de rechter-com-
missaris in de daardoor ontstane vacature.
76.   üe commissie kan te allen tijde inzage van de boeken
en bescheiden, op het faillissement betrekking hebbende, vor-
deren. De curator is verplicht aan de commissie alle van hem
verlangde inlichtingen te verstrekken.
77.  Tot het inwinnen van het advies der commissie verga-
-ocr page 424-
VAN HET DESTITUR OVER DEN FAILLIETEN BOEDEL.              417
dert de curator met haar, zoo dikwijls hij het noodig acht. In
deze vergaderingen zit hij voor en voert hij de pen.
78.  De curator is verplicht het advies der commissie in te
winnen, alvorens eene rechtsvordering in te stellen of eene
aanhangige voort te zetten of\' zich tegen eene ingestelde of
aanhangige rechtsvordering te verdedigen, behalve waar het
geldt verificatie-geschillen; omtrent liet al of niet voortzetten
van het bedrijf des gefailleerden; alsmede in de gevallen van
de artikelen 37, 39, 40, 58, tweede lid, 73, tweede lid, 100,
101 en 177, en in het algemeen omtrent de wijze van vereffe-
ning en tegeldemaking van den boedel on het tijdstip en het
bedrag der te houden nitdeelingen.
Dit advies wordt niet vereischt, wanneer de curator de com-
missie tot het uitbrengen daarvan, met inachtneming van een
bekwamen termijn, ter vergadering heeft opgeroepen en er
geen advies wordt uitgebracht.
79.  De curator is niet gebonden aan het advies der com-
missie. Zoo hij zich daarmede niet vereenigt, geeft hij hiervan
onmiddellijk kennis aan de commissie, die de beslissing van
den rechter-commissaris kan inroepen. Zoo zij verklaart dit te
doen, is de curator verplicht de uitvoering van de voorgeno-
men, met het advies der commissie strijdige, handeling gedu-
rende drie dagen op te schorten.
§ 4. Van de vergaderingen der schuldeischers.
80.  In de vergaderingen der schuldeischers is de rechter-
commissaris voorzitter.
De tegenwoordigheid van den curator of van iemand die hem
met goedvinden van den rechter-commissaris vervangt, is ver-
plicht.
81.  Op de vergaderingen van schuldeischers worden de be-
sluiten genomen met volstrekte meerderheid van stemmen dei-
aanwezige schuldeischers. Voor elke honderd gulden brengt
ieder schuldoischer ééne stem uit. Voor vorderingen of over-
schietende gedeelten van vorderingen, beneden honderd gulden,
wordt mede ééne stem uitgebracht.
Splitsing van vorderingen, na de faillietverklaring gedaan,
doet geen stemrecht verwerven.
82.  Stemgerechtigd zijn de erkende en de voorwaardelijk
toegelaten schuldeischers, alsmede de toonder eener ter name
van „toonder" geverifieerde schuldvordering.
83.  Ten behoeve van de schuldeischers, die zich op eene
vergadering hebben doen vertegenwoordigen, worden alle op-
roepingen voor latere vergaderingen en alle kennisgevingen
aan den gemachtigde gedaan, ten ware zjj den curator schrifte-
27
-ocr page 425-
418             VAN HET BESTUUR OVER DEN FAILLIETEN BOEDEL.
lijk verzoeken, dat die oproepingen en kennisgevingen aan hen
zelve of aan een anderen gemachtigde geschieden.
84.  Behalve de door deze wet voorgeschreven vergaderingen,
wordt er eeno vergadering van schuldeischers gehouden, zoo
dikwijls de rechter-commissaris dit noodig oordeelt of hem
daartoe door de commissie uit de schuldeischers of door ten
minste vijf schuldeischers, vertegenwoordigende één vijfde
deel der erkende en der voorwaardelijk toegelaten schuldvor-
deringen, een met redenen omkleed verzoek wordt gedaan.
In elk geval bepaalt de rechter-commissaris dag, uur en
plaats der vergadering, waartoe de stemgerechtigde schuldei-
schers ten minste tien dagen van te voren door den curator
worden opgeroepen, bij advertentie in het nieuwsblad of de
nieuwsbladen vermeld in artikel 14 en bij brieven, beide ver-
meldende het in de vergadering te behandelen onderwerp.
§ 5. Van de rechterlijkt\' beschikkingen.
85.  Alle beschikkingen in zaken, het beheer of\' de vereffe-
ning des faillieten boedels betreffende, worden door de rechtbank
in het hoogste ressort gewezen, behalve in de gevallen waarin
het tegendeel is bepaald.
86.  Alle beschikkingen in zaken, het beheer of de vereft\'e-
ning des faillieten boedels betreffende, ook die welke niet
uitgaan van de rechtbank, zijn uitvoerbaar bij voorraad en op
de minuut, tenzij het tegendeel is bepaald.
VIERDE AFDEELING.
VAN DE VOOHZIENINGEN NA DE FAILLIETVERKLARING
EN VAN IIZT BEHEER DES CUBATOBS.
87.  De rechtbank kan bij het vonnis van faillietverklaring
of te allen tijde daarna, doch in het laatste geval niet dan
op voordracht van den rechtercommissaris, of op verzoek van
den curator of van een of\' meer der schuldeischers en na den
rechter-commissaris gehoord te hebben, bevelen, dat de gefailleer-
de in verzekerde bewaring worde gesteld, hetzij in een huis
van bewaring, hetzij in zijne eigene woning onder het opzicht
van eenen dienaar der openbare macht.
Het bevel hiertoe wordt door het Openbaar Ministerie ten
uitvoer gelegd.
Dit bevel is voor niet langer dan dertig dagen geldig, te
rekenen van den dag waarop het ten uitvoer is gelegd. Aan het
einde van dien termijn kan de rechtbank, op voordracht van
den rechter-commissaris of op een verzoek en na verhoor als
-ocr page 426-
VAN DE VOORZIENINGEN NA DE FAILLIETVERKLARING ENZ. 419
in het eerste lid bedoeld, het bevel voor ten hoogste dertig
dagen verlengen. Daarna kan hetzelfde telkens op dezelfde
wijze voor ten hoogste dertig dagen geschieden.
88.  De rechtbank heeft de bevoegdheid, op voordracht van
den rechtercommissaris, of op verzoek van den gefailleerde,
dezen uit de verzekerde bewaring te ontslaan, met of zonder
zekerheidstelling, dat hij te allen tijde op de eerste oproeping
zal verschijnen.
Het bedrag der zekerheidstelling wordt door de rechtbank
bepaald en komt bij niet verschijning des gefailleerden ten
voordeele des boedels.
89.  Het verzoek tot inbewaringstelling van den gefailleerde
moet toegestaan worden, indien het gegrond is op het zonder
geldige reden opzettelijk niet nakomen van de verplichtingen
hem opgelegd in de artikelen 91, 105 en 116.
90.  In alle gevallen, waarin de tegenwoordigheid van den
gefailleerde bij deze of gene bepaalde werkzaamheid, den boedel
betreffende, vereiseht wordt, zal hij, zoo hij zich in verzekerde
bewaring bevindt, op last van den rechter-commissaris uit de
bewaarplaats kunnen worden overgebracht.
De last hiertoe wordt door het Openbaar Ministerie ten
uitvoer gelegd.
91.  Gedurende het faillissement mag de gefailleerde zonder
toestemming van den rechter-commissaris zijne woonplaats
niet verlaten.
92.   De curator zorgt, dadelijk na de aanvaarding zijner
betrekking, door alle noodige en gepaste middelen voor de
bewaring des boedels. Hij neemt onmiddellijk de boeken, gelden,
kleinoodiën, effecten en andere papieren van waarde tegen
ontvangbewijs onder zich. Hij is bevoegd de gelden aan den
ontvanger voor de gerechtelijke consignatiën in bewaring te
geven.
93.   De curator doet, zoo hij of de rechter-commissaris dit
noodig acht, dadelijk den boedel verzegelen.
De verzegeling geschiedt door den kantonrechter.
Buiten de verzegeling blijven, doch worden in het proces-
verbaal kortelijk beschreven, de goederen vermeld in de arti-
kelen 21, no. 1 en 92, alsmede de voorwerpen tot het bedrijf
van den gefailleerde vereiseht, indien dit wordt voortgezet.
94.  De curator gaat zoo spoedig mogelijk over tot het op-
maken van eene beschrijving des faillieten boedels.
De boedelbeschrijving kan onderhands worden opgemaakt
en de waardeering door den curator geschieden, een en ander
onder goedkeuring van den rechtercommissaris.
De leden der voorloopige commissie uit de schuldeischers
zijn bevoegd bij de beschrijving tegenwoordig te zijn.
-ocr page 427-
420 VAN DE VOORZIENINGEN NA DE PAILLIETVERKLABINQ ENZ.
95.   Van de goederen, vermeld in artikel 21, no. 1, wordt
een staat aan de beschrijving gehecht; die, vermeld in artikel
92, worden in de beschrijving opgenomen.
96.   De curator gaat dadelijk na de beschrijving van den
boedel over tot het opmaken van eenen staat, waaruit de
aard en het bedrag van de baten en schulden des boedels, de
namen en woonplaatsen der schuldeischers, alsmede het bedrag
der vorderingen van ieder hunner blijken.
97.    Door den curator gewaarmerkte afschriften van de
boedelbeschrijving en van den staat, vernield in het voor-
gaande artikel, worden ter kostelooze inzage van een ieder
nedergelegd, ter griffie van de rechtbank en van het kanton-
gerecht, binnen welks ressort zich do woonplaats, het kantoor
of het verblijf van den gefailleerde bevindt, naar gelang de
faillietverklaring is uitgesproken door het rechterlijk college
van de woonplaats, het kantoor of het verblijf van den ge-
failleerde. Indien de zetel van het kantongerecht is gevestigd
in eene gemeente, waar tevens de zetel is van de rechtbank,
waarbij het faillissement aanhangig is, geschiedt de neder-
legging uitsluitend ter griffie van dit college.
De nederlegging geschiedt kosteloos.
98.  De curator is bevoegd het bedrijf van den gefailleerde
voort te zetten. Indien er geene commissie uit de schuld-
eischers is benoemd, heeft hij daartoe de machtiging van den
rechter-commissaris noodig.
99.   De curator opent de brieven en telegrammen aan den
gefailleerde gericht. Die welke niet op den boedel betrekking
hebben, stelt hij terstond aan den gefailleerde ter hand. De
administratie der posterijen en der telegrafie is, na van den
griffier ontvangen kennisgeving, verplicht den curator de brieven
en telegrammen, voor den gefailleerde bestemd, af te geven,
totdat de curator of de rechter-commissaris haar van die ver-
plichting ontslaat of zij de kennisgeving ontvangt, bedoeld in
artikel 15.
Protesten, den gefailleerde betreffende, worden gedaan aan
den curator.
100.  De curator is bevoegd naar omstandigheden cene door
den rechter-commissaris vast te stellen som ter voorziening in
het levensonderhoud van den gefailleerde en zijn huisgezin
uit te keeren.
101.  De curator is bevoegd goederen te vervreemden, indien
en voor zoover de vervreemding noodzakelijk is ter bestrijding
der kosten van het faillissement, of de goederen niet dan met
nadeel voor den boedel bewaard kunnen blijven.
De bepaling van artikel 174 is toepasselijk.
102.  De curator houdt alle gelden, kleinoodiën, effecten en
-ocr page 428-
VAN DK VOORZIENINGEN NA UK FAILLIETVERKLARING ENZ. 421
andere papieren van waarde onder zijne onmiddellijke be-
waring, tenzij door den rechter-commissaris eene andere wijze
van bewaring wordt bepaald.
Gereede gelden, die voor het beheer niet noodig zijn, wor-
den door den curator belegd ten name van den boedel op de
wijze door den rechter commissaris goed te keuren.
103.   Over gelden, kleinoodiën, effecten en andere papieren
van waarde, die, volgens bepaling van den rechter-commissaris,
door een derde worden bewaard, en over belegde gelden mag
de curator niet anders beschikken dan door middel van door
den rechter-commissaris voor gezien geteekende stukken.
104.  De curator is, na ingewonnen advies van de commissie
uit de schuldeischers, zoo die er is, en onder goedkeuring van
den rechter-commissaris, bevoegd dadingen te treffen en ak-
koorden of schikkingen aan te gaan.
105.  De gefailleerde is verplicht voor den rechter-commissaris,
den curator of de commissie uit de schuldeischers te ver-
schijnen en dezen alle inlichtingen te verschaffen, zoo dik-
wijls hij daartoe wordt opgeroepen.
Bij faillissement van een in gemeenschap van goederen ge-
huwden echtgenoot rust de verplichting om inlichtingen te
geven op ieder der echtgenooten voor zoover hij gehandeld
heeft.
106.  Bij het faillissement van eene naamlooze vennootschap,
wederkeerige verzekerings- of waarborgmaatschappij, coöpera-
tieve of andere rechtspersoonlijkheid bezittende vereeniging
of stichting zijn de bepalingen der artikelen 87—91 op de
bestuurders, die van artikel 105, eerste lid op bestuurders en
commissarissen toepasselijk.
107.  De griffier is verplicht aan eiken schuldeischer op diens
verzoek en op diens kosten afschrift te geven van de stukken,
die ingevolge eenige bepaling dezer wet ter griffie worden
nedergelegd of zich aldaar bevinden.
VIJFDE AFDEELING.
VAN UE VERIFICATIE DER SCHULDVORDERINGEN.
108.  De rechter-commissaris bepaalt binnen veertien dagen
nadat het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde
is gegaan:
1°. een termijn, vóór welks afloop de schuldvorderingen in-
gediend moeten worden;
2°. dag, uur en plaats, waarop de verificatie-vergadering zal
gehouden worden.
-ocr page 429-
422                VAN DE VERIFICATIE DER SCHULDVORDERINGEN.
De termijn, onder 1°. vermeld, gaat in op den achtsten dag
nadat de beschikking is genomen.
Tusschen het einde van den onder 1°. vermelden termijn en
den dag der verificatie-vergadering moeten ten minste veertien
dagen verloopen.
109.  De curator geeft van deze beschikkingen onmiddellijk
aan alle bekende schuldeischers bij brieven kennis, en doet
daarvan aankondiging in het nieuwsblad of de nieuwsbladen,
bedoeld in artikel 14.
110.  De indiening der schuldvorderingen geschiedt bij den
curator door de overlegging eener rekening of andere schrif-
telijke verklaring, aangevende den aard en het bedrag der
vordering, vergezeld van de bewijsstukken of een afschrift
daarvan, en van eene opgave, of op voorrecht, pand, hypotheek
of recht van terughouding aanspraak wordt gemaakt.
De schuldeischers zijn bevoegd van den curator een ontvang-
bewijs te vorderen.
111.  De curator toetst de ingezonden rekening aan de boeken
en opgaven van den gefailleerde, treedt, als hij tegen de toe-
lating eener vordering bezwaar heeft, inet den schuldeischer
in overleg, en is bevoegd van dezen overlegging en ontbre-
kende stukken alsook inzage zijner boeken en der oorspronke-
lijke bewijsstukken te vorderen.
112.  De curator brengt de vorderingen, die hij goedkeurt,
op eene lijst van voorloopig erkende schuldvorderingen, en de
vorderingen, die hy betwist, op eene afzonderlijke lijst, ver-
meldende de gronden der betwisting.
113.  In de lijsten, bedoeld in het vorige artikel, wordt elke
vordering omschreven, en aangegeven of zij naar de meening
van den curator bevoorrecht of door pand of hypotheek ge-
dekt is, of wel ter zake der vordering recht van terughouding
kan worden uitgeoefend. Betwist de curator alleen den voor-
rang, of het recht van terughouding, zoo wordt de vordering
op de lijst der verloopig erkende schuldvorderingen gebracht
met aanteekening van deze betwisting en de gronden daarvan.
114.  Van ieder der lijsten, in artikel 112 bedoeld, wordt
een afschrift door den curator ter griffie van de rechtbank
en van het in artikel 97 aangewezen kantongerecht nederge-
legd, om aldaar gedurende de zeven aan de verificatie-verga-
dering voorafgaande dagen kosteloos ter inzage te liggen van
een ieder.
De nederlegging geschiedt kosteloos.
115.  Van de krachtens artikel 114 gedane nederlegging der
lijsten geeft de curator aan alle bekende schuldeischers schrif-
telijk bericht, waarbij hij eene nadere oproeping tot de veri-
ficatie-vergadering voegt en tevens vermeldt of een ontwerp-
-ocr page 430-
VAN DE VERIFICATIE DER SCHULDVORDERINGEN.            423
akkoord door den gefailleerde ter griffie is nedergelegd.
116.  De gefailleerde woont de verificatie-vergadering in
persoon bij, teneinde aldaar alle inlichtingen over de oorzaken
van het faillissement en den staat van den boedel te geven,
die hem door den rechter-commissaris gevraagd worden. De
schuldeischers kunnen den rechter-connnissaris verzoeken om-
trent bepaalde door hen op te geven punten inlichtingen aan
den gefailleerde te vragen. De vragen aan den gefailleerde
gesteld en de door hem gegeven antwoorden worden in het
proces-verbaal opgeteekend.
117.  Bij het faillissement van eene naamlooze vennootschap,
wederkeerige verzekerings- of waarborgmaatschappij, coöpera-
tieve of andere, rechtspersoonlijkheid bezittende, vereeniging
of stichting, rust op de bestuurders de verplichting, in het
vorig artikel den gefailleerde opgelegd.
118.  De schuldeischers kunnen ter vergadering verschijnen
in persoon of bij gemachtigde. De schriftelijke volmacht is
vrij van zegel en van de formaliteit van registratie.
119.  Op de vergadering leest de rechter-commissaris de lijst
der voorloopig erkende en die der door den curator betwiste
schuldvorderingen voor. leder der op die lijsten voorkomende
schuldeischers is bevoegd den curator omtrent elke vordering
en hare plaatsing op een der lijsten inlichtingen te vragen,
of wel hare juistheid, den beweerden voorrang of het beweerde
recht van terughouding te betwisten, of te verklaren, dat hij
zich bij de betwisting van den curator aansluit.
De curator is bevoegd op de door hem gedane voorloopige
erkenning of betwisting terug te komen, of wel te vorderen,
dat de schuldeischer de deugdelijkheid zijner noch door den
curator, noch door een der schuldeischers betwiste schuldvor-
dering onder eede bevestige; indien de oorspronkelijke schuld-
eischer overleden is, zullen de rechthebbenden onder eede
moeten verklaren, dat zij ter goeder trouw gelooven dat de
schuld bestaat en onvoldaan is.
Bestaat er behoefte aan verdaging der vergadering, dan
wordt deze binnen acht dagen, op het door den rechter com-
missaris aan te wijzen tijdstip, zonder nadere oproeping, voort-
gezet.
120.  De eed, bedoeld in het tweede lid van het vorige artikel,
wordt in persoon of door een daartoe bijzonder gemachtigde
afgelegd in handen van den rechter-commissaris, hetzij onmid-
dellijk op de vergadering, hetzij op een lateren door den
rechter-commissaris te bepalen dag. De volmacht kan onder-
hands worden verleend.
Indien de schuldeischer, aan wien de eed is opgedragen, niet
ter vergadering aanwezig is, geeft de griffier hem onmiddellijk
-ocr page 431-
424             VAN DE VERIFICATIE DEK SCHULDVORDERINGEN.
kennis van de eedsopdracht en van den voor de eedsaflegging
bepaalden dag.
De rechter commissaris geeft den schuldeischer eene verklaring
van de eedsaflegging, tenzij de eed wordt afgelegd in eene
vergadering van schuldeischers, in welk geval van de aflegging
aanteekening wordt gehouden in het proces-verbaal dier ver-
gadering.
121.  De vorderingen, welke niet betwist worden, worden
overgebracht op eene in het proces-verbaal op te nemen lijst
van erkende schuldeischers. Op liet papier aan order en aan
toonder wordt door den curator de erkenning aangeteekend.
De schuldvorderingen, van welke de curator do beëediging
heeft gevorderd, worden voorwaardelijk toegelaten, totdat door
het al of niet afleggen van den eed, op den bij het eerste lid
van artikel 120 bedoelden tijd, over hare toelating definitief
zal zijn beslist.
Het proces-verbaal der vergadering wordt onderteekend door
den rechter-commissaris en den griffier.
De in het proces-verbaal der vergadering opgeteekende erken-
ning eener vordering heeft in het faillissement kracht van
gewijsde zaak. Alleen op grond van bedrog kan de curator
vernietiging daarvan vorderen.
122.   De rechter-commissaris verwijst, in geval van betwisting,
de partijen, zoo hij ze niet kan vereenigen, en voor zoover het
geschil niet reeds aanhangig is, naar eene door hem te bepalen
terechtzitting van de rechtbank, zonder dat daartoe eene dag-
vaarding wordt vereischt.
De procureurs, die voor partijen optreden, verklaren dit bij
de oproeping der zaak ter terechtzitting.
De zaak wordt summier behandeld.
Verschijnt de schuldeischer, die de verificatie vraagt, op de
bepaalde terechtzitting niet, dan wordt hij geacht zijne aan-
vrage te hebben ingetrokken; verschijnt hij, die de betwisting
doet, niet, dan wordt hij geacht de betwisting te laten varen
en erkent de rechter de vordering.
Schuldeischers, die ter verificatie-vergadering geene betwis-
ting hebben gedaan, kunnen in het geding zich niet voegen
noch tusschenkomen.
123.  De schuldeischer, wiens vordering betwist wordt, is tot
staving daarvan tot geen nader of meerder bewijs gehouden,
dan hij tegen den gefailleerde zelf zoude moeten leveren.
124.  Indien de schuldeischer, wiens vordering betwist wordt,
niet ter vergadering aanwezig is, geeft de griffier hem onmid-
dellijk kennis van de gedane betwisting en verwijzing.
De schuldeischer kan zich in het geding op het ontbreken
dier kennisgeving niet beroepen.
-ocr page 432-
VAN DE VERIFICATIE DER SCHULDVORDERINGEN.            425
125.  Vorderingen, die betwist worden, kunnen door den
rechter-commissaris voorwaardelijk worden toegelaten tot een
bedrag door hem te bepalen. Wanneer de voorrang betwist
wordt, kan deze door den rechter-commissaris voorwaardelijk
worden erkend.
126.  Ook de gefailleerde is bevoegd, onder summiere opgaaf
zijner gronden, tegen de toelating eener vordering, hetzij voor
het geheel, hetzij voor een gedeelte, of tegen de erkenning van
den beweerden voorrang, zich te verzetten. In dit geval ge-
schiedt in het proces-verbaal aanteekening van de betwisting
en van hare gronden, zonder verwijzing van partijen naar de
rechtbank, en zonder dat daardoor de erkenning der vordering
in het faillissement wordt verhinderd.
Betwisting, waarvoor geene gronden worden opgegeven, of
welke niet de geheele vordering omvat en toch niet uitdruk-
kelijk aanwijst, welk deel wordt erkend, en welk betwist, wordt
niet als betwisting aangemerkt.
127.  Vorderingen, na afloop van den in art. 108, 1\'. ge-
noemden termijn, doch uiterlijk twee dagen vóór den dag,
waarop de verificatie-vergadering zal worden gehouden, bij den
curator ingediend, worden op daartoe ter vergadering gedaan
verzoek geverifieerd, indien noch de curator noch een der aan-
wezige schuldeischers daartegen bezwaar maakt.
Vorderingen, daarna ingediend, worden niet geverifieerd.
De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn niet toepas-
selijk, indien de schuldeischer buiten het rijk in Europa woont
en daardoor verhinderd was zich \'eerder aan te melden.
In geval van bezwaar, als in het eerste lid bedoeld, of van
geschil over het al dan niet aanwezig zijn der verhindering, in
het derde lid bedoeld, beslist de rechter-commissaris, na de
vergadering te hebben geraadpleegd.
128.   Interesten, na de failliet-verklaring loopende, kunnen
niet geverifieerd worden, tenzij door pand of hypotheek gedekt.
In dit geval worden zij pro memorie geverifieerd. Voor zooverre
de interesten op de opbrengst van het onderpand niet batig
gerangschikt worden, kan de schuldeischer uit deze verificatie
geene rechten ontleenen.
129.    Eene vordering onder eene ontbindende voorwaarde
wordt voor het geheele bedrag geverifieerd, onverminderd de
werking der voorwaarde, wanneer zij vervuld wordt.
130.   Eene vordering onder eene opschortende voorwaarde
kan geverifieerd worden voor hars waarde op het oogenblik
der failliet-verklaring.
Indien de curator en de schuldeischers het niet eens kunnen
worden over deze wijze van verificatie, wordt zoodanige vor-
dering voor het volle bedrag voorwaardelijk toegelaten.
-ocr page 433-
426            VAN DE VERIFICATIE DER SCHULDVORDERINGEN.
131.  Eene vordering, waarvan het tijdstip der opeischbaarheid
onzeker is, of welke recht geeft op periodieke uitkeeringen, wordt
geverifieerd voor hare waarde op den dag der faillietverklaring.
Alle schuldvorderingen, vervallende binnen één jaar na den
dag, waarop het faillissement is aangevangen, worden behan-
deld, alsof zij op dat tijdstip opeischbaar waren. Alle later dan
één jaar daarna vervallende schuldvorderingen worden geverifi-
eerd voor de waarde, die zij hebben na verloop van een jaar
sedert den aanvang van het faillissement.
Bij de berekening wordt uitsluitend gelet op het tijdstip en
de wijze van aflossing, het kansgenot, waar dit bestaat, en,
indien de vordering rentedragend is, op den bedongen rentevoet.
132.    Schuldeischeis, wier vorderingen door hypotheek of
pand gedekt of op een bepaald voorwerp bevoorrecht zijn, maar
die kunnen aantoonen dat een deel hunner vordering vermoe-
delijk niet batig gerangschikt zal kunnen worden op de opbrengst
der verbonden goederen, kunnen verlangen dat hun voor dat
deel de rechten van concurrente schuldeischers worden toege-
kend met behoud van hun recht van voorrang.
133.   Vorderingen, waarvan de waarde onbepaald, onzeker,
niet in Nederlandsch geld of in het geheel niet in geld is uit-
gedrukt, worden geverifieerd voor hunne geschatte waarde in
Nederlandsch geld.
134.   Schuldvorderingen aan toonder kunnen ten name van
„toonder" geverifieerd worden. Iedere ten name van „toonder"
geverifieerde vordering wordt als de vordering van een afzon-
derlijk schuldeischer beschouwd.
135.  De schuldeischer, die door borgtocht is verzekerd, komt
op voor zijne schuldvordering onder aftrek van hetgeen hij van
den borg heeft ontvangen.
De borg heeft recht voor hetgeen hij den schuldeischer heeft
betaald. Bovendien kan hij voor het bedrag, waarvoor de
schuldeischer kan opkomen, voorwaardelijk toegelaten worden,
zoolang de schuldeischer zelf niet opkomt.
136.   Indien van hoofdelijke schuldenaren twee of meer in
staat van faillissement verkceren, kan de schuldeischer in ieder
faillissement opkomen voor en betaling ontvangen over het
geheele bedrag, hem ten tijde der faillietverklaring nog ver-
schuldigd, totdat zijne vordering ten volle zal zijn gekweten.
De hoofdelijke schuldenaar, die op den faillieten boedel recht
van verhaal heeft, kan uit dien hoofde, voor zooverre de schuld-\'
eischer zelf kan opkomen, alleen voorwaardelijk worden toege-
laten, zoolang de schuldeischer zelf niet opkomt.
Indien in het geheel meer dan honderd percent beschikbaar
mocht zijn, worden die meerdere percenten naar de onderlinge
rechtsverhouding verdeeld.
-ocr page 434-
VAN DE VERIFICATIE DER SCHULDVORDERINGEN.            427
137.   Na afloop dor verificatie brengt de curator verslag uit
over den stand van den boedel, en geeft hij daaromtrent alle
door de sclmldeischors verlangde inlichtingen. Het verslag wordt,
met het proces-verbaal der verificatie-vergadering, na afloop
dier vergadering ter griffie nedergelegd ter kostelooze inzage
van ieder belanghebbende. De nederlegging geschiedt kosteloos.
ZESDE AFDEEL1NG.
VAN HET AKKOOHD.
138.  De gefailleerde is bevoegd aan zijne gezamenlijke schuld\'
eischers een akkoord aan te bieden.
139.    Indien de gefailleerde een ontwerp van akkoord, ten
minste acht dagen vóór do vergadering tot verificatie der schuld-
vorderingen, ter griffie van de rechtbank on van het in art. 97
aangewezen kantongerecht heeft nedergelegd, ter kostelooze
inzage van een ieder, wordt daarover in die vergadering na
afloop der verificatie dadelijk geraadpleegd en beslist, behou-
dens de bepaling van artikel 141.
Een afschrift van het ontwerp van akkoord moet, gelijktijdig
met de nederlegging ter griffie, worden toegezonden aan den
curator en aan ieder der leden van do voorloopige commissie
uit de schuldeischers.
140.    De curator en de commissie uit de schuldeischers zijn
verplicht ieder afzonderlijk ter vergadering een schriftelijk
advies over het aangeboden akkoord te geven.
141.   De raadpleging en beslissing worden tot eene volgende
door den rechter-conimissaris op ten hoogste drie weken later
te bepalen vergadering uitgesteld:
1°. indien staande de vergadering eene definitieve commissie
uit de schuldeischers is benoemd, niet bestaande uit de-
zelfde personen als do voorloopige, en de meerderheid
der verschonen schuldeischers van haar een schriftelijk
advies over het aangeboden akkoord verlangt;
2°. Indien het ontwerp van akkoord niet tijdig ter griffie is-
neergelegd en de meerderheid der verschenen schuldei-
schers zich voor uitstel verklaart.
142.   Wanneer de raadpleging en stemming over het akkoord,
ingevolge de bepalingen van het voorgaande artikel, worden
uitgesteld tot eene nadere vergadering, wordt daarvan door
den curator onverwijld aan de niet op de verificatie-vergadering
verschenen, erkende of voorwaardelijk toegelaten schuldeischers
kennis gegeven, bij brieven vermeldende den summieren inhoud
van het akkoord.
143.   Van de stemming over het akkoord zijn uitgesloten de
-ocr page 435-
428                                       VAN HET AKKOORD.
hypotheek" of pandhoudcnde en bevoorrechte schuldeischers,
daaronder begrepen diegenen, wier voorrang betwist wordt,
tenzij zij, vóór den aanvang der stemming, van hun hypotheek,
pand of voorrecht ten behoeve van den boedel afstand moch-
ten doen.
Deze afstand maakt hen tot concurrente schuldeischers, ook
voor het geval het akkoord niet mocht worden aangenomen.
144.  De gefailleerde is bevoegd tot toelichting en verdediging
van het akkoord op to treden en het, staande de raadpleging,
te wijzigen.
145.   Tot het aannemen van het akkoord wordt vereischt de
toestemming van twee derde der erkende en der voorwaardelijk
toegelaten concurrente schuldeischers, welke drie vierde van
het bedrag der niet bevoorrechte, door geen pand of hypotheek
gedekte erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen
vertegenwoordigen.
146.    Indien twee derde der ter vergadering verschenen
schuldeischers, meer dan de helft van het gezamenlijk bedrag
der schuldvorderingen, waarvoor stemrecht kan worden uitge-
oefend, vertegenwoordigende, in het akkoord bewilligen, zal
ten hoogste acht dagen later eene tweede stemming gehouden •
worden, zonder dat daartoe eene nadere oproeping vereischt
wordt. Bij deze stemming is niemand gebonden aan zijne de
eerste maal uitgebrachte stem.
147.   Latere veranderingen, in het getal der schuldeischers
of in het bedrag der vorderingen, hebben geen invloed op de
geldigheid van de aanneming of verwerping van het akkoord.
148.  Het proces-verbaal der vergadering vermeldt den inhoud
van het akkoord, de namen der verschenen stemgerechtigde
schuldeischers. de door ieder hunner uitgebrachte stem, den
uitslag der stemming en al wat verder op de vergadering is
voorgevallen. Het wordt na voorlezing onderteekend door den
rechter-commissaris en den griffier.
Gedurende acht dagen kan een ieder ter griffie kostelooze
inzage van het proces-verbaal verkrijgen.
149.  Zoowel de schuldeischers, die vóór gestemd hebben, als
de gefailleerde, kunnen gedurende acht dagen na afloop der
vergadering aan de rechtbank verbetering van het proces-ver-
baal verzoeken, indien uit de stukken zelve blijkt dat het
akkoord door den rechter-commissaris ten onrechte als verwor-
pen is beschouwd.
150.    Indien het akkoord is aangenomen, bepaalt de rechter-
commissaris vóór het sluiten der vergadering de terechtzitting,
waarop de rechtbank de homologatie zal behandelen.
Bij toepassing van artikel 149 geschiedt de bepaling der
terechtzitting door de rechtbank in hare beschikking. Van deze
-ocr page 436-
429
VAN HET AKKOORD.
beschikking geeft de curator aan de schuldeischers schriftelijk
kennis.
De terechtzitting zal gehouden worden ten minste acht en
ten hoogste veertien dagen na de stemming over het akkoord
of, bij toepassing van artikel 149, na de beschikking van de
rechtbank.
151.   Gedurende dien tijd kunnen de schuldeischers aan den
rechter-commissaris schriftelijk de redenen opgeven, waarom
zij weigering der homologatie wenschelijk achten.
152.   Op den bepaalden dag wordt ter openbare terechtzitting
door den rechter-commissaris een schriftelijk rapport uitge-
bracht, en kan ieder der schuldeischers in persoon of bij ge-
machtigde de gronden uiteenzetten, waarop hij de homologatie
wenscht of haar bestrijdt.
De gefailleerde is mede bevoegd, tot verdediging zijner be-
langen op te treden.
153.   Óp denzelfden dag, of anders zoo spoedig mogelijk
geeft de rechtbank hare met redenen omkleede beschikking.
Zij zal de homologatie weigeren:
1". indien de baten des boedels met inbegrip van de zaken,
waarop recht van terughouding wordt uitgeoefend, de
som, bij het akkoord bedongen, aanmerkelijk te boven
gaan;
2°. indien de nakoming van het akkoord niet voldoende is
gewaarborgd;
3°. indien het akkoord door bedrog, door begunstiging van
een of meer schuldeischers of met behulp van andero
oneerlijke middelen is tot stand gekomen, onverschillig
of de gefailleerde dan wel een ander daartoe heeft mede-
gewerkt.
Zij kan ook op andere gronden en ook ambtshalve de homo-
logatie weigeren.
154.  Binnen acht dagen na de beschikking van de rechtbank
kunnen, zoo de homologatie is geweigerd, zoowel de schuldeischers,
die vóór het akkobrd stemden, als de gefailleerde; zoo de ho-
mologatie is toegestaan, de schuldeischers, die tegenstemden
of bij de stemming afwezig waren, tegen die beschikking in
hooger beroep komen. In het laatste geval hebben ook de
schuldeischers, die vóór stemden, ditzelfde recht, doch alleen
op grond van het ontdekken na de homologatie van handelin-
gen als in artikel 153 onder 3°. genoemd.
155.   Het hooger beroep geschiedt bij een verzoekschrift, in
te dienen ter griffie van het gerechtshof, dat van de zaak moet
kennis nemen. De voorzitter bepaalt terstond dag en uur voor
de behandeling, welke zal moeten plaats hebben binnen twintig
dagen. Van het hooger beroep wordt door don griffier van het
-ocr page 437-
430
VAN HET AKKOORD.
rechtscollege, waarbij liet is aangebracht, onverwijld kennis
gegeven aan den griffier van de rechtbank, die de beschikking
omtrent de homologatie heeft gegeven.
Op de behandeling van het hooger beroep zijn, niet uitzon-
dering van het bepaalde omtrent den rechter-commissaris, ar-
tikel 152 en artikel 153, eerste lid, toepasselijk.
156.  Cassatie wordt binnen dezelfde termijnen en op dezelfde
wijze aangeteekend en behandeld.
157.   Het gehomologeerde akkoord is verbindend voor alle
geen voorrang hebbende schuldeischers, zonder uitzondering,
onverschillig of zij al dan niet in het faillissement opgekomen zijn.
158.   Na verwerping of weigering van de homologatie van
het akkoord kan de gefailleerde in hetzelfde faillissement geen
akkoord meer aanbieden.
159.   Het in kracht van gewijsde gegane vonnis van homo-
logatie levert, in verband met het proces-verbaal der verificatie,
ten behoeve der erkende vorderingen, voor zoover zij niet door
den gefailleerde overeenkomstig artikel 126 betwist zijn, een
voor tenuitvoerlegging vatbaren titel op tegen den schuldenaar
en de tot het akkoord als borgen toegetreden personen.
160.  Niettegenstaande het akkoord behouden de schuldeischers
al hunne rechten tegen de borgen en mede-schuldenaren van
den schuldenaar.
161.   Zoodra de homologatie van het akkoord in kracht van
gewijsde is gegaan, eindigt het faillissement.
162.  Nadat de homologatie in kracht van gewijsde is gegaan,
is de curator verplicht, ten overstaan van den rechter-commis-
saiis rekening en verantwoording aan den schuldenaar te doeu.
Indien bij het akkoord geene andere bepalingen deswege zijn
gemaakt, geeft do curator aan den schuldenaar tegen behoor-
lijko kwijting af alle goederen, gelden, boeken en papieren tot
den boedel behoorende.
163.  Het bedrag, waarop geverifieerde schuldeischers, krach-
tens een erkend voorrecht, aanspraak kunnen maken, alsmede
de kosten van het faillissement, moeten in handen van den
curator worden gestort, tenzij deswege door den schuldenaar
zekerheid wordt gesteld. Zoolang hieraan niet is voldaan, is de
curator verplicht alle goederen en gelden tot den boedel behoo-
rende onder zich te houden, totdat dit bedrag en de bedoelde
kosten aan de daarop rechthebbenden zijn voldaan.
Wanneer ééne maand na het in kracht van gewijsde gaan
van het vonnis van homologatie is verloopen, zonder dat van-
wego den schuldenaar de voldoening van een en ander is ge-
schied, zal de curator daartoe overgaan uit de voorhanden ba-
ten des boedels.
Het bedrag in het eerste lid bedoeld, en het deel daarvan,
-ocr page 438-
VAN HET AKKOORD.                                       431
aan ieder schuldeischer krachtens zijn recht van voorrang toe
te kennen, wordt desnoodig door den rechter-commissaris begroot.
164.   Voor zooveel betreft vorderingen, waarvan het voorrecht
voorwaardelijk erkend is, bepaalt do in het vorige artikel be-
doelde verplichting van den schuldenaar zich tot het stellen
van zekerheid en is de curator bij gebreke daarvan slechts
gehouden tot het reserveeren uit de baten des boedels van het
bedrag waarop het voorrecht aanspraak geeft.
165.   Ontbinding van het gehomologeerde akkoord kan door
eiken schuldeischer gevorderd worden, jegens wien de schul-
denaar in gebreke blijft aan den inhoud daarvan te voldoen.
Op den schuldenaar rust het bewijs, dat aan het akkoord is
voldaan.
De rechter kan, ook ambtshalve, den schuldenaar uitstel van
ten hoogste ééne maand verleenen, om alsnog aan zijne ver-
plichtingen te voldoen.
166.   Do vordering tot ontbinding van het akkoord wordt
op dezelfde wijze aangebracht en beslist, als ten aanzien van
het verzoek tot faillietverklaring in de artikelen 4, 6—9 en 12
is voorgeschreven.
167-    In het vonnis, waarbij de ontbinding van het akkoord
wordt uitgesproken, wordt tevens heropening van het faillisse-
ment bevolen met benoeming van eenen rechter-commissaris en
curator, alsmede van eene commissie uit de schuldeischers,
indien er in het faillissement reeds eene geweest is.
Bij voorkeur zullen daartoe de personen gekozen worden, die
vroeger in het faillissement die betrekkingen hebben waar-
genomen.
De curator draagt zorg voor de bekendmaking van het von-
nis op de wijze in artikel 14, derde lid, voorgeschreven.
168-  Do artikelen 13, eerste lid, 15—18 en die, welke vervat
zijn in de tweede, derde en vierde afdeeling van dezen titel,
zijn bij horopening van het faillissement toepasselijk.
Evenzoo zijn toepasselijk de bepalingen van de afdeeling over
de verificatie der schuldvorderingen, behoudens deze wijziging
dat de verificatie beperkt blijft tot de schuldvorderingen, die
niet reeds vroeger geverifieerd werden.
Niettemin worden ook de reeds geverifieerde schuldeischers
tot bijwoning der verificatie-vergadering opgeroepen en hebben
zij het recht de vorderingen, waarvoor toelating verzocht wordt,
to betwisten.
169. De handelingen, door den schuldenaar in den tijd tus-
schen de homologatie van het akkoord en de heropening van
het faillissement verricht, zijn voor den boedel verbindend,
behoudens de toepassing van artikel 42 en volgende zoo daar-
toe gronden zijn.
-ocr page 439-
432                                             VAN HET AKKOORD.
170.  Na de heropening van het faillissement kan niet opnieuw
een akkoord aangeboden worden.
De curator gaat zonder verwijl tot de vereffening over.
171.   Indien tijdens de heropening jegens eenige schuldeischers
reeds geheel of gedeeltelijk aan het akkoord is voldaan, wor-
den bij de verdeeling aan de nieuwe schuldeischers en diegene
onder de oude, die nog geene voldoening ontvingen, de bij het
akkoord toegezegde percenten, en wordt aan hen, die gedeel-
telijke betaling ontvingen, hetgeen aan het toegezegde bedrag
nog ontbreekt, vooruitbetaald
In hetgeen alsdan nog overschiet, wordt door alle schuld-
eischers, zoo oude als nieuwe, gelijkelijk gedeeld.
172.   Het vorige artikel is eveneens toepasselijk, indien de
boedel van den schuldenaar, terwijl door hem aan het akkoord
nog niet volledig is voldaan, opnieuw in staat van faillissement
wordt verklaard.
ZEVENDE AFDEELING.
VAN DE VEREFFENING DES BOEDELS.
173.   Indien op de verificatie-vergadering geen akkoord aan-
geboden, of indien het aangeboden akkoord verworpen, of de
homologatie definitief geweigerd is, verkeert de boedel van
rechtswege in staat van insolventie, en gaat de curator onmid-
dellijk tot vereffening en te-gelde-making van alle baten des
boedels over, zonder dat daartoe de toestemming of mede-
werking van den gefailleerde noodig is.
Niettemin kan den gefailleerde eenig huisraad, door den
rechter-commissaris aan te wijzen, worden gelaten.
174.   De goederen worden in het openbaar of met toestem-
ming van den rechter-commissaris onderhands verkocht.
175.   Over alle niet spoedig of in het geheel niet voor ver-
effening vatbare baten beschikt de curator op de wijze door
den rechter-commissaris goed te keuren.
Voor zooveel dit in het belang is van den boedel, brengt
de curator de goederen, waarop schuldeischers recht van terug-
houding uitoefenen, door voldoening der vorderingen, waaraan
dit recht is verbonden, in den boedel terug.
176.    De artikelen 98 en 100 houden op van toepassing te
zijn als de vereffening des boedels overeenkomstig artikel 173
is begonnen.
177.   De curator kan ten behoeve der vereffening van de
diensten des gefailleerden gebruik maken, tegen eene door den
rechter-commissaris vast te stellen vergoeding.
178.   Nadat de boedel insolvent is geworden, kan de rech-
-ocr page 440-
VAN DE VEREFFENING DES BOEDELS.                    433
ter-commissaris, op door hem te bepalen dag, uur en plaats,
eene vergadering van schuldeischers beleggen, ten einde hen
te raadplegen over de wijze van vereffening des boedels, en
zoo noodig de verificatie te doen plaats hebben der schuld-
vorderingen, die na afloop van den in artikel 108, no. 1, be-
paalden termijn nog zijn ingediend en niet reeds ingevolge
artikel 127 geverifieerd zijn. De curator handelt ten opzichte
van deze vorderingen overeenkomstig de bepalingen van de
artikelen 111 — 114. Hij roept de schuldeischers, ten minste tien
dagen vóór de vergadering, bij brieven op, waarin het onderwerp
der vergadering wordt vermeld en hun tevens de bepaling van
artikel 114 wordt herinnerd. Bovendien plaatst hij gelijke oproe-
ping in het nieuwsblad of de nieuwsbladen bedoeld in artikel 14.
179.   Zoo dikwijls er, naar het oordeel van den rechter-
commissaris, voldoende gereede penningen aanwezig zijn, be-
veelt deze eene uitdeeling aan de geverifieerde schuldeischers.
180.   De curator maakt telkens de uitdeelingslijst op en
onderwerpt die aan de goedkeuring van den rechter-conimis-
saris. De lijst houdt in een staat der ontvangsten en uitgaven
(daaronder begrepen het salaris van den curator), de namen
der schuldeischers, het geverifieerde bedrag van ieders vorde-
ring, benevens de daarop te ontvangen uitkeering.
Voor de concurrente schuldeischers worden de door den
rechter-commissaris te bepalen percenten uitgetrokken; voor
de bevoorrechte schuldeischers, daaronder begrepen zij, wier
voorrecht betwist wordt, en de pand- en Irypotheekhoudende
schuldeischers, voor zooverre zij niet reeds overeenkomstig de
bepaling van artikel 57 voldaan zijn, het bedrag waarvoor
zij batig gerangschikt kunnen worden op de opbrengst der
goederen, waarop zij bevoorrecht of die aan hen verbonden
waren. Zoo dit minder is dan het geheele bedrag hunner
vorderingen, worden voor het ontbrekende, — zoo de met het
voorrecht belaste of\' aan hen verbonden goederen nog niet
verkocht zijn, voor hunne geheele vordering — gelijke per-
centen als voor de concurrente schuldeischers uitgetrokken.
181.   Voor de voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen
worden op de uitdeelingslijst de percenten over het volle
bedrag uitgetrokken.
182.   De algemeene faillissementskosten worden omgeslagen
over ieder deel van den boedel, met uitzondering van hetgeen
overeenkomstig de bepaling van artikel 57 door den pand- of
hypotheekhoudenden schuldeischer zelf is verkocht.
183.  De door den rechter-commissaris goedgekeurde uitdee-
lingslijst ligt gedurende tien dagen ter griffie van de recht-
bank ter kostelooze inzage van de schuldeischers.
Een afschrift wordt door den curator met hetzelfde doel
28
-ocr page 441-
434                    VAN DE VEREFFENING DES BOEDELS.
nedergelegd ter griffie van het in artikel 97 aangewezen kan-
tongerecht. De nederlegging geschiedt kosteloos.
Van de nederlegging wordt door de zorg van den curator
aankondiging gedaan in het nieuwsblad of de nieuwsbladen
bedoeld in artikel 14, terwijl daarvan bovendien aan ieder
der erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldeischers scbrif-
telijk kennis wordt gegeven, met vermelding van het voor
hem uitgetrokken bedrag.
184.   Gedurende den in het vorige artikel genoemden ter-
mijn kan ieder schuldeischer in verzet komen tegen de uitdec-
lingslijst, door inlevering van een met redenen omkleed be-
zwaarschrift ter griffie; hem wordt door den griffier een bewijs
van ontvangst afgegeven.
Het bezwaarschrift wordt als bijlage bij de lijst gevoegd.
185.   Zoo er verzet gedaan is, bepaalt de rechter-commis-
saris, onmiddellijk na afloop van den termijn van inzage, den
dag, waarop het ter openbare terechtzitting behandeld zal
worden. Deze beschikking ligt ter griffie ter kostelooze in-
zage van een ieder. Bovendien doet de griffier daarvan aan
de opposanten en den curator schriftelijk mededeeling. De
dag van behandeling mag niet later gesteld worden dan veer-
tien dagen na afloop van den termijn van artikel 183.
Op den bepaalden dag wordt ter openbare terechtzitting
door den rechter-commissaris een schriftelijk rapport uitge-
bracht. en kan de curator en ieder der schuldeischers in per-
soon of bij gemachtigde de gronden uiteenzetten ter verdediging
of bestrijding van de uitdeelingslijst
Op denzelfden dag, of anders zoo spoedig mogelijk, geeft
de rechtbank hare met redenen omkleede beschikking.
186.    Ook een niet-geverifieerde schuldeischer kan verzet
doen, mits hij uiterlijk twee dagen vóór dien waarop het
verzet ter openbare terechtzitting zal behandeld worden, zijne
vordering bij den curator indiene, een afschrift daarvan bij
het bezwaarschrift voege, en in dit bezwaarschrift tevens ver-
zoek doe om geverifieerd te worden.
De verificatie der vordering geschiedt alsdan op de wijze,
bij artikel 119 en volgende voorgeschreven, ter openbare te-
rechtzitting, bestemd voor de behandeling van het verzet en
voordat daarmede een aanvang wordt gemaakt.
Indien dit verzet alleen ten doel heeft als schuldeischer
geverifieerd te worden, en er niet tevens door anderen verzet
is gedaan, komen de kosten van het verzet ten laste van den
nalatigen schuldeischer.
187.   Door verloop van den termijn van artikel 183, of, zoo
er verzet is gedaan, door het op het verzet gewezen vonnis,
wordt de uitdeelingslijst verbindend.
-ocr page 442-
VAN DE VEREFFENING DES BOEDELS.                     435
Tegen het vonnis, op het verzet gewezen, staat geen beroep
in cassatie open.
188.   De rechter-commissaris beveelt de doorhaling der hy-
pothekaire inschrijvingen, waarmede een tot den boedel be-
hoorend onroerend goed is bezwaard, zoodra de uitdeelingslijst,
waarbij de opbrengst van het goed tot verdeeling is gekomen,
verbindend is geworden.
Op verkoop, door den curator, van tot den boedel behoo-
rende schepen, is artikel 575 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering toepasselijk.
189.   De uitdeeling, uitgetrokken voor een voorwaardelijk
toegelaten schuldeischer, wordt niet uitgekeerd, zoolang niet
omtrent zijne vordering beslist zal zijn. Blijkt het ten slotte
dat hij niets of minder te vorderen heeft, dan komen de voor
hem bestemde gelden geheel of ten deele ten bate van de
andere schuldeischers.
Uitdeelingen bestemd voor vorderingen, welker voorrang
betwist wordt, worden, voor zooverre zij meer bedragen dan
de percenten over de concurrente vordeiingen uit te keeren,
gereserveerd tot na de uitspraak over den voorrang.
190.   Indien eenig goed, waarop een bepaald voorrecht, een
hypotheek of pandrecht rust, verkocht wordt, nadat aan den
bevoorrechten hypotheek" of pandhoudenden schuldeischer,
ingevolge artikel 179 in verband met het slot van artikel ISO,
reeds eene uitkeering is gedaan, wordt dezen bij eene vol-
gende uitdeeling het bedrag, waarvoor hij op de opbrengst
van het goed batig gerangschikt is kunnen worden, niet anders
uitgekeerd dan onder aftrek van de percenten, die hij reeds
te voren over dit bedrag ontving.
191.   Aan schuldeischers, die, ten gevolge van hun verzuim
om op te komen, eerst geverifieerd worden nadat er reeds
uitdeelingen hebben plaats gehad, wordt uit de nog voorhan-
den baten een bedrag, evenredig aan het door de overige
erkende schuldeischers reeds genot ene, vooruitbetaald.
Indien zij voorrang hebben, verliezen zij dien, voor zooverre
de opbrengst van de zaak, waarop die voorrang kleefde, bij
eene vroegere uitdeelingslijst aan andere schuldeischers bij
voorrang is toegekend.
192.   Na afloop van den termijn van inzage, bedoeld bij
artikel 183, of na uitspraak van het vonnis op het verzet, is
de curator verplicht de vastgestelde uitkeering onverwijld te
doen. De uitkeeringen, waarover niet binnen ééne maand
daarna is beschikt of welke ingevolge artikel 189 gereserveerd
zijn, worden door hem in de kas der gerechtelijke consignatiën
gestort.
193.   Zoodra aan de geverifieerde schuldeischers het volle
-ocr page 443-
436                       VAN DE VEREFFENING DES BOEDELS.
bedrag hunner vorderingen is uitgekeerd, of zoodra de slot-
uitdeelingslijst verbindend is geworden, neemt het faillissement
een einde, behoudens de bepaling van artikel 194. Door den
curator geschiedt daarvan aankondiging op de wijze bij artikel
14 bepaald.
Na verloop van eene maand doet de curator rekening en
verantwoording van zijn beheer aan den rechter-commissaris.
De boeken en papieren, door den curator in den boedel
gevonden, worden door hem tegen behoorlijk bewijs aan den
schuldenaar afgegeven.
194. Indien na de slotuitdeeling ingevolge artikel 189 ge-
reserveerde nitdeelingen aan den boedel terugvallen, ofmocht
blijken dat er nog baten van den boedel aanwezig zijn, welke
ten tijde der vereffening niet bekend waren, gaat de curator,
op bevel van de rechtbank, tot vereffening en verdeeling
daarvan over op den grondslag van de vroegere uitdeelingslijsten.
ACHTSTE AFDEELING.
VAN DEN RECHTSTOESTAND DES SCHULDENAARS NA AFLCOP
VAN DE VEREFFENING.
195.   Door het verbindend worden der slotuitdeelingslijst
herkrijgen de schuldeischers voor hunne vorderingen, in zoo-
verre deze onvoldaan zijn gebleven, hunne rechten van executie
op de goederen van den schuldenaar.
196.   De in het vierde lid van artikel 121 bedoelde erken-
ning eener vordering heeft kracht van gewijsde zaak tegen
den schuldenaar; het proces-verbaal der verificatie-vergadering
levert voor de daarin als erkend vermelde vorderingen den
voor tenuitvoerlegging vatbaren titel op tegen den schuldenaar.
197.   De bepaling van het vorige artikel geldt niet voor
zoover de vordering door den gefailleerde overeenkomstig art.
12fi betwist is.
NEGENDE AFDEELING.
VAN HET FAILLISSEMENT EENER NALATENSCHAP.
198. De boedel eens overledenen wordt in staat van faillis-
sement verklaard, indien een of meer der schuldeischers daartoe
verzoek doen, en summier aantoonen, dat de overledene in den
toestand verkeerde dat hij had opgehouden te betalen.
-ocr page 444-
VAN HET FAILLISSEMENT EEN EK NALATENSCHAP.               437
199.   Het verzoek wordt gericht tot de rechtbank, welke
tijdens het overlijden des schuldenaars bevoegd was de fail-
lietverklaring uit te spreken.
De erfgenamen worden op het verzoek gehoord of\' daartoe
opgeroepen bij een exploot, aan het sterfhuis te beteekenen,
zonder dat het noodig is hen bij name aan te duiden, alsmede,
voor zooverre zjj bekend zijn, bij brieven van den griffier.
200.  De faillietverklaring heeft van rechtswege ten gevolge
de afscheiding van den boedel des overledenen van dien zijner
erfgenamen, in dier voege als bij artikel 1153 van het Bur-
gerlijk Wetboek is omschreven.
201.  De faillietverklaring kan aangevraagd worden zoolang
niet drie maanden na de aanvaarding van de nalatenschap
en tevens zes maanden na het overlijden van den schuldenaar
zijn verstreken.
202.    De zesde afdeeling van dezen titel is op het faillis-
sement eener nalatenschap niet toepasselijk; evenmin de acht-
ste afdeeling, tenzij de erfenis is aanvaard.
TIENDE AFDEELING.
BEPALINGEN VAN INTERNATIONAAL RECHT.
203.  Schuldeischers, die na de faillietverklaring hunne vor-
dering geheel of gedeelteljjk afzonderlijk verhaald hebben op
in het buitenland zich bevindende, aan hen niet bij voorrang
verbonden, goederen van den in Nederland gefailleerden schul-
denaar, zijn verplicht het aldus verhaalde aan den boedel te
vergoeden.
204.  De schuldeischer, die zijne vordering tegen den gefail-
leerde, geheel of gedeeltelijk, aan een derde overdraagt, ten
einde dezen in de gelegenheid te stellen die vordering, geheel
of gedeeltelijk, afzonderlijk of bij voorrang te \\erhalen op in
het buitenland zich bevindende goederen van den gefailleerde,
is verplicht het aldus verhaalde aan den boedel te vergoeden.
De overdracht wordt, behoudens tegenbewijs, vermoed met
dit doel te zijn geschied, als zij is gedaan met de wetenschap,
dat de faillietverklaring reeds was aangevraagd of aangevraagd
zou worden.
205.  Gelijke verplichting tot vergoeding jegens den boedel
rust op hem, die zijne vordering of zijne schuld, geheel of
gedeeltelijk, aan\' een derde overdraagt, welke daardoor in
staat wordt gesteld zich in het buitenland op eene door deze
wet niet toegelaten schuldvergelijking te beroepen.
Het tweede lid van het vorige artikel is hier toepasselijk.
-ocr page 445-
438                                       VAN REHABILITATIE.
ELFDE AFDEELING.
VAN REHABILITATIE.
206.   Nadat het faillissement overeenkomstig de artikelen
161 of 193 geëindigd is, is de schuldenaar of zijn zijne erf-
genamen, ook in geval van art. 198, bevoegd eer verzoek van
rehabilitatie in te leveren bij de rechtbank, die het faillisse-
ment heeft berecht.
207.  De schuldenaar of zijne erfgenamen zijn tot dit verzoek
niet ontvankelijk, tenzij bij het verzoekschrift zij overgelegd
het bewijs, waaruit blijkt, dat alle erkende schuldeischers, ten
genoegen van elk hunner, zijn voldaan.
208.   Van het verzoek wordt aankondiging gedaan in de
Nederlandsche Staatscourant en in een of meer door de recht-
bank aan te wijzen nieuwsbladen.
209.   Ieder erkend schuldeischer is bevoegd om binnen den
tijd van twee maanden na voorschreven aankondiging verzet
tegen het verzoek te doen, door inlevering van een met rede-
nen omkleed bezwaarschrift ter griffie; hem wordt door den
griffier een bewijs van ontvangst afgegeven.
Dit verzet zal alleen daarop kunnen gegrond zijn, dat door
den verzoeker niet behoorlijk aan het voorschrift van artikel
207 is voldaan.
210.   Na verloop van de voormelde twee maanden zal de
rechtbank, om het even of er verzet of geen verzet is gedaan,
op de conclusie van het Openbaar Ministerie het verzoek toe-
staan of weigeren.
211.   Van de beslissing der rechtbank wordt noch hooger
beroep, noch cassatie toegelaten.
212.   Het vonnis, waarbij de rehabilitatie wordt toegestaan,
wordt ter openbare terechtzitting uitgesproken, terwijl mede
daarvan aanteekening geschiedt in het in artikel 19 bedoelde
register.
TITEL II.
Tan Surséance van Betaling.
213.   De schuldenaar, die voorziet, dat hij met betalen van
zijne opeischbare schulden niet zal kunnen voortgaan, doch
aantoont dat er vooruitzicht bestaat, dat hij na verloop van
eenigen tijd aan al zijne verplichtingen zal kunnen voldoen,
kan surséance van betaling bekomen.
214.   Hij zal zich daartoe, onder overlegging van een door
behoorlijke bescheiden gestaafden staat, als bedoeld in artikel
-ocr page 446-
VAN SURSÉANCE VAN BETALING.                             439
96, bij verzoekschrift, door hem zelf en zijnen procureur onder-
teekend, wenden tot de rechtbank aangewezen in artikel 2
of artikel 3.
215.   Het verzoekschrift met bijbehoorende stukken wordt
ter griffie van de rechtbank neergelegd, ter kostelooze inzage
van een ieder.
De griffier doet van de indiening van het verzoek en van
den overeenkomstig het eerste lid van het volgende artikel
bepaalden dag onmiddellijk aankondiging in de Nederlandêche
Staatscourant
en in een of meer door de rechtbank aan te
wijzen nieuwsbladen.
216.   De rechtbank beveelt dadelijk, dat de in Nederland
wonende schuldeischers, benevens de schuldenaar, tegen een
door haar op korten termijn bepaalden dag, door den griffier,
bij brieven, worden opgeroepen, ten einde op het verzoekschrift
te worden gehoord. Behalve den dag worden uur en plaats
der bijeenkomst daarbij vermeld.
Ieder schuldeischer is bevoegd om, zelfs zonder opgeroepen
te zijn, op te komen.
217.  Ten bepaalden dage worden de in persoon of bij schrif-
telijk gemachtigde opgekomen schuldeischers door de rechtbank
in raadkamer gehoord, en kan den schuldenaar voorloopige
surséance verleend worden, tenzij meer dan één derde der
verschenen schuldeischers, of houders van meer dan één vierde
van het bedrag der ter vergadering vertegenwoordigde niet
in artikel 233, nos. 1—6, genoemde schuldvorderingen, zich
daartegen verklaren.
Over de toelating tot de stemming beslist, bij verschil, de
rechtbank.
Voorloopige surséance zal nimmer verleend kunnen worden,
indien blijkt dat de schuldenaar te kwader trouw is.
Indien de rechtbank het verzoek afwijst, kan zij bij dezelfde
beschikking den schuldenaar in staat van faillissement verklaren.
Indien eene aanvrage tot faillietverklaring en een verzoek
tot surséance gelijktijdig aanhangig zijn, komt eerst het laatste
in behandeling.
De beschikking op het verzoek wordt uitgesproken ter open-
bare terechtzitting.
218.  Gedurende acht dagen na den dag der uitspraak heeft,
in geval van afwijzing van het verzoek, de schuldenaar, of in
«eval de voorloopige surséance verleend is, ieder schuldeischer,
die zich tegen het verleenen daarvan verklaard heeft, recht
van hooger beroep.
Het hooger beroep wordt ingesteld bij een verzoekschrift,
door den verzoeker en zijnen procureur onderteekend, in te
dienen ter griffie van het gerechtshof, dat van de zaak kennis
-ocr page 447-
440                             VAN 8UB8ÉANCK VAX BETALING.
moet nemen. De voorzitter bepaalt terstond dag en uur voor
de behandeling.
Indien het hooger beroep door een schuldeischer is ingesteld,
geeft deze uiterlijk op den vierden dag volgende op dien,
waarop hij zijn verzoek heeft gedaan, aan den procureur, die
het verzoek tot surséance heeft ingediend, bij deurwaarders\'
exploot kennis van het hooger beroep en van den tijd voor
de behandeling bepaald. Deze kennisgeving geldt voor oproe-
ping van den schuldenaar.
De griffier van het gerechtshof doet van het hooger beroep
en van den tijd, voor de behandeling bepaald, aankondiging
in do nieuwsbladen waarin het verzoek tot surséance volgens
art. 215 is aangekondigd. Tevens geeft hij van het ingestelde
hooger beroep aan den griffier der rechtbank kennis, neemt
van dezen de in artikel 214 bedoelde stukken over en legt
die op zijne griffie voor een ieder ter kostelooze inzage.
219.   Hij de behandeling van het hooger beroep wordt het
verzoek niet opnieuw in stemming gebracht, maar ieder schuld-
eischer is bevoegd in persoon of bij schriftelijk gemachtigde
aan de bestrijding of verdediging van de uitspraak, waartegen
het beroep gericht is, deel te nemen.
De behandeling heeft plaats in raadkamer; het arrest wordt
uitgesproken ter openbare terechtzitting.
Tegen het arrest, in hooger beroep gewezen, staat geen
beroep in cassatie open.
220.    De uitspraak der rechtbank wordt, niettegenstaande
het hooger beroep, bij voorraad ten uitvoer gelegd.
De artikelen 13 en 15 zijn ook hier toepasselijk, indien eene
krachtens artikel 217 uitgesproken faillietverklaring wordt
vernietigd.
Op handelingen, verricht in strijd met het voorschrift van
artikel 230, eerste lid, blijft, indien bij vernietiging der ver-
leende voorloopige surséance de schuldenaar in staat van
faillissement wordt verklaard, do bepaling van hot tweede lid van
dat artikel vantoepassing. De bevoegdheid, aldaar den bewind-
voerders gegeven, gaat over op den curator in het faillissement.
221.    De beschikking waarbij voorloopige surséance wordt
toegestaan, houdt de benoeming in van:
1°. een of meer bewindvoerders, ten einde met den schulde-
naar het beheer over diens zaken te voeren;
2°. een of meer deskundigen, ten einde, binnen een door
de rechtbank te bepalen termijn, die zoo noodig verlengd
kan worden, de door den schuldenaar overgelegde staat
en bescheiden te verineeren, den stand des boedols te
onderzoeken en een beredeneerd verslag van hunne
bevinding uit te brengen.
-ocr page 448-
VAN Sl/RSKANCK VAN BETALING.                                  441
De beschikking, houdende verleening van voorloopige sur-
séance, wordt aangekondigd gelijk in artikel 215, tweede lid,
is voorgeschreven.
222. Het verslag van de deskundigen bevat een met redenen
omkleed oordeel over de betrouwbaarheid van de door den
schuldenaar overgelegde staat en bescheiden en het gegronde
van het vooruitzicht, dat na verleend uitstel volledige betaling
van alle schulden zal volgen, mot aanduiding van don tijd
waarop deze vermoedelijk zal kunnen plaats hebben.
De deskundigen leggen hun verslag neder ter griffie van de
rechtbank, ter kostelooze inzage van een ieder.
De nederlegging geschiedt kosteloos.
223- Onmiddellijk na de nederlegging van het verslag,
worden de schuldeischers, benevens de schuldenaai\', de bewind-
voerders en de deskundigen door den griffier bij brieven op-
geroepen, tegen een door de rechtbank te bepalen, uiterlijk
drie weken daarna invallenden dag.
224. Ten bepaalden dage worden de verschenen schuldeischers
in raadkamer geraadpleegd over het verleenen van definitieve
surséance aan den schuldenaar. De schuldenaar, de bewindvoer-
ders en de deskundigen zijn verplicht alle ophelderingen en in-
lichtingen te geven, welke de voorzitter hun, hetzij ambtshalve,
hetzij ten verzoeke van een of meer der schuldeischers, zal vragen.
225- Indien twee derde der verschenen schuldeischers, hou-
ders van drie vierde van het bedrag der ter vergadering ver-
tegenwoordigde niet in artikel 233, nos. 1—6, genoemde
schuldvorderingen, daarin toestemmen, wordt definitieve sur-
séance verleend, tenzij het geval in artikel 217, derde lid,
voorzien aanwezig is. Het tweede en het zesde lid van artikel
217 zijn toepasselijk. Bijaldien de definitieve surséance niet
verleend wordt, kan de schuldenaar in staat van faillissement
worden verklaard.
226.  Surséance van betaling wordt verleend voor eenen tijd,
niet langer dan één en een half jaar, gerekend van den dag,
waarop de voorloopige surséance is toegestaan.
De beschikking, houdende verleening van definitieve surséance,
wordt aangekondigd, gelijk is voorgeschreven in artikel 215,
tweede lid.
Gedurende één jaar na afloop der surséance kan zij niet
opnieuw worden verleend.
227.   Wordt door het gerechtshof, in hooger beroep van
eene afwijzende beschikking der rechtbank, voorloopige sur-
céance verleend, dan houdt het de zaak aan zich, ten einde,
met inachtneming van de wijze van behandeling in de arti-
kelen 221 — 226 voorgeschreven, ook over de verleening der
definitieve surséance te beslissen.
-ocr page 449-
442                            VAN SURSÉANCE VAN BETALING.
Tegen het arrest staat geen beroep in cassatie open.
228.   De beschikking van de rechtbank, waarbij definitieve
surséance verleend of geweigerd wordt, is vatbaar voor hooger
beroep. De bepalingen van de artikelen 218 en 219 zijn
daarop toepasselijk.
Hangende het hooger beroep blijft de voorloopige surséance
van kracht.
Bij vernietiging der verleende definitieve surséance is ar-
tikel 220, derde lid, toepasselijk.
229.  Het rechterlijk college, dat de bewindvoerders en des-
kundigen heeft benoemd, kan hen te allen tijde op hun ver-
zoek, of op verzoek van een of meer der schuldeischers, of
van den schuldenaar, of wel ambtshalve, ontslaan én door
anderen vervangen.
Na het verleenen van definitieve surséance wordt door de
bewindvoerders, telkens na verloop van drie maanden, een
verslag over den toestand van den boedel uitgebracht. Met
dit verslag wordt gehandeld, gelijk in het tweede en derde
lid van artikel 222 is voorgeschreven.
230.   Zoodra de voorloopige surséance van betaling is ver-
leend, is de schuldenaar onbevoegd om, zonder medewerking,
machtiging of bijstand der bewindvoerders, eenige daad van
beheer of beschikking over zijn vermogen uit te oefenen.
Indien de schuldenaar in strijd met deze bepaling gehandeld
heeft, is zoodanige handeling voor den boedel niet verbindend,
tenzij voor zooverre deze gebaat is, en zijn de bewindvoerders
bevoegd alles te doen, wat vereischt wordt, om den boedel
te dier zake schadeloos te houden.
231.  Gedurende den loop der surséance kan de schuldenaar
niet tot betaling zijner schulden worden genoodzaakt.
Alle aangevangen executiën blijven gedurende dien tijd ge-
schorst. Gelegde beslagen vervallen. Indien de schuldenaar zich
in gijzeling bevindt, wordt hij daaruit ontslagen, zoodra het
vonnis houdende vcrleening der surséance in kracht van ge-
wijsde is gegaan.
232.  De surséance stuit den loop niet van reeds aanhangige
rechtsvorderingen, noch belet het aanleggen van nieuwe.
Indien niettemin de rechtsgedingen blootelijk betreffen de
vordering van betaling eener schuld door den schuldenaar
erkend, en indien de aanlegger geen belang heeft oin vonnis
te verkrijgen, ten einde rechten tegen derden te doen gelden,
kan de rechter na van de erkenning der schuld akte te heb-
ben verleend, het uitspreken van het vonnis opschorten tot
na het einde der surséance.
De schuldenaar kan, voor zooveel betreft rechtsvorderingen,
welke rechten of verplichtingen tot zijn vermogen behoorende
-ocr page 450-
VAN SURSÉANCE VAN BETALING.                             443
ten onderwerp hebben, noch eischende noch verwerende in
rechten optreden, zonder medewerking der bewindvoerders.
233.  De surséance werkt niet ten aanzien:
1*. van de vordering van rijks-, provinciale of gemeente-
lijke belastingen, en van waterschaps-, veenschaps- of
veenpolderlasten, niet de vervolgingskosten;
2°. van schuldvorderingen, gedekt door hypotheek of pand,
of bevoorrecht op bepaalde goederen ;
3". van levensonderhoud, door den schuldenaar uit kracht
van de derde afdeeling. van den vijftienden titel van
het eerste boek van het Burgerlijk Wetboek ver-
schuldigd;
4°. van huren en pachten;
5°. van loon van dienstboden, werklieden en andere be-
dienden ;
6°. van schuldvorderingen wegens noodwendigheden, tot
gewoon onderhoud van den schuldenaar en zijn huis-
gezin geleverd gedurende de laatste zes maanden vóór
de surséance ;
7\'. van reclame en zakelijke rechten.
Voor zooverre bij executie blijkt dat de vorderingen, onder
no. 2 vermeld, op de verbonden zaak niet verhaald kunnen
worden, werkt de surséance wel ten aanzien van deze vor-
deringen.
234.   De betaling van alle andere schulden, op het oogen-
blik van de verleening der voorloopige surséance bestaande,
kan, gedurende de surséance, niet anders plaats hebben, dan
aan alle schuldeischers gezamenlijk, in evenredigheid hunner
vorderingen.
235.  De surséance werkt niet ten voordeele van de mede-
schuldenaren en borgen.
236.  Het rechterlijk college, hetwelk de surséance verleend
heeft, kan die, op verzoek van de bewindvoerders of van een
of meer der schuldeischers, intrekken:
1°. indien de schuldenaar zich, gedurende den loop der
surséance, aan kwade trouw in het beheer van den
boedol \'schuldig maakt;
2°. indien hij zijne schuldeischers tracht te benadeelen;
3°. indien hij handelt in strijd met artikel 230, eerste lid;
4°. indien hij nalaat te doen wat naar het oordeel van de
bewindvoerders in het belang van den boedel gedaan
moest worden ;
5°. indien, hangende de surséance, de staat van den
boedel zoodanig is achteruit gegaan, dat het vooruit-
zicht is verdwenen op volledige betaling van alle
schulden bij het eindigen der surséance.
-ocr page 451-
VAN SIRSÉANCE VAN BETALING.
444
In het laatste geval kan de intrekking ook op verzoek van
dun schuldenaar worden uitgesproken.
In de gevallen, vermeld onder nos. 1 en 5, zijn de bewind-
voerders verplicht de intrekking te vragen.
De bewindvoerders en de schuldenaar worden, indien zij
niet zelve het verzoek gedaan hebben, daarop gehoord of
daartoe behoorlijk opgeroepen.
Indien op grond van de bepalingen van dit artikel de sur-
séance wordt ingetrokken, kan tevens de faillietverklaring
van den schuldenaar worden uitgesproken.
Gedurende de surséance kan de faillietverklaring niet rauwe-
lijks worden gevorderd.
De beschikking, houdende intrekking der surséance, wordt
aangekondigd gelijk is voorgeschreven in artikel 215, tweede lid.
237.  De schuldenaar is steeds bevoegd van het rechterlijk
college, dat de surséance verleende, de intrekking daarvan te
verzoeken, op grond dat de toestand des boedels hem weder
in staat stelt zijne betalingen te hervatten. Op dit verzoek
worden de bewindvoerders en de schuldeischers gehoord of
daartoe behoorlijk opgeroepen.
Deze oproeping, gelijk mede die bedoeld in het vierde lid
van het vorige artikel, geschiedt bij brieven door den griffier
tegen een door het rechterlijk college te bepalen dag.
238.   Indien de faillietverklaring wordt uitgesproken over-
eenkomstig eene der bepalingen van dezen titel of wel bin-
nen ééne maand na de afwijzing van het verzoek tot sursé-
ance, of na de intrekking of den afloop van de surséance,
wordt het tijdstip, waarop de termijnen, in de artikelen 43
en 45 vermeld, aanvangen, berekend van den dag af, waarop
de indiening van het verzoek tot verleening van surséance is
bekend gemaakt.
De curator oefent dan de bevoegdheid uit, in het tweede
lid van artikel 230 aan de bewindvoerders toegekend.
239.   Het loon van de deskundigen, benoemd ingevolge de
bepaling van artikel 221 2°., en van de bewindvoerders wordt
bepaald door de rechtbank en bij voorrang voldaan.
Dit laatste is ook van toepassing op hunne verschotten en
op die, door den. griffier tengevolge van de bepalingen van
dezen titel gedaan.
Algeheene slotbepaling.
240.   Deze wet treedt in werking op een nader bij de wet
te bepalen tijdstip. \')
Il I» werking getreden op 1 September 189Ö.
-ocr page 452-
W E T,
REGELENDE DE ZAMENSTELLING, INR1GTING EN
BEVOEGDHEID DER GEMEENTEBESTUREN.
EERSTE AFDEELING.
Van de zamenstelling en inrigting der
gemeen teb e sturen.
TITEL I.
ALGEMEEXE BEPALINGEN.
Art. 1.
Het bestuur van elke gemeente bestaat uit een Raad, een
burgemeester en wethouders.
2.  In elke gemeente is een secretaris en een ontvanger.
De burgemeester kan, met Onze goedkeuring, tot secretaris
worden benoemd.
3.  Dezelfde persoon kan zijn burgemeester, of secretaris, of
ontvanger van meer dan ééne gemeente, mits de bevolking van
geene dier gemeenten 5000 zielen te boven ga, de gemeenten
aan elkander grenzen en baar gezamenlijk zielental 10,000 niet
overtreffe.
De bevolking eener gemeente wordt geacht te bestaan uit het
door de laatste openbare volkstelling daarin aangewezen getal
inwoners.
-ocr page 453-
446
GEMEENTEWET.
TITEL II.
VAN DES RAAD.
EERSTE HOOFDSTUK.
VAN DE LEDEN VAN DEN RAAP.
§ 1. Van hun getal.
4. De Raad, onverschillig of de burgemeester er al, dan niet
lid van zij, bestaat uit:
7 leden in gemeenten berieden de           3,000 zielen;
11
II
V
V
van 3,000 tot
6.000
13
n
"
n
„
6,001
Tl
10,000
15
H
f
n
V
10,001
r
15,000
17
-
1
I"
V
15,001
20,000
19
«
n
f
T>
20,001
r
25,000
21
P
,,
1
r
25,001
K
30,000
23
II
Ti
r
30,001
-
35,000
25
„
Tl
TI
35,001
„
40,000
27
w
1
T>
n
40,001
r
45,000
2!)
11
„
f
r
45,001
*
50,000
31
|l
Tl
r
„
50,001
1.
60,000
33
„
«
n
ff
60,001
,
70,000
35
"
1
8
70,001
i
80,000
37
„
n
ïi
r
80.001
„
100,000
39
n
_
i*
n
100,001
r
200,000
45
1
J\'
n
,
boven de
200,000
§ 2. Van de benoeming der leden van den
Baad.
5. De leden van den Raad worden gekozen in kiesdistricten
door hen, die volgens de in art. 8 der Kieswet bedoelde lijst
tot het kiezen van leden van den Raad bevoegd zijn.
De districten, waarin de gemeenten Amsterdam, Rotterdam
\'.* Oranenhage verdeeld zijn voor de verkiezing van leden van
do Tweede Kamer der Staten-Generaal, zijn tevens kiesdistricten
voor de verkiezing van leden van den gemeenteraad. In elk
dier districten wordt een gelijk getal leden van den gemeenteraad
gekozen.
De gemeente Utrecht wordt voor de verkiezing van leden van
den gemeenteraad in kiesdistricten verdeeld in dier voege, dat
elk der districten, waarin die gemeente verdeeld is voor de ver-
-ocr page 454-
GEMEENTEWET.                                            447
kiezing van leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
wordt gesplitst in twee kiesdistricten.
De overige gemeenten van boven de 15,000 zielen worden
voor de verkiezing van leden van den gemeenteraad in drie
kiesdistricten ge3plitst.
Behoudens het bepaalde bij het tweede en met inachtneming
van het bepaalde bij het derde en vierde lid, regelen Gedeputeerde
Staten, den Raad gehoord, de verdeeling der kiesdistricten en
het getal der in elk district zoo in het geheel als bij elke
periodieke aftreding te kiezen leden. Zij zorgen hierbij dat in
de kiesdistricten zooveel mogelijk een gelijk getal leden gekozen
worde en dit getal in behoorlijke evenredigheid sta tot de be-
volking van ieder district.
Is het noodig, dat in een der districten een lid meer of minder
gekozen worde dan in de andere, zoo wordt hiervoor het district
aangewezen, waarvan de bevolking het meest of het minst
talrijk is.
De regeling, in liet vijfde lid bedoeld, geschiedt opnieuw,
zoodra volgens het bepaalde bij art. 4 vermeerdering of ver-
mindering van het getal leden van den Raad noodig is.
Gemeenten van 15,000 zielen of minder vormen één kiesdistrict.
6.  De kiesdistricten kunnen in stemdistricten worden verdeeld.
Eene plaatselijke verordening, aan Gedeputeerde Staten mede
te deelen, stelt die verdeeling vast. Daarbij wordt tevens het
stemdistrict aangewezen, waarin het hoofdstembureau zitting heeft.
7.  De gewone tijd, ter verkiezing der leden van den Raad, is
de laatste Dinsdag der maand Juni.
Alsdan wordt voorzien in de vervulling van de plaatsen der
leden, die met den volgenden eersten Dingsdag van September,
volgens den bij art. 27 bedoelden rooster, moeten aftreden.
8.  De verkiezing ter vervulling der plaatsen, die door ontslag,
overlijden of om eene andere reden openvallen, geschiedt binnen
zes maanden na dat openvallen.
9.  Burgemeester en wethouders bepalen ter vervulling eener
tusschentijds in den Raad openvallende plaats den dag der ver-
kiezing.
Zij bepalen vóór elke verkiezing voor leden van den Raad de
dagen, waarop, zoo noodig, de stemming en de herstemming
zullen geschieden.
Bij de periodieke verkiezingen geschieden de stemming en de
herstemming in alle kiesdistricten der gemeente op dezelfde dagen.
De stemming en de herstemming geschieden in alle stemdis-
tricten van het kiesdistrict op dezelfde dagen.
10.  In afwijking van het hieromtrent bepaalde bij art. 51 der
Kieswet, wordt in kiesdistricten waarin het aantal kiezers voor
den gemeenteraad volgens de kiezerslijst minder dan 2000 be-
-ocr page 455-
448                                            CEMEENTEWET.
draagt, de onderteekening vereisclit van tenminste \'ƒ" gedeelte
van het aantal dier kiezers.
Is het aantal dier kiezers minder dan 150, dan wordt de
onderteekening van ten minste drie kiezers vereischt.
Op den dag der verkiezing, zoodra de door de wet tot het
inleveren der opgaven van candidaten bepaalde tijd is af\'geloopen,
sluit de burgemeester de lijst der candidaten.
Is geen candidaat op die lijst gebracht, dan verklaart de
burgemeester, dat niemand is benoemd.
Zijn er evenveel candidaten als er plaatsen te vervullen zijn.
of minder, op die lijst gebracht, dan verklaart de burgemeester
deze candidaten te zijn benoemd tot leden van den Raad.
De burgemeester maakt van zijne handeling onmiddellijk
proces-verbaal op, dat ter secretarie van de gemeente voor een
ieder ter inzage wordt nedergelegd, in afschrift wordt aangc-
plakt en tegen betaling der kosten verkrijgbaar gesteld.
De vorm en de inrichting van het proces-verbaal worden
vastgesteld bij algemeenen maatregel van bestuur.
lObis. Zijn er meer candidaten opgegeven dan er plaatsen
te vervullen zijn, dan geschiedt over hen, uiterlijk binnen veer-
tien dagen, eene stemming.
Bij eerste stemming wordt geen hunner benoemd dan met
volstrekte meerderheid van stemmen.
Hebben meer candidaten de volstrekte meerderheid verkregen
dan er plaatsen te vervullen zijn, dan zijn zij, die de meeste stern-
men hebben verkregen en, bij gelijk getal stemmen, de oudsten in
jaren benoemd. In geval van gelijken ouderdom beslist het lot.
Bij herstemming, noodzakelijk wanneer de volstrekte meer-
derheid van stemmen bij de eerste stemming niet is verkregen,
wordt men benoemd met de meeste stemmen. Indien de stemmen
staken, is de oudste in jaren de benoemde. In geval van gelijken
ouderdom beslist het lot.
De volstrekte en de betrekkelijke meerderheid worden vast-
gesteld naar het aantal van waarde zijnde in de stembussen
gevonden stembiljetten.
11. Wanneer bij eene eerste stemming geen volstrekte meerder-
lieid is verkregen, wordt onmiddellijk door den voorzitter van het
hoofdstembureau van het kiesdistrict eene lijst opgemaakt, bevat-
tende de namen der candidaten, die bij de eerste stemming de
meeste stemmen hebben erlangd tot uiterlijk tweemaal zooveel
namen als er plaatsen te vervullen zijn. Komen ten gevolge van
gelijk aantal stemmen meer dan het bij de vorige zinsnede be-
paald getal candidaten voor plaatsing op de lijst in aanmerking,
dan worden deze alle daarop geplaatst.
De herstemming heeft plaats uiterlijk binnen veertien dagen
na de eerste stemming.
-ocr page 456-
449
GEMEENTEWET.
Ubis. Met afwijking van het bepaalde in artikel 87 der Kies-
wet, kan het stembureau, indien de stemming strekt tot verkie-
zing van meer dan één lid van den gemeenteraad, tusschen de
in artikel 86 der Kieswet voorgeschreven verzegeling en de
opening der stembus eene tijdruimte laten van ten hoogste een
uur, mits het stemlokaal niet verlatende en de stembus onder
zijn toezicht houdende.
Indien van deze bevoegdheid gebruik is gemaakt, wordt hier-
van en van het voldoen aan de daarvoor gestelde voorwaarden
aanteekening gehouden in het proces-verbaal der stemming.
liter. Met afwijking van het bepaalde in art. 60 der Kieswet
wordt, indien de stemming strekt tot verkiezing van meer dan
één lid van den gemeenteraad, aan het stembureau, doch uit-
sluitend voor de werkzaamheden welke met de opening der
stembus aanvangen, een vierde lid toegevoegd on het verplichte
aantal plaatsvervangende leden met één vermeerderd. Dit lid
blijft bij de toepassing van artikel 92, tweede zinsnede, dei-
Kieswet buiten aanmerking.
Het oudste lid ziet, overeenkomstig «artikel 88 der Kieswet,
het stembiljet na. De beide andere leden houden aanteekening
van elke uitgebrachte stem.
Indien bij de beslissing over de waarde van een stembiljet
de stemmen staken, beslist de stem des voorzitters.
12.  De benoemde ontvangt onverwijld van den burgemeester
der gemeente een afschrift van het proces-verbaal, waaruit zijne
candidaatstelling of zijne benoeming blijkt en, in geval van
stemming of herstemming, van den voorzitter van het hoofd-
stembureau afschriften van de daarvan opgemaakte processen-
verbaal.
Deze afschriften strekken den benoemde tot geloofsbrief.
13.  De benoemde geeft, binnen drie dagen na het bekomen
van het afschrift of de afschriften een bewijs van ontvangst
daarvoor af en geeft binnen vier weken na de dagteekening
van dat bewijs, kennis aan burgemeester en wethouders, of hij
de benoeming aanneemt.
Hij wordt, laat hij dien tijd zonder kennisgeving voorbijgaan,
geacht de benoeming niet aan te nemen.
186*8 Hij, die in meer dan één kiesdistrict is benoemd, ver-
klaart aan burgemeester en wethouders, binnen den in het vorig
artikel gestelden termijn, welke benoeming hij aanneemt.
Hij wordt, laat hij dien tijd zonder verklaring voorbijgaan,
geacht geene der op hem uitgebrachte benoemingen aan te
nemen.
14.   Wanneer een candidaat vóór de stemming, of zoo iemand,
die in herstemming komt, vóór de herstemming komt te over-
lijden, of wanneer een benoemde zijne benoeming niet aanneemt
29
-ocr page 457-
450                                             GEMEENTEWET.
of de in de beide vorige artikelen bepaalde tijd verstreken is,
geschiedt binnen veertien dagen eene nieuwe verkiezing op den
door burgemeester en wethouders te bepalen dag.
Hetzelfde vindt plaats, zoo iemand de benoeming in één
district heeft aangenomen en in een ander voorkomt op de lijst
der candidaten, over wie eene stemming of herstemming moet
geschieden in het laatstgenoemd district.
15.  Wanneer het proces-vex\'baal van den burgemeester niemand
of minder personen dan er plaatsen te vervullen zijn, als be-
noemd aanwijst, geschiedt binnen veertien dagen eene nieuwe
verkiezing op den door burgemeester en wethouders te be-
palen dag.
16.  Burgemeester en wethouders zorgen, dat Gedeputeerde
Staten van de in art. 12 bedoelde processen-verbaal, binnen acht
dagen na do dagteekening daarvan, afschrift bekomen, en geven
hun kennis van het al of niet aannemen der benoeming door
een gekozene en van den dag, waarop, naar aanleiding der artt.
S. 14 en 15 eene verkiezing zal plaats hebben.
17.  De tot lid van den Kaad benoemde legt, nevens zijn ge!oofs-
brief, aan den Kaad over:
een uittreksel uit de geboorteregisters, bij gemis daarvan,
eene acte van bekendheid, waaruit tijd en plaats zijner geboorte
blijken ;
eene verklaring van don burgemeester, getuigende, dat hij,
gedurende het laatste aan zijne verkiezing voorafgaande jaar,
zijne woonplaats binnen de gemeente gehad heeft;
eene door hem zelven af te geven verklaring, vermeldende alle
openbare betrekkingen, die hij bekleedt.
De geloofsbrief\' moet door den benoemde binnen vier maanden
na zijne dagteekening bij den Raad worden ingezonden.
Is do geloofsbrief niet binnen dien termijn ingezonden, dan
wordt de plaats geacht op den eersten dag na afloop van dien
termijn opnieuw te zijn opengevallen.
18.  De leden van den Kaad kunnen ten allen tijde hun ontslag
nemen. Het wordt door hen ingezonden aan den Kaad.
Zij, die hun ontslag hebben ingezonden, blijven leden van den
Kaad, totdat de geloofsbrieven hunner opvolgers zijn goedgekeurd.
§ 3. Van de vereisehten voor het lidmaatschap van den h\'aad
en van de hiermede onvereeniijbare betrekkingen.
19.    Leden van den Raad kunnen alleen zijn de meerder-
jarige ingezetenen der gemeente, die Nederlanders en in het
volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten zijn.
Voor meerderjarigen worden gehouden zij, die den ouderdom
van drie en twintig jaren hebben vervuld;
-ocr page 458-
451
GEMEENTEWET.
voor ingezetenen zij, die, gedurende het laatste jaar, hunne
woonplaats binnen de gemeente hadden;
voor Nederlanders zij, die het zijn volgens de wet, verklarende
wie Nederlanders zijn.
20.  Die, ter waarneming der hun door Ons of van Onzentwege
opgedragene commissiè\'n, verpligt zijn, tijdelijk buiten de gemeente
te verblijven, houden daardoor niet op, ingezetenen te zijn, zoolang
hun hoofdverblijf binnen de gemeente gevestigd blijft.
21.  Bloedverwantschap of zwagerschap in den eersten of twee-
den graad mag niet bestaan tusschen den burgemeester en de
leden van den Raad, noch tusschen de leden onderling.
Die,, na zijne benoeming, in den verboden graad van zwager-
schap geraakt, behoeft, vóór den afloop van zijn tijd van zitting,
niet af te treden.
De zwagerschap houdt op door het overlijden der vrouw, die
haar veroorzaakte.
22 Wanneer personen, elkander in den verboden graad van
bloedverwantschap of zwagerschap bestaande, te gelijkertijd zijn
gekozen, wordt de oudste in jaren voor benoemde gehouden.
In geval van gelijken ouderdom beslist het lot.
23.   Het lidmaatschap van den Raad is onvereenigbaar met
de betrekking van:
a.  hoofd van een departement van algemeen bestuur;
b.  commissaris des Konings in de provincie;
c.  lid der Gedeputeerde Staten;
d.  griffier der Staten ;
e.  commissaris van politie ;
/\'. ambtenaar, van wego het gemeentebestuur aangesteld, of
daaraan ondergeschikt, behoudens de bevoegdheid van den burge-
meester, die secretaris der gemeente is, om tevens lid van den
Raad te zijn;
</. ambtenaar, met het ontvangen of uitgeven der gelden van
de gemeente belast, of aan eenigo aan het gemeentebestuur
ondergeschikte administratie rekenpligtig;
/(. geestelijke of bedienaar der godsdienst;
i. onderwijzer voor het lager of middelbaar onderwijs;
k. krijgsman in werkelijken dienst.
De bepaling der zinsnede f is niet van toepassing op de
leden van armbesturen, noch op de leden van liet bestuur van
godshuizen, en andere instellingen van liefdadigheid; noch
eindelijk op genees-, heel- of verloskundigen, die niet de armen-
praktijk belast zijn.
24.  De leden van don Raad mogen:
in regtsgedingen, waarin de gemeente betrokken is, niet als
advocaat of procureur werkzaam zijn;
bij het opnemen en goedkeuren der rekening eener aan het
-ocr page 459-
452
GEMEENTEWET.
gemeentebestuur ondergeschikte imïgting, tot welker bestuur
zij behooren, niet tegenwoordig zijn;
noch middellijk, noch onmiddellijk deelnemen aan onder-
handsche pacht van gemeentegoederen of inkomsten, aan leve-
ringen of aannemingen ten behoeve der gemeente, aan het
koopen van betwiste vorderingen ten haren laste.
25.  Een lid van den Raad, een der in art. 19 vermelde ver-
eischten verliezende, of eene der in art. 23 uitgeslotene
betrekkingen aannemende, houdt op lid te zijn. Hij geeft hier-
van kennis aan den Raad, met vermelding der reden.
De nieuwe keuze geschiedt binnen zes maanden nadat
burgemeester en wethouders van het feit kennis hebben be-
komen.
Indien de in de eerste zinsnede bedoelde kennisgeving niet
is gedaan, en burgemeester en wethouders evenwel meenen
eene nieuwe keuze te moeten bevelen, gaan zij hiertoe niet
over, dan acht dagen na den belanghebbende te hebben ge-
waarschuwd.
Het staat dezen vrij, de zaak binnen dien tijd aan den Raad
te onderwerpen. Op \'s Raads beslissing zijn dan de artt. 33 —
37 van toepassing.
De nieuwe keuze geschiedt in dit geval binnen zes maanden
na de dagtoekening der einduitspraak.
26.  Die met art. 24 in strijd handelt, wordt in zijne betrek-
king geschorst door den Raad.
Deze onderwerpt het geval onmiddellijk aan Gedeputeerde
Staten, die den geschorste oproepen om zijne verdediging te
hooren, en hem, zoo zij hem schuldig bevinden, van zijn lid-
maatschap vervallen verklaren.
Gedeputeerde Staten kunnen ambtshalve het raadslid, dat
met art. 24 in strijd handelt, na het in zijn belang te hebben
gehoord, van zijn lidmaatschap vervallen verklaren.
De belanghebbende kan, gedurende veertien dagen, te rekenen
van den dag, waarop hem de uitspraak van Gedeputeerda Staten
is medegedeeld, hiervan bij Ons in beroep komen. Daarbij geldt
de bepaling van art. 37.
Do van zijn lidmaatschap vervallen verklaarde is, gedurende
twee jaren, te rekenen van den dag der einduitspraak, niet
tot lid van den Raad verkiesbaar.
§ 4. Van den tijd van zitting der leden van den Raad.
27.  De leden van den Raad hebben zitting gedurende zes
jaren.
Een derde van hen treedt om de twee jaren af, met den
-ocr page 460-
GEMEENTEWET.                                            453
eersten Dingsdag van September, volgens een daarvan te maken
rooster.
De aftredenden zijn dadelijk weder verkiesbaar.
28.   Eene plaatselijke verordening, aan Gedeputeerde Staten
mede to deelen, stelt den roostor vnn aftreding vast.
29.   Het lot bepaalt den tijd, waarop elk lid van den Raad,
naar den rooster, aftreedt.
29bis. Indien ceno gemeente in kiesdistricten wordt verdeeld,
bepaalt de gemeenteraad bij bet lot, met inachtneming van den
tijd hunner aftreding, voor welk kiesdistrict elk der zitting
hebbende leden geacht wordt gekozen to zijn.
30.  Die, ter vervulling eener, buiten den bij den rooster be-
paalden tijd opengevallene plaats, tot lid van den Raad ver-
kozen is, treedt af\' op het tijdstip, waarop degecn, in wiens plaats
bij is verkozen, moest aftreden.
SQbix. Indien vermeerdering van het aantal raadsleden noodig
is, wordt de rooster aangevuld en worden de open plaatsen bij
de eerstvolgende volgens art. 7 te houden verkiezing vervuld.
De gemeenteraad bepaalt bij het lot tot welke aftreding de
nieuw benoemden zullen behooren.
Indien vermindering noodig is, wordt door den gemeenteraad,
zoo noodig, bij het lot bepaald, in welke mate op elk deel
van den rooster de vermindering zal moeten worden toegepast,
doch treedt deze eerst in, wanneer in dat deel door overlijden
of bedanken eene plaats openvalt.
TWEEDE HOOFDSTUK.
VAN DE VEKGADEIUNG VAN DEN RAAD.
§ 1. Van het onderzoek der geloofsbrieven en het zitting
nemen der nieuive inkomende leden.
31.    De Raad onderzoekt de geloofsbrieven der nieuw in-
komende leden, beslist do geschillen, welke aangaande die ge-
loofsbrieven of de verkiezing zelve oprijzen, en geeft van elke
door hom genomene beslissing terstond kennis aan Gedeputeerde
Staten en aan den benoemde.
De niet-toegelatone wordt met de redenen van \'s Raads be-
slissing bekend gemaakt.
32.  De nieuw inkomenden nemen aan het onderzoek en de
beoordeeling hunner eigene geloofsbrieven geen deel en wonen
do daarover te houden beraadslaging niet bij.
33.  Gedurende acht dagen, te rekenen van den dag, waarop
de Raad heeft beslist, staat het vrij aan den niet-toegelatene, aan
olk lid van den Raad, en zoo de burgemeester geen lid is, ook
-ocr page 461-
4.r.4
GEMEENTEWET.
aan dezen, tegen de beslissing van den Raad bezwaren bij Ge-
deputeerde Staten schriftelijk in te dienen.
34.  Gedeputeerde Staten doen binnen veertien dagen na den
in liet vorig artikel bepaalden tijd uitspraak, die, met redenen
omkleed, terstond Wordt medegedeeld aan den Baad, tegen
wiens beslissing bezwaren zijn ingebragt, en aan den niet-toe-
gelatene.
35.  Gedeputeerde Staten kunnen ook ambtshalve omtrent de
beslissing van den Raad uitspraak doen.
Zij geven van het voornemen hiertoe aan den Raad berigt
binnen acht dagen, nadat Imn de beslissing is medegedeeld.
Zij brengen binnen veertien dagen, na dat berigt, hunne uit-
spraak, met redenen omkleed, ter kennis van den Raad en van
den niet-toegelatene.
36.  De Raad, of de niet-toegelatene, die in do uitspraak van
Gedeputeerde Staten niet berust, kan, gedurende veertien dagen,
te rekenen van de dagteekening dier uitspraak, hiervan bij Ons
in beroep komen.
37.  Onze beslissing, zoo spoedig mogelijk, nadat het beroep is
gedaan, bij een met redenen omkleed besluit te nomen, wordt
aan Gedeputeerde Staten gezonden, die voor de uitvoering
zorgen.
38.  Do nieuw inkomende leden aanvaarden hunne betrekking
niet, alvorens de in art. 33 en art. 35, tweede zinsnede, bepaalde
tijd verstreken, of, is de zaak bij Gedeputeerde Staten of bij
Ons aanhangig, door Gedeputeerde Staten of door Ons hunne
toelating bevolen zij.
Ter vervulling der plaatsen van hen, die niet als leden van
den Raad zijn toegelaten, wordt, zoo in do beslissing van den
Raad niet is berust, geene nieuwe verkiezing bevolen alvorens
de zaak bij einduitspraak zij afgedaan.
39.  Bij het aanvaarden hunner betrekking wordt door de leden
van den Raad, in de vergadering, in handen van den voorzitter,
de volgende eed of belofte afgelegd:
„Ik zweer (beloof) trouw aan de Grondwet en aan de wetten
des Rijks, en dat ik de belangen der gemeente......met al
mijn vermogen zal voorstaan en bevorderen.
„Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!"
(„Dat beloof ik!")
Zij worden hiertoe niet toegelaten, dan na, mede in de ver-
gadering en in handen van den voorzitter, den volgenden eed
(verklaring en belofte) van zuivering te hebben afgelegd:
„Ik zweer (verklaar), dat ik, om tot lid van den Raad te wor-
den benoemd, directelijk of indirectelijk, aan geen persoon, on-
der wat naam of voorwendsel ook, cenige giften of gaven
beloofd of gegeven heb.
-ocr page 462-
GKMKENTEWET.                                             455
„Ik zweer (beloof), dat ik om iets hoegenaamd in deze be-
trekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd eenige
beloften of geschonken aannemen zal, direotelijk of indirectelijk !"
„Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!"
(„Dat verklaar en beloof ik!")
§ 2. Van het houden en de orde der vergadering.
40.   De Raad vergadert jaarlijks ten minste zes malen, en
voorts zoo dikwijls de burgemeester, of burgemeester en wet-
houders het noodig oordeelen, of het in gemeenten beneden de
20,000 zielen door drie, in de overige gemeenten door een vijfde
der loden, schriftelijk, met opgave van redenen, wordt gevraagd.
41.   De vergadering wordt belegd door den burgemeester, die
zorgt, dat elk lid schriftelijk daartoe opgeroepen, en het beleggen
te gelijk ter openbare kennis gebragt worde.
42.   De oproepingsbriefjes worden, Spoedeischende gevallen
uitgezonderd, ten minste tweemaal vier en twintig uren voor
het houden der vergadering, aan de leden van den Kaad be-
zorgd. Zij vermelden, zooveel mogelijk, de zaken waarvoor de
vergadering is belegd.
De Raad kan steeds, behoudens de slotbepaling van art. 49,
over andere zaken beraadslagen en besluiten.
