-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
m40^
\\ Ty M ^ A. / ƒ ^_ I
***§!
I
i -%-^
-ocr page 4-
to i rt
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
A06000013820117B
1382 0117
-ocr page 5-
HANDLEIDING 6D3 iéw
TOT DE KENNIS DEK
FLORA TAN NEDERLANDSCH INDIË.
BESCHRIJVING
VAN DE
FAMILIES EN GESLACHTEN DER NEDERL. INDISCHE PHANEROGA1IEN
DOOR
Dr. J. G. B0ERLAGE,
Conservator aan \'s Rulfs*llERi)AniL\'M te Leiden.
EERSTE DEEL.
DICOTYLEDÜNES DIALYPETALAE.
LEIDEN. — E. J. BRILL.
1890.
-ocr page 6-
DATUM DER UITGAVE
van het Eerste Deel,
Eerste Stuk, p. i—xliv en 1—312 . 2 Jan. 1890.
Tweede „ p. xlv— lii en 313—703 . 2 Aug. 1890.
-ocr page 7-
INHOUD VAN HET EERSTE DEEL.
P»g.
X. Capparidaceae. 59
XI. Violaceae . . 63
XII. Bixaceae . . 68
XIII.   Pittosporaceae. 74
XIV.   Polygaluceae . 75
XV. Caryophyllaceae 79
XVI. Portulacaceae. 84
XVII. Hypericaceae . 85
XVIII. Guttiferae . . 87
XIX. Ternstroemiaceae 91
XX. Dipterocarpaceae. 99
XXa. Ancisrrocladaeeae xxi
XXI. Malvacoae . . 108
XXII. Sterculiaceae . 120
XXIII.   Tiliaceae . .131
XXIV.  Linaceae . . 138
XXV. Malpighiaceae. 142
XXVI. Zygophyllaceae «45
XXVII. Geraniaceae . 148
XXVIII. Rutaceae . . 154
XXIX. Simarubaceae. 167
XXX. Ochnaceae . . 172
XXXI. Burseraceae . 175
XXXII. Meliaceae . .182
XXXIII.   Dichapetalaceae
(Chailletiaceae) 197
XXXIV.   Olacaceae . .199
XXXV. Ilicaceae . . 224
XXXVI. Celastraceae . 225
XXXVII. Rhamnaceae . 236
XXXVIII. Ampelidaceae. 244
XXXIX. Sapindaceae . 252
Pag.
1.   Voorwoord
van Dr. Treub .          i
2.   Inleiding ....         v
3.  Plaatsen der Families
van het Eerste Deel,
Eerste Stuk in Mi-
quel\'s Flora van
Nederlandse h ludir.
xm
4.   Drukfouten in het
Eerste Deel, Eerste
Stuk.....xvi
5.  Aanvulling van het
Eerste Deel, Eerste
Stuk.....xvn
6.  Aanvulling der Lit-
teratuur . . . .xxvm
7.  Overzicht der Hoofd-
groepen .... xix
8. Overzicht derFamilies xxxm
9.  Overzicht derFamilies
(Voortzetting). . xlv
10.   Beschrijving der Fa-
milies en geslachten
I. Ranunculaceae .         1
II. Dilleniaceae . .         5
III. Magnoliaceae . .        8
IV. Anonaceae. . .       12
V. Menispermaceae.      33
VI. Berberidaceae .      49
VII. Nymphaeaceae .      51
VIII. Papavoraceae. .      54
IX. Cruciferae ...      56
-ocr page 8-
pag.
XL. Sabiaceae . . 288
XLI. Anacardiaceae . 291
XLII. Moringaceae .311
XLIII. Connaraceao . 313
XLIV. Loguminosao . 321
XLV. ltosaceae. . . 419
XLVI. Saxifragaceae . 437
XLV1I. Crassulaceae . 446
XLVIII. Droseraceae . 449
XLIX. Hamamelidaceae 451
L. Haloragidaceae 457
LI. Rhizophoraceae. 463
LIL Combretaceae. 473
LUI. Myrtaceae . . 481
LIV. Melastomaceae . 500
LV. Lythraeeae . . 538
LVI. Oiiagraceae . . 556
LVII. Samydacoae . . 561
LVIII. Turneraceae. . 565
LIX. Passifloraceae . 567
LX. Cucurbitaceae . 574
• LXI. Bogoniaceae. . 597
LXII. Datiscaceae . . 600
P»B
LXIII. Aizoaceae
(Ficoideae)  603
LXIV. Umbelliferae . .  608
LXV. Araliaceae. . .  625
LXVI. Cornaceao . . .  651
11.  Tweede aanvulling on
verbeteringen van
het Eerste Deel,
Eerste Stuk . . .657
12.  Aanvulling der Lit-
teratuur van het
Eerste Deel, Eerste
Stuk.....676
13.  Aanvulling en ver-
beteringen        van
het Eerste Deel,
Tweede Stuk . . 677
14.  Aanvulling der Lit-
teratuur van het
Eerste Deel,Tweede
Stuk.....682
Index.......683
-ocr page 9-
VOORWOORD.
Op verzoek van den schrijver nemen deze weinige woor-
den eene plaats in aan het hoofd zijner Handleiding.
Aan den wensch van mijn vriend Dr. J. G. Boerlage
gehoor gevend, mag ik daarmede geenszins bedoelen een
„aanbevelend" woord te schrijven. De naam van den
samensteller der Handleiding geeft een zoo afdoenden
waarborg voor de degelijkheid van zijn werk, dat elke
aanbeveling van mijne zijde geheel overbodig en zelfs
aanmatigend zoude mogen heeten.
Het eenige wat ik met deze enkele regelen beoog, is, uit
den aard van mijn werkkring in twee opzichten te wijzen
op de beteekenis welke aan deze Handleiding tot de
kennis der Flora van Nederlandsch Indië
toekomt.
De groote waarde van een boek als dit voor alle
kruidkundigen, korter of langer tijd in Nederlandsch Indië
verblijf houdend, behoeft geen betoog. Minder algemeen
bekend is het wellicht ïn het moederland, dat niet
weinige belangstellenden, in onze kolonie zich bevindend,
de verschijning van een werk als deze Handleiding
met vreugde zullen begroeten. Dat dit het geval zal zijn,
kan door mij stellig worden verzekerd, op grond van
herhaalde aanvragen bij \'s Lands Plantentuin alhier inge-
komen.
Vele onder de geneeskundigen, apothekers, houtvesters,
administrateurs en geëmployeerden op landelijke onder-
nemingen, en zeker ook onder de ambtenaren bij het
-ocr page 10-
VOORWOORD.
II
binnenlandsch bestuur en bij andere takken van dienst,
verlangen niets liever dan hunne kennis van het hen
omringend rijk en veelvormig plantenkleed te vermeer-
deren. Het middel hiertoe, een goed boek, ontbrak echter
ten eenenmale. De in het Hollandsch gestelde Hand-
1 ei ding van Dr. Boerlage voldoet geheel aan deze be-
hoefte.
Eenzaam wonend te midden der weelderig ontwikkelde
tropische natuur, of dikwerf uren achtereen oorspronke-
lijke oorden doortrekkend, alleen door een klein inlandsch
gevolg vergezeld, zal menigeen den Heer Boerlage
dank weten voor de door hem geopende gelegenheid,
door vermeerdering van kennis tot verhooging van belang-
stelling in de omgeving te geraken, eene verhoogde
belangstelling, waarvoor men des te erkentelijker zal zijn,
daar zij een intellectueel genot verschaft onder omstan-
digheden, waarin dergelijke genietingen, natuurlijk schaars
zijn, terwijl zij tevens voor het natuurwetenschappelijk
onderzoek onzer kolonie zeer nuttige en belangrijke ge-
volgen hebben moet.
Van zelf zijn wij hiermede gekomen tot het tweede
der opzichten hierboven bedoeld, waarin aan het ver-
schijnen dezer Handleiding eene groote beteekenis
toekomt.
Dr. Boerlage\'s werk is een hoogst nuttige, of
eigentlijk wel noodzakelijke voorlooper eener nieuwe
„Flora van Nederlandsch Indië."
Dat Miquel\'s »Flora" hoeveel nut er ook door gesticht
zij, thans niet meer voldoet, niemand zal het ontkennen.
In meer dan één opzicht is de y>Flora Indiae Batavae"
verouderd. Hieruit het besluit te willen trekken, dat eene
nieuwe Flora onzer Oost-Indische bezittingen spoedig moet
en kan gemaakt worden, zoude meer voor belangstelling
dan voor een juist inzicht in de zaak pleiten.
-ocr page 11-
VOORWOORD.                                          III
De eischen tegenwoordig te stellen aan een werk,
hetwelk dat van Miqüel zal hebben te vervangen, zijn
zoo hoog, dat aan eene spoedige bewerking niet gedacht
mag worden.
Men heeft zich de nieuwere Engelsche koloniale Flora\'s en
meer bijzonder de Flora van Britsch Indië tot voorbeeld
te stellen. Evenmin als deze zal eene nieuwe Flora van
Nederlandsch Indië het werk van één persoon kunnen zijn.
Zullen al verschillende personen op verschillende plaatsen
de onderscheidene groepen en families hebben te bewerken,
waar de kolonie eene inrichting als \'s Lands Plantentuin
bezit, ligt het voor de hand, dat bij deze de hoofdleiding
der werkzaamheden voor eene nieuwe Flora der kolonie
zelve, zal moeten berusten. Afgescheiden van haar aan-
deel in de eigenlijke samenstelling van het werk, zal op
haar de plicht rusten een zoo rijk mogelijk herbarium-
materiaal uit de verschillende deelen van het te beschrijven
gebied te verkrijgen, en voorts dit materiaal met behulp
der te Buitenzorg aanwezige collecties en hulpmiddelen
aan eene schifting en eene voorloopige rangschikking te
onderwerpen.
Welke maatregelen er ook getroffen zullen worden
voor het bijeenbrengen van dit uitgebreide herbarium-
materiaal, veel, zeer veel, zal nederkomen op hulp, te
verleenen door belangstellenden in onzen Archipel verblijf
houdend. Eerst het verschijnen dezer Handleiding,
maakt het mogelijk dat ook door personen niet speciaal
als kruidkundigen opgeleid, zulke hulp worde verleend,
zoodat met aandrang een beroep op hunne zoo belangrijke
medewerking gedaan zal kunnen worden.
In verband met het hier kortehjk aangevoerde, mag op
de beide volgende bemoedigende feiten worden gewezen.
Ten eerste, dat de schrijver dezer Handleiding deel
uitmaakt van het wetenschappelijk personeel van \'s Rijks
-ocr page 12-
IV                                           VOORWOORD.
Herbarium, een instelling door hare groote wetenschap-
pelijke waarde, zoowel als door hare tradities geroepen
eene hoofdrol bij de samenstelling der nieuwe Flora van
Nederlandsch Indië te spelen.
Ten tweede, dat men ook in \'s Lands Plantentuin te
Buitenzorg, ongeveer een jaar geleden, een begin heeft
kunnen maken met de voorbereidende werkzaamheden,
door het rijke Buitenzorgsche Herbarium methodisch en
nauwkeurig te rangschikken.
Heeft het opperbestuur opnieuw een hoog te waardeeren
bewijs gegeven van zijne belangstelling in de studie der
Indische plantenwereld, door deze uitgave te sudsidieeren,
de Nederlandsch Indische regeeiïng deed hetzelfde door
den ijverigen jongen man, welke de ordening van het
Herbarium alhier heeft op zich genomen, daarvoor eene
belooning toe te kennen.
Men mag zich dus met de hoop vleien, dat ook kracht-
dadige hulp niet zal ontbreken, wanneer eenmaal het
oogenblik daar is, dat begonnen kan worden met de
eigenlijke samenstelling dier „Flora van Nederlandsch
Indië,
waarvan de Handleiding van Dr. Boerlaoe
een zoo gewenschte voorbode is.
Ook na het verschijnen dier „Flora" — zeker een
lijvig en kostbaar werk — zal de Handleiding een
binnen ieders bereik vallenden nuttigen gids blijven voor
allen, die in de Flora van Nederlandsch Indië belang-
stellen.
M. TREUB,
Buitenzorg ,                                 Directeur van \'s Lands
8 April 1889.                                           Plantentuin.
-ocr page 13-
INLEIDING.
Ofschoon de weelderige plantengroei van Nederlandsen
Indië de bewondering opwekt van ieder, die haar waar-
neemt en met gevoel voor natuurschoon is begaafd, en
velen zich door den rijkdom van vormen voelen aange-
trokken, die vooral de bergstreken daar te aanschouwen
geven, zijn er toch slechts weinigen, die zich met de studie
dier Flora bezig houden.
Een van de voornaamste redenen hiervan is zeker het
gemis aan voldoende litteratuur. Wel zijn er een groot
aantal werken over die Flora geschreven, maar geen van
deze is te gebruiken als leiddraad voor eerstbeginnenden.
In Nederlandsch Indië zijn zij, behalve in de Bibliotheken
der wetenschappelijke Instellingen, ter nauwernood bekend.
Trouwens de meeste, zooals Horsfield, Bejïnett et
Brown, Plantae Javanicae Bariores, Blume\'s Flora Javae
en Bumphia, Korthals , Botanie in de Verslagen der
Natuurkundige Commissie tot Onderzoek van Nederlandsch
Indië,
zijn prachtwerken, die om hnnne kostbaarheid niet
in ieders handen kunnen zijn. Ook is er onder deze geen
een, die de geheele Flora omvat: Het zijn bloemlezingen,
geen handboeken. Het eenige handboek is Miqüel\'s Flora
van Nederlandsch Indië.
Doch ook dit boek voldoet niet
aan de behoeften van de meeste personen, die zich
op de studie dier Flora zouden kunnen of willen toeleg-
gen. Het is toch vooreerst grootendeels in het latijn ge-
schreven, zoodat de hoofdinhoud voor velen ontoeganke-
-ocr page 14-
Vi
INLEIDING.
lijk is en vervolgens in groote mate verouderd. Bijna vijf
en dertig jaar zijn sinds het begin der uitgave verloopen
en sedert zijn er zulke belangrijke veranderingen in de
systematische rangschikking der planten en de botanische
nomenclatuur voorgevallen, dat een groot deel der namen,
die wij bij hem aantreffen, thans niet gangbaar meer zijn.
Plantenfamilies zijn verplaatst, met elkander vereenigd
of in deelen gesplitst, geslachten gecombineerd, in andere
families overgebracht of verdoopt — veranderingen zoo in-
grijpend , dat men alle recht heeft te beweren, dat Miqdel\'s
Flora niet meer op de hoogte der tegenwoordige weten-
schap is. Ook hebben tal van latere onderzoekingen, zoo-
wel van Miquel zelven, o. a. in de vier folio banden van
zijn Annales Musei Botonici Lugduno Batctvi en in ver-
scheidene andere publicaties, als van Scheffer, Beccari,
Burck en anderen, medegeholpen om het werk te doen
verouderen. Voor de studie der Nederlandsch Indische
Flora bestaat derhalve geen geschikte leiddraad. Toch
zijn er een aantal personen, die bij de kennis dier Flora
belang hebben, niet het minst onder de ambtenaren, die
belast zijn met het toezicht op de cultures en het bosch-
wezen, de eigenaars en beambten van landbouwonderne-
mingen enz. Voor deze zou een in het Nederlandsch ge-
schreven werk, dat ook verstaanbaar is voor hen, die
geen bepaalde botanische opleiding genoten hebben en
waardoor zij in staat gesteld worden, de planten hunner
omgeving te leeren kennen, van groot nut kunnen zijn.
Doch ook voor de botanisten, die tal van andere botani-
sche werken tot hun beschikking hebben, bestaat er be-
hoefte aan een werk, waarin de Flora van Nederlandsch
Indië in haar geheel behandeld wordt.
Dit zijn de motieven, die tot de samenstelling mijner
Handleiding geleid hebben en in de wijze van samenstel-
ling heb ik die motieven in het oog gehouden. Daarom werd
-ocr page 15-
INLEIDING.
VI!
het werk in het Nederlandsch geschreven en bevat het
slechts de beschrijvingen der families en geslachten en niet
van de soorten. Eene Flora, die ook de soorten omvatte,
zou niet alleen minstens 5 a 6 maal grooteren omvang
moeten hebben, doch ook verscheidene jaren den arbeid
van vele personen vereischen, evenals de Flora van Britsch
Indië, waaraan sedert 15 jaren door 12 personen gearbeid
is, en die thans nog niet is voltooid. Om de soorten te
vinden zal men, zoolang nog geen nieuwe Flora van
Nederlandsen Iudië is verschenen, van Miquel\'s Flora
gebruik moeten maken, die voor dit doel hare waarde
nog niet geheel heeft verloren, daar zij de min of meer
volledige beschrijvingen van de nagenoeg 10000 toen
bekende soorten omvat.
Ik heb mij bij de bewerking mijner Handleiding dus
alleen ten taak gesteld om een leiddraad te vervaardigen
tot het herkennen van de families en geslachten, die in
Nederlandsch Indië voorkomen.
Als Nederlandsch Indië heb ik beschouwd alle land-
streken van tropisch Azië, die geheel of gedeeltelijk onder
het Nederlandsche gezag staan, met bijvoeging van Nieuw
Guinea. Ik heb mij echter nergens aan de politieke grenzen
gehouden en zoowel de binnen het gebied liggende bezit-
tingen van de andere Europeesche mogendheden als de
onafhankelijke staten er bij gerekend. Daar het mij waar-
schijnlijk voorkomt, dat de meeste op Malakka, Singa-
pore en Penang gevonden geslachten ook op Sumatra
vertegenwoordigd zijn, heb ik deze ook opgenomen, doch
altijd met de aanwijzing van het land.
Het werk is ingericht op den voet van Bentham en
Hooker\'s standaardwerk Genera Plantarum en bevat dus
alleen de Phanerogamen. De Cryptogamen zijn er niet
in opgenomen, omdat het materiaal voor het maken van
beschrijvingen en tabellen der families en geslachten van
-ocr page 16-
VIII
INLEIDING.
deze nog te onvolledig of te weinig bestudeerd is. Van
de Phanerogamen zijn waarschijnlijk ook wel niet alle
geslachten bekend, maar er is reden te onderstellen, dat
bij deze het aantal onbekende geslachten niet zoo groot
is als bij de Cryptogamen.
De inhoud van het werk bestaat uit: Ie Tabellen ter
onderscheiding der hoofdgroepen. 2° Tabellen ter onder-
scheidng der families. 3« Beschrijvingen der families.
4e Tabellen ter onderscheiding der geslachten. 5e Beschrij-
ving der geslachten. 6e Opgaven omtrent de verspreiding
en het aantal der soorten van de families en geslachten.
7e Opgaven omtrent de litteratuur voor de families in-
zooverre deze bij de samenstelling van het werk heeft
dienst gedaan en tot aanvulling strekt tot de gegevens,
welke in de Genera Plantarum voorkomen. Om den omvang
van het werk niet noodeloos te vermeerderen is dus de
oudere litteratuur niet vermeld.
Alleen is hierin eene uitzondering gemaakt met de Flora
van Miqüel en enkele monographiën der families. De
litteratuur uit de Flora van Miquel was in het eerste
stuk niet opgenomen, daar echter later het belang van
de vermelding hiervan werd ingezien, wordt zij vóór dat
stuk in eene afzonderlijke lijst opgegeven. In het tweede
stuk vind men ze bij de overige litteratuur.
Ook in een ander opzicht had het eerste stuk eene
aanvulling noodig. Reeds in 1887 voltooid, doch in 1888
herzien, bleek na den druk in 1889, dat enkele geslachten
overgeslagen waren. Beschrijvingen van deze en van de
later ontdekte geslachten en andere verbeteringen en
toevoegsels zijn daarom onder den titel van Aanvulling
van het Eerste Stuk
opgenomen in het met Romeinsche
cijfers gepagineerde, later gedrukte deel van het werk.
Ook het tweede stuk wordt door eene dergelijke Aan-
vulling
tot den datum der uitgave bijgewerkt.
-ocr page 17-
INLEIDING.                                             IX
De tabellen voor de hoofdgroepen en familiën zijn groo-
tendeels aan de Genera Plantarum ontleend. Bij het samen-
stellen van de beschrijvingen der families, van de tabellen
voor de geslachten en de beschrijvingen van deze is niet
alleen gebruik gemaakt van Bentham en Hooker , maar
ook van latere monographiën en andere geschriften, waarin
nieuwe geslachten beschreven zijn; voor de opgaven om-
trent de soorten werd ook de oudere litteratuur, vooral
Miquel\'s Flora, geraadpleegd. De geslachtsbeschrijvingen
en de opgaven omtrent de soorten werden hier en daar
aangevuld door eigen onderzoekingen aan het materiaal
in \'s Rijks Herbarium.
De volgorde der groepen is in hoofdzaak dezelfde als
bij Bentham en Hooker. In de namen ben ik om hen
te volgen eene enkele maal afgeweken van De Candolle\'s
Wetten van de Botanische Nomenclatuur nl. bij den term
Series, die bij De Candolle niet voorkomt en bij Bent-
ham en Hooker tusschen Sabclasse en Cohors staat.
Wat de familie- en tribusnamen betreft, heb ik mij niet
altijd aan Bentham en Hooker gehouden. Het scheen
mij toch verkeerd om, zooals deze vaak doen, denzelfden
naam voor eene familie en eene tribus of voor eene tribus
en eene subtribus te gebruiken. Als regel heb ik boven-
dien aan de familienamen den uitgang aceae gegeven, ge-
plaatst achter den stam van den geslachtsnaam, waarvan
de naam der familie is afgeleid en alleen daarvan uitge-
zonderd eenige weinige en algemeen aangenomen namen
zooals Cruciferae, Guttiferae, Leguminosae, Compositae,
Labiatae, Gramineae, die niet van geslachtsnamen zijn
afgeleid. Voor den naam Ficoideae, die noch van een
geslachtsnaam afgeleid is, noch tot de algemeen aange-
nomen uitzonderingen op den regel behoort, heb ik de
voorkeur gegeven aan de door Eichler voorgeslagen
naam Aizoaceae. Geen uitzondering heb ik gemaakt voor
-ocr page 18-
X                                              INLEIDING.
de familienamen, die door den uitgang aceae meer dan
zes lettergrepen zouden hebben: b.v. Dipterocarpaceae en
Dichapetalaceae. Daar zij uit verschillende stammen zijn
samengesteld kan men ze toch even gemakkelijk uitspreken
als de uit geslachts- en soortsnamen gecombineerde namen
der soorten, oneindig veel gemakkelijker dan de namen
van verscheidene chemische stoffen met hunne talrijke
achter- en voorvoegsels.
De terminologie is ongeveer dezelfde als die, welke
men in de meeste botanisch systematische werken aan-
treft, overgebracht in het Nederlandsch. Zij verschilt
nagenoeg niet van die der Neder!andsche botanische
werken en zal dus waarschijnlijk voor iedereen, die slechts
de eerste beginselen der plantenkunde geleerd heeft, of
een handboek daarvoor tot zijn beschikking heeft, wel
te verstaan zijn \').
Evenwel moet ik er op wijzen, dat het determineeren
eener plant, vooral in een gebied zoo groot als het onze,
\') Doordat de beschrijvingen grootendeels uit het Latijn zijn overge-
nomen, weid aan de eene zijde eene kortheid verkregen, die bij het
doel van het werk zeer gewenscht was, doch werden aan den
anderen kant enkele oneigentlijke uitdrukkingen opgenomen, wier
zin echter den lezer meestal wel duidelijk zal zijn. Niet geheel juist
werd de uitdrukking ufoliola multijaga" weergegevendoor nveeljukkige
blaadjes,"
terwijl de bedoeling is dat vele jukken of paren van
blaadjes het blad samenstellen. Waar in het Latijn de termen epicar-
pium. mesocarpiuni
en endocarpium voorkomen, werd in het Neder-
landsch geschreven buitenlaag, middelste laag en binnenlaag van den
vitichtwand.
Naar omstandigheden werd de eerste soms schil, de
laatste soms kern genoemd, of, waar zij zeer hard was, steenkern.
De termen imbricata en valvata, gebruikt voor de aaneensluiting
in den knop van de deelen der bloembekloedselen, waarvoor men
soms de termen niet de randen over elkander en niet de randen
naast elkander gelegen
bezigt, heb ik vertaald met in den knop
dakpanswijze dekkend
en k/epswijze aaneensluitend omdat men daar-
door meer overeenkomst krijgt met de terminologie in andere talen.
-ocr page 19-
INLEIDING.                                               XI
niet zoo eenvoudig is als het opzoeken van een woord in een
woordenboek. Er is daartoe eenige oefening noodig. Men
verkrijgt deze het best, wanneer men de beschrijvingen
opzoekt van eenige bekende geslachten, waarvan men
levend materiaal tot zijn beschikking heeft, en hieraan de
kenmerken toetst, om vervolgens in de tabellen de ver-
schillen na te gaan, met de andere geslachten der familie
en de verschillen van deze met de andere families.
Wanneer men dus eenige keeren den weg voor het
vinden der planten in tegenovergestelde richting gegaan
is, zal men genoeg ervaring hebben opgedaan, om ook
bij een onbekende plant tot den waren naam te komen.
Misschien zal men in den beginne nu en dan van den
weg afraken, doch dan zal altijd de geslachtsbeschrijving
aanwijzen, dat men gedwaald heeft, waarna men voet
voor voet op den afgelegden weg teruggaande ten slotte
de plaats vindt, waar men een verkeerd pad is ingeslagen.
Men moet zich echter wachten om daarbij te veel te
hechten aan een enkel kenmerk en wel bedenken, dat
het karakter eener groep gegeven wordt door eene reeks
van kenmerken, waarvan nu en dan wel eene enkele ont-
breken kan. Deze uitzonderingen, te talrijk om ze alle
bij de karakteristiek der groep op te geven, wijzen zich
echter dikwijls van zelf aan bij het nauwkeurig beschouwen
der voorwerpen doordat ze namelijk groote overeenkomst
vertoonen met ons bekende geslachten of families. Zoo
zal men allicht in Trifolium eene Leguminose herkennen,
die onder de Tweezaadlobbigen met losbladige bloemkroon
tehuis behoort, al zijn de bloembladen vergroeid. Anders
moet men, wanneer men het geslacht niet vindt, waarop
de kenmerken wijzen, beproeven of het ook eene uitzon-
dering kan vormen in eene andere groep. Door oefening
zal met het overzicht der Hoofdgroepen spoedig kunnen
ontberen en ook zonder behulp der tabellen de families
-ocr page 20-
XII                                            INLEIDING.
leeren onderscheiden, zoodat men ten slotte het boek
alleen voor de ge-lachten raadpleegt.
Voor hen die nog verder zouden willen gaan en ook
de soort willen opzoeken in liet geval dat deze in Miquel\'s
Flora beschreven is, zijn onder de aanteekeningen bij
het geslacht ook de synoniemen opgegeven, waaronder
de soorten bij MlQUBL en anderen voorkomen.
Op deze wijze hoop ik, dat mijn boek niet alleen van
dienst zal zijn aan hen, die bij de kennis der Flora
belang hebben, maar dat ook menigeen er door opgewekt
zal worden zich met de studie daarvan bezig te houden
en nieuwe gegevens daarvoor te verzamelen. Een groot
aantal planten is reeds in Nederlandsch Tndië gevonden,
maar, als we nagaan hoe gering het aantal der personen
is, die aan de ontdekking daarvan hebben deelgenomen,
als we nagaan, dat telkens weer nieuwe soorten worden
ontdekt en hoe klein het doorzochte terrein is in ver-
houding tot het geheele gebied der Flora, dan begrijpen
wij, dat daarin nog een rijke, schat van onbekende ge-
wassen moet verborgen zijn. Het is de taak der Neder-
landers dien schat aan het licht te brengen.
Moge mijn werk daartoe bijdragen.
Leiden,                                 J. G. BOERLAGE.
15 December 1889.
-ocr page 21-
van het EERSTE DEEL, Eerste Stuk
in MIQUEL\'s Flora van Nederlandsen Indië
en
in het Supplement hierop: Sn ma tra.
Ofschoon het als regel is aangenomen om geen oudere
litteratuur te citeeren dan Bentham en Hooker\'s Genera
Plantarum,
schijnt het toch van belang daarvan uitzon-
dering te maken voor Miquel\'s Flora van Nederlandsch
Indië
(dikwijls met den Latijnschen titel, Flora Indiae
Batavae,
aangehaald) omdat dit werk, de beschrijving van
een groot deel der bekende soorten bevattende, voorloopig
althans, voor het determineeren van deze vaak gebruikt
zal moeten worden. Daarom worden hierbij de plaatsen
opgegeven, waar de soorten der families van het Eerste
Stuk in Miquel\'s Flora voorkomen. In het vervolg van
het werk worden zij bij de litteratuur vermeld. Van
Sumatra worden alleen die plaatsen opgegeven, waar nieuwe
geslachten of soorten voorkomen.
I. Ranunculaceae. I. 2, p. 1.
II. Dilleniaceae.
        I. 2, p. 6. Sum. p. 619.
III. Magnoliaceae. I. 2, p.  13. Sum. p. 366.
I. 2, p.  18. Sum. p. 620. (Schizan-
dreae).
IV. Anonacoae.          I. 2, p. 20. Sum. p. 368.
V. Menispormaceae. I. 2, p. 75. Sum. p. 386.
VI. Berberidaceae. I. 2, p. 87.
VII. Nymphaeaceae. I. 2, p. 88. Sum. p. 386.
I. 2. p. 91. (Nelumbiaceae).
VIII. Papaveraceae. I. 2, p. 92.
-ocr page 22-
XIV PLAATSEN DEK FAMILIES IN MIQÜEl\'s FLORA.
Cruciferae.
Capparidaceae.
Violaceae.
I. 2, p. 92.
I. 2, p. 95. Sum. p. 387.
I. 2, p. 112 en p. 686. Sum. p.
389.
I. 2, p. 117. (Sauvagesieae.)
I. 2, p. 102. Sum. p. 387. (Fla-
courtianeae).
I. 2, p. 121. Sum. p. 392.
I. 2, p. 123. Sum. p. 392.
Sum. p. 394. (Trigoniaceae).
1. 1, p. 1051.
I. 1, p. 1057.
I. 2, p. 512. Sum. p. 500.
I. 2, p. 505. Sum. p. 493. (Clu-
siaceae.)
I. 2, p. 468. Sum. p. 476.
I. 2, p. 488. Sum. p. 482. (Ca-
melliaceae).
I. 2, p. 495. Sum. p. 485.
I. 2, p. 136. Sum. p. 398.
I. 2, p. 164. (Sterculiaceae pp.)
I. 2, p. 164. Sum. p. 399.
I. 2, p. 180. Sum. p. 403. (£we«-
neriaceae).
I. 2, p. 192. Sum. p. 404.
I. 2, p. 135. (Hugoniaceae).
I. 2, p. 494. Sum. p. 484. (Ixio-
nantheae)
Sum. p. 511. (Erythroxyleae).
I. 2, p. 582. Sum. p. 512.
I. 2, p. 681.
I. 2, p. 684.
1.2, p. 132.S\'j<w.p.398.(Oxa^eae).
I. 2, p. 130. Sm»», p. 395. (Bal-
samineae).
I. 2, p. 667. Smw. p. 532. (Dios-
meae).
I. 2, p. 518. Sum. p. 500. (Au-
rantieae).
IX.
X.
XI.
XII. Bixaceae.
XIII.   Pittosporaceae.
XIV.   Polygalaceae.
XV.  Caryophyllaceae.
XVI.  Portulacaceae.
XVII.  Hypericaceae.
XVIII.  Guttiferae.
XIX. Ternstroemiaceae
XX. Dipterocarpaceae.
XXI. Malvaceae.
XXII. Sterculiaceae.
Tiliaceae.
Linaceae.
XXIII.
XXIV.
Malpighiaceae.
Zygophyllaceae.
Geraniaceae.
XXV.
XXVI.
XXVII.
XXVIII. Rutaceae.
-ocr page 23-
Plaatsen der families in miquel\'s flora. xv
I. 2, p. 676. Sum. p. 535.
I. 2, p. 123. (Polyr/alaceae p. p.)
I. 2, p. 619. (Surianeae).
I. 2, p. 674. Sum. p. 533.
I. 2, p. 641. Sum. p. 525. (Amy-
rideae).
I. 2, p. 530. Sum. p. 502.
I. 2, p. 546. Sum. p. 508. (Ce-
dreleae).
I. 1, p. 636. Sum. p.328.(Chail-
letiaceae).
I. 1, p. 782. Sum. p. 342.
I. 1, p. 788 en p. 1097. Sum.
p. 342 (Icacineae).
I. 1, p. 795 en p. 1097. Sum.
p. 343. (Phytocreneae).
I. 2, p. 593. Sum. p. 513.
I. 2, p. 587. Sum. p. 512.
I. 2. p. 596. Sum. p. 514. (Hip-
pocmteaceaé).
I. 1, p. 637 en p.1090. Sum.f. 330.
I. 2, p. 600. Sum. p. 514.
I. 2, p. 609. Sum. p. 518. (Leea-
ceae).
I. 2. p. 549. Sum. p. 508.
I. 2, p. 581. Sum. p. 511. ^4ce-
I. 2, p. 592.  8wm.  p. 513. (Sta-
phyleaceae).
I. 2, p. 618.  #«»».   p. 521.
I. 2, p. 612.  Sum.  p. 519. (i»/e-
I. 2, p. 629. Smw. p. 521.
I. 1, p. 349.
XXIX. Simarubaceae.
Ochnaceae.
Burseraceae.
XXX
XXXI.
XXXII. Meliaceae.
Dichapetalaceae,
Olacaceae.
XXXIII.
XXXIV.
XXXV.
XXXVI.
Ilicaceae.
Celastraceae.
Rhamnaceae.
Ampelidaceae.
XXXVII.
XXXVIII.
XXXIX. Sapindaceae.
XL. Sabiaceae.
XLI.
XLII.
Anacardiaceae.
Moringaceae.
-ocr page 24-
Drukfouten in het Eerste Deel, Eerste Stuk.
p
• 11,
reg.
10.
V. 0.
staat >ƒ«/.
lees AficA.
V
23,
n
10,
„b.
„ .Sr. //t»6.
, S«. Jfi7.
0
29,
n
h
„b-
B Dunat.
„ Dunal.
8
185,
B
i.
„b.
„ TTJRAREA
„ TURRAEA.
»
194,
J)
23,
„b.
„ Aglaiopis
. Aglaiopsis.
V
217,
0
8,
„b.
.. Teysmanianum
.. Teysmannianum.
"
254,
V
12.
»b.
„ Sa pindaceae.
v Sapindeae.
D
255,
n
21,
» o.
, SCOUOIIKNDRON\'.
„ SCORODODKNDRON.
V
296,
H
0,
„b.
„ Campnospermum
- Campnosperma.
-ocr page 25-
AANVULLING VAN HET EERSTE DEEL,
EERSTE STUK.
In het Overzicht der Families.
p. xxxix. bij XX. Dipterocarpaceae invoegen:
Stijl aan den top gaafrandig of met 3 korte, stem-
peldragende lobben. Kelklobben alle even sterk ont-
wikkeld of de buitenste het sterkst. Eierstok meestal
2-, zelden 1- of 3-hokkig, met 2 eitjes in elk hokje,
Geen gekromde takdoorns.
p. xxxix. vóór Cohors 6. MAL.VAIiES. invoegen :
XXa. Ancistrocladaceae. Bloemen tweeslachtig.
Vruchtdragende kelk meestal vergroot, de binnenste
kelklobben het sterkst. Meeldraden 10, zelden 5.
Stempellobben bijna even lang als de stijl. Eierstok
1-hokkig, met 1 eitje. Klimmende heesters met af-
wisseleude, dikwijls opeengedrongen, lederachtige,
gaafrandige bladeren, zonder steunblaadjes. Spiraals-
wijs gekromde takdoorns. Bloemen in pluimen.
Fam. XI. VIOLACEAE.
p. 67 bij 6. SCHTJURMANSIA Bi. achter de aanteeke-
ning omtrent de soorten invullen:
Eene derde soort, S Henningsii Schum., werd op Nieuw
Guinea waargenomen.
Fam. XV. CARYOPHYLLACEAE.
p. 80 in het OVERZICHT DER GESLACHTEN, VÓÓr 2. Stel-
labia invoegen:
ia. Cerastium. Stijlen 5, tegenover de kelkbladen, zelden
4 of 3. Bloembladen uitgerend of 2-spletig, zelden gaafian-
dig of in slippen verdeeld. Steunblaadjes ontbrekend. Meel-
draden 10 of 5.
-ocr page 26-
XVIII            AANVULLING VAN HET EERSTE STUK.
p. 81 vóór 2. STELLARIA L. invoegen:
U.
CERASTIUM L.
Kelkbladen 5, zelden 4. Bloembladen evenveel,
uitgerand of 2-spletig, zeer zelden gaafrandig of
in slippen verdeeld, soms zeer klein. Meeldraden
10 of door mislukking minder. Eierstok 1-hokkig,
met oo eitjes; stijlen 5, tegenover de kelkbladen
geplaatst, zelden 4 of 3. Doosvrucht cilindervor-
mig of eenigszins kegelvormig, dikwijls gekromd,
aan den top opensplijtend in tweemaal zooveel
korte, gelijke tanden als er stijlen zijn. Zaden min
of meer nier- of kogelvormig, zijdelings min of
meer samengedrukt.
Meestal zacht- of ruigharige, zelden blauwgroene,
onbehaarde kruiden. Bladeren verschillend, doch
zelden priemvormig. Bloemen in eindelingsche,
vorkswijs vertakte bijschermen, die nu eens be-
bladerd zijn, dan weder alleen schutbladen met
stijfvliezige randen dragen. Zaden meestal korrelig
of knobbelig gestekeld.
Aantal soorten omstreeks 100, misschien tot 40 terug te
brengen, in de geheele wereld verspreid, doch in de tropische
gewesten alleen in de hooge bergstreken voorkomend. In
Nederlandsch Indië vindt men behalve C. glotneratum Thuill.,
die misschien ingevoerd kan zijn, ook C.Indicum Wightet
Am.,
beide op zeer hooge bergtoppen.
Fam. XX. DIPTEROCARPACEAE.
p. 107 achter het einde der Familie invoegen :
LIJST DER DIPTEROCARPACEAE, VOLGENS BURCK.
Daar door de Monographie van BurtCK de nomenclatuur
van de soorten der Dipterocarpaceae belangrijk veranderd
is, laten wij hierbij eene lijst der soorten van Nederlandsch
Indië met de synoniemen volgen :
Anisoftera Kurth.
costata Kort/i.
marginata Korlli.
? melanoxylon Hook. f. = Vaticae sp. Benth. et Hook.
polyandra BI.
-ocr page 27-
AANVULLING VAN HET EERSTE STUK.               XIX
Dipterocarpus Gaertn.
appendiculatus Scheff. = Dipt. acutangulus Vesque.
balsamifer BI.
Bancanus Burck.
Baudii Korth.
Beccarianus Vesque. = Dipt. Beccarii Dyer var. glabrata
elongatns Korth.
eurynchoides Scheff.
eurhynchus Miq.
fagineus Vesque. = Dipt. prismaticus Dyer.
geniciilatus Vesque. = Dipt. anqulatus Dyer.
globosus Vesque. = Dipt. Beccarii Dyer.
gracilis BI.
granditloius Blanco = Dipt. Blancoi BI. = Dipt. Motleya-
nus Ilook. f. = Dipt. pteryyocalyx Scheff. = Mocanera
grandi/lora Blanco.
Hasseltii BI.
lamellatus Ilook. f.
Lampongus Scheff.
littoralis BI.
Lowii Hook f. = Dipt. undulatus Vesque.
marginatus Korth.
nudus Vesque. — Dipt. pentapterus Dyer.
oblongifolius BI. = Dipt. stenopterus Vesque.
pentagonus DC. = Dipt. Hasseltii Korth. = Dipt. quinque-
gonus BI.
pilosus Boxb. = Anisopt. (?) Palembancia Miq.
retusus BI.
Spanoghei BI.
stellatus Vesque. =. Dipt. nobilis Dyer.
Tampurau Korth. i= Dipt. crinitus Dyer. = Dipt. hirtus
Vesque.
trinervis BI.
validus BI.
Doona Thwaites.
Javanica Burck.
micrantha Burck. = Petalandra micrantha Hassk. =
Hopea (?) fagifolia Miq. = Hopea odorata Boxb. secus
Hance = Hopeae sp. Benth. et Hook.
multillora Burck.
odorata Burck. = Hopea odorata Boxb. = Hopea Wight-
iana Miq. = Hopea Sangal Korth.
Dryodalanops Gaertn.
aromatica Gaertn. = Dryob. Camphora Colebr.
Beccarii Dyer.
lanceolata Burck.
oblongifolia Dyer.
Hopea Boxb.
Beccariana Burck.
bracteata Burck.
-ocr page 28-
XX
AANVULLING VAN HET EERSTE 8TUK.
Celebica Burck.
coriacea Burck.
diveisifolia Miq.
dryobalanoides Miq.
Mengarawan Miq. = Hopea dryobalanoides Miq. pp.
micrantha Hook. f.
rnyrtifolia Miq.
nigra Burck.
sericea BI. = Drijob. (?) sericea Korth.
Isoptera Scheff.
Bomeensis Scheff. = Hopea Seminis de Vriese.
Parashorea Kurz.
lucida Kurz. = Shorea lucida Miq.
Shorea Boxb.
aptera Burck. = Hopea Balangeran de Vriese.
Balangeran Burck. = Hopea Balangeran Korth.
Beccariana Burck.
compressa Burck.
coriacea Burck.
elliptica Burck.
eximia Scheff. = Vatica (?) eximia Miq. = Vatica subla-
cunosa Miq. = Shorea sublacuosa Scheff.
furfuracea Miq.
fusca Burck.
Gijsbertiana Burck.
inappendiculata Burck.
lepidota BI. = Vatica lepidota Korth.
Maranti Burck. = Hopea (?) Maranti Miq.
Martiniana Scheff. = Hopea macrophylla de Vr. pp. zsHopea
splendida de Vr. pp.
nitens Miq.
ovalis Bl.= Vatica ovalis Korth.
Palembanica Miq.
Pinanga Scheff.
scaberrima Burck.
scrobiculata Burck.
Selanica BI. = Engelhardtia Selanica BI. = Hopea Sela-
nica Boxb.
Singkawang Burck. = Hopea (?) Singkawang Miq.
stenoptera Burck. = Hopea splendida de Vr. pp.
stipulosa Burck. = Vatica (?) stipulosa Miq.
subpeltata Mig.
Vatica L.
Bancana Scheff. = Vatica Schouteniana Scheff. = Dryob.
Schefferi Hance.
Bantamensis Bi»-cfc.= Vaticae sp. Benth.et Hook. =Anisopt.
Bantamensis Hassk. = Synaptea Bantamensis Kurz.
Bprneensis Burck,
-ocr page 29-
AANVULLING VAN HET EERSTE STUK.
XXI
Forbesiana Burck.
fuifuiacea Buret;.
Lamponga Burck.
Moluccana Burck = Valica Bassak var. subcordata BI.
oblongifolia l/ook. f.
obtusa Buick.
Papuana Bijer = Vateria Papuana Dy er.
paueiflora BI. = Betinodendron pauciflorum Korth. =
Vateria paueiflora Walp.
Rassak BI. = Betinodendron Bassak Korth.
ruminata Burck.
Teysmanniana Burck.
umbonata Burck = Pachynocarpus imibonalits Hook. f.
venulosa BI.
veiTiieosa Burck.
Zollingeriana DC.
p. 108. vóór Fam. XXI. MALVACEAE invoegen:
Fam. XXa. ANCISTROCLADACEAE.
Bentham et Hooker Gen. Plant. I, p. 191 (Dipterocar-
paceae).
— Miquel Fl. Ind. Bat. I, 2, p. 587. — A. D. C.
Prod. XVI, 2, p. 601. — Thiselton Dyer in Hook. Fl.
of Br. Ind.
I, p. 299 (Dipterocurpaceae). — Van Tieghem
in Ann. des Sc. Nat. Serie 7, I, p. 68. — Trelu in Ann.
de Buitenz.
III, p. 54. — Burck in Ann. de Buitenz.
VI, p. 147.
Kelkbuis kort, nauwelijks van den bloembodem
onderscheiden; lobben 5, in den knop dakpans-
wijze dekkend, de binnenste een weinig grooter
dan de buitenste, na den bloei meer dan deze
in omvang toenemend. Bloembladen 5, met de
kelklobben afwisselend, naast de basis van deze
ingeplant, aan de basis samenhangend in den
knop rechts of links gedraaid (beide gevallen
soms aan bloemen van denzelfden tak). Meeldra-
den 5—10, of alleen met de bloembladen afwis-
selend, of om den anderen met deze afwisselend
of daar tegenovergesteld; helmdraden aan de
basis plat, een weinig met de bloembladen
samenhangend, van boven draadvormig en vrij;
helmknoppen opgericht, 2-hokkig; hokjes met
eenigszins naar binnen gekeerde langsspleten
openbarstend; helmbindsel zonder stekelpuntje op
den top. Eierstok 1-hokkig, onderstandig; stijl
-ocr page 30-
XXII             AANVULLING VAN HET EERSTE STUK.
vrij dik, blijvend; stempels 3, langwerpig, na-
genoeg even lang als de stijl, stijf; één eitje,
ingeplant op de oasis van het hokje, anatroop,
kogolvormig, bochtig gevoord. Vrucht voor een
groot deel gevormd uit de in omvang toegenomen
kelkbuis en kelklobben. Zaad kogolvormig,
geplaatst onder in de holte van den eierstok
en door eene dunne, geplooide, bochtig gelobde,
het kiemworteltje binnendringende zaadhuid om-
geven ; kiemwit meelachtig, de holten tusschen de
plooien van de zaadhuid vullend; kiemworteltje
naar onderen gericht, stomp, dik; zaadlobben
eivormig, min of meer bladachtig, uiteenwijkend,
een weinig korter dan het kiemworteltje.
Klimmende heesters met sterk gekromde of
spiraalswijs gedraaide takdoorns, eigentlijk afwij-
kend gevormde stengeltoppen. Bladeren afwisse-
lend, zonder steunblaadjes, dikwijls aan de top-
pen der takken opeengedrongen, vinnervig, gaaf-
randig, zonder of met een korten bladsteel, dik-
wijls gestippeld. Bloemen aan korte bloemstelen
in okselstandige of nagenoeg eindelingsche tros-
sen, die kleiner zijn dan de bladeren en afwis-
selende, spoedig afvallende, zeer kleine schut-
bladen dragen.
Eén geslacht met een 10-tal soorten, waarvan de
plaats in het stelsel nog als zeer onzeker moet beschouwd
worden. BENTHAM et Hooker brachten het in de Genera
Planlarum
tot de Dipterocarpaceae en ook THISELTON
Dyer liet het in Hooker Fl.ofBr.Ind. op deze plaats.
Op liet voorbeeld van Planchon heeft Alpii. De Can-
doli.e het in den Prodromus als eene afzonderlijke
familie behandeld en als zoodanig komt het ook in
Miquel\'s Flora voor. Van Tieghem toonde op anatomische
gronden aan, dat eene vereeniging met deDipterorarpaceae
verworpen moest worden en stelde voor het als een
twijfelachtig geslacht bij de Pittosporaceae te plaatsen.
De veranderingen, die dan in de beschrijving dier familie
noodig zouden zijn, hebben mij er toe gebracht om het
geslacht voorloopig als eene afzonderlijke familie te
behandelen, waarvoor ik gebruik heb gemaakt van de
beschrijving van Alph. De CandOLLE in den Prodromus.
Ofschoon Van Tieghem het eitje als wandstandig
beschouwde, blijven nog als verschillen met de Pitto-
-ocr page 31-
AANVULLING VAN HET EERSTE STUK.
XXIII
sporaceae, de vergroeiing van kelk en eierstok, het
aantal der meeldraden, meestal tweemaal zoo groot als
dat der bloembladen, en de aanwezigheid van slechts
1 eitje, in plaats van talrijke.
Van de Diplerocarpaceae wijkt A ncistroclaiius voor-
namelijk af door het gemis van steunblaadjes, doordat
de binnenste en niet de buitenste kelklobben na den
bloei in omvang toenemen, door de veel grootere stern-
pels en door den reeds in den knop éénhokkigen eierstok
met één eitje en door het uitgevreten, overvloedige
kiemwit. Deze verschillen worden volgens Van Tikohem
nog bevestigd door de anatomische kenmerken, o. a.
door het gemis van harskanalen in het hout.
ANCISTROCLADUS Wall.
Kenmerken als die van de familie.
Aantal soorten ongeveer 10, waarvan 1 in tropisch
Afrika en de overige in tropisch Azië en wel voorna-
meiijk in Ceylon en het oostelijk deel van Britsch
Indië. Eéne soort, A. Pinangianus Wall., werd ook op
lianka gevonden.
Fam. XXIII. TILIACEAE.
p. 132 vóór §§ Vrucht met stekels of borstels invoegen:
6a. Altiioffia. Vrucht ongevleugeld, hokverbrekend
met 4 kleppen openspringend. Zaden lang wollig behaard.
Bloemen door mislukking tweehuizig.
p. 135 vóór 7. TRITJMFETTA L. invoegen:
6a. ALTHOFFIA Schum.
Bloemen regelmatig, door mislukking tweehuizig.
Kelkbladen 5, vrij, in den knop klepswijze aan-
eensluitend, lijn-lancetvormig. Bloembladen 5,
lijn-lancetvormig, aan de basis geklierd, vrij,
evenals de kelkbladen vrij lang blijvend. Man-
nelijhe bloemen:
Meeldraden éénbroederig, ver-
bonden tot eene buis met witachtig behaarden
top, die zich weldra in 5 bundels splitst; helm-
draden draadvormig; helmknoppen 2-hokkig. Ru-
dimentaire eierstok kort, behaard, met 4-lobbigen
stempel. Vrouwelijke bloemen: Staminodiën oo,
nagenoeg vrij, in talrijke rijen. Eierstok 4-, zel-
den 5-deelig; eitjes oo, anatroop, in den binnen-
hoek der hokjes vastgehecht; stijl enkelvoudig,
-ocr page 32-
XXIV             AANVULLING VAN HET EERSTE STUK.
aan den top in 4 lange, tweespletige takken
gespleten. Ongevleugelde, 4-lobbige, hokverbre-
kend 4-kleppige doosvrucht. Zaden omgekeerd
eivormig, lang wollig behaard.
Hooge boom met rolronde twijgen, bedekt door
stervormige haren of knobbels. Bladeren kort ge-
steeld, breed lijnvormig-langwerpig, met schuin
hartvormige basis, gekarteld, met eivormige steun-
blaadjes. Bloemen in okselstandige pluimen.
Eéne soort, .1. tetrapyxis Sclncm.. in Nieuw Guinea
en op Timorlaut waargenomen, en door Schumann in
Engi.kii\'s Jahrb. IX. 1887 p. 200 beschreven.
Fam. XXV. MALPIGHIACEAE.
p. 143 vóór 2. Tristei.i.atkia invoegen:
ia. BbacbTLOPHON. Kelk zonder vleugels. Drie stijlen.
Yruehtbladen van achteren wel gekield , doch niet gevleu-
geld en met een zeer korten vleugel op den top.
p. 143 vóór 2. TRISTELLATBIA Thouars invoegen:
ia,
BRACHYLOPHON Oiiv.
Kelk 5-deelig, zonder klieren, met stompe, na-
genoeg gelijke, eivormig-elliptische slippen. Bloem-
bladen 5, langwerpig-elliptisch, stomp gaafrandig,
kort genageld, in den knop dakpanswijze dekkend.
Meeldraden 10, alle helmknoppen dragend, om
den anderen korter, met smalle, vleezige, onbe-
haarde helmdraden, aan de basis bij de schijf zeer
kort verbonden, een weinig langer dan de helm-
knoppen, blijvend; helmknoppen lijnvormig, aan de
basis vastgehecht, met 2 poriën. Eierstok 3-lobbig,
onbehaard; stijlen lang, dun, uiteenwijkend; eitjes
één in elk hokje, hangend, anatroop. Splitvrucht,
uiteenwijkend in gezwollen nootjes, elk door een
lederachtigen, netvormig geaderden vruchtwand
omgeven, die aan de achterzijde gekield is en
aan den top in een korten vleugel overgaat.
Zaad onbekend.
Heester, 3—5 voet hoog, onbehaard. Bladeren
kort gesteeld, ovaal of smal elliptisch, toegespitst,
-ocr page 33-
AANVULLING VAN HET EERSTE STUK.
XXV
met wigvormige basis. Bloemen aan lange bloem-
stelen, in eindelingsche tuilen met schubvormige
schutbladen.
Eéne soort, Br. Curtisü Oliv., (Hooker Icones Plan-
tarum
1887, t. 1566), op Penang gevonden.
Fam. XXVIII. GERANIACEAE.
p. 150 in het OVERZICHT DER GESLACHTEN, VÓÓr Tribus
I. Oxalideae. invoegen:
Tribus ia. Oeranieae. Kelkbladen in den knop dak-
panswijze dekkend, üloemen volkomen of nagenoeg vol-
komen regelmatig. Klieren met de bloembladen afwisselend.
Meeldraden 5, 10 of 15, soms gedeeltelijk door staminodiën
vervangen.
ia Geranium. Meeldraden 10, meestal alle met helm-
knoppen. Staartjes der kluisvruchtjes meestal van binnen
niet gebaard.
p. 150 achter het overzicht der geslachten vóór 1.
OXALIS L. invoegen:
la. G-BRANIUM L.
Bloemen "regelmatig. Bloembladen 5, hypogy-
nisch, in den knop dakpanswijze dekkend. Klieren
5, met de bloembladen afwisselend. Meeldraden
10, alle met helmknoppen, of hoogst zelden 5
zonder helmknoppen; helmdraden draadvormig,
vrij of een weinig aan de basis vergroeid. Eier-
stok 5-lobbig, 5-hokkig, gesnaveld; snavel over-
gaande in een stijl, die zich splitst in 5 takken,
welke in de lengte met stempelkliertjes bezet
zijn; eitjes 2 in elk hokje, min of meer boven
elkander. Vrucht eene uit 5 kluisjes bestaande
splitvrucht; kluisjes éénzadig, schotverbrekend
loslatend van de zaadhjsten dragende as, waarbij
de staartvormige verlengsels, die den snavel der
vrucht samenstellen, zich elastisch van de basis
naar den top oprollen. Zaden zonder of met een
dun kiemwit; kiemworteltje opliggend, naar de
rugzijde van een der zaadlobben gekeerd; zaad-
lobben dubbel gevouwen of ineengerold.
Kruiden, zelden half heesters, soms min of meer
-ocr page 34-
XXVI            AANVULLING VAN HET EERSTE STUK.
zodevormend, zonder stengels. Takken aan de knoo-
pen gezwollen en geleed. Bladeren tegenoverge-
steld of afwisselend, getand of hand- of vinvor-
mig gelobd of ingesneden. Bloemen, ten getale
van 1—2, aan okselstandige bloemstengels. Staart-
jes der kluisjes gewoonlijk van binnen niet
gebaard.
Aantal soorten omstreeks 100, in de gematigde streken
van do geheele wereld verspreid, in de tropische ge-
westen alleen op de hooge bergen. In Nederlandsen
Indië werd ééne soort, G. Ardjunense Zoll., door Zol-
LINOER op den Ardjuno en den Tenger op hoogten van
8-11000 voet gevonden.
Fam. XXXII. MELIACEAE.
p. 182 In de Beschrijving der Familie achter Bloem-
bladen 4—5, zelden 3 , invoegen :
bij één geslacht, Megaphyllaea, 10.
p. 183 in het overzicht der geslachten, bij i. Cmso-
cheton invoegen:
Bloembladen 4—5, zeer zelden 6.
p. 183 vóór §§ Steenvrucht of besvrucht invoegen:
la. Megaphyllaea.Kelk napvormig, 3—5-lobbig.Bloem-
bladen 10, lintvormig, lederachtig, in den knop dakpans-
wijze dekkend. Helmknoppen 10. Eierstok 7—9-hokkig,
met 1 eitje in elk hokje.
p. 190 vóór DASYCOLEUM \'furezn. invoegen:
la. MEGAPHYLLAEA Hemsl.
Kelk napvormig, dik, beschubd, min of meer
blijvend, aan de basis met den eierstok vergroeid
en met 3—5-lobbigen zoom. Bloembladen 5, lint-
vormig, vrij, in 2 rijen, dik lederachtig, in den
knop dakpanswijze dekkend. Meeldradenbuis ci-
lindrisch, van binnen onder de zittende helm-
knoppen ruwharig, aan den top onduidelijk ge-
karteld; helmknoppen 10, in de meeldradenbuis
besloten. Schijf kussenvormig, veellobbig den
-ocr page 35-
AANVULLING VAN HET EERSTE STUK.           XXVII
eierstok dragend. Eierstok 7—9-hokkig, met
dikken, van onderen even als de eierstok behaar-
den stijl en knopvormigen stempel; in elk hokje
van den eierstok 1 eitje, vastgehecht in- den bin-
nenhoek van het hokje. Doosvrucht groot, afge-
plat kogelvormig, 7—9-lobbig, met 7—9 hokjes,
die niet tegenover de lobben maar tegenover de
inhammen tusschen deze staan, zeer dik, laat
openspringend, viltachtig behaard. Zaden zonder
kiem wit, samengedrukt, naakt, onbehaard, met
zeer grooten navel en ineengesmolten zaadlobben.
Boom, ongeveer 50 voet hoog, met zeer groote
6—7 voet lange, gevinde bladeren. Blaadjes tegen-
overgesteld, gesteeld, lederachtig, 25—37^ cM.
lang. Bloemen groot, in losse, pluimvormige trossen.
Eéne soort, M. Perakeruis Hemsl., in Perak voor-
komende. (Hooker Iconen Plantarum. 1887. t. 1708).
Fam. XXXVII. RHAMNACEAE.
p. 237 in het OVERZICHT DER GESLACHTEN VÓÓr Tribus II.
Zizypheae. invoegen
la. Smytiiia. Vruclit ei-laiuetvorinig, ongevleugeld.
p. 239 vóór 2. ZIZYPHUS Jtms. invoegen:
ia. SMYTHIA Seem.
Kelkbuis omgekeerd kegelvormig, met 5 uitge-
spreide, soms gekielde lobben. Bloembladen 5, zeer
klein, kort genageld, kapvormig uitgehold, soms in
de geopende bloem dichtgevouwen, breed uitgerand
of 2-lobbig of\' afgeknot en breeder dan lang.
Meeldraden 5, in de geopende bloem door de
dichtgevouwen bloembladen omsloten of vóór deze
opgericht met naar voren gekromde helmdraden;
helmknoppen stomp, in het midden van de ach-
terzijde vastgehecht, 2-lobbig, met niet ineen-
vloeiende spleten. Schijf 5-kantig of 5—1 O-lobbig,
eenigszins plat. Eierstok geheel of half onder-
standig, 2-hokkig\'; stijlen 2—4, teruggekromd of
min of meer tot een kegel vereenigd. Doosvrucht
-ocr page 36-
XXVIII         AANVULLING VAN HET EERSTE STUK.
al of niet behaard, ei-lancetvormig, 3—8 cM. lang,
niet gevleugeld, dik korstachtig, onder aan de
basis door de kelkbuis omgeven, langs de mid-
delhjn 2-kleppig openspringend, 1-hokkig, 1-zadig.
Zaad groot, (bij eene soort klein), samengedrukt,
zonder kiemwit.
Min of meer klimmende heester, door voor-
komen en bladeren op Ventilago gelijkend, met
dunne, bochtige twijgen, waarvan de fijnere
evenals de bloemen kortharig zijn. Bloemen ge-
steeld, tot bundels vereenigd in de bladoksels of
in eene losse pluim aan de toppen der twijgen.
Aantal soorten 4, nl.: Sm. pacifica Seeni. op de Fiji
eilanden , Sm. Novo-Guineensis Sche/f. in Nieuw Guinea,
Sm. calpicarpa Kurz in Tenasserim en Sm. macrocarpa
Hem.il. in Perak.
AANVULLING DER LITTERATUUR.
Belangrijke mededeelingen omtrent de Flora van Neder-
landsch Indië, slechts ten deele in dit werk opgenomen,
vindt men in Pierre Flore Forestière de la Cocltin Chine.
De daarin behandelde families zijn: Magnoliaceae, Dille-
niaceae, Anonaceae, Dichapetalaceae, Hypericaceae, Gut-
tiferae, Menispermaceae
, Ternstroemiaceae, Tiliaceae,
Malvaceae
en Sterculiaceae. Verscheidene nieuwe soorten,
ook van Nederlandsch Indië, zijn daarin beschreven en
afgebeeld.
-ocr page 37-
OVERZICHT DER HOOFDGROEPEN.
AFDEELINGA. ANGIOSPERMAE. (Bedektzadigen.)
Eitjes in gesloten, met stempels voorziene stampers. Bloe-
men meestal met kelk en kroon of met een bloemdek.
Classe I. Dicotyledones. (Tweezaadlobbigen.) Kiem met
twee zaadlobben. Vaatbundels in groei onbegrensd, op de
doorsnede van den stengel in een kring gerangschikt. Blade-
ren meestal vin- of handnervig, zelden evenwijdig-nervig.
Bloemen meestal tweeslachtig en 4—5- of oo -tallig.
Subclasse 1. Dicotyledones Dialypetalae. (Twee-
zaadlobbigen met vrije bloembladen.)
De geslachtswerktuigen
binnen den kelk door van elkander vrije bloembladen, om-
geven of gedragen. Vruchtbladen één of meer, vrij of
vergroeid.
Series I. Thalamiflorae. (Bodembloemigen.) Kelk meestal
niet vergroeid met den eierstok. Bloembladen soms 1-,
doch meestal 2—oo -rijig. Meeldraden oo of in bepaald
aantal, op een meestal lagen, doch soms hoogen of steel-
vormigen bloembodem ingeplant. Eierstok gewoonlijk
bovenstandig.
Series II. Disciflorae. (Schijfbloemigen.) Kelk meestal
niet met den eierstok vergroeid. Bloembladen 1-rijig.
Meeldraden gewoonlijk in bepaald aantal, binnen, op of
om den gewoonlijk schijfvormigen, honigafzonderenden
bloembodem ingeplant. Eierstok gewoonlijk bovenstandig
of door de schijf ingesloten.
\' Series III. Calyciflorae. (Kelkbloemigen.) Kelkbuis
meestal den eierstok omsluitend of daarmede vergroeid.
Bloembladen 1-rijig, op de kelkbuis ingeplant. Meeldraden
oo of in bepaald aantal, of op de kelkbuis, of op de
schijf, die de kelkbuis van binnen bekleedt, ingeplant.
Eierstok meestal in de kelkbuis besloten of onderstandig.
Subclasse 2. Dicotyledones Gamopetalae. (Twee-
zaadlobbigen met vergroeide bloembladen.)
De bloembladen
binnen den kelk verbonden tot eene gelobde of gaafrandige
bloemkroon, die de geslachtswerktuigen omgeeft en de meel-
-ocr page 38-
XXX                   OVERZICHT DER HOOFDGROEPEN.
draden meestal draagt. Vruchtbladen meestal meer dan één,
gewoonlijk vergroeid.
Series I. Ixferae. (Onderstandiyen.) Eierstok onder-
standig. Meeldraden in gelijk aantal als de bloemkroon-
lobben, zelden minder.
Series II. Heteromerae. (Onyelijktalliyen.) Eierstok
meestal boveustandig. Meeldraden nu eens vrij van de
bloemkroon, dan weder er mede vergroeid, dikwijls in
gelijk aantal tegenover de kroonlobben geplaatst, soms
in het dubbele of iii onbepaald aantal aanwezig; zeld-
zamer in gelijk aantal met de kroonlobben afwisselend,
in welk geval óf de meeldraden vrij van de bloem-
kroou zijn öf het aantal der vruchtbladen meer dan 2
bedraagt.
Series III. Bicarpellatae. (Tweecruchtbladiyen.) Eier-
stok meestal bovenstandig. Meeldraden meestal met de
bloemkroon vergroeid, met de kroonlobben afwisselend en
in gelijk aantal als deze, niet zelden 1—3 rudimentair
of ontbrekend. Vruchtbladen 2, zelden 1 of 3.
Subclasse 3. Dicotyledones Monochlamydeae.
(Ttveezaadlubbiyen met een bloemdek.) Bloemdek enkel-
voudig; lobben of segmenten in één of twee rijen, aan
elkander gelijk, meestal kruidachtig, soms zeer klein of
geheel ontbrekend. Vruchtbladen één of meer, vrij of
vergroeid.
Series I. Curvembryeae. (Gekromdkiemiyen.) Kiemwit
meestal meelachtig; kiem gekromd, excentrisch, zijde-
lingsch of peripherisch, zelden nagenoeg recht, en dan bijna
in het midden gelegen en smal. Gewoonlijk 1 eitje in elk
vruchtblad, zelden (bij eenige geslachten der Amaran-
taceae)
eenige weinige, opgericht in het midden van het
hokje. Bloemen tweeslachtig, in weinige geslachten één-
slachtig of gemengdslachtig. Bloembladen hoogst zelden
aanwezig. Meeldraden in hetzelfde aantal als de slippen
van het bloemdek of minder, zelden meer.
Series II. Mui.tiovulatae Aquaticae. (Veeleüye water-
planten.)
Ondergedoken kruiden. Eierstok uit meerdere
vruchtbladen gevormd. Talrijke eitjes in elk hokje of
aan elke zaadljjst.
Series III. Mui.tiovulatae Terrestres. (Veeleiige
lundplanten.)
Landbewonende kruiden of heesters. Eier-
stok uit meerdere vruchtbladen gevormd. Talrijke eitjes
in elk hokje of aan elke zaadljjst.
-ocr page 39-
OVERZICHT DER HOOFDGROEPEN.
XXXI
Series IV. Micrembryeae. (Kleinkiemigen.) Meerdere
vruchtbladen tot een eierstok verbonden, één vrucht-
blad of vrije vruchtbladen; 1 eitje in elk vruchtblad,
zelden 2 of eenige weinige. Kiemwit overvloedig, vlcezig
of (bjj de Piperaceae) melig; kiem klein, zeer zelden (bij
eenige Monimiaceae) grooter en buiten het kiemwit gelegen.
Series V. Daph.vai.es. Eierstok uit één vruchtblad be-
staande, zelden uit meerdere en dan 2—4-hokkig; in den
eierstok of in elk hokje 1 eitje of 2 naast elkander,
zelden eenige weinige paren boven elkander. Boomcn of
heesters. zelden kruiden. Bloemen meestal tweeslachtig.
Bloemdek volkomen, meestal kelkachtig; lobben in 1 of
2 rijen. Meeldraden perigynisch, in hetzelfde aantal als de
bloemdekslippen of in het dubbele, zelden in geringer
aantal.
Series VI. Achlamydosporeae. (Zaadhuidloozen.) Eier-
stok l-hokkig, met l—3 eitjes; hokje on eitjes dikwijls
vóór den bloei ternauwernood waar te nemen. Kiemwit
zonder zaadhuid, vrij of met de wanden van den eier-
stok vergroeid. Bloemdek meestal volkomen, kruidachtig,
kroonachtig of (bij Loranthus) min of meer dubbel.
Series VII. Uxisexuales. (Ei\'nslachtiyen.) Bloemen
steeds éénslachtig (uitgezonderd eenige weinige gemengd-
slachtige Urticaceae). Eierstok uit meerdere of één vrucht-
blad bestaande; 1 eitje in den eierstok of in elk hokje, of
2 naast elkander. Kiemwit overvloedig, vleezig, dun of
ontbrekend. Kiem weinig korter dan het kiemwit of het
geheele zaad vullend. Boomen of heesters, of (bij eenige
Euphorbiuceae en Urticaceae) kruiden. Steunblaadjes
zijn meestal aanwezig. Bloemdek kelkachtig of klein of
ontbrekend; bloembladen zijn soms bij de Eiiphorbiaceae
aanwezig. Stijlen evenveel als vruchtbladen, doch niet
zelden 2-deelig.
Series VIII. Ordixes Anomali. (Afwijkende Families.)
Min of meer verwant aan de Unisexuales, doch zich
noch onder elkander, noch aan eenige andere groep goed
aansluitend. Bloemen meestal alle éénslachtig. Door de
overige kenmerken wijken ze alle in meerdere of rain-
dere mate van de overige groepen af.
Classe II. Monocotyledones. (Et\'nzaadlobbiyen.) Kiem
met één zaadlob. Groei der vaatbundels begrensd, deze op
de doorsnede verstrooid. Bladeren meestal smal en even-
wijdig, zeldzamer handnervig, zeer zelden netvormig-vin-
-ocr page 40-
XXXII                OVERZICHT DER HOOFDGROEPEN.
nervig. Bloemen meestal tweeslachtig. Bloemdek in 2 rijen,
zelden 1-rijig, of ontbrekend. Bloemdeelen in elke rij meestal
3-, zelden 2- of 4-tallig.
Series I. Microspermae. (Kleinzadigen.) Bloemdek, ten
minste de binnenste krans, bloemkroonachtig. Eierstok
onderstandig, 1-hokkig, met 3 wandstandige zaadlijsten,
zelden 3-hokkig met asstandige zaadlijsten. Zaden zeer
klein, talrijk, zonder kiemwit; kiem meestal van den-
zelfden vorm als het zaad.
Series II. Epigynae. (Onderstand ige Eénzaadlobbigen.)
Bloemdek, ten minste de binnenste krans, bloemkroon-
aehtig. Eierstok (met uitzondering van eenige geslachten
der Bromeliaceae en Haemodoruceue) onderstandig. Kiem-
wit overvloedig.
Series III. Coroxarieae. (Kroonbloemige Ee\'nzaadlobbi-
gen.)
Bloemdek, ten minste de binnenste krans, bloem-
kroonachtig. Eierstok vrij, zelden aan de basis een weinig
vergroeid. Kiemwit overvloedig.
Series IV. Calycixae. (Kelkbloemige Eénzaadlobbigen.)
Bloemdek klein en stijf of kruidachtig (zelden de bin-
nenste krans min of meer bloemdekachtig, doch klein).
Eierstok vrij. Kiemwit overvloedig.
Series V. Nudiflorae. (Naaktbloemigen.) Bloemdek
ontbrekend of tot schubben of borstels verminderd. Eén
vruchtblad of meerdere vergroeid, bovenstandig, met
1—oo eitjes. Zaden meestal met kiemwit.
Series VI. Apocarpae. (Vrijvruchtbladiyen.) Bloemdek
1—2-rjjig of ontbrekend. Eén vruchtblad of meerdere vrij.
Zaden zonder kiemwit.
Series VII. Glumaceae. (Kafbloemigen.) Bloemen in
hoofdjes of aartjes geplaatst, meestal in de oksels van
dicht opeengedrongen schutbladen (kafblaadjes genoemd),
afzonderlijk zittend. Bloemdekslippen klein, schubvor-
lmig, kaf bladachtig of ontbrekend. Eierstok met 1 eitje
\' of in 1-eiige hokjes verdeeld. Zaden met kiemwit.
AFDEELING B. GYMNOSPERMAE.(Naaktzadigen.)
Eitjes naakt, niet in stampers besloten. Kiem met twee
of meer zaadlobben. Vaatbundels meestal als die der Dico-
tyledones.
Bladeren verschillend, dikwijls naald- of schub-
vormig of gelijkend op die van sommige Monocotyledones.
Bloemen meestal éénslachtig. Bloemdek zelden aanwezig.
-ocr page 41-
OVERZICHT DER FAMILIES.
AFDEELING A. ANGIOSPERMAE. (Bedektzadigen.)
Cfasse I. DICOTYLEDONES. (Tweezaadlobbigen.)
Subclasse 1. DIALYPETALAE. (Met vrije bloembladen.)
SERIES I. THALAMIFLORAE. (Bodembloemigen.)
Kelkbladen vrij, kruidachtig of zelden bloembladachtig, in
den knop dakpanswijze dekkend of klepswijze aaneensluitend
of tot een kelk vergroeid, welks segmenten in den knop
klepswijze aaneensluitend, zelden dakpanswijze dekkend zijn,
niet met den eierstok vergroeid. Bloembodem laag, hoog of
steelvormig, zelden vleeschachtig verdikt, zeer zelden tot eene
schijf uitgebreid. Bloembladen of in 1—2 rijen, ongelijk aan
de kelkbladen, óf in 2—oo rijen, langzamerhand in de kelk-
bladen overgaande, op den bloembodem, zelden onderaan op
de basis van den kelk ingeplant, vrij of met de meeldraden
vergroeid. Meeldraden oo of in bepaald aantal op den bloem-
bodem of zelden onderaan op de basis van den kelk ingeplant,
vrij van de bloembladen of met deze samenhangend. Eierstok
gedurende den bloei bovenstandig, zelden in een vleezig
verdikten bloembodem weggedoken.
Cohors 1. RAXAIiES.
(Vrije vruchtbladen.)
Meeldraden talrijk of, zoo zij in bepaald aantal aanwezig
zijn, tegenover de binnenste rijen van het 3-oo-rijig bloem-
dek. Vruchtbladen vrij of in den bloembodem weggedoken
en door middel van dezen verbonden. Poortje der eitjes naar
beneden gericht, zelden naar boven. Kleine, soms zeer kleine,
kiem in een vleezig kiemwit.
-ocr page 42-
XXXIV
OVERZICHT DEK FAMILIES.
-J- Geen waterplanten of waterplanten met samengestelde of
<liep handlobbige bladeren en l-rijige bloembladen.\')
§ Kelkbladen ">. zelden minder ; bloembladen meental l-rijig.
I.  Ranunculaceae. Afvallende, meestal gekleurde kelk-
bladen. Meeldraden gc . Zaden zonder zaadrok. Kruiden
met afwisselende bladeren of klimmende heesters met tegen-
overgestelde bladeren. Steunblaadjes zeer zeldzaam.
II.   Dilleniaceae. Kruidachtige, blijvende kelkbladen.
Meeldraden <x>. Zaden met een zaadrok (met uitzondering
van Dillenia). Boomen, heesters of halfheesters met afwis-
selende bladeren. Steunblaadjes zeer zeldzaam.
§S Kelkbladen meental 3 of C, dikwijls op de bloembladen
ijelijkend
; bloemkroon meental gevormd door 2—<x , gewoonlijk
3-tfdli<je. rijen.
III.   Magnoliaceae. Kelk- en bloembladen meestal op
elkander gelijkend, evenals de meoldraden in onbepaald
aantal. Bloembodem vlak of tot eene zuil verlengd, de
vruchtbladen aan de buitenzijde dragende. Kiemwit sterk
ontwikkeld. Kiem zeer klein. Boomen of heesters met af-
wisselende bladeren. Steunblaadjes vaak groot, de jonge
bladeren omsluitend, soms ontbrekend.
IV.  Anonaceae. Bloemen meestal 3-tallig (zelden 2-tal-
lig); kelkbladen 1-rijig; bloembladen 2-rijig; alle min of
meer lederachtig. Meeldraden <x>, meestal zeer opeenge-
drougen. Bloembodem hol of vlak, zelden bol- of kegelvormig.
Vruchtbladen meestal <x> . Kiem klein, in een sterk ontwik-
keld, diep gegroefd kiemwit. Boomen en heesters met af-
wisselende bladeren. Steunblaadjes ontbrekend.
\') Waterplanten inet samengestelde of diep handlobbige bladeren
en l-rijige bloembladen vindt men in het geslacht Ranuneulus(sect.
Batrachittm) bij de familie df>r Uannnailareae. In den Archipel zijn
zij nog niet aangetroffen. Zij zouden echter evenals in het Himalaya-
gebergte op de toppen der hooge bergen van Java en Sumatra kun-
nen voorkomen.
-ocr page 43-
XXXV
OVERZICHT DER FAMILIES.
V. Menisperraaceae. Tweehuizige, kleine, 3-(zelden 2-)
tallige bloemen. Bloembladen korter dan de kelkbladen,
meestal 6, zelden ontbrekend. Meeldraden meestal 6,
tegenover de bloembladen geplaatst. Bloembodem vlak.
Vruchtbladen meestal 3, elk met 1 eitje. Eitjes en zaden
sehildvormig aan de buikzijde der vruchtbladen vastgehecht;
poortje naar boven gericht. Kiem verschillend. Stengel
meestal klimmend. Bladeren afwisselend. Steunblaadjes
ontbrekend.
VT. Berberidaceae. Bloembladen meestal 4 of 6. Meel-
draden evenveel, tegenover de bloembladen. Bloembodem
klein. Stampers bij de gemengdslachtige geslachten meestal
3, bij de tweeslachtige 1. Eitjes anatroop met naar onderen
gericht poortje, of orthotroop. Kiem verschillend, dikwijls
zeer klein. Kruiden of heesters, dikwijls met samengestelde
bladeren. Steunblaadjes uiterst zeldzaam.
TT Waterplanten met enkelvoudige bladeren en oo bloembladen.
VII. Nymphaeaceae. Kelkbladen 4—5. Bloembladen oo .
Bloembodem klein of dikwijls dik en vleezig, op verschil-
lende wijze de stampers omsluitende of dragende. Eitjes
anatroop of orthotroop. Kiem naast den navel, half in
het kiemwit besloten, of zonder kiemwit. Waterplanten
met ondergedoken wortelstok en meestal schildvormige
bladeren.
Cohors 2. PABIETAtES.
(Wandstandige zaadlijsten.)
Meeldraden oo of in bepaald aantal. Eierstok nu eens
1-hokkig met 2 of 3 (zelden 1, 4, 5 of co) wandstandige
zaadlijsten, welke of adervormig zijn, of min of meer in de
holte van het hokje vooruitspringen, dan weder gedeeld door
valsche tusschenschotten, die de zaadlijsten verbinden. Eitjes
meestal oo, horizontaal of hangend, zelden tot 1 verminderd.
Kiem verschillend.
-ocr page 44-
XXXVI
OVERZICHT DER FAMILIES.
•f Kleine kiem aan de basis van een vleezia kiemwit.
VIII.    Papaveraceae. Kelkbladen 2—3. Bloembladen
tweemaal meer, zelden ontbrekend. Meeldraden oo, (bij
de Papavereae, de eenige groep der familie, welke in
Nederlandsch Indië voorkomt.). Kruiden met afwisselende,
gelobde of ingesneden bladeren.
•J-J- Geen kiemwit. Kiem gekromd.
IX.    Cruciferae. Kelkbladen 4. Bloembladen 4. Meel-
draden 6, viermachtig, zelden 4. Eierstok uit 2, zelden 1
vruchtblad bestaande. Vrucht vaak door een valsch tusschen-
schot gedeeld. Kruiden met afwisselende, soms diep inge-
sneden, doch niet samengestelde bladeren. Steunblaadjes
ontbrekend.
X.    Capparidaceae. Kelkbladen 4 , zelden meer. Bloem-
bladen 4, zelden ontbrekend of meer. Meeldraden oo, of,
zoo zij in bepaald aantal aanwezig zijn, niet viermachtig.
Eierstok uit 2—6, zelden uit 1 vruchtblad bestaande.
Kruiden, heesters of boomen. Bladeren meestal afwisse-
lend, soms handvormig samengesteld. Steunblaadjes dikwijls
aanwezig, soms doornvormig.
j [ | Groote kiem in een vleezig kiemwit.
XI.   Violaceae. Bloemen 5-(zelden 4-)tallig. Kelkbladen
en volkomen meeldraden in gelijk aantal. Helmknoppen
om den eierstok tot een ring vergroeid of samenkomend,
van binnen openspringend; helmbindsel dikwijls met een
aanhangsel voorzien. Om de meeldraden dikwijls nog weinige
of talrijke staminodiën. Zaadlijsten meestal 3. Kruiden of
heesters met afwisselende, zelden tegenoverstaande bladeren,
meestal onverdeeld. Steunblaadjes aanwezig, doch bij de
heesters spoedig afvallend.
XII.   Bixaceae. Kelkbladen 2—6. Bloembladen in ver-
schillend aantal, soms ontbrekend. Meeldraden meestal oo .
Bloembodem vaak schijfdragend. Zaadlijsten 2—oo, zelden
1. Boomen of heesters met onverdeelde of zelden hand-
vormig samengestelde, afwisselende bladeren. Kleine, afval-
lende steunblaadjes, soms ontbrekende.
-ocr page 45-
XXXVII
OVERZICHT DER FAMILIES.
Cohors 3. PCMLYGAMWAE.
(Eierstok uit 2 (zelden uit 3) vruchtbladen
gevormd, meestal door een tusschen-
schot gedeeld.)
Kolk bladen 5, zelden 4 of 3. Bloembladen 5, zelden 4 of 3.
Meeldraden in hetzelfde aautal als de kelkbladen of bloem-
bladen of in het dubbele aantal. Vruchtbladen meestal 2,
tot een min of meer volkomen 2-hokkigen eierstok vergroeid.
Eitjes oo, horizontaal of slechts 1 in elk hokje, hangend,
met het poortje naar boven gericht. Kiemwit vleezig. Bloemen
regelmatig of onregelmatig.
f Bloemen regelmatig.
XIII.    Pittosporaceae. Kelkbladen 5. Bloembladen 5;
nagels meestal samenkomend of samenhangend. Meeldradeu
5, vrij. Eierstok 1-hokkig of 2—5-hokkig. Kleine kiem in
een hard kiemwit. Opgerichte of windende heesters met
afwisselende bladeren. Geen steunblaadjes.
ff Bloemen onregelmatig.
XIV.  Polygalaceae. Kelkbladen 5. Bloembladen 3 of 5.
Meeldraden meestal 8, éénbroederig, zelden 5 of 4. Eierstok
2-hokkig. Kiem recht; kiemwit vleezig, zelden ontbrekend.
Kruiden of heesters met meestal afwisselende, onverdeelde
bladeren.
Cohors 4. CABYOPHÏXIilNAJE.
(Vrije, asstandige zaadlij sten.)
Kelkbladen 2—5, zelden 6, vrij of vergroeid. Bloembladen
evenveel of meer, of minder door mislukking. Meeldraden
evenveel als bloembladen of in dubbel aantal, zelden oo of
in geringer aantal. Eierstok 1-hokkig of zelden door valsche
tusschenschotten onvolkomen gedeeld. Eitjes aan asstandige,
zelden wandstandige zaadlijsten vastgehecht; poortje naar onder
gericht. Kiem gekromd, in het melige kiemwit, zelden recht.
f Kelkhinden 4—5.
XV.    Caryophyllaceae. Kelkbladen vergroeid of vrij.
Bloembladen in hetzelfde aantal als de kelkbladen (zelden
-ocr page 46-
XXXVIII
OVERZICHT DER FAMILIES.
ontbrekend). Meeldraden in hetzelfde aantal als de kelk.
bladen of in hot dubbel aantal (soms door mislukking
minder). Asstandige zaadlij sten. Kruiden (zelden min of
meer heesterachtig), meestal met kleine, onverdeelde, tegen-
overgestelde bladeren. Steunblaadjes ontbrekend of vliezig.
ft KëklAaden ï.
XVI. Portulacaceae. Bloembladen 4—5, zelden oo . Meel-
draden oo of weinige, doch niet in hetzelfde aantal als
de bloembladen. Centrale zaadlijst. Kruiden met afwisselende
of min of meer tegenovergestelde bladeren. Steunblaadjes
stijfvliezig, in borstels veranderd of ontbrekend.
Cohors 5. GtJTTIFERAI.ES.
(Meeldraden in onbepaald aantal; kelk in
den knop dakpanswijze dekkend.)
Kelkbladen 2—6, meestal 4—5 , zelden oo, dakpanswijze
dekkend. Bloembladen in hetzelfde aantal als de kelkbladen,
zelden meer. Meeldraden meestal oo . Eierstok 3—oo -hokkig,
zelden 2-hokkig of tot 1 vruchtblad verminderd; zaadlijsten
in den biunenhoek dor hokjes vastgehecht. Bloemen regelmatig.
XVII.   Hypericaceae. Bloemen tweeslachtig. Meeldraden
oo, meestal 3-broedorig. Kruiden en heesters, zelden
boomen; bladeren tegenovergesteld of in kransen, onverdeeld,
vaak kruidachtig. Steunblaadjes ontbrekend. Bloemen meestal
in 3-deelige bij schermen of pluimen.
XVIII.    Guttiferae. Bloemen éénslachtig of gemengd-
slachtig. Meeldraden meestal oo. Boomen of heesters;
bladeren tegenovergesteld of in kransen, meestal onverdeeld
en lederachtig. Steunblaadjes ontbrekend. Bloemen meestal
in 3-deelige bjjschermen of pluimen.
XIX.   Ternstroemlaceae. Bloemen tweeslachtig, zelden
éénslachtig. Meeldraden meestal oo. Boomen of heesters,
meestal met afwisselende (zelden tegenovergestelde), leder-
achtige, onverdeelde (zelden handvormig samengestelde)
bladeren. Steunblaadjes gewoonlijk ontbrekend. Bloemen
meestal in trossen, zelden in pluimen.
-ocr page 47-
XXXIX
OVERZICHT DER FAMILIES.
XX.   Dipterocarpaceae. Bloemen tweeslachtig. Vrucht-
dragende kelk meestal vergroot. Meeldraden oo of in hetzelfde
aantal of twee of driemaal zooveel als do bloembladen.
Boomeu of heesters, met afwisselende, lederachtige, onver-
deelde bladeren. Steunblaadjes zijn meestal aanwezig.
Bloemen in pluimen. (Zio ook XX. Dipterocarpaceae en
XXa. Ancistrocladaceae op p. xvn.)
Cohors C. OTAliVAIiES.
(Meeldraden oo; kelk in den knop klepswijze
aaneensluitend.)
Kelklobben of kelkbladen 5, zelden 2—4, klepswijze aan-
eensluitend in den knop. Bloembladen meestal in hetzelfde aantal
als de kelkbladen of ontbrekend. Meeldraden meestal oo of
1-broederig. Eierstok 3—oo-hokkig, zelden 2-hokkig of tot
1 vruchtblad verminderd; eitjes vastgehecht in den binnen-
hoek der hokjes.
XXI. Malvaceae. Meeldraden éénbroederig. Helmknoppen
1-hokkig. Eitjes klimmend of horizontaal, amphitroop of
anatroop, met naar boven gekeerde, zijdelingsche of buik-
standige zaaduerf, soms hangend, met naar boven gekeerde
of ruggeliugsche zaadnerf. Kruiden, heesters of boomeu
met afwisselende, onverdeelde, ingesneden of handvormig
samengestelde bladeren. Steunblaadjes meestal voorhanden.
XXII.   Sterculiaceae. Meeldraden hoog met elkander
vergroeid of afzonderlijk of in bundels tegenover de bloem-
bladen. Helmknoppen 2-hokkig. Eitjes klimmend of hori-
zontaal, anatroop of amphitroop met buikstaudige ofzjjde-
lingsche zaadnerf en naar onderou gericht poortje, zelden
orthotroop. Kruiden, heesters of boomen met meestal
afwisselende, onverdeelde, gelobde of handvormig samenge-
stelde bladeren. Steunblaadjes meestal aanwezig.
XXIII.  Tiliaceae. Meeldraden oo , vrij of aan de basis
een weinig vergroeid. Helmknoppen 2-hokkig. Eitjes dikwijls
hangend met eene buikstaudige zaadnerf. Boomen of heesters,
zelden kruiden, met afwisselende, zelden tegenovergestelde,
onverdeelde, zelden gelobde bladeren. Steunblaadjes meestal
klein en afvallend, zelden groot of ontbrekend.
-ocr page 48-
XL                             OVERZICHT DER FAMILIES.
SERIES II. DISCIFLORAE. (Schijfbloemigm.)
Kelkbladen óf vrij en in den knop dakpanswijze dekkend
(zelden klepswijze aaneensluitend), of tot een meestal kleinen
kelk met dakpanswijze dekkende of openstaande (zelden kleps-
wijze aaneensluitende) lobhen of tanden verbonden, vrij van
den eierstok of zelden aan de basis daarmede vergroeid.
Bloembodem meestal tot eene vleezige schijf verbreed, welke
kussen- of napvormig, uitgespreid of in klieren verdeeld is;
en of geheel vrij is, of met eierstok en kelk samenhangt, of met
den eierstok alleen verbonden is, of vrij van den eierstok de
basis van den kelk bekleedt. Bloembladen meestal in gelijk
aantal als de kelkbladen, of door mislukking minder, op den
bloembodem of de basis van den kelk, om de schijf, ingeplant.
Meeldraden meestal in hetzelfde aantal als de bloembladen of in
het dubbele aantal of door mislukking minder, om, binnen of
op de schijf ingeplant. Vruchtbladen vergroeid tot een, door
tusschenschotten verdeelden, eierstok, met de zaadlijsten in
den binnenhoek der hokjes, of vrij, gedurende den bloei
meestal bovenstandig of in de schijf weggedoken.
Cohors 7. GERANIAIiES.
(Eitjes hangend, met buikstandige zaadnerf.)
Schijf meestal ringvormig, binnen de meeldraden gelegen
of met de meeldradenbuis vergroeid of tot, met de bloembladen
afwisselende, klieren verminderd, zelden ontbrekende. Eierstok
gaaf of meestal gelobd of uit min of meer vrije vruchtbladen
gevormd. Meestal 1—2 eitjes in elk hokje, hangend, met
buikstandige zaadnerf, zelden co.
Steunblaadjea gewoonlijk aanwezig; eierstok gaaf.
XXIV. Linaceae. Kelkbladen dakpanswijze dekkend in
den knop, zonder klieren aan de rugzijde. Schijf ontbrekend,
tenzij de 5 klieren, welke met de meeldradenbuis vergroeid
zijn, als schijf opgevat worden. Eierstok gaaf, 3—5-hokkig;
in elk hokje meestal 2 eitjes. Kiemwit vleezig, zelden ont-
brekend. Kruiden of heesters, zelden boomen, met afwisse-
lende, onverdeelde bladeren. Steunblaadjes mqestal aanwezig.
-ocr page 49-
OVERZICHT DER FAMILIES.
XLI
•J-j- Steunblaadjes al of niet aanwezig; eierstok gelobd, bij
sommige
Rutaceae gaaf.
XXV.   Malpighiaceae. Kelkslippen 5, alle ofeenigevan
buiten 2 klieren dragende. Schijf plat, uitgespreid of zeer
dikwijls weinig ontwikkeld of met de meeldradenbuis samen-
vloeiende. Eierstok gelobd of uit vrije vruchtbladen, meestal
3, bestaande. In elk hokje 1 eitje. Kiemwit ontbrekend.
Boomen of heesters, vaak klimmend, met tegenovergestelde,
zelden afwisselende, onverdeelde, zelden gelobde bladeren.
Steunblaadjes meestal aanwezig (ontbrekende bij Aspido-
pterijs).
Vrucht (bij de Asiatisehe geslachten) gevleugeld.
XXVI.   Zygophyllaceae. Kelkbladen 5, zelden 4, meestal
vrij, zonder klieren. Helmdradcn vaak met een schubje.
Schijf dikwijls vleezig. Eierstok met voren, hoeken of
lobben; in elk hokje 2—ao eitjes. Kruiden, met geleede,
meestal tegenoverstaande, 2-tallige of gevinde, niet gestip-
pelde bladeren. Steunblaadjes blijvend.
XXVII.    Geraniaceae. Kelkbladen 5, zelden minder,
meestal vrij. Bloembodem ternauwernood tot eene schijf ver-
breed, dikwijls met 5 klieren, zich in het midden van den eier-
stok meestal min of meer verheffende. Eierstok 3-—5-lobbig,
met 1—2, zelden co eitjes in elk hokje. Kruiden of hees-
ters met tegenovergestelde of afwisselende, meestal getande,
gelobde, ingesneden of samengestelde, geen klieren dragende
bladereu. Steunblaadjes meestal aanwezig. Bloemen soms
zeer onregelmatig.
XXVIII.  Rutaceae. Kelkbladen 4—5, vrij of vergroeid.
Eene schijf binnen de meeldraden ontbreekt slechts zelden.
Eierstok meestal gelobd, zelden uit vrije vruchtbladen
gevormd; in elk hokje 2 eitjes. Heesters, zelden kruiden,
met klierachtig gestippelde, meestal tegenoverstaande, samen-
gestelde (zelden enkelvoudige en onverdeelde) bladeren.
Steunblaadjes zeer zeldzaam.
XXIX.   Simarubaceae. Dezelfde kenmerken als van de
Rutaceae, doch de bladeren moestal afwisselend en ongestip-
peld, de helmdraden vaak met een schubje en meestal
-ocr page 50-
OVERZICHT DER FAMILIES.
XLII
één eitje in elk hokje van den eierstok. Boomen of hees-
ters met een bitteren bast.
XXX.   Ochnaceae. Kelkbladen 4—5, vrij, meestal kraak-
beenachtig of stijf. Bloembodem na den bloei vergroot.
Helmknoppen verlengd. Eierstok gelobd met 1, 2 of oo
eitjes in elk hokje. Heesters of boomen met afwisselende,
lederachtige, glanzende, meestal onverdeelde bladeren. Steun-
blaadjes verschillend.
-J-J~j- Steunblaadje» ontbrekend; eierstok gaaf.
XXXI.   Burseraceae. Kelk 3—5-spletig, zelden -deelig.
Schijf ring- of uapvorrnig, vrij of met den kelk ver-
groeid. Eierstok gaaf, 2—5-hokkig, met 2 eitjes in elk hokje
(zelden 1). Kiem zonder kiemwit met ineengevouwen en
gedraaide, zelden dikvleezige zaadlobben. Boomen of hees-
ters, die welriekende harsen bevatten, met afwisselende,
vinvormig samengestelde of drietallige bladeren.
XXXII.  Meliaceae. Kelk klein. Schijf verschillend. Meel-
draden meestal ééubroederig met op do buis zittende of zeer
dikwijls gesteelde helmknoppen. Eierstok gaaf, meestal met 2
eitjes in elk hokje. Boomen of heesters met afwisselende,
vaak vinvormig samengestelde, zelden enkelvoudige bladeren.
11 |\'l Steunblaadjes ipoediy afvallend ; eierstok naaf.
XXXIII.  Dichapetalaceae (Chailletiaceae). Kelkbladen
5, vrij of vergroeid. Bloembladen 2-lobbig. Schijf nap vormig of
in 2 schubben verdeeld. Eierstok gaaf. Eitjes 2 in elk hokje.
Boomen of heesters, met afwisselende, onverdeelde bladeren.
Cohors 8. OLACALKS.
(Eitjes hangend, met rugstandige zaadnerf.)
Schijf nap- of ringvormig, vrij of bloembladen en meel-
draden aan den top dragend of in klieren verdeeld of ont-
brekend. Vruchtbeginsel onverde.eld. Eierstok of 1-hokkig,
met 1—3 eitjes, of 8—oo -hokkig met 1—2 eitjes in elk hokje,
hangend; zaadnerf rugstandig; bekleedsels van het zaad
geheel of nagenoeg geheel met do kern vergroeid. Vrucht
met één zaad of één zaad in elk hokje. Kiemwit overvloedig,
vleezig, zelden ontbrekende.
-ocr page 51-
OVERZICHT DER FAMILIES.                        XLIII
XXXIV.   Olacaceae. Kelk klein. Bloembladen of lobben
der bloemkroon klepswijze aaneensluitend in den knop.
Eierstok 1-hokkig of door tusscheiischotten, welke den top
niet bereiken, onvolkomen 3—o-bokkig. Vrucbt vaak 1-zadig.
Kiem zeer klein, in den top van het sterk ontwikkeld
kiemwit, of groot. Boomen of heesters, soms windend;
bladeren afwisselend, onverdeeld, zelden gelobd. Steun-
blaadjes ontbrekend.
XXXV.   Ilicaceae. Kelk klein. Bloembladen of lobben
der bloemkroon dakpanswijze dekkend in den knop. Eier-
stok volkomen 3—oo -hokkig. Steenvrucht met 3—oo , één-
zadige keruen. Kiem zeer klein, in een sterk ontwikkeld
kiemwit. Boomen of heesters, met afwisselende, onverdeelde
bladeren. Steunblaadjes ontbrekend.
Cohors 9. CELASTRALES.
(Eitjes opgericht, met buikstaudige zaaduerf.)
Schijf kussenvormig, óf met den kelk vergroeid, of de basis
hiervan bekleedend. Meeldradeu evenveel als de bloembladen
of minder, zelden in het dubbele aantal, om de schjjf ot
aan den rand daarvan ingeplant. Eierstok meestal gaaf.
Eitjes 1—2 in elk hokje, opgericht, met buikstandige zaadnerf.
Bladeren (behalve bij de Ampelidaceaé) onverdeeld. Bloemen
tweeslachtig.
XXXVI.   Celastraceae. Kelk klein, dakpanswijze dek-
kend in den knop. Bloembladen uitgespreid, dakpanswijze
dekkend in den knop. Meeldradeu met de bloembladen
afwisselend. Heesters of boomen met enkelvoudige bladeren.
XXXVII.  Rhamnaceae. Kelklobben klepswijze aaneeu-
gluitend in den knop. Bloembladen, klein, hol. Meeldradeu
tegenover de bloembladen. Heesters of boomen met enkel-
voudige bladeren.
XXXVIII.  Ampelidaceae. Kelk klein, lobben dakpans-
wijze dekkend in den knop. Bloembladen klepswijze aan-
eensluitend in den knop, spoedig afvallend. Meeldradeu
tegenover de bloembladen. Meestal klimmende heesters met
enkelvoudige of samengestelde bladeren.
-ocr page 52-
XLIV
OVERZICHT DER FAMILIES
Cohors 10. SAPmDAIiES.
(Eitjes klimmend, met buikstandige zaadnerf
of omgekeerd.)
Schijf kussen vormig of met den kelk vergroeid, of de basis
daarvan bekleedond. Meeldraden binnen, op of om de schijf
ingeplant. Eierstok gaaf, gelobd of uit min of meer vrije
vruchtbladen gevormd. Eitjes 1—2 in elk hokje, klimmend,
met buikstandige zaadnerf, of omgekeerd, of 1 van eene klim-
mende zaadstreng neerhangend, met een naar onderen ge-
richt poortje, of\' zeer zelden cc , horizontaal. Bladeren meestal
samengesteld. Bloemen meestal gemengdslachtig-tweehuizig.
XXXIX. Sapindaceae. Meeldraden meestal niet in hetzelfde
aantal als do bloembladen, niet zelden in het dubbele aantal,
doch als zij in hetzelfde aantal zijn, er mede afwisselend;
binnen, op, of om de schijf ingeplant. Stijl enkelvoudig.
Eitjes 1—2 in elk hokje, klimmend of oo , horizontaal. Boomen
of heesters, soms klimmend; bladeren meestal samengesteld.
XL. Sabiaceae. Meeldraden (dikwijls ongelijk of som-
mige onvolkomen) in hetzelfde aantal als de bloembladen
en tegenover deze geplaatst. Eierstok 2— 3-hokkig met 1—2
eitjes in elk hokje. Boomen of heesters ; bladerenverschillend.
XLI. Anacardiaceae. Meeldraden meestal in hetzelfde
aantal als de bloembladen en daarmede afwisselend of in
Let dubbele aantal, op of om de schijf ingeplant. Eier-
stok öf 1-hokkig met 2—3-spletigen stijl, öf 2—5-hokkig ;
in elk hokje 1 eitje, hangend van den top van eene basi-
laire zaadstreng of aan den top of don wand van het
hokje bevestigd. Boomen of heesters; bladeren verschillend.
XL11. Moringaceae. Schijf de kelkbuis bekleedend. Meel-
draden 5, afwisselend met 5 staminodiën. Eierstok 1-hokkig,
met 3 wandstandige zaadlij sten. Eitjes oo . Boomen met
dubbelgevinde bladeren.
(Eén geslacht, dat zijn verwanten heeft onder Thalami-
florae, Diseiflorae
en Üalyciflorae, doch tot geen bepaalde
groep te brengen is.)
-ocr page 53-
OVERZICHT DER FAMILIES.
(Voortzetting.)
SERIES III. CALYCIFLORAE. (Kelkbloemigen.)
Kelkbladen aan de basis, of meestal hoog of tot deu top
verbonden tot eene blijvende of van boven afvallende buis, die
met den eierstok vergroeid is of dezen omgeeft, zelden van
de basis af vrij. Schijf meeldraden dragend, met de kelk-
buis vergroeid, vrij van den eierstok of den kelk en den
eierstok verbindend, in sommige Families epigynisch en vrij
van de meeldraden. Bloembladen meestal in hetzelfde aan-
tal als de kelkbladen of door mislukking minder, geplaatst
aan den top van de kelkbuis of van de schijf, die dezen
bekleedt, in weinige geslachten ontbrekend. Meeldraden in
bepaald of in onbepaald aantal aan den rand of de binnen-
zijde van de schijf ingeplant. Eierstok uit één of meer vrije
of vergroeide vruchtbladen bestaande, meestal onderstandig
of met de kelkbuis vergroeid.
Uitzonderingen: In eenige weinige geslachten der Lcgumino-
sae, Rosaceae, Samydaceae
en Aizoaccae is de kelkbuis kort of
ontbreekt, zoodat de kelkbladen geheel vrij zijn. De eierstok steekt
soms gedeeltelijk, bij eenige Samydaceae en Aizoaceae geheel, boven
den kelk uit.
Cohors 11. ROSAIiES.
(Vruchtbladen geheel of gedeeltelijk vrij.)
Bloemen regelmatig of onregelmatig, meestal tweeslachtig.
Eén of meer vruchtbladen, vrij of aan de basis, zelden tot
aan den top vergroeid. Stijlen vrij of zelden tot eene zuil
verbonden en vooral aan de basis gemakkelijk loslatend.
Bladeren op verschillende wijzen samengesteld of enkelvoudig.
-ocr page 54-
XLVI                        OVERZICHT DER FAMILIES.
f Eitjes van de basis opstijgend of in den binnenhoek der hokjes
vastgehecht.
XLIII. Connaraceae. Bloemen regelmatig. Meeldraden in
bepaald aantal. Vruchtbladen 1—5, vrij ; eitjes 2, van de
basis af klimmend, orthotroop. Eén of moer kokervruchten,
elk uit één vruchtblad gevormd. Kiemwit vaak voorkomende.
Boomen of heesters. Bladeren afwisselend. 1—3-tallig of ge-
vind. Steunblaadjes ontbrekend.
XLIV. Legnminosae. Bloemen onregelmatig of regelmatig.
Meeldraden in bepaald aantal of oo. Eén excentrisch vrucht-
blad, zelden moor; eitjes oo of 1—2, in don binnenhoek der
hokjes vastgehecht, amphitroop of anatroop. Stijl eindolingsch.
Kiemwit zelden voorkomondo. Boomen, heesters of kruiden.
Bladeren verschillend, meestal samengesteld. Steunblaadjes
meestal aanwezig.
XLV. Rosaceae. Bloemen meestal regelmatig. Meeldraden
meestal in onbepaald aantal. Vruchtbladen 1—oo, vrij of ten
slotte, zelden van den beginne af aan, vergroeid; eitjes
meestal 2, anatroop; stijlen aan de basis of aan de binnenste
oppervlakte der vruchtbladen ingeplant, nooit zuiver einde-
lingsch. Kiemwit zeer zeldzaam. Kruiden, heosters of boomen.
Bladeren verschillend, meestal afwisselend, getand, gelobd of
ingesneden. Steunblaadjes meestal aanwezig.
XLVI. Saxifragaceae. Bloemen meestal regelmatig. Meel-
draden meestal in bepaald aantal. Vruchtbladen vorgroeid
of aan den top, zelden van de basis af vrij; eitjes meestal
oo ; stijlen vrij of, zoo zij tot eene zuil verbonden zijn, aan
de basis gemakkelijk loslatend. Kiemwit meestal overvloedig.
Boomen of heesters, meestal met tegenovergestelde bladeren,
of kruiden en deze meestal met afwisselende bladeren.
XLVII. Crassulaceae. Bloemen regelmatig. Kelkbladen,
bloembladen, 1 of 2 rijen van meeldraden en vruchtbladen,
alle meestal vrij en in hetzelfde aantal. Eitjes in elk vrucht-
blad oo. Kiemwit vleezig. Meestal vleezige kruiden of half-
heester s.
-ocr page 55-
OVERZICHT DEK FAMILIES.                       XLVII
ff Eitjes aan ivandstandige zaadlijsten vastgehecht.
XLVIII. Droseraceae. Bloemen regelmatig. Meeldraden
meestal in bepaald aantal. Vruchtbladen verbonden tot een
eierstok met wandstandige zaadlijsten ; stijlen vrij ; eitjes <x>.
Kruiden met klierdragende haren.
fff Eitjes meestal 1 of weinig, hangend aan den top van het hokje.
XLIX. Hamamelidaceae. Kelkbladen en bloembladen ver-
schillend of ontbrekend. Meeldraden weinig of oo. Eierstok
meestal onderstandig of half onderstandig, uit 2 aan den
top vrije vruchtbladen bestaande; één eitje in elk hokje,
hangend aan den top hiervan of in onbepaald aantal aan de
as vastgehecht. Boomen of heesters. Bladeren meestal afwis-
selond, met steunblaadjos. Bloemen meestal in hoofdjes.
L. Haloragidaceae. Bloemen klein, moostal onvolkomen,
2—4-tallig. Meeldraden in bepaald aantal. Eierstok onder-
standig, 1—4-hokkig, met 1—4 vrijo stijlen; één hangend
eitje in elk hokje. Kiemwit vleozig. Land-of waterbewonende
kruiden of half heestors. Bladeren afwisselend, zelden togen-
overgostold, gaafrandig, getand of gelobd, die welke onder-
gedoken zijn meestal in talrijke slippen verdeeld.
Oohors 13. MYRTAL.ES.
(Zaadlijsten aan den top, den binnenhoek of de
basis der hokjes bevestigd, zelden wandstandig.)
Bloemen regelmatig of nagenoeg regelmatig, moestal twee-
slachtig. Vruchtbladen 2—oo , verbonden tot een eierstok, die
onderstandig of binnen de kolkbuis besloten en door schotten
gedeeld of door het verdwijnen der schotten 1-hokkig is; stijl
onverdeeld. Bladereu enkelvoudig, gaafrandig, zelden getand.
Uitzondering: Bladeren 3-tallig bij Illigera onder de Comhreta-
ceae,
vinspletig bij eenige Onagraceae. De 4-hokkige eierstok is
misschien uit 1 vruchtblad gevormd bij de Combretaceae.
§ Eitjes hangend aan den top der hokjes.
LI. Rhizophoraceae. Kelklobben in den knop klepswijze
-ocr page 56-
OVERZICHT DER FAMILIES.
XL VIII
aaneensluitend. Meeldraden 2—4-maal meer dan de bloem-
bladen. Eierstok 2—6-hokkig, onderstandig, half bovenstau-
dig of zelden bovenstandig. Kiemwit ontbrekend of vleezig.
Boomen of heesters, zeer dikwijls aan de zeestrandeu voor-
komende. Bladoren meestal tegenovergesteld, zeer zelden af-
wisselend, zonder steunblaadjes.
LIL Combretaceae. Kelklobben in den knop verschillend.
Meeldradou meestal in bepaald aantal. Eierstok 1-hokkig.
Kiemwit ontbrekend. Zaadlobben ineengerold of gevouwen.
Boomen of heesters. Bladeren tegenovergesteld of afwisselend,
zonder steunblaadjes.
§§ Eitjes in den binnenhoek der hokjes of aan basilaire zaadlijslen
vastgehecht, klimmend, horizontaal of hangend.
LUL Myrtaceae. Kelklobben in den knop dakpanswijze
dekkend of open. Meeldraden meestal in onbepaald aantal.
Eierstok meestal onderstandig, 2—oo-eiig en 2—oo-hokkig,
öf zelden 1-hokkig met nagenoeg basilaire zaadlijsten. Kiemwit
ontbrekend. Boomen of heesters, zelden half heesters. Bladeren
zonder steunblaadjes, meestal gestippeld, tegenovergesteld
of zelden afwisselend, viunervig of zelden 3—5-nervig.
LIV. Melastomaceae. Kelklobben meestal in den knop
dakpanswijze dekkend of open. Meeldraden meestal in be-
paald aantal, met 1 —2 poriën aan den top, zelden met 2
spleten; helmbindsol meestal verdikt en op verschillende
wijzen met aanhangsels voorzien. Eierstok met den kelk ver-
groeid of vrij, 2—oo -hokkig met oo eitjes in elk hokje.
Kiemwit ontbrekend. Boomen, heesters of kruiden, met tegen-
overgestelde, 3—9-nervige, zelden vinnervige bladeren, zonder
steunblaadjes.
LV. Lythraceae. Kelklobben in den knop klepswjjze aan-
eensluitend. Bloembladen meestal ineengekreukt. Meeldraden
in bepaald of zelden in onbepaald aantal. Eierstok meestal
vrij, 2- -co -hokkig; elk hokje met oo eitjes. Kiemwit ont-
brekend. Kruiden, heesters of boomen. Bladeren tegenover-
gesteld of zelden afwisselend, gaafrandig, zonder steunblaadjes.
-ocr page 57-
OVERZICHT DER FAMILIES.                         XLIX
LVI. Onagraceae. Bloomen meestal 2—4-tallig. Kelklobben
in den knop klepswijze aaneensluitend. Meeldraden in bepaald
aantal. Eierstok onderstandig, 2—4-, zelden 1-hokkig, met
oo, zelden met 1 eitje in elk hokje. Kiemwit ontbrekend.
Kruiden, heesters of boomen. Bladeren verschillend, soms
getand of vinspletig, zonder steunblaadjes.
Cohors 13. PASSIFLORALES.
(Zaadlijsten meestal wandstandig.)
Bloemen regelmatig, of zeldzamer in mindere of meerdere
mate onregelmatig. Vruchtbladen vergroeid tot een eierstok,
die onderstandig, half onderstandig of in de kelkbuis beslo-
ten is, zelden daar buiten uitsteekt, 1-hokkig, doch min of
meer door wandstandige zaadlijsten of door schotten, die
ter zijde of dicht bij de wanden zaadlijsten dragen, zelden
volkomen, gedeeld. Stijl min of meer gedeeld of (bij de meeste
Samydaceaë) ongedeeld of stijlen van de basis af vrij. Bla-
deren gaaf, gelobd of ingesneden.
LVII. Samydaceaë. Bloemen meestal tweeslachtig. Bloem-
bladen meestal min of meer gelijk aan do kelkbladen of ont-
brekend. Bijkroon ontbrekend. Meeldraden nu eens in bepaald
aantal, afwisselend met klieren of schubben, dan weder in
onbepaald aantal. Eierstok onderstandig, half bovenstandig
of met eene breede basis. Stijl onverdeeld of zelden 3-spletig
of 3-deelig. Kiemwit overvloedig. Boomen of heesters. Bla-
deren onverdeeld, afwisselend of zelden tegenovergesteld.
Steunblaadjes klein of ontbrekend.
LVIII. Turneraceae. Bloemen tweeslachtig. Bloembladen
in vorm van de kelkbladen verschillend, naakt of met
eene schub voorzien, doch overigens zonder bijkroon. Meel-
draden in bepaald aantal. Eierstok vrij. Stijlen van de basis
af vrij, dikwijls 2-spletig. Kiemwit overvloedig. Kruiden of
heesters. Bladeren afwisselend, onverdeeld. Steunblaadjes
klein of ontbrekend.
LIX. Passifloraceae. Bloemen tweeslachtig of éénslachtig.
Bloembladen dikwijls in vorm met de kelkbladen overeen-
-ocr page 58-
L
OVERZICHT DER FAMILIES.
komende of ontbrekend. Bijkroon op de kelkbuis of binnen
de bloembladen ingeplant, onkel, dubbel of uit vele rijen
bestaande. Meeldraden meestal in bepaald aantal. Eierstok
vrij. Stijl enkelvoudig of 3—5-deelig. Kiemwit vleezig. Hees-
ters of kruiden, dikwijls klimmend, zelden boomen. Bladoren
afwisselend, dikwijls gelobd of ingesneden, met of zonder
steunblaadjes. Met okselstandige of zonder ranken.
LX. Cucurbitaceae. Bloemen éénslachtig. Bloembladen
zeer uitconloopend van vorm, dikwijls met den kelk ineen-
vlooiend. Meeldraden in bepaald aantal, (meestal 3); helm-
knoppen naar buiten tegen het helmbindsel aangegroeid.
Bijkroon ontbrekend. Eierstok meostal ondorstandig; zaad-
ljjston aan de as inconvloeiend. Stijl enkelvoudig of aan den
top verdeeld. Kiemwit ontbrekend. Kruiden of halfhoesters,
klimmend of neerliggend. Bladeren afwisselend, meestal ge-
tand, gelobd, handdcelig of voetvormig gedeeld, met zijdo-
lingscho of zonder ranken.
LXI. Begoniaceae. Bloemen cénslachtig, onsymmetrisch.
Bloemdokslippen 2—qo , allo bloombladachtig of de buiten-
ste kelkbladachtig. Meeldraden oo, mot aan het helmbindsel
vergroeide holmknoppon. Eierstok onderstandig, meestal 3-
kantig of 3-vleugelig, 3-hokkig, met zaadlijsten, die uit den
binnenhock der hokjes naar binnen uitspringen en zelden wand-
standig zijn. Stijleu vrij of aan do basis vergroeid, meestal 2-
spletig. Kiemwit dun of ontbrekend. Kruiden of halfheesters
met afwisselende of verspreide, meestal ongelijkzijdige, ge-
tande, gelobde of handvormig samengestelde bladoren.
LXII. Datiscaceae. Bloemen éénslachtig of gemengdslach-
tig. Bloemdokslippen kloin. Meeldraden 4—co, mot aan de
rugzijde vastgehechte helmknoppon. Eierstok onderstandig,
dikwijls aan den top openstaande. Wandstandige zaadlijsten.
Stjjlen vrij, enkelvoudig of 2-deolig. Kiemwit gering. Krui-
den of boomen. Bladeren afwisselend, enkelvoudig of gevind.
Steunblaadjes ontbrekend.
-ocr page 59-
u
OVERZICHT DER FAMILIES.
Cohors 14. AIZOALES. (Ficoidales)»)
(Kiem excentrisch.)
Bloemen geheel of nagenoeg geheel regelmatig. Vrucht-
bladen tot eon ouderstandigen of half of geheel bovenstandi-
gen eierstok vergroeid, die nu eens 1-hokkig is met wand-
standigo zaadlijsten, dan weder 2—oo -hokkig mot basilairo,
of aan de centrale as vergroeide zaadlijsten. Stijlen vrij of
tot eene aan den top gespleten zuil vergroeid, met lijnvor-
mige, aan de binnenzijde stempelkliertjes dragende lobbon of
stijlen. Kiem in de kiemwithoudendo zaden excentrisch, ge-
kromd of cirkelvormig, zelden, bij do zaden zonder kiemwit,
schuin. Bladeren gaafrandig of bij de planten met vleozige
stengels ontbrekend.
LXIII. Aizoaceae (Ficoideae). Kelklobben moestal 4—5.
Bloembladen oo of klein of ontbrekend. Meeldraden oo of
weinig. Eierstok onderstandig of half of geheel bovonstandig,
2—oo -hokkig. Stijlen vrij of hoog vergroeid. Kruiden of
halfheesters, niet zelden vleezig. Bladeren gaafrandig.
Cohors 15. ITJHBELIiAIiES.
(Epigynische schijf.)
Bloemen regelmatig. Eierstok onderstandig, 2—oo-, zelden
1-hokkig; in elk hokjo 1 hangend eitje. Stijlen vrjj of aan
de basis verbonden, op eene epigynische schijf geplaatst
of door deze omgeven. Meeldraden meestal in bepaald aan-
tal. Kiemwit overvloedig. Kiem zeer klein, of langer en
dan recht.
LXIY. Umbelliferae. Bloembladen meestal licht dakparis-
wijze dekkend, zelden in den knop dakpanswijze aan-
eensluitend. Eierstok 2-tallig. Vrucht in 2 droge, niet open-
springende nootjos uiteen splijtende. Kruiden, zelden heesters
\') De verandering van den Cohorsnaam Ficoidales in Aizoales is de
onvermijdelijke consequentie van de verandering van den familienaam
Ficoideae in Aizoaceae.
-ocr page 60-
Lil
OVERZICHT DER FAMILIES.
of boomen. Bladeren meestal ingesneden. Buitenlaag van
den vruchtwand meestal door olie bevattende kanalen
doortrokken.
LXV. Araliaceae. Bloembladen in den knop klepswijze aan-
eensluitend, zelden dakpanswijze dokkend. Eierstok 1—oo-
tallig. Zaadnorf der eitjes buikstandig. Vrucht meestal steen-
vruchtachtig mot vrije kernen, die echter zelden, zooals de
nootjes bij de Umbelliferae, uiteenwijken. Boomen of heesters
of zelden kruiden. Bladeren afwisselend of zelden tegen-
overgesteld, meestal samengesteld of handlobbig of -spletig.
Buitenlaag van den vruchtwand vleezig, dun of dik en zelden
met oliehoudeude blaasjes.
LXVI. Cornaceae. Bloembladen in den knop klepswijze
aaneensluitend of dakpanswijze dekkend. Eierstok 1-, 2- of
4-hokkig. Zaadnerf der eitjes rugstandig. Vrucht meestal
steenvruchtachtig, met vrije doch niet van zelf uiteenwijkende
kernen. Boomen, heesters of zelden kruiden. Bladeren tegen-
overgosteld of zelden afwisselend, onverdeeld.
-ocr page 61-
Fam. i. RANUNCULACEAE.
ÜENTtiAM ot Hookrr. Genera Plant. Lp. 1. — Hooker, Fl. of Brit.
Ind.
I. p. 1. — MiQUEi., Ann. Mus. Lugd. Hal. IV. |>. 05—08. — Kuntze,
Mon. der Galt. Clematis (Verhandl. Hol. Ver. Prov. lirandenb.
XXVI. 188r>.)
Kelkbladen 3— <x (meestal 5), hypogynisch, vrij, dikwijls
bloembladachtig en afvallend, in den knop dakspanswijze
dekkend of (bij de Clemcttideae) klepswijze aaneensluitend.
Bloembladen in gelijk aantal als de kelkbladen of qo .
hypogynisch, vrij, soms vlak en groot, soms klein, mis-
vormd of ontbrekend, in den knop dakspanswijze dekkend.
Meeldraden oo, meestal in vele rijen, hypogynisch, vrij.
Helmknoppen zonder geleding op den top der helmdraden
vastgehecht, hokjes openspringende met zijdelingsche of
naar buiten gekeerde spleten. Vruchtbladen oo, zelden
slechts 1, vrij of zelden min of meer met elkander ver-
groeid; 1-hokkig, met een enkelvoudigen stijl, welke aan
de binnenzijde van den top stempelkliertjes draagt, of met
een zittenden stempel. Eitjes anatroop, soms slechts 1,
klimmend, met buikstandige zaadnerf of hangend met
rugstandige zaadnerf, soms verscheidene, horizontaal, in
twee rijen aan den buiknaad vastgehecht. Drooge, niet
openspringende, éénzadige dopvruchtjes, of besvruchten
met één of weinige zaden, of doosvruchten, welke aan de
binnenzijde of aan den top kokervormig openbersten,
Zaden zonder zaadrok. Zaadhuid bij de éénzadige vruch-
ten dun, lederachtig, glad of rimpelig, met weinig voor-
uitspringende zaadnerf, bij de veelzadige korstachtig of
vleezig-sponsachtig, glad, rimpelig of min of meer beschubd,
met een dikwijls zeer sterk vooruitspringende zaadnerf.
Kiem zeer klein, aan de basis van een hoornachtig, zel-
den vleezig, kiem wit.
Éénjarige kruiden of overblijvende planten met wortel-
achtigen of zodevormenden wortelstok of met uitloopers,
zelden halfheesters of houtachtige klimplanten. Bladeren
t
-ocr page 62-
2
I. RANUNCULACEAE.
wortelstandig of afwisselend (bij de Clematideae tegenover-
gesteld), gaafrandig of hand* of vinspletig; bladsteel dikwijls
aan de basis seheedevormig verbreed of zelden met steun-
bladachtige aanhangsels. Haren, zoo zij voorkomen, enkel-
voudig. Bloeiwijze meestal eindelingsch, éénbloemig of
in den vorm van trossen of pluimen. Bloemen regelmatig
of zelden (bij de Delphinieae, welke nog niet in den
Indischen Archipel zijn waargenomen) onregelmatig, twee-
slachtig, zelden door mislukking tweehuizig.
Omstreeks 30 geslachten en 1200 soorten, over den ge-
heelen aardbol verspreid. In de tropische gewesten is deze
familie slechts door eenige weinige soorten vertegenwoordigd,
welke bij voorkeur in de bergstreken aangetroffen worden.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
-J- Bladeren tegenovergesteld. Rechtopstaande of klimmende lieeslers
4.   Nar.wf.ua. Bloembladen cc . lijnvormig.
2.   Clematis. Bloembladen ontbrekend.
-J-f Bladeren afwisselend. kruiden.
§ Kelkbladen bloembladachtig; hloemblailen ontbrekend.
3.   Anf.mone. Bloemen met een omwindsel.
i. TiiAUCTiuiM. Bloemen zonder omwindsel.
§§ Kelkblade.n kruidachtig; bloembladen 5.
5.   RANUNCULUS. Bloemen zonder omwindsel.
1. NARAVELIA DO.
Kelkbladen 4—5, bloembladachtig, in den knop kleps-
wijze aaneensluitend. Bloembladen 6—12, lijn- of knods-
vormig, smal, langer dan de kelkbladen, soms kort of
naaldvormig, zelden ontbrekend. Meeldraden met een
verlengd helmbindsel; helmhokjes aan den rand of aan
de binnenzijde der helmknoppen; helmdraden onbehaard.
Stampers langwerpig, lang gesteeld, met langgebaarde
stijlen en meestal spiraalswijze gewrongen.
Klimmende heesters, met tegenovergestelde, vinvormig
samengestelde bladeren, waarvan slechts het onderste juk
blaadjes draagt, terwijl de drie volgende bladsteeltjes in
ranken veranderd zijn. Blaadjes 3—7-nervig. Bloemen in
pluimen of alleenstaand in de oksels der bladeren.
-ocr page 63-
3
I. RANUNCULACEAE.
Aantal soorten 3 of 2, van Ce) Ion tot de Philippqnsche Eilanden.
Kuntze (Mon. d. Grill. Clemnlis in VerhanM. Hot. Vere.in. d.
Prov. Brandenb.
XXVI p. 121) houdt .V. laurifolia Wall. en
pilulifera Hanri: voor vormen van A\'. \'/.ajlaniva DC. en onder-
scheidt dus slechts twee soorten: jV. Zeylanica DC. en 2V. dasyo-
neura Korth. Daar hij verder de bloembladen als staminodiën be-
schouwt, brengt hij beide tot het geslacht Clematis, waarvoor
wel eenige reden is, vooral omdat deze staminodiën bij eene vorm
van iV. Zeylanica D C. ontbreken en bij sommige soorten van Cle-
matis
ook staminodiën aangetroffen worden.
2. CLEMATIS L.
Bloemen tweeslachtig, gemengdslachtig of tweehuizig.
Kelkbladen 4, klepswijze «aaneensluitend in den knop,
uitgespreid, opgericht of tot een buis samenkomend, bloem-
bladachtig, dik of vliezig, nu eens breed en rondachtig, dan
weder smal en langwerpig. Bloembladen ontbrekend. Meel-
draden talrijk, in 1 of meer rijen; de buitenste rijen soms
bloembladachtig en zonder helmknoppen (staminodiën).Helm-
draden behaard of kaal, meestal zonder geleding, op den
top de korte of lijnvormige helmknoppen dragende welke
al of niet van gelede aanhangsels voorzien zijn; helm-
bindsel stomp of puntig en ver boven de helmhokjes uit-
stekend. Stampers talrijk, meestal met lange, gevederde,
zeldzamer met korte, priemvormige of rudimentaire stijlen.
Eénzadige dopvruchtjes, zittend of gesteeld, gewoonlijk met
de lange stijlen verbonden blijvend.
Houtachtige, meestal klimmende heesters, zelden over-
blijvende kruiden. Bladeren tegenovergesteld, dikwijls met
klimmende bladstelen, enkel-, twee- of driedubbel drie-
tallig of gevind. Bloemen afzonderlijk of meerdere bijeen
in de oksels der bladeren, of in samengestelde bloei-
wijzen, vaak pluimvormig, aan de toppen der takken, niet
zelden aan verkorte bloeitakken, welke zich uit oudere
knoppen ontwikkelen.
liet aantal der soorten is volgens de opvatting dei\' verschillende
schrijvers zeer uiteenloopend. Bkstiiam en IIooker geeft een 100-tal
soorten op. In de Monographie van K.UNTZE worden deze tot onge-
veer 94 gebracht. Het geslacht is zoowel in de gematigde als in
de tropische gewesten wijd verspreid. Volgens Miquki. komt een
vijftal soorten in den Maleischen Archipel voor. Kunt/.e noemt als
daar voorkomend: Cl. Vitallm L.,Cl. Smilacifolia Wall.,CL ariatata
II. Br.
en Cl. acuminata D C, benevens de beide soorten van bet
voorgaand geslacht, door hem ook tot Clenutlis gerekend. I>e door
-ocr page 64-
4
I. RANUNCÜLACEAE.
Miqi\'f.i. opgenoemde Cl. Gouriann Rowb., Cl. bitemata D C. en
Cl. grata Wall. beschouwt hij als vormen van Cl. Yitulba L., en Cl.
Leschenau\'tiana DC.
als een variëteit van Cl. actiminata DC.
3. ANBMONE /..
Kelkbladen 4—20, bloembladachtig, in den knop
dakpanswijze dekkend. Bloembladen ontbrekend. Meeldra-
den co, buitenste soms vervormd of bloembladachtig.
Vruchtbladen go ; eitje 1, hangend. De rijpe stampers
vormen een hoofdje met zittende dopvruchtjes en lange
of korte, naakte of gebaarde stijlen.
Overblijvende kruiden. Bladeren wortelstandig, gelobd
of gedeeld. Bloemen aan 1-of meerbloemige, enkelvoudige
of vertakte bloemsehachten, elk omgeven door een drie-
deelig omwindsel, bestaande uit vrije of vergroeide schut-
bladen.
Aantal soorten 80 in de koude en gematigde streken, /.eer zelden
in het Zuidelijk halfrond.
Eéne soort, .1. Suniatrana dr IV., werd op Suinatra gevonden.
\'t: THALICTRUM /,.
Kelkbladen 4—5, bloembladachtig, dakpanswijze dek-
kend in den knop. Bloembladen ontbrekend. Meeldraden
co. Stampers weinig of talrijk. Eitje 1, hangend. De rijpe
stampers vormen een hoofdje van zittende of gesteelde
dopvruchtjes; stijl blijvend of afvallend.
Overblijvende, rechtopstaande, gewoonlijk stijve kruiden.
Bladeren samengesteld; bladstelen met scheeden, dikwijls
met oortjes of stcunblaadjes. Bloemen zonder omwindsel,
in pluimen of trossen, dikwijls geinengdslachtig.
Aantal soorten 50. voornamelijk in de koude noordelijke lucht-
streken: in de zuidelijke /.eer /.eld/.aain. Kéne soort, T. Javanwutn
BI.,
vroeger door Miqdel met 7\'. ijli/pltm-ttrpuin Wiij/it cl Arnott
vereenigd, maar later weder daarvan afgescheiden, werd op Java
aangetroffen door van HASSELT op den top van den 1\'asserango.
5. RANTJNCULUS L.
Kelkbladen ;3—5, afvallend, dakpanswijze dekkend in
den knop. Bloembladen meestal 5, zelden ontbrekend,
dikwijls met honigkliertjes aan de basis. Meeldraden talrijk.
Stijlen kort; eitje opgericht. De rijpe stampers vormen een
hoofdje of aar van gesnavelde en gepunte dopvruchtjes.
-ocr page 65-
5
II. niLLENIACEAE.
Éénjarige of overblijvende kruiden. Bladeren gaaf, ge-
lobd of ingesneden. Steunblaadjes vliezig of ontbrekend.
Bloemen gewoonlijk in pluimen, wit of geel.
Aantal soorten Uil). In alle koude eu gematigde luchtstreken.
Op .lava eu Sumatra op de bergen. Drie soorten werden op .lava
eu Sumatra aangetroffen, n.l. 11. diffusus !*(.\'., li. fibroswt Wall.
en 11. Javanictu lteinie.
Fam. il DILLENIACEAE.
BENTHAM et HOOKER, Gen. PI. I. p. Kt. — Micj. Aiiii. Mus. IakjiI. lint.
I. p. 315, IV. p. 73—-80. — ScilEFF. in Ann. Buiten*. I. p. 2.—Mak-
TËIXI in lieer. Mule.s. lil. p. 1110.
Kelkbladen 5, dakpanswijze dekkend in den knop,
blijvend. Bloembladen 5 (zelden 3 of 4), afvallend.
Meeldraden talrijk, onderstandig. veelrijig; helmknoppen
op den top van de helmdraden, met zijdelingsche spleten
of eindelingsche poriën. Stampers 1 of meer, vrij of
in de as samenhangend; stijlen altijd afzonderlijk; eitjes
amphitroop of anatroop, enkel of in gering aantal en
opstijgend, of talrijk en vastgehecht aan den buiknaad.
Kokervruchten of niet openspringende, besvormige vruchten.
Zaden enkel of talrijk, met zaadrok (met uitzondering van
Dlllenia); zaadhuid bros; zaadnerf kort; kiem wit vleezig;
kiem klein, naast den navel.
Boomen, heesters of kruiden, soms klimmend. Bladeren
afwisselend, enkelvoudig, gaafrandig of getand (vindee-
lig bij Acrotrrma) zonder steunblaadjes, met scheedevor-
mige bladstelen (zelden, bij Worm ia en Acrotrema, met
afvallende, zijdelingsche steunblaadjes). Bloemen geel of
wit, dikwijls zeer groot.
Aantal geslachten 17, soorten omstreeks 180, Hoofdzakelijk in
tropisch Azië, Afrika, Amerika en Australië.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Tribus 1. l>eliineae. Helmdraden naar boven verdikt; helm-
knoppen kort: helmhokjes schuin, uit elkander gespreid. Hloemen
niet groot. Bladeren evenwijdig viunervig, meestal ruw.
\'I. Dlïl.lMA. Stampei\' 1 .....t. 2—II eitjes. Kénzadige kokervrucht.
2. TETRACERA. Stampers \',i—."> niet talrijke \'2-rijige eitjes. Ko-
kervrucht met I—."> zaden. (Hiertoe ook JMimopn» .¥)\'</. met
1 stamper).
-ocr page 66-
6
II. DILI.ENIACEAE.
Tribus II. IHIIcniCHO. Ilelmdraden niet naar boven verdikt.
lii\'liiiknn|i|ii\'iL lijnvormig of langwerpig met evenwijdige, aan elkander
liggende hokjes. Bladeren groot, evenwijdig, vinnervig of vinspletig.
3. Acrotreha. Stampers 3. Stengellooze kruiden, groote wortel*
bladeren.
<i. Wormia. Stampers 5—20. Hoornen of heesters, zaden met
zaadrok.
5. Dili.knia. Stampers 5—20. Hoornen, zaden zonder zaadrok,
naakt of in vruchtmoes.
1. DELIMA L.
Bloemen tweeslachtig, wit. Kelkbladen 5. Bloembladen
2—5. Meeldraden talrijk. Helmdraden naar boven ver-
breed , helmhokjes klein, ver uiteenwijkende. Stamper 1,
nagenoeg bolvormig, in een priemvormigen stijl vernauwd;
eitjes 2—3, opstijgend. Kokervrucht eivormig, 1-zadig.
Zaad met een napvormigen, getanden zaadrok.
Houtachtige klimplant. Bladeren zeer ruw, evenwijdig-
nervig. Bloemen talrijk in eindelingsche pluimen.
Eéne soort van Ceylon tot de l\'hillippijnsehe eilanden voor-
komende, D. aarmentosa L. Door Baillon en ook door Hartelli
wordt deze soort tot het geslacht Tetracera gebracht.
2. TETRACERA /..
Bloemen tweeslachtig of gedeeltijk éénslachtig. Kelk-
bladen 4—6, uitgespreid. Bloembladen 4—6. Meeldraden
talrijk, helmdraden naar boven verbreed, helmhokjes
uiteenstaande. Stampers 3—5. Eitjes talrijk, 2-rijig.
Kokervruchten lederachtig glanzend. Zaden 1—5, met
een gewimperden of getanden zaadrok.
Klimmende heesters , zelden boomen, onbehaard, zel-
den ruw of zachtharig. Bladeren evenwijdig-nervig. Losse,
eindelingsche pluimen, zelden in de oksels der bovenste
bladeren, meestal veelbloemig.
Omstreeks 24 soorten, in de tropische streken der beide half-
ronden, één in Zuid-Caledonië. Hiertoe wordt ook gebracht Deli-
mopsis Miq.,
eene soort van Java welke van de andere afwijkt dooi\'
het bezit van slechts één stamper en door de rnigharigheid der ge-
heele plant. Door MlQUEL worden, behalve deze, 10 soorten van het
geslacht Tetracera opgenoemd, welke in den Maleischen Archipel
zijn aangetroffen, behalve Detinui sarmentom ƒ,., welke (IooiMar-
TEM.i ook tot het geslacht wordt gerekend, noemt deze nog 7
gedeeltelijk nieuwe soorten op, door Heccari in Nederlandse!) Indië
waargenomen,
-ocr page 67-
7
II. DILLENIACEAE.
:i. ACROTREMA Jack.
Bloemen tweeslachtig. Kelkbladen 5. Bloembladen 5.
Meeldraden 15—20, in 3 bundels, welke met de stam-
pers afwisselen. Helmdraden draadvormig; helmknoppen
opgericht, hokjes van het midden tot den top uiteen-
wijkend. Stampers 3, een weinig in de as samenhangend;
stijlen priemvormig, omgebogen; eitjes 2 of meer. Koker-
vruchten ;5, die onregelmatig openspringen. Zaad met een
vliezigen zaadrok. Zaadhuid bros, gevlekt.
Stengellooze, overblijvende kruiden met horizontale hout-
achtige wortelstokken. Bladeren groot, klierachtig be-
haard, gaafrandig, getand, vinlobbig of vindeelig. Bladstelen
door scheedevormige, afvallende, dakpanswijze dekkende
steunblaadjes gevleugeld. Bloemschacht gewoonlijk kort,
okselstandig met vliezige schubben bekleed, de gele bloe-
men in korte trossen dragende.
Omstreeks 12 Indische soorten, hoofdzakelijk van Ceylon.
Dit geslacht is tot dusverre niet in den Maleischen Archipel
aangetroffen. Daar echter .1. costatum Jurk zich volgens IIookeu
en Thomson in IIookkh /•\'/. of Brit. hul. verspreidt van Moul-
mein tot Singapore. is het niet onwaarschijnlijk dat de plant
ook op Sinnatra gevonden wordt.
\'t. WORMIA Rooft.
Bloemen tweeslachtig. Kelkbaden 5. Bloembladen 5.
Meeldraden cc , in verscheidene rijen, bijna vrij; helm-
knoppen lijnvormig, opgericht, aan den top openende door
2 poriën. Stampers 5—10, ternauwernood in de as samen-
hangende ; eitjes talrijk. Al of niet openspringende, 8- of
meerzadige kokervruchten. Zaden met een vleezigen zaadrok.
Boomen, soms zeer hoog. Bladeren groot, evenwijdig
vinnervig; bladstelen meestal met afvallende, steunblad-
achtige vleugels. Bloemen groot, in zijdelingsche trossen
of pluimen.
Aantal soorten 9, in de Mascarenen, in Australië en tropisch
Azië voorkomende. Volgens Miqiki, komen (i soorten voor in den
Maleischen Archipel. Eén der soorten weid door BLUME onder den
naam Capellia beschreven. Door Mahtku.i wordt het geslacht
Worm&a met Dillenia vereenigd. Volgens dezen schrijver komen
in Nederlandsen Indie en het naburige Ma lak ka !> soorten voor,
ondei\' den naam Wormia beschreven, terwijl een tiental nieuwe
soorten, door hem onder den naam DWeniit beschreven, als Wnrinici a
beschouwd moeten worden, wanneer men de geslachten scheidt,
-ocr page 68-
8
II. DILLENIACEAE.
5. DILLENIA L.
Bloemen tweeslachtig. Kelkbladen 5, uitgespreid. Bloem-
bladen 5, breed. Meeldraden bijna vrij, helmknoppen
lijnvormig, door kleine spleten of poriën openspringend,
de binnenste opgericht of teruggebogen, naar binnen
openend, de buitenste ternggebogen, naar buiten openend.
Stampers 5—20, in de as samenhangend. Eitjes oo.
Vrucht kogelvormig, gevormd door do niet open springende,
binnen don vergrootcn besvormigen kelk samengesmolten
stampers. Zaden naakt of in een vruchtmoes, zonder zaadrok.
Boomen. Bladeren zeer groot met sterk ontwikkelde
evenwijdige zijnerven. Bloemen groot, alleenstaand of in
bundels, geel of wit.
Omstreeks 0 soorten in tropisch Azië. Drie soorten komen vol-
gens MlQl\'El. in don Maleisehen Archipel voor. Door Mahtki.i.i
worden \'2^i soorten van Dillenia opgenoemd voor Nederlandsen [ndië
en de aangrenzende landstreken. Hiervan moet men echter een
tiental soorten afscheiden, welke, in geval Wornüa als een afzon-
dei lijk geslacht wordt beschouwd, hiertoe gebracht moeten worden.
Pam. iii. MAGNOLIACEAE.
BENTHAM et Hookkr, Gen. Plant. I. p. lit. — Miq. Ann. Mus. I.mjil.
Bat.
IV. p. 08. — BECCARI, Mal. I. p. 485.
Kelkbladen en bloembladen licht afvallend, onderstandig,
in rijen van 3. Meeldraden oc , onderstandig, helmdraden
plat of rolrond, vrij of 1-broederig; helmknoppen aan de
basis vastgehecht; helmhokjes tegen het helmbindsel aan-
gegroeid, in de lengte openbarstende. Stampers oo, vrij of
gedeeltelijk in één of meer kransen om eene verlengde as,
den stamperdrager {gynophorus), samenhangende; stijlen
kort of zelden lang, aan de binnenvlakte met stempel-
kliertjes; eitjes 2 of meer, langs den buikwand, anatroop
of amphitroop. De vrucht gevormd door besvormige of zelden
kokervruchtachtige en houtachtige, al of niet openspringende
vruchtbladen, die soms in een kegel gerangschikt zijn.
Zaden één of weinige, soms van een langen zaadstreng
afhangende; zaadhuid enkel en bros of dubbel, de buitenste
vleezig; kiemwit korrelig of vleezig en oliehoudend; kiem
klein; zaadlobben uitgespreid; kiemworteltje kort, stomp,
naast den navel.
-ocr page 69-
9
III. MAGNOUACEAE.
Boomen of heesters, soms klimplanten; dikwijls aro-
matisch. Bladeren afwisselend, gaafrandig of getand,
niet of zonder steunblaadjes. Bloemen oksel- en eind-
standig, dikwijls groot, wit, geel of rood, soms één-
slachtig.
Aantal soorten volgens IIkntiiam en IIookkk 70. geslachten ï».
verspreid in tropisch en oostelijk A/ie en Noord*Amerika, weinige
in tropisch en ineer zuidelijk Amerika en in Australië.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Tribus I. Winterene, üloeinen tweeslachtig of zelden gemengd-
slachtig-twcohuizig. Stampers in een enkelen krans of slechts één.
Itoonien of rechtopstaande heesters. Steunblaadjes (Uitbrekend.
1.   Kkimys. Kelk gespleten in\'2—3. onregelmatig klepswijs aau-
eensluitende kelkbladen. Stampers 1—oc . bij rijpheid besvormig,
niet openspringend.
Tribus II. MnjjnolieJM\'. Bloemen tweeslachtig. Stampers in
talrijke rijen dicht opeengedrongen, hoofdjes of aren vormende. l!oo-
inen of rechtopstaande heesters. Steunblaadjes de bladeren in den
knop omsluitende.
T Stamperdrager zittend.
2.  Tai.aiima. Stampers met \'2 eitjes. Vruchtjes niet openbar-
stend, maar aan de buik/.ijde rondom loslatend van de hoofdas,
waaraan de zaden met lange zaadstreugen verbonden blijven.
3.   Manolietia. Stampers met ti—oc eitjes. Vrachtjes aan de
rug/.ijde met \'2 kleppen openspringend.
•j-j- Stamperdrager getteeld.
I.
MlCHELIA. Stampers met oc eitjes. Vrachtjes aan de rug-
zijde met 2 kleppen openspringend.
Tribas 111. Seliizantfreae. Bloemen éénslachtig. Vruchtjes
besvormig. Klimmenile heesters, (leen steunblaadjes.
5.   Schizaxdha. Vruchtjes in aren.
6.   Kadsi ka. Vruchtjes in hoofdjes.
1. DRIMYS Forst.
Kelkbladen 2—3, vliezig, tot een eivormigen ofkogel-
vormigen knop verbonden, bij den bloei onregelmatig
uitoensplijtend, afvallend. Bloembladen 6—co, in 2—3
rijen dakpanswijze dekkend. I ielmdraden zeer dik; helm-
hokjes zijdelingsch, evenwjjdig of uiteengespreid. Stampers
nu eens cc, in één krans, dan weder weinige of 1, bij
rijpheid besvormig, niet openspringend. Stempels zittend.
Zaadhuid korstachtig, glanzend.
-ocr page 70-
10
III. MAliNOLIACEAE.
Altijd groene, onbehaarde, aromatische heesters. Bla-
deren doorschijnend gestippeld. Bloemstengels met 1—oo
bloemen, okselstandig aan de basis der knoppen en aldus
vóór de ontwikkeling der bladknoppen schijnbaar einde-
lingsch, bij ééne soort zijdelingsch aan éénjarige of oudere
takken. Bloemen tweeslachtig of gemengdslachtig-twee-
huizig, geelgroen, rosé of wit.
Aantal soorten volgens Uestiiam on Hookf.r 5, 1 in Zuid-Anierika,
2 in Australië, 1 in Nieuw-Zeeland on 1 op liorneo. Deze laatste
komt waarschijnlijk ook op Amboina voor, waar BECCARI een niet
bloeiend exemplaar aantrof, ilat met de plant van Horneo Drimys
Piperita
Honk. groote overeenkomst had. Ken nieuwe soort, Drimys
Hataniensis.
word door hem op hot eiland Hatain nabij Nieuw»
(iiiinoa gevonden.
± TALAUMA /««f.
Bloemen tweeslachtig. Kelkbladen \'6. Bloembladen 6 of
meer in 2 of meer kransen. Meeldraden talrijk, veelrijig,
helmknoppen lijnvormig, naar binnen openspringend. Stam-
perdrager zittend, kort of lang. Stampers talrijk, 2-eiig.
Vrachtjes houtachtig, aan de buikzijde rondom loslatend
van de houtachtige as en de zaden daaraan door een
elastischen draad verbonden latende. {Aromadendron BI.,
door Bentham en Hookek met Talauma vereenigd, ver-
schilt daarvan hoofdzakelijk doordat de vrachtjes niet van
de houtachtige as loslaten.) Zaden uit holten van de centrale
as hangende.
Boomen of heesters. Meestal met groote bladeren in
den knop, dubbelgevouwen en door twee groote vliezige
steunbladen besloten. Bloemen groot, alleenstaand, zittend
of gesteeld aan de toppen der takken.
Aantal soorten omstreeks 15, \'.i—i in tropisch Amerika, de
overige in tropisch Azië en Japan. Miquel rekent dat 9—10 soorten
in den Maleischen Archipel voorkomen en onderscheidt deze in twee
groepen: Genuinae (echte Tulamiia soorten) met (>—9, on Aroma-
dendron
niet meer dan 0 bloembladen. Do laatste groep, thans 3
soorten bevattende . werd vroeger dooi1 lSï.i\'ME als een afzonderlijk
geslacht van denzelfden naam beschreven.
3. MANG-LIBTIA lil.
Bloemen tweeslachtig. Kelkbladen 3. Bloembladen 6—cc ,
in 2—x kransen dakpanswijze dekkend. Helmknoppen
lijnvormig, met naar binnen openspringende, tegen het
-ocr page 71-
11
III. MAGNOLIACEAE.
helmbindsel aangegroeide helmhokjes. Stamperdrager zit-
tend. Stampers talrijk in een eivormig hoofdje samen-
hangend. Stempel langs den buiknaad afloopend, eitjes 6
of\' meer. Vrucht eivormig; vrachtjes ruggelings opensprin-
gend. Zaden aan een langen zaadstreng afhangend.
Boomen of heesters. Bladeren, steunbladen en bloeiwijze
als Talauma.
Aantal soorten 6, in tropisch Azië, waarvan er 5 in den Malei-
schen Archipel voorkomen.
\'k MICHELIA /..
Bloemen tweeslachtig. Kelk- en bloembladen op elkander
gelijkend, 9—15 of meer in ;3 of meer rijen, dakpans-
wijze dekkend in den knop. Helmknoppen lijnvormig met
zijdelings tegen het helmbindsel aangegroeide hokjes.
Stamperdrager gesteeld. Stampers in eene losse aar. Stempel
afloopend; eitjes 2 of meer. De vrucht vormt eene ver-
lengde, losse of gevulde aar van lederachtige, ruggelings
openspringende vruchtjes.
Boomen. Bladeren in den knop door twee groote steun-
bladen ingesloten. Bloemen alleenstaand in de oksels,
meestal kleiner dan bij Manglietia en Talauma.
Aantal soorten omstreeks 12, alle in de bergstreken van tropisch
Azië. Ken 5-tal soorten komt volgens Miquki. in Nederlandsch Indiè
voor: Af. longifolia BI., Af. montana lil., Af. parviflora Delfss.,
M. Champaca L.
en Af. Tsjampaca /.. Met de heide laatste namen,
wier overeenkomstige vorm allicht aanleiding zon kunnen geven
tot verwarring, worden twee verschillende soorten bedoeld, waar-
van de eerste in geheel lndië tot op het Ilimalaya-gehergte ver-
spreid is, terwijl de andere slechts in de Molnkken, op Timor en
op Celebes wordt aangetroffen.
5. SCHIZANDKA Miq.
Bloemen éénslachtig. Kelkbladen en bloembladen 9—12,
dakpanswijze dekkend in omtrent 3 rijen, de buitenste
zeer klein, in de binnenste bloembladachtige, trapswijze
overgaande. Mannelijke bloemen: Meeldraden 5—15 of
meer in een spiraalvormige reeks, helmdraden zeer kort,
vrij of min of meer vergroeid, dikwijls vleezig; helm-
knoppen vrij of ingezonken in een vleezig hoofdje van
vergroeide helmdraden; helmhokjes zijdelingsch tegen het
helmbindsel aangegroeid, van elkander verwijderd. Vromce-
-ocr page 72-
12
III. MAGNOI-IACEAE.
lijke bloemen: Stampers talrijk, dicht opcengedrongen,
dakpanswijze dekkend in den knop, stempels zittend,
eitjes 2. De rijpe stampers vormen eene dunne aar van
ronde, niet openspringende, vleezige, 1-zadige vruchtjes.
Zaden 1—2; hangend, kiemwit vleezig; kiem klein;
zaadhuid bros.
Klimmende heesters. Bladeren zonder steunbladen.
Bloemen wit, geel of roodachtig, in de oksels der bladeren
of van schubben aan de basis van korte zijdclingsche
bebladerde takken.
Omstreeks t> soorten, 1 in Noord-A merika, «Ie andere in tropisch
of oostelijk Azië. I>e Aziatische soorten weiden door BLUME onder
ilen naam Sphaerostema beschreven.
fi. KADSURA Kaempf.
Bloemen éénslachtig. Kelk- en bloembladen 9—15, van
de buitenste, welke zeer klein zijn, tot de bloembladvor-
migc binnenste trapswijs overgaande. Mannelijke bloemen:
Meeldraden oc, vrij of tot een kogel vergroeid. Helm-
knoppen kort; hokjes tegen een breed hclmbindsel aan-
gegroeid en daardoor gesebeiden; die van de aan elkander
grenzende helmknoppen dikwijls tot elkander genaderd.
Vrouwelijke bloemen: Stampers cc in een hoofdje, 2—;5-eiig;
de rijpe vruchtjes besvormig, onder elkander vrij, doch
tot een kogelvormig hoofdje bijeengevoegd. Zaden in een
vruchtmoes.
Klimmende heesters. Lederachtige, zelden vliezige bla-
deren. Bloemen okselstandig, alleenstaand, wit of rood.
Aantal soorten omstreeks 7, in tropisch Azië in de bergstreken
of in Oost-Azië voorkomende. Twee soorten komen op .lava voor,
waarvan eene door lil.l.MK onder den naam SarCOCarpon besclire-
ven werd.
Fam. IV. ANONACEAE.
Bentham et IIooker , Gen. Plant. I. p. 20. — Mig. Ann. Mus
Lugd. Bat.
II. p. 4.">. — ScilKFF. Nat. Tijdsehr. r. Ned.-Ind. XXXI.
|i. 1. 3:(«: XXXII. p. 387: .1»». <lf Builetu. I. p. \'2. II. p. I. —
Reccari Xxoro GiornrUe Botanico. III. p. 177. — Hook. /•*/. of Br.
IhiI.
I. p. 45.
Kelkbladen i5, vrij of vergroeid, gewoonlijk klcpswijze
aaneensluitend in den knop. Bloembladen meestal 6,
-ocr page 73-
IV. ANONACKAE.                               18
hypogynisch, 2-rijig of de binnenste ontbrekend. Meel-
draden talrijk, zelden in bepaald aantal, hypogynisch,
dicht opeengedrongen op den bloembodem; helmdraden
kort of ontbrekend; hehnhokjes tegen het helmbindsel aan-
gegroeid, naar buiten of min of meer zijdelings opensprin-
gend; helmbindsel verlengd tot een langwerpig verbreeden
of afgeplatten kap. Stampers 1 of meer, vrij, zeer zelden
vergroeid, doch meestal met afzonderlijke stempels; stijl kort
of ontbrekend; eitjes 1 of meer. Vruchten lof meer, zit-
tend of gesteeld, met 1 of meer zaden, gewoonlijk niet
openspringend. Zaden groot, zaadhuid bros of lederachtig;
kiemwit sterk ontwikkeld, uitgevreten, dikwijls tot aan
de as in 4 rijen horizontale platen verdeeld; kiem klein;
zaadlobben uiteenwijkend.
Boomen of heesters, soms klhnplanten, meestal aro-
matisch. Bladeren afwisselend, zonder steunblaadjes, enkel-
voudig, geheel gaafrandig. Bloemen eindstandig, tegen-
over de bladeren, okselstandig of zijdelingsch, alleenstaand
of op verschillende wijze vereonigd, zelden meerdere op
een gemeenschappeljjken, enkolvoudigen of weinig ver-
takten bloemstongel, tweeslachtig, zelden éénslachtig.
Aantal geslachten volgens Bentham cm Hooker 41), soorten
omstreeks 101). Sinds dien lijd is echter dit aantal belangrijk ver-
meerderd. Zij werden aangetroffen in alle tropische streken, eenige
weinige in niet tropisch Amerika. In Nedei landsi h Indië komen
ongeveer 220 soorten voor.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Tribus I. Uvill\'ieae. Uloeinbladen 2-rijig, één of beide rijen
dakpanswijze dekkend in den knop. Me.eldraden talrijk, dicht opeen-
gedrongen: helmhokjes hedekt door de overhangende helmbindsels.
Wiemen drielalliij
£ In eiken stomper nieer dan één eitje*
1.  Sageraea. Bloemen één- of tweeslachtig. Kelkbladen klein,
dakpanswijze dekkend in den knop. Bloembodem vlak. Stampers
3—0.
2.   STELECHOCARPUS. Bloemen éénslachtig, kelkbladen /.eer klein.
Bloembodem kegelvormig. Stampers in onbepaald aantal.
Ii. I\'vahia. Bloemen tweeslachtig: kelkbladen klepswijs aan-
eenslnitend in den knop. Bloembodem nagenoeg vlak. Stampers oo.
!i. SPHAEROTHAI.AMI s. Bloemen tweeslachtig. Kelkbladen zeer
groot, dakpanswijze dekkend in den knop. Bloembladen ongeveer
tweemaal langer dan de kelkbladen, lang-spatehorinig. Bloem-
bodem bolvormig. Stampers talrijk.
-ocr page 74-
14
IV. ANONACEAE.
§§ In eiken stamper 1 eitje (hooi/stens 2 eitjes).
5. Marciccia. Bloemen tweeslachtig. Kelkbladen zeer groot,
dakpanswijze dekkend in den knop. IJloembladen kleiner dan de
kelkbladen, eivormig. Bloembodem bolvormig. Stampers talrijk.
0. Exicosantiii\'M. Bloemen tweeslachtig. Kelkbladen middel-
matig, kleiner dan (Ie bloembladen, aan de basis dakpanswijze
dekkend. Rloemblailen tot het midden opgericht en van daar af
srhuitvormig naar buiten uitgezet. Bloembodem half bolvormig.
Stampers ongeveer 12.
7.   Klmpkia. Bloemen één- of tweeslachtig. Kelkbladen zeer
klein, klepswijs aaneensluitend of aan de basis een weinig dak-
panswijze dekkend. Bloembladen grooter dan de kelkbladen, ei-.
cirkelrond of elliptisch. Bloembodem bol of vlak. in de vrucht
verdikt. Stampers talrijk.
•j-j* Bloemen tiveetallig.
8.   Tetrapktai.i\'M. Bloemen tweeslachtig. Kelkbladen breed,
dakpanswijze dekkend in den knop. Bloembladen rondachtig, hol.
Bloembodem bol.
Tribus II. Unoneae» Bloembladen klepswijs aaneensluitend of
open in den knop, bij den bloei uitgespreid, vlak of alleen aan de
basis uitgehold, de binnenste klein of ontbrekend of min of meer
gelijk aan de buitenste. Meeldraden talrijk, dicht opeengedrongen,
helmhokjes bedekt door de overhangende helmbindsels.
•j- Eén of meer vruchten, gesteeld of zittend, vrij.
a. Bloembladen 6, aan de holle hasis samenkomende en
meeldraden en stampers bedekkende.
0. Artauotrys. Kelkbladen slechts aan de basis samenhan-
gende. Stampers talrijk. 2-eiig: bloemtakken vaak haakvormig.
10.   Cyattiocai.yx. Kelkbladen tot een drietandigen. -lobbigen
of -spletigen kelk vergroeid. Stampei\' 1. Eitjes <x : geen haakvor-
mige bloemtakken.
b. Bloembladen fi of 4, vlak, van de basis af uitgespreid.
I. Bloemen drielallig.
oc Rijpe vruchten, niet openspringend.
§ Stampers talrijk.
11.  Cananoa. Eitjes talrijk. 2-rijig. Meeldraden met spitsen
top. Vrucht niet tusschen de zaden ingesnoerd.
12.   Uxoxa. Eitjes 2—0, 1-rijig. Meeldraden met stompen top
(kogelvormig of afgeknot). Vrucht meestal tusschen de zaden
ingesnoerd.
13.   Poi.YAl.TiitA. Eitjes 1—2, basilair of bijna basilair. Rij|>e
vruchten 1-zadig. besvormig.
§§ Stamper 1.
14.   MoxofARPiA. Eitjes oo. meeldraden met stompen top.
Vrucht nagenoeg zittend, niet ingesnoerd. maar tusschen de
zaden door valsche tusschenschotteii gedeeld.
-ocr page 75-
IV. ANONACEAE.                                        15
/3 Rijpe vruchten openspringend.
15.    ANAXAfiOREA. Eitjes 2, basilair, opgericht. Helmbindsel
vooi\'bij de bokjes verlengd.
2. Bloemen IweelaUig.
16.   Disepaixm. Eitje 1, basilair, opgericht.
c. Bloembladen 6, 2-ryig, klepswyze aaneensluitend, <lr buitenste
op de kelkbladen gelijken»!, uitgespreid, de binnenste mei
omgebogen jiunt, hol, met de toppen samenkomende.
17.   PopovviA. Eitjes 1—2.
d. Bloembladen 3.
18.  EBUROPETALUM. Eitje 1.
-J--J- Vruchten tot ééne veelhokkige bes versmolten.
19.   Ararocarphs. Eitjes oo , 2-rijig.
Tribus UI. Mitrephorcae. Bloembladen klepswijs aaneen-
sluitend in den knop, de buitenste uitgespreid, de binnenste niet van
dezelfde grootte als deze, over de meeldraden en stampers heengebogen.
Meeldraden talrijk, dicht opeengedrongen; helmhokjes door de over-
hangende helmbindsels bedekt; stampers talrijk.
•J- Binnenste bloembladen niet genageld.
20.   Oxymitha. Binnenste bloembladen kleiner dan de buitenste.
Eitjes 1—2.
21.   PHAEANTHUS. Binnenste bloembladen grooter dan de bui-
tenste. Eitjes 1—2.
22.   ANOMIANTHUS. Binnenste bloembladen grooter dan de bui-
tenste. Eitjes oc .
23.  Marsypopetai.lm. Binnenste bloembladen grooter dan de
buitenste, van boven eilindervormig, aan de basis uitgehold.
Eitje 1.
•j-j- Binnenste bloembladen genageld en tot een kegelvormigen
kap verbonden.
24.  GoNlOTllAl.AMis. Eitjes 1—2. Kleine boomen of heesters
met bladeren, wier kleine nerven zich dicht bij den rand tot
lussen vertakken.
25.  Mitrepiiora. Eitjes oo . Boomen, wier bladeren sterke nor-
ven vertoonen.
26.   Rauwkniioffia. Eitjes 1—2. Klimmende heesters, wier
bladeren dunne nerven hebben, welke dicht bij den rand ver-
dwijnen.
Tribus IV. Xylopioao. Bloembladen klepswijs aaneensluitend
in den knop, dik en stijf, de buitenste tot elkander genaderd: de
binnenste gelijk aan de buitenste, maai\' kleiner, zelden ontbrekend.
Meeldraden talrijk, dicht opeengedrongen: helmhokjes bedekt door de
overstekende helmbindsels. Stampers x .
-ocr page 76-
16
IV. ANONACEAE.
27.   Axuna. Viucht vleezig uit talrijke vergroeide vnichtbladen
gevormd. Stampers met \\ eitje.
28.   Mki.oijoium. Stampers vrij. Jsuitenste bloembladen breed.
Bloembodem bol. Kitjes 9—oc .
20. Xyi.opia. Stampers vrij. 1 of meer. Buitenste bloembladen
smal. Bloembodem vlak of bol. Kitjes 2—oc .
Tribus V. II ilill*<-.\'H-. llloeinbladen in den knop dakpanswijze
dekkend of klepswijs aani\'i\'iisliiiteud. Meeldiadon dikwijls in bepaald
aantal, los dakpauswijze dekkend: holinhokjes niet bedekt door de
overhangende hehnbindsels. Stampers I of meer.
-J- Stampers in onbepaald aantal,
$ Bloembladen klepswijs aaneensluitend in ili\'n knop.
30. Miliusa. Buitenste kelkbladen op de bloembladen gelij-
kend, binnenste grooter, ongespoord. Kitjes I—2.
\'M. SaCCOPetai.um. Buitenste bloembladen op de kelkbladen
gelijkend, binnenste grooter, in een spoor verlengd. Kitjes oc .
32. ALPHONSEA. Bloembladen grooter dan de kelkbladen, na-
g<\'iioeg gelijk, niet genageld. Kitjes i—8.
lil!. Oropiika. Bloembladen grooter dan de kelkbladen, binnenste
bet kortst, genageld. Kitj<-s \'f—8.
SS Bloembladen dakpnnsivyze dekkend in den knop.
34. Bocaciea. Bloembladen nagenoeg gelijk. Kitjes 2—8.
t
Eén stamper.
35.   Me/./.ettia. Bloembladen grooter dan de kelkbladen: beide
rijen klepswijze aaneensluitend in den knop, lijnvormig, de bin-
nenste bet kortst. De hokjes dei\' helmknoppen naar binnen
gericht.
36.   KlNfiSTOXiA. Bloembladen grooter dan de kelkbladen: bui-
tenste rij klepswijs aaneensluitend in den knop, eivormig, bin-
nenste rij langwerpig, dakpauswijze dekkend. Hokjes dei\' helm-
knoppen naar buiten gericht.
1. SAG-ERAEA Dolz.
Kelkbladen 3, afgerond, dakpauswijze dekkend in den
knop. Bloembladen 6, cirkelvormig, vleezig, hol, in 2
rijen in den knop dakpanswijze dekkend. Meeldraden
in beperkt aantal (12—21), kort-wigvormig, vleezig;
helmbindsel voorbij de hokjes afgeknot-verbreed. Bloem-
bodem vlak. Stampers 3—6, lijn-langwerpig; eitjes co
(ongeveer 10), in 2 rijen naast den naad gezeten. Rijpe
kokervruchten nagenoeg bolvormig.
Boomen. Bloemen okselstandig, in bundels, één- of\'
tweeslachtig.
-ocr page 77-
17
IV. ANONACEAE.
Aantal soorten 3 a 4 in Engelsch en 2 in Nederlandsch Indië.
In Mimik. Flora of Brit. Ind. I. p, 92 wordt het geslacht Sage-
raea
tot Bocagea getrokken. In Anti. de Buitenz. II. 1. p. 5
wordt hiertegen door ScHEFFER geprotesteerd, volgens wien Sage-
raea
van Boau/ea verschilt door de bloeiwijze, den bloembodem
en den vorm der meeldraden. ScHEFFER\'s soort Sageraeacauli-
florti
is éénhuizig en ontwikkelt de bloemen uit knobbels aan den
stam; de meeldraden zijn bij de mannelijke bloemen talrijk, in
vele rijen, kort, dik met afzonderlijke, rugstandige hokjes en ont-
breken geheel in de vrouwelijke. De stampers zijn talrijk met
groote, gelobde stempels en 8 tweerijige eitjes. De bloembodem is
afgeplat-bolvorinig en onbehaard. Hij Miquel\'s Smjeraea lanceolata
is de bloembodem zachtharig.
2. STELECHOCARPTJS BI.
Kelkbladen 3, klein, elliptisch of rond, dakpanswijze dek-
kend in den knop. Bloembladen 6, ovaal of\' rondachtig,
gelijk, in 2 rijen dakpanswijze dekkend in den knop.
Meeldraden in onbepaald aantal, kort wigvormig. Helm-
bindsel voorbij de hokjes afgeknot-verbreed. Bloembodem
smal kegelvormig met half bolvormigen top. Stampers
talrijk, eivormig. Stempel zittend, eitjes 6 of meer. Rijpe
vrucht groot, appelvormig, 4—6-zadig.
Boomen. Lederachtige, glanzende, bladeren. Tweehui-
zige bloemen, bundelsgewijze in de bladoksels of op het
oude hout.
Eéne soort Slelecltocarpits Burahol BI. op Java en Singapore.
3. TJVARIA L.
Kelkbladen 3, dikwijls van onderen vergroeid, kleps-
wijze aaneensluitend in den knop. Bloembladen 6, cirkel-
vormig, eivormig of langwerpig, in den knop dakpans-
wijze dekkend in 2 rijen, soms aan de basis vergroeid.
Meeldraden in onbepaald aantal; top van het helmbind-
sel eivormig, langwerpig of min of meer bladvormig.
Bloembodem vlak, zachtharig of viltig. Stampers co,
lijnvormig-langwerpig. Stijl kort, dik; eitjes 2-rijig, zelden
in groot aantal of 1-rijig. Rijpe vruchten droog of sappig,
weinig- of veelzadig.
Heesters met klimmende of neerhangende takken, ge-
woonlijk stervormig-zachtharig. Bloemen eindelingsch of
tegenover de bladeren, zelden okselstandig, in bijscherm-
vormige bunels of alleenstaand, geel, purper of bruin.
2
-ocr page 78-
18
IV. ANONACKAK.
Volgens BENTHAM en HoOKER zijn er ongeveer 35 soorten in
tropisch Afrika en Azië: ilaar echter sinds dien tijd zoowel voor
Engelsch als voor Nederlandsen Indië verscheidene soorten beschreven
zijn, moet dit aantal belangrijk vermeerderd worden. Van Neder-
landsch Indië alleen is thans reeds een 30-tal soorten bekend, en
behalve die, welke aan beide gemeenschappelijk zijn, heeft Engelsch
Indië er nog 4f> en tropisch Afrika 14.
4. SPHAEROTHALAMÜS Hook. f.
Kelkbladen 3, dakpanswijze dekkend in den knop, hol.
Bloembladen 6, spatelvormig, min of\' meer klepswijze
aaneensluitend in den knop, doch aan de toppen licht
gedraaid dakpanswijze dekkend. Meeldraden talrijk;
helmhokjes evenwijdig, langwerpig; helmbindsel voorbij
de hokjes afgeknot-verbreed. Bloembodem bol-kegelvor-
mig, behaard. Stampers talrijk; stijl omgekeerd kegel-
vormig, afgeknot, gevoord; eitjes 2—3, buikstandig.
Besvruchten verlengd-kogelvormig, ten getale van 1—2,
tweezadig, gesteeld; periearpium vleezig.
Heester met nagenoeg zittende, anderhalven voet lange,
aan de basis hartvormige bladeren. Bloemen alleenstaande,
groot, oranjekleurig.
Eéne soort op Borneo voorkomende Sph. hisiiftiis Hook. f.
5. MARCUCCIA Becc.
Kelkbladen 3, zeer groot, eivormig, gelijk aan de
bloembladen of grooter, dakpanswijze dekkend in den
knop, kruidachtig. Bloembladen dik, tweerijig; de buiten-
ste klepswijs aaneensluitend in den knop, de binnenste
kleiner met smalle dakpanswijze dekkende randen. Meel-
draden talrijk, lijn-wigvormig; helmbindsel voorbij de
hokjes afgeknot-verbreed. Bloembodem kogelvormig.
Vruchtbladen talrijk; stempels omgekeerd wigvormig, tot
ééne massa samengesmolten, afvallend; één eitje, van de
basis af opgericht.
Heester met viltachtig behaarde takken en langwerpige
soms meer dan een voet lange bladeren. Bloemen aan
korte, buiten de bladoksels staande bloeitakken met 1 , 2
of meer schutbladen.
lCcne soort dooi\' BECCAR1 op Florneo (Saravvak) gevonden endoor
hem onder den naain van M. grandiflora beschreven.
-ocr page 79-
19
IV. ANONACEAE.
ü. ENICOSANTHUM llerc.
Kelkbladen 3, eivormig, onder aan de basis dakpans-
wijze dekkend in den knop. Bloembladen in twee rijen
dakpanswijze dekkend, tot het midden opgericht, dan
horizontaal uitstaande en schuitvormig opstijgend; de
binnenste ongeveer als de buitenste, doch kleiner. Meel-
draden talrijk. Stampers talrijk, stempels wigvormig,
afgeknot, tot ééne massa samengesmolten, afvallend; één
eitje van af de basis opgericht.
Heester, aangedrukt zachtharig; bladeren verlengd lang-
werpig, anderhalven voet en langer. Bloemen, alleenstaand
of in gering aantal, buiten de bladoksels, aan knobbels
tegen den stam.
Eéne soort, E. paradoxuni Becc, op Borneo (Sarawak) door 1>ec-
caui gevonden.
7.   ELLIPEIA Honk. /\'. el Th.
Kelkbladen 3, klein, in den knop klepswijs aaneen-
sluitend of aan de basis een weinig dakpanswijze dekkend.
Bloembladen 6, afgerond, in den knop dakpanswijze dek-
kend, de binnenste het kleinst. Meeldradenoo , lijnvormig;
helmbindsel voorbij de evenwijdige hokjes afgeknot-ver-
breed. Stampers oo , langwerpig; stijl langwerpig, zacht-
harig; eitje 1, boven het midden aan den buikwand
vastgehecht. Besvrucht schuin.
Heesters, meestal klimmend, met lederachtige bladeren.
Bloemen alleenstaand of in bundels of in pluimen.
Aantal soorten 4 in Malakka en 4 op Snmatra en Borneo.
SCHEFFER vermeldt .voor Eüipeia ijilva \\Ti</., dat de eitjes in
twee rijen staan. Zóó opgevat zou het hoofdversehil met Uvarin
geheel vervallen. Door Baili.on wordt het geslacht ook met Uvaria
vereenigd.
8.   TETEAPETALUM Miq.
Kelkbladen 2, breed, in den knop dakpanswijze dek-
kend. Bloembladen 4, in 2 rijen in den knop dakpans-
wijze dekkend, min of meer uitstaande bij den bloei,
onderling in vorm overeenkomende, rondachtig, hol.
Bloembodem bol. Meeldraden zeer talrijk, dicht dak-
panswijze opeengedrongen; helmbindsel voorbij de hokjes
-ocr page 80-
20
IV. ANONACEAE.
met een afgeknot aanhangsel verlengd. Stampers talrijk,
lijn-prismavormig, min of meer knodsvormig; stijl kort,
onbehaard, van voren gevoord; eitjes oo, in 2 rijen.
Vrucht onbekend.
Heesters, meestal met windende takken; twijgen, blad-
stelen en hoofdnerven der bladeren aan de onderzijde
rosaehtig viltig. Dichtbloemige aren, tegenover de bladeren
geplaatst. Bloemen tweeslachtig, niet groot.
Kéne soort, Tetrapetalum volubile Mii/.. op liorneo voorkomende.
9. ARTABOTRYS II. Br.
Kelkbladen 5, aan de basis samenhangende, in den
knop klepswijze aaneensluitend. Bloembladen 6, vrij, in
den knop in 2 rijen klepswijs aaneensluitend, min of
meer gelijk, aan de basis uitgehold, om de geslachtsor-
ganen samenkomende, van boven open, vlak of min of
meer cylindrisch. Meeldraden oo, langwerpig of wigvor-
mig; helmbindsel voorbij de hokjes afgeknot-verbreed.
Bloembodem vlak of bol. Stampers oo ; stijl eivormig of
lijnvormig-langwerpig; eitjes 2, van af de basis opgericht.
Besvruchten van verschillenden vorm.
Heesters met neerhangende of klimmende takken.
Bladeren glanzend. Bloemen alleenstaand of in bundels.
Bloemdragende takken dikwijls houtachtig verhard en
haakvormig omgebogen.
Volgens Bentham en Hooker omstreeks 15 soorten in tropisch
Afrika en Azië; in Nederlandsch Indië komt een achttal voor.
10. OYATHOCALYX Clmtnp.
Kelkbladen tot een 3-tandigen, bekervormigen kelk ver-
groeid of vrij. Bloembladen 6, vrij, in dén knop in 2 klepswijs
aaneensluitende rijen, min of meer gelijk; aan de basis
uitgehold, om de voortplantingswerktuigen samenkomende
en ingeknepen, van boven lijnvormig, vlak. Meeldraden
oc , wigvormig; helmbindsel voorbij de hokjes afgeknot-
verbreed. Bloembodem vlak, in het midden uitgehold. Stam-
per 1, of verscheidene stampers, geribd; stempel groot,
schildvormig, eitjes oo, in 2 rijen. Vrucht breed, ellips-
vormig, met rimpelige bast. Zaden 10—14, in 2 rijen
in een vruchtmoes liggend; zaadhuid glad.
Boomen; knoppen geelachtig, zachtharig. Bladeren kaal.
-ocr page 81-
IV. ANONACEAE.                                        21
Bloemstengels kort, tegenover de bladeren. 1 of meer
bloemen dragend.
Negen soorten, in Kngelsch en Nederlandsch Indië.
Het geslacht CyiUliocati/iC bevatte volgens BENTHAM en HOOKER
slechts ééne soort op Ceylon voorkomende. Later werden hier in
de Flora van 1\'nitsch Iiidië nog twee soorten bijgevoegd, doch het
karakter, de bekervormige kelk. waarnaar ile naam gegeven
werd, was hier reeds minder duidelijk. Overgangen tot het geslacht
DrepananthliS Maingay brachten Scheffer er toe om deze beide
te vereenigen en thans zijn er soorten bij met nagenoeg geheel
vrije kelkbladen. Scheffer verdeelt het geslacht in twee seetiëii:
1. Eu-Cj/athocnlj/j\' met 1 stamper: \'2. Drepnnanthus met talrijke
stampers. De eerste heeft 5 soorten, waarvan \'.i in Malakka en
Siunatra, de andere \'f, waarvan \'2 in Malakka en \'2 op Sumatra.
II. OANANG-A Rumph.
Kelkbladen 3, in den knop klepswijze aaneensluitend.
Bloembladen 6, in den knop in 2 rijen klepswijze aan-
eensluitend, zicb weldra openend, min of meer gelijk,
vlak. Meeldraden a>, lijnvormig; belmbindsel voorbij de
hokjes eivormig-spits. Bloembodem een weinig bol, in
het midden min of meer hol. Stampers cc , in een smallen
langwerpigen stijl met knopvormigen stempel uitloopend;
eitjes cc , in 2 rijen. Besvruehten gestoeld. Zaden in een
vruchtmoes liggend.
Hooge boom. Bloemstengels met talrijke, schermswijs
bijeenstaande, groote bloemen, in de oksels der bladeren
of aan bladerlooze takken geplaatst.
Eéne soort. C odoraia II. f. el Th., in tropisch Azië voorko-
rnende, dikwijls om de welriekende bloemen gekweekt.
Il2. ÜNONA /,.
Kelkbladen 3, klepswijze aaneensluitend in den knop.
Bloembladen 6, in 2 rijen in den knop klepswijs aan-
eensluitend, doch spoedig open; langwerpig, vlak, nage-
noeg gelijk of de 3 binnenste het kleinst; deze soms
ontbrekend. Bloembodem vlak of een weinig hol. Meel-
draden wigvormig; helmhokjes lijnvormig, naar buiten
openspringend; top van het helmbindsel min of meer
kogelvormig of afgeknot. Stampers talrijk; stijl eivormig
of langwerpig, omgebogen, gegroefd; eitjes 2—8. 1-rijig,
zelden min of meer 2-rijig. Rijpe vruchten talrijk, ge-
woonlijk verlengd en tusschen de zaden vernauwd.
-ocr page 82-
22
IV. ANONACEAE.
Boomen of heesters, opgericht of klimmend. Bloemen
vaak alleenstaand, okselstandig of eindelingsch of tegenover
de bladeren.
Ken \'20-tal soorten in tropisch Azië en Afrika.
Tot dit geslacht wordt door BENTHAM en Hookkr ook eene soort
met 5—3 stampers en min of meer 2-rijige eitjes gebracht, welke
door MiQi\'Et. onder den naam Meingyne (M. virgata Miq.) daarvan
afgescheiden was. Hiermede verwant is ook eene soort vanBECCARI
U. verrucosa,
13. POLYALTHIA BI.
Kclkbladen 3, in den knop klepswijze aaneensluitend
of zelden min of meer dakpanswijze dekkend. Bloembla-
den 6, in den knop in 2 rijen klepswijze aaneensluitend,
eivormig of verlengd, vlak of de binnenste gewelfd. Bloem-
bodem bol, aan den top plat of een weinig uitgehold.
Meeldraden wigvormig; helmhokjes uiteenstaande. Stam-
pers co; stijl gewoonlijk langwerpig; eitjes 1—2, basilair
en opgericht of bijna basilair en klimmend. Vrachtjes
1-zadig, besvormig.
Boomen of heesters, van het voorkomen van Unona.
Bladeren schuin-vinnervig. Bloemen alleenstaand of in
bundels, in de oksels of tegenover de bladeren, klein,
soms tijdens den bloei in omvang toegenomen.
Volgens BENTHAM en Hookkr bestaat het geslacht Poh/altlüa
uit een 30-tal soorten, welke in tropisch Azië en Australië voor-
komen. Miquei. en SCHEFFER meenen dat hier 3 geslachten onder-
scheiden moeten worden: Polyalthia, Monoon en Trivalvaria.
van welke het laatste vooral van de anderen afwijkt door de bloem-
bladen, waarvan de binnenste genageld en tot een kap vergroeid
zijn, terwijl Polyalthia en Monoon van elkander verschillen door
de stampers, die bij de eerste 2 eitjes, bij de tweede er slechts
1 bevatten. Volgens deze opvatting heeft Nederlandsch lndië 12
soorten van Polyalthia, 25 van Monoon, en 3 il 4 van Trivalvaria.
De soorten van Monoon en Trivalvaria weiden vroeger tot het
geslacht Guatteria gebracht, dat nu tot de Amerikaansche soorten
beperkt is.
14. MONOOARPIA Miq.
Kelkbladen 3, groot, klepswijze aaneensluitend in den
knop. Bloembladen 6, in 2 rijen klepswijze aaneensluitend,
zich spoedig openend, langwerpig, vlak, de binnenste een
weinig kleiner dan de buitenste. Bloembodem bol, in het
midden een weinig uitgehold. Meeldraden co , wigvormig,
met een dik, voorbij de hokjes afgeknot-verbreed, helm-
-ocr page 83-
IV. ANONACEAE.                                       23
bindRel. Stamper 1, met een, vlakken, stempelkliertjes dra-
genden kring, om den top; eitjes co (in 2 rijen ?). Bes
nagenoeg zittend, langwerpig, niet ingesnoerd, met een
hard pericarpium. Zaden plat, door valsche tusschen-
schotten gescheiden.
Heester ? met viltachtig behaarde twijgen en bladstelen.
Bloemstengels kort, 1—2-bloemig, tusschen de bladeren of
aan het einde van een tak met weinige bladeren.
Eéne soort op Borneo door Korthals gevonden: il. euneura Miq.
15. ANAXAG-OREA Si. Hub.
Kelkbladen klepswijze aaneensluitend in den knop, aan
de basis vergroeid. Bloembladen 6, min of meer gelijk,
in 2 rijen klepswijze aaneensluitend in den knop, dun
en vlak uitgespreid. Bloembodem bol. Meeldraden oo ;
helmhokjes naar buiten of min of meer zijdelings open-
springend; helmbindsel met een eindelingsch verlengsel.
Stampers weinig of talrijk; stijl verschillend, eitjes 2,
min of meer basilair, naast elkander, opstijgend. Rijpe
vruchtjes kokervormig met knodsvormigen steel. Zaden
1—2, glanzend.
Boomen of heesters. Bloemen klein, groenachtig, tegen-
over de bladeren.
Het geslacht Rhopalocarpus Teysni. cl Binnend. onderscheidt
zich \\olgens Hkntiiam en HoOKER niet van Anaxagorea en inoet
derhalve hiertoe gebracht worden. In Nederlandsen Indië zijn er,
deze medegerekend, 4 soorten.
16. DISEPALUM lluok. f. et Th.
Kelkbladen 2, groot, eirond, klepswijze aaneensluitend
in den knop. Bloembladen 4, smal lijn-spatelvormig, voor-
over gebogen, opstijgend, aan de basis van elkander ver-
wijderd en door een onderstandigen ring verbonden. Meel-
draden x ; helmbindsel voorbij de helmhokjes afgeknot-
verbreed. Bloembodem zeer breed, in het midden een
weinig hol. Stampers co; stijl kort langwerpig; 1 eitje
van de basis af opgericht.
Heester, welke min of meer dikke bladeren draagt met
dunne, vinswijze geplaatste nerven. Bloemen alleenstaand
lang gesteeld, eindstandig.
Eéne soort op liornoo: D. MionuUam I/ook. f. et Th.
-ocr page 84-
24
IV. ANONACEAE.
17. POPOWIA Endi.
Kelkbladen 3, eivormig, klepswijze aaneensluitend in
den knop. Bloembladen 6, in 2 rijen, klepswijze aaneen-
sluitend in den knop, kort, eivormig, hol,, weinig ver-
schillend of de buitenste meer uitgespreid. Meeldraden
co , wigvormig; helmbindsel boven de hokjes afgeknot-
verbreed. Bloembodem een weinig verheven. Stampers oo ;
stijl groot, langwerpig of min of meer knodsvormig, recht of
gebogen; eitjes 1—2 aan de buikzijde, zelden 1, basilair,
opgericht. Vruchtjes besvormig, kogel- of eirond, gesteeld.
Boomen. Bloemen klein, alleenstaand of in bundels,
buiten de bladoksels of tegenover de bladeren, kort gesteeld.
Aantal soorten omstreeks 20. alle tropisch of bijna tropisch,
1 in Australië, 2 in Afrika, 17 in Azië; in Nederlandse!! lndië
een 12-tal.
18.  EBUROPETALTJM Becc.
Kelkbladen S, eivormig, in den knop klepswijze aan-
eensluitend, aan de basis samengegroeid. Bloembladen 3,
klepswijze aaneensluitend in den knop, afgerond-eivormig,
zeer dik, hol; de binnenste ontbrekend. Meeldraden tal-
rijk, met aan de rugzijde geplaatste helmhokjes; helm-
bindsel tusschen de hokjes afgeknot-rondachtig. Bloem-
bodem vlak. Stampers weinig, met korten stijl en
wratachtig stekeligen stempel; één eitje van af de basis
opgericht.
Heester met onbehaarde takken en dikke elliptische of
langwerpig-elliptische, gesteelde bladeren. Bloemen alleen-
staande buiten den bladoksel, gesteeld, van middelmatige
grootte.
Eéne soort, E. Boi\'tieense, door Beccari op Borneo (Sarawak)
gevonden.
De naam Eburopetalum doelt op de ivoorkleur en niet op de con-
sistentie der bloembladen.
19.  ARAROCARPUS Seheff.
Kelkbladen 3, min of meer hart-eivormig, spits. Bloem-
bladen 6, min of meer gelijk, 2-rijig, geopend, lang-
werpig, vlak, de binnenste min of meer uitgehold aan
-ocr page 85-
25
IV. ANONACEAE.
de basis. Meeldraden in onbepaald aantal, vierzijdig-wig-
vormig; belmbindsel voorbij de hokjes afgeknot-verbreed.
Bloembodem hoog, neergedrukt-kegelvormig, met lange
haren bedekt. Stampers 8— 12, min of meer vergroeid;
stijl langwerpig met stijve haren bezet; eitjes talrijk,
2-rijig. Besvruchten tot ééne veelhokkige, kantige, min of
meer afgeplat bolvormige schijnvrucht samengesmolten.
Kleine boom met kort gesteelde, elliptische bladeren en in
de bladoksels alleenstaande bloemen.
De eenige soort, A. velutinua Schelf., werd door den auteur
aan de zuidkust van Java gevonden.
20. OXYMITRA BI.
Kelkbladen 3, eirond. klepswijze aaneensluitend in den
knop, dikwijls aan de basis vergroeid. Bloembladen 6,
in 2 dakpanswijze dekkende rijen, de buitenste verlengd,
vlak, dun, de binnenste kleiner, eirond of langwerpig
om de geslachtswerktuigen samenkomende, soms aan de
basis vernauwd. Meeldraden co, lijnvormig-langwerpig;
helmbindsels voorbij de hokjes afgeknot-verbreed. Bloem-
bodem lang kegelvormig of min of meer afgeknot. Stam-
pers co; stijl omgekeerd eirond, eitjes 1—2, van af de
basis opstijgende met verlengde zaadstrengen; vruchtjes
gesteeld, niet openspringend, 1-zadig.
Klimmende heesters. Bladeren evenwijdig-nervig met
talrijke dwarsehe nerven. Bloemen groot, gesteeld, alleen-
staand buiten de bladoksels.
Aantal soorten 23. waarvan 20 in tropisch Azië, 3 in tropisch
Afrika. Door lii.ii.ME werd liet geslacht eerst als een sectie van
PolyaUhhi beschreven. In Nederlandsen Indië een twaalftal soorten.
21. PHABANTHUS //ooA-. f. et Th.
Kelkbladen 3, klein, klepswijze aaneensluitend in den
knop. Bloembladen 6, 2-rijig, klepswijze aaneensluitend
in den knop, de buitenste van den vorm der kelkbladen,
de binnenste veel grooter, lederachtig, vlak, om de voort-
plantingsorganen opgericht, samenkomende. Meeldraden co ,
lijnvormig; helmbindsel boven de helmhokjes afgeknot-
verbreed. Bloembodem weinig verheven met platten top.
Stampers co, met langwerpigen stijl; 1—2 eitjes, aan de
-ocr page 86-
26
IV. ANONACEAE.
buikzijde benedon het midden opstijgende; rijpe vruchtjes
gesteeld, 1-zadig.
Boomen of klimplanten. Bloemen alleenstaand of in niet
okselstandige bundels.
Aantal soorten 7, in Engelsih Indië, den Maleisilien Archipel
en de I\'liilippijnsehe eilanden voorkomende, waarvan 5 in Neder-
landsch Indië.
38. ANOMIANTHUS Zoll.
Kelkbladen 3, 3-hoekig. Bloembladen 6, 2-rijig, kleps-
wijze aaneensluitend in den knop, de buitenste wat de
grootte aangaat het midden houdende tusRehen de kelk-
bladen en de binnenste; deze tweemaal grooter, aan de
basis hol en min of meer neergebogen, van boven ver-
breed , dunner dan de andere. Meeldraden oo , lijnvormig;
helmbindsel tusschen de helmhokjes afgeknot. Bloembodem
half bolvormig. Stampers omstreeks 12, met 1-rijige eitjes,
bij rijpheid gesteeld, 1-zadig en kegelvormig of 2—6-
zadig en langwerpig, door tusschensehotten gedeeld, welke
uit den naar binnen gedrongen binnensten vruchtwand
bestaan.
Lage heesters met kort gesteelde, elliptisch langwer-
pige, stervormig behaarde bladeren en tegenover deze
geplaatste bloemen.
Eéne soort op .lava voorkomende en door Blume tot Uvaria,
door Miquel tot Ünona gerekend, A. heterocarpus Zoll.
23. MARSYPOPETALUM Scheff.
Kelkbladen 3, klepswijze aaneensluitend in den knop.
Bloembladen 6, in twee rijen klepswijze aaneensluitend
in den knop, de buitenste het kleinst, van denzelfden
vorm als de kelkbladen en niet veel grooter, de binnenste
veel grooter, dikvleezig, onder aan de basis zeer sterk
uitgehold, om de geslachtswerktuigen opgericht bijeen-
komende, verder cilindervormig met een spitsen terug-
geslagen top. Meeldraden cc, wigvormig; helmbindsel
afgeknot-verbreed. Bloembodem neergedrukt-halfbolvormig,
op de plaats der stampers niet zeer hol, min of meer
vlak. Stampers oo, met knopvormige, harige stempels en
met 1 eitje dat van af de basis is opgericht. Rijpe vruch-
ten gesteeld.
-ocr page 87-
IV. ANONACEAE.                                27
Kleine boom. Bladeren stijf lederachtig. Bloemen al-
leenstaand, kort gesteeld, boven de bladoksels geplaatst.
Eéno soort van Java afkomstig, dooi\' Scheffiïr M. ceratosanthes
genoemd, reeds vroeger door lii.UMEals Guatteria pallida beschreven.
24. GONIOTHALAMÜS lil.
Kelkbladen 3, klepswijze aaneensluitend in den knop.
Bloembladen 6, in den knop klepswijze aaneensluitend
in 2 rijen, de buitenste vlak, dik, de binnenste kleiner,
kort genageld, over de meeldraden en de stampers als
een gewelf samenhangend Meeldraden go , lijnvormig-
langwerpig; helmhokjes aan de rugzijde, uiteenstaande;
helmbindsel met een langwerpig of afgeknot verlengsel,
Stampers oc ; stijl enkelvoudig of 2-spletig; eitjes 1—5;
1-rijig boven elkander of 1—2 bijna basilair. Vruchtjes
1—5-zadig.
Kleine boomen of heesters. Bladeren met fijne nerven,
welke zich nabij den rand tot lussen vertakken. Bloemen ge-
steeld, alleenstaand of in bundels, in of buiten de bladok-
sels met 2-rijige schutbladen aan de basis der bloemstengels.
Aantal soorten omstreeks HO. Tropisch Azië en Fiji eilanden.
Door BLUME werd het geslacht eerst als een sectie van Polyalthia
beschreven. Volgens Soiikfff.r komt het geslacht Richella Asa Gray
van de Fiji eilanden geheel met Goniothaiamus overeen en zouden
sommige soorten met cirkelronde, platte, gerande zaden nauwer
verwant zijn aan de Richella van Asa Gray dan aan de overige
Goniothalamus-soorten. In Nederlandse!) Indië werden 17 soorten
waargenomen.
25. MITBEPHORA BI.
Kelkbladen 3, cirkel- of eirond klepswijs aaneenslui-
tend in den knop. Bloembladen 6, 2-rijig, klepswijze
aaneensluitend in den knop, de buitenste eirond, dun
geaderd, de binnenste genageld, gewelfd en samen-
hangende. Meeldraden langwerpig-wigvormig, talrijk, met
uiteenstaande, ruggelingsche helmhokjes en een afgeknot-
verbreed helmbindsel. Stampers co , langwerpig, kaal, met
langwerpigen stijl en talrijke eitjes in 1—2 rijen. Vrucht-
jes rond of eivormig, gesteeld of min of meer zittend.
Boomen. Bladeren lederachtig met sterke nerven, in
den knop gevouwen. Bloemen meestal eindelingsch of
tegenover de bladeren, soms éénslachtig.
-ocr page 88-
28
IV. ANONACEAE.
Aantal soorten omstreeks 17, in tropisch Azië. waarvan 12 in
Nederlandse!) Indic. Dooi1 Ifr.LMK eerst als een sectie van Uvarin
beschreven; ééne soort weid door Miqiiei, wegens de t weehuizige
bloemen onder den naam Pseuduvaria van dit geslacht afgescheiden.
\'26. RAUWENHOPFIA Scheff.
Kelkbladen 3, klepswijs aaneensluitend in den knop.
Bloembladen 6, in twee rijen klepswijs aaneensluitend
in den knop; de buitenste breed eivormig, spits, open-
staande; de binnenste veel smaller, aan de basis gena-
geld, aan den top deltavormig verbreed, in het begin
samenkomende en klepswijze saamgegroeid, later (steeds ?)
geopend. Meeldraden in onbepaald aantal, helmbindsel
voorbij de hokjes afgeknot-verbreed. Bloembodem bol
met vlakken top. Stampers talrijk, met groote, «aan den
top opgerolde stempels, en een groot aantal eitjes; rijpe
vruchten kort gesteeld, ellipsoidvormig, 1—2-zadig.
Klimmende heesters; bladeren lederachtig, met dunne,
vóór den rand verdwijnende nerven ; jonge takken en knop-
pen met sohubjes bezet. Bloemen tegenover de bladeren
of schijnbaar eindelingsch. Bloemstengels met ééne bloem.
Twee soorten, /(. nvtwioMe* Scheff. door Beccari op de Aroe
eilanden en li. Siamemu» Scheff. door Tkysmann in Siani gevonden,
liet velschil tnssclien Raweenhoffia en Mitrephora is niet leer
duidelijk.
\'27. ANONA /..
Kelkbladen 3, klein, klepswijze aaneensluitend in den
knop. Bloembladen meestal 6, in 2 rijen klepswijze in
den knop aaneensluitend, de binnenste soms dakpanswijze
dekkend, de buitenste vleezig aan de basis of geheel en
al hol, samenkomende of min of meer uiteenstaande, de
binnenste min of meer aan deze gelijk of kleiner, zelden
ontbrekend. Meeldraden talrijk; helmbindsel voorbij de
hokjes eivormig. Stampers talrijk, vaak vergroeid; stijl
langwerpig ; één opgericht eitje. Vleezige, stompe bessen tot
eene veelhokkige, eironde of bolvormige vrucht vergroeid.
Boomen of heesters. Bloemstengels 1-bloemig, eindstandig
of tegenover de bladeren.
Omtrent 60 soorten in tropisch Amerika. 2 of il door tropisch
Afrika en Azië verspreid. .1. innricalu DU.. .1. souoinom /.. en
.1. retiruliUn l-. worden in Nederlandsch Indië veelvuldig gekweekt.
-ocr page 89-
29
IV. ANONACEAE.
28. MELODORUM Dunat.
Kelkbladen 3, klein, klepswijze aaneensluitend in den
knop, van onderen vergroeid. Bloembladen 6, in den
knop klepswijze aaneensluitend in 2 rijen; de buitenste
in doorsnede plan-convex of driehoekig; de binnenste van
boven driehoekig, van onderen aan den binnenkant uit-
gehold. Meeldraden talrijk, helmhokjes rugstandig elkander
rakende; top van het helmbindsel eirond of vierkant.
Stampers talrijk, vrij; stijl langwerpig; eitjes 2 of meer.
Vrachtjes besvormig.
Klimmende heesters. Bladeren met sterke, evenwijdige
nerven. Bloemen eindelingsch, okselstandig of tegenover
de bladeren, alleenstaand, in bundels of in pluimen.
Omstreeks 25 soorten in tropisch Azië en eenige weinige in tro-
pisch Afrika; in Nederlandsen Indié een 12-tal. Miqlki.\'s geslacht Py-
ramidanthe vertegenwoordigd door /\'. rufa Miq.. dat afwijkt door
de hekervorinig vergroeide kelkbladen. de sterk in grootte ver-
scliillende bloembladen en het geringer aantal stampers, wordt
door ÜENTHAM en Hookkr als een sectie van Metoilorum be-
schouwd: hetzelfde geldt voor Mitrella Miq. dat zich onderscheidt
door het bezit van 2 eitjes in eiken stamper. Door Bi.L\'ME was
het geslacht Melodorum. z.ooals het thans wordt opgevat, deels
als een sectie van Uctiria, deels als een sectie van Polyalthia
beschouwd. De laatste afdeeling was in de Flora van MlQl\'Kl. als
het geslacht Kentia beschreven.
29. XYLOPIA /..
Kelkbladen 3, klepswijze aaneensluitend in den knop,
vergroeid. Bloembladen verlengd, in 2 rijen, klepswijze
aaneensluitend in den knop; de buitenste vlak of hol, de
binnenste nagenoeg even lang, 3-hoekig, alleen aan de
basis hol. Bloembodem meestal hol en de stampers in-
sluitende , zelden vlak. Meeldraden langwerpig, afgeknot;
het helmbindsel soms verlengd; helmhokjes van elkan-
der verwijderd of niet, meestal elk met één tusschen-
schot en een grooten stuifmeelklomp in elke afdeeling.
Stampers 1 of meer; stijl lang, knodsvormig; eitjes 2—6
of meer in 1 a 2 rijen. Rijpe vruchtjes langwerpig of
kort, ongedeeld of paarlsnoervormig, gewoonlijk met ver-
seheidehe zaden.
-ocr page 90-
30
IV. ANONACEAE.
Boomen of heesters. Bladeren leerachtig. Bloemen oksel-
standig, alleenstaand of in bijschermen of bundels. Bloem-
knoppcn driehoekig, kegelvormig, dikwijls slank.
Aantal soorten 30—40. in tropisch Afrika, in Znid-Amerika en
n Indië. Als een afzonderlek geslacht Parartabotrys beschrijft
MlQUEL eene soort van Sumatra, «loeh I\'. Sumatrana Miq. is vol-
gens Bentham en Hookeb eene soort van Xylopia. Schkffkh rekent
dat de plant «regens den vlakken bloembodem met recht door
MlQlKI. van ilit geslacht is afgescheiden. Kene tweede soort, /\'.
hexagynua Miq., heeft evenzeer een vlakken bloembodem en behoort
dus volgens Sciieffer evenmin tot het geslacht. Volgens hem zijn
er slechts \'2 soorten van Xylopia in Ned. Indië. X. Tooropiana
Srln\'/f.
en X. micidiitlut Sc/ieff.
30. MILIUSA Leachen.
Kelkbladen 3, klein, klepswijze aaneensluitend in den
knop. Bloembladen in den knop klepswijze aaneensluitend
in 2 rijen, de buitenste kleiner, kelkbladachtig; de bin-
nenste grooter, aan de randen samenhangende in de jeugd,
later vrij. Bloembodem verlengd cilindrisch. Meeldraden
in bepaald of onbepaald aantal; helmknoppen min of meer
tweedeelig; hokjes elkander rakend, eivormig, naar buiten
openspringend; helmbindsel ternauwernood puntig. Stam-
pers talrijk, lijn-langwerpig; stijl langwerpig of zeer kort;
eitjes 1—2, zelden 3—4. Rijpe vruchtjes kogelvormig of
langwerpig, 1—2-zadig.
Boomen of heesters met gesteelde, alleenstaande of tot
bundels vereenigde, meestal okselstandige, dikwijls één-
slachtige bloemen.
Aantal soorten 8. grootendeels in Kngelsch Indië: slechts ééne
soort in Nederlandsen Indië, M. macropoda Miq.
31. SACCOPETALUM Benne.tt.
Kelkbladen 3, klein, klepswijze aaneensluitend in den
knop. Bloembladen 6, in den knop klepswijze aaneenslui-
tend in 2 rijen; de buitenste klein, evenals de kelkbla-
den, de binnenste veel grooter, opgericht of samenkomende,
aan de basis zakvormig. Meeldraden onbepaald; helmhok-
jes rugstandig, elkander aanrakend; helmbindsel met een
duidelijk verlengsel. Stampers talrijk; eitjes 6 of meer.
Rijpe vruchtjes tnin of meer kogelrond.
-ocr page 91-
81
IV. ANONACEAE.
Boomen met afvallende bladeren. Bloemen okselstandig,
alleenstaand of\' in bundels, vóór of met de jonge blaad-
jes te voorschijn komend, groot.
Aantal soorten 5, in Oostelijk Azië en Australië. In Nederlandsen
Indië komt slechts ééne soort voor, S. Hnrsfteldi Bennett.
32. ALPHONSEA //. /\'. et Th.
Kelkbladen 3, klein, klepswijze aaneensluitend in den
knop. Bloembladen 6, in den knop klepswijze aaneen-
sluitend in 2 rijen, grooter dan de kelkbladen, gelijk of
de binnenste kleiner. Bloembodem cilindrisch of half bol-
vormig. Meeldraden in onbepaald aantal, los opeengepakt;
helmbokjes rugstandig naast elkander; helmbindsel puntig.
Stampers x , zelden weinig of 1; stijl langwerpig of neer-
gedrukt; eitjes 4—8, in 2 rijen langs den buiknaad.
Vruchtjes min of meer zittend of gesteeld.
Hooge boomen. Bladeren dik, leerachtig, onbehaard,
glanzig. Bloemen klein of van middelbare grootte, in
tegenover, zelden naast, de bladeren geplaatste, gesteelde
bundels.
Aantal soorten \'.). alle Indisch. Slechts twee soorten, A. Javanica
Schelf, en A. Ceramensis Scheff,, in Nederlandsen Indië, de overige
in Engelsen Indië.
33. OROPHEA lil.
Kelkbladen 3, klepswijze aaneensluitend in den knop.
Bloembladen 6, in den knop klepswijze aaneensluitend
in 2 rijen; de buitenste eirond, de binnenste genageld,
aan de randen als een mijtervormigen kap samenhangend.
Meeldraden in bepaald aantal, 6—12, vleezig; helmhokjes
rugstandig, groot, elkander aanrakende. Stampers 3—15;
stijl kort of ontbrekend; eitjes 4. Rijpe vruchtjes 1- of
meerzadig.
Boomen of heesters met kleine bladeren en okselstan-
dige, in bundels of bijschermen geplaatste, bloemen.
Aantal soorten omstreeks \'28, alle in Oostelijk Azië. In Nederlandsen
Indië en Malakka komen 21 soorten voor.
34. BOOAGEA Si. Uil.
Kelkbladen 3, cirkel- of eirond, dakpanswijze dekkend
in den knop. Bloembladen 6, in den knop dakpanswijze
-ocr page 92-
32
IV. ANONACEAE.
dekkend in 2 rijen, nagenoeg gelijk, meestal cirkelrond,
hol. Meeldraden 6—21, dakpanswijze aaneensluitend in 2
of\' meer rijen, breed langwerpig, dik, vleezig; helmhokjes
rugstandig, langwerpig; helmbindsel verlengd. Stampers
3—6; stijl kort; stempel stomp of knopvormig; eitjes 1 of\'
2—8 aan den buiknaad. Vruchtjes kogelvormig, gesteeld.
Boomen. Bladeren glanzend, takken kaal. Bloemen
klein, eindelingseh, okselstandig of in bundels op hout-
achtige, korte, bultvormige takken, één- of tweeslachtig.
Omstreeks 12 soorten in tropisch Azië en Amerika.
Hier is de beschrijving van liet geslacht gevolgd van Hooker en
Thomson in: Hooker, Flora of Brit. Ind. Volgens deze bevat het
geslacht voorde Flora van Kngelsch Indië vijf soorten, waarvan drie
door andere auteurs als Sageraea en twee als Orophea beschouwd
werden. Kéne der eerste, B. elliptica II. f. et Th., komt opMalakka
en Penang voor.
35. MEZZETTIA Becc.
Kelkbladen 3, eivormig, klepswijs aaneensluitend in den
knop. Bloembladen 6, in twee rijen klepswijs aaneenslui-
tend in den knop, weldra geopend en in grootte toe-
nemend, vlak, lijnvormig, de binnenste het kleinst,
nagenoeg van denzelf\'den vorm als de buitenste. Meel-
draden (als van de Miliuseae) in bepaald aantal (9), los
dakpanswijze aaneensluitend; helmknoppen naar binnen
openspringend, aan de rugzijde bol, voorbij de helm-
hokjes af\'geknot-rondachtig. Eén stamper, eivormig, aan
den top met eene uitgeholde stempelvlakte; eitjes 2, nabij
de basis buikstandig. Bes lederachtig, kogelvormig; zaden
2, zeer groot, samengedrukt.
Boom met ovaal-elliptische bladeren en kleine groen-
achtige bloemen, schermsgewijze vereenigd op den top
van bloemstengels, die ten getale van één of twee in de
oksels der bladeren staan.
Twee soorten door Iïëccari op Horneo (Sarawak) gevonden en
door hein M. unibelUtta en M. parviflora genoemd. Volgens Schek-
ker is Lonchomera //. /\'. et Th. een synoniem van Mezzetlia en
komt de laatstgenoemde soort overeen niet L. leptopoda II. f. et Th.
36. KING-STONIA //. f. et Th.
Kelkbladen 3, aan de basis vergroeid, eivormig, spits,
blijvend. Bloembladen 6, de buitenste eivormig, klepswijze
-ocr page 93-
V. MENISPERMACEAE.                                  33
aaneensluitend, de binnenste kleiner, langwerpig, dak-
panswijze dekkend. Meeldraden omstreeks 12; helmdraden
van de halve lengte der naar buiten gerichte helmhokjes;
helmbindsel schuin-afgeknot. Stamper 1; stempel zittend,
schildvormig, gekarteld; eitjes in gering aantal. Rijpe
vrucht bolvormig. Zaden talrijk, 2-njig.
Boom met elliptische of lijn-langwerpige bladeren. Bloe-
men in bundels op knobbels aan den stam.
De eenige soort, A\'. nervosa H. f. et Th., werd door Maingay
op Malakka gevonden.
Fam. V. MENISPERMACEAE.
Bentham et Hooker, Oen. Plant. l. p.30 etp. 958. — Miq. Ann. IV.
p. 80—88. — Schepf. in Nat. Tijdsein: v. Xed. Indié XXXII. p.
392. — Heccari, Male»., I. p. 135.
Bloemen éénslachtig. Kelkbladen meestal 6, 2-rijig
(zelden 9 of in 3 of 4 rijen, nog zeldzamer minder dan
6), vrij, zelden vergroeid, in elke rij gewoonlijk dakpans-
wijze dekkend in den knop, de buitenste kleiner dan de
binnenste. Bloembladen 6 (zelden minder), 2-rijig, dakpans-
wijze dekkend in den knop. Mannelijke bloemen: Meeldra-
den hypogynisch, meestal tegenover de bloembladen; helm-
draden vrij of vergroeid; helmknoppen vrij of vergroeid,
tweehokkig. Stampers rudimentair of ontbrekend. Vrou-
welijke bloemen:
Staminodiën 6 of ontbrekend. Stampers
3 (zelden 1 of 6—12); stijl eindelingsch, enkelvoudig of
verdeeld; meestal 1 eitje (zelden 2), gewoonlijk amphitroop.
Steenvruchtjes met het litteeken van den stijl min of
meer aan den top of door ongelijken groei nabij de basis.
Zaad meestal haak- of niervormig, dikwijls gebogen om
een inspringend deel van de steenkern -{condylus Miers);
kiemwit gelijkmatig, uitgevreten of ontbrekend; zaadlobben
vlak of half cilindervormig, bladachtig of vleezig, aange-
drukt of uitgespreid; kiem gebogen, zelden recht; het wor-
teltje naar het litteeken van den stijl gericht.
Klimmende, vaak windende heesters, houtachtig of min
of meer kruidachtig. Afwisselende, gave of handlobbige
3
-ocr page 94-
34
V. MENISPERMACEAE.
bladeren met een aan de basis en den top schijnbaar ge-
leeden bladsteel, zonder steunblaadjes. Bloemen zeer klein,
in schermen, trossen of\' bijschermen, zelden alleenstaand.
Aantal geslachten 33, soorten omstreeks 100, hoofdzakelijk in
«Ie tropische luchtstreken, zeldzamer in niet-tropisch Amerika,
Zuid-Afrika en Australië voorkomende.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Tribus I. Tinosporeae. Bloemen 3-tallig. Stampers meestal 3.
Steenvruclitjes met een eindelingsch, zelden min of meer biiikstandif;
of bijna basilair stijllitteeken. Zaad langwerpig of min of meer kogel-
vormig; kieniwit overvloedig of gering; zaadlobhen hladachtig, meestal
zijdelings uitgespreid.
•f Steenvruchten met een eindelint/sch of bijna eindelingmsh
stijllitteeken.
\\. Aspidocarya. Kelkbladen f> of 12; bloembladen C; helmdraden
tot ééne massa vergroeid.
2.   Tinospora. Kelkbladen ti: bloembladen f>; helmdraden vrije
stampers zittend.
3.   Hypsopodes. Kelkbladen <>: bloembladen 6; helmdraden van
onderen vergroeid; stampers op een stamperdrager (gynophorus).
4.   PARABAENA. Kelkbladen (5 ; bloembladen (3: helmdraden vrij;
stampers zittend. Bloemen tweeslachtig.
5.   TinomiscHj\'M. Kelkbladen \'.); bloembladen 6, grooter dan de
meeldraden en deze omsluitende: helmdraden vrij: stampers zittend.
B. Chi.aexaxuka. Kelkbladen 0: bloembladen 0. tweemaal korter
dan de meeldraden: hehiidraden vrij, sterk verdikt.
7.   Kibralhea. Kelkbladen 0: bloembladen 0: helmdraden vrij;
stampers zittend.
•f"}- Steenvruchten mol een bijna baxilair .stijllitteeken.
8.  Axamirta. Kelkbladen 6; bloembladen 0; alle helmdraden
vergroeid.
9.   COBCIXIUH. Kelkbladen 0; bloembladen 0; buitenste helm-
draden vrij.
40. AncAXGELlsiA. Kelkbladen 0: bloembladen 0; alle helmdraden
vergroeid.
Tribus 11. Cocculeae. Hloemen 3-tallig. Stampers meestal 3.
Steenvruclitjes met een bijna basilair. zelden bijna eindelingsch, stijl-
litteeken. Zaad hoefijzervormig: kiemwit overvloedig, kiem dun, zaad-
lobben lijnvormig of een weinig verbreed.
\\\\. Th.iacora. Eloembladen 6, klein: stampers 3—42: stijl
priem vormig.
12. Limacia. Bloembladen T>—8: stampers 3: stijlen min of meer
samengedrukt.
-ocr page 95-
Sf)
V. ME5ISPERMACEAE.
13.   COCCULUS. Bloembladen 6: stampers 3—6; stijlen priemvormig.
14.   PSRICAMPYLUS. Bloembladen 6; stampers 3; stijlen gevorkt.
Tribus III. (\'is*ampclirit\'lH\'. Bloemen 3—5-tallig. Meestal 1
stamper. Steenvrucht met een bijna basilair stijllitteeken; steen-
kein aan de rugzijde met stekels of borstels bezet. Zaad hoelijzer-
vormig: kiemwit gering; kiem lijnvormig: zaadlobben lijnvormig, tegen
elkander aangedrukt.
15.  STEPHANIA. Kelkbladen 0—10, vrij; bloembladen 3—5, vrij.
16.   Cissampklos. Kelkbladen 4, vrij bij de mannelijke, 1 of 2
vergroeid bij de vrouwelijke bloem: bloembladen der mannelijke
bloem 4, vergroeid, die der vrouwelijke 1 of ontbrekend.
17.   Cyclka. Kelkbladen 1—8, vergroeid bij de mannelijke, 1 bij
de vrouwelijke bloem; bloembladen 4—8, vergroeid bij de manne-
lijke, 1 bij de vrouwelijke bloem.
Tribus IV. PadiyjjOIieae. Bloemen meestal 3-tallig. Stampers
gewoonlijk 3. Steenvruchtjes met een bijna basilair of buikstandig stijl-
litteeken. Zaad gebogen, baakvormig; kiemwit ontbrekend; zaad-
lobben dik , vleezig.
f Zaadlobben en kieniworteltje vrij; vrucht 1—2, hoor/stens 4 cM.
18.   PachvGONE. Kelkbladen, bloembladen en meeldraden elk C;
helmknoppen 2-lobbig, dwars openbarstend.
19.   PVCNARRHENA. Kelkbladen en bloembladen 3 of 6 ; meeldraden
!); helmhokjes met de toppen ineenvloeiend.
20.   Ai.kertisia. Kelkbladen 9, de 6 buitenste klein, de 3 bin-
nenste tot eene urnvormige buis vergroeid : bloembladen 3 bij de
mannelijke, 6 bij de vrouwelijke bloemen; stampers T>—6.
21.   Bania. Kelkbladen omstreeks 15, de buitenste 12, schub-
vonnig, dakpanswijze dekkend in den knop, de 3 binnenste kleps-
wijze aaneensluitend in den knop, driemaal grooter dan de voor-
gaande; stampers 6.
ff Zaadlobben en kieniworteltje tot ééne massa versmolten;
vruchten tot
10 cM. lang.
22.  Macrococculus.
1. ASPIDOOARYA . 11. f. el Th.
Kelkbladen 6—12, in 2—4 rijen, naar binnen lang-
zamerhand breeder wordend. Bloembladen 6, korter dan
de kelkbladen, wigvormig-omgekeerd eirond. Mannelijke
bloemen:
Meeldraden verbonden tot eene zuil met schild-
vormigen top; helmknoppen 6, horizontaal, zittend aan
den rand van den top. Vrouwelijke bloemen: Meeldraden
onvruchtbaar. Stampers 3, stempels min of\' meer knop-
vormig. Steenvruchten ruggelings samengedrukt, met
-ocr page 96-
36                                 V. MENI8PKRMACEAK.
een min of meer eindelingsch stijl-litteeken; steenkern gekield
aan de rugzijde, aan den breeden kant vlak, niet naar
binnen ingedrukt. Zaad hangend, langwerpig met eene
duidelijke zaadnerf aan de voorzijde; kiemwit vleezig;
kiemworteltje kort; zaadlobben vlak, aan de basis uit
elkander gespreid, verder evenwijdig.
Bladeren hartvormig of meer of min sehildvormig. Tros-
vormige, lange, min of meer samengestelde pluimen.
Twee soorten, waarvan ile eene op het Himalaya-gebergte, de
andere op Borneo voorkomt. De beschrijving van het geslacht is
ontleend aan de soort van den Himalaya, daar van de andere
slechts één exemplaar niet onrijpe vrachtjes hekend is, door BRC-
cari in de provincie Sarawak op den berg Gadin, ongeveer 300
ineter hoven de zee, gevonden. Deze soort, A. hirauta Becc, werd
door Beccari beschreven als volgt: Klimmende heester met cylinder-
vormige diepgestreepte twijgen, welke evenals de bladstelen stijf-
haiig zijn. Kladschijf kruidachtig-papierauhtig, 14—15 cM. breed,
aan de basis 7-nervig, diep hartvormig met afgeronde lobben, naai\'
den top in eene lange punt versmald, van boven kaal, van onderen
op de nerven stijf harig, op de nerven van den tweeden rang met
enkele stijve haren: bladsteel gestreept, rolrond, aan de beide uit-
einden weinig gezwollen, aan de basis gewrongen, bijna de helft
kleiner dan de bladschijf. Vruchtdragende trossen, nagenoeg even
lang als de bladschijf, stijf, lang-piramidevormig met horizontale
takken; onderste takken 10—12-bloemig, bovenste slechts met ééne
bloem. Vruchtstelen afstaande, stijf, 5—40 raM. lang. Steen-
vruchtjes 3, kogelvormig, ongeveer 10 mM. lang, onrijp wit.
2. TINOSPORA Mier*.
Kelkbladen 6, 2-rijig, de binnenste het grootst, vliezig.
Bloembladen 6, kleiner. Mannelijke bloemen: Meeldraden
6, helmdraden vrij, toppen verdikt; helmhokjes schuin
aaneengegroeid, schuin openspringende. Vrouwelijke bloe-
men:
Staminodiën 6, knodsvormig. Stampers 3; stempels
gevorkt. Steenvruchten 1—3, aan de rugzijde bol, aan de
buikzijde vlak; stijllitteeken bijna eindelingsch; steenkern
gegroefd, aan de rugzijde gekield, aan de buikzijde hol. Zaad
aan de buikzijde gegroefd of gebogen rondom den nagenoeg
2-lobbigen condylus. Kiemwit aan de buikzijde uitgevre-
ten; zaadlobben bladachtig, eivormig, uitgespreid.
Klimmende heesters. Bloemen in okselstandige of ein-
delingsche trossen of pluimen.
Aantal soorten 8 in tropisch Azië en Afrika (volgens HOOKER en
Thomson in Hook. Fl. «/\' Br larf. i. p. 96). Beccari, die er ook
-ocr page 97-
V. MENISPERMACEAE.                                   37
eene soort toe brengt, welke door Schepper tot het geslacht Limaeia
gerekend was en bovendien eene nieuwe soort beschrijft, stelt liet
aantal soorten van den Maleischen Archipel op 5.
:«. HYPSIFODES Mi,/.
Kelkbladen 6, in twee rijen, de binnenste veel groo-
ter, langwerpig, vliezig, in den knop dakpanswijze dek-
kend. Bloembladen 6, vrij , wigvormig-omgekeerd eivormig,
veel kleiner dan de binnenste kelkbladen. Mannelijke
bloemen:
Meeldraden 6; helmdraden vliezig-afgeplat, naar
boven breeder wordend, onder aan de basis een weinig
met de bloembladen vergroeid, de drie buitenste vrij, de
drie binnenste ter halver hoogte met elkander vergroeid,
tweemaal langer dan de bloembladen; helmknoppen ein-
delingsch, eivormig; helmhokjes schuin aangegroeid, aan
den top elkander rakend en aan de basis uiteenstaand,
met zijspleten openend. Rudimentaire stamper ontbrekend.
Vrouwelijke bloemen veel grooter: Onvruchtbare meeldra-
den 6, knodsvormig, onder aan de basis der bloembladen
vastgehecht en een weinig korter dan deze. Stampers 3,
schuin ellipsvormig, ingeplant op den top van een steel-
vormigen stamperdrager [gynophorus), welke tweemaal
langer dan de bloembladen is; stempel eindelingsch, schild-
schijfvormig, aan de randen met onregelmatige, dicht
aaneenliggende lobben. Steenvruchten vleezig, aan de
buikzijde vlak, door den blijvenden, eindelingschen stem-
pel gekroond. Steenkern rimpelig met een naar binnen ge-
keerden condylus, welke een ledig hokje bevat. Zaad met
een hol en een bol oppervlak, waarschijnlijk kiemwit-
houdend.
Kruid of heester, min of meer windend. Bladeren hart-
vormig-eirond, 5—7-nervig. Bloemen afzonderlijk of in
bundels van 2 of 3, aan okselstandige trossen.
Eéne soort , //. svheordatus Miq., welke op Timor werd aange-
trotl\'en. Zij vertoont veel overeenkomst met soorten van Tinospora,
vooral met 7\'. cordifolia Miers. verschilt hiervan echter door de
vergroeide helmknoppen.
Beccari onderstelt dat Miqijki.\'s //;//«i/i<h/i>s synoniem is met
zijne Varabaena tvibercu-\'ata, welke echter daarvan verschilt door
rle tweeslachtige bloemen en de vrije meeldraden,
-ocr page 98-
38
V. MENISPERMACEAE.
I. PARABAENA Miers.
Kelkbladen 6, in 2 rijen, bijna gelijk. Bloembladen
6, korter dan de kelkbladen, wigvormig-omgekeerd-eirond
of 3-lobbig. Mannelijke bloemen: Meeldraden tot eene zuil
verbonden; helmknoppen 6, tot een min of meer kogel-
vormig, eindelingsch hoofdje verbonden, dwars openbar-
stend. Vrouwelijke bloemen: Onvruchtbare meeldraden 6.
Stampers 3, met priemvormige, teruggebogen stijlen.
Steenvruchten eivormig, met een eindelingsch stijllittee-
ken; steenkern van boven gesnaveld, met wratachtige uit-
steeksels op den rug, van voren met eene diepe uitholling
en een halfkogelvormigen, naar binnen gerichten eondy-
lus. Zaad met een hol en een bol vlak, gebogen om den
naar binnen gekeerden condylus; kiemwit overvloedig,
gelijk; kiem gekromd, kiemworteltje lang; zaadlobben
eivormig, zijdelings uitgespreid.
Bladeren pijlvormig; dichotomisch vertakte en oksel-
standige bijschermen.
Eéne soort in Engelse!) Indië, waarop de geslachtsbesehrijving
betrekking heeft. Door Bkccari werd eene tweede soort beschreven,
door hem in Xieiiw-tluinea waargenomen. Daar deze soort, P. tuber-
culata Beer.,
nog al veel afwijkt van de andere, die tot type van
liet geslacht gediend heeft, laat ik de beschrijving hiervan volgen :
Windende halfheester. met gewrongen, kruidachtige, diepgestreepte,
behaarde takken. liladeren hartvormig of breed eivormig, lelden
een weinig afgeknot aan de basis, 7-nervig, kruidachtig, met
scherpen, plotseling toegespitste]! top, gaafrandig of golvend-getand,
42—17 cM. lang. 10—li cM. breed, van boven met verspreide
haren, van onderen zacht harig: bladsteel nagenoeg even lang of
tweemaal of driemaal korter, diep gestreept, aan den top versmald,
aan de verdikte basis i ankachtig gewonden. Okselstandige, losse,
wijd vertakte pluimen ongeveer even lang als de bladeren. Bloe-
men geheel kaal, kogelvormig, vleezig. ongeveer \'A inM. in omtrek,
tweeslachtig. Kelkbladen 6, vleezig, roodachtig, hol, min of meer
gelijk, dakpanswijze dekkend in den knop; bloembladen (i. half zoo
groot als de kelkbladen, eivormig stomp, vlak of een weinig nitge-
hold, vleezig. Meeldraden 0. niet veel korter dan de bloembladen,
vrij, met dikke helmdiaden, welke aan den top een weinig verdikt
zijn, en eindelingsche helmknoppen, met tweelobbige, latei\' schuin
geplaatste hokjes, welke zijdelings met een langspleot openspringen.
Stampers 3, met korte stijlen en groote horizontale, in slippen ver-
deelde stempels; eitje vastgehecht midden in den hinnenhoek van het
hokje. Steenvruchten vleezig, met een eindelingsch stijllitteeken.
Steenkern boonachtig, ongeveer (! inM. lang, 0 mM. breed , met eene
bolle rugvlakte, welke met grove knobbels bezet is en eene vlakke
-ocr page 99-
39
V. MENISPERMACEAE.
straalswijs gestreepte, in hot midden uitgeholde bnikvlaktp, wplkp
aan «Ipii binnenwand met een stompen condylus in de holte van
liet zaad dringt. Zaad aan de buikvlakte hol, aan dp rugvlakte
bol: kiemwit gelijk: kiem recht of eenigszins gekromd, in het
midden van het kiemwit: kiemworteltje eindelingsch, naar het stijl-
litteeken gericht, zaadlobben dun, bladachtig, uitgespreid, korter
dan het kiemwit.
BECCARI meent dat dit misschien dezelfde soort, is welke door
MlQi;El. als HypsiiHxlex milx-nrdnliis werd beschreven.
.">. TINOMISCITJM Miers.
Kelkbladen 9 met 3 schutbladen. Bloembladen 6, lang-
werpig rond en naar binnen gekeerd. Mannelijke bloemen:
Meeldraden 6, helmdraden afgeplat:; helmknoppen lang-
werpig aangegroeid, vertikaal openspringende. Rudimentaire
stampers 3. Vrouwelijke bloemen onbekend. Steenvruch-
ten zeer te samen gedrukt, eirond-langwerpig, stijllittee-
ken eindelingsch; steenkern zeer te samen gedrukt,
aan de rugzijde bol, aan de buikzijde vlak of een weinig
hol, niet naar binnen gedrongen (zonder condylus). Zaad
bijna vlak, langwerpig; zaadlobben geheel vlak, bijna
even breed als de dunne kiemwitlaag, zeer dun, dicht
aaneengedrukt; worteltje kort cylindrisch.
Een klimmende heester met melkachtig sap. Bloemen in
trossen.
Aantal soorten 3, in oostelijk Azië (Mook. Fl. of Br. Ind.). Bkc-
CARI, die eene nieuwe soort beschrijft van Xieuw-Guinea, stelt
het aantal soorten van den Nedeilandschen Archipel op 3, T.
petiolare Miers,
7\'. Javanicimi Miers, 7\'. elasticwn Becc.
C. CHLABNANDRA Mig.
Mannelijke bloemen: Kelk 9-bladig, in \'ó rijen; bui-
tenste rij klein, smal en spits, middelste eirond-rond-
achtig, vliezig, twee- of driemaal grooter dan de vorige,
binnenste langwerpig-eirond, vliezig, in het midden iets
dikker en hol, veel grooter dan de voorgaande, in den
knop dakpanswijze dekkend. Bloembladen 6, veel korter
dan de binnenste kelkbladen en tweemaal korter dan de
meeldraden, smal elliptisch met eenigszins spitsen of stom-
pen top, meestal een weinig vliezig, doch vrij stevig, de
helmdraden nauw omsluitend. Meeldraden 6, met vrije
van onderen af sterk verdikte, naar voren gebogen helmdra-
den ; helmknoppen eindelingsch, met tegen elkander aanlig
-ocr page 100-
40
V. MENISPERMACEAE.
gende, door zijspleten openspringende, ellipsvormige hokjes.
Vrouwelijke bloemen onbekend. Steenvruchten groot,
kogelvormig, vleezig, met een bijna eindelingsch stijllit-
teeken; steenkern ei-kogelvormig, met kammen of
stekels bezet, houtachtig vezelig, met een tweehokkigen
condylus aan de buikzijde. Zaad aan de buikzijde hol en
daar aan den condylus bevestigd; kiem gekromd, nage-
noeg even lang als het niet uitgevreten, overvloedige
kiemwit; zaadlobben zeer breed; kiemworteltje kort, naar
het stijllitteeken gericht.
Klimmende heester met breed eivormige, lederachtige
bladeren, welke aan de basis afgerond of bijna afgeknot
aan den top spits of kort toegespitst zijn. Mannelijke
bloemen in groote, sterk vertakte pluimen.
De beschrijving van de mannelijke bloemen der eenige soort C.
ovata Mi</.,
is ontleend aan Miq. Ann. Mus. Lugd. Bat. IV, p. 83,
waar als vermoedelijke groeiplaats Nieuw-Guinea wordt opgegeven,
hetgeen MlQUEL, mijns inziens terecht, uit de plant van Z1PPELIU8
in \'s Rijks Herbarium hoeft opgemaakt. Later werd deze meening
bevestigd door BECCARI, die in Males. I, p. 144 vermeldt, zoowel
vrouwelijke als mannelijke planten aangetroffen te hebben op het
eiland Aroe nabij Nieuw-Guinea. Vrouwelijke bloemen had deze
echter niet gevonden en de vruchten niet aan de plant bevestigd
gezien, doch ze van den grond opgeraapt. Wegens de zuiver drie-
tallige, mannelijke bloemen en ook wegens den vorm der vruchten
wier beschrijving door ons van BECCARI overgenomen is, blijkt hare
plaats onder de Menwpermaceae door Miquf.i. goed gekozen. Waarom
in Durand\'s Index Gen. Phaner. p. 7, 63 en 493 Nieuw-Granada
als groeiplaats wordt vermeld en de soort eerst als een synoniem
van Anamirta wordt beschouwd, doch later tot de familie der
Olacineae en in deze tot den Tribus der Opilieae wordt gebracht,
waar de bloemen 4- (zeldzamer 4—5-) tallig zijn, is mij niet
gebleken.
7. FIBRATJREA Lour.
Bloemen tweehuizig. Kelkbladen 6, met 3 kleine schut-
bladen, de binnenste het grootst. Bloembladen ontbrekend.
Mannelijke bloemen: Meeldraden 6; helmdraden knods-
vormig; helmknoppen eindelingsch, aangegroeid; hokjes
uitgespreid, door eene verticale spleet openspringend.
Vrouwelijke bloemen: Staminodiën 6. Stampers 3, eirond,
2-eiig; stempel zittend, puntvormig. Steenvruchten 3,
1-zadig, langwerpig rolrond, stijllitteeken nagenoeg einde-
lingsch; steenkern langwerpig, aan de rugzijde bol,
-ocr page 101-
41
V. MENISPERMACEAE.
aan de buikzijke vlak en gevoord, ternauwernood naar
binnen gedrongen. Zaden langwerpig rolrond, niervormig
op eene dwarsche doorsnede; kiemwit overvloedig, hoorn-
achtig; zaadlobben bladachtig, in de lengte gebogen, lang-
werpig, zeer dun; worteltje kort, cylindrisch.
Eene hooge, klimmende, onbehaarde heester. Bladeren
eirond of langwerpig, lederachtig, 3-nervig. Bloemen in
groote okselstandige pluimen.
Aantal soorten 3, in tropisch Azië on Afrika. Twee soorten komen
voor in den Maleischen Archipel F. thictoria Lour. en F. la.ru
Miers.
8. ANAMIRTA Colébr.
Kelkbladen 6, met 2 aangedrukte schutbladen. Bloem-
bladen ontbrekend. Mannelijke bloemen: Helmknoppen
zittend op eene dikke zuil, 2-hokkig, dwars opensprin-
gend. Vrouwelijke bloemen: Staminodiën 9, knodsvormig,
1-rijig. Stampers 3, op een korten stamperdrager; stempel
min of meer knopvormig neergebogen. Steenvruchten op
een 3-spletigen stamperdrager, schuin eivormig, bultig aan
de rugzijde; stijllitteeken nagenoeg basilair; steenkern
houtachtig. Zaad kogelvormig, den nagenoeg kogelvormig
naar binnen gedrongen condylus omsluitend; kiemwit
dik, hoornachtig, korrelig; kiem gebogen, zaadlobben
smal, langwerpig, dun, uitgespreid.
Klimmende heester. Bloemen in pluimen.
Eéne soort, in Engelsch en Nederlandsen Indië voorkomende A.
Cocculus W. el Am.
9. OOSCINITJM Colebr.
Kelkbladen 6, cirkelvormig, met één schutblad. Bloem-
bladen 3, elliptisch, groot, uitgespreid. Mannelijke bloemen :
Meeldraden 6; helmdraden cilindrisch, 3 binnenste tot
het midden vergroeid; helmknoppen aaneengegroeid, bui-
tenste 1-, binnenste 2-hokkig, verticaal openspringende.
Vrouwelijke bloemen: Staminodiën 6. Stampers 3—6,
min of meer kogelvormig; stijlen priemvormig, neer-
gebogen. Steenvruchten kogelvormig; steenkern been-
achtig. Zaad kogelvormig, den kogelvormigen, naar
binnen gedrongen condylus omvattend; kiemwit vleezig,
-ocr page 102-
42
V. MENISPERMACEAE.
uitgevreten aan de buikzijde; kiem recht, zaadlobben
cirkelvormig uitgespreid, dun, gegolfd in slippen of met
openingen.
Klimmende heesters. Bloemen in dichte, kogelvormige
hoofdjes.
Aantal soorten 2, in tropisch Azië. beiden in den Maleischen
Archipel, C. fcne.ilratum Colcbr. en C. Blumeanum Miers.
10. ARCANGELISIA Becc.
Bloemen tweehuizig. Mannelijke, bloemen: Kelkbladen
9, de 3 buitenste het kleinst; de 6 binnenste bloemblad-
achtig, in 2 rijen, nagenoeg gelijk, langwerpig, in den
knop dakpanswijze dekkend. Bloembladen ontbrekend.
Meeldraden 9, ineengesmolten, met zeer korte helmdra-
den; helmknop eindelingsch met 4 hokjes, dwars open-
springend. Vrouwelijke bloemen: Bloembladen (of stami-
nodiën) 6, zeer kort, dik. Stampers 3, elk met 2
boven elkander geplaatste eitjes; stempels dik, driehoekig
met grove stempelwratjes. Steenvruchten 1—3, kogel-
niervormig; stijllitteeken eenigszins van den top verwij-
derd; steenkern beenachtig, aan de rugzijde bol, zijde-
lings samengedrukt, aan de buikzijde een weinig vlak,
zonder condylus aan den binnenwand, maar met een
tweekleppigen naad in den omtrek. Zaad de geheele holte
van den steen vullend en daaraan nagenoeg gelijk, aan
rug- en buikzijde met eene bijna rondloopende groeve;
kiemwit overvloedig, sterk uitgevreten; zaadlobben uit-
gespreid, groot, dun, bladachtig, sterk gevouwen, moeilijk
van elkander te onderscheiden; kiem worteltje kegelvormig,
zeer kort, naar het stijllitteeken gericht.
Klimmende heesters met eivormige, 5-nervige bladeren.
Mannelijke bloemen zittend, vrouwelijke met dikke bloem-
stelen; de laatste bij ééne soort in groote pluimen aan
oudere takken.
Twee soorten, beide slechts aangetroffen in Nederlandsch lndic.
De eerste A. lemniscata Becc. werd reeds vroeger door MlERS als
Anamirta lemniscata beschreven en is op .lava, Celebes en liorneo
waargenomen, de tweede A. inclyla Becc. werd door Rkccari in
Nieuw-Guinea gevonden.
-ocr page 103-
V. MENISPERMACEAE.                                   43
H. TILIACORA CaUbr.
Kelkbladen 6, in 2 rijen, de buitenste veel kleiner.
Bloembladen 6, zeer klein, wigvormig. Mannelijke blor-
men:
Meeldraden 6; helmdraden min of meer cilindrisch;
helmknoppen aaneengegroeid, loodrecht openbarstend.
Rudimentaire stampers 3. Vrouwelijke bloemen: Stampers
3—12; stijl kort, priemvormig, Steenvruchten omgekeerd
eivormig, gesteeld, min of meer samengedrukt. Stijllit-
teeken min of meer basilair; steenkern dun, onduide-
lijk geribd, aan beide kanten gegroefd. Zaad haakvormig;
kiemwit oliehoudend, uitgevreten; zaadlobben lijnvormig,
vleezig, plan-convex, aangedrukt.
Klimmende heester. Bloemen in okselstandige pluimen,
tweehuizig of gemengdslachtig.
Eéne soort in tropisch Indië verspreid: T. racemosa Ciilebr.
12.  LIMAOIA Lour.
Kelkbladen 6, in 2 rijen, de buitenste kleiner. Bloem-
bladen 6 (of 3) veel kleiner, geoord, de meeldraden
omvattende. Mannelijke bloemen: Meeldraden 3—9;
helmknoppen aangegroeid, verticaal openbarstende. Vrou-
lijke bloemen:
Staminodiën 6, knodsvormig. Stampers 3;
stijlen kort, samengedrukt. Steenvruchten omgekeerd ei-
rond of niervormig; stijllitteeken bijna basilair; steen-
kern 3-hokkig; 2 zijdelingsche hokjes ledig. Zaad lang,
den naar binnen gedrongen condylus omvattende; kiem
dun; zaadlobben verlengd, half-rolrond, aangedrukt.
Klimmende heesters. Bloemen in pluimen.
Aantal soorten omstreeks 10. in tropisch Azië en Afrika.
Beccari onderscheidt hierin, volgens het voorbeeld van Mikus,
twee geslachten. Limacin. waar de binnenste rij der kelkbladen
in den knop klepswij/.e aaneensluiten en Hypserpa. waar zij dak-
panswijze dekkend zijn: van de eerste komen er volgens BECCARI
2, van de laatste 5 in Nederlandsch Indië voor. lAmacia Sunui-
trana Scheff.
is volgens Bkccari eene Ttnatpora.
13.   COCOULUS l)C.
Kelkbladen 6, in 2 rijen, de buitenste het kleinst.
Bloembladen 6, kleiner, meestal geoord. Mannelijke
bloemen:
Meeldraden door de bloembladen omvat; helm-
-ocr page 104-
44
V. MENISPERMACEAE.
knoppen nagenoeg kogelvormig; hokjes dwars opensprin-
gend. Vrouwelijke bloemen: Staminodiën 6 of ontbrekend.
Stampers 8—6; stijlen meestal cilindrisch. Steenvruchten
zijdelings samengedrukt; steenkern hoefijzervormig, aan
de rugzijde gekield en met wratten, aan de zijden uit-
gehold. Zaad gebogen; kiemwit vleezig; kiem ringvormig;
zaadlobben lijnvormig, vlak aangedrukt.
Klimmende of neerliggende heesters, zelden min of
meer opgericht. Bladsteel niet aan de basis verbreed.
Bloemen in pluimen.
Aantal soorten omstreeks 10, 2 in tropisch Noord-Atnerika, de
overige in tropisch Azië en Afrika en in China.
Op het voorbeeld van MiK.its scheidt Heccaiu hiervan, onder den
naam Diploclisia (D. macrocarpa Miers), eene soort af met groote,
omgekeerd eivormige steenvruchten en lange pluimen, welke door
MlQUEL, BENTHAK en HOOKER en ScHEKFER hij het geslacht Coc-
culus
gebracht was. Behalve door deze is het geslacht in den
Maleischen Archipel vertegenwoordigd door C. ovalifolius DC.
14. PERICAMPYLTJS Miers.
Kelkbladen 6, de buitenste het kleinst (met 3 schut-
bladen) de binnenste spatelvormig. Bloembladen 6, wig-
vormig. Mannelijke bloemen: Meeldraden 6, helmdraden
cilindrisch; helmknoppen aangegroeid, dwars openbarstend.
Vrouwelijke bloemen: Staminodiën 6, knodsvormig. Stam-
pers 3; stijlen 2-deelig; segmenten priemvormig. Steen-
vruchten min of meer kogelvormig; steenkern hoef-
ijzervormig. aan de rugzijde met een kam en stekels,
zijdelings uitgehold. Zaad gebogen; zaadlobben lang-
werpig, vlak, ternauwernood breeder dan het worteltje.
Klimmende heester. Bladeren min of meer schildvormig;
bladstelen dun, geleed. Bloemen in okselstandige bij-
schermen.
Eéne soort, P. incanus Miers, in tropisch Azië en Australië voor-
komende. Zij werd op Java, Banka, Surnatra en Borneo gevonden.
45. STEPHANIA Lour.
Mannelijke bloemen: Kelkbladen 6—10, vrij, eirond of
omgekeerd eirond. Bloembladen 3—5, omgekeerd eirond
vleezig. Helmknoppen 6, vergroeid, den top van de
meeldradenzuil omgevende, dwars openspringende. Vrou-
-ocr page 105-
V. MENISPERMACEAE.                                  45
welijke bloemen: Kelkbladen 3—5. Bloembladen als bij
de mannelijke. Staminodiën ontbrekend. Stamper 1; stijl
8—6-deelig. Steenvrucht onbehaard; steenkern samen-
gedrukt, hoefijzervormig, wratachtig aan de rugzijde, aan
de zijden uitgehold en doorboord. Zaad bijna ringvormig;
zaadlobben lang, dun, half rolrond, aangedrukt.
Klimmende heesters. Bladeren meestal schildvormig.
Bloemen in okselstandige, bijschermachtige schermen.
Aantal soorten 3, in alle tropische streken der oude wereld voor-
komende. Volgens BECCABI komen 8 soorten in Nederlandsen
Indië voor.
-16. OISSAMPELOS /.,
Mannelijke bloemen in bijschermen. Kelkbladen 4 (5—6)
met uitgevreten rand. Bloembladen 4, vergroeid, eene vier-
lobbige nap vormende. Helmknoppen 4, vergroeid, den top
van de helmdradenzuil omgevende, dwars openbarstende.
Vrouwelijke bloemen in trossen, opeengedrongen in de
oksels van bladachtige schutbladen. Kelkbladen 2 (of 1
kelkblad en 1 bloemblad), 2-nervig, vergroeid met de
schutbladen. Staminodiën ontbrekend. Eén stamper; stijl
kort, 3-spletig of -tandig. Steenvrucht eivormig; stijllit-
teeken nagenoeg basilair; steenkern hoefijzervormig,
samengedrukt, wratachtig aan de rugzijde, met uitgeholde
zijden.
Min of meer opgerichte of klimmende heesters. Bladeren
dikwijls schildvormig.
Aantal soorten talrijk, maar volgens BENTHAM en HOOKER tot
18 terug te brengen, waarvan men er 12 in tropisch Amerika, 5
in tropisch Afrika en 1 in alle tropische streken aantrof; de
laatste, C. Pareira L. komt ook in Nederlandsch Indië voor,
waar zij onder andere in Nieuw-(iuinea, op Java, Timor en C\'erain
werd gevonden.
17. OYOLEA Arnott.
Mannelijke bloemen: Kelkbladen 4—8, vergroeid tot
een opgeblazen, 4—5-lobbigen kelk. Bloembladen 4—8,
min of meer vergroeid tot eene 4—5-lobbige kroon. Helm-
knoppen 4—6, vergroeid, op den top van de helmdraden-
zuil, dwars openspringende. Vrouwelijke bloemen: Eén
kelkblad, langwerpig. Eén bloemblad, cirkelvormig. Eén
-ocr page 106-
4(5
V. MENISPEKMACEAE.
stamper; stijl kort, 3—5-lobbig; lobben stralend. Steen-
vrucht eirond; stijllitteeken nagenoeg basilair; steen-
kern hoefijzervormig, aan de rugzijde met wratten, de
zijden bol met 2 ledige hokjes (als in Limacia). Zaad
gebogen; zaadlobben dun, half rolrond, aangedrukt.
Klimmende heesters. Bladeren meestal schildvormig.
Bloemen in okselstandige pluimen.
Asmtal soorten 3, in tropisch Azië; hiervan komen er twee nl.
C. jtellata II. f. et Th. en (\'.. ruimsta Heet: in Nederlandsch ludic
voor, de eerste is ook aan Kngelsi h lwlië geineen en werd in den
Archipel op Java, Suinatra en liorneo gevonden: de laatste slechts
op liorneo.
18. PACHYGONE Miers.
Kelkbladen 6 in 2 rijen, de buitenste het kleinst.
Bloembladen 6, veel kleiner, aan de basis geoord, de
helmdraden omvattende. Mannelijke bloemen: Meeldraden
6; helmdraden gekromd; helmknoppen nagenoeg kogel-
vormig, tweedeelig, dwars openbarstend. Rudimentaire
stampers 3, klein. Vrouwelijke bloemen: Staminodiën 6.
Stampers 3; stijlen dik, horizontaal. Steenvruchten nier-
vormig; stijllitteeken bijna basilair; steenkern nier-
vormig, gerimpeld. Zaad hoefijzervormig; kiemwit ont-
brekend; zaadlobben half cilindrisch, zeer dik, hard;
worteltje, zeer kort.
Klimmende heesters. Bloemen okselstandig in trossen.
Eéne soort in tropisch Azië voorkomende: /\'. ovata Aftergen van
Ceylon tot Nieuw-Guinea verspreid.
19. PYONABRHENA Mier».
Mannelijke bloemen: Kelkbladen 6, in twee rijen,
rondachtig, hol. Bloembladen 6, veel kleiner. Meeldraden
9, ingeplant op een bolvormigen bloembodem; helmdraden
zeer kort, met vlakken top; helmknoppen opgericht;
hokjes van boven ineenvloeiend, met eene doorloopende
spleet openspringend. Vrouwelijke bloemen: Kelkbladen
9, in 3 kransen, waarvan de 3 binnenste zeer groot.
Staminodiën ontbrekend. Stampers 3. Steenvruchten 3,
niervormig, aan de zijkanten een weinig uitgehold met
eene dunne, weinig naar binnendringende lijst op de
-ocr page 107-
47
V. MENISPERMACEAE.
steenkern; stijllitteeken zijdelingsch. Zaad gekromd,
kiemworteltje zeer klein; zaadlobben dik-vleezig.
Bladeren langwerpig, vinnervig. Bloemen bijeenstaan.de
aan oude stengelknoopen, nu eens langs langere, dunne,
veelbloemige stengels verspreid, dan weder aan kortere
dicht opeengedrongen.
Aantal soorten 5, waarvan eene in Oostelijk Bengalen, de andere
op Borneo voorkomt.
De beschrijving der mannelijke bloemen is aan Scheffer (Tijtl-
schr. i). Ned. Indiê,
XXXII). die der rrouwelijke aan Bentham en
llooKER ontleend, aan wie de eerste onbekend waren. /\'. Im-itltt
tiiq.
en l\'. longifolius Becc. vroeger tot Antitaxis gerekend, omdat
men dacht, dat de bloemen \'2-tallig waren , behooren volgens SCHEFFER
en Beccari tot Pycnarrhena,
20. ALBERTISIA Beec.
Bloemen éénhuizig, de vrouwelijke en mannelijke van
buiten min of meer gelijk. Buitenste kelkbladen 6, min
of meer in 1 rij, ongelijk, klein, de 3 binnenste veel
grooter, tot eene buis-, urnvormige, aan den top, 3-lob-
bige schijnkroon verbonden. De mannelijke bloemen met
8, kliervormige, dikke, driehoekige, zeer korte, op den
bodem van de schijnkroon zittende bloembladen. Meel-
draden tot een kegelvormige zuil vergroeid; helmdraden
talrijk, in vele rijen, min of meer kogelvormig, horizon-
taal ingeplant, tweehokkig, dwars openspringend, gapend.
Vrouwelijke bloemen: Bloembladen 6, tweemaal korter
dan de stampers, vrij dik. Stampers 5 (of 6) aan alle
kanten behaard; stijlen langwerpig, draad-, priemvormig,
uiteengespreid. Eitje bijna in het midden van den binnen-
hoek bevestigd, anatroop, klimmend. Steenvruchten 1—4,
eivormig, kort gesteeld, op den bloembodem uiteenstaande,
slechts weinig zijdelings samengedrukt; stijllitteeken
weinig van de basis verwijderd. Steenkern sterk zijde-
lings samengedrukt, onregelmatig ruw-knobbelig, aan
de rugzijde rondom stomp gekield, aan de basis ondui-
delijk ingedrukt. Zaadlijst in de holte van het zaad
vooruitspringend, doch niet sterk naar binnen gedrongen,
noch een tusschenschot vormend. Zaad de geheele holte
vullend, zonder kiem wit; zaadlobben zeer dik, onregel-
matig; kiemworteltje stomp, zeer klein, in de richting
van het stijllitteeken.
-ocr page 108-
48                                     V. MENISPERMACEAE.
Eene hoogklimmende heester met zachtharige takken.
Bladeren eivormig of breed elliptisch. Bloemen aan
ontbladerde takken of in de oksels der bladeren in bun-
dels of kluwens bijeen, in verhouding tot hare verwanten
vrij groot en lang gesteeld, van buiten behaard. Steen-
vruchten tot 4 cM. lang.
Eéne soort A. Papuana door Beccari inNieuw-Guinea verzameld.
21. BANTA Becc.
Bloemen tweehuizig. Mannelijke bloemen onbekend.
Vrouwelijke bloemen: Kelkbladen oo , (ongeveer 15), de
buitenste ongeveer 12, schubvormig, in 3 rijen dakpans-
wijze dekkend, de 3 binnenste, op bloembladen gelij-
kende, klepswijze aaneensluitend, nagenoeg 3-maal langer,
3-hoekig. Staminodiën 6, breed, 3-hoekig. Stampers 6,
bultig, eivormig, zijdelings samengedrukt; stijlen lang,
priemvormig, straalsgewijze uitgespreid of teruggeslagen;
één eitje in den binnenhoek vastgehecht. Steenvruchten
gesteeld, bultig, zijdelings samengedrukt met het stijl-
litteeken aan de binnenzijde, even boven den vruchtsteel.
Steenkern aan weerszijden slechts weinig uitgehold, met
een onvolkomen, tusschenschotvormigen condylus, welke
2 holten bevat. Zaad hoefijzervormig. Kiemwit en kiem
onbekend.
Eene klimmende heester met zachtharige twijgen. Bla-
deren lederachtig, ei-lancetvormig. Bloemspiesvormige,
vertakte pluimen.
Eéne soort dooi\' BeCGARI in Nieuw-Guinea gevonden en door hem
B. Ihi/rsifloi\'H genoemd.
22. MAOROOOCCULUS Becc.
Bloemen onbekend. Groote kogelvormige steenvruchten,
met een vleezig vruchtvleesch, boven het midden, onder
den top een oppervlakkig stijllitteeken dragend. Steen-
vrucht beenachtig, kogelvormig; bolle rugvlakte aan de
buikzijde met twee kuiltjes en eene spleet, welke naar
het stijllitteeken gericht is. Zaad zonder kiemwit, kogel-
niervormig, met eene breede oppervlakte om den bollen,
weinig naar binnen dringenden condylus vastgehecht;
zaadlobben zeer dik, ineengesmolten; kiemworteltje kort,
-ocr page 109-
49
VI. BERBERIDACEAE.
en dik, met de zaadlobben versmolten, naar de spleet
van de steenkern gericht; pluimpje onaanzienlijk.
Hoog klimmende heester met breed eivormige, leder-
achtige bladeren. Steenvrucht tot 10 cM. lang, 8 cM.
breed, van buiten glad, steenrood, sappig.
Eéne soort M. pomiferus Becc. in Nieuw-Guinea voorkomende.
Fam. VI. BERBERIDACEAE.
Bentham et Hooker, Gen. Plant. I, p. 40. — Miq. Ann. Mus. Lugd.
Bat.
I, p. 248—253. — Scheff. in Nat. Tijdsein: v. Ned. Indié
XXXII, p. 404.
Kelkbladen bloembladachtig. Bloembladen vrij, hypogy-
nisch, in den knop in 2-oo rijen van 2—3, dakpanswijze
dekkend of klepswijze aaneensluitend, gedurende den bloei
vaak in rijen van 4—6 boven elkander, afvallend, zelden
ontbrekend. Meeldraden 4—6, (zelden 8) tweerijig (zelden 9
in 3 rijen), tegenover de bloembladen, hypogynisch, vrij
of in de mannelijke bloemen soms éénbroederig; helm-
knoppen opgericht; hokjes aan de buitenzijde of zijdelings
aangegroeid, met eene langsspleet of een naar boven ge-
richt klepje openend. Vruchtbeginsels 1—3, zelden 6—9,
vrij, langwerpig, in een korten stijl versmald, met bree-
deren, kegelvormigen, zelden langwerpigen stempel. Eitjes
2-qo , zelden 1, van af de basis opgericht of in 2-oo
rijen, aan de buikzijde of langs den geheelen wand in
vele rijen of verspreid, anatroop met eene buikstandige
zaadnerf en een naar onder gericht poortje of tot aan
de bevruchting orthotroop. Rijpe vruchtbeginsels besvormig,
vleezig of droog, al of niet openspringend. Zaadhuid
korstachtig, vliezig of vleezig; kiem wit in groote hoe-
veelheid, vleezig of hoornachtig; kiem soms zeer klein, soms
vrij lang, recht of licht gebogen; kiemworteltje naar den
navel gericht; zaadlobben meestal kort.
Kruiden, half heesters of heesters, soms klimplanten.
Bladeren afwisselend of wortelstandig, soms enkelvoudig,
doch meestal samengesteld, gewoonlijk zonder steunblaad-
jes. Bladeren en bloemen zich ontwikkelend uit gemengde
4
-ocr page 110-
50
VI. BERBERIDACEAE.
knoppen, welke door schubben omgeven zijn. Eénbloemige
bloemstengels, of enkelvoudige of vertakte trossen, einde-
lingsch of zelden okselstandig. Bloemen geel, wit of
zelden purper.
Aantal geslachten 16, soorten 100, voornamelijk in de gematigde
streken van het noordelijk Halfrond of in Zuid-Amerika voorko-
mende; in Engelsch en Nederlandsen Indië komen zij slechts op de
bergen voor.
Slechts één geslacht wordt voor Nederlandsen Indië vermeld:
Berberis. Bloemen tweeslachtig. Helmknoppen naar boven met
2 kleppen openspringend. Vrucht eene bes. Bladeren enkelvoudig of
gevind.
BERBERIS L.
Kelkbladen 8—9, waarvan de onderste misschien als
schutblaadjes beschouwd moeten worden, bloembladachtig,
de buitenste zeer klein, de binnenste uitgespreid. Bloem-
bladen 6, veel kleiner dan de kelkbladen, zelden grooter,
dikwijls naar elkander neigend, in 2 rijen dakpanswijze
dekkend, dikwijls met 2 klieren aan de basis. Meeldra-
den 6, vrij; helmknoppen stomp met 2 kleppen naar
boven openend. Eén stamper met schildvormigen stempel;
eitjes in gering aantal, van af de basis opgericht. Bes-
vrucht. Kiem zeer groot.
Heesters met geel hout. Bladeren of enkelvoudig en vin-
nervig of gevind, vaak met gedoomde tanden en eenige niet
zelden geheel in doornen veranderd. Bloemen geel, in
trossen of alleenstaand, aan de toppen van éénjarige
twijgen of in bebladerde zijdelingsche bundels.
Aantal soorten volgens Bentham en Hooker ongeveer 50 of iets
meer, welke dezelfde verspreiding hebben als voor de geheele familie
aangegeven is. Voor Nederlandsch Indië wordt een \'2-tal soorten
vermeld waarvan de een, Ji. Nepalensis Sp>\\, oneven gevinde
bladeren met gedoomde bladtanden heeft, terwijl de andere B.
Wallichiana DC.
(= B. horrida Jungh.) enkelvoudige bladeren bezit,
welke in bundels staan in de oksels van 3—5-deelige doornen (ver-
vormde bladeren).
-ocr page 111-
51
VII. NYMPHAEACEAE.
Fam. vu. NYMPHAEACEAE.
Bentham et Hooker, Gen. Plant. I, p. 4.r>. — Caspary in Miq.
Ann. Mus. Luyd. Bat. II, p. 241. — Miq. Illustr. de la Flore de
VArch. Ind.
p. 43.
Kelkbladen 3—6. Bloembladen oo, zelden 3. Meeldra-
den oo . Vruchtbeginsels 3 of meer, vrij, tot één eierstok
vergroeid of onregelmatig verspreid in holten van den
schijfvormigen bloembodem; stempels evenveel, schild-
vormig of afloopend; eitjes weinige of talrijke, langs de
wanden der hokjes verspreid, anatroop of orthotroop. Rijpe
vruchtbeginsels niet openspringend en vrij of tot eene
vleezige of sappige vrucht vergroeid of in de holten van
den vergrooten, tolvormigen bloembodem weggedoken.
Zaden naakt of met een zaadrok; kiemwit melig of ont-
brekend; kiem ingesloten in den vergrooten kiemzak.
Overblijvende waterplanten. Bladeren meestal drijvend,
vaak met schildvormige randen en in den knop naar binnen
gerold. Bloemschachten 1-bloemig, naakt. Bloembladkransen
alle vrij, hypogynisch of aangegroeid aan eene vleezige
schijf, die de vruchtbeginsels omsluit.
Aantal geslachten 8, soorten 30—40, in gematigde en tropische
luchtstreken.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Snhfamilie I. Xymplieao. Kelkbladen 4—f>. Bloembladen en
meeldraden oo. Vrachtbeginsels met elkander of met de schijf tot
één eierstok vergroeid. Eitjes talrijk. Zaad kieinwithoiidend.
1.    Nymphaea. Kelkbladen, bloembladen en meeldraden half
bovenstandig, ingeplant op den bloembodem, die met de vrucht-
beginsels vergroeid is.
2.   Barclaya. Kelkbladen onderstandig; bloembladen bovenstandig
met den bloembodem tot eene buis vergroeid, die de meeldraden
draagt; vruchtbeginsels vrij van de/.e, onderling vergroeid.
3.   Euryalk. Kelkbladen, bloembladen en meeldraden bovenstandig;
eierstok 8-hokkig in den hollen bloembodem; alle meeldraden
vruchtbaar.
4.   Victoria. Kelkbladen, bloembladen en meeldraden bovenstandig;
eierstok oo-hokkig in den hollen bloembodem ; binnenste meeldraden
onvruchtbaar.
-ocr page 112-
52
VII. NYMPHAEACEAE.
Subfamilio II. Xelnmbieae. Kelkbladen 4—5. Bloembladen
en meeldraden oo. Stampers onregelmatig verspreid in de holten van
den tolvormigen bloembodem. Eitjes 1—2. Zaad zonder kiemwit.
5. Neluhbiuh.
1. NYMPHAEA L.
Kelkbladen 4, vergroeid met de basis der schijf. Bloem-
bladen in talrijke rijen; de binnenste trapswijze ver-
anderd in meeldraden, alle op den bloembodem ingeplant.
Helmdraden bloembladachtig; helmknoppen klein, hjnvor-
mig met binnenwaartsche spleten. Stampers talrijk in één
rij, weggedoken in den vleezigen bloembodem en daar-
mede een veelcelligen eierstok vormende, gekroond door
de vergroeide, stralende, gevoorde stempels. Eitjes talrijk,
anatroop. Vrucht eene sponsachtige bes, onder water rijp
wordende. Zaden klein, gehuld in zaadmoes, besloten in
een zakvormigen, vleezigen zaadrok.
Groote kruiden; wortelstok kruipende. Bloemen uitge-
spreid, groot, drijvende, op lange, uit den wortelstok
ontspringende bloemstelen.
Aantal soorten omstreeks 20, in de meeste tropische en gema-
tigde stroken verspreid.
2. BAROLAYA Wall.
Kelkbladen 5, aan de basis van het vruchtbeginsel
ingeplant. Bloembladen talrijk, 3-rijig, tot eene buis ver-
eenigd, op den top van den ringvormigen bloembodem.
Meeldraden in vele rijen op de schijf binnen de bloemkroon-
buis bevestigd; helmknoppen hangend aan den top van
omgebogen helmdraden, de buitenste onvolkomen. Stam-
pers omstreeks 10, vergroeid; top kegelvormig, over-
gaande in den 10-straligen stijlkegel, welke aan de bin-
nenzijde de stempels draagt; eitjes talrijk, orthotroop, aan
de wanden verspreid. Bes kogelvormig met zaadmoes, ge-
kroond door de bloemkroonbuis. Zaden bolvormig, geste-
keld; kiemwit melig; kiem klein.
Waterplant; wortelstok kort, langharig. Bladeren lijn-
langwerpig, pijlvormig, drijvend. Bloemstengels buiten de
bladoksels. Bloemen rood of purper.
