-ocr page 1-
-ocr page 2-
mw\\ 13008
-ocr page 3-
/6
6J
£
«03
//.
O
-ocr page 4-
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
A06000013060052B
1306 0052
-ocr page 5-
...°^..\'6^
A <
•■..
.-^
DE FLORA DER HOLLANDSCHE DUINEN;
F. W. VAN EED EN.
Die Xatur in jedem Winkel der Erde Ut cin Abglanz des Ganzen.
humuoi.pt.
Do bergen steramen ons tot ernst, dikwijls tot somberheid, de vlakte
maakt ons alledaagsch en baatzuchtig, op de heuvelen wonen vrolijk-
heid en vrijheid.
Op de heuvelen is het, alsof met ons ligchaam ook onze geest zich
verheft Loven de gewone dagelijksche sfeer. Wij worden luchthartiger ,
kinderlijker, natuurlijker; wij ademen dieper, wij merken beter op; in
één woord, wij worden er andere en betere menschen. Gelukkig de
stad , die heuvelen in hare nabijheid heeft!
Zoo gelukkig is ook mijne woonplaats. Ten westen van Haarlem ligt
een uitgestrekt heuvelland, gedeeltelijk woest en onbebouwd, ecne
wildernis, arm voor den landbouwer, maar rijk voor den vriend der
natuur. Want niet alleen de vrije duinlucht is het, die daar zoo
gunstig werkt op onze gemoedsstemming, ook de plantengroei heeft in
dit opzigt niet weinig invloed.
Haarlem is voor Holland , wat Florence is voor Italië , de stad der
bloemen bij uitnemendheid; niet alleen van de bloemen, die men
daar verkoopt en die de blijken dragen van den invloed der kunst,
maar ook van die, welke men niet verkoopt en die gekenmerkt zijn
door den adel der natuur.
Het aantal soorten der in Nederland in het wild groeijende zigtbaar
bloeijende planten. zal ruim 1300 bedragen, dat van de Haarlemsche
flora durf ik gerustelijk te stellen op de helft. De aard der planten
staat in zeer naauwe betrekking tot den bodem. Iedere grondsoort
heeft haar eigenaardige flora; zoo zijn er kleiplanten, veenplanten,
-ocr page 6-
2
BK FLORA BKR 1I0LI.AXDSCIIK BÜINKN.
zandplanten, heidcplanton, moeras-, water- en strandplanten; ja, zoo
hoeft in de gebergten bijna elke rotssoort haar bij zonderen plantengroei.
De omstreken van Haarlem bezitten eeno grootc verscheidenheid
van terrein; van daar ook onder de planten grooter afwisseling dan
elders. Langs het IJ liggen lage kleiachtige streken, in den Haar-
lemmermeerpolder klei-, veen- en zandgronden, langs het Spaarno
zand en veen, ten westen de hoogere zandgronden, de duinen en liet
zeestrand. Bc flora der ziltige IJstreck vertegenwoordigt den planten-
groci der Zecuwsche eilanden, de bosseben langs het duin en den
Haarlemmerhout herinneren de flora van Gelderland; de duinpannen
bevatten vele bewoners der drassige hcidestreken van het oosten des
lands, terwijl de duinen zelve nu en dan een plantenvorm der Duitschc
gebergten en van het hooge noorden vertoonen. Om Haarlem zijn
weiden, bouwlanden, bossehen, zoet-, zout- en brakke waterplassen
en heuvelstreken; van het vruchtbaarste land tot de barste wildernis,
van het beekje tot den oceaan zijn bijna alle overgangen voorhanden ;
voorzeker een voorregt, dat vele steden van Holland , zelfs van Neder-
land moeten missen.
Ten allen tijde is de omtrek van Haarlem om zijn flora gewaar-
deerd; de beroemdste vaderlandsche natuuronderzoekers hebben hier
bouwstoffen voor hunne werken verzameld ; de groote Linnaeus heeft
hier eenmaal rondgezworven , en zijn geniale geschriften dragen menig
blijk, dat Haarlems omstreken ook voor hem niet onvruchtbaar zijn geweest.
Slechts een gedeelte van dien rijkdom wensch ik thans te beschouwen:
den plantengroei der duinen, die ons de liefelijkste en meest sprekende
karakters der Haarlemsche flora aanbiedt.
Hoewel het verschil in den aard en de ligging der gronden steeds
met een verschil in den plantengroei gepaard gaat, zijn de ondersehei-
denc pluntengroepen van de bijzondere streken niet scherp afgebakend
en vloeijen onmerkbaar in elkander over. "Wanneer wij van cene
duintlora spreken, bedoelen wij daarmede niet de planten , die bij uit-
sluiting op de duinen groeijen; haar aantal is zeer gering; ja zelfs
acht ik hot twij felachtig, of er wel een enkele echte duinplant bestaat,
een plant, die niet tevens in andere zandige-, heido- of bergstreken
gevonden wordt. Vertegenwoordigt de duinflora dus de soorten, dio
tevens in andere streken, ja zelfs in de bossehen en moerassen gevon-
den worden, zoo verkrijgen die soorten op het duinzand een korter,
-ocr page 7-
3
DE FLORA DER HOLLAND8CHX DUINEN.
gedrongcner en schraler vorm, den zoogenoomden duinvorm, en daar-
door een bepaald karakter, dat zij nimmer verloochenen en -waaraan
men ze dadelijk herkent. Zoo men wil, zien wij dus in de planten
der duinen geen eigenaardige soorten , maar meer afwijkende vormen
van andere soorten, in overeenstemming met klimaat en bodem.
Evenzoo vindt men aan de oevers der rivieren en in de klei planten,
die ook op dorre hoogten groeijen, doch hier in armer, schraler vormen.
Zoo is de wilde peen , die anders eenige voeten opschiet, in de duinen
bijna een miniatuurplantje, en het breedbladig standelkruid (Orchis
latifolia
L.) bereikt aan de oevers van het water dikwijls cenc hoogte
van twee voeten , in de duinen naauwelijks een voet.
AVij moeten dus onder duinflora verstaan den geheelen plantengroei
der dninen, en daarbij vooral het eigenaardig karakter en den bouw
der planten in het oog houden.
Maar de duinflora heeft voor ons nog een andere beteekenis. In
haar toch zien wij het getrouwe beeld van Hollands woeste natuur,
zooals deze voor ecuwen geweest is. De duinflora is een bouwval,
niet minder belangrijk dan de bouwvallen onzer ridderkasteelen; de
natuuronderzoeker is oudheidkenner bij uitnemendheid; ook hij beweegt
zich met den geest in het voorleden; een voorleden, dikwijls verder
verwijderd dan het historische, en niet minder aantrekkelijk en geheimvol.
Maar de natuuronderzoeker restaureert zijn bouwvallen niet; de aarde
is groot ; uls zij hier geheel verdwenen zijn, vindt hij er elders nog
in overvloed.
Zoolang echter ook in Holland de bouwvallen der woeste, oorspron-
kelijke natuur nog aanwezig zijn en nog niet door landbouw en be-
schaving zijn vernietigd, zoolang hebben wij hier genoeg te zien en
een stof ter bearbeiding, die een menschenleven zou kunnen bezig
houden. Dit denken velen niet, die de natuur slechts oppervlakkig
kennen, en toch is het de zuivere waarheid.
Gaan wij op een schooncn zomerschen morgen den broeden zonnigen
weg van Haarlem naar het dorp Ovcrvecn op, dan rust ons oog in de
verte op de lange, schoon golvende hcuvelreeks, wier toppen zoo vrien-
delijk geel en groen in het zonlicht schitteren. Talrijke groepjes wan-
dolaars vergezellen ons ; niet om naar planten te zoeken ; zij begrijpen
niet, wat wij met gras en onkruid moeten uitvoeren; zij gaan om te
genieten; een minder droog, minder afgetrokken genot. Zij hebben
-ocr page 8-
■1
DE FLORA LEtt HOLLASDSCUE DUINBlf.
gelijk, maar ook wij hebben gelijk ; de natuur, ook de menschclijkc , is
zoo verbazend groot, dat er voor ons allen ruimte genoeg is om gelijk
te hebbeu en zelfstandig te zijn.
Binnen een half uur zijn wij O verveen voorbij en zetten de eerste
schreden op een meer natuurlijken grond, die tusschen eiken en deunen
ons allengs opwaarts voert. Do natuur, kort te voren nog alledaagseh ,
verkrijgt een vrijer aanzien ; de aromatisch-sterkende geur der dennen ,
gemengd met de bittcr-frissche en niet onaangename lucht van het jonge
eikenloof geeft ons nieuwe gedachten, en de planten ter zijde en uan
onzen voet dragen reeds een minder onbeduidend karakter dan die der
weilanden. De planten bebbcn iets meer vrolijks en oorspronkelijks,
naarmate haar standpunt zich hooger boven den vlakken grond verheft-
Wij naderen den rand van het eigenlijke duin, welks eerste hoogten
met dennen zijn bedekt. De grond is glad door de afgevallen denne-
naaldcn ; hier en daar vertoont zich een kromme of geknakte dennestam ,
terwijl tusschen de boomen de helderblaauwe lucht en de zonnige duinen
zigtbuar worden en een frissche wind ons tegenwaait. Hier denken wij
aan Gelderland. Aan den voet der dennen groeit het stofzaad (Mono-
tropa JL/popiti/» L.),
een zonderling cplant; een vaalgele naakte stengel,
met bruine sehubjes en bloemen in den vorm der heidcbloemcn; zonder
bladeren, zonder wortels staat zij daar als een arme zondares, en nog
weet men niet zeker, of zij zelve haar voedsel opspoort of op andere
planten woekert.
