-ocr page 1-
LEERCURSUS voor!
A... jzelfonderwchtL ..
HANDELS-AARDRIJKSKÜNDE
DOOR
Dr. H. BLINK
:\'.;.,...j.k.«..,;
• .. .                         I
b
i BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
3162 464 0
-ocr page 2-
yy\\m I \'3P//*
*
-ocr page 3-
V
Universiteit Utrecht
BIBLIOTHEEK CENTRUM UITHOF
&
T.OOO- i^tlj
-ocr page 4-
-ocr page 5-
7^
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
-ocr page 6-
GROOTE LEERCURSUS
VOOR
ZELFONDERRICHT.
De Fransche Taal door C. A. Hofman.
Prijs f 4.65; geb. /\' 5.25.
De Engelsche Taal
door M. E. Barentz.
Prijs f 4.65; geb. f 5.25.
De Duitsche Taal
duur T. G. G. Valette.
Prijs f 4.65; geb. f 5.25.
De Nederlandsche Taal door de Redactie.
Prijs f 0.90; geb. f 1.40.
Handels-Aardrijkskunde
door Dr. H. Blink.
Prijs f 4.65; geb. f 5.25.
Boekhouden en Handelstekenen
door J. D. Reimax
en H. J. Franck.
                        Prijs f 4.65; geb. f 5.25.
-ocr page 7-
GEOOTE LEEEOUESUS
VOOR
ZELF ONDERRICHT.
HANDELS-AARDEIJESEUNDE
HANDBOEK
VOOK DE
KENNIS DER LANDEN EN VOLKEN IN HUN ECONOMISCHE EN
MAATSCHAPPELIJKE ONTWIKKELING
DOOR
Dr. H. BLINK,
Directeur der H. B. S. te Nieuwer-Amstel.
AMSTERDAM.
S. L. VAN LOOY. | H. G E R L I N G S.
-ocr page 8-
VOORBERICHT.
De schrijver stelde zich hoofdzakelijk ten doel in dit werk een overzicht te
geven van handel en nijverheid, landbouw en veeteelt, bergbouw, visscherij enz: in
een woord, de bronnen van bestaan en welvaart der volken. Een beknopte aardrijks-
kimdige beschrijving der onderscheidene landen en hun bewoners is hieraan verbonden.
Niet alleen zijn de tegenwoordige economische en commercieele toestanden der volken
geschetst, doch tevens is door historische overzichten aangetoond, hoe die toestanden
zich ontwikkeld hebben. Verder is de opkomst van onderscheidene der belangrijkste
handelssteden en hare beteekenis voor den wereldhandel nader in het licht gesteld.
Door de factoren van de ontwikkeling dier steden aan te wijzen, leert men toch
haar bestaan niet enkel als een bloot feit kennen, maar als het noodzakelijk gevolg
van historische, geographische en andere omstandigheden; leert men de maatschap-
pelijke en economische verschijnselen kennen en doorgronden.
Dat wij de landen van Europa het uitvoerigst behandelden, lag in onze bedoeling.
Met de hoop, dat dit een bruikbaar werk moge zijn voor hen, die den handel
en de ontwikkeling van den handel wenschen te leeren kennen, zenden wij dit boek
de wereld in.
H. BLINK.
Nieuwer-
Amstel, Mei 4895.
-ocr page 9-
1
een zeer giftig gas, dat evenwel voor de planten
van groot belang is, neemt ongeveer 0,03 des
dampkrings in. Verder komt er nu meer, dan
minder waterdamp in de lucht voor. Ook op
de stof bestanddeelen der lucht is in den laatsten
tijd meer en meer de aandacht gevestigd.
De hoogte, tot welke zich de dampkring rondom
de aarde verheft, is niet met juistheid bekend.
Doch wij weten wel, hoe zwaar de dampkring
gemiddeld op de aarde drukt. De barometer
leert ons, dat de drukking van den geheelen damp-
kring, op de hoogte van den zeespiegel berekend,
ongeveer gelijk staat met die van een laag kwik
van 7(1 c.M. hoog.
Die drukking noemt men den
druk van één atmospheer.
De dampkringslucht is zeer samendrukbaar.
Dit heeft ten gevolge, dat de onderste lagen,
welke de drukking van al de bovenste onder-
vinden, zeer worden samengeperst. Hierdoor
neemt de dichtheid en de drukking der atmospheer
af, naarmate men hooger stijgt. Op 5500 meter
hoogte is de lucht ongeveer de helft ijler dan
bij de oppervlakte der zee.
De verschijnselen op aarde, die wij als tem-
peratuur, wind, regen
en sneeuw enz. aanduiden,
hebben plaats in den dampkring. De samen-
werking dezer verschijnselen op een enkelen dag
noemen wij het weer voor dien dag, en de ge-
middelde weerstoestanden eener plaats voor een
langeren tijd noemen wij het klimaat van die
plaats.
§ 3. Temperatuur en verdeeling der aarde
in luchtstreken. Onder de temperatuur van
eene plaats verstaat men den graad der lucht-
warmte,
zooals die aangewezen wordt door een
thermometer, welke buiten de zon, vrij van
andere verkoelende of verwarmende invloeden,
in de lucht hangt.
De lucht wordt hoofdzakelijk verwarmd door
de zon. De zonnestralen echter verwarmen
onmiddellijk de lucht slechts weinig. Hoofdzaak
is het, dat de zonnestralen de aarde treffen en
den aardbodem verwarmen; door den verwarm
den aardbodem wordt vervolgens de lucht weer
verwarmd. Natuurlijk volgt hieruit: a. hoe
sterker de aardbodem verwarmd wordt, des te
hooger temperatuur verkrijgt de lucht daar boven;
b. hoe verder eene luchtlaag van den aardbodem
verwijderd is, des te minder wordt zij verwarmd.
Uit het eerste kan men afleiden, dat de lucht
boven de zee (dewijl water minder snel door
de zonnestralen verwarmd wordt dan de vaste
aarde) bij dag koeler is dan de lucht boven het
land. Bij nacht is het evenwel omgekeerd,
omdat het water, hetwelk minder snel verwarmd
wordt dan de vaste aardbodem, ook de warmte
minder snel verliest. Daardoor werkt de zee
bij nacht over \'t geheel zelfs verwarmend op
de lucht, terwijl de vaste aardbodem door uit-
Handels-Aardrijkskunde.
ALGEMEEN GEDEELTE.
I. De natuurlijke gesteldheid der aarde.
§ 1. De aarde als natuurlichaam. De na-
tuurlijke gesteldheid der aarde is van grooten
invloed op het leven en bedrijf der bewoners.
Daarom kan eene handels-aardrijkskunde de ken-
nis van de aarde als natuurlichaam niet ontberen.
Om deze kennis nu bij de bespreking der ver-
schillende landen goed tot haar recht te doen
komen en de zaak duidelijk te doen worden,
moeten eenige algeineene grondbegrippen voor-
afgaan, welke in de onderscheidene landbeschrij-
vingen toepassing vinden.
Wanneer wij zeer in het algemeen spreken,
kan men van den aardbol hoofdzakelijk onder-
scheiden : A. den dampkring, B. de watermassa,
en C. den vasten aardbodem. Elk van deze drie
hebben voor de bewoners een bijzondere be-
teekenis, door de verschijnselen, welke zich
daarin afspelen, en door de middelen, die zij
aanbieden om daarvan partij te trekken voor de
maatschappij. Wij zullen de beide eerste ieder
afzonderlijk in het algemeen bespreken; de vaste
aardkorst komt bij de landen voldoende voor
ons doel tot haar recht.
§ 2. De dampkring. De aardbol is aan alle
zijden omringd door een omhulsel van een zeer
ijle stof, welke wij de dampkringslucht of de
lucht noemen. Dat luchtomhulsel, hetwelk den
aardbol als een zachte schaal insluit, heet in
zijn geheel atmospheer (atmós Gr. = damp en
sphaira = bol of kogel) of dampkring. De
atmospheer toch is het, waar de dampen der
aarde in opstijgen en zich mede verinengen.
De dampkring bestaat uit een mengsel van
verschillende gassen, en wel naar het volume in
hoofdzaak uit 79 pet. stikstof en 21 pet. zuurstof.
De zuurstof is hierin een zeer werkzaam be-
standdeel; bij de ademhaling der dieren en bij
verschillende ontbindingsprocessen vervult zij
eene belangrijke rol. Als het zuurstof-gehalte
der lucht tot 17,2 pet. verminderd is, wordt zij
reeds ongeschikt om het menschelijk leven te
onderhouden. De ongesteldheid, welke berg-
bestijgers op groote hoogte overvalt, wordt aan
het gebrek aan zuurstof der lucht op die hoogten
toegeschreven.
Behalve genoemde deelen komen er nog bij-
mengsels in den dampkring voor. Het koolzuur,
_ 17 —
-ocr page 10-
2                                                                     HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
straling dan zooveel wordt afgekoeld, dat zij
verkoelenden invloed op de temperatuur uit-
oef\'ent. Men denke slechts aan de nachtvorsten.
Zooals het bij dag en nacht geschiedt, heeft
het ook in den zomer en in den winter der
gematigde gewesten hoofdzakelijk plaats. In
den winter werkt hier de zee verwarmend, in
den zomer verkoelend. Aldus kan men met
recht hieruit besluiten, dat landstreken in de
gematigde en koude gewesten, welke onder den
invloed der zee Maan, de winters niet zoo koud
en de zomers niet zoo warm hel/ben ah landen,
met welke dit niet het geval is.
Men spreekt
daarom van het gematigde zeeklimaat, met slechts
kleine temperatuurschommelingen bij dag en bij
nacht alsook in den loop van een jaar, en van het
vastelands- of continentaal klimaat, met groote
temperatuur-verschillen in den loop van een jaar
(bij zomer en winter) en bij dag en nacht.
Uit het tweede, onder b, kan men afleiden, dat
hoog in de lucht (dus ver van den verwarmenden
aardbodem) en op de alleenstaande gel tergten de
temperatuur der lucht over \'t geheel lager moet
zijn dan op de vlakte in gelijke omstandigheden.
De verwarmende invloed der zon op de aard-
oppervlakte hangt hoofdzakelijk af van den hoek,
waaronder de zonnestralen op aarde vallen. Val-
len de zonnestralen onder een rechten hoek op
de aardoppervlakte, dan geven zij de grootste
verwarming, en deze vermindert, naarmate zij
schuiner vallen. Hieruit valt reeds af te leiden,
wat wij ook bij ervaring weten, dat de zonne-
stralen het krachtigst verwarmen op den middag
te 12 uur, het zwakst bij het ondergaan der zon.
Zoo ook verwarmen de zonnestralen in den
zomer, als de zon het hoogst aan onzen heinel
komt, de aarde krachtiger dan in den winter, als
zij niet ver boven den horizon rijst.
Aan den aequator vallen den 20sten Maart en
den 22sten September de zonnestralen onder een
rechten hoek op de aarde, en in den overigen
tijd des jaars wijken zij er weinig van af.
Daardoor zal hier op aarde de lucht ook het
meest verwarmd worden. En van den aequator
naar de polen wordt die hoek steeds scherper,
zoodat de verwarming in die richting ver-
mindert.
De duur van de beschijning der zon eiken
dag is natuurlijk ook van grooten invloed op
de temperatuur. Wij weten het toch, dat in den
tijd der langste dagen, of liever: in den tijd van
den langsten dagelijkschen zonneschijn, nl. in
den zomer, ook gewoonlijk de grootste warmte
valt. Dit is een gevolg van den langen duur
der beschijning en van de groote hoogte der zon
boven den horizon.
Aan den aequator duurt de dag evenals de
nacht het geheele jaar door 12 uren. Den 2()st,!n
Maart en den 22sle" September is dit voor alle
plaatsen op aarde hot geval.
De zon komt in den loop van een jaar tot 23\'/»°
ten noorden en 23\'/j° ten zuiden van den aequa-
tor. Den 21s,en Juni staat zij 23\'/j" ten noorden
van den aequator, en na dien datum keert zij
terug. Hier denkt men op aarde een cirkel, die
de noord<r- of kreeftskeerkring heet. Den 21*1011
Dec. staat zij 23 \'/i° ten zuiden van den aequator,
en hier is de znider- of steenbokskeerkring ge-
trokken. Na dien datum keert de zon weer naar
den aequator terug.
Van den aequator naar de polen worden de
dagen ongelijker van duur en neemt de lengte
van den langsten dag toe, de lengte van de
kortsten dag af. Onder de keerkringen schijnt
de zon op zijn langst pi. m. 13\'/g uur op een dag,
en op zijn kortst pi. m. 10 Vi uur. Naar de polen wor-
den die verschillen steeds grooter. En op 66\'/i°
noorder- en zuiderbreedte duurt de langste dag
juist 24 uren, en de langste nacht eveneens.
M. a. w.: o]) 66 Vs N. Br. gaat den 21sten Juni
voor één dag des jaars de zon in 24 uren niet
onder, en den 21sten December gaat er voor één
dag de zon niet op. Zoo is het ook in het
zuidelijk halfrond, doch in omgekeerde orde.
En op deze breedten heeft men cirkels om de
aarde getrokken, poolcirkels geheeten.
Tusschen de poolcirkels en de polen worden
de verschillen nog grooter. En juist aan de
polen wisselt een dag van (i maanden af met
een nacht van 6 maanden.
Wij laten hier een overzicht volgen van den
Duur van den langsten en den kortsten dag
op verschillende breedten.
Geogr. breedte.
Langste dag.
Kortste dag.
0° (Aequator)
12 uren 0 min.
12 uren 0 m.
10o
12
I "k> 77
11
» 26 i
20
13
. 13 ,
10
, 47 ,
30
13
i 56 „
10
, 4 ,
40
14
> 51 „
9
i 9 »
50
16
, 9 f,
7
. 51 ,
60
18
, 30 „
5
. 30 „
66j{ (Poolcirkels)
24
, o ,
0
. o „
70
65
dagen
—
7» 17
80
134
71
—
» »
90 (Pool)
186
7)
—
7) \'Tf
Men heeft op grond der boven beschreven
beschijning der aarde door de zon de aardopper-
vlakte verdeeld in hiehfstreken. Aan beide zijden
van den aequator tot de keerkringen, d. i. tus-
schen 23Vs N.Br. en 23 Vs Z.Br., ligt de heete
luchtstreek
of tropische zone. (Dag en nacht hebben
het geheele jaar door kleine verschillen; de zon
komt er altijd hoog aan den hemel).
— 18 —
-ocr page 11-
3
HANDELS-AAKDBIJKSKUNDE.
berekent men de gemiddelde temperatuur voor
een dag, een maand, een jaargetijde of eenjaar.
Hieronder verstaat men dan het gemiddelde der
temperatuur-waarnemingen in die tijdsruimte.
Voor de kennis van het klimaat van een land
is het van veel belang om de gemiddelde tem-
peratuur der koudste en die der warmste maand
te kennen. Daaruit kan men de beste gevolg-
trekkingen maken omtrent plantengroei enz.
Voor de aardoppervlakte wordt de temperatuur
veelal voorgesteld door lijnen, welke de plaatsen
op eene kaart verbinden, die gelijke gemiddelde
temperatuur hebben. Die lijnen heeten kothermen
(isos = gelijk, en thermë = warmte), d. i. lijnen
van gelijke temperatuur. Hierbij heeft men voor
al die plaatsen berekend, hoe hoog de tempera-
tuur zon zijn, als genoemde plaatsen op de
hoogte van den zeespiegel lagen, en dit cijfer
is aangenomen. De lijnen nu, die de plaatsen
op de aardoppervlakte verbinden, welke, gerekend
op de hoogte der zee, dezelfde gemiddelde Juli-
teinperatuur hebben, noemt men Juli-isothermen,
die van Januari Jannari-ixothermm, die van het
jaar Jaar-isothermen.
Omdat Juli en Januari voor Europa gemiddeld
de warmste en koudste maanden zijn, geven wij
op twee kaartjes een overzicht van de Juli- en
Januari-isothermen. Deze geven ons aanleiding
de temperaturen der verschillende deelen van
de aarde met elkander te kunnen vergelijken.
Tussohen de keerkringen (23Vs°) en de pool-
cirkels (6(51/20 breedte), liggen de beide gematigde
luchtstreken
; één in het noordelijk halfrond en
één in het zuidelijk halfrond (Het verschil in
de lengte der dagen neemt toe, doch gaat niet
tot 24 uren. De zonnestralen vallen meer schuin
op de aarde).
Ten N. van den noordpool cirkel ligt de noorde-
lijke-
en ten Z. van den zuidpoolcirkel de zuidelijke
koude luchtstrei\'k.
(De lengte der dagen duurt
van 24 uren tot Va jaar; de lengte der nachten
in het tegenovergestelde jaargetijde eveneens.
De zonnestralen vallen zeer schuin op aarde).
De groote lengte van de dagen in den zomer
op hooge breedte heeft ten gevolge, dat daar in
dien tijd de temperatuur nog tamelijk toeneemt,
en de plantengroei ver poolwaarts mogelijk wordt.
In de heete luchtstreek tusschen de keerkringen
valt 40 pet. der totale aardoppervlakte.
De beide gematigde luchtstreken beslaan te
zamen 52 pet. der aardoppervlakte.
De beide koude luchtstreken beslaan 8 pet. der
aardoppervlakte.
§ 4. De verdeeling der temperatuur over
de aarde.
De temperatuur der lucht wordi
gemeten met den thermometer. Tegenwoordig
wordt veelal de honderddeelige thermometer van
Celsius daarvoor gebruikt. Öin die temperatuur
voor eene plaats gemakkelijk uit te drukken,
Kaartje der Januari-isothermen. (Naar Hann).
(De cijfers !>y de lijnen duiden du temperatuur op die lyn aan in graden Celsius).
Het kaartje der Januari-isothermen wijst aan,
dat de isotherme van 0° C. ten Z.W. langs Noorwe-
gen loopt, dicht bij Hamburg langs gaat, zoo
verder over Triest naar het Z. en over de Krim
naar het O. loopt om ten. N. van den Kaukasus
Europa te verlaten. Het gebied, dat ten noorden
van deze lijn ligt heeft in de koudste maand
gemiddeld eene temperatuur, welke lager is dan
— 19
-ocr page 12-
4
HANDELS-AABDRI.TKSKUNDE.
0° C, wat er ten Z. van ligt heeft hooger tem-
peratuur.
Ook blijkt uit den loop van de isothermen,
dat do temperatuur van West-Europa veel hoo-
ger is dan van Oost-Europa op dezelfde breedte.
West-Europa heeft een sterk uitkomend zeekli-
maat,
Oost-Europa een vastelands-klimaat.
De oorzaak hiervan ligt in de eerste plaats
in den invloed der zee, welke, zooals wij boven
zeiden, in den winter op deze breedten ver-
warmend werkt, terwijl gelijktijdig het land de
lucht sterk afkoelt. Doch daarenboven oefent
een breede stroom van warmer water, die uit
zuidelijke streken komt, en welke stroom in den
16Q          MO          130          13J           «O_______«O_______«O_______20_______O_______20_______40_______60_______80           100          120          Hg          160           ISO
Kaautje riEii Juli-isot]
(Oe cijfers hij de lijnen duiden de Juli-teni
Atlantischen Oceaan langs de noordwest kust
van Europa tot in de Noordelijke IJszee
doordringt, een verwarmenden invloed uit op
de lucht. Die stroom is de Golfstroom, welken
wij later zullen leeren kennen.
De loop der isothermen wijst ons aan, dat de
temperatuur niet gelijkmatig over de aarde ver-
deeld is, en dat dus op enkele gedeelten der
aarde bijzonder verwarmende, op andere verkoe-
lende invloeden werken. De verschillen in tempe-
ratuur door de hoogteverschillen zijn bij de iso-
thermon weggecijferd. Buitengewoon koude dee-
len der aarde in Januari zijn de gewesten in
het O. van Siberië bij Werchojansk, en in het
noorden van Amerika. De jaarlijksche tempe-
ratuurverschommelingen zijn hier zeer groot.
Buitengewoon warme gedeelten vindt men in Juli
in de Sahara, Arabië en Perzië, alsook in het
noorden van Mexiko.
Wij zullen de temperatuur van de verschib
lende deelen der aarde niet verder beschrijven,
doch verwijzen hiervoor naar de kaartjes, die
deze in hoofdzaak aanwijzen.
•
Opmerking. De invloed van de temperatuur*
schommelingen in den loop van een jaar op den plan-
tcngroei is zeer groot. In Orenburg bijv. (iu het O. van
IEUMEN. (Naak Hann).
peratuur op die lijn aan in graden Celsius),
Rusland) op 52» N. J?r. groeien meloenen en water-
meloenen in de vrije natuur, doch beuken- en ooftboo-
mcn zoekt men hier te vergeefs. De zomertemperatuur
is er in Juli gemiddeld 22« C, doch de lage Januari-
tempei atuur van 14<> C. onder 0 maakt er den groei van
deze boomen onmogelijk. Te Jakutsk in Siberië, waar
de Juli-tcmperatuur gemiddeld 20° C. bedraagt, evenals
te Moskou en Parijs, daalt in den winter de tempera-
tuur gemiddeld tot — 40° C. Dit vastelandsklimaat
met groote uitersten, maakt in den zomer hier nog
graanbouw mogelijk, terwijl de strenge winterkoude allen
boomgroei tegen houdt.
Hoe groot is de tegenstelling van deze streken met
Gr ot-Brittannië en Ierland en de westkust van Noor-
wegen, waar in den winter de havens niet dichtvriezen.
In het zuiden van Engeland, ongeveer op de breedte
van Orenburg, zijn de winters zoo zacht, dat de planten
der subtropische luchtstreek er in de open lucht kun-
nen overwinteren. Evenwel is de zomer-temperatuur
er niet hoog genoeg om over \'t geheel de druiven en
abrikozen te doen rijpen.
Uit de kaartjes der isothermen, vooral die van Ja-
nuari, zien wij den zegenenden invloed van den Oceaan
op ons klimaat duidelijk.
§ 5. Het ontstaan van den wind. De wind
is niets anders dan de beweging of strooming
der lucht. Bij eenige kracht dier luchtstroo-
mingen kunnen wij deze op verschillende wijze
bemerken.
— 20 —
-ocr page 13-
HANDELS-AARDRI.IKSKrXDE.
van de wijzers van een liggend uurwerk, de af-
strooming van het maximum juist er mede overeen-
stemmend. In het zuidelijk halfrond is het juist
omgekeerd. De figuren duiden dit aan. Die lucht-
Die luchtstroomingen ontstaan, doordien het
evenwicht in de lucht verbroken is. Als op eene
plaats A bijv. de lucht krachtig drukt, en op
de punten rondom A minder krachtig, zal de
lucht van A natuurlijk naar alle zijden weg-
stroomen. Of omgekeerd: als op een punt B
eene geringe luchtdrukking bestaat, en rondom
B is die luchtdrukking sterker, dan zal van
alle zijden de lucht naar B toestroomen. Men
drukt dit aldus uit: de lucht stroomt van plaatsen
met hoog? htchtdrukking naar plaatsen met lat/e
luchtdrukking.
Dit hooije en lage ziet op den stand
van den barometer. Een gebied met lngen baro-
meterstand noemt men meestal eene depressie ot\'
luchtdruk-minimum (ook wel kortweg minimum),
een gebied met hoogen barometerstand een lucht\'
druk-maximum
(of maximum).
Nu moeten wij hierbij nog iets in \'t oog hou-
den. De lucht stroomt niet rechtstreeks van een
maximum naar een minimum toe. De aswente
ling der bolvormige aarde heeft namelijk ten
gevolge, dat in het noordelijk halfrond de lucht
bij haar beweging steeds iets naar de rechterhand,
in het zuidelijk halfrond iets naar de linkerhand
a/u ijkt.
Hierdoor ontstaat er eene apiraalvormige
toestrooming der lucht naar een depressie en een
soortgelijke afstrooming der lucht van een maxi-
mum. In het noordelijk halfrond gaat de toestroo-
ming naar de depressie in tegengestelde richting
Beweging der lucht up liet zui-
delijk halfrond naar eene de-
pressie. Cykïonole tucfatbewegiog
op het zuidelijk halfrond.
Beweging der lucht op het zui-
delijk halfrond van oen inaxi-
mum. Anti-cyklonnlc luchtbewe-
ging op zui\'lcrbrecdte.
O;
Beweging der lucht op het noor-
delijk halfrond van een ma.\\i-
iniiin. Anti-cyklonnle luchtbe\\vo-
ging op noorderbreedte.
Beweging dor lucht op bet
noordelijk halfrond naar eene
depressie. Cyklonale luchtlio\\ve-
ging in hot \'noordelijk halfrond.
beweging om zulk eene depressie heet ci/k/ona/e-,
die om een maximum anti-cyklonale luchtlxnceging.
De hoofdoorzaak, waardoor het evenwicht in de
luchtdrukking verbroken wordt, is de ongelijke
verwarming der lucht op nabij elkander gelegen
plaatsen. Waar de lucht het meest verwarmd
wordt, zet zij ook het meest uit, en wordt daardoor
soortelijk lichter. De koudere, zwaardere lucht
Kaartje der isobaren en winden in Juli. (Naar Hann).
De lijnen verbinden plaatsen met gelijke luchtdrukking in Juli, welke door de cijfers in m.M. wordt
aangewezen. De pijltjes wyzen de windrichting aan.
Wij zeiden reeds, dat de lucht boven de zee
over dag niet zoo spoedig verwarmd wordt
als boven het land, terwijl de lucht boven
stroomt nu naar die warmere of lichtere lucht
toe. Wij zien dit in de kamer, waar de koudere
lucht van alle zijden naar de kachel stroomt.
— 41
-ocr page 14-
6
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
liet land des nachts het meest wordt afge-
koeld. Uit heeft tengevolge, dat aan de kust-
streken der heete gewesten over dag de koele
en zwaardere zeelucht naar het land stroomt,
hetwelk dan meer verwarmd is. Deze lucht-
stroom, flie algemeen in de tropische luchtstre-
ken l>ekend is, heet de zeewind. Hij waait over
dag van ± 9 uur des morgens en houdt des
avonds op.
Doch des nachts, als het land meer afgekoeld
wordt dan de zee, is het omgekeerd. Dan stroomt
de koude lucht boven het land weg naar de
zee, waar dan de lucht nog het meest verwarmd
is. Deze wind heet ile landirind, welke des nachts
waait, en tegen den morgen weder ophoudt.
Vrij regelmatig komt die dagelijksche afwisse-
ling van land* en zeewinden in de kuststreken dei-
tropische gewesten voor; evenwel gaat zij niet
ver over de zee en niet diep naar het binnenland.
Evenals men over de plaatsen van gelijke
temperatuur de isothermen getrokken heeft,
worden ook de plaatsen met gelijke luchtdruk-
king door lijnen vereenigd, isobaren genoemd
(isos = gelijk, en baros = zwaarte). Dit ge-
schiedt dagelijks op de meterologische instituten,
naar de opgaven, welke men daar van de ver-
schillende waarnemingen in de onderscheidene
landen ontvangt. Hierdoor kan men gemakkelijk
waarnemen, waar zich depressies en waar zich
maxima van luchtdruk in den dampkring bevinden.
Met de wet voor oogen, dat de lucht steeds van
een maximum naar een minimum van luchtdruk
stroomt, en in het noordelijk halfrond naar
rechts, in het zuidelijk halfrond naar links af-
wijkt, kan men dus uit die gegevens iets om-
trent de waarschijnlijka windrichting afleiden.
Doch men vindt, dat in de atmospheer ook
enkele maxima en minima van luchtdruk op
sommige plaatsen der aarde regelmatig voorko-
men. Zoo zijn er minima, die ontstaan uit de
krachtiger verwarming van de aarde in de tropi-
sche gewesten, vergeleken met hooger breedte.
Hierdoor zet zich in de tropische gewesten de lucht
meer uit, de luchtlagen worden hooger, en hoog
in die atmospheer vloeit de lucht naar beide zijden.
Deze afstroomingen der lucht noemt men anti-
passaten.
Op db H0° breedte ontstaan er door die
afvloeiing gebieden van hoogt luchtdrukking, zoo-
als de isobaren-kaartjes doen zien. Uit die ge-
bieden van hooge luchtdriikking of maxima
stroomt de lucht langs de aardoppervlakte we-
der naar den aeqnator. Die winden wijken, even
als alle winden, ook af van de oorspronkelijke
richting (zie boven), en zoo ontstaat er bij de aarde
ten noorden van den aeqnator tot ± 30° NB. een
N. O. en ten zuiden van den aeqnator een Z. O.
wind. Die winden noemt men de passaten. Dit
zijn dus regelmatige winden.
Kaartje der isobaren en winden in Januari. (Naar Hann).
Du lijnen verbinden plasten met gelijke lvolildrukking in J:tmmri( tle cijfers beteekenen (Ie
lucbtdrukkinj: in m.M. De pijltjes wijzen (Ie windcirhtinj; aan.
Als in onzen zomer de zon het noordelijk
halfrond sterk verwarmt, ontstaat er boven het
vasteland van Achter-Azië en Voor-Indië een
krachtige verwarming der lucht, en dientenge-
volge wordt de luchtdrukking hier lager dan
boven de omringende zee. Het kaartje inet de
— 42 —
-ocr page 15-
7
HANDELS-A ARDItl JKSKUtf DE.
isobaren voor Juli wijst dit aan. In dezen tijd
stroomt van de zee de lucht van alle zijden
naar het vasteland. Die wind noemt men in
Azië moesson, en omdat hij van de zee komt,
en daardoor veel vochtigheid en regens brengt,
natten moesson.
Doch in onzen winter, als de zon ten zuiden
van den aequator staat, is dit gedeelte van Azië
juist kouder dan de zee. In dien tijd stroomt
de lucht van het land naar de zee, en deze
windrichting valt met den N. O. passaat sa-
men. Men noemt dien wind evenwel in Voor-
Indië moesson, en omdat hij droog is, den clro-
gen moesson.
Zoo wisselt in het Z. en Z. O. van Azië met
de jaargetijden de landwind en de zeewind af.
Het woord moesson beteekent oorspronkelijk ook
jaargetijde, dewijl de windrichtingen en de jaar-
getijden hier samengaan. Ook de moessons zijn
regelmatig waaiende winden.
Op hooger breedten komen op sommige
plaatsen ook vrij regelmatig uitgebreide depres-
sies en maxima van luchtdruk voor. Op de iso-
barenkaart van Januari ziet men eene depressie
in den Atlantischen Oceaan bij IJsland, welke
daar in dien tijd vrij geregeld gevonden wordt.
De cyklonale luchtbeweging om deze depressie
strekt zich over de kuststreken van West-
Europa uit, en heeft hier dus Z. W. winden in
den winter tengevolge, zooals het kaartje aanwijst.
In Juli ligt er gewoonlijk een maximum van
luchtdrukking nabij de Azoren boven den At-
lantischen Oceaan, terwijl het minimum bij IJs-
land meer en meer verdwijnt (zie het kaartje
van Juli). De lucht, welke van dat maximum
in anti-cyklonale beweging afstroomt, veroor-
zaakt in het zuidwesten van Europa tot op
onze breedte veel Z. W. en W. winden. Hoewel deze
winden de meerderheid hebben, worden zij toch
veelvuldig door andere afgewisseld. Toch kan
men bijna overal een verband tusschen de wind-
richting en den gemiddelden barometerstand
opmerken. Maar in het moessongebied en het
passaatgebied zijn de winden het regelmatigst,
en deze gewesten noemt men meer bepaald de
streken der regelmatige winden.
In de gematigde luchtstreken, en in de ge-
westen met regelmatig afwisselende winden bij
het overgaan van den eenen wind in den ande-
ren, ontstaan dikwijls kleine, diepe depressies
in de atmospheer. Naar deze heeft dan eene
zeer snelle toestrooming der lucht plaats. Dit ver-
schijnsel noemt men een kringstorm of ci/kloon.
De kringstormen boven den noordelijken Atlan-
tischen Oceaan heeten Huricanen, boven den
Grooten Oceaan ten O. van China Ti/phons.
depressies dezer kringstormen bewegen
zich veelal snel door de atmospheer, en vrij ge-
regeld volgen zij in de verschillende jaargetijden
nagenoeg dezelfde banen, de stormbanen ge-
noemd. De meterologen wijzen deze stormbanen
voor verschillende jaargetijden op kaarten aan.
De winden hebben veel invloed uitgeoefend op het
wereldverkeer. Iu den tijd, toen de stoom nog met als
beweegkracht gebnükt werd, waren liet de zeilschepen,
die de verste dceleii der aarde verbonden. Dat in dien
tijd reeds met praktische oogmerken veel aandacht
gewijd werd aan de richting der winden, spreekt van
zelf. De regelmatig waaiende winden op den Atlanti-
sehen Oceaan werden daarnaar met den naam jjismlen
d. i. winden, welke de passage bevorderen, bcstem-
peld. De Engelscheu noemden deze winden zeer prak-
tisch „tradi\'-winds" d. i. handelswinden. Doch ook voor
de gezondheid op aarde zijn de luchtstroomen van
groot belang. Vorder dienen zij als beweegkracht in
de industrie (windmolens). En voor het klimaat van
een land zijn vooral de winden van veel belang, daar
de regen verdeeling een gevolg is van de windrichting.
Het gunstig klimaat van Wesl-Europa, met zachte win-
ters en veel vochtigheid, is grootendeels aan de heer-
schende winden Ie danken. Overal hangt de neerslag
voor een groot deel af van de windrichting. Eu van den
neerslag hangt de plantengroei voor een groot gedeelte
weder af.
§ (i. Neerslag uit den dampkring en ver-
deeling van den regen. Het water op aarde
verkeert in een voortdurenden kringloop. Het
verdwijnt van de aardoppervlakte, en stijgt als
damp in de atmospheer op, wordt door de lucht*
stroomen in alle richtingen vervoerd, en waar de
omstandigheden hiervoor gunstig zijn, conde«-
denseert de damp weder, om als regen, sneeuw
of hagel neer te vallen, of als dauw op de voor-
werpen neer te slaan. Gezamenlijk noemt men
deze verschijnselen den neerslag uit den dampkring.
De waterdamp op zich zelve is onzichtbaar.
Wanneer de lucht door eenige oorzaak afkoelt,
verdicht de daarin aanwezige waterdamp, en
wordt zichtbaar als wolken. Wanneer de ver-
dichting nog verder gaat, ontstaat er regen. En
als de kleine waterdeeltjes in de atmospheer
bevriezen, ontstaan de fijne ijskristallen, die wij
sneeuw noemen. Hoog in de lucht is de tem-
peratuur zoo laag, dat er het geheele jaar door
sneeuw ontstaat en valt; in de poolstreken op
geringe hoogte, in de heete gewesten op een
aanzienlijke hoogte.
De afkoeling bij de regenvorming ontstaat
vooral door het opstijgen en uitzetten der wa-
terdamprijke lucht. Daardoor komt het ook, dat
de wind, die over een gebergte gaat, zooveel
regen doet ontstaan, en dat de berglanden over
\'t geheel de regenrijkste deelen der aarde zijn.
Ook is de vermenging van warme en water-
damprijke lucht met een kouden luchtstroom
dikwijls de oorzaak van wolkenvorming en van
het ontstaan van regen.
De regenverdeeling over de aardoppervlakte
is van veel belang voor den plantengroei, en
daardoor ook voor den handel. Regenlooze ge-
- 43 -
-ocr page 16-
8                                                                   HANDELS-AARDIU.IKSKUNDE.
westen als de woestijnen brengen weinig of
niets voort, en worden dan ook zoo goed als
niet bewoond.
Een uitgebreid gebied met weinig of bijna
geen regen (minder dan 20 cM. per jaar) strekt
zich door het noorden van Afrika (de Sahara)
uit, loopt midden door Arabië, door Perzië en
het land van den beneden-Indus {de Thur-woestijn).
