-ocr page 1-
Pi-VJS 60 Cent.
Wc
WIE MOET GEDOOPT WORDEN;
EN
WAARIN BESTAAT DE DOOP?
f mt bthi\\$tï{\\t tnpjq w\\ dq fristen,
BEANTWOORD UIT DE GETUIGENISSEN DER
II. SCHRIFT EN* DOOR UITSPRAKEN VAN VOORNAME
GODGELEERDEN VAN ALLERLEI BELIJDENIS.
fTet Qrv^elscn /aq "^. (perv£illy\' Jjevolj|d
DOOR
G. VELTHUIJSEN SR.
Tweede omgewerkte druk.
--43>*>--------■
Bureel van „De Boodschapper",
36, Nieuwe Gracht, te Haarlem.
-K-i
_______________________________________________■- •
_____
-ocr page 2-
W^vri \\Zoo3
-ocr page 3-
VETEft/S
C?
x
/^___:__:___\'o1
faa i BIBLIOTHECA / C)
r*
24
«?
?,N
J?F(jRTE^
-ocr page 4-
.■><•>■■ .»
£
-ocr page 5-
£J£c?.4.
WIE MOET GEDOOPT WORDEN?
EN
WAARIN BESTAAT DE DOOP?
-ocr page 6-
if\'x
-ocr page 7-
Wie moet gedoopt worden?
EN
Waarin bestaat de doop?
^wee belangrijke vragen ooor ben ^Kristen
BEANTWOORD UIT DE GETUIGENISSEN DER
H. SCHRIFT EN DOOR UITSPRAKEN VAN VOORNAME
QODGELEERDEN VAN ALLERLEI BELIJDENIS.
„Dezen waren edeler dan die te
Thessalonica, als die het Woord
ontvingen mot alle toegenegenheid,
onderzoekende dagelijks de Schrif-
ten, of deze dingen alzoo waren."
Hand. 17: II.
JCe-t Qnactoc-fv van éJt. Senaittii- aevotad
DOOR
G. VELTHUIJSEN.
Tweede, omge-werkte dxnils.
AMSTERDAM,
DU MÉE & CO.
£ iS $ < si
-ocr page 8-
Bock- en Handelsdrukkerij van Ta. DE HOOGII. — Amsterdam.
-ocr page 9-
VOORWOORD.
Bij herhaling en van vele zijden opgewekt en aange-
spoord tot eene tweede uitgave van dit ivcrkje, acht ik
mij gelukkig aan dit verlangen te kunnen voldoen.
Te oordeelen naar zoovele getuigenissen als ik —
menigmaal ivaar ik ze het minst zou verwacht hebben —
vernemen mocht, schijnt het Gode behaagd te hebben
mijne poging om door dit boekske eenig nut te stichten,
rijker te zegenen dan ik vermoedde. Daarvoor zij
Zijn naam geprezen.\'
Ik zend ook deze uitgave de wereld in met de bede,
dat de God der waarheid het boekje gebruike tot on-
derwijs van hen, die gelooven dat „al de Schrift van
God is ingegeven, en nuttig is tot leering, tot weder-
legging, tot verbetering, tot ondcrivijzing, die in de
waarheid is, opdat de inensch Gods volmaakt zij, tot
alle goed werk volmaaktelijk toegerust".
Merken tvij op, hoe telkens en telkens weder openbaar
ivordt wat spitsvondige en ingetvikkelde redeneering
—
soms vereerd als „diepzinnige waarheid" — aange-
voerd ivordt tot bestrijding van den Doop der gcloo-
vigen, dan komt het ons voor dat dit verschijnsel op
zich zelf voldoende is om te bewijzen, dat het pad, het-
wclk aldus moet opgespoord worden, niet is „de verhe-
vene baan, de heilige iveg, waarop
zelfs de dwaas niet
divalen zal." Jür is, de ondervinding leert dit immers
gedurig weder, iets anders noodig dan „die ivareivijs-
heid, welke alleen met kinderlijken eenvoud, kan sa-
mengaan", om, op grond van wal de Bijbel zegt, den
Doop der geloovigcn ivcg te redeneeren, en daarvoor
de besprenging van zuigelingen te stellen. De pogingen,
-ocr page 10-
daartoe aangewend, zouden ons niet doen denken dat
de dingen van het Koninkrijk „den kinderkens" geo-
penbaard u-orden. Veeleer zouden wij met het oog daarop
tneenen, dat alleen „de ivijzen en verstandigen" ze kunnen
weten en dat <le ongeletterde geloovige, die niets heeft
dan zijn Bijbel, God niet zou kunnen danken, dat hij
daarin „het lieht op zijn pad en de lamp voor zijnen
voet" heeft.
Maar wij weten beter. Wat waarde en nut kennis
en geleerdheid hebben
— ook en vooral daar, waar zij den
Heer geheiligd zijn — een wetenschappelijke ontwikkeling
is niet onmisbaar, om Christus achteraan te wandelen.
Zoo slecht is de Bijbel niet vertaald geworden, dat de
ongeleerde er Gods ivil niet uit zou kunnen verstaan,
ook waar het geldt de ordinantiê\'n van Zijn liuis.
Jïene vergelijking van dezen druk met den eersten zal
eenige verandering doen zien. Zij werd gemaakt
in de hoop dat daardoor het boekske te beter zou bc-
antwoorden aan het doel, ivaartoe het de wereld inge-
zonden wordt.
Op de laatste bladzijde zijn eenige drukfouten aan-
gegeven, die bij de correctie over \'t hoofd waren gezien.
JJe overige gelieve de lezer goedgunstig te verschoonen.
En nu moge Hij, om wiens wille dit geschrift ver-
vaardigd werd, op nieuw eenigen zegen gebieden over
dezen arbeid, tot verheerlijking Zijns naams door de
verlichting des verstands van zidkcn, die in oprechtheid
Zijnen naam vreeten.
G. V.
-ocr page 11-
INHOUDSOPGAVE.
Blad ss.
De doop van Johannes voor het openlijk optre-
den des Hoeren............      1
De doop van Jezus Christus.........    13
Christus doopt door Zijno discipelen in Judea. . .    18
Johannes\' doop te Enon..........    22
Christus stelt Zijn lijden voor onder het beeld van
een doop...............    28
Do Doop, zooals die vervat is in de opdracht,
welke de Heer onmiddolijk voor Zijno hemcl-
vaart aan Zijue Apostelen gaf.......    20
De doop op den Pinksterdag.........    38
Filippus doopt in Samaria..........    43
De doop van den kamerling\'.........    45
De doop van don Apostel Paulus.......    54
De doop van Cornelius en zijno vrienden . ...    58
De doop van Lydia en haar huis.......    61
Do doop van den Stokbewaarder en zijn huisgezin    67
Paulus doopt te Corintho..........    73
Eenigo discipelen te Efeze, die gedoopt worden . .    79
Schriftuurplaatsen, die eeno bepaalde aanwijzing
bevatten omtrent den vorm des doops ....    81
Occasionieelo vermelding des doops......    88
De doop, vooraf geschaduwd in het Oude Testament    90
BESLUIT VAN ONS ONDERZOEK.
ANTWOORDEN OP DE VOLGENDE VRAGEN.
Wie zijn geroepen en gerechtigd tot den Doop? . .    95
Op wat wijze moet de Dooj) bediend worden? . .    95
Wat is de eigenlijke betcekenis van den Doop? . .    95
Stommen kinderdoopendo Godgeleerden toe, dat in het
N. Testament geen letterlijk uitgedrukt gezag voor
den kinderdoop te vindon is?........    97
-ocr page 12-
Il                                             INHOUD.
Bladz.
Hoe moet dan de tekst verstaan worden: Laat de kin-
derkens tot Mij komon?...........98
Indien het N. Testament geen kinderdoop leert, wat
is dan de grondslag-, waarop geleerde kinderdoopers
die praktijk bouwen............100
Zijn de kinderen der geloovigen niet heilig? . . . 103
Zijn de kinderen der geloovigen niet beter of niet
heiliger, dan die der ongeloovigen?......107
Legt in het verbond met Abraham geen grond voor den
kinderdoop?......■........109
Bracht de Besnijdenis niet in het verbond der Genade? 114
In welken zin is de Besnijdenis een zegel van het
Genadeverbond?.............114
Waarom werd de Besnijdenis aan kinderkens bediend? 116
Blijft het verbond met Abraham van kracht onder de
Evangeliebedeeling?............117
Heeft niet de besnijdenis een typisch karakter? . .118
Is de doop niet een zegel?..........119
Brengt de doop geen „wedergeboorte" aan en brengt
hij ons niet in de Kerke Gods of in hot lichaam
van Christus ?..............121
Lijden ongedoopte kindertjes, die sterven, geen schade
aan hunne zaligheid?............122
Op welk gezag veronderstelt men dat de doop der
kinderen rust?..............123
Wanneer werd de kinderdoop ingevoerd?.....124
Is de overlevering der Apostelen waarlijk de grond-
slag van don kinderdoop?........         . 125
Hoo dachten de kerkvaders, die den kinderdoop voor-
stonden, over die praktijk?..........126
Hoe kon de vereischte belijdenis van zonde en van
geloof in Christus samen gaan met den kindor-
doop?. . . . ,.............128
Denken de hedendaagsche kinderdoopers nog evenzoo
over die instelling als de Ouden?.......129
Waarom moet eigenlijk de Doop bediend worden in
de gemeente van Christus?.........131
Is de kinderdoop niets meer dan een menschelijke
vinding?................133
Hoe spreken de geleerden over de beteekonis van
het woord „Doopen"?............134
Hoe verstaan de Grieksche Christenen het woord
„Doopen!"................134
Doopt de Grieksche Kerk onder alle luchtstreken ? . . 135
-ocr page 13-
III
INHOUD.
Kladz.
Leveren de oudste kerkvaders beslitsto bewijzen voor
den vorm des doops?............135
Stemmen geleerde voorstanders der besprenging toe,
dat de onderdompeling1 de algemeeno praktijk dei-
eerste Christenen was?...........138
Is de Doop des H. Geestes niet eene „Uitgieting\'" en
geenszins eene „Onderdompeling?"......139
Verraadt niet de verachting van den doop door
onderdompeling eene goddelooze waanwijsheid ? . . 140
Hoe lang is de Onderdompeling in algemeon gebruik
gebleven?................142
Wanneer en waarom werd begieten of besprengen
ingevoerd?...............142
In wat gedeelte der Christelijke wereld hoeft men tot
nu too de indompeling blijven aanhouden? . . . 145
Beteekenis van het Orieksche woord Baptizo. . . . 148
Het woord „doopen" mag niet verwisseld worden met
besprengen of begieten...........149
Doopen in water of met water?.......151
Was do Doop van Johannes eene andere dan de
Christelijke?...............152
Was er water tot indompeling op den woeston weg.
(Hand. 8 : 26)?.....■........154
Huisgezinnen zonder jonge kinderen.......154
Zou de meerderheid der Christenen ongelijk hebben
op het stuk des doops?...........156
Zijn de gevoelens dor Baptistennietvan laten oorsprong? 157
Hechten de Baptisten niet te veel waarde aan hun
doop ?.................158
Heeft de onderdompeling niet somtijds ziekte, ja dood
veroorzaakt ?...............159
Het ongerief der onderdompeling....., . . 161
Ligt in de praktijk der geleerde kinderbesprengers;
wier getuigenis de onderdompeling gunstig is, geen
bewijs voor de Schriftuurlijkheid hunner praktijk? 162
Maar het komt toch niet aan op de hoeveelheid waters! 163
Maar ik ben den doop des H. Ueestea deelachtig
geworden!................164
Redenen voor den doop der geloovigen alleen              165
Laatste woord aan den lezer.                                           168
-ocr page 14-
-ocr page 15-
WAT LEERT DE BIJBEL TAN Dl DOOP?
EERSTE HOOFDSTUK.
1. DE ZENDING, DE PREDIKING, EX DE DOOP VAN JOHANNES
DEN DOOPER.
De eerste vermelding, welke de H. Schrift maakt
van. de instelling des Doops, vinden wij in het verhaal
der roeping en werkzaamheid van Johannes, den
wegbereider van Christus. Hij wordt „de Dooper"
genoemd, dewijl hij „op grond van Gods onmidde-
lijk bevel, zonder eenige vergunning of bekrachtiging
van menschen te vragen", (*) optrad, als „gezonden
om te doopen, opdat de Christus aan Israël geopen-
baard zou worden." Hij was dus de eerste, tot de
bediening des Doops bevoegd en gemachtigd, (f)
Al de vier Evangelisten, zoomede de Apostel Pau-
lus geven ons eenig bericht of getuigenis aangaande
Johannes en zijn dienst. Een samenhangend geheel,
uit die verschillende Schriftuurplaatsen gevormd,
wordt nu den lezer voorgelegd, met het oog op de
aan het hoofd dezer afdeeling vermelde orde: Zending^
Prediking
en Doop.
(*) Von Gerlach. Inl. op Joh. 1 : 19—52.
(t) Dat de proselietendoop reeds voor Johannes\' optreden in Isracl
gebruikelijk war, is niet te bewijzen. Meijer zegt: De proselietendoop
is eerst na de verwoesting van Jeruzalem opgekomen. Ook Lightfoot
is van dit gevoelen.— Zie ook Dr. Tijm: „Ue Beteek. v. d. Chr.doop."
1
-ocr page 16-
2
Johannes\' Goddelijke zending: Er was oen menscli
van God gezonden, wiens naam was Johanncs. (Joh 1:6).
Het begin des Evangelies van Jezus Christus, den Zoon van
■God, (was) gelijk geschreven is in de profeten: Ziet, ik zende
mijnen engel voor Uw aangezicht, die Uwen weg voor U
heen bereiden zal. (Mark. I : 1, 2). Het woord Gods ge-
schieddo tot Johanncs, den zoon van Zacharias in de woes-
tijn (Luk. 111:2); want deze is het, van denwelken gespro-
ken is door Jesaja den profeet, zeggende: De stom des
roependen in de woestijn: Bereidt den weg dos Heeren,
maakt Zijne paden recht! (Matth. 111:3). En hij zal velen
der kinderen Israels bekeeren tot den Heer, hunnen God,
en hij zal voor Hem heengaan .... om den Heer toe te
bereiden een toegorust volk (Luk. 1 : 16, 17.)
Johannes\' Prediking: In die dagen kwam Johannes
de Dooper, predikende in de woestijn van Judoa. (Matth.
III : 1). En hij kwam in al het omliggende land der Jor-
daan, predikende den doop der bokeering tot vergeving
der zonden (Luk. 111:3.) en zeggende: Bekeert U, want het
koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. (Matth. III: 2).
Johannes predikte eerst al den volko Israöls vóór Jezus
aankomst den doop der bekecring (Hand. XIII: 24), zeg-
gende tot het volk, dat zij gelooven zouden in Lengene,
die na hem kwam, dat is in Christus Jezus. (XIX : 4).
Hij dan, verkondigde den volke het Evangelie. (Luk. 111:18).
En het volk verwachtte en overleidden allen in hunne
harten van Johannes, of hij niet mogelijk de Christus ware
(Luk. III : 15.). En dit is de getuigenis van Johannes,
toen de Joden eenigo priesters en Levieten afzonden van
Jeruzalem, opdat zij hem zouden vragen: Wie zijt gijV
En hij beleed en loochende het niet en beleed: Ik ben
do Christus niet. En zij vraagden hem: Wat dan?\'zijt gij
Elias? En hij zeidc: Ik ben (die) niet. Zijt gij de profeet?
En hij antwoordde: Neen.... Ik ben de stem des roepen-
den in do woestijn: Maakt den weg dos Heeren recht, ge-
lijk Jesaja, do profeet, gesproken heeft. En zij vraagden
hem en spraken tot hem: "Waarom doopt gij dan, zoo gij
-ocr page 17-
3
de Christus niet zijt, noch Elias, noch de profeet? Johan-
nes antwoordde hun: Ik doop in(*) water; maar Hij staat
midden ondor ulieden, die na mij komt, welke voor mij
geworden is .... Opdat Hy aan Israël zou geopenbaard
worden, daarom ben ik gekomen, doopende in het water
(Joh. 1: 19—31). God zond mij om te doopen in water. (vs. 33).
Johannes\' Doop. En al het Joodsche land ging tot
Johannes uit, en die van Jeruzalem; en werden allen van hem
gedoopt in de rivier de Jordaan, belijdende hunne zonden
(Mark. I : 5.) Hij dan, ziende velen van de Farizeën en
Sadduceën tot zijnen doop komen, sprak tot hen : Gij ad-
deren gebroedsels! wie heeft u aangewezen te vlieden van
den toekomenden toorn? Brengt dan vruchten voort, der
bekeering waardig. En meent niet bij u zelven te zeggen:
Wij hebben Abraham tot een vader, want ik zeg U dat
God zelfs uit deze steenen Abraham kinderen kan vorwek-
ken. (Matth. III : 7—9). Ik doop u wel in water tot bc-
keering, maar die na mij komt, is sterker dan ik, wiens
schoenen ik niet waardig ben Hem na te dragen; die za!
U in den Heiligen Geest en in vuur doopen; wiens wan
in Zijne hand is, en Hij zal Zijnen dorschvloer doorzuive-
ren, en Zijne tarwe in Zijne schuur samenbrengen, en zal
het kaf met onuitblusschelijk vuur verbranden, (vs. 11, 12.)
Uit het Schriftuurlijk verhaal leeren wij duidelijk zien:
Ie. De Goddelijke zending- van Johan-
nes. Hij was „van God gezonden". God verwekte
hem naar Zijn bijzonder voornemen en door Zijne
macht, en stelde hem tot Zijnen bijzonderen dienst.
De lastgeving tot zijn werk ontving hij door een
Goddelijke openbaring: „Het woord van God ge-
(•) De vertaling ,.met water doopen" is niet gelrouw. Zij is een
schikking naar het heerschend gebruik, ook door de vertalers voorge-
staan; een dienstvaardigheid der praktijk. Men kan tetprenotn en
begieten met water, maar doopen niet water is een onmogelijkheid.
De kantteekening van de Statenvertaling op Matth. III : 10 zegt:
»in het Grieksch staat: in het Kater." — Waarom zoo niet vertaald P
-ocr page 18-
4
schiedde tot Johannes" en derhalve was zijn gansche
dienst naar Gods onmiddelijke aanwijzing.
2e Het eigenlijke doel van zijnen dienst,
t. w. „te bereiden den weg des Heeren," d. i. van
Christus, die hem dra volgen zou, overeenkomstig
de profetie. Dit groote doel moest Johannes betrach-
ten: R Door te prediken de noodzakelijkheid der
bekeering. Zijne hoorders moesten hunne schuld voor
God gevoelen, van wege hunne overtredingen Zijner
heilige wet; zij moesten komen tot erkentenis van
hunnen zondigen toestand en tot belijdenis van zonden,
en zoo met verslagenheid des harten „zich bekeeren
tot den Heer hunnen God". 2e. Door de aankondiging
van het nabijzijnde optreden van den lang beloofden
Christus
(Messias). Hij verzekerde den Joden, dat
diens „Koninkrijk nabij was;" en3e. Door hen ernstelijk
te vermanen en te dringen om te gelooven in dengene,
die na hem kwam: d. i. Christus Jezus." Door dezen
arbeid zou hij, onder den zegen Gods, Zijns Zenders,
„den Heer bereiden een toegerust volk." Dit doel
werd dan ook inderdaad bereikt, o. a. bij de eerste
discipelen van Christus, die immers als discipelen van
Johannes den Dooper en op diens aanwijzing tot den
Heiland kwamen. (Joh. I : 35—52).
Uit dit alles blijkt dat het doel van Johannes\' zen-
ding alleenlijk kon bereikt worden in personen, welke
onderscheid kenden tusschen goed en kwaad. Im-
mers zulken alleen konden berouw hebben over hunne
zonden; konden dientengevolge de blijde boodschap
van den nabijzijnden Zaligmaker aannemen en aldus
gemaakt worden tot een „den Heer toebereid volk",
toegerust tot den dienst van Christus, die binnen kort
Johannes zou volgen om het aldus toebereide volk
te ontvangen.
-ocr page 19-
5
3e. De bediening des Doops als volgende
op de prediking yan Johannes; doch al-
leenlijk aan hen, die hunne zonden bele-
den. De bediening van den Doop was in de hemel-
sche lastgeving van Johannes besloten. De Doop was
als een Goddelijke instelling vóór de zending van
Johannes niet bekend onder het volk Gods. Maar.
hij zeide tot zijne hoorders, dat dezelfde God, die hem
gezonden had om den weg des Heeren te bereiden,
hem ook had gezonden om te doopen in water. Ook dit
behoorde tot de toebereiding tot Christus en Zijn rijk,
omdat de Doop een allergeschiktst en sterksprekend
zinnebeeld was om op indrukwekkende wijze de
onreinheid door de zonde
te prediken, zoomede de
reiniging van den boetuaardigen zondaar in dien
weg, dien de Christus, op welken hij wees als „het
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,"
in alle volkomenheid zou openbaar maken. De per-
sonen, die door Johannes gedoopt werden, hadden
zijne boodschap aangenomen. Hij had de bekeering,
den terugkeer tot God en Zijne Wet, als onafwijs-
bare voorwaarde tot deelgenootschap aan het konink-
rijk der hemelen gepredikt. Op waarachtige bekeen
ring drong hij aan. Van de Farizeën en Sadduceën
die „tot zijnen doop kwamen" eischte hij eerst „vruchten
der bekeering waardig", terwijl hij allen anderen
pleitgrond om zich te voegen bij het den Heer toe-
bereide volk verwierp, ook zelf de zoozeer gewaar-
deerde afstamming van Abraham. Wij zien dus dat
Johannes niemand (den Heere Jezus uitgezonderd)
doopte, dan berouwhebbende en ootmoedige zonda-
ren, maar die doopte hij allen. Mattheüs zegt van
dezulken: „Zij werden van hem gedoopt in de Jor-
daan, belijdende hunne zonden (III: 6) en Markus zegt:
-ocr page 20-
6
„Zij -werden allen van hem gedoopt, belijdende hunne
zonden" (1:5). Daarom wordt zijn doop door Mar-
kus (1: 4), Luk. (III: 3), Paulus (Hand. XIII: 24 en
XIX : 4) „de doop der bekeering" genoemd.
Vatten wij dus alles te zamen wat de Bijbel ons
bericht aangaande hen, die door Johannes gedoopt
werden, dan komt dit hierop neer:
De personen — ja, al de personen — die door Jo-
hannes gedoopt werden, hadden zijne prediking aan-
genomen, hunne zonden erkend en tengevolge daar-
van openlijk hunne schuld en berouw voor God, en
hun geloot\' in den Zaligmaker, die Zich spoedig zou
openbaren, beleden. Zulken, wien deze gezindheid
des harten ontbrak en die tot zijnen doop kwamen,
al benepen zij zich op hunne afkomst uit Abraham,
■en om \'t even tot wat stand, richting of partij zij
behoorden, of zij Farizeërs dan wel Sadduceërs wa-
ren, werden algewezen. Verootmoedigde, boetvaar-
dige en berouwhebbende zondaars, die op den Chris-
tus hoopten, en zulken alleen, werden door Johannes
gedoopt.
4e. De wijze of vorm van den door Johan-
nes bedienden Doop. De lezer weet ongetwijfeld
dat er drie verschillende manieren zijn, volgens welke
in verschillende landen en bij verschillende genoot-
schappen bediend wordt, wat men (te recht of te
onrecht) „den Christelijken doop" noemt. Men doet
het of door Besprengen, öf door Begieten, of
door Indompelen. Verder nemen wij aan dat hij
vast overtuigd is van de waarheid, dat het water, op
wat wijze ook gebruikt, geenszins de zonde kan af-
wasschen. Op zich zelf beschouwd, brengt de eene
manier van doopsbediening evenmin eenigen gees-
telijken zegen als de andere. Toch is het een ern-
stige en gewichtige vraag, welke van die vormen
-ocr page 21-
7
Goddelijk gezag heeft. Niemand heeft recht te bewe-
ren wat men zoo vaak hoort: „Het doet er niet toe,
hoe men doopt, het is om \'t even of men besprengt,
of begiet, of onderdompelt." Pas dit beginsel eens
toe op andere inzettingen des Heeren. Veronder-.
stel dat de priester in Israël eens zoo geredeneerd
had en, „doopen", „besprongen" en „begieten", als
in wezen niet verscheiden beschouwende, naar dien
regel had willen handelen in den heiligen dienst.
Hoe zou het hem gegaan zijn? Aan de geloovigen
te Corinthe schreef de Apostel Paulus (I Cor. XI: 2):
„Ik prijs IJ, broeders, dat gij de inzettingen behoudt,
gelijk ik U die heb overgegeven." Verdienen ook
zij dien lof, die de inzettingen niet behouden, gelijk
zij overgegeven zijn? Zoo ja, dan „doet het er ook
niet toe", dan „is het om het even" of Gods goed-
keuring dan wel Zijne afkeuring ons deel is. Sta
eene verandering toe in iets dat God gebiedt, en gij
hebt de deur opengezet voor wat niet al? Alle af-
wijkingen en verderfenissen, die, waar dan ook, met
den Christelijken naam getooid zijn, kunnen dan
goedgekeurd worden en niemand kan zich met eenig
goed gevolg daartegen stellen, tenzij hij de deur ge-
sloten houde.
Hoe, op wat wijs, bediende de „van God gezon-
den" Dooper deze Goddelijke instelling; heeft hij
besprengd, of begoten, of ondergedompeld? Hoe
werd Jezus gedoopt? En hoe hebben Zijne Apos-
telen gedoopt? Die vragen kunnen niet als onbe-
duidend ter zijde geschoven worden door den mensch,
die Gods gebod en het voorbeeld en de praktijk des
Heilands en Zijner Apostelen eerbiedigt.
; Nu zoeken wij eerst de eerste dezer vragen te beant-
woorden; later de beide andere, zoo wij hopen.
-ocr page 22-
8
De Schrift is ons gegeven om ons te doen ver-
staan, wat de Heer van ons eischt. Indien zij ons
in het onzekere laat wat Gods wil is, of indien zij leert
dat God het aan den mensch overlaat hier naar
eigen goedvinden en keus te handelen, welnu, dan
zijn wij aan geen vorm gebonden. Spreekt zij zich
daarentegen duidelijk en beslist uit op dit punt, dan
hebben wij eenvoudig hare aanwijzing te volgen.
Twee vragen doen zich hier als van zelf voor:
I.    Wat is de beteekenis van het woord
„doopen"?
II.  Wat zeggen ons gelegenheid en omstan-
digheden bij Johannes\' doop, omtrent den
vorm zijns doops?
I Doopen beduidt niets anders dan in- of onder-
dompelen. Zulks wordt van allen toegestemd die op de
afkomst van het woord acht geven, daar het afgeleid is
van diep, diepen. Het is een overzetting van het
Grieksche woord ;Ja-rt\'C<«, hetwelk de door Gods Geest
geleide schrijvers gebruikten, waar van de handeling
dezer instelling sprake is, en dat ongetwijfeld die be-
teekenis voor hen had, welke de Grieksche taal er
aan geeft. Vragen wij nu wat de kenners der Griek-
sche taal ons van de beteekenis dezes woords zeg-
gen, dan komt het eenstemmig getuigenis van allen
die op dit gebied eenig gezag hebben, hierop neder:
pa-TiZu> is indoopen, indompelen, onderdompelen.
Uit die menigte getuigenissen halen wij hier slechts
e\'e\'ne aan, omdat in de uitspraak van dezen eenen, die
van elk bevoegd beoordeelaar ligt (*) en wel dat
(*) Dat geleerde mannen van onderscheiden tijden en kerk-
geiootschappen, in wier boezem de besprenging van zuigelingen als
doop wordt voorgestaan, eenzelfde besliste verklaring geven als Prof.
Smart, zie daarover «Het Aanhangsel," hierachter.
-ocr page 23-
9
van Prof. M. Stuart. Deze Hoogleeraar aan het Andover
Theol. Seminarie neemt eene uitstekende plaats in
onder de Presbyterianen, en zijne uitspraken kunnen
dus niet verdacht worden van partijdigheid ten gunste
van de praktijk door indompeling; terwijl zijne ge-
leerdheid en bekwaamheid boven allen twijfel verhe-
ven zijn en zijne werken van den laatsten tijd dag-
teekenen, zoodat hij de bate heeft van al de onder-
zoekingen op dit gebied, zoo van vroegere als late-
re eeuwen. Hij zegt:
„Het Grieksche /3«-r<« (bapto) en jSauzriZut (baptizo)
beteekent indoopen, indompelen of onderdompelen in
een vloeistof. Alle taalgeleerden en critici van eeni-
gen naam stemmen hierin overeen. Mijn bewijs voor
deze opvatting behoeft dus eigenlijk niet geleverd
te worden; maar alleenlijk om der wille van de een-
voudige bevestiging, moet ik des lezers geduld in-
roepen, waar ik hem den uitslag van een onderzoek,
hetwelk geen oorzaak van twijfel zal overlaten, zoo
beknopt mogelijk voorleg".
Dan brengt de Hoogleeraar Grieksche auteurs voor,
te beginnen met Homerus, en geeft zeven en dertig
gevallen aan, waarin het oorspronkelijke woord voor-
komt, telkens in deze beteekenis. Uit Hippocrates
voorbeelden aangevende, zegt hij: „En op gelijke wijze
in alle deelen van zijn boek, in bijna ontelbare gevallen".
De lijst van deze zijne aanhalingen sluitende, voegt
hij er aan toe: Het ware gemakkelijk deze lijst van
getuigenissen voor dit gebruik te vergrooten; maar
de lezer zal zulks niet begeeren".
De Klassieken verlatende en komende tot de Kerk-
geschiedenis, zegt hij:
„De plaatsen of uitspraken, welke melding maken
van indompelen, zijn bij de Kerkvaders zoo talrijk,
-ocr page 24-
10
dat een klein boekdeel zou vereischt worden, alleen om
ze op te noemen". De Hoogleeraar geeft niet één geval
aan, waarbij het bedoelde Grieksche woord gebruikt
wordt in eenigen anderen zin dan van : indompelen.
II. Omtrent gelegenheid en omstandigheden bij Jo-
hannes\' doop merken wij het volgende op.
Vragen wij naar de plaats, waar Johannes den
doop bediende, dan verwijst de Schrift ons naar „de
rivier de Jordaan". (Matth. III: (5) en naar „Enon bij
Salim, dewijl aldaar vele wateren waren". (Job. III: 23)
Verder merken wij op, dat er staat: „Zij werden van
hem gedoopt in de Jordaan." (Matth. 3: 6; Mark. 1:6)
De gedachte dat iemand in het water van cene rivier
zou gaan, om op het voorhoofd besprengd of op het
hoofd begoten te worden, is te ongerijmd om ze te
wederleggen.
Ook wanneer wij achtgeven op Johannes\' eigen
woorden, waar hij over zijnen doop spreekt, moet elke
gedachte aan begieten of besprengen vervallen: „Ik
doop U wel in water" (« ól\'ir:)t niet met water,
zoo als ten onrechte vertaald wordt.
Eenige van de oudste Engelsche overzettingen had-
den in water. Later werd dit in de geauthoriseerde
overzetting\' op last van Koning Jacobus veranderd.
De Vulgata, de Syrische, de Ethiopische overzetting
hebben in water; ook de uitnemend geleerde Dr.
Campbell, (voorzitter van het Marshal College van de
Vrije Schotsche Kerk, te Aberdeen). Deze laatste spreekt
over de ongetrouwe vertaling van(« uddn) aldus : •
„Zoo weinig blijven de laatstgemelde vertalers (zekere
Protestanten) zich gelijk, dat geen hunner geschroomd
heeft (;v rui lopiivï/), over te zetten door „in de Jordaan", hoe-
-ocr page 25-
11
wel niets duidelijker kan zijn, dan dat indien er in de
vertaling in water iets onbehoorlijks is, zulks even zeer het
geval moet zijn met in de JorcLian. Maar zij hebben gezien
dat het voorzetsel in daar niet kon vermeden worden, zon-
der een omschrijving te vorderen, waardoor do afwijking
van den tekst al te sterk in het licht zou treden. Het
woord jSajrrr?«:ii beteekent, èn bij de gewijde schrijvers èn
bij de klassieken, indoopen (to dip); induiken, indompelen
(to plunge); onderdompelen (to immcrse), en werd door Ter-
tullianus, de oudste der Latijnsche Kerkvaders vertaald
door tingere; term gebruikt voor hot verven van kleeding-
stukken, hetgeen geschiedde door indoopen. In alle con-
structies komt het voor in dien zin, het is iv udA?t,iv
T(pIif>3iivTj
(d. i. in water — in de Jordaan.) Maar ik zou
niet veel gewicht leggen op het voorzetsel iv hetwelk
beantwoordende aan het Hebreeuwsch (beth), met kan
beteekenen, zoo wel als in, indien niet de geheele
)) h r as e o lo g i e, waar het deze instelling betreft, mede-
werkte tot handhaving van een en denzelfden zin.
Dien-
overeenkomstig wordt dan ook gezegd, dat de godoopten
(Matth III: 16) „opkwamen" „opklommen" of „opstegen" (arise,
emerge,
or ascend) en Hand VIII: 39. „uit" of „van uit het
water\'\'.
De lezer neme in ernstige overweging wat dezelf-
de schrijver laat volgen:
„Het is te bejammeren, dat wij zoovelo bewijzen hebben
dat zelfs vrome en geleerde mannen hun oordeel laten
verduisteren door de gevoelens en de gewoonten van de
Secte, welke zij de voorkeur geven. De echte partijganger, tot
wat genootschap hij behoore,
wil altoos de uitspraak
des Geestes verbeteren door de leer zijner
partij". (Fovr Gospels; Noot op Matth III: 11),
Tertullianus, die nog geen honderd jaar na den Apostel
Johannes leefde, maakt nadrukkelijk melding van het
volk „hetwelk door Johannes in de Jordaan gedoopt werd"
(Quos Joanncs in Jordane tinxit).
-ocr page 26-
12
Zou het niet ongerijmd zijn het bericht: „zij werden
van hem gedoopt in de rivier de Jordaan", te
veranderen in : zij werden van hem gedoopt met de
rivier de Jordaan ? En indien het onafwijsbaar znoet
zijn „in de Jordaan", dan volgt onmiddelijk dat het
even noodwendig moet zijn „ in ivater". En doopen
in water of in een rivier, waar dat ook geschieden
mag in de wereld, is doopen door indompelen. (*)
Wij geven nu een paar citaten uit de geschriften
van geleerde voorstanders der besprenging ten beste
van den lezer. In ons Aanhangsel hopen wij zoovele
aan te voeren, dat den redelijken lezer geen twijfel
meer overblijven kan, wat hij ook op gezag der tegen-
standers van de praktijk der indompeling aan te
nemen heeft.
O. von Gerlach. (N. Test. met inl. en aant. door
Barbiers) in een noot op Matth. III: 11: „Ikdoop
u met water enz", Woordelijk: „ Ik doop u in water
dat is eigenlijk overal de beteekenis; ook het woord
doopen (eigenlijk diepen) komt van diep".
v. d. Palm geeft bij de woorden „gedoopt in de
Jordaan" (Matth III: 6) deze verklaring: „door ge-
heele indompeling in het water doopen". En bij
Joh. III: 23 : „Johannes doopte in Enon bij Salim,
omdat aldaar veel water was " zegt hij : „Men zou
het woord Enon kunnen vertalen bron-oord; het was
misschien een kleine streek dezen naam dragende,
omdat een rijke bron aldaar een poel vormde, diep
genoeg om eenen doopeling onder te dompelen."
Men wendt van zekere zijde steeds veel moeite aan
om den doop van Johannes te stellen tegenover den
(*) Wij gebruiken gemakshalve den term ndoopen door indom-
pelen", hoewel eigenlijk een ongeoorloofd pleonasme.
-ocr page 27-
13
Christelijken doop. Het ligt niet in ons bestek hier
aan te wijzen wat tegen die bewering kan aange-
voerd worden. Indien de ruimte het toelaat, geschiedt
zulks in het Aanhangsel. Doch nu doen wij onzen
lezer deze vraag:
„Kan iemand, die inderdaad gelooft dat de Bijbel
het eenig richtsnoer voor ons geloof en van onzen
wandel moet zijn, en wien het waarlijk te doen is om
uit het Boek van God de kennis te vergaderen, van wat
Hem behaagd heeft ons tot dat doel daarin te schen-
ken, ontkennen, dat uit alles wat de H. Schrift ons
leert van Johannes en Zijnen doop, onwederlegbaar
volgt:
Ie. Dat Johannes niemand doopte, danzulkenvan
wie hij mocht vertrouwen, dat zij voldoende getuigenis
aflegden van schuldbewustheid voor God en die aan
zijne opwekking tot bekeering en tot geloof in Jezus
gehoor gaven? En
2e Dat Johannes geen enkel boetvaardige heeft be-
sprengd
of begoten, maar dat zij „allen van hem ge-
doopt (d. i. gedompeld) werden in water en in de Jor-
daan?
TWEEDE HOOFDSTUK.
De doop van Jezus Christus volgens de vier
Evangelisten.
De doop van onzen Heiland vinden wij onmidde-
lijk na het voorgaande verhaal van Johannes ver-
meld. De plaatsen, die daarop betrekking hebben,
mogen om de onuitsprekelijke waardigheid van den
Persoon, op wien zij betrekking hebben, wel met
heiligen eerbied en aandacht gelezen en overwogen
worden.
-ocr page 28-
14
„Toen kwam Jezus van Galilea naar de Jordaan tot Jo-
hannes om van hom gedoopt te worden. Doch Johannes
weigerde Hem zeer, zeggende: Mij is noodig van u gedoopt
te worden, en komt gij tot mij? Maar Jezus, antwoordende,
zeide tot hem: Laat nu af; want aldus betaamt ons alle ge-
reehtigheid te vervullen. Toen liet hij van Hem af(Matth
III: 13 - 15). En Jezus word van Johannes gedoojit in
do Jordaan (Mark 1: 9) en gedoopt zijnde, is terstond op-
geklommen uit het water (Matth III: 16). En terstond als Hij
uit het water opklom (Mark 1: 10) en bad werd de hemel geo-
pend en de Heilige Geest daalde op Hem neder in licha-
melijko gedaante, gelijk oene duif, en er geschiedde eene
stem uit den hemel, zeggende :„ Gij zijt Mijn geliefde Zoon,
in U heb ik Mijn welbehagen". En Hij, Jezus, begon om-
trent dertig jaren oud te wezen (Luk III: 21 — 23). En
Johannes getuigde, zeggende: Ik heb den Geest zien nc-
derdalen uit den hemel, gelijk eene duif en bleef op Hem;
en ik kende Hem niet,maar Die mij gezondenhccftomtedoo-
pen in water, Die had mij gezegd: „Op welken Gij den
Geest zult zien nederdalen en op Hem blijven, deze is
het, die in den Heiligen Geest doopt.„ En ik heb gezien
en getuigd, dat deze de Zoon van God is". (Joh 1: 32 —34)
Wat zullen wij, godvruchtige lezer, in dit geval
zeggen van den Persoon, die Zich hier liet doopen?
Wij weten, er zijn niet weinigen, die deze heilige inzet-
ting verachten en beschimpen in de personen, die
er zich aan onderwerpen. Maar welk eene eer valt
haar hier te beurt! Eene eer, die ruimschoots op-
weegt tegen allen werkelijken en denkbaren smaad!
O, dat allen die reden meenen te hebben zich te ver-
maken met, of afkeerig te betoonen van deze Godde-
lijke verordening, het oog slaan op den reinen Zoon
des Menschen, zoo als Hij in de Jordaan afstijgt, om
zich te laten doopen! De Heer der heerlijkheid treedt
in den stroom en laat zich inzinken in den vloed,
-ocr page 29-
15
het beeld van zijn toekomstig graf. En zoo zulk een
blik op Jezus in de Jordaan geen heiligenden indruk
op hem maakt, zoo verneme hij de zichtbare en
hoorbare bewijzen van de goedkeuring des Vaders
en des Geestes, juist bij deze daad des Heilands en
onmiddellijk na de betooning Zijner gehoorzaamheid
aan deze verordening. En dit blijk van welgevallen
geldt niet alleen Hem zei ven, maar allen die geestelijk
met Hem vereenigd, daarom dit Zijn voorbeeld volgen.
Wie tot heden nog tot de verachters van deze heili-
ge inzetting behoorde, moet immers, al deze dingen
overwegende, noodwendig van oordeel veranderen,
en alle tegenwerping tegen de getrouwe naleving van
den doop naar de H. Schrift het zwijgen opleggen.
Bij vier zaken, wenschen wij nu nog even stil te staan.
1. De Beden, waarom Christus zich liet doopen.
Daarover hooren wij:
W i t s i u s: (*) „Onze Hoer wilde gedoopt zijn : om den
doop van Johannes gezag to verleenen; om door Zijn
eigen voorbeeld onzen doop ons te doen waardeeren en
dien te heiligen ; om ons menschen te vermanen dat wij
niet traag zouden zijn om tot den doop den Heeren to komen,
dewijl hij niet aarzelde Zich te onderwerpen aan den doop
van Zijnen dienstknecht; om door Zijnen doop evenzeer
Zijnen toekomstigeu staat als dien Zijner volgelingen voor
te stellen, eerst mderiij daarna heerlijk; nu gering en on-
aanzienlijk, daarna heerlijk en verheven; het eerste aan-
geduid door den ondenjanei, het laatste door het opkomen
— en eindelijk om ons door Zijne vrijwillige onderwerping
aan den doop te verklaren, dat Hij niet vertragen wilde
Zich zelven over to geven, om in de verschrikkingen dei-
hel verzonken te worden, maar met het vaste geloof en
do zekere hoop der Opstanding." (In Pced. Ex. VI p. 147.)
*) Da Costa noemt Witshia- „On/e XeJerlandsclie piiikiheuloog.\',
-ocr page 30-
16
Da Costa: „De vraag, waarom Jozus Zich ook aan den
doop onderwierp, wordt verschillend beantwoord; wij stel-
len het gewichtigste, dat bij de beantwoording van deze
vraag in aanmerking komt, hier voor: lo Do doop van
Johannes heeft dit met den Christelijken gemeen, dat hij
den mensch, daar hij hem onder het water dompelt, als
een verdoemelijk zondaar voorstelt, die om zijner zonde
wil volstrekt den dood verdiend heeft. Terwijl hij hem
echter vervolgens weder uit het water zich laat opheffen,
stelt hij daardoor voor: de verheffing tot een nieuw en
heilig leven. Christus nu had de zonden van Zijn volk
eu van de geheele wereld op Zich genomen. Hij verklaarde
Zich bereid met deze schuld beladen in den dood te gaan,
en liet Zich nu als tot voorafschaduwing, gelijk, later in
werkelijkheid, door Johannes, den man der Wet, voor door
de Wet veroordeelde zondaars in den dood indompelen,
(„gelijk onzo doop een doop is in Jezus dood, zoo was do
Zijno een doop in onzen dood"), om daarna eveneens bij
voorafschaduwing tot hetgeen later met der daad geschied
is, door Zijno eigene kracht (vgl. vs. 16. ,.Hij klom op uit
het water") als uitdelger van zonden en als overwinnaar
des doods weder op te staan."