Laat ons, eer wij den togt door de heuvelen aanvaarden, nog een
blik slaan op dien broeden, rijk begroeiden , met talloozc landhuizen
bedekten zoom , die de duinen van de vlakke zandgronden scheidt en
waarvan dit dennebosch een gedeelte is. De zoogenoemdc Aardenhout
(waarschijnlijk van Aèrcn of andereu Hout, in onderscheiding met den
Haarlemmerhout) behoort tot de schoonste en bloemrijkste van Haarlems
omstreken. Ten zuiden grenst hij aan de bosschen van Vogelenzang
en Hillegom , ten noorden aan die van Bloomendaal en Yelsen , en is
een gedeelte van den liefelijken boschrand, die, behoudens enkele ga-
pingen, van \'s Gravenhage tot Alkmaar het duin aan de landzijde
begrenst. Hij, die de planten en bloemen der -wilde natuur lief heeft,
zal deze streek nimmer onvoldaan verlaten , hoc dikwijls hij daar ook
mogt wederkeeren. Gulle zandwegen tusschen jeugdige eikenboschjes
voeren zuidwaarts langs de buitenplaatsen Mariënbosch, Bockenrode en
-ocr page 9-
5
DE FJ.OItA DEIt IIOLT.ANPSCHK DUINEN.
Lciduin tot het klassieke mannenpad en de kommen der duinwater-
leiding , dio momimenten van Engelsche geestkracht in het land van
Witte van Haemstede. Noordwaarts leidt de weg langs het deftige
Elswout, naar Overveen en Bloemendaal; talrijke zijpaden hrengen ong
langs digthegToeide beekjes of zonnige bouwvelden tot het duin en
leveren een verscheidenheid van tafcreelen, die men zelfs in andere
hinden zelden op een zoo beperkt terrein zal aantreffen. Bij de zware
beuken van Boekcnrode zou men niet gelooven, dat de zee slechts een
uur gaans verwijderd is ; de denneboschjes van Bentveld verheffen zich
steil als kleine voorgebergten te midden van het lage eikenhout; de
i\'rissche beekjes en watervallen van Lciduin herinneren ons aan do
schoonste plekjes van Gelderland. Lagere heuvels strekken zich tusschen
de boschjes uit en omsluiten de beekjes met steile oevers. Aan die
oevers groerjen de moeras-spiraea (Spiraea Ulmaria L.), de heldergele
sleutelbloem {Trimula acauHsü,.) en de witte en roodc koekocksbloe-
men {Lychnh dinrna sinra en vespertina sibth). In het water prijkt
de eerste voorjaarsbode, de waterbotcrbloem (CaJtha palmtrix\'L.\') met
haar gladde bladeren en grootc gele bloemen, de gele iris (Tri» Fseu-
dacorus
L.) , de rozenroode zwanenbloem (Butoinus umbellatus\'L.), die het
voorkomen heeft van een plant uit warmer gewesten, en de prachtige
witte waterlelie (Nymphaea albalj.), de koningin onzer waterplanten,
de Victoria regia van Nederland.
Hier is het gebied van den eik. De lage, digte, jeugdige boschjes of
de hoogc, v;de liogtige, knoestige , digtbegroeidc stammen, de onregel-
matig gekronkelde en gedraaide takken en het afwisselend gevormd en
gekleurd loof der eiken vormen met de kleur des zands een echt
landelijk tafereel; iets schetsaehtigs, onbepaalds. Een zandige laan met
diepe wagensporen doorsneden , aan de eenc zijde een begroeide duin-
wal , aan de andere lage eikenboschjes en een vergezigt naar het
westen, op de hooge duintoppen ; een klapwiekende tortelduif en een
paar vlaamsehc gaaijen, die, elkander volgend, steeds voor u uitvliegen ,
ziedaar het tafereel. Groot is het aantal der bloemen, die hier in
voorjaar en zomer den grond en het bosch bezielen. De meest karak-
teristieke van deze zijn, behalve de reeds genoemde, de toortsplant
( Verbascum tkapsiformê scuiud.) met haar groote viltige witaehtige bla-
deren, de wouw of gele reseda {Reseda lutea L. en Ji. lutcolit L.) , de
donkerblaauwe slangenkop (Eckium vulgarelj.), de akkcr-kromhals (Li/-
-ocr page 10-
6
ot: flor.v dek hollaxdscue duisen.
copsis arvetuit L.) mot zijn blaauwe spoedig afvallende bloempjes, bet
zachtharig havergras {Arena puhetem* L.) met zijn edel gevormde zil-
vergraauwo blinkende pluimen, het sierlijke adelaarsvaren (Pterit aqui-
lina
L.), dat in brcede bogten over het water hangt, het St. Janskruid
(Hypericum perforatum L.), het rozenroode zeepkniid (Saponaria njjicina-
lisL.),
de vrolijk geclblooijende -wederik (Lysimachia wlgarWL.), de
wijdgetakte hennepnetel (Galeopsia Tetrahitli.) , het muskuskruid (Adoxa
Moxchatellina
L.) en het rozenroode stalkruid (Ono7iis repcnsl,.). Tus-
schen het kreupelhout groeit in groot aantal de roodc zuring {Rmnex
sanguine»*
L.), die in bet najaar do velden met een rooden gloed bc-
dekt, en rondom do eiken slingeren zich de klimmende duizendknoop
(Polygonum Conrolrulus L. en dumetorum L.), de heggc-winde {Convol-
ruin-i sepium
L.) , de kamperfoelie {Lonicera Periclymenum\'L.), het klimop
{Ilcdera Ifrli.clj.) en de klimmende nachtschade (Solanum Dulcamaralj.).
Maar het is geenszins mijn doel, hier dorre plantenlijsten to geven,
evenmin als altijd aan den voet der duinen te vertoeven. Verlaten wij
dus dit paradijs voor booger streken en beklimmen wij de eigenlijke
duinen, bet doel van onzen togt.
Slechts enkele van de opgenoemde planten zullen ons ook ginds blijven
vergezellen, en onder deze, zonderling genoeg, twee soorten , die oor-
spronkclijk aan ons land vreemd waren, maar zich in de 17dc\' eeuw uit
zicbzelve hebben geacelimateerd : de gele onagra (Oenothera hiennis L.)
en de Canadascho fijnstraal [Erigeron canadenseli.). De Oenothera is
zeer kennelijk door haar groote gele, zeer welriekende bloemen, die
\'s avonds opengaan en zich voor het felle zonlicht sluiten, de Erigeron
aan zijn lange schrale, fijn gebladerde, digt bijeenstaande stengels en
zilverwitte zaadpluizen. Beiden zijn afgedwaalde kinderen van Noord-
Amerika, die zich echter in Europa zeer goed tehuis gevoelen en zelfs
nu reeds in Azië tot den Altaï zijn doorgedrongen. Heiden beminnen
schrale gronden en gebergten , beiden komen in verbazend aantal voor,
beiden bedekken do Hollandschc duinen van bun liefelijken binnenzoom
tot de laatste fel bestookte toppen aan zee. ïusschen beide lotgenooten
bestaat echter een groot verschil van karakter. De Oenothera is door
en door een vreemdeling; do groote, \'s avonds opengaande bloemen, het
zachte, levendig groene blad trekken de opmerkzaamheid, en\'s winters
blijven haar uitgebloeide stengels bij duizenden trotsch en onverzettelijk
staan , terwijl do overige kruiden dan meestal niets van zich doen blij-
-ocr page 11-
7
DE FLOBA DEK ÏIOLLANDSOHE DUINEX.
ken. De Erigcron is vaal en onaanzienlijk : hij bloeit vroeg en staat
in Mei reeds met zijn zilveren zaadpluizcn te prijken; zijn naam bctce-
kent zeer karakteristiek, „de grijsaard in de lente." De Oenothera bc-
hoort tot een kleine familie (de Onagrariae), die hier sleehts weinige
vertegenwoordigers heeft; de Erigeron is een lid van de overgrootc fa-
milie der zamengesteldcn (C\'ompositae); de Oenothera trekt de aandaeht
van oud en jong, en geniet dikwijls de eer, door jeugdige hand tot
herinnering aan het schoone oord te worden afgeplukt; de Erigeron
blijft vergeten en veracht als gemeen onkruid.
Met deze twee blijft ons ook de donkerblaauwe slangenkop op de
hoogte vergezellen ; een sehoonc rijkbloeijende en zeer in het oog vallende
plant, geheel de type van de stekelachtige familie der Boragineae,
waartoe zij behoort.
Hoogc heuvels rijzen voor ons op, en de weg daarheen leidt over
een glooijende groene vlakte , afgewisseld door diepe holten of kleine
opgestoven zandhoopen , die bewijzen, dat de oorzaak vnn het ontstaan
der duinen nog steeds voortwerkt en het zand gedurig verplaatst.