Venier vindt men in Centraal Azië in de Kir-
giezen steppe,
waarbij zich de Europeesche Kas-
pisehe steppe
aansluit, en in de Gobi-tcoestijn
van China, uitgestrekte gewesten met regenar- i
moede. In de Vereenigde Staten van Noord- |
Amerika heerscht regenarmoede ten noorden van I
de Golf van Californië in de Mohave woestijn,
in de Staten Nevada en Arinzona.
In het zuidelijk halfrond zijn het binnenland
van Australië, de kuststreek van het Duitsche
gebied in Z. W. Afrika, de oostelijke stre- :
ken van Patngonië, alsmede de streek van de j
Argentijnsche Republiek onmiddellijk aan den
oostvoet van de Cordilleras, zeer arm aan regen.
De berglanden zijn over \'t geheel rijk aan I
regen, vooral aan de windzijde. De wind, die
tegen de bergen opstijgt, koelt door die opstij-
ging af en geeft regen. In Europa zijn daar- \'
door de Alpen, de Pyreneën en de Kaukasus
het rijkst met regen gezegend. Bovenal de zuide*
lijke helling van den Himalaja met het aangren-
zende gebied van Hindostan is een gewest
inet buitengewoon veel regen. Zoo ook de west-
kust van Voor-Indië en de westkust van Achter-
Indië. In deze gewesten is het de natte moesson,
welke bij de gebergten opstijgt en den regen
doet ontstaan. Zoo is ook het Z. O. van China
(vooral rondom Kanton) door de moessons een
regenrijk gebied.
De tropische gewesten zijn over \'t geheel re-
genrijk. De meeste regen valt hier bij den
bootsten zonnestand. Dit is de tijd, welke hun
winter vormt, en die meer door verschil in re-
genval dan door temperatuurverschillen geken-
merkt wordt.
De regenval is van veel belang voor den
plantengroei, zeiden wij. Hierbij komt echter
niet alleen de absolute hoeveelheid regen per
jaar, maar ook de verdeeling van den regen over
de jaargetijden in rekening. Bij de bespreking
der onderscheidene landen zullen wij daarop de
aandacht vestigen. Sneeuw valt in de heete
gewesten alleen op hooge gebergten; in de ge-
matigde luchtstreek meestal alleen in het winter-
jaargetijde op de vlakte.
§ 7. De zee. Het grootste gedeelte der aard-
oppervlakte is met water bedekt. In het alge-
meen kan men wel zeggen, dat 3U van de aard-
oppervlakte water en \'/4 land is. De uitgestrekte
samenhangende watermassa\'s noemt men zeeën
of oceanen. Men onderscheidt thans vijf hoofd-
zeeën: den Atlantischen Oceaan, den Grooten Oceaan,
den Indischen Oceaan, en de Noordelijke- en de
Zuidelijke IJszee of de Poolzeeën.
De zee dringt met vele inhammen in het
vasteland der aarde door. Groote inhammen
der zee noemt men binnenzeeën. Hoewel wij de
Zuiderzee een binnenzee noemen, is zij in ver-
gelijking tot de overige, welke men als zoodanig
bestempelt, daartoe eigenlijk te klein. De klei-r
nere inhammen dragen naar grootte, vorm en
wijzen van ontstaan nog verschillende namen,
als: zeeboezem, ijolf, fjord, baai, haven, reede, ha ff,
kanaal, sond
enz. Het bestaan van veel inham-
men in de kust heeft tengevolge dat het land
in nauwe verbinding met de zee komt, dat de
kust zich tot een lange lijn ontwikkelt, of m. a. w.,
dat erheen groote kustontwikkeling ontstaat. Een
lange kustontwikkeling is natuurlijk voordeelig
voor het zeeverkeer; de scheepvaart zal hierdoor
zeer bevorderd worden, vooral wanneer die inham-
men ook door wateren met het binnenland in
verbinding staan. Men kan dit bij verschillende
landen bevestigd zien.
Het water der zee is zout van smaak. Dit is
een gevolg van het keukenzout, chloornatrium,
dat in het water is opgelost. Het zoutgehalte
van het water der zeeën is gemiddeld ±Ül,\'i,lo.
Aan de kusten der Middellandsche zee (die meer
zout bevat) wordt het winnen van zeezout uit-
geoefend, hetwelk door de hooge temperatuur al-
daar bevorderd wordt. Spanje, Portugal en
Italië winnen jaarlijks ±12 mill. K. G. zeezout.
§ 8. De beweging der zee. Zeestroomen.
Het water der zee komt door verschillende oor-
zaken in beweging. In de eerste plaats is het de
wind, die de zeeoppervlakte voortdurend in een
schommelende beweging houdt. Hierdoor ont-
staan de windgolven. De windgolven doen het
water op- en neergaan, doch verplaatsen het
weinig of niet in horizontale richting.
Doch als de wind lang op het water waait,
drijft hij mettertijd toch de waterlagen der
oppervlakte vooruit. Dan ontstaat er een drift
of stroom ing in het water, die men zeestrooming
noemt. Dergelijke zeestroomingen komen voor
in al de oceanen. Zij ontstaan meest in de
gewesten der regelmatige winden, doch zetten
zich ook buiten deze voort.
De zeestroomingen worden onderscheiden in
warme- en koude zeestroomingen. De warme zijn
die, welke hooger temperatuur hebben dan de
lucht; met de koude is het omgekeerde het
geval. In het algemeen kan men wel zeggen,
dat warme zeestroomingen zulke zijn, welke van
lager breedte naar hooger breedte (in de richting
van den aequator naar de polen) stroomen. De
koude zeestroomen zijn dan die, welke eene
richting hebben van de polen naar den aequator.
De koude zeestroomen verkoelen de temperatuur
der landen waar zij langs stroomen, de warme
verhoogen de temperatuur.
— u -
-ocr page 17-
9
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
Daardoor zijn de zeestroomen van veel invloed
op de natuurlijke gesteldheid der landen. Op
de kaartjes van de isothermen ziet men langs
de kusten deze lijnen veelvuldig ombuigen,
waaruit blijkt, dat de eene kust te koud, de
andere te warm is. Meestal wordt dit alleen door
de koude en warme zeestroomen veroorzaakt.
De belangrijkste zeestroomingen zijn de vol-
gen de :
I.    De Aequatormdstroom is een dubbele stroom,
die nagenoeg evenwijdig met den aequator
tusschen 20 " N. en Z. Br. zich van het O.
naar het W. beweegt. Deze stroom ontstaat
hoofdzakelijk door het regelmatig heerschen der
N.O. en Z.O. passaten.
II.    De Aequatoriaalstroom stuit in het W. van
den Atlantischen Oceaan op de kust van Amerika.
Hierdoor ontstaat er een stroom ten O van de
kust van Noord-Amerika naar het noordoosten,
de Florida-stroom. De Florida-stroom gaat op
± 40° N. Br. in den Golfstroom over, die naar
het N.O. zich voortzet tot nabij de kust van
Europa, en hier in de Poolzee doordringt. De
Golfstroom is een wanne strooming, omdat hij
het water van zuidelijke streken mede voert, en
daardoor is hij van zeer gunstigen invloed
op het klimaat van Europa. De hooge tempe-
ratuur en de rijke neerslag in West-Europa
zijn voor een groot gedeelte aan den Golfstroom,
in verband met de heerschende winden, te danken.
III.    Langs de oostkust van Zuid-Amerika
gaat een tak van den Aequatoriaal-stroom naar
het Zuiden, de Braziliaansche stroom genoemd,
eveneens een warme stroom.
IV.    De Labrador-stroom is een koude stroom,
welke uit de straat Davis komt, en langs de
kust van Labrador tot nabij New-IWndland
naar het zuiden gaat.
Ten westen van Zuid-Afrika vindt men een
koude stroom, de lienguela-stroom of Zuid-Ajri-
kaunsche-stroom,
die tot nabij den aequator naar
liet noorden gaat en daar overgaat in den
Aequatoriaalstroom.
V.    In den Grooten Oceaan wordt ten O. van
China en Japan de Koeroe-Siwo of Zwarte-stroom
gevonden, die naar het N.O. gaat tot nabij de
westkust van Amerika. Deze stroom komt veel
met den Florida-stroom en den Golfstroom over-
een, en is even als deze een warme stroom.
Aan de westkust van Zuid-Amerika gaat een
koude stroom naar het noorden, de Peruaansche-
of Hamboldt-stroom genoemd, welke veel met de
Benguela- of Zuid-Afrikaansche stroom overeen-
komt, en even als deze koud is.
Op de isothermen-kaartjes (zie pag. 3 en 4) kan
men zien, dat de Zuid-Afrikaansche stroom en
de Humboldt-stroom verkoelenden invloed op
de temperatuur der kust van Z.W. Afrika en
Z,W. Zuid-Afrika uitoefenen.
§ 9. Vloed en ebbe. Behalve door de stroo-
mingen komt de zee nog in beweging door den
invloed der maan en der zon op de aarde. De
hemellichamen toch oefenen wederzijds aan-
trekkingskracht op elkander uit, en die aantrek-
kingskracht neemt af in omgekeerde reden met
de vierkanten van de afstanden. Daardoor zal
de aantrekking van de zon en van de maan op
het water aan die zijde der aarde, welke naar haar
toegekeerd is, gi-ootoi\' zijn dan aan de tegen-
gestelde zijde. Door dit verschil in aantrekkings-
krarht
wordt het evenwicht in de watervlakte
verbroken, en zoo ontstaan er op de plaatsen,
waar die hemellichamen recht boven staan, en
tegelijk aan de tegengestelde zijde, golfvonnige
waterverhefHngen, die men vloed noemt. In de
tusschenliggende deelen wordt daarentegen het
water lager en dit verschijnsel noemt men ebbe.
De zon en de maan doen ieder deze verschijnselen
ontstaan, doch de maan krachtiger dan de zon,
omdat genoemd verschil in aantrekking bij de
maan grooter is.
Zoo bestaat er dus door de maan en door de
zon gelijktijdig op twee tegengestelde plaatsen
der aarde in de groote zeeën vloed en eveneens
op twee plaatsen ebbe. Als de vloed en ebbe
van zon en maan samenvallen, wordt de vloed-
golf het hoogst en het ebbedal liet laagst. Dien
vloed noemt men springvloed: hy heeft plaats by
nieuwe* en volle maan, wanneer zon, aarde en
maan zich ongeveer in één rechte lijn bevinden. Bij
kwartierstanden der maan, als zon en maan niet in
een zelfde richting ten opzichte der aarde staan,
ontstaat er vloed van de maan waar de zon
ebbe veroorzaakt, en dus zijn op dien tijd de
waterverhemngen het geringst. Men noemt deze
laatste doode getijden.
De maan wentelt schijnbaar dagelijks in 24
uren en 50 minuten rondom de aarde. Daardoor
zullen bij springvloeden in dien tijd achtereen-
volgens de deelen der aarde tweemaal in het
ebbe- en tweemaal in het vloedgedeelte komen.
Aldus heeft men tweemaal in 24 uren 50 min.
vloed en tweemaal in dien tijd ebbe.
Die verheffing van het water der zeeën bij
vloed aan de kusten heeft ten gevolge, dat de
riviermonden en ondiepe inhammen beter bevaar-
baar worden. Daardoor is dit verschijnsel voor
de scheepvaart van groot belang. De vloed zou
eigenlijk moeten invallen, als de maan en de
zon door den meridiaan gaan en 12 uren later.
Door verschillende oorzaken valt evenwel de
vloed niet op dien tijd in, maar een korter of lan-
ger tijd later. Dit verschil noemt men haventijd.
De haventijd is verschillend voor de onder-
scheidene havens. Daarom heeft men den haven-
tijd opgeteekend en in almanakken opgegeven,
om aldus den zeelieden het uur van vloed en
ebbe steeds te doen kennen.
-ocr page 18-
10
HANDELS-AAR.DRIJKSKUNDE
De nauwkeurige kennis der zeeën, van haar natuurlijke
gesteldheid, haar stroomen euz. is voor den handel van
veel belang, omdat liet wereldverkeer nog steeds over
de zeeën plaats heeft. Vooral in vroegere tijden was
dit het geval, terwijl de handelaar t- eti tegelijkertijd
zeevaarder was. En hoewel thans beider arbeid meer
geseheiden is, staaii zij toch nog nauw met elkander
in betrekking, en heeft de handel bij het wercldverkeer
het meeste belang.
Doch ook voor de natuurlijke gesteldheid der landen,
voor hun klimaat en plantengroei, heeft de zee vcei
beteekenis. Zoo is de verbinding met en de invloed
der groote oceanen van groote physicke en economische
beteekenis voor elk land. Om dit aan te toonen be-
hoeft men slechts Nederland of Engeland met het oosten
van Rusland te vergelijken. Wij wezen hierop reeds
bij het bespreken van het zeeklimaat.
En behalve voor het verkeer is de zee nog van groote
beteekenis voor de visscherij.
§ 10. Algemeene slotopmerkingen. De
verschijnselen en toestanden van lucht en
water komen hoofdzakelijk aan de oppervlakte
der aarde voor, en hebben dus direct invloed
op het, dieren- en plnntenleven. Doch ook de
gesteldheid van den vasten aardbodem is hierop
van grooten invloed. De hoogte der aardopper-
vlakte boven de zee, de oneffenheid der aard-
oppervlakte, d. i. de afwisseling vlakten en
bergen, het bestaan van rivieren enz., ook zij
zijn van groote beteekenis. Verder mag ook
de samenstelling van den bodem, d. i. de aard-
lagen waaruit die bestaat, niet uit het oog ver-
loren worden. De plaatsen op aarde, waar de
bodem rijke schatten van bruikbare delfstoffen
bezit, zijn, wanneer zij met het wereldverkeer
in betrekking kunnen gebracht worden, van
grooten invloed op het volksleven.
De bevolking-der aarde heeft zich in den loop
der eeuwen verbreid onder den invloed van de
natuurlijke produkten en voordeelen, welke de
onderscheidene deelen des aardbodems oplever-
den. Evenwel was de natuurlijke gesteldheid
der landen niet de eenige factor in het proces
der volksverbreiding. Daarbij toch kwamen
talrijke historische gebeurtenissen, die hier de
bevolking j-ioepeerden, elders, te midden van
een rijke en gunstig werkende natuur, de volken
in hun ontwikkeling tegenhielden. Wij behoe-
ven er slechts aan te denken, hoe de oorlogen
de schoonste streken en dichtst bevolkte gedeel-
ten der aarde verwoestten.
De verbreiding der bevolking en der welvaart
is aldus een ingewikkeld proces, dat zich ge-
durende de historie heeft afgespeeld. Wij kun-
nen dit hier niet in bijzonderheden nagaan.
De ontwikkeling van de natuurlijke gesteld-
heid der aarde kunnen wij wegens de plaats-
ruimte evenmin verder in bijzonderheden alge-
meen nagaan. Zoo ook mogen wij geen ruimte
vragen, om over de verbreiding der bevolking,
over het ontstaan van staten, over verschillende
beschavingstoestanden, over rassen enz. in het
algemeen te spreken. Bij de behandeling der
werelddeelen komen wij hierop nog nader terug.
Alleen zullen wij eenige algemeene beschouwin-
gen over den handel en over onderwerpen, die
met den handel in betrekking staan, hier laten
volgen.
II. Algemeene onderwerpen voor den handel
van beteekenis.
§ 11. Het begrip handel en de wijze van
uitvoering. Onder handel verstaat men de be-
roepmatige inkoop of ruiling van goederen, met
het doel deze weder te verkoopen. De taak
van den handel is dus niet om de koopwaren
of ruwe produkten zelf voort te brengen, doch
om ze te verplaatsen naar die streken, waar ze
meer waard zijn, of over te doen in handen van
eigenaars, die daaraan meer behoefte hebben.
Zoo berust de internationale handel vooral op de
verschillende geographische gesteldheid van de
onderscheidene deelen der aarde, alsmede op de ver-
schillende behoeften der onderscheidene volken.
De handel wordt onderscheiden als groothan-
del
of handel „en gros" en detailhandel. De
groothandel zet de koopwaren in het groot om
en brengt ze meest in handen van wederver-
koopers of industiïeelen. De detailhandelaar
vormt de verbinding tusschen den groothandelaar
en de consumenten. Terwijl de groothandel op
enkele plaatsen of in weinige steden, welke daar-
voor een gunstige geographische ligging hebben,
of die door historische omstandigheden een tak
van handel hebben ontwikkeld, geconcentreerd
is, is de kleinhandel over het geheele land in
grootere en zelfs in kleinere plaatsen verspreid.
Daardoor heeft de eerste op het gebied der
handelsgeographie de meeste beteekenis, de
laatste is meer van belang voor de kennis van
het innerlijke economische volksleven.
De groothandel vindt hoofdzakelijk zijn grond
in de onderscheidene produkten, welke de ver-
schillende streken der aarde voortbrengen. Dit
is namelijk met den reëelen handel het geval;
geenszins met speculatie van koop en verkoop.
Daardoor dan ook is de groothandel interna-
tionaal. En de koopman, wiens taak het is om
het ruilen der produkten tot stand te brengen,
vindt dus eigenlijk zijn grond van bestaan in
de ongelijkmatige gesteldheid van bodem, klima-
ten enz. der aardoppervlakte; met andere woor-
den: in de ongelijkmatige verspreiding van nut-
tige produkten.
Huiling en verwisseling van goederen zal reeds
in de oorspronkelijke maatschappijen hebben
plaats gegrepen. Zij geschiedt dan ook bij de
onbeschaafde volken in de binnenlanden van
Afrika, Australië en elders, Evenwel „handel"
-ocr page 19-
11
HANDELS-AABDRIJKSKUNDE.
in de tegenwoordige beteekenis kan die rui-
ling niet genoemd worden.
Niet zelden had die ruilhandel op een
eigenaardige wijze plaats. Zoo verhaalt Hero-
dotus van een zoogenaamden „stommen handel",
dien de oude Karthagers met een volk op de
westkust van Afrika dreven. Wanneer zij hier
met de schepen waren aangekomen, legden zij
hun koopwaren op het land en gingen weder
terug in het schip, nadat zij met rook een teeken
hadden gegeven. Op dit teeken naderden de
inboorlingen, zij legden naast de waren goud
neder, en gingen daarna terug. De Karthagers
namen vervolgens in oogenschouw, of het neer-
gelegde voldoende was, en namen in dit geval
den nedergelegden prijs mede. In het tegen-
gesteld geval Heten zij het goud liggen en gingen
te scheep om een hooger bedrag af te wachten.
Op dezelfde wijze werd aan het eind der
vorige eeuw in de streken aan den Niger nog
een stommen handel gedreven.
Al zeer vroeg zagen enkele personen in het
tot stand brengen van de ruiling der produkten
een voordeel, en zij wijdden zich van zelf ge-
heel aan den handel. De taak om de waren te
vervoeren van de eene plaats naar de andere was
hieraan verbonden. Handel en scheepvaart waren
daardoor dikwijls in dezelfde hand.
De handel staat dus met de middelen van ver-
keer in het nauwste verband. In de eeuwen, toen
het verkeer nog met veel moeiten verbonden
was, kwamen kooper en verkooper elkander bij
gunstige gelegenheden te gemoet. Aan de groote
kerkelijke feestdagen, die de bevolking soms
van verre streken samenbracht, werden tegelijker-
tijd marktdagen met detailhandel, en soins met
groothandel, verbonden. Zoo ontstonden naast
de groote kerkmissen de „kermissen", in den
zin van jaarmarkten. Op dezelfde wijze worden
door de Boeren in de Zuid-Afrikaansche Repu-
bliek nog tegenwoordig aan het kerkbezoek op
de dorpen de handelsafïaires verbonden.
De detailhandel op markten is in deze eeuw
veel verminderd. De groothandel heeft nog haar
centra, de kleinhandel is meer algemeen verbreid
geworden. En de markten en missen, in de
oudheid de handelsvereenigingspunten, zijn meer
en meer verdwenen. In plaats van deze zijn de
handelsbeurzen opgekomen, waar enkel de hande-
laren elkander ontmoeten. De waren werden
op de missen en markten werkelijk aangevoerd;
op de beurzen worden ze niet aangevoerd, doch
op monster of staal verhandeld.
§ 12. Iets over de ontwikkeling van het
marktwezen.
De markten, later veelal missen
genoemd, dagteekenen uit den oudsten tijd.
In het Oosten vond men reeds lang vóór den
aanvang onzer jaartelling tijdelijke markten op
de plaatsen, waar de bevolking voor godsdienstige
doeleinden van tijd tot tijd samenkwam. De
karavanen van godsdienstige pelgrims werden
gevolgd door de handelskaravanen. De feesten
in Syrië, Mesopotamië, Palestina, Egypte en
Arabië stonden in het nauwste verband met den
Phoenicischenlandhandel. „De markten vanHaran,
Batne en Mabug waren wijd en zijd beroemd";
de volken stroomden, zooals Jeremia zegt, naar
de feesten van Bel samen. Te midden der
steppen en woestijnen verschaften de hier en daar
verspreide oasen de onontbeerlijke rustpunten,
waar koopers en verkoopers gewoon waren elkan-
der te ontmoeten, waar pleisterplaatsen of her-
bergen gebouwd werden (thans karavanserais
geheeten) en zelfs geheele koloniën ontstonden,
gewoonlijk aan eene godheid gewijd, onder wier
bescherming men handel dreef. Deze punten wer-
den later niet zelden het doel van vrome bede-
vaarten zoowel als van handelsbelangen.
De kleine zoowel als de groote feesten der
oude Hebreërs waren eveneens met markten
verbonden. Gedurenden het Loofhuttenfeest
sloegen Phoenicische handelaren te Jeruzalem
hunne kramen op in de nabijheid van den tempel.
Zoo was het met de groote feesten in alle steden
gesteld. En ook in het Westen werd in de
oudheid zoowel als in lateren tijd dit gebruik
gevonden.
Bij de groote Olympische spelen in Grieken-
land verschenen vele kooplieden om handel te
drijven. Athene, Rome, Syracuse, Karthago,
Alexandrië en later Konstantinopel hadden in
de oudheid reeds permanente markten.
De eigenlijke Europeesche missen ontstonden
in de middeleeuwen. De verbindingswegen waren
nog slecht, het reizen was nog onveilig, terwijl
het geen schande gold voor den ridder den
koopman te berooj/en. Goed gewapend trokken
de kooplieden in groot aantal van plaats tot
plaats. Zij verdedigden zich zelven of ontvingen
van verschillende landheeren, welker gebied zij
doortrokken, tegen betaling een vrijgeleide. De
plaatsen, waar zij wisten eene groote menigte
menschen te vinden, samengestroomd uit een
uitgestrekt gebied, werden aangedaan. De groote
kerkelijke feestdagen of\' missen gaven hiertoe
aanleiding. Aldus werd de handel ook hier aan
Christelijke feesten verbonden. De geestelijkheid
begunstigde dezen handel, en bood haar bescher-
ming aan. Zoo werden de bisschopszetels langs
den Rijn van Constanz en Bazel tot Utrecht te
gelijkertijd de belangrijkste handelsplaatsen.
Evenwel, met de toenemende verbetering van
het verkeer moesten de missen eindelijk wel wij-
ken. Zij waren niet meer noodig bij de veranderde
omstandigheden. De meeste zijn dan ook tot den
rang van onbeduidende marktjes en tot vermake-
lijkheden gedaald. Slechts een viertal hebben
in West-Europa als zoodanig zich eenigszins
staande gehouden. Het zijn die te Leipzig,
-ocr page 20-
12
HANDELS-AARDRI.JKSKUNDE.
Frankfort a. d. Main, Beaucaire in Frankrijk en
Sinigaglia in Italië. Rusland, waar de maat-
schappelijke toestanden nog zooveel achter zijn
bij liet Westen, heeft zijn beroemde mis te
Niezjnii-Nowgorod.
Nederland heeft geen wereldberoemde missen
gehad. De handel was hier in de 16de eeuw
die der meeste landen eeuwen vooruit. Het han-
delsverkeer toch had in Nederland door het water
zich spoediger ontwikkeld, en de Nederlandsche
kooplieden en schippers brachten de handels-
produkten gaarne elders ter markt. Daarvoor
waren zij vrachtvaarders.
De eigenlijke markten in Nederland zijn dus
slechts centra, waar de binnenlandsche produkten
worden aangevoerd, hetzij van granen, hetzij\' van
vee, boter en kaas.
In de handelstaal noemt men echter niet alleen
de plaats, waar handel gedreven wordt, de markt,
maar met overdrachtelijke beteekenis breidt men
dit begrip ook uit tot de plaatsen, waarmede
gehandeld wordt, zoodat men spreekt van de
Oost-Indische markt enz. Verder wordt met
markt aangeduid de plaats, waar kooplieden uit
verschillende oorden, hetzij in persoon of door
briefwisseling en telegrammen, zaken doen. In
dien zin kan men bijv. zeggen, dat Londen de
wereldmarkt is, dat Amsterdam een koffiemarkt
is, enz.
Voor verschillende produkten zullen wij de
markten bij de nadere bespreking leeren kennen.
§ 13. De beurzen en het beurswezen in
eenige landen. In plaats van de vroegere jaar-
markten en missen zijn tijdens de nieuwe ge-
schiedenis de beurzen \') ontstaan, zeiden wij reeds.
Onder een beurs verstaat men de regelmatig
terugkeerende samenkomst van kooplieden en
handelsbemiddelaars of makelaars tot het koopen
of verkoopen van waren en artikelen. Met de
beurs wordt echter zoowel het gebouw der samen-
komst als de samenkomst der kooplieden zelf
aangeduid.
Er bestaat een kenmerkend verschil tusschen
den handel op een beurs en op een markt.
Op de laatste worden de waren over \'t ge-
heel werkelijk ten verkoop aangevoerd, en ter
beurze daarentegen worden zekere hoeveelheden
van een bepaalde soort op monster of staal, of
ook enkel op den naam af verkocht. Terwijl
aldus op de markten allerlei soorten van waren
verkocht worden, kunnen op de beurs alleen
enkele koopwaren, die men gemakkelijk kan
aanduiden of doen kennen, verhandeld worden.
Vee bijv. kan niet op de beurs verhandeld
worden; met granen, koffie, ijzer, petroleum,
etfecten enz. is dat wel het geval.
De beurs is natuurlijk een gevolg van den
handel: een middel der kooplieden oin elkander
gemakkelijk te ontmoeten. Daarom zijn deze
instellingen ook enkel aan de belangrijke handels-
centra gebonden. Hier zijn zij als het ware
van zelf ontstaan uit de zich openbarende be-
hoefte.
De geschiedenis der beurzen is nog niet vol-
komen bekend. Wel had men in het oude Rome
reeds samenkomsten van kooplieden, doch de
eigenlijke beurzen dagteekenen eerst van den
aanvang der nieuwe geschiedenis; haar opkomst
gaat samen met de ontwikkeling van het moderne
handelswezen. In de IK\'1\'\' en 17<le eeuw zien wij
verschillende beurzen verrijzen; zoo in 1531 te
Antwerpen, inde 15*\' eeuw te Amsterdam, in 1549
te Lyon en Toulouse, in 1556 te Londen, in
1558 te Hamburg, in 1566 te Rouen en in 1571
te Bordeaux. De beurzen ontstonden dus bijna
alle in steden met zeehandel, waar bij de uit-
breiding van het scheepvaartverkeer en de ont-
dekkingen in den aanvang der nieuwe geschie-
denis het eerst de moderne groothandel gevestigd
werd. Markten en missen bleven langer be-
staan in het binnenland, waar de verkeers-
middelen verre achterstonden. Eerst de spoor-
wegen hebben hier den modernen handel over-
gebracht.
De beurzen hebben gedeeltelijk een officieel
karakter. Zij werden op de meeste plaatsen
door het stedelijk bestuur opgericht en zijn aan
stedelijke verordeningen onderworpen. Groot is
evenwel de invloed der regeering op de beurzen
in de meeste plaatsen niet, zoodat zij hoofdzakelijk
gemengde privaat" en staatsinstellingen zijn.
In Engeland en in Noord-Amerika hebben
zich de beurzen als privaat-vereenigingen onaf-
hankelijk van de regeering ontwikkeld, en dit
zelfstandig karakter hebben zij tot op dezen tijd
bewaard. Evenwel staan zij onder het toezicht
van den Staat zooals alle erkende vereenigingen.
In Berlijn staat de beurs onder de verordening
van 1885. De leiding der beurs voor gelegen-
lieden staat hier onder het collegie van oudsten,
het bestuur der Berlijnsche Koopmanschap. Dit
collegie heeft in vele gevallen eene regelende
macht, doch is in andere gevallen aan de regeering
onderworpen. De leiding der beursaangelegen-
heden geschiedt door een commissariaat. De
beurs te .Berlijn bestaat thans nog uit effeeten-
I beurs en produktenbeurs; de warenbeurs voor
\' fabrikaten en halffabrikaten der textielnijverheid
I is in 18ö8 opgeheven.
\') Omtrent de afleiding van het woord beurs is men
het nog niet eens. Enkelen leiden het woord af vau
\'t mid. Lat. bursa — lederen heurs, geldbuidel, een
naam die in de middeleeuwen de beteekenis van ,,geuoot-
schap" verkreeg. Anderen mceuen, dat het woord afkomt
kan de koopmansfamUie van tle Beurse, in de 14** eeuw
te Erugge woonachtig, ten wiens huize de Italiaansche
kooplieden samenkwamen, en die iu den gevelsteen van
zijn huis drie geldbeurzeu had aangebracht. Dit laatste
gevoelen verkrijgt meer waarschijnlijkheid.
-ocr page 21-
18
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
In Oostenrijk komt de inrichting der beurzen,
volgens de wet van 1875, veel met die in Berlijn
overeen.
Ook in Frankrijk moet tot de oprichting van
beurzen de machtiging der regeering verleend
worden, terwijl de leiding der beurzen aan de
kamers van koophandel is opgedragen. Opmer-
kelijk is de monopolistische inrichting van het
makelaarschap op de effectenbeurs van Parijs.
De makelaars behooren tot het Parquet of tot
de „Coulisse". Het Parquet is samengesteld uit
de van staatswege benoemde en beëedigde ma-
kelaars (agents de change), van welke er slechts
60 aangesteld worden. Ieder van hen moet een
borg van 250,000 franc stellen. De naam Parquet
is afkomstig van de plaats der bijeenkomst. De
leden van het Parquet vormen eene vereeniging,
die uit haar midden een bestuur kiest (chambre
syndicale). De leden van het Parquet hebben
alleen het recht den handel in effecten enz. tot
stand brengen, doch mogen geen handel voor
eigen rekening drijven. Deze officieele make-
laars, en bij overlijden hun erfgenamen, hebben
het recht een opvolger aan te wijzen, mits onder
goedkeuring van den Minister van Financiën.
Tegenover het monopolie van het Parquet ont-
stond oppositie en hieruit is de „ Coulisse" voort-
gekomen. Hieronder verstaat men de talrijke
particuliere makelaars, die terzijde van het Par-
quet, op de Beurs te Parijs zaken doen. Aan-
zienlijke banken en firma\'s behooren hiertoe.
Zelfs wordt beweerd, dat de Coulisse meer za-
ken doet dan het Parquet. De Coulisse doet
hoofdzakelijk „handel op tijd", en hoewel ook
de kassahandel niet is uitgesloten, wordt toch
de vereffening meest door het Parquet tot stand
gebracht. Hoewel de Coulisse volgens de wet
eigenlijk ongeoorloofd is, wordt zij toch steeds
geduld.
Behalve in Parijs hebben de ambtelijke ma-
kelaars nog in 6 andere Fransche steden zich
als Parquet georganiseerd. De borgstelling is
hier kleiner (10,000 a 40,000 franc).
Voor de toelating van waarde-papieren tot ver-
handeling op de Beurs moet de syndicale-kamer
der ambtelijke makelaars de toestemming geven.
Op de Fransche produkten-beurs is bij de
wet van 1866 de handel vrijgesteld. Toch kun-
nen de aangestelde makelaars (courtiers de mar-
chandises) onder zekere omstandigheden ook
hier veel invloed uitoefenen, o. a. op koersno-
teeringen enz.
In Londen vindt men behalve een steenkolen- en
een graanbeurs, ook de Rotjal Exchange, of de beurs
van alle handelswaren en voor den wissel- en geld-
handel. Doch bovenal verdient de Londensche
effectenbeurs (Stock Exchange) de aandacht. Als
bestuur van deze instelling fungeert een jaar-
lijksch door en uit de leden der Effecten-Socie-
teit gekozen commissie, het „Committee for ge-
neral purposes". Hoewel geheel van de Regee-
ring onafhankelijk heeft toch de Londensche
beurs een buitengewoon strenge controle op de
leden, veel strenger zelfs dan in de staten van
het vasteland. Elk, die in genoemde effecten-ver-
eeniging wil opgenomen worden, moet door drie
leden, welke op zijn minst vier jaar lid zijn en
steeds in zaken hun plichten hebben vervuld,
worden voorgesteld. Verder zijn de voorstellers
verplicht ieder tot 500 £ voor den door hen
voorgestelde te betalen, als hij binnen 4 jaar
failleert. Voor degenen, die 4 jaar of langer
bediende van een lid zijn, is de toetreding iets
gemakkelijker. Terwijl bankroetiers geweerd
worden, kan aan leden der beurs, die geheel bui-
ten hun schuld bankroet zijn gegaan, het recht
gegeven worden op de beurs nog voort te gaan
met het doen van zaken.
Zoo zijn er een tal van bepalingen gemaakt,
om zekerheid en vertrouwen te geven aan den
beurshandel. Zelfs is er het verleenen van licht-
vaardig crediet strafbaar gesteld. Wij zul-
len deze verordeningen niet verder bespreken,
doch verwijzen hen, die belang hebben hierover
meer te weten, naar K. E. Melsheimeu and
W. Lauiience, The law and customs of the Lon-
don Stock Exchange,
Londen 1879.
De effectenbeurs te New-York is, evenals die
te Londen, eene onafhankelijke private instel-
ling. Het ledental is hier beperkt, en
het lidmaatschap kan verkocht worden, evenals
dat van het Parquet aan de Parijsche beurs. Wie
als medelid nieuw opgenomen wordt, zonder de
plaats van een oud lid gekocht te hebben, moet
een entree van 10.000 dollars betalen; ingeval
hij de plaats heeft gekocht 500 dollars. De verorde-
ningen zijn in Amerika niet zoo streng als te
Londen. Ook op de andere beurzen te New-
York en in de groote steden van Noord-Ame-
rika is het aantal leden meestal beperkt, terwijl
het lidmaatschap verkocht kan worden.
In Nederland heeft de Amsterdamsche beurs
de grootste internationale beteekenis. Aanvanke-
lijk kwamen hier de kooplieden op de open straat
samen om zaken te doen bij de Nieuwe brug, of met
regenachtig en guur weder in de Warnioesstraat
bij de St. Ölofspoort, waar men dan op de stoepen
der huizen onder de luifels stond. Des winters
werd ook beurs gehouden in de Oude kerk. Reeds
in het laatst der 15de eeuw was hier de beurs
bekend. Nadat men, van de open straat, de beurs
naar een gebouw op het Damrak bij de Oude
brug verplaatst had, werd in 1608 met de stichting
van een bepaald daarvoor ingericht gebouw aan-
gevangen, aan het eind van het Rokin op den
Vijgendam. Dit gebouw was in 1613 gereed.
In 1668 werd deze Beurs vergroot en bleef ver-
volgens bestaan tot 1845, toen zij door de tegen-
woordige vervangen werd. De telkens gemaakte
-ocr page 22-
14                                                                  HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
plannen om een nieuwe beurs te bouwen, kwa-
ïiicii tot nog toe niet tot uitvoering.