Aantal soorten 3, waarvan twee in den Maleiscben Archipel,
ééne in Birma. Ji. Motlci/i Hook. werd op Bornoo, B. hirta Miq.
op Sumatra gevonden.
-ocr page 113-
58
VII. NYMPHAEACEAE.
3. BURYALB Salisb.
Kelkbladen 4, opgericht, op den rand van den bloem-
bodem, boven de vruchtbladen ingeplant. Bloembladen
talrijk, in 3—5 rijen, korter dan de kelkbladen.
Meeldraden talrijk, in vele rijen, in bundels van acht;
helmdraden lijnvormig; stuifmeel kogelvormig, 3-kernig.
Eierstok 8-hokkig, in den uitgezetten top van den bloem-
bodem weggedoken; stempel schijfvormig, neergedrukt,
hol; eitjes in gering aantal, wandstandig. Bes sponzig,
door de blijvende kelkbladeren gekroond. Zaden 8—20;
zaadrok moesachtig; zaadhuid dik, zwart; kiem wit melig;
kiem klein.
Waterplant, dicht met stekels bezet; wortelstok dik.
Bladeren cirkelvormig, min of meer rimpelig. Bloemen
paarsch, gedeeltelijk ondergedoken.
Eóne soort in Indië en China, (misschien ook in den Maleischen
Archipel) E. ferox Salisb.
4. VTCTOBIA Lindl.
Kelkbladen 4, aan de basis tot eene buis verbonden,
die met den eierstok vergroeid is, bovenstandig, ingeplant
op den top van den napvormigen bloembodem, die de
vruchtbladen omgeeft. Meeldraden oo, aan de basis der
kelklobben (binnen de kelkbladen op den top van den
bloembodem) cc-rijig ingeplant, de buitenste grooter dan
de kelkbladen, de binnenste trapswijze in meeldraden
veranderd. Meeldraden go , binnen de bloembladen cc-rijig
ingeplant; helmdraden bloembladachtig, de buitenste breed
met kleine helmknoppen; de volgende smal, met lan-
gere naar binnen gerichte helmknoppen; binnenste rij
onvruchtbaar en misvormd. Vruchtbladen oo, tot een
co -hokkigen eierstok verbonden, (in één rij geplaatst,
weggedoken in den bloembodem, welks top napvormig uit-
gezet en in het midden een kegel-bolvormig uitsteeksel
vertoont); stijlen tot een ring verbonden, welks top van
binnen stempelklieren draagt en elk afzonderlijk door
een haakvormig aanhangsel gekroond. Zaden erwtvormig,
kiemwithoudend.
Wortelstok dik. Gestekelde waterplant met drijvende,
-ocr page 114-
54
VII. NYMPHAEACEAE.
zeer groote, cirkelvormige bladeren, van boven rimpelig,
bultig van onderen door sterk uitspringende, dikke
nerven netvormig bedekt. Ecnbloemige bloemscnachten.
Bloemen groot; bloembladen wit, van binnen rood.
Eéne soort van tropisch Amerika, V. regia Lindl., in Neder-
landsch lndië hier en daar in vijvers aangeplant.
5. NELUMBIUM Juss.
Kelkbladen 4—5, ingeplant op den top van de bloem-
schacht, afvallend. Bloembladen en meeldraden talrijk,
hypogynisch, in vele rijen, afvallend ; helmknoppen met
een knodsvormig aanhangsel. Stampers talrijk, in den
vlakken top van een omgekeerd kegelvormigen, vleezigen
bloembodem, weggedoken, waarboven de zeer korte
stijlen uitsteken; stempel eindelingsch, verbreed; eitjes
1—2, hangend van den top der hokjes, aan met den
eierstokwand vergroeide zaadstrengen. Vruchtjes eivormig,
los in de holte van den vergrooten, sponsvormigen
bloembodem; vruchtwand beenachtig, glad. Zaad het
vruchtje geheel vullend; zaadhuid sponsachtig; kiemwit
ontbrekend; zaadlobben vleezig, dik, het groote, gevou-
wen pluimpje omsluitend.
Eene recht opstaande, groote waterplant met melkachtig
sap; wortelstok dik, kruipend. Bladeren hoog boven het
water opgericht, schildvormig. Bloemen rose-rood, wit
of geel.
Twee soorten in de tropische en subtropische wateren voorko-
mende, de eene in Amerika, de andere in Azië en Australië te huis
behoorende.
De laatste N. speciosum Willd., welke ook in Afrika is inge-
voerd, is in den Maleischen Archipel algemeen.
Fam. vul PAPAVERACEAE.
Bentham et Hookeb, Gen. Plant. I, p. 49.
Bloemen tweeslachtig. Kelkbladen 2, hypogynisch, hol.
Bloembladen 4, 2-rijig, groot, in den knop ineengekreukt.
Meeldraden zeer talrijk, helmdraden dun; helmknoppen
opgericht, met zijdelingsche spleten. Stamper 1-hokkig of
2—4-hokkig door de naar binnen verlengde zaadlijsten;
stijl kort of ontbrekend; stempels stralende, vergroeid en
-ocr page 115-
55
VIII. PAPAVERACEAE.
tegenover de zaadlijsten of vrij en met deze afwisselend;
eitjes veelrijig, wandstandig, anatroop. Vrucht met po-
riën of kleppen openend. Zaden talrijk, klein; kiem wit
vleezig of oliehoudend; kiem klein, 2-lobbig of -spletig.
Aantal geslachten 17. aantal soorten 05, voornamelijk tehuis
behoorende in ile noordelijke gematigde Inehtstreek.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
1.    PAPAVER. Stempellobben 4—6, straalswijze op den sehijf-
vormigen top van het vruchtbeginsel. Doosvrucht openend met
klepjes tusschen de zaadlijsten.
2.   AlKiK.MOXK. Stempellobben 4—6, straalswijze op den verbree-
den top van een korten stijl. Doosvrucht openend met klepjes tegen-
over de zaadlijsten.
I. PAPAVER L.
Kelkbladen 2, zelden 3. Bloembladen 4, zelden 6.
Meeldraden oo. Eierstok 1-hokkig met 4-oc wandstandige
zaadlijsten; eitjes talrijk. Stempels 4-oo, op den schijf-
vormigen top van den eierstok, tegenover de zaadlijsten.
Doosvrucht zich openend met klepjes onder de lobben
van de blijvende stempelsehijf.
Éénjarige kruiden, melksap wit. Bladeren gelobd of in-
gesneden. Bloemen op lange stelen; oranje, purper, wit
of rood.
Aantal soorten omstreeks 14, meestal in de gematigde streken
van Azië, Noord-Afrika en Kuropa, eene enkele in Zuid-Afrika en
Australië voorkomende.
In Nederlandsch Indië niet inlandsen, doch hier en daar gekweekt.
2. ARG-EMONE /..
Kelkbladen 2—3. Bloembladen 4—6. Meeldraden oo .
Eierstok 1-hokkig; stijl zeer kort; stempel 4—7-lobbig;
lobben tegenover de zaadlijsten, eitjes talrijk. Doosvrucht
kort, aan den top met kleine klepjes openspringend, die
de zaadlijsten bloot leggen, welke met den stempel over-
blijven. Zaden talrijk.
Vertakte, blauwgroene kruiden met een geel melksap.
Bladeren ingesneden, vinspletig, met gedoomde tanden en
stijve borstels.
Twee soorten in tropisch Amerika tehuis behoorende.
A. Mi\'xicana L. is in alle tropische gewesten verwilderd.
-ocr page 116-
56
IX. CRUCIFERAE.
Fam. ix. CRUCIFERAE.
Bentham et HOOKER, Gen. Plant. I, p. 57. — Miq., IUustr. de In
Flore de VArch. Intl., p.
14.
Bloemen tweeslachtig, regelmatig of aan de buitenzijde
der bloeiwijzen sterker, straalswijze ontwikkeld. Kelk-
bladen 4, vrij; 2 meestal aan de basis zakvormig ver-
lengd; in den knop dakpanswijze dekkend, zelden kleps-
wijze aaneensluitend. Bloembladen 4, zelden ontbrekend,
kruiswijs uitstaande, gaafrandig, 2-lobbig, zelden in kleine
lobben of slippen verdeeld, gelijk of de buitenste der
bloeiwijze straalswijze ontwikkeld; in den knop ineen-
gedraaid of dakpanswijze dekkend, één geheel buiten en
één geheel binnen de andere gesloten. Klieren, zittend
aan de basis of den top van den bloembodem, op ver-
schillende wijze gerangschikt, zelden tot een ring ver-
eenigd of ontbrekend, meestal ten getale van 4, tegen-
over de kelkbladen. Meeldraden 6, viermachtig, zelden
in onbepaald aantal of (door het ontbreken van de kortere)
ten getale van 4 of minder; de 2 korte, de buitenste
rij vormend, tegenover de zijdelingsche kelkbladen, de 4
lange, de binnenste rij vormend tegenover de bloembla-
den; helmdraden priemvormig; helmknoppen 2-, zelden
1-hokkig, in de lengte openspringend, met de basis op
den priemvormigen top der helmdraden bevestigd, lang-
werpig-hartvormig of pijlvormig, soms lijnvormig en ge-
wrongen. Eierstok zittend, zelden gesteeld, gevormd uit
2 nauw vergroeide vruchtbladen, soms 1-hokkig, met
1—2 wandstandige zaadlij sten of zelden met 1 basilaire
zaadlijst, doch meestal 2-hokkig door een valsch, vliezig
tusschenschot, dat de zaadlijsten vereenigt of, door spons-
achtige, dwarsche tusschenschotten, veelhokkig; stijl en-
kelvoudig, soms onder de stempels verbreed of hoorn-
vormig verlengd; stempels 2, tegenover de zaadlijsten;
eitjes talrijk, zelden in gering aantal of slechts één,
horizontaal of hangend, campylotroop of amphitroop met
eene buikstandige zaadnerf en een naar boven gericht
poortje, zelden omgekeerd. Vrucht langwerpig (hauw)
of kort (kauwtje), 2-hokkig, of 1-hokkig met een onvol-
komen tusschenschot, meestal met 2 kleppen, welke van
-ocr page 117-
57
IX. CRUCIFERAE.
het, aan de randen de zaadlij sten en op den top den
stempel dragende, tusschenschot loslaten, soms niet open-
springend, zelden dwars geleed, met 1—oo -zadige al of
niet openspringende leden. Zaadhuid dikwijls bij bevoch-
tiging shjmachtig, niet zelden in een vleugel verlengd.
Kiem zonder kiemwit, zeer zelden kiemwithoudend, olie-
houdend, gekromd, zelden recht. Zaadlobben dikwijls
plan-convex, opliggend of aanliggend.
Eén- of meerjarige kruiden of halfheesters, stengels
rolrond of hoekig, bij enkele doornig. Bladeren afwisse-
lend, zelden tegenovergesteld, enkelvoudig, gaafrandig,
gelobd of ingesneden; bij sommige soorten diep en grof
gezaagde wortelbladeren en aan de basis geoorde stengel-
bladeren. Steunblaadjes ontbrekend. Bloemen in trossen,
zelden alleenstaand en aan eene bloemschacht; trossen
eindelingsch of zelden okselstandig in den beginne in een
tuil, die zich bij den bloei vaak verlengt, zelden met
schutbladen. Bloemkroon wit, geel, purper of zelden blauw,
rosé of wankleurig.
Aantal geslachten volgens BENTHAM en Hookkr "172, aantal soorten
1200 over de geheele wereld verspreid, in de tropen zeldzaam. In
Nederlandsch Indië komen slechts eenige weinige soorten voor.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
•J- Hauxo niet gesnaveld.
§ Zaadlobben aanliggend. Bladeren vinspletig of samengesteld.
i. Nasturtium. Zaden 2-rijig. Hauw min of meer gezwollen.
Bloemen geel of wit.
2.  Cardamine. Zaden 1-rijig. Hauw platgedrukt. Bloemen paarsch
of wit.
§ § Zaadlobben opliggend. Bladeren gaafrandig of gezaagd.
3.   Erysimum. Zaden 1-rijig. Hauw stomp, 4-zijdig. Bloemen geel.
TT Hauw gesnaveld.
4.   Brassica (Sinapis). Zaden 1-rijig. Zaadlobben dubbel gevouwen.
Bladeren gezaagd.
1. NASTURTIUM Br.
Kelkbladen kort, uitgespreid, gelijk. Bloembladen kort
genageld, soms ontbrekend. Meeldraden 1—6. Hauw kort
of lang, min of meer cilindrisch; kleppen met 1 dunne
nerf; tusschenschot doorschijnend; stijl kort of lang en
-ocr page 118-
58
IX. CRUCIFERAE.
dun; stempel kort of 2-lobbig. Zaden 2-rijig, klein, ge-
zwollen, met korte, vrije zaadstrengen. Zaadlobben aan-
liggend.
Kruiden; bladeren (bij de soorten van Nederlandsch
Indië) vinspletig. Bloemen klein, geel of wit.
Aantal soorten volgens BENTHAM en HOOKER 20, in alle tleelen
der wereld verspreid. Miquei. noemt 4 soorten op voor Nederlandsch
[ndië, A\'. diffusum DC, N. Indicum DC, N.lielerophyllumBl.,N.
officinale 1{. Br.,
waarvan de drie eerste niet alleen daar, maar
ook in Engelsen Indie worden aangetroffen, terwijl de vierde in
tropisch Azië nu en dan gevonden is, inaar in de gematigde streken
van Azië en Europa te huis behoort.
2. CARDAMINE L.
Kelkbladen aan de basis gelijk, niet-zakvormig uitge-
zet. Bloembladen genageld. Helmdraden der lange meel-
draden recht. Hauw lang, lijnvormig, plat, kleppen vlak,
nagenoeg niet geaderd, elastisch losspringend; tusschen-
schot doorschijnend; stijl kort of lang; stempel enkelvou-
dig of tweelobbig. Zaden 1-rijig, plat. Zaadlobben aanliggend.
Kruiden; bladeren (bij de soorten van Nederlandsch
Indië) gevind of drietallig. Bloemen wit of purper.
Aantal soorten volgens Bentham en IIooker omstreeks 60,
vooral in de gematigde en koude luchtstreek. Volgens Miquei,
komen er in den Maleischen Archipel drie soorten voor, C Java-
nica Mii/., C. decurrens Zuil. et Mor.
en C. hirsuta L., waarvan
de twee eerste, onder den naam Pteroneurum door Blume besehre-
ven, alleen daar worden aangetroffen, terwijl de derde ook aan de
gematigde streken van Azië en geheel Europa eigen is.
3. ERYSIMUM L.
Kelkbladen opgericht, gelijk of de zijdelingsche bultig
aan de basis. Meeldraden vrij. Hauw langwerpig, plat-
gedrukt, vierzijdig; kleppen lijnvormig, dikwijls gekield,
1-nervig; tusschenschot vliezig of kurkachtig; stijl kort
of lang; stempel tweelobbig, knopvormig of uitgerand.
Zaden 1-rijig, langwerpig, zonder rand of aan den top
berand, met priemvormige of draadvormige zaadstrengen.
Twee- of meerjarige kruiden bekleed met 2-deelige,
aangedrukte, dikwijls grijze haren , zelden met losse, stijve
haren of met een grijs vilt. Bladeren smal, soms hart-
vormig-stengelomvattend, en niet vindeelig, lijnvormig
-ocr page 119-
59
IX. CRUCIFERAE.
of langwerpig, gaafrandig of met golvenden of getanden
rand, zelden vinsplctig. Trossen zonder schutbladen.
Bloemen meestal geel, groot, niet zelden welriekend.
Aantal soorten, volgens BENTHAM en HOOKER omstreeks 70,
welke grootendeels in Zuid-Europa en Midden-Azië voorkomen. De
eenige soort, welke op .lava aangetroffen werd, E. rep/indam £.,
koint ook in Zuid-Europa voor, vanwaar zij zich tot Engelsen Indië
verspreidt.
4. BRASSIOA /,.
Kelkbladen opgericht of uitgespreid, de zijdelingsche
aan de basis zakvormig. Meeldraden vrij, zonder tanden.
Hauw lang, rolrond; soms met niet openspringenden,
eenzadigen snavel; kleppen bol, met 1—3 nerven, waarvan
de zijdelingsche dikwijls bochtig zijn; tusschenschot vlie-
zig of sponsachtig; stijl kort of lang, soms snavel- of
zwaardvormig; stempel eindelingsch, afgeknot of2-lobbig.
Zaden 1-rijig zonder rand, min of meer kogelvormig of
langwerpig, met priemvormige, vrije zaadstrengen; zaad-
lobben dubbel gevouwen of in de lengte uitgehold.
Kruiden, zelden heesters, meestal opgericht, vertakt,
één-, twee- of meerjarig, dikwijls blauwgroen, kaal of
behaard, zelden grijsachtig. Wortelbladeren vinspletig.
Lange, bladerlooze trossen. Bloemen geelwit, middelmatig
of groot.
Aantal soorten volgens BENTHAM en Hooker ongeveer 80, groo-
tendeels in de noordelijke helft van de oude wereld.
De eenige soort die voor Nederlandsch Indië vermeld wordt,
werd door de CANDOLLE Sinapis Timoriana genoemd en behoort
tot het ondergeslaeht Sinapis. dat zich onderscheidt door uitge-
spreide kelkbladen, door eene zittende , rolronde of vierzijdige hauw
met kogelvorrnige zaden en door een korten of zwaardvormigeu snavel,
welke geen zaad bevat of één.
Fam. X. CAPPARIDACEAE.
Bentham et HOOKER Gen. Plant. I, p. 103. — Miq. Tllustr. rie la
Flore de VArchip. hul.
p. 20.
Bloemen tweeslachtig. Kelkbladen 4, vrij of vergroeid,
klep- of dakpanswijze dekkend in den knop. Bloembladen
-ocr page 120-
<;o
X. CAPPARIDACEAE.
4, hypogynisch of op de schijf gezeten, dakpanswijze
dekkend of open in den knop. Meeldraden 4 of meer,
hypogynisch of perigynisch of aan de basis of hooger op
den langer of korter steelvormig verlengden bloembodem,
den stamperdrager (gynophorus) geplaatst. Schijf ontbre-
kend of gezwollen of de kelkbuis omrandend. Eierstok
zittend of gesteeld, 1-hokkig. Stijl kort of ontbrekend.
Stempel neergedrukt of knopvormig; eitjes talrijk, aan
2—4 zaadbjsten amphitroop of campylotroop. Vrucht eene
doosvrucht of bes. Zaden hoekig of niervormig, zonder kiem-
wit. Kiem gekromd.
Kruiden, heesters of boomen, soms klimplanten. Bla-
deren enkelvoudig of handdeelig, 3—9-tallig; steunblaad-
jes 2 of ontbrekend, soms borstel- of doornvormig. Bloei-
wijze onbepaald; bloemen alleenstaand of in trossen, tuilen
of schermen.
Tropische planten, \'23 geslachten, omstreeks 300 soorten.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Tribus I, €Ioonicne. Kénhokkige doosvrucht, meestal hamv-
vormig. Bloembodem al of niet tot een stamperdrager verlengd. Kruiden.
1.   CLEOME. Dloembodem kort. Meeldraden 4—6, vrij.
2.   POLANISIA. Bloembodem kort. Meeldraden 8-oc , vrij, sommige
zonder belmknoppen.
3.   GynandkOPSis. Bloembodem in het midden tot een stamper-
drager verlengd, die ook de meeldraden draagt.
Tribus II. Capparideae. Besvrucht. Bloembodem steeds tot
oen stamperdrager verlengd. Boomen of heesters.
-J- Meeldraden aan de basis van den stamperdrager.
4.   Cappaüis. Bloembladen zittend. Bladeren enkelvoudig. Besvrucht
kogel vormig of cilindrisch.
5.   Cratakva. Bloembladen lang genageld. Bladeren 3-tallig. Bes-
vrucht kogel- of eivormig.
-\\ -j- Meeldraden aan den top van den staniperdrar/er.
6.    Cadaba. Bloembladen genageld, 2 meestal grooter dan de
anderen. Besvrucht cilindrisch. Bladeren enkelvoudig.
1. CLEOME L.
Kelk 4-tandig of 4-deelig (of 4 vrije kelkbladen), blij-
vend of afvallend, soms aan de basis rondom loslatend.
Bloembladen min of meer gelijk, soms min of meer een-
zijdig ontwikkeld, zittend of genageld, gaafrandig, in
-ocr page 121-
61
X. CAPPARIDACEAE.
den knop ineenge wonden, dakpan s wij ze dekkend of ge-
opend. Bloembodem kort, van achteren soms in een aan-
hangsel verlengd. Meeldraden 6, zelden 4, op den bloem-
bodem ingeplant, allen, of 2 of meer, helmknoppen dragend,
met meestal ongelijke en heergebogen, soms onder den
top verdikte helmdraden. Eierstok zittend of gestoeld;
eitjes oo ; stijl kort of ontbrekend. Doosvrucht kort of
meestal lang, soms opgeblazen, zittend of gesteeld, 1-hokkig
met vliezige kleppen. Zaden niervormig, ruw of met
wollige haren bekleed; kiemworteltje kegelvormig.
Halfheesters of éénjarige kruiden, enkelvoudig of ver-
takt, kaal of met klierharen. Bladeren enkelvoudig of
3—7-tallig; blaadjes gaafrandig of fijngezaagd. Bloemen
afzonderlijk of in trossen, wit, geel of purper.
Omstreeks 70 soorten in alle wanne streken der wereld vooral
in Amerika, Egypte en Arabië. Ofschoon tot dusverre geen soorten
van dit geslacht in Nederlandsch Indië waargenomen zijn, is liet
met liet oog op do gemakkelijke verspreiding der zaden niet on-
waarschijnlijk, dat zij daar, van andere streken ingevoerd, nu en dan
aangetroll\'en worden.
2. POLANISIA Rafm.
Kelkbladen 4, lancetvormig, vrij of aan de basis ver-
groeid, afvallend. Bloembladen zittend of genageld, gaaf,
min of meer gelijk, dakpanswijze dekkend. Bloembodem
neergedrukt, klein, naar achteren soms in een klier ver-
lengd. Meeldraden 8 of dikwijls meer (zelden 6), op de
basis van den bloembodem ingeplant, eenige soms zon-
der helmknoppen, in den knop neergebogen; helmdraden
draadvormig, soms onder den top verdikt. Eierstok zittend
of gesteeld, dikwijls klierdragend; eitjes talrijk; stijl ver-
lengd of de stempel bijna zittend. Doosvrucht zittend of
gesteeld, verlengd cilindrisch of samengedrukt; zaden
niervormig, dwars of netvormig geaderd; kiemworteltje
aan de rugzijde van een der zaadlobben, gebogen.
Éénjarige kruiden, dikwijls klierdragend en sterk rie-
kend. Bladeren handvormig, 3—9-tallig, de bovenste
schutbladachtig.
Omtrent 14 soorten in de tropische gewesten, één algemeen
verspreid. In Nederlandsch Indië twee soorten : P. viscosa DC. =
Cleome viscosa L. en /\'. amjuliila Mig.; eene derde soort /\'. Cheli-
-ocr page 122-
62                                   X. CAPPARIDACEAE.
doiiii DC. = Cleome Chr.lidonii L.f., welke in Britsch Indië
tehuis behoort, wordt dooi\' Hookek en Thomson ook voor Java
opgegeven.
3. GYNANDROPSIS DC.
Kelkbladen 4, uitgespreid. Bloembladen 4, uitgespreid,
lang genageld, open in den knop. Meeldraden 6; helm-
draden van onderen vergroeid met den dunnen stamper-
drager, van boven uitgespreid. Eierstok gesteeld, eitjes
talrijk. Doosvrucht verlengd, gesteeld; kleppen twee, los-
latende van de zaaddragende zaadlijsten. Zaden niervormig,
zwart, ruw.
Klierachtig behaarde of kale kruiden, Bladeren hand-
vormig, 5-tallig, lang gesteeld. Bloemen in trossen.
Aantal soorten 10, in de tropische streken van beide halfronden.
Slechts ééne soort in Nederlandsch Indië: C pentaphyUa DC.
i. OAPPARIS L.
Kelkbladen 4, vrij, dakpanswijze dekkend in 2 rijen
of de 2 buitenste min of meer klepswijze aaneensluitend.
Bloembladen 4, zittend, in den knop dakpanswijze dekkend.
Meeldraden in onbepaald aantal op den bloembodem inge-
plant aan de basis van den langen stamperdrager. Eierstok
gesteeld, 1—4-hokkig; stempel zittend, eitjes talrijk op
2—6 wandstandige zaadlijsten. Vrucht vleezig, zelden
met kleppen openbarstende. Zaden talrijk, in het zaadmoes
liggende, zaadhuid bros of lederachtig; zaadlobben ineen-
gerold.
Boomen of heesters, rechtopstaande, neerliggend of
klimmend, ongewapend of gedoomd. Steunbladen met
doornvormige borstels. Bladeren enkelvoudig, zelden ont-
brekend. Bloemen wit of gekleurd, dikwijls groot.
Aantal soorten 120, in alle warme luchtstreken behalve in
Noord-Amerika. Volgens Miquei. komen 19 soorten voor in den
Maleischen Archipel.
5. CRATAEVA L.
Kelkbladen 4, van onderen met de gelobde schijf samen-
hangend. Bloembladen 4, lang genageld, open in den
knop. Meeldraden in onbepaald aantal aan de basis van
den stamperdrager en daarmede vergroeid. Eierstok op een
-ocr page 123-
X. CAPPARIDACEAE.                                    63
dunnen stamperdrager, 1-hokkig; stempel zittend, neerge-
drukt; eitjes talrijk op 2 wandstandige zaadlijsten. Bessen
vleezig. Zaden in zaadmoes liggend.
Boomen. Bladeren 3-tallig. Bloemen groot, geel of purper;
gemengdslachtig in okselstandige en eindelingsche tuilen.
Soorten omstreeks 0, in alle tropische streken voorkomende.
Miquei, noemt er 8 op voor Nederlandsen Indië: C. NarvcUa Ham.,
C. tumulorum Miq.
en C. membranifotia Mig.
6. CADABA Fonk.
Kelkbladen 4, ongelijk, afvallend, de 2 buitenste kleps-
wijze de binnenste bedekkend. Bloembladen 2—4,
zelden ontbrekend, op de basis van den bloembodem in-
geplant, genageld, 2 meestal grooter dan de overige.
Stamperdrager steelvormig, aan de basis voorzien van eene
lange, aan den top getande buis of van een helmvormig
aanhangsel. Meeldraden 4—8, op den top van den
stamperdrager ingeplant; helmdraden vrij of aan de
basis vergroeid, dikwijls neergebogen. Eierstok met
2—4 zaadlijsten en oo , 2-rijige eitjes; stempel zit-
tend, onaanzienlijk. Bes cilindrisch, sappig en niet open-
springend of lederachtig en openspringend. Zaden min of
meer kogelvormig; zaadhuid kraakbeenachtig; zaadlobben
opliggend, ineengerold, kiemworteltje kegelvormig.
Heesters ongewapend of met doornen aan de toppen der
takken, soms bladerloos, kaal, of met verspreide klierharen
bedekt. Bladeren enkelvoudig of 3-tallig. Bloemen oksel-
standig, alleenstaand of in trossen of tuilen.
Omstreeks 12 soorten in tropisch en subtropisch Afrika en Azië.
C. capparoides DC. welke op Timor gevonden werd. komt ook in
Australië voor.
Pam. xi. VIOLACEAE.
Bentham et Hooker, Gen. riant. I, p. 414. — Becc. Males. I. p.
184. — Miq. Ann. IV, 217. — Illuttr. p. 66.
Bloemen tweeslachtig, zelden gemengdslachtig, regelmatig
of onregelmatig. Kelkbladen 5, al of niet gelijk, in den
-ocr page 124-
«4
XI. VIOLACEAE.
knop dakpanswijze dekkend. Bloembladen 5, hypogynisch
of licht perigynisch, nu eens ongelijk, het onderste grooter
of van anderen vorm dan de overigen, dikwijls gespoord
zijnde dan weder nagenoeg gelijk, soms in den knop dakpans-
wijze dekkend, doch meestal gedraaid. Meeldraden 5,
hypogynisch of een weinig perigynisch. Helmknoppen
opgericht, om den eierstok in een kring samenkomende
of vergroeid, zittend of met korte helmdraden. Helm-
bindsel dikwijls verbreed of buiten de hokjes in een
vliezig aanhangsel verlengd; helmhokjes met eene langs-
spleet, zelden met eene opening aan den top opensprin-
gende. Staminodiën 5-oo of ontbrekend. Eierstok vrij,
zittend, 1-hokkig met 3 (zelden 4—5), wandstandige
zaadlijsten; stijl enkelvoudig; stempel knodsvormig afge-
knot of napvormig, gaaf of gelobd; eitjes talrijk, ana-
troop. Driehokkige doosvrucht, zelden eene bes. Zaden
klein; kiem wit vleezig; kiem recht; zaadlobben vlak.
Kruiden of heesters. Bladeren afwisselend, zelden tegen-
overgesteld, gaafrandig of zelden ingesneden. Steun-
blaadjes aanwezig bij de heesters, spoedig afvallend.
Bloemen okselstandig, alleenstaand of in tros- of pluim-
vormige bij schermen, zelden in enkelvoudige trossen.
Bloemstelen gewoonlijk met 2 schutblaadjes.
Over den geheelen aardbodem verspreid, 21 geslachten, 240
soorten.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Tribus I. Vïolt\'SM\'. Bloernkroon onregelmatig; onderst bloemblad
ongelijk aan de andere. Staminodiën ontbrekend. Doosvrucht hokver-
brekend openspringend.
1.   Vioi.a. Kelkbladen min of meer gelijk, aan de basis verlengd.
Onderst bloemblad spoor- of zakvormig.
2.   JONIDIUH. Kelkbladen min of meer gelijk, aan de basis niet
verlengd. Onderst bloemblad aan de basis bultig of zakvormig.
Tribus II. A.lM><loieaP. Bloembladen nagenoeg gelijk, met zeer
korte nagels. Staminodiën !). Hokverdeelende doosvrucht of bes.
3.    Ai.sodeia. Bloembladen 5, vrij. Helmbindsel aan den top
verlengd.
4.   Gestroa. Bloembladen 5, vrij. Helmbindsel niet aan den top
verlengd.
Tribus III. Sa II vajjpsit\'Re. Bloembladen gelijk. Draadvormige of
bloembladachtige staminodiën 5-oo , vrij of tot eene buis vergroeid.
Doosvrucht aan den top schotverdeelend, driekleppig.
-ocr page 125-
XI. VIOLACEAE.                                        65
5.    Sauvagesia. Staminodien dimorph, de buitenste oo, draad-
vormig, de binnenste 5, bloembladvormig.
6.   Sciihurmansia. Staminodien oo , alle lijnvormig.
7.   Neckia. Staminodien dimorph, de buitenste klein, borstel* of
kliervormig, de binnenste omstreeks 10, knodsvonnig, aan de basis
met de meeldraden vergroeid.
1. VIOLA L.
Kelkbladen met een aanhangsel aan de basis. Bloem-
bladen opgericht of uitgespreid, het onderste het grootst,
met een spoor- of zakvormig aanhangsel. Helmknoppen
vergroeid; helmbindsel van de twee onderste vaak aan
de basis gespoord. Stijl knodsvormig of afgeknot; top recht
of schuin; stempel stomp, gelobd of napvormig. Drieklep-
pige doosvrucht. Zaden eivormig of kogelrond.
Kruiden, zelden van onderen heesterachtig. Bladeren
afwisselend. Steunblaadjes blijvend, meestal bladachtig.
Bloemen op 1-, zelden 2-bloemige stengels, dikwijls
dimorphisch, sommige met groote bloembladen, die wei-
nig zaden bevatten, andere met kleine of ook zonder
bloembladen en talrijke zaden.
Omstreeks 100 soorten, in de gematigde luchtstreken; in de
tropische alleen op de bergen. Een 7-tal soorten komt volgens
Miquel in Nederlandsen Indië voor.
2. JONIDIUM Vent.
Kelkbladen 5, min of meer gelijk, zonder aanhangsels
aan de basis. Bloembladen 5, oranje of purperkleurig,
genageld, het onderste grooter dan de overige, aan de
basis zak- of spoorvormig verlengd, de 4 andere zittend,
niet gespoord, breed lancetvormig. Meeldraden 5. Helm-
knoppen vergroeid of vrij, 2 of 4-bultig of spoorvormig
aan de rugzijde. Eierstok eivormig; stijl knodsvormig,
gebogen; stempel schuin. Doosvrucht 3-kleppig, bijna
kogelvormig, met weinige zaden. Zaden kogelvormig;
zaadhuid korstachtig.
Kruiden of halfheesters. Bladeren afwisselend, zelden
tegenovergesteld. Steunblaadjes priemvormig. Bloemen
okselstandig.
Omstreeks 40 soorten, hoofdzakelijk uit tropisch Amerika. In
Engelsen Indië 2. Slechts ééne soort J. suffrtUicosum Ging. =
J. oimeaxpermum DC. komt in Nederlandse!) Indië voor. Ken tweede
r,
-ocr page 126-
66                                       XI. VIOLACEAE.
vorm door Oudemans als .f. Zi^peUi beschreven, naar een op Timor
verzameld exemplaar, inoet volgens HlQDEL als een variëteit van de
eerste beschouwd worden.
3. ALSODEIA Thouars.
Kelkbladen nagenoeg gelijk, stijf. Bloembladen nage-
noeg gelijk, zittend of zeer kort genageld. Meeldraden 5,
ingeplant binnen of op eene ringvormige schijf; helm-
bindsel in een lang of kort, dikwijls breed, vliezig, aan-
hangsel verlengd. Eierstok eivormig; stijl recht, stempel
zijdelingsch; eitjes weinig of talrijk. Doosvrucht 15-kleppig,
weinig zadig. Zaden naakt (bij de Indische soorten.)
Boomen of heesters. Bladeren afwisselend (zelden tegen-
overgesteld) tweerijig; zijnerven dikwijls talrijk en even-
wijdig. Steunblaadjes stijf.
Omstreeks iO soorten, voornamelijk in tropisch Amerika. Volgens
Miquel komt een 42-tal soorten in Nederlandsch Indië voor.
4. GESTROA Becc.
Kelkbladen 5, vrij, weinig verschillende in grootte,
zeer breed, rondachtig, in den knop sterk dakpanswij ze
dekkend, vliezig. Bloembladen 5, vrij, min of meer gelijk,
smaller dan de kelkbladen, in den knop dakpanswijze
dekkend. Staminodiën ontbrekend. Meeldraden 5, vrij,
met korte helmdraden; helmknoppen ruggelings samen-
gedrukt, eivormig, stomp, diep hart- pijlvormig, aan de
basis vastgehecht; helmhokjes smal, in de lengte open-
springend aan de ecnigszins naar buiten gerichte randen;
helmbindsel zeer breed, zonder aanhangsel of verlengden
top. Stamper met 3 wandstandige zaadhjsten, welke elk
talrijke eitjes dragen. Doosvrucht sappig, 3-kleppig, hok-
verdeelend openspringend. Zaden in gering aantal (1—3),
kogelvormig met (bij de droge exemplaren) gerimpelde
zaadhuid.
Onbehaarde, kleine boom met afwisselende, lederachtige,
langwerpige of langwerpig-elliptische, aan de basis in een
bladsteel versmalde bladeren. Bloemen in okselstandige,
enkelvoudige of vertakte trossen, onregelmatig verspreid
of tot bundels bijeen geplaatst.
Eéne soort door Beccari op Nieuw-Guinea gevonden en G.can-
iliiln
genoemd.
-ocr page 127-
67
XI. VIOLACEAE.
5. SAUVAGESIA L.
Kelkbladen min of meer gelijk. Bloembladen gelijk,
in den knop ineengerold. Staminodiën dimorph, de bui-
tenste draadvormig, soms 5, met de bloembladen afwis-
selend, soms talrijk, terwijl de 5 binnenste bloemblad-
vormig zijn en om de geslachtsorganen samen komen.
Meeldraden 5, met korte helmdraden, afwisselend met
de staminodiën; helmknoppen lijnvormig met zijdelings
openspringende helmhokjes. Eierstok met 3 zaadlij sten;
stijl enkelvoudig; stempel stomp; sehotverbrekende, drie-
kleppige doosvrucht. Zaden oo, klein; zaadhuid korst-
achtig, dikwijls met honigraatachtige groefjes; kiemwit
vleezig; worteltje langer dan de zaadlobben.
Kruiden of heesters. Afwisselende, stijve bladeren.
Steunblaadjes kamvormig gewimperd. Bloemen okselstan-
dig of in eindelingsche trossen.
Omstreeks 10 soorten uit tropisch Amerika: ééne soort in vele
tropische streken verspreid.
ti. SOHUURMANSIA BI.
Kelkbladen 5, weinig verschillend in grootte, de twee
buitenste iets breeder en korter dan de overigen, in den
knop sterk dakpans wij ze dekkend. Bloembladen min of
meer gelijk, in den knop gedraaid. Staminodiën co,
alle lijn- of priemvormig, vrij. Meeldraden 5; helmdraden
plat, kort, vrij; helmknoppen langwerpig, lijnvormig, met
eene eindelingsche opening of door zijspleten openspringend.
Zaadlijsten 3, veeleiig; stijl enkelvoudig, stempel nage-
noeg gaafrandig. Doosvrucht houtachtig, langwerpig, schot-
verbrekend , driehokkig. Zaden klein; zaadhuid vliezig
tot een cirkelvormigen vleugel verbreed; zaadlobben zeer
kort.
Boomen of heesters. Bladeren onbehaard, aan de top-
pen der takken dicht opeengedrongen, gaafrandig of
gezaagd, met dicht opeengedrongen, dunne zijnerven.
Bloemen geel, in een eindelingschen pluim. Steunblaadjes
driehoekig, aangedrukt gewimperd.
Aantal soorten 2, heide in tien Indischen Archipel voorkomende,
S. elegans BI. op Amhoina en .S\'. angustifolia Hooi;, op Horneo
waargenomen.
-ocr page 128-
68
XI. VIOLACEAE.
7. NEOKIA Korth.
Kelkbladen min of meer gelijk. Bloembladen gelijk,
in den knop ineengedraaid. Staminodiën dimorph; de bui-
tenste oo , klein, borstel- of kliervormig, de binnenste om-
streeks 10, knodsvormig, aan de basis tot eene buis met
de meeldraden vergroeid, wier helmdraden zeer kort bij
den top van de buis binnen de staminodiën zijn inge-
plant; helmknoppen langwerpig, zijdelings openspringend.
Eierstok met drie zaadlij sten en talrijke eitjes; stijl enkel-
voudig; stempel eindelingsch. Driekleppige, aan den top
schotverbrekend openspringende doosvrucht. Zaden talrijk,
klein, ongevleugeld.
Heester of half heester, onbehaard. Bladeren afwisselend,
fijngezaagd. Steunblaadjes priemvormig, stijf. Bloemen
okselstandig, lang gesteeld.
Aantal soorten 3, in den Indisclien Archipel: X. serrala Korth.,
N. lancifolia Hook. en N. humilis Hook.
Fam. xii. BIXACEAE.
Bentham et Hook kr Gen. Plant. I, p. 122.
Bloemen regelmatig, 1—2-slachtig. Kelkbladen 4—5,
zelden 2—6, in den knop dakpanswijze dekkend, vrij of
vergroeid en onregelmatig openbarstend, gewoonlijk af-
vallend. Bloembladen 4—5 of ontbrekend, dakpanswijze
dekkend of ineengedraaid in den knop, afvallend. Meel-
draden hypogyniscn; helmknoppen 2-hokkig, doorspleten
of poriën openspringende. Schijf dik, dikwijls uit klieren
bestaande. Eierstok 1-, zelden oo-hokkig; stijlen en stempels
vrij of vereenigd; eitjes wandstandig, amphitroop of ana-
troop. Vrucht droog of vleezig, niet of met kleppen
openspringend, in het laatste geval de zaden op het
midden der kleppen. Zaden met een zaadmoesachtigen
zaadrok of zaadhuid; kiem wit vleezig; kiem asstandig;
zaadlobben bladachtig, dikwijls hartvormig.
Boomen of heesters. Bladeren afwisselend; steunblaad-
jes ontbrekend of klein. Bloeiwijze verschillend.
-ocr page 129-
69
XII. BIXACEAE.
Aantal geslachten omstreeks 30, soorten 100, hoofdzakelijk in
tropische gewesten.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Tribus 1. liixcat\'. liloemen tweeslachtig (zelden gemengdslach-
tig). Bloembladen groot, zonder schubje, in den knop gedraaid. Helm-
knoppen langwerpig of lijnvormig, met 2 poriën aan den top of met
2 korte kleppen. Doosvrucht inet kleppen openend; endocarpium
vliezig.
1.  Cocur.osi\'Kitsu\'M. Zaadlijsten in de holte inspringend of min
of meer vergroeid. Doosvrucht 3 kleppig. Zaden slakkeiihuisvormig,
met stijve of wollige haren. Bladeren handspletig of handvorinig
samengesteld.
2.   IJixa. Zaadlijsten wandstandig. Doosvrucht 2-kleppig. Zaden
recht, kaal. Bladeren gaafrandig.
Tribus II. Flacourtieae. liloemen tweeslachtig of tweehui-
zig. Bloembladen óf ontbrekend of niet veel grooter en talrijker dan
ile kelkbladen, in den knop dnkpanswijze dekkend, zonder schubben.
Ilehnknoppen met 2 spleten, kort, zelden lijnvormig. Vrucht eene bes.
-J- Bloemen tweeslachtig; bloembladen aanwezig.
3.  Scolopia. Kelkbladen 4—6, klein. Bloembladen evenveel. Zaad-
lijsten 3—4; stijl draadvormig met gaafrandigen of 3—4-lobbigen
stempel. Besvrucht, 2—4-zadig.
•J--J- Bloemen tweehuiziij; bloembladen ontbrekend.
4.   Fi.acourtia. Kelkbladen 4—5. Eierstok 2—8-hokkig; 2—8
stijlen. Eitjes 2. Besvrucht met een hard, houtachtig endocarpium,
verdeeld in éénzadige hokjes.
5.   Bexnettia. Kelkbladen 3. Zaadlijsten 3, wandstandig, elk met
2 eitjes. Stijlen 3 van af de basis uitgespreid.
6.    Xyi.osma. Kelkbladen 4—G. Eierstok 1-hokkig. Zaadlijsten
2—6. Stijl enkelvoudig, 2—fi-lobbig of nagenoeg ontbrekend. Bes-
vrucht, 2—8-zadig.
Tribus III. Pangieae. Bloemen tweehuizig. Bloembladen aan
de basis met een vrij of aangegroeid schubje. Groote besvrucht.
§ Kelkbladen vergroeid, kelk kogelvormig, bij den bloei
in
2—3 stukken uiteenbarstend.
7.   Pangium. Bloembladen 5—6. Meeldraden oo.
8.   Bërgsmia. Bloembladen 4—5. Meeldraden 4—5.
SS Kelkbladen in den knop dakpanswijze dekkend, bij den bloei vrij.
0. Tauaktouknos. Kelkbladen 4. Bloembladen 8. Meeldraden 8-
10. Hvuxocaiipl\'s. Kelkbladen 5. Bloembladen 5. Meeldraden 5-oo .
-ocr page 130-
70
XII. BIXACEAE.
1. COCHLOSPBRMUM Kwilh.
Bloemen tweeslachtig. Kelkbladen 5, in den knop dak-
panswijze dekkend, afvallend. Bloembladen 5, groot, in-
eengedraaid, dakpanswijze dekkend in den knop. Meeldra-
den oo, ingeplant op een bloembodem zonder klieren;
helmknoppen langwerpig of lijnvormig, aan den top
openspringende door eene porie of door korte ineenvloeiende
kleine spleten; helmbindsel voorbij de hokjes vaak in eene
punt uitloopende. Zaadlijsten van den eierstok 3—5, in
de holte vooruitspringende en aan top en basis somtijds
in de as verbonden, elk met cc eitjes; stijl enkelvoudig;
stempel met kleine tandjes. Doosvrucht 3—5-kleppig,
onvolkomen 2—5-hokkig; endocarpium vliezig, zich in
evenveel kleppen verdeelend; kleppen met die van het
epicarpium afwisselend. Zaden slakkenhuis-, nier-, of spi-
raalvormig met een gordel van lange haren omgeven of
geheel in lange wolharen gewikkeld; zaadhuid hoornach-
tig; kiem gekromd; zaadlobben eivormig.
Boomen, heesters of kruiden met een knolvormigen
wortelstok, welke allen eene groote hoeveelheid vocht bevat-
ten, waaruit eene gele of roode kleurstof kan bereid worden.
Bladeren handspletig of handvormig samengesteld. Trossen
in de oksels der bovenste bladeren of tot pluimen ver-
eenigd aan de toppen der takken. Bloemen groot, geel.
Aantal soorten 4 in de tropische gewesten, slechts ééne soort»
C. Gossypium, DC, komt in tropisch Azië voor.
3. BIXA L.
Kelkbladen 5, in den knop dakpanswijze dekkend, af-
vallend. Bloembladen 5, in den knop gedraaid. Helm-
knoppen door twee eindelingsche poriën openspringende.
Eierstok 1-hokkig; stijl dun, gebogen; stempel getand;
eitjes talrijk op twee wandstandige zaadlijsten. Doosvrucht
hokverbrekend, 2-kleppig, zaadlijsten op de kleppen.
Zaden talrijk; zaadstreng dik; zaadhuid moesachtig; kiem-
wit vleezig; kiem groot, zaadlobben plat.
Boom met enkelvoudige bladeren en kleine steunblaadjes.
Bloemen in eindelingsche pluimen.
Eén of twee soorten uit tropisch Amerika; B. Orellatut L. wordt
wegens het zaadmoes, dat de zoogenaamde Oi leans kleurstof levert,
in alle tropische gewesten gekweekt.
-ocr page 131-
71
XII. BIXACEAE.
3. SOOLOPIA Schreb.
Bloemen tweeslachtig. Kelkbladen 4—6, in den knop
licht dakpanswijze dekkend of min of meer klepswijze
aaneensluitend en lang voor den bloei geopend. Bloem-
bladen evenveel en min of meer aan hen gelijk. Meel-
draden oc , op eene schijf ingeplant, welke zich al of niet
in klieren scheidt; helmknoppen eivormig; helmbindsel
met een min of meer dik, onbehaard of langharig aan-
hangsel aan den top. Zaadlij sten van den eierstok 3—4,
met weinige eitjes; stijl draadvormig; stempel gaafrandig
of 3—4-lobbig. Bes van binnen sappig, 2—4-zadig. Zaden
aan een langen zaadstreng opgehangen; zaadhuid hard;
navel groot; zaadlobben bladachtig, dun.
Boomen met okselstandige of zelden ongewapende door-
nen. Bladeren vinnervig, gaafrandig of getand, soms met 2
klieren aan den top van den bladsteel. Bloemen klein
en okselstandig, in trossen.
Aantal soorten omstreeks 15, in Zuid- en Oostelijk Afrika, in
tropisch Azië en Noordelijk Australië. In Nederlandsen Indië een
drietal door BeNNETT en later door Miquel onder den geslachts-
naain Phoberos beschreven.
4. FLACOURTIA Comm.
Bloemen tweehuizig, zelden tweeslachtig. Kelkbladen
4—5, klein, in den knop dakpanswijze dekkend. Bloem-
bladen ontbrekend. Meeldraden talrijk; helmknoppen be-
wegelijk. Eierstok op eene uit klieren gevormde schijf.
Stijlen twee of meer; stempels getand of 2-lobbig; eitjes
gewoonlijk in paren op elke zaadlijst. Vrucht niet open-
springend; endocarpium hard, met zoovele hokjes als er
zaden zijn. Zaden omgekeerd eirond; zaadhuid leerachtig;
zaadlobben cirkelvormig.
Boomen of heesters, dikwijls gedoomd. Bladeren ge-
tand of gekarteld. Bloemen in oksel- of eindstandige kleine
trossen of kluwen.
Aantal soorten omstreeks 42, in de warme gewesten van Afrika
en Azië; in Nederlandsch Indië 6 of 7.
-ocr page 132-
72                                   XII. BIXACEAE.
5.  BENNETTIA Mi,t.
Bloemen tweehuizig. Kelkbladen 3, klein, gewimperd,
in den knop dakpanswijze dekkend. Bloembladen ont-
brekend. Meeldraden talrijk. Helmknoppen bewegelijk, kort.
Eierstok geplaatst op eene schijf, die wimpers en gesteelde
klieren draagt; 3 wandstandige zaadlijsten, elk 2—3 eitjes
dragende; stijlen 3, draadvormig, van de basis af uitge-
spreid; stempels nagenoeg 2-lobbig. Niet openspringende
besvrucht (?). Zaden 1 of weinige; in rijpen staat onbekend.
Een onbehaarde boom. Bladeren gezaagd. Bloemen klein,
in schermen-dragende trossen; de trossen kort, in de
hoogste bladoksels of in pluimen aan de toppen der takken.
Eéne soort op Java II. Horsfleldii Miij.
6.  XYLOSMA Forst.
Bloemen tweehuizig. Kelkbladen 4—5, schubvormig,
dikwijls gewimperd, in den knop dakpanswijze dekkend.
Bloembladen ontbrekend. Meeldraden talrijk, dikwijls
door eene klierdragende schijf omgeven; helmknoppen
bewegelijk, kort. Eierstok op eene ringvormige schijf;
zaadlijsten 2 (zelden 3—6); wandstandig met 2 of wei-
nige eitjes; stijl gaaf of min of meer verdeeld; stempels
breed of zelden één, nagenoeg zittende, schildvormig ge-
lobde stempel. Kleine, 2—8-zadige, niet openspringende
bes. Zaden omgekeerd eirond; zaadhuid glad, bros; zaad-
lobben breed.
Meestal doornachtige boomen. Bladeren getand, zelden
geheel gaaf. Bloemen in kluwens of korte trossen in de
oksels der bladeren.
Aantal soorten omstreeks \'25, meerendeels wijd verspreid in alle
tropische gewesten; in Nederlandsen Indië een tweetal.
7.  PANGIUM Reinw.
Bloemen tweehuizig. Kelk kogelvormig, in 2—3 slippen
openbarstend. Bloembladen 5—6, met evenzoovele daar-
tusschen geplaatste schubben. Mannelijke bloemen: Meel-
draden talrijk; helmknoppen eivormig, ruggelings vast-
gehecht. Vrouwelijke bloemen: Staminodiën 5—6. Zaad-
lijsten van den eierstok 2, eitjes talrijk; stempel zittend,
onduidelijk 2—4-lobbig. Bes zeer groot, ei- of kogelvor-
-ocr page 133-
73
XII. BIXACEAK.
mig, niet openspringend. Zaden in een vruchtmoes, met
eenen grooten navel; zaadhuid zeer hard, gerimpeld; kiem-
wit overvloedig, oliehoudend; zaadlohben breed, bladachtig.
Boom. Bladeren bijna gaaf of 3-lobbig, lang gesteeld.
Bloemen okselstandig, de mannelijke in trossen, de vrou-
welijke alleenstaand.
Eéne soort op Java voorkomende, P. edule Beinw.
8. BERGSMIA BI.
Bloemen tweehuizig. Kelk eirond-kogelvormig, in 2—3
slippen onregelmatig openbarstende. Bloembladen 4—5,
met evenzoovele, daarvoor geplaatste, schubben. Mannelijke
bloemen:
Meeldraden 4—5, met de bloembladen afwis-
selende, aan de basis vergroeid; helmknoppen hartvormig,
aan de basis vastgehecht. Vroutvelijke bloemen: stamino-
diën 4—5. Zaadlijsten van den eierstok 2—3, met tal-
rijke eitjes; stempel zittend, 2—3-lobbig. Vrucht onbekend.
Boom. Bladeren gaaf, met steunblaadjes. Enkelvoudige,
okselstandige, veelbloemige trossen.
Eéne soort op Java, B. Javanica BI. en ééne op Sumatra, B.
Suniatrana Mlq.
9.   TARAKTOGENOS Hassh.
Bloemen gemengdslachtig-tweehuizig. Kelkbladen 4,
vrij, in den knop dakpanswijze dekkend. Bloembladen 8,
met evenzoovele, daarvoor geplaatste, schubben. Meel-
draden 8 of driemaal het aantal der bloembladen; helm-
knoppen pijlvormig. Zaadlijsten van den eierstok 4, met
talrijke eitjes. Stempel zittend, schildvormig, 4-stralig.
Boom met kortgesteelde, gezaagde bladeren.
Eéne soort op Java voorkomende T. Bluniei Hassk., vroeger
door lii.ij.MK als Hydnocarpus beschreven.
10.   HYDNOCARPUS Gaertn.
Bloemen tweehuizig. Kelkbladen 5, gelijk of ongelijk,
dakpanswijze dekkend in den knop. Bloembladen 5, elk
met eene daarvoor geplaatste schub. Mannelijke bloemen:
Meeldraden 5—8; helmknoppen niervormig; helmbindsel
breed. Eierstok ontbrekend of rudimentair. Vrouwelijke
bloemen:
Meeldraden evenals die der mannelijke bloemen
-ocr page 134-
74
XIII. PITTOSPORACEAE.
maar zonder stuifmeel of tot staminodiën gereduceerd.
Eierstok 1-hokkig; stempels 3—6, zittend of bijna zit-
tend, uitgespreid, verbreed, gelobd; eitjes talrijk op 3—6
wandstandige zaadlijsten. Besvrucht kogelvormig, met
harden bast en talrijke zaden. Zaden in vruchtmoes; zaad-
huid bros, gestreept; kiemwit oliehoudend; zaadlobben zeer
breed, plat.
Boomen. Bladeren afwisselend, gezaagd of gaafrandig
met talrijke dwarsche nerven; steunblaadjes afvallend.
Bloemen alleenstaand of in onregelmatige, okselstandige
trossen of bundels met weinige bloemen.
Aantal soorten G, in tropisch Azië; 2 in Xederlandsch lndië,
11. glaucescens BI. en //. luevis Miq.
Fam. xiii. PITTOSPORACEAE.
Bentham et Hooker, Gen. Plant. I, p. 130. — Miquei,, Illtutrat.
de la Fl. de l\'Archip. Ind.
p. 78—84.
Bloemen meestal tweeslachtig. Kelkbladen 5, in den
knop dakpanswijze dekkend. Bloembladen} 5, hypogynisch,
dakpanswijze dekkend in den knop. Bloembodem klein.
Meeldraden 5, tegenover de kelkbladen; helmknoppen be-
wegelijk. Eierstok 1-hokkig met 2—5 wandstandige zaad-
lijsten of 2—5-hokkig door het naar binnen dringen der
zaadlijsten. Stijl enkelvoudig; stempel eindelingsch, 2—5-
lobbig; eitjes talrijk, wand- of asstandig, anatroop. Doos-
of besvrucht. Zaden meestal talrijk; kiemwit overvloedig;
kiem klein; worteltje naast den navel.
Rechtopstaande of klimmende heesters of boomen. Bla-
deren afwisselend of min of meer in kransen, geheel
gaafrandig, zonder steunblaadjts. Bloemen eindelingsch
of okselstandig, alleenstaand of in tuilen of pluimen.
Omstreeks 00 soorten en il geslachten voornamelijk in Australië.
Kenig geslacht voor Nederlandsch Indië:
PITTOSPOBUM Banks.
Kelkbladen vrij of aan de basis vergroeid. Bloembladen
aan de basis of tot voorbij het midden tot een buis samen-
-ocr page 135-
75
XIV. POLYGAFACEAE.
komend of samenhangend, zelden aan de basis vrij; helm-
draden priemvormig; helmknoppen opgericht, eirond-lang-
werpig, 2-spletig. Eierstok zittend of kort gesteeld, on-
volkomen of nagenoeg volkomen 2- (zelden 3—5)hokkig;
stijl kort. Doosvrucht kogelvormig-eirond of omgekeerd-
eirond, dikwijls aan de basis samengedrukt; kleppen Ieder-
of een weinig houtachtig, onverdeeld, in het midden de
zaadlijstdragende, halve schotten hebbende. Zaden dik,
ongevleugeld, vaak in een kleverig vocht liggende, glad.
Heesters of boompjes, meestal groen, kaal of zelden
behaard, opgericht. Bladeren gaafrandig of getand,
bij sommige soorten in kransen aan de toppen der takken.
Bloemen nu eens in eindelingsche, gedrongen tuilen, scher-
men of pluimen, dan weder alleenstaande of in gering
aantal, eindelingsch, okselstandig of zijdelingsch.
Omstreeks 50 soorten in de tropische gewesten van Afrika, Aziö
en Australië. HlQDEL noemt 11 soorten op voor den Maleischen
Archipel. Verschillende soorten van dit geslacht zijn beschreven
onder de namen: Itea, Pseuditea, Anassera, Senacia, Chelidosper-
mum en Glyaspermum.
Fam. xiv. POLYGALACEAE.
Bentham et Hooker, Gen. Plant. I, p. 134. — Hasskari. in Ann.
Mus. Lugd. Bat.
I, p. 142.— Miq. in Ann. Mus. Lugd. Bat. I, p. 271, 317.
Bloemen onregelmatig, tweeslachtig. Kelkbladen 5, afval-
lend of blijvend, in den knop dakpanswijze dekkend, ongelijk,
de binnenste dikwijls bloembladachtig, vleugelvormig.
Bloembladen 5 of 3, ongelijk, de onderste gewoonlijk kielvor-
mig. Meeldraden meestal 8 (in Salomonia 4—5, in Trigonias-
trum
5) met eindelingsche poriën, zelden met spleten open-
springende. Eierstok vrij, 1—3-hokkig; stijl gewoonlijk
gebogen; stempel knopvormig; eitjes 1 of meer in elk
hokje, anatroop. Vrucht gewoonlijk eene 2-hokkige, 2-za-
dige, hokverbrekende doosvrucht of niet openspringend
en 1-zadig of 3 niet openspringende elkander ten slotte
loslatende vleugelvruchten. Zaden meestal met een kiem-
propje ((S<rq^Mo/a),kiemwithoudend, zelden zonder kiemwit.
-ocr page 136-
76
XIV. POLYGALACEAE.
Eenjarige of overblijvende of klimmende heesters of
hooge boomen. Bladeren afwisselend (zelden in kransen of
tot schubben gereduceerd of ontbrekend), enkelvoudig,
geheel gaafrandig. Steunblaadjes ontbrekend. Bloemen
alleenstaand of in okselstandige of eindelingsche aren of
trossen (zelden pluimen). Bloemstengels dikwijls aan de
basis geleed, van één schutblad en twee schutblaadjes
voorzien.
Omstreeks 400 soorten in 15 geslachten, voornamelijk in de
warme streken voorkomende.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
•J- Bovenste bloembladen klein, eehubvormig of ontbrekend.
§ Xijtlelinijsche bloembladen aan de basis of lot het midden met de
kiel tot eene van boven i/esjileten bloenikroon vergroeid, de bovenste
zeer klein, eehubvormig of ontbrekend. Eierstok 1-hokkiij. llok-
verdeelende doosvrucht.
i. SALOMONIA. Kelkbladen weinig verschillend in grootte. Helm-
knoppen 4—5. Uloeinen zeer klein, in eindelingsche aren. Krui*
den, dikwijls bladerloos.
2.   Polyoai.a. Kelkbladen ongelijk in grootte, 2 zeer groot, vIeu-
gelvormig. Helmknoppen 8. Kruiden, heesters of boomen.
§§ Zydelingsche bloembladen vrij van de kiel en aan de basis uit-
staande, de
9 bovenste klein, schubvormig of ontbrekend.
3.    SECURIDACA. De twee grootste kelkbladen vleugelvormig.
Eierstok 1-hokkig. Ilelmknoppen 8. Vleugelvrucht. Heesters.
WAlle bloembladen eren groot. Kelkbladen weinig verschillend in grootte.
4.   Trigoniastrim. Bloembladen tot eene van boven gespleten
bloemkroon vergroeid. Meeldraden 5. Eierstok 3-hokkig. Vrucht met
3 vleugels.
5.   Xanthoi\'iiyi.u\'M. Bloembladen vrij , 4 gelijk, kiel schuitvormig.
Meeldraden 8. Eierstok 1-hokkig (of onvolkomen 3-hokkig). Kogel-
vormige, 1-zadige, min of meer vleezige vrucht.
1. SALOMONIA. Lour.
Kelkbladen nagenoeg gelijk, de twee bovenste iets groo-
ter. Bloembladen 3, aan de basis met de meeldradenbuis
vergroeid, de onderste (de kiel) helmvormig doch
zonder kam. Meeldraden 4—5, onderste helft der meel-
draden tot eene scheede vergroeid; helmknoppen met poriën
openspringend. Eierstok 2-hokkig, elk hokje met één
hangend eitje. Doosvrucht zijdelings sterk samengedrukt,
-ocr page 137-
77
XIV. POLYGALACEAE.
2-hokkig, hokverbrekend, met getande randen. Zaden
kiemwithoudond, zonder of bijna zonder kiempropje.
Bebladerde, éénjarige kruiden of woekerplanten met
schubvormige bladeren. Bloemen zeer klein, in dichte
eindelingsclie aren.
Omstreeks 8 soorten in tropisch Azië en Australië volgens Pent-
ham en Hookkr. Deze vereenigen met Salotnoniit üi.cme\'s ge-
slacht Epirhizanthe (soms geschreven als Epirhixanthes, Epirixan-
thes
en Epirhizanthus) en onderst heiden twee secties: 1. Salomonia.
met hehlailenle stengels, II. Epirhizanthe, woekerplanten metschub-
vonnige bladeren. Ili.i\'MK, HaSSKARL en MlQUEL vernielden (> soorten
van de eerste, 2 of 3 van de tweede sectie.
2. POLYQALA L.
Kelkbladen meestal blijvend, de twee binnenste groo-
ter, meestal bloembladachtig. Bloembladen 3, aan de basis
met de meeldradenbuis vergroeid, de binnenste kielvor-
vormig, gewoonlijk met een kam. Meeldraden 8 ; helm-
draden aan hunne onderste helft tot eene gespleten scheede
verbonden; helmknoppen met poriën openspringende.
Eierstok 2-hokkig; eitjes 1 in elk hokje, hangend. Doos-
vrucht 2-hokkig, hokverbrekend, 2-zadig. Zaden kiem-
withoudend en bijna altijd met een kiempropje.
Kruiden, zelden heesters of boomen. Bladeren afwisse-
lend. Bloemen in zijdelingsche of eindelingsche, zelden
okselstandige trossen, of aren.
Ongeveer 200 soorten, in alle luchtstreken verspreid.
Door Hasskarl wordt een i-tal heesters, waarvan er 2 in
Nederlandsch Indië voorkomen, onder den naam Chamaebuxus van
dit geslacht uitgesloten, wegens de afvallende kelk en kroon, de
kale, in een zaadrok besloten, in den beginne hangende, bij het
openen van de vrucht opgerichte, kiemwitlooze zaden en talrijke,
groote bloemen. Ken tweede geslacht: Semeicardium Zol!., dat
dooi- Bentham en Hooker evenzeer tot Polygala gebracht wordt,
moet volgens Hasskari. daarvan gescheiden blijven oin den afval-
lenden kelk, de ongebaarde kiel, de vliezige doosvrucht en het kleine
kiempropje. Het wordt gevormd door 4 kruiden, waarvan 2 in Ne-
derlandsch Indië voorkomen.
3. SECTJRIDACA L.
Kelkbladen afvallend, de twee binnenste vleugelvormig,
grooter en bloembladachtig; zijdelingsche bloembladen
bijna of geheel vrij van de helmvonnige, met een kam
-ocr page 138-
7S
XIV. POLYGALACEAE.
voorziene kiel; bovenste bloembladen ontbrekend. Meeldra-
den 8; helmdraden vereenigd; holmknoppen 2-hokkig, met
schuine poriën openspringende. Eierstok 1-hokkig, 1-eiig.
Ecnhokkige, éénzadige vleugelvrucht; vleugel breed, leder-
achtig. Zaden zonder kiemwit, zonder kiempropje.
Heesters, bijna altijd klimmend. Bloemen in eindeling-
sche of okselstandigc, gewoonlijk samengestelde trossen.
Aantal soorten ongeveer 25; zeer talrijk in tropisch Amerika, zeld-
zamer in tropisch Afrika en Azië. Slechts ééne soort in Nederlandsch
Imlië, .S\'. scanden» Jacq.
*. TRIGONIASTRUM Mi</.
Kelkbladen 5, do buitenste iets grooter dan de overigen.
Bloembladen 5, ongelijk, de onderste kielvormig. Meel-
draden 5; helmdraden tot eene scheede vereenigd. Eierstok
dicht behaard, 3-hokkig; eitjes hangend, één in elk hokje.
Vrucht gevormd door 3, ten slotte bijna geheel vrije
vleugelvruchten. Eén zaad in elk hokje, zonder kiem-
propje.
Heester of kleine boom. Bladeren van onderen behaard.
Bloemen in dunne, eindelingsche pluimen.
Eéne soort in den Maleisclien Archipel eu Malakka, T. hypoleu-
cum Mig.
5. XANTHOPHYLLUM floa*.
Kelkbladen 5, bijna gelijk. Bloembladen 5 of 4, bijna
gelijk in grootte, de onderste kielvormig, zonder kam.
Meeldraden 8, vrij, 2 hypogynisch, 6 vastgehecht aan de
basis der bloembladen. Eierstok gesteeld, 1-hokkig;
stijl gebogen; eitjes verschillend in aantal en inplanting.
Vrucht 1-hokkig, niet openspringend, 1-zadig. Zaden
evenals bij Poli/gala, nu eens kiemwithoudend met vlie-
zige zaadlobben, dan weder zonder kiemwit met dik-vlie-
zige zaadlobben, zonder kiempropje.
Hooge boomen. Bladeren groot, lederachtig, gewoonlijk
geelgroen.
Aantal soorten omstreeks 15. Eenige weinige volgens Bentham
en IIookku op het vaste land van Indië en Australië; de meeste
in den Malcischen Archipel. Miqiiki. noemt 23 soorten op, waarvan
17 in Nederlandsch Imlië.
-ocr page 139-
79
XV. CARYOPHYLIACEAE.
Fam. XV. CARYOPHYLLACEAE.
Bentham et Hooker, Gen. Plant. I, p. 141.
Bloemen regelmatig, meestal tweeslachtig. Kelkbladen
4—5, blijvend, vrij of tot een getanden kelk verbonden,
dakpanswijze dekkend in den knop. Bloembladen nu eens
evenveel als kelkbladen, op een hypogynischen of zeer kort
perigyniscben ring ingeplant, gaaf, twecspletig of in slip-
pen verdeeld, in den knop dakpanswijze dekkend of
meestal ineengedraaid, soms zeer klein, schubvormig of
ontbrekend. Meeldraden 8—10 of minder, draadvormig, als
de bloembladen ingeplant. Helmknoppen 2-hokkig; hokjes
evenwijdig, in de lengte openspringende. Bloembodem
meestal klein, bij sommige Sileneae tot een steelvormigen
stamperdrager verlengd, welke aan den top onder den eier-
stok de meeldraden draagt, bij do meeste Alsineae ringvor-
mig, een weinig met de basis van den kelk vergroeid en de
meeldraden dragend of tusschen de meeldraden tot korte
klieren of zelden buiten de meeldraden tot tegenover de
kelkbladen geplaatste staminodiën uitgebreid. Eierstok
vrij, 1-hokkig of zelden aan de basis door dunne, spoedig
verdwijnende tusschenschotten 2—5 hokkig; stijlen 2—5,
aan den binnenkant van boven of van de basis af in de
lengte stempelklieren dragend, vrij of tot een gelobden
of getanden stijl vergroeid; eitjes 2-qo , vastgehecht aan
zaadstrengen, welke van den bodem van den eierstok
ontspringen en vrij of tot eene centrale zuil verbonden
zijn, amphitroop, klimmend, met het poortje naar onderen
gericht of dwars. Doosvrucht vliezig of bros, zelden min
of meer besvormig; met kleppen of eindelingsche tanden,
zooveel als er stijlen zijn of het dubbele aantal, open-
springend, zelden bijna niet openspringende of dwars
doorscheurende. Zaden oo of door mislukking slechts één;
soms nier-kogelvormig of omgekeerd eivormig of zijdelings
samengedrukt met een aan den rand staanden navel, soms
ruggelings samengedrukt en schijfvormig met den navel
op het bovenvlak; zaadhuid vliezig of bros. Kiemwit
meelachtig, zelden vliezig, binnen de kromming der kiem
of aan weerskanten op zijde van deze gelegen, zelden
ook aan de rugzijde der kiem dun uitgebreid. Kiem min
-ocr page 140-
so
XV. CARYOPHYIJ.ACEAE.
of meer gekromd en peripherisch of, in schijfvormige zaden
min of meer opgericht en excentrisch; zaadlobben smal,
plan-convex of half rolrond, opliggend, zelden aanliggend;
kiemworteltje rolrond, naar de basis der vrucht gericht
of zelden, bij een zaad met omgekeerden zaadstreng of
een cirkelvormigen kiem, naar den top daarvan.
Éénjarige of overblijvende kruiden, zelden houtachtig
aan de basis; takken dikwijls aan de knoopen verdikt
en soms geleed. Bladeren tegenovergesteld, gaafrandig,
meestal 1—3-nervig en nagenoeg zonder nerven aan de
basis, dikwijls door eene dwarsche lijn verbonden, zonder
steunblaadjes of met kleine, droogvliezige steunblaadjes.
Bloemen tweeslachtig, zelden door mislukking éénslachtig.
Bloeiwijze bepaald, soms in bijschermen met talrijke
bloemen, enkelvoudig of vorkswijs vertakt, los of in klu-
wens, zelden in den vorm van een tros, bloeispies, of
pluim, soms met weinig bloemen, enkel of dubbel vorkswijs
vertakt of tot ééne bloem verminderd. Schutbladen tegen-
overgesteld bij de vertakkingen, de bovenste dikwijls aan
den rand of geheel en al droogvliezig. Zaden soms glad
en glanzend, soms dof, korrelig of gestekeld, zelden aan
den rand gevleugeld.
Aantal geslachten volgens BENTHAM en HOOKEB 35, soorten om-
stieeks 1200, waarvan misschien 400 als synoniem moeten beschouwd
worden. De familie behoort hoofdzakelijk in de gematigde lncht-
streken van het Noordelijk Halfrond thuis en komt in de tropen
voornamelijk in de bergstreken voor.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Tribus 1. SiltMM\'JM\'. Kelkbladen tot een getanden, of 4—5-lob-
bigen kelk verbonden. Bloembladen en meeldraden hypogynisch, met
den eierstok op een steelvormigen stamperdrager geplaatst. BIoem-
bladon genageld. Stijlen vrij. Geen steunblaadjes.
1.   DlANTHDS. Kelk door 2-oo , paars wij ze geplaatste, schuthlaadjes
omgeven, aan de basis buisvormig. 5-tandig, met talrijke nerven.
(35—55.) Meeldraden 10.
Tribus II. Alsinoao. Kelkbladen vrij. Bloembladen en meeldraden
meestal op een zeer kleinen bloembodem. Bloembladen niet genageld.
Stijlen vrij.
2.   Stenlaria. Stijlen meestal 3, zelden 5. Bloembladen 2-spletig
of -deelig. Steunblaadjes ontbrekend. Meeldraden 10.
3.  Spkroi\'I.a. Stijlen 5. Bloembladen gaafrandig. Steunblaadjes
klein, vliezig. Meeldraden 10.
-ocr page 141-
81
XV. CARYOPHYLI,ACEAE.
Tribus III. Polycarpeae. Kelkbladen vrij. Bloembladen en meel -
draden op een zeer kleinen bloembodem. Bloembladen niet genageld.
Stijl enkelvoudig aan de basis, van boven 3-spletig. Meeldraden 5 of
minder.
4.   Drymaria. Bloembladen 2—O-spletig. Steunblaadjes klein,
dikwijls afvallend. Geen staminodiën.
5.   Polvcarpaea. Bloembladen gaafrandig of 2-tandig. Steun-
bhiadjes vliezig. Soms 5 borstelvormige staminodiën.
1. DIANTHUS /..
Kelk buisvormig, 5-tandig, met talrijke dunne strepen,
ongeveer 7, 9 of 11 op ieder kelkblad, aan de basis
door 2-ao schutblaadjes, bij paren dakpanswij ze dekkend in
den knop, omgeven. Bloembladen 5, met langen nagel
en gaafrandige of veeltandige of -spletige, maar niet uit-
gerande of 2-spletige, plaat, van boven kaal of behaard, doch
zonder schubben aan den nagel. Meeldraden 10. Bloem-
bodem vaak tot een steelvormigen stamperdrager verlengd.
Eierstok 1-hokkig; stijlen 2. Doosvrucht rolrond, lang-
werpig, zelden eivormig, aan den top met 4 tanden of
kleppen openspringend. Zaden cirkel- of schijfvormig, met
den navel in het midden van de vlakke of holle binnen-
zijde, dakpanswijze opeengedrongen op de zuilvormige
zaadlijst; kiem recht, meestal buiten de as van het
kiemwit.
Kruiden, meestal overblijvend, soms heesterachtig.
Bladeren smal, meestal op die der grassen gelijkend.
Bloemen eindelingsch, afzonderlijk of in pluimswijze ver-
eenigde bijschermen of in kluwens, meestal rooskleurig,
purper, zelden geel of wit.
Een geslacht waarvan meer dan \'200 soorten beschreven zijn ,
wier aantal misschien echter wel tot 70 terug te brengen is,
hoofdzakelijk voorkomende in Europa, Noord-Afrika en de gematigde
streken van Azië, terwijl er slechts weinigen in Noord-Amerika en
Zuid-Afrika aangetroffen worden. In Nederlandsen Indië komen zij
waarschijnlijk alleen gekweekt voor.
2. STELLABIA L.
Kelkbladen 4. Bloembladen evenveel, 2-spletig, zel-
den in slippen verdeeld of slechts uitgerand. Meeldraden
10 of door mislukking in geringer aantal, hypogynisch of
licht perigynisch. Meeldradendragende schijf ringvormig,
soms ter nauwernood waarneembaar, soms tusschen de
C
-ocr page 142-
82
XV. CARYOPHYLLACEAE.
helmdraden tot uitspringende klieren uitgebreid. Eierstok
1-hokkig, met oo (zelden met 3) eitjes; stijlen 3, zelden
2 of 4, zeer zelden 5, afwisselende met de kelkbladen.
Doosvrucht kogelvormig, eirond of langwerpig, tot voorbij
het midden openspringend met tweemaal zooveel gaaf-
randige of evenzooveel 2-spletige kleppen als het aantal
der stijlen bedraagt. Zaden nier- of kogelvormig of zijde-
lings samengedrukt.
Kruiden, meestal neerliggend, zodenvormend of een
weinig los omhoog klimmend, kaal of zachtharig. Bladeren
verschillend, doch zelden priemvormig. Bloemen in naakte
of bladeren dragende, eindelingsche of zelden okselstandige,
pluimvormige bij schermen, zelden afzonderlijk. Zaden
dikwijls van buiten korrelig of stekelig.
Omstreeks 70 soorten, in alle luchtstreken voorkomende; in Neder-
landsch Indië een vijftal, waarvan ééne waarschijnlijk ingevoerd is.
3. SPERG-ULA L.
Kelkbladen 5. Bloembladen 5, gaafrandig. Meeldraden 10,
zelden 5. Eierstok 1-hokkig, met oo eitjes; stijlen 5, afwisse-
lend met de kelkbladen. Doosvrucht met 5 gaafrandige,
tegenover de kelkbladen geplaatste kleppen. Zaden zijde-
lings samengedrukt, met scherpe randen of vleugels.
Eenjarige, vorkswijze of bundelswijze vertakte kruiden.
Bladeren priemvormig, in schijnkransen met bladeren van
jonge generaties, welke in de oksels dicht bijeenstaan.
Steunblaadjes klein, vliezig. Bloemen gesteeld, in bij-
schermen.
Aantal soorten 2 of 3, welke hoofdzakelijk in de gematigde
streken vrij algemeen worden aangetroffen. Eéne soort, S. arven-
sis L.,
waarschijnlijk van buiten ingevoerd, werd ook in onzen Ar-
chipel gevonden.
4. DRYMARIA Willd.
Kelkbladen 5, kruidachtig of met vliezige randen.
Bloembladen 5, 2—6-spletig. Meeldraden 5, of door mis-
lukking minder, licht perigynisch. Eierstok 1-hokkig met
oo eitjes, stijl 3-spletig. Doosvrucht 3-kleppig. Zaden nier-
kogelvormig of zijdelings samengedrukt met zijdelingschen
navel; kiem peripherisch.
Kruiden met neerliggende takken, zelden opgericht,
vorkswijze vertakt. Bladeren vlak, breed of smal. Steun-
-ocr page 143-
m
XV. CARYOPHYLLACEAE.
blaadjes klein, meestal spoedig afvallend. Bloemen gesteeld,
meestal klein, of afzonderlijk in de vorkswijze vertakkin-
gen, of vaker nog, in eindelingsche of okselstandige, meestal
wijd vertakte bijschermen,
Omstreeks 10 soorten in tropisch en subtropisch Amerika; ééne,
D. cordata Willd., in alle tropische streken dei\' wereld.
5. POLYCARPAEA Lam.
Kelkbladen 5, geheel vliezig of zelden kruidachtig,
en slechts vliezig langs den rand. Bloembladen 5,
gaafrandig, 2-tandig of zelden met kleine tandjes aan de
zij randen. Meeldraden 5, licht perigynisch of nagenoeg
hypogynisch, vrij of met de bloembladen tot een ring of
buis verbonden. Eierstok 1-hokkig, met oo eitjes; stijl
lang, met 3 groeven en 3 tanden aan den top of kort
3-spletig. Doosvrucht 3-kleppig. Zaden omgekeerd eivormig
of zijdelings samengedrukt; kiem gekromd of zelden bijna
recht; zaadlobben aanliggend.
Éénjarige of overblijvende, opgerichte of zelden neer-
liggende kruiden. Bladeren smal lijnvormig, zelden eivor-
mig; de bladeren der jongere generaties in bundels, niet
zelden schijnkransen vormende. Steunblaadjes vliezig.
Bloemen dikwijls talrijk in eindelingsche bijschermen,
welke soms in losse of saamgetrokken pluimen, soms in
hoofdjes bijeen staan en door de vliezige, witte, roos- of
purperkleurige kelkbladen sterk in het oog vallen.
Omstreeks 24 soorten in de tropische en subtropische streken
van de oude wereld; ééne soort ook in tropisch Amerika wijd
verspreid. De afdeeling van dit geslacht, welke in Nederlandsch
Indië werd aangetroffen, behoort in Australië thuis, vanwaar zij
zich westelijk ook over Sumbawa heeft verspreid. Ofschoon door
Bentham en Hooker met Poli/carpaea vereenigd, vertoont zij
echter niet alle kenmerken hiervan, daar zij zich onderscheidt
door grootere bloemen, welke nog sterker vliezig zijn dan die van
de echte Polijcarpaea-soorten en door 5 kleine, borstelvormige sta-
minodiën, welke tegenover de bloembladen zijn geplaatst. Om deze
reden beschouwde MARTIUS haar als een afzonderlijk geslacht,
waaraan hij den naam van Aylmeria had gegeven (Nov. Act. Nat.
Cur. XIII
p. 270 in aunot.). BENTHAM en HOOKER rekenden deze
kenmerken slechts voldoende om ze als eene afzonderlijke sectie van
de overige soorten van Polycarpaea af te scheiden. MlQUEL ver-
meldt als eenige soort van Nederlandsch Indië Aylmeria Zoüin-
geri Fenzl
-ocr page 144-
84
XVI. PORTULACACEAE.
Fam. xvi. PORTULACACEAE.
Bentham et HoOKER, Gen. Plant. I, p. 185.
Bloemen regelmatig, tweeslachtig. Kelkbladen minder
dan de meeldraden, meestal 2, zelden 5, vrij of met de
basis van den eierstok vergroeid, in den knop sterk dak-
panswijze dekkend, blijvend of afvallend, kruidachtig,
vliezig of stijf. Bloembladen 4—5, zelden co , hypogynisch
of zelden perigynisch, vrij of zelden onder aan de basis
vergroeid, gaafrandig, in den knop dakpanswijze dek-
kend. Meeldraden als de bloembladen ingeplant en
meestal aan de basis daarmede vergroeid, soms in het-
zelfde aantal als de bloembladen of minder, tegenover
deze geplaatst, soms co ; helmdraden draadvormig; helm-
knoppen 2-hokkig, met evenwijdige in de lengte open-
springende hokjes. Eierstok vrij of half met den kelk
vergroeid (half in den hollen bloembodem weggedoken),
1-hokkig. Stijl enkelvoudig aan de basis, meer of minder diep
3-, zelden 2-spletig aan den top; stijlarmen van binnen in de
lengte stempelklieren dragend. Eitjes 2—co , vastgehecht aan
vrije of met elkander tot eene zuil vergroeide, uit de eier-
stokbasis ontspringende zaadstrengen, amphitroop, klimmend,
met een naar onderen of dwars geplaatst poortje. Doos-
vrucht vliezig of korstachtig, openspringende met zoovele
kleppen als er stijlen zijn of het bovenste gedeelte rondom
dekselvormig loslatend, zelden niet openspringend. Zaden
co of door mislukking slechts 1 , nier-, bolvormig of
zijdelings samengedrukt, omgekeerd eirond of lensvor-
mig met randstandigen navel en dikwijls korstachtige
zaadhuid, soms met een kiempropje. Kiem soms min of
meer gekromd, een meelachtig kiemwit insluitend, soms
slechts haakvormig gebogen met weinig kiemwit; kiem-
worteltje rolrond.
Kruiden, zelden half heesters of kleine heesters, meestal
kaal en min of meer saprijk, soms lang behaard. Bladeren
afwisselend en tegenovergesteld gaafrandig, dikwijls vleezig.
Steunblaadjes vliezig, soms in slippen verdeeld of uit
haren bestaande of ontbrekend. Bloemen afzonderlijk, in
trossen, bij schermen of pluimen, eindelingsch of de onderste
okselstandig of zijdelingsch. Bloembladen meestal afvallend
of vervloeiend.
-ocr page 145-
XVI. PORTULACACEAE.                                  85
Aantal geslachten 15, soorten 125, meestal in Amerika tehuis
behoorend, sommige in Zuid-A frika of Australië, zeer weinige in
Azië, Noonl-Afrika en Europa verspreid.
Eenig geslacht in Nederlandsen lntlië:
Pürtulaca, Eierstok half inet den kelk vergroeid; bloembladen
en rneeldraden perigynisch. Doosvrucht met een deksel openspiin-
gend.
PORTÜLAOA /..
Kelkbladen 2, aan de basis verbonden tot eene buis die
met den eierstok vergroeid is, van boven vrij en afvallend.
Bloembladen 4—6, vrij of (aan de basis licht uitgehold,)
op de basis der kelkbladen of den rand van den bloem-
bodem ingeplant. Meeldraden oo, aan de basis der bloem-
bladen ingeplant en met deze perigynisch. Eierstok
half onderstandig (of half in den bloembodem weggedo-
ken) met gc eitjes; stijl diep 3—8-spletig. Doosvrucht
vliezig, half onderstandig, het vrije gedeelte rondom dek-
selwijze loslatende. Zaden zijdelings samengedrukt, nier-
vormig, glanzend, dikwijls korrelig; kiem peripherisch.
Kruiden nederliggend of klimmend, vleezig. Bladeren
afwisselend of min of meer tegenovergesteld, plat of
rolrond, dikwijls borstelvormig en bundelswijze in de
oksels bijeengeplaatst, de hoogste vaak de bloemen om-
hullend. Steunblaadjes vliezig of door bundels van borstels
vervangen, in ééne soort zeer klein. Bloemen eindelingsch,
zittend of gesteeld, geel, purper of rooskleurig.
Aantal soorten omstreeks 16, in de tropische gewesten voor-
komende , voornamelijk in Amerika; 2 zijn ook in de gematigde
luchtstreken wijd verspreid. In Nederlandsen Indië wordt een 3-tal
soorten aangetroll\'en, nl. P. oleracea L., 1\'. quadriflda L. en /\'. cincla
Fenzl.
De laatste, door Zou.iNGF.n op Lombok waargenomen, is
onbeschreven.
Fam. xvii. HYPERICACEAE.
Bentham et Hookkr, Gen. Plant. I, p. 163.
Kelkbladen 5, zelden 4, bloembladen evenveel, in den
knop gedraaid. Meeldraden oo, of zelden in bepaald aan-
tal, 3—5-broederig, zelden vrij of vergroeid; helmknoppen
-ocr page 146-
86
XVII. IIYPERICACEAE.
bewegelijk. Eierstok 1- of 3—5-hokkig; stijlen evenveel
als zaadhj\'sten of hokjes, draadvormig, vrij of vergroeid;
eitjes weinig of talrijk, op wand-of asstandige zaadlij sten,
anatroop; zaadnerf zijdelingsch of van boven. Doosvrucht
of bes. Zaden zonder kiem wit; kiem recht of gebogen.
Kruiden of heesters, zelden boomen. Bladeren tegenover-
gesteld, dikwijls gestippeld door doorschijnende klieren
of donkere klierachtige vlekjes, gaafrandig of met klier-
dragende tanden; steunblaadjes ontbrekend. Bloemen al-
leenstaand of in bijschermen of pluimen, eindelingsch,
zelden okselstandig.
Aantal geslachten omstreeks 8, met ongeveer 210 soorten, in de
gematigde luchtstrekun en de bergstreken der tropen.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
i. Hypericum. Doosvrucht schotverdeelend, bij de zaadlijsten
openspringend. Zaden niet gevleugeld. Zaadlobben meestal korter
dan het kieinworteltje. Kruiden, zelden heesters.
2. Cratüxyi.on. Doosvrucht hokverdeelend. Zaden gevleugeld.
Zaadlobben meestal langer dan het kiemworteltje. Boomen of
heesters.
1. HYPERICUM L.
Kelkbladen 5. Bloembladen 5, gewoonlijk schuin, van
binnen kaal. Meeldraden vrij, aan de basis of hooger
vergroeid, in 3—8 bundels, welke soms met hypogynische
klieren afwisselen. Eierstok 1-hokkig, met 3—5 wandstan-
dige, of 3—5-hokkig met asstandige, zaadlijsten; stijlen
vrij of vergroeid; eitjes cc, zelden weinig. Doosvrucht
schotverdeelend of bij de zaadlijsten openspringend.
Kruiden of heesters. Bladeren meestal zittend. Bloemen
geel, zelden wit, alleenstaand of in bijschermen of pluimen.
Een 7-tal soorten wordt vermeld voor Nederlandsen Indië, waar-
van ö met groote bloemen, spoedig afvallende bloembladen en
5-broederige meeldraden, ook onder den naam Norysca beschreven
zijn, terwijl de zevende, welke in Zuid-Azië, China en Japan alge-
meen is, éénbroederige meeldraden en blijvende bloembladen heeft,
ook onder den naam Brathys voorkomt.
2. ORATOXYLON lil.
Kelkbladen 5. Bloembladen 5, kaal, aan de basis naakt
of met een aanhangsel. Meeldraden 3-broederig, bundels
-ocr page 147-
87
XVIII. GUTTIFEHAE.
met evenveel hypogynische klieren afwisselend. Eierstok
3-hokkig, hokjes 4—oo-eiig; stijlen vrij. Doosvrucht hok-
verdeelend met 3 kleppen, welke in het midden de zaad-
lijsten dragen. Zaden opstijgende of opgericht, van boven
gevleugeld; kiem recht; zaadlobben meestal langer dan het
worteltje.
Boomen of heesters. Bladeren gaafrandig, kruidachtig, ge-
stippeld. Bloemstengels soms 1—5-bloemig en okselstandig,
soms in eindelingsche pluimen. Bloemen geel, wit of rosé.
Aantal soorten 12, in tropisch Azië.
Eéne soort welke zieli onderscheidt van de overige, door het bezit
van een schubje aan de basis der bloembladen, werd door SPAOH
tot een afzonderlijk geslacht, Tridesmis, verheven. Volgens Miquel
zijn er in Nederlandse!) Indie behalve deze nog 11 soorten.
FaM. xviii. GUTTIFERAE.
BENTHAM et Hooker, Gen. Plant. I, p. 167.
Bloemen regelmatig, tweehuizig of gemengdslachtig,
zelden tweeslachtig. Kelkbladen 2—6, in den knop dak-
panswijze dekkend of in kruiswijs geplaatste paren.
Bloembladen 2—6 (zelden meer of ontbrekend) gewoon-
lijk sterk dakpanswijze dekkend of ineengedraaid. Man-
nelijke bloemen:
Meeldraden gewoonlijk in onbepaald aan-
tal, hypogynisch; helmdraden vrij of op verschillende
wijze vergroeid, <5énbroederig of in zoovele bundels als
er bloembladen zijn; helmknoppen verschillend. Vrouwe-
lijke bloemen:
Staminodiën verschillend. Eierstok 1—2- tot
oo-hokkig; stijl dun, kort of ontbrekend; stempels zooveel
als er hokjes zijn, vrij of vergroeid, soms schildvormig;
eitjes 1—2 of oo, asstandig of opgericht van de basis van
het hokje. Vrucht gewoonlijk besvormig en niet open-
springend. Zaden groot; kiemwit ontbrekend; kiem be-
staande uit een groot worteltje met kleine of rudimen-
taire zaadlobben of uit dikke, vrije of vergroeide zaad-
lobben met een zeer kort, naar onder gericht worteltje.
Boomen of heesters, rijk voorzien met een geel of groen-
achtig sap. Bladeren tegenovergesteld, lederachtig of
vliezig, zelden in kransen, zonder steunblaadjes. Bloemen
-ocr page 148-
88                                    XVIII. GUTTIFERAE.
okselstandig of eindelingsch, alleenstaand of in bundels,
trossen of pluimen, wit, geel of rood.
Aantal geslachten 24, soorten 230, in alle tropische streken.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Tribus I. (xart\'inicac. Eierstokhokjes elk met \\ eitje; stempel
zittend of bijna zittend, schildvormig, gaafrandig of met straalswijze
uitgespreide lobben. Niet openspringende bes. Kiem met een sterk ont-
wikkeld kiernworteltje en zeer kleine of ontbrekende zaadlobben.
1.  Gaucinia. Vier kruiswijs geplaatste kelkbladen (zelden vijf).
2.   Ociihocarpus. Kelk gesloten in den knop, met twee kleppen
openbarstend.
Tribus II. Calophylleae. Eierstok met 1, 2 of 4 opgerichte eitjes ;
stijl dun (zelden 2 stijlen); stempel schildvormig, 4-spletig of puntig.
Vrucht vleezig, zelden openspringend. Kiem uit twee vleezige, vrije
of aaneengegroeide zaadlobben bestaande, met een kleinen kiemwortel.
3.   CalophylLUM. Eierstok 1-hokkig, met 4 eitje. Stempel schild-
vormig. Driedeelige of trosvormige pluimen. Helmknoppen eirond
of langwerpig.
4.  Kayea. Eierstok 1-hokkig met 4 eitjes. Stempel 4-spletig.
Rijke pluimen of alleenstaande bloemen. Helmknoppen klein, bijna
kogelrond.
5.  HeSUA. Eierstok 2-hokkig met 4 eitjes. Stempel schildvormig.
ISloemen alleenstaand. Kelkbladen 4.
0. Mammea. Eierstok 2-bokkig, met 4 eitjes. Stempel schildvor-
mig of breed gelobd. ISloemen alleenstaand of in bundels. Kelk in
den knop gesloten, ten slotte met 2 kleppen openspringend.
1. GAROINIA L.
Kelkbladen 4—5, kruiswijze geplaatst. Bloembladen
4—5, in den knop dakpanswijze dekkend. Mannelijke
bloemen:
Meeldraden oo , vrij of tot eene gaafrandige, bol-
of kegelvormige, 4—5-lobbige massa vereenigd, gewoonlijk
een rudimentairen eierstok omringende; helmknoppen
zittend of op korte, dikke helmdraden, 2-, zelden 4-hok-
kig, aangegroeid of schildvormig, met gleuven of poriën,
of rondom openspringend. Vrouwelijke of tweeslachtige
bloemen:
Staminodiën 8—cc, vrij of vergroeid. Eierstok
2— 12-hokkig; stempel zittend of bijna zittend, schild-
vormig, gaafrandig of gelobd, glad of met wratjes; eitjes
alleen in de hokjes, aan den binnenhoek daarvan vast-
gehecht. Bes met een lederachtigen bast. Zaden met een
moesachtigen zaadrok.
-ocr page 149-
89
XVIII. GUTTIFEKAE.
Boomen, gewoonlijk met een geel melksap. Bladeren
altijd groen, lederachtig, zeer zelden met steunblaadjes.
Bloemen afzonderlijk of in bundels of pluimen, oksel-
standig of eiiidelingsch.
Omstreeks 50 soorten, in tropisch Azië, Afrika en Australië. Men
verdeelt het geslacht in 2 ondergeslacliten : I. Garcinia (in enge. en
zin). Kelkbladenen bloembladen l. Hiertoe worden de vroegere geslach-
ten Discostigma, Hebradendron, Rhinostigma en Oxycarpus gerekend.
2. Xantochymus. Kelkhladen en bloembladen 5. Hiertoe worden
de vroegere geslachten Xantochymus en Stalagmites gebracht,
lieide ondergeslachten komen in Nederlandscli Indië voor.
2. OOHROCARPUS Thouart.
Kelk gesloten vóór den bloei, eindelijk in 2 (zelden 3)
kleppen of kelkbladen openspringend. Bloembladen 4—7
of meer. Meeldraden in onbepaald .aantal; helmdraden
draadvormig, vrij of van onderen een weinig vergroeid;
helmknoppen opgericht, langwerpig of lijnvormig, verti-
kaal openspringende. Eierstok 2-hokkig; stijl kort en dik,
stempel 3-lobbig; eitjes 2 in elk hokje. Bes 1—4-zadig.
Zaden groot; kiem bestaande uit een groot worteltje en de
zaadlobben verminderd tot eene kleine wrat of ontbrekend.
Boomen met lederachtige bladeren en okselstandige,
gemengdslachtige bloemen.
Aantal soorten 8, in Wost-Afrika en Znid-Azië. De Aziatische
soorten vormden vroeger het geslacht Calysaccion 117;////. Twee
hiervan komen in den Maleischen Archipel voor, 6\'. olmvale Miq.
en C. ovalifolium Chois.
3. OALOPHYLLUM L.
Kelk- en bloembladen 4—12, in den knop dakpanswijze
dekkend in 2—3 rijen. Meeldraden cc , helmdraden draad-
vormig dikwijls heen en weder gebogen, vrij of van onderen
vergroeid; helmknoppen opgericht, 2-hokkig, vertikaal
openspringende. Eierstok 1-hokkig; stijl dun, stempel
schildvormig; één eitje, opgericht. Steenvrucht met eene
breekbare kern. Zaad opgericht, ei- of kogelvormig;
zaadhuid dun of dik en sponsachtig.
Boomen. Bladeren tegenovergesteld, glanzend, leder-
achtig, met tallooze, evenwijdige, dunne aderen, loodrecht
op de middennerf. Bloemen gemengdslachtig, in talrijke,
okselstandige of eindelingsche pluimen.
Omstreeks 25 soorten, hoofdzakelijk in tropisch Azië; eenige
weinige in Amerika.
-ocr page 150-
90                                    XVIII. OUTTIFERAE.
4. KAYEA UW.
Bloemen tweeslachtig. Kelk- en bloembladen 4, in den
knop dakpanswij ze dekkend. Meeldraden talrijk; helm-
draden dun, vrij of aan de basis vergroeid; helmknop-
pen klein, min of meer kogelvormig, 2-hokkig, vertikaal
openspringende. Eierstok 1-hokkig; stijl dun; stempel uit
4 puntige armpjes gevormd; eitjes 4, opgericht. Steen-
vrucht vliezig, niet openspringend, 1—4-zadig. Zaden
dik; zaadhuid dun en bros.
Boomen. Bladeren tegenovergesteld; aderen eenigszins
uiteenstaand, gebogen. Bloemen öf groot en alleenstaand,
of klein en in eindelingsche pluimen.
Aantal soorten 4, in Engelsen Indië, waarschijnlijk ook in Ne-
derlandsch Indië.
5. MESTJA L.
Bloemen gemengd- of tweeslachtig. Kelk- en bloem-
bladen 4, in den knop dakpanswijze dekkend. Meeldraden
zeer talrijk; helmdraden draadvormig, vrij of vergroeid
aan de basis; helmknoppen opgericht, langwerpig, 2-hokkig,
verticaal openspringend. Eierstok 2-hokkig; stijl lang;
stempel schildvormig; eitjes 2 in elk hokje, opgericht.
Vrucht half vleezig, half houtachtig, door de absorptie
van het tusschenschot 1-hokkig, eindelijk 4-kleppig, 1—4-
zadig.
Boomen. Bladeren tegenovergesteld, stijf, lederachtig,
van boven glanzend, van onderen met was overdekt,
dikwijls doorschijnend gestippeld; aderen talloos, zeer
dun, evenwijdig, schuin op de middennerf, doch nagenoeg
niet te onderscheiden. Bloemen groot, okselstandig en
alleenstaand.
Aantal soorten 3, in tropisch Azië. In Nederlandsen Indië komt
ééne soort voor, Af. ferrea L.
0. MAMMEA L.
Bloemen gemengdslachtig. Kelk vóór den bloei gesloten,
later met 2 kleppen uiteenbarstende. Bloembladen 4—6.
Meeldraden oo , vrij of aan de basis een weinig vergroeid;
helmdradcn draadvormig; helmknoppen opgericht, lang-
werpig, 2-hokkig, in de lengte openbarstende. Eierstok
1-hokkig, of verdeeld in 2 hokjes met 2 eitjes elk, of in
-ocr page 151-
91
XIX. TERNSTROEMIACEAE.
4 met 1 eitje elk; stijl kort, stempel schildvormig, gaaf
of breed 4-lobbig. Niet openspringende, 1 —4-zadige steen-
vrueht. Zaden groot.
Boomen. Bladeren stijf lederachtig, vaak doorschijnend
gestippeld, met tallooze dunne nerven netvormig en vin-
vormig geaderd. Bloemstengels okselstandig, alleenstaand
of in bundels.
Aantal soorten 2, in tropisch Amerika en Afrika. Kcne soort M.
Amerirana L.,
wordt in alle tropische gewesten gekweekt. Het
geslacht Calysacoion Wight in de Genera Plant, tot Mwmmea ge-
rekend, werd door HooKEn in de Flora of Bril. Ind. bij Ochro-
carpus
gevoegd.
Fam. XIX. TERNSTROEMIACEAE.
Bentham et HOOKER, Gen, Plant. I, p. 177. — Miq., Ann. Mus.
Luyd. Bat.
IV, p. 103. — Scheff. in Natimrk. Tydschr. v. Ned.
Indie
XXXI, p. 15 et 362, XXXII, p. 406.
Bloemen tweeslachtig, zelden tweehuizig. Kelkbladen
5, zelden 4—7, vrij of een weinig vergroeid, de binnenste
dikwijls het grootst. Bloembladen 5, zelden 4—9, vrij
of van onderen vergroeid, in den knop dakpanswijze
dekkend of ineengedraaid. Meeldraden oo , vrij of vergroeid,
gewoonlijk vergroeid met de basis der afvallende bloem-
kroon; helmknoppen aan de basis vastgehecht of bewe-
gehjk, met spleten, zelden met eindelingsche poriën
openspringende. Eierstok vrij, zelden half weggedoken
in den bloembodem, zittend, 3—5-hokkig; stijlen even-
veel, vrij of vergroeid; stempels gewoonlijk klein; eitjes
2-oo in elk hokje, zelden slechts één, anatroop, campylo-
troop of amphitroop. Bes of doosvrucht. Zaden weinig of
talrijk; zaadlijsten asstandig; kiemwit in geringe hoeveel-
heid of ontbrekend, zelden veel; kiem recht of hoefijzer-
vormig. Zaadlobben verschillend.
Heesters, zelden klimmende, of boomen. Bladeren af-
wisselend, enkelvoudig, gaafrandig of gezaagd, gewoonlijk
lederachtig, zonder steunblaadjes. Bloemen zelden klein,
meestal door 2 kelkbladachtige schutbladen omgeven,
okselstandig ten getale van 1 of 2, zelden in zijdelingsche
of eindelingsche trossen of schermen.
-ocr page 152-
92                              XIX. TERN8TR0EMIACEAE.
Aantal geslachten 32, soorten 200, meestal in tropisch Azië en
Amerika, zelden in Afrika.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Tribus I. TVi\'iisl roomioae. Bloemstengels 1-bloeinig. Bloem-
bladen in tien knop dakpanswijze dekkend. Meeldraden aan de basis
vastgehecht. Vrucht niet openspringend. Zaden gewoonlijk in gering
aantal; kieinwit vleezig, gewoonlijk weinig. Kiem gebogen; zaadlob-
ben korter dan het worteltje en nagenoeg even breed.
§ Eierstok half in tien bloembodem verborgen. Vrucht onderstandig.
1.   A.NNESLEA. Eierstok 3-hokkig; eitjes oc , \\ stijl, aan den top
3-spletig.
§§ Eierstok geheel vrij. Vrucht bovenstandiij.
f Helmdraden kaal.
2.   TerNSTROEMIA. Bloemen tweeslachtig, zelden tweehuizig, go-
woonlijk groot. Eitjes 2—4 in elk hokje, hangend van den top van
het hokje. Zaden zeer groot.
3.   Eurya. Bloemen tweehuizig, klein. Eitjes oo, in het midden
van het hokje.
ff Helmilratlen behaard.
4.   AniNAXDRA. Eierstok 3—5-hokkig; eitjes 20—100 in elk hokje.
5.   Ci.eykra. Eierstok 2—8-hokkig: eitjes 8—10 in elk hokje.
Tribus II. Slllirailjotio. Bloemstengels veelbloemig. Bloembladen
in den knop dakpanswijze dekkend. Helmkiioppen bewegelijk. Vrucht
gewoonlijk met moes, zelden min of meer openspringend. Zaden talrijk,
zeer klein; kieinwit overvloedig. Worteltje recht of licht gebogen,
korter dan de zaadlobben.
6.   Saurauja, Bloemen 5-tallig, stijlen 3—5. Helmknoppen met
poriën openspringend.
Tribus III. (wordonieae* Bloemstengels 1-bloemig, dikwijls
zeer kort. Bloembladen in den knop dakpanswijze dekkend. Helmknop-
pen bewegelijk. Vrucht niet of hokverdeelend openspringend. Kiemwit
gering of ontbrekend. Zaadlobben verschillend. Worteltje kort, recht
of gebogen.
§ Vrucht niet openspringend.
7.   Pyrknaria. Kiemworteltje naar onder gericht. Kelkbladen zeer
ongelijk. Eitjes in elk hokje in gering aantal, zijdelings vastgehecht.
Kogel- of peervormige steenvrucht. Zaden dik.
§§ Vrucht openspringend
f Zuilen gevleugeld.
8.   Schima. Kelkbladen weinig verschillend. Eitjes in gering aan-
tal, zijdelings vastgehecht. Zaadvleugel rugstandig. Kiemworteltje
naar onderen gericht.
9.    Gordunia. Kelkbladen verschillend. Eitjes talrijk, hangend.
-ocr page 153-
XIX. TERNSTROEMIACEAE.                              93
Zaadvleugel aan den top. Kiemworteltje naar boven gericht. Stijl
lang, enkelvoudig.
10.   LaPLACEA. Kelkbladen veel verschillend. Eitjes talrijk, hangend.
Zaadvleugel aan den top. Kiemworteltje naar hoven gericht. Evenveel
korte stijlen of zittende stempels als eierstokhokjes.
ff Zaden niet gevleugeld.
11.   CAMELLIA. Kelkbladen zeer ongelijk. Eitjes weinig, hangend.
Kiemworteltje naar boven gericht.
Tribus IV. Iloilliotioiie llloemstengels 3-oc - (zelden 1-) bloemig.
Bloembladen in den knop ineengedraaid. Helmknoppen bewegelijk.
Vrucht schotverdeelend openspringend. Kiemwit gering of ontbrekend,
zaadlobben plat; kiemworteltje kort.
12.    Archytaea. Kelkbladen weinig verschillend. Eitjes talrijk,
veelrijig. Zaden lijnvormig, rolrond.
1. ANNESLEA Wall.
Kelkbladen 5, vergroeid "tot eene buis, die ton slotte
vleezig wordt en met de vrucht samenhangt. Bloombla-
den 5, vergroeid. Meeldraden talrijk, nauwelijks met
de bloemkroon samenhangende; helmknoppen met eene
lange punt. Eierstok half weggedoken in den bloembodem,
3-hokkig; stijl 3-spletig; eitjes talrijk, hangend van den
top der hokjes. Lederachtige besvrucht, gekroond door
de kelkslippen. Zaden langwerpig met eene hoefijzcrvor-
mige holte; zaadhuid beenachtig. Kiemwit vleezig.
Altijd groene boomen. Bladeren lederachtig. Bloemen
okselstandige en min of meer eindelingsche, schermvormige
tuilen vormende, vrij groot, wit.
Aantal soorten 2, op het Maleische Schiereiland en de Philippijnen,
waarschijnlijk ook in den Maleischen Archipel.
2. TEBNSTROEMIA L.
Kelkbladen 5. Bloembladen 5, aan de basis vergroeid.
Meeldraden talrijk; helmknoppen onbehaard. Eierstok 2-
3-hokkig; stijl enkelvoudig, dikwijls ontbrekend; stempel
breed 2—3-lobbig of bijna gaaf; eitjes 2 in elk hokje,
zelden 1 of 3—6, van den top naar beneden hangend.
Vrucht niet openspringend. Zaden zeer groot, met eene
hoefijzervormige holte; kiemwit vleezig, soms weinig of
ontbrekend; kiem omgebogen; zaadlobben half rolrond,
korter dan het kiemworteltje.
-ocr page 154-
94
XIX. TERNSTROEMIACEAE.
Altijd groene boomen of heesters. Bladeren lederachtig,
gaafrandig of gekarteld-gezaagd. Bloemstengels zijdelings
teruggebogen, met twee schutblaadjes onder de bloem.
Aantal soorten 30, in tropisch Azië en Amerika ; in Nederlandseh
[ndië oen 7-tal, waarvan eenige vroeger onder den naam van
Reinwardtia beschreven zijn.
3. EURYA Thunb.
Kelkbladen 5. Bloembladen 5, aan de basis vereenigd.
Meeldraden 15 of minder, zelden 5; helmknoppen kaal.
Eierstok 3- (zelden 2—5-) hokkig; stijlen 3- (zelden 2—5),
vrij of vereenigd; eitjes talrijk in den binnenhoek van elk
hokje. Besvrucht. Kiemwit vleezig.
Heesters. Bladeren kaal, meestal gekarteld-gezaagd.
Bloemen klein, tweehuizig, zittend of kort gesteeld, in
okselstandige bundels met blijvende schutblaadjes.
Aantal soorten volgens sommigen 30, volgens BENTHAM en
IIOOKEB tot 10 terug te brengen, in Zuid- en Oost-Azië en op de
eilanden van de Stille Zuidzee. Ook Miqijki. achtte het noodzake-
lijk het aantal te verminderen, zoodat wij van de 21 soorten van
den Maleischen Archipel, opgenoemd in zijn Flora hul. Bat. er
slechts 11 terugvinden in de Ann. Mus. Lnijd. Bat. IV. p. 104.
4. ADINANDBA Jack.
Kelkbladen 5. Bloembladen 5, aan de basis vergroeid.
Meeldraden oo, dikwijls 1—4-broederig, gewoonlijk be-
haard. Eierstok 3—5-hokkig; stijl ten slotte verlengd;
enkelvoudig of kort 3—5-spletig; eitjes in elk hokje
talrijk. Vrucht kogelrond. Zaden talrijk, kiemwit vleezig;
kiem omgebogen; zaadlobben half cilindervormig, korter
dan het kiemworteltje.
Kleine, altijd groene boomen. Bloemstengels 1-bloemig,
okselstandig, alleenstaand, teruggebogen of zeer kort, met
2 schutblaadjes aan den top. Bloemen zeer groot, dikwijls
zijdeachtig behaard.
Omstreeks 10 soorten, waarvan 1 in tropisch Afrika en de ove-
rigen in tropisch Azië. Kéne soort, welke minder, maar grootere
zaden had, werd door Korthals onder den naam Sarosanthera
van dit geslacht afgescheiden. Volgens MlQl\'KF. komt een 8-tal soor-
ten in den Maleischen Archipel voor.
ö. OLEYERA DC.
Kelkbladen 5. Bloembladen 5, meer of minder aan de
basis vergroeid. Meeldraden talrijk; lielmknoppen behaard.
-ocr page 155-
05
XIX. TERNSTIIOEMIACEAE.
Eierstok 2—3-hokkig; stijl dikwijls verlengd, aan den top
2—3-spletig of korter en dan dieper gespleten; stempels
dun; eitjes talrijk. Zaden gewoonlijk in gering aantal;
kiemwit vleezig.
Boomen of heesters gelijkende op Ternstroemia, doch
bladeren meestal niet zoo lederachtig; bloemstelen korter,
bloemen kleiner, schutblaadjes zeer klein of ontbrekend.
Aantal soorten G, waarvan 4 in tropisch Amerika, 2 in Japan
en Indië, misschien ook in den Maleischen Archipel.
6. SAURAUJA Willd.
Kelkbladen 5, sterk dakpanswijze dekkend. Bloembladen.
5, gewoonlijk aan de basis vergroeid. Meeldraden talrijk;
helmknoppen met poriën openend. Eierstok 3—5-hokkig;
stijlen evenveel, vrij of vergroeid; eitjes talrijk. Vrucht
besachtig, zelden droog en min of meer openspringend.
Boomen of heesters. Takken gewoonlijk bruin met witte
wratachtige stippels, in den beginne evenals de bladeren
meer of minder stijf harig of schubbig. Bladeren, dicht
opeenstaand aan de toppen der takken, gewoonlijk gezaagd,
met evenwijdige nerven schuin op de middennerf. Bloei-
wijzen zijdelingsch, dikwijls in de oksels van afgevallen bla-
deren, in bijschermen of min of meer pluimvormig, zelden
met weinige bloemen.
Omstreeks 00 soorten, in tropisch en subtropisch Azië en Ame-
rika. Hiquel geeft 28 soorten op voor Nederlandsen Indië. Scheffer
beschreef in Arm. d. Jard. Bot. de Buitenz. I. p. 7—8 nog twee
nieuwe voor Nieuw-Guinea.
7. PYRENARIA BI.
Kelkbladen meestal 5, ongelijk, trapswijze van schut-
bladen in bloembladen overgaande. Bloembladen aan
de basis vergroeid. Meeldraden zeer talrijk, meestal
vergroeid, samenhangende met de basis der bloembladen.
Eierstok 5-hokkig; stijlen 5, vrij of gedeeltelijk vereenigd
eitjes 2 in elk hokje, zijdelings vastgehecht. Steenvrucht,
niet openspringend. Zaden langwerpig, dik, zonder vleugel
met eene dikke, houtachtige zaadhuid; kiemwit ontbre-
kend; zaadlobben groot, ineengekreukt of dubbel gevouwen;
kiemworteltje naar beneden gericht, omgebogen.
Heesters of boomen. Bladeren gezaagd, groot en min of
-ocr page 156-
96                              XIX. TERNSTROEMIACEAE.
meer vliezig. Bloemen nagenoeg zittend, okselstandig, op-
gericht of knikkend.
Aantal soorten 7 of 8, in tropisch Azië; in <len Maleischen
Archipel komen 5 soorten voor.
8. SCHIMA Rehiw.
Kelkbladen 5, min of meer gelijk. Bloembladen 5, veel
grooter, aan de basis vergroeid, de buitenste hol en min
of meer kapvormig. Meeldraden talrijk, met de basis der
bloembladen vergroeid. Eierstok 5- (zelden 4—6-)hokkig;
stijl enkelvoudig of een weinig gelobd aan den top, met
breede, uitstaande stempels; eitjes 2—6 in elk hokje,
zijdelings vastgehecht, min of meer hangend. Doos-
vrucht houtachtig, neergedrukt-kogelvormig, hokverbrekend
met eene blijvende as. Zaden plat, niervormig, ruggelings
gevleugeld; navel centraal; kiemwit gering; zaadlobben
bladachtig, plat of ineengekreukt; kiemworteltje naar be-
neden gericht, opgcbogen, aanliggend.
Boomen met papierdunne, altijd groene bladeren. Bloem-
stengels gewoonlijk opgericht, okselstandig, alleenstaand
of de hoogste in korte trossen, Bloemen met 2 schut-
blaadjes.
Aantal soorten omstreeks 9, in tropisch Azië. Volgens MlQtiEl.
komen 7 soorten in den Maleischen Archipel voor.
0. G-ORDONIA Ellis.
Kelkbladen meestal 5, ongelijk, van de schutblaadjes
tot de bloembladen trapswijze toenemend. Bloembladen
vrij of dikwijls een weinig aan do basis vergroeid, de
binnenste het grootst. Meeldraden 5-broederig of alle met
elkander vergroeid, met de bloembladen samenhangende.
Eierstok 3—5- (zelden 6-)hokkig; stijl enkelvoudig met
een dikken stralenden stempel; eity\'es 4—8 in elk hokje.
Doosvrucht langwerpig, houtachtig, hokverbrekend met
eene blijvende as. Zaden plat of samengedrukt, naar
boven in een langwerpigen, slechts zelden weinig ontwik-
keiden vleugel verlengd. Kiemwit ontbrekend; kiem bijna
recht, met eironde, platte of licht gegolfd-gevouwen zaad-
lobben ; kiemworteltje kort, naar boven gericht.
Boomen met altijd groene, gaafrandige of gekartelde
-ocr page 157-
97
XIX. TERNSTROEMIACKAE.
bladeren. Bloemen meestal groot, bijna zittend, alleenstaand
in de oksels der bladeren of opeengedrongen aan de toppen
der takken, met 2—4 schutblaadjes aan den voet.
Aantal soorten omstreeks 40, waarvan 2 in Noord-Amerika en
de overigen in tropisch Azië, vooral in den Maleischen Archipel,
voorkomen. In de Flora van Miquki. waren deze in twee geslach-
ten gescheiden, elk met twee soorten : 1. Gordonia met een 5-hokki-
gen eierstok en 5 stempels, 2. Polyspora met een 3—4-hokkigen
eierstok en 3—4 stempels.
10. LAPLACEA II. B. K.
Kelkbladen 5, ongelijk, van de schutblaadjes tot de
bloembladen trapswijze in grootte toenemend. Bloem-
bladen 5, aan de basis licht samenhangend, in den knop
sterk dakpanswijze dekkend. Meeldraden oo, de buitenste
of allen min of meer met elkander vergroeid of 5-broe-
derig en aan de basis met de bloembladen samenhangend;
helmknoppen bewegelijk. Eierstok 5—10-hokkig; vrucht-
bladen aan den top in korte, uiteengespreide stijlen over-
gaande of met vrije, zittende stempels; eitjes in elk hokje
4—8, hangend. Min of meer houtachtige, langwerpige,
hokverbrekend openspringende doosvrucht met blijvende
as. Zaden plat of samengedrukt, aan den top in een
langwerpigen vleugel verlengd; kiemwit ontbrekend; kiem
recht, schuin, met langwerpige, platte zaadlobben en
een kort, naar boven gericht kiem worteltje.
Boomen of heesters, behaard of kaal. Bladeren minder
lederachtig dan bij de Gordonia\'s. Bloemen dikwijls zit-
tend of bijna zittend, in de bovenste bladoksels, van mid-
delbare grootte, zelden zeer groot.
Aantal soorten 13, in den Indischen Archipel 4, de overigen in
tropisch Amerika. Door Korthals weiden twee soorten van dit
geslacht onder den naam ClOSaschima afgescheiden.
11. CAMELLIA L.
Kelkbladen 5—6, ongelijk, trapswijze van de schut-
blaadjes tot de bloembladen toenemend. Bloembladen licht
samenhangend aan de basis. Meeldraden talrijk, in vele
rijen, een weinig of geheel 1-broederig, samenhangende
met de bloembladeren, de binnenste 5—12 vrij. Helm-
knoppen bewegelijk. Eierstok 3—12-hokkig; stijlen tot aan
de basis vrij of min of meer vereenigd; eitjes 4—5 in
7
-ocr page 158-
98
XIX. TERNSTROEMIAOEAE.
elk hokje, hangend. Houtachtige, meestal korte, hokver-
brekende doosvrucht. Zaden meestal slechts één in elk
hokje, ongevleugeld; kiemwit ontbrekend; kiem recht;
zaadlobben dik; worteltje kort, naar boven gericht.
Boomen of heesters. Altijd groene, lederachtige of vlie-
zige, gezaagde, bladeren. Bloemen okselsrandig, alleenstaand
of meerdere bijeen, zittend of kort gestoeld, dikwijls groot.
Aantal soorten omstreeks M. in tropisch en Oost-Azië. De heide
soorten van den Maleischen Archipel werden onder den naam Cal-
pandria beschreven. De theeplanl en hare verwanten, door Linnaeus
tot een afzonderlijk geslacht Thea gebracht, weiden ook door See-
mann van CatneUia gescheiden, omdat de binnenste ineeldraden vrij
zijn en in hetzelfde aantal als de bloembladen en niet éénbroederig
en in liet dubbele aantal, zooals bij de soorten van Camrllia in
engeren zin.
Bij BENTHAM en Hooker vormen ze echter eene sectie
van Cnmrllia. De thee, C. Iheifern Ori/f. (Thea CMnensisSim».),
schoon op Java niet in het wild groeiende, behoort daar tot de
belangrijkste cultuurgewassen.
12. AROHYTAEA Mart.
Kelkbladen 5. Bloembladen 5. Meeldraden talrijk,
5-broederig; helmknoppen bewegelijk. Eierstok 5-hokkig;
stijlen vrij of geheel vergroeid; eitjes talrijk in vele, in
den knop elkander dakpanswjjze dekkende, rijen.Doosvrucht
puntig, schotverbrekend van onderen af openspringend
met eene blijvende centrale as. Zaden hjnvormig-cilindrisch;
kiemwit gering.
Boomen of heesters. Altijd groene, zittende, half-stengel-
omvattende bladeren. Bloemstengels sainengedrukt, aan den
top 3— oc-bloemig. Schutbladen min of meer bladvormig.
Aantal soorten 4, 2 in tropisch Amerika en 2 in den Indischen
Archipel. De Indische soorten verschillen slechts door de vrije stij-
len van de Amerikaansche. Rij de laatsten zijn zij vergroeid. Eene
van eerstgenoernden, door Korthals op Borneo gevonden, werd
door hein als een afzonderlijk geslacht Ploiarium beschreven (P.
elpgans Koi-lh.).
De tweede Indische soort werd dooi\' Teysmann op
het eiland Gebeh nabij Halmaheira gevonden en door Sciieffer
onder den naam van A. sessilis beschreven.
-ocr page 159-
99
XX. DIPTEROCARPACEAE.
Fam. xx. DIPTEROCARPACEAE.
Bentham et IIookeu, Gen. Plant. I, p. 18!). — Burck in Ann. du
Jard. Bot. de Buitenz.
VI, p. 145.
Bloemen regelmatig, tweeslachtig. Kelk soms met eene
vrije, klokvormige buis, soms uiterst kort en met de basis
van den eierstok vergroeid, met 5 slippen, welke inden
knop óf dakpanswijze dekkend zijn of klepswijze aaneen-
sluiten. Kelkbuis en slippen na den bloei op verschillende
wijze in grootte toenemende; de buis vrij of met de
vrucht vergroeid; de slippen of alle óf 2 of 3 meestal
vleugelvormig vergroot. Bloembladen 5, in den knop sterk
gedraaid, onder aan de basis vergroeid of vrij. Meeldraden
soms oo, in oo rijen, soms ten getale van 15 in 2 rijen,
waarvan de buitenste uit 10, de binnenste uit 5 meeldraden
bestaat, soms 10 of 5 in 1 rij, op den hypogynischen of bijna
perigynischen bloembodem ingeplant, vrij of met elkander
of zelden met de bloembladen samenhangende. Helmdra-
den kort, meestal aan de basis verbreed. Helmknoppen
opgericht, 2-hokkig, door eene spleet binnenwaarts of zijde-
lings openspringende met gelijke of ongelijke kleppen; helm-
bindsels soms in een stekeltje, soms in eene borstelvormige
naald eindigend, soms stomp. Eierstok met eene breede
basis op den bloembodem geplaatst of daarin een weinig
weggedoken, soms 3-hokkig of, zelden, 2-hokkig of
1-hokkig. Stijl priemvormig of op verschillende wijze ver-
dikt, gaafrandig aan den top of met 3 korte stempel-
dragende lobben. In elk hokje 2 eitjes, hangend of zij-
delings vastgehecht, anatroop of ongeveer anatroop met
buikstandige zaadnerf en naar boven gericht poortje. Vrucht
vrij of in den, in omvang toegenomen, kelk besloten of
daarmede vergroeid, niet openspringend of ten slotte zich
in 3 kleppen openend, 1-, zelden 2-zadig. Zaad dik, om-
gekeerd of zelden opgericht, meestal met eene dunne
zaadhuid; kiemwit ontbrekend. Zaadlobben nu eens dik,
gelijk of ongelijk, recht of gelobd-gevouwen, soms vrij
sterk ineengekreukt en ineengedraaid; kiemworteltje naar
den navel gericht, tusschen de vouwen der zaadlobben
ingesloten, soms even buiten de zaadlobben uitstekend,
soms min of meer verlengd.
-ocr page 160-
100                           XX. DIPTEROCARPACEAE.
Harsbe vattende boomen. Bladeren afwisselend, gaaf-
randig, zelden uitgevreten-gekarteld, vinnervig. Steun-
blaadjes meestal klein en afvallend, soms vrij groot en
blijvend of afvallend en een ringvormig litteeken achter-
latend. Bloemen meestal welriekend, in okselstandige
veel- of weinigbloemige pluimen. Schutbladen meestal
zeer klein of ontbrekend, zelden groot en blijvend.
Aantal geslachten volgens BENTHAM en Hooker 12, in de tropische
gewesten der oude wereld tehuis behoorend. Het aantal der soorten
door Bentham en Hooker op 142 geschat, is door Thiselton dyer
en door Burck belangrijk vermeerderd. Echter moeten, volgens onder-
zoekingen van den laatste, twee geslachten, Ancistrocladus Wall. en
Lophira Banks, uit de familie verwijderd worden. Ook de omgrenzing
der geslachten is belangrijk gewijzigd. Volgens Burck komen alle
geslachten der Diptcrocarpaceae in den Nederlandschen Archipel voor ,
behalve Vateria L., welke in Engelsch Indië, voornamelijk op Ceylon
door vele soorten vertegenwoordigd is, en Monotes A. D C, een
geslacht met ééne soort , uit subtropisch Zuid-Afrika.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
A.   Kelkbladen aan de basis tot eene buis verbonden, welke met
de vrucht in omvang toeneemt, haar omgeeft of er mede vergroeid is.
f Kelkbnis vrij.
1.   Dryobalanops. Kelkslippen dakpanswijze dekkend in den
knop, alle na den bloei in omvang toenemende en gelijkvormig
wordend. Bladeren met talrijke, dicht opeengedrongen, evenwij-
dige zij nerven.
2.   Dipterocarpus. Kelkslippen min of meer klepswijze aan-
eensluitend in den knop, slechts de 2 grootste na den bloei vleu-
gelvormig wordend. Bladeren met talrijke, evenwijdige dwars-
aderen tusschen do zijnerven.
ff Kelkbnis gedurende den bloei met de basis van den eierstok vergroeid.
3.   Anisoptera. Kelkslippen dakpanswijze dekkend in den knop.
Kelkbuis na den bloei de vrucht omsluitend en daarmede ver-
groeid, gekroond door de kelkslippen, waarvan 3 klein blijven
en 2 in omvang toenemen en vleugelvormig worden. Meel-
draden oo .
B.  Kelkbladen öf onderling geheel vrij, of tot eene korte buis ver-
bonden, die niet met de vrucht in omvang toeneemt (met uitzonde-
ring van eenige soorten van Vatica.)
§ Slippen van den vruchtkelk de vrucht niet nauw omsluitend,
uitgespreid, teruggeslagen of opgericht, soms weinig ontwikkeld,
meestal niet veel in grootte verschillend.
4.    Isoptera. Slippen van den vruchtkelk gelijkvormig uitge-
-ocr page 161-
101
XX. MPTEROCARPACEAE.
spreid, doch ongelijk van grootte, half cirkelvormig. Meeldraden
30—36. Helmhokjes met gelijke kleppen.
5.   Vatica. Slippen van den vruchtkelk uitgespreid, opgericht
of teruggeslagen, gelijk of ongelijk, vleugelvormig verlengd of
verdikt, soms weinig in omvang toegenomen. Kelkbuis soms
met de vrucht in omvang toenemende, een derde gedeelte
hiervan omgevende en er mede vergroeid. Meeldraden 15. Bui-
tenste kleppen der helmhokjes het grootst.
§§ Slippen van den vruchtkelk met de bases de vrucht nauw
omsluitend, meestal
2 of 3, veel grooter dan de overigen.
•(• Slippen van den vruchtkelk de vrucht klepsivijze omgevend.
6.   PABA8HOBEA. Slippen van den vruchtkelk lijn-spatelvormig,
3 lange, 2 korte.
-J-J- Slippen van den vruchtkelk de vrucht dakpanswijze omgevend.
7.   Shorea. Slippen van den vruchtkelk ongelijk; 3 langer
dan de overigen, soms lang-vleugelvoimig, soms de vrucht niet
in lengte overtreffend. Meeldraden 15—oo . Steunblaadjes soms zeer
groot en blijvend, soms klein en afvallend. Merg met talrijke,
anastomoseerende harskanalen. Rladsteel met talrijke harskanalen.
Peripherische vaathundelkring van den bladsteel óf aan de boven-
zijde open of geheel gesloten; peripherische vaatbuiulelkring van
de middennerf aan de bovenzijde open.
8.   Doona. Slippen van den vruchtkelk ongelijk, 2 of 3 langer
dan de overigen, vleugelvormig en de vrucht veel in lengte
overtreffend. Meeldraden 10 of 15. Steunblaadjes klein, afval-
lend. Merg met talrijke, anastomoseerende harskanalen. Bladsteel
met 5 harskanalen. Peripherische vaatbundelkring van den blad-
steel aan de onderzijde open; peripherische vaatbundelkring van
de middennerf aan de bovenzijde open.
9.   Hüpka. Slippen van den vruchtkelk ongelijk, 2 langer dan
de overigen, vleugelvormig en de vrucht veel in lengte overtref-
fend. Meeldraden 15. Steunblaadjes klein, spoedig afvallend.
Merg met 3 harskanalen aan de basis van een internodium,
waarvan 2 den stengel in zijn geheele lengte doorloopen. Bladsteel
met 3 harskanalcn. Peripherische vaatbundelkring van den blad-
steel, aan de onderzijde open, peripherische vaatbundelkring van
de middennerf aan de bovenzijde open.
1. DRYOBALANOPS Gaertn.f.
Kelkbuis gedurende den bloei zeer kort, kelkslippen
langwerpig, min of meer gelijk, dakpanswijze dekkend
in den knop; vruchtkelk de basis van de vrucht om-
gevend, slippen alle gelijkmatig in omvang toegenomen,
omgekeerd langwerpig"wigvormig, vleugelvormig. Bloem-
bladen aan de basis een weinig vergroeid. Meeldraden oo,
soms 30, in 3 rijen; helmdraden aan de basis verbreed en
-ocr page 162-
102                            XX. DIPTEROCARPACEAE.
dik, en daar met elkander en met de bloemkroon vergroeid,
naar den top versmald; helmkiioppen lijnvormig, uitge-
rand aan de basis, 2-spletig aan den top, met ongelijke
kleppen; helmbindsel voorbij de helmhokjes in eene punt
verlengd. Eierstok vrij, 3-hokkig: stijl draadvormig; stempel
min of meer knopvormig. Vrucht houtachtig, op den bloem-
bodem geplaatst, langwerpig kegelvormig of nagenoeg kogel-
vormig, spits of stomp, bij de kieming van liet zaad in 3
kleppen openspringend. Zaden 1 of 2. Zaadlobben vleezig,
oliehoudend, zeer ongelijk, ineengerold, in het midden een
zuilvormig overblijfsel van den eierstokwand, dat op den
bloembodem geplaatst is, omgevend; kiemworteltje dik,
naar boven gericht.
Hars- en kamferbevattende boomen met lange, hangende
takken. Steunblaadjes zeer spoedig afvallend of onaan-
zienlijk. Bladeren gaafrandig, lederachtig, met talrijke,
dicht opeengedrongen, evenwijdige zijnerven. Eind- of
okselstandige pluimen.
Aantal soorten 4, uitsluitend tot Nederlandsch Indië beperkt.
\'2. DIPTEROCARPUS Gaertn. f.
Kelkbuis gedurende den bloei vrij; kelkslippen aan-
vankelijk in den knop dakpanswijze dekkend, doch spoedig
openend of min of meer klepswijze aaneensluitend, onge-
lijk. Vruchtkelk de vrucht omgevend; slippen, 2 zeer
groot, opgericht, vleugelvormig, 3 zeer klein. Meeldraden
talrijk; helmknoppen lijnvormig; helmbindsel in eene punt
uitloopend; helmhokjes met gelijke kleppen. Eierstok
3-hokkig, elk hokje met 2 eitjes; stijl draadvormig, gaaf-
randig of onduidelijk 3-tandig. Vrucht in de vergroote
kelkbuis besloten, houtachtig, 1- zelden 2-zadig, niet
openspringend. Zaadhuid onder de basis met den vrucht-
wand vergroeid; zaadlobben zeer groot, dik-vleezig, on-
gelijk, ineengekreukt-gelobd of gedraaid-gevouwen; kiem-
worteltje weinig in het oog vallend, naar boven gericht.
Hooge, harsbevattende boomen. Steunblaadjes zeer groot,
aan de toppen der takken de knoppen omgevend, klepswijze
aaneensluitend, spoedig afvallend en een ringvormig lit-
teeken achterlatend. Bladeren lederachtig, gaafrandig of
golvend getand, evenwijdig vinnervig, met dwarsaderen
-ocr page 163-
103
XX. DIPTEROOARPACEAE.
tusschen de zijnerven. Bloemen groot, wit of rood, in
gering aantal aan okselstandige trossen.
Aantiil soorten ongeveer 40, waarvan 29 in Nederlandsen en de
overigen in Engelsch Indië en op de i\'hilippijnsche eilanden.
3. ANISOPTERA Korth.
Kelkbuis gedurende den bloei zeer kort, met de basis
van den eierstok vergroeid; kelkslippen aanvankelijk in
den knop dakpanswij ze dekkend, weldra openstaande of
min of meer klepswijze aaneensluitend. Vruchtkelk met de
vrucht vergroeid; slippen, 2 vleugelvormig, opgericht, zeer
groot, 3 zeer klein. Meeldraden oo ; helmknoppen eivor-
mig; helmbindset priemvormig of lang gespitst; de bui-
tenste kleppen der helmhokjes liet grootst. Eierstok 3-hokkig,
met 2 eitjes in elk hokje. Stijl dik-vleezig, eivormig of
langwerpig, aan den dunneren top 3—5-spletig. Vrucht
met de kelkbuis vergroeid, niet openspringend, 1-zadig,
door de kelkslippen gekroond. Zaadlobben groot, ongelijk,
dik; kiem worteltje naar boven gericht.
Iiarsbevattende boomen. Steunblaadjes klein of onaan-
zienlijk. Bladeren gaafrandig, lederachtig, vinnervig, net-
vormig geaderd. Eindelingsche, losse, veelbloemige pluimen.
Aantal soorten 7 a 8 waarvan 5 in Nederlandsen Indië worden
aangetroffen, 1 in Engelsch Indie en 2 op de I\'hilippijnsche eilanden.
4. ISOPTERA Schaft.
Kelkbuis gedurende den bloei zeer kort, met den
bloembodem vergroeid; kelkslippen eivormig, rondachtig,
in den knop dakpanswijze dekkend; vruchtkelkslippen
onderling vrij, horizontaal uitgespreid, alle in omvang
toegenomen, doch niet vleugelvormig, maar half cirkelvor-
mig, 3 breeder en 2 smaller. Meeldraden 30—36; helm-
knoppen eivormig; helmhokjes aan de basis uiteenwijkend,
spits, met gelijke kleppen; helmbindsel borstelvormig
verlengd. Eierstok 3-hokkig, met 2 eitjes in elk hokje;
stijl kort, rolrond, 3-zijdig aan den top. Vrucht leder-
achtig, niet openspringend, éénzadig, niet door de kelk-
slippen ingesloten. Zaad kogelvormig; zaadlobben dik-
vleezig , oliehoudend, gelijk, het naar boven gericht kiem-
worteltje omsluitend.
-ocr page 164-
104
XX. DIPTEROCARPACEAE,
Harsbevattende boomen. Bladeren gaafrandig, evenwijdig
vinnervig. Okselstandige en eindelingsche pluimen.
Eéne soort in Nederlandsen Indië voorkomende: I. Bortieensis
Seheff.
r>. VATICA L.
Kelkbuis gedurende den bloei zeer kort, met den
bloembodem of de basis van den eierstok vergroeid; kelk-
slippen spits, aanvankelijk dakspanswijze dekkend in den
knop, weldra geopend of schijnbaar klepswijze aaneen-
sluitend. Kelkbuis na den bloei of niet in omvang toe-
nemende of in omvang toenemende en met de vrucht
vergroeiende; vruchtkelkslippen al of niet gelijkmatig in
omvang toenemende, teruggeslagen of uitgespreid, soms
alleen dikker wordend of verdwijnend. Meeldraden 15;
helmknoppen langwerpig; helmbindsel in eene punt uit-
loopend; de buitenste klep der helmhokjes het grootst.
Eierstok 3-hokkig met 2 eitjes in elk hokje; stijl langer
dan de meeldraden, met een eivormigen top; stempels 3,
zelden één knopvormige en afgeknotte stempel. Vrucht
leder- of houtachtig 1- (of 2-?) zadig, niet openspringend,
doch bij de kieming van het zaad met 3 kleppen open-
barstend. Zaadlobben dik-vleezig, oliehoudend, gelijk.
Harsbevattende boomen. Steunblaadjes klein, spoedig
afvallend of onaanzienlijk. Bladeren gaafrandig, lederach-
tig, vinnervig en netvormig geaderd. Bloemen in einde-
lingsche en okselstandige pluimen.
Aantal soorten omstreeks 30, waarvan 18 in den Maleischen
Archipel voorkomen.
6. PARASHOREA Kurz.
Kelkbuis gedurende den bloei zeer kort. Meeldraden
12—15; helmdraden korter dan de helmknoppen; helm-
knoppen langwerpig lancetvormig, tegen het helmbindsel
dat in een zeer kleinen stekel verlengd is, aangegroeid.
Eierstok vrij, 3-hokkig; stijl draadvormig, met afge-
knotten stempel. Kelkbuis na den bloei niet in omvang
toenemende; kelkslippen 5, klepswijze aaneensluitend,
naar de basis versmald, alle sterk in omvang toene-
mende en vleugelvormig wordende, gelijk of een weinig
korter, min of meer uitgespreid. Vrucht éénzadig, vrij
-ocr page 165-
105
XX. DIPTEROCAEPACEAE.
en niet als bij Shorea door de ineengedraaide bases van
de kelkslippen nauw omsloten.
Zeer groote boomen met glanzende bladeren en dichte
pluimen met witte bloemen.
Deze beschrijving, ontleend aan Kurz (Jonrn. of\' the As. Soc.
XXXIX. Part. II. 1870, p. 65), ziet voornamelijk op P. stellata
Kurz,
welke in Martaban voorkomt. De vrucht van P. lucida Kurz
(Shorea lucida Miij.),
welke op Sumatra voorkomt, wordt echter
door MlQDEL aldus beschreven: «Vruchtkelkslippen lijn-spatel vor-
«mig. met de smallere bases de vrucht klepswijze omgevend, 3
«langer, onderling nagenoeg gelijk, 2 korter, veel kleiner."\' Behalve
de twee genoemde soorten wordt door Kurz nog eeno derde tot dit
geslacht gebracht, P. longisperma Kitrz (Shorea longisperma lioocb.),
waarvan echter alleen de vrucht bekend is. Burck gelooft met Kurz
dat P. lucida tot geen der andere geslachten kan gebracht \\vor-
den en voegt er bij, dat deze plant volgens hare anatomische
kenmerken het midden houdt tusschen Vateria en Isoptera,
7. SHOKBA lioxb.
Kelkbuis gedurende den bloei zeer kort, met den
bloembodem vergroeid; slippen ei- of lancetvormig, in
den knop dakpanswijze dekkend. Kelkbuis na den bloei
onveranderd; vruchtkelkslippen op ongelijkmatige wijze
in omvang toenemend en vleugelvormig wordend, 3 ge-
woonlijk het grootst, met de bases de vrucht nauw om-
sluitend. Meeldraden 15 of 20—oo; helmdraden aan de
basis lintvormig, meestal vergroeid; helmknoppen eivormig
of langwerpig; helmbindsel priemvormig-scherppuntig,
meestal langer dan de helmknoppen, zelden stomp; helm-
hokjes stomp, zelden borsteldragend, met gelijke kleppen
of het buitenste klepje iets grooter dan het andere.
Eierstok 3-hokkig, met 2 eitjes in elk hokje. Stijl priem-
vormig, met een gaven of 3-tandigen top. Vrucht leder-
achtig, niet openspringend, 1-zadig, door de bases der
kelkslippen nauw ingesloten. Zaad eivormig; zaadlobben
dik-vleezig, ongelijk in grootte en vorm, het naar boven
gerichte kiemworteltje omsluitend.
Harsbevattende boomen, kaal of met vilt of schubjes
bekleed. Steunblaadjes soms lederachtig en blijvend,
soms klein en spoedig afvallend of weinig in het oog
vallend. Bladeren gaafrandig, evenwijdig-vinnervig, tus-
schen de zijnerven dikwijls met evenwijdige, slechts wei-
nig netvormig verspreide dwarsnerven. Okselstandige en
-ocr page 166-
106                             XX. DIPTEROCARPACEAE.
eindelingsche trossen of pluimen. Schutbladen soms
blijvend, soms spoedig afvallend of ontbrekend.
Het geslacht Shorea verschilt van Hopea slechts door
bet aantal der vleugelvormige vruchtkelkslippen en is van
Doona zelfs hierdoor niet te onderscheiden, zoodat men
voor de kenschetsing van deze geslachten aan de mor-
phologische kenmerken niet genoeg heeft, doch ook ana-
tomische kenmerken te hulp moet roepen. Hierdoor kan
echter de scheiding van deze drie geslachten gemakke-
ljjk geschieden. Shorea onderscheidt zich van de beide
andere door de volgende kenmerken: Het merg van de
jongste takken vertoont op de dwarschc doorsnede een
groot aantal anastomoseerende harskanalen. De bladsteel
heeft eenige centrale en een kring van peripherische vaat-
bundels, elk met één harskanaal; deze kring is óf aan
de bovenzijde open, óf geheel gesloten. Bij de midden-
nerf van het blad is de peripherische vaatbundelkring
altijd aan de bovenzijde open.
Aantal soorten omstreeks 44, waarvan 20 in Nederlandsen Indic,
16 in
Engelsen Indië en \'2 op de Philippijnsehe eilanden.
8. DOONA Thtvaites.
Kelkbuis gedurende den bloei zeer kort. Bloembladen
in den knop gewonden, met de dakpanswijze dekkende
bases tot eene buis verbonden. Meeldraden 10 of 15, in
één of twee rijen; de buitenste van. 10, welke paars-
gewijze tegenover de kelkbladen staan, terwijl de 5
binnenste langer en tegenover 5 der buitenste geplaatst
zijn; helmdraden aan de basis afgeplat en aan den top
versmald; helmknoppen langwerpig, korter dan de helm-
draden of min of meer daaraan gelijk; helmhokjes met
vrijen top en gelijke kleppen; helmbindsel in een lijn-
knodsvormig of lijnvormig, stijf aanhangsel, of een borstel,
verlengd, even lang of langer dan de hokjes. Eierstok
3-hokkig; vrucht eivormig-puntig, niet openspringend,
nauw ingesloten door de bases der kelkslippen, doch vrij.
Kelkslippen, twee of drie sterk in omvang toegenomen,
omgekeerd eirond-langwerpig of langwerpig, opgericht-
uiteengespreid.
Boomen. Bladeren in eene stompe punt eindigend; takken
dun; okselstandige en eindelingsche trossen of pluimen.
-ocr page 167-
107
XX. DIPTEROCARPACEAE.
Het merg der jongste takken vertoont op de door-
snede talrjjke anastomoseerende harskanalen. l)e bladsteel
heeft 5 harskanalen en, aan de basis, behalve één cen-
tralen vaatbundel, een peripherischen vaatbundelkring, die
aan de onderzijde open is, terwijl de peripherische vaat-
bundelkring van de bladnerf aan de bovenzijde open is.
Aantal soorten \'14, waarvan 10 op (\'nylon en \\ in Xedei landsch
Indië. De laatste zijn deels door sommige sein ijvcrs tot het geslacht
Hopea, deels tot een afzonderlijk geslacht Petalandra gehracht. Zij
verschillen van de Ceylonsche soorten, doordat slechts 2 kelkslippen
vleugelvormig vergroot zijn.
9. HOPEA Hoxb.
Kelkbuis gedurende den bloei zeer klein. Bloembladen
in den knop gewonden, met de dakpanswijze dekkende
bases tot eene korte buis verbonden. Meeldraden 15, in
twee rijen van ongeljjke lengte, aan de basis met de
bloemkroon samenhangende; de buitenste rij van 10
paarsvijze tegenover de kelkbladen geplaatst, de bin-
nenste rij van 5 langer, tegenover 5 der buitenste;
helmdraden aan de basis afgeplat, aan den top versmald;
helmknoppen langwerpig, korter of langer dan de helm-
draden, met nagenoeg gelijke kleppen, helmbindsel ver-
lengd tot een borstel, die langer is dan de helmhokjes.
Eierstok vrij, 3-hokkig. Kelkbuis na den bloei niet in
omvang toenemend; kelkslippen 2 sterk vergroot, ei-
vormig aan de basis, omgekeerd eirond-langwerpig, op-
gerieht-uiteengespreid. Vrucht eivormig, spits, niet open-
springend, nauw besloten tusschen de bases der kelk-
slippen , doch vrij.
Boomen met okselstandige en eindelingsche trossen of
pluimen, dunne takken en bladeren met stompe punten.
Jonge takken aan de basis van een internodium, op
de doorsnede 3 harskanalen vertoonende, waarvan 2 den
stengel in zijn geheele lengte doorloopen. Bladsteel met
3 harskanalen, één centralen vaatbundel en een periphe-
rischeu vaatbundelkring, die aan de onderzijde open is;
peripherische vaatbundelkring van de bladnerf aan de
bovenzijde open.
Aantal soorten omstreeks 22, waarvan II in Xedei landsch Indië,
9 in Engelsch Indië en 2 op de Philippijnsche eilanden.
-ocr page 168-
108
XXI. MALVACEAE.
Fam. xxl MALVACEAE.
Bentham et Hooker, Gen. Plant. I, p. 195. — Maxwell Masters
in Hook. Fl. of Br. Ind. I., p. 347 en in Journ. of Linn. Soc. XIV
(4875), p. 495. — Biccc. Males. III, (Platen zonder tekst).
Bloemen tweeslachtig, zelden tweehuizig of gemengdslach-
tig. Kelkbladen 5, klepswijze aaneensluitend, vrij of ver-
groeid. Bloembladen 5, in den knop ineengedraaid, dak-
panswijze dekkend. Meeldraden oo, zelden in bepaald
aantal aan de basis der bloembladen vastgehecht, helm-
draden 1-broederig, eene buis , zelden eene zuil vormende;
helmknoppen langwerpig, kogel- of niervormig; hokjes
gegolfd of gewonden, lijn- of ringvormig, reeds in den
knop of ten slotte 1-hokkig, in de lengte openbarstende;
stuifmeel kogelvormig, korrelig, gestekeld. Eierstok 2—
oo -hokkig, gaaf of gelobd, bestaande uit 2-—5 of meer
vruchtbladen in één krans om eene as; stijlen vergroeid
over hunne geheele lengte of alleen van onderen; stem-
pels bjn-, schild-, spatel- of knopvormig; eitjes 1 of meer,
gekromd, aan den binnenhoek van elk vruchtblad vast-
gehecht. Drooge, al of niet openspringende, éénzadige
dopvruchtjes of hokverbrekende, soms groote en hout-
achtige doosvrucht. Zaden niervormig of omgekeerd ei-
rond, naakt of zjjde- of wolachtig behaard. Kiemwit
gering, dikwijls slijmachtig of ontbrekend; kiem gekromd;
zaadlobben bladachtig, gewoonlijk gevouwen of gekreukt.
Kruiden, heesters of zelden boomen met zacht hout,
met slijmachtig, zelden zuurachtig melksap en een taaien
binnenbast; kruidachtige deelen gewoonlijk met stervor-
mige haren bezet. Bladeren afwisselend, handnervig,
enkelvoudig, gelobd of zelden samengesteld. Steunblaadjes
vrij, soms afvallend. Bloemen okselstandig of eindelingsch,
alleenstaand of in bundels of pluimvormige bijschermen,
regelmatig, aan de basis met 3 of meer schutblaadjes,
welke verspreid of tot elkander genaderd zijn en dikwijls
een bijkelk vormen.
Aantal geslachten 59 soorten omstreeks 700; in de warme luchtstre-
ken talrijk, ook in de gematigde algemeen, in de poolstreken ontbrekend.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
A. Meeldraden vergroeid tot eene, enkelvoudige of slechts aan den
top verdeelde buis. Kruiden of heesters, zelden boomen,
-ocr page 169-
«
XXI. MALVACEAE.                                    109
Tribus I. Ifalveac. Rijpe vruchtbladen van de as loslatend,
evenveel stijlen als vruchtbladen. Helmdradenbuis aan den top of tot
aan den top helmknoppen dragend.
•J- Eén eitje in elk hokje.
1.  Mai.vastrum. Schutblaadjes 3, vrij. Eitjes klimmend.
2.   Sida. Schutblaadjes ontbrekend. Eitjes hangend.
j-f Twee of meer eitjes in elk linkje.
§ Schutblaadjes 4—6. Helmdradenbuis met 5 takken aan den top.
3.   Kydia. Bloemen min of meer tweehuizig. Eierstok 2—3-
hokkig; eitjes 2, opgericht.
§§ Schutblaadjes ontbrekend.Helmdradenbuis met oo takken aan den top.
4.   Wissadula. Bloemen tweeslachtig. Eierstok 5-liokkig; eitjes
2—3, deels hangend, deels klimmend. Hokjes vaak met een valsch
tusschenschot.
5.    Abutilon. Bloemen tweeslachtig. Eierstok 5—x-hokkig;
eitjes 3—9, deels hangend, deels horizontaal, deels klimmend.
Hokjes zonder valsch tusschenschot.
Tribus II. Ureneae. Rijpe vruchten van de as loslatend. Stijlen
of stempels in het dubbele aantal van de vruchtbladen. Helmdraden-
buis aan de buitenzijde helmknoppen dragend, aan den top afgeknot
of 5-tandig.
6.   Malachra. Schutblaadjes tusschen de bloemen onregelmatig
verspreid of ontbrekend. Bloemen en hoofdjes door omwindsels
omgeven. Vruchtjes zonder stekels of naalden.
7.   Urena. Schutblaadjes 5, vergroeid. Vruchtbladen 5, tegen-
over de bloembladen. Rijpe vruchtjes met ankervormige stekels.
8.  Pavoxia. Schutblaadjes 5—8, vrij of vergroeid. Vruchtbladen
5, tegenover de kelkbladen. Rijpe vruchtjes naakt of met naalden
of stekels, doch deze niet met omgebogen top.
Tribus III. Hibisceae. Doosvrucht. Kelkbladen bladachtig.
Stijltakken evenveel als hokjes van den eierstok.
-J- Stempels uitgespreid. Zaden niervormig.
9.   Hibiscus. Schutblaadjes 5—oo .
•ft Stempels tot eene knodsvormige massa vergroeid. Zaden
omgekeerd-eirond of hoekig.
10.  Thespesia. Schutblaadjes 3—5, klein.
11.   Gossypil\'m. Schutblaadjes 3, hartvormig.
B. Meeldraden aan de basis tot eene buis vereenigd en naar
boven vrij of 5—8-broederig. Boomen. (Zie in de vorige afdeeling
Kydia, door Benth. en Hook. onder de Malveae, doch door Maxw.
Masters bij de Bombaceae geplaatst).
Tribus IV. Bombaceae. Doosvrucht of vleezige vrucht. Stijl
onverdeeld of in zooveel korte takken verdeeld als er hokjes zijn van
den eierstok.
-ocr page 170-
110                                   XXI. MAf/VACEAE.
Subtribus I. Adansonieae. Bladeren handvormig samengesteld. Schut-
blaadjes vrij of ontbrekend. Zaadlobben ineengekrenkt.
§ MreUlratlenhiiix van hoven in talrijke liet nul raden ijesplitut, elk
mei \\ helmknop.
12.   ADANSONIA. Kelk 5-spletig. Houtachtige, niet opensprin-
gende vrucht, van binnen zonder wol.
13.   BOMBAX. Kelk afgoknot of onregelmatig 3—5-lobbig. Hok-
verdeelende, 5-kleppige doosvrucht, van binnen dicht met wol
bekleed. Stempels 5.
§§ Meeldradenbnis in 5 slippen of tanden verdeeld, elk met
2—3 helm/moppen.
14.   ErioiiknijRon. Kelk en doosvrucht als van fiimüia.r. Stern-
pel onduidelijk 5-lobbig.
Subtribus 3, Durioneae. Bladeren enkelvoudig, vinnervig. gaafran-
dig. van onderen evenals de bloeiwijze met schubben bekleed, üe kelk
meestal door een omwindsel omgeven (behalve bij Diah/rarpn), dat
in de jeugd gaaf is en later op verschillende wijzen uiteensplijt. Vrucht
gestekeld. Zaadlobben dik-vleezig of bladachtig, plat.
-j- Omwindsel aanwezig.
15.   Dimio. Kelk klokvormig. Meeldradenbuis verdeeld in oo
helmdraden, 4—r>-broederig vereenigd, aan den top talrijke, in
kluwens opeengedrongen, helmknoppen dragende.
10. LAHIA. Kelk min of meer 3-spletig. Helmdraden oo , min
of meer vrij, aan den top 2-spletig, elk talrijke, vrije, niervor-
mige helmknoppen dragende.
•17. Bossciiia. Kolk 4—5-spletig. Helmdraden x, min of meer
vrij, de buitenste zonder, de middelste met 1, de binnenste met
2—7 kleine, zittende, kogelvormige, op helmhokjes gelijkende
helmknoppen.
18.     Neksia. Kelk neergedrukt-schotelvormig. Helmdraden
oo, min of meer vrij, 1—2 ringvormige helmknoppen op den
top dragend.
19.   CoKi.nsTKCilA. Kelkbladen 5, aan de basis in zakvormige
aanhangsels verlengd en beneden het midden vergroeid tot een
5-lobbigen nap, waarin de eierstok gedeeltelijk wegzinkt. Helm-
draden oo, onregelmatig met elkander vergroeid, aan den top
3—5, zelden 1—2, kleine, kogelvormige helmknoppen dragende.
-J-J- Omwindsel ontbrekend.
20.   Diai.vcarpa. Kelkbladen 4, aan de basis vergroeid. Helm-
draden oo, elk met 1 helmknop, in 4—5 bundels vergroeid.
Staminodiën 5, priein-lijnvormig.
1. MALVASTRÜM A. Gray.
Kelk napvormig, 5-deelig, door 3 smalle schutblaadjea.
omgeven. Bloembladen langer dan de kelkbladen. Meel-
-ocr page 171-
XXI. MALVACEAE.                                    111
dradenbuis aan den top helmknoppen dragend, zonder
onvruchtbare tanden. Eierstok 5- of meerhokkig; stijlen
zooveel als vruchtbladen. Stempels eindelingseh, afgeknot
of knopvormig. Rijpe vruehtjos ongeopend loslatend van
den korten bloembodem, 1-zadig, al of niet gesnaveld.
Zaden klimmend. Kruiden of halfheesters. Bladeren gaaf
of verdeeld. Bloeiwijze okselstandig of eindelingseh.
Aantal soorten omstreeks 00, 15 in Zuid-Afrika en de overigen
in Amerika; hiervan zijn er twee in alle tropische gewesten wijd
verspreid, M. tricuspidatum A. Gray en M. spicatwm A. Gray,
heiden vroeger tot het geslacht Malva L. gerekend. Blijkens de
exemplaren in \'s Rijks Herbarium te Leiden zijn beiden in Miquki.\'s
Flora vermeld, doch de eerste als M. ruderale Mig. de tweede als
Malva Timoriensis DC.
2. SIDA L.
Kelk 5-tandig of -spletig, niet door schutblaadjes om-
geven. Meeldradenbuis aan den top in talrijke helmdra-
den verdeeld. Bloembladen 5, van boven vrij, van onde-
ren met elkander en de meeldradenbuis vergroeid. Vrucht-
bladen 5 of meer in één krans; evenveel stijlen en
eindelingsche stempels. Vruchtjes van de centrale as
loslatend, gewoonlijk met 2 naalden aan den top en
onregelmatig of met eene kleine spleet openspringend.
Zaden 1 in elk hokje, hangend of horizontaal; kiem-
worteltje naar boven gericht.
Kruiden of halfheesters. Bladeren enkelvoudig of
gelobd, dikwijls met eene zachte of viltachtige haarbe-
kleeding. Bloemen zittend of gesteeld, alleenstaand of in
kluwens, okselstandig of in eindelingsche trossen, aren of
hoofdjes.
Aantal soorten omstreeks 80, in alle tropische gewesten, waarvan
een 20-tal in Nederlandsch Indië.
3. KYDIA Iloxb.
Bloemen gemengdslachtig of tweehuizig. Kelkbladen 5,
beneden het midden met elkander vergroeid, omgeven
door 4—6 bladachtige schutblaadjes, welke aan de basis
vergroeid zijn en om de vrucht, in grootte toegenomen,
uitgespreid zijn. Bloembladen 5, omgekeerd hartvormig,
schuin, langer dan de kelk, met de meeldradenbuis ver-
-ocr page 172-
112                                  XXI. MALVACEAE.
groeid. Meeldradenbuis omstreeks het midden verdeeld in
5 afdeelingen, die ieder 3 niervormige, 2-kleppige,
1-hokkige helmknoppen dragen, welke onvolkomen zijn
in de vrouwelijke bloem. Eierstok 2—3-hokkig; stijl
3-spletig; stempels 3, schildvormig, onvolkomen in de
mannelijke bloem; eitjes 2 in elk hokje, klimmend.
Bijna kogelronde, stompe, hokverbrekende, 3-kleppige
doosvrucht. Zaden niervormig, gevoord.
Boomen met stervormige haren. Bladeren handnervig,
gewoonlijk gelobd. Bloemen in pluimen.
Aantal soorten \'2, in Britsch Imlië, misschien ook in don Maleischen
Archipel. Door sommige schrijvers is dit geslacht tot de Slerculiaceae
gebracht, doch volgens BENTHAM en HOOEER behoort het wegens
de tweekleppige, 1-hokkige meeldraden in de nabijheid van Sida,
terwijl het om de meeldradenbuis aan Ahiililoii, en om de doos-
vrucht en de schutbladen meer aan Hibiscus verwant zou zijn.
Maxwell Masters plaatst het onder de Bomlxiceae sóóv Atlansonia
waaraan het misschien evenzeer verwant is, doch waarbij het
zich wegens de enkelvoudige bladeren ook slechts met moeite
aansluit.
4. WISSADULA Medik.
Kelkbladen 5, van boven vrij, van onderen tot eene
buis vergroeid, zonder schntblaadjes. Bloembladen 5, van
onderen met elkander en met de meeldradenbuis vergroeid.
Meeldradenbuis aan den top in tallooze helmdraden ver-
deeld. Stijlen evenveel als hokjes in den eierstok. Vrucht-
jes 5, met talrijke zaden, gesnaveld, openspringend, vaak
met een dwarsch, valsch tusschenschot. Zaden 1—3 in elk
hokje, de lagere hangend, de hoogere klimmend.
Half heesters, min of meer met zachte haren bezet.
Bladeren handvormig-gelobd. Bloeiwijze los, pluimvormig.
Bloemen geel, klein.
Aantal soorten 5, in tropisch Amerika, ééne soort W. rottrata
Planch..
ook in tropisch Azië en Afrika verspreid.
5. ABUTILON Gae>-tn.
Kelk 5-spletig, van onderen buisvormig, zonder schut-
blaadjes. Bloembladen 5, van boven vrij, van onderen
met elkander en de meeldradenbuis vergroeid. Meeldra-
denbuis aan den top in talrijke helmdraden gespleten.
Vruchtbladen 5—co met evenveel stijlen, elk met 3—9
-ocr page 173-
113
XXI. MALVACEAE.
eitjes. Vrachtjes van de centrale as loslatend, al of niet
genaaid, 1- of meerzadig. Zaden niervormig, de boven-
ste klimmend, de onderste hangend.
Kruiden of heesters, min of meer donsachtig behaard.
Bladeren hoekig of handvormig gelobd. Bloeiwijze oksel-
standig of eindelingsch.
Aantal soorten omstreeks 70, in de warme streken van de beide
halfronden; in Nederlamlsch Inditi een 12-tal.
(>. MALACHRA L.
Bloemen in hoofdjes met onregelmatig verspreide
schutblaadjes of zonder deze. Kelk 5-spletig of -tandig.
Meeldradenzuil kort, onder den top afgeknot of 5-tandig;
meeldraden oo, boven de zuil uitstekende. Eierstokhokjes
5, 1-eiig (tegenover de bloembladen?); stijltakken 10,
aan den top met kleine, knopvormige stempels. Rijpe
vruchtbladen van de as loslatend, omgekeerd eivormig
vliezig of lederachtig, niet openspringend of in den bin-
nenlioek eenigszins openbarstend. Zaden niervormig,
klimmend.
Ruwharige kruiden. Bladeren hoekig of gelobd. Bloe-
men geel of wit, in dichte okselstandige of eindelingsch e
hoofdjes door bladachtige schutbladen als door een om-
windsel omgeven.
Aantal soorten 5 of G, in tropisch Amerika tehuis behoorende,
doch waarvan ééne, M. capitata L., ook in tropisch Azië en Afrika
wijd verspreid is, terwijl MlQUBL nog ééne soort vermeldt, die op
Timor voorkomt, M. horrida Miq.
7. URENA L.
Kelk 5-spletig, aan de basis vergroeid met de 5,
dikwijls tot een nap vereenigde, schutblaadjes. Bloembla-
den 5, dikwijls viltig aan de rugzijde, van boven vrij,
van onderen vergroeid met elkander en met de basis
van de meeldradenbuis. Meeldradenbuis afgeknot of met
5 kleine tandjes; helmknoppen bijna zittend. Eierstok
5-hokkig; hokjes 1-eiig, tegenover de bloembladen; stem-
peltakken 10; stempels knopvormig. Vruchtjes bedekt
met haakvormig omgebogen, ankervormige, borstels en
niet openspringend, doch van de as loslatend, als zij rijp
8
-ocr page 174-
114                                   XXI. MALVACEAE.
zijn. Zaad klimmend; zaadlobben gebogen en gevouwen;
kiemworteltje naar onderen gericht.
Kruiden of halfheesters, min of meer bedekt met
stervormige, stijve haren. Bladeren hoekig of gelobd. Bloe-
men in kluwens.
Aantal soorten 4—5, de meesten tusschen de keerkringen ver-
spreid , waarschijnlijk alle in Neilerlandscli Indië.
8. PAVONIA Cav.
Kelk 5-deelig , door 5—co vrije, of aan de basis tot
eene buis vergroeide, sehutblaadjes omgeven. Bloembladen
5, min of meer vrij, aan de basis met de meeldraden-
buis samenhangende. Meeldradenbuis aan den top afgeknot
of 5-tandig. Eierstok 5-hokkig; hokjes gewoonlijk tegen-
over de kelkbladen, zelden tegenover de bloembladen;
stijlen 10; stempels knopvormig; eitjes 1 in elk hokje.
Rijpe vruchtjes van do as loslatend, niet openspringend
of min of\' meer 2-kleppig, glad, netvormig of gevleugeld,
soms met stekels, doch deze nooit haakvormig omge-
bogen. Zaden klimmend.
Kruiden of halfheesters. Bladeren gaafrandig, hoekig
of gelobd, min of meer donsachtig behaard. Bloemen
alleenstaand in de bladoksels of in kluwens aan de toppen
der takken.
Aantal soorten 00, waarvan \\\\ in tropisch Azië, Afrika en de
eilanden van de Stille Zuidzee, de overigen alle in Amerika voor-
komen; in Nedeiiandsch Indië slechts ééne soort, P. cernua Miq.
9. HIBISCUS L.
Kelk 5-tandig of -spletig, klepswjjze aaneensluitend,
soms schedevormig en rondom loslatend, aan de basis
meestal door 5 of meer (zelden minder), vrije of aan
de basis verbonden, sehutblaadjes omgeven. Bloembladen
5, aan de basis met de meeldradenbuis vergroeid. Meel-
dradenbuis aan den top afgeknot of 5-tandig; helmdraden
talrijk; helmknoppen niervormig, 1-hokkig. Eierstok 5-
hokkig; hokjes tegenover de kelkbladen, elk met 3 of
meer eitjes; stijlen 5, van onderen vergroeid; stempels
knopvormig of min of meer spatelvormig. Doosvrucht
hokverbrekend, 5 -kleppig, soms met een vliezigen, los-
-ocr page 175-
XXI. MALVACEAE.                                    115
latenden binnenwand of met valsche tusschenschotten,
waardoor de vrucht schijnbaar 10-hokkig is.
Kruiden, heesters of boomen. Bladeren met steun-
blaadjes, gewoonlijk handuervig en min of meer handlobbig
of -deelig. Bloeiwijze okselstandig.
Aantal soorten omtrent 150, grootendeels in de tropische ge-
westen verspreid, ongeveer 28 in Nederlandsch Indië. Kenigen zijn
vroeger als soorten van Abelmoschus ilnl.. Paritium •*>\'. HU. en
Bombycodendron Zoll. beschreven.
10. THESPESIA Con:
Kelk afgeknot, met 5 kleine tanden of 5-deelig, aan de
basis omgeven door 5—8 schutblaadjes, welke meestal klein
zijn en spoedig afvallen. Bloemkroon in den knop gewonden.
Meeldradenbuis aan den top 5-tandig. Eierstok 4—5-hok-
kig. Stijl knodsvormig, met 5 voren in de lengte, zich
aan den top in 5 langwerpige stempels splitsend; wei-
nige eitjes in elk hokje. Ilokverbrekendo of ter nau-
wernood openspringende doosvrucht. Zaden naakt of vilt-
achtig; zaadlobben dubbelgevouwen, zwart gestippeld.
Hoogo boomen of heesters. Bladeren gaafrandig of ge-
lobd. Bloeiwijze okselstandig. Bloemen groot, meestal geel.
Omstreeks ü soorten, in tropisch A/.ie, op de eilanden van de
Stille Zuidzee en op Madagascar; in Nederlandsch [ndië3 soorten, Th.
populnea Corr., Th. macrophyUa BI.
en Th. LampasDalz.et Gibs.,
de laatste door MlQDEL als eene soort van Hibiscus beschouwd.
11. GOSSYPITJM L.
Kelk napvormig, afgeknot of met 5 korte tanden, door
3 groote, bladachtige, hartvormige schutblaadjes omge-
ven, welke even als de kelk zwart gestippeld zijn. Bloem-
bladen ineengewonden of uitgespreid. Meeldradenbuis af-
geknot of 5-tandig, onder den top naakt of zelden met
helmknoppen, daarboven talrijke helmdraden dragende.
Eierstok 5-hokkig; stijl knodsvormig, met 5 voren aan
den top, en met 5 stempels; talrijke eitjes in elk hokje.
Doosvrucht hokverbrekend, 3—5-kleppig. Zaden dicht
met wollige haren bekleed; zaadlobben bladachtig, ge-
vouwen, met zwarte stippels.
Kruiden, heesters of lage boomen. Bladeren hand-
lobbig. Bloemstengels okselstandig, 1-bloemig, geleed.
-ocr page 176-
116                                   XXI. MALVACEAE.
Aantal soorten volgens verschillende schrijvers zeer uiteenloopend,
1 wild in Australië, 1 in Engelsch Indië en de talrijke variëteiten
van G. herbaceum L., G. arboreum L. en G. Barbadense L. in
alle tropische gewesten, ook in Nederlandsch Indië, gekweekt.
12. ADANSONIA L.
Kelk lederachtig, napvormig, van binnen zijdeachtig be-
haard, 5-spletig, met 2 seliutblaadjes. Bloembladen 5, wit,
grooter dan de kelkbladen, van onderen met de meel-
draden vergroeid. Meeldradenbuis cilindrisch, van boven
in talrijke helmdraden verdeeld; helmknoppen niervormig,
1-hokkig. Eierstok 5—10-hokkig; stijl lang, boven de
meeldraden uitstekende, in even zoovele stempeltakken
verdeeld als er eierstokhokjes zijn; stempels stralend;
talrijke eitjes in elk bokje. Vrucht langwerpig, houtachtig,
niet openspringend, met meelachtig vruchtmoes. Zaden
niervormig; zaadhuid dik; kiemwit dun; kiem gekromd;
zaadlobben ineengekreukt.
Boom, welke door zijn korten, dikken stam en zeer
wijd uitgespreide takken den vorm van een paddestoel
heeft. Bladeren eerst zachtbarig, later kaal, handvormig
samengesteld, afvallend.
Twee soorten, de eene in tropisch Afrika tehuis behoorende, de andere
in Australië. De eerste A. tlii/ilala L., de Baabab, wordt in alle tro-
pische gewesten gekweekt.
13. BOMBAX L.
Kelk lederachtig, napvormig, afgeknot of 5-lobbig, zon-
der schutblaadjes. Bloembladen omgekeerd eirond. Meel-
draden 5-broederig; bundels tegenover de bloembladen en
van boven in talrijke helmdraden verdeeld; helmknoppen
niervormig, 1-hokkig. Eierstok 5-hokkig. Stijl knodsvor-
mig; stempels 5; talrijke eitjes in elk hokje. Doosvrucht
hokverbrekend, 5-kleppig; kleppen lederachtig, van bin-
nen met wol bekleed. Zaden wollig; zaadhuid dun; kiem-
wit gering; zaadlobben ineengekreukt.
Boomen. Bladeren handvormig samengesteld, afval-
lend. Bloemen vóór de bladeren verschijnende aan 1-
bloemige stengels, welke alleen of in kluwens staan in de
bladoksels of aan de toppen der takken.
-ocr page 177-
117
XXI. MALVACEAE.
A;ini;il soorten omstreeks 10, 1 in tropisch Afrika, 1 of\'2 in
tropisch Azii1 en de overigen in tropisch Amerika, li. Mnlabaricum
DC.,
door Miqiiki. en anderen beschouwd als een afzonderlijk ge-
slacht, Salmalia Schuit., komt op Java en Sumatra voor.
14. ERIODENDRON I) C.
Kelk napvormig, afgeknotof3—5-spletig, zonder schut-
blaadjes. Bloembladen langwerpig. Meeldraden in 5 bun-
dels, welke aan de basis vergroeid en tegenover de bloem-
bladen geplaatst zijn en elk 2—3 golvende of lijnvormige
helmknoppen dragen. Eierstok eivormig, 5-hokkig; stijl
cilindrisch, verbreed; stempel onduidelijk 5-lobbig. Doos-
vrucht langwerpig, leder- of houtachtig, 5-hokkig, 5-
kleppig; kleppen van binnen dicht zijdeachtig behaard.
Zaden kogelvormig of omgekeerd eirond; zaadhuid bros,
glad, met zijdeachtige haren; kiemwit gering; zaadlobben
in elkander gekreukt.
Boomen. Bladeren handvormig samengesteld, afvallend.
Bloemen in bundels, vóór de bladeren verschijnend, aan
de toppen der takken of in de bladoksels.
Aantal soorten 8, bijna alle in tropisch Amerika voorkomende.
Eéne soort, E. anfractuositm D C, is in tropisch Azië en Afrika al-
gerneen verspreid, doch waarschijnlijk alleen gekweekt.
i5. DURIO L.
Kelk klokvormig, lederachtig, 5-spletig; lobben kleps-
wijze aaneensluitend, langwerpig of afgerond, omgeven door
3 schutblaadjes, die van onderen tot een nap zijn vergroeid
met vrije, afvallende slippen en evenals de kelkbladen dicht
met schubben zijn bezet. Bloembladen ineengedraaid-dak-
panswijze dekkend in den knop, spatelvormig, langer dan de
kelkbladen. Meeldradenbuis verdeeld in 4—5 bundels,
welke tegenover de bloembladen staan; helmdraden talrijk,
elk een kogelvormig hoofdje van golvende, 1-hokkige
helmknoppen of een enkelen ringvormigen, 1-hokkigen
helmknop dragende. Eierstok van buiten met schubben
bezet, 4—5-hokkig; stijlen vergroeid; stempels knopvor-
mig; eitjes talrijk en in 2 rijen in elk hokje. Vrucht zeer
groot, min of meer kogelvormig of langwerpig, met stekels
bezet, niet of hokverbrekend 5-kleppig openspringend. Zaden
met een zaadrok; zaadlobben vleezig, dikwijls vergroeid,
-ocr page 178-
118                                   XXI. MAI.VACF.AE.
Boomen. Bladeren enkelvoudig, gaafrnndig, dicht vinner-
vig, zelden van onderen behaard. Bloemen in zijdeling-
sche bijschermen; bloemstengels hoekig.
Aantal soorten 7, in den Maleischen Archipel on MaHikka: waar-
schijnlijk wordt dit aantal belanrijk vermeerderd hij do bewerking
van de Durionieae, door BECCARI in Nederiandsch Indië verzameld.
Kr worden toch in Malesia UI reeds een 12-tal soorten afgebeeld.
1<). LAHIA Hcmk.
Kelk onvolkomen 3-spletig, door een napvormig om-
windsel omgeven. Bloembladen 5, aan de basis versmald,
doch niet genageld. Meeldraden ao, hier en daar aan de
basis vergroeid, aan den top in twee takken gespleten, elk
met talrijke vrije, niervormige helmknoppen. Eierstok
5-hokkig; elk hokje met talrijke, in twee rijen geplaatste
eitjes; stijl zeer dik; stempel onduidelijk 5-lobbig. Vrucht
als van Durio.
Een boom met elliptische, gaafrandige, van onder
beschubde bladeren. Weinige bloemen in dicht beschubde
trossen.
Kéne soort, L. Kulejrnxis Hu-sak., in liorneo voorkomende.
17. BOSOHIA Korth.
Kelk bijna kogelvormig, diep 4—5-deelig, met 2—3,
aan de basis vergroeide, afvallende schutblaadjes. Bloem-
bladen 5, lijn-lintvormig, gaaf of in slippen verdeeld.
Meeldraden talrijk, sommige vrij, andere onregelmatig
samenhangend, de buitenste zonder helmknoppen; helm-
knoppen kogelvormig of langwerpig, 1-hokkig, met eene
eindelingsche porie openende, op de helmdraden alleen-
staande of in groepen van 2—6. Stuifmeel kogelvormig,
3-kleppig. Eierstok 3—5-hokkig; stijl verlengd; eitjes 1
of meer in elk hokje, klimmend. Vrucht langwerpig, 3—5-
hokkig, 3—5-kleppig; kleppen gestekeld, helder rood.
Zaden weinig, langwerpig, zwart met een vleezigen, oranje-
kleurigen, napvormigen zaadrok, die de halve oppervlakte
van het zaad bedekt; zaadlobben bladachtig, vleezig.
Boomen met enkelvoudige, gaafrandige, van onderen
beschubde bladeren en kleine, okselstandige bloemen.
Aantal soorten 4, 1 in Malakka, B. GriffUhü Mast., en 3 op
liorneo en Snmatra, B. e.vcelm Kortli., B. acutiflora, Mast. en
B. graiuliflora Mast,
-ocr page 179-
119
XXI. MAT/VACEAE.
18. NEESIA lil.
Kelk gesloten, ten slotte uitgezet en kussenvormig aan
de basis, buis- of kegelvormig aan den top, en zich daar ein-
delijk openend met een cirkelvormigen, onregelmatig gekar-
telden bovenrand. Schutblaadjes 3, tot eene klokvormige buis
vergroeid, welke rondom loslaat en afvalt, evenals de kelk
met schildvormige schubben bedekt. Bloembladen 5, vrij,
in den knop dakpanswijze dekkend. Meeldraden in 5 bun-
dels, welke met de bloembladen afwisselen en zich elk
halverwege in tallooze helmdraden splitsen, waarvan de
middelste, tevens de hoogste, een 2-lobbigen, en de zijde-
lingsche elk een 1-lobbigen helmknop dragen, die zich naar
buiten in de lengte opent; helmbindsel dik; staminodiën
ontbrekend. Eierstok zeer kort gesteeld, langwerpig, 5-
hokkig; stijl kort, stempel kegelvormig; eitjes talrijk, 2-
rijig, horizontaal, anatroop. Vrucht eivormig, houtachtig,
gestekeld, hokverbrekend 5-kleppig. Zaden kiemwithou-
dend; zaadrok ontbrekend; zaadlobben plat, bladachtig.
Boomen; takken met groote bladlitteekens. Bladeren
enkelvoudig, vinnervig. Steunblaadjes bladachtig. Bloeiwijze
uit bijschermen gevormd, welke zich aan den stam ontwik-
kelen in de oksels der afgevallen bladeren.
Aantal soorten 3, ééne op Hornet), N. strigosa Mast., ééne op
Java, N. allinnima lil. en ééne op Malakka, N. synandra Maxi.
Bovendien vinden wij in Malaria III de afbeeldingen van 2 andere
soorten van Ukccaki, waarschijnlijk ook van Nederlandse)) Indië,
N. rjlabra Becc. en N. pilulifera Becc.
10. COELOSTEGIA Benlh.
Kelkbladen 5, lancetvormig, aan de basis in evenzoo-
vele zakvormige aanhangsels verlengd en beneden het
midden tot een 5-lobbigen nap vergroeid, veel langer dan
de 3—4, met schubben bekleede, van onderen evenzoo
tot eene napvormige buis vergroeide, schutblaadjes. Bloem-
bladen 5, aan de basis van den kelk vastgehecht en veel
kleiner dan deze. Meeldraden in 5 bundels tegenover de
kelkbladen en met de bases van deze samenhangende;
helmknoppen klein, min of meer kogelvormig. Eierstok
gedeeltelijk weggedoken in de kelkbuis, 5-hokkig; hokjes
met weinige eitjes; stijl draadvormig; stempel groot,
knopvormig, schildvormig, 5-lobbig. Vrucht onbekend.
-ocr page 180-
120
XXI. MALTACEAE.
Groote boom. Bladeren enkelvoudig, gaafrandig, van
onderen beschubd. Bloemen okselstancüg, in bundels op
het oude hout, met schubben bedekt.
Eéne soort in Malakka. C. Griffithii Bentli. Bkccari beeldt in
Malesia III nog eéne soort af van Sumatra, C. Sumatrana Becc,
en ééne soort van Borneo, C. Bornensis Becc.
30. DIALYCARPA Mast.
Kelk gevormd uit 4 eivormige, spitse, van buiten met
schubben bedekte, van onderen vergroeide kelkbladen.
Bloembladen 4—5, lederachtig, weinig korter dan de kelk-
bladen , langwerpig, stomp, in den knop dakpanswijze
dekkend. Bloembodem klein, vlak. Meeldraden in 4—5
bundels; helmdraden oo , dun, kaal, ieder met 1 helmknop;
helmknoppen 2-hokkig met rechte, aan de basis wijd
uiteenstaande hokjes, die met eene langsspleet openen.
Staminodiën 5, lijn-priemvormig, tusschen de meeldraden
en den stamper. Eierstok uit 3 eivormige, van buiten
beschubde vruchtbladen bestaande, die elk 2 hangende
eitjes bevatten en wier cilindervormige stijlen aan den
top verbonden zijn. Splitvruchtjes klein, niet of met eene
langsspleet aan de buikzijde openspringend, door mis-
lukking 1-zadig. Zaad hangend, driezijdig; zaadnerf naast
de zaadlij st.
Boom. Takken rolrond, lang, dun en stijf. Bladeren
gesteeld, lancetvormig, lederachtig, kaal, met schubben
aan de onderzijde. Bloemen klein, in okselstandige pluimen.
Eéne soort D. Beccarii Mast., door Beccari op Borneogevonden.
Fam. xxii. STERCULIACEAE.
Bentham et Hooker, Gen. Plant. I, p. 214. — Miquel, Ann.
Mus. Bot. Lugd. Bal.
III, p. 87. — Illuslt: de la Fl. de l\'Arch.
Ind. p. 84. — Maxwell Masters in Hook. Fl. of Br. Ind. I, p. 858.
Bloemen regelmatig, één- of tweeslachtig. Kelkbladen
5, min of meer, zelden volkomen, vergroeid; lobben of
slippen klepswijze aaneensluitend in den knop. Bloembladen
5 of ontbrekend. Meeldraden tot eene zuil of buis vergroeid
-ocr page 181-
121
XXII. STERCULIACEAE.
of vrij, in groot, (zelden gering) aantal; helmknoppen in
kluwens of in een enkelen ring aan den top eener zuil,
verspreid aan de buitenzijde eener buis of gerangschikt
langs den rand van een nap of buis met daartusschen
geplaatste staminodiën; helmknoppen altijd met 2 hokjes,
welke evenwijdig zijn of uiteenwjjken. Eierstok vrij, uit
2—5, min of meer vergroeide vruchtbladen (zelden uit 1
vruchtblad) bestaande, 2—5- (zelden 10—12-) hokkig.
Eitjes 2-oc (zelden 1) in elk hokje, in den binnenhoek
vastgehecht, klimmend of horizontaal, anatroop of amphi-
troop, met eene buikstandige of zjjdelingsche zaadnerf en
een naar onderen gericht poortje, zelden orthotroop. Stijl
onverdeeld of in zoovele takken verdeeld als er hokjes
in den eierstok zijn of zelden evenveel vrije stijlen. Vrucht-
bladen nu eens tot eene hokverbrekende doosvrucht of tot
eene bes of eene houtachtige, niet openspringende vrucht ver-
eenigd, dan weder in splitvruchten uiteenwijkend, welke
niet of met kleppen openspringen. Zaden soms met een
zaadrok, al of niet kiemwithoudend; zaadlobben bladach-
tig, plat, gevouwen of ineengerold; richting van het
kiemworteltje verschillend.
Kruiden, heesters (zelden klimmende) of boomen; alle
kruidachtige deelen gewoonlijk zachtharig. Bast gewoon-
lijk slijmbevattend. Binnenbast vezelig; hout zacht. Bla-
deren afwisselend, enkelvoudig, gelobd of handvormig
samengesteld. Steunblaadjes aanwezig. Bloeiwijze oksel-
standig of eindelingsch, gewoonlijk uit bijschermen be-
staande.
Aantal geslachten 40—50, soorten 500 a 600, talrijk in bijna alle
tropische gewesten en in Zuid-Afrika en Zuid-Australie voorkomende,
eenige weinigen in Noord-Amerika en Nooid-Afrika. De geslachten
Covilhamia /w>w/i.,Ptychopyxis Miq. en Pyrospermum .!ƒ»/., in Miquei.\'s
Flora bij de Sterculiaceae. en de Buettneriaceae geplaatst, zijn nog
onvoldoende bekend, doch behooren volgens BENTHAM en Hooker
waarschijnlijk niet tehuis onder de Sterculiareae.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Tribus I. Stoi\'cnlieac Bloemen éénslachtig of tweehuizig.
Kelk vaak gekleurd. Bloembladen ontbrekend. Helmknoppen 10—15,
aan den top van eene, nu eens verlengde, dan weder zeer korte zuil
opeengedrongen, of 4—5 in een ring om de zuil of zeer kort, veel-
broederig. Rijpe vruchtbladen vrij, zittend of op een korten stamper-
drager.
-ocr page 182-
122                           XXII. STEROULIACEAE.
•J- Helmknoppen 10—15, zonder orde opeengedrongen. Zadenmetkiemwit.
1.  STERCULIA. Hokjes van den eierstok met \'2-oo eitjes. Open-
springende vruchten.
2.  Tabbietia. Hokjes van den eierstok niet 1 eitje. Niet open-
springende vleugel vrucht en.
-|- -J- Hehnknoppen 4—5, in een ring om de zuil. Kienuvit ontbrekend.
ii. HERITIERA. Helmknoppen 5. Hokjes van den eierstok met 1
eitje. Houtai\'htige, niet openspringende vruchten.
4,  Tetradia. Helmknoppen \\. Hokjes van den eierstok met
oo eitjes.
Tribus II. IIHit\'fcreae. Uloomen tweeslachtig. Hloenibladen 5,
afvallend. Helmknnppcn 5—15. gesteeld , op den rand van eene, aan
den top napvormig uitgezette zuil en aldaar met staminodiën afwisselend.
Eierstok opeen stamperdrager, die met de meeldradenzuil vergroeid is.
5.   Ki.eimkivia. Helmhokjes uiteenwijkend. Vliezige, opgeblazen
doosvrucht. Zaden ongevleugeld.
ti. HELICTERES. Helmhokjes uiteenwijkend. soms ineenvloeiend.
Rijpe vrnclitbladen, min of meer vrij, niet opgeblazen, vaak spi-
raalswijze gewonden. Zaden on gevleugeld.
7.  Pterospermum. Helmhokjes evenwijdig. I.eder- of houtach-
tige, rolronde of 5-kantige, 5-kleppige doosvrucht. Zaden ge-
vleugeld.
Tribus III. Dombeyeae. Bloemen tweeslachtig. Hloemhladen
plat, blijvend. Meeldiadenbuis met helmknoppen aan den rand, welke
elk afzonder lijk of in groepen met staminodiën afwisselen.
8.   I\'entapetes. Schutblaadjes afvallend; helmknoppen 15, in
groepen van 3 met staminodiën afwisselend. Stijl enkelvoudig.
Eierstokhokjes elk met oo eitjes. Kruidachtige kelkbladen.
0. MeI.HANIA. Schutblaadjes blijvend. Helmknoppen elk afzonder-
lijk met de staminodiën afwisselend. Stijl 5-spletig aan den top.
Tribus IV. Il«-rm;i mii<-;i<-. Bloemen tweeslachtig. llloembla-
den aan de bloem verwelkend, plat. Helmdraden alleen aan de basis
vergroeid ; meeldiaden 5. zonder staminodiën.
10.   Mei.ochia. Kelk klokvormig of opgeblazen-kogelvormig.
Eierstok 5-hokkig.
11.   WaLTHERIA. Kelk klokvormig. Eierstok 1-hokkig, uit écn
vrucht blad bestaande.
Tribus V. Bnettnei\'ieae. Bloembladen aan de basis uitgehold.
Meeldiadenbuis niet helmknoppen aan den rand, afzonderlijk of in
groepen tusschen de staminodiën.
§ Meeld raden in ééne rij: 2—4 helmknoppen tusschen
een paar staminodiën.
12.   Ahruma. Bloembladen met eene gesteelde, uitstaande, eironde
plaat: 2—4 lielmkiioppen tusschen twee staminodiën. Doosvrucht
vliezig.
-ocr page 183-
123
XXII. 8TERCUMACEAE.
13.   Theobroma. Bloembladen aan do basis genageld, hooger op
kapvorrnig, daarna omgebogen on in eene spatelvormige plaat
vorlengd; 2—3 helmknoppen tusschen twoe staminodiën. Steen-
vt ucht iriet eene houtige, 5-hokkige kern. Kiemwit ontbrekend.
14.   Ouazuma. Bloembladen aan do basis genageld, daarna kap-
vormig, vervolgens omgebogen on in oeno diop 2-spletige plaat
vorlengd; helmknoppen 2—3 bijeen, op één stool tusschen tvvoo
staminodiën. Kogelvormigo, gostekolde doosvrucht.
§§ Meeldraden in ééne rij; helmknoppen alleenstaand
tusschen een paar staminodiën.
15.    Buettneria. Ulooinbladoii genageld, daarna kapvormig,
vervolgens omgebogen, aan do rugzijde in oeno 3-splotigo plaat
verlengd on aan den top mot do holmdradonbuis vergroeid. fieste-
kelde, schotverbrekende doosvrucht.
16.   Commersonia. Bloembladen aan de basis breed, uitgehold,
met eene lintvorinige plaat. Doosvrucht met zachte borstels.
§§S Meeldraden in meerdere rijett, de buitenste zonder helm knappen.
17.  Lbptonychia. Bloembladen cirkelvormig, zonder aanhangsels.
1. STERCUTiIA /..
Bloemen gemengdslachtig. Kelk buisvormig, 4—5-
deelig, dikwijls gekleurd. Bloembladen ontbrekend. Meel-
dradenzuil een kluwen of ring van zittende, 2-hokkige
helmknoppen dragende. Stamper zittend of gesteeld, uit
4—5 vruchtbladen bestaande, die tegenover de kelkbladen
geplaatst zijn en elk 2-oo eitjes bevatten; stijlen aan de
basis vergroeid; stempels evenveel als vruchtbladen, vrij,
straalswijze uitgespreid. Rijpe vruchtbladen vrij, koker-
vruchtvormig, zittend of gesteeld, houtachtig of vliezig
Zaden 1 of oo , naakt, soms met een zaadrok, soms ge-
vleugeld; kiemwit tweedeelig, plat of geplooid; zaadlob-
beu plat, dun, met het kiemwit samenhangend of dik en
vleezig; kiemworteltje al of niet in de nabijheid van
den navel.
Boomen of heesters. Bladeren enkelvoudig, handvormig
gelobd of samengesteld. Bloeiwijze pluiinvormig, oksel-
standig of eindelingsch.
Omstreeks 60 soorten, voorkomende in de tropische gewesten
van de beide halfronden, maar hoofdzakelijk in tropisch Azië; in
Nederlandsen Indie een 30-tal. Tot Slrrculia rekenen Bentham en
Hookkr ook de geslachten Carpophyllum Miq., Firmiana Marsigli
en Pterocymbium Br.
-ocr page 184-
124
XXII. STERCULIACEAE.
\'2. TARRIETIA III.
Bloemen éénslachtig. Kelk buisvormig, klein, 5-tandig.
Bloembladen ontbrekend. Meeldradenzuil kort, met een
ring van 10—15 dicht opeengedrongen helmknoppen;
helmhokjes evenwijdig. Eierstok gevormd door 3—5, bijna
vrije vruchtbladen tegenover de kelkbladen; stijlen even-
veel, kort draadvormig, met stempelkliertjes aan de binnen-
zijde; eitjes 1 in elk hokje. Vleugelvrnchten met lange,
sikkelvormige vleugels. Zaden langwerpig; kiemwit 2-
deelig; zaadlobben plat; kiem worteltje naast den navel.
Groote boomen. Bladeren handvormig samengesteld of
enkelvoudig, Bloemen in pluimen.
Aantal soorten drie of vier. Eén of twee op Java en Sumatra,
T. Javanica lil. en T. Sumatrana Mi</., ééne in Australië en ééne
in Malakka.
3.  HEBITIERA AU.
Bloemen éénslachtig. Kelk 5-, zelden 4- of 6-tandigof
•spletig. Bloembladen ontbrekend. Helmknoppen in een
ring op den top van de zuil, 2-hokkig; hokjes evenwijdig.
Stampers 5—6, bijna vrij; stijl kort, 5 dikke stempels.
Rijpe vruchtbladen geheel vrij, houtachtig, niet opensprin-
gend, gekield of gevleugeld. Kiemwit ontbrekend; zaadlob-
ben dik; kiemworteltje naast den navel.
Boomen. Bladeren enkelvoudig, lederachtig, van onde-
ren met schubben. Bloemen in okselstandige pluimen.
Aantal soorten 4—5 in tropisch Azië, Afrika en • Australië; in
Nederlatidsch Indie is ééne soort, If. litloralis Drijand., algemeen.
4.   TETRADIA Br.
Bloemen éénslachtig of tweehuizig. Kelk diep 4- (zel-
den 3-) spletig. Bloembladen ontbrekend. Meeldradenzuil
aan den top 4 helmknoppen, in een enkele ringvormige
rij dragende, elk met twee evenwijdige hokjes. Stampers
4, elk met talrijke eitjes min of meer vrij ; evenveel korte,
gekromde stijlen. Vrucht onbekend.
Boom. Bladeren onverdeeld, min of meer hartvormig,
vinnervig. Bloemen min of meer zittend of in korte trossen
in de oksels der bladeren.
Kéne soort op Java T. Uorsfieldii R. Br.
-ocr page 185-
125
XXII. STERCULIACEAE.
5. KLEINHOVIA L.
Kelkbladen 5, afvallend, aan de basis met eenige kleine
schutblaadjes, die niet altijd dicht bij den kelk staan. Bloem-
bladen 5, ongelijk, de bovenste langer genageld en met naar
binnen omgerolde randen. Meeldradenzuil naar boven uitge-
zet tot een klokvormigen, 5-spletigen nap, waarvan elke af-
deeling 3, naar buiten openspringende, helmknoppen draagt,
elk met 2 uiteen wij kende hokjes. Eierstok op de helmdra-
denzuil ingeplant, 5-lobbig, 5-hokkig; stijl dun; stempel
5-spletig. Doosvrucht vliezig, opgeblazen, peervormig, hok-
verbrekend, 5-kleppig. Zaden 1 of 2 in elk hokje, met
wratjes bezet.
Boom. Bladeren handnervig, eirond, puntig, geheel
gaafrandig. Bloemen in eindelingsche pluimen.
Eéne soort, in tropisch Azië wijd versprei»!, K. Hospita L.
6. HELIOTERES L.
Kelk buisvormig, 5-spletig, vaak onregelmatig. Bloem-
bladen 5, genageld, al of niet gelijk; nagels vaak
met oorvormige aanhangsels. Meeldradenzuil met den
stamperdrager vergroeid, aan den top 5-lobbig of -tandig;
helmknoppen in groepen aan den top der zuil, tusschen
de tanden, met 2 uiteenwijkende, soms samenvloeiende
hokjes. Eierstok op den top der zuil, 5-lobbig, 5-hokkig
met vele eitjes in elk hokje; stijlen priemvormig, min of
meer vereenigd, aan den top een weinig verdikt en
stempelklieren dragend. Kokervruchten recht of spiraals-
wijze gewonden. Zaden met wratten; kiemwit gering;
zaadlobben bladachtig, gevouwen om het kiemworteltje,
dat naast den navel ligt.
Boomen of heesters, min of meer stervormig-zachtharig.
Bladeren gaafrandig of gezaagd. Bloemen alleen of bij
bundels in de bladoksels.
Omstreeks 30 soorten in de tropische gewesten der beide half-
ronden, hoofdzakelijk overvloedig in Amerika. Men kan de Aziatische
soorten verdeelen in 2 secties: 1. Spirocarpaea. (met spiraalswijze
gewonden vriichtbladen.) Deze vormde bij Miquki. het geslacht He-
licteres £., met ééne soort, H. hora L. \'2. Orthocarpaea (met
rechte vriichtbladen). Deze sectie, door SCOTT als Methorium, dooi\'
HaSSKARI. als Orthothecium beschreven, vormde bij MlQUEL het
geslacht Oudemansia M/\'</., met ü soorten in Nederlandsen lndië.
-ocr page 186-
126
XXII. STERCULIACEAE.
7. PTEROSPERMÜM Schreb.
Kelk buisvormig of 5, min of meer vergroeide kelk-
bladen. Sehutblaadjes 3, gaafrandig of in schubben ver-
deeld, blijvend of afvallend. Bloembladen 5, met den kelk
afvallend. Meeldradenzuil kort; helmknoppen lijnvormig,
2-hokkig, in groepen van 3, welke tegenover de kelkbla-
den staan en afwisselen met de, tegenover de bloembla-
deu geplaatste, lintvonnige staminodiën ; helmhokjes even-
wijdig; helmbindsel puntig. Eierstok binnen den top van
de meeldradenzuil ingeplant, 3—5-hokkig; stijl gaaf; stern-
pel met 5 voren; talrijke eitjes in elk hokje. Doosvrucht
hout- of lederachtig, rolrond of hoekig, hok verbrekend,
5-kleppig. Zaden van boven gevleugeld, in twee rijen
vastgehecht aan den binnenkant van de hokjes der doos-
vrucht; kiemwit dun of ontbrekend; zaadlobben in de
lengte gevouwen of ineengekreukt.
Boomen of heesters met eene schubbige of stervormig-
viltachtige bekleeding. Bladeren meestal in 2-rijen, leder-
achtig, schuin, enkelvoudig of gelobd, vinnervig. Bloem-
stengels 1 — 3-bloemig, okselstandig of eindelingsch.
Aantal soorten 15 in tropisch Azië: in Nederlandse)) Inilie een
6-tal.
8. PENTAPBTES /..
Kelk 5, lancetvormig, aan de basis vergroeid met 3
afvallende, priemvormige schutblaadjes. Bloembladen 5.
Meeldraden 15, aan de basis vergroeid in 5 groepen
van 3, welke afwisselen met de lintvormige stamino-
diën; helmknoppen 2-hokkig, van buiten openspringend.
Eierstok zittend, 5-hokkig; hokjes met talrijke eitjes;
stijl gaaf, gewonden en naar boven verdikt; 5 kleine
stempels. Hokverbrekende, 5-kleppige doosvrucht. Zaden
8—12, in 2 rijen, in elk hokje, niet gevleugeld; zaad-
lobben in de lengte gevouwen, 2-deelig; kiem worteltje
naar beneden gericht.
Kruiden. Bladeren spies-lancetvormig. Bloemen oksel-
standig.
Kéne soort, in tropisch Azië wijd verspreid, P. phoenicea L. Met
deze soort vereenigen BENTHAM en IIooKER MlQUEl.\'s geslacht Erio-
raphe. (E. punicea Miq.)
-ocr page 187-
127
XXII. STERCÜLIACEAE.
10. MELOCHIA L.
Kelkbladen 5, vau onderen vergroeid. Bloembladen 5,
spatelvormig, aan de bloem verwelkend. Meeldraden 5,
tegenover de bloembladen, van onderen tot eene buis ver-
groeid; helmknoppen 2-lobbig; hokjes evenwijdig, naar
buiten openspringend. Eierstok zittend, 5-hokkig; hokjes
tegenover de bloembladen, 2-eiig; stijlen 5, vrij of ver-
groeid aan de basis. Hokverbrekende, 5-kleppige doosvrucht,
met 1-zadige hokjes. Zaden klimmend, kiemwithoudend;
kiem recht; zaadlobben plat; kiemworteltje naast den
navel.
Kruiden of half heesters, min of meer donsachtig be-
haard. Bladeren enkelvoudig. Bloemen klein, in kluwens
of losse pluimen.
Aantal soorten omstreeks 50, in de warme streken van beide
halfronden; in Nederlands! h Indië C of 7, waarvan 4 door MlQUEL
tot liet geslacht Riedleia Vent, werden gerekend en 4, kenbaar
aan de gevleugelde zaden tot het geslacht Visenia Houtt. werd
gebracht. ( V. Tndica Houtt.)
II. WALTHERIA L.
Kelkbladen 5, van onderen tot eene klokvormige buis
vergroeid. Bloembladen 6, langwerpig-spatelvormig. Meel-
draden 5, van onderen tot eene buis vergroeid; helmknop-
pen met 2, evenwijdige hokjes. Staminodiën ontbrekend.
Eierstok zittend, 1-hokkig; eitjes 2, klimmend; stijl
excentrisch; stempel knodsvormig. Doosvrucht 2-kleppig,
1-zadig. Zaad klimmend, kiemwithoudend; kiem recht;
zaadlobben plat; kiemworteltje naast den navel.
Kruiden of halfheesters. Bladeren enkelvoudig, getand,
Smalle steunblaadjes. Bloemen klein, in dichte, okselstan-
dige of eindelingsche kluwens.
Aantal soorten omstreeks 15, waarvan de meesten in tropisch
Amerika tehuis behooren en één of twee in de tropische gewesten
wijd verspreid zijn; in Nederlandsen Indie éénesoort, W.IndicaL.
12. ABROMA ./<«•</.
Kelkbladen 5, nabij de basis vergroeid. Bloembladen
5, purperkleurig, van onderen uitgehold, naar boven in
eene groote, lepelvormige plaat verlengd. Helmdraden-
zuil kruikvormig, bestaande uit 5 vruchtbare en 5 on-
-ocr page 188-
128                               XXII. STERCULIACEAE.
vruchtbare afdeelingen; de eersten tegenover de bloembla-
den geplaatst en elk 2—4, min of meer gesteelde, helm-
knoppen dragende, alle met 2 uiteen wij kende hokjes; de
laatsten langer dan de vruchtbare en stomp. Eierstok zittend,
pyramidevormig, 5-lobbig; hokjes met talrijke eitjes; stijlen
5. Doosvrucht vliezig, 5-kantig, 5-vleugelig, aan den top
afgeknot, schotverbrekend, 5-kleppig; kleppen aan de
randen langharig. Zaden talrijk, kiemwithoudend; kiem
recht; zaadlobben plat, hartvormig; kiem worteltje naast
den navel.
Boomen of heesters. Bladeren hartvormig, eivormig-
langwerpig, klein gezaagd, soms hoekig. Bloemstelen
tegenover de bladeren, met weinig bloemen.
Aantal soorten \'2—5, in tropisch Azië, alle ook in Nederlandsen Indië.
13.  THEOBROMA l.
Kelk 5-spletig of -deelig. Bloembladen 5, aan de basis
in een nagel versmald, hooger op kapvormig uitgehold,
daarboven omgebogen en in eene spatelvormige plaat
verlengd. Meeldradenbuis kruikvormig, met 5 lobben
zonder helmknoppen tegenover de kelkbladen, en in elke
tusschenruimte 2—3 kortgesteelde helmknoppen met
uiteenwijkende hokjes. Eierstok zittend, 5-hokkig; elk
hokje met talrijke eitjes; stijlen draadvormig, min of
meer vergroeid. Steenvrucht, met eene houtachtige, 5-hok-
kige kern. Zaden in een vruchtmoes, zonder kiemwit.
Zaadlobben dik, gelobd-ineengekreukt met zeer kort kiem-
worteltje.
Boomen met groote, langwerpige, onverdeelde, vinner-
vige (of aan de basis 3—5-nervige) bladeren. Bloemstengels
okselstandig of zijdelingsch, 1-bloemig en in bundels bij-
een of vertakt met vele bloemen. Bloemen klein; vruch-
ten zeer groot.
Aantal soorten 6, in tropisch Amerika groeiend. T. Cacao L.
wordt in alle tropische gewesten gekweekt.
14.  GÜAZUMA Plum.
Kelkbladen 5, beneden het midden vergroeid, eerst
schedevormig. Bloembladen 5, aan de basis genageld,
daarna kapvormig, vervolgens omgebogen en tot eene
-ocr page 189-
XXII. STERCULIACEAE.                               129
diep 2-spletige plaat verlengd. Helmkuoppen, 2—3 bijeen
op één steel, aan den rand van de buisvormige helmdra-
denzuil, afwisselend met de, tegenover de kelkbladen ge-
plaatste , staminodiën. Eierstok zittend, 5-lobbig, 5-liokkig;
stijlen min of meer vergroeid; talrijke eitjes in elk bokje.
Doosvrucht langwerpig, houtachtig, met wratten bezet.
Zaad kiemwithoudend; kiem gekromd; zaadlobben blad-
aclitig, gevouwen; kiemworteltje naast den navel.
Boomen met enkelvoudige, viltachtig behaarde bladeren.
Bloemen in okselstandige bijschermen. Bloemen klein.
Aantal soorten .r>, voornamelijk in tropisch Amerika voorkomend,
doch waarvan óéne, 6. tomentosa Kuut/i, in alle tropische gewesten,
ook in Nederlandsen Indie, waarschijnlijk altijd gekweekt, gevonden
wordt.
45. BTJETTNERIA /,.
Kelkbladen 5, aan de basis vergroeid. Bloembladen 5,
met hollen nagel, daarna omgebogen en aan de rugzijde tot
eene 3—5-spletige plaat verlengd, terwijl de top met de
helmdradenzuil vergroeid is. Meeldraden vergroeid tot eene
vleezige buis, welke 5 meeldraden tegenover de bloem-
bladen en 5 staminodiën tegenover de kelkbladen draagt;
helmknoppen 2-bokkig, naar buiten openspringend. Eier-
stok zittend, 5-hokkig; hokjes tegenover de bloembladen,
met 2 eitjes; stijl gaaf of 5-spletig. Doosvrucht kogel-
vormig, schotverbrekend , 5-kleppig; kleppen loslatend van
de centrale as; hokjes 1-zadig. Zaden klimmend, zonder
kiemwit; zaadlobben gevouwen om het naar boven gerichte
kiemworteltje; pluimpje gelobd.
Kruiden, boomen of heesters, vaak klimmend, niet zel-
den gestekeld. Bladeren verschillend. Bloemen klein, in
herhaaldelijk vertakte, okselstandige of eindelingsche
schermvormige bijschermen.
Omstreeks 4.r> soorten, grootendeels in tropisch Amerika voorko-
mende; ongeveer een tiental soorten in tropisch Azië en Afrika;
3 in Nederlandsen Indië.
16. OOMMERSONIA Forst.
Kelk 5-spletig. Bloembladen aan de basis breed, uit-
gehold, met eene lintvormige plaat. Meeldraden 5, tegen-
over de bloembladen; helmkuoppen min of meer kogel-
9
-ocr page 190-
130
XXII. STEKCULIACEAE.
vormig, 2-hokkig; hokjes uiteen wijkend, Staminodiën 5,
tegenover de kelkbladen, laneetvormig. Vruchtbladen 5,
tegenover de kelkbladen, vergroeid; stijlen vergroeid;
eitjes 2—6. Doosvrucht hokverbrekend, 5-kleppig, met
borstelige haren bedekt. Zaad klimmend, kiemwithoudend
met een kiempropje; zaadlobben plat; kiemworteltje
naast den navel.
Boomen of\' heesters. Bladeren enkelvoudig, schuin. Bloei-
wijze in bijschermen, eindelingsch, okselstandig of tegen-
over de bladeren.
Omstreeks 8 soorten, ile meesten in Australië, 2in Nederlandsen
Indië, (.\'. echinata Forst, en C platyphylla. Andr., de laatste ook
op Malakka.
\\1. LEPTONYCHIA Turet.
Kelkbladen 5, in den knop klepswijze aaneensluitend, bijna
tot de basis vrij. Bloembladen 5. evenzoo klepswijze aaneen-
sluitend, kort, rond en hol. Meeldraden van onderen tot eene
buis vergroeid, van boven vrij; helmdraden in 3 rijen. De
buitenste rij wordt gevormd door 10—15 lintvormige sta-
minodiën tegenover de bloembladen, de middelste door
10 vruchtbare meeldraden, ook tegenover de bloembladen
en de binnenste door 5 korte, vleezige, prieinvormige
staminodiën tegenover de kelkbladen; helmknoppen lijn-
langwerpig, aan de binnenzijde geplaatst, doch zijdelings
openspringend. Eierstok zittend, 3—4-hokkig; zaadlijsten
asstandig; stijlen vergroeid; stempel 3-spletig; talrijke
eitjes in elk hokje, anatroop. Doosvrucht 2—3-hokkig of
door mislukking 1-hokkig, schot- of hokverbrekend open-
springend of beiden te gelijker tijd of onregelmatig. Zaden
zwart, met vleezigen, oranjekleurigen zaadrok; kiemwit
vleezig; zaadlobben plat, bladaehtig; kiemworteltje naar
boven gericht.
Heesters of boomen. Bladeren enkelvoudig, gaafrandig.
Bloemen in bijschermen, okselstandig.
Aantal soorten \',i a 4, in liritsch en Nederlandsen Indië en in
tropisch Afrika. Dit geslaelit, door BENTHAM en llooKr.lt lnjdeT7/i\'-
aeeae geplaatst, wordt door Mastkks tot de Sterculiaceue gebracht.
In Malakka komt /.. tieumimtta Maal., in Nederlandsen Indië L.
glabra Turcz. voor.
De laatste soort was door K.URZ als een afzon-
-ocr page 191-
XXIII. TILIACEAE.                                131
derlijk geslacht Binnendykia beschreven, (II. trichoatyUs Kurz),
nadat zij door Miquel onder de Meliarear in het geslacht Turraea
geplaatst was. (T. trichoatylis Miq.)
Fam. xxiil. TILIACEAE.
Bentham et Hooker, Gen. Plant. I. p. 228. — Kurz in Journ.
nf Au. Sdc.
XXXIX. Part. 2. p. 07. — Maxwell Masters in Hook.
Flora of Bril. hul. I. p. 303.
Bloemen regelmatig, twee-of éénslachtig. Kelkbladen 3—5,
vrij of vergroeid, in den knop klepswijze aaneensluitend.
Bloembladen evenveel als kelkbladen, zelden ontbrekend,
dakpanswijze dekkend of klepswijze aaneensluitend.Meeldra-
den talrijk, zelden in bepaald aantal, gewoonlijk op een
hoogen en breeden bloembodem ingeplant, vrij of soms
5-broederig; helmdraden draadvorinig; helmknoppen 2-
bokkig. Eierstok vrij, 2—10-hokkig; stijlen zuilvormig
of in even zoovode takken verdeeld als er hokjes in den
eierstok zijn; stempels meestal vrij, zelden ineenvloeiend
of zittend. Eitjes aan den binnenhoek der hokjes vastge*
hecht; als zij gering in aantal zijn dikwijls van den top
nederhangend of van de basis klimmend, als zij talrijker
zijn in 2 of meer rijen, anatroop; zaadnerf buikstandig
of zijdelingscn. Vrucht vleezig of droog, al of niet open-
springend, 2—10 —, of door mislukking 1-hokkig (hokjes
vaak door valsche schotten gedeeld; vruchtbladen gemak-
kelijk te scheiden of steeds vereenigd.) Zaden 1 of talrijk,
klimmend, hangend of dwars, zonder zaadrok; zaadhuid
lederachtig of bros, soms behaard; kiemwit vleezig, in groote
of geringe hoeveelheid, zelden ontbrekend; kiem recht of
licht gekromd; zaadlobben bladachtig, zelden vleezig;
kiemworteltje naast den navel.
Boomen, heesters of kruiden. Bladeren afwisselend,
zelden tegenovergesteld, enkelvoudig of gelobd. Steun-
blaadjes vrij, meestal afvallend. Bloemen meestal in bij-
schermen, welke soms alleen, soms tot tuilen of pluimen
vereenigd in de bladoksels of aan de toppen der takken
staan.
Aantal geslachten 40, soorten omstreeks 350, over alle deelen
dei\' wereld verspreid, voornamelijk in de warme gewesten.
-ocr page 192-
132
XXIII. TILIACEAE.
OVERZICHT HER GESLACHTEN.
Series A. HOLOPETALAE. Bloembladen knal of zelden donsachtig, ge-
kleurd, dun. genageld, gaal\'of bijna gaaf, dakpanswij ze dekkend
of gewonden in den knop. Ilelinknoppen kogelvormig of langwerpig,
met spleten openend.
Tribus I. Krnvt\'Illowicnc. Kelkbladen tot een klokvormigon.
\'.i—5-spletigen kelk vergroeid. Ilelinknoppen kort. vaak kogelvormig
of 2-lobbig, met aan den top samenvloeiende bokjes.
-J- Staminodiên 5.
1.   BROWNI.OWIA. Vrije, tweekleppige, kogelvormige vruchten.
2.   Pkntaok. Niet openspringende, éénzadige vrucht met 5
vleugels.
•J-J* Staminodiên ontbrekend.
3.   OiiARTAC AI.YX. Vrucht onbekend.
Tribus II. <« ren\'il\'IIO. Kelkbladen vrij. Bloembladen met een
honiggroefje aan «Ie basis. Meeldraden aan den top van een verhoog-
den bloembodem. Helmknoppen kort, met evenwijdige bokjes.
§ Vrucht zonder stekels, kaal of viltachtig.
4.    Grewia. Kogelvormige, omgekeerd eironde of gelobde
steenvrucht.
5.   COLUMBIA. Vrucht 3—5-vleugelig, in li—!"> hokjes, elk met
2 vleugels uiteenvallende.
(>. DlPLOPHRACTim. Vrucht niet openspringend, 5-vleugelig.
Steunblaailjes met bultjes, het eene borsteldragend, 2-lobbig,
het andere gaaf rand ig.
Sj§ Vrucht met stekels of boesiels.
7.   Triumfetta. Kleine kogelvormige vrucht, niet openspringend
of in hokjes uiteenvallend.
Tribus III. Tilieae. Kelkbladen vrij. liloembladen zonder honig-
groefje, onmiddellijk om de meeldraden ingeplant.
8.   Corchorus. Kelk na den bloei niet vergroot. Doosvrucht
hauwvorinig. Zaden niet gewimperd. Kruiden.
9.   Trichospkrmi\'m. Kelk na den bloei niet vergroot. Doosvrucht
loodrecht op het tusschenscbnt sainengedi ukt, met een korten,
dikken vleugel aan den top. Zaden lang gewimperd. ltoom.
10.   Sciioütenia. Kelk na den bloei zeer vergroot, vliezig met
uitstaande lobben. Doosvrucht kogelvormig. Zaden niet gewim-
perd. Hoorn.
Series B HETEROPETALAE. liloembladen kelkbladachtig, ingesneden
of ontbrekend, in den knop klepswijze aaneensluitend en dubbel ge-
vouwen of dakpanswijze dekkend, doch niet ineengedraaid. Helm-
knoppen lijnvormig, door eindelingsche poriën openende.
Tribus IV. Slouilicut\'. Meeldraden op een vlakken of kusseu-
vormigen bloembodem,, onmidilellijk dooi kelk-en bloembladen omgeven.
-ocr page 193-
133
XXIII. TILIACEAE.
11.   ËCHINOCARPUS. Doosvrucht mot stekels of horstcis. Bloem-
11l;iilf• m in 2 tijen in den knop dakpanswijze dekkeiul.
Tribus V. Elaeocavpeae. Meeldradeti op eon verhoogden
bloembodem, aan welks basis do bloembladen zijn ingeplant.
12.   Elakocarpus. Steenvrucht. Bloembladen i—5, omgevou-
wen, in den knop klepswijze aaneensluitend.
1. BEOWNLOWIA Roxb.
Kelk klokvormig, onregelmatig (of regelmatig) 3—5-
spletig. Bloembladen 5, zonder klieren. Meeldraden tal-
rjjk, vrij, op een verhoogden bloembodem. Staminodiën 5,
binnen de meeldraden, tegenover de bloembladen en bloem-
bladachtig. Helmknoppen nagenoeg kogelvormig. Eierstok
5-hokkig; elk hokje met 2 eitjes; stijlen priemvormig,
een weinig vergroeid doch gemakkelijk loslatend. Vrucht-
bladen reeds spoedig uiteenwijkend, bij rijpheid geheel
vrij, nagenoeg kogelvormig, dik, 2-kleppig, 1-zadig. Zaad
zonder kiemwit; zaadlobben dik, vleezig.
Boomen met stervormige haren of schubben bekleed.
Bladeren gaafrandig, aan de basis 3—5- en vinnervig.
Grroote eindelingsche pluimen of kleinere in de oksels der
hoogste bladeren.
Aantal soorten 3, in tropisch Azië, waarvan 2, B. argentata
Kun
en B. elata Ham., in Nederlandsril Indië.
2. PENTAOB Hassk.
Kelk klokvormig, onregelmatig 3—5-spletig. Bloem-
bladen 5, zonder klieren. Meeldraden talrijk, op een slechts
weinig verhoogden bloembodem, somtijds 5-broederig.
Staminodiën 5, tegenover de kelkbladen. Helmknoppen
nagenoeg kogelvormig; stuifmeel kogelvormig met 3 po-
riën. Eierstok 5-hokkig, elk met 2 eitjes; eitjes hangend;
zaadnerf naast de zaadlijst. Vrucht droog, niet opensprin-
gend, 3—5-vleugelig, door mislukking 1-hokkig, 1-zadig.
Zaad kiemwithoudend.
Boomen. Kruidachtige deelen zachtharig of beschubd,
ten slotte kaal. Bladeren gaafrandig, lederachtig, 3—5-
nervig. Bloemen talrijk, klein en in eindelingsche pluimen.
Aantal soorten 3, waarvan 2 op Malakka en 1, P. potyantha
Jlassk.,
op Java.
-ocr page 194-
184
XXIII. TII-IACEAE.
3. CHARTACALYX Mast.
Kelk klokvormig, 5-lobbig; lobben klepswijze aaneen-
sluitend, in grootte toenemend, gekleurd. Bloembladen
ontbrekend. Meeldraden talrijk, vrij, ontspringend aan
den top van een korten stamperdrager; helmknoppen
langwerpig, 2-hokkig; hokjes evenwijdig, zijdelingsch, in
de lengte openspringend. Staminodiën ontbrekend. Eier-
stok gesteeld, 5-liokkig; zaadlij sten asstandig; stijlen op-
eengedrongen; stempels 5, lijnvormig, teruggebogen; eitjes
2 in elk hokje, naast elkander, hangend, bijna aan den
top der zaadlijst vastgehecht. Vrucht onbekend.
Boom, met afwisselende, 1-nervige, enkelvoudige bla-
deren. Pluim eindelingsch, met weinige bloemen.
Eéne soort op Malakka en Borneo, C. accresrens Muxl.
4. G-REWIA L.
Kelkbladen vrij. Bloembladen 5, met honigklieren aan
de basis, soms ontbrekend. Meeldraden talrijk op een
verhoogden bloembodem. Staminodiën ontbrekend. Eier-
stok 2—4-hokkig; hokjes tegenover de bloembladen, elk
met 2 eitjes; stijl priemvormig; stempel kort, gelobd.
Steenvrucht vleezig of vezelachtig, gaaf of 2—4-lobbig;
1—4 kernen, met 1—2 zaden en valsche tusschenschot-
ten tusschen de zaden. Zaden klimmend; kiemwit vleezig,
zelden ontbrekend; zaadlobben plat.
Boomen of heesters, min of meer stervormig-zachtharig.
Bladeren gaafrandig, 1—9-nervig. Bloemen okselstandig,
in gering aantal of talrijk en in pluimen.
Omstreeks 60 soorten, grootendeels in de tropische gewesten
tehuis behoorende, waarvan 24 in Nederlandsen Indië. Men onder-
scheidt de volgende secties der in tropisch Azië voorkomende soor-
ten: 1. Grewia, 2. Omphacarpus, 3. Microcos. De laatsten waren
door Korthals en Linnaels als geslachten beschreven.
5. COLTJMBIA Pers.
Kelkbladen 5, vrij. Bloembladen 5, om de basis van
den weinig verhoogden bloembodem ingeplant, van binnen
met een honiggroefje. Meeldraden talrijk, vrij, op een weinig
verhoogden, van buiten gegolfden en viltachtigen bloem-
bodem ingeplant. Eierstok J5—5-hokkig, elk met 2—4 eitjes;
-ocr page 195-
135
XXIII. TIUACEAE.
stijl priemvormig, nagenoeg onverdeeld. Doosvrucht rond-
achtig, van buiten 3-vleugelig, schotverbrekend, in 3—5 dee-
len splijtend; hokjes niet een vleugel aan weerszijden, (daar
de vleugels der doosvrucht zich in bladen splitsen), niet
openspringend, 1-zadig. Zaden kiemwithoudend, meestal
klimmend; zaadlobben plat.
Boomen. Bladeren gezaagd. 3-nervig. Bloemen in bij-
schermen, tot eindelingsche pluimen vereenigd.
Aantal soorten 5, in tropisch Azië: iu Nedeiïandseli ludië: C.
Javanica lil.
en C. Celebica BI.
(>. DIPLOPHRACTUM Desf.
Kelkbladen 5, vrij. Bloembladen 5, aan de basis met
een schubje, om de basis van een verhoogden bloem-
bodem ingeplant. Meeldraden 5, op den weinig verhoog-
den, van buiten 5 klieren dragenden, bloembodem, vrij.
Eierstok 5-hokkig, elk hokje met talrijke eitjes; stijl
draadvormig; stempel 5-tandig. Doosvrucht kogelvormig,
viltaehtig, niet openspringend, met 5 loodrechte vleugels,
veelzadig, met valsche tusschenschotten tusschen de zaden.
Zaden horizontaal.
Heester of boom. Bladeren smal, zeer schuin aan de
basis, aan den top gezaagd, van onderen viltig. Steun-
blaadjes bladachtig, met bultjes, het eene 2-lobbig, bor-
steldragend, het andere gaat\'. Weinige bloemen in oksel-
standige, bijna zittende bijschermen.
Kéne soort op .lava, I). auriculatitm Desf.
7. TRITJMFETTA L.
Kelkbladen 5, vrij, langwerpig, hol. Bloembladen 5,
met klieren of honiggroefjes aan de basis. Meeldraden
5—35, op een vleezigen, van buiten 5 klieren dragenden ,
bloembodem. Eierstok 2—5-hokkig; elk hokje met 2
eitjes; stijl draadvormig; stempel 5-tandig. Doosvrucht
kogelvormig of langwerpig met doorns of borstels, niet open-
springend of met 3—6 kleppen. Zaden, 1—2 in elk hokje,
hangend, kiemwithoudend; kiem recht; zaadlobben plat.
Kruiden of halfheesters, min of meer met stervormige
haren bezet. Bladeren gezaagd, enkelvoudig of gelobd.
Bloemen in dichte bijschermen.
-ocr page 196-
lUfi
XXIII. TILIACEAE.
Omstreeks W zeer varieerende soorten, in alle tropische gewes-
ten verspreid. 12 of 1U in Nedeilandsch Indie. Bentham en IIookkr
brengen hiertoe ook Hi.umk\'s geslacht Porpa (/\'. repen» lil.)
8. CORCHORUS /..
Kelkbladen 4—5. Bloembladen 4—5, zonder klieren.
Meeldraden vrij, in onbepaald aantal of zelden in het
dubbele aantal van de bloembladen, op een weinig ver-
hoogden bloembodem. Eierstok 2—6-hokkig; stijl kort;
stempel napvormig. Doosvrucht verlengd, dun of min of
meer kogelvormig, glad of gestekeld, hokverbrekend 2—5-
kleppig, soms met dwarse schotten. Zaden talrijk, kiem-
withoudend, hangend of horizontaal; kiem gekromd.
Kruiden of half heesters, min of meer bedekt met zachte,
stervormige haren. Bladeren enkelvoudig. Bloemstengels
okselstandig of tegenover de bladeren, 1 — 2-bloemig. Bloe-
men klein, geel.
Aantal soorten ongeveer 35, in «Ie tropische streken meestal wijd
verspreid; in Nederlandscli Indië 3, deels wild, deels gekweekt.
9.   TRIOHOSPERMUM Hl.
Kelkbladen 5, dik. Bloembladen 5, zonder klieren aan
de basis. Meeldraden oc , vrij, op eene gekartelde schijf
ingeplant; helmknoppen langwerpig, bewegelijk. Eierstok
2-hokkig; elk hokje met talrijke eitjes; stijl nagenoeg
geheel ontbrekend; stempel bijna zittend, min of meer
uitgerand. Doosvrucht 2-hokkig, loo.drecht op het tus-
schenschot samen gedrukt, hard, aan den top in een kor-
ten, dikken, vliezigen vleugel verbreed, hokverbrekend,
half tweekleppig met talrijke zaden. Zaden lens- of kogel-
vormig, met broze zaadhuid, aan de randen lange wim-
pers vertoonende; kiemwit vleezig; zaadlobben cirkel-
vormig, plat.
Boom. Bladeren gaafrandig. Bloemen klein, in kleine
okselstandige bijschermen.
Aantal soorten 2, ééne op de Fiji-eilanden en ééne op Java. De
laatste, T. /avanicum BI., werd door Miqiki. tot de Flacourtianeae
(Bixaceae)
gebracht.
10.   SOIIOUTENIA Korth.
Kelkbladen 5, aan de basis vergroeid, na den bloei
vergroot, blijvend. Bloembladen 5, lijnvormig, korter dan
-ocr page 197-
XXIII. TIUACEAE.                                137
de kelk, aan de basis naakt. Meeldraden oc , op een niet;
verhoogden bloembodem ingeplant, min of meer in één
rij, vrij; helmknoppen kort langwerpig, min of meer
opgericht. Eierstok 8—5-hokkig, elk hokje met 2 eitjes;
stijl priemvormig; stempel 3—5-spletig. Doosvrucht kegel-
vonnig, door den vleezigen, stervormig-uitstaanden kelk
omgeven, door mislukking 1-liokkig, 1-zadig. Zaad min
of meer kogelvormig, klimmend, met dunne zaadhuid;
kiemwit vleezig; zaadlobben breed, met ingerolde randen.
Boom, met stervormige haren bekleed. Bladeren schuin,
aan den top gezaagd, 3—5-nervig. Korte okselstandige
bijschermen.
Eéne soort in <len Maleischen Archipel, .S\'. ovaln Korlh.
11. ECHINOCARPTJS BI.
Kelkbladen 4, dakpanswijze dekkend. Bloembladen 4,
breed, driespletig aan den top. Meeldraden talrijk, vrij,
op eene dikke schijf ingeplant; helmknoppen lijnvormig,
met eene eindelingsche porie openende. Eierstok 3—4-
hokkig; hokjes met talrijke eitjes; stijl priemvormig. Doos-
vrucht leder- of houtachtig, met stekels of borstels, 3—4-,
of door mislukking 1-hokkig. Zaden soms één, soms in
gering of groot aantal, hangend, eivormig; zaadhuid been-
achtig, glanzend; kiemwit vleezig; zaadlobben breed, plat.
Boomen. Bladeren enkelvoudig, met boogvormige aderen.
Bloemstengels okselstandig, 1-bloemig, alleenstaand of in
bundels. *
Aantal soorten 7, 1 in Australië, 5 in Britsch-Indie, 1 op .fava,
E. Siynn lil.
\\i. ELAEOCARPTJS /..
Kelkbladen 5, vrij. Bloembladen 5, gewoonlijk in
slippen verdeeld aan den top, zelden gaafrandig, aan den
buitenkant van eene kussenvormige, dikwijls in 5 klieren
verdeelde schijf. Meeldraden gewoonlijk in onbepaald aantal,
nooit minder dan 10, aan de binnenzijde van de schijf
ingeplant en min of meer in groepen vereenigd, welke
tegenover de bloembladen geplaatst zijn en met de klie-
ren van de schijf afwisselen; helmknoppen onbewegelijk
aan den top der helmdraden, lijnvormig, met eene ein-
delingsche opening. Eierstok zittend, 2—5-hokkig; elk
-ocr page 198-
138                                     XXIV. LINACEAE.
hokje met 2-x eitjes; stijl zuilvonnig. Steenvrucht met
eene meestal geknobbelde, beenachtige kern, die 3—5-
(door mislukking 1-) bokkig is. Zaden hangend, 1 in
elk hokje; kiemwit vleezig; zaadlobben plat.
Boomen. Bladeren enkelvoudig, Bloemen meestal twee-
slachtig, zelden tweehuizig, in okselstandige trossen.
Omstreeks 50 soorten, eenige weinigen in Australië, doch de
ineesten in tropiscli Azië. Ongeveer de lielft komt in Nederlandsch
Imlië voor. Behalve onder den naam Elaeocarpus vindt men /.e
ook beschreven onder de namen Monoceras en Monocera Jack, Ace-
ratium I) C.. Ganitrus Gaerln.f. en Acronodia lil.
Fam. xxiv. LINACEAE.
Bentham et Hooker, Gen. Plant. I, p, \'242. —Miq. Illttstr. dela
Flore de l\'Arch. Ind.
p. 67.
Bloemen regelmatig, tweeslachtig. Kelkbladen 5, zelden
4, vrij of van onderen vergroeid, in den knop dakpans-
wijze dekkend. Bloembladen evenveel, hypogynisch of een
weinig perigynisoh. meestal afvallend, dikwijls ineenge-
draaid. Meeldraden 4—5, met evenveel daartusschen ge-
plaatste staminodiën, of 8—10, zelden meer; helmdra-
den draadvormig, aan de basis vereenigd tot een hy-
pogynischen, zelden perigynischen ring; helmknoppen be-
wegelijk, 2-hokkig. Klieren 5, gaaf of 2-lobbig, gewoon-
lijk met de meeldradenbuis vergroeid; of niet sterk ont-
wikkeld. Eierstok ongelobd, 3—5-bokkig; stijlen 8—5,
vrij of min of meer vergroeid; stempels eindelingsch;
eitjes 1 of 2, in den binnenhoek der hokjes, anatroop,
hangend. Steenvrucht of vleezige of houtachtige doosvrucht,
welke zich, schotverdeelend, in 8—5 hokjes splitst.
Zaden 1—2, in elk hokje; zaadhuid soms gevleugeld;
kiemwit vleezig of ontbrekend; kiem nagenoeg even
lang als het zaad, recht, zelden gekromd; zaadlobben
breed; kiemworteltje naar boven gericht.
Kruiden of heesters. Bladeren gewoonlijk afwisselend,
enkelvoudig, gaafrandig, zelden gekarteld, gezaagd; steun-
blaadjee zijdelingsch, binnen den bladsteel of ontbrekend.
Bloeiwijze verschillend.
Aantal geslachten \'li, soorten omstreeks 135, in alle luchtstreken.
-ocr page 199-
XXIV. LINACEAE.                                    139
OVERZICHT BEU GESLACHTEN.
Tribus I. Hngonieae* Bloembladen in den knop ineengedraaid,
afvallend. Steenvrucht.
1.   IIuoonia. Kelkhladen puntig, kruidachtig, viltachtig, zonder
schutblaadjes.
2.   KniTniKRiA. Kelkhladen stomp, vliezig of lederachtig, met
in don knop dakpanswijze «lekkende schutblaadjes.
Tribus II. Erythroxyleae. Bloembladen in den knop dakpans*
wijze dekkend. Steenvrucht.
3.   Ebythroxyi.on. Illoeuibladen met een dubbel schubje.
Tribus lil. IxoiianlIm\'im\'. Bloembladen in den knop ineen-
gedraaid. Schotverdeelende doosvrucht,
4.   SarcüTIIKCA. Stijlen vrij.
5.   Ixonanthes. Stijlen tot aan den top vergroeid.
1. HUGONIA L.
Kelkbladon 5. Bloembladen 5, in den knop inecngo-
draaid, afvallend. Meeldraden 10, hypogynisch, van onde-
ren tot een ring vergroeid met kliervormige zwellingen
tusschen de helmdraden. Eierstok 5-hokkig; stijlen 5,
draadvormig, stempels knopvormig; eitjes 2, naast el kan-
der in elk hokje. Steenvrucht kogelvormig. Zaden samen-
gedrukt, kiemwithoudend; kiem recht of licht gekromd;
zaadlobben plat.
Klimmende, vaak viltachtig behaarde heesters. Blade-
ren afwisselend, gezaagd, met steunblaadjes. Bloeiwijze
verschillend; bloemen geel; onderste bloemstengels tot
spiraalvormige haken vervormd.
Aantal soorten (>, volgens BENTHAM en HOOKER, in Britsch liulië
en op Sumatra. Volgens MlQUEL werden op Sumatra 2 soorten
gevonden, II. coslula Mi<i., en II. Swnatrana Miq.
2. ROTJCHERIA Planch.
Kelkbladen 5. Bloembladen 5, hypogynisch, in den
knop ineengedraaid, afvallend. Meeldraden 10, alle vrucht-
baar; helmdraden van onderen vergroeid tot eene korte
buis. Klieren weinig ontwikkeld. Eierstok 3—5-hokkig;
stijlen 3—5, draadvormig; stempels wigvormig, 2-lobbig;
eitjes 2 naast elkander. Steenvrucht weinig vleezig,
bijna kogelvormig; kern 3—6-hoekig, beenachtig; hokjes
-ocr page 200-
140
XXIV. UNACEAE.
1—2-zadig. Zaden samen gedrukt, hangend; kiemwitmin
of moer vleezig; kiem met bladachtige zaadlobben en
een verlengd kiemworteltje.
Rechtopstaande of klimmende hoornen of heesters met
omgekrulde houtachtige ranken. Bladeren geheel gaaf of
klierachtig gezaagd, lederachtig, vinnervig; steunblaadjes
klein, afvallend. Bloemen okselstandig, geel, bijna zittend
of in uiterst korte, bundels wij ze vereenigde aren; bloem-
stelen met schutblaadjes.
Aantal soorten :i of l, volgens Hook. Flora of Brit. /»>\'. I,
l>. 443, waarvan 2 in tropisch Amerika en I of \'2 in Malakka en
«Ion Mnleisc.lieii Archipel. Vroeger werd hiertoe iloor Miqi\'KT. ook
Ifi.i mk\'s geslacht Sarcotheca {S. nmcrophylla BI.) gebracht: later
kwam deze hiervan terug. IIoOKER beschouwt deze soort als iden-
tiek mei II. Griffithii l\'lnnch., welke op Malakka voorkomt. Wan-
neer dit het geval is en en de Amerikaansche soorten met de Azi-
atische tot hetzelfde geslacht moeten gerekend worden, vervalt
Sarcotheca. Zoo echter blijkt dat wel de soort van Malakka, maar
niet die van den Maleisehen Archipel lot Roucheria behoort, moeten
beide geslachten behouden blijven.
:<. BRYTHROXYLON L.
Kelkbladen 5, zelden 6, vrij of vergroeid. Bloembladen
5, hypogynisch, afvallend, met een rechtopstaand dubbel-
gevouwen, van voren vaak 2-lobbig, schubje aan den
binnenkant, in den knop dakpanswijze dekkend. Meel-
draden 10, zelden 12; helmdraden vereenigd tot eene al
of niet klierdragende buis. Eierstok 3-, zelden 4-hokkig;
stijlen 3, zelden 4, vrij of vergroeid, (het laatste bij alle
Indische soorten); stempels knopvormig; 1 , zelden 2,
eitjes in elk hokje. Steenvrucht 1-hokkig, 1-zadig. Zaden
met eene dunne zaadhuid; kiemwit niet altijd in dezelfde
hoeveelheid, soms ontbrekend; kiem recht; zaadlobben
planconvex; kiemworteltje kort.
Heesters of kleine hoornen, meestal geheel kaal. Bla-
deren afwisselend, geheel kaal, vaak in twee rijen ;steun-
blaadjes binnen den bladsteel, dikwijls dakpanswijze
dekkend, op korte, onontwikkelde, bladerlooze takken.
Bloemen okselstandig, klein, wit of paarsch, alleenstaand
of in bundels; bloemstelen met schutblaadjes.
Aantal soorten omstreeks 50, waarvan een 40-tal in Amerika, de
overigen in tropisch Afrika, Australië en Azië. Kéne soort, E. Su-
-ocr page 201-
XXIV. UNACEAE.                                    141
malranum Miq., ook beschreven als E. retusitm Zo//., komt in den
Maleisclien Archipel voor. De Amerikaansche E. Cont /,.. welke do
Cocaïne levert, wordt thans op vele plaatsen gekweekt.
4. SARCOTHECA UI.
Kelkbladen 5. Bloembladen 5, in den knop ineenge-
draaid. Meeldraden 10, alle met helmknoppen, aan
de basis kruikvormig vergroeid. Eierstok 5-hokkig; in
elk hokje 2 eitjes, boven elkander; stijlen 5, vrij, met
eindelingscbe, weinig verbreede stempels. Besvormigo
doosvrucht, aan den top met 5 spleten schotverdeelend
openspringend. Eén zaad in elk hokje (waarvan echter
vele mislukken) samengedrukt; kiemwit vleezig; kiem
schuin; zaadlobben bladachtig; kiemwortelrje kort.
Heester met 4-kantige takken. Bladeren afwisselend,
lederachtig, vinnervig, geheel en al gaafrandig. Oksel-
standige en eindelingscbe, lange, vertakte trossen, alleen-
staand of in bundels. Kleine, zeer kort gesteelde bloemen.
Eéne soort in den Maleischen Archipel, S. mucrophijlla JU. Deze
soort door Miquel in zijne Flora met liet Amerikaansche geslacht
Roucheria vereenigd, verschilt daarvan, volgens latere onderzoe-
kingen van dezen auteur (lllimtr. p. 7(C) niet alleen door het voor-
komen . de nervatuur en de bloeiwijze. maar ook door de nieel-
draden, die weinig in lengte verschillen, door het ontbreken van
de hypogynisrhe klieren, door de stempels, die bij Roucheria
bijna knopvormig zijn en dooi\' den bouw der vrucht, bij Sarcotheca
eene vleezige doosvrucht, bij Roucheria eene steenvrucht met 3—5-
bokkige steenkern.
5. IXONANTHES Jack.
Kelkbladen 5—6, kort, vergroeid aan de basis. Bloem-
bladen 5—6, perigynisch, in den knop ineengedraaid ,
blijvend, om de vrucht verhard. Meeldraden 10—20, aan
de buitenzijde van eene perigynische, ring- of nap-
vormige, geen klieren dragende schijf. Eierstok vrij, 5—6-
hokkig; hokjes soms in 2 afdeelingen gescheiden; stijl
enkelvoudig; stempel knopvormig, gelobd; 2 eitjes in elk
hokje. Doosvrucht leder- of houtachtig, langwerpig of
kegelvormig; schotverdeelend; vruchtbladen naar bin-
nen openspringend. Zaden gevleugeld of met een mijter-
vorinigen zaadrok; kiemwit vleezig; kiem zijdelingsch;
zaadlobben bladachtig; kiemworteltje naar boven gericht.
Boomen. Bladeren afwisselend, gaaf of gekarceld-ge-
-ocr page 202-
142
XXV. MALPIGHIACEAE.
zaagd, netvormig geaderd; steunblaadjes klein of ontbre-
kend. Kruidachtige deelen onbehaard, bij het drogen
zwart wordend. Bloemen klein, in okselstandige, uit bij-
schermen gevormde, diehotomiseh vertakte pluimen.
Aantal soorten (> of K, alle in tropisch Azië, hoofdzakelijk in
Malakka en op Sumatra. Het geslacht is in Nederlandsen Indië
alleen op Sumatra vertegenwoordigd en wel met 3 soorten. 1.
icosandra
.lurk, I. petiolaris BI. en /. reticulata Jack. Hij MlQUEL
en anderen weid de
geslachtsnaam Ixionanthes geschreven. De heide
eerstgenoemde soorten zijn dooi\' Br.UME onder den naam Pierotia
beschreven.
Fam. xxv. MALPIGHIACEAE.
Bentham et Hooker, Gen. Plant. I, p. 247.
Bloemen tweeslachtig, al of niet regelmatig. Kelk
meestal 5-deelig; slippen in den knop dakpanswijze dek-
kend of klepswijze aaneensluitend, ï of meer, met eene
groot.e klier (bij eenige Indische geslachten klein of ontbre-
kend). Bloembladen 5, al of niet genageld , dikwijls in fijne
slippen verdeeld, in den knop dakpanswijze dekkend.
Schijf onduidelijk. Meeldraden 10, hypogynisch of min of
meer perigyniseh, gelijk of een of meer grooter dan de
anderen; helmdraden vrij of van onderen vergroeid; helm-
knoppen 2-lobbig. Eierstok ;5-hokkig; stijlen 1—3, recht
of spiraalvortnig opgerold; stempels knop- of puntvormig
of zijdelingsch; één eitje in elk hokje; poortje naar
boven gericht; zaadnerf buikstandig. Eén of meer vleu
gelvruchten (bij de Indische geslachten). Zaden zonder
kiemwit; kiem recht of gebogen; kiemworteltje naar
boven gericht.
Boomen of heesters, vaak klimmend. Bladeren (bij de
Indische geslachten) tegenovergesteld, geheel gaaf; steun-
blaadjes klein of ontbrekend. Bloeiwijze okselstandig of
eindelingsch; bloemsteeltjes op de bloemstengels geleed,
meestal met 2 sehutblaadjes aan de basis. Bloemen van
gemiddelde grootte of klein, wit of geel, zelden roodgeel
of blauw.
Aantal geslachten 50, soorten omstreeks 600, hoofdzakelijk in
tropisch Amerika, slechts weinig vertegenwoordigd in Afrika en Azië.
-ocr page 203-
XXV. MALPIGHIACEAE.                               143
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Tribus I. ItailisterieiM\' (Xolopleri/tiirni1). Vleiigelvriichten inet
een hreoden vleugel aan tien rug on zonder vleugels aan de zijden.
1. Ryssopterys. Kolk zonder. klieren. Steunblaadjes zeer groot.
Bloemen in tuilen.
Tribus \'2. IlirciH\' (Pleuroptpri/i/ip/tr). Vleugelvrucht met l{ of
meer vleugels of door één ronden, viiezigen vleugel omgeven.
\'2. Tkistki.i.atkia. Klieren van den kelk zeer klein of ontlire-
kend. Eén stijl, (zelden \'2 of 3). Vrucht niet vele smalle vleugels,
die sterswijze uitstaan.
\',i. HlPTAGE. Kelk met ééne klier, die met den bloemsteel
vergroeid is. Eén stijl. Vrucht niet 3 vleugels.
4. Aspiiioptervs. Kelk zonder klieren. Drie stijlen. Vrucht met
één ronden, viiezigen vleugel.
I. RYSSOPTERYS lil.
Bloemen vaak door mislukking éénslachtig. Kelk zon-
der klieren, 5-deelig. Bloembladen ter nauwernood gena-
geld. Meeldraden 10; helnidradeii draadvorinig, aan de
basis verdikt, tot eene urn vergroeid, kaal of behaard;
helmknoppen zonder aanhangsels, kaal of behaard. Eier-
stok 3-lobbig, 3-hokkig, langharig; stijlen 3, dun, ge-
bogen, niet een knopvormigen stempel. Vleugelvruchten
1—3, aan de zijden met wratjes bezet en aan den top
een vleugel dragende, die aan den bovenvoorkant verdikt
is. Zaad langwerpig, met vliezige zaadhuid; kiem dun,
een weinig gebogen.
Heesters, met windende, dunne stengels. Bladeren tegen-
overgesteld, gaafrandig, van onderen met klieren aan den
rand; met dunne bladstelen, welke aan den top 2 klieren
drogen; steunblaadjes zeer groot. Bloeiwijze eindelingseh
of schijnbaar okselstandig, tuilvormig; bloemstelen van
boven verdikt, geleed met de bloemstengels, welke aan de
basis 1 schutblad en aan den top 2 schutblaadjes dragen.
Schutbladen in den knop dakpanswijze dekkend. Bloe-
men wit.
Omstreeks (i soorten in Australië en tropisch Azië, waarvan i
in Nederlandsen Indië.
\'2. TRISTELLATEIA Thouar*.
Kelk 5-deelig, zonder of niet kleine klieren. Bloeni-
bladen 5, genageld. Meeldraden 10; helmdraden stijf,
-ocr page 204-
144                              XXV. MALPIüHIACEAE.
afgeknot en geleed aan den top; helmknoppen puntig.
Eierstok 3-lobbig; stijlen 1—3, dun, 1 of meer tot
wratten verkleind. Rijpe vruchtbladen 3, elk met 3 of
meer vleugels, eene stcrvoruiige vrucht vormende. Zaad
omgekeerd eivormig; zaadhuid vliezig; zaadlobben vleezig,
haakvormig.
Houtachtige klimplanten. Bladeren tegenovergesteld of
in kransen; bladstelen met 1—2 klieren. Bloemen geel in
eindelingsche of zijdelingsche trossen.
Omstreeks K soorten in tropisch Afrika, Azië on Australië. Fn
Nederlandsch Indië alleen T. Atistralasicn Hich.
3. HIPTAGE Gaertn.
Kelk 5-deelig, met ééne groote klier, die tegen den
bloemsteel is aangegroeid. Bloembladen 5, genageld,
ongelijk, zijdeachtig behaard, gewoonlijk wit, maar één
anders gekleurd. Meeldraden 10, neergebogen, één
veel grooter dan de anderen; helmdraden, aan de basis
vergroeid. Eierstok 3-lobbig; lobben met aanhangsels;
stijlen, 1 (zelden 2) draadvormig en aanvankelijk spiraalvor-
mig opgerold en 1 of 2 andere, rudimentair;stempel knop-
vormig, later afgeknot. Vleugelvruchten 1—3, elk 3-of 2-
vleugelig. Zaden min of meer kogelvormig; zaadlobben
dik, ongelijk.
Klimmende of min of meer opgerichte heesters. Bla-
deren tegenovergesteld, geheel en al gaaf, lederachtig,
zonder klieren of aan de onderzijde met eene rij uiteen-
staande, binnen den rand geplaatste klieren; steunblaad-
jes ontbrekend. Trossen eindelingsch of okselstandig,
enkelvoudig of samengesteld; bloemstengels opgericht,
met één schutblad, geleed met de twee schutblaadjes dra-
gende bloemsteeltjes.
Aantal soorten .r>, in tropisch Azië; in Nederlandsch Indie H.
Sfadablota Gaertn.
4. ASPIDOPTERYS A. Juss.
Kelk kort, 5-deelig, zonder klieren. Bloembladen 5,
ongenageld, uitgespreid of teruggebogen, geheel gaafran-
dig. Meeldraden 10; lielmdraden vrij of aan de basis
vergroeid. Eierstok 3-lobbig; lobben plat op den rug, doch
-ocr page 205-
145
XXVI. ZYGOPHYLLACEAE.
zijdelings gevleugeld; stijlen 3, kaal; stempels knop-
vormig. Vleugelvruchten 1—3, door een breeden, vliezigen
vleugel omgeven, soms in het midden met een korten
kam. Zaden langwerpig rolrond; zaadlobben recht, gelijk;
kiemworteltje kort.
Klimmende heesters. Bladeren gaafrandig, gesteeld,
zonder klieren of steunblaadjes. Pluimen (zelden trossen),
okselstandig of eindelingsch; bloemstengels tot schermen
of trossen bijeengevoegd, met één schutblad aan de basis
en 2 schutblaadjes in het midden of\' aan den top; bloem-
steeltjes meestal dun. Bloemen klein, wit of geel, reu-
keloos.
Aantal soorten 15, in tropisch Azië. Mii)l;Et. vermeldt 2 soorten
van Nederlandsen lndiü , A. plliptica Juss. en A. tomentosa Jiiss.
Fam. xxvi. ZYGOPHYLLACEAE.
Bentham et IIooker, Gen. Plant. I, p. 2I>2. — EDGEWOBTH et Hookeu
in Hooker, Fl. of Bril. [ml. I, p. 422.
Bloemen tweeslachtig, al of niet regelmatig, wit, rood
of geel, zelden blauw. Kelkbladen 5, zelden 4, vrij of
zelden vergroeid aan de basis, in den knop dakpanswijze
dekkend, zelden klepswijze aaneensluitend. Bloembladen
4—5, zelden ontbrekend, hypogynisch, vrij , in den knop
dakpanswijze dekkend of ineengedraaid, zelden klepswijze
aaneensluitend. Schijf bol of terneergedrukt, zelden ring-
vormig of ontbrekend, zonder klieren. Meeldraden in
gelijk of dubbel, zelden driemaal het aantal van de
bloembladen, aan de basis van de schijf ingeplant, dik-
wijls om den andere langer; die tegenover de bloembladen
aan de basis met deze vergroeid; helmdraden dikwijls
met een schubje; helmknoppen bewegelijk, in de lengte
openspringend. Eierstok zittend, zelden op een korten
stamperdrager, met voren, hoeken of vleugels, 4—-5-,
zelden 2—12-hokkig; stijl enkelvoudig; stempels 5 of
één schijfvormige stempel; eitjes 2 of meer, meestal
draadvormig, hangend of klimmend; zaadnerf buikstandig
met een naar boven gericht poortje. Vrucht (bij de Indi-
10
-ocr page 206-
146
XXVI. ZYGOPHTLLACEAE.
sche geslachten) uit gedoomde dopvruehtjes gevormd of
eene doosvrucht. Zaden in elk hokje 1, zelden 2 of meer;
kiemwit gering, zelden ontbrekend; kiem even lang als
het zaad, groen, recht, zelden gebogen; zaadlobben lang-
werpig, dik of bladachtig; kiemworteltje zeer kort, recht,
naar boven gericht.
Kruiden (bij de Indische geslachten), vaak met geleede
takken. Bladeren tegenovergesteld, 2—3-tallig of gevind,
met steunblaadjes; blaadjes gaafrandig, niet gestippeld.
Steunblaadjes 2, blijvend, soms doornachtig. Bloemsten-
gels 1—2, meestal in de oksels der steunblaadjes, zonder
(zelden met 2) schutblaadjes.
Aantal geslachten 17, soorten omstreeks 100, hoofdzakelijk tropisch.
De familie behoort in den Maleischen Archipel eigenlijk niet
tehuis; de weinige soorten, die men er aantreft, zijn waarschijnlijk
ingevoerd.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
-J- Zaden niet. kiemwithoudend.
1.     Tribulus. Bloembladen 5. Meeldraden 10. Vrucht uit
meestal doornachtige dopvruehtjes gevormd. Bladeren evengevind.
•j-J- /aden kiemwithoudend.
2.   Zygophyllum. Bloembladen 4—5. Meeldraden 8—10. Eitjes
asstandig boven elkander, liladeren enkelvoudig of tweetallig.
3.    Faoonia. Bloembladen 5. Meeldraden 10. Eitjes 2, aan
de basis der hokjes, naast elkander. Bladeren 1—3-tallig.
1. TRIBULUS. L.
Kelkbladen 5, afvallend of blijvend, in den knop
dakpanswijze dekkend. Bloembladen 5, afvallend, uiteen-
gespreid, in den knop dakpanswijze dekkend. Schijf ring-
vormig, 10-lobbig. Meeldraden 10, ingeplant op de basis
van de schijf, 5 langere tegenover de bloembladen, 5
kortere met eene kleine klier aan den buitenkant; helm-
draden draadvormig, naakt. Eierstok zittend, ruigharig,
5—12-lobbig, 5—12-hokkig; hokjes tegenover de bloem-
bladen; stijl kort, pyramide- of draadvormig; stempels
5—12, eitjes 1—5 in elk hokje, boven elkander. Vrucht
5-hoekig, uit 5—12 gevleugelde of gedoomde en met
wratjes bezette dopvruehtjes samengesteld. Zaden schuin
hangend; zaadhuid vleezig; Idem zonder kiemwit; zaadlob-
ben eirond; kiemworteltje kort.
-ocr page 207-
147
XXVI. ZYGOPHYI.LACKAE.
Vertakte en nederliggende kruiden, meestal zijdeachtig
behaard. Bladeren tegenovergesteld, meestal ongelijk, even-
gevind, met steunblaadjes. Bloemen alleenstaand, wit of
geel, aan schijnbaar okselstandige bloemstengels.
Omstreeks 15 soorten, waarvan enkelen in de meeste tropische
gewesten worden aangetroffen. In Nederlandsch Indië ééne variëteit,
T. terrestris L. var. Moluccanus BI., door Decaisne als eene soort,
T. Moluccanus, beschreven.
\'2. ZYGOPHYLLÜM. L.
Kelk 4—5-deelig, blijvend of afvallend, in den knop
dakpanswijze dekkend. Bloembladen 4—5, genageld,
dakpanswijze dekkend en ineengedraaid. Schijf vleezig,
hoekig, napvormig of hol. Meeldraden 8—10, op de schijf
ingeplant, langer dan de bloembladen; helmdraden draad-
vormig, met een schubje aan de basis; helmknoppen lang-
werpig. Eierstok zittend op de schijf, 4—5-hoekig, 4—5-
hokkig (zelden 2—3-hokkig), in een hoekigen stijl over-
gaand; stempel klein; eitjes 2-oo boven elkander; zaadnerf
vrij of vergroeid. Vrucht met 4—5 kanten of vleugels,
niet openspringend of schotverdeelend, in 5 dopvruchtjes
uiteenvallend, of hokverbrekend, 5-kleppig, waarbij de
binnenste wandlaag soms loslaat. Zaden 1 of veel in elk
hokje, hangend; zaadhuid bros; kiemwit gering; zaad-
lobben langwerpig.
Kleine heesters of nederliggende kruiden. Bladeren vlee-
zig, tegenovergesteld, enkelvoudig, 1- of 2-tallig; steun-
blaadjes 2, vaak doornachtig. Bloemstengels 1- of 2-bloemig,
tusschen de steunblaadjes alleenstaand of twee aan twee.
Bloemen wit of geel, vaak met eene purperen vlek aan de
basis.
Aantal soorten 50, in het oostelijk halfrond, voornamelijk in
Australië en aan de Kaap de Goede Hoop. Enkele soorten zijn ver
verspreid, en misschien ook in Nederlandsch Indië te vinden.
3. FAGONIA. L.
Kelkbladen 5, afvallend, en in den knop dakpanswijze
dekkend, even als de 5 genagelde bloembladen. Schijf
weinig ontwikkeld. Meeldraden 10, op de schijf ingeplant;
helmdraden draadvormig, zonder schubje; helmknoppen
langwerpig. Eierstok zittend, 5-hoekig, 5-hokkig, in een
-ocr page 208-
148                              XXVII. GERANIACEAE.
priemvormigen stijl overgaand; stempel enkelvoudig; eitjes
2, naast elkander aan de basis van elk hokje, hangend aan
klimmende zaadstrengen. Vrucht ö-hoekig, uit 5 éénzadige
splitvruchtjes gevormd, die langs den buiknaad opensprin-
gen, terwijl de hoornachtige binnenwand loslaat. Zaden
opgericht, samengedrukt, breed langwerpig; zaadhuid slijm-
achtig; kiemwit hoornachtig; zaadlobben breed, plat eirond.
Vertakte, houtachtige kruiden. Bladeren tegenoverge-
steld, 1—3-tallig, gaaf\'randig niet stekelpuntjes; steun-
blaadjes gewoonlijk doornachtig. Bloemstengels gewoonlijk
alleenstaand tusschen de steunblaadjes.
Aantal als soorten beschreven vormen ongeveer 30, doch volgens
BENTHAM en HOOKER zouden hiervan slechts 2 of 3 als soorten
kunnen onderscheiden worden. Zij komen voornamelijk voor in de
omgeving «Ier Middellandsehe Zee, van waar zij zich oostelijk ver-
spreiden: eenige soorten in Zuid Afrika en Xoord en Zuid-West
Amerika. Of zij in den Maleischen Archipel voorkomen, is zeer
onzeker. Eéne soort, door MlQUEL in zijne Flora beschreven, F.
monlana Miq.,
is volgens Clarke, in Hook. Fl. of Br. Intl. III,
p. 620, eene soort van Azima Lam. of Monetia l\'Hér. uit de
familie der Salvadoraceae. {A. telracantha Lam.)
Fam. xxvii. GERANIACEAE.
Bentham et Hooker, Gen. Plant. I, p. 260. — MiquEL, TUustr.
de la Flor,\' de l\'Arcli. bid. p. 92 en 104.
Bloemen tweeslachtig, regelmatig of onregelmatig. Kelk-
bladen 5, zelden minder, vrij of zelden tot het midden
vergroeid, in den knop dakpanswijze dekkend of zelden
klepswijze aaneensluitend, het achterste dikwijls gespoord.
Bloembladen evenveel of door mislukking minder of ont-
brekend, hypogynisch of min of meer perigynisch, op
verschillende wijzen in den knop dakpanswijze dekkend,
zelden ineengedraaid. Bloembodem ter nauwernood tot
eene schijf uitgebreid, met 5 klieren, die met de bloem-
bladen afwisselen of zonder klieren, in het centrum van
den eierstok tot aan de inplanting der eitjes verlengd of
zelden vlak. Meeldraden in het dubbel, zelden in het
driedubbel aantal der kelkbladen of in gelijk aantal als
deze en afwisselende met meeldraden, welke of geen helm-
-ocr page 209-
XXVII. GERANIACEAE.                               149
knoppen hebben of rudimentair zijn of in de onregeb
matige bloemen niet isomeer met deze; helnidraden soms
vrij en draadvormig, maar meestal aan de basis verbreed
of kort tot een ring vergroeid; helmknoppen bewegelijk,
2-hokkig, bijna zonder helmbindsel, met evenwijdige, in
de lengte openspringende hokjes. Eierstok 3—5-lobbig,
3—5-hokkig of zelden 2-deelig. Vruchtbladen tot aan de
aanhechting der eitjes met de as vergroeid, van boven
nu eens verlengd tot een snavel, die op den top de stijlen
draagt of tot vrije, of min of meer verbonden stijlen, die
aan den top de stempels dragen, dan weder gekroond
door groote aan de basis kort verbonden stempels; stern-
pels knop-, lint- of lijnvormig. Eitjes nu eens in elk
hokje 1 of 2 dicht bijeen, boven elkander hangend, met
een naar boven gericht poortje en eene buikstandige zaad-
nerf of dwars met eene zijdelingsche zaadnerf of, waar
de bloembodem vlak is, 1 opstijgend eitje met een naar
onder gericht poortje; dan weder doch zeldzamer x>,
in 1 of 2 rijen, horizontaal of hangend. Vrucht nu eens
eene 3—5-lobbige doosvrucht, of met 1-zadige lobben
(vruchtkluisjes), welke naast de as schotverbrekend openen
en, de zaden medenemende, zich naar boven tot den
snavel elastisch oprollen of met 2-cc -zadigc hokjes, welke
aan de rugzijde hokverbrekend openspringen, terwijl de
kleppen bjj eenigen om de as verbonden blijven en bij
anderen van deze elastisch wegspringen, waarbij de
zaadlijst aan de as verbonden blijft; dan weder in 3—5
niet openspringende, harde splitvruchtjes van do as los-
latend of zelden besvormig, niet openspringend (of zeer
laat hokverbrekend openspringend) met talrijke zaden.
Zaden hangend, horizontaal of klimmend, meestal zonder
zaadrok; zaadhuid vliezig of zelden min of meer korst-
achtig; kiemwit weinig of ontbrekend, zelden dik en
vleezig. Kiem recht of gekromd, dikwijls groen; zaad-
lobben plat, plat-bol of op verschillende wijzen gevouwen,
bladachtig of meestal dik, zelden dik-vleezig; kiemworteltje
nu eens kort en recht, naar den navel gericht, dan weder
langer en gebogen of meestal op de zaadlobben liggend.
Kruiden, soms windend, half heesters of heesters, zelden
boomen, kaal of dikwijls met eene klierachtige, zachte
beharing bekleed. Bladeren tegenovergesteld of afwisselend,
-ocr page 210-
150                               XXVII. GERANIACEAE.
meestal mot 2 steunblaadjes, getand, gelobd, ingesneden
of samengesteld, zelden enkelvoudig en gaafrandig. Bloem-
stengels soms okselstandig, 1-bloemig of met talrijke,
scherniswijze bijeenstaande bloemen, zelden bijschermen
of trossen dragend. Bloemen meestal groot. Kelkbladen
blijvend, zelden afvallend. Bloembladen op verscbillende
wijzen gekleurd, meestal afvallend, zelden stijfvliezig en
blijvend.