Do groene vlakte is hier en daar met laag geboomte bedekt. Meer
en meer verdwijnt de eik , om plaats te maken voor den popel (Populuê
tremula
, 1\'. alba, P. cancxecn* en 1\'. nigra), en den kruipwilg {Salix
repensl,.)
; spoedig echter verkrijgt de laatste de overhand, en zijn
wijd uitgespreide struiken doen ons denken aan de heide, de hooge
gebergten en de natuur van het hooge noorden. Een liefelijke geur
omringt ons; hij is afkomstig van het nederige thymplantje (Thymw)
Serpyllum
i L.), dat een groot aandeel heeft in de groene bekleeding der
vlakte. Reeds aan zijn dunne stengels en sierlijke blaadjes zien wij,
dat het van geheel ander allooi is dan de weekc en sappige planten
der weilanden. De stoeltjes zijn dun, taai en houtig, de blaadjes
van onderen glanzig wit, van boven groen, ledcrachtig; de violette
bloempjes zoo digt mogelijk in aartjes bijeen geplaatst; de geur is sterk
aromatisch; alles toont een karakter naar de omstandigheden , waarin
het plantje verkeert. De ruwe omgeving en de schrale bodem spreken
uit dien taaijen, meer in zichzelf teruggetrokken bouw ; — evenals bij
den mensen strijd en zorg een zelfstandiger, krachtiger karakter vor-
men. Het beeld van zulk een karakter vinden wij in vele duinplan-
ten weder.
De aromatische geur van den thym is eigen aan vele geslachten van
-ocr page 12-
H
DU FLORA DEK HOIXAXBSTHE DUINEN.
zijn familie (do Laliatae of Lipbloemigen, genoemd naar den vorm der
bloemkroon). Do munt (Ifentha aqaatica L. enz.), een bewoonster van
lagere streken, en die ook in de laagste duinpannen voorkomt, behoort
mede tot deze afdeeling. De geur van de munt huist evenzeer in de
bladeren als in de bloemen en wordt het sterkst merkbaar, -wanneer
men deze tusschen de vingers wrijft. De geur van den thym ontstaat
hoofdzakelijk uit de bloemen en is meer door zijne verspreiding in de
lucht, dan door wrijving bemerkbaar. De geur der munt heeft iets
friseh , iets geestrijks ; die van den thym is zaeht, meer streelend dan
prikkelend. Indien aan geuren invloed mag toegekend worden op ons
gemoed (en do ouden wisten dit beter dan wij) , dan is die van de munt
opwekkend, sterkend, die van den thym liefelijk bedwelmend, maar
daarom des te krachtiger in onze herinnering. Wie als kind eenmaal
in vrolijke dagen dien geur heeft ingeademd, die wordt, zoo dikwijls
hij des zomers het duin betreedt, als door een liefelijken droom tot
die kindschhcid en hare naïve gewaarwordingen teruggevoerd.
Liefelijker, doch minder krachtig is de geur van de witte duinroos
(Iïosa Pimpinellifolia D. C.) , die in groote menigte vooral aan de land-
waartsche duinhellingen voorkomt. De bloemen dezer roos zijn eenvou-
dig wit en klein; verplant men haar op rijker grond, dan worden ze
gevuld en meer rooskleurig. De roos heeft meer dan andere planten
een aanleg om zich to veredelen. Ook bij de planten zijn edele en ge-
meene karakters. Vcrplanten wij een wilde roos en een brandnetel
naast elkander in vruchtbaren grond, de roos zal schooner worden, de
brandnetel zal zich verbazend vermenigvuldigen, maar niet van vorm
en houding veranderen. De een munt uit door kwaliteit, de ander
door kwantiteit.
Wat de thym is voor de zandigc heuvelen, dat is in weiland en
bosch het reuk gras (Anthoxanthum odoratum L.). De geur van dit gras
is sterker, grover en heeft meer overeenkomst met dien van de tonka-
boon; doch hij heeft niettemin een groot aandeel aan den indruk van
een bosch bij zomeravond. Hij de zware stammen, wier sombere kruinen
zich hoog boven ons vereenigen, bij het koeren der houtduif en het
verwijderde gcruiseh van een waterval is de geur van het reukgras even
wonderbaar bezielend als die van den thym op het drooge zonnige duin.
Tusschen den thym slingeren zich de kleine akkerwinden (Convolvulit»
arvensü
, L.) met hare pijlvormigc blaadjes en rozenroode, wit gestreepte
-ocr page 13-
O
DE FLORA DEIt HOTXAH\'DSCHE DITINEN.
bloemen, die als kleine oogen in het gras ons schijnen te vragen,
waarom wij de dikke, topzware hyacinthen en de stijve, kakelbonte
tulpen toch zoo schoon vinden , of waarom wij het driekleurig viooltje \')
nevens haar minder achten dan de reusachtige, maar eigenlijk wan-
staltigc pensóes in onze tuinen.
De mensch verstoort het evenwigt der natuur uit zucht naar af-
wisscling en noemt dit „veredelen." Tot een zekero grens wil de
natuur zich ook wel aan de grillen van haar bedorven kind onderwer-
pen, — doch, zoodra \'s menschen invloed ophoudt, herneemt zij ern-
stig en kalm hare regten. Zij maakt zijn kasteelen tot groene, schil-
derachtige heuvels; zij slaat vnn zijn standbeelden de armen en hoof-
den af; zij herschept alles overeenkomstig den geest van het omrin-
gende landschap, en ook het monsterachtige tuinviooltje keert teiug
tot den ouden, eenvoudigen en waarlijk natuurlijken vorm , dien wij
op de duinen ontmoeten. Daar beantwoordt zijn bloem waarlijk aan
den liofelijken naam „pensee", terwijl de monsters onzer tuinen eigen-
lijk het ware karakter der oorspronkelijke plant verloren hebben.
Voor ons ligt een hooge duin, met kalen , blinkenden top en aan
de zijden met mos bedekt. In den zomer is dit mos donkergroen of
bruin en door de zon verschroeid; in de maanden October en Novem-
ber begint het te herleven, — en, zoodra de strenge winterkoude
voorbij is, — dikwijls reeds in Januari]\', bedekt hot de duinen met
jeugdig lentegroen. Het mos is de achterhoede en tevens de voorhoede
van den plantengroei, en vormt op de hooge gebergten en in de pool-
streken de uiterste grens van het plantenrijk.
Op de dorste plaatsen zijn de mossen het minst talrijk aan soor-
ten, maar des te talrijker aan individu\'s; zelden dragen ze hier hunne
zoo sierlijke, urnachtige vrachtjes. Het meest algemeen zijn de veld-
kronkeltand {llarbula ruralis iiedw.), kenbaar aan zijn weinig vertakte,
digt opeengedrongen stcngcltjes, wier blaadjes breed, digt bijeen ge-
plaatst , aan den top een rozet vormen, en nu eens goudgeel, dan weder
smaragdgroen gekleurd zijn; de graauwe, witnehaardc haarmond (Haco-
mitrium caneseem
iiiiid.), de haarfijne, fluweelachtige, eenzijdige gaf-
feltand (Dtcranum heteromallum hedw.). Tusschcn deze zijn uitgebreide
\') Behalve het driekleurig viooltje {Viola tricolor L.), vindt men in do duinen
ook do Viola hirlah. en Viola catiina\'L. in groot aantal.
-ocr page 14-
10
DE FLOEA DEK HOLLANDSCHE DUIKEN.
plekken met korstmossen, waaronder het rendiermos (Cladonia rangi-
ferina
hoffm.) een eerste plaats inneemt. Ieder kont dit bevallige,
fijn vertakte mos, dat, in het najaar licht zeegroen en zacht, inden
zomer tot ruwe krakende kussens is incengeschroeid, welke kussens
dikwijls los op het zand liggen of door de konijnen worden losgegra-
vcn, en dan door den wind als huppelende ballen worden rondge-
zweept. — Enkele hellingen zijn als bezaaid met het schotelmos (Pa-
tellaria scrupoia
sommerf.) , dat eer het voorkomen heeft van stukken
etcen of erts, dan van levende en grocijende planten.
Dit ruwe, schrale , krakende duintapijt is met gras en bloemen door-
weven, waaronder de gele Ilieracium en Picrin, verwant aan onze
welbekende paardebloem , maar behaard, ruw en zaamgedrongen ; het
scherpe look (Scdtim «ore L.) , dat met zijn vette, rijkblocijendc zoden
geheele hellingen geel kleurt, het gele en witte walstroo (Galium
verum
en Molugo), de liefelijk blaauwe berg-jasione (Jaxiona montana L.),
de gele rolklaver (Lotus corniculatti* L.), de fijne, blaauwe, witte
en rozenroode kruisbloem (Polygala rulgaris L.), het wondkruid (Anth-
yllh Vulncraria
L.), het zandrietgras (Carex arenaria L.), welks
lange kruipende wortels met regelmatige rijen van uitspruitscls bedekt
zijn , die niet weinig bijdragen tot het vastmaken van den zandbodem ;
het helmriet {Psamma arenaria 11. S.), dat aan de binnenzijde der
duinen den zandhaver (Elymwt arenarim L.) vertegenwoordigt; het
bundgras (Con/nephonix eaneteen* P. B.), merkwaardig door den zon-
derlingen knodsvorm zijner kafnaalden, en de schrale- en muurdravik
(Iiromus steriliê en JJ. tectorum) met hun bewegelijke groene en zilver-
graauwe pluimen.