Het bestaande reglement op de Effectenbeurs
te Amsterdam is in 1876 vastgesteld door de
Vereeniging voor den Effectenhandel te Amster-
dani, en verving de destijds bestaande regle-
ïnenten van het «Beurscomité voor Publieke
fondsen en van de Effecten-Sociëteit, die beide tege-
lijkertijd in genoemde Vereeniging werden op-
gelost. Het bestuur van genoemde Vereeniging
draagt zorg voor de officiëele prijsnoteering der
effecten.
In Nederland heeft men nog eene Effecten-
beurs te Rotterdam; verder minder omvangrijke
graanbeurzen of beurzen voor andere afzonder-
lijke handelsartikelen in verschillende steden.
De belangrijkste beurzen voor den effecten-,
wissel- en geldhandel zijn wel die van Londen,
Amsterdam, Parijs, Frankfort, Berlijn, Weenen,
Antwerpen, Brussel
en New-York. De Londen-
sche Beurs is zeker de toongeefster op de
geld- en fondsenmarkt; zij heeft den grootsten
omvang, terwijl leeningen van alle landen hier
verhandeld worden. Doch ook de Amsterdam-
sche effecten-beurs blijft van grooten invloed
op den effecten-handel, waartoe de groote kapi-
talen, welke Nederland bezit, en die niet altijd
met voordeel in den goederenhandel belegd kun-
nen worden, aanleiding geven.
De Frankforter beurs was vroeger voor den
effecten-, wissel- en geldhandel in Duitschland
de voornaamste, doch vindt in den laatsten tijd
een mededingster in de zich sterk uitbreidende
Berlijnsche beurs. Op beide beurzen vinden
bovenal de Duitsche staats-, bank-, industrieele-,
handels* en spoorwegeffecten, die weinig naar
het buitenland gaan, een ruime markt, terwijl
er ook vele buitenlandsche fondsen worden om-
gezet. Voor den wissel- en geldhandel zijn beide
belangrijk.
De Parijsche beurs komt als geldmarkt de
Londensche nabij, doch is voor den effectenhan-
del niet van die beteekenis als de beurzen te
Amsterdam en Frankfort. In de Fransche staats-
schulden en aandeelen in Fransche industriëele
ondernemingen, welke weinig naar het buiten-
land gaan, heeft die beurs veel omzet; voor Turk-
sche, Egyptische, Spaansehe, Italiaansche en
soms ook voor Oostenrijksche en Russische fond-
sen geeft zij den toon aan.
De New-Yorksche effectenbeurs verhandelt
hoofdzakelijk Amerikannsche fondsen. Door de
vele Amerikaansche spoorwegaandeelen en obli-
gatiën, welke in den laatsten tijd de Europeesche
markten overstroomen, is deze beurs voor Europa
van groot belang. Als geld- en wisselmarkt
bekleedt de New-Yorksche beurs een eerste
plaats en oefent zij grooten invloed uit op den
koers van wissels en geld in Europa.
De Brusselsche beurs verhandelt vele Belgi-
sche effecten ; de Weener effectenbeurs hoofd-
zakelijk Oostenrijksche. Door den geld- en
wisselhandel hebben zij echter meer internatio-
nale beteekenis.
De Hamburger beurs, een der oudste van
Duitschland (van 1558), heeft als effectenbeurs
weinig invloed naar buiten. Goederenhandel en
scheepsbeweging zijn hier hoofdzaak, terwijl zij
als geld- en wisselmarkt van meer belang is, een
gevolg van den grooten goederenhandel van
deze stad.
§ 14. Handelspolitiek en handelstractaten.
De handel, de nationale zoowel als de inter-
nationale, is in den loop der eeuwen geenszins vrij-
gelaten. De aardoppervlakte was steeds verdeeld
in steden, provinciën, staten enz., ieder met een
eigen heerschappij, met eigen belangen en met
verschillend denkende en handelende besturen.
Dit alles had ten gevolge, dat men binnen deze
grenzen de bewoners, door wetsbepalingen of vrij-
heidsbeperkingen, voordeelen trachtte te ver-
schaffen boven die van buiten. Nu werd de
eene, dan de andere bepaling daarvoor uitge-
vonden. Doch ook eveneens voerden regeerin-
gen of vorsten uit eigenbelang, uit strategische
beginselen, nl. met het doel om een vijandelij ken
staat te treffen, ot ook wel om enkele takken
van industrie te verheffen, verbodsbepalingen of
beperkingen in tegen het vrije verkeer.
Zoo ontstonden er uitvoerpremiën en invoer-
rechten, differentieele rechten, doorvoertollen,
handelsverdragen enz. Ook het verwerven van
koloniën kan men als een middel beschouwen,
om aan eenig rijk bepaalde handelsvoordeelen
te verzekeren.
De verordeningen, handelingen en verdragen
van een staat ten opzichte van den handel met
het buitenland, kan men in het algemeen wel
zijn „handelspolitiek" noemen.
In de middeleeuwen, met hare vele bijna zelf-
standige steden of kleine staatsgebieden,"had de
handelspolitiek meestal een beperkt of locaal ka-
rakter. Doch de moderne handelspolitiek is
hoofdzakelijk ontstaan met de groote, geconcen-
treerde staten van onze eeuw, waardoor locale
rechten, bepalingen en afsluitingen zijn opgelost
in groote, nationale beginselen. In Duitschland
is zelfs het „Zollverein" of de eenheid van tollen,
de Duitsche staatseenheid voorafgegaan.
De handelspolitiek, om door tollen en verbods-
bepalingen, de bewoners van een land te be-
voorrechten, was in de oudheid niet zeer ont-
wikkeld. De hfindelspolitiek der Phoeniciërs,
der Karthagers en der Atheners berustte hoofd-
zakelijk op hun aktief optreden in het buiten-
land, alsmede op hun kolonisatie. In het uitge-
breide Romeinsche wereldlijk, werd de handel der
voornaamste cultuurlanden reeds tot één binnen-
-ocr page 23-
16
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
De jongste beperking van den vrijen handel in
genoemde landen is meestal ingevoerd onder de
fraaie leus, den nationalen arbeid te beschermen,
doch diende feitelijk, om de schatkisten dier Rij-
ken te stijven door hooge invoerrechten op
enkele veelgebruikte produkten. In Duitschland
wist Von Bismarck aldus de verhooging der in-
voerrechten op buitenlandsch graan en vee en op
buitenlandsch ijzer en linnen te doen aannemen
in den Rijksdag, in naam om den nationalen
landbouw en de nijverheid te bevorderen. Deze
politiek is evenwel door Bismarcks opvolger,
den Rijkskanselier Caprivi, gelukkig verlaten.
Vele invoerrechten werden hier weer verlaagd
en in Februari 1892 traden nieuwe, vrijzinnige
bepalingen in Duitschland in werking.
De wederzijdsche handelsbetrekkingen van de
volken worden tegenwoordig meestal geregeld
door internationale verdragen tusschen de sou-
vereine staten, handelsverdragen genoemd. Der-
gelijke sociaal-commercieele staatsverdragen zijn
er in deze eeuw vele gesloten. Zij zijn zoowel
bestaanbaar met het beschermend" als met het
vrijhandelstelsel. De uitdrukking, waarmede
de meeste handelsverdragen aanvangen: „pleine
et entiêre liberté de commerce", „volledige en
algeheele handelsvrijheid", welke op het begin-
sel van vrijhandel schijnt te wijzen, heeft hier
een andere beteekenis, en bedoelt, dat er geen
verbodsbepalingen van invoer en uitvoer ge-
maakt mogen worden, uitgezonderd om gezond-
heidsredenen of andere bepaalde gevallen. Een
algemeen gebruikte clausule in de meeste der
handelsverdragen is deze, dat de eene contrac-
tant bij den andere alle voorrechten zal ver-
krijgen, j,die aan de meest begunstigde natie
worden toegestaan."
De handelsverdragen tusschen de staten wor-
den meestal voor 12 jaar gesloten. Niet alle
handelsverdragen bevatten bepaalde regels om-
trent de invoerrechten, maar vele zijn zoo ingericht,
dat het tarief der meest begunstigde natie er-
kend wordt. Gedurende het tijdperk van het
verdrag heeft dus de internationale handel tus-
schen de verbonden staten veel vastheid en staat
hij niet. aan schommelingen van tarieven bloot.
De 19de eeuw is de eeuw der collectieve in-
ternationale handelsverdragen. Reeds het con-
tinentale stelsel van Napoleon I, hoewel uit krijgs-
kundige en politieke beginselen voortvloeiend,
kan als een collectief handelsverbond tusschen
de Europeesche staten worden beschouwd. Het
Duitsche „Zollvereinsvertrag" van 1833, waardoor
de tolgrenzen der kleine Duitsche staten geleide-
lijk werden opgeheven, is eveneens een collectief-
verdrag.
In 1860 wist de Engelsche vrijhandels-agitator
Cobden een Engelsch-Fransch handelsverdrag
tot stand te brengen. In Engeland leidde dit
tot bijna volkomen vryheid, in Frankrijk tot
handel vereenigd, en de buitenlandsche handelspo-
litiek trad daardoor op den achtergrond. Evenwel
gedurende de ontwikkelingsperiode van dit Rijk
kan men zeegen, dat de handelsnaijver d_. koop-
lieden te Rome niet zelden het grondbeginsel
was van de politiek der stad, o.a. tegen Karthago.
De bekende uitspraak van Cato, „ceterum cen-
seo Carthaginem esse delendam", waarmede deze
op de verwoesting dier stad aandrong, was ge-
deeltelijk de uitdrukking van handelspolitiek.
Gedurende de middeleeuwen had de handelspo-
litiek van de handelssteden Pisa, Genua en Venetië
ten opzichte van de Middellandsche Zee-landen en
van het Oosten hoofdzakelijk ten doel, om door
krijgsmacht en diplomatieke behendigheid invloed
te verkrijgen. Hetzelfde moet gezegd worden van
het Hanze-verbond in den tijd van zijn bloei.
Beschermende rechten, invoerrechten en verbods-
bepalingen van invoer bestonden gedurende dien
tijd wel enkele in de steden-republieken, doch
dergelijke maatregelen hadden op een beperkt
gebied weinig algemeene beteekenis. Eerst in
de groote staten van de nieuwe geschiedenis
konden die bepalingen algemeenen econoinischen
invloed verkrijgen.
De ontwikkeling van groote staten tot geor-
ganiseerde nationale lichamen in de 17de eeuw
bracht ook mede, dat de belangen van een groo-
ter geheel tegenover het buitenland behartigd
konden worden. Een gevolg hiervan was de
ontwikkeling van nationale handelsstelsels, met eene
reeks van economische", nnancieele- en andere
maatregelen en verordeningen. Daarbij kwam
nog de invloed van het toen als juist erkende
mercantiele stelsel, hetwelk uitging van het be-
ginsel, dat de rijkdom van een volk is af te
meten naar de hoeveelheid edel metaal, welke
onder dat volk circuleert. Was het wonder, dat
men bijna in elk land middelen beraamde, om
het geld en edel metaal binnen de grenzen te
behouden, en tot dat doel het vrije verkeer met
het buitenland op allerlei wijzen belette V
. Wij mogen hierbij niet verder stilstaan. Wij
wijzen er enkel op, dat de reactie tegen de
maatregelen van het mercantiele stelsel en van
de bescherming van den nationalen arbeid, op
den grondslag der leer van den Engelschen
staathuishoudkundige Adam Smith tot de leer
van het vrijhandelstelsel leidde, welke in het
midden van deze eeuw in de meeste Europeesche
staten werd gehuldigd en ingevoerd. Groot-Bri-
tannië stond hierbij in de voorste rij en andere
staten volgden meer of minder spoedig.
Evenwel werd de vrijhandel gedurende de
laatste jaren in Duitschland en Frankrijk, alsook in
Oostenrijk en Italië, weer beperkt, en hoorde men
van tijd tot tijd ook in Nederland stemmen op-
gaan voor de vroeger zoozeer afgekeurde be-
scherming. Gelukkig evenwel in ons land nog
zonder resultaat.
-ocr page 24-
16
HANDELS-AAEDRIJKSKUNDE.
beperkte vrijheid van handel. Op den grond-
slag van dit verdrag is het zoogenaamde systeem
der West-Europeesche handelsverdragen ont-
staan. Door wederzijdsche tariefverdragen wa-
ren successievelijk de meeste staten van West-
Europa onderling verbonden geworden en vorm-
den zij gezamenlijk een handels-verbond
met gematigde tarieven van invoerrechten en
een verhoogd generaal-tarief voor hen, die daar
buiten stonden.
Dit stelsel heeft de handelspolitiek van Europa
tot op onzen tijd hoofdzakelijk beheerscht. Alleen
was er na 1880, zooals wij zeiden, bij den afloop
der verdragen in verschillende staten, een stre-
ven om bij het aangaan van het nieuwe ver-
drag de invoerrechten te verhoogen.
Zoo duurde het voort tot 1 Febr. 1892, toen
de verdragen weder waren afgeloopen. Nu be-
sloot Frankrijk, misschien wel om Duitschland
eenigszins te treffen, zijn handelstraktaten op
te zeggen, en het voerde twee tarieven van in-
voer in, een hoog en een laag tarief. Het laatste
zou zijn voor hen, met wiejYankrijk nog weder
traktaten sloot van tarieven op den voet der
meest begunstigde natie. Doch aangezien dit
laagste tarief nog aanzienlijk hooger was dan
de oude invoerrechten, was geen staat bereid
tegen zulke geringe voordeden nieuwe traktaten
met Frankrijk te sluiten. Daardoor kwam Frank-
rijk geheel buiten de verdragen.
Duitschland trok hiervan partij. Reeds langen
tijd ging Duitschland zwanger van het plan,
om het politiek drievoudig verbond van het
Duitsche Rijk met Oostenrijk-Hongarije en Italië
door een nadere vereeniging ook op handelsgebied
te bevestigen. Met dit doel werden in December
1891 tusschen Duitschland, Oostenrijk-Hongarije
en Italië tariefverdragen gesloten, welke ten doel
zouden hebben, „gedurende langeren tijd een
vasten grondslag voor de bevordering van het
wederzijdsch ruilverkeer van bodem- en industrie-
voortbrengselen te leggen, en tegelijkertijd ge-
schikte aanknoopingspunten voor het tot stand
brengen van handelsverdragen met andere staten
te verkrijgen."
Op die wijze kwam het „stelsel der Middel-
Europeesche handelsverdragen",
zooals men het wel
genoemd heeft, tot stand. Sedert 1 Febr. 1892
traden deze verdragen in werking en zij zijn
voor 12 jaren geldig. In de eerste plaats zijn
zij gesloten tusschen Duischland, Oostenrijk-
Hongarije, Italië, Zwitserland en België. Neder-
land heeft met Duitschland een handelstraktaat,
waarbij beide landen elkander een behan-
deling op den voet der meest begunstigde
mogendheid hebben toegestaan.
Frankrijk staat dus sedert 1891 bijna alleen
en buiten de handelsverdragen met andere natiën.
Zwitserland weigerde in 1892 weer een verdrag
met Frankrijk te sluiten. Ook Nederland heeft
het handelsverdrag met Frankrijk opgezegd. Met
Spanje, dat zeer hooge invoerrechten heft, heeft
Frankrijk slechts een voorloopige overeenkomst
gesloten. Frankrijk en Portugal zetten echter
de grenzen volgens verdrag vrij voor elkander
open.
In de Vereenigde Staten van Noord-Amerika
is in 1891 de Mac Kinley-wet goedgekeurd,
welke hooge invoerrechten op de dagelijksche
levensbehoeften stelt. Evenwel heeft deze wet
reeds ontevredenheid in dat Rijk verwekt, zoodat
de Republikeinen, welke haar hadden doorge-
dreven, bij de volgende verkiezing de nederlaag
leden tegen de Democratische partij, welke een
meer vrijzinnige handelsstaatkunde is toegedaan.
In denzelfden zin werd er ook beslist door de
presidentskeuze van 1892.
Nederland heeft handelsverdragen met ver-
schillende landen gesloten. Hiervan zijn o. a.
de verdragen met Spanje, Portugal en Rumenië
afgeloopen, doch naar wij meenen zijn de onder-
handelingen met deze laatste landen tot nieuwe
overeenkomsten nog voortgezet, zoodat weldra
de bekrachtiging door de Staten-Generaal van
nieuwe verdragen met die landen kan verwacht
worden.
§ 15. Behartiging der handelsbelangen
door de regeering in den vreemde. Consuls
en consulaire ambtenaren.
Om de belangen
van den handel en de scheepvaart in het buiten-
land te behartigen zijn door de meeste regee-
ringen verschillende bepalingen gemaakt, en amb-
tenaren aangesteld. In Nederland is de tweede
afdeeling van het Ministerie van Buitenlandsche
Zaken gewijd aan Handelspolitiek en Consulaire
zaken. Hiertoe behooren o.a. de behartiging der
Nederlandsche handels- en scheepvaartbelangen
in en met betrekking tot het buitenland, waartoe
o.a. gerekend worden: a. de zorg voor de naleving
der bestaande verdragen en overeenkomsten ter
verzekering van die belangen; b. het sluiten van
nieuwe verdragen en overeenkomsten, voor zoo-
veel noodig na voorbereiding der deelneming van
Nederland aan internationale congressen en con-
ferentiën, nopens onderwerpen, welke met handel
en scheepvaart in verband staan; c. het
verstrekken van inlichtingen aan en omtrent het
buitenland op het gebied van tariefwetgeving,
landbouw, fabriekswezen, spoorwegwezen, zee-
wezen, quarantaine-maatregelen enz.; d. de rege-
ling van, en het toezicht op den consulairen dienst.
Onder consuls verstaat men tegenwoordig in
het algemeen de ambtenaren, die over de rechten
van vreemdelingen waken en hun zoo noodig
bescherming verleenen. In dit geval zijn zij
aldus gevolmachtigde ambtenaren, die de regee-
ring, door welke zij benoemd zijn, vertegen-
woordigen. Bovenal is hun in de meeste landen
de bewaking, de bevordering en de bescherming
-ocr page 25-
17
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
der handelsbelangen opgedragen. Ook is den
consul een zekere rechtsmacht toegekend, terwijl
in nagenoeg alles, wat de scheepyaart-politie
betreft, schippers en scheepslieden aan zijn uit-
spraak onderworpen zijn. Verder 1 >ezit hij meestal
verschillende ambtelijke bevoegdheden, die voor
de onderscheidene rijken niet gelijk zijn. Even-
wel het grondbeginsel der consulaire inrichtingen
stemt bijna overal overeen.
De taak der consulaire ambtenaren in Neder-
land is geregeld bij het Koninklijk Besluit van
27 Juni 187-1. Hierin wordt de taak der consu-
laire ambtenaren omschreven, welke hoofdzakelijk
daarin bestaat, dat zij de Nederlanders in don
vreemde, en dus bovenal hen, die betrokken zijn
bij handel en scheepvaart, met raad en daad
moeten bijstaan. Verder moeten zij de aandacht
vestigen op alles, wat zou kunnen strekken om
de handels- en scheepvaartbetrekkingen van Ne-
derlarid en hare Overzeesche Bezittingen met het
buitenland uit te breiden. Daarvoor dienen ook
de Consulaire Verslagen en Berichten, welke in
druk verschijnen en a 5 cent (ƒ3,00 per jaar)
verkrijgbaar zijn. De consuls geven inlichtingen
omtrent den handel en liet bedrijf in de ver-
schillende streken, waar zij zich ophouden.
De consuls zijn verdeeld in rangen. De consul-
yeneraal
is voor een geheel land of district aan-
gesteld. Hij heeft meestal consuls, cice-eonsuh en
consulaire aycnten onder zich, die voor kleiner
gebied aangesteld zijn en lager in rang staan.
In de meeste handelssteden van Europa heeft
Nederland consulaire ambtenaren gevestigd. De
Staatsalmanak geeft de namen en woonplaatsen
der vreemde consuls in Nederland en der Neder-
landsche in vreemde handelssteden jaarlijks op.
§ 16. Voorwaarden voor de toelating van
Nederlanders in vreemde landen. De handel
heeft ten gevolge, dat een tijdelijk verblijf in
vreemde landen dikwijls noodzakelijk is. Daarom
deelen wij de voorwaarden mede, waaronder
die toelating van Nederlanders geschiedt.
In het algemeen kan men wel zeggen, dat
voor de toelating legitimatie-papieren of paspoor-
ten noodig zijn. Doch in eenige staten is
dit voor de Nederlanders afgeschaft. De staten,
waar voor de Nederlanders de paspoorten zijn
afgeschaft, zonder dat daarbij eenige regels zijn
gesteld voor hunne toelating of legitimatie, zijn
de volgende: Frankrijk, België, Groot-Britannië,
Duitschland, Oostenrijk-Hongarije, Zweden en
Noorwegen, Italië en Denemarken. Het wordt
echter den reizigers in hun belang en ter voor-
koming van vergissingen aanbevolen zich van
eenig stuk te voorzien, waaruit desnoods hunne
identiteit kan blijken.
In Zwitserland is ieder geschrift, door de be-
voegde macht in het vaderland van den houder
afgegeven en zijn signalement inhoudende, on-
geviseerd reeds voldoende voor de toelating.
In Spanje moeten reizigers voorzien zijn van
andere papieren tot legitimatie van hun persoon
en van het doel hunner reis; zij kunnen even-
wel ook zonder papieren worden toegelaten
op hun verklaring, gestaafd door twee bewoners.
Voor Rusland wordt een door de legatie
geviseerd paspoort vereischt, met opgaaf van
signalement. Voor Rumenië, Turkije, Bulgarije
en Griekenland wordt een geviseerd paspoort
gevorderd. In Portugal wordt mede een pas-
poort gevorderd, doch is het gewone visa
afgeschaft.
§ 17. Intercontinentale en interoceanische
wegen voor den wereldhandel. De wereld-
handel vormt de verbinding van landen, welke
de produkten of waren leveren, met die, welke
ze noodig hebben. Daardoor vormen niet enkel
de steden, maar eigenlijk de centra van productie
en consumtie de eindpunten der handelswegen.
De handel heeft de gemakkelijkste en voor-
deeligste wegen gezocht, om de plaatsen van
productie en consumtie te verbinden. Aldus
zijn de wegen voor den wereldhandel ontstaan,
waarlangs de aanzienlijkste hoeveelheden goe-
deren vervoerd worden. Die wereld-handels-
wegen zijn gedeeltelijk landwegen, gedeeltelijk
zeewegen.
De belangrijkste intercontinentale wegen voor
het handelsverkeer zijn de volgende:
I.     Van Noord-Europa (Londen, Hamburg,
Nederlandsche en Belgische havens) over Berlijn
en Moskou naar Noord-Azië. Eerst zijn het
spoorwegen, in Noord-Azië worden die door kara-
vanen-vervoer vervangen.
II.     Van Noord-Europa door Duitschland en
Oostenrijk over de Zwarte Zee of Konstantinopel
naar Voor- en Midden-Azië. Eerst spoorwegen
en rivierscheepvaart; verder zeevaart, en in
Azië, uitgezonderd kleinere afstanden, meest
karavanen-vervoer. De noordelijkste dezer richtin-
gen gaat den Donau afwaarts naar de Zwarte Zee,
over de Zwarte Zee naar Poti, met den Tifiis-
spoorweg van hier naar Tiflis, Baku enz., en
verder naar Perzië. De zuidelijkste dezer routes
gaat met de Turksche spoorwegen naar Konstan-
tinopel, over den Bosporus naar Skutari, om
vervolgens de Klein-Aziatische karavanen-wegen
te bereiken.
III.     Van Midden-Europa (Havre, Parijs, Bor-
deaux) door Duitschland en Rusland naar Noord-
Azië over Moskou.
IV.     Van Noord-Europa door Duitschland en
Oostenrijk (Triest) over de Middellandsche Zee
naar Alexandrië, Suez enz.
V.     Van Noord-, West- en Middel-Europa
door Frankrijk over Marseille of door Duitschland,
Zwitserland en Italië over Brindisi naar de Levant.
-ocr page 26-
18
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
VI.     Zeer belangrijk is de route over Suez
door de Roode Zee naar Azië en over Point de
Galle naar Calcutta, China, Japan, den Neder-
landsch-Indischen Archipel en Australië.
VII.     De groote Chineesch-Russische landweg
van Tienlsin (bij Peking in China) door Mongolië
over Uraa, verder door Siberië over Kiachta,
Irkutsk, Krasnojansk, Tomsk, Omsk, Jekaterineiu
burg
en verder door Europeesch Rusland. Ge-
deeltelijk is deze weg in Azië karavanen-weg,
gedeeltelijk riviervaart. Deze weg is de grootste
landweg der aarde, die de golf van Petschili in
het oosten, met de Newa in het westen verbindt.
De interoceanische wegen voor den wereld-
handel verbinden twee hoofdzeeën. Als zoodanig
kan men o. a. beschouwen:
1.     Het kanaal van Suez tusschen den In-
dischen Oceaan met de Roode Zee en de Mid-
dellandsche zee.
2.     De verbindingswegen tusschen de ooste-
lijke Middellandsche Zee en de Perzische golf,
over Beirut, Damaskus en Bagdad, of van Skutari
naar Bagdad. Beide zijn eerst karavanen-wegen
en verder is het riviervaart, den Tigris en de
Schat-el-Arab af naar de Perzische golf.
3.    In de Vereenigde Staten van Noord-Amerika
werd in 1869 de eerste Pacific-spoorweg voltooid,
waardoor de Atlantische Oceaan en de Groote
Oceaan verbonden werden door een lijn van
Omaho naar San Francisco, een afstand die door
den sneltrein in 5\'/i dag wordt afgelegd, terwijl
vroeger de post er 25 dagen voor noodig had.
Nog drie andere Paciticlijnen, 1 noordelijke en
2 zuidelijke, zijn sedert tot stand gekomen.
In Midden-Amerika is de verbinding tusschen
de Oceanen tot stand gebracht door een spoorweg
over de landengte tusschen Asjiiniral en Panama.
Door de Pacific-lijnen bovengenoemd is het ver-
voer langs dezen weg zeer afgenomen.
§ 18. Middelen van handelsverkeer. A. Spoor-
wegen. Vroeger had de groote handelsbeweging
hoofdzakelijk plaats te water, zoodat vóór deze
eeuw de scheepvaart nog het eenige middel
was, om groote vrachten over verre afstanden
tegen billijke kosten te vervoeren. De negen-
tiende eeuw heeft door den aanleg van spoor-
wegen een groote omkeering gebracht in het
wereld verkeer, zoodat thans het vervoer zoowel
te land als te water plaats heeft.
De omvang van de spoorwegverbindingen ge-
ven wij in absolute cijfers en in vergelijking
tot de oppervlakte des lands en der bevolking.
De cijfers gelden voor 1888, en hoewel deze
thans een weinig gewijzigd zijn, heeft dat toch
geen invloed van belang op dit overzicht.
Landen:
I. Europa.
Kiluni. spoor-
tregtengte op
het eind van
18SS.
spoorweg"
lengte op
KW K.M.2
oppervlakte
1888.
40826
24332
5350
2325
1473
1414
1457
4475
25731
31897
35264
29420
12352
4828
2610
2974
9669
1913
1969
1562
7527
526
2475
670
1649
214252
7,6
7,0
7,0
15,5
7,6
9,4
10,0
8,6
3,8
10,1
6,7
0,5
4,2
16,4
8,0
7,2
1,9
2.1
5,1
0,5
1.7
1,1
1,9
lfi
2,2
Duitsche Rijk . .
Pruisen......
Beieren......
Saksen ......
Wurtemberg . . .
Baden .......
Elzas-Lotharingen
Overige Duitsche
Staten......
Oostenrij k-Hongarij ë
Groot-Brit. en Ierl.
Frankrijk......
Rusland en Finland
Italië.........
België 0.......
Nederl. (voor 1890).
Zwitserland.....
Spanje........
Portugal.......
Denemarken.....
Noorwegen.....
Zweden.......
Servië........
Rumenië.......
Griekenland.....
Europeesch Turkije
Europa........
II. Amerika.
Vereen. Staten van
Noord-Amerika. .
Britsch Noord-Am.
Overige Staten . . .
IEL Azië.
Britsch-Indië ....
Japan ........
Overige Staten . . .
2,7
0,2
251292
20442
32271
0,6
0,3
18550
426
2107
Het bovenstaand overzicht leert ons, dat
België, wat de lengte der spoorwegen in ver-
gelijking tot de grootte des lands betreft, boven-
aan staat. Daarop volgen Saksen, Groot-Bri-
tannië en Elzas-Lotharingen.
In vergelijking tot de bevolking verkrijgt
men een andere rij. België toch heeft een
zeer dichte bevolking, en daardoor wordt het
achteruitgeschoven in deze volgorde. Daar echter
de spoorweglengte en niet het vervoer is ge-
rekend, blijkt uit het eerste duidelijker de
dichtheid van de spoorwegen in een land.
-ocr page 27-
LDRIJKSKUNDE.                                                                 19
der dagbladpers, die ook op het gebied van
den handel uitvoerige berichten en correspon-
dentiën verbreidt, is in dezelfde richting werkzaam.
De post- en telegraphie wordt meestal van
staatswege ingericht en beheerd. Met de groote
onderzeesche telegraafkabels is dit echter niet
het geval. De groote trans-oceanische telegraaf-
kabels zijn meest in bezit van particuliere
vennootschappen, terwijl de kabels in de klei-
nere randzeeën meer aan de aangrenzende sta-
ten behooren.
De eerste kabel, die Europa met Amerika
telegraphisch verbond, is van Valentia in Ierland
naar New-Foundland gelegd. Hij kwam in Aug.
1858 gereed, doch was slechts tot 1 Sept. d. o. v.
bruikbaar. Eerst in 1865 werd de zaak op nieuw
ondernomen, en eindelijk met beter gevolg.
Thans bestaan hier reeds 10 kabels, die naast
elkander geln-uikt worden.
De Eastrrii Telegraph Company is een der
grootste kabel-vennootschappen, die verschillende
kabels in de Middellandsche Zee, den Indischen
Oceaan enz. bezit. Verder zijn bekend de Eas-
Um Rrtt\'iision An.strafasion and China Teleyraph
Compan//,
die in den Indischen Oceaan en in de
Australische wateren lange kabels heeft gelegd.
De Anglo American Compan.// heeft verbindings-
kabels tusschen Europa en Amerika gelegd.
De Groote Oceaan vormt nog altijd een af-
breking van het kabelnet om de aarde; de plan-
nen, om kabels van Jokohama naar San-Fran-
cisco en van San-Francisco naar Australië te
leggen, welke van tijd tot tijd zijn ontworpen,
werden tot nog toe niet uitgevoerd.
De totale lengte der telegraafkabels bedroeg
in 1892 236000 kilometer, d. i. een kabellengte,
welke zesmaal aan den aequator oin de aarde
kan gewonden worden.
§ 20. De talen der aarde \'). Voor handels-
gemeenschap moeten de handelaren een middel
hebben, om wederzijdsch de gedachten kenbaar
te maken. De stomme handel, op pag. 11 be-
schreven, is slechts tot enkele stammen in het
eerste stadium van ontwikkeling beperkt geble-
ven. Het middel van geestelijke gemeenschap
is de taal.
De taal is eigenlijk het gebruik van con-
ventioneele teekens, hetzij hoorbare of zicht-
bare, die bepaalde begrippen, gedachten enz.
aanduiden. Elke taal heeft zich ontwikkeld
met het volk, en hierdoor is het aantal talen
zeer groot. Er worden op de geheele aarde meer
dan 1000 talen gesproken. Vele van deze talen
worden echter slechts door eenige duizenden
menschen gebruikt.
\') Wat wij hier over de talen schrijven heeft be-
trekking op liet handelsverkeer en staat dus buiten de
wetenschappelijke beschouwing over de verbreiding der
talen.
HANDELS-AA
B. Scheepvaart. Wegens de goedkoopere
vrachtprijzen neemt het vervoer per schip nog
altijd eene eerste plaats in bij het wereldver-
keer. Vooral voor het vervoer over zeer groote
afstanden is de scheepvaart nog van groot
belang. De scheepsbouw en de inrichting der
schepen heeft een hoogen graad van volkomen-
heid bereikt; de veiligheid op zee en de snel-
heid van vervoer zijn daardoor zeer bevorderd.
De zeilschepen hebben in den laatsten tijd
de concurrentie met de stoomschepen niet kun-
nen volhouden, zoodat het aantal zeilschepen
bijna overal vermindert, dat der stoomschepen
toeneemt. Voor het transport van zware. goed-
koope artikelen, als steenkolen, rijst, granen,
ertsen, hout, wol enz. worden nog altijd zeil-
schepen aangewend, en zullen zij zich kunnen
handhaven, zoolang de prijs der steenkolen, als
tegenwoordig, het gebruik van stoom duur maakt.
Volgens de zeer vertrouwbare opgaven \'van
het bureau Veritas bestond de handelsvloot der
geheele aarde in 1892 uit 27044 zeilschepen
en 12103 stoomschepen. De gezamenlijke inhoud
der zeilschepen bedraagt 9475670, die der stoom-
schepen bijna evenveel, nl. 9159008 register-
tonnen ^). Hierbij moet men in het oog houden,
dat dezelfde tonnen inhoud van stoomschepen
een grooter effectief vervoervermogen hebben
dan die der zeilschepen, daar de stoomschepen
sneller vervoer geven. Daarom kan men in
het algemeen 1 ton van een stoomschip met
een vervoervermogen van 3 ton van een zeil-
schip gelijkstellen, en hiermede moet rekening
gehouden worden bij het vergelijkend overzicht.
Groot-Britannië staat bovenaan op het gebied
der scheepvaart. Meer dan de helft (54°/o der
tonnen inhoud) der totale scheepsruimte, vaart
onder Britsche vlag (± 158000 schepen).
Daarop volgen in afdalende reeks Duitschland,
de Vereenigde Staten, Noorwegen, Frankrijk,
Italië, Spanje, Rusland, Nederland en vervol-
gens Zweden, Denemarken en België. De Ne-
derlandsche koopvaardijvloot bestaat thans uit
672 zeilschepen met 173145- en 196 stoomschepen
met 291293 tonnen inhoud.
§ 19. Post en Telegraphie. De goede in-
richting van het postwezen in alle beschaafde
staten heeft het handelsverkeer zeer vergemak-
kelijkt. En gelijk de stoom het vervoer versneld
heeft, is door de telegraaf, en in den laatsten tijd
door de telephoon, mogelijk geworden op de
verste afstanden binnen enkele oogenblikken
zaken te doen. Zoo staan de handelskan-
toren en beurzen der meest verwijderde oorden
voortdurend met elkander in betrekking, en
kan er niets van beteekenis gebeuren of binnen
enkele oogenblikken is het aan de geheele be-
schaafde wereld bekend gemaakt. De uitbreiding
\') Een registerton = 2,83 M3. Zie pag.22 onder Engeland.
-ocr page 28-
20
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
De talen der ontwikkelde volken met veel
handelsverkeer breiden zich hoe langer hoe ver-
der uit, ten minste in dien zin, dat zij meer
algemeen bekend worden, hoewel zij daardoor
nog geenszins de moedertaal verdringen. Zoo
was in de middeleeuwen het Latijn de algemeen
verbreide taal der geleerden in Europa. Een
taal, welke ver over de grenzen des lands nog
veel gesproken wordt, heet wereldtaal.
De meest verbreide taal voor den wereld-
handel is tegenwoordig het Engelsch. Behalve in
Groot-Britannië zelf wordt liet Engelsch gespro-
ken in de Vereenigde-Staten van N.-A., in Britsch-
Noord-Amerika en in Australië, terwijl ook in
Engelsch-Indië het Engelsch de officieele taal is,
die door velen gesproken wordt. Verder kan men
met het Engelsch zich verstaanbaar maken in de
meeste havensteden der aarde. In de Chineesche
havensteden wordt een soort van ha ndels-Engelsch
door de mannen van zaken gesproken (pai-jin
Engelsch). Op vele kustplaatsen van Afrika
wordt het Neger-Engel sch, een bastaardtaai, ge-
sproken.