2.    De Tijd, welken God bepaald had, ter vervul-
ling van do belofte der uitstorting1 des Geestes over
den Christus. Met het oog hierop halen wij de woor-
den aan van den godzaligen
Doddridgc. „Jezus had geene behoefte aan afwas-
sching van zonde ; toch word Hij gedoopt. En God ver-
heerlijkto dezo instelling in zulko mate, dat Hij juist de
vervulling daarvan tot het tijdstip maakte, op \'t welk Hij
den Geest op Jezus uitstortte. En waar kunnen wij deze hei-
ligo uitstorting verwachten, anders dan in eene nauwge-
zetteen ootmoedige betrachting der Goddelijke inzet-
tingen ?"
3. Jezus\' woord tot Johannes: „ Alzoo betaamt ons" enz.
Scott. „Nergens vinden wij, dat Jezus van Zich zelven
-ocr page 31-
17
sprekende, liet meervoud gebruikt; wij moeten dus aannemen
dat Hij ook on Johannes het oog heeft en oj> al de dienst-
kneehten Gods in ondergeschikten zin. Het betaamde
Christus, als onzen Borg en ons Voorbeeld, volkomen
.,alle gerechtigheid te vervullen," en het betaamt ons in
Gods geboden en inzettingen, zonder uitzondering, te
wandelen."
4. De bijzonderheid onmiddellijk volgende op Jezus1
doop,
nl. Zijn „opklimmen uit het water", waaruit
duidelijk blijkt dat Hij er in afgedaald was, zooals
ook uitdrukkelijk vermeld wordt van Filippus en den
Kamerling1 (Mand VIII: 38); een omstandigheid, welke
alleen vereischt wordt tot eene onderdompeling\', en
waaruit wij afleiden dat Jezus werd begraven oï ingc-
doopt
in het water.
V o s s i u s. „Dat Johannes do Dooper en de Apostelen
de personen, die zij doopten, onderdompelden, lijdt geen
twijfel. Want wij lezen aldus: „En zij lieten zich allen
van hem doopen in de Jordaan". „En toen Jezus gedoopt
was, klom Hij terstond op uit het water".
Van Oosterzee. „Aanvankelijk daalde de doopeling
geheel af in het water, gelijk ook do Heer door Johannes
in de Jordaan werd ondergedompeld."
Bisschop Taylor. „Bij do Oude Kerk was de be-
sprenging niet in zwang, maar geschiedde do doop door
onderdompelen, naar den eisch des woords en naar het
bevel en voorbeeld van onzen gezegenden Zaligmaker."
Macknight. „Jezus wilde gedoopt, dat wil zeggen:
door Johannes in liet water begraven en er weder uit
opgeheven worden, als een beeld van Zijn aanstaand ster-
ven en herleven."
Olshausen. „Dat de uitgieting des Geestes niet de onder-
dompeling voorafging, stemt volkomen met het symbolische
karakter der handeling overeen (Verg. Rom. VI: 1, en v. v).
De eene helft der handeling — de onderdompeling —
stelt het negatieve, het wegdoen des ouden levens, (Rom.
2
-ocr page 32-
18
VI : 4) voor; en door do andere helft — het opstijgen —
wordt het positieve, het optreden van den nieuwen mensen,
aangeduid; daaraan moest zich de mededeeling des Geestes
aansluiten."
De lezer kan nu wel niet meer in het onzekere ver-
keeren of de doop des Heeren een voorbeeld zij van
besprenging van zuigelingen of van doop (onder-
dompeling) der geloovigen. Ook zal het wel onnoo-
dig zijn hem nog te bewijzen, hoe gewichtig en ver-
bindend elke plicht ons door Christus\' heilig voorbeeld
worden moet. Terecht zegt Dr. Ryle: „Eene instel-
ling, waaraan de Heere Jezus zelf deelnam, is niet
licht te schatten". En elk stemt ongetwijfeld in met
woorden als deze: „Het voorbeeld van Jezus en Zijne
Apostelen moet door alle eeuwen heen richtsnoer
voor de Kerk zijn" en: „Het voorbeeld van Christus
en Zijne Apostelen is mij meer waardig dan al de
wijsheid van alle menschen op den ganschen aard-
bodem".
DERDE HOOFDSTUK.
Christus doopt door zijne discipelen in judea.
Het nu volgende bevat het eenige bericht van den
doop door onzen Heer of Zijne jongeren gedurende
Zijne omwandeling op aarde, en heeft dus alle aan-
spraak op onze aandachtige overweging\'.
„Na dezen kwam Jezus en Zijne discipelen in liet land
van Judea en onthield zich aldaar met hen en doopte,
(Joh III; 22) En zij kwamen tot Johannes en zeiden tot
hem: Rabbi! die met U was over de Jordaan, dien gij
getuigenis gaaft, zie, die doopt, en zij komen allen tot hem.
Johannes antwoordde en zeide: Een mensch kan geen ding
aannemen, zoo het hem niet uit den hemel gegeven zij.
-ocr page 33-
19
(vs 26, 27) Hij moet wassen, maar ik minder worden. (vs 30)
Als dan do Heer verstond, dat de Farizeën gehoord had-
den, dat Jezus meer discipelen maakte en doopto dan Jo-
hannes (hoewel Jezus zelf niet doopte, maar Zijne diseipe-
len, zoo verliet Hij Judea en ging wederom naar Galilea.
(Joh IV: 1 —3). En Jezus ging wederom over de Jor-
daan, waar Johannes eerst doopte; en Hij bleef aldaar.
En velen geloofden aldaar in Hem" (X: 40, 42).
De inhoud dezer berichten komt eenvoudig-hierop
neer: Jezus komt in het land van Judea en doopt
een aantal discipelen; velen hooren van Hem, en daar
zij zich herinneren wat Johannes van Hem getuigde,
vergaderen zij zich tot Hem; daarop verbreidt zich
overal de mare, dat Jezus meer discipelen maakte en
doopte dan Johannes,
waarop de Zaligmaker, Judea
verlatende, weder naar Galilea trok. Later evenwel
bezocht Hij deze belangwekkende streek op nieuw en
kwamen weder velen tot het geloof in Hem. He
Apostel voegt er bij dat Jezus zelf niet doopte, maar
dat Zijne discipelen deze heilige instelling — natuur-
lijk in Zijnen naam, onder Zijn bestuur en op Zijn ge-
zag — bedienden. Waar het aldus geschiedt, is het als
of de Zaligmaker met eigen handen doopt, en van daar
wordt gezegd: „Jezus doopte".
Het voornaamste, hier op te merken, is, dat Christus
niet doopte, voor dat Hij hoorders tot discipelen had ge-
maakt. Eerst discipelen maken; dan doopen. Hij be-
gon niet met ze te doopen om hen dan te gaan onder-
wijzen; neen, eerst verkondigde hij hun het Evangelie,
en zoovelen geloofden en Zijn woord aannamen, werden
daardoor „discipelen gemaakt". Daarom werd van hen
gezegd: „Zij komen tot hem", d. i: Zij geven gehoor aan
Zijne prediking, en volgen Zijn woord op. Vervolgens
doopte Hij hen.
-ocr page 34-
20
Daar dit alles is wat de Evangelisten betreffende
den doop door Christus, gedurende al den tijd zijner
bediening berichten, zoo is dit gevolgelijk ook alles,
waarin de praktijk des Heilands, ten gids voor Zijn
volk gegeven is.
Eer wij dit hoofdstuk sluiten, gevoelen wij ons ge-
drongen nog een paar opmerkingen te maken omtrent
dezen doop en de beteekenis van het woord „disci-
pelen". Het verhaal zegt: Jezus doopte, en hoewel
daarna gezegd wordt dat „Jezus niet doopte, maar
Zijne discipelen",
zoo zal het wel niemand in de ge-
dachten komen, dat de jongeren op hun eigen hand,
of misschien gedreven door begeerte tot navolging
van Johannes, doopten. Neen, zij bedienden deze hei-
lige verordening onder de regtstreeksche en onmid-
delijke bekrachtiging van Christus zelf. Hun doop
was dus onmiskenbaar de Christelijke doop, gelijk
hij, beide wat de vorm en de personen betreft,
dezelfde was als die van Johannes; anderzins konden
de doop én van Jezus en Zijne jongeren èn van Jo-
hannes niet saam gevat zijn in dezen zin: „ Jezus
maakte en doopte meer discipelen dan Johannes".
De eenswezenheid van den doop van Christus met
dien van Johannes is hier volkomen. Even als Jo-
hannes
maakte en doopte Jezus discipelen; evenmin
als Johannes maakte Jezus discipelen door te doopen.
Ook komt hier klaarlijk uit, hoe gansch ongegrond
sommige verdedigers van den kinderdoop de bewe-
ring aanvoeren: „Christus behoefde de Apostelen
niet met zooveel woorden te gebieden, kinderkens
te doopen, dewijl zij, als Joden, gewoon waren de
kinderen te beschouwen als te behooren bij de
Kerk." — Wij vragen: „ Wie ruaren de apostelen ge-
woon geweest te doopen, zoolang zij met hunnen Heer
-ocr page 35-
21
en Meester, gedurende diens omwandeling op aarde,
verkeerden?"
En de Schrift antwoordt ondubbelzinnig:
Discipelen, even als bij Johannes het geval was. —■
Volkomen gegrond is derhalve wat met het oog
hierop aangevoerd wordt door
Calvijn. — „Het is dus zeer zeker dat de bediening van
Johannes geheel dezelfde was, als later aan de Apostelen
opgedragen werd... Johannes en de Apostelen verkon-
digden éénzelfde leer; beiden doopten tot bekeoring; beiden
tot vergiffenis van zonden; beiden doopten in den naam
van Christus, van wien bekeering en vergeving van zonden
voorkomt.....Niemand late zich dus in verwarring bren-
gen door de pogingen van oude schrijvers (*) om den eenen
doop van den anderen te onderscheiden en te scheiden;
want hun gezag mag niet van zulk een invloed zijn, dat
daardoor ons vertrouwen in de Schrift geschokt wordt."
Maar: Moeten de kinderen der geloovigen niet als
discipelen aangezien worden? — Laat ons op deze
vraag het antwoord van Jezus zelf vernemen:
„Wie zijn kruis niet draagt en Mij navolgt,
die kan Mijn discipel niet zijn". (Luk. XIV: 27)
Om dit woord van Jezus krachteloos te maken
(ten einde ook zuigelingen bij de discipelen te kun-
nen tellen), wordt gewezen op uitspraken der Schrift,
die van „ontrouwe discipelen" handelen, en wordt
beweerd dat b. v. „Mattheus niet onderwezen was,
toen de Heer hem riep." (f) Maar „ontrouwe dis-
cipelen" gelijk te stellen met „zich onbewuste zui-
gelingen" en te bewijzen dat Mattheus niets van Je-
zus en Zijne leer wist, toen Deze hem riep, zal ook
(*) En van zoovele nieuwere, die, waarin zij overigens van hen ver-
schillen, hierin maar al te gretig de oude navolgen, om ook daardoor,
het ga hoe het ga, een steuntje voor hun praktijk te vinden?
(f) Zie o. a. Dr. Tijm in zijn „De Beteekenis v. d. Chr. Doop."
-ocr page 36-
22
den bekwaamsten drogredenaar wel wat moeielijk val-
len. Discipel, zooals iedereen weet, is slechts een
ander woord voor leerling; en een zuigeling tot leer-
ling
te maken gaat toch niet aan.
Het is goed, de verklaring en beteekenis van
wat Jezus verstaat door Zijne discipelen, ons door
Hem zelven te laten geven, en niet door zekere klasse
van Schriftgeleerden, opdat wij voor ongerijmdhe-
den bewaard blijven.
Wat men ook aanvoere ten gunste van den kin-
derdoop, te vergeefs zal men in het Voorbeeld of de
Praktijk van Christus eenigen steun daarvoor zoe-
ken. Een woord van een der uitnemendste Godge-
leerden onder de voorstanders van den Kinderdoop,
halen wij, ten slotte, hier nog aan:
T. Scott. „Do doop van Jezus word zonder twijfel
alleen aan volwassenen bediend". (Aanm. op Joh 111:22-24)
VIERDE HOOFDSTUK.
De laatste doop van Johannes te Enon.
De eerste Schriftuurplaats, welke wij nu in be-
trekking tot ons onderwerp vinden, is vrij beknopt?
hoewel van veel gewicht, wat betreft de wijze des
doops.
„En Johannes doopte ook in Enon bij Salim, dewijl
aldaar vele wateren waren; en zij kwamen daar en wer-
den gedoopt". (Joh. III : 23)
Aangaande de personen, van welke hier gezegd
wordt, dat zij door Johannes gedoopt werden, zien
wij ons geen nadere beschrijving geschonken. Er
wordt van hen gezegd: „Zij kwamen daar" evenals
de boetvaardige Joden te voren tot den Dooper aan
-ocr page 37-
23
de Jordaan gekomen waren. Voorts heet het even
als van deze: „Zij werden gedoopt." Daarin ligt dui-
delijk opgesloten dat het hunne eigene vrijwillige
daad
was, aldus deze heilige ordinantie te zoeken;
en gevolgelijk moeten zij dus te voren onderwezen
zijn geworden.
Maar, gelijk wij zeiden, deze plaats is van veel
gewicht wat den Vorm des doops betreft, omdat hier
wordt aangegeven de Reden, welke Johannes de
streek deed verkiezen, waar wij hem nu het hem van
God opgedragen werk zien voortzetten. Hij „doopte in
Enon bij Salim, omdat aldaar vele wateren waren."
Geen eerlijk Christen kan, dunkt ons, iets inleggen
tegen deze
Gevolgtrekking: Indien Johannes eene plaats
koos met het doel om te doopen, het oog hebbende
op een noodzakelijk vereischte bij de bediening
dier inzetting, nl. „omdat daar vele wateren waren",
dan was er voor zijnen doop veel water noodig.
Maar veel water is niet noodig om iemand te bespren-
gen of te begieten, en bijgevolg doopte Johannes
door Onderdompeling. Rivieren of plaatsen waar
„vele wateren" zijn, worden toch niet opgezocht met de
bedoeling om iemand, jong of oud, te besprengen.
En al ware dit nu eens zoo, dan toch zeker niet,
omdat daar „vele wateren" zijn. Houden wij ons nu
eenvoudig aan de rechte beteekenis van het woord
„doopen", dan wordt alles klaar en duidelijk.
De lezer verleene aandacht aan hetgeen wij ook
op dit punt als het gevoelen van voorstanders der zui-
gelingen-besprenging aanvoeren.
Kanttoekenaars Statenvertaling. „Enon, d. i.be-
ken, of riviertjes, of veel water; omdat degenen, die van
-ocr page 38-
24
Johannes gedoopt werden, met hun geheelo lichaam in
het water gingen".
Calvijn. — „Uit deze woorden (Joh III: 23) kunnen
wij leoren, dat de doop door Johannes en Christus door
de indompeling des geheelen lichaams onder het water
werd ten uitvoer gebracht."
v. Meijer —„Johannes doopte ook nog daarom in Enon,
bij Salim, wijl daar vele wateren waren; geno<y om onder
te dompelen."
Olshausen. — „In do nabijheid doopte ook Johannes,
omdat daar vele diepe wateren waren, geschikt om onder-
dompeling te doen plaats vinden."
(*)
Algemeen bericht over het gevolg
der zending van Johannes.
Wat wij in het onmiddelijk voorafgaande behandel-
den, betrof het laatste bericht van den doop van
Johannes; dies schijnt het ons niet ongeschikt toe
nu even stil te staan bij wat over Jezus\' voorloo-
pers en wegbereiders arbeid geoordeeld werd.
„Jezus zeide tot do overpriesters, en de ouderlingen, en
de schriftgeleerden: Ik zal U ook een woord vragen: ant-
woordt mij ook:.. . De doop van Johannes was die uit den
hemel, of uit de menschen? antwoordt mij. En zij over-
leiden onder zich, zeggende: Indien wij zeggen: Uit den
(*) Er zijn onder de voorstanders der besprengiug, die beweren dat
de uitdrukking „vele wateren" betrekking heeft op vele ondiepe beek-
jes en dat dm hier aan geen doop kan geducht worden. Deze op-
merking wordt hun voldoende wederlegd door wat bun geleerde mede-
stander Pr. Doddridgc in zijne verklaring van Job. III : 23 zegt:
..Johannes doopte toen ook in Enon — en hij koos die plaats meer be-
paald omdat daar een groote hoeveelheid water was, waardoor zij zeer
geschikt was voor zijn doel." Niets is inderdaad duidelijker dan dat
SSara TtoXXa vele wateren een groote hoeveelheid loaler beduidt, daar het
somtijds gebezigd wordt voor den Eufraat (Jer. LI : 13 Septuag).
Ook in Openb. XVII : 1 wordt, naar ik veronderstel, hierop gezin-
speeld. Vergel. Ezeeh. XUI1 : 2 en Openb. I: IS; XIV: 2; XIX: 6
waar de stem van vele wateren ongetwijfeld het geraas eener hoog-
gaande zee beteekent.
-ocr page 39-
25
hemol, zoo zal hij zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet
geloofd? Maar indien wij zeggen: Uit de mensohen: zoo
vreezen wij het volk: want zij hielden allen van Johannes,
dat hij waarlijk een profeet was. En antwoordende, zeiden
zij tot Jezus: Wij weten het niet". (Mark XI: 29 — 33)
„En al hot volk (hem) hoo rende, en de tollenaars, die
mot den doop van Johannes gedoopt waren, rechtvaardigden
God. Maar de Farizoën en do Wetgeleerden hebben den
raad Gods tegen zich zelven verworpen, van hem niet
gedoopt zijnde". (Luk VII: 29 — 30)
„Voorwaar ik (Jezus) zeg U: Onder die van vrouwen
geboren zijn is niemand opgestaan, meerder dan Johannes
de Dooper". (Matth. XI: II)
„Johannes de Dooper is gekomen, noch brood etende,
noch wijn drinkende; en gij zegt: Hij heeft den duivel".
(Luk VII: 33)
Uit deze Schriftuurplaatsen leeren wij o. a. het
volgende:
1.    De Verlosser kende Johannes eene eere-
plaats toe onder alle Gods dienstknechten; de wereld
had, zoo getuig\'de Jezus, nooit uitnemender man gezien.
2.  Uit de reden, welke Jezus bewoog de vraag
omtrent Johannes\' doop aan de Joden voor te stel-
len, en uit die vraag\' zelve, blijkt duidelijk dat die
doop „uit den hemel" was. Indien de doop van Jo-
hannes ontleend was aan den Joodschen proselieten
doop,
dan zou hij „uit de menschen\'1 geweest zijn (want
God had immers nooit dien proselieten doop veror-
dend). Maar dan zouden de vijanden des Heeren deze
vraag ook zonder aarzelen hebben kunnen beant-
woorden, en niet noodig gehad hebben, na al hun
overleg, het te doen voorkomen, alsof onwetendheid
hen verhinderde een beslist oordeel te vellen.
3.  Al het volk (Hem) hoorende, en de Tollenaars,
die met den doop van Johannes gedoopt waren,
-ocr page 40-
26
„rechtvaardigden God", d. i: „Zij keurden den weg
van God, in het prediken en doopen van Johannes,
goed; en dit hadden zij bewezen, dewijl zij „metden
doop van Johannes gedoopt waren". Daarentegen
hadden de lieden van godsdienstiger reputatie „de
Farizeën
en de Wetgeleerden", de rechtzinnigen en
ontwikkelden onder het volk Gods, den dienaar Gods
en diens boodschap tegelijk verachtende, „den raad
Gods tegen zichzelven verworpen,
van hem niet
gedoopt zijnde". Hier leert Jezus duidelijk dat de
ordinantie des doops een deel was van „den raad
van God", d. i: van wat Hij wilde en beval. En voor
zoo veel deze inzetting veracht wordt, voor zoo-
veel wordt de raad van God „verworpen", en
nadrukkelijk voegt de Heer er bij dat lieden, die
aldus tegenstaan wat God gebiedt, zulks doen, „tegen
zich zelven".
Erasmus. „Aan de woorden van Johannes heeft het
slechte en ruwe volk gehoor gegeven; ook hebben de
tollenaars, krijgslieden en hoeren het gehoor gegeven, die
zich haastten tot don doop van Johannes, bekennende dat
zij zondaars waren, en begeerden van do zonden afgewas-
schen te zijn. Alzoo hebben zij Gods gerechtigheid heer-
lijk gemaakt, als zij hunne eigene ongerechtigheid beken-
den ... Daarentegen de Farizeën, de Schrift- en Wetge-
leerden, alzoo ze zich schamen hunne boosheid te bekennen,
zoo hebben zij God liever tot een leugenaar willen maken,
dan de waarheid aannemen, en daarom hebben zij zich
verontwaardigd van Johannes gedoopt te worden tot hun
eigen zelfs verderfenis."
Hobinson: „Het blijkt niet dat Johannes personen
van stand of aanzien heeft gedoopt. Grooto namen kunnen
wij onder zijne bekeerlingen niet aanwijzen. De Farizeën,
die in grooten roep van vroomheid stonden, en do Wet-
geleerden, beroemd van wege hunne godgeleerde kennis,
-ocr page 41-
27
verwierpen Gods raad door Johannes, en werden niet van
hem gedoopt. Deze omstandigheid, evenwel, kan bij den
menschenkenner niet het geringste vooroordeel ten 011-
gunste van het werk van Johannes verwekken."
Dezelfde: „Die zich bij Johannes aansloten behoor-
den tot het „gewone volk," tot die klasse, welke boven
alle andere, het meest geneigd is tot vrij onderzoek. Il»
het Koninkrijk der hemelen, hetwelk Johannes predikte,
waren rang en aanzien niets; uitnemende talenten waren
niets. Geloof en bekeering waren onmisbare vereischten
tot den doop; want bij Johannes werd aan geen vergelijk
gedacht, en bij zijne bekeerlingen werd geen blindo bij-
geloovigheid gevonden. De personen, welke Johannes
tot een volk vormde, onderscheidden zich door drie karak-
tertrekken: n 1: vrijheid, godsvrucht en kloeken zin."
Menken. „God recht geven en zich zelven onrecht;
of wat hetzelfde is: aan alle waarheid, aan allo bescha-
mende, rechtende, verootmoedigende waarheid recht geven
tegenover zich zelven; zich onder allo waarheid veroot-
moedigen, zich naar alle waarheid richten, dat is: van
gezindheid veranderen, zich omkeeren, zich bekeeren.
Het volk boog zich onder de snijdende en brandende
woorden van den profeet... De Farizeën en Schriftge-
leerden waren echter niet willens zich naar de waarheid
te richten; de waarheid moest zich naar hen schikken.
En omdat de waarheid dat niet deed, zoo als zij trouwens
naar haren aard nooit doen kan, keerden zij haar den rug
toe. Dwazen en blinden! als of de waarheid er bij ver-
liezen zou, wanneer menschen haar niet willen"
Burkitt: „Anderen verwierpen den, raad Gods, d. i.
den geopenbaarden wil Gods, dewijl zij weigerden door
Johannes gedoopt te worden. — Wij maken ons niet min-
der schuldig aan het verworpen van Gods raad, wanneer
wij ons in tijden van vervolging schamen den Heer te
belijden, dan wanneer wij ons niet onderwerpen aan de
heilige inzettingen en geboden des Heeren."
-ocr page 42-
28
VIJFDE HOOFDSTUK.
CHRISTUS STELT ZIJN LIJDEN VOOR ONDER HET BEELD
VAN „EENEN DOOP."
„Maar Jezus antwoordde en zeide: Gijlieden weet niet,
wat gij begeert: kunt gij den drinkbeker drinken, dien ik
drinken zal, en mot den doop gedoopt worden, waarmede
ik gedoopt worde? Zij zeiden tot Hem: Wij kunnen. En
Hij zeide tot hen: Mijnon drinkbeker zult gij wel drinken
en met den doop, waarmede ik gedoopt worde, zult gij
gedoopt worden; maar hot zitten tot mijne rechter- en
tot mijne linker(hand), staat bij mij niet te geven, maar
(het zal gegeven worden) dien het bereid is van mijnen
Vader." (Matth, XX: 22, 23. Verg. Mark. X: 35, 40).
„Maar ik moet met oen doop gedoopt worden; en hoe
worde ik geperst, totdat het volbracht zij!" (Luk. XII: 50.)
In deze aandoenlijke en hartroerende woorden
wijst de Zaligmaker op de zwaarte van Zijn nade-
rend lijden, hetwelk Hij zinnebeeldig" „een Doop"
noemt. Van zelf doet zich hier de gewichtige vraag
voor: Is het besprenkelen van het voorhoofd met
eenige droppelen water, of wel het geheele inzinken
en overstroomen van het geheele lichaam in dat ele-
ment een geschikt beeld van de groote mate des
lijdens Christi?
De volgende uittrekselen zullen zonder twijfel het
gevoelen ook van u, lezer, wedergeven:
O. voii Gerlach. „De doop, waarvan Jezus hier gewaagt,
herinnert aan oene geheele onderdompeling in hot lijden.
Onder dat zinnebeeld spreekt de Heer van Zijnen bloe-
digen dood".
V. d. Palm: „De doop, die bij indompeling geschiedde,
was oen gepast boeld van eene overstelping van rampen,
eindigende in dood en ondergang".
-ocr page 43-
29
Witsius. „De onderdompeling in water moet hier
worden aangemerkt als een zinnebeeld van dien schrik-
kelijken afgrond, in welken Christus voor een tijd lang
als verslonden werd om dor wille onzer zonden; zoo als
Hij in David, Zijn voorbeeld, klaagt: Ik ben gekomen in
de diepte der wateren en de vloed overstroomt mij".
H. Trelawnay: „Hier, dit moet ik bekennen, hebben
onze broederen Baptisten het recht aan hunne zijde; want
des Verlossers lijden kan niet vergeleken worden bij eenigo
weinige droppelen water op het gelaat gesprengd ; immers
Hij werd gedompeld in droefenis en Zijne ziel was omringd
van vervarenissen.
Gevolgtrekking1. — Indien naar de bedoe-
ling van onzen Heer de doop een zinnebeeld moest
zijn van de overstroomende di o \'fenissen Zijner ziel,
in den hof en aan het kruis, dan wordt deze
Zijne bedoeling1 verijdeld door de verwisseling van
indompeling met besprenging. En dit toegestaan
zijnde, — en het kan toch niet geloochend worden —
welk godvruchtig Christen kan dan zonder diepe
smart aan zulk eene verwisseling denken? ,
ZESDE HOOFDSTUK.
De Doop, zooals die vervat is in de opdracht,
welke de Heer onmiddellijk vóór Zijne
Hemelvaart aan Zijne Apostelen gaf.
Het tot hiertoe door ons gehouden onderzoek
heeft ons doen zien, dat reeds vóór Jezus openbaar
optreden de doop door God zelf was ingesteld en
dat de invoering daarvan was opgedragen aan Jo-
hannes den Dooper, den Voorlooper en Wegberei-
der van den Zone Gods. Ook hebben wij bevonden
-ocr page 44-
30
dat deze van God gezonden Dooper niet doopte dan
op belijdenis van zonden en geloof in Dengene, die
na Hem kwam, dat is in Christus Jezus.
(Hand.
XIX : 4) Verder deelde de gewijde geschiedenis ons
mede, dat door Christus en Zijne Apostelen in lee-
ren en doopen eenzelfde orde werd gevolgd, t. w.:
eei*st discipelen maken en dan doopen. Nu willen
wij nagaan wat de Heer, in het laatste bevel dat
Hij Zijnen jongeren gaf, gebood omtrent den doop
in verband met de prediking des Evangelies en de
vorming Zijner Gemeente.
Bij de Evangelisten Mattheüs en Markus vinden
wij het verhaal, daarop betrekkelijk:
„En de elf discipelen zijn heengegaan naar Galilea, naar
den berg, waar Jezus hen bescheiden had. En als zij
Hem zagen, baden zij Hem aan; doch sommigen twijfelden.
En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen: „Mij is ge-
geven alle macht in hemel en op aarde. Gaat dan henen
onderwijst al de volkon, (*) dezelve doopendo in den naam
des "Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lee-
rende hen onderhouden alles wat ik U geboden hob. En
ziet ik ben met Ulieden al de dagen, tot de voleinding
der wereld". (Matth. XXVIII: 17 - 20)
„En Hij zeide tot hen: Gaat heen in de goheole wereld,
predikt het Evangelie aan allo kreaturen. Die geloofd zal
hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden. Die niet
geloofd zal hebben, zal verdoemd worden". (Mark XVI:
15,16) De Heer dan, nadat Hij tof hen gesproken had, isopge-
nomen in den Hemel, en is gezeten aan de rechter/tand Gods.
De Verlosser had nu den doop des lijdens door-
gestaan. Onder den vloed van den toorn Gods had
Hij der zondaren rantsoen opgebracht. Daarna was
Hij zegepralend opgestaan en nu staat Hij gereed
(*) Beter vertaald : Maakt alle volken tot discipelen.
-ocr page 45-
31
in Zijne heerlijkheid op te varen. Overeenkomstig
Zijn bevel zijn Zijne jongeren op den berg te Galilea
bijeengekomen. De plechtige ure des aficheids is aan-
gebroken. De laatste woorden zullen hun van Zijne
gezegende lippen toevloeien. Wij mogen ons onge-
twijfeld verzekerd houden, dat zij Hem met heiligen
ernst en diepen eerbied hebben aangehoord, gelijk
wij er niet minder zeker van kunnen zijn, dat de
Heer dit Zijn laatste bevel in duidelijke en klare
bewoordingen heeft uitgesproken, daar het toch niet
minder dan de geheele werkzaamheid Zijner afge-
zanten regelde en bepaylde, zoomede de vorming
en leiding Zijner Gemeente.
Laat ons, waarde lezer, eveneens met diep ontzag
acht geven op deze afscheidsrede van onzen Ver-
losser. Men zegt zoo vaak: de laatste woorden van
beminde kinderen Gods zijn en blijven altoos heilig.
Hoeveel te meer moet zulks het geval zijn met de
laatste woorden van den dierbaren Verlosser, die
meer liefheeft dan een broeder!
God beware ons, dat wij zouden toegeven aan
eenige neiging om dit bevel des Heeren te wijzigen
of om te zetten! Wie mag aan de gemeente Gods
bevelen geven, dan alleen Hij, die gehoorzaam ge-
worden zijnde tot in den dood des kruises, daarom
een naam heeft ontvangen boven allen naam en Die
door God gesteld is tot het Hoofd Zijner Gemeente?
Hij zelf zegt dat Hem „alle macht is gegeven in den
hemel en op aarde." Buigen wij ons dan met diepen
eerbied voor Hem neder en hooren wij wat Hij ge-
biedt, biddende bereid te worden bevonden om alles
te verloochenen wat daartegen strijdt.
Het bekende woord: „De Bijbel is zijn eigen en
beste uitlegger" geldt ook hier. Wat ons bij den eenen
-ocr page 46-
82
Evangelist misschien minder duidelijk of volkomen
voorkomt, wordt ons door den anderen verklaard
of aang-evuld. En zulk een uitlegging geldt toch
zeker voor den liefhebber van Gods Woord meer
dan die van al de critici te zamen.
Wanneer wij de woorden der lastgeving bij Mat-
theüs en Markus met het oog op de orde: Prediking
en Doop, te zamen voegen, dan verkrijgen wij dit geheel:
(raat dan henen in de geheele wereld tot alle vol-
ken; maakt discipelen door de prediking van het
Evangelie aan alle creaturen; doopt wie gelooft, in
den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heili-
<x;en Geestes en hij zal zalig worden. (*)
Wij zouden niet aan het einde komen, indien wij
de uitleggers, mannen van gezag ook onder de kinder-
(*) H i n t o n zegt: „Het woord in Matth. XXVIII: 10 overgezet door
..onderwijzen" (Grieksche ftadljTtUW) komt ook voor in Matth. XIII: 52
„ieder schriftgeleerde onderwezen in het koninkrijk der hemelen»; in
Matth. XXVI1: 57, waar Jozef van Arimathea genoemd wordt een „disci-
pel van Jezus» en Hand. XIV: 21: „Als hij die s\'.nd het Evangelie
verkondigd eu vele discipelen gemaakt" had. Dit zijn al de gevallen,
waarin het werkwoord mathrleiio in het Nieuwe Testament voorkomt.
Lenoir zegt: „Het is van belang op te merken dat het woord dis—
ripel,
dat ruim 2ö0 maal in het N. T. voorkomt, nooit eenvoudig een
hoorder des woords beteckent, die door een samenloop van omstan-
digheden, of door den wil van anderen in aanraking met het Evangelie
gekomen is: noch ook dezulken, tot wie de Apostelen voor liet eerst
de boodschap des hcils brengen, al wordt dat woord, zooals te Beren,
met ingenomenheid ontvangen. liet dient integendeel altijd en overal
ter aanwijzing van hen, die het Evangelie gehoord en aangenomen hebben:
die in staat gesteld om Christus als hunnen Heer te keren kennen,
zich aan Hem verbinden en tot gehoorzaamheid aan Zijnen wil zich
verplichten; en die dus overtuigd van de voortreffelijkheid des Chris-
tendnms, zich onder het geval van \'s Heilands volgelingen en belijders
scharen, en niet zich vergenoegen met een gewillig en lijdelijk
aanhooren van de waarheid, die hun van Christus wege aangekondigd
wordt. Kortom : diseijtelea in evangelischen zin, zijn geene scholieren,
die eene les leeren, waarvan zij de beteekenis en strekking niet ver-
>taan; het zijn aanhangers en rolyelingen. Zoo hoort — om meteen
enkel voorbeeld de zaak nog duidelijker te maken —geheel Jeruzalem
-ocr page 47-
83
doopers, wilden aanhalen, die onvoorwaardelijk toe-
stemmen, dat Jezus in dit bevel verordende, dat het
discipelschap den doop moest voorafgaan, evenals
zulks tot op dien tijd toe de regel geweest was van
Zijnen voorlooper, van Hem zelven en van Zijne
discipelen.
Wij wilen slechts een paar van die getuigenissen
aanhalen.
Baxter, hoewel zelfkinderdooper, laat zich aldus uit:
..Gaat dan henen en maakt alle volkeren tot discipelen,
dezelve doopende" enz."— Zij, die beweren, dat de men-
sfhen dooi* den doop tot discipelen gemaakt worden,
en niet voor den doop, houden zich niet aan den zin
van den tekst; niet aan hetgeen waar en redelijk is —
anderszins waarom zou de een gedoopt worden en niet
de ander? In deze Schriftuurplaats hebben wij niet een
occasioneele, in den loop van een geschiedverhaal voor-
komende, vermelding van den doop; maar zij behelst de
eigen lastgeving van Christus aan Zijne apostelen om te
prediken en te doopcn, en wijst voorbcdachtelijk hunne
verschillende werkzaamheden in hare door Jezus gestelde
orde aan.
Hun eerste taak is: door onderwijzing of prediking dis-
cipelen te maken; welke discipelen bij Markus geloovigen
genoemd worden. Hun tweede werk is: de discipelen of ge-
loovigen te doopon, waaraan de belofte der zaligheid toe-
gevoegd is. Het derde werk: hen te leeren onderhouden
alle andere dingen, die verder in de school van Christus
te leeren zijn.
de prediking van den Duoper, en zouden dus ook de Farizeën feitelijk
als zijne scholieren zijn te beschouwen, maar zij worden louh niet
gedoopt, noch ook tot zijne discipelen gerekend .... En zoo kunnen
ook de Farizeën, die zoo menige ernstige bestraffing van Jezus ont-
vangen, de verklaring atieggen, dat allen die Jezus aanhingen, Zijne
discipelen mochten heeten, maar dat zij zelven verlangden discipelen
van Mozes te blijveu. (Joh. IX : 28.)
3
-ocr page 48-
34
Deze orde te minachten (let wel, lezer, wat
clease jyodvnielitijye kindcrdooper nu.
nog: verder asejyt), jg aue regelen van orde te ver-
loochenen ; want waar kunnen wij verwachten haar te vin-
den, zoo niet hier? Ik beken, dat ik in mijn geweten door
dezen tekst ten volle overtuigd ben dat geloof, ja zaligmakend
geloof den doop moet voorafgaan, en dat de die-
naar van het Evangelie het belijden er van moet afwachten."
Van Oosterzee: „Het eerste doopsbevel had bepaald
het oog op volwassenen en werd ook aan deze volvoerd." (*)
Goszner: „Het geloof wordt door den Heiland den
doop vooraf gezet, wijl Zijne oogen in de eerste plaats
naar het geloof zien, en degenen die gedoopt worden, vóór
alles in Hem moeten gelooven;
zoo zou voor zulken do doop
een zegel zijn, gelijk Abraham de besnijdenis ontving, tot
een zegel des geloofs, dat hij reeds deelachtig was vóór
de besnijdenis.
Saurin: „In de eerste kerk ging het onderwijs den
doop vooraf, overeenkomstig het bevel van Christus: Gaat dan
heen, onderwijst alle volken, dezelve doopende, enz"
Calvijn : ^Dewijl Christus beveelt het onderwijs aan
den doop te doen voorafgaan en Hij alleen geloovigen tot den
doop toegelaten wil hebben, zoo schijnt het dat de doop
niet recht bediend wordt, tenzij het geloof voorafga."
Hiëronymus — (de meest geleerde der Latijnsche Kerk-
vaders): „In de eerste plaats leeren zij al de volkeren; dan,
nadat zij onderwezen zijn, doopen zij hen; want het is on-
gerijmd, dat het lichaam het sacrament des doops ontvange,
wanneer niet de ziel van te voren het ware geloof is deel-
achtig geworden".
Er zijn al heel wat pogingen aangewend (zie o. a.
in Dr. Tijms „Beteekenis van den Christelijken
Doop") om dit woord van Jezus om te zetten
(*) De Hoogleeraar vindt in deze lastgeving des Heeren zeer ten
onrechte het „eerste\'\' doopsbevel. Opmerkelijk dat nooit door hem werd
aangewezen het „tweede" doopsbevel. hetwelk „het oog oj> zuigelingen hü&."
-ocr page 49-
35
in: Maakt hen tot discipelen door ze te doopen. (*)
Maar is het mogelijk een volwassen persoon tot dis-
cipel te maken, in wat zin een Christen dien term
dan ook neme, door hem met of tegen zijnen wil te
doopen? Zoo niet, hoe kan dan, waar zulk eene
toediening des doops een volwassene laat gelijk hij
is, een zuigeling tot discipel gemaakt worden door
die handeling ?
Voorts bedenke men nog, hoe weinig het zich ver-
wachten laat, dat de Zaligmaker juist in dit laatste
bevel, hetwelk, gelijk wij reeds opmerkten, al den
arbeid Zijner dienstknechten regelt, eene zoo gewich-
(*) Wij kunnen niet nalaten het volgende staaltje metle te deelen
van de wijze, waarop rechtzinnige schriftgeleerden het aanvatten om
het volk duidelijk (?) te maken, op wat grond de zoogenaamde kin-
derdoop rust.
Pengilly deelt de schets mede eener leerrede van Ds. Si me on
van Cambridge. De tekst is Matlh. XXVJII : 19. Het tweede punt: de
last welken Jezus de apostelen opdroeg. Ie. Zij moesten alle volkeren
onderwijzen; 2e. zij moesten hunne bekeerlingen doopen in den naam
der Heilige Drieëeuheid fSacrcd Three). Daarop voegt de prediker er
bij: „Maar hoewel zij eerst volwassenen onderwezen en ze dan doop-
tcn, zoo keerden zij deze orde om met betrekking tot kinderen.
Dezen laatsten zin lezende, zal menig lezer met verbazing vragen :
Wie keerde deze orde om? Het antwoord is hier: zij: d. i. de Apos-
telen. Welke orde keerden de Apostelen om? is de tweede vraag.
Het antwoord luidt: De orde van Jezus Christus, t. w. eerst: onder-
wijzen, en ten tweede doopen.
Vreeselijke gedachte! Hier komt het woord te pas van een ander
godgeleerd voorstander van den kinderdoop, Arch. Hall. «Wie
is de vermetele worm des stofs, die het durft wagen de verordeningen
te veranderen van Hem, die der Gemeente gegeven is boven alle
dingen...? Zijne heilige geboden worden niet ontsierd door die on-
volkomenheden, welke ook de best ontworpen stelsels van menschen
aankleven en die daarom naar verbetering doen vragen. Het is hoogst
gevaarlijk en aanmatigend eenige ceremonie of eenige zelf gekozen
plechtigheid aan de ordouanlicn des Hemels toe te voegen." (Aanm.
op Matth. XXVIII : 18, 19).
Wie het meent te mogen doen, die zie toe voor zichzelven; masr
wij bidden u, lezer, ban uit uw hart elke gedachte, als zouden de
Apostelen zich veroorloofd hebben, huns Meesters bevel en inzetting
te veranderen. Zoo iets doen getrouwe knechten des Ileeren niet.
-ocr page 50-
36
tige nieuwigheid zou invoeren, als den tot op dien
oogenblik bij Zijne apostelen geheel onbekenden
Kinderdoop, zonder zulks in duidelijke en klare
woorden uit te spreken. Het betrof hier toch niet
minder dan de samenstelling van Zijne Gemeente!
En dan zij ook nog opgemerkt dat de verklaring:
„Maakt alle volken tot discipelen, dezelve doopende,
d. i. door ze te doopen," even onhoudbaar is als dat
men den zin: „Johannes kwam in de woestijn,
predikende" veranderde in: Johannes kwam in de
woestijn, door te prediken. Wat een waarlijk niet
ten gunste van den doop der geloovigen partijdig
getuige hiervan zegt, diene tot bewijs.:
Dr. A. Kuyper. — „Gaat nu henon en onderwijst alle
volkeren, dezelve d. i. de discipelen geworden personen, doo-
pende enz." In onze vertaling\' (de Statenvertaling) maakt
het den indruk als of de woorden: „dezelve doopende", te-
rug1 slaan op alle volken" en dus wil zeggen „alle volken
doopende". Dit is intusschen niet zoo. Er staat abroóf
en niet aóza d. w. z. een mannelijk en g^een onzijdig
voornaamwoord, terwijl toch „allo volken" in het Grieksch
ovengoed als in onze eigen taal van onzijdig\'en geslachte
is. „Dezelve" mag dies, zonder meer, volstrekt niet van
„alle volken" in absoluten zin verstaan worden."
Wat betreft de vraag of de woorden: „In den naam
des Vaders, èn des Zoons, èn des Heiligen Geestes"
eene door Jezus bepaald gewilde formule aangeven,
gelijk velen meenen, zulks is even moeielijk te bewijzen
als dat door het „in den naam van den Heere Jezus"
bij het doopen in Hand. VIII: 16 eene formule
wordt aangegeven. In elk geval voert Jezus hier-
mede geenen nieuwen doop in.
Ten slotte nog een bedenking en hare oplossing.
Soms wordt aangevoerd: „Jezus heeft bevolen: On-
-ocr page 51-
37
derwijst alle volken, dezelve doopende, enz.; de
kindertjes maken een deel der volkeren uit; bijge-
volg is ook hun doop bevolen." Tegenover dit ge-
voelen slechts deze vraag: Op wie had de Heiland
het oog, als Hij zeide: „Onderwijst alle volkeren"?
De lezer antwoordt ongetwijfeld: Op zulke personen,
die in staat waren onderwijs te ontvangen, en dus
niet op kinderkens, die niet kunnen verstaan, wat gespro-
ken wordt. Is dit nu waar — en wie zal zulks tegen-
spreken? — dan moet onze Heiland ook diezelfde per-
sonen op het oog hebben, wanneer Hij terstond daarop
laat volgen: dezelve doopende. En daar onderwijzen
het doopen voorafgaat, zoo zegt Mattheus in eenigs-
zins andere woorden wat Markus aldus uitdrukt:
Predikt het Evangelie aan alle kreaturen (d. i. alle
redelijk schepsel, dat bekwaam is die prediking aan
te hooreri);
die geloofd zal hebb en en (daarna) gedoopt
zal zijn, die zal zalig worden.