De grassen onderscheiden zich hier door incengerolde bladen, stroo-
achtige, harde stengels en bleeke tinten, de meeste bloemen zijn er
vaal, geelachtig, wit of lichtblaauw. Daar beneden in de boschjes
heersenen onder de bloemen de blaauwe en gele kleuren , het gras is
er breeder, platter en donkerder groen; nog lager, in liet drassige
elzen- en esschenhakhout, schittert het rood en wit van de koekoeks-
en wilde kervel-bloemcn (Lychnix dinnia sibtii en Anthriscus xi/lredris
noKFM.). Zoo heeft elke streek haar tinten, die met elk jaargetijde
min of meer worden gewijzigd.
De trouwe braamstruik doorvlecht het duintapijt met haar lange uit-
loopers als met wijngaardranken, en waarlijk, de braam met haar witte
-ocr page 15-
11
BE FLORA DEK HOLLAXDSCU E DUINEN.
bloemen, groene bladen en blaauwe vruchten, is de wijngaard der dui-
nen; een schrale wijngaard, wel is waar; — maar toch vormen haar
frisscho vruchten te midden van het droogc zand een van die weldadige
tegenstellingen, waarmede de natuur evenwigt houdt in al hare werken.
Wij hebben den top bereikt. Voor ons ligt het breede heuvelland,
dat Holland tegen zijn ouden vijand beschermt, een geheimzinnige chaos
van hoogten en diepten , graauw , geel, groen en bruin, een woeste,
maar zwijgende en verstijfde zee. De verste toppen hebben iets uitlok-
kends, raadselachtigs. Hun tint is vaal geel, die der tusschenliggende
valleijcn graauw groen.
Moeijelijk is het, in do ligging der duinen nanr de landzijde cenige
regelmaat te bespeuren. Aan de zeezijde ziet men duidelijk evenwijdige
reeksen, even als van opgestoven zand. De vlakten zijn daar langwer-
piger en zeer uitgestrekt, somtijds een half uur gaans, en loopen door-
gaans evenwijdig met de zee. De oorzaak , waardoor deze valleijcn niet
onafgebroken door duinruggen begrensd, nevens elkander loopen, is dui-
delijk. In de uiterste reeks wordt door de stormen nu en dan een gat
geslagen; het zand stuift landwaarts in en vormt een nieuwen duin van
het westen naar het oosten, die of de reeks op deze plaats buitenge-
woon verbreedt of met haar een regten hoek vormt. Deze vormingen
gaan nog steeds voort, vooral in de afgelegenste duinstreken. Het is
een grootsch gezigt, zulk een zandval, waaruit hier en daar de toppen
der boompjes en struiken droevig te voorschijn komen , als smeekten zij
nog om hulp tegen het onvermijdelijk noodlot. Langzaam worden ze
geheel bedolven, en na cenige jaren staat er een berg, waar eens een
boschje was.
Aan de zeezijde zien wij do toppen der duinen van geringen omvang,
maar digter opeengcdrongen ; geheel anders dan aan de landzijde. Hier
is een zachte glooijing, die tot hooge, breede toppen en uitgestrekte
valleijcn voert, ginds een opeenhooping van toppen, waartusschen
diepe, smalle kronkelpaadjes zeowaarts leiden. Beide vormen ziet men
zeer digt nevens elkander bij het dorp Wijk aan Zee. Daar is de
duinrand zeer smal en niet breeder dan tien minuten gaans. Aan de
landzijde is het duin zeer hoog en breed getopt, aan den zeekant even
veel- en smaltoppig als elders.
De ligging van dit dorpje is schilderachtig. De toren heeft geen spits,
maar een pannendak, van daar iets niet-Hollandsch; hij is niet hooger
-ocr page 16-
12
BE FLOEA DER HOLLASDSCDE DOSES.
dan do groene duinen met hun witte paadjes, die den aohtergrond vor-
men. Het landschap herinnert aan Duitschland en is sehooner dan de
onmiddellijke omstreken van Sehevcningen, Katwijk of Zandvoort.
De duinvalleijen achter Bloemendaal en Velsen zijn voor een deel be-
groeid met hoschjes, wier witte berkenstammen reeds in de verte zigt-
baar zijn. Verder achter de hooge duintoppen is alles graauw , en aan
den gezigteindcr ziet men hier en daar de Noordzee als een flikkerende
azuren streep. Wij rigten onzen weg naar een der verste boschjes en
hebben nog een goed eind te klimmen en te dalen, eer wij het berei-
ken. Bij het afdalen bemerken wij het groote onderscheid tusschen den
plantengroei aan de noordzijde der duinen met dien aan den zonnekant.
Hier is meer schaduw , meer vocht en daardoor grooter weelde. Do
ruwe mossen moeten voor hooger vormen plaats maken. De ge-
hccle helling is met verschillend struikgewas bedekt: vlierheesters,
meidoorns, kruipwilgcn , hier en daar zelfs dennen en popels. Tusschen
deze zien wij fraaijer mos (vooral het prachtige Ilylocomium triquetrum
schpr.) en andere bloemen dan ginds. Het schoonste sieraad dezer
noordelijke hellingen is het wintergroen (Pi/rola rotundifolia L.), een
plantje, dat eerst in den zomer bloeit en dikwijls nog in het late
najaar do eer der duinflora ophoudt. Geheele hellingen zijn dan wit
gekleurd door de tcedcre hoogst welriekende bloempjes, die in houding,
vorm , kleur en geur iets zoo edels en bevalligs hebben, dat men ver-
wonderd is ze in dit arme, schrale land te vinden. Hare blaadjes
zijn rozetvormig bijeen geplaatst, groot, rond , lcderachtig, glanzend,
en blijven zeer lang groen. Tusschen die donkergroene bladeren verheft
zich een zacht groene of eenigzins oranjeroodc steel, ongeveer in de
houding van het lelietje der dalen , maar losser en sierlijker. Ook de
vorm der bloempjes is schilderachtiger; niet zoo geheel en al regelma-
tig , maar met vier blaadjes , waarvan de bovenste iets grooter en gc-
kromder zijn , en tusschen welke de lange , gebogene , zacht oranjeroode
stijltjes uitkomen. De bloemen zijn groot, zeer openstaande, sierlijk
voorover gebogen en hebben een zacht witte , naar rozenrood zwec-
mende kleur. Het donkere blad, de roode steel en de witte bloemen
vormen een uitmuntend geheel. De geur heeft iets van dien van het
lelietje van dalen, maar is zachter en edeler. Het wasachtige der
geheele bloem herinnert aan vele Japanschc planten, maar de vormen
zijn eenvoudiger. Het geslacht Pyrola bezit slechts weinig soorten.
-ocr page 17-
13
DE FLOEA DER UOLLANDSCHE DUINEX.
Het staat in het natuurlijk stelsel geheel op zich zelf, en schoon het
eenigc gelijkenis vertoont met de familie der heideplanten, kan het
wegens gewigtige verschillen daarbij niet worden ingedeeld en heeft men
een afzonderlijke familie (Pyrolaceae) voor dit enkele geslacht moeten
aannemen. De Pyrola is dus een edel karakter onder de planten; ook
in haar leven; want het is zeer moeijelijk haar in onze tuinen over
te brengen. Zij bloeit daar niet half zoo schoon en begint spoedig te
treuren en weg te kwijnen, (lelijk de schoone Alpenplantjes , is ook zij
een dochter der bergen en verkiest de vrijheid der wildernis boven de
slavernij der beschaving. Aan de landzijde zien wij haar weinig; op de
verwijderdstc, eenzaamste jdekjes heeft zij zich teruggetrokken.
Ook do planten hebben hare karakters, en reeds in haar, en nog
duidelijker bij de dieren , zien wij in algemeene trekken het leven en
bedrijf der menschen.
One touch of nature makej the whole world kin.
Ginds in de laagte zien wij een anderen type, de vaalgelo bremraap
(Orobanche Gulii en I\'icridis), die in vorm en groeiwijze mede geheel
op zichzelvc staat en tot eene zeer kleine familie behoort, evenals de
l\'yrola; — doch die daarbij niet leven kan, zonder op een andere plant
te woekeren en deze van hare sappen te berooven. — Ook een karak-
ter, bij de planten helaas, zeldzamer dan bij de menschen. Ook de
schurken hebben een zekere aristocratie, en onder de eenzaamste karak-
ters vinden wij zoowel den hoogsten adeldom van geest als de gruwe-
lijkste boosheid.
Een smal paadje, dat in hot najaar den jager dient, voert ons door
een duinvallei, aan wier zuidzijde een breede kring van popels en wil-
gen een open vlak omsluit. Een waterkuil en aardappelen bewijzen
ons, dat hier ook de mensch werkzaam is. Tusschcn de aardappelen
groeit in groote menigte het vlieszaad (Curixpentmm Marschalli stev.),
een plant, smalbladig, graauw behaard, onaanzienlijk in voorkomen,
maar hoogst merkwaardig, omdat zij in Duitschland en elders zeldzaam
is en hier te lande alleen in de duinen, meestal in en om de duin-
akkers gevonden wordt. Aan de randen van het aardappelveld vin-
den wij ook de veld-alsem (Artemixia campextiis L.) en cenige distels,
onafscheidelijke gezellen van den mensch; — de meeste individu\'s van
den Homo sapiens hebben in hun leven niet veel meer, dan aard-
appelen , alsem en distels!