Aantal soorten 7">0. in tic gematigde en subtropische landstreken
verspreid, in gering aantal tusschen de keerkringen.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Tribus I. Oxalideile liladereu samengesteld (hij Dapatlia en-
kelvoudig). Bloemen regelmatig. Kelk niet gespoord. Meelilraden 10,
of 5 ineeldraden en 5 staminodiën.
•j" Kruiden. Hokverbrekende doosvrucht,
I. Oxai.Is. Kleppen der doosvrucht aan de as verbonden blij-
vend. liladereu 3—oo -tallig.
\'2. BlOPHYTÜM. Kleppen der doosvrucht tot aan de basis van de
as loslatend, liladereu gevind.
\\ Booiuen o/ heesters. Vleezige vrucht.
\'S. Averrhoa. MeeUlraden 5 en staminodiën 5 of ineeldraden
10. Eitjes talrijk, liladereu gevind.
i. ConnaroI\'sis. Meeldraden 10. Eitjes 2 in elk hokje. Blade-
ren 1—3-tallig.
5. Dapania. Meeldraden 10. Eitjes 1 in elk hokje. Bladeren
enkelvoudig.
Tribus 11. Balsamineae. Bladeren enkelvoudig: bloemen onre-
gelmatig. Kelk gespoord. Meeldraden 5.
I). [MPATIENS. Zijdelingsche bloembladen paarswij/.e vergroeid.
Doosvrucht.
7. HydroCERA. Zijdelingsche bloembladen vrij. Vleezige vrucht.
1. OXALIS L.
Kelkbladen 5, in den knop dakpans wij ze dekkend.
Bloembladen 5, hypogynisch, ineengedraaid. Schijf zonder
klieren. Meeldraden 10, vrij of aan de basis vereenigd,
alle met helmknoppen. Eierstok 5-lobbig, 5-hokkig; stij-
len 5, vrij; stempel eindelingsch, knopvormig, 2-spletig
of in slippen verdeeld; eitjes 1 of meer in elk hokje.
Doosvrucht hokverbrekend openspringend; kleppen aan
de as verbonden blijvend. Zaden met eene vleezige om-
-ocr page 211-
151
XXVII. GERANIACEAE.
kleeding, die elastisch openspringt; zaadhuid bros; kiem-
wit vleezig; kiem recht.
Kruiden. Bladeren wortelstandig of afwisselend met of
zonder steunblaadjos, samengesteld, meestal 3-tallig. BI00-
men aan okselstandige, 1-of meer bloemige bloemstengels,
regelmatig.
Omstreeks \'200 soorten, hoofdzakelijk in Zuid Amerika en Zuid
Afrika tehuis behoorende; enkelen zijn echter in alle luchtstreken
verspreid. Behalve de bijna overal voorkomende O. cornicul-ata L.,
vindt men in Nederlandseh ludië O. Javanica BI.
\'2. BIOPHYTUM ÜC.
Kelkbladen 5, lancetvormig, toegespitst. Bloembladen
5. Meeldraden 10; helmdraden vrij, de 5 buitensten korter
dan de binnensten. Stijlen 5; stempels uitgerand of 2-
slippig aan den top. Boosvrucht eivormig of langwerpig
of min of meer kogelvormig, hokverbrekend openspringend,
met 5, soms tot aan de basis uitgespreide kleppen. Zaden
als bij Oxalis.
Eén-, zelden meerjarige kruiden met enkelvoudige of
vertakte stengels. Bladeren evengevind, in bundels of
kransen aan den top van den stengel; blaadjes tegen-
overgesteld, schuin; bladsteel gezwollen aan de basis.
Bloemstengels eindelingsch, met in een scherm geplaatste
kleine, gele, zelden purperen bloemen.
Aantal soorten omstreeks 20, in tropisch Azië, Afrika en Amerika.
Dooi\' BENTHAM en HoOKER is dit geslacht, dat door De Candolle
van Oxalis was afgescheiden, er weder mede vereenigd. In H00-
KER\'s Flora of British India wordt het weder als een afzonder-
lijk geslacht beschouwd. Vele soorten zijn daarom onder den naam
van Oxalis beschreven; o. a. de beide soorten van Nederlandsch
Indië, B. sensitivutn BI. (O. Reinwardtii Xucc.) en B. fruticosum
BI.
(O. Blumei Zucc.)
3. AVERRHOA /,.
Kelkbladen 5, in den knop dakpanswijze dekkend.
Bloembladen 5, in den knop ineengedraaid. Meeldraden
10, aan de basis vereenigd, waarvan 5 soms zonder
helmknoppen; stijlen 5, vrij; stempels knopvormig; talrijke
eitjes in elk hokje. Langwerpige, 5-lobbige besvrucht.
Zaden naakt of met een zaadrok; kiemwit gering, vlee-
zig; kiem recht.
-ocr page 212-
152
XXVII. GERANIACEAE.
Boomen. Bladeren afwisselend, zonder steunblaadjes,
onevengevind met tegenovergestelde blaadjes. Bloemen
klein, regelmatig, in okselstandige of op oudere takken
geplaatste, tot pluimen vereenigde bij schermen.
Aantal sooilcn \'.i of 4. waarvan er \'2 in allo tropische gewesten
gekweekt worden, .1. Carambola 1.. en .1. BUintbi L. De laatsten
zijn waarschijnlijk uit Amerika, waar pene. wilde soort gevonden wordt,
door de PortUgeezen in Indie ingevoeld.
i. CONNAROPSIS Planch.
Kelkbladen 5, in den knop dakpanswijze dekkend, aan
de basis vergroeid. Bloembladen 5, in den knop dakpans-
wijze dekkend. Meeldraden 10; helmdraden aan de basis
vereenigd, om den andere korter. Eierstok 5-kantig, 5-
hokkig; stijlen 5, pricmvormig; stempels puntig; eitjes
2 in elk hokje. Vrucht vleezig, 5-lobbig.
Boomen of heesters. Bladeren 1—3-tallig; blaadjes
lederachtig, gaafrandig met dikke nerven, 3-nervig aan
de basis. Bloemen klein, regelmatig, in eindelingsche en
okselstandige, tot pluimen vereenigde bijschermen.
Aantal soorten \'.i. in Malakka en den Maleischen Archipel, C. m<»w-
l>lii)lln Planch., C. Griffithii Planch.
en C diversifolia Kun; de
laatste soort, welke op Suniatra voorkomt, werd vroeger door MlQUEL
tot het geslacht Rourea in de familie der Connaraceae gebracht.
5. DAPANIA Korlli.
Bloemen regelmatig. Kelkbladen 5, in den knop dak-
panswijze dekkend, aan de basis tot eene buis vergroeid.
Bloembladen 5, hypogynisch, in den knop dakpanswijze
dekkend. Meeldraden 10, de grootsten aan de basis met
een 2-spletig schubje. Vruchtbladen min of meer ver-
groeid, door een korten, puntigen stempel gekroond, elk
met 1 eitje. Vleezige, 5-lobbige vrucht met 5 diepe voren.
Zaden door een in slippen verdeelden, min ofmeer2-lip-
pigen zaadrok bedekt; kiemwit vleezig; kiem min of meer
gekromd, met ovale, aan de basis hartvormige zaadlobben;
kiemworteltje dicht bij den navel.
Kleine boom. Bladeren afwisselend, enkelvoudig, lang-
werpig-eirond, lederachtig; bladsteel in het midden ge-
leed. Bloemen in okselstandige aarvormige trossen.
Eéne soort, op Sumatra voorkomende. 1). racemosa Korlli.
-ocr page 213-
XXVII. GERANIACEAE.                            153
R. IMPATIENS L.
Kelkbladen 3, zelden 5, in den knop dakpanswijze
dekkend; do 2 voorsten, wanneer zij aanwezig zijn, zeer
klein; de 2 zijdelingse!]en klein, plat, gewoonlijk groen;
het achterste bloembladachtig tot cene holle spoor ver-
lengd. Bloembladen 3 (of 5), het voorste, dat in den knop
het buitenste is, groot, de zijdelingschen 2-lobbig, elk uit
2 vergroeiden gevormd. Meeldraden 5; helmdraden kort,
breed; helmknoppen samenhangend. Eierstok langwerpig,
5-hokkig; stempel zittend, 5-tandig, of 5 kleine stompels;
eitjes talrijk, 1-rjjig in elk hokje. Ilokverbrekondo doos-
vrucht ; kloppen 5, elastisch loslatende van de zaadhjsten
dragende as. Zaden glad of met wratten, kaal of harig;
kiemwit ontbrekend; kiem recht. Kruiden, zelden heester-
achtig aan de basis. Bladoren tegenovergesteld of afwisse-
lend, soms in kransen, soms allo wortelstandig, enkelvoudig,
zonder steunblaadjes of met kliervormige steunblaadjes aan
de basis van den bladsteel. Bloemen in bloemschachtcn
of aan okselstandige of eindelingsche, 1—2- of co -bloemige
bloemstongels op dunne bloemsteoltjes. Bloemen meestal
groot, pnrperkleurig, gooi, rooskleurig of wit, dikwijls door
het gewicht van de spoor omgekeerd, zoodat deze schijn-
baar den voorkant dor bloem inneemt.
Omtrent 150 soorten in do bergstreken van tropisch Azië, verder
in Amerika, Europa, Noord Azië en Afrika. Een twintigtal soorten
werd in Nederlandsen [ndië aangetroffen.
7. HYDROCBRA BI.
Bloomen onregelmatig. Kelkbladen 5, gekleurd, dak-
panswijze dekkend; de tweo buitensten (of zijdelingschen)
plat; het achterste tot eene korte, holle spoor verlengd.
Bloembladen 5, het voorste (of buitenste) zeer groot, hol.
Meeldraden 5; helmdraden kort, plat; helmknoppen licht
samenhangend om den stamper. Eierstok 5-hokkig; stempels
5, zittend; eitjes 2—3 in elk hokje. Steenvrucht met bcenach-
tige kern, welke afgeknoten 5-hokkig is; elk hokje 1-zadig.
Zaden gekromd, ineongekroukt; kiemwit ontbrekend; zaad-
lobben plat-bol, dik; kiemworteltje kort, naar boven gericht.
Een kaal, rechtopstaand moeraskruid met smalle, afwis-
selendc bladeren. Bloemen ten getale van 1 of 2 aan
korte okselstandige bloemstengels.
Eéne soort in tropisch Azië, II. triflora U\'. el .1.
-ocr page 214-
154
XXVIII. RUTACEAE.
Fam. xxvm. RUTACEAE.
Bentham et Hooker, Gen. Plant. I, p, 27K. —Miquel, Ann.
Mus. Hot. Luad, Bat.
I, p. 211; III, p. 89 on 242. — Hooker,
Flora of Brit. Ind. I, p. 484. — Scheffer in Nat. Tijdschr. v. Ned.
hul.
XXXI. p, lil en in .1//». du Juni. Bot. de Buit. I, p. 11.
Bloemen tweeslachtig, gemengdslachtig of tweehuizig;
bij de Indische geslachten regelmatig. Kelk uit 4—5 kleine
lobben of kelkbladen gevormd. Bloembladen 4—5, hypo-
gynisch (in de Indische geslachten), in den knop kleps-
wijze aaneensluitend of dakpanswijze dekkend. 5leeldra-
den 4—5 of 8—10, zelden 6 of meer dan 10; helmdra-
den meestal vrij, hypogynisch; helmknoppen 2-hokkig,
naar binnen openende. Schijf binnen do meeldraden ge-
legen , gekarteld of gelobd, soms groot of lang. Eierstok
uit 4—5 vrije of vergroeide vruchtbladen gevormd, met
evenveel stijlen, welke vrij of op verschillende wijzen ver-
eenigd zijn en eindelingsche gave of gelobde stempels;
eitjes meestal 2 in elk hokje (bij eenige Aurantieae cc).
Doosvrucht, bes of steenvrucht of 1—4 openspringende
splitvruchtjes. Zaden meestal 1 in elk hokje; zaadhuid
verschillend; kiemwit vleezig of ontbrekend; kiem recht
of gekromd; kiemworteltje naar boven gericht.
Boomen of heesters, zelden kruiden, meestal met door-
schijnende klieren, welke met olie gevuld zijn. Bladeren
tegenovergesteld of afwisselend, enkelvoudig of samenge-
steld zonder steunblaadjes. Bloemen in okselstandige oi
eindelingsche bij schermen of pluimen, nooit in aren, meestal
tweeslachtig en regelmatig.
Omstreeks 83 geslachten en 650 soorten, voornamelijk in tro-
pische gewesten, doch oen groot aantal in Zuid Afrika en Australië.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Tribus I. Itlitcac. liloenion tweeslachtig, meestal 4—5-tallig.
Itloembladen en meeldraden vrij, uitgespreid. Schijf vrij, «lik. Eitjes
3 of meer. Kiemwit dik. Kiem vaak gekromd. Kruiden, aan de basis
heesterachtig. Bladeren afwisselend, vaak gevind.
1. Boenninghausenia. Bloembladen 4. Meeldraden (>—8. Eier-
slok gestoeld.
Tribus II. X;i lil ho v,> lcao. lire sters of boomen. Bloemen meestal
tweehuizig. Bloembladen en meeldraden vrij, uitgespreid. Eitjes 2, boven
of naast elkander. Eierstok diep 2—5-lobbig; stijlen basis-of buikstan-
dig, meer of minder vrij: vruchtbladen elkander ten slotte loslatend.
-ocr page 215-
155
XXVIII. RUTACEAE.
2. Kvoiiia. Bladeren tegenovergesteld. Meeldraden \'t—5. Open-
springende splitvrnchtjes. Ongewapende heesters.
I!. TETRACTOMIA. Bladeren tegenovergesteld. Meeldraden 4, met
4 staminodiën, tegenover de bloembladen. Openspringende split*
vrachtjes. Ongewapende heesters.
4.    ZantMOXVI.on. Bladeren afwisselend. Bloembladen 3-5.
Meeldraden 3—ö. Split \\ i lichtjes I!—5, min of meer kogelvormig,
meestal 2-kleppig openspringend. Bladeren gevind. Heesters of
boomen, dikwijls doornachtig.
5.   Melanococca. Bladeren afwisselend. Bloembladen 5—C>.
Meeldraden evenveel. Steenvruchten 1—4, niet openspringend.
Bladeren gevind.
(>.. I.t\'nasia. Bladeren afwisselend. Bloembladen 3, aan de basis
dakpanswgze dekkend, doch aan den top klepswyze aaneensluitend.
Meeldraden 3. Splitvruchtjes 3. Ongedoornde heesters tnetenkel*
voudige, groote bladeren. lïloeiwij/.e met schubjes bekleed.
Trihus lil. Totldalieae. Heesters of boomen. Bloemen meestal
gemengdslachtig-twechuizjg. Eierstok gaaf: stijl enkelvoudig; hokjes
met 1—2 eitjes. Vruchtbladen geheel vergroeid. Zaad kiemwithoii-
dend; zaad lobhen meestal plat.
7.   Toddalia. Stam gewoonlijk gestekeld. Bladeren samengesteld.
Bloembladen 2—5. Meeldraden evenveel.
8.    ACRONYCHIA. Stam zonder stekels. Bladeren i—3-tallig.
" Bloembladen \'t. Meeldraden 8.
Tribus IV. Altrailt ifllf Heesters of hoornen. Bloemen twee-
slachtig. Bloembladen en meeldraden vrij of volgroeid. Eierstok gaaf:
stijl enkelvoudig; hokjes met l—oe eitjes. Vrucht meestal sappig.
Zaden /.onder kiemwit.
•J- In elk hokje 1 of 9 eitjes.
S Stijl zeer kort, blijvend.
0. Gi.vcosmis. Kelk 5-deelig. Meeldraden 10, vrij. Eén eitje in
elk hokje van den eierstok. Ongedoornde boomen of heesters.
Bladeren 1—3-tallig of gevind.
§§ Stijl aan de basis met iten eierstok geleed, afvallend.
a. Bladeren drietallir/ of ijevind.
10.   MlCROHELUM. Kelk ÏVlobhig of gaaf. Bloembladen klepswijzo
aaneensluitend. Kitjes 2 in elk hokje, boven elkander. Zaadlobben
bladachtig, gevouwen en incengodraaid. Ongedoornde boomen.
Bladeren gevind. Eindelingsche tuilen.
11.   Thifiiasia. Kelk 3-lobbig. Meeldraden (>. Eén eitje in elk
hokje. Gedoomde heester, met 3-tallige bladeren en bijna alleen-
staande bloemen.
12.    LmONIA. Kelk 4—5-lobhig of -.leelig. Meeldraden 8—10.
Gedoomde heesters of kleine hoornen. Bladeren 3—8-tallig.
13.   Ml\'RHAYA. Kelk 5-spletig of -deelig, in den knop dakpans-
-ocr page 216-
156
XXVIII. RUTACEAE.
wij/p dekkend. Meeldraden II), van onderen priem-lijnvormig.
Ongedoornde boomen of heesters. Hinderen gevind. Beschermen
eindelingsch. Zaadlobben vleezig, plat-bol.
14.   (\'i.ai.\'skxa. Kelk 4—5-lobbig of-deelig. Meeldraden 8—10;
tielmdraden van onderen verbreed. Zaadlobben vleezig, plat-bol.
15.   Lpvunga. Kelk napvormig. Meeldraden 8—10. Gedoomde
heesters niet \'.}—8-tallige bladeren. Zaadlobben vleezig.
/3. Bladeren enkelvoudig (fénbtadig gevind).
111. I\'ARAMIGNVA. Kelk \'f—5-lohhig of gaaf. Meeldraden 8—10;
helmknoppen lijnvorinig-langwerpig. Schijf zuilvormig. Al of niet
gedoomde, soms klimmende heesters.
17.    Atai.antia. Kelk 3—5-lobbig of onregelmatig gespleten.
Meeldraden 8—10, vrij of vergroeid: helmknoppen eivormig of
hartvorinig-langworpig. Schijf napvormig. Hoornen of heesters,al
of niet gedoomd.
-[- -[- In elk linkje, talrijke eitjes.
18.   Gitrus. Meeldraden \'20—60, vaak vergroeid. Eierstok veel-
hok kig. Bladeren enkelvoudig (éénbladig gevind),
10. I\'icuoma. Meeldraden 10—12. Eierstok onvolkomen 5—6-
hokkig. Bladeren onevengevind.
\'20. Aegle. Meeldraden 30— 00. Eierstok 8—oo-hokkig. I3lade-
ren 3-tallig.
I. BOENNING-HATJSENIA Reich.
Kelk kort, 4-lobbig, bljjvend. Bloembladen 4, omge-
keerd eivormig, gaafrandig, in den knop dakpanswijze
dekkend. Schijf urnvormig, aan den top klieraehtig ge-
karteld. Meeldraden 6—8, aan do basis dor schijf inge-
plant, bij afwisseling langer en korter; helmdraden priem-
vormig; helmknoppen langwerpig. Eierstok kort of lang
gesteeld, diep 4-lobbig, aan de basis versmald; lobben
vrij, éénhokkig; stijlen 4—5, aan de buikzij de geplaatst
en met elkander vergroeid; stempel enkelvoudig; eitjes
6—8 in elk hokje, vastgehecht aan zaadlijsten, die van
het midden van het hokje naar beneden hangen. Split-
vruchtjes 4, vrij, uiteenstaand, vliezig, aan de buikzijde
openbarstend, met weinige zaden. Zaden niervormig, met
eene korrelige, zwarte zaadhuid; kiemwit vleezig; kiem
boogvormig gekromd.
Kruid, klieraehtig gestippeld, met overblijvenden wortel
en dunnen vertakten stengel. Bladeren afwisselend, dub-
bel gevind, met vleezige, gaafrandige blaadjes. Einde-
lingsche, samengestelde pluim met bladachtige schut-
-ocr page 217-
XXVIII. RUTACEAE.                                  157
bladen aan de pluimtakken en draadvormige bloem-
steeltjes. Bloemen wit.
Eéne soort, B. albiflora liricli., welke in tic bergen van Khasia
en Sikkim en in Japan aangetroffen wordt. Door Teysmann werd z\\j
op «Ion berg T.awoe op .lava gevonden, lilijkons een exemplaar in
\'s Hijks Herbariuin i:; liet dezelfde soort, die door Jt\'Niun\'HX als een
nieuw geslacht, Podostaurus. is beschreven. (P. thalictroides Jutujh.).
i. EVODIA Forst.
Bloemen éénslachtig. Kelkbladen 4—5, in den knop
dakpanswijze dekkend. Bloembladen 4—5, zittend, in den
knop klepswijze aaneensluitend of licht dakpanswijze
dekkend. Meeldraden 4—5, aan de basis van de schijf
ingeplant; helmdraden priemvormig; helmknoppen lang-
werpig. Eierstok diep 4-lobbig, 4-hokkig; stijl basilair;
stempel 4-lobbig; eitjes 2 in elk hokje, naast of\' boven
elkander. Vrucht gevormd door 4 lederachtige, 3 kleppige,
1-zadige splitvruchtjes; binnenste wandlaag hoornachtig,
elastisch loslatend. Zaden langwerpig; zaadhuid beenhard
of bros, glanzend; navel lijnvormig; kiemwit vleezig; kiem
recht; zaadlobben eirond.
Ongedoornde boomen of heesters. Bladeren tegenover-
gesteld, enkelvoudig of 1—3-tallig of onevengevind, ge-
heel gaafrandig. Bloemen klein, in okselstandige, pluim-
vormige bijschermen.
Omstreeks 22 soorten in tropisch Azië, de Stille Zuidzee, de Oost-
Afrikaansche eilanden en Australië. In Nederlandsch Indië komen
7 a 8 soorten voor, deels beschreven als Evodia, deels als Phila-
gonia
BI. (Pli. sambucina lil. = /•.\'. Ho.i-hiii-(jliiniiii licnlli.), deels als
Fagara Lam. en Zanthoxylum /.. (/•\'. triphyUa Lam. = /.
Zeylanicum I) C. (Mii/.) = E. triphylla I) (\'<., X. lucidum Mig. =
E. lucidn Miq.
etc.)
:i. TETEAOTOMIA Hook.f.
Kelk klein, 4-deelig. Bloembladen 4, driehoekig-eirond,
puntig, blijvend, klepswijze aaneensluitend. Schijf breed,
klieracbtig, plat of kussenvormig, stomp, 4-hoekig.
Meeldraden 8, 4 volkomen ontwikkeld en met de bloem-
bladen afwisselend, 4 kleiner met onvolkomen of zonder
helmknoppen, tegenover de bloembladen en gedeeltelijk
met deze aan de basis vergroeid; helmdraden priemvor-
mig, aan de basis afgeplat; helmknoppen 2-lobbig, aan
-ocr page 218-
158
XXVIII. RUTACEAE.
de rugzijde vastgehecht. Eierstok in het midden der
schijt\' weggedoken, 4-hokkig, met 4 naar buiten gerichte
lobben; eitjes 2 in elk hokje, naast elkander. Vrucht
gevormd door 4 lederachtige, zijdelings samengedrukte,
langwerpige, 2-zadige splitvruchtjes, welke, terwijl de
hoornachtige binnenste wandlaag gedeeltelijk loslaat, aan
de buikzijde openbarsten. Zaden vastgehecht aan de
basis der vruchtjes en bestaande uit eene kleine kern met
een breeden, langwerpigen, stompen, vliezigen vleugel;
kiem onbekend.
Boomen of heestors. Bladeren tegenovergesteld, gesteeld,
éénbladig gevind, lederachtig, gaafrandig, gestippeld.
Bloemen klein, in okselstandige, vertakte bijschermen.
Aantal soorten 3, T. nwjua Hook.f. en T. Rootoirghii Hook.f.
in Mulacca en T. Btccarii Hook. /\'. op Borneo.
i. ZANTHOXYLON L.
Bloemen dikwijls éénslachtig. Kelk 3—8-spletig, zel-
den ontbrekend. Bloembladen 3—5, zelden ontbrekend,
in den knop dakpanswij ze dekkend of dubbel gevouwen,
klepswijze aaneensluitend. Schijf klein of onduidelijk.
Meeldraden 3—5, hypogynisch of tot schubjes geredu-
ceerd in de vrouwelijke bloemen. Eierstok rudimentair
in de mannelijke bloemen, in de vrouwelijke uit 1—5
schuine, éénhokkige vruchtbladen gevormd; stijlen min
of meer zijdelingsch, vrij of van boven vergroeid; stem-
pels knopvormig; eitjes 2 in elk hokje, gewoonlijk naast
elkander. Vrucht bestaande uit 1—5 kegelvormige, leder-
achtige of vleezige, 1-zadige splitvruchten, welke aan de
buikzijde openspringen; binnenste wandlaag hoornachtig, al
of niet loslatend. Zaad langwerpig en samengedrukt of kogel-
vormig, dikwijls uit het vrachtje hangend; navel breed;
zaadhuid behaard of bros, blauw of zwart glanzend;
kiemwit vleezig; kiem asstandig, recht of gekromd;
zaadlobben plat; kiemworteltje zeer kort.
Heesters of boomen, dikwijls met sterke doorns voor-
zien. Bladeren afwisselend, 3-tallig of onevengevind;
blaadjes tegenovergesteld of afwisselend, gaaf of gekar-
teld, vaak schuin, gestippeld. Bloemen klein, in oksel-
standige of eindelingsche, gestoelde, meer of minder wijde
bijschermen, wit, paarsch of groenachtig.
-ocr page 219-
XXVIII. RUTACEAE.                                  159
Aantal soorten 80, allen tropisch of subtropisch. Miquki. geeft
voor Nedcrlanilsch Indiö een 12-tal soorten op, doch brengt later,
hierin gevolgd door (Iooker in Flora of Brit. fntl., de meesten
tot het geslacht Evodia De soorten /. montanum III. en \'/.. ser-
rulatum BI.
behooren volgens eene aanteekening hij de exemplaren
in \'s Kijks Herbarium tot het geslacht Turpinia \\"cnl. in de
familie der Sapindaceae.
5. MELANOCOCCA BI.
Kelk kort, 5—6-splotig, mot blijvende, klepswijze aan-
eensluitende slippen. Bloembladen 5—6, stomp. Schijf
vleezig, neergedrukt, aan de basis met den kelk ver-
groeid. Meeldraden 5—6, aan de basis van de schijf
ingeplant; helmdraden samenkomende. Eierstok 5—6-
lobbig, zittend; lobben onder elkander en door de stijlen
min of meer samenhangend; stijlen kort, min of meer
vergroeid; stempels zijdelingsch; één eitje in elk hokje.
Steenvruchtjes 1—4, op de schijf gezeten, schuin kogel-
vormig, sappig, met eene lensvormige, beenachtige, met
wratjes bezette kern. Zaad samengedrukt, niervormig,
met den navel aan de holle zijde; zaadhuid vliezig; kiem-
wit dun; kiem dun, gekromd; zaadlobben eirond-lang-
werpig, plat, slechts weinig langer dan het naar boven
gerichte kiemworteltje.
Kleine boom, weinig vertakt; takken, bladeren en
bloeiwijze met een okerkleurig vilt bekleed. Bladeren
afwisselend, onevengevind; blaadjes 4—7-jukkig, bijna
tegenovergesteld, gaafrandig, zonder stippels, geaderd, van
boven kaal. Vertakte, okselstandige en eindelingsche
pluimen. Kleine blauwzwarte, glanzende steenvruchten
met gestippelde schil.
Eéne soort in Nieuw-Ciuinea voorkomende, M. tomentosa Hl.
6. LUNASIA Blanco.
Bloemen 2-huizig. Mannelijke bloemen: Kelk 3-deelig,
met eivormige slippen. Bloembladen 3, tweemaal langer
dan de kelk, uitgespreid of teruggerold, met dakpanswijze
dekkende randen en met klepswijze aaneensluitende
toppen. Meeldraden 3, onder een 3-lobbig lichaam (liet
rudimentaire vruchtbeginsel ?) ingeplant; helmdraden kort;
helmknoppen kogelvormig. Vrouwelijke bloemen: Kelk
-ocr page 220-
160
XXVIII. RUTACEAE.
en bloemkroon van de mannelijken. Splitvruchtjes aan de
basis van een zuiltje vastgehecht, samengedrukt, aan
den top schuin afgeknot, van binnen openspringend (?),
1-zadig. Zaad onder den top van het hokje hangende.
Heesters (P), niet :{-kantige takken en als met zemelen
beschubde bloeistengels en bladstelen. Bladeren afwisse-
lend, lang gestoeld, 1-bladig gevind, vliezig, doorschijnend
gestippeld. Bloemen klein; de mannelijken tot kleine
hoofdjes vereenigd, welke aan korte trosjes langs eene
enkelvoudige as opeengedrongen staan, de vrouwelijken in
geringer aantal langs eene kortere as tot zeer korte aartjes
bij eengedrongen.
Aantal soorten 4, in den Maleischen Archipel en ile I\'liilippijn-
sche eilanden, voorheen deels tot het geslacht Rabe.laisia I\'lunch.,
deels tot liet geslacht Mytilicoccus Zoll. gebracht. Il*>t laatste werd
door MlQUEL vroeger tot de Euphorbiaceae gerekend. Pe soorten
zijn: 1. L. atnara Blanco (A Philippnnsix I\'lanch.),%. L.yraiuliftilia
Mig. {il. grandifolius Mi//., if. quercifolius \'/.all. p. p.),
3. L.
costulata Mig. (M. costulatus ifi<j., M. i/uercifoliwi Zuil. p.
;>.),
4. /.. parvifolia Miij. (/(. pwvifolia Planch.)
7. TODDALIA Juss.
Bloemen éénslachtig. Kelk kort 2—5-lobbig of-deelig.
Bloembladen 2—5, in den knop dakpanswijze dekkend of
klepswijze aaneensluitend. Meeldraden 2, 4 of 5 (of 8,
welke om den andere onvolkomen ontwikkeld zijn), in de
vrouwelijke bloemen onvolkomen of ontbrekend, .aan de
basis van eene korte of lange of weinig ontwikkelde schijf
ingeplant. Eierstok eivormig, langwerpig of kegelvormig,
in de mannelijke bloemen rudimentair of 2-lobbig,2—7-
hokkig (zelden 1-hokkig); stijl kort of ontbrekend; stempel
knopvorniig; eitjes 2 in elk hokje, boven of naast el-
kandcr. Vrucht min of meer kogelvormig of gelobd,
lederachtig of vleezig, 2—7-hokkig; hokjes 1- (zelden
2-)zadig. Zaden hoekig, niervormig; zaadhuid bros; kiem-
wit vleezig; kiem gekromd, rolrond; zaadlobben lijnvor-
mig of langwerpig.
Klimmende of nederliggende, gedoomde heesters. Bla-
deren afwisselend, 1—3-tallig, met zittende blaadjes. Bloe-
men klein, in okselstandige of eindelingsche bijschermen
of pluimen.
-ocr page 221-
XXVIII. RÜTACEAE.                                  161
Omstreeks 8 soorten, in tropisch en subtropisch Azië, Afrika en
Australië. In Nederlandsen Indië 2 soorten, T. aculeata Pers. en
T. micracantha Miq., waarvan de eerste ook als soort van de ge-
slachten Zanthoxylum L., en Scopolia Smith beschreven is.
8. ACRONYCHIA Forst.
Bloemen gemengdslachtig. Kelk 4-lobbig, soms na den
bloei vergroot, dakpans wij ze dekkend in den knop. Bloem-
bladen 4, uitgespreid en teruggeslagen, in den knop
klepswijze aaneensluitend. Meeldraden 8, onder eene
dikke, 8-hoekige, viltige schijf ingeplant; helmdraden
priem vormig, bij afwisseling langer en korter. Eierstok
in den hollen top van de schijf ingeplant, viltachtig,
4-hokkig; stijl eindelingsch; stempel met 4 voren; eitjes
2, boven elkander. Vierhokkige steenvrucht; zaadhuid
zwart; kiemwit overvloedig; kiem recht; zaadlobbcn
langwerpig, plat.
Boomen. Bladeren tegenovergesteld of afwisselend, 1-
zelden 3-tallig; blaadjes gaafrandig. Bloemen klein of
vrij groot, geel, in gesteelde, okselstandige en einde-
lingsche tuilen.
Aantal soorten 15, voorkomende in tropisch Azië, Australië en
de eilanden van de Stille Zuidzee. Bentham en HookER brengen tot
dit geslacht ook Cyminosma BC. (C. peduneulata DC. = A. pedun-
culata Mi<j.)
Behalve deze noemt Miquee nog ö soorten op voor
Nederlandsch Indië.
9. G-LYCOSMIS Correa.
Kelk 4—5-deelig; slippen breed dakpanswijze dekkend
in den knop. Meeldraden 8—10, vrij, om eene schijf
ingeplant; helmdraden priemvormig, van onderen verbreed;
helmknoppen klein, vaak met eene aan de rugzijde of
aan den top geplaatste klier. Eierstok 2—5-hokkig; stijlen
zeer kort, blijvend; stempel enkelvoudig; één hangend eitje
in elk hokje. Bes klein, droog of vleezig, 1—3-zadig.
Zaden langwerpig; zaadhuid vliezig; zaadlobben gelijk;
kiemworteltje kort.
Boomen of heesters zonder doorns. Bladeren 1—3-tallig
of onevengevind; blaadjes afwisselend. Bloemen klein in
okselstandige, zelden eindelingsche pluimen.
Aantal soorten 5, in Azië en Australië, misschien alle als varië-
teiten van ééne soort, G. pentaphi/lla Correa, te beschouwen. Uier-
toe behoort waarschijnlijk ook Chionotria Jack. (C. riijida Jack.")
11
-ocr page 222-
162                                 XXVIII. RUTACEAE.
10. MICROMELTJM lil.
Kelk napvormig, 3—5-tandig of -lobbig. Bloembladen
5, wij dik, in den knop klepswijze aaneensluitend of
bijna dakpanswijze dekkend. Meeldraden 10, vrij, aan
den omtrek van eene lage of hooge schijf; belmdraden
lijn-priemvormig, om den andere langer en korter. Eierstok
5-, zelden 2—6-bokkig; stijl aan de basis vernauwd;
stempel stomp of knopvormig; eitjes 2 in elk hokje,
boven elkander. Bes klein, droog, meestal 1—2-zadig, mot
spiraalswijze gewonden tusschenschotten. Zaden langwer-
pig; zaadhuid vliezig; zaadlobben bladachtig, ineengekreukt
en gevouwen; kiemworteltje lang.
Boomen zonder doorns. Bladeren onevengevind; blaadjes
afwisselend, schuin. Bloemen in groote, cindelingsche, tot
tuilen vcrecnigde pluimen.
Aantal goorten 3 of 4, in tropisch Azië, Australië en de eilanden
van den Stillen Oceaan. Hiervan komen er 1 of \'2, il/, pubescens Hl.
en misschien ook M. hirsutum Oliv., in Nederlandsen Indië voor.
De eerste weid door Uas.sk.uu. en Miquki. tot het geslacht Cookia
Sonn. gebracht en vereenigd met C. iniiictula Retz.
\\\\. TRIPHASIA Lom:
Kelk 3-lobbig. Bloembladen 3, vrij, in den knop dak-
panswijzo dekkend. Meeldraden 6, om eene vleezige schijf
ingeplant; helmdraden vrij, gelijkmatig verbreed aan de
basis; helmknoppen lijnvormig. Eierstok eivormig, 3-hokkig,
in een dunnen, afvallenden stijl vernauwd; stempel stomp
of knopvormig en 3-lobbig; één eitje in elk hokje. Bes
klein, eivormig, 1—5-hokkig, 1—3-zadig. Zaden lang-
werpig, in een slijmachtig vruchtmoes gehuld; zaadhuid
lederachtig; zaadlobben plat-bol, dikwijls ongelijk of
gelobd.
Doornachtige heester. Bladeren afwisselend, zittend, 3-
tallig; blaadjes stomp, gekarteld; de zijdelingsche kleiner
dan het eindelingsche. Bloemen welriekend, alleenstaand
of in 3-bloemige bijschermen in de oksels der bladeren.
Eene soort. T. trifaliata DC, afkomstig uit China, maar veel
in tropische gewesten gekweekt. De beide andere, door MlQl\'KI.
genoemde soorten behooren volgens latere schrijvers tot de geslach-
ten Luvunga Ham. et Atalantia Correa.
-ocr page 223-
XXVIII. KUTACEAE.                                  163
12. LIMONIA /..
Kelk gelijkmatig 4—!5-lobbig of -deelig. Bloembladen
4—5, in den knop dakpauswijze dekkend. Meoldraden
8—10, om eene ringvormige of verhoogde schijf inge-
plant; helmdraden priem vormig; helmknoppen hart- of
lijnvormig-langwerpig. Eierstok langwerpig, 4—5-hokkig;
stijl kort, dik, afvallend; stempel -stomp of knop vormig;
eitjes 1—2 in elk hokje. Bes kogclvonnig, 1—4-hokkig,
1—4-zadig. Zaden in slijm gehuld; zaadlobben vleezig.
Heesters of kleine boomen, meestal doornachtig. Bladeren
afwisselend, 3-tallig of onevengevind; blaadjes tegenover-
gesteld of afwisselend; bladsteel gevleugeld; bloemen in
bundels of in dikwijls bebladerde trossen.
Aantal soorten 4—8, in tropisch Azië; volgens Miquici. 4 in
Nederlandsen Indië.
13. MUBRAYA L.
Kelk 5-spletig of -deelig. Bloembladen 5, vrij, in den
knop dakpanswijze dekkend. Meeldraden 10, om eene
verlengde schijf ingeplant; helmdraden lijn-priemvormig,
om den andere korter en langer; helmknoppen kort. Eier-
stok 2—4-hokkig, in een langen, afvallenden stijl vcr-
nauwd; stempel knopvormig; in elk hokje één eitje of
twee boven of naast elkander. Eén- of tweehokkige bes,
langwerpig of eirond, 1—2-zadig. Zaden met eene wollige
of kale zaadhuid; zaadlobben gelijk.
Ongedoornde heesters of kleine boomen. Bladeren ge-
vind ; blaadjes afwisselend, gesteeld, met schuine of wig-
vormige basis. Bloemen alleen of in bijschermen, in de
oksels der bladeren of in eindelingsche tuilen.
Aantal soorten 4, in tropisch Azië en Australië; voor Nederlandsch
Indië worden 4 soorten opgegeven, waarvan ééne, M. exotica L.,
algemeen voorkomt.
14. CLATJSENA Bw-ni.
Kelk 4—5-lobbig of -deelig. Bloembladen 4—5, vrij,
vliezig, elliptisch of rondachtig, met in den knop dak-
panswijze dekkende randen. Meeldraden 8—10, om eene
verlengde schijf ingeplant, bij afwisseling korter en
langer; helmdraden meestal verbreed of boogvormig en
van onderen hol met priemvormigen top; helmknoppen
-ocr page 224-
164                                 XXVIII. RUTACEAE.
kort. Eierstok gesteeld, 4—5- (zelden 2—3-)hokkig;
stijl meestal duidelijk ontwikkeld, afvallend; stempel stomp,
gaaf of 2—3-lobbig; eitjes 2 in elk hokje, naast of boven
elkander. Bes klein, eirond, langwerpig of kogclvormig,
2—5-hokkig. Zaden langwerpig; zaadhuid vliezig; zaad-
lobben gelijk, plat-bol.
Ongedoornde heesters of boomen. Bladeren oneven-
gevind meestal afvallend; blaadjes vliezig. Bloemen klein,
in eindelingsche of okselstandige bij schermen, pluimen of
losse trossen.
Aantal soorten 14, voornamelijk in tropisch Azië, niet eenige
weinige in Afrika en Australië; 3—4 in Nederlandsen Indië. Tot
dit geslacht rekenen Bentham en Hooker ook Cookia Sonn. (C.
punetiata liutz).
15. LTJVUNGA Ham.
Kelk napvormig, gaaf of onduidelijk 4—G-lobbig. Bloem-
bladen 4—5, vrij, lijnvormig-langwerpig, dik, in den knop
dakpanswijze dekkend. Meeldraden 8 of 10, ingeplant om
eene nap- of ringvormige of verlengde schijf; helmdra-
den al of niet gelijk, lijn-priemvormig, vrij of van onde-
ren vergroeid; helmknoppen lijnvormig of lijnvormig-
langwerpig. Eierstok 2—4-hokkig; stijl dik, afvallend;
stempel knopvormig; in elk hokje 2 eitjes, boven elkan-
der. Bes groot, ellipsvormig met eene dikke schil, 2—3-
zadig. Zaden groot, eivormig; zaadhuid vliezig, geaderd;
zaadlobben gelijk, langwerpig, vleezig.
Onbehaarde, klimmende heesters, meestal met oksel-
standige doorns. Bladeren 3-tallig; blaadjes lederachtig;
geheel gaaf. Bloemen in okselstandige, tot bundels of
pluimen vereenigde trossen.
Omstreeks 4 soorten, in tropisch Azië, waarvan 2 of3inNeder-
landsch Indië. Volgens Omver in Journ. of Lhin. Sop. V, Suppl.
p. 44, werd ééne van deze, L, eleullifrnndra üalz., door lii.tMK
tot het geslacht Triphasia Lom: gebracht. (7\\ sarnieutosa UI.)
IC. PARAMIGNYA Wight.
Kelk napvounig of klein en 4—ö-lobbig. Bloembladen
4—5, vrij, in den knop dakpanswijze dekkend of zelden
incengevouwen-klepswijze aaneensluitend. Meeldraden
8—10, om eene zuilvormige schijf ingeplant; helmdraden
-ocr page 225-
165
XXVIII. RUTACEAE.
vrij, lijnvormig, gelijk, of min of meer ongelijk; holmknop-
pen lijnvormig-langwerpig. Eierstok 3—5-hokkig; stijl
verlengd, afvallend; 1 of 2 eitjes in elk hokje, in het
laatste geval schuin boven elkander. Bes eivormig of min
of meer kogelvorinig, vaak aan de basis versmald, 1 — 5-
zadig; schil dik. Zaden groot, langwerpig, sterk zijde-
lings samengedrnkt; zaadhuid vliezig; zaadlobben vlee-
zig, gelijk.
Recht opstaande of klimmende heesters, ongedoornd of
met okselstandige doorns. Bladeren éénbladig-gevind,
vaak met onduidelijke geleding, geheel gaafrandig, min
of meer lederachtig, blijvend. Bloemen vrij groot, oksel-
standig, alleen of in bundels.
Aantal soorten ö of 7, in tropisch Aziü, waarvan 3 of 4 in Neder-
landsch Indië.
17. ATALANTIA Correa.
Kelk 3—5-lobbig of -deelig, zelden onregelmatig splij-
tende. Bloembladen 3—5, vrij of met de meeldraden ver-
groeid tot eene buis, in den knop dakpanswijze dekkend.
Meeldraden 6—8, zelden 15—20, om eene nap- of ring-
vormige schijf ingeplant; helmdraden vrij of onregelmatig
vergroeid, min of meer gelijk of om den andere korter;
helmknoppen kort, eirond-langwerpig of hartvormig aan
de basis. Eierstok 2- of 4- (zelden 3- of 5-)hokkig;
stijl afvallend, stempel knopvormig; eitjes 1 of 2 in elk
hokje, in het laatste geval naast elkander. Besvrucht
groot, min of meer kegelvormig, 1—5-hokkig, 1—5-
zadig; schil dik. Zaden langwerpig; zaadlobben vleezig,
plat-bol.
Ongedoornde of gedoomde heesters of boomen. Blade-
ren afwisselend, éénbladig gevind, lederachtig, blijvend,
geheel gaafrandig of gekarteld; aan de basis van blad-
stelen en doorns bevinden zich dikwijls op steun-
blaadjes gelijkende schubben, die behooren tot onontwik-
kelde bladknoppen. Bloemen okselstandig, zelden einde-
lingsch, in bundels of korte, tot trossen vereenigde, tuilen
of pluimen, zelden alleenstaand.
Aantal soorten omstreeks 10 in tropisch Azië en \'1 in Australië;
in Nederlandsen Indië ééne soort, A. trimera Oliv., bij Miquei. tot
Triphasia Lour. gerekend. (T. monophylla D C.)
-ocr page 226-
166                                  XXVIII. RÜTACEAE.
18. CITRT7S L.
Kelk nap- of urnvormig, 3—5-spletig. Bloembladen
4—8, lijnvormig-langwerpig, dik, in den knop dakpans-
wijze dekkend. Meeldraden 20—60, om eene groote nap-
of ringvormige schijf ingeplant; helmdraden op verschil-
lende wijzen vergroeid, aan de basis samengedrukt; helm-
knoppen langwerpig. Eierstok oo -hokkig; stijl dik, afvallend;
stempel knopvormig; eitjes 4—8 in elk hokje, in 2 rijen.
Bes groot, langwerpig of kogelvormig, vleezig, veelhokkig;
tusschenschotten vliezig; hokjes met weinige zaden en
een vruchtmoes bestaande uit horizontale, spoelvormige
cellen, welke met sap gevuld zijn. Zaden horizontaal of
hangend; zaadhuid lederachtig of vliezig; soms 2 of meer
kiemen in één zaad; zaadlobben plat-bol, dikwijls ongelijk;
kiemworteltje klein, naar boven gericht.
Heesters of boomen, meestal gedoomd. Bladeren afwis-
selend, éénbladig gevind, lederachtig, blijvend; bladsteel
vaak gevleugeld. Bloemen okselstandig, alleen of in bun-
dels of in kleine bij schermen, wit of paarsch, welriekend.
Omstreeks 5 soorten in tropisch Azië en \'2 in Australië. Volgens
Miqöki.\'s Fiom zijn er in Nederlandsch Indië van tlit geslacht niet
minder dan 18 soorten, volgens latere schrijvers echter alle terug
te brengen tot C. medica L., C. Aurantium L., C. Hystrix D C.
en C. decumana L.
19. FERONIA Gaertn.
Bloemen gemengdslachtig. Kelk klein, plat, 5-tandig, af-
vallend. Bloembladen 5, zelden 4 of 6, uitgespreid, in den
knop dakpanswij ze dekkend. Meeldraden 10—12 of 18—20,
soms eenige weinige onvolkomen, ingeplant om eene korte
schijf; helmdraden verbreed, op zijde en van voren behaard,
priemvormig aan Tien top; helmknoppen lijnvormig-lang-
werpig. Eierstok langwerpig, 5—7-hokkig, ten slotte 1-
hokkig; stijl ontbrekend; stempel langwerpig spoelvormig,
afvallend; eitjes talrijk, opeengedrongen in vele rijen op
5—6 ten slotte wandstandig geplaatste zaadlijsten. Vrucht
groot, kogelvormig, 1-hokkig, met talrijke zaden; schil
houtachtig, ruw. Zaden in moes gehuld, langwerpig,
samengedrukt; zaadlobben dik, vleezig; kiemworteltje
van den navel afgekeerd.
-ocr page 227-
167
XXVIII. RUTACEAE.
Doornachtige boom. Bladeren afwisselend, onevengcvind ;
blaadjes tegenovergesteld, min of meer zittend, geheel
gaafrandig; bladsteel al of niet gevleugeld. Bloemen
in eindelingsche of zijdelingsche, losse pluimen of trossen.
Aantal soorten L2, in tropisch Azië voorkomende, F. Elephantum
Correct
en F. lucid-n Scheff.
\'20. AEG-LE Correct.
Kelk klein, 4—5-tandig, afvallend. Bloembladen 4—5,
uitgespreid, in den knop dakpanswijze dekkend. Meel-
draden talrijk, ingeplant om eene weinig ontwikkelde
schijf; helmdraden kort, priemvormig; helmknoppen ver-
lengd, opgericht. Eierstok eivormig, met eene dikke as en
8—20 peripherische hokjes; stijl kort, stempel knopvormig,
langwerpig of spoelvormig, afvallend; eitjes talrijk, 2-rijig.
Vrucht groot, kogel- of niervormig, 8—15-hokkig; hokjes
veelzadig; schil houtachtig. Zaden talrijk, in een aro-
matisch vruchtmoes, langwerpig, samengedrukt; zaadhuid
wollig en slijmachtig.
Gedoomde hoornen. Bladeren afwisselend, 3-tallig;
blaadjes vliezig en min of meer gekarteld. Bloemen groot,
wit, in okselstandige pluimen.
Aantal soorten 2—3, in tropisch Azië en Afrika; in Nederlandsen
Indië A. Marmelos Correct en A. sepiaria lil., welke laatste ook als
variëteit van de eerste wordt opgevat.
Fam. xxix. SIMARUBACEAE.
Bentham et Hooker, Gen. Plant, I, p. 306. — Scheff. in Nat.
Tijdxchr. v. Ned. hid. XXXII, p. 410. — Bennett in Hooker, Flora
of Dril. Intl.
I, p. 517.
Bloemen meestal eenslachtig en regelmatig. Kelk 3—5-
lobbig, in den knop klepswijze aaneensluitend of dakpans-
wijze dekkend. Bloembladen 3—5, zelden ontbrekend.
Meeldraden zooveel of tweemaal zooveel als bloembladen,
zelden in onbepaald aantal, aan de basis van de schijf
ingeplant; helmdraden vrij, dikwijls met eene schub, aan
de basis van de schijf ingeplant; helmknoppen langwerpig,
meestal naar binnen in de lengte openspringend, 2-hokkig.
-ocr page 228-
168
XXIX. SIMARUBACEAE.
Eierstok vrij, 1—6-hokkig, meestal diep gelobd, zeld-
zamer gaaf; stijlen 2—5, vrij of min of meer vereenigd;
stempels knopvormig; eitjes meestal 1 in elk hokje,
zelden talrijker; zaadnerf buikstandig; poortje naar
boven gericht. Vrucbtbladen gewoonlijk vrij, ten getale
van 2—6, in den vorm van steen-, doos- of vleugelvruchten.
Vruchten meestal 1-zadig; zaden opgericht of hangend,
kiemwithoudend; kiem recht of gekromd; kiemworteltje
naar boven gericht.
Boomen of heesters, bijna altijd met bitteren bast. Bla-
deren afwisselend, vaak zeer groot, gevind of enkelvou-
dig; steunblaadjes afvallend of ontbrekend. Bloeiwijze
okselstandig, in trossen, pluimen of bijschermen, zelden
aarvormig. Bloemen meestal klein.
Omstreeks 30 geslachten en 120 soorten, in tropische en sub-
tropische gewesten van de bciile halfronden.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Tribus I. Sim:irnlt<\';i<-- Eierstok diep gedeeld.
f Eén eitje in elk hokje van den eierstok.
§ Tweemaal zooveel meeldraden als bloembladen.
i. Samadera. Bladeren enkelvoudig. Stam zonder doorns.
Gevleugelde steenvruchten.
2.   Harrisonia. Bladeren 1—3-tallig of onevengevind. Stam
gedoomd. Besvrucht.
§ § Evenveel meeldraden als bloembladen.
3.    PlCRASHA. Schijf dik, niet gelobd; bloemen in pluimen;
stijlen vergroeid ; i—3 steenvruchten.
4.    Brlcka. Schijf 4-lobbig; bloemen in samengestelde bij-
schermen; stijlen bijna vrij; 4 steenvruchten.
5.   Eurvcoma. Schijf ontbrekend; bloemen in pluimen; stijlen
veigroeid ; 3—5 gestoelde steenvruchten.
•}••}• Twee eitjes in elk hokje.
0. SURIAHA. Schijf weinig ontwikkeld. Vrucbtbladen 5, vrij.
Bloemen nagenoeg eindelingsch, alleen of in trossen. Bladeren
enkelvoudig.
Tribus II. PicrailinienC. Eierstok gaaf, 2—5-hokkig.
7.    iRvixniA. Steenvrucht groot. 1-hokkig, 1-zadig. Bast niet
bitter. Takken geringd. Bloemen in pluimen of trossen.
8.    Soci.amea. Vrucht lederachtig, omgekeerd hartvormig, 2-
hokkig, 2-zadig. Bast bitter. Bloemen in aren.
-ocr page 229-
169
XXIX. SIMARÜBACEAE.
1. SAMADERA Gaertn.
Bloemen tweeslachtig. Kelk klein, 3—5-deelig, in den
knop dakpanswijze dekkend. Bloembladen 3—5, veel
langer dan de kelk, lederaehtig, in den knop klepswijze
aaneensluitend. Meeldraden 8—10, in de bloemkroon
besloten, met een klein schubje aan de basis. Vrucht-
bladen 4—5, vrij; stijlen aan de basis vrij, van boven min
of meer vereenigd; stempels puntig; in elk hokje 1
hangend eitje. Steenvruchten 1—5, groot, droog, samen-
gedrukt, elk met een smallen, eenzijdigen vleugel.
Kleine boom. Bladeren enkelvoudig. Bloemen in ge-
steelde, okselstandige of eindelingsche schermen.
Aantal soorten 4, waarvan 1 in Madagascar, 3 in tropisch Azië. In
den Maleisehen Archipel komen \'2 soorten voor. S. Indien Gaertn. en
S. brevipetala Scheff. Durand verandert in zijn Index Generum
Phanerogamorum
den naam van dit geslacht in Samandura L., mee-
nende dat LlNNAEUS\' naam prioriteit moet hebben. In LlNNAEUS\'
Flora Zeylanica komt Samandura echter niet voor als geslachts-
naam, maar als de inlandsche naam van eene nog onvoldoend be-
kende plant. Dat dit het geval is blijkt daaruit, dat dit geslacht
volgens de aangehaalde citaten door hein verward werd met Heritiera
Ait. (H. littoralis Dryand).
\'2. HARRISONIA Brown.
Bloemen tweeslachtig. Kelk klein, 4—5-spletig. Bloem-
bladen 4—5, langer dan de kelk, nagenoeg klepswijze
aaneensluitend in den knop. Schijf halfbolvormig. Meel-
draden 8—10, met kleine schubjes aan de basis. Eierstok
kogelvormig, of 4—5-lobbig, 4—5-hokkig; stijlen ver-
groeid of aan de basis vrij; één eitje in elk hokje,
hangend. Vrucht eene kleine, kogelvormige bes, gevormd
uit 2—5 vruchtbladen, omringd door den blijvenden kelk,
2—5 doorboorde, éénzadige kernen bevattende. Zaad met
weinig kiemwit.
Onbehaarde, doornachtige heesters. Bladeren oneven-
gevind of éénbladig samengesteld. Bloemen in bijschermen
met schutbladen.
Aantal soorten 3—i, in tropisch Azië, Afrika en Australië. In
Nederlandsen Indië ééne soort, II. Bennettii Hook. f, door BeNNETT
als een afzonderlijk geslacht Lasiolepis beschreven. (L. paucijurja
Berin., L. multijuga Benn., L. Bennetti Planch.)
-ocr page 230-
170                               XXIX. SIMARUBACEAE.
3. PICRASMA lil.
Bloemen klein, tweeslachtig of tweehuizig. Kelk zeer
klein, 4—5-tandig. Bloembladen 4—5, klepswijze aaneen-
sluitend in den knop, zeer dikwijls na den bloei vergroot.
Schijf dik, gaaf. Meeldraden 4—5, zonder schubben,
behaard. Eierstok \'A—5-deelig, vrij; stijlen aan de basis
en den top vrij, maar in het midden vereenigd; stempels
enkelvoudig; in elk hokje één opgericht eitje. Steenvruch-
ten 1—3, vleezig of lederachtig. Zaad opgericht, met
kiemwit.
Boomen of heesters met zeer bittere eigenschappen.
Bladeren zeer groot, onevengevind. Bloemen klein, in
okselstandige pluimen.
Aantal soorten omstreeks G. in Britsen on Nederlandsen lndië,
China, Japan, West Indië en Brazilië, in Nederlandsen. Indië ééne
soort, P. Jauanica BI.
i. BRUCEA MiU.
Kelk klein, 4-deelig, in den knop dakpanswijze dek-
kend. Bloembladen 4, zeer klein, lijnvormig, in den
knop dakpanswijze dekkend. Schijf 4-lobbig. Meeldraden
4, onder de schijf ingeplant; helmdraden naakt. Eierstok
diep 4-lobbig, of uit 4 geheel vrije vruchtbladen bestaande.
In elk vruchtblad één zaad, zonder kiemwit.
Bittere boomen of heesters. Bladeren zeer groot, oneven-
gevind. Bloemen zeer klein, in zeer talrijke, kleine bij-
schermen tot okselstandige pluimen vereenigd.
Aantal soorten 0, in Afrika, tropisch Azië en Australië; in Ne-
derlandsch Indië 2, B. Sumatrana Bo.rl>. en B. glabrata Bene.
5. EURYCOMA Jack.
Bloemen gemengdslachtig. Kelk klein, napvormig, 5-
tandig, in den knop dakpanswijze dekkend. Bloembladen 5,
langwerpig, uitgespreid, met ingerolde randen, dubbel
gevouwen, klepswijze aaneensluitend, bij de tweeslachtige
bloemen kleiner; schijf ontbrekend. Meeldraden 5, in de
mannelijke bloemen bijna in het midden geplaatst, inde
tweeslachtige bloemen kleiner, in de ^ rouwelijke bloemen
hypogynisch; helmdraden bij de basis vastgehecht aan de
bloembladen en daar met een tongvormig, gewimperd
-ocr page 231-
171
XXIX. SIMARUBACEAE.
schubje voorzien. Eierstok 5-deelig, vrij; stijlen 5, ver-
groeicï; stempels vrij. Steenvruchten 3—5, gesteeld, elk
met één hangend zaad, zonder kiemwit.
Kleine boomen met bitteren bast. Bladeren zeer groot,
onevengevind met gaafrandige blaadjes. Bloemen in veel-
takkige, min of meer eindelingsche, harige, pluimen.
Aantal soorten 2, E. lonyif\'olia Jack en E. apiculatq A. W.
Beun.,
in Malakka, don Maloisclion Archipel en de Philippijnsche
eilanden.
(). SURIANA L.
Bloemen tweeslachtig. Kelk 5-deelig, in den knop
dakpanswijze dekkend, blijvend. Bloembladen 5, even
lang als de kelk, kort genageld, in den knop dakpans-
wijze dekkend. Schijf weinig ontwikkeld, met den kelk
vergroeid. Meeldraden 10, van ongelijke lengte, die tegen-
over de bloembladen soms zonder helmknoppen; helmdra-
den priemvormig, behaard; helmknoppen 2-lobbig. Vrucht-
bladen 5, vrij, ruigharig; stijlen bijna aan de basis ingeplant,
vrij, draadvormig, met kleine knopvormigo stempels; eitjes
2 in elk hokje, naast elkander, van de basis van het
hokje klimmend, half anatroop; poortje naar boven
gericht. Vruchtbladen 5 of minder, ingesloten in den blij-
venden kelk, vrij, bijna kogelvormig, elk 1-zadig, niet
openspringend, lederachtig; zaad samengedrukt, klimmend
zonder kiemwit; zaadhuid vliezig; kiem haakvormig;
zaadlobben plat, kiemworteltje rolrond, naar boven ge-
richt, naar den navel nederdalende.
Niet bittere heester, welke aan het strand groeit, met
enkelvoudige, gaafrandige, lijn-spatelvormige, stompe,
niet geaderde, dikke bladeren. Bijna eindelingsche, alleen-
staande of tot trossen vereenigde groote, gele bloemen.
Eéne soort, .S\'. maritima L., aan alle tropische stranden.
7. IRVINGIA Jlook. f.
Bloemen tweeslachtig. Kelk klein, 4—5-deelig, in den
knop dakpanswijze dekkend. Bloembladen 4—5, in den
knop dakpanswijze dekkend. Schijf zeer groot, kussen-
vormig en gevouwen. Meeldraden 10, aan de basis der
schijf ingeplant; helmdraden naakt, draadvormig. Eierstok
-ocr page 232-
172
XXIX. SIMARUBACEAE.
eivormig, op den ingedrukten top van de schijf inge-
plant. Steenvrucht groot, 1-hokkig, 1-zadig. Zaad liangend,
zonder kiemwit.
Niet bittere, onbehaarde boomen. Bladeren enkelvoudig,
gaai\', met afvallende steunhlaadjes. Bloemen in oksel-
standige pluimen, zonder sehutblaadjes.
Aantal soorten i, waai van 3 in tropisch Afrika en 1,/. Malayana
Olie. in .Malakka. Do laatste misschien ook in den Maleisehen Arcliipel.
8. SOULAMBA Lam.
Bloemen gemengdslachtig. Kelk klein, 3-deelig, in den
knop dakpanswjjze dekkend. Bloembladen 3, lijnvormig,
uitstaande en teruggeslagen, in den knop dakpanswjjze
dekkend. Schijf schotelvormig, 3-lobbig. Meeldraden 6, aan
de basis der schijf bijna 2-rjjig ingeplant, met naakte,
priemvormige ltelmdraden. Eierstok samengedrukt, iian den
top uitgerand, 2-hokkig; stijlen zeer kort, uiteenstaand,
schuin teruggebogen met knopvormige stempels; één
eitje, in het midden van het hokje ingeplant.
Vrucht niet openspringend, samengedrukt, omgekeerd
hartvormig, lederachtig, rondom gevleugeld, 2-hokkig,
2-zadig. Zaden samengedrukt, in het midden vastgehecht;
zaadhuid vliezig; kiemwit dun; zaadlobben schuin lang-
werpig; kiem worteltje kort, naar boven gericht.
Boom met bitteren bast. Bladeren afwisselend, enkel-
voudig, lang gesteeld, omgekeerd eirond-langwerpig, gaaf-
randig, vliezig. Okselstandige aren. Bloemen klein.
Eéne soort op de Molukken in Nieuw-Gninea en de Fiji eilanden
voorkomende, S. amara Lam. Door Miquei. was het geslacht
eerst bij de Pol yyalaceae geplaatst.
Fam. xxx. OCHNACEAE.
Bentham et Hooker, Gen. Plant. I, p. 316. — SCHEFF. in Nat.
Tijdschr. v. Ned. Indié
XXXII, p. 411. — Densett in IIookeii, Flora
of Brit. Ind.
1, p. 523.
Bloemen tweeslachtig, groot. Kelkbladen 4—5, vrij,
in den knop dakpanswjjze dekkend, bljjvend. Bloem-
-ocr page 233-
XXX. OCHNACEAE.                                    173
bladen 5, zelden 4 of 10, vrij, hypogynisch, in den knop
dakpanswijze dekkend, langer dan de kelkbladen, afval-
lend. Schijf na den bloei vergroot, nooit ringvormig of
in klieren verdeeld. Meeldraden 4, 5, 8, 10 of in onbe-
paald aantal op de schijf ingeplant; helmdraden blijvend;
helmknoppen aan de basis vastgehecht, soms afvallend,
in de lengte openbarstend of dikwijls met eindelingsche
poriën openende. Eierstok kort en 2-hokkig of lang en
1 — 10-hokkig; zaadlijst as- of wandstandig; stijl enkel-
voudig, priemvormig, puntig, zelden aan den top gedeeld;
stempels enkelvoudig, eindelingsch; eitjes 1—2 in elk
hokje of in onbepaald aantal, klimmend of zelden han-
gend; zaadnerf buikstandig; poortje naar boven gericht.
Steenvruchten 3—10, elk met 1—4 zaden of 4—5-hokkige
besvrucht of 1—5-hokkige, schotverbrekende doosvrucht.
Zaden in gering of in groot aantal; kiemwit vleezig of
ontbrekend; kiem recht of zelden gekromd; kiemworteltje
naar boven of naar beneden gericht.
Onbehaarde boomen of heesters met waterachtig vocht.
Bladeren afwisselend, enkelvoudig (zelden gevind), leder-
achtig; steunblaadjcs 2. Bloeiwijze in pluimen, soms in
schermen (zelden alleenstaande bloemen), met sehutblaadjes.
Aantal geslachten 12 en soorten 150, in tropische gewesten,
hoofdzakelijk in Amerika.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Tribus I. Ochneac. Eierstok 2—10-hokkig; één eitje in elk hokje.
Zaden zonder kiemwit.
1.   Ociina. Meeldraden oo. Steenvruchten 3—10, op de ver-
groote schijf. Zijdelingsche pluimen.
2.   Gomphia. Meeldraden 10. Steenvruchten 3—5, op de ver-
groote schijf. Eindstandige pluimen (Gomphia) of okselstandige
bundels (Brackenridgea).
3.   TETRAMERISTA. Kelkbladen, bloembladen en meeldraden 4.
Tribus II. Enthemideae. Eierstok half 5-hokkig; 2 eitjes in
elk hokje. Besvrucht met 5 kernen. Zaden met kiemwit.
4.    Eutiikmis. Meeldraden 5, met staininodien afwisselende.
Eindelingsche trossen.
1. OOHNA L.
Kelkbladen 5, gekleurd, blijvend. Bloembladen 5—10,
afvallend. Schijf dik, gelobd. Meeldraden cc, korter dan
-ocr page 234-
174
XXX. OCHNACEAE.
de bloembladen; helmdraden kort of lang; helmknoppen
in de lengte openend, afvallend. Eierstok diep 3 —10-
lobbig; lobben 1-hokkig; stijlen geheel vergroeid of aan
den top vrij; eitjes alleenstaand, assfcandig. Stcenvruch-
ten 3—10, gezeten op de breede schijf. Zaad opgericht,
kiemwithoudend.
Onbehaarde boomen of heesters. Bladeren afwisselend,
enkelvoudig gezaagd, zelden gaaf, met twee steunblaadjes.
Aantal soorten omstreeks \'25. in tropisch Azië on Afrika, mis-
schien ook in Nederlandsen [ndië.
"2. GOMPHIA Schréb.
Kelkbladen 5, gekleurd, blijvend. Bloembladen 5, in
den knop dakpanswijze dekkend. Schijf dik, gelobd.
Meeldraden 10, aan de basis van de schijf ingeplant;
helmdraden zeer kort; helmknoppen met eindelingsche
poriën openende. Eierstok diep 5—6-lobbig; lobben 1-
hokkig; stijlen vergroeid; stempel enkelvoudig; één eitje
in elk hokje van den eierstok, opgericht. Steenvruchten
5 of minder, gezeten op de breede schijf, 1-zadig. Zaad
opgericht, zonder kiemwit.
Onbehaarde boomen of heesters. Bladeren afwisselend,
glanzend, met 2 steunblaadjes. Bloemen geel, in oksel-
standige of eindelingsche trossen of schermen.
Aantal soorten omstreeks 80. waarvan de meeste in Zuid
Amerika; eenige weinige in Azië en Afrika. Het geslacht Gomphia
bevat eenige soorten, welke wegens de bloeiwijze (bloemen oksel-
standig of eindelingsch, in bundels aan korte beschubde takken)
door BENTHAM en HOOKED in navolging van Asa. Gray tot een
afzonderlijk geslacht Brackünridgea gerekend worden, doch volgens
Omver (in Ifook. Icon. PI. t. 1096) eene sectie van Gomphia
vormen. Eéne soort hiervan, (1. Hookeri Planch. {]}. Hookeri
Gray)
komt op Banka voor. Behalve deze vindt men nog in den
Maleischen Archipel O. Sumatrana Jack en Gf. angustifolia Valil.
3. TETRAMERISTA Miq.
Kelkbladen 4, in den knop 2-rijig, dakpanswijze dek-
kend, blijvend, de twee buitenste, met eene breede
buis ingeplant, het grootst. Bloembladen 4, blijvend.
Meeldraden 4, met aan de basis verbreede helmdraden;
helmknoppen in de lengte openspringende. Eierstok 4-
hoekig, 4-hokkig; stijl gaaf. Kegelvormige, lederachtige,
4-zadige besvrucht.
-ocr page 235-
175
XXX. OCHNACEAE.
Heesters of boomen. liladeren zeer groot, lederaehtig,
gaafrandig. Bloemen in okselstandige trossen met groote
bladachtige schutbladen.
Aantal soorten 1 of 2. in don Maleischen Archipel en Malukka.
T. glabra Miij. komt op Sumatra voor. Volgens eene aanteekening
van Pierre in \'s Rijks Herbarium zon dit. geslacht veeleer tot
de Butaccac gebracht moeten worden.
4. ETJTHEMIS Jack.
Kelkbladen 5, in den knop dakpanswijze dekkend,
blijvend of\' afvallend. Bloembladen 5, langer dan de
kelkbladen, in den knop dakpanswijze dekkend. Schijf
klein, kegelvormig. Meoldraden 5, aan de basis van de
schijf ingeplant, met staminodiën afwisselend; helmknop-
pen met eindelingsche poriën openende. Eierstok half 5-
hokkig, langwerpig, kleverig; stijl 1; stempel gaaf;
eitjes 1 of 2 in elk hokje, hangend. Besvrucht met 5
één- of tweezadige kernen. Zaden hangend; kiem wit
vleezig.
Onbehaarde heesters. Bladeren afwisselend, enkelvoudig,
glanzend lederaehtig, fijn gezaagd met gewimperde, af-
vallende steunblaadjes.
Aantal soorten 2, in den Maleisehen Archipel, E. leueocarpa Jack
en E. minor Jack.
Fam. xxxi. BURSERACEAE.
Bentham et Hooker, Gen. Plant. I, p. 321. — ISennett in Hooker,
Flora of Brit. Ind. I, p. 527. — Enoler in De Cand. , Monograph.
Phaner.
IV, p. \\.
Bloemen gemengdslachtig-tweehuizig, zelden tweeslach-
tig, regelmatig, 3—5-tallig. Kelkbladen meestal min of
meer vergroeid, in den knop dakpanswijze dekkend
of klepswijze aaneensluitend. Schijf plat of schotel-,
steel-, ring- of napvormig, meestal groot en vrij,
zelden de kelkbuis bekleedend. Meeldraden zooveel
of tweemaal zooveel als de bloembladen, meestal aan
de basis of zelden aan den rand van de schijf inge-
plant, gelijk of ongelijk; helmdraden vrij, zelden, aan
-ocr page 236-
176
XXXI. BURSERACEAE.
de basis vergroeid, onbehaard; helmknoppen aan de rug-
zijde, zelden zijdelings vastgehecht, in de lengte open-
barstend. Eierstok vrij, uit 2—5 vruchtbladen bestaande,
meestal 2—5-lobbig; eitjes 2 in elk hokje (zelden 1),
anatroop, boven het midden of aan den top van het
hokje in den binnenhoek vastgehecht, meestal hangend,
zelden klimmend; poortje naar boven gericht; zaadnerf
buikstandig; stijl meestal kort, eindelingsch of zijde-
lingsch; stempel onverdeeld of 2—5-lobbig. Niet open-
springende steenvrucht met 2—5 vrije of vergroeide
kernen, zelden openspringend en min of meer op eene
doosvrucht gelijkend. Zaad 1, hangend; zaadhuid vliezig;
kiemwit ontbrekend; zaadlobben meestal vliezig en ineen-
gedraaid en gevouwen, zelden vleezig en plat-bol; kiem-
worteltje naar boven gericht.
Gomharsen bevattende boomen of heesters. Bladeren
afwisselend, onevengevind of drietallig, zelden éénbladig
of enkelvoudig, zonder steunblaadjes. Bloemen klein, in
eindelingschc of oksolstandige trossen of pluimen.
Aantal geslachten 13 on soorten \'257, volgons Enci.rr in De
Cakii. Monogr. Phaner. IV, p. 1. Door MlQUEL, bij wien de familie
ileu naam droog van Amyrideae. weid hiertoe ook het geslacht
Nothoprotium Mi\'/, gebracht, dat volgens En<;i.kr een synoniem is
van Pentaspadon llool:. f. en tot de Anacardiaeeae behoort en
vervolgens het geslacht Erythrostigma llaxsk., dat iloor BENTHAM
en IIookkr tot hot geslacht Connarus L. onder de Connaraceae
wordt gerekend.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
A. Bloembladen aanwezig. Meeldraden C, 8 of 10, zelden 3.
f Steenvrucht 3-vlengelig, met 3 Meppen openbarstend»
1.    Triomma. Kelk 5-spletig. Bloembladen 5, in den knop
dakpanswijze dekkend. Steenkernen 2—3, onderling vrij, vast-
gehecht aan de gevleugelde as.
•j-f Steenvrucht ongevleugeld en niet met kleppen openbarstend.
§ Schijf liol, de kelk-buis bekleedend. Bloembladen en meeldraden
op den rand van de schijf ingeplant.
2.    Garijoa. Kelk 5-deelig. Bloembladen 5, in den knop
gevouwen en klepswijze aaneensluitend. Steenvrucht met 1—5
vrije kernen.
§§ Schijf meestal niet Iml, mnar plat, of xcliolel-, ring- of sleeleonniij.
liloemhladen buiten de schijf, meeldraden meestal buiten de
schijf, doch soms binnen of aan den rand daarvan ingeplant.
-ocr page 237-
XXXI. BÜRSERACEAE.                               177
3.   Protium. Kelk 4—5-lobbig of -tandig. Bloembladen 4—5,
in den knop gevouwen-klepswijze aaneensluitend. Steenvrucht
met 4—5, door mislukking 1—3, vrije kernen.
4.     Canarium. Kelk 3-, zelden 5-lobbig. Bloembladen 3,
zelden 5, in den knop klepswijze aaneensluitend. Steenvrucht
eivormig of langwerpig-eivormig inet een eindelingsch stijllittee-
ken en eene 3-hokkige kern, waarvan \'2 hokjes klein en ledig zijn.
5.    Santiria. Kelk 3-lobbig. Bloembladen in den knop kleps-
wijze aaneensluitend, zelden een weinig dakpanswijze dekkend.
Steenvrucht kort eivormig of nagenoeg kogelvormig, inet een
excentrisch, meestal nabij de basis geplaatst stijllitteeken en
eene 3-hokkige kern, waarvan 2 hokjes klein en ledig zijn.
B. Bloembladen ontbrekend. Meeldraden 5.
G. Ganophyi.i.um. Kelk 5-spletig. Steenvrucht ellipsvormig,
met een eindelingsch stijloverblijfsel en eene 2-hokkige kern,
waarvan 1 hokje klein en ledig is.
1. TRIOMMA Hook. f.
Bloemen tweeslachtig. Kelk 5-tandig. Bloembladen 5,
klein, in den knop dakpanswijze dekkend. Meeldraden
10, aan de basis van de 5-lobbige schijf ingeplant. Eier-
stok 3-zijdig, 2—3-hokkig; stempel dik, min of meer
3-lobbig; stijl kort; eitjes 2 in elk hokje. Vrucht vleezig,
6—7 cM. lang, ei-hartvormig en met drie dikke vleugels
aan den omtrek, met 3 kleppen openspringend; steen-
kernen 3, hard en houtachtig, vastgehecht aan de 3-
vleugelige as, later hiervan loslatend. Zaad onbekend.
Boom met stevige, viltaehtig behaarde takken. Bladeren
afwisselend, onevengevind; blaadjes tegenovergesteld,
gesteeld, min of meer lederachtig, onbehaard.
Eéne soort, in Malakka voorkomende, T. MalaccensisHook.f.,
volgens de latere schrijvers dezelfde, die door Miquei. als eene
Arytera, (.4. macrocarpa Miq.), onder de Sapindaceae van Sumatra
was opgenoemd.
2. GrABUGA Jioxb.
Bloemen gemengdslachtig. Kelk klokvormig, 5-spletig,
van binnen door de sterk ontwikkelde schijf bekleed;
kelkslippen in den knop klepswijze aaneensluitend. Bloem-
bladen 5, op de kelkbuis ingeplant, in den knop ineen-
gevouwen-klepswijze aaneensluitend, ten slotte uitgespreid
en teruggeslagen. Meeldraden 10, gelijk van grootte, aan
den rand van de schijf in de kelkbuis ingeplant; helm-
12
-ocr page 238-
178
XXXI. BURSERACEAE.
draden aan de basis behaard. Eierstok zittend, 4—5-
hokkig; stijl opgericht; stempel knopvormig, 4—5-lobbig;
eitjes 2 in elk hokje. Steenvrucht kogelvormig, vleezig,
1—5 vrije, éénzadige, beenharde, gerimpelde kernen be-
vattende. Z.aad van denzelfden vorm als het hokje; zaad-
huid vliezig; kiem zonder kiem wit en met korte ineen-
gedraaid-gevouwen zaadlobben; kiemworteltje kort, naar
boven gericht.
Boomen met zachtharige twijgen. Bladeren afwisselend,
opeengedrongen aan de toppen der takken, onevengevind,
met tegenover elkander geplaatste, bijna zittende, gekar-
telde blaadjes. Bloemen talrijk, in sterk vertakte pluimen.
Aantal soorten volgens BENTHAM en Hooker 8—10, in tropisch
Azië, Amerika en Australië. Volgens Enoler in zijne monographie
der Bni\'sei\'itceae (l)E Candoi.le, Monoijmphiac Pltniieroyamarum
IV, p. 4) moet dit getal tot 3 a 4 teruggebracht worden, waarvan
ééne, G. (loribunda Decne. op Tiraor voorkomt en eene andere, als
eene Boswellia (II. Juvanica Turc:.) beschreven, op Java is aan-
getroffen. O. Javanica BI. is volgens Enoler geen Bursemcea
maar eene Sapinttaeca van het geslacht Jagera BI. (./. serrata
RacUkof.)
3. PROT1UM W. o.t Am.
Bloemen gemengd- of tweeslachtig. Kelk klein, nap-
vormig, 4—5-lobbig of -tandig; lobben in den knop dak-
panswijze dekkend. Bloembladen 4—5, lijnvormig-lang-
werpig, in den knop ineengevouwen klepswijze aaneen-
sluitend. Schijf dik, plat-bol, ring- of urnvormig, den
bodem van den kelk bekleedend, doch met vrijen gekar-
telden rand. Meeldraden 8—10, van ongelijke grootte,
aan de basis van de schijf ingeplant. Eierstok 4—5-hokkig,
zittend; stijl kort; stempel 4—5-lobbig; eitjes 2 in elk
hokje. Steenvrucht vleezig, kogelvormig, dikwijls door
den blijvenden stijl gekroond, met 4—5 of door misluk-
king meestal met 1—3 kernen. Zaad plat-bol of min of
meer driekant; kiemworteltje naar boven gericht.
Kleine, gomharsen bevattende, gedoomde boomen, met
afwisselende, drietallige of onevengevinde bladeren, wier
blaadjes meestal gaaf, zelden getand zijn. Bloemen klein,
lang of kort gesteeld of zittend, in soms tot pluimen
vereenigde trossen of in bundels.
Aantal soorten volgens Bentham en HOOKER 3 of 4, in Britsch
-ocr page 239-
179
XXXI. BURSERACEAE.
en Nederlandsen Indië en tropisch Afrika. De omvang van ilit
geslacht is door Enoi.gr in zijne monographie derBurseraceae veel
veranderd, dooidat liij de geslachten Icica Aubl. van Zuid Amerika
en Marignia Conimers. van Madagascar, die door Bentham en Hooker
met Bursera vereenigd waren, hierin opneemt. Het aantal soorten
bedraagt daardoor 47, waarvan een tweetal in Xederlandsch Indië
voorkomt, nl. I\'. Javanicum Bnrm. en 1\'. Zollingeri Engl.
i. CANAEIUM L.
Bloemen t\\vee- of gemengdslachtig, meestal 3-tallig,
zelden 5-tallig (Scutinanthé). Kelk nap- of klokvormig,
3- (zelden 5-) lobbig of -spletig; lobben of slippen in den
knop klepswijze aaneensluitend. Bloembladen 3, zelden
5, in den knop klepswijze aaneensluitend, meestal grooter
dan de kelk. Meeldraden 6, zelden 10 of 3, buiten de
schijf of aan de basis of onder den rand van deze inge-
plant; helmdraden aan de basis verbreed, onder elkander
of met de schijf vergroeid, of vrij; helmknoppen lang-
werpig-driekant, even lang of langer dan de helmdraden;
aan de rugzijde vastgehecht, met naar binnen gekeerde
hokjes. Schijf dik, kort napvormig, gaafrandig of gekar-
teld, kaal of behaard, zelden met den kelk vergroeid,
meestal vrij. Eierstok zittend of kort gesteeld, bij de
mannelijke bloemen rudimentair, 3-of 1-, zelden 2-hokkig;
in elk hokje 2 eitjes, onder den top van den binnenhoek
hangend; stijl kort of even lang als de eierstok; stempel
knopvormig, 3—2-lobbig. Steenvrucht eivormig of lang-
werpig-ellipsvormig, soms een weinig schuin, 3—2-hokkig,
meestal met dunne, zelden met dikke of harsachtige schil
en met een eindelingsch stijllitteeken; steenkern dik,
been-, hout- of korstachtig met 3 gelijke hokjes, welke
alle één zaad bevatten of met 1 grooter, éénzadig en
2 kleinere, ledige hokjes. Zaad van denzelfden vorm als
het hokje, met dunne, vliezige zaadhuid; zaadlobben
ineengedraaid en gevouwen; kiemworteltje kort en naar
boven gericht.
Gomharsen bevattende boomen. Bladeren afwisselend,
onevengevind; blaadjes meestal gesteeld; de onderste,
aan de basis van den bladsteel gezeten, soms steunblad-
vormig. Bloemen klein of groot in eindelingsche of oksel-
standige, uit bijschermen gevormde, meestal schutbladen
dragende pluimen.
-ocr page 240-
180
XXXI. BÜRSERACEAE.
Aantal soorten volgens BENTHAM en Hooker omtrent 50, in
tropisch Azië en Afrika voorkomende. Door ENOLEB wordt dit
getal tot 80 uitgebreid, terwijl bovendien nog een 12-tal soorten,
naar onvoldoend materiaal beschreven, met eenigen twijfel tot liet
geslacht wordt gebracht. In Nederlandsch Indiö komen een 50-tal
voor, terwijl er nog kans is, dat een 10-tal soorten van Malakka
ook op Sumatra gevonden worden. Ook in China, op de Philippijnsche
eilanden en in Australië werden soorten van Crtnarium aangetroffen.
Hij de sectie Scutinanthe 7\'Aic, waarvan waarschijnlijk ééne soort
op Malakka aangetrolfen wordt, (Bennett in Hooker F!, nf Brit.
Intl.
I, p. 501), en die dus ook in den Maleischen Archipel kan
voorkomen, zijn de bloemen 5-tallig en de meeldraden van onderen
met elkander en de schijf verbonden. Eenigo soorten, wier meel-
draden onder aan de basis der schijf zijn ingeplant en welke blad-
achtige zaadlobben en kleine langgesteelde bloemen hebben, werden
door LoiRKIRO en Iil.b\'ME als een afzonderlijk geslacht, Pimela Lom:,
beschouwd; eene sectie hiervan, door Bllme CanariopsiS genoemd
en dooi\' MlQUEL ook als een geslacht beschouwd, onderscheidt zich
volgens Bentham en IIuoker van de typische soorten slechts door de
in den knop klepswijze aaneensluitende bloembladen, door de meestal
ruwharige vruchten en door de tot bundels voreenigde bloemen.
5. SANTIRIA BI.
Bloemen gemengdslacbtig. Kelk klein napvormig, 3-
lobbig of -spletig; lobben in den knop klepswijze aaneen-
sluitend. Bloembladen 3, in den knop klepswijze aaneen-
sluiteiid of licht dakpanswij ze dekkend, veel grooter dan
de kelk. Schijf ringvormig en vleezig, of dun en in de
helmdraden overgaande. Meeldraden 6, zelden minder
door mislukking, vrij, vaak ongelijk, onder den rand of
aan de basis der schijf ingeplant; helmdraden aan de basis
een weinig verbreed; helmknoppen aan de rugzijde, zelden
aan de basis ingeplant, met naar binnen gekeerde helm-
hokjes. Eierstok 3-, (zelden 4-)hokkig, met 2 eitjes in
elk hokje; stijl kort; stempel knopvormig, 3—4-lobbig.
Steenvrucht ellips- of bijna kogelvormig, min of meer
zijdelings samengedrukt aan de buikzijde, 1-hokkig,
1-zadig en met een zijdelingsch of nabij de basis geplaatst
stijllitteeken; kern bros of houtachtig, met 1 grooter
éénzadig en 2 kleine ledige hokjes. Zaad schildvormig
vastgehecht; zaadhuid vliezig; zaadlobben onregelmatig
gespleten, ineengedraaid en gevouwen; kiemworteltje naar
boven gericht.
Gomharsen bevattende boomen. Bladeren afwisselend,
-ocr page 241-
181
XXXI. BURSERACEAE.
onevengevind, lederachtig; blaadjes tegenovergesteld, een
weinig schuin, gaafrandig. Bloemen in okselstandige,
zelden eindelingsclie pluimen met wijd uiteenstaande takken ;
bloemstengels kort; sehutblaadjes klein, dikwijls ontbrekend.
Aantal soorten volgons ENOLER 27, waai van 10 in Malakka en
17 in ilen Maleischen Archipel. Als eene sectie hiervan, gekenmerkt
door de aan de basis ingeplante hehnknoppen en de tot eene korte
schijf ineenvloeiende helmdraden, beschouwt Engler het geslacht
Trigonochlamys Hook. f , waarvan 3 soorten op liorneo voorkomen.
0. GANOPHYLLÜM IJl.
Bloemen gemengdslachtig-tweelmizig. Mannelijke bloe-
men
: Kelk klein, napvormig, 5-spletig; kelkslippen kleps-
wijze aaneensluitend in den knop. Bloembladen ontbrekend.
Meeldraden 5, tusseben de lobben van de schijf ingeplant,
met de kelklobben afwisselend en daarboven uitstekend;
helindraden draadvonnig; helmknoppen langwerpig. Schijf
met 5, half-eivormige, samengedrukte lobben. Eierstok
rudimentair. Vrouwelijke bloemen: Kelk even als bij de
mannelijke. Ellipsvormige, aan weerskanten spitse steen-
vrucht met een licht gekromd stijloverblijfsel aan den top,
dat door een kleinen 3-lobbigen stempel gekroond wordt;
kern korstachtig, met 2 hokjes waarvan het é<5ne éénzadig,
het andere ledig is. Zaad aan den top van het hokje
vastgehecht, met eene vliezige zaadhuid; kiem zonder
kiemwit; zaadlobben ongelijk, de eene dwars samenge-
vouwen, de andere gekromd; kiemworteltje zijdelings
geplaatst.
Gomhars bevattende boom met kantige takken, die
evenals de bladeren met wasachtige schubben bekleed
zijn. Bladeren afwisselend, onevengevind; blaadjes afwis-
selend, 4—5 aan weerskanten, sikkelvormig, gaafrandig,
lederachtig. Bloemen klein, groenachtig, met kleine schut-
blaadjes in okselstandige, vertakte pluimen.
Eéne soort, G. falcatum BI., in Nieuw Guinea, Australië on de
Philippijnsche eilanden. Volgens Radmcoi-\'ER behoort het geslacht
tot de Sapindaceae.
-ocr page 242-
182                                 XXXII. MELIACEAE.
Fam. xxxii. MELIACEAE.
Bentham et [Jooker, Gen. Plaid. I, p. IS\'27. — Miquel, Ann.
Mus. Bol. Lm/d. Bat.
IV, p. 1. — HlERN in IIookër, Flora of
Brit. Ind.
I, p. 540. — Casim. Dk Candolle in Be Cand. Monogr.
Phaner.
I, p. 399.
Bloemen tweeslachtig of zelden gemengdslachtig-twee-
huizig, regelmatig. Kelk klein, 3—6-lobbig, zelden gaaf-
randig, of uit 4—5 vrije kelkbladen gevormd, meestal
dakpanswijze dekkend in den knop. Bloembladen 4—5,
zelden 3, vrij of zelden aan de basis vergroeid, soms
met de onderste helft der meeldradenbuis samenhangend,
in den knop klepswijze aaneensluitend of dakpanswijze
dekkend ineengedraaid. Meeldraden 4—12, meestal 8—10,
aan de basis van de hypogynische schijf ingeplant; helm-
draden tot eene buis verbonden, zelden vrij; helmknoppen
opgericht, meestal zittend op de buis en daarbinnen
besloten of er boven uitstekend, 2-hokkig, in de lengte
openbarstend. Hypogynische schijf buis- of ringvormig of
weinig ontwikkeld, vrij of met den eierstok vergroeid.
Eierstok meestal vrij, 2—5-hokkig; stijl enkelvoudig;
stempel schijf- of knopvormig; eitjes 1, nu eens 2 in elk
hokje naast of boven elkander, (zelden 1), dan weder
4—oo , in 2 rijen, en nu eens anatroop met buikstandige
zaadnerf en naar boven en naar buiten gericht poortje,
dan weder orthotroop. (Het eerste geval dikwijls bij het
onderste en het tweede bij het bovenste eitje in hetzelfde
hokje). Doos-, steen- of besvrucht. Zaden nu eens zonder
kiem wit, dan weder met vleezig kiem wit, dikwijls in een
zaadrok besloten.
Boomen of heesters. Bladeren afwisselend, zelden tegen-
overgesteld, zonder steunblaadjes aan den bladvoet, meestal
gevind, zelden enkelvoudig of dubbel gevind; blaadjes
tegenovergesteld of afwisselend, zonder steunblaadjes aan
de bladspil, meestal geheel en al gaafrandig en min of
meer schuin aan de basis. Bloemen meestal in oksel-
standige pluimen.
Aantal geslachten 35, soorten 565 volgens Casim. Dr Candolle,
meestal tropisch en in de beide halfronden verspreid. Miquel
noemt 113 soorten op voor den Maleischen Archipel.
-ocr page 243-
183
XXXII. MELIACEAE.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Tribus l. HoIicMIO. Meeldraden tot ceiio huis vergroeid. Hokjes
van den eierstok met \'2 eitjes. Zaden ongevleugeld; kiemwit ilun;
zaadlobben plat-bol of bladachtig. Bladeren enkelvoudig, drietallig,
onkel- of dubbelgevind, met gave of getande blaadjes of slippen.
sj Bladeren enkelvoudig.
1.   Turraea. Kelk 4—5-tandig. Bloembladen vrij, langwerpig.
Meeldradenbuis lang. Schijf ontbrekend, llokverbrekenile doos-
vrucht.
§§ Bladeren ilrietidlig of cnkel- of dubbelgevind,
f Bloemen langwerpig*
*\'y\' lang.
2.   IfüNRONIA. Kelk 5-deelig. Bloembladen vrij of halverwege
vergroeid. Schijf buisvormig. Hok verbrekende, 5-kIeppige doos-
vrucht.
3.   Meua. Kelk uit 5 vrije kelkbladen gevormd, 5-deelig of
•spletig. Bloembladen vrij. Helmknoppen tusschen de slippen van
de meeldradenbuis. Schijf kort, steelvonnig, aan den top nap-
vorinig. Eierstok 5—8-hokkig. Steenvrucht veelzadig, veelhokkig.
4.   AZADIBACHTA. Kelk 5-deelig. Bloembladen vrij. llolinknoppen
tegenover de slippen van de meeldradenbuis. Schijf ontbrekend.
Eierstok 3-hokkig. Steenvrucht éénzadig.
•ff Bloemen kegelvormig; stijl kort.
5.   Cipadessa. Kelk 5-tandig. Bloembladen kort , vrij. Meel-
ilradenbuis kort, 5—10-deelig. Schijf napvormig. Eierstok 5-hokkig.
Besvrucht met 1—\'2-zadige hokjes.
Tribus II. Trichilieae. Meeldraden tot eene buis vergroeid.
Hokjes van den eierstok met 1—\'2 eitjes. Zaden ongevleugeld, zonder
kiemwit; zaadlobben dikwijls met in elkander sluitende uitsteeksels
en inhammen. Bladeren enkel gevind met gaafrandige blaadjes.
T Bloemen en meeldradenbuis langwerpig of lijnvormig. Schijf
vrij, buis- of cilindervormig. Stijl meestal lang. Ilclni-
knoppen binnen de meeldradenbuis besloten.
§ Hokverbrekende doosvrucht.
6.  Dysoxyi.on. Kelk 4—5-spletigof-deelig, dakpanswijze dekkend
in den knop of urnvormig, met in den knop klepswijze aaneen-
sluitende slippen. Bloembladen klepswijze aaneensluitend in den
knop. Helmknoppen 8—10. Eierstok 3—5-hokkig met \'2 eitjes
in elk hokje.
7.   Chisocheton. Kelk nap- of buisvormig, gaafrandig of kort
getand. Bloembladen smal, in den knop klepswijze aaneensluitend.
Helmknoppen 4, 6, 8 of 10. Eierstok 3—4-hokkig, met 1 eitje
in elk hokje.
§§ Steenvrucht of besvrucht.
8.   Dasycoi.eum. Kelk nap- of buisvormig, vrij. Schijf ring-
vormig. Helmknoppen 5—8. Eierstok 2—4 bokkig. Steenvrucht.
-ocr page 244-
184
XXXII. MBLIACEAE.
9. Sasdoricum. Kelk buisvormig met de basis van den eierstok
vergroeid. Schijf buisvormig. Helmknoppen 8—10. Eierstok 5-
hokkig. Besvrucht.
-J--J- Bloemen en meeldradenbuis kogel- of tolvormig. Schijf onl-
brekend, ring- of steelvormig of met de meeldradenbuis
vergroeid. Stijl kort.
a.   Heltnknoppen geheel of grootendeels in de tneeldradcnlmis
besloten. Eitjes
4 —2. Zaden niet kantig. Bloembladen in den
knop dakpanswijze dekkend.
40. Agi.aia. Bloembladen 5. Helmknoppen 5. Eierstok 4—2-
hokkig. Besvrucht 4—2-hokkig. Zaden of zonder zaadiok doch
met een vleezig integuinent (Aglaia). of met een zaadiok, welke
de zaadhuid nauw omsluit. (Milnea).
11. LaNSIOH. Bloembladen 5. Helmknoppen 40. Eierstok 3—5-
hokkig. Besvrucht 1—5-hokkig. Zaden met een zaadiok.
42.   Amooha. Bloembladen 3—5. Helmknoppen 6—40. Eierstok
2—5-hokkig. Doosvrucht 2—5-hokkig. Zaden met een zaadiok.
b.  Heltnknoppen boven de meeldradenbuis uitstekend, of met.
vrije helmdraden. Eitjes
4—2. Zaden niet kantig, met een zaad-
rok. Bloembladen in den knop dakpanswijze dekkend.
43.   Walsura. Bloembladen 5. Helmdiaden 40, aan de basis
vergroeid of vrij. Besvrucht 1-hokkig. Bingvormige schijf.
44.   Heahnia. Bloembladen 5. Helmknoppen 5—6. Schijf ont-
brekend of klein. Besvrucht l-hokkig.
45.   Heynea. Bloembladen 4—5. Helmknoppen 8—40. Schijf
aan den top napvormig, met den eierstok vergroeid. Hokverbre-
kende doosvrucht.
c.   Helmknoppen binnen de urnvormige mceldradenbuis. Groote
kantige zaden. Bloembladen in den knop gedraaid.
46.   CaRAPa. Bloembladen 4—5. Schijf dik. Hokjes van den
eierstok met 3—6 eitjes. Hokverbrekende doosvrucht. Zaden dik,
zonder zaadrok.
Tribus III. Cedreleae. Meeldraden vrij, buiten de schijf inge-
plant. Hokjes van den eierstok met talrijke eitjes. Doosvrucht van
den top af schot- of hokverbrekend (het laatste bij een geslacht uit
Britsch Indië) openspringend met 3—5 kleppen, die van de as los-
laten. Zaden talrijk, sauiengedrukt. Bladeren soms enkelvoudig of drie-
tallig, doch meestal gevind.
47.   Cehkela. Bloembladen opgericht. Meeldraden 4—6. Schijf
boog of dik. Doosvrucht glad.
48.    Fu.vuKRSU. Bloembladen uitgespreid. Meeldraden 40,
waarvan de 5, welke tegenover de bloembladen staan soms zon-
der helmknoppen of door staminodièn vervangen zijn. Schijf nap-
vormig. Doosvrucht met wratten of stekels,
-ocr page 245-
185
XXXII. MELIACEAE.
1. TÜRAEEA L.
Bloemen tweeslachtig. Kelk urn- of napvormig, 4—5-
tandig, kort. Bloembladen 4—5, vrij, vele malen grooter
dan de kelk, lijn-spatelvormig. Meeldraden 8—10, tot
eene buis vergroeid, die langwerpig en slechts een weinig
korter is dan de bloembladen, aan den rand gekarteld of
in lint- of haarvormige, vaak tweespletige slippen is ver-
deeld en aan den binnenkant van den top zittende helm-
knoppen draagt, welke met de slippen van de buis af-
wisselen, min of meer boven den rand hiervan uitsteken,
aan de basis versmald en aan de binnenzijde min of meer
boogswijs gekromd zijn. Schijf ontbrekend. Eierstok vrij,
zittend, 5-hokkig (bij de soorten van den Maleischen
Archipel), nagenoeg kogelvormig. Stijl vele malen langer
dan de eierstok, draadvormig, met urn- of kogel- of om-
gekeerd-kegelvormigen stempel min of meer boven de
meeldradenbuis uitstekend; eitjes 2, boven elkander (bij
de soorten van den Maleischen Archipel). Ilokverbrekende,
5-hokkige doosvrucht; met hout- of loderachtige kleppen,
die van de gevleugelde as loslaten. Zaden glad, met een
breeden, buikstandigen navel; kiemwit vleezig; kiemwor-
teltje naar boven gericht; zaadlobben bladachtig.
Boomen of heesters. Bladeren enkelvoudig, gaafrandig
of stomp gelobd. Okselstandige bloemstelen met talrijke,
kleine schutbladen aan de basis en lange, witte of gele
bloemen.
Aantal soorten 24, in tropisch en Zuid Afrika, Britsch en Neder-
landsch Indië en Australië. Vier soorten, zijn in Nederlandsen
Indië gevonden en wel op Java, nl. T. pumila Benn., T. Zollinr/eri
Cas. de Cand., T. concinna Benn.
en misschien T. Billiardieri
Benn.
2. MUNRONIA WUjhl.
Bloemen tweeslachtig. Kelk 5-deelig of uit 5 vrije
kelkbladen gevormd. Bloembladen 5, veel grooter dan
de kelk, vrij of gedeeltelijk vergroeid. Meeldraden ver-
bonden tot eene buis, die slechts weinig korter is dan
de bloembladen en welks rand verdeeld is in slippen,
waartusschen de 10 met een stekelpuntje voorziene helm-
knoppen zijn geplaatst. Schijf buisvormig, nagenoeg even-
groot als de eierstok. Eierstok 5-hokkig; hokjes afwis-
-ocr page 246-
186                                 XXXII. MELIACEAE.
selende met de bloembladen, elk met 2 boven elkan-
der geplaatste eitjes; stijl grooter dan de eierstok, dun,
met een knopvormigen stempel. Hokvorbrekende, 5-klep-
pige, nagenoeg bolvormige doosvrucht.
Heesters met afwisselende, onevengcvinde bladeren;
blaadjes gaafrandig of stomp getand. Bloemen in korte
okselstandige bijschermen met weinige bloemen.
Aantal soorten 4, waarvan 2 in Britsch Indië, 1 op Java, M. Ja-
vanica lienn.,
en \\ op Timor Af. Timoriensis \'Suilt.
3. MELIA L.
Bloemen tweeslachtig. Kelk uit 5 vrije kelkbladen
gevormd of 5-spletig. Bloembladen 5, vrij, veel grooter
dan de kelk. Meeldraden tot eene buis verbonden, welke
slechts weinig korter dan de bloembladen is en aan den
top in slippen verdeeld, waartusschen aan den binnenkant
de helmknoppen zitten. Eierstok 5—8-hokkig, op eene
zeer korte, steelvormige, aan den top min of meer nap-
vormige schijf geplaatst; hokjes tegenover de bloembladen,
elk met 2 eitjes boven elkander; stijl vele malen langer
dan de eierstok, in een korten, cilindrischen, aan den
top getanden stempel eindigende. Steenvrucht vaak vleezig ,
met eene houtachtige kern en 1—2-zadige hokjes. Zaden
hangend, elliptisch; zaadhuid bros; kiemwit vleezig of in
geringe hoeveelheid; kiemworteltje rolrond, naar boven
gericht, buiten de zaadlobben uitstekende.
Boomen of heesters, met bladknoppen zonder schubben
en ster- of schubvormige haren bedekt. Bladeren afwis-
selend, enkelvoudig, of twee- of driemaal vindeelig, met
gezaagde of gaafrandige vinblaadjes. Bloemen langwerpig,
in tot okselstandige pluimen vereenigde bijschermen.
Aantal soorten i2, in de tropische en subtropische gewesten
van Afrika, Azië en Australië. Van deze soorten wordt M. Azeda-
rach L.
in alle tropische gewesten gekweekt. Verder vindt men
nog in den Maleisehen Archipel M. arguta D C, M. sambacina BI.,
M. Candolleï Juss.
en il. lomentosa Ruxb., terwijl men in Malakka
en Penang heeft aangetroffen Af. Birmanica Kurz en M. excelsa
Jack.
MiQUKi. vereenigde hiermede Azadirachta Juss. (A. Indica
Juss. = M. Azadirachta L.)
4. AZADIRACHTA A. Juss.
Bloemen tweeslachtig. Kelkbladen 5. Bloembladen 5,
veel grooter dan de kelk, vrij, in den knop dakpanswijze
-ocr page 247-
XXXII. MELIACEAE.                                  187
dekkend. Meeldraden tot eene buis vergroeid, welke
slechts weinig korter is dan de bloembladen en aan den
top in slippen verdeeld is, waartegenover aan den bin-
nenkant de meeldraden geplaatst zijn. Schijf ontbrekend.
Eierstok 3-hokkig; hokjes met 2 eitjes naast elkander,
tegenover de bloembladen; stijl vele malen langer dan
de eierstok, in een kort cilindrischen, aan den top 3-
tandigen stempel eindigend. Steenvrucht (door mislukking)
éénzadig, met eene houtachtige kern. Zaad ellipsvormig,
zonder kiemwit, zonder zaadrok; zaadlobben vleezig, hart-
vormig aan de basis; kiemworteltje naar boven gericht,
buiten de zaadlobben uitstekend.
Boomen. Bladknoppen zonder schubben. Bladeren af-
wisselend, onevengevind, met gezaagde blaadjes. Bloeiwijze
pluimvormig, okselstandig.
Eéne soort in Nederlandsen en Engelsch Indië, A. Tndica A. Juss.,
door MlQUEL tot Mtilia L. gerekend.
5. CIPADESSA UI.
Bloemen tweeslachtig. Kelk 5-tandig. Bloembladen 5,
in den knop klepswijze aaneensluitend. Meeldraden 5—10,
van onderen met de napvormige schijf tot eene korte
buis verbonden, van boven vrij, aan den top met 2
tandjes, waartusschen de helmknoppen geplaatst zijn.
Eierstok vrij, 5-hokkig (zelden in geringer aantal); hokjes
met de bloembladen afwisselend, elk met 2 eitjes naast
elkander; stijl ongeveer even groot als de eierstok, met
een knopvormigen stempel. Min of meer vleezige bes-
vrucht, met 1—2-zadige hokjes. Zaden min of meerhoe-
kig, met een vleezig kiemwit; kiem gekromd; zaadlobben
langwerpig; kiemworteltje naar boven gericht.
Kleine boomen of heesters. Bladeren afwisselend of
bijna tegenovergesteld, onevengevind of drietallig; blaadjes
gaafrandig. Bloemen in okselstandige, min of meer ver-
takte trossen.
Aantal soorten 4, \'2 in Xederlandsch en liritsch Indië, \'2 op Mada-
gasear en de Comores eilanden. Het geslacht komt onder den naam
van Mallea Juss. voor in de Genem Plantarum van BENTHAM en
Hookek. De soorten van den Maleisehen Archipel zijn C. baccifera
Mi</.
en C. Tiornt\'msis Miij.: eene derde soort, door MiquEL onder-
scheiden, C. subscandens Mig., wordt door Cas. De CaNDOLLE als
een synoniem van do eerste beschouwd.
-ocr page 248-
188                                 XXXII. MELIACEAE.
6. DYSOXYLON BI.
Bloemen tweeslachtig. Kelk 4—5-spletig, -tandig of
-deelig of min of meer gaafrandig, in den knop dakpans-
wijze dekkend of urnvormig met klepswijze aaneenslui-
tende tanden of slippen, afvallend. Bloembladen 4—5,
langwerpig, uitgespreid, in den knop klepswijze aaneen-
sluitend of licht dakpanswijze dekkend. Meeldradenbuis
cilindrisch, met getanden of gekartelden rand; hclmknop-
pen kort, 6, 8 of 10, binnen de buis of half daarboven
uitstekend. Schijf buisvormig, evenlang of tweemaal zoo-
lang als de eierstok met een gekartelden of gaven rand.
Eierstok meestal 3—4-hokkig; stijl bijna oven lang als
de meeldradenbuis; eitjes meestal 2 in elk hokje. Doos-
vrucht kogel- of peervormig, lederachtig, (soms zeer dik),
1—4-hokkig, schotverbrckend. Zaden met of zonder zaad-
rok, zonder kiemwit; zaadlobben dik; pluimpje meestal
ruigharig; kiemworteltje tusschen de zaadlobben besloten.
Boomen, meestal onbehaard. Bladeren afwisselend, zel-
den tegenovergesteld, gevind; blaadjes lederachtig, gaaf-
randig, geheel of nagenoeg tegenover elkander of afwis-
selend, meer of min puntig aan den top en schuin aan
de basis. Bloemen in pluimen.
Aantal soorten volgons CAS. Be CANDOLLK 85, penige weinige
in de Phillippijnsehe eilanden, een dertigtal in Australië, vooral
in Nieuw Caledonië, ongeveer 37 in Nederlandsen Indië en de
overige in Engelsch Indië, waarvan er G op Malakka voorkomen.
Het geslacht heeft volgens dezen schrijver grooter omvang dan bij
BENTHAM en HOOKER, waar het slechts 30 soorten bevatte, doch
Casimir De Canuou.e heeft er, behalve de later beschreven soorten,
nog bijgevoegd de soorten van Epicharis BI., welke door Bentham
en Hooker als een afzonderlijk geslacht beschouwd, maar door
MiQiiEr, met Dysoxylon Vereenigd waren. Deze soorten, aan Bentham
en Hooker niet voldoende bekend, werden van de overige afge-
scheiden wegens den nrnvormigen kelk, wiens slippen in den knop
klepswijze aaneensluiten. Cas. De Candolle vond geen reden om
ze zelfs tot een afzonderlijke sectie te vereenigen, maar nam ze
op in zijn sectie Eu-Dysoxylum. Do opgave van Bentham en Hoo-
ker, dat het geslacht Epicharis uitsluitend op de Molukken voor-
komt was eene vergissing, daar volgens het litteratuurcitaat de
door hen bedoelde soorten op Java, Timor en Sumatra gevonden
waren. Ook Bentham en Hooker hadden reeds verscheidene ge-
slachten van andere auteurs gecombineerd, welke zij beschouwden
als subgenera met de volgende onderscheidingsmerken:
-ocr page 249-
189
XXXII. MELIACEAE.
Dysoxylum, BI. Kelk napvormig, afgeknot, 4—5-tandigof-spletig.
Bloembladen vrij. Schijf kort of lang. /aden /onder zaadrok.
Hartighsea, A. Juss. Kelk 4—5-spletig of -deelig. Bloembladen
aan de basis met de meeldradenbuis versmolten. Schijf lang. Zaden
niet een zaadrok.
DidymOCheton, lil. Kelkhladen T>, sterk dakpanswijze dekkend.
Hloenihladen aan ile basis met de meeldradenbuis versmolten.
Schijf lang met gaven of gekartelden rand. Zaden zonder zaadrok.
Gonioehetnn, lil. Kelk zeer klein. Bloembladen vrij. Meeldraden-
buis kort, kantig. Schijf urnvormig. Zaden zonder zaadrok.
7. CHISOCHETON BI.
Bloemen tweeslachtig of gomengdslachtig-tweehuizig.
Kelk klein, nap- of buisvormig, gaafrandig of kort 4—5-
tandig. Bloembladen 4—5, zeer zelden 6, meestal lijn-
vormig-langwerpig, lang tot eene buis samenhangend,
vooral van onderen, doch ten slotte uitgespreid, in den
knop min of meer klepswijze aaneensluitend. Meeldraden-
buis lang, dun, buisvormig, aan den top 4—6- of 8—10-
lobbig; lobben gaafrandig of getand; helmknoppen lijn-
vormig, in gelijk aantal met de lobben en daartusschen
geplaatst, binnen de buis of eenigszins daarboven uitste-
kcnde. Schijf kort en vleezig of buisvormig. Eierstok
kort, 2—4-hokkig; stijl draadvormig, gewoonlijk langer
dan de meeldradenbuis ; stempel knopvormig; eitjes meestal
1 in elk hokje. Doosvrucht nagenoeg kogelvormig, dik,
lederachtig, 2—4-hokkig, hokverbrekend, met 2—4 klep-
pen openspringend. Zaden meestal schildvormig, besloten
in een onvolkomen zaadrok; navel meestal nagenoeg rond
of ovaal; zaadlobben dik, boven elkander geplaatst; pluimpje
dwars tusschen de zaadlobben besloten; kiemworteltje
rugstandig.
Boomen of heesters. Bladeren gevind; blaadjes geheel
of grootendeels tegenovergesteld, min of meer scheef en
gaafrandig, de bovenste van elk blad klein en opeen-
gedrongen, samen op een bladknop gelijkend. Bloemen in
boven de bladoksels geplaatste, veelbloemige pluimen, met
wijd uiteenstaande takken of in tot aren vereenigde trossen.
Aantal soorten 19, in Nederlandsch- en Engelsch Indië en de
I\'hilippijnsche eilanden. Ongeveer 0 soorten in Nederlandsen Indië
en bovendien !> in Malakka.
-ocr page 250-
190
XXXII. MELIACEAE.
8. DASYCOLEÜM Turcz.
Bloemen tweeslachtig. Kelk nap- of buisvormig. Bloem-
bladen 4—5, vrij of van onderen met elkander en de
meeldradenbuis samenhangende of\' verbonden. Meeldraden
5—8, vergroeid tot een vrije buis, die slechts weinig
korter is dan de bloembladen en aan de binnenzijde
onder den top de zittende helmknoppen draagt, welke
beneden liet midden aan de rugzijde zijn vastgehecht.
Schijf ontbrekend of steclvormig. Eierstok vrij, 2—4-
hokkig; stijl langer dan de eierstok, in een schijf- of kort
eilindervormigen stempel eindigend; elk hokje met 1 eitje.
Niet openspringende steenvrucht.
Boomen. Afwisselende, gevinde bladeren, met gaafran-
dige blaadjes, waarvan eenige der bovenste zich niet
volkomen ontwikkelen en met elkander het voorkomen
van een knop hebben. Okselstandige pluimen. Meeldra-
denbuis tot aan de tanden ruigharig, deze onbehaard.
Aantal soorten 4, waarvan er 2 op de Philippijnsche eilanden
en 2 op Borneo aangetroffen zijn. De Borneosehe soorten, beide
door Beccari verzameld, zijn D. Beccarianum Baill. en D. Sarawar
kanum Cas. de Cand.
0. SANDOEICUM Cao.
Bloemen tweeslachtig. Kelk napvormig, met 5 korte
lobben, in den knop dakpanswijze dekkend; basis van de
buis met den eierstok vergroeid. Bloembladen 5, in den
knop dakpanswijze dekkend, uitgespreid. Meeldradenbuis
langwerpig, bijna even lang als de bloembladen, aan den
top getand; helmknoppen 10 of 8, binnen de buis. Schijf
napvormig, den eierstok en de basis van den stijl om-
sluitend, in slippen verdeeld. Eierstok 5-hokkig, van
onderen met den kelk vergroeid, van boven in den stijl
uitloopende; hokjes tegenover de kelklobben, elk met 2
hangende eitjes, naast elkander geplaatst; stijl cilindrisch
of zuilvormig, bijna even lang als de meeldradenbuis in
een dikken bolvormigen stempel eindigende, welke door
een 5-tandigen ring gekroond wordt. (Deze tanden wor-
den door anderen als afzonderlijke stempels beschouwd,
in welk geval de stijl aan den top verdikt moet genoemd
worden). Bes vrucht bovenstandig, kogel vormig, vleezig,
niet openspringend, 3—5-hokkig en -zadig; vruchtvleesch
-ocr page 251-
191
XXXII. MELIACEAE.
eetbaar. Zaden in een papierachtigen zaadrok, door een
vruohtmoes omgeven.
Boomen. Bladeren 3-tallig, lederaclitig; blaadjes gaaf-
randig, de zijdelingsche kort-, de eindelingsche lang-
gesteeld. Bloemen geel of wit, in okselstandige pluimen.
Aantiil soorten 5, alle in Nederlandseh Intik\' voorkomende, nl.
S. Indicum Cnv., S. emarginatum Went, S. Maingayi Ween, S.
daayneuron Baill. en S Borneense Miq. He eerste soort wordt
aangetrollen van het eiland Mauritius tot aan de 1\'hilippijnsche
eilanden en overal wegens de vruchten gekweekt, de beide vol-
gentle komen behalve op Borneo ook op Malakka voor, de beide
laatste alleen op Borneo.
40. AGLAIA Uur.
Bloemen gemengdslachtig-tweehuizig. Kelk uit vnje,
in den knop dakpanswijze dekkende, kelkbladen bestaande
of 5-deelig of -tandig. Bloembladen 5, zelden 4, in den
knop dakpanswijze dekkend of ineengedraaid. vrij of
zelden van onderen min of meer vergroeid. Meeldraden-
buia urn- of min of meer kogelvormig, 5-tandig, aan den
top min of meer gaafrandig; helmknoppen 5—6, zelden
7, binnen de buis besloten of daar half boven uitstekend,
opgericht. Schijf weinig ontwikkeld. Eierstok langwerpig
of kort eirond, 1—2-, zelden 3-hokkig; elk hokje met
1—2 eitjes; stijl zeer kort; stempel klein, 1—3-tandig.
Besvrucht met 1 of weinige zaden en eene lederachtige,
soms beschubde schil. Zaden öf met een vleezig integument
(Aglala) öf met een zaadrok, die de zaadhuid nauw
omsluit (Milnea); zaadlobben boven elkander; kiem dwars
geplaatst, dikwijls met dichte ruige haren bezet.
Boomen of heesters, meestal met min of meer in slip-
pen verdeelde schubben of stervormige haren bekleed.
Bladeren onevengevind, met gaafrandige blaadjes, soms
doorschijnend gestippeld. Bloemen klein, zeer talrijk, in
okselstandige, min of meer kogelvormige pluimen.
Aantal soorten volgens Cas. De CanoolLE 59, in tropisch Azië
en Australië. Meer dan de helft hiervan werden in Nederlandsen
Indië gevonden, vooral op Java, Sumatra en Borneo, terwijl er op
Malakka en de Philippijnsche eilanden nog verscheidene soorten
voorkomen, die in de aangrenzende deelen van den Maleischen
Archipel niet zijn waargenomen, zoodat het aantal der soorten
waarschijnlijk nog talrijker is. De Candoi.le brengt hiertoe ook
de soorten van Milnea lioxb., die door Bentham en Hooker
-ocr page 252-
192
XXXII. MELIACEAE.
wegens den vleezigen zaadrok daarvan afgescheiden waren. IIiehn
in HOOKER Flora af Jlrit. Ind. I, p. 554, noemt de zaden van
Aglaia «voorzien van een vleozig integument"; volgens Bentham
en HOOKER waren ze «zonder zaadrok". Cas. Uk Candoi.le geeft
geen algemeene kenmerken op voor het zaad van het geslacht,
doch vermeldt alleen van enkele soorten, dat zij geen zaadrok
hebben; van de meeste schijnt dit niet bekend te zijn.
11. LANSIUM Rumph.
Bloemen gemengdslachtig-tweehuizig, 5-tallig. Kelkbla-
den afgerond, dakpanswijze dekkend in den knop. Bloem-
bladen afgerond, naar elkander geneigd, dakpanswijze
dekkend in den knop. Meeldradenbuis kogelvormig, ge-
karteld; helmknoppen 10, stomp, meestal in 2 rijen, de
kortste binnen de buis, de langste daar gedeeltelijk
boven uitstekend, soms gepunt. Schijf weinig ontwikkeld.
Eierstok kogelvormig, 3—5-hokkig; hokjes met 1—2
eitjes; stijl zeer kort en dik; stempel afgeknot, 3—5-
lobbig. Besvrucht 1—5-hokkig; hokjes 1—2-zadig. Zaden
langwerpig, met buikstandigen navel, in een gelciachtigen
zaadrok besloten, zonder kiemwit.
Boomen of heesters. Bladeren onevengevind, met gaaf-
randige, afwisselende of tegenovergestelde, kort gesteelde
blaadjes. Bloemen okselstandig, de mannelijke in losse
pluimen, de vrouwelijke in aren of trossen.
Aantal soorten 4 a G, in Britscli Indie en den Maleischen Archipel.
L. domesticum Jack, wordt aldaar en in de Phiüppijnscbe eilanden
gekweekt. Behalve deze treft men nog \'2 soorten in Jlalakka aan,
L. cinereum Hiern en L. pediceliatum Hiem en ééne soort in
Bengalen L. Anamalayanum JJeihl. Een tweetal soorten, waarvan de
eene, L. aqueum Jack., in Benkoelen voorkomt, do andere, (£. humde
llassk.,
in den tuin te Buitenzorg gekweekt weid, zijn misschien
volgens Miquel cultuurvormen der gekweekte soort en de door
Kumpiiius beschreven L. sylvestre en L. montanum volgens Cas.
de Candoli.e waarschijnlijk soorten van Aglaia.
12. AMOORA Roxb.
Bloemen gemengdslachtig. Kelkbladen 5, vrij of tot
een gelobden of getanden kelk vergroeid. Bloembladen
3—5, vrij, dakpanswijze dekkend, zelden klepswijze aan-
eensluitend in den knop. Meeldraden 3—10; helmdraden
verbonden tot eene buis, die een weinig korter is dan de
bloembladen en van binnen 3—10 zittende helmknoppen
-ocr page 253-
193
XXXII. MELIACEAE.
bevat. Schijf ontbrekend of in den vorm van een korten
steel. Eierstok vrij, 3-bokkig; elk hokje met 1 —2 eitjes;
stijl ontbrekend of kort (in de soorten van den Maleisen en
Archipel); stempel pyramide-, kegel-, of schijfvormig met
gaven of getanden rand. (In ééne soort 3 stempels).
Doosvrucht hokverbrekend, 3—4-kleppig, leder- of hout-
achtig. Zaden met een vleezigen zaadrok en buikstandi-
gen navel; zaadlobben boven of naast elkander, dik,
ineengekreukt, het pluimpje omsluitend.
Boomen, wier knoppen vaak met schubben of stervor-
mige haren bekleed zijn. Bladeren meestal oneven- (zel-
den even-)gevind; blaadjes scheef, gaafrandig. Bloemen
okselstandig, de mannelijke in trossen, de vrouwelijke in
aren of trossen.
Aantal soorten 15 volgens Hif.rn in IIook. Fl. nf Br. India,
27 volgfins Cas. de Candoi.i.e, in ISritsch Indië, tien Maleisehen
Archipel en Australië. Volgens Miquei. vindt men 7 soorten in
Nederlandsen Indië en zijn er een C-tal in Malakka en de Philip-
pijnsche Eilanden.
13. WALSTJRA Roxb.
Kelk kort, 5-spletig of -deelig, dakpanswijze dekkend
in den knop. Bloembladen 5, eirond-langwerpig, uitge-
spreid, in den knop licht dakpanswijze dekkend ofkleps-
wijze aaneensluitend. Helmdraden 10 of 8, lijn- of priem-
vormig, vrij of tot eene buis vergroeid; helmknoppen
eindelingsch of ingeplant in den inham aan den top van
den helmdraad. Schijf meestal ringvormig, vleezig. Eier-
stok kort, 2—3-hokkig, in de schijf besloten; stijl vrij
kort; stempel schijf- of knopvormig, 2—3-tandig; eitjes
2 in elk hokje. Besvrucht kort viltachtig, niet ópen-
springend, 1-, zelden 2-hokkig en -zadig; zaad in een
vleezigen zaadrok besloten, zonder kiemwit.
Boomen. Bladeren 1—5-tallig; blaadjes tegenovergesteld,
geheel gaafrandig, van onderen bleek. Bloemen klein, in
okselstandige en eindelingsche pluimen.
Aantal soorten 12, in Britsen Indië en den Maleisehen Archipel.
De eenige soort, welke tot dusverre in Nederlandsen Indië gevonden
werd, IV. phinata Jfansk., is volgens De Caxdom.e slechts onvol-
ledig hekend. In Malakka komt slechts ééne soort voor, II\'.
neuroUes Wem.
13
-ocr page 254-
194
XXXII. MELIACEAE.
14. HEARNIA Fcrtl. Mtwll.
Kclkbladon 5, vrij of tot een getanden of\' gedcclden
kelk vereenigd, zeer kort. Bloembladen 5, vrij of van
onderen vergroeid. Meeldraden verbonden tot eene vrije
buis, die een weinig korter dan de bloembladen en aan
den top gekarteld of getand is; bclmknoppen 5, zelden
6, met een verdikt, zelden in een stekelpuntje eindigend,
helmbindsel. Schijf ontbrekend of weinig ontwikkeld.
Eierstok 1—2-hokkig, elk hokje met 1—2 eitjes, welke
naast elkander geplaatst zijn; stijl ontbrekend; stempel
klein, kegelvormig. Besvrucht niet openspringend, door
het verdwijnen der tusschensi hotten 1-hokkig. Zaden
zonder kiem wit, niet dikke, half-eivormige, boven elkan-
der geplaatste zaadlobbcn, die het korte kiemworteltje
omsluiten.
Boomen. Bladeren afwisselend, onevengevind niet gaaf-
randige blaadjes. Bloemen klein, kegelvormig, in oksel-
standige pluimen, soms gemengdslachtig-tweehuizig.
Aantal soorten !•, waarvan 1 in Nieuw-Holland, 1 op de l\'hilip-
pijnsche eilanden en «Ie overige in Nederlandsen Indië. De Indische
soorten van dit geslacht zijn //. ettiptica,H. lancifolia,H. glaucescens,
II. Tteccariana, H. tnacrophylia, 11. Sarawakana, II. villosu,
all»?
soorten van Cas. De Cakdolle. De eerste was vroeger als eene soort
van Aglaia Lom:, de beide volgende als soorten van Aglaiopis
Miq. beschreven; de drie laatste waren nieuw in De CaNOOIXE\'s
raonographie.
15. HEYNEA Boa*.
Kelk kort, 4—5-spletig, dakpanswijze dekkend in den
knop. Bloembladen 4—5, vrij langwerpig, min of meer
opgericht, in den knop klepswijze aaneensluitend.
Helmdradenbuis 8- of 10-spletig; slippen lijnvormig, 2-
tandig aan den top, de helitiknoppon dragende tnsschon
de lijnvormige tanden. Schijf ringvormig, vleezig. Eier-
stok door de schijf omsloten, 2—3-hokkig, in een korten
stijl versmald; stempel 2—3-tandig, met een verdikten
ring aan de basis; eitjes 2 in elk hokje. Doosvrucht 1-
hokkig, 2-kleppig, 1-zadig, onbehaard. Zaden met een
dunnen, witten zaadrok, zonder kiemwit; zaadlobben dik,
half bolvormig, opliggend.
Boomen, zelden heesters. Bladeren afwisselend, oneven-
gevind, met 5—11 blaadjes; blaadjes tegenovergesteld,
-ocr page 255-
195
XXXII. MELIACEAE.
geheel gaafrandig. Eindelingsche en okselstandige,gesteelde,
tuilvormige pluimen. Bloemen vrij klein.
Aiintul soorten 3, in Britsch en Nederlandsen Indië en Cochin-
Cliina. De eerste;, //. trijui/a J{o.cb., koint in Engelsen Indië voor
en verbreidt zich tot Penang, zoodat liet niet onwaarschijnlijk is,
dat zij ook in Suuiatra gevonden zal worden: de tweede, //. Su-
matrana Mig.,
werd in westelijk Sumatra aangetroll\'en en de derde,
II. Cochin-chinensis linill.. is afkomstig van Oorhin-Cliina. De
eerste werd door Ki K/. tot liet geslacht Walsura ltti.il>. gebracht.
( H\'. imhescens Kurz.)
16. CARAPA Aubl.
Kelk kort, uit 4—5 vrije kelkbladen bestaande of 4—
5-spletig. Bloembladen 4—5, teruggeslagen, linksgedraaid
in den knop. Meeldradenbuis urnvormig, 8-tandig aan
den top; tanden 2-deelig; helmknoppen 8, 2-hokkig,
zittend, met de tanden afwisselend, doch daar niet boven
uitstekend. Schijf vleezig, napvormig, de basis van den
eierstok omhullend en daarmede vergroeid. Eierstok 4—
5-hokkig, met 4 groeven; hokjes met 2—8 eitjes; stijl
kort; stempel sehijfvormig. Doosvrucht kogel- of eivormig,
groot 6—12-zadig; schil vleezig, met 4 kleppen open-
springende tegenover de verdwijnende tusschenschotten.
Zaden groot, dik en hoekig; zaadhuid dik en sponsachtig;
zaadrok ontbrekend; navel groot, buikstandig; zaadlobben
dik, naast of boven elkander, ongelijk, ineengekreukt;
kiemworteltje naar boven gericht.
Onbehaarde boomen met beschubde bladknoppen en
afwisselende even- of onevengevinde bladeren; blaadjes
tegenovergesteld, geheel gaafrandig, zwaknervig. Bloemen
in pluimen, welke of aan de toppen der takken in de
oksels van schutbladacbtigo, in slippen verdeelde, bladeren
staan öf geheel eindelingsch zijn.
Aantal soorten volgens DB Caniioli.k 6, waarvan 3 in tropisch Ame-
rika alleen voorkomen, terwijl de 3 andere tusschen de keerkringen
aan moerassige zeekusten wijd verspreid zijn, doch voornamelijk
in de oude wereld worden aangetroll\'en. De laatste werden door
MlQUBL en anderen als een afzonderlijk geslacht XylOCarpilS Koenig
beschouwd. In Nederlandsen Indié\' komen volgens Dk Caniioli.k slechts
twee soorten voor: C. obovntn UI. (X. oliovalus A. Juhs.) en C.
Moluccensis Lam. (X. Gramünm Kneu.)
Eene derde soort, X.
Fontteni
Af/\'/., welke op Celebes is aangetroll\'en, wordt door Me Can-
DOLLK niet vermeld.
-ocr page 256-
196
XXXII. MELIACEAE.
17. CEDRELA L.
Kelk kort, buisvormig, 5-tandig of uit vrije kelkbladen
gevormd. Bloembodem tot eene schijf of eene zuil ver-
lengd, welke aan den top de voortplantingswerktuigen
draagt. Bloembladen 5, afwisselend met de kelkslippen,
onder elkander vrij, maar met de zuil vergroeid door
middel van eene uit het midden van het bloemblad naar
deze loopende, verticale plaat, de kiel. Meeldraden 5,
met de bloembladen afwisselend, vrij, op den top der
zuil ingeplant, met priemvormige helmdraden en bewe-
gelijke, aan de basis hartvormige helmknoppen; helm-
draden ontbrekend of ten getale van 5 tegenover de
bloembladen. Eierstok zittend op den top der zuil, 5-
hokkig; hokjes tegenover de bloembladen geplaatst, elk
met 8—12 eitjes in 2 rijen; stijl door een schijf- of
knopvormigen stempel gekroond. Houtachtige of vliezige
doosvrucht, aan den top schotverbrekend, 5-kleppig
openspringend; in elk hokje talrijke, hangende, zijdelings
samengedrukte, langgevleugelde zaden met een dun kiem-
wit; zaadlobben bladachtig, een weinig vleezig; kiem-
worteltje naar buiten stekend en naar boven gericht.
Boomen met beschubde bladknoppen. Bladeren afwis-
selend, evengevind met gaafrandige of licht gezaagde
blaadjes, dikwijls met bochtige, doorschijnende stippels of
strepen. Bloemen tweeslachtig, in okselstandige of einde-
lingsche pluimen.
Aantal soorten "olgens BENTHAM en Hookku 12, volgens Cas.
De Candolle 23; de laatste beschouwde echter slechts 16 soorten
als voldoende beschreven. Het geslacht wordt door hein verdeeld
in 2 secties. Hij do eerste, uitsluitend uit Amerikaansche soorten
gevormd, is de schijf lang en zuilvormig, en veel grooter dan de
eierstok, welks hokjes meestal elk 12 eitjes bevatten. Bij de tweede,
welke uit Aziatische, Australische en Afrikaansche soorten bestaat,
is de schijf korter of even groot als de eierstok, welker hokjes
8—10 eitjes bevatten. Onder de soorten der laatste sectie vindt men
behalve 67. febrifuga BI., welke op Java wordt aangetroffen, nog
C. serrulata Miq., C. inodora Hassk. en C. Teysmanni Hcinnk.,
doch deze, waarvan de eerste op Sumatra, de beide andere op .lava
voorkomen, zijn volgens Cas. Bk Candolle nog onvoldoende bekend.
18. FLINDERSIA B. Brmvn.
Kelk klein, 5-tandig of uit 5 vrije kelkbladen gevormd.
Bloembladen 5, vrij, in den knop dakpanswijze dekkend.
-ocr page 257-
197
XXXIII. DICHAPETALACEAE.
Meeldraden 10, vrij, alle helmknoppen dragend of 5
staminodiën tegenover de bloembladen. Schijf napvormig,
onbehaard, vleezig of vliezig, den eierstok omgevend,
vrij of met de helmdraden vergroeid. Eierstok vrij, 5-
hokkig, met hokjes tegenover de bloembladen, elk 2—6
eitjes bevattend, welke in 2 rijen boven elkander ge-
plaatst zijn; stijl even lang als de eierstok of korter,
door een schijfvormigen stempel gekroond. Doosvrucht
houtachtig met stekels of wratten, schotverbrekend, met
5 kleppen, welke loslaten van de as, die de tusschen-
schotten draagt en die ten slotte in 5 deelen splijt. Zaden
klimmend, samengedrukt, van boven of aan weerskanten
lang gevleugeld, zonder kiemwit; zaadlobben vleezig-
bladachtig, hartvormig aan de basis, doorschijnend-ge-
klierd; kiemworteltje kort.
Boomen of heesters. Bladeren tegenovergesteld of af-
wisselend, onevengevind, met gaafrandige blaadjes,
meestal doorschijnend gestippeld. Bloeiwijze okselstandig
of eindelingsch, pluimvormig.
Aantal soorten 12, in Australië en Nieuw-Caledonië. Kéne soort
in Amboina, F. Amboinenris Pok:, welke echter door Cas. De
Candolle met eenigen twijfel bij het geslacht wordt genoemd.
Fam. XXXIII. DICHAPETALACEAE.(Chailletiaceae).
Bentham et Hooker, Gen. Plant. I, p. 340. — TuRCZAN., Buil.
Soc. Imp. Moscou,
1863, I, p. OH. — Hook., Fl. of Dr. Ind. I,
p. 569. — Hecc, Mal. I, p. 176. — Pierre, Fl. Forest. t. 47—48.
Bloemen één- of gemengdslachtig. Kelkbladen 5, vrij
of vergroeid, soms ongelijk, dakpanswijze dekkend in
den knop. Bloembladen 5, vrij of vergroeid, bijna peri-
gynisch, gelijk of ongelijk, uitgerand of 2-spletig, vaak
met een naar binnen omgeslagen slip, die met de voor-
zijde van het bloemblad vergroeid is, meestal open in
den knop. Meeldraden 5, bijna perigynisch, alle of ge-
deeltelijk vruchtbaar, vrij of met de kroon vergroeid;
helmknoppen langwerpig; helmbindsel vaak aan de rug-
zijde verdikt. Schijf öf uit 5 vrije klieren of schubben ge-
-ocr page 258-
108
XXXIII. ÜICHAPETALACEAE.
vormd of napvormig met 5 klieren of lobben. Eierstok
vrij, zacht- of langharig, 2—3-hokkig; stijlen 1, 2 of 3,
vrij of min of meer vergroeid; stempels enkelvoudig of
knopvermig; eitjes anatroop, in paren aan den top der
hokjes hangend. Steenvrucht zacht- of ruwharig, lang-
werpig of samengedrukt of tweelobbig; vruchtschil gaaf ot
openbarstend; steen al of niet openspljjrend, met 1—;3
hokjes; elk hokje met 1 zaad. Zaden dik; navel breed; zaad-
huid vliezig; kiemwit ontbrekend; kiem groot; zaadlobben
dik; kiemworteltje klein, naar boven gericht.
Boomen of heesters. Bladeren afwisselend, geheel gaaf-
randig; steunblaadjes 2, afvallend. Bloemen klein, in
kluwens of in tuilvorniige bijschermen, wier stelen soms
met de bladstelen vergroeid zijn, zoodat zij schijnbaar
uit de bladschijf ontspringen.
Aantal geslachten 3, soorten 40; 1 geslacht in tropisch Azië,
Afrika en Amerika on \'2 alleen in Amerika.
Eenig geslacht voor Nederlandsen Indië:
DicuaI\'KTAI.I\'M. Bloemen regelmatig. Bloembladen vrij.
DICHAPETALTJM Tlmitars.
Bloemen gemengdslachtig-éénhuizig. Kelkbladcn 5, on-
gelijk, aan de basis of daarboven vereenigd, stomp. Bloem-
bladen 5, 2-lobbig, smal, vrij. Meeldraden 5, soms licht
vergroeid met de basis der bloembladen. Schijf of uit 5
vierkante schubben bestaande, welke tegenover de bloem-
bladen geplaatst zijn, óf onduidelijk 5-lobbig. Eierstok
2—3-hokkig; stijlen 1—3, vrij of vergroeid, met stem-
pels aan den top. Steenvrucht lederachtig, droog, met
een 1—2-hokkigen, brozen of beenharden steen.
Kleine boomen of heesters, opgericht of klimmend,
onbehaard of zachtharig. Bladeren afwisselend, kort ge-
steeld, lederachtig, geaderd, gaafrandig. Steunblaadjes 2,
afvallend. Bloeiwijze okselstandig, in bijschermen of tui-
len, vaak met talrijke bloemen, zachtharig of viltachtig;
de steel kort of lang, vrij of met den bladsteel ver-
groeid en schijnbaar uit de bladschijf ontspringend. Bloe-
men klein, dikwijls wit, met van binnen onbehaarde
kelkbladen.
Aantal soorten 30. waarvan i op de eilanden der Stille Zuidzee
en de overige in tropisch Azië, Afrika en Amerika.
-ocr page 259-
\\XXIV. OLACACEAE.                                 199
Hot geslacht Dichayietalum was door Thouars ingesteld mot ilo
beschrijving van I). Madagascarienxe Thon. vóór liet door l>i-: Oan-
DOLLE Chailletia was genoemd; daarom moot ilo geslachtsnaam on
volgens Di.\'ranu\'s Imle.c ook de familienaam gewijzigd worden.
In Nederlandsen Indië komen voor: 4. I). Timoriense (Ch. Titno~
riensis
D C), waarschijnlijk niet, zooals Beccari (Malesia I, p.
I7(>) meent, dezelfde soort als die, welke door HassKARL tot liet
geslacht Villaresia /•\'. el Pav. (V. scandens Hassk.) gebracht is;
deze schijnt als eene tweede soort. \'2. />. scanden» onderscheiden
te moeten worden, 3. I). Sumatranum = Ch. Sumatranum Mi//.,
welke niet synoniem is, zooals door IIihiki i; (1*1. of Br. Iml. I,
l>. 170) wordt aangegeven, met Ch. gelonioides Hook. f., 4. D.de-
(lexifolia (Ch. deflexifolia Turcz.). 5. I). I\'a punnum (Ch. I\'<ti>i<-
iiiiii jtrev.)
on één of twee soorten door Tkysmans op liet eiland
Kionw verzameld. Misschien sluiten eene of moordere hiervan zich
aan bij IJ. Helferianum Pierre (Ch. ll\'lferiana Honk. f.) of eene
der andere soorten, welke in Ëngelseh Indië gevonden zijn.
Fam. xxxiv. OLACACEAE.
Bentham et Hooker, Oen. Plant. I. p. 342. — Miq. Ann. Mus.
I.mi\'l. lint.
I, p. 4. III, p. 2\'t7. — Haiix. in Ü.C. Prod. XVII, p.
7. — Beccari, Malesia I, p. 105 en \'25."). — Nuov. Giorn. Bot. hal.
1877, p. 100 en \'27H. — Vai.eton, Critisch overzicht der Olacineae
Hcni/i. et Ilook.,
Groningen, 1880.
Bloemen regelmatig, t\\vec- of éénslachtig, vaak tweehuizig.
Kelk meestal klein ,4—5-tandig, «lobbig of\'-deelig soms na
den bloei in grootte toenemend, vrij, of met den eierstok of
de vrucht vergroeid; lobben of slippen in den knop klepswijzc
aaneensluitend of dakpanswijze dokkend. Bloembladen 4—5,
zelden 6, klepswijzc aaneensluitend of dakpanswijze dek-
kend in den knop, vrij of tot eene klok- of buisvormige
bloemkroon vergroeid. Meeldradcn 3—15, met de bloem-
bladen op den bloembodem of op den schijfrand ingeplant,
vrij of met deze vergroeid on of daartegenover staande,
of daarmede afwisselend, alle vruchtbaar of eenige zonder
helmknoppen, (staminodiën), elk afzonderlijk of min of
meer éénbroederig; helmknoppen opgericht, 2-hokkig ,
in de lengte openbarstend. Schijf nu eens napvormig, vrij
of met den eierstok of kelk vergroeid, dan weder ring-
vormig of weinig ontwikkeld, dan weder verdeeld in
4—5 schubben, die den eierstok of de meeldradenbuis
-ocr page 260-
200
XXXIV. OLACACEAE.
omgeven. Eierstok vrij, of half onderstandig, 1-hokkig,
of onvolkomen 2—5-hokkig door tusschenschotten, welke
den top van de holte niet bereiken; stijl enkelvoudig of
ontbrekend, zelden verdeeld; stempel gaaf of gelobd;
eitjes 1—5, hangend aan den top van eene centrale zaad-
lijst of aan den zijwand of den top van de eierstokholte,
volgens sommigen bestaande uit eene naakte kern zonder
eihuid, volgens anderen uit eene zeer kleine kern met
eene zeer dikke eihuid; zaadstreng (of zaadljjst) vaak aan
den top boven het eitje verdikt. Vrucht vleezig of droog,
niet openspringend, 1-hokkig, 1-zadig, vrij of min of
meer met de kelkbuis en de schijf vergroeid. Zaad han-
gend; kiemwit vleezig; gaaf of gelobd, zelden ontbrekend;
kiemworteltje naar boven gericht; zaadlobben bladachtig,
plat of gevouwen, zelden vleezig.
Boomen of heesters, zelden kruiden, soms klimmende.
Bladeren afwisselend, zelden tegenovergesteld, enkelvou-
dig of gelobd, vin- of handnervig, zonder steunblaadjes.
Bloeiwijze in bijschermen, welke eindelingsch of oksel-
standig zijn, of buiten de oksels geplaatst, zittend of min
of meer gesteeld, zelden in hoofdjes bijeengevoegd zijn.
Aantal geslachten omstreeks 40 en soorten 490, die wijd ver-
spreid zijn over de tropische streken van de beide halfronden.
Volgens Valeton\'s Critisch overzicht der Olacineae B. et H.
moet men deze groep van Bentham en HoOKER veel eerder be-
schouwen als eene vereeniging van drie families, Olacaceae. 0pilia-
Ceae en leacinaceae. De laatste alleen, waarin hij twee onder-
families, de leacineae en de Phytocreneae onderscheidt, kan
in de nabijheid der Ilicaceae geplaatst worden. De beide andere
daarentegen, behooren onder de Monochlanvjdeae en wel in de
onmiddellijke nabijheid dei\' Santalaceae, waarmede de Opiliaceae
misschien vereenigd moeten worden. Niettegenstaande deze be-
schouwing, die op een grondig onderzoek berust, heb ik gemeend
mij aan de rangschikking van Bentham en Hooker te moeten
houden, omdat deze, al moge zij kunstmatig zijn, zich beter leent
voor het doel van dit werk nl. om den weg te leeren vinden in de
Flora van Nederlandsch lndië. Ook blijven de geslachten bij Vale-
ton in hoofdzaak op dezelfde wijze gegroepeerd en wordt alleen de
rang dier groepen en hunne plaats in het stelsel veranderd. Bij de
omgrenzing der geslachten heb ik echter Valeton\'s Monographie
gevolgd.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Tribus i. Olacoae. Bloemen twee- of éénslachtig. Meeldraden
al of niet in hetzelfde aantal als de bloembladen, in het laatste geval
-ocr page 261-
201
XXXIV. OLACACEAE.
tegenover deze geplaatst. Eierstok 2—r>-hokkig aan de basis, l-hok-
kig aan don top, of volkomen l-hokkig; eitjes 2—3, hangend.
Vruchtbare meeldraden in het halve, hel dubbele of het
driedubbele aantal der bloembladen.
§ Vruchtbare meeldraden 10.
1.   Ximknia. Bladeren afwisselend. Helmdraden vrij.
2.  ScORODorARPUS. Bladeren afwisselend. Helmdraden bijna
geheel met de bloembladen vergroeid.
3.  Ctknoi.oi\'IIün. Bladeren tegenovergesteld. Helmdraden vrij
§§ Vruchtbare meeldraden meer of minder dan 10.
4.   Olax. liladeren afwisselend. Vruchtbare meeldraden 3—">.
5.    OCHANOSTACUTS. liladeren afwisselend. Vruchtbare meel-
d raden 12—15.
•j-j- Vruchtbare meeldraden in hetzelfde aantal als de bloembladen
en tegenover deze.
0. Erytropai.im. Kelk met de vrucht vergroeid. Staminodien
5. Eierstok l-hokkig.
7.   Strombosia. Kelk met de vrucht vergroeid. Staminodien
ontbrekend. Eierstok 3—5-hokkig.
8.   AnaCOLOSA. Kelk niet met de vrucht vergroeid. Staminodien
5. Eierstok l-hokkig.
Tribus II. Opilieae. Bloemen twee- of éénslachtig. Meeldraden
in hetzelfde aantal als de bloembladen of bloemdekslippcn en daar-
tegenover gesteld. Eierstok l-hokkig, met 1 eitje.
\\ Bloemen zonder of mei een onduidelijken kelk.
0. Cansjkra. Schutbladen klein. Staminodien 4—5. Eitje eerst
hangend, later opgericht.
10.   L.EPIONURUS. Schutbladen zeer groot, op die van de hop
gelijkend. Staminodien ontbrekend. Eitje opgericht.
11.   Ciiamperkia. Schutbladen uiterst klein of ontbrekend.
Staminodien ontbrekend. Eitje opgericht.
-j--J- Bloemen met duidelijken kelk en met bloemkroon.
12.   Opii.ia. Schutbladen klein, vóór den bloei afvallend. Sta-
minodiën 5.
Tribus III. Icacineae. Bloemen twee- of éénslachtig. Meeldra-
den in hetzelfde aantal als de bloembladen en daarmede afwisselend.
Eierstok 1—2-hokkig met 1—2 eitjes, hangend van den top van het
hokje, zelden volkomen 2—3-hokkig met 1—2 eitjes in elk hokje.
T Kelk napvormig, met kleine tandjes klepsivijze aaneensluitend
in den knop.
§ Eierstok met of zonder stijl. Steen met langsribben of strepen, niet
niet netvormig verspreide holten.
-ocr page 262-
202                                 XXXIV. OIACACEAE.
a. Bloembladen van binnen onbehaard.
13. Lasianthera. Schijf éénzijdig. Eierstok met korten stijl
of zittenden stempel. Vrucht symmetrisch, aan de ééne zijde
vleezig, aan de andere houtachtig.
1 i. Rompiiandra. Schijf ringvormig of ontbrekend. Eierstok
met of zonder stijl en met eene, den stempel omgevende klier.
Vrucht een weinig asymmetrisch, geheel vleezig.
15. StemonurüS. Schijf napvormig, de hiisis van den eierstok
omgevend: deze met een eindelingschen, stipvormigon stempel,
aan den top van een priemvormigen stijl. Vrucht elliptisch, op
de doorsnede regelmatig, geheel vleezig.
(3. Bloembladen van binnen langharig. Stempel beker- of schijfvorniig \')
l(>. MAi\'i\'iA. Schijf bladachtig en gelobd. Vrucht elliptisch, op
de doorsnede nagenoeg regelmatig
§§ Eierstok met zittenden stempel. Steen met nel vorniig verspreide
holten.
17 Ryticarvum. Schijf ontbrekend. Bloemkroon van onderen
buisvormig, inwendig onbehaard.
•J-J- Kelk diep 5-deelig, of uit vrije kelkbladen bestaande; kelk slip pen
of kelkbladen dakpanswijie dekkend in den knop.
§ Vrucht vleezig.
18.   GONOCARYUM. Hloemen gemengdslacblig-tweehuizig. Iiloem-
kroou klokvormig met smallen, teruggeslagen 5-lobbigen zoom.
Eierstok 1-hokkig, van binnen met een onduidelijken richel.
Onder elke bloem een napje, gevormd door 2—3 schutblaadjes.
19.   1\'l.ATKA. Bloemen tweehuizig. liloemkroon bij de mannelijke
bloemen radvormig, met korte buis, bij de vrouwelijke ontbrekend.
Eierstok 1-hokkig, van binnen glad. Onder elke bloem slechts 1
schut blaadje.
\'20. Villaresia. Hloemen twee- of gemengdslachtig. llloem-
bladen vrij. Eierstok onvolkomen 2-hokkig, van binnen met eene
diep vooruitspringende richel, die een onvolkomen tusschenschot
vormt, waardoor het kieinwit hoefijzervormig ingesuoerd wordt.
Onder elke bloem slechts een zeer klein schutblaadje.
§§ Vrucht droog, gevleugeld.
21. PTELEOCARPA. Hloemen tweeslachtig. Eierstok 2-hokkig.
Tribus l\\\'. l\'liyiOd\'Cneae. Bloemen tweehuizig. Meeldraden
in hetzelfde aantal als de bloembladen, daarmede afwisselend of er
tegenover geplaatst. Eierstok 1-hokkig met 1 eitje; kiem even groot
\') Bij eene soort van de vorige groep, waarvan het onzeker is of
zij tot Lasianthera, Gomphandra of Stenwnurus gebracht moet worden,
nl. bij Stenwnurus"? lomentella Vrd. (Lasianthera lanceolata Mast.),
zijn de bloembladen volgens MaSTERS van binnen langharig, doch
eindigt de stijl in een kleinen «tempel.
-ocr page 263-
XXXIV. OLACACEAE.                                 203
als liet kiemwit of bet laatste ontbrekend: xaadlolibcn vleezig of
hladarhtig.
-j- H/mieren afwisselend. Helmdraden langer don du helmknoppen.
£ Bloemen in hoofdjes of schennen.
22. Phttocbene. Bloembodem bij alle bloemen kort. (Volgens
li.Ui.i.ox alle bloemen zittend, in hoofdjes.\') Steenvrucht gostokold
of met borstels. Vrucht vleeseh boven de kern uitstekend. Zaad-
lobben plat of s-vormig ineengekreukt: kiemwit ineengekreukt
veellobbig. Stijl even lang als de eierstok.
\'23. MlQUEMA. Bloembodem bij de mannelijke bloemen ver-
lengd. (Volgens BAILLON mannelijke bloemen lang gestoeld, iti
schermen.) Steenvrucht glad: viuchtvleesch niet boven de kern
uitstekend. Zaadlobben plat, dikvleezig; kiemwit vleezig, van
buiten rimpelig. Stijl kort of ontbrekend.
Bloemen in aren.
24.   SARCOSTIOHA. Bloembodem bij alle bloemen kort. (Volgens
BAILLON alle bloemen zittend, in aren.) Steenvrucht glad ; vrucht-
vleesch lederachtig, de kern nauw omsluitend. Zaadlobben plat,
dikvleezig: kieinwit ontbrekend. Stijl kort of ontbrekend.
f-j- Bladeren tegenovergesteld. Helmdraden hort of ontbrekend.
25.   PolyporandRA. Melmdraden ontbrekend; helmknoppen
kogelvormig, van buiten met talrijke holton, welke dooi\' een
afvallend, vliezig dekseltje gesloten worden en het stuifmeel
bevatten. Bloemen in okselstandige pluimen.
26.   .Ioiiks. Ilelmdraden kort; helmknoppen aan de basis in-
geplant en opgericht of zelden met den top van den helmdraad
vergroeid en slakkenhuisvormig gewonden, naar binnen met 2
spleten openspringend, liloemen in bijscheriiien , welke tot trossen
of pluimen vereenigd, in of boven de bladoksels staan; maune-
lijke hloemstongels gewoonlijk zeer sterk vertakt; onderste tak-
ken dikwijls in ranken veranderd.
Afwijkend geslacht.
27.   CaRDIOPTERJS. liloemen tweeslachtig. Klimplant met molk-
sap. Kelkbladeu evenals de bloembladen dakpanswijze dekkend
in den knop, de eerste onder aan de basis vergroeid. l!loembla-
den tot eene klokvoiinige bloemkroon vergroeid, op een verhoog-
den bloembodem ingeplant. Meeldraden 5, aan de basis der
bloemkroon ingeplant en met de lobben afwisselend. Vrucht
droog, gevleugeld.
1. XIMENIA PI urn.
Kelk klein, uitgespreid, 4—5-tandig of -spletig, na
den bloei vergroot. Bloembladen 4—5, hypogynisch, kleps-
wijze aaneensluitend in den knop, smal, van binnen
gebaard, bij den bloei met teruggerolden top. Meeldraden
-ocr page 264-
204
XXXIV. OIACACEAE.
in het dubbele aantal der bloembladen, vrij van deze,
helmdraden draadvormig; helmknoppen lijnvormig of na-
genoeg eirond, opgericht, gaaf, zijdelings openspringend;
helmbindsel met een stekelpuntje aan den top. Schijt
ontbrekend. Eierstok volkomen 4-hokkig, of boven in
den top l-hokkig, met 4 groeven van buiten en klieren
aan de basis; stijl gaaf; stempel min of meer knopvor-
mig; eitjes in elk hokje 1, anatroop, lijnvormig, afhan-
gend van eene zaadlijst, dio of van boven vrij, öf aan den
top van don wand van het hokje bevestigd is. Steenvrucht
ei- of kogelvormig, met sappig vruchtvleesch en eene
broze of min of meer houtachtige kern, met eene kurk-
achtige binnenwandlaag. Zaad schijnbaar opgericht; zeer
kleine kiem binnen den top van een vleezig kiemwit.
Heesters of boomen, kaal of viltachtig behaard, vaak
met doornen uit mislukte twijgen gevormd. Bladeren af-
wisselend, vaak in bundels, gaafrandig, nagenoeg leder-
achtig. Witte, vrij groote bloemen, in korte okselstan-
dige bijschermen, zelden alleenstaand.
Aantal soorten i, waarvan 1 in Zuid Afrika, 2 in Midden Amerika
voorkomen en 1, X. Americana £,., in allo tropische gewesten, ook
in Nedüilandscli Indië, verspreid is.
\'2. SCORODOCARPUS flecc.
Kelk napvormig, klein, met 4 kartels, na den bloei
onveranderd. Bloemblnden 5, hypogynisch, klepswijze
aaneensluitend in den knop, smal, van binnen wollig
gebaard. Meeldraden in het dubbele aantal der bloem-
bladen; helmdraden met deze bijna geheel vergroeid,
alleen aan den top over een korte uitgestrektheid vrij;
helmknoppen lijnvormig, opgericht, gaafrandig, in de
lengte openspringend. Eierstok onvolkomen 3—4-hokkig,
met 1 eitje in elk hokje; eitjes langwerpig, opeenge-
drongen aan den top der hokjes, die van boven open
zijn, en te samen afhangend van céne bijna vrije zaad-
lijst ; stijl enkelvoudig, langwerpig kegelvormig, van bin-
nen hol; stempels 3, puntig. Steenvrucht kogelvormig
met weinig vruchtvleesch en eene broze, houtachtige,
1-zadige kern. Zaad met eene zijdelingsche gleuf, waar-
door de draadvormige zaadlijst loopt, aan welks top het
-ocr page 265-
205
XXXIV. OLACACEAE.
is vastgehecht; kleine kiem binnen den top van het
vleezige kiemwit en een naar boven gericht kiemworteltje.
Hooge boom. Takken rood bescbubd, bij het drogen
zwart wordend. Bladeren onbehaard, lederachtig. Bloemen
groot in vergelijking met die der andere geslachten, tot
korte trosjes verbonden in de oksels der bladeren.
Kéne soort, Sc. Bonieensis lieer., in Jtorneo voorkomende, door
BAILLON tot liet geslacht Ximenia Plitm. gerekend.
X CTENO.LOPHON Oliv.
Kelk 5-deelig; lobben dakpanswijze dekkend in den
knop, na den bloei niet vergroot. Bloembladen 5, vrij,
dakpanswijze dekkend in den knop, langwerpig, na den
bloei teruggeslagen. Meeldraden 10, vrij, ingeplant op
eene korte, ringvormige, hypogynische schijf; die,
welke tegenover de bloembladen geplaatst zijn, langer
dan de andere; helmknoppen afgerond, met een puntje,
2-hokkig, in de lengte openspringend. Staminodiën ont-
brekend. Eierstok vrij, kort gesteeld, onvolkomen 2-hok-
kig; stijl cilindrisch, tweespletig aan den top; stempels
knopvormig; eitjes 2 in elk hokje, naast elkander hangend.
Vrucht lederachtig of bros, 1-hokkig, 1-zadig, onregel-
matig openspringend. Zaad hangend aan den top van
eene vrije, centrale zaadlijst en voorzien van eenen rug-
gelingschen, getanden kam.
Boomen. Bladeren tegenovergesteld, gesteeld, enkel-
voudig, 1-nervig. Bloemen regelmatig, in eindelingsche
pluimen of bij schermen.
Aantal soorten 2, in Malakka, misschien ook in den Maleischen
Archipel.
4. OLAX L.
Kelk klein, napvormig, afgeknot of gekarteld, vrij of
met de schijf vergroeid, na den bloei zelden onveranderd,
gewoonlijk vergroot en de steenvrucht insluitend. Bloem-
bladen 3, gaaf of 2-deelig, (door ver voortgezette deeling
zijn er soms schijnbaar 6, of door mislukking 5, welke
dan bij paren samenhangen), klepswijze aaneensluitend in
den knop, op eene hypo- of perigynische schijf ingeplant.
Volkomen meeldraden 3—6, hooger dan de bloembladen
ingeplant; staminodiën 0, 3, 5 of 6, naast de meeldraden,
-ocr page 266-
206                                XXXIV. OLACACEAE.
hooger dan de bloembladen ingeplant, dikwijls tweedee-
lig aan den top; helmknoppen opgericht, langwerpig, nabij
de basis aan de rugzijde vastgehecht, in de lengte openend.
Eierstok boveustandig of in de schijf\' weggedoken, onvol-
komen 3-hokkig; stijl kort of lang, meestal met een
knopvormigen, drielobbigen stempel. Eitjes 3, smal, ana-
troop, met eene uitwendige zaaduerf (zonder vaten), han-
gende aan den top van eene asstandige zaadlij st. Steen-
vrucht kogelrond of langwerpig meestal tot aan den top
door den kelk omsloten of daarmede vergroeid, zelden
naakt, met eene steenachtige kern. Zaad schijnbaar op-
gericht; kiem zeer klein, met een naar boven gericht
kiemworteltje, gelegen onder den top van het oliehoudend
kiemwit, dat eene min of meer tweedeelige centrale holte
bevat.
Heesters, half heesters of kleine boomen, vaak klim-
planten, onbehaard of onduidelijk zachtharig, soms met
sterke doorns gewapend. .Bladeren afwisselend, dikwijls
tweenjig, met de takken geleed, gaafraudig, met ondui-
delijke nerven, soms zeer klein, schubvormig. Bloemen
klein, zelden alleenstaand, meestal aan korte trossen,
welke ten getale van één of meer in de oksels der bla-
deren staan en aan den voet der bloemsteeltjes schut-
bladen dragen.
Aantal soorten ongeveer 28, waarvan een 8-tal in tropisch
Azië voorkomt, terwijl de overige in tropisch Afrika, Amerika en
Australië gevonden worden. Ken 3-tal soorten komt in den Ma-
leischen Archipel voor.
5. OOHANOSTACHYS Mast.
Kelk napvormig, klein, vrij, 4—5-tandig, na den bloei
onveranderd. Bloembladen 4—5, vrij, in den knop kleps-
wijze aaneensluitend, van binnen behaard. Meeldraden
12—15, hypogynisch, 3 aan 3 tegenover de bloem-
bladen geplaatst; helmdraden vrij, priemvormig, aan de
basis afgeplat, onbehaard; helmknoppen klein, opgericht,
kogelvormig, 4-lobbig, vóór den bloei 4-hokkig, daarna
2-lobbig en in de lengte openspringend. Schijf hypogy-
nisch, kort ringvormig of dikwijls weinig ontwikkeld.
Eierstok vrij, eivormig, 3-hokkig, boven de aanhechting
der eitjes 1-hokkig, van buiten vleezig met 15 voren;
-ocr page 267-
207
XXXIV. OLACACEAE.
stijl kort, van onderen vleezig en met 30 groeven;
stempel onduidelijk B-lobbig. Eitjes 1 in elk hokje, hangend
aan den top van eene bijna vrije, asstandige zaadlijst,
welke door middel van volkomen tussohen schotten met
den wand der holte vergroeid is, anatroop, met rugstan-
dige zaadnerf\' en door één dik eivlies bekleed. Steen-
vrucht, kogelvormig mot eene korte punt, een dun
vruehtvlcesch, en eene broze, houtachtige kern, waarvan
de binnenste wandlaag onregelmatig splijt en kurkachtig
is en met 1 hangend zaad, dat in rijpen toestand nog
onbekend is.
Boomen of heesters, met lederachtige bladeren, welke
onbehaard, gaafrandig en vinnervig zijn, met onduidelijke
nervatuur. Bloemen kort gesteeld, in weinigbloemige,
zittende bijschermen, welke dunne lange aren vormen,
die in de oksels der bladeren, ten getale van 2 of 3,
bijeenstaan.
Aantal soorten \'2, in Malakka en in Nederlandsen Indië, O. amen-
tacea Mast.
en O. Bancana Val. De laatste soort, werd door Dkccari
als een afzonderlijk geslacht Potaiinia beschouwd en als P. Ban-
cana
het eerst beschreven. De eerste komt volgens Masters behalve
op Malakka ook op Borneo voor.
6. ERYTHROPALUM BI.
Kelk wijd klokvormig, met korte, aan den eierstok
vergroeide buis, en 5 korte, breede, elkander in den
knop min of meer dakpanswijze dekkende, slippen, welke
na den bloei met den eierstok medegroeien. Bloembladen
5, perigynisch, in den knop klepswijze aaneensluitend,
kort, uitgespreid. Meeldraden 5, tegenover de bloem-
bladen en met deze aan de basis vergroeid, met korte,
platte helmdraden; helmknoppen eirond, opgericht, met
een dik helmbindsel. Eierstok half weggedoken in de
schijf, 1-hokkig; stijl zeer kort, kegelvormig; stempel
min of meer 3-lobbig; eitjes 2—3, neerhangend van den
top van het hokje. Steenvrucht langwerpig, aan den top
door den rand van den daarmede vergroeiden kelk ge-
kroond, met eene broze kern. Zaad hangend; kiem zeer
klein, onder den top van het vleezige kiemwit.
Onbehaarde, klimmende heesters. Bladeren afwisselend,
gaafrandig, 3-nervig, lang gesteeld. Bloemen zeer klein,
-ocr page 268-
208                                 XXXIV. OLACACEAE.
in losse, okselstandige, min of meer draadvormige bij-
schermen; sommige bloemstengels in ranken veranderd.
Aantal soorten 2 of 3, in tropisch Azië. E. tarnden» BI. komt
op Java voor.
7.   STROMBOSIA BI.
Kelkbuis tijdens den bloei kort met den eierstok ver-
groeid, met 5 breede, elkander in den knop min of meer
dakpanswijze dekkende slippen, na den bloei met de
vrucht medegroeiend. Bloembladen 5, perigynisch, in
den knop klepswijze aaneensluitend, opgericht-uiteen-
staande of samenneigeml. Meeldraden 5, tegenover
de bloembladen en daarmede vrij lang vergroeid; helm-
draden slechts over korten afstand vrij; helmknoppen
ruggelings vastgehecht. Eierstok met eene breede basis
op de schijf geplaatst of daarin weggedoken, bijna tot
aan den top (of soms volkomen?) 3—5-hokkig; stijl kort;
stempel onduidelijk gelobd; eitjes 3—5, binnen de hok-
jes afhangend van den top van eene asstandige, meestal
vrije zaadbjst. Steenvrucht besvormig, langwerpig aan
den top gekroond door den rand van den daarmede ver-
groeiden kelk, met eene broze of harde kern. Zaad
hangend; kiem zeer klein, binnen den top van het vlee-
zige kiemwit.
Onbehaarde boomen. Bladeren gaafrandig, lederachtig,
glanzend. Bloemen klein en okselstandig, nu eens zittend,
tot kluwens saamgedrongen, dan weder kort en gesteeld,
in losse bij schermen.
Aantal soorten 6, 1 in tropisch Afrika en 5 in tropisch Azië,
waarvan 3 in Nederlandsen Indië.
8.  ANACOLOSA BI.
Kelk zeer klein, bekervormig, afgeknot, min of meer
getand, vrij, na den bloei onveranderd. Schijf met den
eierstok vergroeid, met 6 zeer kleine vooruitspringende
tanden, welke met de meeldraden afwisselen. Bloembla-
den 6, op den rand van de schijf ingeplant, in den knop
klepswijze aaneensluitend, aan den top dik-driehoekig, in
de holle basis de meeldraden verbergend en boven deze
gebaard. Meeldraden 6 (of soms 5—7), aan de basis der
bloembladen en tegenover deze ingeplant, met zeer korte,
-ocr page 269-
209
XXXIV. OLACACEAE.
platte helmdraden en bijna eindelingsche, 4-lobbige helm-
knoppen, wier hokjes in het dikke helmbindsel wegge-
doken zijn en wier top penseelvormig is; stuifmeel drie-
kant. Eierstok in de schijf weggedoken, onvolkomen
2-hokkig (of onduidelijk 3-hokkig); stijl kegelvormig of
kort draadvormig; stempel nagenoeg gaafrandig; eitjes
2—3, nagenoeg kegelvormig, camptotroop, van den top
der vrije zaadlijst in de hokjes afhangend. Steenvrucht,
1-zadig, besvormig, met eene punt, aan den top 2 ringen
dragende, de een getand, en de ander gaaf. Zaad van
den top van eene sponsachtige massa, die de holte be-
kleedt, neerhangend; kiem kort, nagenoeg cilindrisch,
binnen den top van het vleezige kiemwit; kiemworteltje
naar boven gericht, dikker dan de zaadlobben.
Heesters. Bladeren afwisselend, gaafrandig, lederachtig.
Bloemen klein, soms zeer klein, gesteeld, in de blad-
oksels opeengedrongen.
Aantal soorten 7, waarvan er 1 op Madagascar en de overige
in Britsch en Nederlandseh Indië voorkomen. A. frutesccns BI.
wordt op Java aangetroffen.
9. CANSJERA BI.
Kelk onduidelijk, met 4 zeer kleine tandjes, min of
meer met de bloemkroon versmolten tot een klok of urn-
vormig, 4-lobbig bloemdek; lobben in den knop kleps-
wijze aaneensluitend. Schijf vlak, zachtharig, vergroeid
met de basis van het bloemdek, naar buiten uitspringend,
gaafrandig of met kleine, stompe tandjes, welke met de
bloemdekbladen afwisselen. Hierbinnen 4—5, hypogy-
nische, lancetvormige, aan den top getande schubben,
(staminodiën of klieren van de schijf), welke met de meel-
draden afwisselen en den eierstok omgeven. Meeldraden
4, tegenover de bloemdekbladen en min of meer daar-
mede vergroeid; helmknoppen min of meer kogelvormig,
2-lobbig, aan de basis vastgehecht, ten slotte buiten de
bloem uitstekend. Eierstok zittend, onbehaard, vleezig,
meestal langwerpig, met eene kleine holte in het midden;
stijl eindelingsch, kort of draadvormig; stempel knop-
vormig, met 4 groeven in den rand, buiten de bloem
uitstekend; eitje eerst hangend, later opgericht, aan den
top van eene centrale zaadlijst. Steenvrucht met een week,
H
-ocr page 270-
210
XXXIV. OLACACEAE.
dun vruchtvleesch, eene broze kern en een opgericht
zaad. Kiem nauw ingesloten, midden in het bovenste ge-
deelte van het olieachtig kiemwit, de halve lengte van
het zaad innemend, met een kort, naar boven gericht
kiemworteltje en drie zaadlobben, welke langer zijn dan-
het worteltje.
Bladeren afwisselend, gaafrandig, onbehaard of zacht-
harig. Bloomen klein, geel, elk met een klein sehut-
blaadjo voorzien, in kleine aren, welke alleen of in bun-
dels in de oksels der bladeren staan.
Aantal soorten 7, in tropisch Azië, Afrika en Australië. Eéne
soort, C. Rheedii Gmol. wordt aangetroffen in het geheele versprei-
dingsgebietl van het geslacht, o. a. op Sumatra; tloor Miqiiel is deze
als eene soort van Olax (O. Sumatrana Mig.) beschreven.
10. LEPIONURTJS BI.
Kelk onduidelijk, geheel met de napvormige schijf ver-
groeid of ontbrekend. Bloemkroon of bloemdek diep 4—5-
deelig, met in den knop klepswijze aaneensluitende, later
teruggeslagen slippen, if eeldraden 4—5; helmdraden kort;
helmknoppen klein, aan de basis vastgehecht, in de lengte
openspringend. Schijf napvormig, met de basis van het
bloemdek vergroeid, naar buiten nauwelijks uitspringend,
van binnen 4—5-lobbig; lobben klein, aan den top 2-
spletig, met de meeldraden afwisselend. Eierstok vrij, in
de holte van de schijf of er mede vergroeid, éénhokkig,
met één naakt eitje, dat van den top van eene centrale
zaadlijst afhangt; stijl zeer klein; stempel 4—5-lobbig;
lobben boven de meeldraden uitstekend. Zaad (schijnbaar?)
opgericht; kiem in de as van het vleezig kiemwit en
veel kleiner dan dit, met een cilindervormig worteltje en
drie smalle zaadlobben.
Onbehaarde heesters met zeer kort gesteelde, bijna
zittende, vliezige, bladeren. Bloemen drie aan drie door
een groot hopachtig schutblad ondersteund, aan trossen,
welke in bundels in de oksels der bladeren staan.
Eéne soort, L. sylvestris III., welke, behalve op Java en Sumatra,
ook in Britsen lndië voorkomt.
11. OHAMPEREIA Griff.
Bloemen tweeslachtig (soms door mislukking mannelijk).
Kelk geheel ontbrekend. Bloemkroon of bloemdek tot de
-ocr page 271-
211
XXXIV. OLACACEAE.
schijf verdeeld in 5, in den knop klepswijs aaneenslui-
tende, segmenten. Meeldraden 5; helmdraden draadvor-
mig, zeer kort of ten slotte even lang als het bloemdek;
helmknoppen eirond of langwerpig, met evenwijdige, in
de lengte openbarstende hokjes. Schijf nagenoeg vlak,
met 5 ondiepe groeven tegenover de meeldraden en korte
lobben daartusschen. Eierstok half in de schijf wegge-
doken (bij de mannelijke bloemen zonder holte volgens
Baillon) ; stempel zittend,breed, kussenvormig; één eitje,
opgericht in het midden van de holte. Steenvrucht eirond-
langwerpig, met eene dunne schil, eene broze kern en
een spinnewebachtigen binnenwand. Zaad van denzelfden
vorm als de kern, zonder zaadhuid; kiem recht, nage-
noeg rolrond, in het midden van het olieachtige, vleezige
kiemwit; worteltje naar boven gericht, langer dan de
smalle zaadlobben.
Heesters of boomen, onbehaard. Bladeren afwisselend,
kort gesteeld, lederachtig. Bloemen zeer klein, in 3—5-
bloemige, kleine bijschermen, welke, tot dunne, vertakte
pluimen vereenigd, in de oksels der bladeren staan.
Schutblaadjes zeer klein of ontbrekend.
Aantal soorten, volgens Vai.eton , 3 a 4, in Britsch Indië, den
Maleischen Archipel en de Philippijnsuhe Eilanden, lichter is de
samenhang van al deze soorten met elkander nog niet volkomen
bewezen. Het voorkomen in den Maleischen Archipel van eene dei-
soorten van de Philippijnen, onder den n;i;nn van Opiliastrum lïriill.
(O. Slanillannm liaill. en O. Cumingianum Haitl.) beschreven, schijnt
twijfelachtig; ééne soort komt op Malakka voor, C. Grifftthiana
Kurz.
Door Hentham en IIooker werd het geslacht onder de
Sanlataceae gebracht.
12. OPILIA Iioxb.
Bloemen tweeslachtig, 4- of 5-deelig. Kelk zeer klein,
met 4—5 tandjes. Bloemkroon (volgens Valeton bloem-
dek) 4—5-deelig; segmenten klepswijze aaneensluitend
in den knop, ten slotte uiteengespreid, omgekeerd-eirond.
Schijf vlak, met den kelk vergroeid. Staminodiën 4—5,
groot, vleezig, knodsvormig, met de meeldraden afwis-
selend, na den bloei blijvend. Meeldraden 4—5; helm-
draden draadvormig; helmknoppen aan de rugzijde bij
de basis vastgehecht, zijdelings openspringend. Eierstok
cilindrisch, bovenstandig, 1-hokkig, met eene asstandige
-ocr page 272-
212
XXXIV. OLACACEAE.
zaadhjst, die het grootste gedeelte van de holte inneemt
en aan den vrijen top één klein eitje draagt. Stempel
bijna zittend, neergedrnkt-knopvormig, met onduidelijke
tandjes aan den rand. Steenvrucht met een vleezig vrueht-
vleesch, eene houtachtige kern, en eenen dunnen door
vaatbundels doortrokken binnenwand. Zaad van denzelf-
den vorm als de holte der kiem, opgericht, naakt (zonder
zaadhuid), met een oliebevattend kiemwit; kiem asstandig,
bijna even lang als het zaad, rolrond met onduidelijke
zaadlobben.
Klimmende heesters met afwisselende, lederachtige,
onbehaarde, glanzende bladeren, welke aan de basis
nagenoeg drievoudig generfd zijn. Okselstandige trossen
met schildvormige schutbladen, die ieder 3 kleine bloe-
men ondersteunen en vóór den bloei afvallen.
Aantal soorten 5, in tropisch Azio, Afrika en Australië; in Ne-
derlandsch Indie 0. amentaceu Roxb. = O. Javanica Miq. en O.
Pentitdtis BI.
13. LA.SIANTHERA Pal. Beauv.
Bloemen tweeslachtig. Kelk kort, napvormig, 5-tandig,
door schutblaadjes omgeven. Bloembladen 5, hypogynisch,
in den knop klepswijze aaneensluitend, aan de basis tot
eene buis versmolten. Meeldraden 5, hypogynisch, met
de bloembladen afwisselend; helmdraden plat, bloemblad-
vormig, aan de basis tot eene buis verbonden, welke
niet met de bloemkroon samenhangt, van voren onder
den top hol, kapvormig; helmknoppen tweehokkig, naar
binnen openspringend met schuine langsspleten, bedekt
door haren, welke op de helmdraden en het helmbindsel
ontspringen. Eierstok vrij, éénhokkig, langwerpig driekant,
met een korten, eindelingschen stijl en een kleinen, knop-
vormigen stempel; eitjes 2 naast elkander, anatroop,
hangend van den top van het hokje. Schijf éénzijdig,
zeer groot, tegenover den stamper en daarop gelijkend,
soms klein of schubvormig. Steenvrucht gebogen, samen-
gedrukt, asymmetrisch; aan ééne zijde slechts met weinig
vruchtvleesch, aan de andere zijde droog, in de lengte
gestreept. Zaad hangend, met een vleezig kiemwit en
eene kleine, aan den top geplaatste kiem.
Klimmende heesters. Afwisselende, gaafrandige blade-
-ocr page 273-
213
XXXIV. OLACACEAE.
ren. Bloemen buiten de bladoksels, in gesteelde hoofdjes
of schermpjes.
Aantal soorten 3, ééne in tropisch Afrika, ééne in Nieuw-Cale-
donië en ééne, L. Papuana llrcc, in Nieuw-Ouinea. Door MlQUEL
werden tot Lasianthera eenige soorten gerekend, welke door Vai.kton
deels tot Gomphanüra Wall., deels tot Stemonurus lUume worden
gebracht.
14. GOMPHANDRA Wttll.
Bloemen gemengdslaehtig, door mislukking tweehuizig.
Kelk kort, napvormig, 4—5-tandig of gaafrandig. Bloom-
bladen 4—5, in den knop klepswijze aaneensluitend,
min of meer tot eene buis verbonden, met vrije, vóór
den bloei naar binnen gebogen, toppen. Meeldraden 4—5
(zelden 3), afwisselend met de bloembladen, ingeplant
op eene hypogynische schijf; helmdraden zelden onbehaard,
dikwijls spaarzaam of dicht behaard, meestal van boven
verdikt en aan den top met twee holten aan de binnen-
zijde voor de helmknoppen; helmknoppen in de manne-
lijke bloemen gevuld met driekant-schijfvormigo stuif-
meelkorrels en naar binnen openspringend, in de vrou-
welijke bloemen ledig, hangend aan den top der helm-
draden. Stamper in de mannelijke bloemen min of meer
rudimentair, kegelvormig, geheel gevuld of van boven
met een holte, die rudimentaire eitjes bevat; in de vrou-
wehjke bloemen cilindrisch of omgekeerd-kegelvormig,
even lang als de helmdraden, met eene breede, gelobde
klier aan den top, welke den stempel omgeeft; stempel
trechter- of wratvormig; eitjes 2, hangend. Steenvrucht
langwerpig, eirond, of omgekeerd eirond, door den kus-
senvormigen min of meer excentrischen stempel, welke
al of niet gesteeld is, gekroond. Kern houtachtig of
bros, langsgeribd. Zaad hangend, door eene cirkelvormige
zaadnerf omgeven; kiemwit vleezig, nagenoeg tweedeelig,
het voorkomen hebbende van twee vleezige zaadlobben,
met eene meestal kleine kiem aan den top.
Onbehaarde of zachtharige boomen. Bladeren gaafrandig.
Bloemen klein, in bij schermen, welke nu eens opeen-
gedrongen of tot hoofdjes verbonden, dan weder lang
gesteeld en tot schermen vereenigd zijn, in de oksels der
bladeren of daarbuiten geplaatst, soms de bloemen aan
de takken van de tweede orde dragende.
-ocr page 274-
214
XXXIV. OLACACEAE.
Aantal soorten 15, in Australië, de Philippijnsche eilanden,
Engelsch Indië en Nederlandsen Indië. De Nederlandsen Indische
soorten, 7 in getal, waren grootendeels reeds door MlQUEL en
Bluhe vermeld, doch bij de geslachten Lasianthera 1\'al. Beauv.
en Stemonurus JU. gebracht.
15. STEMONURUS BI.
Bloemen tweeslachtig; kelk klein, napvormig, afge-
knot, met kleine tandjes of 5 lobben, welke in den jon-
gen knop klepswijze aaneensluiten, blijvend. Bloembladen
5, hypogynisch, met een naar binnen geslagen top;
schijf\' napvormig, de basis van den eierstok omgevend.
Meeldraden 5, hypogynisch, met de bloembladen afwis-
selend; helmdraden dik, plat, aan de rugzijde en
dikwijls ook van voren met lange haren, die in den
knoptoestand over de helmknoppen gebogen zijn; helm-
knoppen opgericht, in de lengte naar binnen openspringend,
met evenwijdige hokjes. Eierstok kegelvormig, éénhokkig;
eitjes 2, hangend aan den top van het hokje, anatroop;
stijl kegelvormig-cilindrisch, met stipvormigen, einde-
lingschen stempel. Steenvrucht eivormig of elliptisch, écn-
zadig met hout- of lederachtige, van buiten vezelige kern;
zaad hangend, met zeer dunne zaadhuid; kiem eindelingsch,
zeer klein; zaadlobben kort; kiemworteltje rond of min
of meer kegelvormig; kiemwit vleezig, 2-deelig.
Onbehaarde boomen of heesters met gaafrandige, leder-
achtige, bladeren. Knoppen vaak bedekt met eene vernis-
achtige zelfstandigheid. Bloemen in zittende of kort ge-
steelde, tot hoofdjes vereenigde, okselstandige bijschermen.
Aantal soorten 0, in tropisch Azië, met uitzondering van 3
alle in Nedeiiandsch Indië, gedeeltelijk in Britsch Indië. Dit ge-
slacht werd door Benthah en Hooker deels tot Lasianthera, deels
tot Gomphandra gebracht.
16. MAPPIA Jacq.
Bloemen twee- of gemengdslachtig, 5-tallig, van bui-
ten zachtharig. Kelk klein, getand. Bloembladen, kleps-
wijze aaneensluitend in den knop, van binnen langharig,
met ingebogen top en naar binnen slechts weinig voor-
springende nerf. Meeldraden hypogynisch; helmdraden
draadvormig of aan de basis afgeplat, in den knop ge-
kromd, in een priemvormig, opgericht of min of meer
-ocr page 275-
215
XXXIV. OLACACEAE.
voorover gebogen hclmbindsel eindigend; helmknoppen
tweelobbig; hokjes van onderen van elkander verwijderd,
aan de rugzijde bij de basis vastgehecht, naar binnen
openspringend. Schijf napvormig, 5-lobbig, van binnen
vaak behaard, de basis van den eierstok omgevend.
Eierstok kegelvormig of eirond, behaard; stijl kort of
lang, soms schuin; stempel beker- of schijfvormig, onbe-
haard; eitjes 2, naast elkander hangend, anatroop, met
naar buiten gekeerde zaadnerf en afgeplatten zaadstreng.
Vrucht klein, eirond, samengedrukt, met dun vrucht-
vleesch en broze kern. Zaad hangend met rugstandige
zaadnerf; kiemwit vleezig; kiem asstandig, bijna even
lang als het kiemwit; zaadlobben broed, bladachtig,
langer dan het naar boven gerichte kiemworteltje.
Bladeren afwisselend, gaafrandig, netvormig geaderd.
Bloemen in bijschermen, tot losse tuilen vereenigd aan
de uiteinden der takken.
Aantal soorten 6, waarvan 1 in West Indië en op de Philippynsche
eilanden, 4 in Engelseh Indië en 1, M. montana MU)., in Neder*
landsch Indië. De laatste vormde Bi.üme\'s geslacht Nothapodytes
en werd door Bentham en Hooker tot het geslacht Apodytes
E. Meij. gebracht.
17. RYTICARTJM Becc.
Bloemen tweehuizig of gemengdslachtig. Kelk klein,
laag napvormig, bijna gaafrandig of kort 5-tandig. Bloem-
bladen 5 of 6, tot eene buis vergroeid, aan den top vrij,
klepswijze aaneensluitend in den knop, met een kort,
naar binnen omgeslagen aanhangsel aan den top. Man-
nelijke bloemen:
Meeldraden 5 of 6, vrij, afwisselend
met de bloembladen; helmdraden kort; helmknoppen op-
gericht, langwerpig-elliptisch, met evenwijdige, in de
lengte naar binnen openspringende hokjes. Eierstok rudi-
mentair, zonder eitjes, kogelvormig, behaard. Schijf ont-
brekend. Vrouwelijke bloemen: Meeldraden 5, rudimentair.
Eierstok kegelvormig, behaard, aan den top afgeknot en
stempeldragend; eitjes 2, hangend aan den top van het
hokje. Steenvrucht eirond of elliptisch, van boven afge-
plat, met een vleezig vruchtvleesch en eene dunne
houtachtige kern met netvormige verspreide holten. Zaad
1, hangend aan den top van het hokje. Zaadhuid zeer
-ocr page 276-
216                                XXXIV. OLACACEAE.
dun; kiom bijna even groot als het vlcezige kiemwit;
zaadlobben zeer breed, met hartvormigen voet, plat, dun
bladachtig, ei- of cirkelrond; kiemworteltje cilindrisch,
kort, naar boven gericht.
Altijd groene, recht opstaande, weinig vertakte hees-
ters, met afwisselende, kruidachtige of bijna lederachtigo
bladeren. Bloemen zeer klein, zittend in aren of aan
okselstandige, bundelsgewjjze bijeengeplaatste, kleine
takjes.
Aantal soorten 4, alle in Nieuw-Guinea.
18. GONOCARYUM Miq.
Bloemen gemengdslachtig-tweehuizig. Kelk 5-deelig,
met breede elkander dakpanswijze dekkende segmenten.
Bloembladen 5, aan de basis tot eene klokvormige buis
verbonden, klepswijze aaneensluitend in den knop, met een
naar binnen gebogen top, van binnen geribd, ten slotte
teruggeslagen. Meeldraden 5, met de bloembladen afwis-
selend; helmdraden aan de basis samenhangend; helm-
knoppen langwerpig, aan de rugzijde vastgehecht, met
langsspleten naar binnen openend, zonder stuifmeel in de
vrouwelijke bloemen; stuifmeel kogelvormig met netvor-
mige exine. Eierstok bij de mannelijke bloemen rudimen-
tair, zeer behaard, door eene breede schijf omgeven, bij
de vrouwelijke bloemen eivormig, behaard, éénhokkig,
zonder schijf of deze met den eierstok versmolten ; stempel
zittend, dik, schuin op den top van den eierstok geplaatst;
eitjes 2 naast elkander, hangend aan den top van het
hokje. Steenvrucht éénzadig, kogel- of ellipsvormig met
een vleezig of sponsachtig vruchtvleesch en eene hout-
achtige kern. Zaad hangend, met een dunne zaadhuid;
kiemwit vleezig, in groote hoeveelheid, ineengekreukt-
gelobd of korrelig; kiem in de as van het kiemwit met
gevouwen en in elkaar gekreukte, lancetvormige zaadlob-
ben, soms met omgeslagen top.
Boomen of heesters. Bladeren afwisselend, lederachtig,
gaafrandig, kaal, glanzend, vinnervig. Bloemen in klu-
wens, tot korte, afgebroken aren vereenigd; de vrouwe-
lijke in gering aantal, geleed op korte stelen, door 2 of 3
zeer kleine, samen een nap vormende, schutblaadjes
omgeven.
-ocr page 277-
217
XXXIV. OLACACEAE.
Aantal soorten volgens VALETOM 6 of 7. in Nederlandsen Indië,
de Philippijnsehe Eilanden en Nieuw-Holland, Eenige hiervan
werden door andere? schrijvers gebracht tot de geslachten Phlebo-
calymna
Griff., Platea /(/., Stemonurus />\'/. en Villaresia H. et 1\'au.
Bentham en Hookbr, wien slechts G. gracite i&iq. en alleen door
de beschrijving bekend was, meenden dat het geslacht niet in de
familie tehuis behoorde. De soorten van Nederlandse)) Indië behalve
G. gracile Miq. zijn de volgende: G. \'J\'ei/xniiiniiutum Scheff., G.
pyriforme Schelf. G. Selebicum Bccc.
en G. affme lieve.
19. PLATEA BI.
Bloemen tweehuizig. Mannelijke bloemen: Kelk klein,
5-deelig met breed-eivormige, licht dakpanswijze dekkende,
een weinig gewimperde slippen. Bloemkroon radvormig,
met korte buis en driemaal langere, uitstaande, een wei-
nig naar binnen gebogen slippen, klepswijze aanconslui-
tend in den knop. Meeldraden 5, aan de basis van do
bloemkroon ingeplant; helmdraden kort, even lang als
de bloemkroonbuis en daarmede vergroeid; helmknoppen
eivormig, tweelobbig, in de lengte naar buiten opensprin-
gend; rudimentaire eierstok ontbrekend. Vrouwelijke
bloemen:
Kelk als die der mannelijke; bloembladen ont-
brekend; eierstok bovenstandig, omgekeerd kegelvormig
of cilindrisch, zonder stijl, door eene platte, breede stem-
pelschijf bedekt, één-hokkig, met 2 hangende eitjes.
Steenvrucht eirond of elliptisch: 5-kantig, (bij de droge
exemplaren glad), aan den stompen top door de stempel-
schijf gekroond; vruchtvleesch vleezig; kern houtachtig,
rimpelig of netvormig geribd, éénzadlg. Kiem nu eens
klein, bij den top van het kiemwit, met een naar boven
gericht kiemworteltje en even lange, samengedrukte zaad-
lobben, dan weder \'/, van de lengte van het kiemwit
bereikende en in de as daarvan geplaatst.
Boomen. Bladeren afwisselend, in de jeugd even als
de knoppen met schubben bekleed. Mannelijke bloemen
in kluwens tot afgebroken, vertakte aren vereenigd;
vrouwelijke in weinigbloemige aren, welke tot bijscher-
men vereenigd zijn; steenvruchten donker paarsch.
Aantal soorten 5 of 6, alle in Nederlandsen Indië.
-ocr page 278-
218
XXXIV. OI-ACACEAE.
20. VILLARESIA Rua el Pao.
Bloemen twee- of gemengdslachtig. Kelk 5-deelig, met
breed dakpanswijze dekkende slippen. Bloembladen 5 , van
binnen geribd (met eene vooruitspringende middennerf),
in den knop gedraaid of dakpanswijze dekkend of kleps-
wijze aaneensluitend met ingebogen topslip. Meeldraden
5, met de bloembladen afwisselend en daarmede aan de
basis samenhangend; helmdraden dik, afgeplat; helm-
knoppen hart- of niervormig, of eirond-langwerpig, twee-
lobbig aan de basis. Schijf ontbrekend. Eierstok 1-hokkig,
soms schijnbaar 2-hokkig door eene naar binnen sterk
vooruitspringende langsribbe; stijl kort of draadvormig,
soms excentrisch; stempel knopvormig, i{-lobbig of scheef
omgebogen; eitjes 2, hangend aan den top van de wand-
standige langsribbe. Steenvrucht elliptisch; vruchtvleesch
dun; kern boutachtig, van binnen door een onvolkomen
langsschot verdeeld. Zaad hangend, van denzelfden vorm
als de holte van de kern, bet langsschot in een vore
aan de buikzijde omvattende; zaadhuid vliezig; kiemwit
vleezig, ineengekreukt of gelijk, met de kleine kiem
binnen den top.
Hooge, altijd groene boomen, met afwisselende, gaaf-
randige en doornaehtig getande, glanzende bladeren. Bloe-
men wit, meestal welriekend, in kleine bjjsehermen, welke
hoofdjes vormen, die aan meestal vertakte pluimen in
de oksels der bladeren of aan de toppen der takken
staan.
Aantal soorten ID of 14, meestal in Zuid Amerika, eenige in
Australië; ééne soort, V. euaveolens Val. iPleurupetalum lil. en
Chariessa Miq.), op Java. Twee soorten, tot dit geslacht gebracht,
moeten daarvan, volgens Vai.kton uitgesloten worden, til. V. ma-
crocarpa Schelf.
= Gonocaryum pyriforme Sche/f. en V. scandens
f look. = Chailletia Timorensis Miq. (Val.).
21. PTBLBOCARPA Oliv.
Bloemen regelmatig, tweeslachtig. Kelk van onderen
buisvormig; zoom diep 5-deelig; lobben kaal, dakpans-
wijze dekkend in den knop. Meeldraden 5, kaal, met de
bloemkroonbuis vergroeid en met de lobben daarvan af-
wisselend; helmknoppen lijnvormig, op den top van de
helmdraden geplaatst, in de lengte openspringend. Sta-
-ocr page 279-
210
XXXIV. OI-ACACEAE.
minodiën ontbrekend. Eierstok vrij, gestoeld, 2-hokkig;
stijlen 2; stempel klein; in elk hokje 1 eitje, hangend,
anatroop; zaadnerf zijdelingsch of min of meer buikstan-
dig. Vrucht 2-hokkig, samengedrukt, cirkelvormig, uit-
gerand, met breede, gestreepte vleugels. Zaad langwerpig,
samengedrukt, kiemwithoudend; kiemworteltje naar boven
gericht, cilindrisch; zaadlobben lijn-lancetvormig, langer
dan het kiemworteltje.
Boomen. Bladeren afwisselend, enkelvoudig, 1-nervig,
gesteeld. Eindelingschc, veelbloemige pluimen.
Aantal soorten 2, Pi. Mataccenxis Oliv. in Malakka en Pt.longi-
3
slijlii Ifecc. in llorneo voorkomende. I>e beschrijving is ontleend aan
Maxwell Hasters in IIook. Ft. of Br. Ind. 1, p. 594; deze had
daarbij het oog op de soort van Malakka. De andere soort werd
door IÏeccari beschreven in Mrtle><i<i I, p. 130 en de/.e deelt mede
dat er \'2 eitjes in elk hokje zijn. één onvruchtbaar en hangend
aan de eeno zijde van de zaadlijst en een tweede kleiner. oiivrucht-
haar en klimmend aan de andere zijde van de zaadlijst. Het tweede
eitje werd door MaSTERS niet vermeld. Volgens BeCCARI is de
plaats van dit geslacht niet goed gekozen en zou het veeleer ver-
want zijn aan de Ehretieae (Boraginaceaè) dan aan de Olacaceae:
ook VALETON wil het tot eene andere familie brengen.
22. PHYTOCRENE Wall.
Bloemen tweehuizig. Mannelijke bloemen: Kelk 3—5-
deelig. Bloemkroon buisvormig-klokvormig, 4-, zelden 5-
deelig; lobben klepswijze aaneensluitend in den knop.
Meeldraden evenveel als lobben van de bloemkroon en
met deze afwisselend; helmdradon hypogynisch; helm-
knoppen 2-lobbig, in de lengte naar binnen openspringend;
stuifmeelkorrels kogelvormig. Stamper rudimentair, cilin-
drisch of knodsvormig, ruigharig. Vrouwelijke bloemen:
Kelk en bloemkroon als bij de mannelijke. Meeldraden
ontbrekend. Staminodiën klein of ontbrekend, dikwijls in
hetzelfde aantal als de kelkbladen. Eierstok zittend, 1-
hokkig; stijl dik, zuilvormig; stempel knopvormig, min
of meer gelobd; eitjes 2, naast elkander hangend aan
den top van de holte; zaadnerf rugstandig; poortje naar
boven gericht. Steenvruchten talrijk, in kogelvormige
hoofdjes, met borstels of stekels; kern hard, 1-hokkig,
1-zadig, met netvormig, verspreide holten van buiten;
vruchtvleesch boven de kern uitstekend. Zaad hangend;
zaadhuid min of meer moesachtig; kiem zoolang als het
-ocr page 280-
220
XXXIV. OLACACFAE.
vleezige, s-vormige, ineengekreukte, veellobbige kiem wit;
kiemworteltje kort, naar boven gericht; zaadlobben zeer
groot, bladachtig, ineengedraaid-gevouwen of plat.
Klimmende heesters, gewoonlijk min of meer behaard,
dikwijls met stekels; hout met groote vaten en dikke
morgstralen, zonder jaarringen. Bladeren afwisselend, ge-
steeld, gaafrandig of handlobbig. Bloemen okselstandig,
boven de bladoksels of zijdelingse!]; de mannelijke in
kleine hoofdjes, welke dicht bjjeenstaan aan lange, tros-
vormige pluimen, de vrouwelijke in grootere, gesteelde,
alleenstaande hoofdjes.
Aantal soorten 0, waarvan I op de Philippijnsche eilanden en 4
in Engelsen Indié voorkomen, terwijl, behalve de eerstgenoemde
alle in Nedorlanilsrh Indie zijn aanzet rollen. De beschrijving van
hel geslacht, grootendeels ontleend aan Maxwell Masters in Hook.
Fl. of Kr. hui. I, p. 501 verschilt belangrijk van die, welke door
BAILLON in D C. Protl. XVII, p. 0 gegeven wordt. Deze beschouwt
toch den kelk (volgens de opvatting van Masters) als een bijkelk
of om windsel, welke uit schutblaadjes gevormd is, en de bloem-
kroon als een bloemdek.
23. MIQUELIA Meissn.
Bloemen tweehuizig. Mannelijke bloemen: Kelk klein,
4—5-spletig. Bloemkroon van de kelk gescheiden door
een langen steel (bloemkroonbuis); zoom 4—5-lobbig,
lobben klepswijze aaneensluitend met omgeslagen top.
Meeldraden afwisselend met de bloemkroonlobben; helm-
draden kort; helmknoppen naar binnen openspringend.
Vrouwelijke bloemen: Kelk als bij de mannelijke. Bloem-
kroon onmiddellijk aan den kelk sluitend; lobben vrij of
bijna vrij, ten slotte teruggeslagen. Staminodiën 4—5,
zeer klein, afwisselend met de bloemkroonlobben of ont-
brekend. Eierstok zittend, 1-hokkig; stijl kort, stempel
napvormig, verbreed; eitjes 2, hangende aan den top
van de holte; zaadnerf rugstandig; poortje naar boven
gericht. Steenvrucht langwerpig, min of meer samenge-
drukt, aan de basis door den blij venden kelk omgeven;
vruchtvleesch dun; kern bros, van buiten gerimpeld. Zaad
1, hangend; kiemwit vleezig, gerimpeld; kiemworteltje
naar boven gekeerd; zaadlobben elliptisch dik, bladach-
tig, plat.
Klimmende heesters. Hout met groote vaten. Bladeren
-ocr page 281-
221
XXXIV. OLACACEAE.
afwisselend, gesteeld, enkelvoudig vliezig, gewoonlijk
handnervig. Bloemen in gesteelde hoofdjes, welke boven
de bladoksels zijn ingeplant en bij de mannelijke tot
trossen vereenigd zijn, bij de vrouwelijke plant alleenstaan.
Aantal soorten 3—5, in Nederlandsen en Britsen [ndië en optie
Philippijnsche eilanden. In den Maleischen Archipel werd M. Cele-
bica BI. gevonden, door Maxwf.lt. MASTERS als een synoniem van
M. Kleinii Meissn. beschouwd. De beschrijving der bloemen door
BAILLON in D C. Prod. p. 15 biedt met de onze, welke aan Mas-
TERS in Hook. Fl. of Br. Ind. 1, p. 593 ontleend is, dezelfde ver-
schilpunten aan als bij hot vorige geslacht.
24. SARCOSTIGMA WUjId et Am.
Bloemen tweehuizig klein. Mannelijke bloemen: Kelk
klein , 4—5-lobbig. Bloembladen 5, vrij of nagenoeg vrij,
klepswijze aaneensluitend in den knop, langwerpig, ten
slotte teruggeslagen. Meeldraden 5, met de bloembladen af-
wisselend, vrij of aan de basis met de bloembladen ver-
groeid; helmdraden onbehaard; helmknoppen opgericht,
2-hokkig, in de lengte openspringend. Stamper rudimen-
tair. Vrouwelijke bloemen: Kelk en bloemkroon als bij
de mannelijke. Staminodiën 4—5, hypogynisch, met de
bloembladen afwisselend. Eierstok bovenstandig zittend,
1-hokkig; stempel zittend, kogel- of naveivormig; eitjes
2, naast elkander, hangend; zaadstreng uitgezet. Steen-
vrucht aan de basis door de blijvende kelk en bloemkroon
omgeven ; vruchtvleesch lederachtig; kern houtachtig door
een dun, wit vlies omringd. Zaad hangend , zonder kiem-
wit; zaadlobben vleezig, met hartvormigen voet, welks
lobben het naar boven gerichte kiemworteltje omsluiten.
Klimmende heesters met zeer hard hout, zonder jaar-
ringen. Bladeren afwisselend, enkelvoudig, kort gesteeld.
Bloemen in kluwens langs lange, hangende, aarvormige
stengels.
Aantal soorten 3 of 4, in tropisch Azië. S. Iforsfieldii Brown
werd op Java gevonden. Ook hier wordt door BAILLON als een bij-
kelk beschouwd wat door Masters voor een kelk werd aangezien.
25. POLYPOEANDRA Becc.
Bloemen tweehuizig (of soms éénhuizig). Mannelijke
bloemen:
Kelk napvormig met 6 onduidelijke tandjes.
Bloembladen 6, aan de basis zeer weinig vergroeid, vlee-
-ocr page 282-
222
XXXIV. OLACACEAE.
zig, in den knop klepswijze aaneensluitend, met een naar
binnen geslagen aanhangsel. Meeldraden 6, zonder helm-
draden ; helmknoppen dik, kogelvormig, zittend, van
buiten aan «alle kanten met holten, welke door een af-
vallend, vliezig deksel gesloten worden en stuifmeel be-
vatten. Rudimentaire eierstok klein, kegelvormig. Vrou-
welijke bloemen:
Kelk diep 5-tandig. Bloembladen 6,
met de kelktanden afwisselend, aan de basis vergroeid,
langharig. Eierstok langharig, kogelvormig, éénhokkig;
stempel breed, schijfvormig, met eene bult in het midden;
eitjes 2, hangend aan den top van het hokje. Vrucht
onbekend.
Klimmende heester met min of meer rolronde, zacht-
harige twijgen. Bladeren tegenovergesteld, gesteeld. Oksel-
standige pluimen, die der mannelijke bloemen veel lan-
ger dan die der vrouwelijke.
Eene soort, P. scandens Becc, door den auteur in Nieuw-Guinea
gevonden.
26. JODES lil.
Bloemen tweehuizig. Mannelijke bloemen: Kelk 4—5-
tandig, kort. Bloembladen 3—5, vrij of tot eene korte
buis verbonden, klepswijze aaneensluitend in den knop,
vliezig, met ingebogen top. Meeldraden 3—5, om een
rudimentairen stamper, hypogynisch of een weinig met
de bloemkroon vergroeid; helmdraden zeer kort; helm-
knoppen opgericht, aan de basis vastgehecht, stomp of
zelden met den top van den helmdraad vergroeid en
slakkenhuisvormig gewonden, naar binnen met 2 spleten
openspringend. Vrouwelijke bloemen: Kelk als bij de
mannelijke. Bloemkroon 4—5-spletig, van onderen buis-
vormig en dikwijls naar boven verwijd. Staminodiën
ontbrekend. Eierstok nagenoeg zittend, 1-hokkig met 2
naast elkander geplaatste, hangende eitjes; zaadstreng
uitgezet; stempel zittend, schijfvormig, 5-lobbig. Steen-
vrucht aan de basis omgeven door den blijvenden, doch
niet in omvang toenemenden kelk; kern 1-zadig. Zaad
hangend ; zaadhuid dun ; kiemwit vleezig; zaadlobben plat;
kiemworteltje naar boven gericht.
Klimmende, zelden rechtopstaande heesters. Bladeren
tegenovergesteld, of min of meer afwisselend, gesteeld,
-ocr page 283-
XXXIV. OLACACEAE.                                 223
enkelvoudig, 1-nervig. Bloemen in bijschermen, welke
tot trossen vereenigd, in of boven de bladoksels staan;
mannelijke bloemstengels sterk vertakt; de onderste vaak
in ranken veranderd en zonder bloemen.
Aantal soorten omstreeks 0, in Engelsen Indië, den Maleischen
Archipel en tropisch Afrika. De soorten van den Maleischen Archi-
pel zijn /. ovalis Hl. en J. tomentella 3tiq. Door BAILLON wordt
ook hier de kelk als bijkelk of oniwindsel opgevat.
27. OARDIOPTERIS Wall.
Bloemen tweeslachtig. Kelk 5-deelig, met elkander
dakpanswijze dekkende slippen. Bloembladen hypogynisch,
tot eene 5-lobbige bloemkroon vergroeid, met uitstaande,
elkander in den knop dakpanswijze dekkende, vliezige
slippen. Meeldraden 5, in de buis van de bloemkroon
ingeplant en met de lobben daarvan afwisselend; helm-
draden even lang als de langwerpige, in de lengte naar
binnen openspringende, aan de rugzijde vastgehechte helm-
knoppen. Schijf vleezig, kussenvormig, min of meer 5-
hoekig. Eierstok vrij, 1-hokkig; stempels 2, de een na
den bloei verlengd-zuilvormig, de ander kort, knopvonnig
en gesteeld; eitjes 2, hangend van den top van het
hokje. Vrucht omgekeerd eirond-langwerpig, uitgerand
aan den top, niet openspringend, met 2 breede, dwars-
gestreepte langsvleugels en eene streepvormige kern. Zaad
hangend, lijnvormig, gevoord, met eene dunne zaadhuid;
kiem kegelvormig, zeer klein, binnen den top van het
vleezig-korrelige kiemwit.
Onbehaard, slingerend kruid met een wit melksap.
Bladeren afwisselend, gesteeld, breed hartvormig; gaaf-
randig of gelobd, dunvliezig. Okselstandige. vorkswijze
vertakte of pluimvormige bijschermen. Bloemen klein
zittend, zonder schutbladen. Vrucht glanzend, vliezig.
Aantal soorten volgens HlQUEL en Bf.ccari 2, in Kngelsch en
Nederlandsen Indië voorkomende, welke volgens sommige schrijvers
als synoniemen worden beschouwd. De eerste, C. lobata Wall,
in den Maleischen Archipel verspreid, werd ook beschreven als C.
Javanica BI.
en door Hasskaki. tot een afzonderlijk geslacht Peri-
pterygium gebracht, {P. quinquelobum Hassk.). De tweede, C.
Moluccana B1.,
werd alleen in de Molukken, op Celebes en Nieuw
Guinea gevonden. Beide weiden onder den naam C. Rumphii door
Baillon vereenigd. De verwantschap met de Olacaceae, waarin het
geslacht door de meeste schrijvers in de nabijheid van Pkytocrene
-ocr page 284-
224                                 XXXV. ILICACEAE.
geplaatst wordt, is door anderen bestreden geworden. Grisebacii
wil liet met de Hydrophyllaceae, Beccari met de Doraginaceaei
en wel met de sectie der Ehretieae vereenigen. Ook Vai.eton is
van meening dat liet niet tot de Olacaceac moet gebracht worden
Fam. xxxv. ILICACEAE.
Bentham et Hooker, Gen. Plant. I, p. 355. — Hooker, Fl. of
Brit. Ind.
1, p. C!I8.
Bloemen twee- of gemengdslachtig of meestal twee-
huizig. Kelk 3—6-deelig of-lobbig, slippen of lobben dak-
panswijze dekkend, meestal blijvend. Bloembladen 4—5,
zelden 6—8, aan de basis vergroeid of vrij, bij de vrou-
welijke bloemen vergroeid, bij de mannelijke afvallend,
evenzoo in den knop dakpanswijze dekkend. Meeldraden
4—5, met de basis der bloembladen vergroeid, soms
vrij en hypogynisch bij de vrouwelijke bloemen; helm-
draden priemvormig; helmknoppen kort langwerpig, rug-
gelings vastgehecht. Schijf ontbrekend. Eierstok vrij, 2—16-
hokkig; stijl ontbrekend of zeer kort, zelden lang; stern-
pel knop- of schijfvormig; eitjes 1 of 2, naast elkander
hangend; zaadnerf ruggelingsch; poortje naar boven ge-
richt; zaadstreng vaak napvormig. Steenvrucht met 2 of
meer 1-zadige, vrije, dikwijls vergroeide kernen. Zaad
met eene vliezige zaadhuid, een vleezig kiemwit en eene
kleine kiem.
Heesters of boomen. Bladeren afwisselend, enkelvoudig
zonder steunblaadjes, meestal lederachtig en altijd groen.
Bloemen in okselstandige bijschermen, bundels of schermen.
Aantal geslachten 2 of 3, waarvan 1 of 2 in Australië en Noord
Amerika voorkomen en slechts eenige weinige soorten bevatten,
doch het derde, Itex L., over de geheele wereld verspreid is.
Miquei. bracht hiertoe ook Villaresia li. et P., doch dit ge-
slacht wordt thans tot de Olacaceae gerekend en de dooi\' hem be-
doelde soort, V. scamtens Hassk., is volgens latere onderzoekingen
gebleken tot het geslacht Dichapetalum Thouar» in de familie der
Diehapetalaceae te behooren. Monetia VHér. door Miquei. met
eenigen twijfel in de nabijheid der Ilicacene geplaatst, moet zoowel
volgens zijne eigene meening als volgens die van latere onderzoe-
kers veeleer tot de Salvadoraceae gebracht worden.
-ocr page 285-
225
XXXV. ILICACEAE.
Eenig geslacht voor Nederlandsch Imlië:
Ilex. Bloembladen vergroeid. Meeldraden in lietzelfde aantal
als de bloembladen.
ILEX L.
Kelk 4—5-lobbig of -deelig. Bloemkroon radvormig;
bloembladen vrij of vergroeid aan de basis. Meeldraden
4—5, in de mannelijke bloomen aan de basis van de
bloemkroon vastgehecht, soms hypogynisch in de vrouwe-
lijke. Eierstok 2—12-hokkig; stijlen ontbrekend of zeer
kort; stempels vrij of aan den top van den eierstok in-
eenvloeiend. Steenvrucht kogelvormig, zeer zelden eivor-
mig , met 2—12 kernen.
Boomen of heesters. Bladeren afwisselend, meestal
glanzend, gaafrandig of zelden getand of gedoomd. Bloe-
men wit, niet zelden in gering aantal, aan soms ver-
takte, okselstandige bloemstengels.
Aantal soorten 1 45, over de geheele wereld verspreid, volgens
Hooker ongeveer 24 in Britsch Indië, volgens Miquki. in Neder*
landsch Indië een C-tal, waarvan 3 wegens den 6—8-hokkigen
eierstok bij hem een afzonderlijk geslacht, PrinoS L., vormden,
terwijl bij de soorten van Ilex de eierstok 4—-5-hokkig was. Hoo-
KER meent dat het aantal der eierstokhokjes bij Ilex kan varieeren
tusschen 2 en 12.
Fam. xxxvi. CELASTRACEAE.
Bentham et Hooker, Gen. Plant. I, p. 352. — Miq. Ann. Mus.
Lugd. Bat.,
IV, p. 148. — Scheff. in Nat. Tijdsein: v. Ned. Ind.,
XXXI, p. 16. — Lavvson in Hook. Fl. of Brit. Ind. I, p. 600.
Bloemen meestal tweeslachtig. Kelk klein, 4—5-lobbig
of -deelig, dakpanswijze dekkend in den knop, blijvend.
Bloembladen 4—5, kort, uitgespreid, zittend onder den
rand der schijf, dakpanswijze dekkend in den knop.
Meeldraden 3—5 (zelden 2 of 10), aan de basis, den
rand, den voorkant of de lobben van de schijf ingeplant;
helmdraden priemvormig, meestal kort; helmknoppen kort,
stomp, 2-hokkig, soms met ineenvloeiende hokjes. Schijf
sterk ontwikkeld, kussenvormig of plat of gelobd , slechts
ontbrekende in abnormale geslachten. Eierstok zittend op
15
-ocr page 286-
226                               XXXVI. CELASTRACEAE.
de schijf, aan de basis vrij of er mede samenvloeiende,
3—5-, zelden 1-hokkig, tot een korten, dikken, gaven,
zelden 3—5-spletigen stijl versmald; stempel enkelvoudig
of gelobd; eitjes meestal 2 in elk hokje, anatroop, van
af de basis van het hokje opgericht, zelden 1 of oo op-
stijgende langs de as, nog zeldzamer ten getale van 1
of 2 hangend aan den top van het hokje; zaadnerf bij
de opstijgende eitjes aan de buikzijde, bij de hangende
aan de rugzijde. Vrucht verschillend: Doosvrucht, bes,
steenvrucht of vleugel vrucht. Zaden in de meeste geslach-
ten opgericht of klimmend, dikwijls door een zaadrok
vergroot, soms gevleugeld; kiemwit, zoo het aanwezig
is, vleezig; kiem meestal groot, zelden klein, lijnvormig,
asstandig, hoogst zelden zeer klein; zaadlobben plat,
bladachtig; kiemworteltje bijna altijd onderstandig, dicht
bij den navel.
Boomen of heesters, niet zelden doornsdragend ot
klimmend. Bladeren tegenovergesteld en afwisselend,
meestal lederachtig, dikwijls enkelvoudig, nooit gelobd,
zonder kliertjes. Steunblaadjes, wanneer ze bij de jongere
bladeren worden aangetroffen, meestal zeer klein, spoedig
afvallend. Bloemen klein, groen of wit, meestal in bij-
schermen.
Aantal geslachten 39 met ongeveer 400 soorten, behalve in de
poolstreken over de geheele wereld verspreid, doch meer voorko-
inciiil in de tropische dan in de gematigde gewesten.
Orn eenheid te krijgen in de familienamen is hier evenals elders
de uitgang aceac achter den stam van den geslachtsnaam gevoegd,
waaraan de naam der familie is ontleend. De naam Celastrineae is
dooi\' mij in dit geval gebruikt als tribusnaam, le omdat deze, bij-
voorbeeld bij EndLICHEB, in Enehiridion Botanicum p. 574, dienst
deed voor eene familie, die dezelfde geslachten bevatte als onze
tribus, 2" omdat het niet wenschelijk is dat tribus en subtribus
denzelfden naam dragen, zooals bij Bentham en Hooker , waar
beide Celastreuc genoemd worden.
OVKRZICHT DER GESLACHTEN.
Tribus I. Celastrineae. Meeldraden 4 of 5, zelden meer. in-
geplant op of onder den rand van de duidelijk ontwikkelde schijf;
helmdiaden priemvormig, dikwijls gekromd. Zaad (behalve bij Kokoona)
kiernvvithoudeiid.
Subtiibus 1. Evonymeae. Bladeren tegenovergesteld (zelden afwis-
selend bij Lophopelttlum.). Doosvrucht. Eierstok met 2 of 4 eitjes
in elk hokje.
-ocr page 287-
XXXVI. CELASTRACEAE.                             227
1.  Evonymhs. In elk hokje van rlen eierstok 2 eitjes. Bloem-
bladen vrij.
2.  Microtropis. In elk hokje van den eierstok 2 eitjes. Bloem-
bladen vergroeid, zelden ontbrekend.
3.    LOPHOPETALUM. In elk hokje van den eierstok 4 eitjes.
Eierstok 3—4-hokkig. Zaden ongevleugeld, met een zaadrok en
kiemwithoudend.
4.   Kokooxa. In elk hokje van den eierstok 4 eitjes. Eierstok
3-hokkig. Zaden gevleugeld, zonder zaadrok en zonder kicmwit.
Subtribus 2. Celastreae. Bladeren afwisselend. Doosvrucht. Eierstok
met 2 eitjes in elk hokje.
5.   Cet.astrus. Eierstok vrij. Zaden met een zaadrok. Heesters,
meestal klimmend. Bloemen iu pluimen of trossen.
6.   GYMNOSPORIA. Eierstok met de schijf versmolten. Rechte
heesters of hoornen, vaak doornachtig. Bloemen in bijschermen.
7.   Iüjrrimia. Eierstok vrij , door een haai bos gekroond en met
2 stijlen. Bloemen in enkelvoudige of phiimvormige trossen.
Subtribus 3. Elaeodendreae. Bladeren afwisselend of tegenover-
gesteld. Vrucht eene bes of droge of saprijke steenvrucht. Bloemen
in bijschermen. Zaden zonder zaadrok (bij de geslachten van Neder-
landseh Indië).
8.  Caryospermum. Bladeren afwisselend. Eierstok half in de
schijf weggedoken, niet daarmede versmolten. Eén eitje in elk
hokje van den eierstok. Vrucht eene bes.
9.   ElaeODENVRON. Bladeren tegenovergesteld of afwisselend.
Eierstok met de schijf versmolten. Twee eitjes in elk hokje van
den eierstok. Steenvrucht.
Tribus II. Hippocratcae. Meeldraden 3, zelden 2, 4 of 5, op
den bovenkant van de schijf ingeplant. Helmdraden plat, soms met
den eierstok vergroeid, teruggebogen, zoodat de helmknoppen bij het
openen het stuifmeel naar buiten ontlasten. Zaad zonder kiemwit.
10.   Hippocratea. Vrucht afgeplat, openspringend. Zaden ge-
vleugeld. Klimmende heesters. Bladeren tegenovergesteld.
11.   Salacia. Vrucht eene vleezige bes. Zaden niet gevleugeld.
Rechtop staande heesters. Bladeren tegenovergesteld.
12 SlPHOXODON. Vrucht vleezig, niet openspringend. Zaden niet
gevleugeld. Bladeren afwisselend.
1. EVONYMUS L.
Kelk 4—5-spletig, slippen uitstaande of teruggeslagen.
Bloembladen 4—5, onder de schijf ingeplant, uitstaande,
gaafrandig, getand of gewimperd. Meeldraden 4—5,
boven de schijf, zelden in den rand van de schijf, inge-
plant, met priemvormige, vaak zeer korte helmdraden;
helmknoppen breed, 2-lobbig. Schijf vleezig, groot, 4—5-
-ocr page 288-
228
XXXVI. CELASTRACEAE.
lobbig. Eierstok in de schijf weggedoken en daarmede
versmolten, 3—5-hokkig; stijl kort met 3—5-lobbigen
stempel; eitjes 2 in elk hokje (zelden 5 of meer), in
den binnenhoek, klimmend en hangend. Doosvrucht 3—5-
hokkig, 3—5-lobbig, kantig of gevleugeld, lederachtig,
vaak gestekeld, met 1—2-zadige hokjes, 3—5-kleppig,
hokverbrekend openspringend met 3 in het midden schot-
ten dragende kleppen. Zaden door een volkomen zaadrok
omsloten , met papierachtige zaadhuid en vleezig kiemwit;
kiem orthotroop; zaadlobben breed, bladvormig; kiem-
worteltje naar beneden gericht.
Boomen en heesters, rechtopstaande of zelden klim-
mend, meestal geheel onbehaard, met 4-kantige, zelden
rolronde takken. Bladeren tegenovergesteld, gesteeld,
blijvend, gaafrandig of gezaagd. Steunblaadjes afvallend.
Gesteelde, okselstandige, weinigbloemige bijschermen,
zelden 1-bloemig. Bloemen klein, dikwijls groen of pur-
perkleurig. Zaadrok vaak steenrood.
Aantal soorten omstreeks 40, waarvan eenige weinige in den
Maleischen Archipel tehuis behooren, doch waarvan er verscheidene
in de bergen van Engelsch Indië, Noord China en Japan voorkomen
en andere in Europa en gematigd Noord Amerika worden aange-
troll\'en. Voor Nederlandsen Indië worden opgenoemd E. Javanicus
BI., E Sumatratma Mit/., E. Bancimus Mig., E. recurvans Miij.
en E. Timorensis Zipp. De beide eerste worden door Lawson in
Hook. Fl. of Brit. Ind. 1, p. C07 met elkander vereenigd.
2. MK3ROTROPIS Wall.
Bloemen soms éénslachtig. Kelkbladen 5, dakpanswijze
dekkend in den knop, blijvend. Bloembladen 5, zelden
ontbrekend, afgerond en vleezig, dakpanswijze dekkend
in den knop, aan de basis tot een blijvenden, vrijen of
met de schijf ineengesmolten ring vergroeid. Meeldraden
5, op den top van de vrije schijf of den ring van de
bloemkroon ingeplant, met korte, priemvormige helm-
draden; helmknoppen breed eivormig. Schijf ontbrekend
of ringvormig, vrij of met de bloembladen vergroeid.
Eierstok vrij, eivormig, volkomen of onvolkomen 2—3-
hokkig; stijl dik, met kleinen, 2—4-lobbigen stempel;
eitjes 2 in elk hokje, naast elkander in den binnenhoek
vastgehecht. Doosvrucht langwerpig, lederachtig, l-hok-
kig, 2-kleppig, 1-zadig, laat openspringend, onder aan
-ocr page 289-
229
XXXVI. CELASTRACEAE.
de basis door den kelk en de ringvormige basis van de
bloemkroon omgeven. Zaad opgericht, gesteeld, langwer-
pig, met eene gladde, gele of roode zaadhuid, welke
van buiten dikwijls sappig is, een zeer vleezig kiemwit
en bladachtige zaadlobben.
Onbehaarde boomen of heesters met tegenover elkander
geplaatste twijgen. Bladeren tegenovergesteld, blijvend,
gesteeld, zonder steunblaadjes, gaafrandig, lederachtig.
Bloemen in gesteelde, oksclstandige bijschermen of zit-
tende bundels, klein. Zaden meestal rood met eene zaad-
huid, die op een zaadrok gelijkt.
Aantal soorten 8, voornamelijk in de bergstreken van Britsch
Indië, maar ook op .lava. De ilaar voorkomende soort, Af. bivalvU
Wall.
, werd door MlQUEL wegens het ontbreken der bloemkroon
als een afzonderlijk geslacht, Paracelastrus Mig., beschouwd, (ƒ\'.
biimlvis Miq.)
3. LOPHOPETALUM Wight.
Kelk aan de basis wijd uitgespreid, met 5 korte,
ronde lobben. Bloembladen 4—5, zonder geleding met
de schijf verbonden en lang blijvend, soms aan de basis
door de lobben daarvan bedekt, met kammen of blaadjes
aan de bovenzijde en een gewimperden, zelden naakten,
gaven rand. Meeldraden 4—5, op de schijf ingeplant,
met priemvormige helmdraden en langwerpige helmknop-
pen. Schijf breed uiteengelegd, 4—5-lobbig. Eierstok klein,
een geheel vormende met de schijf en daarin weggedo-
ken, driehoekig of pyramidevormig, 3—4-hokkig, in
een korten stijl samengetrokken, met een knopvormigen
stempel; eitjes 4 in elk hokje of meestal meer in 2 rijen.
Doosvrucht lederachtig, 3—4-kantig, 3—4-hokkig, hok-
verbrekend openspringend. Zaden weinig of meer, zonder
vleugels, met een zaadrok en een vleezig kiemwit.
Onbehaarde boomen en heesters. Bladeren tegenover-
gesteld of afwisselend, gesteeld, zonder steunblaadjes,
lederachtig, gaafrandig of fijngezaagd. Okselstandige bij-
schermen. Bloemen meestal groot.
Aantal soorten 9, in Britsch en Nederlandseh Indië. Op Java
komt ééne soort voor, L. fimbriatum Wight, door Turczaninow
als L. Javanum beschreven,
-ocr page 290-
230                             XXXVI. CELASTRACKAE.
i. KOKOONA Thwait.
Kelk klein, 5-lobbig. Bloembladen 5, lederachtig, met
klierachtige stippels. Meeldraden 5, op den schijfrand
ingeplant, met dikke, priemvormige helmdraden; helm-
knoppen langwerpig. Schijf dik, in klieren verdeeld, met
onduidelijke kanten. Eierstok in de schijf weggedoken en
daarmede versmolten, 3-hokkig; stijl kort, stempel 3-
lobbig; eitjes 4 in elk hokje, in 2 rijen tegen de as
aangegroeid, klimmend. Doosvrucht bijna houtachtig,
langwerpig, 3-kantig, 3-hokkig, 3-kleppig, met platte
kleppen en 4-zadige hokjes. Zaden dakpanswijze opeen-
gedrongen, van boven breed gevleugeld, met basilaire
kern; zaadhuid lederachtig; kiem zonder kiemwit; zaad-
lobben plat, omgekeerd eirond of wigvormig.
Zeer hooge, vertakte, onbehaarde boomen met gelen
bast. Bladeren tegenovergesteld, gesteeld, lederachtig, in
ééne soort van onderen gestippeld, onduidelijk getand.
Steunblaadjes klein, afvallend. Okselstandige, pluimvor-
mige bijschermen met 2 kleine schutblaadjes aan de
bloemsteeltjes. Bloemen klein, vuil geel, met ineenge-
draaide bloembladen. Doosvrucht 2.5—10 cM. lang.
Aantal soorten 3, 1 op Ceylon, A\'. Zeylanica Thw., 1 op Malakka,
K. littoralis Laws. en 1, (onbeschreven?) in de kuststreken van
Boi-neo. De tweede soort werd liet eerst als Trigonocarpus Wall.
(T. littoralis Wall.)
vermeld.
5. CELASTRTJS L.
Bloemen soms éénslachtig. Kelk aan de basis urnvor,
mig, 5-spletig. Bloembladen 5, onder de schijf ingeplant -
met uitstaanden top. Meeldraden 5, in de inhammen van
de schijf ingeplant, met priemvormige helmdraden en
langwerpige helmknoppen. Schijf napvormig of hol, 5-
lobbig. Eierstok boven op de schijf geplaatst en niet
daarin weggedoken, 2—4-lobbig, 2—4-hokkig (soms on-
volkomen); stijl kort en dik of min of meer verlengd,
met 3—4-lobbigen stempel; eitjes 2, opgericht, aan de
basis van het hokje naast elkander, met een napvormi-
gen zaadstreng aan de basis. Doosvrucht rolrond, kogel-
vormig of langwerpig, lederachtig, 2—4-hokkig, hok ver-
brekend openspringend, met 1—2-zadige hokjes en 3—4
-ocr page 291-
231
XXXVI. CELASTRACEAE.
in het midden schotten dragende kleppen. Zaden opge-
richt, ingesloten door een vleezigen, aan den top door-
boorden zaadrok met vliezige zaadhuid en een overvloedig,
vleezig kiemwit; kiem orthotroop, met bladachtige zaad-
lobben en een naar onderen gericht kiemworteltje.
Meestal klimmende, ongewapende heesters. Bladeren
afwisselend, min of meer vliezig, gesteeld, gaafrandig of
gezaagd. Steunblaadjes uit onaanzienlijke wimpers be-
staande. Bloemen vrij klein, in okselstandige en einde-
lingsche trossen en pluimen en met schutblaadjes aan de
bloemstelen.
Aantal soorten 18, grootendeels in «ie bergen van Indië, China
en Japan en eenige weinige in Noord Amerika, Australië en Ma-
dagascar. Op Java zijn 3 soorten, C. alpestris UI., C. repanda
lil.
en C. racetmulosa Hassk. in liet wild of verwilderd aangetrof-
fen en worden nog andere gekweekt.
6. G-YMNOSPORIA Wiglit et Am.
Kelk 4—5-spletig of -deelig. Bloembladen 4—5, zittend,
uitgespreid. Meeldraden 4—5, op den rand van de schijf
of daaronder ingeplant, met priemvormige helmdraden en
breed tweelobbige helmknoppen. Schijf wijd uitgespreid,
4—5-lobbig of met 4—5 inhammen. Eierstok meestal
aan de breede basis met de schijf ineengesmolten, 3-
hoekig of pyramidevormig, 2—3-hokkig; stijl kort met
3 stempels; eitjes 2, aan de basis van het hokje opge-
richt. Doosvrucht omgekeerd eirond of zelden kogelvor-
mig, 3-hoekig, 2—3-hokkig, 1—4-zadig. Zaden met een
volkomen of onvolkomen zaadrok, welke soms ontbreekt,
opgericht van het tusschenschot van het hokje; zaadhuid
lederachtig; kiemwit vleezig; zaadlobben bladachtig.
Stijve, dikwijls gedoomde boomen of heesters. Bladeren
afwisselend of in bundels, meestal omgekeerd eirond,
gaafrandig of gezaagd, zonder steunblaadjes. Bloemen
klein, groen of geelachtig, in okselstandige, alleenstaande
of tot bundels vereenigde, soms dun gesteelde bijschermen.
Aantal soorten omstreeks 55, in de warme en droge streken
van Afrika, Azië en Australië algemeen, zeldzamer op de eilanden
van den Maleischen Archipel, van de Stille Zuidzee en de Masca-
renen; ééne in Spanje en eene andere op de Canarisehe eilanden.
Op Java komt ééne soort voor, G. montana Roxb., door MlQUEL
als enne soort van Catha Forsk. (C. montana Hassk.), door anderen
als een Celastrus (C. montana W, et Am.) beschouwd,
-ocr page 292-
232
XXXVI. CELASTRACEAE.
7. KUBRIMIA Wall.
Kelk 5-spletig, met teruggeslagen slippen. Bloembladen
5, onder den schijfrand ingehecht, uitstaande-teruggesla-
gen. Meeldraden 5 , naast de bloembladen ingeplant; helm-
draden kort, priemvormig; helmknoppen tweelobbig.
Schijf vleezig, 5-lobbig. Eierstok kogelvormig, in de schijf
weggedoken, vrij, aan de basis onbehaard, aan den top
wolachtig; stijlen 2, draadvormig, bij den bloei gewron-
gen, met kleine, knopvormige stempels; eitjes 2, aan
de basis van het hokje, opgericht. Doosvrucht 1—2-hok-
kig, rolrond, bruin, lederachtig, niet of ten slotte 1—2-
kleppig openspringend, 1—2-zadig, met een vliezig tus-
schenschot. Zaden hjnvormig-langwerpig, opgericht, in
een vliezigen, witten of roodachtigen zaadrok besloten,
met eene gladde, glanzige, lederachtige zaadhuid en een
rijk, vleezig kiemwit; kiem asstandig, platgedrukt, met
hjnvormig-langwerpige, vliezige, dunne zaadlobben en een
lang, naar onderen gericht kiemworteltje.
Onbehaarde boomen, wier twijgen aan de toppen met
afvallende steunblaadjes bedekt zijn. Bladeren afwisselend,
aan de toppen der takken staande, gesteeld, lederachtig,
gaafrandig, glanzend, vinnervig, door dwarse nerven ge-
streept. Steunblaadjes afvallend. Bloemen kort gesteeld,
klein en geel, in okselstandige, enkelvoudige of tot plui-
men vereenigde aren of trossen.
Aantal soorten 5, in tropisch Azië, waarvan waarschijnlijk 3 in
Nederlandsch Indiö aangetroffen worden. Lawson in HOOK. Fl. of
Brit. Ind.
I, p. 622 verklaart toch Miqukl\'s geslacht Nothocnestls.
door dezen tot de Connaraceae gerekend, een synoniem van Kuv
rimia (N. Sumatrana Mig.
= K. pulclierrima Wall.) en evenzoo
Pyrospermum Mig., door den auteur bij do Stcfculiaceac. gebracht
(jP. CaJophyllum Mig. = K. paniculala Wall.). Eene derde soort,
K. Maini/ayi Laws., werd te Singapore gevonden en is dus mis-
schien ook op Sumatra inheemsch.
8. CARYOSPEBMÜM BI.
Kelk napvormig, 5-spletig, open in den knop. Bloem-
bladen 5 , 3-hoekig, teruggebogen, van binnen gekield,
in den knop klepswijze aaneensluitend. Meeldraden 5, op
den rand der schijf ingeplant; helmknoppen min of meer
bolvormig. Schijf dik, bochtig-gelobd. Eierstok half in
de schijf weggedoken, niet hiermede versmolten, 3—4-
-ocr page 293-
233
XXXVI. CELASTRACEAE.
hokkig; stempel nagenoeg zittend, onduidelijk 3—4-lob-
big; één opgericht eitje in elk hokje. Bes kogelvormig,
klein, 2—4-hokkig, 2—4-zadig. Zaad opgericht, nagenoeg
rond, zonder zaadrok; zaadhuid dik, korstachtig, van
buiten vleezig; kiem onbekend.
Heesters met onbehaarde, gesteelde, min of meer
lederachtige, eivormig-langwerpige, toegespitste, gezaagde,
afwisselende bladeren. Steunblaadjes klein, afvallend.
Bloemen klein, in korte, okselstandige bijschermen.
Aantal soorten \'2, op Amboina on Java, C. Moluccantim lil.
on C. scrrulatum Miq.
8. ELAEODENDRON Jacq.
Bloemen soms gemengdslachtig. Kelk 4—5-deelig.
Bloembladen 4—5, uitgespreid. Meeldraden 4—5, onder
den rand van de schijf ingehecht, met korte, priemvor-
mige helmdraden; helmknoppen min of meer bolvormig.
Schijf dik, uitgespreid met 4—5 inhammen, kanten of
lobben. Eierstok pyramidevormig, met de schijf versmol-
ten, vaak 3-kantig, 3-hokkig, zelden 2—5-hokkig; stijl
zeer kort, met een 2—5-lobbigen stempel; eitjes 2 in
elk hokje, van de basis opgericht. Steenvrucht droog of
sappig; kern met 1—3 hokjes, welke 1, zelden 2, zaden
bevatten. Zaden opgericht, zonder zaadrok; zaadhuid
vliezig of sponsachtig, met een rijk, vleezig kiemwit;
zaadlobben plat.
Heesters en kleine boomen, meestal onbehaard, met
rolronde of kantige takken. Bladeren tegenovergesteld en
afwisselend, gesteeld, gaafrandig of gekarteld, ledorachtig,
meerendeels altijd groen blijvend. Steunblaadjes klein,
afvallend. Bloemen klein, meestal wit of groenachtig, in
langere of kortere, okselstandige bijschermen of in bundels.
Aantal soorten omstreeks 30, door ile tropische gewesten ver-
spreid, in groot aantal aan de Kaap de Goede Hoop en in Indiö,
zeldzamer in Australië, de Masearenen en West Indié, hoogst
zeldzaam in Zuid Amerika. Voor Nederlandseh Indiê worden opgo-
noemd E. ylaucum Pers. en E. ellipticum Decne.
9. HIPPOCRATEA L.
Kelk klein, 5-deelig. Bloembladen 5, uitgespreid,
grooter dan de kelk, in den knop klepswijze aaneenslui-
-ocr page 294-
234
XXXVI. CELASTRACEAE.
tend of dakpanswijze dekkend. Meeldraden 3 (zelden 5,
met 2 of 3 zonder helmknoppen); helmdradon vrij of
met de schijf versmolten, 3-hokkig; stijl kort, priemvor-
mig, 3-spletig aan den top of in een 3-lobbigen stempel
uiteenloopende; eitjes 2—6 in elk hokje, in 2 rijen,
vastgehecht aan de as van het hokje. Vruchtbladen bij
rijpheid slechts aan de basis verbonden, platgedrukt,
lederachtig, 2-kleppig of niet openspringend, elk met
weinige zaden. Zaden platgedrukt, van onderen vaak
gevleugeld; zaadhuid vliezig, lederachtig of bros; zaad-
nerf loopende van de basis tot den top van den vleugel;
kiemwit ontbrekend; kiem in het bovenste gedeelte van
het zaad, met groote, platte, vergroeide zaadlobben en
een zeer kort, naar onderen gericht, kiem worteltje.
Kleine boomen of klimmende heesters, met dikwijls
ineengedraaide, rolronde takken. Bladeren tegenover ge-
steld, gesteeld, gaafrandig of gezaagd, met aan de basis
geleede bladstelen. Steunblaadjes klein, afvallend. Bloe-
men klein, groenachtig of wit, in okselstandige pluimen
of bij schermen, wier vertakkingen en bloemstelen aan de
basis met 2 schutblaadjes voorzien zijn. Doosvruchten
vaak groot.
Aantal soorten 60, in de tropische gewesten van Azië, Australië,
Afrika en Amerika. Volgens Miquel komen 7 soorten in den Ma-
leischen Archipel voor.
10. SALACIA L.
Kelk klein, 5-deelig. Bloembladen 5, uitgespreid, dak-
panswijze dekkend in den knop. Meeldraden 3 (zeldeu 2
of 4), aan het bovenvlak van de schijf, dicht bij den
eierstok, ingeplant, vrij of met den eierstok vergroeid,
met platte, naar elkander gebogen en aan den top terug-
geslagen helmdraden; helmknoppen (wegens de terug-
geslagen helmdraden) meestal naar buiten gekeerd, klein,
met hokjes, welke in de lengte of in de breedte opensprin-
gen en of afzonderlijk zijn, of samen tot één hokje dwars
ineengevloeid zijn. Schijf dik, uitgespreid of kegelvormig,
met inhammen. Eierstok in de schijf weggedoken, kegelvor-
mig, 3-hokkig, in een zeer korten of langeren, priem-
vormigen stijl uitloopend, met een enkelvoudigen, 3-lob-
bigen stempel; eitjes 2, 4 of meer in elk hokje, in 1 ot
-ocr page 295-
235
XXXVI. CELASTRACEAE.
2 rijen aan de as vastgehecht. Vrucht besvormig, 1 — 3-
hokkig, met eene leder- of houtachtige schil, een slijm-
achtig vruchtvleesch en 1—4-zadige hokjes. Zaden in
weinige soorten bekend, groot, kantig, met eene dikke,
lederachtigc of vozelige zaadhuid; zaadlobben dik, vaak
ineengekreukt; kiemworteltje kort, naar onder gericht.
Heesters of kleine boomen, klimmend of neerhangend,
onbehaard. Bladeren vaak tegenovergesteld, gesteeld,
lederachtig, van boven glanzend, gaafrandig ofgekarteld-
gezaagd, zonder steunblaadjes. Bloemen vrij klein, dik-
wijls aan okselstandige, verkorte twijgen, tot bundels of
kort-, zelden langgesteelde bijschermen vereenigd, zelden
alleenstaand of twee aan twee, soms in pluimen. Vrucht
dikwijls groot, eetbaar.
Aantal soorten 60 a 70, in de tropische en bijna tropische stre-
ken van Azië, Afrika en Amerika. MlQt\'Ki. noemde 14 soorten van
dit geslacht voor Nederlandsch Indië op, welk aantal door Sciikf-
fer nog met ééne soort werd vermeerderd.
11. SIPHONODON Criff.
Kelk 5-deelig, met cirkelronde segmenten. Bloembla-
den 5, grooter dan de kelk, opgericht-uiteengespreid.
Meeldraden 5, hypogynisch, in een boog gekromd boven
den stamper; helmdraden plat; helmknoppen klein. Eier-
stok half in de schijf weggedoken, uit eene nagenoeg
kogelvormige basis kegelvormig toeloopende, nabij den
top van buiten gevoord en van binnen om eene stijlvor-
mige zuil eene holte vormende, welke met stempelkliertjes
bekleed is; aantal hokjes oo , in 2—4 rijen, elk hokje
met één zaadje, dat of klimmend of hangend is. Steenvrucht
appelvormig, min of meer vleezig, bultig aan den top,
met vele harde en houtachtige kernen, welke tot ringen
met elkander verbonden zijn , waarvan verscheidene boven
elkander staan. Zaden met de kernen in vorm overeen-
komende, met eene vliezige zaadhuid en een min of meer
hoornachtig kiem wit; zaadlobben zeer groot, bladachtig,
cirkelvormig, aan de basis min of meer hartvormig; kiem-
worteltje zeer klein, dicht bij den navel.
Lage, onbehaarde boom. Bladeren afwisselend, kort
gesteeld, gekarteld-gezaagd, van boven glanzend. Steun-
blaadjes klein, afvallend. Bloemen geel, aan, van kleine
-ocr page 296-
236                              XXXVII. RHAMNACEAE.
schutblaadjes voorziene, stoeltjes, ten getale van 3—4,
tot schermen verbonden, welke aan korte, okselstandige
bloemstengels staan.
Kóne soort, 6\'. celastrincub Gri/f., welke op Java en in Iïritsch
Indiü is aangetrotl\'en.
Fam. xxxvii. RHAMNACEAE.
Uentiiam et Hüokkr, Gen. Plant. I, p. 371.— Lawbon in Hook.
Fl. of Br. Ind. I, p. 620,
Bloemen tweeslachtig, zelden gemengdslachtig-twee-
huizig. Kelk vaak lederachtig met omgekeerd-kegelvor-
mige, tol-, urn- of cilindervormige buis, en 4—5 kort
driehoekige, opgerichte of teruggeslagen lobben, welke
vaak in het midden door eene dikkere streep doorloopen
worden en in den knop klepswijze aaneensluiten. Bloem-
bladen 4, 5 of ontbrekend, in de keel van den kelk
ingeplant, meestal kleiner dan de lobben van deze, kap-
vormig of ineengerold, zittend of genageld, stomp uitge-
rand of gelobd. Meeldraden 4—5 , evenals de bloembladen
ingeplant, tegenover deze en dikwijls door hen bedekt;
helmdraden priem- of draadvormig, zelden verbreed;
helmknoppen bewegelijk, 2-lobbig of langwerpig, met 2
spleten, welke niet zelden tot ééne hoefijzervormige
spleet ineenvloeien, zijdelings of naar binnen, zelden naar
buiten openspringend. Schijf perigynisch, zelden ontbre-
kend, öf dik en de kelkbuis vullend, of deze als een
dunne laag bekleedend, óf ring- of napvormig en vrij,
enkelvoudig of gelobd, onbehaard of zelden viltachtig.
Eierstok zittend, vrij of in de schijf weggedoken, geheel
bovenstandig of min of meer met de kelkbuis vergroeid,
1—3- (zelden 2-of 4-)hokkig; stijl opgericht, meestal kort,
dik, met 3-lobbigen, knopvormigen stempel of met aan
den top stempelklieren dragende stijllobben; eitjes in elk
hokje 1, zelden 2, opgericht van de basis van het hokje,
anatroop, met rugstandige, zelden zijdelingsche zaadnerf
en naar beneden gekeerd poortje. Vrucht vrij of met de
blijvende kelkbuis aan de basis of hooger vergroeid, 3-,
-ocr page 297-
237
XXXVII. RHAMNACEAE.
zelden 2- of 4-hokkig, lederachtig, doos- of steenvrucht
met 1—3-hokkige kern, of 3-voudige splitvrucht. Zaden
in elk hokje 1, opgericht, meestal eirond, samengedrukt,
niet zelden met een zaadrok aan de basis; zaadhuid leder-
achtig, bros of vliezig; kiemwit vleezig, meestal in ge-
ringe hoeveelheid, zelden geheel ontbrekend; kiem groot,
orthotroop, meestal geel of groen; zaadlobben plat of plat-
bol met een kort, recht, naar onderen gericht kiemworteltje.
Boomen of heesters, zelden kruiden, opgericht of klim-
mend, meestal met stekels, zelden met ranken of klieren.
Bladeren enkelvoudig, meestal met steunblaadjes, afwis-
, selend of min of meer tegenovergesteld, vaak lederachtig,
niet zelden met eene 3—5-deelige hoofdnerf, gaafrandig
of gezaagd, soms ontbrekend. Steunblaadjes klein, dik-
wijls spoedig afvallend, soms in doorns veranderd. Bloe-
men klein, groen of geelachtig, dikwijls in okselstandige,
losse en rijkbloemige, niet zelden éénzijdige bijschermen.
Steenvruchten soms eetbaar.
Aantal geslachten 38, soorten omstreeks 450, die de warme en
tropische gewesten van de geheele wereld bewonen.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Tribus I. "Ventilagenp. Schijf de kelkbuis vullend. Eierstok
bovenstandig of halfbovenstandig. Vrucht droog, "1-hokkig, 1-zadig,
aan de basis of tot liet midden door de kelkbuis omgeven. Zaden
zonder kiemwit. Klimmende, ongewapende heesters. Bladeren afwis-
selend.
1.   Ventilago. Vrucht naar boven in een langen vleugel ver-
lengd.
Tribus II. Zizyplieae. Schijf de kelkbuis vullend. Eierstok
bovenstandig of halfbovenstandig. Drooge of vleezige steenvrucht,
met eene 1—3-hokkige kern, aan de basis of tot het midden door
de kelkbuis omgeven. Heesters of boomen. Bladeren afwisselend.
2.   Zizyphus. Bladeren 3-nervig. Gedoomde heesters of kleine
boomen.
3.   Bkrchemia. Bladeren vinnervig. Ongewapende heesters.
Tribus III. Ttlmnincac. Schijf de kelkbuis bekleedend of vullend.
Eierstok 6f door de schijf met den kelk verbonden en daardoor onder-
standig, öf vrij en bovenstandig. Vrucht droog of vleezig, öf eene
3-voudige splitvrucht met niet-openspringende of 2-kleppige vrachtjes,
öf eene 3-kernige steenvrucht. Boomen of heesters. Bladeren af\\vis-
selend, zelden min of meer tegenovergesteld.
-J- Schijf dun, de blokvormige kelkbuis bekleedend. Eierstok vrij.
-ocr page 298-
238
XXXVII. RIIAMNACEAE.
i. RhaHNDS. Bladeren afwisselend, zelden rnin of meer tegen-
overgesteld. Bloemen in okselstandige beschermen. Steenvrucht.
TT Schijf de. kelkbuis vullend, den eierstok omsluitend, of daarmede
samenvloeiend.
§ Eierstok vrij, door de schijf omsloten.
5.  Sageretia. Bladeren min of meer tegenovergesteld. Bloemen
aan de wijd uitstaande takken van eene eindelingsche pluim.
6.   SCUTIA Bladeren tegenovergesteld of paars wijze bijeenstaand.
Bloemen iu okselstandige bundels of in kleine schermen.
§§ Eierstok met de scliijf samenvloeiend.
7.  CoLUBRINA. liladeren afwisselend. Bloemen in bijsc heiuien
of bundels. Bladeren en bloeiwijze onbehaard. Bloemen geel-groen.
Vruchten klein.
8.   Al.piiiTONlA. Bladeren afwisselend. Bloemen in bijschermen.
Bladeren en bloeiwijze roestkleurig. Vruchten groot.
Tribus IV. Oonanieae. Vrucht onderstandig, gekroond door
den blij venden kelk. Bladeren afwisselend.
9.  GouANIA. Vrucht inet drie vleugels. Bloemen in bundels.
i. VENTILAGO Gaerln.
Kelk 5-spletig, met omgekeerd kegelvormige buis, en
uitstaande, puntige, van binnen gekielde slippen. Bloem-
bladen 5, deltavormig, omgekeerd hartvormig, omgekeerd
driehoekig of kapvormig. Meeldraden 5, aan de basis met
de bloembladen vergroeid, een weinig langer dan deze;
helmdraden draad-priemvorinig; helmbindsel meestal ver-
lengd. Scbijf 5-hoekig, kaal of zachtbarig, met een vlak-
ken, vrijen rand. Eierstok in de schijf weggedoken, min
of meer bolvormig, 2-hokkig; stijl zeer kort, platgedrukt,
met 2 korte stempels. Min of meer kogelronde noot, aan
de basis of boven het midden in de kelkbuis besloten,
van boven in een lijnvormigen, lederachtigen vleugel uit-
loopende, 1-hokkig, 1-zadig. Zaad bijna kogelrond, met
eene vliezige zaadhuid en zonder kiemwit; zaadlobben
dik, vleezig; kiemworteltje zeer kort, naar onderen
gericht.
Klimmende heesters, onbehaard of zachtharig, met
rolronde tokken. Bladeren min of meer tweerijig, afwis-
selend, gesteeld, eirond of langwerpig, spits, met schuine
basis. Steunblaadjes zeer klein, afvallend. Bloemen klein,
aan de basis met 2 schutblaadjes, in bundels langs de
-ocr page 299-
XXXVII. RHAMNACEAE.                              239
takken van pluimen, die ten getale van 1—3 aan de
toppen der takken of in de bladoksels staan.
Aantal soorten 10, in tropisch Azië, Afrika en Australië; in
Nederlandseh Indië komen 4 soorten voor.
2. ZIZYPHTJS Juss.
Kelk 5-spletig; buis wijd, omgekeerd kegelvormig, met
3-hoekig-eironde, spitse, uitgespreide, van binnen ge-
kielde lobben. Bloembladen 5, kapvormig, omgebogen.
Schijf vlak, 5-kantig, met vrijen rand. Meeldraden 5, door
de bloembladen ingesloten of langer dan deze; helmdraden
priemvormig. Eierstok in de schijf weggedoken, aan de
basis daarmede versmolten, 2-, zelden 3-, nog zeldzamer
4-hokkig; stijlen 2—3 , kegelvormig, vrij of vergroeid,
uitgespreid, met kleine, wrattendragende stempels. Steen-
vrucht vleezig, kogelvormig of langwerpig, met hout-
of beenachtige, 1—3-hokkige , 1—3-zadige kern. Zaden
plat-bol, met eene dunne, broze, gladde zaadhuid, zon-
der of met een dun of middelmatig kiemwit; zaadlobben
dik; kiemworteltje kort.
Heesters of boomen, dikwijls neerliggend of neerhan-
gend, met sterke, vaak haakvormige stekels. Bladeren
min of meer tweerijig, afwisselend, gesteeld, lederachtig,
gaafrandig of gekarteld, 3—5-nervig. Steunblaadjes of
beide doornachtig, haakvormig of recht, of een van beide
afvallend. Bloemen klein, groenachtig. Vrucht dikwijls
eetbaar.
Aantal soorten omstreeks 50, in tropisch Azië en Amerika en ile
gematigde streken van beide halfronden; in Nederlandseh lndië
8—9 soorten, deels wild, deels gekweekt.
3. BEROHEMIA Neck.
Kelk 5-spletig, met eene halfbol- of tolvormige buis.
Bloembladen **5, omgekeerd eirond of lancetvormig, zit-
tend, kapvormig. Meeldraden 5, even lang als de bloem-
bladen; helmdraden draadvormig. Schijf de kelkbuis be-
kleedend, met vrijen rand. Eierstok in de schijf wegge-
doken, vrij, eivormig, 2-hokkig, in een 2-spletigen stijl
versmald, met stompe, eindelingsche stempels. Steenvrucht
lang-langwerpig, stomp, samengedrukt, aan de basis door
de kleine kelkbuis omgeven, met een lederachtig vrucht-
-ocr page 300-
240
XXXVII. RHAMXACEAE.
vleesch en eene broze of houtachtige, 2-hokkige kern.
Zaad hjnvormig-langwerpig, met vliezige zaadhuid, zijde-
lingsche zaadnerf en vleezig kiemwit; zaadlobben smal,
langwerpig, dun, evenwijdig aan het tusschenschot der
steenvrucht; kiemworteltje kort.
Rechte of vaak hoog klimmende heesters. Bladeren
afwisselend, gesteeld, eirond of langwerpig, stomp of spits,
lederachtig, vinnervig, met talrijke, evenwijdige nerven
en door dwarsnorven van den tweeden rang fijngestreept,
van onderen blauwgroen. Steunblaadjes klein, afvallend.
Bloemen klein, soms zittend of gesteeld, gemengdslachtig,
of aan okselstandige trossen, óf alleenstaand of in bundels
langs de wijd uitstaande takken van eene eindelingsche
pluim. Steenvruchten zwart of paarsch.
Aantal soorten omstreeks 10, in tropisch Azië en Oost Afrika
en in de warme streken van Noord Amerika voorkomende. In Ne-
derlandsch Indië 3 soorten, 11. cinerascens 131., 11. pubiflora Miq.
en 11. trichanth Mig. De beide eerste waren vroeger als soorten
van Rhamnus L., Celtis L. en Ceanothus L. opgevat.
4. RHAMNUS L.
Bloemen tweeslachtig of gemengdslachtig-tweehuizig.
Kelk 4—5-spletig, met urnvormige buis en drie-hoekig-
eironde, opgerichte of uitgespreide, van binnen gekielde
lobben. Bloembladen 4—5 of ontbrekend, aan den rand van
de schijf, ver boven den eierstok ingeplant, kapvormig of
vlak. Meeldraden 4—5, met zeer korte helmdraden.
Schijf de kelkbuis bekleedend, met dunnen rand. Eierstok
vrij, eivormig, door de basis van den kelk verborgen,
3—4-hokkig, in een korten, langwerpigen, 3—4-spleti-
gen stijl versmald, met stompe, wrattendragende stem-
pels. Steenvrucht besvormig, langwerpig of kogelvormig,
aan de basis door de kleine kelkbuis omgeven, met 2—4
beenharde of papierachtige, naar binnen onduidelijk open-
barstende of zich in \'t geheel niet openende kernen.
Zaden omgekeerd eivormig, met vliezige of broze zaad-
huid, glad of aan de rugzijde gevoord; zaadnerf rug-,
buikstandig of zijdelingsch; kiemwit vleezig; zaadlobben
dun, plat, of met omgeslagen randen; kiemworteltje kort.
Heesters of boomen. Bladeren afwisselend (zelden min
of meer tegenovergesteld), gesteeld, afvallend of altijd
-ocr page 301-
XXXVII. RIIAMNACEAE.                              241
groen, vinnervig, gaafrandig of getand. Steunblaadjes
klein, afvallend. Bloemen okselstandig, in trossen of in
tot bundels vereenigde bijschermen.
Aantal soorten 00, talrijk in de wanne en gematigde streken
van Kuropa, Azië en Amerika, zeldzamer in de tropische gewesten.
Voor Nederlandsen Indié\' worden 2 soorten opgegeven, lih. Juva-
nicus Miq.
en lih. incanus Iioxb. Het is twijfelachtig of de laatste
soort, die afkomstig is uit de Molukken, wel tot hot geslacht
behoort.
r>. SAG-ERETIA Brongn.
Bloemen tweeslachtig. Kelk 5-spletig, met halfbol- of
urnvormige buis en eironde, spitse, van binnen gekielde
lobben. Bloembladen 5, genageld, kapvormig. Meeldraden
5, min of meer gelijk aan de bloembladen. Schijf nap-
vormig, de kelkbuis bekleedend, met vrijen, 5-lobbigen
rand. Eierstok eivormig, in de schijf weggedoken, vrij,
3-hokkig; stijl kort, met 3 voren en 3 knopvormige of
stompe stempels. Steenvrucht kogelvormig, met 3 leder-
achtige, niet openbarstende steenkernen. Zaden langwer-
pig, met een dun kiem wit; zaadlobben plat.
Heesters met dunne of stijve, ongewapende of gedoomde,
min of meer tegenovergestelde, dikwijls kruis wij 8 ge-
plaatste takken. Bladeren min of meer tegenovergesteld,
kort gesteeld, langwerpig of eirond, vinnervig en met
netvormig verspreide nerven van den tweeden rang, gaaf-
randig of gezaagd. Steunblaadjes klein, afvallend. Bloe-
men zeer klein, langs de takken van eene eindelingsche,
wijd uitgespreide pluim of in okselstandige kluwens. Steen-
vruchten zeer klein.
Aantal soorten omstreeks 10, in Znid en Midden Azië, en de
de warme streken van Noord Amerika. Miquki. beschrijft 2 soorten
van Java, S. costala Miq. en S. parviflora Miq., beide door BlUME
vroeger tot RhaiWluS L. gebracht.
0. SOUTIA Comm.
Bloemen tweeslachtig. Kelk 5-spletig, met eene halfbol-
of tolvormige buis en eivormige aan den top verdikte,
spitse slippen. Bloembladen 5, genageld, opgericht, plat
of kapvormig. Schijf de kelkbuis vullend, met vrijen,
gegolfden rand. Meeldraden 5, even lang als de bloem-
bladen, vrij. Eierstok ei- of kogelvormig, in de schijf
16
-ocr page 302-
242                           XXXVII. RHAMNACEAE.
weggedoken, doch vrij, 2—4-hokkig, tot een korten,
2—4-spletigen stijl versmald, en met stompe door wratjes
bedekte stempels. Vrucht omgekeerd ei- of\'bijna kogelvormig,
droog of een weinig vleezig, aan de basis door de kelkbuis
omgeven, met 2—4 broze, hoekige of samengedrukte
kernen. Zaden bol, met vliezige of eenigszins lederachtige
zaadhuid, zonder of met een dun kiemwit; zaadlobben
plat-bol, min of meer vleezig.
Onbehaarde, al of niet van doorns voorziene heesters
met dikwijls hoekige takken. Bladeren volkomen of on-
volkomen tegenovergesteld of paarswijzo tot elkander
genaderd, éénvormig, gesteeld, eivormig of langwerpig,
vinnervig, gaafrandig of fijn gezaagd. Steunblaadjes zeer
klein. Bloemen okselstandig, in bundels of in kleine
schermen. Steenvruchten van den vorm van erwten.
Aantal soorten ongeveer 8, in tropisch Azië, Afrika en Amerika.
Miqiiki, vermoedt tlat .S\'. Indien Brongn., welke in Engelsen Indië
voorkomt, ook in den Maleischen Archipel zal aangetroffen worden.
7. COLUBRINA /.. C. Rich.
Bloemen tweeslachtig. Kelk 5-spletig, met eene halfbol-
vormige buis en uitstaande, driehoekig", eironde, na den
bloei grooter wordende slippen. Bloembladen 5, onder de
schijf ingeplant, genageld, kapvormig. Meeldraden 5, door
de bloembladen ingesloten, met draadvormige helmdra-
den. Schijf dik, de kelkbuis vullend, ringvormig, 5-hoekig
of 5—1 O-lobbig. Eierstok in de schijf weggedoken en
daarmede versmolten, min of meer kogelvormig, 3-hokkig,
tot een 3-spletigen of 3-deeligen stijl versmald, met stompe,
wrattendragende stempels. Steenvrucht min of meer kogel-
vormig, onduidelijk 3-lobbig, onder het midden door de
kelkbuis omgord, met een dunnen, drogen of min of meer
vleezigen vruehtwand, welks kern of als eene doosvrucht
hokverbrekend openspringt of zich in 3 vliezige, broze of
papierachtige, van binnen in de lengte openspringende of
ten slotte 2-kleppige kluisvruchtjes verdeelt. Zaden breed,
eivormig, platgedrukt, 3-kant, met eene gladde, glan-
zende, lederaehtige zaadhuid en een dun, vleezig, kiem-
wit; zaadlobben cirkelrond, plat of gekromd, dun of
eenigszins dik; kiemworteltje kort.
Heesters, opgericht of neerhangend, kaal of zachtharig.
-ocr page 303-
XXXVII. RIIAMNACEAE.                              243
Bladeren afwisselend, gesteeld, langwerpig, hart- of lan-
cetvormig, vinnervig of aan de basis 3-nervig, gaafrandig
of gezaagd. Steunblaadjes klein, afvallend. Bloemen oksel-
standig, in bjjsehermen of bundels, geel of groenachtig.
Steenvruchten dikwijls zwart, erwtvormig.
Aantal soorten omstreeks "10, meestal in tropisch Amerika en in
de warme gewesten van Noord Amerika; ééne soort, C. Axiitlira
Brongn.
= C. Javanica Miq., is in de tropische streken van de oude
wereld wijd verspreid.
8. ALPHITONIA lieissek.
Bloemen tweeslachtig. Kelk 5-spletig; buis wijd omge-
keerd kegelvormig; lobben driehoekig-eirond, spits, uit-
gespreid, van binnen gekield. Bloembladen onder de
schijf ingeplant, min of meer langwerpig, ineengerold.
Meeldraden 5; helmdraden draadvormig, binnen de ineen-
gerolde bloembladen. Schijf dik, langharig, de kelkbuis
vullend, 5-hoekig. Eierstok in de schijf weggedoken en
daarmede versmolten, 2—3-lobbig, 2—3-hokkig, in een
2—3-spletigen stijl versmald; stempels stomp. Steenvrucht
kogel- of breed eivormig, door de kelkbuis onder het
midden ringvormig omgeven, zwart, niet een kurkachtigen
drogen, een zwart of rood poeder bevattenden vruchtwand
en 2—3 houtachtige of dik korstachtige, in de lengte van
binnen openbarstende kernen. Zaden breed langwerpig,
samengedrukt, plat-bol, door een vliezigen, lossen , bro-
zen, aan den top doorboorden zaadrok omgeven en met
eene hoorn-, leder-, of beenachtige, glanzende zaadhuid;
kiemwit papierachtig of vleezig; zaadlobben cirkelrond,
eenigszins dik, plat; kiemworteltje kort.