43.   De vergadering wordt in het openbaar gehouden.
De deuren worden gesloten, wanneer het, in gemeenten bene-
den de 20,000 zielen door drie, in de overige gemeenten door
een vijfde der aanwezige leden wordt gevorderd, of de voorzitter
het noodig keurt.
De vergadering beslist, of met gesloten deuren zal worden
beraadslaagd.
Over de punten, in besloten vergadering behandeld, kan daarin
ook een besluit worden genomen.
De Raad kan omtrent het in besloten vergadering behandelde
aan allen, die daarbij tegenwoordig waren, de geheimhouding
opleggen. Deze wordt in acht genomen totdat de Raad haar
opheft.
44.   In eene beslotene vergadering kan niet beraadslaagd, noch
een besluit genomen worden over:
a.   de toelating van nieuw benoemde leden;
b.  de plaatselijke begrooting en rekening;
e. het doen van uitgaven, op die begrooting niet voorkomende,
of de daarop uitgetrokkene posten te boven gaande;
d.   het aanwijzen der middelen tot dekking van zoodanige
uitgaven;
e.   het invoeren, wijzigen of afschaffen van plaatselijke belas-
tingen ;
/\'. het aangaan van geldleeningen;
-ocr page 463-
456                                             GEMEENTEWET.
g. het geheel of gedeeltelijk vervreemden en het bezwaren
van de eigendommen der gemeente;
h. het onderhands verhuren, verpachten of in gebruik geven
van gemeente-eigendommen;
i. het onderhands aanbesteden van werken of leverantiën;
k. het aanleggen en opheffen van inrigtingen van openbaar nut.
Het voorschrift van dit artikel belet niet, dat ten allen tijde,
wanneer de handhaving der orde zulks mogt vorderen, de voor-
zitter van de bij art. 60 tweede zinsnede bedoelde bevoegdheid
kunne gebruik maken.
45.   De leden stemmen elk volgens eed en geweten, zonder
last van of ruggespraak met hen, die benoemen.
46.  Zij onthouden zich van medestemmen over de zaken, die
hen, hunne echtgenooton, of hunne bloed- of aanverwanten, tot
den derden graad ingesloten, persoonlijk aangaan, of waarin zij
als gelastigden zijn betrokken.
47.   Zij zijn niet geregtelijk vervolgbaar wegens de stem of
meening door hen in do vergadering geuit.
48.  De Raad mag niet beraadslagen of besluiten, zoo niet
de grootste helft van liet bij art. 4 bepaald getal leden tegen-
woordig is.
49.  Wanneer het in het vorig artikel vereischt getal leden
niet is opgekomen, wordt eene nieuwe vergadering belegd, op
de in art. 42 voorgeschreven wijze. Evenwel behoeven er slechts
vier en twintig nren tusschen de rondzending der oproepingsbrief-
jes en het uur der vergadering te verloopen.
Wanneer ook dan het vereischt getal niet is opgekomen, gc-
schiedt het beleggen der vergadering andermaal op dezelfde
wijze, met aanhaling in do oproopingsbriefjes der bepalingen
van dit artikel.
In deze laatste vergadering beraadslagen en besluiten de
tegenwoordige leden over de in de oproepingsbriefjes vermelde
onderworpen.
50.  Alle besluiten worden door de volstrekte meerderheid der
stemmende leden opgemaakt.
Bij staking van stommen, wordt het nemen van het besluit
tot eene volgende vergadering uitgesteld.
In deze, en evenzoo in eene voltallige vergadering, wordt,
bij staken van stemmen, het voorstel geacht niet te zijn aan-
genomen.
51.  Ingeval omtrent het benoemen of voordragen van personen
de stemmen staken, beslist het lot.
52.   Over alle zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke op-
roeping gestemd, doch bij het doen van keuzen of voordragten
van personen, bij besloten en ongeteekende briefjes.
53.  Het reglement van orde, dat de Raad voor zijne vcrga-
-ocr page 464-
457
GEMEENTEWET.
dering vaststelt, wordt aan Gedeputeerde Staten medegedeeld.
54 De Raad kan vaste commissiën zijner leden belasten met
de voorbereiding van betgeen, waarover hij heeft te besluiten.
Hij benoemt er jaarlijks de voorzitters en leden van en doet
hunne namen bekend maken.
Hij kan insgelijks, doch alleen op voordragt van burgemecs-
ter en wethouders aan vaste commissiën zijner leden opdragen,
burgemeester en wethouders in het beheer van bepaalde takken
van de huishouding der gemeente bij te staan.
De loden dezer laatste commissiën, waarvan altijd do burgc-
meester of oen der wethouders voorzitter is. worden jaarlijks
benoemd door den Raad, die hunne namen doet bekend maken.
55.  Eene plaatselijke verordening, aan Gedeputeerde Staten
mede te doelen, regelt den werkkring dier vaste commissiën.
56.   Elke commissie dient den Raad, burgemeester en wet-
houders en den burgemeester over de tot haren werkkring be-
hoorende zaken van berigt en raad.
57.   De regelen voor het benoemen van andere commissiën
van raadsleden, tot uitvoering van een bijzonderen last, worden
bij het reglement van orde voor de vergadering van den Raad
gesteld.
58.  De leden van don Raad genieten, waar de Raad het
bepaalt, voor het bijwonen zijner zittingen een presentiegeld,
welks bedrag door Gedeputeerde Staten, nadat de Raad is ge-
hoord, wordt vastgesteld.
TITEL III.
VAN DEN BURGEMEESTER.
59.  De burgemeester wordt door Ons, voor den tijd van zes
jaren, benoemd.
60.  Hij kan ten allen tijde door Ons worden ontslagen.
Ingeval hij met art. 24, dat ook hem geldt, in strijd handelt,
of zich aan wangedrag of merkelijke achteloosheid schuldig
maakt, kan hij, zoo do zaak geen uitstel lijdt, door Gedeputeerde
Staten, die daarvan onmiddellijk aan Ons verslag doen, voor
ééne maand worden geschorst.
Schorsing van Onzentwege gaat den tijd van drie maanden
niet te boven.
61.  Niemand is tot burgemeester benoembaar, dan die Neder-
lander, in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten
is, den ouderdom van vijf en twintig jaren heeft vervuld en
ingezeten is der gemeente.
Van dit laatste voorschrift kan, in het belang der gemeente,
worden afgeweken.
-ocr page 465-
458                                       gemeentewkt.
62.   Do betrekking van burgemeester is, behoudens de bepa-
ling der tweede zinsnede van art. 2, onveroenigbaar met de
betrekkingen, die mot het lidmaatschap van den Raad onver-
eenigbaar zijn.
Zij is bovendien onveroenigbaar met do betrokking van :
lid dor regterlijko magt, uitgenomen de betrekking van regter-
plaatsvervanger;
ambtenaar van het openbaar ministerie of van de griffie bij
eenig regterlijk collogie;
ambtenaar bij het bestuur van \'s Rijks directe belastingen;
ambtenaar bij de provinciale griffie;
hoogleeraar of lector bij instellingen van hooger onderwijs;
deurwaarder.
63.   Do burgemeester kan niet zijn ambtenaar van den water-
staat in werkelijke dienst;
noch ambtenaar bij hot bestuur van\'s Rijks indirecte belastingen;
noch practiserend geneesheer, heel- of vroedmeester;
noch notaris, zaakwaarnemer of procureur.
Hij kan echter, is het in het belang der gemeente noodig,
tot verenniging van eene of meerdere dier betrekkingen met
de zijne, door Ons, de Gedeputeerde Staten gehoord, worden
gemagtigd.
64.   Het burgemeesterschap ontheft van en is onvereenigbaar
met schuttcrlijken dienst.
65 Alvorens zijne betrekking te aanvaarden, wordt door den
burgemeester, op do wijze zijner godsdienstige gezindheid, in
handen van Onzen Commissaris in de provincie dezelfde eed of
belofte afgelegd, als in art. 39 is voorgeschreven.
Hij wordt hiertoe niet toegelaten, dan na den in art. 87
der Grondwet bedoelden eed (verklaring en belofte) van zuive-
ring te hebben afgelegd.
66.   Do burgemeester is voorzitter van den Raad, en heeft
daarin, zoo hij geen lid is, eene raadgevende stom. Hij neemt
daarbij do bepalingen van art. 4(i in acht.
Hij zorgt voor de handhaving der orde in die vergadering
en is bevoegd, wanneer die orde op eenigerlei wijze door de toe-
hoorders wordt verstoord, hen, die dit doen, of alle toehoorders
te doen vertrekken.
67.   Hij ontvangt en opent alle aan den Raad of aan burge-
meester en wetliouders gerigte stukken.
Hij brengt die terstond ter tafel in de vergadering, waar zij
behooreo, tenzij die stukken, volgens do orde der vergadering,
dadelijk behooren te worden verzonden aan het lid of de leden,
meer in het bijzonder met de zaken, waartoe do stukken be-
trekking hebben, belast.
68.   Hij is, in spoedeischende gevallen, bevoegd, het gevor-
-ocr page 466-
GEMEENTEWET.                                             459
derd voorloopig onderzoek der stukken, alvorens ze ter tafel te
brengen, te doen plaats hebben, en geeft daarvan in de eerst- >
komende vergadering kennis.
Ten behoeve van dit onderzoek, zijn alle aan den Raad onder-
geschikte ambtenaren en besturen verpligt, hem de gevraagde
inlichtingen te verstrekken.
69.   Hij teekent alle stukken, die van den Raad of van bur-
gemeester en wethouders uitgaan.
70.  Als hoofd van den Raad en van het collegie van burge-
meester en wethouders is hij, behoudens de bepaling van art.
179a, met de uitvoering hunner besluiten belast.
Het besluit dat, naar zijn oordeel, als strijdig met de wet of
het algemeen belang, door Ons kan worden geschorst of ver-
nietigd, brengt hij niet ten uitvoer.
Hij geeft van dit gevoelen binnen vier en twintig uren na
het nemen van het besluit, kennis aan het collegie, dat het nam
en aan de Gedeputeerde Staten, die daarvan terstond aan Ons
verslag doen.
Hij is, indien dertig dagen na de dagteekening zijner kennis-
geving aan Gedeputeerde Staten geene schorsing of vernietiging
door Ons is bevolen, tot uitvoering verpligt.
71.  In alle regtsgedingen, de gemeente betreffende, treedt hij,
namens de gemeente, als eischer of verweerder op, en worden
de vonnissen en gewijsden voor of tegen hem uitgesproken en
ten uitvoer gelegd.
Dit geschiedt, zoo het geding wordt gevoerd tnsschen ge-
meenten, waarover één persoon burgemeester is, in eene dier
gemeenten door en tegen dengeen, die, volgens art. 77, den
burgemeester vervangt.
72.   Hij zorgt, dat elk ingezeten der gemeente, dit vragende,
ter secretarie inzage kan nemen en, ten zijnen koste afschrift
kan doen maken van de besluiten van den Raad, zoover daar-
omtrent, volgens art. 43, geene geheimhouding is opgelegd.
73.   Hij geniet eene jaarwedde, die door Gedeputeerde Staten,
nadat de Raad is gehoord, onder Onze goedkeuring, wordt vast-
gesteld.
Behalve die jaarwedde, geniet hij, onder welke benaming ook,
geenerlei inkomen uit de gemeentekas, dan de wedde van secre-
taris, zoo hij daartoe is benoemd.
74.   Hij heeft zijne vaste woonplaats binnen de gemeente, of,
is hij burgemeester van meerdere gemeenten, binnen eene dier
gemeenten.
Hiervan kan, is het in het belang der gemeenten noodig, door
Ons, de Gedeputeerde Staten, die het gevoelen van den Raad
inwinnen, gehoord, ontheffing worden verleend.
Hij is in de gemeente, waar hij niet met der woon is geves-
-ocr page 467-
460                                            GEMEENTEWET.
tigd, op vaste, door Gedeputeerde Staten te bepalen, openbaar
bekend te maken dagen, ten minste eenmaal in de week, voor
de ingezetenen te spreken.
75.   Hij behoeft verlof van Onzen Commissaris in de provincie,
om langer dan acht dagen, van den Ministor van Binnonlandsche
Zaken, om langer dan eene maand buiten de gemeente zich op
te houden.
Dit voorschrift geldt, indien hij burgemeester is van meerdere
gemeenten, of de in het vorig artikel bedoelde ontheffing heeft
verkregen, ten aanzien zijner woonplaats.
76.   Hij draagt de oiiderscheidingsteekcnen, door Ons te be-
palen.
77.  Hij ongesteldheid, afwezigheid of ontstentenis van den bur-
gemcester, wordt hij vervangen door den wethouder, die van
de aanwezigen do oudste in jaren is, of, deze ongesteld zijnde,
door den daarop in jaren volgenden wethouder.
Indien allo de wethouders ongesteld of afwezig zijn, treedt
het oudste lid in jaren van den Raad, dat aanwezig is, op. Onze
Commissaris in de provincie kan echter de tijdelijke waarneming
aan een der andere leden van den Raad opdragen.
78.  Die, buiten het geval van ongesteldheid van den burgo-
mecster, met de waarneming, gedurende meer dan eene maand,
onafgebroken is belast geweest, beeft voof dien tijd op de aan
de betrekking verbondene jaarwedde aanspraak.
TITEL IV.
VAN DE WETHOUDERS
79.  De wethouders worden door den Raad uit zijn midden
benoemd.
In gemeenten van 20,000 zielen en daar beneden zijn twee, in
do overige, naar goedvinden van den Raad, drie of vier wet-
houders.
80.  Zij worden gekozen voor zes jaren.
De helft treedt om de drie jaren af, met den eersten Dingsdag
van September.
De aftredenden zijn dadelijk weder verkiesbaar.
81.  Het lot bepaalt den tijd waarop elk der wethouders af-
treedt.
82.  Die, ter vervulling cener buiten den gewonen tijd open-
gevallen plaats, gekozen is treedt af op het tijdstip, waarop
degeen, in wiens plaats hij is verkozen, moest aftreden.
83.  De gewone tijd, ter verkiezing der wethouders, is de eer-
ste Dingsdag van September.
-ocr page 468-
GEMEENTEWET.                                            461
Alsdan wordt voorzien in de vervulling van de plaatsen van
hen, die op dien dag aftreden.
84.  De verkiezing ter vervulling der plaatsen, die door ont-
slag, overlijden, of om eene andere reden openvallen, geschiedt
binnen veertien dagen na het openvallen.
Gaat dit laatste gepaard met het openvallen eener plaats in
den Raad, dan beginnen de veertien dagen te loopen van den
dag, waarop het ter vervulling benoemde lid is toegelaten.
85.  De tot wethouder benoemde, die in de vergadering tegon-
woordig is, verklaart binnen 24 uren, die niet tegenwoordig is,
binnen drie dagen, na ontvangst van het berigt zijner benoeming,
of hij die aanneemt.
86.  Wanneer een benoemde zijne benoeming niet aanneemt,
geschiedt binnen acht dagen eene nieuwe keuze.
87.  Die ophoudt lid van den Raad te zijn, houdt tevens op
wethouder te wezen.
88.  De wethouders kunnen ten allen tijde hun ontslag nemen.
Het wordt door hen ingezonden aan den Raad.
Zij blijven niettemin hunne bediening waarnemen, tot dat hunne
opvolgers die hebben aanvaard.
89.  De wethouders mogen geene der in art. 62 vermelde be-
trekkingen met de hunne te gelijk bekleeden, met uitzondering
van die in de 5de alinea genoemd.
Eene dier uitgoslotene betrekkingen aannemende, zenden zij
terstond hun ontslag in.
Dit nalatende, worden zij door den Raad van hunne betrekking
vervallen verklaard.
Dit laatste kan insgelijks geschieden, wanneer zij zes achter-
eenvolgende vergaderingen van burgemeester en wethouders,
zonder geldige reden, niet hebben bijgewoond of weigeren do
in art. 183 bedoelde inlichtingen aan don Raad te geven.
90.  De wethouder, die ongesteld, of afwezig, of met de tij-
delijke waarneming van het burgemeesterschap belast is, wordt,
zoodra noodig, vervangen door een ander lid van den Raad, door
dezen te benoemen.
Zoodanig lid, buiten het geval van ongesteldheid van den wet-
houder, gedurende meer dan eene maand onafgebroken mot de
betrekking belast zijnde, heeft voor dien tijd aanspraak op de
jaarwedde en het presentiegeld, daaraan verbonden.
91.  De wethouders staan don burgemeester bij in het bestuur
der onderscheidene takken van de huishouding der gemeente.
Zij vormen tevens met den burgemeester oen collegie.
Op de leden van dit collegie, waarvan de burgemeester voor-
zitter is, zijn de artt. 46 en 47 van toepassing.
92.  Het collegie van burgemeester en wethouders mag niet
beraadslagen of beslniten, zoo niet meer dan de helft zijner leden,
-ocr page 469-
462                                            GEMEENTEWET.
of, is dit getal oneven, de grootste helft daarvan tegenwoordig is.
Alle besluiten worden bij volstrekte meerderheid van stemmen
opgemaakt.
Bij .staken van stemmen beslist, zoo het benoemingen of voor-
dragten van personen geldt, het lot, in alle andere zaken do
stem van den voorzitter.
93.  Het reglement van orde, door het collegie voor zijne ver-
gadering vast te stellen, wordt aan de goedkeuring van den
liaad onderworpen.
94.  Aan de wethouders wordt eene jaarwedde, door Gedepu-
teerde Staten, nadat de Raad is gehoord, onder Onze goedkeuring,
vast te stellen, toegelegd. Zij genieten de helft daarvan als vast
inkomen.
De overblijvende helften worden bijeengevoegd en om de drie
maanden tusschen hen verdeeld, naar gelang van het getal dei-
vergaderingen, door ieder in dien tijd bijgewoond.
Die wegens comniissié\'ii, hem als wethouder opgedragen, is
afwezig geweest, behoudt zijn aanspraak op het presentiegeld.
Behalve die jaarwedde, genieten de wethouders, onder welken
naam ook, geenerlei inkomen uit de gemeentekas, dan hetgeen
verbonden is aan eene andere, hun opgedragen openbare gemeente-
bediening.
TITEL V.
VAN UEN SECRETARIS.
95.     De secretaris wordt door den Raad, die eene aan-
beveling van twee personen, door burgemeester en wethouders
in te dienen, ontvangt, benoemd, geschorst of ontslagen.
De burgemeester, tot secretaris benoemd, wordt als zoodanig
niet dan niet Onze goedkeuring geschorst of ontslagen.
96.  Niemand is tot secretaris benoembaar, dan die Nederlander,
meerderjarig en in het volle genot der burgerlijke en burgor-
schapsregten is.
97.  Do secretaris mag den burgemeester niet in den eersten of
tweeden graad van bloedverwantschap of zwagerschap bestaan.
Do zwagorschap houdt op door het overlijden der vrouw, dio
haar veroorzaakte.
98.  Hij mag geene der volgens art. 62 met het burgemeester-
schap onvereenigbare betrekkingen te gelijk met zijn ambt
bekleeden, uitgenomen die, welke in alinea 5 van dat artikel en
in art. 23 /\' en g worden vernield.
De bediening van secretaris is met die van ontvanger derzelfde
gemeente onvereenigbaar.
In gemeenten echter van 5000 zielen en daar beneden kunnen,
-ocr page 470-
GEMEENTEWET.                                             463
onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten, de bedieningen van
secretaris en ontvanger door denzelfden persoon worden bekleed,
zoo de secretaris geen burgemeester is.
99.    Op hem is van toepassing hetgeen bij de tweede en do
laatste zinsnede van art 24 ten aanzien der leden van den
Raad, en bij de artt. 63 en 74 ten aanzien van den burgemeester
is bepaald.
De-regel in art. 63, ten aanzien der bekleeding van ambten bij
het bestuur van \'s Rijks indirecte belastingen vastgesteld, strekt
zich, wat den secretaris betreft, ook over do ambten bij het
bestuur van \'s Rijks directe belastingen uit.
100.  Alvorens zijne bediening te aanvaarden, wordt door hem,
op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, in de vergadering
van den Raad, in handen van den voorzitter, de volgende eed
of belofte afgelegd:
„Ik zweer (beloof), dat ik alle do pligten, die de wet, rege-
,lende de samenstelling, inrigting en bevoegdheid der gemeente-
„hesturen en de door den Raad van.... vastgestelde of vast
„te stellen instructie aan het ambt van secretaris hebben
„verbonden, eerlijk en vlijtig zal vervullen.
„Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!" („Dat beloof ik !")
Hij wordt hiertoe niet toegelaten, dan na den in art. 87
der Grondwet bedoelden eed (verklaring en belofte) van zuivering
te hebben afgelegd.
101.  De secretaris is den Raad, burgemeester en wethouders
den burgemeester en de commissiën van den Raad is alles, wat
het hun opgedragen bestuur aangaat, behulpzaam.
102.   Door hen worden alle de stukken, die van den Raad en
van burgemeester en wethouders uitgaan, medo-onderteekend.
In de gemeenten, waar de burgemeester tevens met de taak
van secretaris is belast, worden die stukken door een der wet-
houders mede-onderteekend.
103.   De instructie vun den secretaris wordt door den Raad
vastgesteld en aan Gedeputeerde Staten medegedeeld.
Hij wordt daarbij inzonderheid ook met de zorg voor het archief,
onder toezigt van burgemeester en wethouders, belast.
104.  Hij geniet eene jaarwedde, die door Gedeputeerde Staten,
nadat de Raad is gehoord, onder Onze goedkeuring, wordt
bepaald.
Leges ter secretarie geheven, worden aan de gemeentekas
verantwoord.
106. Hij ongesteldheid, afwezigheid of ontstentenis van den
secretaris, wordt hij vervangen op de wijze, bij het reglement
van orde voor de vergadering van den Raad te bepalen.
Die, buiten het geval van ongesteldheid van don secretaris,
met de waarneming zijner bediening, gedurende meer dan eene
-ocr page 471-
464
GEMEENTEWET.
maand, onafgebroken is belast geweest, heeft voor dien tijd op
de daaraan verbondene jaarwedde aanspraak.
TITEL VI.
VAN DEN ONTVANGER.
106.    De ontvanger wordt door den Raad, die eene aan-
beveling van twee personen, door burgemeester en wethouders
in te dienen ontvangt, benoemd, geschorst of ontslagen.
107.   Op hem is van toepassing hetgeen bij de artt. 90 — 98,
103 en 104 ten aanzien van den secretaris, bij de tweede en
laatste zinsnede van art. 24 ten aanzien der leden van den Raad,
en bij de artt. 63 en 74 ten aanzien van den burgemeester is
bepaald.
Het is hem echter niet verboden ambtenaar bij het bestuur
van \'s Rijks belastingen te wezen.
108.  Alvorens zijne betrekking te aanvaarden, wordt door hem,
op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, in de vergadering
van den Raad, in handen van den voorzitter, de volgende eed
of belofte afgelegd:
„Ik zweer (beloof), dat ik alle de pligten, die de wet,
„regelende de zamenstelling, inrigting en bevoegdheid der
.gemeentebesturen en de door den Raad van.....vastge-
„ stelde of vast te stellen instructie aan het ambt van ont-
„vanger hebben verbonden, eerlijk en vlijtig zal vervullen.
„Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!" („Dat beloof ik!*)
Hij wordt hiertoe niet toegelaten, dan na den in art. 87
der Grondwet bedoelden eed (verklaring en belofte) van zuive-
ring te hebben afgelegd.
109.  De ontvanger stelt voldoenden zakelijken borgtogt, ter
waarde van ton minste een tiende van den ontvang, doch van
niet minder dan f 100.
Het bedrag van den ontvang wordt berekend naar het ge-
middeld bedrag der inkomsten van de gemeente gedurende de
laatste vijf jaren, na aftrek van het genotene uit geldleeningen
teruggaven van voorschotten en verkoopingep van gemeente-
eigendommen,
De borgtogt kan onder goedkeuring van Gedeputeerde
Staten, beneden het tiende worden gesteld in gemeenten, waar
de ontvanger verpligt is jaarlijks meermalen geregeld te
storten.
In gemeenten, waar de geringheid van ontvang en belooning
eene afwijking van den regel schijnt te eischen, kan, onder
goedkeuring van Gedeputeerde Staten, niet persoonlijken borg-
togt genoegen worden genomen.
-ocr page 472-
GEMEENTEWET.                                             465
HO. Vóór de benoeming van den ontvanger, wordt de aard
en het bedrag van zijn borgtogt door den Kaad bepaald.
De ontvanger aanvaardt zijn ambt niet, dan na het stellen
van zijn borgtogt.
111.  De eens gestelde borgtogt wordt, bij aanmerkelijke
verhooging of verlaging der inkomsten van de gemeente,
naar den regel van art. 109, door den Raad verhoogd of ver-
laagd.
De ontvanger, die, binnen den door den Raad bepaalden tijd,
de verhooging van zijn borgtogt niet heeft gesteld, wordt be-
schouwd zijn ontslag te hebben gevraagd.
112.   De akte van borgtogt wordt, ten koste van den ont-
vanger, voor een notaris verleden.
Zij is alleen aan het vast registratieregt onderworpen.
113.  De ontvanger is belast met de invordering van alle de
inkomsten en ontvangsten dor geineento en zorgt, dat die be-
hoorlijk geschiede.
114.    Door hem geschieden alle betalingen uit de ge-
meentekas.
Hij betaalt, behalve in het geval, vermeld in art. 225, niet
dan op bevelschriften, die hetgeen te betalen is en den post,
der begrooting, waaruit de betaling moet geschieden, vermelden
en op de wijze in art. 224 voorgeschreven, geteekend zijn.
116. Hij doet van de door hem voor de gemeente gedane ont-
vangsten en uitgaven jaarlijks rekening aan burgemeester en
wethouders.
De rekening wordt ingericht overeenkomstig met de, te dien
aanzien, door Gedeputeerde Staten, onder Onze goedkeuring, te
geven voorschriften.
116.   De ontvanger geeft aan burgemeester en wethouders,
zoo dikwijls zij het vorderen, inzage in de boeken en kas.
Gedeputeerde Staten kunnen, zulks noodig achtende, opneming
der kas van hunnentwege gelasten.
117.  Ontvanger van meer dan ééne gemeente zijnde, is hij
verpligt op vaste, door burgemeester en wethouders te bepalen,
openbaar bekend te maken dagen, zich in elke dier gemeenten,
tot het doen van ontvangsten en uitgaven te hegoven.
118.  Bij schorsing, ontslag of overlijden van den ontvanger,
worden door burgemeester en wethouders zijne boeken gesloten,
zijne kas opgenomen en die boeken en kas, totdat in de dienst
is voorzien, bewaard.
Burgemeester en wethouders maken van het, bij dit sluiten
en opnemen, bevondene proces-verbaal op.
119.   Bij ongesteldheid, afwezigheid of ontstentenis van den
ontvanger, wordt hij vervangen op de wijze, bij zijne instruc-
tie te bepalen.
30
-ocr page 473-
466
GEMEENTEWET.
Die, buiten het geval van ongesteldheid van den ontvanger,
met de waarneming zijner bediening, gedurende meer dan eene
maand, onafgebroken is belast geweest, heeft voor dien tijd
op de daaraan verbondene jaarwedde aanspraak.
TWEEDE AFDEELING.
Van de bevoegdheid der gemeentebesturen.
TITEL I.
ALGEMEENE BEPALINGEN.
120.  De gemeentebesturen kunnen de belangen hunner ge-
ïneenten en van hare ingezetenen bij Ons, bij de Staten-Gene-
raal en bij de Staten der provincie, waartoe zij bchooren,voor-
staan.
121.   Besturen van twee of meer gemeenten kunnen gemcen-
schappelijke zaken, belangen, inrigtingen of werken, na mag-
tiging en onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten, regelen.
De magtiging en goedkeuring kunnen, indien de Gedeputeerde
Staten ze weigeren, door de besturen van Ons worden ge-
vraagd.
Wanneer de gemeenten in verschillende provinciën liggen,
vragen de Gedeputeerde Staten dier provinciën alvorens
de bedoelde magtiging te verleenen. Onze goedkeuring.
122.  De kosten, uit de in het vorig artikel bedoelde regeling
voorvloeiende, worden door de kassen der betrokkene gemeen-
ten, naar het belang dat elke er bij heeft, gedragen.
Op de daarover gerezen geschillen zijn de artt. 147 en 161
dor provinciale wet van toepassing.
123.  De gemeentebesturen hebben het regt, de ter uitoefening
hunner bevoegdheid noodige inlichtingen, hetzij door eene
commissie uit hun midden te doen inwinnen, hetzij schriftelijk
van alle aan hen ondergeschikte ambtenaren en besturen te
vorderen.
Indien deze ambtenaren of besturen, na tweemalen daartoe
te zijn aangeschreven geweest, de inlichtingen terughouden,
kunnen deze, na het verstrijken van den te stellen termijn,
worden ingewonnen door een of meer leden van het gemeente-
bestuur, onder persoonlijke aansprakelijkheid der ambtenaren
en leden van besturen, welke tot de vertraging hebben mede-
gewerkt, voor de kosten.
-ocr page 474-
467
GEMEENTEWET.
124.    Over alle zaken, de gemeente betreffende, dienen de
gemeentebesturen van berigt en raad aan het Departement van
Binnenlandsche Zaken, aan de overige departementen van alge-
ineen bestuur, aan Onzen Commissaris in de provincie, aan de
Staten en aan de Gedeputeerde Staten.
125.   De gemeentebesturen gedragen zich naar hetgeen, in
geschillen van bestuur tusschen gemeente en gemeente, of tus-
schen gemeente en provincie gerezen, door Ons wordt beslist.
126.   Wanneer ter uitvoering van wetten, van algemeene
maatregelen van inwendig bestuur, van onze daartoe betrek-
kelijke bevelen, en van provinciale reglementen en verordeningen
door het gemeentebestuur moet worden medegewerkt, geschiedt
dit door burgemeester en wethouders.
Vorderen de wetten, maatregelen, bevelen, reglementen of
verordeningen eene bepaalde medewerking van den Raad en
wordt die door dezen geweigerd, dan voorzien burgemeester
en wethouders daarin.
127.  Wanneer burgemeester en wethouders niet of niet be-
hoorlijk voor de hun bij het vorig artikel opgedragen uitvoering
zorgen, kan Onze Commissaris in de provincie, ten koste der
nalatigen, in die uitvoering voorzien.
128.  Tot vereeniging of splitsing van gemeenten wordt niet
overgegaan dan nadat de bepalingen der artt. 129 — 182 zijn in
acht genomen.
129.    De wijze en voorwaarden der vereeniging of splitsing
worden, nadat burgemeester en wethouders der betrokkene ge-
meenten zijn gehoord, ontworpen door Gedeputeerde Staten, of,
zoo de gemeenten in meer dan ééne provincie liggen, door eene
commissie uit de Gedeputeerde Staten dier provinciën.
130.   Hierbij wordt in het oog gehouden:
dat, in geval van vereeniging eener gemeente of van een
deel daarvan met eene of meer andere gemeenten de bezittingen
en lasten van die gemeente of van dat deel komen ten voor-
en nadeele der vereeniging, tenzij bijzondere omstandigheden
eene andere schikking eischen;
dat, ingeval van splitsing eener gemeente, de openbare ge-
bouwen en werken zooveel mogelijk het deel, waarin zij gelegen
zijn, volgen;
dat de vruchten, welke de ingezetenen in natura uit een ge-
meente-eigendom trekken, aan hen, die ze trokken, verblijven.
131.   Het ontwerp wordt in elk der betrokkene gemeenten
voorgelegd aan het oordeel van den Raad en van eene door de
kiezers voor den Raad. ten zelfden getale, als diens leden, te
kiezen commissie uit de ingezetenen, waarin de burgemeester
voorzit.
De leden dier commissie worden, op de bij de kieswet be-
-ocr page 475-
468                                                    GEMEENTEWET.
paalde wijze, buiten de leden van den Raad, gekozen, en be-
noemd met de meeste steramen. Daarbij gelden de bepalingen
der eerste zinsnede van art. 12 en der artt. 13—15.
132.   Het gevoelen van den Raad en dat van de commissie
worden schriftelijk aan Gedeputeerde Staten uitgebracht en
door hen vervolgens met hun advies aan het Departement van
Binnenlandsche Zaken ingezonden.
133.    Wanneer de wet eene vereeniging of splitsing van ge-
meenten heeft bevolen, blijven de bestaande plaatselijke veror-
deningen, ambtenaren en magten in de vereenigde of gesplitste
gemeenten voortduren, totdat zij door andere volgens de wet
zijn vervangen.
De wet, die de vereeniging of splitsing bov-eelt, verordent de
noodige maatregelen ter verkiezing van den nieuwen Raad.
TITEL II.
VAN DE REGELING EN HET BESTUUR VAN DE
HUISHOUDING DER GEMEENTE.
EERSTE HOOFDSTUK.
ALGEMEENE BEPALINGEN.
134.   Aan den Raad behoort, met betrekking tot de regeling
en het bestuur van de huishouding der gemeente, alle bevoegd-
heid die niet bij deze of eenige andere wet aan den burge-
meester, of aan burgemeester en wethouders is opgedragen.
135.  Aan hem behoort het maken van verordeningen, die in
het belang der openbare orde, zedelijkheid en gezondheid wor-
den voreischt, en van andere, betreffende de huishouding der
gemeente.
136.  De Raad regelt de bezoldigingen van alle plaatselijke
ambtenaren en bedienden, zoover de regeling niet aan Gedepu-
teerde Staten is opgedragen; de door die ambtenaren te stellen
borgtogten; de geldleeningen en hetgeen verder de geldmiddelen
der gemeente aangaat.
Elk besluit tot het doen eener geldleening wijst de middelen
aan, waaruit de renten en aflossing der leening zullen worden
gevonden.
137.  De Raad besluit tot het koopen. ruilen of vervreemden,
het bezwaren of verpanden van gemeente-eigendommen, het
treffen van dadingen daaromtrent, en het aanvaarden der aan
de gemeente gemaakte legaten of gedane schenkingen.
138.  Hij besluit omtrent het verhuren, verpachten of op
eenige andere wijze in gebruik geven der gemeente-eigendommen.
-ocr page 476-
469
GEMEENTEWET.
139.  Hij besluit tot het verleenen der kwijtschelding, die krach-
tens de wet, of eene overeenkomst, of op gronden van billijk-
heid toekomt aan de huurders, pachters of gebruikers der
gemeente-eigendommen, en aan hen, die hebben aangenomen
ten behoeve der gemeente iets te doen of te leveren.
140.  Hij maakt in overeenstemming met algemeene of pro-
vinciale voorschriften, de noodige verordeningen tot verdeeling
der gemeente in wijken en tot opmaking van volledige staten
der bevolking en harer huizing.
141.  Hij beveelt het aanleggen of verbeteren van gemeente-
wegen, waterleidingen, straten, pleinen, grachten, gebouwen,
werken en inrigtingen.
142.  Hij kan zich de vaststelling der plannen en voorwaar-
den van aanbesteding der werken en leverantiën, ten behoeve
der gemeente te doen, voorbehouden.
De aanbesteding geschiedt in het openbaar, behoudens de ge-
vallen, waarin, om bijzondere redenen, onderhandsche aanbe-
steding in het belang der gemeente ware.
143.  De Raad beoordeelt en beslist of van wege de gemeente
of voor een harer afdeelingen, die zich in het geval bevindt
door art. 217 omschreven, een regtsgeding zal worden gevoerd.
Bij geschil over burgerlijk regt tusschen zoodanige afdeeling
en de gemeente of eene andere afdeeling der zelfde gemeente,
onderwerpt de Raad de zaak aan Oedeputeerde Staten, en be-
noemen deze, zoo zij tot het voeren van een geding niagtigen,
uit de ingezetenen der afdeeling eene commissie, daarmede belast.
Elk ingezeten kan, daartoe volgens art. 194 gemagtigd, ten
zijnen laste, namens de gemeente een eisch in regten doen, die
volgens zijne meening door den gemeenteraad in het belang der
gemeente behoorde, te zijn gedaan.
144.  De Raad besluit tot het instellen, afschaffen en veran-
deren van jaarmarkten of gewone marktdagen.
145.  Hij benoemt en ontslaat alle gemeente-ambtenaren en
bedienden, wier benoeming niet bij deze wet of de plaatselijke
verordeningen aan anderen is opgedragen.
146.  Hij laat zich jaarlijks verslag doen van den toestand
van alle in de gemeente aanwezige godshuizen, gestichten van
weldadigheid, genootschappen en andere instellingen van open-
baar nut, die niet Rijks of Provinciale instellingen, of\' aan het
algemeen of provinciaal bestuur onmiddellijk ondergeschikt zijn.
147.  Hij benoemt, zooverre de benoeming niet aan anderen
behoort, op de wijze, bij plaatselijke verordeningen te bepalen,
de leden en beambten van het bestuur der godshuizen en andere
instellingen van liefdadigheid. Hij schorst en ontslaat de door
hom benoemden.
148.   Zijne goedkeuring wordt vereischt op de begrooting en
-ocr page 477-
470                                                   GEMEENTEWET.
rekening der godshuizen en andere instellingen van licfdadig-
heid, dio uit de gemeentekas onderstand genieten.
149.   De Raad benoemt uit zijn midden een of meer personen
ter waarneming der betrekking van ambtenaar van den burger-
lijken stand.
De burgemeester, ofschoon geen lid van den Raad, is tot
ambtenaar van den burgerlijken stand benoembaar.
TWEEDE HOOFDSTUK.
VAN DE PLAATSELIJKE VERORDENINGEN.
§ 1. Van de plaalselyke verordeningen in het algemeen.
150.   De plaatselijke verordeningen, waaronder alle voorschrif-
ten en beschikkingen van den Raad en van burgemeester en
wethouders worden verstaan, treden niet in hetgeen van alge-
meen Rijks- of provinciaal belang is.
Bij twijfel, of eene verordening dit deed, verbindt zij, totdat
art. 103 is toegepast.
151.   De bepalingen van plaatselijke verordeningen in wier
onderwerp door eene wet, een algemeenen maatregel van inwen-
dig bestuur of eene provinciale verordering wordt voorzien, hou-
den vaH regtswege op te gelden.
152.   De plaatselijke verordeningen worden terstond aan Ge-
deputeerde Staten, wanneer deze daartoe aanvraag doen, mede-
gedeeld.
153.    De plaatselijke verordeningen kunnen, zoover zij met
de wetten of het algemeen belang strijden, door Ons worden
geschorst of vernietigd.
154.   De schorsing of vernietiging wordt door Ons bevolen bij
een met redenen omkleed, in het Staatsblad te plaatsen besluit,
dat, ingeval van fchorsing, den duur hiervan bepaalt.
155.   Schorsing stuit onmiddellijk de werking der geschorste
bepalingen.
Zij kan niet langer duren dan een jaar.
156.   Is binnen den voor de schorsing bepaalden tijd de ver-
nietiging der bepalingen door Ons niet uitgesproken, dan worden
deze geacht geldig te zijn.
Hiervan geschiedt zoover het eene afgekondigde verordening
betreft, openbare kennisgeving.
157.   Bepalingen, die geschorst zijn geweest, kunnen niet op
nieuw worden geschorst.
158.   Vernietiging van wege strijd met de wet brengt mede
vernietiging van alle de gevolgen der vernietigde bepalingen,
zoover die nog voor vernietiging vatbaar zijn.
Bij vernietiging van wege strijd met het algemeen belang,
-ocr page 478-
471
GEMEENTEWET.
kunnen de niet met dat belang strijdige gevolgen in stand
blijven.
159.  De Raad of burgemeester en wethouders zorgen, in geval
van geheele of gedeeltelijke schorsing of vernietiging hunner
verordeningen, dat aan art. 155 of art. 158 worde voldaan en
op nieuw in hetgeen tle geschorste of vernietigde bepalingen
regelden, voor zooveel noodig is, voorzien.
160.  Gedeeltelijke schorsing of vernietiging oener verordening
heeft op de geldigheid der in het besluit tot schorsing of ver-
nietiging niet genoemde bepalingen geen invloed.
§ 2. Van de plaatselijke verordeningen tegen wier orer-
treding straf is bedreigd, in het bijzonder.
161.  De Raad kan op overtreding zijner verordeningen, voor
zooveel daartegen niet bij eene wet, eenen algemeenen maatregel
van inwendig bestuur of eene provinciale verordening is voorzien,
hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoog-
ste vijf en twintig gulden stellen, alsmede verbeurdverklaring
van de voorwerpen door middel van de overtreding verkregen of
waarmede de overtreding is gepleegd, voor zoover zij den ver-
oordeelde toebehooren.
162.   Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen
jaar is verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den
schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden
of daarvoor vrijwillig de geldboete is betaald, kan de regter
geldboete of hechtenis tot hot dubbel van het voor elk gesteld
maximum uitspreken.
163—165. Vervallen.
166.  De verordeningen, tegen wier overtreding straf is bo-
dreigd, worden, zooveel mogelijk, ontworpen door eene vaste com-
missie uit den Raad, waarvan de burgemeester voorzitter is.
167.  Zij worden binnen tweemaal vier en twintig uren, nadat
zij door den Raad zijn vastgesteld, in afschrift, door den burge-
meester en den secretaris te waarmerken, medegedeeld aan
Gedeputeerde Staten.
Gedeputeerde Staten geven aan den Raad borigt van do ont-
vangst binnen veertien dagen, nadat hun het afschrift is ge-
worden.
168.  Deze verordeningen verbinden niet, dan wanneer zij be-
hoorlijk zijn afgekondigd.
169.  De afkondiging geschiedt binnen veertien dagen na de
dagteekening van het in art. 167 bedoeld berigt, tenzij dit in-
houde, dat Gedeputeerde Staten de schorsing of vernietiging der
verordening aan Ons hebben gevraagd.
170.  De verordening, wier schorsing of vernietiging aan Ons
-ocr page 479-
472                                            GEMEEHTEWET.
is gevraagd, wordt afgekondigd\', zoodra Wij hebben verklaard,
dat voor schorsing of\' vernietiging geene redenen bestaan.
Dezo verklaring wordt geacht gegeven te zijn, indien, binnen
twee maanden na de dagteekening van het in art. 167 bedoeld
berigt, geene andere beslissing door Ons is genomen.
171.   In spoedeischende gevallen kan de Raad besluiten tot
het doen afkondigen eener verordening, onmiddellijk nadat zij
is vastgesteld.
Hiervan wordt, bij het inzenden van het afschrift der ver-
ordening aan Gedeputeerde Staten kennis gegeven.
172.  De afkondiging geschiedt op de wijze, te bepalen bij eene
plaatselijke verordening, die tevens het noodige voorschrift, om
van de gedane afkondiging te doen blijken, bevat.
173.  Het formulier van afkondiging luidt:
„De Burgemeester en Wethouders van .... doen te weten,
„dat door den Raad dier gemeente in zijne vergadering van....
„is vastgesteld de volgende verordening:
(titel der verordening)
(inhoud der verordening)
„Zijnde deze verordening aan de Gedeputeerde Staten van....
„volgens hun berigt van den .... in afschrift medegedeeld.
„En is hiervan afkondiging geschied, waar het behoort,
den" enz.
In het geval, bedoeld bij art. 171, worden de woorden: „vol-
gens hun berigt van den", weggelaten en wordt tusschen de
woorden „hiervan" en „afkondiging" het raadsbesluit tot be-
spoediging dezer laatste vermeld.
Is de verordening, overeenkomstig art. 121, door twee of meer
gemeentebesturen gemeenschappelijk vastgesteld, dan wordt dit
en tevens de magtiging en goedkeuring hetzij van Ons, hetzij
van Gedeputeerde Staten op het afgekondigde stuk vermeld.
174.  Do verordeningen treden, indien zij geen ander tijdstip
daartoe aanwijzen, in werking op den derden dag na dien,
waarop zij zijn afgekondigd.
175.   De afgekondigde verordeningen worden, gedurende drie
maanden, op de secretarie der gemeente voor een ieder ter
lezing nedergelegd. Zij worden hetzij in druk, hetzij in afschrift,
tegen betaling der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld, en
medegedeeld aan het kantongeregt, de arrondissements-regtbank
en het geregtshof, waaronder de gemeente behoort, en aan het
openbaar ministerie bij die collegiën.
Het oorspronkelijke stuk wordt ter secretarie bewaard.
176.    Jaarlijks doen Gedeputeerde Staten in het provinciaal
blad eene korte opgaaf plaatsen van de gedurende het vorige
jaar door de gemeentebesturen hunner provincie afgekondigde
verordeningen.
-ocr page 480-
473
GEMEENTEWET.
177.  Door de in art. 166 bedoelde commissie, of waar deze
niet bestaat, door burgemeester en wethouders, wordt aanhou-
dend onderzocht, aan welke van de bepalingen der plaatselijke
verordeningen tegen wier overtreding straf is bedreigd, voort-
durende kracht is toe te kennen, en van do uitkomsten van dit
onderzoek jaarlijks aan den Raad verslag gedaan.
178.  Ten minste eenmaal in de vijf jaren verklaart de Raad,
ten gevolge eener algemeene herziening, welke dier verordenin-
gen nog gelden.
Dit geschiedt bij eene verordening, welke de titels der gel-
dende verordeningen, of de geldende bepalingen der gedeeltelijk
afgeschafte verordeningen vermeldt.
Op die verordening zijn de artt. 166—175 van toepassing.
DERDE HOOFDSTUK.
VAN HET DAGELIJKSCH BESTUUK DER GEMEENTE.
§ 1. Van liet dagelijksch bestuur in het a/gemeen.
179.  Tot het dagelijksch bestuur der gemeente, aan burge-
meester en wethouders opgedragen, behoort:
(i. het uitvoeren der verordeningen van den Raad;
b.  het beslissen der over die uitvoering gerezen geschillen,
tenzij de beslissing aan anderen opgedragen zij;
c.  het afkondigen der in art. 166 bedoelde verordeningen;
cl. het dienen, overeenkomstig art. 124, van berigt en raad, tenzij
dit bepaaldelijk van den Raad verlangd worde;
e.  het beheeren der inkomsten en uitgaven van de gemeente,
zoover dit niet aan anderen is opgedragen;
f.  het opnemen der boeken en kas van den ontvanger;
g.  het toezien op het beheer en onderhoud van alle plaatse-
lijke werken en eigendommen;
h. de zorg, voor zoover van hen afhangt, voor de instand-
houding, bruikbaarheid, vrijheid en veiligheid der publieke
wegen, bruggen, veren, wateren, vaarten, straten, plantsoenen,
pleinen en andere \'plaatsen, tot gemeene dienst van allen
bestemd;
i. het vaststellen der plans en voorwaarden van aanbesteding
der werken en leverantiën, ten behoeve der gemeente te doen,
wier vaststelling de Raad niet aan zich voorbehield;
k. de handhaving van de marktpolitie, en van die over de
plaatselijke vervoermiddelen;
l. het toezigt op de publieke gezondheidsdienst;
m. het handhaven der politie over hot begraven en de be-
graafplaatsen;
-ocr page 481-
474                                            GEMEENTEWET.
n. het toezigt op de brandbluschmiddelen;
o. het benoemen en ontslaan der wijk- en brandmeesters;
p. dat der ambtenaren en bedienden bij de plaatselijke se-
cretarie;
q. het schorsen van alle uit de gemeentekas bezoldigde ambte-
naren. welker schorsing niet aan anderen is opgedragen;
r. het nemen, alvorens de gemeente tot het voeren van oen
regtsgeding gemagtigd zij, van alle conservatoire maatregelen,
zoo in als buiten regten, en het doen wat noodig is, ter voor-
koming van verjaring en verlies van regt of bezit;
v. het behoorlijk voorbereiden, zoover het niet aan anderen is
opgedragen, van al hetgeen in den Raad ter overweging en
beslissing moet worden gebragt;
t. het toezien op het beheer der banken van leening en dei-
godshuizen en andere instellingen van liefdadigheid, waarover
door de wet op het armbestuur, den stichtingsbrief of andere
verordening, aan het gemeentebestuur toezigt is opgedragen;
U. het geregeld, op onderscheidene tijdstippen in het jaar
bezoeken van alle die imigtingen, en het doen van verslag daar-
omtrent aan den Kaad;
v. het houden van een gedurig toezigt op al wat de gemeente
aangaat.
180.   Onder de uitvoering dor verordeningen van don Raad,
behoort de bevoegdheid tot het, desnoods ten koste der ovcr-
treders, doen wegnomen, beletten of verrigton van hetgeen, in
strijd met die verordeningen, wordt daargesteld, ondernomen of
nagelaten.
Spoedoischende gevallen uitgezonderd, geschiedt dit niet, dan
nadat de belanghebbende schriftelijk is gewaarschuwd.
181.   Het opnemen der boeken en kas van den ontvanger
geschiedt ten minste eens in de drie maanden. Proces-verbaal
wordt daarvan opgemaakt en aan den Raad on Gedeputeerde
Staten medegedeeld.
182.   Jaarlijks in do maand April doen burgemeester en wet-
houders aan den Raad een uitvoerig en beredeneerd verslag
van den toestand der gemeente.
Dit verslag wordt aan Gedeputeerde Staten medegedeeld.
Het wordt ingerigt in den vorm, door den Minister van Bin-
nenlandsche Zaken, de Gedeputeerde Staten gehoord, te bepalen
en, hetzij in druk, hetzij in afschrift, togen betaling der kosten,
algemeen verkrijgbaar gesteld.
183.   De burgemeester en wethouders zijn wegens het dage-
lijksch bestuur aan den Raad verantwoording schuldig, en geven
te dien aanzien alle de door den Raad verlangde inlichtingen.
-ocr page 482-
GEMEENTEWET.                                            475
§ 2. Van de handhaving der openbare orde in het
bijzonder.
184.  In geval van oproerige beweging, van zamenscholing
of andere stoornis der openbare orde, is de burgemeester be-
voegd, de hulp der schutterij en van het in de gemeente aan-
wezige of naastbij zijnde krijgsvolk te vorderen.
Hij geeft hiervan terstond kennis aan Onzen Commissaris in
de provincie.
185.  De bevelhebbers van de schutterij en het krijgsvolk
voldoen terstond aan de vordering van den burgemeester.
Zij wordt door hem, zooveel mogelijk, schriftelijk gedaan.
386. In het in art. 184 bedoeld geval, is de burgemeester be-
voegd, alle bevelen, die hij ter handhaving der orde noodig
acht, te geven.
Hij laat tot maatregelen van geweld niet overgaan, dan na het
doen der vereischte waarschuwingen.
187.  Is het, in zoodanigen toestand, noodig, algemeene voor-
schriften van politie voor de inwoners uit te vaardigen en
onverwijld af te kondigen, de burgemeester is er toe bevoegd.
Hij brengt die voorschriften terstond ter kennis van Onzen
Commissaris in de provincie en, zoo spoedig mogelijk, ter ken-
nis van den Raad.
Onze Commissaris kan de uitvoering van zoodanige voorschrif-
ten schorsen.
De voorschriften vervallen, zoo zij niet door den Raad in
zijne eerstvolgende vergadering worden bekrachtigd; tenzij de
Burgemeester ten aanzien van een raadsbesluit tot niet-bekrach-
tiging oordeele te moeten handelen naar de voorschriften der
2de en 3de zinsnede van art. 70.
Ingeval de burgemeester, of die hem moet vervangen, buiten
staat is te handelen, kunnen de noodige voorschriften en bevelen
door Onzen Commissaris worden uitgevaardigd.
188.  De politie over de schouwburgen, herbergen, tapperijen
en alle voor het publiek openstaande gebouwen en zainenkom-
sten, openbare vermakelijkheden en openlijke huizen van ontucht,
behoort aan den burgemeester.
Hij waakt tegen het doen van met de openbare orde of zede-
lijkheid strijdige vertooningen.
189.  Bij brand heeft de burgemeester, behoudens de gewone
dienstregeling, door plaatselijke verordeningen voorgeschreven,
het opperbevel.
190.  De commissarissen en dienaren van politie of veld-
wachters, tevens aan de algemeene of Rijkspolitie, onder het
-ocr page 483-
476
GEMEENTEWET.
daarmede belast gezag, dienstbaar, staan, zooveel de gemeente-
politie betreft, onder de bevelen van den burgemeester.
De gemeentepolitie rust op de plaatselijke verordeningen en
bevelen, die, ten gevolge dezer wet, in het huishoudelijk belang
der gemeente zijn gegeven.
191.   De commissaris van politie wordt door Ons benoemd,
geschorst en ontslagen.
Zijne bezoldiging wordt, den Raad en Gedeputeerde Staten
gehooid, door Ons geregeld.
De dienaren van politie worden, op voordragt van den Com-
missaris, aangesteld en ontslagen door den burgemeester, die,
in overleg mot den commissaris, hun de noodige ambts-instruc-
tie geeft.
Een en ander geschiedt in de gemeenten, waar geen commis-
sai\'is van politie is, door den burgemeester alleen.
De veldwachters worden, in overleg met den burgemeester,
door Onzen Commissaris in de provincie, die hunne instructie,
in overeenstemming met de algemeene verordeningen vaststelt,
benoemd en ontslagen.
192.  Ter handhaving der openbare orde, of in het algemeen
belang, kunnen, wanneer de bijstand der plaatselijke beambten
of vrijwillige hulp ongenoegzaam is en de plaatselijke middelen
het betalen van hulp niet gedoogen, de inwoners der gemeente
tijdelijk tot het doen van persoonlijke diensten worden opgeroepen.
193.  Eene plaatselijke verordening, aan Gedeputeerde Staten
mede te deelen, regelt den aard en duur dezer diensten, als-
mede de gevallen, waarin zij kunnen worden gevorderd. Zij
laat, zooveel mogelijk, elk inwoner vrij, de diensten, waartoe
hij wordt opgeroepen, door een plaatsvervanger te doen waar-
nemen, of voor geld, in de gemeentekas te storten, aftekoopen.
TITEL III.
VAN DE BESLUITEN DER GEMEENTEBESTUREN, AAN DE GOEDKEURING
DER GEDEPUTEERDE STATEN TE ONDERWEBPEN.
194.   Aan de goedkeuring der Gedeputeerde Staten worden
onderworpen de besluiten der gemeentebesturen, betreffende:
a.  het aangaan van geldleeningen;
b.  het waarborgen der renten en aflossingen van geldleeningen,
door anderen aan te gaan;
c.   het koopen, ruilen, vervreemden, bezwaren en verpanden
van onroerend goed, van inschrijvingen in een der grootboeken
van de Noderlandsche schuld, van schuldbrieven of vorderingen;
d.  het aanvaarden der aan de gemeente gemaakte legaten of
gedane schenkingen;
-ocr page 484-
GEMEENTEWET.                                             477
e.   het onderhands verhuren, verpachten of in gehruik geven
van gemeente-eigendommen;
f.  het onderhands aanbesteden van werken of leverantién;
ff. het treffen van dadingen;
h. het voeren van regtsgedingen door de gemeente, hetzij in
eersten aanleg, hetzij in hooger beroep of cassatie ;
/\'. het berusten in eene tegen de gemeente ingestelde regts-
vordering.
Bij geschil tusschen de gemeente en de provincie, wordt in de
gevallen, bij de drie laatst voorgaande zinsneden bedoeld, het be-
sluit van het gemeentebestuur aan Onze goedkeuring onderworpen.
Hij geschil tusschen do gemeente en den staat, wordt in
dezelfde gevallen noch Onze goedkeuring, noch die van Gedepu-
teerdo Staten vereischt.
195.   Do besluiten der gemeentebesturen tot het instellen,
afschaffen of veranderen van jaarmarkten of gewone marktdagen,
worden aan de goedkeuring der Gedeputeerde Staten onderworpen,
zoover de goedkeuring daarvan niet bij algemeenen maatregel
van inwendig bestuur aan Ons is voorbehouden.
196.   Gedeputeerde Staten beslissen omtrent de in de beide
vorige artikelen bedoelde besluiten, binnen dertig dagen na dien,
waarop zij hun zijn aangeboden.
197.  Zij worden geacht het besluit goed te keuren, waaromtrent
zij, binnen den in het vorig artikel gestelden termijn, geene
beslissing of geen berigt, de beslissing verdagende, aan het
bestuur, dat het besluit nam, hebben ingezonden.
198.    Het besluit van Gedeputeerde Staten, waarbij de goed-
keuring van een der in de artt. 194 en 195 bedoelde besluiten
geweigerd wordt, is altijd met redenen omkleed.
199.  Het voeren van een regtsgeding door de gemeente, zoo
in hooger beroep en in cassatie, als in eersten aanleg, wordt
door Gedeputeerde Staten niet toegestaan of geweigerd, dan
nadat hun bet regtskundig onderzoek, te dien aanzien door het
gemeentebestuur in te stellen, is medegedeeld.
200.    In geval Gedeputeerde Staten het besluit van een
gemeentebestuur weigeren goed te keuren, kan dit bestuur
binnen dertig dagen, te rekenen van de dagteekening der beslis-
sing van Gedeputeerde Staten, bij Ons voorziening vragen.
201.   Onze beslissing, binnen twee maanden, nadat het verzoek
om voorziening is gedaan, bij een met redenen omkleed besluit
te nemen, wordt aan Gedeputeerde Staten gezonden, die, met
den moesten spoed, voor de uitvoering zorgen.
202 Indien een besluit van Gedeputeerde Staten, waarbij het
bssluit van een gemeentebestuur is goedgekeurd, door Ons
wordt geschorst of vernietigd, neemt dat bestuur, met betrekking
tot de bij zijn besluit behandelde zaak, art. 159 in acht.
-ocr page 485-
478                                                    GEMEENTEWET.
TITEL IV.
VAN DE BEGROOTING VAN INKOMSTEN EN UITGAVEN DER
GEMEENTE EN DE DAARTOE BETREKKELIJKE
REKENING EN VERANTWOORDING.
EERSTE HOOFDSTUK.
VAN DE BEGROOTING.
2C3. De begrooting der plaatselijke inkomsten en uitgaven
wordt, niet de noodige inlichting en bescheiden, jaarlijks, vier
maanden vóór den aanvang van het jaar, waarvoor zij moet
dienen, door burgemeester en wethouders aan den Raad aan-
geboden.
Zij wordt, zoodra zij is aangeboden, op de secretarie der
gemeente voor een ieder ter lezing nedergelegd, en hetzij in druk,
hetzij in afschrift, tegen betaling der kosten, algemeen verkrijg-
baar gesteld.
Van de nederlegging en verkrijgbaarstelling, tusschen welke
en de behandeling der begrooting in den Raad ten minste veertien
dagen moeten verloopen, geschiedt openbare kennisgeving.
204.   De bogrooting der inkomsten vermeldt alle ontvangsten
der gemeente van welken aard ook, en, zooveel mogelijk, het
bedrag, waarop elke post in het bijzonder wordt beraamd.
205.    Op de begrooting der uitgaven, die alle uitgaven der
gemeente, van welken aard ook, vermeldt, worden gebragt:
a.  de jaarwedden van den burgemeester, de wethouders, den
secretaris, den ontvanger, den commissaris van politie en de
overige plaatselijke ambtenaren en bedienden;
b.   het presentiegeld der leden van den Raad ;
e. de kosten van licht, brand en bureaubehoeften, benoodigd
voor het gemeentebestuur;
tl. de kosten der stukken, die ten behoeve der gemeente ge-
schreven of gedrukt worden.
e.   de kosten van het onderhouden, schoonhouden en meubelen
van het gebouw of vertrek, voor de vergadering van den Raad
en van burgemeester en wethouders, mitsgaders voor de secre-
tarie der gemeente bestemd;
f.   de huur van dat gebouw of vertrok, waar het geen ge-
meente-eigendom is,
-ocr page 486-
479
GEMEENTEWET.
ij. de kusten van het aanleggen en bijhouden der registers van
den burgerlijken stand;
h. die van het aanleggen en bijhouden van de dubbelen der
leggers en plans van het kadaster;
t. die van het aanleggen en bijhouden der bevolkingsregisters;
k. die van het aanleggen en bijhouden der kiezerslijsten en
van het uitoefenen der kiesverrigting, zoo, dat elke gemeente
de kosten drage der verrigtingen, waarvoor haar bestuur heeft
te zorgen;
/. die van de zorg voor de plaatselijke wegen, straten, pleinen,
vaarten, bruggen en andere plaatselijke werken, in den omvang
bij art. 179 h aangeduid;
m. die van het aanleggen en onderhouden der algemeene be-
graafplaatsen;
n. die der brandweer;
ó. die van het onderhoud der gemeente-eigendommen en de
wegens die eigendommen verschuldigde lasten;
p. die der kamers van koophandel en fabrieken;
</. die der plaatselijke gezondheidspolitie;
r, de renten en aflossingen van de door de gemeente aange-
gane geldleeningen ;
«. alle opeischbare schulden der gemeente;
/. de kosten der door de gemeente gevoerde gedingen;
u. de kosten van abonnement op het Staatsblad en op het
Provinciaal blad der provincie;
v. de in art. 122 bedoelde kosten;
iv. een post voor onvoorziene uitgaven;
x. alle uitgaven, door bijzondere wetten aan de gemeente op-
gelegd.
206.   Do begrooting der inkomsten en uitgaven wordt ingerigt
naar voorschriften, door Gedeputeerde Staten, onder Onze goed-
keuring, te geven.
207.   Zij behoeft, om te werken, de goedkeuring van Gedepu-
teerde Staten.
Zij wordt hun, nadat zij door den Raad is vastgesteld, ten
minste twee maanden voor den aanvang van het jaar, waarvoor
zij moet dienen, voorgedragen.
208.   Gedeputeerde Staten beslissen over de begrooting vóór
den aanvang van het jaar waarvoor zij moet dienen.
Zij kunnen de beslissing bij een, vóór dien tijd te nemen, met
redenen te omkleeden besluit, verdagen.
209.   De Raad kan, indien Gedeputeerde Staten de begrooting
weigeren goed te keuren, bij Ons voorziening vragen. Daarbij
gelden de artt. 200 en 201.
210.   Gedeputeerde Staten verleenen of onthouden hunne goed-
keuring aan de begrooting in haar geheel, gelijk zij door den
-ocr page 487-
480
GEMEENTEWET.
Raad is vastgesteld; behoudens het bepaalde bij art. 212.
211.   Is hunne goedkeuring niet verleend aan de begrooting
voor den aanvang van het jaar, waarvoor deze moet dienen,
dan magtigen zij het gemeentebestuur, tot op de helft der
aangevraagde sommen uitgaven te doen uit die posten der be-
grooting, waartegen bij hen geene bedenking bestaat.
Zij magtigen daarbij tevens het gemeentebestuur tot ontvang
van zoodanige inkomsten, waartegen zij geene bedenking hebben.
212.  Wanneer de Raad weigert, de door de wet aan de ge-
meente opgelegde uitgaven op de begrooting van uitgaven te
brengen, geschiedt zulks door Gedeputeerde Staten.
Indien, in dat geval, de plaatselijke inkomsten niet toereikende
zijn en de Raad weigert, nieuwe middelen tot dekking voor te
dragen, worden de overige, niet bij de wet aan de gemeente
opgelegde uitgaven door Gedeputeerde Staten, bij een in het
provinciaal blad te plaatsen besluit, in zoodanige reden ver-
minderd, dat tusschen de plaatselijke inkomsten en uitgaven
evenwigt zij.
213.  Buiten de begrooting kan geene uitgaaf geschieden, dan
met afzonderlijke, voorafgaande magtiging van Gedeputeerde
Staten.
In buitengewone gevallen echter van dringenden spoed, kan
de Raad tot het doen van zoodanige uitgaaf besluiten, mits zijn
daartoe te nemen, met redenen te omkleeden besluit terstond
aan Gedeputeerde Staten inzendende. Hij wijst tevens de mid-
delen tot dekking aan.
De uitgaaf, door Gedeputeerde Staten goedgekeurd, wordt aan
de begrooting toegevoegd.
Bij weigering van Gedeputeerde Staten, is art. 209 toepasselijk.
Indien Wij de uitspraak van Gedeputeerde Staten bevestigen,
zijn de leden van den Raad, die tot het besluit hebben mede-
gewerkt, persoonlijk voor de uitgaaf aansprakelijk.
214.  Af- en overschrijving op de posten der begrooting van
uitgaven kan niet geschieden, dan voor zooverre daartoe bij de
begrooting zelve, of bij een afzonderlijk, door Gedeputeerde
Staten goedgekeurd besluit van den Raad, magtiging is verleend.
215.  Tot het bevelen der af- en overschrijvingen, waartoe bij
de begrooting magtiging werd verleend, behoeven burgemeester
en wethouders in elk geval de toestemming van den Raad.
216.  Op het besluit van Gedeputeerde Staten, houdende goed-
keuring der begrooting, is art. 202 van toepassing.
217.  In gemeenten, wier afdeelingen of dorpen een afzonderlijk
vermogen, afzonderlijke inkomsten of lasten hebben, kan dit on-
derscheid blijven bestaan.
Buiten de gevallen, waarin de wet, bij vereeniging van ge-
meenten, zoodanig onderscheid vaststelt, kunnen afzonderlijke
-ocr page 488-
481
GEMEENTEWET.
lasten en inkomsten, in bijzondere afdeelingen eener gemeente,
waar het noodig is, bij een besluit van den gemeenteraad, onder
Onze goedkeuring, Gedeputeerde Staten gehoord, worden toege-
laten.
Gedeputeerde Staten regelen, onder Onze goedkeuring, het
verband dezer afzonderlijke huishoudingen met de algemeene
huishouding der gemeente, overeenkomstig het stelsel dezer wet.
TWEEDE HOOFDSTUK.
VAN DB REKENING EN VEKANTWOOKDING.
218.  Van de inkomsten en uitgaven der gemeente wordt door
burgemeester en wethouders, over elk dienstjaar, verantwoording
gedaan aan den Raad, onder overlegging van de hun door den
ontvanger, volgens art. 115, aangeboden rekening, die alle
ontvangsten en uitgaven van het dienstjaar vermeldt.
219.  Deze rekening wordt, met alle de daarbij behoorende
bescheiden, en met vermelding van hetgeen burgemeester en
wethouders ter hunner verantwoording dienstig achten, aan den
Raad overgelegd binnen zeven maanden na afloop van het jaar,
waartoe zij betrekking heeft.
Zij wordt te gelijk op de secretarie der gemeente voor een ieder
ter lezing nedergelegd, en hetzij in druk, hetzij in afschrift, tegen
betaling der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.
Van de nederlegging en verkrijgbaarstelling geschiedt open-
bare kennisgeving.
220.  De Raad onderzoekt de rekening zonder uitstel en stelt
het bedrag der ontvangsten en uitgaven voorloopig vast, bij een
besluit, waarvan het ontwerp hem, te gelijk met de rekening,
wordt aangeboden.
Burgemeester en wethouders zijn bij de beraadslagingen daar-
over tegenwoordig, doch onthouden zich van medestemming over
het besluit.
221.  Het besluit van den Raad wordt, met de rekening en de
daarbij hehoorende bescheiden, binnen den termijn, door Gedepu-
teerde Staten telkens te bepalen, aan hen opgezonden. Zij sluiten
de rekening vóór het einde van het jaar volgende op dat, waartoe
zij betrekking heeft, en stellen het bedrag der ontvangsten en
uitgaven vast.
Zij gaan hiertoe niet over, dan nadat hun is gebleken, dat de
rekening gedurende ten minste veertien dagen op de secretarie ter
lezing heeft gelegen.
222.  Het besluit van Gedeputeerde Staten, houdende vaststel-
ling der ontvangsten en uitgaven, strekt, zoover de daarin
goedgekeurde ontvangsten en uitgaven betreft, aan den ontvanger
en aan burgemeester en wethouders tot ontlasting.
31
-ocr page 489-
482
GEMEENTEWET.
Gedeputeerde Staten kunnen den ontvanger of burgemeester
en wethouders afzonderlijk ontlasten, zoo zij beider beheer voor
geen e gelijktijdige goedkeuring vatbaar oordeelen.
223.  Op het besluit van Gedeputeerde Staten, in het vorig
artikel bedoeld, is art. 202 van toepassing.
224.  De uitgaven uit de plaatselijke kas worden bevolen door
burgemeester en wethouders bij bevelschriften, door hunnen
voorzitter en een dor wethouders te teekenen.
225.   In geval tot betaling van hetgeen door de wet aan de
gemeente is opgelegd en op hare begrooting gebragt, geene
bevelschriften worden afgegeven, kunnen Gedeputeerde Staten,
na den Raad te hebben gehoord, onder persoonlijke aansprake-
lijkheid van hen die er toe medewerkten, bij een besluit de be-
taling bevelen.
Dit besluit geldt voor den ontvanger als bevelschrift.
226.   Burgemeester en wethouders worden wegens uitgaven,
door hen bevolen, waardoor het eindcijfer der begrooting of de
aangewezen begrootingspost wordt overschreden, of die ter
kwader trouw zijn aangewezen op een post, waarmede die uit-
gaven niet overeenstemmen, tenzij blijke, dat zij tot het bevelen
dier uitgaven niet hebben medegewerkt, persoonlijk aansprakelijk
jegens de gemeente, indien die uitgaven, bij het in art. 222
bedoeld besluit van Gedeputeerde Staten niet onder de uitgaven
der gemeente worden opgenomen.
De Raad benoemt, wanneer daartoe volgens dit ai tikel termen
zijn, iemand uit zijn midden, met de regtsvervolging tot scha-
de vergoed ing belast.
227.   Door den Raad, door burgemeester en wethouders en
door den Ontvanger kan tegen de beslissing van Gedeputeerde
Staten omtrent de rekening, bij Ons voorziening worden gevraagd.
Daarbij golden do artt. 200 en 201.
228.  De termijnen van verjaring, voor de vorderingen ten
laste van hot Rijk, bij de wet bepaald of te bepalen, zijn op de
vorderingen ten laste der gemeente van toepassing.
Burgemeester en wethouders brengen de termijnen, minstens
eeno maand vóór den afloop daarvan, bij openbare kennisgeving
in herinnering.
TITEL V.
VAN DE GEMEENTE-EIGENDOMMEN, WEKKEN EN INRIGTINUEN.
229.   De gemeentebesturen zorgen, dat een naauwkeurige
staat opgemaakt en bijgehouden worde van hetgeen, naar het
burgerlijk regt, eigendom der gemeente is.
Deze staat en de daarin jaarlijks gebragte verandering wordt
-ocr page 490-
483
GEMEENTEWET.
aan Gedeputeerde Staten medegedeeld en, hetzij in druk, hetzij
in afschrift, tegen betaling der kosten, algemeen verkrijgbaar
gesteld.
230.  De aan de gemeente behoorcnde wegen, straten, pleinen,
grachten, vaarten, kanalen, bruggen, havens, kaden, wallen en
openbare gebouwen mogen niet worden vervreemd, bezwaard of
verpand, dan nadat zij door een besluit van den Raad verklaard
zijn, ter openbare dienst niet meer bestemd te wezen.
Gedeputeerde Staten kunnen bevelen, dat in de gemeenten,
waar het hun nuttig schijnt, van de gemeentewegen, vaarten
en andere, ter dienst van het algemeen bestemde, zaken een
staat worde opgemaakt en bijgehouden.
231.  Behoudens bestaande wettige verpligtingen van anderen,
is het onderhoud der in hot vorig artikel bedoelde werken en
gebouwen een gemeentelast.
TITEL VL
VAN PLAATSELIJKE BELASTINGEN.
EERSTE HOOFDSTUK.
ALGEMEENE BEPALINGEN.
232.    Het invoeren, wijzigen of afschaffen eener plaatselijke
belasting wordt bepaald bij een besluit van den Raad, dat, in
geval van invoering of wijziging, do voorwerpen, door do be-
lasting te treffen, haar bedrag en hare grondslagen vermeldt.
233.    Dit besluit wordt, binnen acht dagen nadat het is ge-
nomen, met al de voorschriften, betreffende de invordering der
belasting, voorgedragen aan Gedeputeerde Staten, die Ons bin-
nen zes weken na de dagteekening van het besluit verslag
doen.
234.    Onze beslissing omtrent het invoeren, wijzigen of
afschaffen eener plaatselijke belasting wordt bekend gemaakt
binnen twee maanden, nadat Gedeputeerde Staten Ons daarover
verslag hebben gedaan.
De beslissing kan door Ons, bij een, binnen dien tijd te
nemen, met redenen te omkleeden besluit, worden verdaagd.
235.  Bij het door Ons te nemen besluit tot goedkeuring der
invoering of wijziging eener plaatselijke belasting worden de
voorschriften, naar welke zij zal wordrn ingevorderd, aange-
haald.
Zoo de Raad in de voorschriften, betreffende de invordering,
wijziging brengt, wordt de belasting dienovereenkomstig niet ge-
heven, dan na op nieuw door Ons te zijn goedgekeurd.
-ocr page 491-
484                                            GEMEENTEWET.
236.   De door den Raad vastgestelde en door Ons goedge-
keurde bepalingen, betreffende plaatselijke belastingen, worden,
zoo zij met de wetten of het algemeen belang strijdig zijn, op
dezelfde wijze, waarop zij zijn gemaakt, onverwijld inge-
trokken.
Bij gebreke dier intrekking, kunnen zij door eene wet, die
tevens, zor noodig, de gevolgen regelt, worden geschorst of
vernietigd.
237.  De plaatselijke belastingen mogen den doorvoer, en den
uitvoer naar en invoer uit andere gemeenten niet belemmeren.
238.  Voor plaatselijke belastingen worden gehouden, of daar-
mede, wat de toepassing van artt. 232 — 237 betreft, gelijk ge-
steld de in naam der gemeente gevorderde weg-, straat-, brug-,
kaai-, haven-, kraan-, sluis-, dok-, boom- en veergelden, wik-,
weeg-, meet- en keurloonen, gelden voor banken of staanplaatsen
in hallen, op markten en dergelijke openbare plaatsen, begrafenis-
regten en andere gelden voor het gebruik of genot van open-
bare gemeentewerken, bezittingen of inrigtingen, en dat van
door of van wege het gemeentebestuur verstrekte diensten.
239.  Ook op belasting in natura, of verpligting tot arbeid of
levering ten behoeve van gemeentewerken, zijn, zooveel de aard
der zaak het toelaat, de artt. 232—237 van toepassing.
TWEEDE HOOFDSTUK.
.VAN DE BIJZONDERE SOORTEN VAN PLAATSELIJKE BELASTINGEN.
240.   Tot dekking der plaatselijke uitgaven kunnen de ge-
meentebesturen :
1°. jaarlijks geheel of gedeeltelijk beschikken ten laste van
het Rijk over eene som, gelijk staande met vier vijfde gedeelten
van de zuivere opbrengst der hoofdsom en Rijks-opcenten van
de belasting op het personeel, gemiddeld over de belastingjaren
1882-1883, 1883-1884 en 1884-1885 in hunne gemeente geheven;
2". de volgende belastingen heffen :
opcenten op de hoofdsom der grondbelasting;
opcenten op de hoofdsom der personele belasting en andere
daarvoor vatbare Rijks-belastingen, direct naar het vermogen
of inkomen geheven, met uitzondering van het patentregt;
hoofdelijke omslagen of andere plaatselijke directe belastingen;
eene belasting op de honden;
eene belasting op tooneelvertooningen en andere openbare
vermakelijkheden;
de regten, loonen en andere gelden, bedoeld in art. 238.
241.   Belastingen op voorwerpen van verbruik worden niet
geheven.
-ocr page 492-
GEMEENTEWET.                                             485
242.  Het getal der opcenten op de grondbelasting kan voor
de gebouwde eigendommen tot veertig, voor de ongebouwde tot
tien gaan.
243.  Hoofdelijke omslagen en andere plaatselijke directe belas-
tingen worden geheven naar grondslagen, die voor een rede-
lijken maatstaf van het inkomen der belastingschuldigen te
houden zijn.
Als grondslagen kunnen niet uitsluitend worden aangenomen een
of meer grondslagen van de personele belasting, of van de andere
in de vijfde zinsnede van art. 240 bedoelde Rijks directe belas-
tingen.
244.  Vervallen.
245.  In de hoofdelijke omslagen of andore plaatselijke directe
belastingen worden uitsluitend aangeslagen zij, die in de ge-
meente hun hoofdverblijf houden, en zij, die er verblijven.
Daarin wordt, over een dienstjaar:
door hem, die niet dat geheele jaar in de gemeente zijn
hoofdverblijf hield of er verbleef, slechts voor zooveel twaalf-
den gedeeld, als zijn hoofdverblijf of verblijf in de gemeente
maanden heeft geduurd; gedeelten van maanden voor geheele te
rekenen;
door hem, die geene drie maanden van dat jaar in de gemeente
verbleef, niet bijgedragen;
door hem, die, ter waarneming eener openbare betrekking, in
eene gemeente buiten zijn hoofdverblijf tijdelijk vertoeft, in die
gemeente niet bijgedragen.
In welke gemeente het hoofdverblijf, waarvoor men steeds in
de lasten bijdraagt, gevestigd zij, wordt niet uitsluitend naar de
verklaringen, in art. 76 van het Burgerlijk Wetboek bedoeld,
maar naar omstandigheden beoordeeld.
246.  Vervallen.
247.  Heffing van opcenten op de hoofdsom der personele
belasting is niet geoorloofd, tenzij de opcenten op de hoofdsom
der grondbelasting tot het in art. 242 genoemd cijfer zijn opge-
voerd en een hoofdelijke omslag of andere directe belasting
worde geheven, welker opbrengst met het bedrag der te heften
opcenten op de personele belasting minstens gelijk sta.
248^252. Vervallen.
253.  Op honden, uitsluitend gehouden ten dienste van den land-
bouw of eenig bedrijf van nijverheid, of ter bewaking van ge-
bouwen of erven, wordt geene, of eene mindere belasting, dan
op andere honden, gelegd.
254.  De aan het slot van art. 240 vermelde regten, loonen
en gelden worden tot geen hooger bedrag geheven, dan noodig
is te achten, om den betaler, naar evenredigheid van het gebruik
of genot, dat hij heeft, in de kosten van aanleg, onderhoud of
-ocr page 493-
486                                                   GEMEENTEWET.
verstrekking van het door hem gebruikte of genotene te doen
dragen.
Poortgelden en recognitiön wegens de uitoefening of aanvaar-
ding van bedrijven en bedieningen worden in geene gemeente
geheven.
255.  Bijzondere wetten, vóór den lsten Januarij 1866 voor te
dragen, wijzen de gemeenten aan, in wier belang, uit hoofde
van bijzondere omstandigheden, van de bij art. 241 en art. 254,
lste zinsnede, gestelde regels kan worden afgeweken.
256.  De voorschriften omtrent den vrijdom van plaatselijke
belastingen, door vreemde gezanten of consuls, of personen, tot
hunne gezantschappen of consulaten behoorende, te genieten,
worden door Ons gegeven.
DERDE HOOFDSTUK.
VAN DE INVORDERING DER PLAATSELIJKE BELASTINGEN.
257.  De invordering der plaatselijke belastingen wordt gere-
geld bij plaatselijke verordeningen, overeenkomstig de bepalingen
der artt. 2.r>8-2GS).
258.  Tegen hem, die nalaat de door hem verschuldigde plaat-
selijke belasting vóór of op den verschijndag te betalen, wordt
door den ontvanger, dien het aangaat, een dwangbevel afgege-
ven, medebrengende het regt, om de roerende en onroerende
goederen des schuldenaars zonder vonnis aan te tasten.
259.  De ontvanger geeft het dwangbevel niet af, dan na den
belastingschuldige te hebben gewaarschuwd en vervolgens aan-
gemaand.
Hij kan den nalatigen belastingschuldige, alvorens tegen hem
een dwangbevel af te geven, door de inlegering van een krijgs-
man tot betaling dwingen.
260.  De regelen, bij de wet op de invordering van \'s Rijks
directe belastingen gesteld of te stellen, ten aanzien der waar-
schuwing en aanmaning van den belastingschuldige, der inlegering
bij en van liet dwangbevel tegen hem, gelden voor de invordering
der plaatselijke belastingen.
Daarbij gelden insgelijks de bepalingen dier wet, omtrent de
kosten van vervolging.
Het dwangbevel, door een gemeente-ontvanger uitgevaardigd,
kan door het geheelo Rijk worden ten uitvoer gelegd.
261.   De beteekening van stukken, betreffende vervolging ter
invordering van plaatselijke belastingen, geschiedt door een
ambtenaar, daartoe door burgemeester en wethouders aan te
wijzen.
262.   De plaatselijke belasting, die niet binnen drie jaren, te
-ocr page 494-
GEMEENTEWET.                                            487
rekenen van het tijdstip waarop zij verschuldigd, of waarop de
laatste acte van vervolging beteekend was, werd ingevorderd,
is verjaard.
263.  De opcenten op \'s Rijks directe belastingen worden,
te gelijk met deze, door \'s Rijks ambtenaren ingevorderd,
en vóór het einde van elke maand, volgende op die, waarin zij
zijn ontvangen, aan den gemeenteontvanger uitgekeerd.
264.  De kohieren der hoofdelijke omslagen en andere directe
plaatselijke belastingen worden door burgemeester en wethou-
ders opgemaakt en vastgesteld door den Raad.
Zij behoeven de goedkeuring van (Gedeputeerde Staten, alvo-
rens uitvoering te kunnen erlangen.
Indien het besluit van Gedeputeerde Staten tot goedkeuring
van een kohier door Ons wordt geschorst of vernietigd, neemt
het gemeentebestuur, met betrekking tot dat kohier, art. 159
in acht.
Binnen veertien dagen na de goedkeuring worden de kohieren
in afschrift gedurende vijf maanden op de secretarie der ge-
meente voor een ieder ter lezing nedergelegd. Van de neder-
legging geschiedt openbare kennisgeving.
265.  Het aanslagbiljet wordt uitgereikt binnen twee maanden
na de goedkeuring van het kohier, behelst een uittreksel uit
het kohier, voor zooveel dit den aangeslagene betreft, en ver-
meldt den dag der uitreiking. Binnen drie maanden na die
uitreiking kan de aangeslagene tegen zijn aanslag bij den Raad
bezwaren inbrengen.
De Raad beslist daarop zoodra mogelijk en deelt zijne beslis-
sing terstond aan den belanghebbende mede.
Deze kan binnen dertig dagen na die mededeeling bij Gede-
puteerde Staten in beroep komen.
Gedeputeerde Staten doen ten spoedigste uitspraak en deelen
die aan den Raad en aan den belanghebbende mede.
266.  De verpligting tot het betalen van den aanslag wordt
door het indienen van bezwaren en het instellen van beroep,
bedoeld in het vorig artikel, niet opgeschort.
Heeft de belastingschuldige vóór de eindbeslissing zijn aan-
slag geheel of gedeeltelijk betaald, dan wordt hem het te veel
betaalde zoo spoedig mogelijk teruggegeven.
De bezwaarschriften tegen den aanslag en de beschikkingen
en kwijtingen betreffende de teruggave van ten onregte betaalde
belastingen zijn vrij van zegelregt.
267.  De plaatselijke belastingen op voorwerpen van verbruik,
waarvan binnen de gemeente een Rijksaccijns wordt betaald,
worden, zooveel de wijze van invorderen van dezen accijns het
toelaat, geheven door middel van opcenten op de hoofdsom van
dien accijns.
-ocr page 495-
488                                            GEMEENTEWET.
Deze opcenten worden te gelijk met den accijns, en naar de
regelen omtrent de heffing van dezen bij de wet gesteld, inge-
vorderd.
Op den regel der eerste zinsnede kan, waar het in het belang
der gemeente wordt gevorderd, door Ons eene uitzondering wor-
den toegelaten.
268.  Ten behoeve der inning van de plaatselijke belastingen,
wordt niemand in den vervoer van, of de beschikking over zijne
goederen meer beperkt, dan ter verzekering der inning noodig is.
269.  Niemand wordt tot eenige betaling verpligt wegens de
formaliteiten, door hem, ter verzekering der inning van de plaatse-
lijke belastingen, te vervullen.
270.  Vervallen.
271.  Ontduiking of overtreding ter zake van plaatselijke belas-
tingen, de poging daartoe of de medepligtigheid daaraan, wordt
gestraft met:
geldboete;
verbeurdverklaring van hetgeen het voorwerp der ontduiking
of overtreding of poging daartoe is geweest;
verbeurdverklaring van hetgeen waarin dat voorwerp was ver-
vat, als vaatwerk, kisten, balen, manden, zakken en dergelijke.
272.  Als boete wordt uitgesproken:
tegen de handelaars, fabrikanten of trafikanten, die een der
in het vorig artikel bedoelde overtredingen, ten aanzien van voor-
werpen, hun handel, fabrijk of trafijk betreffende, hebben ge-
plecgd, of doen plegen, of gepoogd te plegen of te doen plegen,
het zesdubbele van de verschuldigde belasting, doch ten minste
vijftig gulden;
tegen bedienden, arbeiders en knechts van handelaars, fabri-
kanten of trafikanten en tegen alle door dezen bezoldigde per-
sonen, welke, zonder last hunner meesters, met betrekking tot
de voorwerpen, in de vorige zinsnede bedoeld, een dier over-
tredingen hebben begaan, of gepoogd te begaan het vierdubbele
van de verschuldigde belasting, doch ten minste vijf en twintig
gulden :
tegen andere personen, welke een dier overtredingen hebben
begaan, het dubbele der verschuldigde belasting, toch ten minste
vijf gulden;
tegen hen, die aan een dier overtredingen medepligtig zijn, het
dubbele der verschuldigde belasting, doch ten minste twee gulden.
Bij herhaling dier overtredingen kan de geldboete worden
verdubbeld.
273.  Voor de strafbaarheid der in art. 271 bedoelde poging
en medepligtigheid gelden de eisehen, in de artt. 45 en 48 van
het Wetboek van Strafrecht voor stafbare poging tot en mede-
pligtigheid aan misdrijf gesteld.
-ocr page 496-
/                               GEMEENTEWET.                                            489
274.   De Raad kan hem, die wegens een der in art. 271
bedoelde overtredingen meer dan eenmaal is veroordeeld geweest,
gedurende zekeren tijd, doch voor niet meer dan twee jaren, het
genot ontzeggen van crediet, of entrepot, of afschrijving of
teruggaaf van belasting, hem bij de verordeningen, betreffende
de plaatselijke belastingen toegekend.
275.  De processen-verbaal van de ambtenaren der plaatselijke
belastingen omtrent de in art. 271 bedoelde overtredingen worden
uiterlijk binnen vier en twintig uren, na ontdekking van de
overtreding, opgemaakt, en zoo het opmaken niet door hen is
geschied op den eed. bij den aanvang hunner bediening afgelegd,
binnen twee maal vier en twintig uren na de opmaking voor
den kantonregter of zijn plaatsvervanger beëedigd.
276.  De ambtenaren der plaatselijke belastingen kunnen ten
allen tijde, onder vertoon, des gevorderd, hunner acte van aan-
stelling, de bij de verordeningen op die belastingen aan hun
toezigt onderworpene fabrijk\'en, kelders, winkels, magazijnen en
andere dergelijke plaatsen onderzoeken.
Zij kunnen echter de gedeelten dier gebouwen, die ter bewo-
ning dienen, tusschen zonsonder- of opgang niet onderzoeken, dan
in bijzijn van den burgemeester, of van een der wethouders, of
van een commissaris van politie.
Woningen, niet tot de gemelde gebouwen behoorende, mogen
zij niet binnentreden, dan tusschen zonsop- en ondergang, en
niet anders, dan in bijzijn hetzij van den burgemeester of van
een der wethouders, hetzij van een commissaris van politie,
voorzien van een bevel van den burgemeester, hetwelk de
commissaris, des gevorderd, vertoont.
277.   Bij ontdekking van een der overtredingen, in art. 271
omschreven, worden de goederen voor verbeurdverklaring vat-
baar, aangehaald, ten koste der verliezende partij, opgeslagen en
onder bewaring gesteld van den gemeente-ontvanger.
Van de goederen wordt, alvorens zij in bewaring worden
gesteld, inventaris opgemaakt, in tegenwoordigheid van de eige-
naars of belanghebbenden, of in hunne afwezigheid, indien zij,
behoorlijk opgeroepen, \'binnen twee dagen niet verschenen zijn.
278.    Aangehaalde goederen worden vrijgegeven, wanneer
daarvoor ten genoege van den gemeente-ontvanger borgtogt
gesteld, of het bedrag der waarde in zijne kas gestort wordt.
279.   Aangehaalde goederen worden, wanneer de verbeurd-
verklaring daarvan bij regterlijk vonnis is uitgesproken, in het
openbaar door een deurwaarder of ander daartoe bevoegd persoon
verkocht.
Goed, dat gevaar loopt te bederven, of levend vee kan, op
magtiging van den kantonregter, te stellen op het proces-verbaal
en vrij van zegel en registratie, spoediger worden verkocht.
-ocr page 497-
490
GEMEENTEWET.
De opbrengst van den verkoop wordt in de kas van den
gemeente-ontvanger gestort.
280.   De eigenaars van verkeerdelijk aangehaalde goederen,
of zij wier belang daarbij is betrokken, hebben aanspraak op
schadevergoeding.
Deze kan niet meer bedragen dan één ten honderd van de
waarde der goederen in de maand, te rekenen van den dag der
aanhaling tot aan dien der teruggave.
Indien verkeerdelijk aangehaalde goederen zijn verkocht,
kunnen de eigenaars of belanghebbenden niet meer, dan de
opbrengst terugvorderen.
281.  De vei volgingskosten, die niet op een bekeurde kunnen
worden verhaald, komen ten laste der gemeente.
282.  De opbrengst der boeten en verbeurdvei-klaringen komt
ten voordeele der gemeente.
283.  De wet van 29 April 1819 (Stbld no. 15) is ingetrokken.
283». Deze wet kan worden aangehaald onder deii titel van
„Gemeentewet".
OVERGANGSBEPALINGEN.
284.  Alle bestaande plaatselijke ambtenaren en magten blijven
voortduren, totdat zij door andere, volgens deze wet, zijn ver-
vangen.
285—294. Zijn niet meer van toepassing en kunnen dus
achterwege blijven.
-ocr page 498-
WET
BETREKKELIJK DE
GRONDBELASTING.
EERSTE AFDEELING.
GRONDSLAG EN BEDRAG DER BELASTING. VERMINDERINGEN EN
VERMEERDERINGEN.
Art. 1.
Op de gebouwde en op de ongebouwde eigendommen wordt,
naarmate van hunne belastbare opbrengst, onder den naam
van grondbelasting, eene Rijks directe belasting geheven.
2.   Het bedrag der belasting op de gebouwde en dat op de
ongebouwde eigendommen, zoo als die voor iedere provincie
op den lsten Januarij 1871 bestaan, worden daarna verminderd
of vermeerderd op de wijze, in de twee volgende artikelen
omschreven. De berekening heeft voor de verminderingen en
de vermeerderingen afgescheiden van elkander plaats.
3.   Indien de belastbare opbrengst der gebouwde of die dei-
ongebouwde eigendommen eener provincie vermindert, wordt
liet bedrag der belasting op die eigendommen met een daaraan
evenredig bedrag verlaagd.
4.  Indien de belastbare opbrengst der gebouwde of die der
ongebouwde eigendommen eener provincie vermeerdert, wordt
het bedrag der belasting op die eigendommen verhoogd, in
evenredigheid van twaalf en dertien honderdste cent voor
iederen gulden, waarmede de belastbare opbrengst vermeer-
derd is.
TWEEDE AFDEELING.
BEDRAG DER BELASTBARE OPBRENGST. VERMINDERINGEN EN
VERMEERDERINGEN.
6. De belastbare opbrengst der gebouwde en die der onge-
bouwde eigendommen, zoo als die op 20 October 1870 door
-ocr page 499-
492                                          GRONDBELASTING.
de kadastrale leggers zijn aangewezen, veranderen in de geval-
len bij deze wet voorzien.
6.   Het bedrag van de belastbare opbrengst der gebouwde
en der ongebouwde eigendommen eener provincie wordt ver-
minderd met de belastbare opbrengst van die, welke in de
provincie te niet gaan of onbelastbaar worden, en vermeerderd
met de belastbare opbrengst van die, welke daarin ontstaan
of belastbaar worden.
Ondergaan de gebouwde en ongebouwde eigendommen eener
provincie slechts verandering, dan wordt de belastbare opbrengst
voor die provincie alleen verminderd met het bedrag, waar-
mede de belastbare opbrengst dier eigendommen ten gevolge
der verandering verlaagd, en vermeerderd met het bedrag,
waarmede zjj verhoogd wordt.
7.   Door verandering, in het vorig artikel bedoeld, wordt
verstaan:
1°. Voor de gebouwde eigendommen:
a.  bij-, op- of aanbouw of gedeeltelijke vernieuwing;
b.  gedeeltelijke vernieling door onvoorziene rampen;
e. gedeeltelijke afbraak;
d- verandering van bestemming;
e.  splitsing;
f.  vereeniging.
2°. Voor de ongebouwde eigendommen:
a.   ontginning van woeste gronden, geene buiten-, moeras-
of broekgronden zijnde;
b.   droogmaking van gronden, die doorgaans of gedurende
een gedeelte van het jaar dras liggen of met binnen- of boe-
zemwater zijn bezet;
c.   bekading of bedijking van buitengronden, gelegen aan
zee of\' aan de vrij in zee uitstroomendc rivieren;
d.   het vruchtgevend worden of maken van buiten-, moeras-
of broekgronden en waterplassen, zonder bedijking of droog-
making, alsmede de overgang van dergelijke reeds vruchtgevende
gronden tot wei-, hooi- of bouwland, bosch, boomgaard, tuin
of erf;
e.   duurzame vermindering in opbrengst door onvoorziene
rampen;
f.  verbetering van gronden, waarvan de belastbare opbrengst,
uithoofde van de onder e vermelde omstandigheid, minstens
tien jaren geleden is verlaagd.
8.   De verminderingen en vermeerderingen in de belastbare
opbrengst der gebouwde en der ongebouwde eigendommen,
-ocr page 500-
GRONDBELASTING.                                          493
die voor elk jaar door de kadastrale leggers worden aange-
wezen vóór een door Onzen Minister van Financiën te bepalen
tijdstip, worden voor het daarop volgende jaar toegepast.
DERDE AFDEELING.
WIJZE, WAAROP DE VERANDERINGEN IN DE BELASTBARE OPBRENGST
WORDEN BIJGEHOUDEN. METINGEN. SCHATTINGEN.
9.  De metingen, noodig voor de uitvoering van de bepalin-
gen dezer wet worden door een Rijks-ambtenaar verrigt.
Eigendommen, die vóór het in werking treden dezer wet
onnaauwkeurig zijn gemeten, worden kosteloos hermeten op
schriftelijk verzoek van den belanghebbende aan den daarbij
betrokken bewaarder van de hypotheken en het kadaster.
10.  De metingen geschieden en de uitkomsten daarvan wor-
den in de kadastrale stukken opgenomen overeenkomstig voor-
schriften, door Onzen Minister van Financiën vast te stellen.
11.   Eigendommen, die ontstaan, belastbaar worden of ver-
andering ondergaan, worden geschat door een Rijksambtenaar
en een lid van het collegie van zetters, dat daartoe door het
eollegie wordt aangewezen.
12.   De schatting, in het vorig artikel bedoeld, geschiedt
door de belastbare opbrengst van het te schatten eigendom
gelijk te stellen met die van een vroeger geschat dergelijk
eigendom in dezelfde gemeente.
Wordt een zoodanig eigendom in de gemeente niet gevon-
den, dan wordt de belastbare opbrengst van het te schatten
eigendom gelijk gesteld met die van een dergelijk eigendom
in eene andere, bij voorkeur aangrenzende gemeente, behoudens
het verschil tusschen de belastbare opbrengst van de gelijke
eigendommen in de beide gemeenten.
Wordt geen dergelijk eigendom in eenige gemeente gevonden,
dan wordt de belastbare opbrengst van het te schatten eigen-
dom in evenredigheid gesteld met die van een eigendom,
waarmede het de meeste overeenkomst heeft.
13.  De belastbare \'opbrengst van drooggemaakte, bekade of
ingedijkte gronden, geschat overeenkomstig de bepalingen in
het vorig artikel, wordt verminderd met het gemiddeld ,jaar-
lijksch bedrag van de kosten voor het onderhoud der sluizen,
molens, dijken en andere waterkeerende en waterloozende
werken, alsmede met de aan die werken verbonden kosten
van administratie.
De kosten van administratie worden in rekening genomen
hoogstens tot:
18 ten honderd en tot geen hooger bedrag dan ƒ750, wan-
-ocr page 501-
494                                          GRONDBELASTING.
neer de kosten van onderhoud bedragen minder dan ƒ5000;
15 ten honderd en tot geen hooger bedrag dan ƒ 1200, wan-
neer de kosten van onderhoud bedragen van /\' 5000 tot ƒ 10,000;
12 ten honderd en tot geen hooger bedrag dan ƒ1800, wan-
neer de kosten van onderhoud bedragen van ƒ 10,000 tot ƒ20.000;
9 ten honderd en tot geen hooger bedrag dan ƒ3000, wan-
neer de kosten van onderhoud bedragen van ƒ20.000 tot
ƒ50.000;
6 ton honderd en tot geen hooger bedrag dan ƒ4500, wan-
neer de kosten van onderhoud bedragen van ƒ50.000 tot
ƒ150.000;
3 ten honderd, wanneer de kosten van onderhoud bedragen
ƒ150.000 en meer.
Het gemiddelde bedrag der in het 1ste en 2de lid van dit
artikel bedoelde kosten wordt ten aanzien van de gronden in
de droogmaking, bekading of indijking begrepen, berekend
over de laatste tien, en in het geval, bedoeld bij art. 42 de-
zer wet, over de laatste zes jaren, voorafgaande aan de
regeling der belastbare opbrengst van die gronden, welke
daarvoor het eerst in do termen vallen. Dat bedrag wordt bij
gelegenheid van deze regeling voor alle gronden, in de droog-
making, bekading of\' indijking begrepen, vastgesteld.
Voor de bovengenoemde vermindering worden door het
polder- of waterschapsbestuur of bij ontstentenis daarvan door
den belanghebbende aan den Rijksambtenaar, op diens schrif-
telijke aanvrage, binnen den tijd van dertig dagen en tegen
bewijs, nauwkeurige rekeningen dor onderscheidene kosten
over de in het voorgaand lid genoemde jaren verstrekt en
gestaafd door de noodige bescheiden.
Wordt hieraan niet voldaan, dan blijven die kosten buiten
aanmerking tot het jaar, volgende op dat, waarin die stukken
vóór den eersten Junij zijn overgelegd.
14.   De schatting, overeenkomstig de bepalingen in de drie
vorige artikelen verrigt wordt vastgesteld door het collegio
van zetters met den Rijksambtenaar, die tot de schatting heeft
medegewerkt.
Bij verschil tusschen het collegie van zetters en den ge-
noemden ambtenaar, geschiedt de vaststelling door Onzen
Commissaris in de provincie.
15.  Een opgave der uitkomsten van de meting en de krach-
tens het voorgaand artikel vastgestelde schatting, voor zoo
ver noodig met vermelding der vermindering, overeenkomstig
art. 13 dezer wet, wordt, na de toepassing in de kadastrale
stukken, door den daarbij betrokken Rijksambtenaar toege-
zonden aan den burgemeester der gemeente, waar de gemeten
of geschatte eigendommen gelegen zijn.
-ocr page 502-
GRONDBELASTING.                                         495
De burgemeester legt die opgave gedurende dertig dagen
neder ter secretarie van de gemeente, ter inzage van de be-
langhebbenden, en doet daarvan afkondiging. Hij deelt binnen
drie dagen na die afkondiging bij eene kennisgeving, hem
tot dat einde door voornoemden Rijksambtenaar toegezonden,
aan ieder der belanghebbenden mede dat voormelde opgave
diens eigendommen betreft.
Gelijke kennisgeving, behelzende het bedrag der kosten,
waarmede de belastbare opbrengst overeenkomstig art. 13 de-
zer wet is verminderd, geschiedt aan het polder- of water-
schapsbestuur.
16 De belanghebbende kan, ten koste van ongelijk, in een
aan Gedeputeerde Staten gerigt verzoekschrift:
1°. hermeting of hersehatting vorderen, binnen dertig dagen
na den dag der afkondiging, in art. 15 vermeld;
2°. hermeting vorderen, indien op zijn verzoek, in art. 9,
2de lid, vermeld, geen acht is geslagen.
17.   Indien de belanghebbende herziening van de meting
vordert, benoemen Gedeputeerde Staten een deskundige, die
de hermeting verrigt, na vooraf door den burgemeester der
gemeente zijner woonplaats te zijn beéedigd, volgens een door
Ónzen Minister van Financiën vast te stellen formulier.