-ocr page 18-
11
DE FLORA DEB HOI.LANDSCnK DUINEN.
Het gewone leven der menschen heeft iets zeer prozaïsch en alle-
daagsch. Dikwijls heeft de natuur der duinen mij door oorspronkelijke,
levendige indrukken daan-oor schadeloos gesteld. — ltondom de aard-
appelvelden, het beeld van de etende en nimmer verzadigde armoede,
zien wij hier en daar de bremstruik, met haar schitterend gele bloemen,
(Sarothamnus vulgari* wimm.) , het beeld van de hoogste trouw en vriend-
schap , het geliefde symbool van Saint-Louis, onder de spreuk „exaltas
humilcs", liet veldteekcn van Godfried van Anjou; de naamgeefstcr van
het edele geslacht der Plantagenets \').
Ware levenswijsheid leert ons, in het armzaligste nog iets schoons te
vinden, met de kleinste vonkjes nog vreugdevuren te ontsteken. —
Behalve de brem is ook vooral de driedistel (Carlintt rulgari» L.) ons lief,
omdat zij ons door haar harde, glanzende, papierachtige , duurzame
bloemen herinnert aan de klassieke immortellen , de beelden van lief-
dovolle trouw. De andere distels [Cirsiumlaneeolatum scor.), herinneren
ons weder aan iets anders. Langs hun dikke stengels loopen stekelige
platte uitwassen of vleugels , die eenige overeenkomst vertoonen met den
bouw der Cactcën en ons in gedachten voeren naar de prairiën van Centraal-
Amerika. Wij weten echter, dat de distel verder niets met de Cactcën
gemeen heeft, en dat veeleer onze gewone kruisbezie, mede een duinplant,
doch hier zeldzaam voorkomende , grooter overeenkomst met deze familie
vertoont. De Cactus is als \'t ware een kruisbezie, bij welke tukken
en bladeren tot een dikken saprijken klomp zijn inecngesmolten.
De laatste aardappelvelden zijn wij gelukkig voorbij, en voor ons
breidt zich een onafzienbare golvende vhfkte uit, geheel dor en graauw
en brandende in de middagzon. — Slechts in de nevelachtige verte zien
wij hier en daar eenig geboomte; anders niets dan een kalen, wocsten,
met verschroeide, krakende mossen bedekten grond. Hier is het rijk
van het rendiermos; hier kunnen wij ons in het klein een denkbeeld
vormen van de troostelooze mosvlakten of Toendra van Noordelijk Rusland
en Siberië. Hier is de hoogste , middelste en onvruchtbaarste duinstreck.
Geen levend wezen aanschouwen wij , behalve een enkele kraai, die,
door onze komst verschrikt, in groote kringen rondzweeft, om straks
\') Velligt heeft ook de gaapcldoorn (JJUx europaeus L.), die in onze duinen
slechti zeldzaam voorkomt, mnspiaak op de/u eer. De verf brem (Gem\'ttu tinctoria
I,,) groeit veelvuldig in de Breeanporduinen.
-ocr page 19-
15
PP. FLORA DKK HOLLANDSCHE DUINEN.
neer te strijken op eon heuveltje, waar zrj bezig ia zich aan de over-
hlijfsels van een rampzalig konijn te goed te doen.
Met snelle stappen doorkruisen wij dit tragische oord , verlangend naar
de schaduw der boschjes, het doel van onzen togt. Nog een paar dui-
nen overgeklommen, en wij hebben dit doel bereikt, — en vlijen ons
neer op een grasheuvel in de schaduw van een denneboom. Deze heu-
vel, met nog ecnige andere, omringen het bosch en strekken ons tot
wegwijzers. Wij zijn hier in een heiligdom der natuur , waar de mensch
zelden zijn invloed uitoefent; waar alles opkomt, groeit en vergaat
volgens den loop der natuur; een waar Urwald in het klein; zeldzaam
in ons zoo digt bevolkt vaderlund.
Do bodem van het boschje glooit naar het midden af in een kuil of
moerasjo, dat een groot gedeelte des jaars met water gevuld is. Ook
de overige grond is humusrijk, vochtig en drassig. Hier is het gebied
van den berk, oen der klassiekste, oorspronkelijkste en tevens een van
de schoonste der Hollandsche boomkarakters. Met hun schitterend
witte stammen en donkerbruine fijne takjes staan zij in wanorde door
elkaar, soms half omgevallen en gebroken; enkele stammen liggen op
den grond te rotten en zijn bedekt met groene en grijze mossen (Or-
thotrichim
en llamalina). De tusschenruimtc is digt met riet on hoog
gras (Molinia coeruha schrank) begroeid. Zeer stil is het hier. Alleen
hot opspringen van een verschrikt konijn of het gonzen der insekten
wisselt die stilte af. Nu eens luider dan zwakker brommend, zweven
die insekten in het zonlicht rondom ons, en hun muziek wordt be-
geleid door het geheimzinnig getril der blaadjes, waarop zij zich tel-
kens nederzetten.
In deze boschjes, die zich in zamenhangende en afzonderlijke groe-
pen zeer ver xiitstrekken, leert nog het laatste overblijfsel van do
oude Hollandsche natuur; van die digt met bosschen begroeide streek,
die zich eenmual veel verder naar de zee uitstrekte en langzamerhand
door de duinen is overzand. Diep onder de duinen liggen de dikke
stammen en wortels dier oude bosschen begraven; — bij het graven
van een nieuw kanaal voor de duin-waterleiding, zeer digt aan zee,
zag ik een menigte dergelijke stammen uit eene aanmerkelijke diepte
te voorschijn halen. — Maar die vernielende overstuiving duurt, hoe-
wel in minder mate, nog in onzen tijd voort, en de boschjes, waarin wij
ons thans bevinden , zijn steeds aan het dreigendste gevaar blootgesteld.
-ocr page 20-
16                                     DE FLOKA DER II0LLANDSCIIE DUINEN.
Vclo karaktervolle , elders in het duin niet meer aanwezige planten heb-
ben zich in deze laatste wijkplaats teruggetrokken. Hier groeijen nevens
de berken, wilgen en popels , de denneboom (Pinus syhestris L.), de
vogelkers {Prunus i\'urf/u L.) , de meidoorn (Crataegtcs monogyna jacq.) ,
de berberis [Berberis rulgaris L.), de lijsterbes (Sorbus aucuparia L.),
de sneeuwbal of Geldersehe-roos [Vibumum Opulus L.) met zijn witte
bloemschermen , de liguster , die met zijn sierlijke , harde , loverachtige
blaadjes , groenwitte bloemen en blaauwzwarte bessen aan de zuidelijke
mirten herinnert, de aspersie met haar rijn verdeeld en levendig groen ,
zeldzamer de papenmuts (Evonymus curopaeus L.) met haar zacht roos-
kleurige vruehtjes, en de jeneverboom. Tusschen deze boomen rankt
de kamperfoelie en schittert met haar goudgele blocmtrossen.
In den drassigen grond verschuilt zich de Pamassia palustris, wier
naam reeds iets edels en ongemeens verkondigt. Werkelijk is zij een
edel plantje, niet minder dan de Pyrola; haar geslacht heeft slechts
eene soort en bezit zooveel oorspronkclijks, dat het slechts met een
enkel ander, niet minder oorspronkelijk geslacht (Drosera) tot eene fa-
milie (Uroseraceae) is kunnen vereenigd worden. De Pamassia is een
laag plantje, met hartvormige , donkergroene, langgesteelde blaadjes en
niet minder langstelige, regtopstaande , groote , wit-groen gestreepte,
regelmatig vijfbladigo bloempjes. De Pamassia draagt een kroon als
kenmerk van haar adeldom. Binnen in de bloem , tusschen de bloem-
blaadjcs en mceldraden zijn vijf zoogenoemde bijblocmbladen geplaatst,
waarvan elk juist het midden van een der bloembladen dekt. Die or-
ganen, waarvan de bestemming nog onbekend is , zijn eigenlijk meer
pluimen dan blaadjes en vertoonen juist den vorm der in de archi-
tectuur zoo bekende Grieksche palmetten. De naam Pamassia is
afgeleid van den beroemden berg, waar de plant, volgens de mede-
dceling van dioscokides, reeds door de oude Grieken is gevonden. —
De naam is dus dubbel verdiend.
De Pamassia groeit niet alleen in onze duinpannen; zij bemint het
gebergte en wordt in de Alpen zelfs tot de grenzen der eeuwige
sneeuw gevonden. Met de Pyrola en Jasiono vormt zij een drietal
waardige typen van de Alpenüora, wier kinderen, zoo als wij weten,
door lagen, teeren bouw en groote, schoone bloemen zijn gekenmerkt.