Met het oog op dat onbetwistbare voorafgaan des
geloofs aan den doop zegt dan ook de Hervormer
Luther. „Vragen wij wie de personen zijn, die ontvan-
gen wat do doop geeft en aanbrengt, dat wordt ten nauw-
keurigste en duidelijkste uitgedrukt in de woorden: „Die
geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden",
d. i. Het geloof maakt de personen alleen waardig het god-
dolijko water ten zegon te ontvangen; want aangezien
zulks hier in de woorden bij en met het water voorge-
dragen en beloofd wordt, kan het niet anders worden
ontvangen, dan waar wij zulks van harto gelooven. Zon-
der geloof is het tot niets nut,
moge het ook in zich zelven
eene goddelijke, overheerlijke schat zijn ... Dit staat nu
eenmaal vast: wat geen geloof is, dat is tot niets nut en
ontvangt ook niets."
Ingevolge de lastgeving van Christus bij Zijne
-ocr page 52-
38
hemelvaart werden dus nooit personen gedoopt, die niet
konden weten wat zij deden; even zoo min als het
ooit te voren geschied was door \'s Heeren discipelen of
door Zijnen voorlooper. Waar men dus later ooit kinder-
kens gedoopt heeft, heeft men zich moeten beroepen op
iets anders dan deze lastgeving. Wij willen nu nagaan,
hoe en aan wie, blijkens de Schrift, de Apostelen na
Jezus verhooging ten hemel den doop hebben bediend.
Mochten wij in eenigerlei opzicht \'s Heeren wil in deze
zaak niet verstaan hebben, dan zal hunne handelwijze —
immers zij zijn gansch getrouwe dienstknechten ge-
weest — onze dwaling in helder licht stellen. Hebben wij
wij daarentegen \'s Heeren bevel begrepen, dan moet hun
voorbeeld onze opvatting rechtvaardigen en bevestigen.
NEGENDE HOOFDSTUK.
De Handelingen der Apostelen.
Dit boek is geschreven door Lukas den Evangelist,
die ooggetuige was van vele daarin vermelde feiten,
aangezien hij een metgezel en medearbeider van den
Apostel Paulus was. Wat hij in de inleiding op zijn
eerste boek als doel van zijn schrijven aangaf, n. 1.
de zekerheid te doen kennen van de dingen des
Christendoms, mag ongetwijfeld ook hier vertrouwd
worden. En daar bovendien Lukas behoort tot hen,
die wij erkennen door den Geest Gods geinspireerd
te zijn, zoo kunnen wij ons in alles veilig verlaten op
wat hij ons mededeelt.
In dit boek treffen wij negen gevallen van doops-
bedienmg aan.
I. De Doop op den Pinksterdag.
Op dezen gedenkvvaardigen dag, tien dagen na
Jezus hemelvaart, behaagde het God Zijne belofte
-ocr page 53-
39
van de zending des Heiligen Geestes aan de jonge-
ren te vervullen, terwijl zij met elkander te Jeruza-
lem waren. Door de wonderwerking des Geestes
werden zij gedreven, in menigerlei talen te spreken
tot de menigte van uit allerlei volken te Jeruzalem
vergaderde Joden, zoodat een iegelijk dezer hen
in zijne eigene taal de groote werken Gods hoorde
verkondigen. Toen nu sommigen begonnen te spot-
ten, trad Petrus op en hield een indrukwekkende
toespraak, in welke hij de Joden beschuldigde, den
Heer der heerlijkheid gekruisigd te hebben;maar —
voegde hij er bij — God heeft Hem, als Heer en
Christus, aan Zijne rechterhand verhoogd. Daarop
volgen de verzen, die op den doop betrekking heb-
ben en de personen beschrijven, welke den doop
ontvingen.
„En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het
hart en zeiden tot Petrus en de andere Apostelen: Wat
zullen wij doen, mannen broeders? En Petrus zeide tot
hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in
den naam van Jezus Christus tot vergeving der zonden;
en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen. Want
u komt de belofte toe en uwen kinderen en allen die daar
verre zijn, zoovelen als er de Heer, onze God, toe roepen
zal". (Hand. II: 37, 39) „Dio dan Zijn Woord gaarne aan-
namen werden gedoopt, en er werden op dien dag toe-
gedaan omtrent drie duizend zielen. En zij waren vol-
hardende in de leer der Apostelen, en in de gemeenschap
en in de breking des broods en in de gebodon. (vs. 41,42)
„En zij prezen God, en hadden genade bij het gansche
volk. En de Heer deed dagelijks, tot de Gemeente, die
zalig werden." (vs. 47).
Wij hebben nu na te gaan, hoe de apostel Petrus
Zijns Heeren laatste bevel opvolgde.
-ocr page 54-
40
Hij begint met prediking en maakt met geen enkel
woord melding van den doop, voor en aleer onder
zijne hoorders sommigen zich openbaren als blijkbaar
beantwoordende aan den door Jezus gestelden eisch
„die gelooft". Deze personen worden gedoopt. Het
verhaal beschrijft hen voorts als zulken die
Ie. Diep verslagen waren door de hun voorgestelde
waarheid en dientengevolge vroegen: „ Wat zidlen
wij doen?"
2e. Vermaand werden tot verzaking hunner zonden:
„Bekeert u\\"
3. De boodschap des heils gaarne aannamen en
daarop gedoopt en der Gemeente toegedaan werden en
4e. Volstandig bleven in de leer en de praktijk
des Evangelies.
Van al deze bijzondere trekken is niet een enkele
toe te kennen aan kinderkens, die nog niet weten dat
zij leven. Evenwel in het 39ste vers komt een woord
voor, \'t welk door de voorstanders van den kinderdoop
nog al eens aangevoerd wordt tot verdediging van
die praktijk t. w. „U komt de belofte toe, en Uwen
kinderen."
Men wil daaruit afleiden, dat de Apostel
verwijst naar een of andere belofte, krachtens welke
kindertjes den doop toekomt. Tot waardeering van
dit gevoelen lette men op de drie volgende bij-
zonderheden:
Ie: De belofte, op welke zich de Apostel beroept,
heeft geen betrekking op zuigelingen; want zij spreekt
van de gave des Heiligen Geestes met de daaraan
gepaard gaande uitwerkingen, voor welke zulke jonge
kinderen niet vatbaar zijn.
De lezer weet immers dat de toeschouwers ver-
baasd waren over de uitwerkingen, bij deze gelegen -
heid te weeg gebracht door de gift des Geestes.
-ocr page 55-
41
Om hun de oorzaak hunner verbazing te verklaren,
verzekert de Apostel hun (vs. 16—18), dat dit de
vervulling was van Joël\'s profetie: „Ik zal Mijnen
Geest uitgieten over alle vleesch, en
Uwe zonen en
Uwe dochteren zullen profeteeren" enz.
(Joel II: 28.) Als hij vervolgens een indrukwekkende
rede uitgebracht hebbende, bemerkt dat zijne hoor-
ders diep bewogen en verbaasd, ja verslagen van
hart geworden zijn, wijst hij hen andermaal en wel
met het oog op hun eigen belang, op wat door Joel
toegezegd ivas,
op die belofte, zeggende: „Bekeert
U... en gij zult de gave des Heiligen Geestes ont-
vangen, want — dat is de grond, waarop ik u zulks
verzekeren mag — de belofte is voor u en voor Uwe
kinderen." Welnu daar de gift des Geestes, met
zijne wonderwerkingen, de beloofde zaak is en daar
zuigelingen voor die gift onvatbaar zijn, zoo kan de
belofte ook geenszins kinderkens gelden.
De volgende geleerde kinderdoopers spreken zich
hierover aldus uit.
Dr. Whitby. — „Uit deze woorden kan het recht om kin-
derkens te doopen niet bewezen worden; dcar de belofte
hier bedoeld gecne andere is dan die des Heiligen Gees-
tes, vermeld in het 16e, 17e en 18e vers, on dus alleenlijk
betrekking hebbende op de tijden va.i wonderbare uit-
storting des Hoiligen Geestes, en op die personen, welke,
ingevolge hun leeftijd, vatbaar waren voor deze buiten-
gewone giften."
Dr. Doddridge. „Z>« belofte is voor Uen Uwe kinderen.
In overweging nemende dat de gift des Geestes juist te
voren vermeld is, schijnt het allernatuurlijkste deze woor-
den te houden voor eene verwijzing naar dio uitspraak
in Joel, welke zoo breed is aangehaald in het 17 vers
e. v. v., waar God de uitstorting des Geestes belooft op
hunne zonen en dochteren."
-ocr page 56-
42
Kantteekenaars Statenvert. — „Uwen kinderen,"
d. i. „Uwen zonen en dochteren, gelijk er staat in
Jeël 11:28."
2e. Het woord in den grondtekst waa, bij ons door
„kinderen" overgezet, beteekent nakroost, nakome-
lingschap, en niet juist kleine kinderen.
Limborch. — „Onder rexwa verstaat de Apostel niet
kinderen, maar nakomelingen; deze beteekenis heeft dit
woord op verscheidene plaatsen in het N. T; b. v. Joh.
VIII: 39: „Indien gij Abrahams kinderen waart, zoo zoudt
gij de Wirken Abrahams doen." Daarom is het zonneklaar
dat het argument, hetwelk zoo dikwijls aan deze plaats tot
verdediging des kinderdoops ontleend wordt, geene kracht
heeft en gansch nutteloos is."
Hammond. — „Wanneer er zijn, die zich ton gunste
van den kinderdoop beroepen op Hand. II: 39, zoo kan ik
niets tot hunne verdediging bijbrengen. Het woord „kin-
deren" daar ter plaatse ziet inderdaad op de nakomeling-
schap der Joden, en niet bijzonder op hunno zuigelingen."
Is ons dus uit alles duidelijk gebleken dat Petrus
onder Uwe kinderen in de belofte van Joel verstaat:
„zonen en dochteren, die profeteeren en jongelingen die
gezichten zien zullen"
zoo hebben wij
3e. Voorts ook te bedenken, dat de woorden des
Apostels, welke onmiddelijk volgen, zijn eigen opvat-
ting der geheele zaak zeer beslist bepalen. Immers hij
zegt: „U komt de belofte toe en uwen kinderen en
allen die daar verre zijn, zoo velen er de Heer onze
God
toeroepen zal." Geen Christen zal toch beweren,
dat de gave des Heiligen Geestes, hier beloofd, aan de
Joden en hunne kinderen en allen die daar verre zijn,
zonder eenige beperking, is toegezegd. „De Heilige
Geest," om des Apostels eigen woorden bij eene andere
gelegenheid te gebruiken, „wordt alleen geschonken
-ocr page 57-
43
„dengenen, die God gehoorzaam zijn," (Hand. V : 32.)
gelijk ook Jezus zeide: „De wereld kan Hem niet
ontvangen." (Joh. XIV : 17.)
v. d. Palm. — „Zoo velen de Heer onze God daartoe
roepen zal" d. i. die God tot de gemeenschap des Evan-
geliums zal noodigen, en die deze roeping volgen zullen."
M. Henry. — „Bij dit algemeene, houde men de volgende
beperking in het oog: zoo velen hunner,]d.i. zoovele bijzondere
personen onder alle volken, als de Heer onze God kraeht-
dadig zal roepen
tot de gemeenschap van Jezus Christus."
Gevolgtrekking. Uit alles blijkt duidelijk dat op
dezen Pinksterdag niemand werd aangemoedigd om
op den doup te hopen, dan alleen zulken bij wie het
openbaar werd dat de prediking der waarheid doel
getroffen had. Wij lezen dan ook dat werkelijk geene
anderen gedoopt werden dan „die het woord gaarne
aannamen."
„Die dan zijn woord gaarne aannamen
werden gedoopt." Tot zoo ver en geen stap verder
leidt ons onze gids, t. w. het Woord van God.
II. FlLIPPUS DOOPT IN SAMARIA.
„En Filippus kwam af in de stad Samaria en pre-
dikte hun Christus. En do scharen hielden zich een-
drachtelijk aan hetgeen van Filippus gezegd werd, de-
wijl zij hoorden en zagen de teekenen die hij deed" (Hand.
VIII : 5, 6). En er werd groote blijdschap in die stad
(8) Toen zij Filippus geloofden, die het Evangelie van
het Koninkrijk Gods en van den naam van Jezus Chris-
tus verkondigde, werden zij gedoopt, beide- mannen en
vrouwen. En Simon geloofde ook zelf, en gedoopt zijnde
bleef gedurig bij Filippus, en ziende de teekenen en groote
krachten, die er geschiedden, ontzette hij zich"\'. (12, 13.)
Zoowel bij deze gebeurtenis, als bij de vorige, is de
last des Heeren letterlijk opgevolgd. Filippus begon
zijn werk in Samaria door Christus te prediken. De
-ocr page 58-
44
Samaritanen werden grootelijks verblijd èn door die
prediking1, èn door de teekenen, die haar vergezelden.
Van den doop evenwel wordt geen melding gemaakt,
dan voor zij de prediking van het Evangelie des
koninkrijks geloofden; toen werden zij gedoopt, beide
mannen en vrouwen."
Indien het nu de wil van Christus ware, dat
kinderkens gedoopt zouden worden en indien het
waar ware, dat de Apostelen, evenals tegenwoordig
zoovele zendelingen onder de Heidenen, gewoon
waren kindertjes tegelijk met hunne ouders te doopen,
dan moest — indien er onder deze mannen en
vrouwen, te Samaria waren die kinderen hadden,
hetgeen toch zeker voor hoogst waarschijnlijk ge-
houden mag worden — Filippus ook die kleinen
gedoopt hebben,(*) maar indien hij mannen, vrouwen
en kinderen gedoopt had, zou er dan aan gedacht
kunnen worden, dat de door Gods Geest geleide
geschiedschrijver, die toch zekerlijk in zijn tweede
boek, even als in zijn eerste, begeerde te vermelden
„al hetgeen door Jezus beide gedaan en geleerd was,"
en die hier ongetwijfeld niet minder nauwgezet te werk
(*) Pengilly merkt hierbij aan: In de verslagen, welke wij van
de kinderdoopende zendelingen onder de Heidenen omvangen, berich-
ten onze broederen ons even zoo het aantal kinderen, als dat der
volwassenen, door hen gedoopt. 13. T.: In een zendingsbericht uit
Zuid-Afrika lees ik: „Gedurende dit jaar werden 20 volwassenen en
21 kinderen gedoopt". Een bericht uit West-Afrika luidt : Septr. 3
Znndait. „Ik predikte enz. en daarna doopte ik 23 volwassene): en 3
kinderen. Op den eer-ten Zondag de/er maand doopte ik \'Ai volwas-
senen eu hunne kindereu; tS in het geheel", De zendeling Mault iu
Ilindo tan schreef: ,,I)e vorige maand doopte ik 5 volwassenen en 4
kinderen". De Eerw. Hartf\', Zuidzee-eilanden s „30 personen werden aan
de gemeente toegevoegd en een aantal gedoopt, waaronder lfi kinderen."
Zijn zulke berichten niet gansch natuurlijk, waar men den kinder-
doop huldigt ? En van waar door de geheele geschiedenis der Apos-
tolische werkzaamheid heen, zulk een volkomen zwijgen op dit punt?
Eenvoudig omdat de praktijk der Apostelen niet die der kiuderdoopers was.
-ocr page 59-
45
ging", als toen hij „alles van voren van naarstiglijk
onderzocht" had, zijnde het zijn bepaalde bedoeling
dat zijn lezer „de zekerheid kennen mocht van de
dingen," wij zeggen: zou er dan aan gedacht kunnen
worden, dat hij van de drie klassen der gedoopte
personen twee bij zonderlijk vermelden zou en de
derde verzwijgen?(*) Dit zou ten eenenmale
onbegrijpelijk zijn en daarom maken wij deze
Gevolgtrekking. — Dewijl de Evangelist
bericht: zij die Filippu* geloofden, die het Evangelie
van het koninkrijk Gods en van den naam van Jezus
Christus verkondigden, werden gedoopt, beide mannen
en vrouwen; en dewijl hij, indien de kinderen van
die mannen en vrouwen ook gedoopt waren, zulks
mede had moeten vermelden om een getrouw en
volkomen verslag te geven van dit geval; doch integen-
deel deze dan zoo natuurlijke en noodige bijvoeging
niet maakt, zoo ligt daarin van zelf opgesloten, dat
alleen geloovige mannen en vrouwen gedoopt
werden te Samaria; dat geene kinderkens deze ordon-
nantie met hen ontvingen en dat derhalve de praktijk
des kinderdoops in dien tijd nog niet bestond.
Een onbevangen lezing van dit verhaal van Lucas
moet volstrekte instemming verwekken met hetgeen
van deze doopelingen gezegd wordt door
Da Costa. „Deze menigte van mannen en vrouwen, die
op de prediking van Filippus den doop vrayenen ontvangen.
III. De doop van den Kamerling.
Deze Kamerling was een man van hoog aanzien
in Ethiopië en waarschijnlijk een Jodengenoot. Hij
(*) Als een bijdrage tot (Ie vergezochte en gansch ongegronde rede-
neeringen, waanoe men komen moet om dit getuigenis der Schrift Ie
verduisteren, zie men o. a. Dr. Tijm in zijn meergenoemd werk »De
Heteekenis van den (\'hrislelijken Doop" over Hand. 8 : 12.
-ocr page 60-
46
kwam terug van Jeruzalem, waar hij had aange-
beden, toen Filippus op Goddelijke aanwijzing zich
bij hem voegt, terwijl hij in de profetie van Jesaia
de zoo welbekende woorden las: „Hij is als een schaap
ter slachting geleid".
Op de vraag van Filippus, of
hij verstond hetgeen hij las, drukt hij zijne begeerte
naar nadere onderrichting uit en verzoekt hij Filippus
zich naast hem in den wagen te zetten. Aan dat ver-
zoek werd voldaan en
„Filippus deed zijnen mond open, en beginnende van
diezelfde Schrift, verkondigde hem Jezus. En alzoo zij
over weg reisden, kwamen zij aan een zeker water; en
de kamerling zcide: Ziedaar water, wat verhindert mij
gedoopt te worden? En Filippus zoido: Indien gij van
ganscher harte gelooft, zoo is het geoorloofd. En Wj,
antwoordende, zeide: „Ik geloof, dat Jezus Christus is
de Zoon van God." En hij gebood den wagen stil te hou-
den, en zij daalden beiden af in het water, zoo Filippus,
als de kamerling, en hij doopte hem. En toen zij uit het
water opgekomen waren, nam de Geest des Heoren Filip-
pus weg, en de kamerling zag hem niet meer; want hij
reisde zijnen weg met blijdschap" (Hand. VIII: 35—39).
Na de lezing van dit verhaal zal wel niemand
eenige nadere aanwijzing behoeven, dat Filippus ook
hier handelde overeenkomstig des Heilands lastgeving
bij Zijne hemelvaart. Wij hebben hier ook een duidelijk
voorbeeld, hoe de Apostelen handelden, voor zij
iemand tot den doop toelieten. Ware Filippus de
leer en de praktijk des doops van zoovele voorgangers
in later tijd toegedaan geweest, dan zou hij den Ka-
merling daartoe wel gerechtigd hebben geacht, zoodra
deze hem bekend werd als iemand, die naar Gods
Woord wilde luisteren. „Indien," zegt Lenoir, „het
genoeg is dat men zich een scholier betoont, die
-ocr page 61-
47
begeerig is de waarheid te leeren kennen, dan had
de kamerling wel zonder voorafgaande belijdenis des
geloofs gedoopt kunnen worden, getuige zijn reis
naar Jeruzalem en het lezen van den profeet Jesaia,
waarmede hij zich op den weg bezig hield. Toch doopt
Filippus hem niet, alvorens hij van zijne lippen de
belijdenis heeft gehoord: „ik geloof." Dit is de vaste
regel, waaraan de Apostelen zich hielden; maar die
regel is ook de verklaring van den zin, waarin de
Apostelen de woorden van hunnen Meester hebben
opgevat."
Behalve deze geneigdheid tot de waarheid bij den
Kamerling zou ook nog de rechtstreeks Goddelijke
toeleiding tot zijne onderwijzing gevoegd kunnen wor-
den en — waar niet minder mede gerekend mocht
worden — zijn ernstige begeerte naar den doop. Maar
toch wilde, toch durfde Filippus hem niet doopen,
alvorens hij openlijk beleed „van ganscher harte te
gelooven"
De dienstknecht dos Heeren hield er zich
ongetwijfeld aan, dat Christus deze ordonnantie voor
zulken, en voor zulken alleen, had ingesteld. Door
niets kan duidelijker bewezen worden, dat e ene
verklaring of belijdenis des geloofs
onafwijsbaar noodig was vóór den Doop.
Die beweren, dat dienstbaren en kinderen in dien
tijd gedoopt werden met en om der wille van het ge-
loof van ouders of meesters, zouden een moeilijke
taak te vervullen hebben, indien zij in dit geval eenigen
grond voor hun gevoelen moesten aanwijzen. Welk
een ongerijmdheid toch: aan te nemen dat de knechten
des kamerlings zonder eenige belijdenis of onderwij-
zing tot den doop zouden toegelaten zijn, terwijl het
hun vromen meester niet vergund werd, voor en aleer
hij een vrijwillige en openlijke belijdenis van zijn ge-
-ocr page 62-
48
loof in Christus afgelegd had! Maar Filippus doopte
niemand dan den kamerling en daaruit mogen wij
veilig besluiten, dat de Apostelen „zulke gewoonten
niet hadden, noch de gemeenten Gods."
De Protestantsche verdedigers van den doop
der kinderen en dienstbaren met en om hunne ouders
en meesters schijnen weinig besef te hebben van den
afgrond, aan welks rand zij zich begeven, wanneer
zij spreken van zulk doopen op het geloof van een
familiehoofd naar analogie van de wet der besnijdenis.
Terecht wordt daaromtrent opgemerkt door
Dr. Kendrick.— „Dat een vrouw, welke nog zoo even
aan Juno had geofferd; dat dochters, die zoo even hare
gelofte aan Venus betaald hadden; dat zonen in wier
handen nog even te voren de offergaven aan Mars gedra-
gen werden; dat dienstboden, die dagelijks Mercurius, den
God der dieven, als hun schutspatroon aanriepen; dat al
deze lieden, alleenlijk op of om het geloof van een of
twee waarlijke bekeerde personen, de zoo pas gegronde
Christelijke gemeente met een breeden stroom van het
ruwste heidendom zouden overzwalpt hebben, is een zoo
ongerijmd en onbekookt denkbeeld, dat ik openlijk ver-
klaar, het voor onmogelijk te houden, dat één onder duizend,
die den doop van huisgezinnon als oorspronkelijk Chris-
telijk gebruik handhaven, zoo iets rverkelijk zou gelooven.\'
Dit in betrekking tot de vraag: Wie gedoopt
moet worden? Ook met het oog op de vraag: Hoe
moet gedoopt worden ? bevat ons verhaal belangrijke
wenken, omdat gelegenheid en omstandigheid in dit
geval nauwkeuriger worden medegedeeld dan ergens
elders in de Schrift. De lezer merke op de volgende
zaken:
a. Indien besprengen of begieten de vorm des Doops
ware, door Christus verordend, en door de Apos-
-ocr page 63-
49
telen gevolgd, zoo bedenke men dat wij, op het meest
voldoend gezag ons verzekerd moetende houden dat
reizigers door deze woeste streek „nooit verzuimen"
zich te voorzien van gevulde waterraten voor hunne
tochten en dat deze voorzorg „beslist noodzakelijk"
is, ook zonder aarzelen kunnen aannemen, dat de
Kamerling alles bij zich had, wat tot de bediening
dezer ordinantie vereischt werd, en hij dus niet noodig
had te wachten totdat
„zij aan een zeker water
kwamen". Met het oog daarop, zegt, zich tevens
beroepende op het reisverhaal van Dr. Shaw,
Dr. Doddridge. — Hot zou geheel onnatuurlijk zijn
aan te nemen, dat Filippus en de kamerling alleen daarom
in het water afstegen, opdat de eerste een weinig daar-
van in de hand name, om dat over den Kamerling uit
te gieten. Een man van zoo aanzienlijken stand had\' on-
getwijfeld op zulk een reis door een woest land allerlei
vaatwerk bij zich; een voorzorg, beslist noodzakelijk en
nooit nagelaten door reizigers in die streken". Zie Dr.
Shaw\'s Reuen,
b.    Het verhaal bericht ons, evenwel, dat zij voort-
reisden, totdat „zij kwamen (i*( rt SrJw/,) aan een zeker
water."
En het blijkt voorts duidelijk, dat de aanblik
van dit „water"(*) bij den kamerling den plotselingen
uitroep verwekte : „Ziedaar water, wat verhindert mij
gedoopt te worden?" Hoe dwaas zou zulk een
woord geweest zijn, indien water, hetwelk hij bij zich
in den reis wagen had, voldoende geweest ware !
c.   Maar laat ons eens voor een oogenblik aanne-
men, dat de kamerling zich niet had voorzien van
(*) v. d. Palm: Waarschijnlijk een kom, waarvan het water zich
uit een nabijgelegen bron verzamelde. Men toont thans nog zulk een
water op den weg tusschen Gaza en Jeruzalem en houdt het voor
hetzelfde, waarin de kamerling gedoopt is."
Zie verder hierover liet Aanhangsel.
4
-ocr page 64-
50
water voor zijnen tocht, of door een ander ongeval
er van beroofd was geworden, dan zou het nu, toen
zij aan „zeker water" gekomen waren, gemakkelijk
en ook alleszins te verwachten geweest zijn, dat
een zijner bedienden hem zooveel bracht als tot be-
gieten of besprengen noodig was, zonder dat hij
of Filippus zich naar het water behoefde te bege-
ven. Toch, hoewel hij „gebood den wagen stil te hou-
den" wordt van zulk een bevel niets vernomen. Maar
d.    Den wagen verlatende „daalden zy beiden af
in het water" (stt to üdu/>) in aquam. Wij bemerken
dus, dat het niet genoeg was, te komen tot het ivater,
hetgeen zoo vaak als de zin van den oorspronke-
lijken tekst voorgesteld wordt; want dat was natuur-
lijk geschied, eer zij er in konden afdalen. Maar er
is hier een tweede bijzonderheid — nadat zij tot het
water
gekomen waren, daalden zij er in af.
e.   De door Gods Geest geleide schrijver voegt er
nog bij, dat het niet de kamerling alleen was, die in
het water afdaalde, want „zij daalden beid en af," en
dit wordt, als om een einde te maken aan alle moge-
lijken twijfel of spitsvondige tegenspraak, nog nader
herhaald door het „zoo Filippus, als de kamerling."
Ziedaar opnieuw en in het helderste licht voorgesteld
de wijze des Doops, door den Zoon van God bepaald,
zoodat die instelling hier niet kon bediend worden,
tenzij Filippus den kamerling vergezelde in het water.
f.    En nu in dezen stand — beiden zich in het
water bovindende en daarvan omringd — „doopte hij
hem" d. i. dompelde hij hem in het water. Tot deze
plechtige handeling waren de te voren vermelde om-
standigheden noodzakelijk; maar voor andere zoo-
genaamde doopvormen zouden zij ongerijmd zijn
geweest.
-ocr page 65-
51
g. „Toen" — nadat aan de Goddelijke ordinantie
voldaan was — „toen" zoo gaat het verhaal voort
„zij uit het water waren opgekomen, (s* roij oiarot) nam
de Geest des Heeren Filippus weg." Toen werden
zij gescheiden, om elkander waarschijnlijk niet weder
te zien, dan voor het aangezicht van Hem, Wiens ge-
bod zij nu zoo van ganscher harte hadden geëerd.
Niet gemakkelijk zal men zich eene meer volkomen
beschrijving kunnen voorstellen van de wijze of den
vorm der heilige inzetting des Doops. En al ware het nu,
dat de Bijbel ons niet meer dan dit eene geval gaf,
zoo zou het ons voldoende zijn; omdat niemand,
redelijker wijze, verwachten kan bij elk bijzonder
geval een bijzondere beschrijving van de uiterlijke
gestalte des Doops te ontmoeten. Geschiedt dit ook
maar eenmaal, en nemen wij aan dat de Apostelen
met elkander overeenstemden ook in de praktijk, dan
moeten wij van zelf tot het besluit komen, dat even
als zij slechts „Eénen Heer" en „Eén geloof" zij
evenzoo slechts „Eénen Doop" hadden.
Wij kunnen volstrekt niet aannemen, dat de eene
Apostel door besprenging, de andere door te begieten
en weder een andere door onderdompeling gedoopt
zou hebben; evenmin als dat in verschillende ge-
meenten verschillende wijzen van doopsbediening
gehuldigd zouden zijn. Neen, de Apostelen hadden
allen hetzelfde bevel ontvangen van denzelfden Heer.
Ook nu volgen een paar getuigenissen van
geleerde kinderdoopers.
Calvijn. „Hier (Hand. VIII : 38) zien wij, hoe de
doop bij de ouden verricht werd; zij doopten het gan-
sche lichaam in het water".
Towerson: „Waartoe zou het noodig geweest zijn
dat Filippus en de kamerling in het water «lïUuilclen,
-ocr page 66-
52
indien do Doop niet door onderdompeling volvoerd werd?
Een zeer kleine hoeveelheid water is, zooals wij weten
dat onder ons het geval is, voldoende om te begieten of
te besprongen\'.
Quenstedt: „De onderdompeling is als het ware
eene begrafenis ; het oprijzen (uit het water) eene
opstanding. Er staat in Hand. VIII: 38, 39, dat Filippus
en do kamerling afdaalden in het wattr, en dat Filippus
den kamerling daarin doopte, en er wordt nog bijgevoegd,
dat, nadat die handeling voltrokken was, beiden weder op-
kwamen uit het woter.
Zoowel de Oostersche als do Wes-
tersche kerk heeft zich zeer lang aan dat gebruik der
onderdompeling gehouden."
Gevolgtrekking1. Heb ik in het Woord van
God een duidelijk bewijs voor den Vorm des Doops,
zooals die in de dagen der Apostelen werd bediend,
om \'t even wat die vorm zijn moge, dan leid ik
daaruit af mij verzekerd te zien, dat dit hunne onver-
anderlyke praktijk
was. Ik spreek zoo, omdat het niet
valt te denkon, dat de Apostelen, die waarschijnlijk
ooggetuigen zijn geweest van Jezus\' doop, en in
allen gevalle zekerlijk zeer wel wisten op wat wijs
de Heere Jezus gedoopt werd, en die allen van
hunnen Heer en Meester dezelfde onderrichting en
lastgeving
ontvingen, zouden kunnen verdeeld geweest
zijn èf in leer of in praktijk. En indien de onder-
dompeling in één geval bewezen is en dientengevolge
toegestemd wordt dat Jezus gedoopt is op die wijze,
en dat Hij beval de ordinantie aldus te bedienen,
het dus, èn uit het voorbeeld, èn uit het gebod van
Christus, onwedersprekelijk blijkt dat deze vorm „tot
het wezen van den Doop"
behoort. Eén Eijbelsch
geval van onderdompeling toegestaan en erkend
door de uitnemendste verdedigers der besprenging,
en naast dit ééne geval geen ander, hetwelk iets
-ocr page 67-
53
anders leert, machtigt mij ontegenzeggelijk met het
volkomenste vertrouwen te besluiten, dat de onder-
dompeling door Christus verordend werd, en door Zijne
gehoorzame Apostelen onveranderlijk in praktijk ge-
bracht werd.
Rijgevolg besluit ik even zeker, dat elke afwijking
van deze praktijk is: een afwijking van den geopen-
baarden wil van Christus,
en zulk een wijze van doen
mag niet anders genoemd worden dan Opstand
tegen Zijn Goddelijk gezag.
De godvreezende lezer wordt tot besluit van
deze aiüeeling nog eens gewezen op den rijken zegen,
welken de doop voor den kamerling medebracht. Wij
doen dit met woorden van een voorstander der
zuigelingen-besprenging:
Dr. Tijm: „Door de prediking van Philippus was do
Moorman tot het geloof in Christus gekomen. Dat geloof
opende hem den toegang tot al de schatten, die in Chris-
tus zijn. Dat geloof maakte hem tot een koningskind,
een kind van God, en tot een erfgenaam van de eeuwige
heerlijkheid. Maar voor zijn bewustzijn werd hij eerst
een ander mensch, nadat hij gedoopt was. Die doop was
zijn kroning tot een kind van üod. Die doop maakte
hem tot een discipel van Christus, maakte hem tot een
Christen, hoewel hij reeds voor zijn doop een Christen
was door zijn geloof. Die doop vereeuigde hem ook uit-
wendig met Christus, terwijl hij reeds innerlijk door het
geloof met Hem vereen igd was. De Moorman was na
zijn doop dezelfde gebleven, die hij voor zijn doop reeds
was. En toch was hij niet dezelfde. Op hetgeen hg
reeds te voren was, heeft de doop het zegel gedrukt, en
hem daarvan do volle gewisheid gegeven. Van daar dat
hij eerst na den ontvangen doop zijn weg „met blijdschap"
reizen kon. Zou dan de Doop geene innerlijke waarde
-ocr page 68-
54
hebben? In zekeren zin zou ik zeggen, dat de Doop
voor den Moorman alles was."
IV. De Doop van Paulcs.
Saulus, die ook Paulus genoemd wordt, steeds
dreiging en moord blazende tegen de discipelen van
Christus, werd in zijne blinde vervolgingswoede
plotseling staande gehouden door den Heere Jezus
zelf, die hem, door de openbaring Zijner heerlijkheid,
aanbiddend ter aarde deed nedervallen. Ananias,
een vroom discipel, werd daarna van \'s Heeren wege
tot hem gezonden, om hem te troosten en aan te
zeggen, wat hij doen moest. Ten einde Ananias aan
te moedigen tot het vervullen dier taak, werd hem
medegedeeld, dat deze zelfde tegenstander en ver-
volger der discipelen des Heeren nu biddende was,
en dat de Zaligmaker hem Zichzelven tot een uit-
verkoren vat
gesteld had, om Zijnen naam te dragen
voor Jood en Heiden. „En," zoo luidt het schriftuur-
lijk verhaal verder:
„Ananias ging heen, en kwam in het huis; en de han-
den op hem leggende, zeide hij: Saul, broeder! de Heere
heeft mij gezonden, namelijk Jezus, die u verschenen is
op den weg, dien gij kwaamt, opdat gq weder ziende en
en met den Heiligen Geest vervuld zoudt worden (Hand.
IX: 17). En Ananias zeide: de God onzer vaderen heeft
u te voren verordend, om Zijnen wil te kennen, en den
Rechtvaardige te zien en de stem uit Zijnen mond te
hooren. Want gij zult Hem getuige zijn bij alle men-
schen, van hetgeen gij gezien en gehoord hebt. En nu
wat vertoeft gij? Sta op, en laat u doopen en uwe zon-
den afwasschen, aanroepende den naam des Heeren.
(XXII: 14-16). En terstond vielen af van zijne oogen
gelijk als schellen en hij werd terstond weder ziende en
stond op en werd gedoopt" (IX: 18).
-ocr page 69-
55
In den ernst, waarmede Ananias tot den doop
opwekt, zoomede in de gehoorzame opvolging dier
vermaning door Paulus, zoodra deze de boodschap van
Jezus heeft aangenomen, zien wij hoe stipt en volvaar-
dig deze instelling in de dagen der Apostelen in eere
werd gehouden, en hoe zulks tot het einde der dagen
moest geschieden. „Sta op en laat U doopen en Uwe
zonden afwasschen, aanroepende den naam des Ileeren",
zoo luidt de vermaning van Gods knecht en „Paulus
stond op en werd gedoopt"
zoo het verhaal der ge-
hoorzame onderwerping aan Christus\'gebod betreffende
den doop. Terecht zegt:
Stanhopo: „Merk toch op, dat de doop aan eenen
bekeerde, onder deze omstandigheden voltrokken, een
ernstig verwijt bevat tegen degenen, die met strafbare
nalatigheid deze en dergelijke inzettingen met spot en
verachting bejegenen."
Dat Paulus ten volle gerechtigd was den doop te
ontvangen, zal wel door niemand bestreden worden.
Na zoo tot stilstand te zijn gekomen in zijn woeste
vaart op het pad der vijandschap tegen God en
Zijn volk; na drie dagen in blindheid en vasten,
drie dagen van inkeer en boete te hebben doorleefd, en
na op Christus\' rechtstreeksch bevel door Ananias te
zijn bejegend, gelijk deze dit deed, mocht hij voor-
zeker Christus belijden in den doop. Dat hij gedoopt
is door indompeling, wordt evenwel door sommigen
betwijfeld, en wel dewijl men meent geen genoeg-
zamen grond te hebben om aan te nemen, dat daartoe
een geschikte plaats of een toereikende hoeveelheid
water voorhanden geweest is. Die twijfel moet evenwel
terstond verdwijnen, als men bedenkt, dat Damascus
(de stad, waarin Paulus zich nu bevond) wel plaatsen
en gelegenheden aanbood tot dit doel geschikt,
-ocr page 70-
56
zooals o. a. blijkt uit de woorden van Naaman, den
Syriër: „Zijn niet Abana en Farpar, de rivieren van
Damascus,
beter dan alle wateren van Israël? Zou
ik mij daarin niet kunnen wasschen en rein worden?"
Aangaande deze stroomen lezen wij in het
Gezelschap van Godgelcorden (Assembly of Di-
vines): „Veel is over de helderheid, liefelijkenheid en beval-
ligheid dezer beide rivieren geschreven. De eene vloeit
door vele wijken van Damascus, (*) van daar dat de
meeste huizen in deze stad rijkelijk van goed water zijn
voorzien."
Op Paulus\' doop in de rivier ziende, zegt
Dr. Beets: „Zich ook naar liet lichaam versterkt heb-
bende, stelt hij niet uit zich te laten doopen, in den naam
des Heeren dien hij aanroept, tot vergeving der zonden.
De rivieren van Damascus worden ook hom kostelijker
dan allo de wateren van Israël."
Wellicht was er geen plaats, die geschikter gelegen-
heid aanbood tot den doop door onderdompeling
dan Damascus. Doch wij kunnen ons behalve op deze
omstandigheid ook nog beroepen op des Apostels
eigen getuigenis aangaande den vorm van den door
hem onderganen doop. Als hij van den doop zijner
medegeloovigen met insluiting van zijnen eigenen
spreekt, beschrijft hij zeer duidelijk de wijze,
waarop die plaats gehad heeft, zeggende: „Weet
gij niet, dat zoovelen wij in Christus Jezus gedoopt
zijn, wij in Zijnen dood gedoopt zijn; wij zijn dan
met Hem begraven door den doop. in den dood."\'
(Rom. VI : 3, 4.)
De geestelijke waarde, het zinnebeeldige en tegelijk
verzekerende of bevestigende karakter van den doop
*) l)ü dis el zegt: zg doorstroomt de slad met zeven armen.
-ocr page 71-
57
wordt ons hier duidelijk aangegeven in het „Uwe
zonden afwas schen," wat onmogelijk door
bespronging kan beteekend worden. De geestelijke
reinig\'ing wordt alleen door indompeling in het
water, maar daardoor ook op treffende wijze afge-
beeld, zooals o. a. wordt voorgesteld door
Milt on. — «Hen, dio in Hora gelooven, doopondo in
den vloeienden stroom, het teeken van afwassching van
de schuld der zonde, tot een heilig leven, en in het
harte bereid, om, als het zoo geschieden moet, denzelfden
dood te sterven, dien de Verlosser gestorven is" (Het
verloren Parades).
De verzekering der schuldvergeving in den doop
geschonken, wordt aldus beschreven door
Calvijn. „Wij worden gezegd te bekomen of te ver-
krijgen, hotgeen ens, wat het gevoel onzes geloofs betreft,
dooi\' den Heere geschonken wordt, hetzij Hij het ons dan
eerst betuigt; hetzij dat Hij, het ons reeds betuigd heb-
bende, het meer en krachtiger bevestigt. Zoo hoeft dan
Ananias alleen dit willen zeggen: Opdat gij, o Paulus,
zeker moogt zijn, dat do zonden u vergeven zijn, zoo laat
u doopon ; want de Heere belooft in don doop de verge-
ving dor zonden; neem die aan, en wees gorust."
Dr. Tijm. — „De uitdrukking „uwe zonden afwasschen"
moet zonder twijfel in verband gebracht worden met het
wator dos doops, waarin, volgens de gewoonte in den
apostolischon tijd, de doopélhng afdialde. Wij hebben hier
te doen met eon metaphorische spreekwijze, waarbij de
doop wordt beschouwd als zinnebeeld van do vergeving
der zonden.
Dit is niet to ontkennen, wanneer men do woorden
laat zeggen, wat zij zeggen.
De doop was voor Paulus het teeken en het onderpand,
dat zijne zonden hem vergeven waren. Hij moest dien
doop ontvangen, om van die genadegift zeker te zijn. En
-ocr page 72-
58
van het oogenblik af, dat hij gedoopt \'werd, was hij ook
een geheel ander mensen geworden, omdat hij van dat
oogenblik af het bewustzijn met zich omdroeg, dat hem,
den voornaamsten der zondaren, barmhartigheid ge-
schied was.
Wat de woorden „aanroepende den naam des Heeren
betreft, zij moeten niet worden opgevat in de beteekenis
van: bidden, maar in dien van: den naam des Heeren
geloovig belijden, zoodat de Heer daardoor erkend wordt,
voor hetgeen Hij is. Dat geloovig belijden van den naam
des Heeren wordt voorgesteld als tegelijk met den doop te
geschieden, en als de voorwaarde daartoe. Geheel in
overstemming met Hand. II: 38".
W. a Brakel: „In den doop geeft men zich aan God
over, als den Algenoegzame, alles bezittende wat tot za-
ligheid van een mensch dient; als den Allerhoogste, die
te eeren, te vreezen, te vertrouwen en te gehoorzamen is.
In den doop vertrouwt men zijne ziel Hem toe, en dat
Hij ons alle goederen Zijns verbonds zal deelachtig ma-
ken, omdat Hij waarachtig is. In den doop onderwerpt
men zich Gode, om Hem lief te hebben en te dienen.
Dit alles sluit de doop in".
Samenvattende wat de Doop van Paulus volgens
de Schrift, ons leert, komen wij tot dit besluit:
Aangaande den Persoon: Hij was een geloovige,
een discipel van Christus.
Aangaande de wijze des doops. Deze was: Onder-
dompeling. —
Paulus zelf vergelijkt ze bjj: .begraven.
Aangaande den geestelijken zin; deze is: af-
wassching der zonde,
of schuldvergiffenis, verzekerd
en bevestigd in den weg der gehoorzaamheid aan
Christus\' bevel.
V. De doop van Cornelius en zijne vrienden.
Het nu volgende geval is dat van den doop der
eerste Heidenen, in de Gemeente van Christus opge-
-ocr page 73-
59
nomen. Cornelius was een „godzalig1" man, „vreezende
God, met geheel zijn huis". Van Gods wege geroepen
den Apostel Petrus ten zijnent te ontbieden, verga-
dert hij tegen diens komst „zijne maagschap en
bijzonderste vrienden". Als nu Petrus aan dit ge-
zelschap de heerlijke waarheid predikt, dat „een
iegelijk, die in Christus gelooft, vergeving der zonden
ontvangen zal door Zijnen Naam" „valt de Heilige
Geest op allen die het Woord hooren". De geloovigen
uit de Joden ontzetten zich over deze gave aan de
Heidenen, waarop Petrus antwoordt:
„Kan ook iemand het water weren, dat dezen niet zou-
den gedoopt worden, welke den Heiligen Geest hebben
ontvangen, gelijk ook wij? En hij beval dat zij zouden
gedoopt worden" (Hand. X : 47, 48).