De uitkomst der hermeting wordt door Gedeputeerde Staten
vastgesteld.
18.    Indien de belanghebbende herschatting vordert, benoe-
men Gedeputeerde Staten één of meer deskundigen, die, na
beëediging op den voet van het vorig artikel, de herschatting
verrigten.
Op het verslag dezer deskundigen doen Gedeputeerde Staten
bij een mot redenen omkleed besluit uitspraak.
19.  De belanghebbende kan in een aan Gedeputeerde Staten
gerigt verzoekschrift:
1°. schatting vragen, indien deze niet is gedaan en inge-
volge deze wet had moeten worden verrigt;
2°. de vernietiging verzoeken, binnen dertig dagen na de
afkondiging in art. 15 vermeld, van schattingen, in strijd met
de wet verrigt.
Het polder- of waterschapsbestuur kan binnen dertig dagen
na de uitreiking der kennisgeving, in art. 15, laatste lid, ver-
meld, in een aan bovengenoemd collcgie gerigt verzoekschrift
bezwaren inbrengen tegen het bedrag der kosten, in art. 13
dezer wet bedoeld.
Gedeputeerde Staten winnen op die verzoekschriften het
advies in van het collegie van zetters en den daarbij betrok-
ken Rijksambtenaar. Wordt bij een dezer adviezen of bij beide
eene geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking voorgesteld
-ocr page 503-
496                                          GRONDBELASTING.
en heeft de belanghebbende daartoe zijn verlangen in zijn
verzoekschrift medegedeeld, dan leggen Gedeputeerde Staten
die adviezen gedurende acht dagen te zijner inzage neder ter
secretarie van de gemeente waar de eigendommen gelegen zijn.
Gedeputeerde Staten geven van deze nederlegging den be-
langhebbende vooraf kennis, met aanwijzing van dag en uur
waarop hij of zijn gemagtigde, dit verlangende, door hen zal
worden gehoord.
Zij doen op de verzoekschriften uitspraak bij een met rede-
nen omkleed besluit.
20.  Gedeputeerde Staten zenden een volledig afschrift van
het besluit of de uitspraak, in de drie vorige artikels ver-
meld, binnen tien dagen na de dagteekening daarvan aan den
belanghebbende en aan den daarbij betrokken Rijksambtenaar
die, voor zooveel noodig, voor de uitvoering zorg draagt.
21.    De kosten van de hermeting of van de herziening der
schatting worden door Gedeputeerde Staten vastgesteld.
De kosten van de hermeting ingevolge art. 17 zijn ten laste
van den belanghebbende, indien het verschil in vlaktemaat
minder bedraagt dan :
8 ten 100, voor perceelen van 5 aren (vierk. roeden)
en kleiner;
6 ten 100, voor perceelen van meer dan 5 aren tot en met
25 aren;
4 ten 100, voor perceelen van meer dan 25 aren tot en met
125 aren;
3 ten 100, voor perceelen van meer dan 125 aren tot en
met 5 hektaren (bunders);
2 ten 100, voor perceelen van meer dan 5 hektaren tot en
met 10 hektaren;
l\'/« ten 100, voor perceelen van meer dan 10 hektaren.
Die kosten zijn bij grooter verschil voor rekening van het Rijk.
De kosten van de herziening der schatting zijn, bij verschil,
ten laste van het Rijk en anders ten laste van den belang-
hebbende.
22.    De kosten ten laste van den belanghebbende worden
invorderbaar verklaard bij een bevelschrift, uitgevaardigd door
den provincialen inspecteur der directe belastingen.
Dat bevelschrift heeft de kracht van een invorderbaar ver-
klaard kohier.
De invordering geschiedt door den ontvanger van de directe
belastingen der gemeente, waarin de hermeten of herschatte
eigendommen gelegen zijn, op den voet, als ten aanzien der
grondbelasting is bepaald.
23.  Misstellingen in de belastbare opbrengst, onjuiste me-
tingen en berekeningen worden ambtshalve verbeterd.
-ocr page 504-
GRONDBELASTING.                                          497
Art. 15 dezer wet is op die verbeteringen van toepassing.
In geval van bezwaar kan de belanghebbende binnen dertig
dagen na den dag der afkondiging, in art. 15 bedoeld, een
bezwaarschrift indienen bij Gedeputeerde Staten^ die, met in
achtneming der regelen, vernield in de drie laatste alinea\'s
van art. 19 dezer wet, uitspraak doen.
Op deze uitspraak is art, 20 van toepassing.
24.  Tot het doen van metingen en schattingen, overeenkom-
stig de bepalingen dezer wet, hebben de daarmede belaste
personen dagelijks, de zon- en algemeen erkende Christelijke
feestdagen uitgezonderd, toegang tot de daarbij betrokken
eigendommen: wat betreft de gebouwde, van des voormiddags
acht ure tot zonsondergang, en wat betreft de ongebouwde,
van zonsop- tot zonsondergang.
Indien hun die toegang geweigerd of belet wordt roepen zij
de tusschenkomst in van den burgemeester of van den kanton-
regter, op wiens bevel de toegang ondanks den gebruiker van
het eigendom verschaft wordt.
Van die tusschenkomst en de redenen, die daartoe geleid
hebben, wordt door de in het 1ste lid van dit artikel bedoelde
personen binnen tweemaal 24 uren proces-verbaal opgemaakt,
dat, door den burgemeester of kantonregter mede onderteekend,
aan hem, tot wiens eigendommen de toegang is verschaft, in
afschrift medegedeeld wordt.
VIERDE AFDEEL1NG.
EIGENDOMMEN WAARVOOR GEENE BELASTBARE Ol\'BRENGST IN DE
KADASTRALE LEGGERS WORDT OPGENOMEN.
25.  Geene belastbare opbrengst wordt in de kadastrale
leggers opgenomen voor:
a.  de eigendommen van den Staat en van provinciën, ge-
meenten, polders of waterschappen, uitsluitend gebezigd voor
de publieke dienst;
b.  de gebouwen, uitsluitend dienende tot openbare eeredienst,
en de woningen van godsdienstleeraars en kerkdienaars in de
gemeenten, waarin die personen voor de vaste kerkelijke dienst
zijn aangesteld;
e. de begraafplaatsen met de aanhoorige gebouwen;
d. de gebouwen, uitsluitend dienende:
1°. tot inrigtingen van hooger, middelbaar of lager onderwijs,
tot bewaarscholen of kweekscholen voor onderwijzers of voor
de zeevaart en tot woningen voor onderwijzers, voor zoo verre
die gebouwen niet tevens dienen tot kostscholen;
32
-ocr page 505-
498
GRONDBELASTING.
2*. tot seminariën, alleen tot opleiding van kweekelingen
voor den geestelijken stand bestemd;
e.  de gebouwen met de aanhoorige erven en tuinen, uitslui-
tend dienende tot instellingen van weldadigheid, vernield in
art. 1, 1ste lid, der wet van 28 Junij 1854 (Stbl. n°. 100),
en door do burgerlijke overheid of van wege eeno kerkelijke
gemeente geregeld en bestuurd, voor zoover de armenverzor-
ging binnen die gebouwen plaats heeft;
f.  de gebouwen, uitsluitend dienende tot inrigtingen ter bc-
vordering van kunsten en wetenschappen of ten algemeenen
nutte, mits niet tevens gebezigd tot uitspanning of gezellig
verkeer of tot het geven van muziek- of danspartijen of andere
vermakelijkheden;
De bepalingen, onder litt. b—d en lit. f vermeld, zijn alleen
van toepassing, indien de eigendommen toebehooren aan pro-
vinciën, gemeenten, polders of waterschappen of aan kerkge-
nootschappen, wier bestuurders of hoofden voldaan hebben
aan het voorschrift van art. 1 der wet van den 10 September
1853 (Stbl. n°. 102); .die onder lit. d 1°. bovendien, indien
de eigendommen toebehooren aan instellingen of vereenigingen,
die regtspersoonlijkheid bezitten. Die bepalingen strekken zich
ook uit tot de aanhoorige erven en tuinen van de daarbij be-
doelde gebouwen.
VIJFDE AFDEELING. \')
EIGENDOMMEN WAAKVOOK DE BELASTBARE OPBHENtiST EKBST LATER
GEREGELD OF VERHOOGD WORDT.
26. De belastbare opbrengst wordt eerst geregeld na verloop
van achttien jaren voor de gebouwen gesticht op:
(i. woeste gronden;
b. gronden ter ontginning aangegeven, waaromtrent de ter-
niijn, bij art. 34 dezer wet bedoeld, na de stichting aanvangt
of tijdens de stichting nog niet is verstreken;
e. gronden, waarvoor vrijdom genoten wordt ingevolge art.
3 der wet van 6 Junij 1840 {Stbl. n°. 17).
1) lij de wet van 20 July 1884, S. 149, is vastgosteld hetgeen volgt:
„De bepalingen van de Vde afdeeling der wet van den 2<isten Mei 1870
(Staatsblad no. 82) vervallen voor de gebouwde eigendommen, waarvan de
stichting, herbouw, bü- of opbouw of gedeeltelijke vornieuwing na den laten
Januari 1885 begint.
Zy blijven echter bestaan voor gebouwen, bedoeld in de artt. 2fi en 27 dier
wet, zoolang deze dienen tot landbouw, tuinbouw, veehoudery of soortgelijke
middelen van nijverheid om den ontgonnen of drooggemaakten groud zelveu
vruchten te doen afwerpen."
-ocr page 506-
499
GRONDBELASTING.
27.  De belastbare opbrengst wordt eerst geregeld na ver-
loop van dertien jaren voor de gebouwen gesticht op:
a.  gronden, ter droogmaking, bekading of bedijking nange-
geven, waaromtrent de termijn bij art. 35, 36 of\' 41 dezer wet
bedoeld, na de stichting aanvangt of tijdens de stichting nog
niet is verstreken;
b.  gronden, waarvoor vrijdom genoten wordt ingevolge artt.
!» en 10 der wet van 6 Junij 1840 (SM. n°. 17).
28.  De belastbare opbrengst wordt eerst geregeld na den
tijd van zes jaren voor de gebouwen gesticht op andere gron-
den dan die bij de twee vorige artikels z.jjn vermeld, mits
daarop gedurende de drie aan de stichting voorafgaande jaren
geen gebouw heeft gestaan.
29.  Voor herbouwde gebouwen wordt de belastbare opbrengst
eerst geregeld na een tijdsverloop van vier jaren.
Een gebouw wordt geacht herbouwd te zijn, indien de her-
bouw begonnen is binnen drie jaren nadat het vorige gebouw
geheel is afgebroken. •
30.   In geval van herbouw na vernieling door onvoorziene
rampen, wordt het tijdsverloop van het eerste lid van het
vorig artikel gesteld op zes jaren.
31.  De belastbare opbrengst van gebouwen, waaraan is bij-
of opgebouwd of die gedeeltelijk zijn vernieuwd, wordt op nieuw
geregeld na verloop van twee jaren.
32.  Het tijdsverloop, na hetwelk de belastbare opbrengst
krachtens de zes vorige artikelen geregeld of op nieuw gere-
geld wordt, vangt aan met het jaar, volgende op dat, waarin
het gebouw of het nieuwe of vernieuwde gedeelte geheel of
ten deele in gebruik is gesteld.
33.  Herbouw, bijbouw of vernieuwing aan gebouwen, waarvan
de belastbare opbrengst ingevolge de artt. 26—31 later of
nader moet worden geregeld, worden geacht te zijn geschied
te gelijk met de stichting of den vroegeren herbouw, bijbouw
of vernieuwing, welke tot die regeling aanleiding geeft.
34.   De belastbare opbrengst van woeste gronden, bedoeld
in art. 7, 2°. a, dezer wet, wordt, in geval van ontginning, op
nieuw geregeld na verloop van acht en twintig jaren, aanvan-
gende met het jaar, volgende op dat waarin de ontginning is
voltooid.
De ontginning wordt als voltooid beschouwd voor elk ge-
deelte gvonds, hetwelk vruchten heeft opgeleverd, of tot bosch,
erf of lustplaats is aangelegd.
35.  De belastbaro opbrengst van gronden, die doorgaans of
gedurende een gedeelte van het jaar dras liggen ofmotbinnen-
of boezemwater zijn bezet, wordt in geval van droogmaking op
nieuw geregeld na verloop van drie en twintig jaren.
-ocr page 507-
500                                          GRONDBELASTING.
De termijn vangt aan voor olk gedeelte gronds met liet jaar,
volgende op dat waarin liet na de droogmaking voor het eerst
vruchten heeft opgeleverd, of tot bosch, erf of lustplaats is
aangelegd.
36.   Do belastbare opbrengst van buitengronden, gelegen aan
zee of aan de vrij in zee uitstroomende rivieren, wordt in geval
van bekading of bedijking geregeld of op nieuw geregeld na
verloop van achttien jaren, aanvangende op de wijze in het
vorig artikel bepaald.
Kedijking van reeds bekade gronden wordt als eene nieuwe
hedijkiug beschouwd.
Indien de bedijking plaats heeft vóór dat de termijn, ten ge-
volge van bekading toegestaan, is afgeloopen, wordt deze ter-
mijn met de helft verlengd.
37.   De belastbare opbrengst van de gronden, bedoeld in art.
7, 2°. lit. (/, die nog niet als wei-, hooi- of bouwland, bosch,
boomgaard, tuin of erf zijn geschat, wordt om de twintig jaren
voor het eerst in het jaar 1874, op nieuw geregeld.
38.    De belanghebbende, die de toepassing van eene der bc-
palingen, vermeld in de artt. 20 — 31 en 34 — 30 dezer wet,
verlangt, is verpligt binnen drie maanden na de geheele of
gedeeltelijke ingebruikstelling van het gebouw of, wat de onge-
bouwde eigendommen betreft, vóór den aanvang der laudver-
betering, eene aangifte, naar een door Ons vast te stellen mo-
del, in te dienen bij het bestuur der gemeente waar de eigen-
dommen gelegen zijn.
Aan den belanghebbende wordt een schriftelijk bewijs afge-
geven, ten blijke dat do aangifte is ingediend.
39.    De burgemeester zendt de aangifte binnen dertig dagen
aan Gedeputeerde Staten, die, na het collegio van zetters en
den daarbij betrokken Rijksambtenaar gehoord te hebben, uit-
spraak doen.
Hunne uitspraak is met redenen omkleed:
indien de daarbij vastgestelde termijn afwijkt van dien, door
het collegie van zetters en den Rijksambtenaar voorgesteld;
indien deze omtrent dien termijn onderling verschillen;
indien bij de uitspraak een termijn overeenkomstig art. 42
dezer wet of geen termijn is toegekend.
Op deze uitspraak is art 20 van toepassing.
40.  De uitspraak, waarbij de termijn, overeenkomstig art. 34
dezer wet, ter zake van voorgenomen ontginning is toegekend,
vervalt, bij den aanvang van het tiende jaar na dat der aan-
gifte, voor elk gedeelte der daarbij betrokken gronden, hetwelk
alsdan niet ontgonnen of niet in ontginning is, behoudens het
regt van den belanghebbende tot nieuwe aangifte.
üe uitspraak, waarbij de termijn, overeenkomstig art. 35 of
-ocr page 508-
501
GRONDBELASTING.
36 (lozer wet, is toegekend, vervalt na de droogmakiog of be-
dijking voor de gronden die daarin niet zijn begrepen, behoudens
het regt van den belanghebbende tot nieuwe aangifte.
41.   Op een vóór de onderneming van het werk door den
belanghebbende aan Ons in te dienen verzoekschrift, kunnen de
termijnen van de artt. 35 en 30 dezer wet, voor droogmakingen
of bedijkingen van buitengewone kostbaarheid en van grooteren
omvang dan 500 hcktaren (bunders), door Ons, na Gedeputeerde
Staten te hebben gehoord, worden verlengd, hoogstens tot het
dubbel van de bij die artikels gestelde termijnen.
Het tweede lid van liet vorige artikel is op Onze besluiten
van toepassing.
42.   Indien de aangifte niet of niet tijdig is ingediend, wordt
de termijn, vermeld in art. 34 dezer wet, verminderd tot acht
jaren, de termijnen iu de artt. 20, 27, 35 en 30, eerste Jid tot
zes jaren, die bedoeld in art. 30, laatste lid tot drie jaren, die
in de artt. 28 tot 30 tot één jaar, terwijl die, in art. 31 ver-
meld, vervalt.
43.   Het jaar, waarin de termijnen, vermeld in de artt. 34,
35, 30, 41 en 42 dezer wet, aanvangen, wordt door den daarbij
betrokken Rijksambtenaar en het collegie van zetters of, zoo
deze daaromtrent verschillen, door Onzen Commissaris in de
provincie bepaald. Dat jaar wordt, even als de gevallen, voor-
zien bij artt. 40 en 41, laatste lid, vermeld in de opgave, in
art. 15 dezer wet bedoeld.
44.  De belanghebbende kan binnen dertig dagen na den dag
der afkondiging, in art. 15 vermeld, omtrent de onderwerpen,
in het vorig artikel bedoeld, een bezwaarschrift indienen bij
Gedeputeerde Staten, die met inachtneming der regelen, ver-
meld in do drie laatste alinea\'s van art. 19 dezer wet uit-
spraak doen.
Op deze uitspraak is art. 20 van toepassing.
ZESDK AFDEEUNG.
VERDEELINQ DER BELASTING OVER DE BELASTBARE OPBRENGST ;
TENAAMSTELLING IN DE KADASTRALE LEGGERS EN
BELASTINGPLIGTIGHEID.
45.   Het gezamenlijk bedrag der belasting van de gebouwde
eigendommen van elke provincie wordt jaarlijks over de belast-
bare opbrengst dezer eigendommen in die provincie omgeslagen.
Gelijke omslag heeft jaarlijks plaats van het gezamenlijk
bedrag der belasting van de ongebouwde eigendommen in elke
provincie over hunne belastbare opbrengst.
46.   De kadastrale legger behelst de namen van hem, die
-ocr page 509-
502
GRONDBELASTING.
krachtens het volgend artikel, wegens de gebouwde en onge-
bouwde eigendommen belastingpligtig is.
Zijn er voor een eigendom twee of meer belastingpligtigen,
dan wordt, bij de namen van een hunner, het bestaan van
anderen vermeld.
47.   Belastingpligtig is hij, die het genot heeft van de ge-
bouwde of ongebouwde eigendommen, krachtens regt van bezit
of eenig ander zakelijk regt.
48.    Van hetgeen als grondrente, opstal of andere schuld-
pligtigheid uit een perceel moet worden betaald, kan zooveel
worden gekort, als in de verhouding staat van het bedrag der
belasting tot de belastbare opbrengst.
Bij tiend of erfpacht bedraagt de korting een vijfde van
hetgeen als tiend of erfpacht verschuldigd is.
Het regt van korting vervalt of wordt gewijzigd door strij-
dig beding van partijen.
ZEVENDE AFDEEL1NG.
BEI.ASTINOJAAlï, KOHIEREN, ONTHEFFING EN TERUGGAVE VAN
BELASTING.
49.   Do belasting loopt over den tijd van een jaar, aanvan-
gende op den lsten Januarij.
50.  De kohieren der grondbelasting worden jaarlijks opgemaakt,
in overeenstemming met de uitkomsten op het, in art. 8 dezer
wet aangeduide, tijdstip in den kadastralen legger aangewezen.
Zij behelzen de namen en woonplaatsen der belastingplig-
tigen, de belastbare opbrengst der gebouwde en der ongebouwde
eigendommen, het bedrag der belasting en de artikelen van
de kadastrale leggers.
Zij worden, na te zijn vastgesteld en invorderbaar verklaard,
door den burgemeester der gemeente afgekondigd.
51.   De belastingpligtige kan binnen drie maanden na de afkon-
diging van het kohier, onder overlegging van een dubbel van
zijn aanslagbiljet, een bezwaarschrift indienen bij Gedeputeerde
Staten der provincie, waarin de aanslag ten kohiere is gebragt:
1°. indien hij dien aanslag in strijd acht met de wet;
2°. indien vóór het begin van het jaar veranderingen, over-
eenkomstig art. 7 dezer wet, hebben plaats gehad, eigendom-
men zijn te niet gegaan of onbelastbaar zijn geworden, ofwel
regten op eigendomuien op derden zijn overgegaan, zonder dat
de aanslagen op het kohier daarmede in overeenstemming zijn.
52.  Voor gebouwde eigendommen, die met hunne gebouwde
aanhoorigheden gedurende twaalf achtereenvolgende maanden
ongebruikt en onverhuurd gebleven zijn, wordt aan hem, die
-ocr page 510-
GRONDBELASTING.                                                 503
gedurende dat geheele tijdvak daarvoor is aangeslagen, de
belasting teruggegeven^
63. Ontheffing of vermindering van belasting in evenredig-
lieid tot het geleden verlies wordt toegestaan voor eigendom-
men, waarvan onvoorziene rampen de opbrengst of\' het genot
met meer dan 20 ten honderd hebben doen verloren gaan.
54. Ter bekoming van teruggave, ontheffing of vermindering
in de twee vorige artikelen bedoeld, moet de belanghebbende,
voor de teruggave, binnen dertig dagen na het einde van het
in art. 52 bedoelde tijdvak, en voor de ontheffing of vermin-
dering, ten tijde dat het verlies van opbrengst of van genot
kan worden opgenomen en begroot, een bezwaarschrift onder
overlegging van een dubbel van zijn aanslagbiljet, indienen
bij Gedeputeerde Staten der provincie, waarin de aanslag ten
kohiere is gebragt.
65. Gedeputeerde Staten doen uitspraak op de bezwaar-
schriften in de artt. 51 en 54 dezer wet bedoeld.
Omtrent, deze uitspraken gelden de regelen, in de drie
laatste alinea\'s van art. 19 en in art. 20 dezer wet vermeld.
56.  Voor zoover de belastbare opbrengst van een eigendom
ten gevolge der uitspraken, overeenkomstig de artt. 17 tot 20
en art. 23 dezer wet vermindert, wordt ambtshalve ontheffing
of teruggave van een daaraan evenredig bedrag der belasting
verleend.
ACHTSTE AFDEELING.
ALGEMEENE BEPALINGEN.
57.   Van registratie en het regt van zegel zijn vrijgesteld
alle stukken, welke krachtens deze wet worden opgemaakt.
58.   Het bedrag der belastbare opbrengst der gebouwde en
dat der ongebouwde eigendommen in iedere provincie, volgens
de uitkomsten der kadastrale leggers van het laatstvorigjaar,
de verminderingen en vermeerderingen, welke die bedragen
gedurende het jaar, overeenkomstig de bepalingen van de
tweede afdeeling dezer wet, hebben ondergaan, en het te
heffen bedrag der belasting op de gebouwde en ongebouwde
eigendommen in iedere provincie worden door Onzen Minister
van Financiën, bij den aanvang des jaars, door middel der
Staatscourant openbaar gemaakt.
59.  De belastbare opbrengst van de gebouwde eigendommen
wordt vóór den eersten Januarij 1875 herzien volgens regelen,
bij de wet te stellen.
De herziening wordt elke twintig jaren herhaald.
-ocr page 511-
504
GRONDBELASTING.
Overgangsbepalingen.
60.   De overeenkomstig vroegere wetten verleende tjjdehjke
vrijdommen van grondbelasting of van verhooging van grond-
belasting blijven van kracht.
61.  De aangiften, overeenkomstig het laatste lid van art. 13
der wet van 6 Junij 1840 {Stbl. n°. 17) en art. 7 der wet van
24 April 1843 (Stbl. n°. 14) gedaan, waarop tijdens het in
werking treden dezer wet nog geene uitspraak is gevolgd,
gelden als aangiften overeenkomstig art. 38 dezer wet.
62.   Voor de gebouwen, die vóór het in werking treden
dezer wet in gebruik gesteld zijn, en waarvoor geene aangifte
naar het laatste lid van art. 13 der wet van 6 Junij 1840
(Stbl. n°. 17) of art. 7 der wet van 24 April 1843 (Stbl.n\'. 14)
is gedaan, terwijl de daarvoor bij die wetsartikels vastgestelde
termijnen alsdan nog niet zijn verstreken, zal eene aangifte
op den voet van art. 38 dezer wet kunnen geschieden binnen
drie maanden na het in werking treden dezer wet.
Bij gebreke van zoodanige aangifte is art. 42 dezer wet
van toepassing.
63.  Als aangiften, overeenkomstig art. 38 dezer wet, worden
beschouwd en, op den voet als bij de daarop volgende artikels
is voorgeschreven, worden behandeld de eerste aangiften, over-
eenkomstig het 1ste, 2de en 3de lid van art. 13 der wet van
6 Junij 1840 (Stbl. n°. 17);
a.   die niet zijn gevolgd door tweede aangiften, bedoeld in
het 5de lid van laatstgemeld wetsartikel;
b.    die, met betrekking tot een deel van de aangegeven
gronden, zijn gevolgd door tweede aangiften of door toepassing
van art. 14, eerste lid, der laatstgenoemde wet, en waaromtrent
de ontginning tijdens het in werking treden dezer wet wordt
voortgezet;
e. die gevolgd zijn door tweede aangiften, waarop tijdens
het in werking treden dezer wet nog geen uitspraak is gedaan.
Voor zoo ver op die eerste aangiften, tijdens het in werking
treden dezer wet, eene gunstige beschikking is genomen, zijn
op die beschikkingen de bepalingen van de artt. 40, 43 en 44
dezer wet van toepassing, met dien verstande, dat de termijn
van art. 40, voor de uitspraken genomen op aangiften wegens
ontginning, die ingediend zijn vóór den lsten Januarjj 1863,
op dat tijdstip een aanvang neemt.
In de bovengenoemde gevallen worden de termijnen dezer
wet in de plaats gesteld van die der aangevraagde of toege-
zegde termijnen van voormelde wet van 1840.
64.   De artt. 6 en 42 dezer wet zijn van toepassing op de
ontginning, droogmaking, bekading of bedijking van gronden
-ocr page 512-
505
GRONDBELASTING.
en op de stichting, den herbouw, den bijbouw en de vernieuwing
van gebouwen, vóór het in werking treden dezer wet onder-
nomen, indien de veranderingen niet vallen in de termen van
ile vier vorige artikels.
Art. 6, 2de lid, en art. 37 zijn van toepassing op de vcran-
deringen, genoemd in art. 7. 2°. lit. d, die vóór liet in werking
treden dezer wet hebben plaats gehad.
65.   De bezwaarschriften, die bij de invoering dezer wet in
behandeling zijn, worden afgedaan op de wijze, gevolgd vóór
liet in werking treden dezer wet.
66.  Deze wet treedt in werking op den lsten Jnnuarij 1871.
Behoudens de bepalingen in de artt. 60 tot 65 dezer wet,
en die, vervat in de wet van 22 Mei 1845 (Stbl. n°. 22) en
van 15 Julij 1869 (Stbl. n°. 133), vervallen alle vroegere wet-
telijke verordeningen en wetten betreffende de grondbelasting.
De vrijdom van tienden en van evenredige regten van zegel,
registratie en overschrijving, bij de artt. 6, 7 en 11 der wet
van 6 Junij 1840 (Stbl. n°. 17)\'en bij de wet van 5 Mei 1859
(Stbl. n°. 26) toegekend, mitsgaders de bepaling van art. 20
van eerstgemelde wet, blijven in stand.
De vrijdom van bovengenoemde regten gaat in :
voor de gronden, vermeld in art. 34, en voor de daarop ge-
stichte gebouwen, met het jaar waarin de gronden voor het
eerst vruchten hebben opgeleverd, of tot bosch, erf of lustplaats
zijn aangelegd;
voor de gronden, vernield in de artt. 35 en 36, en voor de
daarop gestichte gebouwen, niet het jaar waarin de droogma-
king, bekading of bedijking is voltooid.
De belanghebbende, die de toepassing van die vrijdommen
verlangt, is verpligt tot het indienen der aangifte, omschreven
in art. 38, eerste lid, dezer wet.
Op die vrijdommen zijn van toepassing het 2de lid van art.
38, artt. 40 en 63 dezer wet; het laatste echter alleen, indien
niet, bij de invoering dezer wet, het regt op vrijdom door
verzuim der tweede aangifte verbeurd was.
De aanspraak op die vrijdommen vervalt in de gevallen,
voorzien bij art. 42 dezer wet.
-ocr page 513-
W E T,
van den lfiden April 189G (Stbl. no. 72).
TOT REGELING DER PERSONEELS BELASTING.
HOOFDSTUK I.
GRONDSLAGEN DER BELASTING.
Art. 1.
Onder don naam van „personeele belasting" wordt eene
directe belasting geheven naar de volgende grondslagen: *
1°. huurwaarde,
2°. haardsteden,
3°. mobilair,
4°. dienstboden,
5°. paarden,
6°. rijwielen.
HOOFDSTUK IT.
BELASTING NAAIt PE EERSTE DRIE GRONDSLAGEN.
2. § 1. De belasting naar den eersten, tweeden en derden
grondslag wordt geheven wegens het gebruiken van hier te
lande gelegen gebouwen en gedeelten van gebouwen met
hunne aanhoorigheden.
Onder aanhoorigheden worden verstaan gebouwen, erven en
tot gemak, uitspanning of vermaak dienende gronden, bij een
gebouw of gedeelte van een gebouw behoorende en daarmede
in gebruik.
Buiten aanmerking blijven de gronden, die uitsluitend voor
de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebezigd,
alsmede de voor het publiek toegankelijke gronden van bni-
tenplaatsen; een en ander voor zoover zij geen aanhoorigheid
zijn van eene sociëteit, logement, koffiehuis of andere inrich-
ting tot het gebruiken van spijzen of dranken tegen betaling.
-ocr page 514-
507
FERSONEELE BELASTING.
§ 2. Waar in deze wet gesproken wordt van pereeelen,
worden daarmede bedoeld zoowel gebouwen als afzonderlijk
in gebruik zijnde gedeelten van gebouwen, beide niet hunne
gebouwde aanhoorigheden.
3.    I\'erceelen, die geheel of gedeeltelijk zijn gemeubeld,
worden beschouwd als in gebruik te zijn, behoudens de toe-
passing van artt. 63, § 2, en 65, § 2.
4.  § 1. Geene belasting naar den eersten, tweeden en derden
grondslag wordt geheven wegens het gebruik van pereeelen
en gedeelten van pereeelen uitsluitend:
ii. tot openbaren eeredienst;
b. voor den dienst van het Rijk of andere publiekrechtelijke
lichamen ;
e. als inrichting van onderwijs of tot opleiding voor een
ambt, beroep of bedrijf; als kostschool;
d.    als inrichting van weldadigheid of tot genezing of ver-
pleging van zieken of gebrekkigen,
als inrichting tot algemeen nut door zedelijke lichamen,
vereenigingen in het bezit van rechtspersoonlijkheid of stich-
tingen, mits niet gebezigd voor uitvoeringen, voorstellingen
of bijeenkomsten, waarbij aan het publiek tegen betaling van
meer dan 20 et. por persoon toegang wordt vei\'leend,
een en ander voor zoover daarbij geen winst wordt beoogd
of gemaakt anders dan ten bate der inrichting;
e.    tot fabriek of werkplaats, lokalen tot uitstalling niet
daaronder begrepen; tot stalling van runderen of ander vee,
behalve paarden; tot stalling van paarden, bergplaats of
broeikas voor de uitoefening van een beroep of bedrijf.
Het gebruik, vallende onder a, b, e of e, is echter alleen
dan niet belastbaar, wanneer het perceel of gedeelte van een
perceel kennelijk daarvoor is ingericht. Indien de stallen en
bergplaatsen bestemd zijn voor een beroep of bedrijf, blijven
zij ook dan onbelast, als zij tevens dienen voor paarden in
gemengd gebruik en voor rijtuigen.
§ 2. Van de inrichtingen, bedoeld onder § 1 il, worden
door de directeurs der directe belastingen, invoerrechten en
accijnzen, ieder in zijn dienstkring, lijsten opgemaakt en zoo-
veel noodig aangevuld en gewijzigd.
Besturen van inrichtingen, welke niet op die lijsten voor-
komen of daarvan zijn afgevoerd, kunnen, wanneer hun verzoek
om plaatsing of herplaatsing is afgewezen, bij Ons in beroep
komen.
Door Ons wordt beslist, den Raad van State gehoord.
Bij algemeenen maatregel van bestuur worden geregeld de
wijze, waarop de lijsten en hare aanvullingen en wijzigingen
worden bekend gemaakt, de wijze waarop, en de termijn binnen
-ocr page 515-
508                                          rERSONEELE BELASTING.
wolken het beroep kan worden ingesteld, zoomede de herziening
van den aanslag ten gevolge van de plaatsing of herplaatsing
op de lijsten.
§ 3. De bepalingen van § 1 gelden niet voor de gedeelten
dienende tot woning van bestuurders, leeraren, beambten en
bedienden.
5.  § 1. Voor de heffing der belasting naar de eerste drie
grondslagen worden de gemeenten van het Rijk verdeeld in
negen klassen, volgens de bij deze wet gevoegde tabel.
§ 2. Do grenzen tusschen de in verschillende klassen val-
lende gedeelten van gemeenten worden, Gedeputeerde Staten
gehoord, door Ons bepaald en, wanneer verandering van
omstandigheden daartoe aanleiding geeft, gewijzigd.
Van deze besluiten wordt mededeeling gedaan in de Staats-
courant,
met bijvoeging van de adviezen van Gedeputeerde
Staten, voor zoover bij de besluiten van die adviezen is af-
geweken.
6.  § 1. Het bedrag der belasting naar den eersten, tweeden
en derden grondslag wegens het gebruik van perceelen, waarvan
de belastbare huurwaarde het zevenvoud van de som, bepaald
bij art. 12, niet te boven gaat, wordt verminderd in verband
met hot getal eigen of aangehuwde kinderen, kleinkinderen
en pupilion van den belastingplichtige, die met hem het perceel
bewonen, ongehuwd zijn en op den eersten Januari van het
belastingjaar den vollen ouderdom van twintig jaar nog niet
hebben bereikt.
Zij, die tijdelijk elders verblijven tot het verkrijgen van
onderwijs, worden als inwonend beschouwd.
§ 2. De vermindering wordt niet toegepast op de belasting
wegens het gebruik van de afzonderlijke perceelen, bedoeld
in art. 33.
7.     De vermindering volgens het vorig artikel is wegens
elk der kindoren, kleinkinderen of pupillen:
a. twaalf ten honderd, wanneer de belastbare huurwaarde
bedraagt in gemeenten of gedeelten van gemeenten, behoo-
rende tot de:
lste  klasse, niet meer  dan  f 250
2de       „ „       „        225
3de       „ „       ,        200
4de                 „                         175
5de       „          „ „       „        150
6de       , ,       „        125
7de       „ „       „        100
8ste      „          „ „       „          75
9de                 „ „                 50;
-ocr page 516-
PERSONEEr.E BELASTING.                                           509
b.    tien ten honderd, wanneer de belastbare huurwaarde
bedraagt in gemeenten of\'gedeelten van gemeenten, behoorende
tot de :
lste  klasse, meer dan f 250 en  niet meer dan f 375,00
2de       ,                           225 ,     ,                         337,50
3de       ,                           200 „      ,                          300,00
4de       ,          , 175 ,     ,                          202,50
5de       ,                            150 „      ,                          225,00
0de       ,          , 125 ,     ,                          187,50
7de       ,                           100 ,     ,                          150,00
8ste      ,          , 75 ,      ,                          112,50
9de                  ,                  50 ,      .                           75,00;
c.    acht ten honderd, wanneer de belastbare huurwaarde
bedraagt in gemeenten of gedeelten van gemeenten, behoorende
tot de:
lste  klasse, meer  dan f 375,00  en  niet  meer  dan f 500
2de                  ,                337,50   ,      „        „                450
3de                  ,                300,00   ,      ,        ,                400
4de                  .                202,50   ,      „        „       , 350
5de                  ,                225,00   .     ,        ,                300
6de       , „        , 187,50   ,     „        ,                250
7de                  ,                150,00   ,     „        ,       , 200
8ste       , „        , 112,50   ,     ,        „       , 150
9de                  ,                  75,00   „      ,        ,       „ 100;
il. zes ten honderd, waneeer de belastbare huurwaarde
bedraagt in gemeenten of gedeelten van gemeenten, behoorende
tot de:
lste  klasse, meer dan f 500  en  niet  meer dan f 625,00
2de        , „ 450   ,     ,        , , 562,50
3de                           , 400   ,      ,                         500.00
4de                  , 350   ,     ,                         437,50
5de        , „ • „ 300   „      „        , , 375,00
6de                  , 250   ,     ,                         312,50
7de                                   200   „     ,                         250,00
8ste       . 150   ,     ,                         187,50
9de                           , 100   ,     ,                         125,00;
e. vier ten honderd, wanneer de belastbare huurwaarde
bedraagt in gemeenten of gedeelten van gemeenten, behoorende
tot de:
-ocr page 517-
510                                           PKHSONKKI.K BELASTING.
lste klasse, meer  dan  f 625,00  en  niet meer  dan f 750
2de        ,         ,        .       562,50   ,     „        ,                675
3de                  .               500,00   ,     .        ,                600
4de        „          „        ,       437,50   ,     ,        „       , 525
5de                   ,               375,00   ,     ,        „       , 450
6de                  ,               312,50   „     ,        „                375
7de        .          „        „       250,00   ,     ,        ,                300
8ste       ,          ,        ,       187,50   ,     ,                         225
9de        ,          „        ,       125,00   ,      ,        „       , 150;
f. twee ten honderd, wanneer de belastbare huurwaarde
bedraagt in gemeenten of gedeelten van gemeenten, behoorende
tot de:
lste klasse,  meer  dan /\' 750,00  en  niet  meer  dan f 875,00
2de        „          „        ,       675,00   „      „        „      „        787,50
3de        „          „        ,       600,00    „      ,        ,      ,        700,00
4de                  ,               525,00   .      .        „      ,        612,50
5de                  ,               450,00   ,      ,        „      ,        525,00
6de                  ,               375,00   ,      .        ,      ,        437,50
7de        ,          ,        „      300,00   „      „        „      ,        350,00
8ste       ,          ,        ,      225,00   ,      ,        ,      ,        262,50
9de        ,          ,        ,       150,00   .      ,        .      ,        175.00
A. Huurwaarde.
8.    De belasting wordt berekend naar de huurwaarde van
ieder perceel met de ongebouwde aanhoorigheden.
9.  § 1. Voor gehuurde perceelen wordt de huurwaarde
gesteld op het bedrag van den jaarlijkschen huurprijs volgens
de overeenkomst, die in werking is bij het begin van het tijd-
vak, waarover do belasting wordt geheven.
§ 2. Onder huurprijs wordt verstaan het bedrag aan geld,
dat voor het gebruik moet worden betaald, of de geldswaarde
van hetgeen in anderen vorm daarvoor moet worden geleverd,
verhoogd met het bedrag of de geldswaarde van hetgeen
tengevolge van beding ten laste van den huurder is, doch
zonder dat beding ten laste van den verhuurder zou zijn, en
verminderd met het bedrag of de geldswaarde van hetgeen
tengevolge van beding ten laste van don verhuurder is, doch
zonder dat beding ten laste van den huurder zou zijn.
i? 3. Weekhuur wordt tot jaarhuur herleid door vermonig-
vuldiging niet 50.
Als weekhuur wordt alleen aangemerkt de huur, die weke-
lijks moet worden betaald volgens een overeenkomst, welke
met de week eindigt.
-ocr page 518-
PERSONEELE BELASTING.                                           511
§ 4. De bepaling van § 1 is niet van toepassing:
«. Indien de huurprijs niet onder normale omstandigheden
is bedongen;
b.  indien een gedeelte van het perceel valt onder art. 4 § 1;
c.  indien onder het gehuurde zijn begrepen ongebouwde
iianhoorigheden, die volgens art. 2, § 1, voor de belasting
Imiten aanmerking blijven;
d.  indien eene landbouwers-woning of ander perceel voor één
prijs is gehuurd te zamen met andere onroerende goederen
dan de ongebouwde aanhoorigheden.
10.  § 1. De huurwaarde van niet gehuurde perceelen en van
perceelen, vallende onder art. 9, § 4, wordt bepaald door ver-
gelijking met onder normale omstandigheden gehuurde per-
ceelen van dezelfde of meest nabijkomende soort in dezelfde
of eene naburige gelijksoortige gemeente.
§ 2. Wanneer de aard van een perceel eene vergelijking
volgens § 1 niet toelaat, wordt de huurwaarde gesteld op zes
ten honderd, berekend over de verkoopwaarde of\', indien deze
niet is te bepalen, over eene som, door vergelijking afgeleid
uit de verkoopwaarde van andere perceelen van dezelfde of
meest nakomende soort in dezelfde of eene naburige gelijk-
soortige gemeente.
§ 3. Bij vergelijking volgens dit artikel wordt, onder meer,
gelet op stand of ligging.
11.  § 1. De belastbare huurwaarde van een perceel, krachtens
zijn ambt of zijne betrekking bewoond door iemand, in dienst
van een publiekrechtelijk lichaam of van eene kerk of kerk-
gcnootschap, wordt niet hooger gesteld dan twaalf ten hon-
derd van de jaarlijksche inkomsten, aan dat ambt of die be-
trekking verbonden.
Genot van vrije woning wordt niet onder de inkomsten
begrepen. Daarentegen worden zij verminderd met de som,
die voor het gebruik van het perceel moet worden betaald.
De belastbare huurwaarde daalt echter niet boneden een
derde van het bedrag, waarop zij volgens art. 10 zou worden
bepaald.
De bepalingen van deze paragraaf zijn ook van toepassing
op ambtswoningen van onderwijzers, niet vallende onder het
eerste lid.
§ 2. De huurwaarde van perceelen en gedeelten van per-
ceelen, uitsluitend dienende tot uitoefening van het bedrijf
van logementhouder, wordt slechts voor de helft als belastbare
huurwaarde aangemerkt.
Hieronder vallen alleen inrichtingen, waar doorgaans voor
reizigers gelegenheid is tot logies per nacht.
De huurwaarde van perceelen en gedeelten van percelen,
-ocr page 519-
512                                    1\'KRSONEKl.E BELASTING.
uitsluitend dienende tot winkel of lokaal tot uitstalling, wordt
slechts voor een derde als belastbare huurwaarde aangemerkt.
12.   De belasting naar den eersten grondslag wordt niet
geheven, wanneer de belastbare huurwaarde van het perceel
in gemeenten of\' gedeelten van gemeenten, behoorende tot de:
lste  klasse,  niet meer bedraagt dan f 125,00
2de        „         ,                    ,                   112,50
3de        „         ,                    ,                   100,00
4de        „         „                    , 87,50
5de        ,         ,                    , 75,00
6de       ,         .                    , 62,50
7de        „         „                     , 50,00
8ste       ,                               , 37,50
9de        ,                              , 25,00.
13.  § 1. De belastbare huurwaarde van elk perceel wordt
voor de berekening der belasting verminderd:
in gemeenten of\' gedeelten van gemeenten, behoorende tot de:
lste klasse, met.........f 110,00
2de . , .........        97,50
3de , „ .........       85,00
4de , , .........        72,50
5de , ,..........        60,00
6de ...........       47,50
7de ...........       35,00
8ste , , .........       22,50
9de , » .........        10,00
§ 2. De belasting bedraagt jaarlijks acht ten honderd van
de belastbare huurwaarde, verminderd volgens § 1.
B. Haardsteden.
14.    De belasting wordt berekend naar liet getal haard -
steden van ieder perceel met meer dan ééne haardstede.
Voor elk vertrek, dat in het belastingjaar op één of meer
dagen vóór 1 April of\' na 31 October wordt verwarmd, wordt
ééne haardstede gerekend.
De gangen, portalen en trappen van een perceel worden
tezamen voor één vertrek gerekend.
Als verwarmd wordt beschouwd het vertrek, waar zich een
haard of andere vaste stookplaats, eene kachel of ander
stooktoestel of een warmt eleider bevindt, wanneer een en
ander kan worden in gebruik genomen zonder dat eenig
-ocr page 520-
PERSONEE1.E BELASTING.                                           513
metsel- of pleisterwerk geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd
of beschadigd.
Indien een stooktoestel is geplaatst in de afscheiding tus-
schen verschillende vertrekken, wordt elk dier vertrekken als
verwarmd beschouwd.
Toestellen, die gebruikt worden zonder afvoer in een schoor-
steen of in de open lucht, blijven buiten aanmerking.
15.  De belasting naar den tweeden grondslag wordt niet
geheven, wanneer de belastbare huurwaarde van het perceel
in gemeenten of gedeelten van gemeenten, behoorende tot de:
lste  klasse,  niet meer bedraagt dan f 200
2de       ,         ,                    .                   180
3de                                       ,                  160
4de       ,         „                    ,                  140
5de       ,         ,                    ,                  120
6de        „         „                    ,                  100
7de                 „   \' „           ,          , 80
8ste                „        ,                                60
9de       ,    \' ,                    ,          , 40.
16.  § 1. De belasting bedraagt jaarlijks:
voor twee haardsteden........f 1
„ drie            ,            ........ 3
. vier            „            ........ 6
.vijf             ,            ........ 10
„ zes             „            ........ 15
, zeven         ,            ........ 21
, acht           ,            ........ 28
„ negen        ,            ........ 36
benevens ƒ 8 voor iedere haardstede boven negen.
§ 2. Met afwijking van de vorige paragraaf bedraagt de
belasting wegens de haardsteden van perceelen en gedeelten
van perceelen uitsluitend dienende tot uitoefening van het bedrijf
van logementhouder of\' tot openbare badinrichting, met meer
dan drie haardsteden jaarlijks f 1 voor iedere haardstede.
C. Mobilair.
17. § 1. De belasting wordt berekend naar de waarde:
a.  der stoffeering van ieder perceel, onverschillig wiens
eigendom zij is;
b.  der rijtuigen en pleiziervaartuigen van den belasting-
plichtige, onverschillig waar zij zich bevinden, voor zoover niet
uitsluitend gebezigd voor de uitoefening van zijn beroep of bedrijf.
33
-ocr page 521-
514                                          PERSONEEI.E BELASTING.
De waarde van rijtuigen wordt gevoegd bij die der stof-
feering van het perceel, waar zij zich doorgaans bevinden of,
indien dat perceel niet bij den belastingplichtige in gebruik
is, bij die der stoffeering van het perceel, waar hij doorgaans
verblijf houdt.
De waarde van pleiziervaartuigen wordt gevoegd bij die der
stoffeering van het perceel, waar de belastingplichtige door-
gaans verblijf houdt.
§ 2. Door stoffeering wordt verstaan al hetgeen volgens
art. 573 van het Burgerlijk Wetboek daartoe behoort, met
uitzondering van .schilderijen, doch met inbegrip van piano\'s,
biljarten en dergelijke voorwerpen, die, om te worden gebruikt,
gewoonlijk niet verplaatst worden.
Door waarde wordt verstaan de som, die gerekend wordt
te kunnen worden bedongen bij verkoop onder normale om-
standigheden ter plaatse daartoe geschikt.
§ 3. De waarde van de stoffeering der perceelen en ge-
deelten van perceelen, bedoeld in art. 11, § 2, komt slechts
voor de helft in aanmerking.
18. De belasting naar de waarde der stoffeering wordt niet
geheven, wanneer de belastbare huurwaarde van het perceel
in gemeenten of gedeelten van gemeenten, behoorende tot de :
lste klasse, niet meer bedraagt dan f 200
2de
3de
4de
5de
6de
7de
8ste
9de
180
160
140
120
100
80
60
40.
19. De belasting bedraagt jaarlijks, wanneer de waarde van
het mobilair is:
200 .
f 0,60
300 .
1,50
400 .
3,00
500 .
4,50
600 .
6,00
700 .
7,50
800 .
9,00
1000 .
10,50
1200 .
13,50
1400 . .
16,50
f 140  of meer, doch minder dan f 200
200   , ,
300   , ,
400   . ,
500   , ,
600   , .
700   . ,
800   , ,
1000.....
1200   . .
-ocr page 522-
PERSONEELS BELASTING.                                          515
1400 of
meer,
doch
minder dan
ƒ 1700 . .
f 19,50
1700 .
„
*
n
Ti
2000 .
24,00
2000 „
„
n
n
B
2300 .
28,50
2300 „
i"
»
T
n
2700 .
33,00
2700 B
T
n
n
r
3100 .
39,00
3100 „
n
r
M
f
3500 .
45,00
3500 „
*
1
R
n
4000 .
51,00
4000 „
n
Tl
F
*
4500 .
58,50
4500 „
f
H
R
71
5000 .
66,00
Is de waarde f 5000 of meer, dan bedraagt de belasting
f 73,50, benevens f 15 voor elke geheele som van f 1000, waar-
mede zij het bedrag van f 5000 te boven gaat.
HOOFDSTUK III.
BELASTING NAAR DEN VIEUDEN GRONDSLAG.
20.  § 1. De belasting naar den grondslag dienstboden
wordt geheven wegens het in dienst hebben, hier te lande,
van personen, gebezigd tot persoonlijke of huiselijke diensten,
bedienden in sociëteiten daaronder begrepen.
§ 2. Staldienst en tuindienst behooren niet tot de persoon-
lijke en huiselijke diensten.
§ 3. Gouverneurs en gouvernantes, belast met het bestuur
en het onderwijs van kinderen, juffrouwen van gezelschap,
secretarissen en rentmeesters blijven builen aanmerking, al
verrichten zij ook enkele bijkomende persoonlijke of huiselijke
diensten.
21.  § 1. Geene belasting wordt geheven wegens het
houden van:
a.    bakers en zogende minnen; ziekenverplegers en zieken-
verpleegsters, die buiten het huis, waar zij dienst doen, hunne
woning aanhouden ;
b.    dienstboden in inrichtingen, vallende onder c en d van
art. 4, § 1, voor zoover zij geene andere diensten verrichten
dan rechtstreeks ten behoeve der inrichting;
c.    militaire oppassers door officieren in werkelijken dienst;
d.    dienstboden, die doorgaans door meer dan één afzonder-
lijk wonenden persoon of gezin als zoodanig worden gebezigd
en niet inwonen bij hem, te wiens behoeve of ten behoeve
van wiens gezin zij diensten verrichten;
e.    personen, die doorgaans niet meer dan drie dagen \'s weeks
in dienst zijn en niet inwonen bij hem, te wiens behoeve of
ten behoeve van wiens gezin zij diensten verrichten;
f.  personen, die geen andere persoonlijke of huiselijke diensten
verrichten dan het besturen van paarden voor rijtuigen, waar-
-ocr page 523-
516                                          PPItSONEELE BELASTING.
van het bovenstuk niet door veerkrachtige of rekbare voor-
werpen middellijk of onmiddellijk met de as of de assen is
verbonden;
(j. eene eenige vrouwelijke dienstbode door iemand, die
geen anderen dienstbode houdt en drie of meer eigen of aan-
gehuwde kinderen, kleinkinderen of pupillen bij zich heeft
inwonen, die ongehuwd zijn en op den eersten Januari van
het belastingjaar den vollen ouderdom van twintig jaar nog
niet hebben bereikt;
h. eene eenige vrouwelijke dienstbode door een weduwnaar
of iemand, wiens echtgenoote wegens ziekte elders wordt ver-
pleegd, een en ander voor zoover hij geen anderen dienst-
bode houdt;
/\'. dienstboden, die den persoon, bij wien zij in dienst zijn,
in den eersten, tweeden of derden graad van bloedverwantschap
of zwagerschap bestaan;
j. vrouwelijke dienstboden, die op den eersten Januari van
het belastingjaar den vollen ouderdom van achttien jaar nog
niet hebben bereikt en dienstboden, die op dat tijdstip den
vollen ouderdom van vijf en zestig jaar hebben bereikt.
§ 2. Voor de toepassing der bepaling van § 1, g of h,
worden dienstboden, vallende onder eene andore letter van die
paragraaf, niet medegerekend.
22.  De belasting wordt berekend naar het geheele aantal
dienstboden, onverschillig waar zij worden gehouden.
23.  De belasting bedraagt jaarlijks:
a.  voor elke vrouwelijke dienstbode, die op den eersten
Januari van het belastingjaar den vollen ouderdom van een
en twintig jaar nog niet heeft bereikt, f 4;
b.  wegens alle overige dienstboden:
voor één dienstbode..........    f 6
, twee dienstboden.........         17
, drie , .........         33
, vier „ .........         54
„vijf , .....". . . .         80
„zes „ .........        111
, zeven , .........       147
„ acht ....... . . .       188
, negen „ ......\' . . .       234
„ tien „ .........       285
benevens f 50 voor ieder dienstbode boven tien;
voor eiken mannelijken dienstbode f 12 boven de vermelde
bedragen.
24.  § 1. Met afwijking van het vorig artikel bedraagt de
belasting jaarlijks:
-ocr page 524-
PERSONEELE BELASTING.                                           517
ra. voor eiken koetsier van praktizeerende genees-, heel- en
verloskundigen en veeartsen f 15;
b. wegens personen, die doorgaans en hoofdzakelijk werk-
zaani zijn iD het beroep of bedrijf van den belastingplichtige
of ten behoeve van eene inrichting, als bedoeld in art. 4, §
1, e en d, waaraan de belastingplichtige als inwonend be-
stuurder, leeraar of beambte is verbonden :
voor iedere dienstbode......./ 3;
r. wegens huisbewaarders of huisbewaarsters, bij afwezigheid
van het gezin eene woning bewarende, onverschillig of zij,
ook bij voorbijgaande aanwezigheid van leden des gezins,
enkele malen andere persoonlijke of huiselijke diensten ver-
richten ;
voor eiken huisbewaarder of huisbewaarster f 10, met
dien verstande dat, wanneer de bewaring van een huis aan
gehuwde lieden is toevertrouwd, dit recht slechts eens ver-
schuldigd zal zijn;
d. voor eiken jager, uitsluitend voor de jacht dienende, ƒ 18.
§ 2. indien verschillende personen, vallende onder § 1, b,.
mannelijke en vrouwelijke ieder afzonderlijk, uitsluitend bij
afwisseling tot persoonlijke of huiselijke diensten worden ge-
bezigd, wordt de belasting als voor één dienstbode berekend.
HOOFDSTUK IV.
BELASTING NAAR DEN VIJFDEN GRONDSLAG.
25.    De belasting wordt geheven wegens het houden, hier
te lande, van :
a.   paarden, niet uitsluitend gebezigd voor de uitoefening
van een beroep of bedrijf;
b.   paarden, gebezigd voor de uitoefening der bedrijven van
rijtuigverhuurder, ondernemer van personenvervoer, verhuurder
van rijpaarden, manegehouder en paardenkooper.
26.    Wie krachtens overeenkomst de beschikking heeft over
één of meer paardeh van een ander, wordt te dier zake geacht
een geljjk aantal paarden te houden, ook al worden niet steeds
dezelfde verstrekt; ten ware de overeenkomst, met inbegrip
van verlenging ter keuze van eene der partijen, blijkt over
korter tijdvak dan een en twintig dagen te loopen.
Eene overeenkomst, in werking tredende binnen acht dagen
na het eindigen eener andere overeenkomst, wordt als ver-
lenging van laatstbedoelde beschouwd.
27.    Geene belasting wordt geheven wegens het houden van:
a. dienstpaarden door officieren, welke die paarden uitsluitend
onder den zadel bezigen;
-ocr page 525-
518                                          PKRSONEKLK BELASTING.
b.   paarden, uitsluitend gebezigd voor rijtuigen als bedoeld
in art. 21 § 1, f, of tot het trekken van vaartuigen ;
c.   paarden, wier laatste melktand nog niet is vervangen
door een snij tand ;
d.  hengsten als dekhengsten.
28.    De belasting wordt berekend naar het geheele aantal
paarden, onverschillig waar zij worden gehouden.
29.    De belasting bedraagt jaarlijks :
)or één paard . . .
. f 25
„ twee paarden . .
60
„ drie , . .
105
benevens f 50 voor ieder paard boven drie.
30. § l. Met afwijking van het vorig artikel bedraagt de
belasting jaarlijks :
a.   wegens de paarden van praktizeerende genees-, heel- en
verloskundigen en veeartsen :
voor elk paard.................f 10;
b.  wegens de paarden in gemengd gebruik :
voor elk paard.................„ 6;
e. wegens de paarden, uitsluitend of hoofdzakelijk gebezigd
voor de uitoefening van het bedrijf van rijtuigverhuurder,
ondernemer van personenvervoer, verhuurder van rijpaarden of
manegehouder en niet vallende onder art. 26 :
voor elk paard.................ƒ 10;
d. wegens de paarden van paardenkoopers, die niet tevens
een bedrijf, genoemd onder e uitoefenen:
voor elk tiental paarden, gedeelten van een tiental voor een
tiental gerekend.................f 10;
§ 2. Onder paarden in gemengd gebruik worden verstaan
paarden, die doorgaans en hoofdzakelijk worden gebezigd
voor de uitoefening van een beroep of bedrijf van den belas-
tingplichtige, niet vermeld onder b van art. 25.
Indien verschillende dier paarden uitsluitend bij afwisseling
tot andere doeleinden worden gebezigd, wordt de belasting
als voor één paard berekend.
HOOFDSTUK V.
BELASTING NAAR DEN ZESDEN GRONDSLAG.
31. De belasting naar den zesden grondslag wordt nader
bij de wet geregeld.
-ocr page 526-
519
PERSONEELE BELASTING.
HOOFDSTUK VI.
HKi.AsTiNCii\'i.riin ii;hi-:ii>.
32.  § 1. De verschillende gedeelten van een gebouw niet
zijne aanhoorigheden, in gebruik bij leden van hetzelfde gezin,
worden te zamen aangemerkt als één perceel, in gebruik bij
het hoofd van het gezin.
Het hoofd van het gezin wordt geacht ook de rijtuigen,
pleiziervaartuigen, dienstboden en paarden van de leden van
zijn gezin te houden.
§ 2. Als leden van een gezin worden beschouwd bloed- en
aanverwanten in de rechte linie en in den tweeden graad der
zijdlinie, verblijf houdende in gedeelten van één gebouw, die
inwendig gemeenschap met elkaar hebben.
Ook worden als leden van één gezin beschouwd alle andere
personen, die één of meer woonvertrekken in gemeenschappe-
lijk gebruik hebben.
§ 3. Zoo noodig beslist de inspecteur der directe belastin-
gen welk lid van het gezin als het hoofd wordt aangemerkt.
33.  § 1. Indien een perceel door den hoofdbewoner gedeel-
telijk aan een of meer andere personen, niet behoorende tot
zijn gezin of zijn dienstboden, ten gebruike wordt afgestaan
met inbegrip van daarin aanwezige meubelen, wordt het aldus
afgestane, behoudens voor de toepassing van art. 18, beschouwd
als een afzonderlijk perceel, in gebruik bij den hoofdbe-
woner.
Deze bepaling is ook van toepassing op de gedeelten, die
gewoonlijk op de bedoelde wijze worden verhuurd, doch tijdelijk
geheel of ten deele onverhuurd en onbewoond zijn.
§ 2. Mede wordt als een afzonderlijk perceel aangemerkt
het gedeelte van een perceel, vallende onder art. 11, § 2.
§ 3. Wanneer een perceel alleen door een huisbewaarder
wordt bewoond en.geen andere meubelen bevat dan voor het
gebruik van hem en zijn gezin, wordt het door hem bewoonde
gedeelte aangemerkt als een afzonderlijk perceel, in gebruik
bij den eigenaar of huurder.
34.  Niet belastingplichtig zijn:
a. Gezanten en andere vertegenwoordigers of diplomatieke
ambtenaren van vreemde mogendheden, die naar de regelen van
het volkenrecht of krachtens verdragsbepalingen op vrijdom
van persoonlijke lasten aanspraak hebben. Deze vrijstelling
kan onder voorwaarde van wederkeerigheid worden uitgestrekt
tot consuls of consulaire ambtenaren van vreemde inogend-
-ocr page 527-
520                                           PEHSONEELE BELASTING.
heden, mits zij vreemdelingen zijn en hier te lande geen bedrijf
of\' beroep uitoefenen;
b. buitenslands wonende, voor zoover zij niet langer dan drie
achtereenvolgende maanden hier te lande een perceel in gebruik
hebben of\' dienstboden of\' paarden houden.
HOOFDSTUK VII.
BELASTINGJAAR.
35.    Het belastingjaar begint met 1 Januari en eindigt met
31 December.
36.    Wie op 15 Januari belastingplichtig is, wordt volgens
den toestand op dien datum over het geheele jaar aange-
slagen.
37.    Wie belastingplichtig wordt na 15 Januari, wordt aan-
geslagen naar den toestand bij den aanvang zijner belasting-
plichtigheid over zooveel twaalfde gedeelten van het jaar als
er nog niet geheel verstreken maanden overblijven.
Bij verhooging van belasting naar den grondslag dienst-
boden of paarden geschiedt de aanslag deswege op dezclf-
do wijze.
38.    Voor zooveel de eerste drie grondslagen betreft, heeft
aanvang van belastingplichtigheid na 15 Januari plaats tel-
kens wanneer een perceel in gebruik wordt genomen.
Deze bepaling is niet van toepassing, indien iemand een
perceel in gebruik neemt binnen zes weken nadat hij op of
na 15 Januari een ander of hetzelfde perceel in den zin van
art. 63, § 1, heeft verlaten.
39.    Verhooging van belasting heeft plaats bij verandering
van den toestand naar den grondslag haardsteden, dienstboden
of paarden.
Aanslag wegens verhooging van belasting heeft niet plaats,
wanneer de verandering op of na 15 December intreedt.
HOOFDSTUK VIII.
AANGIFTE.
40.    Door of vanwege den ontvanger der directe belastin-
gen kunnen aan hen, die belastingplichtig worden geacht,
beschrijvingsbiljetten worden uitgereikt, bestemd tot het doen
van aangifte.
Zij worden steeds uitgereikt aan hen, die geacht worden op
15 Januari belastingplichtig te zijn naar den vierden of den
vijfden grondslag.
In het biljet wordt gevraagd:
-ocr page 528-
521
PERSONEEI.E BEI.ASTINR.
I. aanwijzing van in gebruik zijnde perceelen;
of deze al dan niet gehuurd zijn ;
zoo ja, opgaaf van den huurprijs bedoeld in art. 9;
II. opgaaf van het getal haardsteden, berekend volgens de
bepalingen van art. 14;
III.    opgaaf van het getal dienstboden, mannelijke en vrouwe-
lijke ieder afzonderlijk;
IV.    opgaaf van het getal paarden;
V. opgaaf der inwonende personen buiten de leden van het
gezin en de dienstboden;
VI. opgaaf van het beroep of bedrijf.
In het biljet kan worden opgegeven:
I. dat, en om welke reden, een huurprijs niet of niet voor
het volle bedrag in aanmerking behoort te komen;
II. dat, en om welke reden, de belasting naar de grond-
shigen huurwaarde, haardsteden on mobilair tot een
lager bedrag dan gewoonlijk of voor een gedeelte van
een perceel afzonderlijk moet worden berekend ;
III. dat, en om welke reden, de belasting voor het opgegeven
getal dienstboden of paarden, geheel of ten deele, tot
een lager bedrag dan volgens het tarief van art. 23 of
art. 29 moet worden berekend;
IV. het getal personen, dat volgens art. 6 voor vermindering
der belasting in aanmerking komt;
V.    het tijdvak, waarover de belasting moet worden berekend,
indien dit niet is het geheele jaar.
Het formulier voor het biljet wordt vastgesteld bij alge-
meenen maatregel van bestuur.
41.    Hij, wien een biljet is uitgereikt, moet de daarin
gestelde vragen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud naar
waarheid beantwoorden en het antwoord onderteekenen.
Voor coöperatieve en andere vereenigingen, stichtingen, ven-
nootschappen en onderlinge verzekering maatschappijen wordt
het biljet uitgereikt aan en het antwoord onderteekend door
een der bestuurders of beheerende vennooten.
42.    Voor zoover de biljetten niet reeds vroeger zijn terug-
gehaald, moeten zij uiterlijk op den twintigsten dag na dien
der uitreiking, welke daarop wordt aangeteekend, worden
ingeleverd ten kantore van den ontvanger der directe belastingen,
tot wiens dienstkring de plaats van uitreiking behoort.
Ue termijn van inlevering kan door den ontvanger worden
verlengd.
Bij de terughaling of de inlevering wordt op verzoek een
ontvangbewijs afgegeven.
43.    Indien iemand verklaart niet te kunnen schrijven,
geschiedt de invulling van het biljet op zijn verlangen en met
-ocr page 529-
522                                    PERSONEKLE BELASTING.
vermelding der reden door den ontvanger of diens gemachtigde,
met de terughaling belast, die daarna na voorlezing namens
den aangever in tegenwoordigheid van een getuige onder-
teekent. De getuige teekent mede.
44.    Wie op 15 Januari belastingplichtig is naar den
vierden of\' den vijfden grondslag en geen beschrijvingsbiljet
heeft ontvangen, moet niettemin vóór 1 Februari aan-
gifte doen.
Deze termijn kan door den ontvanger worden verlengd.
45.     Hij, die na 15 Januari naar den vierden of den vijfden
grondslag belastingplichtig wordt of wiens belasting naar een
dier grondslagen volgens art. 39 wordt verhoogd, moet binnen
veertien dagen aangifte doen.
Deze termijn kan door den ontvanger worden verlengd.
46.    Voordat het getal haardsteden van een perceel wordt
gebracht boven het door den gebruiker voor het loopend
belastingjaar aangegeven getal, moet hij eene nadere aan-
gifte doen.
47.    De aangiften volgens artt. 44, 45 en 46 worden gedaan
door inlevering van een beschrijvingsbiljet ten kantore van
den ontvanger der directe belastingen, tot wiens dienstkring
de gemeente behoort, waar ingevolge art. 48 de aanslag
geschiedt.
De bepalingen van artt. 41, 42, 3de lid, en 43 zijn ook in
dit geval van toepassing.
fJeschrijvingsbiljetten zijn kosteloos verkrijgbaar bij de ont-
vangers der directe belastingen en op de secretarieën der
gemeenten.
HOOFDSTUK IX.
AANSLAG.
48.    De aanslag geschiedt:
1°. naar den eersten, tweeden en derden grondslag in de
gemeente, waar het perceel is gelegen;
2°. naar den vierden en den vijfden grondslag in de gemeente,
waar de belastingplichtige zijn domicilie heeft of, indien hij
buitenslands woont, in de gemeente, waar de dienstboden of
paarden worden gehouden.
Bezwaren betreffende de gemeente van aanslag kunnen door
iederen belanghebbende bij Ons worden ingebracht uiterlijk
binnen drie maanden na afloop van het belastingjaar.
Door Ons wordt beslist, den Raad van State gehoord.
49.  § 1. De aanslag wordt in elke gemeente vastgesteld
door den inspecteur der directe belastingen en het college
van zetters.
-ocr page 530-
PERSONEEI.E BELASTING.                                     523
De vaststelling kan geschieden bij gebreke of met afwijking
van de aangifte.
§ 2. Den belastingplichtige kunnen inlichtingen worden
gevraagd door den inspecteur, door het college van zetters of
door één of meer der leden, daartoe door het college aan-
gewezen.
50.  § 1. Tot vaststelling der huurwaarde worden de noodige
opnemingen gedaan door een ambtenaar, aangewezen door den
directeur der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen,
en een lid van het college van zetters, door het college aan-
gewezen.
In plaats van een zijner leden kan het college van zetters
een ander persoon aanwijzen.
§ 2. Ter beoordeeling van de waarde van het mobilair
geschiedt zoo noodig opneming door deskundigen, welke de
inspecteur en het college van zetters daartoe aanwijzen.
51.    De vastgestelde aanslag naar den tweeden, vierden of\'
vijfden grondslag kan, ook zonder dat cene aangifte volgens
art. 45 of art. 46 is gedaan, worden verhoogd.
52.    Bij veischil van meening tusschen den inspecteur en
het college van zetters, betreffende de vaststelling van een
aanslag of eene aanwijzing volgens art. 50, wordt de zaak
onderworpen aan de beslissing van den directeur der directe
belastingen, invoerrechten en accijnzen, tot wiens directie de
gemeente behoort.
Op gelijke wijze wordt gehandeld, wanneer in het geval,
bedoeld bij het slot van art. 14 der wet van 5 April 1870
(SM. no. 63), dergelijk verschil van meening ontstaat tusschen
den inspecteur en den burgemeester.
53.  § 1. Aan de leden der collegos van zetters of andere
personen, bedoeld in § 1 van art. 50, kan voor de opnemingen
van gebouwen door Ons ten laste van het Rijk eene vergoe-
ding worden toegelegd.
§ 1. De deskundigen, bedoeld bij § 2 van gemeld artikel,
geniet en ten laste van het Rijk belooning voor hunne werk-
zaamheden en vergoeding voor reis- en verblijfkosten, door
Ons te regelen.
54.    De inspecteur kan door den directeur der directe belas-
tingen, invoerrechten en accijnzen worden gemachtigd om
zich voor de werkzaamheden met de colleges van zetters door
een ander ambtenaar te doen vervangen.
55.  § 1. De aanslagen worden ten kohiere gebracht.
§ 2. De aanslagbiljetten worden uiterlijk binnen veertien
dagen na de afkondiging van het kohier uitgereikt.
-ocr page 531-
524
PERSONEEI.E BELASTING.
HOOFDSTUK X.
BEZWAARSCHRIFTEN.
56.  § 1. Hij, die bezwaar heeft tegen een hem opgelegden
aanslag, kan zelf of door een gemachtigde binnen zes weken
na de afkondiging van het kohier een bezwaarschrift indienen
bij den directeur der directe belastingen, invoerrechten en ac-
cjjnzen, in wiens directie de aanslag is vastgesteld.
§ 2. Indien hij, die een bezwaarschrift heeft ingediend, of\'
zijn gemachtigde het verlangen daartoe heeft te kennen gege-
ven, wordt hij gehoord door den directeur of een door dezen
aangewezen ambtenaar.
§ 3. Ue directeur doet uitspraak na het college van zet-
ters, dat tot den aanslag heeft medegewerkt, te hebben
gehoord.
De uitspraak is met redenen omkleed.
Afschrift wordt aan den aangeslagene gezonden, aangetee-
kend per post of tegen gedagteekend ontvangbewijs.
57.  § 1. Hij, die bezwaar heeft tegen de uitspraak van
den directeur op zijn bezwaarschrift, kan binnen dertig dagen,
nadat het afschrift hem is toegezonden, zelf of door een ge-
machtigde in beroep komen bij den raad, ingesteld krachtens
het volgend artikel.
Als datum van toezending geldt die der aanteekening per
post of die van het ontvangbewijs.
§ 2. Het beroep geschiedt door indiening van een met
redenen omkleed bezwaarschrift bij den voorzitter van den
raad. Een afschrift der uitspraak van den directeur wordt
daarbij overgelegd.
58.    In elke provincie of in elk gedeelte eener provincie,
door Ons aan te wijzen, wordt voor de uitspraak op de
bezwaarschriften, bedoeld bij het vorig artikel, een raad van
beroep ingesteld, welks standplaats door Ons wordt aange-
wezen.
De raad bestaat uit drie leden, van wie één wordt benoemd
door gedeputeerde staten der provincie, één door de arrondis-
sementsrechtbank, tot wier rechtsgebied de standplaats van
den raad behoort, en één door den Minister van Financiën.
Op dezelfde wijze wordt voor ieder lid ten minste één plaats•
vervanger benoemd en bij ontslag of overlijden in eene vaca-
ture voorzien.
Om de twee jaren treden één der leden en zijne plaats-
vervangers af\', volgens rooster door den raad op te maken.
-ocr page 532-
525
PERSONEEI.E BELASTING.
De aftredenden zijn herbenoembaar. Zoowel genoemde colleges
als de Minister kunnen ieder een door hen benoemd lid of
plaatsvervanger ook tusschentijds bij een met redenen omkleed
besluit ontslaan.
De voorzitter van den raad en zijn plaatsvervanger worden
door Ons benoemd en ontslagen. Zij hebben alleen raadgevende
stem.
Rijksambtenaren, ressorteerende onder het Departement van
Financiën, zijn niet tot voorzitter, lid of plaatsvervanger be-
noembaar.
De raad kiest uit zijn midden een secretaris, vergadert op
plaats en tijd, door den voorzitter te bepalen, en beslist bij
meerderheid van stemmen. Zijn meer dan twee verschillende
gevoelens uitgebracht, dan beslist de voorzitter welke dier
gevoelens zal worden gevolgd.
Op verzoek van den raad kan de Minister van Financiën
een ambtenaar aanwijzen om den secretaris bij te staan.
59.    De voorzitter en de leden van den raad en hunne
plaatsvervangers leggen, alvorens hunne betrekking te aan-
vaarden, ten overstaan van Onzen commissaris in de provincie
den volgenden eed of belofte af:
„Ik zweer (beloof), dat ik als voorzitter (lid), (plaatsvervan-
gend voorzitter), (plaatsvervangend lid) van den raad van
beroep voor de personeele belasting overeenkomstig de bepa-
lingen der wet met nauwgezetheid en onpartijdigheid en vol-
gens mijn geweten zal handelen.
Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig! (Dat beloof ik!)*
Van deze handeling wordt proces-verbaal opgemaakt.
Wegens het afleggen van den eed of belofte en het opmaken
van het procesverbaal zijn geen kosten verschuldigd.
60.  § 1. Elk bezwaarschrift wordt door den voorzitter van
den raad terstond na ontvangst aan den directeur ter beoor-
deeling gezonden.
§ 2. Alvorens uitspraak te doen stelt de raad den belang-
hebbende of diens gemachtigde, die het verlangen daartoe heeft
te kennen gegeven, in de gelegenheid zijne bezwaren monde-
ling toe te lichten/
Te dien einde wordt hij door den voorzitter schriftelijk
opgeroepen ten minste vijf dagen vóór de vergadering. Ge-
lijktijdig doet de voorzitter van de oproeping en van dag
en uur der vergadering mededeeling aan den directeur. Deze
kan zich in de vergadering laten vertegenwoordigen ter mon-
delinge behandeling der zaak.
§ 3. De behandeling der zaak wordt zoo noodig verdaagd.
§ 4. De raad kan deskundigen raadplegen omtrent de
bepaling van huurwaarde en waarde van mobilair.
-ocr page 533-
526                                          PKKSONEEI.E BELASTING.
61.    De uitspraak van den raad is met redenen omkleed.
Zij wordt door den voorzitter en den secretaris onderteekend.
Afschrift wordt gezonden aan den directeur, die voor zooveel
noodig voor de uitvoering zorgt, en aan den belanghebbende.
62.  § 1. Aan den voorzitter en de leden van den raad en
hunne plaatsvervangers wordt door Ons, behalve vergoeding \'
van reis- en verblijfkosten, vacatiegeld en aan den secretaris
bovendien vergoeding voor bureaukosten toegekend.
§ 2. Aan de deskundigen, die den raad hebben voorgelicht,
wordt door den voorzitter vergoeding toegekend volgens de
artt. 61, 03 en GG van het tarief van justitiekosten en salarissen
in burgerlijke zaken, met dien verstande, dat zijne beoordeeling
in de plaats treedt van die van den rechter.
§ 3. De aan de deskundigen toegekende vergoeding en de
kosten van huur, verwarming, verlichting en schoonhouden
van het lokaal, waarin de raad vergadert, en van bediening
komen ten laste van het Kijk.
HOOFDSTUK XI.
Ontheffingen.
63.  § 1. Aan den gebruiker van een perceel, die dit ver-
laat zonder eenige roerende goederen daarin achter te laten
en niet binnen zes weken daarna een ander of hetzelfde per-
ceel in gebruik neemt, wordt op zijne aangifte ontheffing ver-
leend van zijn aanslag naar de eerste drie grondslagen over
de maanden van het jaar, die tijdens het verlaten van het
perceel nog niet zijn ingetreden.
§ 2. Indien een woning, al is zij gedurende het geheele
jaar gemeubeld geweest, niet meer dan tien dagen is bewoond,
wordt aan den belastingplichtige op zijne aangifte teruggaaf
verleend van de belasting naar de eerste drie grondslagen.
Deze bepaling blijft van toepassing wanneer het perceel door
een huisbewaarder is bewoond. De te verleenen teruggaaf
wordt dan echter verminderd met het bedrag der belasting,
waarvoor de belanghebbende ïou zijn aangeslagen in het geval,
vermeld in art. 33, § 3.
§ 3. Aan den belastingplichtige, die één of meer dienst-
boden of paarden, waarvoor hij is of zal worden aangeslagen,
afschaft of niet langer tot belastbare doeleinden bezigt, wordt,
voor zoover hij geen andere daarvoor in de plaats neemt of
tot belastbare doeleinden gebruikt, op zijne aangifte geheele
of gedeeltelijke ontheffing verleend van zijn aanslag naar den
vierden of den vjjfden grondslag over de maanden van het
jaar, die tijdens het indienen der aangifte nogniet zijn ingetreden.
-ocr page 534-
PERSONEELE BELASTING.                                   527
§ 4. De aangiften volgens dit artikel moeten worden inge-
iliend bij den directeur der directe belastingen, invoerrechten
en accijnzen, in wiens directie de aanslag is vastgesteld: de
aangifte volgens § 1 uiterlijk binnen zes weken na het ver-
laten van het perceel, die volgens § 2 uiterlijk binnen zes
weken na afloop van het belastingjaar, die volgens § 3 nadat
de afschaffing heeft plaats gehad of het belastbaar gebruik
is geëindigd.
§ 5. De directeur doet uitspraak na het college van zetters,
dat tot den aanslag heeft medegewerkt, te hebben gehoord en
zendt afschrift daarvan aan hem, die de aangifte heeft gedaan,
aangeteekend per post of tegen gedagteekend ontvangbewijs.
De uitspraak op eene aangifte volgens § 3 kan tot na afloop
van het jaar worden uitgesteld.
64.    Hij, die bezwaar heeft tegen de uitspraak van den
directeur op zijne aangifte, krachtens het vorig artikel inge-
diend, kan binnen dertig dagen, nadat het afschrift hem is
toegezonden, bij Ons in beroep komen.
Als datum van toezending geldt die der aanteekening per
post of die van het ontvangbewijs.
Door Ons wordt beslist, den Raad van State gehoord.
65.  § 1. Aan den gebruiker van een perceel, die dit ver-
laat zonder eenige roerende goederen daarin achter te laten
en binnen zes weken daarna een perceel in gebruik neemt,
waarvan de belastbare huurwaarde lager is dan die van het
verlaten perceel, kan, wanneer het verschil meer bedraagt dan
een vierde van laatstgemelde huurwaarde, op zijn verzoekschrift
geheele of gedeeltelijke ontheffing van zijn aanslag naar de
eerste drie grondslagen worden verleend over de maanden van
het jaar, die tijdens het verlaten van het perceel nog niet zijn
ingetreden.
§ 2. Wanneer afzonderlijke perceelen, als bedoeld in art.
33, § 1, gedurende ééne of meer maanden van het jaar geheel
of ten deele onverhuurd en onbewoond zijn gebleven, kan aan
den hoofdbewoner op zijn verzoekschrift over die maanden
geheele of gedeeltelijke ontheffing worden verleend van den
aanslag naar de éérste drie grondslagen.
§ 3. Aan den belastingschuldige, die door ziekte, gebrek
aan werk, het ontvallen van den kostwinner of ander dergelijke
omstandigheden, tijdelijk buiten staat is geraakt, anders dan
met buitengewoon bezwaar de belasting of de volle belasting
te betalen, kan op zijn verzoek geheele of gedeeltelijke ont-
heffing van zijn aanslag worden verleend over het geheele jaar
of een gedeelte daarvan.
§ 4. De verzoekschriften volgens dit artikel moeten worden
ingediend bij den directeur der directe belastingen, invoer-
-ocr page 535-
528                                   PERSONEBLE BELASTING.
rochten en accijnzen in wiens directie de aanslag is vastgesteld :
die volgens § 1 uiterlijk binnen zes weken na het verlaten
van het perceel, die volgens § 2 uiterlijk binnen zes weken
na afloop van het belastingjaar.
§ 5. De directeur doet uitspraak na het college van zetters,
dat tot den aanslag heeft medegewerkt, te hebben gehoord.
Indien het tot de beoordeeling der zaak noodig is, wint de
directeur ook het advies van andere colleges van zetters in.
Hij zendt afschrift van de uitspraak, aangeteekend per post
of tegen gedagteekend ontvangbewijs, aan hem, die het ver-
zoek heeft gedaan.
66.    Hij, die bezwaar heeft tegen de uitspraak van den
directeur op zijn verzoekschrift, krachtens het vorig artikel
ingediend, kan binnen dertig dagen, nadat het afschrift hem
is toegezonden, in beroep komen bij den Minister van Financiën.
Als datum van toezending geldt die der aanteekening per
post of die van het ontvangbewijs.
67.    Wij behouden Ons voor in bijzondere gevallen vanwege
dwaling of onwillig verzuim kwijtschelding of vermindering
van den aanslag te verleenen.
HOOFDSTUK XII.
DIJZONDERE BEPALINGEN.
68.    Ieder erfgenaam, de executeur-testamentair of de be-
windvoerder over de nalatenschap is bevoegd bezwaarschriften,
aangiften volgens art. 63 en verzoekschriften in te dienen
omtrent den aanslag van een overledene, alsof hij zelf\' de
aangeslagene ware.
69.    De gemeentebesturen zijn gehouden aan de ambtenaren
der directe belastingen op hun verzoek kosteloos inlichtingen
te doen verstrekken uit de bevolkingsregisters en zoo noodig
uit de registers van den burgerlijken stand.
70.  § 1. Voor de opnemingen volgens art. 50 hebben de
daarmede belaste personen toegang tot alle gedeelten van het
perceel en van de ongebouwde aanhoorigheden van het perceel,
waar de opneming moet worden gedaan.
§ 2. Gedurende de eerste twee maanden van het jaar hebben
de ambtenaren der directe belastingen. tot het opnemen der
paarden toegang tot alle stallen.
8 3. Gedurende de maanden Februari, Maart, November
en December hebben de ambtenaren der directe belastingen,
mits voorzien van eene lastgeving van hunnen inspecteur, die
zij desgevorderd moeten vertoonen, tot het opnemen van het
getal haardsteden toegang tot alle gedeelten van elk perceel.
§ 4. Toegang volgens dit artikel kan, behalve op Zondagen
-ocr page 536-
PERSONEELE BELASTING.                                   529
en algemeen erkende Christelijke feestdagen, dagelijks worden
geëischt van voorraiddags acht uur tot zonsondergang.
De gebruikers der perceelen en stallen zijn verplicht, des-
gevraagd, de aanwijzingen te geven, die voor het verrichten
der opneming noodig zijn.
Wordt de toegang belet of geweigerd, dan verschaffen de
volgens dit artikel tot den toegang bevoegde personen zich
dien, desnoods met behulp van den sterken arm, na bekomen
machtiging van het hoofd van het gemeentebestuur of van
den kantonrechter, die daarbij een persoon aanwijst om hen
te vergezellen. Zij maken alsdan van het gebeurde proces-
verbaal op, dat binnen vier en twintig uren aan den gebruiker
van het gebouwd of ongebouwd eigendom in afschrift wordt
beteekend.
71.    De stukken krachtens deze wet op te maken en uit te
vaardigen, quitantiën van betaalde belasting, zoomede de
processtukken, daaronder begrepen vonnissen en afschriften
van vonnissen, betreffende de toepassing van deze wet, zijn
vrij van zegel en worden, voor zoover aan de formaliteit van
registratie onderworpen, kosteloos geregistreerd.
HOOFDSTUK XIII.
BEPALINGEN VAN STRAMtECHTELIJKEN AARD.
72.  § 1. Hij, die volgens artt. 41 tot en met 47 tot aan-
gifte gehouden zijne verplichting niet of niet volledig nakomt
of eene onjuiste opgaaf doet, wordt gestraft met eene geldboete
van ten hoogste honderd gulden.
Indien het verschil tnsschen de belasting, volgens eene
onvolledige of onjuiste aangifte en volgens den werkelijken
toestand in hoofdsom en opcenten over het geheele jaar bere-
kend, meer dan twintig gulden bedraagt, wordt het maximum
der geldboete verhoogd tot vijfmaal dat verschil.
Bedraagt de belasting die volgens eene aangifte, bedoeld in
art. 45 of art. 46 zou moeten worden betaald, in hoofdsom en
opcenten over het geheele jaar berekend, meer dan twintig
gulden, dan wordt voor het verzuim der aangifte voormeld
maximum verhoogd tot vijfmaal het aldus berekend bedrag.
§ 2. Met eene geldboete van ten hoogste vijf en twintig
gulden wordt gestraft het weigeren of beletten van toe-
gang aan personen, die volgens art. 70 tot dien toegang
bevoegd zijn.
Gelijke straf wordt opgevolgd wegens overtreding van § 4,
tweede lid van gemold artikel.
73.    De feiten, strafbaar volgens deze wet, worden beschouwd
als overtredingen.
34
-ocr page 537-
530                                PERSONEELE BELASTING.
74.    Met het opsporen van overtredingen dezer wet zijn,
behalve de in art. 8 nos. 1°. tot en met 4°. en 6°., van het
Wetboek van Strafvorderingen aangewezen personen, belast
de ambtenaren der directe belastingen.
Zij maken van hunne bevinding proces-verbaal op, dat den
bekeurde wordt beteekend op de wijze voorgeschreven bij
art. 144 van het Wetboek van Strafvordering.
75.    De feiten, strafbaar volgens de bepalingen dezer wet,
worden vanwege den Minister van Financiën vervolgd op
de wijze bedoeld bij art. 141, 2°., van het Wetboek van Straf-
vordering.
76.    Wanneer is aan te nemen, dat bij den bekeurde geen
opzet tot ontduiking van belasting heeft bestaan, kan hij,
mits vóór de dagvaarding, door of vanwege den Minister van
Financiën tot transactie worden toegelaten.
77.    Wanneer eene bekeuring wegens overtredingen van
art. 72, § 1, bij transactie is afgedaan, wanneer eene veroor-
deeling te dier zake onherroepelijk is geworden of daaraan
door den veroordeelde vrijwillig is voldaan of wanneer het
recht tot strafvordering krachtens art. 74 van het Wetboek
van Strafrecht is vervallen, wordt de belasting, waardoor de
bekeurde of veroordeelde alsnog moet worden aangeslagen,
voor zooveel betreft den vierden of vijfden grondslag, berekend
over het geheele jaar.
HOOFDSTUK XIV.
OVERGANGS" EN SLOTBEPALINGEN.
78.    Art. 8, vierde lid, der wet van 22 Mei 1845 (Stbl.
no. 22), gewijzigd door die van 15 Juli 1869 (Stbl. no. 133)
en 2 October 1893 (SM. no. 149), wordt vervangen door:
„De aanslagen naar tijdsgelang zijn invorderbaar in zooveel
gelijke termijnen, als er, na de maand, waarin het kohier is
afgekondigd, nog maanden van het belastingjaar overblijven.
Op den laatsten dag van elke dier maanden vervalt een termijn.
Is het kohier later dan in de voorlaatste maand van het
belastingjaar afgekondigd, dan is de aanslag dadelijk in zijn
geheel invorderbaar."
Art. 9, 2°., dier wet wordt vervangen door:
„2". voor zooveel de personeele belasting betreft, wanneer
blijkt, dat de belastingschuldige het Rijk met der woon wil
verlaten met wegvoering der meubelen."
79.    Deze wet treedt in werking op een door de wet nader
te bepalen dag. \')
\') In werking getreden op 1 Januari 1897.
-ocr page 538-
TABEL
VAN VERDEELING DER GEMEENTEN IN KLASSEN,
BEDOELD IN ART. 5 DER WET.
Provincie NOORDBRABANT.
4de KLASSE: \'s Hertogenbosch.
6de KLASSE!: Bergen op Zoom (stad), Breda, Helmond (kom en onmid-
dellijke omgeving),
Tilburg (behalve Berk-dijk en \'t Laar, Heit en lïeitsche hoeve,
Hasselt, Stokhasselt, Heikant, Grneseind en Kanwbrake),
Waalwijk.
7de KLASSE: Besoijen, Boxmeer, Boxtel, Cuyck en St. Agatha (dorp),
Eindhoven, Geertruidenberg (kom), Ginneken en Bavel (kom Ginneken), Grave,
\'s Hertogenbosch (Orthen), Heusden, Mierlo (V Hout), Oosterhout (kom), Oss,
Oudenbosch (kom), Princenhage (Vniteiihuis en buiten Waterpoort), Ravenstein,
Roosendaal en Nispen (kom van Roosendaal!, Rosmalen (Hintham), Teteringen,
{Terheidensvhe boek. Zandberg en Teteringsrhe dijk), Tilburg (overig deel), Vught,
de Werken en Sleeuwyk (kom), Werkendam (kom), Woudriehem (kom).
8ste KLASSE: Almkerk, Baardwyk, Boers, Berghem, Bergen op Zoom
(overig deel), Berlicum, Beugen en Rijkevoort, Cromvoirt, Dinteloord en Prins-
land, Dongen (kom), Drongelen Hangoort, Gansoijen en Doeveren, Drunen,
den Dungen, Dussen Munster en Muilkerk, Engelen, Esch, Etten en Leur
(kom Etten en kom Leur), Fijnaart en Heiningen, Geldrop, Gemert (kom),
Gestel en Blaarthem (het deel grenzende aan Eindhoven), Goirle (kom), Halsteren,
Haps, Helmond (overig deel), Helvoirt, Herpt, Hooge- en Lage-Zwaluwe,
Klundert, Linden, Lith, Loon op Zand, Maashees en Overloon, Meeuwen Hill
en Babyloniënbroek, St. Michielsgestel, Mill en St. Hubert, Nieuwkuik,
Nieuw Vossemeer, OefFelt, Oirschot (kom), Oisterwyk (kom), Ossendrecht,
Oudenbosch (overig deel), Princenhage (overig deel), Roosendaal en Nispen
(overig deel). Sprang, Standdaarbuiten, Steenbergen en Kruisland, Stratum
(het deel grenzende aan Eindhoven), Stryp (het deel grenzende aan Eindhoven),
Terheyden, Tongelre (het deel grenzende aan Eindhoven), Valkenswaard, Veghel
(kom) en Middegaal, Vierlingsbeek, Vlijmen, Wanroy, Willemstad, Woensdrecht,
Woensel (bet deel grenzende aan\'Eindhoven), Wouw, Zevenbergen, Zundert (A-om).
9de KLASSE: Aalst, Aarle-Rixtel, Alem Maren en Kessel, Alphen *»n
Biel, Andel (Op- en Neer-), Asten, Baarle-Nassau, Bakel en Milheeze, Beek
en Donk. Bergeik, Berkel, Best, Bladel en Netersel, Boekei, Bokhoven, Borkel
en Schaft, Budel, Cappelle, Chaam, Cuyk en St. Agatha (overig deel), Deurne
en Liesel, Deursen en Dennenburg, Dieden Demen en Langel, Diessen, Din-
ther, Dommelen, Dongen (overig deel), Duizel en Steensel, Eersel, Empel en
Meerwijk, Erp, Escharen, Etten en Leur (overig deel), Gassel, Geertruidenberg
(overig deel), Geffen, Gemert (overig deel), Gestel en Blaarthem (overig deel)
Giessen, Gilze en Reyen, Ginneken en Bavel (overig deel), Goirle (overig deel),
\'s Gravenmoer, Haaren, Hedikhuizen, Heesbeen Eethen en Genderen, Heesch,
Heeswijk, Heeze, Herpen, Hilvarenbeek, Hoeven, Hoogeloon Haperten Casteren,
Hooge- en Lage Mierde, Huibergen, Huisseling en Neerloon, Leende, Liempde,
-ocr page 539-
532
PERSONEELE BELASTING.
hierop, Lieshout, Lithoyen, Luyksgestel, Muarheeze, Made en Drimmelen,
Megen Haren en Maeharen, Mierlo {overig deel). Moergestel, Nistelrode, Nuland,
Nunen Gerwen en Nederwetten, St. Oedenrode, Oerle, Oijon en Teeftelen,
Oirschot {overig deel), Oisterwijk {overig deel), Oost-, West- en Middelbeers,
Oos torhout (overig deel), Oploo St. Anthonis en Ledeooker, (>ud- en Nieuw-
Gastel, Oudheusden, Putte, Raamsdonk, Heek, Rcusel, Riethoven. Rosmalen
{overig deel), Ruephen en Varenseinde, Rijsbergen, Rijswijk, Sambeek, Sehayk,
Schijndel, Soerendonk, Sterksel onGassel, Someren, Son en Bieugel, Stiphout,
Stratum {overig deel). Strijp {overig deel), Teteringen (dorp), Tongelrc {overig
(hel),
Uden, Udenhout, Veen, Veghel {overig deel), Veldhoven en Mereveldhoven,
Velp, Vessein, Wint eire en Knegsel, Vlierden, Vrijhoevc (\'appelle. Waalre,
Waspik, de Werken en Sleeuwijk {overig deel), Werkendam {overig deel),
Westerhoven, Woensel {overig deel), Woudrichcm {overig deel), Wijk en Aalburg,
Zeeland, Zeclst, Zesgehuchten, Zondert {overig deel).
Provincie GELDERLAND.
3de KLASSE: Arnhem.
4de KLASSE: Arnhem (bui ten ir ijken),
5de KLASSE; Nijmegen (stad).
6de KLASSE: Culemborg, Nnmegen (Hatert en Hees rondom Nijmegen),
Renkum {Oosterbeek), Rheden {Velu), Tiel, Ubbergen {Beek), Wageningen (stad),
Zutphen.
7de KLASSE : Apeldoorn (kom van de hoof da f deel ing Apeldoorn), Bram-
men (kom), Buurmulscn {dorpen linurmalsen en Trieht), Doesburg, Doetinchem
(stad), Ede (kom), Gelderinalsen {kom), Elarderwyk (stad), Herwen en Aerdt
(Totkamer), Nijmegen (overig deel), Renkum (dorp), Rheden (Stee;/, Dieren en
EUékom),
Vuren en Dalem (Dalem), Zaltbommel, Zevenaar (stad).
8ste KLASSE : Ammerzoden, Arnhem. (ScJtaarsltergen), Barneveld (kom),
Beesd, Bommel, Beuningcn, Beusiehem, Brakel, Brammen (overig deel). Buren,
Buurmulscn (overig deel), Deil, Dtdum (kom), Dode waard. Dooi* werd t, Driel.
(kom Kerk-Driel), Draten (kom), Duiven, Echtold, Ede (Bennekom, Veenendaal
en Lnnteren),
Elburg. Eist, Ermelo (dorpen Ermelo • en Nttntpeet), Ewyk, Gel-
dermalsen (overig deel), Gent, Grocsbeek (A-om), Huttem {stad), Hedel, Hemmen,
Herwen en Aerdt {Lobith), Heteren, Hnissen, Hummelo {de dorpen Hummelo
en Lnag-Keppel),
Hurwenen, IJzendoorn, K es teren, Liendcn, Loehem (kom),
Maurik, Millingen (kom), Nijkerk, Punnerden, Renkum (overig deel), Rheden
(Spankeren), Rossum, Rozendaal, Valburg, Voorst, Vorden (kom), Vuren en
Dalem (Vitreu), Wadonoijen, Wageningen {overig deel), Wumel (kom), Wariis-
veld (kom), Westervoort (kom), Wijehen (kom), Winterswijk (dorp), Wisch
(Terhorg), Zoelen.
9de KLASSE : Aalten, Angerlo, Apeldoorn (overig deel). Appeltern, Balgoy,
Barneveld (overig deel), Batenburg, Bergh, Bergharen, Boreulo, Didam (overig
deel),
Dinxperlo, Doetinchem (stad) (Scltependom), Doetinchen (Ambt), Doorn-
spyk, Dreumcl, Driel (overig deel), Draten (overig deel), Ede (overig deel),
Eibergen, Epe, Ermelo (overig deel), Est en Opfjnen, Gameren, Gendringen,
Gorsself Groenlo, Groesbeek (overig deel), Haatten, Harderwijk [overig deel),
Huttem [overig ileel). Hoerde, Heerewaarden, Hengelo, Herwen en Aerdt (overig
tleel),
Horwijnen, Heumen, Hoevelaken, Horssen, Hummelo {overig deel), Kerk-
wijk. Laren, Liehtenvoorde, Lorhem (overig deel), Millingen (overig deel), Ne-
derhemert, Neede, Oldebroek, Ophemert, Overasselt, Poederoijen, Putten,
Rheden, (Laag-Soeren), Riuirlo, Srherpenzeel, Kteenderen, Ubbergen (overig
deel),
Varik, Vorden {overig deel), Waardenburg, Wamel (overig deel), Warns-
veld (overig deel), Wehl, Westervoort (overig deel), Wyehen (overig deel), Win-
terswQk (overig deel), Wlsch (overig deel), Zelbem, Zevenaar (overig deel),
Zaüichem.
-ocr page 540-
533
PERSONEELE BELASTING.
Provincie ZUIDHOLLAND.
lste KLASSE: Rotterdam {behalve Kralingsche Veer en Charlois).
2de KLASSE : \'s Gravenhage.
3de KIjASSE : HÜlegersberg (Zwaanshals), Rotterdam (Kralingsche Veer
en Charlois).
4de KLASSE : Delft, Dordrecht, Gouda, Hof van Delft (stadsgedeelte).
Leiden, Leiderdorp [stadsgedeelte), Oegstgeest {stadsgedeelte), Schiedam, Yrijen-
ban (stadsgedeelte). Zoeterwoude {stadsgedeelte).
5de KLASSE: Capelle aan den IJssel, Gorinchem, Loosduinen, Maas-
sluis, Rijswijk, Vlaardingcn, Voorburg.
6de KLASSE: \'s Gravenzande, Hellevoetsluis, HÜlegersberg (overig deel),
IJsselmonde, Krimpen a/d IJssel, Nieuwcrkerk a\'d IJssel, Oversehie. Ridder-
kerk. Schoonhoven, Vlaardinger Ambacht, Zwijndrecht (kom en Meerder voort).
7de KLASSE: Aarlauderveen, Alblasserdam, Alkemade, Alphen, Ammer-
stoi, Arkel, Beijerland (Oud), Bergschenhoek, Bodegraven, Boskoop, Brielle,
Dubbeldam, Gouderak, Haastrecht, Hardinxveld, Hazerswoude, Heivoet
(Nieuw), HÜlegersberg (Ter Bretjge), Hillegom, Hof van Delft (overig deel),
Hoogblokland, Katwyk, Kethel, Koudekerk. Krimpen a. d. Lek, Leiderdorp
(overig deel), Leerdam, Lekkerkerk, Lekkerhmd (Nieuw), Lier (de), Lisse,
Maasland, Middelharnis (kom), Monstei\', Moordrecht, Naaldwijk, Noordwijk,
Noordwijkerhout, Üegstgeest (overig deel), Oudekcrk a/d IJssel. Oudewater,
Oudshoorn, Papendreeht, Pernis, Rynsbnrg, Rozenburg, Sassenheim, Schie-
brock, Schipluiden, Sliedrecht, Sonimelsdijk (kom), Stompwyk (ZMdsehendam),
Valkenburg, Veur, Voorhout, Voorschuten, Vrijenban (overig deel). Warmond,
Wassenaar, Wateringen, Woerden, Zoeterwoude (overig deel), Zwammerdam,
Zwyndreeht (overig deel).
8ste KLASSE: Aar (Ter», Abbenbroek, Alblas (Oud), Ameide, Asperen,
Barendrecht, Barwoutswaarder, Beüerland (Nieuw), Beyerland (Zuid), Bont-
huizen, Bergambacht, Berkel en Rodenrijs, Berkenwoude. Bleiswük, Bleskens~
graaf, Bommel (den), Brandwy\'k, Dirksland, Everdingen. Geervliet, Giessendain,
Giessen-Nieuwkerk, Guedereede, Goudriaan, Goudswaard, \'s Gravendeel,
Groot-Ammers, Hagestein, Heenvllet, Heerjansdam, Hei- en Booicop, Hcinen-
oord, Hekelingen, Hekendorp. Hendrik-Idu-Ambaeht, Herkinyen, Heukelom,
Hoogvliet. Hoornaar, Kedichem, Klaaswaal, Langerak, Lange Ruige Weide,
Leerbroek. Leimuiden, Lexmond, Maasdam, Meerkerk, Melissant, Middelharnis
{overig deel), Mijnsheerenland, Moercapelle, Molenaarsgraaf, Nieuwenhoorn,
Nieuwkoop. Nieuwland, Nieuwpoort, Nieuwveon, Noordeloos, Nootdorp, Nu-
mansdorp, Ooltgensplaat, Oostvoorne, Ottoland, Ouddorp, Oudenhoorn, Papekop,
Peursum, Piersliil, Pijnacker, Puortugaal. Puttershoek, Reeuwyk, Rhoon,
Rietveld. Rijnsaterwoude, Rockunje, Schelluinen, Schoonrowoerd, Sommelsdijk
[overig deel), Spijkenisse. Stad aan \'t Haringvliet, Stellendam, Stolwyk, Stomp-
wyk (overig deel), Streefkerk, Strücn, Tienhoven. ïonge (Nieuwe), Tonge
(Oude), Vianen, Vierpolders, Vlist, Waarder, Waddinxveen, Westmaas, Wijn-
gaarden, Woubrugge, Zegwaard, Zevenhoven, Zevenhuizen, Zoctermeer, Zuid-
land, Zwartewaal.