Het Engelsch is de moedertaal van meer dan
100 mill. menschen, Vis van de bewoners der
aarde.
Op het vasteland van Europa heeft het Franseh
als diplomatieke taal eene groote verbreiding,
doch neemt af in beteekenis. Verder worden
in de meeste landen van Europa eigen nationale
talen gesproken. De Russische taal is ook over
Noordelijk Azië (Siberië) verbreid ; het Italiaansch
(als Lingua Franca bekend) in de Levant, voor-
al te Smyrna.
De Spaansche taal is de meest gesproken taal
in Amerika ten Zuiden van de Vereenigde Sta-
ten, uitgezonderd in Guiana en Brazilië. In dit
laatste land is het Portuyeesch de heerschende taal.
De Duitsche taal wordt door zt 65 mill. men-
schen gesproken. Behalve in Duitschland, een
groot deel van Zwitserland en Oostenrijk, kan
men ook in de Vereenigde-Staten van Noord-
Amerika, waar het Engelsch de hoofdtaal is, op
vele plaatsen met Duitsch terecht, dewijl het
aantal nakomelingen van Duitschers in dat land
zeer aanzienlijk is. Ook in de westelijke ge-
deelten van Rusland verstaat men meestal wel
Duitsch.
De Arabische taal wordt met verschillende
afwijkingen door de Mohammedaansche volken
gesproken. De Maleische talen zijn inheemsen
in den Indischen Archipel bij de inboorlingen.
De Neder/aitdsche taal heeft, in betrekking tot
de grootte van het moederland, eene groote
verbreiding. Behalve in Nederland en in de
Vlaamsche provinciën van België, wordt deze
gesproken of verstaan in de verschillende deelen
van Nederlandsch-Indië en Suriname. In de
Engelsche Kaap-kolonie, den Oranje Vrijstaat en
de Zuid-Afrikaausche Republiek is het Neder-
landsch de taal der oorspronkelijke kolonis-
ten. In de Kaapkolonie wordt in het Par-
lement het Nederlandsch naast het Engelsch
gebruikt; in genoemde republieken is het de
officieele taal. Wegens de vele Engelschen, welke
hier voorkomen, is het voor den man van za-
ken echter wenschelijk Engelsch te kunnen
gebruiken.
§ 21. Vreemde munten, maten en gewich-
ten. De prijzen der waren worden uitgedrukt
in geld; hun hoeveelheid wordt gemeten of ge-
wogen. Daarom is de kennis van de munten,
maten en gewichten in de verschillende landen
van het hoogste belang voor den handelaar, en
mag een overzicht der belangrijkste ook hier
niet ontbreken. Wij geven deze in een overzicht
bij elkander, om er bij elk land in \'t bijzonder
naar te verwijzen.
De veelheid van verschillende munten, maten
enz. in de onderscheidene landen is zeer lastig
voor het internationaal handelsverkeer, en geeft
voortdurend moeielijkheden in de vergelijking
der prijzen en hoeveelheden. Daarom is een-
heid van grondslag eene zeer gewenschte zaak
voor het muntwezen evenals voor de maten en
gewichten.
Wat de maten en gewichten betreft is deze
eenheid reeds gedeeltelijk tot werkelijkheid ge-
worden. In 1875 sloten Ï7 staten de zoogenaamde
internationale meter conventie, tot de oprichting
van een internationaal bureau voor maten en
gewichten op den grondslag van het metrieke
stelsel.
Hierbij sloten zich aan: de Argentijn-
sche Republiek, België, Brazilië, Denemarken,
Duitschland, Frankrijk, Italië, Oostenrijk, Peru,
Portugal, Rusland, Spanje, Turkije, Venezuela,
de Vereenigde-Staten van Noord-Amerika, Zwe-
den en Noorwegen en Zwitserland. Engeland
houdt zich nog steeds op zijn geïsoleerd stand-
punt staande. Echter is ook bij enkele der bo-
vengenoemde staten het metriek stelsel nog niet
ingevoerd.
Het metriek stelsel is ingevoerd in: België,
Duitschland, Frankrijk, Griekenland, Italië, Luxem-
burg, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk-Hongarije,
Portugal, Rumeni\'é, Spanje, Zweden, Zivitserland,
Egypte
en de meeste Zuid-Amerikaansche repu-
blieken.
In vele van die landen zijn daarenboven nog
de oude stelsels en benamingen in gebruik. \'De
voornaamste daarvan worden in het overzicht
opgegeven.
In de muntstelsels heeft men nog niet zoo-
veel internationale eenheid verkregen als bij
de maten en gewichten. De reden hiervan ligt
voor ieder, die met het muntwezen eenigszins
bekend is, voor de hand. Toch hebben in Europa
eenige landen zich ook ten opzichte van het
muntwezen vereenigd tot een gelijksoortig stel-
-ocr page 29-
\'RIJKSKUNDE.                                                                   21
of zoogenaamde dollars a 100 cents; daarbij is
18 ta"\'ls = 25 piasters. Ook Japansche yen ko-
men in het verkeer voor. Te Hongkong heeft
men nog den Hongkong-dollar met een gewicht
van 416 Engelsche troygrains en een gehalte
van 0,9. Maten en gewichten: Vreemde-
lingen gebruiken als lengtemaat den Engelschen
yard en als gewicht 1 picol = 100 kStti = ldSijj
Engelsche <ffi a v d p = 60,479 K.G. (a vdp =
avoir-du-poids = Het handelspond in Eng.)
Chili. Munten: Goud: condoro =^± f 22.60,
halve condoro
of sobtone, en kwart condoro, escudo.
Zilver: 1 p>eso of piaster (= ± ƒ2.40 zilver) =
100 centavos of 1 peso = 8 real es a 4 cuartillos =
1,3725 G fijn goud = 22,5 G fijn zilver.
Het voornaamste betaalmiddel is papiergeld
niet gedwongen koers, dat aanzienlijk gedepre-
cieerd is. In Dec. \'92 is invoering van den
gouden standaard aangenomen. Eenheid is de
dollar of peso ($) a 100 centavas. Stukken van
20 $ (Kondors), van 10 $ (doblonen) en 5 % (escudos).
10 S = 8,136 G van 0,9 = 1 1 sterling in
hoeveelheid fijn. Laatste termijn van intrekking
van papiergeld is 1 Juli 1895. Gewichten: het
Metrieke stelsel. Verder is 1 quintal = 4 arrobas
a 25 libras = 46 KG.
Columbia. Munten: De zilveren peso Co-
lumbiano
(= dr ƒ2.40 zilver) van 100 centavos
is de standaardmunt. Gouden munt: de oma
vrijwel gelijk komende met het 100 francstuk,
(=: rt ƒ 48) en de condor van 10 pesos (= ± ƒ 12).
Gewichten: 1 carga = 10 arrobas a 25 libras =
115 KG.
Cuba. Zie Spanje.
Denemarken. Munt en: In Denemarken, Z\\ve-
den en Noorwegen is in 1872 de gouden standaard
ingevoerd met de kroon (= ƒ 0,662/5) (Zweedsch:
krona, meerv. kronor) a 100 öre als munteenheid.
Tot de standpenningen behooren stukken van
20 en 10 kronen, die beide een gehalte hebben
van 0,9 terwijl 2480 kronen in goudgeld 1 KG.
fijn goud bevatten. Maten: 1 lacst (voor
graan) = 12 tonde a 8 skjaepper a ifjerdingkar
k 2 ottingkar
; 1 tonde = 139,12 Liter. Gewich-
ten: 1 skippund = 20 lispund k 16 pund =
160 K.G.
Duitschland. Munten: In Duitschland is
men, na den oorlog van 1870, begonnen met de
invoering van den gouden standaard. De munt-
eenheid is de Reichs-Mark (R. M.= ± ƒ0.60) zilv.
a 100 Pfennige (Pf.). Tot de standpenningen
behooren stukken van 20 Mark (Doppelkrone),
van 10 Mark (Krone) en van 5 Mark, alle met
een gehalte van 0,9. 2790 Mark in deze goud-
stukken bevatten 1 KG. fijn goud.
Tot de oudere munten, die nog in omloop zijn,
behoort de zilveren Thaler, die in het verkeer op
3 Mark gerekend wordt, en bij uitzondering als
wettig circuleert.
handels-aa:
sel, al dragen die munten in de onderscheidene
landen ook verschillende stempels en nationale
namen. Den 23st(m December 1865 is namelijk
de Latijnsche Muntunie opgericht tusschen
Frankrijk, Italië, België en Zwitserland, en
waarbij in 1868 ook Griekenland zich aansloot.
Al déze landen hebben sedert een muntstelsel,
berustende op den grondslag van de franc.
In de eerstgenoemde vier landen bestond
reeds vóór 1865 een overeenstemming in de
standpenningen; thans werd zij ook op de pas-
munten toegepast. Spanje heeft sedert 1868
wel gemunt volgens het type van de landen
der Muntunie, doch behoort niet tot den bond.
De bepalingen en de werking van de Latijnsche
Muntunie hebben wij niet na te gaan. Alleen
wijzen wij er op, dat in Nov. 1892 te Brussel
een internationale muntconferentie is geopend,
waaraan ook gedelegeerden der Muntunie deel-
namen. Want in enkele landen der Muntunie
beginnen stemmen op te gaan voor de afscheiding.
Dit is o. a. het geval in Zwitserland en in
Frankrijk. Toch is het verdrag der Muntunie
nog weder voor onbepaalden tijd verlengd.
In al de landen van de Latijnsche Muntunie
bestaat de hinkende standaard met de franc (= ±
f 0,50)(Italië lira, meerv. lire, Griekenland drachme)
k
100 centimes (Zwitserland: Rappen; Italië:
centesimi; Griekenland: lepta) als munteenheid.
De gouden standpenningen zijn stukken van 100,
50, 20, 10 en 5 francs. Het stuk van 20 francs
wordt gewoonlijk Louis d\'or, in Duitschland
Napoleon d\'or genoemd. 155 Louis d\'or hebben
een gewicht van 1 K.G. met een gehalte van 0,9.
Tot de zilveren standpenningen behoort het
stuk van 5 francs met een gewicht van 25 gram
en een gehalte van 0,9.
Overzicht van de belangrijkste Munten,
Maten en Gewichten, in de
verschillende landen in gebruik1).
(De landen in alphabetische orde).
Belgiö. Munten. De Latij nsche Muntunie.
Zie boven. Maten en gewichten: het
metrieke stelsel.
Brazilië. Munten: 1 gouden milreis = 1000
reis = 0,8218 G. fijn goud. (Reis, real, van
\'t Lat. regalis = koninklijk.) 1 Reis = f 1,35
goud. Het voornaamste circulatiemiddel is ge-
deprecieerd papiergeld. — 100 milreis goud =
187 milreis papier. Maten en ge wie h-
t e n : het metrieke stelsel.
China. Munten: 1 zilveren ta\'èl = 10 tsién
k
10 fen a 10 li = 33,4 G. fijn zilver = ƒ 3,50
in zilver. Tusschen Europeanen wordt boek
gehouden in Spaansche en Mexicaansche piasters
\') Dit overzicht is grootendeels bewerkt naar Knapper,
Leerboek van het Hatidelsrekenen 2e druk, doch werd
op eenige plaatsen aangevuld of gewijzigd.
-ocr page 30-
22                                                                  HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
Noord-Duitschland. Vóór 1857 bevat-
ten 14 Thaler 1 Keulsch Mark of 233,855 G
fijn zilver; na dien tijd 30 Thaler = 500 G
fijn. 1 Thaler = 30 Silhergroschen a 12 Pfennige.
Tot de gouden munten behoorde de Jfriedrich
(Var
(a 5 Thaler), waarvan 35 stukken uit 1
Keulsch Mark nmntgoud van 21*3 karaat (1 ka-
raat
= \'In) geslagen werden. — Hamburg.
Vroeger rekende men in den groothandel in
Mark-Banco, waarvan 273/4 gelijk gesteld werden
aan 1 Keulsch Mark fijn zilver; in 1868 stelde
591/3 Mark-Banco = 500 G fijn. 1 Mark-Banco
= 16 SchiUinge a 12 Pfennige. — Breinen.
Vroeger rekende men in Thaler louis il\'or a 72
Grot a 5 Schwaren ; de hoofdmunten waren goud-
stukken, louis (Por, waarvan 39r>/,, een Keulsch
Mark
fijn moesten bevatten; na 1857 stelde men
84 louis (Tor = 500 G. fijn. —
Mat en en Gewichten: Het metrieke stel-
sel met de volgende Duitsche namen: Kefte =
DM, Stab = M, (NeujZoll = cM, Strich = mM,
Fass = HL, Scheffel = 1/.> HL, Kanne = L,
Schoppen = 1/.> Li, Pfund (Zollpfundj — %, KG,
(Neujhoth = Ï)G, Centner = 50 KG, Tonne =
1000 KG.1).
Engeland. Munten: In Engeland, Schot-
land en Ierland maakt men gebruik van den
gouden standaard. De munteenheid is het pound
sterling
(£) (= ƒ12) a 20 shillings (S), a 12
pence (dj. Als gouden standpenning draagt deze
eenheid den naam van sorereiyn. Verder be-
hooren tot de in omloop zijnde munten stukken
van 1/., sorereign, 2 sovereign en 5 sovereign.
Vóór 1816 was de munteenheid de guinea, een
goudstuk van hetzelfde gehalte als de sorereign,
doch grooter gewicht, zoodat hij 21 shillings waard
was. Voor prijsbepalingen wordt die nog veel ge-
noemd. Lengtematen: 1 yard = 3 feet a
12 inches a 10 Unes = 0,914 M; ook 1 gard
=
4 quarters a 4 nails; 1 Engelsche mijl (mile)
= 1666-/3 yards. Ruimtematen: Bij scheeps-
bevrachting is de ton (of shippingj = 40 cubic
feet,
en bij scheepsmeting is de regisfer-ton =
100 cubic feet. 1 re.gister-ton = 2,83 M3. Vol-
gens deze maat worden door de vereeniging van
assuradeuren „Lloyds" de schepen geregistreerd;
vandaar de naam register-fon. Inhoudsmaten
voor vaste lichamen : 1 quarter = 2 combs a 4
bushels a 4 peeks a 2 qallons a 2 pottles a 2 quarts
k
2 pints a 4 gills = 290,79 L.; voor
vloeistoffen: 1 tun = 2 pipes of butts a 2 hogs-
heads
a 63 gallons a 4 qarts a 2 pints a 4 gills =
11,45 HL.; ook is 1 tun = 3 punrheons a 2
tierces en 1 pipe = 7 runiets. Gewichten:
1 ton = 20 hunderd-ireights (cwts) a 4 quarters
(qrs) a 28 pound avoir-du-pois (41\' avdp of kortweg
IL\') a 16 onnces (os) a 16 drama (\'drachme) a 3 scrup-
les
a 10 grains avdp — 7000 trou-qrains; 1 18
flw/p = 453,593 G.; 1 w/ = 50,8 KG.; 1
s/one = 14 \'Viavdp, bij vleesch en visch = 8 il\' a«(^.
Gewicht voor edele metalen: 1 trog-pound =
12 onnces (02) a 20 pennyweights {diets) a 24
grains (grs) = 5760 trog-grains = 373,242 G.
Engelsch-Ixdiö. M ii n ten: 1 (eompang\'s) zil-
veren rupee = 16 anna\'s a 12 pie; 100,000 rupees
heeten een lac, 100 lacs heeten een crore en 100
crores een mo«. De rupee bevat 180 Engelsche
trog-grains of 1 Indische tola zilver van "/u fijn.
De vrije aanmunting van zilver in Indië is in
Juni 1893 bij de wet opgeheven, hetwelk direct
een groote daling van den zilverprijs ten ge-
volge had. — Tot de gouden munten behoort de
mohur (van 15 rupees), die hetzelfde gewicht en
gehalte heeft als de rupee. Maten: De guz =
1 Engelsche gard en de cubit = V2 gard wor-
den als lengtematen gebruikt; als inhoudsmaat
voor graan komt voor de kahoon = 40 factorg-
maunas
gewicht. Gewichten: 1 bazarmaund =
40 seers a 16 chittarks a 5 tolas = 100 Engel-
sche trog-® = 37,324 KG.; 1 factorg-maund =
40 seers a 16 chittacks = 33,868 KG. In de
praktijk rekent men 10 bazar-maunds en 3 factory-
maunds
= 2 Engelsche cwts.
FRANKRIJK. Munten: De Latijnsche Munt-
unie. Zie boven. Maten en gewichten:
Het metrieke stelsel. Tot de oude lengtematen
behoort de toise = 6 pieds a 12 pouces k 12
lignes a 12 points, 1 pied — 0,325 M.; tot de
oude gewichten: i livre = 2 mares a 8 onces
a 8 gros a 3 deniers a 24 grains — 489,506 G. —
Bordeaux gebruikt alswijnmaat: 1 tomieau =
4 barriques = 6 tier^ons = 120 reltes; 1 velte =
7,61 L.; 1 barrique of bordelaise of pièce (oks-
hoofd) = 2,28 HL.
Griekenland. Munten: De Latijnsche
Muntunie. Zie boven. Maten en gewichten:
Het metrieke stelsel.
Hongkong. Zie China.
Italiö. Munten: De Latijnsche Muntunie.
Maten en gewichten: Het metrieke stelsel.
Japan. M u n t e n: 1 gen = 100 sen (= ±ƒ2,50).
De gen is D/s G. fijn goud of 24,261 G. fijn zil-
ver. De gouden gen verschilt zeer weinig van
den Noord-Amerikaanschen gouden dollar, de
zilveren yen is in waarde bijna volkomen gelijk
aan den Mexikaanschen piaster. De vreemde-
lingen houden boek in de laatstgenoemde munt.
In het verkeer vindt men: goudstukken van 20,
10, 5, 2 en 1 yen, alle 0,9 fijn, het 20-yen-atnk
ter zwaarte van 33\'/;! G.; de zilveren gen met
een gewicht van 416 Engelsche trog-grains en
een gehalte van 0,9. Gewichten: De vreem-
delingen maken gebruik van den Chineeschen
\') De meeste dezer Duitsche benamingen, hoewel bij
de wet afgeschaft, hebben in het verkeer toch burger-
recht verkregen.
-ocr page 31-
handels-aa:
picol a 100 katti = 64,8 KG. Lengtemaat:
1 Shahi (± 0,3738 Meter) a 10 sum.
Nederland. M u n t e n: In Nederland is sedert
1875 de hinkende standaard in gebruik met de
gulden a 100 cent als hoofdmunt. Eingelijke
8fandpenningen zijn alleen de gouden munten;
de zilveren munten zijn teekenpenningen. (Zie
Opmerking pag. 25.) Tot de gouden stand-
penningen behoort het tienguldenstuk met een
gewicht van 6,72 G. en een gehalte van 0,9.
Do zilveren standpenningen, alle met een gehalte
van 0,945 zijn de rijksdaalder die 25 Gr., de
gulden die 10 G. en de halve gulden die 5 G.
weegt. Maten en gewichten: Het metrieke
stelsel. Tot de oudere grootheden, die nog in
gebruik zijn, behooren: 1 pond Vlaamsch (= 20
schellingen a 12 groofen) — ƒ 6,00; lAmsterdam-
srhe voet
= 11 duim a 12 lijnen = 0,283 M.
(113 Amst. roef zijn vrij nauwkeurig gelijk aan
32 M., 7 Amsterd. duim komen overeen met 18
cM.); 1 Rijnlandsche roet = 12 duim a 12 lijnen =
0,314 M.; 1 Amsterdamse/te el = 0,688 M. (16
Amst. el = 11 M. is voor de praktijk zeer nauw-
keurig); 1 legger (voor arak) = 563 L.; 1 last
bij granen en zaden = 30 HL. Een gewogen
last is 2400 KG. bij tarwe, 2100 KG. bij rogge,
1950 KG. bij gerst, 2100 KG. bij boekweit,
2000 KG. bij koolzaad en 2040 KG.\'bij lijnzaad.
Nederlandsch-Indiö. Munten: Ned. mun-
ten. De gulden wordt ook ropij (Engelsch rupeé)
genoemd. Tot de vreemde munten, die in Oost-
Indië circuleeren, behooren de Spaansche piaster
of pilaarmat, de Mexikaansrlie piaster, de Noord-
Amerikaaasche dollar.
Vroeger werden deze mun-
ten, die in het verkeer meestal dollars genoemd
worden, in de staatskassen aangenomen. Maten:
Als lengtematen gebruikt men 1 Rijnlandsrhe
roede =
12 roet = 3,767 M., 1 Amsterdamsche
el =
0,688 M., 1 paal = 400 Rijnl. roede —
1506,943 M.; ook de Engelsche gard is in ge-
bruik. Tot de vlaktematen behooren de bahoe of
bouw van 500 vierkante Rijnl. roede = 70,965 A.,
de djoeng = 2 bouw, de pantjar = 4 bouw, de
vierkante paal = 320 boua\\ Als inhoudsmaat
voor vloeistoffen heeft inen 1 Indische kan =
1,5751 L. en 1 legger (voor arak) = 388 Indische
kan.
Gewichten: 1 picol = 100 katti (a 16
tail a 10 tji a 10 timbang) = 125 Amst. 4£ =
61,761 KG. In het verkeer stelt men 1 picol =
136 Engelsche W avdp. Ook het Amst. \'Ifi =
0,492 KG. komt dikwijls voor. De kogang van
Batavia = 27 picol.
Noord-Amerika (Vereenigde Staten). Mun-
ten: De Vereenigde Staten van Noord-Amerika
hebben sedert 1878 den hinkenden standaard
met den dollar ($) zfc ƒ2,50) a 100 cents als
munteenheid. De gouden standpenningen zijn
stukken van 20, 10, 5, 3, 2 Va en 1 dollar. Gouden
munt is de eagle van 10 S, met een gehalte van
DRI.JKSKUNDE.
23
0,9 en een gewicht van 258 Engelsche trog-
grains.
Verder vindt men als standpenning den
zilveren dollar, met een gewicht van 4121/2 trog-
grams
en een gehalte van 0,9. Het tegenwoor-
dige papiergeld, de zoogenaamde greenbacks, had
vóór 1879 gedwongen koers, doch sedert niet
meer. Het vroeger bestaande goudagio (= opgeld
van goud boven het papier) is daardoor ver-
dwenen. De trade-doUar weegt 420 trog-grains
en heeft 0,9 gehalte. Deze munt werd, van
1873 af, eonige jaren lang aangemunt voor
de behoeften van den handel met oostelijk
Azië. Thans is zij afgeschaft. Maten en ge-
wichten: In \'t algemeen gebruikt men de En-
gelsche; als inhoudsmaten echter de volgende in
Engeland verouderde grootheden : de bushei (Win-
chester bushel) =
35,24 L. en de gallon (wine-
gallon)
= 3,785 L., beide op dezelfde wijze ver-
deeld als de gelijknamige maten in Engeland.
Op sommige plaatsen, deels te New-York, verder
in Massachusetts, Connecticut en Te.xas, is 1 cwt.
= 100 IC avdp., elders = 112 « avdp. Bij de
prijsnoteering van goederen is 1 ton steeds =
2240 « ardp., bij steenkool echter = 2000 rtC ardp.
Noorwegen. Munten: Zie bij Denemarken.
Maten en gewichten: Het metrieke stelsel.
In den houthandel is de Christiania-standard een
deel van 11 voet lang, 9 duim breed en D/4 duim
dik. Daarbij is 1 voet (fod) = 12 duim (tommer)
a 12 lijnen (linier) = 0,314 M.
Oostenrijk. Munten: In Oostenrijk be-
stond de zilveren standaard. De munteenheid
was de Gulden ös/erreichischer Wahrung (Morin o/w)
a 100 kreuzer (= ± f 1,18 in zilver). Verder
behoorden tot de standpenningen stukken van
2 en Vj fl. o/w., waarvan het eerste 0,9, het
laatste 0,52 fijn bevat.
Tot de gouden negotie-penningen behooren
de Napoleon d\'or, van 8 fl. o \'tv en de halve Napo-
leon d\'or
a 4 fl. oltc, in gewicht en gehalte over-
eenkomende met de 20 en 10 francs der Latijn-
sche Muntunie. Verder de gouden Dakaten met
een gehalte van 0,986 fijn en een gewicht van
3,491 G. en de Maria Theresia Thaler (een nego-
tiepenning, voorzien met de beeltenis van Maria
Theresia), ook Lerantiner Thaler geheeten, met
een gehalte van % en een gewicht van 28,064 G.
Dit geldstuk wordt veel gebruikt voor den han-
del op de Levant en Egypte; in de binnen-
landen van Noord-Afrika kan men hiermede
terecht. De Gulden Conventions-Miinze(fl. c m.),
die vóór 1857 bestond, werd verdeeld in 60
Kreuzer a 4 P/ennige; 20 fl. c\\m bevatten 1
Wiener-Kölnische Mark of 233,87 G. fijn zilver;
100 fl. cm. = 105 fl. oliv. (volgens de wet).
In Oostenrijk is echter bij de wet van 2 Aug.
1892 de gouden standaard ingevoerd, en de
valuta (de waardeverhouding tusschen goud en
zilver), geregeld. Volgens deze wet zal in \'t ver-
-ocr page 32-
24
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
volg de munteenheid zijn de Kroon, (== ƒ0,50)
die den galden zal vervangen. Hierbij wordt 1 Kroon
=
100 Bèller= */2 papier gulden o/w.=85 Pfennig.
Er zullen geslagen worden gouden stukken van
20 Kronen (= 17 Mark) en van 10 Kronen in
goud; verder zilver in stukken van 1 Kroon en
van 50 Ilcl/er, en in nikkel stukken van 20 en
10 Heller. Schulden, tot hiertoe in goud aan-
gegaan, zullen mogen voldaan worden met 100
Kronen goud per 42 fl. ojir. in goud; daarbij
is dan de tegenwoordige Napoleon = 8 fl. o/w.
Naast de nieuwe gouden munt zal in de eerst-
volgende jaren de bestaande fl. ojw. als teeken-
munt in omloop blijven en voor twee Kronen
moeten worden aangenomen. Dit geldt ook voor
het thans circuleerende papiergeld. In dit over-
gangstijdperk zal dus de standaard hinkend zijn.
De tegenwoordige Dukaten blijven als negotie-
penningen bestaan. Tot nog toe is evenwel in
Oostenrijk nog niet tot uitvoering dezer wet
overgegaan, en het is de vraag of het in de
naaste toekomst daartoe zal overgaan.
Maten en gewichten: het metrieke stelsel;
1 metrische Centner — 100 KG., 1 Tonne = 1000
KG. Tot de oudere grootheden behoort de Wie-
ner-Kölnische Mark
(zie boven) en de Wiener-
Mark
= l\'/s Wiener-Kölnise/ie Mark.
Portugal. Munten: In Portugal rekent
men naar milveis k 1000 réis (= ± ƒ2,70) in
den gouden standaard. Het stuk van 10 milrels,
corona
genoemd, weegt 17,735 Cr. en heeft een
gehalte van 11/i2> 1000 milre\'/s heeten een eonto;
1000 contos een conto de contos; 400 réis dragen
in den wisselhandel ook wel den naam van cruzailo.
Maten en gewichten: het metrieke stelsel.
Rumenie. Munten : Munteenheid is de lei
= 1 Franc (= ƒ0,48.) Gouden munten van
20, 10 en 5 lei. Maten en gewichten: het
metriek stelsel.
Rusland. Munten: De standaard" en re-
kenmunt is de zilveren roebel (ZR) (= ƒ1,90)
a 100 kopeken. Verder heeft men als gouden
munten den imperiaal van 10 en den Jialren im-
periaal
van 5 gouden roebels, beide met een
gehalte van 0,9.
De nieuwe munten zijn gebaseerd op het stel-
sel der Latijnsche Muntunie : 5 zilveren roebels
=
20 francs in zilveren standpenningen en 1
halve imperiaal = 1 Louis d\'or.
Vroeger behoorden Nederlandsche dukaten hier
tot negotie-penningen.
Gemunt geld komt in Rusland weinig voor.
De zilveren roebel wordt enkel hier en daar in het
buitenland, in Rumenië o. a., aangetroffen en de
gouden munten hebben uitsluitend het karakter
van negotie-penningen. Het voornaamste betaal-
middel is papiergeld met gedwongen koers,
onder den naam rijks-kredietbilletten bekend. De
waarde van deze is veel minder dan die van
goud en ook van zilver. Het zilveragio (opgeld)
bedroeg bijv. Juli 1891 ruim 8 pet. (100 zilveren
roebels = 108 roebels papier), het goudagio was
toen ruim 43 pet. Een papieren roebol = ƒ1.
In Finland heeft men sedert 1877 den gou-
den standaard. De munteenheid is de markka
a 100 pennia. De standpenningen zijn stukken
van 20 en 10 markka, in gewicht en gehalte
volkomen gelijk aan de 10 francs der Latijn-
sche Muntunie.
Maten in Rusland: de roet = 12 duim a 12
lijmen is gelijk aan den Engelschen voet = 0,305
M.; 1 saschen = 7 voet of 3 arschm ; 1 arschin
—-
16 werschok = 0,711 M. In den houthandel
is de Petersbiirger-standard = 120 delen van 12
Russische voet lengte, 11 duim breedte en l*/«
duim dikte = 165 kubieke voet. Graanmaat: 1
tschetwert = 2 osmina a 4 tschetirerik a 4 tschet-
trerka
= 2,099 HL. Ge wichten : 1 8 = 96
so/otnik a 96 doli = 409,512 G.; 1 berkoiretz
=
10 pud k 40 IC. In de praktijk stelt men 1
pud <= 36 Engelsche ^ avdp.
Spanje. M u n t e n : In Spanje is de munteen-
heid de peseta k 100 centesimas, =1 franc =
ƒ0,50. Gouden stukken zijn van 25 pesetas, zooge-
naamde alfonsos, en ook van 20 pesetas. De vóór
1848 gemunte peso duro is de bekende Spaanschepi-
aster
of Spaansche mat, {= ƒ2,50) die gemid-
deld 24,038 G. hjn zilver bevat. Deze munt is
uit Spanje verdwenen ; zij komt echter nog voor
aan de kusten van Afrika, in Oost-Indië en China.
Maten en gewichten: het metrieke stelsel.
Tot de oude C as til iaansche\'gewichten be-
hoort de quintal = 4 arrobas a 25 libras k 4
cuarterones k 4 onzas k 8 oc/iavas; 1 libra =
460,093 G. Op Cuba komen deze gewichten
ook voor; hier is 1 peso, piaster of dollar = 8
reales ol ook =100 centavos.
Turkije. Munten: Turkije heeft wettelijk
den gouden standaard. De munteenheid is de
piaster, (= ƒ0,11). 1 Piaster = 40 para a 3
asper. De voornaamste gouden munt en de
eigenlijke waardemeter in den groothandel is
een stuk van 100 piasters, dat juslik, gouden
mcdjidie, Turksche lira
of Turksch pond gehee-
ten wordt (= ƒ11). Het weegt 7,216 gr.
en heeft een gehalte van 0,916, Maten en ge-
wicht en: het metrieke stelsel. Te Alexan-
drië (Egypte) is de pik hindaséh = 0,638 M.
Te K a ï r o is de ardeb (voor graan) = 6 usbeck
k 2 lila
a 2 rubba = 179 L.
Zweden. Munten: zie Denemarken. Ma-
ten en gewichten: het metrieke stelsel.
Zwitserland. Munten: De Latijnsche
Muntunie. Zie boven. Maten en gewichten:
het metrieke_stelsel.
-ocr page 33-
25
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
Benige opmerkingen en toelichtingen over
het muntwezen. Een nauwkeurige kennis van
het muntwezen, d. i. van den grondslag waarop
de munstelsels berusten, is van groote beteekenis
voor den handel. De inrichting der muntstelsels
toch is van belangrijken invloed op de prijzen
van waren en produkten, op het ruilen enz. Het
is wel niet onze taak het wezen der muntstelsels
in bijzonderheden na te gaan — daarvoor raadplege
men een handboek der staathuishoudkunde, bijv.
het uitmuntend werk van mr. N. G. Pierson —
maar toch willen wij hier enkele opmerkingen
over het muntwezen geven. Vooral doen wij dit,
omdat eene belangrijke internationale kwestie
omtrent het muntwezen tegenwoordig aan de
orde van den dag is.
De munten in een land worden onderscheiden
in pasmunten, waarmede kleine sommen betaald
worden, en algemeens betaalmiddelen, d. i. munten,
welke tot delging van elke schuld, hoe aanzienlijk
ook, gebezigd mogen worden. Die munten, welke
algemeen als betaalmiddelen kunnen gebezigd
worden, noemde men vroeger standpenningen
of standaard penningen, omdat naar deze alle
waarden werden afgemeten, en hun innerlijke
waarde aan edel metaal tot eenheid van maatstaf
diende. Echter, al kan men bijv. in Nederland
de guldens en rijksdaalders nog tot delging van
elke schuldvordering gebruiken, thans zijn zij
geen standpenningen meer in de echte beteekenis
des woords (in de wet worden zij nog wel als
zoodanig genoemd), omdat de waarde van het
zilver zooveel gedaald is ten opzichte van het
goud, en het zilver in Nederland sedert 1875 geen
standaardmetaal meer is. Genoemde zilveren mun-
ten zijn thans zoogenaamde teeken penning en.
De vraag, of goud dan wel zilver, of wel heide
als standaardmetaal gebezigd moeten worden voor
het muntwezen, is zeer oud, en is thans weer
meer dan vroeger aan de orde. Een land, waar
zoowel gouden als zilveren standpenningen be-
staan, heeft den dubbelen standaard. Hier moeten
dus alle betalingen even goed in goud als in
zilver verricht kunnen worden, en moeten par-
ticulieren ook vrij van beide munten kunnen
laten slaan op de munt. Een land, waar slechts
standpenningen bestaan van één metaal, heeft den
enkelen standaard, terwijl het bestaan van stand-
penningen uit tweeërlei soort van edel metaal,
doch zonder dat deze beide ook in het buiten-
land gelijkelijk kunnen gebruikt worden voor
betaling, terwijl zij evenmin beide vrij aangemunt
mogen worden (als bijv. in Nederland), met den
naam van hinkenden standaard bestempeld wordt.
Het is een standaard, die wel op twee beenen
staat, op goud en zilver, maar waarvan het eene niet
den vollen dienst doet (tegenwoordig het zilver),
zoodat de naam hinkende standaard zeer juist is.
In de meeste landen van Europa had men
in het midden dezer eeuw den dubbelen standaard,
den gouden en den zilveren, of enkel den zil-
veren standaard. In 1847 besloot men in Neder-
land ook enkel den zilveren standaard in te
voeren. Alleen in Engeland bleef men den gouden
standaard steeds hoog in eere houden.
Na 1870 was er eone kentering in dezen waar
te nemen. De zilverproductio nam veel sterker
toe dan die van het goud, en het gevolg was,
dat de prijs van het zilver dus sterk daalde,
tegenover die van het goud. De verhouding van
den prijs van het goud tot het zilver, die in 1860
was als 15,29 : 1, was in 1870 als 15,57 : 1, in
1880 als 18,05 : 1 en in 1890 als 19,5 : 1. Tien
guldens of vier rijksdaalders hebben mi op verre
na niet meer de innerlijke waarde van 1 gouden
tientje. Daarom moest weldra in de meeste
landen de gouden standaard ingevoerd worden,
en de vrije aanmunting van zilveren munten
werd vervolgens successievelijk geschorst. De
zilveren standpenningen werden hierdoor in
teekenmunt veranderd. In Nederland geschiedde
dit bij wet van 1875. Nadat in 1874 door de
Latijnsche Muntunie de vrije aanmunting van
zilver beperkt was, werd die in 1878 verbo-
den. In 1871 was reeds in Duitschland de
zilveraanmunting geschorst. Zoo deed men
ook elders. In de meeste landen van Europa
bestaat daardoor thans de hinkende of de gouden
standaard, en is de zilveren standaard meer en
meer beperkt of ingetrokken. Engeland heeft
enkel den gouden standaard, de drie Noordsche
Rijken: Zweden, Noorwegen en Denemarken
hebben eene zelfstandige muntunie gesloten met
den gouden standaard, en ook Oostenrijk heeft
in den laatsten tijd besloten tot den gouden
standaard over te gaan.