Wij zien ook hier de orde gehouden, die door Jezus in
Zijn laatste bevel gesteld werd. Petrus begint met pre-
diken en van de toediening des doops wordt niets
vernomen, voordat de aanwezigen het Evangelie
hebben gehoord en betrouwbare blijken van oprechte
bekeering geven. Dan, en niet eer, spreekt Petrus
van hunnen doop. En wat hier wel bijzonder mag
opgemerkt worden is: dat de Apostel zich voor die toe-
diening verklaart, dewijl Cornelius en zijne vrienden
ongetwijfeld ware geloovigen zijn geworden, hebbende
den Heiligen Geest ontvangen. Zijne woorden in vers 47
leeren onwedersprekelijk, dat redelijke aanmerking
zou kunnen gemaakt zijn tegen hunnen doop, indien
zij niet als waarlijk bekeerden konden aangemerkt
worden; maar aangezien hun geloof openbaar werd
uit kenteekenen, wier geldigheid niet kon verduisterd
worden, zoo leidt de Apostel daaruit af, dat niemand
zich tegen hunnen doop mocht verzetten. Alle beden-
-ocr page 74-
60
king zwicht dan ook voor het feit "dat „God den
Heidenen de bekeering ten leven gegeven heeft".
(XI: 18) en de doop wordt voltrokken.
Letten wij ;op wat de Schrift ons zegt aangaande
deze doopelingen, zoo bevinden wij dat „zij allen
tegenwoordig waren voor God, om te hooren al het-
geen van God bevolen was (X : 33); dat de Heilige
Geest viel, op allen, die het Woord hoorden,\'" (vs. 44)
en dat „zij spraken met vreemde talen en God groot
maakten" (vs. 46), waaruit Petrus besluit: „zij hebben
den Heiligen Geest ontvangen, gelijk als ook wij"
(vers 47.)
Waarlijk ook hier is geen plaats te vindon voor
de toediening des doops aan zoo jeugdigen van
jaren, als die door hun leeftijd verhinderd werden
hartelijk belang te stellen in den dienst van God.
En wat nu den vorm des doops in dit geval betreft,
daarvan meldt het verhaal niets, dan alleen in zoo-
verre ook hier het woord doopen onmogelijk iets
anders beduiden kan dan in- of onderdompelen
Voorts zijn wij het aan den eerbied van Petrus voor
Zijns Meesters bevel en voorbeeld schuldig, aan te
nemen, dat ook hier de doop dienovereenkomstig
is bediend.
Wij weten wel dat er zijn, die de woorden: „Kan
ook iemand het water weren?" den zin willen geven
„Kan ook iemand verhinderen dat eenig water gebracht
worde (en dat wel om te besprongen)?" Doch een
zoodanige vrijheid van aanvulling van het van God
ingegeven verhaal is te bout, dan dat zij eenige be-
strijding verdient. Zoolang hare voorstanders niet
met eenig handschrift voor den dag komen, die zulke
lezing bevat, is het voor hen zeker jammer, dat
Lukas verzuimd heeft zoodanige uitdrukking van
-ocr page 75-
61
Petrus op te teekenen, indien hij ze n.1. gebezigd
heeft.
Het komt ons echter voor, dat alle opvatting of
instelling, welke behoefte heeft aan zulke toevoeg-
selen bij het Woord van God, onvereenigbaar is met
den eerbied, welken de mensch dat Woord schuldig is.
VI. De Doop van Lydia en haar huis.
De drie nu te behandelen onderwerpen, t. w.:
even zoovele doopsbedieningen van huisgezinnen
worden menigmaal ter verdediging\' van den kinder-
doop aangevoerd, ja, wij mogen wel zeggen, zij
worden bij niet weinigen als de voornaamste grond-
slagen of bewijzen daarvoor aangezien. Daarom is
het zeer wenschelijk dat gij, waarde lezer, zeer zorg-
vuldig do Heilige Schrift raadpleegt, om te weten
wat personen die huisgezinnen vormden. Leert uw
onderzoek u, dat in die gezinnen kinderkens, of ook
maar een enkel kindeken geweest is ; treft gij ook
maar één enkel woord in het Schriftuurlijk verhaal
aan, dat ten gunste daarvan spreekt, welnu dan is
het pleit ten gunste van den kinderdoop voor goed
beslist. Daarentegen, spreekt de Bijbel ook hier niet
van zuigelingen, die gedoopt zouden zijn; beschrijft
zij ons de bedoelde huisgezinnen als bestaande uit
personen, die in staat waren de prediking des evan-
gelies aan te hooren en te gelooven
; ja, zegt het ver-
haal, dat dit ook werkelijk het geval met hen geweest
is,
dan moet ook worden erkend, dat de doop der
geloovigen, en alleen van dezulken, in deze gevallen
geleerd en gehandhaafd wordt.
Paulus, wiens doop wij in de 4e afd. van dit hoofdstuk
behandelden, isnueen Apostel van Christus geworden.
-ocr page 76-
62
Hij, en Silas, en ook Lukas (de schrijver van het
geschiedverhaal) hadden op Goddelijke aanwijzing
den voet in Europa gezet, om ook daar het Evan-
gelie te verkondigen. Philippi, een voorname stad in
Macedonieë, is het tooneel hunner werkzaamheid, en
het bericht bevat o. a. het volgende.
„En op den dag des Sabbats gingen wij buiten de stad
aan de rivier, waar het gebed placht te geschieden; en
nedergezeten zijnde, spraken wij tot de vrouwen, die samen
gekomen waren. En eene zekere vrouw, mot name Ly-
dia, eene purper verkoopster, van de stad Thyatira, die
Ood diende, hoorde ons; welker hart de Heere geopend
heeft, dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken
werd. En als zij gedoopt was en haar huis, bad zij ons,
zeggende: Indien gij hebt geoordeeld, dat ik den Heer
getrouw ben, zoo komt in mijn huis en blijft er. En zij
dwong ons (Hand. XVI: 13-12).... En uitgegaan zijnde
uit de gevangenis gingen Paulus en Silas in tot Lydia-
en de broeders gezien hebbende, vertroostten zij hen en
gingen uit de stad\'1 (vs. 40).
Lydia zelve was ontwijfelbaar gerechtigd tot den
doop, overeenkomstig het bevel des Heeren, want,
zij was eene geloovige. Maar uit wat personen be-
stond, naar den tekst, haar huis(gezin)? Had zij
een of meer kinderen van zeer jeugdigen leeftijd?
Eer wij deze vraag beantwoorden, wijzen wij op
Vier zaken, welke een kinderdooper als uitgemaakt
zeker moet kunnen aannemen, eer bij den doop
van Lydia en haar huis in zijn voordeel mag trach-
ten te gebruiken. Indien hij geen dezer dingen kan
bewijzen, dan, om met den geleerden Limborch te
spreken, „deugt zijne bewijsvoering nergens toe."
Hij moet bewijzen:
Ie. Dat Lydia tijdens het verblijf van Paulus te
Filippi, of althans kort te voren, een man had.
-ocr page 77-
G3
2e. Dat zij toen kinderen had, en dan nog wel,
zeer jeugdige kinderen; of althans één kind, dat
nog niet tot jaren van onderscheid gekomen was.
3e. Dat dat kindje of die kiuderkens met haar te
Filippi waren.
4e. Dat aan dat kindje of die kinderkens weike-
lijk de doop bediend werd.
Van al die zaken lezen wij nu letterlijk niets in
de H. Schrift. Wel doen sommige voorstanders van
den kinderdoop de bewering hooren; „De kinder-
doop is recht; want in het huisgezin van Lydia,
moeten kindertjes geweest zijn," doch als men naar
bewijs vraagt, blijven zij achterwege. Verder dan
tot veronderstelling kunnen zij het nooit brengen.
Wat hier moet geweest zijn zal zich hier ook laten be-
wijzen,
en die naar Goddelijk gezag zoekt voor eene
instelling en geen bewijs kan bijbrengen, hij wil
eenvoudig verdichting huwen aan het geloof, en
veronderstelling in de plaats schuiven van Gods
Woord.
Wat het eerste punt betreft: Indien Lydia een man
had gehad, dan zou aan haar het drijven van den
handel niet toegeschreven zijn. Zij zou dan de vrouw
van een purperverkooper genoemd kunnen zijn,
maar geenszins zoo op den voorgrond treden, als
die de zaak van het purperverkoopen dreef. „Lydia,
eene purperverkoopster," zoo wijst de Schrift haar aan.
Ook wordt evenmin eenige melding gemaakt van
haren man, waar de Apostelen herhaaldelijk in
haar huis komen.
Op het tweede punt antwoorden wij: Er zijn dui-
zenden huisgezinnen, in welke geen kindertjes van
-ocr page 78-
64
één, twee of driejarigen leeftijd aangetroffen worden*)
Wat het derde punt aangaat: Lydia kwam van
Thyatira; zij had dus niet minder dan 300 mijlen te
zee en te land gereisd, om hare broodwinning. Dat
zij, zeer jeugdige kinderen hebbende, die met zich
heeft genomen op de reis, laat zich betwijfelen.
En wat het vierde punt bclreft: Het woord TTuis
of Huisgezin wordt in de H. Schrift meermalen ge-
bruikt, zonder dat juist het geheele gezin bedoeld
wordt, of bepaald aan kindertjes moet gedacht wor-
den. Zoo lezen wij herhaaldelijk dat Mozes tot de
Israëlieten zegt (zie Num. XVIII: 31; Deut. XII: 7,
XIV: 26; XV : 20). „Gij zult eten en vroolijk zijn,
gij en uw huis. In 1 Sam. I: 21, 22: „En Elkana
toog op met zijn gansche huis.... doch Hanna toog
niet op, maar zij zeide tot haar man: Als de jongen
gespeend is, dan zal ik hem brengen enz." In Jer.
XXXV : 3 wordt gesproken van het gansche huis der
Rechabieten, terwijl aan zuigelingen niet kan gedacht
worden. In Hand. X: 2 wordt gezegd dat „Cornelius
niet geheel zijn huis God vreesde" In Luk. V: 19
gebiedt Jezus den gonezene: „Gaat heen naar uw
huis, boodschap de uwen". In 2 Tim. IV: 19 groet
Paulus „het huis van Onesiforus". In Joh. IV: 53
lezen wij van den koninklijken hoveling: „Hij ge-
loofde zelf, en zijn geheele huis."
Al wat dus wordt bijgebracht ten gunste van denkin-
derdoop naar aanleiding van den doop van LydbCs
huisgezin
mist alle wezenlijkheid, omdat er geen be-
wijs bestaat, dat deze vrouw gehuwd was,
of voor korten tijd weduwe was geworden
*) Zie betreffende «Huisgezinnen zonder jonge kinderen" liet Aan
bangs el.
-ocr page 79-
65
of dat zij een of meer zeer jeugdige kinde-
ren had.
                                                                       y
Voorzeker, eer men het durfde wagen zoodanig
gebruik als den zuigelingendoop, op grond van dit
verhaal, te verheffen tot een Nieuw-Testaraentische
instelling, moest men Onloochenbare Bewijzen
bijbrengen uit den tekst, dat Lydia\'s gezin een kin-
deken of kindertjes bevatte; en dat dien kleine of
kleinen den doop is toegediend.
Wil men ten gunste van den kinderdoop aanvoe-
ren, dat Lydia van Thyatira geboortig, doch te
Filippi woonachtig was, en dat dus hare kinderen
daar met haar waren, zoo vragen wrij: Moest dan
haar man ook niet met haar geweest zijn? — Maar
dat zulks het geval niet was, blijkt duidelijk hier-
uit: — Indien Lydia een man met zich had, dan
moest die man toch zeker ook bij haar „huis(gezin)"
behoord hebben; behoorde hij bij het huisgezin, dan
moet hij ook gedoopt zijn geworden, omdat „haar
huis gedoopt werd; — indien hij gedoopt was en
in dezelfde betrekking tot Paulus en Silas getreden
als Lydia, dan zou zij niet gezegd hebben: „Komt
in mijn huis.;\' En eindelijk zou Lukas geschreven
hebben: „Zij (de Apostelen) gingen in tot Lydia",
indien een geloovig man hoofd van het gezin ge-
weest ware? Immers neen.
De woorden der Schrift — Gods verhaal van dezen
doop, — geven ons: Eene ongehuwde vrouw
aan het hoofd van een huis en aan het hoofd
van een zaak of bedrijf. Dat huis bestond óf
uit hare dienstbaren; óf indien ook uit haar kinde-
ren, dan was haar man overleden, en waren hare
kinderen van zulken leeftijd, dat zij zich met de moe-
der konden vereenigen in reizen, in bedrijf en in Gods-
5
-ocr page 80-
66
vereering\', en waren zij bijgevolg vatbaar voor onder-
wijs, geloof en doop naar Christus\' bevel (*).
Voorstanders van den kinderdoop erkennen de
vruchteloosheid van alle poging, aangewend om in
het huisgezin van Lydia een ol meer kinderkens te
plaatsen. Slechts één hunner laten wij hier spreken,
en wel de Duitsche geleerde:
Matthies: „Al wordt ons ook gemeld dat het geheele
huisgezin den doop heeft ontvangen, toch is en blijft het
twijfelachtig, vooreerst of hier wel kinderen geweest zjjn,
en ten tweede, of zij, zoo zij er al waren, den doop hebben
ondergaan. Zoo min van het eerste als van het laatste wordt
in de Handelingen der Apostelen eenig gewag
gemaakt."
De plaats, waar Lydia gedoopt werd, is ongetwij-
feld zeer geschikt geweest voor onderdompeling. Zij
lag „aan de rivier" (vs. 13).
Het is bekend, dat de Joden hunne bidplaatsen
of proseuchae aan den oever der zee of aan de
rivieren plachten te houden, met het oog op de was-
schingen en reinigingen. De vraag kan dus niet
opkomen, of aan zulk een geschikte plaats het gebod en
het voorbeeld van Christus door Zijne dienstknech-
ten zal zijn gevolgd en hier „gedoopt," of „begoten"
of „besprengd" is.
*) Dat Lydia alleen en niet hare huisgenooten geloovig zijn ge-
worden, blijkt volgens sommigen (zie o. a. Dr. T ij m in zijn meer-
genoemd werk) nit haar uitnoodiging tot de Apostelen : ..Indien gij
geoordeeld hebt, dat ik den Heer getrouw ben, zoo kom in mijn
huis". Als zij en kaar huis geloovig waren geworden, dan had zij —
zoo beweert men aan die zijde — moeten zeggen : Als gij geoordeeld
hebt, dut ik en mijn huis den Fleer getrouw — cpz.
Als of een geloovige moeder of geloovige meesleres, door het geloof
Tan hare kinderen of dienstbaren, het recht verliest tot zulke uit-
noodiging en ze dus, aU hoofd des gezini niet mag doen! Waar komt
men toe en waarmede behelpt m:n zich al niet om leugen tot waar-
heid te maken !
-ocr page 81-
67
Be ets: „Lydia wordt met Christus begraven in den
doop; zij staat op tot een nieuw leven."
Gevolgtrekking1. Indien het door Gods Geest
ingegeven Woord, hetwelk den doop van Lydia en
haar huis verhaalt, mijn eenige gids is, waar het den
vragen betreft: Wie en hoe moet gedoopt ivorden ?
dan kan ik niet anders, dan tot dit besluit komen:
Al de leden van dit hu is (gezin) waren ge-
loovigen en werden gedoopt op die wijze
als hun Zaligmaker verordend had.
VIL De Doop van den Stokbewaarder te
Filippi en zijn Huisgezin.
Paulus en Silas, te Filippi in de gevangenis ge-
worpen, worden door de wonderbare tusschenkomst
des Heeren te middernacht uit de banden verlost.
Een aardbeving deed de grondvesten der gevangenis
schudden, zoodat de deuren geopend en de banden
der gevangenen losgemaakt werden. De stokbewaar-
der, vreezende dat de gevangenen ontvlucht waren,
trok zijn zwaard om zich zelven om te brengen. Dit
wordt echter verhinderd door Paulus, die hem de
verzekering geeft, dat al de gevangenen nog aan-
wezig zijn. Daarop lezen wij het volgende:
„En als hij licht geëischt had, sprong hij in en werd
zeer bevende, en viel voor Paulus en Silas neder aan de
voeten. En hen buiten gebracht hebbende, zeide hij:
(Lieve) Heeren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?
En zij zeiden: Geloof in den Heer Jezus Christus, en gij
zult zalig worden, gij en uw huis. En zij spraken tot hem
het woord des Heeren, en tot allen, die in zijn huis waren.
En hij nam hen tot zich in dezelve ure des nachts, en
wiesch hen van de striemen en hij werd terstond gedoopt,
en al de zijnen. En hij bracht hen in zijn huis, en zotte
-ocr page 82-
68
hun de tafel voor, en verheugde zich, dat hij met al zjjn
huis aan God geloovig geworden was." (Hand. XVI: 19—34.)
Merk hier op:
Ie. De stokbewaarder leidt Paulus en Silas uit de
gevangenis, daar hij overtuigd is geworden, dat zij
dienstknechten zijn van den waren God, en nu door
Zijne almacht verlost van hunne onrechtvaardige en
wreede straf. Tegelijk doordrongen van het gevoel
zijner schuld en van het gevaar, waarin hij verkeert,
vraagt hij vol bekommernis: wat hem te doen
staat om zalig te worden? Op deze gewich-
tigste van alle vragen wordt hem onmiddelijk een
duidelijk en beslist antwoord gegeven : „G e 1 o o f
ia den-Heer Jezus Christus en gij zult
zalig worden, gij en uw huis."
Zijne huisgenooten, die, eveneens wakker geworden,
toegesneld waren en hem licht bezorgd hadden, ver-
namen ongetwijfeld deze woorden der Apostelen.
Dies spraken dezen ook indirect tot hen, toen zij
den huisvader het antwoord gaven: Geloof in den
Heere Jezus Christus enz. Geloof, zoo is blijkbaar
de zin hunner woorden: Geloof en gij zult zalig tuorden,
ja, en ook uiv huis in denzelfden weg.
Dr. Doddridge: „Gij zult zalig worden en uw kuis."
De zin dezer woorden kan niet zijn dat de eeuwige be-
houdenis van zijn gezin verzekerd kon worden door zijn
geloof;
maar dat zij, wanneer zij ook zelven geloovig werden,
dezelfde geestelijke en eeuwige zegeningen deelachtig
zouden worden, als hij. Dat kon Paulus er te eerder bij-
voegen, dewijl het waarschijnlijk is, dat vele hunner, bij
deze ontzagwekkende gebeurtenis, den huisvader in de
gevangenis begeleid hebben." i
              ,: >».i
Düchsel:- „Gij zult zalig worden, gij en uw huis," welks
leden hier rondom u vergaderd zyn."- ■
             ;.,•. ■<■\'< .«■•. ■•
-ocr page 83-
69
J. de Liefde: .Indien het\'woord van Paulus tot dén
stokbewaarder: Geloof en gij zttTt \'zalig worden, gij en uw
huis!
dezen zin heeft, dat al de ledon van dat huisgezin,
om het even of zij geloofden of niet, door het geloof alleen
van dien man in de zaligheid deelden, dan was de vraag
van dienzelfden Paulus in 1 Cor\' VIII : 16: „ Wat weet
gij man, of gij uwe vrouiv kunt zaligmakend"
eene onge-
rijmdheid. Dan had die man gereedelijk kunnen ant-
woorden: Dat behoef ik niet te weten, want mijne onge-
loovige vrouw is reeds zalig geworden door mijn
geloof; want zie: ik geloof, en ik ben zalig geworden,
ilt <;n mijn lini^i."
2e. De tektst zegt ons zoo duidelijk mogelijk, uit
wat personen het huisgezin des stokbewaarders be-
stond; het waren geen kleine kinderen of personen,
te jong om de prediking van Gods Woord aan te
hooren en te gelooven; want aldus lezen wij (vs. 32):
„Zij spraken tot hem het Woord des Heeren, en t o t
allen die in zijn huis waren. Deze weinige
woorden van den door Gods geleiden schrijver maken
een einde aan alle tegenspraak, tenzij er begeerte of
toeleg is om de waarheid te ontduiken. Dit huisge-
zin is onderwezen, allen zijn onderwezen; en daarna
werden zij gedoopt. Zuigelingen kunnen er dus niet
bij ingesloten worden.
Olshausen: „De mededeeling dat Paulus (behalve
tot den stokbewaarder) tot allen die in zijn huis waren
{iv rij o\'ixc\'a auroO) predikte, strekt klaarblijkelijk niet ten
gunste van het gevoelen, dat wij hier te denken hebben
aan onnoozele kinderen. Tot zulken zal de Apostel zijne
■rede toch wel niet gericht hebben."
Huydecoper: „Gij en uw huis bevat een wenk en
eene belofte. Ook zijne huisgenooten konden zalig worden,
als zij het voorbeeld van den huisvader volgden .... Wij
hooren hier eene krachtige opwekking om daartoe toch
-ocr page 84-
70
op onze huisgenooten te werken. Gelijk de stokbewaarder
ze allen bijeenriep en ze bracht onder de prediking van Paulus,
met dat gelukkig gevolg voor hemzelven en voor de
zijnen, dat hy zich kon verheugen, met al zijn huis ge-
loovig
te zijn geworden."
3e. Bij de beschrijving van dit voorval door Lukas
wordt ook weder getoond, hoe getrouw de bevelen
van Jezus daar zijn nagekomen. Paulus\' en Silas\'
eerste werk was : het Evangelie verkondigen aan het
geheele huisgezin; daarna lezen wij (vs. 34) „ De stok-
beivaarder verheugde zich dat hij
met al zijn huis
aan Godgeloovig geworden was. Vervolgens dat hij, ge-
loovig geworden zijnde met al de zijnen, gedoopt
werd met al de zijnen. Alles dus naar de orde des
Heeren: Onderwijzen, Gelooven, Doopen.
M. Henry: „De stem der vreugde paarde zich aan de
prediking der zaligheid in de woning van den stokbe-
waarder. „Hij verheugde zich, geloovende in God met geheel
zijn huis."
Er werd niemand gevonden in zijn huis, die
geweigerd had zich te laten doopen en daardoor de over-
eenstemming verstoorde; maar zij waren van e\'e\'nen zin in
de omhelzing des Evangelies, waardoor de vreugde zeer
verhoogd werd."
Goszner: „Dat was nu eens een rechte huisgemeente.
Zoo behoorde zich elk huisgezin tot den Heer te bekee-
ren, dat vader en moeder, grootvader en grootmoeder,
kinderen en dienstboden geloovig werden in den Heere
Jezus. Zoo was het niet maar alleen in de dagen der
Apostelen, zoo was het reeds in de dagen des Heilands.
In Joh. IV : 53 woidt gezegd van den koninklijken
hoveling: „Hij geloofde zelf, en zijn geheele huis."
Calvijn: Lukas vermeldt den vromen ijver des stok-
bewaarders, wijl hij zijn gansche huis den Heer wijdde,
in 1 welk zich ook de genade Gods zoo treffend verheer-
lijkte, daar het geheele gezin plotseling gebracht werd tot
eene blijmoedige overgave.
-ocr page 85-
71
De voorstanders van den kinderdoop komen ook
hier weder met veronderstellingen, die hunne theorie
den dienst van feiten moeten bewijzen, t. w.: De
stokbewaarder moet een vrouw gehad hebben; die
vrouw moet moeder geweest zijn; haar kind of kin-
deren moeten in leven zijn geweest, toen Paulus en
Silas te Filippi waren en eindelijk: dat kind of die
kinderen was of waren zeer jong. Aangenomen nu
dat het Bijbelsch verhaal geen dezer gissingen tegen-
sprak, dan bleven het toch slechts gissingen; en dus
ver van alles wat ook maar de minste vrijheid geeft
tot invoering of bevestiging van eenige Goddelijke
instelling. Maar de zaak staat geheel anders. Had
de stokbewaarder kinderen, dan hoorden zij allen
„het Woord des Heeren" en werden „allen aan God
geloovig".
Men bewijze nu maar dat een kind „aan
God gelooft", in den Evangelischen zin des woords
en er behoeft naar den leeftijd verder niet gevraagd
te worden. *).
Doch nog iets: Wat wordt er gewonnen voor den
kinderdoop, indien men zeer jeugdige kinderen in
dit huishouden stelt ? Indien het geloof van een huis-
gezin niet omvat de jongere leden, welke nog geen
onderwijs kunnen ontvangen, sluit dan de doop van
een huisgezin niet evenzoo die jongere leden uit?
Indien er nict-geloovende kinderen in een geloovig
gezin
kunnen zijn, kunnen dan niet evenzoo niet-
gedoopte
kinderen in een gedoopt gezin ziinf Wij voor
ons vragen geene uitzondering, maar nemen het
*) T e r i u 11 i a n n s, die (in de 2e eeuw) opkwam tegen het ten
doop bieden van kinderen op steeds jeugdiger leeftijd, zeide terecht:
„Laat hen eerst Christus kennen, eer zij in Zijn Naam gedoopt worden"
en Grefforius. patriarch der Grieksche kerk in de 4e eeuw oordeelde
■iet minder verstandig, dat kinderen naar den doop zouden wachten,
tot zij hun eigen geloof belijden konden.
-ocr page 86-
72
bericht gelijk het luidt-: het geheele gezin hoorde;
allen geloofden; allen lieten zich doopen. Wil men
hier echter uitzondering, welnu, dan passé men die
zoowel op het een als op het ander toe, en niet
maar alleen waar eigen praktijk moet geholpen worden.
Gevolgtrekking. Daar dezelfde voorbereiding
en vereischten tot den doop hier worden aangewezen
voor des stokbewaarders huis, als voor den huis-
vader zei ven, t. w.: Ie dat het Woord des Heeren
zoowel tot hem, als tot hen gesproken werd,
2e dat zij
zoowel als hij, aan God geloovig waren geworden,
zoo
moet ik, op Goddelijk gezag, besluiten dat wij hier
niet meer of minder hebben dan een duidelijk geval
of voorbeeld van een geloovig gedoopt huis-
gezin, waarvan alle leden zonder eenig on-
derscheid discipelen van Christus waren.
Wat de wijze aangaat, waarop hier de doop be-
diend werd, er bestaat niet de minste, redelijke
aanleiding om te twijfelen of zij de door \'s Heeren
voorbeeld en gebod geheiligde zij, en niet eene die
daarvan eenigszins zou verschillen. Doch ook hier
komen de verdedigers der besprenging opzetten, met
in hun oog gewichtige zwarigheden. Zij kunnen b.v.
„niet begrijpen, waar de stokbewaarder, en dat wel
in den nacht, een geschikte plaats tot doopen bij
indompeling zou gevonden hebben". Nu, zij behoeven
dat ook niet te begrijpen. Zoo zij Lukas geloofwaar-
dig achten, moet het hun genoeg zijn in diens ver-
haal te lezen: „hij werd gedoopt en al de zijnen."
Doopen is niet besprengen; en besprengen is niet
doopen. Niemand behoeft te bewijzen, waar deze
discipelen gedoopt werden; maar deze tegensprekers
hebben te bewijzen dat zij niet gedoopt werden.
-ocr page 87-
73
Zulke ingebeelde zwarigheden hebben niet het minst
te beteekenen voor hem, die gelooft dat de Apostelen
geen ander gezag kenden dan dat van Christus.
Het kan misschien evenwel zijn nut hebben den lezer
te herinneren hoe algemeen het gebruik van koude
baden in het Oosten was, en nog is. Dat zulks bij de
Grieken en Romeinen zoo was, en nu nog in Turkije
is, op welks grondgebied Fillippi stond, getuigt:
Lord Bacon: „Het is bevreemdend, dat het gebruik
van koude baden, als gezondheidsregel, zoo geheel ver-
dwenen is. Bij de Grieken en Romeinen was men daaraan
even gewoon, als aan eten en slapen, en zoo is het bij de
Turken nog ten huldigen dage."
De geleerde Hugo de Groot hield er voor, met
het oog op de gewoonte des lands, dat in de eigen
woning des stokbewaarders deze heilige instelling
allergeschiktst kon bediend worden.
Besser maakt zich, naar het schijnt, vroolijk tegen-
over hen, die „de onderdompeling tot oen noodzakelijk
stuk van den doop maken," als hij verhaalt van een
Hindoe, die aan Baptistenpredikers zou gevraagd
hebben: „Hoe heette toch de rivier, die door den kerker
te Filippi stroomde f
Had hij acht genomen op wat Godgeleerden, die
de onderdompeling\' niet voorstaan, zeggen, dan zou
hij dezen vrager geantwoord hebben met den Luther-
schen godgeleerde
Meyer: «De stokbewaarder en de zijnen werden „ergens
in een vijver of badkamer binnen de muren der gevangenis
gedoopt."
VIII. Paulus doopt te corinthk.
Het nu voorkomende geval is de doop van ver-
scheidene personen te Corinthe, waar wij den Apostel
-ocr page 88-
74
ijverig werkzaam vinden ter uitbreiding van het
rijk des Heeren. Ofschoon velen hier „wederstonden
en lasterden", volhardde hij toch in het werk des
Heeren en zijn arbeid werd hier met de heerlijkste
gevolgen bekroond. Aldus lezen wij:
„En l\'aulus handelde op eiken sabbatdag in de synagoge
en bewoog tot geloof Joden en Grieken. En als Silas en
Timotheus van Macedonië afgekomen waren, werd Pau-
lus door den Geest gedrongen, betuigende den Joden dat
Jezus is de Christus. En Crispus, de overste der synagoge
geloofde aan den Heer met geheel zijn huis, en velen van
de Corinthiers, hem hoorende, werden gedoopt." Hand.
XVIII. 4-5 en 8.
Nadat er te Corinthe eene gemeente gevormd was,
schreef Paulus later twee brieven daarheen. In den
eersten klaagt hij over de bedroevende scheuringen,
welke in die gemeente heerschten, dewijl zij veel
strijds tegen elkander hadden over verscheidene
dienaren van Christus, als hadden zij even zoo veel
Heilanden, in wier namen zij gedoopt waren, waarover
wij hem aldus hooren:
„Is Christus gedeeld? Is Paulus voor u gekruist? Of
zijt gij in Paulus naam gedoopt? Ik dank God, dat ik
niemand van u lieden gedoopt heb, dan Crispus en Gajus,
opdat niet iemand zegge, dat ik in mijnen naam gedoopt
heb. Doch ik heb ook het huisgezin van Slefanas.gedoopt;
voorts weet ik nief, of ik iemand anders gedoopt heb.
Want Christus heeft mij niet gezonden om te doopen,
maar om het Evangelie te verkondigen." (*) I Cor. I. 13—17.
(*) „Niet gezonden om Ie doopen," d. i. niet voornamelijk; want
al de Apostelen zijn gezonden geweest om te doopen i.>1 h tli. XXV1I1
: 1") en anderszins zou de Apostel ook dezen niet hebben mogen
doopen. Maar zij hebben dezen dienst, waartoe iniiider gaven vnn
noode wareu clan tot het prediken, om geenen tijd te verliezen, aan
andere van hunne dUeipelen en leeraars overgelaen." (K a n 11 e e k.
S t a t« n v e r t.)
-ocr page 89-
75
„Gij kent het huis van Stefanus, dat het is de eersteling
van Achje en dat zij zich zei ven den heiligen ten dienste
hebben gesteld." XVI. 15.
Paulus vangt zijn arbeid te Corinthe, even als
overal elders, aan met het volk getuigenis te geven
van Jezus Christus, en door de prediking, niet door
den doop, maakt hij discipelen van Christus. Hij
zet zijnen arbeid een jaar en zes maanden voort,
gedurende welk tijdsverloop velen, die hem hoorden,
geloofden en gedoopt werden. Hij zelf
doopte slechts enkele personen, n. 1. Crispus en
Gajus en het huisgezin van Stefanus, over welke
omstandigheid hij zich later verheugde, omdat daar-
door niemand hunner in hunne twistingen en partij-
schappen zeggen konde, Paulus te behoeren, omdat
Paulus hen gedoopt had en dat wel in zijnen eigenen
naam; want voegt hij er bij het eerste en voor-
naamste, waartoe Christus mij gezonden heeft, is niet
om te doopen, maar om het Evangelie
te verkondigen." Deze verzekering van den
Apostel moet dienen om de dwaling in het licht te
stellen dergenen, die beweren dat door den doop
discipelen gemaakt worden; want indien de
doop alleen en als zoodanig die personen, aan welke
hij wordt toegediend, tot discipelen van Christus
maakt, dan kon Paulus niet zeggen, dat hij niet
gezonden was om te doopen. Immers discipelen te
maken voor Jezus naam was de voornaamste roeping
en het eerste bevel van Christus aan Zijne Apostelen
(Zie Hoofdst. 6) en ten allen tijde het hoofddoel van
het streven, arbeiden en lijden van Paulus.
Het gansche huisgezin van Crispus werd gewisse-
lijk even als hij zelf gedoopt, daar allen die er toe
-ocr page 90-
76
behoorden, geheel geroepen en gerechtigd waren tot
deze heilige verordening, luidens het bevel dief
inzetting, zelve; want Hij geloofde aan den
Heer met geheel zyn hui». Daarom kon het huis-
gezin van Crispus, even als dat van den stokbewaar-
der, alleen en uitsluitend ten voorbeeld en tot ver-
dediging dienen van hen, die den doop der geloo-
vigen voorstaan en in beoefening brengen.
v. d. Palm: Het doopen was een gevolg der overtui-
gende Eirangdieprediking."
Het huisgezin van Stéfanus (het laatste dat ons
als gedoopt vermeld wordt) wordt ons ter plaatse,
waar gesproken wordt van hunnen doop zelven, niet
nader omschreven; en indien er in den Bijbel
geene andere plaats gevonden werd, die ons iets
naders aangaande dit gezin mededeelde, dan zoude
dit huis het eenige zijn, aangaande hetwelk wij in
onzekerheid omtrent onze zaak zouden kunnen
verkeeren. Maar, alsof het voornemen en doel des
Heiligen Geestes geen ander geweest zij, eiken strijd
over de geschiktheid en bevoegdheid der personen,
welke den doop zouden ontvangen, te voorkomen,
zoo vinden wij ook dit huisgezin nog nader om-
schreven, en wel aan het einde van den eersten
blief aan de Corinthters, zooals wij ïeeds hebben
aangevoerd. „Zij waren de eerstelingen van Christus
in Achaje en hadden zich den heiligen
ten dienste gesteld. Zij waren ijverig in de
betrachting der liefde en goede werken ten dienste
hunner arme of verdrukte broederen: en de zooda-
nigen zullen toch wel wat bezwaarlijk gerekend
kunnen worden kleine kinderen te zijn geweest.
Doddridge. „Zy hebben zich zelven ten dienste gesteld."
-ocr page 91-
77
Daarin zal wel opgesloten liggen, dat die geheele edele
familie zich ten doel stelde, hunne medebroederen bq te
staan, zoodat geen enkel harer leden, rijn aandeel in dezen
dienst verzuimde."
Hammond, ook een kinderdooper, erkent dat de
gevolgtrekking zijner eigene kerkpartij onhoudbaar
is, als zij beweert, dat Paulus, bij den doop van het
huis van Stefanus ook kleine kinderen zou-gedoopt
hebben; want zelfs zonder het laatst aangehaalde
vers, waardoor wij de zekerheid erlangen, dat daar
geene jonge kinderen waren, kan het niet eens,
volgens dien godgeleerde, uit het 16e vers met
zekerheid worden afgeleid.
Hammond zegt: „Ik acht het onverstandig, dat de
blooto medodeeling alleen van dezen doop des Apostels
voldoende zou gerekend worden, om daaruit het besluit
te vatten, dat er zuigelingen door hem gedoopt zijn."
Neandor. „Dewijl de doop te zamen hing met den zelf-
bewusten overgang tot de Christelijke gemeenschap, en
geloof on doop altijd aan elkander verbonden waren, zoo
vond ook hoogst waarschijnlijk alleen in die govallen,
waar beiden zich paarden eene doopsbeoefening plaats en
de beoefening des kindordoops lag verre van
deze eeuw. Uit het voorbeeld van den doop van het
geheele huisgezin kan men volstrekt niet tot het bestaan
van den kinderdoop besluiten, zooals 1 Corinthe XVI: 15.
dan ook do ongerijmdheid van zoodanig besluit duidelijk
aan het licht stelt, want daar wordt ten klaarste geleerd
dat de geheele familie van Stefanas, welke door Paulus
gedoopt was geworden, uit personen bestond, die tot jaren
van onderscheid waren gekomen. Niet alleen de eerst in
later tijd voorkomende, bestemde vermolding van den
kinderdoop, de sedert zoo lang voortdurende tegenstand
tegen denzelven leiden ons tot haren niet apostolischen
oorsprong terug; maar het is ook zeer onwaarschijnlijk, dat
-ocr page 92-
78
Paulus die zoo nadrukkelijk het geloof en bet geloof al-
leen als grondslag en onmisbare xoorwaarde van alle
christelijk leven vooropstelt en zich zoo sterk verklaart
tegen alle opus operatum, dat diezelfde Paulus een ge-
brui k zou hebben ingevoerd, hetwelkzoo lichtelijk deaanlei-
ding kon worden, dat de dwaling van de rechtvaardiging
door uiterlijke dingen, die hij in zijne verhandelingen
over de besnijdenis altijd zoo heftig bestreed, overgedragen
zou worden op den doop".
TERUGBLIK OP DE GEDOOPTE HUISGEZINNEN.
Wij hebben nu nauwlettend acht gegeven op alles
wat ons van de „Gedoopte Huisgezinnen" in den
Bijbel wordt verhaald. Ware het der Apostelen ge-
bruik geweest de kinderen met hunne ouders te doopen,
(gelijk de voorstanders van den kinderdoop beweren),
dan mochten wij redelijkerwijze verwachten, en zou-
den zulks ook ongetwijfeld bevonden hebben, dat
althans hier en daar bij de vermelding van den doop
van geloovigen, ook te lezen stond „en hunne kin-
deren" of „en hunne kinderkens," gelijk wel degelijk
herhaaldelijk het geval is in de Schrift, waar sprake
is van huisgezinnen met jonge kinderen. Bedenken
wij voorts dat wij lezen van vele duizenden geloovi-
gen, die gedoopt of den Heer toegevoegd werden,
hoe kan het dan eenigen grond van waarschijnlijkheid
hebben, dat alleen vier huisgezinnen zouden vermeld
worden als huisgezinnen, terwijl van minstens honder-
den gezinnen,
in de verste verte niet als zoodanig
gerept wordt?
Maar in deze vier gevallen vinden wij niets dat
ook maar eenigszins zweemt naar zoo iets als „en
hunne kinderen of kinderkens" (alhoewel dan nog
zelfs niet aan zuigelingen behoefde gedacht te worden).
Wanneer het Woord van God werkelijk ons eenig
-ocr page 93-
79
richtsnoer is, zoo stemmen wij van harte toe wat
onze geleerde tegenstanders zeggen, als zij de leer van
den zuigelingendoop op grond van de Bijbelsche
verhalen der Gedoopte Huisgezinnen „onverstandig"
en „nidteloos" noemen.
IX. EENIQE DISCIPELEN, DIE TE EFEZE GEDOOPT WERDEN.
Dit is de negende en laatste plaats in de Hande-
iingen der Apostelen, die op ons onderzoek betrek-
king heeft. De vraag, of deze discipelen twee
maal gedoopt zijn, eerst met den doop van Johannes
en daarna met dien van Christus, doet hier niets
ter zake. Alles, wat wij in het oog hebben te houden
voor ons tegenwoordig doel, is de beschrijving die
ons van hun geestelijken staat gegeven wordt en waar-
over wij den tekst wenschen te raadplegen.
„En het geschiedde, terwijl Apollos te Corinthe was, dat
Paulus d» bovenste deelen des lands doorgereisd heb-
bende, te Efeze kwam en eenige discipelen aldaar vin-
dende, zeide hij tot hen: Hebt gij den Heiligen Geest
ontvangen, als gij geloofd hebt? En zij zeiden tot hem:
„Wij hebben zelfs niet gehoord, of er een Heilige Geest
Is. En hij zeide tot hen; waarin zijt gij dan gedoopt? En
zij zeiden: In den doop van Johannes. Maar Paulus zeide:
Johannes heeft wel gedoopt den doop der bekeering,
zeggende tot het volk, dat zij gelooven zouden in den-
gene, die na hem kwam, dat is in Christus Jezus (vol-
gens Luther: in Jezus, dat Hij de Christus is.) En die hem
hoorden werden gedoopt in den naam van den Heer Jezus.
En als Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de
Heilige Geest op hm; en zij spraken met vreemde talen
en profeteerden. En alle dezen waren omtrent twaalf
mannen." Hand. XIX 1—7.
Dat deze personen door voorafgegane bekeering
gerechtigd waren den doop te ontvangen en dat het
-ocr page 94-
80
geene jonge kinderen geweest zijn, blijkt daaruit:
Ie dat zij discipelen genoemd worden; 2e dat zij
geloofden; 3e dat zij den Heiligen Geest ontvingen;
4e dat zij vreemde talen spraken eu profeteerden en
ten 5e dat het omtrent twaalf mannen waren. Niet
noodig dus, hier nog een enkel woord bij te voegen.
Besluit van de Handelingen der Apostelen.
Wij hebben nu het geheele boek der Handelingen
doorgeloopen en ons bezig gehouden met alle bijzon-
dere gevallen van doopsbediening, voorkomende in
dit heilig geschiedverhaal; wij hebben die gevallen
nauwkeurig gadegeslagen, onderzocht, en kunnen
zonder het minste bezwaar vast stellen, nergens een
enkele plaats of een enkel woord gevonden hebben, dat
den
doop van een jong kind beschrijft, insluit
of veronderstellen laat.
Mijn lezer zal deze bewering
toch niet gewaagd of overijld noemen, wanneer hij
nu nog eens wil vernemen, wat zelfs geleerde kin-
derdoopers dienaangaande verklaard hebben.
Goodwin. „De doop veronderstelt noodzakelijk de hem
voorafgaande wedergeboorte. De sacramenten worden
nergens bediend, om het werk der genade te beginnen
of te voorschijn te roepen. Lees het geheele boek der
Handelingen en overal luidt het: Zij geloofden en werden
gedoopt."
F. Boston. „Er wordt in de Heilige Schrift geen voor-
beeld aangevoerd van den doop, dan alleen van zulke
personen, die een zaligmakend aandeel aan -Christus had-
den."
JLimborch. „Erkan geen enkel geval worden aange-
wezen, waaruit onloochenbaar blijkt, dat de Apostelen ooit
ergens een kind gedoopt hebben."
:Baxter. (De eisch door Baxter aan den Heer Blake
gesteld in de door ons hieronder aangehaalde woorden
-ocr page 95-
81
kan, zonder vrees, eiken kinderdooper voorgehouden wor-
den). „Ik besluit, dat alle gevallen van doopsbediening,
voorkomende in de Heilige Schrift, alleenlijk belijders van
het zaligmakend geloof betreffen; en de voorschriften «taan
ons geene andere handelwijze toe. Daarom roep ik, voor
zooveel ik zulks vermag, den Heer Blake op, om indien
hij daartoe in staat is, ook maar een enkel geval ofvoor-
schrift
te noemen, dat vrijheid geeft ooit andere personen
te doopen".
ACHTSTE HOOFDSTUK.
DE APOSTOLISCHE BBIEVEN.