Provincie NOORDHOLLAND,
lste KLASSE
: Amsterdam, Nieuwer-Amstel {stadsgedeelte).
3de KLASSE: Haarlem, Haarlemmerliede en Spaarnwoude(*Wtf onmid-
dellijki\' omgeving van
Haarlem), Heemstede (Meester Loltelaan), Nieuwer-Amstel
i U\'ijk H), \' Ouder-Amstel (Omvat), Sloten (Sloterdijk, Baarsjes en IJi>older)
Watergraafsmeer.
4de KLASSE i Weesp.
-ocr page 541-
534                                    PERSONEELE BELASTING.
5de KL1A.SSE: Alkmaar, Velzen (TJmniden), Zaandam.
6de KLASSE: Beverwijk, Bloemendaal, (Bloemendaal en Overveen), Bus-
sum, Diemen, Haarlemmerliede en Spaarnwoude (Halfweg), Helder (Helder
en Nleuwediep), Hilversum, Hoorn, Koog a/d Zaan, Muiden, Purmerend,
Sloten {Sloten en Ondorp), Velzen (Jan Gijnen vaart), Wormerveer, Zaandijk.
7de KLASSE!: Aalsmeer, Beemster, Bennebroek, Bloemendaal (Vogelen-
zang).
Broek op Langendyk, Buiksloot, Edam, Enkhuizen, Haarlemmerliede
en Spaarnwoude [overig deel), Haarlemmermeer, Heemstede {overig deel).
Huizen. Ilpendam, Krommenie, Landsmeer, Medemblik, Monnikendam, Naar-
den, Nieuwendam, Nieuwer-Amstel (overig deel), Noord Scharwoude, Oost-
huizen, Oostzaan, Oudkarspel, Ouder-Amstel (overig deel), Ransdorp, Schoten,
Spaarndum, Uitgeest, Uithoorn, Velsen (overigdeel), Weesperkarspel, Westzaan,
Wydewormer, Wijk aan Zoo en Duin, Wormer, Zandvoort, Zuid Scharwoude.
8ste KLASSE: Abbekcrk, Akersloot, Andijk, Ankeveen, Anna Paulowna,
Assendelft, Avenhorn, Bursingerhorn, Beets, Berden, Berkhout, Blaricum,
Blokker, Bovenkarspel, Broek in Waterland, Callantsoog, Castricum, Egmond
aan Zee, Egmond binnen, Graft, \'s Graveland, Grootebroek, Harenkarspel,
Heemskerk, Heer Hugowaard, Heiloo, Helder {overig deel), Hensbroek, Hoog-
karspel, Hoogwoud, Jisp, Katwoude, Koedyk, Kortenhoef, Kwadijk, Laren,
Limmen, St. Maarten, Marken. Middelie, Midwoud, Nederhorst den Berg,
Nibbixwoud. Nieuwe Niedorj), Obdam, Opmeer, Opperdoes, Oterleek, Ouden-
dyk, Oude-Niedorp, Oudorp, St. Pancras, Petten, Ryp, Schagen, Scbellinkhout,
Schermerhorn, Schoort, Spanbroek, Sjjbecarspel, Terschelling, Texel, Twisk,
Urk, Uraem, Venhuizen, Vlieland, Warder, Warmenhuizen, Wervershoof,
Westwoud, Wieringon, Wieringorwaard, Wydenes. Winkel, Wognum, Zype,
Zuid- en N o ord-Schermer, Zwaag.
Provincie ZEELAND.
4de KLASSE : Vlissingen.
5de KLASSE: Middelburg.
6de KLASSE: Koudekerke (V Zandt), Oost- en West-Sonburg.
7de KLASSE: Goes, Yerseke, St. Laurens (Brigdamtne), Neuzen (kom)
Zieribzee.
8ste KLASSE: Aagtekerke, St. Annaland, Arnemniden, Axel (kom).
Baarland, Biggekerke, Borssele, Brouwershaven, Bruinissc, Burgh. Colynsplaat,
Domburg, Dreischor, Driewegen, Duivendijkc, Elkerzee, Ellemeet, Ellewouts-
dijk, \'s Gravenpolder, Grypskerke, Haamstede, \'s Heer Abtskerke, \'s Heer
Arendskerke, \'s Heen-nhoek, Heinkenszand, Hoedekenskerke, Hulst, Kapelle,
Kats, Kattendyke, Kerkwerve, Kloetinge, Kortgene, Koudekerke (overig deel,)
Krabbendijke, Kruiningen, St. Laurens (dor/)), St. Maartensdijk. Meliskerke,
Nieuwerkerk, Nieuw- en St. Juosland, Nisse, Noordgauwc, Noordwelle, Ooster-
land, Oostkapclle, Oudelande, Oud-Vossemcer, Ouwerkerk, Ovezande, St.
Philipsland, Poortvliet, Renesse, Rilland-Bath, Ritthem. Sas van Gent, Scher-
ponisse, Schore, Serooskerke (Schouwen), Serooskerke(Walcheren), Stavenisse,
Tholen, Veere, Vrouwenpolder, Waarde, Wemeldinge, Westkapelle, Wissokerke,
Wolphaartsdyk, Zonnemairo, Zoutelande.
9de KLASSE: Aardenburg, Axel, (overig deel), Biervliet, Boschkapelic,
Breskens, Cadzand, Clinge, Eede, Graauw, Groedc, Hengstdyk, Hoek, Honte-
nisse, Hoofdplaat, IJzendyke, St. Janssteen. Koewacht, St. Kruis, Neuzen
(overig deel), Nteuwvliet, Oostburg, Ossenisse, Overslag, Philippine. Retran-
chement, Schoondyke, Sluis, StoppeldyMt, Waterlandkerkje, Westdorpe, Zaam-
slag, Zuiddorpe, Zuidzande,
-ocr page 542-
PERSONEELE BELASTING.                                    535
Provincie UTRECHT.
3de KLASSE:
Utrecht.
1de KLASSE: do Bildt (Vossegut), Jutphaas, {tusaehen Merwedekanaal
en Vaartsehen R\\jn.)
5de KLASSE: Amersfoort (stad).
6de KLASSE : Baarn, {kom), de Bildt (kom), Soest (Soestdijk, Langeind
Middel wijk en de Kerkeburen),
Zeist (kom).
7de KLASSE: Abcoude Raainbrugge, Abcoude Proostdij, Breukelen-
Neijenrode, Breukelen St. Pieters (Vechtzijde), Driebergen, Harmeien, Jutphaas,
(overig deel), Loenen, Maarssen, Maarsseveen (Nieuw), Nigtevecht, Oudenryn
(de Meern), Rhenen, (stad), Rysenburg, Veenendaal (dorp), Veldhuizen (de
Meern),
Vleuten (de Meern), Vreeland, Vreeswijk, Wijk by\' Duurstede, Willige
Langerak, (nabij Schoonhoven).
8ste KLASSE: Achttienhoven, Amerongcn, Amersfoort, (overig deel),
Baarn, (overig deel), Benschop, Breukelen, St. Pieters (Breukélerveen), Bunnik,
Bunschoten, Cothen, Doorn, Eemnes. Haarzuilens, Hoenkoop, Hoogland,
Houten, IJsselstein, Jaarsveld, Kamerik, Kockengeu, Laag Nieuwkoop, Lang-
broek, Leersum, Leusden, Linschoten, Loenersloot, Loosdrecht, Lopik, Maarn,
Maarsseveen (Oud), Maartcnsdyk, Mijdrecht, Montfoort, Odyk, Oudenrijn
(overig deel). Polsbroek, Renswoude, Rhenen (overig deel), Ruwiel, Sehalkwyk,
Snolrewaard, Stoutenburg, Tienhoven, Tuil en \'t Waal, Veenendaal (overig
deel),
Veldhuizen (overig deel), Vinkeveen, Vleuten (overig deel), Werkhoven,
Westbroek, Willeskop, Willige Langerak (overig deel), Wilnis, Woudenberg,
Zegveld, Zuilen.
9de KLASSE: de Bildt, (overig deel), Soest, (overig deel), Zeist (overig
deel).
Provincie FRIESLAND.
5de KLASSE: Leeuwarden.
6de KLASSE: Bolsward, Franeker, (behalve Vijf- en Zevenhuizen en
Uitburen,
Harlingen, Leeuwarderadeel (Hnizum, Schrans en verlengde Schrans),
Sneek .
7de KLASSE: Aengwirden (Heerenveen), \'t Bildt, Haskerland (Xijehaske
tot en mei de Schans en de Joure)
Lemsterland (de Lemmer), Schoterland
(tleerenveen), Ultingeradeel (Akkrutn.)
8ste KLASSE: Achtkarspclen, Aengwierden (overig deel), Baarderadeol,
Barradeel, Dantumadeel, Dokkum, Doniawerstal, Ferwerderadeel, Franeker
(Vijf- en Zevenhuizen en Uitburen) Franekeradeel, Gaasteriand, Haskerland
(overig deel), Hemelumer Oldephaert, Hennaarderadeel, Hindeloopen, Idaar-
dcradeel. IJlst, Kollumerland, Leeuwarderadeel (overig deel), Lemsterland
(overig deel,) Menaldumadeel, Oostdongeradeel, Opsterland, Rauwerderhem,
Schoterland (overig deel) Sloten, Smallingerland, Stavoren, Tietjerksteradeel,
ütingeradeel (overig deel), Westdongeradeel, Weststellingwerf (Wolvega), Wym-
britseradeel, Wonseradeel, Workum.
9de KLASSE: Ameland, Ooststellingwerf, Schiermonnikoog, Weststcl-
Üngwerf (overig deel).
Provincie OVERIJSSEL.
4de KLASSE:
Zwolle.
5de KLASSE: Deventer, Enschedé, Kampen (stad).
-ocr page 543-
530
PERSONEELE BELASTING.
6de KLASSE: Hengelo (Kom en naaste omgeving).
7de KLASSE: Almeloo (Ambt) (bij de stad), Almeloo (Stad), Borne (kom
en naaste omgeving),
IJsselmuiden (kom), Lonneker (bij Enschedé alsmede
Glanerbrugge), Losser (nabij Oldenzaal), Oldenzaal, Steenwyk.
8ste KLASSE: Avereest, Blokzijl, Dalfsen, Delden (Stad), Diepenveen,
Genemuiden. Goor, Grafhorst, Hasselt, IJsselmuiden (overig deel), Kampen
(overig deel), Kamperveen, Markelo (karspel Goor), Oldemark. Olst, Kaalte,
Ryssen, Steenwykerwold, Vollenhove (Stad), Vollenhove (Ambt), Wyhe (behalve
Marie), Wilsum, Zalk en Veecatc, Zwartsluis, Zwollcrkerspel.
9de KLASSE: Almelo (Ambt) (overig deel), Bathmen, Blankenham, Borne
(overig deel). Delden (Ambt), Denekamp, Diepenheim, Giethoorn, Gramsbergen,
Haaksbergen, Ham (den), Hardenberg (Ambt) Hardenberg (Stad), Heino, Hellen-
doorn, Hengelo {overig deel). Holten, Kuinre, Lonneker (overig deel), Losser
(overig deel), Markelo (overig deel), Nieuwleuzen, Ommen (Ambt). Ommen (Stad),
Ootmarsum, Staphorst, Tubbergen, Vriezenveen, Wanneperveen, Weerselo,
Wierden, Wijhe (Marie).
Provincie GRONINGEN.
3de KLASSE: Groningen.
4de KLASSE: Haren (Helpman).
7de KLASSE: Appingedam (Appingedam, het Bolwerk en Soluterk), Delf-
zijl (Delfzijl en Farmsmn), Haren (dorp), Hoogezand, Niéuwe-Schans, Onstwedde
(.stadskanaal), Oude-Pekeïa, Sappeineer, Slochteren, (Foxham), Veendam, W11-
dervank, Winschoten, Zuidbroek.
8ste KLASSE: Adorp, Aduard, Appingedam (Opwierda, Marssum, 3uk-
werd en Tjamsweer),
Barlo, Bcdum, Beerta, Bellingwolde, Bierum, Delfzijl
(Weiwerd, Jïeveskes, Oterditm, Meedhnizen en JJitwierda), Eenruin, Ezinge
Èinsterwolde, Grijpskerk, Grootegast, Haren (overig deel), Hoogkerk, Kantens,
Kloosterburen, Leek, Leens, Loppersum, Marum, Meeden, Middelstum, Mild-
wolda, Muntendam, Nieuwe-Pekela, Nieuwolda, Noordbroek, Noorddyk, 01de-
hove, Oldekerk, Onstwedde (overig deel), Scheemda, Slochteren (overig deel),
Stedum, Ter Boer, Termunten, Uithuizen, Uithuizermeeden, Ulrum. Us<j,uert,
Vlagwedde, Warffum, W\'edde, Winsum, \'t Zandt, Zuidhorn.
Provincie DRENTHE.
7de KLASSE: Assen, Borger (Niettw-Bttinen), Meppel.
8ste KLASSE: Anlo (Annerveen, Spijkerboor, Eexterveen, Annerveens~
Kanaal en Kexterveensch-Kanaal),
Borger (veengedeelte), Coevorden (kom), Emmen
(Nieutv-Amsterdam), Gasselte (Gasselterboerveen, Gasseller-boerveenschemond,
Husselt er nijveen en Gasselternijveenschemond),
Gieten (Gieterveen Bonnerveen en
Bareveld),
Hoogeveen (kom), Nyeveen, Odoorn (veengedeelte), Roden (Nietap),
Ruinerwold, de Wyk.
9de KLASSE: Anlo (overig deel), Beilen, Borger (overig deel), Coevorden
(overig deel), Dalen, Diever, Dwingelo, Kolden, Emmen (overig deel) Gasselte
(overig deel). Gieten (overig deel), Havelte, Hoogeveen (overig deel), Norg, Odoorn
(overig deel), Oosterhesselen, Peize, Roden (overig deel), Rolde, Ruinen. Sehoono-
beek, Sleen, Smilde, Vledder, Vries, Westerbork, Zuidlaren, Zuidwolde, Zweelo.
Provincie LIMBURG.
6de KLASSE: Heer (bij Maastricht), Maastricht, Meerssen (Sectie C)
Roermond (kom), Venlo (Stad met het stadsgedeelte van den Bantuin).
-ocr page 544-
i
PEK80NEELE BELASTING.                                    537
7de KLASSE; Amby, Berg en Terbiyt (rienkert). Gennep, Grondsveld
(llengem), Heer (overig deel), Heerlen {kom), Kerkradc (Kerkrade en Hols),
Maasbree (A-om van Blerick), Meerssen (Sectiën B en D), Oud-Vroenhoven,
St. Pi eter, Vaals (kom), Valkenburg.
8ste KLASSE: Beek (dorp), Bemelen, Berg en Terblijt (overig deel), Bergen,
Booholtz, Borgharen, Bunde, Echt (kom), Eygelshoven, Eisden, St. Geertruid,
Gnmsveld (overig deel), Gulpen (kom), Heerlen (overig deel), Hom, Horst (kom),
Houthein, Hulsberg, Itteren, Kerkrade (overig deel), Klimmen, Maasniel, Meerssen
(Sectie A), Meson, Mheer, Mook, Nieuwenhagen. Ottersum, Oud Valkenburg,
JJyekhoit, Boermond (overig deel), Sehaesberg, Schin op Geullo, Siinpelveld,
Sittard (kom), Swalmen (kom), Tegelen, Ubach over Worms, Vaals (orerig deel},
Venlo (overig deel), Venray (dorp), Voerendaal, Weert (kom), Wijlre, Wittem.
9de KLASSE: Amstenrade. Arcen en Velden, Baexem. Beegden, Beek
{overig deel), Beesel, Beli\'eld, Bingelrade, Born, Broekhuizen, Broek Sittard,
Brunssum, Buggenum. Cadier en Keer, Echt (overig deel), Elsloo. Geleen,
Geulle, Grathem, Grevenbicht, Grubbenvorst, Gulpen (overig deel), Haelen,
Heel en Panheel, Heijthuizen, Helden, Herten, Hoensbroek, Horst (overig deel)
Hunsel, Ittervoort, Jabeek, Kessel, Ltmbricht, Linne, Maasbracht, Maasbree
(overig deel), Margraten, Meerlo, Mcijcl, Melick en Herkenbuseh, Merkelbeek,
Montt\'ort, Munstergeleen, Nederweert, Neer, Neeritter, Niemvstadt, Noorbeek,
Nunhem, Nuth, Obbicht e» Piipenhoven, Ht. Odiliënberg, Ohé en Laak, Oirsbeek,
Posterholt, Itoggel, Roosteren, Schimmert, Sebinnen, Schinveld, Se ventim,
Sittard (overig deel), Slenaken, Spaubeek, Stein, Stevensweert, Stramproy
Susteren, Swalmen {overig deel), Thorn, Ulestraten, Urinond, Venray (overig
deel),
Vlodrop, Wanssum, Weert (overig deel), Wessem, Wynundsrade.
-ocr page 545-
WET
van den 27sten September 1892 (Stbl. no. 223),
TOT HEFFING EENER BELASTING OP DE INKOM-
STEN UIT VERMOGEN.
ALGEMEENE BEPALINGEN.
Artikel 1.
Onder den naam van „vermogensbelasting" wordt eene
directe belasting geheven van ieder, die binnen het Rijk woont,
of die zich in den loop van het jaar binnen het Rijk metter-
woon vestigt.
Of en waar iemand binnen het Rijk woont wordt naar de
omstandigheden beoordeeld.
2.    Ieder is belastingplichtig naar de waarde van zijn ver-
mogen, opgevat en berekend naar de bepalingen dezer wet.
Tot grondslag der berekening van het vermogen wordt
genomen de toestand bij den aanvang van het belastingjaar
of, voor hen, die zich eerst in den loop van het jaar binnen
het Rijk metterwoon gevestigd hebben, het tijdstip van ves-
Hij, die zich eerst in den loop van het belastingjaar binnen
het Rijk vestigt, is belastingplichtig voor zooveel twaalfde
gedeelten van het belastingjaar als het aantal geheele maan-
den beloopt, die tijdens zijne vestiging nog niet zijn inge-
treden.
3.    Onroerend goed wordt geacht vermogen te zijn van hem,
die daarop recht van opstal of erfpacht uitoefent of het in
dusgenaamde vaste huur of pacht bezit.
Wegens ander vruchtgenot van vermogen is hij, die het
vruchtgenot heeft, belastingplichtig, als ware hij voor vier
vijfde gedeelten de eigenaar van dat vermogen.
Voorts wordt als vermogen beschouwd een bij deze wet
vast te stellen veelvoud van het bedrag of de geldawaarde der
jaarlijksche ontvangsten ter zake van in opstal, erfpacht en
dusgenaamde vaste huur of pacht uitgegeven goederen; ter
-ocr page 546-
VERMOGENSBELASTING.                                     539
zake van tiend, grondrente of andere op onroerende goederen
gevestigde schuldplichtigheid; en ter zake van gevestigde of
ültijddurende renten en uitkeeringen van polderkassen.
4. Het vermogen der vrouw wordt, behoudens de uitzon-
deringen, in de voorlaatste zinsnede van dit artikel omschre-
ven, geacht een geheel uit te maken met dat van den man.
Do man is, behoudens verhaal, naar de waarde van dat
geheele vermogen belastingschuldig.
In de gevallen van scheiding van tafel en bed, van schei-
ding van goederen, en in het geval dat de vrouw krachtens
art. 195 Burgerlijk Wetboek zich het beheer van hare roe-
rende en onroerende goederen en het vrije genot van hare
inkomsten bedongen heeft, is de vrouw naar de waarde van
haar eigen vermogen zelve belastingplichtig.
Niettemin wordt in de twee laatste gevallen bij de bereke-
ning van de verschuldigde belasting geene splitsing van de
vermogens van man en vrouw toegelaten, maar de uitkopist
der berekening wordt dan in evenredigheid tot het batig
bedrag van ieders vermogen over beide omgeslagen.
5.    Het belastingjaar begint den lsten Mei en eindigt den
30sten April.
6.    Onder vermogen wordt niet begrepen:
«. meubelen, kleederen, levensmiddelen, voorwerpen van
kunst of wetenschap, goud- en zilverwerk, paarlen en edelge-
steenten, geen handelsvoorraad zijnde;
b. polissen van nog loopende levensverzekeringen;
e. het recht op lijfrenten en pensioenen;
d.    goederen, waarvan anderen het vruchtgenot hebben;
e.    nog niet vorderbare termijnen van renten, van uitkee-
ringen, van bezoldigingen en van andere inkomsten.
7.    Voor de regeling der belasting wordt de waarde van
het vermogen bepaald als volgt:
A. Voor gebouwde en ongebouwde eigendommen op het
twintigvoud hunner belastbare opbrengst naar de jongste schat-
ting, tenzij de belastingplichtige mocht verkiezen zijne goede-
ren dezer soort, geene uitgezonderd, naar hunne verkoopwaarde
te schatten. Maakt hij van die bevoegdheid gebruik, dan ver-
meldt hij dit bij de aangifte, onder overlegging van een staat,
aanwijzende welke waarde hij aan zijne gezamenlijke goederen
heeft toegekend.
Indien de waarde wordt bepaald op het twintigvoud van
do belastbare opbrengst wordt die opbrengst vooraf verminderd:
1°. met de Rijksgrondbelasting en de daarvan geheven
opcenten over het loopende jaar;
2°. met de polder- en waterschapslasten volgens den laatst-
bekenden jaarlijkschen omslag, voor zoover deze de som te
-ocr page 547-
540                                     VERMOGENSBELASTING.
boven gaat, welke bij de regeling der belastbare opbrengst is
afgetrokken ;
:!". met het bedrag of de geldswaarde der jaarlijksche uit-
keeringen ter zake van opstal, erfpacht, dusgenaanule vaste
huur of pacht, tiend, grondrente of andere op de goederen
gevestigde schuldplichtigheid. Is de uitkeering afwisselend,
dan wordt het gemiddeld per jaar van de drie laatste belas-
tingjaren gerekend, of indien de uitkeering nog geeno drie
jaren is geschied, het gemiddeld per jaar sedert zij een aan-
vang nam.
De bedragen of geldswaarden der af te trekken uitkeerin-
gen worden verhoogd met vijf ten honderd, indien buitenge-
wone uitkeering bij overgang of andere gebeurtenis versehul-
digd is.
Bij schatting van de waarde wordt met de bij 1°.—3°.
bedoelde lasten, uitkeeringen, huren en pachten rekening
gehjpudnn.
B. Voor:
bouwterreinen, daaronder niet begrepen erven en tuinen,
aanhoorigheden zijnde van gebouwde eigendommen, gronden
aangelegd tot parken, zoomede gronden, die minder verkoop-
waarde hebben dan één gulden do centiare;
gebouwde en ongebouwde eigendommen, waarvan vrijdom
van grondbelasting genoten wordt;
ongebouwde eigendommen in veenpolders, waarvoor bij
de laatste schatting de oude belastbare opbrengst behouden is;
gebouwde eigendommen waarvoor de belastbare opbrengst
wegens stichting, herbouw of verandering nog moet worden
geregeld of opnieuw geregeld ;
als zoodanig waarde hebbende venen, terpen, steengroeven
en groeven van andere delfstoffen;
onroerende goederen buiten het Kijk gelegen en rechten op
die goederen gevestigd,
wordt de waarde bepaald naar de bekende verkoopwaarde
van soortgelijke of daarmede het meest overeenkomende eigen-
dommen, goederen of rechten.
O. Het bij het derde lid van art. 3 bedoelde veelvoud
wordt gesteld op het twintigvoud van het bedrag of de gelds-
waarde der jn&rljjksche ontvangsten. Zijn deze afwisselend,
dan wordt het gemiddeld per jaar van de drie laatste belasting-
jaren gerekend, of indien de ontvangst nog geen drie jaren
heeft plaats gevonden, het gemiddeld per jaar sedert zij een
aanvang nam.
Het bedrag, waarvan het twintigvoud wordt berekend,
wordt met vijf ten honderd verhoogd, indien bij overgang of
andere gebeurtenis buitengewone uitkeering wordt genoten.
-ocr page 548-
541
VERMOGENSBELASTING.
D.    Effecten worden geschat op hunne, geldswaarde naar
de laatst bekende gegevens.
(>nder effecten worden verstaan inschrijvingen in Groot-
boeken van Nationale en buitenlandsche Staatsschuld, aandeel-
bewijzen en obligatiën. ook die, welke in den vorm van certi-
licaten of recepissen zijn opgemaakt.
E.    Hypothecaire en andere schuldvorderingen niet reeds
onder D begrepen worden geschat op het bedrag van het
kapitaal.
Schuldvorderingen op tijd, waarover geen rente wordt
berekend, wissels en andere handelspapier worden op hunne
contante waarde geschat.
Indien de schuldvordering of de betaling der rente niet vol-
doende verzekerd is, wordt de waarde begroot.
P. Schepen, vaartuigen en schuiten met toebehooren;
vaste en losse werktuigen en gereedschappen in fabrieken
en werkplaatsen;
paarden en voertuigen, tot welke doeleinden ook gebezigd;
vee en voorwerpen van het landbouwbedrijf;
handelsvoorraden en alle overige zaken,
worden geschat naar hunne geldswaarde in verband met
hunne bestemming.
8.    Het vermogen, overeenkomstig de bepalingen dezer wet
berekend, wordt verminderd met:
1°. het bedrag der schuldvorderingen ten laste van den
belastingplichtige.
Schuldvorderingen op tijd, waarover geen rente wordt
berekend, wissels en ander handelspapier worden op hunne
contante waarde geschat;
2°. het twintigvoudig jaarlijksch bedrag der verschuldigde
lijfrenten, pensioenen en gevestigde of altijddurende renten;
benevens het twintigvoudig jaarlijksch bedrag der uitgaven
van den belastingplichtige voor verschuldigde verstrekkingen
van levensonderhoud, huisvesting of andere zaken.
Is het bedrag van dit een en ander afwisselend dan wordt
het gemiddeld per jaar van de drie laatste belastingjaren
gerekend, of indien de schuld nog geen drie jaren bestaat,
liet gemiddeld per jaar sedert haar bestaan.
Wegens premiën voor levensverzekering, voor pensioenen of
voor lijfrente, wegens onverschuldigde uitkeeringen en wegens
uitgaven voor onderhoud en opvoeding van kinderen wordt
niets in mindering gebracht.
9.    Zij wier vermogen geheel of ten deele belegd is in een
of moer ondernemingen, hetzij door hen zelveu, al of niet in
vereeniging met anderen, hetzij door anderen geheel of ten
deele voor hunne rekening gedreven, kunnen, indien zij geen
-ocr page 549-
542                                     VERMOGENSBELASTING.
verhandelbare aandeelbewijzen daarvan bezitten, het aldus
belegd vermogen schatten overeenkomstig de laatste door of
namens hen vastgestelde of goedgekeurde balans; mits deze
balans den stand van zaken aanwijze op een tijdstip ten
vroegste uit het afgeloopen belastingjaar, en mits desgevor-
derd blijke, dat bij hare opmaking te baten en lasten geschat
zijn naar regels, welker toepassing geen lager kapitaalsaldo
oplevert, dan verkregen zou zijn bij toepassing der regels in
de twee vorige artikels vermeld.
Het aldus geschatte bedrag wordt vermeerderd of verminderd
met de kapitalen, welke door den belastingplichtige aan de
onderneming of ondernemingen sedert het tijdstip der balans
zijn toegevoegd of onttrokken.
10.    Indien de waarde van het vermogen, overeenkomstig
de vorige artikelen bepaald, minder bedraagt dan ƒ 13 000,
is geen belasting verschuldigd. Is zij ƒ 13 000 of meer, doch
minder dan ƒ 14 000, dan is verschuldigd ƒ 2. Is zij f 14 000
of meer, doch minder dan f 15 000, dan is verschuldigd f 4.
Is zij ƒ 15 000 of meer, doch niet meer clan f 200 000, dan is
verschuldigd f 1.25 van elke geheele som van f 1 000, waar-
mede zij het bedrag van f 10 000 te boven gaat. Is zij grooter
dan f 200000, zoo is een vast bedrag van f 237.50 verschul-
digd, benevens f 2 van elke gehoele som van f 1 000, waar-
mede de waarde van het vermogen het bedrag van ƒ200 000
te boven gaat.
11.    Van de belasting zijn vrijgesteld vreemdelingen hier te
lande als consuls of consulaire agenten toegelaten, mits zij
onderdanen zijn van den Staat die heil benoemde en geen
ander beroep of bedrijf uitoefenen en wederkeerig in de door
hen vertegenwoordigde landen, aan Nederlanders aldaar op
gelijken voet toegelaten, vrijstelling van belasting naar vermo-
gen of inkomsten worde gegeven.
12.    De belastingplichtige wordt aangeslagen in de gemeente,
waar hij woont bij het begin zijner belastingplichtigheid in
het loopend belastingjaar.
De woonplaats van den man wordt geacht ook de woonplaats
te zijn van zijne vrouw, van wie hij niet van tafel en bed
gescheiden is.
Minderjarigen, onder curateele gestelden of krankzinnigen,
aan wie een aanslag moet worden opgelegd, worden aange-
slagen in de gemeente waar hunne wettelijke vertegenwoor-
digers wonen.
Wonen deze buitenslands, zoo geschiedt de aanslag in de
gemeente waar de minderjarige, onder curateele gestelde of
krankzinnige gewoonlijk verblijf houdt.
Bij verschil van gevoelen over de plaats waar een belasting"
-ocr page 550-
VERMOGENSBELASTING.                                     543
plichtige moet worden aangeslagen, beslist de Minister van
Financiën.
AANSLAG.
13.    De aanslag in de belasting is opgedragen aan de
inspecteurs der registratie, ieder in den kring van zijne divisie.
De gemeentebesturen zijn gehouden aan die inspecteurs op
hun verzoek kosteloos inzage van de kohieren der hoofdelijke
omslagen naar het inkomen te geven, en toe te laten dat zij
daarvan uittreksels of afschrift nemen of doen nemen.
De ambtenaren, ressorteerende onder het Departement van
Financiën, geven aan die inspecteurs, voor zooveel noodig,
inlichtingen uit de archieven van hunne kantoren, volgens
regelen door den Minister van Financiën te stellen.
14.    Jaarlijks vóór den 15 Mei doet de inspecteur der regis-
tratie voor elke gemeente of voor elk gedeelte eener gemeente
van zijne divisie, na overleg met den burgemeester of die hem
vervangt, eene lijst opmaken van de namen der personen, die
aldaar, naar zijn vermoeden, volgens deze wet moeten worden
aangeslagen en hunner wettelijke vertegenwoordigers.
De inlichtingen, welke de burgemeester of die hem vervangt
en de ambtenaren belast met de regeling van de plaatselijke
lirecte belasting nopens het vermogen van ieder kunnen geven,
worden daarbij tevens aangeteekend.
Meent de inspecteur in den loop van het jaar, dat iemands
naam nog op de lijst moet worden gebracht, dan wordt de
lijst op dezelfde wijze aangevuld.
De burgemeester doet telkens opgaaf aan den inspecteur
van de namen der ingezetenen, die, naar zijn oordeel, nog op
de lijst moeten worden gebracht.
16. Aan ieder wiens naam op de lijst is vermeld of aan
zijn wettelijken vertegenwoordiger doet de inspecteur vóór het
einde van Mei een biljet toekomen, ingericht volgens formulier
door Ons vastgesteld, bevattende summiere aanwijzing van de
bestanddeelen van het vermogen.
Aan hen, die zich in den loop van het belastingjaar metter-
woon binnen het Rijk vestigen, wordt zoo spoedig mogelijk
een biljet gezonden.
De lijst, aangevuld met eene ambtelijke verklaring dat de
biljetten uitgereikt zijn, geldt als bewijs van uitreiking op den
daarbij genoemden dag.
16. Hij, aan wien blijkens de lijst een biljet is gezonden,
is verplicht, binnen twintig dagen na de uitreiking, op dat
biljet en volgens de daarop gedrukte aanwijzingen aangifte
van zijn vermogen te doen.
-ocr page 551-
544                                     VERMOGENSBELASTING.
Deze termijn kan door den inspecteur verlengd worden.
Indien het vermogen van hem, aan wien een biljet is gezon-
den, minder dan f 13 000 bedraagt, of indien hij geen vermogen
heeft, verklaart hij dit een of ander op het biljet, dat aldus
als aangifte onderteekend wordt,
Indien de vrouw krachtens art. 195 of art. 241 Burgerlijk
Wetboek zelve het beheer over hare roerende en onroerende
goederen en het vrije genot van hare inkomsten heeft, is elk
der echtelieden verplicht aangifte te doen van zijn vermogen,
al bedraagt dat minder dan ƒ 13000.
Hij, aan wien een biljet is gezonden, en die over het loopend
jaar in eene andere gemeente van het Rijk is aangeslagen of
daar reeds aangifte heeft gedaan, vermeldt dit op het biljet
met opgaaf van den naam dier gemeente.
Het biljet wordt onderteekend.
Hij die, hoewel naar deze wet belastingplichtig, geen biljet
heeft ontvangen, is verplicht vóór den vijftienden Juni van
het belastingjaar of wel, bij vestiging binnen het Kijk in den
loop van het belastingjaar, binnen twee maanden na die
vestiging aangifte te doen, op de wijze bij dit artikel bepaald.
Tot dat einde worden biljetten kosteloos verkrijgbaar ge-
steld, zoowel op de kantoren van de registratie en successie-
rechten als op de secretarieën der gemeenten.
De namen van hen, aan wie op verzoek biljetten zijn gege-
ven, worden door den inspecteur op de lijst ingeschreven.
17.    Indien de man verhinderd is aangifte te doen, is de
vrouw gehouden namens hem aangifte te doen.
Wettige vertegenwoordigers van minderjarigen, onder cura-
teele gestelden of krankzinnigen, aan wie een aanslag moet
worden opgelegd, zijn verplicht voor deze aangifte te doen.
De hoedanigheid wordt bij de onderteekening der aangifte
vermeld.
Voor een overleden belastingplichtige kan de aangifte onder-
teekend worden door één der erfgenamen, den executeur-
testamentair of den bewindvoerder over de nalatenschap.
Voor hem, die niet in staat is aangifte te doen, kan de
aangifte door een ander, namens hem, worden gedaan, mits
onder bijvoeging eener schriftelijke vergunning van den
inspecteur.
18.    De aangifte wordt door of van wege den aangever
bezorgd in een der bussen in het volgend artikel bedoeld, of
rechtstreeks, kosteloos aangeteekend per post, toegezonden
aan den ontvanger der successierechten, tot wiens kantoor, of
aan den inspecteur, tot wiens divisie de gemeente behoort.
19.    In de kantoren van de registratie- en successierechten
en in de secretarie van elke gemeente, door den Minister van
-ocr page 552-
545
VERMOGENSBELASTING.
Financiën aan te wijzen, worden van Rijkswege vaststaande, ge-
sloten bussen geplaatst, voor de ontvangst der aangiften bestemd.
De sleutel van de bus wordt bewaard door den inspecteur
der registratie of op zjjn last door den ontvanger der succes-
sierechten.
De burgemeester zorgt dat de bus, in de secretarie zijner
gemeente geplaatst, gedurende de kantooruren tot ontvangst
van aangiften toegankelijk is.
Hij, die zich met eene aangifte aanmeldt, wordt uitgenoo-
digd die persoonlijk in de bus te doen.
20.    De inspecteur der registratie of de ambtenaar die hem
vervangt, verzamelt de aangiften.
De namen der aangevers en het bedrag van het aangege-
ven vermogen worden vermeld in een proces-verbaal, dat door
den ambtenaar op zijn ambtseed wordt opgemaakt.
Aangiften welke in behandeling behooren te komen bij een
der ambtgenooten van den inspecteur worden door hem aan
dien ambtgenoot gezonden.
Aan hem wiens naam op de lijst is vermeld en van wien
geen aangifte is ingekomen, kan de inspecteur kosteloos eene
verzegelde uitnoodiging doen toekomen om de aangifte als-
nog, binnen een door den inspecteur te bepalen termijn, bij
hem zelf te bezorgen.
Indien de inspecteur nadere toelichting der aangifte noodig
acht, kan hij don aangever daartoe in de gelegenheid stellen.
21.    Indien de inspecteur geen bedenking tegen de aan-
gifte van het vermogen heeft, wordt de aanslag door hem in
overeenstemming met die aangifte bepaald.
Aan aangiften van hen, wien naar de meening van den
inspecteur geen aanslag moet worden opgelegd, wordt geen
verdere behandeling gegeven.
De inspecteur is bevoegd den aanslag te bepalen naar een
grooter vermogen of naar een hoogere waarde van vermogen
dan aangegeven is, indien de aangifte hem te laag voorkomt
of indien de waarde naar de regels dezer wet, volgens
zijn oordeel, te laag is bepaald.
Indien de aangever gebruik heeft gemaakt van de bij art.
7i A, verleende bevoegdheid tot schatting, kan bij den aan»
slag aan het totaal zijner onroerende goederen geene hoogere
waarde worden toegekend dan waarop zij bij toepassing van
den regel der wet zouden zijn te bepalen.
Hij, die geene aangifte heeft gedaan, wordt door den inspec-
teur ambtshalve aangeslagen.
22.    De inspecteur, naar deze wet zelf tot aangifte ver-
plicht, zendt die aan zijn door den Minister van Financiën
aan te wijzen ambtgenoot.
35
-ocr page 553-
546
VERMOGENSBELASTING.
Deze bepaalt zijn aanslag volgens de regelen dezer wet en
doet daarvan opgaaf aan den ontvanger der successierechten,
onder wiens kantoor de aanslag op het hierna vermelde regis-
ter moet worden gebracht.
23. De aanslagen in de belasting worden voor den kring
van elk kantoor van successierechten opgenomen in een
gemeentesgewijs aan te leggen register, dat door den inspec-
teur voor elke groep van gelijktijdig bepaalde aanslagen wordt
vastgesteld.
Terstond na de vaststelling zendt de ontvanger, tot wiens
kring van kantoor het register behoort, kosteloos voor de
aangeslagenen, aan ieder hunner eene verzegelde uitnoodiging
om te zijnen kantore het bedrag te betalen, waarvoor hij in
de belasting is aangeslagen.
Aan hen, wier aanslag hooger is gesteld dan hunne aan-
gifte of die bij gebreke van aangifte ambtshalve zijn aan ge -
slagen, wordt de uitnoodiging tot betaling aangeteekend per
post gezonden.
Het volgnommer van het register wordt op de uitnoodiging
vermeld; op de keerzijde worden de bepalingen dezer wet
nopens betaling, invordering, bezwaren, ontheffing en beroep
gedrukt.
1IEZWAUEN TEGEN DB AANSLAGEN.
Ontheffing.
2A. Hij, wiens aanslag hooger is gesteld dan zijne aangifte,
kan, in geval van bezwaar tegen zijn aanslag, zelf of\' door
een gemachtigde binnen dertig dagen na de aanteekening van
de uitnoodiging tot betaling een gemotiveerd bezwaarschrift
in gesloten omslag per post aangeteekend zenden, of tegen
gedagteekend ontvangbewijs bezorgen bij den ontvanger die de
uitnoodiging tot betaling heeft gedaan.
Indien de aangeslagene of zijn gemachtigde het verlangen
daartoe heeft te kennen gegeven, wordt hij, te zijner keus,
door den inspecteur of den ontvanger in persoon nopens zijne
bezwaren gehoord.
25. Aan hem, die in den loop van het belastingjaar het
Rijk metterwoon verlaat, wordt op zijn verzoekschrift onthef-
fing verleend voor zooveel twaalfde gedeelten van zijn aanslag
als het aantal geheele maanden van het jaar beloopt, die
tijdens zijn vertrek of — indien het verzoekschrift eerst na
het vertrek is ingediend — tijdens de indiening nog niet zijn
ingetreden.
Aan hem, die aangeslagen is wegens een vruchtgenot, dat
in den loop van het belastingjaar eindigt, wordt ontheffing
-ocr page 554-
VERMOGENSBELASTING.                                     547
verleend voor zooveel geheele maanden als bij het indienen
van zijn verzoekschrift nog niet verstreken zijn.
De verzoekschriften worden ingediend op de wijze en bij
den ambtenaar in het vorig artikel bepaald.
26.    Op de bewaarschriften en verzoekschriften wordt uit-
spraak gedaan door den inspecteur, voor zooveel noodig op
den voet van het volgend artikel gemachtigd.
Hij zendt de uitspraak in gesloten omslag, aangeteekend
per post of tegen gedagteekend ontvangbewijs, kosteloos, aan
den aangeslagene.
27.    Op machtiging van een door Ons aan te wijzen hoofd-
ambtenaar der registratie, kan de inspecteur, onverschillig of
al dan niet een bezwaarschrift is ingediend, ontheffing van
belasting verleenen, indien hem in den loop van het belasting-
jaar blijkt dat hij den aanslag van een belastingplichtige, die
aangifte heeft gedaan, te hoog heeft bepaald.
Gelijke machtiging heeft de inspecteur noodig voor onthef-
ting op bezwaar- en verzoekschriften.
Beroep.
28.  De aangeslagene, die bezwaar heeft tegen de uitspraak
van den inspecteur omtrent den aanslag of tegen den aanslag
hem ambtshalve opgelegd, kan in beroep komen bij den raad,
krachtens het volgend artikel ingesteld.
Het beroep geschiedt door indiening bij dien raad van een
bezwaarschrift, dat tegen gedagteekend ontvangbewijs bezorgd
moet worden bij den voorzitter of bij den ontvanger der suc-
cessierechten, of wel aan een van hen aangeteekend per post
moet worden toegezonden.
Hij, die aangifte heeft gedaan, doch wiens aanslag krachtens
eene uitspraak van den inspecteur hooger dan de aangifte is
gesteld, kan het bezwaarschrift indienen uiterlijk dertig dagen
nadat hem de uitspraak van den inspecteur is toegezonden.
Als datum van toezending geldt die der aanteekening per post
of die van het gedagteekend ontvangbewijs bedoeld bij art.
26 tweede lid.
Bij de indiening van het bezwaarschrift moet tevens de uit-
spraak van den inspecteur worden overgelegd.
Hij, die geene aangifte heeft gedaan, kan het bezwaarschrift
indienen uiterlijk dertig dagen nadat hem de uitnoodiging tot
betaling, bedoeld bij artikel 23 derde lid, is toegezonden.
Als datum van toezending geldt die der aanteekening per post.
29.    In elke provincie of in elk gedeelte eener provincie,
door Ons aan aan te wijzen, wordt voor de uitspraak op de
bezwaarschriften, bedoeld bij het vorig artikel, een raad van
-ocr page 555-
548                                     VERMOGENSBELASTING.
beroep ingesteld, welks standplaats door Ons wordt aange-
wezen.
De raad bestaat uit drie leden, van wie één wordt benoemd
door Gedeputeerde Staten der provincie, één door de recbtbank,
tot wier rechtsgebied de standplaats van den raad behoort,
en één door den Minister van Financiën.
Op dezelfde wijze wordt voor ieder lid pen plaatsvervanger
benoemd, en bij ontslag of overlijden in eene vacature voorzien.
Om de twee jaren treedt een der leden en een der plaats-
vervangers af volgens rooster door den raad op te maken.
De aftredenden zijn herbenoembaar. Zoowel genoemde colleges
als de Minister kunnen ieder het door hen benoemde lid ol
den plaatsvervanger ook tusschentijds ontslaan.
De voorzitter van den raad wordt door Ons benoemd en
ontslagen. Hij heeft alleen raadgevende stem.
Rijksambtenaren, ressorteerende onder het Departement van
Financiën, zijn niet tot voorzitter, lid of plaatsvervanger be-
noembaar.
De raad kiest uit zijn midden een secretaris, vergadert op
plaats en tijd door den voorzitter te bepalen en beslist bij
meerderheid van stemmen.
Op verzoek van den raad kan de Minister van Financiën
een ambtenaar aanwijzen om den secretaris bij te staan.
De raad beslist bij meerderheid van stemmen der drie
tegenwoordige leden of plaatsvervangers.
30.    De voorzitter, de leden en de plaatsvervangende leden
van den raad leggen alvorens hunne betrekking te aanvaarden
ten overstaan van Onzen Commissaris in de provincie den
volgenden eed of belofte af:
„Ik zweer (beloof) dat ik als voorzitter (lid, plaatsvervan-
gend lid) van den raad van beroep voor de vermogensbelas-
ting, overeenkomstig de bepalingen der wet met nauwgezetheid
en onpartijdigheid en volgens mijn geweten zal handelen, en
dat ik hetgeen mij in mijn ambt nopens den aanslag van den
ingezetene of diens vermogen blijkt of medegedeeld wordt, zal
geheim houden.
„Zoo waarlijk helpé my God Almachtig! (Dat beloof ik!)".
Van de handeling wordt proces-verbaal opgemaakt.
Wegens het afleggen van den eed of belofte en het opmaken
van het pi-oces-verbaal zjjn geen kosten verschuldigd.
31.    Alvorens op een bezwaarschrift uitspraak te doen, hoort
de raad mondeling den aangeslagene die het mocht verlangen,
als ook den inspecteur of den Rijksambtenaar die hem vervangt.
Elk bezwaarschrift wordt ten minste twintig dagen vóór de
behandeling aan den inspecteur ter beoordeeling gezonden.
Zoowel de aangeslagene als de inspecteur worden door den
-ocr page 556-
VERMOGENSBELASTING.                                     549
voorzitter ten minsten vijf dagen vóór de vergadering schrifte-
lijk opgeroepen.
Bij verhindering van den aangeslagene om zelf\' in de verga-
dering van den raad te verschijnen, kan diens gemachtigde
worden toegelaten, indien de redenen van verhindering aan den
voorzitter gegrond voorkomen.
De behandeling der zaak wordt, zoo noodig, door den voor-
zitter verdaagd.
De aangeslagene en de inspecteur kunnen schriftelijk toe-
lichtingen aan den raad overleggen.
32.    De inspecteur, of de rijksambtenaar die hem vervangt,
is bevoegd zijn advies op het bezwaarschrift toe te lichten uit
memoriën van aangifte voor het recht van successie of uit andere
gegevens, waaromtrent hem geheimhouding is opgelegd.
33.    De raad is bevoegd bij zijne uitspraak een aanslag op
te leggen, afwijkende zoowel van de aangifte als van den
ambtshalve opgelegden aanslag en van het advies van den
inspecteur.
De raad is echter onbevoegd den aanslag, opgelegd aan
hem, die geene aangifte heeft gedaan, te verlagen, tenzij de
aangeslagene hebbe aangetoond dat de aanslag te hoog was.
Bij de behandeling zijner zaak kan den aangeslagene worden
toegestaan om zijne aangifte te verbeteren.
indien omtrent de juistheid der aangifte twijfel overblijft
en bezwaar is tegen toepassing van het eerste lid van dit
artikel, kan de raad den aangeslagene, die bij zijn aangifte
volhardt, uitnoodigen om die in de vergadering van den raad
door oen der volgende verklaringen te bevestigen:
„Ik verklaar dat het vermogen bij de aangifte, die hier voor
mij ligt, te goeder trouw, naar mijn beste weten, zonder iets
te verzwijgen is opgegeven, en dat de waarde van dat ver-
mogen overeenkomstig de wet te goeder trouw, naar mijn
beste weten, berekend is."
„Ik verklaar dat ik te goeder trouw vermeen, dat ik geen
vermogen had aan te geven, waarvoor naar de wet belasting
verschuldigd is."
Van de handeling wordt proces-verbaal opgemaakt, waarin
de verklaring opgenomen en door den aangever onderteekend
wordt.
Het proces-verbaal wordt door den voorzitter en de leden
van den raad onderteekend.
In de bevestigde aangifte wordt berust.
De aanslag van hem, die weigert of, daartoe overeenkomstig
het in alinea 3 van art. 31 bepaalde opgeroepen, in gebreke
blijft de verklaring af te leggen en te onderteekenen, wordt
gehandhaafd.
-ocr page 557-
550                                     VERMOGENSBELASTING.
In geval van ziekte, afwezigheid buiten het Rijk of andere
wettige reden van verhindering, kan de verklaring met toe-
lating van den Minister van Financiën, krachtens eene bijzondere
volmacht, worden afgelegd. Het verzoekschrift om toelating
wordt door tusschenkomst van den voorzitter van den raad
aan den Minister gezonden.
Op het persoonlijk of door een bijzonder daartoe gemachtigde
opzettelijk afleggen eener valsche verklaring is de straf,
bepaald bij art. 107, eerste en laatste lid, Wetboek van Straf-
recht, van toepassing.
34. De aanslag bij de uitspraak van den raad vastgesteld
of gehandhaafd, wordt verhoogd met:
vijf en twintig ten honderd van de hoofdsom van den
aanslag, indien de aangeslagene geene aangifte heeft gedaan;
vijf en twintig ten honderd van de verhooging der belasting
in hoofdsom, indien de aangifte te laag is gedaan.
36. Bij twijfel nopens de waarde van goederen die als
maatstaf ter bepaling van een aanslag moet dienen, kan de
raad zich doen voorlichten door een of meer door hem aan
te wijzen deskundigen.
36.    De uitspraak van den raad, door den voorzittter en
den secretaris onderteekend, wordt aan den belanghebbende
gezonden en in afschrift medegedeeld aan den inspecteur, die
voor zooveel noodig voor de uitvoering zorgt.
37.    Aan den voorzitter en de leden van den raad wordt
door Ons, boven vergoeding van reis- en verblijf kosten, vacatie-
geld en aan den secretaris bovendien vergoeding voor bureau-
kosten toegekend.
Aan de deskundigen die den raad hebben voorgelicht wordt
door den voorzitter vergoeding toegekend volgens de artikelen
61, 63 en 66 van het tarief van justitiekosten en salarissen in
burgerlijke zaken, met dien verstande, dat zijne beoordeeling
in de plaats treedt van die van den rechter.
De aan de deskundigen toegekende vergoeding en de kosten
van huur, verwarming, verlichting en schoonhouden van het
lokaal, waarin de raad vergadert, en van bediening komen ten
laste van het Rijk.
38.    Hij die bezwaar heeft tegen de uitspraak van den
inspecteur op een verzoekschrift krachten aft. 25 dezer wet
ingediend, kan binnen dertig dagen, nadat hem die uitspraak
is toegezonden, daarvan bij Ons in beroep komen.
Als datum van toezending geldt die der aanteekening por
post of die van het gedagteekend ontvangbewijs, bedoeld bij
art. 26, tweede lid.
Door Ons wordt beslist, den Raad van State gehoord.
-ocr page 558-
VERMOGENSBELASTING.                                            551
INVORDERING.
39.    De aanslag in de belasting moet worden betaald, de
helft vóór den eersten November, de wederhelft vóór den eersten
April van het belastingjaar, beide helften, indien de aange-
slagene het verlangt, in twee gedeelten.
Aanslagen, die eerst na den lsten November van het belas-
tingjaar zijn opgelegd, moeten worden betaald vóór den lsten
April van dat jaar. Desverkiezende kan de aangeslagene ook
deze betaling in twee gedeelten doen.
Zoodra een aangeslagene het Rijk metterwoon verlaat is
zijn aanslag invorderbaar, onverminderd zijne aanspraak op
ontheffing.
40.    Voor de betaling van belasting door middel van post-
wissels, kosteloos voor aangeslagenen, wonende buiten de ge-
meente waar het ontvangkantoor gevestigd is, worden door
Ons regelen gesteld.
De strook van den wissel, in overeenstemming met dezen
ingevuld, door een ambtenaar der posterijen onderteekend en
op de uitnoodiging tot betaling vastgehecht, geldt als bewijs
van betaling.
41.    Indien de aangeslagene de verschuldigde belasting niet
vóór of op den verschijndag aanzuivert, zendt de ontvanger
hem eene gesloten waarschuwing om binnen drie dagen aan
zijne verplichting tot betaling te voldoen.
Indien op de waarschuwing de betaling niet volgt, doet de
ontvanger hem eene gesloten aanmaning toekomen om binnen
een nieuwen termijn van drie dagen het verschuldigde te be-
talen, onder mededeeling, dat hij anders daartoe zal worden
gedwongen door het middel bij het volgend artikel bepaald.
42.    Tegen den aangeslagene die geen gevolg heeft gegeven
aan de aanmaning bij het vorig artikel bedoeld, wordt door
den ontvanger een dwangbevel uitgevaardigd, medebrengende
het recht van parate executie.
Het dwangbevel wordt executoir verklaard door den kanton-
rechter in wiens kanton het kantoor der successierechten is
gevestigd.
Het wordt beteekend en ten uitvoer gelegd op den voet en
de wijze bij het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten
aanzien van de tenuitvoerlegging van vonnissen en authentieke
akten voorgeschreven.
De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan niet worden
geschorst dan door een verzet met redenen bekleed.
Het verzet wordt beteekend aan den ontvanger die het
dwangbevel heeft uitgevaardigd en moet op strafte van nietig-
heid bevatten keuze van domicilie binnen het arrondissement
-ocr page 559-
552
VERMOGENSBELASTING.
waarin het kantoor van ontvangst is gevestigd, en dagvaarding
voor de rechtbank van dat arrondissement tegen een bepaalden
rechtsdag, invallende binnen den veertienden dag na de betee-
kening der dagvaarding.
De terugvordering van betaalde belasting heeft plaats bij
dagvaarding van den Minister van Financiën voor de arron-
dissements-rechtbank tot welker gebied het ontvangkantoor
behoort. De dagvaarding wordt beteekend aan den ontvanger
van dit kantoor.
Verzet en terugvordering kunnen niet het bedrag van den
aanslag of de bepaling van het vermogen van den aangesla-
gene betreffen, noch gegrond zjjn op het niet ontvangen van
waarschuwing en aanmaning.
De rechtsgedingen worden als summiere zaken behandeld.
43.    De belasting is verhaalbaar op de goederen van den
aangeslagene, zoomede op die der vrouw, wier vermogen voor
de regeling der belasting geacht is met dat van den aange-
slagene één geheel uit te maken.
44.    Bij overlijden van den aangeslagene zijn de erven in
al hunne goederen voor het niet aangezuiverde gedeelte van
diens aanslag aansprakelijk, voor zoo ver schulden van den
boedel van den aangeslagene ten hunnen laste komen.
De vorderingen tot betaling en tot teruggaaf van belasting
verjaren na verloop van twee jaar na de vaststelling van den
aanslag.
45.    Wjj behouden Ons voor om in bijzondere gevallen van-
wege dwaling of onwillig verzuim kwijtschelding, vermindering
of teruggave van do hoofdsom en van de ingevolge art. 34
opgelegde verhooging te verleenen.
BIJZONDEBE BEPALINGEN.
46.    leder erfgenaam, de executeur-testamentair of de be-
windvoerder over de nalatenschap is bevoegd bezwaarschriften
in te dienen en in beroep te komen omtrent den aanslag van
een overledene, alsof hij zelf de aangeslagene ware.
47.    Het is aan ieder verboden om hetgeen hem uit hoofde
van zijn hetzij tegenwoordig hetzij vroeger ambt, nopens den
aanslag van een ingezetene in deze belasting of diens ver-
mogen gebleken of medegedeeld is, verder bekend te maken
dan voor de uitoefening van zijn ambt gevorderd wordt.
Hij, die opzettelijk de bij het vorig lid opgelegde geheim-
houding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd
gulden, met of zonder ontzetting van het recht om ambten
te bekleeden.
-ocr page 560-
VERMOGENSBELASTING.                                            553
Hij, aan wiens schuld schending van die geheimhouding te
wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie
maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
Geen vervolging wordt ingesteld dan op klachte van hem,
ten aanzien van wien de geheimhouding is geschonden.
48.    De ontvanger der successierechten zendt een afschrift
van het register van aanslagen aan zijn ambtgenoot der directe
belastingen.
Voor de samenstelling der lijst van de hoogstaangeslagenen
geldt het afschrift als een kohier der directe belasting.
49.    De stukken krachtens deze wet op te maken en uit te
vaardigen, quitantiën van betaalde belasting, zoomede de
processtukken, vonnissen en afschriften van vonnissen betref-
fende de toepassing van deze wet, daaronder begrepen, zijn
vrij van zegel en worden, voor zoover aan de formaliteit van
registratie onderworpen, kosteloos geregistreerd.
OVEROANG8- EN SLOTBEPALINGEN,
60. In afwachting van nadere wettelijke regeling worden
op de vermogensbelasting geen opcenten ten behoeve van
gemeenten of provinciën geheven.
51.    Zoolang de belastbare opbrengst der gebouwde eigen-
dommen niet algemeen is herzien en de uitkomsten in de
kadastrale leggers zijn opgenomen, wordt hunne waarde, bij
afwijking van art. 7 dezer wet, voor de regeling der vermogens-
belasting bepaald op het vijftienvoud hunner belastbare
opbrengst.
Tot dien tijd wordt het bedrag der verminderingen wegens
uitkeeringen, welke gebouwde en ongebouwde eigendommen
gezamenlijk betreffen, voor elke soort in verhouding van de
belastbare opbrengst der eigendommen berekend.
52.    Onder vroegere belastingjaren worden in deze wet ook
verstaan tijdperken van twaalf maanden, beginnende 1 Mei
en eindigende 30 April, voorafgegaan aan het tijdstip waarop
deze wet in werking treedt.
53.    De wet van 22 Mei 1845 (Stbl. no. 22) op de invor-
dering van \'s Rijks directe belastingen, is niet van toepassing
op de invordering van de vermogensbelasting.
64. Deze wet treedt in werking den eersten Mei 1893.
-ocr page 561-
WET
van den 2ilen Octobex 1893 (Stbl. no. 14»),
TOT HEFFING E ENER BELASTING OP BEDRIJFS-
EN ANDERE INKOMSTEN.
HOOFDSTUK I.
UELASTINOPLICHTIG1IKID. AARD, VOORWERP EN BEDRAG
DER BKLASTING. VERTEGENWOORDIGING
Artikel 1.
Onder den naam van belasting op „bedrijfs- en andere inkom-
sten" wordt oene directe belasting gelieven:
a.    van ieder dio binnen liet Rijk woont of die zich in den
loop van liet jaar binnen liet Rijk metterwoon vestigt;
b.    van hier te lande gevestigde naamlooze vennootschappen,
commanditaire vennootschappen op aandeelen, coöperatieve of
andere vereenigingen en onderlinge verzekeringmaatschappijen;
e. van hier te lande gevestigde reederijen, en van hier te
lande gevestigde stichtingen die een bedrijf of beroep uit-
oefenen;
tl. van allen, niet begrepen onder a, die een Nederlandsch
Staatsambt uitoefenen buiten het. Rijk, zonder daar aan per-
soonlijke lasten onderworpen te zijn en voor zoover zij geen
dienst doen in de koloniën of bezittingen van het rijk in andere
werelddcelen;
e. van biiitenlandschc vennooten in Nederlandsche vennoot-
schappen, daaronder niet begrepen buitenlandsche aandeelhouders,
en van buitenlandsche vennooten in Nederlandsche maatschappen
betrekking hebbende tot de uitoefening van eenig bedrijf of beroep;
/\'. van spoorwegondernemingen in het buitenland geves-
tigd, welker exploitatie zich op Nederlandsch grondgebied
uitstrekt;
(/. van in het buitenland gevestigden, die hier te lande door
tusschenkomst van gemachtigden, hier gevestigd, overeenkom-
sten aangaan tot brand-, zee-, levens- of andere verzekering;
h. van andere in het buitenland gevestigden, die hier te
-ocr page 562-
BEDRIJFSBELASTING.                                       555
lande persoonlijk of door gemachtigden een bedrijf, beroep,
ambt, waardigheid, bediening of betrekking geregeld uitoefenen,
of minstens drie maanden achtereen uitgeoefend hebben, of van
wie op grond van overeenkomsten of andere gegevens is aan
te nemen dat zij dit gedurende minstens drie maanden achtereen
zullen doen;
i. van in het buitenland gevestigden, die herhaaldelijk stof-
fen of kleedingstukken, sieraden, meubelen, speelgoed, voedings-
en genotmiddelen en andere dergelijke artikelen in koop toezen-
den aan niet daarin handeldrijvenden hier te lande door bemid-
deling van hier te lande gevestigde tusschenpersonen;
k. van in het buitenland gevestigden, die hier te lande
rondreizen, met of zonder stalen of monsters, om bestellingen
op te nemen.
Of en waar iemand binnen het Rijk woont of gevestigd ia,
wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
2. § 1. Zij, die binnen het Rijk wonen of zich in den loop
van het belastingjaar binnen het Rijk vestigen, zijn belasting-
plichtig naar de som hunner jaarlijksche inkomsten, voor zoo-
ver bestaande:
a.     uit winsten en belooningen;
b.     uit wachtgelden en pensioenen, lijfrenten en andere ver-
schuldigde periodieke uitkeeringen, niet bedoeld in artikel 8,
derde lid, der wet van 27 September 1892 {Stbl. no. 223),
verschuldigde verstrekkingen van levensonderhoud, huisvesting
en andere zaken, en verschuldigde of onverschuldigde toelagen van
buitenslands gevestigden, niet belastingplichtig ingevolge artikel lil.
Onder de som der jaarlijksche inkomsten wordt verstaan het
zuiver bedrag daarvan, na aftrek der geleden verliezen, een en
ander opgevat en berekend naar de bepalingen dezer wet.
§ 2. Voor hen die niet in de vermogensbelasting zijn aan-
geslagen, omdat hun vermogen geacht wordt minder te zijn
dan /\' 13 000, wordt de in § 1 bedoelde som verhoogd met/\'40
van elke f 1000, waaruit hun vermogen, opgevat en berekend
naar de bepalingen der wet van 27 September 1892 {Stbl.
no. 223), bestaat.
Daarentegen wordt die som voor hén verlaagd met het vol-
gende, voor zooverre het niet reeds bij de toepassing van het
vorig lid in aanmerking werd genomen:
a.     het jaarlijksch bedrag der verschuldigde lijfrenten, pensi-
oenen, gevestigde of altijddurende renten;
b.     het jaarlijksch bedrag der uitgaven van den belasting-
plichtige voor verschuldigde verstrekkingen van levensonderhoud,
huisvesting of andere zaken; de uitgaven bedoeld bij art. 3
§ 3, daaronder niet begrepen.
Is het bedrag van dit een en ander afwisselend, dan wordt
-ocr page 563-
556                                        BEDB1JPSBBLASTING.
daarvoor het gemiddelde per jaar over de drie laatste belasting,
jaren gerekend, of indien de schuld nog geen drie jaren bestaat-
het gemiddelde per jaar over den tijd van haar bestaan.
§ 3. Indien bij het begin van het vorig belastingjaar de
waarde van het vermogen tegenover het bedrag der schulden
een tekort aanwees, of wel de belastingplichtige op dat tijdstip
geen vermogen doch wel schulden had, wordt de in § 1 bedoelde
som verlaagd met het bedrag waarmede het totaal zijner schul-
den op het eind van dat jaar verminderd is; voor zooverre de
belastingplichtige die vermindering op geen andere wijze heeft
kunnen bewerkstelligen dan uit bespaarde inkomsten.
§ 4. Doet gelijk geval zich voor bij het begin van het
belastingjaar, dan wordt de in § 1 bedoelde som verminderd
met de in dat jaar te betalen rente van schulden, die niet door
vermogen zijn gedekt.
Bij toepassing van deze en de vorige paragraaf wordt het
vermogen opgevat en berekend naar de bepalingen der wet
van 27 September 1892 (Slbl. no. 223) artt. 2, 3, 4, 6 en 7.
§ 5. De binnen het Rijk wonende man is, behoudens verhaal,
uit eigen hoofde belastingplichtig voor het inkomen naar deze
wet van zijne vrouw, tenzij in de gevallen van scheiding van
tafel en bed, van scheiding van goederen en in het geval dat
de vrouw, krachtens art. 195 van het Burgerlijk Wetboek, zich
het beheer van hare roerende en onroerende goederen en het
vrije genot van hare inkomsten heeft bedongen; in welke ge-
vallen de vrouw zelve belastingplichtig is.
Niettemin wordt in de twee laatste gevallen bij de berekening
van de verschuldigde belasting geene splitsing van de inkomsten
van man en vrouw toegelaten maar de uitkomst der berekening
in evenredigheid tot het bedrag van ieders inkomen over beide
omgeslagen.
3. § 1. Bij toepassing van artikel 2 wordt, behoudens het
hierna bepaalde, als winst of belooning beschouwd de som van
al hetgeen in geld of g\'eldswaardo genoten wordt uit bedrijf,
beroep, onderneming, ambt, waardigheid, bediening of betrekking,
tijdelijk of voor eens verrichte werkzaamheid, van welken aard
ook, aandeel in winst of overwinst, bedongen of niet bedongen,
met uitzondering van:
a.    uitdeelingen op aandoelen in naamlooze vennootschappen
en in commanditaire vennootschappen op aandeelen, in onder-
lingo verzekeringmaatschappijen, in reederijen en op bewijzen
van lidmaatschap van coöperatieve en andere vereenigingen;
b.    winstuitkeeringen als verzekerde genoten.
Winsten of verliezen ontstaan enkel uit belegging van kapi-
taal in fondsen of goederen, anders dan in de uitoefening van
bedrijf of beroep, komen niet in aanmerking.
-ocr page 564-
557
BEDRIJFSBELASTItJCS.
§ 2. Ter berekening van haar zuiver bedrag, en in daartoe
leidende gevallen van liet geleden verlies wordt, voor zoover
bij hare berekening te dier zake nog geen aftrek heeft plaats
gehad, de winst of belooning verminderd niet:
a.    de rente der kapitalen, aangewend in het bedrijf of beroep,
voor zoover de vruchten dezer kapitalen zijn opgenomen onder
de inkomsten bedoeld bij artikel 2.
Deze rente wordt berekend: voor kapitalen, waarvan de be-
lastingplichtige eigendom of vruchtgenot heeft, naar den maat-
staf van 4 ten honderd in het jaar over de geldswaarde, becijferd
volgens art. 7 der wet van 27 September 1892 (S/bl. no. 22^5);
voor andere kapitalen, naar den bedongen rentevoet.
Gebouwde eigendommen, voor bedrijf of beroep aangewend,
maken van die kapitalen geen deel uit, wanneer zij door den
belastingplichtige of zijn gezin worden bewoond;
b.    kosten van onderhoud en herstelling in haren vorigen
staat van uitsluitend ten behoeve van het bedrijf, beroep of
ambt gebezigde zaken;
c.    loonen, vrachten, assurantiepenningen, pakhuis-, kantoor-,
werkplaats- of andere huren en alle verdere kosten, noodzakelijk
ter verwerving van het inkomen of ter uitoefening van het
bedrijf, beroep of ambt, waaruit dat inkomen wordt verkregen.
Uitgaven, bedoeld in b en c, niet uitsluitend voor het ge-
noemde oogmerk noodzakelijk, maar ook ten deele voor per-
soonlijk genot of andere oogmerken gedaan, worden voor de
helft als kosten aangemerkt;
d.    de als onverhaalbaar afgeschreven schuldvorderingen of
gedeelten van schuldvorderingen;
e.    de afschrijvingen noodzakelijk tegenover vermoedelijke
waardevermindering van eigendommen uitsluitend voor bedrijf,
beroep of ambt aangewend ;
f.    bijdragen aan fondsen tot ondersteuning van personen bij
den belastingplichtige in dienst voor zijn bedrijf of beroep, premiën
door hem uitbetaald tot verzekering van die personen tegen ongo-
lukken, toelagen aan hunne nagelaten betrekkingen of aan ouden
en gebrokkigen, vroeger tot die personen behoord hebbende;
g.    winstuitkèoringen aan personeel bij den belastingplichtige
in dienst voor zijn bedrijf of beroep en ter zake daarvan;
h. retributiën en belastingen, directe daaronder niet begrepen,
drukkende op het bedrijf;
i. kortingen van traktementen en andere belooningen wegens
verplichte bijdragen voor pensioenen of fondsen ;
/. premiën voor levensverzekering, voor pensioen of voor
lijrenten, doch tot geen hoogere som dan vijf ten honderd van
het bedrag der inkomsten, bedoeld in art. 2, § 1, en in geen
geval meer dan f 100.
-ocr page 565-
558
BEDRIJFSBELASTINO.
§ 3. Uitgaven voor woning en huishouden van den belasting"
plichtige of zijn gezin of voor onderhoud en opvoeding va:i
kinderen, onverschuldigde uitkeeringen, niet begrepen onder de
vorige paragraaf en andere uitgaven, die niet rechtstreeks tot
do uitoefening van het bedrijf of beroep betrekking hebben,
worden niet als kosten aangemerkt.
§ 4. Wanneer vertrekken die als kantoor, winkel, magazijn,
lokaal voor onderwijs, atelier of werkplaats worden gebezigd,
tevens tot woning dienen van den belastingplichtige of zijn
gezin, of wel wanneer zoodanige vertrekken een gedeelte uit-
niaken van het perceel, waarin zich die woning bevindt, dan
geldt als kosten het door den belastingplichtige te begrooten
aandeel der huur, of wanneer hij eigenaar is, der kadastrale
huurwaarde, van het deel dat geheel of gedeeltelijk voor zijn
bedrijf, beroep of ambt wordt gebezigd. Wordt door de commissie
van aanslag die begrooting te hoog geacht, dan wordt dat
bedrag door deskundigen, door haar aan te wijzen, geschat.
De kosten der schatting, volgens een door Ons vast te stellen
tarief, komen ten laste van den belastingplichtige, indien zijne
begrooting hot geschat bedrag met tien ten honderd of meer
overtreft en worden met de belasting van hem ingevorderd.
§ 5. Winstuitkeeringen genoten door commanditaire vennooton
uit andere commanditaire vennootschappen dan die bedoeld bij
art. Ib worden, ter berekening van haar zuiver bedrag, vermin-
derd met eene rente op den voet van vier ten honderd in het
jaar van het kapitaal, waarvoor deze vennooten deelgerechtigd
zijn in de vennootschap.
§ 6. Van pensioenen, wachtgelden en lijfrenten, mits deze
laatste niet bij huwelijksche voorwaarden of ter zake van hu-
welijk door bloedverwanten of aangehuwden in de rechte opgaande
linie ten behoeve van kinderen en andere afstammelingen zijn
gevestigd, worden de eerste f 1000 van hun bedrag voor vijftig
ten honderd in rekening gebracht.
§ 7. Inkomsten uit hier te lande gedreven land-, tuin- of
boschbouw, boom- of bloembollenkweokerij, onverschillig of
daarbij cenige bloemisterij op kleine schaal wordt gedreven,
veehouderij of veenderij, met inbegrip der daarmede gewoonlijk
samengaande bereidingen van het voortgebrachte door do voort-
brfngers zelven, als ook winsten uit steengroeven en uit groeven
of mijnen van andere delfstoffen hier te lande, voorzoover zij
voortkomen uit verkoop in natura der uitgegraven stoffen, worden
geacht, na aftrok van allo kosten, vier ten honderd in hot jaar van
het daartoe aangewende kapitaal te bedragen, of, voor zoover
daartoe opgenomen kapitaal is gebezigd, zooveel ten honderd
als bedongen is.
Deze bepaling is niet van toepassing:
-ocr page 566-
559
BEDRIJF8BELASTING.
1°. wanneer het in bovenbedoelde bedrijven aangewende
kapitaal, tengevolge van da vereeniging dier bedrijven met
andere, niet afzonderlijk te begrooten is;
2°. op winsten uit bloemisterij, onverschillig of daarbij eenige
bloembollenkweekerij op kleine schaal wordt gedreven.
4. Voor de toepassing van het in de artt. 2 en 3 bepaalde
gelden de volgende regelen:
§ 1. Vaste traktementen en alle andere voor bepaalden of
onbepaalden tijd vastgestelde inkomsten uit bedrijven, beroepen,
ambten, waardigheden, bedieningen of betrekkingen, benevens
wachtgelden, pensioenen, lijfrenten en andere periodieke uitkee-
ringen belastbaar volgens deze wet, als ook vaste toelagen van
buitenslands gevcstigden, worden berekend naar het jaarlijksch
bedrag bij den aanvang van het belastingjaar, of bij lateren
aanvang van belastingplichtigheid, op het tijdstip van dien
aanvang; een en ander verminderd, voor zoover dit pas geeft,
met het bedrag der vermoedelijke rente, kosten, afschrijvingen,
bijdragen, retributiën, kortingen en premiën, berekend overeen-
koinstig art. 3 §§ 2—4.
Andere toelagen van buitenlands gevestigden worden berekend
naar het vermoedelijk bedrag.
$ 2. Inkomsten wegens tijdelijke werkzaamheden worden
gebracht onder de inkomsten van het belastingjaar, volgend op
dat waarin zij zijn ontvangen.
§ 3. Alle overige inkomsten bedoeld bij art. 2 § 1, daaronder
begrepen dag- en weekloonen, worden berekend naar het gemid-
deld per jaar over de drie laatste kalenderjaren ontvangen bedrag.
Is een bedrijf, beroep, ambt, waardigheid, bediening of betrek-
king nog geen drie jaar door den belastingplichtige hier te
lande uitgeoefend, dan worden do daaruit verkregen inkomsten
berekend over het tijdsverloop tusschen den aanvang of de aan-
vaarding van dat bedrijf, beroep of ambt of die waardigheid,
bediening of betrekking en het einde van het laatste kalender-
jaar de maand van aanvang voor oene geheele gerekend.
Is het bedrijf, beroep of ambt of de waardigheid, bediening
of betrekking nog geen jaar door den belastingplichtige hier te
lande uitgeoefend, dan wordt do jaarlijkscho winst of belooning
begroot.
Valt het boekjaar van eene onderneming of bedrijf niet samen
met het kalenderjaar, dan treedt het boekjaar daarvoor in de
plaats.
Door bloote verandering in den vorm, den omvang of den
naam van een bedrijf of beroep, of door bevordering of benoe-
ming tot een ander ambt of eene andere waardigheid, betrokking
of bediening in millitairen, kerkelijken of openbaren burgerlijken
dienst of wel in dienst van handel of nijverheid, wordt niet
-ocr page 567-
560                                        BEDRIJFSBELASTINO.
geacht aanvang of aanvaarding plaats te grijpen; tenzij de
maatstaf van belooning of de toepassing daarvan geheel of
gedeeltelijk verandering heeft ondergaan, eene bestaande winst-
verdeeling vervalt of gewijzigd wordt, of eene nieuwe ontstaat.
De aanslag voor het loopende belastingjaar, door de commissie
van aanslag bedoeld in art. 19 vastgesteld, blijft echter ook
dan ongewijzigd.
5. § 1. De vennootschappen, vcreenigingen en maatschappijen
bedoeld bij art. \\b zijn belastingplichtig naar het bedrag van
hare gewone en buitengewone uitdeelingen, van welken aard
ook, gedurende het belastingjaar aan oprichters, concessionarissen,
preferente en gewone aandeelhouders, leden en andere deelge-
rechtigden in de winst, daaronder niet begrepen:
a.    uitdeelingen aan beheerende vennooten, bestuurders, com-
missarissen, gecommitteerden en verder personeel als zoodanig;
b.    uitdeelingen of uitkeeringen aan onderstand genietenden
in deze hunne eigenschap en aan verzekerden, voor zooveel de
bedragen betreft, waarvoor verzekerd is;
e. uitdeelingen bestaande in teruggave van betaalde contri-
butiën, voor zoover deze niet geschieden door vereenigingen,
die eene winkelnering of eene fabriek of handwerk drijven.
Kan worden aangetoond, dat in de uitdeeling tevens aflossing
van kapitaal is begrepen en zoo ja, tot welk bedrag, dan wordt
dat bedrag van die uitdeeling afgetrokken, totdat het geheele
bedrag van het gestorte kapitaal is afgelost of afgeschreven.
Bijschrijving op en uitreiking van aandeelen of obligatiën,
voor zoover daarvoor geen storting plaats heeft, en uitkeering
van het batig saldo in geval van liquidatie, voor zoover dit
saldo het gestorte, doch nog niet afgeloste of afgeschreven
kapitaal overtreft, worden als uitdeelingen aangemerkt.
Het bedrag, dat in een boekjaar, waarover de uitdeeling ge-
schiedt, door in art. 16 genoemde vennootschappen, vereeni-
gingen en maatschappijen is ontvangen, ter zake van het bezit
van aandeelen op naam in andere zoodanige vennootschappen,
vereenigingen of maatschappijen, wordt van die uitdeeling afge-
trokken.
§ 2. De reederjjen bedoeld bij art. Ie zijn belastingplichtig
naar het gemiddeld bedrag der uitkeeringen aan deelhebberd in
de laatste drie jaren of, indien de reederij nog geen drie jaar
heeft bestaan, sedert zij een aanvang nam, verminderd met
eene rente op den voet van zeven ten honderd in het jaar over
het aan de deelhebbers toebehoorend in de onderneming aange-
wend kapitaal.
Jiij liquidatie geldt als winst wat meer wordt uitgekeerd dan
het gestorte kapitaal.
§ ;i. Met afwijking van het bepaalde bij § 1 zijn sociëteiten
-ocr page 568-
561
BEDR1JPSBELASTING.
Ix-lastingplichtig naar het bedrag over het vorige boekjaar der
< ontributiën, entreegelden en ontvangsten wegens de levering
van eet- en drinkwaren, verpacht of niet verpacht, en het
verschaffen van uitspanning aan leden of geïntroduceerden, een
en ander na aftrek van de rente, kosten, afschrijvingen, bijdra-
i;en, winstuitkeeringen en retributiën, bedoeld bij artikel 3 § 2;
alles onverminderd de belastingplichtigheid van den pachter,
kastelein of buffethouder.
§ 4. De stichtingen, bedoeld bij art. \\c, zijn belastingplich-
tig naar het zuiver bedrag van de som der inkomsten, berekend
volgens artikel 8, uit de door haar uitgeoefende bedrijven en
beroepen, met uitzondering, dat hierbij geen aftrek voor rente
van eigen kapitalen wordt toegestaan.
6. § 1. Personen, bedoeld bij art. ld, zijn belastingplichtig
naar het bedrag van hun jaarlijksch tractoment, toelagen en
\'ïnolumenten daaronder begrepen, verminderd met het bedrag
der beroepskosten, bepaald volgens door Ons te stellen regelen,
en der kortingen van tractementen en andere belooningen wegens
verplichte bijdragen voor pensioenen en fondsen. Een en ander
\'nvenninderd hunne belastingplichtigheid ingevolge artikel
Ik en //.
§ 2. De in art. Ie bedoelde buitenlandsche vennooten in
N\'ederlandsche vennootschappen en maatschappen zijn belasting-
dichtig naar het bedrag der door hen gedurende het belasting-
aar ontvangen winstuitkeeringen.
Voor de toepassing dezer wet gelden als Nederlandsche ven-
lootschappen en maatschappen alleen dezulke, welker zetel in
Nederland gevestigd is.
§ 3. De spoorwegondernemingen bedoeld bij art. \\f zijn
belastingplichtig naar de halve jaarlijksche bruto ontvangst per
kilometer, zoo noodig berekend in verhouding tot die van de
wheele lijn, na aftrek eener rente ten bedrage voor gewone
spoorwegen van f 3200 per kilometer, voor lokaalspoorwegen
van f 1200 en voor stoomtramwegen van f 800 per kilometer.
§ 4. In het buitenland gevestigden, die door tusschenkomst
van gemachtigden hier te lande overeenkomsten aangaan tot
\'Jrand-, zee-, lovens- of andere verzekeringen, zijn belastingplichtig
naar tien ten honderd van het in het vorige boekjaar aan
pieiniën of kapitaal van in Nederland gevestigde verzekerden ont-
vangen bedrag, na aftrek der courtages, provisiën en rabatten,
>velke in mindering van dat bedrag komen.
§ 5. In het buitenland gevestigden, niet reeds begrepen
>nder §§ 3 en 4, die hier te lande persoonlijk of door gemach-
igden een bedrijf, beroep, ambt, waardigheid, bediening of
betrekking geregeld uitoefenen, zijn belastingplichtig naar
hunne hier te lande verkregen winsten en belooningen, opgevat
36
-ocr page 569-
502                                       BEDRIJFSBELASTING.
en berekend naar de bepalingen van artt. 3 en 4 dezer wet
voor binnen het Rijk wonenden, met uitzondering, dnt hierbij
geen aftrek voor rente van eigen kapitalen worden toegestaan.
Andere bij artikel \\h bedoelden, die geacht worden hier te
lande een bedrijf, beroep, ambt. waardigheid, bediening of\'
betrekking slechts tijdelijk uit te oefenen of te zullen uitoefenen,
zijn belastingplichtig, behoudens latere verrekening, indien
noodig:
a.     naar het zuiver bedrag hunner vermoedelijke winsten en
belooningen hier te lande in het loopende belastingjaar, geschat
bij billijke vergelijking met dat van personen hier te lande, die
hetzelfde bedrijf of beroep uitoefenen en zonder aftrek voor
rente van eigen kapitalen;
b.     wanneer zij hier te lande in eene bezoldigde betrekking
getreden zijn of treden, naar het zuiver bedrag hunner bezol-
diging in het loopende belastingjaar.
Het vervoeren van personen on goederen tusschen buitenland-
sche en Nederlandscbe havens door of voor rekening van bui-
tenslands gevestigden en werkzaamheid van in het buitenland
gevestigd bezoldigd personeel op vervoermiddelen, die het ver-
keer met het buitenland onderhouden, worden niet aangemerkt
als de uitoefening van een bedrijf of beroep hier te lande.
§ 6. In het buitenland gevestigden bedoeld bij art. \\\'\\ zijn
belastingplichtig voor tien ten honderd van de verkoopwaarde
der goederen in het voorafgaande belastingjaar door hen naar
Nederland gezonden.
7. § 1. De belasting van reederijen hier te lande gevestigd
is verschuldigd in de persoon van den boekhouder, behoudens
verhaal op de reeders.
§ 2. De belasting der buitenlandsche vennooten bedoeld bij
artikel 1 e, is verschuldigd in de persoon van de voor deze
schuld ieder voor het geheel aansprakelijke hier te lande
wonende beheerende vennooten, behoudens verhaal op debelasting-
plichtigen.
§ 3. Do belasting der in het buitenland gevestigden bedoeld
bij art. 1// en h, hier te lande vertegenwoordigd door personen
tot de uitoefening van het bedrijf of beroep gemachtigd, is,
behoudens verhaal op de belastingplichtigen, verschuldigd in de
persoon dier vertegenwoordigers.
Zijn er twee of meer vertegenwoordigers, doch is aan eenen
de algemeene leiding van het bedrijf hier te lande toevertrouwd,
dan is de belasting verschuldigd in zijn persoon.
§ 4. De belasting van ondernemers bedoeld bij artikel 1/ is,
behoudens verhaal op de belastingplichtigen, verschuldigd in de
persoon van de hier te lande gevestigde tusschenpersonen.
§ 5. Indien minderjarigen, voor zoover zij niet ingevolge
-ocr page 570-
563
BEDRIJFSBELASTINO.
artikel 480 van het Burgerlijk Wetboek handlichting bekomen
hebben, onder curatele gestelden, krankzinnigen of afwezigen
een binnen bet Rijk wonenden wettelijken vertegenwoordiger
hebben, is de belasting, behoudens verbaal op den belasting-
|ilichtigo, verschuldigd in den persoon van dien vertegenwoordiger.
Woont do vertegenwoordiger in het buitenland, dan is zij, mede
behoudens verhaal, verschuldigd in den persoon van den geinach-
tigde of anderen, die hier te lande voor hem optreedt. Ontbreekt
ook deze, zoo is de belasting verschuldigd in den persoon van
den belastingplichtige zelf.
8.     Vrijgesteld van belasting zijn :
a.     winsten van stichtingen, voort spruitende uit of verband
houdende met het geven van onderwijs, het voorkomen of
lenigen van armoede, verpleging, verzorging of zedelijke ver-
betering en het verstrekken aan minvermogenden van kost,
inwoning of kost en inwoning, geneeskundige hulp, geneesmid-
delen en begrafenis of begrafenisgelden;
b.     inkomsten van spoorwegondernemingen in het buitenland
gevestigd, welker exploitatie op Nederlandsen grondgebied zich
niet verder uitstrekt dan tot het naast bij de grens gelegen
station, mits Nederlandsche spoorwegondernemingen in het land
waar eerstgenoemde gevestigd zijn gelijke vrijstelling genieten;
e. inkomsten van gezanten en andere vertegenwoordigers of
diplomatieke ambtenaren van vreemde Mogendheden, die naar
de regelen van het volkenrecht of krachtens verdragsbepalingen
op vrijdom van persoonlijke lasten aanspraak hebben. Deze
vrijstelling kan onder voorwaarde van wederkeerigheid worden
uitgestrekt tot consuls of consulaire ambtenaren van vreemde
Mogendheden, mits zij vreemdelingen zijn en hier te lande
overigens geen bedrijf of beroep uitoefenen.
9.     De belasting bedraagt:
A. voor hintten het Iiijk wonenden, die niet in de vermogentt-
belasting zijn aangeslagen;
voor hen, die buiten het Rijk in Europa een Nederlandsen
Staatsambt uitoefenen;
en voor de in het buitenland gevestigde», bedoeld bij art. Mi,
die hier te landt\' persoonlijk of door gemachtigden een bedrijf,
beroep, ambt, waardigheid, bediening of betrekking geregeld uitoe-
fenen;
wanneer de zuivere inkomsten bedragen:
f 650 tot beneden f    700   ....    f 1,00
700 , ,              750    ....         2,00
750 „ ,              800    ... .         2,75
800 „ ,              850    ... .         3,50
850 , „              900    ... .         4,25
-ocr page 571-
564                                       BEDMJFSBELASTING.
900 tot beneden
f 950 .. .
f 5,00
950 „
»
1000 . . .
5,75
1000 „
1050 . . .
6,50
1050 „
n
1100 . . .
7,25
1100 „
V
1 150 . . .
8,00
1150 „
>i
1200 .. .
8,75
1200 „
»
1250 .. .
9,50
1250 „
i)
1300 . . •
10,25
1300 .
n
1350 . . .
11,00
1350 „
ji
1400 ...
11,75
1400 „
n
1450 . . .
12,50
1450 ,
r
1500 ... .
13,25
1500 ,
V
1600 .. .
14,00
Bedragen zij meer dan ƒ 1 500, doch niet meer dan f 8 200,
zoo is verschuldigd een vaste som f 14, benevens f 2 voor
elke geheele som van f 100, waarmede zij het bedrag van
f 1 500 te boven gaan.
Bedragen zij meer dan f 8 200, zoo is verschuldigd eene vaste
som van /\' 148, benevens /\' 3,20 voor elke geheele som van
ƒ 100, waarmede zij het bedrag van f 8 200 te boven gaan.
B. voor hen, die in de vermogensbelasting zijn aangeslagen:
a. indien het belastbaar vermogen f 13000 of f 14 000 bo-
draagt:
wanneer de zuivere inkomsten bedragen:
250 tot beneden
f 300 . .
f 2,00
300
B
n
350 . ..
2,75
350
r\\
ff
400 . .
3,50
400
V
*
450 . .
4,25
450
t
n
500 . .
5,00
500
n
V
550 . .
5,75
550
n
M
600 . .
6.50
600
B
f
650 . .
7.25
650
n
i*
700 . .
8,00
700
V
„
750 . .
8,75
750
»
n
800 . .
9,50
800
V
V
850 . .
10,25
850
f
n
900 . .
11,00
900
ii
„
950 . .
11,75
950
j*
n
1 000 . .
12,50
1000
V
1 050 . .
13,25
1050
*
r
1 150 . .
14,00
Bedragen zij meer dan f 1 050, zoo is verschuldigd eene vaste
som van f 14, benevens f 2 voor elke geheele som van f 100,
waarmede zij het bedrag van f 1 050 te boven gaan.
-ocr page 572-
BEDRUFSBELASTING.                                       565
Bedragen echter de zuivere inkomsten, gevoegd bij vier ten
honderd van het belastbaar vermogen, meer dan f 8 150, dan
is over dat meerdere nog f 1,20 voor elke geheele som van "
f 100 verschuldigd;
b. indien het belastbaar vermogen f 15 000, doch niet meer
dan f 200000 bedraagt:
wanneer de zuivere inkomsten bedragen:
f 250 tot beneden
f 300 .
. . f 1,25
300
n
TT
350 .
2,00
350
V
1
400 .
2,75
400
.
Tl
450 .
3,50
450
TT
n
500 .
4,25
500
n
550 .
5,00
550
1
„
600 .
5,75
600
0
„
650 .
6,50
650
TT
„
700 .
7,25
700
V
750 .
8,00
750
n
r
800 .
8,75
800
1
850 .
9,50
850
TT
900 .
. 10,25
900
Tl
TT
950 . .
. 11,00
950
Tl
TT
1000 .
11,75
1000
1
1050 . .
. 12,50
1050
Tl
1
1 100.. .
. 13,25
1100
r
1200 . .
. 14,00
Bedragen zij meer dan ƒ 1 100, zoo is verschuldigd eene vaste
som van f 14. benevens f 2 voor elke geheelo som van f 100,
waarmede zij het bedrag van f 1 100 te boven gaan.
Bedragen echter de zuivere inkomsten, gevoegd bij vier ten
honderd van het belastbaar vermogen, meer dan f 8 200, dan
is over dat meerdere nog ƒ 1,20 over elke geheele som van
f 100 verschuldigd:
c. indien het belastbaar vermogen meer dan ƒ 200 000 be-
draagt: f 3,20 voor elke geheele som van f 100 der zuivere
inkomsten, waarmede zij het bedrag van f 200 te boven gaan.
C.    voor de in het buitenland gevestigden, die hier te lande
rondreizen om bestellingen op te nemen :
f 15 in ieder belastingjaar, onverminderd de belasting uit
anderen hoofde krachtens deze wet door hen verschuldigd ;
D.    voor alle overige belastingplichtigen:
f
2,50 van elke geheele som van f 100.
Voor de in het buitenland gevestigden, bedoeld bij art. \\h, die
hier te lande slechts tijdelijk een bedrijf, beroep, ambt, waardig-
heid, bediening of betrekking uitoefenen,
wordt echter de belasting
-ocr page 573-
566                                       BEDEIJFSBELASTING.
berekend op f 0,50 van elke geheele som van f 25, waarmede
in elke drie kalendermaanden hunne inkomsten het bedrag
van f 150 te boven gaan.
10.    Voor do toepassing van artt. 21 en -24 van het tractaat
van handel en scheepvaart met Pruisen en de verdere Staten
van het Duitscho Tolverbond van 24 (31) December 1851
(Stbl. 1852 no. 104) en van art. 5 der overeenkomst met
Duitschland, tot regeling van de uitoefening der geneeskunst
in de grensgemeenten, van 11 December 1873 (Stbl. 1874
no. 71), wordt de belasting op bedrijfs- en andere inkomsten
ten hoogste tot het daar bepaalde bedrag geheven.
HOOFDSTUK II.
BKLASTING.IAAB. BESCHRIJVING.
11.  § 1. Het belastingjaar begint met 1 Mei en eindigt niet
30 April.
§ 2. Bij aanvang van belastingplichtigheid in den loop van
het belastingjaar i3 de belasting, indien zij over het jaar is
berekend en niet slechts over een deel daarvan, noch over de
uitdeelingen on uitkeeringen bedoeld bij art. 5 § § 1 en 2 en
art. 6 § 2, slechts verschuldigd over zooveel twaalfde gedeelten
van het belastingjaar als het aantal geheele maanden beloopt,
die nog niet zijn ingetreden.
§ 3. Aanvang van belastingplichtigheid in den loop van het
belastingjaar heeft plaats:
a.    voor hen, die op 1 Mei wel binnen het Rijk wonen, doch
volgens de bepalingen dezer wet geen belasting verschuldigd
zijn : wanneer zij in den loop van het belastingjaar inkomsten
verwerven als bedoeld bij art. 4, § 1, ten bedrage van /\' 650
of meer per jaar, of wanneer zij een bedrijf of beroep aanvan-
gen of een ambt, waardigheid, bediening of betrekking aan-
vaarden, waarvan de jaarlijkscho inkomsten, berekend naar de
bepalingen dezer wet, blijkens overeenkomsten of andere gegevens
op /\' 650 of meer kunnen worden begroot;
b.    voor hen die zich na 1 Mei metterwoon binnen het Rijk
vestigen: wanneer zij tijdens die vestiging reeds in het genot
zijn van inkomsten, begrepen in art. 2 § 1 en waarvan het
bedrag op minstens zooveel kan worden begroot als belastbaar
is volgens de bepalingen dezer wet, en voorts in de hierboven
genoemde gevallen;
e. voor de personen bedoeld bij art. lil, wanneer zij in don
loop van het belastingjaar een Nederlandsen Staatsambt buiten
het Rijk aanvaarden: op den dag van ingang hunner bezol-
diging;
-ocr page 574-
BEDRIJFSBELASTING.                                       567
(/. voor de spoorwegondernemingen bedoeld bij art. \\f: bij
den aanvang van haren dienst op Nederlandsch grondgebied;
e.     voor stichtingen en voor de buitenlands gevestigden, be-
doeld bij art. \\h\'. bij den aanvang der uitoefening van het bedrijf,
beroep, ambt of de waardigheid, bediening of betrekking hier
te lande, indien het inkomen daaruit op minstens zooveel kan
worden begroot, als bejastbaar is volgens de bepalingen dezer
wet ;
f,     voor de buitenslands gevestigden, bedoeld bij art. Ik: bij
den aanvang hunner werkzaamheid hier te lande.
§ 4. Het bepaalde in § 2 is niet van toepassing op belasting-
plichtigen bedoeld bij arl. Ik.
12. § 1. De belasting wordt geheven ingevolge aangiften
der belastingplichtigen of hunne vertegenwoordigers op beschrij-
vingsbiljetten.
Er zijn beschrijvingsbiljetten A, B en C.
Biljet A is bestemd tot aangifte :
I.     van den naam, de voornamen en de woonplaats of plaats
van vestiging van hen, door wie de aangifte geschiedt; voorts
van den naam, de voornamen en de woonplaats of plaats van
vestiging van hen, op wie do aangifte betrekking heeft, alsmede
van hunne bedrijven, beroepen, bezoldigde ambten, waardig-
heden, bedieningen, betrekkingen en verdere bronnen van
inkomsten bedoeld bij art. 2 § 1, art. 5 §§ 3 en 4 en art. 6 § 5;
II.     van bijzonderheden, niet ontleend aan kasboeken, balau-
sen of winst-enverliesrekeningen, waarvan de kennis gevorderd
wordt tot beoordeeling van den aard en den omvang der
bedrijven, beroepen, bezoldigde ambten, waardigheden, bedie-
ningen en betrekkingen hierboven bedoeld;
III.     wanneer een beroep of bedrijf wordt uitgeoefend in
vennootschap of maatschap met anderen, van den naam en de
woonplaats dezer personen, voor zooverre zij helleerende of
hoofdelijk aansprakelijke vennooten zijn. Wanneer er comman-
ditaire vennooten zijn, wordt daarvan molding gemaakt;
IV.     voor hen, die tevens biljet B ontvangen, van het per-
centsgewijs bedrag der afschrijvingen bedoeld bij art. 3 § 2e
en van het bedrag der als kosten ingevolge art. 3 § 4 berekende
huur of huurwaarde ;
V.     in do gevallen bedoeld bij art. 2 § 2, van het vermogen
van den belastingplichtige opgevat en berekend volgons de wet
van 27 September 1892 {SM. no. 223).
Biljet B is uitsluitend bestemd tot aangifte van inkomsten
of ontvangsten, belastbaar volgens deze wet.
Biljet C is bestemd tot aangifte van de uitkeeringen of uit-
deelingen, waarover ingevolge art. 5 §§ 1 en 2 en art. 6 § 2
belasting verschuldigd is.
-ocr page 575-
568
BEDIiIJFSBELASTING.
De formulieren voor de biljetten worden bij algemeenen
maatregel van bestuur vastgesteld.
§ 2. Biljet A wordt uitgereikt:
1°. aan alle binnen bet Rijk wonende of gevestigde personen
of lichamen, die geacht worden hetzij uit eigen hoofde, hetzij
als gemachtigde, vertegenwoordiger of tusschenpersoon voor
anderen, op 1 Mei belastingplichtig te zijn.
Wordt eeno onderneming door meer dan een in Nederland
wonenden hoofdelijk aansprakelijken vennoot onder eeno firma
gedreven, zoo geschiedt do uitreiking van biljet A ook aan die
firma, ter vermelding der bijzonderheden bedoeld bij § 1 I —IV
van dit artikel, voor zooveel zij de door die firma gedreven
onderneming betreffen. Ten blijke dat zij met den inhoud
instemmen zijn alle in Nederland gevestigde hoofdelijk aanspra»
kelijke vennooten gehouden de aangifte met hun eigen naam
te onderteekenen. Bij hunne individueele aangifte op biljet A
kunnen zij naar deze aangifte verwijzen;
2°. aan de in het buitenland gevestigden, die op 1 Mei per-
soonlijk of als gemachtigde hier te lande een bedrijf, beroep,
ambt, waardigheid, bediening of betrekking uitoefenen en geacht
worden belastingplichtig te zijn.
De uitreiking van biljet A geschiedt echter niet aan dezulken
die alleen belastingplichtig zijn naar uitkeeringen of uitdeelingen,
noch aan hen voor wie, ingevolge art. 7 § § 3, 4 en 5, de
belasting verschuldigd is in den persoon van een ander.
Biljet B wordt uitgereikt:
1°. aan alle in het Rijk wonenden aan wie biljet A wordt
uitgereikt, voor zooverre:
a.    zij geacht worden in de vermogensbelasting belasting-
plichtig te zijn;
b.    hunne inkomsten, ongerekend die uit vermogen, hoofdza-
kelijk geacht worden te bestaan uit vaste traktementen en
andere inkomsten bedoeld bij art. 4 § 1;
e. zij in het vorige belastingjaar naar een bedrag van f 2000
of meer in deze belasting waren aangeslagen;
d. zij den ontvanger der directe belastingen uiterlijk op 15
Mei hunnen wensch om een biljet JJ te ontvangen schriftelijk
bobben kenbaar gemaakt;
2°. aan hier te lande gevestigde stichtingen en sociëteiten
aan wie een biljet A wordt uitgereikt;
3°. aan allen die een Nederlandsch Staatsambt uitoefenen
buiten het Rijk zonder daar aan persoonlijke lasten onderworpen
te zijn ;
4". aan spoorwegondernemingen in het buitenland gevestigd,
wier exploitatie zich op Nederlandsch grondgebied uitstrekt;
5°. aan in het buitenland gevestigden, die hier te lande door
-ocr page 576-
BEDRIJFSBELASTING.                                       569
tusschenkomst van gemachtigden hier gevestigd, overeenkomsten
aangaan tot brand-, zee-, levens- of andere verzekering;
6°. aan andere in het buitenland ge vestigden die op 1 Mei
hier te lande een bedrijf, beroep, ambt, waardigheid, betrekking
of bediening uitoefenen, waarvoor zij kantoren of andere vaste
inrichtingen bezigen of waaraan vaste inkomsten, niet bestaande
uit dag- of weekloonen, verbonden zijn;
7". aan in het buitenland gevestigden, die herhaaldelijk
stoffen of kleedingstukken, sieraden, meubelen, speelgoed, voe-
dings- en genotmiddelen en andere dergelijke artikelen in koop
toezenden aan niet daarin handeldrijvenden hier te lande door
bemiddeling van hier te lande gevestigde tusschenpersonen.
Aan de onder 3°., 5°., 6°. en 7°. bedoelden worden slechts
dan biljetten uitgereikt, wanneer zij geacht worden op 1 Mei
belastingplichtig te zijn.