Boomen, soms zeer hoog, met roestkleurige , viltachtige
takken. Bladeren afwisselend, gesteeld, eirond of langwer-
pig-lancetvormig, gaafrandig, evenwijdig vinnervig, door
talrijke kleine aderen gestreept, van onderen witviltach-
tig, van boven (na het drogen) zwart. Steunblaadjes
klein, afvallend. Bloemen roestkleurig, in okselstandige
en eindelingsche bjjsehermen. Steenvruchten zeer groot.
Aantal soorten 2 of 3, aan de stranden van Australië. Horneo
en de I\'liilippijusehe eilanden waargenomen.
-ocr page 304-
244
XXXVII. RHAMNACEAE.
0. G-OTJANIA l.
Bloemen gemengdslachtig. Kelk 5-lobbig en met eene
korte, omgekeerd kegelvormige buis, die met den eier-
stok vergroeid is. Bloembladen 5, onder den schijfrand
ingeplant, kapvormig. Meeldraden 5, door de bloembla-
dcn verborgen; helmknoppen in de lengte openbarstende.
Schijf kaal of langharig, epigyniseh en de kelkbuis vul-
lend, 5-hoekig oi in 5 uitsteeksels verlengd. Eierstok in
de schijf weggedoken, 3-hokkig; stijl 3-deelig of -spletig,
met kleine stempels. Vlucht lederachtig, onderstandig,
door den blij venden kelk gekroond, met 3 groote, ronde
vleugels, naar binnen in 3, min of meer houtachtige
nootjes uiteenvallend, welke niet openspringen, doch van
de 6-deelige as loslaten. Zaden plat-bol, omgekeerd eirond,
met glanzende, hoornachtige zaadhuid en weinig kiem wit;
zaadlobben rond, min of meer plat; kiem worteltje zeer
kort.
Heesters, vaak hoog klimmend, met dunne, lange
takken, ranken dragend, onbehaard of viltachtig. Blade-
ren afwisselend, gestoeld, groot, gaafrandig of getand.
Steunblaadjes langwerpig, afvallend. Bloemen klein, in
eindelingsche en okselstandige aren en trossen, wier
boofdspil vaak in eene rank is veranderd.
Aantal soorten 30, grootendeels in Zuid Amerika, de overige
in tropisch Afrika en Azië en eene enkele op de eilanden der Stille
Zuidzee: in Nederlandsen Indië 3 of 4 soorten.
Fam. xxxviii. AMPELIDACEAE.
Bentham et IIookkr, Gen. Plant, t, p. 386. — Miquei., Ann.
Mus. Hot. LiiijiI. Hut.
I, p. 72. — 1\'i.anchon in DO. Mon. P/ianer.
V, p. 305. — Clarke in fourn. of Botany A\'..(188-1).
Bloemen regelmatig, twee- of éénslachtig. Kelk klein,
gaafrandig, of 4—5-tandig of -lobbig. Bloembladen 4—5,
vrij of op verschillende wijzen samenhangende, tijdens
den bloei uitgespreid-teruggeslagen, soms aan de basis
met de schijf vergroeid, afvallend, in den knop kleps-
wijze aaneensluitend. Meeldraden 4, tegenover de bloem-
-ocr page 305-
XXXVIII. AMPEUDACEAE.                            245
bladen aan de basis of tusschen de lobben van de schijf
ingeplant; helmdraden priemvormig; helmknoppen vrij of
vergroeid, kort, 2-hokkig, naar binnen openspringend.
Schijf tusschen de meeldraden en den eierstok geplaatst,
van verschillenden vorm, vrij of met de bloembladen
en meeldraden of met den eierstok vergroeid, urn- of
ringvormig of wijd uitgespreid, zelden geheel met den
eierstok versmolten en daardoor onduidelijk. Eierstok
meestal in de schijf weggedoken, 2—6-hokkig, soms met
onvolkomen tusschenschotten; elk hokje met 2 eitjes in
den 2-hokkigen, met 1 eitje in den meerhokkigen oier-
stok; stijl kort, kegel- of priemvormig of ontbrekend;
stempel knop- of schijfvormig, min of meer gelobd; eitjes
klimmend, anatroop met buikstandige zaadnerf en met kor-
ten zaadstreng, welke meestal met het tusschenschot ver-
groeid is. Vrucht besvormig, dikwijls saprijk, 1 — 6-hokkig,
met 1—2 zaden in elk hokje. Zaden opgericht, dikwijls
met als het ware ingesneden teekeningen; zaadhuid been-
hard; binnenwand soms rimpelig; kiemwit papierachtig,
soms uitgevreten; kiem kort, aan de basis van het kiem-
wit; zaadlobben eirond; kiemwortcltje kort, naar onderen
gericht.
Kleine boomen of heesters, meestal klimmend (behalve
Leen), zeer dikwijls met een zeer overvloedig, waterach-
tig vocht. Stengels aan de knoopen gezwollen of geleed,
rolrond, kantig, platgedrukt of misvormd, met talrijke
lenticellen, zelden onderaardsch en knollen ontwikkelend,
meestal met abnormaal gevormd hout. Bladeren afwisse-
lend (de onderste volgens Endlicher tegenovergesteld),
gesteeld, enkelvoudig of handvormig, 8—5-bladig of
voetvormig of zelden dubbelgevind, soms doorschijnend
gestippeld; bladsteel met den stengel geleed, knoopig
verdikt, dikwijls tot een vleezig steunblad uitgezet. Bloe-
men klein, meestal groen, in pluimvormige bijschermen
of trossen, zelden in aren, tegenover de bladeren; bloem-
stengels in enkelvoudige of even als de bladeren ver-
deelde ranken eindigende, in één geslacht (Pterisanthes)
verbreed tot eene vliezige plaat, welke van alle kanten
bloemen draagt.
Aantal soorten talrijk, in bijna alle deelen der wereld, behalve
in de koude streken voorkomende, doch in Amerika zeldzamer dan
-ocr page 306-
246                            XXXVIII. AMl\'ELIDACEAE.
in do andere werelddeelen en uiterst zeldzaam in de eilanden van
den Stillen Oceaan. BENTHAM en HOOKER noemen slechts 3 ge-
slachten en \'250 soorten; bij 1\'i.anchon bedraagt het aantal soorten
van de Ampelideae alleen reeds 383, terwijl hij deze in 7 geslach-
• ten verdeelt.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Tribus 1. Ampelideae. Meeldraden vrij, niet met de bloembla-
den en de schijf vergroeid. Eierstok 2-hokkig, met 2 eitjes in elk
hokje. Meestal klimmende heesters.
1.   Vitis. lïloomen gemengdslachtig-tweehuizig. Bloembladen 5,
tot een kapje samenhangend. Schijf klieren 5, met de basis van
den eierstok vergroeid , min of meer met elkander samenvloeiend.
Stijl kegelvormig. Stempel stipvormig. Bes \'2-hokkig, 2—i-zadig.
Zaden meestal peervormig, met korte, buikstandige, groeven.
Bloemspietsen met of zonder ranken. Bladeren enkelvoudig.
2.   Ampelocissus. Bloemen gemengdslachtig-éénhuizig. Bloem-
bladen 5, tijdens den bloei uitgespreid. Stijl kort kegelvormig,
dikwijls met 10 strepen. Stempel groefvormig. Schijf ringvormig,
opgericht, meestal met "10 strepen. Bes meestal \'2-hokkig, 2—4-
zadig. Zaden schuitvormig of driekant, aan de voorzijde met twee
breede voren. Bloemspietsen met ranken. Bladeren verschillend.
3.   PTERISANTHES. Bloemen gemengdslachtig-tweehuizig. Bloein-
bladen 4—5, omstreeks den bloei uitgespreid. Stijl kort. Stempel
klein. Schijf ringvormig, de basis van den eierstok omgevend.
Bes 2-hokkig, 2—4-zadig. Zaden driekant-eivortnig, aan de buik-
zijde met twee groeven. As der bloeiwijze tot eene gelobde schijf
verbreed; bloemen deels aan weerskanten in holten der schijf
weggedoken, deels, de mannelijke, aan de randen, deze dikwijls
gesteeld. Bladeren onverdeeld of diep ingesneden.
4.   TeTRASTIGMA. Bloemen gemengdslachtig-éénhuizig. Bloem-
bladon 4, meestal onder den top van een hoornvormigen stekel
voorzien, uitgespreid. Schijf onder den eierstok, met de basis van
dezen vergroeid, meestal nog duidelijk onder de vrucht. Stijl
kort. Stempel breed, 4-lobbig of -deelig. Bes 2—4-zadig. Zaden
eirond-bolvormig, met 1—3 groeven aan de voorzijde, dikwijls
dwars gestreept. Bijschermon tot tuilen vereenigd. Bladeren
samengesteld.
5.   LaNDUKIA. Bloemen gemengdslachtig-éénhuizig. Bloembladen
5, uitgespreid. Schijf diep 5-lobbig, met de basis der eierstok-
lobben vergroeid. Stijl kort, eilindervormig. Stempel schijfvormig.
Bladeren drietallig. Bloemen in tot tuilen vereenigde bijschermen.
C. Cissus. Bloemen tweeslachtig. Bloembladen 4, tijdens den
bloei uitgespreid of soms min of meer tot een kapje samenhan-
gend. Stijl priemvormig, dun; stempel klein. Schijf napvormig,
alleen onder aan de basis met de basis van den eierstok samen-
hangend , aan den rand 4-lobbig. Bes met 1, 2, 3 of 4 zaden.
Bladeren verschillend,
-ocr page 307-
XXXVIII. AMPELIDACEAE.                            247
Tribus II. Ijeeae. Mooldraden met do bloembladen on de schijf
vergroeid. Eierstok 3—-0-hokkig, iriet 1 eitje in elk hokje, (ieen
klimplanten.
7. LEEA. Rechte heesters of boomen zonder ranken. Bladeren
afwisselend, enkel-, dubbel* of diiedubbelgevind.
1. VITIS L.
Bloemen gemengdslachtig-tweehuizig; mannelijke van
denzelfden vorm als de tweeslachtige, maar met langer
meeldraden en rudimentairen stamper. Tweeslachtige bloo-
men: Kelk napvormig; rand gaaf, golvend of ondiep
vijftandig. Bloembladen 5, klepswijze aaneensluitend in
den knop, met de toppen lang samenhangend tot een af-
vallend kapje. Meeldraden 5. Schijfklieren 5, onder den
eierstok met de basis van dezen vergroeid, min of meer
ineenvloeiend. Eierstok 2-hokkig; 2 eitjes in elk hokje;
eitjes anatroop, opgericht van de basis der hokjes. Bes
tweehokkig, met vruchtmoes. Zaden min of\' meer peer-
vormig, dikwijls aan de basis tot een snavel versmald,
aan de voorzijde met twee groeven, aan de rugzijde in
eene langwerpige vore het min of meer cirkelvormige
vaatmerk bevattende.
Klimmende heesters met tegenover de bladeren ge-
plaatste ranken, welke zich soms ook uit de stengels der
bloemspietsen ontwikkelen. Bloemspietsen op verse hillende
wijzen samengesteld, meestal met afwisselende takken en
dunne, dicht opeengedrongen bloemstengels. Vruchten
dikwijls eetbaar en meestal wijn leverend.
Heesters van liet noordelijk halfrond, vrij talrijk in de gematigde
streken van Oostelijk en Westelijk halfrond, in de warmere zeld-
zaatn. PlahchOM beschrijft 28 soorten. Kéne soort, V. flexuosa
Thunb.,
welke door geheel Oost en Zuid Azië verspreid voorkomt,
wordt ook op Java aangetroffen. Het geslacht Vitis, zooals het
opgevat werd door Bentham en IIooker in Genera Plantarum,
omvatte al de geslachten der Ampelirteae inet uitzondering van
Pterisantlies en bestond uit 230 soorten, waarvan ongeveer 40 in
Nederlandsen Indië voorkomen. Door MlQCEL in Ann. Mus. Bot.
Lugd. lint.
was ook Pterisantlies met Vitis vereenigd. Vroeger had
deze in zijne Flora evenals de oudere schrijvers Cissus met 4-tal-
lige bloemen en i—2-zadige bessen afgescheiden van Vitis met
5-tallige bloemen en 5-zadige bessen.
-ocr page 308-
248                            XXXVIII. AMI\'ELIDACEAE.
\'2. AMPELOCISSUS Planch.
Bloemen gemengdslachtig-éénhuizig. Kelk napvormig,
4—5-lobbig. Bloembladen 4—5, tijdens den bloei uitge-
spreid. Meeldraden 4—5, onder de hypogynische schijf
ingeplant. Schijf ringvormig, opgericht, met de basis van
den eierstok vergroeid, dikwijls met 5—10 voren; stijl
kort kegelvormig, meestal met 10 strepen; stempel klein,
groefvormig, zelden min of meer schijf-napvormig. Bes
met 2—3 zaden. Zaden (voor zoover zij bekend zijn)
ter nauwernood of zeer kort gesnaveld, dikwijls schuit-
vormig met bollen rug, aan de buikzijde met 2 voren
langs een langwerpigen kam, of driekant-eivormig met
een kam in het midden.
Klimmende, rankendragende heesters. Bladeren enkel-
vondig, gaafrandig of gelobd, soms hand- of voetvormig
samengesteld of dubbel drietallig, in voorkomen dikwijls
op Vitis-soorten gelijkende. Bloemstengels dikwijls met
een rank. Bloemen of in bijachermen of bloeispietsen, tot
tuilen vereenigd, of in vertakte aren of schijnpluimen.
Vruchten dikwijls eetbaar. Wortels dikwijls knolvormig.
Aantal soorten omstreeks G\'2, in do tropische gewesten van Afrika
en Azië; in Australië on Amerika zeldzaam. Ongeveer li soorten
komen in Nederlandsen Indië, op Singapore en A(alakka voor. Bij
Hkntham on Hookkr in Genera Plantarum en bij Miqijel in
Ann. Mus. Bot. Lugd. Bat. I, werden deze soorten alle tot Vitis
L. gebracht.
3. PTERISANTHES BI.
Bloemen gemengdslachtig-éénhuizig; de mannelijke ge-
steeld, aan den rand van een bladachtigen, gemeen-
schappelijken bloembodem, (soms ontbrekend); tweeslach-
tige en onvruchtbare, schijnbaar tweeslachtige, weggedoken
in de schijf van den gemeenschappelijken bloembodem, wei-
nige vruchtbaar. Kelk napvormig, golvend en onduidelijk
4—5-tandig. Meeldraden 4—5. Schijf hypogynisch, de basis
van den eierstok los omgevend, golvend, 5-lobbig. Eierstok
met tien strepen aan den top, langzaam overgaande in
den korten, kegelvormigen stijl, tweehokkig, met 2 eitjes
in elk hokje; stempel klein, knop- of groefvormig. Bes
zittend, boven den bloembodem uitkomend, 2-hokkig,
2—3-zadig. Zaden driekant-eivormig met bolle rugzijde,
-ocr page 309-
XXXVIII. AMPEUDACEAE.                            249
dwars gerimpeld, aan de voorzijde gekield, aan weers-
kanten met ingedrukte groeven; zaadnerf draadvormig
aan de rugzijde in een cirkelvormig vaatmerk uitloopend.
Heesters met slappe, klimmende stengels, in voor-
komen overeenkomende met Ampelocissua, met onverdeelde
of voet- of handvormig ingesneden bladeren en met ran-
ken, die voor het grootste gedeelte geen bloemen voort-
brengen, doch ook voor een deel bladachtige schijven
dragen, welke spiraals wij ze ten opzichte van de as der
ranken geplaatst zijn, aan de basis meestal van een klein
8tekel- of schubvormig schutblaadje zijn voorzien en waarop
de mannelijke bloemen, zoo zij voorkomen, lang gesteeld
aan den rand geplaatst zijn, terwijl zich tweeslachtige
en schijnbaar tweeslachtige bloemen aan weerskanten op
de netvormig geaderde oppervlakten bevinden.
Het geslacht, uit 11 soorten bestaande, komt alleen in Nederlandsch
Indië en Malakka voor; in Nederlandsch Indië werden 7 soorten
gevonden en wel voornamelijk op Siimatra en Itorneo. Van ééue
soort wordt slechts één exemplaar van .lava vermeld. MlQUEL had
slechts 5 soorten hiervan opgenoemd, en deze eerst in zijne Flora
als een afzonderlijk geslacht opgevat, doch in zijne Annales latei\'
met Vlti8 L- vereenigd.
4. TETRASTIG-MA Ptanch.
Bloemen gemengdslachtig-tweehuizig. Bloembladen 4,
meestal onder den top met een stekelvormig hoorntje,
tijdens den bloei uitgespreid. Schijf hypogynisch, met de
basis van den eierstok vergroeid, onder de vrucht meestal
nog duidelijk waar te nemen. Eierstok 2-hokkig, met
twee eitjes in elk hokje; stijl zeer kort; stempel breed,
meestal 4-lobbig of -deelig; lobben of afdeelingen in fijne
franjes verdeeld. Bes 2—4-zadig. Zaden ei- of bolvormig
met bollen rug en ééne groeve aan de voorzijde.
Klimmende, rankendragende heesters, meestal met platte
stengels of takken. Okselstandige, zelden tegenover de
bladeren geplaatste, tuilvormige bijschermen, herhaalde-
lijk in tweeën of drieën vertakt, even als de bloemen
zelve poederachtig-zachtharig. Bladeren meestal voetvormig,
uit 5 blaadjes bestaande, zelden drie- of ócnbladig.
Van de 37 soorten komen er 13 in Cochin-China, 0 in Kngelsch
Indië, 1 in Australië en H in Nederlandsch Indië en Malakka voor.
-ocr page 310-
250                            XXXVIII. AMPELIDACEAE.
Die van Nederlandsen Indié\' zijn grootendeels eerst dooi\' Ui.umk tot
het geslacht Cissus L. gebracht, onder dien naam ook in Miqukl\'s
Flora beschreven en later in ile Annales onder de soorten van
VitiS L. opgenoemd.
5 LANDUKIA Pianch.
Bloemen éénhuizig-gemengdslachtig Kelk schotelvormig,
uitgespreid, licht golvend, 5-lobbig. Bloembladen 5, aan
den top niet met hoornachtige uitsteeksels, gedurende
den bloei vrij. Meeldraden 5, hypogynisch, ingeplant
tusschen de voren van de schijf. Schijf opgericht, diep
5-lobbig; lobben ter nauwernood aan de basis tot een
ring ineenvloeiend, half-langwerpig, met de binnenvlakte
tegen de basis van den eierstok aangegroeid, onder de
onrijpe vrucht nog duidelijk waar te nemen. Eierstok
langwerpig, 2-hokkig; hokjes met 2 eitjes; stijl kort,
dik, cilindrisch; stempel schijfvorinig, breeder dan de
stijl. Bes 2-hokkig, 3—4-zadig. Zaden hart- of driekant-
eivormig, aan de voorzijde stomp gekield of afgeplat-
bol en langs de middenstreep, die soms een weinig
excentrisch is, eene vore vertoonende, welke de draad-
vormige zaadnerf bevat, terwijl nog twee zijdelingsche
voren bijna in de geheele lengte daar langs loopen en
het middelste gedeelte van de rugzijde door het cirkel-
of schijfvormige vaatmerk wordt ingenomen.
Klimmende, onbehaarde heester met ranken, wier tak-
ken zich aan den top in eene hechtschijf verbreeden.
Bladeren lang gesteeld, driebladig; blaadjes stijf, min of
meer lederachtig. gezaagd. Bladeren van de niet bloeiende
takken enkelvoudig. Bloemen in tuilen, welke bestaan
uit in tweeën of drieën vertakte bij schermen en tegen
over de bladeren zijn geplaatst.
De eenige soort, door Planchon L. Landuk genaamd, werd door
BluHE tot het geslacht Ampelopsis L. gebracht en onder den naam
van A. heterophyUa JU., door HaSSKARL als eene soort van Cissus
L. onder den naam van C. Landuk Hassk. beschreven, terwijl zij
bij Miquki. als eene soort van Vitis L. {V. Landuk Miq.) in de
Annales voorkwam. Behalve op Java werd zij in Tonkin gevonden.
0. CISSUS L.
Bloemen tweeslachtig of éénhuizig-gemengdslachtig,
viertallig. Bloembladen 4, ten slotte uitgespreid, zelden
-ocr page 311-
XXXVIII. AMPELIDACEAE.                              251
tot een kapje min of meer samenhangend. Schijf 4-lobbig,
met de basis van den eierstok vergroeid. Eierstok 2-bok-
kig; hokjes 2-eiig; stijl priemvormig. Bes 1-, 2-, 3- of4-
zadig. Zaden eivormig of stomp driekant, aan de voor-
zijde met twee ondiepe groeven.
Heesters, meestal klimmend en dan ranken dragend,
zelden opgericht en nagenoeg zonder ranken. Bloemen in
tot tuilen vereenigde bijschermen, meestal tegenover de
bladeren, soms schijnbaar okselstandig. Vruchten soms
zuur, smakeloos of stinkend, zelden eetbaar, nooit goe-
den wijn leverend.
Aantal soorten omstreeks 212, in Afrika, Azië, Australië en
Amerika voorkomende, voornamelijk tusschen ile keerkringen. Ken
twintigtal hiervan komt in Nederlandsch Indië voor. PLANCHON ver-
deelt het geslacht in drie secties, waarvan ééne, Cyphostemma. die
zich o. a. onderscheidt door bijna altijd éénzadige bessen, in Neder-
landsch Indië niet voorkomt. Van de beide andere, die daar wel
worden aangetroffen, heeft de eerste, Eu-Cissus. de bijschermen
zoodanig opeengedrongen, dat zij schijnbaar schermen vormen, terwijl
bij de tweede, Cayratia, de bijschermen vrij ver uiteenstaan. De bloe-
men staan verder bij de eerste tegenover de bladeren, bij de tweede
schijnbaar okselstandig. Het geslacht werd door MlQUEL evenals
door Bentham en Hooker met Vitis L. vereenigd.
7. LEEA L.
Kelk 5-tandig. Bloembladen 5, aan de basis met eik-
ander en de meeldradenbuis vergroeid, met omgerolden
rand. Meeldradenbuis kegelvormig, urnvormig of min of
meer kogelvormig, nagenoeg gaafrandig of 5-lobbig of 5-
deelig, met naakte keel of door een vliezigen ring half
gesloten; de helmdraden tusschen de lobben van de buis
ingeplant, naar binnen gebogen; helmknoppen of vrij,
buiten de buis uitstekend, of daar binnen besloten. Eier-
stok op de schijf ingeplant, 3—6-hokkig; stijl kort, met
verdikten stempel; 1 eitje in elk hokje. Bes 3—6-hokkig.
Zaden opgericht; zaadhuid hard; binnenlaag tusschen de
plooien en rimpels van het papierachtige kiem wit tredende;
kiem klein, recht of een weinig gebogen; zaadlobben
eirond of min of meer bladachtig; kiemworteltje kegel-
vormig.
Kleine boomen of heesters, met dikwijls ge voorde of
gestreepte, zelden gedoomde takken. Bladeren afwisselend,
-ocr page 312-
252
XXXIX. SAPINDACEAE.
enkel, of 2- of ;}-maal gevind: blaadjes gaafrandig of
gezaagd; bladstelen aan de basis verbreed, eene steunblad-
achtigo scbede vormend. Bloemstengcls tegenover de bla-
deren, nooit ranken dragend, samengestelde bijsebermen
vormend. Bloemen klein of\' groot, rood, geel of groen.
Aantal soorten volgens Bentham en IIuokkr omstreeks \'20, in
tropisch Azië en Afrika, zeldzaam in Australië. Volgens Miquki.
in Anit. Mus. Bot. Lugd. Bul. 1, p. 05 komen er 11 in Nederlandse!»
Indië voor. Ci.ahkk geeft in Journ. of Holtiny. X. (1881) eene
revisie van ile soorten van Engelsen lndië en vermeldt daarbij
tevens die van Nederlandsch lndië. Volgens hem bevat liet geslacht
ongeveer 44 soorten, waarvan er 14 of 15 in Nederlandsch lndië
aangetroffen worden.
Fam. xxxix. SAPINDACEAE.
Bentham et IIookkh, Oen. Plant. 1, p. 388.— Raulkukkr, Ueber
die Sapindaeeen Uoll&ndisch Indiens (Acte» du Congres lom A Amxt.
1870). — Radlkofer, Sitz. Bericht, d. Bair. Acad. d. Wiss.1878—
4870. — Durani), Index Gen. Phanerog. 1888. (Sapindaceae auct.
Radlkofer.)
Bloemen meestal gemengdslachtig-tweebuizig, regel-
matig of onregelmatig. Kelkbladen 4—5, zelden ontbre-
kend of in grooter aantal, vrij of min of meer vergroeid,
dikwijls ongelijk, dakpanswijze dekkend in den knop,
zelden klepswijze aaneensluitend. Bloembladen 3—5,
zelden meer, dakpanswijze dekkend in den knop, gelijk
of ongelijk, het achterste niet zelden kleiner of ontbre-
kend, van binnen vaak met schubben of gebaard. Schijf
verschillend, volkomen of onvolkomen, niet zelden één-
zijdig, zeer zelden ontbrekend. Meeldraden 8, zelden 5—10
(zeer zelden 2, 4, 12 of x), meestal hypogynisch en
binnen de schijf ingeplant, aan écne zijde van den eier-
stok of daaromheen geplaatst, recht of neergebogen,
zelden boven de schijf of om de basis van de schijf in-
geplant; helmdraden meestal lang draad- of priem vormig,
dikwijls langharig; helmknoppen langwerpig, tweelobbig
of lijnvormig"vierkant, aan de basis vastgehecht of be-
wegelijk. Eierstok al of niet in het midden der bloem
geplaatst, gaaf, gelobd of bijna tot aan de basis gedeeld,
-ocr page 313-
253
XXXIX. SAPINDACEAE.
1—4-, gewoonlijk 3-hokkig; stijl eindelingsch of ingeplant
aan de basis tusschen de lobben van den eierstok, enkel-
voudig of gedeeld, recht of neergebogen, soms gewron-
gen, zelden 2—4 stijlen; stempel meestal enkelvoudig;
eitjes anatroop, campylotroop of amphitroop ,1 of 2 in
elk hokje, zelden meer, aan de as bevestigd, klimmend,
moestal met buikstandigc zaadnerf en naar onderen ge-
richt poortje, zelden horizontaal of omgekeerd, vaak met
gezwollen zaadstreng. Doos- of steenvrucht of eene sap-
pige of lederachtige, gave of gelobde bes, of eene, in
2—3, al of niet gevleugelde, nootjes uiteenvallende split-
vrucht \'), zeer zelden eene droge dopvrucht. Zaden bolvor-
mig of samengedrukt, met of zonder zaadrok; zaadhuid
verschillend, soms beenachtig, meestal zonder kiemwit;
kiem meestal dik, niet zelden gevouwen of spiraalswijze
opgerold; zaadlobben meestal plat-bol, ongelijk, zeer groot,
soms ineengekreukt, naast of boven elkander; kiemwor-
teltje kort, omgebogen, naar onderen gericht.
Meestal hooge boomen, zelden half heesters of kruid-
achtige gewassen, soms klimmend of windend of ranken
dragend, meestal met een waterachtig, hoogst zelden
met een bitter vocht. Bladeren meestal altijd groen,
afwisselend, meestal zonder steunblaadjes, enkelvoudig
of hand- of viuvormig samengesteld, niet zelden even-
gevind , waarbij de bladspil soms voorbij de blaadjes
doorgroeit; blaadjes verschillend, bij enkele soorten door-
schijnend gestippeld. Bloeiwijze verschillend. Bloemen in
verhouding tot de grootte van de planten gewoonlijk zeer
klein en ook door de kleuren meestal niet in het oog
vallend. Vruchten eetbaar bij eenige soorten.
Aantal geslachten, volgens Bentham en Hookkr, 75, soorten G00
a 700 over de geheele wereld verspreid.
De familie der Sajjiiutacean wordt door RADLKOFKR, door wien
deze plantengroep sinds vele jaren monographisch bewerkt wordt,
geheel anders opgevat dan door BENTHAM en HooKElt. De rang-
schikking der laatste schrijvers moet volgens hem als hoogst kunst-
matig beschouwd worden. Daar echter de onderzoekingen van
\') De hokjes, waarin de splitvnirht zich verdeelt, zijn, als ze niet
openspringen, nootjes genoemd, ook dan, wanneer de vrucht min of
meer vleezig is. Soms ontwikkelt zich slechts 1 der hokjes en vindt
men aan de basis van het nootje de overblijfsels der andere hokjes.
-ocr page 314-
254                               XXXIX. SAPINDACEAE.
RADLKOFER nog slechts ton i\\o,o\\o voUooiil zijn , is hot niet moge-
lijk het tabellarisch overzicht der geslachten geheel aan diens
weiken te ontleenen. |I<\'t is ilns noodzakelijk geweest 0111 BENTHAM
en Hooker\'s overzicht te volgen en Radi.kofkh\'s nieuwe geslnch-
ten in de nabijheid van hun verwanten hierin op te nemen. Hij de
beschrijvingen der geslachten hel) ik. behalve voor de nieuwe, ook
Hkntiiam en IIooker gevolgd, doch steeds er bij gevoegd in hoeverre
deze van RaDLKOFER afweken. Aan het eind vindt men eene tabel
der natuurlijke rangschikking, zooals deze uit Radi.kofkh\'s onder-
zoekingen volgt.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Onderfamilie I. Sa])ill(la«\'«\'a<* Meiddraden aan de basis van den
eierstok binnen de schijf ingeplant of aan ééne zijde der bloem
staande. Zaden zonder kieinwit. liladeren zelden tegenovergesteld.
Bloemen meestal onregelmatig. Bloembladen dikwijls 4, terwijl de
/tlonlx van het vyfde ledig blijft. Schijf aan ééne :ij<le der bloem
of zeer sche */\'. Kén eitje in elk hokje van den eierstok.
a. Driehokkige, driekleppige, hokverbrekende doosvrucht.
\\. CARDIOSPERMUM. Vruchtlobben opgeblazen, vliezig. Klim-
mende heesters met dubbel-drietallige bladeren.
b. Driekantige of drielobbige, niet openspringende en niet in hokjes
uiteenvallende vrucht.
2.   IIkmicyrosa. Hoornen met evengevinde bladeren.
c. Vrucht in 3, niet openspringende hokjes uiteenvallend,
(Drienotige sptitvrucht.)
3.   DlTTKl.ASMA. Kelk 5-deelig. Schubben der bloembladen gaaf-
randig. Nootjes bolvormig. Bladeren gevind.
4.    Kriooi.ossum. Kelkbladen 5, cirkelvormig, hol. Schubben
dor bloembladen 2-spletig. Nootjes snial-eivoiinig. Bladeren gevind.
5.   ScilMIDELIA. Kelkbladen 4, cirkelvormig, hol. Nootjes klein,
min of meer bolvormig. Bladeren 3-, zelden 5-tallig.
TT Bloemen regelmatig of nagenoeg regelmatig. Schijf volkomen en
regelmatig.
% In elk hokje mm den eierstok één eitje.
a. Doosvrucht.
fi. CipaNIA. Kelkbladen 4—5, zelden 3 of 0, 2-rijig, breed
dakpanswijze dekkend in den knop. cirkelvormig. Meeldraden min
of meer in de bloem besloten. Vrucht omgekeerd eirond, omge-
keerd hart- of eivormig, zelden kegelvormig.
7.   RhtsOTOECHIA. Kelkbladen ">, 2-rijig, breed dakpanswijze
dekkend in den knop, bloembladacbtig, eivormig of langwerpig.
Meeldraden bijna niet boven de bloem uitstekend. Doosvrucht
lederachtig, driezijdig, aan de basis in een steel uitloopend.
8.   Ratonia. Kelk klein, met korte lobben, welke in den knop
-ocr page 315-
255
XXXIX. SAPINDACEAE.
klepswijze aaneensluiten of licht dakpanswijze ilekken. Moeldra-
den dikwijls lang, ver buiten de bloem uitstekend. Schijf vrij dik.
9.   Cl\'iui.ia. Kelkbladen 5, Schijf 5-lobbig. Helmdraden breed,
omgebogen. Vrucht met knobbels of lange haren.
10.   1\'AUAMci\'iiKi.ii m. Kelk napvormig, nagenoeg klepswijze aan-
eensluitend in den knop. Heeldraden II), kort. Dikke doosvrucht
met dikke stekels.
41. Tokciiima. Kelk kort napvormig, 5-tandig, met delta vormige
tanden, welke in den knop alleen aan de basis of anders zeer
licht dakpanswijze dekken. Meeldraden 8, langharig, ver buiten
de bloem uitstekend. Doosvrucht dik , vleezig, steenvruchtachtig.
b. Vrucht uiteenvallend in drie niet openspringende vleugelvruchlen.
(Gevleugelde drienotige tplitvrucht.)
12.   Atai.aya. Kelkbladen ">, \'2-rijig breed dakpanswijze dek-
kend. Vleugelvruchten van de centrale as loslatend.
13.   Sarcopteryx. Kelkbladen ">, min of meer klepswijze aan-
eensluitend. Vleugelvruchten met elkander verbonden blijvend.
c. Vrucht \',\\-hokkia, niet diep gelobd en noch openspringend,
noch in hokjes uiteenvallend.
cc. Kelkbladen in 2 rijen breed <lakpanswijze dekkend,
de twee buitenste het kleinst.
14.   Anomosantues. Kelkbladen 5. Bloembladen 5, met eene
kleine schub aan de basis. Meeldraden ingesloten. Vrucht opper-
vlakkig 3-lobbig, 3-hokkig.
15.   SCORODRHDRON. Kelkbladen 5. Bloembladen 5, met eene
2-lobbige, kanivorinige schub boven den nagel. Meeldraden 10,
ingesloten. Vrucht 2-hokkig.
16.   LkI\'isantiif.s. Kelkbladen 4—5. Bloembladen 4—5, met
eene kapvormige schub boven den nagel. Meeldraden 8. Steen*
vrucht met 3-hokkige kern.
17.   .Iaorra. Kelkbladen 4—5. Bloembladen 3—5, met een aan-
bangsel aan weerskanten boven den nagel. Meeldraden 8. Vrucht
eene 3—4-hokkige bes.
48. Tristira. Kelkbladen .r>. Bloembladen en meeldraden onbe-
kend. Vrucht 3-hokkig, houtachtig, niet openspringend, met 3
naar boven verbreede vleugels.
(3 Kelk klein, niet klepswijze aaneensluitende of smal dakpanswijze
dekkende lubben.
19.   Schi.eiciiera. Kelk 4—C-spletig. Bloembladen ontbrekend.
, Meeldraden (>—8. Droge, eironde, 4—3-hokkige vrucht.
d. Vrucht niet openspringend, diep van boven af gelobd of in 1—4
hokjes (nootji\'s) uiteenvallend.
et. Kelkbladen in 2 rijen breed dakpanswijze dekkend, de twee
buitenste, liet kleinst.
20.    Sapindus. Kelkbladen 4—5. Bloembladen 4—5, naakt of
-ocr page 316-
256
XXXIX. SAP1NDACEAE.
boven den nagel mot 1—2 schubben, wier randen vrij zijn.
Meeldraden ft—10. Splitvrucht met 1—4 nootjes. Zaden zonder
zaad rok.
21.   Hebecoccus. Kelkbladen 5. Bloembladen .r>, elk met eene
schub, die aan de randen met het bloemblad zelve vergroeid is
en daarmede een zakje vormt. Splitvrucht met 1—3 nootjes.
Zaden zonder zaadrok.
22.   Capura. Kelkbladen 4—5. Bloembladen 4—5, zonder schab-
ben, doch met omgeslagen oortjes aan de basis, soms klein of
ontbrekend. Meeldraden 0—0. Vrucht 2—3-lobbig of in 2—3
nootjes uiteenvallend. Zaden met een zaadrok.
23.   XeROSPKRHUM. Kelkbladen 4. Bloembladen 4, zonder schub-
ben. Stempel ilik. Splitvrucht met 1—2 nootjes, van buiten ge-
knobbeld. Zaden zonder zaadrok.
(3 Kelk 5-tandig of -deelig, met smal dakpanswyze dekkende
«f klepswijze aaneensluitende slippen,
24.   Xki\'Iipm.iim. Kelk klein, napvoiinig; lobben in den kelk
klepswijze aaneensluitend of smal dakpanswijze dekkend. Bloem-
bladen ontbrekend of zonder schubben. Meeldraden ver boven de
bloem uitstekend. Splitvrucht met 1—3 nootjes. Zaden met een
zaadrok.
25.   Kupiioria. Kelk 5-deelig; lobben dakpanswijze dekkendof
klepswijze aaneensluitend, met stervormige haren. Bloembladen
(Uitblekend of 3—5, met lange haren of inet eene schub. Meel-
draden in de bloem geheel of bijna geheel ingesloten. Splitvrucht
inet 1—3 noo\'jes. Zaden met een zaadrok.
20. Spaxixsiiea. Kelk bijna kogelvormig, 4—5-tandig, klcps-
wijze aaneensluitend in den knop. Bloembladen ontbrekend. Meel-
draden 8. Vrucht vleezig, 2-lobbig, dwars doorscheurend. Zaden
met een zaadrok.
27.   PoMKTlA. Kelk napvoiinig, 4—5-spletig Bloembladen 4—5,
zonder schubben. Meeldraden 4—8, ver boven de bloem uitstekend.
Vrucht met 1 of 2 min of meer vleezige nootjes. Zaden rnet een
zaadrok. Onderste blaadjes steunbladvormig.
e. Vrucht onbekend.
28.   EdPBORIANTHDS. Kelk eerst kegel-, dan klokvormig; kelk-
slippen dakpanswijze dekkend in den knop, met enkelvoudige
haren. Bloembladen elk met eene tweespletige, van buiten lang-
harige schub.
29.   LEPIDEREHA. Kelkbladen 5, dakpanswijze dekkend in den
knop, bloembladachtig. Bloembladen van binnen eenigszins be-
haard, doch zonder schubben.
§§ In elk hokje van den eierstok 2 eitjes.
30.   Hakpuu.ia. Kelkbladen 4—5, dakpanswijze dekkend in den
knop. Bloembladen zonder klieren of schubben. Schijf onduidelijk.
Hokveib\'<-kende, 2-kleppige doosvrucht.
-ocr page 317-
257
XXXIX. SAPINDACEAK.
Ondei-familie It. Acerineae. Bloomen regelmatig. Kelk- en bloem-
bladen, zoo zij aanwezig zijn, in gelijk aantal. Schijf ringvormig of
ontbrekend. Meeldraden binnen of buiten de schijf, als deze aanwezig
is, ingeplant. Eierstok hokjes met 1—\'2 eitjes. Splitvrucht met i—\'2
nootjes. Zaden zonder zaadrok, zonder kiemwit. Bladeren altijd tegen-
overgesteld, enkelvoudig of 3—5-bladig gevind.
31.  Acer. Bloembladen ontbrekend of 4—5. Schijf ringvormig.
Splitvrucht met gevleugelde nootjes. Bladeren enkelvoudig.
Onderfamilie l>o<lon<-;i<\' Bloemen éénslachtig, regelmatig. Kelk-
en bloembladen, zoo ze aanwezig zijn, in gelijk aantal. Schijf ont-
brekend of volkomen, ring- of napvormig, Meeldraden aan de basis
van de schijf, buiten deze of in de inhammen er van, ingeplant. In
elk hokje van den eierstok 1—\'2 eitjes. Vrucht verschillend. Zaden
zonder kiemwit. Bladeren verschillend, afwisselend of zelden min of
meer tegenovergesteld.
32.   Dodonaea. Bloembladen ontbrekend. Mannelijke bloemen
zonder schijf. Meeldraden 5—8,1-rijig. Doosvrucht schotverbrekend.
Onderfamilie IV. Sla |>li> l«\':i«\' Bloemen tweeslachtig, regelmatig.
Meeldraden aan de basis van de schijf, buiten deze, ingeplant. Zaden met
kiemwit, met of zonder zaadrok ; kiem recht. Bladeren tegenovergesteld.
33.  Turpinia. Eierstok 3-lobbig. Vrucht niet openspringend.
1. OARDIOSPERMUM L.
Bloemen onregelmatig, gemengdslachtig-tweehuizig.
Kelkbladen 4, hol, breed dakpanswijze dekkend in den
knop, de twee buitenste klein. Bloembladen 4, paarswijze
bijeengeplaatst, de twee grootste met eene groote schub,
de 2 kleinste met een kam. Schijf éénzijdig, golvend,
opgezwollen tot 2 klieren, tegenover de onderste bloem-
bladen. Meeldraden 8, excentrisch, met ongelijke, vrije,
of aan de basis vergroeide helmdraden. Eierstok zittend,
of gesteeld door den verlengden bloembodem, 3-hokkig;
stijl kort, 3-spletig; 1 eitje in elk hokje, klimmend van
het midden van de as. Doosvrucht 3-kantig, met kogel-
vormige of opgeblazen, vliezige, geaderde, hokverbrekend
openspringende kleppen. Zaden kogelvormig, vaak met
een zaadrok aan de basis; zaadhuid korstachtig; zaad-
lobben groot, dwars samengevouwen.
Heesterachtige, zeer sterk vertakte, klimmende krui-
den, met dunne, gevoorde takken. Bladeren afwisselend,
zonder steunblaadjes, dubbel drietallig of dubbel samen-
gesteld ; blaadjes grof gekarteld of gezaagd, vaak door-
17
-ocr page 318-
258
XXXIX. SAPINDACEAE.
schijnend gestippeld of gestreept. Bloemen wit of geel,
met geleede bloemsteeltjes, aan okselstandige trossen of
tuilen, wier gemeenschappelijke hloemsteel 2 ranken
draagt.
Aantal soorten 15, rijk vertegenwoordigd in tropisch Amerika;
3 soorten komen voor in de oude wereld, waarvan 2 ook in Ame-
rika worden aangetroffen. In Nederlandsen Indië vindt men ééne
soort, C. Halicacabum L.
i. HEMIGYROSA BI.
Bloemen gemengdslachtig-éénhuizig, onregelmatig. Kelk-
bladen 5, ongelijk, opgericht, hol, de twee buitenste
kleiner, breed, in den knop dakpanswijze dekkend.
Bloembladen 4—5, ongelijk, het vijfde soms ontbrekend,
soms zonder schub, hol, met langharige nagel, waarboven
aan de rugzij de een kam geplaatst is, bestaande uit
eene kapvormige schub. Schijf kussenvormig, éénzijdig.
Meeldraden 8, ongelijk, éénzijdig, met stijfharige helm-
draden ; helmknoppen nauwelijks boven de bloem uitste-
kend. Eierstok excentrisch, driezijdig-tolvormig, 3-hokkig;
stijl kort of lang; stempel driezijdig, stomp; in elk hokje
1 eitje, aan de as vastgehecht. Vrucht niet openspringend,
dik lederachtig, vleezig of houtachtig, driezijdig of bolvor-
mig, fluweel- of viltachtig behaard, 3-hokkig, van binnen
ruigharig. Zaden langwerpig, zonder zaadrok, met eene
lederachtigo zaadhuid; zaadlobben vleezig, gelijk.
Boomen met zijdeachtig behaarde twijgen. Bladeren
afwisselend, zonder steunblaadjcs, even- of onevengevind,
bleek; blaadjes gesteeld, in 2—3 jukken, tegenoverge-
steld, langwerpig, stomp, gaafrandig, lederachtig, geaderd,
dikwijls met een op een bladknop gelijkend of een priem-
vormig uiteinde aan den top van de bladspil. Trossen
talrijk uit de bladoksels en aan de takken te voorschijn tre-
dend, veelbloemig, grijsharig, aan de basis dikwijls ver-
takt. Bloemen groot, kogelvormig, gesteeld, met schut-
bladen aan de basis der bloemstelen.
x\\antal .suurten 3--4, in tropisch Azië. RADLKOFER brengt dit
geslacht tot Guioa. waarvan het volgens hem eene sectie moet
vormen, die 5 Nederlandsch Indische soorten bevat.
-ocr page 319-
XXXIX. SAPINDACEAE.                               259
:S. DITTELASMA, llook.f.
Bloemen gemengdslachtig-eenhuizig, onregelmatig. Kelk
5-deelig, met afgeronde, nagenoeg 2-rijig dakpanswijze
dekkende slippen, de buitenste het kleinst. Bloembladen
4, de plaats van een vijfde openblijvende, zijdeachtig-
langharig, met de langharige randen aan elkander han-
gend, van binnen met eene even breede schub, welke
aan den top een langharigen kaïn draagt. Schijf halfmaan-
vormig, kantig, onbehaard. Mecldraden om den eierstok
geplaatst, van ongelijke grootte, met langharige helm-
draden ; helmknoppen klein, een weinig boven de bloem
uitstekend. Eierstok kogelvormig-3-lobbig, 8-hokkig, in een
driezijdigen stijl versmald, welks kanten aan den top
stempelkliertjes dragen ; in elk hokje 1 eitje, in het midden
van de as bevestigd. Vrucht met 3 nootjes, waarvan 2,
die meestal mislukken en klein en plat blijven, tegen de
derde, grootere, zijn aangedrukt, (zelden in 2—3 gelijke
nootjes uiteenvallend); nootjes kogelvormig, min of
meer vleezig, glad, onbehaard, 1-zadig. Zaad kogelvormig,
zonder zaadrok, met cene dikke, beonachtige zaadhuid;
kiem gekromd; zaadlobben groot, gekromd, ongelijk, met
een kort kiem worteltje, dat naar het vlak der zaadlobben
is gebogen (opliggend).
Hooge boom; takken ongewapend, aan den top met roest-
kleurige, viltachtige haren bedekt. Bladeren afwisselend,
zonder steunblaadjes, even- of onevengevind, met veeljuk-
kige, nagenoeg tegenoverstaande of afwisselende, sikkel-lan-
cetvormige, aan den top versmalde, onbehaarde blaadjes.
Bloemen wit, in eindelingsche, groote, vertakte, veel-
bloemige pluimen. Vruchten zoo groot als eene kers, zeep
bevattend.
Eéne soort, in den Maleischeu Archipel en Zuid China voorkomende,
D. Rarak Kook. f. Door andere auteurs, o. a. door Miqi\'ki., werd
deze soort tot het geslacht Sapindus gebracht, (S. Rarak D C).
Ook door Kadlkofer wordt zij weder hiermede vereenigd.
4. ERIOGrLOSSUM BI.
Bloemen onregelmatig, gemengdslachtig-tweehuizig.
Kelkbladen 5, ongelijk, cirkelvormig, hol, de twee bui-
tenste het kleinst, breed 2-njig dakpanswjjze dekkend
-ocr page 320-
260
XXXIX. SAPINDACEAE.
in den knop. Bloembladen 4, de plaats van een vijfde
openblijvende, ongelijk, genageld, boven den nagel met
eene schub, welke aan de rugzijde een kamvormig aan-
hangsel draagt. Schijf éénzijdig, gelobd. Meeldraden 8,
excentrisch, met ongelijke, harige helmdraden; helm-
knoppen weinig boven de bloem uitstekende. Eierstok ge-
steeld, omgekeerd eirond of hartvormig, 3-lobbig, 3-hokkig;
stijl dun; stempel onduidelijk 3-lobbig; in elk hokje 1
eitje, klimmend van de basis van het hokje. Vrucht tot
aan de basis 1—3-lobbig, met uitgespreide, langwerpige
of min of meer cilindrische, stompe, niet openspringende
lobben (nootjes). Zaden langwerpig, zonder zaadrok, met
vliezige zaadhuid; kiem recht; zaadlobben dik.
Boomen met rolronde takken en viltachtige bladeren en
bloeiwijze. Bladeren afwisselend, zonder steunblaadjes,
gevind, met 2—8-jukkige, min of meer tegenovergestelde,
gesteelde, langwerpige, gaafrandige blaadjes; bladsteel
dikwijls voorbij de blaadjes verlengd. Bloemen vrij klein,
in rechtopstaande, eindelingsche pluimen met lange, tros-
vormige takken. Vrucht klein, een weinig behaard.
Aantal soorten 2, waarvan er ééne in Senegambië voorkomt,
terwijl (io andere, E. edule BI., in Britsen en Nederlandsch Indië
en de N. W. kust van Australië ver verspreid voorkomt. RadLKOFBB
meent dat de laatste soort E. rubiginosum BI. moet heeten en
voegt er eene nieuwe soort bij, E. niembranifulium Radlk.
5. SCHMIDELIA L.
Bloemen onregelmatig, gemengdslachtig-tweehuizig.
Kelkbladen 4, paarswijze tegenover elkander geplaatst,
kapvormig, vliezig, zeer breed dakpanswij ze dekkend in
den knop, de 2 buitenste het kleinst. Bloembladen 4,
meestal klein, zelden ontbrekend, soms aan ééne zijde
der bloem aanwezig, onbehaard of van binnen langharig-
gebaard. Schijf éénzijdig, verschillend, gelobd, of tot 4
tegenover de bloembladen geplaatste klieren opgezwollen
of een gaafrandige plaat vormende, zelden weinig ont-
wikkeld. Meeldraden min of meer excentrisch, in de bloem
besloten of er een weinig boven uitstekende. Eierstok
excentrisch, samengedrukt of 2-lobbig, 2-hokkig, zelden
3-lobbig en 3-hokkig; stijl stevig, 2—3-lobbig of 2—3
stijlen met stempels aan den top; in elk hokje één eitje,
-ocr page 321-
261
XXXIX. SAPINDACEAE.
klimmend van de basis van het hokje. Een, zelden twee
hokjes van den eierstok ontwikkelen zich tot eironde of bol-
vormige, droge, lederachtige of vleezige nootjes. Zaden
opgericht, met een kleinen, vleezigen zaadrok; kiem ge-
kromd; zaadlobben dubbel gevouwen.
Heesters of kleine boomen, min of meer opgericht,
zonder ranken, onbehaard of viltachtig. Bladeren afwis-
selend, zonder steunblaadjes, 1—3- (zelden 5-)tallig;
blaadjes meestal groot, gaafrandig of gezaagd, vliezig,
dikwijls gestippeld of gestreept. Bloemen klein, kogel-
vormig, gestoeld, in okselstandige, enkelvoudige of tot
losse pluimen vereenigde trossen.
Aantal soorten 80, grootendeels in tropisch Amerika, verder in
tropisch en Zuid Afrika, in tropisch Azië en Australië. De naam
Schmidelia wordt door Radlkofer veranderd in Allophylus /..
Behalve 4 soorten van Nederlandseh Indië, ook door HlQUEL als
Allophylus vermeld, noemt Raui.kokkr nog een 5-tal soorten,
die bij Miquei. als Schmidelia voorkomen en voegt er, behalve
ééne soort van Borneo, door Hookkh beschreven, nog een 3-tal
nieuwe aan toe. Het geslacht is echter nog in bewerking, zoodat
liet nog blijken zal, of er nog meer soorten toe behooren.
0. OUPANIA /,.
Bloemen regelmatig, gemengdslachtig-tweehuizig. Kelk-
bladen 4—5 (zelden 3 of 6), cirkelvormig, hol, breed
2-rijig dakpanswijze dekkend in den knop. Bloembladen
4—5 of ontbrekend, naakt of langharig of met 1—2
vliezige of lederachtige, onbehaarde of op verschillende
wijzen bekleede schubben, welke soms de meeldraden in
breedte overtreffen. Schijf regelmatig, meestal ringvormig
of opgezwollen, gekarteld, onbehaard of viltachtig be-
haard. Meeldraden 8, zelden 5, 6, 10 of 12, binnen de
schijf centraal ingeplant, meestal met korte, onbehaarde
of langharige helmdraden; helmknoppen meestal ingeslo-
ten, langwerpig. Eierstok eivormig, omgekeerd eivormig
of omgekeerd hartvormig, 2—3-, zelden 4-hokkig; stijl
kort of lang, soms 2—3-spletig; stempel enkelvoudig of
gelobd; één eitje in elk hokje, naast de basis bevestigd.
Doosvrucht omgekeerd eirond, omgekeerd hart- of ei-,
zelden kogelvormig, lederachtig, min of meer vleezig,
korst- of beenachtig, 2—4-lobbig, 2—4-hokkig, 2—4-
kleppig, soms langs de as in drie deelen splijtend; lob-
-ocr page 322-
262
XXXIX. SAPINDACEAE.
ben vergroeid of bijna vrij en wijd uiteenstaand. Zaden
min of meer kogelvormig of langwerpig, min of meer
door den zaadrok bedekt, zelden zonder zaadrok; met
eene leder- of korstachtige zaadhuid; kiem dik, gekromd;
zaadlobben plat-bol; kiemworteltje naar onderen gericht.
Boomen of rechtopstaande, onbehaarde, zachtharige of
viltachtig behaarde heesters. Bladeren afwisselend, zonder
steunblaadjes, oneven- of evengevind, met afwisselende
en tegenovergestelde, meestal gaafrandige blaadjes. Bloe-
men in pluimen of trossen, meestal groen, wit of rood-
aehtig. Hokjes van de doosvrucht van binnen onbehaard,
ruwharig of viltachtig behaard.
Volgons Bentham en Hooker omstreeks 30 soorten, in alle tro-
pische gewesten voorkomende, voornamelijk in Amerika. Volgens
Hadi.kofer bestaat het geslacht Cupania, zooals het door Bentham
en HOOKER opgevat wordt, uit eene vereeniging van geslachten,
welke met Ratonia . Jagera en nog eenige andere door deze auteurs
aangenomen geslachten öf een tribus van de Sapindaceae moet
vormen, welke Cupanieae heeten moet, öf als één groot geslacht
Cupania kan opgevat worden. Kadi.kokek acht de eerste opvatting
de beste en onderscheidt in deze tribus 84 geslachten, waarvan
er 14 in Nederlandsen Indië voorkomen. Deze worden aldus onder-
scheiden :
1. Kelk uil vrijt: kelkbladen gevormd, 2-rijig dakpanswijze
dekkend in den knop, zic/i eerst laat uiteenspreidend.
Knop min of meer kogelvormig.
a. Bloembladen met 2 kamdrarjende schubben.
1.   Gllioa. Vrucht drievleugelig-drielobbig; kern kraakbeenach-
tig. /aden met een zaadrok, welke van een heen en weder ge-
bogen aanhangsel is voorzien: kiem oliehoudend ; binnenste zaad-
lobben S-vormig en bochtig; kiemworteltje lang. Schijf regel-
matig of halfmaanvormig. Blaadjes van onderen met wratten
bezet of aan weerszijden glad.
b. bloembladen zonder schubben of in de plaats van deze met
aanhangsels aan de basis.
2.   Rhysotoechia. Kelkbladen aan de randen bloembladachtig.
Bloembladen met 2 aanhangsels aan den nagel. Schijf regelmatig,
ringvormig, kaal. Helmknoppen onbehaard. Eierstok 2—3-hokkig,
omgekeerd eivormig, aan de basis verdund; stijl kort, ter nau-
wernood even lang als de eierstok. Vrucht lang of kort gesteeld;
binnenwand hier en daar met steencellen, waardoor de vrucht-
kleppen bij het uitdrogen sterk rimpelen. Vleezige zaaddrager,
welke zich ontwikkelt tot een zaadrok, die de basis van het zaad
omgeeft en daarmede afvalt. Takken met merg. Bladeren geel-
groen, alleen van onderen met huidinondjes. Bloemen groot.
-ocr page 323-
263
XXXIX. SAPINDACEAE.
3.   Lepiderema. Kelkbladen bloembladachtig. Bloembladen zonder
schubben of aanhangsels. Schijf regelmatig. Ilelmknoppen aan «Ie
basis min of meer langharig. Eierstok 3-hokkig, ellipsvorniig.
Bladeren aan weerszijden met huidmondjes. Bloemen klein.
e. Bloembladen ontbrekend.
4.   Dictyoneura. Schijf regelmatig. Meeldraden 5, op de kelk-
bladen geplaatst. Vrucht min of meer knods-ellipsvormig, \'2-hok-
kig, met een beenachtigen, viltachtig behaalden binnenwand,
die ten slotte openspringt. Zaadrok kort. Blaadjes fijn netvormig
geaderd.
II. Kelk diep gedeeld; segmenten ei- of lanceivormig, smal dakpans-
wijze dekkend of k/epswijze aaneensluitend, in den knop, spoedig
uiteengespreid. Knop min of meer kegelvormig.
5.   EuphorianthlIS. Bloembladen met twee kaïnd ragende schu Ij-
ben. Schijf regelmatig, gezwollen. Eierstok 3-hokkig. Vrucht
onbekend. (Verwant aan Sarcoplerg.c, waarvan zij o. a. ook ver-
schilt door de blaadjes, welke met kleine gesteelde kliertjes
bezet zijn.)
III. Kelk klein, gelobd-getand, zich vroeg openend.
a. Bloembladen mei 2 kamdragende .schubben.
cc. Vruchtwand gevuld met eene aan zeep verwante stof, die mei
water geschud schuim geeft. Vrucht 3-hokkig.
6.   Sarcopteryx. Vrucht scherpkantig, kaal, met vleez.ige, min
of meer gevleugelde kanten. Zaden door een dunnen zaadrok
bedekt; kiem oliehoudend; binnenste zaadlob S-vormig-bochtig.
Schijf gezwollen ringvormig. Blaadjes gaafrandig, zonder kliertjes.
7.    Jagera Vrucht stompkantig, omgekeerd ei- of min of
meer bolvormig, dicht met borstels bezet. Zaden met een korten,
napvormigen zaadrok, die aan de rugzijde uitgerand of tweelobbig
is; kiem oliehoudend; binnenste, of ook de buitenste zaadlob
S-vormig-bochtig. Schijf gezwollen ringvormig. Blaadjes gezaagd,
met kleine, kort gesteelde kliertjes. Opperhuid slijmhoudend.
8.     Trigonachras. Vrucht stompkantig, knods-peervormig,
groot, met een kort vilt bekleed. Zaden zonder zaadrok. Schijf
van gezwollen ring* tot napvormig overgaande. Blaadjes gaaf-
randig, ongelijkzijdig, sikkelvormig, zonder kliertjes. Opperhuid
slijmhoudend.
(3. Vruchtwand zonder schuim gevende stof.
9.   Toechima. Vrucht 2—3-, (4-)hokkig, van buiten kaal, van
binnen viltachtig met eene vrij dikke binnenwandlaag. Zaden
boven den nagel dwars verbreed, met een korten, valschen, tot
den vruchtwand behoorenden, zaadrok voorzien; kiem zetmeel
bevattend: zaadlobben schuin boven elkander, min of meer op-
gericht; kiemworteltje kort. Schijf regelmatig, ringvormig, kaal.
Blaadjes gaafrandig.
-ocr page 324-
264
XXXIX. SAPINDACEAE.
1). Bloembladen met 2 schubben zonder kommen, zelden (in eeltige
soorten van Mischocarpus) zonder schubben of geheel ontbrekend.
Vrucht door volkomen tnsschemehotten 3-hokkig. Schijf
nagenoeg gaafrandig, ringvormig.
1. Zaadrok zeer kort, napvormig, aan de rugzijde uitgerand.
10.  Elattostachys. Vruchtwand bijna geheel houtachtig. Buiten-
laag houtachtig, «lik en met steencellen; binnenlaag niet tal-
rijke, dicht opeengedrongen steencellen en daardoor kurk-hout-
achtig. Vrucht 3-bokkig, driezijdig-bolvormig, ongesteeld. Kiem
oliehoudend; binnenste /andlob S-vormig-boclitig, door de bui-
tenste, naar binnen gekromde, omvat: kiemworteltje niet /eer
groot. Bloemen kort of lang gesteeld, in aren of enkelvoudige
of weinig vertakte, op katjes gelijkende trossen.
2.    Zaadrok het zaad geheel of bijna geheel bedekkend, aan de
basis zonder aanhangsel.
11.    Arytera. Vruchtwand van buiten vleezig. van binnen
met steencellen. Vrucht 2—3-hokkig, meestal gelobd, met uit-
gespreide lobben, zelden omgekeerd hart-, of omgekeerd eivormig,
kort gesteeld, soms (evenals ook de overige deelen en vooral de
jongere) met schubben bedekt. Zaadlobbeu boven elkander, meestal
hars bevattend.
3.   Zaadrok aan de basis met een spoorvormig aanhangsel.
12.    Mischocarpus. Vruchtwand van buiten vliezig, van bin-
nen uit steencellen bestaande (de steencollen verdwijnen vaak
nabij de inplanting der tusschenschotten). Vrucht 3-hokkig, 3-
zijdig, peeivormig, lang gesteeld. Zaadlobbeu boven elkander,
zetmeel bevattend.
c. Bloembladen door ééne groote, schild-trechtervormige
sclmb verbonden.
13.    Lepidopetalum. Vrucht uit een tweebokkigen eierstok
ontstaande, zijdelings samengedrukt, omgekeerd eivormig.
Vruchtwand glad, korstachtig, met eene aan zeep verwante stof
gevuld. Zaadrok aan de basis van het zaad geplaatst, vleezig;
zaadhuid slijmboudend. Bladeren evengevind.
14.   Paranephelium. Vrucht uit een driehokkigen eierstok ont-
staande, driezijdig-bolvormig. Vruchtwand geknobbeld-gestekeld,
houtachtig. Zaadrok dun. Bladeren onevengevind.
7. RHYSOTOECHIA Radlk.
Bloemen gemengdslachtig. Keldbladen 5, bloemblad-
aehtig, nagenoeg kaal, breed dakpanswijze dekkend in
den knop, de twee buitenste het kortst, eivormig, de
binnenste omgekeerd eirond of langwerpig. Bloembladen
(slechts bij de Australische soort bekend) 5, min of
-ocr page 325-
265
XXXIX. SAPINDACEAE.
meer cirkelvormig, kort genageld, met twee aanhangsels
boven den nagel. Schijf regelmatig, onbehaard. Meeldra-
den 8, aan de basis een weinig behaard; helmknoppen
langwerpig, ter nauwernood boven de bloemen uitstekende.
Doosvrucht (bij de Indische soorten bekend) lederachtig,
driezijdig, onder de inplanting der zaden tot een drie-
kantigen steel verdund, driehokkig, hokverdeelend drie-
kleppig; kleppen eindelijk ineengekreukt teruggeslagen;
binnenwandlaag der vrucht bordpapierachtig, dicht met
klieren bezet. Zaden met een zaadrok.
Onbehaarde heesters, met evengevinde, 2—4-jukkige
bladeren en elliptische, aan top en basis toegespitste,
gaafrandige, netvormig-geaderde, van boven glanzende
blaadjes, welke met kort gesteelde, in het bladmoes
weggedoken klieren zijn bezet. Bloemspies met weinige,
groote, lang gesteelde bloemen. Vrucht scharlakenrood.
Zaden zwart, zeer glanzend, met rooden zaadrok.
Aantal beschreven soorten 3, 1 in Australië en 2 in Neder-
landsch Indiö. Do laatste zijn Ii. ramiflora Radlk. van Celebes en
U. grancliflora Radlk. van Borneo; het aantal der soorten, door
Radlkofes opgegeven in Durand\'s Index Generum bedraagt
evenwel 6.
8. RATONIA DC.
Bloemen gemengdslachtig-tweehuizig, regelmatig. Kelk
klein, napvormig, kort 4—5-lobbig; lobben in den knop
smal dakpanswijze dekkend of nagenoeg klepswijze aan-
eensluitend of open. Bloembladen ontbrekend of 4—5,
met schubben van binnen, meestal kort, omgekeerd ei-
rond- of spatelvormig, langharig. Schijf volkomen ring-
vormig of gezwollen. Meeldraden 7—10, binnen de schijf
ingeplant, centraal geplaatst; helmdraden draadvormig,
meestal langharig; helmknoppen kort langwerpig, ver
buiten de bloem uitstekende. Eierstok min of meer ge-
steeld, 2—3-zijdig, 1—3-hokkig; stijl eindelingsch; stern-
pel 2—3-tandig; in elk hokje 1 eitje, in het midden van
de as ingeplant. Doosvrucht lederachtig, 1—3-lobbig,
zittend of gesteeld, met kogelvormige, zijdelings samen-
gedrukte , langwerpige of schuitvormige, 2-kleppige lob-
ben. Zaden met een zaadrok; zaadhuid korstachtig; zaad-
lobben dik, vaak gekromd.
-ocr page 326-
266                               XXXIX. SAPINDACEAE.
Boomen, meestal hoog. Bladeren afwisselend, zonder
steunblaadjes, evengovind; blaadjes afwisselend of dikwijls
tegenovergesteld, gaafrandig of zelden gezaagd. Bloemen
klein en gesteeld, aan pluimvormige, meestal lange, dunne,
veelbloemige trossen.
Aantal soorten, volgens BENTHAM en IIoükkr, omstreeks 45, in
de tropische gewesten van Australië, Azië en Amerika; ook op
Mauritius. Radlkofer laat liet geslacht Batonia vervallen en brengt
de Nederlandsen Indische soorten deels tot Arytera BI., nl. A.
littoralis III.
en .1. angustifolin Radlk., deels tot Mischocarpus III.,
nl. .1/. Sundaicus Hl., deels tot Lepidopetalum lil., nl. L. monta-
num Bmllk.
en A. Perrottetii BI. Door MlQUEL waren de beide
eerstgenoemde soorten tot liet geslacht Arytera BI., de middelste
tut Cupania L., de beide laatste tot Lepidopetalum lil. gerekend.
\'J. CUBILIA BI.
Bloemen regelmatig. Kelkbladen 5. Bloembladen 5.
Schijf volkomen, 5-lobbig. Mccldraden 5, om den eierstok
geplaatst; helmdraden breed, omgebogen. Eierstok centraal,
zittend, 2—3-lobbig, 2—3-hokkig; stijlen 2—3, kort,
met enkelvoudige stempels. Nootjes 1—3, ellipsoidisch,
met dikke schil door wratjes of haren bedekt, in 2 deelen
opensplijtend, 1-zadig. Zaden vastgehecht aan de basis van
den vruchtwand, binnen een onvolkomen zaadrok besloten.
Boomen. Bladeren even- of onevengevind, met tegenover-
staande of afwisselende, gaafrandige, onbehaarde blaadjes.
Bloemen eindstandig, in tot pluimen vereenigde trossen.
Aantal soorten, volgens BENTHAM en Hookkr 2, waarvan 1 op
Amboina en 1 op de Philippijnsche eilanden. Volgens Iïaulkoker.
is de eerste, C. Rumphii BI., waarschijnlijk niets anders dan
de eenige soort van Litchi, {L. Chinensis Sonn.).
10. PAEANEPHBLIUM Mi<j.
Bloemen gemengdslachtig. Kelk napvormig, 5-deelig,
in den knop klepswijze aaneensluitend, doch aan den top
smal dakpanswijze dekkend, van buiten viltachtig behaard.
Bloembladen 5, kort, schubvormig, door eene grootere
schub bedekt. Schijf gekarteld, in het midden der bloem
een weinig ruwharig. Meeldraden 10, met korte helm-
draden ; helmknoppen eivormig, spits; stijlen 3, (vergroeid).
Doosvrucht houtachtig, 3-kleppig, 1-zadig; kleppen dik,
-ocr page 327-
XXXIX. SAPINDACEAE.                           267
met dikke stekels van buiten, ter grootte van eene
okkernoot. Zaad door een dun vlies (zaadrok) omgeven;
zaadhuid min of meer lederaehtig; zaadlobben dik,
samongevouwen.
Bladeren onevengevind, 3—2-jukkig; gemecnschappe-
lijke bladspil even als de bladsteeltjcs van onderen ge-
zwollen; blaadjes min of meer tegenovergesteld, laneet-
\\ormig-langwerpig, van boven meer, van onderen minder
glanzend, op de nerven en bladspillen een weinig be-
haard, doch spoedig kaal wordend. Bloemen gcsteeld, in
vertakte, okselstandige of boven den oksel geplaatste,
dicht viltachtig behaarde pluimen.
Volgens Bentham en Hookkr ééne soort, op Sumatra voorkomende.
Behalve «loze, J\'. xestophyUum Uiq., door Miquel later Mildea
(M. xestophylla Miq.) genoemd, wordt ilooi\' Radlkofer nog eene
tweede soort van Sumatra genoemd, 1\'. gibbosum Teysm. el liinncnd.
11. TOECH3MA Uudlh.
Bloemen gemengdslachtig. Kelk kort napvormig, 5-
tandig, met dcltavormige tanden, welke of alleen aan do
basis zeer smal of nagenoeg niet dakpanswijze dekkend
zijn. Bloembladen 5, meer dan tweemaal langer dan de
kelk, breed omgekeerd eivormig, in den nagel versmald,
aan de binnenzijde boven den nagel eene schub dragend;
schubben vooral aan de buitenzijde langharig-viltig, diep
tweespletig; slippen aan den top naar binnen gebogen
aan den binnenrand verdikt en van boven met een vlee-
zigen, aan den top paarlsnoervormigen, rugstandigen kam
voorzien. Schijf regelmatig, ringvormig. Meeldraden 8,
langharig; helmknoppen eivormig, ver buiten de bloem
uitstekend. Doosvrucht dik, vleezig-steenvruchtachtig, schot-
verdeelend. Zaden opgericht, ellipsvormig, aan de buik-
zijde met een korten, tweelobbigen tot den vruchtwand
behoorenden zaadrok (of liever eene laag van den vrucht-
wand, welke er uitziet als een zaadrok, verlengt zich in
het tusschenschot en valt met het zaad af); zaadhuid
broos; kiem gekromd, vaak schuin; kiemworteltje kort,
opliggend, in eene basilaire plooi der zaadhuid gevat;
zaadlobben vrij dik, schuin opstijgend, een weinig boven
elkander liggend, zetmeel bevattend.
-ocr page 328-
268
XXXIX. SAPINDACEAE.
Boomen met afwisselende, evengevindc bladeren en
gaafrandigc blaadjes.
Aantal soorten i, waarvan ééne, T. sulilcrcs Iiiirfll;., in Nieuw
Guinea, <le overige in Australië.
12. ATALAYA lil.
Bloemen gemengdslachtig-twechuizig, regelmatig. Kelk-
bladen 5, in 2 rijen, vrij hol, lederachtig, breed dakpans-
wijze dekkend in den knop. Bloembladen 5, gelijk, onder
de schijf\' ingeplant, genageld, met een schubje of een
haarbosje boven den nagel. Schijf ringvormig, volkomen.
Meeldraden 8, centraal, opgericht, binnen de bloem be-
sloten, met gelijke helmdraden. Eierstok zittend, min of
meer bolvormig, ;$-hokkig; stijl kort, 3-zijdig, met stem-
peldrngende kanten; eitjes één in elk hokje, klimmend
van de basis der as. Vleugelvrachten 3, met lange vleu-
gels, van de centrale as loslatend, lederachtig, 1-zadig,
niet openspringend, van binnen behaard. Zaden eivormig,
klimmend, zonder zaadrok; zaadhuid lederachtig; zaad-
lobben dik, ongelijk, plat-bol; kiemworteltje kort, naar
onder gericht.
Boomen of heesters, geheel onbehaard, met rolronde
of kantige takken. Bladeren afwisselend, zonder steun-
blaadjes, 1—3-tallig of gevind, soms met bladachtige
bladsteel en bladspil; blaadjes gaafrandig, dikwijls lijn-
vormig, lederachtig, netvormig geaderd. Bloemen wit, in
eindelingsche en okselstandige, vertakte pluimen. Vleugel-
vruchten als van Acer.
Aantal soorten 0, grootendeels in tropisch Australië; op het
eiland Tirnor ééne soort, A. mlicifolia BI.
13. SAROOPTERYX Radlk.
Bloemen gemengdslachtig. Kelk klein, 5-lobbig; lobben
eivormig en driekantig, min of meer klepswijze aaneen-
sluitend in den knop. Bloembladen 5, van binnen met
eene schub bezet; schub vooral aan den buitenkant en
den rand dicht behaard, diep tweespletig; slippen der
schub boven aan don rand ieder met een rugstandigen
kam. Schijf regelmatig, in den vorm van een gezwollen
ring. Meeldraden 8, langharig; helmknoppen eivormig,
-ocr page 329-
XXXIX. SAPINDACEAE.                               269
ver boven de bloem uitstekend. Doosvrucht steenvrucht-
achtig, in drogen toestand lederachtig, van onderen drie-
zijdig, van boven min of meer drielobbig; lobben aan
den top alleen tweekleppig, aan de rugzij de tot vleezige
vleugels verlengd; de binnenlaag van den vruchtwand
dringt in de vleugels niet door en de middenlaag bevat
talrijke grooto cellen, die met eene zeepachtige stof ge-
vuld zijn. Zaden opgericht, geheel en al door een uiterst
dunnen zaadrok omgeven; kiem gekromd; kiemworteltje
opliggend, zeer kort, in eene basilaire plooi der zaad-
huid gevat; zaadlobben dwars dubbel gevouwen en met
olie gevuld.
Bladeren evengevind, driejukkig.
Brie soorten, ééne in Australië, do beide andere, .S\'. xqnnmnsn
limllk.
en S. mekmophloea IiaiUk., in Nederlandsen Indië, de eerste
van de Molnkscho eilanden, de tweede van Nieuw Guinea.
14. ANOMOSANTHES BI.
Bloemen gemengdslachtig-tweehuizig. Kelkbladen 5,
ongelijk, afgerond, zeer hol, lederachtig, breed dakpans-
wijze dekkend in den knop. Bloembladen 5, gelijk, cir-
kelvormig, onbehaard, met eene kleine schub aan de
basis. Schijf dik, ringvormig, onbehaard, aan eene zijde
dunner of uitgerand. Meeldraden 8, regelmatig om den
eierstok geplaatst, met nagenoeg gelijke, langharige
helmdraden; helmknoppen langwerpig, onbehaard, in de
bloem besloten. Eierstok ruwharig of langharig, 3-zijdig,
3-hokkig, in een korten stijl versmald; stempel bijna zit-
tend, gaafrandig of 3-lobbig; één eitje in elk hokje.
Vrucht 3-zijdig, 3-lobbig, langharig, dik lederachtig,
3-hokkig, niet openbarstend. Zaden bevestigd aan de as
van het hokje, zonder zaadrok, samengedrukt, langwer-
pig; zaadlobben nagenoeg gelijk, boven elkander geplaatst.
Hooge boomen, onbehaard of zachtharig-viltachtig.
Bladeren afwisselend, zonder steunblaadjes, onevengevind;
blaadjes nagenoeg tegenovergesteld of afwisselend, gesteeld,
langwerpig, gaafrandig, lederachtig; bladsteel aan den
top verlengd. Bloemen groot of klein, kogelvormig, zijde-
achtig of zachtharig, in de oksels of aan de takken tot
lange, gesteelde trossen met 3—5 bloemen vereenigd;
bloemsteeltjes met schutblaadjes aan de basis.
-ocr page 330-
270
XXXIX. SAPINDACEAE.
Aantal soorten, volgens Benthah en Hooker, l, in Britsen on
Nederlandsen [ndië. Radlkofkb rekent de soorten van Anomoêttn-
llu\'s Hl. tot het geslacht Lepisanthes 111., doch noemt ze niet
onder de Saphulaceite van Nederlandsen Indie.
15. SCORODODENDRON lil.
Bloemen gemengdslachtig-tweehuizig, regelmatig. Kelk-
bladen 5, in 2 rijen, dakpanswijze dekkend in den knop.
Bloembladen 5, gelijk, boven den nagel met een dub-
belen, 2-lobbigen, in opgekrulde slippen verscheurden kam.
Schijf ringvormig, onbehaard, regelmatig. Meeldraden 10,
centraal, met zachtharige, min of meer gelijke helmdra-
den ; helmknoppen binnen de bloem besloten. Eierstok
centraal, zittend, 2-liokkig; stijl eindelingsch, enkelvou-
dig; stempel onduidelijk 2-tandig; 1 eitje in elk hokje,
aan de as bevestigd. Vrucht eivormig, droog, met den
spitsen, blijvenden stijl op den top, niet openspringend,
2-hokkig. Zaden met een vleezigen zaadrok; zaadhuid
vliezig; kiem gekromd; zaadlobben dik, ongelijk.
Kleine, naar uien riekende boom. Bladoren afwisselend,
zonder steunblaadjes, onevengevind; blaadjes tegenover-
gesteld, gaafrandig, onbehaard. Bloemen wit, in bundels
aan okselstandige en eindelingsche, min of meer samen-
gestelde en wijd uitgespreide of neerhangende trossen.
Eéne soort, op Tünor voorkomende, i\'. pallen» lil., welke door
Raolkofeb tot Lepisanthes gebracht is. (/,. pollens limllk.)
10. LEPISANTHES Hl.
Bloemen regelmatig, gemengdslachtig-tweehuizig. Kelk-
bladen 4—5, 2-rijig dakpanswijze dekkend in den knop.
Bloembladen 4—5, met eene kapvormige schub boven
den nagel. Schijf ringvormig, regelmatig. Meeldraden 8,
centraal, opgericht; helmdraden gelijk, vrij. Eierstok
centraal, zittend, 3-hokkig; stijl eindelingsch, met stom-
pen stempel; 1 eitje in elk hokje, in het midden van
den binnenhoek vastgehecht. Steenvrucht met 3-hokkige
kern en 1 zaad in elk hokje. Zaden opgericht; zaadlob-
ben zeer dik, ongelijk.
Boomen en heesters. Bladeren afwisselend, zonder
steunblaadjes, even- of onevengevind; blaadjes gaafrandig,
-ocr page 331-
271
XXXIX. SAPINDACEAE.
nagenoeg tegenovergesteld. Bloemen in okselstandige en
eindelingsche, aarvormige trossen.
Aantal soorten, volgens BENTHAM en HOOKER, 3, in den Malei-
schen Archipel tehuisbehoorend. Volgens MlQUEL waren deze L.
montana BI., L. heterolepis III.
on L. amgustifolia BI. Radlkofer
voegt daar bij: L. frutescens BI., L. confinis lil. en L. sessilifolia
BI.,
door Miquei. alle als synoniemen van L. montana beschouwd,
en vervolgens L. pollens BI., bij MlQUEL en Bentham en Hookf.r
als Scorododendron (.S\'. pullens BI.) voorkomende, en eindelijk eene
nieuwe soort, L. hirtillus Badlk.
17. JAGERA BI.
Bloemen regelmatig. Kelkbladen 3—5, in 2 rijen
dakpanswijze dekkend in den knop. Bloembladen 3—5,
met een aanhangsel aan weerskanten boven den nagel.
Schijf volkomen, ringvormig. Meeldradcn 8, centraal, vrij,
min of meer langharig; helmknoppen zachtharig. Eierstok
zittend, tolvormig, 3-, zelden 4-zijdig, 8—4-hokkig; stijl
kort, dik; stempel stomp, met 3—4 voren; 1 eitje in
elk hokje, klimmend van de as boven de basis. Vrucht
besvormig, ruwharig, 3—4-hokkig, van binnen onderin
als met werk bekleed; 1 zaad in elk hokje. Zaden zon-
der zaadrok; zaadhuid lederachtig; kiem gekromd.
Boomen. Bladeren afwisselend, zonder steunblaadjes,
gesteeld, onevengevind, met tegenovergestelde en afwis-
selende, gezaagde blaadjes. Bloemen klein, in bundels
langs aarvormige, vertakte, okselstandige en min of meer
eindelingsche trossen.
Aantal soorten 3 of 4V in tropisch Azië, Nieuw Guinea en
Madagascar. Volgens RADLKOFER komt in Nederlandsen Indië slechts
ééne soort voor, nl. J. serrata Batllk. = ./. speciosa, BI. De dooi\'
HaSSEARL beschreven /. glabra is waarschijnlijk eene soort van
Elattostachys (E. vermcosa Radlk.) en zou dus volgens de rang-
schikking van Bentham en Hooker tot het geslacht Cupania
moeten gebracht woiiien. Zie verder over Jagera bij Cupania,
18. TRISTIRA Radlk.
Kelkbladen 5, eivormig, lederachtig, blijvend, weinig
behaard, de twee buitenste iets kleiner dan de overige.
Bloembladen onbekend. Schijf regelmatig, gezwollen, vlie-
zig. Meeldraden onbekend. Vrucht niet openspringend, ellip-
soid- of kogelvormig, driezijdig, 3-hokkig, aan de zijden licht
-ocr page 332-
272
XXXIX. SAPINDACEAE.
gevoord, aan de kanton gekield-gevleugeld; vleugels naar
boven verbreed en in de basis van den stijl voortgezet;
met talrijke vezelige, scheef opstijgende nerven; vrucht-
wand dik, houtachtig, van buiten alleen aan top en basis
met korte, aangedrukte haren bezet, v.an binnen wolachtig
behaard. Zaden één in elk hokje, van den vorm der
hokjes, driekant-ellipsvormig, zonder zaadrok, aan de
basis der bokjes vastgehecht, opgericht, met eene dunne,
zwartgele, broze zaadhuid; kiem weinig gekromd; zaad-
lobben vleezig, evenwijdig aan den rug der hokjes, ge-
vuld met zetmeel en olie; kiemworteltje kort, rolrond,
tusschen de zaadlobben verborgen.
Heesters (of boomen) met onbehaarde, evengevinde,
3—7-jukkige bladeren; bladstelen van boven plat, van
onderen gekield en naast de kiel aan weerszijden gevoord;
blaadjes gesteeld, gaafrandig, lederachtig. Bloemen mid-
delmatig, in weinigbloemige, eindelingsche pluimen.
Aantal soorten 2; do ecno komt voor in de Philippijnsche eilan-
ilcn, do andere, T. harpullioides Hatllk., weid in de Molukken door
UiiccAiti gevonden.
19. SCHLEICHBRA Willd.
Bloemen gemengdslachtig-tweehuizig. Kelk klein, 4—6-
spletig, in den knop klepswijze aaneensluitend of ondui-
delijk dakpanswijze dekkend. Bloembladen ontbrekend.
Schijf volkomen, met golvenden rand, onbehaard. Meel-
draden 6—8, zelden 4—5, centraal, met lange, kort-
harige meeldraden; helmknoppen min of meer rond. Eier-
stok eivormig, in een stijven stijl versmald; stempel
knopvormig, met 3—4 omgerolde stempels; 1 eitje in
elk hokje, opgericht. Vrucht droog, min of meer korst-
achtig, eivormig, 1—3-hokkig, met eene spits aan den
top, gevormd door den blij venden stijl. Zaden opgericht,
besloten in den sappigen zaadrok, tolvormig, zijdelings
samengedrukt, met dunne, zwarte, korstachtige zaadhuid;
kiem dubbelgevouwen, met ongelijke, vergroeide zaad-
lobben.
Boomen. Bladeren afwisselend, zonder steunblaadjes,
evon- of onevengevind, met nagenoeg tegenoverstaande,
weinigjukkige blaadjes, die gaafrandig of golvend, on-
-ocr page 333-
XXXIX. SAPINDACEAE.                              273
behaard en netvormig geaderd zijn. Bloemen klein, dun
gesteeld, in bundels aan dunne, enkelvoudige of pluim-
vormige trossen. Vrucht soms (in ziekelijken toestand?)
met doorns gewapend.
Aantal soorten \'2, waarvan tle eene op de Philippijnsche eilanden
voorkomt, terwijl de andere, Schl. trijuga W., in tropisch Azië
algemeen is.
20. SAPINDTJS L.
Bloemen gemengdslachtig, regelmatig. Kelkbladen 4—5,
in 2 rijen breed dakpanwijze dekkend in den knop.
Bloembladen 4—5, naakt of van binnen met 1—2 on-
behaarde of langharige schubben boven den nagel. Schijf
volkomen, ringvormig of hoog. Meeldraden 8—10 (zelden
4—7 of meer), centraal, met vrije, meestal behaarde
helmdraden; helmknoppen bewegelijk. Eierstok gaaf of
2—4-lobbig, 2—4-hokkig; stijl eindelingsch; stempel
2—4-lobbig; 1 eitje in elk hokje, klimmende van de
basis in den binnenhoek van het hokje. Vrucht vleezig
of lederachtig, uit 1—2 (zelden 3—4) langwerpige of
kogelvormige, niet openspringende nootjes bestaande. Zaden
meestal kogelvormig, zonder zaadrok, met korstachtige
of vliezige zaadhuid; kiem recht, gekromd; zaadlobben
dik; kiemworteltje kort.
Boomen en heesters, soms min of meer klimmend.
Bladeren afwisselend, zonder steunblaadjes, enkelvoudig,
éénbladig- of evengevind, met gaafrandige, zelden gezaagde
blaadjes. Bloemen in eindelingsche of okselstandige tros-
sen of pluimen.
Volgens Bentham en Hooker omstreeks 40 soorten, meestal in
de tropische, zeldzamer in de subtropische gewesten van de geheele
wereld voorkomende. Radlkoker rekent tot dit geslacht behalve
eene nieuwe soort, door Teysmann op Bali gevonden, alleen S. Barak
D
C, door Bentham en Hooker tot het geslacht Dittelasma ge-
bracht. De Indische soorten, welke door deze schrijvers tot Sapindus
gerekend worden, vormen bij Radlkoker het geslacht Aphania
BI., nl. A. montana BI. en A. cuspidata Badlk., beide reeds aan
Bentham en Hooker bekend, en de nieuwe soort, A.spltaerococca
Badlk.
Door Miquei. werden zoowel S. Barak D 67. als de beide
soorten van Aphania tot Sapindus gerekend.
18
-ocr page 334-
274
XXXIX. SAPINDACEAE.
21. HEBEOOOOUS Radlk.
Bloemen gemengdslachtig. Kclkbladen 5, cirkelrond,
hol, breed dakpanswijze dekkend in den knop. Bloem-
bladen 5, eivormig, boven den nagel voorzien van eene
tweelobbige, ook aan beide zijden aangegroeide, schub,
met langharig-viltachtigen rand. Schijf regelmatig, 5-zijdig.
Meeldraden 8; helmdraden eerst boven het midden terug-
gebogen en aan den top met de helmknoppen weder
opgericht, later eenigszins recht, aan den top met
lange, aan de basis met korte haren dicht bezet; helm-
knoppen langwerpig. Vrucht lederachtig, uit 1—2 (zelden
3) nootjes gevormd; nootjes van omgekeerd eirond tot
kegelvormig, niet openspringend, in drogen toestand
rimpelig. Zaden omgekeerd eivormig, opgericht, zonder
zaadrok, met lederachtige zaadhuid ; kiem gekromd; kiem-
worteltje opliggend, aan de rugzijde van een der zaad-
lobben in eene basilaire plooi der zaadhuid gevat.
Bladeren evengevind. Bloemen in eindelingsche, groote
en zijdelingsche, kleinere pluimen met roestachtig-viltige
vruchten.
Kéne soort, 11. ferrugineus Radlk., op Java gevonden. Hiermede
verwant is Aphanococcus Celebicus Radlk., welke er van afwijkt
door de broze, iets meer met elkander vergroeide, nootjes.
22. OAPURA BI.
Bloemen regelmatig, gemengdslachtig. Kelkbladen 4—5,
hol, breed 2-rijig dakpanswijze dekkend in den
knop. Bloembladen 4—5, dikwijls klein of ontbrekend,
met omgeslagen oortjes aan de basis. Schijf volkomen,
ringvormig, gaafrandig of gekarteld. Meeldraden 6—9,
binnen de schijf ingeplant; helmdraden zeer kort;
helmknoppen kort langwerpig, in de bloem besloten,
onbehaard, zacht- of langharig. Eierstok 3—4-zijdig,
3—4-hokkig, met nagenoeg zittende, straalswijze 3—4-
lobbigen stempel; 1 eitje in elk hokje, boven de basis
vastgehecht. Vrucht gaafrandig of diep 1—4-lobbig,
2—3-hokkig, niet openspringend, lederachtig of met
schorsachtige omkleeding, met kogelvormige, gladde of
wratachtig gestippelde lobben. Zaden met een zaadrok en
-ocr page 335-
275
XXXIX. SAPINDACEAE.
niet eene papierachtige zaadhuid; zaadlobben dik, ongelijk,
boven elkander geplaatst.
Boomen of heesters. Bladeren afwisselend, zonder
steunblaadjes, even- of onevengevind, \\veinig- of veeljukkig;
blaadjes zittend, tegenovergesteld en afwisselend, gaaf-
randig, dikwijls doorschijnend gestippeld, de onderste klein,
steunbladachtig. Bloemen in pluimen of trossen, oksel-
standig en eindelingsch.
Aantal soorten 8—il, in den Maleischen Archipel en Malakka.
De soorten van dit geslacht hebben bij Haui.kukek weder evenals
hij Miquei. den ouden naam van Blume Otophora. nl. O. apeetabili» lil.,
O. imbricata lil., O. pubcseeiis lil.
De door ïeysmaxn en ltiNNF.NDl.lK
beschreven O. ZolUngeriana moet volgens RadlkOFEB nader onder-
zocht worden. O. ramiflora Iïartlk. is eene nieuwe soort van
Borneo.
23. XEROSPERMUM BI.
Bloemen regelmatig, gemengdslachtig-tweehuizig. Kelk-
bladen 4, onbehaard, de buitenste het kleinst, 2-rijig
dakpanswijze dekkend in den knop. Bloembladen 4, kor-
ter dan de kelkbladen of een weinig langer, spatelvormig,
vliezig en beschubd met langharigen rand. Schijf ring-
vormig, smal, vleezig, onbehaard. Meeldraden 8, binnen
de bloem besloten; helmdraden draadvormig, zacbtharig;
helmknoppen klein, onbehaard. Eierstok zittend, gestekeld,
tweelobbig, tweehokkig; stijl basilair tusschen de eierstok-
lobben, kort en dik, met dikken, onduidelijk 2-lobbigen,
langharigen stempel; één eitje in elk hokje van den
eierstok, aan de basis van de as vastgehecht. Vrucht be-
staande uit 1—2 zittende, uiteenwijkende, ellipsoidvormige,
dik lederachtige, van alle kanten met pyramide-vormige
knobbels bedekte, niet openspringende, van binnen
onbehaarde nootjes. Zaden zittend, ellipsoidvormig, zonder
zaadrok, met eene lederachtige zaadhuid, welke, van bui-
ten vleezig en behaard, het voorkomen heeft van een
zaadrok; kiem gekromd; zaadlobben zeer groot, dik
vleezig, boven elkander geplaatst.
Kleine boom, niet kortharigc twijgen. Bladeren afwis-
selend, zonder steunblaadjes, even- of 3-bladig gevind,
met 1—2-jukkige, kortgesteelde, elliptisch-langwerpige,
aan top en basis spitse, lederachtige, gaafrandige, glan-
zende, aan beide zijden netvormig geaderde blaadjes.
-ocr page 336-
276
XXXIX. SAPINDACEAE.
Bloemen klein, groenachtig, met geleede, aan de basis
met schutblaadjes voorziene bloemsteeltjes, afzonderlijk
of in bundels, aan enkelvoudige, onbehaarde, okselstan-
dige of eindelingsche trossen.
Volgens BENTHAM en Hooker ééne soort, die in den Indischen
Archipel voorkomt, A\'. Noronhianum lil. RaDLKOFEB voegt hierbij
nog 2 andere soorten, A\'. lanceolatum Radlk. en X. acuminatum
Iiadlk.
24. NEPHELIUM L.
Bloemen regelmatig, gemengdslachtig-tweehuizig. Kelk
klein, napvormig, 4—G-spletig; lobben kort, in den knop
klepswijze aaneensluitend of smal dakpanswijze dekkend.
Bloembladen ontbrekend of 4—6. (Bij de beschreven
soorten van Nederlandsch Indië lijn-spatelvormig, met
lange haren en zonder schubben). Schijf ringvormig of
gezwollen, onbehaard of zachtharig. Meeldraden 6—10,
binnen de schijf ingeplant, centraal, ver buiten de bloem
uitstekend, met lange, onbehaarde of langharige helm-
draden; helmknoppen klein. Eierstok kort, 2—3-lobbig,
omgekeerd eirond, omgekeerd hartvormig of 2-lobbig,
meestal met wratten bezet; grootc stijl tusschen de lob-
ben, 2—3-spletig of -deelig, met teruggeslagen slippen.
Vrucht bestaande uit 1—3, kogel- of eivormige, vrije of
min of meer vergroeide, leder- of hoornachtige nootjes,
die van buiten\' glad of meestal met pyramidevormige
doorns of knobbels bezet zijn. Zaden kogel- of eivormig,
in een sappigen, meestal eetbaren zaadrok besloten, met
eene glanzende, lederachtige zaadhuid; zaadlobben dik,
plat-bol.
Boomen met meestal zachtharig-viltachtige twijgen,
bladstelen en bloeiwijze. Bladeren afwisselend, evengevind,
• met weinigjukkige, min of meer tegenovergestelde,
langwerpige, of langwerpig-lancetvormige blaadjes, die
gaafrandig of zelden gezaagd zijn; in ééne soort de
onderste blaadjes steunbladvormig. Bloemen klein, in oksel-
standige en eindelingsche, veelbloemige pluimen.
Volgens BENTHAM en Hooker ongeveer 20 soorten, meestal in
Britsen en Nederlandsch Indië en Australië. Van de door deze auteurs
aangenomen soorten scheidt Uadï.kokkr er twee af, die hij tot de
geslachten Pseudonephelium limllk. en Litchi Sonn. brengt. Voor
-ocr page 337-
XXXIX. 8APINDACEAE.                               277
Nederlaiidseli Indië noonit hij verder behalve een 7-tal van de oudere
auteurs, nog een 7-tal nieuwe soorten van dit geslacht op.
\'25. EUPHORIA Jiuss.
Bloemen regelmatig, gemengdslachtig-tweehuizig, met
groote, klepswjjze aaneensluitenrle of dakpanswjjzc dek-
konde, niet geheel 2-rijigc lobben. Bloembladen ontbre-
kend of 3—5, zonder schubben, langharig of beschubd.
Schijf ringvormig, viltachtig. Meeldraden 6, 8 of 10,
binnen de schijf ingeplant, centraal, in de bloem beslo-
ten, met korte, priemvormige hclmdradon en langwerpige,
groote helmknoppen. Eierstok breed, omgekeerd hartvor-
mig of 2—3-lobbig of 3-zijdig, 2—3-hokkig, meestal met
gestckelde of geknobbelde lobben; stijl tusschen de lobben
opgericht, 2—3-spletig of-deelig, met teruggeslagen lobben;
in elk hokje van den eierstok 1 klimmend eitje. Nootjes
1—3, kogel- of eirond, glad of een weinig geknobbeld,
korstachtig. Zaden bolvormig, door een sappigen zaadrok
omsloten, met eene lederachtige zaadhuid; zaadlobben dik,
plat-bol.
Boomen, met zachtharigc, viltachtige takken. Bladeren
afwisselend, zonder steunblaadjes, onevengevind, met
weinigjukkige, min of meer tegenovergestelde, langwer-
pig-lancetvormige, gaafrandige blaadjes. Bloemen kort-
gesteeld, in okselstandige en eindelingsche, vertakte, veel-
bloemige pluimen. Zaadrok soms eetbaar.
Aantal soorten, volgens BENTHAM en Hooker, omstreeks 10, in
den Maleischen Archipel en Hritsch Indië tehuis hehoorend. IIixmk,
Miquki. en andere schrijvers vereenigden deze soorten alle met die
van Nephelium h. Volgens Raih.koker moet Etqrftoria van Nephe-
lium gescheiden blijven, maar hij rekent daartoe alleen E. Lniiyana
Lam.
en 2 nieuwe soorten, E. elomjata Iladlk. en E. Malaiensis
Radlk.
26. SPANOGHEA BI.
Bloemen regelmatig, gemengdslachtig. Kelk napvormig,
4—5-tandig, klepswijze aaneensluitend in den knop.
Bloembladen ontbrekend. Schijf volkomen. Meeldraden 8,
centraal. Eierstok omgekeerd-hartvormig of 2-lobbig, 2-
hokkig; stijl tusschen de lobben van den eierstok inge-
plant; stempel onduidelijk 2-tandig; 1 eitje in elk hokje,
-ocr page 338-
278
XXXIX. SAPINDACEAE.
klimmend van de basis der as. Vrucht vleezig, omgekeerd
hartvormig-2-lobbig of 1-lobbig met dwars doorscheurende,
eivorinig-kogolvormige lobben. Zaden min of meer bol-
vormig, in een napvormigen, brokkeligen zaadrok half
weggedoken; zaadhuid korstachtig; kiem gekromd.
Boomen. Bladeren evengevind, met getande blaadjes.
Bloemen in trossen.
Aantal soorten \'2, in de Oostelijke eilanden van den Maleischen
Archipel, nl. .S. ferrugined lil. en .S. ijlalnit lil. Hij Kadi.kokkr
heet dit geslacht Alectryon Gaertn., met de soorten A. ferrugineum
Radlk., A. glabrum Radlk..
.1. sphaerococcum Raillk. en A. scr-
ratum liadlk.
27. POMETIA Forst.
Bloemen regelmatig, gemengdslachtig-tweehuizig. Kelk
klein, napvorrnig, 4—5-spletig, met opgerichte, in den
knop klepswijze aaneensluitende, tanden. Bloembladen
4—5, zonder schubben. Schijf volkomen. Meeldraden
4—8, centraal, met lange buiten de bloem uitstekende
helmdraden; helmknoppen klein. Eierstok diep 2—3-lob-
big, 2—3-hokkig; stijl meestal lang, gewrongen, met
stompen stempel; 1 eitje in elk hokje, klimmend van
de basis der as. Vrucht uit 1—2 kogel- of eivormige,
niet openspringende nootjes bestaande, die of met eene
dikke, lederaehtige schil zijn omgeven, of op eene steen-
vrucht gelijken. Zaden door een si ijmachtigen zaadrok
omsloten; kiem dubbel gevouwen.
Hooge, onbehaarde of viltachtig bekleede boomen. Bla-
deren afwisselend, zittend, gevind, lang, met afwisselende,
min of meer zittende, schuin langwerpige, aan de basis
hartvormige, gezaagde blaadjes met sterke nerven; de
onderste kleiner en cirkelvormig, op steunblaadjes gelij-
kende. Bloemen klein, gesteeld, in bundels aan enkel-
voudige of pluimvormige, lange, dunne trossen.
Aantal soorten 5, op Ceylon, in den Maleischen Archipel en op
de eilanden van den Stillen Oceaan. Volgens Kadi.kokkr bevat het
geslacht de Indische soorten P. pinnata Forst., P. tomentom. Teystn.
et Binnend.
on /\'. tusuminata Radlk. liij Miquk.i. komt hot geslacht
voor onder den naam Irina en deze noemt de soorten: /. Diplocar-
dia BI., I. ijlabra BI.
en l. tomentosa BI.
-ocr page 339-
XXXIX. SAPINDACEAE.                                279
28. ETJPHORIANTHUS Radlk.
Bloemen gcmengdslaehtig. Kelk eerst kogclvormig,
vervolgens klokvormig uitgebreid, aan de basis vlak uit-
gespreid, met eivormig-langwerpige, duidelijk dakpans-
wijze dekkende slippen, met enkelvoudige (en niet zooals bij
Euphoria Longana Lam. met stervormige) haren viltachtig
bekleed. Bloembladen 5, van binnen met eene schub;
schub vooral aan de buitenzijde langharig, diep twee-
spletig, met min of meer uitgerande slippen en een naar
binnen gevouwen top, aan de rugzijde al of niet met een
kam voorzien. Schijf in den vorm van een gezwollen ring.
Meeldraden 8, langharig; helmknoppen kort langwerpig ,
ten slotte ver boven de bloem uitstekend. Eierstok (on-
volkomen exemplaar) scherp driekantig, driehokkig, dicht
met geelachtige haren bezet; één eitje in elk hokje.
Boom met afwisselende, onevengevinde bladeren, gehj-
kende op Euphoria Longana Lam.
Kéne soort, op de Molukken on in Nieuw Ciuinea aangetroffen,
door Kadi.koker eerst Euphoriopsis. later Euphorianthtts longifolia
genoemd, waarschijnlijk is dezelfde soort reeds vroeger door
ROTBURGH als eene soort van Sapindus. (S. longifolius Roasb.),
beschreven. Volgens eene latere opgave is het aantal soorten 7.
Daar de vrucht onbekend is, is de plaats van het geslacht nog
zeer onzeker.
20. LEPIDEREMA Radlk.
Bloemen tweehuizig of gemengdslachtig. Kelkbladen 5,
in den knop dakpanswijze dekkend, bloembladachtig, on-
behaard , hol, de beide buitenste het kortst, min of meer
cirkelvormig, de binnenste langwerpig. Bloembladen 5,
omgekeerd eivormig, nagenoeg even groot als de kelk-
bladen, aan de basis van binnen eenigszins behaard, doch
zonder schubben. Schijf regelmatig, onbehaard. Meel-
draden 8; helmknoppen langwerpig, naar binnen open-
springend, boven de basis aan de rugzijde vastgehecht,
aan de binnenzijde evenals de helmdraden min of meer
met lange haren bedekt. Eierstok driehokkig, ellipsvor-
mig, met korte haren los bekleed of nagenoeg onbehaard,
stijl draadvormig, nagenoeg tweemaal langer dan de
eierstok, recht of gekromd, onduidelijk driekantig, spi-
-ocr page 340-
280
XXXIX. SAPINDACEAE.
raalswijze gewrongen aan den top en aldaar met stem-
pclkliertjes langs de kanten; één eitje in elk hokje, boven
de basis vastgehecht.
Heester (?), nagenoeg onbehaard. Bladeren zonder steun-
blaadjes, naar den top afnemend, evengevind, 4—5-juk-
kig; blaadjes min of meer tegenovergesteld, eivormig-
elliptisch, toegespitst, met korte bladsteeltjes, gaafrandig,
onbehaard, bruinachtig, met huidmondjes aan boven- en
onderzijde en zonder slijm in de opperhuid. Bloemen
klein, kort gesteeld, met kleine schutbladen voorzien, in
groot aantal langs de spillen van trossen, die enkelvoudig
of aan de basis een weinig vertakt zijn en meestal, tot
bundels vereenigd, in de bladoksels staan.
Eéne soort, in Nieuw Guinea voorkomende, L. Papuana Iiatltk.
Het exemplaar, dat tot type voor de soort heeft gediend, bevatte
geen vruchten, en in de bloemen waren alleen de vrouwelijke
vooi tplantingswerktuigen volkomen ontwikkeld, daar de halm-
knoppen geen goed stuifmeel voortbrachten, zoodat de plaats en
verwantschap dezer soort nog zeer twijfelachtig zijn.
30. HARPTJLLIA Rnxb.
Bloemen tweehuizig of gemengdslachtig, regelmatig.
Kelkbladen 4—5, opgericht, gelijk. Bloembladen 4—5,
lijnvormig of omgekeerd eivormig, zonder klieren of
schubben, soms genageld. Schijf onduidelijk. Meeldraden
5—8, lang, centraal. Eierstok langwerpig, 2-lobbig, 2-
hokkig; stijl vrij kort of lang en gewrongen; 2 eitjes
in elk hokje, in het midden van de as bevestigd. Zaad-
doos lederachtig, opgeblazen, 2-lobbig, 2-hokkig, hokver-
brekend 2-kleppig, met 1—2 zaden in elk hokje. Zaden
min of meer kogelvormig, met een zaadrok; kiem dik;
zaadlobben half bolvormig; kiemworteltje kort, op de
zaadlobben liggend.
Rechtopstaande boomen. Bladeren afwisselend, zonder
steunblaadjes, onevengevind, met afwisselende, eironde,
toegespitste, onbehaarde blaadjes. Bloemen groen, in
trossen of pluimen, gesteeld, met schutblaadjes aan de
basis der steeltjes. Vrucht groot, rood of oranjekleurig.
Volgens Bentham en Dook eb omstreeks C soorten, in tropisch
Azië, Australië en Madagascar. Volgens Radi.kofer komen er
in Nederlandsch Indië alleen ü soorten voor.
-ocr page 341-
281
XXXIX. SAPINDACEAE.
31. ACER L.
Bloemen meestal gemengdslachtig-twechuizig, regel-
matig. Kelk 4—12-, vaak 5-deelig, afvallend, in den
knop dakpanswijze dekkend. Bloembladen in gelijk aan-
tal als de kelkbladen of ontbrekend. in den knop dak-
panswijze dekkend. Schijf ringvormig, min of meer dik,
gelobd. Meeldraden 4—12, meestal 8, op verschillende
wijzen (buiten of binnen) ten opzichte van de schijf in-
geplant; helmdraden draadvormig. Eierstok 2-lobbig, 2-
hokkig, loodrecht op het tusschenschot samengedrukt;
stijlen 2, tusschen de lobben van den eierstok ingeplant,
draadvormig, met stempelkliertjes aan de binnenzijde; 2
eitjes in elk hokje, met eene breede basis op de as in-
geplant, boven of naast elkander. Vleugelvruchten 2,
wijd uiteenstaand, niet openspringend, 1—2-zadig; vleu-
gels lang, schuin uitgebreid, netvormig geaderd. Zaden
klimmend, samengedrukt; zaadhuid vliezig, met vleezigen
binnenwand; kiem samengevouwen; kiemworteltje lang.
Hooge of lage boomen, met een water-, suiker- of
zelden melkachtig vocht. Bladeren tegenovergesteld, af-
vallend, enkelvoudig, hand- of voetvormig of 3—7-lobbig
of -deelig, zelden gaafrandig. Bloemen in okselstandige
en eindstandige trossen of pluimen, welke grootendeels
mannelijk zijn; de bovenste bloemen der trossen gewoon-
lijk tweeslachtig.
Omstreeks 50 soorten, in Europa. Noordelijk Azië en Amerika,
doch ook op de hooge bergen van Nederlandsch en Britsen Indië.
In MiquI\'X\'s Flora wordt alleen A. taurinum Hassk. genoemd.
(Zie omtrent den samenhang met de overige Sapindaceae de aan-
toekening bij Twpinia.)
32. DODONAEA L.
Bloemen éénslachtig of gemengdslachtig-tweehuizig.
Kelkbladen 2—5, in den knop dakpanswijze dekkend
of klepswijze aaneensluitend. Bloembladen ontbrekend.
Schijf in de mannelijke bloemen rudimentair, in de vrou-
welijke klein. Meeldraden 5—8, centraal, met zeer korte
helmdraden; helmknoppen lijnvormig-langwerpig, stomp
4-zijdig. Eierstok zittend, 3—6-zijdig, 3—6-hokkig; stijl
3—6-zijdig, 3—6-spletig aan den top; 2 eitjes in elk
-ocr page 342-
282
XXXIX. SAPINDACEAE.
hokje, naast of boven elkander, klimmend of het bovenste
hangend. Doosvrucht vliezig of lederaehtig, 2—6-zijdig;
hokjes 1—2-zadig, met stompe, spitse of gevleugelde
kanten, schotverbrekend 2—(3-kleppig, met aan den rug
gevleugelde kleppen, welke dikwijls loslaten van do
sobottendragende as, waarom de zaden in het midden
bevestigd zijn. Zaden lens-, of min of meer kogelvormig,
samengedrukt, zonder zaadrok, soms met uitgeholdcn
navel en verdikten zaadstreng; zaadhuid korst- of leder-
achtig; kiem spiraalswijze opgerold.
Boomen of heesters, meestal kleverig. Bladeren afwis-
sclend, zonder steunblaadjes, enkelvoudig of evengevind.
Bloemen onaanzienlijk, okselstandig of eindelingsch, al-
leenstaand of in trossen, tuilen of pluimen.
Aantal soorten 50, grootendeels in Australië, eenige weinige in
de tropische gewesten van de gehoele wereld verspreid. In Ncrier-
landsch Indië vindt men alleen D. viscosa L., waarvan do in
Miquel\'s Flora voorkomende 1). BurnutnnUma ü C, D. angustifolUt
Binnen
en D. Waitziana Hl. volgens K.uir.KOFKR als variëteiten
beschouwd moeten worden.
33. TURPINIA Vent.
Bloemen regelmatig, tweeslachtig. Kelk 5-spletig, dak-
panswijze dekkend in den knop, blijvend. Bloembladen
5, cirkelvormig, zittend, in den knop dakpanswijze dek-
kend. Schijf hoog, gekarteld of gelobd. Meeldraden 5,
aan de basis van de schijf buiten deze tusschen de lob-
ben ingeplant; helmdraden plat. Eierstok zittend; 3-lob-
big, 3-hokkig; stijlen 3, vergroeid of vrij, met min of
meer knopvormige stempels; eitjes weinig of veel in elk
hokje, in het laatste geval 2-rijig, klimmend, anatroop.
Vrucht min of meer bolvormig, gekroond door de uiteen-
staande overblijfsels der stijlen, niet openspringend, vlee-
zig of lederaehtig, 3-hokkig, met weinig- of veelzadige
hokjes. Zaden hangend of horizontaal, aan de as bevestigd,
kantig, samengedrukt, met korst- of beenachtige zaadhuid,
met grooten navel, met vliezige binnenbuid en vleezig
kiemwit; kiem recht; zaadlobben plat-bol.
Boomen of heesters, onbehaard, met rolronde twijgen.
Bladeren tegenovergesteld, zonder steunblaadjes, oneven-
gevind of zelden enkelvoudig; bladspil aan de aanhech-
-ocr page 343-
XXXIX. SAPINDACEAE.                               283
tingsplaatsen der blaadjes verdund; blaadjes tegenover-
gesteld , fijn gezaagd, lederachtig, soms met kleine
steunblaadjes. Bloemen klein en wit, aan ver uiteenstaande,
eindelingsche en okselstandige pluimen.
Aantal soorten omstreeks 8, in de bergen van liritscli en Neder-
landsch Imliö, Cliina, West Indië en de noordelijke provinciën van
Zuiil Amerika. Hit geslacht werd door ftflQUEL en andere schrijvers
tot eene afzonderlijke familie, die der Staphyleaceae gebracht;
RADLKOFER wil deze groep, door BENTHAM en HoOKER met talrijke
andere, zooals ook de Acerineae in de Sapindaceae sainciigesmoU
ten, weder van de eigenlijke Sapindaceae (BENTHAM en HookER\'s
Sapindeae) afscheiden. In Raki.koker\'s Overzicht der \\eder-
lanrlsch Indische Sapindaceae
komt het geslacht dus niet voor.
Miquel noemt in zijne Flora slechts T. sphaerocarpa Hnssk.
RANGSCHIKKING DER SAPINDACEAE VOLGENS RADLKOFER.
RAOLKOFER acht het noodzakelijk de onderfamilie Sapindeae weder
tot eene afzonderlijke familie te verheffen, zooals vorige schrijvers
gedaan hebben. De Acerineae en Staphyleae zijn dus niet opgenomen
in RadlkOPER\'S Sapindaceae. De omvang; en de karakters der ge-
slachten worden door hem ook belangrijk gewijzigd; daar zijne mono-
graphie echter nog niet voltooid is, kan men zijne rangschikking nog
niet volgen. Wij vinden haar echter aangeduid in DoRANn\'s Index
Genertitn Phaneroi/anwruni
en in Ram.kofkr Ueber die Sapindaceen
Ifoll. Indiens {Acte» du Congres tenu i Amsterdam.
1877).DeNeder-
landsch Indische geslachten en soorten moeten, RADLKOFER volgende,
aldus gerangschikt worden *).
Tribus I. Panlinicae.
1. Cardiospermum L.
Halicacabum L.
*) Met cursieve letters wordt de naam van het geslacht aangege-
ven, waartoe de soort volgens BENTHAM en HOOKER zou moeten be-
hooren , wanneer hierin verschil is met de opvatting van Raiii.kofer.
Volgt daarachter een tweede geslachtsnaam met cursieve letters, dan
is dit die van dezelfde soort bij MlQDEL. De daarachter geplaatste
cursieve letters wijzen dan den auteursnaam aan, zoo de soort reeds
voor hen in dat geslacht geplaatst was. Wanneer de soortsnaam in
dat geval verschillend zou zijn, wordt de/.e ook met cursieve letters
aangeduid. In het geslacht Allophi/his is achter eenige soorten een
vraagteeken en geen auteursnaam geplaatst. Deze werden dooi
-ocr page 344-
284
XXXIX. SAPINDACEAE.
Tribus il. Thoninieae.
2. Allopbtlus L.
Sundanua Mi<i. — Schmidelia.
Timoronsis BI. — Schmidelia D C.
fulvinervis lil. — Schmidelia lil. = Schra. tomentosa Honk. f.
racemosus ? — Schmidelia L.
inutabilis ? — Schmidelia BI.
leptostachyus ? — Schmidelia Hl.
glaber          ? — Schmidelia lio.cb.
leptococcns Rmllk.
Qliger Radlk.
dimorphus Radlk,
toinentosus ? — Schmidelia Honk. f.
Tribas lil. Sapindeae.
8. Atai.aya BI.
salicifolia lil.
4.   Sai\'Inuus /..
Rai ak 1) C. — Dittelasma lltiok. f.
Balicus Radlk.
Tribus IV. Aphanieae.
5.   Kmor.r.ossuM BI.
rubiginosum BI.
mcinbrauifoliiim Bdlk.
6.  Aphania BI.
moiitaiia III. — Sapindus BI.
cuspidata Bttdlk. — Sapiiulus BI.
sphaerococca Rmllk.
longipes Radlk.
7.   Heiikcoccus Radlk.
ferrugineus Radlk.
8.   Aphanococcus Radlk.
Celebicus Radlk.
Tribus V. Iiepisantheae.
9. Lepisantues BI.
montana BI.
heterolepis BI.
Radlkofkr onder AUophylu» opgenoemd, doch voorloopig nog met
den geslachtsnaam Schmidelia vereenigd gelaten, daar hij nog niet
had nagegaan tot welk geslacht zij dienden te behooren. Op dezelfde
wijze zijn eenige twijfelachtige soorten in andere geslachten aange-
duid. Met het teeken = volgen achter eenige soorten in gewone letters
de namen van soorten, welke door RADUCOFBR als synoniemen van
deze beschouwd worden.
-ocr page 345-
285
XXXIX. 8APINDACEAE.
angustifolia Rl.
pallens Radlk. — Scorododend ron Rl.
hirtella Radlk.
10.   Otopiiora BI.
spectabilis BI. — Capura
imbricata BI. — Capura
C. multij\\iga Honk. f.
pubescens BI. — Capura.
alata BI. — Capura.
amoena BI. — Capura.
fruticosa BI. — Capura -
C. Zollingeriana Teyanx. et Rinn.
rainiflora Badlk.
cordigera Radlk.
Tribus VI. Melicocceae.
11.  Tristira Badlk.
harpullioides Radlk.
Tribus vil. Schleichereae.
12.   SCHLEICHERA Willd.
trijuga Willd.
Tribus VIII. Nephelieae.
13.   Elpiioria Comm.
Longana Lam.
elongata Radlk.
Malaiensis Radlk.
14.   Pseudonepiif.mum Radlk.
fumatum Radlk. — Nephelium Rl.
15.   Litciii Sonn.
Ciiincnsis Sonn. — Nephelium Litchi Camh.
= Cubilia Rumphii Rl. (?)
16.  Xerospermum BI.
Noronhianum BI.
lauceolatum Radlk.
acuminatum Radlk.
17.  Nephei.iijm L.
lappaceum L.
chryseum Rl.
mutabile BI.
juglaiulifolium BI.
cuspiilatum BI.
lauriuum BI.
ei\'iopetalum Miq.
reticulatum Badlk.
xantliioides Radlk.
roacrophyllum Radlk.
-ocr page 346-
286                               XXXIX. SAP1NDACEAE.
daedaleiim Badlk.
Beccarianum Radlk,
raultinerve Radlk.
compressum Radlk.
melanomiacum lluillk.
18. Pometia Forst.
pinnata Forst,
tomentosa Teysm. et Rinnend,
acuminata Radlk.
10. Ai.ECTnYON Garrlu.
ferrugineiim Radlk.—Spatim/hm lil.
glabrum Radlk. — Spanogliea BI.
sphaerococcam Badlk.
«erratum Radlk.
Tribus IX. Capanieae.
20.  Güioa Cav.
Sect. 1. Euguioa.
Minjalilen Radlk. — Cupania BI,
diplopetata Radlk. •— Cupania Hasak. = 0. regularis BI.
acutifolia Radlk.
venusta Radlk.
patentinervis liadlk.
Sect. 2. Hemigyrosa.
pleiiroptci\'is liadlk. — Cupania BI.
pubescens liadlk. — Cupania pallidula Ifiern.
=. Arytera Silaka Mii/. = Sapindus pubesoens \'/.all. el Mor,
rigiiliusrula Radlk.
membranifolia Radlk.
pteropoda Radlk.
21.  Riiysotoeciiia Radlk.
ramilloia Radlk.
grandiflora Radlk.
22.   LePIDEREMA Radlk.
Papuana Radlk.
23.   DlCTTONEURA BI.
acuminata BI. — Cupania Miq.
obtusa BI. — Cupania Miq.
24.   Euphoriaxtiius Badlk.
longifolia Badlk. — Euphoi-iopsis Badlk.                                      .
= Sapindus longifolius Bood), (r
25.   Sarcopteryx Badlk.
squainosa Budlk. — Sapindus Roui>.
melanophloea Radlk.
2G. Jagera BI.
serrata Badlk. = .1. speciosa BI.
-ocr page 347-
XXXIX. SAPINDACEAE.                               287
27.   Trigonachras Rarllk.
acuta Radlk. — Cupania Hier».
28.   Toechima Radlk.
subteres Radlk.
29.   El.ATTOSTACHYS Raillk.
Zippeliana Radlk. — Cupania SI.
verrucosa Rmllk. — Cupania Rl. = Jagera glabra Hassk. (?)
duplicato-serrata Raillk.
30.   Arytera Rl.
litoralis Rl. — Ratonia.
angustifolia Radlk.
31.   MlSCHOCARPUS Rl.
Sundaicus Rl. — Raiania. — Cupania Lessertiana Camh.
= C. erythrorachis Mig
Sumatranus Rl. — Ratonia. — Cupania Miq.
fuscescens BI. — Ratonia. — Cupania .l/c/.
32.   LFPIDOPKTAt.UM Rl.
moiitanum Radlk. — Ratonia. — Arytera Rl.
Perrottetii Rl. — Ralonia.
33.   Paranephkmum Miq.
xestophyllum Miq.
gibbosum Teysm. et Binn.
Tribus X. Dodonaeeae
34. Dodonaea L.
viscosa L.
Tribus XI. Doratoxyleae.
35. Ganophvi.lum BI.
falcatum BI. (Bentii. et Hook. sub Rnmeraceia).
Tribus XII. Harpnllieue.
3G. Harpulma Roxb.
rupestris BI.
fruticosa BI.
fraxinifolia BI.
tbanatopboia BI.
imbricata Thwaites.
ramiflora Badlk.
-ocr page 348-
288
XL. SABIACEAE.
Fam. xl. SABIACEAE.
Bentham et IIooker Gen. Plant. I, p. 413. — Miquul, Illustrat.
da la Flore de l\'Arch. Ind.,
p. 71—75.
Bloemen tweeslachtig of gemengdslachtig-tweehuizig.
Kelk 4—5-deelig, in den knop dakpanswijze dekkend.
Bloembladen 4—5, gelijk of ongelijk, met de kelkbladen
afwisselend of daartegenover geplaatst, in den knop dak-
panswijze dekkend. Schijf klein, ringvormig, gelobd, zel-
den hoog. Meeldraden 4—5, aan de basis van de schijf
of op den verlengden bloembodem ingeplant, tegenover
de bloembladen, vrij of met de bloembladen samenhan-
gend, zelden alle gelijk en vruchtbaar, met min of meer
dikke helmdraden; meestal 2 volkomen, tegenover de
kleinste, binnenste bloembladen geplaatst, en 3 zonder
helmknoppen, dikwijls schubvormig, in welk geval de
helmdraden der volkomen meeldraden knodsvormig of
omgekeerd"wigvormig zijn; helmknoppen 2-lobbig, de
hokjes gescheiden door een dik helmbindsel en openende
of door eene dwarsche spleet, of door een afvallend kapje,
met zeer klein, kogelvormig stuifmeel. Eierstok zittend,
2—4-hokkig, samengedrukt of 2—3-lobbig; stijlen los of
nauw verbonden, met stempelkliertjes aan den top of
stip- of min of meer schijfvormige stempels, zittend op
de toppen van de eierstoklobben; eitjes 1 of 2 in elk
hokje, boven of naast elkander, horizontaal of hangend,
met buikstandige zaadnerf en naar onder gekeerd of van
den navel afstaand poortje. Steenvrucht of 1—2 steen-
vruchtachtige of droge, niet openspringende, meestal
min of meer bolvormige nootjes, dikwijls met neergebo-
gen toppen, bij Sabia samengedrukt-niervormig, met eene
korst- of beenachtige, 1-zadige kern. Zaden samengedrukt
of bolvormig, met een breeden navel aan de basis van
het hokje bevestigd; zaadhuid vliezig of lederachtig;
kiem zonder kiemwit of door eene dunne laag kiemwit
omgeven, die aan de zaadhuid blijft hangen; zaadlobben
min of meer dik, gerimpeld of vliezig, ineengevouwen
en gewrongen; kiemworteltje naar onder gericht en terug-
gebogen, met den top naar den navel opstijgende.
-ocr page 349-
XL. 8ABIACEAE.                                     289
Onbehaarde of behaarde heesters of boomen. Haren,
waar zij voorkomen, enkelvoudig. Bladeren afwisselend,
zonder steunblaadjes, enkelvoudig of gevind, gaafrandig
of gezaagd, vinnervig. Bloemen klein, soms zeer klein,
zelden groot, meestal in pluimen.
Volgens BENTHAM on Hookkk 4 geslachten en 32 soorten, in de
tropische en subtropische gewesten, voornamelijk van het noorde-
lijk halfrond voorkomende.
OVERZICHT DEB GESLACHTEN.
i. Sabia. Meeldraden 4—5, alle volkomen. Bloembladen alle
nagenoeg gelijk. Kierstok 2—3-lobbig. Vrucht 2—3-deelig.
2. Mki.iosma. Meeldraden 5, 2 volkomen en 3 zonder helm-
knoppen. Bloembladen ongelijk, de buitenste cirkelvormig en hol,
de binnenste klein en plat, soms 2-spletig. Eierstok 2—3-hokkig.
Kénhokkige steenvrucht.
1. SABIA Colebr.
Bloemen twee-, zelden gemengdslachtig. Kelk 4—5-
deelig, de twee buitenste lobben door daar tegenover
geplaatste schutblaadjes omgeven. Bloembladen 4—5,
tegenover de kelkbladen, doorschijnend gestreept, inden
knop dakpanswijze dekkend. Schijf ringvormig, 5-lobbig.
Meeldraden 4—5, tegenover de bloembladen, aan de
basis van de schijf ingeplant, met vrij dikke helmdraden;
helmknoppen tweelobbig of tegen het helmbindsel aange-
groeid, naar buiten of naar binnen openend; helmhokjes
ten slotte ineenvloeiend. Eierstoklobben 2, (zelden 3), in
de as min of meer samenhangende; stijlen 2, opgericht,
eindelingsch, een weinig samenhangende, met enkelvou-
dige stempels; eitjes 2 in elk hokje, naast of boven
elkander, met een naar onderen gericht poortje. Nootjes
1—2-zadig, steenvruchtachtig of droog, aan de binnen-
zijde door een bijna basilairen stijl gesnaveld, met bulti-
gen rug, en eene rimpelige, houtachtige kern. Zaad nier-
vormig, met gestippelde, lederachtige zaadhuid en eene
dunne laag kiemwit; kiem gekromd; zaadlobben min of
meer plat, gerimpeld of gegolfd, eivormig, omgebogen;
kiemworteltje nederdalend, cilindrisch, met den top naar
den navel gebogen.
Klimmende of neerhangende heesters met rolronde
19
-ocr page 350-
290
XL. SABIACEAE.
twijgen, aan de basis omgeven door blijvende knopschub-
ben. Bladeren afwisselend, gesteeld, gaafrandig, met niet
geleeden bladsteel. Bloemen okselstandig, alleenstaand of
in bijschermen of pluimen, klein of middelmatig, zich
meestal met de jonge bladeren ontwikkelend.
Aantal soorten omstreeks 10, in tropisch en gematigd Azië. Vol-
gens Miquki. komen in Nederlandsen Indië voor: S. Menicosta 131.,
S. pauciflora 131.
en S. Sumatrana BI. De eerste soort werd door
Hlume eerst beschreven als pene soort van zijn geslacht Menicosta
onder den naam van Menicosta Javanica.
2. MELIOSMA 131.
Bloemen tweeslachtig of gemengdslachtig-tweehuizig.
Kelkbladen 4—5, min of meer gelijk, dakpanswijze dek-
kend in den knop. Bloembladen 4—5, tegenover de kelk-
bladen geplaatst, zeer ongelijk, de 3 buitenste rond en
hol, de 2 binnenste klein en plat, soms 2-spletig. Schijf
napvormig, 3—8-tandig, soms met 2-spletige tanden.
Meeldraden 5, van buiten aan de basis van de schijf
ingeplant, tegenover de bloembladen, zeer ongelijk, vrij
of aan de basis met de bloembladen samenhangende, de
2 grootste volkomen en 3 zonder helmknoppen tegenover
de grootste bloembladen; helmdraden plat; helmknoppen
groot, kogelvormig, tweelobbig, met vliezige hokjes, die
door eene groote opening het stuifmeel vrij laten, en een
zeer breed helmbindsel. Eierstok zittend, 2—3-hokkig;
stijl recht, gevoord, met enkelvoudigen of 2—3-spletigen
stempel; eitjes 2 in elk hokje, boven elkander, horizon-
taal of hangend, met naar onder gericht poortje. Steen-
vrucht min of meer schuin, kogelvormig, met eene been-
of korstachtige , 1 «bokkige, 1-zadige kern, zelden 2-hokkig
met een verhard, volkomen tusschenschot. Zaad min of
meer rolrond, vrij of door een basilair, gekromd, ver-
hard , half tusschenschot omgeven; zaadhuid vliezig;
zaadlobben dubbelgevouwen; kiemworteltje gekromd.
Boomen en heesters, meestal stijf- of zachtharig. Bla-
deren afwisselend, enkelvoudig of gevind, met gaafran-
dige of gezaagde blaadjes. Trossen samengesteld, bIoem-
spiesvormig, veelbloeniig, meestal met schutblaadjes.
Vruchten klein, min of meer erwtvormig.
-ocr page 351-
291
XU. ANACARDIACEAE.
Aantal soorten omstreeks 20, in tropisch en subtropisch Azië,
Mexico en Nieuw Grenada. In Nederlandsen [ndië komen 14 soorten
voor. Enkele soorten werden vroeger beschreven onder de namen
Millingtonia Roxb. en Irina JU. l)e laatste naam werd ook gegeven
aan soorten van Pometia uit de familie der Sapindaeeae.
Pam. xli. ANACARDIACEAE.
BENTHAM en Hooker Gen. Plant. 1, p. 415. — Miql\'el, Ann.
Mus. Lugd. Bat.
IV, p. 47. — ENOLER in D C. Monogr. Phanerog.
IV, p. 170.
Bloemen tweeslachtig of gemengdslachtig-tweehuizig of
tweehuizig, meestal regelmatig. Kelk boven- of onder-
standig, 3—5-spletig of -deelig, zelden uit vrije kelk-
bladen gevormd, soms bloemschedevormig, onregelmatig
uiteenbarstend of als een kap afvallend, in sommige ge-
slachten in omvang toenemend, in den knop dakpans-
wijze dekkend of klepswijze aaneensluitend. Bloembladen
3—5, zelden ontbrekend, vrij, zelden met de bloemspil
vergroeid, in den knop dakpanswijze dekkend of kleps-
wijze aaneensluitend, afvallend of blijvend en bij sommige
geslachten na den bloei in omvang toenemend. Heeldraden
aan de basis der schijf of boven deze ingeplant, in het-
zelfde aantal als de bloembladen of tweemaal zooveel,
zelden talrijk, in meerdere kransen of door tusschenvoeging
onregelmatig vermeerderd, alle volkomen of op verschillende
wijzen met onvruchtbare vermengd; helmdraden meestal
priem- of draadvormig; helmknoppen 2-hokkig, bewegelijk,
met langsspleten naar binnen openspringend. Schijf (de ver-
lengde bloemspil) of hypogynisch en ringvormig, óf steelvor-
mig en hoog, gaafrandig of gelijk- of ongelijk gekarteld of
gelobd, dikwijls door langsgroeven vóór de meeldraden
gevoord. Vruchtbladen óf meerdere, welke vrij zijn of
aan de basis samenhangen, of slechts één, terwijl de
overige mislukken, öf meerdere, een 1 — 6-(zelden meer-)
hokkigen eierstok samenstellende; 1 eitje in elk hokje,
anatroop, met een min of meer langen, soms van de
-ocr page 352-
292
XLI. ANACAhDIACEAE.
basis van het hokje opgerichten, soms langs den wand
klimmenden of van den top afhangenden zaadstreng;
zaadnerf naar buiten gekeerd; poertje naar binnen tot
een dekseltje uitgezet, nu eens van boven dan weder
van onderen convergeerend; stijlen meestal vergroeid tot
eene zuil, wier top knopvormig en in evenveel korte
stempeldragende lobben verdeeld is als het aantal der
stijlen bedraagt. Vrucht bovenstandig, in weinige geslach-
ten half of geheel onderstandig of met een in omvang
toenemenden vruchtsteel, vleezig of droog, met eene min
of meer harsachtige middenlaag en een harde, been-, korst-,
of lederachtigc kern, die 1-hokkig is of 3—5 of oo één-
zadige, vrije hokjes bevat. Zaad opgericht of horizontaal
of hangend, met vliezige of lederachtige zaadhuid; kiem-
wit ontbrekend of soms zeer dun; kiem groot, vleezig,
gekromd; zaadlobben vleezig, plat, of min of meer dik,
plat-bol; kiemworteltje soms naar boven, soms naar
onder gericht, zeer kort, of als het langer is, gebogen
of uitstaande.
Balsem bevattende boomen of heesters, in de warmere
streken van de beide halfronden voorkomende, met af-
wisselende, zelden tegenovergestelde, enkelvoudige, drie-
tallige of onevengevinde, niet doorschijnend gestippelde
bladeren en met talrijke, kleine bloemen, in eindelingsche
of okselstandige pluimen.
Aantal geslachten, volgens BENTHAM en Hookkk, 46, met 450
soorten: volgens ENOLEB, wiens inrlecling wij voor deze familie ge-
volgd hebben, bevat zij 55 geslachten.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Tribus I. Mangifereae. Vruchtbladen vrij, 1 of 5; de stijl
meestal zijdelingsch aan de basis van den stamper. Eitje hangende
aan den basilairen zaadstreng. Eierstok vaak gesteeld. Meeldraden in
1, 2 of meer kransen of door mislukking tot 1—4 verminderd. Bla-
deren enkelvoudig.
"T V\'jf stampers., waarvan slechts één vruchtbaar is.
1. BOCHANANIA. Min of meer lensvormige steenvrucht. Meel-
dr.ulcn 8—12. Bladeren afwisselend.
•J-f Een stamper,
§ Bladeren afwisselend.
-ocr page 353-
293
XLI. ANACARDIACEAE.
et. Mee/draden 10—5, waarvan l—1 vruchtbaar, de oreritje
onvruchtbaar \'). Kelkbladen vrij of\' aan de basis licht
verbonden.
2.   MaNOIFERA. Steenvrucht nier- of eivormig, met eene sappige
middenlaag van den vruchtwand, (vruchtvleesch), eene harde,
vezelige kern en een weinig verdikten vruclitsteel.
3.   Anacabdwm. Steenvrucht niervormig, zijdelings samenge-
drukt; met eeiion harsbevattenden vruchtwand, (geen vrucht-
vleesch), en een sterk verdikten vruchtsteel.
(3. Meeldraden 5, (of meerdere in kramen), alle vruchtbaar.
ï. Gi.uta. Meeldradcn 5. Kelkbladen geheel vergroeid; kelk
bij den bloei in ongelijke stukken openbarstend. Bloembladen
afvallend, niet in grootte toenemend. Vrucht min of meer kogel-
vormig.
5.   SwiNTOMA. Meeldraden 5. Kelk 5-deelig of -k>bbig. Bloem-
bladen blijvend, na den bloei in omvang toenemend. Vrucht
omgekeerd eivormig.
6.   MelANOBBOEA. Meeldraden 5 of meerdere in kransen. Kelk-
bladen vergroeid, bij den bloei tot een kapje verbonden, afval-
lend. Bloembladen blijvend, na den bloei in omvang toenemend.
Vrucht min of meer kegelvormig.
§§ Bladeren tegenovergesteld.
7.   BOUEA. Meeldraden 3—5. llloemblailen afvallend. Vrucht
eivormig.
Tribus II. SpoilllioRC. Vruclitbladen 5—4 (zelden moer of 3),
min of meer met elkander vergroeid, meestal met vrije, eiudelingsche
stijlen. In elk hokje van den eierstok één eitje, bevestigd aan een
zaadstreng, die hangt van den top van het hokje. Meeldraden in 2
kransen. Steenvrucht meestal 5—3-hokkig, 5—3-zadig. Kiem meestal
recht. Bladeren bijna altijd gevind, zelden drietallig.
a. Bloembladen geheel of ten minste van onderen klepsivijze
aaneensluitend. Bloemen
4- of b-tallig.
8.   Spoxdias. Bloemen 4—5-tallig. Bloembladen klepswijze aan-
censluitend. Stijlen vrij, met afzonderlijke stempels aan den top.
9.   Dracontomei.um. Bloemen 5-tallig. Bloembladen van onderen
klepswijze aaneensluitend, doch van boven dakpanswijze dekkend.
Stijlen van onderen vrij, doch van boven vergroeid en te samen
door één schijfvonnigen stempel bedekt.
b. Bloembladen dakpanswijze dekkend in den knop.
\') Bij enkele soorten van Mangifera zijn er 5 meeldraden, alle
vruchtbaar, doch deze verschillen van Gluta in de volgende groep
door de vrije kelkbladen en van Swintonia en Melanarhoea door de
afvallende bloembladen.
-ocr page 354-
294
XLI. ANACARDIACEAE.
10.   Odina. Bloemen 4-tallig. Stijlen vrij, met kloino stempels.
Tribus 111. lthoirieac. Vruchtbladen 3, zelden 1, met cindcling-
sche of zijdelingsi lic, vrije of van onderen vergroeide stijlen en te
samen een 1-, zelden 2—3-hokkigen eierstok vormende, waarvan
steeds slechts één hokje vruchtbaar is; eitje hangend aan don top
van een korten zaadstreng, die van de basis of dicht bij de basis
omhoog klimt of beneden den top uit tien wand te voorschijn komt.
Meeldraden in 1 of 2 kransen. Eénhokkige, éénzadige steenvrucht, soms
verbonden met de na den bloei in omvang toegenomen kelkbladen.
Kiem meestal gekromd. Bladeren enkelvoudig, drietallig of gevind.
A. Meeldraden 5, afwisselende met evenveel slaminodien.
11.    Püntaspadon. Eitje klimmend. Stempel aan ééne zijde
van den korten stijl.
12.   MlCROSTEHON. Eitje hangend. Stempel drielobbig, zittend
op den top van den eierstok.
B. Meeldraden 4—5 of 8—10. Geen slaminodien.
a. Kiem recht. Eitje hangend, liladeren gevind.
•13. Sorindkia. Bloemen 5-tallig. Meeldraden meestal in het
dubbele, soms in het 3- of 4-dubbele aantal der bloembladen.
Kelk kort napvorinig, niet blijvend onder de vrucht.
14.   Parisiiia. Bloemen 4-tallig. Meeldraden in hetzelfde aan-
tal als de bloembladen. Kelkbladen na den bloei vergroot, aan
de vrucht verbonden blijvend.
b. Kiem min of meer gekromd; kiemwortellje vrij of in hel vlak
der zaadlobben. Eitje klimmend of hangend. Bladeren enkel-
voudig, drietallig of gevind.
15.   Camnusperma. Eierstok onvolkomen 2-hokkig, met één
vruchtbaar en één onvruchtbaar hokje. Meeldraden in het dubbel
aantal als de bloembladen. (3—10 (meestal 8).
16.    Ruls. Eierstok 1-hokkig. Meeldraden in hetzelfde aantal
als de bloembladen.
Tribus IV. Semecarpeae. Vruchtbladen 3, een 1-hokkigen
eierstok vormende, welke vrij of in een napvormigen bloembodem
weggedoken en daarmede vergroeid is. Eitje hangend, aan een zijde-
lings geplaatsten zaadstreng, van af het midden of den top van het
hokje. Stijlen 3, eindelingseh, vrij of vergroeid. Meeldraden in 1 krans.
Groote, 1-zijdige steenvrucht, meestal geheel of gedeeltelijk in den
min of meer vergrooten vruchtsteel besloten. Kiem gekromd. Blade-
ren altijd enkelvoudig.
17.   Mei-anochyi.a. Eierstok met één korten, eindelingschen
stijl, door een drielobbigen stempel gekroond. Vrucht aan de basis
door den vergrooten, kort napvormigen vruchtsteel min of meer
omsloten. Bloembladen klepswijze aaneensluitend, van binnen
dicht behaard.
-ocr page 355-
295
XLI. ANACARDIACEAE.
18. Skmkcarpus. Eierstok met drie eindelingsche, uiteen-
wijkende stijlen, welke in knodsvormige, 2-lobbige stempels over-
gaan. Vrucht zittend op den sihijf- of tolvormigen, vergrooten
vruehtsteel. Bloembladen een weinig dakpanswijze dekkend in
den knop.
1. BüCHANANIA Roxb.
Bloemen tweeslachtig, 5-, zelden 4- of 6-tallig. Kelk
kort, met half cirkelvormige of half eironde, elkander in
den knop dakpanswijze dekkende lobben. Bloembladen
langwerpig, elkander dakpanswijze dekkend in den knop,
ten slotte teruggeslagen. Meeldraden 8—12, aan de basis
van de schijf ingeplant; helmdraden lijnvormig of onder
de helmknoppen in een punt uitloopend; helmknoppen
langwerpig-eirond of pijlvormig met langwerpige, zijde-
lings in de lengte openspringende, ten slotte teruggebo-
gen hokjes. Schijf urn- of napvormig, dik, in de lengte
gegroefd, soms duidelijk 4—6-lobbig met gekartelden
rand, de helft of het derde gedeelte van den eierstok
omsluitende. Vruehtbladen 4—6, vrij; slechts 1 , het
voorste, is vruchtbaar en vormt een langwerpigen, één-
hokkigen eierstok, welke langzaam overgaat in een vrij
langen stijl met schuin afgeknotten stempel; eitje han-
gend aan een zaadstreng, die omhoog stijgt van de basis
der buikzij de van den stamper. Steenvrucht klein, min
of meer lensvormig, in omtrek cirkel- of hartvormig of
schuin hartvormig met het puntige stijloverblijfsel op
den top, welke centrisch of excentrisch geplaatst is; bui-
tenlaag der vrucht dun; binnenlaag meestal dik, hard,
zelden korstachtig. Zaad bultig; zaadlobben dik; kiem-
worteltje naar boven gericht.
Boomen of heesters. Bladeren afwisselend, met half-
cilindervormigen bladsteel, min of meer lederachtig, lan-
cetvormig of langwerpig-lancetvormig of langwerpig of
omgekeerd eirond-langwerpig; zij nerven min of meer
talrijk, uiteengespreid, in een boog naar den rand loo-
pende en in dezen overgaande, met al of niet evenwijdige
zijnerven van den tweeden rang. Bloemen klein, wit,
naar honig riekend, zittend of kort gesteeld, tot losse
of dichte, samengestelde pluimen bijeengevoegd, welke
meestal kleine schutbladen dragen en in de bladoksels
-ocr page 356-
296
XLI. ANACARÏMACEAE.
of iian de toppen der takken bijeenstaan. Vruchten rood,
bij hot drogen zwart of bruin wordend.
Ongnveer \'20 soorten, in tropisch Azië en Noordelijk Australië.
In den Maleischen Archipel komen 8 il 0 soorten voor. Tot dit
geslacht werden door Hu me en Miqiki. eenige soorten gebracht,
welke volgens Engler tot het geslacht Campnospermum Tim:
behooreri.
2. MAN GIFERA L.
Bloemen gemengdslachtig. Kelkbladen 5, (zelden 4),
vrij, soms aan de basis een weinig verbonden, in den
knop dakpanswij ze dekkend. Bloembladen 5 of 4, met
1—5 dikke nerven, waarvan de middelste soms verbreed
is of waarvan eenige van de middelste op de helft van
hun verloop uit het vlak van het bloemblad treden, aan
de basis van de schijf ingeplant of met de as der bloem
vergroeid, in den knop dakpanswijze dekkend. Meeldra-
den 5—4, of slechts 1, de voorste, óf 2 vruchtbaar en de
andere onvruchtbaar en min of meer rudimentair, aan
den binnenrand van de schijf ingeplant of aan de basis
met elkander en met de as der bloem vergroeid; helm-
draden draadvormig, soms bij de basis verbreed; helm-
knoppen eivormig, met zjjdelingsche langsspleten open-
springend. Schijf kussenvormig, 4—5-lobbig of ontbrekend.
Eierstok vrij, min of meer kogelvormig, éénhokkig, één
klimmend eitje, boven de basis van het hokje vastge-
hecht; stijl bijna eindelingsch of zijdelingsch (tegenover
den vruchtbaren meeldraad), gekromd, priemvormig;
stempel enkelvoudig. Steenvrucht min of meer niervor-
mig of eirond of nagenoeg bolvormig, vleezig, harsachtig,
met eene houtachtige, vezelige kern, zonder of met twee
kleppen. Zaad samengedrukt, eirond-langwerpig, met eene
dunne, papierachtige zaadhuid; kiem recht; zaadlobben
plat-bol, vaak gelobd; kiemworteltje naar onderen gericht
en opstijgend.
Boomen. Bladeren afwisselend, met half-cilindervormi-
gen , van onderen min of meer verdikten bladsteel, enkel-
voudig, gaafrandig, met halfcilindervormige hoofdnerf en
uiteengespreide zij nerven, welke in een boog naar den
rand loopen en netvormige, meer of minder duidelijke
aderen. Bloemen meestal klein, dikwijls op korte bloem-
-ocr page 357-
297
XLI. ANACARDIACEAE.
steeltjes, welke schutblaadjes draden en in kleine bijscher-
men, die tot pluimen vereenigd zijn.
Aantal soorten omstreeks \'27, in tropisch Azië. Mot oonigo wei-
nige uitzonderingen worden alle gevonden in Malakka of den Malei*
schen Archipel, zoodat men onderstellen kan. dat zij bijna alle tot
de Klora van Nederlandsch Indië behooren.
3. ANACARDIUM Rottb.
Bloemen gomengdslachtig-twoehuizig. Kelk diep 5-deelig,
met opgerichte, in den knop dakpanswijze dekkende,
slippen. Bloembladen 5, lij n-lan eet vorm ig of lancetvormig,
dakpanswijze dekkend in den knop, later teruggeslagen,
afvallend. As der bloem de kelkbuis vullend. Meeldraden
7—10, ongelijk, weinige (dikwijls slechts\' één) vrucht-
baar; helmdraden alleen aan de basis of over hunne ge-
heele lengte met elkander vergroeid; helmknoppen ei-
vormig, bewegelijk, zijdelings door langsspleten open-
springend. Eierstok vrij, zittend, omgekeerd eivormig of
omgekeerd hartvormig, een weinig schuin, zijdelings
samengedrukt, éénhokkig; eitje klimmend aan een kor-
ten zaadstreng; stijl draadvormig, excentrisch op den top
van den eierstok geplaatst; stempel enkelvoudig. Vrucht
niervormig, zijdelings samengedrukt, met een navelvor-
migen inham op zijde, niet openspringend, met eene
dikke, olie bevattende schil, gezeten op een knods- of
peervormigen, soms zeer grooten vruchtsteel, gevormd
door de te samen verdikte bloemsteel, bloembodem en
kelkbasis. Zaad niervormig, klimmend; zaadhuid vliezig;
zaadlobben halfmaanvormig, plat-bol; kiomworteltje kort,
haakvormig.
Boomen of heesters. Bladeren afwisselend, enkelvoudig,
min of meer lederachtig, zittend of gesteeld, meestal
omgekeerd eivormig, stomp of uitgerand. Bloemen klein,
in sterk vertakte, tuilvormige, schutblaadjes dragende
pluimen, die ééne groote, eindelingsche pluim samenstellen.
Aantal soorten 8, in tropisch Amerika. Kéne soort, il. occidentale
L.,
wordt in alle tropische gewesten gekweekt, ook in den Malei-
schen Archipel.
4. GLÜTA L.
Bloemen tweeslachtig. Kelkbladen geheel vergroeid, op
eene bloemschede gelijkend, met kleppen of onregelmatig
-ocr page 358-
298
XLI. ANACARDIACEAE.
openspringend of eindelijk tweelobbig of twecspletig,
afvallend. Bloembladen 5, lancetvormig of elliptisch, vin-
nervig, van onderen langs de randen min of meer ver-
groeid met de verlengde, 5-zijdige as der bloem, in den knop
gedraaid, later uiteengespreid en ten slotte teruggeslagen;
helmknoppcn eivormig, naar binnen met langsspleten
openspringende. Eierstok gesteeld, bijna bolvormig, doch
eenigszins schuin, met een rechten, excentrisch geplaatsten
stijl, en een eindelingschen, enkelvoudigen stempel;
eitje hangend van den top van den opstijgenden zaad-
streng. Steenvrucht min of meer bolvormig, met dikke
schil, soms met vele groeven en met het overblijfsel van
den stijl op den top; kern lederachtig, met de zaadhuid ver-
groeid. Zaad van denzelfden vorm als de holte van het
hokje en deze geheel vullend; kiem zonder kiemwit;
zaadlobben dik, plat-bol, kiemworteltje zeer kort, stomp,
omgebogen.
Welriekende boomen , een vloeibaren balsem bevattend.
Bladeren afwisselend, enkelvoudig, met een korteren of
langoren, half rolronden of door de afloopende bladschijf
bcranden bladsteel; bladschijf elliptisch of lang\\verpig-
lancetvormig, met talrijke, wijd uiteenstaande zij nerven
en netswijs verspreide, duidelijk te voorschijn tredende
aderen. Pluim groot, gelijk of grooter dan het blad met
van boven tuilvormige takken, en spoedig afvallende
schutbladen en schutblaadjes. Bloemen middelmatig of
zeer groot, licht of helder geel.
Aantal soorten 5, in tropisch Azië en Afrika. In den Nederland-
schei] Archipel zijn waargenomen: 67. Renghas \') L. (Engl.) en
67. eoaretata llouk. /\'. = Gl. velutina lil. Twee andere soorten, Gl.
Üegan» Hooft.
/\'. en Gl. Tavot/rina Hooft. f., zijn in Malakka gevonden
en zullen misschien op Sumatra ook niet ontbreken.
5. SWINTONIA Griff.
Bloemen gemengdslachtig. Kelk 5-deelig of -lobbig;
slippen of lobben dakpanswijze dekkend in den knop.
\') Deze soort is door Linnakus bij vergissing Gl. Benghax gedoopt,
daar hij den inlandschen naam Renglias of lïangas verkeerd gele-
zen had.
-ocr page 359-
299
XLI. ANACARDIACEAE.
Bloembladen 8, langer dan de kelk, aan de basis van
de een weinig verlengde as der bloem, tusscben den
kelk en den eierstok ingeplant, dakpanswijze dekkend
in den knop, onder aan de basis vergroeid , bij de vrucht
zeer in omvang toegenomen, met talrijke nerven, welke
met zeer scherpe hoeken van de niet sterke vooruit-
springende middennerf afgaan. Meeldraden 5, bij de
tweeslachtige bloemen aan den binnenrand van de schijf
ingeplant, bij de mannelijke met de schijf ineenvloeiend;
helmdraden draadvormig; helmknoppen bewegelijk, ei-
vormig, met langsspleten openspringend. Schijf kussen-
vormig, 5-lobbig of ontbrekend. Eierstok vrij, omgekeerd
eivormig, 1-hokkig; 1 eitje, hangend aan den top van
den basilairen zaadstreng; stijl nagenoeg eindelingsch;
stempel schijfvormig. Steenvrucht omgekeerd eivormig,
lederachtig, omgeven door de sterk in omvang toege-
nomen bloembladen. Zaad eivormig of eivormig-langwer-
pig, met dunne zaadhuid; kiem recht; zaadlobben plat-
bol, met een kort en gebogen kiemworteltje.
Boomen. Bladeren met een rolronden, gevoorden of
bijna rolronden bladsteel, enkelvoudig, vliezig of min of
meer lederachtig, kaal, niet zelden van onderen blau\\v-
groen, met talrijke, boogswijs uiteenstaande zijnerven.
Bloemen klein of groot, met spoedig afvallende schut-
blaadjes, in de oksels der bovenste bladeren vereenigd
tot pluimen wier takken van den tweeden rang pluim-
vormig zijn samengesteld en waarvan de buitenste uit
weinigbloemige of soms tot kluwens ineengedrongen
tuilen, zelden uit tot aren vereenigde bijschermen ge-
vormd zijn.
Aantal soorten 8, in Engelseh Imlië, Cainbodia en den Neder-
landsch Indisehen Archipel. In Nederlandsen Imlië komen er ongeveer
5 hiervan voor, vooral in Borneo. Eéne soort, Sw. Schwenckii Kun,
werd het eerst als een af/.ondcrlijk geslacht, Anauxanopetalum
Teysm. et Binn., (A. Schwenkii Teijsm. et Bhinend.), beschreven.
6. MELANOEHOBA Wall.
Bloemen tweeslachtig. Kelkbladen 5 of 6, geheel ver-
groeid en kapswijze afvallend. Bloembladen 5—6, lang-
werpig, dakpanswijze dekkend in den knop, in de vrucht
vergroot, met talrijke opstijgende nerven en netswijs
-ocr page 360-
300
XU. ANACARDIACEAE.
verspreide aderen. Meeldraden 5, een weinig boven de
bloembladen of verscheidene in meerdere kransen op de
kogelvormig verdikte as der bloem ingeplant; helmdra-
den draadvormig; helmknoppen eivormig, bewegelijk, met
langsspleten openspringend. Eierstok cénhokkig, gezeten
op een dunnen steel, min of meer boven de meeldradcn
uitstekend of (bij de bloemen met 5 meeldraden) op eene
korte schijf; eitje hangend aan den top van een op de
basis van het hokje geplaatsten znadstreng; stijl einde-
lingsch; stempel enkelvoudig. Steenvrucht min of meer
bolvormig, op een steel gezeten, verbonden aan de blij-
vende, lederaehtige, zeer groot geworden bloembladen. Zaad
van den vorm van het hokje; zaadlobben plat-bol; kiem-
worteltje kort, in het vlak der zaadlobben gelegen.
Boomen, groot en vernis bevattend. Bladeren dicht
bijeen aan de toppen der takken; bladsteel rolrond, van
boven gevoord of half rolrond met afloopende randen,
lederachtig, kaal of behaard met wijd uitstaande zijner-
ven en duidelijke notvormig, verspreide aderen. Bloemen
groot, in de oksels der hoogere bladeren, aan pluimen,
die even groot of grootcr zijn dan deze, met spoedig af-
vallende schutblaadjes.
Aantal soorten t>. in Britsch Indië on den Maleisehen Archipel.
Op Borneo komen biervan 3 soorten voor: M. macrocarpa EikjI.,
M. Beccarii Engl.
on Jf. Maingayi Hooit. f.; eene vierde soort, Af.
Wiillirliii lluok. /\'., op Malukka gevonden, zou misschien ook op
Sumatra kannen aangetroffen worden.
7. BOTJEA Meissn.
Bloemen gemengdslachtig. Kelkbladen 3—5, meestal
4, een weinig dakpanswijze dekkend in den knop, ein-
delijk afvallend. Bloembladen 3—5, op eene zeer korte
schijf ingeplant, langwerpig, dik, van binnen met eene
scherpe, sterk vooruitspringende nerf, in den knop dak-
panswijze dekkend, later naar elkander neigend. Meel-
draden 3—5, met de bloembladen afwisselend, op de
schijf ingeplant; helmdraden kort, aan de basis verbreed;
helmknoppen tegen het helmbindsel aangegroeid, dat
voorbij de hokjes in eene korte punt verlengd is; hokjes
langwerpig, door eene langsspleet naar buiten opensprin-
gend, Eierstok zittend, éénhokkig; eitje met een korten
-ocr page 361-
301
XLI. ANACARDIACEAE.
zaadstreng aan den buiknaad bevestigd, klimmend, met
het poortje naar beneden gericht; stijl kort, eindelingsch;
stempel onduidelijk drielobbig. Steenvrucht eivormig, met
eene vleezige middenlaag van den vruchtwand, en eene
korstachtige, vezelige kern, die geen kleppen heeft en
met de zaadhuid vergroeid is. Zaad eivormig; kiem met
plat-bolle zaadlobben en een zeer kort, kegelvormig, naar
onderen gericht kiem worteltje.
Boomen met min of meer vierkantige jonge en rol-
ronde oude takken, met weinig ontwikkelde leden. Bla-
deren tegenovergesteld, met korten, half rolronden steel,
lederachtig, lancetvormig of langwerpig, met vlakke
middennerf en talrijke zijnerven en aderen, die van boven
of aan weerszijden sterk gegroefd zijn. Bloemen klein,
geel, kort gesteeld, in bijschermen zonder schutbladen,
welke tot samengestelde schermen vereenigd zijn.
Aantal soorten 4, in Xederlandsch Indië, waarvan 2 ook in
Engelscli Indië \\oorkomen, nl. B. macrophi/lla Gri/[. = }}. Gan-
daria BI., B. Bunnanica drijf.
, B. anyustifolia BI. en B. diver-
sifolin Miq.
H. SPONDIAS L.
Bloemen gemengdslachtig. Kelk klein, afvallend, 4—5-
spletig met driehoekige of half eivormige, in den knop
ter nauwernood dakpanswijze dekkende slippen of tanden.
Bloembladen 4—5, langwerpig-eivormig, spits, uiteen-
staand, eindelijk teruggeslagen, in den knop klepswijze
aaneensluitend. Meeldraden 8—10, soms 4—5 langer
dan de andere, onder de schijf ingeplant; helmdraden
priem-draadvormig; helmknoppen langwerpig-eivormig,
bewegelijk, zijdelings met langsspleten openspringende.
Schijf vrij dik, ringvormig, met 8—10 kartels. Eierstok
kort ei- of min of meer bolvormig, in de schijf wegge-
doken, 3—5-hokkig; 1 eitje in elk hokje, hangend, met
een naar boven gekeerd poortje; stijlen 4—5, van boven
naar elkander geneigd; stempels kort, spatelvormig, dik-
wijls ten slotte uitgespreid. Steenvrucht met eene vlee-
zige middenlaag van den vruchtwand en eene houtachtige
kern, van buiten vezelig en van binnen steenhard, dik,
5- (door mislukking 1—3-)hokkig, met gelijke of onge-
lijke, opgerichte of uiteengespreide, éénzadige hokjes.
-ocr page 362-
302
XLI. ANACARDIACEAE.
Zaden langwerpig, van denzelfden vorm als de hokjes;
zaadhuid vliezig; kiem recht; zaadlobben langwerpig,
plat-bol; kiem worteltje kort, naar boven gericht.
Boomen, wier takken met groote litteekens van afge-
worpen bladeren en talrijke lenticellen bedekt en slechts
aan den top sterk bebladerd zijn. Bladeren groot, oneven
gevind, meerjukkig; blaadjes gesteeld of zittend, behalve
het topblaadje min of meer ongelijkzijdig en scherp ge-
spitst, met uiteengespreide of boogswijze verloopende
zij nerven, welke door eene gemeenschappelijke, langs ot
even vóór den rand loopcndc, nerf verbonden worden.
Bloemen klein, gesteeld, zelden zittend, tot eene groote,
pyramidovormigo pluim vcrecnigd.
Boomen, in du tropische gewesten der beide halfronden gekweekt
en in liet wild voorkomende. Aantal soorten 5. Het geslacht schijnt
hoofdzakelijk in tropisch Amerika tehuis te behooren, doch een
drietal soorten Sp. lutea /.., Sp. ilulcis Forst.=Evia itulcis Comm.
en ü)>. numgifera Willd. = Evia nmara Comm, is over de gelieele
wereld verspreid en komt ook in den Maleischen Archipel op vele
plaatsen voor. De beide laatste werden ook als soorten van Evia
Comm., Poupartia lil. en Wirtgenia Junghuhn beschreven. Wij
vonden bij AIiquel ile tweede als Evia acitla lil. en Evia dulcis
Comnuirs,
de derde als Evia atnara Comm.
9. DRACONTOMBLÜM BI.
Bloemen tweeslachtig. Kelkbladen 5, aan de basis
samenhangende, groot, hol, in den knop dakpanswijze
dekkend. Bloembladen 5, langwerpig-lancetvormig, niet
meer dan tweemaal langer dan de kelkbladen, onder de
schijf ingeplant, naar elkander geneigd, aan den top
dakpanswijze dekkende, later met de toppen teruggeslagen.
Meeldraden 10, evenals de bloembladen ingeplant en even
lang als deze; helmdraden draad-priemvormig; helmknop-
pen lijnvormig-langworpig, bewegeljjk, naar binnen met
langsspleten openspringend. Schijf bordvormig, onduidelijk
gekarteld. Vruchtbladen 5, van onderen en van boven
vergroeid, een 5-lobbigen, 5-hokkigcn eierstok vormende
met één anatroop eitje in elk hokje, van welks top het
in de kleine holte neerhangt; stijlen 5, dik, ruggelings
gevoord, van onderen vrij en van boven vergroeid, met
een min of meer pyramidevormigen, 5-zjjdigen stempel.
Steenvrucht kogelvormig, met knobbels boven het mid-
-ocr page 363-
XLI. ANACARDIACEAE.                               303
den, gevormd door de blijvende bases der stijlen, met
eene vleezige middenlaag van den vruchtwand en eene
5-hokkige kern, die min of meer vijfzijdig, van boven
afgeplat en verbreed is, met talrijke gaatjes in den
rand en 5 eivormige, ingegroefde schildjes aan den top.
Zaden driehoekig of zijdelings samengedrukt, met vlie-
zige zaadhuid; kiem met schuine, plat-bollc, breedc zaad-
lobben en een kort, naar boven gericht kiemworteltje.
Boomen, wier takken een sterk ontwikkeld merg heb-
ben en talrijke, driekante litteekens dragen, van wegge-
worpen bladeren. Bladeren groot, onevengevind, meer-
jukkig, vliezig; blaadjes tegenovergesteld of afwisselend,
kort gesteeld, langwerpig, met uiteenstaande zijnerven,
welke vervolgens boogswijze omhoog gaan, doch niet door
eene randnerf vercenigd worden. Bloemen groot, gesteeld,
bleek groen, in onregelmatige, losse bijschermen, die eene
groote, samengestelde, okselstandige pluim vormen.
Aantal soorten 5, in Engelseh en Nederlandseh Intlië, opdel\'hi-
lippijnsche eilanden en de eilanden van de Stille Zuidzee. Eéne
soort, Dr. mtmgiferum BI., werd op Java, Borneo en Sumatra
aangetroffen; eene vorm van deze. door Engler var. fl.puberulum
genoemd, werd door Miquei. als Dr. puberulwn beschreven en
komt ook in Engelsen Indië voor. Eene tweede soort van Neder-
landsch Indië, Dr. sylvestre DL, is alleen op Borneo gevonden.
10. ODINA Boxb.
Bloemen éénslachtig, 4-tallig. Kelk 4-deelig, in den
knop dakpanswijze dekkend. Bloembladen 4, eirond,
langer dan de kelkbladon, in den knop dakpanswijze
dekkend. Meeldraden 8, onder de ringvormige, meestal
8 kartels dragende schijf ingeplant; helmdraden draad-
of priemvormig, bij de vrouwelijke bloemen meestal
korter; helmknoppen ei- of pijlvormig, met zijdelingsehe
of een weinig naar binnen geplaatste langsspleten open-
springend, bij de vrouwelijke bloemen zonder stuifmeel.
Eierstok in de mannelijke bloemen rudimentair, in de
vrouwelijke kort eivormig of nagenoeg kogelvormig,
4-hokkig; in elk hokje één eitje, hangend aan den top
van een langen zaadstreng; dikwijls zijn de eitjes in 3
hokjes mislukt; stijlen 3—4, in de mannelijke bloemen
centraal geplaatst, draadvormig, in de vrouwelijke zijde-
-ocr page 364-
304                               XLI. ANACARDIACEAE.
lings op den top van den eierstok geplaatst, opgericht, korter
dan de eierstok; stempels schildvormig, klein. Steenvrucht
eivormig of omgekeerd eivormig, meestal een weinig
zijdelings samengedrukt, met eene dunne middenlaag van
den vruchtwand en eene dikke, houtachtige kern, die 1—2
schuine, eironde gaatjes in den top heeft en 1—4 hokjes
bevat, waarvan 2—3 zeer klein en onvruchtbaar zijn.
Zaad zijdelings samengedrukt, vastgehecht door middel
van een langen zaadstreng aan den top van het hokje;
zaadlobben plat-bol, een weinig schuin; kiemworteltje
kort, naar boven gericht.
Boomen, wier jonge takken meestal met een dicht,
stervormig vilt bedekt zijn, dat later verdwijnt. Bladeren
meestal opecngedrongen aan de toppen der takken, zel-
den drietallig, meestal onevengevind, met schuine, gaaf-
randige, kort gesteelde of zittende blaadjes, wier zijnerven
met scherpe hoeken uitstaan. Bloemen klein, kort ge-
steeld, samengestelde pluimen vormende, die dikwijls
door verkorting van de takken van den tweeden rang,
aarvormig worden, meestal geplaatst in de oksels der
afgevallen (zelden van nog aanwezige) bladeren. De vrou-
wehjke takken der infioreseentie zijn gewoonlijk het kortst.
Aantal soorten 13, in Afrika en tropisch Azië. In den Maleischen
Archipel komen slechts twee soorten voor, waarvan ile ééne, O.
spedosa BI.,
met eenigen twijfel tot dit geslacht wordt gebracht,
terwijl de andere, O. gummifera BI, door ENOLER als eene variëteit
wordt beschouwd van eene in tropisch Azië en zelfs in Afrika wijd
verspreide soort, O. Wodier Uoxb.
11. PBNTASPADON llook.f.
Bloemen tweeslachtig. Kelk klein, 5-deelig, met ei-
vormige, in den knop dakpanswijze dekkende slippen.
Bloembladen 5, omgekeerd eivormig, veel langer dan de
kelkslippen, uitgespreid, in den knop breed dakpanswijze
dekkend. Meeldraden 5, ingeplant aan de basis van eene
kort napvormige schijf met 10 kartels in den rand, en af-
wisselend met evenveel staminodiën, die korter en iets
hooger ingeplant zijn; helmdraden meestal priemvormig;
helmknoppen aan de basis ruggelings ingehecht, kort
eivormig, zijdelings openspringend. Staminodiën tegen-
over de bloembladen, korter dan de helmdraden, aan
-ocr page 365-
XLI. ANACARDIACEAE.
den top eene klier dragend. Eierstok schuin, kogelvormig, in
de schijf weggedoken, langharig, éénhokkig; eitje aan
een korten, klimmonden zaadstreng, een weinig boven de
basis van het hokje zijdelings vastgehecht; stijl kort, centraal
geplaatst, teruggebogen, aan tien eenen kant tegenover het
eitje, van beneden tot boven met stetnpelkliertjes bedekt.
Groote boom. Bladeren aan de toppen der takken, af-
wisselend, vliezig, onbehaard, van boven glanzig, van
onderen bleeker van kleur, met half rolronden bladsteel,
3—4-jukkig, met langwerpige, spitse, gaafrandige, ge-
steelde blaadjes. Bloemen klein en wit, in samengestelde
pluimen, welke korter zijn dan de bladeren en te voor-
schijn komen uit de oksels van lijn-lancetvormigc schut-
bladen.
Kéne soort, in den Maleisclien Archipel, nl. 1\'. Mollei/i llool;. f.
Deze vormde bij Miquei. liet geslacht Nothoprotium Mi</. (X. Sit-
matranum itiq.)
en werd door BENTHAM en HOOKER in de familie
der Biirseraceae geplaatst.
13. MICROSTEMON Engl.
Bloemen tweeslachtig. Kelk klein, met 5 half eivor-
mige lobben. Bloembladen 5, omgekeerd eivormig, veel
langer dan de kelk, uiteengespreid, in den knop dak-
panswijze dekkend. Meeldraden 5, aan de basis van de
kort napvormige, gekartelde schijf ingeplant, afwisselend
met evenveel kortere staminodiën; helmdraden kort, breed
priemvormig, helmknoppen klein, ruggelings vastgehecht,
zijdelings door langsspleten openspringend. Staminodiën
aan de basis van de 3chijf ingeplant, met klieren aan
den top. Eierstok kort, eivormig, min of meer bolvormig,
éénhokkig; eitje aan een zeer korten zaadstreng hangend
aan den top van het hokje; stijl kort, centraal geplaatst;
stempel dik, knopvormig, 3-lobbig. Steenvrucht schuin,
langwerpig-eivormig, naar boven kogelvormig verdund.
Zaad langwerpig; zaadhuid vliezig; kiem zonder kiem-
wit; zaadlobben plat; kiemworteltje kort, gekromd, niet
op het vlak der zaadlobben liggend.
Boom met dicht bebladerde, fluweelachtig behaarde
takken. Bladeren dun lederachtig, aan den bladsteel en
de nerven en evenzeer van onderen fluweelachtig behaard,
van boven kort zachtharig, onevengevind, meerjukkig;
30
-ocr page 366-
306
XLI. ANACARDIACEAE.
blaadjes langwerpig, stomp, zeer kort gesteeld. Pluimen
korter dan de bladeren, dicht fluweelachtig behaard,
met vele takken, waarvan de buitenste het kortst zijn,
en met zeer kleine, kort gesteelde bloemen.
Eéne soort van Malakka, Af. uelvtina Engl., door IIookkr
mot ponigen twijfel tot het geslacht Pentaspadon gebracht (P.
velutinwt Hooi;, f.), doch door Enui.ek daarvan afgescheiden. Mis-
schien komt zij ook op Smnatra voor.
13. SORINDEIA Tliouars.
Bloemen tweeslachtig of gemengdslachtig-tweehuizig,
5-, zelden 3-tallig. Kolk napvormig, met breed driehoe-
kigo, zeer korte tanden. Bloembladen uitgespreid, einde-
lijk teruggeslagen, in den knop dakpanswijze dekkend.
Meeldraden zelden in hetzelfde aantal als de bloembladen
(bij de tweeslachtige bloemen), meestal in het dubbele
soms in het drie- a vierdubbele aantal; helmdraden piïem-
vormig; helmknoppen ruggelings vastgehecht, naar bin-
nen in de lengte openspringend. Schijf breed, bij de
tweeslachtige en vrouwelijke bloemen hypogynisch. Eier-
stok bij de mannelijke bloemen ontbrekend, bij de vrou-
welijke eivormig, zittend, éénhokkig; eitje aan den
zaadstreng hangend ter zijde van den top van het hokje;
stijl kort, dik; stempel breed drielobbig. Steenvrucht
elliptisch-langwerpig, met eene papier- of houtachtige kern.
Zaad hangend, zijdelings samengedrukt, zonder kiemwit;
kiem recht, met dikke, plat-bolle zaadlobben en een zeer
kort, naar boven gericht kiemworteltje.
Boomen met onevengevinde bladeren, wier blaadjes
gesteeld zijn. Bloemen klein, kortgesteeld, in okselstan-
dige en eindelingsche, herhaaldelijk samengestelde pluimen.
Aantal soorten 2 of 3, in tropisch Afrika. Eéne soort, S. Mada-
gascarienti» Thouars, komt (in gekweekten toestand) op Java voor.
14. PARISHIA llook.f.
Bloemen tweehuizig. Mannelijke bloemen: Kelk aan de
basis napvormig, 4-deelig, met eivormige, in den knop
klepswijze aaneensluitende segmenten. Bloembladen 4,
langer dan de kelk, dakpanswijze dekkend in den knop.
Schijf kort napvormig, met 4 korte lobben. Meeldraden
-ocr page 367-
307
XLI. ANACARDIACEAE.
4, boven de basis van de schijf aan de buitenzijde in-
gehecht; helmdraden priemvormig; helmknoppen aan de
rugzijde met het helmbindsel vergroeid, met langsspleten
naar binnen openspringend. Eierstok rudimentair, zuil-
vormig, zeer klein. Vrouwelijke bloemen: Kelksegmenten
na den bloei sterk vergroot, vleugelvormig. Bloembladen
4. Schijf klein. Meeldraden rudimentair. Eierstok kegel-
of eivormig, zittend, 1-hokkig; één eitje, hangend nabij
den top van het hokje; stijl kegelvormig, langzamerhand
overgaande in den eierstok, 3-spletig aan den top; 3 knop-
vormige stempels. Steenvrucht langwerpig eivormig of
kegelvormig-eivormig, gespitst; schil dun, harig; kern
dun, korst- of houtachtig. Zaad langwerpig, onder den
top van het hokje met een breeden navel vastgehecht;
kiem recht, zonder kiemwit; zaadlobben dik, plat-bol;
kiemworteltje kegelvormig.
Boomen wier jonge takken en bloeiwijzen met een roest-
kleurig vilt bedekt zijn. Bladeren afwisselend, lederachtig,
onevengevind, met zittende of kortgesteelde, langwerpige
blaadjes. Bloemen van middelmatige grootte, langgesteeld,
in samengestelde, groote, knikkende, behaarde, met
schutblaadjes voorziene pluimen.
Aantal soorten 4, in Britsch Indië, waarvan 3 in Malakka.
Misschien komen deze ook op Sumatra voor
15. OAMPNOSPERMA Thiv.
Bloemen gemengdslachtig-tweehuizig, 3—5-, meestal
4-tallig. Kelk 3—5-deelig met eivormige, in den knop
dakpanswijze dekkende slippen. Bloembladen 3—5, veel
langer dan de kelk, ten slotte teruggeslagen. Meeldra-
den 6—10, aan de basis van de schijf ingeplant, die,
welke tegenover de bloembladen geplaatst zijn, het kortst;
helmdraden priemvormig; helmknoppen ruggelings vast-
gehecht, min of meer kogelvormig, met langsspleten naar
binnen openspringend. Schijf kort, vrij dik, ring- of nap-
vormig. Eierstok zittend, kort eivormig, onvolkomen twee-
hokkig; eitje hangend van den top van het hokje, met
het poortje naar boven gericht; stijl kort: stempel schijf-
vormig, onduidelijk gelobd. Steenvrucht eivormig, spits,
met eene dunne, harsachtige middenlaag van den vrucht-
-ocr page 368-
30S
XLI. ANACARDIACEAE.
wand en cene beenachtigo, volkomen of onvolkomen, twee-
hokkige binnenlaag, waarvan één hokje ledig en het andere
daarnaast, grooter is, hoefijzervormig de basis van het
andere omgeeft en één zaadje bevat. Zaad hangend, ge-
kromd boven het naar binnen uitstekend deel der holte, in
vorm met het hokje overeenkomende, met vliezige zaad-
huid; kiem hoefijzervormig, met lijn-langwerpige, dunne
zaadlobbcn en een kort, naar boven gericht kiemworteltje.
Hoornen met afwisselende, aan den top der takken
opeengedrongen, zittende of kort gesteelde, min of meer
lederachtige, enkelvoudige, omgekeerd eivormig-langwer-
pigc, min of meer in den bladsteel afloopende, bladeren,
wier talrijke, uiteenstaande zijnerven aan den rand naar
boven gekeerd zijn en wier netvormig verspreide aderen
dikwijls duidelijk uit de bladvlakte te voorschijn treden.
Bloemen klein, in korte bij schermen, welke tot oksel-
standige, weinig vertakte, van boven aarvormige, plui-
men vereenigd zijn.
Aantal soorten 8, waarvan \'2 op Madagascar en tle omliggende
eilanden, 1 in tropisch Amerika en de 5 overige in Biïtsch en
Nederlandsrh Inclië voorkomen. Door Miquei. werden zij, gedeeltelijk
ten minste, tot Buchanania lil., door BENTHAM en Hooker in
Gen. Plant, tot Drepanosperma Benth. gebracht. De soorten van
den Maleisehen Archipel zijn: C. macrophylla Book. f., C. oxyrhachis
Engl., C. üriffit/üi March.
en C. auriculata Hooh. f.
16. RHUS L.
Bloemen gemengdslachtig. Kelk 5-deelig, met in den
knop dakpanswijze dekkende slippen. Bloembladen langer
dan de kelk, dakpanswijze dekkend in den knop. Meel-
draden onder de breede schijf ingeplant; helmdraden
priemvormig, in de mannelijke bloemen meer dan de
helft der bloembladen lang, in de vrouweljjke zeer klein;
helmknoppen eivormig, ruggelings vastgehecht met naar
binnen openspringende hokjes. Eierstok eivormig of eenigs-
zins kogelvormig, zittend; eitjes hangend aan den top
van een basilairen zaadstreng; stijlen 3, centraal geplaatst,
vrij of aan de basis een weinig vergroeid, in stompe of
knopvormige stempels overgaande. Steenvrucht dikwijls
kogelvormig, zelden plat of eivormig, met eene gladde of
behaarde schil, eene min of meer harsachtige middenlaag
-ocr page 369-
:u)D
XLI. ANACARDIACEAE.
van den vrucht wand en cone korat-of boonachtige binnon-
laag, welke lagen op verschillende wijzen van elkander
loslaten. Zaden ei- of niervormig; zaadhuid dun, vliezig;
kiem zonder kiemwit; zaadlobben plat; kiem worteltje
vrij lang, haakvormig gebogen, zijdelings in het vlak
der zaadlobben liggende.
Heesters of kleine boomen met afwisselende bladeren,
enkelvoudig of zeer dikwijls drietallig of gevind; blaadjes
gaafrandig of gezaagd. Bloemen klein, in min of meer
samengestelde, okselstandigc en cindelingsche trossen.
Aantal soorten 113. (behalve eene menigte twijfelachtige en slecht
beschreven soorten, waarvan verscheidene waarschijnlijk niet in
de familie tehuis behooren) grootendeels in het buiten de keerkriii-
gen gelegen deel van het Noordelijk Halfrond voorkomende, doch
ook in grooten getale in Zuidelijk en tropisch Oost Afrika:
slechts weinige worden in tropisch Amerika en Australië aange-
troll\'en. In den Maleischen Archipel is het geslacht slechts verte*
genwoordigd dooi\' Rh. nodosa BI., Rh. succedanea L. ,var. (3. disco-
lor Hassk.
= Rh, ptibiger JU. en llli. retusa \'Aoll. = lilt. rufa
Teysm. el Winnend.
Eene variëteit der laatste soort, Rh. reiusa
\'Aoll. var. Blumei Emjl., vormde ISi.ime\'s geslacht Melanococca.
(M. tomentosa BI.), door Miquel tot de Diosmeuc {Rutaceae)
gebracht.
M. MBLANOCHYLA Hooi;, f.
Bloemen gemengdslachtig, 5-tallig, op een vleezigon,
breed napvormigen bloembodem. Kelk 5—1 O-lobbig, met
stompe lobben. Bloembladen 5, op den schijfrand inge-
plant, lederachtig, van binnen langharig, in den knop
klepswijze aaneensluitend. Meeldraden op den schijfrand
ingeplant; helmdraden vaak van onderen samenhangende
met de bloembladen; helmknoppen langwerpig-hartvormig,
ruggelings vastgehecht, naar binnen met langsspleten
openspringende. Eierstok in de mannelijke bloemen ont-
brekend, in de grootere, vrouwelijke, kogelvormig, op
den bodem van den napvormigen bloembodem zittend,
éenhokkig; eitje hangend, dicht bij den top van het hokje;
stijl kort, eindelingsch; stempels 3, van den vorm van
een klein knopje. Steenvrucht kort ei- of kogelvormig,
met eene zeer harsachtige middenlaag van den vrucht-
wahd en eene dikke, beenachtige binnenlaag, aan de
basis besloten binnen den, een weinig in omvang toe-
genomen bloembodem of binnen den top van den vrucht-
-ocr page 370-
310
XLI. ANACARDIACEAE.
steel. Zaad langwerpig, met vliezige zaadhuid; kiem zon-
der kiem wit, dik; zaadlobben plat-bol; kiemworteltje
naar boven gericht.
Boomen met dikwijls behaarde takken. Bladeren min
of meer lederachtig, lijn-lancetvormig, elliphisch of lang-
werpig, met talrijke, wijd uiteenstaande nerven, welke
dicht bij den rand zich naar boven richten en sterk uit het
bladmoes naar buiten treden, terwijl de dwars daartusschen
geplaatste nerven van den tweeden rang met de net-
vorinig verspreide aderen minder duidelijk te onderschei-
den zijn. Bloemen zittend of kort gesteeld, klein, de
vrouwelijke het grootst, aan meestal eindelingsche, zel-
den okselstandige pluimen, wier vertakkingen van den
derden rang meestal kort en min of meer behaard zijn.
Aantal soorten 4, voorkomende op Malakka, M. awjuslifolia
Hook.
/\'., M. autïculata Hook. f\'., M. Maingayi Honk. f. en M. tomen-
tosa Hook. f.
De laatste werd volgens ENGLER dooi\' ZOLLINOER op
Java aangetroffen. Deze soort niet te verwarren met MeUxnococca
tomentosq BI.
= lllms retusa lil. var |3. Binmei, welke door ENGLER
in zyne monographie bij vergissing als Melanocliyla tomenlosa BI.
geciteerd werd.
18. SEMEOABPUS L.f.
Bloemen gemengdslachtig of tweehuizig, 5- (zelden 3-)
tallig, de vrouwelijke en tweeslachtige meestal grooter
dan de mannelijke. Kelk napvormig, dikwijls kort 5-lob-
big of 5-spletig, zelden 5-deelig, met in den knop dak-
panswijze dekkende, later afvallende segmenten of slip-
pen. Bloembladen 5, zelden 3, eivormig of langwerpig-
eivormig, licht dakpanswijze dekkend in den knop.
Meeldraden onder de korte, ringvormige schijf ingeplant;
helmdraden draadvormig, bij de mannelijke bloemen
even lang als de bloembladen, bij de vrouwelijke twee-
maal korter; helmknoppen hartvormig, bewegelijk vast-
gehecht, met langsspleten openspringende. Eierstok bij
de mannelijke bloemen zeer rudimentair of geheel ont-
brekend, in de vrouwelijke afgeplat-kogelvormig, half
onder- of bovenstandig, éénhokkig; drie eindelingsche,
uiteengespreide stijlen, welke in knodsvormige stempels
overgaan; 1 eitje, aan een korten zaadstreng nederhangend,
van den top van het hokje. Steenvrucht kort eivormig,
min of meer sameugedrukt of omgekeerd hart- of nier-
-ocr page 371-
XLII. MORINGACEAE.                                 311
vormig, met eene dikke, harsachtige middenlaag van den
vruchtwand en eene korstachtige binnenlaag, zittende op den
verdikten, schijf- of tolvormigen top van den vruchtsteel,
gevormd uit de vereeniging van de vergroote as der bloem
met den vergrooten bloemsteel. Zaad hangend, in vorm
overeenkomend met het hokje; zaadhuid vliezig of min of
meer lederachtig; kiem zonder kiem wit, dik; zaadlobben
platbol, meestal gaafrandig; kiomworteltje kort, naar
boven gericht of zijdelings geplaatst.
Boomen. Jonge takken met dunne schors en dwarse,
elliptische, bladlitteekens, het (lichtst boblaclercl aan den
top. Bladeren afwisselend, enkelvoudig, vliezig of leder-
achtig, gaafrandig; bladsteel geheel of half rolrond, van
boven gevoord, aan do basis opgezwollen. Bloemen klein,
de vrouwelijke en tweeslachtige een weinig grooter dan
de mannelijke, zittend of kort gesteeld, in samengestelde
pluimen, waarvan de uiterste vertakkingen tros- aar- of
kluwenvormig zijn; de pluimen staan in de oksels van
bladeren of schutbladen en vormen zoo te samen eene
groote, eindelingsche pluim.
Aantal soorten 38, voornamelijk in tropisch Azië. Eenige weinige
soorten werden op de I\'hilippijnsche eilanden, in Cochincbina en in
Australië\' waargenomen; in Engolscli Imlië komen er 21 voor,
waarvan 14 op Ceylon, en een 10-tal werd in den Maleischen
Archipel aangetrollën.
Fam. XLII. MORINGACEAE.
Bentham et Hooker, Gen. Plant. I, p. 420. — IIooker, Ft. of
Brit. Ind.
II, p. 45.
Bloemen tweeslachtig, onregelmatig. Kelkbuis kort,
bekervormig; zoom 5-deelig, met ongeljjke, uitstaand-
teruggeslagen, bloembladachtige slippen, welke in den
knop elkander dakpanswijze dekken en, aan de basis
loslatende, afvallen. Bloembladen 5, op de kelkbladen
gelijkend, de bovenste het kleinst, de beide zijdelingsche
grooter, opgericht, het voorste zeer groot. Schijf de kelk-
buis bekleedend, met vrijen, korten rand. Meeldraden
op den schijfrand ingeplant, nedergebogen, 5 volkomen,
afwisselend met 5 zonder helmknoppen, welke soms tot
-ocr page 372-
312
XLII. MOMNGACEAE.
borstels vervormd zijn; helmdraden vrij, eenigszins dik;
hehnknoppen ruggelings vastgehecht, langwerpig, 1-hokkig,
van voren door eene langsspleet openend. Eierstok ge-
steeld, rolrond, langharig, gekromd, lancetvormig, 1-
hokkig, met 3 wandstandige zaadlijsten; stijl eindelingseh,
dun, rolrond, buisvormig met doorboorden, afgeknotten
top; eitjes talrijk, in 2 rijen aan de zaadlijsten bevestigd,
hangend, anatvoop, met buikstandigc zaadnerf. Doosvrucht
hauwvormig, gesnaveld, 3—6-zijdig, paarlsnoervormig,
1-liokkig, 3-kleppig, veelzadig; de kleppen dragen in
het midden de door sponsachtige schotten gescheiden
zaden. Zaden groot, eivormig, met 3 vleugels of onge-
vleugeld; vaatmerk en vleugels kurkachtig of vliezig;
kiem zonder kiemwit, orthotroop; zaadlobben amandel-
achtig;, kiemworteltje kort, naar boven gericht; pluimpje
veelbladig.
Ongewapende boomen, wier wortel een scherpen smaak
heeft en wier bast rijkelijk gom bevat. Bladeren afval-
lend, afwisselend, groot, 2—3-maal onevengevind, met
tegenoverstaande blaadjes. Steunblaadjes ontbrekend of
in den vorm van gesteelde kliertjes aan de basis van den
bladsteel en van de blaadjes. Bloemen groot, wit of rood, in
zachtharige, okselstandige pluimen. Doosvrucht langwerpig.
Eén geslacht, iu Noord Afrika en Zuid Azië voorkomende; ééne
soort wordt in alle warme streken der wereld gekweekt. Men heeft
deze plantengroep achtereenvolgens in de nabijheid der Resedaceac,
Capparidaceae
, Sapindaceae, Violaeeae, Polygalaceae, Ler/umino-
sae, Bignoniaceae
en andere geplaatst. In voorkomen hebben zij
veel van de Leguminosae, doch de vrucht toont de meeste over-
eenkomst met die der Viulaceae.
MOEINGA Jitss.
Kenmerken van het geslacht als die der familie:
Aantal soorten volgens HoOKER 3, waarvan 1, M. pterygospertna
daarin.,
in alle tropische landstreken gekweekt voorkomt. Volgens
Miquei. worden er echter in Nederlandsen Indiü 2 soorten gekweekt,
beide met gevleugelde zaden, waarvan de eene, M. pterygospertna
(inertit.,
driekantige bauwen en 5 meeldraden zonder helmknoppen
heeft, terwijl bij de andere, M. paiygona 1) C, de bauwen veel-
kantig zijn en alle meeldraden helmknoppen dragen. Door HoOKER
worden zij als synoniemen beschouwd.
-ocr page 373-
XLIII. CONNARACEAE.                                313
Fam. xliii. CONNARACEAE.
Bentham et Hookeb, Oen. Plant. I, p. 130. — Miquel, Fl. htd.
Hal. I, 2, p, 057, <:n Sumatra, p. 528. — Arm. Mus. Bot. Lugd. Hal.
III, p. 88.— HoüKKii, Fl. of Dr. Intl. II, p. 40.— Kin/. \'mJourn.of
As. Soc,
XXXIX, 2, p. 75.
Bloemen meestal tweeslachtig, regelmatig of min of
meer onregelmatig. Kelk 5-spletig of 4—5-deelig, dik-
wijls blijvend en de basis der vrucht omsluitend, in den
knop dakpanswijze dekkend of klepswijze aaneensluitend.
Bloembladen 5, lijnvormig-langwerpig, vrij of soms aan
de basis licht vergroeid, in den knop dakpanswijze dck-
kend, zeer zelden klepswijze aaneensluitend. Meeldraden
peri- of hypogynisch, 5 of 10, die, welke tegenover de
bloembladen staan, meestal korter dan de andere, niet
zelden onvolkomen; helmdraden draadvormig, aan de
basis dikwijls éénbroederig; helmknoppen kort, tweelob-
big \'), naar binnen openspringend, zelden na den bloei
naar buiten gekeerd. Schijf ontbrekend of dun, de basis
der meeldraden aan de buitenzijde omgevend, ringvormig
of onvolkomen. Vruchtbladen (vrije stampers) meestal 5,zol-
den 1—4,1-hokkig, kogelvormig, behaard ; stijlen priem- of
draadvormig; stempels knopvormig, enkelvoudig of 2-
lobbig; eitjes 2, naast elkander, klimmend van den bin-
nenhoek van het hokje, orthotroop. Meestal ééne doos-
vrucht, zelden 3—5, zittend of gesteeld, kokervrucht-
vormig, aan de buikzijde, zelden aan de rugzijde open-
springend, één-, zelden tweezadig. Zaad opgericht, met
of zonder zaadrok; zaadhuid dik, soms onder het midden
vleezig, zaadrokachtig; zaadrok vleezig, gekleurd, het
zaad geheel of ter halver hoogte omgevend of napvormig;
kiem of zonder kiemwit, met amandelvormige zaadlob-
ben of met een vleezig kiemwit en bladachtige zaadlob-
ben ; kiemworteltje naar boven gericht, zelden aan de
buikzijde geplaatst.
Boomen of opgerichte of klimmende heesters. Bladeren
blijvend of afvallend, afwisselend, zonder steunblaadjes,
\') Het woord Iweclóbbin gebruik ik als vertaling voor didymus, tot
aanwijzing van helmknoppen, die uit twee duidelijk gescheiden, doch
in het midden samenhangende, sterk gewelfde helften bestaan.
20
-ocr page 374-
314                                XLIII. CONNARACEAE.
1—3-tallig of onevengevind; blaadjes lederachtig, gaaf-
randig. Bloemen in trossen of pluimen. Doosvrucht van
binnen onbehaard of behaard.
Aantal soorten omtrent "140, tot de tropische 1 lichtstroken be-
hoorende, in Zuid Amerika en Zuid Azië in groote hoeveelheid
voorkomende, in tropisch Afrika niet zeldzaam; zij werden ook in
Mexico aangetroffen, doch ontbreken in het overige Noord Amerika
en evenzoo in Australië. Slechts ééne soort werd op de eilanden
van den Stillen Oceaan gevonden.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Tribus I. Connareae. Kelkslippen dakpanswijze dekkend. Zaden
zonder kiemwit.
•f Kelk de basis van de vruchten niet omgevend.
Vruchtbare stampers
3—5.
1.    Agei.aea. Kelk na den bloei niet vergroot. Meeldraden
5—10. Bladeren 3-tallig.
-J- t Kelk de basis of den steel van de vrucht omgevend.
Vruchtbare stamper
1.
2.  Rourea, Kelk na den bloei vergroot de basis der vrucht
omsluitend. Vrucht zittend. Zaad met een zaadrok.
3.   Roureopsis. Kelk na den bloei wel vergroot, doch de basis
der vrucht niet omsluitend, maar uitgespreid. Zaad zonder zaadrok.
4.   Connarus. Kelk na den bloei niet vergroot. Vrucht gesteeld.
Tribus II. Ciicstidcae. Kelkslippen klepswijze aaneensluitend.
Zaden met of zonder kiemwit.
-J- Kelk 5-deelig. Meeldraden 10, soms bij afwisseling korter of door
staminodiën vervangen.
5.   Cnestis. Bloembladen korter dan de kelk. Stampers 5,
zittend, waarvan 1 of 2 zich tot eene van binnen ruigharige
doosvrucht ontwikkelen. Meeldraden bijna gelijk.
6.   Triciioi.Obus. Bloembladen langer dan de kelk. Stamper 1.
Doosvrucht van binnen zachtharig, zittend. Meeldraden om den
anderen zeer kort, soms door staminodiën vervangen.
7.   Taen\'iociilaena. Bloembladen langer dan de kelk, verlengd-
lijnvormig. Stampers 5. Doosvrucht zachtharig, van binnen on-
behaard. Meeldraden 40, bij afwisseling langer en korter.
8.   El.Ml\'ANTHUs. Bloembladen langer dan de kelk, langwerpig-
lancetvormig. Stamper 1. Doosvrucht viltachtig, van binnen on-
behaard. Meeldraden 5, afwisselend met 5 staminodiën.
-j- Kelkbladen 3—5, vrij. Meeldraden 3—5. Geen staminodiën.
9.   Troostwijckia. Bloembladen langer dan de kelk. Stampers
meestal 4. Doosvrucht ruig, stekelig.
-ocr page 375-
XLIII. CONNARACEAE.                                315
Onvelkomen bekend geslacht.
•10. Notiiocnestis. Kokervrucht ongesteeld, met rudimentaire
tusschensehotten aan rug- en buiknaad. Zaadrok volkomen.
4. AG-ELAEA Soland.
Kelk 5-deelig, blijvend; slippen na den bloei niet ver-
groot, uitgespreid, in den knop dakpanswijze dekkend
of min of meer klepswijze aaneensluitend. Bloembladen
5, lancet- of lintvormig, vrij of tot aan het midden licht
samenhangend. Meeldraden 5, die vrij zijn, of 10, die of
aan de basis éénbroederig zijn, of vrij, met draadvor-
mige helmdraden. Schijf onduidelijk, half ringvormig of
ontbrekend. Stampers 3—5, sterk behaard, in priemvor-
mige stijlen verdund; stempels enkelvoudig of 2-lobbig.
Doosvruchten 1—2, fluweelachtig behaard, zittend of
kort gesteeld, dik iederachtig, van buiten met rimpels,
wratten of plaatjes bedekt. Zaad opgericht; zaadhuid
leder- of korstachtig, glanzend, van de basis tot boven
het midden vleezig en zaadrokvormig; kiemwit ontbrekend;
zaadlobben amandelachtig.
Boomen of heesters, opgericht of klimmend. Bladeren
afwisselend, drietallig; blaadjes breed eivormig, leder-
achtig. Bloemen klein, met viltachtig behaarden kelk, in
okselstandige, veelbloemige, vertakte pluimen.
Aantal soorten, volgens Bentham en HOOKER 9, waarvan 2 in
tropisch Azië, 3 in tropisch Afrika en de overige in Madagascar
voorkomen. In den Maleisehen Archipel komen slechts 2 soorten
voor, n. 1. A. veslita llook. f. met 5, en A. Wallichü Iluok. f. met 40
meeldraden. De eerste is dezelfde, welke HOOKER vroeger beschre-
ven had als zijn geslacht Hemiandrina (II. Borneensis llook. f.).
Ook meent deze dat zij synoniem is met MlQDEL\'s Troostwyckia
(T. singularis Mi(j.). Daar echter volgens Miquel het laatste ge-
slacht in den knop klepswijze aaneensluitende kelkbladen heeft, heb
ik dit in de volgende tribus gehouden. De tweede komt op Malakka
en Singapore voor en kan dus waarschijnlijk ook wel op Sumatra
gevonden worden.
2. ROUREA Aubl.
Kelk 5-deelig; slippen in den knop dakpanswijze dek-
kend, na den bloei in omvang toenemend en hard wor-
dend, de basis der vrucht nauw omsluitend. Bloembladen
5, langer dan de kelk, meestal lijnvormig-langwerpig.
-ocr page 376-
316                               XLIII. CONNARACEAE.
Meeldraden 10, bij afwisseling langer en korter; helm-
draden draadvormig, aan de basis tot een ring versmol-
ten; hclmknoppcn tweelobbig. Stampers 5, waarvan 4
meestal onvolkomen en stijlvormig zijn, doch 1 vrucht-
baar is en in een rechten, priemvormigen stijl, met
knopvormigen stempel eindigt. Doosvrucht zittend, ge-
kromd, aan de basis door den kelk omgeven, 1-zadig,
papierachtig. Zaad opgericht met een onvolkomen, van
voren gespleten zaadrok, welke even lang is als het zaad
of veel korter, met eene gladde, glanzende zaadhuid,
zonder kiemwit.
Kleine boomen of heesters, soms klimmende. Bladeren
afwisselend, altijd groen blijvend, lederachtig, oneven
gevind, dikwijls met kleine, veeljukkige, lederachtige
blaadjes. Veelbloemige, opgerichte of hangende, oksel-
standige pluimen. Bloemen klein, meestal aan dunne
stoeltjes. Doosvrucht klein.
Soorten omstreeks 42, de meeste in tropisch Azië en Amerika
on 4 in Afrika. Door MiQUEt. worden in zijne Flora 21 soorten
opgegeven, maar de conclusies volgende van Kirz in Joiirn. of As.
Soc.
XXXIX. 2, p. 70 en van IIoukkr in Fl. of Br. hul. It,p. 47
kan dit aantal tot 14 verminderd worden. Door BENTHAM en lloo-
kf.r werd hiertoe ook het volgende geslacht, Roureopsis Planch.,
getrokken.
3. ROUREOPSIS Planch.
Kelkbladen langwerpig, in den knop smal dakpans-
wijze dekkend, na den bloei eenigszins vergroot en uit-
gespreid, maar niet de basis van de doosvrucht omslui-
tend. Bloembladen lijnvormig-langwerpig. Meeldraden 10,
bij afwisseling langer en korter. Stampers 5; stijlen dun.
Doosvrucht lijnvormig-langwerpig, teruggebogen. Zaad
omgekeerd eivormig; zaadhuid dun, zwart, aan de basis
op een zaadrok gelijkend; zaadlobben amandelvormig.
Boomen of heesters. Bladeren afwisselend gevind, met
weinige blaadjes. Bloemen aan dunne bloemsteeltjes in
okselstandige pluimen.
Twee soorten, waarvan de eene, 7?. Javanira Planch., in den
Maleischen Archipel, de andere, R. pubinervis Planch., in Malakka
voorkomt, liet geslacht werd in BENTHAM en Hooker\'s Gen. Plant.
tot Rourea Aultl. getrokken, maar later in Hook. Fl. of Brit. Ind.
p. 50 daar weder van afgescheiden wegens het gemis van een zaadrok.
-ocr page 377-
317
XLIII. CONNARACEAE.
4. CONNARUS L.
Kelk 5-deelig; slippen in den knop dakpanswijze dek-
kend, na den bloei niet in omvang toenemend, afvallend
of blijvend en den steel der vrucht nauw omsluitend.
Bloembladen 5, grooter dan de kelk, soms min of meer
samenhangend. Meeldraden 5, om den anderen korter, de
kortste soms tot staminodiën verminderd; helmdraden
draadvormig, aan de basis éénbioederig; helmknoppen
tweelobbig. Schijf ontbrekend of dun, ringvormig, de
bases der helmdraden van buiten omgevend. Stampers 5,
4 meestal zeer klein of ontbrekend; de vijfde vruchtbaar en
in een priemvormigen stijl versmald; stempel knopvormig.
Doosvrucht schuin langwerpig, stomp, opgeblazen, ge-
steeld, dik lederachtig, aan den buiknaad openspringend,
éénzadig. Zaad opgericht, met een gelobden, onvolkomen
met den breeden navel vergroeiden zaadrok, met eene
glanzende zaadhuid en zonder kiem wit; zaadlobben aman-
delachtig.
Kleine boomen of heesters, dikwijls min of meer klim-
mende. Bladeren afwisselend, lederachtig, glanzend, on-
evengevind, zelden drietallig, met weinigjukkige blaadjes.
Bloemen klein, in okselstandige, vertakte meestal veel-
bloemige, stijve pluimen, zelden in trossen. Doosvruchten
groot.
Aantal soorten omstreeks 53, voor het grootste gedeelte in tro-
pisch Amerika en Azië, 7 in Afrika en 1 in de eilanden dor Stille
Zuidzee. Volgens MiQuEr. zijn er in Nederlandsen Indié\' en Malakka
19 soorten; dit aantal moet waarschijnlijk eenigszins gewijzigd
worden. Wanneer men Hooker\'s Flora of Br. Ind. met Miquel\'s
Flora vergelijkt en de dan niet bij het geslacht gerekende soorten
aftrekt komt men op 17, waarvan eenige nog zeer onvoldoende
bekend zijn. Kurz meent dat Conn. monocarpits Wight et Am.
tot het geslacht Rourea behoort, doch Hooker laat haar in het
geslacht Connarus. Deze soort werd door GaERTNER als een nieuw
geslacht Omphalobium (O. Indicum Gaertn.) beschreven en in D C.
Prod.
II, p. 85 vinden wij meerdere soorten met dien geslachtsnaam.
Hasskarl\'s geslacht Erythrostigma. vroeger door MlQUEL tot de
familie der Amyrideaa gebracht, verschilt volgens Bentham en
IlüüKER niet van Connarus.
5. ONESTIS Juss.
Bloemen gemengdslachtig-tweehuizig. Kelk 5-deelig; slip-
pen nagenoeg gelijk, in den knop klepswijze aaneensluitend,
-ocr page 378-
318
XLIII. CONNARACEAE.
onder de vrucht uitgespreid. Bloembladen 5, korter dan de
kelk, onbehaard. Meeldraden 10, nagenoeg gelijk; helm-
draden draadvormig, aan de basis vrij; helmknoppen ten
slotte teruggeslagen en naar buiten gericht. Stampers 5, zit-
tend; stijlen kort; stempels knopvormig. Doosvruchten 1—2,
langwerpig, nier- of eilindervormig en gekromd of golvend,
van buiten fluweelachtig, van binnen (dikwijls ook van
buiten) met brandbaren bekleed. Zaad zonder zaadrok; kiem
korter dan het vleezige kiem wit; zaadlobben bladachtig.
Vertakte heesters of kleine boomen. Bladeren oneven-
gevind ; blaadjes veeljukkig, regelmatig, langwerpig, met
spitsen top. Bloemen viltachtig behaard, aan okselstan-
dige bloemstengels of aan korte takken ontstaande, alleen
of in bundels of aan trossen, zelden in pluimen.
Omstreeks 10 soorten, in tropisch en Zuid Afrika, Madagascar
en tropisch Azië. In Nederlandsen Indië komt volgens MlQUEL geene
soort voor, doch volgens HOOKER moet eene plant van Sumatra,
door MlQUEL beschreven als eene soort van Rourea Aubl., (B.
dasyphylla Miq.),
als synoniem beschouwd worden van Cn. ramiflora
Griff. \'
C..TRICHOLOBUS BI.
Bloemen tweeslachtig. Kelk 5-deelig, klepswijze aan-
eensluitend in den knop. Bloembladen 5, veel grooter
dan de kelk, lijn-laneetvormig, klepswijze aaneensluitend
in den knop. Meeldraden 10, om den anderen korter; de
kortste soms tot staminodiën verminderd; helmdraden
priem-draadvormig, aan de basis éénbroederig. Eén zit-
tende, langharige stamper; stijl kort, draadvormig; stern-
pel breed. Doosvrucht zittend, lederachtig, omgekeerd
eivormig-langwerpig, zijdelings samengedrukt, van binnen
en van buiten met brandharen dicht bezet. Zaad aan de
basis met een kleinen, in het midden gespleten zaadrok
voorzien.
Boomen. Bladeren onevengevind, in de jeugd met eene
rossige wol dicht bezet; blaadjes langwerpig, toegespitst.
Bloemen klein, aan korte bloemsteeltjes met één schut-
blad, vereenigd tot eindelingsche, dicht met eene rossige
wol bezette pluimen. Doosvrucht groot.
Aantal soorten 3, waarvan 2 in den Maleischen Archipel, Tr.
fulvus BI.
en Tr. ferrugineus BI.; volgens Baillon komt in
Cochin China nog eene derde soort voor, Tr. Cochinchinensis Huilt.
-ocr page 379-
XLIII. CONNARACEAE.                                319
7. TAENIOOHLAENA Ilook. f.
Kelk aan de basis half bolvormig; slippen in den knop
klepswijze aaneensluitend, onder de vrucht teruggerold.
Bloembladen 5, veel langer dan de kelk, lang lintvormig,
onbehaard. Meeldraden 10, kort, om den anderen langer
en een weinig korter; helmdraden kort, afgeplat, aan de
basis ter nauwernood vergroeid ; helmknoppen een weinig
teruggebogen. Stampers 5, zittend; stijlen kort; stempels
schijfvormig. Doosvruchten 1—3, zittend, eivormig, min
of meer zijdelings samengedrukt, stomp, zachtharig, van
binnen geheel en al kaal. Zaad langwerpig aan de basis
met een aangegroeiden, in het midden gespleten zaadrok;
zaadhuid glanzend; zaadlobben amandelvormig.
Min of meer klimmende heester, met onbehaarde, rol-
ronde takken. Bladeren onevengevind, onbehaard; blaadjes
2-jukkig; bijna zittend, langwerpig, stomp, aan den top
2-lobbig, lederachtig, van boven glanzend, van onderen
geaderd. Bloemen gesteeld, aan okselstandige, viltachtige
pluimen, die korter zijn dan de bladeren.
Eéne soort in het Maleische schiereiland, Taen. Griffithii Ifciok. /\'.,
tot dusverre nog niet in Nederlandsen lndië aangetroffen. Volgens
Kurz in Joum. of As. Soc. XXXIX. 2, p. 70, zijn er behalve deze
nog twee soorten, Taen. Diepenhorstii Kurz en Taen. acutipetala
Kurz,
de eene door Miquei, als eene soort van Connarus, de
tweede als eene soort van Rourea beschreven en beide op Sumatra
voorkomende.
8. ELLIPANTHUS Hook. f.
Kelk 5-deelig, na den bloei niet in omvang toenemend,
min of meer opgericht, in den knop klepswijze aaneen-
sluitend. Bloembladen 5, langer dan de kelk, langwer-
pig-lancetvormig, zachtharig, dakpanswijze dekkend in
den knop. Meeldraden 5, afwisselend met evenveel kor-
tere staminodiën; helmdraden kort, priemvormig, aan de
basis tot eene ruwharige buis vergroeid. Eén stamper,
eivormig, stijf harig, in een korten stijl versmald; stem-
pel met kleine lobben. Doosvrucht gesteeld, fluweelachtig ,
van binnen onbehaard. Zaad met een zaadrok aan de basis,
zonder kiemwit; zaadlobben plat-bol.
Boomen of heesters. Bladeren kort gesteeld, éénbladig
gevind, langwerpig of lancetvormig, kaal of van onderen
-ocr page 380-
320                                XLIII. CONNARACEAE.
zacht viltachtig. Bloemen klein, in korte, okselstandige,
viltachtig behaarde trossen.
Aantal soorten 5, in Malakka en den Maleisehen Archipel. Het
geslacht komt bij MlQUEL niet voor, doch volgens HOOK. FL of Br.
Ind.
Il, p. 75, weiden twee soorten, EU. Helferi Hook. f. en EU.
Griffithii Hook.
/\'., op Borneo gevonden.
0. TROOSTWIJCKIA Miq.
Kelk uit 4, zelden uit 3—5 kelkbladen gevormd, kleps-
wijze aaneensluitend in den knop. Bloembladen 3—5,
langer dan de kelkbladen. Meeldraden 3—5; helmdraden
draadvormig, aan de basis vrij; helmhokjes min of meer
vrij, bolvormig, dwars openspringend. Stampers meestal
4, afwisselend met de meeldraden, elk met 2 eitjes;
stijlen teruggeslagen, aan den top een uitgeranden stern-
pel dragend. Eéne langwerpige, rimpelig stekelige, aan
de buikzij de openspringende, éénzadige kokervrucht.
Bladknoppen rosgeel-viltachtig. Bladeren drietallig;
blaadjes kort gesteeld, eivormig of elliptisch-langwerpig,
scherp toegespitst, van onderen viltachtig behaard, min
of meer 5-deelig-nervig. Bloemen gesteeld, aan kleine,
zijdelingsche, een weinig ruwharige pluimen. Kokervruch-
ten zachtharig.
Eéne soort, op Sumatra voorkomende en door Miquel Tr. sin-
gularis
genoemd. Door Kurz in Journ. of As. Soc. XXXIX. 2,
p. 76 wordt beweerd, dat deze plant synoniem is met Hooker\'s
soort van Hemiandrina (II. Bomcensis Hook. ƒ.), welke later
in Hook. Fl. of Br. Ind. II, p. 47 als eene soort van Agelaea
(A. vestita Hook. /\'.) wordt beschreven. Daar dit echter nog twij-
felachtig is, omdat Ie de authentieke exemplaren niet met elkander
vergeleken zijn, \'2e volgens Miquel Trooslivijckia een in den knop
kleps wijze aaneenslnitenden kelk en rolgens Hook er Hemiandrina
een dakpanswijze dekkenden kelk heeft, is het beter voorloopig de
geslachten gescheiden te houden.
10. NOTHOCNESTIS Miq.
Kelk kort, (uit 5 kelkbladen bestaande), bij de droge
exemplaren neergeslagen. Bloembladen onbekend. Schijf
ringvormig; aan de buitenzijde van deze zijn de 5 meel-
draden ingeplant. Eéne kokervrucht met rug- en buiknaad,
waaraan zich rudimentaire tusschenschotten aansluiten, aan
ééne zijde openbarstende; zaadlijst basilair, dik, wrat-
achtig. Zaad opgericht, de holte geheel vullend, eenigszins
-ocr page 381-
321
XLIV. LEGUMINOSAE.
zijdelings aan den top van de zaadlijst ingeplant; zaad-
rok volkomen, het geheele zaad omgevende; zaadhuid
papierachtig, glanzend, zwartpurper, met eene dunne
binnenlaag, die misschien als kiemwit beschouwd moet
worden.
Boom met afwisselende, enkelvoudige bladeren en ok-
selstandige, zittende aren.
Eéne onvolkomen bekende soort, door Bentham en Hooker ge-
heel buiten de familie gesloten en met eenigen twijfel tot de
Leyuminosae gebracht, doch volgens Miquel zeker tot de Conna-
raceae
behoorende.
Fam. xliv. LEGUMINOSAE.
Bentham et Hooker, Gen. Plant. I, p. 434.—Miquel, Fl. Ind.
Bat.
I, 1, p. 1 en Sumatra, p. 280(Mimoseaë), 1,1,p.55enp. 1078
en Sumatra, p. 285 (Papilionaceaë).— Ann. Mus. Bot. 111, p. 80.—
Schefeer, in Nat. Tijdschr. v. Ned. Indië, XXI, p. 18 en p. 357. —
XXXII, p. 412. — Bentham, Trans, of the Linn. Soc. XXX, 1875,
p. 335 (Mimoseaë). — Schekfer, Ann. de Buit. I, p. 17. — Baker
in Hooker, FL of Bi: Ind. II, p. 50. — Schumann in Kngler, Bot.
Jahrb.
IX, (1887) p. 201. — Beccari, Malesia, I, p. 169.
Bloemen of onregelmatig en dan meestal tweeslachtig,
óf regelmatig en dan meestal gemengdslachtig. Kelkbladen
bij de onregelmatige bloemen meestal 5, zelden 4, of tot
een getanden of gelobden kelk verbonden, of tot aan
de schijf vrij, in den knop dakpanswijze dekkend of
klepswijze aaneensluitend, waarbij er een naar onderen
gericht is; bij de regelmatige bloemen 5 of 4, zelden 3
of 6, tot een getanden kelk vergroeid of vrij. Bloem-
bladen bij de onregelmatige bloemen 5 of door misluk-
king minder, één naar boven gericht, bij de regelmatige
evenveel als kelkbladen. Meeldraden in het dubbele, zel-
den in hetzelfde aantal als de meeldraden of door mis-
lukking minder; in sommige geslachten oo, hypogynisch
of meestal ingeplant aan den rand van de schijf, die met
de kelkbasis vergroeid is, vrij of aan de basis of hoog
vergroeid; helmknoppen 2-hokkig, met evenwijdige hok-
jes en met eene langsspleet of zelden met eene einde-
lingsche porie openende. Eierstok 1-hokkig, bestaande
-ocr page 382-
322
XLIV. LEGUMINOSAE.
uit 1 excentrisch vruchtblad, zelden uit 2—5 vrucht-
bladen ; stijl enkelvoudig, cilindervormig, dikwijls omlaag
gevouwen; stempel eindelingsch of schuin, knopvormig;
eitjes oo , zelden 1, ingeplant aan den binnenhoek, die
naar het bovenste bloemblad is gericht, in 1 of 2 rijen
boven elkander, amphitroop of anatroop, dwars, klim-
mond of hangend, doch niet opgericht van af de basis
der holte. Vrucht eene peul, die droog, vleezig of zelden
steenvruchtachtig is en nu eens niet, dan weder met 2
kleppen openspringt en wel zoowel langs den boven- of
binnennaad (de aanheclitingsplaats der randen van het
vruchtblad) als langs den onder- of rugnaad (de midden-
nerf van het vruchtblad), zelden als eene kokervrucht
alleen langs den bovennaad; de peul is verder of éénhok-
kig en ongedeeld, of soms tusschen de zaden met cel-
weefsel of met een vruchtmoes gevuld, of door valsche
tusschenschotten dwars gedeeld. Zaden langs den boven-
naad om het andere aan de beide randen der kleppen
vastgehecht, zelden paarswijze tegenover elkander; zaad-
huid lederachtig of bijna beenhard, zelden dun, soms
dik of door een dun vlies omgeven; zaadstreng soms
vergroot tot een kleinen of dikvleezigen zaadrok, die ö-f
de basis van het zaad inneemt, of het zaad geheel om-
geeft en soms door eene geleding verbonden is met een
vleezig kiempropje, dat aan den navel is vastgehecht;
kiemwit meestal weinig of ontbrekend of in weinige ge-
slachten overvloedig en eenigszins kraakbeenachtig; zaad-
lobben plat, bladachtig of dikvleezig; kiemworteltje naar
boven, zelden naar onderen gericht, recht, schuin of om-
gebogen en tegen de zaadlobben aanliggend.
Boomen , heesters of kruiden. Bladeren met 2 steun-
blaadjes, afwisselend, zelden tegenovergesteld, hoogst
zelden enkelvoudig, meestal op verschillende wijzen
samengesteld, ofschoon het aantal der blaadjes soms tot
1 vermindert, niet zelden met steunblaadjes aan de blad-
spil ]); okselstandige of eindelingsche, bepaalde of onbe-
paalde bloeiwijzen. Schutbladen en schutblaadjes ontbre-
*) Steunblaadjes komen gewoonlijk voor aan de basis van het blad,
waar dit aan den stengel sluit. Soms, vooral in deze familie, vindt
men dergelijke blaadjes ook aan de basis der onderdeelen van de
-ocr page 383-
323
XLIV. LEGUMINOSAE.
ken slechts zelden, doch zijn soms klein en spoedig af-
vallend.
Aantal soorten omstreeks 0500, in alle werelddeelen en lueht-
streken wijd verspreid.
OVERZICHT DER TRIBUS.
Onderfamilie I. PAPILIONACEAE. Kelk voorbij de schijf buis- of
klokvormig vergroeid. Bloembladen dakpanswijze dekkend in den knop,
het bovenste (het vlagje) aan de buitenzijde. Kiemworteltje aanliggend
of zelden recht en zeer kort.
Tribus I. Genisteae. Heesters of kruiden. Bladeren enkelvoudig of
handvormig samengesteld met gaafrandige blaadjes, Bloemen in eind-
standige of tegenover de bladeren geplaatste trossen, óf alleen of tot
bundels vereenigd in de bladoksels. Meeldraden 10, één-, zelden twee-
broederig.
Tribus II. Trifolieae. Kruiden, zelden heesters. Bladeren vinvormig,
zelden handvormig, drietallig; aderen der blaadjes dikwijls in tandjes
uitloopende. Bloemen alleenstaande of in trossen, aan okselstandige
bloemstengels welke zelden tot een eindelingschen tros vereenigd zijn.
Meeldraden 10, t\\vee- of éénbroederig.
Tribus lil. Galegeae. Niet windende kruiden of opgerichte heesters,
zelden boomen of hoog klimmende heesters. Bladeren vinvormig 5-oo-,
zelden \',i—1-tallig; blaadjes meestal gaafrandig; bladsteel zonder rank.
Bloemen alleen of in trossen of pluimen. Meeldraden 10, tweebroe-
derig of, ingeval zij éénbroederig zijn, de naar het vlagje gekeerde
meeldraad aan de basis vrij. Peul tweekleppig of zelden niet open-
springend en dan klein en 1—2-zadig of vliezig opgeblazen.
Tribus IV. Hedysareae Kruiden en heesters, soms windend of
klimmend, zelden boomen. Meeldraden 10, waarvan nu eens 9 tot
aan het midden of hooger tot eene van boven of aan beide kanten
gespleten buis zijn vergroeid, terwijl de tiende naai\'het vlagje gekeerde
vrij is, dan weder alle tot eene van boven of aan weerskanten gespleten
buis zijn vergroeid, zelden alle vrij. Peul geleed.
Tribus V. Vicieae. Kruiden met evengevinde bladeren, wier bladspil
in een stekel of nog vaker in eene rank eindigen en.wier blaadjes
dikwijls aan den top getand zijn. Meeldraden meestal 10. waarvan 9
tot eene aan den bovenkant gespleten buis zijn vergroeid , terwijl de
tiende, naar het vlagje gerichte, vrij of met de overige min of meer
vergroeid is, zelden ontbreekt. Peul tweekleppig.
Tribus VI. Phaseoleae. Windende, zelden opgerichte kruiden, zelden
heesters, nog zeldzamer boomen. Bladeren vinvormig, zeer zelden
samengestelde bladeren. Wanneer van beide quaestie is, heb ik voor
de eerste, de slipulai; den naam gebruikt van steunblaadjes aan den
bladvoet
en de andere, de stipellae, met de uitdrukking steunblaadjes
aan de bladspil
of aan de bladjukhen aangewezen.
-ocr page 384-
324
XLIV. LEGUMINOSAE.
handvormig, 3-tallig of 1-, 5- of 7-tallig: blaadjes gaafrandig of gelobd,
dikwijls met steunblaadjes voorzien. Bloemen in trossen of bundels,
dikwijls aan okselstandige bloemstengels. Meeldraden tweebroederig
of min of meer éénbroederig, Peul tweekleppig.
Tribus VII. Dalbergieae. Hoornen of booge, rechte of boogklimmende
heesters. Bladeren vinvormig samengesteld met 5-oo blaadjes, zelden
met 3—1 blaadjes. Rlneiwijzen verschillend, dikwijls in pluimen of in
bundelswijze vereenigde trossen. Meeldraden één- of tweebroederig.
Peul boven den kelk uitstekend, niet openspringend, vliezig, leder-of
houtachtig of op eene steenvrucht gelijkend.
Tribus VIII. Sophoroae. Booinen of hooge, opgerichte of hoog
klimmende, zelden kleine of op kruiden gelijkende heesters. Bladeren
vinvormig samengesteld, met o-oo blaadjes, of met één zeer groot
blaadje, zelden met 3 blaadjes. Meeldraden 10, vrij.
Onderfamilie II. CAESALPINIEAE. Kelk tot aan de schijf verdeeld
of zelden hooger vergroeid. Bloembladen dakpanswijze dekkend in den
knop, het bovenste binnen de andere gelegen. Kiemworteltje recht of
zelden een weinig schuin. Meeldraden meestal vrij.
Tribus IX. Eucaosalpinieae. Bladeren alle of gedeeltelijk dubbelge-
vind. Steel van den eierstok vrij op den bodem van den kelk. Helm-
knoppen bewegelijk. Eierstok met oc , zelden met \\—2 eitjes.
Tribus X. Cassieae. Bladeren oneven- of evengevind. Steel van den
eierstok vrij op den bodem van den kelk. Helmknoppen met 2 poriën
of korte spleten, soms in de lengte openbarstend, opgericht, aan de
basis ingeplant en niet bewegelijk.
Tribus XI. Bauhinieac. Bladeren enkelvoudig, gaafrandig of tweelobbig
zelden uit 2 vrije blaadjes gevormd. Kelk boven de schijf vergroeid
of klepswijze gedeeld. Steel van den eierstok vrij of met de kelkbuis
vergroeid. Eierstok met 2-oo eitjes.
Tribus XII. Amherstieae. Bladeren evengevind, zelden onevengevind,
met 3-oo , zelden met 1 blaadje. Steel van den eierstok soms met den
schijfdragenden kelk vergroeid. Eierstok met 3-oo eitjes.
Tribus XIII. Cynometreae. Bladeren evengevind, met 2-oo blaadjes.
Eierstok met 1—2 eitjes. Bloemen meestal klein.
Onderfamilie III. MIMOSEAE. Bloemen regelmatig, klein. Kelk ver-
groeid, of klepswijze gedeeld. Bloembladen klepswijze aaneensluitend
in den knop, dikwijls onder het midden vergroeid. Meeldraden vrij of
éénbroederig.
Tribus XIV. Parkieae. Kelktanden kort, dakpanswijze dekkend in
den knop. Meeldraden in het dubbele aantal der bloembladen of in
hetzelfde aantal.
Tribus XV. Adenanthereae. Kelk klepswijze aaneensluitend in den knop.
Meeldraden in het dubbele aantal der bloembladen, zelden in hetzelfde
aantal. Helmknoppen met eene dikwijls gestoelde klier aan den top.
Tribus XVI. Eumimoseae. Kelk klepswijze aaneensluitend in den
knop. Meeldraden vrij, in hetzelfde aantal als de bloembladen of het
dubbele aantal. Helmknoppen zonder klieren.
-ocr page 385-
325
XLIV. LEGUMINOSAE.
Tribus XVII. Acacieae. Kelk klepswgze aaneensluitend in den knop.
Meeldraden oc, vrij.
Tribus XVIII. Ingeae. Kolk klepswijze aaneensluitend in den knop.
Meeldraden oc , éénbroederig.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Onderfamilio I. PAPILIONACEAE.
Bloemen onregelmatig, meestal tweeslachtig, zelden
min of meer regelmatig. Kelkblatlon gewoonlijk 5, voorbij
de schijf vergroeid tot een klok- of buisvorniigen kelk,
die afgeknot, 5-tandig of 5-lobbig, of, doordat de bovenste
2 tot aan den top vergroeid zijn, 4-tandig is, of zelden
vóór den bloei gaafrandig en gesloten en bij den bloei
schcdevormig of op verschillende wijzen gespleten is.
Bloembladen 5, in den knop dakpanswijze dekkend, op-
gericht, of zelden uitgespreid, het bovenste (het vlagje)
naar buiten gekeerd en vrij of aan de basis min of meer
met de meeldradenbuis vergroeid; de 2 zijdelingschc (de
vleugels) in het midden gelegen in den knop, nu eens
tijdens den bloei evenwijdig aan de onderste, vrij of in
het midden daarmede samenhangende, dan weder met
schuinen top of dwars op de onderste geplaatst; de beide
onderste, de binnenste in den knop, meestal evenwijdig
en met den top aan de buiten- of rugzijde tot eene ge-
kromde kiel vergroeid, zelden vrij en aan de vleugels
min of meer gelijk en uit elkander staande; zeer zelden
(onder de Indische geslachten slechts bij Inocxnjms) min
of meer gelijk, opgericht of uitgespreid. Meeldraden
evenals de bloembladen ingeplant op de schijf, die den
tol- of cilindervormigen, soms zeer korten bodem van
den kelk bekleedt, meestal ten getale van 10, zelden
door het mislukken van den hoogsten slechts 9 of, zoo zij
om den anderen mislukken, slechts 5; helmhokjes meestal
door langsspleten openend. Kiemworteltje meestal omge-
bogen, tegen den rand der zaadlobben aanliggend, bij
weinige geslachten kort en recht. Kiemwit meestal wei-
nig of ontbrekend. Bladeren enkelvoudig, of meestal vin-
of handvormig samengesteld.
Tribus I. (ïenis t Ofte. Heesters, zelden boomen of niet windende
kruiden. Steunblaadjes meestal vrij of weinig ontwikkeld of ontbrekend.
Bladeren enkelvoudig of handvormig samengesteld, met 3-oo blaadjes.
-ocr page 386-
326
XLIV. LEGUMINOSAE.
zelden mot 1 blaadje. Bloemen nu eens alleen of in bundels in de
bladoksels, dan weder in eindelingsche of tegenover de bladeren ge-
plaatste trossen of aren. Dloemkroon vlinderbloemvormig; vleugels
dikwijls dwars gerimpeld. Meeldraden éénbroederig; helmdraden aan
den top niet verbreed; helmdraad tegenover het vlagje zelden vrij,
van de helmknoppen meestal de eene helft langer en dan aan de
basis vastgehecht of weinig bewegelijk en de andere, daarmede af-
wisselend, korter en bewegelijk. Eierstok met 2-oo , zelden met 1 eitje.
Peul met twee kleppen, zelden niet openspringend en dan klein.
1.   Crotalaria. Meeldraden tot eene van boven gespleten buis
vergroeid. Zaden zonder kieinpropje. Stijl aan de binnenzijde gebaard.
(Inheemsch.)
2.   LUPINUS. Meeldraden tot eene gesloten buis vergroeid. Zaden
zonder kiempropje. Kelkzoom grooter dan de buis. Vleugels der
bloemkroon aan den top samenhangende. Stengels bebladerd, niet
biesaehtig. (In Indië alleen gekweekt).
3.   Spartilm. Meeldraden tot eene gesloten buis vergroeid. Zaden
zonder kiempropje. Kelkzoom kleiner dan de buis. Vleugels vrij.
Nagels der bloemkroon met de meeldradenbuis vergroeid. Sten-
gel bijna onbebladerd, biesaehtig. (In Indië alleen gekweekt.)
4.   Cytisus. Meeldraden tot eene gesloten buis vergroeid. Zaden
met een kiempropje. Kelkzoom kort. Vleugels der bloemkroon vrij.
Nagels der kiel niet met de meeldradenbuis vergroeid. (In Indië
alleen gekweekt.)
Tribus II. ïl\'ifblit\'ae. Kruiden, zelden heesters. Bladeren vin-
vormig, zelden handvorinig samengesteld, 3-bladig, zelden 5—7 of 1-
bladig. Nerven der blaadjes meestal in tandjes uitloopende. Steun-
blaadjes meestal met den bladsteel vergroeid. liloemstengels oksel-
standig, 1—oo-bloemig; zelden schijnt de bloeiwijze eindelingsch door
het niet ontwikkelen van den eindknop en het opeendringen van zeer
korte bloemstengels, waarbij de hoogste bladeren tot schutbladen
verkleind worden. Vlinderbloem; vleugels zonder dwarsplooien. Meel-
draad tegenover het vlagje zelden mot de overige tot eene gesloten
buis vergroeid. Helmdraden aan den top vaak verbreed. Helmknoppen
meestal éénvormig. Eierstok met 2-oo eitjes. Peul niet geleed, twee-
kleppig of klein en niet openspringend.
5.   Parochetus. Kiel scherp. Peul 2-kleppig. Bladeren 3-tallig.
6.   Trigonem.a. Kiel stomp. Peul recht, sikkel- of boogvormig,
nu eens dik en gesnaveld, dan eens lijnvormig, dan weder breed
en plat, niet- of kokervruchtvormig openspringend, zelden twee-
kleppig. Bladeren 3-bladig gevind. (In Indië alleen gekweekt.)
7.   Trifolium. Bloembladen meestal aan de vrucht verwelkend.
Nagels van het onderste of van alle met de meeldradenbuis ver-
groeid, zelden vrij. Kiel stomp. Peul meestal niet openspringend,
vliezig, in de kelkbuis of in de verwelkende kiel besloten. Bla-
deren 3-tallig, zelden 5—7-tallig, nog zeldzamer 3-bladig gevind.
(In Indië alleen gekweekt.)
-ocr page 387-
327
XLIV. LEGUMINOSAE.
Tribus III. CSalegene. Niet windende kruiden of heesters of zelden
boomen of hoogklimmende heesters. Bladeren oiieven- of evengevind:
bladspil zonder rank; blaadjes oo of zelden 3—1, meestal gaafrandig.
Meeldraden meestal "10, waarvan i) tut aan het midden of hooger tot
eene aan de bovenzijde gespleten of zelden in bet midden gesloten
buis vergroeid zijn en het tiende, naar het vlagje gewende, nu eens
van de basis af vrij is, dan weder in het midden, vooral bij het
begin van den bloei, met de overige is volgroeid, en zelden ontbreekt;
helmdraden draadvormig aan den top; helmknoppen bewegelijk, één-
vormig of zelden om den anderen een weinig grooter en deze dicht bij
de basis ingeplant. Peul niet geleed, tweekleppig of, zoo zij niet
openspringt, meestal klein, 1—2-zadig of vliezig opgeblazen. Zaden
zelden met een kiempropje.
-J- Eitjes 1—2. Peul e\'énzadig. Helmknoppen stomp.
8.   Psorai.ia. Klierachtig gestippelde kruiden of heesters. Zaad
met den vruchtwand min of meer vergroeid.
•J-J- Ettjes 2—oo . Peul 2-oo -zadig. Helmknoppen stomp of niet.
§ Helmknoppen met een Miertje of slekeltje aan den top. Haren op
de bladeren in liet midden vastgehecht.
9.   Indigofera. Meestal niet klierachtig gestippelde kruiden
of heesters. Peul zelden 1—2-, meestal oo-zadig.
§§ Helmknoppen slomp. Haren aan de basis vastgehecht.
1. Bloeiwijze eindelingsch of tegenover de bladeren,
zelden in de hoogste bladoksels.
10.   Tepmrosia. Meeldraad tegenover het vlagje aan de basis
vrij, in het midden met de overige vergroeid. Kleppen van do
peul dun, samengedrukt. Blaadjes evenwijdig gestreept, zelden
netvormig vinnervig.
11.    Milletia. Meeldraad tegenover het vlagje geheel vrij,
zelden in het midden met de overige vergroeid. Kleppen van de
peul dik, lederachtig, meestal laat openspringend. Blaadjes net-
vormig vinnervig.
2. Bloeiwijze okselslandig.
12.   Robinia. Stijl niet gebaard. Peul éénhokkig, langwerpig,
langs den bovennaad gevleugeld. (In Indië alleen gekweekt.)
13.   SESBANIA. Stijl niet gebaard. Peul door dwarse tussehen-
schotten veelhokkig, al of niet gevleugeld, langwerpig.
14.   COLUTEA. Stijl gebaard. Peul éénhokkig, vliezig, opgebla-
zen. (In Indie alleen gekweekt.)
15.   Astraoalus. Stijl niet gebaard. Peul zelden langwerpig,
meestal ei- of kogelvormig en door een van den rugnaad uit-
gaand en geheel of gedeeltelijk tot de andere zijde uitgestrekt
vlies min of meer volkomen tweehokkig.
Tribus IV. Hedysareae. Kruiden, half heesters of heesters,
soms windend of klimmend, zelden boomen. Bladeren onever— of zelden
evengevind; met eene bladspil zonder rank, en meestal 3-oo blaadjes.
-ocr page 388-
328
XLIV. LEGüMINOSAB.
zelden handvormig samengesteld met 3—4 blaadjes of 1 blaadje of
enkelvoudig. Meeldraden "10, waarvan nu eens !) tot aan het midden
of hooger tot eene aan de bovenzijde gespleten buis zijn vergroeid,
terwijl de tiende of naar liet vlagje gekeerde vrij is, dan weder alle
in eene aan de bovenzijde of aan beide kanten gespleten buis zijn
vergroeid on die zelden alle vrij zijn; helmdraden aan den top vrij,
draadvormig of van boven verbreed; helmknoppen éénvormig en bc-
wegelijk of zelden om den anderen grooter en aan de basis vastge-
hecht. Peul verdeeld in 1-zadige, gesloten, niet openspringende of
zelden aan den ondernaad openspringende, bij rijpheid gewoonlijk el-
kandi\'i\' loslatende leden, zeer zelden door mislukking slechts uit één
lid bestaande, of van den beginne af 1-zadig. Zaden uiterst zelden
met een kiempropjo.
Subtribus I. Euhedysareae. Sterk vertakte kruiden, half heesters
of heesters. liladeren onevengevind. Steunblaadjes meestal vliezig: geen
steunblaadjes aan de bladjukken. Bloemen okselstandig, in trossen of
aren. Bloembladen dikwijls om de vrucht verwelkend, blijvend; vleu-
gels kort, zelden even lang als de kiel; deze vaak aan den top schuin
afgeknot. Naar het vlagje gekeerde meeldraad vrij of in het midden
met de overige vergroeid; helmdraden draadvormig. Stijl van boven
met de meeldraden dikwijls in een scherpen hoek omlaag geslagen.
16.   HeDYSARUM. Leden der peul <x>, zelden 2, bij rijpheid
elkander loslatend. Naar het vlagje gekeerde helmdraad vrij.
Subtribus 2. Aeschynomeneae Kruiden, half heesters of heesters.
Bladoren gevind; blaadjes x. , zelden 1—3; geen steunblaadjes tus-
schen de bladjukken. Bloemen in okselstandige, weinigbloemige tros-
sen, zelden in bundels of bijschei uien. Kiel stomp of gesnaveld, aan
de riigzijde omgebogen. Vleugels dikwijls dwars geplooid. Meeldraden
vergroeid tot eene van boven gespleten buis of, (bij de geslachten van
den Indischen Archipel), in 2 bundels; tegenover het vlagje geplaatste
meeldraad zelden vrij. Stijl draadvormig.
17.   Ormocaupum. Ilooge heesters. Eierstok zittend. Peul recht;
leden langwerpig, langsgestreept.
18.   Apischynomene. Kruiden, zelden heestors. Eierstok gestoeld.
Peul recht; leden vierkant of half bolvormig, glad of gerimpeld.
19.   Smithia. Kruiden of heesters. Eierstok zittend of gesteeld.
Peul samengeplooid binnen den kelk verborgen.
Subtribus 3. Stylosantheae Kruiden of halfheesters, meestal kle-
verig behaard. Bladeren met weinige blaadjes, zonder steunblaadjes
aan de jukken. Bloemen in aren of hoofdjes, (of zelden in trossen),
die eindstandig of aan een weinig ontwikkelden bloeitak okselstandig
zijn. Schutbladen nu eens gevormd uit 1 blaadje met twee steun-
blaadjes, dan weder, wanneer alleen de steunblaadjes zich ontwikkelen,
9-tandig- of -spletig of door 2 vrije steunblaadjes vervangen. Meel-
dradeu tot eene gesloten buis vergroeid, om den anderen langer en dan
aan de basis vastgehecht of korter en bewegelijk.
20.   Styi.osanthes. Kelkbuis lang, steel- of draadvormig; 4
bovenste lobben van den zoom vergroeid, de onderste vrij. Bla-
-ocr page 389-
329
XLIV. LEGUMINOSAE.
deren vinvoimig 3-tallig. Aren eind- of okselstandig, langwerpig
of bolvormig, niet (lichte, zelden ver niteenstaande bloemen.
31. Auaciiis. Kelkbnis lang, draadvormig: de 4 bovenste lobben
vergroeid, de onderste vrij. liladeren vinvoimig 3—i-tallig. Aren
zittend, okselstandig. liloeml)odein onder de vrucht verlengd,
teruggebogen en de peul onder den grond doende rijpen.
22.   ZoiiMA. Zijlobben van den vliezigen kelk klein; kelkbnis niet
verlengd. Bladeren handvormig, 2—4-tallig. Iiloemen in afgebro-
ken aren. Schutbladen 2, steunbhidvormig, vrij, kruidachtig of
geaderd. Bloembodem na den bloei niet verlengd.
Subtribus 4. Desmodieae. Kruiden, zelden vrindend of half heesters,
of heesters, nog zeldzamer hoornen. liladeren 3-bladig, zelden 1-
bladig gevind; het eindblaadje met 2, tle zijblaadjes ieder met 1
steunblaadje, zelden 5—7-bladig. Stemiblaadjes aan den bladvoet
dikwijls gestreept. Bloemen 2 aan 2 langs de bladspil, zelden in bun-
dels of afzonderlijk; trossen eindelingsch en dikwijls tevens oksel-
standig. Vlagje aan de basis dikwijls versmald; vleugels even lang
als de kiel of langer en meestal dicht bij de basis aan deze vastge-
hecht. Meeldraad tegenover liet rlagje vrij of met de overige van de
basis af vergroeid.
•f Eierstok met 2—oc eitjes. Leden der peul plat, niet openspringend
of zelden aan den ondernaad openbarstend.
23.   DESMODIUM. I.eden der j)eul verschillend van vorm. Trossen
eindelingsch of zelden min of meer okselstandig, enkelvoudig of
tot pluimen vereenigd. Kruiden of heesters, zelden boomachtig.
24.  Mecopus. Peul 2-ledig, aan een langen steel naast de spil
van den tros op den neergebogen top van den bloemsteel gezeten
en door klauwnagel- of priemvormige schutbladen omgeven.
-J--J- Eierstok met oc eitjes. Peul niet geleed, 1-kleppig, dwars geaderd.
25.  Pskudartiua. Peul plat.
26.   Pycnospoka. Peul gezwollen.
-J—J—1- Eierstok met 2-oo eitjes. Leden der peul om het andere op
elkander gevouwen, binnen den kelk teruggetrokken.
27.   Uharia. Kelkbuis kort, na den bloei niet vergroot; kelk-
lobben priem of borstelvormig.
28.  Loukea. Kelk wijd klokvormig, na den bloei vergroot;
Kelklobben kort of breed.
Tftt Eierstok met 2-oo eitjes. Peul dik, niet openspringend.
29.  Alysicarpus. Kelk diep gedeeld, min of meer kaf bladai h-
tig. Bladeren meestal uit één blaadje bestaande.
11 | | | Eierstok met i eitje. Peul met i zaadje.
30.   Piiyi.acium. Vlagje aan de basis met neergebogen oortjes.
Eierstok door eene napvormige schijf omgeven. Windend kruid.
Bladeren drietallig, met steunblaadjes aan den voet der blaadjes.
Sommige schutbladen na den bloei sterk vergroot.
21
-ocr page 390-
330
XLIV. LEGUMINOSAE.
31.   LESPEDEZA. Vlagje niet geoord. Eierstok niet door eene
schijf omgeven. Kruiden of heesters. Bladeren drietallig, zonder
steunblaadjes aan den voet der blaadjes. Schutbladen klein.
Tribus V. Vïcieae. Lage of klimmende kruiden. Bladeren dik-
wijls evengovind; bladspil eindigende in een rank of borstel, zelden
onevengevind of enkelvoudig, op een stengel gelijkend; blaadjes gaaf-
randig of getand, zonder steunblaadjes aan de bladspil. Steunblaadjes
aan den bladvoet bladachtig, schuin of halfpijlvormig. liloemen alleen
of tot trossen vereenigd in de bladoksels. Meeldraden meestal 10,
waarvan 0 vergroeid zijn tot eene van boven gespleten buis, terwijl
de tiende, naar liet vlagje gekeerde, vrij of met de overige min of
meer vergroeid is en zelden ontbreekt; helmknoppen éénvormig, be-
wegelijk. Eitjes 2-a> . Peul 2-kleppig. Zaadstreng dikwijls boven den
navel uitgebreid; zaadlobben dik, bij do kiem vleezig en onder den
grond blijvend.
32.   Eatiiyrus. Meeldraden 10. Stijl van binnen gebaard. (In
Inclië alleen gekweekt.)
33.   Aimus. Meeldraden 9. Stijl niet van binnen gebaard. (In
Indië inheeinsch en gekweekt.)
Tribus VI. Pliaseoleae. Windende of neerliggende, zelden op-
gerichte kruiden of heesters, zeer zelden boomen. liladeren 3-bladig
gevind, zelden uit 1-, 5- of 7 blaadjes bestaande; blaadjes gaafrandig
of gelobd, zelden met steunblaadjes aan de bladspil. Bloemen in bun-
dels, twee aan twee of zelden afzonderlijk, langs de spil van oksel-
standige trossen. Schutbladen nu eens blijvend , twee tegenover elkan-
der staande (vervormde steunblaadjes), dan weder spoedig afvallend.
Meeldraden alle tot eene buis vergroeid of meestal die, welke tegenover
het vlagje geplaatst is, min of meer vrij ; helmdraden alle bewegelijk
of om den anderen langer en deze aan de basis vastgehecht. Peul
tweekleppig. Zaadlobben dik, bij de kieming meestal boven den
grond komende; kiem worteltje gebogen. Voor zoover dit bekend is
zijn de eerste bladeren tegenovergesteld.
Subtribus 1, Glycineae. Bloemen tot bundels vereenigd in de blad-
oksels of twee aan twee of afzonderlijk langs de niet knoopachtig
verdikte spil van een tros, Vlagje zonder aanhangsel of in de klein-
bloemige geslachten met een aanhangsel aan de een weinig naar
binnen gebogen randen. Meeldraad tegenover het vlagje vrij of van de
basis af met de overige vergroeid. Stijl (met uitzondering van dien
van Clitoria) ongebaard.
•j* Schutbladen blijvend. Vlagje groot\', uitgespreid. Bloemen groot.
34.   Ci.rroitlA. Kelkbuis cilindrisch, langer dan de kelklobben.
Vlagje aan de basis versmald. Stijl meestal gebaard.
-J--J- Schutbladen blijvend. Vlagje opgericht, samengevomvcn,
niet dikwijls teruggebogen randen. Bloemen van
middelbare grootte.
3r>. Dumasia. Kelkbuis cilindrisch; zoom schuin afgeknot. Stijl
in het luidden uitgezet. Bloemen in trossen.
-ocr page 391-
331
XLIV. LEGUMIJfOSAE.
-J-J-J- Schutbladen blijvend of klein, afvallend. Vlagje uitstaande of
teruggeslagen. Bloemen klein.
36.   Siiijteria. Do twee bovenste kelklobben of -tanden geheel
vergroeid. Meeldraad tegenover het vlagje van den beginne af
vrij. Ilelmknoppon éénvormig. Schutbladen blijvend, gestreept.
37.   Glycine. De twee bovenste kelklobben of «tanden tot het
midden of hooger vergroeid. Meeldraden bij bet begin van den
bloei éénbroederig, die tegenover het vlagje ten slotte vrij. Helm-
knoppen éénvormig. Schutbladen klein, afvallend.
38.   Teramnus. De twee bovenste kelklobben of-tanden tot het
midden of hooger vergroeid. Meeldraden éénbroederig. Helmknop-
pen om den anderen onvruchtbaar.
Subtribus 2. Erythrineae. Trossen met knoopaehtig verdikte spil.
Bloemen groot. Vlagje nu eens zeer groot, terwijl de vleugels zeer klein
of ten minste korter dan de kiel zijn , dan weder is het vlagje kor-
ter dan de spitse of slakkenhuisvormig opgerolde kiel Stijl ongebaard.
Schutbladen dikwijls klein of afvallend.
39.   Krytiirina. Vlagje zeer groot. Vleugels kort, soms zeer
klein of ontbrekend. Kiel klein, soms uit vrije, soms uit ver-
groeide bloembladen bestaande. Helmknoppen gelijk. Rechtop-
staande boomen of heesters. Peul veelzadig, gesteeld, zonder
brand haren.
40.   Muci\'NA. Vlagje kleiner dan de vleugels. Kiel spits, dik-
wijls kraakbeenachtig aan den top, nooit uit vrije bloembladen
bestaande. Helmknoppen om den anderen langer, aan de basis
vastgehecht en korter, bewegelijk. Peul ongesteeld, met weinige
zaden, dikwijls met brandbaren. Kruiden of heesters, meestal
windende, zeer zelden opgericht.
41.   Butea. Vlagje spits, even groot als de spitse, niet uit vrije
bloembladen gevormde kiel. Helmknoppen éénvormig. Peul aan
de basis plat, niet openspringend en ledig, aan den top éénzadig
en openspringend. Geen brandbaren. Boomen of hoog klimmende
heesters.
Subtribus 3. Galactieae. Trossen met knoopaehtig verdikte spil,
zelden breede pluimen; schutbladen klein of spoedig afvallend. Kelk
dikwijls 4-lobbig (de beide bovenste kelkbladen geheel vergroeid).
Meeldraad tegenover het vlagje vrij. Stijl ongebaard.
42.   Spatholobus. Bovenste kelklob 2-tandig of -spletig. Peul
aan de basis ledig en plat, op den top dik en éénzadig. Bloemen
klein, in groote pluimen.
43.   Gai.aotia. Kelklobben alle vier gaafrandig en spits. Peul
lijnvormig of langwerpig, tweekleppig. Bloemen van middelbare
grootte of zeer groot, tot trossen of bundels vereenigd, in de
bladoksels.
Subtribus 4. Dioclieae. Trossen met knoopaehtig verdikte spil;
schutbladen klein of afvallend. Kelk dikwijls 4-lohbig (de 2 bovenste
kelkbladen tot één vergroeid), zelden ongelijk, 2-lippig. Meeldraad
-ocr page 392-
332
XLIV. LEGUMINOSAE.
tegenover het vlagje onder aan de basis vrij, doch hooger met de
overige tot eene gesloten buis vergroeid. Stijl ongebaard.
44.   Dioci.ea. Kelk klokvormig. Vlagje cirkelrond of eivormig.
Peul breed; bovennaad dik of 2-vleugelig. Bloemen van middel-
bare grootte.
45.   Pderaria. Kelk klokvormig. Vlagje cirkelrond of eivormig.
Peul lijnvormig, smal of plat. Bloemen klein of van middelbare
grootte.
40. CANAVALIA. Bovenste kelklob zeer groot, gaafrandig, 2-lob-
big of 2-deelig, de onderste zeer klein. Bovennaad der peul dik
of \'2-vleugelig. Bloemen van middelbare grootte of zeer groot.
Subtribus 5. Euphaseoleae. Trossen met knoopaehtig verdikte spil;
schutbladen klein of afvallend. Kiel stomp of lang gesnaveld of spi-
raalvormig opgerold. Meeldraad tegenover het vlagje vrij, (bij Psoplio-
carpus met de overige vergroeid.) Stijl van boven aan de binnenzijde
gebaard, zelden alleen om den stempel behaard.
-j- Kiel spiranlvornüg.
47.   Piiaseolüs. Bovenste kelklobben, of alle, korter dan de
buis. Stempel aan de binnenzijde van den stijl zeer schuin of
onder den top geplaatst. Navel der zaden langwerpig of kort
lijnvormig.
ff Kiel stomp of boogvormig gesnaveld.
48.  Vigna. Alle kenmerken van Phaseolus, doch do kiel niet
gesnaveld of met een schuinen, sterk gebogen snavel, welke
echter geen spiraal vormt. Peul veelzadig.
49.  Voandzeia. Peul onder den grond rijp wordend, min of
meer bolvormig, 1-zadig. Overige kenmerken als van Vigna.
50.  PachYRHIZUS. Stijl aan den top afgeplat; stempel min of
meer bolvormig en aan de biniienvlakte geplaatst. Peul tusschen
de zaden dwars gestreept, veelzadig.
54. Psopiiocarpus. Stempel eindelingsch, min of meer bolvor-
mig, dicht penseelvormig behaard. Peul in delengte 4-vleugelig,
veelzadig.
52.   Douchos. Stijl aan den top draad- of priemvormig; stom-
pel klein, eindelingsch. Peul naald-, sikkel* of lijnvormig, dikwijls
met dikke naden en platte of bolle kleppen, veelzadig.
Subtribus 0. Cajaneae. Bloemen aan trossen met eene niet knoop-
achtig verdikte spil of min of meer schermswijs vereenigd, of alleen
staand; schutbladen meestal vliezig en spoedig afvallend ; sehutblaadjes
ontbrekend. Naar het vlagje gekeerde meeldraad vrij. Stijl ongebaard;
stempels eindelingsch. Bladeren tenminste aan de ondervlakte met
harsachtige stippels. Steunblaadjes aan de bladspil klein, borstelvor-
mig of ontbrekend.
f Eitjes 4-oc .
53.   Cajanus. Peul samengedrukt, met eene spits voorzien en
met schuine, ingedrukte strepen tusschen de zaden. Zaden zonder
kiempropje.
-ocr page 393-
333
XLIV. LEGUMIN08AE.
54.   Dlxbahia. Peul plat-samengedrukt, moestal sikkelvormig,
toegespitst; geen indruksels tusschen de /aden. Zaden zonder
kiempropje.
55.   ATTLOSIA. Peul samengedrukt, stomp, met dwarse in-
druksels of stropen tusschen de zaden. Zaden met een kiempropje.
ff Eitjes 2, telden 3.
56.   RHYNCH08IA. l\'onl samengedrukt; navel van het zaad even-
wijdig aan don vrnclitnaad. Zaadstreng in het centrum. Zaden
met of zonder kiempropje.
57.   Erioseha. Peul samengedrukt. Zaadstreng aan hot einde
van den lijnvormigcn navol vastgehecht. Zaden schuin en dwars
geplaatst, zonder kiempropje. Ylagje dikwijls zijdeachtig bebaard.
58.   FleüINOIA. l\'onl gezwollen. Zaden zonder kiempropje. Blade-
ren 1-—3-tallig. Schutbladen soms zeer groot.
Tribus VII. Dalbei\'gieae. Boomen, rechte of hoogklimmende
heesters. Bladeren gevind. 5-oc-hladig, zelden 3- of 1-bladig, meestal
zonder steunblaadjos aan de hlailspil. Blooiwijzen verschillend, uit plui-
men of uit tot bundels vereenigdo trossen of uit bijschol men bestaande.
Meeldrailen óf allo tot eene gaafrandige of aan de bovenzijde gesple-
ten buis of, door dat deze aan beide kanton gespleten is, in twee
bundels vergroeid, bf de naar hot vlagje gekeerde meeldraad is vrij;
hehnknoppon meestal éénvormig. Peul langer dan de kelk, vliezig,
leder-, hout of steenvruchtachtig, niet openspringend.
Subtribus 1. PteroCarpeae. Bladeren afwisselend, gevind, l\'onl niet
steenvruchtachtig. Zaden meestal dwars of aan oen zijdelingschen
navel bevestigd, niet hangend.
59.  OalbBRQIA. Peul langwerpig of lijnvormig, plat, dun of bij
do zaden verdikt, zelden kort, sikkelvormig en van alle kanten
dik, maar glad. Holmknoppen klein, opgericht, tweolobbig met
ruggelings aangehechte helmhokjes, welke alleen aan den top
over eene kleine uitgestrektheid, zelden geheel en al, in de lengte
openbarsten.
60.   Pterocarpi\'S. Peul min of meer cirkelvormig of breed-
langwerpig, in het midden 1—2 zaden dragend en aldaar soms
verdikt, maar daar om heen vleugelvormig verdund.
Subtribus 2. Lonchocarpeae. TSlaadjes tegenovergesteld zonder steun-
blaadjes aan de bladspil. Peul niet steenvruchtachtig. Zaden dwars of
met een zijdelingschen navel vastgehecht, niet hangend. (Bij de In-
dische geslachten zijn de vleugels vastgehecht aan de kiel en is de
meeldradenbuis meestal van het midden af vergroeid, maar aan de
basis, waar de naar het vlagje gekeerde meeldraad vrij is, gespleten.
Slechts bij eenige weinige soorten van Derris is het vlagje over zijne
geheele lengte vrij.)
61.   Derris. Peul plat-samengedrukt, vliezig, lederachtig o
hard ; bovennaad of beide naden gevleugeld.
62.   Ponoamia. Peul samengedrukt, kort, dik, ongevleugeld,
glad, met stompe naden.
-ocr page 394-
334
XLIV. LEGUMINOSAE.
Subtribus 3. Geoffraeeae. Bladeren gevind of enkelvoudig. Vleugels
vrij. Blaadjes der kiel vrij of vergroeid. Peul éénzadig, niet open-
springend of tweekleppig. Zaad 1 , hangend.
63.   Euchuksta. Kelk afgeknot, ter nauwernood getand. Vlagje
smal. Blaadjes der kiel vergroeid. Peul kort, gezwollen, met een
dunnen vrucht wand. Bladeren gevind, niet openspringend.
64.   INOCARPUS. Kelk nauw buisvormig, aan den top 2—5-
tandig. Bloembladen lijnvormig, min of meer gelijk, aan de basis
soms vergroeid. Peul tweekleppig. Bladeren enkelvoudig.
Tribus VIII. Soplioroao. Boomen of hooge heesters. Bladeren
gevind. Vlinderbloem. Meeldraden 10, vrij of ter nauwernood aan de
basis vergroeid. Peul niet geleed, niet of met 2 kleppen openspringend.
Kiemworteltje recht, gekromd of omgebogen.
65.   Sopiioka. Peul dik of bijna rolrond of 4-vleugelig, paarl-
snoervormig, niet of laat 2-kleppig openspringend. Boomen,
heesters of kruiden. Stijl klein, eindelingseh. Eierstok kort gesteeld.
66.   Ormosia. Peul samengedrukt, dik lederachtig, 2-kleppig,
ongevleugeld. Stijl aan den top ingerold, aan de binnenzijde, dus
niet aan den top, stempeldragend. Eierstok nagenoeg zittend.
Onderfamilie II. CAESALPINIEAE.
Bloemen onregelmatig, zelden regelmatig, 5-tallig of
zelden 4-tallig. Kelkbladen 5, of door de vergroeiing van
de 2 bovenste 4, óf vrij tot aan de schijf, welke den
korten of hoogen kelkbodem geheel bekleedt, of slechts
zeer kort is, of zeldzamer tot een gelobden zoom verbon-
den, in den knop dakpanswijze dekkend of klepswijze
aaneensluitend. Bloembladen 5, of door mislukking min-
der, zelden ontbrekend, het hoogste de binnenste plaats
bekleedend in den knop, de overige op verschillende
wijzen dakpanswijze dekkend. Meeldraden 10, of door
mislukking minder, zelden oo, vrij of zelden eenige of
alle kort of hoog vergroeid; helmknoppen verschillend.
Eierstok vrij of met een steel voorzien, die met de schijf-
dragende kelkbuis min of meer vergroeid is. Zaden ver-
schillend; kiemwit weinig of ontbrekend. Kiemworteltje
recht of zelden een weinig schuin, binnen de holte tus-
schen de beide zaadlobben besloten of er een weinig
buiten uitstekend.
Boomen of heesters of zelden kruiden. Bladeren gevind
of dubbelgevind, met één- tot oo-jukkige blaadjes of vin-
nen, zelden enkelvoudig of 1-bladig gevind; steunblaad-
jes aan de bladspil niet aanwezig of zeer klein. Bloemen
-ocr page 395-
335
XLIV. LEGUMIN08AE.
verschillend, soms zeer groot, soms klein. in trossen,
zelden in bijschermen, zeer zelden in aren; trossen in de
bladoksels, zijdelings geplaatst of tot pluimen vereenigd
op de toppen der takken.
Tribus IX. Kncacsalpinieae. Bladeren alle gevind of melden
de meeste enkelgevind en eenige andere hier en daar diibbelgevind.
Kelkslippen tot aan de schijf vrij. Bloembladen 5, weinig in vorm
en grootte verschillend. Helmknoppen bewegelijk. Kierstok of eierstok-
steel vrij op den bodem van den kelk. Kitjes 2-oo , zelden 1.
•f Kelkslippen breed dakpanswijze dekkend in den knop.
Zaden zonder kiemwit.
07.   Pei.toimioium. Kelkhuis reclit. Stempel sehildvormig. Peul
plat-samengedrukt, niet openbarstend; randen dun. vleugelvormig.
Hoornen.
08.   Mkzoxkurlm. Kelkhuis zeer schuin. Stempel klein. Peul
plat-samengedrukt, dun, niet openspringend, aan den bovenland
gevleugeld. Hoog klimmende heester.
69.    Caesam\'INU. Kelkhuis recht. Stempel klein. Peul samen-
gedrukt, lederaehtig, 2-kleppig of dik en niet openspringend,
met stompe naden. Hoornen of hoog klimmende heesters.
70.   PïKlioi.OBlu.M. Kelkhuis recht. Stempel klein. Kierstok met
i eitje. Peul vleiigelvruchtachtig, niet openspringend, aan den
top tot een vleugel verlengd. Hoornen of boog klimmende heesters.
-)~j- Kelkslippen in den knop klepswijze aaneensluitend.
Zaden met kiemwit.
71.   Poinciana. Kelkhuis recht, kort. Stempel afgeknot, ge-
rimpeld. Eierstok met vele eitjes. Peul plat-samengedrukt, twee-
kleppig. (In Indie alleen gekweekt.)
•j-j-J\' Kelkseijmenten smal dakpanswijze dekkend of klepswijze aaneen-
sluitend. Zaden met kiemwit.
72.   Parkinsoxia. Peul lijnvormig, ingesiioerd. Hoornen. Alge-
meene hladspil kort, doornvormig; blaadjes S—4, zeer lang, op
een samengesteld blad gelijkend; blaadjes van den 2CI\' rang zeer
klein , langs de spil der blaadjes verspreid. (In Indie soms gekweekt.)
Tribus X. <\'a«»su\'a«\'. Hladereu oneven* of e vengevind. Kelkslippen
of kelkbladen 5, zelden 4—3, tot aan de schijf vrij of zelden min of
meer klepswijze aaneensluitend in den knop. Bloembladen 5, of min-
der of ontbrekend. Helmknoppen nu eens opgericht, dik, aan de basis
vastgehecht en óf in de lengte openspringend, of met 2 eindelingsche
poriën, dan weder hooger vastgehecht en met 2 eindelingsche poriën.
Kierstok of steel van den eierstok vrij op den kelkbodem. Kitjes 2-oo ,
zelden 1. Zaden (voorzoover bekend) kiemwithoudend.
Cassia. Kelk dakpanswijze dekkend in den knop. Bloembladen
5, nagenoeg gelijk of de binnenste het grootst. Mecldruden 5—10,
nu eens alle gelijk, dan weder zeer verschillend in grootte of
door staminodien vervangen. Eierstok oo -eiig. Bloemen oksel-
-ocr page 396-
336
XLIV. LEGUMINOSAE.
standig, in trossen of pluimen of afzonderlijk. Bladeren evengevind.
Peul rolrond of plat, meestal lijnvormig of langwerpig, meestal
2-kleppig,
74.   Aiiahkia. Kelk in den knop smal dakpanswijze dekkend of
min of meer klepswijze aaneensluitend. Bloembladen 5, zeer smal,
gelijk. Meeldraden ö, gelijk; helmdraden in den knop knievormig
nedergevunwen : helmknoppen met eindelingsclie poriën opensprin-
gend. Geen staminodiën. Eierstok met 1 eitje. Bloemen in plui-
men aan de toppen der takken, liladeren onevengevind. Peul
onbekend.