I. SCRIFTUURPr,AATSEN, DIE EENE BEPAALDE AANWMZING
BEVATTEN OMTRENT DEN VORM DES DOOPS.
„Of weet gij niet, dat zoovelen wij in Christus Jezus
gedoopt zijn, wij in Zijnen doop gedoopt zijn. Wij zijn
dan met Hom begraven door den doop in den dood,
opdat, gelijkerwijs Christus uit de dooden opgewekt is
tot de heerbjU-hoirl des Vaders, alzoo ook wij in nieu-
wigheid des levens zouden wandelen. Want indien wij
met Hem eene plant geworden zijn in de gelijkmaking
Zijns doods, zoo zullen wij het ook zijn in de gelijk-
making Zijner opstanding." Kom. VI: 3—5.
„Zijnde met Hem begraven in den doop, in welken gij
ook met Hom opgewekt zijt door het geloof der werking
Oods, die Hom uit de dooden opgewekt heeft." Col. II: 12.
De bedoeling van den Apostel Paulus in deze en
andere verwante uitspraken strekt zich daarheen,
den gemeenten, aan welke hij schrijft, de noodzake-
lijkheid van een heilig leven en van eenen heiligen
wandel
aan te toonen. Hij herinnert hun daartoe
hunnen doop; de daarbij door hen afgelegde belij-
denis en de verplichting, die zij op zich genomen
6
-ocr page 96-
S2
hebben, om overeenkomstig de waarheid te leven,
welke door die heilige verordening zoo treffend
wordt afgebeeld. „Weet gij niet," zoo spreekt hij,
„dat, zoovelen wij gedoopt zijn in Christus Jezus,"
d. i. de gemeenschap aan Zijnen dood door ons in
den doop is beleden en aan ons is gewaarborgd,
„wij in Zijnen dood gedoopt zijn," d. i. in vertrou-
wen op en gelijkvormigheid aan Zijnen dood, waar-
van het groote doel de wegneming der zonde was.
En bij gevolg: evenals onze lieer stierf, onbegraven
werd om der zonde wille, zoo zouden wij sterven
en begraven worden ten opzichte van de liefde tot
en de praktijk der zonde.
En nu laat de Apostel in het 4e vers die duide-
lijke en treffende zinspeling volgen op de bijzondere
handeling, door welke do besprokene ceremonie vol-
voerd werd, welke zinspeling met die in den brief
aan de Colossensen, hierop nederkomt:
„Wij zijn dan (d. i. om dit voornemen of besluit
om voortaan der zonde dood te zijn uit te drukken)
door en in den doop begraven met Christus,
onzen Heer; en gelijk Hij werd opgewekt uit de
dooden tot (of door) de heerlijkheid des Vaders, zoo
ook wij in onzen doop, in welken wij gelijkerwijs
opgewekt zijn om voortaan in nieuwigheid des
levens te wandelen; en dit is niet uit ons zelven,
maar door het geloof der werking Gods (het ge-
loof dat God werkt of dat op God steunt), die aldus
Zijnen Zoon uit het graf deed opstaan om voor eeu-
wig te leven en te heerschen."
In deze plaatsen beschrijft de Apostel tweemaal
den doop als te bestaan in een begrafenis en een
opstanding, tengevolge waarvan deze inzetting eene
voortdurende voorstelling, gedachtenis en prediking is
-ocr page 97-
83
van de begrafenis en de opstanding van Christus,
onzen Heer en ons Voorbeeld. Alleen in en door
de onderdompeling kan zulks geschieden. Begieten of
besprengen bevat zelfs niet het geringste in zich, dat
aan begraven en opstaan doet denken.
Door deze duidelijke zinspelingen op de Wijze of den
Vorm des doops, wordt de zin van het woord „doo-
pen" zoo helder mogelijk verklaard en zoo sterk
mogelijk bevestigd. Te gelijk treedt hier ook \'duide-
lijk in het licht de noodzakelijkheid van „afdalen in
het ivater" en van „opkomen uit het water" van „doo-
pen
in den Jordaan" en daar waar „vele wate-
ren" waren, (welke uitdrukkingen wij in verband
met den doop aantroffen)
Theologen onder de kinderdoopers, die beroemd
zijn van wege hunne groote geleerdheid, hebben
volkomen toegestaan, wat wij zoo even beweerden.
Wij hebben dus hier niets aan toe te voegen, dan
alleen dat wij verlegen staan met de keuze van zoo-
danige aanhalingen, als de lezer het meest waar-
el eeren zal.
Wall. (Herder en leeraar te Stortham in Kent en schrij-
ver van het beroemde werk: „De geschiedenis van den
kinderdoop".) „Wat don aard des doops betreft, welke
toen algemeen in zwang was, zoo zijn de Schriftuurplaat-
sen, die daarvan spreken, zoo als Joh. III. 215, Mark. 1.
5, Hand. VIII. 38, onwedersprekelijke getuigenissen, dat
de personen, die zouden gedoopt worden, gewoonlijk in
het water afstegen en de dooper menigmaal evenzoo. Uit
deze berichten kunnen wij niet afleiden, dat het gansche
lichaam, hoofd en alles, onder water gedompeld werd;
hetgeen echter wel duidelijk blijkt uit twee der latere
berichten, welke voor mij deze vraag boven alle be-
denking beantwoorden. Eerstens, waar Paulus aan twee
plaatsen, zinspelende op den doop, dien eeno begrafenis
-ocr page 98-
84
noemt. En dan het gebruik der Christenen in de eerst-
volgende tijden, hetwelk, zoo als de geschiedkundige be-
richten veelvuldig en zeer nauwkeurig mcdedeelen, alge-
meen een geheele ondergang des lichaams was."
Aartsbisschop Tillotson. „Vroeger werden de doo-
pelingen in het water gedompeld en daarin begravent om
aan te duiden, dat zij der zonde gestorven waren; dan
stegen zij op uit het water, om daardoor te kennen te
geven, dat zij in nieuwigheid des levens wenschten te
wandelen. Op deze gebruiken zinspeelt de Apostel in
Rom. VI. 2-G."
Aartsbisschop Secker. „Den doopeling als te be-
graven in het water en hem daaruit weder op te heffen,
was zonder twijfel oudtijds de gebruikelijke manier van
doopen. Derhalve spreekt Paulus van den doop, als voor-
stellende den dood, de begrafenis en de opstanding van
Christus en hetgeen daardoor gewerkt is, n.1. ons gestor-
ven zijn aan de zonde, de dood en begrafenis onzer zonde
en onzo opstanding tot een nieuw, godzalig leven."
Kantt. Staten-vert. op Rom. VI: 3, 4. „De Apostel
schijnt hier te zien op de wijze van doopen, in warme
Oostersche landen gebruikelijk, waar de menschen geheel
in het water ingedoopt werden, en een weinig tijds onder
het water bleven, en daarna uit het water oprezen ; en
aan te wijzen dat deze indooping en blijven in het water
eene afbeelding is van Christus dood en begrafenis, en
het oprijzen uit het water van Zijne verrijzenis".
Doddridge. „ ,Met Hem begraven door den doop.\' De
oprechtheid eischt het, dat wij bekennen, hier eene toe-
speling aan te treffen op den doop der onderdompeling".
Dr. Whitby (Schrijver van een comment. over het
Nieuwe Testament en van meer dan veertig doorwrochte
werken). „Dewijl hier in Rom. VI.: 4 en Col. II: 12 zoo
nadrukkelijk verklaard wordt, dat wij met Christus
begraven worden door den doop, als men ons in
liet water doet nederzinken; dewijl de reden, waarom wij
Zijnen dood gelijkvormig zullen worden, door der zonde
-ocr page 99-
86
te sterven, daaraan ontleend is ; dewijl verder die onder-
dompeling door nllo Clii\'ltstoiien tlei\'tion
«sewwon getrouwelijk beoefend U en door onze kerk
(de bisschoppelijke kerk van Engeland) is aangenomen
geworden; en dewijl de verandering van dit gebruik door
de besprenging plaats gevonden heeft zonder het minst
verlof van den Insteller dezer verordening of vergunning
van eenig kerkelijk concilie, en door de Koomsche kerk
nog altijd wordt verdedigd, om de onthouding van den
kelk aan de leeken bij de viering des avondmaals te
rechtvaardigen, zoo zoude het zeer gewenscht zijn, dat het
oorspronkelijke gebruik weder algemeen werd aangeno-
men, en de besprenging alleen weder zooals vroeger
toegepast werd, by kranken of in stervensnood ver-
keerende personen."
Tholuck. „De bijbelsche term a-idasmpto -rt u/xaprtA leidt
den Apostel daarheen den lichamelijken dood van Chris-
tus te vergelijken met onzen geestelijken dood en zoo
doende voor den Christen de verplichting af to leiden om,
even als Christus Zijn aardsche leven prijs gaf, ook zoo
zijn zondig leven prijs te geven. De Apostel heeft aange-
toond, dat reeds door de bij de aanneming van het Chris-
tendom plaats grijpende doopplechtigheid betuigd werd,
dat de Christen geestelijk den dood van Christus in zyn
eigen persoon en leven wenschte uitdrukken. Nu treedt
de zoo licht in het oog springende bijzonderheid hem voor
den geest, dat het symbool des doops zelf als een beeld
van Jezus dood kan aangemerkt worden en zoo stelt hij
in dit vers den in den doop overgegevenen Christen als
een, als het ware, met Zijnen Verlosser begravene daar.
Heeft nu Paulus de zinnebeeldige beteekenis van den
doop en den dood van Christus in zoo wijde strekking
doorgevoerd, zoo lag het voor de hand, dat hij ook aan
het wedoropstaan uit den dood en de opstanding van
Christus eene zinnebeeldig verband toekende, zooals hij
dat hier doet. Ook op eene andere plaats treilen wij
dezelfde zinnebeeldige symbolische beschouwing aan (Col.
-ocr page 100-
86
II: 12.) Tot recht verstand van deze beschouwing van den
doop moet men voor het overige denken aan de bekende
omstandigheid, dat de doopelingen in de eerste kerk
ondergedompeld en weder opgeheven werden, welk ge-
bruik ook de eerste Christenen naar aanleiding van des
Apostels beschouwing eene symbolische beteekenis gaven".
Van d. Palm. aant. Rom: VI v. 4. „Met Hem begraven)
zinspeling op den doop door onderdompeling. — vers 5.
Want in dien wij enz. Het zou dwaasheid zijn, wel ge-
meenschap te willen hebben aan den dood van Jezus,
maar niet aan het leven Zijner opstanding, wel in het
doopbad ondergedompeld te willen worden, maar niet
daaruit herrijzen."
Olshausen. „Ten bewijze van de door hem ontwik-
kelde leering doet Paulus een beroep op het bewustzijn
zijner lezers in betrekking tot hunne eigene ervaring.
Den dood, ja de begrafenis van Christus hadden zij in
den doop mede ondervonden, zegt hij, on zoo ook de
opwekking tot een nieuw leven. Ook bij deze uitspraak
mogen wij bij den doop volstrekt niet alleen aan eigen
keuze of besluit denken, of daarin niet meer dan bloot
een beeld zien, hoe de eene helft van den ouden doopritus,
het onderdompelen, den dood en de begrafenis van
den ouden mensch, de tweede helft, het opstijgen of
opheffen, de opstanding van den nieuwen mensch,
slechts afbeeldt; veel meer moot de doop in zijn innerlijk
wezen en diepe beteekenis als een gewichtig moment in
het geestelijk leven opgevat worden. Hetgeen aan en in
den persoon van Jezus objectief voleindigd was, dat werd
door den doop in het geloof subjectief den mensch toe-
gekend; hij ervaart de kracht van het lijden en den dood,,
zoo ook van de opstanding des Heeron (Filipp. III. 10).
Dientengevolge kan deze werkzaamheid alleenlijk
den doop der volwassenen, bij wie hij met de we-
dergeboorte samenvalt toegeschreven worden".
De Apostel gebruikt evenwel ook het beeld van
de planting1 even als dat van de begrafenis, in be-
-ocr page 101-
87
trekking tot den doop. Vers 5. „Want indien wij
met Hem eene plant geworden zijn enz.
Assembly of Divines. „Want indien wij met Hem
èéno plant geworden zijn." In deze schoone gelijkenis
toont ons de Apostel aan, dat gelijk eene plant, die in de
aarde gezonken is, eenen tijd lang als dood en onbewege-
lijk daarin ligt, maar daarna weder opleeft en bloeit, zoo
ook bet ligcbaam van Christus een tijd lang dood in het
graf big, wedoi opstond en door die opstanding in nieuwo
en frisscho kracht te voorschijn trad. Ook wij woi\'den bij
den doop voor eenigen tijd, als het ware, begraven in het
water, en vervolgens weder opgeheven tot vernieuwing
des levens-\'.
Dr. Macknight. „Met Hem ééne plant ge worden
in do gelijkmaking van Zijnen dood." Do begrafenis
van Christus en Zijner goloovigen, eorst in hot water des
doops en dan in de aarde, wordt zeer treffend vergeleken
met liet planton van een zaad, daar in beide gevallen
eene herleving tot volmaaktoron toestand plaats grijpt-.
Gevolgtrekking. Met onwederlegbare zeker-
heid leer ik uit de Bijbelteksten aan het hoofd dezer
afdeeling, dat de uiterlijke gestalte of de vorm des
Doops in de dagen der Apostelen eene begrafenis
in water was. Voor het hart van den Christen
wordt de Doop allerbelangrijkst, van wege hetgeen
deze instelling naar Gods verordening moet voor-
stellen, n.1. de begrafenis en opstanding van den
Verlosser; zoomede om hetgeen zij den gedoopte
herinnert, n.1. zijne onbeperkte en onloochenbare
verplichting om zijn gansche leven te wijden aan
dien Heer, aan Wiens dood en opstanding Hij aldus
op zinnebeeldige wijze is gelijkvormig gemaakt
toen Hij met Hem „begraven werd en opstond".
Ook zie ik in deze verzen, krachtens welk beginsel
-ocr page 102-
88
en door wat macht dit alles verwezenlijkt moet
worden, n.1. „door het geloof der werking Gods."
Bij niemand, die vreemd is aan dit levend beginsel,
kan dit doel dezer ordinantie vervuld worden. In-
dien besprengen de wijze des doops, en zuigelingen
de voorwerpen waren, dan konden deze schriftuur-
plaatsen nooit geschreven geworden zijn. Op den
doop van geloovigen alleen, en wel door onderdompe-
linff kunnen deze Apostolisehe woorden toegepast tvorden.
II. OCCASIONEELE VERMELDING DES IJOOI\'S.
„Eén Heer, één geloof, één doop." Efezo IV : 5.
„Want wij zijn door éénon Geest tot één lichaam ge-
doopt, hetzij Joden, hetzij Grieken; hetzij dienstknechten,
hetzij vrijen; en wij zijn allen tot eenen Geest gedrenkt."
I Cor. XII : 13.
„Want zoovelen gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij
Christus aangedaan." Gal. III : 27.
„Anders wat zullen zij doen, die voor de dooden ge-
doopt worden, zoo de dooden gansehelijk niet opgewekt
worden? Waarom worden zij ook voor de dooden gedoopt?"
1 Cor. XV : 29.
De Apostel vermaant de Efezische en do Corinti-
sche Christenen tot eensgezindheid en vrede; allen
moesten één hart en ééne ziel zijn, zoodat er geen
scheuringen in het lichaam plaats grepen, wijl allen
één in Christus waren. Om dit nog sterker aan te
dringen, herinnert hij hun, wat hen allen geleerd
was, n.1- dat er slechts één Heer, één geloof,
één doop is; en dat allen tot „één lichaam" ge-
doopt zijn: heizij Joden, hetzij Grieken. Wij ont-
nioeten hier alweder, wat wij reeds vroeger aange-
troffen hebben, n.1. dat de Apostel het geloof voor
-ocr page 103-
S9
den doop stolt, even als Ch.istus onze Heer en
Meester deed, toen Hij zeide: „Die geloofd zal heb-
ben, en gedoopt zal zijn". — Een geloof, een uoor.
Wat het hierboven aangehaalde vers uit den brief
aan de Galatiërs betreft, zoo schijnt de Apostel hier
te doelen op de verwisseling van gewaad, die na
de bediening van deze instelling- noodzakelijk moet
geschieden. Evenzoo zullen daarop uitdrukkingen
als de volgende zinspelen: „afleggen den ouden
inensch met zijne werken" en „aandoen den nieuwen
mensch" (Efez. IV : 22, 24; Col. III : 9, 10); en in
\'t bijzonder, gelijk hier „Christus aandoen" als „den
lleere onze gerechtigheid".
Dr. A. Clarke: „Als de gedoopte uit liet water op-
kwam, was liet alsof hij een opstanding\' ten leven had.
Hij werd daarom verondersteld zijn ouden heidenschen
toestand af to leggen, gelijk hij zijne kleederen afleide,
en een nieuwen wandel, een nieuw leven te aanvaarden,
gelijk de gedoopte gewoonlijk andere kleederen aan-
trok."
De laatst aangehaalde Schriftwoorden (1 Cor.
XV : 29) hebben tot vele gissingen aanleiding ge-
geven, welke echter geen van allen het onderwerp
van onze onderzoeking raken. De inoeielijkheid ligt in
de bepaling van den juisten zin der woorden „Voor
de dooden".
De volgende uitlegging bevelen wij aan de op-
merkzaainheid onzer lezers aan:
W. a Brakel: „Wij achten dat hier is een elllptis, een
uitlating, een verzwijging, \'t Verzwegen woord is niet ver
te zoeken. De Apostel spreekt in dit hoofdstuk gedurig
en in dit vers van do Opstanding dor dooden topge-
wekt worden on opstaan is het zelfde). Zoodat hij het
verzwegen woord ons in den mond geeft, n.1. Opstan-
-ocr page 104-
90
ding. Voegt er dat tusschen in met uwe gedachten, en
leest aldus : „Wat zullen zij doen, die voor (de op-
standing)
der dooden gedoopt worden? Waarom worden
zij voor (de opstanding) der dooden gedoopt?.... Als men
deze woorden alzoo met een EWptis verstaat, zoo gaat
alles gemakkelijk, èn ten opzichto van de woorden, èn
ten opzichte van den zin, èn ten opzichto van \'t oogmerk
des Apostels; er geschiedt geen verandering en er blijft
geen zwarigheid over. En men ziet dat die woorden i\'oor
de dooden,
of voor der dooden, te weten Opstanding den
klem geven aan des Apostels redeneering welke is: Zij,
die voor de opstanding der dooden gedoopt worden, hoe
kunnen zij zeggen, dat er gansch goene Opstanding der
dood/n
is ? Waarom worden zij dan voor de Opstanding
der dooden
gedoopt? De doop verzegelt de Opstanding;
dat drukt de Apostel duidelijk uit, als hij daarbij doet:
gedoopt te worden voor de opstanding der dooden."
Gevolgtrekking". Indien het geloof den doop
voorafging in de dagen der Apostelen, en de pei-
sonen welke die ordinantie ondergingen, de iverking
van dien
Eenen Geest waren deelachtig gen-orden en
Christus hadden aangedaan als den mantel der ge-
rechtigheid, het geestelijk sieraad hunner zielen,
hunne hoop stellende op de opstanding bij Zijne
verschijning in heerlijkheid, dan blijkt het zonneklaar
dat niemand dan een oprecht tot Christus bekeerde
aldus gedoopt kon worden en zulke hooge en heer-
lijke voorrechten genieten mocht.
III. DE DOOP, VOOKAFGESCHADUWD IN HET OUDE
TESTAMENT.
Deze zijn de laatst te behandelen uitspraken, in
het Nieuwe Testament betreffende ons onderwerp
aan te wijzen.
„Ik wil niet, broeders!, dat gij onwetende zijt, dat
onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door
-ocr page 105-
91
de zee doorgegaan zijn, en allen in Mozes geJoopt zijn in
de wolk en in de zee". 1 Cor. X. 1. 2.
„Wanneer de langmoedigheid Gods eenmaal verwachtte,
in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd, waarin
weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het
water; waarvan het tegenbeeld, de doop, ons nu ook bo-
houdt; niet die eene aflegging is van de vuiligheid des lig-
chaams, maar dieeene vraag is van een goed geweten tot God
door do opstanding van Jezus Christus". 1 Petr. III. 20. 21.
Om den Apostel in den eerst aangehaalden tekst
te beter te verstaan, zal de lezer weldoen, het ver-
haal van de gebeurtenis in het Oude Testament,
waarop hij het oog richt, Exodus XIV, na te slaan.
Wij lezen daar dat de Israëlieten midden in de zee
afdaalden;
dat het water zich verdeelde en hun een
pad opende, door zich aan hunne rechter- en aan
hunne linkerhand
als een muur te stellen, zoodat zij
daarhenen trokken op het droge. Wij lezen ook
dat de wolkkolom, welke hen leidde, de legerscharen
Jakobs ganschelijk verborg voor den blik hunner
vijanden; dat zij helder lichtend was voor genen,
daarentegen donker en schrikwekkend voor dezen.
Het water schijnt den Israëlieten ook niet in de ge-
ringste mate
geraakt te hebben en daarom moet het
woord „gedoopt" hier van den Apostel in overdrach-
telijken zin
gebezigd zijn De vraag is dus eenvoudig
deze: Of de toestand der Israëlieten in de wolk
en in de zee meer overeenkomst heeft met de be-
sprenging door eenige droppelen waters, dan wel
met ccn volkomen begraven zijn in het water?
Wij willen op die vraag kinderdoopers, die het
grootste aanzien in de wereld der geleerden genieten,
laten antwoorden.
Witsius verklaart dien tekst aldus. „Hoe konden de
Israëlieten in de wolk eu in de zee gedoopt zijn, daar zij
-ocr page 106-
92
noch in de zee gedompeld, noch door de wolk bevochtigd
werden? Hier moet opgemerkt worden, dat de Apostel
het woord „doopen" beeldsprakig bezigt; toch duidt dit
beeld het uitwendige teeken aan. De zee is water, en ook
eene wolk bestaat uit water. De wolk hing boven hunne
hoofden en de zee omgaf hen van alle zijden; zoo ook
omringt het water den doopeling".
Gataker. „Even als bij de Christelijke doopsbediening
de doopelingen van het water omringd en bedekt en,om
zoo te zeggen, daarin begraven worden — en wederom,
bij het opkomen, als uit het graf opstijgen, zoo was het,
alsof de Israëlieten, toen zij door het water der zee trokken,
dat hooger stond dan hunne hoofden, daarvan over-
dekt en als het ware daarin begraven waren; en we-
derom, alsof zij bovenkwamen en opstonden, toen zij den
oever bestegen."
De Apostel Petrus spreekt in 1 Petr. III : 20 van
het doel en oogmerk des doops. Wanneer hij voor-
namelijk het oog- had op den vorm des doops,
dan valt het licht te begrijpen, dat de toestand waarin
Noach verkeerde, (tijdens hij in do ark was en dit
voertuig zelf in den zondvloed van onderen werd ge-
dragen door de wateren uit de fonteinen des groo-
ten afgronds (Gen. VII : 11), en van boven werd
overstort uit de geopende sluizen des hemels) vrij
wat meer overeenkomst heeft met de indompeling
van een mensch in het water, dan met zijne
besprenging door eenige droppels. Evenals nu Noach
door het water gered werd uit de algeinecne ver-
woesting, zoo wordt de Christen het ook door den
doop, wanneer hij met en in den doop een levend
geloof verbindt aan datgene, wat door de uiterlijke
handeling des doops wordt voorgesteld, n.1. de
dood en de opstanding van Christus.
-ocr page 107-
93
Eenige verschillende verklaringen van Schriftuit-
leggers mogen hier volgen:
Baumgarten : „Nomen wij het mensehelijk geslacht en
de aarde als eon geheel, zoo is de vloed de scheiding
van het oude en nieuwe. De oude aarde met den vleesch-
gewordon mensch wordt verdelgd ; maar deze verdelging
is juist de redding van den rechtvaardigen, van Noach,
terwijl hij van de verderfelijke gemeenschap dos vlecsches
verlost wordt. Daarom heet het: acht zielen werden gered
door het water en wordt do vloed als een voorbeeld van
den doop genoemd. Het water van den vloed is alzoo de
doop der aarde, welke het oudo verdrinken doet en het
nieuwe behoudt en levend maakt."
Knatschbull: „Het eigenlijke doel des doops is de
opstanding van den nieuwen mensch, door het geloof aan
de opstanding van Jezus Christus, waarvan de doop een
zeer sprekend en beteekenisvol beeld is; even als de ark
van Noach, uit welke deze als uit een graf tot een nieuw
leven terugkeerde.
Kantt. State n-vert: „Door het water, of in het
water d. i. midden in en door het water. Uier wordt gc-
zieü ujj Je ark en den ingang van Noach in de ark, door welke
Noach is behouden gebleven in het water van den zond-
vloed, waarde anderen in vergingen. Do doop wordt hier
een tegenbeeld genoemd, omdat hij een bondzegel is van
onze behoudenis uit het algemeen verderf der wereldsche
menschen........Sommigen meenen dat de uitdrukking
„de vraag van een goed geweten" enz., ziet op het ge-
bruik van den doop der volwassenen in de eerste kerk,
welken afgevraagd werd, of zij ook den duivel en de we-
reld voortaan wilden afzweren, en in goed geweten voor
God wandelen, waarop zij antwoordden: „ja" op welke
vraag en antwoord hier zou gezinspeeld worden."
Aldus is de doop, waar zij naar eisch plaats vindt
de vraag van een goed geweten tot God,
daar hij een daad van gehoorzaamheid jegens God
-ocr page 108-
94
en Zijnen in de Schrift geopenbaarden wil is. Niet
zegt de Apostel, afwassching door het water als
zoodanig, welke niet nut is, aan en voor zich zelve,
en hoogstens alleen den uitwendigen mensch kan
reinigen, maar een zoodanige doop, die vergezeld
gaat van de krachtig vernieuwende macht des Heiligen
Geestes.
Gevolgtrekking. Indien de vraag „van een
een goed geweten" een vereischte is bij dengene
die gedoopt wordt, dan kan tot den doop ook nie-
mand bevoegd zijn, dan een, die waarlijk in Christus
gelooft.
BESLUIT VAN ONS ONDERZOEK.
Het hoofddoel van dit werk is nu bereikt, lezer,
Elke uitspraak of tekst der II. Schrift, tvclke betrek-
king heeft op ons onderwerp,
den Doop, en ons
eenige inlichting verschaft omtrent de Personen, den
Vorm of de lïeteekenis van den Doop hebben wij
gelezen en beschouwd. Wij meenen dus gerust te
kunnen zeggen, een vertrouwbaar en volledig ant-
woord gegeven te hebben op de vraag: Wat leert
de Bijbel van den Doop?
De Ileere Jezus gebood: „Onderzoekt de Schriften-
en
wij behoeven er niet aan te twijfelen dat op Zijne
genadige goedkeuring gerekend zou mogen worden,
indien bij elke aangelegenheid van Zijn koninkrijk
en Zijnen dienst gehoorzaamheid bewezen werd aan
deze vermaning. Het „Tot de Wet en de Getuigenis\'",
is een Goddelijke regel, waarvan immers geen op-
recht Protestant wenscht af te wijken. Heeft de
Verlosser niet gezegd: „Gij dwaalt, niet wetende
de Schriften?"
-ocr page 109-
95
Ieder onzer moet dus in staat zijn een duidelijk
en voldoend antwoord te geven op de volgende
vragen.
I.  Wie zijn geroepen en gerechtigd tot den doop,
krachtens het gezag van Christus en den dienst
Zijner Apostelen?
Antwoord. Wij hebben den doop van velu duizenden
personen en de bediening dier instelling bij vele
verschillende gelegenheden aangetroffen; maar nooit
of nergens vonden wij in de gansche Heilige Schrift
een enkel persoon gedoopt (Christus uitgezonderd),
van welken wij in de verste verte kunnen vermoe-
den, dat hij niet eerst was onderwezen in de leer
des Evangelies,
en beleden had in Christus te ge-
looven. Dit wordt öf uitdrukkelijk vermeld, óf ligt
zoo onwedersprekelijk in het geschiedverhaal, dat
er geen redelijke oorzaak van verschil of strijd op
dit punt overblijft.
II.  Op wat wijze moet de doop bediend worden?
Antivoord. Wij hebben geen enkel vers, of woord,
of omstandigheid aangetroffen, hetwelk naar reaht-
vaardiging van het gebruik van water bij wijze van
begieten of besprengen zweemt; maar waar
ook maar eenige beschrijving van, zinspeling op, of
heenwijzing haarden Vorm dezer instelling gevonden
wordt, daar is Onderdompeling (gelijk dan ook
het woord doopen, /Ja-n\'Cu* onloochenbaar vereischt)
en niets anders bedoeld.
III.     Wat is de eigenlijke Heteekenis van den
Doop?
Antivoord. De uitspraken der H. Schrift, die ons
bij de beantwoording dezer vraag dienen, leeren
klaar, welke de bedoeling- Gods met deze instel-
ling is. Zij is deze: de Doop moet voor oogenstel-
-ocr page 110-
96
len en leeren welke gewichtige verandering de genade
Gods werkt in het hart van een zondaar; te weten:
zijne reiniging van de zonde; zijn „der zonde dood
zijn" en zijne begrafenis wat de liefde en de
praktijk der zonde aangaat; zijne Opstanding tot een
nieuw, tot een godzalig leven; de vereen iging en
de gemeenschap, waarin de Christen treedt met
den Drieeenigen God en Zijne Opstanding van
de dooden, door Zijnen gekruisigden en opgestanen
lieer, bij diens wederkomst.
Hier zouden wij dit boekje kunnen eindigen. Maar
wellicht komen bij mijnen lezer, dien van Vindsbeen
af de kinderdoop geleerd is, eenige vragen op,
die hij gaarne beantwoord zag. Ik herinner mij dat
zulks bij mij het geval was, toen ik geleid was tot
het onderzoek van deze vraag en de H. Schrift
nauwgezet en ernstig daarover gelezen had. Ik
wenschte de vragen, die toen bij mij oprezen door
bevoegde personen beantwoord te zien, en meen mij
niet te vergissen, als ik hetzelfde bij althans sommige
mijner lezers veronderstel. Wat mij betreft: ik ben
volkomen bevredigd geworden door de antwoorden,
welke ik op mijne vragen ontving, en begeerig zijnde
dat de bedoelde lezers hetzelfde voorrecht genieten
mogen, wil ik nu nog eenige van die vragen stellen
en daarop zulke antwoorden doen volgen als mij
beslist en voldoende voorkomen. Of mijn lezer ze
even zoo degelijk zal beschouwen, dan niet, zulks.
zij aan zijn eigen oordeel en geweten overgelaten,
en aan den invloed van dien Geest, wiens bediening
het is „in alle waarheid te leiden."
Mijne antwoorden zullen gesteund of bevestigd
worden door aanhalingen van uitstekende schrijvers
onder de voorstanders van den kinderdoop; somtijds
-ocr page 111-
«)7
zal ik niets anders geven dan zulke aanhalingen,
wijl er naar geen beter antwoord behoeft omgezien
te worden.
Ie Vraag. Alhoewel in de door u voorgelegde schrif-
tuurteksten, door mij geen letterlijk uitgedrukt gezag
kan gevonden worden voor den kinderdoop, noch door
gebod noch door voorbeeld, zoo zullen de kinderdoo-
pende godgeleerden toch zeker niet toestemmen, dat in
het Nieuwe Testament zulk een gezag niet gevonden
ivordt?
Antwoord. Ne ander. „Het is zeker dat Jezus Christus
den Kinderdoop niet heeft ingezet." .,Dat de apostelen
een doop voor kleino kinderen ingesteld hebben, zou
niet bewezen kunnen worden."
Pascal. „Do Kinderdoop vormt een belangrijk verschil
tusschen de oorspronkelijke Kerk, die van die handeling
niets wist, en do Kerk van later dagen, die deze cere-
monie in de derde eeuw invoerde."
H. Beecher. „De bewijzen, welke men uit den Bijbel
■wil ontleenen ten gunste van den Kinderdoop zijn gezocht
en krachteloos. Er bestaat niet het minste schriftuurlijke
gezag voor deze Kerkelijke handeling.
Lange. „Allo pogingen om den Kinderdoop uit het N.
Testament te bewijzen, lijden schipbreuk."
Bunsen. „De Kinderdoop is niet schriftuurlijk."
Schleiermacher. „Die eenig bewijs voor den Kin-
derdoop wil vinden in het N. Testament, moet het er
eerst in leggen."
Baumgarten. „De kinderdoop kan niet worden afge-
leid uit eenige bepaald Apostolische overlevering, noch
uit eenige Apostolische daad."
Mc. Neile (Deken in de £ngelsche Staatskerk) „Aan1-
gaande den Kinderdoop, daarvoor weet ik geen enkel
woord van God aan te wijzen."
7
-ocr page 112-
<J6
De Pressensé. „De doop is in de dagen der Apostelen
niet aan kinderen toegediend."
Meijer (Luth. godgeleerde) „Er bestaat geen sterk-
sprekender bewijs voor de opname der historische
overlevering in de Luthersche en Gereformeerde Kerken,
dan de Kinderdoop."
Curcellaeus. „De Kinderdoop was in de eerste tijden
na Christus een geheel onbekende zaak; in de dorde en
vierde eeuw waren er sommigen, die den Kinderdoop
invoerden en verdedigden."
Prof. Hahn. „In den ganschen Bijbel, noch in de
eerste 150 jaren wordt een duidelijk geval van kinderdoop
gevonden. "Wij moeten toestemmen dat de talrijke tegen-
standers van den Kinderdoop niet op Evangelische gron-
den kunnen tegengesproken worden."
Luthor. „Het kan uit de H. Schrift niet bewezen wor-
den dat de Kinderdoop door Christus ingesteld, of door
de eerste christenen na de Apostelen begonnen werd."
Herzog\'s. Theol. Real Encyclop. (art Doop) —„Dat in
het N. Testam. geen spoor van Kinderdoop te vinden is,
zal voor de wetenschappelijke exegese wel als uitgemaakt
te beschouwen zijn; alle poging om den Kinderdoop uit
de woorden der inzetting, of uit plaatsen als 1 Cor. 1 : 16
af te leiden, verdienen daarom den naam van willekeurige
kunstenarijen."
2e Vraag. Hoe moeten wij dan den volgenden tekst
verstaan, die door zoovelen als een der grondslagen des
kinderdoops beschouwd wordt:
„Laat de kinderkens tot Mij komen; en
verhindert ze niet, want derzulken is het
Koninkrijk Gods." (Mark. X: 14).
Antwoord. Indien Markus aan de mededeeling dat
de Zaligmaker deze kinderen in Zijne armen nam,
had toegevoegd: „en Hij doopte hen", in stede van:
„en Hij zegende hen", dan zou men deze plaats met
-ocr page 113-
99
vrucht kunnen aanvoeren en zou de strijd beslecht
zijn; maar naar het verhaal, \'t welk ons de Heilige
Geest hier geeft, hebben wij hier evenzoo min aan
kinderdoop, als aan avondmaalsviering met kinder-
kens, of aan besnijdenis van kinderen te denken.
Het is zeker dat Christus deze kinderen niet doopte,
want Hij zelf doopte nooit; (Joh. iV: 2) en indien
Zijne discipelen, die voor Hem en op Zijn bevel
doopten, door hunnen Heer gelast waren kinderen
te doopen, dan valt er niet aan te denken dat zij
de ouders of vrienden, die deze kleinen tot den Heer
brachten, „bestraft" zouden hebben. Er is trouwens
dan ook geen woord van den doop in het geheele
verhaal te vinden.
Maar wat meer zegt: deze Schriftuur genomen,
gelijk God ze geeft, bevat juist een bewijs tegen
den kinderdoop. Wij zien hier ouders hunne lieve
kleinen tot Jezus breng-en om van Hem gezegend te
worden. Welnu, indien de doop deze kinderen in het
verbond der genade, of tot de kudde van Christus zou
gebracht, of hun eenigen geestelijken zegen zou aange-
bracht hebben, zou dan de Heiland hun zulks onthouden
en hunnen ouders en den discipelen verborgen gehou-
den hebben? Zou Hij hen „in Zijne armen nemen en
hen zegenen" en hen ongedoopt aan hunne ouders
teruggeven, en dat zonder een woord van deze
instelling te reppen ? Is het ooit gebeurd dat eenige
geestelijke zegen bij Hem gezocht werd en Hij dien
niet schonk ? Hier hebben wij ouders, die van Jezus
geestelijk heil begeerden voor hunne kinderen, en
indien de doop was „het zegel", of „de sleutel", öf
„de deur\' der geestelijke zegeningen van het genade-
verbond" (gelijk kinderdoopers zoo vaak beweren),
zou dan de Heere Jezus hier geweigerd hebben, of
-ocr page 114-
1(1(1
de kleinen zonder dien schat hebben laten gaan ?
Zoo iets is onmogelijk. Duidelijk treedt hier aan het
licht, dat Christus den kinderdoop niet wil, maar er
tegen is, en dat die praktijk niets goeds medebrengt
en dus niet aan de hand mag gehouden worden.
Zeer geleerde kinderdoopers spreken het uit, dat deze
schriftuur hunne zaak niet kan dienen:
Poole. „Wij moeton hier voorzichtig zijn, daar wij uit
dit verhaal den kinderdoop niet kunnen wettigen door
het voorbeeld van Christus; want het is zeker dat Hij
deze kinderen niet doopte. Markus zegt alleenlijk: „Hij
nam ze in Zijne armen, leidde hun de handen op en
zegende ze."
Bisschop Taylor — „Uit de daad der kinderzegening
door Christus af te leiden, dat kinderen gedoopt zullen
worden, bewijst niets meer, dan dat het un beter bewijzen
faalt; want met meer waarschijnlijkheid zou de gevolgtiek-
king aldus genomen kunnen worden: Christus zegende de
kinderen, en liet hen zoo van Zich gaan, :e niet doopende
derhalve bohooren de kindoren niet gedoopt te
worde n.H
Olshausen. „Van hot in dit verhaal gedurig begeerde
en gezochte verband met den kinderdoop is inderdaad
geen spoor te ontdekken."
3e Vraag. Indien dan het X. Testament geen Kin-
derdoop leert, op wat grondslag wordt dan deze praktijk
door hare godgeleerde voorstanders gesteld en verdedigd?
Antwoord. Op deze vraag antwoorden wij met de
woorden van een der ijverigste voorstanders van
den kinderdoop:
Dr. E. Williams. „De verdedigers van deze instel-
ling stommen in het geheel niet overeen, waar het het
recht betreft, waar op zich de kinderdoop grondt."
De lezer oordeele:
-ocr page 115-
101
Roomsche Kerk: „Indien iemand zegt dat de doop
niet noodzakelijk: is tot do zaligheid — die zij ver-
vloekt!"
Grieksche Kerk: „Wij golooven dat de doop oen sa-
crament is, door den Heer ingesteld, zonder hetwelk te
ontvangen een mensch geen gemeenschap met Christus
h«eft."
Luthersche Catechismus. — „De doop werkt vor-
giffenis der zonden; verlost van den dood en den duivel
en geeft de eeuwige zaligheid allen dengenen, die ge-
looven."
Engelsche Staatskerk. — „Do doop maakt den
doopeling een kind van God en een erfgenaam van het
Koninkrijk der hemelen."
Gereformeerde Kerk in Noderland. „Formulier
om den Heiligen doop te bedienen aan de Kinderken»
der geloovigen. Gebed vuur den doop
.... "Wij bidden U, o
God, dat gij dezo kinderen gcnadiglijk wilt aanzien,
en door Uwen Heiligen Geest Uwen Zoon Jezus Chris-
tus wilt inlijven." — Dankzegging na den doop . . . .
Wij danken U dat gij onze kindoren door het bloed van
Uwen lieven Zoon Jezus Christus alle zonden vergeven en
hen door Uwen Heiligen Geest tot lidmaten van Uwen eonig-
geboren Zoon en alzoo tot Uwe kinderen aangenomen hebt."
Selden en Hammond golooven dat de Kinderdoop
ontleend is aan den Joodschen proselietendoop.
Knatchbull verwerpt dezen oorsprong uit den prose-
lietendoop en stelt daarvoor de besnijdenis.
Venema en Vitringa verwerpen het gevoelen dat
de Kinderdoop zijn oorsprong heeft uit de besnijdenis en
nemen aan met
Witsius dat „sommige kinderen in een staat verkee-
ren, die eenigszins verwant ia aan dien in de genade."
Prideaux en Heidegger beweren dat „de kinderen
deel hebben aan het geloof en het geuadeverbond, al is
het heil hun nog niet verzekerd."
-ocr page 116-
102
Baxter stelt het aeloof der Ouder* tot voorwaarde van
het deelgenootschap der kinderen aan de Kerk en aan de
eeuwige zaligheid.
Aartsbisschop Leighton zegt,dat noch de Heilige Schrift
noch liet gezond verstand iets van dien aard leert, dat
het geloof of de belijdenis der ouders recht geeft op den
doop van hun kind.
Calvijn wijst op de belofte aan Israël in hot O. Testa-
ment als grondslag van den kinderdoop.
Tjellstedt en Wieselgren [(beiden Theol. Doctoren
leeraar in de Zweedsch-Luthersche Kerk) beijveren zich
in hunne geschriften over het Sacrament des kinderdoops
te bewijzen, dat die doop een oud Heidensch en Joodsch
gebruik is, hetwelk de Christenen meenden [te moeten
overnemen, „zonder daartoe eenig voorschrift in Gods
Woord te hebben of te behoeven".
Dr. G. v. d. Flier zegt: „De Christelijke Kerk heeft
terecht begrepen dat de Kinderdoop de vervanging was
van het. brengen tot en zegenen door Jezus".
Zulke tegenspraak en ongerijmdheden onder de
voorstanders van den kinderdoop zijn het noodwen-
dig gevolg van gebrek aan Schriftuurlijken grondslag
en gezag voor die handeling.
In het Glossarium van I. Ihre vindt men den oor-
sprong van den kinderdoop aldus aangegeven; men
leest daar:
„Een pas geboren kind met water te overstorten of te
besprengen was eene plechtigheid, ook onder het Heiden-
dom in gebruik, toen men nl. bij het geven van een
naam aan het kind hot tegelijk met water besprengde."
Grimm zegt: „Het is genoegzaam bekend dat reeds
vóór het Christendom een heiliging ven de jonggeboren
kinderen door water bij de Noorsche Heidenen gehuldigd
werd. Vermoedelijk vond deze plechtigheid ook bij de
andere Germanen plaats en waarschijnlijk schreef men
-ocr page 117-
103
aan het daarbij gebruikte water, gelijk bij de Christenen
aan het doopwater, eeno bijzondere kracht toe."
„De volkeren hangen aan de oude gebruiken en houden
ze vast. Wij zouden hunne overleveringen, hunne bijgs-
loovigheid in \'t geheel niet begrijpen, wanneer wij haren
Heidenschen bodem en grondslag voorbijzien."
Lenoir zegt: _ Hij de Grieken en Romeinen moesten ook de
pasgeboren kinderen do heilige reiniging ondergaan, bij
welke gelegenheid zij tevens onder de bescherming van
cenige godheid geplaatst werden."