De biljetten bestemd voor de sub 4". bedoelden worden uit-
gereikt aan hunne vertegenwoordigers bij de Nederlandsche
Regeering; die voor de sub 5". en 7°. bedoelden, aan hen in
wier persoon de belasting verschuldigd is. Oefenen de sub 6°.
genoemden hun bedrijf of beroep door hier te lande gevestigde ge-
machtigden uit, dan geschiedt de uitreiking aan die gemachtigden.
De biljetten worden uiterlijk in Juli door of vanwege den
ontvanger der directe belastingen uitgereikt.
Of een biljet of biljetten zullen worden uitgereikt beoordeelt
de hoofdambtenaar der directe belastingen bedoeld in art. 19.
Over de vraag of iemand geacht moet worden in de vermogens-
belasting belastingplichtig te zijn, raadpleegt hij den inspecteur
der registratie, wiens advies door hem wordt gevolgd.
Biljet C wordt uitgereikt:
1°. aan de vennootschappen, vereenigingen en maatschappijen
bedoeld bij art. \\b;
2°. aan de boekhouders van reederijen bedoeld bij art. 7 § 1;
3°. aan de hier te lande wonende beheerende vennooten
bedoeld bij art. 7 § 2;
tot aangifte te zijner tijd van de uitkeeringen of uitdeelingcn,
voor welke naar deze wet de belasting verschuldigd is.
De uitreiking geschiedt bij het begin van het belastingjaar,
desgevorderd in meer dan één exemplaar.
§ 3. Ieder aan wien een beschrijvingsbiljet is uitgereikt,
hetzij voor hem persoonlijk of als belastingplichtig voor anderen,
is gehouden de daarin gestelde vragen duidelijk, stellig en
zonder voorbehoud naar waarheid te beantwoorden en het met
zijne naamteekening te bekrachtigen.
Hij aan wien een biljet is gezonden, en die over het loopend
belastingjaar in eene andere gemeente van het Rijk is aange-
slagen of daar reeds aangifte heeft gedaan, vermeldt dit op het
-ocr page 577-
570                                       BEDR1.TFSBELASTING.
biljet, met opgaaf van den naam dier gemeente, onverminderd
zijne verplichting tot aangifte in het goval, bedoeld bij art. 14 § 4.
De aangifte voor hier te lande gevestigde naamlooze ven-
nootschappen, commanditaire vennootschappen op aandeelen,
coöperatieve of andere vereonigingen, onderlinge verzekering-
maatschappijen, sociëteiten en stichtingen, geschiedt door de
hier te lande gevestigde bestuurders of helleerende vennooten;
dip van spoorwegondernemingen bedoeld bij art. \\f, door haren
vertegenwoordiger bij de Nederlandsche Regeering.
§ 4. De beschrijvingsbiljetten worden uitgereikt ter plaatse
waar ingevolge art. 17 de aanslag geschiedt.
De voor eene firma bestemde biljetten A worden echter uit-
gereikt ter plaatse, waar deze haren zetel heeft.
Voor belastingplichtigen aan wie geen biljetten worden uit-
gereikt, alsmede voor alle belastingplichtigen die geen biljetten
hebben ontvangen of wier biljetten in het ongereede zijn ge-
raakt, worden biljetten kosteloos verkrijgbaar gesteld, zoowel
bij de ontvangers der directe belastingen als op de secretarié\'n
der gemeenten.
13. § 1. De dag waarop met de uitreiking van de beschrij-
vingsbiljetten zal worden begonnen, wordt door den Commis-
saris der Koningin in de provincie bepaald en door het ge-
meentebestuur ter algemeene kennis gebracht.
De biljetten A en Ii worden na twintig dagen door of van-
wege den ontvanger teruggehaald, indien zij niet reeds terstond
na de uitreiking ingevuld en onderteekend aan dezen of zijn
gemachtigde zijn teruggegeven of vóór het verstrijken van den
hierboven bedoelden termijn ten kantore van den ontvanger
zijn bezorgd. Zij kunnen worden afgegeven in gesloten omslag
en een ontvangbewijs kan worden geöischt.
De hierboven bedoelde termijn kan door den hoofdambtenaar
der directe belastingen bedoeld bij art. 19 worden verlengd.
§ 2. Indien hij, aan wien biljetten zijn uitgereikt, of die
ook zonder dat hem biljetten zijn uitgereikt, tot het doen van
aangifte verplicht is, niet in staat mocht zijn om aangifte te
doen, kan dit door een ander, namens hem, worden gedaan,
hetzij krachtens . schriftelijke volmacht, hetzij op schriftelijke
vergunning van den hoofdambtenaar der directe belastingen
bedoeld bij art. 19. Volmacht of vergunningen worden in die
gevallen aan de aangifte gehecht.
§ 3. Indien iemand verklaart niet te kunnen schrijven,
geschiedt de invulling der biljetten op zijn verlangen en met
vermelding der reden kosteloos door den ontvanger of zijn
gemachtigde, die daarna de aangifte, na voorlezing, namens den
belastingplichtige in tegenwoordigheid van een getuige onder-
teekent. De getuige onderteekent mede.
-ocr page 578-
BEDRIJFSBELASTING.                                        571
14. § 1. Allen die op 1 Mei uit eigen hoofde of als gemach-
tigde, vertegenwoordiger of tusschenpersoon belastingplichtig
zijn, zijn gehouden uiterlijk binnen twee maanden na den dag,
door den Commissaris der Koningin in de provincie voor het
begin van de uitreiking dor beschrijvingsbiljetten bepaald,
hunne aangifte in den voorgeschreven vorm op biljet A in te
dienen, bijaldien zij dit biljet A niet hebben ontvangen of het
niet is teruggehaald.
Dit voorschrift is niet van toepassing op hen die een Neder-
landsch Staatsambt uitoefenen buiten het Rijk, op de spoorweg-
ondernemingen bedoeld bij art. \\f, op dezulken die alleen
belastingplichtig zij naar uitkeeringen en uitdeelingen, noch op
hen voor wie ingevolge art. 7 §§ 8, 4 en 5 de belasting ver-
schuldigd is in de persoon van een ander.
De indiening geschiedt ten kantore van den ontvanger der
directe belastingen, tor plaatse waar zij ingevolge art. 17 moeten
worden aangeslagen; of indien aldaar geen zoodanig ontvanger
gevestigd is, bij het bestuur der gemeente.
Het gemeentebestuur zendt de aangiften onverwijld aan den
ontvanger dor directe belastingen tot wiens kantoor de gemeente
behoort.
8 2. De hierboven bedoelde termijn kan door den hoofd-
ambtenaar der directe belastingen bedoeld bij art. 19 worden
verlengd.
§ 3. Belastingplichtigen, wier winstaangifte afhangt van de
nog vast te stellen balans der onderneming, kunnen voorloopig
volstaan met de beantwoording van het beschrijvingsbiljet A,
en biljet B, indien hun dit is uitgereikt, voor memorie invul-
len. In dit geval zal echter de aangifte moeten volgen binnen
acht dagen na den termijn voor die vaststelling bepaald, waar-
toe hun desverlangd de vereischte formulieren kosteloos worden
verstrekt.
§ 4. Bij aanvang van belastingplichtigheid in den loop van
bot belastingjaar doet hij, die uit eigen hoofde of voor anderen
belastingplichtig is, binnen vier weken daarvan onder ver-
melding van zijn adres en den grond zijner belastingplichtig-
beid schriftelijk aangifte ten kantore van den ontvanger der
directe belastingen in de gemeente, waar hij ingevolge artikel
17 zal worden aangeslagen, of, indien aldaar geen zoodanig
ontvanger gevestigd is, bij het bestuur der gemeente.
Het bestuur der gemeente zendt in het laatste geval die aan-
gifte onverwijld aan den ontvanger der directe belastingen, tot
wiens kantoor de gemeente behoort.
Daai\'op worden hem aangeteekend per post het biljet of de
biljetten toegezonden, die hij ingevolge artikel 12 § 2 zou ont-
vangen hebben, bijaldien zijn belastingplicht reeds op 1 Mei
-ocr page 579-
572                                        BEDRIJFSBELASTINQ.
had bestaan. Behoort hij tot de belastingplichtigen bedoeld bij
artikel la of tot de gemachtigden van belastingplichtigen
bedoeld bij art. \\h, aan wien het biljet B niet wordt uitgereikt,
doch wenscht hij dit biljet niettemin te ontvangen, zoo maakt
hij dezen wensch schriftelijk kenbaar aan den ontvanger of het
gemeentebestuur vermeld in het eerste lid dezer paragraaf, te
gelijk met zijne daarbedoelde aangifte.
Hij bezorgt het biljet of de biljetten, desgevorderd tegen
ontvangbewijs, binnen drie weken na den dag der toezending
ter plaatse waar hij do aangifte, vermeld in het eerste lid,
heeft gedaan.
Het gemeentebestuur, dat het biljet of de biljetten ontving,
zendt deze onverwijld aan den ontvanger.
Voorts is art. 12 § 3 eerste en § 4 laatste lid hier van toe-
passing.
De in deze paragraaf genoemde termijnen kunnen door den
hoofdambtenaar der directe belastingen, bedoeld bij art. 19 ver-
lengd worden.
15.  § 1. Bij verandering van de bijzonderheden in biljet A
vermeld, binnen twee maanden nadat het biljet is ingeleverd,
wordt daarvan binnen veertien dagen door den aangever schrifte-
lijk kennis gegeven aan den ontvanger der directe belastingen
in de gemeente waar do aanslag zal geschieden, of zoo daar
geen zoodanig ontvanger gevestigd is, bij het bestuur der
gemeente.
Hot gemeentebestuur zendt deze kennisgeving onverwijld aan
den ontvanger der directe belastingen, tot wiens kantoor do
gemeente behoort.
§ 2. leder die optreedt als bestuurder of beheerend vennoot
van eone hier te lande gevestigde vennootschap, onderlinge
verzekoringmaatschapij, coöperatieve vereeniging, of van eone
vereeniging of stichting die een bedrijf of beroep uitoefent, of
als boekhouder eener hier te lande gevestigde reederij, is
gehouden daarvan schriftelijk binnen ééne maand kennis te
geven bij het bestuur dor gemeente waar hij woont.
Het gemeentebestuur handelt met deze kennisgeving op do
wijze voorgeschreven in de laatste zinsnede der vorige paragraaf.
16.    Hier te lande wonende helleerende vennooten van Neder-
landsche vennootschappen en maatschappen, als bedoeld in art. 6
§ 2, en van de in art. 16 bedoelde commanditaire vennootschappen
op aandeelen, bestuurders van hier te lande gevestigde naamlooze
vennootschappen, coöperatieve en andere vereenigingen en onder-
linge verzekeringmaatschappijen, als ook boekhouders van hier te
lande gevestigde reederijen mogen niet tot het doen van uitdee-
Hngen of uitkeeringen, waarover volgens art. 5 §§ 1 en 2 en
art. 6 § 2 belasting verschuldigd is, overgaan, alvorens daarvan
-ocr page 580-
BEDKIJFSBülLASTING.                                       573
aangifte gedaan en de over vroegere uitdeelingen of uitkeeringen
verschuldigde belasting betaald te hebben.
Bij liquidatie mogen de hier bedoelde uitdeelingen of uitkee-
ringen niet geschieden, alvorens de daarover verschuldigde
belasting is voldaan.
HOOFDSTUK III.
AANSLAG, BEROEP.
17. De aanslag der belastingplichtigen geschiedt ter plaatse
als volgt:
1°. Belastingplichtigen bedoeld bij artikel la: in de gemeente
waar zij wonen op 1 Mei of bij het begin van hunne belasting-
plichtigheid in het loopend belastingjaar.
De woonplaats van den binnen het Rijk wonenden man wordt
geacht ook de woonplaats te zijn van zijne vrouw, van wie hij
niet van tafel en bed gescheiden is.
Minderjarigen die geene handlichting hebben bekomen inge-
volge art. 480 van het Burgerlijk Wetboek, onder curateelo
gestelden, krankzinnigen en afwezigen, voor wie de belasting
verschuldigd is in den persoon van een ander, worden, indien
hun een aanslag moet worden opgelegd, aangeslagen in de
gemeente waar hunne wettelijke vertegenwoordigers wonen, en
zoo deze in het buitenland wonen, in de gemeente waar de
gemachtigden dier vertegenwoordigers wonen, of de personen
die hier te lande voor hen optreden.
Voor rondreizende of rondtrekkende personen zonder vaste
woonplaats, wordt de plaats van het werkelijk verblijf daarvoor
gehouden;
2". Belastingplichtigen bedoeld in artikel IJ en c; ter plaatse
waar de zetel dier lichamen of de boekhouder der reederij ge-
vestigd is;
3°. Belastingplichtigen bedoeld in artikel ld: te \'sGravenhage;
4°. Belastingplichtigen bedoeld in artikel Ie: ter plaatse waar
de zetel der venn.ootschap of maatschap gevestigd is;
5°. Belastingplichtigen bedoeld in artikel 1/\', ff, h, i en 1c:
ter plaatse waar hunne vertegenwoordigers, gemachtigden of
agenten, expediteurs of andere personen die voor hen optreden,
gevestigd zijn of, bij gebreke van zoodanigen, de gemeente waar
het bedrijf, beroep of ambt of de waardigheid, bediening of
betrekking hier te lande wordt of zal worden uitgeoefend.
Strekt zich in het laatstbedoelde geval dat bedrijf, beroep of
ambt of die waardigheid, bediening of betrekking uit over
verschillende gemeenten, dan geldt als zoodanig de gemeente
waar de uitoefening in het belastingjaar begint.
-ocr page 581-
574
BEDRIJFSBELAST1NG.
Bij verschil van gevoelen over de plaats waar een belasting-
plichtige moet worden aangeslagen, beslist de Minister van
Financiën.
18.    Aan art. 2, 1ste lid, der wet van 5 April 1870 {Stbl.
no. 63) wordt bet volgende toegevoegd :
„Wij behouden Ons echter voor in eene gemeente meer dan
een college van zetters in te stellen, in zoodanig geval het
aantal leden van elk college, behoudens het bovenbedoelde
maximum, te bepalen en de werkzaamheden onder die collegiën
te verdeden."
Aan art. 2, 2de lid, der evengenoemde wet wordt het vol-
gende toegevoegd:
„Voor werkzaamheden echter betreffende de belasting op
bedrijfs- en andere inkomsten is. met afwijking van het bepaalde
bij art. •">, tweede lid, een hoofdambtenaar der directe belastin-
gen, aan te wijzen door den Minister van Financiën ambtshalve
lid en voorzitter. Art. 14 en art. 10 zijn bij het verrichten dezer
werkzaamheden niet van toepassing."
Aan art. 3 der evengenoemde wet wordt het volgende toege-
voegd:
„Bij instelling van meer dan een collegie van zetters in
eene gemeente geschiedt de benoeming dor niet ambtelijke leden
de eerste maal uit eene opgave door den Gemeenteraad binnen
twee maanden na het instellen van het collegie of de collegiën
in te zenden aan den Commissaris der Koningin in de provincie,
die het tijdstip van het optreden der benoemden bepaalt.
„De helft der aldus benoemde leden treedt af met het einde
van het volgende jaar, de overigen twee jaar later, overeenkomstig
de regelen bij art. 4, 3de en 4de lid, dezer wet bepaald."
19.  § 1. De aanslag wordt in elke gemeente vastgesteld:
«. voor do belastingplichtigen bedoeld bij art. la, indien zij
niet behooren tot dezulken aan wie ingevolge ait. 12 § 2 het
biljet B wordt uitgereikt: door een der collegiën van zetters
bedoeld bij do wet van 5 April 1870 (Stbl. no. 63):
Ik voor allo overige belastingplichtigen: door eene commissie
bestaande uit een hoofdambtenaar der directe belastingen, aan
te wijzen door den Minister van Financiën, een lid benoemd
door liedeputeerde Staten, een lid benoemd door den Gemeente-
raad en een lid benoemd door den Kantonrechter in wiens rechts*
gebied de commissie volgons Onze aanwijzing is gevestigd.
Bij het regelen van aanslagen van hen, die belastingplichtig
zijn naar de vermogensbelasting, maakt een door den Minister
van Financiën aan tj wijzen inspecteur der registratie deel uit
der commisssie.
Voor elk der leden wordt op dezelfde wijze een plaatsver-
vanger benoemd.
-ocr page 582-
575
BEDBI.IFSBELASTINO.
Voorzitter der commissie is de hierboven bedoelde hoofdamb-
lenaar der directe belastingen.
§ \'2. Wij behouden Ons voor om in ééne gemeente meerdere
commissiën bedoeld bij § 16, of\' voor meerdere gemeenten te zamen,
gelegen in dezelfde provincie, slechts ééne zoodanige commissie
in te stellen. Geschiedt dit laatste, zoo bestaat de commissie
uit een hoofdambtenaar der directe belastingen, aan te wijzen
door den Minister van Financiën, twee leden benoemd door
Gedeputeerde Staten en een lid benoemd door den Kantonrecht
ter in wiens rechtsgebied de door Ons aangewezen standplaats
der commissie is gevestigd.
Verder zijn de drie laatste zinsneden der vorige paragraaf
van toepassing.
§ 3. Waar in deze wet gesproken wordt van de commissie
van aanslag wordt dnaronder verstaan, zoowel het college van
zetters belast met den aanslag, als de commissiën bedoeld
bij § 16 en § 2.
§ 4. De commissiën van aanslag zijn gehouden elkander de
vereischte inlichtingen te verschaffen, die zij geven kunnen.
Daarenboven kan de Minister van Financiën voor een bepaalde
gemeente of groep van gemeenten Adviseurs benoemen, wier
taak het is, om ieder afzonderlijk of vergaderd onder voorzit-
terschap van den door genoemden Minister aan te wijzen hoofd-
ambtenaar der directe belastingen, de inlichtingen te verschaf"
fen, waartoe zij in staat en bevoegd zijn omtrent aanslagen van
belastingplichtigen.
§ 5. Op de commissiën bedoeld bij § 16 en § 2 en de bij
§ 4 bedoelde Adviseurs is van toepassing het bepaalde bij art.
1, 2de lid, art. 5, 1ste, 4de, 5de en 6de lid, art. 8, 1ste lid,
art. 10, 1ste lid, art. 11 en art. 12 der wet van 5 April 1870
(Stbl. no. 63).
Mede is van toepassing het bepaalde bij art. 5, 2de lid, voor
zoover daarvan niet bij §§ 1 en 2 is afgeweken.
De kosten van het lokaal, daaronder begrepen die van meu-
beleering, verlichting, verwarming en schoonhouden daarvan,
ten behoeve van meer dan een college van zetters in dezelfde
gemeente, van de commissiën als bedoeld in § 1 6 en van de
Adviseurs bedoeld bij § 4, komen ten laste van het Rijk.
§ 6. De niet ambtelijke leden van de commissiën van : an-
slag en hunne plaatsvervangers leggen, alvorens hunne werk-
zaamheden tot uitvoering dezer wet aan te vangen, ten over-
staan van den voorzitter den volgenden eed of belofte af:
„Ik zweer (beloof), dat ik, als lid (plaatsvervangend lid) van
de commissie van aanslag voor de belasting op bedrijfs- en
andere inkomsten, overeenkomstig de bepalingen der wet met
nauwgezetheid en onpartijdigheid en volgens mijn geweten zal
-ocr page 583-
576
BEDRIJFSBELASTING.
handelen en dat ik hetgeen mij in mijn ambt nopens aanslagen
in de genoemde belasting, vermogens, inkomsten, uitkeeringen
of uitdeelingen, bedrijven, beroepen, ambten, waardigheden,
bedieningen, betrekkingen of werkzaamheden blijkt of medege-
deeld wordt, zal geheim houden. Zoo waarlijk helpe mij God
Almachtig! (Dat beloof ik)."
Van deze handeling wordt proces-verbaal opgemaakt.
Wegens het afleggen van den eed of belofte en het opma-
ken van het proces-verbaal zijn geen kosten verschuldigd.
Bij herbenoeming wordt geene nieuwe eed of belofte gevor-
derd, doch wordt van de vroeger afgelegde verklaring door den
voorzitter op de nieuwe akte van aanstelling melding gemaakt.
§ 7. De commissie van aanslag brengt de aanslagsregeling
ten einde binnen den tijd door den Commissaris der Koningin
in de provincie te bepalen. Is dat werk niet binnen dien tijd
gereed, dan wordt het door het ambtelijke lid of de ambtelijke
leden van elke commissie met den burgemeester der gemeente,
waar de aanslag .ingevolge art. 17 moet geschieden, ten spoe-
digsto volbracht. In dit geval wordt bij verschil van meening
tusschen den burgemeester en een ambtelijk lid beslist door den
Provincialen Inspecteur der directe belastingen, invoerrechten
en accijnzen, in wiens inspectie de gemeente gelegen is.
§ 8. De benoeming van de leden der commissiën bedoeld
bij § 16 en § 2 en der Adviseurs bedoeld bij § 4 geschiedt,
telkens voor vier jaren. De aftredenden zijn herbenoembaar.
De diensttijd der niet ambtelijke leden en hunne plaatsver-
vangers gaat in met den eersten Januari. Vóór den eersten
November van het voorafgaande jaar worden zij benoemd. Zij
kunnen tusschentijds bij een met redenen omkleed besluit wor-
den ontslagen door de autoriteit die hen benoemd heeft.
Bij tusschentijds ontslag of overlijden van een niet ambte-
lijk lid of plaatsvervanger, wordt, on verwijld door de autoriteit,
die dat lid of dien plaatsvervanger benoemd heeft, een ander
in zijne plaats benoemd. De tusschentijds benoemde treedt af
op het tijdstip waarop degene, in wiens plaats hij benoemd is,
zou hebben moeten aftreden.
20.    Indien de commissie van aanslag nadere toelichting
eener aangifte noodig acht, kan zij den aangever daartoe in de
gelegenheid stellen. Tenzij de aangever schriftelijk zijn verlan-
gen te kennen geeft om door de commissie zelve gehoord te
worden, geschiedt deze nadere toelichting aan den voorzitter.
21.  § 1. Indien de commissie van aanslag geen bedenking
heeft tegen de aangifte van het bedrag, naar hetwelk de aan-
slag ingevolge deze wet moet geschieden, wordt de aanslag
door haar, behoudens de bepalingen van § 3, in overeenstem-
ming met die aangifte vastgesteld.
-ocr page 584-
BEDRIJFSnELASTING.                                       577
De commissie is bevoegd den aanslag vast te stellen naar
een hooger dan het aangegeven bedrag, indien dit laatste, om
welke reden ook, haar te laag voorkomt.
§ 2. De aanslag van hem, die van het in § 1 bedoelde
bedrag geen aangifte heeft gedaan, wordt ambtshalve geregeld.
§ 3. Aan do aangifte van hem. wien naar de meening van
de commissie van aanslag geen aanslag moet worden opgelegd,
wordt, behoudens het bepaalde in het tweede lid dezer paragraaf,
geen verdere behandeling gegeven.
Indien in de commissie van aanslag verschil van meening
ontstaat tusschen de meerderheid van de commissie en den
voorzitter over de vraag of aan iemand uit eigen hoofde of als
belastingplichtige voor anderen oen aanslag moet worden opge-
legd, wordt deze vraag onderworpen aan het oordeel van den
Provincialen Inspecteur der directe belastingen, invoerrechten
en accijnzen, in wiens inspectie de standplaats der commissie
gelegen is, die haar, bijaldien het verschil de toepassing van
art. 1, art. 2 § 5 en art. 7 betreft na raadpleging van den
Rijksadvocaat, beslist. Deze beslissing is voor de commissie
van aanslag verbindend.
Indien in de commissie van aanslag verschil van meening
ontstaat tusschen de meerderheid van de commissie en den
voorzitter over het bedrag naar hetwelk de aanslag moet gere-
geld worden, dan wordt dat geschil onderworpen aan het oordeel
van den hierboven genoemden Provincialen Inspecteur, die in
dat geval het bedrag vaststelt, doch tot geen hoogere som dan
het hoogste en geen lagere dan het laagste der bedragen
waarover het geschil loopt. Ook deze beslissing is voor de
commissie vim aanslag verbindend.
§ 4. Indien eene uitspraak op een bezwaarschrift krachtens
de wet van 27 September 1892 (Stbl. n*. 223) wijziging brengt
in de bepaling van het vermogen, naar hetwelk de aanslag in
deze belasting is geregeld, wordt deze aanslag, zoodra de uit-
spraak niet meer voor beroep vatbaar is, herzien.
22. § 1. De aanslagen worden ten kohiere gebracht.
Die van reederijen worden gesteld ten name van den boek-
houder, onder vermelding van diens hoedanigheid.
Die van de in § 2 van artikel 7 bedoelden worden gesteld
ten name der voor deze schuld ieder voor het geheel aanspra-
kelijke hier te lande wonende bcheerende vonnooten, met
toevoeging der woorden: voor buitenlandsche vennooten.
Die van de onder §§ 3, 4 en 5 van artikel 7 genoemde
belastingplichtigen worden gesteld te hunnen name, onder bij-
voeging van den naam en de hoedanigheid van hen, in wier
persoon zij krachtens dat artikel belastingplichtig zijn. Voor
de toepassing van artt. 24, 25, 27, 29, 30 en 32 wordt deze
37
-ocr page 585-
578
BEDRIJFSBELASTIICG.
persoon als de belanghebbende of aangeslagene beschouwd.
§ 2. In de kohieren wordt het bedrag der inkomsten niet
vermeld
§ 8. Aan hen, die aangiften in gesloten omslag hebben
ingeleverd, wordt het aanslagbiljet mede in gesloten omslag
uitgereikt.
Aanslagbiljetten, welke voor geheele of gedeeltelijke aanzui-
vering in gesloten omslag worden aangeboden, worden, na
voldaanteekening, in gesloten omslag teruggegeven.
§ 4. De aanslagbiljetten worden uiterlijk binnen veertien
dagen na de afkondiging van het kohier uitgereikt.
23.     Hij, die bezwaar heeft tegen den aanslag, hem uit eigen
hoofde of als belastingplichtige voor anderen opgelegd, kan,
tenzij hij de aangifte niet deed, waartoe hij gehouden was, zelf
of door een gemachtigde, binnen zes weken na de afkondiging
van het kohier, of in het geval bedoeld in § 4 van art. 21,
binnen zes weken na de dagteekening der daarbedoelde uitspraak,
een gemotiveerd bezwaarschrift bezorgen bij den voorzitter der
commissie van aanslag, die hem den aanslag heeft opgelegd,
en wel tegen gedagteekend ontvangbewijs of aangeteekend per
post.
Voor zoover het bezwaar gegrond is op de bepalingen van
art. 1, art. 2 § 5 en art. 7, wordt gehandeld, gelijk in art. 21
§ 3, 2de lid, is voorgeschreven. Ook dan is de beslissing van
den Provincialen Inspecteur voor de commissie van aanslag
verbindend.
Heeft de Provinciale Inspecteur reeds vroeger in die zaak
eene beslissing genomen, zoo wordt hem, onder mededeeling
van het bezwaarschrift, eene nadere beslissing gevraagd.
Indien hij, die een bezwaarschrift heeft ingediend, of zijn
gemachtigde, het verlangen daartoe heeft te kennen gegeven,
wordt hij te zijner keuze door de commissie van a: nslag of
haren voorzitter on, in het geval bedoeld bij het tweede lid,
door den Provincialen Inspecteur gehoord.
24.    Op de bezwaarschriften wordt uitspraak gedaan door de
commissie van aanslag, die daarvan den aangeslagene kosteloos
kennis geeft, hetzij tegen gedagteekend ontvangbewijs of wel
aangeteekend per post.
25.  § 1. Hij, die bezwaar heeft tegen de uitspraak der
commissie op zijn bezwaarschrift omtrent zijn aanslag, kan,
binnen dertig dagen na de dagteekening van het ontvangbewijs
of van de aanteekening per post, in beroep komen bij deu raad,
ingesteld bij art. 29 der wet van 27 September 1892 (Stbl.
no. 223.)
§ 2. Hij, die bezwaar heeft tegen den aanslag hem ambts-
halve opgelegd wegens het nalaten eener aangifte, waartoe hij
-ocr page 586-
BEDRIJFSBELASTING.                                       579
gehouden was, kan bij dien raad in beroep komen binnen zes
weken na de afkondiging van bet kohier.
§ 8. Beroep op den raad staat in ede open binnen veertien
dagen nadat die uitspraken zijn gedaan aan den voorzitter dor
commissie van aanslag tegen uitspraken der commissie op be-
zwaarschriften omtrent den aanslag of de inkomsten.
Maakt de voorzitter van dat beroep gebruik, dan geeft hij
binnen drie dagen hiervan den belanghebbende kennis op de
wijze bij art. 24 voorgeschreven.
§ 4. Het beroep geschiedt door toezending van een met
redenen omkleede memorie aan den voorzitter van den raad
op de wijze bepaald bij art. 23 1ste zinsnede.
Bij de memorie wordt in het geval bedoeld bij § 1 van dit
artikel een afschrift van de uitspraak der commissie, in dat
bedoeld bij § 2 het aanslagbiljet overgelegd.
§ 5. Het beroep van den voorzitter op den raad van beroep
wordt door dezen niet in behandeling genomen, alvorens dertig
dagen zijn verstreken nadat de kennisgeving bedoeld bij § 3 is
uitgereikt of verzonden.
26.    De voorzitter, de leden en de plaatsvervangende leden
van den raad leggen, alvorens werkzaamheden hun bij deze
wet opgedragen aan te vangen, ten overstaan van den Commis-
saris der Koningin in de provincie den volgenden eed of belofte af:
„Ik zweer (beloof), dat ik als voorzitter (lid) (plaatsvervan-
gend lid) van den raad van beroep ingesteld bij de wet van
27 September 1892 (Stbl. no. 22:?), overeenkomstig de be-
palingen der wet tot heffing eener belasting op bedrijfs- en
andere inkomsten met nauwgezetheid en onpartijdigheid en
volgens mijn geweten zal handelen, en dat ik hetgeen mij in
mijn ambt nopens aanslagen in die belasting, inkomsten, ver-
mogens, uitdeelingen of uitkeeringen, bedrijven, beroepen, ambten,
waardigheden, bedieningen, betre"kkingen of werkzaamheden
blijkt of medegedeeld wordt, zal geheim houden. Zoo waarlijk
helpe mij God Almachtig! (Dat beloof ik)."
Van deze handeling wordt proces-verbaal opgemaakt.
Wegens het afleggen van den eed of belofte en het opmaken
van het proces-verbaal zijn geen kosten verschuldigd.
27.    Alvorens op een beroep uitspraak te doen stelt de raad
den belanghebbende die het mogt verlangen, in de gelegenheid om
zijne bezwaren mondeling toe te lichten. Dit verlangen geeft de
belanghebbende te kennen in de memorie bedoeld bij art. 25 § 4.
Is het beroep ingesteld door den voorzitter der commissie van
aanslag, zoo doet de belanghebbende die kennisgeving binnen
acht dagen, nadat hem van dat beroep bericht is gezonden. De
voorzitter der commissie van aanslag of zijn plaatsvervanger
wordt steeds door den raad gehoord.
-ocr page 587-
580
BEDRIJFSBELASTINGi
Elke memorie wordt ten minste twintig dagen vóór de behan-
deling aan den voorzitter der commissie ter beoordeeling ge-
zonden.
Zoowel de belanghebbende als de voorzitter der commissie
van aanslag of zijn plaatsvervanger worden door den voorzitter
ten minste vijf dagen vóór de vergadering opgeroepen.
Bij verhindering van den belanghebbende om zelf in de ver-
gadering van den raad te verschijnen kan diens gemachtigde
worden toegelaten, indien de redenen van verhindering aan den
voorzitter gegrond voorkomen.
De behandeling der zaak wordt, zoo noodig, door den voor-
zitter verdaagd.
De belanghebbende en de commissie van aanslag en haar
voorzitter kunnen schriftelijke toelichtingen aan don raad
overleggen.
28.     De voorzitter der commissie van aanslag of zijn plaats-
vervanger is bevoegd zoowel zijn advies op de memorie als
zijn beroep toe te lichten uit gegevens, waaromtrent hem ge-
heimhouding is opgelegd.
29.     De raad is bevoegd bij zijne uitspraak een aaiwlag op
te leggen, afwijkende zoowel van de aangifte als van den
ambtshalve opgelegden aanslag en van het advies van de com-
missie van aanslag of haren voorzitter.
De raad is echter onbevoegd tot verlaging van den aanslag,
opgelegd aan hem, die de aangifte, waartoe hij gehouden was,
niet heeft gedaan, tenzij de aangeslagene hebbe aangetoond, dat
de aanslag te hoog was.
Bij de behandeling zijner zaak kan den aangeslagene worden
toegestaan om zijne aangifte te verbeteren.
Indien omtrent de juistheid der aangifte naar biljet B of C
twijfel overblijft en bezwaar is tegen toepassing van het eerste
lid van dit artikel, of indien twijfel overblijft omtrent de juist-
heid der aangifte in biljet A omtrent vermogen, kan de raad
hem, die bij zijne aangifte volhardt, uitnoodigen om die in de
vergadering van den raad door een der volgende verklaringen te
bevestigen:
„Ik verklaar, dat de inkomsten (het vermogen) (de uitdeeling,
de uitkeering) hij de aangifte, die hier voor mij ligt, te goeder
trouw, naar mijn beste weten, zonder iets te verzwijgen, is (zijn)
opgegeven, en die inkomsten (de waarde van dat vermogen)
(die uitdeeling, die uitkeering) overeenkomstig de wet, te goeder
trouw, naar mijn beste weten, berekend is (zijn)."
„Ik verklaar, dat ik te goeder trouw vermeen, dat ik geen
inkomsten, (vermogen), (uitdeeling of uitkeering) had aan te
geven, waarvoor naar de wet belasting verschuldigd is."
Van de handeling wordt procesverbaal opgemaakt, waarin
-ocr page 588-
BEPRIJFSBELASTING.                                       581
de verklaring opgenomen en door den aangever onderteekend
wordt.
Het proces-verbaal wordt door den voorzitter en de leden
wan den raad onderteekend.
In de bevestigde aangifte wordt berust.
De aanslag van hem, die weigert of, daartoe overeenkomstig
het in het 3de lid van art. 27 bepaalde opgeroepen, in gebreke
blijft de verklaring af te leggen en te onderteekenen, wordt
.niet verlaagd of opgeheven.
In geval van ziekte, afwezigheid buiten het Kijk of andere
wettige reden van verhindering, kan de verklaring, met toe-
lating van den Minister van Financiën, krachtens eene bijzon-
idere volmacht worden afgelegd.
Het verzoekschrift om toelating wordt door tusschenkomst
van den voorzitter van den raad aan den Minister gezonden.
30.    Do aanslag bij de uitspraak van den raad op een
beroep van den aangeslagene vastgesteld of gehandhaafd, wordt
verhoogd met:
vijf en twintig ten honderd van de hoofdsom van den aan-
slag, indien de aangeslagene de aangiften, waartoe hij gehouden
was, niet heeft gedaan ;
vijf en twintig ten honderd van de verhooging der belasting
in hoofdsom, indien de aangifte van het bedrag, naar hetwelk
de aanslag moet geschieden, te laag is gedaan.
31.    De raad kan de commissie van aanslag hooren nopens
de berekening van inkomsten, uitdeelingen, uitkeeringen of ver-
mogen en deskundigen raadplegen omtrent waardebepalingen en
afschrijvingen.
32.    De uitspraak van den raad, door den voorzitter en den
secretaris onderteekend. wordt aan den belanghebbende gezonden
en in afschrift medegedeeld aan den Provincialen Inspecteur dei-
directe belastingen, invoerrechten en accijnzen, die voor zooveel
aioodig voor de uitvoering zorgt.
33.    De bepalingen van art. 37 der wet van 27 September
1892 (SM. no. 223) gelden ook voor de belasting op bedrijfs-
en andere inkomsten.
HOOFDSTUK IV.
BIJZONDERE BEPALINGEN.
34.     Handelsreizigers, kramers en alle verdere personen, die
hun bedrijf of beroep rondtrekkende uitoefenen, voor zoover zij
behooren tot de bedoelden bij art. la, /( en k, zijn gehouden
onverminderd hunne verplichtingen omschreven bij artt. 12 en
14, zich ter plaatse binnen het Rijk, wanr zij zich na het begin
-ocr page 589-
582                                       BEDBIJFSBELASTINO.
van het belastingjaar het eerst bevinden, bij het gemeente-
bestuur schriftelijk aan te melden, met opgaaf van hun naam,
hunne woonplaats en hun bedrijf of beroep. Ten blijke dat zij
hieraan voldaan hebben, ontvangen zij kosteloos een door of
vanwege het hoofd van dat bestuur onderteekend bewijs, dat
zij gehouden zijn mede te onderteekeuen en op aanvraag aan
ambtenaren der directe belastingen te vertoonen.
Van de bierbedoelde opgaaf wordt door het gemeentebestuur
onverwijld afschrift gezonden aan den ontvanger der directe
belastingen, onder wiens kantoor de plaats gelegen is, waar
ingevolge art. 17 do aanslag moet geschieden.
Buitenslands gevestigden, indien zij hier te lande geen kantoren
of vaste inrichtingen hebben, bekomen het bewijs slechts op
verklaring van den ontvanger, dat zij niet door hem belasting-
plichtig worden geacht of wel den door hem voorloopig naar
deze wet geregelden aanslag betaald of voor het bedrag daar-
van, ten zijnen genoege, borg, gesteld hebben; een en ander
behoudens hunne verplichting tot bijbetaling en hun recht op
teruggave ten gevolge van de definitieve vaststelling van hun
aanslag.
De ontvanger geeft, onder overlegging der aangifte, van den
door hem geregelden aanslag onverwijld kennis aan den voor-
zitter der commissie van aanslag, die den aanslag moet
regelen.
35.     Het is aan ieder verboden om hetgeen hem uithoofde
van zijn, hetzij tegenwoordig, hetzij vroeger ambt nopens aan-
slag in deze belasting, inkomsten, vermogen, uitkeeringen of
uitdeelingen, bedrijf, beroep, waardigheid, bediening, betrekking
of werkzaamheden van anderen gebleken of medegedeeld is,
verder bekend te maken dan voor de uitoefening van zijn ambt
of betrekking in dienst van het Rijk gevorderd wordt.
36.     De gemeentebesturen zijn gehouden aan de hoofdainbte-
naren der directe belastingen op hun verzoek kosteloos inzage
van de kohieren der hoofdelijke omslagen naar het inkomen te
geven en toe te laten, dat zij daarvan uittreksel of afschrift
nemen of doen nemen.
De ambtenaren ressorteerende onder het Departement van
Financiën geven aan de hoofdambtenaren der directe belastingen,
voor zooveel noodig, inlichtingen volgens regelen door den
Minister van Financiën te stellen.
37.     Aan belastingplichtigen bedoeld in art. la, b en e, die
in de koloniën of bezittingen van het Rijk in andere wereld-
deelen wegens door hen uitgeoefende bedrijven, beroepen of
ondernemingen in het patentrecht of eene belasting naar de
inkomsten zijn aangeslagen, wordt op hun verzoekschrift ont-
heffing van belasting verleend voor de som, gedurende het
-ocr page 590-
583
BEDRIJFSBELASTING.
voorafgaand belastingjaar uit dien hoofde in die koloniën of
bezittingen door hen betaald.
De ontheffing kan echter voor belastingplichtigen bedoeld bij
art. la en e de hoofdsom, voor belastingplichtigen bedoeld bij
art. 16 twee derden der hoofdsom naar deze wet door hen in
het loopend belastingjaar verschuldigd niet te boven gaan.
Bijaldien de belasting in die koloniën of bezittingen is bere-
kend naar inkomsten of uitdeclingen, kan de ontheffing niet
meer bedragen dan twee ten honderd van het bedrag daarvan.
De verzoekschriften moeten uiterlijk binnen zes maanden na
de afkondiging van het kohier, waarop de aanslag hier te
lande voorkomt, aangeteekend per post toegezonden of tegen
ontvangbewijs worden uitgereikt aan den Provincialen lnspec-
teur der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen, in
wiens inspectie de gemeente gelegen is, waar de belasting-
plichtige is aangeslagen.
Het verzoekschrift moet vergezeld gaan van bewijsstukken
of gewaarmerkte afschriften daarvan.
De Provinciale Inspecteur doet uitspraak na de commissie
van aanslag, die den aanslag heeft vastgesteld, gehoord te
hebben. Hij zendt do uitspraak aangeteekend per "post of tegen
gedagteekend ontvangbewijs kosteloos aan dengeen die het ver-
zoek heeft gedaan.
38. Bij overlijden van een belastingplichtige, bedoeld bij
art. 1» en d, en van een belastingplichtige, bedoeld bij ait.
\\h, die hier te lande persoonlijk werkzaam is, wordt aan de
erfgenamen op hun verzoekschrift ontheffing verleend van den
aanslag van den overledene over de maanden van het belasting-
jaar, of, bij aanslag voor korteren tijd, over die, waarover de
aanslag loopt, die tijdens dat overlijden nog niet zijn inge-
treden.
Gelijke ontheffing wordt op zijn verzoekschrift verleend aan
den belastingplichtige, bedoeld in art. In, die in den loop van
het belastingjaar het Rijk metterwoon verlaat, voor zijn aan-
slag over de maanden van het jaar, die tijdens zijn vertrek,
of indien het verzoekschrift eerst na hot vertrek is ingediend,
tijdens de indiening nog niet zijn ingetreden.
De verzoekschriften moeten uiterlijk binnen zes weken na
het overlijden of vertrek, aangeteekend per post, toegezonden,
of tegen ontvangbewijs uitgereikt worden aan den Provincialen
Inspecteur der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen,
in wiens inspectie de gemeente is gelegen, waar do belasting-
plichtige is aangeslagen.
Verlenging van dezen termijn tot uiterlijk zes maanden kan
door den Minister van Financiën worden toegestaan.
De Provinciale Inspecteur doet uitspraak na de commissie
-ocr page 591-
584
BEDRIJFSBELASTING.
van aanslag, die den aanslag heeft vastgesteld, gehoord te heb-
ben. Hij zendt de uitspraak in gesloten omslag, aangeteekend
per post, of tegen gedagteekend ontvangbewijs, kosteloos aan
dengeen, die het verzoek heeft gedaan.
39.    Hij, die bezwaar heeft tegen de uitspraak van den
Provincialen Inspecteur op zijn verzoekschrift krachtens art. 37
en 38 dezer wet ingediend, kan binnen dertig dagen, nadat zij
hem is toegezonden, daarvan bij Ons in beroep komen. Als
datum van toezending geldt die der aanteekening per post of
die van het gedagteekend ontvangbewijs.
Door Ons wordt beslist den Raad van State gehoord.
40.    Wanneer het inkomen naar hetwelk de aanslag van
een belastingplichtige, bedoeld bij art. la, d en h is geregeld,
door het staken van eenig bedrijf of beroep of ontslag uit een
ambt, waardigheid, bediening of betrekking, of, voor zooveel de
belastingplichtigen bedoeld bij art. 1« betreft, door het ophou-
dcn van inkomsten als bedoeld bij art. 2 § \\b in den loop
van het belastingjaar met meer dan één vierde is verminderd,
kan aan den belastingplichtige geheele of gedeeltelijk onthef-
h\'ng van nog niet vervallen termijnen van belasting worden
verleend door den Provincialen Inspecteur der directe belastin-
gen, invoerrechten en accijnzen, in wiens inspectie de gemeente
is gelegen, waar de belastingplichtige is aangeslagen.
De Provinciale Inspecteur doet uitspraak, na de commissie
van aanslag, die den aanslag heeft vastgesteld, gehoord te heb-
ben. Hij zendt de uitspraak in gesloten omslag aangeteekend
per post of tegen gedagteekend ontvangbewijs, kosteloos aan
dengeen, die het verzoek heeft gedaan.
Hij. die bezwaar heeft tegen de uitspraak van den Provin-
cialen Inspecteur op zijn verzoekschrift kan binnen dertig dagen
in beroep komen bij den Minister van Financiën.
Als datum van toezending geldt die der aanteekening per
post of die van het gedagteekend ontvangbewijs.
41.    Bij overlijden van den aangeslagene zijn de erven in al
hunne goederen voor het niet aangezuiverde gedeelte van diens
aanslag aansprakelijk, voor zooveel schulden van den boedel
van den overledene ten hunnen laste komen.
42.    leder erfgenaam, de executeur-testamentair of do be-
windvoerder over de nalatenschap is bevoegd de aangifte te
doen, bezwaarschriften in te dienen en in beroep te komen
omtrent den aanslag van een overledene, alsof hij zelf de
belastingplichtige ware
43.    De Provinciale Inspecteur der directe belastingen, invoer-
rochten en accijnzen kan, onverschillig of al dan niet een be-
zwaarschrift is ingediend, op voorstel van de commissie van
aanslag ontheffing van belasting verleenen, indien hem in den
-ocr page 592-
BEDRIJFSBELASTING.                              585
loop van het belastingjaar of van het volgend belastingjaar
blijkt, dat de aanslag van een belastingplichtige te hoog is
bepaald.
Daarenboven behouden Wij Ons voor om in bijzondere ge-
vallen vanwege dwaling of onwillig verzuim kwijtschelding of
vermindering of teruggaaf van de hoofdsom en van de ingevolge
artikel 30 opgelegde verhooging te verleenen.
44.    De ambtenaren der directe belastingen zijn bevoegd
om, op schriftelijke lastgeving van den voorzitter der commissie
van aanslag, welke desgevorderd moet worden vertoond, met
machtiging van den kantonrechter en vergezeld van een door
dezen aangewezen persoon bij dag en op de gewone voor den
arbeid bestemde uren in de fabrieken, werkplaatsen en andere
vaste inrichtingen en op de vaartuigen van de belastingplichtigen
en van hen, die vermoed worden belastingplichtig te zijn, de
bijzonderheden op te nemen, bedoeld in art. 12 § 1 II, zonder
nochtans inzage van boeken of schrifturen te kunnen nemen,
tenzij de belastingplichtige dit verlangt.
Deze bevoegdheid strekt zich niet uit tot de fabrieken, werk-
plaatsen, andere vaste inrichtingen en vaartuigen van hen,
wier aanslag voor het loopend belastingjaar reeds door de
c-ommissie van aanslag of, in geval van beroep van den aango-
slagene, door den raad van beroep is vastgesteld.
Zij betreden geen woning, tenzij dit noodzakelijk is om de
bovengenoemde lokalen te betreden.
Van dit binnentreden wordt door hen proces-verbaal opgemaakt
en binnen vier en twintig uren aan dengenen, wiens woning
is binnengetreden, in afschrift medegedeeld,
45.    Bestuurders van de bij art. 16 en e bedoelde naamlooze
vennootschappen, coöperatieve vereenigingen, andere vereeni-
gingen en stichtingen, die een bedrijf of beroep uitoefenen,
onderlinge verzekeringmaatschappijen en sociëteiten, als ook
beheerende vennooten van hier te lande gevestigde commandi-
taire vennootschappen op aandeden en boekhouders van hier
te lande gevestigde reederijen, zijn gehouden binnen veertien
dagen na de vaststelling van balans of rekening een zoodanig
uittreksel als noodig is tot toelichting der winst, uitkeeringen
of uitdeelingen te doen toekomen aan den voorzitter der com-
missie van aanslag, bedoeld bij art. 19 § U of § 2, die den
aanslag moet regelen.
46.    De stukken krachtens deze wet op te maken en uit te
vaardigen, quitantiën van betaalde belasting, zoomede de pro-
cesstukken, daaronder begrepen vonnissen en afschriften van
vonnissen betreffende de toepassing van deze wet, zijn vrij van
zegel en worden, voor zoover aan de formaliteit van registratie
onderworpen, kosteloos geregistreerd.
-ocr page 593-
586                                              BEDRIJFSBELASTING.
HOOFDSTUK V.
BEPALINGEN VAN STRAFRECHTERLIJKEN AARD.
47. § 1. Hij, die persoonlijk of door een bijzonder daartoe
gemachtigde opzettelijk eene valsche verklaring, als bedoeld bij
art. 29, aflegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste zes jaren.
Ontzetting van do in art. 28 no. 1—4 van het Wetboek van
Strafrecht vermelde rechten kan worden uitgesproken.
§ 2. Hij, die opzettelijk de bij art. 35 opgelegde geheimhou-
ding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden,
met of zonder ontzetting van het recht oin ambten te bekleeden.
Hij, aan wiens schuld schending van de geheimhouding te
wijten is, wcrdt gestraft mot hechtenis van ten hoogste drie
maanden of gelboete van ten hoogste driehonderd gulden.
Geen vervolging wordt ingesteld dan op klachte van hom,
ten aanzien van wien de geheimhouding is geschonden.
§ 3. leder die, daartoe gehouden, nalaat de vragen, betref-
fende de bijzonderheden, bedoeld bij art. 12 § 1, I, III en IV
in het hem, aan zijne firma of aan de stichting of sociëteit,
waarvan hij bestuurder is, uitgereikte of toegezonden beschrij-
vingsbiljet A stellig, duidelijk en zonder voorbehoud naar waar-
heid te beantwoorden en dit antwoord te onderteekenen, ofwel
nalaat dit biljet tijdig ter voorgeschreven plaatse in te dienen,
wanneer het niet reeds vroeger is teruggehaald, wordt gestraft
met eene geldboete van ten hoogste ƒ 100.
§ 4. De belastingplichtige, die, ook zonder dat hem een
biljet is uitgereikt, niet voldoet aan de hem in art. 14 § 1
eerste lid en art. 14 § 4 eerste lid opgelegde verplichtingen,
wordt gestraft met eene geldboete van ten hoogste f 50.
§ 5. Hij, die daartoe gehouden, nalaat de verplichtingen na
te komen bedoeld bij art. 15 § 1 eerste lid, en art. 15 § 2
eerste lid, wordt gestraft met eene geldboete van ten hoogste
f25.
Gelijke straf wordt opgelegd in geval van overtreding van
art. 45.
§ 6. Overtreding van art. 16 wordt gestraft met eene geld-
boete van ten hoogste /\' 400.
§ 7. Personen, die van een bewijs voorzien moeten zijn als
bedoeld in art. 84 en die in gebreke blijven dit bewijs op aan-
vrage aan bevoegde ambtenaren te vertoonen, worden gestraft
met eene geldboete van ten hoogste f 25.
-ocr page 594-
587
BBDRIJPSBELASTING.
Geven zij ter bekoming van dat bewijs aan het bevoegd gezag
een valschen naam, woonplaats, bedrijf of beroep op, of maken
zij gebruik van het aan een ander afgegeven bewijs, dan wor-
den zij gestraft met eene geldboete van ten hoogste f 150.
48.    De feiten strafbaar volgens art. 47 § 1 en § 2 dezer
wet, worden beschouwd als misdrijven, behalve voor de toepas-
sing van artikel 57 en 58 van het Wetboek van Strafrecht, in
de plaats waarvan wordt toegepast artikel o\'2 1ste en 2de lid
van dat wetboek.
De feiten strafbaar volgens art. 47 §§ 3—7 dezer wet, wor-
den beschouwd als overtredingen.
49.    Met het opsporen van overtredingen dezer wet zijn,
behalve de in artikel 8 no, 1°. —4°. en 6". van het Wetboek
van Strafvordering aangewezen personen, belast de ambtenaren
der directe belastingen.
Zij maken van hunne bevinding proces-verbaal op, dat den
bekeurde wordt beteekend op de wijze voorgeschreven bij artikel
144 van het Wetboek van Strafvordering.
50.    De feiten strafbaar volgens de bepalingen van art.
47 §§ 3—7 dezer wet worden vanwege den Minister van
Financiën vervolgd op de wijze bedoeld bij art. 141 2°. van
het Wetboek van Strafvordering.
51.    Wanneer in do gevallen bedoeld bij art. 47 §§ 3—7 is
aan te nemen, dat bij den bekeurde geen opzet tot ontduiking
van belasting heeft bestaan, kan hij, mits vóór de dagvaarding,
door of vanwege den Minister van Financiën tot transactie over
de geldboete worden toegelaten.
52.    Wanneer eene bekeuring wegens overtreding van art.
47 ij 3 of § 4 bij transactie is beëindigd of eene veroordeeling
te dier zake onherroepelijk is geworden, slaat de commissie
van aanslag, indien dit noodig is, den bekeurde of veroordeelde
alsnog ambtshalve aan of herziet zij zijn reeds vastgestelden
aanslag. Is de vroegere aanslag door den raad van beroep
vastgesteld, dan wordt deze door dien raad herzien.
De commissie van aanslag en de raad gedragen zich naar
de uitspraak des rechters.
Art 23 is hier niet van toepassing. De aanslag wordt ook
in het geval van herziening aangemerkt als een aanslag
ambtshalve.
Do aanslag of verhooging van aanslag wordt alsnog ten
kohiere gebracht.
Is de verhooging van aanslag door den raad van beroep
vastgesteld, dan kunnen daartegen geen bezwaarschriften wor-
den ingediend en staat daartegen geen beroep open.
53.    Zijn bestuurders van stichtingen of sociëteiten in hunne
betrekking als zoodanig wegens overtreding van art. 47 § ït of
-ocr page 595-
588
BEDRIJFSBELA8TING.
§ 4 onherroepelijk veroordeeld of is eene tegen hen te dier
zake ingestelde bekeuring bij transactie beëindigd, dan wordt,
met inachtneming van het in art. 52 bepaalde aan die lichamen,
zoo dit noodig is, alsnog een aanslag opgelegd of de reeds
vastgestelde aanslag herzien.
HOOFDSTUK VI.
OVERGANGS" EK SLOTBEPALINGEN.
54.    In afwachting van nadere wettelijke regeling worden op
deze belasting geone opcenten ten behoeve van gemeenten of
provinciën geheven.
55.     Uepalingen omtrent meting van Rijkswege van binnen-
vaartuigen en de daarvoor in rekening te brengen kosten, wor-
den vastgesteld bij algemeenen maatregel van bestuur.
56.    De inkomsten in art. 4 § 2 bedoeld, blijven bij den
aanslag van het belastingjaar 1894 — 1895 buiten aanmerking.
57.    Voor belastingplichtigen, wier inkomsten volgens arti-
kel 4 § 3, 1ste en 2de lid, zouden moeten worden berekend
naar de uitkomsten van aan den aanvang van de heffing dezer
belasting voorafgaande jaren, doch die bij hunne aangifte met
redenen aantoonen, dat die uitkomsten geen betrouwbaren maat-
staf opleveren voor de berekening van vermoedelijke inkomsten
in het eerste belastingjaar, wordt in dat jaar de jaarlijksche
winst of belooning begroot, naar de ontvangen bedragen welke
volgons artikel 4 als grondslag zouden moeten gelden, doch
met inachtneming der redenen, die erkend worden eene afwij-
king noodig te maken, en geschiedt in de twee volgende belas-
tingjaren de berekening naar de inkomsten, verkregen sedert
den aanvang van het kalender- of boekjaar waarin de heffing
dezer belasting aanvangt.
58.  § 1. In art. 4, 1°. en art. 24 der wet van 22 Mei 1845
WW. n". 22) vervallen de woorden: „van beschrijving".
In art. 4, 2°. vervallen de woorden: „en der acten van patent".
Art. 8, derde lid, wordt vervangen door:
„Met afwijking van het in de beide voorafgaande leden be-
paalde, zijn de aanslagen wegens belasting op bedrijfs- en andere
inkomsten op de voljaarskohieren invorderbaar in vijf gelijke
termijnen; voor zooveel de betaling bij termijnen niet geheel
of gedeeltelijk is verboden en behoudens de uitzonderingen bij
het volgend artikel gemaakt. De eerste termijn vervalt den
laatsten Augustus, de tweede den laatsten October, de derde
den laatsten December, de vierde don laatsten Februari en de
vijfde den laatsten April van het belastingjaar."
Aan het slot van art. 8 wordt het volgende toegevoegd:
-ocr page 596-
BEDBIJFSBELASTINQ.                                       589
„Met afwijking van het in het vierde lid van dit artikel
bepaalde is voor aanslagen op kohieren welke na den laatsten
Augustus zijn afgekondigd, de belasting op bedrijfs- en andeie
inkomsten invorderbaar in zooveel gelijke termijnen als er na
de maand, waarin de afkondiging plaats had, nog tijdvakken
van twee maanden als bovenbedoeld in het dienstjaar over-
blijven. Blijft zulk een tijdvak niet over, dan is de belasting
dadelijk in haar geheel invorderbaar."
In art. 9 2°. dier wet vervallen de woorden: „en het regt
van patent," en wordt in de plaats van: „die middelen" gelezen
„dat middel."
Art. 9 3°. wordt vervangen door:
3°. voor zooveel de belasting op bedrijfs- en andere inkom-
sten aangaat, wanneer de aanslagen betreffen uitdeelingen van
naamlooze vennootschappen, commanditaire vennootschappen op
aandeelen, coöperatieve en andere vereenigingen, onderlinge
verzekeringmaatschappijen en reederijen of uitdeeling van winst-
aandeelen aan buitenslands gevestigde vennooten, of wel buitens-
lands gevestigden, die hier te lande geene vaste inrichtingen,
kantoren of in Nederland gevestigde vertegenwoordigers hebben;
voorts wanneer blijkt, dat de belastingschuldige het Rijk met
der woon wil verlaten, met wegvoering der meubelen."
Aan het slot van art. 15 worden de volgende leden toegevoegd:
„Met afwijking van het in het tweede lid van dit artikel
bepaalde kunnen voor zooveel de belasting op bedrijfs- en andere
inkomsten betreft, verzet en terugvordering nimmer de hoe-
grootheid van den aanslag of de bepaling van inkomsten, ver-
mogen, uitkeeriogen of uitdeelingen van den aangeslagene
betreffen, noch gegrond zijn op liet niet ontvangen van aanslag-
bihet, waarschuwing of aanmaning.
, Terugvordering van betaalde belasting op bedrijfs- en andere
inkomsten heeft plaats bij dagvaarding van den Minister van
Financiën voor de arrondissements-rechtbank, tot welker gebied
het ontvangkantoor behoort. De dagvaarding wordt beteekend
aan den ontvanger van dit kantoor."
Art. 17 is ten deze niet van toepassing.
§ 2. In de considerans en in de artt. 1 en 2 der wet van
18 September 1852 (Stbl. n°. 177), wordt in plaats van: „en
het regt van patent" en „het pateatregt" gelezen: „en de be-
lasting op bedrijfs- en andere inkomsten."
§ 3. In de wet van 4 April 1870 (Stbl. n°. 60), vervallen
in de considerans en in de artt. 2 en 3 de woorden: „of het
regt van patent," in art. 1 de woorden: „en art. 28, eerste
zinsnede, der wet op het regt van patent van 21 Mei 1819
{SM. n°. 34)".
§ 4. Voor aanslagen betreffende het regt van patent over het
-ocr page 597-
590
BEDRIJFSBELASTING.
dienstjaar 1893—1894 en vroeger, blijven echter de in dit artikel
gewijzigde bepalingen vnn kracht.
59.    Onder vroegere belastingjaren worden in deze wet ook
verstaan tijdperken van twaalf maanden, beginnende 1 Mei en
eindigende 30 April, voorafgegaan aan 1 Mei 1894.
60.    De heffing dezer belasting vangt aan op 1 Mei 1894.
Behoudens het, bepaalde bij § 4 van art. 58, vervalt op dat
tijdstip do wet van 21 Mei 1819 (Stbl. n». 34), gewijzigd bij
die van:
6 April 1823 (Stbl. n«. 14),
16  Juni 1832 ( , , 30),
24 April 1843 ( , „ 16),
22 April 1852 ( , „ 61),
8 Mei 1869 ( , , 77),
17  April 1887 ( , , 64).
-ocr page 598-
WET
van den 13 Mei 185(1, Stbl. no. 36,
OP HET RECHT VAN SUCCESSIE EN VAN OVERGANG
BIJ OVERLIJDEN.
TITEL I.
ALGEMEENE BEPALINGEN.
Art. 1.
Er wordt, onder den naam van recht van successie, eene
belasting geheven van de waarde van al wat geërfd of ver-
kregen wordt uit den boedel van een ingezeten des Rijks door
zijn overlijden.
De verklaring van vermoedelijk overlijden wordt, voor de
toepassing dezer wet, met werkelijk overlijden in alle opzichten
gelijk gesteld, behoudens teruggave van het, dientengevolge,
geheven recht met de verhoogingen en boeten, in de gevallen
bij de artt. 538, 541, 542 en 543 van het Burgerlijk Wetboek
voorzien. De dagteekening der verklaring wordt als de dag van
het overlijden beschouwd.
Voor een ingezeten des Rijks wordt, voor de toepassing dezer
wet, gehouden ieder die binnen het Rijk in Europa, zijne woon-
plaats heeft.
Er wordt, onder den naam van recht van overgang, eene be-
lasting geheven van de waarde:
1°. van door overlijden van een ingezeten des Rijks in eigen-
dom geërfde of verkregene effecten en rentegevende schuldvor-
deringen.
Onder effecten verstaat deze wet alle aandoelen in binnen-
en buitenlandsche geldleeningen en renten, in maatschappijen
of ondernemingen wier kapitaal door aandeelen wordt vertegen-
woordigd, de voorloopige bewijzen van storting op al die aan-
deelen, de zoogenaamde oprichtersaandeelen, restantbewijzen,
-ocr page 599-
592                        WET OP HET RECHT VAN SUCCESSIE.
bewijzen van deelgerechtigheid (actions de jouissance), en
dergelijke die, na aflossing der oorspronkelijke aandeelen, aan
de houders verblijven of uitgereikt worden, en in het algemeen
alle stukken, die, onder welke benaming ook, gerangschikt
kunnen worden onder de publieke fondsen.
2°. van alle onroerende zaken binnen het Rijk in Europa
gelegen of gevestigd, in vruchtgebruik of eigendom geërfd of
verkregen wordende door overlijden van iemand die geen
ingezeten is van het Rijk.
Ibis. Al wat, tengevolge van de verwerping door de erf-
genamen eens overledenen, van hetgeen aan dezen uit een
vroeger opengevallen boedel in de rechte linie was opgekomen,
door zijne mede-erfgenamen in dien boedel wordt genoten,
wordt, voor de toepassing dezer wet, geacht door die mede-
erfgenamen door zijn overlijden uit zijn boedel te worden
geërfd.
Al wat een in gemeenschap gehuwd man, tengevolge van
den door de erfgenamen zijner vrouw gedanen afstand der
gemeenschap, geniet, wordt hij, voor de toepassing dezer wet,
geacht door het overlijden zijner vrouw uit haren boedel te
erven.
De langstlevende echtgenoot, aan wien, uit kracht van een
bij huwelijksvoorwaarden gemaakt en van het overlijden des
eerststervenden afhankelijk beding, bij dat overlijden meer dan
de helft in de gemeenschappelijke goederen verblijft, wordt,
voor de toepassing dezer wet, geacht dat meerdere door het
overlijden van den eerststervenden uit den boedel van dezen
te erven.
2.    De rechten worden door ieder der erfgenamen en ver-
krijgers gedragen voor hetgeen door hem wordt geërfd of
verkregen, voor zoover daaromtrent niet anders door den
erflater is beschikt.
Wanneer roerende goederen, inschrijvingen op de grootboeken
der nationale schuld uitgezonderd, onder den last van vrucht-
gebruik worden geërfd of verkregen en de vruchtgebruiker
door den insteller is ontheven van het stellen van zekerheid,
is hij, die den eigendom dier goederen heeft geërfd of verkregen,
bevoegd te vorderen, dat de vruchtgebruiker, niettegenstaande
de ontheffing, te zijnen behoeve zekerheid stelle voor het bedrag
van de rechten van successie en van overgang, ter zake van
het erven of verkrijgen van den eigendom betaald, tenzij de
vruchtgebruiker mocht verkiezen dat bedrag tegen hoogstens
vier ten honderd rente \'s jaars voor te schieten.
3.    Zij, die de nalatenschap, of een evenredig gedeelte daar-
van, erven of verkrijgen, zijn, niettegenstaande de beschikkingen
van den erflater, ieder in evenredigheid van hetgeen door hem
-ocr page 600-
593
WET OP HET RECHT VAN SUCCESSIE.
wordt geërfd of verkregen, aansprakelijk voor het recht van
successie en voor het recht van overgang, onder n°. 1 van art.
1 vermeld, door en bij het overlijden van den erflater verschul-
digd.
Zij zijn daarenboven hoofdelijk aansprakelijk:
1°. voor het bedrag dier rechten, hetwelk door en bij het
overlijden van den erflater verschuldigd is door erfgenamen of
legatarissen, die buiten het Rijk hunne woonplaats hebben;
2°. voor het geheele bedrag van het recht van overgang,
onder n°. 2 van art. 1 vermeld.
De aansprakelijkheid bij het Ie en 2e lid van dit art. bedoeld,
strekt zich uit tot de verhoogingen der rechten en tot de
boeten.
4.    Onverminderd het bepaalde bij het vorige artikel, zijn
ook de legatarissen en andere verkrijgers onder bijzoiuleren
titel aansprakelijk voor do rechten verschuldigd op hetgeen
door hen wordt verkregen.
Hunne aansprakelijkheid is hoofdelijk ten aanzien van hetgeen
door hen gezamenlijk verkregen wordt.
5.    Uitsluitend zijn aansprakelijk :
1°. voor de rechten, verschuldigd op hetgeen ten gevolge
van de vervulling eener voorwaarde geërfd of verkregen wordt,
de erfgenamen of verkrijgers;
2°. voor de rechten, verschuldigd op verkrijging van vrucht-
gebruik en periodieke uitkeeringen bij opvolging, de verkrijgers;
3°. voor de rechten, verschuldigd wegens den overgang op
d\'in verwachter van erfenissen of legaten over de hand, de
verwachters, wanneer zij den eigendom verkrijgen.
6.    Hot recht op periodieke uitkeeringen, bij de instelling
verschuldigd, wordt voorgeschoten door hem, die met de uit-
keering is belast, en bij iederen termijn van betaling, naar
evenredigheid van het getal, waarmede de uitkeering, overeen-
komstig art. 23 litt. e is vermenigvuldigd, gekort, met bijrekening
van eenen interest van vier ten honderd, alles tenzij andere
beschikkingen mochten zijn gemaakt.
7.    Uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen zijn, op gelijke
wijze als de erfgenamen, tot vervulling van al de aan dezen bij
deze wet opgelegde verplichtingen gehouden, ingeval al de erf-
genamen buiten het Rijk hunne woonplaats hebben. Zij zijn tot
het doen van aangifte bevoegd, bijaldien één of meer der erf-
genamen hunne woonplaats hebben binnen het Rijk. Wanneer
zij van deze bevoegdheid hebben gebruikt gemaakt, zijn zij, op
gelijke wijze als de erfgenamen, tot vervulling van al de aan
dezen bij deze wel opgelegde verplichtingen gehouden.
In de gevallen, bij de artt. 1055 en 1059 van het Burgerlijk
Wetboek voorzien, \'..ebben de erfgenamen en de uitvoerders
38
-ocr page 601-
.594
WET OP HET RECHT VAN SUCCESSIE.
der uiterste wilsbeschikkingen, met betrekking tot de rechten
van successie en van overgang, dezelfde rechten onder dezelfde
voorwaarden, als bij die artikelen ten opzichte van de legaten
zijn toegekend en gesteld.
Curators van onbeheerde nalatenschappen zijn gehouden tot
al de bij deze wet aan erfgenamen opgelegde verplichtingen.
Bewindvoerders, voogden on curators zijn gehouden tot de
vervulling van al de verplichtingen, bij deze wet opgelegd aan
degenen die zij vertegenwoordigen, of wier belangen zij waar-
nemen.
8.    \'s Rijks schatkist heeft, te rekenen van het overlijden,
voor het recht van successie een voorrecht op alle onroerende
en roerende zaken in het algemeen, door het overlijden geërfd
of verkregen, onmiddellijk rang nemende na alle op dat oogen-
blik bestaande voorrechten, pand of hypotheek.
Dat voorrecht vervalt mot twee jaren na den dag van het
overlijden, ten ware, binnen dien termijn, vervolgingen mocb-
ten zijn aangevangen, en, in dit laatste geval, met twee jaren
na de beteekening der laatste acte.
De schatkist is, voor het recht van overgang, op gelijken
voet bevoorrecht op de zaken, voor welker overgang het recht
verschuldigd is.
9.    Onder vruchtgebruik worden, voor do toepassing dezer
wet, mede verstaan vruchtgenot, recht van gebruik en van
bewoning, vruchten en inkomsten, jaarlijksche opbrengst en
soortgelijke uitkeeringen uit daartoe aangewezen goederen,
daaronder begrepen het bij anderen dan de legatarissen ver-
bleven genot van legaten, welke, volgens de beschikkingen
van den overledene, niet binnen twee jaren na zijn overlijden
of eerst op een onzeker tijdstip vorderbaar zijn.
TITEL II.
VAN HE AANGIFTE EN WAAKDEKIilNG VAN HET
GEËRFDE OF VERKREGENE.
10.    Zij, die eene nalatenschap, hetzij geheel, hetzij voor een
evenredig gedeelte, erven, zijn verplicht, ten kantore van het
recht van successie, in welks kring de overledene, binnen het
Kijk, zijne laatste woonplaats had, bij schriftelijke memorie,
aangifte te doen van:
1°. den aard en de waarde van al wat door het overlijden
wordt geërfd of verkregen.
Met opzicht tot de onroerende goederen, waarvan de over-
ledene den eigendom, of waarop hij slechts een zakelijk recht
van gebruik of bewoning, van erfpacht, opstal of beklemming
-ocr page 602-
595
WET OP HET UECHT VAN SUCCESSIE.
had, moet worden opgegeven: a. de gemeente, waarin zij zijn
gelegen, de sectie en het nommer van het kadaster voor zoo-
veel zij in het Rijk gelegen zijn; 6. de grootte, wat de onge-
houwdü eigendommen betreft.
De aan het recht van overgang onderworpen effecten en rente-
gevende schuldvorderingen moeten specifiek aangegeven worden.
2". de lasten en schulden, waaruit het passief des boedels is
samengesteld, volgens art. 27 omschreven;
3°. de erfgenamen, legatarissen en verdere verkrijgers; hunne
verwantschap of de betrekking van huwelijk tot den over-
ledene, den insteller der erfstelling over de hand of den instel-
ler van het vruchtgebruik of de periodieke uitkeering, bij
opvolging verkregen, en den ouderdom der personen van wier
leven de uit den boedel verkregen wordende vruchtgebruiken
of periodieke uitkeeringen afhankelijk zijn;
4°. hetgeen door ieder wordt geërfd of verkregen, met opgave,
zoo niet alles bij wettelijke erfopvolging vorerft, van den titel,
krachtens welken geërfd wordt of verkregen;
5°. zoo niet alles bij wettelijke erfopvolging vererft, de per-
sonen, die bij versterf geheel of gedeeltelijk zouden zijn gerechtigd
geweest, met opgave van hunne verwantschap tot den over-
ledene;
6°. indien door het overlijden zaken worden geërfd of ver-
kregen, welke met vruchtgebruik of perodieke uitkeeringen ten
behoeve van derden zijn belast, de aanduiding der met vrucht-
gebruik belaste zaken, het bedrag der periodieke uitkeeringen,
den titel waarbij het vruchtgebruik is ingesteld of de uitkeeringen
zijn opgelegd, den naam en de woonplaats der vruchtgebruikers
of genieters, den ouderdom dergenen van wier leven het vrucht-
gebruik of de uitkeering afhangt of het tijdvak, waarvoor het
vruchtgebruik of de uitkeering is gemaakt.
De onder n°. o vermelde opgave wordt niet vereischt inge-
val de boedel voor het geheel is onderworpen aan het hoogste
recht of voor het geheel geërfd wordt door den echtgenoot van
den overledene, of wel door dezen met anderen door wie het
hoogste recht\'verschuldigd is, wordt geërfd of verkregen.
Bij de memorie van aangifte, waarin naar de bepalingen van
3°. en 6°., de ouderdom moet worden opgegeven van personen,
van wier leven een vruchtgebruik of eeno periodieke uitkeering
afhankelijk is, wordt, op straf van weigering der memorie,
hunne geboorte akte overgelegd, of indien dit niet mogelijk is,
eene akte van bekendheid, opgemaakt op de wijze, voorgeschreven
\'\'ij de beide eerste leden van art. 127 van het Burgerlijk Wet-
boek, of, wanneer de personen buiten \'s lands wonen en geboreu
zÜn. door de daartoe bevoogde openbare macht.
11. Do erfgenamen, legatarissen en andere verkrijgers van
-ocr page 603-
596                       WET OP HET RECHT VAN SUCCESSIE.
onroerende zaken, binnen liet Rijk gelegen ot gevestigd, en
nagelaten door iemand die geen ingezeten was van liet Kijk,
doen, bij schriftelijke memorie, aangifte van den aard, de lig-
ging, de sectie en het nominer van het kadaster, de grootte en
de waarde dier zaken, ten kantore in welks kring zij gelegen
of gevestigd zijn. •
12.    Gaat bij boedels van ingezetenen des Rijks, geheel
geërfd wordende in de rechte lijn, of met echtgenooten, in het
geval van art. 56, n". 3, bepaald, hetgeen door ieder hunner
wordt geërfd of verkregen, geen duizend gulden te boven, dan
bepaalt zich de aangifte tot de vermelding van:
1°. de erfgenamen, met opgave van hunne verwantschap, of
de betrekking van huwelijk tot den overledene;
2°. het zuiver saldo der nalatenschap;
3°. de onroerende zaken en aan het recht van overgang
onderworpen effecten en rentegevendo schuldvorderingen, aange-
wezen als in art. 10, n°. 1, tweede en derde lid, is bepaald. Indien
geene zoodanige zaken zijn nagelaten, moet dit worden opgegeven.
4°. de legatarissen of andere verkrijgers onder bijzonderen
titel met aanwijzing van den aard en de waarde van hetgeen
zij verkrijgen en krachtens welken titel.
Bij gegrond vermoeden van onjuiste opgaven is de ontvanger
bevoegd, op de wijze bij art. 21 bepaald, de indiening te vorde-
ren eener memorie, als in art. 10 bedoeld.
Vererft de boedel, alleen ten gevolge van verwerping door
andere erfgenamen dan die in de rechte linie en de echtgenoot,
in het geval van art. 56, n°. 3, geheel op de erfgenamen in de
rechte linie of op deze en dien echtgenoot, dan doen de laatsten
aangifte overeenkomstig art. 10.
13.    In geval van onvermogen van den overledene wordt,
bijaldien door hot overlijden geen vruchtgebruik, fideï-commis
of periodieke uitkeering is vervallen of overgegaan, eene ver-
klaring van den burgemeester der gemeente, waar de over-
ledene zijne laatste woonplaats had, overgelegd, houdende dat
het hem niet bekend is dat de overledene eenige roerende of
onroerende zaken heeft nagelaten.
De verklaring wordt afgegeven op aanvraag van de erfgenamen
of van den Rijksambtenaar.
14.    Bij alle aangiften voor het recht van successie wordt
tevens opgegeven of de overledene al dan niet eenige goederen
als bezwaarde erfgenaam of in vruchtgebruik bezat, en zoo ja,
waarin zij bestaan, door wien en bij welken titel de erfstelling
over de hand of het vruchtgebruik is ingesteld, aan wien de
goederen moeten worden uitgekeerd, wie tot het genot van den
eigendom is gekomen of op wien het vruchtgebruik bij opvol-
ging is overgegaan.
-ocr page 604-
WET Of HET RECHT VAN SUCCESSIE.                       597
Gelijke vermelding wordt vereischt ten aanzien van periodieke
uitkeeringen, door het overlijden, bij opvolging, overgegaan of
vervallen.
15- Op dezelfde wijze als bij de artt. 10, 11 en 12 is bepaald,
zijn, tot aangifte van hetgeen door hen wordt geërfd of ver-
kregen, gehouden:
1°. zij, die een vruchtgebruik of periodieke uitkeering bij
opvolging verkrijgen ;
2°. de geroepen erfgenamen of legatarissen, die door het
overlijden van den bezwaarden erfgenaam of legataris tot het
genot komen.
De aangifte geschiedt in het geval sub 2 vermeld, wanneer
het fideï-commissen betreft, welke dagteekenen van vóór de
invoering dor Franscbe wetboeken hier te lande, ten kantore
in welks kring de bezwaarde erfgenaam of legataris zijne laatste
woonplaats had, en in alle andere gevallen ten kantore waar
do instelling van het vruchtgebruik, de periodieke uitkeering
of de erfstelling over de hand is aangegeven of had moeten
worden aangegeven.
16.    Wanneer, gedurende het leven van den bezwaarden erf-
genaam of legataris, het bezwaarde goed op den geroepene
overgaat, wordt de dag, waarop de overgang heeft plaats gehad,
en de plaats waar de acte of overeenkomst gemaakt is, voor
de toepassing dezer wet als de dag en de plaats van het over-
lijden beschouwd.
17.    Het aanvaarden eener nalatenschap onder het voorrecht
van boedelbeschrijving, of het voorbehouden recht van beraad,
ontheft niet van de verplichting tot het doen van aangifte, op
de wijze en binnen den termijn, bij deze wet voorgeschreven.
De vervulling der verplichtingen, uit deze wet voortvloeiende,
wordt niet beschouwd als eene daad van aanvaarding.
De aangifte, gedaan door den erfgenaam, die vervolgens de
erfenis verwerpt, vervalt.
De kosten van vervolging tegen erfgenamen of verkrijgers,
ingesteld vóór dat zij verwierpen, blijven te hunnen laste, indien
de vervolging alleen uit hoofde van de verwerping is gestaakt.
18.    De aangifte kan geschieden krachtens eene schriftelijke,
aan de memorie gehechte volmacht.
19.    In iedere memorie van aangifte wordt ééne eenige woon-
plaats gekozen, in den kring van het kantoor van het recht
van successie en van overgang, waar die aangifte wordt gedaan.
Zij geldt voor alle rechtvorderingen en vervolgingen krachtens
deze wet in te stellen tegen de erfgenamen, legatarissen en
andere verkrijgers, of tegen degenen die tot de vervulling der
aan dezen opgelegde verplichtingen gehouden zijn.
Zij die voor het recht van successie geene aangifte gedaan
-ocr page 605-
598                       WET OP HET RECHT VAN SUCCESSIE.
of geene woonplaats gekozen hebben, worden geacht hunne
woonplaats te hebben ter laatste woonplaats van den overledene,
gedurende één jaar na het overlijden; na dien tijd, ter secre-
tarie van de gemeente, waar de overledene zijne laatste woon-
plaats had.
Zij, die voor het bij art. 1 n°. 2 bedoelde recht van overgang
geen aangifte gedaan of geene woonplaats gekozen hebben,
worden geacht hunne woonplaats te hebben ter secretarie van
de gemeente binnen welke de aangifte volgens art. 11 moet
geschieden.
Van alle exploiten wordt slechts ééne kopij gelaten.
20.    De termijn van aangifte is zes maanden, te rekenen
van den dag van het overlijden zoo dit binnen het Rijk in
Kuropa; acht maanden zoo het in Kuropa buiten het Rijk; twaalf
maanden zoo het in een ander werelddeel voorvalt. Voorts, in
geval van vermoedelijk overlijden, zes maanden na de dagtee-
kening der verklaring.
Indien zwangerschap oorzaak is dat onzekerheid bestaat
omtrent den persoon des erfgenaams of de heffing der belasting,
gaat de termijn in van den dag der bevalling, of, indien de vrouw
vroeger mocht overlijden, van den dag van haar overlijden, of
indien geen van beiden op den driehonderdston dag na den dood
des erflaters mocht hebben plaats gehad, alsdan van den eersten
daarop volgenden dag. Deze bepaling kan niet worden inge-
roepen door dengene, op wiens erfdeel, wat de hoegrootheid
betreft, de bevalling geen invloed kan uitoefenen.
In geval de nalatenschap volgens de wet als onbeheerd wordt
beschouwd of indien tengevolge van de vervulling eener voor-
waarde, van verwerping of van den bij art. 1 bis, lid 2, bedoelden
afstand geërfd of verkregen wordt, gaat do termijn in van den
dag der benoeming van den curator, der vervulling van de
voorwaarde, der verworping of van den afstand.
21.    Indien de memorie van aangifte niet binnen den termijn
en ten kantore, bij de wet bepaald, is ingediend, zendt de rijks-
ambtenaar den nalatige eene waarschuwing om binnen acht
dagen aan zijne verplichting te voldoen. Indien aan de waarschn-
wing niet wordt voldaan, wordt tegen den nalatige een dwang-
schrift uitgevaardigd tot betaling eener daarbij uit te drukken
som, behoudons vermeerdering of vermindering volgens \'latere
regeling, voor rechten en boete.
Het bedrag van de verschuldigde rechten wordt, na de betee-
kening van het dwangschrift, met een vierde daarvan, als boete,
verhoogd. Ingeval geen recht verschuldigd is, wordt voor iedere
ingegane week verzuim na de betookening van het dwang*
schrift door iederen nalatige eene boete verbeurd van vijf gulden.
De kosten van vervolging komen ten laste van den nalatige.
-ocr page 606-
WET OP HET RECHT VAN SUCCESSIE.                       599
De in het Ie lid vermelde waarschuwing is vrij van zegel
en van de formaliteit van registratie.
22.    Ingeval met betrekking tot de opgaven, bij art. 14
voorgeschreven, eene onnauwkeurige of eene, met de waarheid
strijdige, negatieve opgave is gedaan, is de aangever, te dier
zake, zoowel voor do rechton als voor de boete, aansprakelijk.
De rechten alleen kan hij van de verkrijgers terugvorderen.
Van de boete wordt hij ontheven, zoo hij van zijne onschuld
doet blijken.
23.    Voor de regeling van het recht van successie wordt de
waarde bepaald:
1°. van hetgeen in vollen of met fideï-commis bezwaarden
eigendom wordt geërfd of verkregen, als volgt:
il. van do onroerende zaken, in de artt. 562 en 563 van het
Burgerlijk Wetboek vermeld, van het recht van erfpacht, van
opstal en van beklemming, met de daartoe behoorende gebouwen,
werken en beplantingen, van den eigendom van goederen in
erfpacht, opstal en beklemming uitgegeven, op de verkoopwaarde
ten dage van het overlijden, volgens des aangevers begrooting.
De waarde van de buiten het Rijk gelegen of gevestigde
onroerende zaken moet afzonderlijk worden begroot.
b.    van hypothecaire schuldvorderingen op het bedrag van
het kapitaal, of op de waarde door don aangever te begrooten ;
in het laatste geval met aanwijzing der ondergezette goederen,
op de wijze bij art. 10 n\'. 1 vermeld;
c.    van grondrenten, tienden, cijnsen, tijnsen en dergelijke
altijddurende of voor oenen onbepaalden tijd op onroerende goe-
deren gevestigde praestatiën, op den afkoopprijs, bij de vesti-
ging bepaald, en indien die niet bepaald is, op de waarde naar
den maatstaf, bij art. 799 van het Burgerlijk Wetboek of andere
wettelijke verordeningen vastgesteld. Bij gebreke van de daar
bedoelde marktprijzen of jaarlijksche opbrengst, op de waarde
door den aangever te begrooten;
d.    van do effecten, op hunne geldswaarde, naar do prijscou-
rant, op last van den Minister van Financiën door ten minste
vier makelaars of commissionairs in effecten te Amsterdam
opgemaakt, uitgegeven in de week van het overlijden, en zoo
zij daarop niet bekend staan, naar de begrooting des aangevers;
e.    van lijfrenten of andere periodieke van het leven afhan-
kelijke uitkeeringen op het jaarlijksch bedrag, vermenigvuldigd
met de getallen, naar de volgende berekening:
wanneer degene, gedurende wiens leven de uitkeoring moet
plaats hebben,
twintig jaren oud is of minder, met 18
boven de 20 tot 30 jaren oud is, „ 16
-ocr page 607-
600                       WET OP HET RECHT VAN SUCCESSIE.
boven de 30 tot 40 jaren oud  is,   inet 15
40
50
50
55
55
60
60
65
65
70
70
75
75
,     ,       , 18
,     .       , 11
)!        »           * 8
>       •         «6
Wanneer de lijfrenten of andere periodieke uitkeeringen in
voorwerpen in natura bestaan, wordt het jaarlijksch bedrag
berekend op de wijze bij art. 799 van het Burgerlijk Wetboek
voorgeschreven. Bij gebreke van bekendheid der daar bedoelde
marktprijzen of jaarlijksche opbrengst, wordt het jaarlijksch
bedrag door den aangever begroot.
Ten aanzien van tontines, contracten van overleving en der-
golijke, wordt het jaarlijksch bedrag gehouden dat te zijn van
het laatste jaar, het jaar van het overlijden voorafgaande. De
waarde wordt berekend als die der lijfrenten.
Indien eene uitkeering voor een bepaalden tijd is gemaakt,
wordt haar jaarlijksch bedrag vermenigvuldigd met het aantal
jaren, gedurende welke zij moet plaats hebben, doch iedere
gulden berekend tegen de navolgende waarde:
Uitkeering besproken aan :
personen.
zedelijke
lichamen of
instellingen
van de
doode hand.
voor
10 jaren en daaronder, tegen
f O.M)
ƒ0.90
voor
boven de 10 tot 20 jaren, tegen
0.75
0.80
voor
boven de 20 tot 30 jaren, tegen
0.65
0.73
voor
boven de 30 jaren tegen . .
0.50
0.60
Het belastbaar kapitaal naar deze berekening verkregen, kan,
ingeval de uitkeering is gemaakt aan personen, in geen geval
hooger zijn dan dat, hetwelk verkregen zou zijn, wanneer de
uitkeering van het leven afhankelijk ware gesteld, en, ingeval
-ocr page 608-
WET OP HET RECHT VAN SUCCESSIE.                       601
zij aan zedelijke lichamen of instellingen van de doode hand is
gemaakt, niet meer bedragen dan het vijfen-twintigvoud van
haar jaarlijksch bedrag.
Bij uitkeeringen, welke door meer dan één persoon gezamenlijk
worden verkregen, wordt het bedrag van ieders aandeel tot
kapitaal gebracht, volgens bovenstaande tafels.
Voor uitkeeringen, aan zedelijke lichamen of instellingen van
de doode hand voor onbepaalden tijd besproken, wordt het vijf-
entwintigvoud der jaarlijksche uitkeering genomen.
f.    van schepen, schuiten en vaartuigen met toebehooren, op
de verkoopwaarde, ten dage van het overlijden, door den aan-
gever te begrooten ;
g.    van alle schuldvorderingen, niet onder letter b, d of h
begrepen, hetzij daarvan eene acte besta of niet, op do door
den aangever te begrooten geldswaarde van het kapitaal;
/). van de loopendo termijnen van huren, pachten en interest
van de zaken vermeld onder de letters a, b, d en g, op het
bedrag tot on met den dag van het overlijden verschuldigd;
i. van alle roerende goederen en allo andere zaken, niet
bepaaldelijk in dit artikel genoemd: op de verkoopwaarde ten
dage van het overlijden, door den aangever te bepalen;
2°. van hetgeen in vruchtgebruik wordt verkregen, op het
overeenkomstig de bepalingen van n°. 1, litt. e, tot kapitaal
gebrachte bedrag der jajirlijksche inkomsten, naar den maat-
staf van vier ten honderd der overeenkomstig n°. 1 te bepalen
kapitaalswaarde op het tijdstip waarop het genot aanvangt.
Vruchtgebruik aan zedelijke lichamen of instellingen van de
doode hand, voor onbepaalden tijd besproken, wordt geacht
voor dertig jaren gemaakt te zijn;
3°. van hetgeen onder den last van vruchtgebruik of van
periodieke uitkeering geërfd of verkregen wordt, op de oyer-
eenkomstig n". 1 te bepalen waarde van den vollen eigendom,
na aftrek van de waaide, welke op het tijdstip der vererving
of verkrijging aan de uitkeering of het vruchtgebruik, volgens
de bepaling van n". 1, litt. e, of van n°. 2 moet worden toe-
gekend.
De aftrek wordt, indien het vruchtgebruik of do uitkeering
aan of ten behoeve van verschillende personen, van onderschei-
den leeftijd, levenslang bij opvolging besproken of bedongen is,
bepaald in verhouding tot den leeftijd des jongsten.
De aftrek vervalt, wanneer en in zoover als voor de waarde
van het vruchtgebruik of de periodieke uitkeering, volgens
art. 56, n°. 6, vrijstelling van het recht wordt genoten.
24.    Vervallen.
25.    Voor de regeling van het recht van overgang, bij n°.
2 van art. 1, wordt de waarde bepaald als volgt;
-ocr page 609-
f>02                       WET OP HET RECHT VAN SUCCESSIE.
1°. van den vollen, van den met fideï-commis bezwaarden
en van den blooten eigendom, op de waarde van den vollen
eigendom ten dage van den overgang, op de bij art. 23, n".
1, litt. « en <:, voorgeschreven wijze te begrooten of te regelen;
2°. van het vruchtgebruik :
a.    indien het door physieke personen zander bepaling van
tijd wordt verkregen, op de helft der bij n". 1 bedoelde waarde,
en indien het door zedelijke lichamen of instellingen van de
doode hand zonder bepaling van tijd of voor bepaalden tijd
van niet minder dan vijf en twintig jaren verkregen wordt, op
het geheel van die waarde;
b.    indien het door physieke personen voor bepaalden tijd,
of door zedelijke lichamen of instellingen van de doode hand
voor bepaalden tijd van minder dan vijf en twintig jaren wordt
verkregen, op de wijze bij art. 28, n". 2, eerste lid, aangeduid.
26.    Het recht van overgang vermeld onder n°. 1 van art.
1, wordt geheven over de waarde van het kapitaal, bepaald
op de wijze bij artikel. 23, n°. 1, aangeduid, onverschillig of
het in vollen eigendom dan wel onder bezwaar van fideï-commis
of onder den last van vruchtgebruik of van periodieke uitkeo-
ring wordt verkregen.
27.    Voor de regeling van het recht van successie kunnen
geeno andere lasten en schulden worden afgetrokken dan de
navolgende
Lasten:
de begrafeniskosten, andere dan die in art. 367, n°. 4, van
het Burgerlijk Wetboek bedoeld. Artikel 1195 n°. 2 van het
Burgerlijk Wetboek is, voor zooveel de aldaar bepaalde Levoegd-
heid des rechters betreft, in dezen van toepassing.
Onder de begrafeniskosten kunnen worden begrepen de som-
men, besproken of uitgekeerd voor de uitvaart van den erflater
en de. te zijnen behoeve, te doene kerkelijke diensten of te
vieren godsdienstige plechtigheden, sedert den dag van zijn
afsterven tot en met het eerste jaargetijde na zijn overlijden,
en zulks geëvenredigd aan den stand en het vermogen van den
overledene, met inachtneming van het plaatselijk gebruik en de
bijzondere omstandigheden.
Hetgeen te dier zake meer is besproken wordt beschouwd
als legaat aan niet verwante personen.
Schulden:
<i. de schulden ten laste van den overledene, mits aan de
Tolgende voorwaarden zijn voldaan:
-ocr page 610-
WET OP HUT RECHT VAK SUCCESSIE.                       603
van elke schuld moet in de aangifte het hedrag, de oorsprong,
de tijd van het ontstaan en de naam van den schuldeiseher
worden vermeld;
van haar bestaan moet reeds vóór het overlijden liet bewijs
in rechten zijn te leveren geweest; in de aangifte moeten de
autenthieke of onderhandsche geschriften of de andere middelen
waarmede dat bewijs zou kunnen zijn geleverd, worden om-
schreveu;
de onderhandsche geschriften die als bewijsmiddel worden
vermeld, moeten reeds vóór het overlijden in de macht van
den schuldeiseher zijn geweest; dat de aangever overtuigd is
dat zulks het geval was, moot in de aangifte worden verklaard;
in de aangifte moet worden verklaard dat den aangever niet
gebleken is dat de daarin vermelde bewijzen werden opgemaakt
of afgegeven oin de betaling van successierechten te ontgaan.
De schulden, waaromtrent deze verklaring niet naar waarheid
kan worden afgelegd, worden beschouwd als „schuld, welke
niet uit den boedel moet worden betaald", in den zin van bet
in art. 28 voorkomende eedsformulier;
b. interesten, renten, huren en pachten, tot en met den dag
van het overlijden;
<•. de schulden, op het tijdstip van het overlijden, voortsprui-
tende uit het beroep vnn den overledene.
Wanneer de schulden, onder de letters a en c vermeld, door
dertigjarige verjaring, en die onder de letters b vermold, door
de vijfjarige verjaring zijn getroffen, worden zij niet toegelaten;
d.   huisschulden tot en met den dag van het overlijden;
dienstbodenloon voor het volle loopend jaar of vierendeeljaar.
De schulden, onder letters b, c en d vermeld, worden ieder
afzonderlijk opgegeven, met aanwijzing van haren aard en oor-
sprong, van den tijd waarover zij loopen, en den naam des
schuldeischers;
e.     de grondbelasting, de provinciale of plaatselijke lasten,
dijk- en polderlasten, molen- en sluisgelden en soortgelijke om-
slagen tot en met den dag van het overlijden.
Indien zij tijdens de aangifte nog niet waren omgeslagen,
wordt het bedrag daarvan, zooals dit in het onmiddellijk voor-
afgegane jaar was bepaald, onder de schulden toegelaten; latei-
wordt op het meerdere of mindere niet teruggekomen;
f.     de personeele belasting, de vermogensbelasting, de belas-
ting op bedrijfs- en andere inkomsten, en de hoofdelijke om-
slagen, en andere plaatselijke directe belastingen, die tot en
met den laatsten dag van het tijdvak, waarover zij loopen, ten
ware afschrijving of teruggave kan gevorderd worden.
Behoudens de toepassing van art. 36 worden de schulden,
die niet wegens verjaring buiten aanmerking moeten blijven,
-ocr page 611-
604                       WET OP HET RECHT VAN SUCCESSIE.
afgetrokken, wanneer do vercischte opgaven in de aangifte zijn
gedaan.
Wanneer eene schuld naar het oordeel van \'s Rijks ambte-
naar niet kan worden afgetrokken, wordt de aangever door
hem met de reden in kennis gesteld.
Zoolang de aangifte niet is beëedigd, kan de omschrijving hij
nadere aangifte worden aangevuld en kunnen nog schulden
worden aangegeven.
Wanneer de vereischte opgaven in de beëedigde aangifte niet
zijn gedaan of wanneer na de beëediging nadere aangifte van
eene schuld of aanvulling der omschrijving plaats heeft, kan
de schuld worden afgetrokken, indien aan \'s Rijks ambtenaar,
daartoe door den Minister van Financiën aangewezen, of aan
den rechter, zoo niet naar do eischen van het burgerlijk recht
dan toch overtuigend wordt aangetoond, dat de schuld reeds
vóór het overlijden bestond, dat de onderhandsehe geschriften
als bewijsmiddel dienende, reeds vóór het overlijden in de macht
van den schuldeischer zijn geweest en dat de bewijzen voor het
bestaan der schuld niet werden opgemaakt of afgegeven om de
betaling van successierechten te ontgaan.
Hetgeen op eene der bedoelde wijze blijkt tengevolge van
het niet aftrekken van schulden te veel te zijn betaald, wordt
teruggegeven, mits de teruggaaf worde gevraagd binnen den
termijn voor de verjaring bepaald.
28. Binnen eene maand na de aangifte van eenen boedel
van een ingezeten des Rijks, moeten de aangevers, elk naar de
wijze zijner godsdienstige gezindheid, in persoon, voor den kan-
tonrechter te hunner keuze, den volgenden eed (verklaring)
afleggen:
„Ik zweer (verklaar) dat ik in geinoede vermeen, dat ik bij
„de door mij gedane aangifte van hetgeen door het overlijden
„van N. N. wordt geërfd of verkregen, niets heb verzwegen
„wat daartoe behoort en voor de regeling van de rechten van
„successie en van overgang heeft moeten worden aangegeven;
„dat ik dezelfde schuld niet twee of meermalen heb gebracht;
„dat ik geen schuld heb opgegeven, welke niet uit den boedel
„moet worden betaald; dat ik de buitenlandsche bezittingen
„(zoo er zijn) en de roerende goederen, welke waarde uitsluitend
„naar de begrooting des aangevers wordt gerekend, op die
„waarde heb gesteld, welke ik in gemoede vermeen bij de wet
„te worden gevorderd, dat ik evenzeer in gemoede vermeen,
„dat geene waarden, niet in de aangifte vermeld, uit den boedel
„zijn of zullen worden afgegeven, welke naar mijne overtuiging
„niet reeds vóór den dood des erflaters aan den daartoe aan-
„gewezene in eigendom toebehoorden; eindelijk zweer (beloof)
„ik, dat ik dadelijk aangifte zal doen van en de rechten van
-ocr page 612-
605
WET OP HET RECHT VAN SUCCESSIE.
„successie en van overgang zal voldoen voor al hetgeen ik
„naderhand zal vernemen niet of kwalijk te hebben aangegeven."
„Zoo waarlijk helpe mij God almachtig." („Dat beloof ik."J
Indien de aangifte door een gemachtigde gedaan is, wordt de
eed afgelegd door de personen namens wie de aangifte is gedaan,
behoudens het bepaalde bij art. 32.
Indien de aangifte gedaan is door of namens meerdere erfge-
namen in de rechte nedcrdalende linie of wettelijke vertegen-
woordigers van dezen, wordt de eed slechts afgelegd door één
hunner, daartoe door den Rijksambtenaar aan te wijzen bij eene
door hem binnen vijf dagen na de aangifte aan de gekozene of
bij gebreke daarvan door de wet aangewezene woonplaats ge-
zondene kennisgeving op ongezegeld papier.
Voor de toepassing van deze bepaling wordt met de erfgc-
namen in de rechte nederdalende linie gelijkgesteld de langst-
levende echtgenoot, die van den eerststervende erft, terwijl kind
of kinderen uit hun huwelijk verwekt of afstammelingen daar-
van aanwezig zijn.
29.    Geen eed wordt afgelegd :
a.   voor boedels, waarvan het actief, volgens de specifieke
aangifte, geen drie honderd gulden te hoven gaat;
b.  door den erfgenaam in de rechte nederdalende linie en door
den met hem overeenkomstig het laatste lid van art. 28 gelijk-
gestelden langstlevenden echtgenoot, indien hetgeen aan elk
hunner uit het actief opkomt volgens de specifieke aangifte
geen duizend gulden te boven gaat;
e. door den Staat.
Wanneer ten gevolge van verwerping de boedel geheel door
erfgenamen in de rechte linie of door deze en den in art. 50,
n". 3, bedoelden echtgenoot verkregen wordt, is lit. b van dit
artikel niet toepasselijk.
De in lit. b bedoelde personen leggen, indien in boedels lega-
ten zijn besproken, niet van het recht vrijgesteld en niet be-
staande in vaste en bepaalde sommen, op boven omschreven
wijze en plaats, den volgenden eed (verklaring) af;
„Ik zweer- (verklaar) dat ik in gemoede vermeen voor den
„boedel van N. N. alles, waarvoor recht van successie of van
„overgang verschuldigd is, oprechtelijk te hebben aangegeven."
„Zoo waarlijk helpe mij God almachtig."
(„Dat verklaar ik.")
Die personen leggen evenwel den eed (verklaring) af, bedoeld
in art. 28, indien het niet van het recht vrijgestelde legaat be-
staat in een vruchtgebruik van de geheele nalatenschap of van
een evenredig deel daarvan.
30.    Behoudens de uitzonderingen bij het vorig artikel be
paald, wordt op gelijke wijze door degenen, die een vruchtge-
-ocr page 613-
6Ü6                           WET OP HET RECHT VAN SUCCESSIE.
bmik bij opvolging verkrijgen of door de verwachters, die door
overlijden of door overdracht onder de levenden tot het genot
van eenig ndeï-commissair goed komen, de navolgende eed (of
verklaring) afgelegd :
„Ik zweer (verklaar) dat ik in genioede vermeen oprechtelijk
„alles te hebben aangegeven wat door mij, krachtens den wil
„van N. N. en het overlijden van N. N., is geërfd of verkregen."
„Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig." („Dat verklaar ik".)
31.    Door de verkrijgers van periodieke uitkeeringen bij op-
volging wordt geen eed afgelegd.
32.    In geval van ziekte, afwezigheid buiten het Rijk, of
andore wettige redenen van verhindering, kan de eed, met
toelating van den Minister van Financiën, krachtens eene bij-
zondere volmacht worden afgelegd voor den kantonrechter ter
keuze van den lasthebber.