Door al deze maatregelen werd de behoefte
aan zilver voor muntmateriaal nog geringer, en
dientengevolge daalde het nog meer in prijs.
Nog twee landen echter waren er, die door de
behoefte aan zilver de verdere depreciatie of
waardevermindering van dit metaal tegengingen.
Dit waren Britsch Indië en de Vereenigde Staten
van Noord-Amerika.
In Britsch Indië bestond
tot nog toe vrije aanmunting van zilver, en de
hoeveelheid, welke daar gebruikt werd, was nog
al aanzienlijk. Dit blijkt hieruit, dat van 1875
tot 1885 in Britsch Indië voor 648\'fe mill. rupees
aan zilver gemunt werden. In Juni 1893 heeft
men evenwel ook hier besloten de vrije aan-
munting van zilver te staken wegens den lagen
prijs van het zilver. Dit besluit is van veel
invloed op het muntwezen; evenwel de gevolgen
er van zijn nog niet in al hun omvang te overzien.
Een eerste gevolg van dit besluit was reeds
een nog sneller daling van den zilverprijs.
In de Vereenigde Staten van Noord-Amerika
had men feitelijk nog den dubbelen standaard. In
plaats echter van hier bij de dalende zilverprijzen
de vrije aanmunting van zilver toe te staan, had
-ocr page 34-
26
HANDELS-AARDRI.ÏKSKUNDE.
ruimschoots aan de bank aanwezig, gedeeltelijk
als „standaardmetaal", nl. dat edelmetaal, het-
welk voor de standaardmunten gebruikt wordt, en
gedeeltelijk in effecten, wissels of andere waarde-
bewijzen, of in waren of goederen. De munt-
billetten daarentegen zijn niet door munt-
materieel gedekt, en hun waarde berust enkel
op het vertrouwen en op crediet van den Staat.
Daardoor gebeurt het dan ook dat men dit
papiergeld niet zoo gaarne in betaling ontvangt
als goud- of zilvergeld, en dat dit laatste dus
meer waard is. Men zegt dan, dat er goud- of
zilrer agio bestaat.
Het gedeelte van de banknoten-circulatie, dat
door het aanwezige standaardmetaal aan de
bank gedekt wordt, heet „gedekte circulatie," het
overige gedeelte, dat niet door standaardmetaal
maar alleen door wissels, goederen, koopwaren
of andere deposito\'s gedekt wordt, heet oneigen-
aardig ongedekte circulatie. „Oneigenaardig,"
omdat ook die billetten wezenlijk door aanwe-
zige waarde gedekt worden, al bestaat die niet
in edel metaal. Want de bank leent den han-
delaar op velerlei soort van koopwaren, op wis-
sels, effecten enz. de bankbilli tten, die hij in den
handel gebruiken kan. Indirect maakt dus de
bank schuldbekentenissen, effecten, goederen
enz. tot betaalmiddelen.
Het vertrouwen op de soliditeit van de bank,
van wie men verwacht, dat zij steeds de uit-
gegeven billetten tegen standaardmunten zal
inwisselen, maakt, dat de meeste bankbilletten
gaarne in betaling worden ontvangen, ook al
zijn zij geen wettig betaalmiddel, en al kan
men weigeren ze in ontvangst te nemen.
De goede inrichting van een solied bankwe-
zen is aldus een belangrijke zaak voor den han-
del, omdat hierdoor een goed, goedkoop en
gemakkelijk ruilmiddel wordt verkregen. Daarom
is de oprichting van banken met het recht om
bankbilletten uit te geven in de meeste staten dan
ook beperkt, en staat zij onder strenge controle
der regeering, of is geheel regeeringszaak. De
regeeringen moeten meestal door wet het recht
tot de uitgifte van bankbilletten verleenen, en
stellen vast hoeveel pet. der uitgegeven bil-
letten steeds door standaardmetaal gedekt moet
zijn, of ook welk bedrag aan billetten als maxi-
mum mag uitgegeven worden. Hiermede wordt
voorkomen, dat de bank te veel billetten uit-
geeft, hetwelk tengevolge \'zou hebben, dat zij.
bij veel aanbieding ter inwisseling niet tep.
allen tijde aan haar verplichtingen kon voldoen.
De onbeperkte vrijheid in de uitgifte van bank-
billetten wordt algemeen verwerpelijk geacht.
Ook wordt door bekwame staathuishoudkundigen
het niet wenschelijk geacht, dat de staat zelf
de bankbilletten uitgeeft, omdat hierdoor, vooral
in critieke tijden, licht vermenging van de
staats- met de banktinanciën zou kunnen ont-
de Unie zich bij de Sherinan-wet de verplichting
opgelegd 54 mill. oneen zilver per jaar op te
koopen voor de schatkist. Nu het zilver zoo
sterk in waarde verminderde, liegon men hiervan
het gevaar in te zien, en de President Cleveland
heeft reeds een voorstel ingediend bij het Con-
gres, om de Sherman-wet in te trekken, iets
wat vermoedelijk zal geschieden.
Op welke wijze zal men het muntwezen, dat
tegenwoordig aan hoogst nadeelige schommelin-
gen onderhevig is, weder tot vastheid kunnen
brengen? De meeste en invloedrijkste staat-
huishoudkundigen zijn meer en meer voorstanders
geworden van liet biinetalisnie of den dubbelen
standaard. „De dubbele standaard, mits toege-
past o/> een groot gebied orer verse/tillende lan-
den, zon een vaste waardeverhouding tusschen
het zilver en goud doen ontstaan, en de depreciatie
pan het zilver tegengaan,"
zoo oordeelden reeds
lang de Nederlandsche deskundigen als Mees,
Vrolijk, Kochussen en Pierson, en zoo leeren
thans ook de meeste schrijvers van gezag op het
gebied van het muntwezen. \') „Mits op groot
gebied ingevoerd", dit is de noodzakelijke voor-
waarde voor de heilzame werking van het bime-
talisme. Hoe de staten van dit redmiddel gebruik
zullen maken is nog niet bekend.
§ 22. Bankbilletten en Circulatie-banken.
Onder banken verstaat men in het algemeen in-
stellingen of inrichtingen om den geldsomloop of
het credietverkeer te bevorderen. Daardoor zijn
vele banken voor den handel van het meeste
belang, en in een handels-aardrijkskunde mag
een beknopt overzicht van de eigenaardigheden
van het bankwezen in de voornaamste landen,
vooral van de circulatie-banken, niet ontbreken.
De banken, welke voor het ruilverkeer het meeste
belang hebben, zijn de Noten-banken of circulatie-
banken.
De noten-banken (Fransch „banques
d\'émission", Eng. „banks of issue") hebben
tot taak, om niet-rentegevende schuldbekente-
nissen, banknoten of bankbilletten genaamd, uit
te geven, voor welke door de bank aan toonder
onmiddellijk na zicht de aangeduide som in
metaalgeld wordt uitbetaald. Deze billetten doen
dus tijdelijk den dienst van geld. De bank-
billetten, welke door een bank worden uitgege-
ven, onderscheiden zich in de praktijk vooral
daardoor van de niuutbillelten of het papiergeld,
dat zij meestal tef allen tijde kunnen ingewis-
seld worden tegen metaalgeld, wat met de munt-
billetten, die door den staat worden uitgegeven,
over \'t geheel niet het geval is. De waarde,
welke de bankbilletten aanwijzen, is steeds
\') Zie over dit ontwerp uitvoeriger Vragen van den
Dag, VIII pag. 465 »Dc schorsing van de zilveraan-
muuting iu Britsch-lndii1 en liet vraagstuk van den
dubbelen standaard."
-ocr page 35-
)RIJKsKUNDE.                                                                 27
Ierland in groote mate doch niet geheel gecen-
traliseerd of in één hand gebracht, in Schotland
is dit niet het geval. In Engeland bestaat
de Bank of England, niet alleen de oudste
maar ook de belangrijkste notenbank der
aarde. In 1694 werd deze bank opgericht
met een kapitaal van 1,2 mill. pond sterling,
dat allengs zeer gestegen is. De Bank wordt
tegenwoordig beheerscht door de wet van
1844. Eehe afzonderlijke afdeeling der Bank
„issue department" geeft de bankbilletten uit.
Deze afdeeling geeft aan het „bankdepartement"
tegen 14 mill. £ zekere, soliede waardebewijzen
(securities), een gelijk bedrag aan bankbilletten
om te verspreiden. Boven dit bedrag; mag het
departement alleen dan bankbilletten uitgeven,
als zij ten volle met metaal (op zijn hoogst voor
\'Is, met zilver, en verder dus mot goud) gedekt
zijn. Men nam aan, dat de omloop van billetten
nimmer beneden die 14 mill. .1 zou zinken, en
terwijl de verdere billettenuitgave volledig ge-
dekt moet zijn, loopt men geen gevaar, dat de
billetten niet ingewisseld kunnen worden.
Behalve de „Bank of England" geven nog
enkele bankinstellingen als gevolg van vroegere
rechten billetten uit, doch dit bedrag is zeer
verminderd.
In Ierland is de billettenuitgave grootendeels
gecentraliseerd in de Bank of Ireland, maar
bestaan er toch nog 6 banken die billetten uit-
geven. In Schotland geven 10 banken bankbil-
letten uit.
In de Britsche KOLONiëN is het bankwezen
zeer ontwikkeld. De belangrijkste banken, die
in de koloniën gevestigd zijn, geven ook bank-
billetten uit.
Frankrijk. In Frankrijk bestaat sedert 1848
slechts een enkele bank, die biljetten uitgeeft,
nl. de Banque de France, die in 1800 is op-
gericht. De bankbilletten dezer bank zijn na
1870 in Frankrijk wettig betaalmiddel. Het
privilegie dezer bank duurt tot 1897; zij heeft
tot dien tijd de verplichting op zich genomen
den Staat 100 mill. franc renteloos voorschot te
geven. Bovendien moest zij bij de laatste ver-
lenging van het privilegie 100 mill. franc 3 pet.
staatsrentebrieven k pari overnemen. Het ka-
pitaal dier bank bedraagt 182 V2 mill. franc.
BELGië. In België kan het recht tot uitgifte
van bankbilletten ook aan andere Banken ge-
geven worden, doch thans is dit uitsluitend
eigen aan de Banque nationale, die een mo-
nopolie daarvoor bezit. Deze bank • is een
vennootschap met een kapitaal van 50 mill.
franc, die onder controle der regeering staat, en
wier werkzaamheden door de wet nauwkeurig
zijn omschreven. De waarde der uitgegeven
billetten moet door V3 in munt of muntmateriaal
gedekt zijn.
HAXDELS-AA
staan. Toch heeft dit, zooals wij zullen zien,
in enkele landen plaats.
Om de hankbilletten niet tot een algemeen
betaalmiddel te doen worden, zoodat zij de mun-
ten vervangen, is in de meeste landen be-
paald, welke de kleinste billetten zullen zijn,
die kunnen uitgegeven worden. De kleinste
bankbilletten zijn in de volgende landen:
Duitschland   100  mark   Nederland 25 gulden
Engeland           5  pd. st. Denemarken 10 kronen
Schotland          1 „        Noorwegen 5 „
Ierland               1 „        Oostenrijk 10 gulden
Frankrijk         50  franc   Amer. banken 1 dollar
Zwitserland     50 „       Zweden 5—10 kronen
Spanje             25 „       Ital. banken 25 lire
België              20 „       Russis. bank 1 roebel
§ 28. Overzicht van de notenbanken in ver-
schillende landen. Gaan wij thans de inrich-
tingen van het bankwezen in verschillende lan-
den na, vooral zoover die betrekking heeft op
de uitgave van billetten.
Nederland. In Nederland bestaat de Neder-
landsche Bank te Amsterdam, opgericht in
1814, de eenige bank aan welke het recht tot
uitgifte van bankbilletten bij wet is toegestaan,
wat evenwel niet uitsluit, dat dit recht aan
andere banken kan gegeven worden. De Ne-
derlandsche Bank moet steeds s/5 van haar
uitgegeven billetten in metaal gedekt heb-
ben, doch is verder vrij in het totaal bedrag
van de uitgifte. Zij staat onder toezicht der
Regeering. Bij de beschrijving van Nederland
komen wij hierop terug.
In de Nederlandsch-Indische koloniën is de
Javaansche Bank te Batavia notenbank; ook
zij moet \'2k van de uitgegeven billetten in me-
taal gedekt hebben.
Duitschland. In Duitschland is tegenwoordig
de Reichsbank de belangrijkste circulatiebank,
doch in \'t geheel bestaan hier wel 9 banken,
die het recht hebben bankbilletten uit te geven.
(Zie hierover nader bij de bijzondere beschrij-
ving van Duitschland). De bankbilletten in
Duitschland moeten een waarde van 100, 200,
500, 1000 of een veelvoud van 1000 mark heb-
ben. De Duitsche Reichsbank is verplicht
steeds 1/3 der uitgegeven bankbilletten door
standaardgeld of -metaal gedekt te hebben.
Oostenrijk-Hongari.je. Oostenrijk-Hongarije
heeft slechts één notenbank, de Oesterreiehisch-
Ungarisehe Bank met een kapitaal van 180
mill. Mark. De uitgegeven billetten moeten
voor 2/5 door edel metaal gedekt zijn.
GiiooT-BRiTANNië en Ierland. In Groot-
Britannië en Ierland
is het bankwezen uitstekend
ingericht, en de circulatiebanken vooral hebben
er een hooge trap van ontwikkeling bereikt.
De uitgifte van bankbilletten is in Engeland en
•
-ocr page 36-
28                                                                  KANDELS-AARDRUKSKUNDE.
geven ; de Jonische Bank, geheel in Engelsche
handen, bezit dit recht voor de Jonische eilanden,
en de Epiro-Thessalischë Bank voor Epirus en
Thessalië.
Turkije. Hier bestaat de Ottomanische
bank, die in 1891 voor 8,3 mill. gulden bankbil-
letten in omloop had.
Rusland. Rusland heeft, na de reorganisatie
van het bankwezen in 186\'0 een Rijksbank. een
instelling van den Staat, die direct onder den
minister van financiën staat. Deze Rijksbank
is, zooals het in de wet luidt, „tot verlevendi-
ging van den handelsomzet en tot consolidee-
ring van het geld- en kredietwezen" opgericht. In
1885 is de Poolsche Bank met de Kussische
Rijksbank vereenigd. De Bank werkt met een
kapitaal van 25 mill. roebel, en heeft een re-
servekapitaal van 3 mill. roebel. De Staat heeft
de Bank opgedragen om o. a. zorg te dragen
voor rente- en kapitaal-uitkeering der staats-
leeningen, voor het papiergeld, voor de financi-
eele zaken betreffende het aangaan en de aflossing
van leeningen enz., terwijl verschillende han-
delsoperaties, als disconteering van wissels, handel
in edel metaal enz. aan deze Bank veroorloofd
zijn. De wet van 1884 veroorlooft de Bank
aan landbezitters op solawissel (enkelen wissel-
brief, die door geen tweeden gevolgd wordt) met
hypotheek op het bezit, voorschotten te verlee-
nen. De wet van 1888 geeft de Rijksbank het
recht op koren, dat aan spoorwegmaatschap-
pijen in bewaar is gegeven, door bemiddeling
dezer maatschappijen voorschotten te verleenen.
Zweden. In Zweden geschiedt de uitgifte
van banknoten door eèn centraailichaam de
Zweedsche Rijksbank. De Zweedsche Rijks-
bank is eene instelling van het Rijk, en staat
onder beheer van den Rijksdag. Zij heeft
sedert 1887 het recht tot voor 45 mill. Kronen
aan ongedekte billetten uit te geven, doch
moet, als dit bedrag bereikt is, 45 mill. kronen
in kas hebben aan edel metaal (overigens 15 mill.)
Bovendien bestaan er nog 27 particuliere noten-
banken in Zweden, zoogen. Enskiltabanken,
welker concessie in 1893 is afgeloopen. (Of zij
verlengd wordt kunnen wij nog niet zeggen).
De mindere zekerheid der billetten van de
particuliere banken heeft dikwijls plannen doen
ontwerpen, deze instellingen in de bankbilletten-
uitgave te beperken of dit recht op te heffen.
Tot nog toe kwam het daartoe niet. De bil-
letten der Rijksbank zijn wettig betaalmiddel,
de andere niet.
Noo uwegen. Noorwegen richtte in 1816 met
de scheiding van Denemarken een eigen Rijks-
bank op te Drontheim. Deze bank is wel geen
zuivere Staatsbank, doch zij staat onder de con-
tróle der „Storthing" (volksvertegenwoordiging).
Haar billetten hebben gedwongen, vasten koers.
Zwitserland. In Zwitserland werden de
notenhanken in 1881 onder een algemeene wet
van den Bond gesteld. Deze wet bepaalt, dat
alleen aan die nnancieele instellingen het recht
gegeven kan worden bankbilletten uit te geven,
wier effectief kapitaal meer dan 500000 franc
bedraagt. De noten-uitgifte mag niet meer dan
het dubbel bedrag van het kapitaal\' der bank
uitmaken. Van de uitgegeven billetten moet 40
pet. in munt of muntmateriaal gedekt zijn.
Onder deze wet bleven er nog een groot
aantal banken in Zwitserland bestaan, die reeds
het recht hadden bankbilletten uit te geven;
men telde er in 1889 zelfs niet minder dan 34.
Echter is in October 1800 bij referendum (volks-
stemming) de wet tot oprichting eener Bonds-
bank met het monopolie van banknotenuitgifte
aangenomen.
PrALIë. In Italië bestaan zes notenbanken, 1
de Nationale Bank (Banca Nationale nel
Regno d\'Italia) vroeger te Genua, thans te Rome,
de belangrijkste bank; 2 de Toskaansche Na-
tionale Bank, 3 de Toskaansche Credietbank,
4 de Romeinsche Bank van Napels, 6 de
Siciliaansche Bank. Zij mogen niet meer bil-
letten uitgeven dan voor een bedrag, het drie-
voudige van het aandeelen-kapitaal vertegen-
woordigend, en \'fa van dat bedrag moet
door edel metaal gedekt zijn. De bankbilletten
zijn wettig betaalmiddel, en hebben wettigen
koers {corso legale, tegenover de vroegere corso
forzato,
toen de billetten niet inwisselbaar waren).
Een nieuwe wet op het bankwezen in Italië is
echter thans aangenomen.
De in 1803 aangenomen wet op het bankwe-
zen bepaalt, dat de uitgifte van bankbilletten
in de toekomst tot de nieuw op te richten
lianen d\'Italia en de Napelsclie en Siciliaansche
Banken
zal worden beperkt.
Span.ie. Spanje heeft slechts één notenbank,
de Spaansene Bank, te Madrid gevestigd.
Deze kan volgens de wet van Juli 1891 tot
een bedrag van 1500 mill. pesetas billetten uit-
geven, waarvan V:i door edel metaal gedekt moet
zijn, en wel \'/« in goud.
Portugal. In Portugal bestaat een bank
die het monopolie van de uitgifte der billetten
in het gebied van Lissabon heeft, de Portu-
geesche Bank. De billetten van deze bank
worden door den Staat aangenomen, doch niet
tegen vasten koers. Voor het overige gebied
van Portugal hebben 7 banken liet recht bil-
letten uit te geven, doch zij zijn van minder
beteekenis dan de Portugeesche Bank. Allen
banken is voorgeschreven, dat \'/s der billetten
door metaal gedekt moet zijn.
Griekenland. De in 1841 opgerichte Natio-
nale bank bezit het recht bankbilletten uit te
-ocr page 37-
29
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
III. Overzicht van den handel in eenige
belangrijke artikelen en van de
Visscherij.
§ 24. Granen. Men kan den handel beschouwen
in volgorde van de landen, waar hij gevestigd is,
doch eveneens kan men de handelswaren tot
uitgangspunt nemen. Door dit laatste springt
de beteekenis van de handelsartikelen beter in
het oog. Van dit standpunt uitgaande wen-
schen wij een algemeen overzicht van den handel
in eenige der- belangrijkste artikelen te geven.
Daartoe vangen wij aan met de granen.
Onder de voedingsgewassen nemen de granen
eene eerste plaats in, en daardoor vormen zij
het belangrijkste handelsartikel van bijna alle
volken der aarde. Dewijl de granen met zorg
en vlijt geteeld moeten worden, is hun voorko-
men aan een zekere beschaving verbonden. Met
uitzondering van rijst en maïs, die ook in de
tropische vlakten hun standplaats vinden, zijn de
granen, alsook de peulvruchten, bovenal produkten
der gematigde luchtstreken.
Alleen in die streken, waar de dichtheid der be-
volking gering is in verhouding tot de in cultuur
gebrachte gronden, kan eene aanzienlijke hoeveeb
heid graan voor den uitvoer naar landen, welke een
te kort hebben, bestemd worden. In de West-
Europeesche landen is in historischen tijd de
behoefte aan granen toegenomen, naarmate de
bevolking hier dichter werd. De korenleverende
landen der oudheid, als Noord-Afrika, Egypte
en Sicilië, zijn door andere landen geheel over-
vleugeld. De behoefte aan granen kan thans
alleen voldaan worden door de opbrengst der min-
der dicht bevolkte streken in Oost-Europa, en
door Amerika, Azië en Australië.
Het is een groot voordeel, dat de oogst in
de onderscheidene graanvoortbrengende landen
op verschillende tijden des jaars valt. Zoo heeft
de tarwe-oogst in Australië, Niemr-Zeelaml en
in de Argentijnsche republiek in Januari, in Ooat-
Indië
in Februari en Maart, in Mexico, Egypte,
Perzi\'i\'
en Syrië in April; in Japan en China,
Klein-Azie
en Algiers in Mei, in Californië en
Zuid-Europa in Juni, in Midden-Europa in Juli
en Augustus en in Noord-Europa in September
plaats. Hierdoor zal, wanneer slecht weer een
misgewas in het eene land veroorzaakt, dit nadeel
zeer waarschijnlijk door een betere oogst van een
ander land vergoed kunnen worden. Bij de snelle
middelen van verkeer in dezen tijd behoeft men
dus niet zooveel vrees te koesteren voor alge-
meenen hongersnood, zooals die in vroeger eeuwen
in Europa niet zelden voorkwam.
Van de granen, welke het meest gebruikt wor-
den, noemen wij in de eerste plaats de tarwe.
Het oorspronkelijk vaderland der tarwe schijnt
in Mesopotamië gezocht te moeten worden.
De tarwe groeit het liefst in streken met een
Bij een metaalvoorraad van 16,5 inill. kronen
mag zij ± 35,1 mill. aan billetten uitgeven.
De grootere uitgifte van billetten moet door
metaal gedekt zijn. Tot V3 der metaaldekking
mag in het buitenland gedeponeerd zijn.
Denemarken. Denemarken heeft één noten-
bank, de Nationale Bank. Zij bestaat sedert
1818 en is in de plaats van de vroegere Rijks-
bank gekomen. De Nationale Bank is eene
vennootschap in aandeelen, met een kapitaal
van 27 mill. kronen. De billetten moeten steeds
voor % gedekt zijn door aanwezig edel metaal;
de ongedekte uitgifte van billetten is tot 30
mill. kronen beperkt.
\'De Vereenigde Staten van Noord-Ame-
RIKA. De uitgifte van bankbilletten in de Ver-
eenigde Staten van Noord-Amerika berust op
de wetten van die Republiek y»an 1863 en 1864
met wijzigingen in 1865, 1873 en 1882. Door deze
wetten is de organisatie van notenbanken alhier in
hoofdzaak geregeld. Dewijl het bestaan van noten-
banken berust op de Bondswet, heeten zij Natio-
nale Banken.
Daar de oprichting dezer banken
niet aan vele beperkingen onderworpen wordt, is
het aantal notenbanken hier tot een zeer groot
getal gestegen. In 1892 waren er 3788 noten-
banken, die te zamen voor 172,4 mill. dollars
aan billetten in omloop hadden.
De banken, die billetten willen uitgeven, moeten
daarvoor een bedrag aan Noord-Amerikaansche
rentegevende staatspapieren in de schatkist
deponeeren. Voor elke 100 dollars „ United
States Bonds" (obligatiën ten laste der Unie)"
ontvangen zij van de schatkist 60—90 dollars
banknoten, om deze te doen circuleeren. Of zij 60
dan 90 dollars noten mogen uitgeven voor elke
100 dollars staatsschuld hangt af van het kapitaal
der bank; is het kapitaal der bank beneden de
500000 $ dan mag de notenuitgave 90 pet. be-
dragen van genoemd kapitaal, wordt het kapitaal
grooter dan vermindert dat procent. Als het
kapitaal meer dan 3 mill. is mag slechts voor
60 pet. aan billetten worden uitgegeven. De
banken moeten steeds 5 pet. van het bedrag der
billetten aan wettig geld in de schatkist der
Unie aanwezig hebben, om de aangeboden bil-
letten te kunnen inwisselen tegen geld. Daardoor
vormt de schatkist een soort van centraal-
wisselbureau. De billetten zijn hier steeds in-
wisselbaar. De Nationale Banken zijn tegelijker-
tijd de belangrijkste depositobanken. Zij staan
onder het toezicht van den Controleur der geld-
middelen (comptroller of the Currency), die aan
het hoofd van een eigen afdeeling der schatkist
staat. Deze controleur geeft jaarlijks aan het
Congres een overzicht van den stand en de
werking der Nationale Banken.
-ocr page 38-
BO
HANDELS- AARDRIJKSKUNDE.
gemiddelde zomerwarmte van op zijn minst
14" C. De hitte der tropische gewesten is voor
tarwe niet geschikt. In Europa komt zij nog
voor tot 62° N. Br.
De rogge heeft waarschijnlijk haar oorspron-
kelijk vaderland in Klein-Azië en zuidoostelijk
Europa. Zij heeft minder warmte noodig voor
haar groei dan de tarwe en komt in Rusland tot
62° en in Skandinavië tot 67° N. Br. voor. (Ver-
gelijk hiermede den loop der isothermen op de
kaartjes pag. 4.)
De gerst, die misschien uit de" landen om de
Kaspische zee en uit Perzië afkomstig is, is
een der granen, welke het verst naar het noorden
en het hoogst op de bergen voorkomt. In Noor-
wegen groeit zij tot 70" N. Br., in Siberië tot
GO" N. Br., en aan de kust van Labrador tot 49°.
De haver was het oorspronkelijke broodkoren
der Middel.- en Noord.-Europeesche volken,
echter gaat haar groei niet zoo ver noordelijk
als die der gerst. De haver schijnt uit de lan-
den aan den Donau afkomstig te zijn.
De ma\'/\'s is de eenige graansoort, welke de
Niéuwe-Wereld aan Europa heeft geschonken.
Bij de ontdekking van Amerika werd zij aldaar
algemeen verbouwd bij de cultuurvolken van
Mexico en Peru. In de graven der Ihca\'s en
in de oudste kakatomben van Peru vindt men
maïskolven. Daar enkelen ten onrechte meenden,
dat de maïs uit het oosten afkomstig was,
werd zij, hoezeer onjuist, wel Turksrhe weit
genoemd.
Op de maïs wordt meer en meer de aandacht
in Europa gevestigd. Een hooge zomertempe-
ratuur is voor de maïs noodig. In Duitschland
komt zij tot 50" N. Br. voor. Maar vooral in
Zuid-Europa wordt zij veel verbouwd. En in
Amerika leveren de Vereenigde Staten groote
hoeveelheden maïs.
Van de granen neemt de productie van haver
(830.6)   1) en tarwe (786,5), over de geheele
aarde gerekend, de eerste plaats in; dan vol-
gen in afdalende orde de maïs (778,7). de\'rogge
(472.7)   en de gerst (285,3 mill. H.L.).
Voor den handel is de totale productie van
een land minder van belang dan het overschot,
dat een land levert voor den uitvoer. In Europa
is Rusland de belangrijkste korenleverancier,
die vooral tarwe en rogge, haver, gerst en ma\'/\'s uit-
voert, totaal dr 62 mill. HL. per jaar. Dan volgt
de uitvoer van Rumeniö, met mat», tarwe, gerst
en een geringer hoeveelheid rogge en haver, in
totaal rfc 17 mill. HL. Daarop volgt Oosten-
hu k-Hongaiu.te met gerst, tarwe en een weinig
haver, in totaal ± 8 mill. HL. Verder levert
Zweden nog haver voor den uitvoer, terwijl ook
Serviö en Europeesch Turki.ie een weinig
graan voor deif uitvoer leveren. Doch over
\'t geheel is in de andere landen van Europa
de invoer van granen veel aanzienlijker dan de
uitvoer.
De landen met den meesten invoer zijn Groot-
Britannië, Duitschland en Frankrijk. Hierop
volgen Italië, Nederland en België.
De belangrijkste graanuitvoer heeft plaats door
landen buiten Europa. Wij laten hiervan een
overzicht volgen voor de belangrijkste granen,
als gemiddelde van 1884—1888 per jaar.
\') Tusschen ( ) wijst het cijfer de productie aan,
in mill. HL., als gemiddelde voor 1884—1888. De
opgave is ontleend aan Dr. Caul v. Sciiekzek und
Ed. Bkatassevic, Der wirthschaftliche Verkeur der
Gegeuwart, 1891. Aan deze zeer betrouwbare statistiek
ontleeneu wij meer opgaven in de algemeene handels-
beschouwing.
Uitvoer van granen door de belangrijkste graanproduceerende
landen bniten Europa.
Landen.
Tarwe iu
1000 HL.
Rogge in
1000 HL.
Maï f ii\'
1000 HL.
Gerst in
1000 HL.
Haver iu
1000 HL.
Meel in
1000 HL.
43 214
800
1   477
595
24 367
2   578
846
1 346
684
130
15 236
936
1 154
76
105
237
1 418
112
9
568
864
756
117
504
15 263
Chili............
Argentijnsche Republiek .
113
6
9 360
Aruffuav . . . •.......
5
87
Totaal uitvoer der Eu-
ropeesche landen . .
75 223
45 420
814
15 658
17 507
9 376
2 344
15 591
2 241
8 810
24 834
2 951
-ocr page 39-
31
HANDELS" AARDRIJKSKUNDE.
China produceert meer groenten dan eenig
land der aarde en het voert jaarlijks 1.8 mill. cen-
tenaars boonen en erwten uit. Canada verzendt
gemiddeld 804,000 centenaars erwten en boonen.
Het belangrijkste land voor de groenteteelt
in het zuiden is Egypte. Verder nemen de
landen aan de Middellandsche Zee alle daaraan
deel. Rusland produceert veel peulvruchten
voor den uitvoer. Spanje en Portugal behooren
reeds tot de importlanden. Ook Groot-Britannië
en België hebben een grooten invoer van boonen
en erwten. Nederland heeft een aanzienlijken
uitvoer van versche en gedroogde groenten, dr
voor 18,0 mill. gulden per jaar. Deze uitvoer
van versche en gedroogde groenten uit Neder-
land heeft het meest plaats naar Groot-Britannië,
Pruisen en België. Ingemaakte groenten wor-
den voor een waarde van ƒ800.000 doorNeder-
land uitgevoerd naar Groot-Britannië, de Ver-
eenigde Staten Nederl.-Indië en België.
§ 28. Zuidvruchten en ooft. Voor den
wereldhandel zijn ook de zuidvruchten van groote
beteekenis. Hiertoe behooren citroenen, oranjes,
sinaasappelen, olijnen, amandelen, kastanjes, aijn-
druiven, rozijnen, krenten
en andere produkten
der landen aan de Middellandsche Zee.
Citroenen en oranjes (sinaasappels zijn eene
verscheidenheid der gewone oranjes) worden
bovenal geproduceerd in Spanje, Portugal, Italië,
Griekenland, Aziatisch Turkije en komen ook
in Zuid-Frankrijk voor. Ook in West-Indië en
Paraguay worden, ten deele om de olie, ten
deele om de appelen, veel oranjeboomen geplant.
Ook de vijg is een gezocht export-artikel, bo-
venal de Smyrnavijg van welke in 1889 wel 23,8
mill. K.G. werd uitgevoerd. Griekenland, Por-
tugal en Turkije voeren verder vijgen uit.
De uitvoer van krenten heeft hoofdzakelijk
plaats uit Griekenland en de westelijk gelegen
Jonische eilanden; sedert 1885 steeg de productie
er van jaar tot jaar. In 1889 werd door
Griekenland voor 26,4 mill. gulden uitgevoerd.
De hoofdzetel van den rozijnenhandel is nog
altijd Smyrna. Verder voeren ook Spanje (Malaga)
en Californië veel rozijnen uit.
§ 29. Suiker. Het suikerriet, dat langen
tijd hoofdzakelijk de grondstof der suiker le-
verde, werd reeds vroeg uit zijn oorspronkelijk
vaderland in Voor-Indië naar China en naar
Arabië verbreid, en door de Arabieren naar de
landen aan de Middellandsche Zee overgebracht,
waar de plant thans nog op Sicilië en in An-
daluzië wordt gecultiveerd. Na de ontdekking
van Amerika werd het suikerriet over de Ka-
narische eilanden naar dit werelddeel overge-
bracht, waar het bovenal in West-Indië, Bra-
zilië en de zuidelijkste deelen der Vereenigde
Staten wordt verbouwd. Verder vormt het sui-
kerriet op de Maskarénen-eilanden en in Queens-
Uit deze statistiek blijkt, dat in den uitvoer
van rogge Europa, (d. i. hier Rusland,) bovenaan
staat, doch dat verder het meeste graan verreweg
uit de Vereenigde Staten en BitiTSCH-lNDië
op de wereldmarkt wordt aangevoerd. De uitvoer
van maïs uit de Argentijnsche Republiek
neemt van jaar tot jaar toe in beteekenis. Ook
voor Uruguay heeft de graanuitvoer een groote
toekomst.
§ 25. Rijst. Het oorspronkelijk vaderland
van de rijst wordt in noordelijk Indië en zuid-
westelijk China gevonden, en van hier is
deze plant over uitgebreide gewesten der aarde
in. cultuur gebracht, zoodat zij thans het dage-
lijksch brood van eenige honderd millioenen
menschen uitmaakt. De rijstbouw is bijna overal
beproefd, waar vochtigheid, temperatuur en
grondsgesteldheid er aanleiding toe gaven. Zoo
wordt de rijst in Europa tot in de Povlakte naar
het noorden gevonden. Perzië, Arabië, noor-
delijk Afrika, Klein-Azië, Griekenland en ge-
deeltelijk ook Spanje en Portugal zijn reeds vele
eeuwen rijst verbouwende landen. Ook is de rijst
overgebracht naar Amerika, waar zij veel groeit
in de zuidelijke Staten der Unie en in Brazilië.
De rijst wordt bovenal in Indiö geoogst, op
het vasteland zoowel als op de eilanden, en is
daar een onontbeerlijk voedsel. Over de opbrengst
van den rijstoogst hebben wij geen vertrouwbare
cijfers voorhanden.
De belangrijkste landen en havens voor den
rijstuitvoer zijn de volgende : Rangoen, Bassein,
Akijab
en Maulmein in Britsch Birma ; Bengalen,
Stam, Saigon
(in Beneden Cochin-China) Japan,
Java
en Ceijlon.