In Let werk „Ant\'quitates sdectae septentr ion alen
et celticae
komen onderscheidene mededeelingen voor,
waaruit evenzeer blijkt dat het doopen van kinde-
ren reeds bij de Heidenen in gebruik was. Het vol-
gende is er een van:
„Een Krijgsman vond in het woud Mokred een jongge-
boren kind. Hij bracht het tot den koning. Deze beval
dat het volgens heidensche wijze gedoopt zou worden en
dat het dun naam van Canut ontvangen zou".— Zelfs na
hunne bekeering tot hot Christendom waren de Livoniêrs
gewoon hunne kinderen op heidensche wijze te herdoo-
pen. of — zooals de Kerkelijke schrijver het uitdrukt —
den Christeiijken doop, aireede door die kinderen ont-
Tangen, te bezoedelen met hunne heidensche reiniging.
Op dezo gewoonte ziet ook de 12e Brief van Paus
Grcgorius aan Bon i facius, den Apostel der Duitschers.
In dit schrijven toch beveelt de Opperbisschop aan den
ijverigen heidenbekeerder, dat de kinderen, welke door hei-
densche priesters, die aan Jupiter offeren, gedoopt waren,
herdoopt moesten worden in naam van de Heilige Drie-
eenheid".
4e vraag. „Maar worden de kinderen der geloovi-
gen dan nut
Heilig genoemd in 1 Cor. VU: 14; waar
wij lezen:
„De ongeloovige man is geheiligd door de
vrouw, en de ongeloovige vrouw is geheiligd door
-ocr page 118-
104
den man. Anders waren uwe kinderen onrein, maar
nu zijn zij heilig." En indien dan de kinderen
heilig zijn, mogen en moeten zij dan niet gedoopt worden f
Antwoord. — Zoo hebben altijd vele godvreezende
lieden gemeend; doch heiligheid wordt nergens in
Gods Woord gesteld als een voor-vereischte tot den
doop. En ligt er niet ongerijmdheid in het denk-
beeld, dat de doop, die het uitwendig teeken van
a/wassching der zonde (Hand. XXII: 16) is, aan zui-
gelingen zal toegediend worden, omdat zij heilig zijn f
Maar van welke heiligheid is hier sprake? De Apos-
tel zegt, dat zij den ongeloovigen ten deel valt, want:
„De ong\'eloovige man is geheiligd enz." Nu,
deze heiliging kan onmogelijk geestelijk zijn; want
de geestelijke heiliging is het werk van den Heili-
gen Geest op hart en verstand, en daarin heeft een
ongeloovige deel noch lot. (Hand. VIII: 21). Indien
gelet wordt op wat de Apostel hier behandelt, dan
valt het, dunkt mij, niet moeilijk zijne bedoeling te
vatten. Immers hij geeft den Corinthiers raad ten
gevolge eener aan hem voorgelegde vraag, t. w:
Of een man of vrouw, die tot Christus bekeerd is
en een ongeloovig echtgenoot, hetzij Jood of Hei-
den heeft, daarom scheiden moet, gelijk in Ezra X: 1-14.
De Apostel zegt: „Indien de ongeloovige tevreden
is bij zijn of haar geloovige echtgenoot te wonen,
dat er geen verlaten zij." Dan volgt de uitspraak:
„Want de ongeloovige man is geheiligd door de
vrouw enz.," of zooals ook vertaald wordt „is ge-
heiligd tot de vrouw" enz.
Nu is de vraag: in welken zin kan iets of iemand
geheiligd zijn, zonder dat aan dat voorwerp of aan
dien persoon eenige zedelijke of geestelijke heilig-
-ocr page 119-
10Ö
heid medegedeeld is, en terwijl die heiliging\' niet is
het werk van den Heiligen Geest? De Bijbel ant-
woordt daarop duidelijk. Tonners: tempel, altaar,
priester en Leviet, dieren en allerlei andere offer-
gaven, tienden, priesterkleeding, brood, vaten, spreng-
bekkens, krauwels, enz. in één woord: alles wat tot
den Mozaischen eeredienst behoorde wordt nadruk-
keiijk als heilig en geheiligd aangewezen, gelijk ook
huizen, akkers, tienden, water, enz, wanneer zij, vol-
gens de bepaling van Gods wet aan Israël, af\'gezon-
derd waren tot een bijzonder doel. Pas dit nu toe op
ons onderwerp. Het huwelijk is eene inzetting Gods:
en wanneer een man oi\' vrouw in het huwelijk treedt,
dan is hij of zij, afgezonderd en in dien zin „gehei-
ligd"\' tot en in den staat of de betrekking van ech-
ten man of echte vrouw. Dies is deze vereeniging
door den huwelijksband wettig-, betamelijk en Gode
welgevallig, en zij zal zulks blijven, al is het dat een
van de gehuwden bekeerd wordt en de andere on-
bekeerd blijft *).
De gevolgtrekking\', welke de Apostel neemt uit
deze heiliging (of bestemming krachtens Goddelijke
(*) Indien het woord heilig hier in geestelijken zin genomen
en dan de kinderdoop er uit afgeleid moet worden, dan geeft
ook het woord, geheiligd, dot blijkbaar dezelfde beteekenis heeft, een
zelfde vastigheid voor den doop van dun ougeloovigen echtgenoot.
Ook mag niet voorbij gezien worden dat het woord Kinderen iu deze
plaats, even ah Hand. 11:39 beteekent: nakomelingschap van allen
leeftijd, zoowel volwassenen als kinderkens. Zij alten zijn der heilig-
heid deelachtig, van welke hier sprake is bij den Apostel, en indien
een op dezen grond recht heeft tot den doop, dan ooi alten, zoowel de
zoon of dochter van 20 jaar als van 20 uren. Ieder gevoelt dat de
voorstanders van den kinderdoop hier een onhoudbaar argument aas-
voeren. Voorts diene tot bevestiging van een en ander dat, waai
Joodsche schrijvers spreken van „weg en middelen om on* el tig» of
onechte kinderen te reinigen of te wettigen" de term reiniging of
heiliging juist dezelfde meening heeft, als wij hier bij den Apostel
aantreffen.
-ocr page 120-
106
verordening1) ligt voor de hand: „anders waren uwe
kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig", d. i. : In-
dien de vereeniging, de samenwoning der ouders
niet overeenkomstig den wil Gods, niet naar Zijne
wet was, dan zouden uwe kinderen vruchten zijn
eener ongeoorloofde, onwettige gemeenschap; maar
nu die samenwoning met Gods wil overeenstemt,
zijn zij geheel vrij van de smet van onwettige geboorte.
Wij geven weder uitspraken van Godgeleerden,
die den kinderdoop voorstaan.
T. Williams. „De ongcloovigo man is geheiligd door
de (geloovige) vrouw enz." zoodat de samenwoning volko-
men geoorloofd is, en de kinderen wettig, of in cercmo-
nieelon zin heilig zijn".
Melanchton: .Indien de gemeenschap des huwelijks
Gode niet behaagde, dan waren uwe kinderen bastaarden,
en dus onrein; maar uwe kinderen zijn geen bastaarden,
daarom behangt do huwelijksgemeenschap Gode. Hoe de
bastaarden in bijzonderen zin onrein waren, leert ons
Deut. XXIII : 2".
Camero. „De heiligheid, van welke de Apostel spreekt,
staat niet tegenover do onreinheid, welke van nature
«Hen eigen is tengevolge van Adams val; maar tegenover
die onreinheid, van welke de geloovigo vrouwen verdacht
werden, vanwege hare samenwoning met ongeloovige
mannen."
Suares en Vasques. „De kinderen worden heilig
genoemd, in burgerlijken zin; d.i. wettig en niet onecht.
Alsof Paulus wil zeggen: „Indien uw huwelijk onwettig
ware, dan zouden uwe kinderen onecht zijn. Maar het
eersto is niet waar, en derhalve ook het laatste niet."
Luther.-- „Hier (1 Cor. VII: 14) wordt op Hebreeuwsche
wijze en naar den trant van Paulus gesproken, dat dien,
die heilig is, alle dingen rein zijn. Zoo zegt hij in Titus
I : 15 „den reinen zijn alle dingen rein" en in Hom. VIII:
-ocr page 121-
107
„alle dingen dienen den heiligen ton beste" (Luthers ver-
taling van Rom. XVIII: 28). Dat wil zooveel zeggen als: ren
Chri=tenechtgenoot behoeft niet te scheiden van, maar
hij kan wel blijven bij zijne onchristelijke wederhelft en
ook onchristelijke kindoren krijgen en opvoeden. Wij lezen
in djn 18cn psalm: „Bij den reinen zijt Gij rein enz."
Waarom dat? Daarom, dat de heiligen, d. w. z. de geloo-
vigen alle dingen heilig en zalig gebruiken, en zich
daarin heilig en rein kunnen houden. „En zoo zijn ook
de kinderen heilig, ofschoon zij noch gedoopt, noch christenen
zijn.
Geenszins zijn zij heilig in eigen persoon,vnn
wdke heiligheid Paulua hier niet spreekt,
maar U zijn zij
heilig, zoodat Uwe heiligheid met hen kan verkeeren,
ze kan opvoeden, zonder dat gij ontheiligd wordt."
Olsliausen. — „Het is duidelijk dat Paulus deze be-
wijsvoering niet zou ter neder geschreven bebbcn, indien
reeds toen de kinderdoop in zwang geweest ware."
Gevolgtrekking. — Naardien de heiligheid van.
welke sprake is in 1 Kor. VII : 14, eenvoudig wet-
tigheid van geboorte
beduidt, zoo geeft zij geen aan-
spraak op den doop en is er dus in dezen bijbeltekst
niets te vinden dat den kinderdoop begunstigt.
öe vraag. Volgens deze verklaring zouden wij moe-
ten aannemen, dat de kinderen der gelooviqcn niet
beter of niet
heiliger zijn, dan die der ongeloovigen.
Is dit gevoelen Schriftuurlijk?
Antwoord. Ruiten allen twijfel. David, zoon van
den godvreezenden Isaï, zegt: „Zie, ik ben in on-
gerechtigheid geboren, en in zonde heeft mijne moe-
der mij ontvangen" (Ps. 1 :5) En Paulus, sprekende
van zichzelven en zijne medegeloovigen, schrijft:
Wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk
ook de anderen"
(Ef. II : 3). En in Rom. V : 12
zegt hij: „Daarom, gelijk door eenen mensch de
-ocr page 122-
108
zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde
de dood, en alzoo de dood tot alle menschen door-
gegaan is, in welken (of omdat zij allen) gezondigd
hebben" 111:9,10: „Wat dan? Zijn wij uitnemender?
Ganschelijk niet; want wij hebben te voren beschul-
digd, beide Joden en Grieken, dat zij allen onder
de zonde zijn; gelijk geschreven is: „Er is niemand
rechtvaardig, ook niet één." En onze Zaligmaker
verzekert nadrukkelijk: „Wat uit vleesch geboren
is, dat is vleesch, en wat uit den Geest geboren is,
dat is Geest. Gij lieden moet wederom geboren
worden" Joh. III : 6, 7).
Ileidelb. Catech. (Antw. 7e vraag): „Ik bun van
nature geneigd God en mijn naaste te haten."
Kerk van Engeland. „De oorspronkelijke zonde is
het gebrek en het verderf van elk mensch; en daarom
is zg in elkeen, in deze wereld geboren, de toom Gods
waardig."
Dorrington. „Alhoewel de Ouders zijn opgenomen in
het Nieuwe Verbond, zoo worden do kinderen uit hen
geboren, niet in dit verbond geboren; maar zij worden als
alle anderen in een staat van opstand en ellende geboren."
A. Clark e. „Allen worden geboren met eene zondigo
natuur. Nooit was er ook maar een enkel geval van eeno
onbovlekte nienscholijko ziel sedert Adams val. Door
zyne overtreding komen allen ter wereld met de zaden
van dood en verderf in zieh; allen zijn zondig, sterfelijk,
en moeten sterven."
Doddridge. „Dewijl wij allen uit een verdorven stam
ontsproten zijn. zoo dragen wij niet tastbaarder het beeld
van den aardschon Adam in de zwakheden van een ster-
felijk lichaam, dan in de ontaarding van een bedorven
geest".
J. J. van Oosterzee. „Do menschelyke natuur is op
zich zelven nog geene andere, al zijn wij ook onder het
-ocr page 123-
109
licht van het Evangelie geboren.. .. Wij hebben ons het
menschelijk geslacht voor te stellen als een boom met
duizenden takken en millioenen bladeren, waarvan Adam
de wortel uitmaakt.... Is nu de wortel des booms aan-
getast door eene noodlottige ziekte, ook de bladeren kun-
nen niet friscli, de bloesems niet zuiver, do vruchten
niet gezond zijn van smaak."
Geen leer kan gevaarlijker zijn (omdat zij zoo
noodlottig misleidend is) dan deze: Dat zij, die uü
geloooige ouders geboren ziju,
daardoor in eenige bij-
zondere, geestelijke en heiligende onderscheiding
deelen, op grond waarvan zij aanspraak hebben op
heilige voorrechten, en met anderen niet even ge-
lijfce behoefte hebben aan bekeerende genade en
barmhartigheid en aan hetzelfde Zoenoffer. —Johannes
de Dooper leidde bij den dageraad der nieuwe be-
deeling den bijl aan ihm wortel van dezen boom,
zeggende: .Meent niet bij uzelven te zeggen: Wij
hebben Abraham tot eenen vader. Gij zijt „adderen
gebroedsels," wie heeft u aangeraden te vlieden van
den toekomenden toorn?" Eren zoo kwam de Za-
ligmaker op tegen do Joden, toen zij hun gewone
snoeverij deden hooren: „Wij zijn Abrahams zaad."
„Ik weet," zeido Hij, dat gij Abraham\'s zaad zijt."
Maar bij voegde er bij: „Indien God uw Vader
ware, zoo zoudt gij mij liefhebben. Gij zijt uit uwen
vader den duivel en wilt de begeerten uws vaders
doen" (Joh. VIII).
Ziedaar, lezer, wat de Heer zelf getuigt van het
zaad van den vader der geloovigen in hunnen na-
tuurlijken, onbekeerden staat.
6e vraag. Maai- het behaagde den Almachtige met
Abraham, den vader der geloovigen, een verbond aan
te gaan, waarin
Abraham\'s zaad evenzeker is begre-
-ocr page 124-
110
pen als Abraham zelf (zie Gen. XVII: 1—14). In hef
12e vers zegt God: „Ik zal Mijn verbond oprichten
tustehen Mij en tutschen u, en tusschen uw zaad na
u, in hunne geslachten, tot een eeuwig verbond, om u
te zijn tot tenen God, en uw zaad na
«e." Nu, de
geloovigen in Christus zijn volgens het N. Testament
(Gal. III: 7) „Abraham\'s kinderen", en derhalve zijn
zij immers in dit verbond begrepen? En zoo ja, zijn
dan niet
hunne kinderen, als het zaad van „Abra-
?iam"s kinderen", even zoo in dit verbond begrepen?
Dit toegestemd zijnde, behooren dan toch, ongetwijj\'eld,
de kinderkens tot de Kerke Gods, en hebben aanspraak
en recht op de ordinantiën aan Gods huis.
Antwoord. Omdat wij hier te doen hebben met
de zenuw van de leer des kinderdoops, zoo zal mijne
wederlegging eenigszins uitvoerig zijn. Om het on-
derwerp wel te verstaan, houde de lezer in het
oog, dat de Schrift melding maakt van verschillende
verbonden door God met menschen gesloten. Slechts
twee van die verbonden hebben de belofte des
eeuwigen levens in zich; t. w.: „Het verbond der
Werken" en „Het verbond der Genade" Het eerste
werd gemaakt met Adam als het hoofd van het
menschelijk geslacht, en kan in eenige woorden al-
dus uitgedrukt worden: „Doe dit en gij zult leven:"
Dit verbond der werken werd vernieuwd in de ge-
boden der zedenwet, door God afgekondigd op den
Sinaï. Met het oog op die zedenwet en al de voor-
schriften daarop gegrond, heet het: „De mensch,
die deze dingen doet, zal door dezelve leven" (Hom.
X : 5; Lev. XVIII : 5). — Het tweede verbond,
„het Verbond der Genade", is gemaakt in Chris-
tus Jezus, als het Hoofd, de Vertegenwoordiger
en de Borg van Zijne Gemeente, die al de eischen
-ocr page 125-
111
Gods ten behoeve van Zijn volk volbrengt. Tegen-
over den mensch spreekt dit Verbond aldus: «Die
in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven";
„Geloof in den Heer Jezus Christus, en «ij zult za-
lig worden"; „Een iegelijk die in Hem gelooft, zal
niet beschaamd worden" (Joh. III :30; Hand XVI :
31; Kom. X : 11). De zegeningen van dit verbond
zijn gesmaakt door elke geloovige ziel, sedert het
begin der wereld. Het verbond nu met Abraham
verschilde van elk dezer beide verbonden, evenals
het verbond met Noach. Het was een bijzonder
verbond, zich beperkende in zijne voordeden tot
Abraham en diens nakomelingen; en deszelfs voor-
rechten waren tweeërlei — Ie Geestelijke i»f imven-
dige
— omvattende de rechtvaardigmaking door het
geloof, en inderdaad al de voorrechten van „het
verbond der genade". 2e Tijdelijke of uitwendige —
omvattende een aardsch rijk, „het geheele land
Kanaan" (Gen- XVII : 8). De eerste van deze be-
stond in Jehova te hebben tot „een God", in zalig-
makenden zin,
in verband met „de rechtvaardigheid
des geloofs", hetgeen door Abraham en zijne ge-
loovige nakomelingen alleen genoten werd. De
tweede was de gift van God aan de geheele natie,
hetzij geloovigen, hetzij ongeloovigen, en waardoor
Jehova hun alleen „een God" was in een bijzonde-
ren, tijdelijken zin.
Zoo wordt Abraham\'s zaad ons voorgesteld door
een tweevoudige beschrijving, slaande op de tweeërlei
zegeningen van het verbond; en het onderscheid
wordt gegeven in een enkel woord, n. 1. „Geloof."
Hoor, wat een door Gods Geest geleide schrijver
daarvan zegt:
-ocr page 126-
112
„Want dio >ijn niet allen Israël, die uit Isra"l zijn ; noch
omdat zij Abraham\'s zaad zijn, zijn zij allen kinderen;
maar: in Izak zal U hot zaad genoemd worden. Dat is:
niet de kinderen des vleescltes, dio zijn kinderen Gods, maar
de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gere-
kend\' (Hom. IX: 6—8).
„Abraham is een vader der besnijdenis, denaenen name-
melijk,
die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook
wandelen
in de voetstappen des geloofs, van onzen vader
Abraham, hetwelk in de voorhuid was" (IV: 12).
..Zoo verstaat gij dan, dat degenen, die uit het yeloof zijn,
Abrahams Kinderen zijn- (Gal. 111:7).
Indien gij van Christus zijt, xt><* xijt jyij <ltt.it
.A-bi-itTin.iii\'8 seimmI»
en naar de beloften erfgeua-
men" (29).
Lezer, zou het nog duidelijker gezegd kunnen
worden, dat de vleeschelijke kinderen van den ge-
loovigen Abraham niet zijn geestelijk zaad zijn, in-
dien hun het geloof ontbreekt? En even zoo min
als de onwedergeboren kinderen van Abraham zijn
geestelijk zaad zijn, even zoo min brengt de na-
tuurlijke geboorte uit geloovige Joden of Heidenen
in het genadeverbond.
Laat nu iedereen, die een bewijs voor den Kinder-
doop afleidt uit, of grondt op de bewering, dat hij en
zijn zaad „kindren AbrahamV zijn, en daarom deel
hebben aan de verbondsbelofte Gods en gevolge-
lijk gerechtigd zijn tot de ordinantiën van Zijn Huis,
antwoorden op de vraag: Tot tvelke van deze beide
klassen van Abraham\'s zaad zegt gij te behooren?"
Tot zijne nakomelingschap, die naar het vleesch en
zonder geloof is, — of tot die, welke het geloof van
Abraham deelachtig zijn? In het eerste geval moet
hij een Jood en geen Christen zijn. In het andere —
dit stemt iedereen toe — moet hij een geloovige zijn,
-ocr page 127-
113
en dus gerechtigd tot den doop, overeenkomstig de
woorden des Zaligmakers: „Die geloofd zal hebben
en gedoopt zal zijn, zal zalig worden."
De bewering, welke zich wil gronden op het Abra-
mitisch verbond ten gunste van den doop der kin-
derkens, en waarbij men het oog heeft niet op de
tijdelijke, maar op de geestelijke zegeningen van dit
verbond, welke zegeningen alleen aan het geloof
toegekend en door geen andere dan wedergeborenen
kunnen genoten worden — die bewering is dus onbij-
belsch, onredelijk, onge.ijmd. De leer des erfelijken
deelgenootschaps in het verbond der genade wordt
rechtstreeks ontkend in uitspraken als de volgende:
Formulier des Doops der Ned. Herv. Kerk. „Wij
zijn met onze kinderen in zonden ontvangen en geboren,
en daarom kinderen des toorns, zoodat wij in hot Rijk
van God niet mogen ingaan, tenzij wij van nieuws gebo-
ren worden."
Heidelb. Catech. „Alleen het geloof maakt ons Christus
en al Zijne weldaden deelachtig."
M. Hcnry. „Genade deelt zich niet mede door bloed-
verwantschap, evenmin als de zaligmakende voorrechten
onafscheidbaar verbonden zijn aan uiterlijke voorrechten
der Kerk; al is het ook, dat men vrij algemeen gewoon
is den zin der beloften Gods uit te breiden, teneinde zich
zelven in valsche hoop op te blazen. De kinderen des
vleesches zijn — als zoodanig, krachtens hunne betrekking
tot Abraham — daarom geenszins kinderen van God."
Edw. Williams. „Bijzonder veel moeite gevon zich
sommigen ten einde een geliefkoosd gevoelen, hetwelk
ik een zeer wankele veronderstelling noem, te handhaven.
Ik bedoel de leer der „erfelijke genade" als ik mij zoo
mag uitdrukken (genade door geboorte uit christenouders),
waardoor al de kinderen der godvreozenden beslist
deel hebben in al de zegeningen des nieuwen verbonds.
— Maar die uitlegging van de belofte aan Abraham
8
-ocr page 128-
114
(Gen. XVII: 7), waardoor hare woorden zonder eenige on-
derscheiding worden toegepast, is vol van hoogst onge-
RIJMDE gevolgen. Jehova was waarlijk nietde God van Abra-
ham en van zijne onoei.OOVIGE nakomelingen in een en
ihnzAfden
zin en verhouding."
7 e Vraag. Maar, dit toegestaan, bracht de Besnijdenis
hen, die haar ontvingen, niet in het verbond der Ge-
nadef
Antwoord. Neen; in geen geval, hoe dan ook.
Het verbond der Genade is „het verbond der ver-
lossing, het eeuwig verbond." Niets kan in dat ver-
bond brengen, dan de genade Gods in Christus Je-
zus. Dat verbond bestond lang voor de besnijdenis;\'
het was van kracht van den beginne. Abel, Enoch,
No ach, en zoovele onbesnedenen als met hen geloofden
in het beloofde vrouwenzaad, genoten de zegeningen
van dit verbond lang voor dat Abraham, die de be-
snijdenis van God ontving, geboren werd.
De besnijdenis is dus geenszins begrepen in het
„verbond der Genade," maakt niet een deel uit van
dat verbond. Dat blijkt voorts ook nog bij Abraham
zelven; want de „vader der geloovigen" genoot dit
verbond en deszelfs zegeningen, verscheidene jaren
voor de inzetting der besnijdenis,
toen hij, om met
den Apostel te spreken „niet in de besnijdenis, maar
in de voorhuid" was. En dat kinderen door de be-
snijdenis niet in het verbond der genade kwamen,
heb ik hierboven (zie 5e vraag) bewezen.
8e Vraag. — In welken zin, dan, is de besnijdenis
„een zegel van het Genadeverbond", indien zij niet
deze werking heeft?
Antwoord. Hoe algemeen ook het gebruik is om
de besnijdenis te noemen „een zegel van het verbond
der Genade",
zoo kan men zich evenwel voor dat
-ocr page 129-
115
gebruik niet beroepen op het Woord van God. In
éénen tekst (liom. IV : 11) wordt zij genoemd „een
zegel der rechtvaardigheid;"
maar tenzij men het ge-
heele vers aanhaalt, gaat de meening van den Apostel
geheel verloren. Zijne woorden luiden aldus: „En
Abraham heeft het teeken der besnijdenis ontvangen
(tot) een zegel der rechtvaardigheid des geloofs, die hij
in de voorhuid had.
(*)
Nergens elders wordt de besnijdenis een zegel ge-
heeten, en nu trachte de lezer, na zorgvuldig deze
geheele Schriftuur gelezen te hebben, haar toepas-
selyk te maken op kinderen, of op de besnijdenis
van kinderen, of op den doop van kinderen, of op
ongeloovigen in eenig geval, zoo hij dat vermag. Hij
zal opmerken:
Ie. Dat hier van de besnijdenis geen sprake is in
hare algemeene bediening aan de Joodsche natie, maar
aileen aan Abraham in \'t bijzonder ;
2e. Dat hier van de besnijdenis sprake is, niet
zooals zij kon bediend worden aan iemand vreemd
aan levende godsvrucht;
want zij wordt genoemd
„een zegel van de rechtvaardigheid des geloofs. enz";
3e. Dat hier van de besnijdenis geen sprake is
als verzegelende Wat in de toekomst zou worden toe-
bedeeld of genoten, maar als verzegelende een sinds
lang ontvangen zegen, t.w. „de rechtvaardigheid des
geloofs," welke hem, nog „onbesneden zijnde," toe-
gerekend werd.
(*) Lnther: Het treken echter der besnijdenis ontving hij tot
een z.-gel van de gerechtigheid des geloofs, welke hij, nog in de voor-
huid zijnde, had.
v. d. Palm: Hij ontving het teeken der besnijdenis, als een zegel
van de rechtvaardigheid des geloofs, \'t welk hij, nog onbesneden zijude
geoefend had.
-ocr page 130-
116
Ik doe een beroep op den eerlijken en ernstigen
zin van den lezer, opdat hijzelf oordeele watverval-
sching van den zin van Gods Woord het is, de be-
snijdenis op grond van deze Schriftuur te noemen:
„een zegel des verbonds," daarbij verwijzende naar
de nationale bediening van die instelling bij de Joden
en bewerende dat zij aan dat geheele volk „de zege-
ningen der Zaligheid verzegelde,
terwijl de apostel haar
zoo nauwkeurig en nadrukkelijk voorstelt als verze-
gelende alleenlijk wat te voren in den weg van een
oprecht en levend geloof verkregen was! Deze tekst
kan op\' niemand toegepast worden dan op Abraham
en op diegenen, onder zijne nakomelingen, die even
als hun stamvader, het rechtvaardigend en zalig-
makend geloof deelachtig waren
Ven erna. „De besnijdenis was een zegel van de reclit-
vaardigheid des geloofs, gelijk de Apostel verzekert;maar
zulks alleen ten opzichte van zulke Israëlieten, als welke
geloovigen waren."
9e vraag. Wat ivas dan eigenlijk de reden, waarom
de besnijdenis aan de kinderkens bediend werd?
Antwoord. Het doel der besnijdenis, in hare natio-
nale bediening aan al de mannelijke nakomelingen
van Abraham, en aan al de manspersonen die „met
geld gekocht" waren, in het gezin van een Jood,
welke bediening niet mocht verzuimd worden, op
straffe van „uit het volk uitgeroeid" te worden, was:
De afscheiding der Joodsche natie van alle andere
volken der wereld, opdat aan hen en door hen, de
Allerhoogste Zich mocht openbaren door de wet en
de profeten, ter voorbereiding van het Evangelie;
Hij hun gave het land, aan de vaderen beloofd;
en een onafgebroken geslachtslijn zou bestaan van
-ocr page 131-
117
Abraham af tot op het aan Abraham beloofde zaad,
den Heere Jezus Christus.
Witsius. „De afstammelingen van Abraham werden
door de besnijdenis van andere volken afgescheiden en
onttrokken zich aan hun verkeer; gelijk ons blijkt uit de
onomwonden verklaring van Jakob\'s zonen in Uen.
XXXIV : 14, 15. De Joden zeggen: «Een, die besneden
is, heeft zich zelven onttrokken aan de geheele menigte
der volkeren.- Eu, inderdaad, de besnijdenis was een voor-
naam bestanddeel, en als het ware het fondament van
DEN 1UDDEUIUUR DES AFSCHEIUSELS.
Er skin e. ..Toen God het land Kaniian aan Abraham
en zijn zaad beloofde, werd de besnijdenis o. a. ook in-
gesteld, om te toonen dat de afkomst van Abraham de
grondslag was van het recht zijner nakomelingen op die
zegeningen.„
10e Vraag. In welken zin dan mag gezegd ivor-
■den, dat het verbond met Abraham van kracht blijft
onder de Evangeliebedeeling en dat het door den Chris-
ten gedeeld wordt?
Antwoord. Voor zooveel het verbond met Abra-
ham op uitwendige voorrechten en op een aardsch rijk
betrekking had, voor zooveel heeft de Christen er
evenmin belang bij, als de godvreezenden, die voor
de dagan van den aartsvader leefden; of als Mel-
chizedek en Lot, die zijne tijdgenooten waren. Maar
wat de geestelijke zegeningen, in dat verbond be-
grepen, betreft, deze zijn het deel van a 1 Gods volk
in alle eeuw en bedeeling, en van den Chris-
ten, onder de bediening des Geestes en de regeering
van Christus, in eene bijzonder heerlijke mate. „Mijn
Koninkrijk," zeide ons heerlijk Hoofd, „is niet van
deze wereld." En Paulus leert: „Het Koninkrijk
Gods is rechtvaardigheid, vrede en blijdschap in den
Heiligen Geest" (Joh. XVIII : 36; Rom. XIV : 17).
-ocr page 132-
118
Dr. E. Williams. „De Nieuw-Testamentische heiligen
hebbeu niets meer uit te staan met het Abrahamitisch
verbond dan de Oud-Testamentische geloovigen, die voor
Abraham\'s dagen leefden."
11e Vraag. Maar mist dan de besnijdenis gansche-
lijk alle
typisch karakter?
Antwoord. Bij de beantwoording- dezer vraag kan
ik mij, tot mijne blijdschap, beroepen op een gezag,
dat elk Christen beslissend en onfeilbaar acht. De
besnijdenis was eene type, maar niet van den doop
(dan zou zij een afbeelding van een afbeelding, een
type van een zinnebeeld zijn), neen, maar van „de
besnijdenis des harten"
en van de „uittrekking van
het lichaam der zonden desvleesches."
En dit zaligende
werk geschiedt niet aan kinderkens in jaren, maar
aan „kinderkens in Christus", wedergeborenen en
kinderen Gods. Hoor slechts naar het onfeilbaar ge-*-
tuigenis, waarvan ik sprak: „Die is niet een Jood
(een ware Israëliet), die het in het openbaar is; noch
die is de besnijdenis, die het in het openbaar in het
vleesch is. Maar die is een Jood, die het in het ver-
borgen (inwendig) is, en de besnijdenis des har-
ten, in den geest, niet in de letter, is de besnijdenis;
wiens lof niet is uit de menschen, maar uit God"
(Rom. III : 28, 29). „Wij zijn de besnijding, wij, die
God in den Geest dienen, en in Christus Jezus roe-
men, en niet in het vleesch betrouwen" (Filipp II: 3).
12e Vraag. Derhalve zou de doop niet in de plaats
der besnijdenis gekomen zijn, om als hare antitype
en vervulling haar bijgevolg ter zijde te stellen?
Antwoord. Neen, dit staat vast; Ie omdat, toen de
Apostelen en Ouderlingen te Jeruzalem vergaderden
om op de vraag te letten of -„degenen, die uit de Hei-
-ocr page 133-
119
denen zich tot God bekeerden besneden, moesten ivor-
den f4
(Hand. XV) ook niet maar een enkel woord
gehoord werd, hel welk er op doelde, dat deze Chris-
telijke instelling het einde en de vervulling van die
Joodsche zou zijn; en zoo dit het geval ware, zoo
Christus zoo iets bepaald had, dan moest daarmede
de zaak toen beslist zijn geweest.
2e Omdat, indien de
Zaligmaker zulks bepaald had, het eene beleediging
zou geweest zijn van Zijn hoog gezag de besnijdenis
aan te houden,
lang nadat Hij den doop in hare
plaats gesteld had. Maar de besnijdenis werd
zelfs door den Apostel Paulus aangehouden, lang
nadat Christus de Nieuw-Testamentische inzetting
had ingevoerd. Zie Hand. XVI : 3 en XXI :
2(1-26 (*)
13e Vraag. Gij erkent dat de besnijdenis een zegel
was ten opzichte van Abraham als geloovige. Is de
doop niet evenzoo een zegel voor den geloovige in den
dag van het Nieuwe Testament?
(\') Hoe ongerijmd liet is, den kinderdoop af te leiden uit de be-
suijdenis, moet duidelijk uitkomen door te bedenken dat Ie Alleen de
Mannelijke kinderen
aan die inzetting onderworpen waren; en 2e de
mannelijke dienstboden en slaven van een meester, die zelt\' besneden
was, moesten ook beneden worden, en dat op straffe vmi uitgeroeid
te worden. Indien dut Goddelijk gebod daarom ook degenen betreft
voor wie de doop is, dan wordt eoenzoo vereisc/it dat de dienstknechten
en de gekochte slaven (willig of onwillig), zoowel als de kindertjes gedoopt
worden. K» voorts zou daardoor deze Christelijke instelling beperkt
blijven bij het mannelijk geslacht. Daar zulks evenwel geheel en al
tegen den geopeubaarden wil van Christus ten opzichte van den doop
indruischt, zoo blijkt de valschheid dezer leer zonneklaar.
In het Woord van God is geen verband tusschen de besnijdenis en
den doop te vinden, dan alleen hierin, dat zij beiden inlijvende ordi-
nantién
zijn; de eerste in den burgerstaat van Ond-Israël. waarom
dan ook de mannelijke personen aan die ritus onderworpen werden —
de andere i» het lichaam van Christus, helirelk is zijne Gemeente,
en waarvan alle leden gelootiyen zijn in Hem.
-ocr page 134-
120
Antwoord. Indien dit zoo is, dan moet het geno-
men worden in den zelfden zin als waarin de Apos-
telen dit toepast op het geval van den aartsvader!
en dan zou de doop zijn „een zegel van de recht-
vaardigheid des geloofs, welke de geloovige had,
nog ongedoopt zijnde." Maar wij kunnen niet beter
doen dan de beantwoording1 onzer vragen in het
Nieuwe Testament te zoeken. En hier wordt mij
nergens geleerd, dat eenige uiterlijke ordinantie een
zegel is van het verbond der genade. Maar zoo
duidelijk mogelijk wordt mij hier onderwezen (in
schoone overeenstemming met den Geestelijken aard
van Jezus\' rijk) dat het iverk des Geestes aan het
hart het eenige zegel van dat verbond is.
2 Cor. I : 22. „Die ons ook heeft verzegeld, en
het onderpand des Geestes in onze harten gegeven."
Efeze I : 13. «Nadat gij geloofd hebt, zijt gij ver-
zegeld met den Heiligen Geest der belofte."
Efeze IV : 30. .Bedroeft den Heiligen Geest Gods
niet, door welken gij verzegeld zijt tot den dag der
verlossing."
Dr. Charnock. „God verzegelt niet moer dan Hij be-
looft. Hij belooft alleenlijk aan het geloof, en daarom ver-
zegelt Hij alleen aan het geloof. De verbondsgenado
moet daarom geschonken en werkzaam zijn, eer de ver-
bondszegeningen bekrachtigd kunnen worden."
Vitringa. „Do Sacramenten van hot N. Testament zijn
van zulke natuur, dat zij niets verzegelen, dan wat yeei-telijk
is, en zijn van niet eenige bate, dan alleenlijk voor hen,
die waarlijk in Christus gelooven."
14e Vraag. Hoe moeten wij dan verstaan wal door
de voorstanders van den kinderdoop geleerd wordt, ah
zij beweren, of dat het kind door den doop wordt „we-
-ocr page 135-
121
dergeboren" óf „der kerke Gods ingelijfd" of „tot lid-
maat van Jezus Christus gemaakt" wordt f
Antwoord. — Deze en soortgelijke beweringen te
steunen door eenig woord des II. Schrift is onmoge-
lijk; even onmogelijk als ze in overeenstemming te
brengen met de analogie des geloofs, ons gegeven
door het doorloopend en overeenstemmend getuigenis
van het geheel der openbaring Gods. Alles wat in
gezegde beweringen aan den doop wordt toegeschre-
ven, kent Gods Woord alleenlijk toe aan de Almach-
tige werking van den Heiligen Geest en aan de
alles uitdelgende kracht van het Bloed van Jezus.
Door hunne doopleer schrijven deze voorstanders
van den kinderdoop aan die handeling toe, wat alleen
Gods genade vermag te doen. En dat kinderen, in
het opwassen, geleerd worden zulk een leer te geloo-
ven\'en zichzelven rijk te achten in geestelijke zege-
ningen door het ondergaan van een uiterlijke
handeling, die zoo gansch en al van alle zaligende
of heiligende werking is ontbloot, is onbeschrijfelijk
gevaarlijk en jammerlijk; dewijl slechts vreeselij k
bedrog der zielen daarvan de vrucht kan zijn.
Dr. O wen: -De Vader der leugen zelf zou moeilijk een
noodlottiger gevoelen kunnen opgeworpen hobbon, dan
dat van „wedergeboorte door den doop."
J. Hijat. „Indien de Gemeente van Christus Zijn.lichaam
en elke ware geloovige een lid vsn dit lichaam is, hoe
gewichtig dan de vraag: Zijn wij leden van het lichaam
van Christus? Millioenen hebben geleerd te gelooven, dat
zy door den doop leden van Christus gemaakt zijn, die
onbetwijfelbare bewijzen geven, dat zij alles behalve leden
van Christus zijn! De leden van Christus\'lichaam zijn met
Hem, als het Hoofd, vereenigd; en doode of ongeheiligde
leden zijn er niet. Ach, mijne toehoorders, bedriegt u
-ocr page 136-
122
zelven niet; — zie toe, dat gij niet den waan voor het
wezen neemt; — de gestalte der godzaligheid voor de
kracht. Voorwaar, onbekeerde zielen kunnen niet zeggen,
dat zij leden zijn van het geestelijk lichaam van den Zone
Gods. Een heilig hoofd, en onreine leden; een zuivere
fontein, en onreine stroomen; een goede boom, enkwade
vrucht; wat is dat anders dan onwaarheid? Indien gij met
Christus vereenigd zijt, dan zijt gij één geest met Hem."
15e Vraag. Maar als de kindertjes niet gedoopt
worden en dan jong sterven, lijden zij dan geen schade
aan hunne zaligheid?
Hoe zouden zij schade kunnen lijden door gemis
van wat God niet heeft ingezet of geéïscht? Ontving
Jezus niet Ongedoopte kinderen met Zijn armen, hen
zegenende, zonder een woord van den doop te spre-
ken? (zie bl. 99). En wie durft dan te zeggen, dat de
doop hun noodig is om in den hemel te komen?
Zoo wij getrouw zijn in hetgeen God in Zijn woord
gebiedt, wat de opvoeding onzer kinderen betreft,
zoo zullen wij ervaren dat Gods zegen ons niet ont-
houden wordt in dien weg. Maar om tot heil van
onze kinderen te doen wat God niet zegt, dit is voor-
zeker niet Christelijk. Behaagt het God onze kleinen
in hunne prilste jeugd weg te nemen te nemen, dan
is het natuurlijk beter hunne zielen aan te bevelen
aan de oneindige verdiensten van Christus, dan te
steunen op de toediening van een weinig water op
hunne lichamen, zonder dat eenig goddelijk gezag
voor zoo iets kan bijgebracht worden, Te stellen
dat de doop noodzakelijk is tot zaligheid, is deze
inzetting tot een valschen Zaligmaker te maken
en openbaart een schuldig ongeloof in de algenoeg-
zaarnheid van Christus.
-ocr page 137-
123
J. J. van Oosterzee. „Wie aan het waterbad zelf eene
beteekenis toeschrijft, welke naar het Evangelie alleen aan
het bloed en den Geest des Heeren mag toegekend worden,,
steekt, hoezeer onwillekeurig, den Middelaar des N. V
naar de kroon, en doet den (leest der genade dadelijk
smaadheid aan." „Door wat tooverkracht zou een eenvou-
dig waterhad, onder het uitspreken van enkele woorden,
reinigend op het gemoed kunnen werken?"
L. Egeling. „Als wij dan meenen, dat ook de kinderen
moeten gedoopt worden, wil dit niet zeggen dat de kin-
derdoop volstrekt noodzakelijk is, noch ook dat wij onge-
hoorzaam zijn aan het hevel van Christus, als wij onze kin-
deren niet laten doopen."
H. de Cock. „De zaligheid is aan het geloof, en niet
aan den doop
verbonden; doch elk die gelooft, gehoorzaamt
gaarne aan het bevel des Heeren en laat zich doopen."
16e Vraag. Toegestaan dat geen Schriftuurlijk ge-
zag voor den kinderdoop aan te wijzen is, op welk
gezag veronderstelt men dat hij gegrond is f
Antwoord. — Sommigen noemen daarvoor de Apos-
telsche Overlevering
; anderen de Besluiten van Conci-
lien.
Maar hooger gezag weet men niet aan te wij-
zen. De Roomschen kunnen daarmede volstaan,
omdat zij Bijbel en Overlevering erkennen. De Pro-
testanten evenwel kunnen dat niet, zonder hun be-
ginsel, „de Bijbel alleen," te verloochenen.
Bisschop Prideaux. „De kinderdoop rust op geen
ander goddelijk recht dan het rgezag der J}issehoppen."(*)
*) In. het Edict, in 1547 door Karel V uitgevaardigd, om de
twisten tu-srhen Roomschen en Hervormden te sussen, wordt de
Orrleveriny nadrukkelijk genoemd als grondslag van den kinder-
doop: ffHal>et praetera Ecclesia traditiones &c. Hujus generi» sunt
Haptismus parvulorum et alia* d. i.: /.Daarenboven heeft de Kerk
overleveringen, tot ona gekomen van Christus en Zijne Apostelen,
door de handen der Bisschoppen ; die dit verwerpen wil, die moet ook
loochenen dat de kerk de pilaar en vastigheid der waarheid is. Tot
deze klasse belmoren de doup der kinderkens en andere zaken\'.
-ocr page 138-
124
Zie hierover ook de aanhalingen op bl. 97 en 98.
17e Vraag. Wanneer werd dan de kinderdoop in-
gevoerd ?
Antwoord. — Niet voor het begin der derde eeuw-
na Christus geeft de Kerkgeschiedenis een zeker
getuigenis voor die praktijk. Toen werd ze uitge-
oefend in Afrika en de eerste vermelding er van
wordt gevonden in het werk „De Baptismo" van
Tertullianus, geschreven omstreeks 204.
Curcellious. (öeneefseh godgeleerde en Hoogleeraar
in de Theologie). „Gedurende de twee eerste eeuwen na
Christus was do kinderdoop geheel onbekend; maar in
de derde en vierde eeuw werd hij door eenige weinigen
aangenomen. In de Vijfde en zesde eeuw vond hij alge-
meen bijval. Voor de derde eeuw is er geen spoor van
te vinden; dit gebruik werd ingevoerd zonder het bevel
van Christus."
Salmatius en Suicerus. „In de twee eerste eeuwen
werd niemand gedoopt, tenzij hij, onderwezen in het geloof
en met de leer van Christus bekend, tot belijdenis des
geloofs bekwaam ware, overeenkomstig deze woorden:
„Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn."
Ven e ma. „Tertullianus noemt nergens den kinderdoop
onder die overleveringen of gebruiken der kerk, welke
openbaar aangenomen en gewoonlijk uitgeoefend werden.