33.    Do eed wordt kosteloos afgelegd. Het procesverbaal
wordt, op ongezegold papier, in duplo opgemaakt en gratis
geregistreerd. Een der duplicaten blijft ten kantore van regis-
tratie.
34.    Wanneer de eed niet binnen den bepaalden termijn is
afgelegd, wordt, voor iedere ingegane week verzuim, door ieder
nalatige een boete van f 25 verbeurd.
35.    Do memoriëu van aangifte, waarin de goederen niet,
overeenkomstig het voorschrift dezer wet, zijn aangewezen, of
waarin ontbreekt hetzij do omschrijving van onroerende goede-
ren, hetzij do verklaring, dat geene onroerende goederen zijn
nagelaten, of de ontkennende opgave bij art. 14 voorgeschreven,
of waarin niet al de opgaven voorkomen welke voor de bere-
kening van de belasting worden vereischt, worden geweigerd,
met schriftelijke aanwijzing van hetgeen aan de aangifte
ontbreekt.
36.    Wanneer, na verloop van den termijn tot aangifte,
blijkt, dat niet al wat door het overlijden werd geërfd of ver-
kregen, is aangegeven; dat lasten of schulden zijn opgegeven,
welke niet tot de nalatenschap behooren; dat de buitenlandsche
bezittingen of de roerende goederen, in art. 23, n". 1, onderde
letters e, </ en i vermeld, niet tot de wezenlijke waarde zijn
aangegeven, of dat eenige andere verkeerde opgave of verzwijging,
ten nadeele van \'s Rijks schatkist, heeft plaats gehad, wordt
tegen hen, die daarvan geene nadere aangifte hebben gedaan,
dwangschrift uitgevaardigd tot betaling eener daarbij uit te
drukken som, op gelijke wijze en ten zelfden einde als bij art.
21 is bepaald.
Het dwangschrift mag echter niet worden uitgevaardigd dan
nadat eene maand, te rekenen van den laatsten dag van den
tormijn tot aangifte, is verloopen.
-ocr page 614-
WET OP HET RECHT VAN SUCCESSIE.                       607
De belanghebbenden worden van de boeten ontheven, zoo zij
van hunne onschuld doen blijken.
37.    Zoo met betrekking tot eene aangifte, welke, ingevolge
art. 29, litt. a en b, niet aan beëediging is onderworpen, na
verloop van den termijn tot aangifte, een gegrond vermoeden
bestaat dat eene verzwijging, eene te lage of verkeerde aan-
gifte, als bij art. 36 is bedoeld, heeft plaats gehad, kan de
verplichting tot het beëedigen der aangifte door de rechtbank
van het arrondissement in hetwelk het kantoor, waar zij is
ingediend, gevestigd is, aan de aangevers worden opgelegd.
Daartoe wordt door \'s Rijks ambtenaar een met redenen
omkleed verzoekschrift aan de rechtbank ingediend. Een afschrift
daarvan wordt, met dagvaarding voor de rechtbank, aan do
aangevers beteekend.
De zaak wordt behandeld op den voet voor rechtsgedingen
in zake van registratie bepaald.
De eed of verklaring bevolen zijnde, moet worden gedaan
binnen eene maand na den dag, waarop het bevel der recht-
bank aan de aangevers is beteekend, en zijn verder do artt.
28, 32, 33 en 34 van toepassing.
De in dezen gemaakte kosten komen ten lasto der aange-
vers, bijaldien verzwijging, te lage of verkeerde aangifte blijkt
te hebben plaats gehad.
De verschuldigde rechten worden met een vierde daarvan,
als boete, verhoogd.
38.    Wanneer de binnen het Rijk gelegen of gevestigde
onroerende zaken, in art. 23, n°. 1, onder de letters « en e, en
de door de aangevers gewaardeerde roerende zaken, aldaar
onder de letters b, d en / vermeld, voor de regeling hetzij van
het recht vau successie, hetzij van de rechten van overgang,
niet overeenkomstig hunne wezenlijke waarde schijnen te zijn
aangegeven, is \'s Rijks ambtenaar bevoegd, eene waardeering
door deskundigen te vorderen.
De vordering geschiedt bij exploit, houdende vermelding der
som, waarop \'s Rijks ambtenaar het goed waardeert, het bedrag
hetwelk voor. recht en boete wordt verschuldigd geacht en dag-
vaarding voor den kantonrechter van het kanton, waarin de
overledene zijne laatste woonplaats had, of, wanneer het onroe-
rende zaken betreft, waar het te waardeeren goed. of het
voornaamste gedeelte daarvan, volgens het kadastrale inkomen,
gelegen is, ten einde zich omtrent de keuze van drie deskun-
digen te veistaan, of, bij gebreke daarvan, dezen, door den
rechter, ambtshalve, te hooren benoemen.
Art. 224, alin, 1 en 2, artt. 225 tot 229, art. 230, alin. 2,
art. 281. alin. 1, artt. 232 en 233 van het Wetboek van Bur-
gerlijko Rechtsvordering zijn in dezen toepasselijk.
-ocr page 615-
cos
WET OP HET KECHT VAN SUCCESSIE.
De deskundigen maken van hunno bevinding een behoorlijk
gedagteekend en onderteekend proces-verbaal, vermeldende de
verschillende door heu aan het goed toegekende waarden, zon-
der opgave van ieders persoonlijk gevoelen.
Indien twee deskundigen het eens zijn, wordt hunne waar-
deering, indien zij allen verschillen, een derde gedeelte van
het gezamenlijk bedrag voor de waarde gehouden.
Wanneer de aldus aan het goed toegekende waarde een
achtste meer dan de aangegevene bedraagt, is, behalve het
hoogeie recht, eene daarmede gelijkstaande som, als boete,
verschuldigd. In dat geval komen de kosten der waardeering
ten laste der aangevers, anders ten laste van den Staat.
In elk geval wordt het enkel recht betaald over het bedrag,
waarmede de waarde, door de deskundigen bepaald, de aan-
gegeven waarde overtreft; daarentegen wordt teruggegeven het
recht betaald over het bedrag met hetwelk de aangegeven
waarde die, welke door de deskundigen is bepaald, te bo-
ven gaat.
39.    Eene boete van een vierde van het recht is verbeurd
ingeval, na de beteekening van het exploit, de aangegeven
waarde vrijwillig wordt verhoogd, onverschillig of de verhoo-
ging meer of minder dan één achtste der aangegeven waarde
beloopt.
40.    De belanghebbenden kunnen de aan te geven waarde
der in het eerste lid van artikel 38 vermelde zaken, te hun-
nen koste, door deskundigen doen vaststellen.
De vordering daartoe wordt gedaan bij exploit met dagvaar-
ding van den ontvanger, voor den kantonrechter bij het tweede
lid van art. 38 aangewezen, en ten einde als daarin is om-
schreven.
Het derde, vierde en vijfde lid van art. 38 zijn hierbij van
toepassing.
De waarde, volgens de schatting der deskundigen aan de
zaak toe te kennen, wordt aangegeven en strekt ten grondslag
voor de berekening van het recht.
TITEL III.
VAN DE HOEGROOTHEID VAN HET RECHT VAN SUCCESSIE EN
OVERGANG ; VAN DE TOEPASSING, DE BETALING EN DE
VRIJSTELLINGEN.
41.    Het recht van successie woidt bepaald als volgt:
Wanneer wordt geërfd of verkregen:
1°. door bloedverwanten in de rechte nederdalende linie van
bloedverwanten in de rechte opgaande linie, of door den eenen
-ocr page 616-
609
WET OP HET RECHT VAN SUCCESSIE.
echtgenoot van den anderen, indien kind of kinderen uit hun
huwelijk verwekt of afstammelingen daarvan aanwezig zijn,
een ten honderd ;
2". door bloedverwanten in do rechte opgaande linie van
bloedverwanten in de rechte nederdalende linie, drie ten
honderd ;
3". door den eenen echtgenoot van den anderen, indien geen
kind of kinderen uit hun huwelijk verwekt of geene afstam-
melingen daarvan aanwezig zijn, vier ten honderd;
4°. door broeders en zusters van broeders en zusters, vier
ten honderd;
5". door neef\' en nicht, naneef en nanicht van oom of moei,
oudoom of oudmoei, en omgekeerd door oom of moei, oudoom
of oudmoei van neef of nicht, naneef of nanicht, zes ten
honderd.
Op hetgeen in de gevallen, vermeld onder n". 4 en n°. 5,
meer wordt verkregen, dan het aandeel bij versterf zou heb-
ben beloopen, mitsgaders in alle andere niet voorziene gevallen,
tien ten honderd.
42.     Het boven en behalve het recht van successie te heffen
recht van overgang, onder n°. 1 van art. 1 vermeld, wordt
bepaald op een vierde ten honderd in de rechte linie en tus-
schen echtgenooten, kind of kinderen uit hun huwelijk verwekt
of afstammelingen daarvan nalatende; in alle andere gevallen
op twee ten honderd.
43.    Het recht van overgang, onder n°. \'2 van art. 1 vermeld
wordt bepaald op acht en een half ten honderd.
44.    Voor de berekening van het recht van overgang, onder
n°. 1 van art. 1 vermeld, wordt hij, die een evenredig deel der
nalatenschap erft, geacht een gelijk evenredig deel te ver-
krijgen in de tot die nalatenschap behoorende schuldbrieven en
verdere bij evengemelde wetsbepaling opgenoemde zaken, ten
ware de erflater daaromtrent anders had beschikt.
45.    Het bedrag van de rechten kan, ten gevolge van ver-
werping, wel vermeerdering, goene vermindering ondergaan.
In de gevallen bij de beide eerste leden van art. Ihis voor-
zien, kan het recht niet minder bedragen dan dat hetwelk betaald
zou zijn, indien de verwerping of afstand niet had plaats
gehad.
46.    Het recht van successie wordt geheven van het bedrag
der waarde welke door ieder, na aftrek van zijn aandeel in de
schulden en lasten, bij art. 27 vermeld, wordt geërfd of ver-
kregen.
Het recht van overgang wordt geheven van de waarde dei-
zaken, zonder aftrek van legaten, schulden of lasten, met dien
verstande nochtans, dat het bedrag van het recht van overgang,
39
-ocr page 617-
610
WET OP nET RECHT VAN SUCCESSIE.
bij art. 1, n°. 1, bedoeld, hot batig saldo des boedols niet zal
overschrijden.
47—51. Vervallen.
52.     Het recht wordt naar de verwantschap of de betrekking
tusschen den insteller en den verkrijger berekend, al ware deze
ook niet bij versterf tot het verkregene gerechtigd geweest:
a.   wanneer bij eene erfstelling over de hand de verwachter
tot het genot komt;
b.  wanneer vruchtgebruik of periodieke uitkeering bij opvolging
wordt verkregen.
53.     Wanneer bij den aangever onzekerheid bestaat omtrent
de verwantschap, of omtrent den persoon die erft of verkrijgt,
of omtrent do hoeveelheid welke den erfgenaam bij versterf
zou zijn aangekomen, wordt in de rechte lijn drie, in alle
andere gevallen tien ten honderd geheven, behoudens terug-
gave van hetgeen naderband blijkt te veel betaald te zijn, zoo
deze teruggave wordt gevraagd binnen den termijn voor de
verjaring bepaald, of, in geval van rechtsgedingen over de
erfenis of de verkrijging, binnen een jaar na bet eindvonnis.
54.     Het recht van successie en van overgang, de verhooging
van recht en de boete moeten worden betaald zooals zij door
\'s Kijks ambtenaar, krachtens deze wet en overeenkomstig de
bepalingen van het Burgerlijk Wetboek zijn berekend.
Behalve in de gevallen bij deze wet voorzien, kan het recht
noch verminderd, noch teruggegeven worden dan:
1". ingeval de wet niet naar behooren is toegepast;
2". indien en in zoo ver als het geërfde of verkregene ten
gevolge van de vervulling eener voorwaarde door andoren wordt
geërfd of verkregen of tot anderen terugkeert.
55.     De betaling van het recht van successie, van de rechten
van overgang en der boeten geschiedt binnen eene maand na
de aangifte; alles op verbeurte van één tiende gedeelte van
het verschuldigde recht als boete, boven de kosten van ver-
volging.
Uiterlijk binnen veertien dagen na de aangifte, wordt door
den rijksambtenaar aan de bij de aangifte gekozen woonplaats
eene eenvoudige, behoorlijk verzegelde specifieke nota gezonden
van het verschuldigde voorrecht, verhooging, boeten en kosten.
66. Van het recht van successie is vrijgesteld:
1°. al wat door den Staat wordt geërfd of verkregen;
2". alles wat door iemand in do rechte nederdalende linie
geërfd of verkregen wordt, wanneer het zuiver saldo daarvan,
volgens de specifieke aangifte, geen duizend gulden te boven
gaat;
3". alles wat de langstlevende echtgenoot van den eerst
stervende, terwijl kind of kinderen uit hun huwelijk verwekt
-ocr page 618-
611
WET OP HET RECHT VAN SUCCESSIE.
of afstammelingen van deze aanwezig zijn, erft of verkrijgt,
wanneer het zuiver saldo daarvan, volgens de specifieke aan-
gifte, geen duizend gulden te boven gaat;
4°. een bedrag van ƒ 500 op hetgeen door iemand in de
sub 2°. en 3". bedoelde gevallen geërfd of verkregen wordt,
wanneer het zuiver saldo daarvan, volgens de specifieke aan-
gifte, meer dan ƒ1000 doch niet meer dan ƒ1500 beloopt;
5". al wat geërfd of verkregen wordt uit eene nalatenschap,
waarvan het zuiver saldo volgens de specifieke aangifte geen
ƒ300 te boven gaat;
6°. al wat in vruchtgebruik of bij wijze van periodieke uit-
keering wordt geërfd of verkregen, zoo de verkrijger sterft
vóór dat zijn genot zes maanden heeft geduurd. In geval van
later overlijden wordt vrijstelling verleend voor dat gedeelte
van het recht, hetwelk het voordeel door den verkrijger, blij-
kens daarvan overgelegde bewijzen genoten, te boven gaat;
7". de waarde der onroerende zaken, over welke, in de
overzeesche bezittingen van het Rijk, het recht van overgang
wordt bewezen te zijn betaald geworden, doch alleen voor zoo-
ver die in het actief uitgetrokken waarde, naar evenredigheid,
in het zuiver saldo is begrepen.
Ingeval het onder n". 6 bedoelde overlijden plaats heeft of
de onder dat nommer en onder n". 7 bedoelde bewijzen gele-
verd worden na de betaling van het recht, wordt dit terugge-
geven, zoo deze teruggave wordt gevraagd binnen den termijn,
voor de verjaring bepaald.
57.    Van het recht van overgang, onder n\'. 1 van art 1
vermeld, wordt vrijgesteld:
1". al wat door den Staat wordt geërfd of verkregen;
2°. de inleg in spaarbanken, tot een bedrag van ƒ800.
58.    Gewettigde kinderen worden, voor de toepassing dezer
wet, beschouwd als uit het huwelijk te zijn geboren.
Wettelijke erkende natuurlijke kinderen worden met wettige
gelijkgesteld, mits de bewijzen der erkenning bij de aangifte
worden overgelegd.
In de gevallen van art. 918 en art. 920 van hot Burgerlijk
Wetboek wordt de natuurlijke bloedverwantschap voor de
berekening van het recht als wettige beschouwd.
59.    Alle schenkingen onder de levenden, daaronder begrepen
afstand tegen verplichting tot het doen verrichten van kerkelijke
diensten of plechtigheden, aan zedelijke lichamen of instellingen
van de doode hand, worden beschouwd alsof het geschonkene
krachtens uitersten wil bij legaat verkregen ware.
De aangifte geschiedt door de bestuurders van het lichaam,
van de instelling of van de stichting ten kantore, in welks
kring het lichaam, de instelling of do stichting gevestigd is.
-ocr page 619-
612
WET OP HET RECHT VAN SUCCESSIE.
Indien het lichaam, de instelling of de stichting buiten het Rijk
is gevestigd, geschiedt zij ten kantore, in welks kring de schen-
ker of stichter woont of, indien deze geen ingezeten van het
Rijk is, ten kantore, in welks kring de onroerende zaken ge-
legen of gevestigd zijn. Zij is aan geene beëediging onderworpen.
De termijn vangt aan op den dag, waarop de Koninklijke
machtiging tot aanvaarding is verleend; voor zoover deze niet
wordt vereischt, van den dag der registratie van de akte van
schenking; zoo ook deze ontbreekt, van den dag der in-bezit-
treding.
Deze schenkingen zijn vrij van het recht van registratie.
60.    Wij behouden Ons voor om, in bijzondere gevallen, van
wege dwaling of onwillig verzuim in de aangifte of in de
nakoming van andere voorschriften dezer wet, kwijtschelding,
vermindering of teruggave van rechten, van verhooging van
recht of van boete te verleenen.
61.    Onze Minister van Financiën is\' bevoegd oin, in bijzon-
dere gevallen, den termijn van aangifte, beëediging en betaling
te verlengen.
De duur van het bij art. 8 bepaalde voorrecht en de termijnen
bij art. 03 bepaald, worden, van rechtswege, met den tijd van
het uitstel verlengd.
In geval van verlenging der termijnen van aangifte of beta-
ling, is interest van het bedrag van het recht verschuldigd,
tegen vier ten honderd in het jaar, te rekenen van den dag,
waarop de betaling volgens de wet had. moeten geschieden, tot
dien waarop zij werkelijk plaats heeft.
TITEL IV.
VAN DE VERVOLGING EN DE VERJARING.
62.    De vervolging door \'s Rijks ambtenaren voor de invor-
dering der rechten, verhoogingen en boeten krachtens deze wet
verschuldigd, en de terugvordering door de belanghebbenden
van betaalde rechten, verhoogingen en boeten, worden op dezelfde
wijze ingesteld en behandeld als bij de wetten op de registratie
is bepaald.
63.    Er is verjaring:
1°. in geval van verzuimde aangifte, voor de invordering
van het recht van successie, van het recht van overgang, van
verhoogingen van recht en van boete, na vijf jaren, te rekenen
van den dag van het overlijden, wanneer dat binnen het Rijk
heeft plaats gehad, of in geval van overlijden buiten het Rijk,
van den dag der inschrijving van de akte van overlijden in de
registers van den burgelijken stand hier te lande, of van de n
-ocr page 620-
WET OP HET RECHT VAN SUCCESSIE.                           613
dag waarop akten of stukkon, waaruit bet overlijden blijkt,
gekomen zijn ter kennis van den Rijks ambtenaar, bij wien de
aangifte is of had moeten worden gedaan. Er kan evenwel in
dit laatste geval geene vordering worden ingesteld, wanneer
dertig jaren na den dag van het overlijden zijn verloopen.
In do gevallen bij het laatste lid van art. 20 bedoeld, na vijf
jaren te rekenen van den dag, waarop de termijn van aangifte
ingaat.
In het geval, bij art. 59 vermeld, na vijf jaren, te rekenen
van den dag der machtiging, der registratie van de akte, of
der in-bezit-treding:
2°. voor de invordering der boeten, wegens te late eedsaf-
legging verbeurd, na één jaar, te rekenen van den dag waarop
de eed is afgelegd;
3°. voor het vragen van waardeering door deskundigen vol-
gens art. 38, na twee jaren, te rekenen van den dag der aangifte;
4°. voor de invordering of bijvordering van het op de memorie
van aangifte, verschuldigde of te weinig geheven recht en ver-
hooging, voor de vordering tot teruggave van betaalde rechten,
verhoogiugen en boeten, na twee jaren, te rekenen van den
dag der aangifte.
Indien de vordering tot betaling of teruggave van eene
voorwaarde afhankelijk is, begint de termijn te loopen van don
dag, waarop zij is vervuld of ontbreekt;
.5°. voor de vorderingen, bedoeld bij de artt. 36 en 37, na
twee jaren, te rekenen van het tijdstip waarop akten of stuk-
ken, waaruit blijkt of het gegrond vermoeden ontstaat dat
v< rzuim heeft plaats gehad of verkeerde opgaven zijn gedaan,
gekomen zijn ter konnis van den Bijks-ambtenaar, bij wien de
aangifte gedaan is of gedaan had moeten worden.
Indien de vervolging gedurende één jaar wordt gestaakt,
zonder dat zij voor den rechter is aanhangig gemaakt, is de
verjaring onherroepelijk verkregen.
SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN.
64. Het is \'s Rijks ambtenaar, zoowel dengene te wiens
kantore de memoriën van aangifte en bijlagen worden ingeleverd,
als dengene die daarvan, in zijn ambtsbetrekking, konnis neemt,
verboden, van die stukken inzage, afschriften of uittreksels
te geven, of daaruit iets mede te deelen anders dan aan do
aangevers en hunne rechtverkrijgenden, en aan de verkrijgers
onder bijzonderen titel, alleen voor zooveel ieders rechten aangaat.
In alle andere gevallen wordt daartoe een bevelschrift ver-
eischt van den kantonrechter van het kanton, waarin het kantoor
gevestigd is.
-ocr page 621-
614
WET OP HET RECHT VAN SUCCESSIE.
Behalve de kosten van het zegel, is vijftig cents ver«chul-
digd voor elk geheel beschreven bladzijde, houdende 27 regels,
elk van 12 lettergrepen door elkander, en gedeeltelijk beschreven
bladzijden voor vol gerekend.
Op het uittreksel of afschrift wordt voor het genoten salaris
gekweten.
Bij het verleenen van bloote inzage is vijftig cents verschuldigd.
65.     De verhoogingen en boeten kunnen niet worden verhaald
op de erfgenamen van dengene, die ze heeft verbeurd, ten ware
deze reeds tot betaling veroordeeld of een dwangschrift tegen
hem uitgevaardigd mocht zijn.
66.     Geen interessen hoegenaamd worden door of van de
belastingschuldigen gevorderd, behalve in het geval bij het
laatste lid van art. 61 voorzien.
67.     De bepalingen dezer wet zijn mede toepasselijk op de over-
gangen van zaken met vruchtgebruik, of periodieke uitkeering
belast; op erfenissen of verkrijgingen, ten gevolge van de ver-
vulling eener voorwaarde; op de verkrijging van vruchtgebruik
en periodieke uitkeeringen bij opvolging, en op overgang bij
erfenissen over de band, onder deze wet plaats hebbende, al
mocht ook de oorspronkelijke insteller of erflater reeds vroeger
zijn overleden.
68.     De bepalingen van art. 63 zijn mede toepasselijk op de
vorderingen onder vroegere wetten ontstaan, voor zoover bij
die wetten geen bijzondere termijn was bepaald.
69.     De wet van 27 December 1817 (SM. n°. 37) en alle
andere wetten en wettelijko verorderingen, betreffende het recht\'
van successie en van overgang bij overlijden, worden bij het
in werking komen dezer wet afgeschaft; zij blijven echter van
kracht ten aanzien der vererving en verkrijging door overlijden,
onder hare werking voorgevallen, behoudens de bepalingen van
nrtt. 66, 67 en 68.
70.     Deze wet komt in werking op den le" Juli 1859.
Art. 2 (der wet van 28 Met 180!) SM. ito. !>5 in werking
getreden oj> 1 Juli 1809).
Op verervingen of verkrijgingen door overlijden vóór de in-
voering dezer wet plaats gehad hebbende, blijven, behoudens
het bepaalde bij art. 67 van de wet van 13 Mei 1859 (SM.
n". 36) van toepassing de bepalingen dor wetten, onder welker
werking de vererving of verkrijging heeft plaats gehad.
Het recht, betaald of verschuldigd wegens verervingen of ver-
krijgingen van zaken, onder den last van vruchtgebruik of
periodieke uitkeeringen, kan echter ten gevolge van overgangen van
den eigendom door overlijden na die invoering niet meer vervallen.
-ocr page 622-
WET OP HET RECHT VAN SUCCESSIE.                       615
Indien de betaling van dat recht is of wordt opgeschort, gelden
omtrent het doen van aangifte en omtrent de betaling van dat
recht, bij het eindigen van het vruchtgebruik of het ophouden
der periodieke uitkeering, de daaromtrent bij de wet van 13
Mei 1859 (Stbl. n". 30) gemaakte bepalingen.
Zij die, op de wijze bij art. 50 der evengemelde wet voorzien,
tot den vollen eigendom of het vol genot komen of\' geacht
worden te komen, kunnen, indien de opgeschorte rechten, ten
gevolge van herhaalde vererving van den blooten eigendom,
meer mochten bedragen dan vijftien percent in hoofdsom van
de waarde, welke de volle eigendom op het tijdstip der laatste
vererving had, met de betaling van die vijftien percent volstaan.
Art. 3 (der wel van 21 Mei IS\'J7 Stbl. no. 1.\',4).
De roerende zaken bij het overlijden onder den overledene
berustende of voor hem door anderen bewaard of bezeten,
worden voor de regeling van de rechten van successie en van
overgang geacht tot zijn boedel, of zoo hij in algehoele gemeen-
scliap van goederen was gehuwd, tot de gemeenschap te
behooren.
Hetzelfde geldt van de schuldvorderingen en aandeden, waar-
van de aan toonder of houder luidende bewijzen bij zijn over-
lijden onder hem berustten of voor hom door anderen werden
bewaard of bezeten.
De verplichting tot afgifte kan worden opgenomen onder de
schulden bedoeld in art. 27 letter a der wet van den 13den
Mei 1859 {Stbl. n". 30), zooals dat luidt volgens art. 1, § 2,
dezer wet, mits aan de in dat artikel gestelde eischen zij vol-
daan of anders aan \'s Rijks ambtenaar, daartoe door den Minister
van Financiën aangewezen, of aan den rechter, zoo niet naar
de eischen van het burgerlijk re^lit, dan toch overtuigend worde
aangetoond, dat de zaken of waarden reeds vóór het overlijden
aan anderen toebehoorden. Voor zoover de verplichting tot
afgifte onder de schulden kan worden opgenomen, blijven de
waarden buiten aanmerking bij de berekening van het recht
van overgang, vermeld onder n". 1 van art. 1.
Deze bepalingen zijn niet toepasselijk:
1°. ingeval de overledene, ten gevolge van de uitoefening
van een beroep of bedrijf, de zaken of bewijzen onder zich had
voor iemand, niet behoorende tot zijn bloed- of aanverwanten tot
den vierden graad ingesloten of hunne echtgenooten;
2". ingeval de zaken of bewijzen onder den overledene
berustten als openbaar ambtenaar, als vader van minderjarigen,
als voogd, als curator, als executeur-testamentair of als bewind-
voerder in de gevallen waarin deze volgens eene uitdrukkelijke
-ocr page 623-
616                       WET OP HET HECHT VAN SUCCESSIE.
wetsbepaling is aangesteld of bij boedelscheiding als zoodanig
is benoemd;
3". ingeval de zaken of\' bewijzen bij liet overlijden ver-
blijven aan mede-eigenaren, ingevolge eenc overeenkomst tus-
schen den overledene en die mede-eigenaren gesloten;
4". ingeval en voor zoover de zaken of bewijzen toeboliooren
aan de vrouw van den overledene.
Dit artikel is mede toepasselijk op de daarin bedoelde zaken
of bewijzen, berustende onder of bewaard voor den in algehcelo
gemeenschap van goederen gehuwden echtgenoot van den over-
ledene.
4. In bet geval, bedoeld in artikel 1750 van het Burgerlijk
Wetboek, zal op verzoek van den executeur-testamentair, van
de erfgenamen of van den houder, de opening, vóór de afgifte,
gesebieden door den kantonrechter, binnen wiens kanton het in
bewaring gegevene zich bevindt.
De kantonrechter zal van de opening een proces-verbaal op-
maken, waai in de uitwendige toestand en de inhoud van het
ter opening aangebodene worden beschreven.
6. Zij, die zaken of waarden onder zich hebben met de
opdracht om die bij bot overlijden van een ingezetene des Rijks
niet in den boedel te brengen of daarmede zóó te handelen
dat zij niet in den boedel komen, zijn verplicht eene schriftelijke
memorie in te leveren, behelzende: den naam en voornaam van
den overledene, diens laatste woonplaats, eene specifieke om-
schrijving van de zaken of waarden, den titel waaronder zij de
zaken of waarden onder zich hadden en eene nauwkeurige aan-
wijzing van de bestemming der zaken of waarden. Deze me-
morie moet worden ingeleverd ten kantore in welks kring de
overledene zijne laatste woonplaats had, binnen den termijn van
ééne maand na aanmaning bij deurwaarders-exploot en in ieder
geval vóór dat do tot de aangifte geroepenen de zaken of
waarden uit banden geven of op eenige andere wijze aan de
opdracht gevolg geven.
\'s Rijks ambtenaar is bevoegd den inhoud dezer memorie
aan de erfgenamen van den overledene en aan den executeur-
testamentair, zoo deze aangifte gedaan heeft, mede te deele\'n.
liij niet-inlevering der memorie binnen den gemelden termijn
en bij onvolledigheid of onnauwkeurigheid der memorie zijn zij,
die tot het inleveren verplicht zijn, hoofdelijk aansprakelijk,
zoowel voor de rechten van successie en van overgang, als voor
de boeten, die ter zake van de hiervoor bedoelde zaken of
waarden aan bet Kijk verschuldigd zullen zijn. Zij verbeuren
bovendien eene boete, gelijkstaande niet het bedrag van het
verschuldigd recht, doch van ten minste honderd gulden.
De vorderingen, waartoe dit artikel aanleiding geeft, worden
-ocr page 624-
(il 7
WET OP HET BECHT VAN SUCCESSIE.
ingesteld op de wijze bepaald bij de artikelen 21 en 3fi dei-
wet van den 18den Mei 1859 (Stbl. n". 36).
6.     Wat schuldig erkend of kwijtgescholden is bij testament
of onder voorwaarde van overleving van hem. aan wien is
schuldig erkend of kwijtgescholden, en wat is kwijtgescholden
met ingang van liet overlijden van den schiildeischer, wordt
voor do regeling van de rechten van successie en van overgang
geacht bij legaat uit den boedel te zijn verkregen.
Het aldus schuldig erkende wordt niet gerekend tot de schul-
den, welke uit den boedel moeten worden betaald.
Deze bepalingen blijven, voor zooveel zij het bij testament
schuldig erkende betreffen, buiten toepassing, wanneer aan
\'s Kijks ambtenaar, daartoe door den Minister van Financiën
aangewezen, of aan den rechter, zoo niet naar de eischen van
het burgerlijk recht, dan toch overtuigend wordt aangetoond,
dat de schuld reeds tijdens het leven van den erflater bestond.
7.     Roerendo zaken geschonken, of schuldvorderingen kwijt-
gescholden aan bloed- of aanverwanten tot den vierden graad
ingesloten, of aan hunne echtgenooten, worden voor de regeling
van de rechten van successie en van overgang geacht bij het
overlijden van den schenker in zijn boedel te zijn en bij legaat
te zijn verkregen, als dat overlijden plaats heeft binnen 180
dagen na de schenking of kwijtschelding.
Was de schenker in algcneele gemeenschap van goederen
gehuwd dan wordt het geschonkene of kwijtgescholdene geacht
tot de gemeenschap te hebben behoord en voor de helft bij
legaat te zijn verkregen, indien binnen 180 dagen na do schen-
king of kwijtschelding hij of zijn echtgenoot overleed.
Van de waarde van hetgeen wordt geacht bij legaat te zijn
^►wrkregen kan, voor de regeling van de rechten van successie
en van overgang, worden afgetrokken wat bij de schenking of
kwijtschelding daarvoor werd bedongen, periodieke uitkeeringen
en vruchtgebruik hieronder niet begrepen, mits het bedrag, de
wettelijke bewijzen en de dagteekening der schenking of kwijt-
schelding in de aangifte worden vermeld.
De wegens de schenking of kwijtschelding betaalde rechten
van registratie strekken in mindering van hetgeen voor recht
van successie, van overgang en opcenten ten gevolge van do
bepalingen van dit artikel verschuldigd is.
De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de
giften en kwijtscheldingen, waarvan het gezamenlijk bedrag niet
meer beloopt dan f 1500.—, voor iemand, die aan den overledene
in de rechte linie was verwant, of zijn echtgenoot, en niet. meer
dan / 500. — voor een ander persoon.
8.     Ingeval iemand op andere wijze dan door schenking of
kwijtschelding, tengevolge van de vrijgevigheid van den over-
-ocr page 625-
G18
WET OP HET RECHT VAN SUCCESSIE.
ledene is bevoordeeld — bevoordeeling door gebruik van goe-
deren en kost en inwoning bij den erflater uitgezonderd — wordt
het bedrag of de waarde van hetgeen daarvoor aan den boedel
van den overledene is onttrokken, voor de regeling van de
rechten van successie en van overgang geacht bij het overlijden
in diens boedel te zijn en bij legaat te zijn verkregen, wanneer
de handeling of overeenkomst, waaruit de bevoordeeling voort-
vloeide, plaats had binnen 180 dagen aan het overlijden vooraf-
gegaan.
Evenzoo wordt geacht bij legaat te zijn verkregen wat ten
gevolge van eene handeling of overeenkomst, als in het vorig
lid bedoeld, na het overlijden uit den boedel gaat.
9.    Het aandeel van een overledene in eene onverdeeldheid,
die opgelost is door eene scheiding, waarbij de overledene oen
van zijn leven afhankelijk vruchtgenot of periodieke uitkeering
heeft verkregen, wordt voor de regeling van de rechten van
successie en van overgang geacht bij zijn overlijden nog in zijn
boedel te zijn en bij legaat te zijn verkregen door hen, aan
wie goederen in blooten eigendom of ouder den last van perio-
dieke uitkeeriug werden toebedeeld, tenzij worde aangetoond,
dat de scheiding meer dan 180 dagen vóór het overlijden is tot
stand gekomen.
Heeft de overledene bij de scheiding, behalve het vruchtgenot
of de periodieke uitkeering, baten in eigendom verkregen, dan
mag de waarde die deze hadden bij de scheiding, in mindering
van de waarde van het aan te geven aandeel worden gebracht.
10.    Al wat door den overledene aan bloed- of aanverwanten,
tot den vierden graad ingesloten, of aan hunne echtgenooteu
werd afgestaan, overgedragen of kwijtgescholden, wordt voor
de regeling van de rechten van successie en van overgang
geacht bij het . overlijden in den boedel te zijn en bij legaat
door den verkrijger of bevoordeelde te zijn verkregen, indien
de overledene bij den afstand, de overdracht of de kwijtschel-
ding oen van het leven afhankelijk vruchtgenot of periodieke
uitkeering heeft voorbehouden of bedongen. Als de rechtshan-
deling meer dan een jaar vóór het overlijden plaats had, blij-
ven do zaken, die tengevolge van dit artikel geacht worden
bij legaat te zijn verkregen, buiten aanmerking bij de bereke-
ning van het recht van overgang, vermeld onder n°. 1 van
art. 1 der wet van den 13den Mei 1859 {Slbl. n°. 36).
Van de waarde der volgens het eerste lid aan te geven zaken
kan, voor de regeling van het recht van successie, worden
afgetrokken, wat, blijkens wettelijke bewijzen, voor den afstaod,
de overdracht of de kwijtschelding werd bedongen, mits het
bedongen bedrag, de wettelijke bewijzen en de dagteekeniug
van het beding in de aangifte worden vermeld. Voor voorbe-
-ocr page 626-
619
WET OP HET HECHT VAN SUCCESSIE.
houden of bedongen vruchtgenot wordt geen aftrek toegelaten
en de aftrek voor bedongen periodieke uitkeeringen wordt
beperkt tot het bedrag van de werkelijk betaalde termijnen.
De wegens den afstand, de overdracht of de kwijtschelding
betaalde rechten van registratie en van overschrijving strekken
in mindering van de rechten van successie, van overgang en
opcenten ten gevolge van de bepalingen van dit artikel ver-
schuldigd.
11.     Indien in de gevallen bij de artikelen 7, 8, 9 en 10
voorzien, na de daarbij bedoelde rechtshandelingen en vóór bet
overlijden van den daarin bedoelden erflater, de verkrijger of
bevoordeelde overleden is, blijven die artikelen, voor hetgeen
door dezen verkregen werd, buiten toepassing.
12.     Wanneer een aandeel in zaken, die aan den overledene
in gemeenschap met anderen toebehoorden, bij zijn overlijden,
tengevolge van eene overeenkomst, verblijft aan medeeigena-
ren, die bloed- of aanverwanten zijn, tot den vierden graad
ingesloten, of aan hunne echtgenooten, tegen of zonder ver-
goeding aan de erfgenamen of rechtverkrijgenden van den over-
ledene, wordt dat aandeel voor de regeling van de rechten van
successie en van overgang geacht bij het overlijden in den
boedel te zijn en bij legaat te zijn verkregen.
Van de waarde van het aandeel kan, voor de regeling van
het recht van successie, het als een bestanddeel van den boe-
del aangegeven bedrag van de vergoeding worden afgetrokken.
De bijvordering van het evenredig recht van registratie, voor-
geschreven bij artikel 18 der wet van den Uden Juli 1882
(Stbl. n". 92) wordt, ten aanzien van het in het eerste lid van
dit artikel bedoeld aandeel, beperkt tot het recht over de waarde,
die aan de erfgenamen of rechtverkrijgenden van den overle-
dene wordt vergoed.
13.     De goederen, door den overledene bij uitersten wil be
stemd tot vermogen van eene door hem bij uitersten wil in het
leven geroepen stichting, worden voor de regeling van de rechten
van successie en van overgang beschouwd door de stichting bij
erfenis of legaat uit den boedel te zijn verkregen.
14.     De goederen, door iemand op andere wijze dan bij
uitersten wil bestemd om daarmede eene stichting in het leven
te roepen, worden voor do toepassing van artikel 59 der wet
van den 13den Mei 1859 (Stbl. u". 36), zooals dat is gewijzigd
bij de wet van den 28sten Mei 1869 (Stbl, n". 95), beschouwd
als door de stichting te zijn verkregen bij schenking onder de
levenden, met dien verstande, dat hij, die de stichting in bet
loven roept, binnen zes maanden na de dagteekening der akte,
waarbij hij dit doet, aangifte moet doen ten kantore, waar zijne
woonplaats te dien tijde gevestigd was. of, zoo hij geen inge-
-ocr page 627-
620                       WET OP HET RECHT VAN SUCCESSIE.
zeten van het Rijk was, ten kantore in welks kring de onroe-
rende zaken gelegen of gevestigd zijn.
Hij is voor de rechten en boeten aansprakelijk.
15.     Het eerste lid van artikel 59 der wet van den 13den Mei
18.59 (Slbl. n". 36) wordt gelezen als volgt:
„Alle schenkingen onder de levenden, daaronder begrepen
afstand tegen verplichting tot het doen verrichten van kerkelijke
diensten of plechtigheden, aan zedelijke lichamen of instellingen
van de doode hand, worden beschouwd alsof het geschonkene
krachtens uitersten wil bij legaat verkregen ware."
16.     De verhooging van het recht in do gevallen, voorzien
bij de artt 36 on 37 der wet van den 13den Mei 1859 (Slbl.
n". 36), zooals die zijn gewijzigd bij do wetten van den 28sten
Mei 1869 (Stbl. n". 95) en van den 9den Juni 1878 (Stbl. n°. 95),
wordt gesteld op een bedrag, gelijk aan dat van het verschul-
digd recht.
17.     De hier te lande gelegen of gevestigde onroerende zaken,
welke door een overledene, die geen ingezeten van het Kijk
was, binnen lifct jaar aan het overlijden voorafgegaan zijn over-
gedragen en, hetzij vóór, hetzij binnen een jaar na zijn over-
lijden door overdracht zijn of worden verkregen door één of
meer zijner erfgenamen, bloed- of aanverwanten tot den vierden
graad ingesloten, of ddor hunne echtgenooten, worden voor de
regeling van het recht van overgang geacht door dezen van
den overledene door zijn overlijden verkregen te zijn.
De wegens overdracht betaalde rechten van registratie en
van overschrijving strekken in mindering van het verschuldigd\'\'
recht van overgang.
18.     De Rijksambtenaar is bevoegd, om binnen een jaar nadat
door den uitvoerder van den uitersten wil aangifte voor het
recht van successie en van overgang is gedaan, van de erfge-
namen van den overledene of van één of meer hunner aangifte
te vorderen.
Die vordering geschiedt bij deurwaarders-exploot. Is de me
morie van aangifte niet binnen twee maanden na de beteekening
van het exploot door de erfgenamen ingediend, dan wordt tegen
hen dwangschrift uitgevaardigd tot betaling eener daarbij uit
te drukken som, op gelijke wijze en ten zelfden einde als bij
art. 21 der wet van den\' 13den Mei 1859 (Slbl. n°. 36), zooals
dat is gewijzigd bij de wet van den 28sten Mei 1869 (Stbl.
n". 95), is bepaald.
Is volgens de aangifte van de erfgenamen meer recht ver-
schuldigd dan volgens die van den uitvoerder van den uitersten
wil. dan strekt het op de laatstgemeldo aangifte betaalde recht
in mindering van dat, hetwelk volgens de aangifte van de erf-
genamen is verschuldigd.
-ocr page 628-
WET OP MET RECHT VAN SUCCESSIE.                       621
19. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te
bepalen dag.
Zij is van toepassing wanneer het overlijden of de andeïe
gebeurtenis, waardoor de verplichting tot aangifte ontstaat, op
of na dien dag plaats heeft.
-ocr page 629-
WET
van don 8den October 1843, Stbl. no. 47,
OP HET REGT VANZEGEL,
KKRSTE TITEL.
ALGEMEENE BEPALINGEN.
Art. 1.
Er zal, onder de benaming van regt van zegel, eene belas-
ting geheven worden op het papier of perkement, dat gebruikt
wordt voor alle geregtelijke en burgerlijke, hetzij administratieve,
openbare of onderhandscho acten, mitsgaders voor alle geschrif-
ten, die in regten als bewijs kunnen overgelegd worden, en voor
alle andere stukken hierna opgeno\'.md.
Er bestaan geene uitzonderingen, dan die bij name in deze
wet zijn uitgedrukt.
2.    Deze belasting bestaat in:                                                 
l. het zegelregt, naar de oppervlakte van het papier;
II.  het zegelregt, voor de patenten, buitcnlandsche paspoorten
en de advertention in de nieuwspapieren ;
III.   het zegelregt, geëvenredigd aan de sommen en gelds-
waarden;
IV.  hot zegelregt voor gedrukte stukken;
Alles op de wijze hierna omschreven.
3.    Het papier, van wege het Rijk uitgegeven, zal behalve
van het zegel, van een bijzonder merkteeken zijn voorzien.
De zegelstempel zal aan de bovenzijde van het papier worden
afgedrukt.
4.    De afdruk van den zegelstempel mag, zoo min op de voor-
als keerzijde, door letters bedekt of op eenige wijze onkenbaar
gemaakt of beschadigd worden.
Alle acten en schrifturen, zonder onderscheid, moeten ter
hoogte van, of onder den afdruk van den zegelstempel aange-
vangen en vervolgd worden.
Voor iedere overtreding van dit artikel is verbeurt eeno boete
van vijf gulden (met 50 opcenten) door oen bijzonder persoon,
-ocr page 630-
ZF.GKI.WET.                                                   623
en van tien gulden (met 50 opcenten) door een ambtenaar, do
overtreding in zijne betrekking begaan hebbende.
De vorenstaande bepalingen van dit artikel zijn niet toepas-
selijk op gedrukte stukken.
5.    Wanneer eenig stuk niet op het daarvoor bestemde, maar
op een ander gezegeld papier van hetzelfde of van een hooger
regt, is gesteld, zal deswege geene boete verschuldigd zijn.
6.    Het is een ieder die niet door of van wege het departe-
ment van Financien daartoe aangesteld of gemachtigd is, ver-
boden gezegeld papier te vorkoopen of uit te geven.
Voor iedere overtreding van dit artikel is verbeurd eene
boete van vijf en zeventig gulden (met ISO opcenten); onver-
minderd de verbeurdverklaring van het gezegeld papier bij den
overtreder gevonden wordende, indien hij niet bewijzen kan
hetzelve bij eenen ontvanger der registratie of van het zegel
te hebben aangekocht.
7.    Een gezegeld papier, hetwelk reeds tot eenige acte, ge-
schrift of drukwerk gebruikt is. al ware die acte, dat geschrift
of drukwerk ook doorgehaald of op eenige andere wijze ver-
nictigd, mag niet tot eenig ander geschrift of drukwerk gebc-
zigd worden.
In geval van overtreding, wordt alles wat op zoodanig ge-
zegeld papier is geschreven, of gedrukt, met betrekking tot
deze wet, beschouwd op ongezegeld papier gesteld te zijn.
Kchter kunnen achter elkander of op hetzelfde gezegeld pa-
pier geschreven worden :
a. Alle acten en geschriften, welke, overeenkomstig do bepa-
lingen der bestaande wetten, in registers of achter of naast
elkander geschreven worden;
h. Boedelbeschrijvingen, proces verbaal en verdere acten, welke
niet in ééne zitting kunnen worden voltooid, daaronder begrepen
de vordering tot ontzegeling en de processen-verbaal van her-
kenning en opheffing van zegels;
c.  de verschillende certificaten of verklaringen van oorsprong
van inlandsche fabricaten;
d.   De uittreksels uit acten van, of certificaten betrekkelijk
tot huwelijks-af kondigingen, bestemd om op denzelfden dag to
worden nangeplakt;
e.   De onderscheidene quitantien voor de, in mindering van
eene on dezelfde schuldvordering of van eenen on denzelfden
huur- of pachttermijn, ontvangen sommen.
Voorts kunnen worden gestold:
1°. De conclusien van het openbaar ministerie, alsmede do
rogterlijke beschikkingen en vonnissen, op de daartoe betrek-
kelijke requesten;
2°. De legalisatiën van handteekeningen en de bekrachtigingen
-ocr page 631-
624                                                 ZEGE1.WET.
van acten, op do acten en stukkon welke daartoe betrekking
hebben, en, in het algemeen, de vermelding van de verrigting
van formaliteiten, op do stukken welke die formaliteiten heb-
ben ondel gaan ;
3°. Do quitantien, endossementen, acceptatien, avals en ver-
lengingen van den termijn van betaling, op bodemerij- en wis-
selbrieveh, en op ordebriefjes of promessen aan order, assigna-
tien en ander papier aan toonder; — voorts, de quitantien, op
de processen-verbaal en contracten van koop en verkoop, en
op de acten van schuldbekentenis;
4°. De acten van insinuatie of beteekening, met of zonder
bevel, op het vonnis of stuk, waarvan kopij gelaten wordt, zoo
mede de vermelding van de beteekening van protesten, op de
acten van protest;
5°. De processen-verbaal van veiling, verkooping, verpachting,
verhuring, toewijzing of aanbesteding, op de memorien van
voorwaarden of lasten;
6°. Die van opbieding of prijsverhooging en die van hervei-
ling ten schade eens nadeeligen koopers, op de processen-verbaal
van veiling, van voorloopige toewijzing of van verkoop ;
7°. Do verklaringen van lastgoving, op de acten van verkoop,
tot welke dezelve betrekkelijk zijn;
8°. De verklaringen van geregtigdheid ten behoeve van
schuldeischers van den Staat, alsmede de quitantien en endos-
sementen, op alle mandaten, ordonnantien van betaling of be-
taalsrollen;
9°. De aanteekening of vermelding van het afteggen vsfn
oenen ambts-eed, op de akte van aanstelling;
10". De bevestiging onder eede van processen-verbaal, ambts-
halve opgemaakt, op die processen-verbaal;
11". De verklaringen, dat schepen binnen dit Rijk zijn ge-
bouwd, op de bijlbrieven;
12". De quitantien wegens inlage of premie, op de polissen
van verzekering of bewijzen van verwaarborging ;
13". De acten van verandering van onderpand, op de acten
van beleening.
14". Het reccpis of bewijs van ontvangst, op de stukken die
in regten worden overgelegd;
15°. De acten van herroeping van volmagt of van uiterste
wilsbeschikking, op de acten welke worden herroepen.
8. Het is verboden aan regters, scheidsmannen, departe-
menten van algemeen bestuur, besturen van provinciën, steden
en gemeenten, of, andere openbare collegien, gestichten of instel-
lingen, hoe ook genaamd, om vonnis te wijzen, regt te doen,
te besluiten, of handteekeningen te legaliseren, op eenig stuk,
hetzij binnen \'s lands, hetzij buiten \'s lands, of in de overzeesche
-ocr page 632-
ZEGELWET. •                                              625
bezittingen van het Rijk opgemaakt, dat niet van behoorlijk
zegel, volgens de wet, is voorzien, of waarvoor het zegelrecht
niet is voldaan, ten ware hetzelve uitdrukkelijk van het regt
zij vrijgesteld, of wel van het bewijs van registratie zij voorzien.
Het is wijders aan regters, scheidsmannen, deskundigen, nota-
rissen, procureurs, deurwaarders, griffiers van den hoogen raad,
van hoven, regtbanken en kanton-geregten, griffiers van provin-
ciale] staten, secretarissen-generaal, griffiers en secretarissen
van ministeriële departementen of collegien van algemeen bestuur,
van stedelijke of gemeente-besturen, van hooge en andere heem-
raadschappen, dijk- en polderbesturen, wateringen en waterschap-
pen, en aan andere ambtenaren, bevoegd om acten te verlijden
of exploiten te doen, — verboden, krachtens of tengevolge van
eenig stuk, hetzij binnen \'s lands, hetzij buiten \'s lands, of in de
overzeesche bezittingen van het Rijk opgemaakt, hetwelk niet
van behoorlijk zegel, volgens de wet, is voorzien, of waarvoor
het zegelregt niet is voldaan, ten ware hetzelve uitdrukkelijk
van het regt zij vrijgesteld, of wel van het bewijs van registratie
zij voorzien, eenige acte op te maken, hetzelve aan hunne
minuten vast te hechten, daarvan grossen, afschriften of uit-
treksels te geven, hetzelve ten behoeve van den houder, in
hunne acten te vermelden, of daarop handteekeningen te legali-
seren.
Hiervan zijn uitgezonderd:
a.    Acten van protest, welke kunnen worden opgemaakt van
wisselbrieven of ander handelspapier, voor welke het verschul-
digde zegelregt nog niet is voldaan;
b.    Scheidingen, voor zoo veel betreft de daarin, onder de
baten van den te verdeelen inboedel, voorkomende onderhandsche
en andere acten en stukken, voorts boedelbeschrijvingen, mits-
gaders processen-verbaal van ver- en ontzegeling, waarin kunnen
worden aangehaald ongezegelde of niet behoorlijk gezegelde
stukken, welke in boedels gevonden en beschreven moeten worden ;
c.    Zoodanige andere acten van notarissen, nevens welke, bij
dezelver registratie, gelijktijdig worden overgelegd de stukken,
voor welke het verschuldigde zegelregt niet is voldaan, waaruit
in die acten is gehandeld of waarvan afschriften en uittreksels
zijn opgemaakt;
Bijaldien van de bevoegdheid, hiervoor bij de letters a en c
verleend, wordt gebruik gemaakt, zullen de notarissen, griffiers
of deurwaarders, bij de registratie hunner acten, betalen de
zegelregten en boeten, welke voor de vorenbedoelde acten en
stukken verschuldigd te zijn, behoudens verhaal op wien het
behoort;
rf. De olographische en geheime testamenten en de stukken
bedoeld bij de artt. 982 en 983 van het Burgerlijk Wetboek,
40
-ocr page 633-
626
ZEGEI.WET.
welke, met derzelver omslagen voorzien, in bewaring ge
nomen, waarop de vereischte naiiteekeningen en acten van
superscriptie geschreven, en die voorts in acten van teruggave
vermeld, en eindelijk beschreven mogen worden, al mogtcn ook
deze stukkon niet van zegel zijn voorzien.
Bij de registratie van deze uiterste willen, of van de voren-
bedoelde aanteekeningen, acten van superscriptie of van beschrij-
ving, zullen de verschuldigde zegelregten worden betaald.
Er is, voor iedere overtreding van dit artikel, door de voor-
melde besturen, collegien, ambtenaren en verdere personen,
verbeurd eene boete van vijftig gulden (met 50 opcenten).
Zij zijn bovendien gehouden tot de betaling der rechten en
boeten, verschuldigd voor de stukken niet van behoorlijk zegel,
volgens de wet voorzien, of waarvoor het zegelregt niet is vol-
daan, behoudens verhaal op wien het behoort.
9.    Het is lederen regter of openbaren ambtenaar verboden\'
een register, aan zegel onderhevig, te kantteekenen en te waar-
merken, wanneer niet alle bladen van liet register gezegeld zijn-
Voor iedere overtreding van dit artikel is verbeurd eene boete
van twintig gulden (met 50 opcenten).
10.    Voor alle huiselijke papieren, brieven of zoodanige ge-
schriften, welke, ofschoon niet bij name onder de vrijstellingen
begrepen, echter, volgens derzelver aard, aanvankelijk niet op
gezegeld papier behoefden geschreven te worden, moet het
zegelregt worden voldaan, alvorens dezelve in regten kunnen
worden overgelegd, of voor dat daarvan authentieke afschriften
of uittreksels worden afgegeven, of op eenige wijze, in e,ene
openbare acte, ten behoeve van den houder, daarvan worde
gebruik gemaakt, behoudens de uitzonderingen, vermeld onder
letter b en c van art. 8.
Voor iedere overtreding van dit artikel is door de besturen,
collegien, ambtenaren en verdere personen, bij art. 8 opgenoemd,
verbeurd eene boete van vijftig gulden (met 50 opcenten).
TWEEDE TITEL.
VAN DEN AARD DER BELASTING.
EERSTE AFDEELING.
VAN HET ZEGELREGT NAAR DE OPPERVLAKTE VAN HET PAPIER.
11.    Van het naar de oppervlakte gezegeld papier, van wege
het Rijk uitgegeven, zijn het regt, de benaming en grootte als volgt:
-ocr page 634-
627
ZEGEI.WET.
Grootte van het papier,
het vel opengeslagen.
Oppor-
vlakto.
Hoogte.
Breedte.
N°.
1   van f 1.00 (met 50 opcenten) groot
register-papier.........
2  van f 0.75 (met 50 opcenten) re-
gisterpapier..........
3   van ƒ 0.50 (met 50 opcenten) ge-
woon papier..........
4   van f 0 25 (met 50 opcenten) half
vel gewoon papier.......
5   van f 0.15 (met 50 opcenten) kl.
papier............
palmen.
4,520
3,857
3,220
3,220
2,500
palmen.
5,700
5,010
4,000
2,000
1,700
palmen.
25,76
19,32
12,88
6,44
4,25
12.     Aan het zcgelregt, hierboven vermeld, is onderhevig:
al het papier of perkement, gchiuikt wordende voor minuten,
brevetten, grossen, expeditien of afschriften, kopijen, dubbelen
en uittreksels van burgerlijke, geregtelijke, buiten geregtelijke,
administratieve en onderhandsche acten, van arresten en von-
nissen, zoo mede voor registers en boeken, verzoekschriften,
zelfs in den vorm van memorien of brieven, inemorien van
aangifte voor het regt van successie en het regt van overgang,
en eindelijk, in den uitgebreidsten zin, voor alle stukken en
geschriften, welke eenigen titel, regt of voordeel opleveren, of
tot eenig bewijs strekken.
Op de bepalingen van dit artikel zijn geene andere uitzon-
deringen, dan voor zoo ver betreft de acten, registers, stukken
en geschriften, welke bij deze wet van het recht geheel vrijge-
steld zijn of aan een ander zegelregt zijn onderworpen.
13.     Alle acten en geschriften, in het laatstvoorgaande artikel
aangeduid, binnen dit Rijk opgemaakt, moeten, behoudens de
in het volgende artikel toegestane uitzonderingen, worden
gesteld op het gezegeld papier van wege het Rijk uitgegeven.
Er mag echter geen kleiner gezegeld papier dan van 25
centen (met 50 opcenten) worden gebruikt voor:
1". Acten die door notarissen in brevet of als oorspronkelijk
stuk worden uitgegeven;
2°. Acten van protest van non-acceptatie en non-betaling
van wisselbrieven en ander handelspapicr door deurwaarders
opgemaakt.
3°. Onderhands geteekende wederzijds verbindende acten en
geschriften, door of tusschen bijzondere personen of ambtenaren
-ocr page 635-
C2S
ZEGEL WET.
in hun persoonlijk belang, zonder tusschenkomst van eenig
openbaar ambtenaar, opgemaakt, polissen van verzekering en
bewijzen van verwaarborging daaronder niet begrepen.
Het gezegeld papier van 15 centen (met 50 opcenten) kan
slechts worden gebruikt voor:
1°. Eenzijdige onderhandscbe acten en geschriften zonder
tusschenkomst van eenig openbaar beambte opgemaakt;
2". Verklaringen van geregtigdheid ten behoeve van schuld-
eischers van den Staat, en de attestatien de vita, benoodigd tot
het ontvangen van lijfrenten, pensioenen of riddersoldijen ten
laste van den Staat;
3°. Mandaten en ordonnantien van betaling en betaalsrollen ;
4". Quitantien wegens betaalde rijks-, provinciale of plaat-
selijke belastingen, polder-, dijk-, molen- of sluis-gelden;
5". Acten van procureurs en exploiten van deurwaarders,
uitgezonderd de acten van protest van non-acceptatie en non-
betaling van wisselbrieven en ander handelspapier, en alle overige
acten, tot het opmaken waarvan deurwaarders gelijkelijk mot
andere ambtenaren bevoegd zijn; zullende daarvoor door hen
geen kleiner gezegeld papier mogen worden gebruikt, dan aan
die andere ambtenaren is toegestaan.
Voor alle andere stukken en geschriften, bij artikel 12 bedoeld,
moet het gezegeld papier worden gebruikt, opgenoemd onder
no. 1, 2 of 3 van art. 11.
Bij overtreding van dit artikel, door een ambtenaar in zijne
betrekking begaan, is verbeurd eene boete van vijf en twintig
gulden (met 50 opcenten) en van tien gulden (mot 50 opeen-
ten) voor overtreding door een bijzonder persoon.
14. Diegenen echter, die zich een ander papier dan dat van wege
het Rijk uitgegeven, of wel van perkement willen bedienen, kun-
nen hetzelve doen stempelen, alvorens daarvan gebruik te maken.
Bij het stempelen van dat papier of perkement zal alleen de
oppervlakte van hetzelve in aanmerking genomen worden, in
dier voege, dat papier of perkement eene oppervlakte hebbende
van 425 vierkante Nederlandsche duimen en minder zal wor-
den voorzien van een zegel van 15 centen (met 50 opcenten);
boven de 425 tot en met (544 vierkante Nederlandsche duimen,
van een zegel van 25 centen (met 50 opcenten); boven de 044
tot en met 1288 vierkante Nederlandsche duimen, van een zegel
van 50 centen (met 50 opcenten); boven de 1288 tot en met
1932 vierkante Nederlandsche duimen, van een zegel van 75
centen (met 50 opcenten); boven de 1932 tot en met 2576 vier-
kante Nederlandsche duimen, van een zegel van een gulden
(met 50 opcenten); en voorts, bij opklimining, van een zegel
van 25 centen (met 50 opcenten), voor iedere, zelfs onvolledige,
reeks van 644 vierkante Nederlandsche duimen.
-ocr page 636-
629
ZEGELWKT.
Van de vergunning, in dit nrtikel verleend, kan, voor zoo
ver liet papier betreft, geen gebruik worden gemaakt door de
griffiers van den hoogen raad, van hoven, regtbanken of
kanton-geregten; noch door notarissen,procureurs of deurwaauders.
15.    De grossen, expoditien of afschriften, kopijen, dubbelen
en uittreksels van arresten en vonnissen, van acten van regters
en griffiers van den hoogen raad, van hoven, regtbanken en
kanton-geregten, van scheidsmannen en van notarissen, mogen
niet meer bevatten, de bladzijden door elkander geiekend, dan:
39 regels van 17 lettergrepen, op elke bladzijde van het
groot register-papier;
33 regels van 15 lettergrepen, op elke bladzijde van het
register-papier;
27 regels van 12 lettergrepen, op elke bladzijde van het
gewoon papier.
Voor iedere overtreding van dit artikel is verbeurd eene
boete van tien gulden (met 50 opcenten) voor ieder stuk.
16.    Voor acten van geschriften, buiten \'s lands of in do
overzeescho bezittingen van het Kijk opgemaakt, andere dan
die in de derde afdeeling van dezen titel opgenoemd, moet
het zegelregt worden voldaan, alvorens daarvan, op de wijze
bij art. 8 vermeld, eenig gebruik of melding kan worden gemaakt,
behoudens echter de uitzondering, opgenoemd bij laatstgemeld
artikel, onder de letters b en e.
TWEEDE AFDEELING.
VAN HET ZEGELREGT OP DE PATENTEN, BUITENLANDSCHE PAS-
POORTEN EN DE ADVEIITENTIEN IN DE NIEUWSPAPIEREN.
17.    Van een bijzonder zegel, ongeacht de grootte van het
daartoe te gebruiken papier, mooton vóór derzelver aangifte
worden voorzien:
1°. van een zegel van vijf en twintig centen (met 50 op-
centen), do patenten of neringen, bedrijven en scheepvaart,
zoomede. derzelver afschriften; behoudens de vrijstelling, ver-
meld bij no. 39, letter A. van art. 27;
2". van een zegel van twee gulden vijftig centen (niet 50
opcenten), de buitenlandsche paspoorten voor één persoon;
3". van een zegel van vijf gulden (met 50 opcenten), do
buitenlandsche paspoorten voor twee of meerder personen.
Ingeval van overtreding is, door den met de uitgifte belasten
ambtenaar, eene boete van vijf en twintig gulden (met 50
opcenten) verbeurd, voor iedere acte of ieder stuk, ongezegeld
of van ontoereikend zegel voorzien.
18 en 19. (Vervallen).
-ocr page 637-
630                                                         ZEGEI.WET.
DERDE AFDEELING.
VAN HET ZEGELREGT, GEËVENRED1GD AAN DE SOMMEN
KN GELDSWAA11DKN.
20. Het papier bestemd voor stukken aan evenredig zegel-
regt onderhevig en van wege het Kijk uitgegeven, zal zijn
gestempeld als volgt:
Het geringste zegel zal hebben eenen stempel van 5 centen
en het hoogste eenen stempel van f 20.
Wanneer het, volgens de wet, verschuldigde zegelregt meer
bedraagt dan f 20, zullen do ontvangers van de betaling van
dit meerdere doen blijken door quitantie of bijstempel, nevens
den gewonen stempel te stellen.
Het evenredige regt op de stukken, genoemd in noinmer 2
van het volgend artikel, zal opklimmen met 5 centen tot 25
centen en voorts, evenals het overige evenredige regt, telkens
met 25 centen tot, vijf gulden, en boven de 5 gulden telkens
met 50 centen.
Het gezegeld papier, in deze afdeeling behandeld, zal, van
wege het Rijk, in groot en in klein formaat worden uitgegeven;
het groot formaat zal hebben eene hoogte van 8 palmen,
2 duimen en 2 strepen en eene breedte van 4 palmen, en het
klein formaat eene hoogte van 8 duimen, 8 strepen en 4 lijnen,
en eene breedte van 2 palmen en 5 duimen.
Degenen, die zich willen bedienen van ander papier, dan dat
van wege het Rijk uitgegeven, kunnen hetzelve doen stempelen,
alvorens daarvan gebruik te maken.
Aan het papier in deze afdeeling behandeld, zal ongezegeld
papier mogen worden aangehecht, wanneer hetzelve niet toe-
reikend is voor het daarop te stellen geschrift.
21. Aan het zegelregt, in deze afdeeling behandeld, is onder-
hevig al het papier, gebruikt wordende voor de na te noemen
acten en stukken, welke, voor zoo verre zij binnen het Rijk
zijn opgemaakt, moeten worden gesteld op het gezegeld papier
van wege het Rijk uitgegeven, of oj) verzoek der belanghebbenden
gestempeld.
Wanneer sommen of waarden, in de acten of stukken uitge-
drukt en waarover het regt verschuldigd is, minder bedragen
dan de ronde sommen, hieronder bepaald, zal het volle regt
over die ronde sommen worden berekend.
De neten en stukken, onderhevig aan het zegelregt, geëven-
redigd aan de sommen en geldswaarden. zijn de navolgende:
1°. Alle onderhandsche acten van verhuring, onderverhuring,
-ocr page 638-
631
ZEGEMVF.T.
huurvernieuwing, overdragt of weder-afstand van huur van
onroerende goederen, zoomede al de dubbelen dier acten, zijn,
behoudens de vrijstelling, vermeld onder n°. 69 litt. A van
art. 27, onderhevig aan een regt van vijf en twintig centen
van iedere honderd gulden met 50 opcenten.
Het bedrag waarover het regt verschuldigd is, bestaat:
In den huurprijs, over den geheelen huurtijd berekend, wan-
neer deze op twee jaar of minder is bepaald ; doch voor ver-
huringen voor een bepaalden tijd van meer dan twee jaren, in
den huurprijs over de twee eerste jaren, met bijvoeging van de
helft van den huurprijs voor den geheelen overigen huurtijd.
Bijaldien, voor een of meer jaren, een andere prijs mogt zijn
bedongen, dan voor de overige, zal de jaarlijksche huurprijs
gemiddeld worden berekend over den geheelen huurtijd. De
jaren ter keuze of opzegging van huurders of verhuurders
staande, worden onder den huurprijs begrepen, voor zoo verre
niet mogt bedongen zijn, dat, bij het treden in dezelve, eene
nieuwe acte van verhuring zal worden gemaakt.
Wanneer de verhuring voor het leven is, in tienmaal den
jaarlijkschen huurprijs; eindelijk wanneer de huurtijd onbepaald
is, in twintigmaal den jaarlijkschen huurprijs.
Onder den huurprijs wordt verstaan de som, door den huurder
aan den verhuurder te betalen, benevens al de lasten, die de huur-
der voor zijne rekening neemt, ter ontlasting van den verhuurder.
Voor de verhuringen, waarvan de prijs in natura of door een
gedeelte der vruchten betaalbaar is gesteld, zal de berekening
geschieden op den voet zooals bij de bestaande wetten voor
de registratie is bepaald.
Het regt wordt gerekend over ronde sommen van f 100 tot
aan een bedrag van ƒ2000, en boven do ƒ2000, over ronde som-
men van ƒ200.
Bij overtreding is, voor ieder stuk, in dit nommer bedoeld,
eene boete verbeurd ten beloope van vijf ten honderd (met 50
opcenten) van de som waarover het regt verschuldigd is, bijal-
dien het stuk is ongezegeld; van welke som echter, ingeval
een ontoereikend zegel is gebruikt, voor de berekening der
boete zal worden afgetrokken dat gedeelte, waarvan het gebe-
zigde zegel, naar den aard van het stuk, had kunnen worden
gebruikt.
Wanneer de vermelde stukken buiten \'s lands of in de over-
zeesche bezittingen van het Rijk zijn opgemaakt of verleden,
moet daarvan het zegelregt worden voldaan, alvorens van
dezelve, op de wijze bij art. 8 vermeld, binnen het Rijk eenig
gebruik of melding kan worden gemaakt, behoudens echter de
uitzondering opgenoemd bij laatstgemeld artikel, onder de let-
ters b en e.
-ocr page 639-
682
ZEGEL WET.
2°. Alle wissels, orderbriefjes, assignatien, bank- en ander
papier aan toonder en ander handelspapier, binnen het Kijk
betaalbaar, alsmede de duplicaten of kopijen van al deze stuk-
ken, (behoudens de uitzonderingen in dit nommer en de vrij-
stellingen onder nos. 35, 48 en 62 van art. 27 lit. A vermeld)
zijn onderhevig aan een regt van vijf cents van iedere honderd
gulden.
Het regt wordt berekend over do som in het stuk uitgedrukt,
over ronde sommen van honderd gulden tot een bedrag van
ƒ500; boven de ƒ500 over ronde sommen van vijf honderd
gulden tot een bedrag van ƒ10000 en boven de ƒ10000 over
ronde sommen van duizend gulden.
Wissels en alle ander handelspapier, buiten het Rijk betaal-
baar, alsmede het binnen het Rijk betaalbare zoogenaamde kort
papier, waaronder deze wet verstaat dat, he\'.welk betaalbaar is
gesteld hetzij op zigt of vertoon, hetzij uiterlijk drie dagen na
zigt of vertoon of wel uiterlijk acht dagen na zijne dagtcekening,
is slechts onderhevig aan een vast regt van vijf centen.
Het daarvoor te bezigen gezegeld papier van wege het Rijk
uitgegeven zal de hoogte en breedte hebben, vastgesteld in art.
29 voor het daar bedoelde gezegeld papier, klein formaat.
In geval van overtreding van eene der vorenstaande bepa-
lingen is eene boete verbeurd van honderd maal het niet
betaalde regt, doch minstens vijf en twintig gulden.
Is een aan evenredig regt onderhevige, in het buitenland
getrokken wissel in meer dan één exemplaar opgemaakt, of
zijn daarvan kopijen vervaardigd, dan zijn de meerdere exefn-
plaren en kopijen vrij van regt, mits:
«. op den prima- of den oorspronkelijken wissel het regt
behoorlijk zij voldaan;
b. De houder of de acceptant, die binnen het Rijk op een
der meerdere exemplaren of der kopijen het eerst zijne hand
tcekening zet, aan die handteekening de daardoor tevens
bekrachtigde verklaring doe voorafgaan:
„Het zegelregt is op den......(prima- of oorspronkelijken)
wissel behoorlijk voldaan". Hij, die deze verklaring in strijd niet
de waarheid onderteekent, beloopt duizend gulden boete.
Wanneer de aan het zegelregt onderhevige stukken buiten
\'s lands zijn opgemaakt, moet daarvan het regt worden voldaan
(behoudens de vrijstelling vermeld onder n". 69 van art. 27,
lit. A), alvorens hier te lande verhandeld, geaccepteerd, geën-
dosseerd, betaald, gequiteerd of voor aval geteekend te worden,
of eindelijk vóór dat wegens nou-acceptatie of non-bctaling dier
stukken protest wordt opgemaakt.
Eene boete van honderd maal het niet overeenkomstig de wet
betaalde regt, doch minstens van vijf en twintig gulden wordt
-ocr page 640-
ZEOELWET.                                                 633
verbeurd door ieder, die eenig in dit nommer bedoeld stuk,
hetwelk niet van behoorlijk zegel is voorzien, onverschillig of
het binnen- of buiten \'s lands is opgemaakt, hier te lande heeft
verhandeld, geaccepteerd, geëndosseerd, betaald, gequiteerd of
voor aval geteekend, of eindelijk wegens non-acceptatie ofnon-
betaling van zoodanig stuk eene acte van protest heeft doen
opmaken, zonder vooraf het zegelregt te voldoen.
Deze voldoening kan door iederen houder van een wissel,
orderbriefje, assignatie of ander handelspapier, wiens handteo-
kening niet of niet in strijd met de wet op het stuk voorkomt,
zonder betaling van boete geschieden, waarna dat stuk, ten
aanzien van dien houder en van latere houders, als behoorlijk
gezegeld wordt aangemerkt.
Ieder houder is tot deze voldoening verpligt, op straffe van
aansprakelijkheid jegens den Staat voor de boeten door vroe-
gere houders beloopen.
Als betaling vóór het protest geldt de terhandstelling van
het verschuldigde regt door den houder, die protest doet opma-
ken, aan den hiermede belasten ambtenaar, mits deze in zijne
acte die terhandstelling vermelde en het zegelregt in \'s Rijks
schatkist overstorto bij de aanbieding dier acte ter registratie.
De aanduiding „zonder kosten\' en elke andere daarvoor in
de plaats tredende vermelding op het stuk, alsmede iedere over-
eenkomst, ten doel hebbende den houder te ontheffen van zijne
verpligting om protest te doen opmaken, is nietig, indien zij
betrekking heeft op een handelspapier, dat niet of niet voldoende
gezegeld is.
3°. De certificaten nationale werkelijke schuld, door admi-
nistratiekantoren uitgegeven en alle andere aandeelen in bin-
nenlandsche, alsmede alle aandeelen in buitenlandsche geldlee-
ningen en renten; alle aandeelen in maatschappijen of onder-
nemingen welker kapitaal door aandeelen vertegenwoordigd
wordt; de voorloopige bewijzen van storting op die aandeelen,
en in het algemeen alle stukken, die, onder welke benaming
ook, gerangschikt kunnen worden onder de effecten of publieke
fondsen, .zijn (behoudens de vrijstelling onder art. 27 letter A,
n". 33, vermeld) onderhevig aan een zegelrecht van vijf cent
van iedere vijftig gulden.
Aan hetzelfde regt zijn onderhevig de aandeelen, bewijzen
of stukken die bij inwisseling of intrekking van andore of bij
vernieuwing of verandering van schuld, of bij andere gelegen-
lieden hier te lande worden uitgegeven of in omloop gebracht,
om het even of de oorspronkelijke stukken vóór ofnadeinvoe-
ring dezer wet opgemaakt of uitgegeven zijn.
Het regt wordt berekend over het kapitaal in het stuk
uitgedrukt, en wel over ronde sommen van vijftig gulden tot
-ocr page 641-
634
ZEGELWET.
een bedrag van tweehonderd vijftig gulden; over ronde som-
men van tweehonderd vijftig gulden tot een bedrag van vijf
duizend gulden, en boven de vijf duizend gulden over ronde
sommen van vijfhonderd gulden.
Indien geen kapitaal is uitgedrukt, wordt het twintigvoud
van de uitgeloofde jaarljjksche rente daarvoor genomen.
Is kapitaal of rente alleen in vreemde munt uitgedrukt, dan
wordt deze herleid tot Nederlandsche munt naar den maatstaf,
die ter berekening van do nominale waarde der effecten wordt
aangenomen bij het verhandelen ter beurze te Amsterdam.
Van de zoogenaamde oprichtersaandeelen, restantbewijzen, be-
wijzen van deelgerechtigdheid [actions de jouissance] en derge-
lijke, die, na aflossing der oorspronkelijke nandeelen, aan de
houders verblijven of uitgereikt worden, is het zegelregt ver-
schuld igd naar de oppervlakte van het papier.
De in dit nommer bedoelde stukken moeten, indien zij bui-
ten het Rijk of in de overzeesche bezittingen van het Rijk zijn
opgemaakt, van zegel voorzien worden vóór dat zij binnen het
Rijk uitgegeven, in omloop gebracht, overgedragen, verpand of
beleend, afgelost of geconverteerd worden.
In geval van conversie kunnen echter de oude stukken onge-
zegeld blijven, mits de nieuwe, die daarvoor in de plaats wor-
den gegeven, van behoorlijk zegel zijn voorzien.
Het zegelregt, dat betaald is voor behoorlijk gezegelde voor-
loopige bewijzen van storting op de in dit noinmer bedoelde
aandeelen, wordt teruggegeven of verrekend voor zoover jlie
bewijzen van storting ten genoegen van \'s Rijks ambtenaar
onbruikbaar zijn gemaakt en door behoorlijk gezegelde aandee-
len zijn vervangen.
Niet van zegelregt vrijgestelde stukken zijn niet leverbaar,
tenzij zij behoorlijk gezegeld zijn.
De directie van het Grootboek zal geen certificaten nationale
werkelijke schuld viseren, welke niet van behoorlijk zegel zijn
voorzien.
Eene boete van honderdmaal het niet betaalde rogt, doch
minstens honderd gulden voor ieder stuk, is verbeurd door elk,
die niet behoorlijk gezegelde stukken als in dit nommer bedoeld
binnen het Rijk uitgegeven, in omloop gebracht, overgedragen,
verpand of beleend, afgelost, of in niet behoorlijk gezegelde
stukken geconverteerd zal hebben.
Hij die niet behoorlijk gezegelde stukken in ontvang neemt,
is, op strafte van gelijke boete, verplicht die stukken, onder
opgaaf aan \'s Rijks ambtenaar van naam en woonplaats van
den afleveraar, binnen acht dagen na de ontvangst te doen
zegelen, en is bevoegd hot daarvoor betaalde van den afleveraar
terug te vorderen.
-ocr page 642-
635
ZEGELWET.
Elke overeenkomst, die de niet-vervulling dezer verplichting
of de verkorting dezer bevoegdheid ten doel heeft, is nietig.
Zij, die stukken als in dit nommer zijn bedoeld op eigen
naam of voor hunne meesters hebben over te dragen, te ver-
panden of te beleenen, of ter aflossing aan te bieden, zijn, op
verbeurte der voorschreven boete, verplicht de niet behoorlijk
gezegelde stukken vóór de levering, vóór het sluiten van het
pand- of beleencontract, of vóór de aanbieding ter aflossing te
doen zegelen, en zijn bevoegd het daarvoor betaalde aan hunne
lastgevers of meesters in rekening te brengen.
Alle leden van eene vennootschap onder firma zijn hoofdelijk
aansprakelijk voor de regten en boeten, welke op grond van
dit artikel door de firma verschuldigd zijn.
4°. Vervallen.
5°. Vervallen.
6°. Alle acten betrekkelijk de jagt en visscherij uitgegeven
wordende.
Het regt bedraagt dertig centen van iederen gulden (met
50 opcenten), berekend over het bedrag der volgens de acte
verschuldigde recognitie-regten, en wel over reeksen van/-2,50
tot aan een bedrag van f 15, en boven de f 15, over reeksen
van f 5.
VIERDE AFDEELING.
VAN HET ZEGELREGT VOOK GEDKUKTE STUKKEN.
22—26. Vervallen.
DERDE TITEL.
VAN DE VBIJSTELLINGEN.
27. A. Van het zegelregt zijn vrijgesteld:
1°. De minuten, afschriften en uittreksels van of uit alle
besluiten en beschikkingen des Konings, welke niet aan bijzon-
dere personen of aan ambtenaren in hun persoonlijk belang,
worden uitgereikt, noch bestemd zijn om aan openbare acten
vastgehecht te worden; voorts de acten en verbalen der Staten*
Generaal.
2°. De minuten, afschriften en uittreksels van of uit alle
acten, besluiten en beschikkingen van departementen van alge-
meen bestuur, welke niet aan bijzondere personen of aan amb-
tenaren, in hun persoonlijk belang, worden uitgereikt, noch
bestemd zijn om aan openbare acten vastgehecht te worden;
3°. De minuten van acten besluiten en beschikkingen van
-ocr page 643-
636                                                 ZEGELWET.
alle verdere openbare besturen en instellingen, betrekkelijk
zaken van orde en beheer, welke aan geene regten van regis-
tratie onderhevig zijn;
4°. De verzoekschriften of requesten van onvermogende
personen, mits van het onvermogen dier personen, door eene
verklaring van het bestuur hunner woonplaats blijke, en die
verklaring aan het request worde gehecht;
5°, De op laatstgemelde requesten genomen besluiten en
beschikkingen, onverschillig of dezelve in originali, bij afschrift
of bij uittreksel aan de requestranten worden uitgereikt, wan-
neer daarin van de verklaring van onvermogen is melding
gemaakt;
6". Do certificaten van onvermogen of bewijzen van armoede;
mitsgaders de actcn, welke krachtens art. 6 der wet van den
Oden Julij 1842 (Stbl. n°. 20) door notarissen voor onvermo-
gonden worden opgemaakt;
7". De certificaten en bewijzen van goed gedrag, door plaat-
selijke besturen aan behoeftigen uitgereikt, mits, uit de stukken
zelven, van het onvermogen, door eene verklaring van opge-
melde besturen, blijke; gelijk mede de bewijzen van vertrek
uit- of aankomst in eene gemeente, de uittreksels uit do registers
van bevolking en van ingezetenen, door de plaatselijke besturen
aan alle personen zonder onderscheid afgegeven;
8". De binnenlandsche paspoorten en de aan onvermogende
personen uitgereikte buitenlandsche paspoorten, mits van het
onvermogen dier personen, door eene verklaring van het bestuur
hunner woonplaats blijke;
9°. Alle stukken, betrekkelijk de erkenning van natuurlijke
kinderen, door personen, waarvan het onvermogen bewezen is
door een getuigschrift van het bestuur hunner woonplaats;
10". De acten en stukken tot het aangaan van huwelijken
vereischt. alsmede de acten van benoeming en beëediging van
voogden en toeziende voogden, van curators en toeziende cura-
tors, gelijk ook de acten en stukken, betrekkelijk de verbetering
van acten van den burgerlijken stand, mitsgaders de volmagten
om in zaken van voogdij en curatele de opgeroepene bloedver-
wanten te vertegenwoordigen, ingeval het onvermogen van de
betrokken peisonen blijkt uit een getuigschrift van het bestuur
hunner woonplaats, mits op de acten on stukken van dat ge-
tuigschrift worde molding gemaakt;
11". De geheel afwijzende beschikkingen, genomen op alle
requesten, zonder onderscheid, mitsgaders de beschikkingen,
waarbij de belanghebbenden naar elders verwezen worden;
12". Do toestemmingen tot het aangaan van huwelijken, de
aanstellingen, getuigschriften, reis- en ontslag- of afscheids-
brieven, van regeringswege verleend of uitgereikt wordende
-ocr page 644-
ZEQEI.WET.                                                637
aan personen beneden den rang van officier, tot de ]and- en
zeemagt behoorende. Alle stukken en quitantien, betrekkelijk
de dienstnemingen, aanwervingen, afrekeningen van soldij, klee-
ding, enz. van personen beneden den rang van officier.
De verlofpassen en reisbrieven aan alle personen zonder
onderscheid, tot de land- en zeemagt behoorende, uitgereikt
wordende.
Alle declaratien en quitantien van gemeentebesturen wegens
schuldvorderingen, waarvan het bedrag bij voorschot uit de
kassen der gemeenten ten behoeve van de land- of zeemagt is
betaald, mitsgaders declaratien en quitantien wegens alle voor
de land- of zeemagt gedane uitschotten, die door het Rijk moeten
terug betaald worden;
13". De certificaten, van regeringswege aan vrijwilligers
voor de krijgsdienst uit te reiken, de attesten of certificaten
van voldoening aan do nationale militie, voorts de certificaten
en bewijsstukken, welke bij de wetten op de nationale militie
en schutterij worden gevorderd, mitsgaders de daartoe betrek-
kelijke uittreksels uit do registers van den burgerlijken stand,
voor zoo ver uit de stukken zelven, door eene daarop gestelde
aanteekening van den ambtenaar, met de uitgifte daarvan be-
last, blijkt, dat zij moeten dienen voor de dienst der nationale
militie of schutterij, en dat zij alzoo tot geen ander einde
kunnen worden gebruikt.
Hieronder zijn niet begrepen de contracten met plaatsvervan-
gers en nummerverwisselaars aangegaan, noch de getuigschriften
en verdere acten, door dezen over te leggen;
14". De acten van aanstelling, beëediging of ontslag van
niet bezoldigde officieren en onderofficieren der schutterij; de
citatie\'n on alle andere acten van vervolging tegen de leden
der schutterij door de schuttersraden uit te vaardigen; de von-
nissen daarop volgende; de acten ter invordering der bij die
vonnissen en bij de wetten op de schutterij bepaalde boeten en
kosten (de processen-verbaal van verkoop uitgezonderd); gelijk
mede alle verdere acten en registers, het beheer der schutterij
betreffende;
15°. De journalen, ingevolge het voorschrift van het Wet-
boek van Koophandel, door schippers gehouden wordende, als-
mede de zeebrieven en ïurkscho paspoorten;
16°. De acten, processen-verbaal, arresten en vonnissen in
criminele, correctionele en policiezaken, mitsgaders al de stukken,
arresten en vonnissen, in zake van vervolging voor militaire
hoven en krijgsraden ; de dagvaardingen van getuigen ter ont-
lasting van beschuldigden, in zaken van voormelden aard; de
verklaringen van geneeskundigen, in de gevallen van de artt.
71, 175 en 178 van het Wetboek van Strafvordering overgelegd,
-ocr page 645-
638
ZEGEL WET.
en voorts alle stukken, welke in strafzaken door onvermogenden
worden overgelegd, mits van het onvermogen dier personen
door eene verklaring van het bestuur hunner woonplaats blijke;
17". De bevolen tot voldoening van justitie-kosten uit dor-
zelver aard voor onmiddellijke betaling vatbaar, in criminele,
correctionele en policie-zaken, mitsgaders de daarop gestolde
quitantien;
18". De acten, vonnissen en alle andere stukken, betrekkelijk
tot de lossing van in slavernij gevallen schepelingen, mitsgaders
tot de schadeloosstelling, te dier zake verschuldigd;
19". Do acten van décharge, wegens voorwerpen, welke ter
griffie berusten, in criminele, correctionele en policie-zaken ge-
diend hebbende, mitsgaders de stukken bedoeld in art. 592 van
het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, welke een gegijzelde
voor schulden noodig heeft, om in het daarbij aangewezen geval
uit de gijzeling te worden ontslagen, mits het onvermogen, uit
een verklaring van het plaatselijk bestuur, blijke;
20". Do registers, ter griffie van do kantongeregten, arron-
dissoments regtbanken, hoven on den hoogen raad, ingevolge
wettelijke voorschriften, aangehouden wordende, daaronder niet
begrepen de audientiebladen, de repertoria en de registers van
protest dor griffiers;
21". Do bewijzen, welke de griffiers van den hoogen raad,
de hoven en regtbanken afgeven wegens de ontvangst van
acten, waarbij regters worden gewraakt, en de verklaringen van
laatstgemelden, houdende hunne berusting in de wraking, of hunne
weigering om zich van de kennisneming der zaak te onthouden;
22°. De minuten en afschriften van alle acten en stukken,
welke, volgens de wet, in debet worden geregistreerd;
De stukken, welke, in regtsgedingen, door tot het kosteloos
procederen toegelaten partijen worden overgelegd, kunnen,
ongezegeld, alleen dienen in het kosteloos gevoerde proces;
23". De acten van vervolging en alle andere stukken (mot
uitzondering van de processen-verbaal van overtreding en van
verkoop), zoo eischende als verwerende, ten onderwerp heb-
bende de invorderingen van \'s lands belastingen en alle andere
sommen aan den lande verschuldigd; van provinciale en plaat-
selijke belastingen, poldor-, dijk-, molen- en sluisgelden en andere
soortgelijke omslagen, alsmede de arresten en vonnissen daarop
vallende, alles voor zoover het gevorderde bedrag de som van
dertig gulden niet te boven gaat;
24". De rekeningen en verantwoordingen van \'s Rijks reken-
pligtigen, en de boeken en registers door deze en andere rijks-
ambtenaren in huimo betrekkingen gehouden wordende, uitge-
zonderd de dagregisters on de registers van in- en ovcrschrij-
ving der hypotheekbewaarders;
-ocr page 646-
639
ZEGELWET.
25°. De minuten of originelen der rekeningen en verantwoor-
dingen van ontvangers, gaarders of rentmeesters van plaatso-
lijke besturen, openbare gestichten en instellingen, voor zoover
die minuten onder opgemelde besturen, gestichten en instellin-
gen blijven berusten, en niet strekken tot ontlasting van do
rekenpligtigen;
26°. De ontvang-registers van plaatselijke belastingen, voor
zoover dezelve bij wijze van opcenten op en te gelijk met \'s rijks
accijnsen en andere rijks-middelen geheven worden, en voorts
alle andere registers van plaatselijke ontvangers, rentmeesters,
gaarders en pachters, van stedelijke of gemeente-belastingen,
omslagen, regten en inkomsten geene registers van ontvang zijnde;
27". De registers of journalen tot de ontvangst van den
rijks-accijns, bij admodiatie en abonnement, door do gemeente-
ontvangers ingevorderd wordende, gelijk mede do deswege af
te geven quitantien ;
28". De stedelijke registers van doorvoer en transport;
29". De registers van openbare autoriteiten, besturen en
instellingen, betrekkelijk zaken van orde en huishoudelijk beheer,
waarin niet geschreven worden acten aan de registratie onder-
hevig ;
30". De registers van kerkbesturen en van besturen van
gevangenissen, die van cipiers, van besturen van godshuizen en
armen-inrigtingen, ook die van ontvang en uitgaaf; voorts de
registers van ondernemingen en veren, van middelen van ver-
voer te water en te lande; zoo mede de koopmans-boeken,
voorgeschreven bij het wetboek van Koophandel, gelijk ook die
welke door kooplieden gehouden worden, ter voldoening aan
de wetten op \'s rijks belastingen;
31". De dagregisters of repertoria van de deurwaarders der
directe belastingen;
32". De registers van plaatselijke policie, alsmede die van
herbergiers en logementhouders, gehouden ter inschrijving van
personen welke zij huisvesting geven;
33". De grootboeken der nationale schuld, de bewijzen van
in- en afschrijving, alsmede de memorien, vereischt tot verrig-
tingen bij de grootboeken; en eindelijk alle andere etfecten en
schuldbrieven ten laste van den Staat, mitsgaders de quitantien
van den daarop betaalden interest;
Onder de stukken in dit nommer bedoeld zijn niet begrepen
de certificaten vermeld bij art. 21, n°. 3;
34°. De coupons of bewijzen van rentebetaling van obligatien,
certificaten of aandeelen in openbare geldleeningen, zonder uit-
zonderiiig, mitsgaders de dividendbewijzen van naamlooze maat-
schappijen, en eindelijk de coupons, bij de certificaten nationale
werkelijke schuld afgegeven wordende;
-ocr page 647-
040
y.EGF.r.WET.
35°. Do renversalen, recepissen en bankbiljetten, welke door
de directie der Nederlandsche bank, gedurende den loop van
het octrooi, zullen worden uitgegeven, mitsgaders alle assig-
natien en quitantien op de bank af te geven, zooals ook de
boeken, bij de bank te houden;
36°. De verklaringen van geregtigdheid, ten behoeve van
schuldeischers van den Staat afgegeven, wanneer de schuld-
vordering de som van vijf en twintig gulden niet te boven
gaat, mits zulks uit die verklaringen blijke ;
37". De attestatien de vita tot ontvang van lijfrenten, pen-
sioenen, gagementen en ridder-soldijen, ten laste van den Staat
alsmede de daarvoor afgegevone quitantien, wanneer het jaar-
1 ijksch bedrag de som van drie honderd gulden niet te boven
gaat;
38". De patenten, waarvan het regt buiten de opcenten,
minder bedraagt dan zes gulden;
39". De acten van aanstelling, beëediging en ontslag van
alle ambtenaren, zoo mede van bedienden en leden van bijzondere
administratien of commissien, geene bezoldiging of belooning
noch abonnement voor kantoorkosten genietende, mits zulks
uit de stukken blijke; mitsgaders die van de leden van arm-
besturen, instellingen en gestichten van liefdadigheid, in hetzelfde
geval verkeerende;
40". De aanstellingen van geestelijken van alle gezindheden,
en van onderwijzers bij lagere scholen;
41". De commissien, acten van aanstellingen of agreatie,
zoo mede de eeds-aflegging van:
                                   •»
a.    Schatters van het slagtvee, voor de hoedanigheid van
buitengewoon commies bij de rijks middelen;
b.    Commiesen der directe belastingen, in hoedanigheid
van tijdelijke buitengewone opzieners der jagt en visscherij;
c.    Veldwachters der gemeenten ten platten lande in hoeda-
nigheid van buitengewone opzieners der jagt en visscherij;
d.    Militairen, gebezigd als tijdelijke en buitengewone com-
miesen, tot beteugeling van den sluikhandel op de grenzen;
e.    Plaatselijke beambten, in hoedanigheid van rijks weger
en nieter van steenkolen, zonder tractement, en eindelijk: do
eeds-afleggingen, waartoe werklieden in de meestoven gehou-
den zijn ;
42°. De getuigschriften en staten, door do bewaarders der hy-
potheken en van het kadaster, in \'s Rijks belang af te geven,
mits van zoodanige bestemming in die getuigschriften worde
molding gemaakt;
43". De door bovengemelde ambtenaren af te geven uittrek-
sels. uit de kadastrale plans, leggers en aanwijzende tafels;
44". Alle acten en schrifturen, welke, ten gevolge van ver-
-ocr page 648-
641
ZEOELWET.
ordeningen der Regering, worden opgemaakt en uitsluitend
betrekkelijk zijn tot bevordering van de veeteelt of de ver-
betering van het ras der paarden, mitsgaders de certificaten,
vereischt tot het ontvangen van premien voor het vangen of
dooden van schadelijk gedierte, alsmede de quitantien voor
die premien, op zoodanige certificaten gesteld; en eindelijk
alle stukken en bescheiden, welke door de belanghebbenden
moeten worden overgelegd, ten einde te doen blijken van de
bevoegdheid tot het ontvangen van schadevergoeding, bedoeld
bij de wet van den 30sten Mei 1840 (Stbl. n°. 16);
45°. Alle quitantien, wegens betaalde rijksbelastingen, niet
meer bedragende dan twintig gulden en niet ten onderwerp
hebbende betalingen op rekening of tot geheele voldoening
van eene grootere som, voorts alle stukken en bescheiden, welke,
door of aan belastingschuldigen, voor de regeling van de door
hen aan den lande verschuldigde belastingen, behooren te
worden uitgereikt, of van \'s Rijks collectief zegel zijn voorzien
behoudens het zegel op de patenten en memorien van aangifte
voor successie;
46°. De quitantien voor teruggave van ten onregte geheven
Rijks- of plaatselijke belastingen en boeten;
47°. De quitantien wegens teruggave van alle door \'s Rijks
ambtenaren, voor den lande, bij voorschot gedane betalingen;
48°. De quitantien of recepissen van overstorting, welke,
aan \'s Hijks rekenpligtigen, aan gaarders of ontvangers van
lands-, provinciale of plaatselijke belastingen worden afgegeven,
mitsgaders de assignatien aan order, door agenten van de
schatkist afgegeven wordende op de hun te dien einde geopende
credieten bij hunne ambtgenooten, en eindelijk de assignatien
wegens de ter verzending op de postkantoren gedeponeerde
gelden, en de daarop gestelde quitantien;
49°. De quitantien wegens plaatselijke belastingen, die, bij
wijze van opcenten, te gelijk met \'s Rijks belastingen worden
ingevorderd; wanneer daarvoor slechts ééne quitantie wordt
uitgereikt, niet meer bedragende dan twintig gulden, en niet
ten onderwerp hebbende betalingen op rekening of tot geheele
voldoening van eene grootere som;
50°. De quitantien wegens onderstand of schadeloosstelling
aan onvermogenden, of ingeval van brand, overstrooming, vee-
pest en andere onheilen, verleend, mitsgaders de stukken, welke
tot bewijs daarvan worden overgelegd;
51°. Alle andere en hiervoren niet opgenoemde, alleen door
de schuldeischers onderteekende, quitantien en acten van ont-
heffing, onverschillig door wien afgegeven, niet meer dan tien
gulden bedragende, en niet strekkende op rekening of tot
geheele voldoening van eene grootere som.
41
-ocr page 649-
042
ZEG EL WET.
52°. De mandaten of ordonnantien van betaling en betaals-
rollen van openbare autoriteiten en instellingen, niet meer dan
tien gulden bedragende, op de daarop gestelde quitantien, en
voorts de mandaten of\' ordonnantien van betaling en betaals-
rollen, mitsgaders de quitantien op die mandaten of afzonder-
lijk afgegeven, voor bezoldiging van ambtenaren en bedienden,
zoo civiele en militaire zonder onderscheid, in geval het jaar-
lijksch bedrag der bezoldiging de som van drie honderd gulden
niet te boven gaat;
53°. De loten en gedeelten van loten in \'s Rijks loterijen;
54°. De gezondheids-verklaringen, door de gemeente-besturen
af te geven bij den uitvoer van vee;
55". De door plaatselijke, polder- of dijksbesturen genomen
beschikkingen, waarbij vergunning wordt verleend tot hande-
lingen, voor welke, krachtens de bestaande reglementen of
verordeningen van politie, derzelver toestemming of vergunning
moet worden gevraagd;
56". De summiere staat en de processen-verbaal, bedoeld in
de artt. 04 en 07 der wet van den 9den Julij 1842 op het notaris-
ambt, benevens de dubbelen en de afschriften van die stukken;
57°. De acten van handligting en de stukken daartoe betrek-
keiijk, ten behoeve van kinderen in godshuizen opgenomen;
58°. De acten, registers en stukken, betreffende het beheer
der spaarbanken, binnen het Rijk opgerigt; alsmede de bewijzen
van geldplaatsing of livretten en rekeningen, door bewind-
hebbers dezer spaarbanken aan de deelnemers afgegeven;
waarvan echter uitdrukkelijk zijn uitgesloten de acten, ^etrek"
king hebbende tot het uitzetten van gelden bij derden, of tot
iindere ondernemingen van zoodanige spaarbanken, waarin
derden betrokken zijn;
59°. De registers van banken van leening, de processen-ver-
baal van verkoop van goederen in die banken ingebragt, en
alle andere acten, betrekkelijk tot beleeningen in dezelve gedaan;
60°. De vrachtlijstcn, vrachtbrieven en cognossementen, zoo
wel de binnenlandsche als die welke, buiten \'s lands opgemaakt,
binnen het Kijk worden gebruikt;
61°. Vervallen.
62°. De wisselbrieven, briefjes aan order of\'toonder en ander
handelspapier, in de overzeesche bezittingen van het Rijk opge-
maakt, en aldaar van zegel voorzien;
63°. De acten en vonnissen, betrekkelijk regtsgedingen, in
de overzeesche bezittingen van het Rijk gevoerd, en aldaar van
zegel voorzien; doch alleen voor zoo ver dezelve hier te lande
in hooger beroep worden overgelegd;
64°. Alle stukken betrekkelijk regtsgedingen in zake van de
Rijnvaart;
-ocr page 650-
643
ZEGELWET.
65". De ontwerpen der statuten van naamlooze maatschap-
pijen, over te leggen bij de kennisgeving tot oprigting derzelve
aan het departement waartoe zulks behoort;
66". De memorien van aangifte in zake van successie, wan-
neer de aangevers onvermogend zijn, mits van het onvermogen
dier personen, door eene verklaring van het bestuur hunner
woonplaats, blijke; gelijk mede, de negatieve memorien van
aangifte, mitsgaders alle minuten en expeditien van acten van
eeds-aflegging, ter voldoening aan de wetten op het regt van
successie;
67". De klagten of bezwaren, in te dienen door ingezetenen,
die vermeenen verkeerd of te hoog te zijn aangeslagen op het
goedgekeurde kohier van den accijns bij uitkoop of :idmodiatie:
68". Het afschrift van de tienjarige tafels van den burger-
lijken stand, ter grime van de regtbank blijvende berusten;
69". De onderhandsche acten van verhuring, onderverhuring,
huurvernieuwing, overdragt of wederafstand van huur van
onroerende goederen, wanneer de huurprijs en lasten zoo als
in art. 21, no. 1, is bepaald, te zamen genomen, over den ge-
heelen huurtijd, de som van ƒ50 niet te boven gaan;
70". De exploiten en alle verdere stukken het vonnis van
toewijzing voorafgaande, mitsgaders de vonnissen betrekkelijk
de geregtelijke uitwinning van onroerende goederen, tot invor-
dering der directe belastingen:
71". Eindelijk worden in stand gehouden de vrijstellingen,
bepaald:
a. Bij het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burger-
lijko Regtsvordering;
\' b. Bij de wet van den lldcn Julij 1814 (Stbl. n". 79), op
de jagt en visscherij;
c.  Bij de wet van den 29sten Maart 1833 (Stbl. n°. 4), op de
personeele belasting;
d.   Bij de wet van den 29sten Maart 1833 (Stbl. n". 3), op
het gemaal;
e.  Bij de wet van den 26sten December 1833 (Stbl. n". 72),
en van den 30sten December 1839 (Stbl. n". 57), op de turf;
f.  Bij de wet van den 6den Junij 1840 (Stbl. n". 17), omtrent
den vrijdom van lasten ter zake van landontginningen en land-
verbeteringen;
g.   Bij art. 4 en 9 der wet van den 30sten Mei 1840 (Stbl.
n". 16), betrekkelijk de weder-invoering eener belasting op de
runderen, paarden en schapen, enz.;
h. Bij art. 16 der wet van den 26sten Mei 1841 (Stbl. n°.
14), houdende nadere bepalingen nopens de consignatie van
effecten aan toonder, welke aan minderjarigen of aan onder
curateele gestelde personen toebehooren;
-ocr page 651-
644
ZEGELWET.
». Bij art. 10 dor wet van den 29sten Mei 1841 (Stbl. n°. 19),
betrekkelijk de onteigening ten algemeenen nutte;
k. Bij art. 29 der wet van den 29sten Mei 1841 (Stbl. n°.
20), houdende bepalingen omtrent de gestichten voor krank-
zinnigen;
l. Bij art, 8 der wet van den 9den October 1841 (Stbl. n".