75.   Koompassia. Kelkdeelen in den knop nagenoeg klepswijze
aaneensluitend, Bloembladen 5. smal, nagenoeg gelijk, met zeer
korte, rechte helmdiadeii en iu de lengte openspringende, eivor-
mige helmknoppen. Geen staminodiën. Peul langwerpig. gevleu-
geld. Bloemen in okselstandige of eindelingsclie, uit bijschermen
samengestelde pluimen. Bladeren onevengevind.
70. Dialium. Kelk in den knop breed dakpanswijze (bakkend.
Bloembladen óf I—2, zeer klein, óf geheel ontbrekend. Meeldra
den 2: geen staminodiën. Peul ei- of kegelvormig, niet opensprin-
gend. Eierstok met \'2 eitjes. Bloemen in oksel- of eindstandige,
uit bijschermen samengestelde pluimen. Bladeren onevengevind.
Tribus XI. Itailli inioüt\'. Bladeren enkelvoudig, gaafrandig, 2-
lobbig, zelden uit \'2 vrije blaadjes gevormd. Kelk voorbij de schijf
vergroeid of klepswijze gedeeld of zelden 5-lobbig, met dakpanswijze
dekkende lobben of tanden. Bloembladen r>. Helmknoppen bewegelijk.
Steel van den eierstok vrij of met de kelkbuis vergroeid. Eitjes 2-00.
Zaden met kiemwit.
77.   Bauhinia. Bladeren 5-oo -nervig of, waar het blad uit 2
vrije blaadjes gevormd is, deze 2-x -nervig. liloembladen opgericht
of uitgespreid , weinig in grootte verschillend. Peul ongevleugeld,
langwerpig of lijnvormig, recht of schuin, zelden sikketvormig.
Eierstok met 2-oo eitjes , meestal gesteeld. Meeldraden 10 of
minder, vrij of aan de basis een weinig vergroeid; helmknoppen
eivormig of langwerpig, bewegelijk.
Tribus XII. Alllliorstiojie. Bladeren even-, zelden onevengevind,
uit 2-oo, zelden uit 1 blaadje bestaande. Kelkslippen tot de schijf
vrij, in den knop dakpanswijze dekkend, zelden klepswijze aaneen-
sluitend. Bloembladen 5 of minder of ontbrekend. Helmknoppen bewe-
gelijk. Steel van den eierstok soms met de sehijfdragende kelkbuis
vergroeid. Eitjes 2-oo . Kelkslippen (bij de Indische geslachten) 4.
78.   Amhrhstia. Bloemknoppen door twee groote, blijvende,
schutblaadjes ingesloten. Bloembladen 5, 3 even lang, doch 1
breed en de beide andere smal, en 2 uiterst klein. Meeldraden
iO, waarvan 0 aan de basis vergroeid zijn en het tiende vrij is.
Blaadjes veeljukkig. (In Nederlandsch Indië gekweekt).
79.  PAHUDIA. Schutblaadjes spoedig afvallend. Eén groot en
lang genageld bloemblad, de overige rudimentair of ontbrekend.
Meeldraden 7, hoog éénbroederig; staminodiën 2, klein of ont-
brekend. Blaadjes 2-oo -jukkig.
-ocr page 397-
337
XMV. I.EGUMINOSAE.
80.    Afzei.ia. Scbutblaadjes spoedig afvallend. Kón groot en
lang genageld bloenil>la<l: de overige rudimentair of ontbrekend.
Mecld raden 3—8, vrij: staminodiên weinig, klein of ontbrekend.
Blaadjes 2-oo-jukkig.
81.   Tamahixih s. Schutbladen en schutblaadjes gekleurd, spoe-
dig afvalland. Volkomen bloembladen 3, rudimentaire 2. Meel-
draden é.\'iibroederig, 3 volkomen en tot eene buis verbonden met
eenige weinige, kleine tandvormige staminodiên. Bladeren even-
gevind; blaadjes veeljukkig. klein.
82.    TltACllYl.oiülM. Schutbladen en scbutblaadjes vóór den
bloei afvallend. Volkomen bloembladen 5 of 3. genageld, min of
meer gelijk, de S onderste soms rudimentair. Meeldraden 10.
Bladeren uit 2 blaadjes samengesteld (Alleen gekweekt.)
83.   SARACA. Scbutblaadjes blijvend, gekleurd, kleiner dan de
kelk. Bloembladen ontbrekend. Meeldraden 3—9, vrij. Bladeren
evengevind.
Tribus XIII. (\'vnoiiK-lri\'ae. Bladeren evengevind met 2—x
blaadjes. Kelksli)i|ien tot aan de schijf vrij. dakpanswij/e dekkend ol
klepswijze aaneensluitend. Bloembladen 5 of minder of ontbrekend.
Helmknoppen bewegelijk. Eierstok met 1—2 eitjes. Bloemen dikwijls
klein.
84.   SlNDORA. Kón bloemblad. Meeldraden kort één bloederig, 2
volkomen, de overige niet onvruchtbare helmknoppen of zonder
helmknoppen. Kelk en vrucht gestekeld.
85.   Cïnojietra. Vijf bloembladen. Meeldraden 40—x , vrij. alle
vruchtbaar. Kelk en vrucht rimpelig, doch niet gestekeld. Kier-
stok met 2 eitjes, waarvan één tot ontwikkeling komt. Blad-
knoppen kort. Bladeren evengevind: bladspil voorbij de blaadjes
niet verlengd.
86.   Manii.toa. Vijf bloembladen. Meeldraden 10—15. Kelk en
vrucht rimpelig, doch niet gestekeld. Eierstok met 2 eitjes, die
beide tot ontwikkeling komen. Bladeren evengevind : bladspil ver
voorbij de bladspil verlengd. Bladknoppen meer dan een halven
voet lang.
Onderfamilie III. MIMOSEAE \')•
Bloemen regelmatig, meestal 5-, soms 4-tallig, zelden
3- of 6-tallig. Kelkbladen (behalve bij de Parkieae) kleps-
wijze aaneensluitend, tot een 5-tandigen of 5-lobbigen
kelk vergroeid, zelden vrij; schijf ontbrekend. Bloem-
bladen evenveel als kelkbladen, vrij of tot eene gelobde
bloemkroon vergroeid, hypogynisch of onduidelijk perigy-
*) Door Bentham in Transactions of Linn. Soc. 1875, XXX, p. 335
monographisch bewerkt. Daar deze echter de exemplaren van \'s Rijks
Herbarium bij de bewerking niet in handen heeft gehad, zijn er
misschien nog talrijke door hem niet vermelde soorten.
-ocr page 398-
338
XLIV. LEGUMIXOSAE.
nisch. Meeldraden evenveel als kelkbladen, of in het
dubbele aantal of oc , vrij of éénbroederig, of aan de basis
met de bloemkroonbuis vergroeid; helmknoppen klein,
bewegelijk, met in de lengte openbarstende hokjes.
Eierstok vrij op den bodem van den kelk. Zaden meestal
ei- of cirkelrond en plat, met basilairen navel, zelden
dik, ei- of kogelvormig; zaadhuid hard; kiemwit weinig
of ontbrekend; zaadlobben plat; kiemworteltje recht,
tu8schen de zaadlobben ingesloten of er een weinig bui-
ten uitstekende.
Boomen of beesters of zelden kruiden. Bladeren dubbel
of zelden enkelgevind. Bloemen klein of zelden lang
buisvormig, zittend, in bolvormige hoofdjes of cilindrische
aren, zelden, doordat er korte steeltjes zijn, in dunne
trossen of kogelvormige schermen. Schutbladen klein en
smal, aan den top dikwijls een weinig verbreed, bij de
onontwikkelde bloeiwijzen dicht opeengedrongen, gedu-
rende den bloei dikwijls afvallend. Schutblaadjes zijn
zelden aanwezig. Meeldraden meestal buiten de bloem
uitstekend. Zaden in de verschillende geslachten min of
meer op elkander gelijkende, aan weerskanten met eene
minder glanzende of minder helder gekleurde vlek.
Zaadstreng dikwijls tot een korten vleezigen zaadrok uit-
gebreid, welke echter bij soorten, die overigens veel
op elkander gelijken, zeer verschillend kan zijn.
Tribus XIV. Parkieae. Kelktanden zeer kort, breed, inden
knop dakpanswijze dekkend. Bloemkroon 5-spletig. Volkomen meel-
draden 5 of 10; belinknoppen niet eene afvallende klier op den top.
87.   Parkia. Bloemen in groote, bol- of knodsvormige hoofdjes)
gemengdslachtig. Tweeslachtige en mannelijke bloemen met 10
meeldraden en geen staminodiën. Onderste bloemen onzijdig met
lange, gekleurde aan de basis vergroeide staminodiën.
Tribus XV. .Pijttatleilicac. lïloemen meestal 5-tallig. Kelk
klepswijze aaneensluitend in den knop. Meeldraden in liet dubbele
aantal der bloembladen: lielmkuoppen meestal met eene klier op
den top. Zaden zonder kiemwit. Stuifineelkorrels ao .
88.   Entaua. Peul plat, vliezig-lederaehtig of houtachtig; klep-
pen dwars geleed, tusschen de gave en blijvende randen; leden
1-zaclig; buitenwand der kleppen van de om de zaden blijvende
binnenlaag loslatend. Rloemen in aren.
89.  Xyi.ia. Peul plat, dik en houtachtig, met ongeleede klep-
pen, doch van binnen met tusschenschotten. Bloemen in kogel-
vorinige hoofdjes.
-ocr page 399-
XLIV. LEGUMINOSAE.                                339
Tribus XVI. Adonantherene. Bloemen meestal 5-tallig. Kolk
klepswijze aaneensluitend in den knop. Meeldraden in liet dubbele
aantal der bloembladen: helmknoppen meestal met eene klier aan den
top. Zaden met kiemwit. Stuifmeelkorrels oc .
90.   Adenantiiera. Bloemen kort gestoeld, in losse aren. Peul
meestal gekromd of sikkelvormig, om de zaden gezwollen, mot
dwarse tusschenschotten, 2-kleppig. Zaden dik, rood of twee-
kleurig.
91.   Prosopis. Bloemen meestal zittend, in aren of hoofdjes.
Peul dik, saniengedrukt of rolrond. recht, gewrongen of spiraals-
wijze opgerold, lederachtig of hard-sponsachtig, niet opensprin-
gend, met schotten tusschen de zaden.
92.   Diciirostachys. Bloemen zittend, de onderste van de ci-
lindrische aar onzijdig, met lange staminodiën. Peul gewrongen,
lederachtig, niet openspringend. Heesters, meestal met doorns
gewapend.
Tribus XVII. 1\'llIlllilllOMC\'iK\' Bloemen 4—5-tallig. Kelk klops-
wijze aaneensluitend in den knop of haarpluisachtig of ontbrekend.
Meeldraden in hetzelfde aantal als de bloembladen of in het dubbele
aantal; helmknoppen (met uitzondering van die van Neptunia) zonder
klieren. Zaden met kiemwit. Peul meestal dun of lederachtig. Onderste
bloemen (bij de drie eerste geslachten) soms onzijdig. Stuifmeelkorrels
oc, vrij.
93.   Neptunia. Bloemen zittend; de onderste van het kogel-
vormige hoofdje dikwijls mannelijk of onzijdig. Peul schuin lang-
werpig, van den steel neergebogen, vliezig-ledorachtig. tweeklep-
pig. Wijdvertakte, nederliggende kruiden of halfheesters of drijvende
waterplanten. Helmknoppen met eene gestoelde klier.
94.   Desmanthus. Bloemen in kegelvormige hoofdjes; de onderste
bloemen dikwijls onzijdig. Peul lijnvormig, recht of sikkelvormig,
plat-samengedrukt, spits, vliezig-lederaihtig, \'2-kleppig. Zaden
langwerpig of schuin. Kruiden of halfheesters, zelden heesters.
95.   Mimosa. Bloemen in aren of hoofdjes. Peulkleppen gaaf of
gelood, van de blijvende en doorloopende randen loslatend en bree-
der dan hot door deze gevormde raam. Kruiden of heesters,
soms klimmend, zelden hoornen.
90. Leucaena. Bloemen in hoofdjes. Peul breed, lijnvormig,
plat-samengedrukt, vliezig-lederaehtig. Zaden dwars. Boonion.
Tribus XVIII. Acacieae. Bloemen 4—5-tallig, zelden 3- of 6-
tallig. Kelk klepswijze aaneensluitend in don knop, zelden ontbrekend.
Meeldraden oo , meestal zeer talrijk, vrij of vooral die in de bloemen
aan de onderzijde van de aren of hoofdjes aan de basis tot een kor-
ten ring min of meer vergroeid. Stuifmeelkorrels in elk hokje tot
2—6 kluitjes samengesmolten.
97. Acacia. Peul recht, sikkelvormig of gewrongen, dun of
dik, plat, rolrond of 5-zijdig, tweekleppig of niet openspringend.
Boomen of heesters. Bolvormige hoofdjes of cilindrische aartjes.
Kiemwit ontbrekend.
-ocr page 400-
340                                XLIV. LEGÜMIXOSAE.
Tribus XIX. IngCilC Bloemen meestal 5-lallig. Kelk klepswijze
aaneensluitend in den knop. Meeldraden ao, meestal talrijk, zelden
•10—15, aan de basis of zelden tot aan het midden tot eene buis
vergroeid. Helmknoppen klein. Stuifmeel in elk hokje tot 2—0 kluit-
jes saamgesmolten. Bladeren meestal dubbolgevind . zelden (bij IInn-
seniannia)
enkelgevind. Kicmwit ontbrekend. Aantal stampers meestal
1, zelden 2—C>, (bij Uantenxannia 4).
98. C\'ai.i.iandra. De kleppen van de rechte of licht sikkelvor-
mige peul bij het openspringen elastisch van den top naar de
basis teriigrnllend. lioomen of heesters, Bolvormige hoofdjes.
Meeldraden talrijk of weinig, meestal lang.
\'.•\'.I. Ai.m/./.lA. I\'eul i-echt, breed lijnvormig, plat-sainengedrukt,
dun, niet of 2-kleppig openspringend; kleppen bij het openen
noch elastisch uiieeiispi\'ingend, noch ineenrollend. lioomen of
heesters. Bloemen in hoofdjes of aren.
100.   PiTiiECOLOiuuH. Peul samengedrukt of plat, lederachtig,
dik of vlcezig, spiraalvormig opgerold, boogvormig, zelden min
of meer recht, tweekleppig, zelden niet openspringend of geleed;
kleppen bij liet openen dikwijls gewrongen, doch niet elastisch
oprollend, /aden dikwijls iu ecu dun vruchtmoes. Hoornen of
heesters. Bolvormige hoofdjes of losse aren. Meeldraden talrijk of
weinig.
101.   SeRIANTHES. Peul lili11 of meer recht, plat-samengedrukt,
houtachtig, niet openbarstend, van binnen met tusschenschotten
tussclien de zaden. Hoornen. De bloemen zeer groot in vergelij-
king niet die der overige Mi musene. Trossen kort, tuilvoi mig.
102.   Hanskman\'XIa. Yiurlitbladen 4, elk met een langen stijl
en een kleinen, knopvorinigen stempel. Peulen dikwandig met
tusschenschotten van binnen, langs den buiknaad openspringend,
llloemen van middelbare grootte, iu hangende trossen. Bladeren
enkelgevind.
1. CROTALARIA L.
Kelklobben vrij of zelden de 2 bovenste tot eene bo-
venlip of de drie onderste tot eene onderlip min of meer
vergroeid of de 4 bovenste paarswijze samenhangende.
Vlagje cirkelrond, zelden eirond, boven den korten nagel
dikwijls met 1 bultje; vleugels omgekeerd eivormig of
langwerpig, korter dan het vlagje; kiel boogswijze ge-
kromd of haakswijze neergebogen aan den rug, gesnaveld.
Meeldraden alle tot eene van boven gespleten buis ver-
groeid; helmknoppen deels klein en bewegelijk, deels,
met deze afwisselend, lang en aan de basis vastgehecht.
Eierstok zittend of zelden gesteeld, met 2-oo eitjes; stijl
boven den eierstok sterk boogswijze gekromd of meestal
neergebogen, van boven aan de binnenzijde min of meer
-ocr page 401-
341
XLIV. LEGUMINOSAE.
gebaard. Peul bolvormig of langwerpig, sterk gezwollen
of opgeblazen, 2-kleppig, zonder tusschenschotten ofver-
nauwingen aan de binnenzijde. Zaden zonder kiempropje,
aan draadvormige zaadstrengen bevestigd.
Kruiden of heesters. Bladeren enkelvoudig ofbandvor-
mig samengesteld of 3-, zelden 1-, 5- of 7-bladig. Steun-
blaadjes vrij van den bladsteel, soms langs den stengel
omlaag loopende, soms klein of ontbrekend. Bloemen
geel, zelden blauw of paarsch, zelden alleenstaand,
meestal in eindelingscbe of tegenover do bladeren ge-
plaatste trossen. Schutbladen klein of ontbrekend, zelden
bladachtig; schutblaadjes klein, op den bloemsteel of den
kelk zelven geplaatst, zelden ontbrekend.
Aantal soorten omstreeks 200, wier aantal zich volgens BENTHAM
en Hookkr tot 120 laat terugbrengen, wijd verspreid door de
warme streken van de beide halfronden. Een 40-tal werd in Neder-
landsch Indié\' waargenomen.
2. LTJPINUS L-
Kelk diep gespleten, de 2 bovenste lobben tot eene
2-tandige of 2-spletige bovenlip, de 3 onderste tot eene
gave of 3-tandige onderlip vergroeid. Vlagje cirkelrond of
breed eivormig; vleugels sikkelvormig-langwerpig of om-
gekeerd eivormig boven aan de rugzij de vergroeid, de
boogswijs gekromde, gesnavelde kiel insluitend. Meeldra-
den alle tot eene gesloten buis vergroeid; helmknoppen
deels kort en bewegelijk, deels, met deze afwisselend,
lang en aan de basis vastgehecht. Eierstok zittend, met
2-co eitjes; stijl boogswijs gekromd, onbehaard; stempel
eindelingsch, dikwijls een weinig gebaard. Peul min of
meer samengedrukt, dikwijls zijdeachtig behaard, 2-klep-
pig, met tusschenschotten aan de binnenzijde tusschen
de zaden; kleppen dik, lederachtig. Zaden zonder kiem-
propje; zaadstrengen zeer kort; navel langwerpig of
lijnvormig.
Kruiden of half heesters, zelden heesters. Bladeren en-
kelvoudig of handvormig samengesteld, oo- (5—15-) bla-
dig, zelden 3-bladig. Steunblaadjes aan de basis met den
bladsteel vergroeid. Bloemen blauw, paarsch of bont,
zelden geel of wit, langs eindelingscbe trossen verspreid
of tot kransen genaderd. Schutbladen meestal spoedig
-ocr page 402-
342                                XUV. LEGÜMINOSAE.
afvallend; schutblaadjes langer blijvend, meestal, met de
kelkbasis vergroeid.
Aantal «Ier beschreven soorten meer dan 80, waarvan echter
waarschijnlijk vele als variëteiten te beschouwen zijn. In Amerika,
zoowel Noord als Zuid en aan de kusten der Middellandsche Zee tehuis
behoorende, worden zij in Indië alleen door eenige gekweekte soorten
vertegenwoordigd.
3. SPARTIUM /„.
• Kelk min of meer bloemscbedevormig, aan de achter-
zijde gespleten; tanden kort, de beide bovenste vrij, de
3 onderste tot eene lip vergroeid. Vlagje groot; vleugels
omgekeerd eivormig; kiel boogswijs gekromd, spits, lan-
ger dan de vleugels, met de nagels vergroeid aan de
meeldradenbuis. Meeldraden alle tot eene gesloten buis
vergroeid; helmknoppen deels kort en bewegelijk, deels,
met deze afwisselend, lang en aan de basis vastgehecht.
Eierstok zittend, met ao eitjes; stijl boogswijs gekromd,
onbehaard; stempel langwerpig, naar binnen afloopend.
Peul lang lijnvormig, onbehaard, plat, 2-kleppig, met
schotten aan de binnenzijde tusschen de zaden. Zaden
zonder kiempropje.
Heester met biesaehtige takken, bijna zonder bladeren;
waar deze voorkomen zijn zij éénbladig. Steunblaadjes
ontbrekend. Bloemen geel, groot, in eindelingsche trossen.
Schutbladen en schutblaadjes klein, spoedig afvallend.
Eéne soort, Sp. junceum L., welke aan de kusten van de Mid-
dellaiulsche Zee tehuis behoort, komt ook gekweekt in Indië voor.
4. OYTISUS L.
Kelktanden of -lobben kort, de bovenste tot eene bo-
venlip vergroeid of vrij. Vlagje min of meer cirkel- of
eivormig; vleugels omgekeerd eivormig of langwerpig;
kiel recht of boogswijs gekromd, stomp of een weinig
toegespitst; nagels vrij. Meeldraden alle tot eene gesloten
buis vergroeid; helmknoppen deels kort en bewegelijk,
deels hiermede afwisselend, lang en aan de basis vast-
gehecht. Eierstok zittend, zelden gesteeld, met oo eitjes;
stijl boogswijs gekromd, onbehaard; stempel eindelingsch,
knopvormig of schuin. Peul plat-samengedrukt, langwer-
pig of lijnvormig, onbehaard of langharig, tweekleppig,
-ocr page 403-
343
XLIV. LEGUMINOSAE.
van binnen onverdeeld, zelden met dunne schotten tus-
schen de zaden. Zaden met een kiempropje.
Heesters, zelden met doornachtige takken. Bladeren
soms handvormig samengesteld, 3-bladig, soms éénbladig
of ontbrekend. Steunblaadjcs zeer klein, borstel vormig
of onduidelijk. Bloemen geel, purper of wit, in trossen,
die nu eens lang en eindolingsch, dan weder kort, bun-
delvormig zijn en dan of eindelingsch, óf door het mis-
lukken van den tak zelven zijdelingsch of min of meer
okselstandig zijn. Schutbladen en schutblaadjes klein en
spoedig afvallend, zelden bladachtig en langer blijvend.
Aantal soorten omstreeks 38, hoofdzakelijk in Europa en don
omtrek van «lo Middellandsche Zoo tehuis behoorende. Cyt. Labumum
ƒ.., do Guurten Iteijcu, wordt in Indië soms gekweekt.
5. PAROCHETUS Hamilt.
Kelklobben nagenoeg gelijk, de 2 bovenste hoog ver-
groeid. Bloembladen vrij van de meeldradenbuis; vlagje
omgekeerd eivormig, aan do basis tot een korten nagel
versmald; vleugels sikkelvormig-langwerpig; kiel korter
dan de vleugels, scherp neergebogen, spits. Meeldraad
tegenover het vlagje vrij, de overige vergroeid; helm-
draden niet .afgeplat; helmknoppen nagenoeg gelijkvormig.
Eierstok zittend; eitjes oo ; stijl van boven neergebogen,
onbehaard; stempel klein, eindelingsch. Peul lijnvormig,
ten slotte een weinig gezwollen, met eene schuine spits,
2-kleppig, tusschen de zaden ongedeeld. Zaden zonder
kiempropje; zaadstrengen draadvormig.
Nederliggend kruid, dat wortels slaat aan de knoopen.
Bladeren handvormig samengesteld, 3-bladig; blaadjes
omgekeerd hartvormig, soms fijngetand. Steunblaadjes vrij
of over een korten afstand met don bladsteel vergroeid.
Bloemen groot, purper, alleen of ten getale van 2 of 3
tot een scherm vereenigd in de bladoksels. Schutbladen
in den vorm van steunblaadjes aan de basis der bloem-
steeltjes; schutblaadjes ontbrekend. De bloemen uit de
onderste bladoksels, soms zeer klein en zonder bloembladen,
buigen na den bloei den bloemsteel omlaag, zoodat de
vruchten op of onder de aarde rijp worden.
Eéne soort, P. communis lliwiilt., welke, zoowel in tropisch
Oost Afrika als in tropisch Azië wijd verspreid voorkomt. In Ne-
derlandsch Indië werd zij op de hooge bergtoppen gevonden.
-ocr page 404-
344
XLIV. LEGUMINOSAB.
G. TEIGONELLA /..
Kelk buisvormig; tanden of lobben nagenoeg gelijk.
Bloembladen vrij van de meeldradenbuis; vlagje omge-
keerd eivormig of langwerpig, zittend of tot een smallen
nagel versmald; vleugels langwerpig; kiel korter dan de
vleugels, stomp. Meeldraad tegenover bet vlagje vrij of
in het midden met de overige vergroeid; helmdraden
niet verbreed; helmknoppen éénvormig. Eierstok zittend
of kort gesteeld, met oo eitjes; stijl draadvormig of vrij
dik, onbehaard, met eindelingschen stempel. Peul nu eens
dik en lang gesnaveld, dan weder lijnvormig, samenge-
drukt of rolrond, soms plat en breed, recht, sikkel- of
boogvormig, niet openbarstend of aan den zadendra-
genden naad kokervruchtaohtig openspringend of zelden
2-kleppig, aan de binnenzijde zonder vernauwingen. Zaden
zonder kicmpropje.
Kruiden, dikwijls sterk riekend. Bladeren vinvormig
samengesteld, 3-bladig; nerven der blaadjes in kleine
tandjes eindigend. Steunblaadjes met den bladsteel ver-
groeid. Bloemen geel, blauw of wit, alleen, in hoofdjes
of schermen of in korte en dikke trossen, zittend of ge-
steeld in de bladoksels. Schutbladen klein of onduidelijk
waar te nemen. Schutblaadjes ontbrekend.
Ongeveer 50 soorten, welke hoofdzakelijk in Europa en Noord
Azië en Afrika voorkomen, zeldzamer in Australië en Zuid Afrika.
Een 2-tal soorten, T. Foenum GraecumLam. en T. cornieulataZ..,
komen in Indië, doch alleen in gekweekten toestand voor.
7. TRIFOLIUM L.
Kelktanden of -lobben nagenoeg gelijk of de onderste
het langst, de twee bovenste min of meer vergroeid.
Bloembladen meestal verwelkend, de nagels alle, of alleen
de 4 onderste, min of meer met de meeldradenbuis ver-
groeid; vlagje langwerpig of eivormig; vleugels smal;
kiel korter dan de vleugels, stomp. Meeldraad tegenover
het vlagje vrij of zelden in het midden met de overige
vergroeid; holmdraden om den anderen of alle, nu eens
duidelijk, dan weder zeer weinig, verbreed; helmknop-
pen éénvormig. Eierstok zittend of gesteeld, met weinige
eitjes; stijl draadvormig, van boven boogswijs gekromd,
met knopvormigen stempel of aan den top haakvormig
-ocr page 405-
345
XLIV. LEGUMIN08AE.
omgevouwen, met schuinen of rugstandigen stempel. Peul
langwerpig en nagenoeg rolrond of omgekeerd eivormig
en zjjdelings samengedrukt, binnen de verwelkende kelk-
en bloembladen besloten, meestal vliezig, niet openbar-
stend. Zaden 1—2, zelden 2—4, zonder kiempropje.
Kruiden. Bladeren handvormig samengesteld, 3-bladig,
zelden 5—7-bladig; blaadjes aan den rand gestreept en
meestal getand. Steunblaadjes met den bladsteel vergroeid.
Bloemen meestal purper, rood of wit, zelden geel, in
aren, hoofdjes of schermen of zelden afzonderlijk; bloei-
wijzen okselstandig of, door het mislukken van den eind-
knop, schijnbaar eindelingsch, doch nooit tegenover de
bladeren. Schutbladen nu eens klein of ontbrekend, dan
weder vliezig, blijvend of afvallend, dan weder de bui-
tenste tot een getand of gelobd omwindsel vergroeid;
schutblaadjes ontbrekend of zeer klein.
Het aantal beschreven soorten is ongeveer 280, waarvan echter
hoogstens 150 goed begrensd schijnen. Hoofdzakelijk behooren zij
in gematigde luchtstreken tehuis. T. prateiusc L. wordt in Indië
verbouwd.
8. PSOKALEA L.
Kelklobben nagenoeg gelijk of de onderste het grootst,
de twee bovenste dikwijls vergroeid. Bloembladen nage-
noeg even lang of de kiel het kortst; vlagje ei- of cirkel-
vormig, in een nagel versmald of boven den nagel met
kleine, omgevouwen oortjes voorzien; vleugels langwerpig,
min of meer sikkelvormig; kiel boogswijs gekromd, stomp,
met in het midden min of meer samenhangende bloem-
bladen. Meeldraad tegenover het vlagje vrij of min of
meer met de overige vergroeid; meeldradenbuis in het
begin van den bloei vaak gesloten; helmknoppen klein,
éénvormig of om den anderen grooter en iets hooger inge-
plant. Eierstok zittend of kort gesteeld, met 1 eitje (zel-
den met 2 eitjes); stijl draadvormig of aan de basis ver-
dikt, van boven boogswijs gekromd; stempel eindelingsch.
Peul eivormig, niet openspringend; vruchtwand meestal
met het zaad samenhangend. Zaad zonder kiempropje,
aan eene zeer korte zaadstreng.
Kruiden, half heesters of heesters, met zwarte of door-
schijnende klieren gestippeld. Bladeren nu eens handvor-
22
-ocr page 406-
346
XMV. LEGUMINOSAE.
mig samengesteld, 3-x -bladig of zelden door toevoeging
van eenige weinige paren, gevind, met gaafrandige blaad-
jes, dan weder 2-bladig gevind of\' 1-bladig, met gaaf-
randige of getande blaadjes. Steunblaadjes breed, aan de
basis den stengel omvattend, met den bladsteel echter
nagenoeg niet vergroeid. Bloemen purper, blauw, rosé of
wit, in hoofdjes, aren, trossen of bundels, zelden alleen-
staand ; bloeiwijzen zittend of gesteeld, in de bladoksels,
soms echter is, doordat zittende bundels geplaatst zijn
in de oksels van bladeren, welke den vorm van schut-
bladen gekregen hebben, de bloeiwijze eene eindelingsche
aar geworden. Schutbladen vliezig, ieder 2—3 bloemen
omsluitend; schutblaadjes ontbrekend.
Aantal soorten omstreeks 100, waarvan <le meeste in Zuid Afrika,
Noonl Amerika en Australië, eenige weinige in Zuid Amerika,
Europa en Noord Afrika. In Engelsch Itulie komen er 2 voor. In
Timoi\' en Sumbawa zijn er 3: Pt. stipulacea Decaisne Pt. Gaudi-
chaudiana Decaisne
en Ps. Tamborensis Miij. Daar de eerste volgens
de beschrijving \'2 eitjes in den eierstok bevat, is het volgens BKNT-
ham en HoOKER niet onmogelijk dat deze tot een ander geslacht
behoort.
0. INDIGOFERA L.
Kelk klein, breed, schuin; tanden of lobben min of
meer gelijk of de onderste het langst. Vlagje ei- of cir-
kelvormig, zittend of in een nagel versmald; vleugels
langwerpig, een weinig met de kiel samenhangend; kiel
opgericht, stomp of toegespitst, aan eiken kant met eene
bult of meestal gespoord. Meeldraad tegenover het vlagje
vrij van de basis af, de overige tot eene dunne, lang
blijvende buis vergroeid; helmknoppen éénvormig, met
een kliervormig helmbindsel aan den top. Eierstok zit-
tend of bijna zittend, soms met 1—2, doch meestal met
oo eitjes; stijl onbehaard; stempel knop- of dikwijls pen-
seelvormig. Peul bolvormig, langwerpig of lijnvormig,
recht, boogswijze gekromd of zelden spiraalvormig, rolrond,
vier- of driekantig of plat-samengedrukt, van binnen met
schotten tusschen de zaden. Zaden bolvormig, cilindrisch
en aan weerskanten afgeknot, samengedrukt of toerling-
vormig, zonder kiempropje; kiemworteltje meestal knods-
vormig.
Kruiden, half heesters of heesters, min of meer bedekt
-ocr page 407-
347
XLIV. LEGUMINOSAE.
met aangedrukte, in het midden vastgehechte haren
(eigenlijk vorkswijs vertakte haren met in elkanders ver-
lengde vallende takken), waartusschen zich soms een
viltachtige bekleeding of\' losse lange haren bevinden. Bla-
deren onevengevind of driebladig gevind of zelden hand-
vormig samengesteld, soms 1-bladig of enkelvoudig; blaad-
jes gaafrandig, soms met steunblaadjes aan de bladspil.
Steunblaadjes aan den bladvoet meestal klein, borstel-
vormig, met den bladsteel kort vergroeid. Bloemen meestal
rosé of purper, in okselstandige trossen of aren, waaraan
zij , gesteeld of zittend, elk in den oksel van een spoe-
dig afvallend schutblad zijn geplaatst; schutblaadjes ont-
brekend. Vlagje dikwijls lang blijvend; vleugels en kiel
spoedig afvallend.
Aantal soorten omstreeks 220, door de warme gewesten van
beide halfronden wijd verspreid, \'/.eer talrijk in tropisch en Zuid
Afrika. Voor Kngelsch Indië wordt een 40-tal opgegeven, voor
Nederlandsch lndië 20. Daaronder zijn eenige gekweekt, bijv. I.
tinctoria L.
en I. Anil L. Vermoedelijk zijn deze in Indië ook in-
landsch. Echter hebben zij zeker evenals verscheidene andere ïndi-
yofera-aoovtei\\
een zeer groot verspreidingsgebied. Kéne soort, I.
echinata Willd.,
werd vroeger door BENTHAM als een afzonderlijk
geslacht, Acanthonotus Benth., opgevat en onder dien naam komt
zij in MiQi\'Ki.\'s Flora voor. Later vond men in de gekromde, langs
den buiknaad gestekelde, eenzadige peul, ontwikkeld uiteen l-ei-
igen eierstok geen reden tot het vormen van een geslacht, maar
wel van eene sectie. Ook I. linifolia Hel:, weid wegens zijne bol-
vormige, éénzadige peul vroeger als een afzonderlijk geslacht be-
schouwd, nl. Sphaeridiophora Desv.
10. TEPHROSIA Pers.
Kelktanden of -lobben nagenoeg gelijk of de 2 bovenste
hooger vergroeid of de onderste het langst. Bloembladen
genageld; vlagje min of meer cirkelvormig; vleugels schuin,
omgekeerd eivormig of langwerpig, los met de kiel samen-
hangend; kiel stomp of spits. Meeldraad tegenover het
vlagje onder aan de basis vrij, in het midden met de
overige bij het begin van den bloei min of meer ver-
groeid, ten slotte dikwijls geheel en al vrij ; helmknoppen
éénvormig. Eierstok zittend, met cc eitjes of zelden met
2 eitjes; stijl boogswijs gekromd of neergebogen, min ot
meer hoornachtig, dikwijls afgeplat, onbehaard of op
verschillende wijzen gebaard; stempel eindelingsch, pen-
-ocr page 408-
348
XLIV. LEGUMINOSAE.
seelvonnig of zelden naakt. Peul lijnvormig of zelden
eivormig samengedrukt, 2-kleppig, van binnen zonder
vernauwingen of schotten of met dunne schotten tusschen
de zaden. Zaden soms met een klein kiompropje.
Kruiden, half heesters of heesters. Bladeren oneven-
gevind; blaadjes co, zelden 1—3, door evenwijdige ner-
ven, welke schuin op de middennerf staan, gestreept,
van onderen dikwijls zijdeachtig. Steunblaadjes borstel-
vormig of breeder en dan gestreept. Trossen of bloeiende
takjes eindelingsch, tegenover de bladeren geplaatst of in
de bovenste bladoksels, dikwijls met bladeren aan de
basis der trossen, de bloemen in bundels van 2—6,
waarvan nu eens alleen de onderste, dan weder alle in
den oksel van een blad staan, terwijl de bovenste of ook
wel alle een schutblad hebben, dat uit twee vergroeide
steunblaadjes bestaat. Schutblaadjes ontbrekend. Bloemen
rood, purper of wit. Vlagje van buiten min of meer zij-
deachtig-langharig.
Aantal soorten omstreeks 90, wijd verspreid in de warme ge-
westen der beide halfronden, het talrijkst in Zuid Afrika, tropisch
en subtropisch Australië en zeer weinige in Noord Amerika. I1ENT-
HAM en IIookkk verdeden het geslacht in 3 secties, waarvan de 2,
welke in den Maleischeu Archipel voorkomen, zich onderscheiden
door de volgende kenmerken:
"1. BriSSOtlia 1)C. Bovenste trossen eindelingsch, enkelvoudig of
in bandels, de onderste okselstandig en nooit tegenover de bladeren.
Kelklobben zelden prieinvormig. Stijl meestal in de lengte gehaaid.
Hiertoe behooren o. a. 4 soorten door Miql\'KI. in zijne Flora onder
den geslachtsnaam Kiesera Reinw. beschreven.
2. Reineria D C. Bloemen <>f in eindelingsche of tegenover de
bladeren geplaatste trossen, aan wier basis zij soms, tot bundels
vereenigd, in de oksels van bladeren staan, of alle tot bundels ver-
eenigd in de bladoksels en niet in trossen. Kelklobben meestal priem-
vormig. Stijl dikwijls min of meer verbreed, naakt en telden ge-
baard; stempel dikwijls penseelvormig. Hiertoe behooren de soorten
door Miqiiki. ouder den naam van Tephmsia beschreven.
11. MILLETIA Wight et Am.
Kelkbuis breed, afgeknot of met korte tanden, waar-
van de 2 bovenste soms vergroeid zijn. Vlagje groot, uit-
gespreid of teruggeslagen, boven den korten nagel van
binnen naakt of met eene bult of zelden met omgeslagen
oortjes; vleugels sikkelvormig-langwerpig, vrij van de
kiel, aan den top samenhangende of vrij; kiel boogswijs
-ocr page 409-
XLIV. LEGUMINOSAE.                                349
gekromd, stomp. Meeldraad tegenover het vlagje onder
aan de basis vrij, in het midden met de overige min of
meer vergroeid of meestal geheel en al vrij; helmdraden
niet verbreed; helmknoppen éénvormig. Eierstok zittend
of zelden gesteeld, aan de basis door de ring- of nap-
vormige schijf omgeven, met ao eitjes; stijl neergebogen,
rolrond, onbehaard, met een kleinen, eindelingschen stem-:
pel. Peul lijnvormig, lancetvormig of langwerpig, samen-
gedrukt, plat of dik, stijf leder- of houtachtig, 2-kleppig,
doch dikwijls laat of in liet geheel niet openspringend.
Zaden cirkel- of niervormig zonder kiempropje.
Boomen of heesters, soms hoog klimmend. Bladeren
onevengevind; blaadjes dikwijls altijdgroen, vinnervig en
netvormig geaderd, meestal met steunblaadjes aan de
bladspil. Steunblaadjes aan den bladvoet klein. Trossen
cindelingsch of in pluimen aan de toppen der takken.
Bloemen purper, rosé (blauwachtig) of wit, in bundels
of langs de spillen der trossen verspreid. Schutbladen en
sehutblaadjes dikwijls lang voor den bloei afgevallen.
Vlagje zijdeachtig-zachtharig of onbehaard.
Aantal soorten omstreeks 40, waarvan 1 in Australië, de overige
in tropisch Azië en Afrika voorkomen. Miqlki. noemt ii soorten
van Milletia op voor Nederlandsch Indië. Hierbij moet nog gevoegd
worden eene soort door Miquki. onder den naam van 1\'atlbruggea dasy-
phyUa beschreven. Het geslacht Padbruggea Min. verschilt volgens
BENTHAM en Hooker alleen doordat de meeldraad tegenover het
vlagje terstond geheel vrij is. De soorten van Otosema. door BF.NT-
iiam wegens de oortjes aan den nagel van het vlagje vroeger als
een afzonderlijk geslacht beschouwd, worden in de Genera Planta-
rum
tot Milletia gebracht. Misschien komt ook eene soort hiervan
in den Maleischen Archipel voor. In Engelsen Indië is het geslacht
Milletia door ongeveer 24 soorten vertegenwoordigd.
12. ROBINIA L.
Kelktanden kort, breed, de 2 bovenste min of meer
vergroeid. Vlagje groot, teruggeslagen, van binnen naakt;
vleugels sikkelvormig-langwerpig, vrij; kiel boogswijs ge-
kromd, stomp. Meeldraad tegenover het vlagje onderaan
de basis vrij, in het midden met de overige tot eene
gesloten buis vergroeid of eindelijk geheel vrij; helm-
knoppen éénvormig of om den anderen iets kleiner. Eier-
stok gesteeld, met oo eitjes; stijl neergebogen, priemvor-
-ocr page 410-
350
XLIV. LEGUMINOSAE.
inig, min of meer behaard aan den top, met een kleinen,
eindelingschen stempel. Peul lijnvormig, plat-samengedrukt,
aan den bovennaad smal gevleugeld, van binnen zonder
schotten, met 2 dunne kleppen, Zaden langwerpig, schuin,
zonder kiempropje.
Boomen of heesters min of meer onbehaard, kleverig
of met borstels. Bladeren onevengevind, met gaafrandige,
netvormig-vinnervige blaadjes, dikwijls met steunblaadjes
aan de bladspil. Steunblaadjes aan den bladvoet doorn- of
borstelvorinig. Bloemen wit of rose-purper, in okselstan-
dige trossen. Schutbladen vliezig of spoedig afvallend;
schutblaadjes ontbrekend.
Aantal soorten 5—6, hoofdzakelijk in Noord Amerika. In Neder-
landsch Indië komt 11. Pseuil-Acacia L. soms in gekweekten
toestand voor.
13. SESBANIA Pers.
Kelkbuis wijd, afgeknot of met nagenoeg gelijke tan-
den of lobben. Vlagje cirkel- of eivormig, uitgespreid of
teruggeslagen; vleugels sikkelvormig-langwerpig; kiel
boogswijs gekromd, stomp of met stompe spits, met lange
nagels. Meeldraad tegenover het vlagje vrij, aan de basis
met de meeldradenbuis naar achteren knievormig omge-
bogen; helmknoppen éénvormig of om den anderen iets
langer. Eierstok meestal gesteeld, met oo eitjes; stijl
boogswijs gekromd, onbehaard; stempel klein, knopvor-
mig. Peul lijnvormig of zelden langwerpig, samengedrukt,
bijna rolrond, 4-kantig of 4-vleugelig, 2-kleppig of bijna
niet openbarstend, met tusschenschotten tusschen de tal-
rijke zaden; deze tusschenschotten blijven soms samen-
hangen met de binnenwanden der kleppen, terwijl de
buitenwanden loslaten. Zaden dwars-langwerpig, min of
meer vierkant, zonder kiempropje.
Kruiden of heesters, soms boomen, doch dan van
korten leeftijd. Bladeren evengevind; blaadjes veeljukkig,
gaafrandig; steunblaadjes aan de bladspil klein of ont-
brekend. Steunblaadjes aan den bladvoet meestal spoedig
afvallend. Bloemen geel, granaatrood, purper, bont of
wit, met dunne steeltjes, aan losse, okselstandige trossen.
Schutbladen en schutblaadjes spoedig afvallend of zelden
gedurende den bloei blijvend.
-ocr page 411-
351
XLIV. LE6UMIN08AE.
Aantal soorten omstreeks 16, in de warme gewesten wijd ver-
spreiil. De Indische soorten, tot de sectie Eu-Sesbania l>ehoorende,
onderscheiden zich door eene lang lijnvormige, niet gevleugelde
peul, dikwijls met dikke randen. Hiertoe behoort ook S. r/randi-
/lom Pers.,
welke door Miqlei. wegens de grootere bloemen inot
smalle bloembladen tot een afzonderlijk geslacht. Agati Desv., gere-
kend werd. Behalve deze geeft Miqlei. nog 7 soorten van Scsbania
voor Ncderlandsch Indie op.
14. COLUTEA /..
Kelktanden nagenoeg gelijk of de 2 bovenste het kortst.
Vlagje min of meer cirkelvormig, uitgespreid, aan den
binnenkant boven den korten nagel met 2 plooien of
bulten; vleugels sikkelvormig-langwerpig, met korte na-
gels ; kiel breed, sterk boogswijs gekromd, stomp, met
lange, vergroeide nagels. Meeldraad tegenover het vlagje
vrij, de overige tot eene buis vergroeid; helmknoppen
éénvormig. Eierstok gesteeld, met cc eitjes; stijl boogs-
wns gekromd, van boven aan de binnenzijde in de lengte
gebaard, aan den top neergebogen of ineengerold; stem-
pel dik, onder den top geplaatst en naar voren uitstekend.
Peul gesteeld, vliezig opgeblazen, niet openspringend of
zich aan den top met kleppen openend. Zaden niervormig,
aan draadvormige zaadstrengen.
Onbehaarde of een weinig zijdeachtig-zachtharige hees-
ters. Bladeren onevengevind; blaadjes gaafrandig, zonder
steunblaadjes aan de bladspil. Steunblaadjes aan den
bladvoet klein. Bloemen geel of rood, groot, in gering
aantal aan okselstandige trossen. Schutbladen en schut-
blaadjes klein of ontbrekend.
Aantal soorten 7 of 8, hoofdzakelijk in Zuid Europa of West
Azië tehuis behoorend. C. arliorescens L. wordt soms als sierplant
in Indië gekweekt.
15. ASTRAGALUS L.
Kelk buisvormig; tanden nagenoeg gelijk. Bloembladen
meestal lang genageld; vlagje opgericht, eivormig, lang-
werpig of liervormig; vleugels langwerpig; kiel even groot
als de vleugels of een weinig langer, nagenoeg opgericht,
stomp. Meeldraad tegenover het vlagje vrij, de overige
vergroeid; helmknoppen éénvormig. Eierstok zittend of
gesteeld, met oc eitjes; stijl draad vormig, recht of boogs-
-ocr page 412-
3Ó2
XLIV. LEGUMINOSAE.
wijs gekromd, ongebaard, met een kleinen, eindelingschen
stempel. Peul zittend of gesteeld, 2-kleppig, nu eens
verschillend van vorm en door een dubbel vlies, dat van
den rugnaad af naar binnen dringt, min of meer in de
lengte in 2 hokjes verdeeld, dan weder sterk gezwollen
of vliezig opgeblazen en aan den binnenkant onvolkomen
verdeeld of door het binnendringen van den buiknaad in
2 hokjes verdeeld, of geheel en al onverdeeld. Zaden
meestal niervormig, zonder kiempropje, met draadvormige
zaadstrengen.
Kruiden, half heesters of heesters, sterk vertakt en
ongedoornd of met sterke doorns, gevormd door de hard
wordende bladstelen. Bladoren onevengevind of door het
doorloopen van de bladspil evengevind, zelden hand-
vormig samengesteld, drie- of éénbladig; blaadjes gaaf-
randig, zonder steunblaadjes aan de bladspil. Steunblaad-
jes aan den bladvoet met den bladsteel vergroeid of tot
één tegenover den bladsteel geplaatst steunblad verbonden.
Bloemen paarseh, purper, wit of bleekgeel, aan bloem-
stengels, die zich in de bladoksels of uit den stam ont-
wikkelen en waaraan zij tot trossen of aren, zeer zelden
tot schermen vereenigd zijn of alleen staan. Schutbladen
meestal klein, vliezig; schutblaadjes zeer klein ofontbre-
kend, zelden duidelijk ontwikkeld.
Aantal soorten omstreeks 000 voornamelijk, in Russisch Azië,
het Himalaya gebergte en de Levant, doch ook in Europa, Afrika
en Amerika; in Nederlandse)! Indié\' zijn zij zeer zeldzaam. Men
vindt er slechts ééne soort, Astt: Pteroslylis D C, met gevinde
bladeren en 2-zadige peulen, welke op Timor voorkomt.
16. HEDYSAEUM L.
Kelktanden of «lobben min of meer gelijk. Vlagje om-
gekeerd eivormig of omgekeerd hartvormig, ter nauwer-
nood genageld; vleugels langwerpig, korter dan de vlag,
soms zeer kort; kiel meestal langer dan de vleugels, aan
den top schuin afgeknot of zelden aan de rugzijde boog-
vormig, stomp. Meeldraad tegenover het vlagje vrij, de
overige vergroeid; helmknoppen éénvormig. Eierstok zit-
tend, met oo eitjes (meestal 4—5); stijl draadvormig, van
boven met de meeldraden scherp neergebogen; stempel
klein, eindelingsch. Peul plat-samengedrukt; leden min
-ocr page 413-
XLIV. LEGUMINOSAE.                                353
of meer cirkelvormig of vierkant, niet openspringend,
glad of gestekeld. Zaden samengedrukt, niervormig, zon-
der kiempropje.
Overblijvende kruiden, half heesters of zelden heesters,
onbehaard, grijsharig of zijdeachtig langharig. Bladeren
onevengevind; blaadjes gaafrandig, meestal doorschijnend
gestippeld, zonder steunblaadjes aan de bladspil. Steun-
blaadjes aan den bladvoet stijfvliezig. Bloemen purper,
wit, geelwit of meestal geel, in gesteelde, okselstandige
trossen. Schutbladen stijfvliezig of borstelvormig; borstel-
vormige schutblaadjes onder den kelk.
Aantal soorten omstreeks 50, in Europa, Noord Afrika. Amerika
en Azië, in de gematigde en bergachtige streken. Door RoXBURQH
worden \'2 soorten opgegeven voor de Molukkcu, doch het is twij-
felachtig of zij wel tot dit geslacht belmoren. Door Bakkk worden
deze tenminste beide tot het geslacht Desmodium Desv. gebracht,
nl. H. arboreum Iiajrb. = D. untbellatum D C. en H. juitenx lio.cb.=
D. polycarpum D C.
Dit zijn beide soorten, die ook elders in den
Maleischen Archipel voorkomen. De Engelsch Indische soorten van
Hedysarum werden alle in het Himalaya-gebergte op de hoogte
van 9000—12000 voet aangetroffen, z.oodat zij misschien op de
hoogste toppen der bergen van Nederlandsch Indië zouden gevon-
den kuBnen worden.
17. ORMOOARPÜM Beauv.
De beide bovenste kelklobben het breedst, dichter bij
elkander dan de overige of min of meer vergroeid, de
onderste het langst. Vlagje cirkelvormig, genageld; vleu-
gels schuin omgekeerd eivormig; kiel breed, boogswijs
gekromd, spits of stomp, even groot als de vleugels.
Meeldraden alle tot eene aan de bovenzijde en meestal
ten slotte ook aan de onderzijde gespleten buis vergroeid;
helmknoppen éénvormig. Eierstok zittend, met ao eitjes;
stijl sterk neergebogen, draadvormig, met een kleinen,
eindelingschen stempel. Peul lijnvormig, samengedrukt,
in de lengte gegroefd-gestreept en dikwijls klierachtig
gestekeld; leden langwerpig, aan weerskanten versmald,
hard. Zaden smal langwerpig; navel ter zijde van den
top; zaadlobben smal, half hartvormig; kiemworteltje
licht boogswijs gekromd.
Hooge, dikwijls kleverig behaarde, heesters. Bladeren
nu eens onevengevind, met oo, kleine blaadjes, zonder
steunblaadjes aan de bladspil, dan weder 1-bladig, met
-ocr page 414-
354
XLIV. LEGUMINOSAE.
één spits, groot blaadje. Steunblaadjes aan den bladvoet
gestreept. Bloemen geel, wit of purper-gestreept, in ge-
ring aantal aan korte, okselstandige trossen. Schutbladen
en schutblaadjes blijvend, gestreept.
Aantal soorten 6, waarvan 3, in tropisch Afrika, 2 in Mexico
en 1 in tropisch Azië en Afrika wijd verspreid is. De laatste, O.
sennoides DC,
moet volgens Bentham en IIookkk synoniem zijn
met LOUREIRO\'S geslaclit Diphaca. waarvan ééne soort, D. Corliin-
chinenais Lour.,
volgens Miqukl ook in de Molukken wordt ge-
vonden. Het voorkomen bij deze soort van 2 stampers in de bloem
en 2 peulen doet echter vermoeden, dat, zoo de beschrijving juist
is, deze niet alleen niet tot dit geslacht, maar zelfs niet tot de
familie behoort.
18. AESCHYNOMBNE L.
Kelklobben nu eens nagenoeg gelijk, dan weder tot
2 lippen vergroeid, de bovenste gaafrandig of 2-spletig, de
onderste gaafrandig of 3-spletig. Vlagje cirkelvormig, kort
genageld; vleugels schuin, omgekeerd eivormig of lang-
werpig, even groot als het vlagje; kiel nu eens omge-
keerd eivormig, licht boogswijs gekromd, dan weder en
wel meestal smal, zeer sterk gekromd of min of meer
gesnaveld, soms met ter nauwernood samenhangende
bloembladen. Meeldraden vergroeid tot eene buis, die aan
den kant van de kiel of aan beide kanten gespleten is; zel-
den is er één vrij; helmknoppen éénvormig. Eierstok
gesteeld; stijl boogswijs gekromd, ongebaard; stempel
eindelingsch. Peul gesteeld; leden 2-<x>, plat of in het
midden bol, glad of gestekeld-gerimpeld, niet of zelden
aan den ondernaad openspringend.
Kruiden, half heesters of heesters, niet windend. Bla-
deren oncvengevind, blaadjes oo, klein, gaafrandig, zon-
der steunblaadjes aan de bladspil. Steunblaadjes aan den
bladvoet borstel- of lancetvormig. Bloemen geel, dikwijls
purper-gestreept, in okselstandige of zelden eindelingsche,
enkelvoudige of vertakte trossen. Schutbladen dikwijls in
den vorm van steunblaadjes; schutblaadjes tegen den
kelk aangedrukt.
Aantal soorten omstreeks 20, waarvan de meeste in Amerika
van Noord tot Zuid voorkomen, eenige weinige in Australië en
Afrika aangetroffen zijn, terwijl in alle tropische gewesten 2 of 3
soorten, welke ook in Nederlandsch Indië gevonden worden, wijd
verspreid voorkomen. Miqukl geeft echter een 6-tal Nederlandsch
-ocr page 415-
355
XMV. LEGUMINOSAE.
Indische soorten op. waaronder ook rle beide soorten van I.tNNAKUS,
Ae. aapara L. en Ae. Inriiea L.; eene der andere, Ae. trachyloba
Miq.,
wordt door Baker als een vorm van Ae. aspera L. beschouwd.
10. SMITHIA AU.
Kelk diep gespleten; lobben vergroeit! tot 2 lippen,
waarvan de bovenste gaafrandig of uitgorand, de onderste
gaïifrandig, 3-tandig of 3-spletig is. Vlagje min of meer
cirkelvormig, kort genageld; vleugels schuin langwerpig
of zelden omgekeerd eivormig; kiel boogswijs gekromd,
stomp of min of meer gesnaveld, even groot als het
vlagje. Meeldraden vergroeid tot eene buis, die eerst al-
leen aan de bovenzijde en eindelijk aan beide kanten ge-
spleten is; helmknoppen éénvormig. Eierstok zittend of
gesteeld, met oo eitjes; stijl draadvormig, boogswijs ge-
kromd, met kleinen, eindelingschen stempel. Peul binnen
den kelk opgevouwen-samengetrokken; leden 2-oc , samen-
gedrukt, eindelijk van elkander loslatende. Zaden nier-
vormig, zonder kiempropje.
Kruiden, half heesters of heesters, onbehaard of ruig-
haiïg. Bladeren oneven- en evengevind; blaadjes klein,
dikwijls sikkelvormig, zonder steunblaadjes aan de blad-
spil. Steunblaadjes aan den bladvoet dun of stijfvliezig,
blijvend. Bloemen geel, in meestal éénzijdige, okselstan-
dige trossen. Schutbladen en schutblaadjes stijfvliezig of
gestreept, blijvend.
Aantal soorten 20, in tropisch Azië en Oost Afrika. Iïij do Aziati-
sche soorten, waarvan er omstreeks 15 zijn en die de sectie Eu-Smithia
samenstellen, zijn de steunblaadjes voorbij de inplanting verlengd
en de schutblaadjes tegen den kelk aangedrukt, Baker geeft voor
de soorten van Kngelsch Indië een 12-tal op. Van Nederlandsen
Indië zijn er 3 bekend, nl. Sm. Javanica Jlentfi., Sm. coeriilescents
Zoll.
en Sm. conferta Sm., waarvan do laatste ook in Engelsch Indië
voorkomt.
20. STYLOSANTHES Swartz.
Kelkbuis draadvormig; lobben vliezig, de vier bovenste
vergroeid, de onderste zeer smal, vrij. Bloembladen en
meeldraden aan den top van de buis ingeplant; vlagje
cirkelvormig; vleugels langwerpig, vrij; kiel boogswijs
gekromd, een weinig gesnaveld. Meeldraden alle tot eene
gesloten buis vergroeid; helmknoppen deels lang en aan
de basis vastgehecht, deels, hiermede afwisselend, kort en
-ocr page 416-
356
XLIV. LEGUMINOSAE.
bewegelijk. Eierstok aan de basis van de kelkbuis na-
genoeg zittend, met 2—3 eitjes; stijl lang, draadvormig
met een kleinen, eindelingschen stempel, na den bloei bij
de basis of bij het midden doorscheurende, waarbij het
onderste gedeelte, dat blijft, zich terugkromt of ombuigt •
met bultachtig uitgezetten top en het voorkomen krijgt
van den stempel zelven. Peul zittend, samengedrukt, aan
den top met een haak, gevormd door de blijvende stijl-
basis, 1—2 netvormig geaderde of gestekelde leden be-
vattende. Zaad samengedrukt, ei- of lensvormig, zonder
kiempropje.
Harde, dikwijls kleverige kruiden. Bladeren 3-bladig
gevind, zonder steunblaadjes aan de bladspil. Steunblaadjes
aan de basis met den bladsteel vergroeid. Bloemen geel
of wit, in dichte aren of eindelingsche hoofdjes of zelden
(op een onontwikkelden tak) okselstandig, zelden wijd
uiteenstaande in den oksel van een twee steunblaadjes
dragend blad of van een 2-tandig of -spletig schutblad,
vergroeid met den uiterst korten steel van het schutblad;
soms alleenstaand met 2—3 schutblaadjes, dan weder 2
aan 2, waarvan de eene volkomen en de andere mislukt
en steelvormig is, zelden beide volkomen.
Aantal soorten omstreeks 15, waarvan 4 in tropisch Azië en
tropisch en Zuid Afrika, 1 in Noord Amerika en de overige in
Zuid Amerika. Slechts ééne soort, Styl. mucronata Willd., komt
zoowel in rJngelsch als in Nederlandsch lndie voor.
21. ARACHIS L.
Kelkbuis lang en dun; lobben vliezig; de 4 bovenste
vergroeid, de onderste dun, vrij. Bloembladen en meel-
draden aan den top van de buis ingeplant; vlagje min
of meer cirkelvormig; vleugels langwerpig, vrij; kiel
boogswijs gekromd, gesnaveld. Meeldraden alle tot eene
gesloten buis vergroeid, één soms ontbrekend; helmknop-
pen deels lang en aan de basis vastgehecht, deels, hier-
mede afwisselend, kort en bewegelijk. Eierstok met 2—-3
eitjes, tijdens den bloei aan de basis van de kelkbuis
nagenoeg zittend, na verloop van den bloei door den
inmiddels sterk verlengden, teruggeslagen, stijven bloem-
bodem gedragen en in het verlengde van dezen vallende,
met spitsen top en na het afvallen van den stijl met
-ocr page 417-
357
XLIV. LEGUMINOSAE.
eene eindelingsehe bult, die op een stempel gelijkt;
stijl lang draadvormig, met kleinen, eindelingschen stern-
pel. Peul onder de aarde rijp wordend, langwerpig, dik,
netvormig geaderd, niet openspringend, min of\' meer
parelsnoervormig vernauwd, maar niet geleed, en zonder
schotten van binnen. Zaden 1—3, onregelmatig eivormig;
zaadlobben dik, vleezig; kiemworteltje nagenoeg opgericht,
zeer kort.
Lage, dikwijls nederliggende kruiden. Bladeren even-
gevind ; met 2-jukkige blaadjes, zelden 3-bladig, zonder
steunblaadjos aan de bladspil. Stcunblaadjes aan de basis
met den bladsteel vergroeid. Bloemen zittend of zeer kort
gesteeld, aan eene dichte en zittende aar, die geplaatst
is in den oksel van een blad of\' van een zeer kort schut-
blad, dat 2 oortjes draagt. Schutblaadjes onder den kelk,
lijnvormig.
Aantal soorten 7, waarvan 0 in tropisch Amerika. Eéne soort,
A. hypotjaea L., komt in alle tropische gewesten gekweekt voor.
22. ZORNIA GmtA.
Kelk vliezig, 2 bovenste lobben boog vergroeid, 2 zij-
delingsche veel kleiner, de onderste langwerpig of lan-
cetvormig, even groot als de boveidip. Vlagje min of
meer cirkelvormig, genageld; vleugels schuin, omgekeerd
eirond of langwerpig; kiel boogswijs gekromd, min of
meer gesnaveld. Meeldraden alle tot eene gesloten buis
vergroeid; helmknoppen deels lang en aan de basis vast-
gehecht, deels, hiermede afwisselend, kort en bewegelijk.
Eierstok zittend, met co eitjes; stijl draadvormig, met
kleinen, eindelingschen stempel. Peul samengedrukt; boven-
naad recht; ondernaad diep golvend ingesneden, waardoor
de peul in gladde of gestekelde, niet openspringende
leden verdeeld wordt. Zaden cirkel- of niervormig, zonder
kiempropje.
Kruiden. Bladeren handvormig samengesteld, 2- of 4-
bladig; blaadjes dikwijls doorschijnend gestippeld, zonder
stcunblaadjes aan de bladspil. Steunblaadjes aan den
bladvoet min of\' meer bladachtig, dikwijls gestippeld.
Bloemen aan eindelingsehe of okselstandige blocmstengels
tot afgebroken aren vereenigd of\' afzonderlijk. Schutbladen
2 (steunblaadjes van mislukte schutbladen), zijdelings
-ocr page 418-
358                                XLIV. LEGÜMINOSAE.
eene zittende bloem insluitend, van denzelfden vorm als
de steunblaadjes, maar grooter en breeder, gestreept;
schutblaadjes ontbrekend. Kelk dikwijls doorschijnend
gewimpord.
Aantal soorten omtrent 10, <le meeste in Zuid Amerika, ééne
in Noord Amerika en Zuid Afrika en ééne door de wanne gewesten
van de gelieele wereld verspreid. Laatstgenoemde soort, Z.diphylla
Pars.,
doet zich voor in talrijke vormen, zoodat ze in wel meer
dan \'20 soorten door verschillende schrijvers verdeeld werd. In
Miquki.\'s Flora worden 3 soorten opgenoemd, Z. anguttifolia BI.,
Z. reticiilatii Sin.
en Z. Zeylonensis Pers.
23. DESMODIUM Desv.
Kelkbuia kort; de 2 bovenste lobben of tanden min
of meer vergroeid; de 3 onderste spits of pricmvormig-
toegespitst. Vlagje langwerpig, omgekeerd ei- of cirkel-
vormig, aan de basis versmald of zelden boven den nagel
stomp of omgekeerd hartvormig, zonder aanhangsel;
vleugels schuin langwerpig, min of meer met de kiel
samenhangend; kiel recht, boogswijs gekromd of kort
gesnaveld, stomp. Meeldraad tegenover het vlagje met
de overige tot eene gesloten buis vergroeid of reeds onder
het midden of van de basis af vrij en de andere vergroeid;
helmknoppen éénvormig. Eierstok zittend of gesteeld met
2—oo eitjes; stijl neergebogen of boogswijs gekromd, onge-
baard, met knopvormigen of kleinen, eindelingschen stem-
pel. Peul boven den kelk uitstekend, zittend of gesteeld,
samengedrukt, met vliezige of lederachtige, platte of
zelden gezwollen, onbehaarde of langharige, maar niet
gestekelde leden, welke bij rijpheid meestal niet open-
springen, maar elkander achtereenvolgens loslaten of
zelden aan den ondernaad 2-kleppig openspringend en
nagenoeg niet loslatend. Zaden samengedrukt, cirkel-
niervormig, zonder kiempropje.
Kruiden, halfheesters of heesters, zelden boomachtig
of min of meer klimmend. Bladeren nu eens 3-bladig,
zelden 5-bladig gevind, dan weder 1-bladig; blaadjes
meestal groot, met steunblaadjes aan de bladspil. Steun-
blaadjes aan den bladvoet meestal gestreept, droog, vrij
of tot één tegenover het blad vergroeid. Bloemen purper,
blauw, rosé of wit, meestal klein, afzonderlijk of twee
aan twee geplaatst, langs de spil van een eindelingschen
-ocr page 419-
359
XLIV. LEGUMINOSAE.
of zelden min of meer okselstandigen, enkelvoudigen of
pluimvonnig vertakten tros, zelden aan kortgesteelde
schermen of tot bundels vereenigd in den bladoksel.
Schutbladen onder ééne afzonderlijke bloem slechts één,
onder twee bloemen drie (1 schutblad en daarbinnen 2
schutblaadjes), gestreept of priemvormig en blijvend of
vliezig en lang voor den bloei afvallend. Schutblaadjes
nu eens duidelijk ontwikkeld en blijvend, dan weder
klein of ontbrekend.
Aantal soorten omstreeks 12.r>, grootendeels in «ie tropische ge-
westen van de beide halfronden. Zooals het geslacht door Bentham
en Hooker wordt opgevat, zijn er een aantal soorten mede versmol-
ten, die bij andere schrijvers afzonderlijke geslachten vormden ; met
het oog hierop geef ik hier de secties aan, waarin het geslacht door
BENTHAM en HOOKER verdeeld wordt, welke alle in de Flora van
Nederlandsch Indië vertegenwoordigd zijn.
f Kelk aan de basis meestal versmald. Vleugels licht samenhangende
niet de kiel, welke geen aanhangsels heeft.
1.   Dendrolobium Wighi el Am. Boomen of heesters. Bladeren 3-tallig.
Bloemen in schermen of kort gesteelde, okselstandige hoofdjes. Leden
van de peul lederachtig, dik, donker netvorruig geaderd, niet open-
barstend. Onder den geslachtsnaam Dendrolobium JBenth. worden door
Miquki. twee soorten van deze sectie voor Nederlandsch Indië opge-
noetnd, Dendr. umbellatuni Wight. et Am.=Denni. wtnbellatumDC.
en Dendr. Cephalotes Jteuih. = Desm. Cephalotes Wall.
2.   Phyllodiuitl. Kruiden of heesters. Bladeren 3-tallig. Bloemen in
kort gesteelde hoofdjes of schermpjes, de laatste tot een tros veree-
nigtl, iedere bloem dooi\' een groot, uit 2 blaadjes samengesteld schnt-
blad gesteand. Eitjes meestal 3. Leden der peul cirkelvoimig-afgeknot,
plat, niet openbarstend. Onder den geslachtsnaam Phylloüium Desv.
noemt MlQUEL 3 soorten op voor Nederlandsch Indië.
3.   Dicerma. Wijdvertakte kruiden of heesters. Bladeren 3-tallig.
Bloemen 2 aan 2 of in bundels, langs de spil van een niet-beblader-
den tros. Eitjes 2. Leden der peul 2 of door mislukking 1 , cirkelvoimig-
afgeknot of met een rechten buiknaad, doch ongelijk, plat, niet
openspringend. Onder den geslachtsnaam Dioerma D C, vinden wij
ééne soort bij Miquki. , Die. biarticulatam D C. = Desm. biarticulatum
Jlentli.
4.    Pteroloma Desv. Kruiden of half heesters. Bladeren 1-bladig;
bladsteel gevleugeld. Bloemen in bundels langs de spillen der trossen.
Nagel van het vlagje dun. Kiel met een boogvormigen snavel. Eitjes
oo . Leden der peul vierkant. Miquki. geeft 2 soorten op voor Neder-
landsch Indië onder den geslachtsnaam Pteroloma Benth., nl. Pt. tr\'ujue-
trum Benth.
en Pt. auriculatum Desv., door Miquki. als zeer ver-
want beschouwd en door Bak kr onder den naam van Desm. triquetrum
D C.
vereenigd.
-ocr page 420-
360
XLIT. LEGUMINOSAE.
5.   Catenaria. Hal f heesters of heesters. Bladeren 3-tallig. Bloemen
2 aan 2 of in bundels. Vlagje smal. Kiel aan ilen top boogswijs ge-
kronnl. Leden dor peul lang, min of meer afgeknot. Onder den ge-
slachtsnaam Catenaria Benth. wordt door Miqoel ééne soort, Cat.
lalmrnifolia lienth.
= Desm. labumifolium I* C. opgegeven.
ff Kelk aan de basis meestal stomp. Vlenqcls samenhangende met
de kiel door middel van een vliesje of bultje.
6.  Scorpiurus. Kruiden of heesters. Bladeren 1—3-tallig. Bloemen
afzonderlijk of 2 aan 2 langs de. spil van een langen tros. Meeldraad
tegenover het vlagje meestal vrij. Peul zittend; leden langwerpig of
lang. Miqikl geeft 5 soorten op voor Nederlandsen Indië en brengt
ze evenzoo tot deze sectie van liet geslacht Desmodinm.
7.   Dollinera. Heesters. Bladeren 3-bladig. Bovenste kelklobben hoog
vergroeid en stomp, ook de zijtlelingsche soms stomp. Trossen dik-
wijls tot pluimen vereenigd. Meeldraad tegenover het vlagje meestal
met de overige vergroeid. Peul kort gesteeld; rugnaad of beide naden
licht golfswijs vernauwd, met aangedrukte haren. Eéne soort dezer
sectie, ook in MlQUEL\'S Flora als zoodanig aangeduid, Desm. dasy-
phyllum Mig.,
komt in Nederlandsch Indië voor.
8.  Heteroloma. Kruiden, halfheesters of zelden heesters. Bladeren
1- of 3-bladig. Bloemen alleen of twee aan twee langs de spil van
een lossen, langen tros. Kelklobben alle spits of priemvormig. Meel-
draad tegenover het vlagje meestal vrij, in weinige soorten met de
overige vergroeid. Buiknaad van de peul doorloopend of tusschen de
zaden met licht golvende inhammen; rugnaad met diepe inhammen;
leden ongelijkzijdig, niet openbarstend, bij rijpheid elkander loslatend,
dikwijls met lange zachte haren; verbindingsstukken aan den rand
of buiten het midden der leden bevestigd. Hiertoe behooren een 11-tal
soorten van Miqukl, door dezen deels tot dezelfde, deels tot andere
secties van Desmodium gebracht, terwijl KURZ hiertoe ook eene soort
brengt, door Miqukl tot het geslacht Uraria gerekend, Desm. obcor-
datum Kurz = Ui: obcordata Mig.
9.   Chalarium D C. Kruiden, halfheesters of heesters. Bladeren 1-
of 3-bladig. Steunblaadjes dikwijls nu en dan oorvormig verbreed.
Bloemen meestal twee aan twee langs de spil van een langen tros
of de takken van eene pluim. Meeldraad tegenover het vlagje met de
andere vergroeid. Naden der peul aan weerskanten met gelijke in-
hammen. Leden ei- of cirkelvormig, door smalle, in het midden
staande verbindingsstukken samenhangende, plat of bij het drogen
ineengediaaid, onbebaard of zachtharig, doch zelden zeer langharig.
Hiertoe behoort eene soort door Miqukl ook tot deze sectie gerekend,
JJesm. etipulaceum D C.
10.   Nicolsonia. Kruiden of heesters, wijd vertakt en nederliggend
of opgericht. Bladeren 1- of 3-bladig. Trossen eindelingsch, meestal
kort, dicht met bloemen bezet, welke twee aan twee binnen de schut-
bladen staan. Schutbladen breed, eerst dicht opoengedrongen, maar
meestal lang voor den bloei afvallend. Meeldraad tegenover het vlagje
meestal vrij. Buiknaad van de peul meestal recht; rugnaad met
ondiepe inhammen; leden plat, vierkant of breed afgeknot, achtereen*
-ocr page 421-
XLIV. LEGUMINOSAE.                                361
volgens elkander loslatend en dikwijls aan den ondernaad min of
meer 2-kleppig openspringend. Hiertoe behooren vier soorten ook door
Miquei. tot deze sectie gerekend.
14. Sagotia Kruiden of halfheesters, nederliggend en wijdvertakt.
Bladeren 3-tallig; blaadjes meestal klein. Iiloemstelen draadvorraig, nu
eens ten getale van 2—4 in de bladoksels of tegenover de bladeren,
dan weder afzonderlijk en verspreid langs een okselstandigen, einde-
lingsehen of tegenover de bladeren geplaatsten bloemstengel. Buiknaad
recht of met ondiepe inhammen; rugnaad met diepere inhammen;
leden plat, breed afgeknot, zelden openbarstend aan den ondernaad.
Volgens Miquel behooren hiertoe 4 soorten van Nederlandsch Indië.
•12. Pleurolobium DC. Kruiden of halfheesters. Bladeren 3-tallig;
zijblaadjes soms zeer klein of ontbrekend. Bloemen meestal twee aan
twee langs de spil van een langen tros of de takken van eene pluim.
Meeldraad tegenover het vlagje ten slotte vrij. Buiknaad van de peul
nagenoeg geheel recht; rugnaad ter nauwernood met golvende in-
hammen; leden vierkant of breed afgeknot, ter nauwernood van zelf
loslatend, aan den rugnaad meestal 2-kleppig openbarstend. Volgens
Bentham en IIookeh behooren hiertoe een tweetal soorten, doch
Miquel brengt er hiertoe vijf. Het geslacht Codariocalyx van Hass-
kakl, door JfiQUEi, tot deze sectie gebracht, behoort ook volgens
Bentham en Hooker hier tehuis.
24. MECOPUS Bcnn.
Kelklobben kort, de beide bovenste vergroeid. Vlagje
omgekeerd eivormig, aan de basis versmald; vleugels
sikkelvormig, aan de kiel vastgehecbt; kiel sterk boogs-
wijs gekromd, stomp. Meeldraad tegenover het vlagje ten
slotte vrij, de overige vergroeid; helmknoppen éénvormig.
Eierstok kort gesteeld, met 2 eitjes; stijl neergebogen;
stempel klein, eindelingsch. Peul met zeer langen steel,
ver boven den omlaag geriehten kelk uitstekend, binnen
de schutbladen naast de as van de aar verborgen, met
2 samengedrukte, min of meer bolle, netvormig geaderde,
niet openspringende leden. Zaden cirkel-niervormig, zonder
kiempropje.
Dun, wijd vertakt kruid. Bladeren 1-tallig, met 1 nier-
vormig blad en 2 steunblaadjes aan de bladspil. Steun-
blaadjes aan den blad vost vrij, lancet vormig-borstelig.
Bloemen zeer klein, in langwerpige, eindelingsche, dichte
trossen. Schutbladen priemvormig, met haakvormig omge-
bogen top. Bloemstelen twee aan twee, nagenoeg even
groot als de schutbladen, aan den top haakvormig neer-
gebogen en de bloem omlaag richtende.
Eéne soort, M. nidulans Bennett, op .lava alleen aangetroffen.
23
-ocr page 422-
362                                XIJV. LEGUMIN08AE.
25. PSETJDARTHRIA Wight et Am.
Kelklobben even lang als de buis, de beide bovenste
hoog vergroeid. Vlagj 3 min of meer cirkelvormig; vleu-
gels schuin langwerpig, vrij van de kiel; kiel langwerpig,
stomp, zonder aanhangsels aan de zijden. Meeldraad tegen-
over het vlagje vrij, de overige vergroeid; helmknoppen
éénvormig. Eierstok min of meer zittend; eitjes co ; stijl
neergebogen, priemvormig, met kleinen, eindelingschen
stempel. Peul plat-samengcdrukt, met rechte of een
weinig tusschen de zaden vernauwde naden, 2-kleppig,
van binnen zonder schotten, met dunne, dwarsgeaderde,
ongeleede kleppen.
Viltachtig-langharige of kleverig-zachtharige kruiden of
half heesters. Bladeren 3-bladig gevind, met groote blaad-
jes en steunblaadjes aan de bladspil. Steunblaadjes aan den
bladvoet vrij, vliezig of gestreept. Bloemen klein, purper-
kleurig, twee aan twee of in bundels langs de spil van
een eindelingschen tros of de takken van eene pluim.
Schutbladen smal. Peul dikwijls op de wijze der soorten
van Desmodium met lange, zachte haren.
Aantal soorten 3 of 4, waarvan 1 in tropisch Azië, de overige
in Oost Afrika of de Mascarenische eilanden. Pseuil. viscida Wight et
Am.
komt op Timor voor, doch is op de andere eilanden nog niet
geconstateerd.
26. PYCNOSPORA 11 Dr.
Kelk diep gespleten, de twee bovenste tanden hoog
vergroeid. Vlagje min of meer cirkelvormig, aan de basis
versmald; vleugels schuin langwerpig, met de kiel samen-
hangende; kiel licht boogswijs gekromd, stomp, met een
smal, zijdelingsch vlies aan weerskanten. Meeldraad tegen-
over het vlagje met de overige hoog vergroeid of eindelijk
vrij; helmknoppen éénvormig. Eierstok zittend, met co
eitjes; s\';ijl neergebogen, priemvormig, met eindelingschen
stempel. Peul langwerpig, gezwollen, 2-kleppig, van binnen
zonder schotten; kleppen dun, met dwarse, lijnvormige,
netvormig verbonden aderen. Zaden klein, min of meer
niervormig, met een dun kiempropje aan den navel.
Half heester met uitgespreide, nederliggende takken of
opgericht. Bladeren 3-bladig gevind; blaadjes gaafrandig,
met steunblaadjes aan de bladspil. Steunblaadjes aan den
-ocr page 423-
XLIV. LEGUMINOSAE.                                363
bladvoet vrij, vliezig, gestreept. Bloemen klein, purper-
kleurig, meedtal twee aan twee langs de spil van een
eindelingschen tros of de takken van eene pluim. Schut-
bladen vliezig, spoedig afvallend. Schutblaadjes ontbrekend.
Eéne soort in tropisch Azië en Australië, P. hedysaroides R. Br.
Het voorkomen in Engelsen Indië, China, de Philippijnen en Noord
Australië maakt liet zeer waarschijnlijk, dat zij ook in Nederlandsen
Indië zal te vinden zijn. Tot dusverre werd zij daar niet waargenomen.
27.   URARIA Desv.
Kelklobben priemvormig toegespitst, uitgespreid, de 2
bovenste (door omdraaiing van de bloem de onderste ge-
worden) korter. Vlagje cirkelvormig of eirond, in een
nagel versmald; vleugels sikkelvormig-langwerpig, aan de
kiel vastgehecht; kiel licht gekromd, stomp. Meeldraad
tegenover het vlagje gewoonlijk vrij, de overige vergroeid;
helmknoppen éénvormig. Eierstok zittend of kort gesteeld,
xnet 2-qo eitjes; stijl draadvormig, vanboven neergebogen,
stempel knopvormig, eindelingsch. Peul nagenoeg zittend,
tusschen de zaden vernauwd ; leden 2—6, eivormig, sa-
mengedrukt-gezwollen, op elkander gevouwen en binnen
den kelk teruggetrokken. Zaden rond of kogelvormig,
met zijdelingschen navel, zonder kiempropje.
Kruiden of half heesters. Bladeren 3-, zelden 5—7-bla-
dig gevind of de onderste zelden alle aan de basis ge-
streept; blaadjes dikwijls groot, netvormig geaderd, met
steunblaadjes aan de bladspil. Steunblaadjes aan den blad-
voet vrij, toegespitst, aan de basis gestreept. Bloemen
purper- of geelachtig, in eindelingsche, ruigharige, soms
lange, soms dichte, aarvormige trossen; bloemsteeltjes
twee aan twee, aan den top haakvormig neergebogen.
Schutbladen ei- of lancetvormig, toegespitst, blijvend of
afvallend; schutblaadjes ontbrekend.
Aantal soorten omstreeks 8. in tropisch Azië, Afrika en Australië.
In Nederlandsch Indië komt een 6-tal voor. U. obcordata Miq. is
volgens Kukz eene soort van Desmodium Desv. (D. obcordatum Kun.)
28.   LOCJREA Neck.
Kelk wijd klokvormig, na den bloei vergroot; lobben
gelijk, een weinig breed. Vlagje omgekeerd eivormig of
omgekeerd hartvormig, in den nagel versmald; vleugels
schuin langwerpig, met de kiel samenhangende; kiel licht
-ocr page 424-
364
XMV. LEOUMINOSAE.
gekromd, stomp. Meeldraad tegenover het vlagje vrij, de
overige vergroeid; lielmknoppen éénvormig. Eierstok met
2-oo eitjes; stijl priemvormig, van boven neergebogen,
met eindelingsohen, breed knopvormigen stempel. Peul
min of meer zittend of gesteeld, tusschen de zaden ver-
nauwd; leden eivormig, samengedrukt-gezwollen, op
elkander gevouwen en binnen de peul teruggetrokken.
Zaden cirkelvormig en plat of bolvormig, met zijdeling-
schen navel, zonder kiempropje.
Nederliggende of opgerichte, onbehaarde of langharige
kruiden. Bladeren 1—3-tallig; blaadjes meestal breeder
dan lang, met steunblaadjes aan de bladspil. Steunblaad-
jes aan den bladvoet vrij, priemvormig of gestreept.
Bloemen purperkleurig of wit, in losse, eindelingsche
trossen, waaraan de bloemen twee aan twee staan. Schut-
bladen toegespitst, zeer spoedig afvallend; schutblaadjes
ontbrekend.
Aantal soorten 4, waarvan 2 in Nederlandsch Indië. Hiervan
onderscheidt zich ééne, L. vespertilionis Desv., door liet 1-tallige
blaadje, dat O—10 maal langer dan breed is; bij L. obconlala Desv.
is het 1-tallige blaadje dwars eivormig.
29. ALYSICARPUS Neck.
Kelk diep gespleten, stijf, kafachtig of gestreept; lob-
ben nagenoeg gelijk; de beide bovenste meestal tot aan
den top vergroeid. Vlagje omgekeerd eivormig of cirkel-
vormig, tot een nagel versmald; vleugels schuin lang-
werpig, met de kiel samenhangende; kiel licht gekromd,
stomp, aan beide zijden meestal met een vlies. Meeldraad
tegenover het vlagje vrij, de overige vergroeid. Eierstok
zittend of kort gesteeld, met oo eitjes; stijl draadvormig,
aan den top gekromd, met breeden, eindelingschen, knop-
vormigen stempel. Peul nagenoeg rolrond of min of meer
samengedrukt, doch niet plat, tusschen de zaden vernauwd
of overal gelijk, met eivormige, bolvormige of aan weers-
kanten afgeknotte , bolle of gezwollen, niet openspringende
leden. Zaden cirkelvormig en plat of bolvormig, zonder
kiempropje.
Kruiden, wijd vertakt en uitgespreid of opgericht, on-
behaard of lang zjjdeachtig behaard. Bladeren 1-tallig,
met steunblaadjes aan de bladspil, zelden 3-tallig. Steun-
-ocr page 425-
365
XLIV. LEGUMINOSAE.
blaadjes aan den bladvoet stijfvliezig, toegespitst, vrij of
vergroeid.
Bloemen klein, in eindelingsche trossen of zelden, door
het mislukken van den tak, okselstandig, meestal twee
aan twee, met kleine bloemsteeltjes. Schutbladen vliezig,
meestal spoedig afvallend.
Aantal soorten omstreeks 16, in tropisch Azië, Afrika en Austra-
lië groeiende, waarvan ééne ook in tropisch Amerika ingevoerd
voorkomt. BAKKR noemt S) soorten op voor Engelsch Indië en 4
hiervan komen volgens MlQUEL in Nederlandsch Indië voor, terwijl
eene vijfde, door Miqiki. beschreven soort bij BAKER voor eene
variëteit van eene der andere geldt. Het geslacht wordt verdeeld
in twee secties: 1. Microcalycinae. waarvan de kelk niet langer
is dan het eerste lid van de peul, 2. Macrocalycinae waarvan de
kelk veel langer is dan het eerste lid van de peul en de kelk-
tanden in den vruchttoestand elkander nog dakpanswijze dekken
en de vrucht insluiten.
30. PHYLACITJM Berm.
Kelklobben gewimperd, de beide bovenste bijna geheel
en al vergroeid. Bloembladen lang genageld; vlagje nage-
noeg cirkelvormig, boven de basis met eene bult en neer-
geslagen oortjes voorzien; vleugels smal, sikkelvormig,
vrij, soms met sporen aan de basis; kiel gekromd, stomp,
korter dan de vleugels. Meeldraad tegenover het vlagje
onder aan de basis vrij, overigens met de overige tot eene
buis vergroeid; helmknoppen éénvormig. Eierstok nage-
noeg zittend, door eene ringvormige schijf omgeven, met
1 eitje; stijl van boven verdikt, gekromd, aan den top
priemvormig, met knopvormigen stempel. Peul plat-samen-
gedrukt, eivormig, met den blijvenden stijl aan den top,
netvormig geaderd, niet openbarstend. Zaad samengedrukt,
cirkelvormig, zonder kiempropje.
"Windende kruiden. Bladeren gevind, 3-bladig; blaadjes
gaafrandig, groot, met steunblaadjes aan de bladspil.
Steunblaadjes aan den bladvoet smal, spoedig afvallend.
Bloemstengels bundelswijze in de bladoksels, kort, weinig-
bloemig, aan den top bijscherm- of trosvormig. Bloemen
klein. Sommige schutbladen na den bloei sterk vergroot,
vliezig, bladachtig, samengevouwen kapvormig; de andere
klein. Bloemstelen kort, met 2 schutblaadjes aan den top.
Eéne soort, Pit. bracteosum Benn., op Java en Amboina.
-ocr page 426-
366
XLIV. LEGUMINOSAE.
31. LESPEDEZA Mich.
Kelklobben of -tanden nagenoeg gelijk of de beide
bovenste kort vergroeid. Vlagje omgekeerd eivormig of
langwerpig, in een nagel versmald; vleugels sikkelvormig,
langwerpig, vrij of zeer weinig met de kiel verbonden;
kiel gekromd, stomp of gesnaveld, zonder aanbangsels
aan de zijde. Meeldraad tegenover liet vlagje vrij of zel-
den met de overige, die steeds onderling vergroeid zijn,
samenhangend; helmknoppen éénvormig. Eierstok zittend
of gesteeld, met 1 eitje; stijl draadvormig, gekromd;
stempel klein, eindelingseh. Peul ei-of cirkelvormig, plat-
samengedrukt, netvormig geaderd, niet openspringend.
Zaad samengedrukt, cirkelvormig, zonder kiempropje.
Kruiden, halfheesters of heesters, meestal met eene
zachte of zijdeachtige beharing. Bladeren 3-bladig gevind;
blaadjes gaaf\'randig, zonder steunblaadjes aan de bladspil.
Steunblaadjes aan den bladvoet vrij, dikwijls zeer klein
of spoedig afvallend. Bloemen gesteeld, met 2 steunblaadjes
aan den top der stelen, purper of rosé of wit, in oksel-
standige trossen of bundels, zelden in eindelingsche plui-
men. Schutbladen klein.
Omsteeks 25 soorten, in Noord Amerika en de gematigde streken
van Oostelijk Azië en in de bergstreken van tropisch Azië en
Australië. Onlangs door Maximowicz monographiseh bewerkt in
diens Si/no/mis Gencris Lespeileza, bestaat het geslacht thans uit
twee ondergeslachten, waarvan het eerste, Eu-Lespedeza eene
stompe, weinig gekromde kiel, en het tweede, Oxyramphis eene
scherpe, sterk gekromde kiel bezit. Tot het laatste onclergeslacht
behooren de soorten vroeger onder de namen van Oxyramphis Wall.,
PhlebOSpomm Jungh. en CampylotropiS Bunge beschreven. Onder
den laatstgenoemden geslachtsnaam vinden wij in Miquei.\'s Flora
2 soorten, 67. cylisoiiles Benlh. = L. cytitoides Max. en C. virgata
Miq.
= L. eriocarpa D C, voor Java opgegeven.
32. LATHYRUS L.
Kelkbuis aan de basis meestal schuin of van achteren
bultig; tanden nagenoeg gelijk of de bovenste het kortst.
Vlagje breed, omgekeerd eivormig of cirkelvormig, uit-
gerand, in een korten, breeden nagel versmald; vleugels
sikkelvormig, omgekeerd eivormig of langwerpig, in het
midden licht samenhangende met de kiel of min of meer
vrij; kiel korter dan de vleugels, gekromd, stomp. Meel-
-ocr page 427-
367
XLIV. LEGUMINOSAE.
draad tegenover het vlagje vrij of met de overige min of
meer vergroeid; buis aan den bovenrand min of meer
ongelijk; helmdraden draadvormig of van boven verbreed;
helmknoppen éénvormig. Eierstok nagenoeg zittend of ge-
steeld, met oo , zelden met 2—4, eitjes; stijl neergebogen,
bovenaan van de rugzijde afgeplat en dikwijls verhard,
aan de binnenzijde (welke door wringen van den stijl dik-
wijls naar buiten gekeerd is) in de lengte gebaard, ove-
rigens onbehaard; stempel eindelingsch. Peul samenge-
drukt of nagenoeg rolrond, 2-kleppig, van binnen zonder
schotten, oo -zadig. Zaden kogelvormig , hoekig of zelden
samengedrukt; zaadstreng aan den top uitgespreid tot
een dunnen zaadrok, welke den korten of hjnvormigen
navel bedekt; zaadlobben dik; kiemworteltje neergebogen.
Kruiden, nu eens laag, dan weder door middel van
ranken klimmende. Bladeren gevind; bladsteel nu eens
in eene rank of borstel, (zeer zelden in een blaadje)
eindigend, dan weder verbreed als een phyllodium (blad-
achtige stengel); blaadjes 2- of weinig- (zelden oo -) juk-
kig, gaafrandig, zelden geheel ontbrekend. Steunblaadjes
aan den bladvoet bladachtig, half of geheel pijlvormig of
zelden aan de basis gaaf. Bloemen blauw, paarsch, rosé,
wit of geel, meestal groot, in trossen of afzonderlijk aan
lange, okselstandige stengels. Schutbladen spoedig afvallend,
meestal klein; schutblaadjes ontbrekend.
Aantal soorten omstreeks 170, in het noordelijk gedeelte van
beide halfronden en in Zuid Amerika voorkomende. Knkele soorten
worden in lndië in de tuinen gekweekt.
33. ABRTJS L.
Kelk afgeknot; tanden zeer kort, de 2 bovenste min
of meer vergroeid. Vlagje eivormig, tot een korten, breeden
met de meeldradenbuis min of meer samenhangenden
nagel versmald; vleugels smal, sikkelvormig-langwerpig;
kiel langer en breeder dan de vleugels, boogvormig. Meel-
draden 9, tot eene van boven gespleten buis vergroeid;
meeldraad tegenover het vlagje ontbrekend; helmknoppen
éénvormig. Eierstok nagenoeg zittend; eitjes oo ; stijl kort,
gekromd, ongebaard; stempel knopvormig. Peul langwerpig
of lijnvormig, plat-samengedrukt, 2-kleppig, met meer of
minder duidelijk ontwikkelde tusschenschotten tusschen de
-ocr page 428-
368                                 XLIV. LEGUMINOSAE.
zaden. Zaden nagenoeg kogelvormig of kort langwerpig,
glanzend.
Heesters of half heesters, meestal met lange, windende
takken. Bladeren evengevind; blaadjes veeljukkig, zonder
steunblaadjes aan de bladspil, welke in een borstel eindigt.
Trossen eindelingsch of okselstandig, aan korte blader-
looze takken. Bloemen in bundels aan de knoopen van
de spillen der trossen, klein, rosé of wit.
Aantal soorten G, in do tropische gewesten. De meeste zijn
kosmopolitisch; een viertal soorten komt in Nederlandsen Indië voor.
34. CLITORIA L.
Kelk buisvormig; de 2 bovenste lobben min of meer
vergroeid, de onderste smaller dan de andere. Vlagje
groot, opgericht, uitgerand, aan de basis versmald, zon-
der aanhangsels; vleugels sikkelvormig-langwerpig, uit-
gespreid, in het midden aan de kiel vastgehecht; kiel
korter dan de vleugels, gekromd, scherp. Meeldraad tegen-
over het vlagje vrij of met de overige min of meer ver-
groeid; helmknoppen éénvormig. Eierstok gesteeld; eitjes
oo ; stijl lang, gekromd, aan den top min of meer horizon-
taal uitgezet, aan de binnenzijde in de lengte gebaard.
Peul gesteeld, lijnvormig, samengedrukt; bovennaad of
beide naden licht verdikt; zijvlakken plat of bol, naakt
of met eene langsribbe, 2-kleppig, van binnen opgevuld
of zonder afscheiding tusschen de zaden. Zaden nagenoeg
kogelvormig of samengedrukt, zonder kiempropje.
Kruiden of heesters, nu eens laag en min of meer
opgericht, dan weder al windend omhoog klimmend.
Bladeren 3-co -bladig gevind, meestal met steunblaadjes
aan de bladspil; steunblaadjes aan den bladvoet blijvend,
gestreept. Bloemen groot, purperkleurig, blauw, wit of
rood, 1—2 in de bladoksels of in gedrongen trossen, meestal
2 aan 2 aan de spillen van deze. Schutbladen blijvend,
steunbladvormig, twee aan twee, de onderste tegenover
elkander, de bovenste met elkander vergroeid; schutblaadjes
meestal grooter dan deze, gestreept, blijvend.
Ongeveer 27 soorten, verspreid in de warme gewesten der beide
halfronden. In Java komen 2 soorten voor, Cl. Javanïca Mlq. en
Cl. Ternalea L.; de laatste soort wordt wild of gekweekt in alle
tropische gewesten aangetroffen.
-ocr page 429-
369
XLIV. LEGUMINOSAE.
3r>. DUMASIA D C.
Kelkbuis cilindrisch, van onderen aan de achterzijde
bultig, aan den bovenrand schuin afgeknot; tanden nage-
noeg geheel ontbrekend. Ylagje omgekeerd eivormig,
opgericht, met neergeslagen oortjes boven den nagel;
vleugels sikkelvormig-omgekeerd eivormig, met de kiel
samenhangend; kiel een weinig korter dan de vleugels,
licht gekromd, stomp. Meeldraad tegenover hot vlagje
vrij, de overige vergroeid; helmknoppen éénvormig.
Eierstok zeer kort gesteeld; eitjes oo; stijl boven den
eierstok draadvormig, opgericht, boven het midden uit-
gezet, van boven neergebogen, priemvormig, onbehaard,
met eindelingschen stempel. Peul nagenoeg zittend, lijn-
vormig, samengedrukt, aan de zaden paarlsnoervormig
opgezwollen, 2-kleppig, zonder schotten van binnen. Zaden
nagenoeg kogelvormig, zonder kiempropje.
Windende kruiden. Bladeren 3-bladig gevind, met steun-
blaadjes aan de bladspil. Steunblaadjes aan den bladvoet
borstelvormig of gestreept. Bloemen geel, in okselstandige
trossen, alleen of twee aan twee langs de spillen van deze.
Schutbladen klein, smal; schutblaadjes zeer klein.
Aantal soorten volgens Bksthasi en Hookkr \'2 of 3, in tropisch
A/ië en Afrika: daarvan is er ééne, F). vittosa I) C, kosmopolitisch,
eene tweede komt in Engelsch Indie en een derde iu Japan voor.
lSehalvo de eerstgenoemde soort wordt door Miquel nog ééne soort
voor Java genoemd, 1). glaucescens Miq.
30. SHUTERIA Wight el Am.
Kelkbuis bultig: lobben of tanden kort, de bovenste
tot aan den top vergroeid. Vlagje omgekeerd eivormig,
min of meer opgericht, aan de basis tot een nagel ver-
smald, zonder aanhangsels; vleugels smal, schuin, met
de kiel samenhangende; kiel korter dan de vleugels, min
of meer opgericht, stomp. Meeldraad tegenover het vlagje
vrij , de overige vergroeid; helmknoppen éénvormig. Eier-
stok nagenoeg zittend; stijl gekromd, draadvormig, onge-
baard, met eindelingschen, knopvormigen stempel. Peul
lijnvormig, stomp, 2-kleppig, met onduidelijk ontwikkelde
tusschenschotten tusschen de zaden. Zaden min of meer
cirkelvormig of dwars langwerpig, zonder kiempropje en
met kleinen navel.
-ocr page 430-
370
XUV. LEGUMINOSAE.
Windende, dunne kruiden. Bladeren 3-bladig gevind, met
steunblaadjes aan de bladspil. Steunblaadjes aan den blad-
voet gestreept. Bloemen klein, wit rosé of paarsch,
twee aan twee of in bundels langs de spillen van oksel-
standige trossen. Schutbladen blijvend, gestreept; schut-
blaadjes klein.
Aantal soorten 5 of (>, waarvan 1 in tropisch Afrika en 4 in
Kngelsch Indië. MlQUEL geeft twee soorten op voor Java, waarvan
de eeno, Sh. vestita Wightel Ar»., in Kngelsch Indië ook voorkomt,
terwijl de tweede, Sh. rotundifoüa \\li</., misschien als een vorm
van de andere kan beschouwd worden.
37. GLYCINE L.
Kelk min of meer tweelippig, de beide bovenste tanden
of alleen aan de basis of voorbij het midden vergroeid.
Vlagje min of meer cirkelvormig, uitgespreid, met oortjes
aan de basis, doch zonder neergeslagen randen; vleugels
smal, licht met de kiel samenhangend; kiel korter dan
de vleugels, stomp. Meeldraden alle vergroeid of die tegen-
over het vlagje ten slotte, hoogst zelden reeds van den
beginne af, vrij. Eierstok nagenoeg zittend; eitjes oo ; stijl
licht gekromd, meestal kort, ongebaard, met knopvor-
migen, eindelingschen stempel. Peul lijn-of sikkelvormig,
samengedrukt of ten slotte nagenoeg rolrond, 2-kleppig,
van binnen tusschen de zaden met sponsachtige tusschen-
schotten en met eene kleine spits. Zaden zonder kiempropje.
Windende of nederliggende, dunne of zelden bijna op-
gerichte kruiden. Bladeren 3-, zelden 5—7-bladig gevind,
met steunblaadjes aan de bladspil; steunblaadjes aan den
bladvoet klein. Bloemen klein, purperkleurig of bleek,
in okselstandige trossen, waaraan zij alleen of in bundels
langs de spil voorkomen, of de onderste bloemen, (welke
soms geen bloembladen hebben) alleenstaand in de blad-
oksels. Schutbladen klein, borstelvormig; schutblaadjes
smal of zeer klein.
Omstreeks 12 soorten, in tropisch Afrika, Azië en Australië voor-
komend. Het geslacht Gh/cine, volgens de opvatting van Bentham
en IIooker bestaat uit twee ondergeslachten: \\. Glycine, in nau-
weren zin; \'2. Soya. waarvan het laatste zich van het eerste onder-
scheidt door de breede, sikkelvormige peul. Door vroegere schrij-
vers werden beide als geslachten beschouwd. Het viertal soorten,
dat in Nedeilandsch Indië voorkomt, behoort tot het tweedeonder-
-ocr page 431-
371
XLIV. LEGUMINOSAE.
geslacht en werd door MlQUEL ook onder den naam van Soya Savi,
beschreven. T)e beide soorten, die wij in MlQUEL\'s Flora onder den
naam van Glycine vinden, worden door Bentham en Hookek tot het
geslacht TeramnilS .S>. gebracht.
38.   TEBAMNUS Su>.
Kelkbuis klokvormig; tanden vrij, nagenoeg gelijk of
de beide bovenste bet kortst. Vlagje omgekeerd eivormig,
aan de basis versmald, zonder aanbangsels; vleugels smal,
aan de kiel vastgeheebt; kiel korter dan de vleugels,
bijna recht, stomp. Meeldraden alle vergroeid; helmknop-
pen om den anderen zeer klein en zonder stuifmeel.
Eierstok zittend, met oo eitjes; stijl kort, dik, ongebaard,
met knopvormigen stempel. Peul lijnvormig, 2-kleppig,
van binnen met schotten tusschen de zaden, met den
blijvenden stijl aan den top.
Windende, dunne kruiden. Bladeren 3-bladig gevind,
met steunblaadjes aan de bladspil. Steunblaadjes aan den
bladvoet klein. Bloemen zeer klein, weinige tot bundels
vereenigd in de bladokscls of twee aan twee of bundels-
wijze langs de spillen van okselstandige trossen. Schutbladen
klein; schutblaadjes lijn- of lancetvormig en gestreept.
Aantal soorten 4, tnsschen de keerkringen voorkomende, waar-
van 2 in Amerika, 2 in Azië en 1 in Afrika. Van dit geslacht
worden voor Nederlandse!) lndië in MiyuEl/s Flora opgegeven Ter.
labialis Spr.
en Ter. labialis Spr., var. moffit, beide onder den
geslachtsnaam Glycine (Gl. labialis L. en Gl. mollis Wiijld et Am.).
Beide vormen zijn in alle tropische gewesten verspreid.
39.  EBYTHEINA L.
Kelk aan den bovenrand schuin afgeknot of soms ge-
spleten zonder tandjes, of met kleine tandjes aan den
top, zelden met 5 lange tanden. Vlagje groot of lang,
opgericht of uitstaand, nagenoeg zittend of lang gesteeld,
zonder aanhangsels aan de basis; vleugels kort, soms
klein of ontbrekend; kiel veel kleiner dan het vlagje,
langer of korter dan de vleugels, met vrije of aan de
rugzij de vergroeide bloembladen. Meeldraad tegenover het
vlagje vrij of onder aan de basis met de overige vergroeid,
deze tot het midden vergroeid; helmknoppen éénvormig.
Eierstok gesteeld; eitjes co ; stijl gekromd met priemvor-
migen top, ongebaard, met kleinen, eindelingschen stem-
-ocr page 432-
372
XLIV. LEGÜMINOSAE.
pel. Peul gesteeld, lijnvormig, sikkelvormig, aan basis en
top versmald, samengedrukt of nagenoeg rolrond, tusschen
de zaden diep of oppervlakkig ingesnoerd, 2-kleppig of
kokervruchtachtig langs den bovennaad openbarstend,
zelden aan de basis plat en zich daar bijna niet openend.
Zaden eivormig, met langwerpigen, zijdelingschen navel,
zonder kiempropje.
Boomen of heesters, zelden min of meer kruidachtig,
meestal met dikke, gedoomde twijgen. Steunblaadjes klein.
Bladeren 3-bladig gevind, met kliervormige steunblaadjes
aan do bladspil. Okselstandige, bladerlooze of cindelingsche
en <aan de basis bebladerde trossen. Bloemen groot, meestal
steenrood, twee aan twee of in bundels langs de spillen der
trossen. Schutbladen en schutblaadjes klein of ontbrekend.
Aantal soorten 25—30, in alle tropische gewesten verspreid. In
Nederlandsen Indie komen volgens Miquel 7 soorten voor, deels
wild en deels geplant.
40. MUCUNA AJans.
Kelkbuis klokvormig; bovenste tanden geheel en al
vergroeid, de onderste langer dan de andere. Vlagje
samengevouwen, korter dan de vleugels, aan de basis
met neergeslagen oortjes; vleugels langwerpig of eivormig,
gekromd, dikwijls met de kiel samenhangende; kiel even
groot als de vleugels of langer, met gekromden top,
spits of met kraakbeenachtige snavel. Meeldraad tegenover
het vlagje vrij, de overige vergroeid; helmknoppen deels
lang en min of meer aan de basis vastgehecht, deels,
hiermede afwisselend, korter en dan meestal gebaard en
bewegelijk. Eierstok zittend, langharig, met weinige
eitjes; stijl draadvormig, ongebaard, met kleinen, einde-
lingschen stempel. Peul dik, eivormig, langwerpig of lijn-
vormig, meestal met brandharen bekleed, 2-kleppig, van
binnen met schotten tusschen de zaden of daartusschen
opgevuld; kleppen lederachtig op verschillende wijzen ge-
ribd of naakt. Zaden rond of dwars langwerpig; navel
kort of lijnvormig, zonder kiempropje.
Hoogklimmende, of zelden lage en rechtopstaande krui-
den of heesters. Bladeren 3-bladig gevind, meestal met
steunblaadjes aan de bladspil. Steunblaadjes aan den blad-
voet spoedig afvallend. Bloemen groot, purper, rood of
-ocr page 433-
373
XLIV. LEGUMINOSAE.
groen-geel, in bundels opeengedrongen langs okselstan-
dige trossen, of aan den top van een bijscherm. Schut-
bladen klein of spoedig uitvallend.
Omstreeks 22 soorten, in alle tropische gewesten. In Nederlandsen
Indie komen 6 a 7 soorten voor.
41. BTJTEA Roxb.
Kelk groot, van binnen zijdeachtig behaard; kelktanden
of -lobben kort, de beide bovenste tot eene breede, gaaf-
randige of uitgerande lip vergroeid. Vlagje eivormig,
spits, teruggekromd, zonder aanhangsels ; vleugels sikkel-
vormig, met de kiel samenhangende; kiel sterk gekromd,
spits, even groot als het vlagje. Naar het vlagje gekeerde
meeldraad vrij, draadvormig, de overige vergroeid; helm-
knoppen éénvormig. Eierstok zittend of kort gesteeld,
2-eiig; stijl lang, gekromd, ongebaard, met eindelingschen,
zeer kleinen of afgeknotten stempel. Peul nagenoeg zittend,
langwerpig of breed lijnvormig, lederachtig, aan de basis
over eene groote uitgestrektheid plat, niet openbarstend
en zonder zaden, boven aan den top alleen tweekleppig,
dik en 1-zadig. Zaad plat-samengedrukt, omgekeerd eivor-
mig, met kleinen navel en zonder kiempropje.
Hoogklimmende, viltachtig behaarde boomen of heesters.
Bladeren 3-bladig gevind, met steunblaadjes aan de blad-
spil. Steunblaadjes aan den bladvoet klein, spoedig afval-
lend. Bloemen groot, oranje-kleurig of vuurgeel, in dichte
bundels, welke tot trossen of tot bundelvormige pluimen
vereenigd zijn. Schutbladen en schutblaadjes smal, spoedig
afvallend.
Aantal soorten 3, in tropisch Azië. Kéne soort, B. frondosa Roxb.,
is in geheel Indië verspreid en vooral op de bergen van Midden
Java gemeen.
42. SPATHOLOBTJS nassk.
Kelk klokvormig; de beide bovenste kelktanden of
•lobben vergroeid tot eene gave of uitgerande bovenlip.
Vlagje eivormig of min of meer cirkelvormig, stomp,
zonder aanhangsels; vleugels schuin langwerpig, vrij; kiel
nagenoeg recht, stomp, korter clan de vleugels. Meeldraad
tegenover het vlagje vrij, de overige vergroeid; helm-
-ocr page 434-
374
XI.IV. LEGÜMINOSAE.
knoppen éénvormig. Eierstok zittend of gestoeld, 2-eiig;
stijl prieinvorniig of sainengeilrukt, gekromd, ongebaard,
met een kleinen, eindelingselien stempel. Peul nagenoeg
zittend of gestoeld, breed lijnvormig, meestal sikkelvor-
mig, aan de basis over eene groote uitgestrektheid plat,
niet openspringend en ledig, boven aan den top dikker
en 1-zadig en daar vrij laat tweekleppig openspringend.
Zaad plat, eivormig, zonder kiempropje.
Hoogklimmende, meestal viltachtig bebaarde heesters.
Bladeren 3-bladig gevind, met steunblaadjes aan de blad-
spil. Steunblaadjes aan den bladvoet klein. Bloemen klein,
rosé, purper of wit, talrijk, in bundels of trossen langs
de takken van eene pluim. Schutbladen en schutblaadjes
klein, smal.
Aantal soorten 10, in tropisch A/ie on Afrika. Volgens Miquei.
komen er 0 soorten voor in Nederlandsch Imlië.
43. GALACTIA 1\'. Ur.
Kelklobben toegespitst, de beide bovenste tot eene gaaf-
randige bovenlip vergroeid, de zijdelingsclie kleiner, de
onderste meestal het langst. Vlagje eivormig of cirkel-
vorm ig, met aan de basis een weinig neergeslagen of met
aanhangsels voorziene randen; vleugels smal of omgekeerd
eivormig, met de kiel samenhangende; kiel ongesnaveld,
even lang of grooter dan de vleugels. Meeldraad tegenover
het vlagje vrij of in het midden mot de overige vergroeid;
helmknoppen éénvormig. Eierstok nagenoeg zittend, oo -eiig;
stijl draadvonnig, ongebaard, met kleinen, eindelingselien
stempel. Peul lijnvormig, recht of gekromd, plat-samen-
gedrukt of zelden aan beide kanten bol, 2-kleppig, van
binnen tusschen de zaden opgevuld of met min of meer
ontwikkelde schotten. Zaden zonder kiempropje.
Nederliggende of windende kruiden of rechtopstaande
heesters. Bladeren 3-bladig gevind, zelden 1—5- of 7-bladig,
met steunblaadjes aan de bladspil. Steunblaadjes aan den
bladvoet klein of spoedig afvallend. Bloemen nu eens van
middelbare grootte of kleiner, dan weder zeer groot, rood,
violet of wit, in paren of bundels, die ver uiteen staan,
geplaatst aan kleine, knoopvormige verdikkingen van de
spillen van okselstandige trossen, of de onderste bloemen
-ocr page 435-
XLIV. LEQUMINOSAE.                                 375
alleenstaand in de bladoksels. Schutbladen klein, borstel-
vormig; schutblaadjos zeer klein. Bloemknop toegespitst.
Ongeveei 45 soorten, in de warme gewesten, hoofdzakelijk in
Amerika. Voor Nederlandsch Indie worden door MlQUEL twee soor-
ten opgegeven, nl. (i. tenttiflora Wiijlit et Am. enG. villosa Wighl
et Am.
waarvan de laatste door BAKER in HoOKEB\'s Flora of Brit.
Iiul.
11, p, 198 als eene variëteit der eerste beschreven wordt.
44. DIOCLEA II. II. el A.
Bovenste twee kelklobben tot eene gaafrandige bovenlip
vergroeid, zijdelingsche klein, de onderste het langst.
Vlagje cirkel- of eivormig, teruggeslagen, met neerge-
slagen oortjes aan de basis; vleugels omgekeerd eivormig
of\' langwerpig, vrij, iets langer dan de kiel; kiel gekromd,
gesnaveld of stomp. Meeldraad tegenover het vlagje onder
aan de basis vrij, in het midden met de overige ver-
groeid; helmknoppen éénvormig of om den anderen zeer
klein en deze zonder stuifmeel. Eierstok nagenoeg zittend,
2-oo -eiig; stijl gekromd, ongebaard, naar den top verdikt
of verbreed, met afgeknotten, eindelingschen stempel.
Peul lijnvormig, langwerpig of half cirkelvormig, plat-
samengedrukt of min of meer gezwollen, lederachtig, aan
den bovennaad verbreed of aan weerskanten gevleugeld,
2-kleppig, tusschen de zaden van binnen opgevuld. Zaden
samengedrukt, zonder kiempropje en met een nu eens kor-
ten, dan weder langen, hjnvormigen navel.
Hoogklimmende heesters of halfheesters. Bladeren
3-bladig gevind, met steunblaadjes aan de bladspil. Bloe-
men blauw, paarsch, of wit, in soms gesteelde bundels
langs de dikke of lange, aan de knoopen verdikte spil van
eenen tros. Schutbladen spoedig afvallend; schutblaadjes
spoedig afvallend, vliezig.
Aantal soorten volgens BENTHAM en HoOKKIt 10 , welke grooten-
deels in tropisch Amerika voorkomen, doeh waarvan een tweetal
ook in tropisch Azië wordt aangetroffen. In Nederlandsch Indie komt
ééne soort voor, door BENTHAM als D. Jacttnica beschreven, in
Zollinoer\'s collectie als een nieuw geslacht Lepidamphora (L.
volubilis ZoU.) uitgegeven. Ham i; vereenigt haar in llüOK. Fl. of
Br. hul.
II, p. 19ü met de kosmopolitische D. reflexa Ilook. f.
45. PUERARIA 1) C.
Bovenste twee kelklobben of tanden tot eene gaafran-
dige of 2-tandige bovenlip vergroeid. Vlagje omgekeerd
-ocr page 436-
376
XLIV. LEGUMIN08AE.
eivormig of cirkelvormig, met neergeslagen oortjes; vleu-
gels smal langwerpig oi\' omgekeerd eivormig-sikkelvormig,
meestal in het midden met de kiel samenhangende; kiel
nagenoeg recht of aan den top gekromd-verbreod of\' boog-
vormig-gesnaveld, nagenoeg even groot als de vleugels.
Meeldraad tegenover het vlagje onder aan de basis vrij,
in het midden niet de overige vergroeid of zelden geheel
en al vrij; helmknoppen éénvormig. Eierstok nagenoeg
zittend, co -eiig; stijl draadvormig, van boven neerge-
bogen , ongebaard, niet een kleinen, knopvormigen stempel.
Peul langwerpig, 2-kleppig, nu eens breed, plat, vliezig
of min of meer lederachtig, dan weder smal, samenge-
drukt of min of meer rolrond, van binnen doorloopend
of tusschen de zaden opgevuld of niet schotten. Zaden nu
eens plat-samengcdrukt, min of meer cirkelvormig, dan
weder dwars langwerpig.
Hoogkliinmende stengels. Bladeren driebladig gevind;
blaadjes groot, ei- of ruitvormig, gaaf of golvend-3-lobbig,
met steunblaadjes aan de bladspil. Steunblaadjes aan den
bladvoet kruidachtig, bij sommige soorten voorbij de inplan-
ting verlengd. Bloemen blauw of purper, aan lange oksel-
standige stelen of aan de toppen der takken pluimswijze
bijeenstaande; bloemstelen in bundels aan knoopvormige
verdikkingen of soms aan korte zijtakken van de spil van
eenen tros. Schutbladen klein of smal, spoedig afvallend;
schutblaadjcs klein, min of meer blijvend of zeer klein
en spoedig afvallend.
Aantal soorten 10. in tropisch Azië en Japan, waarvan twee of
drie in Nederlandseh Indië, vroeger door Hentium onder den naam
van NeustanthlIS lienth. beschreven. Deze, A\'. phaseolohles Benth.,
N. Javanicuê Benth.
en A*. sericuns Mi//., worden door ISakkr alle
drie beschouwd als vormen van P. phaseoloides Benth.
4C. OANAVALIA Adam.
Kelklobben tot twee lippen vergroeid, de bovenste zeer
groot, afgeknot of 2-lobbig, de onderste veel kleiner,
gaafrandig of 3-spletig. Vlagje groot, nagenoeg cirkel-
vormig, teruggeslagen; vleugels smal, sikkelvormig of
min of meer gewrongen, vrij; kiel breeder dan de vleugels,
gekromd, stomp of\' met stompen, neergebogen of spiraal-
-ocr page 437-
XLIV. LEOUMIXOSAE.                                377
vormigen snavel. Meeldraad tegenover het vlagje onder aan
de basis vrij, in het midden met de overige vergroeid;
helmknoppen éénvormig. Eierstok min of meer gestoeld,
oo-eiig; stijl gekromd of met de kiel ineengerold, onge-
baard, met kleinen, eindelingschen stempel. Peul lang-
werpig of breed lijnvormig, samengedrukt of gezwollen,
naast den bovennaad aan weerskanten met een vleugel
of rib voorzien, 2-kleppig, van binnen door dunne lagen
tusschen de zaden opgevuld. Zaden ei- of cirkelrond, samen-
gedrukt, met een lijnvormigen navel.
Windende of nederliggende kruiden. Bladeren 3-bladig
gevind, met steunblaadjes aan de bladspil. Steunblaadjes
aan den bladvoet soms wratachtig of onduidelijk waar te
nemen. Bloemen dikwijls groot, purper-violet, rosé of wit,
in bundels, aan knoopen langs de spillen van lang gesteelde,
okselstandige trossen. Schutbladen klein; scliutblaadjes
klein, spoedig afvallend. Peulen dikwijls groot.
Aantal soorten omstreeks 12, in de warme gewesten der beide
halfronden voorkomende, voornamelijk in Amerika. Een tweetal is
in alle tropische gewesten verspreid, nj. C. obtusifolia D C. en C.
ensiformi* D 6\'.; beide worden ook in Nederlandsch Indië aange-
trotlën. Miquel noemt 4 soorten op voor Nederlandsch Indië, doch
3 daarvan worden door Bakek in Hook. Flora of\' Brit. Ind. II,
p. 190 als variëteiten van C. ensifurmis beschouwd.
47. PHASEOLUS L.
Kelk verschillend; de kelktanden meestal korter dan
de buis, soms de onderste even lang of langer dan deze,
de twee bovenste vergroeid of vrij. Vlagje cirkelvormig,
teruggeslagen-uitgespreid of min of meer gewrongen, aan
de basis met neergeslagen randen; vleugels omgekeerd
eivormig of zelden langwerpig, even groot als het vlagje
of grooter, boven den nagel met de kiel samenhangend,
dikwijls gewrongen; kiel lijnvormig of omgekeerd eivor-
mig, met een langen, stompen, spiraalswijs gewrongen
snavel; helinknoppen éénvormig. Eierstok nagenoeg zittend,
oo -eiig; stijl binnen den snavel der kiel verdikt en met
dezen gewrongen, van boven meestal in de lengte gebaard;
stempel schuin of ter zijde aan den binnenkant geplaatst.
Peul lijn- of sikkelvormig, nagenoeg rolrond of samen-
gedrukt, met dunne tusschenlagen tusschen de zaden
24
-ocr page 438-
378                                XLIV. LEGUMINOSAE.
opgevuld. Zaden vrij dik, met een kleinen of kort lijn-
vormigen navel, zonder kiempropje.
Kruiden, zelden aan de basis houtachtig, windend,
nederliggend of opgericht, doch in het laatste geval van
geringe hoogte. Bladeren 3-bladig gevind, met steun-
blaadjes aan de bladspil, zelden 1-bladig. Steunblaadjes
aan den bladvoet blijvend, gestreept. Bloemen wit, geel,
rood, paarsch of purper, in bundels aan trossen, welke
op het bovenste gedeelte van okselstandige bloemstengels
staan. Schutbladen meestal spoedig afvallend, steunblad-
vormig of zeer klein; schutblaadjes dikwijls breeder, soms
langer blijvend.
Aantal soorten omstreeks 60, in de warme gewesten van de
beide halfronden wijd verspreid; de meeste, gedurende langen tijd
gekweekt, hebben een aantal variëteiten voortgebracht, welke als
soorten beschreven zijn, zoodat men meer dan 150 soorten in ver-
schillende werken vernield vindt. In Nederlandsch Indië komt
volgens Miquei. in gekweekten en wilden toestand een twintigtal
soorten voor.
48. VIGNA Savi.
Kelk klokvormig; tanden lang of kort, de 2 bovenste
vaak vergroeid. Vlagje cirkelvormig, met neergeslagen
oortjes aan de basis; vleugels sikkelvormig, omgekeerd-
eirond, een weinig korter dan het vlagje; kiel even lang
als de vleugels, gekromd, ongesnaveld of verlengd tot
een langen, gekromden, doch geen volkomen spiraal
vormenden, snavel. Meeldraad tegenover het vlagje vrij;
de overige vergroeid; helmknoppen éénvormig. Eierstok
zittend, oo-eiig; stijl draadvormig of van boven verdikt
of verbreed, aan de binnenzijde bovenaan met een af-
loopend baardje voorzien; stempel zeer schuin of op zijde
geplaatst en naar binnen loopend. Peul lijnvormig, recht
of een weinig gekromd, nagenoeg rolrond, 2-kleppig, van
binnen tusschen de zaden opgevuld. Zaden niervormig of
min of meer vierkant, met zijdelingschen, korten navel,
zonder kiempropje.
Windende of nederliggende, zelden lage, opgerichte
kruiden. Bladeren 3-bladig gevind, met steunblaadjes aan
de bladspil. Steunblaadjes aan den bladvoet zittend of
zelden aan de basis voorbij de inplanting verlengd. Bloe-
men geelachtig of zelden purper, in bundels aan de ge-
-ocr page 439-
379
XLIV. LEGUMIN08AE.
zwollen knoopen van trossen, welke aan den top van
een okselstandigen bloemstengel staan. Schutbladen en
schutblaadjes klein, spoedig afvallend.
In de warme gewesten der beide halfronden worden zij zoowel
in het wild als gekweekt aangetroffen. Het aantal der soorten werd
door BENTHAM en Hooker op 30, door ISakf.h in Hook. Fl. of Br.
Ind.
II, p. 204 op 40—50 geschat. De laatste verdeelt het geslacht
in twee ondergeslachten: 1. Vigna, in nau weren zin, zonder sna-
vel, 2. Plectotropis, met een snavel. Miqcel geeft voor Nederlandsen
Indië vier soorten op voor het geslacht, alle behoorende tot het
eerstgenoemde ondergeslacht. Hoor BAKEB worden tot het onder-
geslacht Plectotropis o. a. twee soorten van Nederlandsen lndië
gebracht, V. pilom Balier en V. dolichoides Baker, welke volgens
Miquel tot het geslacht Dolichos 1.. behoorden, (D. pilosus Roxb.
en D. dasycarpus Miq.). Misschien komt daar ook nog eene derde
soort van dit ondergeslacht voor, V. vexillata Bentli., die zich vol-
gens Bentham van de Kaap de Goede Hoop tot Australië verspreidt
en bovendien in alle tropische gewesten gevonden wordt.
49. VOANDZEIA Thouars.
Kelk klein, klokvormig; de 2 bovenste tanden bijna tot
den top vergroeid; onderste tand langer dan de overige.
Vlagje cirkelvormig, aan de basis met kleine, neergesla-
gen oortjes; vleugels langwerpig omgekeerd-eivormig;
kiel even lang als de vleugels, licht gekromd, stomp.
Meeldraad tegenover het vlagje vrij; de overige vergroeid;
helmknoppen éénvormig. Eierstok nagenoeg zittend, met
weinige eitjes; stijl gekromd, van boven gebaard, met
langwerpigen, zijdelings en naar binnen gerichten stem-
pel. Peul zich ontwikkelend uit eene kleine bloem zonder
bloembladen en onder de aarde rijp wordend, onregel-
matig van gedaante, bijna kogelvormig, 2-kleppig, van
binnen naakt, door mislukking 1-zadig. Zaad bijna kogel-
vormig, met korten, langwerpigen navel; kiemworteltje
zeer kort, nagenoeg recht.
Kruid, met nederliggenden stengel. Bladeren lang ge-
steeld, 3-bladig gevind, met steunblaadjes aan de blad-
spil. Bloemstengels kort, okselstandig, weinigbloemig,
na den bloei teruggeslagen. Tweeslachtige bloemen klein,
bleek geelachtig, gewoonlijk onvruchtbaar; vruchtbare
bloemen zonder bloembladen, waarschijnlijk vrouwelijk.
Schutbladen en schutblaadjes klein, gestreept.
-ocr page 440-
380                                XLIV. LEGUMINOSAE.
Eéne soort. V. subterranea Thouars, welke in alle tropische
landen, doch vooral in tropisch Afrika gekweekt wordt. Haar eigen-
lijk vaderland is niet bekend.
50. PACHYRHIZTJS Rich.
Kelk 2-lippig; bovenlip uitgerand; onderlip 3-tandig.
Vlagje breed, omgekeerd eivormig, met neergeslagen
oortjes aan de basis; vleugels langwerpig, sikkelvormig;
kiel gekromd, stomp, even lang .Is de vleugels. Meel-
draad tegenover het vlagje vrij, de overige vergroeid; helm-
knoppen éénvormig. Eierstok nagenoeg zittend, oo -eiig;
stijl vrij dik, aan den top min of meer ineengerold, af-
geplat, van biunen behaard; stempel kogelvormig, zijde-
lings en naar binnen gericht. Peul lijnvormig, plat-samen-
gedrukt, van buiten tusschen de zaden dwars ingedrukt,
van binnen opgevuld. Zaden eivormig of cirkelvormig,
samengedrukt, met een kleinen navel, zonder kiempropje.
Hoog klimmende heesters. Bladeren 3-bladig gevind,
met steunblaadjes aan de bladspil; blaadjes dikwijls hoe-
kig of golvend gelobd. Lange, okselstandige trossen,
waaraan de bloemen aan gezwollen knoopen in bundels
bijeenstaau; onderste knoopen soms tot een zijtak ver-
lengd. Schutbladen en schutblaadjes klein, borstelvormig
en spoedig afvallend.
Aantal soorten 2 of 3, in tropisch en subtropisch Amerika tehuis
behoorende, waarvan i , P. angulatus Rich., in alle tropische ge-
westen om de eetbare knollen gekweekt wordt.
51. PSOPHOCARPUS Neck.
Kelkbuis urnvormig, korter dan de kelktanden, waarvan
de bovenste voor de helft of bijna tot aan den top vergroeid
zijn. Vlagje nagenoeg cirkelvormig, met neergeslagen
oortjes aan de basis; vleugels schuin omgekeerd eivormig;
kiel aan den top gekromd, stomp. Meeldraad tegenover
het vlagje onder aan de basis vrij, in het midden met
de overige tot eene buis vergroeid; helmknoppen één-
vormig. Eierstok kort gesteeld, co -eiig; stijl boven den
eierstok verdikt, priemvormig, gekromd, niet in de
lengte gebaard, met eindelingschen of naar binnen ge-
keerden , dicht penseelachtig behaarden stempel. Peul 4-
kantig, in de lengte met 4 vleugels, 2-kleppig, van binnen
-ocr page 441-
XLIV. LEGUMINOSAE.                                381
tusschen de zaden opgevuld. Zaden dwars langwerpig,
met zijdelingschen, langwerpigen navel, zonder kiempropje.
Hoog windende kruiden. Bladeren 3-bladig gevind, met
steunblaadjes aan de bladspil. Steunblaadjes aan den blad-
voet vliezig, voorbij de inplanting naar onderen verlengd.
Bloemen paarsch, middelmatig of groot, in bundels aan
gezwollen knoopen van okselstandige trossen. Schutbladen
klein, spoedig afvallend; schutblaadjes grooter, vliezig,
langer blijvend.
Aantal soorten 4. in tropisch Azië en Afrika, waarvan 1 ook in
tropisch Amerika in gekweekten toestand aangetroffen wordt. In
Nederlandsen [ndië komen voor: Ps. tetragonolobus D C. en Ps.
palustris Desv.
— Ps. longepedunculatus Uassk., beide gekweekt.
De oorsprong van de eerste soort is onbekend; de tweede soort
stamt uit tropisch Afrika.
52. DOLIOHOS L.
Kelk klokvormig; lobben of tanden kort, meestal stomp,
de beide bovenste vergroeid tot eene bovenlip met gaven
of uitgeranden top. Vlagje cirkelvormig, met neergesla-
gen oortjes aan de basis; vleugels sikkel- of omgekeerd-
eivormig, met de kiel samenhangende; kiel sterk ge-
kromd, dikwijls gesnaveld, niet spiraalvormig. Meeldraad
tegenover het vlagje vrij, nabij de basis dikwijls verdikt
of met een aanhangsel; helmknoppen éénvormig. Eierstok
nagenoeg zittend, oo -eiig; stijl van boven verdikt en
onder den stempel in de lengte gebaard of met penseel-
vormigen top; stempel eindelingsch. Peul naald-, sikkel-
of lijnvormig, samengedrukt, 2-kleppig, met dikwijls
verdikte naden en met platte of bolle kleppen. Zaden
dik of samengedrukt, met een korten of verlengden
navel, welke soms naakt, soms door een kiempropje
(de verdikte en blijvende top van de zaadstreng?) bedekt is.
Kruiden of half heesters, windend, nederliggend of op-
gericht, doch dan laag blijvend. Bladeren 3-bladig ge-
vind, met steunblaadjes aan de bladspil. Steunblaadjes
aan den bladvoet klein. Bloemen paarsch, vleeschkleurig,
geelachtig of wit, nu eens alleenstaand of bjj bundels in
de bladoksels, dan weder bij bundels langs de al of niet
knoopvormig 4verdikte spillen van okselstandige trossen.
Schutbladen en schutblaadjes gestreept, dikwijls klein of
spoedig afvallend.
-ocr page 442-
382                                XLIV. LEGUMIN08AE.
Aantal soorten talrijk; slechts een 20-tal van deze zijn echter
duidelijk omschreven. Zij komen voor in alle warme gewesten,
slechts weinige in Zuid Amerika. BENTHAM en IIookkk vereenigen
hiermede het geslacht Lahlatl Savi, door Baker in Hookkr\'s Fl.
of\' Br. Ind.
II, p. \'200, als ondergeslacht beschouwd en dat zich
door den naar hoven verdikten, langs den binnenkant gebaarden
stijl onderscheidt van de echte Doiic/ios-soorten, het ondergeslacht
Macrotyloma Wight et Am. vormende, waar de draadvormige stijl
alleen aan den top fijn penseetachtig, doch niet langs den binnen-
kant gebaard is. Volgens Miqukl zijn er in Nederlandsch lndië U
soorten van Dolichos en 5 van Lablab.
53. OAJANUS DC.
Kelklobben toegespitst of spits, de 2 bovenste tot eene
t weetandige bovenlip vereenigd. Vlagje cirkelvormig,
teruggeslagen, met neergeslagen oortjes aan de basis;
vleugels schuin omgekeerd-eivormig; kiel aan den top
gekromd, stomp. Meeldraad tegenover het vlagje vrij, de
overige vergroeid; helmknoppen éénvormig. Eierstok na-
genoeg zittend, cc -eiig; stijl boven het midden verdikt,
ongebaard, onder den schuinen, eindelingschen stempel
een weinig verbreed. Peul lijnvormig, met schuinen,
spitsen top, samengedrukt, 2-kleppig, van buiten tusschen
de zaden met dwarse, ingedrukte strepen, van binnen
bijna zonder tusschenschotten. Zaden een weinig samen-
gedrukt , met langwerpigen, zijdelingschen navel, zonder
kiempropje.
Opgerichte, meestal viltachtig behaarde half heester.
Bladeren 3-bladig gevind, zonder steunblaadjes aan de
bladspil; blaadjes van onderen met kleine, harsachtige
stippels bezet. Steunblaadjes aan den bladvoet spoedig
afvallend. Bloemen geel, of purpergestreept, verspreid
langs de spillen van gesteelde, okselstandige trossen. Schut-
bladen spoedig afvallend; schutblaadjes ontbrekend.
Eéne soort, C. Indicus Spreng., in alle tropische en warme ge-
westen gekweekt, waarschijnlijk oorspronkelijk uit Azië afkomstig.
54. DTJNBARIA Wiyld et Am.
Kelklobben toegespitst, de 2 bovenste tot eene gaaf-
randige of 2-tandige bovenlip vergroeid. Vlagje cirkel-
vormig, opgericht uf uitstaande, met neergeslagen oortjes
aan de basis; vleugels schuin, omgekeerd eivormig of
langwerpig; kiel een weinig korter dan de vleugels, ge-
-ocr page 443-
XLIV. LEGUMINOSAE.                                383
kromd, stomp. M .eldraad tegenover het vlagje vrij, de
overige vergroeid; helmknoppen éénvormig. Eierstok zit-
tend, oo -eiig; stijl in het midden neergebogen, draad-
vormig of een weinig verdikt, met kleinen, eindelingschen
stempel. Peul lijnvormig, recht of\' sikkelvormig, toege-
spitst, plat-samengedrukt, 2-kleppig, tusschen de zaden
niet ingedrukt, met onduidelijke tussehenschotten van bin-
nen. Zaden min of meer cirkelrond, met korten of lang-
werpigen navel, waaraan de zaadstreng tot een vrij dik
vlies is uitgebreid, maar zonder duidelijk kiempropje.
Kruiden nederliggend of windend, meestal viltachtig
behaard. Bladeren 3-bladig gevind, zonder steunblaadjes
aan de bladspil; blaadjes van onderen met harsachtige
stippels bezet. Bloemen meestal geel, één of twee tegelijk
langs de niet knoopachtig verdikte spillen van gesteelde,
okselstandige trossen, zelden alleen in de bladoksels.
Schutbladen meestal vliezig, lang voor den bloei afval-
lend; schutblaadjes ontbrekend.
Aantal soorten 10—12, de meeste in Zuid Azië, eenige weinige
in Noord Australië en Japan. MlQOEL geeft 8 soorten op voor Ne-
derlamlsch Indië, docli ISkntiiam en Hookkk meeneu dat een 2-tal
hiervan tot Atylosia Wif/litet Ani. gebracht moeten worden. Deze ver-
deelen het geslacht in twee secties: 1. Eu-Dunbaria, waar de
bloemkroon groot is en in verwelkten toestand om de vrmht blijft
zitten, 2. Rhyncholobium. waar de bloemkroon klein is en weldra
afvalt.
55. ATYLOSIA Wir/ht et Am.
Kelklobben toegespitst, de beide bovenste tot eene
bovenlip met gaven of 2-tandigen top vergroeid. Vlagje
cirkelvormig, met neergeslagen oortjes aan de basis;
vleugels schuin omgekeerd eivormig of langwerpig; kiel
licht gekromd, stomp. Meeldraad tegenover het vlagje
vrij, de overige vergroeid; helmknoppen éénvormig. Eier-
stok zittend, 3-oo -eiig; stijl in het midden neergebogen,
draadvormig of een weinig verdikt, met kleinen, einde-
lingschen stempel. Peul langwerpig of lijnvormig, meestal
stomp, samengedrukt, 2-kleppig, tusschen de zaden van
buiten met schuine, ingedrukte strepen en van binnen
met tussehenschotten. Zaden eivormig of min of meer
cirkelvormig, met een kiempropje.
Kruiden of heesters, windend of opgericht, meestal
viltachtig behaard. Bladeren 3-bladig gevind, zelden 3-
-ocr page 444-
384                                 XUV. LEOUMINOSAB.
tallig, zonder steunblaadjes aan de bladspil; blaadjes
van\' onderen met harsachtige stippels bezet. Bloemen
geel, soms bij bundels in de bladoksols, soms in bundels
onregelmatig verspreid langs de spil van een gesteelden,
okselstandigen tros of de bovenste tot eene pluim ver-
eenigd. Schutbladen meestal breed, vliezig, lang voor
den bloei afvallend; schutblaadjes ontbrekend.
Aantal soorten omstreeks 20, in tropisch Azië en Australië.
MlQUEL geeft slechts 2 soorten op voor Nederlandse!! liulië, A.
scarabaeoidex Benth.
en A. mollis Benth. Volgens Baker zon de
laatste door Miquki. ook vernield zijn als eene soort van Dunbaria
(D. Horsfieldii Miq.) en zou in Nederlandsch tndië nog eene derde
soort van Atylosia voorkomen, A. barbata Baker, door MiQUKLbe-
schreven als Dunbaria calycina Miq.
56. BHYNCHOSIA Lom:
Kelklobben verschillend, de 2 bovenste min of meer
vergroeid. Vlagje omgekeerd ei- of cirkelvormig, uit-
staande of teruggeslagen, met neergeslagen oortjes aan
de basis; vleugels smal; kiel aan den top gekromd. Meel-
draad tegenover het vlagje vrij, de overige vergroeid;
helmknoppen éénvormig. Eierstok nagenoeg zittend, met 2,
zelden met 1 eitje; stijl van boven gekromd, draadvormig of
verdikt, met kleinen, eindelingschen stempel. Peul samen-
gedrukt , schuin cirkelvormig, langwerpig of sikkelvormig,
2-kleppig, van binnen meestal zonder tusschenschotten.
Zaden 2, zelden 1, samengedrukt-bolvormig of min of
meer niervormig, met korten, zijdelingschen of lang-
werpigen navel; zaadstreng in het midden of een weinig
schuin ingeplant; kiempropje dik, klein of ontbrekend.
Kruiden of half heesters, windend, nederliggend of
zelden opgericht. Bladeren 3-bladig gevind, zelden 3-tallig,
zonder of met uiterst kleine steunblaadjes aan de blad-
spil ; blaadjes van onderen met harsachtige stippels be-
zet. Steunblaadjes aan den bladvoet ei- of lancetvormig.
Bloemen geel, zelden purper, het vlagje dikwijls met
bruine strepen, één of twee bij elkander langs de spil
van een okselstandigen tros, zelden alleenstaand in de
bladoksels. Schutbladen spoedig afvallend; schutblaadjes
ontbrekend.
Aantal soorten omstreeks 75, in de warme gewesten verspreid;
eenige buiten de keerkringen in Noord Amerika en Zuid Afrika.
Volgens Miqiki. komt een 8-tal soorten in Nederlandsch Indië voor.
-ocr page 445-
385
XI,IV. LEQUMINOSAE.
57. ERIOSEMA D C.
Kelklobben alle vrij of de beide bovenste zelden kort
vergroeid. Vlagje omgekeerd-eivormig of langwerpig, aan
de basis met neergeslagen oortjes; vleugels smal; kiel
aan den top licht gekromd, stomp. Meeldraad tegenover
het vlagje vrij , de overige vergroeid; lielmknoppen één-
vormig. Eierstok zittend, 2-eiig; stijl draadvormig of van
boven licht verdikt, met kleinen, eindelingschen stempel.
Peul samengedrukt, schuin cirkelvormig, ruitvormig of
breed langwerpig, 2-kleppig, van binnen zonder schotten,
2-, zelden 1-zadig. Zaden samengedrukt, schuin en dwars;
zaadstreng vastgehecht aan het uiteinde van den lijnvor-
migen navel; kiempropje ontbrekend.
Kruiden of half heesters, opgericht of nederliggend, zel-
den windend. Bladeren 3-bladig gevind, meestal zonder
steunblaadjes aan de bladspil; blaadjes van onderen be-
zet met harsachtige stippels, minder duidelijk dan bij
Rhynchosia. Steunblaadjes aan den bladvoet lancetvormig,
vrij of vergroeid tot één, dat tegenover het blad geplaatst
is. Bloemen geel, één of twee bij elkander langs de spil
van een okselstandigen tros of zelden alleenstaand in de
bladoksels. Vlagje dikwijls zijdeachtig langharig.
Omstreeks 40 soorten, voornamelijk in Zuid Amerika en tropisch
en Zuid Afrika; eene soort, E. Chinense Voijel, van Engclsch Indië
tot China en Australië verspreid, komt waarschijnlijk ook in Ne-
derlandsch Indië voor.
58. FLEMING-IA Rnxb.
Kelklobben nagenoeg gelijk of de onderste het langst,
vrij, meestal sikkelvormig. Vlagje ovaal, omgekeerd ei-
of cirkelvormig, met neergeslagen oortjes aan de basis;
vleugels schuin, omgekeerd eivormig of langwerpig,
meestal met de kiel samenhangend; kiel recht of gekromd,
stomp of spits. Meeldraad tegenover het vlagje vrij, de
overige vergroeid; lielmknoppen éénvormig. Eierstok na-
genoeg zittend, kort, 2-eiig; stijl draadvormig of van
boven een weinig verdikt, met kleinen, eindelingschen
stempel. Peul kort, schuin , gezwollen, 2-kleppig, zonder
tusschenschotten. Zaden dik, met korten navel, zonder
kiempropje.
Kruiden, half heesters of heesters, opgericht, nederlig-
-ocr page 446-
386                                XLIV. LEGUMINOSAE.
gend of zelden windend. Bladeren 3-tallig of uit 1 blaadje
bestaande, zonder steunblaadjes aan de bladspil. Steun-
blaadjes aan den bladvoet gestreept, meestal spoedig af-
vallend. Blaadjes meestal met van onderen uitspringende
nerven. Bloemen rood, purper en geel gevlekt, nu eens
in dikke aren of trossen, dan weder in pluimen. Schut-
bladen nu eens blijvend, breed, bladachtig, hol en de
bloemen geheel omsluitend, dan weder al of niet afval-
lend, droog, gestreept en smal; sehutblaadjes ontbrekend.
Aantal soorten omstreeks 20, de meeste in tropisch Azië en
Australië, zeldzaam in tropiscli Afrika. In Nederlandsen Indië komen
volgens Miqukl 8 soorten voor.
59. DALBERGIA. L.f.
Kdktanden alle vrij, de beide bovenste breeder, de
onderste meestal het lan;st. Vlagje ei- of cirkelvormig;
vleugels langwerpig; de bloembladen van de stompe kiel
boven aan de rugzijde vergroeid. Meeldraden óf alle ver-
groeid tot eene aan de bovenzijde gespleten buis of die
tegenover het vlagje vrij of ontbrekend of, zoo de buis ook
aan de onderzijde gespleten is, tot 2 zijdelingsche bundels
vereenigd; helmknoppen klein , opgericht, 2-lobbig; helm-
hokjes aan de rugzijde geplaatst, over eene korte uitge-
strektheid aan den top, zelden aan de rugzijde open-
springend. Eierstok gesteeld, met weinige eitjes; stijl
gekromd, kort, met kleinen, eindelingschen stempel. Peul
vleugelvormig, langwerpig of lijnvormig, zelden sikkel-
vormig, plat, dun, niet openspringend, in het midden
éénzadig of met weinige, ver uiteenstaande zaden, om
de zaden een weinig verhard en meestal netvormig geaderd,
aan de randen noch verdikt, noch gevleugeld. Zaden
niervormig, plat-samengedrukt; kiemworteltje neergebogen.
Boomen of hoog klimmende heesters. Bladeren afwis-
selend, oneven gevind of zelden 1-bladig, zonder steun-
blaadjes aan de bladspil; blaadjes meestal afwisselend.
Bloemen klein, meestal talrijk, purper, paarsch of wit,
in okselstandige of eindelingsche, vorkswijs vertakte
bijschermen of in pluimen, welke op onregelmatige wijze
uit bijschermen zijn samengesteld.
Aantal soorten 00—70, in alle tropische gewesten. Volgens
Miquei, ongeveer 15 in Nederlandsen Indië.
-ocr page 447-
XLIV. LEGUMIX08AE.                                 387
60. PTEROCARPTJS L.
Kelk aan de basis tolvormig, dikwijls gekromd; de 2
bovenste tanden of lobben min of meer vergroeid. Vlagje
cirkelvormig of breed eivormig; vleugels schuin, omge-
keerd eivormig of langwerpig; bloembladen der kiel min
of meer gelijk aan de vleugels of korter, vrij of aan de
rugzijde kort vergroeid. Meeldraden óf alle in eene van
boven gespleten buis vereenigd, öf zoo de buis ook aan
de onderzijde gespleten is, gelijkmatig tweebroederig, öf
de meeldraad tegenover het vlagje vrij; helmknoppen
bewegelijk. Eierstok zittend of gesteeld, 2—6-eiig; stijl
draadvormig, licht gekromd, met kleinen, eindelingschen
stempel. Peul samengedrukt, niet openspringend, cirkel-
of eivormig, zelden ovaal-langwerpig, min of meer schuin
of sikkelvormig, met een zijdelingschen of zelden einde-
lingschen stijl, in het midden één of twee zaden dragend
en min of meer verdikt en verhard, rondom door een
dunnen vleugel omgeven of gekield, soms bijna geheel dun
lederachtig of vliezig. Zaden 1 — 2, door harde tusschen-
schotten gescheiden, langwerpig of min of meer niervor-
mig; kiemworteltje kort, gekromd.
Ongewapende boomen. Bladeren afwisselend, oneven-
gevind; blaadjes afwisselend of onregelmatig tegenover-
gesteld ; geen steunblaadjes aan de bladspil. Bloemen geel,
zelden wit, paarsch gevlekt, meestal groot, in okselstan-
dige of eindelingsche, enkelvoudige trossen of losse plui-
men. Schutbladen en schutblaadjes klein, spoedig afval-
lend. Bloembladen onbehaard.
Aantal soorten omstreeks 45 , in tropisch Azië, Afrika en Amerika.
In Nederlandsen Indië komen 5 a 6 soorten voor, waarvan ééne,
Pt. Indicus Willd., bijna overal wordt aangetroiren.
61. DERRIS Lour.
Kelk afgeknot, met zeer korte of zonder tanden. Vlagje
omgekeerd ei- of cirkelvormig, zonder oortjes; vleugels
schuin langwerpig, boven de nagels een weinig met de
kiel samenhangende; kiel weinig gekromd, gevormd uit
aan de rugzijde weinig samenhangende bloembladen.
Meeldraad tegenover het vlagje onder aan de basis vrij,
in het midden met de overige tot eene gesloten buis ver-
-ocr page 448-
388                                XLIV. LEGUMINOSAE.
groeid, zelden geheel vrij; helmknoppen bewegelijk.
Eierstok zittend of kort gesteeld, met 2-oo eitjes; stijl
draadvormig, gekromd, met kleinen, eindelingschen stem-
pel. Peul schuin, cirkelvormig of langwerpig, plat, vlie-
zig of Iederachtig, niet openspringend, met een eindeling-
schen stijl en een smallcn vleugel aan den bovennaad of
aan beide naden. Eén zaad of meerdere, ver uiteenstaand,
plat-samengedrukt, nier- of cirkelvormig; kiemworteltje
neergebogen.
Hoogklimmende heesters, zelden boomen. Bladeren
afwisselend, onevengevind; blaadjes tegenovergesteld,
zonder steunblaadjes aan de bladspil. Bloemen paarsch,
purper of wit, bij bundels langs de spillen van enkelvoudige
of pluimvormige trossen. Schutbladen klein, spoedig af-
vallend; schutblaadjes ei- of cirkelvormig, klein, meestal
spoedig afvallend. Bloembladen bijna bij alle soorten on-
behaard. Kelk na den bloei meestal bekervormig.
Aantal soorten omstreeks 35, de meeste in tropisch Azië tehuis
behoorend, waarvan 2 zich verspreiden tot tropisch Australië en
Oost Afrika. Volgens Miqukl komen in Nederlandsen Indië een 25-
tal soorten voor, waarvan G bij hem het geslacht Aganope Mi<j.
vormden, dat van Derrin verschilt, doordat de meeldraad tegenover
het vlagje geheel vrij is, terwijl er 5 door hem tot het geslacht
Pongamia Vent. gebracht werden.
62. PONGAMIA Vent.
Kelk afgeknot, met zeer weinig ontwikkelde tanden.
Vlagje min of meer cirkelvormig, met neergebogen oor-
tjes aan de basis; vleugels schuin langwerpig, een wei-
nig met de kiel samenhangend; kiel stomp, gevormd
uit boven aan de rugzijde samenhangende bloembladen.
Meeldraad tegenover het vlagje onder aan de basis vrij, in
het midden met de overig j tot eene gesloten buis vergroeid;
helmknoppen bewegelijk. Eierstok nagenoeg zittend, 2-eiig;
stijl draadvormig, gekromd, met kleinen, eindelingschen
stempel. Peul schuin langwerpig, plat-samengedrukt, dik
lederachtig, eenigszins vleezig, niet openspringend, 1-zadig,
met stompe, naakte naden. Zaad niervormig, dik, met
kleinen navel; kiemworteltje neergebogen.
Boom. Bladeren onevengevind; blaadjes tegenoverge-
steld, zonder steunblaadjes aan de bladspil. Bloemen wit,
-ocr page 449-
389
XLIV. LEGUMINOSAE.
ten getale van 2—4 bijeenstaande langs de spillen van losse,
okselstandige trossen. Schutbladen spoedig afvallend;
schutblaadjes zeer klein of ontbrekend. Vlagje van buiten
zeer dun zijdeharig.
Eéne soort, P. glabra Vent., in tropisch Azii! en Australië.
.Miiji i:i. beschrijft nog 5 andere soorten, welke echter volgens
IJaki.i: tot liet geslacht Derris Loiir. behooren gebracht te worden.
63.  EUCHRESTA Benn.
Kelk van achteren bultig, kort golvend-getand. Vlagje
langwerpig, een weinig teruggeslagen; vleugels smal
langwerpig, eenigszins sikkelvormig, vrij; bloembladen
van de kiel min of meer gelijk aan de vleugels, aan de
rugzij de bovenaan samenhangende. Meeldraad tegenover
het vlagje vrij, de overige vergroeid; helmknoppen be-
wegelijk. Eierstok lang gesteeld, 1—2-eiig; stijl draad-
vormig, gekromd met kleinen, eindelingschen stempel.
Peul gesteeld, eivormig, glanzend, papierachtig (in ge-
droogden toestand), bros, niet openspringend. Zaad 1,
hangend; kiemworteltje kort, recht, naar boven gericht.
Heesters met afwisselende, onevengevinde bladeren;
blaadjes 3—7, tegenovergesteld, zonder steunblaadjes aan
de bladspil. Bloemen wit, verspreid langs de spillen van
okselstandige of eindelingsche trossen. Schutbladen klein
en smal; schutblaadjes zeer klein.
Aantal soorten 2, waarvan de eene in Japan, de andere, E.
Ilorsfieldü Benn., in den Maleischen Archipel, in het Himalaya-
gebergte en op het eiland ï\'ormosa voorkomt.
64.   INOCARPTJS Forst.
Kelk buisvormig of min of meer klokvormig, onregel-
matig 2—5-tandig. Bloembladen 5, vrij of met de meel-
draden tot eene buis vergroeid, lijnvormig, nagenoeg ge-
lijk, van boven ineengekreukt, in den knop dakpanswijze
dekkend, het bovenste meestal aan den buitenkant gelegen.
Meeldraden 10; helmdraden tot eene vrije of met de bloem-
bladen vergroeide buis verbonden; helmknoppen éénvor-
mig, kort, tweelobbig, met in de lengte openspringende
hokjes. Eierstok zittend of zeer kort gesteeld, met 2 of
weinige eitjes; stijl kort; stempel schuin. Peul kort ge-
-ocr page 450-
390
XLIV. LEGUMINOSAE.
steeld, omgekeerd eivormig, gekromd, met dunnen, harden
buitenwand en dikken, vleezigen of lederachtigen binnen-
wand, 2-kleppig. Zaad 1, zonder kiem wit; zaadlobben
vleezig; kiemworteltje zeer kort, gekromd.
Onbehaarde en ongewapende boomen. Bladeren enkel-
voudig, lederachtig, vinnervig, met zeer korten bladsteel.
Steunblaadjes klein. Bloemen geel, in okselstandige aren.
Schutbladen spoedig afvallend, klein; sehutblaadjes nu eens
duidelijk ontwikkeld en langer blijvend, dan weder zeer
klein en spoedig verdwijnend.
Aantal soorten 3, waarvan 2 in Zuid Amerika en 1,1. eihilisL.,
in Nederlandsen Indië. Bkntham en Hookkr meenen dat Miqi el\'s
geslacht Inodaphnis. ingesteld naar eene plant uit Sumatra, Inort.
lanceolala Mig.,
niet van Inocarpus verschilt. Door Miquel en oudere
schrijvers werd het geslacht Inocarpus niet tot de Leyumiiiosae
gerekend, maar tot de Hernandiaceae, die door Bentham en HOOKER
met de Lnuraceae. vereenigd waren en door Miquel als eene onder-
familie van de Thymelaeaceae waren beschouwd.
65. SOPHORA L.
Kelktanden kort. Vlagje breed omgekeerd eivormig of
cirkelvormig, opgericht of uitstaande, meestal korter, zelden
langer dan de kiel; vleugels langwerpig, schuin ; kiel lang-
werpig, nagenoeg recht, met aan de rugzijde elkander
dakpanswijze dekkende of vergroeide bloembladen. Meel-
draden vrij of zelden aan de basis tot een ring vergroeid;
helmknoppen bewegelijk. Eierstok kort gesteeld, oo-eiig;
stijl gekromd, met kleinen, eindelingschen stempel. Peul
paarlsnoervormig, rolrond of licht samengedrukt, vleezig,
leder- of houtachtig, niet of zeer laat met 2 kleppen
openspringend. Zaden omgekeerd eivormig of bolvormig,
zonder kiempropje; zaadlobben dik; kiemworteltje zeer
kort en nagenoeg recht of langer en dan gekromd of
neergebogen.
Boomen, heesters of zelden overblijvende kruiden. Bla-
deren onevengevind; blaadjes nu eens talrijk en klein,
dan weder weinige, groot of lederachtig; steunblaadjes
aan de bladspil borstelvormig of zelden ontbrekend. Bloe-
men wit, geel of zelden blauw-paarsch, in enkelvoudige,
eindelingsche trossen of in eene bebladerde, eindelingsche
pluim. Schutbladen lijnvormig, klein of ontbrekend; schut-
blaadjes meestal ontbrekend
-ocr page 451-
391
XL1V. LEGUMINOSAE.
Omstreeks 22 soorten, in de warme gewesten der beide half-
ronden. Miqlel geeft voor Nederlandseh Indië een 3-tal soorten op.
66. ORMOSIA Jacks.
Kelk klokvormig, de 2 bovenste lobben min of meer
vergroeid en meestal breeder en gekromd. Vlagje min of
meer cirkelvormig; vleugels schuin, omgekeerd eivormig-
langwerpig; bloembladen van de kiel min of meer gelijk
aan de vleugels of meer gekromd, vrij, aan de rugzijde
dakpanswijze dekkend. Meeldraden vrij, ongelijk, alle
volkomen of 1—2 zonder helmknoppen; helmknoppen
bewegelijk. Eierstok nagenoeg zittend, 2-x-eiig; stijl
draadvormig, aan den top ineengerold; stempel zijdelings
en aan den binnenkant geplaatst. Peul langwerpig, zelden
zeer lang, samengedrukt of aan de zaden gezwollen, Ieder-
of houtachtig, niet gevleugeld, 2-kleppig, van binnen
doorloopend of met tusschenschotten tusschen de zaden.
Zaden omgekeerd eivormig of langwerpig, vrij dik, glan-
zend, met eene kraakbeenachtige, bochtige zaadstreng;
zaadhuid karmijnrood of tweekleurig; zaadlobben dik; kiem-
worteltje zeer kort, recht.
Boomen met oneven- of evengevinde bladeren; blaadjes
lederachtig; steunblaadjes aan de bladspil zeldzaam.
Steunblaadjes aan den bladvoet klein of onduidelijk. Bloe-
men geel, paarsch of zwart-purperkleurig, in eindelingsche
pluimen, zelden in okselstandige trossen of weinig ver-
takte pluimen. Schutbladen en schutblaadjes klein, lijn-
vormig, meestal zeer klein.
Ongeveer 20 soorten of meer, in tropisch Azië en Amerika. Vier
soorten van Ormosia komen in Malakka voor. liij MlQUEL vinden
wij het geslacht Ormosia niet voor Nederlandseh Indië opgegeven,
doch wel twee soorten van het geslacht Macrotropis Miq., dat door
Bentham en Hookkr er mede vereenigd wordt, al. M. Sumatrana
Miq.
en M. Bancana Miq.
67. PELTOPHORUM Vog.
Schijfdragende kelkbuis zeer kort; slippen 5, in den
knop dakpanswijze dekkend, nagenoeg gelijk of het on-
derste iets grooter en hol. Bloembladen 5, cirkelvormig,
uitstaande, bijna gelijk, sterk dakpanswijze dekkend in
den knop, het hoogste het meest naar binnen geplaatst.
-ocr page 452-
392
XLIV. LKGUMINOSAE.
Meeldraden 10, vrij, neergebogen; helmdraden aan de
basis behaard; helmknoppen éénvormig, met in de lengte
openspringende hokjes. Eierstok zittend, vrij op den bodem
van den kelk, met 2-ao eitjes; stijl draadvormig, met
breeden, schildvormigen stempel. Peul langwerpig-lancet-
vormig, zelden zeer lang, plat-samengedrukt, niet open-
springend, in het midden geaderd, met eene dunne
langsnerf binnen elk der gladde, vleugelachtige, verdunde
randen. Zaden 1—2 of zelden 3—4, dwars, plat-samen-
gedrnkt; kiemwit ontbrekend; zaadlobben dun; kiemwor-
teltje kort, recht.
Hooge, ongedoornde boomen, met dubbelgevinde bla-
deren; blaadjes klein, talrijk. Steunblaadjes klein, spoe-
dig afvallend. Bloemen geel, in tot pluimen vereenigde
trossen aan de toppen der takken. Schutbladen smal of
lancetvormig, meestal spoedig afvallend; schutblaadjes
ontbrekend.
Aantal soorten <5 of 7; 2 of \',i in tropisch Amerika, 1 in Zuid
Afrika en 2 of 3 in Zuid Aziii en Australië. De Nederlandsen In-
dische werden in MlQUEl.\'s Flora als soorten van Caesalpinia L.
beschreven, nl. P. ferrugineum lie,nilt.-= C. ferruginea Decaisne=.
C. arborea Zoll.f=C. inermis lïo.nb.
en P. dasyrachis Kurz =
C. dasyrachis Miq.
08. MBZONEUEUM Desf.
Schijfdragende kelkbuis kort, soms zeer kort; slippen
5, in den knop dakpanswijze dekkend, de onderste in
den knop buiten gelegen, hol of schuitvormig en meestal
grooter dan de andere. Bloembladen 5, cirkelvormig of
zelden langwerpig, uitstaande, in den knop dakpanswijze
dekkend, gelijk of het bovenste, dat in den knop binnen
gelegen is, kleiner dan de andere. Meeldraden 10, vrij,
neergebogen; helmdraden kaal of aan de basis met lange
haren; helmknoppen éénvormig, met in de lengte open-
springende hokjes. Eierstok zittend of kort gesteeld, vrij
op den kelkbodem, met 2-co eitjes; stijl priemvormig,
meestal aan den top schuin knodsvormig, met kleinen
of uitgeholden, gewirnperden stempel. Peul plat-samen-
gedrukt, vliezig of zelden lederachtig, niet of onduidelijk
2-kleppig openspringend, langs den bovennaad in de lengte
gevleugeld. Zaden dwars, plat-samengedrukt, cirkel- of
-ocr page 453-
393
XLIV. LEGUMINOSAE.
niervormig. Kiemwit ontbrekend; zaadlobben plat; kiem-
worteltje kort, recht.
Hoog klimmende heesters of zelden boomen, meestal.
met stekels aan de kleine takken en de bladstelen. Bladeren
dubbelgevind; nu eens met talrijke, kleine blaadjes, dan
weder met grootere, glanzende. Steunblaadjes klein of on-
duidelijk. Bloemen in trossen, die of in de bladoksels
staan, of aan de toppen der takken tot wijde pluimen
vereenigd zijn. Schutbladen smal, zelden blijvend; schut-
blaadjes ontbrekend.
Aantal soorten omstreeks 10, waarvan 1 in Australië en 1 in
Afrika, van de andere door de lederachtige, korte peul afwijkend,
de overige in tropisch Azië en Afrika. In Miqüel\'S Flora worden
7 soorten opgegeven voor Nederlandsen Indië, waarvan ééne, M.
Sumatranum Wight et Am.,
zich onderscheidt door de, tot eene
buis vergroeide, kelksegmenten. Kene andere, daar vermelde soort,
M. grande Miij., werd in de Anti. Mus. Lur/il. Bat. IV, p. 87 door
Miquki, zelven o. a. wegens het geringere aantal der meeldraden
tot het geslacht Acrocarpus Wight gebracht. {A. yrandis Mig.)
09. OAESALPINIA L.
Schijfdragende kelkbuis kort, soms zeer kort; segmenten
5, in den knop dakpanswijze dekkend, het onderste in
den knop buiten liggend, hol of schuitvormig, meestal
grooter dan de andere. Bloembladen 5, cirkelvormig of
zelden langwerpig, uitstaande, in den knop sterk dakpans-
wijze dekkend, weinig in grootte verschillend of het
hoogste, in den knop binnen gelegen, kleiner dan de
andere. Meeldraden 10, vrij, neergebogen; helmdraden
aan de basis meestal met lange haren of klieren; helm-
knoppen éénvormig, met in de lengte openbarstende
hokjes. Eierstok zittend, vrij op den bodem van den kelk,
met weinige eitjes; stijl rolrond, dikwijls draadvormig,
zelden knodsvormig aan den top, met eindelingschen, af-
geknotten, uitgeholden of zeer kleinen stempel. Peul
eivormig, langwerpig, lancet- of sikkelvormig, samen-
gedrukt, ongevleugeld, met adervormige of verdikte naden,
nu eens plat of gezwollen, lederachtig en 2-kleppig, dan
weder lederachtig of dik en niet of zeer laat met kleppen
openspringend, dikwijls tusschen de zaden opgevuld.
Zaden dwars, eivormig of omgekeerd eivormig of kogel-
vormig, met lederachtige, soms dikvleezige zaadhuid;
25
-ocr page 454-
394
XLIV. LEGÜMINOSAE.
kiemwit ontbrekend; zaadlobben plat of dik-vleezig met
gave of hartvormige basis; kiemwortcltje kort, recht.
Boomen of heesters, soms hoogklimmend, ongedoornd
of met verspreide doorns. Bladeren dubbelgevind, kruid-
of lederachtig, nu eens met veel of weinig kleine blaad-
jes, dan weder met grootere. Steunblaadjes aan den
bladvoet verschillend. Bloemen geel of rood, dikwijls
groot, in losse trossen, welke of in de bladoksels óf tot
pluimen vereenigd, aan de toppen der takken staan. Schut-
bladen klein, zelden groot en vliezig, meestal zeer spoe-
dig afvallend; schutblaadjes ontbrekend.
Aantal soorten omstreeks 40, in de beiilo halfronden tusschen de
keerkringen verspreid. In Nederlandsen Indië zijn er ongeveer 12, waar
van 2 bij MlQL\'El. als soorten van Gtlilandina L. beschreven werden.
Daar de soorten van Caesalpinia, volgens de opvatting van Bentham
en HoOKER zeer sterk onderling verschillen, volgt hier een over-
zicht van de secties, die in Nederlandsen Indië worden aangetroffen,
door Baker als ondergeslachten beschouwd.
1.   Gtlilandina. Peul droog, met talrijke stekels op de klep-
pen. Bloembladen smal. Hiertoe behooren C. Bonduc Roxb. =
G. Bonduc L. en C. Bonducella Fleming. = G. Bonducella L.,
door MlQUEL als vormen eener zelfde soort beschouwd.
2.    Ell-Caesalpinia. Peul droog, zonder stekels op de kleppen,
niet of laat openspringend, meestal met dunne naden. Bloem-
bladen breed. Hiertoe behooren C. Nuga AU., C. Sappan L., C.
sepiaria Boxb.
en C. pulcherrima Siv.
3.   Cinclidocarpus. Peul eenigszins vleezig, niet openspringend,
zonder stekels op de kleppen, met sterk verdikte naden. Bloem-
bladen breed. Hiertoe behooren C. digyna lioltl. = C. gracilis
Mir/., C. cincliilocarpa Miq., C. tortuosa Roxb., C. acanthóbotrya
Mig.
De peul van C. nilida Ifassl;. is niet beschreven, zoodat
de sectie niet kan aangegeven worden. De overige soorten , welke
Miquki", opnoemt, moeten, volgens Baker in Hook. Fl. of Br.
Ind.
tot Peltophorum Vog. gebracht worden.
70. PTEROLOBITJM lt. Br.
Schijfdragende kelkbuis kort; kelkslippen 5, in den
knop dakpanswijze dekkende, de onderste uitgehold en
grooter dan de overige. Bloembladen 5, uitgespreid,
weinig van elkander verschillend; helmdraden aan de
basis langharig of nagenoeg onbehaard; helmknoppen
éénvormig, met in de lengte openspringende hokjes.
Eierstok zittend, vrij op den bodem van den kelk, met
1 eitje; stijl kort of lang en dan aan den top knods-
-ocr page 455-
395
XLIV. LEGUMINOSAE.
vormig; stempel eindelingsch, afgeknot of uitgehold. Peul
zittend, samengedrukt, vleugelvruehtvormig, niet open-
springend, aan de basis, waar zich het zaad bevindt,
schuin eivormig, aan den top in een vliezigen, schuin
langwerpigen of sikkelvormigen vleugel verlengd. Zaad
onder den top van het hokje vastgehecht, hangend, sterk
samengedrukt; kiemwit ontbrekend; zaadlobben samen-
gedrukt; kiemworteltje recht en kort.
Boomen of hoog klimmende heesters, met naar achteren
gekromde doorns. Bladeren dubbel gevind, met talrijke,
kleine blaadjes. Steunblaadjes klein of onduidelijk. Bloe-
men klein, wit (of geel), in trossen, welke aan de
toppen der takken tot losse pluimen vereenigd zijn. Schut-
bladen spoedig afvallend; schutblaadjes ontbrekend.
Aantal soorten 3 of i, in tropisch Azië, Af.ika en Australië.
Volgens Miqlkl zijn er in Nederlandsch Iiulië 2 soorten, Pt. mi-
crophyllum Mig.
en Pt. lacemns R. Br., beide door BaKEH als
vormen van Pi. Indicum A. Riclt. beschouwd.
71. POINCIANA L.
Schijfdragende kelkbuis zeer kort tolvormig of ont-
brekend; kelkslippen klepswijze aaneensluitend in den
knop, nagenoeg gelijk. Bloembladen 5, cirkelvormig, in
den knop dakpanswijze dekkend, nagenoeg gelijk of het
bovenste, dat in den knop binnen ligt, van de overige
verschillend. Meeldraden 10, vrij, neergebogen; helm-
draden aan de basis langharig, aan den top neergebogen;
helmknoppen éénvormig, met in de lengte openspringende
helmhokjes. Eierstok zittend, vrij op den bodem van den
kelk; eitjes co ; stijl draadvormig of kort, aan den top
een weinig knodsvormig, met afgeknotten, gewimperden
stempel. Peul lang , plat-samengedrukt, hard, met dunne,
schuine nerven, 2-kleppig, van binnen tusschen de zaden
opgevuld. Zaden dwars, langwerpig, kiemwithoudend, met
kleinen navel en harde zaadhuid; zaadlobben vrij dik;
kiemworteltje kort, recht en buiten de zaadlobben uit-
stekend.
Ongedoornde boomen. Bladeren dubbelgevind, met tal-
rijke, kleine blaadjes. Steunblaadjes onduidelijk; steun-
blaadjes aan de bladspil ontbrekend. Bloemen groot, oranje
of vuurrood, in tot tuilen vereenigde trossen aan de toppen
-ocr page 456-
396
XLIV. LEGÜMINOSAE.
der takken. Schutbladen klein; schutblaadjes ontbrekend.
Aantal soorten 3, in tropisch Afrika tehuis behoorende; ééne
soort. 1\'. tvr/in Bojer, wordt in Engelsch Indië veel gekweekt en
zal misschien op dezelfde wijze ook in Nederlandsen Indië aange-
trolVen worden.
72. PARKINSONIA /..
Schijfdragende kelkbuis kort; kelkslippen 5, vliezig,
weinig van elkander verschillend, licht dakpanswijze
dekkend of\' klepswijze aaneensluitend in den knop. Bloem-
bladen 5, uitgespreid, weinig van elkander verschillend,
het bovenste, in den knop binnen gelegen, het breedst.
Meeldraden 10, vrij, weinig neergebogen; helmdraden
aan de basis een"weinig behaard; hehnknoppen éénvor-
mig, eivormig, bewegelijk, met in de lengte openbar-
stende hokjes. Eierstok kort gestoeld, vrij op den kelk-
bodem , oo -eiig; stijl draadvormig, in den knop dubbel
gevouwen, met kleinen, eindelingschen stempel. Peul
lijnvormig, paarlsnoervormig versmald, meer of minder
duidelijk 2-kleppig; kleppen öf dun lederachtig, of vrij
dik, om de zaden bol, gestreept. Zaden langwerpig, niet
de lengte-as in de richting van de peul, met een kleinen
navel dicht bij den top vastgehecht, kiemwithoudend;
zaadlobben plat, vleezig; kiemworteltje kort, recht.
Boomen. Bladeren schijnbaar enkelgevind en bundels-
wijze bijeenstaand, doch in werkelijkheid dubbelgevind,
met eene zeer korte, doornvormige, gemeenschappelijke
bladspil en 2—4 zeer lange, afgeplatte blaadjes, die elk
talrijke, uiterst kleine blaadjes van den tweeden rang
dragen. Steunblaadjes meestal kort en doornvormig. Bloe-
men geel, in korte, losse, okselstandige trossen. Sehut-
bladen klein, spoedig afvallend. Schutblaadjes ontbrekend.
Aantal soorten 3, waarvan "1 in Mexico, \\ in Zuid Afrika en i
in tropisch Amerika tehuis behooren ; de laatste soort, 1\'. ariilenta
L.,
is ook tusschen de keerkringen in de oude wereld verspreid,
waarschijnlijk altijd gekweekt. In Nederlandsch lndië werd zij zoo-
wel op Java als op Uorneo verzameld.
73. CASSIA L.
Schijfdragende kelkbuis zeer kort; kelkslippen 5, dak-
panswijze dekkend in den knop. Bloembladen 5, dak-
panswijze dekkend in den knop, uitgespreid, min of meer
-ocr page 457-
397
XLIV. LEGÜMINOSAE.
gelijk of de onderste het grootst, het bovenste in den
knop binnen gelegen. Meeldraden nu eens ten getale van
10, alle volkomen en nagenoeg gelijk of de bovenste
kleiner dan de andere of de 51 bovenste zeer klein of
mislukt, dan weder ten getale van 5; helmknoppen één-
vormig of die van de onderste het grootst; helmhokjes
met eene porie of korte spleet aan den top, zelden met
eene opening aan de basis openspringend. Eierstok zittend
of gestoeld, vrij op den bodem van den kelk, meestal
boogswijze gekromd, cc-eiig; stijl kort of lang; stempel
eindelingseh, afgeknot of klein, zelden fijn gewimperd
of gezwollen. Peul rolrond of plat-samengedrukt, hout-
of lederachtig of vliezig, niet of meestal 2-kleppig open-
springend, zelden in de lengte gevleugeld, van binnen
naakt of met horizontale, plaatvormige tusschenschotten
tusschen de zaden of aldaar opgevuld. Zaden dwars,
zelden in de lengte-as van de peul, horizontaal of verti-
kaal samengedrukt, zelden min of meer vierzijdig of
rolrond, kiemwithoudend; zaadlobben eivormig of lang-
werpig, plat en evenwijdig aan de kleppen van de peul
of golvend en schuin; kiemworteltje kort en recht.
Hoornen, heesters of kruiden. Bladeren evengevind,
zelden alleen uit eene verbreede bladspil bestaande. Steun-
blaadjes verschillend. Klieren aan den bladsteel in \\ien
vorm van wratten of schoteltjes zijn dikwijls aanwezig.
Bloemen geel, zelden wit of roodachtig, in okselstandige
of eindelingsche trossen, in eindelingsche pluimen of één
of meer in de bladoksels. Schutbladen en schutblaadjes
verschillend.
Aantal soorten omstreeks 340, overal tusschen de keerkringen
verspreid, eenige weinige daarbuiten. Miquel geeft 24 a 25 soor-
ten op voor Nederlandsen Indië, waarvan verscheidene in gekweek-
ten toestand voorkomen. De laatste zijn deels inheemsch en deels
uit andere streken, voornamelijk uit tropisch Amerika ingevoerd.
74. ABAURIA Becc.
Kelkbuis kort kegelvormig; kelkslippen 5, smal, toe-
gespitst, nagenoeg gelijk, in den knop licht dakpanswijze
dekkend en min of meer ineengerold of min of meer
klepswijze aaneensluitend. Bloembladen 5, zeer smal, in
den knop door de met hen afwisselende meeldraden ge-
-ocr page 458-
398                                XLIV. LEGUMISOSAE.
scheiden, gelijk, aan den top afgeknot of 3-tandig. Meel-
draden 5, gelijk; helmdraden in den knop knievormig
neergevouwen; helmknoppen gelijk, lang, <aan de basis
vastgehecht, met 2 poriën aan den top. Eierstok zittend,
vrij op den kelkbodem, met 1 eitje; stijl kort en spits;
stempel klein en eindelingsch. Peul onbekend.
Hooge boom met onevengevinde bladeren en zeer kleine
bloemen, die in pluimen aan de toppen der takken staan.
Bloemknoppen elliptisch, van boven en van onderen spits.
Schutbladen en schutblaadjes zeer spoedig afvallend.
Eéne soort, A. excelêa Iiecc, door Bkccari op Bornco gevonden.
75. KOOMPASSIA Maingay.
Kelkbuis nagenoeg ontbrekend; kelkslippen 5, min of
meer klepswijze aaneensluitend in den knop, kruidachtig
en zeer dik. Bloembladen 5, nagenoeg gelijk, langwerpig,
onbehaard. Meeldraden 5, met zeer korte, draadvormige
helmdraden en eivormige helmknoppen, die aan de basis
vastgehecbt zijn en met langsspleten openspringen. Eier-
stok zittend, met 1 eitje; stijl zeer kort priemvormig,
met een kleinen, eindelingschen stempel. Peul langwerpig,
zijdelings samengedrukt, door een lederachtigen vleugel
omgeven en niet openspringend. Zaad plat-samengedrukt,
zonder kiemwit; zaadlobben plat, bladachtig; kiemwor-
teltje kort, recht.
Hooge boom met zachtharige knoppen en twijgen en
onbehaarde takken en bladeren. Bladeren onevengevind,
met 5—7 afwisselende, gesteelde, min of meer leder-
achtige blaadjes. Geen steun blaadjes. Bloemen klein, in
bij schermen, welke tot okselstandige of eindelingsche
pluimen vereenigd zijn.
Eéne soort, A\'. Malaccensis Meting., welke door den auteur op
Malakka gevonden en in Hooker Ic. PI. IX, t. 1864 (1889) afge-
beeld en beschreven werd.
70. DIALITJM L.
Schijfdragende kelkbuis zeer kort; kelkslippen 5, sterk
dakpanswijze dekkend, kruid- of bloembladachtig. Bloem-
bladen klein, 1—2 of ontbrekend. Meeldraden 2, zelden
3, vrij , met korte helmdraden ; helmknoppen langwerpig,
-ocr page 459-
XLIV. LEGUMINOSAE.                                399
opgericht, nabij de basis ingeplant, met in de lengte
openbarstende helmhokjes. Eierstok nu eens zittend op
den kelkbodem, dan weder voorzien van een korten steel,
die gedeeltelijk met de kelkbuis vergroeid is, 2-eiig; stijl
kort priemvormig, met een kleinen, eindelingschen stern-
pel. Peul eirond of\' bijna kogelvormig, een weinig samen-
gedrukt, niet openspringend, met eene harde of broze
schil en een week vruchtmoes. Eén zaad, min of meer
samengedrukt, kiemwithoudend; zaadlobben plat, blad-
achtig of dun vleezig; kiemworteltje kort, recht, min of
meer tusschen de zaadlobben ingesloten.
Boomen zonder doorns. Bladeren onevengevind, met
weinige, meestal afwisselende, lederachtige of min of
meer vleezige blaadjes. Steunblaadjes klein of onduidelijk.
Bloemen in bjjschermen, welke tot okselstandige of ein-
delingsche pluimen vereenigd zijn. Schutbladen en schut-
blaadjes klein, spoedig afvallend.
Aantal soorten omstreeks 10, tusschen de keerkringen wijd ver-
spreid. MlQUEL geeft ééne soort op voor Nederlandsch Indië, D.
Indutn L.
Daar er echter op Malakka nog 4 voorkomen, zullen er
misschien ook op Sumatra meerdere gevonden worden.
77. BAUHINIA L.
Schijfdragende kelkbuis uu eens kort tolvormig, dan
weder langwerpig; zoom vóór den bloei gaafrandig en
aan den top gesloten of aan den top samengetrokken en
met 5 korte, dakpanswijze dekkende tanden, gedurende den
bloei op verschillende wijzen gespleten, n.1. of even als eene
bloemschede of met 5 klepswijze aaneensluitende lobben
of slippen. Bloembladen 5, weinig van elkander verschil-
lend, opgericht of uitgespreid, in den knop dakpanswijze
dekkend, het bovenste binnen gelegen. Volkomen meel-
draden vrij of vergroeid, nu eens 10, dan weder minder,
in welk geval eenige in staminodiën veranderd zijn of
ontbreken; helmknoppen eivormig, langwerpig of lijn-
vormig, bewegelijk, met in de lengte openspringende
hokjes. Eierstok 2-oo -eiig, gesteeld of zelden nagenoeg
zittend; steel vrij op den kelkbodern of met de kelkbuis
vergroeid; stijl draadvormig of zeer kort; stempel einde-
lingsch, klein of verbreed, dikwijls schildvormig of schuin.
Peul langwerpig of lijnvormig, recht of schuin, zelden
-ocr page 460-
400                                XLIV. r.EOUMINOSAE.
sikkelvormig, vliezig, lederachtig, min of meer vleezig
of hard, niet of 2-kleppig openspringend, van binnen
doorloopend of opgevuld of met schotten tusschen de
zaden. Zaden cirkel» of eivormig, samengedrukt, met eene
dunne of harde zaadliuid, kiemwithoudend; zaadlobben
plat, min of meer vleezig; kiemworteltje kort, recht of
een weinig schuin, doch niet omgebogen, meestal buiten
de zaadlobben uitstekend.
Boomen of heesters, nu eens opgericht, dan weder
hoogklimmende, vaak met een afgeplatten stengel en
niat zelden met enkelvoudige ranken aan de bases der
trossen. Bladeren nu eens enkelvoudig, i5-x -nervig, gaaf-
randig of 2-lobbig (eigentlijk uit 2 min of meer vergroeide
blaadjes gevormd), dan weder duidelijk uit 2 vrije blnadjes
bestaande, terwijl de bladspil tusschen de beide blaadjes
genaaid is. Steunblaadjes verschillend, meestal klein,
spoedig afvallend. Bloomen wit, zelden rosé, rood of purper,
in eindelingsche of\' zelden okselstandige trossen, welke of
enkelvoudig of tot eene eindelingsche, wijde of tuilvor-
mige pluim vereenigd zijn.
Aantal soorten 130, tusschen de keerkringen wijd verspreid.
Het geslacht, zooals liet door Bkntham en Hoükkr wordt opgevat,
vereenigt een aantal vormen, door andere schrijvers tot afzoiider-
lijke geslachten gebracht. Daarom volgt een overzicht der secties
van de Nederlandse!) Indische sooi\'ten, die in Miqcel\'s Fiom bijna
alle als geslachten beschouwd werden.
1.   Pauletia Cav. (Het geslacht Bauhinia bij Miquki.) Bloemen
groot. Kelk bloeinschecleachtig splijtend. Meeldraden 10, alle volko-
men, zelden één of om den anderen zonder helinknop. Peul leilerach-
tig, 2-kleppig, smal. Kierstoksteel vrij op den kelkbodem. Bladeren
gaaf of 2-lobbig. Hiertoe bcliooren 4 sooi\'ten in Nederlandsch Iridië.
2.   Pileostigma Hochst. Bloemen klein. Kelk bloemschedeaehtig
splijtend of 5-slippig. Peul meestal niet openspringend. Verder
nagenoeg als Pauletia. De boedvormige of zittende stempel, waar-
naai\' het geslacht genoemd werd , komt niet bij alle soorten voor,
doch wel bij die van Nederlandsch Indië. Hiertoe behooren B.
aciitfi Beinw. (Pil. aeidum Benth.)
en B. racamosa Lam. (Pil.
raeemosum Benth.)
3.   Phanera Lom: Kelk 5-spletig. Volkomen meeldraden 3, de
overige tot staminodiën verminderd. Peul 2-kleppig. Kierstoksteel
met de kelkbuis vergroeid. Bladeren gaaf of 2-lobbig. Hiertoe be-
lioorden volgens Miqüki. 24 soorten in Nederlandsch Indië, waar-
van echter 2 waarschijnlijk tot de volgende sectie gebracht moe-
ten worden.
4.   Lysiphyllum. Meeldraden 10. Peul meestal niet opensprin-
-ocr page 461-
401
XLIV. I.EGUMINOSAE.
gend. Bladeren uit 2 vrije blaadjes bestaande. Kelk en eierstok-
steel als bij Phcmera. Hiertoe misschien Pit. complicata Mig. en
I\'/t. iliptertt Mig.
5. Lasiobema Korth. Kelk 5-tandig. Volkomen meetdraden .\'1. Eier-
stoksteel kort. Peul niet openspringend. Bladeren gaaf of\'2-lobbig.
Hiertoe ééne soort lï. atvjuina Roxb. (Las. anguinum Korth.)
78. AMHERSTIA Wall.
Schijfdragende kelkbuis lang; kelkslippen 4, bloem-
bladachtig, weinig van elkander verschillend, in den
knop dakpanswijze dekkend Bloembladen 5, 3 nagenoeg
even lang, het hoogste hiervan, tevens het binnenste,
breed omgekeerd hartvormig en de beide zijdelingsche
langwerpig-wigvormig; de beide onderste zeer klein of
rudimentair. Meeldraden 10; 9 helmdraden hoog tot
eene buis vergroeid, doch met vrije uiteinden, waar-
van 5 langere met grootere helm knoppen afwisselen met
4 kortere, welke kleinere helmknoppen dragen; de tiende
(hoogste) meeldraad vrij; helmknoppen langwerpig, met
in de lengte openspringende hokjes. Eierstok ao -eiig,
gedragen door een steel, die met de kelkbuis min of meer
vergroeid is; stijl draadvormig met een eindelingschen,
knopvormigen stempel. Peul lang, sikkelvormig, plat-
samengedrukt, leder- of houtachtig, 2-kleppig, met een
verdikten of verbreeden bovennaad. Zaden dwars, ei- of
cirkelrond, sterk samengedrukt, zonder zaadrok; kiemwit
ontbrekend; zaadlobben plat, dun; kiemwortelje kort,
recht, ingesloten tusschen de zaadlobben.
Ongcdoornde boom. Bladeren evengevind; blaadjes
groot, lederachtig. Steunblaadjes smal, bladachtig, spoe-
dig afvallend. Bloemen groot, langgesteeld, aan groote,
losse, eindelingsche trossen. Schutbladen spoedig afvallend;
schutblaadjes blijvend, groot, gekleurd, uitgespreid, vrij
of een weinig aan de basis vergroeid. Bloembladen kar-
mijnrood, met salTraangele stippels aan den top.
De eenige soort, A. nobilis Wall., uit Engelscb Indië afkomstig,
wordt in Indië veel gekweekt.
79. PAHUDIA Miq.
Schijfdragende kelkbuis lang; slippen 4, in den knop
sterk dakpanswijze dekkend, lederachtig, de binnenste het
grootst. Eén bloemblad, kort genageld, breed cirkelvor-
-ocr page 462-
402                                XLIV. LEGTJMINOSAE.
mig, de onderste rudimentair of ontbrekend. Meeldraden 7,
hoog vergroeid tot eene neergebogen, van boven gespleten
buis, met van boven vrije, ongelijke helmdraden; helmknop-
pen eivormig-langwerpig, met in de lengte openspringende
hokjes; Btaminodiën meestal 2, klein, aan de basis der
buis geplaatst. Eierstok met weinige eitjes, op een steel,
die min of meer met de kelkbuis vergroeid is; stijl
draadvormig, lang, met kleinen, eindelingschen stempel.
Peul dwars langwerpig, aan de eene zijde afgerond, aan
de andere zijde door een stijloverblijfsel toegespitst, on-
behaard, tusschen de zaden opgevuld, met 2 kleppen
openspringend; kleppen dik lederachtig. Zaden dwars op
de lengte-as der peul, samengedrukt-eivormig, half door
een helderrooden zaadrok omgeven; zaadlobben vleezig,
half eivormig, met de smalle kanten aaneensluitend; kiem-
worteltje kort en recht, binnen de zaadlobben besloten.
Ongedoornde boom. Bladeren evengevind, met leder-
achtige blaadjes. Steunblaadjes zeer spoedig afvallend.
Bloemen in tot pluimen vereenigde trossen. Schutbladen
en schutblaadjes zeer spoedig afvallend. Kelk grijsharig.
Bloemblad even groot als de kelk.
Twee soorten op Java, P. Javanica Miq. en P. Hasskarliana
Miq.
In Malakka komt nog eene plant voor, door Baker met eeni-
gen twijfel tot het geslacht Afzelia gebracht, (A. coriacea Baker),
doch die volgens hem ook eene soort van Pahudia zou kunnen zijn.
80. AFZELIA Sm.
Schijfdragende kelkbuis lang; kelkslippen 4, weinig in
grootte verschillend, in den knop sterk dakpanswijze dek-
kend. Bloemblad 1, genageld, cirkel-of niervormig; de on-
derste alleen door rudimenten vertegenwoordigd of ontbre-
kend. Meeldraden 3—8 , vrij, neergebogen, met lange
helmdraden; helmknoppen eivormig, met in de lengte
openspringende helmhokjes; staminodiën 2—4, klein of
ontbrekend. Eierstok oo -eiig , op een soms met de kelk-
buis vergroeiden steel; stijl lang, met afgeknotten, knop-
vormigen stempel. Peul schuin langwerpig, samengedrukt,
dik-lederachtig of min of meer houtachtig, 2-kleppig of
nagenoeg niet openspringend , met tusschenschotten of een
dun vruchtmoes tusschen de zaden. Zaden dwars, ei- of
cirkelvormig, dik, met of zonder zaadrok; kiemwit ont-
-ocr page 463-
XLIV. LEGUMINOSAE.                                 403
brekend; zaadlobben dik, min of meer samengedrukt;
kiemworteltje kort, reclit, tusschen de zaadlobben inge-
sloten.
Ongedoornrle boomen. Bladeren even-, zelden oneven-
gevind ; blaadjes lederacbtig, in weinige jukken. Bloemen
groot, in trossen, die aan de toppen der takken tot korte
pluimen zijn vereenigd. Schutbladen en schutblaadjes ei-
vormig en hol, doch de eerste spoedig afvallend of terug-
geslagen en de andere, die korter dan de bloemknoppen
zijn, min of meer blijvend.
Aantal soorten omstreeks "10, in tropisch Azië en Afrika. BENTHAM
en Houkkr onderscheiden 2 secties:
1.  Ell-Afzelia. waarbij de bloem 6—8 volkomen meeldraden bevat,
de peul van binnen tusschenschotten heeft en de zaden van een
zaadrok zijn voorzien. Deze bevat slechts Afrikaansche soorten.
2.   Intsia. (door THOUARS onder dien naam als geslacht beschre-
ven, door Colebrookk Macrolobium genoemd), waarbij de bloem
slechts 3 volkomen meeldraden bevat, de peul van binnen een vrucht-
moes heeft en de zaden geen zaadrok hebben. In Nederlandsen Indië
komen voor: A. bijuga A. Gray, volgens Sciikffer dezelfde soort
als Intsia Ambohtensis T/iouars, A. Palembanica Bakerszlntsia
Palembanica Mio., A. puberuia
= Intsia puberuia tliq. Op
Malakka wordt nog ééne soort aangetroffen, die even als de
voorgaande tot de sectie Intsia behoort, nl. A.retusa Kurz. Eene
andere soort van Malakka, A. eoriaeea Baker, moet wegens het
grooter aantal der meeldraden (9), of tot de sectie Eu-Afzelia of
tot het geslacht Pahudia Miq. gebracht worden.
81. TAMARINDUS L.
Schijfdragende kelkbuis smal tolvormig; kelkslippen 4,
sterk dakpanswijze dekkend, vliezig. Bloembladen 5, de 3
bovenste nagenoeg even lang, in den knop dakpanswijze dek-
kend, het hoogste, in den knop binnen gelegen, smaller dan
de andere en nagenoeg ongenageld; de 2 onderste klein en
borstel- of schubvormig. Meeldraden 3, volkomen en tot
eene van boven open buis hoog vergroeid, met korte,
vrije helmdraden; helmknoppen langwerpig met in de
lengte openspringende helmhokjes. Staminodiën in gering
aantal, klein, op den top van de buis. Eierstok veeleiig,
op een met de kelkbuis vergroeiden steel; stijl lang en
dik; stempel eindelingsch, afgeknot of eenigszins knop-
vormig. Peul langwerpig of lijnvormig, gekromd, dik,
min of meer samengedrukt, niet openspringend, met eene
broze, korstachtige buitenlaag, eene moesachtige middenlaag
-ocr page 464-
404
XLIV. LEGUMINOSAE.
en eene dikke, lederachtige binnenlaag, met schotten tus-
schen de zaden. Zaden omgekeerd ei- of cirkelvormig,
samengedrukt, met eene dikke zaadhuid; kiemwit ont-
brekend; zaadlobben vrij dik; kiemworteltje kort, recht,
tusschen de zaadlobben ingesloten.
Ongedoornde boom. Bladeren evengevind, met kleine
blaadjes, in vele jukken. Steunblaadjes klein, spoedig af-
vallend. Geelachtige, rood gevlekte bloemen, in trossen
aan de toppen der takken. Schutbladen en schutblaadjes
eivormig-langwerpig, gekleurd, spoedig afvallend.
Eéne sooi\'t. 7\'. Indica /.., in alle tropische gewesten gekweekt,
waarschijnlijk van tropisch Afrika afkomstig.
81. TKACHYLOBITJM Hmjnc.
Schijfdragende kelkbuis smal tolvormig; kelkslippen 4,
in den knop sterk dakpanswijze dekkend. Bloembladen 5,
waarvan nu eens de 3 bovenste genageld, min of meer
cirkelvormig en aan elkander gelijk zijn, terwijl de 2
onderste klein en schnbvonnig zijn, dan weder alle ge-
nageld en onderling gelijk zijn en elkander in den knop
dakpanswijze dekken, waarbij het hoogste binnen is ge-
legen. Meeldraden 10, vrij; helmdraden aan de basis
met weinige lange haren; helmknoppen langwerpig,
éénvormig, met in de lengte openspringende hokjes.
Eierstok met weinige eitjes, geplaatst op een korten steel,
die met de kelkbuis vergroeid is; stijl draadvormig, met
een kleinen, eindelingschen stempel. Peul eivormig-lang-
werpig, dik-lederachtig, wrataehtig-rimpelig, niet open-
springend. Zaad dik, zonder zaadrok; kiemwit ontbrekend;
zaadlobben dik, vleezig; kiemworteltje kort, recht, tus-
schen de zaadlobben ingesloten.
Ongedoornde boomen. Bladeren 2-bladig gevind; blaadjes
lederachtig. Steunblaadjes spoedig afvallend. Bloemen
wit, in pluimen aan de toppen der takken. Schutbladen
en schutblaadjes ei- of cirkelvormig, hol, vóór den
bloei afvallend.
Aantal soorten 2 of 3 , in tropisch Zuid Afrika en de Mascarenische
eilanden; ééne dezer soorten, T. Gaertnerianum Hitync, welke ook
in tropisch Azië o. a. op Java, doch waarschijnlijk altijd gekweekt,
voorkomt, werd vroeger tot het geslacht Hymenaea L,. gerekend.
(ƒ/. verrucoea Gacrtn.)
-ocr page 465-
405
XLIV. LEGUMINOSAE.
82. SARAOA L.
Schijfdragende kelkbuis lang - kelkslippen 4, bloem-
bladachtig, eivormig, nagenoeg gelijk, in den knop sterk
dakpansvijze dekkend. Bloembladen ontbrekend. Meel-
draden 3—9, vrij, met lange helmdraden; helmknoppen
langwerpig, nagenoeg éénvormig, met in de lengte open-
springende hokjes. Eierstok met een aan de kelkbuis min
of meer vergroeiden steel, ao -eiig; stijl draadvormig, met
stompen, eindelingsehen stempel. Peul langwerpig of zeer
lang, plat-samengedrukt of gezwollen, leder- of min of
meer houtachtig, 2-kleppig. Zaden dik, samengedrukt of
rolrond, ei- of kogelvormig. zonder zaadrok en met
broze zaadhuid; kiemwit ontbrekend; zaadlobben dik,
soms zeer dik; kiemworteltje kort en recht, tusschen de
zaadlobben ingesloten.
Ongedoornde boomen of hoog klimmende heesters.
Bladeren evengevind met lederachtige, meestal weinig-
jukkige b^adjes; steunblaadjes klein, spoedig afvallend.
Bloemen geel, rosé of karmijnrood, aan trossen, welke tot
zijdelingsche, korte, zeer sterk vertakte pluimen ver-
eenigd zijn. Schutbladen klein, spoedig afvallend; schut-
blaadjes langer blijvend, gekleurd, veel korter dan de
kelkbuis.
Aantal soorten 8, alle in tropisch Azië. Miqukl beschreef 7
soorten, eerst onder ilen geslachtsnaam Santca, later onder dien
van Jonesia lio.rb. BAKER trekt 3 hiervan bijeen, zoodat er voor
Nederlandsen [ndië nog 5 overblijven.
83. SINDORA Miq.
Schijfdragende kelkbuis zeer kort of ontbrekend; kelk-
slippen 4, in den knop klepswijze aaneensluitend, de 2
bovenste vergroeid. Eén bloemblad, zittend, langwerpig,
dubbel gevouwen, in vorm en grootte gelijk aan de
bovenlip van den kelk. Meeldraden 10; de bovenste vrij van
de andere, korter en zonder helmknoppen; de overige
neergebogen, kort éénbroederig, ongelijk en de bovenste
hiervan het langst en buiten den kelk uitstekend; helm-
knoppen langwerpig, bewegelijk, in de lengte openbar-
stend. Eierstok met 2 eitjes, kort gesteeld; stempel lang,
draadvormig, spiraalswijze opgerold; stempel klein, ein-
delingsch. Peul min of meer schuin, cirkelvormig of breed
-ocr page 466-
406
XLIV. LEGUMINOSAE.
eivormig, openspringend; kleppen plat en hard , gewapend
aan de oppervlakte met rechte, groote en sterke stekels.
Ongedoornde boom. Bladeren evengevind; blaadjes
lederachtig, 2—3-jukkig. Bloemen klein, in tot eindeling-
sche, korte pluimen vereenigde trossen. Schutbladen en
schutblaadjes eivormig, afvallend. Kelk gestekeld.
Aantal soorten 3, S. Sumatrana Miq., S. WaUichii Benth. en
.5. velutina Baker. In Bentham\'s beschrijving wordt nog opgege-
ven dat de 7 onderste meeldraden alleen mislukte of in liet geheel
geen helmknoppen dragen, eene bijzonderheid, die door Baker in
HOOK. /•\'/. of Br. Intl. niet wordt vermeld. De beschrijving der
peul ziet op S. WaUichii Benth., eerst als eene soort van Guilan-
dina
L. besehieven, (G. Wallichiana Grah.y, vervolgens als een
nieuw geslacht Eellinocalyx llertth. beschouwd.
84. OYNOMETRA L.
Schijfdragende kelkbuis kort, soms zeer kort; kelk-
slippen 4—5, dun, dakpanswij ze dekkend in den knop,
tijdens den bloei teruggeslagen. Bloembladen 5, nagenoeg
gelijk of de onderste klein, dakpanswijze dekkend. Meel-
draden 10 of\' zelden go , vrij, met draadvormlge helm-
draden ; helmknoppen klein; éénvormig, met in de lengte
openbarstende hokjes. Eierstok zittend of kort gesteeld,
vrij op den kelkbodem, of schuin op de korte kelkbuis
ingeplant, 2-eiig; stijl draadvormig; stempel eindelingsch,
afgeknot of knopvormig. Peul gekromd, ei- of min of
meer niervormig, zelden recht, dik, gezwollen of min of
meer samengedrukt, rimpelig, wratachtig of zelden glad,
2-kleppig. Zaad de holte vullend, dik of samengedrukt,
met buikstandigen navel; kiemwit ontbrekend; zaadlobben
dik-vleezig; kiemworteltje zeer kort, recht, tusschen de
zaadlobben ingesloten.
Ongedoornde boomen of heesters met evengevinde bla-
deren en 1- of weinigjukkige, lederachtige, schuine blaadjes.
Steunblaadjes spoedig afvallend. Bloemen klein, in oksel-
standige of zijdelings aan stam of takken te voorschijn
tredende, korte, bundelvormige trossen. Onderste schut-
bladen eivormig, droog, in den knop dakpanswijze dek-
kend, ten slotte afvallend, die aan de trossen klein;
schutblaadjes ontbrekend of vliezig en gekleurd.
Ongeveer 20 soorten, tusschen de keerkringen verspreid. In
Nederlandsch Indië komen 3 soorten voor, C. cauliflora L., C.
ramijlora L. en C. bijurja Miq.
-ocr page 467-
407
XLIV. LEGÜMINOSAE.
85. MANILTOA Scheff.
Kelkbuis zeer kort, klokvonnig; kelkslippen 4, nage-
noeg gelijk. Bloembladen 5 (?), nagenoeg gelijk (?), smal lijn-
vormig, even lang als de kelkslippen. Meeldraden 10—15.
Eierstok met een korten, niet met den kelk vergroeiden
steel; stijl lang; stempel knopvormig. Peul gekromd-ei-
vormig, dik, gezwollen, rimpelig. Zaden 2, dwars, zonder
zaadrok, de holte binnen de peul geheel vullend, schuin
op elkander liggend; navel buikstandig; zaadhuid hard;
kiemwit ontbrekend; zaadlobben dik lederachtig; kiem-
worteltje recht, tusschen de zaadlobben ingesloten.
Boom zonder doorns. Jonge bladeren besloten binnen
een bladknop, die een halven voet lang is en in den
beginne met dicht opeengedrongen, kraakbeenachtige schub-
ben is bedekt. Bladeren evengevind, 2—5-jukkig; bladspil
verlengd in een langen, stijven, spoedig afvallenden bor-
stel; blaadjes geheel of gedeeltelijk tegenovergesteld, dik
lederachtig, zittend. Steunblaadjes lijnvormig, spoedig
afvallend. Bloeiwijzen sterk vertakt, aan ontbladerde tak-
ken. Schutbladen 2, aan de basis der bloemstelen; schut-
blaadjes ontbrekend.
Kéne soort, M. rjrandiflora Scheff., op Nieuw Guinea voorkomende.
80. PARKIA R. Br.
Bloemen 5-tallig, de bovenste tweeslachtig, de onderste
mannelijk of onzijdig. Kelk cilindervormig, met vrije of
aan de bloemkroonbasis vergroeide buis en korte, in den
knop dakpanswijze dekkende, min of meer tot 2 lippen
vergroeide tanden. Bloembladen lijn-spatelvormig, vrij of
tot het midden vergroeid, in den knop klepswijze aan-
eensluitend. ]VIeeldraden 10, aan de basis éénbroederig
en vergroeid met de bloemkroon, zelden vrij van deze;
helmknoppen langwerpig, door eene klier gekroond; helm-
hokjes elk met 2 rijen, uit talrijke korrels bestaande,
stuifmeelklompjes. Eierstok zittend of gesteeld, met oo ei-
tjes; stijl draadvormig; stempel eindelingsch. Bloembladen
der onderste, onzijdige bloemen dikwijls vrij en vergezeld
van 10, hoogvergroeide, doch van boven vrije en draad-
vormige, gekleurde staminodiën. Peul langwerpig of lang,
recht of gekromd, samengedrukt, leder- of bijna hout-
achtig of vleezig, 2-kleppig. Zaden dwars, dik, eivor-
-ocr page 468-
408                                XLIV. LEOÜMINOSAE.
mig of samengedrukt; zaadlobben vleezig; kiemworteltje
ingesloten.
Groote, ongedoornde booinen met dubbel gevinde blade-
ren en talrijke blaadjes van de tweede orde. Meestal 1—2
klieren aan den bladsteel. Bloemen in groote, knodsvor-
mige of neergedrukt-kogelvormige hoofdjes, welke nu eens
alleenstaan aan zeer lange, hangende, okselstandige bloem-
stengels, dan weder in pluimen aan de toppen der tak-
ken staan. De bovenste bloemen der hoofdjes geel, bruin
of rood, de onderste wit of rood.
Aantal soorten volgens Bentham (Transact. Linn. Soc. XXX.
1875, p. 3(30") 10: hiervan zijn er 0 in tropisch Azië, 3 in tropisch
Afrika en 10 in tropisch Amerika. Van de eerste komen er 4 in
Nederlandsch Indië voor.
87. ENTADA Adam.
Bloemen 5-tallig, zittend. Kelk klokvormig, zeer kort
getand. Bloembladen vrij of licht samenhangend, in den
knop klepswijze aaneensluitend. Meeldraden 10, vrij,
kort boven de bloem uitstekend; helmknoppen gekroond
door eene afvallende klier; stuifmcelkorrels vrij. Eierstok
nagenoeg zittend, go -eiig; stijl draadvormig, met een
eindelingschen, afgeknotten, hollen stempel. Peul recht
of gekromd, soms zeer groot, plat-samengedrukt, dun of
leder- of houtachtig, met verdikte, blijvende, doorloopende
naden, waartusschen de kleppen zich in dwarse, éérizadige
leden verdeelen, waarvan de buitenwand loslaat, terwijl
de binnenwand met de ronde, schijfvormigo zaden veree-
nigd blijft.
Meestal hoogklimmende, ongedoornde heesters. Bladeren
dubbelgevind; het hoogste juk soms in bladlooze ranken
veranderd; blaadjes nu eens groot en weinig, dan weder
klein en talrijk. Steunblaadjes klein, borstelvormig; klieren
aan den bladsteel ontbrekend. Bloemen éénvormig, twee- of
gemengdslachtig, in dunne aren, die afzonderlijk of twee
aan twee langs de toppen van kleine takken gerangschikt
zijn en of kort zijn en eene trosvormige, bladerlooze
pluim vormen, of lang zijn en ver uiteenstaan, waarbij
de onderste okselstandig zijn.
Aantal soorten 11, in tropisch Azië, Afrika en Amerika. Volgens
BENTHAM is er in tropisch Azië slechts ééne soort, E. scandens
Benth.,
onder welken naam vereenigd worden Sciikffer\'s soort
-ocr page 469-
XUV. LEGUMINOSAE.                                409
E. Rumphii, welke in de Molnkken voorkomt en de beide soorten
van De Candolle, E. Pursaetlia en E. monostachya. Sciieffer
meende dat in Nederlandse!! Indië \'2 a 3 soorten voorkwamen, nl.
1. E. Pursaetha D C, waar de blaadjes van den tweeden rang stomp
en min of meer uitgerend, de leden der peul afgerond zijn met
eene houtachtige binnenlaag van rlen vruchtwand en de zaden rond
en bruin zijn, en 2. E. Rumphii Schelf., waar de blaadjes van
den tweeden rang langwerpiger zijn, in eene stompe spits eindigen en
de leden der peul bijna rechthoekig, met perkamentachtige binnen-
laag van den vruchtwand en de zaden elliptisch en zwart-bruin zijn.
Eene dtrde soort nam hij aan op de aanwijzing van RuMPHIUS
wegens de plant, die deze Parrana nigra noemde.
88. XYLIA Benth.
Bloemen 5-tallig, zittend, meestal tweeslachtig. Kelk
buis-klokvormig, getand. Bloembladen aan de basis licht
samenhangend, in den knop klepswijze aaneensluitend.
Meeldraden <x>, vrij, boven de bloem uitstekend; helm-
knoppen eivormig, met spoedig afvallende klieren; stuif-
meelkorrels co . Eierstok zittend, cc -eiig; stijl draadvor-
mig, met kleinen, oindelingschen stempel. Peul zittend,
breed sikkelvormig, plat-samengedrukt, dik, houtachtig,
2-kleppig, van binnen met schotten tusschen de zaden.
Zaden dwars, omgekeerd eirond, samengedrukt, met eene
korte, vleezige zaadstreng.
Hooge boom, zonder doorns, met hard hout. Bladeren
dubbelgevind, met 1-jukkige blaadjes; blaadjes van den
tweeden rang groot, met weinige jukken; hooge of on-
duidelijke klier aan den bladsteel. Steunblaadjes klein,
lijnvormig, spoedig afvallend. Bloemen klein, bleekgroen,
aan gesteelde, kogelvormige hoofdjes, die bij bundels in
de bladoksels of bij trossen aan de toppen der takken
staan.
Eéne soort, A\'. dolabri formis Benth., welke in tropisch Azië ver
verspreid is en waarschijnlijk ook in Nederlandsch Indië niet ont-
breekt, vroeger achtereenvolgens tot de geslachten Mimosa L.,
Acacia
WilUI. en Inga Wüld. gebracht. In de Oen. Plant, werd
dit geslacht door Bentham gebracht tot de Eu-Mimoseae wegens
de vermeende afwezigheid der klier aan den top van den helmknop;
in de Transactions komt hij hiervan terug.
89. ADENANTHEEA L.
Bloemen 5-tallig, kort gesteeld. Kelk klokvormig, kort
getand. Bloembladen onder het midden samenhangend of
26
-ocr page 470-
410
XLIV. LEGUMINOSAE.
spoedig vrij, in den knop klepswijze aaneensluitend.
Meeldraden 10, vrij, een weinig boven de bloem uitste-
kend; helmknoppen door eene afvallende klier gekroond;
stuifmeelkorrels vrij. Eierstok zittend, cc -eiig; stijl draad-
vormig, met een kleinen, eindelingschen stempel. Peul
lijnvormig, meestal gekromd of sikkelvormig, samenge-
drukt of aan de zaden gezwollen, met 2 gave, dikwijls
bolle, eindelijk dikwijls ineengedraaide kleppen en dikwijls
gedeeld door tusschen de zaden geplaatste tusschenschot-
ten , welke met den binnenwand een geheel vormen. Zaden
dik; zaadhuid hard, helder rood of tweekleurig, dikwijls
in een dun zaadmoes gewikkeld.
Ongedoornde boomen. Bladeren dubbelgevind; blaadjes
klein, cc -jukkig. Bloemen wit of geel, éénvormig, twee-
of gemengdslachtig, aan lange, dunne, aarvormige trossen,
die in de bladoksels of, tot pluimen vereenigd, aan de
toppen der takken staan.
Aantal soorten 5, tusschen de keerkringen in de oude wereld
verspreid, dikwijls gekweekt. De algemeenste soort in Nederlandsen
Indië is A. pavonina L. Teysmann en Binnendijk beschrijven nog
eene tweede soort, A. microsperma, van Java en Scheffer nog eene
derde, welke op Celebes voorkomt, A. Gerseni. Misschien komt op
Sumatra nog eene vierde voor, A. bicolor Hoon, welke op Ceylon en
Malakka tehuis behoort.
90. PROSOPIS L.
Bloemen 5-tallig, meestal zittend. Kelk klokvormig, kort
getand. Bloembladen onder het midden vergroeid of ten
slotte vrij, in den knop dakpanswijze dekkend. Meeldraden
10, vrij, kort boven de bloem uitstekend; helmknoppen
door eene afvallende klier gekroond, zelden zonder klier.
Eierstok zittend of gesteeld, co -eiig; stijl draadvormig,
met kleinen, eindelingschen stempel. Peul lijnvormig, dik-
samengedrukt of nagenoeg rolrond, recht, sikkelvormig of
op verschillende wijzen gewrongen, lederachtig, niet open-
springend, met dunne of lederachtige schil en dikke, spons-
achtige, harde of zelden dunne middenlang en kraak-
been- of papierachtige binnenlaag, welke met de schotten
tusschen de zaden onmiddellijk verbonden is of soms elk
van de zaden afzonderlijk omhult, zelden is de peul van
binnen nagenoeg ongedeeld, daar de schotten bijna ge-
heel verdwijnen. Zaden meestal eivormig, samengedrukt.
-ocr page 471-
XLIV. LEGÜMINOSAE.                                411
Boomen of heesters, èf geheel ongewapend, óf met
stekels, of met 1 of 2 doorns in eiken bladoksel, of met
doornvormige steunblaadjes. Bladeren dubbelgevind, met
1—2- of zelden go -jukkige blaadjes en weinig- of veel-
jukkige, meestal stijve blaadjes van den tweeden rang.
Steunblaadjes klein of ontbrekend; klieren aan den blad-
steel of aan de jukken klein of onduidelijk, zelden ont-
brekend. Bloemen klein, aan okselstandige bloemstengels,
in cilindervormige aren of zelden in kogelvormige hoofdjes.
Aantal soorten omstreeks 18, in de tropische gewesten der beide
halfronden verspreid. Eéne soort, P. spiciyera L., is in Nederlandsch
Indië algemeen.
94. DICHROSTACHYS DC.
Bloemen 5-tallig, zittend, deels tweeslachtig, deels on-
zijdig. Kelk klokvormig, kort getand. Bloembladen onder
het midden samenhangend, in den knop klepswijze aan-
eensluitend. Tweeslachtige bloemen: Meeldraden 10, vrij,
een weinig boven de bloem uitstekend; helmknoppen
door eene gesteelde klier gekroond; stuifmeelkorrels co .
Eierstok nagenoeg zittend, go -eiig; stijl draadvormig, met
een afgeknotten, eindelingschen stempel. Onzijdige bloemen:
Staminodiën 10, lang en draadvormig. Rudimentaire eierstok
klein. Peul lijnvormig, samengedrukt, gewrongen, leder-
achtig, niet openbarstend of met onregelmatig van de naden
loslatende kleppen, zonder afscheidingen van binnen. Zaden
omgekeerd eivormig, samengedrukt.
Heesters, volgens Miquel hooge boomen, die tusschen
de bebladerde takken, talrijke korte, uitgespreide bloem-
takken dragen, welke of bladerloos zijn en in doorns
eindigen, of tot bundels vereenigde bladeren vertoonen
en door dakpanswijze opeengedrongen steunblaadjes zijn
bedekt. Bladeren dubbel gevind, meestal met co -jukkige
blaadjes. Bloemen in cilindervormige, gesteelde, meestal
neerhangende en ten getale van 1 of 2 in de bladoksels
geplaatste aren, waarvan de bovenste bloemen tweeslachtig
en geel, de onderste onzijdig, witachtig, rosé of purper zijn.
Aantal soorten 7, tusschen de keerkringen van de oude wereld.
Eéne hiervan, D. cinerea W. et A., is in Engelsen lndië algemeen.
Daartoe bracht MlQUEL ook de Javaansclie exemplaren van dit
geslacht. Volgens IIentham behooren echter deze tot D. nutnns
Benth.,
die ook in Australië en Zuid Afrika voorkomt.
-ocr page 472-
412                                XLIV. LEGUMINOSAE.
92. NEPTUNIA Lour.
Bloemen 5-tallig, zittend, deels tweeslachtig, deels
manneljjk of onzijdig. Kelk klokvormig, kort getand.
Bloembladen tot het midden samenhangende of vrij, in
den knop klepswijze aaneensluitend. Meeldraden 10 of
zelden 5, vrij, boven de bloem uitstekend; helmknoppen
door eene gesteelde klier gekroond; stuifmeelkorrels oo.
Eierstok gesteeld, oc-eiig; stijl draadvormig, met een
kleinen,\'\' eindelingschen, hollen stempel. Peul schuin lang-
werpig, va.i den steel omlaag gevouwen, zeer weinig toe-
gespitst, \'\'plat-samengedrukt, vliezig-lederachtig, 2-kleppig,
van binnen met schotten tusschen de zaden. Zaden dwars,
eivormig, samengedrukt, met draadvormige zaadstreng.
Overblijvende kruiden of wijdvertakte, nederliggende
of drijvende halfheesters, meestal met samengedrukte of
driekantige takken. Bladeren dubbelgevind, met kleine
blaadjes; klier aan den bladsteel zeldzaam. Vliezige, schuin
hartvormige steunblaadjes. Bloemen in gesteelde, ei-kogel-
vormige hoofdjes, die alleen in de bladoksels staan. On-
derste bloemen der hoofdjes nu eens niet zeer talrijk en
mannelijk, doch overigens op de bovenste gelijkende,
dan weder zeer talrijk en onzijdig met kleine kelk en
bloemkroon en 10 lange, bloembladachtige, lijnvormige
staminodiën.
Aantal soorten 8, in Noord en Zuid Amerika, Azië en tropisch
Afrika, waarvan ééne, N. oleracea Lour., eene waterplant, in alle
tropische gewesten wordt aangetroffen. Behalve deze komen in Ne-
derlandsch Indië van dit geslacht nog drie kruiden of halfheesters
voor, A*. plena Benth., N. Javanica Mi//, en Ar. acinaciformis Miq.
De tweede is in BenthAM\'s revisie der Mimoseac niet besproken
en de laatste als onvoldoende beschreven evenmin medegerekend.
Bentham heeft in de Genera het geslacht Neptunia bij de Ailenan-
thereae
gebracht, waar het wegens de klieren aan den top van den
helmknop zeer goed geplaatst scheen. In zijne revisie brengt hij
het echter, zonder dit toe te lichten, tot de Eu-Mimoseae, waar
het eene uitzondering vormt, juist wat betreft dit onderscheidings-
kenmerk met de Adenanthereae.
03. DESMANTHÜS WiUd.
Bloemen 5-tallig, tweeslachtig of de onderste in gering
aantal, mannelijk of onzijdig. Kelk klokvormig, kort ge-
tand. Bloembladen vrij of licht samenhangend, in den
knop klepswijze aaneensluitend. Meeldraden 10 of 5, vrij,
-ocr page 473-
XLIV. LEGUMINOSAE.                                413
boven de bloem uitstekend; helmknoppen zonder klieren;
stuifmeelkorrels oo . Eierstok nagenoeg zittend, onbehaard,
oo-eiig; stijl priemvormig of van boven verdikt, met
kleinen, eindelingschen, hollen stempel. Peul lijnvormig,
recht of sikkelvormig, spits, plat-samengedrukt, vliezig-
lederachtig, 2-kleppig, van binnen niet gedeeld of met
tusschenschotten tusschen de zaden. Zaden met de langste
as in de richting van de peul of schuin, eivormig,
samengedrukt.
Overblijvende kruiden of half heesters, meestal met
hoekige en gestreepte takken. Bladeren dubbelgevind, met
kleine blaadjes. Steunblaadjes borstelachtig, blijvend.
Meestal eene klier aan de bladspil tusschen de blaadjes van
het onderste juk. Hoofdjes, gesteeld, ei-bolvormig, meestal
met weinige bloemen en alleenstaand in de oksels. Bloemen
alle tweeslachtig of de onderste onzijdig, en deze nu eens
zonder bloembladen en met korte staminodiën, dan weder
gelijk aan de volkomen bloemen en met lange staminodiën.
Aantal soorten 8, in Noord en Zuid Amerika te huis behoorende,
docli waarvan ééne, I). viiyalus Willii., in alle tropische gewesten,
ook in Nederlandsen Indii1 algemeen is.
94. MIMOSA L.
Bloemen 4—5-tallig, zelden 3- of 6-tallig, twee- ofge-
mengdslachtig. Kelk meestal klein, bijna niet waar te nemen
of door schubben, wimpers of haarpluis vervangen, zelden
klokvormig en kort getand. Bloembladen min of meer
vergroeid, in den knop klepswijze aaneensluitend. Meel-
draden in het dubbele aantal van de bloembladen of in
hetzelfde aantal, vrij en boven de bloem uitstekend; helm-
knoppen klein, zonder klieren; stuifmeelkorrels co . Eier-
stok zittend of zelden gesteeld, 2—co-eiig; stijl draad-
vormig, met kleinen, eindelingschen stempel. Peul lang-
werpig of lijnvormig, plat-samengedrukt of zelden dik,
vliezig of lederachtig, met 2 kleppen, die van den door-
loopenden rand, in hun geheel of in dwarse leden ver-
deeld, loslaten, van binnen ongedeeld of met meer of
minder ontwikkelde tusschenschotten.
Kruiden of heesters, welke zelden hoog klimmen, of
boomen, al of niet van doorns voorzien. Bladeren dubbel
gevind, zich meestal bij aanraking samenvouwende, zeer
-ocr page 474-
414
XI.IV. I.EOUMINOSAE.
zelden ontbrekend of tot eene bladachtige bladspil ver-
minderd; klieren aan den bladsteel zijn slechts bij weinige
soorten aanwezig; de steeltjes der blaadjes zijn meestal
van steunblaadjes voorzien. Bloemen klein, zittend aan ge-
steelde, kogelvormige hoofdjes of cilindervormige aren, die
alleen of bij bundels in de bladoksels staan, de bovenste
dikwijls tot trossen vereenigd. Meeldraden meestal tweemaal
grooter dan de bloemkroon. Bij weinige soorten komen
onzijdige bloemen voor met draadvormige staminodiën, die
aan den top bloembladachtig verbreed zijn.
Aantal soorten omstreeks \'280, voornamelijk in tropisch Amerika
te huis behoorende. vanwaar eenige zich in tropisch Azië en Afrika
verspreid hebben. De soorten, welke in Nederlandsch Indië voor-
komen, M. pudica L., il. hnnintn Willd. en M. asperata L., zijn
kleine heesters van de sectie Habbasia. en hebben alle tweemaal
zooveel meeldraden als bloembladen en eene in de leden uiteen-
vallende peul.
05. LETTCAENA Benth.
Bloemen 5-tallig, zittend, grootendeels tweeslachtig.
Kelk buis-klokvormig, getand. Bloembladen vrij, in den
knop klepswijze aaneensluitend. Meeldraden 10, vrij,
buiten de bloem uitstekend; belmknoppen eivormig, lang-
werpig of kogelvormig, dikwijls behaard, zonder klieren;
stuifmeelkorrels oo . Eierstok gesteeld, oo -eiig. Peul ge-
steeld, breed lijnvormig, stijfvliezig, 2 kleppig, van bin-
nen niet gedeeld. Zaden dwars, eivormig, samengedrukt.
Boomen of heesters zonder doorns. Bladeren dubbel-
gevind ; blaadjes nu eens klein, oo -jukkig, dan weder
grooter en schuin, in weinige jukken; bladsteel meestal
met klieren. Steunblaadjes borstelvormig of klein. Bloemen
wit, in gesteelde, kogelvormige hoofdjes, welke bij bundels
in de bladoksels staan of waarvan de bovenste tot eenen
bladloozen, eindelingschen tros zijn vereenigd. Schutbladen
meestal 2, aan de basis der hoofdjes of onder den top
der stelen van deze.
Aantal soorten 9, waarvan 1 op de eilanden van den Stillen
Oceaan, 6 in Amerika en wel in de warmere gewesten vooral in
het Westen tehuis behooren, terwijl 1 in alle tropische landen
gekweekt of in bet wild voorkomt. Deze, L. r/lauca Benth., werd
vroeger als eene soort van Acacia beschouwd en onder verschil-
lende namen beschreven. (A. glauca Willd., A. leucocephala Hassk.,
A- odoratissima Zoll.
enz.)
-ocr page 475-
XLIV. LEGUMINOSAE.                                415
06. ACACIA mild.
Bloemen 5—4-, zelden 3-tallig, meestal zittend, twee-
of gemengdslachtig. Kelk klokvormig, gelobd, getand of
in vrije kelkbladen verdeeld, zelden nagenoeg geheel ont-
brekend. Bloembladen min of meer vergroeid of zelden
vrij, zeer zelden ontbrekend. Meeldraden co, (meestal
meer dan 50), boven de bloem uitstekend, vrij of onder
aan de basis tot eenen korten nap of eene perigynische
schijf verbonden; helmknoppen klein; stuifmeelkorrels in
elk hokje tot 2—4 klompjes verbonden. Eierstok zittend
of gesteeld, 2—co-eiig; stijl draadvormig, met een kleinen,
eindelingschen stempel. Peul eivormig, langwerpig of lijn-
vormig, recht, boogvormig gekromd of op verschillende
wijzen gedraaid, plat, bol, of rolrond, vliezig, leder- of
houtachtig, 2-kleppig of niet openspringend, van binnen
ongedeeld, of met schotten of opgevuld, zelden in leden
uiteenvallend. Zaden dwars of in de lengte-as der peul,
meestal eivormig, samengedrukt; zaadstreng draadvormig of
op verschillende wijzen tot een vleezigen zaadrok verbreed.
Boomen, heesters of zelden kruiden, ongewapend of
met stekels of doorns. Bladeren dubbelgevind; blaadjes
meestal klein, co -jukkig of tot eene bladvormige blad-
spil (phyllodium) verminderd; klier aan den bladsteel
dikwijls aanwezig. Steunblaadjes doornvormig of weinig
ontwikkeld, zelden vliezig. Bloemen klein, aan gesteelde,
kogelvormige hoofdjes of aren, alleen of bij bundels in
de bladoksels of in pluimen aan de toppen der takken.
Meeldraden geel of wit, in elke bloem talrijk, soms tot
400. Schutbladen meestal 2, vergroeid, kort, schubvormig,
onder het hoofdje of aan de basis of het midden van den
steel hiervan, onder de bloemen binnen het hoofdje lijn-
wigvormig of aan den top schildvormig verbreed.
Omstreeks 432 soorten in de warme gewesten van de geheele
wereld, doch vooral talrijk in Australië en Afrika. MlQOEL geeft
20 soorten op voor Nederlandsch Indië, waarvan sommige als
soorten van de geslachten Mimosa L., Albizzia Duraxt. en Arthro-
Sprion Hassk. beschreven zijn. In Benthax\'s Monographie wordt
dit aantal tot 14 of 15 teruggebracht.
-ocr page 476-
416
XMV. LEGUMINOSAE.
97. CALLIANDKA Benth.
Bloemen 5-, zelden 6-tallig, gemengdslachtig. Kelk
klokvormig, getand of zelden diep verdeeld. Bloemkroon
trechter- of klokvormig, met tot het midden verbonden,
in den knop klepswijze aaneensluitende bloembladen.
Meeldraden go (10—100), aan de basis of hoog tot eene
buis vergroeid, ver buiten de bloem uitstekend; helm-
knoppen klein, klierachtig behaard, zelden kaal; stuif-
meel in elk hokje tot 2 of 4 klompjes verbonden. Eier-
stok zittend, oo-eiig;. stijl draadvormig met stompen of
knopvormigen, eindelingschen stempel. Peul recht of een
weinig sikkelvormig, aan de basis dikwijls versmald,
plat-samengedrukt met verdikte naden of nagenoeg rol-
rond, met 2 kleppen, die van den top naar de basis
elastisch loslaten, van binnen ongedeeld en zonder
vruchtmoes.
Heesters of kleine boomen, dikwijls ongedoornd. Bla-
deren dubbelgevind; blaadjes vliezig of meestal leder-
achtig en glanzend, nu eens klein en oo -jukkig, dan
weder groot en weinigjukkig, soms 1-jukkig en elk blaadje
weder drietallig, 2—3-nervig of vinnervig. Steunblaadjes
meestal blijvend en als knopschubben de jonge knoppen
en bloemstelen bedekkend, vliezig, bladachtig of hard,
soms doornachtig of van achteren in een doorn verlengd,
zelden weinig ontwikkeld of ontbrekend. Gesteelde kogel-
vormige hoofdjes, alleen of bij bundels in de bladoksels,
of tot een eindelingschen tros vereenigd. Bloemen meestal
in het oog vallend door de lange (meer dan 2\\ cM.)
roode of witte meeldraden; de middelste soms van afwij-
kenden vorm, daar de bloemkroon lang buisvormig is en
de meeldradenbuis hierbuiten uitsteekt.
Aantal soorten omstreeks 100, waarvan de meeste in tropisch
Amerika en 2 in tropisch Azië ; ééne der laatste, C. umbrom Benth.,
welke in Penang voorkomt, wordt misschien ook in Nederlandsch
Indië aangetrollën.
98. ALBIZZIA Durazz.
Bloemen meestal 5-tallig, twee- of zelden gemengd-
slachtig. Kelk klok- of buisvormig, getand of kort gelobd.
Bloemkroon trechtervormig, met meestal voorbij het mid-
-ocr page 477-
417
XLIV. LEOUMINOSAB.
den vergroeide, in den knop klepswijze aaneensluitende
bloembladen. Meeldraden oo, iian de basis of hoog tot
eene buis vergroeid, meer of minder hoog boven de bloem
uitstekend; helmknoppen klein; stuifmeel in elk hokje
tot 2 of 4 klompjes verbonden. Eierstok zittend of kort
gesteeld, oo-eiig; stijl draadvormig, met stompen, einde-
lingschen of knopvormigen stempel. Peul breed, lijnvor-
mig, recht, plat-samengedrukt, dun, niet openspringend
of 2-kleppig, van binnen ongedeeld en zonder vruchtmoes;
kleppen noch elastisch, noch ineengedraaid. Zaden ei- of
cirkelvormig, samengedrukt, met draadvormige zaadstreng.
Ongedoornde boomen of heesters. Bladeren dubbel ge-
vind; blaadjes klein, cc-jukkig of groot en weinigjukkig;
klieren aan den bladsteel en aan de jukken meer of
minder duidelijk ontwikkeld. Steunblaadjes borstelvormig
of weinig ontwikkeld, zelden grooter en vliezig. Bloemen
aan gestoelde, kogelvormige hoofdjes of cilindervormige
aren, die, tot pluimen vereenigd, in de bladoksels of
aan de toppen der takken staan. Meeldraden lang, meestal
talrijk, wit of rosé, zelden purperkleurig.
Aantal soorten 25—-30, in de tropische gewesten verspreid. Yol-
gens HlQCEL zijn er \'21—24 soorten in Nederlandsen Indië, door
Bentham is dit aantal ongeveer tot de helft teruggebracht.
99. PITHECOLOBITJM Mart.
Bloemen 5-, zelden 6-tallig, twee- of zelden gemengd-
slachtig. Kelk klok- of buisvormig, kort getand. Bloein-
kroon buis- of trechtervormig, met voorbij het midden
verbonden, in den knop klepswijze aaneensluitende bloem-
bladen. Meeldraden oo, ver buiten de bloem uitstekend,
aan de basis of hoog tot eene buis vergroeid; helmknop-
pen klein; stuifmeel in elk hokje tot 2 of 4 klompjes
verbonden. Eierstok zittend of gesteeld, co -eiig; stijl
draadvormig, met kleinen of knopvormigen, eindelingschen
stempel. Peul samengedrukt of plat, spiraalvormig opge-
rold of op verschillende wijzen gewrongen, sikkelvorniig
of zelden nagenoeg recht, dik, lederachtig of vliezig, 2-
kleppig of zelden niet openspringend of in leden uiteen-
vallend; kleppen dikwijls gewrongen, doch niet elastisch
loslatend. Zaden door een dun vruchtmoes omgeven, ei-
-ocr page 478-
418
XLIV. LEGUMIN08AE.
of cirkelvormig, samengedrukt met eene draadvormige of
tot een zaadrok verbreede zaadstreng.
Heesters of boomen. ongewapend of met okselstandige
doorns of met doornvorinige steunblaadjes. Bladeren dub-
bel gevind. Blaadjes nu eens klein en oo-jukkig, dan
weder groot en weinigjukkig, met zelden 1-jukkige
blaadjes, die ó" of 2 of 1 blaadjes van den tweeden
rang dragen; klieren aan den bladsteel en de jukken
ontbreken zelden. Steunblaadjes nu eens klein of weinig
ontwikkeld, dan weder blijvend, hard of doornvormig.
Bloemen meestal wit, dunner of kleiner dan die van
CaUitindra, in gesteelde, kogel vormige hoofdjes of zelden in
langwerpige of cilindervormige aren, in bundels of boven
elkander in de bladoksels of in bundels of trossen aan
de toppen der takken. Meeldraden nu eens weinig, dan
weder talrijk.
Aantal som-ten omstreeks 108, in de tropische gewesten van
Amerika en Azië wijd verspreid, eenige weinige in Afrika en Austra-
lië. In Nederlandsen Indië komen een 20-tal soorten voor. Sommige
soorten werden vroeger tot het geslacht Inga Wülil. gebracht, dat
dooi- Bentham en Hooker tot de Amerikaansche soorten beperkt is.
100. SERIANTHES Benth,
Bloemen 5-tallig, de meeste tweeslachtig. Kelk wijd
klokvormig, kort of tot het midden gelobd. Bloembladen
aan de basis met de meeldraden vergroeid, overigens vrij,
in den knop klepswijze aaneensluitend. Meeldraden oo,
aan de basis tot eene buis vergroeid; helmknoppen klein;
stuifmeel korrels in gering aantal. Eierstok . zittend, oo -
eiig; stijl draadvormig met kleinen, eindelingschen stem-
pel. Peul eivormig of langwerpig, recht of sikkelvormig,
plat-samengedrukt of golvend, houtachtig, niet opensprin-
gend, met dwarse schotten tusschen de zaden. Zaden dwars,
samengedrukt.
Ongedoornde boomen. Bladeren groot, dubbelgevind;
blaadjes van den eersten en tweeden rang oo -jukkig;
klieren aan de bladstelen en jukken. Steunblaadjes weinig
ontwikkeld. Bloemen, de grootste onder de Mimoseae,
viltachtig behaard, aan tot eene tuil vereenigde trossen,
aan de toppen der takken.
-ocr page 479-
419
XLIV. LEGUMINOSAE.
Aantal soorten 5, waarvan ééne in tropisch Azië, <le andere op
de eilanden van den Stillen Oceaan groeien. De eerste, S.grandiflora
ISentli.,
komt waarschijnlijk ook in Nederlandsch Indië voor.
101. HANSEMANNTA Schumann.
Kelk min of meer klokvormig, kort 4—5-tandig.
Bloembladen 4—5, in den knop klepswijze aaneensluitend,
langwerpig-lancetvormig, bijna tot het midden vergroeid
en aan de basis over een korte uitgestrektheid met de
meeldradenbuis verbonden. Meeldraden oo, met lange,
haardunne helmdraden en kleine, gekromde helmknoppen;
stuifmeelkorrels in elk hokje tot 4 klompjes samenge-
smolten. Vruchtbladen 4, elk met een kort gesteelden
eierstok, oo eitjes, een zeer langen, draadvormigen stijl
en een kleinen, knopvormigen stempel. Peul dik, van
binnen met schotten tusschen de zaden, bij rijpheid open-
barstend. Zaden onbekend.
Houtachtige planten, met evengevinde bladeren en
klieren tusschen de blaadjes, die zeer groot en langwer-
pig of eivormig-langwerpig zijn. Bloemen van middelma-
tige grootte, aan dunne, lange of korte stelen tot losse
trossen verbonden.
Aantal soorten 2, H. rjlabra Schum. en H. mollis Schum.. beide
in de Duitsche Bezittingen op Nieuw-Guinea gevonden.
Fam. xlv. ROSACEAE.
Bentham et Hooker, Gen. Plant. I, p. 601. — Hiquel, Fl. Iml.
Bat.
I, 1, p. 351—392 (Chrysobalaneae, Amygdaleae, Rusaceae, Po-
maceae, Spiraeaceae.)
— Sumatra, p. 306—308. — Arm. Mus. Bot.
Lm/d Bat.
I, p. 212. — 1, p. 248. — III, p. 236.— Hooker, Fl.
of Brit. Ind.
II, p. 307. — Koen in Ann. Mus. Bot. Lugrt. Bat. I,
p. 428. (Pomaceae.) — Wenzig in Jahrb. Bot. Gart. Berlin II,
1883, (Pomaceae.).
Bloemen meestal regelmatig en tweeslachtig. Kelk vrij
of met den eierstok vergroeid; kelkbuis kort of lang, nauw
of wijd; kelkzoom meestal gelijk, zelden ongelijk; kelk-
lobben meestal ten getale van 5, dakpanswijze dekkend
-ocr page 480-
420
XLV. ROSACEAE.
of klepswijze aaneensluitend in den knop, waarbij er
steeds eene naar de as der plant gekeerd is, blijvend,
soms door 5 schutblaadjes, den bijkelk, omgeven, zelden
ontbrekend of ten getale van 4 of oo. Schijf de kelk-
buis bekleedend, meestal met gaven, zelden met gezwol-
len of gelobden rand. Bloembladen onder den schijfrand
ingeplant, in hetzelfde aantal als de kelklobben, zelden
ontbrekend, gelijk of, bij de Chrysóbalaneae, ongelijk,
omgekeerd eivormig, langwerpig, afgerond of spatelvor-
mig, meestal ongenageld, afvallend, in den knop dakpans-
wijze dekkend. Meeldraden in onbepaald aantal, bij ver-
scheidene soorten zeer talrijk, bij weinige in bepaald
aantal of tot 1—2 verminderd, op den schijfrand inge-
plant, of in 2—oo rijen en over de schijf verspreid, in een
volkomen krans of, bij eenige Chrysóbalaneae, éénzijdig
of onregelmatig ingeplant; helmdraden priem- of draad-
vormig, in den knop neergebogen, vrij of bij eenige
Chrysóbalaneae vergroeid; helmknoppen klein, 2-lobbig,
zelden langwerpig, 2-hokkig, aan de voorzijde in de
lengte openspringend. Vruchtbladen of stampers 1 of meer,
1 — oo-rijig, vrij of onder elkander en met de kelkbuis
min of meer vergroeid, óf alle l-hokkig, of, zeer zelden,
schijnbaar 2-hokkig, in het midden of ter zijde daarvan
op de basis of den rand van den kelk ingeplant, zittend
of gesteeld; stijlen evenveel als vruchtbladen, vrij of zel-
den vergroeid, aan de basis of zelden aan de buikvlakte
der stampers of vruchtbladen geplaatst, nooit volkomen
eindelingsch; stempel stip-, knop- of penseelvormig, bij
weinige soorten afloopend; eitjes meestal 2 in eiken
stamper, zelden in onbepaald aantal of paarswijze boven
elkander, hangend met buikstandige zaadnerf en naar
boven gericht poortje of klimmend met rugstandige zaad-
nerf en naar onder gericht poortje. Vrucht verschillend,
bovenstandig of min of meer onderstandig, naakt of door
de blijvende kelkbuis omgeven, in den vorm van eene
steen-, appel- of kokervrucht of uit dop- of steenvruchtjes
samengesteld, die in onbepaald aantal op den drogen of
vleezigen bloembodem zijn geplaatst, zelden besvormig
of in den vorm eener doosvrucht, die 3—oo-hokkigis en
hokverbrekend of schotverdeelend, 3—oo-kleppig, open-
springt. Zaden opgericht of hangend; zaadhuid vliezig of
-ocr page 481-
421
XDV. ROSACEAE.
lederachtig. soms tot een vleugel verlengd; kiem zonder,
zelden met kiemwit; zaadlobben meestal amandelachtig,
plat-bol, zelden bladachtig; kiemworteltje kort, dicht bij
den navel geplaatst.
Kruiden, heesters of boomen, opgericht of neerliggend,
zelden klimmend, soms met lange uitloopers. Bladeren
verschillend, enkelvoudig of samengesteld, afwisselend of
zelden tegenovergesteld, niet zelden met klierachtige
zaagtanden, dikwijls met verbreeden en aan den top 2
klieren dragenden bladsteel. Steunblaadjes 2, vrij of met
den bladsteel vergroeid, zelden ontbrekend of weinig
ontwikkeld. Bloeiwijze verschillend.
Aantal geslachten volgens Bentham en HoOKF.R 71, nipt 1000
soorten, in alle doelen dei\' wereld voorkomende, doch het meest in
de gematigde landstreken.
OVERZICHT DEK GESLACHTEN.
Trihus I. Chrysobalaneae. Bloemen dikwijls asymmetrisch.
Kelklohben meestal afvallend, zonder scliutblaadjes. Moelilraden nu eens
éénzijdig of onregelmatig, dan weder in een volkomen krans geplaatst.
Helinknoppen (bij de geslachten van Nedeilandsch Indië) klein en
rondachtig. Eén vruchtblad, met basilairen stijl en 2 klimmende eitjes.
Vrucht steenvrucht» of lederachtig, niet in de kelkbuis besloten. Kiem-
worteltje naar onderen gericht. Doornen of heesters met enkelvoudige,
gaafrandige bladeren.
-J- Eierstok aan de basis van de kelkbuis ingeplant, l-hokkig.
1.   GraNoeria. Kelkbuis kort tolvormig. Meeldraden 15. even
groot als de bloembladen, in een volkomen krans geplaatst.
•J-J- Eierstok zijdelings aan den top van de kelkhuis ingeplant,
1- of \'l-hokkig.
% Meeldraden 10—».
2.   Parinarium. Kelkbuis meestal lang en hol. Meeldraden één-
zijdig of in een volkomen krans. Eierstok meestal 2-hokkig, met
1 eitje in elk hokje, zelden l-hokkig en dan door een onvolkomen
tusschenschot gedeeld.
3.   Anoelesia. Kelkbuis door den stamperdrager opgevuld.
Meeldraden in een volkomen krans. Eierstok l-hokkig. met 2 eitjes.
Kelkslippen lederachtig, aan beide kanten viltachtig bebaard.
Vruchtwand van binnen met lange, ruige haren dicht bezet.
4.   OlEMENIA. Kelkbuis door den stamperdragor opgevuld. Meel-
draden in een volkomen krans. Eierstok l-hokkig, met 2 eitjes.
Kelkslippen vliezig en van buiten, evenals de vruchtwand van
binnen, onbehaard.
-ocr page 482-
422
XLV. ROSACEAE.
§§ Meeldraden 2.
ö.Parastemon. Kelkbuis klokvormig, zonder stamperdrager.Meel-
draden éénzijdig. Eierstok 1-hokkig.
Tribus II, Frnneae, Bloemen regelmatig. Kelk meestal spoedig
afvallend, zonder scliutblaadjes aan de lobben. Meeldraden oo , in een
volkomen krans. Stamper uit één vruelitblad gevormd, met 2 hangende
eitjes en een nagenoeg eimlelingschen stijl. Steenvrucht niet in de
kelkbuis besloten. Kiemworteltje naar boven gericht.
6.   PBDNUS. Kelk 5-lobbig. Bloembladen 5, meestal grooter dan
de kelk. (Meestal gekweekt.)
7.   PvGEUM. Kelk 5—10-tandig. Bloembladen 5. 10 of 12, klein
of rudimentair, soms ontbrekend. (Inheemsch.)
Tribus III. Spiraeeae. Kelklobben meestal blijvend, zonder schut-
blaadjes. Meeldraden 10-—oc . Stampers 1—8, elk met 2—oo , hangende
eitjes. Koker- of dopvruchten, niet in de kelkbuis besloten. Heesters,
zelden kruiden.
8.   Spiraea. Stampers meestal 5, met oo eitjes. Kokervruchten
met oo . lijnvormige, door eene vleezige zaadhuid omgeven, zaden,
met weinig of zonder kiemwit. (Alleen gekweekt.)
9.   NEILLIA. Stampers 1—5, met oo eitjes. Kokervruchten met
talrijke of weinige, gezwollen, door eene korstachtige zaadhuid
omgeven zaden, met een overvloedig kiemwit. (Inheemsch.)
10.   Kerria. Stampers 5—8, met 1 eitje. Dopvruchtjes. (Alleen
gekweekt.)
Tribus IV. Bnbcae. Kelklobben blijvend, zonder schutblaadjes.
Meeldraden oc . Stampers oc ; eitjes 2, naast elkander hangend. Steen-
vruchten oc , niet in de kelkbuis besloten. Meestal gestekelde heesters
of halfheesters, met dikwijls samengestelde bladeren.
11.   RUBUS. Kenmerken als van de Tribus. (Inheemsch.)
Tribus V. Potentilleae. Kelklobben dikwijls met schutblaadjes.
Meeldraden oc , zelden in gering aantal. Stampers 1—oc ; stijl aan de
basis, zijdelings of bijna aan den top ingeplant, na den bloei dikwijls
verlengd: 1 klimmend eitje. Dopvruchtjes oo , niet in de kelkbuis be-
sloten of zelden er half in weggedoken of ingesloten. Kruiden of hees-
ters met verschillende vormen van bladeren.
12.   Kracaiua. Kelk met 5 schutblaadjes. Stampers op een
vleezigen bloembodem ingeplant. Stijlen buikstandig. Bladeren
3-tallig. (Inheemsch en gekweekt.)
Tribus VI. Poterieae. Kelkbuis urnvormig, met bijna gesloten
monding; lobben dikwijls met schutblaadjes. Bloembladen meestal
ontbrekend. Stampers 1—3, vrij, of onder elkander en met de kelk-
buis samenhangende; stijl eindelingsch, met verbreeden stempel; 1
klimmend of hangend eitje. Droge dopvruchtjes, binnen de kelkbuis
besloten. Kruiden of heesters met enkelvoudige of gevinde bladeren.
13.   Alchesiii.la. Bloembladen ontbrekend. Stijl buikstandig of
basilair. Meeldraden 1—4. Bladeren niervormig, gelobd. (Inheemsch)
-ocr page 483-
423
XLV. ROSACEAK.
14. Agrimonia. Bloembladen 5. Stijl eindelingsch. Meeldraden
40—"12. Bladeren gevind.
Tribus VII. Rospao. Kelkbuia urnvonnig, aan den mond bijna
gesloten. Kelklobben zonder sehutblaadjes. Bloembladen meestal 5.
Meeldraden talrijk. Stampers oo , vrij, elk met 1 eitje; stijlen nage-
noeg eindelingseb of buikstandig, met verbreede stempels. Droge dop-
vruchtjes in de vleezige, urnvormige kelkbuis besloten. Opgerichte of
klimmende heesters, met onevengevinde bladeren.
45. Rosa. Kenmerken als van de Tribus. (Gekweekt.)
Tribus VIII. 1\'omt\'ar. Kelkbuis met den eierstok vergroeid. Meel-
draden oo . Eierstok 5-, zelden 1—4-hokkig; eitjes 2 (zelden 1 of oc ),
klimmend; evenveel stijlen als hokjes van den eierstok. Vrucht appel-
vormig of steenvruchtachtig met eene 2—5 hokkige kern of 1—5
vrije kernen. Boomcn of heesters, meestal met enkelvoudige bladeren.
16.   Pirls. Kelkzoom afvallend of blijvend. Eierstok 2—5-hok-
kig. Vrucht vleezig, 2—5-hokkig, met vrije of in den binnenhoek
vergroeide, meestal kraakbeenachtige kernen. Bladeren afvallend.
(Alleen gekweekt.)
17.   Photinia. Kelk/oom blijvend. Eierstok 1—5-hokkig. Vrucht
1—5-hokkig, sappig, met eene dunne, door dunne tusschen-
schotten verdeelde, kern. Bladeren altijd groen. (Inheemsch en
gekweekt.)
18.   Raphiolepis. Kelkzoom dwars afscheurend, afvallend. Eier-
stok 2-hokkig. Bes met 1—2 zaden. Bladeren altijd groen.
(Alleen gekweekt.)
1. GRANGERIA Comm.
Kelkbuis kort tolvormig, bultig, met 5 dakpanswijze
dekkende, stompe lobben. Bloembladen 5, in de keel van
den kelk ingeplant, een weinig langer dan de lobben
van dezen. Meeldraden omstreeks 15, in de keel van den
kelk ingeplant, 1-rijig in een volkomen krans geplaatst,
met vrije, onbehaarde, nagenoeg gelijke meeldraden, die
ongeveer even lang zijn als de bloembladen en alle korte,
2-lobbige helmknoppen dragen. Eierstok éénzijdig op den
bodem van den kelk ingeplant, wollig behaard en l-hok-
kig; stijl basilair, zeer kort en onbehaard. Steenvrucht
omgekeerd eivormig, 3-hoekig, min of meer droog, met
eene 3-hoekige, 1-zadige, van binnen wollig behaarde
kern. Zaad opgericht, eivormig; zaadhuid vliezig; zaad-
lobben amandelachtig.
Kleine boomen met ruwharige twijgen. Bladeren afwis-
selend, klein, lederachtig, glanzend, onbehaard en gaaf-
randig. Steunblaadjes klein, spoedig afvallend. Bloemen
-ocr page 484-
424
XT/V. ROSACEAE.
klein, in okselstahdige en eindelingsche trossen, en met
schutblaadjes aan dé bloemstelen.
Eéne soort, Gr. Borbonica Lnm., welke op Bourbon tehuis behoort,
doch ook op Timor is aangetroffen.
2. PARINAR1UM Jus*.
Kelkbuis kort of lang, regelmatig of met ongelijke zij-
vlakken en met 5, nagenoeg gelijke, dakpanswijze dek-
kende slippen. Bloembladen 5,. zelden 4, op den kelk-
rand ingeplant, zittend of genageld, afvallend. Meeldraden
10—oo, op den kelkrand ingeplant, aan de basis tot een
korten ring vergroeid of tot een éénzijdigen bundel hoog
verbonden, nagenoeg tweemaal langer dan de kelklobben,
of alle volkomen, óf eenige van de eene zijde zonder
helmknoppen; helmdraden priem-draadvormig, helmknop-
pen kort. Eierstok zijdelings met den kelkrand vergroeid,
er boven uitstekend, 2-hokkig, soms met een onvolkomen
tusschenschot; stijl basilair, draadvormig, dikwijls ruw-
harig en met afgeknotten stempel; in elk hokje één op-
gericht eitje. Steenvrucht ei- of kogelvonnig, met een
vezeligen of sappigen vruchtwand en beenharde, soms
gerimpelde, 1—2-hokkige, van binnen dikwijls met lange
haren bekleede, 1—2-zadige kern. Zaden opgericht; zaad-
huid vliezig, soms behaard; zaadlobben vleezig; kiemwor-
teltje zeer kort.
Boomen, dikwijls zeer hoog. Bladeren afwisselend,
blijvend, meestal dik lederachtig, zonder of met 2 klieren
aan de basis, gaafrandig. Steunblaadjes priem- of lancet-
vormig. Bloemen wit of rosé, met 2 schutblaadjes, in
tot tuilen vereenigde trossen, of in pluimen. Vrucht soms
eetbaar.
Volgens Bentham en Hookf.r omstreeks 33 soorten, in tropisch
Azië, Afrika, Australië en Amerika, zelden buiten de keerkringen.
Volgens Hook. Fl. of Br. Intl. 11, p. 309, zou het aantal wel uit
40 bestaan. In Nederlandseh lndië komen 11 soorten voor. Deze
zijn gedeeltelijk door oudere schrijvers ook beschreven onder de
namen Maranthes BI., Exitelia BI. en Leptocarpa Korth. Voorden
laatsten naam werd bij vergissing door enkelen Leptocarya ge-
schreven.
3. ANGELEST.A Korth.
Kelkbuis cilindervormig, hoekig, door den stamperdra-
ger geheel opgevuld, met napvormigen zoom en 5—6
-ocr page 485-
xlv. rosaceae.                             425
lederachtige, driehoekige, aan weerszijden viltachtig be-
haarde, blijvende lobben. Bloembladen 5—6, onder aan
den kelkzoom ingeplant en eenigszins korter dan de kelk-
• lobben, eivormig, spits, vliezig, van buiten zachtharig.
Meeldraden ten getale van 10, in een volkomen krans,
evenals de bloembladen ingeplant en tegenover deze en
de kelkbladen geplaatst, die welke tegenover de kelkbla-
den staan het langst en een weinig boven deze uitstekend;
helmdraden draadvormig; helmknoppen min of meer ko-
gelvormig, 2-hokkig, met hokjes, welke aan de voorzijde
door eene vore gescheiden zijn en in de lengte open-
springen. Eierstok zijdelings op den bodem van den
kelkzoom ingeplant behalve de vrije stamperdrager, die
op den bodem van de kelkbuis staat, kogelvormig en
behaard, met 2 eitjes aan de basis; stijl eerst zijde-
lingsch, dan basilair, aan de basis een weinig behaard;
stempel knopvormig. Steenvrucht (in rijpen toestand nog
niet bekend) omgekeerd eivormig, aan de basis een wei-
nig versmald en driezijdig, onbehaard, met leder- of kraak-
beenachtige, dunne kern, die van binnen met lange, ruige
haren dicht bezet is en 2 of 1 zaden bevat.
Boomen of heesters met kort gesteelde, breed ei- of
lancetvormige, vinnervige bladeren. Bloemen geleed op
korte stelen, met 2 schutblaadjes aan de basis, in enkel-
voudige of van onderen een weinig vertakte trossen, met
grijsharige schutbladen, welke of in de bladoksels staan,
of aan de toppen der takken tot tuilen vereenigd zijn.
Eéne soort, Ann. sptenden» Korth., in Zuid Borneo op den berg
i\'amatton door Korthals ontdekt en in Kruidk, Arch. Serie I,
Vol. III, p. 484 door dezen beschreven. Later werd zij door Miquki.
in zijne Flora met liet volgende geslacht onder den naam van
Trichocarya Mi</. vereenigd. (7\'/\'. splendens Miq.) Deze naam werd
door BENTHAM en Hookkr in de Genera Plantarttm overgenomen.
In de Annales werden echter door Miqiki. zelven de soorten weder
tot de geslachten van Korthals teruggebracht.
4. DIEMENIA. Korth.
Kelkbuis gekromd, op den bloemsteel gelijkend, naar
boven verdikt, door den stamperdrager geheel opgevuld.
Bloembladen onbekend. Meeldraden 10, perigynisch; helm-
draden dun, ongeveer even lang als de kelkbladen ; helm-
knoppen rondachtig, 2-hokkig. Eierstok onbekend; stijl
27
-ocr page 486-
426
XLV. ROSACEAE.
aan de vrucht blijvend, onbehaard; stempel knopvormig,
min of meer 2-lobbig. Steenvrucht, volgens Korthals,
eivormig met afgeronden top, van buiten onbehaard, ge-
stippeld, lederachtig, 1-hokkig, van binnen onbehaard en
2-zadig. Zaden, in onrijpen toestand, ellipsoidisch-lang-
werpig, aan de spitse basis met een kleinen navel, licht
samengedrukt, 1 \\ cM. lang; zaadhuid leder- of\' een wei-
nig kraakbeenachtig, lichtbruin, fijngestippeld, met eene
zijdelingache vore, die niet tot de beide uiteinden doorloopt.
Boomen of heesters, met afwisselende kort gesteelde,
langwerpige of omgekeerd eivonnige-elliptische, onbehaarde
bladeren met duidelijke hoofd* en onduidelijke zijnerven.
Bloemen in okselstandige aren.
De oeiiige soort, D. racemosa Korlh.. dooi\' den auteur in Kruiilk.
Arcli..
Serie 1, Vol. III, p. H88 beschreven, werd eerst in Miquel\'s
Flora tot diens geslacht Trichocarya gebracht, en komt onder
dien naam ook voor in Benthah en Hookkr\'s Genem, doch werd
later in de Annate» door MiQUEL weder tot den oorspronkelijke!!
naam teruggebracht.
5. PARASTEMON A. I) C.
Bloemen gemengdslaehtig-tweehuizig, klein. Kelkbuis
kort, klokvormig, met 5 stompe, in den knop dakpans-
wijze dekkende lobben. Bloembladen 5 (zelden 6), op den
kelkrand ingeplant, langwerpig, een weinig langer dan de
kelklobben, afvallend, in den knop dakpanswijze dekkend.
Volkomen meeldraden 2, aan ééne zijde der bloem ge-
plaatst, ingeplant op een ring boven in de keel van den
kelk; helmdraden tweemaal langer dan de bloembladen,
in den knop spiraalswijze ineengerold; helmknoppen kort.
Eierstok klein, behaard, aan ééne zijde tegen de keel
van den kelk vastgehecht, 1-hokkig; stijl aan de basis
van den eierstok ingeplant, aldaar wollig behaard; eitjes
2, opgericht. Vrucht langwerpig, lederachtig, glad, 1-
hokkig, 1-zadig. Zaad opgericht, smal langwerpig; zaad-
huid vliezig, zachtharig, met eene dunne binnenlang;
zaadlobben amandelachtig; pluimpje behaard; kiemwor-
telfje naar onderen gericht.
Heester of kleine boom, met enkelvoudige, altijdgroene,
gaafrandige bladeren. Bloemen klein, kort gesteeld, in
okselstandige trossen, met holle schutbladen aan de basis
der bloemstelen.
-ocr page 487-
XLV. ROSACEAE.                                     427
Eéne soort, P. urophyllum A. DC, op Singapore. Malakka en
in andere deelen van Rritsch Indië aangetroll\'en, docli ook op lior-
neo voorkomende.
6. PRUNUS L.
Kelk afvallend, met omgekeerd kegelvormige, urn- of
buisvorrnige buis en 5, in den knop dakpanswijze dek-
kende lobben. Bloembladen 5, op den kelkrand ingeplant.
Meeldraden 15—20, evenals de bloembladen ingeplant,
met draadvormige, vrije helmdraden. Meestal 1 stamper,
zelden 2 of meer; stijl eindelingsch, met schildvormigen
of afgeknotten stempel; eitjes 2, naast elkander. Vleezige
steenvrucht, met beenharde, gladde of gerimpelde pit, niet
of met 2 kleppen openspringend, 1-, zelden 2-zadig.
Zaden hangend, met vliezige zaadhuid; kiemwit dun of
ontbrekend; kiemworteltje naar boven gericht.
Boomen of heesters, met afwisselende, enkelvoudige,
meestal fijn gezaagde bladeren, die in den knop samen-
gevouwen of ineengerold zijn. Bloemen wit of rosé, alleen-
staand of in tuilvormige bundels of in trossen. Vrucht
dikwijls eetbaar.
Aantal soorten omstreeks 80, waarvan de meeste in de gema-
tigde streken van het Noordelijk Halfrond tehuis behooren en ook
in tropisch Amerika vrij talrijk zijn. In tropisch Azië zijn zij zeld-
zaam en komen zij alleen in de bergstreken voor. In Nederlandsen
Indië zijn een 12-tal soorten, deels gekweekt, deels in het wild
aangetroll\'en. Het is echter ook van de laatste niet geheel zeker of
zij wel als inlandsen beschouwd kunnen worden. Onder de ge-
kweekte soorten heeft men o. a. behalve de Pruim, (Pr. domeatica
L.), de Kers, (Pr. Cerasua £,.), en de Abrikoos, (Pr. Armenincn L.),
ook de Perzik en de Amandel, door MlQUKL als soorten van Amyg-
dalus L. opgenoemd. (A. Persico. L. en A. communis L.)
7. PYGEUM Gaertn.
Bloemen soms gemengdslachtig-tweehuizig. Kelk af-
vallend, met omgekeerd kogelvormige of bekervormige
buis, waarvan de ringvormige basis blijvend is en met 5,
10 of\' 12 kleine tanden. Bloembladen 5, 10, 12 of ont-
brekend, op den kelkrand ingeplant, klein, vaak misvormd
en met de kelklobben ineengesmolten. Meeldraden 12—20,
evenals de bloembladen ingeplant, met draadvormige helm-
draden en 2-lobbige helmknoppen. Eierstok zittend, met
eindelingschen stijl en kleinen knopvormigen stempel;
-ocr page 488-
428                                     XLV. R08ACEAE.
eitjes 2, hangend, naast elkander. Vrucht droog, Ieder-
of steenvruchtachtig, dikwijls dwars langwerpig, 1-zadig.
Zaad dwars langwerpig, met zeer dikke zaadlobben en
naar boven gericht kiemworteltje.
Booraen of heesters, onbehaard of met vilt bekleed.
Bladeren afwisselend, gesteeld, blijvend, gaafrandig, dik-
wijls aan weerskanten van de basis der bladschijf met 2
Miertjes. Steunblaadjes klein, afvallend. Bloemen klein,
in okselstandige of zijdelingsche, alleenstaande of tot
bundels vereenigde trossen.
Omstreeks 18 soorten, grootendeels in tropisch Azië en ééne
soort in tropisch Afrika. Volgens Miquet. zijn er 5 in Nederlanilsch
Indië, n.1. P. parviflorum Tei/sm. et liinn., P. Sumatranum Miq.,
P. latifolium Miq., P. Lanipongum Miq.
en jP. CeUbmtm Miq.
De eerste werd door BLUME eerst onder den naam van Polvdontia,
(P. arborea BI.), later onder den naam van Polystorthia beschreven.
De tweede was door MlQUEL eerst als een afzonderlijk geslacht Digaster
Miq. (D. Sumatranum Miq.), beschreven en in de nabijheid der
Diclwpetaluceae geplaatst, later is zij door hem zelven tot Pygeum
gebracht, \'onder den naam van P. Sumatranum Miq. Behalve de
genoemde soorten komen misschien nog een 5-tal soorten van
Malakka en Singapore ook in Nedeilandsch Indië voor.
8. SPIRAEA L.
Bloemen tweeslachtig of gemengdslachtig-tweehuizig.