"Want in zijn boek „De Baptismo" bestrijdt hij het doo-
pen van kinderen en dringt er op aan dat men met hen
wachte tot latcreH leeftijd. Aangaande het gebruik der
Kerk voor \'lertullianus kan niets met zekerheid gezegd
worden, in aanmerking genomen dat in oudere schrijvers,
zoo vor ik weet, geeu bepaalde vermelding van kinder-
doop voorkomt."
De woorden van Tertullianus, op welke hier gedoeld
wordt, luiden aldus:
-ocr page 139-
125
„De Heer zegt inderdaad: „Verhindert hen niet tot
viij te komen."
Laat hen daarom komen, als zij opge-
wassen zijn; als zij kunnen verstaan; als hun geleerd
is, waartoe zij moeten komen. Laat hen Christenen
worden, als zij Christus kunnen kennen. Waarom
zou deze onnoozele leeftijd zich haasten tot de ver-
geving der zonden? De menschen handelen voor-
zichtiger in wereldsche zaken, zoodat de goddelijke
dingen hier worden toevertrouwd, aan wie men de
aardsche niet zou vertrouwen. Laat hen weten, hoe
de zaligheid te zoeken, opdat het blijke dat gij geeft,
aan wie er om vraagt. — Indien de lieden de belang-
rijkheid van den doop verstaan, dan zullen zij reeleer
de verplichting vreezen, die er het gevolg van is,
dan het uitstel. Het oprechte geloof alleen is zeker
van de zaligheid."
Is het niet opmerkelijk dat Tertullianus, die erkent
.,on\'ers voor de dooden" te brengen; die zooals hij
zelf zegt „het teeken des kruises" bij al de hande-
lingen des dagelijkschen levens maakt en die dus
waarlijk niet afkeerig was van „menschelijke over-
leveringen," den kinderdoop aldus bestrijdt? Is het
niet opmerkelijk, dat waar de eerste maal sprake is
van het doopen van kinderen — niet juist van zuige-
lingen — dit voorkomt bij genoemden kerkvader, in
een betoog, waarin van dit gebruik gehandeld
wordt, niet als iets, dat algemeen aangenomen
en goedgekeurd wordt, maar door den schrijver
wordt tegengestaan en bestreden, als iets, on-
bekends in den tijd van Christus en de Apostelen,
en ontbloot van hun gezag, en als wat ongerijmd»
met het oog op de kinderen?
18e Vraag. De Overlevering van de Apostelen wordt
door de Roomsche kerle genoemd als het gezag voor den
kinderdoop. Wordt daarop ook gewezen, ivaar wij die
praktijk voor de eerste maal vermeld vinden"?
-ocr page 140-
12(5
Antwoord. — Er wordt daar geen woord gerept
van zulk gezag.
Venoma. — „Tertullianus bestrijdt den doop van kin-
deren, hetwelk hij zekerlijk niet zou gedaan hebben, in-
dien die doop eene overlevering en een openbaar gebruik
der Kerk ware geweest. Immers hij was zeer gehecht aan
overleveringen. Ware de kinderdoop eene overlevering
geweest, hij zou niet achtergebleven zijn het te vermelden.-
10e Vraag. Waren de Kerkvaders, die het eerst
den kinderdoop voorstonden, van gevoelen dat door die
instelling eenig wezenlijk goed -werd aangebracht?
Antwoord — Ja; zij hielden den doop noodig tot
zaligheid, en beweerden dat hij vergezeld ging van
zondenvergiffenis, dat de kinderen er door gereinigd
werden van de besmetting der aangeboren zonde,
en dat alle ongedoopten verloren waren. Aldus
Cyprianus. (A>. 253) „Voor zooveel het aan ons ligt,
mag geen ziel, indien het mogelijk is, verloren gaan. Wij
mogen niemand terughouden van den doop en de genade
Gods; welke regel, die voor allen geldt, dunkt ons, meer
bijzonder moet worden toegepast op de kinderen, aan welke
onze hulp en de Goddelijke barmhartigheid des te eerder
verleend moet worden, van wege hun weenen en klagen
bij hunne intrede in de wereld, waardoor zij niets zoo
zeer openbaren, als dat zij om medelijden smeeken."
Ambrosius. (Ao. 390) „Niemand komt tot hetKonink-
rijk der hemelen, dan door het Sacrament van den doop
— Kinderen die gedoopt worden, worden op nieuw terug-
gevoerd uit de goddeloosheid tot den oorspronkelijken
staat hunner natuur."
Chrysostomus. (Ao. 398). „De genade des doops ver-
leent genezing zonder pijn, en vervult ons met de genade
des Geestes. Sommigen meenen dat de hemelsche genade
alleenlijk in de vergiffenis der zonden bestaat; maar ik
heb tien voordeelen er van opgeteld." — „Als een plotse-
-ocr page 141-
127
linge dood ons overvalt, eer wij gedoopt zijn, dan hebben
■wij, al bezaten wij duizend goede hoedanigheden, niets te
wachten dan de hel."
Deze uittreksels, die tot een honderdtal zouden
kunnen vermeerderd worden, zijn voldoende tot be-
wijs dat sommige der kerkvaders, van omstreeks
het midden der derde eeuw af, den doop beschouwden
als volstrekt onmisbaar tot zaligheid. Nu, deze valsche
beschouwing1 en opvatting van den doop gaf oorsprong
aan den kinderdoop. Daarom spreken geleerde man-
nen zich daarover aldus uit:
Suicerus fHoogl. te Zurich). „Het gevoelen van de
volstrekte noodzakelijkheid des doops kwam voort uit een
misvatting van de woorden onzes Heeren: Tenzij iemand
geboren worde vit water en Geest, hij kan het koninkrijk
der hemelen niet ingaan."
Salmasius (Zeer geleerd historieschrijver). „Het ge-
voelen won veld, dat men niet kon zalig worden, zonder
gedoopt te zijn. En daaraan ontleende het gebruik ran
kinderen te doopen zijn bestaan."
De lezer zal nu verstaan met hoeveel recht histo-
rieschrijvers getuigenissen doen hooren als de vol-
gende:
Neander. „De kinderdoop heeft geruimen tijd den he-
vigsten tegenstand gevonden, waaruit blijkt dat hij niet
van Apostolischen oorsprong was."
J. Muller. „Welhaast hadden vaak overdreven ijver
in het leden winnen voor de Kerk en de valsche beschou-
king van de Kerk als een uitwendige instelling het gevolg,
dat ook ten aanzien van den doop de afwijking van den
Apostolischen eenvoud gedurig grooter werd, door een-
zijdige verheffing van de uiterlijke handeling ten koste
van de ware Evangelische beteekenis."
-ocr page 142-
128
Maar eerst door de algemeene invoering van den kin-
derdoop, kreeg de doop een geheel andere plaats,(*j dan
die welke hem was toegekend by zijne instelling.
20e Vraag. Maar als in de dagen der Apostelen
altoos belijdenis van schuld en van geloof in Christus
vereischt werd voor den doop, hoe hebben dan christen-
leeraars of gemeenten, reeds ten tijde van Tertullianus,
den doop van kindertjes, die toch zulk een belijdenis
niet konden afleggen, kunnen voorstaan?
Antwoord. — Dit gemis, wist men vernuftig te ver-
goeden waar het kinderkens betrof, en wel door doop-
peeten of doopheffers te stellen. De belijdenis zelve wilde
men niet laten varen,
maar men vond goed die bij
plaatsvervanging te doen afleggen. Twee of drie
personen (en als het kindje van aanzienlijke geboorte
was van twintig tot honderd) werden toegelaten als
„borgen," die in plaats van het kindje belijdenis deden
van zonden, beloofden den duivel en zijne werken
te verzaken en de leer van het Evangelie aan te
kleven. Van zulke „borgen" vinden wij de eerste
maal melding gemaakt bij Tertullianus. „Quid
enim necesse est sponsores etiam periculo iugeril
„Wat
noodzakelijkheid bestaat er, dat de borgen in gevaar
gesteld worden?" — Later vinden wij ze ook n.»g.
immers wij lezen bij den Hervormer
„Luther. — „Het geloof moet voor of bij den doop aan-
wezig zijn; anders wordt het kind niet verlost van den
duivel en de zonde.... want de dooper vraagt: of het kind
gelooft? En men antwoordt in zijne plaats: Ja. Verder: of
het gedoopt wil worden? „Ja" luidt het antwoord, in den
naam van het kind gegeven
enz "
* Kii ook over \'t algemeen een geheel andere beteeken is.
Men vergelijke, om zich daarvan te overtuigen, met het oog op die be-
teekenis, de uitspraken van Gods Woord en de velerlei gevoelens der
kinderdoopende seclen.
-ocr page 143-
129
Hier hebben wij dus godsdienst bij plaatsvervan-
ging! Welk een ongerijmdheid! Men belijdt zonde
en schuld voor God en geloof in het Evangelie, in de
plaats van een ander! O, ongehoorde zaak, sedert
het begin der wereld nooit vernomen! Maar toen
zooveel andere ongerijmde dingen, werden inge-
voerd in de Kerk, kon ook dit misbruik wel mede
insluipen.
Voor den lezer, evenwel, die bij eigen bevinding
en volgens het doorgaand getuigenis van elk ge-
deelte des Bijbels weet, dat er geen. waarachtige
godsdienst bestaan kan, dan krachtens eigen, geeste-
lijke gemeenschap tusschen God en de ziel —- welke
gemeenschap een gave Gods is, en waarin geen
derde part ot deel kan hebben — is het droevig zulk
een verderfelijke nieuwigheid ingevoerd te zien.
21e Vraag. Maar staan de hedendaagse/te kinder-
doopers dezelfde gevoelens voor als de ouden, ten op-
zlchte van de noodzakelijkheid des doops tot zaligheid?
Antwoord. Üe meerderheid der belijders van
Christus hielden zich lang en houden zich nog aan
dezelde gevoelens.
De Roomsche kerk vereert hen, die ze loochenen
met een „Die zij vervloekt." De Grieksche kerk,
hoewel niet zoo vaardig tot vervloeken, houdt zich
aan \'t zelde gevoelen. De verschillende rechtzinnige
Protestantsche secten, die den kinderdoop voorstaan,
zoo als Gereformeerden, Episcopalen, Luthorschen,
Wesleyanen, hoewel velen hunner de leer afkeuren,
steunen toch gevoelens, die eerlijk uitgewerkt, er al
zeer weinig, indien ook al iets, van verschillen.
Immers indien de doop den doopeling maakt of
„tot een kind van God en een erfgenaam des hemels;"
9
-ocr page 144-
130
öf hem „inlijft in de gemeente ol kerk van Christus;"
öf „in het verbond der genade," öf hem „verzegelt
tot de zegeningen des genadeverbonds" welk gena-
deverbond „het verbond der verlossing" is „omvat-
tende al wat Jehova kan mededeelen," dan maakt
dk dooi» zalig. Want wat in het genadeverbond brengt,
de weldaden van dat verbond verzegelt, dat brengt
ook in den hemel; want God heeft deze dingen te
zamen gevoegd. En indien er geen andere weg is
om in dat verbond te brengen, wat zal dan de zul-
ken geworden, die niet op die ivijze zijn ingebracht
en aldus sterven? Alle ongedoopten moeten dan voor
eeuwig verloren zijn.
Ik zie niet dat een ander besluit
uit die oegevens kan afgeleid worden en dat dus het
verschrikkelijk oordeel van Chrysostomus ongegrond
is, als hij zegt; „Indien een plotselinge dood ons
overvalt, eer wij gedoopt zijn, al hebben wij duizend
goede hoedanigheden, zoo hebben wij niets te ver-
wachten, dan de hel." Hoe wenschelijk ware het dat
alle ware geloovigen, die de gedachte aan zulk
een besluit doet terugdeinzen, getrouw en eerlijk
onderzochten of niet de voorrechten, voordeelen of
uitwerking, welke zij zelven aan den doop toeschrijven,
juist den waren grond uitmaken van dat besluit. En
indien het besluit geloochend wordt, dan men dan
ook de gegevens verzake. Maar zoolang zij de
gegevens huldigen, kunnen zij niemand ten kwade
duiden, dat hij het besluit helder doe uitkomen.
22e Vraag. Zoo niet noodwendig eenige rechtvaar-
digende of zaligmakende werking de bediening des
doopt vergezelt (hetgeen klaarblijkelijk is, en altoos
was, de grondslag en de reden van den kinderdoop
bij de
meerderheid van hen, die hem beoefenen),
-ocr page 145-
131
waarom moet dan die instelling eigenlijk bediend voor-
den f En van wat nuttigheid is zij dan in de gemeente
van Christus?
Antwoord — „God is Zijn eigen uitlegger." De
uitwendige plechtigheden, door God aan Zijn volk
voorgeschreven, werden nooit, onder welke bedee-
ling dan ook, door Hem bestemd om de behoudenis
met zich te brengen. Daarom zegt de Apostel „de
besnijdenis is niets, en de voorhuid is niets." En
hetzelfde mag gezegd worden van den Doop en van
het Avondmaal. De zaligheid vloeit voort uit eene
bron, geheel en al onderscheiden en gescheiden van
deze inzettingen.
Maar — zoo vraagt iemand — waartoe dient dan de
Doop? Op die vraag eene wedervraag: Waartoe
dient de Bijbel ? Of: Wat baat de prediking des
Woords ? De Bijbel kan niet zalig maken —
en dat kan de prediking op zich zelf ook niet. Des-
niettemin zijn zij de van God verordende middelen tot
\'s menschen onderwijs en verlichting, en hem den
weg der zaligheid wijzende. Zulks geldt ook van den
Doop, die van een en dezelfde natuur en tot een zelfde
doel is. Sprekend toont de Doop, door zinnebeeldige
voorstelling,
wat de Bijbel, wat de prediker des
Woords leert. De Doop verkondigt met nadruk, al
wordt geene stem gehoord:
Des zondaars onreinheid,
Des geloovigen reiniging,
Zijn dood en begrafenis, wat betreft degod-
deloosheden dei\' wereld, en
Wat de Heere Jezus heeft doorgemaakt
om Zijn volk verlossing te xverken.
De Geest van God, en Hij alleen kan de aldus
door den Doop voorgestelde, of door het geschreven
-ocr page 146-
132
of gepredikte Woord verkondigde waarheden in het
hart werkzaam maken tot zaligheid; en elk der waar-
heden in \'t bijzonder blijft, zonder die Goddelijke
werking, vruchteloos. Daarom is het ook dat elk dier
waarheden wordt gezegd ons te behouden, ons zalig
te maken,
wanneer de Heilige Geest den krachtdadigen
zegen met en door haar aan de ziel verleent. De
Doop is dus in de Gemeente des Heeren van hooge
waarde, niet alleen om wat hij leert, maar als inlij-
vendc ordinantie.
De doop is de intrede in de Ge-
meente van Christus op aarde; een persoonlijke
belijdenis van geloof in, en overgave aan Christus;
van de gewilligheid des harten um Hem in alles
onderworpen te zijn. De Doop legt daarom de hei-
lige verplichting op tot persoonlijke toewijding
aan Zijnen dienst en verheerlijking.
De Doop is dus eene inzetting, die al rechtvaardigt
of behoudt zij niet, toch, even als des Heeren Avond-
maal, van groot belang is op zijne eigene en Schrif-
tuurlijke plaats.
W. a Brakel: „In den Doop geeft men zich aan God
over als den Algenoegzamo, alles bezittende wat tot za-
ligheid van den raensch dient; als den Allerhoogste, die
te eeren, te vreezen, te vertrouwen en te gehoorzamen is.
In den Doop vertrouwt men zijne ziel Hem toe, en dat
Hij alle goederen Zijns verbonds zal deelachtig maken,
omdat Hij waarachtig is. In den Doop onderwerpt men
zich Gode, om Hem lief te hebhen en te dienen. Dit
alles sluit de Doop in."
2\'ie Vraag. Alles te zamen genomen: moet niet Uwe
beschouwing van den Christelijken doop mij leiden tot
het besluit dat de kinderdoop slechts een
menschelijke
vinding is, welke Gods inzetting verkeert, zijnde, zonder
het geringste Schriftuurlijke gezag, der Christelijke Kerk
-ocr page 147-
133
opgelegd door valache opvattingen en leugenachtige voor-
stellingen van zaligmakende of reinigende werking?
Indien ja, dan moet alle vertrouwen, in dien doop ge-
steld, ijdel, bedriegelijk en gevaarlijk zijn, en zijne be-
diening een gruwel in Gods oogen.
Antwoord — De volgende aanhaling\'uit het werk
van een uitnemend godgeleerde past juist als ant-
woord op deze vraag. De lezer denke maar aan
den kinderdoop, terwijl hij deze ernstige opmerkin-
gen leest:
Th. Boston. (Schrjjver van „De menschelijke natuur
in zijnen viervoudigen staat") „De heiligen stellen geen
vertrouwen in de uiterlijkheden van den monsch. Ik be-
doel daarmede die dingen, welke God nooit oplegde,
doch die de mensch tot plicht of regel stelde. Zulke din-
gen dienen niet alleen tot ijdel vertroiiwen; maar als eigen-
willige godsdienst zijn zij walgelijk in Gods oogen; Matth.
XV : 9. De mensch is geneigd het licht te nemen met
het gebod, zoo als het in het Woord gevonden wordt, on zijne
natuur heeft wederom eene zonderling begeerte om aan
het Woord toe te doen, wat hij zelf bedenkt. Daardoor heeft
eene wolk van bijgeloof sommige Kerkgenootschappen
verduisterd en wordt de eenvoudigheid van den gods-
dienst des Evangelies geminacht. Vindingen van
menschen zijn ingevoerd, en dat ten koste van de
Goddelijke instellingen. Maar al is het ook dat die
menschelijke inzettingen zouden gebonden zijn met
den Band der Oudheid, als in Matth. V : 21; —
met den Band van Kerkgezag, als in Matth.
XXIII : 4; of met den Band van het Burgerlijk
gezag, als in Hosea V : II* — ziende dat het ge-
weten niet bevredigen kan worden door het beroep
op een „Zoo zegt de Heer", moeten zij verworpen worden.
*) De zin is hier: gewandeld naar het gebod van Koning Jerobeam,
die den kalrerdienst huldigde (zie Kantt. Statenvert.)
-ocr page 148-
134
Het is in geen opzicht geoorloofd haar te eeren, het
koste wat wil. Deut. IV : 2. „Gij zult tot dit woord, dat
Ik u gebiedo niet toedoen, ook daarvan niet afdoen,
opdat gij bewaart de geboden van Heere, uwen God, die
ik u gebiede."
Art. VII der Neder 1. Geloofsbelijdenis —
als uitdrukking van den zuiveren regel des geloofs
en der praktijk, bij zoovele kinderdoopers immers
zoo hoog aan geschreven — zóó gelezen, brengt een
niet minder scherpe veroordeeling uit tegen den
kinderdoop.
24e Vraag. Zijn de meest geleerde en bevoegde
schrijvers het eens, dat de zin, dien volgens U het
woord HaizTiSu
(Baptizo) heeft, inderdaad zijne ge-
wone en eigenlijkste beteekenis wedergeeft.
Antwoord. Zie daarover in het Aanhangsel de
Beteekenis van UaitTtzw
25e Vraag. Er is eene afdeeling der Christelijke
Kerk, in welke sinds de dagen der Apostelen
de
Grieksche taal tot op heden bij voortduring ivordt
gebruikt. De ivoorden Baimsw en liaxnrr/ia {doopen en
doop) zijn daar dus onveranderd en in dagelijksch
gebruik tot op den huidigen dag. Zeg mij: Hoe ver-
staan die christenen deze woorden? En hoe bedienen
zij de instelling?
Antwoord. Een enkele aanhaling zij hier vol-
doende :
R. Kobinson. „De geboren Grieken moeten hunne
eigene taal beter verstaan, dan vreemdelingen het doen.
Zij hebben het woord Haptizo nltljd verstaan als indom-
pelen,
en hebben derhalve van den tijd hunner aanneming
van het Christendom tot heden toe altoos gedoopt door
-ocr page 149-
135
onderdompeling.^*) Hier hebben wij voor den waren zin
van het woord een gezag, dat onbepaald verkieslijker is
dan dat van Europeesche lexografen. In dit geval zijn
de Grieken onovertrefbare gidsen."
20\'e Vraag. Maar houdt de Grieksche kerk, die in
Rusland, Griekenland. Wallachye, Moldavië, iïgypte,
Abyssinie, Nubie, Lijdie, Arabie, Syrië, Cilicie en
JJalestina minstens 50 millioen leden telt, bij alle on-
derling verschil dat onder hare belijders gevonden
wordt, zich overal,
in alle streken en bij alle verschil
van luchtgesteldheid, aan de onderdompeling?
Dr. Wall. „De Grieksche Kerk houdt, in al hare ver-
schillende vertakkingen, nog steeds de onderdompeling."
P. Ricaut. „Drievoudige induiking of onderdompeling
houdt de Grieksche Kerk even noodzakelijk tot den vorm
des Doops, als het water zelf voor de bediening dier
inzeiting.\'
27e Vraag. Leveren de geschriften der oudste kerk-
vaders besliste bewijzen omtrent den vorm des doops
in hunne dagen?
Antwoord. De eerste Christenen, in de dagen der
Apostelen, konden er nooit toe komen om zulk een
groote verandering te maken in eene instelling van
Christus, als die van de vervanging der onderdom-
peling door besproeien of begieten. Aan het einde
der tweede eeuw werd ten behoeve van kinderen
de belijdenis des geloofs bij jflaatsver vang ing uitgevon-
den (zie antw. op de 21e vraag). Maar een tijdsver-
(*) De lezer vernondere zich niet over het herbaalt gebruik der
uitdrukking: ,gedoi>jit door OUiirrdompiK*ff." Ze sehijut waarlijk niet
overbidig. Geniige o. a. wat iu Dr. Ultiem\'s liijbeheh Woordenboek,"
arl Doop gezegd wordt: „De doop geschiedde door indompeling, di»
in den regel wel een besproeien of overgieten met water
zal geweest zijn". N.B. Indompeling uoor, bspkoeikn or
ovnumTÜil
-ocr page 150-
136
loop van niet minder dan duizend jaar werd
vereischt, eer bij de menigte de onderdompeling ver-
drongen werd door een anderen vorm; uitgenomen in
geval van ziekte (zie de vragen 31—SS hierachter.) In
dien wij nu zeker kunnen zijn, op wat wijze de doop
overal en algemeen bediend werd in de eerste
eeuwen na de Apostelen, dan weten wij ongetwijfeld
ook hierdoor, hoe de Heer het geboden heeft. En
dank zij God! wij hebben een overvloed van getui-
genissen tot vaste, onomstootelijke bewijzen. Eenige
daarvan volgen hier.
De op naam van Barnabas en van Hermas
vervaardigde Schriften, hoewel onecht, dagteekenen
uit de 2e eeuw, en kunnen ons dus, waar zij van
den doop spreken, wel onderrichten, wat het gebruik
der Christenen in die dagen was.
Barnabas. „Welgelukzalig zijn zij, die hunne hoop
op het kruis gevestigd hebbende, zijn afgegaan in het
water".... „Wij stijgen af in het water.... en komen er
uit op."
Hermas „De Apostelen en Leeraars predikten hun, die
te voren dood waren, en gaven hun dit zegel; want zij
daalden met hen af in het water, en kwamen weder op."
(Zulke heenwijzingen naar afdalen in en opstijgen vit het
water des doups vinden wij bij herhaling bij Hermas.)
Justinus de Martelaar. „Zij, die overtuigd zijn en
gelooven, dat wat wij leeren de waarheid is, en beloven
hun leven daarnaar in te richten, worden aangespoord
eerst te bidden en wij vasten met hen. Daarna brengen wij
hen aan eene plaats, waar water is, en daar worden zij weder-
geboren op gelijke wijze als wij ook zelven wedergeboren
werden; wantzij worden gewasschen (AV ru» u<luTt)in het ivater
in den naam van God, den Vader den Hoer van alle din.
gen, en van onzen Zaligmaker en van den Heiligen Geest.\'\'
-ocr page 151-
137
Tertullianus. „Het gebod van den doop is gegeven,
en de vorm voorgeschreven:
„Gaat henen (zeide Christus), onderwijst alle volken, de-
zelve doopende in den naam
&c." Hij bond het geloof en
de noodzakelijkheid des doops samen; daarom worden
sedert dien tijd allen die gelooven gedoopt (Haque omnes
exinde credentes tinguebaiitur). De persoon, die gedoopt
zal worden... . wordt in hot water nedorgelaten en, nadat
er eenige weinige woorden gesproken zijn, gedoopt." (In
aqua demissus et inter pauca verba tinetus).
Wederom sprekende over sommiger begeerte om
in de Jordaan gedoopt te worden, zegt hij:
„Het maakt niet uit waar iemand gewasschen is, hetzij
in de zee of in den vijver, in een rivier of in een bron,
in een meer of in een kanaal\', ook is er geen onderscheid
tusschen hen, die door Johaunes in de Jordaan, en hen
die door Petrus in den Tiber gedoopt werden" (quos Jo_
annes in Jordane, et quos Petrus in Tiberi tinxit).
Gregorius Nazianz. (Ao 3G0) „Wij worden door den
doop met Christus begraven, opdat wij ook met Hem op-
staan ; wij dalen met Hem af, om ook met Hem opgeheven
te worden".
Ambrosius (Ao.374) „U werd gevraagd: Gelooft gij in
God, den Almachtigen Vader? Uijzeidet: Ikgeloof en werdt
ingedompeld, d. i. gij iverdt begraven. Wederom werd U ge-
vraagd: Gelooft gij aan onzen Heer Jezus Christus en Zijne
kruisiging? Gij zeidet: Ik geloof en werdt weder inge-
dompeld, en aldus begraven met Christus."
Cyrillus v. Jeruzalem. (Ao. 374). „Daarna werdt gij ge-
leid naar de heilige bron van den Goddelijken Doop, ge-
lijk Christus van het kruis naar het graf werd gevoerd.
En elk Uwer werd de vraag gedaan, of hij geloofde
enz. En gij legdet die zaligende belijdenis af en daaldet
driemaal af in het water en kwaamt weder op. En dat
water der zaligheid was U een graf."
-ocr page 152-
138
„Zelfs Simon de toovenaar, kwam eens tot het bad des
tloops; hij werd gedoopt, maar niet verlicht. Zijn lichaam
dook in het water, maar hij liet den Geest niet toe zijn
hart te verlichten. Zijn lichaam daalde af in de bron
(descendit corpus in piscinam) en kwam op; maar zijne
ziel werd niet met Christus begraven, noch met Hem op-
gewekt."
Chrijsostomus (Ao 398). „Gedoopt te worden (xai
xttT\'tousaiJu:
) en ingedompeld en dan uit te komen of we-
der op te slaan, is een zinnebeeld van onze nederdaling,
en ons opstijgen uit het graf. En daarom noemt Paulus
den Doop eene Itegrafenis."
2Üe Vraag. Stemmen geleerde voorstandere der zui-
gelingenbesprenging toe, dat de onderdompeling de al-
gemeene en alleen als wettige erkende praktijk der
eerste Christenen ivas, en dat deze dus gehoorzaam het
gezag van Christus en de Apostelen volgden?
Antwoord. Zie hier uitspraken van eenige dier
mannen.
Witsius. „Het staat vast, dat beide Johannes de Doo-
per en do discipelen van Christus, gewoonlijk de onder-
dompclr g hielden. Dit voorbeeld werd door de Oude
Kerk gevolgd, gelijk Vossius heeft aangetoond, door vele
getuigenissen aan te voeren uit Grieksche en Lalijnsche
schrijvers.-\'
Uowcr. „Doop door onderdompeling was ongetwijfeld
de apostolische praktijk; waarvan de Kerk nooit afweek,
dan in geval van ziekte."
Vossius. — „Dat de Apostelen  onderdompelden, die zij
doopten, lijdt geen twijfel.... Dat
  de Oude Kerk hun voor-
beeld volgde blijkt zonneklaar uit
  ontelbare getuigenissen
der Kerkvaders."
Encycl. Eccles. „Wat gewicht er ook ligge in de
de redenen, ter verdediging van het tegenwoordige gebruik
der Besprenging, het is duidelijk dat gedurende de
-ocr page 153-
139
eerste eeuwen der Kerk, en nog vele een wen daarna
de onderdompeling heerschende was. Daarvan schijnt men
inderdaad nooit, te zijn afgeweken, uitgenomen bij
personen in stervensnood, of op het krankbed."
29e Vraag. Maar van den doop des Heiligen Gees-
tes wordt gesproken als van eene
„uitgieting" „Ik zal
Mijnen Geest uitgieten11 (Joel II : 28). Die belofte
werd aan de Apostelen vervuld (Hand. II: 17). Indien
dan nu de discipelen den doop des Geestes ontvingen
doordien de Geest over hen werd uitgegoten, pleit dit
dan niet veeleer voor
begieten, dan voor indompelen
bij den doop"?
Antwoord. Cijrillus v. Jeruzalem (Ao 374) geeft
ons eene duidelijke beschrijving van den doop des
H. Geestes. Hij zegt:
„Gelijk hij, die in hot water nederdaalt en gedoopt
wordt, aan allo zijden omgeven is door het water, zoo
werden zij ook ganscholijk gedoopt door den H. Geest. —
„Het vervulde het geheele huis tvaar zij zaten; want het huis
werd het vat voor het geestelijk water; terwijl de discipelen
binnen zaten, werd het geheele huis vervuld. Zoo werden
zij \'geheel en al gedoopt; naar ziel en lichaam met een
goddelijk en zaligend gewaad versierd."
En een schrijver uit onze dagen stelt het ons even
duidelijk voor, waar hij de woorden van Johannes
in Matth. 3 : 11 behandelt. Wij bedoelen
Neander: „Na Johannes zou Hij komen, die zoo ver
boven hem verheven was, dat hij zich zelven niet waardig
gevoelde Hem ook maar den geringsten slavendienst te
bewijzen. Deze was het die met (lees in) den Heiligen
Geest en vuur zou doopen; d.w.z.: gelijk de door Johan-
nes gedoopten geheel en al in hot water werden ingedom-
peld, zoo zoude de Messias die zielen, welke in Zijne
gemeenschap traden, ganschelijk indompelen in den door
-ocr page 154-
140
Hem mede te doelen Goddelijken levensgeest, zoodat zij
van dien Geest ganschelijk zouden doordrongen worden".
Dan merke men verder op, dat het hier gebezigde
exystu (uitgieten) nergens in het N. T. voorkomt,
waar van den waterdoop sprake is, en dat door deze
uitgieting of uitstorting des Geestes hetgeheele huis
vervuld werd. Nu, indien water werd uitgegoten of
uitgestort in een vertrek, „totdat het geheel vervuld
was," zouden dan niet alle daarin aanwezige perso-
nen onder water, geheel omringd van water, geheel
onder water zijn, gelijk wij ons rondom in de damp-
kringslucht bevinden? Even zoo was het geval bij
de uitstorting des Geestes.
Waar van den Geest gesproken wordt, is het woord
sxxew (uitgieten) gebruikt; Maar waar het den per-
sonen geldt wordt po.K->ïu> (in-of onderdompelen) ge-
vonden. De doop des H. Geestes spreekt dus voor
de onderdompeling en niet er tegen.
30e Vraag. Verraden dan zij, die op de doopsbe-
diening door onderdompeling als
laag en verachtelijk
nederzien, en haar tegenstaan of veroordeelen, niet eene
goddelooze waanwijsheid, veroordeelende des lleilands
wijsheid en gezag?
Antw. Indien het lieden zijn, die niet bekend kun-
nen zijn met de duidelijkste getuigenissen der H.
Schrift en der Kerkvaders, dan brengt hunne ontve-
tendheid
zekerlijk verontschuldiging aan. Doch het
getal derzulken zal wel gering zijn, Van verreweg
de meesten geld wat o. a. in de volgende aanhalin-
gen van beroemde mannen onder kinderbesprengers
gezegd wordt:
Dr. Wall (de beroemde verdediger der kinderdoop,
die al de oude schrijvers der ten gunste van den kin-
-ocr page 155-
141
derdoop doorzocht; waarlijk een zeer uitvoerige arbeid).
„De onderdompeling blijkt zoo klaar en duidelijk uit een
tallooze menigte van plaatsen, dat gelijk men mede-
lijden moet hebben met de zwakke pogingen van zulke
voorstanders des kinderdoops, die het tegengestelde wil-
len volhouden, men evenzoo zijnen afkeer moet openba-
ren van den on heiligen spot, waarmede sommigen,
alleenlijk- om de indompeling, de tegenstanders van den
kinderdoop bejegenen. Die manier van doopen was toch
allerwaarschijnlijkst dezelfde, welke onze gezegende
Zaligmaker en zeer zeker de meest gewone en ge-
bruikelijke, volgens welke de oude Christenen den doop
ontvingen."
„Het verraadt een groot gebrek aan voorzichtigheid
en ook aan eerlijkheid, een tegenstander te weigeren
wat stellig waar is, en wat als zoodanig kan bewezen
worden. Het wekt wantrouwen in al het overige dat
gezegd wordt".
„De gewoonte der Christenen in do naast volgende
tijden (na de Apostelen) breedvoeriger en meer bijzonder
in de boeken vermeld, staat bekend als over \'t alge-
meen en gewoonlijk een geheele onderdompeling te zijn
geweest."
Dr. Campbell. „Ik hoorde een redenaar, Uu spijt van
afleiding en gebruik,
volhouden dat het woord, in het N. T.
vertaald door doopen, eigenlijk meer besprongen dan
indompelen beteekent, en dat — in tegenspraak met
al wat de oudheid leert — besprengen de oudste en
algemeenste vorm van doopen is. Een man die zoo bewijst,
zal nooit feilen om bij mannen van kennis de zaak, die hij
ivil voorstaan, te verraden,
en hoewel, bij het gros des volks,
stoute beweringen over \'t algemeen even goed slagen als
bewijsvoeringen, ja somtijds beter, toch zal een eerlijk
man altoos de hulp van de lengen, ook tot ondersteuning
der waarheid, verfoeien."
Presbyterian Reviewers. „Wij kunnen het al-
leenlijk betreuren dat in zijne poging tot verdediging
-ocr page 156-
142
der besprenging Mr. Ewing zich heeft schuldig gemaakt
aan zoovele grove en schreeuwende misslagen...Wij hebben
b.v. zelden eeno zwakkere en meer hersenschimmige rede-
noering ontmoet, dan die, waardoor de heer Ewing ons
duidelijk wil maken, dat in de uitdrukking „met Christus
begraven door den dood- geene zinspeling ligt op den
doop door onderdompeling. Dit punt moet ten volle
toegestaan worden; het kan inderdaad niet worden be-
streden met eenigen schijn van redelijkheid."
31e Vraag. Hoe lang werd de onderdompeling aan-
gehouden als algemeen gebruik onder alle christenen
?
Bisschop Bossuet. „Wij kunnen aantoonen, uit de
handelingen der Conciliën en uit de oude Ritualen,
dat de doop gedurende dertien honderd jaar, overal
in de geheele Kerk door onderdompeling werd bediend,
zooveel dit mogelijk was."
Stackhouse. „Verscheidene schrijvers hebben aange-
toond en bewezen dat deze onderdompeling gedurende
dertienhonderd jaar na Christus werd aangehou-
den."
32e Vraag. Wanneer en om wat oorzaken werd
het gebruik van begieten, besproeien of besprengen, het
eerst ingevoerd?\'
Antwoord. Dr. Wall, kon daarvan geen vroeger
verhaal vinden, dan dat betreffende Novatianus
in het midden der 3e eeuw.
„Deze man, nog ongedoopt zijnde -- zoo verhaalt Euse-
bius — viel in eene gevaarlijke ziekte, en omdat zijn
sterfuur nabij scheen te zijn, werd hg op het bed, waarop
hij lag, gedoopt (ïv xhvij zs/>!/u0svTa d.i. geheel en al
besprengd in bed) indien - voegt Eusebius er bij — dit
doopen mag genoemd worden"-
Novatianus herstelde, en
uit wat toen volgde is ons op merkwaardige wqs het
gevoelen van de toenmalige Christenheid omtrent den
-ocr page 157-
143
Doop bewaard gebleven. De bisschopszetel te Rome kwam
in het jaar 251 ledig te staan. Twee personen werden tot
de bisschoppelijke waardigheid verkoren, n 1. Cornelius,
op wien do meerderheid zich vereenigde en deze Nova-
tianus. Cornelius schreef een langen brief aan Fabius,
bisschop van Antiochië en zegt daarin (volgens de ver-
taling van Dr. Wall) „dat Novatianus niet wettig tot het
priesterschap gekomen zijnde, dus veel minder verkiesbaar
was tot bisschop". — De lezer lette nu op de aangegeven
redenen. — „Want de geheele geestelijkheid on een
groot aantal leeken waren tegen zijne verkiezing als
Presbyter, omdat het, zoo zeiden zy, niet wettig was
dat oen, die gelijk Iiij in zijn bed was gedoopt (besprengd
als boven) zou toegelaten worden tot eenig kerkelijk ambt.-\'
Hier hebben wij nu het eerst vermelde geval van wa-
ter uitstorten,— hetzij door begieten of besprengen — om
te doopen, en hier ontmoeten wij tegelijk een ern-
stig bezwaarschrift tegen den man, die zoo gedoopt
is en dat juist om dien doop. Wat is dat bezwaar?
Is het gericht tegen zijnen toestand; tegen hem,
als ziek te bed liggende ? Of tegen den vorm van
zijnen doop? Ik antwoord: Tegen beide; want niet
lang daarna werden deze beide bezwaren tegen zulk
eenen doop in het licht gesteld. Ie Er rees bezwaar
tegen een kranke, omdat gelijk het Concilie van
Neo Cesarea bevestigde in de 12e Canon. „Die gedoopt
is, ziek zijnde, mag geen priester worden; want dat hij
tot het geloof kwam geschiedde n i e t v r ij w i 11 i g; maar
uit nooddwang". En 2e tegen den vorm. Terwijl No-
vatianus nog leefde, onderwierp zekere Magnus aan
Cyprianus de vraag: „Of diegenen als wareChris-
tenen moesten geacht worden, die niet in het water
gewasschen, maar slechts besprengd waren?"
Cyprianus antwoordde dat de doop als geldig moest
beschouwd worden „necessitate cogente, Deo lar-
-ocr page 158-
144
giente" d. i. <h noodzadelijkheid er toe duingende en
God toegerfelijkheid gebruikende.
De lezer oordeele
nu zelf over de kracht van dit bewijs.
Van dien tijd (Ao 250) af werd de besprenging
toegelaten, maar alleen in gival van noodzakelijkheid
en waar sterven verwacht werd. Een valschebeschou-
wing des doops, als noodig tot zaligheid, leidde daar toe.
„Frankrijk (zegt Dr. Wall) schijnt het eerste land
te zijn geweest, waar de doop door besprenging
werd toegediend aan gezonde personen." Deze be-
sproeiing of begieting in de kerk van Rome werd
eerst geduld in de achtste eeuw, terwijl de onder-
dompeling
de gevestigde wet in de kerk bleef. Zoo
stonden de zaken gedurende verscheiden honderd
jaren. In de zestiende eeuw, werd begieten algemeen
aangenomen. De Ritualen van die kerk bewijzen
dit onweder legbaar."
De Kerk van Engeland hield zich langer dan vele
natiën op het vaste land aan het oorspronkelijke
gebruik. Erasmus (Ao 1530) zegt: „Perfunduntur
apud nos; merguntur apud Anglos" d. i. „Bij ons
(Nederlanders) krijgen zij het water op zich; in En-
geland worden zij ingedompeld." De Catechismus
dier kerk leert de jeugd den vorm des doops als
alleenlijk door onderdompeling: „Het water, waarin
de persoon gedoopt wordt." „In de vroege geschie-
denis dier kerk (zegt Dr. Wall) spreekt alles een-
stemming van indompelen, zonder eenige melding\'
te maken van begieten of besprengen." In 1546
werd de eerste uitzondering gemaakt voor „zwakke
kinderen". Kort daarna begon de besprenging toe te
nemen en „met een halve eeuw werd die manier de
meer algemeene, terwijl zij nu de bijna eenige ma-
nier van doopen {in die kerk) is."
-ocr page 159-
145
33e Vraag. In wat gedeelte der Chistelijke wereld
heeft men tot nu toe de indompeling blijven aanhouden"}
Dr. Wall. „Wat gezegd is van het gebruik om met
water te begieten of te besprengen bij den doop moet
alleen verstaan worden in betrekking tot de Westelijke
deelen van Europa; want nergens elders is het ge-
woonte. De Grieksehe kerk houdt zich nog aan de indom-
peling; en zoo doen alle andere Christenen in de jgeheele
wereld, uitgenomen de Latijnen. Alle Christenvolken, nu
of voorheen het g\'ezag van Rome\'s bisschop huldigende,
doopon gewoonlijk hunne kindertjes door begieten of be-
sprengen. Maar alle andere Christenen in de wereld, die
nooit voor de overweldigende macht van den Paus bogen
doopten en doopen nog door onderdompeling...
Alle Christenen in Azië, alle in Afrika, eu omstreeks
een derde deel van Europa behooren tot de laatste."
Hoe denkt de lezer nu over den vorm desdoops?
Wat mij aangaat, ik ken hier geen twijfel meer, om
dat de voorgelegde getuigenissen, niet zoo zeer be-
staan in geleerde kritiek van woorden, als wel in
eenvoudige, duidelijke, geschiedkundige feiten.
Het zij mij vergund den waarheidlievenden onder-
zoeker de volgende vragen te stellen.
1.    Hoe is het, dat de oudste Christenschrijvers
de handeling des doops uitdrukken door zulke
Grieksehe of Latijnsche termen (baptizo nu niet
mede gerekend) als welke beteekenen: te worden
ingedompeld, te worden begraven; te worden ingedo-
hen;
te worden ondergedompeld; in het water gezonken
te worden; en aan alle zijden door het water omgeven
te worden ?
2.    Hoe is het dat toen, als een noodmiddel bij
het naderen des doods, besproeien of besprengen
aangewend was, en de doopeling herstelde, hij niet
10
\'
-ocr page 160-
146
geacht werd op zoo betamelijke wijze te zijn gedoopt,
als vereischt werd om tot eenige heilige bediening
toegelaten te worden?
3.    Hoe is het dat de kerkvaders als geschikte
doopplaatsen noemen: de zee, een vijver, een rivier,
eene fontein, een meer, een kanaal, de Jordaan, den
Tiber; en dat de doop in alle die gelijk staat?
4.  Hoe kwam het, dat op gezag van „de Apostolische
Canons" een Bisschop of Presbyter, die iemand doopte
anders dan door indompeling, ontzet moest worden?*
5.  Van waar is het dat die Christenen in wier moe-
dertaai het doopsbevel van den Heere Jezus tot
ons gekomen is, in alleeeuwen hunner geschiedenis,
de indompeling hebben uitgeoefend?
(5. Van waar is het, dat de Oude Ritualen van
Kerken, in welke begieten en besprengen nu het
heerschend gebruik is, nadrukkelijk de indompeling
ge bod en\'of nog gebieden?
7. Hoe komt het dat degeheele Christelijke wereld,
hoe ook daarna verdeeld, eenparig de onderdompeling
volgde (behalve in krankte) gedurende dertien
honderd jaar na Christus?
Moge nu het bewijs, uit oudere en nieuwere schrij-
vers door mij bij gebracht, beknopt zijn (het zou
gemakkelijk tot boekdeelen vol uitgebreid kunnen
worden), toch staat vast, dat de gegeven antwoorden
rusten op
Onwederlegbare geschiedkundige feiten.