Wij dringen door het lage hout en vinden in het midden van het
boschje een opene plek rondom den watcrkuil. Het ongelijk hooge
-ocr page 21-
17
DE FLORA DER H0LLAXDSCHK DUI2JEX.
geboomte laat hier en daar een steilen duintop zigtbaar of een bree-
den rug , waarop het helmgras wiegelt. De zon neigt naar het westen ,
en de donkerblaauwc lucht is met smalle, regelmatig verdeelde , witte
wolkjes bedekt. Kondom den waterkuil groeijen tussehen liet hooge gras
het donderkruid {Inula Conyza DC.) met zijn groote, gele, zamengesteldo
bloemen, die een naar parfumerie zwcemenden geur verspreiden , en de
slangcnbeet (Ophiogloaxum vulgatum L.), een zonderling, eenbladig varen,
welks bloem , niet zoo als die der andere varens, op de achterzijde der
bladeren te voorschijn komt, maar aan een steel boven het blad uitsteekt.
Aan den rand van en in het water groeijen teedere plantjes; de Sa-
gina nodosa
, het waterdekmos (lïypnum fluitans L.) en de Hydroco-
tyle vulgari»
L. Deze laatste is weder een sprekend karakter, namelijk
de eenige plant van de groote familie der schermbloemigen ( Umbdliferae),
die zulke schildvormige , ronde en gave bladen heelt. Die bladeren zijn
door hun vorm juist geschikt om op het water te drijven. De meeste
waterplanten , wier stengels op het watervlak drij ven, hebben zoodanige
bladen; de planten, die onder water groeijen daarentegen gewoonlijk zeer
fijn verdeelde haarvormig uitgespreide blaadjes. Deze vormen zijn over-
eenkomstig aan den toestand, waarin zich de bladen bevinden. Een
gewoon breed rond blad zou onder water scheuren en te niet gaan;
fijne haarvormigc blaadjes daarentegen maken zonder hinder de bcwe-
gingen des waters mede. Een enkele plant, een der waterranonkels
{Batruchium heterophyllum wicg.) vertoont ons beide vormen ; haar onder-
ste blaadjes onder water zijn haarvormig verdeeld, de bovenste zijn rond
en plat en drijven op het water. Er zijn echter ook planten met brcede,
groote bladen, die geheel onder water groeijen (b. v. de Potamogetons);
bij deze echter is het blad van een bijzonder taai, lederaehtig zamen-
stel. De gezamenlijke werking van karakter en uiterlijke omstandighe-
den bepaalt den vorm van elke plant.
Rondom den kuil staan groepjes riet, dat in de duinen niet zoo
krachtig groeit als op het vlakke land, maar toch dikwijls tot mans-
hoogte kan opwassen en het wilde van het landschap vermeerdert.
Het riet is een schoono plant. De sierlijke bogten van zijn stengels
contruatcren met den stijven, harden en puntigen vorm der bladeren.
In het riet ligt een uitdrukking van majesteit en ironie, die bij de
palmen zoo krachtig spreekt. Maar het riet is aan de palmen verwant;
de familie der grassen, waartoe het behoort, grenst zoo na aan die der
-ocr page 22-
IR
DE FLOR* DER HOLLANDSCHE DUINKX.
palmen, dat men <le laatsten wel eens de koningen der grassen ge-
noemd heeft. Heiden behooren tot de grooto hoofdafdecling der Mono-
cotylcdonen (Eenlobbigen); de wasdom heeft minder plaats door godu-
rige zijdelingRche verdeeling, gelijk bij de Dieotyledonen (Tweclobbigon),
maar doorgaans alleen in de hoogte. Bij de eerste ziet men meer een
eenzijdige werking opwaarts, bij de tweede een zoowel opgaande als
zijdelingsche groei; — de eene is het beeld van edele, maar eenzijdigo,
eenigzins dweepende karakters, de andere van den gezonden, rijkbe-
gaafden geest. Beide typen vertoonen in de natuur onnoemelijke wij-
zigingen en afwijkingen; het karakter der Monocotyledonen is het
zuiverst in de grassen en palmen uitgedrukt.
Grassen en palmen zijn naauw aan elkander verwant. Er zijn palmen met
zeer dunno stengels (rietpalmen) , vooral in Zuid-Amerika, die bijna niet
van riet verschillen; er is riet, dat met hooge, majestueuze bladkroonen
tot een aanmerkelijke hoogte opsehiet (suiker- en bamboesriet). Wan-
neer aan den oever, tussehen het geboomte, een forscho , digt bebladerde
rietstengel omhoog rijst en bogtig over het kalme water hangt, dan
denken wij aan de trotsehe bladveèrcn van den dadelpalm, die in
uiterlijk zoo zeer met rietstengels overeenkomen, en het geschuifel van
het riet herinnert ons aan het metaalachtig geruiseh van de palmen,
dat zoo wonderlijk verheven stemt, als de avondzon hun wiegelende
kroonen in oranjerooden gloed doet flikkeren.
Er is ook karakter in de geluiden, die nu en dan door de bewe-
gingen der planten geboren worden. De onnavolgbare meester dee-
NASDIN DB st. PIEBBE vergelijkt het geluid van een door den wind
bewogen bamboeabosch met het stenen en kraken van het scheeps-
want in den storai ; in het ruischen der dennen ligt een kalme mn-
jesteit, gelijk in het ruischen der zee; het klateren der popels heeft
iets huiveringwekkends en onhcilspellends, vooral wanneer bij zwart
betrokken lucht de wind opsteekt en een onweder aankondigt; het af-
gebroken geschuifel van liet klimop stemt overeen met het gekras der
raven op het open binnenplein van een vervallen kasteel; in het ge-
ruiseh van den eik is meer afwisseling van toonen dan in dat van den
berk en de luide, en niet ten onregtc waren de eiken van Dodona eens
tot overbrengers der goddelijke raadsbesluiten verheven.
Eer wij het boschjo verlaten, begroeten wij nog een boompje, dat tot
de liefelijkste boden der lente behoort. Als bijna alle andere heesters
-ocr page 23-
19
DE FLOEA DKE II0LL AXDSCI1E DtTINEX.
nog sluimeren, ontwikkelt de ruige wilg (Salix Caprea L.) zijne groote,
gele bloemen, die een liefelijk frissehen citroengeur verspreiden en een
enkelen, te vroeg ontwaakten hommel gelukkig maken. De wollige,
met bloemen bedekte takken zijn reeds in de verte tussehen het kule
hout zigtbaar, en het overvloedig stuifmeel der bloemen zweeft in gele
wolkjes over het bosch om de gelijktijdig opengaande, maar minder
sehoone vruehtbloemen te bevruchten. — Dij de wilgen ontwikkelen zich
de bevruchtende en vruchtdragende bloemen op verschillende individu\'s
(Tweehuizigen). Dikwijls vragen wij , waarom de natuur bij sommige
planten zooveel meer omslag maakt dan bij andere, maar dit „waarom"
komt uit kortzigtigheid voort. — Waarom gunnen wij ons menschon
alleen karakter en individualiteit; waarom zien wij dikwijls voorbij,
dat elk, zelfs het minste wezen eene persoonlijkheid bezit, en dat in
het groote lied des levens geen twee stemmen dezelfde zijn?
Vragen wij het aan gindsche braamstruik op de duinhelling langs het
boBchje. — Eenmaal werden van haar geslacht door den grooten lin\'xakcs
slechts vier Europesche soorten vermeld, (llubus caesius, Ji. Idacm, Ji.
fruticoKus,
en Ji. Mxatilix). Kadere onderzoekingen evenwel hebben
dit getal ontzaggelijk vermeerderd; even zoo is het met de wilgen, de
rozen en een aantal andere planten. Ja, hoe meer men onderzoekt en
rangschikt, hoe meerde afwijkingen en verschillen als uit den grond op-
rijzen , zoodat de onderzoeker, vooral bij de lagere afdeelingen, ten
laatste omtrent de kenmerken van soorten , rassen en verscheidenheden
begint te twijfelen. — Die wanhoop des onderzoekers is een kleine mis-
kenning van de grootheid der natuur. Geen gebouw zou groot genoeg
zijn om een volledig herbarium van alle vormen te bevatten. Maar die
onbegrijpelijke grootheid in het geringste, dat de natuur voortbrengt,
is ons een bewijs voor de waarheid van \'s dichters woorden:
• There are moro thingd in heaven and oarth,
• Than are dreamt of in your philosophy."
De oneindigheid der natuur maakt ons gelukkig , want zij is voor ons
nimmer gesloten. — Ware de natuur beperkt , wij zouden wanhopen.
Aan het weten komt geen einde ; maar daarom is er ook geen einde aan
het intellectuele leven. Waar het weten eindigt, daar sterft de geest,
want navorschen is de ademhaling des geestes.
Het boschje uitkomend, gaan wij een groen heuveltje voorbij , bedekt
-ocr page 24-
20
»E FLOKA DEK HOLLAN DSCIIE DUINEX.
met dc zeer kleine roodc, witte en rozenklcurige bloempjes van het
tweehuizig roerkruid (Gnaphalium dioïcum L.), een immortelle, en ook
een bewoner der Zwitscrsehc bergen. Ik zag deze bloempjes, sierlijk
opgeplakt in een album , als „souvenir" uit Zwitserland medegebragt. —
Ik dacht: „ zouden er ook niet veel andere zaken daar buiten gezocht
worden, die in onze onmiddellijke nabijheid te vinden zijn?"