42), betrekkelijk de regtsmagt der hooge en andere heemraad-
sehappen, dijk- en polderbesturen enz; en
m. Bij de wet van den 4den Julij 1842 (Stbl. n°. 16), be-
trekkelijk de overbrenging der onder de vroegere wetgeving in -
geschreven hypotheken en privilegiën in de thans bestaande
nieuwe registers.
B. en C. Vervallen.
VIERDE TITE.L.
AI.CEMEENE VERPI.IGTINÜEN.
28.    In alle zaken, waarin het Rijk met bijzondere personen,
met openbare of aan openbaar gezag onderworpene instellin-
gen, provinciale of plaatselijke besturen is betrokken, zal het
zegelregt door dezen worden gedragen.
Insgelijks zullen bijzondere personen, welke aan opgemelde
instellingen en besturen quitantie geven, of quitantie van
dezelve ontvangen, het daarvoor verschuldigde zegelregt moe-
ten dragen, ten ware daaromtrent anders niogt zijn overeen-
gekomen.
                                                                          "
Niettemin zullen voormelde instellingen en besturen jegens
het Rijk aansprakelijk blijven voor de regten, zoo mede voor
de beloopen boeten, behoudens derzelver verhaal op de bijzon-
dere personen.
29.    De ambtenaren van den burgerlijken stand, de ontvan-
gers en pachters van plaatselijke belastingen en inkomsten,
de secretarissen, gaarders, ontvangers en rentmeesters van
stedelijke- en gemeentebesturen, van gestichten, dijk- en pol-
derbesturen, heemraadschappen, wateringen en waterschappen,
en van alle openbare instellingen, mitsgaders alle verdere
ambtenaren, belast met het houden of bewaren van registers
en stukken, en een iegelijk, aan wien het bewaren van archieven
en minuten van openbare acten bij de wetten is opgedragen, —
zijn verpligt om hunne acten en registers aan het zegel onder-
hevig zonder verplaatsing derzelve, aan de ambtenaren van
het zegel te vertoonen, en toe te laten, dat deze daarvan
inzage nemen, zoo dikwijls zij, ter verzekering van de rigtige
toepassing dezer wet, zulks noodig zullen oordeelen.
Van deze vertooning zijn uitgezonderd de acten van uitersten
-ocr page 652-
645
ZEGELWET.
wil en alle andere acten, uitsluitend houdende beschikkingen
ter zake des doods, alsmede de daartoe behoorende omslagen,
acten van superscriptie en van teruggave, en zulks gedurende
het leven dergenen, op wier verzoek dezelve zijn opgemaakt.
Geene inzage zal gevorderd kunnen worden op zondagen,
noch anders dan tusschen acht uur des voormiddags en vier
uur des namiddags, en zullen de ambtenaren, tijdens hunne
veriflcatien, niet kunnen vorderen dezelve langer dan vier
uren daags voort te zetten.
Ingeval van weigering van vertoon of inzage, of van verzet
tegen het ter plaatse opmaken der processen-verbaal van over-
treding, zullen de beambten zich doen vergezellen door eenen
commissaris van policie, of door zoodanig ambtenaar die deze
functien bekleedt, welke een en ander gehouden zijn, om aan
de uitnoodiging daartoe onmiddellijk gevolg te geven, op
straffe van persoonlijk verantwoordelijk te blijven voor de
hierna vermelde boete.
Het proces-verbaal, wegens de bovengemelde weigering opge-
maakt, zal door beiden de beambten onderteekend worden.
Er zal door de personen, in den aanhef van dit artikel
opgenoemd, verbeurd zijn eene boete van vijftig gulden (met
50 opcenten) telkens wanneer zij weigeren hunne registers,
acten en schrifturen aan de opgemelde beambten te vertoonen,
daarvan inzage te geven, of van de bevondene overtredingen
het noodige proces-verbaal te laten opmaken.
30. Het is aan de ambtenaren van de registratie en het
zegel verboden eenig stuk, hetwelk niet overeenkomstig de
wet is gezegeld, zonder betaling van boete en zoodanig zegel
te voorzien, behoudens het geval van het tiende lid van artikel
21, nommer 2.
Het is wijders aan de ambtenaren der registratie verboden
acten of\' stukken te registreren, welke niet op het vereischte
zegel geschreven, of niet daarvan voorzien zijn, alvorens de
verschuldigde zegelregten en boeten betaald zijn, gelijk mede
om acten van protest van wisselbrieven en ander handelspapier
te registreren, zonder zich het geprotesteerde stuk te doen
vertoonen.
Nogtans zullen de bewaarders der hypotheken de, krachtens
zoodanige acten, van hen gevorderde formaliteiten mogen
bewerkstelligen, maar die acten terug houden, ten einde de
invordering der daarvoor verschuldigde regten en boeten te
vervolgen.
Voor iedere overtreding van dit artikel is verbeurd eene
boete van vijf en twintig gulden (met 50 opcenten).
-ocr page 653-
G46
ZECELWET.
V IJ F D E TITEL.
VAN DE VERVOLGINGEN EN VERJARINGEN.
31.    Ingeval van overtreding, moet, behalve de boete, ge-
lijktijdig het niet of te min betaalde regt. hetwelk nog mogt
verschuldigd zijn, worden betaald.
Er is voor eene en dezelfde overtreding, ofschoon twee of meer-
malen in hetzelfde stuk begaan, slechts ééne boete verschuldigd.
32.    Voor de zegelregten en boeten zijn, ieder voor het
geheel, aansprakelijk:
1°. Al de contracterende partijen in wederzijds verbindende
onderhandsche acten;
2". Al de onderteekenaren van eenzijdige onderhandsche
acten;
3". Vervallen.
4°. Al degenen, welke de aan het zegel onderhevige registers
houden of voor hen door anderen doen houden;
33.    De ambtenaren van de registratie en het zegel zijn
verpligt, alle acten, stukken en registers, welke hun ter hand
komen of hun worden aangeboden, en welke niet van behoorlijk
zegel zijn voorzien, of niet naar het voorschrift van art. 15
zijn opgemaakt, aan te houden, ten einde, na beteekening van
het proces-verbaal, in het volgend artikel vermeld, bij hetzelve
te worden gevoegd, tenzij partijen, door mede-ondertetfkening
van het proces-verbaal, de daarin vermelde daadzaak erkennen
of de verbeurde boeten en verschuldigde regten betalen.
Wanneer de in dit artikel bedoelde acten, stukken en regis-
ters berusten in openbare bewaarplaatsen, zullen de ambtenaren
kunnen volstaan, met daarvan in het op te maken proces-verbaal
van overtreding te doen blijken. Onder de bepalingen van dit
artikel zijn niet begrepen de stukken, vermeld bij n°. 2 en 5 van
art. 21.
34.    De ambtenaren van de registratie en het zegel zullen
van alle overtredingen, in zake van zegel door hen ontdekt,
dadelijk proces-verbaal opmaken, wanneer de regten en boeten
niet onmiddellijk worden betaald.
Bij ontdekking van overtreding van artikel 21 dezer wet
in of ten aanzien van de aldaar in n°. 2 genoemde stukken
neemt \'s Rijks ambtenaar den letterlijken inhoud van zoodanige
stukken, met al de daarop gestelde verklaringen en handtee-
keningen in zijn proces-verbaal over, hetwelk ook te dien
aanzien volledig geloof zal verdienen behoudens tegenbewijs.
De processen-verbaal zullen, binnen dertig dagen na de
-ocr page 654-
647
ZEGELWET.
opmaking, aan partijen worden beteekend, bij gebreke waarvan
het regt tot vervolging zal vervallen zijn.
35.    De invordering der regten en boeten, in zake van zegel
verschuldigd, zal geschieden bij dwangbevel, uitgevaardigd
door een ambtenaar van het bestuur, en uitvoerlijk verklaard
door den kantonregter der plaats, alwaar die ambtenaar zijne
gewone functie uitoefent.
Het dwangbevel en het proces-verbaal, waaruit de overtre-
ding blijkt, zullen, bij een en hetzelfde exploit, aan partijen
beteekend worden.
De verdere vervolgingen en regtsgedingen zullen, behoudens
het bepaalde bij het volgende artikel, behandeld worden op
den voet en op de wijze, bij de wetten op de registratie vast-
gesteld.
36.    Het bewijs door getuigen is toegelaten ten aanzien van
alle overtredingen van de artt. 6 en 21, n". 3.
37.    Door verloop van twee jaren verjaren:
«. De vordering van regt en boeten, verschuldigd wegens
overtreding van art. 8; te rekenen van den dag der registratie
van acten en vonnissen, waarbij van stukken niet van behoorlijk
zegel voorzien en niet van het zegel vrijgesteld, is kennis geno-
men, of waarin uit dezelve is gehandeld of gebruik gemaakt;
litt. b. Vervallen.
e. De vordering van niet of te weinig geheven regt en boe-
ten, verschuldigd op stukken, welke zijn geregistreerd; te
rekenen van den dag der registratie;
tl. De vordering van teruggave van te veel betaalde regten
en boeten, in de gevallen bij art. 18 en 19 voorzien en in alle
andere gevallen, waarin de zegelregten of boeten op vordering
der ambtenaren van de registratie en het zegel zijn voldaan;
te rekenen van den dag der betaling.
Voor verkeerdelijk gebruikte zegels wordt geene vordering
van teruggave toegelaten.
38.   De verjaring wordt gestuit door regtsvorderingen, be-
teekend aan dengenen, welke men de verjaring wil beletten,
vóór het verstrijken van den termijn; wanneer echter de aan-
gevangen regtsvervolging gedurende een jaar niet wordt voort-
gezet, is de vordering vervallen.
39.  In de termijnen, bij deze wet vastgesteld, is nietbegre-
pen de dag van welken zij beginnen te loopen, doch wel die
waarop zij eindigen.
Indien de laatste dag eens termijns op oenen zondag invalt;
zal dezelve eerst den volgenden dag verloopen zijn.
-ocr page 655-
648
ZEOELWET.
TBANSITOIRK BEPALINGEN.
40.  Al de thans bestaande zegelstempels, mitsgaders al het
overeenkomstig vroegere wetten gezegeld papier, hetwelk thans
nog ongebruikt voorhanden is, met uitzondering echter van de
formaat-zegels van 15 centen, en behoudens het bepaalde bij
artikel 41 en 42, worden op het oogenblik van de invoering
dezer wet buiten gebruik gesteld.
Het voormelde buiten gebruik gestelde gezegelde papier
zal, mits het zich in zoodanigen staat bevinde als waarin het-
zelve door het bestuur werd uitgegeven, gedurende ééne maand
na de invoering dezer wet, bij de ontvangers met het debiet
van het zegel belast, tegen nieuw gezegeld papier van eeno
gelijke of hoogere waarde, met bijbetaling van het suppletoir
regt, zoo dat verschuldigd is, kunnen worden ingewisseld.
41.  Onverminderd het bepaalde bij het vorig artikel, zal het
formaat-zegel, hetwelk op het oogenblik van de invoering
dezer wet nog onbeschreven in de registers van den burgerlijken
stand, de repertoria en alle verdere registers voorhanden is,
bij voortduring kunnen worden gebruikt, mits vooraf, doch in
allen gevalle binnen den tijd van ééne maand na de invoering
dezer wet, voor suppletoir regt worde bijbetaald zonder bijvoe-
ging van opcenten:
10 centen voor ieder ongebruikt zegel van 90 et.
15 ,         » ,            .              »        „ 60 „
05 »         „                             • „ , 45 „
en van deze bijbetaling door eene verklaring van den -ontvan-
ger van de registratie en het zegel blijke.
Zullende de zegels van 30 centen, welke zich in opgemelde
registers bevinden, zonder bijbetaling van eenige verhooging,
kunnen worden gebruikt.
Voorts zal het naar de vroegere wetten buitengewoon ge-
zegeld papier voor dagbladen, catalogussen en andere druk-
werken, gedurende ééne maand na de invoering dezer wet,
kunnen worden gebruikt.
42.  Het gezegeld papier, mitsgaders het ongestempelde zegel-
papier, hetwelk, bij do invoering dezer wet, bij het bestuur
zal voorhanden wezen, kan, zoo lang die voorraad strekt, en
na vooraf overeenkomstig deze wet te zijn gestempeld, worden
gebruikt als volgt:
Het groot registerpapier van 90 centen, tot het gezegeld
papier vermeld bij art. 11, n°. 1.
Het registerpapier van 60 centen, tot het gezegeld papier
vermeld bij art. 11, n°. 2.
Het middelbaar papier van 45 centen, alsmede het gezegeld
papier bestemd voor huurcedullen, tot het gezegeld papier
-ocr page 656-
649
ZEQELWET.
vermeld bij art. 11, n°, 3, mitsgaders tot het gezegeld papier
in groot formaat, vermeld bij de 5e zinsnede van art. 20.
Het klein papier a 30 centen, tot het gezegeld papier ver-
meld bjj art. 11, n\\ 4, en eindelijk het papier bestemd voor
•wisselbrieven, en/.., tot het gezegeld papier in klein formaat,
vermeld bij de 5e zinsnede van art. 20.
43.   Ken afdruk van iederen nieuwen zegelstempel, op het
midden van het vel geschroefd of geslagen, zal van wege het
departement van Financien worden nedergelegd ter griffie van
den hoogen raad, van de hoven en arrondissements-regtbanken,
en een gelijke afdruk toegezonden aan de algemeene reken-
kamer.
SLOTBEPALINGEN.
44.  Het is aan den Koning voorbehouden, in bijzondere ge-
vallen of in het algemeen belang kwijtschelding of verminde-
ring van regt en boeten te verleenen.
45.   Te rekenen van don dag van het in werking brengen
dezer wet zijn alle vroegere wettelijke verordeningen op het
regt van zegel vervallen, behoudens de vrijstellingen, vermeld
in art. 27, onder n". 71.
Zij bljjven echter derzelver kracht en toepassing behouden
ten aanzien van alle acten, stukken, geschriften en drukwerken,
waarvan het bewezen is dat zij vóór dat tijdstip opgemaakt
of gedrukt zijn.
46.  Deze wet zal in werking komen op het nader door den
Koning te bepalen tijdstip \').
\') In werking getreden op 1 April 1844.
-ocr page 657-
WET
van don 30sten September 1893, Stbl. HG,
HOUDENDE BEPALINGEN OP DE FABRIEKS-
EN HANDELSMERKEN.
§ I. VAN HET BUREAU EN UF, HULPBUREAUX VOOR DEN
INDUSTRIEELEN EIGENDOM.
Art. 1.
Er is een Bureau voor den industrieelen eigendom voor hot
Rijk in Europa en zijne koloniën en bezittingen in andere
werelddeelen, tevens dienende tot centrale bewaarplaats, als
bedoeld bij art. 12 dor internationale overeenkomst tot be-
scherming van den industrieelen eigendom, den 20sten Maart
1883 te Parijs gesloten en goedgekeurd bij de wet van 23
April 1884 [Stbl. no. 53).
Aan het hoofd van dit Bureau, dat te \'s Gravenhage is ge-
vestigd, staat een Directeur. Deze en de aan hem onderge-
schikte ambtenaren en bedienden, worden door Ons benoemd
en ontslagen.
De verdere inrichting van dat Bureau wordt geregeld door
het Hoofd van het Departement van Justitie, en de kosten
daarvan worden gebracht op het hoofdstuk der Staatsbegroo-
ting, genoemd Departement betreffende.
De gelden bij dit Bureau ontvangen op grond van deze wet
of van de overeenkomst, betreffende de internationale inschrij-
ving van fabrieks- en handelsmerken, den 14den April 1891
te Madrid gesloten en goedgekeurd bij de wet van 12 December
1892 (Stbl. no. 270), komen voor zoover zij niet aan het
Internationaal Bureau der Unie tot bescherming van den
industrieelen eigendom te Bern moeten worden overgemaakt,
ten bate van \'s Rijks schatkist. Zij worden door den Directeur
verantwoord.
2. Door Ons worden de Hulpbureaux voor den industrieelen
eigendom, tevens hulpbewaarplaatsen, belast met de openbare
mededeelingen van de fabriekV en handelsmerken in de kolo-
-ocr page 658-
WET OP DE FABRIEKS- EN HANDELSMERKEN.                  651
niën en bezittingen in andere werelddeelen, aangewezen, en
de verdere werkzaamheden dezer Hulpbureaux, benevens de
daarmede verband houdende verrichtingen van het in het
eerste lid van art. 1 bedoeld Bureau voor den industrieelen
eigendom geregeld.
§ II. INSCHRIJVING, INTERNATIONALE INSCHRIJVING, VER-
NIELWING 0K VERVALLEN VAN INSCHRIJVINGEN
EN OVERGANG VAN MERKEN.
3.    Het recht tot uitsluitend gebruik van een merk, ter
onderscheiding van iemands fabrieks- of handelswaren van die
van anderen, komt toe aan dengene, die het eerst tot omschre-
ven doel van dat merk in het Rijk in Europa of in do koloniën
of bezittingen in andere werelddeelen gebruik heeft gemaakt,
doch alleen voor die soort van waren waarvoor het door hem
gebruikt is, en niet langer dan drie jaren na het laatste
gebruik.
Behoudens het bewijs van het tegendeel en het bepaalde
bij het volgende lid wordt hij, die het eerst voldeed aan de
voorschriften van art. 4, geacht de eerste gebruiker van het
ingezonden merk te zijn.
Hij die binnen de termijnen, bepaald bij art. 4 der voor-
melde internationale overeenkomst van Parijs aan het Bureau
voor den industrieelen eigendom een merk heeft ingezonden,
hetwelk hij met inachtneming van art. 6 der evengenoemde-
overeenkomst in een der tot die overeenkomst toegetreden
Staten regelmatig heeft gedeponeerd, wordt geacht van dat
merk reeds bij den aanvang van den toepasselijken termijn in
het Rijk in Kuropa gebruik te hebben gemaakt.
4.    Ter verkrijging van de inschrijving van een merk zendt
de belanghebbende aan het Bureau voor den industrieelen
eigendom een voldoend cliché van dat merk, ter lengte en
breedte van ten minste 1.5 en ten hoogste 10 centimeters en
ter dikte van 2.4 centimeters, benevesis twee onderteekende
exemplaren eener duidelijke afbeelding en de daarmede over-
eenstemmende nauwkeurige beschrijving van zijn merk. In
deze beschrijving moeten tevens worden vermeld de soort van
waren, waarvoor het merk bestemd is, en de woonplaats van
den inzender.
De inzending kan ook geschieden door een schriftelijk daar-
toe gemachtigde.
Het merk mag geene woorden of voorstellingen bevatten,
in strijd met de openbare orde of de goede zeden. Het mag
niet bevatten, zij het ook met eene geringe afwijking, een
-ocr page 659-
652                WET OP DE FABRIEKS- EN IIANDELSMEKKEN.
wapen van het Rijk, eene provincie, gemeente of eenig ander
publiekrechtelijk lichaam.
Bij de inzending is voor elk merk een bedrag van tien
gulden te voldoen, waarvan in geen geval teruggave geschiedt.
5.    Het overeenkomstig het vorige artikel ingezonden merk
wordt, behoudens het bepaalde bij art. 9, door het Bureau
voor den industrieelen eigendom binnen drie dagen na den
dag der ontvangst ingeschreven in het daartoe bestemde open-
bare register, waarvan het model door den Minister van Justitie
wordt vastgesteld.
De beide overgelegde exemplaren van de afbeelding en be-
schrijving worden gewaarmerkt met bijvoeging van de dag-
teekening en het nommer waaronder de inschrijving in het
register plaats heeft.
Één dier exemplaren wordt binnen drie dagen daarna aan
den inzender teruggezonden.
Aan het andere exemplaar wórdt in het geval, bedoeld in
het tweede lid van art. 4, de volmacht gehecht.
6.    Door do zorg van het Bureau voor den industrieelen
eigendom worden in de Nederlandsche Staatscourant van den
eersten dag van iedere maand de in art. 4 bedoelde beschrij-
vingen opgenomen, elke met een afdruk van het cliché, van
de sedert de laatste openbaarmaking ingeschreven merken,
met opgave van de soort van waren waarvoor zij bestemd zijn
en van de woonplaatsen der inzenders.
Deze openbaarmakingen worden geplaatst in afzonderlijke
bijlagen van de Staatscourant, die afzonderlijk algerrfeen ver-
krijgbaar worden gesteld.
Daarna wordt het cliché aan den inzender desverlangd terug-
gegeven.
7.    De Nederlander en de vreemdeling binnen het Rijk in
Europa wonende of daar zijne voornaamste inrichtingen van
nijverheid of handel hebbende, die zich de bescherming wil
verzekeren van zijn ingevolge art. 4 ingezonden merk ook in
andere Staten, toegetreden tot de voormelde overeenkomst
van Madrid, zendt aan het Bureau voor den industrieelen
eigendom nog drie exemplaren, waarvan een onderteekend,
eener duidelijke afbeelding van dat merk en een cliché, beant-
woordende aan de bij art. 4 gestelde eischen.
Het tweede lid van art. 4 is ten deze toepasselijk.
Genoemd Bureau bewaart het onderteekende exemplaar der
afbeelding, hetwelk wordt gewaarmerkt, zorgt verder, indien
of zoodra het merk overeenkomstig art. 5 is ingeschreven,
met inachtneming van de bestaande voorschriften, voor de
onverwijlde aanvrage van inschrijving aan het Internationaal
Bureau te Bern en deelt al hetgeen door laatstgenoemd Bureau
-ocr page 660-
WET OP DE FABRIEKS- EN HANDELSMERKEN.                653
betreffende het merk te zijner kennis wordt gebracht en voor
den inzender van belang kan worden geacht, aan dezen mede.
Wordt het merk, ingevolge art. 4 ingezonden, niet overeen-
komstig art. 5 ingeschreven, dan geeft het Bureau voor den
industrieelen eigendom aan den inzender kennis, dat ook de
aanvrage van inschrijving aan het Internationaal Bureau te
Bern voorshands niet kan volgen.
Bij de inzending is voor elk merk een bedrag van vijf en
vijftig gulden te voldoen., waarvan in geen geval teruggave
geschiedt.
8.    Door het Bureau voor den industrieelen eigendom
wordt, behoudens het bepaalde bij art. 9, binnen drie dagen
na de ontvangst van wege het Internationaal Bureau te Bern
van de bekendmaking, voorgeschreven bij art. 3 der voormelde
overeenkomst van Madrid, het merk. waarop die bekend-
making betrekking heeft, ingeschreven in het daartoe bestemde
openbare register, waarvan het model door den Minister van
Justitie wordt vastgesteld.
De ontvangen bekendmaking wordt gewaarmerkt met bij-
voeging van de dagteekening en het nommer waaronder de
inschrijving in het register plaats heeft.
Indien het internationaal ingeschreven merk overeenkomstig
art. 7 aan het Bureau voor den industrieelen eigendom was
ingezonden, geeft dit aan den inzender zoodra mogelijk
bericht van de internationale inschrijving en een gedagteekend
bewijs van de inschrijving in het eerste lid van dit artikel
bedoeld.
Aan genoemd Bureau wordt het bijvoegsel tot het „Journal"
van het Internationaal Bureau te Bern, waarin de aankondi-
ging van de internationaal ingeschreven merken is opgenomen,
algemeen verkrijgbaar gesteld.
Telkens geschiedt van die verkrijgbaarstelling mededeeling
in de Nederlandsen Staatscourant.
9.    Indien het ingevolge art. 4 ingezonden merk of het bij
art. 8 bedoeld buitenlandsch merk geheel of in hoofdzaak
overeenstemt met dat, hetwelk voor dezelfde soort van waren
ton natne van een ander is ingeschreven of door een ander
vroeger is ingezonden, of indien het in strijd is met de bepa-
ling van het voorlaatste lid van art. 4, kan het Bureau voor
den industrieelen eigendom de inschrijving weigeren, waarvan
het schriftelijk kennis geeft binnen diio dagen na den dag
der ontvangst van het merk aan den inzender, of binnen drie
dagen na dien der ontvangst van de in art. 8 bedoelde bekend-
making aan het Internationaal Bureau te Bern.
De inzender ingevolge art. 4 of do inzender van het bij
art. 8 bedoelde merk kan zich bij door hem of zijn gemachtigde
-ocr page 661-
654                WET OP DE FABRIEKS- EN HANDELSMEUKEN.
onderteek end verzoekschrift tot de arrondissements rechtbank
te \'s Gravenhage wenden, ten einde de inschrijving worde
bevolen. De inzender ingevolge art. 4 doet dit binnen ééne
maand, die van het bij art. 8 bedoelde merk binnen zes
maanden na die kennisgeving.
10.    Indien het overeenkomstig art. 5 ingeschreven merk
of het overeenkomstig art. 8 ingeschreven buitenlandsche merk
geheel of in hoofdzaak overeenstemt met dat, waarop een
ander voor dezelfde soort van waren recht heeft krachtens
art. 3 kan deze zich, voor wat betreft een overeenkomstig
art. 5 ingeschreven merk, binnen zes maanden na de bij
art. 6 voorgeschreven openbaarmaking in de Staatscourant, en
voor wat aangaat een overeenkomstig art. 8 ingeschreven
buitenlandsch merk binnen negen maanden na de daar aan
het slot voorgeschreven mededeeling, bij door hem of zijn
gemachtigde onderteekend verzoekschrift tot de arrondisse-
ments-rechtbank te \'s Gravenhage wenden, ten einde de in-
schrijving worde nietig verklaard.
Binnen hetzelfde tijdsverloop kan, indien het merk in strijd
is met de bepaling van het voorlaatste lid van art. 4, door
den Officier van Justitie bij de in het vorige lid genoemde
rechtbank worden gevorderd, dat de inschrijving worde nietig
verklaard.
11.    Van elk in art. 9 of art. 10 bedoeld verzoek, en van
elke in art. 10 bedoelde vordering van den Officier van Justitie,
wordt door den Griffier binnen drie dagen aan het Bureau
voor den industrieelen eigendom schriftelijk kennisgegeven.
12.    De rechtbank beslist in raadkamer.
De beslissing op een verzoek krachtens art. 9 gedaan, wordt
niet gegeven dan nadat de verzoeker in de gelegenheid is
gesteld om zijn recht op de inschrijving van het merk, en de
Directeur van het Bureau voor den industrieelen eigendom om
de weigering van inschrijving voor de rechtbank mondeling
te verdedigen.
De beslissing op een verzoek of eene vordering krachtens
art. 10 gedaan, wordt niet gegeven dan na verhoor of behoor-
lijke oproeping van den inzender van het merk, op den door
de rechtbank bij eenvoudig appointement op het verzoek of de
vordering bepaalden dag, welke aan het Bureau voor den
industrieelen eigendom door den Griffier schriftelijk wordt
medegedeeld, en, indien het een overeenkomstig art. 5 inge-
schreven merk betreft, aan den inzender ten minste veertien
dagen te voren wordt bekend gemaakt door beteekening van
het verzoek of de vordering en het daarop gegeven appointement.
Geldt het een overeenkomstig art. 8 ingeschreven merk,
dan geeft het Bureau voor den industrieelen eigendom van het
-ocr page 662-
WET OP DE FABEIEKS- EN HANDELSMERKEN.                655
verzoek of de vordering kennis aan het Internationaal Bureau
te Bern en deelt aan dit Bureau zoodra mogelijk den door
de rechtbank voor het verhoor bepaalden dag mede, en wel
ten minste eene maand of drie maanden te voren, naar gelang
de inzender in of buiten Europa woont.
Bij het verhoor kan de verzoeker, en in het geval voorzien
bij het tweede lid van art. 10 de Officier van Justitie do
gronden waarop zijn verzoek of zijne vordering berust, mondeling
uiteenzetten.
Vóór het sluiten van een verhoor, als in dit artikel voorge-
schreven bepaalt de rechter den dag, waarop hij zijne beslis-
sing geven zal.
13.    Hooger beroep van de beslissing dor rechtbank is niet
toegelaten.
Binnen ééne maand na den dag der beslissing kan beroep
in cassatie worden ingesteld.
Het daartoe strekkend verzoekschrift wordt, indien het een
ingevolge art. 4 ingezonden of een overeenkomstig art. 5 inge-
schreven merk betreft, aan de belanghebbende wederpartij
beteekend.
Indien het beroep strekt ten einde de inschrijving van een
merk worde bevolen, wordt het Bureau voor den industrieelen
eigendom als belanghebbende wederpartij beschouwd.
Van elk ander beroep in cassatie, hetwelk niet is ingesteld
door het Bureau voor den industrieelen eigendom, wordt door
den Griffier bij den Hoogen Raad binnen drie dagen aan dat
Bureau schriftelijk kennis gegeven.
Geldt het beroep in cassatie een merk als bij art. 8 bedoeld,
dan geeft het Bureau voor den industrieelen eigendom daarvan
kennis aan het Internationaal Bureau te Bern.
14.    Hij die geenc woonplaats binnen het Rijk in Europa
heett, moet bij de inzending van art. 4 of art. 7 bedoeld, en
bij de indiening van een verzoekschrift volgens art. 9, art. 10
of art. 13, woonplaats binnen het Rijk kiezen.
Alle exploten geschieden dan aan die gekozen woonplaats.
15.    Van de beslissing der rechtbank wordt binnen drie
dagen door den Griffier schriftelijk kennis gegeven aan het
Bureau voor den industrieelen eigendom.
Gelijke kennisgeving geschiedt door den Griffier bij den
Hoogen Raad van den uitslag van het beroep in cassatie.
Overeenkomstig de beslissing van de rechtbank, zoodra die
in kracht van gewijsde is gegaan, of van den Hoogen Raad,
indien deze de hoofdzaak heeft beslist, wordt door genoemd
Bureau het merk ingeschreven of van de nietigverklaring der
inschrijving aanteckening gedaan in de daartoe bestemde kolom
van het openbare register, waarin het merk werd ingeschreven.
-ocr page 663-
656               WET OP DE FABRIEKS- EN HANDELSMERKEN.
üe inschrijving wordt alsdan geacht te zijn geschied op
den dag der inzending of der ontvangst van de art. 1 bedoelde
bekendmaking.
Genoemd Bureau deelt de in dit artikel voorgeschreven
kennisgevingen, voor zoover zij betreften een merk als bij
art. 8 bedoeld, mede aan het Internationaal Bureau te Bern
zoodra de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
16. Door de zorg van het Bureau voor den industrieelen
eigendom wordt aankondiging gedaan van:
1°. de weigering van inschrijving van een merk overeen-
komstig art. 8, zoodra de termijn, voorgeschreven in het tweede
lid van art. 9 is verloopen zonder dat een verzoekschrift als
daar bedoeld is ingediend, of zoodra de afwijzende beslissing
op zoodanig verzoekschrift in kracht van gewijsde is gegaan;
2°. de nietigverklaring der inschrijving van een merk waar-
van hetzij de beschrijving reeds werd openbaar gemaakt in
de Nederlandsche Staatscourant, hetzij de aankondiging van
internationale inschrijving reeds werd opgenomen in het bij-
voegsel tot het „Journal" van het Internationaal Bureau
te Bern ;
3°. het vervallen van de kracht eener inschrijving om eene
der redenen in art. 18, nos. 1 of 3 genoemd;
4°. den overgang van een overeenkomstig art. 5 ingeschre-
ven merk, die overeenkomstig art. 20 is aangeteekend.
De aankondigingen, voorgeschreven in dit artikel, worden
geplaatst in de in het tweede lid van art. 6 bedoelde afzon-
derlijke bijlagen van de Nederlandsche Staatscourante
17.    De bij de artt. 5 en 8 bedoelde openbare registers
liggen voor ieder kosteloos ter inzage in de lokalen van het
Bureau voor den industrieelen eigendom.
Ieder kan daarvan voor zijne rekening uittreksel of afschrift
bekomen, waarvan de kosten worden berekend op den voet
van art. 11 van het tarief van justitiekosten en salarissen in
burgerlijke zaken.
Tegen betaling van vijftig cents, desverkiezende in postze-
gels van Nederland, van Nederlandsch-Indie\', van Suriname,
van Curacao of van een der andere Staten, toegetreden tot de
voormelde overeenkomst van Parijs, kan ieder eene schriftelijke
inlichting van genoemd Bureau bekomen.
18.    De kracht eener inschrijving vervalt:
1°. door doorhaling op verzoek van dengene, te wiens
name de inschrijving is gesteld of de overgang ingevolge art.
20 is aangeteekend;
2°. door verloop van twintig jaren na den dag, waarop de
inschrijving overeenkomstig art. 5 of art. 8 is geschied, indien,
deze niet vóór het verstrijken van dien termijn is vernieuwd
-ocr page 664-
WET OP DE FABHIEKS- EN HANDELSMERKEN.                657
of indien de vernieuwing niot binnen gelijken termijn is
herhaald;
3°. door het vervallen van de kracht of\' het weigeren der
inschrijving in het land van oorsprong.
Het vervallen van de kracht der inschrijving om eene dei-
redenen in nos. 1 of 3 genoemd, wordt, met vermelding van
die reden, aangeteekend in de daartoe bestemde kolom van
liet openbare register, waarin het merk werd ingeschreven.
19.    De inschrijving van een merk wordt vernieuwd indien
de rechthebbende vóór het einde van den in het vorige artikel
onder nommer 2 gestelden termijn dezelfde formaliteiten ver-
vuld heeft als voor de eerste inzending bij art. 4 zijn vast-
gesteld.
De overgelegde exemplaren, bedoeld bij het eerste lid van
art. 4, worden gewaarmerkt met bijvoeging van de dagteeke-
ning der vernieuwde inschrijving.
De vernieuwde inschrijving geschiedt door het Bureau voor
den industrieelen eigendom door invulling van de dagteeke-
ning in de daartoe bestemde kolom van het openbare regis-
ter, waarin het merk werd ingeschreven.
Na de vernieuwde inschrijving van een merk, ingeschreven
overeenkomstig art. 5, wordt aan den rechthebbende binnen
drie dagen teruggegeven een der in het tweede lid van dit
artikel bedoelde exemplaren.
Het vierde lid van art. 5 en art. 6 zijn verder ten deze toe-
passelijk.
Ten aanzien van een merk, ingezonden tot vernieuwde
inschrijving met inachtneming van de bij art. 7 vastgestelde
formaliteiten, geldt het derde lid van dat artikel.
De vernieuwde inschrijving van een overeenkomstig art. 8
ingeschreven merk heeft niet plaats vóór de ontvangst van
wege het Internationaal Bureau te Bern van de bij dat artikel
bedoelde bekendmaking.
Deze bekendmaking wordt gewaarmerkt met bijvoeging van
de dagteekening, waaronder de vernieuwde inschrijving in het
register, plaats heeft.
Van de vernieuwde inschrijving hier te lande van een
opnieuw internationaal ingeschreven merk, dat overeenkomstig
art. 7 aan het Bureau voor den industrieelen eigendom was
ingezonden, wordt aan den rechthebbende binnen drie dagen
een gedagteekend bewijs afgegeven.
20.    De overgang aan een .ander van een merk, overeon-
komstig art. 5 ingeschreven, wordt alleen aangeteekend indien
tevens de fabriek of handelsinrichting, tot onderscheiding van
welker waren het merk bestemd is, aan denzelfden persoon is
overgegaan.
42
-ocr page 665-
658                WET 01\' 1>E FABRIEKS- EN HANDELSMERKEN.
Hot bewijs van dit laatste wordt geleverd door overlegging
van een gewaarmerkt uittreksel van de betrekkelijke akte aan
het Bureau voor den industrieelen eigendom.
De overgang wordt aangeteekend aan den kant van de
inschrijving, voor wat betreft merken overeenkomstig art 5
ingeschreven, op schriftelijk verzoek van partijen, voor wat
betreft merken overeenkomstig art.\' 8 ingeschreven, nadat van
het Internationaal Bureau te Bern bericht van den overgang
Bal zijn ontvangen.
Voor kosten van aanteekening van den overgang van een
merk, overeenkomstig art. 5 ingeschreven, is een bedrag van
vijf gulden verschuldigd, bij het verzoek tot die aanteekening
te voldoen.
21.    Van het vervallen van de kracht der inschrijving, gelijk
mede van den overgang, van een internationaal ingeschreven
merk, dat overeenkomstig art. 7 aan het Bureau voor den
industrieelen eigendom was ingezonden, geeft dit onvcrwjjld
kennis aan het Internationaal Bureau te Bern.
§ [II. OVEROANGS- EN SLOTBEPALINGEN.
22.    De merken, die op het tijdstip van het in werking
treden dezer wet reeds overeenkomstig do voorschriften der
wet van 25 Mei 1880 (Stbl. no. 85), zooals die gewijzigd is
bij de wet van 22 Juli 1885 {Stbl. no. 140), zijn ingeschreven,
genieten dezelfde bescherming als waren zij overeenkomstig
deze wet ingeschreven. De twintig jaren, bedoeld in art. 18,
2"., beginnen voor die merken te ioopen van den dag, waarop
de inschrijving ingevolge eerstgenoemde wet geschiedde.
Voor de toepassing van art. 7 dezer wet worden die merken
geacht overeenkomstig art. 4 te zijn ingezonden, en kan het
daar geoischte cliché worden vervangen door eene ondertee-
kende Fransche vertaling van de beschrijving, welke werd
ingezonden ingevolge art. 1 der eerstgenoemde wet.
23.    Een merk, op het tijdstip van het in werking treden
dezer wet reeds door den Griffier eener rechtbank aangeteekend,
wordt, op schriftelijke aanvrage van den inzender, door het
Bureau voor den industrieelen eigendom onverwijld ingeschreven
in het in art. 5 bedoelde openbare register, behoudens het be-
paalde bij art. 9.
Op zoodanig merk zijn toepasselijk art. 5, tweede on derde
lid, art. 6, eerste en tweede lid, en de verdere artikelen dezer
wet, met dien verstande echter dat:
1". wat art. 6 betreft, alleen dan in de openbaarmaking de
afbeelding van het merk wordt opgenomen, indien bij de aan-
vragc om inschrijving een cliché is overgelegd, beantwoordende
-ocr page 666-
WET OP OE EABRIEKS- EN HANDELSMERKEN.                659
aan de bij art. 4 gestelde eischen, welk cliché na gemaakt
gebruik aan den inzender desverlangd wordt teruggegeven;
2°. wat art. 7 betreft, het merk geacht wordt ovcreenkom-
stig art. 4 te zijn ingezonden en het daar geëischte cliché
kan worden vervangen door eene onderteekende Fransche ver-
taling van de beschrijving, welke werd ingezonden ingevolge
art. 1 der wet van 25 Mei 1880 (Sfbf. no. 85), gewijzigd bij
de wet van 22 Juli 1885 (Stbl. no. 140);
3°. weigering van inschrijving niet «reoorloofd, en 0(!n ver.
zoek of eene vordering tot nietigverklaring van de inschrijving
niet ontvankelijk is, indien op voormeld tijdstip reeds zes
maanden zijn verloopen sedert de openbaarmaking in de Staats-
courant
voorgeschreven bij art. 2 der evengenoemde wet;
4°. de termijn van zes maanden, in art. 10 gesteld, met
zoovele maanden wordt verkort als er op voormeld tijdstip
reeds verloopen waren sedert de openbaarmaking in de Staats-
courant,
voorgeschreven bij art. 2 der evengenoemde wet;
5". verzoeken of vorderingen als bedoeld bij art. 3 der
evengenoemde wet, die op voormeld tijdstip reeds mochten
zijn aanhangig gemaakt bij eenige rechtbank of bij den Hoogen
Raad, door dat college met inachtneming van de artikelen 11
tot en met 15 dezer wet worden behandeld en afgedaan als
strekten zij tot nietigverklaring van de inschrijving.
24.    Op het tijdstip van het in werking treden dezer wet
worden alle registers en verdere bescheiden betreffende fabrieks-
en handelsmerken van de griffiën der rechtbanken, waar zij
berusten, overgebracht naar de lokalen van het Bureau voor den
industrieelen eigendom.
25.    Deze wet is niet van toepassing op merken, die van
overheidswege zijn vastgesteld.
26.    Met hot in werking treden dezer wet vervalt de wet
van den 25sten Mei 1880 (Stbl. no. 85), zooals die is gewijzigd
bij do wet van den 22sten Juli 1885 {Stbl. no. 140).
27.    Deze wet treedt in werking op een door Ons te be-
palen dag \').
\') In werking getreden op 1 December 1893.
-ocr page 667-
W E T,
van den Men Mei 1889, Stbl. no. 48,
HOUDENDE BEPALINGEN TOT HET TEGENGAAN VAN
OVERMATIGEN EN GEVAARLIJKEN ARBEID VAN
JEUGDIGE PERSONEN EN VAN VROUWEN.
§ 1. INLEIDENDE BEPALINOEN.
Art. 1.
Onder arbeid verstaat deze wet alle werkzaamheden in of
voor eenig bedrijf, behalve: 1°. werkzaamheden in of voor de
bedrijven van landbouw, tuinbouw, boschbouw, veehouderij of
veenderij; 2°. werkzaamheden buiten fabrieken en werkplaat-
sen in of voor het bedrijf van hem, bij wien degene die ze
verricht inwoont, voor zoover die werkzaamheden ook buiten
eenig bedrijf in eene huishouding of stalling plegen voor
te komen.
                                                                    _,
2.    Onder fabrieken en werkplaatsen verstaat deze wet alle
zoowel open als besloten ruimten, waar in of voor eenig bodrijf
pleegt gewerkt te worden aan het vervaardigen, veranderen,
herstellen, versieren, afwerken of op andere wijze tot verkoop
of gebruik geschikt maken van voorwerpen of stoffen, of waar
in of voor eenig bedrijf voorwerpen of stoffen eene daartoe
strekkende bewerking plegen te ondergaan.
Keukens en soortgelijke inrichtingen, waar spijzen len dran-
ken voor onmiddellijk verbruik bereid worden, benevens apothe-
ken, zijn hieronder niet begrepen.
§ 2. VAN DEN ARBEID VAN JEUGDIGE PERSONEN EN
VAN VROUWEN.
3.    Het is verboden een kind beneden twaalf jaren arbeid
te doen verrichten.
4.    Hij algemeenen maatregel van bestuur wordt door Ons,
hetzij onvoorwaardelijk, hetzij voorwaardelijk, verboden een
persoon beneden zestien jaren en in fabrieken en werkplaatsen
eene vrouw bepaalde soorten van arbeid te doen verrichten,
-ocr page 668-
661
ARBEIDSWET.
op grond van do gevaren voor de gezondheid of het loven,
welke die soorten van arbeid, hetzij in het algemeen, hetzij
bjj niet inachtneming van zekere voorwaarden, door de wijze
waarop zij verricht worden of door de verwerkt wordende
stoffen, voor een persoon beneden de zestien jaren of voor een
vrouw opleveren.
5. Het is verboden den arbeid van een persoon beneden
zestien jaren of van eene vrouw in fabrieken en werkplaatsen
vroeger te doen aanvangen dan te 5 uren des voormiddags of
later te doen eindigen dan te 7 uren des namiddags, met dien
verstande, dat het aantal uren, gedurende welke die arbeid
wordt verricht, niet meer dan elf per etmaal bedrage.
Voor bepaalde bedrijven kan door Ons bij algemeenen maat-
regel van bestuur worden vergund hetzij in het algemeen,
hetzij ten opzichte van bepaalde gemeenten, den arbeid van
personen beneden zestien jaren en van vrouwen op andere
dan de in het vorige lid bepaalde uren te doen aanvangen
en te doen eindigen onder zoodanige voorwaarden als zullen
noodig blijken, niet dien verstande dat het aantal uren, gedn-
rende welke die arbeid wordt verricht, niet meer dan elf per
etmaal bedrage. Voor personen beneden veertien jaren of
vrouwen mag het begin van dien arbeid niet vroeger dan te 5
uren des voormiddags en het einde niet later dan te 10 uren
des namiddags worden gesteld.
In bijzondere omstandigheden kan door Onzen Commissaris
in de provincie schriftelijke vergunning worden gegeven, om
in eene daarin genoemde fabriek of werkplaats den arbeid
van personen beneden zestien jaren en van vrouwen gedurende
niet langer dan zes achtereenvolgende werkdagen, of om den
anderen dag niet langer dan gedurende veertien dagen, hoog-
stens twee uren vroeger te doen aanvangen of hoogstens twee
uren later te doen eindigen, of wel een uur vroeger te doen
aanvangen en een uur later te doen eindigen dan in het
eerste lid van dit artikel of bij algemeenen maatregel van
bestuur, als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, is
bepaald, met dien verstande dat het aantal uren, gedurende
welke die arbeid wordt verricht, niet meer dan dertien per
etmaal bedrage en voor personen beneden veertien jaren of
vrouwen het begin van dien arbeid niet vroeger dan te 5
uren des voormiddags en het einde niet later dan\' te 10 uren
des namiddags worde gesteld. In spoedeischende gevallen kan,
voor niet langer dan twee achtereenvolgende werkdagen,
gelijke vergunning worden verleend door den burgemeester,
die daarvan binnen 24 uren mededeeling doet aan Onzen Com-
missaris in de provincie; door dezen kan die vergunning tot
een duur van zes achtereenvolgende werkdagen worden ver-
-ocr page 669-
GG2
ARBEIDSWET.
lengd. Voor dezelfde fabriek of werkplaats geldt geene der
genoemde vergunningen, alvorens sedert het eindigen van
eene vorige, voor dezelfde klasse van personen geldende, ten
minste acht dagen zijn verloopen, tenzij na goedkeuring van
Onzen Minister met de uitvoering van deze wet belast.
6.    Hij die een persoon beneden zestien jaren of eene vrouw
arbeid doet verrichten in fabrieken en werkplaatsen is ver-
plicht te zorgen, dat die arbeid ten minste worde afgewisseld
door één rusttijd van één uur tusschen 11 uren des voormid-
dags en drie uren des namiddags.
Voor bepaalde fabrieken en werkplaatsen kan door of van-
wege Onzen Minister, niet de uitvoering van deze wet belast,
onder zoodanige voorwaarden als zullen noodig blijken, wijzi-
ging of vermindering van dien rusttijd worden toegestaan, met
dien verstande, dat daardoor het aantal uren, gedurende welke
aldaar arbeid wordt verricht door de in dit irtikel bedoelde
personen of\' vrouwen, niet grooter worde clan in art. 5 is
veroorloofd.
Hij die bedoelde personen of vrouwen arbeid doet verrichten
is verplicht te zorgen, dat deze gedurende voormelden rusttijd
niet verblijven op eene besloten plaats, waar nisdan arbeid
wordt verricht.
7.    Het is verboden een persoon beneden zestien jaren of
eene vrouw op Zondag arbeid te doen verrichten in fabrieken
en werkplaatsen.
Voor personen, behoorende tot een kerkgenootschap, dat
den wekelijkschen rustdag niet op Zondag viert, treedt in de
plaats van dit verbod dat om hen arbeid te doen verrichten
in fabrieken en werkplaatsen in het etmaal, door hun kerk-
genootschap als wekelijksche rustdag aangenomen, indien zij
aan het hoofd of den bestuurder van het bedrijf of de onder-
neming hun verlangen hebben te kennen gegeven om in dat
etmaal geen arbeid te verrichten, waarvan achter hunnen naam
op de in art. 11 bedoelde lijst melding moet worden gemaakt.
Voor bepaalde bedrijven kan door Ons bij de algemeene
maatregelen van bestuur, bedoeld in het tweede lid van art. 5,
worden vergund den arbeid van mannelijke personen tusschen
veertien en zestien jaren op Zondag te doen voortduren tot
uiterlijk te 6 uren des voormiddags.
Waar in eene fabriek tot herstel of reiniging van eenen
aldaar in gebruik zijnden stoomketel de arbeid van een nian-
nelijken persoon beneden zestien jaren onontbeerlijk mocht
zijn, kan de burgemeester der gemeente waar de fabriek ge-
legen is daartoe schriftelijke vergunning voor eenen bepaalden
Zondag verleenen.
8.    Het is verboden eene vrouw arbeid te doen verrichten
-ocr page 670-
ARBEIDSWET.                                              663
in fabrieken en werkplaatsen binnen vier weken na haro
bevalling.
9.    Wanneer een persoon beneden zestien jaren of eeno
vrouw in de werkuren aangetroffen wordt op eeno besloten
plaats waar arbeid wordt verricht, dié niet tevens een woon-
vertrek is, en wanneer een persoon beneden zestien jaren aan-
getrofi\'en wordt aan boord van een vaartuig, dat niet bestemd
is tot het vervoer van reizigers en aan boord waarvan die
persoon niet woont, wordt die geacht aldaar zelf arbeid te
verrichten, tenzij het tegendeel blijke.
10.    Het hoofd of de bestuurder van een bedrijf of eene
onderneming, waarin of waarvoor een persoon beneden zestien
jaren arbeid verricht in fabrieken en werkplaatsen, moet in
het bezit zijn van eene kaart, houdende opgave van den naam,
de voornamen, den dag en de plaats van geboorte van
dien persoon, van den naam en de woonplaats van het hoofd
des gezins waarbij of van het gesticht waarin die persoon in-
woont en van het hoofd of den bestuurder van het bedrijf of
de onderneming. Deze is verplicht die kaart aan de bij art. 18
bedoelde ambtenaren op aanvrage te vertoonen.
Die kaarten worden ingericht naar een door Ons vast te
stellen model en worden geteekend en afgegeven door of van
wege den burgemeester der gemeente, binnen welke de jeugdige
persoon arleid zal verrichten.
De kaarten en de daarvoor noodige geboorte-extracten
worden kosteloos verstrekt.
Uinnen tweemaal vier en twintig uren na het eindigen van
de arbeidsbetrekking tusschen den jeugdigen persoon en hem,
die dezen arbeid deed verrichten, is het hoofd of de bestuur-
der van het bedrijf of de onderneming verplicht de botrek-
kelijke kaart, na daarop den dag van opneming en van ont-
slag te hebben vermeld, terug te bezorgen bij den burgemeester,
door of vanwege wien zij werd afgegevcD.
11.    Het hoofd of de bestuurder van een bedrijf of eene
onderneming, waarin of waarvoor een persoon beneden zestien
jaren of eene vrouw arbeid verricht in fabrieken en werk-
plaatsen, is verplicht te zorgen, dat in zijne fabriek of werk-
plaats, op eene plaats, waar arbeid wordt verricht steeds, op
eene zichtbare wijze is opgehangen eene door hem onder-
teekende en door of vanwege den burgemeester gewaarmerkte
lijst, vermeldende de namen en de voornamen van dien per-
soon of die vrouw en voor ieder in het bijzonder den aan-
vang en het einde van den werktjjd, de werkuren en het et-
maal bestemd tot wekelijkschen rustdag.
Voor bepaalde bedrijven kan door Ons bij algemeenen
maatregel van bestuur vrjjstelling verleend worden van de
-ocr page 671-
664                                               AKBEIDSWET.
verplichting, om op de bedoelde lijst de werkuren te ver-
melden.
Het hoofd of de bestuurder van een bedrijf of eene onder-
neming, bedoeld in het eerste lid, is verplicht te zorgen dat
een afschrift of uittreksel van de bij dat lid vermelde lijst
steeds op eene zichtbare wijze is opgehangen in elk arbeids-
lokaal, daartoe door of vanwege Onzen Minister, met de uit-
voering van deze wet belast, aangewezen.
§ 3. toezicht.
12.    Onder de bevelen van Onzen Minister, met de uitvoe-
ring van deze wet belast, wordt het toezicht op die uitvoering
opgedragen aan ten hoogste drie door Ons te benoemen inspec-
teurs, wier werkkring en bevoegdheden door Ons bij algemeenen
maatregel van bestuur worden geregeld.
13.    De hoofden en bestuurders van bedrijven en onderne-
mingen en de daarin werkzame personen zijn verplicht aan
den bevoegden inspecteur de verlangde inlichtingen te geven
omtrent zaken en feiten, de naleving van deze wet betreffende.
14.     Het is aan de inspecteurs verboden middellijk of on-
middellijk deel te nemen aan bedrijven of ondernemingen van
fabrieks- of ambachtsnijverheid.
15.    Het hoofd of de bestuurder van een bedrijf of eene
onderneming, die in eene fabriek of werkplaats arbeid doet
verrichten, is verplicht van elk aan een persoon tej.- zake van
den in dat bedrijf of die onderneming verrichten arbeid over-
komen ongeluk binnen tweemaal vier en twintig uren schrif-
telijk kennis te geven aan den burgemeester der gemeente,
waar het ongeluk plaats had. Heeft de persoon, wien het
ongeluk is overkomen, binnen den bedoelden termijn den
arbeid hervat, dan vervalt de verplichting tot kennisgeving.
De vorm dezer kennisgeving" wordt vastgesteld door Onzen
Minister, met de uitvoering van deze wet belast.
De burgemeester deelt binnen vier en twintig uren de ken-
nisgeving mede aan den bevoegden inspecteur.
De burgemeester stelt oen onderzoek in naar de oorzaken
en gevolgen van het ongeluk en deelt den uitslag daarvan
aan den inspecteur mede, die bevoegd is, zoo hem dit noodig
voorkomt, een nader onderzoek in te stellen.
16.    De inspecteurs vervaardigen jaarlijks een beredeneerd
verslag over hunne ambtsbezigheden en zenden dit vóór 1 Mei
aan Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast.
Deze verslagen worden hetzij in hun geheel, hetzij gedeel-
telijk aan de Staten-Generaal overgelegd.
-ocr page 672-
ARBEIDSWET.                                               665
§ 4. STRAFBEPALINGEN.
17. Overtreding van een der bepalingen dezer wet, —
behalve die van art. 5, 3de lid, en art. 15, 3de en 4de lid,
door den burgemeester, die van art. 14 en art. 16 door den
inspecteur, en die van art. 20, — van een der bepalingen van
de algemeene maatregelen van bestuur, overeenkomstig art. 4,
art. 5 of art. 7 dezer wet uitgevaardigd, alsmede van een der
voorwaarden, waaronder wijziging of vermindering van den
rusttijd overeenkomstig liet tweede lid van art. 6 dezer wet
is toegestaan, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste
veertien dagen of\' geldboete van ten hoogste vijf en zeventig
gulden.
Indien tijdens het plegen van het feit nog geen twee jaren
zijn verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den
schuldige wegens gelijke of eene andere overtreding dezer
wet, behalve die van art. 20, of van een der bepalingen van
de in het vorige lid van dit artikel bedoelde algemeene maat-
regelen van bestuur of van een der voorwaarden, waaronder
wijziging of vermindering van den rusttijd overeenkomstig
het tweede lid van art. 6 dezer wet is toegestaan, onherroe-
pelijk is geworden, kunnen de straffen worden verdubbeld.
Een afzonderlijke straf wordt opgelegd ten opzichte van
eiken persoon met welken of ten aanzien van welken overtre-
ding is gepleegd en voor ieder etmaal in den loop waarvan
die overtreding is gepleegd.
18. Met het opsporen van de overtredingen van deze wet
en van de bepalingen van de algemeene maatregelen van
bestuur overeenkomstig art. 4, art. 5 of art. 7 dezer wet uit-
gevaardigd en van de voorwaarden, waaronder wijziging of
vermindering van den rusttijd overeenkomstig het tweede lid
van art. 6 dezer wet is toegestaan, zijn, behalve de bij art. 8
van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen,
belast de marechaussees, alleambtenaren van rijks- en gemeen-
tepolitie, alsmede de in art. 12 bedoelde inspecteurs.
Ten aanzien van de inrichtingen, bedoeld bij art. 24 der wet
van 2 Juni 1875 (SM. no. 95), zijn uitsluitend met deze taak
belast de in art. 12 bedoelde inspecteurs en de door Onzen
Minister van Oorlog op grond van het tweede lid van genoemd
artikel 24 der wet van 2 Juni 1875 (SM. no. 95) aangewezen
ambtenaren en officieren.
Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel is niet van
toepassing op de rijks-werkplaatsen en fabrieken. Aldaar
wordt voor de toepassing der wet het toezicht geregeld door
de hoofden der betrokken Departementen van Algemeen
Bestuur.
-ocr page 673-
C66
ARItEIDSWET.
19. De in het eerste lid van art. 18 bedoelde ambtenaren
hebben toegang tot alle plaatsen waar arbeid verricht wordt
of pleegt verricht te worden, met uitzondering van de rijks-
werkplaatsen en fabrieken en de inrichtingen bedoeld bij art.
24 der wet van 2 Juni 1875 (SM. no. 95), waartoe, behoudens
uit anderen hoofde aan anderen toekomende bevoegdheid,
alleen toegang hebben de bjj art. 12 bedoelde inspecteurs.
De veld- en boschwachters, de beambten der marechaussees,
niet zijnde hulpofficier van justitie, en de ambtenaren van
ryks- en gemeentepolitie beneden den rang van commissaris
behoeven daartoe, voor zoover hun de toegang niet uit anderen
hoofde vrij staat, een schriftelijken bijzonderen last van den
burgemeester of van den kantonrechter.
Wordt aan de bij art. 18 bedoelde ambtenaren de toegang
geweigerd, dan verschaffen zij zich dien desnoods met inroe-
ping van den sterken arm.
In plaatsen waar arbeid wordt verricht of pleegt verricht
te worden, die tevens woningen of alleen door eene woning
toegankelijk zijn, treden zij tegen den wil van den bewoner
niet binnen dan op vertoon van eenen schriftelijken bijzon-
deren last van den burgemeester of van den kantonrechter.
Van dit binnentreden wordt door hen proces-verbaal opgemaakt
en binnen tweemaal vier en twintig uren aan dengenen, in
wiens woning is binnengetreden, in afschrift medegedeeld.
20.    De bij art. 18 bedoelde ambtenaren zijn verplicht tot
geheimhouding van hetgeen hun in plaatsen waar afrbeid wordt
verricht of pleegt verricht te worden, omtrent het daar uitge-
oefend wordend bedrijf is bekend geworden, voor zoover het
niet in strijd is met de bepalingen dezer of eener andere wet.
Hij die opzettelijk de bij het vorige lid opgelegde geheini-
houding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd
gulden, met of zonder ontzetting van het recht om ambten
te bekleeden.
Hij, aan wiens schuld schending van die geheimhouding te
wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie
maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
Geen vervolging heeft plaats dan op klachte van het hoofd
of den bestuurder van het bedrijf of de onderneming.
21.    De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden
beschouwd als overtredingen, behalve de feiten, strafbaar
gesteld bij het tweede en derde lid van art. 20, die als mis-
drijven worden beschouwd.
-ocr page 674-
ARnErnswRT.                                          C67
§ 5. OVEROANGS- EN SLOTBEPALINGEN.
22.    Het voorschrift van het tweede lid van art. 5, dat voor
personen beneden veertien jaren of vrouwen, en dtit van het
derde lid van art. 5, dat voor vrouwelijke personen van eiken
leeftijd het begin van den arbeid niet vroeger dan te 5 uren
des voormiddags en het einde niet later dan te 10 uren des
namiddags mag worden gesteld, gelden niet gedurende de
eerste twee jaren na het in werking treden van deze wet.
23.    Op arbeid in of voor het schippors- of vissehersbedrijf,
aan boord van vaartuigen verricht, zijn niet toepasselijk de
artt. 5, C, 7, 9, 10, 11 en 15 en evenmin, voor zooveel betreft
aan boord wonende kinderen of pupillen van don schip-
per, art. 3.
Op arbeid, verricht in of voor een bedrijf\', in de eigen wo-
ning van het hoofd of den bestuurder daarvan, die het aldaar
zonder hulp van anderen dan zijn echtgenoot, bloed- of aan-
verwanten, tot den vierden graad ingesloten, en pupillen uit-
oefent, zijn de artt. 10 en 11 niet toepasselijk.
24.    üeze wet is niet van toepassing op arbeid in ambaehts-
scholen en vakscholen, \'s Rijks opvoedingsgestichten en werk-
inrichtingen en gevangenissen, noch op werkzaamheden in
militairen dienst verricht.
25.    Alle stukken, verzoekschriften en beschikkingen, ten
gevolge van § 2 van deze wet opgemaakt, zijn vrij van het
recht van zegel en van de formaliteit van registratie en wor-
den kosteloos uitgereikt.
De bij art. 10 vermelde kaarten worden van \'s Rijks wege
kosteloos aan de gemeentebesturen verstrekt.
26.     Deze wet treedt in werking den lsten Januari 1890.
Op hetzelfde tijdstip vervalt de wet van 19 September 1874
{Stbl. uo. 130).
-ocr page 675-
668                                              ARBKIDSWET.
BESLÜ1T
van den Oden December 1889, Stbl. 110. 170,
TOT VASTSTELLING VAN KENEN ALGKMEENEN
MAATREGEL VAN BESTUUR ALS BEDOELD
HIJ DE ARTIKELEN 5, 7 EN 11 DER
ARBEIDSWET VAN 5 MEI 1889
(Stbld no. 48).
Art. 1.
Voor de hieronder genoemde bedrijven worden de bij ieder
vernielde afwijkingen vergund en vrijstellingen verleend van
bepalingen der boven aangehaalde wet onder de voor ieder
gestelde voorwaarden, niet dien verstande, dat het aantal uren,
gedurende welke door personen beneden zestien jaren en door
vrouwen arbeid wordt verricht, niet meer dan elf per etmaal
bedrage, behoudens het bepaalde bij art. 5, derde lid, dier
wet, en dat de arbeid van personen beneden zestien jaren en
van vrouwen in elk geval worde afgewisseld door een rusttijd
van ten minste een uur tussehen 11 uren des voormiddags en
3 uren des namiddags.
                                              -*
I. Botrisscherij.
1°. Het is vergund in het tijdvak van 1 Juli tot 1 December
den arbeid van een persoon beneden zestien jaren en van
eone vrouw, bestaande in het schoonmaken, het spieeten of het
azen van hoekwant, te doen eindigen op zijn laatst te 10 uren
des namiddags, onder voorwaarde, dat na een werktijd van
ten hoogste vijf uren hem of haar ten minste een half uur
rust worde gegeven;
2°. wordt vrijstelling verleend voor het tijdvak van 1 Juli
tot 1 December van de verplichting om de werkuren te ver-
melden op de in art. 11 der wet bedoelde lijst, voor zooveel
betreft die personen beneden zestien jaren en vrouwen, wier
arbeid bestaat in het schoonmaken, het spieeten of het azen
van hoekwant.
ïa. Brood; beschuit\' en koekbakkerijen.
Het is vergund den arbeid van een mannclijken persoon
tussehen veertien en zestien jaren te doen aanvangen op zijn
-ocr page 676-
069
ARBEIDSWET.
vroegst te 2 uren des voormiddags, onder voorwaarde, dat
het aantal uren, gedurende welke de betrokken persoon arbeid
verricht, daaronder begrepen het door hem buiten de werk-
plaats verrichte loopwerk, niet meer dan elf per etmaal
bedrage, en dat na een werktijd van ten hoogste vijf uren
hem ten minste een half uur rust worde gegeven.
II. Courantdrukkerijen.
1". Het is vergund den arbeid van een mannel ijken persoon
beneden zestien jaren, voor zoover die strekt tot hulp bij het
drukken of vouwen van een dag- of weekblad, te doen eindigen,
behoudens het sub 2". bepaalde, op zijn laatst te 10 uren
des namiddags, onder voorwaarde, dat het aantal uren, gedu-
rende welke de betrokken persoon arbeid verricht, daaronder
begrepen het door hem buiten de werkplaats verrichte loop-
werk, niet meer dan elf per etmaal bedrage, en dat na een
werktijd van ten hoogste vijf uren hem ten minste een half
uur rust worde gegeven.
.2°. Het is vergund den arbeid van een mannelijken persoon
tusschen veertien en zestien jaren, voor zoover die strekt tot
hulp bij het drukken of vouwen van een dag- of weekblad, op
Zondag te doen voortduren tot uiterlijk te 6 uren des voor-
middags, onder voorwaarde, dat het aantal uren, gedurende
welke de betrokken persoon arbeid heeft verricht, daaronder
begrepen het door hem buiten de werkplaats verrichte loop-
werk, in het etmaal, aan het einde van zijn arbeid op Zondag
voorafgaande, niet meer dan elf hebbe bedragen.
III. Gecondenseerde welk: (Fabrieken van)
Het is vergund in het tijdvak van 1 April tot 1 Oetober
den arbeid van een persoon beneden zestien jaren en van eene
vrouw, voor zoover die strekt tot het bewerken van de melk
of tot het vullen of het sluiten van de bussen, te doen aan-
vangen op zijn vroegst te 4 uren des voormiddags, en dien
arbeid te doen eindigen op zijn laatst te 8 uren des namiddags,
onder voorwaarde, dat na een werktijd van ten hoogste vijf
uren hem of haar ten minste een half uur ruste worde gegeven.
Deze vergunning om den arbeid te doen aanvangen op zijn
vroegst te 4 uren des voormiddags geldt voor dien van personen
beneden veertien jaren en van vrouwen slechts tot 1 Januari 1892.
IV. Gist pakker yen.
1°. Het is vergund den arbeid van een mannelijken persoon
tusschen veertien en zestien jaren te doen aanvangen op zjjn
-ocr page 677-
670
AKBK1DSWKT.
vroegst tn 4 uren des voormiddags, onder voorwaarde, dat zijn
arbeid niet later eindige, behoudens het sub 2°. bepaalde,
dan te 6 uren des namiddags, en dat na een werktijd van
ten hoogste vijf\' uren hem ten minste een half uur rust worde
gegeven.
2". Het is vergund den arbeid van een mannelijken persoon
tusschen veertien en zestien jaren op Zondag te doen voort-
duren tot uiterlijk te 6 uren des voormiddags, onder voorwanrde,
dat het aantal uren, gedurende welke do betrokken persoon
arbeid heeft verricht in het etmaal, aan het einde van zijn
arbeid op Zondag voorafgaande, niet meer clan elf hebbe bedragen.
V. Glasblazerijen.
1°. Het is vergund den arbeid van een persoon beneden
zestien jaren, die bij smelt- of koelovens werkzaam is, voor
wat betreft vrouwelijke personen alleen voor zoover zij daarbij
op 31 December 1889 arbeid verrichten, op zoodanige uren
te doen aanvangen en te doen eindigen als het bedrijf eischt.
onder voorwaarde, indien die uren andere zijn dan in de art,
5, eerste lid, der wet genoemde, dat na een werktijd van ten
hoogste vijf uren hem of haar ten minste een half uur rust
worde gegeven, en dat, waar met afwisselende dag- en nacht-
ploeg wordt gewerkt, dezelfde personen slechts om de andere
week in de nachtploeg arbeid verrichten, alles met dien ver-
stande, dat na 30 April 1891 de arbeid van mannelijke personen
beneden veertien jaren en van alle vrouwelijke personen is
verboden tusschen 10 uren des namiddags en 5 uren des voor-
middags.
2". Het is vergund den arbeid van een mannelijken persoon
tusschen veertien en zestien jaren op Zondag te doen voort-
duren tot uiterlijk te C> uren des voormiddags, onder voor-
waarde, dat hem na het einde van dien arbeid ten minste
vier en twintig uren rust worden gegeven.
3°. Wordt vrijstelling verleend van de verplichting om de
werkuren te vermelden op de in art. 11 der wet bedoelde
lijst, voor die glasblazerijen, waar met één ploeg wordt
gewerkt.
VI. Naaisters, breisters, borduursterx, passementwerksters,
modemaahsters of rervaardigsters van vrouwelijke
handwerken. (Werkplaatsen van)
Het is vergund den arbeid van eene vrouwelijke persoon
boven veertien jaren te doen eindigen op zijn laatst te 8
uren des namiddags, onder voorwaarde, dat haar arbeid niet
vroeger aanvange dan te 8 uren des voormiddags.
-ocr page 678-
ARBKIDSWKT.                                                671
VII. Nettenboeterijen.
1". Het is vergund in hot tijdvak van 1 Juni tot 1 Januari
den arbeid van eene vrouwelijke persoon boven veertien jaren
te doen eindigen op zijn laatst te 10 uren des namiddags,
onder voorwaarde dat na een werktijd van ten hoogste vijf
uren haar ten minste een half uur rust worde gegeven.
2". Wordt vrijstelling verleend voor het tijdvak van 1 Juni
tot 1 Januari van de verplichting om de werkuren te ver-
melden op de in art. 11 der wet bedoelde lijst, onder voor-
waarde, dat op die lijst vermeld worden de tijden, gedurende
welke in gewone omstandigheden rust wordt gegeven.
VIII. Steendrukkerijen.
Het is vergund in het tijdvak van 1 Oetober tot 1 April
den arbeid van een niannelijken persoon beneden zestien jaren,
voor zoover die strekt tot hulp bij het kleurendrukken, te
doen eindigen op zjjn laatst te 8 uren des namiddags onder
voorwaarde, dat zijn arbeid niet vroeger aanvange dan te 7
uren des voormiddags.
IX. Stee>t- en pannenfabrieken en tegelfabrieken, de laatste
rour zoorer zij met een der eerstgenoemde fabrieken
vereenigd zijn.
a. werkende met één ploeg.
1°. Het is vergund den arbeid van een persoon beneden
zestien jaren en van eene vrouw te doen aanvangen op zijn
vroegst te 4 uren des voormiddag en dien arbeid te doen
eindigen op zijn laatst te 9 uren des namiddags, beide onder
voorwaarde, dat na een werktijd van ten hoogste vijf uren
hem of haar ten minste een half uur rust worde gegeven.
Deze vergunning om den arbeid te doen aanvangen op zijn
vroegst te 4 uren des voormiddags geldt voor dien van per-
sonen beneden veertien jaren en van vrouwen slechts tot
1 Januari 1892.
2°. Wordt vrijstelling verleend van de verplichting om de
werkuren te vermelden op de in art. 11 der wet bedoelde
lijst, voor zooveel betreft die personen beneden zestien jaren
en vrouwen, wier arbeid bestaat in het op den kant zetten en het
van de steenplaatsen naar de stapels brengen van de onge-
bakken steenen, en achter wier namen op die lijst is ver-
meld dat zij dien arbeid verrichten.
3°. Wordt gelijke vrijstelling als sub 2". verleend voor de
overige personen beneden zestien jaren en vrouwen, onder voor-
-ocr page 679-
672                                              ARHEIDSWET.
waarde, dat op de bedoelde lijst vernield worden de tijden,
gedurende welke hun in gewone omstandigheden rust wordt
gegeven.
b. werkende met afwisselende ploegen:
1". Het is vergund den arbeid van een mannelijken persoon
beneden zestien jaren te doen aanvangen op zijn vroegst te
3 uren des voormiddags, voor wat betreft personen beneden
veertien jaren tot 1 Januari 1892, en den arbeid van een
mannelijken persoon beneden zestien jaren, te doen eindigen,
behoudens het sub 2°. bepaalde, op zijn laatst te 10 uren
des namiddags, beide onder voorwaarde, dat na een werktijd
van ten hoogste vijf uren hem ten minste vier uren rust
worden gegeven, en dat het aantal uren, gedurende welke de
betrokken persoon arbeid verricht, niet meer dan tien per
etmaal bedrage.
2°. Het is vergund den arbeid van een persoon beneden
zestien jaren en van eene vrouw, bestaande in het op den
kant zetten en het van de steenplaatsen naar de stapels
brengen van de ongebakken steenen, te doen eindigen op zijn
laatst te 9 uren des namiddags.
3°. Wordt vrijstelling verleend van de verplichting om de
werkuren te vermelden op de in art. 11 der wet bedoelde
lijst, voor zooveel betreft die personen beneden zestien jaren
en vrouwen, wier arbeid bestaat in het op den kant zetten
en liet van de steenplaatsen naar de stapels brengen van do
ongebakken steenen, en achter wier namen op dier lijst is ver-
meld dat zij dien arbeid verrichten.
Al de voor deze bedrijven toegestane afwijkingen en vrij-
stellingen gelden alleen voor het tijdvak van 1 April tot
1 November.
X. Verduurzaamde levensmiddelen of ran vruchtensappen.
(Fabrieken ran)
1°. Het is vergund in het tijdvak van 1 Mei tot 1 Novem-
ber den arbeid van een mannelijken persoon tussehen veertien
en zestien jaren en van eene vrouwelijke persoon boven veer-
tien jaren te doen eindigen op zijn laatst te 10 uren des na-
middags, onder voorwaarde, dat na een werktijd van ten hoogste
vijf uren hem of haar ten minste een half uur rust worde
gegeven.
2°. Wordt vrijstelling verleend voor het tijdvak van 1 Mei
tot 1 November van de verplichting om de werkuren te ver-
melden op de in art. 11 der wet bedoelde lijst, onder voorwaarde,
dat op die lijst vermeld worden de tijden, gedurende welke in
gewone omstandigheden rust wordt gegeven.
-ocr page 680-
AIIBKI1>S\\VF.T.                                                    673
XI. Visehrookerijen, -drogerijen en -zouterijen.
1°. Het is vergund den arbeid van een persoon beneden
zestien jaren en van eene vrouw, bestaande in werkzaamheden
om het bederven van visch te voorkomen of hetgeen daarmede
in onmiddellijk verband staat, te doen eindigen op zijn laatst
te 10 uren des namiddags, onder voorwaarde, dat na een
werktijd van ten hoogste vijf uren hem of haar ten minste
een half uur rust worde gegeven.
2°. Wordt vrijstelling verleend van de verplichting om de
werkuren te vermelden op de in art. 11 der wet bedoelde
lijst, voor zooveel betreft die personen beneden zestien jaren
en vrouwen, wier arbeid bestaat in werkzaamheden om het
bederven van visch te voorkomen of hetgeen daarmede in
onmiddellijk verband staat.
XI«. Wasch- en bleekinrichtiwjen.
Het is vergund in of voor dit bedrijf, indien het zonder
krachtwerktuig wordt uitgeoefend en daarin of daarvoor niet
meer dan vijf personen beneden zestien jaren of vrouwen
arbeid verrichten, den arbeid van eene vrouw boven zestien
jaren te doen eindigen in het tijdvak van 15 September tot
15 Maart op zijn laatst te 8 uren des namiddags en in het
tijdvak van 15 Maart tot 15 September op zijn laatst te 9
uren des namiddags, onder voorwaarde, dat na een werktijd
van ten hoogste vier uren haar ten minste een half uur rust
worde gegeven.
XII. Wind- of waterkracht. {Inrichtingen gedreven door)
1°. Het is vergund den arbeid van een persoon beneden
zestien jaren en van eene vrouw te doen eindigen op zijn
laatst te 10 uren des namiddags, voor zoover het gemis van
voldoende wind- of waterkracht hem of haar heeft belet in
het te 7 uren des namiddags geëindigd etmaal gedurende elf
uren arbeid te verrichten, en onder voorwaarde, dat na een
werktijd van ten hoogste vijf uren hem of haar ten minste een
half uur rust worde gegeven.
2°. Wordt vrijstelling verleend van de verplichting om de
werkuren te vermelden op de in art. 11 der wet bedoelde
lijst, onder voorwaarde, dat op die lijst vermeld worden de
tijden, gedurende welke aan personen beneden zestien jaren
en vrouwen in gewone omstandigheden rust wordt gegeven.
4:5
-ocr page 681-
674
ARBEIDSWET.
XIII. Ijzergieterijen.
Tot 1 Juli 1890 is het vergund den arbeid van een manne-
lijken persoon lieneden zestien jaren te doen eindigen op zijn
laatst te 8 uren des namiddags.
XIV. Zijden vischnetten. (Fabrieken ran)
Tot 1 Juli 1896 is het vergund den arbeid van een manne-
lijken persoon tusschen veertien en zestien jaren op zoodanige
uren te doen aanvangen en te doen eindigen als het bedrijf
eischt, onder voorwaarde, indien die uren andere zijn dan de
in art. 5, eerste lid, der wet genoemde, dat na een werktijd
van ten hoogste 5 uren hun ten minste een half uur rust
worde gegeven en dat, waar met afwisselende dag- en nacht-
ploeg wordt gewerkt, dezelfde personen slechts om de andere
week in de nachtploeg arbeid verrichten.
2.    Voor elk bedrijf, waarin werktuigen, toestellen of ge-
reedschappen worden gebruikt, die reiniging behoeven, is het
vergund eene meerderjarige vrouw, die geene andere werk-
zaamheden in of voor dat bedrijf\' verricht, die voorwerpen te
doen reinigen gedurende één uur na het eindigen van de
andere werkzaamheden in of voor dat bedrijf, met dien ver-
stande, dat dit reinigen niet plaats hebbe tusschen 10 uren
des namiddags en 5 uren des voormiddags.
3.    Tot 1 Juli 1890 wordt voor een niet In art. 1 genoemd
bedrijf vergund den arbeid van een persoon beneden zestien
jaren en van eene vrouw, voor zoover die daarin op 31 Decem-
ber 1889 arbeid verrichten, op andere dan de in art. 5, eerste
lid, der wet bepaalde uren te doen aanvangen en te doen
eindigen, en den arbeid van een mannelijken persoon tusschen
veertien en zestien jaren op Zondag te doen voortduren tot
uiterlijk te 6 uren des voormiddags, indien vooraf ten genoege
van Onzen met de uitvoering van de wet belasten Minister,
blijkens door dezen afgegeven schriftelijke verklaring, is aan-
getoond, dat de zorg voor het levensonderhoud van den be-
trokken persoon, het jaargetijde in aanmerking genomen, zulks
eischt; met dien verstande, dat het aantal uren, gedurende
welke door dien persoon arbeid wordt verricht, niet meer dan
elf per etmaal bedrage, behoudens het bepaalde bij art. 5,
derde lid, der wet.
-ocr page 682-
675
AHBKIDSWKT.
BESLUIT
van den loden Juli 1891, Stbl. no. 147,
TOT VASTSTELLING VAN EENEN ALGEMEENEN
MAATREGEL VAN BESTUUR, ALS BEDOELD
BIJ ARTIKEL 4 DER ARBEIDSWET.
VAN 5 MEI 1889 (SM. no. 48.)
Art. 1.
Het is verboden in fabrieken en werkplaatsen:
A. een persoon beneden zestien jaren of eene vrouw :
a.    arbeid te doen verrichten aan drijfwerk dat in bewe-
ging is, als :
1". smeren, reinigen, onderzoeken, herstellen;
2°. drijfriemen, touwen of kettingen inkorten of herstellen;
3°. drijf-riemen, touwen of kettingen opleggen of afnemen,
tenzij voor wat drijfriemen betreft, deze niet breeder dan 55
m.M. zijn en het opleggen en afnemen geschiedt zonder dat
de daaraan werkzame persoon den vloer verlaat;
b.    arbeid te doen verrichten in een werklokaal, waarin niet
voldoende beschut gevaarlijk drijfwerk aanwezig is;
Als niet voldoende beschut gevaarlijk drijfwerk wordt be-
schouwd hetgeen als zoodanig door den bevoegden inspecteur
van den arbeid is aangewezen.
e. aan in gang zijnde werktuigen arbeid te doen verrich-
ten, welke gevaar kan veroorzaken, als: smeren, reinigen,
onderzoeken, herstellen;
Als arbeid, welke gevaar kan veroorzaken, wordt beschouwd:
1°. die, welke als zoodanig door den bevoegden inspecteur
is aangewezen;
2°. die, welke verricht wordt door personen beneden zes-
tien jaren of door vrouwen, dragende wijde mouwen, hals- of
hoofddoeken met loshangende slippen, mutsen met loshangende
slippen of banden of losse boezelaars;
il. aan in rust zijnde werktuigen arbeid te doen verrichten,
welke gevaar kan veroorzaken, als: smeren, reinigen, onder-
soeken. herstellen, zoolang het drijfwerk, waardoor die werk-
tuigen plegen te worden in beweging gebracht, nog in
?ang is.
-ocr page 683-
676
ARBEIDSWET.
Dit verbod geldt evenwel niet, indien de werktuigen behoor-
lijk afgekoppeld of zoodanig vastgezet zijn, dat zij alleen door
eene onvoorziene omstandigheid in beweging kunnen komen.
Ten aanzien van het afkoppelen en het vastzetten kan de
bevoegde inspecteur voorschriften geven, welker niet-inachtne-
wing met niet behoorlijk afkoppelen of niet op de boven
omschreven wijze vastzetten wordt gelijk gesteld;
e. arbeid te doen verrichten bij werktuigen, waarvan som-
mige deelen gevaar kunnen veroorzaken, zooals: tandraderen,
spieën, stelschroeven, krukken,uitstekende zuigerstangen, vlieg-
wielen, laag liggende riemschijven en drijf-riemen en -touwen;
bij waterraderen ; bij drijfwerken, waarvan de onderkant min-
der dan 1.60 M. van den werkvloer is verwijderd; bij weef-
getouwen, waarvan de spoelen kunnen uitschieten; tenzij een
en ander behoorlijk beschut is, voor zoover het bedrijf zulks
toelaat, volgens het oordeel van den bevoegden inspecteur;
ƒ. bij werktuigen, waarvan snijdende, snelloopende of plet-
tende deelen gevaar kunnen veroorzaken, arbeid te doen ver-
richten, die hem of haar met de gevaar veroorzakende deelen
in aanraking kan doen komen, tenzij die deelen volgens het
oordeel van den bevoegden inspecteur zooveel mogelijk van
veiligheidsmiddelen voorzien zijn.
Tot deze werktuigen behóoren in de eerste plaats cirkel-
en lintzagen, frees-, steek-, schaaf- en snijmachines der hout
bewerking; voorts stroosnijwerktuigen, lompensmjders, papier-
snijwerktuigen, hakmeswerktuigen, metaalscharen, duivels (wol-
ven) der spinnerijen, kalanders en walsen en verder die, welke
door den bevoegden inspecteur worden aangewezen.
g. arbeid te doen verrichten in een werklokaal, waarin
werktuigen worden in beweging gebracht door een krachtwerk-
tuig, tenzij telkens vóór het in gang zetten van dit laatste een
in dat werklokaal duidelijk waarneembaar sein worde gegeven ;
h. arbeid te doen verrichten in een werklokaal, waar aan-
wezig is een onder druk werkend en volgens het oordeel van
den bevoegden inspecteur bij ontploffing gevaar opleverend
kook- of ander toestel of droogcilinder, tenzij een of ander op
verzoek van het hoofd of den bestuurder van het bedrijf of
de onderneming volgens art. 10, eerste lid, der wet van 28
Mei 1869 (Stbl. no. 97) door de ambtenaren van het stoonv
wezen is onderzocht en goedgekeurd en voorts telkens na eene
belangrijke herstelling en in elk geval niet langer dan twee
jaren nadat het laatste onderzoek heeft plaats gehad, inwen-
dig of op andere wijze onderzocht en opnieuw goedgekeurd
is, steeds van de vereischte, goed werkende veiligheidsmiddelen
voorzien is en de belasting van de veiligheidskleppen in over-
eenstemming is met de gegeven voorschriften.
-ocr page 684-
677
ARBEIDSWET.
Omtrent do wijze van onderzoek, het bewijs van de toegestane
werkelijke drukking, de vereischte veiligheidsmiddelen en de
belasting van de veiligheidskleppen worden voorschriften ge-
geven door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid.
r. arbeid te doen verrichten bij vaste kuipen of\' bakken,
niet heete vloeistof of gesmolten metaal gevuld, en bij onbedekte
grondkuipen, die gevaar kunnen veroorzaken en niet door
voldoende heiningen of gordingen omschut zijn, alles volgens
het oordeel van den bevoegden inspecteur;
k. arbeid te doen verrichten in overdekte ovens of andere
besloten ruimten, waarin de temperatuur meer dan 32° Celsius
bedraagt;
/. arbeid te doen verrichten bij, volgens het oordeel van
den bevoegden inspecteur, onvoldoende verlichting van het
werklokaal.
Als voldoende verlichting van een werklokaal wordt ook
beschouwd die door middel van kunstlicht gedurende den tijd
tusschen 9 uren des voormiddags en 3 uren des namiddags,
tenzij de bijzondere weersgesteldheid het gebruik van kunstlicht
noodzakelijk make.
Door of van wege den Minister met de uitvoering van dit
besluit belast, kan voor fabrieken en werkplaatsen, in werking
zijnde vóór 1 November 1891, vrijstelling van een of meer der
sub e, h en l gestelde voorwaardelijke verbodsbepalingen
worden verleend, uiterlijk tot den lsten Mei 1895.
B. een persoon beneden zestien jaren:
a.    als zelfstandige machinist of stoker arbeid te doen ver-
richten bij krachtwerktuigen of stoomketels;
b.    arbeid te doen verrichten bij het vervaardigen of ver-
werken van ontplofbare stoffen, tenzij volgens het oordeel van
den bevoegden inspecteur zooveel mogelijk maatregelen tegen
ontploffing genomen zijn.
2.    Het is verboden een persoon beneden zestien jaren of
eene vrouw onderaardschen arbeid te doen verrichten in mijnen.
3.    Het is verboden, tenzij met inachtneming van de na
te melden voorwaarden, een persoon beneden zestien jaren of
eene vrouw arbeid te doen verrichten:
A. in die gedeelten van fabrieken en werkplaatsen waarin:
1.     Kwik-verfoeiiesel verwerkt wordt of sublimaat of kwik-
houdende verfstoffen bereid worden;
2.    Arsenicumverbindingen bereid worden ;
3.    Loodwit, loodsuiker, menie of chromaatverfstoffen bereid
worden;
4.    Zinkwit bereid wordt;
5.    Spaansch-groen of Schweinfurter-groen bereid wordt;
6.    Witte Phosphorus verwerkt wordt;
-ocr page 685-
(178
ARBEIDSWET.
7. Zwaveligzuur, zwavelkoolstof, kooloxyd, nitreuse dampen,
vrije ammoniak, chloor of fluor-waterstof gebruikt wordt of
ontstaat;
B. in fabrieken en werkplaatsen of gedeelten daarvan, waarin
de dampkringslucht verontreinigd wordt met stof.
Deze fabrieken of werkplaatsen of gedeelten daarvan zijn de
volgende:
1.    Vlaszwingelarijen.
2.    Hennephekelarijen.
3.    Jutekaarderijen.
4.    Lompensorteerderijen.
5.    Ruwmolens.
6.    Viltmakerijen.
7.    Schorsmolens.
8.    Kalk-, cement-, tras-, krijtmalerijen en -zeefterijen.
9.    Specerijmalerijen en -zeefterijen.
10.    Slijperijen, langs den drogen weg, van metalen, glas of
aardewerk.
11.    Bronserijen in letter- en steendrukkerijen.
12.    Sigarenmakerijen.
13.    Lettergieterijen.
14.    Letterzetterijen.
4. De in artikel 3 bedoelde voorwaarden zijn:
a.    voor alle in artikel 3 bedoelde bedrijven:
dat het hoofd of de bestuurder van het bedrijf of de onderne-
ming binnen vier weken na eene daartoe strekkende schriftelijke
en gedagteekende vordering van den bevoegden inspecteur,
dezen eene geneeskundige verklaring vertoone, waaruit blijkt,
dat de lichamelijke gesteldheid van den jeugdigen persoon of
van de vrouw, bij die vordering aangewezen, niet van dien
aard is, dat de arbeid voor hem of voor haar bijzonder gevaar
oplevert.
b.    voor de sub A van artikel 3 bedoelde bedrijven :
dat, volgens het oordeel van den bevoegden inspecteur, zoo
noodig na overleg met den geneeskundigen ambtenaar, geen
gevaar van vergiftiging bestaat of, indien dit bestaat, daar-
tegen voldoende maatregelen genomen zijn.
r. voor de sub B, nis. 1 tot en met 12, van artikel 3
genoemde fabrieken of werkplaatsen:
dat, volgens het oordeel van den bevoegden inspecteur,
voldoende maatregelen zijn genomen tot verwijdering of tegen
het verspreiden van stof.
cl. voor de sub B, n\'s. 12 tot en met 14, van artikel 3
genoemde fabrieken of werkplaatsen :
1". dat de werklokalen voor iederen aldaar arbeid verrich-
tenden persoon ten minste 7 M3. vrije luchtruimte opleveren.
-ocr page 686-
679
AUHEIDSWET.
2°. dat de hoogte dezer werklokalen tusschen den vloer en
de zoldering ten minste 3 M. bedrage;
!i0. dat in deze werklokalen door personen beneden zestien
jaren of\' door vrouwen niet geschaft worde;
4". dat de vloeren dezer werklokalen ten minste éénmaal per
week geschrobd worden.
e. voor de sub B, nis. 4, \\\\t 13 en 14, van artikel 3 ge-
noemde fabrieken of werkplaatsen, dat aldaar binnenshuis, in
of zeer nab|j de werklokalen, eene volgens het oordeel van
den bevoegden inspecteur goede gelegenheid aanwezig zij,
waar de arbeid verrichtende personen zich de handen kunnen
wasschen en afdrogen.
Door of van wege den Minister met de uitvoering van dit
besluit belast, kan voor fabrieken of werkplaatsen, in werking
zijnde vóór 1 November 1891, vrijstelling van een of meer der
sub e en sub d, n\'s. 1, 2 en 3, gestelde voorwaarden worden
verleend, voor wat betreft die sub e en sub il, no. 3, uiterlijk
tot den lsten Mei 1895.
5.    Het is verboden een persoon beneden zestien jaren als
zelfstandige machinist of stoker arbeid te doen verrichten op
een locomotief of een stoomschip.
6.    Het is verboden een persoon beneden zestien jaren
arbeid te doen verrichten, bestaande in het trekken, duwen
of dragen van een last, welke kenlijk de krachten van dien
persoon te boven gaat.
7.    Het is verboden een persoon beneden zestien jaren
arbeid te doen verrichten, bestaande in werkzaamheden tot
het uitoefenen van gevaarlijke kunstverrichtingen.
8.    Indien het hoofd of de bestuurder van een bedrijf of
eene onderneming aan den bevoegden inspecteur verklaart,
bezwaar te hebben tegen een door dezen ingevolge artikel 1
of 4 gedane aanwijzing, gegeven voorschrift of uitgesproken
oordeel, geeft die inspecteur van die aanwijzing, dat voorschrift
of dat oordeel eene schriftelijke en gedagteekende mededeeling
aan dat hoofd of dien bestuurder.
Dat hoofd of die bestuurder kan zijne bezwaren binnen
veertien dagen schriftelijk inbrengen bij den Minister van
Waterstaat, Handel en Nijverheid. Deze stelt het bezwaar-
schrift met het daarop ingewonnen rapport van den bevoeg-
den inspecteur om advies in handen van de Kamer van Koop-
handel en Fabrieken in de gemeente waar de fabriek of
werkplaats is gelegen, en bij gebreke van zoodanig college
in handen van burgemeester en wethouders dier gemeente.
De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid beslist
daarna of en in hoever de ingebrachte bezwaren gegrond zijn.
Worden zij geheel of gedeeltelijk gegrond bevonden, dan
-ocr page 687-
680
ARBEIDSWET.
treedt \'s Ministers beslissing in de plaats van de aanwijzing, het
voorschrift of het oordeel van den inspecteur.
Van \'s Ministers beslissing wordt afschrift gezonden aan het
hoofd of den bestuurder van het bedrijf of de onderneming.
Gedurende den termijn van veertien dagen, gesteld in het
tweede lid van dit artikel, en, indien een bezwaarschrift, als
daar bedoeld, is ingebracht, zoolang niet aan het vorige lid
van dit artikel is voldaan, volgt uit de aanwijzing, het voor-
schrift of het oordeel van den inspecteur geenerlei verplichting
voor het hoofd of den bestuurder van het bedrijf of de onder-
neming.
9. Voor de toepassing van dit besluit ten aanzien van
de Rijks-wcrkplaatsen en "fabrieken wordt hetgeen daarbij is
opgedragen of overgelaten aan den bevoegden inspecteur, ge-
acht te zijn opgedragen of overgelaten aan den ingevolge het
laatste lid van artikel 18 der wet van 5 Mei 1889 (S/bl. no.
48) door het hoofd van het betrokken Departement van Alge-
meen Bestuur aangewezen ambtenaar.
-ocr page 688-
WET
van dun 2den Moi 1S\',I7, Btbl. no. 141,
TOT OPRICHTING VAN KAMERS VAN ARBEID.
HOOFDSTUK I.
SAMENSTELLING EN WERKKRING DER KAMERS.
Art. 1.
Waar de behoefte daaraan is gebleken en eene beboor-
lijkc samenstelling mogelijk blijkt, wordt bij Koninklijk besluit
op voordracht van den Minister van Waterstaat, Handel en
Nijverheid, hetzij voor eene gemeente, hetzij voor verschillende
gemeenten gezamenlijk, voor een of meer bedrijven eene Kamer
van arbeid opgericht.
Op gelijke wijze wordt eene Kamer van arbeid ontbonden of
opgeheven.
Zij wordt ontbonden, wanneer de Kamer, handelende in strijd
met haar huishoudelijk reglement of met de bepalingen van deze
wet of van een krachtens haar vastgestelden algemeenen maat-
regel van bestuur, ondanks de door den Minister van Waterstaat,
Handel en Nijverheid tot haar gerichte vertoogen, bij die han-
deling volhardt.
Het Koninklijk besluit, waardoor de ontbinding wordt uitge-
sproken, houdt tevens den last in tot het verkiezen van eene
nieuwe \'Kamer binnen twee maanden.
De Kamer wordt opgeheven:
1". wanneer gebleken is, dat de behoefte daaraan niet langer
bestaat of eene behoorlijke samenstelling niet meer mogelijk is;
2°. indien de Kamer, na ontbonden te zijn, in hare nieuwe
samenstelling btj de handeling, die hare ontbinding ten gevolge
had, volhardt.
2. De Kamer van arbeid heeft ten doel de belangen van
patroons en werklieden in onderlinge samenwerking te bevor-
deren door:
a. het verzamelen van inlichtingen over arbeidsaangelegcn-
heden;
-ocr page 689-
GS2                          WET Or DE KAMERS VAN AKBEID.
b. het dienen van advies aan de hoofden der Departementen
van algemeen bestuur en de besturen van provinciën en ge-
meenten hetzij op aanvrage van die autoriteiten, hetzij uit
eigen beweging, ten aanzien van alle onderwerpen welke de
belangen van den arbeid raken;
e, het dienen van advies en het ontwerpen van overeenkomsten
en regelingen op verzoek van daarbij belanghebbenden;
\'/. het voorkomen en vereffenen van geschillen over arbeids-
aangelegenheden, ook, voor zoover noodig, door te bewerken
dat eene scheidsrechterlijke uitspraak tusschen de partijen tot
stand kome.
3.    Onder patroons verstaat deze wet de hoofden of bestuur-
ders van een bedrijf waarin ten minste één persoon boven de
twintig jaren tegen genot van loon werkzaam is, en allen die
op het beheer der hoofden of bestuurders toezicht houden, be-
nevens hen, die, werkzaam in een bedrijf, wegens den aard van
hunne werkzaamheden bij een Koninklijk besluit als bedoeld in
art. 4 met patroons worden gelijkgesteld.
Onder werklieden verstaat deze wet alle anderen, die tegen
genot van loon in een bedrijf werkzaam zijn, behalve degenen
ten aanzien van wie een Koninklijk besluit als bedoeld in art.
4, wegens het hun opgedragen gezag over anderen of wegens
den aard van hunne werkzaamheden, verklaart, dat zij niet
onder werklieden worden begrepen.
4.    Het Koninklijk besluit, waarbij eene Kamer wordt opge-
richt, bepaalt haar gebied, de plaats waar haar zetel gevestigd
is, het bedrijf of de bedrijven welke in de Kamer vertegen-
woordigd zullen zijn, en het aantal leden dat in de Kamer zit-
ting zal hebben.
Deze bepalingen kunnen bij nader Koninklijk besluit worden
gewijzigd.
5.    De Kamer bestaat voor de eene helft uit patroons, gekozen
door de patroons, werkzaam in het bedrijf of de bedrijven in
de Kamer vertegenwoordigd, voor de andere helft uit werklie-
den, gekozen door de werklieden in dat bedrijf of in die be-
drijvcn werkzaam.
6.    De Kamer stelt haar huishoudelijk reglement vast.
Dit reglement treedt niet in werking alvorens bij Koninklijk
besluit te zijn goedgekeurd, tot welk einde het door het bestuur
der Kamer zoodra. mogelijk na de vaststelling dan den Minister
van Waterstaat, Handel en Nijverheid wordt toegezonden.
In een vastgesteld reglement worden bij de goedkeuring geene
veranderingen gebracht dan die, welke op grond van eenig wet-
telijk voorschrift of van strijd met het doel der Kamer nood-
zakelijk worden geacht, en niet dan nadat de Kamer door den
genoemden Minister is gehoord.
-ocr page 690-
WET OP DE KAMERS VAN ARBEID.                             683
Deze bepalingen gelden ook voor de latere wijzigingen van
een goedgekeurd reglement.
7.    Iedere Kamer vergadert ten minste viermaal in het jaar
en voorts zoo dikwerf\' als door den voorzitter noodig geoordeeld
of, hetzij door de beide andere leden van het bestuur, hetzij
door ten minste een derde van de leden der Kamer, met opgaaf
van redenen schriftelijk verlangd wordt.
Ingeval de voorzitter tot het beleggen eener vergadering dei-
Kamer op de wijze in het voorgaande lid van dit artikel om-
schreven wordt uitgenoodigd, belegt hij die vergadering uiterlijk
binnen veertien dagen, nadat die uitnoodigiug te zijner kennis
is gekomen.
HOOFDSTUK II.
VAN DE LEDEN DER KAMER.
8.    Leden der Kamer kunnen alleen zijn mannelijke of vrou-
welijke ingezetenen des Rijks, tevens Nederlanders, die den
leeftijd van dertig jaren hebben bereikt en in een bedrijf in de
Kamer vertegenwoordigd, als patroons of als werklieden bin-
nen haar gebied werkzaam zijn geweest, hetzij gedurende het
laatstverloopen kalenderjaar, hetzij, op meerderjarigen leeftijd,
gedurende drie van de laatste tien kalenderjaren, die aan hunne
verkiezing voorafgingen.
Ten aanzien van bedrijven, waarin niet gedurende het geheele
jaar pleegt gearbeid te worden, geldt voor kalenderjaar zoo-
danig gedeelte van het jaar, als bij algemeenen maatregel van
bestuur is bepaald.
Uitgesloten zijn :
1°. zij die bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak
van het kiesrecht en de verkiesbaarheid of van het recht tot
uitoefening van eenig beroep zijn ontzet, zoolang de tijd dei-
ontzetting duurt;
2". zij die krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen
hebben verloren, zoolang de tijd van het verlies duurt;
3°. zij die krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak tot gevangenisstraf of hechtenis van ten minste zes
maanden zijn veroordeeld, zoolang de gevangenschap of hech-
tenis duurt.
Een lid der Kamer, op wien een of moer der bovenbedoelde
uitsluitingen van toepassing worden, houdt op lid te zijn.
9.    Niemand kan tegelijk lid van meer dan ééne Ka-
mer zijn.
Door aanneming van eene latere benoeming houdt het bestaande
lidmaatschap op.
-ocr page 691-
684
WET OP DE KAMERS VAN ARBEID.
10.     Do Leden der Kamer worden gekozen door hen, die op
de kiezerslijsten voor de Kamer zijn gebracht.
Bij eerste stemming wordt niemand benoemd, dnn met vol-
strekto meerderheid van stemmen.
Hebben meer personen de volstrekte meerderheid verkregen
dan er plaatsen te vervullen zijn, dan zijn zij die de meeste
stemmen hebben gekregen en bij gelijk getal stommen de oudste
in jaren benoemd. In geval van gelijken ouderdom beslist het lot.
Hij herstemming, noodzakelijk wanneer de volstrekte meer-
derheid van stemmen bij do eerste stemming niet is verkregen,
geschiedt de benoeming met de meeste stemmen. Indien de
stemmen staken is de oudste in jaren do benoemde. In geval
van gelijken ouderdom beslist het lot.
Do volstrekte en de betrekkelijke meerderheid worden vast-
gesteld naar het aantal van waarde zijnde in de stembus gc-
vonden stembiljetten.
11.     Wanneer bij ceno eerste stemming geen volstrekte
meerderheid voor alle te vervullen plaatsen is verkregen, wordt
onmiddellijk door den voorzitter van het stembureau eene lijst
opgemaakt, bevattende de namen der personen, dio bij de eerste
stemming, na de benoemden, de meeste stemmen hebben erlangd
tot uiterlijk tweemaal zooveel namen als er plaatsen te ver-
vullen zijn. Komen ten gevolge van gelijk aantal stemmen meer
dan het bij de vorige zinsnede bepaald getal personen voor
plaatsing op do lijst in aanmerking, dan worden deze alle
daarop geplaatst.