Kelkbuis blijvend, urn-, klok- of nap vorm ig; lobben 4—5,
in den knop dakpanswijze dekkend of klepswijze aaneen-
sluitend. Bloembladen 4—5, op de monding van den kelk
ingeplant, afgerond, kort genageld. Meeldraden 20—60,
in 1, 2 of co rijen of in bundels, op de monding van
den kelk ingeplant; helmdraden draadvormig, vrij of aan
de basis vergroeid; helmknoppen 2-lobbig. Schijf vleezig,
onbehaard of viltachtig behaard, met de kelkbuis ver-
groeid en met vrijen of onduidelijken rand, die soms uit
klieren bestaat of gekarteld is. Stampers 5, zelden 1—4
of meer, op den bodem van den kelk ingeplant, zittend
of kort gesteeld, vrij of aan de basis vergroeid; stijlen
geheel en al of bijna eindelingsch, recht of knievormig
gebogen, met knop- of schijfvormigen stempel; eitjes 2—co ,
in 2 rijen aan den buiknaad vastgehecht, hangend, zelden
klimmend. Zaden hangend, meestal lijnvormig, zonder
kiemwit; zaadhuid vliezig; kiemworteltje naar boven
gericht.
-ocr page 489-
XLV. ROSACEAE.                                     429
Kruiden, half heesters of heesters, met afwisselende,
enkelvoudige, gevinde of drietallige bladeren. Steunblaadjes
vrij of met den aan de basis scheedevormigen bladsteel
vergroeid, zelden weinig ontwikkeld. Bloemen wit of rosé,
okselstandig of eindelingsch, in trossen, bijschermen, plui-
men óf tuilen, of, tot bundels vereenigd. langs de dunne
takken van eene sterk vertakte pluim.
Aantal soorten omstreeks 50, wijd verspreid in de gematigde
en koudere streken van liet Noordelijk Halfrond en zeldzaam in de
bergstieken der tropische gewesten. In Nederlandscli Indië worden
verscheidene Japansche soorten gekweekt.
9. NBILLIA Don.
Bloemen tweeslachtig. Kelkbuis blijvend, klok- of
breed tolvormig; lobben 5, in den knop klepswijze aaneen-
sluitend of dakpanswijze dekkend. Bloembladen 5, op de
monding van den kelk ingeplant, cirkelvormig, kort ge-
nageld. Meeldraden 10—oo, even als de bloembladen in-
geplant, in 1—3 rijen; helmdraden vrij; helmknoppen
2-lobbig. Schijf de kelkbuis bekleedend, met ouduidelijken
rand. Stampers 1—5, zittend of kort gesteeld, vrij of
aan de basis langs de binnenzijde vergroeid; stijlen na-
genoeg eindelingsch, recht, met knopvormigen stempel;
eitjes oo in 2 rijen of eenige weinige, deels klimmend,
deels hangend. Rijpe stampers lederachtig of vliezig,
alleen aan den buiknaad of aan rug- en buiknaad open-
springende. Zaden talrijk of weinig, hangend, omge-
keerd eivormig of nagenoeg kogelvormig met eene dikke,
korstachtige, gladde en glanzende zaadhuid en eene ver-
heven zaadnerf; kiem wit overvloedig; zaadlobben plat-
bol; kiemworteltje naar boven of naar onderen gericht.
Vertakte heesters, met enkelvoudige, op verschillende
wijzen gelobde of getande bladeren. Steunblaadjes groot,
afvallend. Bloemen groot, wit, in trossen of pluimen.
Aantal soorten 4—5, volgens Bentham en Hooker, op de bergen
van Noordelijk Engelsch Indië, van Java, van Mantsehurië en Noord
Amerika voorkomende. In Hooker\'s Fl. of Bi: hid. wordt het
geslacht echter niet genoemd. Miquei. noemt in zijne Flora 2
soorten voor Nederlandsen Indië, N. thyrsifera Don en AT. rubiflora
Don,
beide op Java waargenomen. De eerste vormde Blume\'s ge-
slacht Adenilema, (.1. fallax BI.).
-ocr page 490-
430                                     XLV. KOSACEAE.
10. KERRIA DC.
Kelkbuis blijvend, kort, half bolvormig; lobben groot,
uitgespreid, fijngezaagd, in den knop dakpanswij ze dek-
kend. Bloembladen 5, groot, langwerpig, afgerond of kort
genngeld. Meeldraden oo , in oo rijen, met draadvormige,
vrije, bochtige hchndraden. Schijf de kelkbuis bekleedend,
behaard. Stampers 5—8, in de kelkbuis besloten, vrij,
langwerpig of kogelvormig, onbehaard; stijlen draadvor-
mig. opgericht, met afgeknotten, met stempelkliertjes be-
kleeden top; 1 eitje, in het midden van den naad zijdelings
vastgehecht. Dopvruchtjes klein, droog, kraakbeenachtig.
Zaden zonder kiemwit; kiemworteltje nnar boven gericht.
Heester met dunne, stijve takken, die zich uit een
beschubden knop ontwikkelen. Bladeren gesteeld, lang
toegespitst, grof en ongelijk gezaagd. Steunblaadjes lijn-
priemvormig. Bloemen groot, geel, gesteeld aan de toppen
der takken.
Aantal soorten 1 of 2, die in Japan en Noord China gekweekt
worden. Ook op Java worden zij in gekweekten toestand aange-
troiren, soms met dubbele bloemen.
11. RU BUS L.
Kelkbuis uitgespreid, kort, breed, zonder schutblaadjes;
lobben 5, blijvend. Bloembladen 5. Meeldraden oo, zelden
in bepaald aantal, op den kelkrand ingeplant; helmdraden
draadvormig; helmknoppen 2-lobbig. Schijf de kelkbuis
bekleedend. Stampers oo, zelden weinig, op een bollen
bloembodem ingeplant; stijlen bijna geheel en al einde-
lingsch, draadvormig, met enkelvoudige of knopvormige
stempels; in elk hokje 2 eitjes, waarvan het eene soms
zeer klein, naast elkander hangend. Steenvruchtachtige,
zelden droge, 1-zadige dopvruchtjes, meestal op een kegel-
vormigen, drogen of sponsachtigen bloembodem opeen-
gedrongen. Zaad hangend, met vleezige zaadhuid; zaad-
lobben plat-bol; kiemworteltje kort, naar boven gericht.
Kruipende kruiden of heesters, meestal met lange uit-
loopers, gestekeld, al of niet behaard. Bladeren verspreid,
afwisselend, enkelvoudig, gelobd, 3—5-tallig of oneven-
gevind. Steunblaadjes met den bladsteel vergroeid. Bloe-
men wit of rosé, in eindelingsche en okselstandige plui-
raen en tuilen, zelden alleenstaand. Vrucht dikwijls eetbaar.
-ocr page 491-
431
XLV. ROSACEAE.
Aantal soorten zeer groot, volgens sommigen Wel 500, in de
gematigde en warme streken van Europa, Azië, Afrika, Engelsen
Indië en China leer talrijk, ook in Noord Amerika en West Indië
in groot aantal voorkomende, in tropisch Zuid Afrika en Australië
zeldzamer. Ken \'20-tal soorten komt in Nederlandsih Indië voor,
waarvan eenige door Blume onder den geslachtsnaam Dalibarda
(I). latifolia lil. en D. pyrifoUa lil.) beschreven zijn.
12. PRAO-ARIA L.
Bloemen gemengdslaohtig-tweehuizig. Kelkbuis blijvend,
omgekeerd kegel- of tolvormig, met 5 schutblaadjes;
lobben ö, in den knop klepswijze aaneensluitend, uitge-
spreid. Bloembladen 5, breed omgekeerd eivormig, kort
genageld. Meeldraden cc, 1-rijig, blijvend, met draad-
priemvormige, onbehaarde helmdraden; helmknoppen 2-
lobbig. Schijf de kelkbuis bekleedend. Stampers oo , af-
zonderlijk op een bollen bloembodem ingeplant, onbehaard ;
stjjlen buikstandig, kort, blijvend, met een enkelvoudigen
stompen stempel; één eitje klimmend van af het midden
van het hokje. Dopvruchtjes co , klein, meestal zittend
in de holte van den vergrooten, vleezigen, langwerpigen
of kogelvormigen bloembodem, ten slotte meestal afval-
lend, droog en korstachtig. Zaad met een buikstandigen
navel en eene vliezige zaadhuid; zaadlobben plat-bol;
kiemworteltje naar boven gericht.
Kruiden met overblijvende basis, meestal met uitloopers,
gewoonlijk met lange, dikwijls zijdeaehtige haren bekleed,
zelden onbehaard. Bladeren afwisselend, 3-tallig, zelden
door de bijvoeging van eenige weinige zijdelingsche blaad-
jes gevind, of 1- of 5-tallig, met omgekeerd eivormige,
ingesneden-gezaagde blaadjes. Steunblaadjes met den dik-
wijls vleezigen bladsteel vergroeid en eene bladscheede
vormende. Bloemschachten opgericht, met weinige witte,
zelden gele, een bij scherm vormende, meestal knikkende
bloemen.
Volgens Bentham en Hookkk 3 of 4 soorten, maar uiterst talrijke
variëteiten in de gematigde en bergachtige streken van het geheele
Noordelijke Halfrond en op de bergen van Zuid Amerika en Bour-
bon voorkomende. Door hen wordt hiertoe ook gerekend Duchesnea
Sw., welke volgens hen alleen verschilt door de gele bloemen.
MiQUEi. wil het geslacht Duchesnea behouden, niet alleen op grond
van de gele bloembladen, maar ook omdat de bloembodem droog
wordt en de dopvruchtjes vleezig zijn. Hij voegt er bij dat, wan-
-ocr page 492-
432
XLV. KOSACEAE.
neer dit verschil niet als geslachtskenmerk geldt, nok Potentilla L.
met Fragaria vereenigd moet worden. Men zou dan echter ook, zooals
in De Candolle\'s I\'rnd. Si/xt. Nat. II, p. 574, Duchesnea tnet
Potentilla kunnen vereenigen. In Ncderlandsch Indië zijn er volgens
MlQUEL 3 soorten van Duchesnea: D. frar/arioides Smitli. (Fr.
Mcdayana Roxb.), D. chrysantha Miq. (Fr. chrynantha Zoll. et
Mor.)
en D. Sundaica Miq. (Fr. Sundaica BI.) Ook van Fragaria
in engeren zin, de Aardbeien (Fr. vesca L.)t komen er in, Neder-
landsch Indië eenige variëteiten op de toppen der bergen voor,
doch alleen gekweekt en verwilderd.
13. ALOHBMILLA L.
Kelk blijvend, met urnvormige buis en nauwe monding;
lobben 8—10, 2-rijig, de binnenste klepswijze aaneen-
sluitend, de buitenste zeer klein. Bloembladen ontbrekend.
Meeldraden 1—4, op de monding van den kelk inge-
plant, klein, met korte, vrije helmdraden. Schijf de kelk-
buis bekleedend, met dikken rand, de monding van den
kelk sluitend. Stampers 1—4, op den kelkbodem inge-
plant, min of meer gesteeld of zittend, vrij: stijlen aan
de basis of de buikzijde der stampers ingeplant, draad-
vormig, onbehaard, met knopvormigen stempel; één eitje,
klimmend van de basis van het hokje. Dopvruchtjes 1—4,
binnen de kelkbuis besloten, vliezig. Zaad nabij de basis
van het hokje vastgehecht, klimmend, met vliezige zaad-
huid; zaadlobben lijnvormig-omgekeerd eirond; kiemwor-
teltje kort, naar boven gericht.
Overblijvende, zelden éénjarige, neerliggende of opge-
richte kruiden, wier takken soms dakpanswijze opeen-
gedrongen bladeren dragen, welke met eene stijve, zijde-
of viltachtige beharing zijn bekleed en zelden onbehaard
zijn. Bladeren afwisselend, cirkelvormig, gelobd, hand-
deelig of handvormig samengesteld, bij eenige weinige
soorten kort, stengelomvattend en veelspletig. Steunblaad-
jes met den eene scheede vormenden bladsteel vergroeid.
Bloemen klein, zittend of gesteeld, meestal in dichte
tuilen, zelden in losse bijschermen of alleenstaand, zonder
schutbladen.
Aantal soorten omstreeks 30, grootendeels in Zuid en Midden
Amerika van Chili tot Mexiko, eenige weinige in de gematigde en
koude streken van het Noordelijk Halfrond en in Madagascar, Zuid
Afrika en de bergstreken van Nederlandsch en Engelsch Indië. Op
de bergen van Midden en Oost Java werd ééne soort, A. villosa
Juny/t.,
gevonden.
-ocr page 493-
433
XLV. ROSACEAE.
14. AGRIMONIA Tourn.
Kelk blijvend, met tolvormige buis, van buiten onder
den zoom 5 haakvormige doorns of tanden dragende, met
nauwe monding; kelklobben 5, in den knop dakpanswijze
dekkend, ten slotte samenneigend. Bloembladen 5 , grooter
dan de kelklobben, cirkelvormig of langwerpig. Schijf de
kelkbuis bekleedend, met dikken , ringvormigen, klieren*
dragenden rand. Meeldraden 5—10 of meer, op den
kelkrand ingeplant, 1-rijig, met vrije, draadvormige helm-
draden. Stampers 2, in de kelkbuis besloten, zittend;
stijlen draadvormig, boven de kelkbuis uitstekend, met
verbreeden, 2-lobbigen stempel; één eitje, hangend onder
den top van het hokje. Dopvruchtjes 1—2, langwerpig,
lederachtig, binnen de verharde, gesloten, meestal doorn-
achtige en op het omwindsel van Lappa gelijkende kelk-
buis. Zaad hangend, met vliezige zaadhuid en een naar
boven gericht kiemworteltje.
Hooge kruiden met overblijvenden stengelvoet, stijf-
harig of viltachtig behaard, zelden kaal. Bladeren afwis-
selend, onevengevind, met veeljukkige, ingesneden-ge-
zaagde blaadjes. Steunblaadjes met de basis van den
bladsteel vergroeid. Bloemen vrij klein, geel, met schut-
blaadjes in het midden en schutbladen aan de basis
van den bloemsteel, meestal in eindelingsche, aarvormige
trossen. Vrucht hangend.
Aantal soorten 8, in de gematigde streken en op de bergen der
tropische gewesten van het Noordelijk Halfrond en in Zuid Amerika.
In Nederlandsen Indië komt A. Javanica Jungh. voor.
15. ROSA L.
Kelkbuis zonder schutblaadjes, kogel- of urnvormig of
opgeblazen, met vernauwden mond; lobben 5, zelden 4,
uitgespreid, bladachtig, dikwijls vindeelig, afvallend ol
blijvend, in den knop dakpanswijze dekkend. Bloembladen
5, zelden 4, uitgespreid. Schijf de kelkbuis bekleedend,
meestal zijdeachtig behaard, met ringvormigen, dikken,
verheven rand, welke de monding van den kelk bijna
sluit. Meeldraden talrijk, oc -rijig, op den schijfrand in-
geplant ; helmdraden draadvormig. Stampers oo, zelden
weinige, op den bodem van de kelkbuis zittend, vrij;
-ocr page 494-
434
XI.V. ROSACEAE.
stijlen bnikstandig, boven den kelkrand uitstekend, vrij
of van boven vergroeid, niet verdikte stempels; één eitje,
hangend onder den top van het hokje, Bopvruchtjes co,
binnen den op eene bos gelijkenden kelk besloten, kaal of
aan de zijde tegenover den stijl behaard, leder- been- of
kurkachtig. Zaad hangend; zaadhuid vliezig; zaadlobben
plat-bol; kiemworteltje naar boven gericht.
Rechtopstaande, neerliggende of hoogklimmende heesters,
meestal met stekels voorzien, onbehaard, zijde- of klier-
achtig behaard. Bladeren afwisselend, onevengevind zel-
den l-bladig gevind of, ingeval de steunblaadjes blad-
achtig en met elkander vergroeid zijn, zonder eigentlijke
blaadjes. Steunblaadjes met de scheedevormige basis van
den bladsteel vergroeid. Bloemen groot, in het oog val-
lend, wit, geel, rosé of rood, alleenstaand of in tuilen.
Vruchtdragende kelk dikwijls eetbaar.
Aantal soorten omstreeks 30, in de gematigde en bergachtige
streken van het Noordelijk Halfrond, in Amerika echter het zeld-
zaainst. Ofschoon in Nederlandsen Indië verscheidene soorten in tal
van variëteiten worden aangetroffen, wordt alleen R. Indien L. door
Miquel als inlandsen opgegeven. De gekweekte soorten zijn meestal
dubbel.
16. PIRUS L.
Kelkbuis urnvormig, zelden tolvormig, met de stam-
pers vergroeid en voorbij deze verlengd; lobben 5, neer-
geslagen, blijvend of met den top van de buis en de
meeldraden afvallend. Bloembladen 5, min of meer cir-
kelvormig, kort genageld. Schijf de kelkbuis bekleedend
of tot een gezwollen, epigynisch, breed schijfkussen ver-
dikt. Meeldraden oo , met vrije of aan de basis vergroeide
helmdraden. Eierstok onderstandig, 2—5-hokkig; stijlen
vrij of van onderen vergroeid; stempels afgeknot; eitjes
2 in elk hokje, zelden cc , klimmend. Vrucht vleezig, ei-,
kogel- of peervormig, met den kelk vergroeid en door
diens lobben gekroond of met een litteeken van den af-
gevallen kelkzoom, 2—5-hokkig; hokjes meestal van
elkander gescheiden, met een kraakbeen-, zelden korst-
of beenachtigen, dikwijls tweekleppigen, aan het vrucht-
vleesch vastgeheebten binnenwand. Zaden meestal 2, naast
elkander, zeldzamer 1, zeer zelden oo , opgericht, meestal
-ocr page 495-
435
XLY. ROSACEAE.
met kraakbeenachtige zaadhuid; zaadlobben plat-bol; kiem-
worteltje naar onderen gericht.
Boomen en heesters. Bladeren afwisselend, afvallend,
gesteeld, enkelvoudig of gevind, meestal gezaagd. Steun-
blaadjes afvallend. Bloemen in eindelingsche bijschermen,
zelden in tuilen of 1 —2 bijeenstaand; schutbladen priem-
vormig, afvallend.
Aantal soorten omstreeks 40, in de gematigde streken van liet
Noordelijk Halfrond en op ile bergen van Kngelsch Indië. Vóór
LlNNAEUS werden de Appel* en Peeren tot verschillende geslachten
gebracht. In den lateien tijd waren zij lang vereenigd in één ge-
slaclit, Pi rus of Pyrus /-. Bentham en Hoor ER brachten hiertoe nog
verscheidene andere geslachten. zooaU SorbtlS /... Mespilus /... enz.
Door WENZIG in Julirh. Bot. (lort. II, Berlin IK83. worden thans
al die geslachten weder hersteld. O. a. onderscheidt hij PirUS Tonen.
(P. communis
ƒ,., de Peer) en Malus Tourn. (.1/. communis Lam.
= P. Mulns
ƒ,., de A)ijie(). waarbij hij als voornaamste ondersehei-
dingskeninerk het vrnchtvleesch beschouwt, dat bij het eerste ge-
slacht met, en bij het tweede zonder steencellen is. FOCKK in
Engler\'s Natürliche Pflanzenfamilien beschouwt deze twee weder
als één geslacht. In Nederlandsen Indië komen van beide eenige
variëteiten gekweekt, voor. De vruchten zijn echter meestal klein
en onsmakelijk. Volgens Kocir. in Ann. Mus. Hot. Luffd. Hal. I,
p. 248, vindt men daar ook, doch waai schijnlijk evenzeer ingevoerd,
P. speelabilis Ail. = Af. sjjectabilis Desf.
PHOTINIA Lindl.
Kelkbuis tol- of klokvormig, met den eierstok vergroeid
of van boven vrij; lobben 5, eivormig, stomp, blijvend.
Bloembladen 5, ineengedraaid of dakpanswijze dekkend
in den knop, cirkelvormig of omgekeerd eirond, met
onbehaarde of wollig behaarde nagels, uitgespreid. Meel-
draden omstreeks 20, op den kelkrand ingeplant, met
priemvormige helmdraden. Eierstok onderstandig of met
vrijen, kegelvormigen, zachtharigen of wollig behaarden
top, 2- (zelden 3-)hokkig; stijlen 2 (zelden 3), vrij of
min of meer aan de basis vergroeid, met verbreede, af-
geknotte, stempelkliertjes dragende toppen; in elk hokje
2 klimmende eitjes, naast elkander, nabij de basis van
het hokje ingeplant. Kleine ei- of kogelvormige steen-
vrucht, met hard vruchtvleesch, vliezige of papierachtige,
soms verdwijnende tusschenschotten en 1—2 zaden. Zaden
opgericht, omgekeerd eivormig, driekant of samengedrukt,
bijna even lang als de vrucht, met lederachtige zaadhuid;
zaadlobben plat-bol.
-ocr page 496-
436
Xl.V. ROSACEAE.
Onbehaarde of zachtharige heesters of boomen. Blade-
ren afwisselend, kort of lang gesteeld, lederachtig, altijd
groen, enkelvoudig, gaafrandig of gezaagd. Steunblaadjes
soms min of meer bladachtig. Bloemen klein, meestal
wit, in eindelingsche tuilen of pluimen. Vrucht soms
eetbaar.
Aantal soorten 7 of 8 volgens HOOKER in Flora of Brit. Ind. II,
p. 380, in Oostelijk en tropisch Azië. MiQUEL vermeldt 2 soorten
als inlandsen in Nederlandsen Indië, nl. Ph. integrifolia Lindl. en
l\'li. dasythyma Mig., terwijl Ph. Lindleyana Wight et Am. =
Ph. serrulata Lindl. er ingevoerd zon zijn. Volgens Koen in Ann.
Mus. Bol. Lugd. lint.
I, p. \'250 is het exemplaar, dat door Bi.ume
gedetermineerd werd als Ph. integrifolia Lindl. en door Miquei,
als zoodanig werd vermeld, Ph. Notoniana Wight et Arn. Bentham
en Hooker brengen in de Genera tot dit geslacht ook Eriobotrya
Lindl., waarvan ééne soort, E. Japonica Lindl., hier en daar op
.lava gekweekt voorkomt. Bij deze vindt men echter eene groote,
3—5-hokkige. vrucht, ontstaande uit een 5-hokkigen eierstok, die
5 vrije stijlen draagt. Door WENZIG wordt dit geslacht ook weder
hersteld.
"18. RAPHIOLEPIS Lindl.
Kelkbuis aan de basis met den eierstok vergroeid, om-
gekeerd kegel- of eivormig; van boven dwars afscheurende,
waarbij de 5 priemvormige tanden met de meeldraden
afvallen. Bloembladen 5, genageld, langwerpig, spits.
Meeldraden cc , op den kelkrand ingeplant, met draad-
vormige helmdraden. Eierstok onderstandig, 2-hokkig;
stijlen 2, lang, aan de basis vergroeid, aan den top
schuin verdikt, van binnen in de lengte stempelkliertjes
dragend; eitjes 2 in elk hokje, opgericht. Vruchtmoes
bevattende, 1—2-hokkige, meestal 1-zadige bes, met
een litteeken op den top. Zaden kogelvormig of ge-
zwollen; zaadhuid vliezig of lederachtig; zaadlobben dik,
plat-bol of half kogelvormig; kiemwortelje kort, tusschen
de zaadlobben ingetrokken.
Min of meer onbehaarde heesters of boomen. Bladeren
afwisselend, gesteeld, lederachtig, altijd groen, gaafrandig
of fijn gezaagd. Steunblaadjes priemvormig. Bloemen wit
of rood, in pluimen of tuilen, met afvallende, priemvor-
mige schutbladen.
Omstreeks 5 soorten, grootendeels in China en Japan en 1 in de
Sandwich Eilanden. Eéne soort, Bapli. Indica Lindl., wordt op Java
hier en daar geplant.
-ocr page 497-
XI-VI. SAXIFRAGACEAE.                              437
Fam. xlvi. SAXIFRAGACEAE.
Bentham et HOOKER Gen. Plant. I, p. C29. — Miquel Fl. Ind. Bat.
I, 1, p. 392, p. 717, p. 720 en p. 722 (Sa&ifrageae, Cnnoniaceae, Hy-
drangeaceae
en Escallonieae.) — Sumatra p. 335. (Hydrangeaceae
en Polyosmeae.) Clarke in Hooker Fl. of Bi: Ind. il, p. 388.
Bloemen twee-, zelden éénslachtig of gemengdslachtig-
tweehuizig. Kelk 5-, zelden 4—12-tallig, vrij of met
den eierstok vergroeid, met in den knop klepswijze aan-
eensluitende of in den knop dakpanswijze dekkende lob-
ben. Bloembladen meestal 4 of\' 5, zelden ontbrekend,
perigynisch, zelden epigynisch, zeer zelden hypogynisch,
dikwijls klein, in den knop klepswijze aaneensluitend of
dakpanswijze dekkend. Meeldraden in hetzelfde aantal als
de bloembladen of in het dubbele aantal, zelden oc , peri-
gynisch, soms hypogynisch, opgericht of uitgespreid;
helmdraden vrij, onbehaard of zelden zachtharig, bij
weinige soorten verbreed en aan den top 2-lobbig; helm-
knoppen meestal 2-lobbig, met de rugzij de van den helm-
draad vergroeid, met zijdelings en naar binnen, zelden
naar buiten openspringende helmhokjes, niet zelden met
een klierachtig of verlengd of verbreed helmbindsel. Schijf
meestal aanwezig tusschen de meeldraden en den eier-
stok, gezwollen of napvormig, gelobd of gedeeld, soms
uitloopende in staminodiën of klieren, die met de meel-
draden afwisselen. Eierstok vrij of met de kelkbuis min
of meer vergroeid, meestal uit 2, doch ook niet zelden
uit 3—5, (zeer zelden uit 6—12) vruchtbladen gevormd,
zelden 1-hokkig of door 4—6 geheel vrije stampers ver-
vangen ; zaadhjsten ingeplant op de naar binnen gevou-
wen randen van de vruchtbladen, zelden wandstandig of
in de hokjes naar binnen uitstekend; stijlen zooveel als
hokjes van den eierstok, vrij of min of meer vergroeid
of tot ééne zuil samenvloeiend; stempels meestal knop-
vormig of enkelvoudig, zelden langs den stijl afloopend
of schildvormig, zeer zelden gelobd; eitjes meestal langs
de as der hokjes of naast de randen der vruchtbladen in
2 rijen vastgehecht, niet zelden eenige weinige, zeer
zelden slechts 1 , klimmend van de basis van het hokje
of hangend van den top, anatroop, met buikstandige,
zijdelingsche of rugstandige zaadnerf. Vrucht eene doos-
-ocr page 498-
438                              XLIV. SAXIFRAGACEAE.
vrucht of bes, zelden eene kokervrucht of zeer zelden
eene noot. Zaden verschillend, meestal klein, talrijk,
recht of zelden gekromd; zaadhuid lederachtig of meestal
vliezig, onbehaard of behaard, glad, netvormig gestippeld
of gerimpeld, niet zelden gevleugeld; kiemwit meestal
overvloedig en vliezig, bij eenige geslachten klein, zeer
zelden ontbrekend; kiem meestal klein, rolrond; zaad-
lobben plat-bol; kiem worteltje rolrond, niet veel breeder
dan de zaadlobben, zelden groot en dan veel grooter dan
de platte, min of meer bladachtige zaadlobben.
Boomen, heesters of kruiden van verschillend uiterlijk.
Aantal soorten volgens Bkntham en Hookkr 540, verdeeld in 73
geslachten, voornamelijk in de gematigde en koude streken van de
geheele wereld voorkomende en zeldzaam tussehen de keerkringen.
I)eze familie, samengesteld uit de vereeniging van verscheidene
families van oudere schrijvers, bevat volgens de meening van vele
botanisten een aantal heterogene bestanddeelen. zoodat het tiiet
onwaarschijnlijk is dat zij bij eene revisie weder in verschillende
deelen gesplitst zal worden.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Tribus I. Saxifrajjoae Kruiden, meestal met bloemschacht.
Bladeren meestal afwisselend, zonder steunblaadjes. Bloemen meestal
5-tallig. Eierstok \\—3-hokkig.
1.   ASTILBE. Bloembladen 5 of ontbrekend. Meeldraden 8 oflO.
Vruchtbladen bijna vrij , bij rijpheid in eene 3-lobbige doosvrucht
of 3 kokervruchten overgaande. Hooge kruiden met 3-tallige bla-
deren en tot pluimen vereenigde bloemen.
Tribus II. Hydrangeae. Heesters en boomen. Bladeren afvvis-
selend of tegenovergesteld, zonder steunblaadjes, enkelvoudig. Bloem-
bladen meestal klepswijze aaneensluitend in den knop. Meeldraden
meestal epigyniseh en, bij de geslachten van Nederlandsch Indië, in
het dubbele aantal van de bloembladen. Eierstok bij de meeste ge-
slachten 3- of 5-hokkig en, bij de geslachten van Nederlandsch Indië,
onderstandig of half onderstandig.
2.   HVDUANOEA. Stijlen 4 of 5, vrij of aan de basis vergroeid,
met eindelingsche of aan de binnenzijde der stijlen geplaatste
stempels. Onderstandige, 2—4-hokkige, kleine doosvrucht. Bla-
deren tegenovergesteld, blijvend of afvallend Buitenste bloemen
vaak onvruchtbaar en grooter dan de binnenste, die klein zijn.
3.   Dichroa. Stijlen 3—5, uiteengespreid, knodsvormig, met
steinpelkliei tjes aan de binnenzijde. Half onderstandige, 1-hokkige,
groote, blauwe bes. Bladeren afwisselend of tegenovergesteld,
blijvend. Alle blcfemen gelijk, groot, blauw of paarsch.
Tribus III. Escalloilienc. Boomen of heesters, met afwisse-
-ocr page 499-
XI/VI. SAXIFKAGACEAE.                               439
lende, enkelvoudige, dikwijls lederachtige, klierig gezaagde bladeren,
zonder steuublaadjes. Meeïdraden meestal in hetzelfde aantal als de
bloembladen. Bloembladen, bij de geslachten van Nederlandse!] lndië,
in den knop klepswijze aaneensluitend.
4.   Itka. Bloembladen 5, lijnvormig. Eierstok half bovenstandig,
2-hokkig. Stijl 2-dee]ig. Üoveustandige, in 2 snavels eindigende,
veelzadige doosvrucht.
5.   Polyüsma. Bloembladen 4, lijnvormig. Eierstok onderstandig,
1-hokkig. Stijl enkelvoudig. Eénzadige bes.
Tribus IV. < IIIIOIIW\'iH\'. Boornen of heesters. Bladeren tegen-
overgesteld of zelden in kransen van 3 of meer, enkelvoudig, 3—5-
tallig of onevengevind, met steuublaadjes. Bloembladen nooit in den
knop klepswijze aaneensluitend.
6.   Spiraeopsis. Bloemen tweehuizig. Kelk 5—6-deelig, met in
den knop klepswijze aaneensluitende slippen. Meeïdraden onder
de hypogynisehe schijf ingeplant. Boornen met stervormig-vüt-
achtige beharing en gevinde, van onderen met schubben bedekte
bladeren.
7.   Wkinmannia. Bloemen twee- of gemengdslachtig. Kelk 4—
5-deelig, met in den knop dakpanswijze dekkende slippen. Meel-
draden onder den rand van de gelobde, perigynische schijf in-
geplant. Onbehaarde of viltachtig behaarde heesters of hoornen,
met enkelvoudige, 3-tallige of gevinde, van onderen niet beschubde
bladeren.
Onvolkomen bekend geslacht.
8.   Treubia. Bladeren afwisselend. Bloembladen 5. Meeïdraden
5. Stijlen 5. Eierstok 5-hokkig, met 2 eitjes in elk hokje, vast-
gehecht aan eene groote zaadlijst, die van den top van het hokje
omlaag hangt.
i. ASTILBE Ham.
Bloemen dikwijls gemengdslachtig. Kelk klokvormig,
vrij, aan de basis met den eierstok vergroeid en met 5,
zelden 4, in den knop dakpanswijze dekkende lobben.
Bloembladen 5 of ontbrekend, zelden 4, lijnvormig, aan
de basis van den kelk ingeplant, perigynisch. Meeïdraden
10 of 5, zelden 8, perigynisch; helmdraden lang, hart
vormig-tweelobbig. Vruchtbladen 2—3 of verbonden tot
een 2—3-hokkigen, 2—3-lobbigen eierstok of nagenoeg
vrij en alleen aan de basis een weinig vergroeid, in beide
gevallen in rechte, priemvormige stijlen met stompe
stempels eindigend; eitjes co , vastgehecht aan asstandige
zaadlijsten. Rijpe vruchtbladen weinig- of veelzadig, of
eene 3—2-lobbige doosvrucht of 3—2 kokervruchten
-ocr page 500-
440
XLVI. SAXIFRAGACEAE.
vormende, in beide gevallen aan de as openspringende.
Zaden klein, smal, langwerpig, met vliezige, aan weers-
kanten in een staartje eindigende zaadhuid; kiemwit
overvloedig, vleezig,
Hooge, al of niet behaarde kruiden met een overbhj-
venden, kruipenden wortelstok, en met enkelvoudige of
vertakte, rolronde, bebladerde stengels. Bladeren afwisse-
lend, 2- of 3-dubbel drietallig; blaadjes dubbel gezaagd,
met vooruitspringende nerven; steunblaadjes klein, met
den bladsteel veigroeid en daarmede eene scheede vormend.
Bloemen klein, wit, rosé of groen, eindelingsch, in tros-
sen of aren, die tot eene uitgespreide of smalle pluim zijn
vereenigd. Vrucht klein, opgericht of knikkend.
Aantal soorten 6 of 7, in Britsch en Nederlandsen Indië, in Japan
en in Noord Amerika voorkoiner.de. Eéne soort, A. speciosa Jungh.
= A. Indien lil., door Jungiiuhn eerst als eene soort van Spiraea
L., door Bi.ume als eene soort van Cunnnia /.. beschreven en o. a. ge-
kenmerkt door 8 of 10 meeldraden en dikwijls 4-tallige bloemen,
komt op Java in het wild voor. In de tuinen vindt men eene soort
van Engelsih Indië, A. rivularis Ham., met 5 meeldraden.
2. HYDRANGEA L.
Bloemen alle vruchtbaar of de buitenste van de tuilen
onvruchtbaar en zonder bloembladen. Kelkbuis met den eier-
stok vergroeid, omgekeerd kegelvormig, tolvormig of half
kogelvormig; kelkzoom bij de onvruchtbare bloemen uit 4—5
bloembladachtige, geaderde, slippen bestaande, bij de vrucht-
bare afgeknot of met 4—5 in den knop dakpanswijze
dekkende lobben of tanden. Bloembladen 4—5, in den
knop klepswijze aaneensluitend. Meeldraden 8 —10, aan
de basis van de epigynische schijf ingeplant, met draad-
vormige helmdraden; helmknoppen kort. Eierstok onder-
standig, volkomen of onvolkomen 2—4-hokkig; stijlen
2—4, vrij, of aan de basis vergroeid, met eindelingsche
of aan de binnenzijde geplaatste stempels; eitjes zeer
talrijk, vastgehecht aan zaadlijsten, welke in de as van
het hokje staan en naar binnen zijn gebogen. Doosvrucht
vliezig, door de kelktanden en de stijlen gekroond, 2—4-
hokkig, aan den top tusschen de stijlen openbarstend,
veelzadig. Zaden klein, klimmend; zaadhuid vleezig, met
de zaadkern vergroeid of daar voorbij verlengd, netvor-
-ocr page 501-
XLVI. SAXIFRAGACEAE.                              441
mig geaderd; kiem cilindrisch, in de as van het dunne,
vleezige kierawit gelegen; zaadlobben zeer kort.
Heesters en boomen, soms klimmend. Bladeren tegen-
overgesteld, gesteeld, blijvend of afvallend, gaafrandig,
gezaagd of gelobd. Steunblaadjes ontbrekend. Eindeling-
sche tuilen, met afvallende schutbladen aan de basis. Bloe-
men, met uitzondering van de onvruchtbare, klein.
Vruchten klein.
Aantal soorten omstreeks 33, in Oost en Zuid Azië en in Oos-
telijk Noord en Westelijk Zuid Amerika. Op Java komt ééne soort,
H. oblongifolia BI., "in het wild voor, eene andere, H. hortensia
Smith,
uit Japan afkomstig, wordt in de tuinen gekweekt.
3. DICHROA Lour.
Kelkbuis met den eierstok vergroeid, half bolvormig,
met 5—6-tandigen zoom. Bloembladen 5—6, vrij dik,
in den knop klepswijze aaneensluitend. Meeldraden 10 of
12, epigynisch, met draad-priemvormige helmdraden;
helmknoppen breed langwerpig. Eierstok half onderstan-
dig, onvolkomen 3—5-hokkig; stijlen 3—5, uiteengespreid,
knodsvormig, met stempelkliertjes aan de binnenzijde;
eitjes talrijk, in vele rijen ingeplant aan wandstandige
zaadlijsten, nl. de naar binnen gebogen, doch de as niet
bereikende randen der vruchtbladen. Vleezige, half boven-
standige, éénhokkige, niet openspringende, veelzadige
bes. Zaden klein, eivormig; zaadhuid vliezig, netvormig
geaderd; kiem in de as van het vleezige kienrwit geplaatst.
Heesters met rolronde, vrij dikke takken en afwisselende,
gesteelde, eivormige, toegespitste, gezaagde bladeren.
Steunblaadjes ontbrekend. Eindelingsche, veelbloemige
pluimen. Bloemen groot, wisselkleurig, paarsch en blauw.
Bes groot, blauw.
Volgens Bentham en Hooker ééne soort, welke van China tot Java
en van het Himalayagebergte tot de Philippijnsche eilanden voor-
komt. Andere schrijvers namen echter verscheidene soorten aan.
Miquel noemt voor Nederlandsch Indië 3 soorten: 1). Ci/tmitisiq.,
D. latifolia Miq.
en D. pubescens Mitj. en onderscheidt deze alle
van D. fcbrifuga Lour. van Cochin China. Clark e in Hooker, Ft.
of Br. [nd.
beschouwt echter Miquel\'s soorten als vormen van
deze. Het geslacht werd door andere schrijvers als Cyanitis/\'»<»"\'. en
Adamia Wall. beschreven.
28
-ocr page 502-
442                              XLVI. SAXIFRAGACEAE.
4. ITEA ƒ,.
Kelkbuis omgekeerd kegelvormig of klokvormig, aan
de basis met den eierstok vergroeid, met 5 ei- of priem-
vormige, blijvende lobben en breede inhammen. Bloem-
bladen 5, perigynisch, lijnvormig, min of meer opgericht,
uitgespreid of teruggeslagen , in den knop klepswijze aan-
eensluitend, met naar binnen gevouwen toppen. Meel-
draden 5, opgericht, ingeplant in den rand van de peri-
gynische schijf, met draad-priemvormige helmdraden;
helmknoppen kort langwerpig. Eiers\'tok langwerpig, bo-
venstandig of half onderstandig, 2-hokkig; stijl enkelvou-
dig, opgericht, met 2 voren, ten nlotte 2-deelig, met
knopvormigen stempel; eitjes weinig of talrijk, in 2 rijen
op de zaadlijsten vastgehecht. Doosvrucht veelzadig, boven-
standig, smal kegelvormig of lijnvormig-langwerpig, met
2 langsvoren, waarlangs zij ten slotte evenals de stijl in
twee deelen splijt en schotverbrekend 2-kleppig openbarst,
terwijl de beide deelen door den stempel verbonden blij-
ven. Zaden óf verscheidene, lang, smal spoelvormig, door
eene losse, vliezige, aan weerskanten ver verlengde zaad-
huid omgeven, of eenige weinige, langwerpig en samen-
gedrukt , met eene korstachtige, gladde zaadhuid en eene
verheven zaadnerf; kiem groot, cilindrisch, in de as van
het weinige, vleezige kiemwit geplaatst.
Boomen en heesters. Bladeren afwisselend, gesteeld,
langwerpig of lancetvormig, klierachtig-getand of gekar-
teld. Steunblaadjes ontbrekend. Bloemen vrij klein, wit,
in enkelvoudige, eindelingsche en okselstandige, meestal
vrij lange, veelbloemige trossen.
Aantal soorten 5, in Noord Amerika, Japan, China, Kngelsch
en Nederlandsen Indië voorkomende. Volgens Hookkr komt I. ma-
crophylla Wall.
ook op .lava voor. In MlQUEL\'s Flora wordt liet
geslacht evenwel niet genoemd.
5. POLYOSMA lil.
Kelkbuis ei- of tolvormig, met den eierstok vergroeid;
zoom bovenstandig, 4-tandig, blijvend. Bloembladen 4,
epigyniscb, uitgespreid, lijnvormig, afvallend, in den knop
klepswijze aaneensluitend. Meeldraden 4, even lang als
de bloembladen, epigynisch, met lijn-draadvormige helm-
-ocr page 503-
443
XLVI. SAXIFRAGACEAE.
draden en lijnvormige, aan de basis vastgehechte helm-
knoppen. Eierstok onderstandig, 1-hokkig; stijl draadvor-
mig, aan de basis na den bloei verbreed, blijvend, met
enkelvoudigen stempel; eitjes talrijk, in vele rijen vast-
gehecht aan wandstandige, in de hokjes naar binnen uit-
stekende zaadlijsten. Bes eivormig, vleezig, 1-hokkig,
1 -zadig. Zaad klimmend, groot, van den vorm der holte van
het hokje, met vrij dikke, gladde zaadhuid; kiem klein,
eivormig, in den top van het overvloedige kiemwit
geplaatst.
Boomen of heesters, met min of meer rolronde takken
en zachtharige twijgen en bladstelen. Bladeren min of
meer tegenovergesteld, gesteeld, lederaehtig, altijdgroen,
doch bij het drogen zwart wordend, eivormig, omgekeerd
eivormig of lancetvormig, toegespitst, gaafrandig of doorn-
achtig getand. Steunblaadjes ontbrekend. Bloemen wit of
groenachtig, groot of klein, dikwijls welriekend, met
lange bloemknoppen en veelbloemige, eindelingsche tros-
sen. Bes groot.
Aantal soorten omstreeks 8, in Engelsch en Nederlandsch Indië
en in Australië. Volgens Miquel komt in Nederlandsch Indië een
5-tal soorten voor.
C. SPIBAEOPSIS Miq.
Bloemen tweehuizig. Mannelijke bloemen: Kelk vrij,
5—6-deelig, met blijvende, in den knop klepswijze aan-
eensluitende slippen. Bloembladen 5—6, niet veel langer
dan de kelk, ingeplant aan de buitenzijde onder den rand
van de hypogynische, ring- of urnvormige, met groeven
of kartels voorziene schijf. Meeldraden 10 of 12, evenals
de bloembladen ingeplant, met buiten de bloem stekende
helmdraden en min of meer kogelvormige of 2-lobbige
helmknoppen, welke door het verlengde helmbindsel ge-
snaveld zijn. Eierstok klein, ruwharig. Vrouwelijke bloe-
men:
Kelk en bloemkroon evenals bij de mannelijke. Eier-
stok ellipsoidvormig, aan de basis door de schijf omgeven,
2-hokkig; stijlen 2, vrij, uitgespreid, met knopvormige
stempels; eitjes langwerpig, in gering aantal, boven
elkander, in 2 rijen dakpanswijze opeengedrongen, aan
zaadlijsten, die in het midden van de tusschenschotten
zijn geplaatst. Veelzadige doosvrucht, met 2 snavels en
-ocr page 504-
444
XLVI. 8AXIFRAGACEAË.
2 naar binnen openbarstende hokjes. Zaden van onderen
af aan opeengedrongen, spoelvormig, glad, aan weers-
kanten vliezig gevleugeld.
Boom met een stervormig vilt bekleed en met hars- \'
achtige stippels. Bladeren tegenovergesteld, gesteeld,
onevengevind, lederachtig, met 2—3-jukkige, tegenover-
staande elliptische of eivormig-langwerpige , toegespitste,
gezaagde blaadjes, van boven stervormig behaard en van
onderen met cirkelronde, schildvormige schubjes bekleed.
Steunblaadjes groot, afgerond hartvormig. Bloemen klein,
gesteeld, de mannelijke losser, de vrouwelijke dichter op-
eengedrongen , in samengestelde, groote, okselstandige en
eindelingsche, veelbloemige pluimen.
Eéne soort, die op Celebes voorkomt, S. Celebica Miq. Na MlQUEr,
werd de plant met den geslachtsnaam Dirhynchosia door lii.i ime
beschreven. (D. Celebica BI.)
7. WEINMANNIA L.
Bloemen tweeslachtig of gemengdslachtig-tweehuizig.
Kelkbuis kort; zoom 4—5-deelig, met blijvende of af-
vallende, in den knop dakpanswijze dekkende lobben.
Bloembladen 4—5, onder den rand van de perigynische,
gelobde schijf ingeplant, spatel- of eivormig, zittend, in
den knop dakpanswijze dekkend. Meeldraden 8 of 10,
evenals de bloembladen ingeplant, met meestal lange,
draadvormige, buiten de bloem uitstekende helmdraden;
helmknoppen klein, 2-lobbig. Eierstok vrij, ei- of kegel-
vormig, 2-hokkig, met 2 snavels; stijlen 2, priemvormig,
kort of lang, blijvend, met enkelvoudige stempels; eitjes
in elk hokje weinig of veel, hangend, in 2 rijen boven
het midden van het hokje ingeplant. Doosvrucht klein,
lederachtig, 2-hokkig, schotverbrekend tweekleppig open-
springend, met schuitvormige, weinig- of veelzadige, van
boven aan de binnenzijde uiteenwijkende kleppen. Zaden
langwerpig, niervormig of min of meer kogelvormig, met
vliezige zaadhuid, meestal met verspreide, ruwe haren bezet,
zelden min of meer gevleugeld; kiem rolrond, in de as
of dicht bij den top van het vleezige kiemwit geplaatst.
Boomen of heesters, onbehaard of viltachtig behaard,
met tegenoverstaande, meestal rolronde takken. Bladeren
tegenovergesteld, lederachtig, gesteeld, enkelvoudig, 3-
-ocr page 505-
445
XLVI. SAXIFRAGACEAE.
tallig of onevengevind, met meestal klierachtig gezaagde
blaadjes en dikwijls gevleugelde bladspil. Steunblaadjes
verschillend, spoedig afvallend. Bloemen klein en wit,
in bundels of alleenstaand, langs enkelvoudige, einde-
lingsche en okselstandige, rechtopstaande trossen.
Omstreeks 50 soorten, in Zuid Azië, Australië en tropisch Zuid
Amerika. Een 5-tal komt volgens Miquel in Nederlandsch Indië
voor. Door BLUHE werden eenige hiervan eerst als soorten van Spiraea
L., later onder den geslachtsnaam Arnoldia lil. beschreven.
8. TREUBIA Pierre ms.
Kelk onderstandig, 5-lobbig, behaard. Bloembladen 5,
half cirkelvormig, onbehaard, aan den rand van eene,
van boven in 5, tegenover de bloembladen staande, klie-
ren verdeelde schijf ingeplant. Meeldraden 5, met de
bloembladen afwisselende. Eierstok op de schijf ingeplant,
behaard, langwerpig, met 5 ribben, 5-hokkig; hokjes
tegenover de bloembladen geplaatst; eitjes 2 in elk hokje,
door middel van korte zaadstrengen verbonden aan eene
dikke, van onderen 2-spletige zaadlijst, die van den top
van het hokje omlaag hangt, anatroop; zaadnerf rug-
standig; stijlen 5, vrij, met een kleinen, knopvormigen
stempel op den top. Vrucht lang, min of meer gekromd,
met 5 vleugels, 5-hokkig, in de jeugd door den blij-
venden bloemkelk omsloten. Zaden langwerpig, zonder
kiemwit; kiem recht; zaadlobben plat, vliezig, groot;
kiemworteltje rolrond, kort, buiten de zaadlobben uit-
stekende.
Klimmende heester (?). Bladeren afwisselend, met
spoedig afvallende, zeer kleine steunblaadjes, gesteeld,
elliptisch, met wigvormigen voet, toegespitst, fijn ge-
zaagd, onduidelijk 3-nervig, met opstijgende zijnerven,
aan weerszijden onbehaard. Bloemen in okselstandige en
eindelingsche pluimen, met kleine schutbladen aan de
basis der bloemstelen.
Eéne soort, Tr. combretocarpa Pierre ms., met de kenmerken
van het geslacht, door DE Vriese op Ceram verzameld. Het geslacht
vertoont in zijne kenmerken veel overeenkomst met Lophopyxis
Hook. f., (L. Mainr/ayi Hook. f.), door Maingay op Malakka gevon-
den en door den auteur met eenigen twijfel tot de Euphorbiaceae
gebracht. Deze beschrijft echter éénhuizige bloemen, terwijl zij bij
Treubia tweeslachtig moeten zijn, daar de plaats der meeldraden
-ocr page 506-
446
XI/VII. CRASSUI,ACEAE.
nan do jonge vruchten nog goed is waar te nemen. (Pierre). Ver-
volgens zijn er bebaarde stijlen met knopvormige stempels op ilen
top, terwijl bij Lophopij.cix zittende, priemvormige stempels ge-
vonden worden. Iiitusschen blijft de plaats van het geslacht, ook
als de bloemen als tweeslachtig beschouwd worden, zeer twijfel-
achtig. In de Saxifragacene zou het tusschen de Escallonieae en
Cunonieae moeten staan, doch daarbuiten heeft het meer dan eenig
geslacht der familie verwantschap met de Ternttroemiaceae, waarbij
het zich voornamelijk dicht aansluit dooi\' middel van het geslacht
Sladenia Kurz. De plant van DE Vriese werd in \'s Rijks Herbarium
opgemerkt door den Heer Pierre, wiens analytische teekeningen mij
met het aanwezige materiaal voor het opmaken van de geslacht sbe-
schrijving ten dienste stonden en aan wiens welwillend verstrekte
mededeelingen ook de beschouwingen omtrent de plaats en de ver-
wantschap van het geslacht zijn ontleend.
Fam. XLvii. CRASSULACEAE.
Bentham et Hooker, Gen. Plant. I. p. 656. — MlQUEL, Fl. Ind. Bat.
I, i, p. 727. — Cearke in Hooker, Fl. of Brit. Ind. II, p. 412.
Bloemen twee-, zelden éénslachtig, regelmatig. Kelk
vrij, blijvend, 3—5-, zelden 6—30-deelig; kelkbladen
soms tot een kort 4-spletigen kelk vergroeid. Bloembladen
evenveel als kelkbladen, vrij of min of meer vergroeid,
dikwijls blijvend, opgericht of uitgespreid of met opge-
richten nagel en uitgespreide plaat. Meeldraden perigynisch
of bijna hypogynisch, in hetzelfde aantal als de bloem-
bladen of in het dubbele aantal van deze, vrij of afwis-
selend of alle met de bloembladen vergroeid; helmdraden
draad- of priemvormig; helmknoppen lijnvormig, lang-
werpig of 2-lobbig, aan de rugzijde vastgehecht, met in
de lengte openbarstende hokjes. Hypogynische schubben
aan de basis van ieder vruchtblad geplaatst of daarmede
ineenvloeiende, langwerpig, wig-of lijnvormig of afgerond,
zelden langer dan breed, zeer zelden bloembladachtig. Vrucht-
bladen evenveel als bloembladen, vrij of zelden onder
elkander min of meer vergroeid, 1-hokkig; stijlen kort of
lang, priem- of draadvormig; stempels klein knopvormig,
stipvormig of afgeknot, dikwijls schuin; eitjes talrijk, in
2—oo rijen aan den buiknaad vastgehecht, zelden wei-
nig en hoogst zelden slechts 1 in elk vruchtblad en op-
-ocr page 507-
XLVII. CRASSULACEAE.                              447
gericht of hangend. Kokervruchten .vliezig of lederachtig,
1-hokkig, veel- of weinigzadig, aan den buiknaad open-
barstend, zelden bij die geslachten, waar de vruchtbladen
vergroeid zijn, aan de rugzijde openbarstend. Zaden
meestal zeer klein en langwerpig; zaadhuid vliezig of
min of meer lederachtig, gestippeld; kiem wit vleezig;
kiem rolrond, met korte, stompe zaadlobben en een lang
kiemworteltje.
Kruiden of heesters van zeer uiteenloopend voorkomen,
die dikwijls dikvleezig of sappig en zelden zacht- of
langharig zijn. Bladeren tegenovergesteld of afwisselend,
soms paarswijze vergroeid, of tot wortelstandige bladro-
setten vereenigd, enkelvoudig of zelden in slippen ver-
deeld of onevengevind. Steunblaadjes ontbrekend. Bloe-
men meestal in bijschermen, met of zonder schutbladen.
Aantal soorten omstreeks 400, voornamelijk voorkomende in de
gematigde en min of meer warme streken van Europa, West Azië
en Zuid Afrika, in gematigd en tropisch Noord Amerika vrij talrijk ,
in Zuid Amerika zeer weinig en zeldzaam in Australië en de pool-
streken, terwijl zij op de eilanden van den Stillen Oceaan geheel
ontbreken. In tropisch Azië komen zij slechts in gering aantal
voor, doch ééne soort, Bryophyllum cahjeinum Salisb. zoowel aan de
kustplaatsen als op de bergen.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
1.   Bryophyllum. Kelk groot, opgeblazen, kort 4-spletig.
2.   Kalanchoe. Kelk 4-deelig, met lijn-, ei- of priemvormige
slippen.
i. BRYOPHYLLUM Salisb.
Kelk opgeblazen, cilindrisch of 4-kantig, kort 4-spletig,
in den knop klepswijze aaneensluitend. Bloemkroon urn-
of kort klokvormig, met kort 4-spletigen, uitgespreiden
zoom. Meeldraden 8, in 2 rijen, ingeplant in het midden
van de bloemkroonbuis, met draadvormige helmdraden;
helmknoppen langwerpig, een weinig boven de bloemkroon
uitstekende. Schubben der schijf vrij of met de vrucht-
bladen min of meer vergroeid. Vruchtbladen 4, vrij of
aan de basis vergroeid, lang, versmald in lange, samen-
neigende , boven de bloem uitstekende stijlen, met kleine,
knopvormige stempels; eitjes in ieder vruchtblad oo . Aan-
tal kokervruchten 4, oo -zadig.
Hooge, aan de basis heesterachtige, dikvleezige krui-
-ocr page 508-
448
XI/VIl. CRASSUTAOEAE
den. Bladeren tegenovergesteld, gesteeld, enkelvoudig of
onevengevind, gekarteld. Bloemen groot, knikkend, wit,
groenachtig of rood, in veelbloemige, tot tegenover de
takken staande pluimen vereenigde bijschermen.
Aantal soorten 4, in tropisch Afrika tehuis behoorende, doch
waarvan eene, Br. Calycinum Salisb., in alle tropische gewesten
verspreid is. Deze plant heeft enkelvoudige, gekartelde bladeren,
in wier insnijdingen zich gemakkelijk knoppen vormen, die zich
snel ontwikkelen en afvallende nieuwe planten vormen. In Neder-
landsch Indie verspreidt zij zich van Java tot de Molukken en
wordt aldaar aangetroffen van de kustplaatsen af tot 2000 a 3000
voet boven de zee. Bij MlQUKJ. werd zij vermeld als eene soort
van Kalanchoe Adans. (K. pinnata Pers.), bij andere schrijvers
met den geslachtsnaam Cotyledon L., (C. pinnata Lam., C. caly-
cina But/i)
of van Varea , Vareia of Vereia And., (V. pinnata Spr.).
2. KALANCHOE Adans.
Kelk 4-deelig, met lijn-, ei- of priemvormige slippen,
korter dan de bloemkroonbuis. Bloemkroon trompetvormig,
met urnvormige buis en met 4-deeligen, uitgespreiden
zoom. Meeldraden 8, met de bloemkroonbuis vergroeid,
2-rijig, alle met helmknoppen of om den anderen meten
zonder helmknoppen of een der beide rijen ontbrekend;
helmdraden zeer kort; helmknoppen langwerpig, binnen
de buis besloten. Schubben der schijf 4, lijnvormig of
langwerpig. Vruchtbladen 4, met de bloemkroonbuis ver-
groeid, lancetvormig, eindigend in priemvormige stijlen,
met schuin afgeknotte stempels; eitjes co, in oo rijen.
Kokervruchten 4, vliezig, co -zadig.
Stevige, opgerichte kruiden of half heesters. Bladeren
tegenovergesteld, vleezig, zittend of gesteeld, gaafrandig,
gekarteld of vinspletig. Bloemen groot, wit, geel of purper,
in veelbloemige, tot pluimen vereenigde bijschermen.
Aantal soorten omstreeks 20, de meeste in tropisch Azië en
tropisch en Zuid Afrika en 1 soort in Brazilië. In Nederlandsch
Indië komen 3 soorten voor, K. laciniata D C, K. spathulata D C.
en A\'. acutiflora Haw. Door MlQUEL werd nog eene vierde soort,
A\'. pinnata Peru., genoemd, die echter tot het geslacht Bryophyllum
Salisb. gebracht moet worden, (Br. calycinum Salisb.),
-ocr page 509-
449
XliVIII. DROSERACEAE.
Fam. xlvul DROSERACEAE.
Bentham et HOOKEB, Gun. Plant. I, p. 661. — Miquel, Fl. Ind.
Bat.
I, 2, p. 119.
Bloemen tweeslachtig. Kelk 4—5- (zelden 8-)deelig of
uit vrije kelkbladen bestaande, in den knop dakpanswijze
dekkend en blijvend. Bloembladen 5, hypogynisch, zelden
perigynisch, meestal vliezig, geaderd, aan de bloem ver-
welkend , vrij of aan de basis vergroeid, in den knop
dakpanswijze dekkend. Meeldraden 4—20, hypogynisch
of perigynisch, zelden op de bloembladen ingeplant; helm-
draden vrij of bij weinige geslachten aan de basis één-
broederig, priem- of draadvormig; helmknoppen meestal
gelijk, aan de basis of bewegelijk vastgehecht, kort of
lang of 2-hokkig; hokjes meestal naar buiten aan den
top of over de geheele lengte openbarstende, met een
soms aan de basis verdikt helmbindsel; stuifmeel soms
uit 4 samenhangende kogels bestaande. Schijf ontbrekend.
Eierstok vrij of met eene breede basis aan de basis van
den kelk verbonden, kogel- of eivormig, 1—5-hokkig;
stijlen 1—5, draad- of knodsvormig, enkelvoudig, 2- of
veelspletig; stempels knopvormig, enkelvoudig of in fijne
slippen verdeeld; zaadlijsten dikwijls met de stempels af-
wisselende; eitjes oo in elk hokje, zelden weinige, vast-
gehecht aan as- of wandstandige of basilaire zaadlijsten,
zelden hangend aan den top van het hokje, anatroop en
met verschillend gericht poortje en zaadnerf. Doosvrucht
vliezig of papierachtig, 1—5-hokkig, veelzadig, hokver-
brekend, 1—5-kleppig openspringend, zelden op onregel-
matige wijze uiteenbarstend. Zaden meestal talrijk, zelden
in elk hokje één, opgericht, horizontaal of hangend;
kiemwit vleezig; zaadhuid verschillend, dikwijls los en
netvormig geaderd, nu eens gevleugeld, dan weder korst-
achtig, glad en glanzend; kiem recht, cilindrisch; in de
as van het kiemwit geplaatst; kiemworteltje meestal hier
uitstekend, zeer klein, en in de basis van het kiem-
wit verborgen.
Hooge of lage, meestal klierachtig behaarde, overblij-
vende kruiden, zelden halfheesters; wortelstok soms aan-
wezig en dan lang en houtachtig of bolvormig en met
-ocr page 510-
450
XLVIII. DROSERACEAE.
rokken omgeven. Bladeren verschillend, los of dicht opeen-
gedrongen, afwisselend, zeer zelden in kransen, doch dik-
wijls bladrosetten vormend, gestoeld en metsteunblaadjes
voorzien, soms 2- of vinspletig; bladsteel bij sommige ge-
slachten bladachtig, met eene 2-lobbige of blaasachtige
bladschijf; bladeren bij de meeste soorten in den knop
spiraalswijze ineengerold. Bloeiwijze verschillend. Bloemen
dikwijls groot en spoedig afvallend.
Aantal soorten omstreeks "HO, bijna alle op moerassige of
zantlige plaatsen voorkomende, ijl de gematigde en tropische ge-
westen van de geheele wereld verspreid, met uitzondering van de
eilanden van den Stillen Oceaan.
EENIG GESLACHT VOOR NEDERLANDSCH INDIË.
DROSERA.. Meeldraden 4—8. Stijlen 3—5, 2-, 3- of oo-spletig.
Doosvrucht kogelvormig, aan den top 3—5-kleppig, met oo zaden.
Moerasbewonende kruiden, met klierachtig behaarde, meestal
tot wortelrosetten verecnigde bladeren.
DROSERA L.
Kelkbuis kort of zeer kort, van af den eierstok vrij;
lobben 4, 5 of 8, in den knop dakpanswijze dekkend.
Bloembladen 4, 5 of 8, spatelvormig, hypo- of perigy-
nisch, aan de bloem verwelkend. Meeldraden in hetzelfde
aantal als de bloembladen, even als deze ingeplant, met
priem- of draadvormige helmdraden en korte, naar bui-
ten openspringende helmknoppen. Eierstok vrij, ei- of
kogelvormig, 1-hokkig; stijlen 2—5, meestal 3, vrij of
aan de basis samenhangend, gaafrandig of op verschil-
lende wijzen ingesneden of verdeeld; stempels klein en
knopvormig of in dunne vezels verdeeld; eitjes zeer tal-
rijk (zelden weinig), aan 2—5, meestal aan 3, met de
stijlen afwisselende, veelrijige zaadlijsten. Doosvrucht door
den kelk omgeven, langwerpig, hokverbrekend 2—5-klep-
pig, co -zadig. Zaden klein, langwerpig, meestal met losse,
netvormig geaderde zaadhuid; kiem klein of groot, ci-
lindrisch, in de as van het kiemwit, of zeer klein en
aan de basis van het kiemwit geplaatst.
Kruiden met ovorblij venden wortel of wortelstok, soms
met bolvormigen voet, of zonder stengel en met eene bloem-
schacht, of met een stengel, gewoonlijk klierachtig be-
haard, zelden geheel en al onbehaard, soms klimmend
-ocr page 511-
451
XMX. HAMAMELIDACEAE.
door middel van klieren. Bladeren afwisselend of tot
wortelrosetten vereenigd, zittend of gesteeld, rondachtig,
spatel-, maan- of schildvormig, in den knop spiraalswij ze
opgerold of in ééne soort recht. Steunblaadjes ontbrekend
of stijfvliezig, aan de verbreede basis met den bladsteel
vergroeid. Bloemen meestal klein of groot en in het oog
vallead, wit of rosé, alleenstaand of in trossen, bjjscher-
men of tuilen.
Aantal soorten omstreeks 100, dooi\' de geheele wereld verspreid,
het talrijkst in soorten in het niet-tropiseh gedeelte van Australië.
In Nederlandseh Indië komt een drietal soorten voor, Dr. Burmanni
Vahl, Dr. Indica L.
en Dr. lunata Buoh.
Fam. xlix. HAMAMELIDACEAE.
Bentham et Hooker, Gen. Plant. I, p. 664. — Miquei., Fl. Ind.
Bat.
I, 1, p. 834 en I, 2, p. 660. (Rhodoleia). — Dh Candolle in
Prod. XVI, 2, p. 157. (Platanaceae). — Ci.arke in Hooker, Fl. of
Br. Ind.
II, p. 425. — Reinsch in Enöler, Bot. Jahrb. XI, 4, (1889),
p. 347.
Bloemen één- of tweeslachtig, regelmatig of onregel-
matig. Kelk en bloemkroon van de mannelijke bloemen
soms ontbrekend. Kelkbuis min of meer met den eierstok
vergroeid; kelkzoom afgeknot of met 5, in den knop
klepswijze aaneensluitende of dakpanswijze dekkende
lobben. Bloembladen 4—oo , zelden ontbrekend, perigynisch
of bijna epigynisch, lijn-, spatel- of omgekeerd eivormig,
in den knop dakpanswijze dekkend of klepswijze aaneen-
sluitend, soms tot schubben verminderd of aan eene zijde
van de bloem ontbrekend. Meeldraden 4—oo , in bepaald of
onbepaald aantal, perigynisch, meestal in ééne rij op den
kelkrand ingeplant; helmdraden kort of lang, vrij; helm-
knoppen langwerpig, 4-kantig, 2-lobbig of neergedrukt,
2-hokkig; hokjes door zijdelings of aan den voorkant ge-
plaatste spleten of afvallende kleppen in de lengte open-
springende; helmbindsel voorbij de hokjes verlengd of
stomp. Schijf ontbrekend of tusschen de meeldraden en
den eierstok geplaatst en dan ringvormig of in schubben
verdeeld. Eierstok onderstandig of (bij de geslachten van
-ocr page 512-
452                            XLIX. HAMAMELIDACEAE.
Nederlandsch Indië) half bovenstandig, zelden geheel
bovenstandig, samengesteld uit 2 vruchtbladen, die aan
de basis vergroeid, maar aan den top vrij en gesnaveld
zijn, 2-hokkig, doch soms met een onvolkomen tusschen-
schot; stijlen priemvormig, recht of teruggekromd, de
stempels aan den top of in de lengte langs de binnen-
zijde dragend, soms afvallend, doch meestal blijvend;
eitjes 1 — x>, in 1—cc rijen in elk hokje, anatroop, hangend,
met een naar boven gekeerd poortje en eene buikstan-
dige zaadnerf, vastgehecht aan eene asstandige zaadlijst.
Houtachtige, aan den top 2-spletige doosvrucht, met 2
snavels, gevormd door de blijvende stijlen, schot- ofhok-
verbrekend, tot het midden of tot aan de basis open-
barstend met 2 kleppen, die elk dikwijls weder in tweeën
splijten; binnenste laag der kleppen dikwijls van de bui-
tenste loslatend en hoornachtig, met 2 kleppen het zaad
of de zaden insluitend. Zaden bij de 2-zadige vruchten
langwerpig, hangend, en met eene zwarte, beenharde of
korstachtige, glanzende zaadhuid en bij de co -zadige
vruchten hangend, dakpanswijze opeengedrongen, kantig,
samengedrukt of gevleugeld, in welk geval echter slechts
1 zaad vruchtbaar is en met eene dunne, korstachtige
of vezelige zaadhuid is voorzien, terwijl de overige been-
hard en homogeen zijn; kiemwit dun, vleezig; kiem recht
met langwerpige, platte of bladachtige zaadlobben, die
even lang of langer zijn dan het rolronde kiemworteltje.
Heesters of boomen, onbehaard of met eene enkelvoudige
of stervormige, zachte beharing en waarvan de houtvezels
evenals bij de Coniferen hofstippels bezitten. Bladeren af-
wisselend, zelden tegenovergesteld, gesteeld, afvallend of
blijvend, enkelvoudig of handlobbig, gaafrandig of gezaagd,
soms met aan den top kliervormige zaagtanden. Steun-
blaadjes 2, zelden ontbrekend, afvallend of blijvend.
Bloemen vrij klein, meestal (bij de geslachten van Ne-
der landsch Indië altijd) in hoofdjes.
Aantal soorten omstreeks 30, in de warme en tropische streken
van Azië, Zuid Afrika en Noord Amerika tehuis behoorend. Bij
oudere schrijvers vormden de Hamamelidaceae twee families, de
Hamamelideae en Balsamifluae, de laatste ook wel Altingiaceae
genoemd. Soms werden eenige geslachten als Bucklandieae onder-
scheiden. Miquel, die Altingia, onder den naam van Liquidambar,
met Bucklandia in de Hamamelideae plaatst, brengt echter Rho-
-ocr page 513-
XLlX. HAMAMELIDACEAE.                             453
doleia tot de Diosmeae (Rutaceaë). De Candolle in Prodr. XVI,
2, p. 157, plaatst Liquidambar bij de Platanaceae, doch bespreekt
de andere geslachten niet. In Engler\'s Natürliche Pflanzenfamilien
is de omgrenzing der familie evenals bij Ukntham en HOOKER en
wordt zij evenzeer in de nabijheid der lïosaceae geplaatst. Uit de
onderzoekingen van Rkinsch (Ueber die anatumisc/ien Verlialtnisse
der Jlamamelidaceaë)
volgt dat zoowel de keuze van de plaats dei-
familie als hare omgrenzing door de anatomische kenmerken ge-
rechtvaardigd wordt. De geslachten Agathisanthes BI. en Cerato-
stachys BI., door Miquel in de nabijheid der Hamamehdaceae
geplaatst, zijn volgens Bentham en Hooker mannelijke en vrou-
welijke planten van Nyssa sessili/Iora Ilook. f. uit de familie der
Cornaceae.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
A. In elk hokje van den eierstok 1 eitje. Schijf schubben 10.
1.   Maingaya. Bloemen tweeslachtig. Bloembladen 5. Meel-
draden 5. Helmbindsel hoornvormig verlengd.
B. In elk hokje van den eierstok 2-ao eitjes. Schijf-
schubben ontbrekend.
2.   RiiODOLElA. Bloemen tweeslachtig, vereenigd tot hoofdjes
met dakpanswijze opeengedrongen schutbladen. Bloembladen 2—4,
alleen in de buitenste bloemen van het hoofdje goed ontwikkeld,
in de binnenste ontbrekend. Meeldraden 7—10. Helmbindsel niet
verlengd. Eierstok half onderstandig.
3.  Bucklandia. Bloemen gemengdslachtig, vereenigd tot hoofdjes,
die vóór den bloei door twee schutbladen (steunblaadjes) zijn
omgeven. Bloembladen bij de tweeslachtige bloemen in verschil-
lend aantal, bij de vrouwelijke rudimentair. Meeldraden in de
tweeslachtige bloemen 10—14.
4.   Ai.tingia. Bloemen éénslachtig, vereenigd tot hoofdjes, die
aan de basis door één schutblad omgeven zijn. Kelk en bloemkroon
ontbrekend in de mannelijke bloemen, waar de meeldraden tot
kogelvormige hoofdjes opeengedrongen zijn, en bij de vrouwelijke
bloemen alleen vertegenwoordigd door de samengesmolten kelken,
op wier randen rudimentaire helmknoppen voorkomen.
1. MAINGAYA Oliv.
Bloemen tweeslachtig. Kelkbuis met den eierstok ver-
groeid; kelkzoom in den knop gesloten, daarna aan ééne
zijde een weinig boven de basis opensplijtend en dan
rondom loslatend en als eene kap afvallend. Bloembladen
5, perigynisch, lijnvormig, in den knop spiraalswijze
opgerold. Meeldraden 5, perigynisch; helmdraden zeer
-ocr page 514-
454
XUX. HAMAMELIDACEAE.
kort; helmbindsel hoornvormig verlengd. Schijfschubben
omstreeks 10, zeer klein. Eierstok half onderstandig,
2-hokkig; stijlen 2, vrij, kort; in elk hokje 1 hangend
eitje. Doosvrucht houtachtig, eivormig, met hoornachtige
binnenlaag van den vruchtwand, die van de buitenlaag
loslaat. Zaden onbekend.
Boom met afwisselende, onverdeelde, gesteelde, blij-
vende bladeren en kleine, afvallende steunblaadjes. Bloemen
in schijnbaar eindelingsche, gesteelde, ongeveer 15-bloemige
hoofdjes, zonder schutbladen.
Eéne soort, M. Malaynna Oliv., door Mainoay in Penang aan-
getroffen en ilus waarschijnlijk ook op Suniatra te vinden.
2. RHODOLBIA Hook. f.
Bloemen tweeslachtig, asymmetrisch. Kelkbuis den
eierstok ongeveer tot het midden omgevend; kelkzoom
ringvormig, afgeknot, van binnen met klieren bezet.
Bloembladen 2—4, zeer ongelijk, 1-zijdig, in de binnenste
bloemen der hoofdjes ontbrekend, genageld, langwerpig-
lancetvormig. Meeldraden 7—10, met de bloembladen op
den kelkrand ingeplant; helmdraden lang en dik; helm-
knoppen aan de basis vastgehecht, lijnvormig-langwerpig,
met 2 spleten openspringend; helmbindsel niet verlengd.
Eierstok half onderstandig, eivormig, met 2-spletigen
top, 2-hokkig of door het verdwijnen van het tusschen-
scliot 1-hokkig; stijlen priemvormig, lang, afvallend,
met enkelvoudige stempels; eitjes in elk hokje oc , 2-rijig
aan de asstandige zaadlijsten vastgehecht. Doosvrucht min
of meer houtachtig, in 2 spitsen eindigend, ac -zadig,
2-hokkig, 2-kleppig; kleppen 2-spletig. Zaden dakpanswijze
opeengedrongen, samengedrukt, kantig, weinig of niet
gevleugeld; zaadhuid korstachtig; kiem onbekend.
Onbehaarde, kleine bloemen, in voorkomen aan het ge-
slacht Rhododendron herinnerend. Bladeren opeengedrongen
aan de toppen der takken, uitgespreid, afwisselend, lang
gasteeld, altijdgroen, van onderen blauwgroen, lang-
werpig , gaalïandig, dik lederachtig. Steunblaadjes ontbre-
kend. Bloemen klein, met rooskleurige bloembladen en met
ineenvloeiende kelken, meestal 5-bloemige, okselstandige,
gesteelde en knikkende hoofdjes vormende, die aan de
-ocr page 515-
455
XUX. HAMAMEUDACEAE.
basis door schutbladen zijn omgeven, waarvan de buitenste
klein en onbehaard zijn, doch die naar binnen langzaam
in grootte toenemen en waarvan de binnenste viltachtig
behaard zijn.
Aantal soorten 2, waarvan 1 in Hongkong en de andere, ïih.
Teijsnuinni
Afii/., op Snmatra voorkomt. Door Miquel werd de
soort niet tot de Hamatnelidaceae, maai\' tot de Diosmeae (Rutaceaé)
gebracht.
3. BUCKLANDIA 11. Br.
Bloemen gemengdslaclitig. Kelkbuis min of meer klok-
vormig, aan den eierstok vastgehecht; kelkzoom vleezig,
afgeknot, golvend 5-lobbig. Bloembladen bij de tweeslach-
tige bloemen in zeer verschillend aantal, lijn-spatelvormig,
min of meer vleezig, dikwijls in meeldraden overgaande,
in den knop omlaag gekromd; bij de vrouwelijke bloemen
4, rudimentair. Meeldraden 10—14 (bij de vrouwelijke
bloemen ontbrekend), met ongelijke, priemvormige helm-
draden; helmknoppen aan de basis vastgehecht, lang-
werpig, meestal gewrongen, met 2 ongelijke, blijvende
kleppen en een toegespitst helmbindsel. Eierstok half
onderstandig, met 2-spletigen top, 2-hokkig; stijlen 2,
min of meer dik, teruggekromd, aan de binnenzijde plat
en met stempelkliertjes voorzien; eitjes in elk hokje 6,
in 2 rijen. Doosvrucht bijna vrij, nagenoeg kogelvormig,
houtachtig, 2-hokkig, met 2 2-spletige kleppen, waarvan
de binnenlaag beenhard, bros en glanzend is. Zaden in
elk hokje omstreeks 6, de bovenste beenhard en zonder
kiem, de overige vruchtbaar, 3-zijdig, van boven gevleu-
geld; kiem wit weinig, vleezig; zaadlobben langwerpig t
plat, met een kegelvormig kiem worteltje.
Bijna geheel en al onbehaarde boomen, met rolronde,
aan de knoopen geleede takken. Bladeren afwisselend,
gesteeld, lederachtig, breed eivormig, toegespitst, gaaf-
randig, aan de basis hartvormig, met handvormig ver-
spreide nerven; bladstelen en jonge bladeren zijdeachtig
bruinharig; volwassen bladeren onbehaard. Steunblaadjes
groot, lederachtig, afvallend, langwerpig, het jonge, neer-
gebogen blad en de bloemen omgevende. Bloemen klein,
in hoofdjes met ineenvloeiende kelken; hoofdjes 10—20-
bloemig, tot tuilen vereenigd, aan geleede bloemstengels.
-ocr page 516-
456
XUX. HAMAMELIDACEAË.
Volgens Bentham en Hooker zijn er twee soorten, waarvan de
eene in het Himalava gebergte, de andere op Sumatra voorkomt.
Volgens Clarke in Hooker Fl. of Brit. Intl. II, p. 420 zou de
eerste soort, li. populiwn Ii. Br., die ongelobde bladeren en onbehaarde
bladstelen heeft, in geen enkel opzicht verschillen van de soort
van Sumatra, daar de kenmerken van deze. in drie spitse lobben
eindigende bladeren en zijdeachtig behaarde bladstelen, ook bij
B. populnea B. Br. vooral aan jongere exemplaren niet zelden worden
waargenomen. Zij werden dus, op het voorbeeld van KlIRZ in Flora,
1871, p. 28!>, door hem met elkander vereenigd. Door Miqdei. was
de soort tot het geslacht Liquidambar L. gebracht en onder den naam
van Liq. tricugpidatum tiiq. beschreven.
4. ALTINGIA Noronha.
Bloemen in éénslachtige hoofdjes. Mannelijke bloemen
zonder kelk en bloemkroon. Meeldraden tot een kogelvor-
mig hoofdje opeengedrongen; helmdraden kort; helm-
knoppen aan de basis vastgehecht, 4-zijdig, omgekeerd
wigvormig; hokjes aan den top sterk verdikt en in de
lengte openbarstend. Vromrelijke bloemen met de kelken
onderling verbonden. Kelk zonder zoom. Bloembladen ont-
brekend. Rudimentaire helinknoppen op de randen der
kelken. Eierstok half onderstandig, 2-hokkig; vruchtbla-
den aan den top verlengd tot priemvormige, terugge-
kromde, van binnen platte en aldaar met stempelkliertjes
bezette stijlen; eitjes oo, aan asstandige zaadlijsten.
Vruchtdragend hoofdje verhard, kogelvormig, uit vele
doosvruchten bestaande; doosvruchten van boven wijd open-
barstend, met 2 2-spletige, wegens het afvallen der stij-
len, afgeknotte kleppen. Onvolkomen zaden (zonder kiem)
zeer talrijk, ongevleugeld; volkomen zaden (met eene
kiem) 1—2, onderaan geplaatst, kantig en met gevleu-
gelde randen; zaadhuid van buiten vezelig, van binnen
vliezig; kiemwit weinig; zaadlobben plat, langwerpig;
kiemworteltje cilindrisch-kegelvormig.
Boomen, soms zeer hoog. Bladeren afwisselend, blijvend,
gesteeld, eivormig of eivormig-langwerpig, klierachtig
gezaagd. Steunblaadjes afvallend of blijvend. Hoofdjes
klein, aan de basis door een schutblad omgeven, die der
mannelijke bloemen in trossen, die der vrouwelijke alleen-
staand.
-ocr page 517-
L. HALORAGIDACEAE.                                457
Aantal soorten \'2, waarvan de eene in China, de andere, A.
e.ccelsa Noronh.,
zoowel in Engelsen als in Nederlandsen Indië
voorkomt. Door Miquel werd zij evenals door BLUME en later door
de Candom.k tot het geslacht Liquidambar L. gerekend, (Liq.
Altingia BI.).
Fam. l. HALORAGIDACEAE.
Bentham et Hookkr, Genera Plant. I, p. 673. — Miquel, Fl. Ind.
Bat.
I, 1, p. 631 en 1,1, p. 769. (Gunneraceae).— Ci.arkk in Hooker,
Fl. of Br. Ind. II, p. 430.
Bloemen twee- of éénslachtig, gewoonlijk zeer klein
en meestal onvolkomen. Kelkbuis met den eierstok
vergroeid; lobben 2, 4 of ontbrekend, soms ongelijk
of bij de mannelijke bloemen onvolkomen. Bloem-
bladen 2, 4 of ontbrekend, hol, afvallend, in den knop
klepswijze aaneensluitend of dakpanswijze dekkend aan
de randen. Meeldraden 2—8, zelden 1—3, groot; helm-
draden kort, draadvormig, zelden lang; helmknoppen
aan de basis bevestigd, meestal lang lijnvormig, met vier-
kante doorsnede, 2-hokkig, met zijdelings openspringende
hokjes; stuifmeel uit 4 verbonden kogels bestaande.
Eierstok eivormig, langwerpig of kort cilindervormig,
samengedrukt of met 2—8 kanten of ribben, zelden met
2—4 vleugels, soms met 4 groeven, 1—4-hokkig; stijlen
1—4, altijd vrij, kort of lang, soms zeer kort; stempels
met wratjes of gevederd; eitjes zooveel als er stijlen zijn,
anatroop, hangend van den top van het hokje. Vrucht
meestal klein, noot- of steenvruchtachtig, samengedrukt,
kantig, geribd of gevleugeld, niet openspringend, 1—3-hok-
kig of bij weinige soorten uit 2—4 nootjes bestaande. Zaden
hangend, met dunne, vliezige zaadhuid en vleezig, meestal
overvloedig kiemwit; kiem meestal in de as van het
kiemwit en nagenoeg van dezelfde lengte, cilindrisch,
met korte zaadlobben en een lang, naar boven gericht
kiemworteltje, doch bij Gunnera zeer klein, peer- of
omgekeerd hartvormig en in den top van het kiemwit
gelegen.
Overblijvende of zelden éénjarige kruiden, water- of
landplanten. Bladeren tegenovergesteld, afwisselend of in
29
-ocr page 518-
458                                L. HALORAGIDACEAE.
kransen, in vorm en weefsel zeer verschillend, de onder-
gedokene dikwijls in fijne, kamvormige slippen verdeeld.
Steunblaadjes ontbrekend of bij Gunnera met den blad-
steel vergroeid. Bloemen meestal in de bladoksels, alleen
of opeengedrongen, soms in trossen, aren of pluimen,
zelden in tuilen.
Aantal soorten omstreeks 80, over de geheele wereld verspreid,
meerendeels waterplanten. Het geslacht Trapa L., door MlQUEL
onder de Ilaloragidaceae geplaatst, moet volgens Bentham en
IIooKEn tot de Onagraceae gebracht worden.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
f Groote landplanten met zeer groote ei-, cirket- of hartvormige,
dikke, meestal gerimpelde en ruigharige bladeren.
\\. OuN\'NKRA. Bloemen tweeslachtig of éénhuizig in eene dichte
aar of bloeispies. Kelkbnis eivormig of samengedrukt. Bloembladen
ontbrekend of 2, kapvormig. Meeldraden i—2. Eierstok 1-hokkig.
Stijlen 2.
•J-j- Kleine land- of waterplanten met zeer kleine, gaafrandige
of in slippen verdeelde, zeer dikivijls onbehaarde bladeren.
§ Landplanten, meestal, tenminste bij de mannelijke bloemen,
met
4 kapvormige bloembladen. Meeldraden 8.
2.   Haloragis. Bloemen één- of tweeslachtig, alle kort gesteeld.
Eierstok 1—4-hokkig, met 2—4 eitjes. Stijlen 4. Stempels veder-
vormig.
3.   Sehpicula. Bloemen éénhuizig, mannelijke lang gesteeld.
Eierstok 1-hokkig met 4 eitjes. Stijlen 4. Stempels met wratjes
bezet of vedervormig.
§§ Waterplanten. Bloembladen óf hol en zeer klein óf ontbrekend.
Meeldraden
8, 4 of 1.
4.  Myriophylldm. Kelk en bloemkroon aanwezig bij de man-
nelijke bloemen. Bloembladen 2—4, hol. Meeldraden 8 of 4.
Eierstok 4- of 2-hokkig. Stijlen 4.
5.   Calutrichk. Kelk en bloemkroon ontbreken in beide ge-
slachten. Slechts 1 meeldraad. Eierstok 4-hokkig. Stijlen 2.
i. GUNNERA L.
Bloemen tweeslachtig of éénhuizig. Kelkbuis eivormig
of samengedrukt; lobben 2—3, gelijk of ongelijk, bij de
mannelijke bloemen dikwijls onvolkomen of ontbrekend,
of ten getale van 2 en kapvormig. Meeldraden 1—2,
met draadvormige helmdraden ; helmknoppen langwerpig,
aan de basis vastgehecht en zijdelings openspringend.
Eierstok 1-hokkig; stijlen 2, priem- of draadvormig, van
-ocr page 519-
459
L. HALORAGIDACEAE.
alle kanten met wratjes bezet; eitje 1, hangend aan den
top van het hokje. Lederachtige of min of meer vleezige
steenvrucht, samengedrukt, 3-kantig, min of meer kogel-
vormig, met korstachtige kern. Zaad de holte van het
hokje vullend; zaadhuid zeer dun; kiemwit overvloedig,
vleezig; kiem zeer klein, peervormig of omgekeerd hart-
vormig, in den top van het kiemwit gelegen.
Overblijvende, soms reusachtige, onbehaarde of ruigha-
rige, gladde of ruwe kruiden, nagenoeg zonder stengel,
doch met een kruipenden wortelstok en eene bloemschacht.
Bladeren min of meer wortelstandig, gesteeld, ei- of om-
gekeerd hartvormig, enkelvoudig of gelobd, gekarteld,
lederaehtig-vleezig, dikwijls gerimpeld. Bloemen klein en
groen, met 2 schutblaadjes, in aren of dicht opeengedron-
gen aan de takken van eene bloemkolfachtige pluim,
aan wier bovenste takken de mannelijke bloemen voor-
komen. Vrucht klein.
Aantal soorten omstreeks 11, in Zuid Afrika, Abyssinië, Java,
Tasmania , Nieuw Zeeland , de Sandwich eilanden en Zuid Amerika.
Op Java wordt Gunn. macrophylla BI. in de bergstreken aange-
troffen; eene variëteit hiervan, var. Sumatrana Miq. komt op
Sumatra voor.
2. HALORAQIS Forst.
Bloemen één- of tweeslachtig. Kelkbuis met 4 of 8
ribben of kanten; lobben 4, kort, soms schildvormig.
Bloembladen 4, kapvormig, spits, in den knop klepswijze
aaneensluitend, zittend of kort genageld, lederachtig.
Meeldraden 8 , met korte, draadvormige helmdraden ; helm-
draden lijnvormig of langwerpig, zijdelings openbarstend,
aan de basis vastgehecht. Eierstok 2—4-hokkig of door
het verdwijnen van de tusschenschotten 1-hokkig; stijlen
2—4, kort of ontbrekend; stempels meestal vedervormig;
in elk hokje 1 eitje, hangend aan den top van het hokje.
Lederachtige steenvrucht of niet openbarstende noot, klein,
2—4-hokkig, kantig, geribd, gevleugeld of met wratjes
bezet. Zaden hangend, cilindrisch; zaadhuid vliezig, kiem-
wit vleezig; kiem cilindrisch, met zeer korte zaadlobben,
in de as van het kiemwit gelegen.
Kruiden of zelden half heesters, vertakt en onbehaard,
met klierharen bezet of zachtharig. Bladeren klein, de
onderste meestal tegenovergesteld, de bovenste afwisselend,
-ocr page 520-
460
L. HALORAGIDACEAE.
ongedeeld of min of meer vinspletig, gaafrandig of nauw
gezaagd, dikwijls met kraakbeenachtige randen. Bloemen
klein, kort gesteeld, alleenstaand in de bladoksels of aan
de toppen der takken tot aren of trossen verbonden,
meestal hangend, met 2 schutblaadjes of zonder deze,
zeer zelden 3- of 5-tallig. Vrouwelijke bloemen zonder
bloembladen.
Aantal soorten omstreeks 40, de meeste in Australië, eenige
weinige in tropisch en Oost Azië en in de eilanden van den Stillen
Oceaan. MlQUEL noemt voor Nederlandsen Indië slechts ééne soort,
II. disticha Jack, op Sumatra, Singapore en Malakka gevonden.
Volgens HeNSLOW in Hookk.r\'s Fl. of Br. Tnd. II, p. 442 is dit
echter eene soort van Anisophyllea Br. uit de familie der R/tizo-
lihurareae
(/l. disticha Uook. f.) De tweede aldaar genoemde soort,
II. oligcmtha Wight el Arn., waarvan Uiquel vermoedde, dat zij ook
in den Maleischen Archipel zou kunnen voorkomen, wordt door
Clarke als eene soort van Myriophyllum /.. (M. intermedium D C.)
beschouwd. Er is echter reden te onderstellen, dat ook in den
Maleischen Archipel voorkomen twee soorten, die zich van Kngelseh
Indië tot Australië en China verspreiden, nl. II. ntirrnnllia Br.
en II. tefrwjyua Uook. f. Bij oudere schrijvers vinden wij voor
deze soorten de geslachtsnamen Gonocarpus Thitnb. en Gonio-
carpus D C.
3. SERPICULA L.
Bloemen éénhuizig. Mannelijke bloemen: Kelkbuis zeer
kort; lobben 4, eivormig, spits. Bloembladen 4, napvormig.
Meeldraden 8; helmdraden kort; helmknoppen lijnvormig,
naar buiten openspringend, aan de basis vastgehecht.
Eierstok ontbrekend, doch vervangen door 4 rudimentaire
stempels. Vrouwelijke bloemen: Kelkbuis eivormig, met
8 ribben; lobben 4, eivormig, spits, afvallend. Bloembladen
als bij de mannelijke bloemen. Meeldraden ontbrekend.
Eierstok 1-hokkig; stijlen 4, uitgespreid; stempels met
wratjes bezet of vedervormig; eitjes 4, hangend aan den
top van het hokje. Kleine, 8 ribben dragende, 1-hokkige,
1-zadige, lederachtige noot, met korstachtige kern. Zaad
hangend, met vliezige zaadhuid; kiem cilindrisch, in de
as van het kiemwit geplaatst.
Kleine, nederliggende of kruipende, vertakte, onbehaarde
of met uitstaande haren bezette kruiden. Bladeren tegcn-
overgesteld en afwisselend, min of meer zittend, lijn- of
lancetvormig, gaafrandig of getand. Bloemen klein, meestal
-ocr page 521-
461
L. HALORAGIDACEAK.
in okselstandige bundels, waarvan ééne bloem mannelijk
en laag en dun gesteeld is, terwijl de overige vrouwelijk
en zittend of kort gesteeld zijn.
Aantal soorten 2—4, op moerassige plaatsen in tropisch Amerika,
Azië en Afrika. Volgens Miqlel zijn er in Nederlandsen Indiëdrie
soorten. De eerste, S. Epilithea BI., door BLDHE op trachietblokken
op den top van den Gedeh gevonden, werd door dezen eerst als een
afzonderlijk geslacht, Epilithes BI., beschreven, {E. Coccinea Bt.),
de tweede, op ilen Goenoeng Prao door HOHSFIELD gevonden, werd
door Miquel eerst als S. veronicaefolia Bory gedetermineerd, later
als eene afzonderlijke soort, S. Javanica Miq., beschreven, de derde
door ïkysmann op Sumatra gevonden, werd door Miquel als S.
hirsuta Wir/ht et Am. beschreven, doch volgens Clarke in IIook.
Fl. of Br. Ind. II, p. 43i, moet deze soort als een synoniem
beschouwd worden van S. Indien Tliwait.
i. MYRIOPHYLLÜM L.
Bloemen meestal éénbuizig. Mannelijke bloemen: Kelk-
buis zeer kort; zoom 4-, zelden 2-lobbig, soms onduide-
lijk. Bloembladen 2—4, hol, zittend. Eierstok ontbrekend
of door rudimentaire vruchtbladen vertegenwoordigd. Meel-
draden 2—8 , met draadvormige helmdraden; helmknop-
pen lijnvormig-langwerpig, aan de basis vastgehecht,
zijdelings openbarstend. Vromvelyke bloemen: Kelkbuis
met 4 voren; lobben ontbrekend of 4, zeer klein, priem-
vormig. Bloembladen klein of ontbrekend. Meeldraden
ontbrekend of rudimentair. Eierstok 4-, zelden 2-hokkig;
stijlen 4, kort, meestal teruggekromd en vedervormig; in
elk hokje 1 hangend eitje. Noot of steenvrucht met 4
voren, of eene 4-, zelden 2-notige splitvrucht; vruchtwand
van buiten lederachtig of vleezig, soms met wratjes be-
zet, van binnen korstachtig; hokjes of nootjes 1-zadig.
Zaden hangend, langwerpig-cilindrisch, met vliezige zaad-
huid en eene cilindrische kiem in de as van het over-
vloedige kiemwit.
Onbehaarde water* of moerasplanten, meestal met be-
bladerde, drijvende takken. Bladeren tegenovergesteld,
afwisselend en in kransen, hjn- of eivormig, gaafrandig,
getand, gezaagd of kamvormig vinspletig. Bloemen oksel-
standig, klein, zittend of kort gesteeld, of alleenstaand,
of zelden in aren aan de toppen der takken, waarbij de
bovenste mannelijk, de onderste vrouwelijk, de middelste
soms tweeslachtig zijn.
-ocr page 522-
462
I.I. RHIZOPHORACEAE.
Aantal soorten volgens Bentham en Hookf.r 15, die zoowel in
de tropische als in de koude gewesten tehuis behooren. Voor Ne-
derlandsch lndië worden opgegeven My>: pusillum BI. en Myr.
intermedium D C.
5. OALLITRICHE L.
Bloemen éénslachtig, zonder kelk en bloemkroon, ge-
heel naakt of aan de basis met 2 sehutblaadjes. Manne-
lijke bloemen
uit één meeldraad bestaande met een lan-
gen, draadvormigen helmdraad en een 2-hokkigen helmknop,
waarvan de hokjes zich openen met zijdelingsche spleten, die
van boven ten slotte ineenvloeien. Vromcelijke bloemen
bestaande uit een zittenden of kort gesteelden, 4-hokkigen
eierstok, met 4 zijdelingsche groeven en 2 stijlen, die
centraal geplaatst en lang priem-draadvormig en van alle
kanten met wratjes bezet zijn; eitjes hangend, één in
elk hokje , aan den top hiervan vastgehecht. Vrucht samen-
gedrukt, lederachtig, niet openspringend, 4-lobbig, 4-hokkig,
4-zadig; lobben gerand of gevleugeld , ten slotte uiteenwij-
kend. Zaden hangend, met vliezige zaadhuid, vleezig
kiemwit en rolronde, asstandige kiem.
Onbehaarde, meestal het water bewonende, éénjarige,
dunne en teedere kruiden, dikwijls met lange, drijvende
stengels. Bladeren tegenovergesteld, lijnvormig of omge-
keerd ei-spatelvormig, gaafrandig, 3-nervig, de bovenste
dikwijls rosetvormig opeengedrongen. Bloemen klein,
dikwijls éénhuizig, alleen of eene vrouwelijke en eene
mannelijke naast elkander in den bladoksel staande en
schijnbaar eene tweeslachtige bloem vormende, met lijn-
vormig-langwerpige, vliezige, sikkelvormige, witte, spoedig
afvallende sehutblaadjes.
Volgens Miquel zou eene vorm van C. verna L. in Nederlandsen
lndië voorkomen. Clarke meent evenwel dat deze soort alleen in
de gematigde en koude streken van het Noordelijk Halfrond wordt
aangetroiren en dat de algemeen, zoowel in de tropische als de
koudere streken, voorkomende soort C. stagnalis Scop. is.
-ocr page 523-
LI. RHIZOPHORACEAE.                               463
Fam. LI. RHIZOPHORACEAE.
Bentham et Hooker, Gen. Plant. I. p. 677. — Miquei. , Fl. Ind.
Bat.
I, 1, p. 581. — Sumatra, p. 323 en Fl. Ind. Bal.l, I, p. 591. —
Sumatra, p. 325 (Lerjnotideae). — Hknsi.ow in Hooker, Fl. of I3r.
Ind.
II. p. 434. — Scheffer in Nat. Tijdschr. van Ned. Ind. XXXI,
(1870), p. 354.
Bloemen meestal tweeslachtig. Kelkbuis met den eier-
stok min of meer vergroeid, zelden vrij; kelkzoom voorbij
den eierstok verlengd of tot den eierstok in 3—14 lobben
gespleten, die in den knop klepswijze aaneensluiten en
na den bloei blijven. Bloembladen in hetzelfde aantal als
de kelklobben, meestal korter dan deze, op den kelkbodem
ingeplant, meestal hol of naar binnen omgerold, de meel-
draden omsluitend, zittend of genageld, aan den top uit-
gerand, 2-spletig of in onregelmatige slippen verdeeld,
soms in talrijke, haarfijne draden gespleten, zelden gaaf-
randig, in den knop ineengerold of naar binnen gevou-
wen. Meeldraden 2-, 3-, of 4-maal meer dan de bloem-
bladen, zeer zelden in hetzelfde aantal, dikwijls bij paren
tegenover deze geplaatst, ingeplant op den rand of aan
de basis van de perigynisehe of epigynische, soms ge-
lobde schijf, wier lobben soms tot staminodiën verlengd
zijn; helmdraden zeer kort of lang, soms haardun ; helm-
knoppen kort of lang, aan de basis of aan de rugzij de
vastgehecht, 2-hokkig, in de lengte openspringend, (in de
tribus der Rhizophoreae eerst in talrijke vakjes verdeeld);
stuifmeel meestal elliptisch. Eierstok op verschillende
wijzen met den kelk vergroeid, zeer dikwijls onderstan-
dig, zelden geheel en al bovenstandig, 2—5-hokkig of
zelden 6- of 3-hokkig, of, door het verdwijnen van de
tusschenschotten, 1-hokkig; stijl (behalve bij de Ani-
sophyllineae)
enkelvoudig, draad- of priemvormig of dik;
stempel enkelvoudig of gelobd, spits, stomp of schijfvor-
mig, meestal blijvend; bij de Anisophyllineaezijn er 3—4
priemvormige, teruggekromde stijlen; eitjes in elk hokje
2, naast elkander, boven het midden aan de as beves-
tigd, zelden 4 of meer, tot bundels vereenigd, hangend
met buikstandige zaadnerf en naar boven gericht poortje.
Vrucht meestal dik lederachtig, door den kelkzoom ge-
kroond, niet of zelden laat, met kleppen schotverbrekend
-ocr page 524-
464
LI. RHIZOPHORACEAE.
openspringend, 1-hokkig en 1-zadig of 2—5-hokkig, met
1-zadige hokjes. Zaden hangend, van verschillenden vorm,
zonder of met een vleezig kiemwit, met of zonder zaad-
rok ; zaadhuid lederachtig of vliezig, nooit los, zeer zel-
den gevleugeld; kiem omgekeerd, bij de kiemwithoudende
zaden meestal in de as van het kiemwit geplaatst en
klein, recht of krom, rolrond, met platte of half rolronde
zaadlobben; bij die zonder kiemwit meestal lang, met
zaadlobben, die klein of weinig ontwikkeld of ineenge-
smolten zijn; kiemworteltje lang, bij de lihizophoreae den
top van de vrucht doorborend, zich naar het slijk op
den bodem richtend en binnen de vrucht reeds kiemend,
terwijl deze nog aan den boom bevestigd is.
Boomen of heesters, meestal geheel en al onbehaard,
met rolronde, aan de knoopen gezwollen twijgen. Blade-
ren tegenovergesteld en van steunblaadjes voorzien, zel-
den afwisselend en zonder steunblaadjes, gesteeld, dik
lederachtig, geheel en al gaafrandig of bij weinige gol-
vend gekarteld of fijngezaagd. Steunblaadjes tusschen de
bladstelen geplaatst, meestal lang, altijd spoedig afvallend.
Bloemen klein of groot, aan de basis met 2 schutblaadjes
of zonder deze, okaelstandig en tot bijschermen, pluimen,
aren of trossen vereenigd, zelden dicht opeengedrongen
of alleenstaand.
Aantal soorten omstreeks 50, alle tusschen de keerkringen voor-
komende, vele aan slijkachtige stranden en riviermondingen, waar
zij ongezonde, dichte, moerassige wouden vormen.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Tribus I. Itliiznplioreae. Eierstok geheel of half onderstandig.
Stijl 1. Kiem zonder kiemwit met een lang gesteeld kiemworteltje,
spoedig kiemend. Bladeren tegenovergesteld, onbehaard, gaafrandig,
zonder steunblaadjes.
1.   Riiizophora. Kelk 4-deelig. Bloembladen gaafrandig. Helm-
knoppen 8, nagenoeg zittend. Eierstok 2-hokkig, met 2 eitjes
in elk hokje.
2.   Ceriops. Kelk 5—6-deelig. Bloembladen uitgerand, met
één of meer borstelvormige aanhangsels tusschen de lobben.
Meeldraden 10—12. Eierstok 3-liokkig, met 2 eitjes in elk hokje.
3.   Kandema. Kelk 5—6-deelig. Bloembladen 2-spletig, met in
talrijke, haarfijne slippen verdeelde lobben. Meeldraden oo, met
haardunne helmdraden. Eierstok 1-hokkig, met G eitjes.
-ocr page 525-
465
LI. RHIZOPHORACEAE.
4.   Bruguiera. Kelk 8—14-deelig. Bloembladen 2-spletig, met
borstelvormige aanhangsels aan den top. Meeldraden 16—28,
met draadvormige helmdraden. Eierstok 2—4-hokkig, met leitje
in elk hokje.
Tribus II. Ijegnotideae. Eierstok onderstandig, half onder-
standig of vrij. Stijl 1. Kiem in een vleezig kiemwit weggedoken.
Bladeren tegenovergesteld, onbehaard, zonder steunblaadjes, ineestal
gaafrandig.
5.   CaRALLIA. Kelk boven den eierstok klokvormig, met korte,
opgerichte lobben. Bloembladen 5—8. Meeldraden 10—10. Hokjes
van den eierstok met 2 eitjes. Bloemen in beschermen.
6.   PELLACALYX. Kelk boven den eierstok klokvormig, met
korte, teruggekromde lobben. Bloembladen 5—6. Meeldraden
10—12. Hokjes van den eierstok met oo eitjes. Bloemen in
bundels.
7.   PLAESIANTHA. Kelk 4-kantig, boven den eierstok klokvormig;
lobben 4, klein en opgericht. Bloembladen ontbrekend. Meeldra-
den 8, zeer klein. Eierstok 8-hokkig, met oc eitjes in elk hokje.
8.   Gynothoches. Kelk met de basis van den eierstok vergroeid :
lobben vrij en teruggeslagen. Bloembladen 4—5. Meeldraden
8—10. Eierstok 3—0-hokkig, met 4 eitjes in elk hokje.
Tribus III. \\nisoplivlliiicit<\'- Eierstok onderstandig. Stijlen
3—4. Kiem zonder kiemwit, met een lang gesteeld kiemworteltje.
Bladeren afwisselend.
9.   Anisophyllea. Bloembladen 4, opgerold. Helmdraden priem-
vorinig. Eierstok rolrond.
10.   Combretocarpus. Bloembladen ontbrekend (of onbekend ?).
Helmdraden draadvormig Eierstok 3—4-kantig.
1. RHIZOPHOBA L.
Kelk aan de basis omgeven door, tot eene nap ver-
groeide , schutblaadjes; kelkbuis kort, aan de basis met
den eierstok vergroeid; zoom 4-deelig. met lancetvormige,
dik lederachtige, in den knop klepswijze aaneensluitende
lobben. Bloembladen 4, aan de basis van eene vleezige
schijf ingeplant, gaafrandig. Meeldraden 8—12, even als
de bloembladen ingeplant, met korte helmdraden; helm-
knoppen lang, toegespitst, samenneigende, eerst met
talrijke hokjes, ten slotte 2-kleppig. Eierstok half onder-
standig, 2-hokkig, boven den kelk tot een vleezigen kegel
verlengd; stijl aan de basis kegelvormig, vervolgens
priemvormig, met 2-tandigen stempel; eitjes 2 in elk
hokje, naast elkander hangend aan den top. Vrucht leder-
achtig, eivormig of omgekeerd kegelvormig, boven de basis
-ocr page 526-
466                                LI. RHIZOPHORACEAE.
door den teruggeslagen kelkzoom omgeven, 1-hokkig, 1-
zadig. Zaad hangend, spoedig kiemend, met ineengesmol-
ten zaadlobben; kiem zonder kiemwit; kiemworteltje
lang knodsvormig, den top der vrucht, die lang aan den
boom bevestigd blijft, doorborend en naar het slijk om-
laag groeiend.
Boomen, met dikke, rolronde , met litteekens bezette
twijgen. Bladeren tegenovergesteld, gesteeld, dik leder-
achtig, eivormig of elliptisch, gaafrandig en onbehaard.
Steunblaadjes tusschen de bladstelen geplaatst, spoedig
afvallend. Bloemstengels okselstandig, in tweeën of drieën
vertakt, met weinige, groote, lederachtige, zittende of ge-
steelde bloemen.
Aantal soorten omstreeks 5, algemeen voorkomend aan slijk-
achtige, tropische stranden. In Nederlandsen Indië vindt men 2 of
3 soorten, HU. mucronata Lam., met gesteelde bloemen, behaarde
bloembladen en 8 meeldraden en lih. conjw/ata Z,., met zittende
bloemen, onbehaanle bloembladen en meestal II—12 meeldraden.
Aan de eerste schijnt verwant eene derde, door TeYSMAKN op Sumatra
gevonden soort, Hli. Intifolin Miq., die zich onderscheidt door de
breedere bladeren.
2. CERIOPS Am.
Kelk aan de basis omgeven door, tot eene nap ver-
groeide, schutblaadjes; kelkbuis kort, aan de basis met
den eierstok vergroeid; kelkzoom 5—6 deelig, met lange,
lancetvormige, lederachtige, in den knop klepswijze aan-
eensluitende lobben. Bloembladen 5—6, aan de basis
van eene vleezige, 10—12-lobbige, schijf ingeplant, uit-
gerand, met één of meer borstelige aanhangsels. Meel-
draden 10—12, 2 aan 2 tegenover de bloembladen tus-
schen de lobben van de schijf ingeplant; helmdraden
dun; helm knoppen langwerpig of lijnvormig, stomp of
toegespitst. Eierstok half onderstandig, 3-hokkig, boven
den kelk tot een vleezigen kegel verlengd; stijl kort,
priemvormig, aan de basis kegelvormig, met enkelvou-
digen stempel; eitjes 2 in elk hokje, hangend nabij den
top. Vrucht lederachtig, eivormig, boven de basis door
den teruggeslagen kelkzoom omgeven, 1-hokkig, 1-zadig.
Zaad hangend, spoedig kiemend; zaadlobben ineenge-
smolten; kiemworteltje lang, knodsvormig, den top van
de vrucht, die lang aan den boom blijft, doorborend en
naar het slijk omlaag groeiend.
-ocr page 527-
467
LI. RHIZOPHORACEAE.
Boomen, met dikke, bebladerde twijgen. Bladeren
tegenovergesteld, gesteeld, dik lederachtig, ovaal of om-
gekeerd eivormig, gaafrandig. Steunblaadjes tusschen de
bladstelen geplaatst, spoedig afvallend. Bloemen aan kort-
gesteelde, in tweeën of drieën vertakte, op hoofdjes ge-
lijkende bijschermen.
Aantal soorten 2 of 3, aan de tropische stranden van de oude
wereld. Volgens MlQUEL komen in Nederland se h Indié\' 1 of 2, tus-
sclien de keerkringen overal verspreide, soorten voor, C. Caiulol-
leana Am.,
met spitse, lijnvormige kelklobben en misschien ook
C. Roxlmrgliiana Am., met vrij stompe, min of meer eivormige
kelklobben en vervolgens eene derde, die alleen op Sumatra is
waargenomen, C. lucitla Miq.
3. KANDELIA Wight et Am.
Kelk aan de basis door, tot eene nap vergroeide, schut-
blaadjes omgeven; kelkbuis kort, aan de basis met den
eierstok vergroeid; kelkzoom 5—6-deelig, met lijn-lancet-
vormige, lederachtige, in den knop klepswijze aaneen-
sluitende lobben. Bloembladen 5—6, aan de basis van
de vleezige schijf ingeplant, 2-spletig, met in talrijke
haarfijne slippen verdeelde lobben. Meeldraden zeer talrijk,
met draadvormige helmdraden en kleine, langwerpige
helmknoppen. Eierstok half onderstandig, 1-hokkig, boven
den kelk tot een vleezigen kegel verlengd; stijl draadvor-
mig, aan de basis kegelvormig, met 3-spletigen stempel;
eitjes 6, 2 aan 2 vastgehecht aan eene in het midden van
de eierstokholte staande zuil. Vrucht lederachtig, eivor-
mig, boven de basis door den teruggeslagen kelkzoom
omgeven, 1-hokkig, 1-zadig. Zaad hangend, spoedig kie-
mend; zaadlobben ineengesmolten; kiemworteltje lang,
knodsvormig, toegespitst, den top van de vrucht, die
lang aan den boom blijft, doorborend en naar het slijk
omlaag groeiend.
Kleine boom, met rolronde, bebladerde twijgen. Blade-
ren tegenovergesteld, gesteeld, dik lederachtig, langwer-
pig, stomp, gaafrandig. Steunblaadjes tusschen de blad-
stelen geplaatst, spoedig afvallend. Bloemen groot en wit,
aan okselstandige, vorkswijze vertakte, weinigbloemige
bloemstengels.
Eene soort, A\'. Rheedii Wight et Am., in de kustmoerassen van
geheel Indië
tot Nieuw Guinea toe.
-ocr page 528-
468
LI. RHIZOPHORACEAE.
4. BRUGUIERA Lam.
Kelk zonder schutblaadjes aan de basis, met omgekeerd
kegelvormige of klokvormige buis, aan de basis met den
eierstok vergroeid; kelkzoom 8—14-deelig; lobben priem-
lanoetvormig, in den knop klepswijze aaneensluitend.
Bloembladen 8—14, op den kelkzoom ingeplant, langwerpig,
2-spletig, met wimpers of zijdeachtige haren en dikwijls
met 2—5 borstels op den top, aan de basis ineengerold
en de meeldraden omvattende. Meeldraden 16—28, twee
aan twee tegenover de bloembladen ingeplant en ten
slotte uit deze elastisch te voorschijn springend, met on-
gelijke, draadvormige helmdraden; helmknoppen lijnvor-
mig-langwerpig, spits of toegespitst. Eierstok onderstan-
dig, 2—4-hokkig; stijl draadvonnig, aan de basis kegel-
vormig, met kleinen, 2-spletigen stempel; eitjes 2 in elk
hokje, naast elkander aan de as vastgehecht. Vrucht tol-
vormig, dik lederachtig, aan den top door de opgerichte
kelklobben gekroond, 1-hokkig, 1-zadig. Zaad hangend,
spoedig kiemend; zaadlobben kort, stomp; kiemworteltje
lang, knodsvormig, den top van de vrucht, die lang aan
den boom blijft, doorborend en naar het slijk omlaag
groeiend.
Boomen, met rolronde twijgen. Bladeren tegenover ge-
steld, gesteeld, lederachtig, langwerpig, gaafrandig. Steun-
blaadjes tusschen de bladstelen geplaatst, spoedig afvallend.
Bloemen meestal groot, aan okselstandige, 1—8-bloemige,
meestal knikkende bloemstengels.
Aantal soorten G—8, aan de tropische stranden van de oude
wereld. Volgens Miquei. komt een 8-tal soorten in Nederlandsen
Indië voor. Volgens Hknsi.ow in Hooker, Fl. of Br. Ind. II, p. 437,
moeten eenige hiervan als synoniemen opgevat worden, zoodat het
aantal tot 5 teruggebracht wordt, nl. Br. gymnorhiza Lam., Br.
eriopetala Wirjld et Am., Br. caryopliylloides BI., Br. parviflora
Wight el Am.
en Br. oxyphylla Miq.
5. CARALLIA Roxb.
Kelk aan de basis met kleine schutblaadjes; kelkbuis
met den eierstok half vergroeid, boven den eierstok klok-
vormig, met 5—8 korte, in den knop klepswijze aaneen-
sluitende lobben. Bloembladen 5—8, ingeplant aan den
rand van de gekartelde schijf, die de kelkbuis bekleedt,
genageld, cirkelvormig, 2-spletig of gaafrandig, min of
-ocr page 529-
U. RHIZOPHORACEAE.                                469
meer gezaagd of aan den top in onregelmatige slippen
verdeeld. Epigynische schijf 10—16-lobbig. Meeldraden
10—16, evenals de bloembladen ingeplant, met draad-
vormige hehndraden; helmknoppen klein, langwerpig.
Eierstok half onderstandig, 1-, of 3—5-hokkig, boven den
kelk kegelvormig verlengd; stijl priem* of draadvormig,
met 3—5-lobbigen stempel; eitjes 2 in elk hokje, aan de
as boven het midden naast elkander vastgehecht. Vrucht
klein, kogelvormig, lederachtig, meestal 1-hokkig, 1-zadig.
Zaad kogel- of niervonnig, met vezelige zaadhuid, vlee-
zig kiemwit en gekromde kiem.
Onbehaarde boomen of heesters, met rolronde twijgen.
Bladeren tegenovergesteld, gesteeld, eivormig of elliptisch,
onbehaard, glanzend, gaafrandig of fijn gezaagd. Steun-
blaadjes tusschen de bladstelen geplaatst, spoedig afval-
lend. Bloemen klein, zittend aan okselstandige, korte, in
drieën vertakte bijschermen, meestal dicht opeengedrongen
aan korte en dikke bloemstengels.
Aantal soorten volgens Bentham en HOOKER 7, tehuis behoo-
rende in de tropische gewesten van Afrika, Azië en Australië.
Miquel noemt er echter voor Nederlandse!) Indië alleen een 10-tal
op, doch deze werden door HENSLOW in HOOKER, Fl. of. Bi: Ind.
II, p. 439, grootendeels tot 2 soorten, C. integerrima DC. en C.
lanceaefolia Roxb.
teruggebracht.
6. PELLACALYX Kortli.
Kelkbuis zonder schutblaadjes aan de basis, half met
den eierstok vergroeid, boven den eierstok klokvormig,
met 5—6 korte, teruggekromde tanden. Bloembladen 5—6,
ingeplant op den rand van de schijf, die de kelkbuis be-
kleedt, en met uitgeranden en fijngetanden top. Meel-
draden 10—12, naar binnen gekromd, op den rand van
de schijf ingeplant, met korte, priemvormige helmdraden
en kleine helmknoppen. Eierstok half onderstandig, 5—10-
hokkig; stijl priemvormig, met een in 5—10 kleine lobben
verdeelden, schijfvormigen stempel; eitjes in elk hokje oo ,
in bundels aan de as vastgehecht, hangend. Vrucht erwt-
of tol vormig, zwartvleezig, 5—10-hokkig, oo-zadig. Zaden
in elk hokje 1-rijig, klein, eivormig; zaadhuid gestreept,
gerimpeld, dik; kiemwit overvloedig; kiem groen, in de
as van het kiemwit; zaadlobben min of meer plat, met
een lang, rolrond kiemworteltje.
-ocr page 530-
470                                LI. RHIZOPHORACEAE.
Kleine boomen, met roestkleurige, zachte haren be-
kleed en met rolronde twijgen. Bladeren in 2 rijen , tegen-
overgesteld, kort gesteeld, langwerpig, geaderd, fijn ge-
zaagd. Steunblaadjes tusschen de bladstelen geplaatst,
lang. Bloemen klein, roestkleurig, in de bladoksels alleen-
staand of in vorkswijs vertakte bloemkluwens.
Aantal soorten (volgens Heusi.ey in IIookeu, Ic. Plant. 1.1546)
3 of 4. op Borneo, Sumatra, Penang en Malakka voorkomende, nl.
Peil. carillons Korth., Peil. Saccardianui Soort., Peil. eristntus
Hemsl.
en misschien nog éóne soort, vertegenwoordigd door een
exemplaar uit Malakka, dat door HeNSLOW tot Peil. axillans
gebracht is.
7. PLAESIANTHA Hook. f.
Kelkbuis aan de basis zonder schutblaadjes, urnvormig,
4-kantig en aldaar met den eierstok vergroeid, boven den
eierstok klokvormig, kort 4-spletig, met kleine, dikke,
driehoekige, opgerichte of naar binnen gekromde, in den
knop klepswijze aaneensluitende lobben. Bloembladen
ontbrekend. Meeldraden 8, ingeplant op den rand van
de 8-lobbige schijf, die de kelkbuis bekleedt, tegenover
de kelklobben geplaatst, in paren, die afwisselen met
evenveel op bloembladen gelijkende staminodiën; helm-
draden zeer kort, dik, priemvormig, naar binnen ge-
kromd; helmknoppen klein, tweelobbig. Eierstok onder-
standig, neergedrukt, 8-hokkig; stijl kort, dik, zuilvormig,
met min of meer schijfvormigen, 8-lobbigen stempel; eitjes
in elk hokje omstreeks 12, in bundels, hangend, met
buikstandige zaadnerf. Vrucht onbekend.
Onbehaarde heester of kleine boom met rolronde twij-
gen. Bladeren tegenovergesteld, gesteeld, lederachtig, om-
gekeerd eivormig, kort toegespitst, gaafrandig, vinnervig,
glanzend. Steunblaadjes tusschen de bladstelen geplaatst,
spoedig afvallend. Bloemen knikkend, 0.6—0.8 cM. lang,
dik lederachtig, aan stelen alleenstaand in de bladoksels.
Eéne soort, PI. Lobbii Hook. ƒ., op Borneo voorkomend.
8. GYNOTROOHBS Dl.
Kelk aan de basis zonder schutblaadjes en aldaar met
de basis van den eierstok vergroeid; kelkzoom 4—5-dee-
lig, met teruggeslagen in den knop klepswijze aaneenslui-
tende lobben. Bloembladen 4—5, onder den rand van de
-ocr page 531-
471
LI. RHIZOPHORACEAE.
perigynische, 8—10 kartels dragende schijf ingeplant, ge-
nageld, spatelvormig, in talrijke, fijne slippen verdeeld.
Meeldraden 8—10, op de schijf ingeplant, met draadvor-
mige helmdraden en kleine, 2-lobbige helmknoppen.
Eierstok bovenstandig, met de breede basis aan den kelk
verbonden, ei-kogelvormig, 3—G-kantig, 3—6-hokkig; stijl
zuilvormig, gevoord, met kegelvormige basis en een 3—6-
lobbigen stempel, waarvan de lobben uitgerand en terug-
gekromd zijn; eitjes 4 in elk hokje, oppengedrongen,
klimmend, met rugstandige zaadnerf. Bes min of meer
kogelvormig, vleezig, 4—6-hokkig, oc-zadig. Zaden klein,
omgekeerd eivormig, met korstachtige, gerimpelde zaad-
huid en vleezig kiem wit; kiem rolrond, met half rolronde
zaadlobben.
Grootere of kleinere, onbehaarde of in de jonge deelen
met aschgrijze beharing bekleede boomen. Bladeren tegen-
overgesteld, gesteeld, langwerpig, lederachtig, vinnervig,
glanzend. Steunblaadjes tusschen de bladstelen geplaatst,
spoedig afvallend. Bloemen klein, geelgroen, aan in het
midden geleede bloemstelen vastgehecht en, tot bundels
vereenigd, in de bladoksels geplaatst.
Aantal soorten 2 of 3 in Nederlandse)) en Engelsch Indië, G.
axillaris BI., G. Dryptopetatum BI. en G. micrantha BI. Door
Henslow in Hooker, Fl. of Br. Ind. II, p. 440 werden de beide
eerste soorten vereenigd. Hasskari. schreef voor den geslachtsnaam
in zijn Catalogtts Gynaecotrochus (Gynaec. axillaris Ilftssk.). Bij
de Kngelsche botanisten werd het geslacht ook Oryptopetalum Arn.
en Microtropis Wall. genoemd.
9. ANISOPHYLLEA B. Br.
Kelkbuis eivormig, met den eierstok vergroeid, rolrond
of geribd, met 4-deeligen zoom en opgerichte lobben.
Bloembladen 4, klein, naar binnen gerold, gaafrandig,
2-lobbig of in slippen verdeeld. Meeldraden 8, evenals de
bloembladen ingeplant, met korte, priemvormige helm-
draden en kleine, 2-lobbige helmknoppen. Eierstok onder-
standig, 4-hokkig; stijlen 4, priemvormig, opgericht of
teruggekromd, met spitsen of knopvormigen, stempel-
kliertjes dragenden top; eitjes hangend, 1 in elk hokje.
Vrucht lederachtig, langwerpig, rolrond, geribd, 1-zadig.
Zaad hangend, met lederachtige zaadbuid; kiem zonder
-ocr page 532-
472
LI. RHIZOPHORACEAE.
kiem wit, knodsvormig, met zeer kleine of soms zonder
zaadlobben; kiemworteltje zeer groot.
Boomen en heesters, die onbehaard zijn of wier jonge
twijgen en knoppen met zijdeachtige haren zijn bekleed.
Bladeren afwisselend, in 2 rijen, gesteeld, om het andere
grooter en kleiner, (de laatste soms zeer klein en steun-
bladvormig), schuin eivormig of lancetvormig, 3—5-dub-
belnervig, gaafrandig, zonder steunblaadjes. Bloemen klein,
soms zeer klein, zonder of met zeer kleine schutblaadjes,
in okselstandige, enkelvoudige aren.
Aantal soorten 5, in tropisch Azië en Afrika. Door Miquej, wordt
slechts ééne soort van dit geslacht vermeld, doch als eene soort
van Haloragis Forst, uit de familie der Haloragidaceae {II. dis-
liclia Jack.).
Volgens HENSLOW in HOOKEB, Fl. of Br. Intl. II, p.
442 is dit A. disticha Hook. f., eene soort, die ook op Malakka en
Singapore voorkomt. Nog 2 soorten komen in Malakka en Penang
voor, A. Grifp.1 hit Olie. en A. Gaudichaudiana Baill. De laatste
is volgens Oi.ivkr in Hookkk, Ic. Plant. t. 1551 dezelfde, die in
Hookkr\'s Fl. of Br. Ind. als A. grandifolia Henslow werd ver-
meld.
-10. COMBRETOCARPUS Hook. f.
Kelkbuis zonder schutblaadjes, 3—4-kantig, tolvormig,
met den eierstok vergroeid; zoom 3—4-deelig, blijvend,
met langwerpige, uitstaande, in den knop klepswijze aan-
eensluitende lobben. Bloembladen ontbrekend (of onbe-
kend ?). Meeldraden 6—8, onder den rand van eene kleine,
epigynische schijf ingeplant; helmdraden draadvormig;
helmknoppen kort langwerpig. Eierstok onderstandig, 3—4-
hokkig, met platten top; stijlen 3, priem-draadvormig,
opgericht of teruggekromd, met spitse stempels; eitjes 2
in elk hokje, naast elkander aan de as vastgehecht.
Vrucht cirkelvormig, vliezig, breed 3—4-vleugelig, met
eene smalle, lederachtige, door de samenneigende kelk-
lobben bekroonde, 1-hokkige, 1-zadige kern, met breede,
vliezige, geaderde vleugels. Zaad lijnvormig, samen-
gedrukt, met een langen navel aan den vruchtwand
bevestigd; zaadhuid vliezig; kiemwit ontbrekend; kiem
lang, spoelvormig, samengedrukt, min of meer gevoord,
vleezig, met kleine, platte zaadlobben en een lang
kiemworteltje.
Kleine, op een elzenboom gelijkende, onbehaarde
-ocr page 533-
LH. COMBRETACEAE.                                 473
boom, met rolronde twijgen. Bladoren afwisselend, ge-
steeld, lederachtig, eivormig of langwerpig, aan de basis
schuin en stomp, gaafrandig, vinnervig, zonder steuu-
blaadjes. Bloemen klein, met kantige bloemstelen, aan
korte, okselstandigc trossen. Vrucht gelijkende op die
van een Combretum.
Eéne soort, op Borneo voorkomende, C. hfotleyi Ilook. f.
Fam. lil COMBRETACEAE.
Bentham et IIookku, Gen. Plant. I, p. 083. —• Miquei. , Fl. Ind.
Bat.
I, 1, p, 507, p. 977 en p. 1093 (Gyroearpeaey.— Sunuitra, p. 3S6
en p. 333 {IUigereaë). — Ann. Max. Bol. Lugd. Bat. II, p. 213. —
Ci.arkk in Hookkr, Fl. of Br. Ind. II, p. 443.
Bloemen tweeslachtig of zelden gemengdslachtig-twee-
huizig of éénslachtig. Kelkbuis met den eierstok ver-
groeid, eivormig, rolrond of kantig, boven den eier-
stok vernauwd of niet, soms lang buisvormig; kelkzoom
4—5-, zelden 6—8-spletig of -deelig, meestal klokvormig,
blijvend of afvallend. met in den knop klepswijze aan-
eensluitende, zelden naar binnen gevouwen of dakpans-
wijzc dekkende, zelden na den bloei in omvang toene-
mende lobben. Bloembladen ontbrekend of 4—5, zelden
meer, meestal klein, in den knop dakpanswijze dekkend
of klepswijze aaneensluitend. Meeldraden 4—5 of 8 of 10,
zelden in een onbepaald aantal, op den zoom of den
bodem van den kelk ingeplant, in 1 rij, of wanneer zij
in het dubbele aantal van de kelklobben zijn, in 2 rijen;
helmdraden priem- of draadvormig, recht of in weinige
gevallen met een boog opstijgend, in den knop naar binnen
gevouwen, aan de basis naakt of, bij de Gyrocarpeae, aldaar
klieren dragende, of met staminodiën afwisselend; helmknop-
pen bij de Combreteae bewegelijk, klein, 2-lobbig, hartvormig
of langwerpig en met langsspleten openbarstende, bij de
Qifroearpeae met het helmbindscl vergroeid en met 2
kleppen openspringende. Schijf epigynisch, ontbrekend of
gelobd. Eierstok 1-hokkig, met de kelkbuis geheel en al
vergroeid; stijl enkelvoudig, draadvormig, kort of lang,
30
-ocr page 534-
474                                 LIL COMBRETACEAE.
recht of zelden gekromd; stempel enkelvoudig, spits of
stomp, zelden onduidelijk gelobd; eitjes bij de Combre-
teae
2—6, behalve bij de soorten van Lagwncularia, aan
dunne zaadstrengen van den top van het hokje neder-
hangend, bij de Gfyrocarpeae slechts 1, evenzoo aan den
top van het hokje vastgehecht, anatroop. Vrucht leder-,
papier- of steenvruchtachtig, met eene beenharde of korst-
achtige, meestal eivormige of langwerpige, kantige, gevoorde
of in de meeste gevallen 4—5-vleugelige kern, met naak-
ten top of door den kelkzoom gekroond, 1-hokkig, 1-zadig,
•van binnen niet zelden gevoord, kantig of geribd, niet
of zeer zelden aan den top of over de geheele lengte
openspringend. Zaad hangend, ongeveer van denzelfden
vorm als de rolronde, kantige of gevoorde vrucht, zeer
dikwijls lang en cvenzoo gevoord; zaadhuid lederaehtig
of vliezig; kiemwit ontbrekend; kiem rolrond of gevoord;
zaadlobben ineengerold of gevouwen of ineengedraaid-
gevouwen, dikwijls vleczig en oliebevattend, in weinige
gevallen van binnen plat en van buiten gevoord; kiem-
worteltje klein en naar boven gericht.
Boomen of heesters, dikwijls klimmend, ongewapend
of zelden gedoomd, met rolronde en gladde twijgen,
meestal zonder lenticellen. Bladeren tegenovergesteld,
afwisselend of zelden in kransen, lederaehtig of vliezig,
enkelvoudig, alleen bij IUigera 3-tallig, gesteeld, gaaf-
randig. Steunblaadjes ontbrekend. Bloemen bij de Com-
breteae
in aren of trossen, zelden in pluimen of hoofdjes
doch nooit in bij schermen, bij de Gyrocarpeae in bijseher-
men, in beide groepen met schutblaadjes aan de basis,
die slechts in weinige gevalleD met de kelkbuis ver-
groeid zijn.
Aantal soorten omstreeks 240, in alle tropische gewesten alge-
meen, zelden in de gematigde, doch warmere streken van Zuid
Afrika en Indië voorkomende.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Onderfamilie I. COMBRETEAE. Kelklobben in den knop kleps-
wijze aaneensluitend. Meeldraden aan de basis zonder klieren, op
den kelkzoom ingeplant, met in den knop neergebogen helmdraden;
helmknoppen bewegelijk, in de lengte openbarstend; stuifmeel ellip-
tisch. Eitjes 2—12 in elk hokje, aan lange zaadstrengen hangende.
Bloemen in trossen of aren.
-ocr page 535-
LH. COMBRETACEAE.                                 475
1.   Terminai.ia. Kelkbuis rolrond, niet boven den eierstok ver-
lengd. Bloembladen ontbrekend. Meeldruden 10. Bladeren meestal
afwisselend. Bloemen moestal in aren.
2.   LlIMNITZERA. Kelkbuis lang, boven den eierstok versmald
en een weinig verlengd; kelkzoom blijvend. Bloembladen 5.
Heeldraden 5 of 10. Bladeren afwisselend. Bloemen in trossen.
3.   Laguncui.aria. Kelkbuis tolvormig, boven den eierstok niet
verlengd. Meeldruden 10, ingesloten. Bladeren tegenovergesteld.
Bloemen in aren.
4.   Comiiretum. Kelkbuis boven den eierstok vernauwd; zoom
klein, klokvormig, afvallend. Bloembladen 4—5, klein. Meeldraden
8 of 10. Bladeren meestal tegenovergesteld, zelden in kransen
of afwisselend. Bloemen in aren of trossen.
5.  Qüisqualis. Kelkbuis dun, ver voorbij den eierstok verlengd.
Zoom klein, afvallend. Bloembladen 5, groot of klein. Bloemen
in trossen.
Onderfamilie II. GYROCARPEAE. Kelklobben in den knop kleps-
wijze aaneensluitend of dakpanswijze dekkend. Meeldraden met
klieren of staminodiën afwisselend, aan de basis van den kelkzoom
ingeplant; helmdraden in den knop recht. Helmknoppen aangegroeid,
met kleppen openspringend; stuifmeel kogelvormig. In den eierstok
1 eitje, aan de korte zaadstreng opgehangen. Bladeren afwisselend.
Bloemen in bijschermen.
6.  Ii.ligera. Kelk met in den knop klepswijze aaneensluitende
en afvallende lobben. Vrucht zijdelings 2—4 vleugels dragend.
Klimplant met 3-tallige bladeren.
7.  Gyrocarpus. Kelk met in den knop dakpanswijze dekkende
lobben, waarvan 2 in de vrucht blijven en in omvang toenemen.
Noot met 2 lange vleugels aan den top. Boom met enkelvoudige
of gelobde bladeren.
1. TERMINALIA L.
Bloemen tweeslachtig of gemengdslachtig-tweehuizig.
Kelkbuis ei- of cilindervormig, boven den eierstok vernauwd;
zoom urn- of klokvormig, 5-tandig of -spletig, meestal
afvallend. Bloembladen ontbrekend. Meeldraden 10, in 2
rijen, de 5 onderste tegenover de kelktanden, de 5 boven-
ste hiermede afwisselend en langer; helmdraden priem- of
draadvormig, boven den kelkzoom uitstekend; helmknoppen
klein, 2-lobbig. Eierstok 1-hokkig; stijl priemvormig, aan
de basis dikwijls verdikt en langharig, met enkelvoudi-
gen stempel; eitjes 2, zelden 3, hangend aan den top
van het hokje. Vrucht eivormig, kantig, samengedrukt
of 2—8-vleugelig, soms vleugelvruchtvormig, 1-zadig,
-ocr page 536-
476
UI. COMBRETACEAE.
met eene meestal dunne of geheel ontbrekende, zelden
vleezige buitonlaag van den vruehtwand en eene leder-
achtige of beenharde kern. Zaad lang eivormig of rolrond,
met vliezige zaadhuid; zaadlobbcn ineengerold.
Boomen of opgerichte heesters. Bladeren afwisselend
of zelden tegenovergesteld of bijna tegenovergesteld,
meestal dicht opeengedrongen aan de toppen der takken,
meestal gesteeld en gaafrandig, soms met doorschijnende
stippels, aan weerskanten van de basis met eene inge-
drukte klier of zonder deze. Bloemen zittend, klein, groen
of wit, zelden gekleurd, meestal in lange, losse aren,
zelden dicht opeengedrongen in hoofdjes; aren meestal
enkelvoudig, soms in pluimen, niet zelden vóór de bla-
deren zich ontwikkelend uit beschubdc knoppen. Vrucht
verschillend van vorm en grootte.
Aantal soorten 80—90, in de tropische gewesten algemeen voor-
komend, in Amerika liet zeldzaamst. In Nederlandsch Indië
wordt een 10-tal soorten aangetroffen. Het geslacht BlICida L..
waarvan ééne soort, 11. lucida Hassk., op .lava voorkomt, welke
öf aldaar uit Mauritius ingevoerd, öf inlandsen is, en volgensMiqiiki.
afwijkt door de vleezige vrucht, moet volgens BENTHAM en HOOKER
ook tot Tenninalia gebracht worden.
2. LTJMNITZBRA Willd.
Kelkbuis lang langwerpig, naar boven en naar onde-
ren dunner wordend, met 2 aangegroeide schutblaadjcs,
boven den eierstok weinig verlengd; zoom klokvorinig,
gelijk of ongelijk, 5-lobbig, blijvend. Bloembladen 5, lang-
werpig, uitgespreid. Mceldraden 5—10, in 2 rijen; helm-
draden draad-priemvormig, even lang of\' langer dan de
bloembladen; helmknoppen hartvormig. Eierstok 1-hokkig;
stijl draadvormig, onbehaard, met enkelvoudigen stempel;
eitjes 2—5, hangend aan den top van het hokje. Vrucht
houtachtig, smal eivormig-langwerpig, samengedrukt, stomp-
kantig, door den blij venden kelk gekroond, 1-zadig. Zaad
lijnvormig; zaadlobben ineengerold.
Boomen en heesters met aan den top bebladerde twij-
gen. Bladeren afwisselend, dik lederachtig, nagenoeg
zittend, omgekeerd ei-wigvormig, gaafrandig of gekarteld
zonder nerven en zonder klieren. Bloemen groot, karmijn-
rood of wit, in korte, eindelingsche of ook okselstandige
trossen.
-ocr page 537-
477
Lil. COMBRETACEAE.
Aantal soorten 5, aan de tropische stranden van Afrika, Azië
en Australië. In Nederlandsch lndië komen 2 soorten voor, L.
coccinea Wight el Arn.
en L. racemosa Willd. In voorkomen ver-
schillen zij weinig van de Rhizoplwraceae, waartusschen men ze
aantreft
3. LAGUNCüLARIA GaeHn.
Bloomen gemengdslachtig. Kelkbuis tolvormig, min of
meer rolrond, voorbij den eierstok niet verlengd , met 2
aangegroeide schutblaadjes aan de basis; kelkzoom urn-
vormig, 5-spletig, blijvend. Bloembladen 5, klein, spoedig
afvallend. Meeldraden 10, in 2 rijen, met ingesloten priem-
vormige helmdraden en hartvormige helmknoppen. Eier-
stok 1-hokkig, door eene epigynische schijf gekroond;
stijl draadvormig, kort, onbehaard, met 2-lobbigen stern-
pel ; eitjes 2, lang, naast elkander hangend, aan den top
van het hokje; zaadstreng onvolkomen ontwikkeld. Vrucht
lederachtig, door den kelkzoom gekroond, lang omgekeerd
eivormig, min of meer 3-kantig, met gerande kanten, 1-
zadig. Zaad omgekeerd eivormig-langwerpig, met ledcr-
achtigo zaadhuid; zaadlobben ineengerold.
Kleine boom, met tegenoverstaande, gestoelde, dik
lcderachtige, langwerpige of elliptische, stompe, onduide-
lijk geaderde, gaafrandige, aan de basis met 2 klieren
voorziene en dikwijls (in ziekehjken toestand?) met kleine
wratjes bezaaide bladeren. Bloemen klein, zijdeachtig be-
haard, ver van elkander zittend, aan lange, okselstandige
of eindelingsche, zijdeachtig behaarde bloemstengels, die
drie aren dragen.
Volgens BENTHAMJei) IIooker ééne soort, Lag. racemosa Gaertn. /".,
die in tropisch Amerika en West Afrika wordt aangetrotren. Vol-
gens Miquki. komt echter eene tweede soort van dit geslacht, Lag.
luien Gauil.,
op Timor voor. Deze soort werd evenwel door Hkntiiam
en IIookkr, ofschoon zij tegenoverstaande hladeren heeft, tot Lum-
nitzera Willd. gerekend. Een nader onderzoek dezer plant schijnt
daarom wenschelijk.
4. OOMBRETUM L.
Bloemen gemengdslachtig-twcehuizig. Kelkbuis cilin-
drisch of 4—6-zijdig, boven den eierstok samengetrokken
en meer of minder lang verlengd; zoom urn-, trechter-
of buisvormig, 4—5-spletig, spoedig afvallend, van bin-
-ocr page 538-
478                                 Lil. COMBRETACEAE.
nen onbehaard, of met lange, stijve of zachte haren bezet.
Bloembladen 4—5, (zeer zelden ontbrekend), klein, tus-
schen de kelklobben ingeplant. Meeldraden 8 of 10, in
2 rijen, met lange, draadvormige helmdraden; helmknop-
pen klein, 2-lobbig. Eierstok 1-hokkig; stijl priemvormig;
stempel enkelvoudig; eitjes 2—6, hangend aan den top
van de holte. Vrucht lederachtig of min of meer spons-
achtig, 4—6-zijdig of 4—5-vleugelig, meestal met vlie-
zige vleugels, bij eenige weinige soorten met eene in
4—5 deelen splijtende schil, 1-zadig. Zaad lang, kantig
of gevoord, met lederachtige of vliezige zaadhuid; zaad-
lobben kantig, gevouwen, ineengedraaid-gevouwen of diep
gevoord, zelden ineengerold.
Heesters, zelden boomen, meestal klimmend, bij wei-
nige soorten met doornachtige takken. Bladeren tegen-
overgesteld, zelden in kransen van 3 of 4, nog zeldzamer
afwisselend, gesteeld, meestal vliezig en gaafrandig. Bloe-
men in aren of trossen, niet zelden aan de zijtakken van
deze, daar de aren of trossen dikwijls tot pluimen ver-
eenigd zijn; schutbladen klein of groot.
Aantal soorten omstreeks 120. in de tropische gewesten van
Azië, Afrika en Amerika, vooral in Zuid Afrika zeer talrijk, doch
in Australië ontbrekend. Volgens MlQUEL vindt men in Nederlandse!)
Indië een 10-tal soorten, vermeld in zijne Flora, Sumatra en Annales.
Clarke noemt nog eene 11e soort, C. tetralophum Clarke, die op
Iïorneo voorkomt. Een 3-tal dezer soorten vormde Bluhe\'s geslacht
Embryogonia. Door Hasskarl werd ééne hiervan tot het geslacht
Cacoucia Aubl. gebracht, dat volgens de opvatting van Bentham
en Hookkr in tropisch Azië niet voorkomt. Eene soort uit Mau-
ritiiis, die veel in tuinen gekweekt wordt, werd door Miquel ver-
meld onder den geslachtsnaam Poivrea Comm.,(P. coccinea D C.=
C. purpureum Willd.).
5. QUISQUALIS L.
Kelkbuis van onderen eivormig of bijna rolrond, boven
den eierstok zeer lang verlengd en buisvormig, zeer dun,
afvallend; kelkzoom 5-deelig, met kleine, uitgespreide of
teruggekromde lobben. Bloembladen 5, groot of klein,
stomp. Meeldraden 10, kort, buiten de bloem uitstekend,
met priemvormige helmdraden; helmknoppen eivormig.
Eierstok 1-hokkig; stijl draadvormig, soms aan de kelk-
buis vastgehecht en daarboven uitstekend; stempel min
-ocr page 539-
479
LU. COMBRETACEAE.
of meer verbreed, stomp; eitjes 3—4. Vrucht droog,
langwerpig, lederachtig, scherp 5-zijdig, met 5 vleugels
en 5 voren, 1-zadig. Zaad smal langwerpig, 5-zijdig,
met 5 voren; zaadhuid vliezig; zaadlobben soms 3,
vleezig, van binnen plat of hol, van buiten gcvoord of
rolrond.
Klimmende heesters met dunne takken. Bladeren ge-
heel en al of bijna tegenovergesteld, vliezig, langwerpig
of omgekeerd eivormig, toegespitst, gaafrandig. Bloemen
wit of rood, groot, in korte, oksclstandige en eindelingsche
aren, soms in trossen. Vrucht groot.
Aantal soorten 3 of 4, in tropisch Azië en Afrika. Volgens MlQUEL
zijn er in N\'eilerlanilsch Iiuliü \'2 soorten, Q. Indien /.. en Q. dn>i-
si flora Wall.
Ken synoniem van de laatste soort, is volgens ClARKE
SphalanthUS Jack, in Miquei/s Flora bij vergissing SpalanthuS ge-
schreven, (i>. confertum Jack.).
6. ILLIGERA BI.
Bloemen tweeslachtig. Kelkbuis smal eivormig, boven
den eierstok vernauwd; kelkzoom 5-deelig, met uitstaande,
langwerpige, stompe, afvallende, in den knop klepswijze
aaneensluitende lobben. Bloembladen 5, even lang als de
kclklobben, lijnvormig-langwerpig, stomp, onder de peri-
gynische schijf ingeplant, in den knop klepswijze aaneen-
sluitend. Mceldraden 5, afwisselend met evenveel klieren;
helmdraden zachtharig, priem-draadvqrmig, in den knop
recht, van achteren aan weerszijden van de basis 2 spatel-
of buisvormige, naar buiten geopende staminodiën dragend;
helmknoppen langwerpig, met 2 zijdelingsche kleppen
openbarstend; stuifmeel groot, kogelvormig, gestekeld.
Eierstok 1-hokkig; stijl draadvormig, gevoord, met nier-
vormigen, verbreeden, golvend gekartelden stempel; eitje
1, hangend aan den top van het hokje. Vrucht leder-
achtig, met 2—4 breede, geaderde vleugels; kern 1-zadig,
lijnvormig, gevoord. Zaad cilindrisch of kogelvormig;
zaadhuid vliezig; zaadlobben amandelvormig, plat-bol;
kiemworteltje tusschen de zaadlobben teruggetrokken.
Klimmende heesters, met rolronde, dunne, gestreepte
twijgen. Bladeren afwisselend, gesteeld, min of meer
lederachtig, 3-tallig; blaadjes gesteeld, toegespitst, gaaf-
-ocr page 540-
480
Lil. COMBRETACEAE.
randig. Bloemen groot, in losse, gesteelde bij schermen,
aan wier vertakkingen schutbladen gevonden worden. Schut-
blaadjes 1—4, aan de basis der bloemen. Vrucht groot.
Aantal soorten omstreeks 7, in Engelsen en Nederlandsen Indië en
op de Philippijnsehc eilanden voorkomende. In Nederlandsch Indië
zijn er 5, III. appendiculata BI., III. dasyphylla Mi</., III. dubia
Span., III. pulchra BI.
en III. Celebica Miq. De soort, welke tot
type diende voor het geslaelit Coryzadenia Grift., (C. trifoliata Gri/f.),
werd dooi\' Mkissnkr tot Illiypra gebraehten lil. Coryzadenia Meisan.
genoemd. Door KlIRZ werd deze met III. appendiculata BI. ver-
eenigd. Zoowel Illigera als het volgende geslacht Gyrocarpus werd
door sommige schrijvers tot eene afzonderlijke familie Gyrocarpeae
of Illigereae gerekend en door andere tot de familie der Laumceae
gebracht. Met de laatste hebben zij vooral door de klieren aan de
basis dei\' helmdraden en de met kleppen openspringende helm-
knoppen veel overeenkomst.
7. GYEOOAEPUS Jacq.
Bloemen één- of gemengdslachtig, mannelijke talrijk,
vrouwelijke of tweeslachtige in gering aantal. Mannelijke
bloemen:
Kelk 4—7-deelig, met gelijke of ongelijke,
langwerpig-spatelvormige, stompe, in den knop dakpans-
wijze dekkende lobben. Bloembladen ontbrekend. Meel-
draden 4—7 , op den kelkbodem ingeplant en afwisselende
met evenveel knodsvormige staminodiën; helmknoppen
breed langwerpig, met 2 kleppen openspringend; stuif-
meel zeer klein, kogelvormig, gestekeld. Eierstok ont-
brekend. Vrouwelijke bloemen: Kelkbuis eivormig; kelk-
lobben 2, langwerpig, stomp, in omvang toenemend.
Bloembladen en meeldraden ontbrekend. Eierstok l-hok-
kig; stijl ontbrekend; stempel zittend tusschen de kelk-
lobben ; eitje 1, hangend aan den top van het hokje.
Beenharde noot, gekroond door de beide vleugelvormige,
lang spatelvormige, lang gesteelde, lederachtige kelklobben.
Zaad breed langwerpig, rolrond, met dik lederachtige
zaadhuid; zaadlobben gesteeld, om het kiemworteltje in-
eengerold.
Hooge boom, met dikke, aan den top bebladerde tak-
ken. Bladeren gesteeld, groot, oningesneden of gelobd,
gaafrandig, vliezig. Bloemen klein, in veelbloemige bij-
schermen zonder schutbladen, de mannelijke talrijk, de
vrouwelijke in elk bijscherm slechts 1 of eenige weinige.
Vleugels der vrucht 5—8 cM. lang.
-ocr page 541-
LUI. MYRTACEAE.                                   481
Volgons Rentham on HOOKER slechts ééne soort, die tusschen
de keerkringen wijd verspreid is; de naam van deze is volgens
MiQUEL Gyr. Asiaticus Willd., volgens CLARKE in HooKER, Ft. of
Br. Ind. Gyr. Jacquinii Ro.cb.,
volgens Ferd. v. Muell. in
Descriptive Notes on Papuan Plants Gyr. Americanus Jacq.
Hij MÊlSSNER in BC. Prod. XV, 1, p. \'248 zijn er 5 soorten onder-
scheiden.
Fam. lul MYRTACEAE.
BENTHAM et Hooker, Gen. Plant. I, p. 000. — Miquei., Ft. Ind.
Bat.
I, 1, p. 394. — Sutnatra, p. 308. — Duthie en Clarke in
Hooker, Ft. of Br. Ind. II, p. 402. — Kurz in Journ. of As. Soc.
XL (1871), p. 57 en XLVI (1877), p. 00.— F. v. Muell., Fragmenta
Phytographiae Australiae,
VIII, 1872—1874, p. 183. — Beseriplive
Notes on Papuan Plants,
V, 1877, p. 105.
Bloemen dikwijls volkomen of bijna volkomen regel-
matig, tweeslachtig of door mislukking gemengdslaclitig.
Kelkbuis aan de basis of tot aan de inplanting der mcel-
draden met den eierstok vergroeid; kelkzoom geheel en
al of bijna gelijk, in 4—5, zelden in 6—oo of in 3 lob-
ben of slippen verdeeld, die ten minste in den jongen
knop dakpanswijze dekkend zijn, zelden nagenoeg gaaf-
randig of afgeknot of in den knop gesloten en bij den
bloei in 2—5 slippen klepswijze of op onregelmatige
wijze uiteensplijtend. Bloembladen 4—5, zelden 6 of
door mislukking minder of geheel ontbrekend, gelijk of
de buitenste een weinig grooter dan de overige, op den
schijfrand ingeplant, vóór den bloei dikwijls breed dak-
panswijze dekkend en tot een kogelvormigen bloemknop
samenneigende, waarbij de buitenste de binnenste dik-
wjjls geheel en al bedekken, soms min of meer vergroeid
of tot een kapje, dat bij den bloei afvalt, geheel ver-
smolten, meestal gedurende den bloei uitgespreid. Schijf
de kelkbuis bekleedend, met dunnen, ringvormigen of
breeden, soms verdikten, den kelkmond bijna sluitenden,
gelijken of zelden aan één kant verlengden, meeldraden
dragenden rand. Meeldraden oo, zelden in bepaald aantal
en dan in het dubbele of in hetzelfde aantal als de
bloembladen of minder, doch meestal zeer talrijk, in
1—oo rijen op of binnen den schijfrand ingeplant, of de
geheele schijf dicht bedekkend, in den knop naar binnen
gevouwen of ineengerold, zelden in tweeën gevouwen of
-ocr page 542-
482
LUI. MYRTACEAE.
reeds in den knop recht; helmdraden meestal draadvor-
mig, vrij of aan de basis tot eenen ring of cene korte
buis of tot tegenover de bloembladen, zelden tegenover
de kelkbladen staande bundels verbonden; helmknoppen
klein of langworpig-lijnvormig, bewegelijk, in het midden
of nabij de basis van de rugzijde of aan de basis zelve
vastgehecht, 2-hokkig; hokjes met langsspleten, zelden
met eindelingsche poriën openspringende; helmbindsel
meestal met eene kleine, kegelvormige klier, die zelden
tot een aanhangsel is verlengd. Vruchtbladen verbon-
den tot een onderstandigen, zelden half onderstandigen
of met uitzondering van de breede basis geheel boven-
standigen, doch binnen de kelkbuis besloten eierstok, die
soms 1-hokkig is, en dan of met eene basilaire zaadlij81
(een onvolkomen tusschenschot ?), of met cene hier en daar
aan den wand vergroeide of met eene draadvormige, ccn-
trale aan de basis en den top vastgehechte zaadlijst, doch
meestal 2—oo-hokkig is, met aan de as vastgehechte of
in de as vergroeide zaadhjsten en uiterst zeldzaam 1-
hokkig is met 2 wandstandige zaadlijsten; stijl enkel-
voudig, lang of zelden nagenoeg ontbrekend, met een
eindelingschen, kleinen, knop- of schildvormigen, zelden
3—4-lobbigen stempel; eitjes aan elke zaadlijst 2—co , in
2—co rijen, zelden slechts 1, campylotroop of anotroop.
Vrucht nu eens onderstandig, door den bljjvenden kelk-
zoom gekroond of\', wanneer deze afvalt, naakt, dan weder
half bovenstandig, of behalve aan de breede basis bovcn-
standig, doch binnen de blijvende kelkbuis besloten of
zelden met den top hierboven uitkomende, nu eens doos-
vruchtachtig, aan den top met zooveel kleppen als er
hokjes zijn hokverbrekond openspringend, dan weder 1-
zadig, droog en niet openspringend of eene vleezige bes
of steenvrucht, niet openspringend en 1—oo-zadig. Zaden
van verschillenden vorm, met vliezige, korstachtige, bcen-
harde of dikvleczige zaadhuid; kiemwit meestal ont-
brekend of in uiterst geringe hoeveelheid nabij den navel,
slechts in een enkel geval overvloedig; kiem recht, ge-
kromd, of tot een cirkel of eene spiraal ineengcrold,
soms dikvleezig; zaadlobben of zeer klein, zittend of met
een korten hals verbonden aan het smalste einde der
kiem, soms bijna geheel ontbrekend, óf langer dan het
-ocr page 543-
LUI. MYRTACEAE.                                    483
kiemworteltje, bladachtig of dikvleezig, plat of ineen-
gedraaid en gevouwen, of alleen dubbel gevouwen, of
plat-bol of zeer dik, vrij of samengesmolten.
Boomcn , heesters of zelden half heesters, bijna nooit
klimmend. Bladeren enkelvoudig, gaafrandig of zelden
onduidelijk gekarteld-gezaagd, tegenovergesteld of afwis-
selend, bij de geslachten der beide eerste tribus gestippeld
door harsachtige, doorschijnende klieren en nu eens klein en
1—oo-nervig, dan weder grooter en vinnervig of zelden
3-nervig, bij die der laatste tribus afwisselend en niet-
gestippeld. Steunblaadjes ontbrekend of zelden klein en
spoedig afvallend. Bloemen tot eene enkelvoudige of pluim-
vormige tros vereenigd, zelden in bijschermen, okselstan-
dig of door het mislukken van den eindknop schijnbaar
eindstandig. Schutbladen aan de basis der bloemstengels
alleenstaand of, terwijl de onderste bloemen mislukken,
dicht bijeengedrongen. Schutbiaadjes onder den kelk of
op het midden van den bloemsteel 2 tegenover elkan-
der geplaatst, dikwijls spoedig afvallend, zelden geheel
ontbrekend.
Aantal soorten omstreeks 1800, in de tropische gewesten van
de geheele wereld voorkomende, zeer weinige in de gematigde
streken van liet Noordelijk Halfrond en Zuid Afrika.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Tribus I. Leptospcrmeae. Eierstok 2—5-, zelden oo -hokkig.
Doosvrucht aan den top hokverbrekend openspringend, 2—oo-zadig,
zelden I—2-zadig en nagenoeg niet openspringend. Bladeren meestal
gestippeld.
1.   Bakckea. Bladeien tegenovergesteld, smal, bijna naaldvormig,
doorschijnend gestippeld. Kclkslippen geheel of alleen aan den
rand stijfvliezig. Bloembladen uitgespreid, vrij. Meeldraden 10
of minder, in 1 rij, vrij. Bloemen alleenstaand of in bundels.
2.    Myrteli.a. Bladeren tegenovergesteld, klein, doch niet
naaldvormig. Kelkslippeu in den knop klepswijze aaneensluitend,
niet stijfvliezig. Bloembladen vrij. Meeldraden 30, in 1 rij, vrij,
niet langer dan de bloembladen. Bloemen alleenstaand of in bundels.
3.   Leptospermlm. Bladeren afwisselend, klein en stijf. Kelk-
slippen kruidachtig of vliezig. Bloembladen vrij, uitgespreid.
Meeldraden oo , vrij. Bloemen in bundels of alleenstaand.
4.   Mki.ai.kuca. Bladeren afwisselend, zelden tegenoverstaand.
Kelkslippeu kruidachtig of min of meer stijfvliezig. Bloembladen
vrij, uitgespreid. Meeldraden oo , in bundels, langer dan de bloem-
bladen. Bloemen in aren of hoofdjes.
-ocr page 544-
484
LUI. MYRTACEAE.
5. Eucalyptus. Bladeren meestal in de jeugd tegenovergesteld,
later afwisselend. Kelk dfgeknot of verwijderd getand. Bloembladen
meestal tot een afvallend kapje versmolten. Meeldraden oo, in
oc rijen, vrij. Bloemen meestal in schermen of hoofdjes.
0. Tristania. Bladeren afwisselend of aan de toppen der tak-
ken opeengedrongen, zelden tegenovergesteld. Kelkslippen kort.
Bloembladen vrij, uitgespreid. Meeldraden in bundels tegenover
do bloembladen, korter of langer dan deze. Bloemen klein, in
bijschermen.
7.  Metrosidkros. Bladeren tegenovergesteld, zelden eeltige af-
wisselend. Kelkslippen smal dakpanswijze dekkend. Bloembladen
vrij. uitgespreid. Meeldraden vrij, veel langer dan «Ie bloembladen.
Bloemen meestal groot, in sterk vertakte, eindelingsche, zelden
okselstaudige bijseherinen.
Tribus II. Myrteae. Eierstok 2—oo-hokkig. Bes of steenvrucht,
niet openspringend, bladeren tegenovergesteld , meestal gestippeld.
T Kelkzoom in <len knop gesloten en bij den bloei diep
kleptwyze verdeeld.
8.   Psidium. Eierstok 2—7-, meestal 4—5-hokkig, met oo eitjes
in elk bokje, meestal in vele rijen aan eene uit 3 platen bestaande
zaadlijst vastgehecht. Bladeren vinnervig, niet gesteeld. Bloemen
groot, zelden klein, aan okselstaudige, zelden zijdelingsche bij-
schermen.
•f-J- Kelkzoom in den knop h-lobbig of -dcelig en bij den
bloei niet verder openbarstend.
§ Kiem gekromd. cirkeU of spiraalvormig, met meestal kleine,
zelden groots of ineengedraaide en gevouwen zaadlobben.
0. RBODOMTRTUS. Eierstok 1—3-hokkig, met 2-rijige eitjes,
doch daai\' elk hokje door een valsch tusschenschot gedeeld is,
op de doorsnede schijnbaar 2—6-hokkig, met 1-rijige eitjes,
verder door horizontale valsche schotten in hoven elkander staande
l-eiige vakjes verdeeld. Bladeren 3-nervig of vinnervig. Bloemen
meestal groot, aan okselstaudige, 1—7-bloemige bloemstengels.
10.   Myrtus. Eierstok 2—3-, zelden 4-hokkig, met oc eitjes in
elk hokje. Bladeren vinnervig. Bloemen aan okselstaudige bloom-
stengels óf alleen, óf ten getale van 3—7, in welk geval de
middelste kort, do buitenste langer gesteeld zijn.
11.   RuOOAMNIA. Eierstok 1-hokkig, met 2 wandstandige, oo
eitjes dragende zaadlijsten. Bladeren 3-nervig. Bloemen meestal
klein, in bundels of losse trossen.
12.   Bkcasi\'ERMüm. Eierstok 4—5-hokkig, met 2—3 eitjes in
elk hokje of schijnbaar 8—lÜ-liokkig, met i eitje in elk hokje.
Bladeren vinnervig. Bloemen klein, in okselstaudige, dikwijls aan
de (oppen der takken tot eene pluim vereenigde trossen.
13 PlHENTA. Eierstok 2-hokkig, met 1—4, zelden met 6 eitjes,
hangend in den binnenhoek van het hokje. Bladeren vinnervig.
Bloemen klein, in veelbloemige, in drieën vertakte bijschermen,
die in de hoogere bladoksels staan.
-ocr page 545-
485
Uil. MYRTACEAE.
§§ Kiem dikvleezig, niet spiraalvormig, niet dikke, min
of meer ineenge&mollen, zelden vrije, Italf bolvormige
of ongelijke zaadlobben.
14.   Kugenia. Eierstok 2-, zelden 3-hokkig, met co, zelden
met 2 eitjes in elk hokje. Bladeren vinnervig. Bloeiwijze ver-
schillend.
Tribus III. Lecy t llidene. Eierstok \'2- of cc -hokkig. Vrucht
niet openspringend, houtachtig, vezelig of vleezig. Bladeren afwisse-
lend, niet gestippeld.
15.    Barringtonia. Meeldraden alle met helmknoppen; geen
staminodiën. Kiem met ineengesmolten zaadlobben.
10. Pi.ANCHONtA. Binnenste naeeldraden zonder helmknoppen
(staminodiën), korter dan de andere. Kiem ineengerold, met
bladachtige, gevouwen zaadlobben.
Behalve de opgenoemde geslaehten zon men tot deze familie volgens
sommige schrijvers nog moeten brengen Punica L., Sonneratia L. f.
en Duabanga Ham., alle door Jïhntiiam en IIookkr tot de Lythraceae
gebracht. Haar bij de verschillende schrijvers de meeningen omtrent
de plaatsing dezer geslachten sterk uiteenloopen, heb ik ze hij de
laatste familie gelaten, ofschoon eene groote overeenkomst met de
Myrtaceae niet kan ontkend worden.
1. BAECKLEA L.
Kelkbuis tolvormig of halfbolvormig, aan de basis met
den eierstok vergroeid, met het vrije gedeelte klokvormig;
kelkslippen 5, aan den rand of geheel en al stijfvliezig,
blijvend. Bloembladen 5, uitgespreid, meestal spoedig
afvallend. Meeldraden 5—10, of oo, (zelden meer dan
20), in eene regelmatige of door de bloembladen afgc-
broken rij, met draadvormige of afgeplatte helmdraden.
Eierstok onderstandig, met platten of bollen top, of half-
bovenstandig of bijna geheel bovenstandig, doch in den
kelk besloten, in het midden om den stijl ingedrukt;
stijl draadvormig, mot knop- of sehildvormigen stempel;
eitjes 2 naast elkander of oo in 2 rijen of om eene sehild-
vormige zaadlijst in een ring geplaatst. Doosvrucht in
den kelk besloten en min of meer met de buis vergroeid
of behalve de breede basis vrij, aan den top hokverbre-
kend openspringend. Zaden of in elk hokje 1—3, nier-
vormig, of oo, min of meer kantig; zaadhuid korstaehtig
of dun; zaadlobben klein, aan een dunnen, naar het
dikke kiemworteltje gebogen hals.
-ocr page 546-
486
LUI. MYRTACEAE.
Meestal op Erica\'s gelijkende, onbehaarde heesters.
Bladeren klein, tegenovergesteld, gaafrandig, meestal smal,
op eene naald gelijkende en met doorschijnende klieren
bezet. Bloemen lclein, wit of rosé, gesteeld of zelden na-
genoeg zittend in de bladoksels, of alleenstaand met 2
schutblaadjes in het midden of boven het midden van
den bloemsteel of eenige weinige aan een korten bloem-
stengel en elk met 1 schutblaadje aan de basis van den
bloemsteel.
Aantal soorten omstreeks 57, voornamelijk in Australië; slechts
ééne soort in Nederlandsen Imlië, B. frutesceru L., die zich over
Malakka, Sumatia, Bornco, de Philippijnsche eilanden, Nieuw
Guinea en Zuid China verspreidt, doch in Nieuw Holland niet
voorkomt. Turczaninovv\'s geslachten Anticoryne en Cyathostemon,
beschreven in Buil. Acad. Scient. St. Peterril. (1852) p. 409 en
p. 408, moeten volgens F. v. Muki.i.. in Fragmenta Phytographiae
Australiae,
VI11, p. 183 als soorten van Baeckea beschouwd worden.
(A. diosmoides Turcz. = B. ovalifoliu F.v. Muell. en C. tenuifolius
Turcz. = B. Drummoudii Benth.)
2. MYRTELLA F. v. Muell.
Kelkbuis kort, met den eierstok vergroeid; lobben een
weinig langer dan de buis, vóór den bloei nagenoeg kleps-
wijze aaneensluitend. Bloembladen nagenoeg ovaal of
langwerpig, even lang of tweemaal zoo lang als de kelk-
lobben, vrij. Meeldraden omstreeks 30, in 1 rij, vrij,
niet veel langer dan de kelklobben; helmdraden dun;
hokjes van de helmknoppen in de lengte openbarstende.
Eierstok 3-hokkig; stijl kort; stempel zeer klein; eitjes
in gering of groot aantal, vastgehecht aan asstandige
zaadlijsten. Rijpe vrucht onbekend, in jeugdigen toestand
half eivormig.
Heesters met kleine, tegenoverstaande, stijve en gestip-
pelde bladeren en okselstandige, alleenstaande, kort ge-
steelde, kleine bloemen met lang blijvende schutblaadjes
aan de basis.
Aantal soorten 2, Myrt. Becearii F.v. Muell. en Myrt. hirsutula
F. v. Muell.,
door Beccari in Nieuw Guinea gevonden. Volgens
Durand in Index Generum Phanerogamorum zou dit geslacht,
beschreven in F. v. Muei.i.. Descriplive Noten on Papuan Plant», p.
105, met Cyathostemon Turcz. en Anticoryne Turcz. veieenigd
moeten worden, onder den naam van het laatste. F. v. Muem.er
beschouwt echter de beide laatstgenoemde geslachten als soorten
van Baeckea.
-ocr page 547-
487
LUI. MYRTACEAE.
3. LEPTOSPERMUM Forst.
Kelkbuis wijd klokvormig of zelden tolvormig, aan de
basis niet den eierstok vergroeid, aan liet vrije gedeelte
breed; kelkslippen 5, kruidachtig of vliezig. Bloembladen
5, uitgespreid. Meeklraden oo , vrij, in 1 rij, niet langer
dan do bloembladen; liclmdraden draadvormig; helm-
knoppen bewegelijk, met evenwijdige in de lengte open-
barstende hokjes. Eierstok onderstandig of half bovcn-
standig, in de kelkbuis besloten, met platten of bollen top,
om den stijl ingedrukt, 5—12-, zelden 3—4-hokkig; stijl
draadvormig, soms zeer kort; stempel knop- of schildvor-
mig; eitjes nu eens zeer veel in elk hokje, lijnvormig,
horizontaal of teruggekromd, aan eene schildvormigo zaad-
lijst, dan weder in gering aantal, teruggekromd en in 2
rijen. Doosvrucht aan de basis met de kelkbuis vergroeid,
met daarboven uitstekenden top of zelden er geheel en al
binnen besloten , hokverbrekend openspringend. Zaden dun,
lijn-wigvormig of breeder en kantig, naakt of aan de
kanten gewimperd of gevleugeld, met eene dunne zaadhuid;
kiem recht; zaadlobben langer dan het kiemworteltje.
Heesters of zelden kleine boomen, onbehaard of zijde-
achtig of grijsharig. Bladeren afwisselend, klein, stijf,
1-nervig of zonder nerven. Bloemen wit, meestal gemengd-
slachtig, alleen of 2—3 bijeenstaande aan de toppen der
takken of in de bladoksels, zittend of zelden kort ge-
steeld. Breede, stijfvliezige, meestal dakpanswijze opeen-
gedrongen schutbladen, die lang vóór den bloei afvallen;
schutblaadjes kleiner, soms langeren tijd blijvend. Zaden
grootendeels onvruchtbaar, ofschoon in omvang toegeno-
men en zeer hard geworden, meestal slechts 1 of eenige
weinige in elk hokje vruchtbaar.
Aantal soorten omstreeks 25, grootendeels in Australië; een 2-
tal, dat volgens Korthals een afzonderlijk geslacht Macklottia
moest vormen, is in Nederlandsen en Engelsen Indië, van Malakka
tot Nieuw Guinea verspreid, nl. Lept. Ambo\'nicnse Tteinw. en Lept.
Javanicum BI.
Tot het geslacht Leptospermum brengen BENTHAM en
Hookkr ook als sectie Fabricia Gaerln., welke zich onderscheidt
door gevleugelde zaden. Eéne soort van de Molukken, die evenwel
van de andere Fabricia\'a afwijkt, werd door Roxburgii als F.
brac.teala Iloxb.
beschreven. Glaphyria Jack., een geslacht van 2
soorten, nl. Gl. nitida Jack, en (il. sericea Jack., is volgens BENTHAM
en Hooker gevormd naar soorten van Leptospermum, waarvan de
vrucht ten onrechte als besvonnig is beschreven.
-ocr page 548-
488                               LUI. MYRTACEAE.
4. MELALEUCA L.
Kelkbuis klok- of urnvormig, aan de basis met den
eierstok vergroeid, aan het vrije gedeelte even wijd of
samengetrokken, zelden iets wijder; kelkslippen 5, kruid-
achtig of min of meer stijfvliezig, afvallend of blijvend,
soms op onregelmatige wijze vergroeid. Bloembladen 5,
uitgespreid, afvallend. Meeldraden oo, min of meer ver-
groeid tot 5 tegenover de bloembladen geplaatste bundels;
helmdraden draadvormig, aan den top of bijna van de
basis af vrij; lielmknoppen bewegelijk, met evenwijdige ,
in de lengte openbarstende bokjes. Eierstok 2—5-hokkig,
nagenoeg geheel onderstandig of half bovenstandig, in
de kelkbuis besloten, met langharigen, bollen top, om
den stijl min of meer ingedrukt; stijl draadvormig, met
kleinen of zelden knopvormigen stempel; eitjes in elk
hokje oo , soms zeer talrijk en eene sehildvormige zaad-
lijst bedekkende, dan weder in geringer aantal aan eene
basilaire, sehildvormige of 2-spletigc, opgerichte zaadlijst.
Doosvrucht binnen den blijvenden kelk besloten en gekroond
door het blijvende vrije deel en den kelkzoom, of zelden
alleen door het aangegroeide deel van den kelk omgeven,
terwijl het overige afvalt, aan den top hokverbrekend
openspringend. Zaden volkomen wigvormig, smal of breed;
zaadhuid dun; kiem recht, met smalle, plat-bolle of broedere,
meestal gevouwen zaadlobbon, die elkander wederkcerig
omvatten en grooter dan het kiemworteltje zijn.
Heesters of hoornen. Bladeren verspreid of meestal
tegenovergesteld, stijf, klein en smal, zonder nerven of
met 1—3 nerven, zelden grooter en 3—oo-nervig. Bloemen
zittend, alleenstaand in de oksels van schutbladen of
hoogere stcngclbladen, nu eens verspreid, dan weder
meestal tot kogelvormigo hoofdjes of langwerpige aren
dicht opeengedrongen, in welk geval de aren eerst ein-
delingsch zijn, vervolgens door het doorgroeien van den
tak onder den bebladorden top komen. Schutbladen meestal
zeer spoedig afvallend. Bij verscheidene soorten zijn de
bloemen gemengdslachtig en de mannelijke aren meer
kogelvormig, terwijl de tweeslachtige langwerpig of ci-
lindervormig zijn.
-ocr page 549-
489
LUI. MYRTACEAE.
Aantal soorten omstreeks 100, bijna alle in Australië tehuis
behoorende, eenige weinige in Nederlandsch Indië, waarvan éóne
soort door tropisch Azië wijd verspreid is. Miquel noemt 3 soor-
ten op voor Nederlandsch indië, nl. Mei. Leucodendron L., Mei.
Cajepuli Ro;rl>.
en Mei. minor Smith. Door Bentham en Hooker
worden de beide laatste als vormen van Mei. Leucodendron L.
beschouwd.
5.  BÜOALYPTUS Her.
Kelkbuis tol- of klokvormig, aan de basis met den
eierstok vergroeid, aan het vrije gedeelte nagenoeg niet
verbreed, aan den top afgeknot, gaafrandig of verwijderd
4-tandig. Bloembladen versmolten tot een lederachtig of
kruidachtig kapje, dat den kelk afsluit en bij den bloei
rondom loslaat en afvalt, zelden min of meer vrij. Meel-
draden oo , in co rijen, vrij, met draadvormige helmdraden;
helmknoppen bewegelijk, met evenwijdige, in de lengte
openbarstende hokjes. Eierstok op den bodem van den
kelk, onderstandig, met onbehaarden, platten, 3—4-hok-
kigen top; stijl draadvormig, met kleinen stempel. Eitjes
oo in elk hokje, min of meer horizontaal. Doosvrucht
besloten binnen den verharden kelk met afgeknotten rand
en hiermede vergroeid, aan den top hokverbrekend open-
barstend. Zaden meestal hoekig of lijn-wigvormig; zaad-
huid vliezig; kiem recht, met platte of samengevouwen
zaadlobben, die langer zijn dan het kiemworteltje.
Zeer hooge, dikwijls blauwgroen bebladerde boomen.
Bladeren bij de jongere boomen dikwijls tegenovergesteld,
bij de volwassene meestal afwisselend, lederachtig, gaaf-
randig, vinnervig. Bloemen aan korte, okselstandige,
gesteelde schermen of hoofdjes, zelden alleenstaand.
Schutbladen vliezig, lang vóór den bloei afvallend.
Aantal soorten omstreeks 100, hoofdzakelijk in Australië. Miquel
noemt 3 soorten op voor Nederlandsch Indië, nl. Euc. alba Reinw.,
Euc. derjlupla BI.
en Euc. oblirjua Her., welke op Timor, Celebes
en de Molukken gevonden zijn. Bentham meent echter dat de
exemplaren, welke tot de laatste soort gebracht zijn, eene afzon-
derlijke soort moeten vormen, die den naam moet dragen van Euc.
Decaisniana BI.
6.  TEISTANIA R. Br.
Kelkbuis tol- of klokvormig, aan de basis met den eier-
stok vergroeid, aan het vrije gedeelte min of meer verbreed;
31
-ocr page 550-
490                                    LUI. MYRTACEAE.
kelkslippen 5, kort. Bloembladen 5, uitgespreid. Meel-
draden co , korter dan de bloembladen of er boven uit-
stekend, min of meer vergroeid tot 5, tegenover de
bloembladen geplaatste bundels, met van boven of bijna
tot de basis vrije helmdraden; helmknoppen bewegelijk,
met evenwijdige, in de lengte openbarstende hokjes.
Eierstok onderstandig of halfbovenstandig, 3-hokkig, met
hollen, platten of bollen, zelden om den stijl ingedrukten
top; stijl draadvormig; stempel min of meer knopvormig
of verbreed; eitjes co in elk hokje, hangend of horizontaal.
Doosvrucht met de blijvende kelkbuis min of meer ver-
groeid of behalve de breede basis vrij, binnen den kelk
besloten of er boven uitstekend, aan den top of het vrije
gedeelte hokverbrekend openspringend. Zaden in gering
aantal, teruggekromd of hangend, lijn-wigvormig of aan
den top gevleugeld en verbreed; kiem recht; zaadlobben
plat-bol, langer dan het naar boven gerichte kiemworteltje.
Boomen of hooge heesters Bladeren afwisselend of aan
de toppen der takken op een gedrongen, min of meer in
kransen, zelden tegenovergesteld. Bloemen meestal klein,
geel of wit, in okselstandige, gesteelde bijschermen. Schut-
bladen droog en lang voor den bloei afvallend of ont-
brekend. Schutblaadjes ontbrekend.
Aantal soorten ongeveer 20, in Australië en tropisch Azië. Miquel
noemt 2 soorten voor Nederlandsen Indië, nl. Trist. obovata lienn.
en Trist. Sumatrana Miq. De laatste naam werd door DtJTHiE in
Hookkr\'s Flora of Br. Intl. II, p. 406, ten onrechte veranderd in
Trist. Wightiana Gri/f. Volgens DuTHIE komt Trist. Burmanica
Gri/j\'.
op Java en Iiorneo en Trist. Merguensis Griff. op llorneo
voor, terwijl Trist. Maingayi Duthïe, op Mahikka gevonden, mis-
schien nog op Surnatra kan aangetroffen worden.
7. METROSIDEROS Banks.
Kelkbuis klok-, trechter- of urnvormig, aan de basis niet
den eierstok min of meer vergroeid; kelkslippen 5, in
den knop licht dakpanswijze dekkend. Bloembladen 5,
uitgespreid. Meeldraden co, veel langer ,dan de bloem-
bladen, in 1—cc rijen, vrij, met draadvonnige, soms stijve
helmdraden j belmknoppen bewegelijk, met evenwijdige, in
de lengte openbarstende hokjes. Eierstok onderstandig of
half bovenstandig, binnen de kelkbuis besloten, met plat-
ten of bollen top, om den stijl een weinig ingedrukt,
-ocr page 551-
491
LUI. MYRTACEAE.
3-hokkig; stijl draadvormig, met kleinen of afgeknotten
stempel; eitjes in elk hokje zeer talrijk, horizontaal of
min of meer klimmend, eene schildvormige of aangegroeide,
in den binnenhoek der hokjes vastgehechte zaadlijst dicht
bedekkend. Doosvrucht met den kelk vergroeid of min
of meer vrij, in de blijvende kelkbuis besloten of er min
of meer boven uitstekend, van boven hokverbrekend en
zelden onregelmatig openbarstend. Zaden co, klimmend,
dicht opeengedrongen, lijn-, spoel-, wigvormig of van
boven plat en verbreed; zaadhuid dun; kiem recht; zaad-
lobben plat of gevouwen, langer dan het kiemworteltje.
Boomen of heesters, zelden klimmend, onbehaard of
grijs-viltachtig behaard. Bladeren tegenovergesteld of zel-
den sommige afwisselend, vinnervig. Bloemen dikwijls
groot, in dichte, eindelingsche of zelden okselstandige, in
tweeën of drieën vertakte bijschermen, waaraan elke bloem
binnen een klein schutblad gezeten is of aan een kleinen
bloemsteel zonder schutblaadjes is bevestigd.
Aantal soorten omstreeks 18, meestal in de eilanden van de
Stille Zuidzee, eenige weinige soorten in Nieuw Holland, Zuid
Afrika en den Maleischen Archipel. In Nederlandsen Indië vindt
men slechts 3 soorten, nl. Metr. comosa Iioxb. en Metr. snberosa
lioxb.,
beide alleen bekend doordat zij uit de Molukken in den bota-
nischen tuin te Calcutta zijn ingevoerd, waarbij door BENTHAM en
Hooker nog eene soort van de Molukken werd gevoegd, welke Mlqi i:i.\'s
geslacht Nania vormde, (AT. vera Mig.). Met eene soort van Noord A ust ra-
lië, ui. Metr. eucalyptoides F. v. Muell., onderscheidt de laatste zich
door platte en breede zaden van de overige soorten van Metrosideros.
3. PSIDIUM L.
Kelkbuis klok-, urn- of peervormig, boven den eier-
stok meestal weinig verlengd; kelkslippen 4—5, vóór
den bloei kort en breed of bij den geheel gesloten knop
ontbrekend, gedurende den bloei meestal tot aan de schijf
klepswijze uiteenwijkend of uiteenscheurend. Bloembladen
4—5, uitgespreid. Meeldraden zeer talrijk, in oo rijen op
eene meestal breede schijf ingeplant, vrij, met draadvor-
mige helmdraden; helmknoppen langwerpig of lijnvormig,
nabij de basis vastgehecht, met evenwijdige, in de lengte
openspringende hokjes. Eierstok 2—7-, meestal 4—5-
hokkig; stijl draadvormig, dikwijls dik; stempel schild-
of knopvormig; eitjes in elk hokje oo, in oo rijen aan
-ocr page 552-
492
LUI. MYRTACEAE.
eene meestal uit 2 platen bestaande zaadlijst vastgehecht.
Bes kogel-, ei-, of peervormig, door den kelkzoom ge-
kroond of naakt. Zaden eenige weinige of in grooter
aantal, min of meer niervormig, met harde zaadhuid;
kiem gekromd, hoefijzer- of bijna cirkelvormig; kiem-
worteltje zeer lang; zaadlobben klein.
Boomen of heesters, dikwijls lang-of viltharig. Bladeren
tegenovergesteld, vinnervig. Bloemen groot, zelden klein,
tot bijschermen vereenigd, die ten getale van 1—3,
zelden in grooter aantal, in de bladoksels staan.
Aantal soorten omstreeks 100, bijna alle in tropisch en sub-
tropisch Amerika tehuis behoorend, doch waarvan er eenige in alle
tropische landen wegens de eetbare vruchten gekweekt worden. In
Nederlandsch Indië vindt men in gekweekten toestand en verwilderd
Ps. Guajava L., door een drietal variëteiten vertegenwoordigd,
Ps. pumilum Valtl, waarschijnlijk ook gekweekt, en Ps. elegans
Mig.,
die op de Molukken en Celebes inlandsen schijnt.
9. RHODOMYRTUS D C.
Kelkbuis tolvormig, langwerpig of min of meer kogel-
vormig, boven den eierstok niet of een weinig verlengd;
kelkslippen 4—5, kruidachtig, blijvend. Bloembladen 4—5,
uitgespreid. Meeldraden talrijk, in go rijen dicht bij een
staand, vrij, met draadvormige helmdradcn; helmknoppen
bewegelijk of nagenoeg aan de basis vastgehecht, met
evenwijdige, in de lengte openspringende hokjes. Eierstok
1—3-bokkig, met 2-rijige eitjes, doch daar elk hokje door
een valsch tusschenschot gedeeld is, op de doorsnede
schijnbaar 2—6-hokkig met 1-rijige eitjes, verder door
horizontale, valsche schotten in boven elkander staande,
1-eiige vakjes verdeeld; stijl draadvormig, met schildvor-
migen of knopvormigen stempel. Bes min of meer steen-
vruchtachtig, kogelvormig, eivormig of cilindrisch, verdeeld
in zooveel boven elkander staande, oo-rijige, 1-zadige
hokjes of steenkernen als de eierstok vakjes bevatte.
Zaden samengedrukt, niervormig of min of meer cirkel-
vormig, horizontaal; zaadhuid hard; kiem hoefijzer- of
cirkelvormig; kiem worteltje zeer lang; zaadlobben klein.
Boomen of heesters, viltachtig bekleed of langharig, met
tegenoverstaande, vinnervige of drievoudignervige bladeren.
Bloemen meestal groot, okselstandig, aan een 1—3-bloe-
-ocr page 553-
493
LUI. MYRTACEAE.
migen, zelden trosvormigen en 5—7-bloemigen, langen
of zeer korten bloemstengel.
Aantal soorten 5, waarvan 4 in Australië voorkomen, terwijl \\
in Zuid Azië ver verspreid is, nl. H/wd. tomentom D C, in Neder-
landsch Indië veel in tuinen gekweekt.
10. MYRTUS L.
Kelkbuis tolvormig, vergroeid, voorbij den eierstok niet
of weinig verlengd; kelkslippen 4—5, in den knop licbt
dakpanswijze dekkend of geopend. Bloembladen 4—5,
uitgespreid. Meeldraden oo , in oo rijen, vrij, met draad-
vormige of platte helmdraden en bewegelijke of aan de
basis vastgehechte helmknoppen, wier hokjes evenwijdig
zijn en met langsspleten openspringen. Eierstok onderstan-
dig, nu eens volkomen 2—3-, zelden 4-hokkig, dan weder,
daar de schotten aan den top niet tot de as komen, op
onvolkomen wijze in even zooveel hokjes gedeeld; stijl
draadvormig, met een kleinen of zelden knopvormigen
stempel; eitjes in elk hokje oo , in den binnenhoek on-
regelmatig of in co rijen ingeplant, aan eene zaadlijst, die
nu eens weinig vooruitspringt, dan weder in 2 platen is
verdeeld. Bes met de kelkbuis vergroeid en of door den
kelkzoom gekroond of zelden door het afvallen van dezen
naakt. Volkomen zaden 1—2 ofoo, min of meer niervor-
mig, met beenharde, korstachtige of vliezige zaadhuid;
kiem hoefijzervormig of een weinig naar binnen gerold,
met een zeer lang, rolrond kiemworteltje en veel kortere,
soms zeer kleine zaadlobben.
Heesters, zelden boomen, onbehaard, viltachtig behaard
of zachtharig. Bladeren tegenovergesteld, vinnervig, nu
eens klein en lederachtig dan weder dun en vliezig.
Bloemen aan okselstandige bloemstengels, die meestal dun
zijn en of 1 bloem of van het midden naar den omtrek
3—7 bloemen dragen, waarvan de middelste zeer kort,
de zijdelingsche langer gesteeld zijn. Onder den kelk zijn
schutblaadjes, die nu eens zeer klein, dan weder grooter
en bladachtig zijn.
Aantal soorten omstreeks 100, waarvan echter zeker een groot
aantal als synoniemen te beschouwen zijn, meestal in Zuid Amerika
voorkomende, doch waarvan eenige in Australië, Nieuw Zeeland,
Zuid Europa en West Azië voorkomen. De Zuid Europeesche soort,
-ocr page 554-
494                                    Uil. MYRTACEAE.
M. communis L., is ook naar lndie overgebracht, waar zij vooral
in «Ie tuinen veel wordt aangetroffen. Van een 2-tal door KORTHALS
beschreven soorten, nl. M. globosa Korth. en M. vulcnni Korth. wordt
«loor Miqi\'KL «Ie eerste tol Rhodamnia Jack gebracht, terwijl de
tweede door hem met eenigen twijfel voor eeue soort van Nelitris
Gaertu. iDecaspermum Forst.) werd aangezien.
11. RHODAMNIA Jack.
Kelkbuis ei- of bijna kogelvormig, boven den eierstok
niet verlengd; kclkslippen of -lobben 4, blijvend. Bloem-
bladen 4, uitgespreid. Meeldraden oo , in oo rijen, vrij,
met draadvormige helmdraden; helmknoppen bewegelijk,
met evenwijdige, in de lengte openbarstende hokjes. Eier-
stok 1-hokkig, met 2 wandstandige, cc eitjes dragende
zaadlijsten; stijl draadvormig; stempel dikwijls schildvor-
mig. Bes kogelvormig, gekroond door den kelkzoom. Zaden
meestal in gering aantal, nier-kogelvormig of op vcrschil-
lende wijzen samengedrukt; zaadhuid hard; kiem hoef-
ïjzervormig; zaadlobben zeer kort; kiem worteltje zeer lang.
Heesters of kleine booinen. Bladeren tegenovergesteld,
ei- of lancetvormig, 3-nervig of drievoudig-nervig, van
onderen dikwijls grijs- of zachtharig. Bloemen meestal
klein, aan korte, soms zeer korte stelen en met kleine,
spoedig afvallende schutblaadjes aan okselstandige bundels
of trossen.
Aantal soorten omstreeks 12, in tropisch en Oost Australië en in
tropisch Azië. Volgens Miquei. zijn er een 8-tal soorten van dit geslacht
in Nederlandsen Indië. Dooi\' Kurtz in Journ. of As. Soc. XLV1, 3, p.
02, worden 5 hiervan als vormen van Rhod. triticrvia lil. beschouwd,
eene soort, die zich dan van Kngelsch lndie tot de Philippijiischn
eilanden en Australië verspreidt; ééne der vormen van deze soort,
(•/(;•. spectabili* Kurz, vormde Wioiit\'s geslacht Monoxora (.V.
spectabilis Wight."). In Borneo vindt men, volgens Miqdel, nog eene
tweede soort, Rhod, globoaa lil., door Korthals als eene soort van
Myrtus /<• beschreven, (W. globosa Korth.) en in Nieuw Guinea de
door ZlPPEUUS ontdekte Rhod. rjlauca BI.
12. DECASPERMUM Forst.
Kelkbuis klokvormig, voorbij den eierstok niet of zeer
weinig verlengd; slippen 4—5. Bloembladen 4—5, uit-
gespieid. Meeldraden co, in oo rijen, vrij, met draadvor-
mige helmdraden; hehnknoppen klein, bewegelijk, met
-ocr page 555-
495
Uil. MYRTACEAE.
evenwijdige, in de lengte openspringende hokjes. Eierstok
4—5-hokkig, waarvan elk hokje meestal door onvolkomen,
valsche tusschenschotten, ten minste aan de basis min of
meer in 2 vakjes verdeeld is; stijl bij de volkomen bloc-
men draadvormig, met sehildvormigen stempel; eitjes in
elk hokje 2—3, nabij de basis aan de as vastgehecht.
Kogelvormige, door den kelkzoom gekroonde bes, waarvan
de zaden om de as geplaatst, dikwijls het voorkomen
hebben van de hokjes der bes. Zaden 8—10 of minder,
nier- of nagenoeg kogelvormig; zaadhuid hard; kiem
hoefijzer- of cirkelvormig; zaadlobbcn klein; kiemworteltje
lang.
Heesters of kleine boomen met tegenoverstaande, vin-
nervige bladeren. Bloemen klein, gesteeld, min of meer
verecnigd tot okselstandige trossen, die aan de toppen der
takken meestal tot eene bebladerde pluim zijn vereenigd.
Aantal beschreven soorten omstreeks \'20, in tropisch Azië en
Australië on de Kilandcn van don Stillen Oceaan. Door latere schrij-
vers is dit getal tot omstreeks \'t teruggebracht. De oudere naam
Deeaspettnum, door Bentham en Hooker als onjuist verworpenen
door Nelitris Gaertn. vervangen, is echter door latere schrijvers
weder ingevoeld. Bij Miquel vindt men 14 soorten van Nederlandsen
Indië, alle onder den naam van Nelitris beschreven, waarvan een
drietal in IIookkr\'s Fiom of tte. tnd. 11, p. 470 als vormen van
D. paniculatum Kue: voorkomen. Volgens het aantal, dat aldaar
wordt opgegeven, moeten er waarschijnlijk meerdere van de door
Miquei, opgenoemde tot deze soort gebracht worden.
13. PIMENTA Lindl.
Kelkbuis tol- of klokvormig, boven den eierstok niet o*
min of meer verlengd; kelklobben of slippen 4—5, uit-
gespreid en blijvend. Bloembladen 4—5, uitgespreid. Meel-
draden qo , in ao rijen, vrij, met draadvormige helmdra-
den; helmknoppen bewegelijk, kort, met evenwijdige, in
de lengte openbarstende hokjes. Eierstok 2-hokkig; stijl
draadvormig, met kleinen of min of meer knopvormigen
stempel; eitjes in elk hokje 1—4 (zelden 6), hangend
aan eene zaadlijst, die boven aan den top van het hokje
in den binnenhoek is vastgehecht. Bes door den kelkzoom
gekroond. Zaden in gering aantal, kogel- of niervormig,
met vliezige of korstachtige zaadhuid; kiem min of meer
spiraalswijze ineengerold, met een lang en dik kiemwor-
teltje en zeer korte zaadlobben.
-ocr page 556-
496
LUI. MYRTACEAE.
Boomcn, die een weiriekenden geur verspreiden, met
groote, lederachtige, vinnervige bladeren. Bloemen klein,
in de bovenste bladoksels aan veelbloemige, in drieën
vertakte bij schermen.
Aantal soorten omstreeks 5, in tropisch Amerika tehuis behoo-
rende, doch waarvan 1 in tropisch Azië vaak gekweekt wordt, nl.
Pint. acris Wii/lit. Volgens Miquei. komt in Nederlandsen Indië
nog eene tweede soort voor, Pim. vulgaris Lindl., evenzeer ge-
kweekt en uit tropisch Amerika overgebracht.
14. EUGENIA L.
Kelkbuis kogel-, tol- of eivormig of zeer lang, boven
den eierstok niet of min of meer verlengd; kelkslippen
4, zelden 5, nu eens groot en in den knop dakpans-
wijzc dekkend, dan weder kort en aan den afgeknottcn
kelkrand bijna niet waar te nemen. Bloembladen 4, zel-
den 5—oo of ontbrekend, uitgespreid en vrij of samen-
neigend en min of meer tot een kapje vergroeid. Meel-
draden oo , in oo rijen, met draadvormige helmdraden, vrij
of aan de basis, doch vooral in den knop onduidelijk, tot 4
bundels verbonden; helmknoppen bewegelijk, meestal klein,
met meestal evenwijdige, zelden uiteenwijkende, in de
lengte openbarstende hokjes. Eierstok 2-, zelden 3-hokkig;
stijl draad vormig, met kleinen stempel; eitjes in elk
hokje oo , meestal gekromd opstijgend, aan eene zaadlijst
vastgehecht, die van het tusschenschot slechts weinig
vooruitspringt. Besvrucht min of meer op eene steenvrucht
gelijkend, zelden droog of min of meer vezelig of leder-
achtig, door den bhjvenden kelkzoom gekroond of zelden
afgeknot door het afvallen van dezen. Zaden weinig, meestal
1 —4, kogelvormig of door wederkeerige drukking op ver-
schillende wijzen samengedrukt; zaadhuid vliezig of kraak-
beenachtig; kiem dikvleezig; kiem worteltje kort; zaadlobben
dik, min of meer ineengesmolten of vrij en half bolvormig
of van ongelijken vorm.
Boomen of heesters, onbehaard of zelden viltachtig be-
haard of langharig. Bladeren tegenovergesteld, (bij ééne
in Engelsch Indië voorkomende soort afwisselend), leder-
achtig of vliezig, vinnervig. Bloeiwijze nu eens bepaald,
dan weder onbepaald. Bloemen of aan dichte, eindelingsche
en zijdelingsche bijschermen, die soms tot in drieën ver-
-ocr page 557-
497
LUI. MYRTACEAE.
takte, eindelingsche pluimen vereenigd zijn, of alleen of
aan bundels of korte trossen (bladerlooze takken) in de
bladoksels geplaatst. Schutbladen en schutblaadjes meestal
klein en spoedig afvallend, zelden bladachtig en blijvend.
Aantal soorten omstreeks 700, waarvan echter vele als synonie-
rnen beschouwd moeten worden, zoodat het aantal misschien tot
500 te verminderen is, in tropisch en subtropisch Amerika en tro-
pisch Azië in groote hoeveelheid voorkomende, minder talrijk in
Afrika en Australië. In Nederlandsen Indië vindt men ongeveer
140 soorten. Het geslacht, zooals het thans door BENTHAM en Hooker
wordt opgevat, omvat een aantal geslachten van oudere schrijvers,
o. a. een 6-tal uit Miquei.\'s Flora, die men volgens MiquEL onge-
veer aldus zou moeten onderscheiden:
Syzygium Bloembladen tot een kapje vereenigd, dat bij het
begin van den bloei afvalt. Kelk cilindrisch. naar boven breeder;
kelkzoom veelal boven hot vruchtbeginsol verlengd, blijvend of
afvallend, afgeknot of met kleine tandjes. Meeldraden op den
kelk bevestigd. Vrucht kogelvormig of langwerpig rond. Ongeveer
43 soorten in Nederlandsen Indië.
CaryophyllllS. Bloembladen tot een kapje vereenigd, dat bij
het begin van den bloei afvalt. Kelk cilindrisch, weinig boven
het vruchtbeginsel verlengd, met 4 meestal blijvende tanden.
Meeldraden op eene vierhoekige schijf in 4 bundels of groepen.
Vrucht langwerpig, niet sappig. In Nederlandsen Indië 4 soorten.
Jambosa Bloembladen vrij. Bloemen in eene dichte bloeiwijze.
Kelkzoom boven het vruchtbeginsel verlengd. In Nederlandsen
Indië 78 soorten.
Macromyrtus. Bloembladen vrij. Bloemen in eene dichte bloei-
wijze. Kelkbuis dun, rol rond en verlengd met 4 grootere en
eenige kleinere tanden aan den halfkogelvormigen zoom. In Neder-
landsch Indië i soort.
Eugenia. Bloembladen vrij. Bloemen in eene dichte bloeiwijze.
Kelkbuis nagenoeg niet boven het vruchtbeginsel verlengd, met
4—5 gelijke slippen. In Nederlandsch Indië 12 soorten.
Jossinia. Bloembladen vrij. Bloemen alleenstaand, okselstandig
of eindelingsch. Kelkzoom 4-lobbig, aan de besvormige vrucht
blijvend. In Nederlandsch Indië 3 soorten.
Volgens Bentham en Hooker kan men het geslacht in drie secties
verdeden, ongeveer op de volgende wijze gekenschetst:
1. Jambosa. Bloemen groot, in bijschermen. Kelk gewoonlijk
met eene dikke, de meeldraden dragende schijf en 4 duidelijke,
blijvende kelkslippcn. Bloembladen uitgespreid, vrij. Vruchten
groot, tol- of eivormig.
Hiertoe behooren de volgende geslachten van de oudere schrij-
vers: Jambosa ü C, Cerocarpus Batak., Strongylocalyx BI..
Gelpkea BI., Cleistocalyx JJt, Clavimyrtus //\'.. Macromyrtus BI.
en Caiyptranthes Sw. (voor zoover de dooi\' Blume beschreven
-ocr page 558-
498
LUI. MYRTACEAE.
soorten betreft). De soorten van Nederlandsen Indië, in deze sectie
behoorende, vormden in Miqukl\'s Flora de geslachten Jambosa
(behalve de afdeeling Microjanibosa), Macromi/rtus en Eur/enia
§ \'2—4, te. samen 83 soorten.
2.   Syzygium Bloemen klein, in dichte by schermen. Kelk zon-
der verdikte, meeldraden dragende sehijf, tolvormig, zelden lang;
ki\'lkzocm i—5-lobbig of afgeknot. Bloembladen meestal tot een
kapje verbonden. Vruchten klein. kogol- of peer vorm ig of langwerpig.
Hiertoe behooren Syzygium Gaertn., Caryophyllus /.. en Mi-
crojambosa lil. waarvan de beide eerste in Miquel\'s Flora als
geslachten, de laatste als eene twijfelachtige afdeeling van .lam-
hom
werd genoemd, te samen 5\'2 soorten van Nederlandsen Indic.
3.   Eu Euyenia Bloemen alleen of in bundels. Bloei wij ze onbe-
paald. Bloembladen ten slotte vrij. Kelk met of zonder schijf en
met \\ lobben of slippen.
Hiertoe behooren uit Miquel\'s Flora Eugenia Micli. § \\ en
Jossinia Comtn., te samen 5 soorten van Nederlandsen ludic.
15. BARRINGTON! A Forst.
Kelkbuis ci- of tolvormig, boven don eierstok niet of
zeer weinig verlengd; kelkzoora nu eens in den knop
gesloten en bij den bloei in 2—4 klcpswijze aaneenslui-
tende slippen splijtende, dan weder reeds in den knop
verdeeld in 3—4 (zelden 5) dakpanswijze dekkende lobben.
Bloembladen 4, zelden 5, met de basis aan den meoldra-
denring vergroeid. Meeldraden cc , in oo rijen, aan de basis
tot eenen ring of zeer korte nap vergroeid, meestal alle
helmknoppen dragend, met draadvormige helmdraden;
helmknoppen klein, bewegelijk of min of meer aan de
basis vastgehecht, met evenwijdige, in de lengte open-
springendo hokjes. Schijf ringvormig, op den top van den
eierstok binnen de meeldraden geplaatst. Eierstok onder-
standig, 2—4-hokkig, stijl draadvormig, met kleinen
stempel; eitjes in elk hokje 2—8, hangend of horizontaal,
in 2 rijen boven elkander. Besvrucht vezelig, min of meer
hoekig of rolrond, piramide- of eivormig of langwerpig,
door den kelkzoom gekroond en door mislukking meestal
1-zadig. Zaad eivormig of langwerpig; zaadhuid meestal
dik; kiem dikvleezig, onverdeeld, bestaande uit eene hout-
achtige bastlaag en een merg.
Boomen, met afwisselende, nabij den top opeengedrongen,
gaafrandige of gekarteld gezaagde, meestal vliezige, vin-
nervige, ongestippelde bladeren. Bloemen groot of klein,
-ocr page 559-
499
LUI. MYRTACEAE.
dikwijls onderscheiden door roode meeldraden on vereenigd
tot eindelingsche of zijdelingsche trossen of lange, afge-
broken aren. Schutbladen meestal klein, spoedig afvallend;
schutblaadjes klein of ontbrekend.
Aantal soorten, volgens BENTHAM en Hookkr, omstreeks \'20, in
Afrika, Azië en Australië tusschen de keerkringen tehuis beboorend.
Echter beschrijft Miqlei. er reeds \'21 voor Ncdorlandseh Indië,
waarvan wel eenige door ClaRKE in HoOKEB\'s Flora of Bi: Ind,
II. p. !">07, als synoniemen worden opgevat, doch waarbij zich
waarschijnlijk nog eenige voegen, die op Malakka zijn waargenomen.
Naar den aard van den kelk wordt het geslacht verdeeld in \'2
secties, vroeger als geslachten opgevat, nl. 1. Butonica Kelk in
den knop gesloten en tijdens den bloei in \'2—i slippen splijtend.
Deze vormde do geslachten Butonica Jtus. en Barringtonia D C.
\'2. Stravadilim. Kelk reeds in den knop 3—4-spletig, met dakpaus-
wijze dekkende lobben. Deze vormde vroeger het geslacht Strava-
dium /mm.
16. PLANCHONIA BI.
Kelkbuis tolvormig, boven den eierstok niet of weinig
verlengd; slippen van den kelkzoom 4, in den knop dak-
panswijze dekkend. Bloembladen 4. Meeldraden go , in co
rijen, aan de basis tot een riug of korte nap vergroeid,
de binnenste zonder helmknoppen; helmdraden draadvor-
mig; helmknoppen klein, bewegelijk, met evenwijdige, in de
lengte openbarstende hokjes. Schijf ringvormig, op den top
van den eierstok, binnen de meeldraden geplaatst. Eierstok
onderstandig, 3—4-hokkig; stijl draadvormig; stempel klein;
eitjes in elk hokje co . Besvrucht, door eene lederachtige,
op boomschors gelijkende schil omgeven, door den kelk-
zoom gekroond, 3—4-hokkig. Zaden in gering aantal, aan
eene lange zaadstreng hangende; zaadhuid lederachtig;
kiem spiraalswijze opgerold ; zaadlobben kort, bladachtig,
gevouwen; kiemworteltje zeer lang, knodsvormig, spiraals-
wijze ineengerold.
Boomen met afwisselende, aan de toppen der takken
opeengedrongen, vliezige, gekartelde, vinnervige, niet ge-
stippelde bladeren. Bloemen geel-groen, of wit, in korte,
eindelingsche trossen. Schutbladen en schutblaadjes lang-
werpig, min of meer blijvend.
Aantal soorten volgens BloHB 5, PI. valida BI., PI. liltnralis 81.,
PI. Sumatrana BI., PI. Timorieiists BI.
en PI. rtlaln BI. Door
Miquel werden de 3 eerste vereenigd tot ééne soort, PI. Sumlaica
-ocr page 560-
500
LIV. MELASTOMACEAE.
Min., terwijl hij van PI. aluin BI. eene variëteit maakte van PI.
Timoriensis
7?\'., zoodat slechts \'2 soorten overbleven. Hij oudere
schrijvers werden «ie soorten gebracht hij het geslacht Gustavia
/-. of Pirigara Aubl., waarvan ilo soorten volgens BENTHAM en
Hooker alleen in tropisch Amerika voorkomen.
Fam. liv. MELASTOMACEAE.
Bentham et Hooker, Gen. Plant. I, p. 725. —. Miquel, Fl. Ind\'
Bat.
[, I, p. 498. — Sumatra, p. 316. — Annales Mus. Bot. Lugd.
Bat.
I, p. \'216. — Kurz in .loiim. As. Soc. XL, 1871, p. 53. —
SCHEFFER in Aiiii. de Hui/enz. I, p. \'23. — Triana in Transact. of
Linn. Soc.
XXVIII, (1873), p. 1. — Ci.ARKE in IIook. Fl. of Br,
Tnd.
II, p. 512. — Beccari, Malesia II, p. \'23i. — Cooniaux in
Durand, Index Gen. Phaner. p. 130 en in De Candolle, Monographiae
Phanerogamorum
(manuscr.)\').
Bloemen regelmatig, tweeslachtig. Kelkbuis vrij of\' door
langsschotten of voor een deel of in den geheelen omtrek
met den eierstok vergroeid; kelkzoom afgeknot, gelobd
of kapvormig, met in don knop dakpanswijze dekkende ol
zelden min of meer klepswijze aaneensluitende lobben,
afvallend of blijvend en dikwijls aan de rugzijde wrat-
achtige verhevenheden of aecessorisehe tanden of lobben
dragend. Bloembladen zooveel als kelklobben, op den rand
van den zoom ingeplant, soms schuin, zelden aan de basis
samenhangende, in den knop dakpanswijze dekkend of
naar rechts ineengerold. Tusschen de bloembladen en meel-
draden komt eene vliezige of lederachtige bijkroon niet
zelden voor. Meeldraden perigynisch of zelden epigynisch
in het dubbele, zelden in hetzelfde aantal van de bloem-
bladen, zeer zelden in onbepaald aantal, in ééne rij, vóór
de ontplooiing der bloem neergevouwen, later recht of
naar voren of achteren gebogen, alle gelijk of om den
\') De Heer Cooniaux had do groote welwillendheid mij vóór den
druk een deel van zijne monographie der Melastomaceae bestemd
voor D C. Mon. Phaner. ter inzage te geven, z.oodat ik de gelegen-
heid had mijne bewerking met zijn manuscript te vergelijken, daaruit
3 nog onbeschreven geslachten op te nemen en naar de daarin l>e-
vatte gegevens de beschrijvingen der overige geslachten aan te vullen
of te wijzigen. Bovendien verplichtte hij mij door de toezending van eene
volledige lijst der soorten met de synoniemen van Nederlandsen Indië.
-ocr page 561-
501
LIV. MELA8T0MACEAE.
anderen kleiner of rudimentair; helmdraden verschillend,
kaal of met klieren, tijdens den bloei knievormig gevouwen;
helmknoppen 2-hokkig, aan de basis vastgehecht, met 1
of 2 poriën aan den top, zelden met 2 spleten openspringend;
helmbindsel dikwijls verdikt, aan de basis enkelvoudig
of verlengd, van voren of van achteren met priem-, spoor-,
borstel-, oor- of wratvormige aanhangsels. Stuifmeel dikwijls
zeer klein, ei- of ellipsoidvormig, glad, met 3 of meer
langsvoren. Eierstok soms geheel en al vrij, doch meestal
op verschillende wijzen met den kelk verbonden, 2—oo-
hokkig of bij de Memecyleae door het verdwijnen van de
tusschenschotten 1-hokkig, met gezwollen, kantigen of op
verschillende wijzen uitgeholden, onbehaarden, borstel-
dragenden of getanden top; stijl eindelingsch, recht of
neergebogen; stempel stipvormig, afgeknot of knopvormig,
enkelvoudig of gelobd; eitjes meestal in onbepaald aantal,
zeer klein, bij zeer weinige Memecyleae en Miconieae in
bepaald aantal, anatroop, zittend of door middel van zaad-
strengen met de zaadlijsten verbonden; zaadlijsten, bij
de Melastonteae, van den binnenhoek der hokjes horizon-
taal uitstaande en gezwollen, bij de Atstronieae aan de
basis van liet hokje of aan de wanden bevestigd en van
daar af klimmend; bij de Memecyleae is de zaadlijst
asstandig en zijn de eitjes in kransen geplaatst. Vrucht
binnen de kelkbuis besloten, zelden er half boven uit-
komende, in den vorm van eene doosvrucht of van eene
bes, op onregelmatige wijze uiteenbarstend ^of hokverbre-
kend met kleppen opensplijtend. Zaden bij de veelzadige
geslachten klein, [wig-, piramidc-, slakkenhuis- of draad-
vormig; zaadhuid lederachtig, korstachtig of vliezig, glad,
gerimpeld of gestippeld, enkelvoudig, gevleugeld of voorbij
de kern verlengd; navel zijdelings of aan de basis geplaatst;
zaadnerf enkelvoudig of sponsachtig; bij de één- of weinig-
zadige geslachten zijn de zaden groot, geheel of half kogel-
vormig; kiem overal zonder kiemwit, bij de kleinzadige
soorten rolrond of min of meer kogelvormig on met kleine,
korte zaadlobben, bij de grootzadige van den zelfden vorm
als het zaad en met dikke, plat-bolle of dunne en ineenge-
rolde zaadlobben en een kort kiemworteltje.
Kruiden, heesters of boomen, met een waterachtig vocht
en tegenoverstaande takken, meestal opgericht; slechts
-ocr page 562-
502
LIV. MELASTOMACEAE.
weinige klimmen of zijn nedorliggend of kruipend. Bla-
deren tegenovergesteld of zelden in kransen, meestal
gesteeld, 3—9-nervig, zelden vinnervig, gaafrandig, fijn-
gezaagd of gekarteld, met gelijken of scheven voet, die
van hetzelfde paar soms zeer verschillend in grootte en
vorm, een van beiden soms zeer klein. Steunblaadjes
ontbrekend. Bloemen niet zelden door vorm en grootte
in het oog vallend, van verschillende kleur, doch alleen
bij de Memecyleae blauw, zelden welriekend, meestal tot
aren, pluimen of tuilen verbonden, zeer zelden alleenstaand
of in bundels.
Aantal bekende soorten meer dan 2700, in alle tropische gewes-
ten verspreid, in Amerika het talrijkst, in Azië ook rijk vertegen-
woordigd, iloch in Afrika en Australië zeldzaam.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
A. Eierstok 2—oc - {meestal o-)hok ki g. Zaden talrijk.
Kiem klein, lil ader en meestal
ü-nerv ig, di kwijl s
met evenwijdige dwars nerven.
a. Z acid I ijst en asstandi g. Helmknoppen openend niet
1—2 poriën.
Onderfamilie I. MELASTOMEAE. Eierstok 2—oc -hokkig. Eitjes in
elk hokje oo , ingeplant aan vooruitstekende zaadlijsten, die aan den
binnenlioek der hokjes zijn vastgehecht. Vrucht veelzadig. Zaden zeer
klein. Kiem zeer klein, min of meer rolrond of kogelvormig.
Tribus t. Osbeckieae. Meeldraden meestal 10, zelden 8 of "12,
meestal ongelijk; helmknoppen met 1 porie; helmbindsel voorbij de
hokjes dikwijls aan de voorzijde verlengd en gekromd en aan de basis
met 2 lobben of knobbels of met een 2-lobbig of 2-arrnig aanhangsel.
Hes of doosvrucht, 2—5-hokkig, veelzadig. Zaden slakkenhuisvormig
gewonden of in een halven cirkel gekromd, meestal fijn gestippeld.
1.  OsBECKiA. Helmknoppen gelijk, meestal 10, zelden 8; helm-
bindsel aan de basis niet verlengd, doch verbreed of met 2
knobbels. Vrucht eene 4—5-kleppige doosvrucht.
2.   Otantiikra. Helmknoppen ongelijk, 10; helmbindsel niet
verlengd aan de basis, doch met 2 oortjes. Vracht eene bes.
3.   MELASTüMA. Helmknoppen ongelijk, meestal 10; helmbindsel
der langere helmknoppen aan de basis verlengd en met 2 lobben,
dat der kortere aan de basis niet verlengd en met 2 knobbels.
Vrucht eene bes.
Tribus II. OxyspOl\'Cae. Meeldraden 4 of 8, zelden 10, meestal
alle gelijk; helmknoppen met 1 porie; helmbindsel voorbij de hokjes
niet verlengd, van achteren spits of met eene spoor, van voren
-ocr page 563-
LIV. MELASTOMACEAE.                                   503
meestal zonder aanhangsel. Eierstok of gelieel vrij, óf met vrijen top.
Voelzadigo doosvrucht. Zaden \\vig- of piramidevormig of langwerpig,
doch nooit slakkenhuisvormig of in een halven cirkel gekromd. liloe-
men hij de geslachten van Nederlandsch Indië klein, soms zeer klein.
1. Bloeiwijze eindelingsch.
4.   Aixomorphia. Helmknoppen 8 of 10, nagenoeg gelijk; helm-
hindsel van achteren met eene spoor. Eierstok 3-, zelden 4—5-
hokkig. Gioote of kleine heesters met zeer kleine bloemen in
lange en smalle pluimen.
5.  Oxyspora. Helmknoppen 8, ongelijk, zelden 4 en gelijk :
helmbindscl van achteren met eene spoor. Eierstok 4-hokkig.
Heesters niet kleine bloemen in wijde pluimen.
\'2. Bloeiwyze okselstandig of zooivel okselstandig als eindelingsch.
6.    Driessenia. Helmknoppen 8, ongelijk; helmbindsel van
voren met 2 aanhangsels, van achteren met eene spoor. Eierstok
aan den top wijd uitgehold. Kruiden met kleine bloemen in
okselstandige bundels.
7.   Bl.ASTUS. Helmknoppen 4, gelijk; helmbindsel zonder aan-
hangsels. Eierstok 4-hokkig, met neergedrukten top. Onbehaarde
heesters met zeer kleine bloemen in okselstandige bundels.
8.   OcHTHOCHARIS. Helmknoppen 10, gelijk; helmbindsel van
achteren met eene spoor of knobbel. Eierstok 5-hokkig. Kleine
heesters met zeer kleine bloemen, in okselstandige, kluwenvor-
mige of okselstandige en eindelingsche, losse bijschermen.
9.   Anerinoi.eistl\'S. Helmknoppen 8, gelijk; helmbindsel een
weinig aan de basis verlengd en zonder of mot eene korte spoor.
Eierstok 4-hokkig. Groote heesters met kleine bloemen, in kleine,
okselstandige kluwens.
Tribus III. Sonerïloae. Meeldraden 3—10, gelijk of ongelijk;
helmknoppen meestal met ééne porie; hokjes aan de basis meestal
vrij; helmbindsel, wat de geslachten van Nederlandsch Indië betreft,
aan de basis weinig of niet, verlengd, al of niet gespoord, van voren
naakt, (of bij één geslacht gespoord). Veelzadige doosvrucht, meestal
aan den top openspringend met 3—5 platte kleppen, welke soms door
een platten, ringvormigen, horizontalen rand overwelfd worden. Zaden
recht, langwerpig of wigvormig, dikwijls kantig, niet slakkenhuis-
vormig gekromd.
10.   Sonerii.a. Bloembladen 3. Meeldraden 3, zelden 6. Srhroef-
voruiige bloeiwijze.
11.   I\'iiyi.i.agathis. Bloembladen 4. Meeldraden 8, zelden 6.
Helmknoppen lang, lijn-prienivormig. Bloemen in een lang ge-
steeld hoofdje.
12.   Riuttenia. Bloembladen 5. Meeldraden 10. Helmknoppen
lijn-priemvormig. Helmbindsel van voren met een hooi nvormig,
dik en lang, opstijgend aanhangsel. Bloemen in een lang gesteeld
hoofdje.
-ocr page 564-
504
LIV. MELASTOMACEAE.
43.   Sarcopyramis. Bloembladen 4. Meeldraden 8. Helmknoppen
kort, omgekeerd hartvormig-langwerpig. Bloemen kort gesteeld,
in kleine, okselstandige en eindelingsche kluwens.
Tribus IV. Dissochaeteae. Meeldraden 4, 6 of meestal 8,
zelden (onder de geslachten van Nederlandsch Indië alleen bij Medinilla)
10 of 12, gelijk of ongelijk; helmknoppen, gelijk of ongelijk, gekromd;
helmbindsel meestal aan de basis niet verlengd, dikwijls van achteren
gespoord en van voren met aanhangsels. Eierstok geheel of door ver-
ticale schotten met den kelk verbonden, met bollen of kegelvormigen
top. Lederachtige of vruchtmoes bevattende bes. Zaden van verschil-
lenden vorm, doch niet gekromd.
1.   Meeldraden 8, zeer ongelijk, zelden 4. Helmbindsel der
langste meeldraden van voren mei
2 borstels.
44.   Dalenia. Kelk kapvormig afvallend. Meeldraden 8; helm-
bindsel van de grootere meeldraden aan de basis niet verlengd,
van achteren met een borstel of spoor. Bloemen in eindelingsche
pluimen.
•15. Marumia. Kelk niet kapvormig afvallend. Meeldraden 8;
helmbindsel van de grootere meeldraden aan de basis verlengd,
van achteren met één of twee sporen of met verscheidene bor-
stels. Bloemen in zijdelingsche bijschermen.
16.   Dissociiaf.ta. Kelk niet kapvormig afvallend. Meeldraden
8, zelden 4; helmbindsel van de grootere meeldraden aan de basis
niet of kort verlengd, van achteren met of zonder borstels of
sporen. Bloemen in eindelingsche bijschermen.
2.   Meeldraden 8, zelden 4—C of 10—12, gelijk of otigelijk.
Helmbindsel van voren zonder borstels, van achteren met
eene korte spoor of zelden met eenige borstels, in één
geslacht zonder aanhangsels.
17.   Anplectrum. Kelk afgeknot of met 4—8 kleine tanden.
Meeldraden 4, 6 of 8, waarvan slechts 4 vruchtbaar zijn; helm-
knoppen glad; helmbindsel van achteren kort gespoord. Eierstok
met 4 kammen op den top. Bloemen niet door schutblaadjes
omgeven, in okselstandige pluimen.
18.   Creociiiton. Kelkbuis half bolvormig; kelkzoom verwijd,
stomp 4-lobbig. Meeldraden 8, gelijk; helmbindsel van achteren
gespoord. Bloemen in okselstandige en eindelingsche, schermvor-
mige pluimen, elk in den knop door twee klepswijze aaneenslui-
tende schutblaadjes omgeven.
19.   OMPHALOPUS. Kelkbuis klokvormig; kelkzoom veryyijd, on-
duidelijk 4-lobbig. Meeldraden 8, gelijk of om den anderen on-
vruchtbaar; helmknoppen met golvende hokjes; helmbindsel ver-
lengd in een vlies, dat tegen de achterzijde der helmhokjes aan-
ligt. bloemen zonder schutblaadjes, in eindelingsche en oksel-
standige pluimen.
20.  Medinilla. Kelkbuis onbehaard of zachtharig, boven den
eierstok niet verlengd. Meeldraden 8, 10 of 12, gelijk of nage-
-ocr page 565-
505
MV. MELASTOMACEAE.
noeg gelijk; helmbindsel van voren met 2 lobben of 2 sporen,
van achteren meestal gespoord. Eierstok 4—6-hokkig. liloemen
zonder schutblaadjes, in /.ijdelingscho pluimen of beschermen,
zonder of met, soms groote, gekleurde, schutbladen.
21.   Paciiyckntria. Kelkbuis onbehaard, voorbij den eierstok
verlengd en samengetrokken. Meeldraden 8, gelijk, van achteren
gespoord. Eierstok 4-hokkig. Bloemen met 2 schutblaadjes in het
midden der bloemstelen, in okselstandige en eindelingsche tuilen
zonder schutbladen.
22.   PoOONANTHERA. Kelkbuis als met poeder bedekt. Meel-
draden 8, nagenoeg gelijk; helmbindsel mot borstels aan de achter-
zijde. Eierstok 4-hokkig. liloemen zonder schutblaadjes, in ein-
delingsche pluimen zonder schutbladen.
23.   BOERLAOEA. Kelkbuis kaal, boven den eierstok ver verlengd.
Meeldraden 6, weinig van elkander verschillend; helmbindsel
zonder aanhangsels. Eierstok 3-hokkig. liloemen zonder schut-
bladen, in okselstandige bundels.
Tribus V. .llit\'Ollicae. Meeldraden gelijk, 4—oo , (bij Clidemia
10, zelden 12); belniknoppen recht of gekromd; helmbindsel voorbij
de hokjes niet of kort verlengd, aan de basis zonder aanhangsels of
van voren met twee oortjes of knobbels, van achteren soms gespoord.
Eierstok geheel of door verticale schotten met den kelk verbonden,
met bollen of kegelvorinigen top. Lederachtige of vleezige bes. Zaden
van verschillenden vorm, doch niet gekromd.
24.   CLIDEMIA. liloemen 5-tallig. Helmbindsel aan de basis niet
verlengd, liloemen in okselstandige, zelden in eindelingsche plui-
men of bundels.
b. Zaadlijst en aan de basis of den wand, zelden in
den binnen hoek derhokjes ingeplant. H elmhokjes
met cene spleet openend.
Onderfamilie II. ASTRONIEAE. Eierstok 2—oo -hokkig. Eitjes tal-
rijk, aan vooruitspringende zaadlijsten, die van de basis of den wand dei-
hokjes omhoog stijgen. Vrucht veelzadig. Zaden en kiem zeer klein.
Tribus VI. Astronieae» Meeldraden gelijk, 8—oo, met korte
helmdraden, llelmknoppen kort, teruggekromd, van voren met eene
langsspleet openspringend; helmbindsel aan de basis niet verlengd,
van achteren dik, meestal van onderen in eene stompe spoor
verlengd. Eierstok geheel met den kelk verbonden, met platten of
bollen top. Veelzadige, vleezige bes of lederachtige doosvrucht. Zaden
meestal omgekeerd wigvormig.
1. Meeldraden 8, 10 of 12.
25.   Astronia. Kelk glad; kelkzoom afgeknot of gelobd. Meel-
draden 8, 10 of 12, hoiiwcelvormig, met korte, platte helmdraden,
een dik helmbindsel en korte, aan de voorzijde met spleten ope-
nende helmknoppen. Eierstok 2—5-bokkig; zaadlijsten aan de
basis vastgehecht. Stijl kort. Stempel klein, knopvormig. Binnen
den lederachtigen kelk besloten doosvrucht.
32
-ocr page 566-
506                                LIV. MELA8TOMACEAE.
26.   BECCA1IANTHUS. Kolk mot wratjes bezet: kelkzonin 5-lob-
big. MeeMnu\'en 10, met lange, draadvormige, afgeplatte helm-
draden, oen ilun holinbiiiilsel en smal langwerpige lielmknoppen ;
helmhokjes nabij den top met kleine, bijna tot eene porie ver-
korte spleten zijdelings openbarstend. Eierstok 5-hokkig; zaad-
lijsten onder in den binnenboek dor linkjes vastgehecht. Stijl stoer
lang en dun. Stempel stipvorinig. luimen don lodorachtigen kolk
besloten doosvrucht.
27.   Kipkssia. Kelk met wratten, doorns of haakvormigo stekels
bezet, öf kapvormig, rondom loslatend, 6f onregelmatig vorscheu-
renil, c>f i-lobbig. Meeldradon 8. Kierstok 4-hokkig; zaadlijston
onder aan den wand der hokjes vastgehecht. Stempel min of
moei\' knolvormig. Hos.
28.   PTERNANDRA. Kolk glad: kolk/oom afgeknot. onduidelijk
4-lobbig. Meeldradon 8. Zaadlijston aan i\\c basis of don wand derbok-
jes, zelden in den bimicnhock ingeplant. Stempel knodsvoi mig. lies.
2. Meeldraden talrijk.
20. PletiiIAKDRA. Kolk glad: kelkzoom afgeknot. Meeldradon
omstreeks 30. Eierstok 4-hokkig. Stempel stipvormig. Vrucht
onbekend.
B. Eierstok (b ij de geslachten van Nederlandseh Indië)
1-, of\' 6-hokkig. Kiem groot. Bladeren meestal
v inner v\'m, zelden 3-nerv tg, doch dan. niet met
evenw ijdige d warsnerven.
Onderfamilie III. MEMECYLEAE Eierstok 1—oo -hokkig. Eitjes in
bepaald aantal, in de geslachten met veelhokkigen eierstok aan de
as der hokjes 2 of 3 naast elkander geplaatst en klimmend, in dat
met óénhokkigen eierstok in een krans om eene centrale zuil. Vrucht
1—5-zadig. Zaden groot met groote kiem en plat-bolle of min of meer
bladachtige zaad lobben.
Tribus VII. MfmOfjiene. Meeldradon gelijk, 8 of 10, met
lange of korte helmdiaden: hclinknoppon kort. met spleten opensprin-
gond, (bij de geslachten van Nederlandseh Indiö): helinbiudsel meestal
niet of weinig voorbij ile hokjes verlengd, van achteren met eene
spoor, van voren zonder aanhangsels. Eierstok geheel met den kelk
vergroeid. Zaden langwerpig of kogolvormig.
30.   Axinandua. Bloemen 5-tallig. Helmdiaden kort. Eierstok
5—G-hokkig, elk hokje met 1—2 eitjes. Vrucht eene doosvrucht.
Zaden van boven gevleugeld.
31.  Memixyi.on. Bloemen 4-tallig. Helmdiaden lang. Eierstok
1-hokkig, met 0—12 eitjes. Vrucht eene éénzadige bes. Zaad
niet gevleugeld.
1. OSBECKIA L.
Kelkbuis ci-, urn- of nagenoeg kogelvormig, soms
voorbij den eierstok ver verlengd en bedekt mot dikwijls
kamvormige schubben of stervormige haren; lobben 4—5,
-ocr page 567-
LIV. MELASTOMACEAE.                               507
priem- of lancetvormig, afvallend, meestal eindigende
in een baardje en afwisselende met tandjes of haarbun-
dels of stervormig behaarde naaldjes. Bloembladen 5,
zelden 4, omgekeerd eivormig, stomp, uitgeschulpt of
spits, dikwijls gewimperd. Meeldraden 10, zelden 8, vol-
komen of nagenoeg gelijk; helmknoppen groot, lijn-priem-
vormig, zelden omgekeerd eivormig, gekromd, S-vonnig,
soms lang gesnaveld, met golvende hokjes; helmbindsel
aan de basis niet of weinig verlengd, meestal aan de
basis verbreed en van voren met twee knobbels, zelden
van achteren met eene korte spoor. Eierstok min of meer
aan den kelk vastgehecht, met vrijen, met borstels be-
zetten top, 4—5-hokkig. Doosvrucht in den kelk besloten,
aan den top met 4—5 kleppen. Zaden klein, slakkenhuis-
vormig gewonden.
Kruiden, half heesters of heesters, meestal opgericht en
met borstels bezet; takken meestal 4-kantig. Bladeren
min of meer lederachtig, zittend of gcsteeld, 3—7-nervig,
gaafrandig of zelden fijngezaagd. Bloemen groot of van
middelbare grootte, in het oogvallend, rosé, paarsch of
roodachtig, eindelingsch, alleenstaand of in hoofdjes of
pluimen, dikwijls door schutbladen omgeven.
Aantal soorten volgens ClaRKE 32, waai van 20 in Engelsch
Indië, 2 in Nederlandsch Indië en 1 in Australië, terwijl ééne soort
zich van Engelsch Indië naar China en Noordelijk Australië ver-
spreidt. Miqukl noemt echter 4 soorten op voor Nederlandsch Indië,
ril. O. linearis BI., O. pusilla Zoll., O. dolichophylla Naud. en
O. Zeylanica Wüld. Tbiana beschouwt de beide eerste als vormen
van O. Chinensis L. en noemt de laatste niet als soort van Neder-
landsch Indië. COGNIAUX neemt voor Nederlandsch Indië 3 soorten
aan, O. dolichophylla Naud., O. Chinensis L. en eene nieuwe soort
van Nieuw Guinea, O. Papuana Coyn. Door Blime werden eenige
soorten als afzonderlijke geslachten afgescheiden onder de namen
van Asterotoma, Amblyanthera en Ceramicalyx.
2. OTANTHBRA BI.
Kelkbuis behaard of met penseelvormige klierborstels,
eivormig; lobben 5, afvallend, even lang als de buis of
korter, soms met kleine tandjes tusschen de lobben.
Bloembladen 5—6, omgekeerd eivormig, met ronden of
spitsen top. Meeldraden 10 of 12, gelijk of om den anderen
iets langer; helmknoppen alle van denzelfden vorm, lang-
-ocr page 568-
508
LIV. MELASTOMACEAE.
werpig lijnvormig of lijn-priemvormig, met 1 porie, recht
of een weinig gekromd, niet gcsnaveld; helmbindsel niet
verlengd, van voren met 2 oortjes of sporen, in de kleinste
meeldraden dicht bij de helmhokjes, in do grootste iets
lager geplaatst. Eierstok half onderstandig, met vrijen,
met borstels bezetten top, 5—6-hokkig; stijl draadvormig,
naar den top verdikt, afgeknot. Besvrucht 5-hokkig, met
een vruchtmoes, onregelmatig scheurende. Zaden klein,
slakkenhuisvormig.
Heesters, met klierborstels bezet. Bladeren gesteeld,
langwerpig of lancetvormig, lederachtig, gaafrandig, 4—7-
nervig.
Aantal soorten volgens Ci.arke 2 of 3. volgens CofixiAUX 8, in
Kngelsch Indië en de Nicobariselio eilanden, Xederlanclsch Indië,
de Philippynsche eilanden en Noord Australië. MlQUEL noemt 4
soorten voor Nederlandsch lndië, nl. O. Moluccana BI., door Triana
en CoriNiACX O. cyanoitles Ti: genoemd en vroeger als eene soort
van Melastoma L. beschreven, O. grucilis BI., O. Celebica BI. en
O. bracteata Kort/i. De laatste soort vormde BLUME\'s geslacht
Lachnopodium. (L. bracteala lil.). Eene tweede, door Iii.UME onder
dien geslachtsnaam beschreven soort, /.. fubrolimbata BI. = O.
rubrolimbata Link et Ollo,
waarvan het vaderland onbekend is,
verschilt volgens Hkntham misschien niet van O. bracteata Kurlh.
Behalve de door Miquei. genoemde soorten, geeft Cügniaux nog
O. crinila Kaud. op.
3. MELASTOMA L.
Kelkbuis eivormig, bedekt met al of niet klierachtige
borstels of met schubben, zelden met penseelvormige
borstels; lobben 5, zelden 6—7, ei-, lancet-, of lijnvormig,
afvallend, even lang of korter dan de basis, dikwijls af-
wisselend met evenveel, dikwijls kleine, priemvormige
tandjes. Bloembladen meestal 5, omgekeerd eirond of on-
gelijkzijdig, met uitgeschulpten of zelden spitsen top, aan
de rugzijde soms behaard. Meeldraden 10, zelden 12 of
14, zeer ongelijk; helmknoppen lijn-priemvormig, met 1
porie, naar voren of een weinig naar achteren gekromd,
met golvende hokjes; de grootere paarsch, meestal met
een lang verlengd, boogswijs gekromd, van voren 2 lobben,
knobbels of sporen dragend helmbindsel, van achteren
zonder aanhangsel; de kleinere geel, met een niet verlengd,
2 knobbels dragend helmbindsel. Eierstok eivormig, vrij
of aan de basis of hooger met den kelk door 5—7 tus-
-ocr page 569-
509
MV. MELASTOMACEAE.
schenschotten verbonden, 5-, zelden 6—7-hokkig, met
gezwollen, met borstels bezetten top; stijl draadvormig,
gekromd, aan den top verdikt, met stompen stempel.
Ledcrachtige of vleezigo, onregelmatig versebeurde bes.
Zaden klein, slakkenbuisvormig gewonden.
Heesters, meestal opgeriebt en met kliorborstels behaard,
céne soort kruipend. Bladeren gesteeld, langwerpig of
laneetvormig, lederacbtig, gaafrandig, 3—7-nervig. Bloemen
purper, paarscb of rosé, zelden wit, aan de toppen der
takken met 2 sobutbladen, alleen of in bundels, bijscher-
men of pluimen.
Aantal beschreven soorten zeer groot; volgens CLARKE zou men
echter liet aantal óf op 40 óf op 8 mouten bepalen. Cogniaux noemt
Ü7 soorten, liet geslacht is verspreid over Zuid Azië, Noord Australië
en de eilanden van den Stillen Oceaan. V\'ior Nederlandsen hidië
noemt Miquel een 30-tal soorten op, doch door Cogniaux wordt
dit aantal tot 24 teruggebracht.
4. ALLOMORPHIA lil.
Kelkbuis cilindervormig of langwerpig klokvormig,
stompkantig; zoom verwijd, stomp 4—5-tandig, blijvend.
Bloembladen 4—5, klein, omgekeerd eivormig langwerpig,
met spitsen of afgeronden top. Meeldraden 8 of 10,
nagenoeg gelijk; helmknoppen meestal naar voren ge-
kromd, priemvonnig, aan de basis 2-lobbig, met 1 porie;
helmbindsel aan de basis niet verlengd, van voren zonder
aanhangsels, van achteren met eene spoor. Eierstok ei-
vormig, in de kelkbuis besloten, vrij of nagenoeg vrij,
3- zelden 4—5-hokkig, met gezwollen, ingodrukton top en
fijn gewimperde randen; stijl draadvormig, S-vormig neer-
gebogen , met stipvormigen stempel. Doosvrucht klein,
eivormig, boven aan den top uitgehold, binnen den urn-
vormigen, 6—8 ribben vertoononden kelk besloten, met
3—5 kleppen aan den top openspringend. Zaden hjn-knods-
vormig, kantig, schuin en spits gesnaveld, met nagenoeg
basilairen navel.
Vertakte heesters of van onderen houtachtige, eene
bloemschacht dragende kruiden, met dunne takken en lang
gesteeldo, tegenoverstaande, groote, lancetvormige of cir-
kelvormige, 1—5-nervige, bijna of volkomen onbehaarde
bladeren. Bloemen klein, in kluwenvormige kransen, aan
eindelingsche pluimen.
-ocr page 570-
\' 510
MV. MEI ASTOMACEAE.
Aantal soorten 15, in Engelsen Indië, vooral op Malakka en de
naburige eilanden, op de Viti-eilsmden en in China. Eéne soort van
Penang en Malakka, A. e.cigua BI., komt ook op de Philippyiische
eilanden voor en zal dus ook waarschijnlijk wel in Nederlandsen
Indië gevonden worden. Eene tweede soort komt in Malakka voor,
A. Griffithii Hook. /\'. Volgens Cogxiaux behoort hiertoe misschien
ook A:\' bullata Cogn., door andere schrijvers tot Sonerila lio.rb.
of Driessenia Korth. gebracht. (S. ballastt Ori/f\'. = Dr> Imllosa
Tt\\).
Voor Nederlandscli Indië noemt COONIAOX Ü nieuwe soorten
van Borneo en 2 van Nieuw Guinea.
5. OXYSPORA D C.
Kclkbuis knods-klokvormig, stomp 4-zijdig, nagenoeg
onbehaard; lobbon 4, kort, stomp, enkelvoudig of met
oen tandje op den rug. Bloembladen 4, langwerpig, min
of meer spits, volkomen onbebaard. Mecldraden 8, ongelijk
(zeer zelden 4); bclmknoppen ongelijk; de 4 grootste
paarsch, lijn-prieinvormig, gekromd, met 1 porie, aan de
basis eenigszins lang 2-lobbig; helmbindsel aan de basis
niet verlengd, van voren zonder aanhangsels, van achteren
niet cene spoor; de kleinere recht, geel, lijnvormig-lang-
werpig; helmbindsel van achteren gespoord. Eierstok met
4 verticale schotten aan den kelk vastgehecht, 4-hokkig,
met gezwollen, onbohaarden top; stijl draadvormig, S-
vormig omlaag gebogen, mot stipvormigen stempel. Doos-
vrucht knodsvormig, binnen den vliezigen , 8 ribben
dragenden kelk besloten, 4-hokkig. Zaden klein, onregel-
matig knods-wigvormig, met zijdelingschc zaadnerf.
Dunne, opgerichte of min of meer klimmende, onbe-
haarde of aan de dunne takken en bladstelen met op
zemelen gelijkende schubben bezette heesters. Bladeren
lang gesteeld, groot, langwerpig of lancetvormig-eivormig,
lang toegespitst; gaafrandig of golvend getand, 5—7-nervig.
Bloemen vrij klein, rosé of rood, in lange, veelbloemige,
losse, knikkende, eindelingsche pluimen.
Aantal soorten 4, waarvan 3 in Engelseh Indië en lopSumatra,
O. maerophylla Ti: De laatste werd door Miqckl beschreven als
zijn nieuw geslacht Hylocharis. (//. maerophylla Miq.).
6. DRIESSENIA Korth.
Kelkbuis min of meer 4-zijdig, bijna dobbelsteenvormig,
min of meer onbehaard; kelkzoom afgeknot, 4-tandig,
van buiten met kleine, stipvormige tandjes vermeerderd.
-ocr page 571-
511
LIV, MELASTOMACKAE.
Bloembladen 4 , langwerpig, stomp. Meeldraden 8, ongelijk;
helmknoppen priemvormig, mot 1 porie, recht; de grootere
met een aan de basis niet verlengd helmbindsel, van
voren met twee lijnvormige, stompe, uitgespreide of op-
gerichte aanhangsels, van achteren gespoord; de kleinere
met dezelfde aanhangsels, doch minder ontwikkeld. Eierstok
met den kelk samenhangende, 4-hokkig, met in het
midden diep uitgeholden top, welks holte door 4 opge-
richte, gewiinporde lobben omgeven wordt; stijl recht,
draadvormig; stempel stipvormig. Doosvrucht min of
meer kegelvormig, met een uitgeholden top, in welks
midden de 4 platte of gezwollen naar binnen hellende
kleppen samen komen, die zich naar buiten en boven
openen. Zaden talrijk, omgekeerd wigvormig of eivormig,
met basilairen navel; zaadnerf zijdelingsch.
Onbehaard of als met zemelen bedekt kruid, met 4-
kantige, gevoorde takken. Bladeren gesteeld, vliezig, lang-
werpig-lanectvormig, aan weerszijden toegespitst, gaafrandig,
van boven onbehanrd, van onderen als bepoederd, 5-nervig.
Bloemen klein, okselstandig, in bundels, dun gesteeld,
knikkend, groenaehtig. Doosvruchten klein.
Aantal soorten 3, op Borneo voorkomende, nl. Dr.axantha Korlh.,
en \'2 nieuwe, nog onbeschreven, nl. Dr. Teysmnnnït Cogn. en Dr.
ciliala Becc.;
misschien is er nog eene vierde soort op Malakka,
Dr. (?) bullosn IV., door Griffith tot Sonerila Roxb. gerekend, (.S\'.
biillo.-n (Sri ff.). De laatste wordt ei-hter door Cooniaux met eenigen
twijfel in het geslacht Allomorphia BI. opgenomen.
7. BLASTUS Lour.
Kelk kortharig, met langwerpig klokvormige of kort
langwerpige buis en verwijden, afgeknotten, klein 4-
lobbigen zoom. Bloembladen 4, eivormig, stomp, geheel
en al onbehaard, lang tot een kegel inaengerold. Meel-
draden 4, gelijk; helmdraden draadvormig; helmknoppen
kort priemvormig, naar voren gekromd, met 1 porie en
met aan de basis uiteen3taande hokjes; helmbindsel aan de
basis niet verlengd, zonder aanhangsels. Eierstok door
schotten aan den kelk vastgehecht, 4-hokkig, met kort-
harigen top; stijl draadvormig; stempel stipvormig. Doos-
vrucht omgekeerd eivormig, met 4 ondiepe voren, binnen
den lederachtigen kelk besloten, laat met 4 kleppen
-ocr page 572-
512
LIV. MELASTOMACEAE.
openbarstend. Zaden sikkelvormig of niervonnig terugge-
kromd; zaadnerf zijdelingsch; zaadhuid aan weerszijden
verlengd.
ünbehaarde of kortharige heesters met rolronde twijgen.
Bladeren gesteeld, vliezig, eivormig of langwerpig lancet-
vormig, lang toegespitst, gaafrandig of golvend en fijnge-
zaagd. Bloemen zeer klein, in okselstandige bundels met
onduidelijke schutblaadjes. Vruchten klein.
Aantal soorten \'2, waarvan I in Engelsch Indie, Cocliin Cliina
en China voorkomt, terwijl de andere, BI. Borneensis Cogn., in
Boi\'iico door BeCCARI werd ontdekt. De eerste weid dooi\' BBNTHAM
in zijn Flora Huiighonijriisis bij de geslachten Oxyspora l> C. en
Anplectrum A.Gray opgenoemd.
8. OCHTHOOHARIS BI.
Kelkbuis breed omgekeerd eivormig of bijna klokvormig,
onbehaard, rolrond, niet geribd; kelkzoom5-tandig,blijvend.
Bloembladen 5, eivormig, spits. Meeldraden 10, gelijk;
helmknoppen lijnvormig-langwerpig, stomp, min of meer
recht, met 1 porie; hclmbindsel aan de basis niet ver-
lengd; van voren zonder aanhangsels, van achteren met
een knobbel of eene kleine spoor. Eierstok aan de kelk-
buis vastgehecht, 5-hokkig, mot gezwollen, onbehaarden
top; stijl recht, draadvormig, met stipvormigen stempel.
Doosvrucht kogelvormig, binnen den vliezigen kelk be-
sloten, 5-kleppig. Zaden onregelmatig, wigvormig, knods-
vormig, met basilairen navel.
Opgerichte en vertakte onbehaarde heesters, met rol-
ronde twijgen. Bladeren gesteeld, langwerpig of lancet-
vormig, fijngezaagd, 3—5-nervig. Bloemen klein, meestal
okselstandig" en in tot bundels vereenigde bijschermen,
zelden in losse, okselstandige, eindelingsche bijschermen
of pluimen.
Aantal soorten 5, op Singapore, Tenasserim. Java, Borneo en
Boeroe, nl. O. paniculata Kort/i., O. Javanica BI., O. Borneensis
BI., O. parvi/lora Conn.
en O. nvata Coan. De beide eerste werden
ook tot het geslacht Melastoma L. gebracht.
9. ANERINCLEISTUS Korth.
Kelkbuis behaard, wijd klokvormig, aan de binnenzijde
met zakvormige holten, welke in den knop de helmknoppen
-ocr page 573-
513
I,VI. MELASTOMACEAE.
bevatten; lobben 4, klein, priemvormig, blijvend. Bloem-
bladen 4, klein, eivormig-langwcrpig, toegespitst, onbe-
haard. Meeldraden 8, gelijk; hclmknoppen in den knop
verborgen in de zakvorinigc holten aan de binnenzijde
van den kelk, ei-priemvormig, min of meer teruggekronul,
met 1 porie en met aan de basis vrije hokjes; helmbindsel
aan de basis niet verlengd, van voren zonder aanhangsels,
van achteren zeer kort gespoord. Eierstok bijna vrij, 4-
hokkig, aan den top breed uitgehold, 4-lobbig; lobben
met uitgekartelde randen; stijl kort, recht; stempel stip-
vormig. Doosvrucht met 4-kleppigen, breed uitgeholden
top, vliezig, langer dan de klokvormige kelk. Zaden zeer
klein, omgekeerd eivormig-wigvormig.
Grijs viltachtige, kleine boomen, met rolronde, dunne
takken. Bladeren gesteeld, eivormig, toegespitst, gaafran-
dig, 5—7-nervig, vooral van onderen viltachtig behaard.
Bloemen in okselstandige en eindelingsche bundels of
schermpjes, ruwbehaard en klein, niet in het oog vallend.
Aantal soorten 5, waarvan \'2 in Tenasserira en 1 op Sumatra,
A. hirsutus Korth.. en 2 nog onbeschreven, .1. Beccarii Cogn. en
.1. diapar Cogn., op Borneo. Bentham on Hooker noch Clarke
spreken van de merkwaardige zakjes in «Ion kolk tot borging van
de helmktioppen, door Korthals afgebeeld. Misschien ontbreken zij
in «Ie soorten van Tenasserira. Volgons Cl ARK E springt de doosvrucht
met poriën, volgens Korthals met kleppen open.
10. SONEBILA Iioxb.
Kelkbuis tolvormig, langwerpig of klokvormig, onbe-
haard of met borstels bezet; kelkzoom dikwijls verwijd,
met 3 korte, enkelvoudige lobben. Bloembladen 3, eivor-
mig, omgekeerd eivormig of langwerpig, spits, toegespitst
of stomp. Meeldraden 3, gelijk, (zeer zelden 6, om den
anderen kleiner); helmknoppen lijnvormig of priemvormig,
dikwijls aan de basis 2-lobbig, met 1 porie, zelden lang-
werpig of afgeknot en dan met 2 poriën; helmbindsel
aan de basis niet verlengd, soms met 2 knobbels, doch
zonder aanhangsels. Eierstok met de kelkbuis volkomen
of een weinig samenhangende, 3-hokkig; hokjes tegenover
de kelklobben geplaatst; top vrij, breed uitgehold, onbe-
haard, dikwijls overwelfd door breede, schubvormigc ran-
den; stijl draadvoruiig, met afgeknotten en knopvormigen
-ocr page 574-
514
MV. MELASTOMACEAE.
stempel. Doosvrucht binnen den tolvormigen of cilindrischen,
geribden of 3-kantigcn kelk besloten, met zeer breed uit-
geholden top en drie kleppen, dikwijls overwelfd door een
broeden, ringvormigen, uit 3 uitgesnedeïi schubben gevorm-
den, horizontalen rand. Zaden piramide-, ei-, nier-of knods-
vormig, glad of ruw, met basilairen navel en met enkel*
voudige of verdikte, dikwijls in een gezwollen, de zaad-
kern bedekkend aanhangsel eindigende zaadnerf.
Kruiden of kleine heesters van verschillend voorkomen,
dikwijls klein, onbehaard, behaard of beschubd, of met
een stengel of zonder stengel en met een bloemschacht.
Bladeren gelijk of van twee verschillende vormen, meestal
vliezig, gaafrandig of fijngezaagd, ;5—5-nervig. Bloemen
in schroefvormige trossen of aren, meestal rosé, groot of klein.
Aantal soorten 70. waarvan de meeste in Engelsen Indië, 1 in
China on i\\ in Nederlandsen Indië.
II. PHYLLAGATHIS BI.
Kelkbuis langwerpig, of tol-klokvormig, nagenoeg on-
behaard; lobben 3—4, eivormig, spits, van achteren met
2—3 borstels en soms met evenveel borstels afwisselend,
afvallend. Bloembladen 4, zelden 3, eivormig, spits, on-
behaard. Meeldraden 8, zelden 6, gelijk; helmknoppen
lijn-priemvormig, met 1 porie; hokjes golvend, aan de
basis vrij; helmbindsel aan de basis niet verlengd en
zonder aanhangsels of van achteren kort gespoord. Eierstok
met den bodem van den kelk verbonden, 4- zelden 3-
hokkig, met oningesneden, breed uitgeholden top, met
kantige randen; stijl draadvormig, gekromd; stempel stip-
vormig. Doosvrucht tolvormig, binnen den lederachtigen,
geribden of kantigen kelk besloten, met diep uitgeholden, 4-
kleppigen top. Zaden onregelmatig wig-piramidevormig,
korrelig, met basilairen of zijdelingschen navel.
Kruidachtige, min of meer dikke heesters met korte
stengels. Bladeren tegenovergesteld (of één groot, einde-
lingsch blad) gestoeld, cirkelvormig, aan de basis hartvormig,
stomp, gaafrandig of getand, 7—9-nervig, van boven
glanzend, van onderen gekleurd; bladstelen dikwijls van
binnen met haarbundels. Bloemen rosé, in een kort ge-
steeld, dicht hoofdje, meestal binnen een omwindsel van
groote schutbladen.
-ocr page 575-
515
LIV. MELASTOMACEAE.
Aantal soorten 2, waarvan 1 op Malakka en Suniatia. Ph.
rottindifo\'ia l}l,.
met omwiudsel, en 1 op liorneo, Ph. gi/mnantha
Korth.,
zonder orawindsel. In «ie teekening van Korthals zijn <le
liokjes der helmknoppen niet golvend voorgesteld, zooals door
Ükntham en llooKiili wordt opgegeven, doch aan den top mot een
dekseltje.
12.   BRITTENIA Co<jn. ms.\').
Bloemen 5-tallig. Kelkbuis onbehaard, wijd klokvormig;
kelkzoom verwijd, kort 5-lobbig, lobben breed driehoekig,
stomp, met breede vleugels aan de achterzijde. Bloembladen
omgekeerd eivormig, onbehaard, aan den top min of\' meer
af\'geknot en met eene kleine spits. Meeldraden 10, gelijk,
met haardunne helmdraden; helmknoppen lijn-priemvor-
mig, met 1 kleine porie aan den top; hokjes licht golvend;
hehnbindsel aan do basis niet of weinig verlengd, van
voren met een hoornvormig, dik, lang, opstijgend aan-
hangsol, van achteren met eene dikke, lange, hangende
spoor. Eierstok met den bodem van den kelk vergroeid,
5-hokkig, mot onbehaarden, breed uitgeholden top; stijl
haardun, recht; stempel stipvorinig. Doosvrucht onbekend.
Onbehaard kruid, met zeer korten, cnkelvoudigen sten-
gel. Bladeren groot, langgestecld, min of meer vliezig,
ei- of nagenoeg cirkelvormig, 7—9-nervig. Bloemen klein,
waarschijnlijk rosc, zittend of nagenoeg zittend, zonder
schutbladen tot een lang gestoeld hoofdje opeengedrongen.
Kéno soort, Bi: eubacaulis Coyn., door Hkccari op Borneo
gevonden.
13.   SAROOPYRAMIS Wall.
Kclkbuis omgekeerd kogelvormig, gaafrandig; kelkzoom
zeer kort, afgeknot, 4-tandig. Bloembladen 4, toegespitst,
eivormig. Meeldraden 8, gelijk; helmknoppen allo van
den zelfden vorm, omgekeerd hartvormig-langworpig, aan
den top 2-lobbig, met 1 porie in den inham tusschen
de lobben, onder den top openspringend; helmbindsel aan
de basis verlengd, van voren zonder aanhangsels, van
achteren met eene stompe spoor. Eierstok half met den
\') De beschrijving van dit nieuwe geslacht, bestemd voor De
Canbolle Monograph. Phaner., werd mij door den Heer Cogniaux
welwillend medegedeeld.
-ocr page 576-
516
MV. MELASTOMACEAE.
kelk vergroeid, 4-hokkig, met breed uitgeholden top, en
met vliezigen, geheel en al onbehaarden, 4-lobbigen rand;
stijl draadvormig; stempel verbreed. Doosvrucht binnen
den vliezigen, 4-kantigen kelk besloten, aan den top door
4 breede schubben gekroond, aldaar uitgehold en met 4
kleppen openspringend. Zaden recht, omgekeerd eivormig
of wigvortnig, korrelig, met basilairen navel en niet ver-
dikte zaadnerf.
Opgericht, nagenoeg on vertakt, geheel en al onbehaard,
vleezig kruid, met vierkanten stengel. Bladoren gesteeld,
eivormig of lancctvormig, fijngezaagd, ;5-nervig. Bloemen
klein, rosé, alleenstaand of in zittende of gcsteclde, oksel-
standige en eindelingsche bundels, (volgens Cogniaux uit
bijschermpjes gevormde hoofdjes), met schutbladen.
Eéne soort, .S\'. Nepa/i\'nsis Wall., in Engelsen Inilië. hoofdzakelijk
op de llimalaya en in Khasia, doch ook in Malakka waargenomen.
Tkiana onderscheidt echter 2 soorten, i\'. lanceolcUa Wall. en S.
Nepalensis Wall.
Ho laatste, hij Miquix beschreven onder het
geslacht Sonerila Roxb. (Soa. Naudiniana Miq.) en door Zollinoer
tot het geslacht Osbeckia L. gerekend of ook als een afzonclei \'lijke
soort van Swcopyraimis beschouwd, wordt op Java aangetroffen.
CotiNiAUx beschouwt deze als synoniemen.
14. DALENIA Korth.
Kelkbuis urn-klokvormig, onbehaard; kelkzoom kap-
vormig afvallend, rondom loslatend. Bloembladen 4, om-
gekeerd eivormig, met eene spits op den top. Meeldraden
8, ongelijk; hclmknoppen lijn-priemvormig, S-vormig ge-
kromd, gesnaveld, met 1 porie; de grootste met een weinig
verlengd helmbindsel, van voren met 2 borstels en van
achteren met een borstel of eene spoor; de kleinere met
dezelfde aanhangsels, doch van kleiner afmeting. Eierstok
door 8 schotten met den kelk verbonden, 6-hokkig, met
onbehaarden top; stijl draadvormig; stempel stipvormig.
Bes eivormig, gekroond door de basis van den kelkzoom.
Zaad kantig-piramidevormig, aan ééne zijde gevleugeld.
Klimmende heester, kaal of als met poeder bedekt,
met aan de verdikte knoopen dikwijls wortelende takken.
Bladeren groot, gesteeld, eivormig, kort toegespitst, gaaf-
randig, 5—7-nervig. Bloemen groot, rosé, gesteeld, aan
eindelingsche, vertakte, min of meer tuilvormige pluimen.
Eéne soort, in liorneo voorkomende, D. pulchra Korth.
-ocr page 577-
LIV. MELASTOMACEAE.                               517
15. MARÜMIA BI.
Kelkbuis oilindrisch, eivormig of min of meer klokvor-
mig, viltachtig behaard of borstelig; kelkzoom met 4
lancetvormige of eivormig-driehoekige, blijvende lobben.
Bloembladen 4, omgekeerd eivormig. Meeldraden 8, onge-
hjk; helmknoppen lijn-priemvormig, lang, S-vormig, bijna
gesnaveld, met 1 porie; de grootere met een aan de basis
verlengd helmbindsel, van voren met 2 lange borstels en
dikwijls van .achteren met 1—2 sporen of eenige gewron-
gen borstels; de kleinere met een weinig verlengd helm-
bindsel, van voren met 2 borstels, van achteren naakt
of met één borstel. Eierstok aan de basis of tot het midden
met den kelk vergroeid, 4-hokkig, met een borsteligen of
viltachtig behaarden top; stijl draadvormig; stempel stip-
vormig. Bes door den kelkzoom gekroond. Zaden talrijk,
half eivormig, met zijdelingsche zaadnerf.
Kruipende, borstelige of als met zemelen bedekte of
viltachtig behaarde heesters, met rolronde, aan de knoopen
dwars verdikte takken. Bladeren gesteeld, eivormig of
langwerpig, spits of toegespitst, gaafrandig, 3—5-nervig.
Bloemen rosé of purper, groot of zeer groot, in zijde-
lingsche, gesteelde, dikwijls weinigbloemige bijschermen.
Aantal soorten volgens Clarke 10, van Kngelsch Indie tot aan
de Philippijnsche eilanden verspreid. Het aantal der door MlQUEL
voor Nederlandseh Indie opgenoemde soorten is echter IS, waarbij
nog gevoegd moet worden ééne soort van Java. onder den naam
van Macrolenes Xuml. (M.annulala Naud.) door Miquei. opgenoemd,
vroeger achtereenvolgens tot de geslachten Melastoma /... Majeta
Aiibl. en Huberia D C. gebracht. Triana noemt 10 of 11 soorten
van het geslacht , welke volgens hem alle in Nederlandsen Indie
voorkomen; daaronder met eenigen twijfel ook eene soort, M.(T)
pulvincUa Triana,
door Korthals tot Dissochaeta BI. gebracht.
(D. bipulvinata Korth.). Volgens Cooxiaux, die eene nieuwe soort
aan het geslacht toevoegt, zijn er 12 soorten, alle in Nederlandsch
Indië voorkomend.
1G. DISSOCHAETA BI.
Kelk onbehaard of zachtharig, met langwerpige, klok-
vormige of eivormige, rolronde of onduidelijk 4-zijdige buis;
kelkzoom boven den eierstok verlengd, afgeknot of on-
duidelijk 4-lobbig; lobben met kleine, stipvormige tandjes
of naakt. Bloembladen 4, eivormig of langwerpig, spits
-ocr page 578-
518
LIV. MELASTOMACEAE.
of eenigszins stomp, zelden toegespitst. Meeldraden óf 4,
afwisselende met de bloembladen, of 8, alle van dezelfde
grootte of om den anderen kleiner; helmknoppen ver-
Bchillend, langwerpig, lijnvormig-langwerpig of priemvor-
mig, zelden omgekeerd eivormig, dikwijls gesnaveld, met
1—2 poriën, naar voren of naar achteren gekromd; helin-
biudsel aan de basis niet of kort verlengd, van voren met
2 borstelvormige aanhangsels. Eierstok geheel en al of
door middel van 4—8 schotten met den kelk verbonden,
4-hokkig, met gezwollen, onbehaarden of een weinig be-
haarden top; stijl draadvormig, gekromd, met stipvorinigen
stempel. Ues ei- of kogelvormig of langwerpig, door den
bekervormigen kelkrand gekroond. Zaden half eivormig,
min of meer gekromd, met zwarte, zijdelingsche zaadnerf.
Meestal kruipende, onbehaarde of als met zemelen
bedekte, zelden borstels dragende heesters, met meestal
kruipende takken. Bladeren min of meer zittend of ge-
steeld, omgekeerd eivormig of ei-lancetvormig, gaafrandig,
3—5-nervig. Bloemen klein, rosé, paarsch of wit, gesteeld,
in groote, eindelingsche, soms bebladerde pluimen, met
kleine, zelden groote schutbladen.
Aantal soorten volgens Miqlei., omstreeks 32, volgens Bentham
en IIuuker omstreeks 16, in Engelsch en Nederlandsch Imlië en
op de l\'liilippijnsche eilanden: behalve ééne soort van Luzon, komen
alle in Nederlandsen Imlië voor. Enkele der door Miquei. bij Dinso-
chaeta
gerekende soorten, worden dooi\' Bentham en IIOOKEB tot
Anplectrum A. Ontij gebracht. Triaxa brengt tot het geslacht 18
soorten, waarvan 17 in Nederlandsen Imlië, Alalakka en Singapore
voorkomen. Cogniaux noemt \'20 soorten, waarvan 18 in Nederlandse!)
Imlië. Bij andere schrijvers werden eenige soorten tot Melastoma /-.
gebracht en ééne tot Omphalodes Naud.
17. ANPLECTRUM A. Gray
Kelkbuis ei-kogelvormig; zoom afgeknot of onduidelijk
getand; tanden 4, elk met een klein tandje van buiten.
Bloembladen 4, eivormig of langwerpig, spits of toegespitst.
Meeldraden 8, zeer ongelijk; helmknoppen om den anderen
onvolkomen; de grootere, eivormig of langwerpig, dik,
met een aan de basis niet verlengd helmbindsel, zonder
aanhangsel of van voren met 2 plaatjes en van «achteren
kort gespoord. Eierstok van boven vrij, 4-hokkig, door 4
kammen gekroond; stijl draadvormig, met stipvormigen
-ocr page 579-
519
I,IV. MET.ASTOM ACEAE.
stempel. Bes min of meer kogelvormig, door den kelk-
zoom gekroond. Zaden talrijk, wigvormig en kantig.