Half in het bosch verborgen, groeit het Salomonszegel (Convallaria
Polygonatum
L.), een plant, zeer verwant aan het lelietje van dalen,
maar met lange, rcukelooze , witte, groengerande bloemen en schoone,
harde, blaauwzwarte bessen. De houding en vorm dezer plant hebben
iets architectonisch; ik wensehte een spitsboog te zien, waarbij zij tot
model was gekozen. Dc breede blaadjes staan langs den steel en ver-
heften zich omhoog, de bloemen hangen regelmatig bij paren aan den
voet der blaadjes : dus een sprekende tegenstelling , die het cenigzins
harde en stijve zamenstel vergoedt. Ook wanneer wij dc planten alleen
om haar schoonheid beschouwen, zien wij , dat in eiken vorm ieder
deeltje zijne waarde heeft en een roeping ten opzigte der overige deel-
tjes vervult. Hoe meer vormen wij echter waarnemen, hoe meer de
schoonheid der planten voor ons in onverbrekelijke overeenstemming is
met haar bijzondere zamenstclling , en daaruit zoo natuurlijk volgt, dat,
wanneer wij , aan welke plant ook , eenig deel konden veranderen, de
geheele plunt in oorspronkelijk schoon verliest. — Slechts een bekrom-
pene menschelijke opvatting waant schoonheid in de monsterachtige af-
wijkingen , door tegennatuurlijke omstandigheden te weeg gebragt. —
En gelijk onze maatschappelijke instellingen alleen dan stand houden,
wanneer zij op onzen aard en onze zeden berusten, zoo hebben onze
veredelingen der planten alleen dan waarde, wanneer zij de reeds be-
staande vormen en eigenschappen in gelijke verhouding versterken. —
Zoo hebben de rozen in de natuur een aanleg om dubbele bloemen
voort te brengen, en is er ook onder de tallooze prachtige verscheiden-
heden dezer edele bloem geen enkele, die ons zal mishagen, geen en-
kele, die , als zij in de natuur bloeide, ons onnatuurlijk zou schijnen.
Maar wij hebben ook onze wilde rozen lief; ook te midden der woeste
duinen is de roos de koningin der bloemen, het oude, maar nooit
verouderde beeld van jeugd en liefde en van de vlugtige genietingen
des levens.
De witte duinroos zagen wij het meest aan dc lundzijde; zij ver-
-ocr page 25-
21
DE FLORA DER HODLANDSCHE DUINEN.
mindert zeewaarts; de roode eglanticr-roos {Rosa rubiginom L.) komt
meer in het midden der duinen voor, groeit in afzonderlijke groepjes
en is zeldzamer dan de -witte. — De meeste roode rozen, waaronder
zelfs enkele met gevulde bloemen, vonden wij onder Velsen en bij de
Brcesaap.
Naar de zeezijde worden de rozen zeldzamer en neemt daarentegen
de duindoorn {lïïppophaë rhamnoïdes L.) in aantal toe. Deze somtijds
vijf voet hooge , zwaar gedoomde heester, met zijn digt ineengegrocidc
takken en oranjekleurige, naar ananas riekende, vruchtjes is het meest
eigenaardige en kenmerkende natuurvoortbrcngsel der duinen, de koning
der duinplanten.
Hij heeft een hoogst merkwaardige verspreiding, groeit in de valleijcn
der hooge gebergten, en van daar, langs de randen der rivieren , hare
stroomingen volgende. Zoo groeit hij in Duitschland langs den Rijn,
wordt naar het noorden meer en meer zeldzaam, verdwijnt in Nederland ,
tot hij op de duinen op nieuw in grooten overvloed te voorschijn komt.
Nergens anders wordt hij hier te lande gevonden dan in de duinen.
In Frankrijk groeit hij in de Alpenvalleijen van Dauphinó en volgt den
loop der rivieren tot de Middellandschc zeo, verder langs de boorden
van den Rijn in den Elzas en bij Duinkerken. Hij is ook een bewoner
van de eilanden der Oostzee en het Duitsehe zeestrand, zeldzaam in
Schotland en Noorwegen , overvloedig in de Decnsche , Nederlandsche en
Belgische duinen en oostelijk Engeland. Verder vindt men hem in
Kaukasië , noordelijk Perzië en Siberië , in de Oeral-, Altaï- en Baikal-
gebergten en aan de oevers der stroomen, die van deze gebergten af-
vloerjen. In Noord-Amerika wordt hij door een ander geslacht, de She-
pherdiii, vertegenwoordigd.
De Hippophaë is onder de planten een uitmuntend , forsch en zelf-
standig karakter. Ook hij behoort tot een zeer kleine familie, de
Elaeagneae; zijn bouw is nis zijn standplaats, ruw, geweldig; hij is
een ware zoon der wildernis. Als hij daar voor ons staat, met zijn
harde graauwo takjes, vale grijze bladeren en scherpe doornen, denken
wij aan het vrecselijke bosch der zelfmoordenaars in Dunte\'s Inferno
(Canto 13: 4—6.).
Non frondi verdi, ma di color foaco,
Non rami schietti, ma nodoai o involti,
Non pomi v\'eran , ma stecchi con toaco.
-ocr page 26-
22
DE FLORA DEK nOLLAXDSCHE DUINEN.
Maar onze duindoorn is waarlijk geen zelfmoordenaar; hij is een bc-
houder, want hij bewaart, meer dan eenige andere plant, de duinen
voor verstuiving.
Bij het aanleggen van hosschen op de duinen zou men van hem niet
minder voordeel kunnen trekken dan van de helm, om de jeugdige
boompjes tegen het stuivende zand te beschutten. — Had men in vroe-
gcr tijden deze eigenschap gewaardeerd, hij zou gaarne zijn stekelig
harnas tot bescherming der aanplantingen geleend hebben; de duinen
waren nu met een prachtig bosch begroeid, en wij zouden den duin-
doom met eerbied begroeten, als de eerste hulp bij het herscheppen
van de woestijn tot een paradijs. — Maar de woostrjn bleef woestijn,
de konijnen werden beschermd, de duinen brokkelden af, de boschjes
stoven onder; de duinkoning bood te vergeefs zijn diensten aan en
herinnerde te vergeefs aan het bosch der zelfmoordenaars. — Thans
rekenen wij er op, dat het nageslacht met moed op zich zal nemen,
wat het voorgeslacht ongedaan heeft gelaten.
De duindoorn wordt in de duinen overal gevonden , zoowel aan de land-
als aan de zeezijde, zoowel op de toppen als in de dalen; zijn eigen-
lijk gebied is langs de hellingen der valleijcn, die het digtst aan de zee
grenzen. In het diepst dier valleijcn of pannen beschermt hij een
flora , die met den plantengroei der drassige heidestreken overeenkomt en
tot de merkwaardigste verschijnselen in de Hollandschc duinen behoort.
De flora van deze boomlooze pannen is eigenaardig en oorspronkelijk.
In de valleijcn digt bij de landzijde vindt men die flora niet, hoe diep
zij ook gelegen zijn. Dikwijls moet men een uur ver het duin ingaan,
eer men zulk een vallei vindt, maar rijkelijk wordt men voor de moeite
beloond, en zelfs voor hem, die dergelijke valleijcn meermalen bezocht,
behouden ze altijd iets uitlokkende.
Het dal, dat nu voor ons ligt, heeft een onregelmatig langwerpige
gedaante; hier en daar springen bruine of witte duinen als voorgebergten
uit. Yan den heuvelrand aanschouwen wij omlaag een zeer uitge-
strekte vlakte, tusschen vrij hooge duinhellingen ingesloten, langs die
hellingen tot ver naar binnen geheel met de grijze Ilippophaë\'s bedekt
en in het midden met groene strepen doorsneden. In dat groen schitteren
duizendc witte, roode, gele en blaauwe bloemen; bloemen, die wij in
onze weiden en boschjes niet vinden.
Wij stijgen af en banen ons een weg door het digte, drie voet hooge
-ocr page 27-
sa
DE FL01U DER HOLLASDSCHE DUINEN.
doornbosch ran de Hippophaë. Regts en links worden wij gescheurd,
gestoken , meermalen struikelen wij over wortels en stronken, maar de
groene oasen trekken ons onweerstaanbaar aan.
In het midden van het dal staat een verlatene dwergachtige jenever-
boom , een van de weinige nakomelingen der oorspronkelijke Hollandsche
natuur. Bovens ons hoofd zweeft de wulp , met klagend , onheilspellend
geroep. Do muziek der natuur is in overeenstemming met haar toonce-
len. Hier stemt alles tot ernst; zelfs de schoone bloemen doen ons
door hare nieuwe vormen denken aan een vreemd land.
De groene strepen, die wij in de verte reeds aanschouwden, zijn de
vochtigste plaatsen van het dal; dikwijls vindt men er water. Tus-
Bchen het blaauwgroene gras (Elymw , Psamina, Agrostia, Molinia,
Corynvjihorii*)
schitteren de Parnassia\'s en Pyrola\'s in ontzettende hoe-
veelheid als witte sterren ; ginds in de boschjes was slechts hare voor-
hoede , hier zien wij hare hoofdkwartieren; hier is haar eigenlijke
woonplaats. Nevens haar vinden wij talrijke vertegenwoordigers van de
beroemde familie der Orchideën, waarvan de langgespoorde Orchis (Gi/m-
nadenia couopiea
lt. B.) hier bijna bij uitsluiting groeit. Hare bloemen
zijn als kleine hyacinthen , rozenrood, zeer welriekend en staan in
zidk eene menigte bijeen, dat men binnen weinige minuten een ruiker
daarvan verzamelt. Van de Orchideën groeit hier verder nog een
aantal soorten met roode, violette, witachtige en groene bloemen (Orehit
latifolia
L., Epipa-etif latifolia Am,, en E. palmtris Ceantz., Ifarminium Mo-
norchiê \\l.