                                                    •*
De herstemming heeft plaats uiterlijk binnen veertien dagen
na de eerste stemming.
12.     De voorzitter van het stembureau geeft ten spoedigste
bij te adviseeren dienstbrief aan eiken benoemde bericht van
zijne benoeming.
Die tot lid van meer dan eene Kamer, of door de patroons
en door de werklieden tot lid van dezelfde Kamer wordt geko-
zen, verklaart in welko Kamer of voor welke plaats hij wenscht
zitting te nemen of te blijven nemen.
Bij gebreke van zoodanige verklaring, gedaan op de wijze
on binnen den tijd, bepaald bij den in art. 16 voorgeschreven
algemeenen maatregel van bestuur voor de kennisgeving van
de aanneming eener benoeming, en in geval van aanneming
van meer dan ééne benoeming, wordt de gekozene niet toege-
Iaten, en heeft eene nieuwe verkiezing plaats. Eveneens heeft
eene nieuwe verkiezing plaats, wanneer een benoemde zijne
benoeming niet aanneemt, of wanneer iemand, die in herstem-
ming"komt, vóór de herstemming komt te overlijden.
13.     De leden der Kamer worden benoemd voor den tijd
van vijf jaren.
-ocr page 692-
WET OP DE KAMERS VAN ARBEID.                             685
Zij treden tegelijk af en zijn dadelijk herkiesbaar.
Zij kunnen te allen tijde hun ontslag nemen; dit wordt inge-
diend bij den voorzitter der Kamer.
Indien door overlijden, ontslag of het van toepassing worden
van eene der redenen van uitsluiting eene Kamer hare bevoegd-
heid om te beraadslagen of te besluiten dreigt te verliezen of
reeds verloren heeft, kan bij een op voordracht van den Minis-
ter van Waterstaat, Handel en Nijverheid te nemen Koninklijk
besluit eene buitengewone verkiezing worden uitgeschreven tot
aanvulling van de opengevallen plaatsen. De bij deze verkiezing
gekozen leden treden af tegelijk met de overige leden en zijn
mede dadelijk herkiesbaar.
HOOFDSTUK III.
VAN DE KIEZERS VOOR DE KAMERS.
14.    Kiesgerechtigd voor eene Kamer van arbeid zijn de
mannelijke en de vrouwelijke ingezetenen des Rijks, tevens
Nederlanders, die den leeftijd van vijf en twintig jaren hebben
bereikt en binnen het gebied der Kamer in een bedrijf, in de
Kamer vertegenwoordigd, als patroons of als werklieden werk-
zaam zijn geweest gedurende het laatst verloopen kalenderjaar
of gedurende zoodanig gedeelte van dat jaar als ton aanzien
van bedrijven, waarin niet gedurende het geheele jaar pleegt
gearbeid te worden, bij algemeenen maatregel van bestuur is
bepaald.
De redenen van uitsluiting genoemd in art. 8, derde lid, 1".
en 2°. gelden ook voor de kiesgerechtigden.
Voor elke Kamer worden in elke gemeente, waarvoor zij is
opgericht, twee kiezerslijsten vastgesteld, ééne voor de patroons
en ééne voor de werklieden.
Kiesgerechtigden in gevangenschap of hechtenis zijn van de
uitoefening van het kiesrecht uitgesloten.
15.    De kiesgerechtigden worden op de kiezerslijsten gebracht
in de gemeenten waar zij hun bedrijf of bedrijven uitoefenen.
Indien het bedrijf van een patroon zich over meer dan eene
gemeente uitstrekt, wordt hij geacht het uit te oefenen in elk
dier gemeenten waar het bedrijf in eene Kamer is vertegen-
woordigd, of, indien voor die gemeenten en voor dat bedrijf
dezelfde Kamer bestaat, in de gemeente, waar zijne woonplaats
of, mocht deze niet in eene dier gemeenten zijn gelegen, de
hoofdzetel van zijn bedrijf is gevestigd.
Indien de werkman in meer dan eene gemeente werkzaam is,
wordt hij geacht het bedrijf uit te oefenen in de gemeente,
waar zijne woonplaats is gevestigd, en indien aldaar liet bedrijf
-ocr page 693-
686                          WET OP DE KAMERS VAN ARBEID.
niet in ecnc Kamer is vertegenwoordigd, in eene der andere
gemeenten te zijner keuze.
16. De kiezerslijsten worden opgemaakt door het gemeente-
bestuur.
De kiezers stemmen in de gemeente waar zij op de kiezers-
lijsten zijn geplaatst.
De leden van het stembureau en hunne plaatsvervangers
worden door den gemeenteraad uit zijn midden benoemd.
De beslissing van geschillen over de plaatsing op de kiezers-
lijsten en over de toelating van gekozen leden wordt opgedragen
aan de Gedeputeerde Staten der provincie, met beroep op den
Koning.
Hij algemeenen maatregel van bestuur worden voorschriften
gegeven omtrent:
het opmaken, vaststellen en openbaar maken van de kiezers-
lijsten ;
do verplichtingen van bijzondere personen tot het doen van
opgaven en bet geven van inlichtingen voor het opmaken on
vaststellen van de kiezerslijsten en voor de beslissing van ge-
schillen over de plaatsing op do kiezerslijsten;
het kiezen, inzonderheid tot verzekering van het geheim der
stemming;
de eischen waaraan het stembiljet moet voldoen en de redenen
waarom het van onwaarde moet worden verklaard;
de wijze waarop en den tijd binnen welken de gekozenen van
do aanneming eener benoeming moeten kenniS geven;
de behandeling van de in het voorgaande lid genoemde ge-
schillen.
17.     Het hoofd of de bestuurder van een bedrijf of eene
onderneming, waarin personen die op eene kiezerslijst voor eene
Kamer van arbeid zijn geplaatst, arbeid verrichten in fabrieken
en werkplaatsen, is verplicht te zorgen dat ieder van dezen
gedurende ten minste twee achtereenvolgende uren van den
voor de stemming bepaalden tijd gelegenheid vinde om mede
te werken tot de keuze waartoe hij bevoegd is.
18.     Het hoofd of do bestuurder in het voorgaande artikel
bedoeld is verplicht te zorgen, dat in zijne fabriek of werk-
plaats, op eene plaats waar arbeid wordt verricht, gedurende
twee werkdagen vóór en tijdens de tot stemming bepaalde uren,
op oenc zichtbare wijze is opgehangen eene door hem onder-
teckende lijst, de uren in het voorgaande artikel bedoeld ver-
meldende voor elk afzonderlijk of groepsgewijze of voor allen
gezamenlijk.
Op de woorden „arbeid" en „fabrieken en werkplaatsen* in
dit en in het vorige artikel is § 1 der Arbeidswet, met uit-
zondoring van het laatsto lid van art. 2, toepasselijk.
-ocr page 694-
WET OP DB KAMERS VAN ARBEID.                          687
HOOFDSTUK IV.
VAN HET BESTUUR DER KAMER.
19.    Het bestuur der Kamer bestaat uit een voorzitter en
twee leden.
Tot voorzitter wijzen do door de patroons en do door de
werklieden gekozen leden der Kamer ieder afzonderlijk een lid
uit hun midden aan.
Beide leden treden om beurten, telkens voor een half jaar,
als voorzitter op; de eerste beurt wordt door het lot bepaald.
Van de twee andere leden van het bestuur wordt het eene
gekozen door en uit de leden der Kamer, die door do patroons,
het andere door en uit do leden der Kamer, die door de \\vcrk-
liedon benoemd zijn.
De tot voorzitter aangewezen leden zijn gedurende den tijd
welken zij het voorzitterschap niet waarnemen, bevoegd do
bestuursvergaderingen bij te wonen en hebben daarin eene raad-
gevende stem.
Bij ontstentenis, afwezigheid of verhindering van den voorzitter
wordt hij vervangen door het andere tot voorzitter aangewezen
lid en bij gebreke van dezen door het oudste aanwezige be-
stuurslid in jaren.
Die ophoudt lid der Kamer te zijn, houdt tevens op lid van
het bestuur te zijn.
In de eerste vergadering nadat de Kamer tengevolge van de
gewone verkiezing opnieuw is samengesteld, treedt het bestuur
af en wordt een nieuw bestuur gekozen.
In de vervulling van tusschentijds opengevallen plaatsen wordt
zoodra mogelijk voorzien.
20.    De Kamer benoemt een secretaris. Zij ontvangt daartoe
van het bestuur eene aanbeveling van twee personen.
Buiten de leden benoemd, heeft de secretaris eene raadgevende
stem.
De secretaris treedt af met de Kamer die hem benoemde,
maar blijft zijne werkzaamheden waarnemen, totdat zijn opvol-
ger zijne betrekking heeft aanvaard. De benoeming van dezen
geschiedt binnen zes maanden nadat het nieuwe bestuur is
gekozen.
De secretaris kan als zoodanig door de Kamer worden ge-
schorst of ontslagen.
Hij geniet eene toelage voor bureelkosten, waarvan het bedrag
bij een op voordracht van den Minister van Waterstaat, Handel
en Nijverheid te nemen Koninklijk besluit wordt bepaald.
-ocr page 695-
688                              WET OP DE KAMERS VAN ARBEID.
Bij ontstentenis, afwezigheid of verhindering van den secre-
taris worden zijne werkzaamheden waargenomen door een lid,
daartoe door den voorzitter aan te wijzen.
21.    Het bestuur vergadert zoo dikwerf als door den voor-
zitter noodig geoordeeld of door een der leden, met opgaaf van
redenen, schriftelijk verlangd wordt.
Ingeval de voorzitter tot het beleggen eener vergadering van
het bestuur op de wijze in het voorgaande lid van dit artikel
omschreven, wordt uitgenoodigd, belegt hij die vergadering
uiterlijk binnen acht dagen, nadat die uitnoodiging te zijner
kennis gekomen.
HOOFDSTUK V.
VAN GESCHILLEN.
22.    Wanneer in een bedrijf, uitgeoefend in eene gemeente
waar dat bedrijf in eene Kamer is vertegenwoordigd, een geschil
dreigt te ontstaan of ontstaan is, kan door partijen of eene der
partijen, bij schriftelijk verzoek aan die Kamer, houdende mede-
deeling van de aanleiding tot het geschil, de tusschenkomst
worden ingeroepen van een verzoeningsraad.
De tusschenkomst wordt ingeroepen overeenkomstig een bij
algemeenen maatregel van bestuur vast te stellen en door den
voorzitter van het bestuur der Kamer af te geven formulier.
23.    Wanneer in een bedrijf, uitgeoefend in eene gemeente,
waar dat bedrijf niet in eene Kamer is vertegenwoordigd, een
geschil dreigt te ontstaan of ontstaan is, kan door partijen of
eene der partijen op de wijze als in het voorgaande artikel is
bepaald, de tusschenkomst van een verzoeningsraad worden
ingeroepen bij eene Kamer, wier gebied zich over dezelfde ge-
meente uitstrekt, of bij gebreke van deze tot eene Kamer, wier
gebied zich over eene naburige gemeente uitstrekt.
Wanneer de Kamer, waarbij een verzoek overeenkomstig het
eerste lid is ingekomen, zich bereid verklaart daaraan te voldoen,
geeft zij daarvan onmiddellijk bericht aan den burgemeester der
gemeente waarin het bedrijf wordt uitgeoefend, die van de ont-
vangst van dit bericht zoo spoedig mogelijk kennis geeft aan de
Kamer, die het hem heeft toegezonden en aan de partij of de
partijen door wie het verzoek is gedaan.
Ontvangt de burgemeester na do ontvangst van dit bericht
van eene andere Kamer een gelijk bericht omtrent hetzelfde
geschil, dan deelt hij aan haar en aan de partij of partijen door
wie het verzoek is gedaan onverwijld mede, welke Kamer zich
reeds bereid heeft verklaard aan het verzoek te voldoen. De
Kamer die zoodanige mededeeling ontvangt, onthoudt zich van
alle bemoeiingen met dit geschil.
-ocr page 696-
689
WET OP DE KAMEIIS VAN AHBE1D.
De burgemeester eoner gemeente of de Commissaris des
Konings in eene provincie, waarin een geschil dreigt to ontstaan
of ontstaan is, heeft gelijke bevoegdheid als in het eerste lid
van het voorgaande en van dit artikel aan partijen of eene der
partijen is toegekend.
24.    Het bestuur der Kamer, waarbij een verzoek tot tus-
schenkomst van een verzoeningsraad is ingekomen, tracht, indien
het meent, dat het geschil van eenvoudigen aard is, dat geschil
in der minne te beëindigen. Vindt hot daartoe geene termen
of gelukt de aangewende poging niet, dan wordt het geschil
ten spoedigste bij de Kamer aanhangig gemaakt.
Is deze van oordeel, dat de tusschenkomst kan leiden tot
voorkoming of vereffening van het geschil, dan benoemt zij een
verzoeningsraad, bestaande uit een voorzitter, uit of buiten
haar midden te kiezen, en uit een even getal leden, waarvan
de eene helft behoort tot do leden der Kamer die door de
patroons, en de andere helft tot de leden der Kamer die door
de werklieden zijn gekozen.
Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing in de
gevallen bedoeld in art. 23.
De secretaris der Kamer treedt als secretaris van den ver-
zoeningsraad op.
De voorzitter van den verzoeningsraad heeft, behoudens het
geval in art. 25, vierde lid, bedoeld, alleen eene raadgevende stem.
iiij ontstentenis, afwezigheid of verhindering van den voor-
zitter worden zijne werkzaamheden waargenomen door het oudste
lid in jaren, op wien dan ook het voorgaande lid van toepassing
is. Ter vervanging van den secretaris wordt zoo noodig door
den voorzitter een lid aangewezen.
De voorzitter tracht te bevorderen, dat de partijen zich ver-
binden om gedurende den duur van het onderzoek, zonder nader
overleg met den voorzitter, noch den arbeid te staken, noch
iemand bij het geschil betrokken te ontslaan.
25.    De verzoeningsraad vergadert zoo dikwijls als door den
voorzitter noodig wordt geoordeeld.
Op deze vergadering zijn de artikelen 28, eerste lid, 29,
eerste lid 30, eerste en tweede lid. en 31 van toepassing, het
laatste artikel behoudens hetgeen in het vierde lid van dit
artikel is bepaald.
Bij staking van stemmen over zaken in eene niet voltallige
vergadering wordt het nemen van een besluit tot eene volgende
vergadering uitgesteld.
Indien in deze vergadering of reeds in de eerste vergadering,
indien deze voltallig is, de stemmen staken, heeft de voorzitter
eene beslissende stem behalve ten aanzien van den inhoud van
het in art. 26 bedoelde verslag. Indien hierover de stem-
44
-ocr page 697-
690                          WET OP DE KAMERS VAN ARBEID.
men staken worden do verschillende gevoelens in dat verslag
vermeld.
Van het verhandelde in den verzocningsraad mag alleen in
liet in artikel \'26\' bedoelde verslag openbare melding worden
gemaakt.
26.    De verzocningsraad deelt, na gehouden onderzoek en
beraadslaging, aan partijen schriftelijk zijn oordeel mede over
liet geschil en over de middelen tot verzoening. Indien de
minderheid het verlangt, wordt haar gevoelen in dit verslag
opgenomen.
De raad kan dit verslag geheel of gedeeltelijk openbaar
maken.
27.     Indien partijen het geschil aan eone scheidsrcchterlijke
uitspraak onderwerpen, zijn, in afwijking van het bepaalde in
het tweede lid van art. (522 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering, ook vrouwen tot scheidsrechters benoembaar.
HOOFDSTUK VI.
VAN DE VERGADERINGEN VAN DE KAMERS
EN VAN HARE BESTUREN.
28.    Alle oproepingsbrieven tot bijwoning der vergaderingen
van de Kamers of van hare besturen worden, spoedeischende
gevallen uitgezonderd, ten minste tweemaal vier en twintig
uren vóór het houden der vergadering aan de leden ver-
zonden.
Zij vermelden de te behandelen onderwerpen. Andere onder-
werpen kunnen niet in behandeling worden gebracht dan met
goedvinden van ten minste twee derden der aanwezigen.
29.    De vergaderingen worden met gesloten deuren ge-
lioudcn.
De Kamer kan omtrent het in do vergaderingen verhan-
delde aan allen, die daarbij tegenwoordig" waren, de geheim-
liouding opleggen. Deze wordt in acht genomen totdat de Kamer
haar opheft.
30.    liij stemmingen over personen in eene vergadering van
eeno Kamer benoemt de voorzitter twee leden tot stemopnemers;
overigens geschieden die stemmingen overeenkomstig het bepaalde
in de artikelen 78 tot en met 83 van de wet van den 6den
Juli 1850 (Stbtd. no. 39).
Alle besluiten over zaken worden bij volstrekte meerderheid
der uitgebrachte stemmen opgemaakt. De stemming geschiedt
bij hoofdelijke oproeping, wanneer een der leden dit verlangt en.
alsdan mondeling.
-ocr page 698-
WET OP PE KAMEKS VAN ARBEID.                         C91
Bij staking van stemmen in eene vergadering van eene
Kamer heeft de voorzitter eene beslissende stem.
Bij staking van stemmen in eene vergadering van liet bestuur
wordt het nemen van het besluit tot de eerstvolgende verga-
dering uitgesteld. Indien de stemmen alsdan opnieuw staken,
heeft do voorzitter eene beslissende stem.
31.     Aan elke stemming in eene vergadering van eene Kamer
wordt alleen deelgenomen door een even getal leden, waarvan
de helft behoort tot leden der Kamer die door de patroons, en
de andere helft tot de leden der Kamer die door de werklieden
zijn gekozen.
Is het aantal der door do patroons gekozen loden in eene
vergadering bij de stemming niet gelijk aan dat der door do
werklieden gekozen leden, dan hebben aan de talrijkste zijde
zoovele leden als het verschil bedraagt, aanvangende niet den
jongste in jaren, alleen eene raadgevende stem.
De vergadering mag niet beraadslagen of besluiten, zoo niet
ten minste de helft van de leden, die door de patroons zijn
gekozen, en de helft van de leden, die door do werklieden zijn
gekozen, aanwezig zijn.
32.     Wanneer door eene Kamer advies wordt uitgebracht, is
de minderheid bevoegd in een afzonderlijk advies van haar
gevoelens te doen blijken.
33.     De Kamer stelt jaarlijks binnen den door den Minister
van Waterstaat, Handel en Nijverheid aan te wijzen termijn en
in den door hem voor te schrijven vorm een verslag vast van
hetgeen door haar is verricht. Het bestunr zendt dit verslag
aan den voornoemden Minister.
Dit verslag wordt, hetzij in zijn geheel, hetzij gedeeltelijk,
aan de Staten-Gener&al medegedeeld.
Bij algemeenen maatregel van bestuur wordt bepaald, in hoe-
verre en naar welke regelen de Kamer, afgezien van het ver-
slag, verplicht is inlichtingen als bedoeld in art. 2, a, te ver-
zamelen en op te zenden aan den Minister van Waterstaat,
Handel en Nijverheid. De aldus bijeengebrachte inlichtingen
•worden geordend en, voor zoover zij daarvoor geschikt blijken,
periodiek openbaar gemaakt en in afdruk aan de Kameis toe-
gezonden.
34.     De kamer voldoet slechts dan aan een tot haar inge-
volge art. 2, c, gericht verzoek, indien zij oordeelt, dat dit
strekken kan tot bevordering van het doel in don aanhef van
art. 2 aangegeven.
-ocr page 699-
092                              WET OP DE KAMERS VAN ARBEID.
HOOFDSTUK VII.
ALGEMEENE BEPALINGEN.
35.    Op aanvraag van het bestuur der Kamer worden door
do gemeente waar de zetel der Kamer is gevestigd, voor de
vergaderingen van de Kamer, van haar bestuur en van de
verzoeningsraden geschikte lokalen, zoo noodig verwarmd en
verlicht, kosteloos beschikbaar gesteld.
De leden en de secretaris der Kamer en de voorzitter van
den verzoeningsraad hebben recht op vergoeding van reiskosten
voor reizon binnen het gebied der Kamer tot het bijwonen van
vergaderingen volgens de voorschriften dezer wet gehouden.
Zij hebben bovendien recht op eene schadeloosstelling voor
het bijwonen dier vergaderingen.
Een Koninklijk besluit, als bedoeld in art. 4, regelt do ver-
gooding van reiskosten en de schadeloosstelling, in het 2de en
3o lid van dit artikel omschreven.
Deze vergoeding van reiskosten en dezo schadeloosstelling,
benevens de toelagen voor bureelkosten van den secretaris en
de kosten van openbaarmaking van verslagen van den verzoe-
ningsraad, voor zoover het openbaarmaken op de door den
Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid goedgekeurde
wijze geschiedt, komen ten laste van-\'het Rijk.
Vergoeding van reiskosten en schadeloosstelling voor het bij-
wonen der vergaderingen wordt niet toegekend, wanneer de
vergadering op een Zondag of een algemeen erkenden Christe-
lijken feestdag gehouden is.
De kosten van het aanleggen en bijhouden der kiezerslijsten
en van het uitoefenen der kiesverrichting voor leden der Kamer
komen ten laste der gemeenten, zoo, dat elke gemeente de
kosten draagt der verrichtingen waarvoor haar bestuur heeft te
zorgen.
36.    Alle stukken, opgemaakt ter voldoening aan de bepa-
lingen dezer wet of aan de bij algemeenen maatregel van bestuur
of bij Koninklijk besluit nader te geven voorschriften, zijn vrij
van het recht van zegel, van de formaliteit der registratie en,
met inachtneming van de bij Koninklijk besluit vast te stellen
voorschriften, van briefport.
37.    Bij de oprichting van elke Kamer van arbeid wordt be-
paald, in hoeverre deze wet binnen het gebied dier Kamer van
toepassing zal zijn op patroons en werklieden in bedrijven, uit-
geoefend door, of staande onder beheer van den Staat, van eene
provincie, eene gemeente, een waterschap of een veenschap.
-ocr page 700-
WET OP DE KAMERS VAN ARBEID.                         693
38.    Hetgeen behalve het in de artt. 8, 14, 16, 22 en 33
bepaalde nog ter voorbereiding van het in werking treden
dezer wet en tot hare uitvoering noodig is, wordt bij algemeenen
maatregel van bestuur geregeld.
39.    Hij die opzettelijk, hetzij ter staving zijner verkiesbaar-
heid tot lid der Kamer, hetzij ter verkrijging van het kiesrecht
voor de Kamer, eene valsene opgave doet omtrent een feit,
waarvan zijne verkiesbaarheid of zijne plaatsing op de kiezers-
lijst afhankelijk kan zijn, wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste een jaar.
40.    Hij, die opzettelijk in de opgaven en inlichtingen, voor
de beoordeeling van eens anders verkiesbaarheid of voor het
opmaken of vaststellen der kiezerslijsten of voor de beslissing
van geschillen over de plaatsing op de kiezerslijsten krachtens
wettelijk voorschrift van hem gevorderd, eene valsche opgave
doet of eene valsche inlichting verschaft omtrent een feit,
waarvan de verkiesbaarheid of de plaatsing op do kiezerslijst
van den persoon wien het onderzoek geldt afhankelijk kan zijn,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden.
41.    Overtreding van art. 17 of 18 wordt gestraft met hech-
tenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van ten
hoogste vijf en zeventig gulden.
42.    Hij die wederrechtelijk niet voldoet aan eene hem in
eenigen krachtens deze wet uitgevaardigden algemeenen maat-
regel van bestuur opgelegde verplichting, wordt gestraft met
hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van ten
hoogste vijf en zeventig gulden.
43.    Als misdrijven worden beschouwd de in de artt. 39 en
40, als overtredingen de in de artt. 41 en 42 strafbaar gestelde
feiten.
44.    Bij veroordeeling wegens een der in de artt. 39 en 40
omschreven misdrijven kan ontzetting van de in de art. 28, 3°.,
van hot Wetboek van Strafrecht vermelde rechten worden uit-
gesproken.
45.    Deze wet kan worden aangehaald onder den titel van
.„Wet op de Kamers van arbeid."
46.    Deze wet treedt in werking op een nader bij Koninklijk
besluit te bepalen tijdstip.
-ocr page 701-
HINDERWET.
Wet van 2 Juni 1875 (Stbl. no 95), het laatst gewijzigd
en aangevuld door de Wet van 4 September 1896
(Stbl. no. 152).
Art. 1.
Het is verboden inrichtingen, welke gevaar, schade of hinder
kunnen veroorzaken, op te richten zonder vergunning, welke,
behoudens de bij deze wet gemaakte uitzonderingen, door het
gemeentebestuur wordt gegeven.
2. De in art. 1 bedoelde inrichtingen zijn :
I. die, bij welke stoom, gassen of dampen van hooge span-
ning worden gebezigd; niet name de inrichtingen, gedre-
ven door stoom- en gaskrachtwerktuigen en door werk-
tuigen met vloeibaar koolzuur; die tot voortbrenging
van ijs of koude door ammoniwk, aether of samengeperste
lucht, en die tot vervaardiging van koolzuurhoudende
wateren.
Hiervan zijn uitgezonderd :
«. de stoomwerktuigen in vaartuigen, de locomotieven,
de zoogenaamde locomobielen tot tijdelijk gebruik bij
de uitvoering van bouwwerken en bij den landbouw, de
stoomkranen, stoombrandspuiten en dergelijke vervoer-
bare stoomwerktuigen;
b. die inrichtingen, bij welke de spanning, door
stoom, gassen of dampen te weeg gebracht, in verband
met den inhoud van het daartoe gebezigd werktuig, eene
grens niet overschrijdt, door Ons bij maatregel van inwen-
dig bestuur aan te geven.
II. die, bestemd tot vervaardiging, verwerking en bewaring
van buskruit en andere ontplofbare stoffen (fulminaten,
picraten, chloraten en de zoogenaamde nitroverbindingen,
met name schietkatoen, pyroxilin, nitro-glycerine, dyna-
miet en dualin).
Hiertoe behooren de fabrieken en bewaarplaatsen van
vuurwerken.
-ocr page 702-
695
HINDERWET.
III.      die, bestemd tot vervaardiging van (\'hemicalin, met na-
me die tot bereiding van koolzure, dubbel koolzure en
zwavelzure soda, soda-hydraat; zwavel-, zout-, salpeter-,
zuring- en arsenigzuur; ammonia en ammoniakzouten;
bleekpoeders en bleekwateren; de lood-, zink- en kwik-
verbindingen (waaronder begrepen zijn de lood- en
zinkwitfabrieken): de cyaanverbindingen (waaronder
begrepen zijn de bloedloogzouten); en van phosphorua
(waaronder begrepen is de lucifersfabricatie);
IV.     die, bestemd tot verkrijging, verwerking en bewaring
van vluchtige producten, met name alkohols, aethers,\'
vluchtige oliën, zwavelkoolstof, vluchtige koolwater-
stoft\'en (waaronder begrepen zijn de benzine, steenolie
of petroleum en petroleum-naphta);
V. die, bestemd tot de droge distillatie van plantaardige
en dierlijke zelfstandigheden en de verwerking van de
daardoor verkregen producten, met name de gasfabrie-
ken; de boen- en ivoorzwartbranderijen; de zwartsel" en
drukinktfabrieken; de steenkolencoaks-, turfcoaks- en
houtskoolbranderijen; de fabrieken van gasolie. turfolie,
photogeen, solarodie en creosoot (waaronder begrepen,
zijn de inrichtingen tot creosoteering van hout, de
teer- en asphaltkokerijen, de fabrieken van kleurstof-
fen uit de producten der droge distillatie, de zooge-
naamde anilinekleuren);
VI. die, bestemd tot de bereiding der vetten en harsen,
met name de vetsmelterijen, de kaarsenfabrieken, de
zeepziederijen, de olie-, traan-, verf-, vernis-, harpuis-
en lakkokerijen, de patentolie- en harsoliefabrieken, de
fabrieken tot het ontvetten van wol en van de residus
der olieslagerijen;
VII. die, bestemd tot bewaring en verwerking van afval,
met name asch, vuilnis, bagger, roet, bloed, beenderen,
hoornen, lompen, guano, mest en meststoffen (waaronder
begrepen zijn de poudretten en knmtgiiano\'s), zoomede
de bloeddrogerijen en lijmfabrieken;
VIII. de mouterijen, brouwerijen, branderijen, distilleerderijen,
azijnfabrieken en likeurstokerijen;
IX. de beetwortelsuikerfabrieken, suikerraffinaderijen, stijf-
sel-, aardappelmeel", aardappel" en vruchtenstroopfa-
brieken en bakkerijen; de zuivel-en cichoreifabrieken;
X. de slachterijen, vilderijen, penserijen, drogerijen, rooke-
rijen en zouterijen van dierlijke stoffen (met name
vleeseh. visch, huiden, darmen, lebben); de leerlooie-
rijen en bewaarplaatsen van huiden en vellen;
XI. de porselein- en aardewerkfabrieken, steen-, pannen-,
-ocr page 703-
696                                              HINDERWET.
plavuis- on tegel bakkergen, glasblazerijen, kalk- en
gipsbranderijen, en kalkblusscherjjen, benevens de be-
waarplaatsen van ongebluschte kalk;
XII. de metaalsnielterijon, gieterijen, smederijen (anker-,
<^rof-, kachel-, hoef-, sloten- en andere); de metaal-
klopperijon, pletterjjen, stoomketel" en andere ketelma-
kerijen ; machinefabrieken; de g-eschutgieterijen ejl boor-
derijen en geweerfabriekcn, koper- en blikslagerijon,
alsmede de affineerderjjen van goud en zilver;
XIII. de eesten tot verschillende doeleinden (waaron-
der begrepen zijn de meestoven en drogerijen van
sigaren);
XIV.  de koren-, cacao-, mout-, pel-, schors-, grut-, tras-,
houtzaag" en oliemolens;
XV.  de klopperijen van visch, katoen, wol, haar, vederen,
huiden, schors en tapijten;
XVI. de orseille- (lakmoes) en garanoinefabrieken, ververijen,
katoendrukkerijen en wasscherijen en snelbleekerijen;
XVII. de seheepstimmerwerven, steenhouwerijen en zagerijen,
molenmakerijen en kuiperijen;
XVIII. de schietinrichtingen.
3.    Wij behouden Ons voor, zoo noodig, de aanwjjzing der
inrichtingen in art. 2 bij algemeenen maatregel van inwendig
bestuur aan te vullen.
Zoodanige maatregel van inwendig bestuur vervalt, indien
de daarbij bepaalde aanvulling niet binnen een jaar na de
afkondiging van dien maatregel bekrachtigd is door de wet.
Wanneer een voorstel van zoodanige wet binnen het jaar
bij de iStaten-Generaal is aanhangig gemaakt, kan door Ons
deze termijn eenmaal met zes maanden worden verlengd.
4.    Bij plaatselijke verordening kan de gemeenteraad:
1". wijken, buurten of straten aanwijzen, waar een of meer
uitdrukkelijk genoemde inrichtingen, in art. 2 bedoeld, zon-
der voorafgaande vergunning kunnen worden opgericht;
2°. in het belang der openbare orde, veiligheid of gezond-
lieid eene bepaalde plaats of gedeelte der gemeente aanwijzen
voor het oprichten, hebben of gebruiken van eene der in
art. 2 genoemde inrichtingen, met verbod om elders in de
gemeente het bedrijf of de bedrijven uit te oefenen, waartoe
de oprichting of het gebruik van die inrichting vereischt wordt.
Deze bevoegdheid strekt zich evenwel niet uit tot de inrich-
tingen, die onder geen ander nommer dan I van art. 2
vallen.
Plaatselijke verordeningen, in dit artikel bedoeld, gelden
voor een bepaalden daarin genoemden tijd, die 20 jaren niet
mag te boven gaan.
-ocr page 704-
HINDEUWET.                                               697
Zij kunnen, voor dat die tijd is af\'geloopen, telkens worden
hernieuwd.
4fti\'*. De inspecteurs, waarvan in de/.e wet sprake is, zijn
die, bedoeld in artikel \'J der Veiligheidswet.
6. Bij het verzoek om vergunning worden overgelegd:
1°. eeno nauwkeurige beschrijving in dubbel, van de plaats
waar de inrichting zal worden gesteld, eene opgave van hetgeen
in de inrichting zal worden verricht, vervaardigd of\' verzameld,
benevens van de beweegkracht, die daarbij wordt aangewend ;
2°. eene plattegrond-teekening, in dubbel, op eene schaal
van minstens een op twee honderd vijftig, aanduidende de uit-
en inwendige samenstelling der inrichting en toebehooren;
3°. een uittreksel uit de kadastrale leggers, aanduidende
de gebouwen of\' lokalen, bestemd tot ziekenverpleging, uit-
oefcning van den openbaren eeredienst of\' scholen, binnen een
kring van twee honderd meter van het gebouw of lokaal der
inrichting gelegen.
4". eene verklaring of de inrichting al of niet eene fabriek
of werkplaats zal zijn in den zin der Veiligheidswet.
Bbis. Zal de inrichting tevens zijn eene fabriek of werk-
plaats in den zin der Veiligheidswet, dan wordt van elk der
in artikel 5, sub 1 en 2, bedoelde stukken een exemplaar
meer overgelegd.
6. Van elk verzoek om vergunning tot oprichting van eene
inrichting, in art. 2 genoemd, geeft het gemeentebestuur ten
spoedigste schriftelijk kennis aan de eigenaars en gebruikers
van elk der perceelen, onmiddellijk grenzende aan dat, waar
de inrichting zal worden opgericht, en van de gebouwen of
lokalen, bedoeld in art. 5, sub 3.
Het verzoek met de bijlagen, genoemd in dat artikel, wordt
ter visie gelegd op de secretarie en het gemeentebestuur geeft
daarvan gelijktijdig op do in de gemeente gebruikelijke wijze,
alsmede door aanplakking op het terrein voor de inrichting
bestemd, kennis aan het publiek.
Valt een gedeelte van een gebouw of lokaal binnen den
kring, bedoeld in art. 5, sub 3°., dan wordt het geheele ge-
bouw of lokaal gerekend binnen dien kring te liggen.
Strekt de kring zich in andere gemeenten uit, dan geschiedt
ook daar openbare aankondiging.
6W.v. Zal de inrichting tevens zijn eene fabriek of\' werk-
plaats in den zin der Veiligheidswet, dan zendt het gemeente-
bestuur aan den inspecteur eene kennisgeving als bedoeld in
het tweede lid van art. 6, gelijktijdig met de kennisgeving, in
dat lid bedoeld. Het zendt hem tevens een exemplaar der in
artikel 5, sub 1 en 2, bedoelde stukken.
Qter. Zal de inrichting tevens zijn eene fabriek of werk.
-ocr page 705-
698                                               HINDERWET.
plaats in dén zin dor Veiligheidswet, dan is de verzoeker ver-
lil ïcht den inspecteur alle inlichtingen te verschaften, die deze
behoeft tot eene juiste beoordeeling van de bij het verzoek
overgelegde stukken.
7.    Op den veertienden dag na de openbare kennisgeving
wordt op de daarin aangewezen plaats en uur gelegenheid
gegeven om, ten overstaan van het gemeentebestuur of een of
meer zijner leden, bezwaren tegen het oprichten der inrichting
in te brengen.
Daarbij worden zoowel de verzoekers als zij, die bezwaren
inbrengen, in de gelegenheid gesteld de bezwaren mondeling
en schriftelijk toe te lichten.
Van het op de zitting voorgevallene wordt proces-verbaal
opgemaakt.
Zoowel de verzoeker, als zij, die bezwaren inbrengen, kunnen
gedurende drie dagen vóór het tijdstip, in het eerste lid van
dit artikel bedoeld, op de secretarie der gemeente van de ter
zake ingekomen schrifturen kennis nemen.
Ibis. Zal de inrichting tevens zijn eene fabriek of werk-
plaats in den zin der Veiligheidswet, dan is do inspecteur
bevoegd de zitting, in het vorig artikel bedoeld, bij te wonen.
Het gemeentebestuur zendt hem afschrift van het. in dat
artikel bedoelde proces-verbaal, terwijl het laatste lid van dat
artikel op hem van toepassing is.
De inspecteur deelt zoo spoedig mogelijk schriftelijk aan het
gemeentebestuur mede, of de inrichting, voor zoover zulks kan
blijken uit de in art. 5, sub 1 en 2, bedoelde stukken, zal voldoen
aan de eischen, krachtens artikel 6 der Veiligheidswet gesteld.
8.    Binnen eene maand na het in art 7 bedoelde onderzoek
beslist het gemeentebestuur over het verzoek, en geeft daarvan
onmiddellijk aan den verzoeker en gelijktijdig, door aankondi-
ging, aan het publiek kennis.
Kan de beslissing binnen den in het eerste lid van dit ar-
tikel bepaalden tijd niet genomen worden, dan wordt zij, bij
een met redenen omkleed en af te kondigen besluit, verdaagd,
hetwelk aan den verzoeker wordt medegedeeld.
Het gemeentebestuur zorgt, dat in de gevallen, bij art. 6,
laatste lid, voorzien, de beslissing ook in de andere gemeenten
worde bekend gemaakt.
86i\'.s-. Zal de inrichting tevens zijn eene fabriek of work-
plaats in den zin der Veiligheidswet, dan zendt het gemeente-
bestuur binnen tweemaal 24 uren na het nemen der in het
eerste lid van artikel 8 bedoelde beslissing hiervan afschrift
aan den inspecteur.
9.    De vergunning wordt schriftelijk verleend, en gesteld ten
name van den verzoeker en zijne rechtverkrijgenden.
-ocr page 706-
HINDERWET.                                               699
Aan de vergunning wordt een exemplaar van de in art. 5,
sub 1 en 2, bedoelde stukken, van wege het gemeentebestuur
gewaarmerkt, gehecht.
10.    Indien er binnen den afstand van 100 meter van het
gebouw of lokaal, waarin het bedrijf, waarvoor de inrichting
bestemd is, zal worden uitgeoefend, geene perpeelen aan anderen,
dan de aanvragers, toebehoorende of bij anderen in gebruik,
en binnen den afstand van 200 meter, bedoeld in art. 5, n°. 3,
geene gebouwen of lokalen van aldaar bedoelde soorten zijn,
wordt deze omstandigheid eenvoudig door het gemeentebestuur
verklaard aanwezig te zijn en op het verzoek beschikt, zooals
bevonden wordt te behooren.
lObis. Zal de inrichting tevens zijn eene fabriek of werk-
plaats in den zin der Veiligheidswet, dan zendt het gemeente-
bestuur aan den inspecteur een exemplaar der in artikel 5,
sub 1 en 2, bedoelde stukken en zijn de artikelen (Ster, Ibi.t,
tweede lid, 8bis en 12bis van toepassing.
11.    In geval van weigering der vergunning worden de redenen,
die daartoe geleid hebben, in het besluit vermeld.
Tot weigering kunnen alleen leiden de bezwaren, ontleend
aan vrees voor:
a.    gevaar;
b.    schade aan eigendommen, bedrijven of de gezondheid;
c.    hinder van ernstigen aard, waartoe behoort het ter be-
woning ongeschikt maken van woonhuizen of gedeelten van
woonhuizen, het belemmeren van het gebruik van de lokalen,
en gebouwen, in art. 5, 3°., bedoeld, ieder overeenkomstig de
bestemming, die het gebouw of lokaal, tijdens het verzoek
werd gedaan, had, en het verspreiden van vuil of van walglijke
uitdampingen.
Vrees voor mededinging in eenig bedrijf, door belangheb-
benden geuit, kan geene reden tot weigering zijn.
llbis. Zal de inrichting tevens zijn eene fabriek of werk-
plaats in den zin der Veiligheidswet, dan wordt de vergun-
ning ook geweigerd, indien de inrichting, voor zoover zulks
kan blijken uit de in artikel 5, sub 1 en 2, bedoelde stukken,
volgens den inspecteur niet zal voldoen aan de eischen,
krachtens artikel 6 der Veiligheidswet gesteld.
12.    Indien door het stellen van voorwaarden aan het
bezwaar van gevaar, schade of hinder kan worden te gemoet
gekomen, wordt de vergunning voorwaardelijk verleend.
Indien, na het verleenen eener voorwaardelijke vergunning,
blijken mocht, dat de naleving der gestelde voorwaarden niet
noodig mocht zijn, kan het gemeentebestuur den concessionaris
geheel of gedeeltelijk daarvan ontslaan, na aan belanghebben-
den, ten wier behoeve de voorwaarden zijn gesteld, gelegen-
-ocr page 707-
700                                               HINDERWET.
heid te hebben gegeven hunne bezwaren in te brengen.
Evenzoo kunnen Wij den concessionaris geheel of\' gedeelte-
lijk ontslaan van de naleving van voorwaarden, welke bij
ecne door Ons verleende vergunning zijn opgelegd. Belang-
hebbonden worden alsdan vooraf gehoord, na op Onzen last
door den burgemeester te zijn opgeroepen.
Kan over de gevolgen eener inrichting, tijdens de aanvrage
om vergunning, niet met voldoende zekerheid worden geoor-
deeld, zoo wordt eene vergunning voor een bepaalden proef-
tijd verleend. Van de aanvrage om verlenging van proeftijd, of\'
om definitieve vergunning na afloop van den proeftijd, wordt de
in art. 6 vernielde kennisgeving en openbare aankondiging ge-
daan, en vervolgens het onderzoek, in art. 7 bedoeld, herhaald.
Art. 8 is op dit geval van toepassing.
lZbis. Zal de inrichting tevens zijn eene fabriek of werk-
plaats in den zin der Veiligheidswet, dan zullen de voor-
waarden, in het vorige artikel bedoeld, de naleving van de
eischen, gesteld krachtens de Veiligheidswet, niet mogen on-
mogelijk maken.
Het gemeentebestuur zendt, indien dit meent aan de te
verleenen vergunning voorwaarden te moeten verbinden, het
ontwerp van zijne te nemen beschikking ter kennisneming aan
don inspecteur.
Deze deelt zoo spoedig mogelijk schriftelijk aan het ge-
meentebestuur mede, of, en zoo ja, welke wijzigingen die be-
schikking behoeft om de nalevrhg van de eischen, gesteld
krachtens de Veiligheidswet, niet onmogelijk te maken.
Kan het gemeentebestuur zich niet veroenigen met de op-
merkingen van don inspecteur, dan treedt het alvorens eene
beslissing te nemen, met dezen in overleg, ten einde zoo mo-
gelijk tot overeenstemming te geraken.
13.    Hij de vergunning wordt een termijn gesteld, binnen
welken de inrichting voltooid en in werking gebracht moet
zijn. Bij niet inachtneming van den termijn vervalt de ver-
gunning, tenzij het bestuur dat haar verleend heeft, haar nog
eenmaal, vóór het verstrijken van den termijn, met een nieuwen
termijn heeft verlengd.
14.    Kone nieuwe vergunning is noodig, om:
1". de inrichting uit te breiden of oene andere wijze van
bewerking, welke verandering van den aard der inrichting
ten gevolge heeft, in te voeren;
2". eene inrichting, welke vier jaren heeft stil gestaan, op
nieuw in werking te brengen;
3°. eene inrichting, welke door oenig onheil, dat het
gevolg is van den aard of het gebruik maken der inrichting,
js verwoest, te horstellen.
-ocr page 708-
HINDERWET.                                               701
15.    Van de beslissing, ingevolge de artikelen 8, 12 en 14
genomen, staat beroep bij Ons open binnen veertien dagen
na de afkondiging bij artikel 8 bedoeld. Tot dat beroep zijn
gerechtigd de verzoeker en de belanghebbende, ieder voor zoo-
ver hij in het ongelijk is gesteld.
Hij, die het beroep instelt, geeft daarvan gelijktijdig kennis
aan het gemeentebestuur, hetwelk zorgt voor onverwijlde
openbare kennisgeving. Zoo het beroep wordt ingesteld door
een ander dan den verzoeker, moet aan dezen bij exploit
worden kennis gegeven van het beroep.
Onze beslissing wordt, na verhoor van den Raad van State
(afdeeling geschillen van bestuur), binnen drie maanden nadat
het beroep is ingesteld, bij een met redenen omkleed besluit
genomen, ten ware zij vooraf bij afzonderlijk besluit mocht
verdaagd zijn.
lSbis. Zal de inrichting tevens zijn eene fabriek of werk-
plaats in den zin der Veiligheidswet, dan is ook de inspecteur
tot beroep gerechtigd. Hij geeft van een door hem ingesteld
beroep onmiddellijk bij aangeteekenden brief kennis aan den
verzoeker. Zoo het beroep wordt ingesteld door een ander dan
den inspecteur dan geeft het gemeentebestuur dezen zoo spoedig
mogelijk schriftelijk kennis van een ingesteld beroep.
16.    Indien eene inrichting, voor welker oprichting vergun-
ning vereischt wordt, in twee of meer gemeenten eencr pro-
vincie zal liggen, dan wordt de vergunning door Gedeputeerde
Staten, de besturen dier gemeenten gehoord, verleend of ge-
weigerd. Van die beslissing van Gedeputeerde Staten staat
beroep bij Ons open. Liggen de gemeenten in verschillende
provinciën, dan wordt de beslissing door Ons genomen, na
Gedeputeerde Staten te hebben gehoord.
Alvorens advies uit te brengen, handelen Gedeputeerde
Staten en de gemeentebesturen overeenkomstig het bepaalde
bij de artt. 6 en 7.
Ten opzichte der beslissingen, door Ons en Gedeputeerde
Staten te neinen, zoo mede van het beroep tegen de door Ge-
deputeerde Staten genomen beslissingen, geldt hetgeen voor
die gevallen bij artt. 8—15 ten aanzien der gemeentebesturen
is bepaald.
lQbi.i. Zal de inrichting tevens zijn eene fabriek of werk-
plaats in den zin der Veiligheidswet, dan zijn in de gevallen,
in het vorige arlikel bedoeld, de artikelen Gbis, 6le>; Ibis en
\\2bis van toepassing.
Ten opzichte der beslissingen, bedoeld in het derde lid van
artikel 16, geldt het in de artiken 86i«, 106i*, 116»*, 126fc, en
lbbis bepaalde.
17.    Het bestuur, dat de vergunning geeft, kan aan den
-ocr page 709-
702                                               HINDERWET.
concessionaris nieuwe voorwaarden opleggen, indien de onder-
vinding de noodzakelijkheid daarvan mocht aantoonen.
(ieene nieuwe voorwaarden worden opgelegd dan bij een
mot redenen omkleed besluit, nadat de concessionaris is
gehoord of behoorlijk opgeroepen.
Van het besluit van een gemeentebestuur of van Gedepu-
teerde Staten kan de concessionaris, binnen 14 dagen nadat
liet hem is bekend gemankt, bij Ons in beroep komen.
Artt. 15 en 16 zijn op dit beroep toepasselijk.
17&ï\'-\\ Is de inrichting tevens eene fabriek of werkplaats in
den zin der Veiligheidswet, dan wordt voordat nieuwe voor-
waarden worden opgelegd, de inspecteur gehoord en is het
laatste lid van artikel 12bis van toepassing.
Gelijktijdig met de bekendmaking, in het derde lid van
artikel 17 bedoeld, zendt het gemeentebestuur den inspecteur
een afschrift van het daar bedoeld besluit. De artikelen 15W«
en 16W» zijn op het in artikel 17, 3de lid, bedoelde beroep
van toepassing.
Ylter. Wanneer de toepassing van artikel 6 der Veilig-
heidswet mocht ten gevolge hebben, dat van den inhoud van
de bij artikel 5, sub 1 en 2, bedoelde stukken of van eene bij
de vergunning gestelde voorwaarde zoude moeten worden afge-
weken, dan geeft de concessionaris daarvan kennis aan het
gemeentebestuur.
Wanneer do toepassing van artikel 7 der Veiligheidswet ten
gevolge mocht hebben, dat van den inhoud van de bij het
vorige lid bedoelde stukken of van eene bij de vergunning
gestelde voorwaarde zoude moeten worden afgeweken, dan
geeft do inspecteur daarvan kennis aan het gemeentebestuur,
zoodra tegen het door hem gegeven voorschrift geen beroep
meer kan worden ingesteld en zoodra omtrent een ingesteld
beroep is beslist.
Het gemeentebestuur beslist, of, en zoo ja, welke nieuwe
voorwaarden zullen worden opgelegd. Artikel 12bis is dan
toepasselijk.
Op deze beslissingen zijn hot tweede, derde en vierde lid
van artikel 17 en het tweede lid van artikel 11 bis van toe-
passing.
Wanneer het gemeentebestuur beslist, dat geene nieuwe
voorwaarden worden opgelegd, dan is de concessionaris be-
voegd van de hem verleende vergunning af te wijken, voor
zooveel zulks noodzakelijk is, om te voldoen aan de eischen,
gesteld krachtens de Veiligheidswet.
18. Het gemeentebestuur houdt behoudens de uitzonderingen,
in art. 24 vernield, toezicht dat aan de voorwaarden, bij de
vergunning of\' later gesteld, worde voldaan.
-ocr page 710-
703
HINDERWET.
19.    De leden van het gemeentebestuur en de door dat
bestuur aan te wijzen gemeente- en politieambtenaren hebben,
behoudens de uitzonderingen in artikel 24. te allen tijde vrijen
toegang tot de inrichtingen, bedoeld in art. 2. Zij hebben de
bevoegdheid van de overtredingen dezer wet proces-verbaal
op den ambtseed op te maken. Wordt hun de toegang ge-
weigerd, dan verschaffen zij zich dien des noods met inroeping
van den sterken arm.
Is de inrichting enkel door eene woning toegankelijk, dan
treden zij deze, tegen den wil van den bewoner, niet binnen,
dan op schriftelijken last van den burgemeester.
Hiervan wordt door hen binnen tweemaal vier en twintig
uren proces-verbaal opgemaakt en aan den ingezetene, wiens
woning is binnengetreden, in afschrift medegedeeld.
Zij, die krachtens dit artikel cone inrichting binnentreden,
zjjn, op verzoek van den concessionaris, verplicht tot geheim -
houding van hetgeen het daarin uitgeoefende bedrijf betreft,
voor zoo verre dit niet met de naleving der gestelde voor-
waarden in verband staat.
20.    Worden de gestelde voorwaarden niet opgevolgd, dan
kan het gemeentebestuur de vergunning intrekken. Indien de
vergunning verleend is door Ons of door Gedeputeerde Staten,
geeft het gemeentebestuur aan het gezag, dat de vergunning
verleend heeft, kennis van de niet-naleving der voorwaarden
en beslist dit, na onderzoek, over de intrekking.
Van het besluit tot intrekking, door het gemeentebestuur
of door Gedeputeerde Staten genomen, kan de concessionaris
binnen veertien dagen aan Ons voorziening vragen. Hierbij
gelden de artt. 15 en 16.
Hangende Onze beslissing kunnen de werkzaamheden van
de inrichting op Ons bevel worden geschorst.
20W.v. Is de inrichting tevens eene fabriek of werkplaats
in den zin der Veiligheidswet, dan geeft het gezag, dat de
vergunning introk, daarvan binnen 24 uren kennis aan den
inspecteur.
\' 21. Het voortzetten der werkzaamheden in eene inrichting
wordt door het gemeentebestuur verboden, en des noods wordt
de inrichting gesloten of worden de daarin aanwezige werk-
tuigen verzegeld, wanneer de inrichting zonder de vereischte
vergunning in werking is.
De belanghebbende kan hiertegen binnen veertien dagen
iian Ons voorziening vragen.
Hot tweede en derde lid van art. 15 zijn hierbij van toe-
passing.
21l)in. Is de inrichting tevens eene fabriek of werkplaats
in den zin der Veiligheidswet, dan geeft hot gemeentebestuur
-ocr page 711-
704
HINDERWET.
van elke sluiting of verzegeling binnen 24 uren kennis aan
den inspecteur.
22.     Het hoofd der onderneming wordt gestraft:
a.    met eene geldboete van vijftig cents tot twee honderd
gulden of eene hechtenis van een dag tot zestig dagen, indien
hij zonder de vereischte vergunning, of op eene andere plaats
dan in de vergunning is aangewezen, eene in art. 2 omschreven
inrichting in werking brengt of houdt, in strijd handelt met
het verbod, bedoeld in art. 4, sub 2, of in een der gevallen,
vermeld in art. 20 (3e lid) en 21, met de werkzaamheden voort-
gaat;
b.    met eene geldboete van vijftig cents tot honderd gulden
of eene hechtenis van een dag tot veertien dagen, indien hij
in strijd met de gestelde voorwaarden handelt.
Bij de ontdekking van oen der in dit artikel genoemde straf-
bare feiten kunnen de aanwezige gevaarlijke of schadelijke
stoffen in beslag worden genomen, en bij het veroordeelend
vonnis kan vernietiging of onbruikbaarmaking van die stoffen
worden bevolen.
ZS&bis. Nalatigheid in de voldoening aan het voorschrift van
het eerste lid van artikel 17to- wordt gestraft met hechtenis
van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste
honderd gulden.
liet in dit artikel strafbaar gestelde feit wordt beschouwd
als eene overtreding.
23.    Hij, die opzettelijk de in liet slot van artikel 19 opge-
legde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenis-
straf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste
zeshonderd gulden, met of zonder ontzetting van het recht
om ambten of bepaalde ambten te bekleeden.
Hij, aan wiens schuld schending van die geheimhouding te
wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie
maanden of geldboete van ten hoogste drie honderd gulden.
(Jeen vervolging heeft plaats dan op klachte van den con-
eessionaris.
De bij dit artikel strafbaar gestelde feiten worden beschouwd
als misdrijven.
l\'ITZONOERINGEN EN OVERGANGSBEPALINGEN.
24.    De inrichtingen, bedoeld sub II van art. 2, daaronder
niet begrepen de fabrieken en bewaarplaatsen van vuurwerken,
staan onder het toezicht van Onzen Minister van Oorlog.
Genoemde Minister wijst de ambtenaren en officieren aan
op welke de bepalingen van art. 19 van toepassing zijn, en
die, krachtens deze aanwijzing, de bevoegdheid verkrijgen van
-ocr page 712-
705
HINDERWET.
de overtredingen dezer wet, ten aanzien van de in dit artikel
bedoelde inrichtingen, proces-verbaal op te maken.
Door Ons kunnen bij algemcenen maatregel van inwendig
bestuur plaatsen worden aangewezen, waar inrichtingen, in het
eerste lid bedoeld, kunnen worden opgericht en in werking
gebracht, zelfs zonder vergunning der betrokken gemeentebe
sturen of collegiën van Gedeputeerde Staten.
25.    In de gevallen, bedoeld in de artt. 20 en \'21, ten
opzichte van de in het vorig artikel genoemde inrichtingen,
zendt Onze Minister van Oorlog het proces-verbaal der ge-
pleegde overtreding aan den Minister van Waterstaat, Handel
en Nijverheid, die het betrokken bestuur tot uitvoering van
de bij die artikelen voorgeschreven maatregelen uitnoodigt.
26.    Inrichtingen, bedoeld in art. 2, kunnen do.or een depar-
tement van algemeen bestuur met onze goedkeuring worden
opgericht, zonder vergunning van het gemeentebestuur.
Het hoofd van het departement zendt in dat geval de stuk-
ken, in art. 5 genoemd, aan het gemeentebestuur, dat voor
de naleving van art. 6 zorgt.
Binnen eene maand na de openbare kennisgeving wordt op
vooraf aan te wijzen plaats en uur gelegenheid geven om, ten
overstaan eener commissie uit Gedeputeerde Staten, bezwaren
tegen het oprichten van de inrichting in te brengen.
Van die bezwaren wordt procesverbaal opgemaakt, hetwelk,
met het advies der commissie, aan het departement wordt
toegezonden. Over aangevoerde bezwaren wordt door Ons, den
Kaad van State (afdeeling voor de geschillen van bestuur) ge-
hoord, beslist.
Dij Onze beslissing, krachtens dit artikel te nemen, behoeven
plaatselijke verordeningen, in art. 4, sub no. 2, bedoeld, niet
te worden in acht genomen.
\'27. Voor het oprichten van eene inrichting, bedoeld
in art. 2, door het bestuur eener gemeente of van een water-
schap wordt de vergunning van Gedeputeerde Staten; voor
het oprichten van zoodanige inrichting door eene sj>oorweg-
maatschappij, door een provinciaal bestnur of door bestuur
van een waterschap, dat in meer dan ééne provincie is gelegen,
Onze vergunning gevorderd.
In beide gevallen zijn de artt. 5—7 en 9—14 van toepassing.
Het proces-verbaal, in art. 7 bedoeld, wordt onverwijld aan
Onzen Commissaris in de provincie gezonden, de stukken, in
art. 9 vermeld, door den genoemden Commissaris gewaarmerkt,
en de ontheffing van voorwaarden, in art. 12, 2de lid bedoeld,
wordt door Ons of Gedeputeerde Staten verleend, naar gelang
de vergunning aan Ons of aan Gedeputeerde Staten is gevraagd.
Van de beslissing door Gedeputeerde Staten, volgens het
45
-ocr page 713-
706
HINDERWET.
eerste lid van dit artikel genomen, staat hooger beroep aan
Ons open. Artt. 15 en l(i zijn daarbij van toepassing.
274/»\'. Zal in de gevallen, in het vorige artikel bedoeld,
de inrichting tevens zijn eene fabriek of werkplaats in den
zin der Veiligheidswet, dan zijn de artikelen 5bis, 6bis, 6ter,
Ibis, lObis, llbits, 12b is
en lbbis van toepassing.
28.    Het Koninklijk besluit van 31 Januari 1824 (Stbl. n°. 19)
en andere Koninklijke besluiten, die omtrent het daarbij ge-
regelde onderwerp hebben gegolden zijn afgeschaft.
Niettemin wordt op de verzoeken om vergunning, bij het in
werking treden dezer wet ingediend, voor zoover die vergun*
ning ingevolge deze wet wordt vereischt, door het bestuur,
hetwelk daartoe volgens de tot dusver van kracht zijnde Konink*
lijke besluiten bevoegd was, beslist.
Daarbij wordt tevens bepaald, binnen welken termijn de
inrichting in werking moet zijn gebracht, op straffe van het
vervallen der vergunning.
29.    Op inrichtingen, tot welker oprichting krachtens de
vóór het in werking treden dezer wet geldende Koninklijke
besluiten vergunning is verleend, zijn de artt. 14, 17, 18, 19,
20 en 21 van toepassing, en ten aanzien van overtredingen van
die artikelen gepleegd, artt. 22 en 23.
296is. Is eene inrichting, als in het vorige artikel bedoeld,
tevens eene fabriek of werkplaats in den zin der Veiligheidswet,
dan zijn ook do artikelen 11 bh, liter, 20bis, 21bis, 22bis en
23 van toepassing.
30.     Vergunningen tot oprichting van inrichtingen, krach-
tens de vroeger geldende Koninklijke besluiten verleend vóór
het in werking treden dezer wet, vervallen, zoo zij niet binnen
één jnar na de afkondiging dezer wet in werking zijn gebracht,
ten ware in de vergunning een langere termijn was gesteld
of het gezag, dat de vergunning verleend heeft, vóór den
afloop van den termijn een nieuwen termijn toestaat.
31.    Algemecne bepalingen vóór het in werking treden
dezer wet bestaande, waarbij in eenige gedeelten van gemeenten
of plaatsen het uitoefenen van bedrijven of het hebben van
inrichtingen is vrijgelaten zonder bijzondere vergunning, blijven
van kracht gedurende vijf jaren na het in werking treden dezer
wet, ten ware zij vóór dien tijd worden vervangen door plaat-
selijke verordeningen krachtens art. 4 dezer wet uit te vaardigen.
32.    Door deze wet wordt geene verandering gebracht in
de bestaande wetten en verordeningen omtrent mijnen, steen-
groeven en daarmede in verband staande fabrieken en werk-
plaatsen, omtrent het bouwen in en langs rivieren, op en aan
dijken en andore waterkeerende werken, en op het onderhouden
en instandhouden van wegen, vaarten en wateringen, omtrent
-ocr page 714-
707
HINDERWET.
het hebben van magazijnen of nederlagen op onvrij territoir,
omtrent liet bouwen, planten en maken van werken op zekeren
afstand van vestingwerken, noch ook omtrent het gebruik van
stoomtoestellen.
33. Deze wet kan worden aangehaald onder den titel van
„Hinderwet."
-ocr page 715-
W E T
van 20 Juli 1895, Stb!. no. 137,
HOUDENDE BEPALINGEN TOT BEVEILIGING BIJ
HET VERBLIJVEN IN FABRIEKEN EN
WERKPLAATSEN.
§ 1. INLEIDENDE BEPALING.
Art. 1
Onder fabrieken en werkplaatsen verstaat deze wet:
1". alle zoowel open als besloten ruimten, waar in of voor
cenig bedrijf pleegt gewerkt te worden aan het vervaardigen,
veranderen, herstellen, versieren, afwerken of op andere wijze
tot verkoop of gebruik geschikt maken van voorwerpen of
stoften, of waar in of voor eenig bedrijf voorwerpen of stoffen
eene daartoe strekkende bewerking plegen te ondergaan; een
en ander voor zoover aldaar een krachtwerktuig of een oven
wordt gebezigd of tien of meer personen plegen te ver-
blijven.
Daar, waar de werkzaamheden ten behoeve van eenzelfde
bedrijf worden verricht in afzonderlijke, doch met elkander
in gemeenschap staande ruimten, worden de afzonderlijke ruim-
ten geacht een onafgescheiden geheel uit te maken;
2°. vlasbraakhokken en zwingelketen.
§ 2 VAN HET OPRICHTEN VAN FABRIEKEN EN WERKPLAATSEN.
2.    Hij die e?ne fabriek of werkplaats wenscht op te richten
of uit te breiden, is bevoegd vooraf het bouwplan aan de beoor-
deeling van den inspecteur te onderwerpen.
3.    Bij het verzoek om beoordeeling worden overgelegd:
1". eene nauwkeurige omschrijving in tweevoud van de
plaats waar de fabriek of werkplaats zal worden opgericht,
eene opgave in tweevoud van hetgeen daarin zal worden ver-
richt of vervaardigd, benevens van de drijfkracht, die daarbij
zal worden aangewend;
-ocr page 716-
VEILIGHEIDSWET.                                           709
2°. cene platte-grondteekening in tweevoud op eenc schaal
van ten minste een op honderd, aanduidende de uit- en inwen-
dige inriehting der fabriek of werkplaats;
3°. eene nauwkeurige beschrijving in tweevoud van de wijze
waarop de aanvrager zich voorstelt te voldoen aan de eischen,
voor fabrieken en werkplaatsen, op te richten na het in wer-
king treden van deze wet, gesteld krachtens artikel 6, voor
zooveel noodig toegelicht door, eveneens in tweevoud over te
leggen, doorsneden en opstanden op eene schaal van ten minste
een op honderd.
De inspecteur bericht de ontvangst dezer stukken bij gedag-
teekend en onderteekend schrijven.
4.    De inspecteur is bevoegd van den aanvrager alle inlieh-
tingen te vragen, die hij behoeft tot eene juiste beoordeeling
van de overgelegde stukken.
5.    Binnen eene maand na de dagteekening van het bewijs
van ontvangst bedoeld in artikel 3, deelt de inspecteur schrif-
telijk zijn oordeel over de overgelegde stukken aan den aan-
vrager mede. Luidt dit ongunstig, dan worden do redenen mede-
gedeeld, waarop het oordeel steunt.
Aan do beoordeeling wordt een exemplaar gehecht van do
in artikel 3 bedoelde stukken, door den inspecteur gewaarmerkt.
§ 3. MAATREGELEN TOT BEVEILIGING.
6.    Het hoofd of de bestuurder zorgt, dat zijno fabriek of
werkplaats voldoet aan de eischen, die bij algemeenen maat-
regel van bestuur kunnen gesteld worden, hetzij in het alge-
meen ten opzichte van alle bedrijven, hetzij in het bijzonder
ten opzichte van sommige bepaalde bedrijven, ten aan-
zien van:
a.    de vrije luchtruimte voor eiken arbeider in verband met
de hoogte van de werklokalen;
6.    de luchtverversching;
c. de verlichting;
b.    het voorkomen van brand en van ongevallen bij brand;
e.    kleedkamers en schaftlokalen;
f.    de privaten.
Voor fabrieken en werkplaatsen, in werking gebracht vóór
het in werking treden van deze wet, kunnen minder strenge
voorschriften worden gegeven dan voor fabrieken en werk-
plaatsen in werking gebracht na dat tijdstip.
7.    Bij algemeenen maatregel van bestuur wordt bepaald,
wat door het hoofd of den bestuurder van eene fabriek of werk-
plaats, met inachtneming van de voorschriften, door den in-
specteur te geven, moet worden aangewend:
-ocr page 717-
710                                          VEILIGHEIDSWET.
n. tot het bevorderen van zindelijkheid;
b. tot het bevorderen van eene dragelijke temperatuur;
i: tot het verwijderen van schadelijke dampen, gassen
en stof\';
il. tot het voorkomen van ongevallen door werktuigen, werk-
tuigdeelen, drijfwerken, gereedschappen of electrische geleidin-
gen, door vallen, door vallende voorwerpen, kokende of bij-
tende vloeistoffen, gloeiende of gesmolten metalen of door ont-
plofbare stoffen.
De algemeene maatregel van bestuur bepaalt tevens in welke
gevallen door den inspecteur voorschriften gegeven kunnen
wolden:
1". ten aanzien van den tijd gedurende welken personen
mogen vertoeven in ruimten, waar het onvermijdelijk is dat
hooge of Inge temperaturen, schadelijke dampen, gassen of stof
voorkomen;
2°. ten aanzien van het verstrekken van goed drink-
baar water.
Kik mondeling of schriftelijk voorschrift bepaalt tevens
den termijn, binnen welken er aan voldaan behoort te zijn.
Het hoofd of de bestuurder kan vorderen, dat het voorschrift
hem schriftelijk wordt verstrekt.
Schriftelijk gegeven voorschriften worden door den inspec-
teur gedagteekend.
8.     Het hoofd of\' de bestuurder van eene fabriek of weik-
plaats is verplicht op last van den inspecteur, op door dezen
aan te wijzen plaatsen en zóó, dat het voor een ieder duidelijk
leesbaar zij, een door dien ambtenaar opgemaakt en door hem
en liet hoofd of den bestuurder dor fabriek of werkplaats onder-
teekend reglement op te hangen en opgehangen te houden,
bevattende hetgeen door de in de fabriek of werkplaats ver-
blijvende personen behoort te worden nagekomen in het belang
van hen zelven of van anderen.
Het hoofd of de bestuurder van eene fabriek of werkplaats
zorgt, dat een afschrift of afdruk van zoodanig reglement
worde uitgereikt aan eiken vasten arbeider in zijne fabriek of
werkplaats, binnen acht dagen na de onderteekening, en aan
alle nieuwe vaste arbeiders vóór of bij het begin hunner werk-
zaamheden.
§ 4. toezicht.
9.     Onder de bevelen van den Minister, met de uitvoering
van deze wet belast, wordt bet toezicht op hare naleving opge-
dragen aan door Ons te benoemen inspecteurs en verdere amb-
tenaren, wier werkkring en bevoegdheden bij algemeenen maat-
regel van bestuur worden geregeld.
-ocr page 718-
VEILIGHEIDSWET.                                           711
Deze inspecteurs en verdere ambtenaren worden niet tevens
bolast met het toezicht op het gebruik van stoomtoestellen.
10.    Het is aan het vorig artikel bedoelde ambtenaren ver-
boden middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan bedrijven
of ondernemingen van fabrieks- of handwerksnijverheid.
11.    De hoofden en bestuurders van fabrieken en werkplaatsen
en de daarin verblijvende personen zijn verplicht aan den be-
voegden ambtenaar de verlangde inlichtingen te geven omtrent
zaken en feiten, de naleving van deze wet betreffende.
12.    Het hoofd of de bestuurder van eene inlichting, waarin
eenigo tak van fabrieks- of handwerksnijverheid wordt uitge-
oefend, is verplicht van elk in zijn bedrijf aan een persoon
overkomen ongeval binnen driemaal vier en twintig uren, nadat
het ongeval heeft plaats gehad of de gevolgen van dat ongeval
zich hebben geopenbaard, schriftelijk kennis te geven aan den
burgemeester der gemeente, waar het ongeval plaats had.
Heeft do persoon, wien het ongeval is overkomen, binnen
tweemaal vier en twintig uren zijn gewonen arbeid hervat, dan
vervalt de verplichting tot kennisgeving, tenzij de gevolgen
van het ongeval eerst later blijken.
Do vorm dezer kennisgeving wordt vastgesteld door den
Minister, met de uitvoering van deze wet belast.
De burgemeester zendt binnen vier en twintig uren die ken-
nisgeving aan den inspecteur.
De burgemeester stelt een onderzoek in naar de oorzaken
en gevolgen van het ongeval, en deelt den uitslag daarvan mede
aan den inspecteur, die bevoegd is een nader onderzoek in te
stellen.
13.    Het hoofd of de bestuurder van eene fabriek of werk-
plaats zendt binnen eene maand, na het in werking brengen
daarvan, aan den burgemeester van de plaats, waar de fabriek
of werkplaats is gelegen, eene opgave:
«. van het bedrijf, dat wordt uitgeoefend;
b. van de soort van drijfkracht en het aantal krachtwerk-
tuigen die worden gebezigd;
\' <:. van het aantal der personen, die aldaar in den regel
zullen verblijven:
d. voor het geval, dat de fabriek of werkplaats behoort tot
de inrichtingen, die gevaar, schade of hinder kunnen veroor-
zaken en niet mogen worden opgericht zonder vooraf verkregen
vergunning, van het gezag, dat de vergunning gaf tot het
oprichten en van de dagteekening van het besluit, waarbij de
vergunning werd verleend.
De vorm dezer opgave wordt door den Minister, met de
uitvoering van deze wet belast, vastgesteld.
14.    De burgemeester zendt de in het vorig artikel bedoelde
-ocr page 719-
712                                          VEILIGHEIDSWET.
opgaven aan den inspecteur, na daarvan aanteekening te hebben
gehouden.
15.    Do inspecteurs zenden alle twee jaren een beredeneerd
verslag over hunne ambtsbezigheden aan den Minister, met do
uitvoering van deze wet belast.
Deze verslagen worden, hetzij in hun geheel, hetzij gedeelte-
lijk, aan do Staten-Generaal overgelegd.
§ 5. IIOOGER BEROEP.
16.    Heeft hot hoofd of de bestuurder van eene fabriek of
werkplaats bezwaar tegen een door den inspecteur gegeven
voorschrift, dan kan hij daarvan binnen acht dagen in beroep
komen bij den Minister, met do uitvoering van deze wet belast.
Do Minister beslist na onderzoek.
Van do met redenen omkleede beslissing wordt afschrift
gezonden aan het hoofd of den bestuurder van de fabriek of
werkplaats.
17.    Worden de bezwaren geheel of gedeeltelijk gegrond ver-
klaard, dan treedt het voorschrift in beroep gegeven in de plaats
van dat, waartegen beroep werd ingesteld.
18.    Voor het hoofd of den bestuurder van eene fabriek of
werkplaats vloeit geenerlei verplichting voort uit een voor-
schrift, zoolang daartegen beroep kan worden ingesteld en zoolang
omtrent een ingesteld beroep niet js beslist.
§ 6. STRAFBEPALINGEN.
19.    Met hechtenis van ton hoogste eene maand of geldboete
van ten hoogste honderd gulden wordt gestraft:
«. overtreding van een der artikelen 8, 11, 12, 1ste lid, 13,
lste lid, en 27:
b.    overtreding van eene der bepalingen van eenen algemeonen
maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 6 of artikel 7.
c.    het niet voldoen aan een voorschrift krachtens eenon
algemeonen maatregel van bestuur uitgevaardigd ingevolge
artikel 7.
Indien tijdens het plegen van het feit nog goen twee jaren
zijn vcrloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schul-
dige wegens eene overtreding als hiervoren sub a, b of c, ge-
noemd, onherroepelijk is geworden, kunnen de straften worden
verdubbeld.
20.    Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geld-
boete van ton hoogste driehonderd gulden wordt gestraft hel
hoofd of do bestuurder van eene fabriek of werkplaats, die eeno
onjuiste opgave doot van het in artikel 13 voorgeschreveno.
-ocr page 720-
VEILIGHEIDSWET.                                          713
21.    Met het opsporen van de overtredingen van deze wet.
van de bepalingen van eenen algemeenen maatregel van bestuur
overeenkomstig artikel 6 of artikel 7 uitgevaardigd en van de
voorschriften krachtens eenen algemeenen maatregel van bestuur
als bedoeld in artikel 7 gegeven, zijn, behalve de bij artikel 8
van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen, belast
do marechaussee, alle ambtenaren van rijks- en gemeente-poIi-
tie, alsmede de in artikel 9 bedoelde ambtenaren.
Ten aanzien van do inrichtingen, bedoeld bij artikel 24 der
wet van 2 Juni 1X75 (Slbl. n°. 95), zijn uitsluitend met deze
taak belast de inspecteurs en de door den Minister van Oorlog
op grond van het tweede lid van genoemd artikel 24 der wet
van 2 Juni 1875 (Slbl. n\\ 95) aangewezen ambtenaren en
officieren.
Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel is niet van
toepassing op do rijkswerkplaatsen en -fabrieken. Aldaar wordt
voor de toepassing der wet het toezicht geregeld door de
hoofden der betrokken Departementen van Algemeen Bestuur.
22.     De in het eerste lid van artikel 21 bedoelde ambtenaren
hebben toegang tot alle plaaten, waar eenigo tak van fabrieks-
of handwerksnijvorheid wordt uitgeoefend, met uitzondering
van de rijkswerkplaatsen en "fabrieken en de inrichtingen
bedoeld in artikel 24 der wet van 2 Juni 1875 (Slbl. n°. 95),
waartoe, behoudens uit anderen hoofde aan anderen toekomende
bevoegdheid, alleen toegang hebben de inspecteurs.
De veld- en boschwachters, de beambten der marechaussee,
niet zijnde hulpofficieren van justitie, en de ambtenaren van
rijks- en gemeentepolitie beneden den rang van inspecteur der
rijksvoldwacht en van commissaris van politie behoeven daartoe,
voor zoover hun de toegang niet uit anderen hoofde vrijstaat,
een schriftelijkcn bijzonderen last van den burgemeester of van
den kantonrechter.
Wordt aan de in artikel 21 bedoelde ambtenaren de toegang
geweigerd, dan verschaffen zij zich dien desnoods met inroeping
van den sterken arm.
\'In plaatsen, in het eerste lid bedoeld, die tevens woningen
zijn of alleen door eeno woning toegankelijk zijn, treden zij
tegen den wil van den bewoner niet binnen dan op vertoon
van een schriftelijken bijzonderen last van den burgemeester of
van den kantonrechter. Van dit binnentreden wordt door hen
proces-verbaal opgemaakt en biimon tweemaal vier en twintig
uren aan dengenen, in wiens woning is binnengetreden, in af-
schrift medegedeeld.
23.    De in artikel 21 bedoelde ambtenaren zijn verplicht tot
geheimhouding van hetgeen hun in plaatsen, waar zij krachtens
artikel 22 binnentreden, omtrent het daar uitgeoefend wordend
-ocr page 721-
714
VEILIGHEIDSWET.
bedrijf is hekend geworden, voor zoover het niet in strijd is
mot de bepalingen van deze of van eene andere wet.
Hij, die opzettelijk de bij het vorig lid opgelegde geheim-
honding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd
gulden, met of zonder ontzetting van het recht om ambten of
bepaalde ambten te bekleeden.
Hij, aan wiens schuld schending van die geheimhouding to
wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste
drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
Geen vervolging heeft plaats dan op klachte van het hoofd of
den bestuurder van het bedrijf en de onderneming.
24.     De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden
beschouwd als overtredingen behalve de feiten, strafbaar gesteld
bij het tweede en derde lid van artikel 23, die als misdrijven
worden beschouwd.
§ 7. OVERGANGS" EN SLOTBEPALINGEN.
25.     Een algemeene maatregel van bestuur, uitgevaardigd
ingevolge artikel 6 of artikel 7, treedt niet eerder in werking
dan een jaar na den dag zijner afkondiging.
26.     Door of vanwege den Minister, met de uitvoering van
deze wet belast, kan voor fabrieken en werkplaatsen, in
werking gebracht vóór of binne\'n het jaar na het tijdstip van
afkondiging van eenen ingevolge artikel 6 uitgevaardigden
algemeenen maatregel van bestuur, vrijstelling worden verleend
van de bij zoodanigen maatregel van bestuur gestelde voor-
schriften gedurende een voor elk geval te bepalen termijn.
Deze termijn kan eenmaal worden verlengd.
De gezamenlijke duur der vrijstellingen kan ten aanzien van
het sub a, d, e of f genoemde den tijd van tien jaren en ten
aanzien van het sub b of c genoemde den tijd van drie jaren
na het in het eerste lid genoemde tijdstip niet overschrijden.
27.     De opgave bedoeld in artikel 13 wordt voor fabrieken
en werkplaatsen, in werking gebracht vóór het in werking
treden van deze wet, verstrekt binnen drie maanden na dat
tijdstip.
28.     Indien bijzondere omstandigheden van plaatselijken aard
in eene gemeente voorschriften betreffende het onderwerp, in
deze wet geregeld, noodig maken, die niet bij algemeenen maat-
regel van bestuur zijn gegeven, kunnen deze voorschriften
door den gemeenteraad onder Onze goedkeuring worden vast-
gesteld.
Artikel 161 dor wet van 29 Juni 1851 {SM. n°. 85) is op
deze plaatselijke verordening van toepassing.
-ocr page 722-
VEILIGHEIDSWET.                                          715
Deze plaatselijke verordening wordt afgekondigd op de wijze,
bedoeld in de artikelen 172 en 173 van die wet, met dien ver-
stande, dat in het formulier van afkondiging in plaats
van de inzending aan en het ontvangstbericht van Gedepu-
teerde Staten, worden vermeld de dagteekening en het num-
mer van het Koninklijk besluit, waarbij de verordening is
goedgekeurd.
29. Deze wet is niet van toepassing op het bedrijf van
landbouw, tuinbouw, boschbouw, voehouderij of veenderij, op.
het schippers- of visscherijbedrijf, op \'s Rijks opvoedingsgestichten
en werkinrichtingen en gevangenissen, noch op werkzaamheden
in militairen dienst verricht.
Zij brengt geene wijziging in de voorschriften betreffende het
rijkstoezicht op stoomtoestellen.
\'30. Artikel 15 der wet van 5 Mei 1889 (Stbl. n°. 48)
wordt ingetrokken.
In artikel 17 van die wet vervallen de woorden „en art. 15,
3do en 4de lid;" in artikel 23, 1ste lid, worden de woorden.
„ , 11 en 15" vervangen door „en 11."
31.    Alle stukken, verzoekschriften en beschikkingen ten
gevolge van de artikelen 2 tot en met 5, 7, 8, 13, 16, 26
en 27 opgemaakt, zijn vrij van het recht van zegel en
van de formaliteit van registratie en worden kosteloos uit-
gereikt.
32.    Deze wet kan worden aangehaald onder den titel van
„veiligheidswet."
33.    Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te-
bepalen tijdstip.
-ocr page 723-
W E T
van den loden April 1896, Stbl. no. 60,
HOUDENDE REGELING VAN HET TOEZICHT OP HET
GEBRUIK VAN STOOMTOESTELLEN.
§ 1. ALGEJTKENE BEPALINGEN\'.
Art. 1.
Onder stoomtoestel wordt in deze wet verstaan een stoom-
ketel en elk ander, bij algemeenen maatregel van bestuur aan
te wijzen toestel, verbonden met een stoomketel en bestemd om
onder eene grootere drukking dan die van den dampkring te
werken.
Een stoomketel is een toestel.^ingericht om uit eenige vloei-
stof stoom voort te brengen.
2.    Onder toebehooren van een stoomtoestel worden in deze
wet verstaan, alle toestellen, strekkende om veilig gebruik van
het stoomtoestel te verzekeren.
3.    Onder gebruiker van oen stoomtoestel wordt in deze wet
verstaan :
a.    bij uitsluitend huishoudelijk gebruik het hoofd van het
gezin of het hoofd of de bestuurder van de inrichting, waarin
het toestel wordt gebruik ;
b.    in alle andere gevallen het hoofd of de bestuurder van
het bedrijf, do onderneming of de inrichting, waarin het toestel
wordt gebruikt.
§ \'2. VAN VERGUNNING TOT HET IN WERKING BRENGEN
VAN STOOMTOESTELLEN.
4.    Het is verboden een stoomtoestel in werking te brengen,
zonder daartoe eene door of namens den Minister van Water-
staat, Handel en Nijverheid uitgereikte akte van vergunning te
hebben.
5.    De akte van vergunning wordt verleend, wanneer het van
Regeeringswege te houden onderzoek en de beproeving van
-ocr page 724-
717
STOOMWET,
het stoomtoestel, alsmede het onderzoek van zijn toebebooren,
uitkomsten hebben opgeleverd die voldoen aan de eischen door
en krachtens den in artikel C bedoelden algemeenen maatregel
van bestuur te stellen.
6.    Bij algemeenen maatregel van bestuur wordt bepaald:
a. welke opgaven de aanvrage tot het verkrijgen eener akte
van vergunning moet bevatten, en wat daarbij moet worden
overgelegd, alsmede de opgaven en voorwaarden, welke de akte
moet vermelden;
b aan welke eischen het stoomtoestel en zijn toebehooren
moet voldoen, de wijze van het onderzoek en van de beproeving
en de regelen daarbij in acht te nemen.
De algemeene maatregel van bestuur wijst de gevallen aan,
waarin de Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid geheel,
gedeeltelijk of voorwaardelijk vrijstelling van de daarin vervatte
voorschriften kan geven.
7.    Door Ons worden benoemd de ambtenaren belast met
het toezicht op en het onderzoek en de beproeving van stoom-
toestellen, alsmede de leden der commissie, aan welke, in de-
gevallen bij deze wet aangewezen, handelingen eu uitspraken
van gemelde ambtenaren ter beoordeeling worden onderworpen.
8.    Deze commissie bestaat uit vijf leden, van welke één,
door Ons aan te wijzen, het voorzitterschap bekleedt.
De leden treden, volgens een door Ons vast te stellen rooster,
om de vijf jaren af, maar zijn opnieuw benoembaar.
9.    De leden der commissie, alsmede de ambtenaren in artikel
7 bedoeld, leggen bij de aanvaarding hunner bediening, eerst-
genoemden in handen van den Minister van Waterstaat, Handel
en Nijverheid, laatstgenoemden in handen van Onzen Commissaris
in de provincie, waar zij krachtens hunne aanstelling verblijf
houden, den eed of de belofte af, dat zij de plichten hunner
bediening getrouw zullen vervullen.
10.    Hij die de aanvraag om vergunning tot gebruik van het
stoomtoestel heeft gedaan, stelt ter beschikking van den ambtenaar
met het onderzoek en de beproeving belast, zoowel de werk-
lieden als de werktuigen, die voor het onderzoek en de beproe-
ving noodig zijn.
Hij zelf alsmede een of twee door hem aan te wijzen personen,
ziju bevoegd bij het onderzoek en de beproeving tegenwoordig
te zijn.
11.    De nadeelige gevolgen eener beproeving zijn voor reke-
ning van hem die deze heeft verzocht, ten ware zij niet met
het noodige beleid is bestuurd. In het laatste geval wordt de
schade uit \'s Rijks schatkist vergoed.
12.    Is de ambtenaar, ten gevolge van het onderzoek of van
de beproeving van oordeel, dat de vergunning geweigerd moet
-ocr page 725-
718
8TO0MWET.
"worden, dan deelt hij zijn aan den Minister in te zenden ver-
slag te gelijk in afschrift aan hem die de vergunning heeft
verzocht, mede. Deze kan daartegen binnen veertien dagen zijne
bezwaren bij den Minister indienen. Geschiedt dit, dan stelt de
Minister de zaak in handen van de in artikel 7 bedoelde com-
missie, die een of meer leden tot het doen van een nieuw
•onderzoek of beproeving aanwijst.
Hij die de vergunning hoeft verzocht draagt de kosten van
•dit onderzoek of deze beproeving, zoo de commissie in haar
verslag aan den Minister, hetwelk den verzoeker in afschrift
medegedeeld wordt, de ingediende bezwaren ongegrond verklaart.
Deze kosten worden berekend naar een door den Minister
van Waterstaat, Handel en Nijverheid vast te stellen tarief.
Op het onderzoek en de beproeving door de commissie zijn
de artikelen 10 en 11 dezer wet van toepassing.
13.    Elke beschikking op aanvragen om vergunning of her-
baling van onderzoek, wordt den belanghebbende binnen den
kortsten tijd schriftelijk en kosteloos medegedeeld.
14.    Wanneer door den gebruiker van een stoomtoestel aan
•den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid schriftelijk
het verlangen wordt te kennen gegeven, dat een met den stoom-
ketel verbonden toestel, dat bestemd is om onder eene grootere
•drukking dan die van den dampkring te werken en niet valt
•onder den algomecnen maatregel van bestuur, bedoeld in artikel
1, door een der in artikel 7 vermelde ambtenaren onderzocht
•of beproefd worde, geeft de Minister daartoe last.
De kosten van dit onderzoek of van deze beproeving, te
berekenen naar een door gemelden Minister vast te stellen
tarief, worden door den verzoeker gedragen.
§ 3. V4N HET TOEZICHT OP DE STOOMTOESTELLEN.
15.    Alle in gebruik zijnde stoomtoestellen met toebehooren
blijven aan een voortdurend toezicht van Kegceringswege
onderworpen.
Het wordt uitgeoefend door de ambtenaren bedoel in artikel
7, naar regelen vast te stellen bij algemeenen maatregel van
bestuur.
16.    De in artikel 7 bedoelde ambtenaren hebben te allen
tijde vrijen toegang tot de plaatsen waar de stoomtoestellen en
toebehooren zich bevinden.
Wordt hun de toegang geweigerd, dan verschaffen zij zich
dien, desnoods met inroeping van den sterken arm.
Zijn de stoomtoestellen of hun toebehooren enkel door eene
woning toegankelijk, dan treden die- ambtenaren tegen den wil
van den bewoner niet binnen, dan op vertoon van eenen schrif-
-ocr page 726-
719
STOOMWET.
telijken bijzonderen last van den burgemeester of van den kan-
tonrechter. Van dit binnentreden wordt door hen proces-ver-
baal opgemaakt en binnen tweemaal vier en twintig uren aan
dengenen, in wiens woning is binnengetreden, in afschrift
medegedeeld.
17.    De gebruiker van het stoomtoestel en zij, die het bedie-
nen, zijn verplicht aan de in artikel 7 bedoelde ambtenaren de
verlangde inlichtingen te geven omtrent zaken en feiten, de
naleving van deze wet betreffende.
18.    De in artikel 7 bedoelde ambtenaren zijn op de wijze,
in de gevallen en onder de waarborgen bij den algemeenen
maatregel van bestuur, in artikel 15 bedoeld, te omschrijven,
bevoegd de stoomtoestellen opnieuw te onderzoeken en te
beproeven.
De nadeelige gevolgen eener beproeving zijn voor rekening
van den gebruiker van het stoomtoestel, ten ware zij niet met
het noodige beleid is bestuurd. In het laatste geval wordt de
schade uit \'s Rijks schatkist vergoed.
19.    De gebruiker van het stoomtoestel stelt ter beschikking
van den ambtenaar met het onderzoek en de beproeving belast,
zoowel de werktuigen, die voor het onderzoek en de beproe-
ving noodig zijn. Hij zelf alsmede een of twee door hem .aan
te wijzen personen, zijn bevoegd bij het onderzoek en de beproe-
ving tegenwoordig te zijn.
20.    Indien de gebruiker van een stoomtoestel in strijd met
de meening hem door den dienstdoenden ambtenaar te kennen
gegeven, vermeent, dat er geen voldoende reden bestaat, hetzij
voor eene buitentijds in te stellen beproeving of onderzoek, bij
welke het stoomtoestel buiten werking moet worden gesteld,
hetzij voor een door dezen gelasten maatregel om het in een
voor onderzoek of beproeving geschikten toestand te brengen,
geeft hij van zijne bezwaren schriftelijk kennis aan dien amb-
tenaar.
Deze zendt het bezwaarschrift onmiddellijk aan den Minister
van Waterstaat, Handel en Nijverheid, die de zaak stelt in
handen van de in artikel 7 vermelde commissie.
De commissie wijst daarop drie harer leden aan ten einde
<le zaak plaatselijk te onderzoeken.
Verklaart de commissie in haar aan den Minister in te dienen
verslag, hetwelk den belanghebbende in afschrift wordt mede-
gedeeld, de bezwaren ongegrond, dan gelast de Minister, dat
tot de handeling, waartegen bezwaar was gemaakt, zal worden
•overgegaan.
In dit geval draagt de gebruiker van het stoomtoestel de
kosten van het door de commissie ingestelde plaatselijk onder-
zoek, berekend naar het in artikel 12 bedoelde tarief.
-ocr page 727-
720
STOOMWET.
21.    Hij algemeenen maatregel van bestuur wordt bepaald:
a.    aan welke verplichtingen moet worden voldaan:
1°. door den gebruiker, in geval van herstelling en ten
aanzien van het onderhoud van een stoomtoestel en zijn toebe-
liuoren, alsmede ten aanzien van de inrichting van het ruim in
hetwelk de ketels van stoomvaartuigen geplaatst zijn:
2°. door den gebruiker en door hem, die tijdens de werking
van het toestel, dit bedient, zoowel wanneer het stoomtoestel
en zijn toebehooren in werking, als wanneer zij buiten wer-
kiug zijn;
b.    wat door den gebruiker van een stoomtoestel moet
worden gedaan, om het toezicht mogelijk of gemakkelijk te
maken, of te dien einde door de in artikel 7 bedoelde ambte-
naren kan worden gelast:
c.    in welke gevallen de akte van vergunning kan ingetrok-
ken worden.
Tevens worden daarbij de gevallen aangegeven, waarin de
Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid van het bij don
algemeenen maatregel van bestuur, in dit artikel bedoeld, voor-
geschrevene geheel, gedeeltelijk of voorwaardelijk vrijstelling
kan verleenen.
22.     Indien do ambtenaar bij het onderzoek van een stoom-
toestel met toebehooren bevindt:
1°. dat deze niet beantwoorden aan do eischen, bedoeld in
artikel 6, sub b;
2°. dat de verplichtingen, bedoeld\'in artikel 21, sub a of b,
niet zijn in acht genomen — in beide gevallen voor zooveel niet
van een of ander dezer.eischen of verplichtingen vrijstelling is
verleend;
3°. dat niet is voldaan aan de voorwaarden waaronder de
vergunning is verkregen;
zoo maakt hij daarvan proces verbaal op, hetwelk hij onver-
wijld aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar niinis-
teiie zendt.
Kan het verdere gebruik van het stoomtoestel dadelijk gevaar
opleveren, zoo.brengt hij zulks ter kennis van den burgemees-
ter, die door verzegeling op de door den ambtenaar aan te
geven wijze zorgt, dat het stoomtoestel onmiddellijk buiten
dienst gesteld worde.
Na de verzegeling wordt door den ambtenaar eea nader
onderzoek of nadere beproeving ingesteld, tenzij de gebruiker
bij den Minister tegen de gedane verzegeling opkomt. In dat
geval draagt de Minister een nieuw onderzoek of beproeving
op aap de in art. 7 vermelde commissie, die daartoe drie
harer leden aanwijst. De kosten van dit onderzoek of deze
beproeving, berekend naar het in artikel 12 bedoelde tarief,
-ocr page 728-
721
8TOOMWET.
zijn ten laste van den gebruiker van het toestel, indien de
commissie het oordeel van den ambtenaar bevestigt.
Blijkt uit het nader onderzoek of de beproeving, dat het
stoomtoestel met toebehooren geen gevaar heeft opgeleverd, of
in geval van herstelling uit een daarna ingesteld onderzoek of
eone beproeving, dat het gevaar is geweken, of wordt bij niet-
her8telling de akte ingetrokken, zoo geeft de dienstdoende amb-
tcnaar hiervan kennis aan den burgemeester, die alsdan voor
zooveel noodig voor de ontzegeling zorg draagt.
De artikelen 18. 2de lid en 19 zijn van toepassing op het
onderzoek of de beproeving door de commissie ingesteld.
23.    Indien de ambtenaar bevindt dat een stoomtoestel met
toebehooren in werking is, zonder dat hem op zijne vordering
de in artikel 4 bedoelde akte van vergunning wordt getoond,
zoo geeft hij daarvan kennis aan den burgemeester die door
verzegeling op de door den ambtenaar aan te geven wijze zorgt,
dat het stoomtoestel onmiddellijk buiten dienst gesteld worde.
Na de verzegeling wordt door den ambtenaar een onderzoek
en beproeving ingesteld, tenzij de gebruiker schriftelijk aan
dien ambtenaar kennis geeft, dat daartegen bij hem bezwaar
bestaat, op grond dat voor het in werking brengen van zijn
toestel geene akte van vergunning wordt vereischt.
De ambtenaar zendt het bezwaarschrift onmiddellijk aan den
Minister, die de zaak stelt in handen van de in artikel 7 ver-
melde commissie.
De commissie wijst daarop drie harer leden aan tot het doen
van een plaatselijk onderzoek.
Verklaart de commissie in haar aan den Minister in te dienen
verslag, hetwelk don belanghebbende in afschrift wordt mede-
gedeeld, de bezwaren ongegrond, dan gelast de Minister, dat
tot de handeling, waartegen bezwaar was gemaakt, zal worden
overgegaan tenzij de gebruiker schriftelijk verklaart geen onder-
zoek en beproeving te wenschen.
Wanneer de bezwaren ongegrond zijn verklaard, draagt de
gebruiker de kosten van het onderzoek door de commissie,
berekend naar het in artikel 12 bedoelde tarief en heeft geene
ontzegeling plaats.
Verklaart de commissie in haar verslag de bezwaren ge-
grond, dan gelast de Minister, dat tot ontzegeling zal worden
overgegaan.
De door eene beproeving toegebrachte schade wordt uit \'s Rijks
schatkist vergoed, wanneer die beproeving niet met het noodige
beleid is bestuurd.
24.    Van elk ongeval bij het gebruik van een stoomtoestel
geeft de gebruiker binnen vier en twintig uren kennis aan
den burgemeester der gemeente, waarin zich het stoomtoestel
46
-ocr page 729-
722
BTOOMWBT.
bevindt. In geval van ontploffing zorgt hij, dat tot de komst
van den burgemeester of van den door dezen aangewezen per-
soon, ter plaatse waar het ongeval is voorgevallen alles in
onveranderden toestand blijve, tenzij daaruit gevaar zou kunnen
ontstaan.
Heeft een ongeval plaats gehad aan boord van een stoonv
vaartuig, in zee of in een binnenwater, zoo geschiedt de ken-
nisgeving in het eerste geval aan d«n burgemeester van de \' •
eerste Nederlandschc havenplaats waar het vaartuig binnenloopt,
en in het tweede geval aan den burgemeester der gemeente
waarin het vaartuig het eerst stilhoudt.
25.    Na een ongeval brengt de burgemeester, onverschillig
of hij de mededeeling ontvangen hebbc dan niet, het gebeurde
zoo spoedig mogelijk ter kennis van den ambtenaar belast met
het toezicht in de gemeente.
Door dezen wordt ten spoedigste een onderzoek ter plaatse
ingesteld.
Hot onderzoek heeft voornamelijk ten doel te bepalen of de
gebruiker van het stoomtoestel of zij die het toestel bedienen,
zich aan verzuim, nalatigheid of niet inachtneming der veror-
deningen omtrent het gebruik van stoomtoestcllen hebben schul-
dig gemaakt.
26.    Van dit onderzoek wordt door den ambtenaar op zijn
ambtseed proces-verbaal in tweevoud opgemaakt, bevattende
zoo mogelijk eene duidelijke en bepaalde verklaring omtrent de
oorzaak van het ongeval.
Een exemplaar van het proces-verbaal wordt onmiddellijk aan
den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie gezonden.
Afschrift van het proces-verbaal is voor iederen belanghebbende
bij den ambtenaar van het stoomwezen tegen betaling der kos-
ten verkrijgbaar.
27.    De burgemeester zorgt, dat zoolang het onderzoek van
den ambtenaar niet is afgeloopen, ter plaatse waar de ontplof-
iing is voorgevallen, alles, tenzij hij oordeele dat daaruit gevaar
kunne rijzen, in onveranderden toestand blijve.
28.    De burgerrechtelijke verantwoordelijkheid vooreen onge-
val, veroorzaakt door een stoomtoestel en waardoor schade is
toegebracht aan personen of goederen, rust:
o. zoo het stoomtoestel dient voor een bedrijf of eene onder-
neming op hem voor wiens rekening het bedrijf of de ondor-
neming uitgeoefend wordt:
b.   zoo het stoomtoestel dient uitsluitend tot huishoudelijk
gebruik, op het hoofd van het gezin of op het hoofd van het
bestuur der inrichting, waarin hot toestel werd gebruikt;
c.  zoo het stoomtoestel tot wetenschappelijke onderzoekingen
dient, op hem door wien de onderzoekingen verricht worden;
-ocr page 730-
723
STOOHWKT.
d. zoo het stoomtoestel onder het beheer staat van een
Departement van algemeen bestuur, op den Staat; van een
provinciaal bestuur, op de provincie; van een gemeentebestuur,
op de gemeente; van een waterschapsbestuur, op het waterschap.
§ 4. STRAFBEPALINGEN.
29.    De gebruiker van een stoomtoestel wordt gestraft:
o. met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete
van ten hoogste driehonderd gulden, zoo hij dat stoomtoestel
in werking heeft, zonder aan den bevoegden ambtenaar op diens
vordering het schriftelijk bewijs der in artikel 4 bedoelde ver-
gunning te toonen; indien de overtreding enkel bestaat in het
niet op de eerste vordering vertoonen van de reeds verkregen
akte, wordt eene geldboete opgelegd van ten hoogste drie gulden ;
b.   met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete
van ten hoogste driehonderd gulden, zoo hij in strijd handelt
met de in de akte vermelde voorwaarden;
c.   met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete
van ten hoogste driehonderd gulden, zoo hij niet nakomt eene
der verplichtingen hem bij artikel 24 opgelegd.
30.    Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete
van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft:
a.  de gebruiker van een stoomtoestel waarvoor eene akte va»
vergunning uitgereikt is en hetwelk of welks toebehooren niet
beantwoordt aan een der eischen bedoeld in artikel (!, sub b,
en bepaald bij een ingevolge den aanhef van dat artikel uitge-
vaardigden maatregel van bestuur ;
b.  hij die niet in acht neemt eene der verplichtingen bedoeld
in artikel 21, sub «, en hem opgelegd bij een ingevolge den
aanhef van dat artikel uitgevaardigden algemeenen maatregel
van bestuur
Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete
van ten hoogste honderd gulden, wordt gestraft de gebruiker
van een stoomtoestel, die niet in acht neemt eene der verplich-
tingen, bedoeld in artikel 21, sub b, en hem opgelegd bij een
ingevolge den aanhef van dat artikel uitgevaardigden algemeenen
maatregel van bestuur.
Met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten
hoogste honderd gulden wordt gestraft overtreding van artikel 17.
31.    Indien tijdens het plegen van eene overtreding van deze
wet of van een ingevolge deze wet uitgevaardigden algemeenen
maatregel van bestuur nog geen twee jaren zijn verloopen
sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige, wegens
een dezer overtredingen, onherroepelijk is geworden, kunnen de
straffen worden verdubbeld.
-ocr page 731-
-ocr page 732-
INHOUD.
BLADZ.
J)E GRONDWET.....................        1
HET BURGERLIJK WETBOEK................35
DE KIESWET......................340
DE   WET OP HET RECHT VAN VKREENIOING EN VERGADERING . . 398
DE KAILLISSEMENTSWET.................401
DE OEMEENTEWET....................445
DE WET Or DE GRONDBELASTING.............491
DE WET Or DE PKRSONEEI.E BELASTING...........506
DE WET OP DE VERMOGENSBELASTING...........538
DE WET OP DE BKDHIJE8BELASTING............5-54
DE WET OP HET RECHT VAN SUCCESSIE...........591
DE ZEOELWBT.....................C22
DE WET OP DE FABRIEKS- EN HANDELSMERKEN........650
DE ARBEIDSWET....................G60
DE WET OP DE KAMERS VAN ARBEID............681
DE HINDERWET.....................C94
DE VEILIGHEIDSWET...................708
DE STOOMWET.....................716
-ocr page 733-
Afweid
:
-*
i