Invoer van rijst heeft plaats in de meeste
Europeesche landen. Doch de hoofdmarkten voor
dit produkt zijn Londen en Liverpool, Breinen
en Rotterdam. Ook te Amsterdam is de rijst-
handel niet onbelangrijk.
§ 26. Aardappelen. De aardappel, oorspron-
kelijk in Chili, Peru en op de hoogvlakten
van Nieuw-Granada te huis, doch in Mexico
onbekend, werd eerst in de 18de eeuw in Europa
algemeen verbreid, en is sedert een algemeene
cultuurplant geworden voor Europa en de
overige landen der gematigde luchtstreek. Vooral
door de armere lieden wordt de aardappel veel
gebruikt. In de nijverheid levert de aardappel
de grondstof voor spiritus, aardappelmeel en
voor de stroopfabrikatie. Hierdoor ontstaat er
veel handel in dit produkt.
§ 27. Peulvruchten en groenten. Terwijl
m de noordelijke zonen der gematigde lucht-
streek de eigenlijke rijpe peulvruchten, nl. erw-
ten
en boonen verbouwd worden, worden deze
naar het zuiden meer en meer door groenten ver-
vangen. In het zuiden is de mensch door het
klimaat meer vegetariër dan. in. het noorden.
-ocr page 40-
32
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
land (Australië) een belangrijke cultuurplant.
Sedert het midden van deze eeuw ongeveer,
wordt in Europa uit de beetwortels suiker be-
reid, en deze industrie heeft in verschillende
landen, ook in Nederland, reeds een groote
vlucht genomen. Daardoor is de beteekenis dei-
rietsuiker op de wereldmarkt veel verminderd,
maar toch is zij nog altijd belangrijk, en neemt
misschien de helft in van de totale hoeveelheid
suiker, welke verhandeld wordt.
De landen, welke de rietsuiker hoofdzakelijk
voor het export leveren," zijn in afdalende volg-
orde naar het aandeel, in Amerika: Cuba
(8000) 1), Britsch West-Indië (2700), Brazilië
(2353), Vereenigde Staten (1294), Fransch West-
Indië (1121), Britsch Guiana (in 1884 —1002),
Venezuela (in 1886 — 536), Peru (531), Argen-
tijnsche Republiek (500), Nederl. Guiana (in
1890 — 59), San Domingo (62), Mexico (40),
San Salvador (30), Britsch Honduras (24),
Nicaragua (4), Fransch Guiana (1,7).
Voor den uitvoer der landen in Azië vinden
wij: Java (3587), China (2000), Philippijnen
(1059), Britsch Oost-Indië (296), Siam (15).
Uit landstreken van Afrika werd uitge-
voerd: Mauritius (1200), Egypte (442), Réunion
(390), Natal (119).
AusTRALië en OCEANië: Hawaï (1886 — 366),
Queensland (251), Nieuw Zuid-Wales (89),
Fidji-eilanden (9).
Verder levert Spanje nog 300 duizend cente-
naars rietsuiker.
Het bovenstaande leert ons de hoofdlanden
der rietsuikerproductie kennen. De streken in
Europa, waar beetwortelsuiker geproduceerd
worden, zijn bovenal tot twee groepen te bren-
gen, en wel A in het westen: Noordelijk Frank-
rijk, België
en Nederland, en B in het oosten:
Duitschland, Oostenrijk-Honyarije en Rusland.
Duitschland staat hierin bovenaan; de Prui-
sische provinciën en andere landstreken in de
stroomgebieden van Elbe en Oder, als: Sak-
sen, Anholt, Brunswijk, Brandenburg en Silezië
hebben de meeste suikerfabrieken. Maagden-
burg heeft daardoor een drukke suikermarkt.
Ook langs de March in Moravië is de suiker-
bietencultuur veel verbreid. In Hongarije worden
de meeste suikerfabrieken gevonden in de Kleine
Hongaarsche laagvlakte. In het westen van
Rusland wordt de beetwortelsuiker-fabrikatie op
groote schaal uitgeoefend. In Nederland heeft
de fabrikatie van beetwortelsuiker hoofdzakelijk
plaats op de kleistreken in het N. W. van
Noord-Brabant.
De oppervlakte lands met suikerbieten beplant
bedroeg in 1893 in Europa totaal 1416158 H.A.,
over de verschillende landen als volgt ver-
deel d:
België                    57200 H.A.
Nederland             27328 „
Frankrijk            251037 „
Oostenr.-Hong. 343300 „
Duitschland \' 396400 „
Rusland              450893 „
De opbrengst aan beetwortelsuiker 1884—1889
was gemiddeld per jaar:
Duitschland                935000 metrische tonnen
Oostenrijk-Hongar. 517000         „               „
Rusland\' en Polen 453000         „               „
Frankrijk                     416000         „
België                          106000         „               „
Nederland                      34000         „               „
Andere landen              98000         „               „
2559000.
Nederland voert veel ruwe suiker in, welke
geraffineerd wordt op onze fabrieken en ver-
volgens weder uitgevoerd wordt. De hoofd-
markt van de suiker is Londen. Ook Hamburg,
Amsterdam en Rotterdam hebben veel omzet
in suiker. Maagdenburg heeft veel handel in
beetwortelsuiker.
§ 30. De koffie. Het vaderland van den
koffieboom is Abessinië en Soedan, alwaar hij
aanzienlijke wouden vormt, en van hier is hij
overgebracht naar Arabië. In het oorspronke-
lijk vaderland schijnt het gebruik van de koffie
als drank reeds zeer oud te zijn. Evenwel be-
trekkelijk laat werd het gebruik der koffie al-
gemeen verbreid 1). In 1696 zijn de eerste
koffieplantjes naar Nederlandsch-Indië overge-
bracht, waar zij op Java geplant werden. De
eerste planten werden vernield, doch van de
nieuwe, in 1699 overgebracht, zond de Gouver-
neur-Generaal Johan van Hoorn in 1706 een
plantje met het eerste proefje koffieboonen aan
Nicolaas Witsen, Burgemeester van Amsterdam
en bewindhebber der Oost-Indische Compagnie.
Deze plant werd in den botanischen tuin te
Amsterdam verzorgd, waar men er spoedig
\') De Nederlanders zijn eerste koffiedrinkers, zij
staan in koffie-verbruik bovenaan. Per hoofd berekend
gebruikte men in Nederland in 1888 6,25 K.G.
koffie; hierop volgden belgië inet 4,4 K.G., Vereenigde
Staten 4,2 K.G., Zweden en Denemarken met 3,1 K G.,
Zwitserland niet 3,1 K.G, Duitschland niet 2,5 KG,
Frankrijk met 1,74 K.G., Oosteurijk-Hongarije 0,85 K.G.,
I Engeland 0,5 K.G., Italië met 0,4 K.G., Spanje en Por-
i tugal met 0,3 KG. en Rusland en Polen met 0,16 K.G.
De wijn-produceerende en bicrdrinkende volken hebben
een klein bedrag aan koffie-verbruik. Het thee-gebruik
per hoofd is in Nederland geringer; Groot-liritaimië
staat daarmede iu Europa boven aan.
*) Al deze cijfers wijzen in duizendtallen centenaars
liet, jaarlijksch gemiddelde aau van den uitvoer voor
1884-1888.
-ocr page 41-
33
HANDELS-AARDBIIKSKUNDE.
meer van verkreeg, zoodat in 1719 de eerste
koffieplantjes naar de Nederlandsche bezittingen
in Amerika konden verzonden worden. Kort
daarop werden de koffieplantages in de kolonie
Suriname aangelegd.
Uit Amsterdam zond men in 1714 een met
vruchten beladen koftieheester aan Lodewijk
XIV ten geschenke, die hem in den tuin te
Marlv liet verplegen, en van hier werd de plant
in 1722 naar het eiland Martinique in \\Vest-
Indië overgebracht. Langzamerhand werd de
koffie nu in Amerika verbreid, en vooral in
deze eeuw verkreeg zij in Brazilië een uitge-
breid gebied. De poolgrenzen voor de verbrei-
ding der koffieboomen gaan ongeveer tot de
jaarisotherm van 20" Celsius; in de heetste ge-
westen der aarde komen zij wel voor, doch zij
vinden de beste voorwaarden voor hun bestaan
op bergachtige streken in de schaduw.
De koftiemarkt der aarde wordt in de laatste
jaren meer en meer door de productie van
Brazilië beheerscht. Een uitstekende bodem en
een gunstig klimaat werkten hier samen tot ont-
wikkeling der koffieplantages. In 1888 leverde
Brazilië ongeveer 50 a 60 pet. der totale koffie-
hoeveelheid voor den wereldhandel. Ook aan
de westkust van Centraal-Arnerika, nl. in
Guatamala, Castorica, San Salvador en in Mexico
neemt de beteekenis der koffie-opbrengst toe;
eveneens op Haïti, Portorico en Guadaloupe.
Het tweede gebied van de koffie-productie
ligt in het Z. O. van Azië. Hiertoe behooren
Java, Siimatra, Celebes en Balt. Op de Spaansche
Philippijnen is de productie minder van betee-
kenis, en op Ceylon zijn de koffieplantages
grootendeels vernield (door een insect). Wij
geven een overzicht van de gemiddelde jaarlijk-
sche koffie-productie (1884—1888).
eeuw niet meer de eenige theeleverancier voor
Europa. Evenwel levert China nog altijd het be-
langrijkste aandeel. Nnast China leveren Britsch-
Indië, Japan, Java en Ceylon veel thee. In den
laatsten tijd wordt ook in Paraguay en Brazilië
thee geplant, zoogenaamde mate-thec
Amsterdam en Rotterdam hebben levendigen
theehandol.
§ 32. Tabak. De tabak is eene Amerikaansche
plant, die men bij de ontdekking van dat we-
relddeel leerde kennen, en sedert ook in Europa
in verschillende landen allengs is overgebracht.
In 1610 weid do tabak in Nederland ingevoerd, en
haar cultuur heeft voor enkele streken des lands
tijden van welvaart met perioden van armoede
doen afwisselen. Op dit oogenblik is tabak
nog een der hoofdartikelen van den Nederland-
schen handel, waarin in 1892 voor 3l1/a niill.
gulden werd omgezet. Daarvan werd het groot-
ste gedeelte geleverd door Sumatra, waar ver-
schillende Nederlandsche cultuurmaatschappijen
de tabakslanden exploiteeren. (Deli). Verder
leveren ook Java, Borneo en CeUbos tabak voor
de Nederlandsche markt. De aanvoer van Ma-
nila, van Grieksche en Turksche tabak, van
Marvland, Kentucky en Virginië-tabak op de
Nederlandsche markt heeft weinig te beteekenen.
Een der belangrijke afnemers van de tabak
op de Nederlandsche markt is Noord-Amerika.
Het aanzienlijk verbruik van tabak in de Ver-
eenigde Staten wordt hieruit verklaard, dat de
consumptie per hoofd er gemiddeld 2,24 KG.
per jaar bedraagt, een cijfer, dat alleen door
de Nederlanders, met 3,14 KG., wordt overtroffen.
De voortbrenging der tabak (gemiddeld per
jaar 1884—1888) is als volgt over de verschillende
landen verdeeld.
A. Buiten Europa.
In  1000 KG.
Vereenigde St. v. N. A. .    247 636
Mexico.......        7 500
Cuba........      10 000
Portorico.......        2 500
Haïti........        3 800
Overig West-Indië ...             33
Centraal Amerika....           500
Columbië......        5 500
Venezuela......           218
Brazilië, Chili, Peru ...      35 000
Paraguay en Argentinië .        7 800
Japan........      40 800
China........        1000
Philippijnen......        7 864
Britsch-\'lndië.....     170 000
Ned. Oost-Indië ....      17000
Perzië........        2 600
Arabisch Turkije ....      14 785
Totaal . 574 536x1000 KG.
In 1000 centen.
Brazilië.....8100
Centr.-Amer. . . 1000
Venezuela .... 427
San Domingo . . 540
Portorico .... 320
Jamaika..... 100
In 1000 centen.
Ned. Oost-Indië 1317
Britsch Oost-Ind. 260
Ceylon...... 90
Manila......120
Afrika......204
Eilanden.....353
Totaal 12^81
< 1000 Centenaar.
De Mokkakoffie, welke in den handel komt,
is een geringe hoeveelheid. In Afrika levert
Liberia koffie, en wordt zij aangevoerd uit de
landen aan de westkust ten zuiden der Kongo.
De belangrijkste koffiemarkten vindt men in
Nederland (Amsterdam en Rotterdam), Londen,
Hamburg, Havre, Bordeaux, Marseille, Antwer-
pen, Triest, New-York, Boston, Philadelphia,
Baltimore, Mobile en New-Orleans.
§ 31. Thee. China, van ouds het bekende
land der thee, is sedert ongeveer de laatste halve
-ocr page 42-
34
HANDELS-AARD EIJKSKUNDE.
In 1000 HL.
Italië . .
30 217
Frankrijk
Spanje
Hongarije
Oostenrijk
Portugal.
28 102
24 813
4 600
4 200
3 200
Duitschlan
1 2 300
Rusland .
2 200
Griekenland 1 560
Rumenië.
1 000 i
lu 1000 HL.
Zwitserl. . 600
Servië. . 600
Europa . 103 392
B. Europa.
In 1000 KG.
80 760
77 200
51 000
Oostenrijk-Hongarijë
Duitschland . . .
Rusland ....
Europeesch Turkije
Thessalië, Bulgarije
Frankrijk ....
Griekenland .
Italië.....
Nederland . . .
Rumenië ....
Servië.....
Zwitserland . . .
De andere landen
Algiers
2 728
Turkije .
2 600
Amerika .
1619
Californië .
750
Australië .
72
3 000
16 200
7 600
6 000
3 000
3 000
1500
1800
5 000
Buit.-Eur. 7 769
Totaal 111 162x1000 HL.
Het verbruik van wijn wisselt in de onder-
scheidene landen zeer af. Volgens de cijfers
van den laatsten tijd zou dat verbruik per hoofd
en per jaar zijn :
Totaal . 256060 x 1000 KG.
De landen van den grootsten invoer van tabak
zijn in volgorde : Duitschland, Groot-Britannië,
Oostenrijk-Hongarijë, Nederland, Frankrijk, Ita-
lië, België, Rusland. Do landen van den groot-
sten uitvoer van ruwe tabak volgen elkander op
in de rij : Nederland, Oostenrijk-Hongarijë, Groot-
Britannië, Duitschland en Rusland.
Het gebruik van tabak behoort niet tot de
noodzakelijke behoeften der inenschheid. Daar-
door wisselt dit ook zeer af in de onderscheidene
landen. Verschillende omstandigheden hebben
samengewerkt, om het gebruik van tabak hier
te doen toenemen, elders tegen te houden. Wij
hebben de oorzaken daarvan hier niet na te
gaan, doch geven in betrekkelijke cijfers het
tabakverbruik per hoofd der bevolking en per
jaar berekend voor de verschillende landen aan.
Tabakverbruik
gemiddeld
per persoon.
Nederland.......    3,14  KG.
Vereen. St. v. N. A. . . .    2,24    „
Oostenrijk-Hongarijë . . .    1,71     B
Denemarken......    1,68    „
Zwitserland.......    1,47    „
België........    1,43    „
Duitschland.......    1,36     „
Noorwegen.......    1,04    „
Frankrijk.......    0,93    v
Zweden........    0,85     n
Servië.........    0,81     „
Italië.........    0,61     „
Rusland........    0,56     „
Rumenië........    0,25    v
Finland........    0,10    „
§ 33. Wijn. De wijn-produceerende landen
leert het volgend overzicht kennen, als gemid-
delde voor 1884—1888 per jaar.
Frankrijk
119 Liter.
Spanje .
80 „
Portugal .
76 „
Italië . .
70 „
Zwitserland
55 „
Oost. Hongar
• 22 „
Duitschland
6 „
België . .    3,7 Liter.
Nederland     2,6      „
Amerika .    2,6      B
Groot-Brit.    2,1       „
Noorwegen    1,0      „
Denemarken  1,0      B
Zweden .    0,4      B
Het buitengewone wijnverbruik in Frankrijk,
in verband met den achteruitgang der productie
door de druifluis, heeft sedert 1880 een grooter
invoer dan uitvoer ten gevolge. In de waarde
is het verschil van invoer en van uitvoer
niet zoo groot, daar Frankrijk meest inférieure
soorten invoert, om daarmede den Franschen wijn
te versnijden. Van 1884—1888 bedroeg die
meerdere invoer dan uitvoer per jaar 7,8 mill.
H.L. In 1891 werd in Frankrijk in de eerste
11 maanden 10 millioen H.L. wijn ingevoerd
(waarvan 8,5 mill. H.L. uit Spanje en 1,6 mill.
H.L. uit Algiers; de overige was afkomstig
uit Portugal, Italië en Tunis) en in denzelfden
tijd werd slechts 2,4 millioen H.L. uitgevoerd.
Een aanzienlijk deel van den door Frankrijk
geëxporteerden wijn is een kunstprodukt van de
in Frankrijk ingevoerde rozijnen.
De landen met meer uitvoer dan invoer van
wijn in Europa zijn in volgorde naar dat bedrag:
Spanje (6997),1)\' Italië (2208), Portugal (1425),
Oostenrijk-Hongarijë (604), Griekenland, (200) en
Servië (10).
De Vereenigde Staten van Noord-Amerika
hebben nog altijd een aanzienlijken invoer van
Rijn- en Moezelwijn; invoer van andere soorten
is veel verminderd door uitbreiding der eigen
productie.
§ 34. Bier. Het bier, dat in den oudsten
tijd bij de Germaansche volken een algemeen
gebruikte volksdrank was, neemt ook thans
\') De cijfers ( ) in 1000 H.L.
-ocr page 43-
85
HANDEI-S-AARDRIJKSKUNDE.
weder meer en meer die plaats in. Vandaar dat
het aantal bierbrouwerijen en de bierproduktie
zeer aanzienlijk is. Het volgend overzicht leert
ons de bierproductie, het aantal bierbrouwerijen
en het bierverbruik per hoofd en per jaar van
eenige landen kennen, als gemiddelde voor
1885—1889.
Spindels
Spindels
l.AN\'DKN.
in 1000-
Landen.
in 1000-
tnlk-n.
tallen.
Gr.-Britannië.
44348
Zwitserland.
1878
Amerika.
14300
Italië.
1131
Frankrijk.
5089
België.
800
Duitschland.
4900
Nederland.
300
Rusland.
3600
Zweden.
300
Oost-Indië.
2625
Brazilië.
225
Oostenr. Hong.
Spanje.
2367
1885
Griekenland.
80
Te zamen
83828
Productie
per j;mr in
1000 11. L.
Gebruik
hoofd per
pLT
ja.-ir.
45877
143,9 Liter
47336
87,7
34815
31,3
13142
32,5
10195
169,2
7941
21,0
3555
4,7
1874
33,3
1590
*
1580
29,0
1119
37,5
1008
11,0
694
15,3
174
?
84
i
59
?
50
i
LANDEN.           ImmraQen.
Groot-Britannië . .  12874
Duitschland . . .  26240
Noord-Amerika . .    2300
Oostenrijk-Hongarijë    1942
België.....    1270
Frankrijk ....    2844
Rusland.....    1365
Denemarken . . .      394
Spanje.....        81
Nederland ....      452
Zwitserland . .      417
Zweden.....       142
Noorwegen....      381
Italië......      127
Rumenië ....        11
Griekenland ...          8
Servië.....        12
§ 36. Vlas. Van de Europeesche landen
produceeren alleen Rusland, en in geringe mate
ook Nederland, meer vlas dan zij voor eigen
industrie behoeven. In Rusland verkrijgt de
vlasbouw steeds grooter uitbreiding. De pro-
ductie van lijnzaad in Rusland wordt op 456,4
mill. K.G. per jaar geschat. De uitvoer van vlas
en heede door Rusland raamt men op 200 a 240
mill. K.G. Ook Britsch-Indië heeft een aanzien-
lijken uitvoer van vlas en lijnzaad.
§ 37. Huiden. De handel in huiden van
verschillende diersoorten is tegenwoordig wer-
kelijk tot een wereldhandel geworden. Van de
Europeesche landen heeft Frankrijk den groot-
sten uitvoer van dit artikel; dan volgen Bus-
land, Duitschland, België, Oostenrijk-Hongarijë,
Italië, Denemarken
en Zwitserland. De uitvoer
van eenige dezer landen zal zeker een gevolg
zijn van den invoer uit Amerika of van elders.
Tunis, Britsrh-Indië, Argentinië, Uruguay en
Brazilië exporteeren jaarlijks veel van dit pro-
dukt.
§ 38. Wol. De wolproductie is uit den aard
der zaak bepaald tot de landen, waar de scha-
penteelt op groote schaal gedreven wordt. Als
zoodanig noemen wij in de eerste plaats Austra-
lië
en Nieuw-Zeeland, verder de Kaapkolonie en
de La Plata staten. De Vereenigde Staten van
N. A. hebben veel schapenteelt, doch de wol is
nog niet voldoende voor de inlandsche industrie,
zoodat dat land nog veel wol uit Australië en
de La Plata staten moet betrekken.
In Frankrijk is de productie van wol in de
laatste jaren sterk verminderd, doch Marokko,
Algiers en Tunis vullen het te kort aan. Alleen
Rusland, Spanje, Rumenië, Denemarken en Grie-
kenland hebben in Europa een grooter uitvoer
dan invoer van wol. Rusland vooral voert
veel uit, 28 mill. K.G. De grootste invoer
van wol heeft plaats in Groot-Britannië, Frank-
rijk, Duitschland en België.
Het grootste deel der Australische, Nieuw-
Zeelandsche, Zuid-Afrikaansche, en La Plata-wol
wordt over Londen, Antwerpen, Liverpool, Bre-
men, Duinkerken, Bordeaux en Genua in Europa
geïmporteerd.
Bier-export hebben in volgorde : Duitschland,
Oostenrijk-Hongarijë, Groot-Britannië, \'Nederland
en Noorwegen.
Een grooter bedrag aan invoer dan uitvoer
hebben Frankrijk, België, Italië, Zwitserland,
Rumenië en Rusland. In Indië neemt ook het
gebruik van bier toe en de invoer aldaar is
stijgende.
§ 35. Katoen. Katoen is een der moest ge-
bruikte storten van de weef-industrie. De pro-
ductie van katoen heeft hoofdzakelijk plaats in
de Vercenigde Staten van Noord-Amerika, Britsch-
Indië, Egypte, Brazilië, Turkije, West-Indië, Peru
en Australië. Ook Rusland produceert in den
laatsten tijd katoen in Trans-Kaukawië en de
omstreken van Taschkend.
In alle Europeesche landen is de hoeveelheid
ingevoerde katoen uit den aard der zaak grooter
dan de uitvoer. Een levendige industrie wordt
door den invoer van katoen gevoed. Bovenal
in Groot-Britannië heeft de katoen-industrie een
reusachtigen omvang verkregen.
Ook in Nederland heeft voor Twente, voor en-
kele deelen van Noord-Brabant, als Helmond en
Eindhoven, voor Leiden en andere plaatsen de
weverij van katoenen stoffen veel beteekenis.
Nederland voert vooral katoenen stoffen uit naar
Nederl. Oost-Indië en het Kongoland.
Den omvang der katoen-industie leert men
kennen uit het volgend overzicht van het aantal
spindels.
-ocr page 44-
36                                                                  HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
§ 39. Steenkolen. De steenkool is in de
19e eeuw de hefboom, welke het geheele
economisch leven in beweging brengt. Een
wereld zonder steenkolen is ons bijna niet meer
denkbaar. En toch, men moet de gedachte bij zich
omdragen, dat eenmaal de steenkolenmijnen der
aarde moeten uitgeput worden. Het „•wanneer?"
ligt naar menschelijke berekening gelukkig nog
in een ver verschiet. Volgens hetgeen thans
bekend is zijn de kolenlagen in Europa, en bo-
venal in Rusland, waar ze nog weinig geëxploi-
teerd worden, zoo rijk, dat voor eenrge eeuwen
Europa daardoor kan voorzien worden.
Het volgend overzicht leert ons de kolen-
productie der verschillende landen kennen, als
gemiddelde per jaar van 1881—1888.
IANDFN                    Productie Tan ruw yzer in 1000—
tallcn metrische tonnen.
Finland....... .         15
Turkije........         12
Zwitserland.......         10
Portugal........           2,4
Noorwegen.......           1
Europa........   16209
Vereen. Stat. v. N.-A. . . .     6273
Canada....... .         11
Australië........           7,5
Andere landen ......         60
Totaal . . 22560
Groote hoeveelheden ijzer worden als staal
verwerkt, in welken vorm tegenwoordig het
ijzer veel gebruikt wordt. Gelijk Groot-Britannië
in de ijzerproductie bovenaan staat, is het ook
de eerste in rang bij de staalproductie. Onge-
veer is de volgorde der landen voor de staal-
productie dezelfde als bij de ruw-ijzer-productie.
Het kleine België staat No. 4 in de rij der
Europeesche rijken, wat de productie van ruw
ijzer betreft. Daardoor blijkt het, hoeveel be-
lang dit bedrijf voor België heeft.
Nederland levert nog moeras-ijzererts voor
Duitschland en België.
§ 41. Koper, Zink en Tin. De koper-
productie
der Europeesche landen is als volgt:
Spanje en Portugal (55,8), 1) Duitschland (14,8),
Rusland (4,8), Italië (2,3) Noorwegen (1,7), Oos-
tenrijk-Hongarijë (1,4), Groot-Britannië (1,1),
Zweden (0,7).
Verder leveren koper: de Vereenigde Stat. v.
N.-A. (84), Chili (31,8), Japan (11,3) Australië
(8,2), Zuid-Afrika (6,9), Venezuela (3,5), Mexico
(2,4), Canada (1,6), New-Foundland (1,4), Boli-
via (1,2).
Zink wordt in Europa bovenal geleverd door
de Rijnprovincie en België.
Het beste tin wordt geleverd door Banka,
BiUifon
en Malakka. Ook de Are/entijnsche
Republiek
levert een aanzienlijke hoeveelheid
tin. In de Zwarte Bergen van Dakota in de
Vereenigde Staten zijn ook aanzienlijke tinlagen
ontdekt. In Europa levert Cornwallis en de
aangrenzende gedeelten van Devonshire (Enge-
land) het meeste tin.
§ 42. Edele metalen. Goud en Zilver.
Het goud is ongetwijfeld het eerste metaal ge-
weest, dat de aandacht van den mensch bijzonder
tot zich trok, en dat hij, zij het ook op ruwe wijze,
reeds vroeg heeft geleerd te bewerken. Het goud
toch komt hoofdzakelijk in gedegen of zuiveren
toestand (altijd met zilver verbonden) voor, en werd
\') Tusschen ( ) is ^ de opbrengst per jaar in dui-
zendtallen metrische tonnen opgegeven.
Iu 1000 tonneu.
In 1000 tonnen.
Gr.-Britannië. 160502
Spanje. 950
Duitschland. 77288
Zweden. 286
Oostênr. Hong. 22212
Italië. 223
Frankrijk. 21832
Nederland. 46
België. 18556
Zwitserland. 19
Rusland. 4159
Portugal. 17
De uitvoer van steenkolen heeft in deze
landen nagenoeg in de volgorde der productie
plaats. Evenwel Rusland levert nog geen kolen
voor den uitvoer. Bovenal Groot-Britannië
Duitschland en België zijn kolenleveranciers.
Ook de Vereenigde Staten hebben een aan-
zienlijke kolenproductie.
§ 40. IJzer en Staal. De 19de eeuw kan
met recht de eeuw van ijzer en staal genoemd
worden. Met de steenkool vormt het ijzer een der
belangrijkste grondstoffen der tegenwoordige
nijverheid.
Het gebruik van ijzer tot het maken van
verschillende zaken, tot het bouwen van huizen,
het leggen van sporen, het maken van bruggen,
torens enz., enz., heeft een reusachtige uitbrei-
ding verkregen.
Het ijzer komt als erts voor, doch weinig in
zuiveren toestand. De productie van ruw ijzer
in de verschillende landen leert ons het volgend
overzicht kennen, dat het gemiddelde van 1884—
1888 per jaar aanwijst.
I V\\I)E\\                     Productie van ruw ijzer in 1000-
tallen metrische tonnen.
Groot-Britannië.....     7943
Duitschland.......     3963
Frankrijk .......     1629
België.........       759
Oostenrijk-Hongarijë ....       732
Rusland........       502
Zweden........       456
Spanje ........       165
Italië.........         19
-ocr page 45-
37
HANDELS- AARDRIJKSKUNDE.
In de goud- zoowel als de zilverproductie
kwam een groote omkeer na de ontdekking van
Amerika met zijn rijke goudmijnen. Het goud
was aanvankelijk het lokmiddel der eerste ont-
dekkers in de Nieuwe Wereld, die steeds hoopten
een Dorado of goudland te vinden. In Europa
leverde van 1580 tot 1800 bijna alleen Zeven-
burgen nog goud ; het overige kwam uit Amerika.
Echter begon Rusland in 1751 de goudmijnen
in den Ural te exploiteeren.
Een geheel nieuwe phase in de productie van
het goud begon sedert 1848. De ontdekking
der rijke goudvelden van Californië leidde dit
tijdperk in. Ook andere staten in het westen van
Noord-Amerika hadden na 1860 deel aan de
goudopbrengst, o.a. Colorado, Dakota, Montana
en Nevada.
In Australië begon de goudproductie in 1852,
het maximum van de opbrengst viel in 1856,
toen 3288000 onsen (een ons heeft ongeveer een
waarde van 43 gulden in goud) goud door
Australië geleverd werd. In 1889 leverde het
1739 onsen.
Zuid-Afrika is sedert 1886 een belangrijke
goud-leverancier geworden. De Zuid-Afrikaan-
sche Republiek had in 1891 een goudproductie
voor een waarde van 38,4 mill. gulden (in goud)
en overtreft die van Australië.
De voortbrenging van edele metalen door de
verschillende gedeelten der aardoppervlakte leert
ons het volgend overzicht kennen voor 1889.
Goiulpruduc-         Zilverpro-
LAKDi».                        y, in KG         ductic in KG>
Oostenrijk-Hongarijë . .      3800    . 36586
Rusland.......    38000    . 11000
Duitschland. .....                  . 403000
Overig Europa ....                  . 208600
Afrika (sedert is de uitvoer
zeer toegenomen.)     12155    .
Mexico.......      1580    . 1335828
Columbia.......      5300    .
Peru, Bolivia, Chili . . .      3800    . 450000
Brazilië.......      1570    .
Vereen. Stat. v. N.-A. . .    56353    . 1555486
Australië.......    51800    .
Diverse landen ....      7950    . 208600
De productie van zilver is in den laatsten
tijd veel sterker toegenomen dan de goudpro-
ductie.
Volgens de opgaven van Soetbeer en het ver-
slag van den Amerikaanschen munt-directeur
was de zilverproductie, over de geheele aarde
berekend, als volgt:
1851—1855 gemiddeld per jaar 886 115 KG.
1856—1860
          „             „ „ 904 990 „
1861—1865          „             „ „      1101150 „
1866—1870          ,             „ ,      1339 055 „
1871—1875          „             „ „      1969 400 ,
oorspronkelijk nog meer dan thans op licht toe-
gankelijke plaatsen in zand en grint der rivieren
of in aangespoelden bodem (alluviaal goud) gevon-
den. Daar het goud als edel metaal trots den
invloed van lucht en water zijn glans en kleur
behoudt, kon het niet de aandacht der menschen
ontgaan. De gemakkelijke bewerking van het
goud was verder een belangrijk voordeel voor
den natuurmensch. Evenwel komt het slechts
in zoo geringe mate voor, dat het op zijn
hoogst kon dienen om den zin tot opsiering
te bevredigen. Zoo vonden de Spanjaarden na
de ontdekking van Amerika bij de onbeschaafde
inboorlingen van West-Indië reeds gouden sie-
raden.
Het weinig voorkomen, de gemakkelijke be-
werking en de hooge waarde maakten goud
bijzonder geschikt voor muntmateriaal. Verder
doet het in alle landen nog dienst voor sieraden.
Het zilver vindt men in zilverertsen als ge-
degen zilver en ook als legeering (zilveramal-
gama = verbinding van kwik met zilver)
verbonden met andere stoffen. Ook het zilver
was een der vroegst bekende metalen, en
werd reeds in de oudheid in groote hoeveelhe-
den gebruikt. De Phoeniciërs, Karthagers en
Romeinen haalden het meeste zilver uit Spanje.
In de middeleeuwen leverde het tegenwoordige
Oostenrijk veel zilver. De mijnen van Chemnitz
en Kremnitz alhier werden zeer waarschijnlijk
door de Romeinen geopend. In Saksen werd in
de 10de eeuw zilver ontdekt, en in dien tijd vond
men het ook in den Rammelsberg. Vooral de
ontdekking van Amerika bracht een groote ver-
meerdering in de jaarlijksche opbrengst van
zilver, evenals van het goud, te weeg.
Het goud werd reeds in den oudsten tijd bij
o
è beschaafde volken der oude wereld veel ge-
bruikt en hoog geschat. Arabië was reeds in de
oudheid door zijn goudopbrengst bekend; het
Ophir uit den bijbel, dat het goud leverde voor
den tempelbouw van Salomo, willen enkelen hier
zoeken. Anderen meenen, dat dit land aan de
oostkust van Midden-Afrika, bij Sofala ongeveer,
moet gezocht worden. In elk geval is het zeker,
dat van deze laatste kust reeds sedert oude tijden
veel goud naar Indië en andere Aziatische landen,
alsook naar Egypte, werd uitgevoerd.
In den tijd der oude geschiedenis en der
middeleeuwen werd in onderscheidene landen
van Zuid-Europa hier en daar goud gevonden.
Zoo vond men goud op Thasos, in Thracië, nabij
Aquileja (bij Triest) en in Spanje. Hongarije en
Zevenburgen zijn in Europa de goudrijkste lan-
den, die reeds in de oude tijden goud leverden.
Ook in de Alpen wordt goud aangetroffen; van-
daar dat alle uit de Alpen komende rivieren
goud medevoeren. Uit het zand van den Bo-
ven-Rijn werd vele eeuwen goud gewasschen;
eveneens uit dat van den Isar.
-ocr page 46-
38
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
1876—1880 gemiddeld per jaar    2 450 300 KG.
1881—1885          „             „ ,      2 808 400 „
1886-1890          „             „ „      3 464 903 „
1891                      „             , „      4 393100 „
Zee een concurrent geworden van Amerika op
de petroleummarkt. Ook op de Nederlandsche
markt neemt de, aanvoer van Russische petro-
leum toe, doch de Amerikaansche heeft nog
altijd ver de overhand.
§ 44. De zeevisscherij. Onder de visscherij
verstaat men niet enkel de vangst van visschen
maar van alle nuttige waterdieren, zoodat de
vangst van walvisschen, zeehonden, mosselen,
koralen, enz. hier ook toe gerekend wordt.
Sedert oude tijden is de visscherij een be-
langrijke tak van bestaan voor vele landstre-
ken. Over \'t geheel gaat men van het beginsel
uit, dat in volle zee de visscherij gelijkelijk
vrij is voor alle natiën, doch dat in de wateren
tot op drie zeemijlen afstand van de kust het
vischrecht behoort aan de aangrenzende landen.
Hierop bestaan echter enkele uitzonderingen,
door tractaten bepaald.
Zoo werd o. a. bij den vrede van Utrecht in
1713 aan de Fransche visschers het recht gegeven
op de banken aan de kusten van New-Foundland
te visschen, een recht, dat bij het verdrag van
Londen in 1818 door hen behouden bleef.