Kruipende heesters, dikwijls als mot zemelen bestrooid.
Bladeren tegenovergesteld, gesteeld, ganfrnndig,;}—5-nervig.
Bladstelen door eene verheven streep verbonden. Bloemen
wit en klein, in okselstandige en eindelingsehe pluimen.
Aiintal soorten omstreeks 12, verspreid van Engelsch Imlië tot
aan de Philippijnsche eilanden; in Nederlandsen Indiü volgens
Miyui:i. ongeveer 5, een aantal «lat vermeerderd moet worden met
een H-tal «lat op IVnang voorkomt, en een 2-tal «lat door MlQUIvL
tot DiSSOChaeta UI. gebracht was. Triaxa noemt 1(5 soorten op
van liet geslacht, waarvan 15 in Nederlandseh Imlië voorkomen.
Coiixiai x neemt slechts 12 soorten aan voor Nederlandse h Imlië.
Behalve hij Triaxa vindt men de «oorten van dit geslacht hij
andere schrijvers onder il(? geslachten Melastoma L. en Dissochaeta
BI., eenige bij Blume onder «len naam van Aplectrum lil.
18. OREOCHITON BI.
Kelkbuis onbehaard of een weinig behaard, half kogel-
vormig; kelkzoom vliezig, een weinig verwijd, stomp 4-
lobbig. Bloembladen 4, omgekeerd eivormig, niet eene
spits. Meeldraden 8, gelijk; helmknoppen kort prieinvor-
mig, teruggekromd, met 1 kleine porie; helmbindsel aan
de basis niet verlengd, doch met een hart-of kegelvormig
aanhangsel aan de achterzijde, dat met den helmknop
ineenvloeit; helmdraad vastgehecht in den buiknaad van
den helmknop. Eierstok met de kelkbuis geheel en al
samenhangende, 4-hokkig, met bollen, onbehaarden top;
stijl min of meer kort, met stompen stempel. Bes kogol-
vormig, door den kelkzoom gekroond. Zaden eivormig-
kantig of langwerpig, met verdikte, voorbij de kern ver-
lengde zaadnerf.
Klimmende heesters, min of meer als met zemelen
bestrooid of onbehaard. Bladeren gesteeld, min of meer
lederachtig, eivormig, omgekeerd eivormig of min of meer
cirkelvormig, gaafrandig, 3—5-nervig. Bloemen vrij klein,
rosé, binnen 2 lederachtige of vleezige, schuitvormige, in
den knop klepswijze aaneensluitende, afvallende schut-
blaadjes, in min of meer schermvormige, okselstandige
en eindelingsche pluimen.
Aantal soorten 4\', op Java voorkomende, Cr. pudibunda BI., Cr.
emarginata Mi<j., Cr. bibracteata lil.
en Cr. superba Naud. Door
-ocr page 580-
520
LIV. MELASTOMACEAE.
TriaNa en evenzoo door Cogniaux wordt de tweede als synoniem
van de eerste, de vierde als synoniem van de derde beschouwd en
zoo liet aantal tot 2 teruggebracht.
19. OMPHALOPUS Naud.
Kelkbuis klokvormig; kelkzoom verwijd, onduidelijk
4-lobbig. Bloembladen 4, omgekeerd eivormig, min of
meer spits. Meeldraden 8, gelijk of om den anderen
onvruchtbaar; helmdraden in eene gleuf tusschen de
hokjes van den helmknop ingeplant; helmknoppen ei-
priemvormig, tijdens den bloei omlaag gebogen, met gol-
vende hokjes; helmbindsel verlengd in een vlies, dat tegen
de achterzijde der helmhokjes aanligt. Eierstok 4-hokkig;
stijl draadvormig. Niet zeer sappige besvrucht. Zaden
kantig-piramide vormig.
Kruipende heesters, met dunne takken. Bladeren ge-
steeld, eivormig of langwerpig, gaafrandig, met eene
poedervormige en stervormige haarbokleeding. Bloemen
in eindelingsche en okselstandige pluimen.
Aantal soorten volgens Miqiei. 3, nl. O. failax Naud., 0.1e)>rosus
Naud., O. reticulatus Naud.
BENTHAM en IIooker schijnen deze
als ééne soort te beschouwen. TRIANA houdt de beide eerste, doch
beschouwt de derde als eene soort van Dissochaeta BI. en een
synoniem van D. inappendiculata 1)1. De tweede is volgens hem
echter niet synoniem met D. leprosa 111. Cogniaux vereenigt met
O. failax Naud, ook eenige soorten, door Miquei. tot Dissochaeta
en Melastoma gebracht, (D. Diepenliorstii Miq. en M. diffusa lieinw.).
20. MEDINILLA Gaud.
Kelkbuis half bolvormig, eivormig, tol-, klok- of cilin-
dervormig; kelkzoom gaafrandig of 4—5- (zelden 6-tandig),
zeer zelden onregelmatig doorscheurend, soms met kleine
tandjes aan de buitenzijde. Bloembladen 4 of 5 (zelden
6), eivormig, langwerpig of omgekeerd eivormig, spits,
een weinig vleezig. Meeldraden 8 of 10 (zelden 12), gelijk
of een weinig ongelijk, zelden sterk ongelijk; helmknop-
pen lijn-priemvormig, kort of lang, naar voren gekromd
of S-vormig, met 1 porie, zeer zelden met 2 poriën of
met 2 korte spleten; helmbindsel aan de basis niet ver-
lengd, van voren met 2 lobben of sporen, van achteren
met 1, zelden 2 lobben of meestal met eene spoor. Eierstok
geheel of alleen door schotten met de kelkbuis verbonden,
-ocr page 581-
LIV. MELASTOMACEAE.                               521
4—6-hokkig, met bollen, onbeliaarden, zelden stervormig
zachtharigen, soms door een ring gekroonden top; stijl
draad- of zuilvormig, aan de basis soms verdikt; stempel
stipvormig. Bes door den kelkzoom gekroond, kogel- of\'
eivormig. Zaden talrijk, onregelmatig eivormig of half
eivormig, glad of ruw, met meestal verdikte zaadnerf.
Vertakte, opgerichte of op boomen levende of klim-
mende heesters, meestal met dikke takken, onbehaard of
zelden als met zemelen bedekt, zeer zelden stervormig-
zachtharig, de jongere planten dikwijls kruipend, met
rolronde of kantige takken, dikwijls in de knoopen dicht
met borstels bezet. Bladeren tegenovergesteld of in kran-
sen, zelden zeer ongelijk of afwisselend, gaafrandig en
vleezig, 3—9-nervig, met dikwijls gevinde nerven. Bloemen
wit of rosé, in veel- of weinigbloemige bijschermen of
pluimen, met of zonder schutbladen, welke soms groot en
rosé zijn en dikwijls spoedig afvallen.
Aantal soorten 84, voornamelijk in Engelsch en Nederlandsen
Intliü, eenige weinige in den Viti Archipel en op de Oost Afrikaan-
sehe eilanden. In Nederlandsch Indië komen er 4\'2 voor. Sommige
weiden beschreven als soorten van Axinaea Zipp., Dactyliota BI.,
Hypenanthe Bi. en Melastoma L.
21. PACHYCENTEIA BI.
Kelk kaal of met wratjes bezet, met ei- of tolvormige
boven den eierstok verlengde, kantige buis; zoom ver-
wijd, onduidelijk 4-tandig. Bloembladen 4, eivormig, min
of meer spits of toegespitst. Meeldraden 8, gelijk, met
priemvormige helmdraden; helmknoppen lijnvormig-lang-
werpig of priemvormig, nagenoeg recht, gesnaveld, met
1 porie; helmbindsel aan de basis niet verlengd, van
voren zonder aanhangsels, van achteren kort gespoord.
Eierstok voorbij het midden aan den kelk vastgehecht,
4-hokkig, met kegelvormigen, kantigen top; stijl draad-
vormig, met stompen stempel. Kogelvormige, 4-hokkige
bes. Zaden half eivormig, (eigenlijk in de gedaante van
een in de langsrichting doorgesneden ei), glad, met
zijdelingsche zaadnerf.
Onbehaarde, klimmende heesters, met rolronde takken
en als met poeder bestrooide, samengedrukte twijgen.
Bladeren vleezig, meestal kort gesteeld, eivormig of lang-
33
-ocr page 582-
522                               I.IV. MEIASTOMACEAE.
werpig, gaafrandig of onduidelijk gekarteld, 3-nervig.
Bloemen klein, in eindelingsche en okselstandige tuilen ,
zonder schutbladen; bloerastelen in het midden met twee
schutblaadjes, die echter de bloem niet in den knop kleps-
wijze omsluiten.
Aantal soorten volgens Oogniaux "12, alle in Nederlandsen Indië
voorkomende. Hij eene door Beccari in Borneo waargenomen soort,
P. macrorhiza /toe, zijn de wortels soms knolvormig verdikt en
vertooiien zij vauk door mieren bewoonde holten.
22. POGONANTHERA Dl.
Kelk als met poeder bestrooid, met bekervormige, 4-
zijdige buis en 4-tandigcn zoom. Bloembladen 4, lancet-
vormig, toegespitst, aan beide zijden in het midden ver-
breed of met een tandje. Meeldraden 8, nagenoeg gelijk;
helmknoppen recht, langwerpig, spits, met 1 porie; helm-
bindsel aan de basis niet verlengd, van voren zonder
aanhangsels, van achteren door lange haren gebaard, zonder
of met eene spoor. Eierstok aan den kelk ter halver hoogte
vastgehecht, met behaarden, kegelvormigen top; stijl draad-
vormig, op een ring ingeplant, met kleinen, stompen
stempel. Bes kogelvormig, 4-hokkig, door den kelkzoom
gekroond. Zaden talrijk, eivormig, min of irieer glad.
Pleesters, soms op andere gewassen levend, met rol-
ronde takken en gestippelde schubben. Bladeren gesteeld,
langwerpig, aan de basis min of meer geoord, gaafrandig
en onbehaard. Bloemen klein, rood, als met poeder be-
strooid, in eindelingsche pluimen.
Aantal soorten volgens CoGNIAUX 3, alle in Nederlandsen Indië,
Por), pulverulenta Dl., Po*/, reftexa Dl. en Por/, pauciflora Dl.
Eene vierde, Potj. rolmfsl.it Deer., wordt door COGNIAUX als een
synoniem van Dog. reflexa Dl. beschouwd Deze soort werd vroeger
ook tot de geslachten Melastoma L. en Pternanilra Jitei;. gebracht.
23. BOERLAG-EA Cogn. m s. \').
Bloemen 3-tallig. Kelkbuis kaal, langwerpig en nage-
noeg cilindervormig, boven den eierstok ver verlengd,
\') De Heer COGNIAUX had do welwillendheid mij van dit geslacht,
waaraan hij mij de eer deed mijn naam te verbinden, de beschrijving
toe te zenden, die bestemd is voor zijne monographie der familie
in De Candoli.e Monographiae Phanerogamarum.
-ocr page 583-
LIV. MELASTOMACEAE.                               523
onder het midden vernauwd, van onderen met 6 ribben,
na den bloei urnvormig-langwerpig; kelkzoom kort ge-
lobd, met breed eivormige, verdikte, van achteren getande
lobben. Bloembladen min of meer cirkelvormig. Meeldraden
6, onderling weinig verschillend; helmdraden draadvormig;
helmknoppen lijn priemvormig, recht, met 1 kleine porie
aan den top; helmbindsel aan de basis niet verlengd,
zonder aanhangsels. Eierstok geheel en al met den kelk
samenhangend, 3-hokkig, met stompen, onbehaarden top;
stijl draadvormig; stempel stipvormig. Eivormig lang-
werpigo besvrucht, met 6 dikke ribben, door den kelkzoom
gekroond. Zaden talrijk, zeer klein, hoekig, eivormig, fijn-
korrelig, met zijdelingsche zaaduerf.
Onbehaarde of spoedig kaalwordende heesters, met ver-
lengden, bochtigen, opstijgenden, min of meer rolronden
stengel. Bladeren gesteeld, groot, vliezig, eivormig lang-
werpig, gaafrandig, 5-nervig. Bloemen klein, gesteeld,
zonder schutbladen, in veelbloemige, okselstandige bundels.
Eéne soort, B. grandifolia Coyn., door Ueccari op Uoineo ge-
vonden.
24. OLIDEMIA Don.
Kelk stijfharig, zachtharig of met zemelachtige schub-
ben, zelden kaal, met lange, klok- of eivormige buis;
kelkzoom voorbij den eierstok verlengd, afgeknot of 5-
zelden G-lobbig; lobben van buiten dikwijls mot lange
tandjes. Bloembladen 5, zeer zelden 6, omgekeerd eivormig,
langwerpig of lijnvormig,\' stomp of uitgeschulpt, onbehaard,
niet zelden ingeplant aan de basisJVan eene vliezige
bijkroon. Meeldraden 10, zeer zelden 12, (of in ééne
soort 20), gelijk, met onbehaarde, meestal priem-of draad-
vormige helmdraden; helmknoppen lijnvormig-langwerpig
of priemvormig, recht, naar achteren of naar voren ge-
kromd, met 1 porie; helmbindsel aan de basis niet of
zelden kort verlengd, zonder aanhangsels of soms van
achteren met eene bult of eene kleine spoor. Eierstok min of
meer aan den kelk vastgehecht, met gezwollen of in een
ring verlengden, zelden naar binnen gedrongen, dikwijls
stijfharigen top, 3—5-, zelden 6—7-hokkig; stijl draad*
vormig, kort of lang, met afgeknotten of klein knopvor-
migen stempel. Kogel- of urnvormigc, vleezige, lederachtige
-ocr page 584-
524
LIV. MELA8T0MACEAE.
of vliezige bes, door den kelkzoom gekroond. Zaden klein,
meestal in den vorm van een in de lengte gedeeld ei of
stomp piramidevormig, zelden groot; met gladde of soms ge-
korrelde oppervlakte en met groote uitgeschulpte zaadnerf.
Vertakte of lang- en zacht- of ruigharige of borstelige,
zelden onbebaarde heesters. Bladeren meestal groot, ge-
steeld, 3—7-nervig, gaafrandig, gekarteld of getand. Bloe-
men in okselstandige of zelden eindelingsche bundels of
pluimen, meestal klein, rosé, purper of wit, met of zonder
schutbladen.
Aantal soorten 29, in Zuid on Midden Amerika tehuis behoorend.
Eéne soort, Clid. crenata D C, volgens TRIANA een synoniem van
Clid. hirla Don., is in ilen omtrek van Buitenzorg vrij algemeen
en wordt ook op Celebes aangetroffen. Kvenwei is /ij in Nederlandsen
Indië niet inheemsch, doch uit Zuid Amerika en West Indie af-
komstig. Volgens Cogniaux is zij ook in den omtrek van Singapore
verwilderd.
25. ASTRONIA BI.
Kelk onbehaard of kortharig, met klokvormige buis;
zoom of regelmatig 4—G-lobbig, of onregelmatig verscheu-
rend of kapvormig afvallend. Bloembladen 4—5, lang-
werpig of omgekeerd eivormig, stomp. Meeldraden 8, 10
of 12, gelijk; helmdraden kort, afgeplat; hclmknoppen
houweelvormig, kort, stomp; helmhokjes aan de voorzijde
door spleten openende; helmbindsel dik, zijdelings samen-
gedrukt, aan de basis |niet verlengd, zonder aanhangsels
of van achteren met eene spoor. Eierstok geheel en al
met den kelk samenhangend, 2—5-hokkig, met platten
of ingedrukten, gaafrandigen top; stijl kort, met klein
knopvormigen stempel en met in[den binnenhoek der hokjes
vastgehechte zaadlijsten. Doosvrucht besloten binnen den
lederachtigen kelk, welks stijve nerven, van het tusschen-
liggend weefsel loslatend, zich stervormig uitspreiden. Zaden
talrijk, zeer klein, lijnvormig of smal omgekeerd wigvormig
met basilairen navel en zijdclingsche, voorbij de kern
verlengde zaadnerf.
Boomen en heesters met rolronde twijgen, onbehaard
of een weinig viltachtig. Bladeren gesteeld, lederachtig,
groot, eivormig of langwerpig, gaafrandig, 3-nervig. Bloemen
wit of purper, vrij klein, gesteeld, in eindelingsche pluimen
zonder schutbladen.
-ocr page 585-
LIV. MELASTOMACEAE.                               525
Aantal soorten omstreeks 24,in Nederlandsch Indië en op de eilanden
van den Stillen Oceaan. In Nederlandsch Indië komt een 6-tal
hiervan voor.
26. BECOARIANTHUS Cogn.m*.1).
Bloemen 5-tallig. Kelk met wratjes bezet; kelkbuis
klokvormig, met regelmatigen, 5-lobbigen zoom; lobben
vrij lang, driehoekig, blijvend. Bloembladen smal lang-
werpig, min of meer spits, ongelijkzijdig. Meeldraden 10,
gelijk, met lange, draadvormige, platte helmdraden; helm-
knoppen smal langwerpig, stomp; hehnhokjes dicht bij
den top met zeer kleine, op poriën gelijkende spleten
zijdelings openbarstend; helmbindsel dun, aan de basis
niet verlengd en zonder aanhangsels. Eierstok met den
kelk geheel en al samenhangend, 5-hokkig, met inge-
drukten, onbehaarden top; stijl zeer lang, dun, opgericht;
stempel stipvormig; eitjes in elk hokje talrijk; zaadlij sten
onder aan den binnenhoek der hokjes vastgehecht. Doos-
vrucht neergedrukt kogelvormig, in den lederachtigen
kelk besloten. Zaden talrijk, klimmend, zeer klein, lang,
lijn-knodsvormig en onduidelijk vierzijdig, van onderen
zeer smal uitloopend en met voorbij j het zaad verlengde
zaadnerf.
Heester met stevige, stomp vierzijdige, holle takken,
waarvan de jongere evenals de bladstelen en bloemsten-
gels met lange wratten bezet zijn. Bladeren gesteeld,
groot, vliezig, omgekeerd eivormig langwerpig, 5-nervig,
gaafrandig. Bloemen groot, paarsch, lang gesteeld, zonder
schutbladen, in korte, eindelingsche bijschermen.
Eéne soort, Becc. pulchra Cogn., door Beccari op Borneo ge-
vonden.
27. KIBESSIA D C.
Kelkbuis half bolvormig, of met wratjes bezet, óf met
borstels of lange, dikke, kegelvormige, dicht opeengedron-
gen of haakvormige knobbels; zoom 4-lobbig of als een
\') Door den Heer COONIADX werd mij welwillend de beschrijving
van dit nieuwe geslacht, bestemd voor zijne monographie in De Can-
dolle Monographiae Phanerogamarum, vóór den druk hiervan toe-
gezonden.
-ocr page 586-
526
LIV. MELASTOMACEAE.
kapje afvallend en dan nu eens rondom loslatend, dan
weder onregelmatig doorscheurend. Bloembladen 4, lang-
werpig of eivormig, stomp of eenigszins spits. Meeldraden
8, gelijk, met korte, priemvormige helmdraden; helm-
knoppen zeer kort, eivormig-langwerpig of houweelvormig,
zijdelings samengedrukt, met 2 spleten; helmbindsel niet
verdikt, aan de basis niet verlengd, aan de rugzijde
stomp of kort gespoord. Eierstok met den kelk samen-
hangend, 4-hokkig, met neergedrukten, onbehaarden top;
stijl draadvormig, met langen, dikken, gevoorden stem-
pel; eitjes talrijk, ingeplant aan onder aan de wanden
der hokjes geplaatste zaadhjsten. Min of meer kogelvor-
mige bes, aan den top navelvormig ingedrukt. Zaden
wigvormig, kantig.
Onbehaarde heesters, met rolronde, 4-zijdige of 4
vleugels dragende twijgen. Bladeren kort gesteeld, eivor-
mig-langwerpig, met toegespitsten, stompen top, leder-
achtig, gaafrandig, 3-nervig. Bloemen groot, blauw, aan
bloemstelen, die in het midden 2 schutblaadjes dragen
en ten getale van 1—-3 voorkomen aan lange, oksel-
standige bloemstengels.
Het geslacht Kibessia, zooals het door Bentham en Hooker
wordt opgevat, bestaat uit omstreeks li soorten. Daaronder zijn
er eenige, die door TR1ANA later weder zijn afgescheiden wegens
den kelk. die, in de jengel kapvormig gesloten, later onregelmatig
doorschenrt met blijvende lobben. Deze vormen bij den laatste het
geslacht Rectomitra lil., nl. de beide door BlUME biertoe gerekende
soorten, II. tuberculaifi BI. en B. ynlealn lil. en diens geslacht Macro-
placis (.\'/. cordata lil. = ƒ?. cordata Triana). Alle drie waren door
Korthals tot Ewyckia lil. gebracht met dezelfde soortsnamen. Bij
TRIANA werden alleen tot Kibessia gerekend die soorten, 8 — 9 in
getal, waar de kelk rondom kapvormig loslaat. Eenige hiervan
waren vroeger tot Ewyckia of tot Pternandra Jack of tot Melas-
toma L. gebracht. Cogniaux beschrijft nog eene nieuwe soort van
Boraeo en brengt aldus het aantal der soorten met kapvormigen
kelkzoom op 10. Alle komen in Nederlandsen Indië, ééne soort ook
in Engelsch Indië, voor. Bij COGNIAUX vormen deze soorten de
sectie Ell-KibeSSia. terwijl Bectomilrn BI. en Marroplacis BI. ook
afzonderlijke secties inet dezelfde namen worden. In het geheel
neemt hij 13 soorten aan, waarvan \\\\ in Nederlandsch Indië.
28. PTERNANDRA Jack.
Kelkbuis half bolvormig, glad; kelkzoom afgeknot, on-
duidelijk 4-tandig. Bloembladen ei- of lancetvormig, spits
-ocr page 587-
527
UV. MELASTOMACEAE.
of stomp. Meeldraden 8, gelijk, mot korte, priemvormige
helmdraden; helmknoppen breed langwerpig, aan weers-
zijden stomp, met 2 spleten; helmbindsel aan de basis
niet verlengd, kort gespoord of stomp. Eierstok aan den
kelk vastgehecht, 4-hokkig, met ingedrukten, onbehaar-
den top; stijl dun, met kegel- of knodsvormigen, gevoor-
den stempel; zaadhjst aan de basis van de wanden ingc-
plant of uit den binnenhoek opstijgende. Besvrucht, aan
den top navelvormig ingedrukt. Zaden wigvormig of kan-
tig, met basilairen navel; zaadnerf zijdelingsch.
Kleine, onbehaarde boomen of heesters, met rolrondc
takken. Bladeren zittend of gestoeld, eivormig, langwer-
pig of lancetvormig, lederachtig, gaafrandig, 3-ncrvig.
Bloemen klein, in weinigbloemige pluimen of bijschermen.
Aantal soorten 3, in Nederlandsen Indië, in Malakka en op de
Philippynsche eilanden voorkomende, in Hiquel\'s Flora onder den
naam van Ewyckia lil. besehreven.
29. PLETHIANDRA Hook.f.
Kelk onbehaard, met half bolvormige of min of meer
klokvormige buis; kelkzoom afgeknot, 6-tandig. Bloem-
bladen 6, lancetvormig, toegespitst. Meeldraden omtrent
30, gelijk, met draadvormige, vrij korte helmdradcn;
helmknoppen lijnvormig-langwerpig, aan weerszijden stomp,
min of meer rolrond, eenigszins teruggekromd, met langs-
spleten aan de voorzijde openbarstende; helmbindsel aan
de basis niet verlengd, aan de rugzijde niet verdikt en
zonder spoor. Eierstok grootendeels samenhangend met
den kelkbodem, 4-hokkig, onbehaard, met vrijen, doch
van boven ingedrukten top; stijl draadvormig, aan den
top versmald; stempel stipvormig; eitjes talrijk. Vrucht
onbekend.
Vertakte, onbehaarde heester, met rolronde, aan de
knoopen verdikte twijgen. Bladeren zittend, langwerpig-
lancetvormig, stomp, onduidelijk ver uiteenstaand gekar-
teld, vleezig, met 3 onduidelijke nerven. Bloemen klein,
alleenstaand aan dikke, rechte, al of niet tot bundels ver-
eenigde bloemstengels.
Eéne soort, P. Motleyi Hook.f., op Borneo voorkomende.
-ocr page 588-
528
LIV. MELASTOMACEAE.
30. AXINANDBA Thwait.
Kelkbuis met zemelachtige schubjes of korte haren,
klokvormig, met den eierstok vergroeid; lobben of tanden
5, 3-hoekig. Bloembladen 5, klein, in de keel van den
kelk ingeplant, in den knop ineengerold of naar binnen
gevouwen, klepswijze aaneensluitend, met gewimperden,
sterk naar binnen gebogen top en randen, als een kapje
afvallend. Meeldraden 10, gelijk, in 2 rijen, houweelvor-
mig, 5 naast de bloembladen en 5 onder den kelkrand
ingeplant, met korte, verbreede, neergebogen helmdraden;
helmknoppen met kleine hokjes, aangegroeid aan den
achterkant van het dikke, van achteren sterk verlengde,
vierkante helmbindsel. Eierstok onderstandig, 5—6-hokkig;
stijl zeer kort, met enkelvoudigen stempel; in elk hokje
1 \'of 2, opgerichte, anatrope eitjes. Doosvrucht half boven-
standig, hout- of kurkachtig, langwerpig-cilindriseh, van
onderen omgeven door de kelkbuis, waarmede zij ver-
groeid is, van boven hokverbrekend, 2—6-kleppig open-
springend. Zaden recht, langwerpig, samengedrukt, met
vliezige, aan den bovenrand tot een vleugel verlengde
zaadhuid en met basilairen navel; zaadlobben langwerpig,
aan de basis pijlvormig geoord; kiemworteltje kort, rolrond.
Groote, vertakte boomen, met 4-kantige of rolronde
takken. Bladeren tegenovergesteld, gesteeld, groot, meestal
langwerpig, lederachtig, gaafrandig, toegespitst, vinnervig
of onduidelijk 3-nervig. Bloemen klein, aan korte bloem-
stelcn met 3 schutblaadjes aan de basis, in okselstandige,
opgerichte, enkelvoudige trossen, waarvan de 3—5 boven-
ste eene pluim vormen.
Aantal soorten 5, van Ceylon, Malakka en Borneo. Het geslacht
door Bentham en Hookkr bij de Lytliraceae gerekend, werd door
Baillox naar de Melanlomaccae overgebracht, waar het ook volgens
Cogniaux geplaatst moet worden. De soorten van Borneo zijn A.
alala BailL, A. coriacen BailL,
en A. Beccariana BailL, welke
alle behooren tot de sectie Naxiandra. gekenmerkt door in den
knop dubbelgevouwen, klepswijze aaneensluitende bloembladen en
2 eitjes in elk hokje van den eierstok. Tot dezelfde sectie behoort
nog eene vierde somt, A. Maingayi Clarke, welke op Malakka ge-
vonden is; de vijfde soort, A. Zei/lanica T/iw., die op Ceylon voor-
komt, vormt de sectie Eu-Axinandra, die zich onderscheidt door in
den knop ineengerolde bloembladen en 1 eitje in elk hokje van den
eierstok.
-ocr page 589-
529
LIV. MELASTOMACEAE.
31. MEMEOYLON L.
Kclkbuis onbehaard, wijd klokvormig of half kogel-
vormig, of schotelvormig; kelkzoom verwijd, napvormig, af-
geknot, soms van binnen straalswijze gevoord, met gaven of
4-lobbigen rand. Bloembladen 4, in den knop ineengedraaid,
breed eivormig of cirkelvormig, stomp of met eene spits.
Meeldraden 8, gelijk, met draadvormige helmdraden ; helm-
knoppen kort, houweelvormig van voren met langsspleten
openbarstende; helmbindsel aan de basis niet verlengd, van
achteren verdikt, meestal verbreed en eene zittende,
holle klier dragende en alsdan stomp gespoord. Eierstok
geheel en al met den kelk verbonden, 1-hokkig, met
bollen of ingedrukten, onbehaarden top; stijl draadvormig;
stempel stipvormig; eitjes 6—12, zelden 20, in een krans
om eene centrale, vrije zaadlijst. Kogelvormige, van boven
navelvormige, 1-zadige bes. Zaad groot; kiem ineenge-
rold; zaadlobben spits.
Onbehaarde boomen of heesters, met rolronde takken.
Bladeren zittend of kort gesteeld, lederachtig, eivormig
of langwerpig, vinnervig of soms onduidelijk 3-nervig.
Bloemen wit of blauw, vrij klein, meestal okselstandig, zcl-
den eindelingsch, in bundels of in korte pluimen of schermen.
Aantal soorten omstreeks 117, hoofdzakelijk in Zuid Azië, in
Nederlamlsch hidië 27. Hieronder brengt Cogniaux ook Lyndenia
ZoU.
el Mor., (E. laurina ZoU. et Mor.).
MELASTOMACEAE VAN NEDERLANDSCH INDIË
VOLGENS COGNIAUX.
Tribus I. Oslieckiene.
i. OSBECKM L.
Sect. 1. Asterotoma Tr.
dolichophylla Naud. (Celebes.)
Sect. 2. Genuinae Tr.
Chiuensis L. — O. anguêtifolia Don. — O. decora Wall.—
O. qlabmtn Wall. — O. lincarh BI. — O. myrtifolia BI.—
O. Japonica Naud. — O. Zeylanica Naud. non L. f. —
Trislemma angustifolium BI. (Java.)
Chinensis L., (3 pusilla Tr. — O. pusilla ZoU. (Java.)
-ocr page 590-
530
LIV. MELASTOMACEAE.
Seet. 3. PseildodiSSOtiS Cogn.
Papuana Cogn. (N. Guinea.)
2.   Otantiikra BI.
braeteata Korth. — Lachnopodium braeteatum BI. (Sumatra,
N. Guinea.)
crinita Naud. (3. major. (Aroe.)
eyanoides Tr. — O. Moluccana BI. — Mclastoma eyanoides
Smith.
— Mei. Moluccanum Bi. — Fragaria ruber
Bumph.
(Ambon, Ceram, Ternate, N. Guinea.)
gracilis Naud. (Ambon.)
Celebica BI. (Celebes.)
3.   Mei.astoma L.
Teysinanni Miq. (Surnatia.)
Boryanum Korth.— Af. decemfidum p Boryanum BI. (Borneo.)
pulcherrimum Korth. (Borneo, Java, Ambon.)
decemfidum Bn.cb. — M. sannuinenm Don. — .1/. Malaba-
thrica Shns, non L. — M. porphyreum Zipp. — M.
nitidum Korth. — M. Gaudichaudianum Naud. — Af.
macrocarpum Naud. non Don. (Java, Surnatia, Borneo.)
Barbeyanum Conn. (Java.)
Ceramense Naud. (Ceram, Borneo.)
obvolutum Jack. — Af. Jackianum Korth. — M. homo-
stegium Naud. — Af. macrocarpum Hook. f. (Surnatia,
Borneo.)
obvolutum Jacq. var. |3 angustifolia Coijn. (Borneo.)
Malabathricum L. — Af. quinquenervium Burm. — Af.
affine Don. — Af. nrticukitum Xmid. — M. Novae
Hollandiae Naud. — M. Sechellaruni Naud. — Af. Banksii
Cum. (Sumatra, Java, Timor, Banda, N. Guinea.)
traehyeaulon Miq. (Poeloe Pisang.)
Molkenboerii Miq. (Java.)
setigerum BI. (Java.)
lanuginosum BI. (lava.)
normale Don. — M. Wallichii D C. — Af. Nepalense Lodd. —
Af. pelagicum Naud. — Af. lonr/i/lorum Naud. — M.
velutinum Seem. (Java, N. Guinea.)
asperum BI. — M. punctatum Korth. (Java.)
pusillum BI. (Borneo.) — (3 longifolinin Cogn. (Borneo.)
polyanthum BI. — M. Malabathrica Desv., non L. — Af.
erecta Jack •? — M. Tiilorense BI. — Af. Roi/eni BI. —
Af. Tondanense BI. — Af. HomJbronianum Naud. —- Af.
brachijodon Naud. — M. otujanthum Naud. — Af. mi-
crophyllum Naud. —
(Sumatra, Java, Banka, ïidore,
Ternate, Ambon, Borneo.)
nitidum Zoll. — M. Zollingeri Naud. (Java.)
Beeearianum Cogn. (Borneo )
sylvaticum BI. (Java.)
Franeavillanum Cogn. (Java.)
-ocr page 591-
531
LIV. MELASTOMACEAE.
Tribus II. Oxy sporeae
4.   Allomürphu BI.
longispicata Cogn. (Borneo.)
sertulifera Cogn. (Borneo.)
quintuplinervia Cogn. (Borneo.)
longifolia Cogn. (Borneo.)
Beccariana Cogn. (Borneo.)
multinervia Cogn. (Borneo.)
macrophylla Cogn. (N. Giiinea.)
conlifolia Cogn. (N. Guinea.)
5.   Oxyspora D C.
macrophylla Tr. — Hylocharis macrophylla BI. (Sumatra.)
(i. Driessenia Korth.
axantha Korth. (Borneo.)
Teysmannii Cogn. (Borneo.)
ciliata Becc. in Herb. (Borneo.,;
7.   Blastus Loui:
Borneensis Cogn. (Borneo.)
8.   Anerincleistus Korth.
hirsutus Korth. (Sumatra.)
Beccarii Cogn. (Borneo.)
dispar Cogn. (Borneo.)
9.   ÜCIITIIOCIIARIS BI.
Javanica BI. — Melastoma littoreum Wall. (Java, Bajika,
Billiton.)
Borneensis BI. — O. Buruensis Teijsm. cl Binnend. (Bor-
neo, Buru.)
paniculata Korth. — Melastoma oxyphyUum Benth. (Borneo.)
parviflora Cogn. (Borneo.)
ovata Cogn. (Borneo).
Tribus III. Sonci\'ilcau.
10.   SONEBILA Roxb.
Scct. I. Genuinae.
Impatiens Becc. in Herb. (Borneo.)
purpurascens Becc. in Herb. (Borneo.)
laeviuseula Zoll. et Mor. (Java.)
laeviuscula Zoll. et Mor. var. f3. grandifolia Cogn. (Celebes.)
biflora Zoll. el Mor. (Java.)
billora Zoll. et Mor. var. (3. minor Cogn. (Billiton.)
triflora Cogn. (Borneo.)
tenuiflora BI. (Java.)
insignis BI. (Sumatra.)
piëta Korth. (Sumatra.)
margaritaeea Lindl. — S. Hendersoni Hort. — S. Mamei
Linden.
(Java?)
-ocr page 592-
532
LIV. MELASTOMACEAE.
Molueeana Iïo.cb. — S. begoniaefolia BI. — S. paradoxa
Naud.— (.lava, Sumatra, Billiton.)
Beccaiiana Cogn. (Bomeo.)
velutina Cogn. (Borneo.)
Borneensis Cogn. (Borneo.)
Iiirtella Cogn. (Borneo.)
hctcrophylla Jack. — S. paudflora BI. (Stnnatra, Java.)
Papuana Cogn. (N. Guinea.)
parviflora Cogn. (Borneo.)
tuberculifera Cogn. (Sumatra.)
Scct. \'2. Sonerilopsis iliq.
oiiiii|ii;i Korth. — S. heterontemon Naud. (Sumatra, Borneo.)
Jimgliuhniaiia Mig. (Sumatra.)
Sect. 3. Oxycentria Mig.
magniQca Mi//. (Sumatra.)
11. SARCOPYRAMYS Wall.
Nepalensis Wall. — .S\'. lanccolala Wall. — S. grandi/lora
Griff.
— S. Javanensis Zoll. et Mor. — Osbeckia ovala
Zoll.
— Sonerila Naudtnana Mig. (Sumatra, .lava.)
12 PUTLLAOATUIS BI.
rotundifolia BI. — Mclastoma rotundifolinm Jack. (Sumatra.)
gymnantha KoHli. (Borneo.)
13.   Bbittenia Cogn.
subacaulis Cogn. (Borneo.)
Tribus IV. Disgochaeteac.
14.   DaLBNIA Korth.
pulchra Korth. — D. Korlhahii BI. (Borneo.)
15.   Marumia BI.
ncmorosa BI. — Af. affinis Korth. — Melastoma nemorosa
Jack. (Sumatra, Borneo.)
leprosa Korth. (Borneo.)
Horsfieldii Mig. (Java.)
annulata Tr. — Af. Zeylanica BI. non Tr. — Maicta annu-
lata Vent. — Melasloma annulatum Poir. — Huberia
annulata D C. — Macrolencs annulata Naud. (Java.)
rhodocarpa Cogn. — Af. echinulata Naud. — Af. Zeylanica Tr
non BI. — Mclastoma rhodocarpum Wall. (Java.)
muscosa BI. — Melastoma muscosum BI. — Melastoma
ferrugineum Bciniv. (Java, Sumatra.)
reticulata BI. — Af. stcllulata Korth. non BI. — Af. oli-
ganlha Naud. (Java, Sumatra.)
pachygyna Korth. (Bornoo.)
stellulata BI.— Af. vulcanica Korth. — Af. Jackii Korth.—
Af. liancana Scheff. — Melastoma stellulata Jack. (Sumatra,
Borneo.)
Korthalsiana Miq. (Sumatra.)
-ocr page 593-
LIV. MELASTOMACEAE.                               533
? bipulvinata Tr. — Ditsochaeta bipulvinata Korlli. (Borneo.)
? Warburgii Corjn. (N. Guinea.)
10. DlSSOCHAF.TA lil.
Sect. 1. Diplostemones Cogn.
sagittata BI. (Java.)
quintuplinervis Cogn. (Borneo.)
hirsuta Hook.f. (liorneo.)
annulata Hook. f. (Ceram, liorneo.)
pallida BI. — D. ovalifolia Naad. — D. aslrolricha Mig.—
Melttstoma palliila Jack. (Banka.)
Korthalsii Mig. — D. bracteata Korth.non lil. — (Sumatra.)
bracteata lil. — ü. bracteosa Naud. — Melastoma bracteata
Jack. — (Borneo.)
gracilis lil. — Melastoma gracilis Jack. — M. vacillans var.
pullens BI. — M. fallax Wall. — f M. glauca Griff. —
(Java.)
vacillans BI. — D. fusca BI. — D. brachyanthera Naad. —
D. inappendiculata @ fusca Mig. — Melastoma vacillans
BI. (Java.)
inappendiculata BI. — D. reliculata BI. — D. cinnamo-
mea BI. — Melastoma vacillans, var. a BI. — M. liein-
wardtianum lil. — Otnphalodes reliculatus Naud. (Java.)
velutina lil. — ^.lava.)
Sect. 2. Isostemones Coijn.
Celebica BI. — D. microcarfta Naud. — D. Bancana Miq. —
Melastoma fallax Wall. non Jack. — Melastoma rubiginosa
Wall.
/)./<. (Banka, Celebes.)
biligulata Korlli. — Anplectrum biligulatum Tr. (Snmatra.)
monticola BI. — D. decipiens lil. (Java, Snmatra.)
intermedia BI. — Melastoma fallax BI. non Jack. — M.
rubiginosa Wall. i>. p. (Java, Sumatra.)
leprosa lil. — Meiaxioma leprosuni lil. (Java, Sumatra.)
Sect. 3. Dissochaetopsis Cogn.
Schumanmi Cogn. (N. Guinea.)
17. Anpi.kctkum A. Gray.
pallens Tr. — Aplectrnm pallens BI. — Melastoma petiolare
Wall. (Sumatra, Borneo.)
rostratum Tr.— Aplectrnm roslratum lil. — Melastoma ros-
tratnm BI. (Java.)
confine Tr. — Aplectrnm confine BI. — A. prdlens (3 confi-
nis Mig. (Sumatra.)
viminale Tr. — Aplectrnm viminale BI. — Melastoma vi-
minalis Jack. (Sumatra, Java.)
stipulare Tr. — Aplectrnm stipnlare BI. — Melastoma sti-
palure BI. (Java.)
noilosuui Tr. — Aplectrnm nodosum BI. — Dissochaela nodosa
Kortli. (Sumatra.)
divaricatum Tr. — Melastoma divaricata Willd. — Af.
-ocr page 594-
534
LIV. MELASTOMACEAE.
polyanthera Benth. — Dissochaeta divaricata Naud. —
D. pipericarpa Naud. (Java, Surnatra.)
divaricatum Tr. var. (3 anceps Cogn. — Dissochaeta anceps
Naud. — D. Palenibanica Mig. (Java, Surnatra.)
ligulatum Tr. — Dissochaeta ligulata BI. (Java.)
latifolium 2V. (Borneo.)
f reformatum Tr. — Dissochaeta reformata BI. — D. cyano-
carpa Korth. (Borneo.)
cyanocarpum Tr. — Melastoma cyanocarpon BI. — Disso-
vhueta cyanocarpa lil. (Java, Suniatra.)
? Korthalsii Tr. — Dissochaeta rost rata Korth. (Borneo.)
18.   OMPHALOPUS Naud.
fallax Naud. — Melastonia fallax Jack. — M. diffiisa Beinw.—
Dissocltaeta fallax BI. —D. Diepenhorstii Miq. — (Suma-
tra, Java.)
leprosus Naud. (Java.)
19.   Medinili.a Gaud.
ratlicans BI. — Melastonia radicans BI. (Java.)
quadrifolia BI. — M. polyantha Korth. — Melastoma qua-
drifolium BI. (Java, Surnatra.)
Naudinii Tr. — M. crassifolia Naud. non BI. (Java.)
crassinervia BI. — Af. tnacrocarpa Clarke non BI. (N.
Guinea, Banda, Ternate, Borneo.)
quintuplinervis Cogn. (N. Guinea.)
pterocaula BI. (Java, Surnatra.)
crispata BI. — Melastoma crispalum L. (Celebes.)
macroearpa BI. — Melanloma nodosum Zipp. (Ambon, Boeroe,
Celebes.)
hypericifolia BI. — Melastoma hypericifolium BI. (Java.)
laurifolia BI. — Melastoma laurifolium BI. — M. crassi-
folium Beinw. — M. carneum Zipp. (Java.)
Horsfleldii Mig. (Java, Borneo.)
crassifolia BI. — Melashrma Horsfleldii var. ovala Mig. —
M. crassifolium BI. — M. diaphanum BI. (Java.)
Papuana Scheff. (N. Guinea.)
muricata BI. (Surnatra.)
amplcxicaulis BI. (Surnatra.)
Maidenü F. v. Muell. — Pachycentria Maidenii F. v. MueU.
(N. Guinea.)
succulenta BI. — Af. crassifolia Morilz non BI. — Melas-
loma sucmlentum BI. (Java.)
Korthalsii BI. — M. succulenta Korth. (Surnatra.)
? salicifolia BI. (Java.)
inaequalis Afiqr. (Java.)
Hasseltii BI. — M. crassifolia Tr. p. p. — M. lavrifolinm
Benth. non BI. — (Java, Surnatra.)
euspidata BI. — M. Hasseltii var. lulifolia Korth. (Borneo.)
Motleyi Hook. f. (Borneo.)
Celebica BI. (Celebes.)
alternifolia BI. (Surnatra, Borneo.)
-ocr page 595-
535
LIV. MEI.ASTOMACEAE.
Ternatensis Itiq. (Ternate.)
speciosa lil. — M. e.vimiinn lil. non Jack. — Af. tpeciotum
lleinir. (Java, Sumatra, Tidore.)
\'feysmanni itiq. — Af. amabilis Di/cr.—(Celebes, N. Giiinea.)
voiTucosa Hl. — Melastoma verrucosnm UI. (.lava.)
Knlilii lil. (Java.)
Javanensis BI. — Af. Javanica Tr. — Af. Javanense hl. —
Af. epideudru Bcinw. (Java.)
alpestris lil. — Af. alpestris Jack. (Sumatra.)
Curtisii Hooi;. /\'. (Sumatra.)
Sieboldiana Planch. — Af. eximium Sicboltl non Jack. (Java.)
intermedia BI. (Java.)
eximia BI. — Melastoma eximia Jnck. (Sumatra.)
Borneensis BI. — Af. Javanensis Korth. non BI. (Borneo.)
macrophylla BI. (Sumatra.)
venosa lil. — Af. farinosa Hort. — Melastoma venosum
BI. — Ilijpenanthe venosum BI. (Molukken, Ternate.)
setigera Miq. — Daclylista setigera BI. — Melastoma seti-
gerum Korth. (Sumatra.)
bracteata BI.— A.rinaea bracteala Zipp.— Daclylistabracleala
lil. (N. Guinea.)
humilis Teysm. cl Binnend. (Celebes.)
\'20. Creochiton BI.
pudibunda BI. — Cr. emaryinata Miq. — Melastoma pudi-
bundum BI. (Java.)
bibiacteata BI. — Cr. superba Naud. — Melastoma bibrac-
teatum BI. — Dissochaela bibracteata Baill. (Java.)
21.   Pachtcentria Bi.
tuberculata Korth. (Borneo.)
tuberculata Korth. var. (3 obtusifolia BI. — P. cordata
Korth. (Borneo.)
Zollingeriana Naud. — P. varingiaefolia Moritz non BI. (Java.)
Jungliulmiana Miq. (Java, Borneo.)
elliptiea BI. (Borneo.)
rigida BI. (Sumatra.)
varingiaefolia BI. — Melastoma varinijiaefolhtm BI. (Java.)
laxiflora BI. — P. varingiaefolia Korth. non BI. (Sumatra.)
constrieta BI. — Melaslonm constrictum lil. (Java.)
glauca Tr. (Borneo.)
marrorhiza Becc. (Borneo.)
macrorhiza Becc. var. (3 acuminata Becc. (Borneo.)
macrorhiza Becc. var. y ovalifolia Becc. (Borneo.)
microsperma Becc. (Borneo.)
microstyla Becc. (Borneo.)
22.   POOONANTHERA BI.
reflexa BI. — P. piilrcritlmta Korth. non BI. — P. sgua-
mtdata Korth.
— Melastoma pulverulentum lil. non Jack.—
Af. re/lexa Beinw. — M. rubicunda Wall. p. p. — Pter-
namlra parasitica Fint. el Wall.
— (Sumatra, .lava, Ambon,
Borneo.)
-ocr page 596-
I,IV. MELASTOMACEAE.
pulvernlenta Dl. — I\'. robusta Decc. — Melastoma pulve-
rulenta Jack. (Sumatra, Borneo.)
pauciflora Decc. (Sumatra.)
23. BOERLAOEA Cogn.
grandifolia Cogn. (Borneo.)
Tribus V. IKiconieae.
\'24. Ci.idkmia Don.
hirta Don. — Cl. crenala D C. (Java, verwilderd uit Amerika.)
Tribus VI. Astronieae.
25. Astronma Dl.
Sect. I. Eu-Astronia Tr.
Hollrungia Cogn. (N. Guinea.)
macrophylla BI. — A. concolur Zipp. (Java, Sumatra, Ainbou.)
triplinervia Cogn. (Ambon.)
spectabilis Dl. (Java.)
spectabilis Dl. var. intermedia Mig. — A. intertnedia Dl.
(Java.)
papotaria lil. — A. spectabilis Zipp. non Dl. — Phar»ia-
cum papetarium Rumph. (Ambon, Ternate.)
Borneensis Cogn. (Borneo.)
20. Beccariantiius Cogn.
pulelira Cogn. (Borneo.)
27.   Pteunandra Jack.
capitellata Jack. — Pt. Korthalsiana Tr. — Ewgckia capi-
lellala Walp. — E. medinillifarntis Xaud. — E. Kort-
halsiana Mig. (Banka.)
coerulescena Jack. — Ewgckia Jackiana Walp. — E. coe-
rulea Naud. — Apteiuis trinervia Griff.
coerulescens Jack. var. evanea Cogn. — Pt. cganea Tr. —
Ewgckia cganea Dl. (Ambon.)
paniculata Denlh. — P. latifolia III. — E. eyanea (3 laiifo-
lia Korth. — E. paniculata Mig. (Banka, Borneo.)
28.   Kibessia DC.
Sect. 1. Eu-Kibessia Cogn.
azurea D C. — Melastoma azuren Dl. — Af. echinata Deinw.
(Java, Sumatra.)
a/.urea D C. var. /3 subalata Mig. — K. nuhalata Dl. —
K. subalata Tr. (Sumatra.)
sossilis Dl. (Java.)
cordata Korth. — Pte.rnandra cordata Daill. (Sumatra.)
tetraptera Mi</. — (Sumatra, Borneo, Celebes.)
hirtella Cogn. (Borneo.)
echinata Cogn. — K. cupularis Decaiane. — Pternandra
echinata Jack. — K. simplex Korth. (Borneo.)
coriacea Cogn. (Borneo.)
angustifolia Dl. (Borneo.)
-ocr page 597-
LIV. MELASTOMACEAE.                           537
Sect. 2. Rectomitra Cogn.
tuberculata Hook. f. — Ewyckia tuberculata Korth. — Rec-
tomitra tuberculata BI. (Sumatra.)
galeata Cogn. — Ewyckia galeata Korth. — Rectomitra
galeata BI. (Borneo.)
Sect. 3. Macroplacis C^gn.
Korthalsiana Coyn. — Ewyckia cordala Korth. — Macro-
placis corclata BI.
— Rectomitra cordata TV. (Borneo.)
29.   Plethiandra Hook. f.
Motleyi Hook. /\'. (Borneo.)
Tribus VII. Memecyloae.
30.   Axinandra Thwaites.
Sect. Naxiandra Baill.
alata Baill. (Borneo.)
coriacea Baill. (Borneo.)
Beccariana Baill. (Borneo.)
31.  Memecylon L.
Sect. 1. Eu-Memecylon Cogn.
oligoneuron BI. — M. trinerve Hassk. — Myrtus oligoneura
Korth. (Borneo, .lava.)
appendiculatum BI. — Jambosa appendiculala BI. — Euge-
nia pterocaulis Mig. (Borneo.)
appendiculatum BI. var. (3 nudum Miq. — Af. nudum BI.
(Java.)
paniculatum Jack. — Af. Calderense A. Gray. (Java.)
costatum Mig. — M. grande BI. non Retz. (Java, Sumatra,
Borneo.)
costatum Miq. (2 flabellatum BI. (Java, Sumatra, Borneo.)
costatum Miq. y ellipsoideum lil. (Sumatra.)
luteolum Miq. (Sumatra.)
caloneuron Miq. (Sumatra, Borneo.)
marginatum BI. — M. intermedium Clarke non BI.
(Borneo.)
heteropleurum BI. (Sumatra.)
excelsum BI. (Java.)
subtrinervium Miq. (Sumatra.)
ambiguum BI. (Java.)
acuminatissimum BI. — Af. paniculatum Miq. non Jack.
(Sumatra.)
laurinum BI. (Sumatra, Banka, Borneo.)
oleaefolium BI. — M. micrantltum BI. (Sumatra.)
hepaticum BI. — Af. nigrescens var. hepatica Miq. (Borneo.)
garcinoides BI. (Sumatra.)
grande Betz. — Af. laxiflorum Wall. — Af. Royenii BI. —
Af. edule var. fi Thwaites. (Singapore, Java?)
34
-ocr page 598-
538
LV. LYTHRACEAE.
grande Belz var. (3 Horsfieldii Clarke. — M. Horsfieldii Miq. —
Af. celantrinum Kurz. (Banka.)
edule Bo.cb. — Af. umbellatum Burin. — Af. globiferum
Wall. — Af. tinctorium Koen, — Af. pyrifoliwm Naud.
(Banka, Borneo.)
edule Bo.vb. var. $ ovata Clarke. — Af. ovalum Smitli. —
Af. umbeUatmn llegne. — Af. lucidum Prexl. — M.fer-
reu»i BI. — M. tinctorium var. (3 Wight et Am. — Af.
edule var. y Thtoaites. (Java.)
intermedium BI. — Af. umbellatum BI. non Burm. —• Af.
garcinioides BI. var. (3 elongatum BI. (Sumatra, Java.)
laevigatum BI. — Af. Mgriilli BI. — M. pachyderma Wall. —
Af. Vosmaerianum Scheffer. (Borneo, Java, Sumatra,
Banka.)
glomeratum BI. — Af. pseudo-nigrexcens BI. — Af. confine
BI. — Af. nigreseens Miq. non Hook. et Am. (Sumatra,
Java, Borneo.)
myrsinoides BI. — Af. capitellatum BI. non L. — Af. lila-
cinum Zoll. el Mor. (Java.)
eurhynchum Miq. (Sumatra.)
floribundum BI. — Af. capitellalum Willd. non L. — Af.
laurifolimn Naud. (Java.)
minutiflornm Miq. (Sumatra.)
pauciflorum BI. •— Af. capitellatum Spanoghe non L. —
Af. umbellatum Bentli. non L. — M. australe F.v.Muell.
(Timor.)
Sect 2. Lyndenia Cogn.
dioicum Cogn. — Lyndenia laurina Zoll. — L. dioica
Naud.
(Java.)
Fam. LV. LYTHRACEAE.
Bentham et Hookf.r, Gen. Plant. I, p. 773.—Koehnk in Ent.i.er\'s
Botan. Jahrbücher I—Vil, (1880—188C). — Ci.arke in Hooker\'s
Flora of\' Brit. Ind. II, p. f)C5. — MlQUEL, Flora Incl. Bal. I, i, p.
611, p. 1U80 en p. 715. (Ifensloviaceae).
Bloemen twee-, zelden éénslachtig, regelmatig of zelden
onregelmatig. Kelk meestal vrij, blijvend, buis- of klok-
vormig, zelden urnvormig of uitgespreid, met 3—12 in
den knop klepswijze aaneensluitende tanden of lobben,
die soms vermeerderd worden door evenveel aanhangsels,
welke zich aan den buitenkant uit de plooien van de
inhammen ontwikkelen en soms zeer kort
-ocr page 599-
LV. LYTHRACEAE.                               539
even lang of langer dan de lobben of tanden. Bloem-
bladen zooveel als het aantal van de kelktanden of «lobben
bedraagt, zelden in geringer aantal of ontbrekend, in den
knop ineengekreukt en dakpanswij ze dekkend, meestal om-
gekeerd eivormig, genageld, vliezig, gelijk of in weinige
gevallen ongelijk, waarbij dan de achterste het kleinst zijn.
Schijf ontbrekend of ringvormig en dan op de basis of in de
keel van de kelkbuis geplaatst. Meeldraden in bepaald aantal
of ontbrekend, op verschillende hoogten, doch steeds lager
dan de bloembladen, in de kelkbuis ingeplant, in 1 — oo
rijen, gelijk of sommige kleiner on onvolkomen, bij som-
mige geslachten van tweederlei vorm; helmdraden meestal
draadvormig, zeer zelden neergebogen, gewrongen of ge-
kromd. Eierstok meestal geheel en al vrij, zittend of
gesteeld, zeldzamer, bij de afwijkende geslachten in meer-
dere of mindere mate, met den kelk vergroeid, volkomen
of, doordat de tusschenschotten boven de zaadlij st door-
broken zijn, onvolkomen 2—6-hokkig of wegens het mis-
lukken van één der hokjes 1-hokkig; stijl meestal draad-
vormig, lang en bochtig, zelden ontbrekend; stempel
knopvormig of afgeknot, zelden stipvormig, aan den top
van den naar boven dunner wordenden stijl geplaatst,
uiterst zelden 2-lobbig; eitjes klimmend, anatroop, met
naar de zaadlij st gerichte zaadnerf, meestal co, in vele
rijen, zelden in gering aantal, aan zaadlijsten, die of met
de as der hokjes vergroeid zijn, of aan de basis, of
hoogst zelden, aan den vruchtwand zijn bevestigd. Doos-
vrucht vliezig, leder- of korstachtig, aan de basis door
den kelk omgeven of geheel daarbinnen besloten, 2—oo -
hokkig of wegens de dunheid van de tusschenschotten
schijnbaar 1-hokkig, of zeer zelden wegens het mislukken
van een der hokjes werkelijk 1-hokkig, op verschillende
wijzen openbarstende; zaadlijsten meestal tot eene vrije,
centrale, veelzadige zuil vergroeid. Zaden meestal klim-
mend, van verschillenden vorm, rolrond, kantig, gevleu-
geld of ongevleugeld, soms zaagselvormig, zonder of met
een dun kiemwit; zaadhuid lederachtig of vliezig, zelden
korstachtig, of sponsachtig, bij sommige soorten wrat-
achtig-langharig; kiem orthotroop; zaadlobben meestal
langwerpig of cirkelvormig, plat of zelden ineengerold,
met 2 oortjes aan de basis, dikwijls oor- of hartvormig;
-ocr page 600-
540
LV. LYTHRACEAK.
kiemworteltje kort; zelden eene lange, cilindrische kiem
met een lang kiemworteltje.
Kruiden, heesters of boomen van zeer verschillend
voorkomen, meestal met 4-kantige takken. Bladeren bij
de meeste geslachten tegenovergesteld, kort gesteeld en
altijd gaafrandig, zelden in kransen of afwisselend. Steun-
blaadjes ontbrekend. Bloemen niet zelden groot en in het
oog vallend, meestal in bijschermen en pluimen.
Aantal soorten omstreeks 250, in de tropische gewesten van de
beide halfronden, voornamelijk in Amerika tehuis behoorend, eenige
weinige door de gematigde streken wijd verspreid. Daar de familie
in zijn geheel monographisch bewerkt is door KOEHNE in ENOLBR\'s
Botan. Jahrbücher 1—VII, (1880—1886), zijn de omgrenzingen en
beschrijvingen der geslachten hoofdzakelijk aan diens monographie
en niet aan Bentham en Hooker ontleend, zoodat de nomenclatuur
dezer familie geheel anders is dan bij deze schrijvers. Als afwij-
kende geslachten hebben wij evenwel hierbij gehouden die ge-
slachten, welke volgens Bentham en Hooker in deze familie tehuis
behooien, doch door KobHNE daar buiten zijn gesloten. Dit is
voornamelijk geschied wegens de moeilijkheid om de juiste plaats
der buitengesloten geslachten in andere families te bepalen. Ik heb
alleen eene uitzondering gemaakt voor Axinandra Thw.. waaraan in de
monographie der Melastomaceae eene plaats bij het geslacht Me-
meeylon
is aangewezen.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Tribus I. Iiythroae. Tusschenschotten boven de zaadlijst door-
broken, zoodat de zaadlijst zich niet tot den stijl verlengt.
•j- Zaden noch gevleugeld, noch gerand.
1.   Rotai.a. Kruiden met ongestippelde bladeren. Schotverbre-
kende doosvrucht, met (in het doorvallend licht onder het mi-
croscoop zichtbaar) dicht en horizontaal gestreepte kleppen. Kelk
kort, halfkogel-, klok- of urn-buisvormig.
2.   Ammannia. Kruiden met ongestippelde bladeren. Niet of op
onregelmatige wijze openbarstende vrucht, met ongestreepten
vruchtwand. Kelk klok- of urnvormig.
3.   Woodfordia. Heesters met van onderen zwart gestippelde
bladeren. Kelk lang buisvortnig. Niet of op onregelmatige wijze
openbarstende vrucht.
-j--j- Zaden door een vleugel omgeven.
4.    PeMPHIS. Heesters met lederachtige, kruiswijs geplaatste
bladeren. Dekselvrucht. Kelk klokvormig, met 12 voren.
Tribus II. Xesaeeae. Tusschenschotten van den eierstok volko-
men, zoodat de zaadlijst tot den stijl doorloopt.
-ocr page 601-
LV. LYTHRACEAE.                                    541
$ Zaad nergens verdikt en evenmin gevleugeld. Dekselvrucht.
5.    NESAEA. Kruiden of halfheesters. Vrucht met een klein
dekseltje openend, dat den stijl op den top draagt. Kelk 4-kantig,
of 4-zijdig. Bloemen alleenstaand in de bladoksels of in bund Is
of kluwens.
§§ Zaad meental in een vleugel verlengd o/\' met sponsachtigen
top. Hok verbrekende of\' onregelmatig openspringende doos-
vrucht.
6.   Lagerstroemia. Hoornen of heesters. Vrucht hokverbrekend
openspringend. Zaden met eenen groeten vleugel. Zaadlobben in-
eengerold. Meeldraden talrijk, diep in den kelk ingeplant, Bloemen
in pluimen. Bloembladen 6, of 7—9.
7.   Lawsonia. Heesters. Vrucht niet openspringend. Zaden met
dikken, sponsachtigen top. Zaadlobben plat. Meeldraden 8, zeer
hoog, 2 aan 2 tegenover de kelkbladen ingeplant. Bloemen in
pluimen. Bloembladen 4.
Afwijkende geslachten, door Bentham en Hooker tot de
Lylhraceae gebracht, doch door KOEHNE en andere schrijvers daarbuiten
gesloten en meerendeels bij de Myrtaceae geplaatst. Bes of doosvrucht
met volkomen tusschenschotten, geheel of half onderstandig.
8. Crypteronia. Vrucht niet geheel openspringend, maar onder
den blijvenden stijl met 2 spleten openbarstend. Zaden min of
meer gevleugeld. Meeldraden 4—5, boven in de kelkbuis inge-
plant. Bloembladen ontbrekend. Bloemen klein, wit of groen, in
tot pluimen verbonden, lange trossen.
0. Duahanga. Vrucht hokverbrekend met 4—8 kleppen open-
springend. Zaden min of meer gevleugeld. Meeldraden oo . Bloem-
bladen 4—7. Bloemen groot, wit, in pluimen.
10. Sonneratia. Vrucht besvormig, door den blijvenden stijl
gekloond en door den vergrooten kelk omgeven. Zaden in het
vruchtmoes gelegen, niet gevleugeld. Bloemen groot, ten getale
van 3 aan de toppen der takken of alleenstaand in de bladoksels.
Meeldraden oo . Bloembladen 6—8 of ontbrekend.
il. Punica. Vrucht met den kelk vergroeid, door den kelk-
zoom gekroond, met. dikke, lederachtige schil en boven elkander
geplaatste, vliezige hokjes. Zaden door de sappige buitenlaag van
de zaadhuid bekleed. Meeldraden oo . Bloembladen 5—7. Bloemen
groot, granaatrood of wit, alleenstaand of in bundels in de bladoksels.
Behalve de hier opgenoemde geslachten werd door Bentham en
Hooker nog het geslacht Axinandra Thw.t tot de Lylhraceae gebracht.
Daar echter Koehnh: het buiten de Lythraceae sluit en Cogniaux
het in de Mélastomaceae opneemt, is er mijns inziens geen bezwaar
het daarheen over te brengen.
-ocr page 602-
542                                LV. I.YTHRACEAE.
1. ROTALA L.
Bloemen 3—6-tallig, meestal klein, soms dimorph.
Kelk halfbolvormig, klok- of urn-buisvormig, bijna altijd
stijfvliezig en bloembladachtig, zelden kruidachtig; lobben
kort of lang, meestal zonder aderen, daar deze op de
hoogte van de inplanting der meeldraden ophouden;
aderen tusschen de kelklobben meestal aanwezig, zeer
zelden door aderen op de lobben vervangen. Aanhangsels
van den kelk ontbrekend of borstelvormig, zelden breed
en dik. Schijf ringvormig, aan de basis van den kelk
ingeplant, soms in tegenover de bloembladen geplaatste,
vrije, 2-deelige schubjes uitloopende. Bloembladen blijvend,
veel zeldzamer spoedig afvallend of ontbrekend. Meel-
draden 1—6, tegenover de kelkbladen geplaatst, nooit
tegenover de bloembladen, even boven de basis of op
\'/, of 2/3 van de kelkbuis ingeplant, daarbinnen besloten
of op dezelfde hoogte als de kelklobben, zelden daarboven;
helmknoppen rondachtig, aan de rugzijde vastgehecht.
Eierstok zittend of min of meer gesteeld, onvolkomen
2—4-hokkig; eitjes zeer klein, in gering aantal of zeer
talrijk; stijl ontbrekend of kleiner dan de eierstok, zelden
2- of S\'/j-maal langer; stempel stip- of knopvormig,
zelden 2-lobbig. Doosvrucht kogel- of ellipsoidvormig,
binnen den kelk besloten, zelden een weinig boven de
lobben uitstekend, kraakbeenachtig, met dichte en fijne
horizontale strepen op de wanden, 2—4-hokkig, 2—4-
kleppig schotverbrekend openspringend. Zaden zeer klein,
omgekeerd eivormig of nagenoeg cirkelvormig of smal
elliptisch, meestal plat-bol en glad; zaadlobben afgerond
of min of meer vierkant, soms diep hartvormig, soms
door geen inham van het kiemworteltje gescheiden.
Eenjarige, onbehaarde, lage en meestal kruipende water-
of moeraskruiden. Stengel en takken meestal 4-kantig
of soms breed gevleugeld. Bladeren kruiswijs of in kransen
van 3—10 (zelden van 15) geplaatst, zelden afwisselend
en dan dicht opeengedrongen, zittend, ondergedoken of
niet, in het eerste geval veel smaller en langer dan in
het laatste en met uitgeranden, 2 spitsen dragenden top.
Steunblaadjes aan beide kanten binnen den bladoksel, één
of eenige weinige. Bloemen zittend of kort gesteeld,
-ocr page 603-
LV. I,YTHRACEAE.                                    543
öf alleenstaand in de bladoksels, of zeer zelden in oksel-
standige, zittende bij schermen, öf stengel en takken ge-
heel bedekkend, öf dichte, eindelingsche aren of trossen
vormende. Schutbladen stijfvliezig of wit, zelden kruid-
achtig, zeer zelden ontbrekend. Schutblaadjes 2, meestal
met kelk en bloemsteel vergroeid.
Aantal soorten 31, in Amerika, Afrika, Azië, Europa en Australië.
In Nederlandsen liulië komen voor : II. rrrticillarix L., II. leptopetala
Koehne, H. densiflora Roth,
/(. Indien Willd. en /?. rotundifolia
Hoxb.
Door MlQUKl. en andere schrijvers werden deze soorten gron-
tendeels tot andere geslachten gebracht en door Bentham en Hooker,
evenals door Clarke, alle in het geslacht Ammannia /.. opgenomen.
In Miquel\'s Flora vinden wij onder den geslachtsnaam Rotala
alleen li. verticillaris L., door Clarke in Hooker\'s Flora of Bril.
Ind.
II, p. 567, Am/m. Rotala genoemd. I{. leptopetala Koehne wordt
door Miql\'ei. als eene soort van het geslacht Tritheca Wighl e\'
Am.
beschreven. Tot deze werden echter door hein ook exemplaren
van /{. densiflora Koehne gerekend. Door Bl.UME was de soort als
Amm. leptopetala BI. beschreven. Tot /?. densiflora Koehne brengt
KOEHNE verder eene soort van Ditheca Wighl el Am., (Uilh.
densiflora Wighl el Am.). H. Indira Koehne
behoort in Miquel\'s
Flora onder het geslacht Ameletia D C. (Am. acutidene Mig."),
tot welk geslacht door hem ook R. rotundifolia Koehne gebracht
werd, die niet in Nederlandsch Indië, doch in Malakka voorkomt,
(Am. rotundifolia Dalz. et Gibs.).
2. AMMANNIA L.
Bloemen typisch 4-tallig, regelmatig, klein. Kelk klok-
of urnvormig, na den bloei half of geheel bolvormig,
kruidachtig, 8-nervig; lobben breed 3-hoekig, meestal
kort; aanhangsels aan den kelk al of niet aanwezig, doch
nooit borstelvormig. Bloembladen ontbrekend of 1—4,
omgekeerd eivormig of rondachtig, spoedig afvallend, in
den knop neergebogen en ineengekreukt of vlak. Meel-
draden 4—8, zelden 9—11, op de kelkbladen ingeplant,
nooit ontbrekend, op de helft of een vierde van de kelk-
buis in 1, zelden in 2 rijen ingeplant, binnen de bloem
besloten of daarboven uitstekend; helmknoppen rondachtig,
aan de rugzijde vastgehecht. Eierstok zittend, onvolko-
men 2—4-, zelden 5-hokkig; zaadstrengen dik of in
dwarse doorsnede hamervormig; eitjes talrijk; stijl ont-
brekend of langer dan de eierstok; stempel knopvormig.
Doosvrucht kogel- of ellipsoidvormig, binnen de bloem be-
sloten of er half boven uitstekend, dunvliezig (met veel-
-ocr page 604-
544
I/V. I/ÏTHRACEAE.
hoekige, onder de opperhuid liggende cellen), 2—4- of
5-hokkig, zelden door het verscheuren der tusschenschot-
ten 1-hokkig en onregelmatig dwars openspringend. Zaden
talrijk, zeer klein, nagenoeg kogelvormig, doch kantig.
Zaadlobben hartvormig-afgerond.
Éénjarige, zelden tweejarige, bijna altijd onbehaarde
moeraskruiden. Stengel en takken min of meer 4-kantig.
Bladeren kruiswijs geplaatst, zelden door uiteenschuiven
der bladeren van hetzelfde paar afwisselend, altijd zittend,
meestal met hartvormige basis, 1-nervig. Bloemen in
zittende of gesteelde, in de meeste bladoksels voorkomende,
vorkswijs vertakte bijschermen. Schutbladen klein en stijf-
vliezig, zelden in het midden groen. Schutblaadjes aan
den bloemsteel vrij.
Aantal soorten 17, in Amerika, Afrika, Azië, Europa en Australië.
Volgens Koeiine komen er in Nederlandsen Indië waarschijnlijk 5
voor, nl. Amni. octandra L. f., Amm. baccifera L., Amm. micro-
corpa D
C, Amm. multiflora Roxb. en Amm. verticillata Lam.
Ook deze werden hij vroegere schrijvers bij verschillende geslachten
gerekend. Amm. octandra L. f\', komt in Miquei.\'s Flora voor-
eerst voor als eene soort van Diplostemon D C, (Dipl. octnndrum
Wighi et Am.),
en vervolgens als zijn geslacht Ammannella (A.
/inearin Miq.),
waarvan echter, volgens Koeiine, de beschrijving
onjuist is. Amm. baccifera L. vormde het geslacht Hapalocarpum
Wight et Am. en wel beide door Miquel opgenoemde soorten,
Hap. Indicum Wight el Am. en Hap. vesicalorium Wight et
Am.
Het geslacht Cryptotheca Hl. werd gevormd door Amm.
microcarpa D C, (Crypt, ilichotoma BI.).
Deze soort van Blume
was door Miquel tot het geslacht Suffrenia Heil. gebracht, (Suffr.
dichotoma Miq.),
doch volgens Koehne moet Suffr. ilichotoma Miq.
als een synoniem van Amm. multiflora Roxb. gelden, waartoe ook
«•éne soort van het geslacht Ditheca Wight et Arn., (Dith. debilix
Miq.),
gebracht moet worden. Eene tweede soort hiervan, Dith.
verticillata Wight et. Am.,
is Amm. verticillata Lam., terwijl eene
derde in het geslacht Rotala tehuis behoort.
3. WOODPORDIA Salisb.
Bloemen 6-, zeer zelden 5-tal lig, regelmatig of,
wegens de neergebogen meeldraden, onduidelijk één-
zijdig. Kelk 12-, zelden 10-nervig, buisvormig, met soms
uitgezetten, helder rood gekleurden zoom, boven de vrucht
ten slotte min of meer vernauwd; lobben nagenoeg \'ƒ4
of \'/.i van de lengte der buis bereikende; aanhangsels
aan den kelk wratvormig. Bloembladen klein, korter of
-ocr page 605-
^
LV. LTTHRACEAE.                                    545
een weinig langer dan de kelklobben, blijvend. Meeldra-
den 12 of 10, in 1 rij op \'ƒ4 van den kelk ingeplant,
daar ver buiten uitstekend, min of meer nedergebogen,
die welke tegenover de kelkbladen staan slechts weinig
langer dan de tegenover de bloembladen geplaatste, doch
die van de voorzijde der bloem iets langer dan die van
de achterzijde; helmdraden in den knop nedergebogen;
helmknoppen nagenoeg rond, aan de rugzijde bevestigd.
Eierstok zittend, cilindrisch, min of meer onvolkomen
2-hokkig, daar het tusschenschot boven de zaadlijst eene
kleine opening heeft; zaadlijsten aan eene cilindrische
zuil vastgehecht, met zeer talrijke, kleine eitjes bedekt;
stijl langer dan de eierstok, ten slotte een weinig langer
dan de meeldraden, soms aan den top omgebogen en
met stipvormigen stempel. Doosvrucht langwerpig-ellip-
tisch, 2-hokkig, bij het rijp worden dikwijls den kelk
splijtend, dunvliezig, glanzend bruin, in den kelk be-
sloten, niet openbarstend of ten slotte op verschillende
wijzen uiteenscheurend. Zaden zeer klein, smal wigvor-
mig-langwerpig, min of meer plat.
Heesters, die dikwijls min of meer boomachtig zijnen
waarvan de jongere takken min of meer vierkantig, zwart
gestippeld en grijsviltig zijn, terwijl de oudere rolrond
of onder de knoopen samengedrukt en van de haren
ontdaan zijn. Bladeren kruiswijs geplaatst, min of meer
lederachtig, van onderen vooral zwart gestippeld, vinnervig
en netvormig geaderd. Bloemen ten getale van 1—15,
aan korte, okselstandige twijgen, die of uit de oksels van
kleine, gewone bladeren of zeldzamer uit die van spoedig
afvallende schutbladen ontstaan en enkelvoudige of samen-
gestelde trossen vormen, die, soms door eene eindbloem
afgesloten, in een 3-bloemig bijscherm kunnen overgaan;
bloemstelen 3—10 mM. lang, kortharig en zwart gestippeld.
Aantal soorten 2, waarvan de eene op het vaste land van Afrika
en «Ie andere op Madagascar en in Azië is aangetroffen. De laatste, IV\'.
fraticosaKurz,kon\\t ook in Nederlandsen Indië voor en was in Miqlel\'s
Flora in liet geslacht Grislea Lüf/I. geplaatst,(Gris/, tomentosti Rojü.),
terwijl zij bij de andere schrijvers lot Lythmm /.. gerekend was,
(£,. fruticosnm L.). Verder vindt men haar nog bij verschillende
schrijvers als Lythr. punctatum Span., Grist, pandata Buchan.
en Woodf. tommtosa Bedd. Ten slotte werd zij als een nieuw
geslacht Acistoma Zipp. vermeld, (A. coccineam Zipp.).
-ocr page 606-
546
LV. LYTHRACEAE.
i. PEMPHIS Forst.
Bloemen 6-tallig, met ongelijke stijlen en dimorph.
Kelk klok- of bekervonnig, vrij lederachtig, met 12 voren,
die 2 aan 2 aan de toppen der kelklobben ineenvloeien,
blijvend: lobben kort en breed driehoekig, onder de
vrucht soms teruggeslagen; kelkaanhangsels kort en
hoornvormig. Bloembladen 6, min of meer cirkelvormig
of omgekeerd eivormig, in den knop naar binnen ge-
vouwen en ineengekreukt, even groot als of langer dan
de kelk. Meeldraden 12, een weinig onder do helft van
de buis in 2 rijen ingeplant, waarbij of die, welke tegen-
over de kelkbladen staan, niet ver uitsteken boven de
lobben en de andere niet ver boven de inhammen of
die, welke tegenover de kelklobben staan, ongeveer gelijk
komen met de inhammen, terwijl de andere nog niet
zoo hoog reiken; helmknoppen breed elliptisch, aan de
rugzijde vastgehecht; helmbindsel van achteren breed,
van voren smal. Eierstok kort gestoeld of nagenoeg zittend,
kogelvormig, onbehaard, nagenoeg 1-hokkig, doch met
sporen van onvolledige tusschenschotten ; stijl bij sommige
bloemen half zoo groot of even groot als de eierstok, bij
andere dubbel zoo groot; stempel 2-lobbig, tweemaal zoo
dik als de stijl; zaadlijst half zoo hoog als de eierstok.
Doosvrucht omgekeerd ei- of ellipsoidvormig, nagenoeg
niet boven de kelklobben uitstekend; vruchtwand van
onderen dun, van boven dik en rondom aan de basis
loslatend. Zaden talrijk, wigvormig-samengedrukt; zaad-
huid rondom tot een smallen, dikken, min of meer kurk-
achtigen, uitgekartelden vleugel verdikt; kiem langwerpig,
rolrond.
Boomachtige heester, aan alle kanten grijs-, zijdeachtig
behaard; takken kruis wijs geplaatst, soms in bundels
bijeengedrongen, rolrond en in de jeugd kantig, van
onderen door de litteekens der afgevallen bladeren soms
knoopachtig verdikt; stengelleden zeer kort of even lang
als de bladeren. Bladeren kruiswjjs geplaatst, nagenoeg
niet gestoeld, aan de basis wigvormig, omgekeerd ei-
vormig of langwerpig of smal elliptisch of lijn-lancet-
vormig, spits of stomp, min of meer 1-nervig en zeer
dikvleezig. Steunblaadjes niet talrijk. Bloemen alleenstaand,
-ocr page 607-
LV. LYTHRACEAE.                                   547
zelden twee aan twee in de bladoksels, of in gering aantal aan
de toppen der takken; bloemsteeltjes aan de basis met
2 kleine, lijnvormige, spoedig afvallende schutblaadjes.
Eéne soort, 1\'. acidula Forst., «lic aan alle tropische stranden
voorkomt, en behalve tot Petnphis achtereenvolgens tot de geslach-
teti Lythrum L. (L.. Pemphis L. /\'.). Macclellandia Wight (Maccl.
Grif fit hiana Wight) en
Millania Zipp.(MiU. rupestre Xipp.) gobiacht is.
5. NESAEA Commers.
Bloemen 4—-8-tallig, zelden met ongelijke, meestal met
gelijke stijlen in alle bloemen, klein of groot. Kelk tol-
klokvormig, of urn-, klok- of half bolvormig, kruidachtig;
lobben zeer kort of de halve lengte van de buis berei-
kende; aanhangsels ontbrekend of kort of lang en opge-
richt en veel langer dan de lobben. Bloembladen ont-
brekend of 2—8, afvallend, meestal rondachtig of omge.
keerd eirond, wit, rosé, paarsch of zelden bleek geel.
Meeldraden 4—23, waarvan nu eens die, welke tegen-
over de kelkbladen staan, dan weder die, welke tegen-
over de bloembladen staan, ontbreken of ten getale van
2 of 3 bijeenstaan, tusschen de helft en een zesde van
de hoogte der kelkbuis, in 1—2 rijen ingeplant; helm-
knoppen min of meer rondachtig. Eierstok zittend, on-
behaard, 2—5-hokkig; eitjes zeer talrijk; stijl ontbrekend
of kort of lang; stempel knop- of stipvormig. Doosvrucht
kogel- of ellipsoidvormig, binnen den kelk besloten of er
min of meer boven uitstekend, eerst geopend door een
klein, afvallend dekseltje, dat den stijl draagt, vervolgens
aan den rand schotverbrekend of min of meer onregel-
matig opensphjtend. Zaden klein.
Kruiden, half heesters of heesters, onbehaard of zelden
behaard. Stengel dikwijls 4-kantig. Bladeren volkomen,
zelden onvolkomen tegenovergesteld of in kransen of
spiraalswijze geplaatst, zittend of kort gesteeld. Steun-
blaadjes ontbrekend of ten getale van 1—3 of meer
binnen de bladoksels. Bloemen in de bladoksels alleenstaand
of in bundels of kluwens of aan lang gesteelde bijschermen
of hoofdjes, waarvan de laatste door een omwindsel van
2—4 zeer groote schutbladen zijn omgeven. Schutblaadjes
zeer verschillend.
-ocr page 608-
548                                    h\\. LYTHRACEAE.
Aantal soorten 27, in Amerika, Afrika, Azië en Australië. In
Nederlandseh Indië is nog geeno soort aangetroffen, doch ilaar N.
lanreolatit Koehne
voorkomt in Ceylon en Australië ligt het ver-
inoeden voor de hand, dat /ij ook in den Maleischen Archipel kan
gevonden wolden. Deze soort werd vroeger tot het geslacht Atn-
mannia
I.. gebracht, (.1. lanceolata Wall. en A. rerticillata Wight
et Am.).
«. LAQERSTROEMIA /,.
Bloemen 5—8-, zelden 4- of 9-tallig, groot, zelden klein,
alle met gelijke stijlen. Kelk lederachtig, halfbolvormig
of tolvormig, rolrond of geribd of gevleugeld; ribben of
vleugels in hetzelfde aantal als de kelkbladen en onder
de inhammen gelegen of in het dubbele aantal; kelk-
lobben half zoo lang of grooter dan de buis, driehoekig,
meestal in een staartje verlengd, soms teruggeslagen;
aanhangsels aan de kelklobben meestal ontbrekend, zelden
aanwezig, doch kort. Bloembladen afvallend, groot of
zelden klein, dikwijls lang en dun genageld, meestal min
of meer cirkelvormig en met gekreukeld golvenden boven-
rand. Meeldraden of (bij Lag. speciosa L.) ten getale van
150—200 van gelijken vorm, met dunne helmdraden, in
vele rijen gerangschikt en tegenover de kelkbladen ge-
plaatste , soms ineenvloeiende bundels vormende, of (bij
de overige soorten), ten getale van 15—126, vrij diep
of op de halve hoogte van de kelkbuis meer of minder
duidelijk in ééne rij ingeplant, zoodanig dat vóór elk
kelkblad één afzonderlijke meeldraad geplaatst is, die voor
\'/a of */, boven de kelklobben uitsteekt, met een dikken
helmdraad en een grooteren helmknop en vóór elk bloem-
blad 2—13 veel (\'/7—\'/2), kortere meeldraden staan, met
dunne, aan de basis soms tot bundels samenhangende,
helmdraden en kleinere helmknoppen ; helmknoppen breed
elliptisch of cirkelvormig, met een breed, kussenvormig
helmbindsel, dat omgeven wordt door de smalle, aan den
rand openbarstende helinhokjes. Eierstok zittend of onder
aan de basis versmald en daardoor schijnbaar op een
korten, hollen steel geplaatst, kogel vormig, of aan den
top in een hollen, fleschvonnigen, met den stijl geleeden
hals verlengd, onbehaard of dicht viltachtig behaard,
3—6-, zelden 7-hokkig; eitjes talrijk; stijl een weinig
hooger dan de tegenover de kelkbladen geplaatste meel-
-ocr page 609-
LX. LYTHRACEAE.                                    549
draden; stempel weinig dikker dan de stijl. Doosvrucht
min of meer ellipsoidvormig pf langwerpig, onbehaard of
aan den top dun viltachtig behaard, houtachtig, hokver-
brekend 3—6-, zelden 7-kleppig; kleppen van binnen in
het midden de tusschenschotten dragende en zelden daar
tegenover aan de buitenzijde ondiep langsgevoord. Zaden
groot, de onderste met grooter vleugel dan de bovenste,
min of meer horizontaal geplaatst; zaadhuid nabij de
basis van de vrucht in een driehoekig of trapezoidvormig,
zeer groot aanhangsel verdikt en naar den top in een
grooten, breed mesvormigen vleugel verlengd, die van
het aanhangsel gemakkelijk is los te maken, waarbij de
kiem zich vertoont in de dus gevormde spleet; de vleu-
gels van alle zaden reiken tot aan den top van de doos-
vrucht ; kiem lang-kegelvormig, licht gekromd; zaadlob-
ben elk met een der randen om de andere geslagen;
kiemworteltje rolrond en lang kogelvormig.
Kleine , soms heesterachtige of meestal groote, omstreeks
33 Meter hooge, onbehaarde of vooral aan de bloei-
wijzen behaarde boomen, die óf altijd hun loof behouden,
of het in het warme jaargetijde afwerpen. Stengeneden
meestal korter dan de bladeren. Bladknoppen besloten
tusschen eenige weinige paren van knopschubben. Bladeren
meestal ten gevolge van het uiteenschuiven der blad-
paren afwisselend, zelden volkomen tegenovergesteld,
kort gesteeld, groot, aan de basis afgerond of in den
bladsteel overgaande, aan den top toegespitst, vliezig of
lederachtig, onbehaard of viltachtig behaard, min of meer
netvormig geaderd. Steunblaadjes zeer klein, aan weers-
kanten van den bladsteel. Bloemen óf in enkelvoudige of
van onderen samengestelde okselstandige en eindelingsche
trossen, óf in tot eene groote eindelingsche pluim vereenigde
trossen óf zelden tot kleine hoofdjes opeengedrongen.
Schutbladen en schutblaadjes klein en spoedig afvallend;
bloemstelen aan de inplanting der schutblaadjes geleed.
Aantal soorten 21 , de meeste in Azië, in geringer aantal in
Madagasear en Australië. In Nederlandsen Indië vindt men 7 a 8
soorten , waarvan de meest bekende is Lag. speciosa Pers. = La;/.
Reginae lioxit.,
welke dikwijls in de tuinen gekweekt wordt.
-ocr page 610-
550
LV. LYTHRACEAE.
7. LAWSONIA L.
Bloemen 4-tallig, alle met gelijke stijlen. Kelkbuis
klein, tolvormig, onder de vrucht schotelvormig uitge-
breid, min of meer lederachtig, rolrond, met ongeveer
16 nerven, die echter alleen bij door vallend licht te zien
zijn, verbonden door eenige weinige, niet sterk anastomo-
seerende aderen; lobben iets langer dan de buis, breed
eivormig, driehoekig, zonder staartvormige verlengsels
en zonder aanhangsels. Bloembladen na den bloei afvallend,
groot, niervormig, vleezig en sterk ineengekreukt, met
een korten, dikken nagel en eene kleine schub aan de
inplanting. Meeldraden bijna altijd 8, paarswijze tegen-
over de kelkbladen , en geen van alle tegenover de bloem-
bladen geplaatst, zelden 1 of 3 tegenover elk bloem-
blad, bevestigd op een eeltachtigen ring, die onder de
inplanting der bloembladen in de kelkbuis is gelegen en
onder eiken meeldraad een klein schubje draagt; helm-
draden zeer dik, half boven de kelklobben uitstekend,
priemvormig, afvallend ; helmknoppen cirkelvormig, min
of meer teruggekromd, aan weerszijden uitgerand, met
een breed helmbindsel, dat door de helmhokjes omgeven
wordt. Eierstok zittend, min of meer kogelvormig,
2—4-hokkig ; stijl dik, een weinig hooger dan de meel-
draden en even dik als de stempel. Vrucht kogelvormig,
aan de basis door den kelk omgeven, vliezig, niet open-
springend of zich openend doordat de wanden zich in
vezels oplossen. Zaden ten getale van 15—20 in elk
hokje, dik, driezijdig-piramidevormig, aan den top afge-
rond en een weinig uitgerand en aldaar met wratjes
bezet; zaadhuid dik, met eene dikke, sponsachtige laag
boven den top van de kiem; zaadlobben plat, afgerond
hartvormig: kiemworteltje kort.
Heester, die soms boomachtig en 2—7 Meter hoog
wordt, onbeliaard, in de jeugd ongewapend, maar later
gedoomd door de verharde twijgen. Rolronde, doch in
de jeugd meestal 4-kantige, min of meer wijd uitstaande
takken. Stengelleden korter dan de bladeren. Bladeren
tegenovergesteld, zelden in kransen van 3, niet gesteeld,
vliezig of stijf, vinnervig en een weinig netvormig geaderd,
aan weerskanten met 1 klein, kegelvormig, witachtig
-ocr page 611-
551
LV. LYTHRACEAE.
steunblaadje. Bloemen welriekend, in eindelingsehe plui-
men, die van onderen gewone bladeren, maar verder
kleine, spoedig afvallende schutbladen dragen; kleine
schutblaadjes onder of in het midden van de bloemstelen.
Eéne soort, in allo tropische landen gekweekt, L. inermix L.
Door vroegere schrijvers weiden twee soorten onderscheiden — eene
gedoomde en eene ongedoornde, L. xpinosa L. en L inermix L.
Volgens Kokiink kan men deze vormen zelfs niet als variëteiten
beschouwen, omdat de jongere boom enkel ongedoornde, de oudere
ook gedoomde takken draagt. Eene andere afwijking vertoont de
kleur der bloemen, die bij sommige exemplaren wit, bij andere
rood is.
8. CRYPTERONIA BI.
Bloemen gemengdslachtig-tweehuizig. Kelbuis napvor-
mig; lobben of tanden 5, zelden 4, in den knop kleps-
wijze aaneensluitend. Bloembladen ontbrekend. Meeldraden
4—5 , in de keel van den kelk ingeplant en met de lobben
afwisselend ; helmdraden draad-priemvormig, gekromd;
helmknoppen klein, 2-lobbig. Eierstok vrij, kogelvormig,
2-hokkig; stijl draadvormig, met 2-spletigen , knopvor-
migen stempel; eitjes oo , horizontaal of klimmend, in
vele rijen ingeplant op asstandige zaadlijsten. Doosvrucht
door den kelk aan de basis omgeven, kogelvormig,
2-hokkig, niet geheel openspringend, maar met 2 zijde-
lingsche spleten hokverbrekend splijtende in 2 papier-
achtige kleppen, die in het midden de schotten dragen
en door den blijvenden stijl zijn verbonden ; hokjes
oo -zadig; vruchtsteel omlaag gericht. Zaden klein, lang,
bijna zittend, klimmend; zaadhuid vliezig, öf niet gevleu-
geld of van boven smal gevleugeld; kiem cilindervormig;
zaadlobben plat-bol; kiemworteltje stomp.
Boomen met vierkantige twijgen. Bladeren tegenover-
gesteld, gesteelcl, ei- of lancetvormig, gaafrandig. Bloemen
klein, wit of groen, in okselstandige trossen of vertakte,
aarvormige pluimen, met korte, lijnvormige schutbladen
aan de basis der bloemstelen. Lengte der helmdraden ver-
schillend; bloemen met lange helmdraden onvruchtbaar.
Aantal soorten 7—8, in tropisch Azië, waarvan 1 in Nederlandsrh
Indië voorkomen, nl. Cr. piibescens Hl. en Cr. paniculata Hl. Waar-
schijnlijk zullen ei- nog wel meer goorten binnen het gebied
onzer Flora gevonden worden, daar van de andere ééne op de Phi-
lippijnsche Eilanden en ééne op Malakka gevonden is, terwijl de
-ocr page 612-
552
LV. LYTHRACEAE.
derde zoowel op de Philippijnsche Eilanden als in Engelsen Indië
is aangetroffen. Hot geslacht Crypteronia is door KOEHNE buiten
de familie gesloten; daar hij evenwel geen andere plaats er voor
heeft aangewezen en zoowel CLARKE in HoOKGH\'s Flora of Brit.
Ind.
II, p. 573 als Baii.i.ox in Ifixt. d. Plantes VI, p. 435 en
p. 455 het bij de Lythraceae gehouden hebben, scheen het mij
het best het geslacht voorloopig hier te laten. Ook in vroeger tijd
is er omtrent de plaatsing van het geslacht veel verschil van
meening geweest. lil.UMK plaatst het onder de twijfelachtige Rliam-
iiacnti!.
WALLICH, BLUME\'s geslacht niet kennende, doopte het
HenslOVia en Linüi.EY maakte hiervan eene familie Hensloviaccae.
omtrent wier plaats in het systeem men evenzeer in twijfel bleef.
Miquei., die aan de soorten den geslachtsnaam llenxlovia liet,
beschouwde ze ook als eene afzonderlijke familie en plaatste de
Henxloviaceae in de nabijheid der Cimoniaci\'ac en H ijd rangeaceae,
die thans tot de Sajcifragacetie gebracht worden. Ai.pii. De Can-
nou.E in Prodr. XVI, 2, p. 408 wenschte het geslacht als type
van eene afzonderlijke familie, Crypteroniaceap. te beschouwen en
wees er op dat het van de echte Li/lhmceae verschilt doordat de
meeldraden de plaats der bloembladen innemen en de plaats der
meeldraden onvervuld is.
9. DÜABANGA Ham.
Kelkbuis uitgespreid, wijd tolvormig, met de basis van
den eierstok vergroeid ; lobben 4—7, driehoekig-eivor-
mig, zeer dik. Bloembladen 4—7, omgekeerd ei- of
cirkelvormig, kort genageld, golvend gerimpeld. Meel-
draden oo, in ééne rij ingeplant op een perigynischen
ring; helmdraden draad-priemvormig, gekromd; helm-
knoppen bewegelijk, lijnvormig-langwerpig, teruggekromd.
Eierstok min of meer kogel- of kegelvormig, met 4—8
ondiepe voren, 4—8-hokkig en met eene holle as; stijl einde-
lingsch, lang, dik, cilindervormig, bochtig, met knopvormi-
gen, 4—8-lobbigen stempel; eitjes in groot aantal in elk
hokje, aan dikke zaadlijsten, die de hokjes bijna geheel vul-
len, van alle kanten vastgehecht, gekromd, klimmend. Doos-
vrucht zittend op den bodem van den dikken, uitgespreiden
kelk, dik lederachtig, ten slotte min of meer korstachtig,
rond of piramidevormig, volkomen of onvolkomen 4—8-
hokkig, hokverbrekend met 4—8 kleppen openspringend.
Zaden in vele rijen ingeplant aan de sponsachtige zaad-
lijsten , die met de neergebogen schotten vergroeid zijn,
zeer talrijk en klein, lijn-, sikkel- of zaagselvormig, aan
den bovenrand smal gevleugeld; zaadhuid aan weers-
-ocr page 613-
553
J/V. bYTHRACEAE.
kanten verlengd; kiem recht; zaadlobben langwerpig
hartvormig, groengestippeld; kiemworteltje min of meer
cilindrisch.
Hooge, onbehaarde boomen, met in kransen geplaatste,
litteekens dragende takken en met 4-zijdige, hangende
twijgen. Bladeren tegenovergesteld, nagenoeg zittend,
groot, verlengd langwerpig, toegespitst, gaafrandig, met
hartvormige basis en met talrijke nerven, van onderen
blauw-groen. Bloemen groot, wit, sterkriekend, in
eindelingsche pluimen met tegenovergestelde, meestal 3
bloemen dragende takken.
Aantal soorten 2, waarvan de eene, D. sonneral>oides Ham.,
in Engelsch Indië, de andere, D. Molnccana BI., in Nederlandsch
Indië voorkomt. De plaats van het geslacht is nog zeer onzeker.
Terwijl Bentham en Hooker, Ci.abke en Baii.lon met al de
oudere schrijvers het onder de Lijthraeecu: plaatsen, wordt het
door Koeiink buiten die familie gesloten en door hem naast het
geslacht Sonncralin geplaatst, dat hij beschouwt als tot de
Mijè\'lnceai\'. behonrend. Misschien zal het bij eene revisie dier familie
daar eene plaats kunnen krijgen. Door ROXBUROB werd I). 8tmne-
ratioides Ham.
het eerst als eene soort van Lagerstroemia L. (L.
grandiflora Itoxb.)
beschreven.
10. SONNERATIA L. f.
Kelkbuis dik lederachtig, klokvormig; lobben 4—8,
driehoekig-eivormig of lancetvormig. Bloembladen 6—8,
klein of ontbrekend. Meeldraden oo, in de keel van den
kelk ingeplant, in oo rijen en met ten slotte terugge-
slagen, draadvormige helmdraden ; helmknoppen bewege-
lijk, niervormig. Eierstok vrij of met eene breede basis
op den kelkbodem geplaatst en in de buis van deze
besloten, neergedrukt kogel vormig, veelhokkig, met
dunne tusschenschotten ; stijl lang, draadvormig ; stempel
schild- of knopvonnig; eitjes zeer talrijk, klimmend,
aan dikke, asstandige zaadlijsten dicht opeengedrongen.
Bes min of meer kogelvormig, dik, door den kelk
omgeven, 10—15-hokkig, oo-zadig. Zaden in het vrucht-
moes gelegen, lang, gekromd, kantig; zaadhuid dik,
korstachtig; zaadlobben kort, bladachtig, ineengerold ;
kiemworteltje lang, rolrond.
Onbehaarde, groote of kleine boomen, met rolronde
twijgen. Bladeren tegenovergesteld, gesteeld, lederachtig,
35
-ocr page 614-
554
i.V. I.YTHRACEAE.
langwerpig, spits of stomp, gaafrandig. Bloemen groot,
zonder schutblaadjes, ten getale van 3 aan de toppen
der takken of\' okselstandig en alleenstaand.
Aantal soorten 5 of 6, aan de tropische stranden, van Oostelijk
Afrika tot Australië verspreid. In Miquei.\'s Flora worden C soorten
opgenoemd voor Nederlandsen Indié, doch volgens Cl.ARKE zou dit
aantal waarschijnlijk wel tot 3 terug te brengen zijn, nl. Sonn.
apelala Ham.,
zonder bloembladen en niet grooten, schildvormigen
stempel, Sonn. acirfa /..ƒ., met 0 bloembladen en met kleinen,
knopvormigen stempel en Sonn. alba Smith, zonder bloembladen en
met kleinen, knopvormigen stempel. Het geslacht Sonneratia, door
Bentham en Hookkr onder de Lythraeeae geplaatst, hebben wij
voorloopig daarbij gelaten onderde twijfelachtige geslachten, ofschoon
de verwantschap van dat geslacht met die familie ontkend wordt door
Koeiine en BAILLON, die het even als oudere schrijvers plaatsen
onder de Mi/rtaceae, waar het ook in Miquel\'s Flora te vinden
is. De overeenkomst met Duabamja, een geslacht, dat ook door
Baili.on nog tot de Lythraeeae gerekend wordt, heeft mij weer-
houden het onder de Myrlaceae te plaatsen.
11. PUNIOA L.
Kelkbuis blijvend, dik lederachtig, van onderen met
den eierstok vergroeid, tolvormig boven den eierstok verwijd;
lobben 5—7. Bloembladen 5—7, in de keel van den kelk inge-
plant, lancetvormig, ineengekreukt. Meeldraden zeer talrijk,
in vele rijen in de keel van den kelk ingeplant, met
draadvormige, gekromde helmdraden; helmknoppen be-
wegelijk, eivormig. Eierstok onderstandig, veelhokkig ;
hokjes in vele rijen boven elkander, de onderste aan
den kant van de as, de bovenste aan den kant van den
wand eitjes dragende; stijl draadvormig, bochtig, aan
de basis gezwollen, met knopvormigen stempel; eitjes in
vele rijen aan gezwollen met de tusschenschotten of de
wanden vergroeide zaadlijsten. Bes onderstandig, kogel-
vormig, door den kelkzoom gekroond, met dikke, leder-
achtige schil, veelhokkig; hokjes onregelmatig boven
elkander geplaatst, oc -zadig; tusschenschotten vliezig.
Zaden groot, hoekig; zaadhuid uit twee lagen bestaande,
de buitenste lederachtig sappig, de binnenste leder- of
houtachtig; zaadlobben bladachtig, spiraalswijze ineenge-
rold, met 2 oortjes aan de basis; kiemworteltje zeer kort.
Kleine, sterk vertakte boom, met meestal doorn-
achtige, rolronde twijgen. Bladeren tegenovergesteld en
-ocr page 615-
LV. LYTHRACEAE.                                    555
aan de kortere twijgen tot bundels opeengedrongen, lang-
werpig of omgekeerd eivormig, stomp, gaafrandig. BIoe-
men groot, granaatrood, kortgesteeld, alleenstaand of in
bundels in de bladoksels.
Eéne soort, P. Granalum L., in alle tropische en warmere ge-
westen gekweekt, in het wild in Klein A/ie en het Noordwestelijk
deel van Engelsch Indië. Verwant aan Sonneratia en Duabanga
wordt zij door Bentham en IIuokek als een afwijkend geslacht der
Lytltraceae beschouwd. Baii.lon en Koehne brengen haar echter
tot de Myrtaceae, waarbij zij ook in Miquei.\'s Flora geplaatst
was. Eene tweede soort, met smallere bladeren, P. nana /,., ook
in Indië voorkomende, wordt door Clarke als een synoniem van
de eerste opgevat.
LYTHRACEAE VAN NEDERLANDSCH INDIË.
1.   ROTAI.A L.
verticillaris L. — Ammannia verticillaris Baill. — Ammannia
Bolala Clarke
(non F. v. Muell.). (Maleische Archipel?)
leptopetala Koelme. — Ammannia leptopetala BI. — Tri*
theca pentandra Wight el Am. (Miq. p.p.).
(Java.)
densiflora Koelme. — Ammannia densiflora Bolh. — Tri-
theca pentandra Wight et Am. {Miq p.p.).
— Dillieca
densiflora Wight et Am. (Mig.).
(Maleische Archipel.)
Indica Koehne. — Ameletia elongata BI. — Ameletia acu-
tidens Mig.
(Java.)
rotundifolia Koehne. — Ammannia rotundifolia Boxb. —
Ameletia rotundifolia Dalz. et Gibs. (Malakka.)
2.   Ammannia L.
octandra L. /\'. — Diplostemon octandrum Wight et Am.—
Ammanella linearis Mig. (Java.)
baccifera L. — Hapalocarpuni Indicum Wight el Am.
(Mig.) — Hapalocarpuni resicatorium Wight et Am. (Java.)
microcarpa D C. — Cryptothera dichotoma BI. (Java, Timor.)
multillora Boxb. — Suffrenia ilichotoma Mig. — (<>\'!ip-
tolheca dichotoma BI. (Mig.). — Ditheca debilis Mig. (Java.)
verticillata Ham. —Ditheca verticillata Wight et Am. (Ma-
leische Archipel.)
3.   Woodfordia Salisb.
frnticosa Kurz. —• W. tomentosa Bedil. — Lglhrum fru-
ticosum L.
— Lythrum punctatum Span. — Grislea
tomentosa Boxb.
— Grislea punctata Buchan. — Acistoma
coccineum Zipp.
(Java, Timor.)
4.   Pemhhis Forst.
acidula Forst. — Lythrum Pemphis L. — Macclellandia
Grifflthiana Wight.
— Millania rupestre Zifip. (Maleische
Archipel.)
-ocr page 616-
556
LVI. ONAGRACEAE.
5. Nesaea Comm.
lanceolata Kon/nu: — Ammannia lanceolata Wall. — Amnian-
nfa verticillala Wight et Am.
(Maleische Archipel?)
0. Lagerstroemia /-.
Indica ƒ.. (Molukken, Java.)
Engleriana Koehne. (Timor.)
ovalifolia Teysm. et Mimend. — L. Celebica BI. — L.
hexaptera Miq. — /.. Jtiedeliana Olh.: (Malakka, Java,
Celebes.)
villosa Wall. (Malakka.)
speciosa Pers. — L. Beginae lioxb. — Ailambea ijlabra
Lam. (Java, Sumatra, lionieo, Celebes.)
Loudoni Teysm. et Binnend. (Buitenzorg, gekweekt.)
punctata lil. (Maleische Archipel?)
turbinata Koe/me. (I\'enang.)
floribiiiula Jack. (Penang? Timoi:\')
7.   LAWSONIA L.
inermis L. — L. spinosa L. — L. alba Lam. — Alcanna
spinosa Gaertn,
(Java, Sumatra, Celebes, Anibon, Timor.)
8.   Crypteronia lil.
pubescens BI. — Henslovia pubescens Wall. — Henslovia
affinis l\'laiich. (Penang.)
paniculata lil. — Henslovia paniculata Mig. (Java.)
Griffithii Clarke. (Malakka.)
9.   Duabanga Ham.
Moluccana BI. (Ambon, Java, Bali.)
10. SONNERATIA L. f.
apetala Ham. (Maleische Archipel?)
acida L. /\'. — S. Pagatpul Blanco? — .S. obovala BUt —
.S\'. evenia lil. f — S. lanceolata lil. f (Java, Timor,
Borneo, Celebes, Anibon enz.)
alba Smit/i. (Malakka, Maleische Archipel, Nieuw Guinea.)
11. PUNICA ƒ..
Granatmn L. — P. nana L. (Overal gekweekt.)
Fam. lvi. ONAGRACEAE.
Bentham et IIooker, Gen. Plant. I, p. 785. — MlQUEL, /•\'/. Ind.
Bat.
1, 1 , p. 1)25 en p. (Mn (Trapa.).— ClarkE in HoOKBR, Fl. of
Br. Ind.
Il, p. 58\'2.
Bloemen meestal tweeslachtig, regelmatig of zelden
onregelmatig. Kelkbuis met den eierstok geheel en al
-ocr page 617-
LVI. ONAGRACEAE.                                   557
vergroeid, dikwijls voorbij deze in een 2—4- (zelden
5—6-)deeligen zoom verlengd en niet zelden gekleurd ;
kelklobben in den knop klepswijze aaneensluitend.
Bloembladen meestal 2—4, zelden ontbrekend, aan de
basis van de schijf, als deze aanwezig is, ingeplant,
spoedig afvallend, ineengedraaid. Meeldraden 1—8, zel-
den 5, 6 of 12, evenals de meeldraden en in 2 rijen
ingeplant, waarbij de eene rij soms zonder helmknop-
pen is ; helmdraden meestal draadvormig, soms neerge-
bogen, zelden, in het geval dat er 8 zijn, ook met den
stijl vergroeid; helmknoppen langwerpig of lijnvormig,
zelden 2-lobbig of bolvormig, aan de rugzijde van den
helmdraad vastgehecht, 2-hokkig, van binnen opensprin-
gend; stuifmeel driehoekig. Schijf epigynisch, den kelkzoom
bekleedend, gelobd, golvend of uit klieren bestaande.
Eierstok onderstandig, meestal 4-hokkig, of, doordat de
schotten onvolkomen zijn, 1-hokkig; in ieder hokje 1 of
oo eitjes, in het laatste geval in 1—2, zelden in oc rijen,
klimmend of hangend, meestal anatroop. Vrucht ver-
schillend, in den vorm van eene doosvrucht, noot of
bes, meestal lang en schot- of hokverbrekond met 4
kleppen, die van de zaaddragende as loslaten. Zaden
talrijk, weinige of slechts 1, meestal klein ; zaadhuid
vliezig of lederachtig, glad of met wratjes; kiem wit
ontbrekend of in eene dunne laag; kiem meestal omge-
keerd eivormig, met samengedrukte, plat-bolle, soms
dunne, zelden gekromde en hoogst zelden ineengerolde
zaadlobben en een zeer kort, recht kiem worteltje.
Eenjarige of overblijvende, reukelooze kruiden, zelden
heesters en nog veel zeldzamer boomen, eenige weinige
soorten het water bewonend. Bladeren tegenovergesteld
en afwisselend, vliezig, niet ingesneden of zelden vinspletig,
gaafrandig, getand of gezaagd, zonder klieren. Steun-
blaadjes ontbrekend. Bloemen meestal okselstandig en
alleenstaand of aan de toppen der takken tot aren of
trossen, of zelden tot pluimen vereenigd.
Aantal soorten omstreeks 300, in de gematigde streken van de
geheele wereld wijd verspreid, tusschen de keerkringen zeldzaam.
-ocr page 618-
558
T/V F. ONAGRACEAE.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
4. Jussiaea. Eierstok 4-hokkig, met oo eitjes in elk hokje.
Schot verbrekende doosvrucht. Hloembladen 4—6.Meeldraden 8—42.
Land- of waterplanten met onverdeelde bladeren.
2.   Luuwigia. Eierstok 3—0-hokkig, met oo eitjes in elk hokje,
Schotverbrekende of met eindelingsche poriën openspringende
doosvrucht. Bloembladen 3—5 of ontbrekend. Meeldraden 3—5.
Landplanten met onverdeelde bladeren.
3.   Trapa. Eierstok 2-hokkig, met l eitje in elk hokje. Harde,
4-hokkige en 1-zadige noot, meestal met \'1—4 doorns aan den
top. Bloembladen en meeldraden 4. Drijvende waterplanten met
tegenovergestelde, fijn verdeelde ondergedoken en tot rosetten
vcreenigde, ruitvormige niet ondergedoken bladeren.
4. JUSSIAEA L.
Kelkbuis lang, cilindrisch of prismatisch, boven den
eierstok niet verlengd; lobben 4—6, spits, blijvend.
Bloembladen 4—6, onder den rand van de epigynische
schijf ingeplant, uitgespreid. Meeldraden 8—12, evenals
de bloembladen ingeplant, met korte helmdraden; helm-
knoppen eivormig of\' langwerpig. Eierstok 4—-5-hokkig ;
stijl enkelvoudig, soms zeer kort, met korten 4—6-
lobbigen stempel; eitjes co , in co rijen in den binnen-
hoek der hokjes ingeplant, aan dikwijls vooruitspringende
zaadlijsten. Doosvrucht rolrond of 4—8-kantig of -ribbig,
4—6-hokkig, door de kelklobben en de schijf gekroond,
meestal schotverbrekend openspringend, met 4—5 klep-
pen, die zich of bij het rijp worden ten slotte van de
ribben loslaten, of zich in lange vezels verdeelen, zelden
door eene dikke schil omgeven, die onregelmatig open-
barst en zoo de kleppen ontbloot. Zaden zeer talrijk,
zelden in gering aantal, vastgehecht aan de randen der
kleppen of aan de zaadlijsten, die van de kleppen los-
laten, klein of groot, met papierachtige, vliezige of dik-
korstachtige, soms sponsachtige en van binnen beenharde
zaadhuid; zaadlobben stomp; kiemworteltje kort.
Kruiden of half heesters, met afwisselende, meestal
vliezige en gaafrandige, zelden lederachtige en gezaagde
bladeren. Bloemen geel of wit, alleenstaand in de blad-
oksels, zeer kort gesteeld, meestal met twee schutblaad-
jes aan den top van den bloemsteel.
-ocr page 619-
559
LVI. ONAGRACEAE.
Aantal soorten omstreeks 30, meestal moerasplanten, eenige
weinige drijvend, in de tropische gewesten van de beide halfronden,
maar voornamelijk in Amerika voorkomende. Voor Nederlandsch Indië
wordt door MiQUEi. een 5-tal soorten opgegeven. Hiervan zijn er 2,
./. tuffruticosa L. en J. repenx L, die een zeer groot verspreidings-
gebied hebben en in de warme gewesten algemeen zijn. De drie
andere, misschien als vormen van de eerste te beschouwen, zijn,
voor zoovei- bekend is, tot Nederlandsch Indië beperkt. De eerste,
een halflleester of kruid, is opgericht en komt veel op de rijst-
velden voor. De laatste soort wordt dikwijls kruipend gevonden aan
de oevers van beekjes en vijvers, waarbij de stengels vaak op
het water drijvend gehouden worden door witte, blaasvormige
wortels.
2. LUDWIGIA L.
Kclkbuis cilindervormig, prismatisch of tolvormig,
boven den eierstok niet verlengd ; lobben 3—5 , spits,
blijvend of laat afvallend. Bloembladen 3—5 of ontbre-
kend, ingeplant onder de epigynische, kegelvormige of
neergedrukte, gevoorde of gelobde schijf, lancetvormig
of omgekeerd eirond, uitgespreid. Meeldraden 3—5,
evenals de bloembladen ingeplant, met korte helmdraden;
helmknoppen eivormig of langwerpig. Eierstok 4—5-hok-
kig; stijl meestal kort, met knopvormigen, 3—5-lobbigen
of 3—5 voren dragenden stempel; eitjes in 1 of oo rijen
ingeplant op zaadlijsten, die vooruit springen van den
binnenhoek der hokjes. Doosvrucht door de epigynische
schijf en de kelklobben gekroond, lederachtig of papier-
achtig, rolrond of met 4—5 ribben, kanten of vleugels,
of schotverbrekend of met eindelingsche poriën open-
springende, of met eene dikke schil, die de 4—5 kleppen
omgeeft, öf op onregelmatige wijze verscheurende, door-
dat de kleppen zich in langsvezels splijten. Zaden zeer
talrijk, klein, met vliezige of papierachtige zaadhuid.
Overblijvende of éénjarige kruiden. Bladeren tegen -
overgesteld of afwisselend, dikwijls lancetvormig, gaaf-
randig, vliezig. Bloemen meestal alleenstaand in de
bladoksels, ongesteeld, zelden gesteeld, met 2 schutblaad-
jes aan den top der stelen, zeer zelden in eindelingsche
hoofdjes.
Aantal soorten 20, voornamelijk in Noord Amerika voorkomende,
eenige weinige in tropisch Azië algemeen. Door Bentham en Hooker
wordt hieronder ook begrepen Nematopyxis Miq. üit geslacht werd
-ocr page 620-
560                                   T/VI. ONAGRACEAE.
door Miquk!, voornamelijk onderscheiden, omdat do bloembladen
lancet vorm ig zijn en de eitjes in 1 rij aan de weinig vooruitsprin-
gende zaadlijsten zijn vastgehecht, terwijl de doosvrucht lijn-
vorinig-langwerpig is. IJij Ludwigia volgens de opvatting van
MlQUEL, zijn daarentegen de bloembladen omgekeerd eivormig en de
eitjes in meerdere rijen aan de sterk vooruitspringende zaadlijsten
vastgehecht; ook is de doosvrucht min of meer tol vormig. De soorten
van Xemalo/iy.cis. (.V. fruticulosa Mig., A". pusilla Mig. en A". pros-
Irala Miq.,
waarvan de beide eerste in Nederlandsch Indië voorkomen),
zijn volgens BENTHAM en HoOKKR volstrekt niet te onderscheiden, maar
volkomen aan elkander gelijk. Zij vormen de soort L. pront rata Roxb.
Onder den naam van Ludwigia beschrijft MlQUEL \'2 soorten, n.1.
L. perennis L. en L. gracilis Mig, Heide soorten worden dooi\' Kur/.
in lourn. As. Soc. XLVI. \'2. (1877) p. 91 vereenigd onder den naam
van L. parviflora Iloxb., daai\' de tweede als een vorm van de
eerste moet beschouwd worden en de Indische plant niet de door
Lixnaeus bedoelde soort is.
3. TRAPA. L.
Kelkbuis kort, de basis van den eierstok omgevend ;
kelkzoom blijvend, 4-deelig, met soms doornachtige slip-
pen. Bloembladen 4, zittend, ingeplant aan de basis van
eene golvende, epigynische schijf. Meeldraden 4, evenals
de bloembladen ingeplant, met draad-priemvormige helm-
draden ; helmknoppen langwerpig. Eierstok 2-hokkig,
boven den kegelvormigen kelk, in een priem-draadvormi-
gen, blijvenden stijl verdund; stempel knopvormig; in elk
hokje één hangend, lang, aan het tusschenschot vastge-
hecht eitje. Vrucht tolvormig, lederachtig of min of
meer beenhard, in het midden door den gezwollen of
2—4 doorns dragenden kelkzoom omgeven, 1-hokkig, 1-
zadig. Zaad omgekeerd; zaadhuid vliezig, met de kern
vergroeid, en van boven sponsachtig verdikt; zaadlobben
zeer ongelijk, de eene xeer groot, de andere schubvor-
mig; kiemworteltje gekromd.
Drijvende kruiden. Bladeren in 2 vormen, de onderge-
dokene tegenovergesteld, vindeelig, wortelvormig, de
niet ondergedokene tot rosettten vereenigd, gesteeld,
ruitvormig, getand, met opgeblazen , sponsachtigen blad-
steel. Bloemen kortgesteeld, alleenstaand in de blad-
oksels. Vrucht groot, met eetbare kiem, en met een
kiemworteltje, dat bij de kieming den top van de vrucht
doorboort en een zeer klein pluimpje, dat onder de
kleinste zaadlob verborgen is.
-ocr page 621-
561
LVII. SAMYDACEAE.
Aantal soorten 2—3, in Zuid on Midden Europa on tropisch
en subtropisch Azië en Afrika. In Nederlandsen Indië is het geslacht
nog niet aangetroffen, doch er bestaat vermoeden dat Ti: bisi>i-
nosa Roocb.,
met 2 doorns op den top, daar zou kunnen voorkomen.
Door Miquel werd het geslacht tot de HcUorageae gerekend.
Fam. lvii. SAMYDACEAE.
Bentham et Hooker, Gen. Plant. I, p. 704. — Miqukl, Fl. Ind.
Bat.
I, 1, p. 705 en 113. (Hornatineae.) — Sumalra p. 333 en p. 334.
(Homalineae.) — Oi.arke in Hooker, Fl. of Br. Ind. II. p. 590.
Bloemen regelmatig, meestal tweeslachtig. Kelk leder-
achtig, blijvend; buis kort of lang, zelden met den
eierstok vergroeid; lobben 3—7, in den knop dakpans-
wijze dekkend of klepswijze aaneensluitend. Bloembladen
in hetzelfde aantal als de kelklobben, zelden meer,
meestal aan deze gelijk, altijd perigyniscb, in den knop
dakpanswijze dekkend of ontbrekend. Schijf perigynisch
of hypogynisch, nap- of ringvormig of in klieren ver-
deeld. Meeldraden in bepaald of onbepaald aantal, in
1—oo rijen, dikwijls met de staminodiën afwisselend,
evenver uiteenstaand of vereenigd tot bundels, die tegen-
over de bloembladen staan; helmdraden draadvormig
of haardun, vrij of aan de basis of over de geheele lengte
vergroeid ; helmknoppen 2-lobbig of langwerpig; hokjes
naar binnen of naar buiten in de lengte openbarstend.
Eierstok vrij of zelden met de kelkbuis vergroeid, zit-
tend, 1-hokkig, aan den top eindigend in een korten of
langen, gaafrandigen of aan den top 3-spletigen stijl,
zelden met 3 stijlen; stempels klein en knopvormig;
eitjes oo of weinige, aan 3—5 wandstandige zaadlijsten,
niet zelden alleen in de nabijheid van den top van het
hokje, anatroop, hangend of klimmend, met naar boven
gericht poortje en zijdelingsche of buikstandige zaadnerf.
Vrucht doosvruchtachtig, zelden niet openspringend, leder-
achtig of vleezig, 1-hokkig, 1—oc-zadig, aan den top of
over de geheele lengte 3—5-kleppig; kleppen met de
zaadlijsten afwisselend. Zaden meestal in gering aantal,
altijd minder dan de eitjes, langwerpig of kantig, klim-
-ocr page 622-
562                                  LVII. SAMYDACEAB.
mend of hangend, met buikstandigen of eindelingschen
navel, omgeven door eene dunvleezige bekleeding of
door een in onregelmatige slippen gespleten zaadrok;
zaadrok korst- of lederachtig, dikwijls zwart, gestreept
of gerimpeld; kiemwit overvloedig, vleezig; kiem
asstandig, korter dan het kiemwit; zaadlobben langwer-
pig, cirkel- of hartvormig, dikwijls bladaehtig ; kiemwor-
teltje zeer kort of lang en rolrond.
Boomen of heesters, onbehaard, zaehtharig of viltachtig
behaard. Bladeren gesteeld, enkelvoudig, afwisselend en
in 2 rijen, zelden tegenover elkander en in kransen,
niet zelden doorschijnend gestippeld en met fijne streep-
jes, gaafrandig of gezaagd; zaagtanden soms in eene
klier uitloopend. Steunblaadjes klein, meestal afvallend of
ontbrekend, zelden bladachtig. Bloemen klein en weinig
in het oog vallend, vereenigd tot trossen, pluimen of bun-
dels en voorzien van bloemstelen, die aan de basis geleed
zijn en aldaar schutblaadjes dragen.
Aantal soorten omstreeks 450, in de tropische gewesten ver-
spreid , in de subtropische zeldzaam.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Tribus 1. Casearieae. Bladeren afwisselend. Kolk vrij, 4—5-
tallig. Bloembladen ontbrekend. Meeldraden 6—30, in eene enkel-
voudige rij in de kelkbuis ingeplant, meestal afgewisseld door even-
veel in dezelfde rij geplaatste staminodien.
4. Caskawa. Meeldraden 6—45. Stijl enkelvoudig, aan den
top 3-lobbig of 3-spletig of gaafrandig. Bloemen in bundels of
tuilen.
2.    OSMEMA (?) Meeldraden 8 of 10. Stijlen \'2 of 3. Bloemen
in dunne trossen.
Tribus II. Ilomalicae.. Bladeren afwisselend, zelden min of
meer tegenovergesteld of in kransen. Kelk vrij of met den eierstok
vergroeid, 4—15-deelig. Bloembladen 4—15. Meeldraden in hetzelfde
aantal als de bloembladen, tegenover deze geplaatst of, als zij in
grooter aantal zijn, in tegenover deze staande bundels en afwisselend
met klieren, die tegenover de kelkbladen staan.
3.    Homai.ium. Kelkbladen, bloembladen en meeldraden 6—7.
Eierstok min of meer met den kelk vergroeid. Bloemen in pluimen.
1. CASE ARIA Jacij.
Kelkbuis kort of lang ; lobben 4—6, in den knop dak-
panswijze dekkend. Bloembladen ontbrekend. Meeldraden
-ocr page 623-
LVII. SAMYDACEAK.                                 563
6—15, zelden 20—40, in eene enkele rij in de buis
of op de basis van den kelk ingeplant, afwisselend
met evenveel staminodiën; helmdraden vrij of aan de
basis met elkander en met de staminodiën tot een ring
vergroeid; helmbindsels soms aan den top penseelvor-
mig. Eierstok vrij, eivormig of langwerpig, tot een
korten stijl verdund en met één knopvormigen of met
3 stempels; eitjes oo , vastgehecht aan 3—4 wand-
standige zaadlijsten. Doosvrucht min of meer besvormig of
droog, oo -zadig, met 3—4 in het midden de zaden
dragende kleppen. Zaden langwerpig of hoekig, met een
vleezigen zaadrok; kiem recht; zaadlobben langwerpig,
cirkelvormig of plat; kiemworteltje rolrond.
Boomen of heesters. Bladeren 2-rijig, afwisselend,
gaafrandig of gezaagd of doornig getand, lederachtig,
dikwijls met doorschijnende punten of strepen. Steun-
blaadjes zijdelingsch, klein. Bloemen zeer klein, groen
of geel, zelden rosé, in bundels of schermen, zelden
alleenstaand, met geleede bloemstelen, die schutblaad-
jes aan de basis dragen.
Aantal soorten omstreeks 80, waarvan de helft in Amerika, de
overige in Afrika, Azië, Australië. Meer dan een 20-tal soorten
komt in Nederlandsen Indië voor, alle behoorende tot de sectie
Iroucana, die «Ie soorten omvat van het geslacht Iroucana .luW.,
of Vareca Gaertn en gekenmerkt is door 8, zelden 10 meeldraden,
een onverdeelden stijl, eene sappige vrucht en doorschijnend
gestippelde of gestreepte bladeren.
\'2. OSMELIA Thwaites.
Kelkbuis zeer kort; lobben 4—5, in den knop dak-
panswijze dekkend. Bloembladen ontbrekend. Meeldraden
8 of 10, waarvan 5 met evenveel behaarde, 2-lobbige
staminodiën afwisselen, terwijl de 5 overige in de inham-
men der staminodiën zijn ingeplant; helmdraden lang,
nagenoeg gelijk. Eierstok wollig behaard; stijlen 3,
kort, gekromd, met knopvormige stempels; eitjes in
gering aantal, aan 3 wandstandige zaadlijsten vastge-
hecht. Doosvrucht min of meer kogelvormig, eenigs-
zins lederachtig, 3-kleppig. Zaden in gering aantal, min
of meer kogelvormig, met vleezigen, rooden zaadrok ;
zaadhuid vliezig; zaadlobben cirkelvormig, bladachtig;
kiemworteltje kort.
-ocr page 624-
564                                  LVII. SAMYDACEAE.
Boomen. Bladeren afwisselend, gesteeld, eivormig of
langwerpig, lancetvormig, min of meer gezaagd, onge-
stippeld. Steunblaadjes klein, spoedig afvallend. Bloemen
klein, in vertakte, eindelingsche pluimen en met kleine
omwindsels.
Aantal soorten 3, waarvan \'2 op de Philippijnsche eilanden en 1
op Ceylon. Het geslacht is in Nederlandsen [ndië nog niet aange-
troll\'en, doch de verspreiding dei\' soorten doet de mogelijkheid
onderstellen dat er ook eene soort in het gebied onzer Flora gevon-
den zal worden. Eéne soort van het geslacht werd tot Casearia
Jacq. gebracht, eene andere als Stachycrater Turcz. beschreven.
3. HOMALIUM Jaaj.
Kelkbuis tolvormig, met de basis van den eierstok
vergroeid; lobben 6—7, blijvend. Bloembladen 6—7,
op de keel van den kelk ingeplant, hjnvormig-langwor-
pig, blijvend, plat. Meeldruden in hetzelfde aantal als de
bloembladen en tegenover deze geplaatst of meer en in
tegenover de bloembladen geplaatste bundels, welke
afwisselen met klieren, die tegenover de kelkbladen
staan ; helmdraden draadvormig; hehnknoppen klein,
tweelobbig. Eierstok half bovenstandig; stijlen 2—5,
draadvormig, met knopvormige stempels; eitjes talrijk
of in gering aantal, aan 2—5 wandstandige zaadlijsten
vastgehecht. Doosvrucht half bovenstandig, lederachtig,
met 2—5 kleppen aan den top. Zaden in gering aantal,
hoekig of langwerpig; zaadhuid korstachtig, met een
vleezig kiemwit; zaadlobben bladachtig.
Heesters en boomen. Bladeren afwisselend, gesteeld, ei-
of lancetvormig, klierachtig-gekarteld of gezaagd, zelden
gaafrandig. Steunblaadjes klein, zelden ontbrekend. Bloe-
men klein, in vertakte, dunne, okselstandige pluimen.
Omstreeks 30 soorten, in Azië, Afrika, Noord-Anstralië, de
h\'iji eilanden en tropisch Amerika voorkomende. Het geslacht wordt
verdeeld in 2 secties.
1. Blackwellia. Meeldraden in hetzelfde aantal als de bloem-
bladen en tegenover deze geplaatst. Hiertoe behooren U. foetidum
Benth.
en H. tnmentosuni llenth., door Miquel eerst als soorten
van Blackwellia Juss. beschouwd.
-ocr page 625-
565
LVIII. TURNERACEAE.
2. Racoubea. Meeldraden ten getale van 2—7 of in bundels
tegenover de bloembladen. Hiertoe behooren II. Suniatranum
Mi<]., II. obovale Miq.,H. grandiflorum Benth., II. caryophyllaceum
Bent/i.
en //. longiflorum. De laatste, door Blume als eene
soort van diens geslacht CordilantheS beschreven, (Co) il. frulescens
BI.),
werd in MiyUKl.\'s Flora met eenige der andere ook bij het
geslacht Blackwellia gebracht.
Pam. lviii. TURNERACEAE.
Bentham et HOOKER, Gen. Plant. I, p. 800. —ÜRBAN, Monogr. d.
Twneraceen
in Jahrb. d. k. Bol. Gart. z. Berlin 11, (1883) p. 1.
Bloemen regelmatig, tweeslachtig, meestal ongelijkstijlig.
Kelk buisvormig, 5-spletig, spoedig afvallend, meestal
van binnen aan de basis of op de hoogte van de inplanting
der meeldraden met 5 halfeirkelvormige of smal lancet-
vormige eeltpropjes of klieren; lobben in den knop dak-
panswijze dekkend. Bloembladen 5, in de keel van den
kelk ingeplant, genageld, vliezig, in den knop ineenge-
draaid, afvallend, naakt of aan den top van den nagel
met eene in wimpers verdeelde schub. Meeldraden 5,
aan de basis, in het midden of in de keel van den kelk inge-
plant, zelden hypogynisch ; helmdraden vrij, afgeplat
priemvormig; helmknoppen langwerpig of min of meer
vierkant, met naar binnen openbarstende hokjes. Eier-
stok vrij, kogel- of eivormig of verlengd, uit 3 vrucht-
bladen gevormd, 1-hokkig; stijlen 3, eindelingsch, draad-
vormig, enkelvoudig of 2-spletig ; stempels 3—oo-lobbig,
meestal in co slappe draden gespleten, zelden enkelvou-
dig en verbreed of 3—oo-lobbig; eitjes 3—co, in 2
rijen aan 3 tegenover de stijlen geplaatste, wandstandige
zaadlijsten, klimmend en anatroop. Doosvrucht kogel-, ei-
of lijnvormig, 1-hokkig, oo -zadig, aan den top of over
de geheele lengte openspringend met 3 kleppen, die in het
midden de zaadlijsten dragen. Zaden langwerpig-cilin-
drisch, recht of gekromd; zaadrok vliezig ; zaadhuid min
of meer korstachtig, met ondiepe kuiltjes; kiemwit over-
vloedig; kiem groot, recht tot gekromd, asstandig, ortho-
troop ; zaadlobben plat-bol; kiemworteltje rolrond.
-ocr page 626-
566
I/VIII. TURNERACEAE.
Kruiden of heesters, zelden hoornen, onbehaard of zacht-
harig; haren enkelvoudig, niet brandend. Bladeren
afwisselend, gesteeld, enkelvoudig of vinspletig, meestal
gezaagd, dikwijls met 2 klieren aan de basis. Steun-
blaadjes klein of ontbrekend. Bloemen okselstandig,
alleenstaand of in gering aantal, zittend of gesteeld,
zelden in trossen ; bloemstelen vrij of met den bladsteel
vergroeid, niet zelden geleed, dikwijls met blaadjes aan
de basis.
Aantal soorten 83, de meeste in Amerika, voornamelijk in
tropisch Amerika voorkomende, eenige weinige in Afrika. In Zuid
Azië en de Afrikaansche eilanden is ééne soort met \'2 variëteiten
ingevoerd en verwilderd en deze vindt men ook in Nederlandsch
Indië.
EENIG GESLACHT IN NEDERLANDSCH INDIË.
Tl\'RXERa. liloemen opgericht, alleenstaand of in hoofdjes, zel-
den in beschermen. Bloemstelen dikwijls met den bladsteel ver-
groeid. Kelk gedeeltelijk vergroeid, lü-nervig. Eeltpropjes bij de
inplanting der meeldraden weinig ontwikkeld of ontbrekend. Zaad-
rok éénzijdig, gaafrandig, gelobd of gescheurd.
TURNBEA. L.
Kelk tot verschillende hoogten vergroeid tot eene half-
bolvormige, trechtervormige of meestal klokvormige of
cilindervormige, 10-nervige buis, die van binnen aan de
inplanting naakt is of half cirkelvormige eeltpropjes ver-
toont , zonder bijkroon in de keel. Bloembladen in de
keel van den kelk ingeplant, van onderen wigvormig,
zeer kort of niet genageld, naakt, soms van binnen boven
de basis gekield. Meeldraden 5; helmdraden nu eens
met de kelkbuis aan de basis of hooger over de volle
breedte vergroeid, dan weder hooger of bijna tot aan de
keel met de randen vergroeid aan de tusschen de kelk-
lobben eindigende nerven ; helmknoppen van verschillenden
vorm. Eierstok zittend; stijlen 3, aan den top in lange
draden gespleten of door deeling van deze veeldeelig,
zelden onduidelijk 3-lobbig. Vrucht kort, kogelvormig tot
eivormig, van den top af tot bijna aan de basis open-
barstend, aan de rugzijde glad of ingedrukt netvormig
of geknobbeld. Zaden kogelvormig of omgekeerd eivor-
mig of langwerpig, in vele rijen, recht of gekromd, meer
of minder duidelijk netvormig gestreept, met 1 of zonder
-ocr page 627-
567
UX. PA88IFLORACEAE.
porie in de mazen, naar den navel versmald, met een
éénzijdigen zaadrok, die een weinig langer of de helft
korter is dan het zaad, en een gekartelden of gescheurden
rand heeft.
Eenjarige of overblijvende kruiden, of grootere of
kleinere heesters of boomen, met enkelvoudige, zelden
stervormige haren. Steunblaadjes al of niet ontwikkeld.
Bladeren zittend of gesteeld, van verschillenden vorm,
zelden vinspletig of -deelig, met klieren in de inhammen
tusschen de karteltanden of aan de rugzijde, dicht bij de
insnijding of meestal aan de basis of aan den bladsteel.
Bloemen okselstandig, alleenstaand, dikwijls aan de toppen
van verkorte takken tot hoofdjes vereenigd, zelden in
bijschermen in de bladoksels of in zijdelingsche hoofdjes.
Bloem stengels vrij of met de bladstelen vergroeid. Schut*
blaadjes altijd ontwikkeld; bloemstelen meestal ontbre-
kend. Bloembladen geel, zelden karmijnrood, paarsch of
wit, soms aan de basis zwartpurper.
Aantal soorten 54, in Amerika van Mexico tot aan de Argen-
tijnsche Republiek verspreid. Eéne soort, T. ulmifolia L., komt
op de Mascarenische eilanden en in tropisch Azië gekweekt en ver-
wilderd voor. In Nederlandsen Indië vindt men haar in \'2 verschei-
denheden, var. elegans Urban, met licht gele. aan de basis zwart
purperkleurige bloembladen en var. ang u.it ifol ia Urban, met gele,
éénkleurige bloembladen.
Fam. lix. PASSIFLORACEAE.
Bentham et Hooker, Gen. Plant. I, p. 807. — MlQUEL, Fl. Ind.
Vat.
I, 1, p. 098 en p. 1093. — Smnalra, p. 333. — Ci.arkk in
Hooker, Fl. of Br. Ind. II, p. 508. — Sciiumann in Kngler\'s Bot.
Jahrb.
IX, 1888, p. 212. — Solms-Lauhach in Bot. Zeil. 1889, p. 709.
Bloemen twee- of éénslachtig, regelmatig. Kelkbuis
kort of lang, leder- of kruidachtig, blijvend; lobben
3—oo, in den knop klepswijze aaneensluitend of dak-
panswijze dekkend. Bloembladen ontbrekend of in het
zelfde aantal als de kelklobben, in de keel, in de buis of
op den bodem van den kelk ingeplant, vrij of tot eene
klokvormige bloemkroon vergroeid, vliezig, lederachtig,
of vleezig, samengevouwen klepswijze aaneensluitend of
-ocr page 628-
568                              LIX. PASSITTORACEAE.
dakpanswijze dekkend in den knop, dikwijls na den bloei
aan de bloem verwelkend. Bijkroon in de keel of op
den bodem van den kelk ingeplant, enkel of dubbel,
buisvormig of in opgerichte of straalswijze uitgespreide
vezels of draden gespleten, zelden ontbrekend. Schijf
urn- of ringvormig, of in klieren of in staminodiën
verdeeld, zelden ontbrekend. Meeldraden 3—5 of zelden
oo, in weinige gevallen oo -zijdig, perigynisch of met de
bloembladen in de keel van den kelk ingeplant of hypo-
gynisch en soms met den stamperdrager vergroeid, zelden
op de kelkbuis ingeplant; helmdraden priem- of draad-
vormig, vrij of éénbroederig ; helmknoppen 2-lobbig of
langwerpig, aan de basis vastgehecht of bewegelijk, met
naar binnen openspringende hokjes. Eierstok bovenstan-
dig, vrij, 1-hokkig ; stijl (bij ïlollrungia ontbrekend) enkel-
voudig of 3—5 vrije stijlen; stempels knop- of knods-
vormig of breed, soms oo -spletig; eitjes oo , zelden
weinig of in onbepaald aantal, in 1 — oo rijen aan 3—5,
wandstandige zaadlijsten vastgehecht, hangend, met naar
boven gericht poortje en buikstandige zaadnerf; zaad-
streng dikwijls lang, aan den top dikwijls tot een nap-
vormigen zaadrok uitgespreid. Vrucht besvormig of eene
doosvrucht, al of niet openspringend, oo -zadig en met
kleppen, die afwisselen met de zaadlijsten. Zaden meestal
eivormig, samengedrukt, zelden langwerpig of gezwollen,
door een vleezigen zaadrok of door vruchtmoes omgeven ;
zaadhuid leder- of korstachtig, met getraliede lijsten of
ondiepe groeven; kiem wit vleezig, weinig of overvloedig;
kiem groot, dikwijls met bladachtige zaadlobben en een
rolrond kiemworteltje.
Heesters, boomen of kruiden, met een waterachtig
vocht en van zeer uiteenloopenden vorm, opgericht, klimmend
of windend, met rolronde of kantige twijgen. Bladeren
afwisselend of zelden tegenovergesteld, gesteeld, enkel-
voudig en gelobd of handvormig 3—7-tallig, zelden gevind
of dubbel samengesteld, nabij de basis niet zelden van
onderen met eene klier en dikwijls met eene klier aan
den bladstcel. Steunblaadjes ontbrekend of ten getale
van twee, afvallend of blijvend. Ranken, waar zij voor-
komen, in de oksels van onvruchtbare of aan de toppen
yan bloemdragende bloemstengels. Bloemen meestal
-ocr page 629-
5C9
LIX. PASSIFLORACEAE.
groot en in het oog vallend, alleenstaand of in trossen of in
tot pluimen verbonden bijschermen ; bloemstelen dik-
wijls onder de bloem geleed en aldaar met 3 schut-
blaadjes.
Aantal soorten 250, alle tropisch of tenminste in de warmere
gewesten, grootendeels in Zuid Amerika voorkomende. Sommige
geslachten worden overal tnsschen de keerkringen gekweekt.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Tribus I. I\'assitloi\'4-ao. Bloemen tweeslachtig, met eene
meestal sterk ontwikkelde, enkele of dubbele bijkroon. Bloembladen
meestal kruid- of lederachtig. Meeldraden op een stamperdrager in-
geplant. Helmbindsel niet voorbij de helmhokjes verlengd.
f Stijlen 3, (zelden 4—5), vrij of aan de basis vergroeid of \\
eindelingsche stijl. Eierstok volrond of regelmatig 3-ztjdig, niet
gevoord.
i. Passifi.ora. Bijkroon enkel of dubbel. Stamperdrager lang.
Windende en klimmende kruiden of heesters, meestal met zijde-
lingsche, onverdeelde ranken.
2.   Paropsia. Bijkroon enkel. Stamperdrager kort. Opgerichte
heesters.
-J--J- Zittende, onregelmatig gelobde stempel. Eierstok onregel-
inatig 3-zijdig, met langsvoren op de zijvlakken.
3.   HOLLRDNOIA. Bijkroon dubbel. Stamperdrager kort. Klim-
mende heesters.
Tribus II. Modecceae. Bloemen éénslachtig (bij het eenige
Indische geslacht). Bloembekleedselen der mannelijke en vrouwelijke
bloemen gelijk. Bijkroon klein of ontbrekend. Bloembladen meestal
binnen de kelkbuis besloten. Meeldraden op de kelkbuis ingeplant.
Helmbindsel voorbij de helmhokjes verlengd. Stijl kort, 3-spletig of
ontbrekend.
4.   Modecca. Bijkroon ontbrekend of uit een in den kelk ver-
borgen dradenkrans bestaande. Klieren der schijf T>. Klimmende
of windende, rankend ragende heesters.
Tribus III. I\'apayoae. Bloemen éénslachtig of eenige twee-
slachtige tusschen de éénslachtige. Bloembekleedselen der mannelijke
en vrouwelijke, bloem ongelijk. Bijkroon ontbrekend. Bloembekleedse-
len der mannelijke bloem vergroeid, der vrouwelijke vrij. Meeldraden
in de buis der bloemkroon ingeplant. Helmbindsel dikwijls een weinig
voorbij de helmhokjes verlengd. Stijl kort of ontbrekend.
5.   Carica. Kleine boomen of boomachtige kruiden, met een
melkachtig sap en met enkelvoudige, handlobbige of -ileelige
bladeren.
36
-ocr page 630-
570                              LIX. PASSIFLORACEAE.
i. PASSIFLORA L.
Bloemen tweeslachtig, zeer zelden éénslachtig. Kelk-
buis kort, urnvormig; lobben 4—5, lijnvormig-langwer-
pig of lijnvormig, van binnen meestal gekleurd, aan de
rugzijde onder den top niet zelden met een hoornachtig
uitsteeksel. Bloembladen 4—5 of ontbrekend, min of
meer gelijk aan de kelklobben, maar meer gekleurd.
Bij kroon enkel of dubbel, de buitenste uit oc 1—2-rijige
draden of eene vliezige buis bestaande, de binnenste buis-
vormig of ontbrekend. Stamperdrager \') lang, aan de
basis door eene dikke, ondiepe, napvormige schijf omge-
ven. Meeldraden 4—5; helmdraden met den stamper-
drager vergroeid en met vrijen top ; helmknoppen lijn-
vormig-langwerpig, bewegelijk. Eierstok langwerpig of
min of meer kogelvormig, gesteeld; stijlen 3, onge-
veer aan den top van den stamperdrager staande, cilindrisch
of knodsvonnig, met knodsvormige stempels; eitjes zeer tal-
rijk, zelden in gering aantal, aan 3 wandstandigezaadlijsten
vastgehecht. Bes ei- of kogelvormig, droog of sappig, soms
3-kleppig, veelzadig. Zaden eivormig, samengedrukt, met
een zaadrok; zaadhuid meestal met kleine groef jes;
kiemwit vleezig; zaadlobben bladachtig.
Kruiden of heesters, windend of klimmend, zelden
opgericht, met okselstandige en onverdeelde ranken,
zelden zonder ranken. Bladeren afwisselend, zelden tegen-
overgesteld, gaafrandig, gelobd of gedeeld, meestal met
klieren aan de onderzijde en aan den bladsteel. Steunblaad-
jes klein en draadachtig of grooter en bladachtig, zelden
ontbrekend. Bloemen vrij groot, niet zelden sterk in het
oog vallend, helder gekleurd, dikwijls rood, paarsch,
blauw of wit, alleenstaand of in trossen in de blad-
oksels , aan geleede, dikwijls 3 schutblaadjes dragende
bloemstelen. Vrucht bij eenige weinige soorten eetbaar.
\') Het door Bentham en Hookeh gebruikte woord Gynophorus,
door mij vertaald met stamperdrager, drukt eigentlijk niet volko-
men de beteekenis van het orgaan uit, daar liet zoowel meeldraden
als stampers draagt. .luister is de door ElCHLER (Blüthen Diagramme
11, p. 444) gebruikte term Gyiiundrophorus, waarvan de woordelijke
vertaling stnm)>er- en nteeldiadendrager mij echter wegens de lengte
minder verkieselijk scheen.
-ocr page 631-
LIX. PAS8IFL0RACEAE.                               571
Aantal soorten omstreeks 120, de meeste in Amerika, eenige
weinige in Australië en Azië. In Nederlandse!» Indië komt een
7-tal soorten voor, door MlQUEL tot het geslacht Disemma Labill.
gebracht, dat door BENTHAM en H.O0KER met Passiflora vereenigd
is. BENTHAM en HOOKER noemen de ranken zijdelingsch ; dit is
onjuist. De ranken zijn de toppen van in de bladoksels optredende,
weinig ontwikkelde loten. Bij de bloeiende takken vindt men de
bloemknoppen aan de bases van deze loten. Wanneer de bladeren
der bloeiende takken rudimentair worden, verandert de bloeiwijzè
in een tros. Hier wordt door de ontwikkeling der bloemen soms
de rank rudimentair. In het geval dat alle takken in de oksels
bloemen dragen, ontwikkelen zich de bladloten uit zoogenaamde
bijknoppen, die boven den rank in de bladoksels te voorschijn
treden.
2. PAROPSIA Noronh.
Bloemen tweeslachtig. Kelkbuis zeer kort; lobben 5,
langwerpig of lijn-spatelvormig. Bijkroon gespleten in 5
tegenover de bloembladen geplaatste bundels van lijn- of
haarvormige draden. Meeldraden 5; helmdraden aan de
basis met den stamperdrager vergroeid: helmknoppen
hartvormig. Eierstok kort gesteeld, eivormig; stijl einde-
lingsch, 3-spletig aan den top, of \'6 vrije stijlen, met
knopvormige stempels ; eitjes oo, aan 3 zaadhjsten vast-
gehecht. Doosvrucht min of meer bolvormig of 3-zijdig,
opgeblazen, viltachtig behaard, 3-kleppig, cc -zadig. Zaden
eivormig, samengedrukt, met eene lange zaadstreng en
een napvormigen zaadrok; zaadhuid korstachtig, met kleine
groefjes; kiemwit vleezig; kiem in de as van het
zaad ; zaadlobben bladachtig.
Heesters of boomen. Bladeren afwisselend, omgekeerd
eivormig-langwerpig, gezaagd. Steunblaadjes ontbrekend.
Bloemen geel, gesteeld, in dichte, okselstandige bij-
schermen of in trossen of bundels aan bladerlooze takken.
Vruchten eetbaar.
Aantal soorten 4 of 5, in tropisch Afrika en Zuid Azië. Door
Bentham en Hooker wordt, doch waarschijnlijk ten onrechte,
vermeld, dat zij in den Maleisehen Archipel zijn waargenomen. Er
komen echter 2 soorten op Malakka voor, nl. Par. Malayana Ptancli.
en Par. vareciformis Mast. De laatste vormde Griffith\'s ge-
slacht Trichodia, (TV. vareciformis GW//\'.).
3. HOLLRUNGHA Schumann.
Bloemen tweeslachtig, klein. Kelkbuis kort, eivormig ;
kelklobben 5, zonder hoorn aan de achterzijde. Bloem-
-ocr page 632-
572
LIX. PASSIPLORACEAK.
bladen 5, lancetvormig, van dezelfde kleur als de kelk-
bladen. BijkroOD dubbel, de buitenste uit cc draden
gevormd, de binnenste kort en gewimperd. Stamperdrager
kort, draadvormig, met 5\' ribben aan de basis. Meel-
draden 5, op den stamperdrager ingeplant, met eivormig-
langwerpige, stompe, bewegelijke helmknoppen ; helmbind-
sels niet verlengd. Eierstok gesteeld, onregelmatig
driezijdig, in doorsnede een gelijkbeenigen driehoek
vormende, met 2 langsvoren op het korte en 3 op de
lange zijvlakken; stempel enkelvoudig, zittend, min of
meer schijfvormig, onregelmatig gelobd; eitjes talrijk,
anatroop, bevestigd aan wandstandige zaadlijsten. Vrucht
onbekend.
Klimmende heesters, met rolronde, onbehaarde ge-
streepte, aschgele twijgen en afwisselende, langwerpige,
gaafrandige. aan de basis stompe, onbehaarde, meestal
5-nervige, groote bladeren en vrij dikke, bochtige blad-
stelen. Bloemen in weinig vertakte, weinigbloemige,
okselstandige bijschermen.
Eéne soort, door Hoi.i.RUNG in de Duitsche Bezittingen op Nieuw
Gninea ontdekt en door Sciilmann in Knuler\'s Hol. Jahrb. IX,
4888, i). \'212 beschreven onder den naam van H. auranlioides Sclium.
4. MODBOCA Lam.
Bloemen éénslachtig. Mannelijke bloemen: Kelkbuis
klok-, tol- of buisvormig of opgezwollen ; lobben 4—5,
kort of lang. Bloembladen 4—5, in de keel of op den
bodem van de kelkbuis ingeplant en daarbinnen beslo-
ten, klein, soms in wimpers verdeeld. Bijkroon ontbre-
kend of in de gedaante van een uit draden of vezels
bestaanden ring. Meeldraden 4—5, onder in de kelkbuis
ingeplant, tegenover evenveel schubben of klieren, met
korte of lange, vrije of van onderen vergroeide helm-
draden ; helmknoppen aan de basis vastgehecht, lang-
werpig of lijnvormig, dikwijls met een stekelpuntje aan
het helmbindsel. Kleine, rudimentaire eierstok. Vrouwe-
lijke bloemen:
Kelk als bij de mannelijke. Bloembladen
kleiner dan bij deze. Staminodiën 4—5. Eierstok gesteeld
of nagenoeg zittend, eivormig, rolrond of 4-zijdig; stijl
ontbrekend of 3-spletig, met niervormige, knopvormige
of verbreede stempels; eitjes co, aan 3 zaadlijsten
-ocr page 633-
573
LIX. PA88IFLORACEAE.
vastgehecht. Doosvrucht gesteeld, opgeblazen, leder- of
papierachtig of vleezig; zaadhuid korstachtig, met groef-
jes ; kiemwit vleezig; zaadlobben bladachtig.
Onbehaarde, dikwijls blauwgroene, klimmende ofwin-
dende kruiden of heesters. Bladeren afwisselend, gaaf-
randig, handlobbig of vinspletig, met 2 klieren op den
top van den bladsteel. Steunblaadjes ontbrekend of ondui-
delijk waar te nemen. Zijdelingsche, onverdeelde, spiraals-
wijs gewonden of gewrongen ranken. Bloemen meestal
klein, wit, geel of groen, aan okselstandige, dikwijls
in ranken verlengde bloemstengels. Doosvrucht zeer groot.
Aantal soorten omstreeks 25, in tropisch Azië, Afrika en Australië.
Ongeveer een 10-tal komt in Nederlandsen Indië voor.
5. CARICA L.
Bloemen óénslachtig, gewoonlijk 2-huizig, zelden twee-
slachtig. Mannelijke bloemen : Kelk zeer klein, 5-lobbig.
Bloemkroon trompetvormig, met lange, dunne buis; lob-
ben langwerpig of lijnvormig, in den knop klepswijze
aaneensluitend of gedraaid. Meeldraden 10, in de keel
van de bloemkroon ingeplant, waarvan de 5 buitenste met de
lobben der bloemkroon afwisselen en korte meeldraden heb-
ben , terwijl de 5 binnenste, tegenover de lobben der bloem-
kroon geplaatsten zittend zijn. Rudimentaire eierstok priem-
vormig. Vrouwelijke bloemen: Kelk als bij de mannelijke.
Bloembladen 5, lijnvormig-langwerpig, opgericht, afvallend.
Staminodiën ontbrekend. Eierstok vrij, zittend, 1-hokkig
of door valsche tusschenschotten 5-hokkig ; stijl ontbre-
kend of zeer kort, met 5 verbreede of lijnvormige, enkel-
voudige of gelobde stempels ; eitjes oo, zelden in gering
aantal, in 2—oo rijen aan 5 wandstandige zaadlijsten
vastgehecht. Vleezige, een dun moes bevattende, niet
openspringende besvrucht. Zaden oo, eivormig, min of
meer samengedrukt, aan den zaadrok vastgehecht, met
eene leder- of korstachtige, gladde, gerimpelde of geste-
kelde zaadhuid; kiemwit vleezig ; kiem in de as van
het zaad; zaadlobben langwerpig, plat; kiemworteltje
rolrond.
Boomen met een meestal enkelvoudigen, dik sponsach-
tigen, en min of meer kruidachtigen, aan den top bebla-
derden stam en met een melkachtig sap. Bladeren afwisse-
-ocr page 634-
574
LX. CCCURBITACEAE.
lend, groot, slap , ver uitstaand, langgesteeld, min of meer
schildvormig handlobbig, soms handvormig samengesteld
met 7—9 blaadjes, zelden langwerpig. Steunblaadjes
ontbrekend. Bloemen wit, geel of groen, aan okselstan-
dige, hangende, langgesteelde op trossen gelijkende plui-
men, zonder sehutblaadjes. Besvrucht groot of klein.
Aantal soorten omstreeks 20, in tropisch Amerika tehuis behoo-
rend. In Nederlandsch Indië komt ééne soort, C. Papaija L., alge-
meen gekweekt voor, welke volgens Soi.MS beschouwd moet worden
als een bastaardproduct van verschillende oorspronkelijke soorten
uit het zuiden van Mexico. Soi.ms vond de zeldzame tweeslachtige
bloemen op de mannelijke planten. Volgens hem is hier de bloem-
>kroonhuis zeer kort, is de binnenste meeldiadenkrans afwezig en vindt
men den eierstok nu eens meer dan minder ontwikkeld. Soms ontbreken
de meeldraden geheel en zijn de bloemen zuiver vrouwelijk ge-
worden. De vruchten van deze hebben 5 diepe voren; zij worden
wel rijp. doch zijn van slechten smaak.
Fam. lx. CUCURBITACEAE.
Bentham et Hookek, Gen. Plant. I, p. 8-16. — Cogniaux in
Mon. Phaneroij. III, p. 325, —- MlQUEL, Fl. Ind. Bat. 1,1, p. 652
en p. 690. — I, 1, p. 682. (Nhandimbeae.) — 1, 2, p. 687 (Gyno-
slemma.)
— Sumatra. p. 331. — Ci.arke in Hooker, Fl. of Bi: Ind.
II, p. 604.
Bloemen één- of tweehuizig, zelden tweeslachtig, meestal
regelmatig. Mannelijke bloemen : Kelkbuis klok- of buis-
vormig; zoom 5-tandig of -lobbig, zelden 3-, 4- of 6-
lobbig; lobben in den knop dakpanswijze dekkend of
openstaand. Bloemkroon moestal uit vergroeide bloem-
bladen bestaande, klok- of radvormig, zelden buisvormig,
5-lobbig, zelden 3-, 4- of 6-lobbig, zelden min of meer
onregelmatig, met gaafrandige of in draden verdeelde
lobben, in den knop dakpanswijze dekkend of naar
binnengevouwen klepswijze aaneensluitend, op den kelk-
zoom ingeplant en met de lobben van deze af\\visse-
lend, soms vrij en zelden genageld, doch meestalsamen-
hangend en dan met den kelk vergroeid en schijnbaar
met den kelkzoom een geheel vormend. Meeldraden inge-
plant aan den rand of de basis van de bloembekleedselen,
-ocr page 635-
575
LX. CUCURBITACEAE.
vrij of op verschillende wijzen éénbroederig, meestal
ten getale van 3 (zelden 5, zeer zelden 1, 2 of 4), waar
van 1 éénhokkig en de overige tweehokkig ; helmdraden
meestal kort en dik, vrij of tot eene buis of zuil
vergroeid; helmknoppen met den helmdraad vergroeid,
vrij, samenhangend of tot een hoofdje ineengevloeid,
1—2-hokkig, zelden 4-hokkig, met gekromde, bochtige,
dubbelgevouwen of rechte helmhokjes, die naar buiten
openspringen; helmbindsels soms aan den top met een
aanhangsel; stuifmeel kogel- of ellipsoidvormig, glad of
fijngestekeld, meestal gevoord. Rudimentaire eierstok
klier- of borstelvormig, soms ontbrekend of 3-tallig.
Vrouwelijke bloemen : Kelkbuis met den eierstok vergroeid,
dikwijls boven dezen verlengd; kelkzoom meestal als bij
de mannelijke bloemen. Bloemkroon gewoonlijk ook als
bij de mannelijke bloemen. Staminodiën ontbrekend of 3
(zelden 2 of 5), meestal tong- of lintvormig, zelden een
helmknop dragend. Eierstok onderstandig of bij eenige
weinige geslachten alleen aan den top vrij, meestal uit
3 vruchtbladen bestaande, 3-hokkig, zelden 1—2- of
schijnbaar 4—6-hokkig ; zaadlijsten wandstandig, vleezig,
meestal in de as van den eierstok ineenvloeiend ; stijl einde-
lingsch, enkelvoudig of aan den top gedeeld, zelden 3 uiteen-
staande stijlen; stempels dik, in plaatjes, lobben of draden
verdeeld; eitjes, waar de eierstok uit 1 vruchtblad bestaat, ten
getale van 1 — 2 aan den top of de basis van het hokje
vastgehecht, waar de eierstok uit meerdere vruchtbladen
bestaat, meestal aan de kanten der zaadlijsten dicht bij
de wanden ingeplant, horizontaal, hangend of klimmend,
zelden opgericht van af de basis van het hokje, anatroop,
meestal in een vruchtmoes liggend. Vrucht meestal eene
vleezige of door eene dikke schil omgeven, niet of zelden
met kleppen of een dekseltje openspringende, en, doordat de
schotten en zaadlijsten in het vruchtmoes oplossen, meestal
éénhokkige, zelden van binnen vezelige besvrucht. Zaden
meestal talrijk, gewoonlijk plat, horizontaal, opgericht of
hangend ; zaadhuid vliezig of korstachtig, soms met eene
doorschijnende buitenlaag, gekorreld of met wratjes of
glad, met getande of gelobde randen; binnenlaag vliezig,
kurk- of sponsachtig; kiemwit ontbrekend; kiem van
den zelfden vorm als het zaad; zaadlobben bladachtig,
-ocr page 636-
576
LX. CUCUR BITACE AE.
samengedrukt of plat-bol; kiemworteltje kort, dicht bij
den navel of verder van het midden verwijderd. Kieming
boven, zelden onder den grond.
Kruiden of zelden half heesters, met een waterachtig
vocht, onbehaard, ruw of zachtharig, éénjarig of over-
blijvend, zeer zelden heesters; stengels klimmend of
nederliggend. Bladeren afwisselend, gesteeld, enkelvoudig
of handlobbig of hand- of voetdeelig, meestal hartvormig
en vliezig. Ranken, waar zij voorkomen, zijdelingsch
muist de bladstelen, enkelvoudig of 2—ac-spletig, spi-
raalswijze gewrongen. Bloemen meestal in pluimen, zelden
in trossen of schermen, niet zelden alleenstaand, wit of
geel, zelden groen of rood.
Aantal soorten 600, voornamelijk in de warmere gewesten, in
de gematigde streken zeldzaam. Hij de behandeling der Cucurbita-
ceiw
is geheel de volledige iiionographie \\ai> COGNIAUJ in l)i; C\'\\N-
DOLLE\'s Montwjr. Phaner. III, p. 325 gevolgd. Voor het vinden der
soorten, wanneer de geslachten eenmaal bekend zijn, zal men
daardoor in deze familie bij het gebrnik van de Flora van Miquki.
zeer groote moeilijkheden ondervinden, daar de geslachten, zooals
zij zijn samengesteld bij Miquei., volgens de opvatting van Cog-
niaiix dikwjls iiit zeer heterogene bestanddeelen bestaan en soms
dezelfde somt drie :i vier maal in verschillende geslachten voorkomt.
Dien tengevolge wordt het aantal der bij MlQl\'El. vermelde soorten door
Cognial\'x bijna tot de helft gereduceerd. Ook vinden wij in de
monographie van Cogmalx nog een groot aantal soorten, die in
den tijd van IflQUEL onbekend waren. Met het oog op deze moei-
lijkheden volgt aan het eind der familie eene lijst van de soorten
van Nederlandseh Indië, evenals bij eenige andere in den laatsten
tijd inonographisch bewerkte familiën,
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Series I. PLAGIOSPERMEAE. Eitjes horizontaal.
Tribus I. Cncnmerineno. Meeldraden 3. zelden 2 of 5, vrij
of op verschillende wijzen vergroeid. Helinhokjes recht, gekromd of
bochtig. Eierstok 3, zelden 2 of 5 zaadlijstcn dragend.
A. Helmhokjes bochtig of dabbelgevouwen.
1. liloemkroon rad- of blokvormig, tot aan de basis h-deelig of uit
vrije bloembladen bestaande. Helmknoppen samenhangend of vrij.
Rudimentaire stampers
1—3 of ontbrekend.
1. Bloembladen met op ranken of franjes gelijkende aanhangsels.
I. Hoimisonia. Kelkbuis lang en dun, met schotelvormigen,
r>-zijdigen zoom. Helmknoppen tot een hoofdje vergroeid, met
lijnvormige, dubbelgevouwen hokjes. Zaden G of 12, in het laatste
geval paarswijze vergroeid, waarbij het eene klein en onvolko-
men, het andere groot en goed ontwikkeld is.
-ocr page 637-
LX. CÜCUKBITACEAE.                                577
2.   Trichosanthes. Kelkbuis lang en rilindriseh. onder den
zoom meestal klokvormig verwijd, met 5 korte of lange tanden.
Zaden zeer talrijk en klein.
2. Bloembladen gaafrandig.
a.   Kelkbuis der mannelijke bloem lang. Helmdraden vrij. Helm-
knoppen meestal samenhangend lol een langwerpig hoofdje,
dat binnen den kelk is besloten.
3.   Gymnoim\'.tai.lm. Bloemen één- of tweehuizig, de mannelijke
soms in trossen. Kelkbuis iler mannelijke en vrouwelijke bloe-
men lang buisvormig, naai1 boven verwijd, met 5 priemvormige
tanden. Üloemkioon radvormig, diep 5-deelig. 1\'riem" of borstel-
vormige rudimentaire stampers ten getale van 1—3 in de manne-
lijke bloemen. Vruchten klein. Ranken enkelvoudig.
4.   LaOENARIA. Bloemen éénhuizig, alle alleenstaand. Kelkbuis
der mannelijke bloemen smal klokvormig of trechtervormig met
smalle, kleine, ver uiteenstaande lobben; die der vrouwelijke
bloemen napvormig. Bloembladen vrij, uitgespreid. Eén klier-
vormige, rudimentaire stamper in de mannelijke bloemen. Vrnch-
ten groot. Ranken 2-spletig.
b.   Kelkbuis der mannelijke bloemen kort. llclnidradcn en helm-
knoppen vrij, meestal boven de bloem uitstekend.
-j- Mee/draden in de keel van den kelk ingeplant.
5.   ThLADIANTHA. Bloemen tweehuizig. Kelkbuis der mannelijke
bloemen op den bodem door ééne horizontale schub afgesloten,
welke bij de vrouwelijke bloemen ontbreekt.
6.   Mümoriiica. Bloemen één- of tweehuizig. Kelkbuis derman-
nelijke bloemen, even als die der vrouwelijke bloemen op den
bodem door 2—3 langwerpige, gekromde schubben afgesloten.
•J-J- Meeldraden in de kelkbuis ingeplant.
§ Mannelijke bloemen in trossen. Vrucht vezelig, met een dekseltje
openspringend.
7.  Liffa. Bloemen éénhuizig. Ilelmbindsel voorbij de helm-
hokjes niet verlengd. Stuifmeel glad. Rudimentaire stamper ont-
brekend of kliervormig. Ranken 2—oc -spletig.
§ § Mannelijke bloemen alleenstaand of in bundels. Vrucht noch
vezelig, noch met een dekseltje openspringend.
u. Kelklobben piiemvormig, gaafrandig, opgericht.
8.    Bryonopsis. Bloemen éénhuizig. Ilelmbindsel voorbij de
helmhokjes niet verlengd. Stuifmeel fijngestekeld. Rudimentaire
stamper ontbrekend. Ranken 2-spletig.
9.   Cucumis. Bloemen één-, zelden tweehuizig. Ilelmbindsel
voorbij de helmhokjes verlengd. Stuifmeel glad. Rudimentaire
stamper kliervormig. Ranken enkelvoudig.
10.    ClTRULLUS. Bloemen éénhuizig. Ilelmbindsel voorbij de
helmhokjes niet verlengd. Stuifmeel glad. Rudimentaire stamper
kliervormig. Ranken 2—3-spletig.
-ocr page 638-
578
LX. CUCURBITACEAE.
(3. Kelklobben bktdachtig, gezaagd, teruggeslagen.
11.   BENINCASA. Bloemen éénhuizig. Helmbindsel voorbij de helm-
bokjes niet verlengt). Stuifmeel gestekeld. Rudimentaire stam-
per kliervormig. Ranken 2—3-spletig.
II. Bloem kroon klokrormig. lol het midden of een weinig daaronder
b-lobbig. Ilelmknojipeu samenhangend. Rudimentaire stampers
ontbrekend.
12.    Coccinia. Bloemen tweehnizig, zelden éénhuizig. Helm-
draden vergroeid. Stuifmeel glad. Stempel 1, 3-lobbig. Kanken
enkelvoudig, zelden 2-spletig.
13.   CüCURBITA. Bloemen éénbuizig. Helmdraden vrij. Stuif-
meel gestekeld. Stem|iels 2—5, 2-lobbig. Ranken 2—cc -spletig.
B. Helmhokjes recht of gekromd, niel bochtig.
14.   MelothRIA. liloemen één-, zelden tweeliuizig. Helmdraden
vrij, in de kelkbuis ingeplant. Kogel- of ringvormige, zelden
3-lobbige rudimentaire stamper. Stijl door eene ring- of napvor-
mige schijf omgeven. Staininodiën 3. Ranken enkelvoudig,
zelden 2-spletig.
15.    MuEM.EltAlUilA. liloemen éénhuizig. Helmknoppen zittend,
in het midden van de kelkbuis. Rudimentaire stamper outbre-
kend. Stijl niet door eene schijf omgeven. Staininodiën ontbre-
kend. Ranken enkelvoudig.
16.     Cerasiocakpum. Bloemen éénhuizig. Helmdraden zeer
kort, vrij, in de keel van den kelk ingeplant. Rudimentaire
stamper ontbrekend. Stijl niet door eene schijf omgeven. Stami-
nodiën ontbrekend. Ranken enkelvoudig.
Series 11. ORTHOSPERMEAE. Eitjes opgericht of klimmend, zelden
horizontaal.
Tribus II. <« ynostt\'llllllf\'jie. Mccldradeu 3—5 ; helmdraden
vrij of vergroeid. Eierstok 3-hokkig ; eit jes 1—2 in elk hokje, hangend.
17.   Gvnosi\'emma. Bloemen t\\vee- of éénhuizig. Meeldraden 5,
met korte helmdraden, op den bodem van den kelk ingeplant.
Helrnhokjes recht. Geen rudimentaire stamper en geen staininodiën.
Ranken 2-spletig, zelden enkelvoudig.
Tribus III. JZimonione. Meeldraden 5, met vrije helmdraden.
Eierstok 3-hokkig of door het verdwijnen der tusschenschotten 1-
hokkig; eitjes hangend, aan 3 dikke, wandstandige zaadlijsten, in 2 rijen
vastgehecht. Vrucht 1-hokkig, kogelvormig cilindrisch of 3-zijdig met
eene wijde, 3-spletige opening aan den top. Zaden gevleugeld.
18.    Zanonia. Kelklobben 3. Zaden door een grooten vleugel
geheel omgeven.
19.   Alshmitra. Kelklobben 5. Zaden alleen aan den top ge-
v Ie u geld.
-ocr page 639-
579
LX. CUCURB1TACEAE.
1. HODGSONIA Ifook. f. el Thoms.
Bloemen tweehuizig. Mannelijke bloemen: Kelkbuis
lang, dun; zoom schotelvormig, 5-zijdig, met terugge-
slagen kanten, die eene klier aan de achterzijde ver-
toonen. Bloemkroon radvormig, 5-deelig, met omgekeerde,
wigvormige, afgeknotte, draadvormige en zeer lange,
gewonden, rankvormige franjes dragende segmenten.
Meeldraden 3, onder de keel van den kelk ingeplant,
met zeer kleine, vrije helmdraden ; helmknoppen tot een
hoofdje vergroeid, met dubbel gevouwen, lijnvormige
hokjes en een smal, niet voorbij de hokjes verlengd helm-
bindsel. Rudimentaire stampers 3, draadvormig. Vrouwe-
lijke bloemen:
Kelk en bloemkroon als van de manne-
lijke. Staminodiën ontbrekend. Eierstok kogelvormig,
1-hokkig, met wratjes bezet; stijl zuilvormig, met knods-
vormigen, drielobbigen stempel en aan den top gespleten
lobben ; eitjes 12, horizontaal, twee aan twee verbonden
en vastgehecht aan wandstandige zaadlijsten. Groote ,
kogelvormige, van boven afgeplatte, 12 voren dragende
besvrucht, gevuld met een hard vruchtmoes. Zaden 6—12,
groot, langwerpig, paarswijze vergroeid, het eene klein
en meestal niet tot ontwikkeling komende, het andere
ontwikkeld; zaadhuid houtachtig, met dieper liggende aderen
en met eene dikke, vleezige binnenlaag ; zaadlobben plat.
Groote, hoogklimmende heesters. Bladeren lederachtig,
blijvend, handlobbig, met gaafrandige lobben ; bladsteel
aan ééne zijde der basis met eene steunbladvormigo klier.
Ranken 2—5-spletig. Bloemen groot, in het oog vallend,
witachtig geel, de mannelijke in trossen met schutbladen,
de vrouwelijke alleenstaand.
Eene soort, llodys. macrocarpa Coijn., in Engelsch en Nederlandsch
Inilië voorkomende. Bij de oudere schrijvers werd zij tot het ge-
slacht Trichosanthes L. gebracht, (TV. macrocarpa BI., Tr. he.ca-
sperma lil., Tr. heteroclita HL, Tr. grandiflora Wall., Tr. Kadam
Mig.).
De auteurs van het geslacht Hodgsonia gaven aan deze soort
den naam van Hodr/s. heteroclita Hooi;, f. et Th., waaronder zij
ook in Hooker\'s Flora of Br. In<l. II, p. 606 voorkomt.
2. TRICHOSANTHES L.
Bloemen één- of tweehuizig. Mannelijke bloemen: Kelk-
buis lang, cilindrisch, onder den zoom dikwijls klokvormig
-ocr page 640-
580
LX. CUCÜRBITACEAE.
verbreed, met 5 zeer korte of lange, gaafrandige of ge-
tande of in slippen verdeelde tanden. Bloembladen 5, aan
de basis vergroeid, ei- of lancetvormig, met lange, draad-
vormige franjes. Meeldraden 3, op den kelkzoom inge-
plant, met korte, vrije helmdraden; helmknoppen buiten
de bloem uitstekend, vrij of meestal vergroeid, éénhokkig,
de beide andere 2-hokkig, met S-vormig bochtige hokjes
en een smal, niet verlengd helmbindsel; stuifmeel kogel-
vorrnig, niet gestekeld, met 3 voren, bij het kiemen zich
met 3—4 poriën openend. Rudimentaire stampers 3, draad-
vormig. Vrouwelijke bloemen: Kelk en bloemkroon als bij
de mannelijke. Staminodiën ontbrekend. Eierstok ei- of
spoelvormig, 1-hokkig, met 3 zaadlijsten; stijl dun , lang,
met 3 gaafrandige of 2-spletige stempels; eitjes talrijk,
horizontaal of half hangend. Vrucht vleezig, kogel-, ei- of
spoelvormig, niet openspringend, meestal onbehaard en
glad. Zaden talrijk, verschillend van vorm, samengedrukt,
langwerpig of kantig, meestal gerand.
Klimmende, éénjarige of met knolvormige wortels over-
blijvende kruiden. Bladeren gaafrandig of gelobd, zeer zelden
uit 3—7 blaadjes bestaande. Ranken 2—5-spletig of zeer
zelden enkelvoudig. Bloemen groot of van middelbare
grootte, wit, de mannelijke in trossen, zelden alleen-
staand , meestal met schutblaadjes, de vrouwelijke alleen-
staand of zelden in trossen. Vrucht verschillend, dikwijls
groot.
Aantal soorten 40, in Nederlandsch en Engelsen Indié\' en Austra-
lië tehuis behoorend. In Nederlandsch Indië komen er volgens COG-
niaux ongeveer 17 voor. Een 20-tal werden er in Miquel\'s Flora
vermeld, doch de soorten van Cogniaux en Miqoel loopen nog al
veel uiteen, daar de eerste verscheidene soorten vereenigt of bui-
ten het geslacht sluit en er een 7-tal nieuwe bijvoegt. Eéne soort
van MlQUEL, Trieh. he-rasperma BI., werd door Cogniaux tot het
geslacht Hodgsonia ff. f. et. Th. gebracht, (//. macrocarpa Cogn.),
en eene andere, Trieh. costata JU., tot het geslacht Gymnopetalum Am.
(Gymn. Cochincliineme Sart.).
3. GYMNOPETALUM Am.
Bloemen écn- of tweehuizig. Mannelijke bloemen: Kelk-
buis lang, buisvormig, van boven verwijd, 5-tandig, met
priemvormige tanden. Bloemkroon radvormig, diep 5-deelig,
met langwerpige of omgekeerd eivormige segmenten. Meel-
draden 3, binnen den kelk besloten, op het midden van de
-ocr page 641-
LX. CUCURBITACEAE.                                581
buis ingeplant, met korte, vrije helmdraden; helmknoppen
vergroeid, één 1-hokkig, de overige 2-1 lokkig; hokjes lijnvor-
mig, in de lengte dubbel gevouwen, zonder dwarse bochten ;
helmbindsel smal en niet verlengd; stuifmeel kogelvormig,
ongestekeld, met 3 voren en zich bij de kieming openend
met 3 poriën. Rudimentaire stampers 1—3, borstelvormig.
Vrouwelijke bloemen: Kelk en bloemkroon als bij de
mannelijke. Staminodiën 3, zeer klein of ontbrekend.
Eierstok eivormig of langwerpig, met 3 zaadlijsten; stijl
draadvormig, met 3 lijnvormige stempels; eitjes talrijk,
horizontaal. Vrucht eene eivormig-langwerpigo, aan weers-
zijden spitse, zacht- of ruwharige weinig» of veelzadige
bes vrucht. Zaden omgekeerd eivormig of langwerpig,
samengedrukt, gerand, min of meer glad. Dunne, klim-
mende of nederliggende, zachtharige of ruwe kruiden.
Bladeren hartvormig, hoekig of 3—5-lobbig. Ranken enkel-
voudig en dun. Bloemen groot of klein, wit of geel, de
mannelijke in trossen of alleenstaand, meestal met schut-
blaadjes, de vrouwelijke alleenstaand. Vrucht klein,
karmijnrood.
Aantal goorten (i, in Nederlandsril en Engelseh [ndië voorkomende.
Cogniaux verdeelt het geslacht in 2 secties: 1. Eugymnopetalum.
rnet tweehuizige, gele bloemen en eene niet geribde vrucht,
2. Tripodanthera, met éénhuizige, witte bloemen en eene vrucht
met 10 ribben. De soorten van Nederlandsch Indie behooren alle
tot de laatste sectie, nl. Gymn. quinquelobatum iliq. . Gymn.
leucostichiim Miq.
en Gymn. Cochinehinense Kurz. De laatste
komt in Miquel\'s Flora voor als eene soort van Trichosanthes L..
(Ti-ich. costata BI.).
4. LAGENARIA Ser.
Bloemen eenhuizig. Mannelijke bloemen: Kelkbuis smal
klokvormig, of trechtervormig; lobben 5, smal, klein, uit-
eenstaand. Bloembladen 5, vrij, uitgespreid, langwerpig-
omgekeerd eirond, uitgerand. Meeldraden 3, in de kelk-
buis ingeplant, met vrije helmdraden; helmknoppen binnen
den kelk besloten, vrij of licht samenhangend, langwerpig,
één 1-hokkig, de overige 2-hokkig, met S-vormig boch-
tige, elkander aanrakende of vrije hokjes; helmbindsel
voorbij de hokjes niet verlengd, smal of breed; stuifmeel
glad, droog eivormig, met 3 voren, bij bevochtiging kogel-
vormig, zich met 3 poriën openend. Rudimentaire stamper
-ocr page 642-
582
LX. CUCURBITACEAE.
kliervormig. Vrouwelijke bloemen: Kelkbuis napvormig.
Bloemkroon als bij de mannelijke bloemen. Staminodiën
3, weinig ontwikkeld. Eierstok eivormig of\' cilindrisch,
met 3 zaadlijsten; stijl dik, zeer kort, met 3 dikke,
2-lobbige stempels; eitjes talrijk, horizontaal. Vrucht niet
openbarstend, met eene houtachtige schil en een spons-
achtig vleesch. Zaden talrijk, samengedrukt, omgekeerd
eivormig, gerand , met afgeknotten top.
Eenjarige, hoog klimmende, fluweelachtig zachtharige,
naar muscus riekende kruiden. Bladeren min of meer
cirkelvormig, getand, met 2 klieren aan den top van
den bladsteel. Ranken 2-spletig. Bloemen groot en wit,
alle alleenstaand, de mannelijke lang-, de vrouwelijke
korter gesteeld. Vrucht van zeer verschillenden vorm,
meestal zeer groot.
Eéne soort, L. vulgarin Ser., in tropisch Afrika en Kngelseh
Inilië tehuis behoorend, doch in alle tropische landen ook in Neder-
landsch Indië gekweekt.
5. THLADIANTHA Bunge.
Bloemen tweehuizig. Mannelijke bloemen: Kelkbuis
kort klokvormig of min of meer radvorinig, aan de basis
door ééne horizontale schub afgesloten ; lobben 5, lang
lijn- of smal lancetvormig. Bloemkroon klokvormig, tot
aan de basis 5-deelig, met gaafrandige, langwerpige, aan
den top een weinig teruggerolde slippen. Meeldraden 5,
vrij, op den kelkzoom ingeplant, met lijnvormige, lange,
paarswijze bij elkander staande helmdraden ; helmknoppen
langwerpig, 1-hokkig, met rechte hokjes; stuifmeel kogel-
vormig, glad, met drie poriën openend. Rudimentaire
stamper kliervormig. Vrouwelijke bloemen : Kelk en
bloemkroon evenals bij de mannelijke, doch de schub op
den bodem van den kelk ontbreekt. Staminodiën 5, lang,
lijnvormig. Eierstok langwerpig, met 3 zaadlijsten ; stijl
zuilvormig, 3-spletig; stempels aan den top verbreed of
2-spletig; eitjes talrijk, horizontaal. Besvrucht langwerpig,
niet openspringend. Zaden talrijk, omgekeerd eivormig,
glad, niet gerand.
Klimmende, met knolvormige wortels overblijvende
kruiden. Bladeren gaafrandig en eivormig, meestal 3-dee-
lig, diep hartvormig, meestal langharig. Ranken enkel-
-ocr page 643-
LX. CUCURBITACEAE.                                583
voudig. Bloemen groot of van bijna middelbare grootte,
geel, de mannelijke in trossen, meestal met lange schut-
bladen dicht bezet, zelden alleenstaand, de vrouwelijke
alleenstaand. Vrucht van middelbare grootte, groen of
rood, geribd of gevoord. Zaden klein.
Aantal soorten 4, in Oostelijk en Zuidelijk Azië. In Nederlandsen
Indie ééne soort, T/tl<t<i. corclifolin Cogit., door MlQlKL bij ver-
schillende geslachten vermeld, nl. als soorten van Lllffa ïuur>i.,(L.
cordifolia BI.),
van Trichosanthes />., (Tricli. Javunica Miq.), en
van Gymnopetalum Arn., (Gymn. piperifolium Miq. en Gyrnn. Hors-
fleldii Miq).
0. MOMORDICA Tourn.
Bloemen één- of tweehuizig. Mannelijke bloewen:
Kelkbuis zeer kort, klokvornn\'g, op den bodem door 2—3
langwerpige, gekromde schubben afgesloten ; lobben 5,
rondachtig, ei- of lancetvormig. Bloemkroon radvormig
of breed klokvormig, meestal tot aan de basis 5-deelig,
zelden 5-lobbig, met omgekeerd eivormige, geribde slip-
pen, waarvan 2 breeder dan de overige zijn. Meeldraden
3, zelden 2 of 5, op de keel van den kelk ingeplant,
met korte, vrjje helmdraden ; helmknoppen in den beginne
samenhangend, eindelijk vrij, gaafrandig of 2—3-deelig
of -lobbig, één 1-hokkig, de overige 2-hokkig, met boch-
tige, zelden korte, rechte of gekromde hokjes ; helmbind-
sel aan den top niet verlengd, langharig of met wratjes
bedekt; stuifmeel glad, in drogen toestand eivormig,
met 3 voren, bij bevochtiging kogelvormig en met 3
poriën openend. Rudimentaire stamper ontbrekend of
kliervormig. Vrouwelijke bloemen: Kelk en bloemkroon
van de mannelijke. Staminodiën ontbrekend of in den
vorm van 3 klieren, die de basis van den stijl omgeven.
Eierstok langwerpig of spoelvormig, met 3 zaadlijsten ;
stijl dun, met 3 gaafrandige of 3-spletige stempels; eitjes
talrijk, horizontaal. Vrucht eene langwerpige spoel- of
cilindervormige besvrucht, die niet of meestal met 3 klep-
pen openspringt. Zaden in gering of groot aantal, gezwol-
len of plat, van buiten glad of met oppervlakkige groeven
of holten.
Kruiden, klimmend of nederliggend, éénjarig of met
een wortelstok overblijvend, kaal of behaard. Bladeren
-ocr page 644-
584                               LX. CÜCÜRBITACEAE.
gaafrandig, gelobd of voetvormig 3—7-bladig. Ranken
enkelvoudig of 2-spletig. Bloemen klein of groot, geel of
zelden wit, aan den bloemsteel niet zelden van een groot
schutblad voorzien, de mannelijke alleenstaand of in tuilen
of trossen, de vrouwelijke alleenstaand. Vrucht klein of van
middelbare grootte, meestal met wratjes of stekels bedekt.
Aantal soorten \'25, de meeste in tropisch Afrika, eenige weinige
in de tropische gewesten verspreid. In Nederlandseh Indië komt
een 7-tal soorten voor.
7. LUPPA Tourn.
Bloemen éénhuizig. Mannelijke bloemen: Kelkbuis
klok- of tolvormig, 5-lobbig; lobben driehoekig of lancet-
vormig. Bloembladen 5, vrij, uitgespreid, omgekeerd
hart- of eivormig, gaafrandig of uitgekarteld. Meeldraden
3, zelden 4 of 5, in de kelkbuis ingeplant, vrij ; helm-
knoppen buiten de bloem uitstekend, langwerpig of breed,
één 1-hokkig, de overige 2-hokkig of alle 1-hokkig, met
lijnvormige, bochtig S-vormige hokjes , het meestal breede
helmbindsel omgevende; stuifmeel glad, wit, in drogen
toestand eivormig, met 3 voren, na bevochtiging kogel-
vormig, met 3 poriën. Rudimentaire stamper kliervormig
of ontbrekend. I \'rouwelijke bloemen : Kelkbuis boven den
eierstok verlengd; kelklobben en bloemkroon zooals bij
de mannelijke bloemen. Staminodiën 3, zelden 4—5, dik.
Eierstok lang, gevoord, kantig of cilindrisch, met 3 zaad-
lijsten ; stijl zuilvormig, met 3 2-lobbige stempels; eitjes
talrijk, horizontaal. Vrucht droog, langwerpig of cilin-
drisch, scherp geribd of rolrond, glad of gestekeld, van
binnen vezelig, met den blijvenden stijl aan den top en
aldaar met een dekseltje openspringend. Zaden talrijk,
langwerpig, samengedrukt.
Eenjarige, onbehaarde, ruwe of zachtharige kruiden.
Bladeren 5—7-lobbig, zelden nagenoeg gaafrandig, zonder
klier aan den top van den bladsteel. Ranken 2—oc -spletig.
Bloemen groot, zelden klein, geel of zelden wit, de man-
nelijke in langgesteelde trossen, de vrouwelijke alleen-
staand. Vrucht dikwijls zeer groot.
Aantal soorten 0, in de warme gewesten, voornamelijk van de
oude wereld, gekweekt en in het wild voorkomend. In Nederlandsch
Indië vindt men L. aculanfjüla Roxb. en L. Culindrica Roem.
-ocr page 645-
585
LX. CUCURBITACEAE.
8. BRYONOPSIS Am.
Bloemen éénhuizig. Mannelijke bloemen : Kelkbui8 wijd
klokvormig, met 5 smalle en korte tanden. Bloemkroon
wijd klokvormig, 5-deelig, met eivormige, dikwijls terug-
geslagen lobben. Meeldraden 3, vrij, op de kelkbuis
ingeplant, met korte helmdraden ; hclmknoppen eivormig,
één 1-hokkig, de overige 2-hokkig; hokjes lijnvormig,
een weinig bochtig, met een breed, niet verlengd belm-
bindsel; stuifmeel kogelvormig, gestekeld, met vele
poriën. Rudimentaire stamper ontbrekend. Vrouwelijke
bloemen
: Kelk en bloemkroon zooals bij de mannelijke.
Staminodiën 3, klein. Eierstok kogel- of eivormig, met
3 zaadhjsten en met weinige eitjes; stijl dun, aan de
basis naakt, met 3 met wratjes bezette, diep 2-lobbige
stempels; eitjes horizontaal. Vrucht eene kogelvormige
of ei-kegelvormige, vruchtmoes bevattende besvrucht.
Zaden talrijk, door een dikken rand omgeven, aan beide
kanten gezwollen, met fijne groefjes.
Eenjarige, ruwharige, klimmende kruiden. Bladeren
diep handlobbig, met 5 lobben. Ranken 2-spletig. Bloemen
klein, groengeel, de mannelijke en vrouwelijke in bun-
dels, dikwijls op dezelfde as. Vrucht klein, groen of
rood, wit gestreept.
Aantal soorten 2, in Zuid Azië en Australië. In Nederlandscli
Indië ééne soort, Br. lachüosa Naud., in Miquel\'s Flora als eene
soort van Bryonia Tourn., (Br. laciniosa, L.), vermeld.
9. CUCTJMIS L.
Bloemen één-, zelden tweehuizig. Mannelijke bloemen:
Kelkbuis klok- of tolvormig ; zoom 5-lobbig ; lobben uit-
eenstaande, priemvormig. Bloemkroon rad- of min of
meer klokvormig, 5-deelig, met langwerpige of eivormige,
spitse slippen. Meeldraden 3, vrij, op de kelkbuis ingeplant,
met korte helmdraden; helmknoppen langwerpig, één
1-hokkig, de overige 2-hokkig, met lijnvormige, bochtige
of gekromde of zelden rechte hokjes en met een helmbindsel,
dat van boven in een met wratjes bezet, 2-lobbig of -spletig
of, bij den helmknop met 1 hokje, gaafrandig aanhang-
sel is verlengd; stuifmeel glad, in drogen toestand eivor-
mig, met 3 voren, bij bevochtiging kogelvormig en met
37
-ocr page 646-
586                                LX. CUCURBITACEAE.
3 poriën. Rudimentaire stamper kliervormig. Vrouwelijke
bloemen:
Kelk en bloemkroon als bij de mannelijke.
Staminodiën 3, borstel- of tongvormig. Eierstok kogel-
vormig, eivormig of nagenoeg eilindervormig, met 3—5
zaadlijsten ; stijl kort, onverdeeld, op eene ringvormige
schijf ingeplant; stempels 3—5, stomp, kegelvormig, naar
elkander neigend ; eitjes talrijk, horizontaal. Vrucht van
verschillende vormen, vleezig of met eene dikke schil,
meestal niet openspringend. Zaden eivormig of lang\\ver-
pig, samengedrukt, glad, meestal zonder rand.
Eenjarige of met een dikken wortelstok overblijvende,
nederliggende of zelden klimmende, met langere of kortere
haren bezette kruiden. Bladeren hoekig, getand of 5—7-lob-
big, zelden in fijne slippen verdeeld. Ranken enkelvoudig.
Bloemen geel, meestal klein, de mannelijke in bundels
of zelden alleenstaand ; de vrouwelijke alleenstaand, zel-
den in bundels. Vrucht van verschillende grootte, kogel-
vormig of langwerpig, cilindrisch of stomp driezijdig,
glad of gestekeld, niet of laat in 3 kleppen openbarstend.
Zaden vuilwit of geelachtig.
Aantal soorten 26, over de warme gewesten van de geheele
wereld op dorre gronden verspreid. In Nederlandsen Indië komen
alleen de gekweekte soorten, C. Melo L., de meloen, en C. sativus
L.,
de komkommer, voor.
10. OITRULLUS Neck.
Bloemen éénhuizig. Mannelijke bloemen: Kelkbuis wijd
klokvormig; lobben 5, smal, uiteenstaand. Bloemkroon
rad- of wijd klokvormig, diep 5-deelig, met langwerpige
eironde, stompe slippen. Meeldraden 3, op de basis van
den kelk ingeplant, met vrije, korte helmdraden ; helm-
knoppen vrij of licht samenhangend, min of meer 3-lobbig,
één 1-hokkig, de overige 2-hokkig, met lijnvormige,
S-vormig bochtige hokjes, die het verbreede, doch niet
verlengde helmbindsel omgeven; stuifmeel in drogen
toestand eivormig en met 3 poriën, bij bevochtiging glad.
Rudimentaire stamper kliervormig. Vrouwelijke bloemen :
Kelk en bloemkroon als van de mannelijke. Staminodiën
3, kort, borstel- of tongvormig. Eierstok eivormig, met 3
zaadlijsten ; stijl zuilvormig, kort, met 3 niervormige,
nagenoeg 2-lobbige, dikke stempels ; eitjes talrijk, hori-
-ocr page 647-
587
LX. CUCURBITACEAE.
zontaal. Vrucht kogelvormig of langwerpig, vleezig of
droog, niet openbarstend. Zaden talrijk, samengedrukt,
langwerpig, al of niet gerand.
Éénjarige of zelden overblijvende, naar muscus riekende
of onwelriekende kruiden. Bladeren 3-hoekig eivormig of
afgei\'ond, niet 3—5 lobben, die weder gelobd of gespleten
zijn. Ranken 2—H-spletig, zelden recht of\' doornachtig.
Bloemen groot, geel, kortgesteeld, alle alleenstaand of
zelden in bundels. Vrucht dikwijls groot.
Aantal soorten 3, in tropisch Afrika en Azië tehuis behooiende
en in alle tropische en subtropische gewesten gekweekt. In Ne-
derlandsch [ndië wordt aangetroffen Citr. vulgaris Schrad., de
watermeloen, bij MlQUEL vermeld als Cih: edulin Spach en als
eene soort van Cucumis />., (C. disxecltix Decaisne). Kene tweede
soort, C. Culocynf/iis Sc/u ad., wordt ook door MlQUEL voor Ne-
derlandsch Indië als cultuurplant opgegeven, ofschoon er geen
voorwerpen vandaar in de Herbariën voorkomen.
1-1. BENINCASA Savi.
Bloemen éénhuizig. Mannelijke bloemen : Kelkbuis wijd
klokvormig, 5-lobbig; lobben min of meer bladachtig,
gezaagd, teruggeslagen. Bloemkroon radvormig, tot de
basis 5-deelig, met omgekeerd eivormige, gaafrandige
segmenten. Meeldraden 3, vrij, op de kelkbuis ingeplant,
met korte, afgeplatte, dikke helmdraden; helmknoppen
boven de bloem uitstekend, dik, één 1-hokkig, de overige
2-hokkig ; hokjes sterk S-vormig bochtig, liet helmbind-
sel omgevende; stuifmeel groot, kogelvormig met vele
poriën, fijngestekeld of met kleine wratjes. Rudimen-
taire stamper kliervormig. Vrouwelijke bloemen: Kelk en
bloemkroon als bij de mannelijke. Staminodiën 3, soms
met een helmknop. Eierstok met 3 zaadlijsten ; stijl dik,
op eene schijf ingeplant, met 3 golvende stempels;
eitjes zeer talrijk, horizontaal. Vrucht eene dikke, rol-
ronde, ruigharige, blauwgroene, niet openspringende bes-
vrucht. Zaden zeer talrijk, eivormig-langwerpig, samen-
gedrukt, met gezwollen rand.
Éénjarig, kruipend, wollig behaard kruid. Bladeren 5-
lobbig, zonder klier aan den bladsteel. Ranken 2—3-
spletig. Bloemen alle alleenstaand in de bladoksels, de
mannelijke lang-, de vrouwelijke kortgesteeld, groot, geel.
Vrucht groot, eetbaar, van buiten met was bekleed.
-ocr page 648-
588
LX. CUCURBITACEAE.
Eéne soort, Ben. hispida Cogn., in tropisch Azië tehuis behoorend
en in de meeste tropische gewesten gekweekt. Rehalve met den
geslachtsnaam Benincasa, (Ben. cerifera Som), werd zij herhaalde-
lijk onder andere namen vermeld. In de Flora van MiQuel vinden
we haai\' bijv. bij de geslachten Cucurbita L., Lagenaria Sar. en
Gymnopetalum Am., (C. hispida Thunb., C. littoralU Hassk., C.
villosu BI., Laij. hispida Ser., Gymn. septendobum Mig.).
12. OOCOINIA Wight el Arn.
Bloemen twee-, zelden éénhuizig. Mannelijke bloemen:
Kelkbuis kort, klok- of tolvormig, 5-tandig. Bloemkroon
klokvorniig met 5 korte, spitse lobben. Meeldraden 3,
op den bodem van den kelk ingeplant; helmdraden tot
eene centrale zuil vergroeid, zelden vrij; helmknoppen ver-
groeid of samenbangend, één 1-hokkig, de overige 2-hokkig,
met S-vormig bochtige hokjes en een smal helmbindsel,
voorbij de hokjes niet verlengd; stuifmeel langwerpig, glad,
met 3 voren, bij bevochtiging kogelvormig, met 3 poriën
openend. Rudimentaire stamper ontbrekend. Vrouwelijke
bloemen:
Kelk en bloemkroon als van de mannelijke.
Staminodiën 3, langwerpig of priemvormig. Eierstok ei-
vormig, langwerpig of lijnvormig, 3 zaadlijsten dragend;
stijl dun met 3-lobbigen of 3-deeligen stempel; eitjes
talrijk, horizontaal. Vrucht eene eivormige of langwerpige,
niet openspringende besvrucht. Zaden talrijk, eivormig,
samengedrukt, gerand, met fijne groefjes of glad.
Nederliggende of klimmende kruiden, meestal over-
blijvend met knolvormige wortels. Bladeren hoekig of
gelobd, soms met klieren aan de basis. Enkelvoudige, zelden
2-spletige ranken. Bloemen wit of bruingeel, groot, de
mannelijke alleenstaand of in trossen, de vrouwelijke
alleenstaand. Vrucht klein, karmijnrood, éénkleurig of
schoon gemarmerd. Vruchtmoes smakeloos.
Aantal soorten 13, waarvan 1 , Cocc. cordifolia Co/jn., in MlQUEl.\'s
Flora is vermeld als Cocc. ijrandi.i Boem. en Cocc. WUihliana
Boem.,
nadat BLDNE haar tot het geslacht Momordica Tonru. had
gebracht, (.V. tricolor BI.). Door Ci.arke in Hooki:h\'s Flora of Br.
Ind.
II, p. (521 wordt zij beschreven als eene soort van Cepha-
landra Schrad., (Cepli. Indica Naud.).
-ocr page 649-
589
LX. CUCURBITACEAE.
13.   OUCURBITA L.
Bloemen éénhuizig. Mannelijke bloemen: Kelkbuis
klok-, zelden cilindervormig; lobben 5, soms 4—7.
Bloemkroon klokvormig, tot aan het midden of lager 5-,
of soms 4—7-lobbig ; lobben aan den top teruggekromd.
Meeldraden 3, op den kelkbodem ingeplant, met vrije
helmdraden ; helmknoppen lijnvormig, tot eene cilindrische
zuil verbonden of aaneenklevend, één 1-hokkig, de
overige 2-hokkig ; hokjes lang, S-vormig bochtig ; helm-
bindsel smal, voorbij de hokjes niet verlengd ; stuifmeel
groot, kogelvormig, fijngestekeld, met vele poriën. Rudi-
mentaire stamper ontbrekend. Vrouwelijke bloemen: Kelk
en bloemkroon als bij de mannelijke. Staminodiën 3,
kort, 3-hoekig, op den bodem van den kelk ingeplant.
Eierstok langwerpig, met 3—5 zaadhjsten; stijl kort,
dik, met 3—5, met wratjes bezette, 2-lobbige of dubbel
gevorkte stempels; eitjes talrijk, horizontaal. Vrucht
vleezig of vezelig, dikwijls met dikke schil, niet open-
springend. Zaden eivormig of langwerpig, afgeplat, glad,
door een gezwollen rand omgeven of zelden ongerand.
Eenjarige of met een raapvormigen, dikken wortelstok
overblijvende, ruwbladige kruiden, met lange, over den
grond kruipende en wortels slaande uitloopers, soms ook
klimmend. Bladeren gelobd, aan de basis hartvormig.
Ranken 2—oo-spletig. Bloemen geel, groot, meestal zeer
groot, de mannelijke alleenstaand of in bundels, de
vrouwelijke alleenstaand, aan korte stelen. Vrucht van
verschillende vormen, dikwijls reusachtig groot.
Aantal soorten 10, doels in Zuid en Oost Azië, deels in Mexico
tehuis behoorend, die van Zuid Azië in alle gewesten gekweekt.
In Nederlandsch Indië worden gevonden, doch evenzeer in ge-
kweekten toestand, C. Pepo L. en C. moschata Duch.; de laatste
werd in Miquel\'s Flora vermeld als eene soort van Gymnopetalum
Am., (fiymn. calyculatum Miq.).
14.   MELOTHRIA L.
Bloemen één- zelden tweehuizig. Mannelijke bloemen:
Kelk klokvormig, met 5 korte tanden. Bloemkroon diep
5-deelig, met gaafrandige segmenten. Meeldraden 3, in
de buis, zelden aan de basis van den kelk ingeplant,
met vrije helmdraden; helmknoppen vrij of zelden licht
-ocr page 650-
590
LX. CÜCÜRBITACEAE.
samenhangende, langwerpig of min of meer cirkelvormig,
één 1-hokkig, de overige 2-hokkig, soms alle 2-hokkig;
met rechte, zelden gekromde hokjes en een soms verlengd
helmbindsel; stuifmeel glad, in drogen toestand met 3
voren, bij bevochtiging kogelvormig, met 3 poriën.
Rudimentaire stamper kogel- of ringvormig, zelden 3-
lobbig. Vrouwelijke bloemen: Kelk en bloemkroon als
bij de mannelijke. Staminodiën 3, zelden helmknoppen
dragend of ontbrekend. Eierstok ei-, kogel- of spoelvor-
mig, met 3 zaadlijsten, onder de bloem samengetrokken;
stijl kort, aan de basis door eene ringvormige schijf
omgeven; stempels 3, lijnvormig, zelden 2 of één 3-
lobbige stempel; eitjes meestal talrijk, horizontaal. Vrucht
eene kleine, kogel-, ei- of spoelvormige besvrucht. Zaden
in gering of groot aantal, eivormig of langwerpig, samen-
gedrukt of zelden gezwollen, meestal gerand, glad of
zelden met groef jes.
Dunne, klimmende of nederliggende, éénjarige of over-
blijvende kruiden. Bladeren gaafrandig of min of meer
gelobd, meestal vliezig. Ranken enkelvoudig of zelden
2-spletig. Bloemen klein, geel of wit, de mannelijke in
trossen of tuilen, zelden in bundels of nog zeldzamer
alleenstaand, de vrouwelijke alleenstaand, of in bundels
of tuilen.
Aantal soorten 54, in alle tusschen de keerkringen gelegen ge-
westen voorkomende, in Nederlandsen Indië H. In Miquel\'s Flora
vinden wij de laatste bijna alle opgenoemd onder de geslachten
Aechmandra Am., Bryonia L., Zehneria Endl., Karivia Am., en
Bryonopsis Am.
15. MUELLERRAG-IA Cogn.
Bloemen éénhuizig. Mannelijke bloemen: Kelkbuis kort,
klokvormig; lobben 5, zeer klein, driehoekig. Bloemkroon
radvormig, diep 5-deelig. Meeldraden 3, vrij, zittend in
het midden van de kelkbuis, aan de rugzijde vastgehecht;
helmknoppen klein, één 1-hokkig, de overige 2-hokkig,
met lijnvormige, van boven naar binnen gevouwen hokjes
en een breed, doch niet verlengd helmbindsel; stuifmeel
kogelvormig, glad. Rudimentaire stamper ontbrekend.
Vrouwelijke bloemen: Kelk en bloemkroon als bij de
mannelijke. Staminodiën ontbrekend. Eierstok eivormig,
met borstels bekleed ; schijf ontbrekend; stijl dun, kort, met
-ocr page 651-
LX. CÜCURBITACEAE.                                591
2 lijnvormige, stomp tweelobbige stempels; eitjes talrijk,
horizontaal, aan 2 zaadlijsten vastgehecht. Vrucht min of
meer vleezig, eivormig, gesnaveld, met dichte, zachte stekels,
min of meer schuin, niet openspringend. Zaden talrijk,
langwerpig, samengedrukt, zonder rand en met eene
gladde zaadhuid.
Dun, klimmend kruid. Bladeren eivormig, hoekig
3—5-lobbig. Ranken enkelvoudig. Bloemen klein, de
mannelijke in trossen in dezelfde bladoksels met alleen-
staande vrouweljjke, en van schutbladen voorzien, die nier-
of cirkelvormig zijn met gaven rand en op steunblaadjes
gelijken. Vrucht klein.
Eéne soort, M. Timurensis Coijn., op Timor voorkomende.
16. GERASIOCARPUM Hook.f.
Bloemen éénhuizig. Mannelijke bloemen : Kelkbuis wijd
klokvormig; tanden 5, klein. Bloemkroon radvormig, 5-
deelig, met breed eivormige segmenten. Meeldraden 3,
uiteenstaand, vrij, ingeplant op de keel van den kelk,
met zeer korte helmdraden; helmknoppen kort, schuin-
8chotelvormig, aan de rugzijde ingeplant, één 1-hokkig,
de overige 2-hokkig, met rechte hokjes en een niet ver-
lengd helmbindsel; stuifmeel glad, kogelvormig, met 3
voren. Rudimentaire stamper ontbrekend.. Vrouwelijke
bloemen:
Kelk en bloemkroon als die van de mannelij ke.
Staminodiën ontbrekend. Eierstok eivormig, met 2—3
zaadlijsten ; stijl zuilvormig, zonder schijf aan de basis,
en met een 2-lobbigen stempel; eitjes in elk hokje 2,
zelden 3, horizontaal. Vrucht klein, dwars langwerpig,
glad, vleezig, niet openbarstend, 2—6-zadig. Zaden breed
eivormig, gezwollen, met afgeronde randen en eene bleeke,
gladde, korstachtige zaadhuid.
Min of meer onbehaard, klimmend kruid, met lang-
werpige, aan de basis hartvormige of pijlvormig-3-lobbige
bladeren. Ranken enkelvoudig. Bloemen klein, zonder
schutbladen, geel, de mannelijke in trossen, de vrouwe-
lijke alleenstaand in dezelfde bladoksels met de manne-
lijke. Vrucht van de grootte en de kleur eener kers.
Eéne soort, C. Bennetlü Cor/n., op Java en Ceylon voorkomende,
doorMiquei. tot BryonopsiS Am., (Br. Beniiettii Mi<l-), door Tiiwaites
tot Aechmandra Am., (Aechrn. Zeylanica Thwait.), door Clarke tot
-ocr page 652-
502
LX. eiTClïRBITACKAE.
Gemxiocarjtum gold-acht, doch mot een andoren soortsnaam, (Cer.
Zeylanicum Clarke.).
17. GYNOSTEMMA lil.
Bloemen twee- zelden éónliuizig. Mannelijke bloemen:
Kelk radvormig, r>-«lf«»lij^, mot korte segmenten. Bloem-
kroon radvormig, 5-deelig, mot lanoot- priomvormige of
eivormig-langwerpige segmenten. Ifeeldraden 5, op don
kelkbodem ingeplant, met korte, aan do basis vergroeide,
doch aan don top iiitoonwjjkondo holmdraden; helmknop-
pon eivormig, 2-hokkig, met rechte hokjes on een smal,
niet verlengd helmbindsel; Btnifmeel glad, kogelvormig,
mot :i voren, zich mot poriën oponond. Rudimentaire
stamper ontbrekend. Vrouwelijke bloemen: Kelk en
bloemkroon als bjj de mannelijke. Staminodiën ontbre-
ketul. Eierstok kogelvormig, met vrijen top, 3—2-hokkig;
stijlen 3—2, aan de basis vergroeid, aan den top 2-sple-
tig ; in olk hokje 2 eitjes, hangend van den top van het
hokje. Vrucht kogelvormig, met eene bult voorzien, niet
openspringend, 1—3-zadig. Zaden breed eivormig, niet ge-
vleugeld, licht samengedrukt, met wratjes of stekels.
Dunne, overblijvende, klimmende, onbehaardc of kort-
harige kruiden. Bladeren vootvormig 3—7-bladig samenge-
steld, mot ei-lancetvormige blaadjes, zelden enkelvoudig.
Ranken 2-spletig of zelden enkelvoudig. Bloemen klein,
wit of groenaehtig, met geleede, aan de basis sehutblaad-
jes dragende bloemstelen, in okselstandige of eindeling-
sehe, wijd uiteonstaande pluimen. Vrucht klein, erwt-
vormig.
Aantal soorten 5, in tropisch A/.iö voorkomende, waarvan 4 in
Nederlandsen tadië. I!ij andere schrijvers werden deze laatste ge-
bracht tot de geslachten Pestalozzia \'/.all. et Mor., Enkylia Griffe
Zanonia £.., Alsomitra Roem. en Sicyos /-. Door Hiqubl word
het geslacht Gj/nonlummn niet tot de Cucurbitaceiw gerekend,
• maar in do nabijheid van het geslacht Erythropahtm geplaatst,
dat volgens hein eene afzonderlijke groep Erythropaleaemoe&t vormen.
48. ZANONIA L.
Bloemen tweehuizig. Mannelijke, bloemen: Kelkbladen
3, zelden 4, breed, langwerpig of cirkelvormig, vliezig,
hol. Bloemkroon radvormig, 5-deelig, lederachtig of vlie-
zig, met aan den top versmalde segmenten. Meeldraden
-ocr page 653-
593
liX. CUCÜRMTACEAE.
5, vrij, op eene vleezige schijf ingeplant:, mot, zeer korto
dikke helmdraden ; helmknoppen dwars langwerpig, tegen
de hel md raden aangegroeid, 1-hokkig; stuifmeel glad,
eivormig, met B voren. Rudimentaire stamper ontbrekend.
Vrouwelijke bloemen: Kelk en bloemkroon als bij de
mannelijke. Staminodiön 5, zeer kort, afwisselend met de
bloembladen. Kierstok lang, 3-hokkig, doch door het
terugtrekken der tussehensohotten ten slotte 1-hokkig;
stijlen 3, uitgespreid, aan den top 2-spletig; eitjes in
elk hokje 2 of talrijk, hangend, vastgehecht aan weers-
zijden van de wandstandige zaadlijsteu. Vrucht oilin-
drisch, knodsvormig of half bolvormig, rolrond of min
of meer driozijdig, eivormig of langwerpig, samengedrukt,
dicht opeengedrongen, door een vliezigen vleugel omgeven
en met eene vliezige zaadhuid.
Klimmende, onbehaarde of zachtharige heesters, met
gestoelde, eivormige of langwerpige, gaafrandige blade-
ren. Ranken enkelvoudig of aan den top 2-spletig. Bloe-
men klein, okerkleurig of wit, alle in trossen, die der
mannelijke in lange, hangende pluimen.
Aantal soorten \'2, /on. macrocarpa lil. en \'/nn. Indien L., de
eerste alleen in Nederlundsch Indië, tle laatste ook in Kngelscli Indie
voorkomende.
11). ALSOMITRA lioem.
Bloomen tweehuizig. Mannelijke bloemen: Kelk iadvor-
mig, 5-deelig, met langwerpige of langwerpig-lancetvormige
segmenten. Bloemkroon radvormig, 5-deelig, met langwer-
pige, uitgevreten-gekartelde, vliezige slippen. Meeldraden 5,
met korte, aan de basis dicht bijeenstaande helmdraden ;
helmknoppcn klein, langwerpig, 1-hokkig, ten slotte
teruggekromd ; stuifmeel glad, eivormig, met 3 voren.
Rudimentaire stamper ontbrekend. Vrouwelijke bloemen :
Kelk en bloemkroon als bij de mannelijke. Eierstok
knodsvormig-cilindrisch, 1-hokkig ; stijlen 3 of 4, kegel-
vormig, vleezig, van binnen eenigszins plat, met half
maanvormige stempels; eitjes in elk hokje talrijk, han-
gend, vastgehecht aan 3 dikke, wandstandige zaadlijsten.
Vrucht knods- of cilindervormig, rolrond of nagenoeg
3-zijdig, aan den breeden, afgeknotten top met 3 kleppen
openspringend. Zaden zeer talrijk, dicht opeengedrongen,
-ocr page 654-
594
LX. CUCTJRBITACEAE.
samengedrukt, met een dunnen, langen, eindelingschen
vleugel, aan de randen golvend geknobbeld en met eene
korstachtige zaadhuid.
Klimmende, kale of zachtharige heesters. Bladeren
drietallig, zelden voetvormig samengesteld, nog zeldzamer
enkelvoudig, met gaafrandige of gezaagde, aan de basis
2 klieren dragende blaadjes. Ranken enkelvoudig of 2-
spletig. Bloemen klein, wit of min of meer groen, de
vrouwelijke in trossen, de mannelijke in dikwijls losse,
hangende pluimen, met haardunne bloemstengels en bloem-
steeltjes. Vrucht dikwijls van middelbare grootte, lang.
Aantal soorten 10, in tropisch Azië, Australië en Amerika. In
Nederlandsen Indië komt een 5-tal soorten voor, waarvan slechts
1 , A. Timorana Roem., in Miquel\'s Flora vermeld was en wel
tot het geslacht Zanonia L. gebracht was, (Z. Timorana Span.).
CUCURBITACEAE VAN NEDERLANDSCH INDIË
VOLGENS COGNIAUX.
(Van de synoniemen zijn voornamelijk slechts die opgegeven, welke
voorkomen in de werken over de Flora van Nederlandsen Indië.)
1.   Hodgsonia Hook. /\'. et Th.
macrocarpa Cogn. — Trichosanthes macrocarpa BI. — Tr.
hexa sperma BI.
— Tr. heteroclita Roucb. — Tr. grandiflora
Wall.
— Hodgsonia heteroclita Hook. f. et Th. — Tr.
Kadam Mig.
(Malakka, Sumatra, Java, Borneo.)
2.   Trichosanthes L.
coriacea BI. (Sumatra.)
cucumerina L. — Tr. lacintosa Klein. — Tr. reniformis
Miq. — Tr. pedatifolia Miq. (Java.)
anguina L. (Java, gekweekt.)
Horsfieldii Miq. (Java.)
globosa BI. (Java.)
grandiflora BI. (Java.)
villosa BI. (Java.)
Wallichiana Wight. — Tr. multiloba Clarke. (Malakka.)
Borneensis Cogn. (Borneo.)
multiloba Miq. (Borneo.)
Sumatrana Cogn. (Sumatra.)
tricuspidata Lour. (Java, Borneo.)
longiflora Cogn. (N. Guinea.)
bracteata Voigt. — Tr. pubera BI. — Tr. palmata Roxb.
— Tr. asperifolia Zipp. — Tr. tricuspis Miq. (Sumatra,
Java, Timor.)
-ocr page 655-
LX. CUCURBITACEAE.                                595
ovigera BI. (Java, Sumatra.)
Beccariana Cogn. (Sumatra.\')
trifoliolata BI. (Java.)
Wawraei Cogn. (Singapore.)
Celebica Cogn. (Celebes.)
3.   Gy.mnopetalum Am.
Cochinchinense Kurz. — Trichosanthes costala BI. (Java,
Borneo, Celebes.)
quinquelobatum \') Mig. — Scotanthus Porteanus Naud.
— Gymnopelaltim heterophyüum Kurz. (Java, Borneo,
Sumatra, l\'enang, Malakka.)
leucostichum \') Mig. (Java.)
4.   Lagenaria Ser.
vulgaris Ser. — Cueurbita idolalrica Willd. — L. idolatrica
Ser.
— Cueurbita viltata BI. — Lagenaria viltata Ser.
(Overal gekweekt.)
5.   Thi.adiantha Bunge.
cordifolia Cogn. — Luffa cordifolia BI. —- Trichosanthes
Javanica Mig.
— Involucraria Javanica Mig. — Gym-
nopetalum piperifolium Mig.
— G. Uorsfieldii Miq.
(Java, Sumatra.)
6.  Momordica Tourn.
Suringarii Cogn. (Borneo, Sumatra.)
Charantia L. (Java, Amboina, Celebes en verder overal tus-
schen de keerkringen gekweekt.)
(3 abbreviata Cogn. — M, muricata Willd. (Java, Timor.)
Balsamina L. (Overal gekweekt.)
subangulata BI. (Java.)
Cochinehinensis Spreng. — Af. mixte Roxb. (Sumatra,
Ambon, Ceram, Celebes.)
y minor Cogn. (Borneo, N. Guinea.)
ovata Cogn. (Celebes.)
denticulata Mig. (Sumatra, Borneo.)
racemiflora Cogn. — Af. denticulata Miq. var. racemiflora
Mig. (Sumatra, Borneo.)
7.   Luffa Tourn.
cylindrica Boem. — L. Aegyptiaca MUI. — L. Petola
Spach.
— L. pentandra Boxb. — L. leucosperma Boem.
(Java, Ambon, Timor, N. Guinea.)
/3. insularum Cogn. (Timor, Celebes.)
acutangula Boxb. — L. foetida Cav. — Cueurbita acutan-
gtda BI.
(Java, Borneo.)
(3 amara Clarke. — L. sylvestris Miq. (Ambon.;
y subangulata Cogn. — L. subangulata Mig. (Java.)
\') MlQUEL schreef guinquelobum, doch Cogniaux verbeterde dit in
quinquelobatum ; evenzoo veranderde de laatste Miquel\'s teucostictum
in leucostichum.
-ocr page 656-
596                                LX. CUCURBITACEAE.
8.   Bryonopsis Arn.
laciniosa Naud. —- Bryonia laciniosa L. — Bryonia pedata
Hassk.
— Bryonopsis pedata Hassk. (Java.)
9.  Cucumis L.
Melo L. — C. pubescens Willd. — C. maculalus Wüld.
(Java.)
sativus L. (Java.)
10.   Citrui.ll\'S Neck.
vulgaris Schrad. — C. edulis Spach. — Cucumis dissectus
Decaisne.
(Overal gekweekt.)
14. Benincasa Saoi.
hispida Cogn. — Cucurbila hispida BI. — Benincasa
eerifera Savi.-— Cucurbita villosa BI.
— Cucurbila fari-
nosa BI.
— Cucurbila littoralis Hassk. — Gymnopeta-
lum septemlobum Mig.
(Java.)
42. Coccinia Wight et Am.
cordifolia Cogn. — C. r/randis Boem. — C. Indica Wight
et Arn.
— Momordica bicolor BI. (Timor, Java.)
(3 Wightiana Cogn. — C. Wiglitiana Roem. (Ambon.)
13.   Cucurbita L.
maxima Duch. (Overal gekweekt.)
Pepo L. (Overal gekweekt.)
moschata Duch. — Gymnopetaliim calyculatum Miq.
(Java, Banka.)
ficifolia Bouché\') (In tropische gewesten vaak gekweekt.)
14.   Melothria L.
marginata Cogn. — Bryonia marginata BI. — Br. Blumei
Ser.
— Aechmandra Blumeana Roem. — Melothria
Rumphiana Schelf.
— Cerasiocarpum"? Maingayi Clarke.
(Java, Sumatra, Malakka.)
(3 heterophylla Cogn. — Bryonia heterophylla BI. —
Cerasiocarpum Penangense Clarke. (Java, Penang.)
Rauwenholïïi Cogn. — Xehneria deltoidea Miq. (Java, Banka.)
Indica Lour. — Bryonia r/eminata BI. — Aechmandra
Indica Arn.
(Borneo, Java, Ambon.)
leucocarpa Cogn. — Bryonia leucocarpa BI. — Bryonop-
sis leucocarpa Miq.
— Aechmandra odorata Hook. f. et
Th.
— Melothria odorata Hook. f. el Th. (Java.)
perpusilla Cogn. — Cucurbita perpusilla BI. — C. scabra BI.
Bryonia perpusilla BI.
— Br. scabrata BI. (Java.)
mucronata Cogn. — Bryonia mucronata BI. — Zehneria
mucronata Miq.
(Java.)
punctata Cogn. — Bryonia repanda BI. — Zehneria exaspe-
ruta Miq.
(Java, Celebes.)
heterophylla Cogn. — Bryonia Rheedii BI. — Karivia Bheedii
Roem.
— Karivia umbellata Am. — Zehneria filiformis
Miq.
— Z. haslala Miq. — Z. connivens Miq. — Z. umbel-
lata Thw.
— Bryonia sagittata BI. (Java.)
-ocr page 657-
597
LXI. BEGONIACEAE.
Maderaspatana    Cogn. — Bryonia scubrella L. f. (Borneo,
Java, Timor,  Celebes.)
Celebica Cogn.  (Celebes.)
Javanica Cogn.  — Karivia Javanica Mig. (Java, Ambon.)
•15. Muei.lerargia Cogn.
Timorensis Cogn. (Timor.)
16.   Cerasiocarpum Hook. f.
Bennettii Cogn. — Bryonopsis Bennettii Mig. — Aechmandra
Zeylanica T/iw.
— Cerasiocarpum Zeylanicnm Clarke.
(Java, Sumatra.)
17.   Gynostf.mma BI.
pedata BI. — Zanonia pedata Mig. (Java Borneo, Sumatra.)
laxa Cogn. (Java, Sumatra, Celebes.)
sirnplicifolia BI. (Java.)
? hederaefolia Cogn. — Sicyos hederaefolius Decaisne. (Timor.)
18. Zanonia L.
Indica L. (Java, Borneo, Timor, N. Guinea.)
(3 pubescens (Java, Borneo.)
macrocarpa lil. (Java, Borneo.)
•19. Alsomitra Roem.
sarcophylla Boem. (Timor.)
Beccariana Cogn. (Kei.)
Schelïeriana Cogn. (Celebes.)
(3 minor Cogn. (Celebes.)
Timorana Boem. — Zanonia Timorana Span. (Timor.)
Hookeri F. v Muell. (N. Guinea.)
Fam LXI. BEGONIACEAE.
Bentham et Hooker, Gen. Plant. I, p. 841. — Miquel, Fl. Ind.
Bat.
I, 1, p. 683 en p. 1091. — Sumatra p. 332. — A. D. C. Prod.
XVI, 1, p. 266. — Clarke in Hooker, Fl. of Br. Ind. II, p. 635 en
in Journ. of Linn. Soc. XVIII. 1881. p. 114.
Bloemen éénhuizig, onsymmetrisch. Mannelijke bloemen
(bij het eenige geslacht van tropisch Azië): Bloemdekbla-
den 2 of meer, de buitenste meestal 2, kelkbladachtig,
tegenovergesteld, in den knop klepswijze aaneensluitend,
de binnenste bloembladachtig, in den knop dakpanswijze
dekkend of ontbrekend. Heeldraden oo, op een meer of
minder bolvormigen bloembodem ingeplant; helmdradeu
-ocr page 658-
598
LXI. BEGONIACEAE.
vrij of vergroeid; helmknoppen niet met den helmdraad
geleed, lijn-langwerpig of knodsvormig; hokjes zijdelings
aangegroeid tegen het aan den top soms verlengde helm-
bindsel en met korte of lange, naar binnen of zijdelings
gerichte spleten openspringend. Stuifmeelkorrels lang-
werpig. Eierstokrudiment geheel en al ontbrekend. Vrouwe-
lijke bloemen
(bij het eenige geslacht in tropisch Azië):
Bloemdek in 2—5, zelden meer, op verschillende wijzen
gerangschikte bloemdekbladen verdeeld. Eierstok onder-
standig, 2— 3-, zelden 4—oo - of 1-hokkig, meestal 3-hokkig
en met 3 vleugels of kanten; zaadlijsten met de as van
den eierstok vergroeid en in het hokje vooruitspringend,
enkelvoudig of uit 2 plaatjes bestaande, zelden vertakt
of in een eierstok, die éénhokkig is, sponsachtig; stijlen
2—5, vrij of aan de basis vergroeid, meestal 2-spletig,
takken kort of lang, aan alle kanten door stempelkliertjes
of door bundels stempelwratjes spiraalvormig omgeven,
soms oo-spletig; eitjes zeer talrijk, anatroop, meestal de
geheele oppervlakte van de zaadlijst bedekkend. Doos-
vrucht, die hokverbrekend, zelden schotverbrekend open-
springt, zelden eene vleezige bes, die op onregelmatige
wijze openbarst, 3-, zelden 2-, 4- of oc -hokkig en met
oo-zaden. Zaden talrijk, klein, langwerpig of nagenoeg
cilindrisch; zaadhuid netvormig; kiem wit dun of ontbrekend;
kiem omgekeerd eivormig of\' nagenoeg cilindrisch; zaad-
lobben zeer kort; kiemworteltje rolrond.
Sappige kruiden of half heesters, meestal met een rechten
enkelvoudigen, doch soms met een hoogen of tot een
knolvormigen wortelstok verminderden stengel; enkele,
voornamelijk Amerikaansche soorten, klimmend. Bladeren
afwisselend, verspreid en 2-njig, zelden min of meer in
kransen, gaafrandig, gelobd of getand. Steunblaadjes 2,
vrij, dikwijls spoedig afvallend. Bloemen in het oog val-
lend, wit of rosé; zelden geel of rood, met tegenover-
gestelde schutblaadjes, aan okselstandige bloemstengels,
die in 1- of 2-slachtige bijschermen zijn verdeeld, en
tegenover elkander staande schutbladen dragen.
Aantal soorten omstreeks 400, in tropisch Amerika. Afrika en
Australië in groote hoeveelheid voorkomende, alle tot hetzelfde
geslacht Ber/onia behoorende; een tweede geslacht, Hillebrandia
Qliv., met 2 soorten, komt alleen op de Sandwich-eilanden voor.
-ocr page 659-
599
I,XI. BEGOKIACEAE.
EENIG GESLACHT VOOR NEDERLANDSCH INDIË.
Begonia. Bloemdek onregelmatig. Eierstok onderstandig. Doos-
vrucht, zelden eene besvrucht, onder den zoom van het bloem-
dek openspringend.
BEÖONIA L.
Bloemen éénhuizig. Mannelijke bloemen: Bloemdek-
bladen meestal 4, de 2 buitenste kelkbladachtig, de 2
binnenste bloembladachtig, zelden meer of ontbrekend.
Meeldraden oo ; helmdraden vrij of éénbroederig. Vrouice-
lijke bloemen:
Bloemdekbladen meestal 6, waarvan de 2
buitenste kelkbladachtig en grooter dan de andere zijn. Eier-
stok meestal 8-, zelden 2- of 4—5-hokkig; stijlen meestal
evenveel als hokjes van den eierstok, vrij of aan de
basis vergroeid, 2-spletig, met gaafrandige of gespleten
lobben; eitjes ingeplant aan zaadlij sten, die aan de as,
zelden aan de wanden van den eierstok zijn bevestigd.
Vrucht meestal doosvruchtachtig, 3-kantig en met 3
ongelijke vleugels, 2—5-hokkig, schotverbrekend, ofhok-
verbrekend, onder den top of langs de geheele lengte open-
barstend, zelden 4-kantig of besachtig in het laatste geval
onregelmatig doorscheurende of opensplijtende. Zaden
zeer talrijk en klein.
Planten zonder of met kruid- of houtachtige, soms
hooge stengels, opgericht of eenige weinige klimmend.
Bladeren afwisselend, met ongelijke basis, gaafrandig,
gelobd of gedeeld en onregelmatig getand. Bloemen meestal
helder gekleurd.
Aantal soorten bijna 400, in de meeste tropische en vochtige
gewesten.
In Nederlandsen Indië komen volgens Miquel meer dan 40 soorten
voor. Deze waren echter niet door hem beschreven als soorten van
hegonia, maar tot 3 geslachten gebracht, door hem aldus onder-
scheiden :
i. Diploclinium Lindl. Mannelijke bloemen met 2—4 kelk-
bladen. Eierstok 3-, zelden 4-hokkig, met 3 of 4 gelijke vleu-
gels. Zaadlijsten uit 2 platen bestaande.
Hiertoe bracht hij 22 soorten van Nederlandsch Indië.
2. Platycentrum Klolsch. Mannelijke bloemen met 4 kelk-
bladen. Eierstok 2—3-hokkig, met i groote en 2 kleine vleugels.
Zaadlijst uit 2 platen bestaande.
Hiertoe bracht hij 8 soorten van Nederlandsch Indië.
-ocr page 660-
600                                 LXII. DATISCACEAE.
3. Mitscherlichia Klotseh. Mannelijke bloemen met 4 kelk-
bladen. Eierstok 3-liokkig, met 3 vleugels. Zaadlijsten onverdeeld.
Hiertoe bracht hij 5 soorten van Nederlandsch Indië.
Ai.ph. De Candoli.e onderscheidde in de familie 3 geslachten,
welke te samen mot het geslacht Bei/onia volgens de opvatting
van Bentham en Hooker overeenkomen. Deze geslachten waren aldus
gekenmerkt: 1. Casparya A.D.C. Zaadlijsten asstandig. Doosvrucht
aan de rugzijde der hokjes bij de as, dus schotverbrekend open-
splijtend. 2. Begonia L. Zaadlijsten asstandig. Doosvrucht aan de
voorzijde der hokjes nabij do vleugels dus hokverbrekend opensplij-
tend. 3. Meziera Gaud. Zaadlijsten wandstandig of half wandstan-
dig. Doosvrucht hokverbrekend of in het geheel niet opensplijtend en
min of meer besachtig. Tot het eerste bracht hij 6 soorten van
Nederlandsch Indië, welke gedeeltelijk door Miquel tot Platycentrum
Klotseh en door Hasskaki. tot Sphonanthera Klotseh gebracht waren.
(C. robusta A. D. C. = PI. robvxtitm Miq. — Sphen. robusta Hassk.;
C- multangula A. D. C.
= PI. multangula Miq. = Sphen. multan-
gula KlotDch.
enz). Het tweede, uit ongeveer 350 soorten bestaande,
verdeelde hij in een 60-tal secties, waarvan er 16 in tropisch Azië
vertegenwoordigd zijn. Het derde bestaat slechts uit 3 soorten,
waarvan 1 met eene vleezige, niet openspringende vrucht ook op
Timor voorkomt, nl. M. Salaziensis Gaud. = Diptoclinium (?)
Timoren.ie Miq.
Door Bentham en Hooker werd het geslacht verdeeld in 4 seriën.
Clark e in Hooker, Fl. of Bv. Ind. II, p. 635 verdeelde de En-
gelsch Indische soorten in 6 secties, waarvan de 3 eerste, Casparya,
Aloecida en Knesebeckia, ongeveer met DiploelitUum, de vierde
Platycentrum ongeveer met het geslacht Platycentrum en de zesde
Uniplacentales inet Mitscherlichia overeenkwam. De vijfde Papyra-
ceae, gekenmerkt dooi\' papierdunne doosvruchten en kleine bloemen,
schoon in Pinang en Malakka voorkomende, schijnt in de Flora
van Miquel niet vertegenwoordigd te zijn.
Later werd in Journ. of Linn. Soc. XVIII, p. 114. deze rang-
schikking eenigszins gewijzigd en het geslacht verdeeld in 6 onder-
geslachten 1. Casparya. 2. Parvi-Begonia. 3. Aloecida. 4. Aschisma.
5. Eu Begonia en 6. Platycentrum.
Fam. lxii. DATISCACEAE.
Bentham et Hooker, Gen. Plant. I, p. 844. — Miquel, Fl. Ind.
Bat.
I, 1, p. 725. — Sumalra, p. 336. — A.D.C. Procl. XV, 1, p.
409. — Clarke in Hooker, Fl. of Br. Ind. II, p. 656.
Bloemen tweohuizig, regelmatig, zelden twee" of ge-
mengdslachtig. Mannelijke bloemen: Kelkbuis kort of
half bolvormig; lobben 3—9, kort, gelijk of ongelijk.
Bloembladen ontbrekend of 8 of klein. Meeldraden 4—25,
-ocr page 661-
601
LXII. DATISCACEAE.
tegenover de kelklobben geplaatst; helmdraden kort of
lang; helmknoppen 2-hokkig, aan de rugzijde of de basis
ingeplant; hokjes naar buiten of zijdelings openspringend.
Eierstok rudimentair en klein, of ontbrekend. Vrouwelijke en
tweeslachtige bloemen : Kelkbuis met den eierstok vergroeid;
lobben 3—8, kort. Meeldraden, waar zij voorkomen, op
die van de mannelijke bloemen gelijkend of tot stamino-
diën verminderd. Eierstok 1-hokkig, aan den top geopend
of gesloten; zaadlijsten wandstandig, met de kelklobben
afwisselend; stijlen zooveel als er zaadlijsten zijn en met
deze afwisselend, enkelvoudig of 2-deelig, aan de binnon-
zijde stcmpelkliertjes dragend of met knopvormige
stempels aan den top; eitjes zeer talrijk, in 2—oo rijen,
anatroop, klimmend of nagenoeg horizontaal. Doosvrucht
vliezig of lederachtig, tusschen de stijlen openbarstend,
oo -zadig. Zaden zeer talrijk, klein; zaadhuid gestreept en
ingedrukt gestippeld; navel met een kiempropje; kiem-
wit zeer weinig; kiem cilindriseh, in de as van het kiem-
wit geplaatst; kiemworteltje lang, dicht bij den navel.
Kruiden of boomen, onbehaard of met zachte haren of
schubben bedekt. Bladeren afwisselend, enkelvoudig of
gevind. Steunblaadjes ontbrekend. Bloemen klein of mid-
delmatig, in éénslachtige aren of in okselstandige trossen
of bundels, door schutbladen omgeven.
Aantal soorten 4 of 7, in 4 geslachten, waarvan 1 in Westelijk
Amerika, eene tweede in Zuid Oost Europa en Westelijk Azië, de
beide overige in Engelscl) en Nederlandsch Indië tehuis beliooren.
OVERZICHT DER GESLACHTKN.
4. Tktuamf.i.ks. Bloembladen ontbrekend in beide geslachten.
Helmknoppen kort, 2-lobbig. Stijlen 4, met stompe stempels.
2. Octomei.es. Bloembladen ten getale van 8 bij de manne-
lijke bloemen. Helmknoppen groot, lijnvormig-langwerpig, terug-
gekromd. Stijlen 8, met knopvormige stempels. .
1. TETRAMELES Ii. Br.
Bloemen tweehuizig. Mannelijke bloemen: Kelkbuis
zeer kort; lobben 4, eivormig of langwerpig, soms hier
en daar met een tusschengevoegd tandje vermeerderd,
gelijk of ongelijk. Bloembladen ontbrekend. Meeldraden 4,
om eene neergedrukte schijf ingeplant; helmdraden lang;
38
-ocr page 662-
602
LXII. DATISCACEAE.
helmknoppen kort, 2-lobbig, met naar binnen openbar-
stende helmhokjes. Rudimentaire eierstok ontbrekend of
4-kantig. Vrouwelijke bloemen: Kelkbuis nagenoeg 4-
kantig; tanden 4, kort. Bloembladen ontbrekend. Stami-
nodiën ontbrekend. Eierstok met ingedrukten top;
stijlen 4, priemvormig, kort, met min of meer ver-
breede, aan de binnenzijde afgeknotte en met stempel-
kliertjes bezette stempels; eitjes in 3—4 rijen aan 4
wandstandige zaadlijsten ingeplant. Doosvrucht eivormig,
mot 4 strepen of oppervlakkige voren, aan den top tus-
schen de stijlen openspringend. Zaden zeer talrijk, klein,
afgeplat ellipsoidvormig; zaadhuid zeer los en voorbij de
zaadkern verlengd tot een los, netrormig geaderd, ver-
scheurd vlies.
Hooge boom, met afvallende, langgesteelde, ei- of
hartvormig afgeronde, toegespitste, ongehjktandige of na-
genoeg gaafrandige, van onderen viltachtige of een weinig
behaarde bladeren. Bloemen vóór de bladeren ontwikkeld,
klein, kortgesteeld, min of meer klieraehtig behaard en
met weinig behaarde bloemstengels en bloemstelen, in lange,
dunne, tot schermen vereenigde pluimen.
Aantal soorten 3, volgens A. 1). C. in Prodr. XV, 1, p. 4-11,
waarvan T. nudiflora II. Br. in Engelsen Indië en op Java,
T. rufinervis HU), alleen op Java en T. Grahamiana Wighl
alleen op Ceylon voorkomt. Door Ci.arkk in Hookkii, /\'/. of Hr.
fiul.
II, p. 057 worden de bende laatste als synoniemen van de
eerste opgenoemd.
2. OCTOMELBS MUj.
Bloemen tweehuizig. Mannelijke bloemen: Kelkbuis
lederachtig, half bolvormig; lobben 8, 3-hoekig, opgericht.
Bloembladen 8, klein, ei-priemvormig, op den rand van
den kelk ingeplant Mecldradcn 8, even als de bloem-
bladen ingeplant, met opgerichte, draadvormige, aan de
basis verbreede helmdraden; helmknoppen groot, lijnvor-
mig-langwerpig, tcruggekronul, met zijdelings openbar-
stende hokjes. Rudimentaire eierstok ontbrekend. Vrou-
welijke bloemen:
Kelkbuis tolvonnig-cilindriscli, aan de
basis afgeknot, zittend, onduidelijk 8-kant; lobben 8?
evenals bij de mannelijke bloemen. Bloembladen ontbre-
kend of onbekend. Staminodiön ontbrekend. Eierstok aan
den top diep uitgehold; stijlen 8, aan den rand van den
-ocr page 663-
LXIII. AIZOACEAE.                                   603
top van den eierstok ingeplant, kort, priemvormig, uit-
gespreid, met knopvormige stempels; eitjes aan alle kan-
ten dicht opeengedrongen aan 8 dikke zaadlijsten, die
zich van den wand bijna tot aan de as verlengen. Vrucht
lederachtig (in rijpen toestand onbekend), door de bhj-
vende stempels gekroond.
Hooge boom, met dikke twijgen, welke evenals de
bladeren en de bloeiwijze met zemelachtige schubben
dicht bezet zijn. Bladeren langgesteeld, hartvormig-
afgerond, toegespitst, gaafrandig. Bloemen groot, in zeer
lange, okselstandige, knikkende aren met dikke, onver-
deelde spil.
Eéne soort, O. Sumatrana Miq., door Teysmann op Sumatra
waargenomen.
Fam. LXIII. AIZOACEAE (Ficoideae.)
Bentham et Hookrr, Gen. Plant. I, p. 851. (Ficoideae\') —
Miqueï., Fl. hul. Hat. I, 1. p. 1057. (I\'ortiiluccaceae.) — Ci.arke in
Hooker. Fl. of Br. Ind. II, p. 058. (Ficoideae.) — Pax in Kngi.kk,
Die natürlichen P/lanzenfamilien [II, 1, b, p. 33.
Bloemen tweeslachtig, zelden gemengdslachtig-twee-
huizig of éénslachtig, regelmatig. Kelk uit 4—5 vrije
kelkbladen bestaande of 4—5-deelig of -lobbig, vrij of
zelden met den eierstok vergroeid; lobben meestal groen,
kruidachtig, dakpanswijze dekkend in den knop, altijd
blijvend in de vrucht. Bloembladen bij het geslacht
Mesembryanthemum talrijk, groot en gekleurd, bij eenige
andere klein en wit, doch bij de in Nederlandsch Indië
voorkomende geslachten ontbrekend. Meeldraden pcrigy-
nisch of min of meer hypogynisch, in bepaald of onbe-
paald aantal, wanneer zij in hetzelfde aantal voorkomen
als de kelkbladen tegenover deze, wanneer zij in grooter
aantal voorkomen op denzelfden afstand van elkander of
tot bundels vereenigd; helmdraden priemvormig of ver-
breed, vrij of tot eene vleezige nap vergroeid; helm-
-ocr page 664-
604
LXIII AIZOACEAE.
knoppen langwerpig, zelden lijnvormig, 2-hokkig, met
van voren in de lengte openbarstende hokjes. Eier-
stok meestal vnj, 2—oo-hokkig, zelden 1-hokkig; stijlen
evenveel als hokjes van den eierstok, vrij, of\' vergroeid
tot één stijl met gespleten top, meestal priemvormig en van
binnen met stempelkliertjes bekleed; in elk hokje of 1
basilair eitje, öf co eitjes, die ingeplant zijn op asstandige
(of volgens Pax ook wandstandige) zaadlijstcn, amphi-
troop (volgens Pax ook anatroop). Vrucht meestal cene
vliezige of papierachtigo doosvrucht, die hokverbrekend
of rondom met eene dwarsspleet openspringt, zelden eene
dopvrucht of eene steenvrucht met 1—oo kernen, of eene
splitvrucht, die in 2—5 kluisjes of blaasvruchtjes uiteen-
valt, meestal kleiner dan de blijvende kelk en door
dezen ingesloten. Zaden in elke vrucht 1—co , niervormig
afgerond of kogel- of omgekeerd eivormig; zaadhuid
vliezig of korstachtig, niet zelden met groeven of holten;
navel zijdclingsch, zelden aan de voorzijde; kicmwit gering
of overvloedig, meelachtig of vleezig; kiem min of meer
gekromd, het kiemwit omgevend, meestal rolrond en
ringvormig; zaadlobben smal, plat-bol of half rolrond,
opliggend ; kicmwortcltje rolrond.
Éénjarige of overblijvende, meestal ncderliggende, ver-
takte kruiden, zelden halfheesters, met dikwijls in kran-
sen geplaatste, aan de knoopen verdikte, niet zelden ge-
leede takken. Bladeren tegenovergesteld, afwisselend of
in schijnkransen, enkelvoudig, niet zelden vleezig, gaaf-
randig of met kraakbeenachtigc gezaagde of gedoomde
randen. Steunblaadjes ontbrekend of stijfvliezig. Bloeiwijze
bepaald, meestal in bjjschcrmen, bundels of kluwens,
nooit in trossen.
Aantal soorten omstreeks 4.10, in ile tropische en subtropische
gewesten verspreid, in de koudere zeldzaam aangetroffen. De naam
Aizoacette, door Eicm.F.n voorgeslagen en door Pax in zijne mono-
graphie gebruikt, schijnt mij verkieslijker dan Ficoideae. denaam,
welken de familie bij BENTHAM en HOOKEH draagt. Vooreerst is
toch de uitgang aceae, achter den naam van een der geslachten
geplaatst, typisch voor familienamen. De naam Ficoidaceae. door
KuiiRHACii in de Flora Brasiliensis aangenomen, is niet van een
geslachtsnaam afgeleid en heeft dus evenmin den typischen vorm.
Vervolgens is de familie geheel of gedeeltelijk bij de meeste schrij-
vers onder verschillende namen bekend, zoodat geen algemeen
erkende naam verdrongen wordt. Men vindt ze namelijk als Caryo-
-ocr page 665-
LXIII. AIZOACEAE.                                    605
phyllaceae, Portulacaceae. Mesembryanthemaceae. Tetragoniaceae
en/.. Eindelijk komt de familie der Aizoaceae volgens 1\'ax, wat de daarin
opgenomen geslachten betreft, geheel en ui overeen met de Ficoideae
van Bentham en Hookkr.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
-j- Doosvrucht rondom niet eene dwarsspleet openspringend.
i. Sksuviüm. Eierstok 3—5-hokkig, met asstandige, ao -eiige
zaaglijsten. Hladeren tegenovergestoUl, zonder steunblaadjes.
2.   Trianthkma. Eierstok i—2-hokkig, met basilaire 1—» -
eiige zaadlijsten. Bladeren tegenovergesteld, zonder steunblaadjes.
•j-f" Doosvrucht met 3—5 kleppen hok verbrekend openspringend.
3.   MOLLUOO. Eierstok 3—5-hokkig, aan asstandige zaadlijsten.
Bladeren wortelstandig, afwisselend of in sehijnkransen, met af-
vallende steunblaadjes.
1. SESTJVITJM L.
Kelk tolvormig; lobben 5, langwerpig, stomp, aan de
rugzjjde soms met een stekeltje, van binnen gekleurd.
Bloembladen ontbrekend. Meeldraden 5, boven in de kelk-
buis ingeplant en met de lobben afwisselend of co , met
draadvormige, soms aan de basis vergroeide helmdraden;
helmknoppen 2-lobbig. Eierstok vrij, 3—5-hokkig; stij-
len 3—5, van binnen in de lengte met wratjes bezet;
eitjes in elk hokje cc. Doosvrucht langwerpig, vliezig,
3—5-hokkig, rondom met eene dwarsspleet opensprin-
gend, met co zaden in elk hokje. Zaden niervormig, af-
gerond, met lange zaadstrengen en eene gladde zaadhuid;
kiem ringvormig.
Opgerichte of nederliggende, vertakte, sappige kruiden
of half heesters. Bladeren tegenovergesteld, vleezig, lijn-
vormig of langwerpig. Steunblaadjes ontbrekend. Blad-
stelen soms aan de basis door een steunbladachtig vlies
verbonden. Bloemen okselstandig, zittend of gesteeld,
alleenstaand of in kluwens, zelden in korte bijschermen,
dikwijls vlceschkleurig of purper, met 2 schutbladen of
zonder deze.
Aantal soorten 4, langs de tropische stranden verspreid. In
Nederlandsen Indië vindt men slechts ééue soort, Ses. Portula-
castrum L.,
in Miquel\'s Flora als Ses, repons Willd. vermeld.
-ocr page 666-
606
LXIII. AIZOACEAE.
\'2. TBIANTHEMA L.
Kelkbuis kort of lang, klokvormig; lobben 5, kort of
groot, dikwijls sterk gewelfd, van binnen gekleurd, aan
de rugzijdo gestekeld. Bloembladen ontbrekend. Meeldra-
den 5—oo, afzonderlijk of twee aan twee of in bundels
afwisselend met de kelklobben, met draadvormige helm-
draden; helmknoppen kort. Eierstok vrij, met eene brcede
basis zittend, min of meer rolrond, met afgeknotten top,
uit 1—2 vruchtbladen bestaande en 1—2-hokkig; stijlen
2 of 1, in het laatste geval buiten het midden ingeplant,
van binnen met eene langsrij van wratjes; eitjes in elk
hokje alleenstaand of in gering aantal, met eene basilaire,
dikwijls met het tusschenschoc vergroeide zaadlijst. Doos-
vrucht vliezig of lederachtig, cilindrisch of tolvormig,
stomp of afgeknot, zelden gesnaveld, t—2-hokkig, 1—oo-
zadig; bovengedcelte dikwijls dikwandig, door eene dwars-
spleet rondom van do vliezige basis gescheiden. Zaden min of
meer niervormig aan lange zaadstrengen, met eene ge-
groefde zaadhuid; kiem ringvormig.
Wijdvertakte, nederliggende, onbehaarde of zachtharige
of met wratjes bedekte kruiden, zelden halfheesters. Bla-
deren tegenovergesteld, ongelijk, gesteeld, omgekeerd
eivormig, ei- of lijnvormig, gaafrandig. Steunblaadjes
ontbrekend, maar de bladstelen door een steunbladachtig
vlies verbonden. Bloemen okselstandig, alleenstaand of in
bijschermen of bundels, zittend of gesteeld, zelden in
eindelingsche, min of meer aarvormige takken, met 2
schutblaadjes.
Aantal soorten 12. in de warme gewesten van Azië, Afrika,
Australië en Wost Inilië verspreid. In Nederlandsen Indië komen 3
a 4 soorten voor, wier nomenclatuur volgens MiQUEl. en Ci.akkk
in Hookee\'s Fl. of Br. Ind. nog al uiteenloopt. TV. tmmogyna L.
(Clarké)
= TV. obcordala Iin.vb. (Miij.); Tr. decandra L. (Clarké) =
Tr. penlandra L. (MU].); Tr. crystaltina Vahl. (Clarké) = Tr.
sedifolia Vis. (Miq.).
Kene revisie van het materiaal is in dit ge-
slacht echter noodig. De uitgang der soortsnainen op n, zoowel
door Miqi\'ei. als door Clarkk gevolgd, is te verwerpen, daar TVi-
anthema onzijdig is. Al de opgenoemde soortsnanien moeten op um
eindigen.
-ocr page 667-
LXm. AIZOACEAE.                                   607
3. MOLLUQO. L.
Kelkbladcn 5, nagenoeg gelijk, met vliezigen rand,
blijvend. Bloembladen ontbrekend. Mceldraden 3—5,
zelden co, min of moer bypogynisch, soms vermengd
met priemvormige staminodiën, meestal afwisselend met
de kelkbladon ; helmdraden priem-draadvormig; hclmknop-
pen bjnvormig-langwerpig. Schijf ontbrekend of weinig
ontwikkeld en ringvormig. Eierstok ei- of kogelvormig,
3—5-hokkig ; stijlen 3—5, lijn- of knodsvormig; eitjes ao
in elk hokje, vastgehecht in den binnenhoek. Doosvrucht
vliezig, in den kelk besloten, langwerpig, kogel- ofcilin-
dervormig, 3—5-hokkig, met 3—5 kleppen hokverbrc-
kend openspringend; hokjes 1 — cc-zadig. Zaden groot
of zeer klein, met eene gladde, korrelige of gegroefde
zaadhuid ; zaadstreng enkelvoudig of verbreed tot cenen
kleinen, dikwijls niet een draadvormigen, gekromden
borstel gewapenden zaadrok.
Opgerichte of wijdvertakte en nederliggendo, onbe-
haarde, zachtharige of stervormig-viltachtig behaarde,
dikwijls vorkswijs vertakte kruiden. Bladeren alle wor-
telstandig of afwisselend of meestal in schijnkransen, lijn-
vormig, omgekeerd eirond of spatelvormig. Steunblaadjes
vliezig, afvallend, onverdeeld. Bloemen groen, in oksel-
standige bundels, bijschermen of trossen geplaatst.
Aantal soorten 12, in de warme gewesten <ler beide halfronden
voorkomend. In Nederlandseh Indië vindt men waarschijnlijk 3 ii 4
soorten van dit geslacht, in Miquel\'s flora deels gebracht tot
Mollugo deels tot Glinus L. Tot het eerste brengt MlQUEL M.
stricta L,
en M. pentaphylla L. De laatste werd door Clahke als
synoniem van de eerste beschouwd. Eene andere soort dezer groep,
Af. Cerviana Ser., die zoowel in tropisch Afrika en Azic als in
Australië gevonden is, komt misschien ook voor in Nederlandseh
Indië. Door de zaden zonder aanhangsels en de eindelingsche uit
bijschermen bestaande hloeiwijze onderscheiden zij zich van de
soorten, die volgens MlQUEL en andere schrijvers het geslacht
Glinus vormden. Deze hebben zittende bloemen, een viltachtig
behaarden kelk, 5—oc mceldraden, breed omgekeerd spatelvormige
bladeren en talrijke zaden, die voorzien zijn van een zaadrok met
een gekromd, draadvormig aanhangsel. Dit laatste is weinig ont-
wikkeld bij M. Spergula L., die bij MlQUEL onder den naam van
01. Molluiio Fenzl. is vermeld en BLUHE\'s geslacht Tryphera
vormde, (7V. proatrata UI.), en heeft bij M. Mrta Thtmb.(Gl.tooide»
Loeffl.)
den vorm van eene vliezige schub met een lijnvorniigen
borstel, die zich half om het zaad heenkromt. Door Clahke in
-ocr page 668-
608
LXIV. UMBELLIFERAE.
Hooker\'s Flora of Br. Ind. wordt de vereeniging van Mollugo
en Glinux volgehouden. In I\'ax Ifonographie van de familie dor
Aizoaceae in Enoler\'s Die Naturlichen I\'/lanzenfamilien worden
zij daarentegen wegens al of niet aanwezigheid van den zaadrok
(hier kiempropje, stropliiola, genoemd) weder als afzonderlijke
geslachten beschouwd.
Fam. lxiv. UMBELLIFERAE.
Bentham et Hooker, Gen. Plant. I, p. 859. — Miquel, Ft. Ind.
Bat.
I, i, p. 720. — Sumatra,\\). 336. — Illustr. de la Fl. de l\'Arch.
Ind.
p. 36. — Clakke in Hookeh, Fl. of\' Br., Ind. II, p. 665.
Bloemen regelmatig of door vergrooting der buitenste
bloembladen van de peripherische bloemen der schermen
soms onregelmatig, tweeslachtig, gemengdslachtig-écnhui-
zig, zelden tweehuizig. Kelkbuis met den eierstok nauw
vergroeid ; kelkzoom nu eens weinig ontwikkeld of in den
vorm van eenen ader- of ringvormigen rand, zeer zelden
napvormig, dan weder in 5 kleine lobben of tanden gespleten,
die meestal klein en kruidachtig, zelden groot en dan soms
bloemachtig zijn. Bloembladen 5, op den kelkrand ingeplant,
gelijk of de buitenste het grootst, opgericht of uitgespreid,
zelden plat, meestal hol of met naar binnen gekromden top
of verlengd tot eene smalle, naar binnen geslagen, opge-
rolde of dubbelgevouwen en soms met de middennerf weder
vergroeide topslip en dan door ongelijke ontwikkeling
van de omgeslagen en naar binnen gedrukte middennerf
en de omgevouwen randen schijnbaar uitgerand of 2-
lobbig, in den knop dakpanswijze dekkend of dubbelge-
vouwen klepswijze aaneensluitend. Meeldraden 5, met
draadvormige, in den knop naar voren gebogen helmdra-
den ; helmknoppen ei- of kogelvormig, bewegelijk, met
evenwijdige, in de lengte openbarstende hokjes. Eierstok
onderstandig, 2-hokkig of zelden door mislukking l-hok-
kig. Schijf epigynisch, vrij van de meeldraden en bloem-
bladen, 2-lobbig of 2-deelig, nu eens plat uitgespreid,
met een vrijen, soms verheven of bijna napvormigen,
gaafrandigen of golvend gekartelden rand, dan weder in
het midden overgaande in de kegelvormige bases der
-ocr page 669-
LXIV. UMBELLIFERAE.                           609
stijlen (stijlvoeten) of tot kegelvormige of neergedrukte,
of dik kussenvormigo stijlvoeten of zelden tot 2 klieren
aan de basis der stijlen verminderd; stijlen 2, vrij,
draadvormig, recht of na den bloei teruggekromd, nu
eens zeer kort, dan weder vóór of na den bloei verlengd
en het verlengsel vormend van den top der kegelvormige
stijl voeten of zich ontwikkelend uit de basis van den
binnenkant van deze of van de lobben der schijf;
stempels eindelingsch, stomp of klein knopvormig; in
elk hokje van den eierstok 1 anatroop eitje, hangend
aan den top. Vrucht onderstandig, droog, gekroond door
den kelkrand, waar deze aanwezig is, en door de schijf en
de stijlen, en schotverbrekend uiteenwijkend in 2 niet
openspringende, 1-zadige nootjes, die met eene platte
voegvlakte aaneensluiten, waarbij of de bloembodem of
bloemsteeltop ontbloot wordt, of een draad* of ljjnvor-
migc, gaafrandige, of 2-spletige of-deelige, van de basis naar
den top de vruchtjes loslatende vruchtdrager achterblijft,
aan welks top de laatste vaak hangen blijven. Vrucht-
wand voorzien van nu eens dunne, dan weder vooruit-
springende en verheven of tot vleugels ontwikkelde, door
groeven of dalen gescheiden ribben, nu eens geheel en al
droogvliezig of hard, dan weder te verdeelen in eene vlic-
zige of kurkachtig verdikte buitenlaag en eene dunvliezige
binnenlaag, bovendien soms nog door een uitwendig vlies
omgeven, en dikwijls door striemen, oliehoudende langskana-
len, doorloopen. Zaad in elk nootje 1, hangend aan den
top van het hokje, in rijpen toestand óf met den vrucht-
wand vergroeid, of daarvan vrij aan de platte of in het mid-
den gevoorde of uitgeholde, tegenover de voegvlakte gcplaat-
ste binnen- of voorzijde, of geheel en al vrij ; zaadhuid zeer
dun; kiemwit kraakbeenachtig; kiem klein, nabij den
navel; kiemworteltje naar boven gericht; zaadlobben
kort eivormig, langwerpig of lijnvormig, gelijk of de eene
kleiner dan de andere.
Kruiden of zelden heesters, zeer zelden boomen. Bla-
deren afwisselend of zeer zelden tegenovergesteld ; blad-
steel meestal scheedevormig verbreed, nu eens onverdeeld
en dan aan de basis handnervig of vinnervig en getand
of gelobd of zelden gaafrandig en evenwijdignervig, dan
weder, en wel in de meeste gevallen, 3-tallig samenge-
-ocr page 670-
610                              LXIV. UMBELLIPERAE.
steld of gevind of 2—3-dubbel hand- of vinvormig
samengesteld. Steunblaadjes, behalve do schecdcvorniigc,
breede randen der bladstelen, geheel ontbrekend of hoogst
zeldzaam klein, stjjfvliezig of wimpervormig. Bloemen
klein, gewoonlijk in schermen of hoogst zelden in hoofd-
jee ; schennen enkelvoudig of meestal dubbel samenge-
stcld, cindelingsch, alleenstaand of meerdere tot eonc
pluim vereenigd of hoogst zelden in kransen geplaatst.
Schutbladen zijn onder de schei matraten, de bloemstengels,
die de enkelvoudige schermen dragen, en onder de bloem-
stelen al of niet aanwezig ; de eerste vormen het zooge-
naamde omwindsel, de tweede het omtmndseltje. Bloomen
meestal wit, of eene enkele of alle min of meer purper-
achtig, soms geel, zeer zelden blauw. Nootjes met 5
hoop/ribben, waarvan de buitenste de rngribbe, de beide
aan de voegvlaktc grenzende de zijdelingsche of roeg ribben en
de beide andere, daartusschen gelegen, de middelste ribben
kunnen genoemd worden; de zijdelingsche van de beide
nootjes zijn dikwijls vóór do scheiding vergroeid. In elk
vruchtje zijn tusschen de ribben 4 dalen en wel 2 rug-
dalen
aan weerszijden van de rugribbe en 2 voegdalen
aan weerszijden van de vocgribben. In hot midden der
dalen vindt men soms secundaire of bijribben. Striemen
vindt men gewoonlijk in de dalen tusschen de binnen-
en buitenlaag van den vruchtwand; zij komen op die
plaats echter niet voor bij de Heteroaciudeae, doch wor-
den bij die groep, schoon zeer dun, soms gevonden binnen
de hoofdribben.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Series I. HETEROSCIADEAE. Schermen enkelvoudig of onregel-
matig samengesteld. Italstrioineii ontbrekend.
Tribus I. llydl\'OOOtyleae. Vrucht zijdelings samengodrukt of
aan de vlakte samengetrokken; nootjes aan de rugzijde stomp-, of
scherpkantig of min of meer gevleugeld, aan de zijden plat of gezwol-
len, niet scherpkantig.
1. Hyurocotyi.k. Vrucht sterk samengedrukt, zonder baren,
borstels of stekels. Steunblaadjes klein, stijfvliezig, dikwijls ver-
scheurd. Schermen enkelvoudig. Kelktanden klein of weinig ont-
wikkeld. (InheeiTisch.)
\'2. Trachymkne. Vrucht meestal plat, ruwharig of knobbelig,
dikwijls slechts één nootje volkomen ontwikkeld. Steunblaadjes
-ocr page 671-
611
LXIV. UMBELLIFERAE.
ontbrekend. Schermen enkelvoudig. Kclktaudcn klein of weinig
ontwikkeld. (Inheemse!) in Borneo.)
Tribus II. Sailicnloae. Vrucht min of meer rolrond of ruggc-
lings siimengedrukt, met eene breede voeg vinkte. Kelktanden of-lobben
meestal goed ontwikkeld.
3.   Krynoium. Bloemen zittend in een hoofdje of aar, elk voor
zich door een schutblad gesteund, waarvan de buitenste een
meestal sterk ontwikkeld oniwindsel vormen. Vrucht niet ge-
stekeld. liladeren en schutbladen meestal doornachtig gezaagd.
(Verwilderd.)
4.    Sanicula. Bloemen gesteeld, in enkelvoudige of onregel-
matig samengestelde schermen. Vrucht gestekeld. Bladeren hand-
deelig, niet doornachtig gezaagd. (Inheemsen.)
Series 11. HAPLOZYGIEAE. Schermen meestal  samengesteld. Dal-
stricinen meer of minder duidelijk ontwikkeld,   doch hoogst zelden
ontbrekend. Iloofdribben meer of minder duidelijk  ontwikkeld; bijrib-
ben ontbrekend.
Tribus lil. Ammineae. Vrucht zijdelings samengedrukt of 2-
lobbig en aan de voege ingesnoerd.
Subtribus 1. Smyrnieae. Vrucht breed eivormig of 2-lobbig, soms
gevleugeld. Zaad aan de voorzijde gegroefd of uitgehold.