En al ware het dat het N. Testament geen beslist getui-
genis gaf, dan zouden toch nog deze feitenonwederleg-
baar aantoonen, dat de onderdompeling de oorspronke
lijke
en daarom de van God verordende wijze des
doops is, en dat zij bij gevolgonveranderlijk en
-ocr page 161-
147
onveranderbaar moet bewaard blijven tot het
einde der eeuwen; want: Wie durft veranderen
wat Christus gebiedt? „De Heer is nabij!" En
Hij waarschuwt plechtig een iegelijk inensch: „Vrees
God en houdt zijne geboden." „God zal ieders werk
in het gericht doen komen."
-ocr page 162-
148
AANHANGSEL.
BETËEKENIS TAN HET GRIEKSCHE WOORD fla-TlZw
(baptizo) zie noot pag. 8.
L ut her: „Doop heet in \'t Grieksch Baptismus,
in \'t Latijn Jfersio; d. i. wanneer men iets geheel
in het water stoot, zoodat het water er boven sa-
menvloeit. En ofschoon dat op vele plaatsen geen
gebruik is, zoo moest het toch zoo wezen, dat men,
naar de beteekenis van het woord, eiken doopeling
geheel in het water dompelde en er weder uit op-
hief.
C a I v ij n: „Het woord //«-«»<« beteekent onderdom-
pelen en bij de Oude Kerk was de onderdompeling
gebruikelijk."
Beza: „Christus beval ons te doopen; door welk
woord, gelijk bekend is, onderdompelen wordt aan-
geduid."
Vitringa: „De handeling des doops bestaat in
het onderdompeling van de geloovigen in water;
het woord drukt zulks duidelijk uit."
Witsius: „Het kan niet geloochend worden, dat
de eigenlijke beteekenis van BaxvtZtB en BZnvtZsh is
onderdompelen, indompelen."
Zanchiüs: „De eigenlijke beteekenis van BaxiCtB
is onderdompelen, onder water stooten, met water
bedekken."
Bossuet (Bisschop van Meaux): „Doopen wil
zeggen: onderdompelen, gelijk de geheele wereld weet."
Campbell: „Het woord BaxrlUtv heeft zoowel bij
de schrijvers der bijbelboeken, als bij de klassieken
de beteekenis van indompelen, onderdompelen."
-ocr page 163-
149
W. a Brakel: „\'t Grieksche woord BartZüi be-
teekent in onze taal Uoopen, in het water insteken,
indompelen."
V. der Kemp: „Het woord doop is baptisma,
d. i. onderdompeling."
Paullus: „Het woord /?<z-nC<o beteekent somtijds
„indompelen", somtijds „onderdompelen".
Brethschneider: „Een geheele indompeling be-
hoort tot het wezen des doops. Dat is de meening
van het woord."
Br en n er: „Het woord komt in beteekenis over-
een met het Duitsche woord tan/en, in de diepte
doen zinken".
Augusti: Volgens afleiding en gebruik, beteekent
het woord baptisma indompeling, onderdompeling,
het wijst op een tijd, waarin het latere gebruik van be-
sprengen niet was ingevoerd.
Fritsche: „Dat de doop niet door besprenging,
maar door onderdompeling bediend werd is duide-
lijk, niet alleen volgens den zin van het woord, maar
uit Rom. VI : 4."
V. d. Gr o e zegt: „Daar Johannes den Zaligma-
ker in den Jordaan ingedompeld heeft, draagt dit
sacrament den naam van Doop: d. i. indompeling.\'\'\'\'
De Miranda (Aartsbisschop van Toledo): „Bap-
tizo (Doopen) is een Grieksch woord en beteekent
eigenlijk een voorwerp bevochtigen, door het onder
de vloeistof te stooten".
HET WOORD DOOPEN MAG NIET VERWISSELD WORDEN
MET BESFRENGING OF MET BEGIETEN.
In den Griekschen tekst van het N. T. komen 8
verschillende woorden voor, die betrekking hebben
-ocr page 164-
150
op de verschillende vormen, welke te recht of te
onrecht beschouwd worden als geoorloofd of aan-
namelijk voor den doop. Zij zijn:
Bar.z\'.-w (Baptizo). Dit woord komt 80 maal voor.
Het is in onze Statenvertaling 78 maal vertaald door
doopen; 2 maal (Mark. 7:4; Luk. 11:38) door was-
schen. Maar dat wasschen is: wasschen door baden.
Er staat eigenlijk: „de handen doopen" en „dat Hij
zich niet gedoopt had".
PwrtfiB (Rantizo) komt] 6 maal voor en is 5
maal vertaald door besprengen, eens door reinigen;
doch de Kantteekening zegt in \'t laatste geval dat
in het Grieksch staat: besprengen. Het is dus onwaar,
wat wel eens beweerd wordt, dat Rantizo ook voor
doopen gebezigd wordt.
Ilf»>oxv(T!<; (Proschusis) wordt eenmaal aangetrof-
fen en is vertaald door besprenging (Hebr. XI : 28).
De woordenboeken geven het ook weder door: uit-
storten op.
Ex/èw (Ekcheo) komt 18 maal voor en is vertaald
door vergieten, uitgieten en "uitstorten.
E-i%£tö (Epicheo) wordt eenmaal gevonden (Luk
X: 24), waar het vertaald is door ingieten.
Kaxayi& (Katacheo) wordt tweemaal gebruikt en
is vertaald door uitgieten (Matth. XXVI: 7.) en door
gieten (Mark. XIV: 3)
Kspanb/u (Kerannumi) treffen wij driemaal aan;
\'t is vertaald door schenken en inschenken. De woor-
denboeken geven het ook weder door mengen, ver-
mengen
en uitgieten.
ilaXXto (Ballo) komt 127 maal voor; beduidt
iverpen, afwerpen, uitwerpen, zenden, gieten, enz. In
-ocr page 165-
lol
laatstgemelde beteekenis treffen wij het aan in Matth.
XXVI: 12 en Joh. XIII: 5.
Van de zeven laatstgenoemde woorden wordt ner-
gens een gebruikt, waar sprake is van de bediening
des doops. Bedenken wij nu dat Baptizo, behalve in
de hierboven bedoelde 80 gevallen, in verschillende
vormen nog 40 maal voorkomt en nooit betrekking
heeft op begieten of besprengen, dan zou het onze
achting voor den Bijbel, als de van God ingegeven
Schrift, toch zekerlijk schade doen, zoo het kon
worden aangetoond, dat in dat boek wel gedurig
onderdompelen wordt gezegd, maar niet bedoeld.
DOOPEN IN WATER OF MET WATER (bl. 12).
1\'Enfant: „cv ötJara = „In het water," deze
woorden drukken zeer gepast de handeling des
Doops uit, welke in \'t begin door den ondergang
des geheelen lichaams in het water volvoerd werd."
Hervey (er op wijzende dat s» uiara in waterbe-
teekent) „Ik kan bewijzen, dat dit woordje meer dan
2000 jaar
zonder eenige tegenspraak deze beteeke-
nis had." .... „Iedereen weet dat met geenszins de
oorspronkelijke, voor de hand liggende en letterlijke
meening bevat, maar veel meer eene, die door het
voorafgaande of volgende woord wordt bestemd of
bepaald.
L i g h t f o o t. „ Dat Johannes den doop bediende door
het lichaam in te dompelen (even als het gebruik
was bij de wassching van onreine personen) schijnt
te blijken uit wat aangaande hem verhaald wordt;
n. 1. dat hij in den Jordaan doopte; dat hij doopte
in Enon „omdat daar vele wateren waren."
Olshausen en Ebrard. „De vorm van dezen
(Johannes) doop bestond niet slechts in eene afwas-
-ocr page 166-
152
sching, en was dus niet slechts zinnebeeld van rei-
niging; maar hij bestond in eene onderdompelingen
was zinnebeeld van den ondergang en den dood van
den ouden en het opstaan van den nieuwen mensch.
De doop van Johannes was niet alleen daarin gelijk
aan den Christelijken, dat de dooper de onderdom-
peling bij den dooper volbracht, maar enz."
Neander. „Gelijk de door Johannes gedoopte i
ganschelijk in het water werden ingedompeld, zoo
zoude de Messias .. enz."
Zie voorts de citaten uit Vossius, Oosterzee e. a
op pag. 17.
WAS DE DOOP VAN JOHANNES EEN ANDERE DAN DE
christelijke ? (Zie blz. 13).
Jezus leert ons dat „de Wet en de profeten waren
(verkondigd) tot op Johannes". Van dien tijd (van
Johannes\' optreden) af werd het Koninkrijk Gods
verkondigd. Daarmede stemt overeen, wat Markus
ons in de inleiding van Zijn evangelie zegt: Het
begin des evangelies van Jezus Christus, den Zoon
van God (was) gelijk geschreven is in de profeten\'
Ziet, Ik zende mijnen engel voor uw aangezicht. —
Johannes verkondigde het volk het evangelie, en hij
kwam doopende. God zond hem om te doopen.
Hij zou velen der kinderen Israels bekeeren tot den
Heer, hunnen God en den Heer bereiden een toege-
rust
volk.
Johannes\' optreden was de dageraad der nieuwe
Bedeeling. Waren Mozes en de profeten sterren
geweest in den nacht, hij was als het licht der Zon,
dat reeds, eer zij boven de kimmen rijst, in heer-
lijken glans hare nabijzijnde verschijning aankondigt.
-ocr page 167-
153
Gelijk de prediking van Johannes was „het begin
des Evangelies van Jezus Christus," zoo was zijn
doop het begin van den Christelijken doop. Johan-
nes doopte op bekeering en geloof in bet Lam Gods
Zoo deden de Apostelen. Tussohen de Mozaische
en Christelijke bedeeling bestond geene derde.
De lezer zie hierover het citaat uit Calvijn op bl.
21, alsook wat op bl. 20 voorafgaat. Hier voegen wij
nog toe, wat — in \'t zelfde stuk van de prediking
van Johannes — gezegd wordt do)r:
Calvijn. „Johannes zeido van Christus: ..Ziet hot Lam
Gods, dat de zonde der wereld wegneemt." Alzoo erkende
en verkondigde hij Hem als het offer dat den Vader wel-
behagelijk was, als den aanbrenger der gerechtigheid en
den werkmeester der zaligheid. Wat konden de Apostelen
aan deze belijdenis toevoegen?
Wie zal Chrysostomus recht geven als deze ontkent, dat
de vergeving der zonden, begrepen was in den doop
van Johannes ; terwijl Lukas integendeel verzekert dat
„Johannes kwam, predikende den doop der bekeering tot
vergeving der zonden?" Ook moeten wij niet instemmen
met den loozen vond van Augustinus, „dat in den doop
van Johannes de zondert werden vergeven in hope, maar dat
zij in den doop van Christus in werkelijkheid vergeven
werden." Want daar de Evangolist klaarlijk getuigt, dat
Johannes, in zijnen doop, de vergeving der zonden predikte,
waarom zouden wij dezen lof verminderen, als daartoe
geen noodzaak ons dwingt? Maar indien hier eenig ver-
schil gezocht wordt in het Woord van God, dan zal slechts
dit gevonden worden, dat Johannes doopte in den naam
van Hem die te komen stond, en de Apostelen in den
naam van Hem, die zich alreeds geopenbaard had." —
Ook W. a Brak el antwoordt op de vraag. „Of de
doop van Johannes en Christus in wezen verschillen f
beslist ontkennend.
-ocr page 168-
154
WAS ER WATER TOT INDOMPELING OP DEN WOESTEN WEG\'
Hand. 8:26? (Zie blz. 49. Noot.)
Er zijn, die zulks betwisten, en die, den doop door
onderdompeling\' niet als den eenig wettigen doop
willende erkend zien, met dit bezwaar aankomen.
Woest zou hier volgens hen, gelijk staan aan dor,
droog, waterloos. Doch het oorspronkelijk woord
(ipt/Hoa) beteekent niet een dorre plaats zonder
plantengroei, maar een niet bewoonde streek. Dit
blijkt b. v. uit Matth. XIV : 13—19 waar Jezus in
eene woeste plaats (t/njfta* toxoo) de scharen gebood
neder te zitten op hel gras.
Wij hebben nog nadere en zeer besliste aanwij-
zing in de verhalen van reizigers, die „van Jeruzalem
naar Gaza" zijn getrokken. Zij toch spreken van ver-
scheidene bronnen en vijvers langs dien weg.
De Pelgrim van Bordeaux, Ao 333, beschrijft
den weg nauwkeurig, „Van Bethlehem tot de bron,
in welke Filippus den Kamerling doopte is 14 mij-
len" zegt hij.
Eusebius spreekt insgelijks van „de bron, in
welke, naar men zegt, de Kamerling werd gedoopt."
Hieronymus: „In de nabijheid is een bron, en
de Handelingen der Apostelen verhalen dat de Ka-
merling in die bron gedoopt werd."
Uit onzen tijd hebben wij insgelijks getuigenissen
van reizigers, die ten stelligste de aanwezigheid van
geschikte doopplaatsen aan dezen weg bevestigen.
HUISGEZINNEN ZONDER JONGE KINDEREN.
(Zie blz. 64, noot.)
De Redacteur van de „Baptist" te Memphis in N.
Amerika, verzocht — „met het oog op de bewering
van voorstanders van den zuigelingendoop, die zoo-
-ocr page 169-
155
veel gewicht leggen op de gedoopte huisgezinnen
in het N. T. als hoogst waarschijnlijk toch ook wel
kleine kinderen bevattende,
— aan leeraars die geheele
huisgezinnen mochten gedoopt hebben, in welke geene
kleine kinderen gevonden werden, daarvan mede-
deeling te doen. Al aanstonds werd er melding
gemaakt van vijf en dertig zulke gevallen in ge-
meenten, die alleen op persoonlijke belijdenis des
geloofs den doop bedienden. En nog steeds, zoo
zeide het blad, komen zulke berichten in. Vele der
berichtgevers hadden zelfs een aantal van zulke
gezinnen gedoopt, zijnde zes het cijfer dat gedurig
werd genoemd. Een hunner schreef:
„Ik mocht in den loop van dit jaar o. a. drie
huisgezinnen doopen. Een daarvan bestond uit de
moeder, eene weduwe uit den aanzienlijken stand,
en zeven kinderen, die allen den Heer beleden.
Een ander was een gezin uit den burgerstand, be-
staande uit man, vrouw en vijf kinderen. Ik ge-
loof niet, dat ge een leeraar bij de Baptisten zult
vinden, die 20 jaar in het Evangelie gediend heeft,
en die niet een aantal huisgezinnen heeft gedoopt,
grooter dan dat waarvan het N. T. melding maakt."
Een andere predikant schreef:
„Ik heb mijn dagboek nagezien en bevonden dat
ik gedurende den tijd mijner evangeliebediening
meer dan veertig huisgezinnen gedoopt heb."
-ocr page 170-
156
EINDOPMERKINGEN.
Alvorens dit werkje wordt gesloten, zij de aan-
dacht van den weiwillenden lezer nog gericht op
eenige Tegenwerpingen, die nog al eens aangevoerd
worden tegen de door ons verdedigde praktijk en
op wat tegen die tegenwerpingen moet gezegd worden.
1. De Meerderheid der Christenen, onder welke
toch een aantal beroemde, geleerde en godvruchtige
mannen gevonden worden hield en houdt nog het
tegenovergestelde gevoelen en „zouden die allen
dwalen of ongelijk hebben?
Antwoord. Het is waar dat een groot gedeelte van
de belijders van het Christendom, en onder hen uitne-
mende schrijvers, tegen ons zijn. Maar wordt de
waarheid vastgesteld bij meerderheid van stemmen?
Kan eene meerderheid nooit in \'t ongelijk staan,
nooit dwalen?
Laat mij U een vraag voorleggen, lezer, wie gij
ook zijt, en wel deze: Is er niet een of ander be-
langrijk punt, op \'t welk de meerderheid van de be-
lijders des Christendoms van U verschilt? En dat,
zonder dat ge U verontrust gevoelt door dat verschil
van cijfers?
De Chineezen beroepen zich tegen de Christenen op
hunne meerderheid;
zoo doen de Roomschen tegen-
over de Protestanten, enz., enz. Maar wie gevoelt
zich door zulk een beroep overtuigd van de waar-
heid dier meerderheden?
Terecht is door een welbekend schrijver gezegd:
„Wat betreft groote mannen en groote namen, wij
vinden ze onder alle partijen en richtingen." Maar
wij gunnen voor \'t oojjenblik, onzen tegenstander,
-ocr page 171-
157
gaarne dat hij de geleerde en godzalige mannen, bij
honderden en bij duizenden plaatse aan de zijde
der kinderbesprengers—dan plaats ik aan de
andere zijde Christus en Zijne Apostelen en dan
vraag ik den lezer: Wie heeft den hechtsten steun?
al is dan mijn aantal bij vergelijking niets meer
dan „een klein kuddeken."
En nu duide men mij niet ten kwade, dat ik er
alle gewicht opleg, dat ik Christus en Zijne
Apostelen aan mijne zijde heb, als die hun zegel
zetten op den dooo der geloovigen, terwijl een iege-
lijk moet toestemmen dat zulks aan de andere zijde
het geval niet is. Hoeveel achting en eerbied ik
nu ook den bedoelden grooten geleerden en vromen
mannen toedraag; dewijl niet zij, maar Christus
mijn Heer en Meester is en mijn eenige Rechter
zal zijn ten jongste dage, zoo aarzel ik niet alle ker-
kelijke of gemeentelijke verbintenis af te breken met
iedere meerderheid, of met elk uitnemend man, ook
dan wanneer ik daardoor in de minderheid kom,
zoo maar Christus daar met mij is.
2. Ook wordt wel gezegd dat de gevoelens der
Baptisten van betrekkelijk laten oorsprong zijn en
eerst ten tijde van de Hervorming door sommige dol-
zinnige dwepers, de wederdoopers, werden gepredikt.
Antwoord. Die deze tegenwerping tegen het Bap-
tisme maken, zijn of gansch onbekend met alle waar-
heid op dit punt, of zij verduisteren moedwillig het
getuigenis der geschiedenis. Onze beginselen zijn
zoo oud als het Christendom zelf. Met. de Munster-
sche wederdoopers of andere dwepers van wat tijd of
land, hebben wij niets uit te staan, evenmin als dit het
geval was met onze vaderen.
-ocr page 172-
158
Dat sommigen ons wel gaarne den gehaten naam
van „wederdooper" bijleggen, bewyst niets. Duizen-
den en tienduizenden van Christenen hebben in alle
eeuwen des Christendoms ons beginsel t. w. „den doop
van geloovigen alleen" vastgehouden. Van Christus
tot bijna het einde der tweede eeuw waren er geen
andere Christenen. Zegt iemand dat zij er waren,
dan geve hij ons het getuigenis der geschiedenis voor
zijne bewering. Na dien tijd hebben, altoos door,
duizenden en tienduizenden personen onze beginse-
len beleden.
De Waldenzen, Albigenzen, Petrobusianen, Beren-
gariers en een ontallijk aantal lieden, onder deze en
andere namen bekend, beleden in getrouwheid den
Zaligmaker; velen, die als martelaars voor hun geloof
stierven en die in leven en sterven sprekende ge-
tuigen waren voor de leering-en van het reine en
onbedorven Christendom, zouden — indien zij nu
leefden — geteld worden onder „de Baptisten." Zij
noemden den kinderdoop — het door den doop kin-
deren tot Christenen maken — eene der grofste
dwaalleeringen van den antichrist.
Het leidend of onderscheidend beginsel van geen
kerkgenootschap, gemeente of secte onder de Chris-
tenen kan met zooveel helderheid en onbetwistbare
zekerheid teruggevoerd worden tot de tijden der
Apostelen, als dat der Baptisten.
Do lezer oordeele nu zelf over de onwetendheid
of over den arren moedwil, die zich in de boven-
genoemde tegenwerping leert kennen.
3. Maar de Baptisten hechten al te veel waarde
aan den doop bij onderdompeling en plaatsen dien
al te veel voorop.
-ocr page 173-
159
A n t w. Wie — zoo vragen wij daarop - - wie zijn
het, die te veel gewicht op den doop leggen en dien
te veel voorop plaatsen?
Zij, die doopen om daardoor leden van Christus,
of leden Zijner Kerk te maken, en die zich tot de
bediening- dier ceremonie als een middel tot zalig-
heid haasten? — of zij, die er nooit aan denken, ook
zelfs hunne dierbaarste betrekkingen tot den doop
te brengen, voordat deze hun geloof in Christus
belijden en blijken geven van bekeering?
Waarlijk, deze tegenwerping keert zich in tien-
voudige kracht tegen hen, die haar doen hooren.
Alle gewicht, door ons op den doop gelegd, en
de plaats, dien wij die instelling toekennen, wenschen
wij te regelen volgens Christus en de Apostelen. Wij
beschouwen den doop als naar Christus\' wil en
gebod, door Zijn voorbeeld ons bevestigd en dus
als eene heilige verplichting; maar volstrekt niet als
een zaligmakende ordinantie, evenmin als Paulus de
besnijdenis voor den Jood.
4 Van den doop door onderdompeling wordt nog
al eens vernomen dat hij ziekte, ja zelfs den dood
heeft veroorzaakt.
An tw. — Deze tegenwerping behoort tot de valsche
geruchten, waardoor men de zielen zoekt terug te
houden van \'s Heeren wegen. Tot hare oplossing
achten wij voldoende de volgende aanhaling:*
„In 1876 werden in de Vereenigde Staten van N.
meer dan 117,000 personen (op de belijdenis hun
geloofs) gedoopt (bij onderdompeling). In Engeland
(*) Uit een artikel in het weekblad, ,dc Boodtckappei*\' van 18
Mei 1877, geschreven naar aanleiding van sooitgelijk bezwaar, geopperd
door den Heer Hom, Evangelist te Sneek.
-ocr page 174-
160
9000 en dat zonder eenigszins te letten op de tem-
peratuur. Steller dezes doopte een paar jaar geleden
een man, die pas hersteld was van een rheumatische
ziekte, welke hein weken lang alle beweging des
lichaams op de pijnlijkste wijze had belemmerd en
daardoor bedlegerig gemaakt. Het was omstreeks Kerst-
tijd; de man daalde afin het ijskoude watergraf en heeft
niet het minste letsel ondervonden. In dezen laatsten
winter werden ergens in ons land twee personen op
eenigen afstand van hun woning in de open lucht
gedoopt, toen het vroor, dat het kraakte. Geen van
beiden heeft daarvan eenig letsel gehad.
In Rusland waar men, volgens de ritus derGriek-
sche Kerk, doopt en niet besprengt, worden duizen-
den kinderkens ondergedompeld in koud water. De
voormalige afgezant aan het Russische hof, de heer
Buchanan, verhaalt dat hij honderden personen heeft
zien doopen midden in het ijs.
Ligt er niet een beschuldiging in de omstan-
digheid, dat, waar de geneesheeren het voorschrij-
ven, vele personen, en daaronder zelf van zeer zwak
gestel of zeer zwakke gezondheid, koude baden,
veelal in de open lucht gaan gebruiken, terwijl tegen
de gehoorzame betrachting van Jezus\' inzetting een
geroep wordt aangeheven van gevaar en roekeloos-
heid, waardoor sommige zielen zich laten afschrik-
ken?
Een koud bad is altoos versterkend voor \'t li-
chaam. — Op de vraag:
„Is onderdompelen niet nadeelig voor de gezondheid?"\'
antwoorden beroemde geneeskundigen als:
Dr. J. Floijer: „Wij hebben het als een dwaze weke-
lijkheid in onzen tijd te beschouwen, dat men de koude
baden en onderdompeling voor nadeelen houdt. Wij moeten
-ocr page 175-
161
toch aannemen, dat Hij, die ons lichaam heeft toebereid,
ons\' nimmer iets bevelen zal, dat schadelijk is voor onze
gezondheid; maar dat Hij integendeel juist het best weet,
wat tot onderhouding van dat lichaam hot bevorderlijkst
is, en ook in menig gebod tegelijk voor het welzijn van
ons lichaam en van onze ziel zorgt" .... „Met het oog op
de natuur van ons lichaam, op de regelen der genees-
kunst, uit de ondervinding der laatste tijden en uit de oude
geschiedenis afgeleid, weten wij dat het indompelen in
koud water niet slechts zonder eenig gevaar, maar daar-
entegen nuttig is."
Dr. Cheyne. — „Ik kan niet nalaten het koudo bad
aan te bevelen. Ik kan mij niet genoeg verwonderen, hoe
het zoo zeer buiten gebruik geraakt is, in \'t bijzonder
onder Christenen, naardien het door den Hoogsten Wet-
gever, onder de leiding van Gods Heiligen Geest, bevolen
en bij de onderdompeling in den doop tot een vast ge-
bruik is gesteld; door Hem, die met eeuwige wijs-
heid, zoowel in deze als in elke andere zaak, welke
de tijdelijke en eeuwige welvaart van Zijn schepsel betreft,
plichtsbetrachting verbindt aan gelukzaligheid."
5. Toch kan niet ontkend worden dat de doop
bij onderdompeling meer ongerief met zich brengt,
dan de gewone manier van besprengen. Ja men
verwekt zich daardoor vaak moeite, smaad en
spot.
Antwoord. Dit ontkennen wij niet; evenmin
als dat wij het willen verhelen, dat de zwarigheid
daaraan ontleend, enkel en alleenlijk uit vleeschelijke
traagheid, gemakzucht en liefdeloosheid voort-
spruit. De vraag is maar: Wat wil de Heer? En
al zou het ons dan alles kosten, wij kunnen Hem
niet anders eeren dan door gehoorzaam te volgen.
Dit te weigeren is Hem verloochenen. Maar is nu
werkelijk die moeite en dat ongerief te groot in uwe
11
-ocr page 176-
162
schatting, geloovige? Is dat kruis u te zwaar, om
het achter Jezus op te nemen? Maar hoeveel heeft
Jezus niet om uwentwille gedaan? Om u lag Hij
in de kribbe; om u daalde Hij af in de Jordaan om
gedoopt te worden; om u werd Hij gesmaad en
verworpen, met de misdadigers gerekend, gegeeseld
en met doornen gekroond; aan den kruispaal gena-
ge\'.d en gedood. En hoor nu wat die Heiland ook
tot U zegt: „Zoo wie zijn kruis niet opneemt, en
Mij nadraagt, die is Mijns niet waardig." (Matth X: 38;
Luk. IX: 2G; XII: 8, 9.)
6. Ligt er in de getuigenissen van de geleerde
Kinderbesprengers ten gunste van de onderdompeling
eigenlijk wel eenige kracht, gemerkt dat zij zelven
een andere praktijk huldigen. Ligt in deze hunne
gewoonte niet het bewijs, dat de besprenging toch
Schriftuurlijker is in hunne schatting?
Antwoord. Die gevolgtrekking mag niet ge-
maakt worden, en is ook niet waar. üe uitnemendite
schrijvers, die de besprenging voorstaan, stemmen
bereidwillig en oprecht toe, dat hun voor hun wijze
van doen alle Schriftuurlijk gezag ontbreekt; dat zij
in den Bijbel noch gebod noch voorbeeld hebben
voor hunne praktijk. Hun meest gewone argument
is dat van Dr. Chalmers, die aldus redeneert: „De
oorspronkelijke term beteekent „onderdompelen," en
hoewel wij het als een onverschillig punt aanmerken,
toch twijfelen wij er niet aan, of het heerschend
gebruik in de dagen der Apostelen was een iverkelijk
ipdttiken van het geheele lichaam
onder water." — Bij die
,onverschilligheid" a la Dr. Chalmers komt de nuttig-
I\\efdstheorie
van den heer Baxter, volgens welke „het kli-
m$iat in koude landen een verandering wenschelijk
li
-ocr page 177-
163
maakt". Doch geen schrijver, die de zaak een degelijk
onderzoek heeft waardig gekeurd, komt tegen het
Schriftuurlijk gezag der onderdompeling op, ofbe-
weert dat voor de besprenging zulk bewijs te leverenis.
Zie de aanhalingen uit Dr. Wall (een der meest bevoeg-
de rechters, die ooit over dit onderwerp schreef) op
bl. 83 van dit werkje, alsmede uit andure schrijvers,
die op genoemde plaats hem volgen.
Het getuigenis van zulke mannen, toestemmende
dat „doopen" in het bevel van Christus beteekent on-
derdompelen, en dat de onderdompeling de praktijk
•was in de dagen der Apostelen, is van te grooter
gewicht, juist dewijl zij een andere gewoonte volgen.
Immers nu geven zij tegen zich zelven der waarheid
getuigenis. De door hen aangevoerde redenen (?)
van „onverschilligheid\', en „wenschelijke verandering"
zijn lichter dan een stofje aan de weegschaal, wan-
neer men ze stelt tegenover des Heeren gebod en
voorbeeld. „Wie zijt gij, die tegen God antwoordt?"
Wie vermeet zich om op te komen tegen Christus ?
Wie zal verbeteren of bedillen wat de Alleen-Wijze
heeft besteld?
Wie hij ook zij, die Gods ordinantien als onver-
schillig of ongeschikt durft te beschouwen, lezer, zie
gij toe voor U zelven en onderwerp U Gode.
7. Maar op de hoeveelheid water komt het toch
niet aan; evenmin als op de hoeveelheid brood en
wijn bij het avondmaal?
Antwoord. O neen, op de hoeveelheid komt
het ook niet aan, mits er ten minste zooveel
zij dat Christus gebod worde nagekomen. Wij strij-
den niet voor de hoeveelheid; maar wij komen op voor
de gelijkvormig/ieid aan het voorbeeld, ons door Chris-
-ocr page 178-
164
tus gegeven. Alle afwijking van dat voorbeeld is
oorzaak dat de handeling niet langer een daad van
gehoorzaamheid aan Jezus is. Het is in dit opzicht
met den doop even als met het Avondmaal. Zou
iemand er toe komen om tot de bediening des Avond-
maals eene zoo geringe hoeveelheid brood en wijn
dienstbaar te stellen, dat niet ieder der aanzittenden
ten minste van elk iets kon ontvangen, dan zou hij
toch in dit zijn doen niet gerechtvaardigd zijn door
de bewering: „Op de hoeveelheid komt het toch niet
aan." Men zou hem dan zekerlijk antwoorden: Gij
hebt gelijk dat het er op de hoeveelheid niet aan-
komt; maar er moet toch zooveel wezen, dat elk der
aanzittenden eet en drinkt. Zoo niet, dan is het
geen Avondmaal.
Nu evenzoo is het met het water bij den doop.
Op de hoeveelheid komt het niet aan; mits er zoo-
veel zij, dat er gedoopt, d. i. ondergedompeld, kan
worden.
8. Maar — zegt weer iemand anders: — ik meen
gegronde hoop te mogen koesteren, dat ik den doop
des Heiligen Geestes ontvangen heb; die doop is
voldoende ter zaligheid. Daarom zie ik de nood-
zakelijkheid niet in, mij aan die ceremonie te onder-
werpen, daar het doopwater toch geene zonde weg-
neemt of mij iets nuttigs kan toebrengen.
Antwo ord. Volgens Gods Woord is de doop
des H. Geestes juist de reden, waarom zij, die dien
doop ontvingen, in water zullen gedoopt worden.
Hoor slechts de woorden van den Apostel Petrus:
„Kan ook iemand het water weren, dat deze niet
zouden gedoopt worden, welke den Heiligen
Geest hebben ontvangen, gelijk ook wij ?"
-ocr page 179-
165
En wat het nut betreft, dat deze ordinantie
kan aanbrengen, zoo ook hare onbekwaamheid om de
zonde weg te nemen, hierover verwijs ik U op nieuw
naar Hem, die niet noodig had dat Hem eenige zonde
ontnomen werd, en die voor Zich geen nut behoefde
te zoeken uit godsdienstige verrichtingen en die toch
eene lange reis maakte om gedoopt te worden (Matth.
3 :13) en elke tegenwerping deed verstommen door te
verklaren :
„Aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te
vervullen."
REDENEN VOOR DEN DOOP ALLEEN VAN
GELOOVIGEN.
1 Omdat het onloochenbaar vast staat dat een d u i-
del ij k Schriftuurl ij k gezag voor den doop
van de geloovigen bestaat; maar voor den kinder-
doop is in den Bijbel geen woord te vinden.
2.    Omdat de doop der geloovigen in volkoman
harmonie staat met de leeringen des Evangelies en
met den aard van het Koninkrijk van Christus, het-
welk „niet van deze wereld" is, maar van geeste-
lijken aard, de godsdienst van hart, gemoed en ziel,
zich niet verder uitstrekkende onder de menschen,
dan het Geloof en het geestelijk leven zich doen
gelden.
3.    Omdat de Doop, zijnde een bewijzing van ge-
koorzaamheid
aan Christus, Zijn gebod of gezag ten
grondslag moet hebben. Nu, alleen.der Geloovigen
doop kan zich op dat hoog gezag beroepen.
Terecht is er gevraagd: „Kan dat gehoorzaam-
heid heeten, wat zich op geen bevel kan be-
-ocr page 180-
166
roepen?" — Wie weet wat den Heer behagelijk is
dan Hij alleen? En heeft Hij niet duidelijk uitge-
sproken, wat Hij van ons verlangt?
4.    Omdat de voorgewende geestelijke hand tusschen
de geloovigen en hunne kinderkens, waaruit een on-
derscheiding van geestelijken aard — die zulke kin-
deren aanspraak moet geven op den doop — afg-eleid
wordt, van welke onderscheiding verondersteld wordt
dat andere kinderen verstoken zijn, een louter valsch be-
grip
is, zonder steun in het Woord van God en in strijd
met rede en ervaring. Waar geen levend Christen-
dom of geen bevindelijke godsdienst is, daar is ook
geen geestelijk onderscheid tusschen menschen en
menschen. En bevindelijke godsdienst of levend
Christendom is niet de vrucht van de vleeschelijke
voortplanting, maar zij is het werk van den Heiligen
Geest en het deel alleen van de geloovigen in Jezus.
Joh. I: 13; VI: 63; 1 Petr. I: 23.
5.    Omdat de leer van de kinderdoopers dat „de
kinderkens door den doop in het verbond der genade
of der verlossing gebracht worden" of „dat de voor-
rechten van dat verbond aan hen verzegeld worden"
in strijd is met al de hoofdwaarheden van hetEvan-
gelie, om het even of men die in Calvinistischen of
in Arminiaanschen zin opvat. Of wat wordt er, in
dit geval, van de leer der persoonlijke uitverkiezing
Gods? Van de noodzakelijkheid der Bekeering f Van
de Wedergeboorte? Van het Geloof in Christus f Van
de Jiechtvaardigmaking door het geloof f Al deze
zaken worden krachteloos gemaakt door den doop,
indien de bovengenoemde leer waarheid is.
6.    Omdat die leer van den kinderdoop oorzaak
is van zielverdervende dwalingen. Als kinderen,
tot hunne jaren komende, die leer werkelijk gelooven,
-ocr page 181-
167
zoo moet het gevolg zijn, dat zij gaan steunen op
.hunne „verzegelde voorrechten", en zonder eenige ver-
dere zorg, ontbloot van waar geloof of oprechte
godsvrucht, voortleven in de hoop des huichelaars,
en sterven „met eene leugen in hunne rechterhand".
7.    Omdat, wanneer de leer, dat de Doop nu en
de Besnijdenis voorheen de kinderen in het verbond
der genade en verlossing bracht, waar is, dan ook
noodwendig het vreeselijk besluit volgt, dat alle kin-
dertjes, die sterven, eer de doop aan hen bediend
kan worden en voor dat de achtste dag, voor de
besnijdenis aangewezen, aanbrak, buiten het verbond
der verlossing
sterven, en dus, onvermijdelijk eemvig
verloren
zijn.
8.    Omdat de kinderdoop de band is, welke de
wereld verbindt (misschien beter gezegd, vereen-
zelvigt) met de Gemeente van Christus. Ontvingen
niet de vuilste ongeloovigen in het Christendom dit
„zegel des verbonds" en werden zij niet „ingelijfd in
het lichaam van Christus"? (indien de Doop zulks
doet). Welk een grove ongerijmdheid 1
9.    Omdat ik noch in dit leven, noch eenmaal voor
den rechterstoel van Christus, in mijn geweten be-
zwaard wil zijn door de gedachte dat ik „de orde
door Christus gesteld heb verkeerd", hetgeen door
den kinderdoop gebeurt (zie Ds. Simeon pag. 35),
of de vorm veranderd heb, welke Zijne wijsheid heeft
vastgesteld. Ik wensch voor alles mijns Zalig-
m akers duidelijk en dierbaar voorbeeld te volgen
en te blijven bij Zijne heilige en gezaghebbende
onderrichtingen.
-ocr page 182-
168
LAATSTE WOORD TOT DEN LEZER.
Ik wil nu aannemen dat gij, waarde lezer, over-
tuigd zijt van de waarheid der zaak, welke ik ver-
dedig, vergun mij dan dat ik om Christus\' wille U
vermaan met der daad door gehoorzame onderwerping
aan des Heilands bevel Hem te eeren in deze Zijne hei-
lige inzetting. Vraagt gij: Wat moet den Doop voor-
afgaan ?
ik antwoord: deze drie dingen:
1.  Te verstaan en te erkennen, dat gij een zondaar
zijt, een overtreder vau al de geboden der Heilige
Wet van God, en dat gij dus behoefte hebt aan de
vergiffenis uwer zonden. Hand II: 38.
2.  Het geloof, dat Jezus is de Zoon van God en
dat gij op Hem, als op Uwen eenigen Zaligmaker
steunt en leunt. Hand VIII: 37.
3.  Het voornemen om, in de kracht Gods, alle
goddeloosheid te verzaken, en Uw leven in het ver-
volg te wijden aan den dienst en de verheerlijking
van Uwen Verlosser, gewillig, en niet beschaamd,
zijnde om Christus aan te doen en Hem achteraan
te wandelen, Rom. VI: 4; Gal. III: 27.
Indien deze dingen bij U gevonden worden, en gij
overtuigd zijt van den wil van Christus, zoo stel niet
uit
dien wil te doen. „Indien gij Mij lief hebt" zegt
Hij, „zoo betvaart Mijne geboden". Houd U niet op
met ijdele uitvluchten.
Zeg niet: „ik ben te jong". Op twaalfjarigen
leeftijd vertoonde Uw Heer Zich in het openbaar,
doende den wil Zijns Vaders. Indien gij die jaren
bereikt hebt, zoo is het U hoog tijd geworden een
leven te beginnen van toewijding aan Christus, Ga
heen, jeugdige lezer, en volg het Lam in den morgen
van het leven. Wie weet of Uwe zon niet op den
-ocr page 183-
169
middag zal ondergaan? Herinner U Zijne belofte:
„Die Mij vroeg" zoeken, zullen Mij vinden".
Zeg niet: „ik ben te oud". Indien gij denhier-
boven genoemden leeftijd verre achter U hebt, en
gij nog Uws Zaligmakers stem „ Volgt Mif\\ verneemt,
zoo zijt gij niet te oud om Zijne liefelijke en recht-
matige bevelen op te volgen.
Zeg niet: „wat goeds zal het mij doen?" Zie
op Uwen Zaligmaker, afdalende in de wateren van
de Jordaan? Zijt gij beter en wijzer dan Hij? Zie
toe, dat gij Zijne wijsheid niet wantrouwt ot bedilt.
4. Is deze inzetting in Uwe schatting als een Kruis f
En wel omdat zij niet in den smaak en de gunst valt
van de wereld? Dank God daarvoor! Christus heeft
nooit bedoeld met Zijnen godsdienst of Zijne ordi-
nantiën de eischen of de goedkeuring van de wereld
te bejagen. En hoe verwerpelijker deze inzetting is
bij onbekeerde of eigenwillig-godsdienstige lieden,
des te scherper trekt zij de scheidingslijn tusschen
Zijne Gemeente ter eene en de valsche Kerk en de
wereld ter andere zijde. En wat het Kruis betreft;
acht gij dat te zwaar? Zie dan op Jezus, om Utuent-
wille
ingaande in den doop van Zijn onbeschrijfelijk
lijden. Zie Hein, uitgaande het Kruis dragen, op het-
welk Hij gedurende zoovele uren moest hang-en, Zijne
ziel uitstortende in den dood, en door Zijn lijden en
Zijn stervenssmarten eene eeuwige verlossing wer-
kende voor TI. En zult gij, van dit ongeëvenaard
schouwspel U afwendende, zeggen: „het Kruis van
den doop is te zwaar voor mij? Onmogelijk, indien
gij oprecht zijt. Veel liever zegt gij:
Hebt Gij de schande, o Heer veracht
En \'t kruis voor mij verduurd?
-ocr page 184-
170
En in Uw bloed mij \'t heil gebracht,
Dat eeuwig, eeuwig duurt?
En zou ik mij dan schamen, Heer?
Te doen naar Uw gebod;
Nog vragen naar der menschen eer?
Nog weiflen bij hun spot?
Mijn Jezus, Gij zijt voorgegaan
In Kanan\'s breeden vloed;
Gij wijst mij door Uw voorbeeld aan
De wegen voor mijn voet.
Gedoopt te zijn in Uwen dood,
Begraven naar Uw Woord.
Is Jezus, wat Uw mond gebood,
En wat mijn hart bekoort.
Want menschengunst en menschen eer,
Heeft niet mijn ziel gered.
En menschenvond en menschenleer,
Is niet Uw volk tot Wet.
-ocr page 185-
EENIGE VERBETERINGEN.
staat:                         moet zijn:
p. 2 r. 17 v. o., » aankomst",           »optreden".
»     11   » 7 v. b., /JcwrWgfev, fiaml&siv.
»     15   »   11 v. o.,»hij", »Sij".
»     32 nootr.2 v. b., (iadi]xsi^üi, na07]xsv(o.
»     32   r. 7 v. o., vgeval", »getal".
»     65  » 9 v. b., »den doop", *de auop".
»     69  »    16 v. o.,»Gods", »Gods Geest".
»     75   »      1 v. b. en v.v., »Stefanus", »Stefanas".
»     75   t>     2 v. b.,»Achje", »Achaje".
»     76  »     4 v. b., »kon", *kan".
>      85   >   16 v. b-, ójtsddvofisv nï/\'.^iaoru\'.,
rJteddvofisv xft apctQTfa.
»
93 » 8 v. o.,»van den doop", »bij den doop".
» 110 » 13 v. b..»aan Gods huis", »van Gods huis".
»
113 » 4 v. b., » Abramitisch", »Abrahamieisch"\'.
>    118» 7 v. o.,»Filipp. 11:3", >-FWm».m: 3M.
-ocr page 186-
staat:                         moet zijn:
8   v. o., » Apostelsche",       » Apostolische".
9   v. o., »dan",                    »dat".
y v. b., xaraövtoécu,         naxaóreaOai.
1   v. o.,»der" moet wegvallen.
2   v. b., »toegeefelijkheid",  »toegeeflijkheid".
10 v. o., pisJZTi£eiv,
              (ktmtiSetv.
p. 123 r,
»   130 »
»    138 »
»    140 »
»    144 »
»    148 »
»    148 »
»    149 »
»    150 »
»   151 »
»    151 »
»    152 »
»   159 »
8 v. o., ftajrfëv),
1 v. b., /?«Tt£to,
16 v. I)., stQoGxvGiq,
14 v. b., èvvóaxa,
18 v. 1),         »
7 v. b., »dooper\'\\
3 v. o.,»jV",
fiumiisu).
èv vdari.
»
»doopeling".
»N. A".