Door internationale verdragen worden thans de
verordeningen op de visscherij geregeld. Van groot
belang in dit opzicht is het verdrag tusschen
Duitschland, België, Denemarken, Frankrijk,
Groot-Britannië en Nederland in 1882 in den
Haag gesloten (in 1884 in werking getreden)
over de regeling der visscherijpolitie in de
Noordzee buiten de kustwateren. Hierin wordt
o. a. ook bepaald, dat alle schepen zichtbare
kenteekenen moeten bezitten, die in registers zijn
ingeschreven. Soortgelijke verdragen zijn ook
gesloten tusschen Engeland en Frankrijk, en
tusschen Oostenrijk en Italië. Ook is in 1887
een verdrag gesloten tusschen de Noordzee-
staten, waarbij de handel in sterke dranken,
die op zee tusschen de visschers van verschil-
lende landen plaats had, zooveel mogelijk be-
perkt is.
De zeevisscherij wordt onderscheiden in de
groote visscherij, nl. de visscherij op groote vis-
schen, als walvischachtige dieren, robben en ge-
deeltelijk ook op kabeljauw, en de kleine vis-
sclierij
\'), nl. die van haringen, inakreelen, tonij-
nen, tong e. a. platvisschen.
De centra der groote visscherij liggen, zooals
op de visscherijkaarten van M. Lindeman te
zien valt, op het noordelijk halfrond en bovenal
in de koele zeeën tusschen Noorwegen en Noord-
Ainerika. Van alle deelen der aarde wordt hier
het meest de vischvangst uitgeoefend. De wal-
Volgens Soetbeer is de productie van goud
van de landen, welke met Europa in betrekking
staan, als volgt:
1851—1855
gemidd.
per j
aai
557
in
mill.
Mark
1856—1860
n
n
n
564
»
B
B
1861—1865
B
•n
516
••
8
a
1866-1870
«
1
B
544
_
B
B
1871—1875
H
M
fl
485
B
B
B
1876—1880
n
n
B
481
n
B
B
1881
n
D
i
419
o
B
B
1882
i
I
»
464
H
B
B
1883
-
»
B
393
n
**
B
1884
ff
8
«
406
i
B
B
1885
-
**
"
410
-
V
»
1886
•n
**
«
426
-
y,
„
1887
ff
_
B
420
n
f)
fl
1888
ff
M
B
440
"
fl
1889
-
n
B
474
w
B
1890
n
»
»
464
ff
**
B
Die groote zilverproductie
heeft een aanzien-
lijke depreciatie van het zilver ten opzichte van
het goud tengevolge. Hierdoor zijn de landen
met hoofdzakelijk zilveren munten zeer in inoei-
lijkheden gekomen, en overal is dan ook de vrije
aanmunting van het zilver gestaakt. (Zie pag. 25).
§ 43. Petroleum. Ongeveer een 35tal jaren
maakt de petroleum een artikel van algemeen
gebruik uit, en sedert heeft dit produkt in den
handel eene belangrijke geschiedenis. Wij heb-
ben echter op deze plaats geen ruimte, die te
kunnen nagaan.
De hoofdleverancier van petroleum is nog altijd
de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. De
uitvoer van petroleum uit de Vereenigde Staten
bedroeg ongeveer,
Petroleum-uitvoer van Amerika naar :
Europa      312 717 554 gallons
Azië           112 458 935 „
Afrika
           8 570 668
Het overige Amerika      27 303 926 „
Australië 7 024 938
Eilanden 1 440 862
Te zamen 469 516 883 gallons
Die reusachtige hoeveelheid wordt over de ver-
schillende landen der aarde verdeeld, zoodat in
onderscheidene steden een levendige handel in
dit produkt, eveneens een speculatie, bestaat.
Amsterdam en Rotterdam hebben veel petroleum-
handel. De Amerikaansche petroleum wordt
thans meest aangevoerd in expresselijk daarvoor
ingerichte „tanksteamers".
In den laatsten tijd is Rusland door de
petroleum van den Kaukasus en de Kaspische
\') In Nederland werd in vroegere eeuwen de haring-
vangst de groote visscherij genoemd, de visscherij op
kabeljauw en schelvisch de kleine visscherij. Deze
namen wezen hier op den omvang van het bedrijf
-ocr page 47-
S9
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
dat zich gaarne in bespiegelingen verdiepte,
maar er minder aan dacht, den strijd om \'t be-
staan in de volle menschenmaatschappij te voeren.
Echter, hoewel den Indiërs zelf\'het avontuur-
lijke trekken met de handelskaravanen niet
toelachte, en zij liever rustig te huis bleven,
toch werd hun land veel bezocht. Vreem-
delingen brachten er goud en zilver aan in ruil
voor vele produkten van Indië. Edele metalen
werden daardoor hier in grooten rijkdom ver-
zameld. De industrie in Indië leverde een
rijke menigvuldigheid van geweven stoffen en
van weelde-artikelen. Edelgesteenten, paarlen,
goudsmids- en juweliersfabrikaten, weelde-arti-
kelen, ivoor, specerijen, kaneel, gember, peper,
rijst, suikerriet, sandelhout, katoen, fijne staal-
fabrikatiën enz. leverde het oude Indië aan de
overige oude volken.
Aanvankelijk was de handel op Indië land-
handel, door karavanen tot stand gebracht. Doch
ook in zeer vroegen tijd werd de scheepvaart
ter zee hier bekend. De regelmatig afwisselende
moessons waren zeker van gunstigen invloed op
de eerste opkomst van het zeeverkeer; men kon
daardoor rekenen op de richting der winden.
De Indiërs schijnen zelf aanvankelijk ook goede
zeevaarders geweest te zijn, doch lieten deze
taak weldra aan de Maleiërs en aan de Arabieren
over. Vooral de Arabieren beheerschten den
handel en de zeevaart op de Indische zee ge-
durende de middeleeuwen grootendeels. Aldus
kwam in den tijd, toen het karavanenverkeer
meer voor de zeevaart moest onderdoen, de
handel op Indië bovenal in Arabische handen.
Het Babylonische en daarna het Assyrische
rijk hebben zich minder als handelsstaten doen
kennen, al was de handel natuurlijk niet buiten-
gesloten. Doch in de oude geschiedenis hebben
zich bovenal de Phoeniciërs als handelsvolk een
groote vermaardheid verworven.
De Phoeniciërs bewoonden den oostelijken
kustzoom der Middellandsche Zee. Dit is een
schrale landstreek, arm aan vruchten en natuur-
lijke voortbrengselen, maar rijk aan kleine boch-
ten en inhammen, welke der scheepvaart dienstig
zijn. Daardoor moesten de bewoners zich wel
op handel en scheepvaart toeleggen, om in hun
bestaan te voorzien. Met zeeroof en visscherij
aangevangen, vervolgens een kleinen kusthandel
drijvend, werden zij weldra beheerschers van
den handel op de Middellandsche Zee. Zelfs
waren zij het, die den handel en de scheepvaart
voor Egypte in handen hadden, en Phoenicische
schepen zouden tijdens koning Necho voor Egypte
Afrika reeds zijn omgevaren (7C eeuw voor Chr.).
De produkten op de markten der landen aan
den Tigris en de Euphraat, van Indië, Arabië
en Afrika, werden bovenal door de Phoeniciërs
verhandeld. Sidon en Tyrus waren de beroemde
Phoenicische handelssteden; Jesaja noemde Tyrus
vischvangst, die hier vroeger bloeide, heeft
echter weinig beteekenis meer; misschien vindt
die in de zuidelijke poolzeeën nog een rijk gebied.
De visscherij voor vele deelon van den Grooten
Oceaan is nog weinig ontwikkeld. Evenwel in
China, Japan en in den Oost-Indischen Archipel
vindt men talrijke visschersvloten op de kust-
zeeën.
De visscherij van de Vereenigde Staten van
Noord-Amerika (bovenal de staten van Nieuw-
Engeland) heeft den grootsten omvang der aarde,
en ook die van Biïtsch Noord-Amerika is zeer
aanzienlijk. De banken nabij de kusten en die van
New-Foundland leveren een rijk vischwater. In
Europa staat op het gebied der visscherij Groot-
Britannië bovenaan. Daarop volgen Noorwegen
en Frankrijk. Wij zeiden reeds, dat dit laatste
land het recht heeft in de kustwateren van
New-Foundland te visschen. Verder wordt ook
door Italië en Nederland nog veel deel ge-
nomen aan de groote visscherij.
IV. Historisch overzicht van den loop van
den wereldhandel.
§ 45. De wereldhandel tijdens de oude ge-
schiedenis. Vóór wij aanvangen met de behan-
deling der verschillende deelen der aarde afzon-
derlijk, zullen wij een blik slaan op den loop
van den wereldhandel gedurende de historie.
Daardoor zal de ontwikkeling van den handel
en het verkeer, welke bij de bijzondere staten
kort wordt aangewezen, beter in verband met
den algemeenen loop der historie beschouwd
kunnen worden.
De geschiedenis van den handel loopt parallel
met die der beschaving. Daarom vangt de
handelsgeschiedenis ook aan in die landen, waar
zich het vroegst beschaafde natiën gevestigd
hadden. En in de oude geschiedenis treden de
cultuurvolken van het Oosten, als Indiërs, Ba-
byloniërs, Assyriërs, Egyptenaren, Phoeniciërs,
Karthagers, Grieken en Romeinen ook achter-
eenvolgens meer of minder op als handeldrijvende
natiën, die vooral in hun nationalen bloeitijd
den handel deden leven. Men kan zelfs in ze-
keren zin zeggen, dat de handel de verbreiding
der geestelijke ontwikkeling krachtig bevorderde
of voorafging. De ruiling der koopwaren ging
toch onwillekeurig met eene uitwisseling dei-
geestelijke ideeën gepaard.
In de eerste plaats denken wij aan Indië.
Reeds in de oudste geschiedenis verschijnt In-
dië als een merkwaardig cultuurland. Door
hooge gebergten en zeeën ingesloten, vormde Indië
bijna een wereld op zich zelve. Daarbij kwam
nog, dat door den rijkdom aan voortbrengselen,
welke de natuur dit land zoo mild schenkt, de
bewoner niet het oog behoefde te slaan op het
buitenland. De rijkdom aan produkten was de
oorzaak van de zelfgenoegzaamheid des volks,
-ocr page 48-
40
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
de stad, „die kronen weggeeft en wier vorsten
kooplieden zijn."
De Middellandsche Zee, de Europeesche cul-
tuurzee der oude geschiedenis, was liet voor-
naamste tooneel van de handelsbedrijvigheid der
Phoenioiërs. Cyprus was voor hen de dichtstby
gelegen landingsplaats; Rhodes en Kreta wer-
den door hen bevolkt, en van hier togen zij
naar Griekenland en de Zwarte Zee. En toen
de Grieken, ongeveer in de 6\'le eeuw vóór Chr.,
meer en meer in macht en aanzien ter zee toe-
namen, verplaatsten de Phoeniciërs hun handel
naar het westelijk bekken der Middellandsche
Zee, waar zij de noordkust van Afrika en do
zuidkust van Europa aandeden. Hier stichtten
zij, met bewonderenswaardig scherpen handels-
blik, die reeks van koloniën, welker overblijf-
selen tot op onzen tijd als bloeiende stapel-
plaatsen van het volkerenverkeer zijn blijven
bestaan. De belangrijkste steden op de Spaan*
sche kust hebben aan de Phoenicische volk-
plantingen hun ontstaan te danken. Gades (Ca-
dix), Cartejo, Malacca (Malaga) en Hispalis waren
in den ouden tijd Phoenicische steden in het
zuiden van Spanje. En op de noordkust van Afrika
bezaten zij Ütica, Karthago en Adrumetum. Ook
op Sicilië, Sardinië en de Balearische eilanden
kregen de Phoeniciërs vasten voet om handel
te drijven.
De koopwaren, welke de Phoeniciërs verhan-
delden, waren bovenal de volgende. Goud en
zilver kregen zij uit Spanje, koper en slaven uit
de landen aan den Kaukasus, wijn en graan uit
Egypte, olie en wijn uit Palestina, geweven
stoffen
uit Babyion, wierook, goud, edelgesteenten,
ivoor
en ebbenhout uit Indië, Arabië en Afrika.
Ook tin en barnsteen waren belangrijke handels-
artiklen van dit volk. Tin vonden zij reeds
te Massilia (Marseille), doch haalden het waar-
schijnlijk ook van de Kasisteriden (Scilly-eilan-
den ten Z. W. van Engeland). Het barnsteen
werd over landwegen en rivieren van de Oostzee
naar de stapelplaatsen aan de Middellandsche
zee als Massilia (langs Pijn, Doubs, Saone,
Rhone, enz.) vervoerd.
Aan eene verstandige staatkunde, die niet naar
uitbreiding van grondgebied streefde, maar enkel
op handelsvestigingen bedacht was, hadden de
Phoeniciërs gedurende een lange periode de veilig-
heid voor het verkeer en het overwicht van hun
handel te danken. Men kan vrij zeggen, dat
de geheele zeehandel der Oude Wereld tot den
tijd der Macedonische overheersching in handen
der Phoeniciërs was.
Doch eindelijk ging ook hun tijd voorbij.
Hun kustland bood voordeelen voor den handel
in een tijd van weinig handelsontwikkeling op
andere plaatsen, doch moest weldra voor gunstiger
gelegen streken onderdoen. Vooral doordien
Alexander de Groote op het denkbeeld kwam
om zijn schepping, de stad Alexandrië aan den
beneden-Nijl, tot het middelpunt van den handel
te verheffen, bracht hij de Phoeniciërs groote
nadeelen toe. De handel van Phoenicië begon
sedert allengs te kwijnen, het gunstiger gelegen
Alexandrië overtrof de Phoenisische steden, en
werd in den tijd der heerschappij van de
Ptolomeën (823—30 v. Chr.) het middelpunt van
den toenmaligen wereldhandel aan de Middel-
landsche Zee.
In 878 vóór Chr. hadden de Phoeniciërs eene
volkplanting te Karthago gesticht, die zich
weldra de heerschappij over de andere Phoeni-
cische koloniën in Noord-Afiika en in Spanje
verschafte, zoodat zij den handel in de weste-
lijke Middellandsche zee tot zich trok. In den
tijd, dat in de oostelijke Middellandsche zee de
Phoeniciërs door de Grieken verdrongen waren,
beheerschten de Karthagers, door de Romei-
nen Punters genoemd, het westen. Doch de
handelsnaijver der Romeinen was oorzaak van
de bekende Punische oorlogen, welke ten ge-
volge hadden, dat Karthago 150 jaren vóór Chr.
door de Romeinen verwoest werd. Met die ver-
woesting nam ook de handelsgrootheid van het
beroemde Karthago weldra een einde, en hier-
mede was de Phoenicische invloed in het westen
der Middellandsche zee voorbij.
De Grieken, de meest beschaafde natie der
oudheid, hadden in de vroegste perioden hunner
geschiedenis weinig liefde voor den handel.
Landbouw en veeteelt waren destijds hoofdmid-
delen van bestaan, en wat het buitenland hun
leverde werd door de Phoeniciërs aangevoerd.
Eerst omstreeks de 11de eeuw vóór Chr., na
de Dorische volksverhuizing, begon ook onder
de Grieken een andere economische richting te
heerschen, en ving men aan met het koloniseeren
der kusten van Klein-Azië. Hiermede ontwik-
kelde zich ook de handel in de koloniën en in
het moederland. Hier was het Athene, hetwelk
in den tijd van Perikles tot de hoofdhaven
(Piraeus) van Griekenland werd, en dat later
door Corint/ie werd opgevolgd. De eilanden van
den Griekschen Archipel bleven niet achter;
Delos, de vereenigingsplaats van den bond der
Jonische Staten, werd het middelpunt van een
levendigen handel. Het kleine Aegina bleef een
eeuw lang een aanzienlijke macht ter zee.
Behalve aan de westkust van Klein-Azië ves-
tigden de Grieken koloniën aan de Hellespont en
de Zwarte Zee, welke met karavanenwegen in
het binnenland verbonden waren, en waar dan de
Indische en andere Aziatische waren over land wer-
den aangebracht. Grieksche handelaren trokken
naar Middel-Azië, naar Baktria, Indië en China.
Voor Byzantium (Konstantinopel) was deze han-
delsrichting naar het Oosten van groote beteekenis.
Doch ook in het westen aan de Middellandsche Zee
-ocr page 49-
41
HANDEM-AARDRT.TKSKUNDE.
§ 46. De Middeleeuwen. De handelsgeschie-
denis gedurende de middeleeuwen vangt aan
met den ondergang van het West-Romeinsche
rijk in 476 en eindigt met de ontdekking van
Amerika in 1492 en het vinden van den zeeweg
naar Indië in 1498. Deze beide laatste gebeur-
tenissen, dio do eeuw der landontdekkingen in-
leidden, en daardoor den geographischen horizon
binnen enkele jaren een groote uitbreiding
gaven, brachten een geheelen omkeer in de
richting van den handel, zoodat men die met
recht als den aanvang van een nieuwe aera
mag beschouwen.
De middeleeuwen geven in de eerste plaats
eene verdere ontwikkeling der maatschappij op
de grondslagen der Grieksch-Romeinsche be-
schaving te aanschouwen. Belangrijk is voor
deze tijdsperiode de toenemende beteekenis van
het Germaansche volkselement. Met een storm-
achtigen, onrustigen tijd vangen de middeleeuwen
aan. De groote volksverhuizing in de 4e eeuw
na Christus is het, die door het snel opkomen
en ondergaan van koene, krijgshaftige volken
en de verbreiding der Germaansche elementen
over West-Europa gekenmerkt wordt. Die pe-
riode wordt voor goed afgesloten door Karel
den Groote, wiens heerscherstalent aan de Ger-
manen de opperheerschappij schonk, en met
wiens optreden de Germanen de macht der
Romeinen voor goed overnamen. Uit het rijk
van Karel den Groote is het leenwezen of feu-
dalisme ontstaan, waaronder men een reeks van
instellingen verstaat, die op het staatswezen en
de maatschappelijke verhoudingen der menschen
sedert eeuwen een eigenaardigen stempel gedrukt
hebben. Aan dat leenwezen was de vernietiging
der oorspronkelijke vrije Germaansche volks-
gemeente en van den vrijen boerenstand te wijten;
het was de oorzaak van het ontstaan der ontelbare
kleine souvereinen, die West-Europa verdeelden,
de vrijheid der bevolking onderdrukten, en dus
de ontwikkeling des volks tegenhielden. Doch
niettegenstaande dien ongunstigen invloed van
het leenwezen op de vrijheid der bevolking was
het voor de opkomst der steden, die weldra de
centra van handel en verkeer werden, gedurende
de middeleeuwen en de nieuwe geschiedenis
zijns ondanks van zegenrijke gevolgen.
Van grooten invloed was de uitbreiding van
het Christendom op de middeleeuwsche maat-
schappij. Het Christendom toch was niet alleen
een religieuze en politieke maar ook een econo-
mische macht.
Door de Christelijke leer werd de oude mee-
ning van de ongelijkheid der menschen in den
wortel aangetast, en hiermede werd in begin-
sel de slavernij veroordeeld. Onder den invloed
van het Christendom werd de landbouw bevor-
derd, en werd eenvoud meer en meer de grond-
toon van alle levensbenoodigheden. En het
stichtten de Grieken handelskoloniën, o. a. in
het Zuiden van Italië en op Sicilië. Verder was
Massilia (Marseille) een Grieksche vestiging. Door
deze handelskoloniën verbreidde zich de Grieksche
beschaving en taal over de kuststreken langs de
Midde.landsclie Zee.
De Grieksclic staatkunde trachtte door ver-
schilionde maatregelen den handel te bevorderen.
In alle Grieksche staten had men pro.reiiften
(van proxenein = iemand als openlijk gast bij-
staan, voor hem in de bres springen) lieden,
niet geheel ongelijk aan onze consuls. Daaren-
boven sloten de Grieken reeds handelsverdragen
met andere volken.
De Romeinen, het belangrijkste volk der
oudheid voor West-Europa, waren aanvankelijk
landbouwers en veehouders, bij wie handel en
nijverheid niet hoog in aanzien stonden. Deze
takken van bedrijf liet men aan de slaven en
vrijgelatenen over. Een vloot bezaten de oude
Romeinen zelfs in het geheel niet; Phoenicische
en Grieksche schepen voerden de produkten van
dit volk uit (runderen, schapen) en brachten de
koopwaren van elders aan.
Met de veroveringen van Rome op het Itali-
aansche schiereiland gingen die eenvoudige toe-
standen allengs verloren. En toen Rome den
strijd tegen de handelsstad Karthago begon,
moest het zich wel van een vloot voorzien. De
onderwerping en verwoesting van Karthago ging
van de grondlegging van het Romeinsche zee-
wezen vergezeld.
De Romeinen hebben evenwel op het toppunt
van hun macht den handel meer indirect dan
direct bevorderd. Zij zelf waren veroveraars,
die provinciën en landen aan zich onderwierpen,
en door afpersing groote rijkdommen raar Rome
voerden. Doch hun militaire taktiek zorgde
voor het aanleggen van goede wegen en betere
verkeersmiddelen. Zij leerden aan de Germaansche
en Keltische volken een hooger beschaving
kennen, en kweekten daarmede meer behoeften.
Zoo ontstond er in de landen, waar zij heersch-
ten, een levendig verkeer en ontwikkelden zich
hier reeds handelsplaatsen van beteekenis. Hunne
legers toch moesten gevoed worden, de bezet-
tingen hunner sterkten moesten voorzien worden
van het noodige. Waar de Romeinsche villas
o : paleizen verrezen, werd de behoefte aan aller-
lei waren steeds grooter, en zoo ontwikkelde
zich ook de industrie. De beschaving, welke de
Romeinen verbreidden, was de voornaamste oor-
zaak van de opkomst van den handel in de
Germaansche en Gallische landen. En toen de
macht der Romeinen geslonken was, toen nieuwe
volken den schepter voerden in de uitgebreide
gewesten van hun voormalig gezag, ontwikkelde
het ruilverkeor, uit behoefte geboren, zich steeds
verder.
-ocr page 50-
42
HANDELS-AABDRIJKSKÜNDE.
streven van de Christelijke kerk, om de ge-
heele wereld te omvatten, bracht een geestelij-
ken band tusschen de verschillende volken tot
stand, welke voor het verkeer niet anders dan
voordeelig kon zijn.
Door het Christendom werden ook die groote
bewegingen in Europa te voorschijn geroepen, die
als de kruistochten bekend zijn (1096—1270). Deze
kruistochten waren in beginsel gericht tegen den
invloed der Mohammedanen in het Oosten, doch
hadden voor Europa zeer belangrijke econo-
mische gevolgen. Door die tochten naar het
Oosten toch werd de kennis van landen en volken
zeer uitgebreid, en leerden de Europeanen vele
nieuwe voortbrengselen kennen, die zij uit het
Oosten moesten ontvangen. Levendig was het
volkerenverkeer in de zeesteden van Zuid-Frank-
rijk en Italië, waar pelgrims uit alle landen
samenkwamen, om van hier de tochten naar de
Levant verder per schip te volbrengen. Het le-
veren van de middelen tot vervoer, het voor-
zien in de mondbenoodigheden en andere be-
hoeften dier talrijke troepen was een bron van
groote voordeelen voor steden als Venetië, Pisa,
Genua, Marseille en andere. Met fijne bereke-
ning wisten de Italiaansche kooplieden zich van
de kruisvaarders allerlei voorrechten in de ooster-
sche landen te verzekeren, en daardoor den grond-
slng van hun handel te leggen. Zoo werd Italië
rijk aan handelssteden, die de waren uit het
Oosten aanvoerden, om ze van hier weder over
Europa te verbreiden. Luxekleederen met goud-
draad* doorweven, vaten en sieraden van edele
metalen, pelswerken, reukwerken, en andere
kostbaarheden kwamen in Europa meer en meer
in gebruik, en om deze waren te verkrijgen,
ontwikkelde zich een levendige handel over
de Middellandsche zee. De industrieën van het
Oosten trachtte men ook in Europa te verheffen.
De zijdeteelt werd naar Italië en Frankrijk
overgebracht, de oostersche glaswaren werden
in Venetië nagemaakt (spiegels), in Italië werd
het staal uitmuntend bearbeid, de goudsmeden
hadden druk werk de medegebrachte relequieën
in goud te vatten. De eerste aanplanting van
suikerriet in Europa is aan dien tijd te danken.
De gunstige ligging van Italië, om de bemid-
deling tusschen het Oosten en West-Europa
tot stand te brengen, had ten gevolge, dat in de
middeleeuwen nergens de handel tot hooger bloei
geraakte dan hier. De waren van het rijke Indië
werden over land of ter zee naar het oosten
der Middellandsche Zee vervoerd, en van hier
werden zij door Italianen weer verder verscheept
en verhandeld.
Tot de 9e eeuw had de Italiaansche handel
op de Levant nog weinig beteekend; met het
einde der middeleeuwen waren hier de steden-
republieken als Venetië, Genua, Milaan, en Flo-
rence machtig door den rijkdom hunner koop-
lieden-geslachten, die den handel op de Mid-
dellandsche zee en Zuidwest-Europa geheel be-
heerschten.
Van Italië uit werd ook de handelswetenschap
het meest verbreid. Twee Florentijnsche koop-
lieden, die in de 14de en 15do eeuw leefden, zijn
de schrijvers van de eerste leerboeken der
handelswetenschappen. In die werken deelen
zij allerlei bijzonderheden mede over de han-
delsplaatsen, koopwaren, munten, maten en ge-
wichten, gebruiken en gewoonten, het boekhou-
den, wissels, verzekering, vrachten te land en
te water enz., wat duidelijk bewijst, dat men in
Florence volkomen met den handel bekend was.
Uit Italië werd die wetenschap over andere
landen verbreid; tal van handelstermen, handels-
gebruiken en instellingen, als Itnliaansch boek-
houden, bankinstellingen, enz. hebben wij aan
Italië te danken.
De Italiaansche handelaren en schippers be-
zochten in de middeleeuwen de havens van
in het midden van West-Europa reeds. Deze
kust lag vóór de ontdekking van Amerika nog in
een uithoek der bewoonde aarde, welke met dien
tijd eerst begon mede te tellen in den wereld-
handel. Van Venetië uit zond men suiker naar
Londen en kocht voor de opbrengst Engelsche
wol. Op de Nederlandsche markten werden
kruiderijen en drogerijen geruild tegen voort-
brengselen, die de Nederlanders en Hanze-koop-
lieden uit het noorden van Europa aanvoerden.
Hoewel de Italiaansche kooplieden den han-
del op de landen aan de Middellandsche Zee
gedurende de middeleeuwen hoofdzakelijk be-
heerschten, hadden zij toch in de landen van
Noord-Afrika en in Spanje geduchte mededin-
gers in de Arabieren. De Arabieren waren na
het optreden van Mohammed veroveraars ge-
worden, met het doel het heilig geloof van den
profeet te verbreiden. Zoo kwam het westen
van Azië en geheel Noord-Afrika in hun macht,
en zelfs brachten zij in 711 de Halve Maan
over de straat van Gibraltar naar het Pyre-
neesche schiereiland.
Vele steden, die in de oudheid de zetels der
beschaving geweest waren, bleven dat ook onder
de Arabische heerschappij, en nieuwe steden
werden gegrondvest als middelpunten van het
Mohamedaansche leven. Landbouw, nijverheid
en handel, kunst en wetenschap werden door
hen met ernst beoefend. De handel vestigde
zich vooral in de centra der politieke provinciën.
De jaarlijksche pelgrimskaravanen naar Mekka
werden groote trekkende markten.
In Azië waren Bagdad, de zetel der kalifen in
het vruchtbare Mesopotamië gelegen, met zijn
rijkdom en luxe-industrie; Mosoel met zijn weve-
rijen [museline heeft naar die stad den naam];
en het schitterende Damaskus met zijn prachtige
-ocr page 51-
43
HANDELS-AARDRI.TKSKUNDE.
tegenwoordige West-Europeesche handelsnatiën,
het Engelsche volk, in de middeleeuwen eene
geheel passieve rol speelde. In den tijd, toen
het wereldverkeer zich nog langs de Middel-
landsche zee bewoog, en de Atlantische Oceaan
als de grens der bewoonde aarde naar het westen
beschouwd werd, lag het eilandengebied der
Britten als in een uithoek der bekende aarde.
Zoo was op het einde der middeleeuwen de
Engelsche handel nog in een toestand van
ondergeschiktheid, en geheel van het buitenland
afhankelijk. De uit- en invoer waren hier
hoofdzakelijk in handen der bevoorrechte vreem-
delingen : Italianen, Nederlanders en Hanzeaten.
De Nederlanders voerden vooral de Engelsche
wol naar de Nederlandsche laken fabrieken. De
Hanzeaten beheerschten door hun kantoor te
Londen „Staalhof" genaamd, de binnenlandsche
markten. Eerst met de nieuwe geschiedenis,
toen het land door de ontdekking van Amerika
niet meer op een uithoek bleef te liggen, en toen
de weg naar Indië niet meer over de Middel-
landsche Ze.e ging, begon Engeland als handels-
natie op te komen, om weldra alle andere landen
te overvleugelen.
Ook Frankrijk levert weinig bouwstoffen voor
de handelsgeschiedenis gedurende de middel-
eeuwen. Verschillende oorzaken werkten daartoe
samen. Daar het land zelve produkten van
allerlei aard voortbrengt, waren de behoeften,
om die van elders te ontvangen, niet zoo groot.
De westkust van Frankrijk lag niet in de lijn
van het groote wereldverkeer gedurende de
middeleeuwen, en was minder goed gelegen dan
de Nederlanden om het verkeer van het zuiden met
het noorden van Europa te bewerken. Daarbij
kwam, dat in dit laatste land de scheepvaart
zich krachtig ontwikkelde, wat van Frankrijk
niet kan gezegd worden.
De zuidkust van Frankrijk aan de Middel-
landsche Zee lag gunstiger, en Marseille was
dan ook de belangrijkste handelsstad in dit
gebied, die in de voordeelen der kruistochten
deelde, maar daarna achteruitging.
Ook de maatschappelijke verhoudingen der
bevolking werkten de ontwikkeling van den han-
del in Frankrijk niet in de hand. Er bestond
in dit land geen krachtige middelstand tusschen
de heeren en de lijfeigenen, en de koninklijke
macht werd door de vasallen ondermijnd. De
vorsten bezaten langen tijd geen kracht zich
tegen de tyrannie der leenmannen te verzetten.
Daarbij kwam, dat de steden, die elders de
middelpunten van een vrij en krachtig burger-
leven waren, gedurende de middeleeuwen in
Frankrijk zwak, afgezonderd en weerloos ston-
den en eerst met het einde daarvan haar kracht
bewust werden. De burgeroorlogen en de oorlog
met Engeland gedurende 100 jaren (1339—1435)
gebouwen en tuinen en zijn beroemde metaal-
industrie (damascener klingen) en weverijen
(damast) de belangrijkste steden. Als zeesteden
in het Mohammedaansche gebied noemen wij
Basra, Beirut en Trebizonde. De handelsver-
bindingen der Mohammedanen gingen in het
oosten naar China en in het westen verscheen
een afgevaardigde van den beroemden Kalif
Haroen al Raschid aan het hof van Karel den
Grooten. Ook met het zuidelijke Rusland hadden
de Arabieren een levendige handelsbetrekking.
Onder de Mohammedaansche heerschappij bleef
Egypte nog steeds de korenleverancier der
Middellandsche zeelanden, en de steden van
Beneden-Egypte bloeiden door nijverheid.
In Spanje, het door de volksverhuizing ver-
woeste land, was de invloed der Mohammedanen
buitengewoon gunstig. Hier ontwikkelde zich
het economisch leven tot hoogen bloei, en werden
kunst en wetenschap tot een hoogen trap van
volmaaktheid gebracht. Nergens werd de land-
bouw met meer zorg uitgeoefend dan in het
Moorsche Spanje; de besproeiingswerken uit dien
tijd zijn algemeen beroemd. De metaalindustrie
bloeide te Toledo (Toledoklingen) en Granada,
de zijde- en wolindustrie van Spanje werd ge-
grondvest, leder, porselein en papier waren
gezochte produkten der Moorsche nijverheid. De
levendige handel exporteerde uit Spanje zijde,
wollen stoffen, olie, metaalwaren enz.; bovenal
werden ingevoerd de oostersche weeldeartikelen.
In de zeesteden van het Spaansche schiereiland
heerschte een druk scheepvaartverkeer en ook
in de landsteden was de handelsdrukte ongemeen.
De Arabieren waren in de middeleeuwen,
evenals de Italianen, ijverige zeevaarders. Op
de Middellandsche Zee zwierven hunne vloten,
maar ook de Roode Zee en de Indische Zee
werd door hen bevaren. In deze laatste streken
hadden zij de scheepvaart bijna geheel in handen.
Zij gingen langs de Afrikaansche kust tot Sofala
naar het zuiden, en de zeehandel in Indische
produkten was hoofdzakelijk hun monopolie.
In den tijd, dat de Arabieren Spanje grooten-
deels beheerschten, werd het noorden van dit
land door Christelijke volken bewoond, die met
de Arabieren of Mooren voortdurend in strijd
leefden, en met het einde der middeleeuwen dezen
geheel verdrongen of onderwierpen. Op handels-
gebied hadden echter de christelijke bewoners van
Spanje in dien tijd weinig te beteekenen. Alleen
de Cataloniërs in het N. O. waren koene en
vlijtige schippers en goede handelaars, die de
meeste kuststreken der Middellandsche Zee be-
zochten, en een druk verkeer met Italië hadden.
Zij bereidden in Spanje de ontdekkingstochten
van later voor.
Het is wel opmerkelyk, dat de eerste der
-ocr page 52-
44                                                                   HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
teisterden dit land en hielden de ontwikkeling
van de kunsten des vredes tegen. De toeneming
van het koninklijk gezag en de centralisatie
van het staatsbestuur met het einde der middel-
eeuwen waren in dit land gunstig voor de ont-
wikkeling van den handel.
De binnenlandsche handel van Frankrijk werd
in dit tijdperk meest gedreven op de jaar-
markten. De missen van Beaucaire, Troyes,
Montpellier, Rheims werden het meest bezocht;
de handelsgebruiken en het gewicht van Troyes
(Trooisch pond) kwamen ook in de naburige
landen in zwang. Met de opkomst en uitbreiding
van den zeehandel gingen echter de jaarmarkten
achteruit en eindelijk ten gronde (zie pag. 11).
De zeehavens als Brugge, Antwerpen e. a. kwa-
men voor de missen in de plaats. In de noord-
westelijke provincie van Frankrijk, die een tijd
lang tot Engeland behoorde, ontwikkelde zich nog
al verkeer met Engeland en met de Nederlanden.
De Italianen oefenden een beslissenden invloed
op Frankrijks stoffelijke beschaving uit. Toen
de pausen hun zetel naar Avignon verlegden
volgden vele Italianen dezen, en legden zich
in Zuid-Frankrijk op handel en nijverheid toe.
De geldhandel was in Frankrijk bijna uitslui-
tend in handen van Lombarden en Florentijnen,
en voor het meerendeel werden de lakenfabrie-
ken van Languedoc en Roussillon voor hun
rekening gedreven. En toen Marseille na de
kruistochten achteruitging, ging de Fransche
handel op de Middellandsche zee geheel over
in handen der Genueezen. Italië beheerschte in
het zuiden van Frankrijk de markt. Uit Italië
heeft Frankrijk ook de meeste takken van nijver-
heid ontvangen, die meer bepaald tot het ge-
bied van kunst behooren, als goudsmeden, het
gieten van brons, het steensnijden, het vervaar-
digen van kristal en spiegelglas, het maken van
kunstbloemen, het tapijtweven en vooral de
zijde-industrie. In het noorden van Frankrijk
was in de vroegste tijden de wolbewerking een
inlandsche nijverheid, en ook vindt men hier
reeds vroeg melding gemaakt van de linnen-
weefsels van Kamerrijk en Rijssel, nog altijd
middelpunten dier industrie.