Be. , Listera orata I\'. Bit.). Behalve de Orchideën zijn enkele
planten uit andere familiën hier kenmerkend, waaronder de sierlijke
roode borstelkrans (Clinopodium vulgare L.), het kleverige kruiskruid
(Senecio vixcoxu* L.) , twee soorten van munt, de groote rozenroode smal-
bladige bastaard wederik (Epilobiwn angttstifolium L.), de meer algc-
mecne, maar prachtige, hoogroode partyke (Lythrum Salicaria L.), de
teedere oogentroost (Euphrasia officinali» L.), een kleine vlassoort (Li-
num catharticum
L.); maar vooral de liefelijke familie der Gentianeën,
waaronder de rozenroode Erythraea\'s (E. Centaurium P. en E. litoraliê
Fe.) en in September de zaehtblaauwe Gentianen {G. Amarella L.),
ware dochters van het gebergte\').
\') Onder do minder algcmecnc planten dezer duinvlal ten verdienen ook vermelding
Cliidium Maritnu R. Uk., Succisa praimtii moench, Sturmin l.oesclii kchii. . Triodia
decumbeiti
1\'. B., Campauula rotuiidi/olia L. en 1\'aiiicuin glnbrum gaud. In een
-ocr page 28-
DE FLOK.Y DER IIOIXAXDSCH E DUINEN.
Hier bij het ruischen en bulderen der Noordzee prijken de teeder-
stc kinderen der Hollandsrhe duinflora.
Wg bestijgen de laatste duinen en vinden weder nnd(>re plantenka-
rakters, waaronder de zachtblaauwe zeekruisdistel (Eryngium marüi-
mwn
L.), een echte zoon der duinen. — Deze plant is zeer hard,
stekelig, als uit blik gevormd en geheel blaauw van kleur; bladen, sten-
gels, bloemen, alles is blaauw. Zij is een lieveling der zee, van wie
zij de kleur draagt; zij groeit alleen op het zeeduin en aan enkele zee-
stranden. Nevens haar groeit het loogkruid (Sahola Kali L.), een waar-
dig tegenhanger, licht zeegroen, stekelig, sappig. Tegen de laatste
hellingen vertoont zich slechts hier en daar de zeewinde (Convokulu*
Soldanella
L.), eigenlijk oen dochter van Albion, die aan onze kusten
tot de zeldzaamheden behoort.
Groen en welig wiegelt de zandhaver op de laatste toppen aan zee,
en daartusschen slingert nog de klimmende nachtschade (Solanum Dul-
eamara
L.), met haar violette bloempjes en roode bessen. De zandhaver
is hier buitengewoon forsch en vervangt veelal de kleine soorten van
helmgras (Pxamma arenaria R. S. en Calamagrostiz epigeio* roth) , die
wij meer binnenwaarts hebben ontmoet.
Do laatste duinen aan de zeezijde dragen de sporen der verwoesting,
die zij nu en dan bij geweldige stormen moeten ondergaan. Hunne
helling naar zee is zeer steil door het afbrokkelen; hier en daar zijn
op aanmerkelijke hoogte diepe geulen vol schelpen en zeegewassen,
blijken van de woede der zee.
Wij zijn op het strand. De zon rust als een gloeijende kogel op het
lichtblaauwe water. Een zwarte wolkstreep splijt den kogel in twee
helften; weldra verdwijnt de onderste ; van de bovenste blijft slechts
een gloeijend randje zigtbaar; ook dit verdwijnt, en de zee ruischt
voort, somber en verlaten. —
Het strand is kaal en slechts hier en daar met helm of met de wit-
violetbloeijende zeeraket {(\'nlcile mariiima scor.) begroeid. De kleur der
zee is flaauwer dan elders. Het Hollandsche strand mist de verschei-
denheid van andere stranden. De lompe visschersschuiten maken het
tooneel nog zwaarmoediger; het volk echter, hoe onbeschaafd en ruw,
beschouwing als deze is evenwel een volledige plantcnlijst minder gepast. Ik heb
mij daarom overal tot de meest voorkomende en kenmerkende planten bepaald.
-ocr page 29-
25
DE FLORA DEE HOLLAXDSCHE DUIXEX.
bezit geest en karakter. Even als de schoonste en sprekendste vormen
onzer flora aan de duinkanten zijn opeengehoopt, evenzoo schijnen do
echte typen onzes volks naar de stranden teruggedrongen. Gelijk in de
duinplantcn zooveel edels is bewaard, evenzoo bestaan bij de bewoners
der zcedorpen de onmiskenbare sporen van de zelfstandigheid en den
adel van geest, die het dappere voorgeslacht bezielden. Ieder weet ook,
dat op de zeedorpen nog vele namen van den oudsten Hollandschen adel
voortleven.
Wij zijn in September. I)e Orchideën hebben lang uitgebloeid en
plaats gemaakt voor de zachtblaauwe Gentianen. De Hippophaë draagt
hare schoonc oranjegele bessen ; de berberis schittert als een gloeijende
oven. De distels en de alsem bloeijen onveranderd voort; maar nevens
hen prijkt ook steeds de onverwelkbare Carlina , het beeld van trouw
en vriendschap. Troepen patrijzen vliegen eensklaps voor ons op en
verschrikken ons door hun snorrend geruisen. Ontelbare menigten van
bonte kraaijen strijken op de duindoorns neer, belust op de sappige
bessen. Op de hooge duinen in het rond staan hare voorposten, die
bij elk naderend gevaar waarschuwen. Lijsters , vinken en leeuwerikken
trekken in groote troepen onophoudelijk voorbij, nu en dan door spcr-
wers en valken vervolgd.
Prachtiger dan ooit zijn nu de boschjes in het midden der duinen.
De bladeren van den sneeuwbal bedekken zich meer en meer met een
purperen gloed, zijn groote bessen schitteren als bloedroode glaskora-
lcn nevens het dotfc zwart der liguster en het scharlaken der lijs-
terbessen. Ook de aspersie draagt nu hare sierlijke roode vrachtjes.
Het riet is verbleekt en raischt papierachtig, en de groene jeneverboom
Behijnt bij het verkleuren van het loof der andere boomen te roepen :
„nu ben ik de koning!" Op het meer en meer groenende moskleed
prijken de ivoorwitte hoedjes van den wolligen paddestoel (Lactarius
pubescenx
Fr.) en de zonderlinge blazen der Lycoperdons; onder de
dennen ontluiken de sierlijke aardsterren {Genster rufeteent ters.).
Het rendiermos wordt verjongd en licht zeegroen van kleur. Nog heeft
de 1\'yrola niet uitgebloeid, maar vertoont hier en daar hare witte,
nu wel is waar zwakkere bloempjes langs de hellingen. Ook de Parnassia
bloeit nog in het diepst der duinpannen.
-ocr page 30-
-K
2G                                    DE FLOBA DEE HOLLANDSCHE DUIMBT.
Voor het laatst dolen wij nog eens rond door de eenzame valleijcn in
de nabijheid der zee. Hier is een eeuwen heugende werkplaats der
natuur; een arbeid, oogenschijnlijk tot vernieling — werkelijk tot ver-
andering. Nergens in het heelal is vernietiging.
Yoor twintig eeuwen was deze streek met een ontzaggelijk woud
vol moerassen bedekt; langzaam breidde zich het gebied der zee uit;
geweldige massa\'s zand stoven uur aan uur, dag op dag, jaar op jaar
landwaarts in, bedekten het woud en vormden de duinen. Zij zouden
nog verder gaan, verder overdekken en duinen vormen, wanneer niet
de mensch hare woede perken stelde. Doch in de meest woeste stre-
ken, gelijk hier, komt de mensch slechts bij uitzondering, en gaat de
natuur onafgebroken met haren arbeid voort. — Zij herinnert ons aan
het verlcdene , wijst ons op de toekomst, en vervult ons met ontzag voor
hare majesteit.
Overal rondom ons vale duinwanden, grijze valleijcn, diepe kommen.
De wind brokkelt het duin af en jaagt het zand landwaarts in. Het
stuift neervallende opeen tot een broeden, blinkcndcn bergrug. De
struiken zijn half begraven. Met moeite beklimmen wij dezen zand-
gletscher. De geheelc oppervlakte schuift door den wind onder onze
voeten weg. Eindelijk zijn wij boven. Daar huilt en brult de zee voor
ons, — eenzaam, en tot in de verte met schuim bedekt. Het zand stuift
ons in de oogen, — wij drukken den hoed in het gezigt. Landwaarts
overal vale, spitse, zonderling afgebroken duintoppen. Een wilde graauwe
lucht, waartusschen lange bleeke zonnestralen. Over het duin zweeft
een gele damp, veroorzaakt door het stuivende zand. Hier verheft zich
het gemoed, en te midden vim de grootheid der natuur vergeten wij de
kleinigheden des levens.