5.   Conium. Dalen ao -striemig. Iloofdribben meestal gekarteld.
Bloembladen al of niet uitgerand. Vi lichtdrager onverdeeld. Om-
windsels en omwindseltjes oo -bladig. (Verwilderd.)
Subtribus 2. Eu-Ammineae. Vrucht breed, 2-lobbig, eivormig of
langwerpig. Zaad aan de voorzijde bol of plat.
6.   Apium. Bloembladen aan den top niet uitgerand. Balen met
1 broeden striem. Vruchtdrager onverdeeld of kort 2-spletig.
Omwindsels en omwindseltjes (bij de soort, welke in Nederlandsch
Indië soms gekweekt wordt) ontbrekend. (Gekweekt.)
7.   Carum. Bloembladen aan den top meestal uitgerand. Balen
gewoonlijk met 1 striem. Vrachtdrager 2-spletig of -deelig. Om-
windsels armbladig of ontbrekend. Omwindseltjes oo -bladig.
(Gekweekt.)
8.   PiMi\'iNKi.i.A. Bloembladen al of niet uitgerand. Dalen met
oo striemen. Vruchtdrager 2-spletig of -deelig. Omwindsels en
omwindseltjes ontbrekend of armbladig. (Gekweekten inheemsen.)
Subtribus 3. Scandicineae. Vrucht langwerpig of lijnvormig, zelden
eivormig, doch nooit tweelobbig. Zaad aan de voorzijde uitgehold.
9.   Atmiuiscus. Bloembladen al of niet uitgerand. Vrucht ei-
vormig of langwerpig (bij de in Nederlandsch lndië gekweekte
soort gestekeld.). Iloofdribben weinig ontwikkeld. Dalen met 1
striem, welke zeer dun, soms bijna niet waar te nemen is.
Vruchtdrager onverdeeld of 2-spletig. Omwindsels armbladig of
ontbrekend; omwindseltjes oo -bladig. (Gekweekt.)
-ocr page 672-
612
LXIV. UMBELLIFERAE.
Tribus IV. Spsolinoae. Vrucht kogel- of eivormig of Iangwer-
pig of ruggelings samcngedrukt, met eene breede voegvlaktc; zijdo-
lingschc ribben of vrij, óf tot oen dunnerei) of dikkeren, kurkachtigen,
maar niet broeden rand verbonden.
10.   Foenicull\'M. Bloembladen geel, nietuitgerand. Hoofdribbcn
dik of dun, maar niet kurkacbtig. Dalen met 1 striem. Vruehtdra-
ger 2-deelig. Omwindsels en omwindseltjes ontbrekend. (Gekweekt.)
11.   Oenantiie. Bloembladen wit, uitgerand. Zijdelingsche hoofd-
ribben kurkacbtig. Dalen met 1 striem. Vrachtdrager ontbrekend.
Omwindsel en omwindseltjes oo-bladig, zelden armbladig of ont-
brekend. (Inheemsch.)
Tribus V. Pencetlaneae. Vrucht riiggelings samcngedrukt.
Zijdelingsche hoofdribben tot een breeden of vleugelvormigen rand
verbonden.
12.   PEDCEDANUM. Bloembladen wit of geel, al of niet uitgerand.
Vrucht elliptisch of eivormig. Zijdelingsche hoofdribbcn sterker
ontwikkeld dan de ruggelingsche en middelste. Dalen met 1,
zelden met 2—3 striemen. Vrachtdrager 2-deelig. Omwindsels
ao - of armbladig of ontbrekend. Omwindseltjes oo -bladig of bij
het in Nederlandsch Indië gekweekte geslacht ontbrekend.
(Gekweekt).
Series III. DIPLOZYGIEAE Schermen samengesteld. Striemen inde
dalen of onder de bijribben min of meer ontwikkeld. Bij ribben draad-
vorinig, min of meer vooruitspringend of gevleugeld, meestal meer
ontwikkeld dan de hoofdribben, doch bij Ui fora en Coriantlrum alle
weinig ontwikkeld.
Tribus VI. Cancalïlieao. Vrucht rolrond of een weinig zijde-
lings of sterker ruggelings samcngedrukt, niet gevleugeld of op de
ribben van gelobde vleugels of stekels voorzien.
13.   Corianiirum. Vrucht niet borstelig of gestekeld. nagenoeg
kogclvormig. Omwindsel ontbrekend. Zaad aan de voorzijde
uitgehold. (Gekweekt.)
14.   BlFORA. Vrucht niet borstelig of gestekeld, dubbel bolvor-
mig. Zaad aan de voorzijde diep uitgehold. Omwindsel ontbrekend.
(Gekweekt ?)
15.   Daicus. Vrucht gestekeld, eivormig of langwerpig. Zaad
aan de voorzijde min of meer plat. Omwindsel uit ingesneden
schutbladen bestaande. (Gekweekt.)
16.   CAUCALIS. Vrucht borstelig of gestekeld, eivormig of lang-
werpig. Zaad aan de voorzijde uitgehold of ineengerold. Omwindsel
uit lijnvormige schutbladen bestaande. (Verwilderd en inheemsch ?)
1. HYDROCOTYLE L.
Kclktanden klein of weinig ontwikkeld. Bloembladen
gaafrandig, spits of stomp, een weinig hol, in den knop
klepswijze aaneensluitend of dakpanswijze dekkend. Schijf
-ocr page 673-
613
LXIV. UMBELLIFERAE.
uitgespreid, soms met verheven of napvormigen rand;
stijlen van de basis af vrij. Vrucht zijdelings samenge-
drukt, plat of min of meer 2-lobbig, met eene smalle
voegvlakte ; nootjes zijdelings samengedrukt; hoofdribben
adervormig; rugribben om de vrucht een rand vormend;
middelste ribben een weinig vooruitspringend, recht of ge-
kromd; de zijdelingsche in de voege verborgen of daar
min ot\' meer van verwijderd en cenigszins vooruitsprin-
gend, die van de beide nootjes zelden ineenvloeiend; bijrib-
ben zelden duidelijk ontwikkeld, zelden min of meer
netvormig vereenigd; striemen ontbrekend of zeer dun
en binnen de hoofdribben. Viuchtdrager onverdeeld of
ontbrekend, zeer zelden 2-splctig. Zaad zijdelings samen-
gedrukt.
Eenjarige of overblijvende, nederliggende of aan de
knoopen wortelende, soms opgerichte, dikwijls zeer kleine
kruiden of zeldzamer lage halfheesters. Bladeren gaaf-
randig en handnervig, (dikwijls schildvorinig), of hand-
deelig, zelden smal en 1-ncrvig. Stcunblaadjes klein,
stijfvliezig, dikwijls verscheurd, zeer zelden weinig ont-
wikkeld. Schermen enkelvoudig of zelden een weinig on-
regelmatig samengesteld of door eenige kransen van
bloemen langs den schermsteel vermeerderd. Omwindsel
armbladig of ontbrekend. Bloemen wit of zelden purper,
soms éénslachtig.
Aantal soorten 73, op vochtige of moerassige plaatsen in de
warme en gematigde gewesten van de heide halfronden wijd ver-
spreid, de meeste in Australië, Zuid Afrika en Zuid Amerika, minder
talrijk in Zuid Azië, Noord Amerika, tropisch Afrika en Europa. Het
geslacht wordt verdeeld in \'2 secties:
1. Ell-Hydrocotyle. Bloembladen spits, in den knop klepswijze
aaneensluitend. Bijribben ontbrekend of onduidelijk. Bladeren
schild- of hartvormig. Hiertoe heliaoren de meeste soorten van
Nederlandsch Indië, volgens MlQOEL\'s Flora niet minder dan "11,
waarvan 40 door denzelfden schrijver later, in Illustr. du la
Fl. de VArch. Ind.,
tot 4 teruggebracht werden, nl. //. Iiirsula
D C, II. podantha Molk., II. Nevultmsis llook.
en II. Sibthor-
pioidex Lam.,
terwijl naar zijne meening van de elfde, //. Ja-
vanica Thitnl>.,
geen exemplaren van Nederlandsch, maar wel
van Engelsch Indië bekend waren. Evenwel bracht Cl.arkK in
Hookkh\'s Flora of lir. Ind. die echter MlQUEl/s lateren arbeid
klaarblijkelijk niet geraadpleegd heeft, de meeste soorten van Neder-
landscb Indië tot H. Javanicu Thitnb. en H. rotundifolia Roxb.
-ocr page 674-
614
LXIV. UMBELMFERAE.
2. Centella. Bloembladen stomp, in don knop dakpanswijze
dekkend, Bijribben even duidelijk ontwikkeld als de hoofd ribben.
Hiertoe behoort alleen II. Asialica £.., die in alle tropische
en subtropische streken verspreid voorkomt.
2. TRACHYMENE Rudge.
Kelktanden klein of weinig ontwikkeld, zelden 1—2
en priemvormig. Bloembladen gaafrandig, stomp, in den
knop breed dakpanswijze dekkend. Schijf plat, met voor-
uitspringende randen of weinig ontwikkeld; stijlen van
de basis af draadvormig. Vrucht zijdelings samengedrukt,
meestal plat, aan de basis uitgerand, met smalle voeg-
vlakte; vruchtbladen zijdelings samengedrukt, soms één
van beide mislukkend; rugribben een rand om de vrucht
vormend, nu eens scherp, dan weder min of meer ge-
vleugeld; middelste ribben vooruitspringend, boogwijze
gekromd; zijdelingsche in de voege verborgen; striemen
ontbrekend of dun en binnen de ribben gelegen. Vrucht-
drager onverdeeld. Zaad zijdelings plat-samengedrukt.
Kruiden met enkelvoudige haren of zelden onbehaard.
Bladeren 3-deelig of zelden onverdeeld en getand. Steun-
blaadjes ontbrekend. Schermen enkelvoudig. Schutbladen
van het omwindsel lijnvormig, meestal vergroeid. Bloe-
ïnen wit of blauw. Vrucht dikwijls ruwharig of geknob-
beld, soms met één onbehaard of gladder of mislukkend
nootje.
Aantal soorten 14, waarvan de meeste in Nieuw Holland, 1 op
Nieuw Caledonië en volgens Bentham en Hooker 4 (onbeschreven 7)
op Borneo.
3. ERYNGIUM /..
Kelktanden stijf, scherp. Bloembladen opgericht, met
lange, naar binnen geslagen topslip, wegens de van boven
naar binnen gedrukte middennerf uitgerand, zeer weinig
dakpanswijze dokkend in den knop. Schijf verbreed, met
hoogen, om de van de basis af draadvormige stijlen ver-
dikten rand. Vrucht eivormig of omgekeerd eivormig,
zeer weinig samengedrukt, met breede voegvlakte. Nootjes
half rolrond; hoofdribben gelijk, nagenoeg niet of zeer
weinig vooruitspringend; striemen binnen de ribben min
of meer duidelijk waar te nemen, in de binnenlaag van
-ocr page 675-
615
LXIV. UMBELUFERAE.
den vruchtwand zeer dun, onregelmatig notvormig ot
ontbrekend. Vrachtdrager ontbrekend. Zaad half rolrond
of ruggelings samengedrukt, met eene platte of zeer
weinig uitgeholde voorzijde.
Meestal doornachtige kruiden of zelden kleine boomen,
zeer dikwijls geheel en al onbehaard. Bladeren doornach-
tig getand, gelobd of ingesneden of zelden gaafrandig en
met stijve wimpers. Bloemen gezeten in dichte hoofdjes
of aren, elk voor zich door een schutblaadjc gesteund ;
uitwendige schutbladen een doornachtig of stervormig stra-
lend omwindsel vormend, dat zelden korter dan de bloe-
men is. Kelkbuis aan den top of geheel en al door
doorschijnende, platte of blaasvormige schubben bedekt.
Bloembladen wit.
Aantal soorten omstreeks 450, over «Ie gematigde en warmere
gewesten van de beide halfronden wijd verspreid, in Zuid Afrika
echter ontbrekend. In Nederlandsen Indië is geene enkele soort
inheemsen. Evenwel wordt er éóne soort, E. foetidum L., in ver-
wilderden toestand vaak aangetroffen.
4. SANICULA L.
Kelktanden min of meer kruidachtig of vliezig. Bloem-
bladen met lange, omgevouwen topslip, wegens de van
boven naar binnen gedrukte middennerf uitgerand, in
den knop dakpanswijze dokkend. Schijf uitgespreid aan
den rand, hoog opstaande om do draadvormige of zelden
verdikte bases der stijlen. Vrucht] eivormig, nagenoeg
rolrond of een weinig zijdelings samengcdrukt, met
eene breede of min of meerjsamengetrokken vocgvlakte ;
nootjes half rolrond ; ribben èonduidelijk; striemen binnen
de ribben meer of minder duidelijk, die in de binnen-
laag van den vruchtwand co , dun, onregelmatig of ont-
brekend. Vruchtdrager ontbrekend. Zaad half rolrond of
nagenoeg rolrond, aan de voorzjjtle niet uitgehold.
Kruiden; bladeren 3—5-deelig met getande, gelobde
of vinvormig ingesneden slippen, meestal wortelstandig;
stengelbladeren meestal in gering aantal. Onregelmatig
samengestelde, arnistralige, soms vorkswijs vertakte scher-
men, waarvan de omwindsels gevormd worden door
bladachtige, zittende, getande of gelobde schutbladen.
Schermpjes arm- of veelbloemig, met kleine of zelden
-ocr page 676-
61G
LXIV. UMBELLIFERAE.
grootere en straalswijs uitstaande schutbladen. Bloemen
dikwijls gemengdslachtig, in wolk geval de tweeslachtige
zittend, de mannelijke gesteeld zijn. Vruchten dikwijls
met haakvormig omgebogen stekels.
Aantal soorten 10, waarvan i, S. Enropaea L., in Europa, Azië
en Afrika in de gematigde streken of op de bergen der warmere
gewesten wijd verspreid voorkomt, terwijl de overige op de Azorisehe
eilanden, op de Sandwich eilanden en in Amerika gevonden worden. De
in Nederlandsen Indië voorkomende en van liet algeineono type
een weinig afwijkende vormen der genoemde soort werden door
verschillende schrijvers als afzonderlijke soorten beschouwd, zoodat
men ze vermeld vindt als .S\'. elala Hum. of als S. inonlana Reinw.
en S. .lai\'untca lil.
5. CONIUM. L.
Kelktanden weinig ontwikkeld. Bloembladen omgekeerd
eivormig of wigvormig, nu eens met eene zeer korte, om-
geslagen topslip, die wegens de een weinig ingedrukte mid-
dennerf\' uitgerand is, dan weder stomp ofgaafrandig. Schijf
bestaande uit neergedrukte, nagenoeg gaafrandige stijl-
voeten. Vruchten breed eivormig, zijdelings samengedrukt
en aan de voegvlakte min of meer samengetrokken;
nootjes nagenoeg 5-zjjdig; hoofdribben vooruitspringend,
stomp, golvend-gekarteld of glad, de zijdelingsche vrij;
striemen co, zeer dun, onregelmatig. Vrucht onverdeeld.
Zaad half rolrond, aan de voorzijde met eene diepe en
smalle vore.
Hooge, eenjarige en onbehaarde kruiden, met vinvor-
inig dubbel samengestelde bladeren en vinspletige slippen
en tanden. Samengestelde co -stralige schennen. Omwind-
sels en oinwindseltjes co -bladig, uit kleine schutbladen
bestaande. Bloemen ,wit,J gemengdslachtig. Binnenlaag van
den vruchtwand in de rijpe vrucht met het zaad samen-
hangend of zelden daarvan te scheiden.
Aantal soorten "I—3, in het noordelijk halfrond van de oude
wereld tehuis behoorende. In Nederlandsen Indië komt misschien
C. maculalum L. in verwilderden toestand voor.
0. APITJM L.
Kelktanden weinig ontwikkeld. Bloembladen eivormig,
meestal spits en hol, of in eene omgeslagen topslip
verlengd, gaafrandig of zelden wegens de een weinig
-ocr page 677-
617
LXIV. ÜMBELLIFERAE.
ingedrukte middennerf uitgerand. Schijf bestaande uit
neergedrukte of een weinig kegelvormige, gaafrandige
stijlvoeten. Vrucht eivormig of broeder dan lang, zijde-
lings samengedrukt, aan de voegvlakte samengetrokken,
dikwijls 2-lobbig; nootjes 5-kant; hoofdribben evenver
vooruitspringend, stomp; striemen in elk der dalen 1.
Vruchtdrager onverdeeld of aan den top kort 2-splotig.
Zaad half rolrond.
Éénjarige of overblijvende, geheel onbehaarde of aan
de vruchten stijfharige kruiden. Bladeren gevind of
drietallig samengesteld, met gevinde slippen. Schermen
samengesteld, meestal tegenover de bladeren geplaatst of
in de vorks wij ze vertakkingen en tevens aan de toppen
der takken. Omwindsels armbladig of ontbrekend; om-
windseltjes cc -bladig of ontbrekend. Bloemen wit.
Aantal soorten omstreeks 14, over de geheele wereld verspreid.
In Nederlandsch Indië is geene soort inheemsen, doch A. graveo-
lens L.,
de Selderij, wordt volgons Miquel hier en daar verbouwd.
7. CARUM. L.
Kelktanden klein, zeer klein of ontbrekend, soms 1
of meer verlengd. Bloembladen met omgeslagen top-
slip, wegens de min of meer van boven naar binnenge-
drukte middennerf en de verbreede randen uitgeschulpt,
uitgerand of 2-lobbig, zelden in eene lange topslip ver-
lengd en nagenoeg gaafrandig. Schijf bestaande uit
breede of dik kegelvormige, zelden smal kegelvormige
stijlvoeten, aan de basis met gave of onduidelijk gekar-
telde randen. Vrucht eivormig of langwerpig, zijdelings
samengedrukt en dikwijls aan de voegvlakte samenge-
trokken, zeer zelden breed 2-lobbig; nootjes 5-kant;
hoofdribben stomp, vooruitspringend en gelijk, de zijde-
lingsche aan den rand der voege ; dalen 1- zeer zelden
2-striemig. Vruchtdrager 2-spletig of 2-deelig. Zaad nage-
noeg rolrond of ruggelings samengedrukt, aan de voorzijde
bol, plat of licht uitgehold.
Éénjarige of overblijvende, onbehaarde of aan de vrucht
alleen stijfharige kruiden. Bladeren gevind of dubbel drie-
tallig of dubbelgevind. Schermen samengesteld, veel- of arm-
stralig, zelden onregelmatig. Omwindsel armbladig of ont-
brekend; omwindseltjes co -bladig, uit gave schutbladen
39
-ocr page 678-
618
LXIV. UMBELLIFERAE.
bestaande. Bloemen wit of geel, alle tweeslachtig of door
mislukking gemengdslachtig. Bloembladen der onvrucht-
bare bloemen dikwijls onregelmatig.
Aantal soorten omstreeks r>0, <le meeste in de gematigde en
subtropische gewesten der oude wereld, eenige weinige in
Noord Amerika en Zuid Afrika, ééne in verscheidene landen
gekweekt. Behalve de laatste, (\',. Carvi /,., worden in Zuid Azië op
verschillende plaatsen gekweekt: C. llo.rhiirijliiiinu»! lienth. en C.
Coplicum Benth.,
de beide laatste vroeger als soorten van
Ptychotis I) C. beschreven, (Pi. Roxburyhiana D C. en Pi.
Coi>tica PC. = Pt. Aiowan DC).
8. PIMPINELLA L.
Kelktanden onvolkomen ontwikkeld of zelden klein.
Bloembladen versmald tot ecne meestal lange, omgebogen,
of dubbelgevouwen, zelden ten slotte uitgespreide topslip
en wegens de van boven ingedrukte, naar binnengedrukte
of platte middennerf uitgeschulpt, uitgerand of gaafran-
dig. Schijf bestaande uit kussenvonnige of breede of
smalle, kegelvormige stijlvoeten; stijlen meestal lang,
zelden zeer kort. Vrucht eivormig of breeder dan lang,
zelden eivormig-langwerpig, zijdelings min of meer samen-
gedrukt, aan de breede voegvlakte min of meer samen-
getrokken ; nootjes rolrond, 4-kant of ruggelings samen-
gedrukt ; hoofdribben gelijk, meestal dun, ver uiteenstaand;
striemen oo , duidelijk zichtbaar of zeer dun, zelden onder
de ribben dicht opeengedrongen of alleenstaand. Vrucht-
drager 2-spletig of -deelig. Zaden nagenoeg rolrond of
ruggelings samengedrukt, aan de voorzijde bol, plat of
een weinig uitgehold.
Overblijvende of zelden éénjarige, onbehaarde of aan
de bloemen en vruchten een weinig behaarde kruiden.
Bladeren gevind of drietallig of vinvormig dubbel samen-
gesteld, zelden onverdeeld en getand. Samengestelde
schermen. Omwindsels ontbrekend of zelden uit 1—2
schutbladen bestaande ; omwindseltjes meestal ontbrekend,
zelden arm-, zeer zelden oo -bladig. Bloemen wit of geel.
Zaad meestal vrij van den lossen vruchtwand, zelden er
aan vastgehecht.
Aantal soorten 65—70, in liet noordelijk halfrond wijd verspreid.
In Nederlandsch Iiidië komen twee soorten in het wild voor, n.1.
P. Javana D C. en P. Prualjan Molk., de eerste, eene plant,
-ocr page 679-
649
LXIV. UMBELLIFERAE.
waarvan de meeste bladeren onverdeeld zijn, is volgens Miquei.
waarschijnlijk synoniem mot P. Lesclienaultii D C, hetgeen door
Ci-ARKE betwijfeld wordt. Eene derde soort, P. Anisum L., de
Anijs, wordt op Java gekweekt.
9. ANTHRISCTJS Ilo/ïm.
Kelktanden weinig ontwikkeld of zeer klein. Bloem-
bladen langwerpig of wigvormig, met naar binnen gesla-
gen topslip en wegens de van boven ingedrukte of min of
meer platte middennerf uitgerand of nagenoeg gaafran-
dig. Schijf bestaande uit kleine, kegelvormige of neerge-
drukte, meestal gaafrandige stijlvoeten. Vrucht eivor-
mig of langwerpig, aan den top kort versmald, zijdelings
samengedrukt of\' aan de voegvlakte samengetrokken;
nootjes half rolrond ; hoofdribben aan den top een weinig
zichtbaar, doch het overige gedeelte der nootjes glad of
met verspreide stekels ; striemen zeer dun, 1 in elk dal,
moeilijk of soms in het geheel niet te zien. Vruchtdra-
ger onverdeeld of 2-spletig. Zaad min of meer rolrond
of ruggelings samengedrukt, aan de voorzijde gevoord.
Eenjarige of zelden overblijvende, ruwharige of zelden
onbehaarde kruiden. Bladeren vinvormig of drietallig
dubbel samengesteld, met meestal breede, vinspletige of
getande slippen. Schermen samengesteld. Omwindsels
1—2-bladig of ontbrekend; omwindseltjes oo-bladig, met
gaafrandige blaadjes. Bloemen wit, meestal gemengd-
slachtig.
Aantal soorten omstreeks 10, meestal in de gematigde en sub-
tropische gewesten van het noordelijk deel der oude wereld voor-
komend. In Nederlaiulsch Indië wordt ééne soort, A. Cerefolium
Hoffm.,
de Kervel, soms gekweekt.
10. FOENICULUM Adans.
Kelktanden weinig ontwikkeld. Bloembladen eenigszins
breed, in eene stompe of uitgeschulpte, ineengerolde top-
slip versmald, wegens de niet neergedrukte middennerf
niet uitgerand. Schijf bestaande uit groote, kegelvormige,
gaafrandige stij],voeten; stijlen kort. Vrucht langwerpig,
nagenoeg rolrond, met breede voegvlakte; nootjes half
rolrond; hoofdribben dik, vooruitspringend, met stompen
of eenigszins gekielden rug, gelijk of de zijdelingsche
een weinig grooter dan de andere; striemen in elk der dalen
-ocr page 680-
620
LXIV. UMBELLIFERAE.
1, smal, binnen de ribben ontbrekend of zelden zeer dun
en onder de kiel gelegen. Zaad tegenover de striemen
meestal gevoord, ruggelings samengedrukt, aan de voor-
zijde plat of licht uitgehold.
Dikwijls hooge, t\\vee- of meerjarige, onbehaarde krui-
den. Bladeren dubbelgevind met lijn- of borstelvormige
slippen. Schermen samengesteld. Omwindsels en omwind-
seltjes ontbrekend. Bloemen geel.
Aantal soorten 3 of 4, waarvan \\, Foen. rulgare Gaertn. =
Foen. offichiale All. = Foen. capillaceutn Gilib., de Venkel of Fonkel,
in alle streken, ook in Nederlandseh Indië, nu en dan gekweekt wordt.
11. OENANTHE L.
Kelktanden spits. Bloembladen met lange, neergebogen
of dubbelgevouwen topslip, wegens de van boven naar
binnen ingedrukte middennerf en de verbreede randen
uitgerand of 2-lobbig. Schijf bestaande uit kegelvormige,
dikwijls smalle stijlvoeten; stijlen kort, soms na den bloei
verlengd, stijf, zelden afvallend. Vrucht eivormig, lang-
werpig, cilinder-, peer- of kogelvormig, met breede voeg-
vlakte; nootjes halfrolrond; zijdelingsche hoofdribben ver-
dikt en verbreed en eenigszins kurkachtig, de rug- en
tusschenribben nu eens even ver vooruitspringend met
smalle dalen, dan weder onduidelijk of aan de rugzijde
gevoord en daardoor als het ware dubbelgevouwen of
alle kurkachtig verdikt en ineenvloeiend; striemen in de
dalen alleenstaand, zeer zelden met bijvoeging van eenige
onder de ribben, doch in de ribben ontbrekend. Vrucht-
drager ontbrekend. Zaad ruggelings samengedrukt, met
platte voorzijde.
Onbehaarde, meestal op vochtige standplaatsen, soms
in het water groeiende kruiden, met vezelige of tot bun-
dels vereenigde, knolvormige wortels. Bladeren enkel- of
dubbelgevind, zelden tot een hollen, pijpvormigen blad-
steel verminderd. Schermen samengesteld. Omwindsels en
omwindseltjes uit talrijke, onverdeelde blaadjes bestaande,
zelden armbladig of ontbrekend. Bloemen wit, soms ge-
mengdslachlig. Bloembladen, vooral bij de mannelijke
bloemen, dikwijls ongelijk en stralend.
Aantal beschreven soorten omstreeks 35, welk aantal echter
volgens Bentham en Hooker misschien tot 20 moet terug gebracht
-ocr page 681-
LXIV. UMBELI.IFERAE.                                621
i
worden, hoofdzakelijk in de beide helften van het noordelijk half-
rond, in Zuid Afrika en tropisch Australië voorkomende.
Men onderscheidt het geslacht in \'2 secties: I Eu-Oenanthe, .....i
knolvormige wortels, oo -bladig oniwindsel, gestreepte of gladde
vrucht, door de stijve en blijvende, met den bloei grooter wor-
dende kelk tanden gekroond. 2. Dasyloma, met vezelige wortels,
armbladige of ontbrekende omwindsels en eene vrucht, die door
het ineenvloeien van de dikke ribben glad of weinig gestreept is
en op welks top dunne tanden staan, die na den bloei niet groo-
ter worden en soms afvallen. De eerste komt in Nederlandsch Ind ie
niet voor; de tweede bevat de soorten, door MlQUK.i. in zijne Hora
met den geslachtsnaam Dasyloma 1) C. opgenoemd, {U. Javani-
cutn Miq.,
en D. laciniatum -W"/-), on evenzoo de aldaar beschre-
ven Oe. Javanica D C, waarvan volgens latere onderzoekingen van
denzelfden schrijver in lllustr. de la VI. de VArch. Ind. p. 41 de
eerstgenoemde soort een synoniem is. Op de aangehaalde plaats
worden dus beide soorten tot het geslacht Oenanllic teruggebracht,
(Oe. Javanica D C. en Oe. laciniatu Zoll.). ClARKE in Hookkr\'s
Flora of Br. Ind. Il, p. 690 meent beide te moeten vereenigen
in zijne soort Oe. stolonifera Wall.
12. PEUOEDANÜM L.
Kelktanden weinig ontwikkeld of wel duidelijk, doch
klein. Bloembladen omgekeerd eivormig, wigvormig of
nagenoeg eivormig met omgeslagen (dikwijls min of meer
uitgeschulpte of 2-tandige) topslip, wegens de dikwijls
ingedrukte middennerf uitgerand, of gaafrandig. Schijf
bestaande uit een platten, golvenden rand en kleine stijl-
voeten in het midden of zelden uit groote, dikke, kegel-
vormige stijlvoeten en een kleineren, golvenden rand.
Vrucht ellipsoid- of eivormig of zelden min of meer cir-
kelvormig in doorsnede, aan de rugzijde sterk samenge-
drukt, door een scherpen, vleugelvormigen, vóór de splijting
gaven rand omgeven; nootjes aan de rugzijde een weinig
of duidelijk bol; rug- en tusschenribben draadvormig of een
weinig verheven, zijdelings verbreed en min of meer dik
en met een scherpen of dun vleugelvormigen rand, die
der beide nootjes dicht bijeenstaande en een rand om de
vrucht vormende; striemen in de dalen meestal 1 , zelden
op onregelmatige wijze 2 of 3 bijeen, de basis der vrucht
bereikend en zelden afgeknot, die welke binnen de rib-
ben liggen soms dun, soms even dik als die van de
dalen, soms ontbrekend. Zaad afgeplat, met platte of
zelden holle voorzijde en een weinig bol aan de rugzijde.
-ocr page 682-
622                              LX1V. UMBELLIFERAE.
Overblijvende, zelden eenjarige, onbehaarde of zelden
een weinig behaarde kruiden of onbehaarde heesters, nog
zeldzamer booincn. Bladeren dubbelgevind of 3-tallig
samengesteld, zelden enkelgevind, met smalle of draad-
vormige, soms kleine of grootere en breedere en dan ge-
tande slippen. Schermen samengesteld, meestal oo -stralig.
Omwindsels cc - of armbladig of ontbrekend; omwindsel-
tjes co -bladig, zelden zeer klein of ontbrekend. Bloemen
wit of geel, zelden rosé, dikwijls gemengdslachtig, soms
die van het binnenste schermpje vruchtbaar en die van
de zijdelingsche mannelijk en onvruchtbaar, soms in het-
zelfde schermpje tweeslachtige en éénslachtige gemengd.
Aantal soorten omstreeks \'100, in hot noordelijk halfrond, in
tropisch westelijk Amerika en in tropisch en Zuid Afrika voor-
komende. In Nederlandsen Indië wordt Peuc. ijraveolcns Benth.,
misschien verwilderd, aangetroffen op Timor.
13. CORIANDRTJM L.
Kelktanden spits, dikwijls ongelijk. Bloembladen
meestal ongelijk, omgekeerd eivormig, met omgeslagen
topslip, wegens de van boven ingedrukte middennerf
en de vooral bij de buitenste bloembladen verbreede
randen, 2-lobbig. Schijf bestaande uit kegelvormige, gaaf-
randige stijlvoeten. Vrucht min of meer kogel* of eivor-
mig; nootjes half rolrond, zeer weinig van zelf uiteen-
wijkend ; hoofd- en bijribben een weinig vooruitspringend,
de eerste het sterkst, alle aan de rugzijde geplaatst, ter-
wijl de zijdelingsche de voegvlakte omgeven; striemen
onder de bijribben alleenstaand, onduidelijk, die in de
voegvlakte het duidelijkst. Vruchtdrager 2-spletig. Zaad
ruggelings sterk samengedrukt, cirkelvormig, met holle
voorzijde.
Eenjarig, dun, vertakt, onbehaard kruid. Bladeren vin-
vormig ingesneden, de wortelbladeren met eivormige,
ingesneden, de stengelbladeren met lijnvormige slippen.
Omwindsel ontbrekend; omwindseltjes armbladig, met
draadvormige blaadjes. Bloembladen wit, de buitenste
vaak stralend. Vrucht onbehaard.
Aantal soorten 2, waarschijnlijk beide uit de Levant afkomstig,
doch waai van de ééne, D. sativum L., in de meeste landen ge-
kweekt wordt.
-ocr page 683-
62?
LXIV. UMBELMFERAE.
14. BIFORA llolfm.
Kelktanden weinig ontwikkeld. Bloembladen ongelijk
of nagenoeg gelijk, omgekeerd eivormig, met omgeslagen
topslip, wegens de van boven ingedrukte middennerf
en de min of meer verbroedc randen, 2-lobbig of uitge-
rand. Schijf bestaande uit kleine, kegelvormige, gaafran-
dige stijlvoeten. Vrucht broeder dan lang, met eene
kleine voegvlakte, dubbel bolvormig; nootjes nagenoeg
bolvormig, aan de voorzijde tegenover de voegvlakte,
dikwijls met 2 openingen, en met eene korstachtige buiten-
laag van den vruchtwand; hoofdribben zeer dun, bijna
onzichtbaar, min of meer ingedrukt of draadvormig;
dalen of bijribbcn breed, korrelig gerimpeld; striemen
ontbrekend of in de dalen alleenstaand, zeer dun of oo/
duidebjk. Vruchtdrager ontbrekend. Zaad cirkelvormig,
met eene diepe en breede holte in de voorzijde.
Éénjarige, dunne, onbehaarde kruiden. Bladeren vin-
vormig ingesneden, met vinspletige of vindeelige slippen.
Schermen samengesteld, met weinige stralen. Omwind-
sels en omwindseltjes armbladig of ontbrekend. Bloemen
wit, nagenoeg gelijk of meestal stralend.
Aantal soorten 3, waarvan 2 in de Levant en de derde in Noord
Amerika voorkomen. Eene der eerste, B. texticulata Hoffm., wordt
waarschijnlijk ook op Java gekweekt. liij Miquel vindt men haar
hij liet geslacht Atrema D C. vermeld, (A. testieulatum Miq.).
15. DATJCUS /..
Kelktanden spits, dun of weinig ontwikkeld. Bloem-
bladen meestal ongelijk, omgekeerd eivormig of breed,
met omgebogen of ingerolde topslip, wegens de van boven
ingedrukte middennerf uitgerand of de grootste wegens
de verbreede randen 2-lobbig. Schijf uit neergedrukte,
kussenvormige of kort kegelvormige, gaafrandige of onder
aan den rand golvend gekartelde stijlvoeten bestaande.
Vrucht eivormig of langwerpig, nagenoeg rolrond of min
of meer ruggehngs samengedrukt; nootjes half rolrond
of met bolle rug- en platte voorzijde; hoofd- en bijribben
min of meer vooruitspringend, de zijdelingsche hoofd-
ribben vooral het sterkst, alle of alleen de bijribben met
1—2 rijen van stekels of borstels, die vooral bij de bij-
ribben aan de basis tot een vleugel samenkomen; zijde-
-ocr page 684-
624
LXIV. UMBEMJFERAE.
lingsche bij ribbon do voortzetting vormend van do platte
voegvlakte, zijdelingsche hoofdribben in dat vlak nage-
noog niet vooruitspringend; striemen alleenstaand onder
de bijribben. Vruchtdrager onverdeeld of 2-spletig. Zaad half
rolrond of ruggelings samengedrukt, met platte voorzijde.
Eén- of tweejarige kruiden, meestal borstelig stijfharig.
Bladeren dvibbcl vinvormig samengesteld met smalle of
kleine slippen. Schermen samengesteld, nu eens regel-
matig veelstralig, waarbij de buitenste langere stralen
over de middelste kortere na den bloei samenkomen,
dan weder met weinige of zeer ongelijke of tot de vrucht-
rijpheid uitgespreide stralen. Omwindsel nu eens go -bla-
dig, wanneer een deel der blaadjes of alle ingesneden
zijn, dan weder alle gaafrandig of ontbrekend; omwind-
seltjes oo -bladig, met 3-spletige of gaafrandige blaadjes,
zelden ontbrekend. Bloemen wit, dikwijls stralend.
Aantal soorten meer dan 50, waarvan echter verscheidene als
variëteiten eener zelfde soort, D. Carola L., beschouwd moeten
worden, grootendeels in de omgeving der Middellandsche Zee tehuis
behoorend, terwijl er twee in Noord Amerika en Australië voor-
komen. In Nederlandsen Indië wordt D. Carota L. niet zelden ge-
kweekt aangetroffen.
16. CAUCALIS L.
Kelktanden duidelijk en spits, soms klein of nagenoeg
niet waar te nemen. Bloembladen meestal ongelijk, wig-
vormig of omgekeerd eivormig, met omgebogen of dub-
belgevouwen topslip, de grootere wegens de verbreede
randen en de van boven ingedrukte middennerf 2-spletig,
de kleinere gaafrandig. Schijf bestaande uit dikke of kegel-
vormige, gaafrandige stijlvoeten, meestal met korte
stijlen. Vrucht eivormig of langwerpig, min of meer zij-
delings samengedrukt en aan de voegvlakte min of meer
samengetrokken; nootjes half rolrond, met bolle voorzijde
of nagenoeg rolrond; hoofd- en bijribben onduidelijk of
vooruitspringend, nu eens de eerste, dan weder de andere
sterker ontwikkeld, alle met 1—2 rijen stekels, borstels
of puntjes, die wegens de mindere ontwikkeling van de
ribben soms dicht opeengedrongen zijn en onregelmatig
gerangschikt schijnen; striemen alleenstaand onder de
bijribben. Zaden nagenoeg rolrond of ruggelings samen-
-ocr page 685-
625
LXV. ARALIACEAE.
gedrukt, aan de voorzijde diep gevoord of ineengerold.
Éénjarige, meestal stijf harige of min of meer zaeht-
harige kruiden. Bladeren dubbel samengesteld. Schennen
samengesteld, meestal met weinige straleu, eindelingsch
of tegenover de bladeren, in weinige soorten dicht opeen-
gedrongen en op hoofdjes gelijkend, zelden vcelstralig.
Om windsels armhladig of ontbrekend; omwindseltjes go -
bladig, uit smallere of broedere en vliezige blaadjes be-
staande. Bloemen wit of purperachtig, dikwijls stralend.
Aantal soorten 18, waarvan de meeste in den omtrek van de
Middellandsche Zee voorkomen. Onder de synoniemen van dit ge-
slacht noemen Bentham en Hookek ook Torilis Ho/fm., waarvan
ééne soort, T. xcabra I) C, volgens ZOLLINGEB op Java is aange-
troll\'en, terwijl eene andere, T. Anthriscus Gniel., (C. Anthriscus
Scop.),
op Sumatra gevonden is.
Fam. LXV. ARALIACEAE.
Bkntiiam et Hooker, Gen. Plant. I, p. 031. —Decaisne etPi.AN-
ciion, Iievue tlorticole, 1854, p. 104. — Miquei,, Fl. Ind. Bat. 1,1,
p. 745. — Sumatra, p. 337. — Annal. Mus. Bot. Lugd. Bat. 1, p.
1 et p. 219 — Seemann, Uevisio Hederacearum, London 1868. —
Sciieffer, in Natuurk. Tijdschr. v. Nederl. Indiö XXXII, 1873, p. 413
en in Ann. du Jard. Bot. de Buitenz. I, p. 26. — Beccari, Malesia,
I, p. 193. — Ci.arke in Hooker, Fl. of Br. Ind. II, p. 720. —
Hooker, Ic. PI. XVI, 1886. t. 1549. — Boerlage in Ann. du Jard.
Bot. de Buit.
VI, p. 97.
Bloemen twee- of gemengdslachtig of zelden tweehuizig,
regelmatig. Kelkbuis met den eierstok nauw vergroeid;
zoom ringvormig of breed en kort napvormig, afgeknot,
gegolfd, golvend-getand of in evenveel lobben als bloem-
bladen verdeeld of weinig ontwikkeld. Bloembladen 3—oo ,
meestal 5, klepswijze aaneensluitend of dakpanswijze dek-
kend in den knop, meestal met de breede basis ingeplant, elk
voor zich afvallend of tot een kapje samenhangend of
vergroeid, zeer zelden blijvend. Meeldraden evenveel als
bloembladen of zelden meer, met de bloembladen binnen
den kelkrand om de schijf ingeplant; helmdraden draad-
vormig of min of meer dik, meestal met omgevouwen
top; helmknoppen eivormig of langwerpig, ruggelings
vastgehecht, recht of ten slotte teruggekromd niervormig,
-ocr page 686-
626                                   LXV. ARALIACEAE.
2-lobbig, met in de lengte openbarstende hokjes. Schijf
epigyniseh, uitgespreid kusson- of kegelvormig, meestal
met een smallen, vrijen, gaven of gegolfden rand, in het
midden dikwijls met de stijlen ineenvloeiend en met
straalswijs geplaatste in de stijlen overgaande ribben.
Eierstok 1—ac-hokkig, onderstandig; stijlen evenveel
als hokjes van den eierstok, nu eens vrij, opgericht of
ten slotte uitgespreid of neergeslagen, met eindelingsche
of aan de binnenvlakte omlaag loopende stempels, dan
weder aan do basis of tot aan den top vergroeid of tot
een in het midden van de schijf niet of weinig vooruit-
springenden kegel of bult verminderd of bijna geheel ont-
brekend en vervangen door in een kring aan den top van den
kegel of in het midden van de schijf geplaatste, zittende
stempels; eitjes in elk hokje één, hangend aan den top
van het hokje, anatroop; zaadnerf gewoonlijk buikstandig.
Vrucht be8- of meestal steenvruchtachtig, met eone vleczige
of zelden vliezige buitenlaag van den vruchtwand en eene
in 1 — co vrije, beenachtige, korst-of kraakbeenachtige of
zelden vliezige kernen verdeelde binnenlaag. Zaden in
elk der kernen één, hangend, zijdelings samengedrukt of na-
genoeg 3-kant, met zeer dunne, met het kiemwit meestal
nauw vergroeide zaadhuid; kiemwit overvloedig, kraak-
beenachtig of vliezig; kiem nabij den navel, zeer klein;
zaadlobben eivormig of langwerpig, even breed als het
naar boven gerichte kiemworteltje of een weinig breeder.
Boomen of heesters, zelden kruiden, soms hoog klim-
mend, zeer zelden onbehaard, met eene stervormige of vilt-
achtige haarbekleeding of zelden met enkelvoudige haren,
borstels of stekels of ongewapend. Bladeren afwisselend
of zelden tegenovergesteld, gaafrandig, getand, hand- of
vinspletig of hand- of vinvormig samengesteld of her-
haaldelijk samengesteld. Steunblaadjes met den bladsteel
vergroeid, nu eens niet te onderscheiden van den stengel-
omvattenden bladsteel, dan weder binnen den bladsteel
tot eene vliezige of lederachtige plaat vergroeid, of met
vrije toppen, zelden ontbrekend, of nog zeldzamer vrij
van den bladsteel of wimpervormig. Bloemen in hoofdjes,
schermen, aren of kleine trossen, die gewoonlijk tot tros-
sen, pluimen of schermen zijn vereenigd, zelden alleen-
staan. Schutbladen onder de bloemstengels dikwijls op de
-ocr page 687-
627
LXV. ARALIACEAE.
steunblaadjes gelijkend en afvallend of zelden bladachtig;
die onder de bloemen en bloemstelen schubvormig, alleen
of van 2—3 schutblaadjes vergezeld, die onder de
schermpjes soms dicht opcengedrongen, een oinwindsel
vormend. Bloemstelen nu eens aan den top geleed on
aldaar soms oen kleinen bijkelk vormend, dan weder
niet met den kelk geleed. Bloemen klein of van middel-
bare grootte, dikwijls groenachtig-geel. Bloembladen
wanneer zij in den knop klcpswijzo aaneensluiten, meestal
aan den top verdikt, hoekvormig omgebogen en vooral
bij de volkomen bloemen vaak samenhangend.
Aantal soorten omstreeks 340, de meeste tnssclien de keer-
kringen, eenige weinige in de gematigde streken. De familie der
Arnliaceae vertoont eene zoo groote overeenkomst met de Umbcl-
liferae
en Comaceae, dat zij door verscheidene schrijvers vereenigd
zijn geworden. Dien tengevolge zijn sommige geslachten beurte-
lings tot een van deze drie gebracht. De Un&elli ferae onderscheiden
zich echter van de Araliacene hoofdzakelijk door de droge, gewoonlijk
striemen dragende, 2-hokkige, in 2 helften uiteen wij kende vrucht, door
de meestal in tweeën gedeelde schijf, door de in den knop gewoonlijk
dakpanswijze dekkende bloembladen en door de samengestelde schcr-
men. De Comaceae verschillen door den meestal 1-, zelden 2-,
hoogst zeldzaam 3—4-hokkigen eierstok, door de niet uit schermen
bestaande bloeiwijze, door de zijdelingsche of ruggelingsche, doch
niet buikstandige zaadnerf en de meestal grootere kiem. Echter
zijn op al deze kenmerken uitzonderingen, zoodat men de geslach-
ten niet wegens het gemis of de aanwezigheid van een daarvan,
de plaats in de familie kan ontzeggen. Ook bij de verdeeling van
de Araliaceac heeft men dezelfde bezwaren ontmoet en vooral de
hoofdgroepen zijn wegens de uitzonderingen op de als onderschei-
dingskenmerken aangenomen eigenschappen herhaaldelijk anders
samengesteld. Met het oog daarop verdeden BENTHAM en IIookkr
ze niet in Tribus maar in Series, daardoor het kunstmatige der
groepeering willende aanduiden. De omgrenzing der geslachten
loopt bij de verschillende schrijvers ook sterk uiteen.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
Series I. ARALIEAE. Bloembladen in den knop dakpanswijze dek-
kend, met eene breede basis ingeplant. Bloemen gesteeld en met de
bloemstelen geleed.
1.   Ara ma. Bladeren enkel of dubbel vinvormig samengesteld.
Kiemwit gelijk. Stijlen vrij, ten getale van 2 of (bij de soorten
van Nederlandsch Indië altijd) 5. Vrucht (bij uitdroging) kantig.
2.    Dei.arbrea. Bladeren gevind. Kiemwit gelijk. Stijlen 2,
vrij. Vrucht op de doorsnede, nagenoeg rolrond, met half bol-
vormige kernen, welke even als de buitenlaag van den vrucht-
wand talrijke olieblaasjes bevatten.
-ocr page 688-
628
LXV. ARALIACEAE.
3. Arai.idiim. Bladeren enkelvoudig, getand of vinspletig.
Kicinwit uitgevreten. Stijlen vrij, ten getale van 3—4.
Series II. PANACEAE. Bloembladen in cicn knop klepswijze aan-
eensluitend. Meeldraden in het zelfde aantal als de bloembladen. Kiem-
wit gelijk.
f Eierstok \'2—3-hokkig.
I. Bloetrutelen onder de bloem geleed. Vladeren enkel o/\' dubbel hn-
vormig samengesteld, zelden enkelvoudig, zeer zelden 3-tallig.
\'t. 1\'ana.x. Vrur.lit zijdelings sainengediukt, steenvi uchtach-
tig, met 9 kernen. Bloemen in meestal tot pluimen vereenigde
schermen, zelden zittend en in hoofdjes.
2. Bloemslelen onder de bloem niet geleed. Bladeren handlobbig of
spletig, zelden \'3-lallig.
5.   HoRSFIELDIA. Vrucht eivormig, zijdelings samengedrukt, in
2 langwerpige, toegespitste, 3 ribben vertoonende nootjes uiteen-
wijkend. Bloemen in bunilels aan tot lange aren vereenigde
pluimen. liladeren handlobbig of -spletig.
6.   Kalopanax. Vrucht lensvormig samengedrukt, min of meer
2-lobbig. Bloemen in tot trossen of pluimen vereenigde scher-
men. Bladeren handlobbig of 3—7-tallig.
-J-p Eierstok 5—co -hokkig.
a.    Bloemen zittend, elk door een bijkelk omgeven, die bijna even
groot is als de kelk zelf\'.
7.   BrasSaia. Bloembladen, meeldraden en vruchtbladen 6—18.
Bladeren handvormig samengesteld.
b.   Bloemen al of niet gesteeld, doch zonder bijkelk.
§ Stijlen vrij, uitgespreid.
8.    Gastonia. Eierstokhokjes 7—12. Bloemen gesteeld, doch
niet met den bloemsteel geleed.
9.   Poi.yscias. Eierstokhokjes 5. Bloemen ongesteeld. (Wat de
eenige soort van Nederlandsch Indië betreft.)
§§ Stijlen vergroeid, of stempels op dn schijf zittende.
10.   IIeptapi.euriim. Eierstokhokjes 5—co. Stijlen vergroeid of
stempels zittend op de schijf. Steenkernen niet gevoord op den rug.
Bladeren 3—co -tallig, zelden enkelvoudig. Steunblaadjes weinig
ontwikkeld of volkomen vergroeid. Bladstelen glad aan de basis.
11.    TREVESIA. Eierstokhokjes 7—12. Stijlen vergroeid. Steen-
kernen niet gevoord op den rug. Bladeren handlobbig of-spletig.
Steunblaadjes alleen aan de basis vergroeid, doch met vrije top-
pen. Bladeren glad aan de basis. Bloemen in tot trossen of pluimen
vereenigde schermen of hoofdjes.
12.    Esciiwicn.KltiA. Eierstokhokjes 5—\'Cc. Stijlen vergroeid.
Steenkernen gevoord op den rug. Bladeren handspletig of-deelig.
Steunblaadjes vergroeid. Bladstelen met spiraalswijze om de
basis loopende kammen. Bloemen in schermen, wier stralen uit
-ocr page 689-
629
LXV. ARALIACEAE.
3-stralige bijschermen bestaan, waarvan de zijdelingsche stra-
len vruchtbare, de middelste onvruchtbare schermpjes dragen.
Series III. HEDEREAE. Bloembladen in den knop klepswijze aaneen-
sluitend. Meeldraden in hetzelfde aantal als do bloembladen. Kiemwit
uitgevreten.
f Eierstok A-hokkig.
13.   Artiiropiiyllum. Bladeren gevind. Bloemen in samengestelde
schermen. Bloemstelen niet met de bloem geleed.
ff Eierstok 5-hokkig.
14.  Brassaiopsis. Bladeren handspletig of handvormig samen-
gesteld. Schermen tot pluimen vereenigd. Bloemstelen niet met
de bloem geleed. Eierstok 2-hokkig.
15.   Macropanax. Bladeren handvormig samengesteld. Schermen
tot pluimen vereenigd. Bloemstelen met de bloem geleed en aan
den top verbreed of tot een bijkelk uitgezet. Eierstok 2-hokkig.
10. Kissodendron. Bladeren gevind. Schermen tot pluimen
vereenigd.\' Bloemstelen niet aan den top verbreed, doch onduide-
lijk met de bloem geleed. Eierstok 2—5-hokkig.
fff Eierstok S-hokkig.
17.     Osmoxylon. Bladeren enkelvoudig. Bloemen zittend in
schermen, wier stralen uit 3-stralige bijschermen bestaan, waar-
van de zijdelingsche stralen nabij de basis geleed zijn en op
den schotelvormigen top talrijke, zittende bloemen dragen.
Series IV. PLERANDREAE. Bloembladen in den knop klepswijze aan-
eensluitend of tot ééne massa versmolten. Meeldraden oo, gewoonlijk
in 2—4-maal het aantal van de bloembladen en van de eierstok-
hokjes.
18.   Tetraplasandra. Bladeren gevind. Schermen tot pluimen
vereenigd. Bloemstelen niet met de bloem geleed. Bloembladen
vrij. Kiemwit gelijk.
1. ABALIA L.
Kelkrand vooruitspringend, afgeknot, golvend of kort
5-tandig. Bloembladen 5, eivormig, stomp of met zeer
korte, naar binnen geslagen topslip, aan de randen in
den knop min of meer dakpanswijze dekkend. Heeldra-
den 5; helmknoppen langwerpig of zelden eivormig, recht.
Schijf min of meer plat of zelden kegelvormig met vrijen
rand. Eierstok 2—5-hokkig; stijlen 2—5, nu eens van
de basis af opgericht of kort verbonden, en van boven
ten slotte teruggekromd, dan weder van de basis af te-
ruggekromd; stempels eindelingsch. Vrucht zijdelings
samengedrukt of (bij uitdroging tenminste) 3—5-kantig,
-ocr page 690-
630                                  LXV. ARALIACEAE.
met vleezige buitenlaag van den vruchtwand. Steenkernen
2—5, cirkel- of eivormig, samengedrukt, korstachtig of
hard. Zaad samengedrukt; kiemwit gelijk.
Overblijvende kruiden of onbehaardc, zachtharigo, bor-
stclige of stekelige heesters. Bladeren afwisselend, hand-
vormig of vinvormig, enkel of lierhaaldeljjk samengesteld,
met gezaagde blaadjes. Steunblaadjes van de basis van
den bladsteel weinig vooruitspringend. Bloemen dikwijls
gemengdslachtig-éénhuizig, met den bladsteel geleed en
verbonden tot schermen, die of alleenstaan, of tot tros-
sen of pluimen, zelden weder tot schermen vereenigd
zijn. Schutbladen klein.
Aantal soorten volgens BENTHAM en HoOKER 30, in Noord Amerika
en tropisch en Oost Azië. liet geslacht werd door Dkcaisne en
PlanchON in Revue Hort. 1854 p. 104 in 2 secties verdeeld:
1. Ginseng. Kruiden niet hanilvoriiiig samengestelde bladeren en 2,
zelden 3 stijlen. Van deze sectie, door I.iNN\'Aius, Miquei, en Skemann
tot het geslacht Panax L. gebracht, komen geen soorten voor in
Nederlandse!) Indië. 2. Eu-Aralia Kruiden, heesters of boomen,
met enkel of dubbel gevinde bladeren en 5 stijlen. Hiertoe behoo-
ren: A. ferox Mi<j., A. montana BI., A. urlicaefolia BI., A. dasy-
phylla MUj. en A. Javanica Miq.
2. DELAEBREA Vleill.
Kelkzoom wijd klokvormig, met 5 breede, stompe, in
den knop dakpanswijze dekkende lobben. Bloembladen
5, eivormig met breede of iets versmalde basis, in den
knop dakpanswijze dekkend, zeer spoedig afvallend.
Meeldraden 5, met draadvormige helmdraden en eivor-
mige helmknoppen. Schijf klein, vrij dik, min of meer
kegelvormig. Eierstok 2-hokkig; stijlen vrij, opgericht,
van boven knodsvormig, met eindelingsche stempels.
Vrucht eivormig, bijna niet samengedrukt, met eene dun-
vleezige buitenlaag van den vruchtwand, die dikwijls
met oliehoudende blaasjes is opgevuld; kernen papier-
of min of meer korstachtig, of hard en hoornachtig, 5-
kantig of half bolvormig, met platte of min of meer uit-
geholde voegvlakte, met 3 ribben aan de rugzijde en 2
aan de voegvlakte, van binnen over de geheele opper-
vlakte met wratachtige olieblaasjes bezet. Zaad ruggelings
samengedrukt, met een gelijk kiemwit en met eene uit-
geholde of diep gevoorde voorzijde.
Hooge, enkelvoudige of weinig vertakte, onbehaarde
-ocr page 691-
LXV. ARALIACEAE.                                   631
heesters. Bladeren afwisselend, opeengedrongen aan de
toppen van den stengel of van de takken, groot, oneven-
gevind, met lederaehtige, gaafrandige of onduidelijk gol-
vend-gekartelde blaadjes. Steunblaadjcs weinig ontwik-
keld, met den bladsteol vergroeid. Bloem met den
bloemstecl geleed, in tot pluimen vereenigde schermen,
met weinige schutbladen.
Aantal soorten 3, volgens Haim.on, alle op Nieuw Caledonië.
Kéne van deze, Del. paradoxa Vieill., is door Fouiies ook op
Timor Laut gevonden. \')
3. ARALIDITJM Miq.
Bloemen tweehuizig. Mannelijke bloemen: Kelk buis-
vormig zonder holte ; zoom 5-tandig. Bloembladen 5, in
den knop dicht dakpanswijze dekkend, breed eivormig,
met breede basis en omgeslagen topslip. Meeldra-
den 5, met korte helmdraden en nagenoeg kogelvor-
mige helmknoppen, ingeplant aan den rand van eene
kussenvormige schijf. Vrouwelijke bloemen: Kelkbuis
klokvormig; zoom 5-tandig. Bloembladen als bij de
mannelijke bloemen. Staminodiën ontbrekend (?). Eierstok
8,-, zelden 4-hokkig ; hokjes 1-eiig ; stijlen 3, met breede,
kegelvormige basis op de schijf ingeplant en met stem-
pelkliertjes aan den top. Vrucht steenvruchtachtig, schuin
eivormig, van buiten met 4—5 langsvoren en, door misluk-
king van 2—3 hokjes, 1-hokkig en 1-zadig. Zaad hangend,
met eene dikke zaadstreng, die op den top van het zaad
geplaatst is en de zaadhuid doorborende, in het sterk
uitgevreten kiemwit binnendringt, van buiten evenals de
vrucht gevoord ; kiem recht, in den top van het zaad
geplaatst, met cirkelvormige zaadlobben en een rolrond
kiemworteltje.
Onbehaarde heesters, of kleine, 20 voet hooge boomen,
met enkelvoudige, onregelmatig en grof getande of vinsple-
tige bladeren. Bloemen in bijschermen, aan tot pluimen
vereenigde trossen, aan de basis met de gewoonlijk
kleine bloemstelen geleed, de mannelijke kleiner dan de
vrouwelijke. Vrucht 2\'/2 cM. lang.
\') Prof. Omver te Kew had de vriendelijkheid mj omtrent de
identiteit van het exemplaar van FoRUES met eene der Nieuw
Caledonische soorten in te lichten.
-ocr page 692-
632
LXV. ARALIACEAE.
Aantal soorten 1 of 2, in Sumatra en Malakka, n.1. A. pinnalifi-
duni Miq.
en A. dentatum Miq. ; de laatste, die zich alleen onder-
scheidt door zeer weinig ingesneden, soms geheel gaafrandige bla-
deren, moet misschien öf als eone variëteit of als eene vorm van
de eerste beschouwd worden. De beschrijving der vrouwelijke
bloemen en vruchten is ontleend aan Hookkr\'s Icones, naar eene
plant van Malakka, die der mannelijke aan het materiaal in \'s Rijks
Herbarium door Junghuhn in Hoog Ankola op Sumatra aange-
troffen. Er is nog een vrouwelijk exemplaar, met kleine, door in-
secten mismaakte vruchten, dat door Korthals verzameld is en
volgens Miquel van den Pengalengan op Java afkomstig is. Het
komt mij echter waarschijnlijker voor dat de bedoelde groeiplaats
de Singalang op Sumatra is.
4. PANAX L.
Kelkrand gaafrandig of 5-tandig. Bloembladen 5, in
den knop klepswijze aaneensluitend. Meeldraden 5; helm-
knoppen eivormig of langwerpig. Eierstok 2—3-, zelden
4—5-hokkig; stijlen vrij, opgericht of ten slotte terug-
gekromd, kort of zelden verlengd, met schuine dikwijls
langs de binnenzijde der stijlen schuin omlaag loopende
stempels. Vrucht zijdelings samengedrukt of zelden min
of meer kogelvormig, met eene vleezige of zelden vlie-
zige buitenlaag van den vruchtwand; kernen samenge-
drukt, hard, van buiten gevoord, gerimpeld of aan den
rand van de voegvlakte kurkachig verdikt of aan de rug-
zijde verbreed en verhard. Zaad zijdelings samengedrukt
of zelden min of meer rolrond, glad of gevoord, maar
niet uitgevreten.
Onbehaarde of zelden met een wollig vilt bekleede
heesters of boomen. Bladeren hand- of vinvormig samen-
gesteld of zelden onverdeeld; blaadjes gaafrandig, nauw
getand of ingesneden. Bloemen meestal gemengdslachtig,
met den bloemsteel geleed, meestal tot schermpjes ver-
eenigd, zelden tot hoofdjes of kleine trossen, en deze
alleenstaand of in trossen of pluimen. Schutbladen klein
of spoedig afvallend.
Aantal soorten omstreeks 25, in Australië, tropisch Oost Azië
en tropiscli Afrika. Het geslacht Panax, zooals het hier beschre-
ven is volgens Bentham en HOOKER, komt voor Nederlandsen Indië
geheel overeen met Miquel\'s geslacht Nothopanax in de Flora
lnd. Bat.
Later wei-den in Anti. Mus. Lmjd. Bal. de soorten hiervan
door Miquel zelven weder gebracht tot het geslacht Panax en vercenigd
onder dien naam met de soorten der sectie Ginseng van het geslacht
Aralia. De scheiding van Aralia en Panax alleen op grond van
-ocr page 693-
633
LXV. ARALIACEAE.
den aard der aaneensluiting van de bloembladen is zeker kunst-
matig. De vertegenwoordigers der beide geslachten in Nederlandsen
Indië zijn echter duidelijk te onderscheiden daar, op ééne uitzonde-
ring na, bij het laatste de eierstok 2—3-, zelden 4-hokkig is,
terwijl bij het eerste 5 hokjes van den eierstok regel is. Tot de
sectie Nothopanax bracht Miquei, de volgende soorten van Neder-
landsch Indië : P. fruticosum L., P. obtusum BI., P. cochleatum
D C, P. tricochleatum Miq., P. pinnatum Lam.
en P. Zippelia-
num Miq.
Hiervan hebben P. fruticosum L. en P. obtusum BI.
dubbelgevinde, P. cochleatum D C. enkelvoudige, P. tricochleatum
Miq.
drietallige, P. pinnatum Lam. en P. Zippelianum Miq. enkel
gevinde bladeren. In Seemann\'s Rev. Heder. p. 71 worden de
meeste hiervan tot Notlwpanax gebracht, behalve P. tricochleatum
Miq.,
die hij wegens den 5-talligen eierstok als eene soort van
Polyscias Forst, en als een synoniem van Pol. pinnata Forst.,
beschouwt en P. pinnatum Lam., die hij evenals Ci.arke in Hooker,
Fl. of Br. Ind. II, p. 734 als eene soort van Arthrophyllum aanziet,
(A. pinnatum Clarke.). Bovendien noemt Seemann nog voor Neder-
landsch Indië Noth. Cumingii Seem., op Borneo waargenomen,enNoth.
Anisum Miq.
naar eene beschrijving en afbeelding van Rlmpiiius
in zijn Herb. Amboinense II, p. 132 t. 42. Vermoedelijk kan echter
P. tricochleatum Miq. niet als een synoniem van Pol. pinnata Forst.
beschouwd worden, omdat de bladeren 3-tallig zijn en evenmin
P. pinnatum Lam. als eene soort van Arthrophyllum, omdat de
eierstok bij de exemplaren in \'s Rijks Herbarium 2-hokkig en
volgens Sciiumann bij die van Nieuw-Guinea zelfs 2—4-hokkig is.
Ook P. Zippelianum Mui. behoort mijns inziens niet in dit geslacht
tehuis. Zij verschilt toch van Panax door de vergroeide stijlen en
het uitgevreten kiemwit. Ik houd ze veeleer voor eene soort van
K\'lSSOdendron Seem. en wel vooreen synoniem van K. Australianum
Seem.
De exemplaren van beide in \'s Rijks Herbarium komen toch
volkomen met elkander overeen. Het is niet onwaarschijnlijk, dat
niet alleen deze, maar ook nog andere soorten, wanneer volkomen
exemplaren met rijpe zaden van alle bekend zijn, zullen blijken
tot andere geslachten te behooren.
5. HORSFIELDIA BI.
Kelkrand onduidelijk. Bloembladen 5, in den knop
klepswijze aaneensluitend. Meeldraden 5; helmknoppen
kort. Schijf in 2 kleine, kegelvormige stijlvoeten verdeeld.
Eierstok 2-hokkig; stijlen 2, vrij. Vrucht eivormig,
zijdelings samengedrukt, in 2 langwerpige, toegespitste,
3 ribben dragende vruchtbladen (nootjes) uiteenwijkend,
met eene dunne of min of meer vleezige buitenlaag en
eene vliezige binnenlaag van den vruchtwand. Zaad lang-
werpig, min of meer rolrond, of zijdelings samengedrukt;
kiemwit gelijkmatig.
Hooge, gestekelde heesters. Bladeren afwisselend, ge-
40
-ocr page 694-
634                                  LXV. ARALIACEAE.
steeld, aan de toppen der takken dikwijls opeengedron-
gen, hart- of schildvormig, handvorraig 3—5-lobbig of
5—9-spletig, van onderen viltachtig of wollig behaard.
Bladstelen aan de basis niet in steunblaadjes verlengd,
gaafrandig of borstelig-gewimperd. Bloemen in kleine,
op hoofdjes gelijkende schermpjes, welke nagenoeg zittend
langs de lange takken van eene pluim zijn verspreid.
Buitenste schutbladen vliezig, borstelig-gewimperd, dak-
panswijze opeengedrongen, ledig of de buitenste bloemen
omgevend, onder de binnenste bloemen hjn-borstelvormig
of ontbrekend. Bloemstelen zeer klein, onder de bloemen
niet geleed, aan de basis meestal met 2 kleine, borstel-
vormige schutblaadjes, die aan de buitenste bloemstelen
soms iets grooter zijn. Bloembladen onbehaard.
Aantal soorten 1 of 2, op Java. Bentham en Hooker meenen
dat de door BENNETT en de dooi1 BLUHE beschreven H. aculeata
verschillende soorten zijn, waarvan de eerste met groote, schild-
vormige, handspletige, van boven borstelige bladeren II. peltata
Benlli. et Hook.
moet heeten, terwijl de andere, II. aculeata BI.,
3—5-lobbige, van boven onbehaarde bladeren bezit. Miquel, die
zoowel de planten van HORSFIELD als die van Blume had onder-
zocht, had deze onderscheiding niet gemaakt en Seemann nam de
onderscheiding der twee soorten niet aan. Eene nieuwe, wegens
het onvolledige materiaal nog onbeschreven soort komt, volgens
Marchal in ENOLER, Hot. Jahrb. Vil, p. 469, op Timor voor.
Bij de oudere schrijvers en onder anderen bij Miquel in de Flora
Inrf. Bat.
werd Horxfieldia tot de Umbelliferen gerekend, waartoe
zij wegens de vrucht eenigc overeenkomst vertoont; op aanwijzing
van Seemann werd het geslacht naar de Araliaceae overgebracht.
6. KALOPANAX Miq.
Kelkbuis half kogel vormig; kelkrand 5- zelden 4-tan-
dig. Bloembladen 5, zelden 4, in den knop klepswijze
aaneensluitend, tijdens den bloei uitgespreid. Meeldraden
5, zelden 4, met draadvormige helmdraden en elliptische
helmknoppen. Schijf neergedrukt. Eierstok 2-hokkig;
stijlen tot den top, zelden alleen aan de basis vergroeid,
met één 2-lobbigen stempel of met 2 vrije stempels.
Vrucht lensvormig samengedrukt of dubbel bolvormig,
sappig of vleezig, door den stijl of de stijlen lang ge-
kroond; kernen 2, kraakbeenachtig of korstachtig. Zaad
samengedrukt, net een glad kiemwit.
Onbehaarde of viltachtig behaarde heesters. Bladeren
handspletig of handvormig samengesteld. Bloemen ge-
-ocr page 695-
635
LXV. ARALIACEAE.
mengd- of tweeslachtig, niet met den bloemsteel geleed,
in kleine schermen, die tot dicht opeengedrongen, einde-
lingsche trossen of pluimen zijn vereenigd, zonder of met
kleine schutbladen.
Aantal soorten volgens Miquel 5, waarvan 3 in Japan en 2
in Nederlanrlseh Indië, A\'. Sumatranum Miq., met handlobbige
en K. resectum Miq., met 3-tallige bladeren. Door Sekmanx en
Bentham en Hookek wei-den de soorten gebracht tot Acanthopanax
Decaisne et Planchon. Het schijnt mij echter rationeel, dat
Miquel Kalopanax met 2-talligen eierstok heeft afgescheiden van
Acanlliopanax met 5—O-talligen eierstok, te meer daar zij zich
ook door meestal geheel vergroeide stijlen onderscheiden en de
door Decaisne en Planchon als hoofdkenmerk van hun onder-
geslacht Acanthopanax beschouwde, doornvormige steunblaadjes
bij onze soorten niet voorkomen. Wil men echter ook deze tot
Acanthopanax brengen, dan moet, daar deze naam wel door Decaisne
en Planchon voor een ondergeslacht, maar door Miquel het eerst
voor een geslacht gebruikt is, de naam van Miquel als auteurs-
naam van Acanthopanax gelden en niet die van Decaisne en
Planchon, zooals door Bentham en Hooker is aangegeven, en
evenmin die van Seemann, zooals in diens Iievisio Hederaeearum
p. 85 wordt gedaan. De namen onzer soorten zijn dan echter A.
Sumatranum Seeni.
en A. resectum Seem.
7. BRASSAIA Endl.
Kelkbuis omgekeerd kegelvormig; kelkrand afgeknot.
Bloembladen lijnvormig, ten getale van 7—17, in een
kapje samenhangend, in den knop klepswijze aaneenslui-
tend. Meeldraden evenveel als bloembladen, met korte,
dikke helmdraden en eivormige of langwerpige helm-
knoppen. Eierstok 6—12-hokkig; stijlen tot eene bult of een
korten kegel vergroeid, met zittende, in een ring geplaat-
ste stempels. Vrucht min of meer kogelvormig, bij uit-
droging gevoord, met eene vliezige buitenlaag van den
vruchtwand en zijdelings samengedrukte, kraakbeen» of
korstachtige kernen. Zaden zijdelings samengedrukt met
een gelijkmatig kiemwit.
Onbehaarde boomen, met vinvormig samengestelde
bladeren en gesteelde, meestal groote, lederachtige, gaaf-
randige blaadjes. Steunblaadjes binnen den bladsteel ver-
groeid. Bloemen elk afzonderlijk zittend binnen een nap-
vormig omwindseltje of bijkelk, gevormd door 4 breede
schutblaadjes, en vervolgens vereenigd tot hoofdjes, die
langs de trosvormige takken van eene wijde pluim ver-
spreid staan.
-ocr page 696-
636
LXV. ARALIACEAE.
Aantal soorten 2 of 3, zich verspreidende van Engelsen Indië
tot Noord Australië. Volgens Sekmann zijn er 4 soorten: 1. Br.
actinophylla Endl.
, die in Australië voorkomt. 2. Br. macro-
stachija Seem.,
eene soort van Nieuw Guinea, door Bentham het
eerst als eene soort van Sciadophyllum P. Br., (Sc. macrostachyum
Benth.),
beschreven, doch in de Genera Plantarum op de aanwijzing
van Seemann in Bev. Heder. tot Brassaia gebracht, 3. Br. litorea
Seem.
naar eene beschrijving en plaat van Rumphius Herb. Anib.
I, p. 150 t. 52, die echter volstrekt niet met de kenmerken van
Brassaia overeenkomen, zooals reeds door Bentham en Hooker is
aangegeven en 4. Br. sessilis Seem. De laatste, ook door Bentham
en Hooker als eene soort van Brassaia beschouwd, is eene plant
van Sumatra, door MiQUEL tot het geslacht Parapanax Miq. ge-
bracht, (P. sessilis Miq.), doch die wegens het ontbreken van het
omwindseltje geen Brassaia mag heeten, en zeker in het geslacht
Heptapleurum Gaertn. tehuis behoort. Eéne soort echter, door
Seemann tot Heptapleurum gebracht, en vereenigd met eene echte
Heptapteurum-soort, II. Cephalotes Clarke, onder den naam van
H. capitatum Seem., doch niet in Nederlandsche Indië voorko-
mende, is Br. capilata Clarke. De eenige soort in het gebied onzer
Flora gevonden is derhalve Br. macrostachya Seem.
8. G-ASTONIA Comm.
Kelkbuis urnvormig, met afgeknotten zoom. Bloem-
bladen 10—15, in den knop klepswijze aaneensluitend,
vrij of aan den top samenhangend. Meeldraden in het-
zelfde aantal als de bloembladen; helmdraden kort; helm-
knoppen langwerpig, meestal teruggekromd. Schijf uit-
gespreid. Eierstok 7—15-hokkig; stijlen evenveel als
eierstokhokjes, vrij of onder aan de basis een weinig
vergroeid, kort of lang, in het laatste geval teruggesla-
gen, aan de binnenzijde van stempelkliertjes voorzien.
Vrucht ei- of nagenoeg kogelvormig, bij uitdroging ge-
ribd; steenkernen kraakbeenachtig of hard, zijdelings
samengedrukt. Zaad samengedrukt, met een gelijkmatig
kiemwit.
Onbehaarde boomen, met gevinde bladeren en dik
lederachtige blaadjes. Steunblaadjes weinig ontwikkeld.
Bloemen, niet met de bloemstelen geleed, tot schermen
vereenigd, die in pluimen bijeenstaan. Schutbladen spoe-
dig afvallend of ontbrekend.
Aantal soorten 2, Gast. cutispongia Lam. en Gast. Papuana Miq.,
waarvan de eerste op Mauritius, de tweede in Nieuw Guinea
voorkomt. Waarom Sekmann de laatste soort tot het geslacht
PolySCiaS Forst, brengt en haar Pol. Papuana Seem. noemt, is
mij niet zeer duidelijk. De bloemen zijn hier toch niet geleed ; de
-ocr page 697-
637
LXV. ARALIACEAE.
bewering verder, dat de 8-tallige bloemen regel en de I2-tallige
uitzondering zijn, is evenzeer onjuist. Volgens Miquel varieert het
aantal eierstokhokjes tussehen 7 en 12 en zijn de meeste bloemen
11-tallig. Toch blijft de plaats dei\' sonrt onzeker, omdat zoowel de
bloemen als de rijpe zaden onbekend zijn. Het uiterlijk der plant,
de bladeren, de bloeiwijze, de kelkrand, de stijlen en de onrijpe
vruchten wijzen echter op geen ander geslacht dan Gaslonia. In
\'s Uijks Herbarium zijn nog eenige planten met gezaagde blaadjes
en iets korter stijlen, die echter waarschijnlijk tot hetzelfde ge-
slacht behooren. G. sfiururoidcs Ro.rb., in ü C. Protl. 1 v. p. 2T>t)
als eene soort van Gilibertia R. et P., (Gil. saururoide» Ü C),
beschreven on naar ondersteld wordt in de Molukkcu voorkomende,
moet als zeer onzeker beschouwd worden, zoowel wat de groeiplaats
als het geslacht betreft. Ten minste beschouwt Miquki. haar als
een synoniem van zijn Botryopanax, (li. Borbonica Miq.), die in
Bourbon voorkomt.
9. POLYSOIAS Forst.
Kelkbuis tol- of half bolvormig; kelkzoom afgeknot of
5—8-tandig. Bloembladen 5—8, in den knop klepswijze
aaneensluitend, vrij of aan den top samenhangend.
Meeldraden zooveel als bloembladen, met korte helm-
draden ; helmknoppen eivormig of lang Aerpig, recht of
teruggekromd. Schijf plat of zelden min of meer kegel-
vormig. Eierstok 5—8-hokkig ; stijlen vrij of zelden aan
de basis tot een kegel vergroeid, ten slotte teruggeslagen of
uitgespreid, van boven aan de binnenzijde met stempel-
kliertjes. Vrucht min of meer kogelvormig, door uit-
droging geribd, met eene vleezige buitenlaag van den
vruchtwand ; kernen zijdelings samengedrukt, lederachtig
of korstachtig. Zaden min of meer samengedrukt, met
een gelijkmatig kiem wit.
Boomen of onbehaarde heesters. Bladeren gevind;
blaadjes lederachtig, meestal groot. Steunblaadjes weinig
ontwikkeld of ontbrekend. Bloemen met de meestal korte
bloemstelen geleed, verbonden tot hoofdjes, scher-
men of trossen, die in trossen of pluimen langs de
takken eener pluim staan. Schutbladen schubvormig of
ontbrekend.
Aantal soorten volgens Bentham en Hooker 8, op de Maseare-
nische eilanden, in Engelsen en Nederlandseh Indië en op de eilanden
van de Stille Zuidzee. De soorten van Nederlandsen Indië, die
hiertoe behooren, zijn volgens Seemann : 4. Pol. pinnata Forst.,
door hem beschouwd als synoniem van Nothopanax tricochlealum
Miq.,
welke door ons bij het geslacht Panax gebracht is, 2. Pol.
-ocr page 698-
638
LXV. ARALIACEAE.
Paptuma Seem., door ons bij het geslacht Gastonia besproken en S.Pol.
nodosa Snem.
Do laatste soort, waarnaar Miquki. zijn geslacht
Eupteron vormde, (Eu. nodosum Miq.), schijnt mij de eenige soort
van Nederlandsch Indiö, dio in het geslacht past. Echter onder-
scheidt zij zich van de andere door de zittende bloemen, den
steeds 5-talligen eierstok en de in eene holte van de schijf geplaat-
ste stijlen.
10. HEPTAPLEÜRUM Gaertn.
Kelkrand weinig vooruitspringend of klein getand.
Bloembladen 5—oo, in den knop klepswijze aaneenslui-
tend. Meeldraden evenveel als bloembladen; helmknop-
pen ei- of\' kogelvormig. Schijf bol- of kegelvormig, soms
in een zuilvormigen, geribden of gladden stijl verlengd
of in het midden cenigszins uitgehold. Eierstok met
evenveel hokjes als bloembladen; stempels vrij of tot
eene stempelschijf verbonden, of zittend op den top van
de kegelvormige schijf of om den rand van de holte in
deze, of op of om den al of niet verbreeden top van de
geribde of gladde zuil. Vrucht nagenoeg kogelvormig,
door uitdroging dikwijls kantig of geribd, meestal met
den top boven den kelk uitstekende, met eene vleezige
buitenlaag van den vruchtwand en zijdelings samenge-
drukte, papier- of korstachtige of vrij harde kernen. Zaad
zijdelings samengedrukt, niet een gelijkmatig kiem wit.
Hooge heesters of boomen, niet of viltachtig behaard.
Bladeren afwisselend, meestal handvormig samengesteld,
zelden 1-bladig gevind of dubbel samengesteld, met gaaf-
randige of zelden nauw getande blaadjes. Steunblaadjes
meestal binnen den bladsteel vergroeid en vrij sterk ont-
wikkeld. Bloemen, meestal gesteeld, doch niet met den
bloemsteel geleed, zelden zittend, in schermen, zelden
in hoofdjes of trossen, welke tot groote of korte plui-
men vereenigd zijn, zelden alleenstaand. Schutbladen
aan den voet der schermstralen vliezig en spoedig afval-
lend, aan den voet der bloemstelen zeer klein of ont-
brekend.
Aantal der soorten volgens Bentham en Hooker 60, in tropisch
Azië en Afrika, in Australië en de eilanden van de Stille Zuidzee.
Waarschijnlijk zal dit aantal thans veel grooter zijn, daar, sinds
de opgave van Bentham en Hooker verscheidene nieuwe soorten
ontdekt zijn. Eene groote hoeveelheid, misschien wel de meerder-
heid wordt in Nederlandsch Indië gevonden. In Miquel\'s werken
droeg het grootste gedeelte van het geslacht den naam van Para-
-ocr page 699-
639
LXV. ARALIA.CEAE.
tropia D C. Eene soort, mot enkelvoudige bladeren, door Blume
eerst tot Sciodaphyllum (drukfout voor Sciadophyllum) /\'. Br.,
gebracht, (Sc humile BI.), werd doorMio.ui:i, eerst in zijn Flora als
een afzonderlijk geslacht Actinomorphe Mi//, beschouwd, (.1. Iiumile
Miij.).
Later in de Antutli\'s bracht deze haar tot Paratr. pitrasitica
jM/i/., (Hept. parasiticum Seetn.). Twee andere soorten, welke
Miquei.\'s geslacht Parapanax vormden, Pttrap. lillorule Miq. en
Parap. srssile Miq., die zich hoofdzakelijk van de andere onder-
scheiden door het grooter aantal eierstok hokjes (bij Parap. sessile
Miq.
tot 17) en door den eigenaardige» top der stijlzuil, zijn mijns
inziens te recht later door Mlui\'Kl, zelven tot het geslacht Parn-
tropia
gebracht, liet aantal dei\' hokjes van den eierstok is toch
in het geheele geslacht zeer veranderlijk, even als de plaatsing der
stempels. Hij onze soorten zijn de stijlen eerst tot eene korte zuil
vergroeid en spreiden zich dan stiaalswijze uiteen, een horizontaal
schild vormend, aan welks rand zij, dus aan hunne uiteinden, de
knopvorinige stempels dragen. Hij BENTHAM en HoOKKH vinden
wij echter de eerste tot Trevesia Vis. gebracht, waarvan zij af-
wijkt door hare bladeren, hare steunblaadjes en hare vruchten, de
tweede tot Brassaia. (I!r. sessilis Secm.), waarvan zij verschilt
door het gemis van den voor dat geslacht typische» bijkelk. Aan
den voet van elk dei\' vruchtjes vindt men slechts één borstelvonuig
schotblaadje, zooals aan den voet der bloemsteeltjes der H<,ptiiplnn-
rum
soorten niet zelden voorkomt. De soort komt, wat hare bloeiwijze
aangaat, volkomen overeen met Hept. Cephaloles Clarke. De beide
soorten van Parapanax moeten derhalve Hept. lilloratc en Hept.
sessile
genoemd worden, doch zooals reeds door Miquel werd aan-
geduid, eene afzonderlijke sectie, Parapanax, vormen. In deze sectie
zijn de hloompluimen uit hoofdjes of schermen gevormd.Kene tweede
sectie, Agalma. omvat al de soorten, waarvan de schijf verlengd is
tot eene langere of kortere, geribde of gladde stijlzuil, die echter
niet sterk op den top verbreed is en een enkelvoudigen of gelob-
den stempel draagt. Deze sectie omvat vooreerst eene sectie van
Miquei.\'s Paratropia, waaraan hij den naam gaf van Aparatropia
en ten tweede Miquei.\'s geslacht Agalma. Deze sectie, door See-
mann als een geslacht opgevat, bevat verscheidene soorten, die
behalve door de stijlen zich ook onderscheiden door de uit
trossen en niet uit schermen gevormde bloempluimen, een kenmerk
waardoor Miquel zijn geslacht van de sectie Aparatropia uit het
geslacht Paratropia afscheidde. De derde sectie is Eu-Heptapleurum,
bij Miqlei. Ell-Paratropia genoemd, gekenmerkt door de kegelvormige
schijf, die op den top of vrije óf vergroeide, zittende stempels of
uiterst korte, vrije stijlen draagt. Hier vindt men onder de soorten
van Nederlandsen Indië slechts uit schermen bestaande pluimen.
H. TREVESIA Vis.
Kelkrand duidelijk boven de schijf ontwikkeld, met
gegolfden of getanden rand. Bloembladen 7—12, lang
samenhangend, óf tot een kapje vereenigd afvallende, of
in 3 a 4 uit 2—3 bloembladen bestaande kleppen uiteen-
-ocr page 700-
640
LXV. ARALIACEAE.
wijkend. Meeldraden 7—12, met dikke, in de inhammen
der schijf geplaatste helmdraden; helmknoppen eivor-
mig, in den knop op de schijf neergebogen, tijdens den
bloei opgericht of uitgespreid. Schijf met talrijke holten,
de indruksels der helmknoppen. Eierstok 7—12-hokkig ;
stijlen evenveel als eierstokhokjes, vergroeid tot eene zuil,
die of de voortzetting van de schijf schijnt, of in het
midden daarop is geplaatst; stempels aan den top der
stijlzuil voornamelijk aan den rand gelegen. Vrucht half
bolvormig of eivormig, gekroond door de in omvang toegeno-
men schijf en stijlzuil; kernen vliezig, bij rijpheid niet
uiteenwijkend, aan de rugzijde afgerond, zijdelings samen-
gedrukt en glad. Kiemwit gelijkmatig.
Gestekelde, ruwharige of onbehaarde boomen of hees-
ters. Bladeren handlobbig of -spletig met gladde blad-
stelen. Steunblaadjes met de randen van den bladsteel
vergroeid, doch onderling alleen aan de basis verbonden
tot eene 2 spitsen dragende schub. Bloemen niet met den
bloemsteel geleed, tot schermen vereenigd, die aan lange
trossen of pluimen zijn geplaatst. Schutbladen blijvend
of afvallend.
Aantal soorten 4, waarvan 1 in Engelsch en 3 in Nederlandsen
Indië. Volgens Bkntham en Hookkr omvatte het geslacht soorten
van Reynoldsia A. Gray, Eschweileria Zipp. en Parapanax Min.
Het eenige geslachtskenmerk, dat deze verbindt en van andere
afscheidt, ofschoon niet bij alle eveei sterk ontwikkeld, was gelegen
in den eigenaardigen, schijfvormigen top der stijlznil, een ken-
merk, waarnaar men in het geslacht Heptapleurum talrijke ovcr-
gangen vindt. De beide oudste soorten werden achtereenvolgens
tot Gastonia Comm.\', Gilibertia 7?. et I\'.; Sciadophyllum I\'. Br.
en Actinophylllim /?. et 1\'. gchracht.Rij de soort uit Engelsch Indië, Tr.
palmata Vin.
, staan de bloemen in tot pluimen vereenigde scher-
men; bij die van Nederlandsen Indië vormen zij lange trossen,
waarvan de bloempjes in schermpjes of, bij Tr. Beccarii Boerl.,
in gestoelde hoofdjes bevestigd zijn. De bladeren zijn bij alle hand-
lobbig of -spletig. doch bij Tr. Burckii Boerl. is het onderste
gedeelte van het blad geheel gaaf en gaan de handvormig
uiteenstaande nerven aan den top van het vergroeide deel over
in elliptische, door ontblooting van de nerven soms gesteelde slip-
pen. De vierde soort is Tr. Sundaica Miq.
12. ESOITWEILERIA Zipp.
Kelkrand boven de schijf uitstekend, afgeknot of gol-
vend. Bloembladen aan de basis verbonden, aan den
-ocr page 701-
LXV. ARALIACEAE.                                  641
top vrij of ten getale van 2 of 3 samenhangend en
aldus eene 4—8-tandige bloemkroon vormende. Meel-
draden 5—oo, met dikke helmdraden; helmknoppen
eivormig-langwerpig, aan de basis eenigszins pijlvormig,
in den knop opgericht, tijdens den bloei uit de bloem-
kroonbuis te voorschijn tredend. Schijf weinig ontwik-
keld. Eierstok 5—oo -hokkig; stempels in een kring ge-
plaatst op den top der niet hooge stijlzuil. Vrucht min
of meer kogelvormig, vleezig, gekroond door de niet na
den bloei vergroote schijf; kernen houtachtig, zijdelings
samengedrukt, aan den rug gevoord of zelden met bol-
len, gevleugelden rug. Zaad samengedrukt; kiemwit ge-
lij kmatig.
Boomen, heesters of zelden min of meer houtachtige
of sappige kruiden, onbehaard. Bladeren handspletig of
hand- of voctvormig samengesteld, met gezaagde, zelden
stomp getande blaadjes. Bladstelen aan de basis spiraals-
of kranswijze door verscheurde of g.tafrandige kammet-
jes omgeven. Steunblaadjes met den rand van den blad-
steel slechts weinig vergroeid, binnen den bladoksel tot
eene gaafrandige of zijdelings gevleugelde, niet uit 2
spitsen gevormde schub vergroeid. Bloemen in samenge-
stelde schermen, wier stralen zich bijschermachtig in
drieën vertakken, waarvan de middelste tak een scherm
op vrouwelijke bloemen gelijkende 4—7-hokkigc schijn-
vruchten met onontwikkelde eitjes voortbrengt, ter-
wijl de zijdelingsche elk een scherm of hoofdje met
tweeslachtige bloemen dragen, waaraan zich ten slotte
rijpe vruchten ontwikkelen. Schutbladen dikwijls schub-
vormig, aan de basis der schermstralen min of meer
ontwikkeld, soms spoedig afvallend, zelden tegenover
elkander in het midden aan de stelen der zijdelingsche
schermpjes.
Aantal soorten 10, waarvan 1 op de Philippijnsche eilanden en
0 in Nederlandsch Indië en wel de meeste op Nieuw Guinea,
eenige weinige op Celebes en de Molukken. De oudste soort werd
eerst door Miquel en op zijn voorbeeld door Seemann en Bentham
en Hooker tot Trevesia VU. gebracht, daarna door Beccari met
Osmoxylon Miq. vereenigd en ten slotte door schrijver dezes van
het laatstgenoemde geslacht weder afgescheiden onder den naam
van Esc/uveileria, haar reeds vroeger door Zippelius gegeven, (£.
palmata Zipp.).
-ocr page 702-
642
LXV. ARALIACEAE.
IS. ARTHROPHYLLUM BI.
Kelktanden 5, kort en spits. Bloembladen 5, in den
knop klepswijze aaneensluitend. Meeldraden 5; helm-
knoppen langwerpig, teruggekromd. Schijf uitgespreid,
met vrijen, golvonden rand, in het midden hoog en met
den stijl ineen vloeiend. Eierstok 1-hokkig, met 1 eitje;
het hokje is echter meestal niet in het midden van den
eierstok geplaatst; stijl kort, met eindelingschen, afge-
knotten stempel. Vrucht eivormig of nagenoeg kogel-
vormig, 1-hokkig, met eene dunne buitenlaag van den
vruchtwand en eene korstachtige kern. Zaad min of
meer kogelvormig; kiemwit door dwarse platen diep
uitgevreten.
Onbehaarde boomen of heesters. Bladeren afwisselend
of de bovenste vaak tegenovergesteld, oneven gevind of
de bovenste onverdeeld. Steunblaadjes nu eens binnen
den bladsteel vergroeid en een weinig verlengd, dan
weder zeer weinig vooruitspringend of ontbrekend. Schermp-
jes gesteeld, de meeste tot een samengesteld scherm met
eenige weinige enkelvoudige bladeren verbonden, eenige
weinige alleenstaand in de bovenste bladoksels. Schut-
bladen aan den top van de stelen der schermpjes, zeer
klein. Bloemstelen onder de vrucht geleed.
Aantal soorten 3, waarvan \\ op Ceylon en 2 in Nederlandscli
[ndië. Do beide laatste, A. diversifolium lil. en A. Blumeanum
Zoll. et Mor.,
worden door Ci.arke in Hookkr\'s Fl. of Br. Ind.
Il, p. 733 onder den eersten naam vereenigd. Deze beschrijft
echter nog eene soort, n.1. A. pinnatum Clarke, welke volgens
hem in Nederlandscli Indië ook zon voorkomen en synoniem zon
zijn met de soort, door Miquei. in zijne Flora met eenigen twijfel
tot het geslacht Nothopanax Miq. gebracht, (N. (?) pinnatum
Miq.).
Dat de exemplaren hiervan, welke in de Molukkën zijn
waargenomen, die niet door Miquei. gezien zijn en zich niet in
\'s Rijks Herbarium te Leiden bevinden, tot het geslacht Ar-
lliropln/llitm
behooren, is mogelijk, doch het is zeker dat de
exemplaren van \'s Rijks Herbarium, o.a. uit Celebes, door Miquei,
in zijne Annalen bij het geslacht Panax L. gebracht onder den
naam van P. pinnatum Lam. en als synoniem van N. pinnatum
Miq.
aangehaald, gewoonlijk 2-, zelden 3-hokkig zijn en dus niet
tot Artltrophulium behooren. Eene andere soort, A. reliculatum
BI.,
is volgens Miquei. in Annales Musei Bot. Lvgd. Bat. I. p.
318 beschreven naar een onvolledig exemplaar eener soort van
Calosanthes BL, (C Indica BI.), uit de familie der Biijnoniaceae.
-ocr page 703-
LXV. ARALIACEAE.                                  643
14. BRASSAIOPSIS Decaiane el Planclt.
Kelkrand 5-tandig. Bloembladen 5, in den knop kleps-
wijze aaneensluitend. Meoldraden 5, met draadvormige
helmdraden; helmknoppen eivormig. Schijf dik, soms
zeer dik. Eierstok 2-hokkig; stijlen nu eens zeer kort,
dan weder tot eene hoogo zuil vergroeid, met schuine
naar binnen gekeerde stempels aan den top. Vrucht min
of meer kogel- of eivormig, met eene vleezige buitenlaag
van den vruchtwand; kernen papier- of korstachtig,
met platte aansluitingsvlakken. Zaad min of meer kogel-
vormig met eene platte of gevoorde voorzijde en een
uitgevreten kiemwit.
Gestekelde of ongewapende, onbehaardc of viltachtig
behaarde boomen of heesters. Bladeren handvormig samen-
gesteld of handspletig. Steunblaadjcs binnen den blad-
steel vergroeid en verlengd of weinig vooruitspringend.
Bloemen niet met den bloemsteel geleed, meestal ge-
mengdslachtig, in schermen langs de takken van eene
uit trossen samengestelde pluim. Schutbladen klein of
weinig ontwikkeld.
Aantal soorten 10 of 11, in Engelsen en Nederlandsen Indië. De
laatste zijn Ihrtss. spectiosa Decaisne et Planch. en Brass. cyrtostyla
Seem.
Beide werden door MiQUEL als soorten van Macropanax Miq.
beschreven, de eerste als M. glomerulatum Miq., de tweede als
M. cyrtoxlylum Miq. Vroeger waren /.ij als soorten van Aralia L.
aangezien : A. glomerulata lil. en A. simillima Korlh.
15. MACROPANAX Miq.
Kelktanden 5, meer of minder duidelijk ontwikkeld.
Bloembladen 5, in den knop klepswijze aaneensluitend.
Meeldraden 5, met draadvormige helmdraden ; helmknop-
pen eivormig of langwerpig, recht. Schijf dik, kussen-
of kegelvormig, in het midden tot eene stijlzuil verlengd.
Eierstok 2-hokkig ; stijlen tot eene zuil vergroeid, met 2
kleine, eindelingsche stempels. Vrucht min of meer kogel-
of eivormig, met eene vleezige buitenlaag van den vrucht-
wand; kernen 2, papier- of korstachtig, met platte voor-
zijde. Zaad vrij dik, ruggelings samengedrukt, met platte
of holle voorzijde; kiemwit uitgevreten of zeer sterk
gerimpeld.
Boomen of heesters, gestekeld of ongewapend. Bladeren
-ocr page 704-
644
LXV. ARALIACEAE.
handvormig samengesteld, met gaafrandigo of gezaagde,
onbehaarde of van onderen viltachtig behaarde blaad-
jes. Steunblaadjes binnen den bladsteel tot eene korte
seliub vergroeid of ontbrekend. Bloemen gemengdslachtig,
in wijde pluimen, uit losse, zelden op hoofdjes gelijkende
schermpjes samengesteld. Schutbladen klein. Bloemstelen
onder de bloem geleed, aan den top verbreed of tot een
bijkelk uitgezet.
Aantal soorten 3, waarvan 1 in Engelscb en \'2 in Nèderlandsch
Indië. De laatste zijn M. oreophilum Miq. en M. concinntim Miq.
Twee soorten, welke door Miquei. tot het geslacht gerekend waren,
.V. tflomerulatum Miq. en M. cyrloshjlum Miq., zijn door Skkmann
tot Brassaiopsis Decaisne cl Planch. gebracht.
10. KISSODENDRON Seem.
Kelkrand 5-tandig. Bloemkroon in den knop klepswijze
aaneensluitend en of als een kapje afvallend, of in 5 spits
eivormige bloembladen splijtend. Meeldraden 5; helm-
draden dik; helmknoppen langwerpig eirond, met een
vrij breed helmbindsel. Schijf niet boven den kelkrand
uitstekend, in het midden in do stijlzuil overgaand. Eierstok
2—5-hokkig, met 1 eitje in elk hokje; stijl tijdens den
bloei kort, na den bloei verlengd, zuilvormig, met 2—5-
lobbigen stempel. Vrucht kogel- of eivormig, met een
sappig vruchtvleesch en 2—5 harde, van buiten rimpelige
kernen. Zaden met uitgevreten kiemwit, nauw omsloten
door eene zeer dunne, vliezige zaadhuid.
Onbehaarde, ongedoornde boom met vecljukkige, ge-
vinde bladeren. Blaadjes gaafrandig, eivormig of lancet-
eivormig, met korte spits en stompe, ongelijkzijdige
basis. Steunblaadjes met de randen van den bladsteel en
met elkander vergroeid tot een den stengel omgevend
kokertje. Bloemstelen aan den top niet uitgezet, doch,
ofschoon onduidelijk, met de bloemen geleed. Bloemen
ten getale van 8—12 in schermen, welke tot pluimen
vereenigd zijn, wier takken onderaan tegenover elkander,
hooger in kransen en aan den top in schermen zijn
geplaatst.
Eéne soort, K. Australianum Seem., in Nieuw Holland en Nieuw
Guinea. De plant is met denzelfden soortsnaam achtereenvolgens
in de geslachten Polyscias Forst., Irvingia F. Mitelt. en Hedera L.
geplaatst, werd bovendien als eene soort van Panax L. beschreven,
-ocr page 705-
645
LXV. ABALIACEAE.
(P. Zippelianum Miq.) en met eenige soorten van dat geslacht
naar Nothopanax Miq. overgebracht, (AT. Zippelianam Seetn.). Op
het voorbeeld van Ferd. Muei.lek brengen Bentham en HOOKER
haar tot lledera. In zijn üescriptive Noten on Papuan 1\'lanls V,
p. 88 scheidt F. MUELLER haar weder daarvan af, doch verandert
den oorspronkelijk.cn geslachtsnaam in Cissodendron. Het authen-
tieke exemplaar van Ferd. Mueli.er uit Nieuw Holland stemt
volkomen overeen met de plant van Nieuw Guinea, waarnaar Miqlel
zijne P. Zippelianum beschreef. Alleen is bij het eerste de eierstok
meestal 4-, zelden 3-hokkig, terwijl deze bij het tweede meestal
2—3-, zelden 4-hokkig is. Daar echter Ferd. Mleli.er zelf een
var. disperma van zijne plant opnoemt, blijkt dit verschil van geen
beteekenis te zijn. De scheiding van Kissodendron en lledera schijnt
mij wel gemotiveerd. De afwezigheid der steunblaadjes, de enkel-
voudige, handnervige bladeren, de wortelende, klimmende takken,
de niet geleede bloemstelen, de boven den kelk uitstekende top
van de vrucht en de vliezige kernen, zijn alle kenmerken, waar-
door lledera van Kissodendron verschilt. Ook is bij beiden het
zaad niet van denzelfden vorm en geaardheid. Bij Hedera, waar
de kern vliezig en van binnen glad is, is het zaad van buiten
rond en dringen door smalle gleuven uitsteeksels van de zaadhuid
vrij diep het kiemwit binnen; bij Kissodendron en evenzoo bij
Osmoxylon, Macropanax en Brassaiopsis, waar de kern hard en
van binnen min of meer met uitsteeksels bezet is, heeft het zaad
ongeveer den vorm der kernholte: van buiten is het daardoor als
het ware ingesneden, bij Kissodendron zelfs zeer diep, doch met
breede inhammen. De zaadhuid is zeer dun en wordt licht over
het hoofd gezien, zoodat Ferd. Mueller de kern wand in hare
plaats beschreef.
17. OSMOXYLON Miq.
Kelkrand boven de schijf uitstekend. Bloembladen en
meeldraden onbekend. Schijf plat. Eierstok 8-hokkig.
Stijlzuil cilindrisch, aan den top min of meer kogclvor-
mig, met gaafrandigen, niet gelobden stempel. Vrucht min
of meer bolvormig, bij uitdroging gevoord; kernen 8,
houtachtig, aan den rug afgerond en golvend geknobbeld.
Zaad driekant; kiemwit uitgevreten.
Boomen met enkelvoudige, elliptische bladeren. Steun-
blaadjes zeer klein, tegen den bladsteel aangedrukt en
tot eene kleine, in 2 spitsen eindigende, zijdelings geoorde
schub vergroeid. Scherm gevormd uit 3-stralige bijscher-
men, waarvan de zijdelingsche stralen niet ver van de
basis geleed en onder de geleding min of meer tot schut-
blaadjes uitgezet zijn, terwijl zij op den schotelvormigen
top zittende bloemen dragen. Schutbladen afvallend.
-ocr page 706-
646
LXV. ARALIACEAE.
Aantal soorten 2, waarvan de eene, O. Amhoinense Miq., op
Ambon, de tweede, O. Miqnelli Boert., op Nieuw Giiinea gevonden
is. Door Beocari werden hiertoe de meeste soorten gebracht door
ons als soorten van Eschweileria Zipp. opgenoemd. Ook SEEMANN
bracht hiertoe twee soorten van dat geslacht, nl. O. Bometnse
Seem.
en O. Cumingii Seem.; de eerste is echter waarschijnlijk
E. helleborina Boert., de tweede E. pulcherrima Boert.
18. TETRAPLASANDRA A. Gt-ay.
Kelkrand boven de schijf uitstekend, afgeknot of gol-
vend. Bloembladen 7—8, in den knop klepswijze aan-
eensluitend, min of meer samenhangend. Meeldraden
talrijk, in 1—-4 rijen, met dikke helmdraden; helmknop-
pen langwerpig. Schijf dik, in het midden een weinig
hooger. Eierstok 7—10-hokkig; stempels in het midden
van de schijf geplaatst, min of meer tot eene stempelschijt
verbonden. Vrucht kogelvormig, met eene vleezige buiten-
laag van den vruchtwand en met plat samengedrukte
kernen. Zaad onbekend.
Ongewapende en onbehaarde of in de jeugd viltachtig
behaarde boomen, met gevinde bladeren en gaafrandige
blaadjes. Bloemen niet met de bloemstelen geleed, tot
schermen vereenigd, die in eene eindelingsche pluim
bijeenstaan. Schutbladen onduidelijk ontwikkeld.
Aantal soorten 2, waarvan de eene op de Sandwich eilanden en
de andere, T. pauciilenx Miq., op Nieuw Guinea voorkomt. De
laatste werd door Teysmann en Binnendijk eerst tot het geslacht
Gastonia Comm. gebracht, (G. eupteronoicles Teysm. et Binnend.).
ARALIACEAE VAN NEDERLANDSCH INDIË.
1.   Aralia L.
ferox Miq. (Java.)
montana BI. (Java.)
(3. acutata Miq. (Java.)
urticaefolia BI. (Java.)
Javanica Miq. (Java.)
dasyphylla Miq. — A. Chinensis BI. (Java (?), Sumatra.)
/3. latifolia Miq. (Sumatra.)
y. strigosa Miq. (Sumatra.)
2.   Dei.arbrka Vieill.
paradoxa Vieill. (Timor T,aut.)
3.   Araliuium Miq.
pinnatifidum Miq. (Sumatra, Malakka, Java ?)
dentatum Miq. (Sumatra.)
-ocr page 707-
647
LXV. ARALIACEAE.
4.   Panax L.
fruticosum L. — Nothopanax fruticosum Miq. (Ternate,
Amhon, N. Guinea, Java.)
obtiisum BI. — Nothopanax obtusum Miq. (Java.)
cochleatum D C. — Nothopanax cochleatum Miq. — P.
scutellarioides Return. — P. conchifoliitm Boxb. (Ternate,
Banda, Ambon.)
tricochleatum Miq. — Nothopanax tricochleatiim Miq. —
Polyscias pinnata Forst. (Sumatni.)
pinnatnm Lam.— Nothopanax pitmatum Miq. — ArthrophyU
luni sp. Seem. — ArthrophyUunx pinnatum Clarke. —
Paratropia Cnmimjiarui Presl. — Paiiajr Cuminqiiinutn
Rolfe (Java ? Celebes, Borneo, Timor, Banda, Ambon,
N. Guinea.)
Murrayi Fenl. Mitrll. (N. Guinea.)
5.   HORSFIBLDIA BI.
peltata Benlh. el [[ook. — H. aculeata Benn. el Br. (Java.)
aculeata BI. (Java.)
sp. (Timor.)
6.   Kai.opanax Miq.
Sumatranum Miq. — Acanthopanax Sumatranum Seem.
(Surnatra.)
resectuiïi Miq. — Acanthopanax resectum Seem. (Sumatra.)
7.   Brassaia Endl.
maerostaehya Seem. — SciadophyUum macroêtachywn
Benlh.
(N. Guinea.)
8.  Gastonia Comm.
Papuana Miq. — Polyscias Papuana Seem. (N. Guinea.)
9.  Polyscias Forst.
nodosa Seem. — Eupteron nodosum Miq. (Molukken, Java,
Celebes.)
10. Heptaplkurum Gaerln. \')
Sectie Parapanax.
littorale. — Parapanax littorale Miq. — Paratropia littora-
lis Miq.
— Trevesia sp. Benlh. et Hook. (Sumatra.)
\') Deze lijst, grootendeels ontleend aan Seemann in Revisio Hede-
racearum,
die Miquei.\'s soorten uit diens bewerking van het geslacht
Paratropia nagenoeg alle overgenomen, doch in het geslacht Hepla-
pleurum
overgebracht heeft, moet nog als zeer onvolledig beschouwd
worden, daar zoowel door Beccari als door Tevsmann verscheidene
nieuwe soorten zijn ontdekt, welke evenwel nog niet zijn beschreven.
Echter kunnen een aantal soorten hoogst waarschijnlijk samenge-
trokken worden, zooals reeds door Clakke in Hooker\'s Flora of
Brit. Ind.
gedaan is.
-ocr page 708-
648
LXV. AEALIACEAE.
sessilc. — Parapanax sessile Miq. — Paratropia sessilis
Miq.
— Brassaia sessilis Seeni. (Sumatra.)
Sectie Agalma.
aromatieum Seem. — Paratropia aromalica Miq. — Aralia
aromatica BI. — Hedera aromatica D C. (Java.)
Horsfleldii Seem. — Paratiopia Horsfieldii Miq. (Java.)
redivivum. — Agalma retlivicum Seem. (Borneo.)
rugosum. — Aralia rugosa BI. — Hedera squarrosa
Jungh. — Agalma rugosum Miq. — Agalma simillimwm
Miq. — Aralia simillima BI. (Java.)
? fimbriatum F. Muell. (N. Guinea).
Sectie Eu Hcptapleurum.
heterophylluiii Seem. — Hedera heterophylla Wall. —
Paratropia heterophylla Miq. — (Penang, Java.)
Junghuhnianum Seem. — Paratropia Junghuhniana Miq.
(Java.)
tomentosum Hassk. — Paratropia tomentosa Miq. — Sciado-
phyllum tomentosum BI.
(Java.)
(3. farinosum Hassk. — Actinophyllum farinosum
BI.
— Sciadophyllum farinosum BI. (Java.)
divaricatum Seem. — Paratropia divaricata Miq. —
Sciadophyllum divaricatum BI. (Java.)
gracile BI. — Paratropia gracilis Miq. (Borneo.)
subulatum Seem. — Paratropia subulata Miq. (Sumatra.)
Singalangense Seem. — Paratropia Singalense Miq. (Sumatra.)
politum Seem. — Paratropia polita Miq. (Borneo.)
petiolosum Seem. — Paratropia petiolosa Miq. (Borneo.)
fastigiatuin Seem. — Paratropia fastigiata Miq. (Java.)
apiculatura Seem. — Paratropia apiculata Miq. (Halmaheira.)
Corona Sylvae Seem. — Paratropia Corona Sylvae Miq. —
Sciadophyllum subavene BI. p.p. (Java.)
polybotryum Seem. — Paratropia polybotrya Miq. (Java.)
eurhynchum Seem. — Paratropia eurhyncha Miq. (Java.)
ellipticum Seem. —Paratropia elliplica Miq. — Sciadophyl-
lum ellipticum BI.
(Java, Sumatra, Borneo, Timor.)
(B. micranthum. — Paratropia micrantha Miq. —
Paratropia elliptica Miq var.-@. micrantha Miq.
(Sumatra.)
y. ovatum. — Paratropia elliptica Miq. var.y. ovala
Miq. (Sumatra.)
S. riparium. — Paratropia elliptica Miq. var.S. riparia
Miq. (Sumatra, Borneo.)
e. verticillatum. — Paratropia Miq. var.e. verticillalum
Miq.
— Sciadophyllum verticillatum Span. (Timor.)
pergamaceum Hassk. — Paratropia pergamacea D C. —
Aralia pergamacea BI. (Java.),
avene Seem. — Paratropia avenis Miq. (Sumatra.)
parasiticum Seem. — Paratropia parasitica Miq. — Sciado-
phyllum parasiticum BI.
— Sciadophyllum hnmile BI. —
Aclinomorphe humile Miq.
-ocr page 709-
LXV. ARALIACEAE.                                 649
aeutissirnum Seem. — Paratropia acutissima Miq. (Borneo.)
scandens Seem. — Paratropia ncandens Miq. — Paratropia
brachybotrya Miq.
— Sciadophyttum scandens BI. (Java,
Sumatra.)
serratum Seem. — Paratropia serrata Miq. — Aralia
aromalica var. foliolis serratis BI.
— Unjala serrata
Beinw.
(Java.)
confine Seem. — Paratropia confinis Miq. (Celebes.)
longifolium Seem. — Paratropia longifolia D C. — Ifepla-
pleurum rigitlum Ifassk.
— Sciadophyllum longifolium
BI.
(Java.)
@. incurvum Seem. — Paratropia longifolia D C. var.
incurva Miq.
(Sumatra.)
rigidum Seem. — Paratropia rigida D C. — Aralia rigida
BI.
(Java.)
f3. venosum Seem. — Paratropia rigida var. venosa
Miq.
y.
brevifolium Seem. — Paratropia rigida var. brevifo-
lium Miq.
— Paratropia lucida Miq. — Sciadophyl-
lum lucidum BI.
(Java.)
polyphyllum Seem. — Paratropia polyphylla Miq. (Java.)
oxyphyllum Seem. — Paratropia oxyphylla Miq. (Sumatra.)
venulosum Seem. — Paratropia venulosa Wight et Am.
(Malakka.)
11.   Trevesia Vis.
Beccarii Boerl. (Sumatra.)
Burckii Boerl. — Gastonia palmata Mess. Sc. — Tr. Sundaica
Begel. — Tr. palmata Vis. var. cheirantha Clarke.
(Sumatra.)
Sundaica Miq. — Sciadophyllum palmatum BI. — Aralia
palmata Herb. Beinw. — Actinophyllum palmatum BI.
(Java, Sumatra.)
12.   ESCHWEILERIA Zipp.
helleborina Boerl. — Osmoxylon helleborinum Becc. — Osmo-
xylon Borneeme Seem. (?) (Borneo.)
palmata Zipp. — Trevesia Moluccana Miq. — Osmoxylon
Moluccanum Becc. — Trevesia Zippeliana Miq. — Os-
moxylon Zippelianum Becc. — Unjala bifida Beinw.
(Ambon, Celebes.)
barbata Boerl. — Osmoxylon barbatum Becc. (Kei.)
Novo-Guineensis Boerl. — Trevesia Novo-Guineensis Scheff.—
Osmoxylon Novo-Guineense Becc. (N. Guinea.)
Teysmannii Boerl. — (Celebes.)
Geelvinkiana Boerl. — Osmoxylon Geelvinkianum Becc. (N.
Guinea.)
Insidiatrix Boerl. — Osmoxylon Insidiator Becc. (N.
Guinea.)
Carpopbagarum Boerl. — Osmoxylon Carpophagarum Becc.
(Aroe.)
41
-ocr page 710-
650                                   LXV. ARALIACEAE.
insignis Boerl. — Trevesia insignis Miq. — Osmoxylon
insigne Becc.
— Trevesia palniata Vis. var. insignis
Clarkc.
(Batjan.)
13.   Arthroi\'iiyi.ixm BI.
iliversifolium BI. (Java.)
Hlumeamim Zuil. el Mor.
a. oblongatiiiu Miq. — Arthrophyllum Javanicum BI. —
(.lava, Sumatra, Borneo.)
(3. ellipticnm Miq. — Arthrophyllum ellipiicum BI.
(Java, Sumatra, Borneo.)
y. ovalifolium Miq. — Arthrophyllum ovalifolium Jungh.
el de Vr.
(Borneo.)
14.   Brassaiopsis Becaisne el Planch.
speciosa Decaisne el Planch. —- Macropana.c glomerttlatum
Miq.
— Aralia glomerulala BI. — Hedera glomerulatu
D C.
— Brassaiopsis floribunda Decaisne el Planch. (Java.)
cyrtostyla Seem. — Macropanax cyrlostylum Miq. (Sumatra.)
15.   Macrüi-anax Miq.
oi-eopliilum Miq. — Aralia disperma BI. — Brassaiopsis
disperma Koch.
(Java Sumatra.)
/3. foliolis multo tenuioribus Seem. — M. florilntnduni
Miq.
— Brassaiopsis floribunda Koch. (Java.)
coiu iiiiiuni Miq. (Java.)
IC. Kissodrndron Seem.
Australianum Seem. — Polgscias Auslraliana F. Muell.—
Irvingia Auslraliana F. Muell. — Hedera Auslraliana
F. Muell.
— Cissodendron Australianum Seem. var.
disperma F. Muell.
— Pana.c Zippeliannm Miq. —
Nolhopanax Zippelianum Seem. (N. (luinea.)
17.   Osmoxylon Miq.
Arnboinense Miq. — Aralia nmbellifera Lam. — Hedera
Amboinensis f) C. (Ambon.)
Miquelii Boerl. — Gaslonia simplicifolia Zipp. — Osmoxy-
lon Arnboinense Miq. p. p. — (N. Guinea.)
18.   Tetrai\'i.asandra A. Gray.
paucidens Miq. — Gaslonia eupleronoides Teysm. et Bin-
nend.
(N. Guinea.)
-ocr page 711-
651
LXVI. CORNACEAE.
Fam. lxvi. CORNACEAE.
Bentham et Hooker Gen. Plant. I, p. 947. — Miquel, Ft. Ind.
Bat.
I, 1, p. 770, p. 1095 en p. 838—839 (Agalhisanthes en Cera-
tonlaclujs.)
— Sumatra, p. 341. — Kiihz in Joum. As. Soc. XL, p. 61.
Bloemen één- of tweeslachtig, regelmatig. Kelkbuis met
den eierstok vergroeid; kelkzoom ontbrekend of nap-
vormig, afgeknot, 4—5-tandig of -lobbig, blijvend, in den
knop geopend of klepswijze aaneensluitend. Bloembladen
ontbrekend of 4—5, zelden oo, aan de basis van de
epigynische schijf ingeplant, in den knop dakpanswijze
dekkend of klepswijze aaneensluitend. Meeldraden even
als de bloembladen ingeplant en in gelijk aantal met
deze, zelden in het 2- of 4-dubbele aantal; helmdraden
kort of lang, draad- of priemvormig of afgeplat; helm-
knoppen kort of lang, aan de basis of aan de rugzijde
vastgehecht; helmhokjes tegen het helmbindsel aange-
groeid of bijna vrij, van voren of zijdelings openbarstend.
Schijf epigynisch of in het midden van de mannelijke
bloem, meestal kussenvormig, kantig, gekarteld of gelobd,
zelden ringvormig of kort buisvormig. Eierstok onder-
standig, 1—4-hokkig ; stijl kort of lang; stempel nu eens
knopvormig, afgeknot of gelobd, dan weder 2—3-spletig
met teruggekromde, aan de binnenzijde stempelkliertjes
dragende takken ; eitjes in elk hokje 1, zelden 2, hangend
aan den top van het hokje, anatroop, met zijdelingsche of
rugstandige zaadnerf; eihulsels met de eikern versmolten.
Vrucht meestal steenvruchtachtig, met 1—4-hokkige kern,
zelden met 2 beenharde of korstachtige, vrije kernen.
Zaden langwerpig, hangend; zaadhuid vliezig of dun
lederachtig; zaadnerf dun ; zaadstreng dikwijls vrij dik,
soms lang; kiemwit overvloedig, vleezig; kiem in de as
van het kiemwit, klein of groot, cilindrisch of meestal
even breed als het kiemwit; zaadlobben dikwijls dun
bladachtig; kiemworteltje rolrond.
Heesters of boomen, onbehaard of zijdeachtig behaard,
bij het drogen vaak bruin of zwart wordend. Bladeren
tegenovergesteld of afwisselend, meestal gesteeld, leder-
achtig, zelden vliezig, gaafrandig of, bij eenige weinige
soorten, gelobd, kantig of gezaagd, niet zelden met onge-
lijke basis. Steunblaadjes ontbrekend. Bloemen klein, in
-ocr page 712-
652                                  LXVI. CORNACEAE,
eindelingsche of okselstandige bijschermen of pluimen,
soms in op katjes gelijkende bundels of in door een
omwindsel omgeven hoofdjes.
Aantal soorten omstreeks 75, over de geheele wereld verspreid,
doch meestal in de gematigde streken voorkomende. De samen-
hang van de in deze familie voorkomende geslachten werd vroc-
ger niet ingezien, onder anderen vinden wij deze bij Enduciier
in zijn (lenera J\'lanlarum in 4 verschillende families verdeeld,
n.l. de Corneae, de Alangieae, de Garryaceae en de Nyssaceae.
Tot de laatste behooren twee planten, welke onder de namen van
Agathisanthes BI. en Ceratostachya lil. door Miqukl in de nabij-
heid der Hamamelidaceae geplaatst waren.
OVERZICHT DER GESLACHTEN.
-J- Bloemen tweeslachtig. Bloembladen in den knop klepswijze
aaneensluitend.
J5 Bloembladen riemvormig. Helmknoppen lang, aan de basis
vastgehecht. Stijl lang. Bladeren afwisselend.
\\. Ai.angil\'M. Bloembladen 5—10. Meeldraden meestal in het
2- of 4-voud van de bloembladen. Eierstok 1-hokkig. Kiemwit
uitgevreten. Bloemen in bundels.
\'2. Mari.ea. Bloembladen 4—8. Meeldraden in hetzelfde aantal
als de bloembladen. Eierstok 1—3-hokkig. Kiemwit gelijkmatig.
Bloemen in tot pluimen vereenigde bijschermen.
§Sj Bloembladen kort. Helmknoppen kort, ruggelings vastgehecht. Stijl
kort. Binderen afwisselend of tegenovergesteld.
3.   Mastixia. Bloembladen 4—5. Meeldraden in hetzelfde aan-
tal als de bloembladen. Eierstok 1-hokkig. Kiemwit niet uitge-
vreten. Bloemen in pluimen.
•}"}• Bloemen éénslachtig. Bloembladen in den knop dakpanswijze
dekkend bij de mannelijke, ontbrekend of zeer klein bij de
vrouwelijke bloemen.
4.   Nyssa. Bloembladen en meeldraden 5—oo. Eierstok l-hok-
kig. Kiemwit niet uitgevreten. Bladeren afwisselend. Bloemen in
gesteelde hoofdjes of korte trossen.
i. ALANGHTJM Lam.
Bloemen tweeslachtig. Kelkbuis tolvormig, vaak gevoord;
kelkzoom verwijd, 5—10-tandig of afgeknot. Bloembla-
den 5—10, riemvormig, eindelijk teruggeslagen of ineen-
gerold, in den knop dakpanswijze dekkend. Meeldraden
in het 2- of 4-voud van de bloembladen, met draadvor-
-ocr page 713-
653
LXVI. CORNACEAE.
mige of afgeplatte, min of meer langharige helmdraden;
helmknoppen lang-lijnvormig, met smalle, tegen het helm-
bindsel aangegroeide, zijdelings openbarstende hokjes.
Schijf kussenvormig, in het midden ingedrukt, gelobd of
gekarteld. Eierstok 1-hokkig; stijl smal knodsvormig of
draadvormig, met knods- of knopvormigen, 4—oo -sple-
tigen of oo -lobbigen stempel, met dubbel gevouwen
lobben ; eitje 1, hangend aan den top van het hokje. Bes-
vrucht gekroond door den kclkzoom. Zaad langwerpig, met
dunne zaadhuid en een uitgevreten kiemwit; zaadlobben blad-
achtig, ineengekreukt; kiemworteltje lang, cilindrisch, dik.
Ongewapende of doornachtigc takken dragende heesters
of kleine boomen. Bladeren afwisselend, gesteeld, lang-
werpig, gaafrandig, aan de basis 3-nervig, blijvend. Bloe-
men wit, min of meer zijdeachtig behaard, met de korte
bloemstelen geleed, zonder schutbladen, tot bundels ver-
eenigd in de bladoksels.
Aantal soorten 2 volgens Clarke in Hooker, Fl. of Br. Ind.
II, p. 721, n.1. A. Sundanum Miq. en A. Lamarckü Thwait.; de
laatste is de vereeniging van A. decapetatum Lam. en A. hexape-
lalum Lam.,
vroeger wegens het aantal der bloembladen en den vorm
der bladeren van elkander onderscheiden, welke kenmerken echter
volgens Olarkk zelfs niet voldoende zijn om ze als variëteiten te
onderscheiden. Bentham en Hooker rekenden tot het geslacht ook
eenige soorten van Malakka met evenveel meeldraden als bloem-
bladen. Daar bij deze de kiem nog onbekend is, heeft Clarke ze
voorloopig tot Marlea Iioxb. gebracht.
2. MABLEA Iïoxb.
Bloemen tweeslachtig. Kelkbuis klokvormig of nage-
noeg cilindervormig; zoom napvormig, 4—8-tandig of
afgeknot. Bloembladen 4—-8, vrij of aan de basis in eene
buis samenhangend, lijnvormig. Meeldraden 4—8, met
vrije of aan de basis samenhangende, korte of lange,
onbehaarde, zijdeachtig behaarde of zachtharige helmdra-
den ; helmknoppen smal lijnvormig, met dunne, aan het
helmbindsel onbehaarde of aan de rugzij de zijdeachtig be-
haarde, zijdelings opensphjtende helmhokjes. Schijf nap-
of kussenvormig. Eierstok door den kelkzoom gekroond,
1—3-hokkig of aan den top 1-hokkig en van onderen
3-hokkig; stijl lang en dun, met 2—4-lobbigen stempel;
in elk hokje 1 eitje. Steenvrucht klein, met korstachtige
-ocr page 714-
654
LXVI. CORNACEAE.
1—2-hokkige, 1—2-zadige kern. (Besvrucht volgens
Clarke.) Zaden langwerpig, saraengedrukt, met eene
dunne zaadhuid en een vleezig, niet uitgevreten kiemwit;
zaadlobben dun, bladachtig, cirkelvormig, bijna even
breed als het kiemwit, plat; kiemworteltje rolrond, kort.
Onbehaarde of zachtharige of viltachtig behaarde
boomen of heesters. Bladeren afwisselend, gesteeld, vlie-
zig, langwerpig, lancetvormig of breed hartvormig en
afgerond, schuin, gaafrandig of kantig gelobd. Bloemen
wit, met de bloemstelen geleed, in okselstandige, enkel-
voudige of in tweeën vertakte bijschermen.
Aantal soorten 8, in tropisch en Oostelijk Azië en in Australië.
In Nederlandsen Indië vindt men volgens ftflQUEL 2 soorten, M.
begoniaefolia lioxb.
en M. lomentosa Endl., welke door Clarke
onder don eerstgenoemden naam vereenigd worden. Bij andore
schrijvers vindt men ze als soorten van Diacicarpium BI. en Styli-
dium
tour. Deze vormden Ci.arke\'s sectie Eu-Marlea, gekenmerkt
door de aanwezigheid van 2, zelden van 1 of 3 eitjes in den eierstok
en gewoonlijk met 2 zaden in de vrucht. De andere sectie, Pseud-
Alangium,
als een geslacht beschreven door F. v. Mueller en het
geslacht Rhytidandra Asa Gray vormende, onderscheidt zich door
het bezit van slechts 1 eitje in den eierstok. Hiervan komt een
drietal soorten in Malakka voor, zoodat men ze misschien ook in
Suinatra kan verwachten. In \'s Rijks Herbarium bevindt zich eene
plant, die als eene nieuwe soort van deze sectie beschouwd moet
worden, M. costata n.sp., en zich voornamelijk onderscheidt door
de lederachtige, langwerpige bladeren en de geribde vruchten.
3. MASTIXIA BI.
Bloemen tweeslachtig. Kelkbuis klokvormig; zoom
uitgezet, 4—5-tandig. Bloembladen 4—5, eivormig, leder-
achtig, in den knop klepswijze aaneensluitend, met naar
binnen geslagen, gewimperde of 2-tandige eindslip. Meel-
draden 4—5, met korte, samengedrukte helmdraden en
hartvormige helmknoppen. Schijf vleezig. Eierstok l-hok-
kig, weldra door een valsch vertikaal tusschenschot
schijnbaar 2-hokkig; stijl kort, dik, met stipvormigen
stempel; eitje 1, hangend aan den top van het hokje aan
éóne zijde (of soms 2 eitjes ?). Eivormige, of nagenoeg
kogelvormige of langwerpige steenvrucht, met een cirkel-
vormig overblijfsel van den kelkrand op den top ; kern
houtachtig, soms met een diepe groeve aan de zijde waar
de binnenlaag van den vruchtwand, dus de houtachtige
-ocr page 715-
655
LXVI. CORNACEAE.
kern zelve, de kernholte binnentreedt en binnen deze
een plaatvormig uitsteeksel vormt, zoodat de vrucht
schijnbaar 2-hokkig is. Zaad van denzelfden vorm .als
de kernholte, als het ware om het valsche tusschenschot
heen gevouwen, met vliezige zaadhuid en een overvloe-
dig, vleezig kiemwit; kiem klein ; zaadlobben langwer-
pig, bladachtig, dun vliezig; kiemworteltje lang, cilindrisch.
Kleine of hooge, onbehaarde boomen met rolronde twij-
gen. Bladeren afwisselend, nagenoeg of geheel en al
tegenovergesteld, gaafrandig, bij het uitdrogen zwart
wordend. Bloemen klein, zijdeachtig behaard, in einde-
lingsche, veelbloemige pluimen, geleed met de 2 schut-
blaadjes dragende bloemstelen.
Aantal soorten 8 of 9, in tropisch Azië tehuis behoorend.
Miquki. noemt 9 soorten op, alle van Nederlandsen Indië. Hiervan
zijn 2 naar onvolledig materiaal beschreven, zoodat er nog 7 over-
blijven. Misschien kunnen er nog renige bijeengetrokken worden,
zoodat het aantal dan volgens ClaRKE tot 5 zou dalen. Echter
komen er nog oenige aan MlQUEL niet bekende soorten in Malakka
voor, en zal bij eene revisie van het materiaal, waarvan vooral
uit Sumatra en Borneo nog een groot deel ongedeterinineerd is,
het aantal der soorten zeker vermeerderd worden. Een synoniem
van het geslacht is Bursinopetalum Wigld.
4. NYSSA L.
Bloemen gemengdslachtig-tweehuizig. Mannelijke Moe-
men:
Kelkbuis schijf- of napvormig, 5—oo-tandig. Bloem-
bladen 5—oo , soms zeer talrijk, gelijk of ongelijk, eivormig
of hjnvormig-langwerpig, in den knop dakpanswijze dek-
kend, behaard. Meeldraden 5—oo , soms zeer talrijk ; helm-
draden draadvormig; helmknoppen 2-lobbig, met zijdelings
wijd opensplijtende helmhokjes. Schijf groot, kussenvor-
mig, gaafrandig of gelobd. Rudimentaire eierstok ontbre-
kend of bestaande uit een priemvormig uitsteeksel in
het midden van de schijf. Vrouwelijke bloemen: Kelkbuis
urn- of klokvormig; zoom 5-tandig. Bloembladen klein
of ontbrekend. Rudimentaire meeldraden ontbrekend.
Schijf kussenvormig, in het midden neergedrukt. Eierstok
1-hokkig; stijl cilindrisch, enkelvoudig of kort 2-spletig ;
1 eitje, hangend. Langwerpige of eivormige steen- of
besvrucht. Zaad van denzelfden vorm als de vruchtholte;
zaadhuid vliezig; kiemwit overvloedig ; zaadlobben min
-ocr page 716-
656
LXVI. CORNACEAE.
of meer bladachtig, bijna even breed als het kiem wit;
kiemworteltje kort, cilindrisch.
Min of meer zijdeachtig behaarde boomen of heesters.
Bladeren afwisselend, gesteeld, gaafrandig of de jongere ge-
lobd-getand. Bloemen klein, zachtharig, in door een omwind-
sel van schutbladen omgeven hoofdjes aan den top van
okselstandige bloemstengels; hoofdjes of tweehuizig, of 1
of eenige weinige vrouwelijke met verscheidene manne-
lijke bloemen bevattende, elke bloem met 3—4 schut-
blaadjes of de mannelijke op onregelmatige wijze samen-
hangend.
Aantal soorten 5—6, in Noord Amerika en in Engelsch en
Nederlandsen Indië. Volgens Bentham en Hookkr en Clarke is
er in Zuid Azië slechts ééne soort, die zich van Sikkim tot Java
verspreidt, n.1. A\'. sessiliflora Jfook.f. et Th. Volgens Bentham
en HOOKKR is dit dezelfde soort, die zoowel voor Blume\'s geslacht
Agathisanthes (.1. Javanica BI.) als voor zijn geslacht Cerato-
stachys
(C. arborea BI.) tot type heeft gediend. Eenige vruchten van
het laatste exemplaar waren door insectenbeschadiging monstrueus
uitgegroeid, zoodat ze eene onherkenbare, kromme, hoornvormige
gedaante kregen. Dooi Kurz werden zij eerst tot het geslacht
llex h. (ƒ. daphnophylioides Kurz), daarna tot een nieuw geslacht
Daphniphyllopsis Kurz gebracht, (£>. capita/a Kurz). Behalve de
exemplaren van Java, is er in \'s Rijks Herbarium ook een, door
Beccari op Sumatra verzameld. Dat de besproken exemplaren tot
hetzelfde geslacht behooren is niet twijfelachtig; evenwel schijnt
het mij niet onmogelijk, dat ze meer dan ééne soort vormen.
-ocr page 717-
TWEEDE AANVULLING EN VERBETERINGEN
VAN HET EERSTE DEEL,
EERSTE STUK.
Fam. II. DILLENIACEAE.
p. G. aan de aantcckcning omtrent de soorten van
delima /.. toevoegen:
Eene tweede somt \'), /). laevis Mmngay, in Malakka
voorkomende, wordt beschreven door KiN(i in Materials
for a Flora of the Malaaan Peninsula (Jaar», of As.
Soc.
LVIII, 2, p. 302.)
Fam. III. MAGNOLIACEAE.
p. 9. vóór 3. Manolietia lil. invoegen:
la. MAGNOLIA. Stampers met 2 eitjes. Vrachtjes aan
de rngzijde met 2 kleppen openbarstend.
p. 10. vóór 3. MANOLIETIA BI. invoegen:
2«. MAG-NOLIA L.
Bloemen tweeslachtig. Kelkbladen 3. Bloem-
bladen 6—12, in 2—4 rijen. Meeldraden tal-
rijk, in oo rijen; hclmdradcn plat; holmhokjcs
tegen het helmbindsel aangegroeid, naar binnen
openspringend. Stamperdrager zittend. Stampers
talrijk, dicht opeengedrongen aan eene lange
as, elk met twee eitjes; stempels langs den
buiknaad afloopend. Vruchtjes vergroeid aan
eene lange as, 1—2-zadig, aan de rngzijde met
2 kleppen openbarstend. Zaden aan eene lange
zaadstreng uit de vruchtjes omlaag hangend;
\') Nieuwe soorten zijn alleen vermeld van die geslachten, waarvan
alle soorten van Nederlandsch Italië opgenoemd waren.
-ocr page 718-
658 TWEEDE AANVULLING VAN HET EERSTE STUK.
binnenlaag der zaadhuid vleezig; kiemwit olie-
achtig.
Boomen of heesters, met al tijdgroene ol
afvallende bladeren. Knoppen gehuld in de
ineenge rolde steunblaadjes, die in paren ver-
groeid zijn. Bloemen groot, eindelingsch.
Aantal soorten omstreeks 16, in de gematigde stre-
ken van Noord Amerika on in de gematigde en tropische
streken van Oost Azië. Ofschoon meerdere soorten van
het Himalava gebergte bekend zijn, was het geslacht
niet zuidelijker waargenomen, tot door KlNO eene soort
van Malakka werd beschreven, M. Maintjayi Kinij.
De geslachten Talauma Jhss., Michelia /.. en Manglietia
BI. worden thans door sommige schrijvers met Ma<j-
nolia
vereenigd.
Fam. IV. ANONACEAE.
p. 16 vóór 1. SAGERAEA Daiz. invoegen:
AFWIJKEND GESLACHT.
37. Eupomatia. Kelkbladen en bloembladen in den
knop tot ééne massa versmolten en te samen als een
kapje afvallend. Stampers weggedoken in den uitge-
zetten bloembodem.
p. 20 bij ARTABOTRYS n. Ilr. staat Kelkbladen 5 lees
Kelkbladen 3.
p. 33 aan het eind der Anonaceae invoegen:
37. EUPOMATIA R. Br.
Bloemen tweeslachtig. Kelkbladen en bloem-
bladen in den knop tot ééne massa versmolten
en te samen als een kapje afvallend. Meel-
draden co, met de stampers spiraalswijze inge-
plant in de holte van den tolvormigen bloem-
bodem; buitenste meeldraden vruchtbaar, met
2-hokkige, van buiten met eene spleet open-
springende helmknoppen, wier helmbindsel toe-
gespitst is; binnenste meeldraden onvruchtbaar,
bloembladacbtig en gedeeltelijk met klieren
bezet, ten slotte mot de buitenste, waarmede
zij aan de basis samenhangen, afvallend. Stam-
-ocr page 719-
TWEEDE AANVULLING VAN HET EERSTE STUK. 659
pers in de holte van den bloembodem wegge-
doken, behalve onder aan de basis vrij, van
achteren met eene bult en aan de binnenzijde
met een korten stijl, welks top een knopvor-
migen stempel draagt; eitjes oo, in den binnen-
hoek der stampers in 2 rijen bevestigd. Samen-
gestelde vrucht gevormd uit den tol- of urn-
vormigen, opgezwollen bloembodem en de daar
binnen besloten, talrijke, 1—oo-zadige bessen.
Zaad met een niet sterk uitgevreten kiemwit.
Heesters met opgerichte of onder den grond
kruipende stengels. Bladeren afwisselend, onbe-
haard. Bloemen of eindelingsch en alleenstaand,
of okselstandig, en ten getale van 1 of twee
boven den bladknop.
Aantal soorten 2, Eu. laurinti R Br. en Eu. Ben-
neltii Ferd. Muell.,
beide in Australië voorkomend, doch
waarvan de eerste ook in Nieuw Guinea is aangetrof-
fen volgens Ferd. MuELLER in Descriptive Noles on
Papuan Plants,
VII, p. 2G.
Fam. V. MENISPERMACEAE.
p. 41 aan de aanteekening omtrent de soorten van
ANAMIRTA Col. toevoegen:
Eene tweede soort, A. Loureiri Pierre, komt in Cochin
China en Malakka voor.
p. 45 de aanteekening omtrent de soorten van STEPHA-
NIA Lour. aldus wijzigen:
Volgens Bentham en IIooker bevatte het geslacht
slechts 3 soorten. Beccari bracht het aantal der soor-
ten van Nederlandsch Indië en Nieuw Guinea op 8
en door Sciiumann weid nog eene negende hieraan
toegevoegd in zijne Flora von Kais. Willi. Land, p. 44.
p. 46 aan de aanteekening omtrent de soorten van
OYCLBA Am. toevoegen:
Door KiNu wordt eene nieuwe soort van dit geslacht
beschreven, voorkomende in Perak, u.l. C. eleijans Kiny.
-ocr page 720-
660 TWEEDE AANVULLING VAN HET EERSTE STUK.
Fam. VII. NYMPHAEACEAE.
p. 52 aan de aanteekening omtrent do soorten van
BARCLAYA Wall. toevoegen:
Volgens Ferm. Muei.LER en Kino werd Tl. Motleyi
Hook.f.
ook op Nieuw Guinea en Malakka gevonden.
Fam. X. CAPPARIDACEAE.
p. 60 reg. 9—12 v. o. vervangen door:
4.    Capparis. Kelk verschillend. Bloembladen 4, zit-
tend. Vrucht veelzadig. Bladeren enkelvoudig.
4a. Koyüsia. Kelkbladen 6. Bloembladen ontbrekend.
Vrucht 1-zadig. Bladeren enkelvoudig.
5.    Crataeva. Kelkbladen 4. Bloembladen 4, lang-
genageld. Bladeren 3-tallig.
p. 62 vóór 5. CRATAEVA L. invoegen:
\'m. ROYDSIA Roxb.
Kelk 6-deelig; slippen in 2 rijen, in den
knop een weinig dakpans wij ze dekkend. Bloem-
bladen ontbrekend. Meeldraden in onbepaald
.aantal ingeplant boven de basis van den korten,
cilindrischen stamperdrager.Eierstok eivormig en,
door dat de zaadlijsten zich tot aan \'de as ver-
lengen en aldaar samenhangen, 3-hokkig; stijlen
3, priemvormig of 1 onverdeelde stijl; stem-
pels klein, eindelingsch; eitjes talrijk, in 2
rijen in de hoeken der hokjes geplaatst. Vrucht
vleczig, met eene 3-kleppige, houtachtige, l-hok-
kige en 1-zadige kern. Zaad opgericht; zaadlobben
vleezig, ongelijk, in de lengte gevouwen, de
kleinere door de grootere omgeven.
Groote, ongedoornde, houtachtige klimplanton,
met wit gevlekte takken. Bladeren enkelvoudig.
Bloemen geel, in trossen of pluimen.
Aantal soorten 3 in tropisch Azië, waarvan 2, Ii.
parvi/lnm Gi-i/f. en li. Scortecltinii King, op Malakka
zijn aangetroffen.
p. 63 aan de aanteekening omtrent de soorten van
CRATAEVA L. toevoegen:
-ocr page 721-
TWEEDE AANVULMNG VAN HET EERSTE STUK. 661
Eene nieuwe soort, C. Hansemannii K. Helium.,
werd in de Duitsche bezittingen op Nieuw Quinea
gevonden.
Fam. XI. VIOLACEAE.
p. 66 aan de aanteekening omtrent de soorten van
JONIDIUM Vent. toevoegen:
Iiij Fkrd. Mui.l. wordt eerstgenoemde soort gebracht
tot Hybanthus .lueij. (II. ennecupermui Ferd. Muell.)
en haar voorkomen in Nieuw Guinea vermeld.
Fam. XII. BIXACEAE.
p. 70 aan de aanteekening omtrent de soorten van
COCHLOSPERMCJM Kunth.
toevoegen:
Eene tweede soort, C. Gillivraiji Benlli., komt in
Nieuw Guinea voor.
Fam. XIV. POLYGALACEAE.
p. 78 aan de aanteekening omtrent de soorten van
SECURIDACA
l. toevoegen :
In Nieuw Guinea vindt men behalve de genoemde
S. braclcala Bain. va>: Papuana Ferd. Muell.
Fam. XV. CARYOPHYLLACEAE.
p. 83 aan de aanteekening omtrent de soorten van
POLYCARPAEA
Lam. toevoegen:
Ferd. Muem.er vermeldt nog eene tweede soort voor
Nieuw Guinea, n.1. P. spirostylis F. Muell.
Fam. XVIII. GUTTIFERAE.
p. 88 reg. 9 v. b. vervangen door:
1. Garcinia. Kelkbladen 4 of 5, in 2 rijen dakpans-
wijze dekkend in den knop.
ia. Tripetai.um. Kelkbladen 3, dakpanswijze dek-
kend in den knop.
p. 88 het begin der beschrijving van GARCINTA L. aldus
wijzigen:
-ocr page 722-
662 TWEEDE AANVULLING VAN HET EERSTE STUK.
Bloemen gemengdslachtig. Kelkbladen 4—5,
in den knop dakpanswijze dekkend in 2 rijen.
Bloembladen 4—5, in den knop, dakpanswijze
dekkend of zelden ineengedraaid. Mannelijke
bloemen:
Meeldraden 4—oo, meestal om een
rudimentairen eierstok geplaatst; helmdraden of
onderling vrij, of in bundels, welke tegenover
de kelkbladen of tegenover de bloembladen
staan en soms aan de basis met de laatste
zijn vergroeid, óf verecnigd tot eene onver-
deelde of 4—5-lobbige, bol- of kegelvormige
massa; helmknoppen door spleten of rondom
openspringend, met kogelvormige, ovale, lang-
werpige of lijnvormige hokjes, die nu eens naar
buiten, dan weder naar binnen zijn gericht en
meestal door een breed helmbindsel zijn ge-
geseheiden ; soms zijn de helmhokjes door het
uiteenstaan der kleppen weder in vakjes ver-
deeld, die in enkele gevallen elk op een arm
van bet vertakte helmbindsel zijn bevestigd;
soms zijn de hokjes herhaaldelijk heen en weder
gebogen, of schild* of cirkelvormig.
p. 89 aan de aanteekening omtrent de soorten van
GAROINIA L. toevoegen:
Omstreeks 170 soorten worden opgenoemd door Pierre
in Horc Forestiére de la Cor/tin Chine, fase. 4—6.
Deze verdeelt liet geslacht in 38 secties, waarvan er
16 met 70—80 soorten in Nederlandsen Indie vertegen-
woordigd zijn.
p. 89 vóór 2. OCHBOCARPUS Thouars. invoegen:
ia. TRIPETALTJM K. Schum.
Kelk door 2 aan de basis met elkander ver-
groeide schutblaadjcs gesteund. Kelkbladen 3,
nagenoeg gelijk, breed, stomp, in den knop
dakpanswijze dekkend. Bloembladen 3, in den
knop breed dakpanswijze dekkend, ten slotte
uitgespreid. Meeldraden co, verbonden tot
drie, tegenover de bloembladen geplaatste en
-ocr page 723-
TWEEDE AANVULLING VAN HET EERSTE STUK. 663
hoog met deze vergroeide bundels; helmknop-
pen vrij dik, mot 2 schuine of loodrechte
hokjes. Vrucht kogelrond, met eene dikke
schil, cenhokkig (?), éénzadig.
Ilarsbevattende boom, met vierkantige, onbe-
haarde takken. Bladeren met een steel, die aan
de basis overgaat in cone helmvormige schcede,
welke den okselknop omgeeft. I31oeiwijze cindc-
lingsch, bestaande uit een kort bij scherm met
kortgesteelde, gele bloemen en donker paarsche
vruchten, ter grootte van eene kleine kers.
Eéne soort, Tr, eymosum A\'. Schum., door Hoi.i.runo
in de Duitschc Bezittingen op Nieuw Guinea gevonden.
Het schijnt mij twijfelachtig of do scheiding dezer plant
van het geslacht Garcinia /.. wel gerechtvaardigd is,
want het eenige kenmerk, dat men niet hij het laatste
aantreft, is de drietalligheid dei\' bloem. ISij sommige
soorten van (larrinia zijn toch de bloemen aan de
basis door 2 tegenover elkander staande srhutblaadjes
gesteund en bij andere zijn de bloembladen aan de
basis met de tegenover hen staande bundels der meel-
draden vergroeid. Wanneer de eierstok 1-hokkig was,
hetgeen door den auteur vermoed wordt, maar niet met
zekerheid kon uitgemaakt worden, zou dit kenmerk
een tweede verschil met de bekende soorten van
Garcinia zijn.
p. 89 aan de aanteekening omtrent de soorten van
OCHBOCARPUS Thouan toevoegen:
Eene nieuwe soort van de Duitsche bezittingen op
Nieuw Guinea wordt door Sciiumann beschreven, n 1.
O. pachyphytlus A\'. Schum.
p. 90 aan de aanteekening omtrent de soorten van
KAYEA
Wall. toevoegen:
Door PiERKK worden lit soorten opgenoemd in zijn
Flore Forestiére de la Cochin Cliine fase. 7. Hiervan
komen er (> voor in Nederlandsen Indië en Malakka.
Men zou deze in de volgende secties kunnen verdeelen:
1. Eu-Kayea. Kelk onder de vrucht in omvang toe-
ncmend. Eierstok gevormd uit k2 vruchthladen, elk met
\'2 eitjes. Zaadlobben naast elkander. Kiemworteltje
naar onderen gericht. Hiertoe belmoren : A\'. i-acemosa
PI.
(Singapore, Malakka5), A\'. licccariana BaiW. (Borneo),
A\'. Korlhalsiana Pierre (Horneo), A\'. myrlifolia Baill.
(Boineo) en A\'. Itexapetala Pierre (Borneo). De laatste
-ocr page 724-
664 TWEEDE AANVULLING VAN HET EERSTE STUK.
soort, door IIookku tot hut geslacht Calophyllum L.
gebracht, (C. Iiexapelalum llook. /\'.), wijkt van de
andere af door liet bezit van 2 kclkbladcu en 6
bloembladen.
\'2. Plagiorhiza. Kelk onder de vrucht niet in omvang
toenemend. Eierstok met 4 vruchtbladen, elk met 2
eitjes. Zaadlobben boven elkander. Kiemworteltje zijde-
lingsch. Hiertoe behoort K. nervosa And. (Malakka.).
Fam. XIX. TERNSTROEMIACEAE.
p. 98 rog. 16 v. o. staat: in vele in den knop elkander
dakpanswijze dekkende rijen, lees: in vele rijen,
dakpanswijze opeengeschoven.
p. 98 aan de aanteekening omtrent de soorten van
ARCHYTAEA Mart. toevoegen:
De door Korthals als Ploiarium elegans beschreven
soort is Archytaea Va/tlii Clioisy.
Fam. XXII. STERCULIACEAE.
p. 121 aan de aanteekening omtrent de geslachten der
Sterculiaceae toevoegen :
Het geslacht Ptyehopyxis Miq. (Pt. costata Miq.). be-
schreven en afgebeeld in HuOKKR, leones 1.1703, moet
volgens dien schrijver tot de Euphoebiacene gebracht
worden.
p. 123 aan de aanteekening omtrent de soorten van
STBROULIA L. toevoegen:
Door Pierre in Flore Forest. tic la Cochin Chine bij tab.
103—105 wordt het geslacht op nieuw gesplitst. De daar-
toe gebrachte soorten verdeelt hij in de geslachten, waar-
uit het vroeger samengesteld was en onderscheidt deze
voornamelijk door de volgende kenmerken :
Sterculia L. Meeldradenznil *) eindigende in 5—12
\') De hier en elders gebruikte term mechtradenzuil is niet vol-
koincn juist, daar de bloembodem zoowel bij de vrouwelijke en twee-
slachtigi\' als bij de mannelijke bloemen verlengd is en in de beide
eerste gevallen ook de stampers, in bet laatste geval ook de rudimen-
taire stampers draagt. In aansluiting niet andere werken heb ik den
term echter gehouden.
-ocr page 725-
TWEEDE AANVULLING VAN HET EERSTE STUK. 665
helmknoppen, die in onduidelijke bundels gerangschikt
zijn. Vnichtbladen meestal ten getale van 5, meestal met
dubbele zaadlijst, elk voorzien van één, zelden van
verscheidene rijen eitjes Kokervruchten droog of hout-
acbtig. Kiemworteltje ver van den navel. Kiemwit dik-
ker of dunner dan de zaad lobben. Hiertoe brengt hij
S. Javanica R. Rr., S. macrophylla R. Rr., S. Spangleri
R. Rr., S. kmgifctia R. Rr., S. grandifalia R. Br.,
alle van Java, S. en-sifolia Mast. en S. rubiginosa Vent.
van Malakka en S. gracilis Korth. van Borneo.
Pterocymbium /{. Rr. Heeldradenzuil ciündervormig
bij de mannelijke, gezwollen bij de vrouwelijke bloemen
en met ééne rij van 10 helmknoppen. Vnichtbladen
3—(>, elk met 2 naast elkander geplaatste, omgekeerde
eitjes. Gevleugelde, éénzadige kokervruchten. Kiemwor-
teltje naar onder gericht. Kiemwit zeer dik. Zaadlobben
plat, hartvormig. Hiertoe brengt hij Pt. Javanicuni
R. Br.
van Java en P. tubulatum Pierre, de laatste
afkomstig van Malakka en vroeger als S. iulmlala
Mast.
beschreven.
Scaphium Schott. Meeldradenzuil langer dan de kelk-
buis, met 15 meeldraden in de mannelijke en 10 in de
vrouwelijke bloem. Helmknoppen met evenwijdige hokjes,
die in de lengte of aan den top openspringen. Vrucht-
bladen 2—5, elk met 2 naast elkander geplaatste,
omgekeerde eitjes. Stempel zittend, of bijna zittend,
2-lobbig. Kokervruchten gevleugeld, dikwijls onder aan
de basis verbreed, meestal 1-zadig. Kiemwit al of niet
aanwezig. Hiertoe behooren Sc. Wallicliii Rr. = Si.
scaphigera Wall.
(Malakka), Sc. affine Pierre = Si.
affinis Mast.
(Malakka), Sc. Beccariannm Pierre
(Borneo) en Sc. linearicarpum Pierre = St. lincari-
carpa Mant.
(Malakka).
Volgens Pierre moet verder nog onderscheiden wor-
den het geslacht Pterygota Schott, met gevleugelde
zaden, waartoe hij brengt Pt. Roxburghii Schott =
St. alata Roxb., van \'Java enz. en Pt. Burcavii Pierre
van Borneo.
p. 124 aan de aanteekening omtrent de soorten van
TABRIETIA Bi. toevoegen:
Eene soort van Celobes, welke door Omver tot dit
geslacht is gebracht, T. Riedeliana Oliv., wordt door
Pierre daarvan afgescheiden en vereenigd met eene
soort van Australië, die door Ferd. Mükm.er reeds
vroeger tot een afzonderlijk geslacht was verheven. Dit
geslacht, Argyrodendron Ferd, Mvell., bevat dus 2
soorten, A. trifoliata Ferd. Muell. en A. Riedeliana
Pierre.
Het wordt volgens Pierre aldus onderscheiden:
-ocr page 726-
666 TWEEDE AANVULLING VAN HET EERSTE STUK.
Bloemen tweeslachtig of gemengdslachtig. Kelk urn-
vormig, langer dan de buis. gedeeltelijk met schub-
aehtige haren bedekt. Schijf kussenvormig, beschubd.
Meeldraden in eene korte buis, eindigende in 5 ondui*
delijko afdeelingen, die in dn mannelijke bloem 5, in
de vrouwelijke 11 helmknoppen met evenwijdige hokjes
dragen. Stampeidrager min of meer vrij van de meel-
dradoiihuis, met 5 vrije vruchtbladon, die elk 1—\'2
eitjes bevatten en eindigen in een korten stijl met
haakvormig omgebogen stempel; eitjes klimmend nabij
de basis van den eierstok, met een naar onder gericht
poortje. Vloiigelvruehten éénzadig. Zaad zonder kieuiwit,
met eene losse zaadhuid; kicmworteltje kort, naar
onderen gericht; zaadlobben eivormig, plat-bol, door-
trokken van harsachtige kanalen.
liooincn met drietallige, gestoelde, van onderen be-
schubde bladeren.
p. 124 het begin der beschrijving van TETRADIA il. 5r.
aldus wijzigen:
Bloemen écnslachtig. Kelk met korte buis
en 3—1 dikke lobben. Bloembladen ontbrekend.
Meeldradenzuil kort, eilindervormig bij do man-
nelijke en gezwollen bij de vrouwelijke bloem, met
8 meeldraden, die in ééne rij zijn geplaatst en
wier helmknoppen opgerichte en evenwijdige hok-
jes hebben. Stampers 3—4, elk met een langen,
neergeslagen stijl en co klimmende eitjes, die in
het midden van het vruchtblad opeengedrongen
zijn om 2 dikke, onduidelijke zaadlijsten.
Fam. XXIII. TILIACEAE.
p. 133 vóór 1. BROWNLOWIA lio.ib. bijvoegen:
13. Aristotglia. Bloembladen 4—5, in den knop
dakpanswijzo dekkend. Besvrucht.
p. 133 nan de aanteckening omtrent de soorten van
BROWNLOWIA liovh. toevoegen:
Door I\'ikriik wordt het geslacht Dialycarpa Mast.,
door den auteur in de Mnlvurene geplaatst, iriet ttmwn-
lotria
vereenigd. De soorten van Nederlandsch Itidië
brengt hij vervolgens tot 2 secties, die men aldus kan
onderscheiden:
1. Humea. Bloembodem hoog of laag. Meeldraden in
-ocr page 727-
TWEEDE AANVULLING VAN HET EERSTE STUK. 667
bundels van 20 tot 35. Stijlen aan don to|> satnenhan-
gend, ineengedraaid en al of niet te scheiden, lutjes
naast of boven elkander. Vruchtkluisjes meestal 4—5,
vrij of aan de basis samenhangend. Hiertoe belmoren
o. a. Br. elata lioxb. = Humea elata Roxb., Br. Sara-
whensii Pierre
(Borneo), Br. cuxpidata Pierre (Boraeo),
Br. jiellatK Benlh. (Borneo).
2. Dialycarpum. Bloembodem zeer kort. Heeldraden
in bundels van 5—6. Stijlen ineengesmolten. Eitjes
naast elkander. Vruchtkluisjes 2—3, aan de basis een
weinig vergroeid. Hiertoe brengt PiKRRK o. a. Br. Ian-
ceolata Benlh.
= Br. UmceolaUt Kurz en Br. Beccarii
Pierre
=: D. Beccarii Mast., de laatste van Borneo.
p. 133 aan de aanteekening omtrent de soorten van
PENTACE Hassk. toevoegen:
Door Pierre wordt in Flore Forestiére tle la Cnrhin
Chine bij t. \\\'A eene nieuwe soort van Borneo beschre-
von, nl. P. Borneensis Pierre.
p. 137 aan de aanteekening omtrent de soorten van
ECHINOCARPUS ui. toevoegen:
Door FERD. v. MllELLER wordt dit geslacht opgenomen
in Sloanea £•., dat door Bentham en Hooker beperkt
was tot de soorten van tropisch Amerika. Hij beschrijft.
dus voor Nieuw Cluinea eene nieuwe soort, .S7. paradi-
searum F. Muell.,
welke liij in de sectie Echinocarpus
plaatst en die waarschijnlijk in het geslacht van dien
naam gebracht moet worden, als men de tweegeslach-
ten scheidt. Even als bij de soorten van dat geslacht is de
vrucht hier oc -zadig en niet \\—4-zadig, zooals Bentham
en IIcmikki; voor Sloanea opgeven, eene opgave ilie
echter door F. MUELLER onjuist wordt genoemd.
p. 138 na reg. 11 v. b. invoegen:
13. ARISTOTELIA f hér.
Kelkbladen 4—5, in den knop klepswijze
aaneensluitend. Bloembladen evenveel, in den
knop dakpanswijze dekkend, 3-lobbig, getand
of nagenoeg gaafrandig, om de basis van een
weinig verhoogden, doch zeer verdikten, van
buiten met klieren Jjezetten bloembodem ingc-
plant. Meelclradon oo, boven den bloembodem
binnen de klieren ingeplant; helmknoppen vrij;
hokjes aan de rugzijde bevestigd, aan den top
-ocr page 728-
668 TWEEDE AANVULLING VAN HET EERSTE STUK.
met eene korte spleet openbarstend en ineen-
vloeiend. Eierstok 2—4-hokkig, met 2 eitjes in
elk hokje; stijl priemvormig, onverdeeld. Vrucht
besvormig, niet openbarstend, 2—4-hokkig. Zaden
in elk hokje 1—2, klimmend of hangend, kan-
tig; zaadhuid korstachtig of beenhard, van
buiten dikwijls moesachtig; kiemwit vleezig;
kiem recht; zaadlobben plat of golvend.
Heesters met meestal min of meer tegen-
overgestelde, gaafrandige of getande bladeren.
Bloemen meestal gemengdslachtig, kleiner dan
die van Elacoairpns, in zjjdelingsche en oksel-
standige trossen. Bessen klein.
Aantal soorten omstreeks 5, waarvan \\ in Cliili, 1 in
Tasmaniü, 2 in Nieuw Zeeland en 1 in Nieuw Guinca.
De laatste is A. 1\'apiutna Ferd. Mucll.
Fam. XXIV. LINACEAE.
p. 139 reg. 13—14 v. b. vervangen door:
f Slijten vrij.
i. Sarcothkca. In elk hokje van den eierstok 2
eitjes. Hesvorinige doosvrucht, die schotverdeelend open-
springt.
ia. Durandica. In elk hokje van den eierstok 1 eitje.
Geribde steenvrucht, met 5 min of meer beenharde
kernen.
ff Stijlen tot aan den top vergroeid.
5. IxONANTHES. In elk hokje van den eierstok 1 eitje.
Leder* of houtachtige doosvrucht, die schotverdeelend
naar buiten openspringt.
p. 141 vóór 5. IXONANTHES Jack. invoegen:
ia. DTJRANDEA Planch.
Kelkbladen 5, lederachtig, in den knop dak-
panswijze dekkend. Bloembladen 5 , in den knop
incengedraaid, hypogynisch, vrij dik, afvallend.
Meeldraden 10, alle van helmknoppen voorzien.
aan de basis tot een ring verbonden. Eierstok
5-hokkig, met 1 eitje in elk hokje; stijlen
nagenoeg van de basis af vrij. Vrucht eene
-ocr page 729-
TWEEDE AANVULLING VAN HET EERSTE STUK. 669
niet zeer vleezige, eivormige steenvrucht met
eene spits op den top, en met 15 ribben,
waarvan telkens 2 dunnere tussehen 2 dikkere
liggen; kernen min of meer beenachtig, niet
openbarstend. Zaden met een vloezig kiemwit en
eene groote kiem, met bladachtige, groene
zaadlobben.
Onbebaardc heesters met afwisselende, ge-
steelde bladeren. Bloemen klein, in cindeling-
sche en zijdelingschc pluimen, uit bijschormen
samengesteld.
Aantal soorten 2, waarvan do eene op Nieuw Oale-
donië en de andere, f), pallida K. Sc/imn., in de l>uit-
selie bezittingen op Nieuw Gninea voorkomt. De be-
schrijving der bloemen is grootendeels aan de eerste,
die der vruchten aan de tweede soort ontleend.
Fam. XXVIII. RUTACEAE.
p. 155 bij 2. Evodia. invoegen:
Kelkbladen in den knop dakpanswijze dekkend. Sclujf
gaafrandig of 4—5-lobbig, doch niet buisvormig.
2a. Herzoria. Bladeren tegenovergesteld. Meeldraden
4. Ongewapende heesters. Kelkbladen in den knop dubbel-
gevouwen, klopswijze aaneensluitend. Sclujf buisvormig,
4-lobbig, den eierstok omgevend.
p. 157 vóór 3. TETRACTOMIA Hook.f. invoegen:
2a. HERZOGIA A\'. Schum.
Bloemen gemengdslachtig. Kelkbladen 4, in
den knop dubbel gevouwen klcpswjjze aan-
eensluitend. Bloembladen 4, in den knop kleps-
wijze aaneensluitend, met een eenigszins toege-
spitsten, naar binnen geslagen top. Meeldraden
4, met eivormige, aan den top toegespitste,
aan de basis pijlvormige hokjes. Schijf zeer
groot, vliezig, kort buisvormig en 4-lobbig.
Eierstok 4-lobbig; stijlen 2, aan de basis vrij;
eitjes 2 in elk hokje, boven elkander geplaatst.
Heester met dunne, ongedoornde takken en
vliezige, gestoelde, gaafrandige, tegenoverstaande
bladeren. Bloemen wit en gesteeld, in oksel-
-ocr page 730-
670 TWEEDE AANVULLING VAN HET EERSTE STUK.
standige pluimen met kruiswijs geplaatste takken
en kleine schutbladen aan de basis.
Eéne soort, Jl. odorifera K. Schum., m de Duitsche
bezittingen op Nieuw Guinea voorkomende.
Fam. XXXII. MELIACEAE.
p. 183 bij 7. Ciiisociieton. invoegen:
Helmhokjes onverdeeld. Schijf kort en vleezig of
buisvormig.
la. UeLIOSCHINZIA. Kelk napvormig, gaafrandig.
Bloembladen langwerpig-laneetvormig, in den knop dak-
l>answijze dekkend. Helmknoppen 10; helmhokjes in
vakjes verdeeld. Schijf ontbrekend. Eierstok 5-hokkig.
p. 184 vóór 13. Walsura. invoegen:
12a. Owenia. Iiloembladen 5. llelmknoppen 10, zit-
tend. Schijf ringvormig of met den eierstok vergroeid.
Steenvrucht \'i—4- of (in de soort van Nederlandsch
Indië) 12-hokkig.
p. 190 vóór 8. dasycolbum Turcz. invoegen:
7a. MELIOSCHINZIA K. Schum.
Kelk napvormig, gaafrandig. Bloembladen 5,
langwerpig lancetvormig, stomp, in den knop
dakpanswij ze dekkend, min of meer lederachtig,
aan de basis licht met de meeldradenbuis samen-
hangend. Meeldradenbuis aan den top met 10
kartels voorzien, van binnen aan de basis dicht
behaard; helmknoppen zittend binnen het boven-
ste gedeelte van de meeldradenbuis en daar
binnen besloten; helmhokjes in vakjes verdeeld.
Schijf ontbrekend. Eierstok 5-hokkig, met 1
eitje in elk hokje; stijl ver boven den eierstok
uitstekend, met knop- of schijfvormigen, van
boven ingedrukten, aan de basis door een gelei-
achtigen ring omgeven stempel. Besvrucht
peervormig, met 5 voren, aan den top eenigs-
zins ingedrukt, 5-hokkig en 5-zadig.
Ilooge boomen met dikke takken Bladeren
groot en gesteeld, met tegenovergestelde en
kortgesteelde blaadjes, waarvan de bovenste
van elk blad, klein en opeengedrongen, samen
-ocr page 731-
TWEEDE AANVULLING VAN HET EERSTE STUK. 671
op een bladknop gelijken. Bloemen nagenoeg
zittend, aan oksolstandige of uit liet oude hout
te voorschijn komende, veelbloemigc pluimen.
Eéne soort, M. niacrojihylla K. Schuin., door H01.1.-
RUNG in de Duitsche bezittingen op Nieuw Guinea
gevonden.
193 vóór 13. WALSURA ïloxb. invoegen:
12a. OWENIA Ferd. Muell.
Kelk gevormd uit 4—5, in den knop dak-
panswijze dekkende kelkbladen. Bloembladen
4—5, in den knop dakpanswijze dekkend. Meel-
draden verbonden tot eene buis, die aan den
top in 10 slippen verdeeld is, en onder den
top tusschen de slippen de zittende, docb boven
de buis uitstekende helmknoppen draagt. Schijf
ringvormig, vrij of met den eierstok vergroeid.
Eierstok 3—4-hokkig, of (in de soort, welke
in Nederlandsen Indië is waargenomen) 12-
hokkig; in elk hokje 1 eitje; stijl ongeveer
even lang als de eierstok; stempel kegel- of
bolvormig. Steenvrucht met min of meer sap-
pige buitenlaag van den vruchtwand en hout-
achtige, dikke kern. Zaad met langwerpige,
dikke zaadlobben.
Boomen, dikwijls met een melkachtig vocht
voorzien en met kleverige of gom bevattende
twijgen. Bladeren gevind. Bloemen tweeslach-
tig, in okselstandige pluimen. Vruchten min of
meer zuur, eetbaar.
Aantal beschreven soorten 5, in Oostelijk Australië
voorkomende. Door FORBES werd op Timor l.aut een
Vruchtdragend exemplaar gevonden, dat waarschijnlijk
behoort tot eene dezer soorten, n.1. tot O. eeratifera
F. Muell.
197 aan de aanteekening omtrent de soorten van
FLINDBRSIA 11. Dr. toevoegen :
Dooi- Fkrii. Mi ei.lf.r wordt eene nieuwe soort van
Nieuw Guinea beschreven, Fl. Papuana F. Muell., doch
naar onvolledig materiaal.
-ocr page 732-
672 TWEEDE AANVULLING VAN HET EERSTE STUK.
Fam. XXXIII. DICHAPETALACEAE.
p. 199 reg. 12 v. b. staat p. 176 lees p. 570.
Fam. XXXIV. OLACACEAE.
p. 201 rcg. 5 en 10 v. b. sltutt vruchtbare meeldraden
10 en meer of minder dan 10, lees in beide ge-
vallen
8—10.
p. 202 reg. 17 v. b. staat Ryticaryum lees Rhyticaryum.
p. 203 vóór \\. XIMENIA Plum. invoegen:
28 ! l.oi\'iioi\'Yxis. Mlnornen éénlmizig. Kelkbladen in
den knop klepswyze aaneensluitend. Bloembladen vrij,
kleiner dan ile kelkliliulen. Meoldraden 5. Schijf ondui-
ilelijk K-lobbig. Eierstok 5-hokkig, elk hokje met 2
eitjes. Vrucht 1-zudip, met 5 vleugels.
p. 204 aan de aanteekening omtrent de soorten van
XIMENIA L. toevoegen:
Door BaILLON werd eene tweede soort van Neder-
lansch Indië beschreven, nl. X. Borneensis liaill.. die op
Borneo voorkomt.
p. 210 aan de aanteekening omtrent de soorten van
CANSJERA Dl. toevoegen:
Scmumann vermeldt nog, als eene soort van Duitsch
Nieuw Guinea, C. leptostachya Denlh.
p. 213 de beschrijving der bloeiwijze bij GOMPHANDRA
Wall. aldus wijzigen:
Bloemen klein, in vertakte bijschermon, welke
of door verkorting der assen op hoofdjes ge-
lijken, of langgcsteeld zijn en met schermen
overeenkomen, soms de bloemen alle aan ééne
zijde der as dragen en in de oksels der bladeren
of daarbuiten zijn geplaatst.
p. 215 reg. 18 V. o. staat RYTICARUM lees RHYTIOA-
RYUM.
p. 224 aan het eind der Olacaceae toevoegen:
-ocr page 733-
TWEEDE AANVULLING VAN HET EERSTE STUK. 673
28 (?) LOPHOPYXIS Ilook. f.
Bloemen éónhuizig. Mannelijke bloemen : Kelk
5-deelig, blijvend, met eivormige, aan weerszijden
behaarde, slippen, die in den knop klepswijze aan-
eensluiten met omgevouwen randen. Bloembladen
5, klein, min of meer cirkelvormig, weinig behaard.
Schijf dik, met 5 omgekeerd hartvormige lobben.
Meeldraden 5, tusschen de lobben van de schijf
ingeplant. Rudimentaire stamper 5-kantig of 5-
deelig, langharig Vrouwelijke bloemen: Kelk en
bloemkroon als van de mannelijke. Schijf ringvor-
mig, gekarteld. Staminodiën onduidelijk of ontbre-
kend. Eierstok eivormig, viltachtig behaard,
5-hokkig ; stempels 5, zittend, priemvormig,
aan de rugzij de behaard, aan den top en de
binnenzijde glad; eitjes 2 in elk hokje, boven
in den binnenhoek aan eene lange, boven het
eitje verdikte zaadstreng bevestigd, langwerpig,
met buikstandige, min of meer naar elkander
gekeerde zaadnerf. Vrucht lijnvormig langwer-
pig, meestal 2-hokkig en 1-zadig, met 5 vleugels,
waarin de holte van de vrucht niet doordringt.
Zaad langwerpig met eene dikke zaadhuid,
zonder kiem wit (of met eene dunne zaadhuid
en een vrij dik kiem wit?), met langwerpige
zaadlobben en een kort, naar boven gericht
kiemworteltje.
Klimmende heesters met afwisselende, gesteel-
de, eivormig langwerpige of elliptische, toege-
spitste, glanzende bladeren, zonder steunblaadjes.
Bloemen klein, tot bundels vereenigd aan de
takken van hangende, eindelingsche pluimen,
wier onderste takken soms als ranken dienst doen.
Aantal soorten 3, op Malakka, Ceram en Nieuw Guinea.
De eerste, L. Maingayi Hook.f., werd door Hooker in
Icones PI. t. 1714 en Flora of Brit. Ind. V, p. 476
met eenigen twijfel tot de Euphorbiaceae gebracht, doch
met de bijvoeging dat het geslacht zich bij geen der
bekende geslachten aansloot. De tweede, L. Pierrei,
wordt het eerst in dit werk (bij de Saxifragaceae,
en ook als een twijfelachtig geslacht) met den ge-
slachtsnaam Treubia Pierre, (Tr. Combrelocarpa Pierre),
-ocr page 734-
C74 TWEEDE AANVULLING VAN HET EERSTE STUK.
vermeld, docli de beschrijving aldaar is echter niet vol-
komen juist. Bij nader onderzoek bleek mij dat de
bouw van den eierstok en van de stempels volkomen
met die bij de plant van Malakka overeenstemt. Door
de bladeren, welke duidelijk gezaagd zijn, en aan de
basis min of meer wigvormig toeloopen, verschilt onze
soort van L. Maimjayi Ilook. f., waar de bladeren gaaf-
randig en aan de basis afgerond zijn. Als eene derde
soort, die men L. Schumannii zou kunnen noemen, be-
schouw ik de plant, waarnaar Sciiumann in zijne Flora
von Kais. Wilh. Land,
p. 60. zijn geslacht Combretopsis
beschreef, (C pentaptera K. Schitm.). Deze onderscheidt
zich door de aanwezigheid der ranken en door de grootere
vrucht. Door Schumann wordt zijn geslacht onder de
Olacaceae geplaatst. Ofschoon het ook daar eene twijfel-
achtige plaats inneemt, schijnt het zich daar nog het
best aan te sluiten bij de geslachten met gevleugelde
vruchten, zooals Cardiopteris en Pteleocarpus.
Fam. XXXVI. CELASTRACEAE.
p. 233 De nummers van ELAEODENDRON Jacq. en van
de volgende geslachten moeten alle met één ver-
hoogd worden.
Fam. XXXIX. SAPINDACEAE.
p. 287 aan de lijst der sapindaceae van nederlandsch
INDIË toevoegen de volgende in Duitsch Nieuw
Guinea gevonden soorten :
Toechima hirsutum Radlk.
Lepidopetalum hebecladum Radlk.
»             subdichotomum Radlk.
Harpullia crustacea Radlk.
Fam. XLI. ANACARDIACEAE.
p. 294 reg. 14—18 v. o. vervangen door:
f Eierstok onvolkomen 1-hokkig, met één vruchtbaar
en één onvruchtbaar hokje.
15 Campnosperma. Eitje hangend aan den top van
het hokje. Meeldraden in het dubbel aantal van de
bloembladen, 6—10 (meestal 8).
-|"j- Eierstok A-hokkig.
15a. Eurosciiinus. Eitje hangend nabij den top van
het hokje. Meeldraden in het dubbel aantal van de
bloembladen, 10.
-ocr page 735-
TWEEDE AANVULLING VAN HET EERSTE STUK. 675
16. RllUS. Eitje opstijgend nabij de basis van liet
hokje. Meeldraden in hetzelfde aantal als de bloem-
bladen, 5.
p. 300 aan de aantcokoning omtrent de soorten van
MELANORHOBA oiiv. toevoegen:
Eene nieuwe soort, M. Curtisii Oliv., op Penang
gevonden, werd beselireven iu IIuoki.ü. Iconen t. 1513.
p. 303 aan de aantcckcning omtrent de soorten van
DKACONTOMELUM Jii. toevoegen:
Eene nieuwe soort, Di\'. laxiim K. Schum., op Duitsch
Nieuw Guinea voorkomende, woiilt door Sciiumann be-
sr.lireven iu zijn Flora von Kai». Wil/i. Land.
p. 308 vóór 16. RHUS L. invoegen:
15a. EUROSCHINUS Jlook.f.
Bloemen gemengdslachtig-tweehuizig of twee-
slachtig. Kelklobben half cirkelvormig, in den
knop dakpanswijze dekkend. Bloembladen lang-
werpig of langwerpig-eivormig, in den knop
dakpanswijze dekkend. Meeldraden 10, buiten
de schijf ingeplant; helmdraden kort; helm-
knoppen langwerpig, aan de rugzijde bevestigd,
met een kort gepunt helmbindsel en naar binnen
door eene langsspleet openspringende hokjes.
Schijf kort napvormig, 5-lobbig; lobben kort
uitgerand. Eierstok zittend, eivormig, 1-hokkig;
eitje hangend aan eene zaadstreng, die onder
den top van het hokje is vastgehecht; stijl even
lang als de eierstok, met drie ondiepe voren;
stempel diep 3-lobbig ; lobben ondiep uitge-
rand. Steenvrucht vleezig, samengedrukt eivor-
mig, op zijde van den top door een overblijfsel
van den stijl gekroond, harsachtig; kern dun,
korstachtig, met het vruchtvleesch samenhangend.
Zaad samengedrukt eivormig, onder den top van
het hokje hangend; zaadlobben plat, zeer dun;
kiemworteltje naar boven en naar den navel
gericht, schuin op de zaadlobben.
Boomen met aschkleurige twijgen, welke met
bruine lenticellen zijn bezet. Bladeren vliezig,
-ocr page 736-
676 AANVULLING DER LITTERATUUR VAN HET EERSTE STUK.
oneven gevind; blaadjes kortgesteeld, schuin
langwerpig of\' schuin eivormig, toegespitst. Bloe-
men klein, in oksclstandige en eindelingsche
pluimen.
Aantal soorten T>, in tropisch Australië en Nieuw
Caledonië. Eéne soort, K. faleatus IInok. f., is volgens
Kkkii. Mi ki.i.kr in Descriptie; S\'oiexon Papiutn 1\'lunls,
VIII, p. i\'2 ook op Nieuw Guinea gevonden.
AANVULLING DER LITTERATUUR
VAN HET EERSTE DEEL,
EERSTE STUK.
Ferd. MüELLER noemt en beschrijft voor de Flora van
Nieuw Guinea in Descriptive Noten on Papuan Plants,
Melbourne, 1875—1886, behalve de vernielde soorten
eenige nieuwe of niet voor dit gebied bekende soorten,
behoorende tot de volgende families: Dilleniaeeae, Cap-
paridaceae, Pittosporaceae, Guttiferae, Malvaccae, Stercu-
liaceae, Tiliaeeae, Meliaceae
en Rutaceae.
K. Schumann beschrijft in Schumann und HOLLBUNQ
Die Flora von Kuiser fVilhelms Land, (Beiheft zu den
Nachrichten fiber Kaiser Wühelms Land und den Bin-
marck-Archipel
188\'J) behalve de vermelde soorten een
aantal nieuwe of niet voor Nieuw Guinea bekende soorten
behoorende tot de volgende families: Dilleniaeeae, Ano-
naceae, Menispermaceae, Pittosporaceae, Sterculiaceae, Ge-
raniaceae, Rutaceae, Burseraceae, Meliaceae, Rhamnaceae,
Celastraceae
en Anacardiaceae.
King beschrijft in Materials for a Flora of the Ma-
layan Peninsula (Joum. As. Soc.
LVIII, 2, p. 359)
behalve de genoemde een aantal nieuwe soorten van
Malakka en ook eenige van Sumatra, behoorende tot de
volgende families: Dilleniaeeae, Magnoliaceae, Menisper-
maceae, Capparidaceae
en Violaceae.
-ocr page 737-
AANVULLING EN VERBETERINGEN VAN
HET EERSTE DEEL,
TWEEDE STUK,
Fam. XLIII. CONNARACEAE.
p. 321 Bij de opgave omtrent de soort van NOTHO-
CNESTIS Miq. bijvoegen den naam van deze, N.
Sumatrana Miq.
Fam. XLIV. LEGUMINOSAE.
p. 324 vóór Tribus XV. Adenanthereae invoegen:
Tribus XV. Piptadenieae. Bloemen meestal 6-
tallig. Kelk klepswijze aaneensluitend in den knop.
Meeldraden in het dubbele aantal der bloembladen ;
helmknoppen meestal met eene klier op den top. Zaden
zonder kiemwit. Stuifmeclkorrels oc .
de nummers van Tribus XV. Adenanthereae en
van de volgende tribus elk met één verhoogen.
p. 325 vóór Tribus I. Genisteae invoegen:
Het zou meer in den regel geweest zijn, wanneer
voor den naam dezer groep Papilioneae in plaats van Papi-
lionaceae
gebruikt ware. De namen der beide andere onder-
families der Legnminosae zijn toch ook met den uitgang
eae en niet met aceae gevormd. Ook komen in het
algemeen de namen der onderfamilies in vorm overeen met
die van de families. De uitzondering mag echter hier gel-
den, omdat ten eerste de groep zelve door velen als
eene familie wordt opgevat en ten tweede de naam in
dezen vorm een algemeen gebruik heeft gekregen.
p. 329 reg. 16 v. o staat Pseudartria lees Pseudarthria.
-ocr page 738-
678              AANVULLING VAN HET TWEEDE STUK.
p. 331 vóór 36. Shutkria. invoegen:
f Zaden zonder kiempropje. Bloemen klein.
p. 331 vóór Subtribus 2. Erythrineae. invoegen:
-J--J- Zaden met een kiempropje. Bloemen groot.
38n. Kknnedya. De twee bovenste kelklobben geheel
of bijna geheel tot eene gaafrandige of uitgerande
bovenlip vergroeid. Meeldraad tegenover het vlagje
vrij, de overige vergroeid. Helmknoppen éénvormig.
Schutbladen nu eens groot en blijvend, dan weder klein
en spoedig afvallend.
p. 333 reg. 6 v. o. staat is het vlagje enz. lees is de
meeldraad tegenover het vlagje enz.
p. 337 reg. 12—24 v. o. 84. Sindora enz. aldus icijzigen:
-j- Kelk tijdens den bloei niet gespleten. Helmknop-
pen zonder spits.
84.    Sindora. Eén bloemblad. Meeldraden kort één-
brooderig, 2 volkomen, de overige met onvruchtbare
helmknoppen of zonder helmknoppen. Eierstok met 2
eitjes, waarvan gewoonlijk slechts 1 tot ontwikkeling
komt. Kelk en vrucht gestekeld.
85.   Cynomktra. Vijf bloembladen. Meeldraden 10—oo ,
vrij, alle vruchtbaar. Kelk en vrucht niet gestekeld.
Eierstok met 2 eitjes, waarvan één tot ontwikkeling
komt. Hladknoppen kort. Bladeren evengevind; bladspil
voorbij de blaadjes niet verlengd.
86.   Manii.toa. Vijf bloembladen. Meeldraden 10—15,
vrij ? Kelk en vrucht niet gestekeld. Eierstok met 2
eitjes, die beide tot ontwikkeling komen. Bladknoppen
meer dan een halven voet lang, door dicht opeengedron-
gen schubben omgeven. Bladeren evengevind; bladspil
ver voorbij de blaadjes verlengd.
•J-f Kelk tijdens den bloei gespleten. Helmknoppen met
eene spits.
86rr. Schizosiphon. Drie bloembladen. Meeldraden meer
dan 30, tot eene gespleten buis vergroeid. Eierstok
met 1 eitje. Bladeren evengevind; bladspil niet voorbij
de blaadjes verlengd.
p. 337 reg. 13 v. o. Daar enz. vervangen door:
Daar Bentham echter de exemplaren van \'s Rijks
Herbarium bij de bewerking niet in handen heeft gehad,
en deze ook later niet bewerkt zijn geworden, zijn er
-ocr page 739-
AANVULLING VAN HET TWEEDE STUK. 679
daaronder misschien nog nieuwe of voor Nederlandsch
Indië onbekende soorten.
p. 371 voor 39. BBYTHRINA L. invoegen:
38a. KENNEDYA Vent.
Kelklobben nagenoeg even lang of een weinig
korter dan de buis, de beide bovenste tot eene
gaafrandige of uitgerande bovenlip vergroeid.
Vlagje omgekeerd eivormig of cirkelvormig,
in een nagel versmald, meestal met kleine,
omgeslagen oortjes; vleugels schuin langwerpig,
aan de kiel vastgehecht; kiel gekromd, min of
meer spits of stomp. Meeldraad tegenover het
vlagje vrij, de overige vergroeid; helmknoppen
éénvormig. Eierstok nagenoeg zittend of kort-
gesteeld, met oo eitjes; stijl draadvormig, van
boven omgebogen, zelden aan den top met een
tandje voorzien, ongebaard, met eindelingschen
stempel. Peul lijnvormig, samengedrukt, rolrond
of gezwollen, 2-kleppig, van binnen tusschen
de zaden schotten dragend, opgevuld of zelden
ledig. Zaden eivormig of langwerpig, met zijde-
lingschen, door een kiempropje bedekten navel.
Overblijvende, windende of nederliggende krui-
den. Bladeren 3-bladig gevind, zelden 1 —5-
tallig, met steunblaadjes aan de bladspil. Steun-
blaadjes breed, gestreept, soms zeer breed
en vergroeid. Bloemen rood of zwart, groot, aan
okselstandige bloeistengels, in trossen, schermen
of alleenstaand. Schutbladen nu eens op steun-
blaadjes gelijkend en blijvend, dan weder zeer
klein en afvallend. Schutblaadjes ontbrekend.
Aantal soorten volgens Bentham en Hooker H , in
Australië voorkomende. Volgens Feru. Mueler komt
ééne soort, K. relusa Fcrd.MuelL, ook in Nieuw
Guinea voor.
p. 379 reg. 9 en 12 v. b. staat Plkctotropis lees Plec-
trotropis.
p. 404 de nummers vóór TRAOHYLOBIUM Hayne en die
der volgende geslachten moeten alle met 1 ver-
hoogd worden.
-ocr page 740-
680               AANVULLING VAN HET TWEEDE STUK.
p. 406 aan de aanteekening omtrent de soorten van
CYNOMBTRA L. toevoegen:
Eene nieuwe soort van dit geslacht, C. minutiflora
F. Muell.,
wordt van Nieuw Guinea opgegeven in Des-
criptive Notes on Pap. Plantx,
VIII, p. 44.
p. 407 aan de aanteekening omtrent de soorten van
MANILTOA Sche/f. toevoegen:
Sciieffer meende dat de door hem beschreven
M. grandiflora Scheff. van Nieuw Guinea synoniem
was met eene plant, die door A. Gray tot het geslacht
Cynometra L. gebracht en op de Viti-eilanden gevonden
was, C. grandiflora A. Gray. Door Schumann wordt de
juistheid dezer meening betwijfeld, en de soort van
Nieuw Guinea verdoopt in M. Schefferi K. Schum.
p. 407 vóór PARKIA E. Dr. invoegen:
86a. SCHIZOSIPHON K. Schum.
Kelk schuin en smal tolvormig, gestreept,
tijdens den vollen bloei van voren gespleten en
met 4 teruggeslagen, langwerpige, vliezige
slippen. Bloembladen 3, zeer smal lancetvormig,
spits, onderling even lang. Meeldraden meer
dan 30, voorbij de kelkbuis vergroeid tot eene
even als de kelk van voren gespleten scheede;
helmdraden ver boven de bloem uitstekend;
helmknoppen bewegelijk, met eene spits op den
top. Eierstok zittend, met 1 eitje, met een
langen, gekromden stijl en een tol-buisvormigen
stempel.
Hooge boom met dunne, diepgevoorde twijgen,
waarvan de bladeren in 2 rijen zijn geplaatst.
Bladeren evengevind, met 6—8 jukken van
zittende, ongelijkzijdige, half langwerpig lan-
cetvormige, papierachtige, aan de basis eene
klier dragende blaadjes. Bloemen in grooten
getale dicht opeengedrongen aan kortgesteelde,
eindelingsche trossen, met afvallende schutbladen.
Eéne soort, Sch. roseus K. Schum., door Hollrung
in de Duitsche bezittingen op Nieuw Guinea gevonden.
p. 419 aan de aanteekening omtrent de soorten van
HANSBMANNIA K. Schum. toevoegen:
-ocr page 741-
AANVULLING VAN HET TWEEDE STUK.              681
Eene derde soort, II. brevipea A\'. Sc/mm., word in
hetzelfde gebied gevonden.
Fam. XLV. ROSACEAE.
p. 428 aan do aanteckening omtrent de soorten van
PYGEüM Cnei-tn. toevoegen:
ScilUMANN bosebrijft ooiio nieuwe soort van Nieuw
Guine», /\'. brevittylum K. Sclmm.
Fam. XLVI. SAXIFRAGACEAE.
p. 439, 445 en 446. De opgaven omtrent het geslacht
TRETJBIA l\'ien-e moeten vervallen, daar de onder
dien naam beschreven plant thans in het geslacht
LOPHOPYXIS /look. f. is opgenomen. (Zie bladz.
673). De naam Trentna is bovendien eenige weken
vóór het verschijnen van dit stuk gegeven aan
een geslacht der Hepaticae.
Fam. LI. RHIZOPHORACEAE.
p. 472 aan de aanteekening omtrent de soorten van
ANISOPHYLLEA li. lh-. toevoegen:
In Borneo konion nog i soorten voor, A. r/inniboidea
llnill.
en .1. Beccaricma Huilt., beide door BECCARI
verzameld en door Baillon beschreven in Adansonia
XI
p. 310.
Fam. LIV. MELASTOMACEAE.
p. 536 reg. 12 v. b. staat Hollrungia lees Hollrungii
Fam. LV. LYTHRACEAE.
p. 556 aan de lijst der LYTHRACEAE VAN nederlandsch
indië toevoegen:
Lagerstroemia Koehniana K. Schuin. (Nieuw Guinea.)
Fam. LVII. SAMYDACEAE.
p, 563 aan de aanteekening omtrent de soorten van
OASEARIA
Jacq. toevoegen:
-ocr page 742-
682              AANVULLING VAN HET TWEEDE STUK.
Sciiumann beschrijft ceue nieuwe soort van Nieuw
Guinea, C. mollig K. Schum., doch brengt het geslacht
tot de Bixaceae.
Fam. LX. CUCURBITACEAE.
p. 590 rcg. 12 v. o. staat MTJELL.ERRAGIA lees
MUELLERARGIA.
p. 595 aan de lijst der OUCURDITACEAE VAN NEDER-
LANDSCH indiË toevoegen:
Momordica coriacea Coijn. (N. Guinea.)
p. 597 als synoniem van Melothria Maderaspatana Cogn.
moet nog vermeld worden Mukia scabrella Am.
en onder de groeiplaatsen ook Nieuw Guinea
genoemd worden.
AANVULLING DER LITTERATUUR
VAN HET EERSTE DEEL,
TWEEDE STUK.
Ferd. Mueller beschrijft voor de Flora van Nieuw
Guinea in Descriptive Notes on Papiian Plants, I—VIII,
Melbourne, 1875—1886, behalve de vermelde soorten
nog eenige nieuwe of voor dit gebied onbekende soorten,
behoorende tot de volgende families: Leguminosae, Saxi-
fragaceae, Combretaceae, Panslfloraceae
en Begoniaceae.
K. Sciiumann beschrijft, in Schumann und Holl-
rung. Die Flora von Kuiser Wilhelms Land. (Beiheft
zu den Nachrichten über Kaiser Wilhelms Band und
den Bismarck Archipel
1889), behalve de vermelde soor-
ten eenige nieuwe of niet voor Nieuw Guinea be-
kende soorten, behoorende tot de volgende families:
Leguminosae, Saxifragaceae, Combretaceae enPassifloraceae.
-ocr page 743-
INDEX
VAN HET
EERSTE DEEL.
Do groepen, hooger in rang dan de families, zijn aangegeven met
vette kapitalen, do families met gewone kapitalen, de onderfamilies en
de synoniemen der families mot cursieve kapitalen; do tribus en sub-
tribus met vette letters, de geslachten met gewone Iïomeinsche letters,
de synoniemen der geslachten en de secties met cursieve letters. Men
vindt de families en geslachten, behalve op de aangegeven bladzijden,
ook in de Overzichten, waar zij voorkomen met het nummer, dat aan
het hoofd der beschrijving staat. Van de sectionamen zijn alleen die
opgenomen, welke don vorm van een geslachtsnaam hebben, dus noch
die op ae eindigen, noch die gevormd zijn uit den geslachtsnaam met
het voorvoegsel eu.
Abauria Becc......397
Abelmoschus Med. (Hibiscus) 115
Abroma Jacq......127
Abrus L. . . \'.....367
Abutilon Gaertn.....112
Acacia Willd......415
Acacia (Leucaona) .... 414
Acacia (Xylia).....409
Acacieae.....325, 339
Acanthonotus Benth. (Indi-
gofera).......347
Acanthopanax Miq. (Kalopa-
nax)......635, 647
Acer L........281
Aceratium DC. (Elaeocarpus) 138
ACER INE AE.....257
ACHLAMYDOSPORAE . xxxi
Acistoma Zipp. (Woodfordia)
545, 555
Acrocarpus Wight (Mezoneu-
rum)........393
Acronodia BI. (Elaeocarpus)    138
Acronychia Forst.....    161
Acrotroma Jack.....        7
Actinomorphe Miq. (Hepta-
pleurum) .... 639,   648
Actinophgllum R. et P. (Tre-
vesia).....640,   649
Adamia Wall. (Dichroa). .    441
Adansonia L......    116
Adansonieae.....    110
Adenanthera L.....    409
Adenanthereae. . . 324,   339
Adenilema BI. (Noillia) . .    429
Adinaudra Jack.....      94
Aechmandra Am. (Cerasio-
carpum).....591,   597
Aechmandra Am. t,Melothria)
590,   596
Aegle Correa......     167
Aesehynomene L.....    354
Aeschynomeneae ....    328
-ocr page 744-
684
INDEX.
Ammanella Miq. (Ammannia)
544, 555
Ammannia L. . . . 543, 555
Ammannia (Nesaoa) . 548, 556
Ammannia (.Rotala). . 543, 555
Amiuineae......611
Amoora lioxb......192
AMI\'ELIDACEAE. ... 244
Ampelideae......246
Ampelocissus Planch.. . . 248
Ampelopsis L. (Landukia) . 250
AMYGDALEAE .... 419
Amygdalw L. (Pruuus) . . 427
AMYRIDEAE.....176
ANACARDIACEAE 291, 674, 676
Auacardium Bottb.....297
Anacolosa BI......208
Anamirta Colebr. . . . 41, 659
Anamirta (Arcaugelisia). . 42
Anamirta (Chlaenaiidra). . 40
Anassera (Pittosporum) . . 75
Anauxanopetalum Tegsm. et
Biun. (Swiutonia) . . . 299
Anaxagoroa St. HU. ... 23
ANCISÏKOCLADACEAE . xxi
Ancistrocladus Wall. . xxm, 100
Anemone L....... 4
Auerincleistus Korth. . 512, 531
Angelesia Korth.....424
ANGIOSPERMAE . . . xxix
Anisophyllea lt.Br. . 471, 681
Anisophyllea (Haloragis). . 460
Anisophyllineae .... 465
Anisoptera Korth. . . xvm, 103
Anisoptera (Dipterocarpus) . xix
Anisoptera (Vatica) . . . xx
Annoslea Wall...... 93
Anomianthus Zoll..... 26
Anomosanthos BI.....269
Anona L........ 28
ANONACEAE xxvm, 12, 658, 676
Anplectrum A. Graij.. 518, 533
Anplectrum (Blastus) . . . 512
Anplectrum (Dissochaeta) . 518
Anthriscus Jfoffm.....619
Afzelia Sm.......402
Afzeikt (Pahudia) .... 402
Ayalma Miq. (Heptapleurum)
639, 648
Aganope Miq. (Derris) . . 388
Agathisanthes BI. (Nyssa)
453,651,656
Agati Desv. (Sesbania)
351
Agelaea Soland.
315
Agelaea (Troostwyckia)
320
191
Aglaia (Hoarnia) . .
194
. 192
Aglaiopnis Miq. (Hearnia
)
194
433
AIZOACEAE . . .
60:i
AIZOALES ....
41
ALANGIEAE . . .
652
652
47
416
Albizzia (Mimosa) . .
415
432
Alectryon Gaertn. . .
286
Alectryon (Spanoghea).
278
Allomorphia BI.. . .
50!
», 531
Allomorphia (Driessenia)
511
284
Allojjhylus (Schmidelia)
261
Aloecida (Begonia). .
600
Alphitoitia Jieissek.
243
Alphonsea H. f. et Th.
31
Alsineae .....
80
Alsodcia Thouars . .
66
64
Alsomitra Roem. . .
39S
, 597
Alsomitra (Gynostemma)
592
Althoffia K. Schuin. .
XXIII
Altingia Noronha . .
456
ALTJNGIACEAE. .
452
364
Ambigunthera lil. (Osbeckia)
507
Ameletia D C. (Botala) 54!
J, 555
401
Amherstieae. . . .
J24
, 336
-ocr page 745-
685
INDEX.
Anticoryne Turcz. (Baeckea)     486
Anticoryne Turcz. (Myrtella)     486
Antitaxis Miers (Pycnarrhona)    47
Aphania BI.......     284
Aphania (Sapindus) . . .     273
Aphanieae......     284
Aphanococcus Radlk. . . .     284
Aphanococcus (Hobecoccus) .     274
Apium L........     616
yljöfe^/-Mw#Z.(Anplectrum)519,533
APOCARPAE.....xxxii
Apodytes E. Mey. (Mappia).     215
Arachis L.......     356
Aralia L......629,   646
Aralia (Brassaiopsis) . 643,   650
Aralia (Panax).....     632
ARALIACEAE.....     625
Aralidium Miq.. . . 631,   646
Aralieae.......     627
Ararocarpus Scheff. ...       24
Arcangelisia Becc.....       42
Archytaea Mart. . . .98,   664
Argemonc L......       55
Argyrodondron F. Muell. .     665
Aristotelia VHér.....     667
Arnoldiu BI. (Wcinmannia).     445
Aromadendron /iZ.(Talauma).       10
Artabotrys B. Br.. . . 20,   658
Arthrophyllum BI.. . 642,   650
Arthrophyllum (Panax) 633,   647
Arthrosprion Hassk. (Acacia)     415
Arytora BI.......     287
Arytera (Cupania)....     264
Arytera (Guioa). . . .\' .     286
Arytera (Lepidopctalum). .     287
Arytera (Ratonia) ....     266
Arytera (ïriomma) . . .     177
Aschisma (Begonia) . . .     600
Aspidocarya H. f. et Th. . .       35
Aspidoptorys A. Juss. . .     144
Asterostoma BI. (Osbeckia) .     507
Astilbe Ham......     439
Astragalus L......     351
Astronia BI.....524,   536
ASTBONIEAE.....     505
Astronieae .... 505,  536
Atalantia Corr......     165
Atalantia (Triphasia). . .     162
Atalaya BI.....268,  284
Atrema D C. (Bifora). . .     623
Atylosia Wight et Am.. .    383
Atylosia (Dunbaria) . . .     383
Anrantieae......     155
Averrhoa L.......     151
AxinaeaZipp. (Medinilla)521,  535
Axinandra Thwaites . 528,  537
Aylmeria Mrt>-£.(Polycarpaea)      83
Azadirachta A. Juss.. . .     186
Azadirachta (Melial . . .     196
Azima Lam. (Fagonia) . .     148
Baeckea L.......485
BALSAMIFLVAE ... 452
Balsamineae.....150
Bania Beer.......48
Banisterieae.....143
Barclaya Wall.....52, 660
Barriugtonia Forst. . . . 498
Uauhinia L.......399
Bauhinieae .... 324, 336
Beccarianthus Cogn. . 525, 536
Begonia L.......599
BEGONIACEAE . . 597, 682
Benincasa Savi.. . . 587, 596
Bennettia Miq...... 72
BERBERIDACEAE ... 49
Berberis L....... 50
Borchomia Neck.....239
Bergsmia BI......73
BICARPELLATAE . . . xxx
Bifora Hofftn......623
Binnendykia Kurz. (Lepto-
nychia).......131
Biophytum D C. .... 151
Bixa L........ 70
BIXACEAE.....68, 661
Bixeae........ 69
Blarkwellia J«ss.(Homalium) 564
Blastus Lour. ... 511, 531
Bocagea St. HU.....31
-ocr page 746-
686                                                 INDEX.
Bocagea (Sageraea). ... 17
Boenninghauscnia Reich. . 156
Boerlagoa Cogn. . . 522, 536
Bombaceae......109
Bonibax L.......116
Bombycodendron Zoll. (Hibis-
cus)........115
Ronnetieae......93
Boschia Korth......118
Bosicellia Turcz. (Garuga) . 178
Botryopunax Mig. (Gastonia) 637
Bouua Meissn......300
Brachylophon Oliv. . . . xxiv
Brackenridgea A. Gray . . 174
Brassaia Endl. . . . 635, 647
Brassaia (Heptapleurum) 639, 648
Brassaiopsis Decaisne et Planch.6iS
Brassaiopsis
(Macropanax) 644,650
Brassica L.......59
Brathys Muf. (Hypericum). 86
Brissonia D C. (Tephrosia) . 348
Brittonia CV/m. ... 515, 532
Brovvnlowia Roxb. . . 133, 666
BroAvnlowieae.....132
Brucea MUI.......170
Bruguiera Lam.....468
Bryonia Tourn. (Bryonopsis)
585, 596
Bryonia (Melothria) . 590, 596
Bryonopsis Arn. . . 585, 596
Bnjonojjsis (Cerasiocarpum)
591, 597
Bryonopsis (Melothria). 590, 596
Bryophyllum Salisb. . . . 447
Bryophyllum (Kalauchoe) . 448
Buclianania Roxb.....295
Buchanania (Campnosperma) 308
Bucida L. (Terminalia) . . 476
Bucklandia R. Br.....455
BUCKLANDIEAE ... 452
Buottneria L......129
Buettnerieae.....122
BURSEBACEAE . . 175, 676
Bursinopetalum Wight (Mas-
tixia).......655
Butea Roxb.......373
Butonica Juss.(Barringtonia) 499
Carouria (Combretum) . .    478
Cadaba Forsk......      63
Caesalpinia L......    393
Caesalpiniu (Peltophorum) .    392
CAESALPINIEAE . 324, 334
Cajaneae.......    332
Calliandra Benth.....    416
Callitricho L......    462
Calophylleae.....      88
Calophyllum L......      89
Calophyllum (Kayea) . . .    664
Calosanthes BI. t,Arthrophyl-
lum)........    642
Calpundria BI. (Camellia) .      98
CALYCIFLORAE . . xxix, lv
CALYCINAE.....xxxn
Calyptranthes Sw. (Eugenia)    497
Calysaccion Wight(M.ammoa)      91
Calysaccion Wight (Ochro-
carpus).......      89
Camellia L.......      97
Campnosperma Thw. . . .    307
Campnosperma (Buchanania)    296
Campylotropis Bunge (Los-
podeza).......    366
Cananga Rumph.....      21
Canariopsis Miq. (Canarium)    180
Cauarium L.......     179
Canavalia Adans.....    376
Cansjera BI.....209,  672
Capellia BI. (Wormia) . .        7
CAPPARIDACEAE 59, 660,  676
Capparideae.....      60
Capparis L.......      62
Capura BI.......    274
Capura (Otophora). . . .    285
Carallia Roxb......    468
Carapa Aubl......    195
Cardamine L......      58
Cardiopteris Wall.....    223
Cardiospermum L.. . 257,  283
Carica L........    573
-ocr page 747-
687
INDEX.
CarpophyllumMiq.(8teTCu\\i&) 123
Carum L........617
CARYOPHYLLACEAE
xvn, 79, 604, 661.
CARYOPHYLLINAE . xxxvn
Caryuphyllits L. (Eugeuia) . 498
Caryospermum BI. . . . 232
Casoaria Jacq. . . . 562, 681
Casearia (Osmolia).
               . \' 564
Casearieae......562
Caspanja D C. (Begonia) . 600
Cassia L........396
Cassieae.....324, 335
Catenaria Benth. (Desmodium) 360
Catha Forsk. (Gymuosporia) 231
Caucalineae......612
Caucalis L.......624
Cayratia (Cissus) .... 251
Ceunothus L. (Berchemia) . 240
Cedrela L.......196
Cedreleae......184
CELASTRACEAE 225, 674, 676
CELASTRALES .... xliii
Celastreae......227
Celastrineae.....226
Colastrus L.......230
Celastrus (Gymnosporia). . 231
Celtis (Berchemia).... 240
Centella (Hydrocotyle) . . 614
Cephalandra Schrad. (Cocci-
uia)......588, 596
Ceramicalyx BI. (Osbeckia). 507
Ccrasiocarpum Hook. f. 591, 597
Cerastium L.......xvn
Ceratostachys BI. (Nyssa)
453, 652, 656
Ceriops Am.......466
Cerocarpus Hassk. (Eugeuia) 497
C7w*7fc^Vr/.>G,.(Dichapetaluin) 199
CHAILLETIACEAE . . 197
ChalariuHi (Desmodium). . 360
Chamaebuxus Hassk. (Poly-
gala)........77
Champereia Griff. .... 210
Chariessa Miq. (Villaresia) . 218
Chartacalyx Mast.....    134
CheiidospermHm(Pittoaj)orum)     75
Chionotria Jack. (Glycosmis)     161
Chisochetou BI......     189
Chlaenandra Miq.....      39
CIMYSOBALANEAE . .    419
Chrysobalaneae ....    421
Cinclidocarpus (.Caesalpinia).    394
Cipadessa BI......     187
Cissampelideae ....      35
Cissampelos L......      45
Cissudendron < Kissodeudrou)
645,650
Cissus L........    250
Cissus (Landukia) ....    250
Cissus (Tetrastigma) . . .    250
Cissm (Vitis).....    247
Citrullus Neck. . . . 586,   596
Citrus L........     166
Clauseua Burm......     163
Claiiitiyrtus BI. (Eugouia) .    497
Cleistocalyx BI. (Eugenia) .    497
Clematis L.......        3
Clematia (Naravelia) ...        3
Cleome L.......      60
Cleome (Polanisia) ....      61
Cleouieae.......      60
Cleyera D C.......      94
Clidemia Don. . . . 523,   536
Clitoria L.......    368
ClosaschimaKorth.(Jjaj)\\a.cea,)      97
Cnestideae......    314
Cnestis Jiiss.......    317
Coccinia Wiyht et Am. 588,   596
Cocculeae......      34
Cocculus BC......      43
Cochlospermum Kunth.. 70,   661
Codariomlyx Hassk. (Des-
modium)......    361
Coelostegia Benth.....     119
Colubriua L. C. Rich. . .    242
Columbia Pers......     134
Colutea L.......    351
COMBRETACEAE . 473,   682
COMBRETEAE ....    474
-ocr page 748-
688
INDEX
Cupania (Dictyonoura) . .    286
Cupania (Ellattostachys). .    287
Cupania (Guioa) ....    286
Cupania (Jagera) ....    271
Cupania (Mischocarpus) .    287
Cupania (Ratouia) ....    266
Cupania (Trigonachras) . .    287
Cupanieae .... 262,   286
CURVE3IBRYEAE. . .    xxx
Cyanitis Iieimc. (Dichroa) .    441
Cyathocalyx Champ. ...      20
CyathosteinotiTurcz.(Baockaa.)   486
Ct/utlioste>nonTurcz.(M.yrte\\la)   486
Cyclea Arnotl. ... 45,   659
Cyminosma D C. (Acrony-
chia)........    161
Cynometra L. . . . 406,   680
Cynometra (Maniltoa). . .    680
Cynometreae . . . 324,   337
Ciiphoatemma (Cissus). . .    251
Cytisus L.......    342
Dactyliota BI (Mediuilla) 521,535
Dalbergia L. f......    386
Dalbergieae. . . . 324,   333
Dalcnia Korth. . . . 516,   532
Dalibarda BI. (Rubus) . .    431
Dapauia Korth......     152
DAPHNALES.....  xxxi
DaphniphyllopsisKurz(Nyasa)   656
Dasyeoleum Turcz. . . .    190
Dasi/loma D C. (Oeuauthe) .    621
DATISCACEAE ....    600
Daucus L.......    623
Decaspermum Forst. . . .    494
Decaspermum (Myrtus) . .    494
Delarbrea Vieill. . . 630,   646
Dclima L...... 6,   657
Delima (Tctracera). ...        6
Delimeae.......        5
Delimopsis Miq......        6
Dendrolobium Benth. (Desmo-
dium).......    359
Desmauthus Willd. . . .    412
Desmodieae......    329
Combretocarpus Hook. f. .    472
Combretopsis K. Schuin. (Lo-
phopyxis)......    674
Combrotum L......    477
Commersonia Forst. . . .    129
Conium L.......    616
CONNARACEAE . . 313,   677
Connareae......    314
Connaropsis Planch. . . .    152
Conuarus L.......    317
Connarus (Taeiiiochlaena) .    319
Cook\'ui Sotm. (Clauseua). .    164
Cookia Sonn. (Micromolura).    162
Corchorus L.......     136
CordilanthesBI. (Homalium).    565
Coriaiidrum L......    622
CORNACEAE.....    651
CORNEAE......   652
CORONARIEAE . . . xxxn
Coryzadenia Grift\'. (Illigora)    480
Coscinium Colebr.....      41
Cotijledon L. (Bryophyllum)    448
Covilhamia Korth.....    121
CRASSULACEAE. ...    446
Crataeva L..... 62,   660
Cratoxylon BI......      86
Creochitoni^. . . . 519,  535
Crotalaria L......    340
CKUCIFERAE.....      56
Cryptoronia BI. . . . 551,   556
CMYPTERON1ACEAE. .    552
Cryptotheca BI. (Ammauuia)
544,  555
Cteuolophon Oliv.....    205
Cubilia BI.......    266
Cucumerineae.....    576
Cucumis L.....585,   596
Cucumis (Citrullus) . 587,   596
Cucurbita L.....589,   596
Cucurbita (Benincasa). 588,   596
CUCURB1TACEAE . 574,   682
Cunonia (Astilbo) ....    440
CUXOXIACEAE ....    437
Cunonieae......    439
Cupauia L.......    261
-ocr page 749-
689
INDEX.
Disopalum Hook. f. et Th. . 23
Dissochaeta BI. . . . 517, 533
Dissochaeta(An]AectTum) 519, 533
Dissochaeta (Dalenia) . . . 517
Z>/ssoc/;ae/«(Omphalopus) 520, 534
Dissochaeteae . . . 504, 532
Ditheca Wight et Am. (Am-
mannia).....544, 555
Ditheca Wight et Am. (Rotala)
543,555
Dittelasma Hook. f. . . . 259
Dittelasma (Sapindus). 273, 284
Dodonaea 7,.....281, 287
Dodonaeeae......287
DODONEAE.....257
Dolichos L.......381
Dolichos (Vigna) .... 379
Dollinera (Desmodium) . . 360
Dombeyeae......122
Doona Thwaites. . . .xix, 106
Doratoxyleae.....287
Draeontomelum BI.. . 302, 675
Drepananthus Maing. (Cya-
thocalyx)......21
DrepanospermaBenth.{Ca,Ttvj>-
nosperma)......308
Driessenia Kovth. . . 510, 531
DriesseniaKorth.(Allomoriphia,) 510
Drimys Forst...... 9
Drosera L.......450
DROSERACEAE .... 449
Drymaria Willd.....82
Dryobalanops Gaertn. f. . xix, 101
Dryobalanops (Hopea). . . xx
Dryobalanops (Vatica) . . xx
Dryptopetalum Am. (Gyno-
troches).......471
Duabanga Ham. 485, 552, 556
Duchesnea Sw. (Fragaria) . 431
Dumasia D C......369
Dunbaria Wight et Am. . 382
Dunbaria (Atylosia) . . . 384
Durandea PI......668
Durio L........117
Durioneae......110
Desmodium Desv.....358
Desmodium (Hedysarum) . 353
Desmodium (Uraria) . . . 363
Derris Lour.......387
Derris (Pongamia).... 389
Diacicarpium BI. (Marlea) . 654
Dialium L.......398
Dialycarpa Mast.....120
Dialycarpa (Brownlowia) . 666
Dianthus L....... 81
Dicerma D C. (Desmodium). 359
DICHAPETALACEAE
xxviii, 197, 672
Dichapetalum Thouars . . 198
Dichroa Lour......441
Dichrostaehvs D C. . . . 411
DICOTYLÉDONES
. . . xxix
DICOT. DIALYPETALAE xxix
DICOT. GAMOPETALAE
xxix
DICOT. MONOCHLAM. . xxx
Dictyoneura BI......286
Dictyoneura (Cupania). . . 263
Didymocheton Bl.(D jaoxjlon) 189
Diemenia Kovth.....425
Digaster Miq. (Pygeum). . 428
Diïlenia L....... 8
Diïlenia (Wormia).... 7
DILLENIACEAE
xxviii, 5, 657, 676
Dillenieae...... 6
Dioclea H. B. et K. . . . 375
Dioclieae.......331
Diphusa Lour. (Ormocarpum) 354
Diploclinium Lindl.(Begoma) 599
Diploclisia Miers (Cocculus) 44
Diplophractum Des f. . . . 135
Diplostemon DC. (Ammannia)
544, 555
D1PLOZYGIEAE. ... 612
DIPTEROCARPACEAE xvn, 99
Dipterocarpus Gaertn. f. xix, 102
Dirhi/ncJiosia /?Z.(Spiraeopsis) 444
D1SCIPLORAE . . .xxix, xi.
Discostigma Hassk. (Garcinia) 89
Disemma Labill. (Passiflora) 571
-ocr page 750-
690
INDEX.
ESCALLONIEAE. ...    437
Esohweileria Zipp. . 640,  649
Eschweileria (Osmoxylou)640,  650
Eschweileria (Trevosia) . .    640
Eu-Aiiimineae.....    611
Eu-Caesalpineae . . 324,  335
Euchresta Beun.....    389
Eugenia I,.......    496
Eu-Hedysareae.....    328
Eu Mimoseae . . . 324,  339
Eu-Phaseoleae.....    332
Euphoria Juss. . . . 277,  285
Euphorianthus Radlk. 279,  286
Euphoriantkus (Cupania) .    263
AV/(/<o/7o/>.s7S(Eii[)borianthus)    279
Eupomatia R. Br.....    658
Eupteron (1\'olyscias) . 638,  647
EuroBcbiuus Hook. f. . . .    675
Eurya Thunb......      94
Earyale Salisb......      53
Euryooma Jack.....     170
Eutiiemideae.....     173
Euthemis Jack......     175
Evia Comm. (Spondias) . .    302
Evodia Forst......     157
Eendia (Zanthoxylon). . .     159
Evonyiueae......    226
Evonyinus L......    227
Ewyckia BI. (Kibossia) 526,  537
Ewyckia BI. (Ptemandra) 527,  536
ExiteVa BI. (Parinarium) .    424
Fabrieia Gaertn. (Leptospor-
mum).......    487
Fagara Lam. (Evodia). . .     157
Fa»;oiiia L.......     147
Feronia Gaertn......     166
Fibraurea Lour.....      40
FJCOJDACEAE ....    604
FICOIDALES.....       li
FJÜOJÜEAE.....    603
Firmiana Marsi</li(Sterc\\i\\ia.)     123
Flacourtia Comm.....      71
Flacourtieae.....      69
Flemingia Jtoxb.....    385
Dysoxylon BI......     188
Eburopetalum lieve. ...      24
Echinocalyx Benth. (Sindora)    406
Bchinooarptu JU. . . 137,   667
Elaeocarpeae .....     133
Elaeocarpus L......    137
Elaeodemlreae.....    227
Elaeodendron Jacq. . . .    233
Elattostachys Radlk. . . .    287
Elattostachys (Cupania) . .    264
Elattostachys (Ja^era) . .    271
Ellipanthua Hook. f. . . .    31!)
Ellipeia Hook. f. et Th.. .       1!)
Embryogonia BI. (Combretum)  478
Engelhardtia (Shorea). . .      xx
Enioosantbum Becc. ...       1!)
Enkylia drijf\'. (Gyuostemma)    592
Eutada Adans......    408
Epicharis BI. (Dysoxylou) .     188
EPIGYNAE......xxxu
Epilithes BI. (Sorpicula). .    461
Epirhixanthes (Salomonia) .      77
Epirhizanthe BI. (Salomonia)      77
Epirhizanthus (Salomonia) •      77
Epirizanthes (Salomonia). .      77
Erióbotrya Linrfl. (Photinia)    436
Eriodendron DC.....    117
Erioglosaum BL. . . 259,   284
Erioraphe Miq. (Pentapetes)    126
Eriosoma D C......    385
Eryngium L.......    öl4
Erysimum L......      58
Erythrina L......    371
Erythrineae......    331
ERYTHBOPALEAE. . .    592
Erythropalum lil.....    207
Erythropalum (Gyuostemma)    592
Erythrostigma Hassk. (Bur-
soraeoac)......     176
Erythrostigma JJassk. (Con-
narus).......    317
Erythroxyleae.....     139
Erythroxvlon L.....    140
Escallonieae.....    438
-ocr page 751-
691
INDEX.
Goiiorar/insThiuib.(ïlaloTSLgis)   460
Gonocaryuni Miq.....    216
Gordonia Ellia.....      96
Gor«lonieae......      92
Gossypium L......     115
Gouania L.......    244
Gouanieae......    238
Grangeria Cotnm.....    423
Grewia L....., . .    134
Grewieae...... .   132
</\';v\'.s7(\'«A\'V///.(\\V()()(lfi>rdia) 545, 555
Gttatteria (Marsypopotalum)      27
Guatteria (Polyalthia) . .      22
Guazuma J\'lttm.....    128
Guilandina Ij. (Caesalpiuia).    394
Gullandina (Sindora) . • .    406
Guioa Cav.......    286
Guioa (Cupania) ....    262
Guioa (Hemigyrosa) . . .    258
Guunera L.......    458
GUNNERACEAE. ...    457
Guntavia L. (I\'lanchonia) .    500
GÜTTIEEUAE.
xxviii, 87, 661,  676
GUTTIFERALES. . . xxxvm
Gymnopotalum Am. . . .    580
Gi/inttopetaltitn (Bonincasa)
588,  596
Gymnopetalum (Cucurluta)
589,   596
Gtjtnnopetalutn (Tliladiantha)
    583
tr^mno»«tó/wm(Tricbo8aiithe8)
   580
GYMNOSPEEMAE . . . xxxn
Gymnosporia Wight et Am.
    231
Gynaecotroches Hasak. (Gyuo-
troohes).......    471
Gynandropsis D C. . .           62
Gynostemma BI. . . 592,   597
Gynosteninieae.....    578
Gynotroches BI......    470
GYROCARl\'EAE. . 473,   475
Gyrocarpus Jucq.....    480
Habbasiu (Mimosa). . . . 414
HALORAGIDACEAE . . 457
Flindersia /»\'. Broun . 196, 671
Foouiculum Adam. . . . 619
Fragaria L.......431
Galaetia B.Br.......374
Galactieae......331
Galegeae.....323, 327
Ganitrus Gaertn. f. (Elaeo-
carpus).......138
Ganophyllum BI. . . 181, 287
Gareinia. L......88, 661
Garcinieae......88
GARRYACEAE .... 652
Garuga Roxb......177
Gastonia Cotnm. . . 636, 647
Gastonia (Polyscias) . . . 638
Gastonia (Tetraplasandr%)646, 650
Gastonia (Trevesia) . 640, 649
Gelpkea Hl. (Eugunia) . . 497
Genisteae.....323, 325
Geoffraeeae......334
GHKAN\'IACEAE xxv, 148, 676
GERANIALES.....xl
Geranium L......xxv
Gestroa Beer......66
Gilibertia R. et P. (Gastonia) 637
Gilibertia (Trovosia) . . . 640
Ginseng (Aralia) .... 630
Glaphtjriu Jack. (Leptosper-
mum).......487
GUnm L. (Mollago) ... 607
GLU3IACEAE.....xxxn
Gluta L.......297
Glyaspermum (Pittosporum). 75
Glycino L.......370
Glycine (Toramnus) . . . 371
Glycineae......330
Glycosmis Correa .... 161
Gomphandra Wall. . 213, 672
Gomphandra (Lasianthera) . 213
Gomphandra (Stemonurus) . 214
Gomphia Schrei).....174
Goniocarpiu D C. (Haloragis) 460
Goniocheton BI. (Dysoxylon) 189
Goniothalamus BI..... 27
-ocr page 752-
692
INDEX.
Hillebrandia Olh.....598
Hippoeratea L......233
Hippocrateae.....227
Hiptago Gaertn.....144
Hireae........143
Hodgsonia Hook. f. et Th.. 579
Hodgsonia (Trichosanthes) . 580
Hollrungia K. Schum. . . 571
HOLOPETALAE. ... 132
Homalieae......562
HOMALINEAE .... 561
Homalium Jucq.....564
Hopea Roxb......xix, 107
Hopea (Doona) . . . .xix, 107
Hopea (Isoptora) .... xx
Hopea (Shorea).....xx
Horsfieldia BI. . . . 633, 647
Huberia D C. (Marumia)517, 532
Hugonia L.......139
Hugonieae......139
Httmea Roxb. (Brownlowia). 667
Hybanthus Jacq. (Jonidium) 661
Hydnocarpus Gaertn. ... 73
Hydnocarpus (Taraktogonos). 73
Hydrangea L......440
HYDRANGEACEAE . . 437
Hydrangeae......438
Hydrocera BI......153
Hydrocotyle L......612
Hydrocotyleae.....610
Hylocharis Miq. (Oxyspora)
510, 531
Hymenaea L. (Trachylobium) 404
Hi/penanthe BI. (Medinilla)521, 535
HYPERICACEAE. . xxvm, 85
Hypericum L......86
Ht/pserpa Miers. (Limacia) . 43
Hypsipodes Miq.....37
Hypsipodes (Parabaena) . . 39
ICACINACEAE ....    200
ICACINEAE.....    200
Icacineae.......    201
Icica Aubl. (Protium) . .     179
Ilex L........    225
Haloragis Forst.....    459
Haloraqis (Anisophyllea). .    472
HAMAMELIDACEAE . .    451
HAMAMELIDEAE ...    452
Hanscmaimia K. Schum. 419,   680
Hapalocarpum Wi/jht et Am.
(Ainmannia) . . . 544,   555
HAPLOZYGIEAE ...    611
Harpullia Roxb.. .280, 287, 674
Harpullieae......    287
Harrisonia Brown.....     169
Hartighsea A. Jtuss. (Dyso-
xylon).......     189
llearnia Ferd. Miiell.. . .     194
Hebccoccus Radlk.. . 274,   284
Hebradendron Grah. (Gar-
cinia).......      89
Hedera (Kissodoudron) 644,   650
Hedereae.......   629
Hedysareae .... 323,   327
Hedysarum L......    352
Helictereae......     122
Helicteres L.......     125
Hemiandrina Hook. f. (Ago-
laea)........    315
Hemiandrina (Troostwyckia)    320
Hemigyrosa BI......    258
Hetnigyrosa (Guioa) . . .    286
Hemlovia Wall. (Crypteronia)
552,  556
HENSLOVIACEAE. . .    552
Heptapleurum Gaertn. 638,   647
Heptapleurum (Brassaia). .    636
Heritiera Ait......     124
Heritiera (Samadera) . . .     169
Hermannieae.....     122
Herzogia K. Schum. . . .    669
Heteroloma (Desmodium). .    360
HETEROMERAE. . . .    xxx
HETEROPETALAE. . .     132
HETKROSCIADEAE . .    610
Heynea Roxb......    194
Hibisceae.......    109
Hibiscus L......     114
Hibisciis (Thespesia) . . .     115
-ocr page 753-
693
INDEX.
Kerria BC.......430
Kibessia BC. . . . 525, 536
Kiesera Reinw. (Tephrosia). 348
Eingstonia H. f. et Th.. . 32
Kissodendron Seem.. . 644, 650
Kissodendron (Panax). . . 633
Kleinhovia L......125
Knesebeckia (Begonia) . . 600
Kokoona Thwait.....230
Koompassia Maingay . . . 398
Kurrimia Wall.....232
Kydia Roxb.......111
Lablab Savi (Dolichos) . . 382
Larhnopodinm BI. (Otanthc-
ra)......508, 530
Lagenaria Ser......581
Lagenaria (Benincasa) 588, 596
Lagerstroemia L. 548, 556, 681
Lagerstroemia (Duabanga) . 553
Laguncularia Gaertn. . . . 477
Lahia Hassk......118
Landukia Planch.....250
Lansium Rumph.....192
Laplacea H. B. K. . . . 97
Lasianthora Pal. Beauv.. . 212
Lasianthera (Gomphandra). 214
Laaianthera (Stomonurus) . 214
Lasiobeina Korth. (Bauhinia) 401
Lusiolepis Benn. (Harrisonia) 169
Lathyrus L.......366
Lawsonia L.....550, 556
Lecythideae......485
Leea L........251
Leeae........247
LEGNOTIDEAE .... 463
Legnotideae......465
LEGÜM1NOSAE. 321, 677, 682
Lepidamphora Zoll. (l)iocloa) 375
Lepiderema Radlk.. . 279, 286
Lepiderema (Cupania). . . 263
Lepidopetalum BI.. . 287, 674
Lepidopetalmn (Cupania). . 264
Lepidopetalum (Katonia). . 266
Lepionurus BI......210
llex (Nvssa)......    656
ILICACEAE......    224
Illigera BI.......    479
ILLIGEREAE.....    473
Impations L......     153
Indigofora L......    346
INFERAE......   xxx
Inga (Pithocolobiuni) . . .    418
Inga (Xylia)......    409
Ingeae......325,  340
Inocarpus Forst.....    389
Inoduphnis Miq. (Inocarpus).    390
Intsiu Thouars (Afzolia). .    403
Irma BI. (Moliosma) . . .    291
Irina BI. (Pometia) ...    278
Iroucana AM. (Casearia,) .    563
Irvingia Hook. f. . . . .    171
Irvimjkt (.Kissodendron) 644,  650
Isoptora Scheff\'..... xx,   103
Ttea L........    442
Itea (Pittosporum). ...      75
Ixionunthes (Ixonanthes). .     142
Ixonantheae......    139
Ixonanthes Jacq.....    141
Jagora BI.....271, 286
Jagtra (Cupania) .... 263
Jagera (Elattostachys) . . 287
Jagera(Gar\\ip;a.).....178
Jambosa D C. (Eugenia). . 497
Jodos BI........222
Jonesia Roxb. (Saraca) . . 405
Jonidium Vent.....65, 661
Jossinia Comm. (Eugenia) . 498
Jussiaea L.......558
Kadsura Kaempf. ....       12
Kalanchoe Adam.....    448
Kalanchoe (Bryophyllum) .    448
Kalopanax Miq.. . . 634,  647
Kandelia Wiyht et Am.. .    467
Karivia Am. (Melothria) 590,  596
Kayea Wall......90,  663
Kennedya Vent.....    679
Kentia BI.......      29
-ocr page 754-
694                                            INDEX.
Lepisantheae.....    284
Lepisanthes BI.. . . 270,  284
Lepisanthes (Anomosanthes)     270
Le2>ixiinthe*(ficoroi]odc\\Hlrini)    270
Leji/ocarjHtKor//t(Viirïiuirium)   424
Leptocarya (Parinarium). .    424
Leptonychia Turcz. . . .     130
Leptospermeae.....    483
Lepto-spurnium Forst.. . .    487
Lespodeza Mich.....    366
Leuoaena Ben/Ji.....    414
Liquidombar (Altingia) . .    457
Liquidambar (Bueklaudia) .    456
Limacia Lour......      43
Limacla (Tinospora) ...      37
Limonia /,.......     163
LINACEAE .... 138,   668
Litchi Sonn......    285
Litchi (Cubilia).....    266
Litchi (Nephelium) . . .    276
Lonchocarpcae.....    333
Loncfwinera 11. f. et Th. .      32
Lophira liank*......     100
Lophopetalum WUjht . . .    229
Lophopyxis Hook. /\'. . . .    673
Lophopyxis Hook. f. (Trcubia)   445
Lourea Neck......    363
Lndwigia L.......    559
Luffa Tourn......    584
LiilJ\'a (Thladiantha) . . .    583
Lumnitzera WiUd.....    476
Lmnnitzem (Laguacularia).    477
Luiiiisia Blanco.....     159
Lupinus L.......    341
LuTunga Ham......     164
Luvunga (Tripliasia) . . .     162
Lijmk\'iiiaZoll. et J/o/-.(Mome-
cylon).....529,   538
Li/si/>/ti/llnm (Baahinia) . .    400
LTTHBACEAE . . 538,   681
Lythreae.......    540
Lythrum L. (Pemphis) 547,   555
Lythrum /y.(Woodfordia) 545,   555
Macdellattdia Wight (Pemphis)
547,   555
Macklottia Korth. (Lepto-
spermum)......487
Macrococculus Jkcr. ... 48
Macrolenes Nau<l. (Marumia)
517, 532
Macrolobium Colebr. (Afzolia) 403
Maeromyrtux BI. (Eugenia) 497
Macropanax Miq. . . 643, 650
McKropanax (Brassaiopsis)643, 650
M(ia-oj,/<t< isBL(Kibessia) 526, 537
Macrotropis Mig. (Ormosia). 391
Macrotyïoma Wight et Am.
(Dolichos)......382
.Magnolia L.......657
MAGNOLIACKAE
xxviii, 8, 657, 676
Magnolieae...... 9
Maiugaya Olie......453
Mafeta Aubl. (Marumia) 517, 532
Malachra /,.......113
Mallea Juss. (Cipadcssa). . 187
MALIMGIIIACEAE . xxiv, 142
Mulat Tourn. (Pirus) . . 435
Malva L. (Malvastrum) . . lil
MALVACEAE . xxvm, 108, 676
MALVALES .... xxxix
^ralvastrum A. Graij . . . 110
Malveae.......109
Mammoa Ij....... 90
Mangifera L.......296
Mangifereae......292
Manglietia BI......10
Manglietia (Magnolia). . . 658
Manïltoa Srheff.. . . 407, 688
Mappia Jacq.......214
Maranthes BI. (Parinarium) 424
Marcuccia Becc...... 18
Mariynia Commers.iVrotmm) 179
Marlea lïo.rh.......653
Marlen (Alangium) . . . 653
Marsypopotalum Scheff. . . 26
Marumia BI.....517, 532
Mastixia BI.......654
Mecopus Be-nn......361
Medinilla Gaud. . . 520, 534
-ocr page 755-
INDEX.                                                 695
MICREMBRYEAE . . . xxxi
Miconieae .... 505, 536
Microcos L. (Growia). . . 134
Microjambosa BI. (Eugonia) 498
Micromclum BI.....162
MICROSPERMAE . . . xxxn
Microstomon Emjl.....305
Microtropis Wall.....228
Microtropis Wall. (Gynotro-
ches)........471
Mildea Miq. (Parancphelium) 267
Miliusa Leschen.....30
Milinseae....... 16
Millania Zipp. (1\'cmphis) 547, 555
Milletia Wight et Am. . . 348
Millingtonia /^«^.(Moliosma) 291
Miluea Roxb. (Aglaia) \'. . 191
Mimosa L.......413
Mimosa (Acacia) .... 415
Mimosa (Xylia).....409
MIMOSEAE. . . . 324, 337
Miquelia Meissn.....220
Misehoearpus BI.....287
Mischocarpus (Cupania) . . 264
Misehoearpus (Ratonia) . . 266
Mitrella Miq. (Melodorum) . 29
Mitrejiliora BI...... 27
Mitrephoreae.....15
Mitsrherlichia Klotsch (Be-
gonia).......600
Mocanera Blanco (Diptero-
carpus).......xix
Modecca Lam......572
Modecceae......569
Mollugo L.......607
Moraordica Tourn. 583, 595, 682
Momordica (Coccinia). 588, 596
Monetia VHér. (Fagonia) . 148
Monetia VHér. (Ilicaceae) . 224
Monocarpia Miq. .... 22
Monoceru Jack: (Elaeocarpus) 138
Monocer08Jack.(E\\&eoeaxp\\xH) 138
MONOCOTYLEDONES. . xxxi
Monooti Miq....... 22
Monotos A. D.C. . . . . 100
Megaphyllaea Hemsl. . . . xxvi
Meioyyne Miq. (Uuona) . . 22
Melalouca L.......488
Melanochyla Hook.f. ... 309
Melanococca BI......159
Melanococca (Rhus) . . . 309
Melanorhoea Wall. . 299, 675
Molastoma L. . . . 508, 530
Melastoma (Anplectrum) 519, 533
Melastoma (Dissockaeta) 518, 533
Melastoma (Kibessia) . 526, 536
Melastoma (Marumia) . 517, 532
Melastoma (Medinilla) . 521, 535
Melastoma (Ochthocharis) . 512\'
Melastoma (Omphalopus) 520, 534
Melastoma (Otauthera) 508, 530
.MeZ<7Sfo»u/(I>ogonaiithera)522, 535
MELASTOMACEAE . 500, 681
MELASTOMEAE. ... 502
Melia L........186
Melia (Azadirachta) . . . 187
MELIACEAE xxvi, 182, 670, 676
Melicocceae......285
Melieae.......183
Melioschinzia K. Schtmi. . 670
Meliosma BI.......290
Melochia L.......127
Melodorum Dunal .... 29
Melothria L. . . 589, 596, 682
MEMECYLEAE .... 506
Meinecyleae. . . . 506, 537
Memecylon L. . . . 529, 537
Menicosta BI. (Sabia). . . 290
MENISPERMACEAE
xxviii, 33, 659, 676
MESEMBB YANTHEMA-
CEAE.......605
Mespilus L. (Pirus) . . . 435
Mesua L........ 90
Methorium Sc/«o«(Helicteres) 125
Meziera Guitd. (Begonia) . 600
Mezoueurum Desf..... 392
Mezzettia Becc...... 32
Micholia L....... 11
Michelia (Magnolia) . . . 658
-ocr page 756-
696
INDEX.
Monoxora WightCELhodammei)    494
Moringa Juss......    312
MORINGACEAE ....    311
Mucuna Adans.....    372
Muellerargia Coyn. (niet Muel-
lerrayia).....590,  597
Muhia Arn. (Melothria"). .    682
MULTIOVUL. AQUAT. .    xxx
MULTIOVUL. TERR. . .   xxx
Munronia Wigkt.....     185
Murraya L.......     163
Myriophyllum L.....    461
Myriophyllum (Haloragis) .    460
MYKTACKAE.....    481
MYRTALES.....xlvii
Myrteae.......    484
Myrtella F. v. Muell. ...    486
Myrtus L.......    493
Myrtus (Rhodamnia) . . .    494
Mytilococriis Zoll. (Lunasia)     160
Naravelia D C......        2
Nasturtium Br......      57
Neekia Korth......      68
Neesia BI.......     119
Neillia Dun.......    429
Nelitris Gaertn. (Myrtus) .    494
Nelitris (Decaspcrmum) . .    495
Nelumbieae......      52
Nelumbium Jnss.....      54
Neniatopyxis Miq. (Ludwigia)    559
Nephelieae......    285
Nephelium L. , . . 276,  285
NepheliiiHi (Euphoria). . .    277
Neyhelium (Litchi). . . .    285
Nephelium (l>8oudonephe-
lium).......    285
Neptunia Lonr......    412
Ncsaoa Comtn. . . . 547,  556
Nesaeeae.......    540
Neustanthus Benth. (Pucra-
ria) ........    376
Nicokonia DC. (Dosmodium).    360
Norysca Spach. (llyporicum)      86
Not\'hupodytes lil. (Mappia) .    275
Nothocnestis Miq. . . 320, 677
Nothocnestis (Kurrimia) . . 232
Nothopanax (Arthrophyllum) 642
Nothopanax (Kissodendron)
645, 650
Nothopanax Miq. (Panax) 632, 647
Notli02»vtiu>nMiq.(hursera.c.) 176
Nothoprotium Miq. (Penta-
spadon).......305
NUDIFLORAE.....xxxii
Nymphaea L......52
NYMPHAEACEAE . . 51, 660
Nympheae......51
Nyssa L........655
NY SS ACEAE.....652
Ochanostachys Mast. . . . 206
Ochna L........173
OCHN ACEAE.....172
Ochneae.......173
Oehi\'ocarpus Thouars. . 89, 663
Oclitliocliaris lil. . . 512, 531
Octomoles Miq......602
Odina Uoxb.......303
Oenantho L.......620
OLACACEAE . . . 199, 672
OLACALES......xlii
Olaceae.......200
Olax L........205
Olax (Cansjera).....210
Oinphararpus Korth.(Grevf\'m) 134
Omphalóbium Gaertn. (Cou-
narus).......317
Otnphalorfes Naud. (Disso-
cluiota).....518, 533
Omphalopus Naud. . 520, 534
OjSTAGRACEAE .... 556
Opilia lioxb.......211
OP\'JLIACEAE.....200
Opiliastrunt Baill. (Champe-
reia)........211
Opilieae.......201
ORD1NES ANOMALI . . xxxi
Ormoearpum Beauv. . . . 353
Ormosia Jacks......391
-ocr page 757-
INDEX.                                                 697
Papayeae. ,.....    569
PAPILIONACEAE . 323,   325
PAP1LI0NEAE ....    677
Parabaena Miers.....      38
Purabaena (Hypsipodcs) . .      37
Purarelastrus Miq. (Micro-
tropis).......    229
Paramifjnya Wit/ld . . .     164
Paranepbelium Miq. . 266,   287
Puranephelium (Cupania). .    264
Parapanax (Brassaia). . .    636
Parapanax Miq. (Hepta-
pleurum) .... 639,   647
Parapanax (Trevesia). . .    640
Parartabotrys Miq.....      30
Parashorea Kurz. . . . xx,  104
Parastemon A. I) C. . . .    426
Paratropia D C. (Heptapleu-
rum)......638,   647
PARIET ALES.....xxxv
Parinarium Juss.....    424
Parishia Hook. ƒ.....    306
Paritium St. HU. (Ilibiscus)     115
Parkia R. Br......    407
Parkieae.....324,   338
Parkinsouia L......    396
Parochetus Ham Ut. . . .    343
Paropsia Noronh.....    571
PassitloraX.......    560
PASSIFLORACEAE. 567,   682
PASSIFLORALES . . .  xlix
Passifloreae......    569
Pauletia Cav. \'Baubinia). .    400
Paulinieae......    283
Pavonia Cav......    114
Pollacalyx Korth.....    469
Peltophorum Vog.....    391
Peltophonim (Caesalpinia) .    394
Pemphis Forst. . . . 446,   555
Pentace Hassk. . . . 133,   667
Poiitapotes L......     126
Peiitaspadon Hook. f. . . .    304
Pentaspadon (Burseracoae) .     176
Pentaspadon (Microstemon) .    306
Pericampylus Miers ...      44
Orophea BI.......      31
Orophea (Bocagea)....      32
Orthocarpaea (Helicteres) .    125
Orthothecium Hassk. (Holic-
teres).......    125
Osbeckia L.....506,  529
Osbeckia (Sarcopyraniis) 516,  532
Osbeckieae .... 502,  529
Osmelia Thwaites ....    563
Osmoxylon Miq. . . 645,   650
Os/«o.n//oM(Eschweileria) 641,   649
Otantliora BI. . . . 507,   530
Otophora BI.......    285
Otophora (Capura) . . . .    275
Otosema Benth. (Milletia) .    349
Oudemansia Miq. (Helicteres)     125
Owenia F. Muell.....    671
Oxalideae......    150
OxalisL........    150
Oxalis (Biophytum) . . .    151
Oxycarpus Lour. (Garcinia).      89
Oxymitra BI......      25
OxuramphisWall. (Lespodeza)  366
Ox\'yspora BC. . . . 510,   531
Oxyspora (Blastus). . . .    512
Oxysporeae.... 502,   531
Pachycontria BI. . . 521,   535
Pachygone Miers ....      46
Pachygoneae.....      35
Fachynoearpus (Vatica) . .    xxi
Pachyrhizus Rich.....    380
Padbruyyea Miq. (Milletia) .    349
Pahudia Miq......    401
Pahudia (Afzelia) ....    403
Panaceae.......    628
Panax L......632,   647
Panax (Aralia).....    630
Panax (Arthrophyllum) . .    642
Panax (Kissodendron) 644,   650
Panax (Polyscias) ....    637
Pangieae.......      69
Pangium Reinw. ....      72
Papaver L.......      55
PAPAVKKACEAE ...      54
-ocr page 758-
698                                                 INDEX.
Perip/eryyiiim Hassl: (Car-
diopteris,)......    223
Pestalozzia Zoll. et Mor. (Gy-
nostomma)......    592
Petalandra //«.s.sA-.(Doona)xix, 107
Petalinia Becc. (Ocbanosta-
cbys)........    207
Peucedaneae.....    612
Peuoedannm L......    621
Phaeanthus Hooi: f. et Th. .      25
Phanera Lour. (Bauhinia) .    400
Phaseoleae .... 323,   330
Phaseolus L.......    377
Philayoniu BI. (Evodiai . .     157
Phlebocalymna Oriff. (Gono
caryum).......    217
Phlebosporum Jungh. (Les-
pedcza).......    366
Phoberos Lour. (Scolopia) .       71
Photinia Lindl......    435
Phylacium Ben».....    365
Phyllagathis BI. . . 514,   532
PhyllodiumDesv.(DeamodilW)   359
Phytocrene Wall.....    219
Phytocreneae.....    202
PHYTOCRENEAE ...    200
Picramnieae......     168
Picrasma BI......     170
Pierotia BI. (Ixonanthes) .     142
Pileostiyma Hochst. (Bauhi-
nia)........    400
Pimela Lour. (Canarium) .     180
Pimenta Lindl......    495
Pimpinolla L......    618
Piptadenieae . . . 338,  677
Pirigara Aubl. (Plaiiehonia)    500
Pirus L........    434
Pirus Tourn. (Pirus). . .    435
Pithccolobium Mart. . . .    417
PITTOSPOKACEAE . . 74,  676
Pittosporum Banks. ...       74
Plaesiantha Jlook. f. . . .    470
Playiorhiza (Kayea) . . .    664
Plauchonia BI......    499
Platea BI.......    217
Platea (Gonocaryum) . . . 217
Plati/centrmn Klotsch. (Be-
gonia).......599
Plectrotmpls Schuin. ^Vigna)
(niot Plertotropis) . . . 379
Plerandreae......629
Plethiandra llook.f. . 527, 537
Pleitrolobium DC. (Desmo-
dium).......361
Pleuropetalum 2?/.(Villarosia) 218
Ploiarium Korth.(A.rchyta.ea) 98
Podostaurus Jungh. (Boon-
niugliauseuia).....157
Pogouanthera BI. . . 522, 535
Poinciana Ij.......395
Poivrea Comm. (.Combretum) 478
Polanisia Ba fin...... 61
Polyalthia BI......22
Polyalthia (Goniothalamus). 27
Polyalthia (Oxymitra) . . 25
Polycarpaea Lam. . . . 83, 661
Poiycarpeae.....81
Polydontia BI. (Pygeum) . 428
Polygala L....... 77
POLYGALACEAE . . 75, 661
POLYGALINAE . . . xxxvn
Polyosma BI......442
POLYOSMEAE .... 437
Polyporandra Becc. . . . 221
Polyscias Forst.. . . 637, 647
Polyscias (Gastonia) . 636, 647
Polyscias (Kissodendron) 644, 650
Polyscias (Panax) .... 633
Polijspora Sweet (Górdonia). 97
Polystorthia BI. (Pygoum) . 428
POMACEAE.....419
Pomeae ....... 423
Pometia Forst. ... 278, 286
Pongamia Vent.....388
Ponyamia (Derris) .... 388
Popowia Endl...... 24
Poipa BI. (Triumfotta) . . 136
Portulaca Ij....... 85
PORÏULACACEAE . . 84, 605
Potentilla L. (Fragaria). . 432
-ocr page 759-
699
INDEX.
Potentilleae......422
Poterieae...... 422
Poupartia BI. (Spondias). . 302
Prinos L. (Ilex) .... 225
Prosopis L.......410
Protium Wight et Am. . . 178
Pruneae.......422
Prunus L.......427
Pseudalangium Ferd. Muell.
(Marlea)......654
Pseudarthria Wight et Am. 362
Pseiiditea Hassk. (Pittospo-
rum)........75
Pseudonephelium Radlk. . 285
Psendonephelium(Nephelium) 276
PseuduvariaMiq.(N.itre\'ph.or&) 28
Psidium L.......491
Psophocarpus Neck. . . . 380
Psoralea L.......345
Pteleocarpa Oliv.....218
Pterisanthes BI.....248
Pterisanihes (Vitis) . . . 247
Pternandra Jack. . . 526, 536
Ptemandra (Kibessia). 526, 536
Pternandra(Pogonanthera)b22i 536
Pterocarpeae.....333
Pterocarpus L......387
Pterocymbium Br. (Sterculia)
123, 665
Pterolobium E. Br. ... 394
Pteroloma Benth. (Desmo-
dium).......359
Pteroneurum D C. (Carda-
mine).......58
Pterospermum Schreb. . . 126
Pteryyota Schott. (Sterculia) 665
Ptychopyxis Miq. . . 121; 664
Ptychotis D C. (Carum) . . 618
Pueraria D C......375
Punica L. . . . 485, 554, 556
Pycnarrhena Miers. ... 46
Pycnospora R. Br. . . . 362
Pygeum Gaertn. . . 427, 681
Pyramidanthe _Mïq.(Melodorum) 29
Pyrenaria BI......95
Pyrospermum Miq. . . . 121
Pyrospermum (Kurrimia) .    232
Pyrus (Pirus).....    435
Quisqualis L......    478
Rabelaisia Planch. (Lunasia)    160
Raroiibea (Homalium). . .    565
RANALES.....xxxin
KANUNCULACEAE. . .        1
Ranunculus L......        4
Raphiolepis Lindl.....    436
Ratonia D C......    265
Ratonia (Arytera) ....    287
Ratonia (Lepidopotalum). .    287
Ratonia (Mischocarpus) . .    287
Rauwenhoffia Schejf\'. ...      28
Rectomitra BI. (Kibessia) 526,  537
Reineria D C. (Tephrosia) .    348
Reinwardtia Korth. (Tern-
stroemia)......      94
Retinodendron (Vatiea) . .    xxi
Reynoldsia A. Gray (Tre-
vesia).......    640
RHAMNACEAE xxvn, 236,  676
Rhamneae......    237
Rhanmus L.......    240
Rhamnus (Berchemia) . .    240
Rhamnus (Sageretia) . . .    241
Rhinostigma Miq. (Garcinia)      89
Rhizophora L......    465
RHIZOPHORACEAE. 363,  681
Rhizophoreae.....    464
Rhodamnia Jack.....    494
Rhodanmia (Myrtus) . . .    494
Rhodoleia Hook. f. . . .    454
Rhodomyrtus D C. ...    492
Rhoideae.......    294
Rhopalocarpus Teysm. et
Binnend. (Anaxagorea) .      23
Rhus L........    308
Rhyncholobium (Atylosia) .    383
Rhyuchosia Lour.....    384
Rhysotoechia Radlk. . 264,  286
Rhysotoerhia (Cupania) . .    262
Rhyticaryum Becc. (uiet Ry
ticarum)......    215
-ocr page 760-
700
INDEX.
SAPINDALES.....xxiv
Sapindeae .... 254,   284
Sapindus L.....273,   284
Sapindus (Aphania) . . .    284
Sapindus (Dittolasma). . .    259
.S<tyw«</tf.sxEuphoriaiithus) 279,  286
Sapindus (Ouioa) ....    286
Sapindus (Sarcopteryx) . .    286
Saraca L........    405
Sarcocarpon BI......       12
Sarcopteryx Radlk. . 268,   286
Sarcopteryx (Cupania) . .    263
Sarcopyramis Wall. . 515,  532
Sarcostigma Wight et Am.     221
Sarcotheca JU......     141
Sarcotheca (Roucheria) . .     140
Sarosanthera Korth. (Adi-
iiandra).......       94
Saurauja Willd.....       95
Sauvaiijeae......       92
Sauvagesia L......       67
Sauvagesieae.....       64
SAXIERAGACEAE 437, 681, 682
SAX1FRAGEAE ....    437
Saxifrageae......    438
Scandicineae.....     611
Scaphium Schott (Sterculia)     665
Schima Reinw......       96
Schizandra Mlch.....       11
Schizandreae.....         9
Schizosiphou K. Schuni. . .    680
Schleichera Willd.. . 272,   285
Schleichereae.....     285
Schmidelia L......     260
Schmidelia (Allophylus) . .    284
Schoutonia Korth.....     136
Schuurmansia BI. . . . xvn, 67
Sciadophyllum (Brassaia) 636,  647
Sciadophijllum (Heptapleurum)
639,   648
Sciadophyllum (Trevesia) 640,   649
Sciodaphyllum (Heptapleurum)
639,  648
Scolopia Schreb......       71
Scojjolia Sm. (Toddalia) . .     161
Scorodocarpus Becc. . . .    204
Rhytidandra AGmy(Marlea)    654
RicheUa A. Graij ....      27
Riedleia Vent. (Melochia) .     127
Robinia L.......    349
Rosa L........    433
ROSACEAE. . . . 419,  G81
ROS ACEAE......    419
ROSALES......    xlv
Roseae.......    423
Rotala L......542,  555
Rotala (Ammaiinia) . . .    544
Roucheria Plunch.....     139
Rourheria (Sarcotheca) . .     141
Rourea Anhl......    315
Rourea (Cnestis) . . . .    318
Rourea (Connaropsis) . . .     152
Rourea (Connarus). . . .    317
Rourea (Roureopsis) . . .    316
Rourea (Taoniochlaona) . .    319
Roureopsis Planch. . . .    316
Roureopsis (Rourea) . . .    316
Roydsia Roxb......    660
Rn\'beae.......    422
Rubus L........    430
RUTACEAE. . 154, 669,   676
Buteae........     154
Ryssoptorys BI......     143
Sabia Colebr.......    289
SABIACEAE.....    288
Saccopetalum Bennett. . .      30
Sageraea Dalz......      16
Sayeraea (Bocagea) ...      32
Sageretia Brongn.....    241
Sayotia (Dosmodium) . . .    361
Salacia L........    234
Salmalia Schoft. jBombax).     117
Salomonia Lour.....       76
Samadera Gaertn.....     169
Samandura L. (Samadera) .     169
SAMYDACEAE. . . 561,   681
Sandoricum Cav.....     190
Sanicula L.......    615
Saniculeae......    611
Sautiria BI.......     180
SAP1NDACEAE ....    252
-ocr page 761-
701
INDEX.
Scorododendron BI. . . . 270
Scorododendron (Lepisanthes)
271, 285
Scorpinrus L. (Desmodium). 360
Scutia Comm......241
Scutinanthe Thw. (Canarium) 180
Securidaca L. . . . 77, 661
Semecarpeae.....294
Semecarpus L. f. . . . . 310
SemeicardiumZoll.(Poly gala) 77
Senacia Comm. (Pittosporum) 75
Serianthes Benth.....418
Serpicula L.......460
Sesbania Pers......350
Seselineae......612
Sesuvium L.......605
Shorea Rosb.....xx, 105
Shorea (Parashorea) . . xx, 105
Shuteria Wight et Am. . . 369
Sicyos L. (Gynostemma) 592, 597
Sida L.........111
Sileneae.......80
SIMARUBACEAE. ... 167
Siuiai\'ubeae......168
Sinapis L. (Brassica)... 59
Sindora Miq.......405
Siphonodon Griff. .... 235
Sloanea L. (Echinocarpus) . 667
Sloanieae.......132
Sm ir li ia AU.......355
Smyrnieae......611
Smythia Seem......xxvn
Sonerila Roxb. . . . 513, 531
Sonerila (Allomorphia) . . 510
Sonerila (Driessenia) . . . 511
Sonerila (Sarcopyramis) 516, 532
Sonerileae .... 503, 531
Sonneratia L. f. 485, 553, 556
Sophora L.......390
Sophoreae .... 324, 334
Sorbus L. (Pirus) .... 435
Sorindeia Thouars.... 306
Soulamea Lam......172
Soi/a Savi (Glycino) . . . 370
Spalanthus (Quisqualis) . . 479
Spanoghea BI......277
Spanoghea (Alectryon) . .    286
Spartium L.......    342
Spatholobus Hassk. . . .    373
Spergula L.......      82
Sphaeridiophora Desv. (Indi-
gofera).......    347
Sphaerostema BI.....       12
Sphaorothalamus Hook. f. .      18
SphalanthitsJack(Q\\iis(iu.a.lis)    479
SphenantheraKlotseh(Regoma) 600
Spiraea L.......    428
Spiraea (Astilbe) ....    440
Spiraea I Weiiimannia) . .    445
SPIRAEACEAE ....    419
Spiraeeae......    422
Spiraeopsis Miq.....    443
Spirocarpaea (Helicteres) .     125
Spondias L.......    301
Spondieae......    293
Stachycrater Turcz. (Os-
moliaï.......    564
Stalaymites Murr. (Garcinia)      89
STAPHYLEACEAE. . .    283
STAPHYLEAE ....    257
Stelechoearpus BI.....      17
Stellaria L.......      81
Stemonurus BI......    214
Stemonnrus (Gomphandra) .    214
Stemonurus (Gonocaryum) .    217
Stemonurus (Lasianthera) .    213
Stephania Lour. . . . 44,  659
Sterculia L.....123,  664
STERCULIACEAE
xxvm, 120, 664,  676
Sterculieae......    121
Stravadium Juss. (Barring-
tonia).......    499
Strombosia BI......    208
Strongylocalyx BI. (Eugenia)    497
Shjlidium Lour. (Marlea) .    654
Stylosantheae.....    328
Stylosanthes Swartz . . .    355
Suffrenia Bell. (Ammaunia)
544,  555
Suriana L.......    171
Swintonia Griff. ....    298
-ocr page 762-
702                                                 INDEX.
Synaptea (Vatica) .... xx
Syzygium Gaertn. (Eugenia) 498
Trachylobium Hayne
Trachymene Rudge
Trapa L.....
404
614
560
681
673
649
649
647
606
Taeniochlaena Huok.
/\'•
319
10
658
403
73
665
347
371
371
475
93
Treubia Pierre .
445,
Talauma Juss. .
Talauma
(Magnolia)
Tamarindus L. . .
Taraktogenos Hassk
Tarrietia BI.. . .
Tephrossia Vers. .
Tcramnus Sw. . .
Teramnus (Glycine)
Torminalia L.
Tornstroemia L.
TERNSTROEMIACEAE
Treubia (Lophopyxis)
Trevesia Vis. . . . 639,
Trecesia (Eschwcileria) 641,
Trevesia (Heptapleurum) 639,
Trianthoma L......
124,
Tribulus L.......146
Trichilieae......183
Trichoatrya Miq. (Angolesia) 425
Trichocarya Miq. (Diomenia) 426
Trichodia Griff\'. (Paropsia) . 571
Tricholobus BI......318
Trichosanthes L.....579
Trichos(iHthes(Gyim\\opet&l\\im) 581
Trichosanthes (Hodgsonia) . 579
Trichosanthes (Thladiantha) 583
664
92
G
6
157
666
605
xxviii, 91,
Ternstroemieae ....
Tetracora L.......
Tetracera (Dclima) . . .
Tetractomia Hook. f. . . .
Tetradia Br.....124,
TETRAGONIACEAE . .
Trichospermum BI. . . .
Tridesmis Spach.....
Trifolieae.....323,
Trifolium L.......
Trigonachras Radlk. . . .
Triyonachras
(Cupania) . .
Trigonella L......
Trigouiastrum Miq. . . .
136
87
326
344
287
263
344
78
Tetramoles R. Br.....601
Totramcrista Miq.....174
Tetrapotalum Miq. ... 19
Tetraplasandra^l. Gray. 646, 650
Tetrasti^ma Planch. . . . 249
THALAMIPLORAE xxix, xxxm
ïhalictrum L...... 4
Thea L. (Camellia) ... 98
TheobromaL......128
Thesposia Corr......115
Thladiantha Bunye. . . . fi82
Thoninieae......284
T1LIACEAE
xxin, xxviii, 131, 666, 676
Tiliaoora Colebr.....43
Tilieae........132
Tinomiscium Miers. ... 39
Tinospora Miers.....36
Tinosporeae...... 34
Toddalia Juss. . . ; . . 160
Todilalieae......155
Toochima ltadlk. 267, 287, 674
Toechima (Cupania) . . . 263
Torilis Hoffm. ^Caucalis) . 625
TriyonocarptisTFaW.(Kokoona) 230
Trigonochlamys Hook.f. (San-
tiria)........181
Triomma Hook. f. . . . . 177
Tripetalum K. Schum. . . 662
Triphasia Lour......162
Triphasia (Atalantia). . . 165
Triphasia (Luvunga) . . . 164
Tripodanthera (Gymnopeta-
lum)........581
Tristellateia Thonars . . . 143
Tristira Radlk. . . . 271, 285
Tritheca Wight et Am. (Rotala)
543, 555
Triumfetta L......135
Trimlvaria Miq. (Polyalthia) 22
Troostwyckia Miq.....320
Troostwyckia (Agelaea) . . 315
Tryphera BI. (Mollugo) . . 607
-ocr page 763-
703
INDEX.
Vitis (Ampelocissus)
Vitis (Cissus) .
Vitis (Landukia) .
Vitis (Ftorisanthes)
Vitis (Tetrastigma)
Voandzeia Thouars
248
251
250
249
250
379
Turnera L.......    566
TURNEEACEAE ....    565
Turpinia Vent......    282
Turpinia (Zanthoxylon) . .     159
Turraoa L. (niet Titrarea) .     185
Turrueu (Leptonychia) . .     131
UMBELLALES ....       li
UMBELLIFEKAE. ...    608
UNISEXUALES
.... xxxi
Unoua L........      21
Unoneae.......       14
Uraria Deso.......    363
Uraria (Desmodium) . . .    366
Urena L........     113
Ureneae.......     109
Uvaria L.......       17
Uvaria (Ellipcia) ....       19
Uvaria (Melodorum) ...       29
Uvaria (Mitrephora) ...      28
Uvaricae.......       13
Varea And. (Bryophyllum).    448
Vareca Oaertn. (Casearia).    563
Vareia And. (Bryophyllum)    448
Vateria L.......     100
Vateria (Vatica) ....     xxi
Vatica L......xx,   104
Vatica (Anisoptera) . . . xvm
Vatica (Shorea).....      xx
Ventilageae......    237
Ventilago Oaertn.....     238
Vereia And. (Bryophyllum).     448
Vicieae.....323,  330
Victoria Lindl......       53
Vigna Savi......    378
Villaresia Ruiz et Pav. . .    218
Villaresia (Dichapetalum) .     199
Villaresia (Gonocaryum). .    217
Villaresia (llicaceae) . . .    224
Viola L........      65
VIOLACEAE xvn, 63, 661,  676
Violeae.......       64
Visenia Houtt. (Melochia) .     127
Vitis L........    247
193
195
127
444
9
Walsura Roxb. . .
Walsura
(Heynea).
Walthoria L. . .
Weinmannia L..
Wintereae . . .
Wirtyenia Junr/h. (Spond
Wissadula Medik .
Woodfordia Salisb.
Wormia Rottb. . .
Wormia
(Dilleuia).
ias)
302
112
544, 555
7
8
Xanlhochymiis Roxb. (Gar-
cinia).......      89
Xanthophyllum Roxb. . .      78
Xerospermum BI. . . 275,  285
Ximenia Plum. . . . 203,  672
Ximenia (Scorodocarpus). .    205
Xylia Benth.......    409
Xi/loearpus Koenitj (Carapa)    195
Xylopia L.......      29
Xylopieae......       15
Xylosma Forst......       72
Zanonia L.....592,  597
Zanonia (Alsomitra) . 594,  597
Zanonia (Gynostemma) 592,  597
Zanonieae......    578
Zanthoxyleae.....     154
Zanthoxylon L......     158
Zanthoxijlum (Evodia) . .     157
Zanthoxylum (Toddalia"* . .     161
Zehneria Endl. (Melothria)590, 596
Zizypheae......    237
Zizyphus Juss......    239
Zornia Gmel......    357
ZYGOPIIYLLACEAE . .     145
Zygophyllum L.....     147