In het noorden en midden van West-Europa
kwam na de stormen der volksverhuizing het
handelsverkeer en industriewezen eerst iang-
zameihand tot ontwikkeling. In Duitschland
was de opkomst van de steden vooral sedert
de 10e eeuw hierop van grooten invloed. De
steden weiden de brandpunten van nijverheid
en van handel, en daardoor werden hier groote
rijkdommen verzameld, welke voor de ontwik-
keling van de politieke macht der steden van
groot belang waren.
In den tijd der kruistochten was de Donau
de groote verkeersweg, waarlangs de kruis-
vaarders uit Duitschland naar het oosten trok-
ken, en welken weg ook de handelaars volgden.
In de 10lle, 11\'1\'\' en 12\'\'" eeuw was Regensburg
aan den Donau de belangrijkste stad in Duitsch-
land, die met Rusland en Italië handel dreef,
doch later door Weenen overvleugeld werd. De
Zuid-Duitsche steden Ulra en Augsburg brachten
den handel met Italië hoofdzakelijk tot stand.
Drie wegen over de Alpen verbonden in de mid-
deleeuwen Duitschland met Italië: de Hrenner-
pas
door de Tyroler Alpen naar Verona en ver-
der naar Venetië, de Spliigenpaa van den Achter-
Rijn en de St. Qothardpaa van het dal der Reuss,
beide naar de Lombardische vlakte met haar
vele steden.
De Rijn was in de middeleeuwen, vooral
sedert de 10\'le eeuw, een belangrijke handelsweg
van Zuid-Duitschland naar het Noorden. Langs
deze rivier ontwikkelde zich in dien tijd een rij
van aanzienlijke steden, waarvan wij slechts
Straatsburg, Mainz en Keulen noemen. Van den
mond van den Rijn in de Nederlanden voer men
deze rivier op om uit het noorden van Europa
de produkten op de markten in het hart van
Duitschland te brengen.
Terwijl in Zuid-Duitschland, zoo dicht bij de
bakermat der Europeesche beschaving gelegen,
reeds vroeg een druk handelsleven bloeide, bleef
Noord-Duitschland en het gebied aan de Oost-
zee langer ten achter. Wel had de oorspronke-
lijke Slavische bevolking hier in den Karolin-
gischen tijd eenigen handel ontwikkeld, zoodat
de fabelachtige overleveringen der rijkdommen
van het verdwenen Julin (Vineta) misschien op
historische feiten berusten, maar de eigenlijke
economische ontwikkeling van dit gebied valt
eerst na de 12du eeuw. Na dien tijd wonnen de
Germanen gebied in de landen aan de Oostzee,
en sedert dagteekent de opkomst van vele ste-
den. De kooplieden van Breinen en Lubeck leer-
den de produkten der Oostzeelanden kennen, en
ook de Nederlandsche kooplieden verschenen
daar vroeg met hunne schepen. De stad Wisby op
Gothland werd het centraalpunt van den handel,
een stad, die door de kooplieden op de Oostzee
druk bezocht werd, en welks zeerechten een
algemeen beroemden naam verkregen.
Een vereeniging van Duitsche kooplieden,
welke reeds in 1229 handelsverdragen sloot, was
de voorlooper van een machtig handelsverbond,
dat hier in de 13de eeuw opkwam. Wij hebben
met het laatste het oog op de bekende Hanze.
Onder de Hanze verstaat men in het gewone
spraakgebruik eene van de 131\'1 tot de 17||L\' eeuw
bestaande vereeniging van Neder-üuitsehe ste-
den langs de kust en in het binnenland, om
elkanders handel wederkeerig te beschermen.
De vrije steden Lubeck, Breinen en Hamburg
voeren nog tegenwoordig den titel van „vrije
Rijks- en Hanzesteden."
-ocr page 53-
45
HANDELS-AARDRT.TKSKUNDE.
Daar de Hanze niet met dien stroom des tijds
medeging, verloor zij haar beteekenis en verdween
uit de geschiedenis, om plaats te maken voor
de overzeesche compagnieën der handelaren in
West-Europa. De Oost-Indische en West-In-
dische compagnieën, misschien met het voor-
beeld der Hanze voor oogen opgericht, waren
de nieuwe instellingen, die uit de groote gebeur-
tenissen der nieuwe geschiedenis voortkwamen.
In de middeleeuwen was de gunstige geogra-
phische ligging der Nederlandsche gewesten,
in verband met de toenmalige historische om-
standigheden, de oorzaak, dat hier de ontwikke-
ling van een bloeienden handel plaats vond.
Wij zeiden reeds, dat de Italianen de produkten
van het Oosten naar West-Europa brachten. Doch
bij den toenmaligen toestand der zeevaart konden
zij de landen in het noorden, aan de Noordzee en
aan de Oostzee, niet geregeld bezoeken. En wij
zagen reeds, dat evenmin de Hanze den handel
ver naar het zuiden dreef. Zoo was er een
tusschenmarkt noodig, waarop het Noorden en
het Zuiden, het Oosten en het Westen elkander
konden ontmoeten. De keuze van deze markt
werd door het gemeenschappelijk belang be-
paald. En als van zelf waren de Nederlandsche
havens daarvoor aangewezen.
In de geschiedenis treffen wij geen onder-
handelingen aan, waarbij in uitdrukkelijke be-
palingen die bemiddelende rol aan de Neder-
landsche steden werd opgedragen. De voordeelen,
welke deze streken door hun ligging aanboden,
leidden hiertoe als van zelf. En de bewoners
dezer gewesten waren daartoe volkomen geschikt.
De ontluikende scheepvaart, die uit visscherij
voortkwam, de bestaande handelsgeest, de vrije
gemeente-instellingen, de bloeiende vrije burger-
stand, de bestaande nijverheid, zij alle werkten
mede, om die gunstige omstandigheden niet
vruchteloos te doen voorbijgaan.
Zoo kwam het dan, dat Venetië en Genua
handelsbetrekkingen met de Nederlandsche ste-
den aanknoopten, en er uit Italië jaarlijks voort-
brengselen werden gezonden, waaraan Noord-
Europa behoefte had, terwijl omgekeerd de
produkten van het Noorden Italië\'s handelaren
werden aangeboden. In het midden der li^ eeuw
kwam de Nederlandsche wereldmarkt tot vol-
komen ontwikkeling. Hoewel handelaren van
bijna alle Europeesche volken hier verschenen,
waren toch de hoofdvertegenwoordigers van
den invoer- en uitvoerhandel de Italianen en
de Hanzeaten. Vooral de Vlaamsche steden,
als Brugge, Gent, Yperen en Antwerpen en
in Noord-Nederland Amsterdam deelden in
die handelsvoordeelen. In de middeleeuwen
vormde ook de Zuiderzee een belangrijk centrum
voor den handel, en de IJssel was de handels-
weg van de noordelijke Noordzee naar den Rijn.
De Hanze was aldus een verbond van steden
met een handelsdoel. In het westen ging de Hanze
niet verder dan de Zuiderzee. De steden in
Holland, Zeeland en Vlaanderen hebben wel
verbonden met de Hanze gesloten en betrek-
kingen er mede aangeknoopt, doch behoorden
er niet toe. In Gelderland, Utrecht en Fries-
land waren vele steden lid der vereeniging.
Dinant aan de Maas, in België, was de zuidelijkste
Hanzestad ; aan den Rijn ging haar invloed tot
Andernach, en naar het zuiden waren Halle en
Breslau, naar het oosten Krakau en Reval hare
voorposten.
De opkomst van dit handelsverbond had na
1241 successievelijk plaats, en hoewel het nooit
formeel is opgelost, kan men toch zeggen, dat
het omstreeks 1669 eindigde, toen de laatste
algemeene vergadering gehouden werd. De
Hanze is met de eerste periode der ontwikke-
ling van het verkeer in Noord-Europa groot
geworden. De beteekenis, die de steden Lubeck
en Hamburg in de Hanze hadden, berustte op de
geographische ligging, waardoor zij aangewezen
waren om de ruiling der handelsprodukten van
West- en Noordoost-Europa tot stand te brengen.
In den tijd, toen men nog vreesde voor de vaart
op de open zee, toen men de gevaarlijke wateren
tusschen de Oostzee en de Noordzee liefst ver-
meed, moest de zuidwestelijke hoek der Oost-
zee, waar op niet verren afstand de Elbemond
gevonden wordt en men langs deze de Noord-
zee kon bereiken, wel de natuurlijke verzamel-
plaats worden van de produkten der Oostzee-
landen.
Brugge in het westen en Nowgorod in het
oosten waren de uiterste hoofdcentra van den
handel der Hanze. Zout en wijn van West-
Frankrijk, Vlaamsche linnens en later ook de
produkten uit Zuid-Europa, door den handel
uit Italië aangevoerd, werden op de markten te
Brugge, Amsterdam en elders tegen pelswerk,
was, ertsen, koren en andere ruwe produkten
uit de Oostzee-landen omgezet. Ook op Engeland
werd een levendige handel door de Hanze ge-
dreven ; hoofdzakelijk werden hier de Engelsche
linnens gehaald.
Het eenmaal zoo machtige Hanze-verbond had
zijn bloeitijd in de laatste periode der middel-
eeuwen. Toen de nieuwe geschiedenis haar
intrede deed was zijn tijd voorbij. De groote
landontdekkingen in Amerika en Australië en het
vinden van den zeeweg naar Indië hadden aan-
leiding gegeven tot verbetering der scheepvaart
en verplaatsing van den handel. Regeerin-
gen, die tot dusver de zeevaart geheel verwaar-
loosd hadden, kwamen tot het besef van haar
groote waarde. De staande legers veranderden
de wijze van oorlogsvoeren. Er ontstonden
binnen korten tijd geheel andere staatkundige
verhoudingen, geheel andere eischen des levens.
-ocr page 54-
4(5
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
Hoewel zich daardoor ook tijdens de laatste
periode der middeleeuwen in de noordelijke Ne-
derlanden reeds aanzienlijke handelssteden ont-
wikkelden, en vele steden aan de Zuiderzee en
den IJsel reeds tot het Hanzeverbond behoorden,
als Kampen, Deventer, Zutfen, Doesburg enz., valt
toch voor de noordelijke Nederlanden het bloei-
tijdperk van den handel in de nieuwe geschiedenis.
De steden der noordelijke Nederlanden heb-
ben haar eerste ontwikkelingsperiode doorge-
maakt in den tijd der Hanze, doch toen dit
verbond achter den tijd was, en door het vin-
den van den zeeweg naar Indië en den weg
naar Amerika de handelswegen verlegd werden,
trokken zij hiervan verder partij. De Vlaamsche
handelssteden gingen door staatkundige en andere
oorzaken, als het verzanden der havens enz,
snel achteruit tijdens den aanvang der nieuwe
geschiedenis, doch even snel ontwikkelden zich
de steden in het noorden als Amsterdam, Enk-
huizen, Hoorn, Rotterdam, Schiedam, Dordrecht,
Middelburg, Veere, Delft e. a.
§ 47. De nieuwe geschiedenis. Zoo zijn
wij het einde der middeleeuwen genaderd en
staan aan den drempel der nieuwe geschiedenis.
De internationale handel bloeit hoofdzakelijk inde
Italiaansche handelssteden voor het zuiden, en
in de Hanzesteden voor het noordwesten van Eu-
ropa. De Nederlandsche steden zijn in opkomst en
bloei; Engeland begint te ontwaken. In Portugal
is sedert eenigen tijd druk leven; de prins Hen-
drik de Zeevaarder had daar de zeevaart in
eere gebracht, en tot het doen van ontdekkings-
reizen langs de westkust van Afrika geleid.
Er begint meer en meer leven te komen bij
de volken, die aan den Atlantischen Oceaan
wonen. Zij vragen zich af, of die uitgebreide
zee de grens der aarde is; of men den aardbol
niet kan rondzeilen oin aldus Indië door een tocht
naar het westen te bereiken. De rijkdommen
der Italiaansche steden, die tot nog toe de In-
dische handelswaren uit het oosten der Middel-
landsche zee naar West-Europa brachten, prik-
kelde den ondernemingsgeest der opkomende
volken.
Er was een aandrang tot groote ondernemin-
gen, en nog vóór de 15e eeuw geëindigd was,
had Columbus in 1492 een nieuw werelddeel,
Amerika, ontdekt, en had Vasca de Gama in
1498 den zeeweg naar Indië om de Kaap de
Goede Hoop voor Portugal gevonden. Hiermede
was het tijdperk der landontdekkingen voor
goed geopend, en vangt een nieuwe aera der
historie aan, die als de nieuwe geschiedenis
wordt aangeduid. Niet alleen in staatkundig
opzicht, maar ook voor de ontwikkeling van den
handel vormen deze gebeurtenissen een keer-
punt. In de gebeurtenissen der nieuwe geschie-
denis ligt hoofdzakelijk de opkomst der tegen-
woordige staten. Wij zullen deze thans niet nagaan,
doch komen er bij de bespreking der verschil-
lende landen op terug. Zoo ook zullen wij de
handelsgeschiedenis van den nieuwen tijd niet
in bijzonderheden behandelen, omdat wij telkens
gelegenheid zullen vinden daarop te wijzen.
Slechts zullen wij hier den algemeenen loop
van den wereldhandel aanduiden, met de ver-
anderingen, die deze onderging.
Tot aan het einde der 15e eeuw had de we-
reldhandel hoofdzakelijk plaats langs de wegen,
welke reeds sedert de oudheid waren gekozen,
en die alle in de Middellandsche Zee samen-
kwamen. De zeevaart was nog meest kustvaart,
nieuwe landen waren niet ontdekt, en door de
veroveringen der Turken was menig gebied in
Azië en ook op het Balkanschiereiland voor
den handel der Europeanen verloren gegaan.
Toen evenwel Portugal den zeeweg naar Indië
om Afrika heen ontdekt had, werd de wereld-
handel verlegd. Italië moest thans de bemid-
delende rol, om de Oostersche waren aan West-
Europa te leveren, afstaan aan Portugal. En
het kleine Portugal werd nu gedurende korten
tijd een eerste handelsstaat.
Doch daarnevens is de ontdekking van Ame-
rika van groote beteekenis geweest voor West-
Europa. Door die ontdekking werd Spanje aan-
vankelijk schatrijk, waardoor Karel V en Filips II
hunne staatkundige plannen in Europa konden
volvoeren.
Doch een der grootste economische gevolgen
dier ontdekking is zeker de toevloed van edele
metalen voor Europa, vooral van het zilver.
Vóór dien tijd werd de zilvermarkt in Europa
vooral voorzien door de Europeesche mijnen.
Thans kwam er zulk eene vermeerdering van
zilver, dat de waarde er van daalde, doch de
prijzen der overige roerende goederen bovenal
stegen. Deze revolutie in het muntwezen was
vooral in het belang van den burgerstand.
In de eerste plaats had Spanje, de ontdekker,
groote voordeelen van Amerika. Doch de andere
natiën van West-Europa volgden Spanje op dien
weg, en Engeland\'s opkomst als handelsstaat
is voor een groot deel aan Amerika te danken.
De landontdekking van dien tijd sloot ook
tegelijkertijd het inbezitnemen der ontdekte
streken in zich. Daardoor werden Spanje en
Portugal de bezitters van uitgestrekte landen
in Azië en Amerika, of wel, men bracht de
vorsten aldaar in een toestand van af hankelijk-
heid.
De voordeelen, die de Portugeesche Kroon
en de kooplieden van den handel op Indië ver-
kregen, zouden bevestigd worden door een stel-
sel van uitsluiting van andere volken, door
monopolie (alleenhandel). De tijdelijke vereeni-
ging van Portugal met Spanje (1580—1640), en het
sluiten der Spaansche havens voor de Hollanders,
-ocr page 55-
47
HANDELS-AARDRI.TKSKUNDE.
Indië spoedig achteruit. Hierdoor is gedurende
de nieuwe geschiedenis de handelsgrootheid der
Italianen niet aanzienlijk. Eerst in den laatsten
tijd is dit land opnieuw aan den zeeweg naar
Indië komen te liggen na het doorgraven van
het Kanaal van Suez, waardoor dit land weder
vooruit gaat. Maar de tijd, dat Italiaansche koop-
lieden den handel in West-Europa beheerschten,
is voor altijd voorbij. De pogingen, die Italië
in deze eeuw tot kolonisatie heeft aangewend,
waren niet gelukkig.
Frankrijk, hoe gunstig er ook toe gelegen, heeft
weinig deelgenomen aan ontdekkingen en kolo-
nisatie en evenmin aan den internationalen han-
del. De innerlijke toestand des rijks en de
geaardheid van het Fransche volk waren daar-
van de oorzaak. En al werden onder den minister
Colbert sedert 1661 de handel en nijverheid
sterk bevorderd, al werden belangrijke indus-
trieën op groote schaal tot stand gebracht, op
het gebied van den wereldhandel heeft Frank-
rijk niet veel beteekenis verworven. Ook het
kolonisatiewezen had hier slechts geringe ge-
volgen, en de pogingen daartoe in den laatsten
tijd aangewend, waren geenszins in het voor-
deel van dit land.
Noord-Duitschland, met zijn levendigen handel
op het einde der middeleeuwen in den bloei-
tijd der Hanze, ging achteruit in de nieuwe
geschiedenis. De handel van de Hanze ging
te niet, en de oorlogen in het versnipperde
Duitschland, vooral de dertigjarige oorlog
(1618—1648), bracht dit landgebied gevoelige
slagen toe. Daarbij kwamen later de oorlogen
tegen Frankrijk, tegen Oostenrijk enz. De ver-
snipperde verdeeling van het Rijk, waardoor
er geen centrale macht was, behoorde met het
voorgaande tot de oorzaken, welke de ontwik-
keling des handels en der industrie tegenhiel-
den. Terwijl in West-Europa de meeste landen
meer of minder overzeesche bezittingen ver-
wierven, bleef Duitschland daar geheel buiten.
Eerst in het midden van deze eeuw begint
de opkomst van Duitschland als handelsnatie
en zeevarende mogendheid. Ook uit dezen tijd
(na 1871) dagteekent het verwerven van kolo-
niën door dit Rijk.
Wij bepaalden ons slechts tot het aanstippen
van enkele feiten uit de handelsgeschiedenis;
verder mochten wij met het oog op de beschik-
bare ruimte niet gaan. Toch moeten wij ten
slotte nog een paar gebeurtenissen noemen, die
tot den nieuwen tijd behooren, en van onbereken-
baren invloed zijn geweest op het handelsleven.
Wij bedoelen de invoering van de electrische
telegraaf, later van de telefoon, en den aanleg
van spoorwegen.
Door de telegraaf, die bijna de geheele we-
reld in voortdurende onderlinge gemeenschap
die met Spanje in oorlog waren (de Tachtigjarige
oorlog), om dezen te treffen, had ten gevolge,
dat de Hollanders zelf den zeeweg naar Indië zoch-
ten en sedert 1595 direct met Indië in betrek-
king stonden. Dit was het begin van Portngal\'s
ondergang. De Hollanders, die hun scheepvaart
sterk hadden uitgebreid, en den handel der Hanze
gedeeltelijk hadden bemachtigd, richtten in 1602
de Oost-Indische Compagnie op, een rijke en
machtige handelsvennootschap, die de Portugee-
zen uit de Molukken en andere deelen van
Indië verdreef, zelf vele eilanden en landstre-
ken in bezit nam, en weldra den handel op
Indië hoofdzakelijk beheerschte. Sedert dien
tijd waren de Noord-Nederlandsche havens de
stapelplaatsen voor den bloeienden handel in
Indische produkten, terwijl Portugal even snel
achteruit ging als het was opgekomen. Tot het
midden der i8e eeuw bleef in Noord-Nederland
de scheepvaart en de handel op Indië en op de
Europeesche landen in den vollen zin des woords
wereldhandel.
Echter kwam in West-Europa Engeland op,
en werd in handel en scheepvaart de geduchte
concurrent van de Nederlanders. Meer en meer
werden dezen in hun handel verdrongen, en de
Engelschen namen hunne eerste plaats in. Daardoor
was op het einde der 18e eeuw de handel en
de scheepvaart van Nederland verbazend ge-
slonken en die van Engeland tot grooten bloei
gekomen. Ook Engeland had in Amerika, Azië
en Australië bezittingen verworven en koloniën
gesticht, en werd daardoor in deze eeuw niet
alleen de eerste natie op het gebied van handel
en scheepvaart, maar ook de eerste koloniale
mogendheid.
En al is Nederland nog altijd een aanzienlijke
koloniale mogendheid, al heeft de handel en de
scheepvaart zich in deze eeuw wel gedeeltelijk
uit den toestand van verval opgeheven, de
vroegere grootheid is op verre na niet we-
der bereikt. De opkomst van andere handels-
natiën moest wel gedeeltelijk ten koste van den
albeheerschenden handel der Nederlanders plaats
hebben.
Spanje, dat met de rijke bezittingen in Ame-
rika zoo glansrijk de nieuwe geschiedenis bin-
nentrad, welks schatkist voorzien werd met de
schatten der Amerikaansche zilver- en goud-
mijnen, heeft wel zijne bezittingen uitge-
perst, maar is er zelf niet door verrijkt. Door
slecht bestuur, door gemis aan energie, en door
het vertrouwen op de rijkdommen uit Amerika is
het land verarmd, is de handel verdwenen, en
ging hij in handen van Hollanders en Engel-
schen over. Zelfs was het gevolg, dat ook die
rijke bezittingen in deze eeuw meestal verloren
gingen.
De beteekenis van den handel der Italiaansche
steden ging na het verleggen van den weg naar
-ocr page 56-
48                                                                  HANDELS-AA]
brengt, heeft de handel iets haastigs in zijn
karakter verkregen. 1)
De telefoon doet gedeeltelijk denzelfden dienst
op eenvoudiger wijze.
De spoorwegen hebhen wegen gebaand in
richtingen, die de natuur niet voor het verkeer
aanwees. Zij hebben den invloed van de natuur-
Hjke gesteldheid der landen op de richtingvan
den handel verminderd, en de markt van het
kapitaal in de handelswereld vergroot. Hier-
door is er een revolutie gekomen in de richting
der handelswegen.
Bijz. beschrijving van de deelen der aarde.
De imleeling der aardoppervlakte.
§ 48. De werelddeelen. De aardoppervlakte
wordt ingedeeld in vijf groote deelen, werelddeelen
genaamd. Deze indeeling berust grootendeels op
de natuurlijke afscheidingen, welke de zeeën op
de aardoppervlakte tot stand brachten. Alleen
ten oosten van Europa is de grens tusschen dit
werelddeel en Azië moeielijk te bepalen. De
natuurlijke scheidingen, welke men hier aan-
neemt, zijn in vele opzichten altijd eenigszins
willekeurig, en vandaar dat als landgrens ook
niet altijd dezelfde genomen wordt. Voor eene
handelsgeographie is het daarom het eenvoudigst
de staatkundige grens van Rusland als de grens
van Europa te beschouwen, of het Ural-gebergte
en de Ural-rivier met de laagte der Manytsch-
rivier als de grens aan te nemen.
In een tabellarisch overzicht vatten wij de
opgaven over grootte, bevolking enz. der wereld-
deelen samen.
De werelddeelen.
EUBOPA.
Algemeen overzicht.
§ 49. De ligging en kustontwikkeling van
Europa.
Bij de eerste blik op de wereldkaart valt
het direct in het oog, dat Europa vergeleken met
andere werelddeelen betrekkelijk vele en aanzien-
lijke inhammen der zee alsmede groote binnenzeeën
bezit, terwijl het meer dan eenig werelddeel met
groote landtongen en schiereilanden in de om-
ringende zeeën vooruitsteekt. Hierdoor heeft Eu-
ropa eene groote kustlengte, wat men gewoonlijk
uitdrukt met de term, dat Europa een groote kust-
onticikkeling
bezit. Van de oppervlakte des lands,
die in ronde getallen op 10 inill. K.M2, kan
gesteld worden, behoort ongeveer 1/.j tot eilan-
den en schiereilanden, en maakt het overige 2/3
de massieve romp van Europa uit. Europa
is in dit opzicht gunstiger bedeeld dan de andere
werelddeelen. Dit blijkt als wij weten, dat terwijl
in Europa de verhouding van eilanden en schier-
eilanden tot vasteland is als 1 : 2, die verhou-
ding in Azië is als 1 : 3, in Amerika als 1: 12.
Door deze gelukkige gesteldheid des lands staat
Europa voor groote gedeelten onmiddellijk of zeer
gemakkelijk met de zee in verbinding. De verdee-
ling van land en water is er zoodanig, dat van het
hart van Europa uit gemakkelijk waterwegen
voor het volkenverkeer in alle richtingen zijn te
openen. Verscheiden rivieren, welke gedeelte-
lijk bevaarbaar zijn, of die, waar dit niet het geval
is, toch tot goede landwegen langs haar oevers
gelegenheid geven, stroomen in verschillende
richtingen uit het midden van Europa naar de
omringende zeeën, en bevorderen aldus de ge-
meenschap des lands met de groote verkeers-
banen over den Oceaan zeer.
Wanneer wij daarbij bedenken, dat Europa
grootendeels in de gematigde luchtstreek ligt,
dat de groote zeeën tot zelfs in het noorden
toe in \'t geheel niet of zelden dichtvriezen, dan
moet men erkennen, dat de ligging en geogra-
phische gesteldheid van het werelddeel veel
voordeelen voor het handelsverkeer en de ont-
wikkeling der beschaving aanbiedt. En de ge-
schiedenis bewijst ons, dat die invloed niet
vruchteloos gewerkt heeft, daar Europa boven-
aan staat in de ontwikkeling der volken.
Europa is aan drie zijden door zeeën inge-
sloten, en alleen in het oosten direct met een
lijnen zeiden, kunnen wij thans nog toevoegen, dat met
den thans geopenden telegraafkabel tusscheu Kieuw-
Caledonië en Queensland in Australië, de eerste sectie
gelegd is van den grooten kabel, die, do >r den Stillen
Oceaan gelegd zal worden naar de Saudwich-eilanden
en van daar naar San Francisco, en bestemd is om ecu
einde te maken aan het monopolie van de Eaitern
Telegraph Cy.
op het telegraafverkcer naar Australië
en Üost-Azië.
Werelddeelen
Oppervl. in
K.M*.
Inwoners.
Bewo-
nert op
lK.Mi.
Europa.
(tot Ural-geb.,
Ural-rivier, Ma-
nytsclidal, met de
polaire eilanden.)
Azië
(binnen natuur-
lijke grenzen met
de polaire eil.)
Afrika
Amerika
(met arktische
gewesten.)
Australië en
Oceanië.
Zuidpoolgewes-
ten.
9 866 000
44 288 000
29 825 000
41 825 000
8 959 000
657 000
356 000 000
826 000 000
168 000 000
123 000 000
5 700 000
36
19
5,6
2,9
0,6
Totaal
135 420 000
1 478 700 000
11
\') Aan hetgeen wij op pag. 19, over de telegraaf»
-ocr page 57-
49
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
vasteland, dat van Azië, verbonden. De afschei-
ding van andere werelddeelen is op sommige
plaatsen zeer weinig hinderlijk. In het oosten
vormen de 1/2 K.M. breede Bosporus en de 2 K.M.
breede Hellespont gemakkelijke overgangen naar
Azië, en in het westen is de Straat van Gibraltar,
slechts 14 K.M. breed, gemakkelijk over te
trekken naar Afrika. In ouden tijd zijn deze
overgangen dan ook dikwijls door de volken
gebruikt.
De Middellandsche Zee, die Europa naar het zuiden
begrenst, wordt vooral door de schiereilanden van
Zuid-Europa in verschillende bekkens verdeeld.
In het oosten steekt het Balkan-schiereiland
(468000 K.M2.) met vele vertakkingen in de zee
vooruit, en talrijke eilanden in de Égeesche zee,
de groepen der Cykladen en Sporaden, vormen
als het ware eene gemakkelijke verbinding met
Klein-Azië.
In het midden van Zuid-Europa strekt zich
het slanke Apenijnsche schiereiland met de zui-
delijkste kleinere armen van Apulië en Calabrië
in zee vooruit, en vindt in het eiland Sicilië, na
kleine afbreking in de straat van Messina, eene
voortzetting. Doch ten oosten en ten westen
van Italië dringt de zee diep naar het noorden
in Europa door, en nadert zelfs de kern der
Alpen, zoodat voor het verkeer hierdoor natuurlijke
wegen geopend bleven. Het plompe Pyreneesche
schiereiland
(584000 K.M.2), dat in den vorm wel
iets met Afrika overeenkomt, sluit het bekken
der Middellandsche zee in het westen af.
De belangrijkste en grootste eilanden in de
Middellandsche zee zijn, van het westen af: de
Pytiusen en de Balearen (Spaansch), Corsica
(Fransch), Sardinië en Sicilië (Ital.), Malta en
Gozzo (Eng.), de Jonische eil. en de Cykladen
(Grieksch); Kreta of Kandia en de Sporaden
met Rhodos (Turksch), en Cyprus, (Eng.).
Aan de westzijde van Europa langs den At-
lantischen Oceaan vindt men de grootste kust-
ontwikkeling in het noorden, en houdt de gele-
ding ten Z. van 50°. bijna geheel op.
De Oostzee bestaat uit een ondiepe, ver in
Noord-Europa doordringende inham, waardoor het
Deensche en het Skandinavische gebied als schier-
eiland
gevormd worden, en waardoor de zeevaart
ook hier diep in het land doordringt. De be-
langrijkste inhammen en uitbreidingen van de
Oostzee zijn: de Botnische yolf, de Finsche golf, de
golf van Riga, de Danziger bocht en de Pommersche
bocht.
Daar het zoutgehalte der Oostzee geringer
is dan van den Oceaan, en deze zee geheel in
het land ligt, (vastelandsklimaat), gebeurt het
enkel, ongeveer eens in de eeuw, dat zij geheel
dichtvriest. Meermalen worden de toegangen
in de nauwe zeestraten de Sond en de Groote
Belt door ijs afgesloten en zijn de havens ontoe-
gankelijk. Door deze omstandigheid wordt de
scheepvaart op de Oostzee bijna jaarlijks eenige
maanden belemmerd. Overigens is deze zee voor
het verkeer van het hoogste belang.
De westkust van Skandinavië is rijk aan
kleine, grillig gevormde inhammen, fjorden
genoemd, die met steile wanden in het Skandi-
navische bergland doordringen. Doch die steile
bergwanden maken de verbinding met het bin-
nenland bezwaarlijk, en daardoor kunnen de
fjorden niet den gunstigen invloed op het han-
delsverkeer uitoefenen, welken zij aan een lagere
kust zouden hebben.
Ten westen van Middel-Europa liggen de
Britsche eilanden als een voorpost in den Oceaan,
en sluiten de Noordzee aan dien kant af. De Noordzee
is een ondiepe zee (gemidd. 89 M. diep) aan den
rand van den Atlantischen Oceaan. Van het
vasteland strekt zich een onderzeesch plateau in
den Oceaan uit, en op dit plateau verheffen
zich de Britsche eilanden.
Ten W. van Ierland neemt de diepte der zee
snel toe en hier vangt bij een diepte van meer
dan 200 meter het eigenlijke bekken van den
Atlantischen Oceaan aan.
In het noorden wordt Europa begrensd door
de Noordelijke IJszee. Een gelukkige omstan-
digheid is het, dat het warme water van den
Golfstroom (zie pag. 9) ver in deze zee doordringt,
waardoor zij minder aan bevriezing blootstaat
dan andere zeeën op gelijke breedte, als in het
noorden van Amerika en Azië. Dit heeft ten
gevolge, dat hier nog scheepvaart-verkeer bestaat
en steden gevonden worden (Hammerfest en
Wardohuus) op eene breedte als op geen andere
punten der aarde. De grootste inham in het
noorden is de Witte zee, die door de afgelegen-
heid en het barre klimaat verre bij de Oostzee
achterstaat in beteekenis.
§ 50. Iets over de kustvormen in verband
met het verkeer.
De kusten van Europa ver-
toonen alle afwisseling in vormen, zooals bij een
blik op de kaart onmiddellijk te zien valt. Wij ves-
tigden er reeds de opmerkzaamheid op, dat de
fjordkusten bij Noorwegen voor het verkeer niet
zeer gunstig waren. Zoo hebben de onderschei-
dene kustvormen een zeer verschillende betee-
kenis voor het handels-verkeer.
Zonder tot eene gedetailleerde en streng syste-
matische onderverdeeling af te dalen, waarvoor het
hier de plaats niet is, kunnen wij toch de kust-
vormen en gesteldheid van het kustland gemak-
kelijk in hoofdtrekken onderscheiden. In de
eerste plaats valt den zeeman onmiddellijk in het
oog, oi de kust laag of hoog, vlak of steil is.
Een hooge kust is meestal steil, en wordt gevormd
door een gebergte, dat zich langs de kust verheft.
Wanneer een bergketen zich in de lengte langs
de kust uitsrekt, spreekt men van een lengte-
kust,
en als de bergketen in richting dwars
op de kust staat, en dus aan de zee eindigt,
•
-ocr page 58-
50
HANDELS-A ABDRIJKSKUNDE.
noemt men dit een transversale- of dwarskust.
In dit laatste geval kan de bergketen ongeveer
loodrecht op de kust staan, en dus zuiver een
dwarskust vormen, of met een scherpen hoek
schuin naar zee loopen, en dus diagonaalsgewijze
de kustlijn bereiken, in welk geval men van
diagonaalkust spreekt.
Het springt in het oog, dat een steile, hooge
kust
altijd bezwaren medebrengt om van de zee
het binnenland te bereiken, en dus aan het verkeer
van de kuststreek met het binnenland moeie-
lijkheden in den weg legt. Waar de rots wan-
den in zee afdalen en een hoog, steil
gebergte zich nabij de kust verheft, moeten
dikwijls door kunst en met veel moeite en kosten
de wegen aangelegd worden, zoodat hier op na-
tuurlijke wijze geen verkeer ontstaat. Daarenbo-
ven is het hooggebergte gewoonlijk arm aan
produktie en bezit het weinig bewoners, zoodat
de scheepvaart door geen lokmiddelen wordt
aangetrokken.
Een voorbeeld van een hooge, steile kust in
Europa biedt ons West-Skandinavië. Daar het
bergland zich hier evenwijdig met de kust uit-
strekt, is dit tevens het echte voorbeeld van
een lengtekust. De inhammen, welke de zee hier
met grillige bochten ver landwaarts dwars in
de bergketen vormt, heeten fjorden. De typische
fjorden vindt men in Skandinavië, doch ook in
het westen van Schotland kunnen de smalle en
bochtige inhammen als fjorden beschouwd worden.
De fjordkusten zijn door die inhammen rijk
aan goede natuurlijke havens. Deze kusten
zouden het meest door de natuur bevoorrecht
zijn, als de afsluiting van het land door de om-
ringende gebergten en de voortzetting van deze
langs de kust geen beletsel was voor het verkeer,
zooals we zeiden.
De fjordkusten, zijn daardoor voor de scheep-
vaart en de handelsontwikkeling niet van bij-
zonder belang. Als vluchthavens kunnen zij
dienst doen, voor de vestiging van oorlogshavens
zijn zij zeer geschikt, omdat deze meer aan een
sterke ligging dan aan verbinding met het achter-
land gebonden zijn. Ook als uitgangspunten van
de zeevisscherij zijn zij zeer goed te gebruiken;
maar slechts weinige fjorden dienden tot de ves-
tiging van handelssteden. Enkele fjordhavens
dienen nog als stapelplaatsen en tusschen-stations
voor de zeevaart; echter wordt in de meeste
gevallen hiervoor de voorkeur gegeven aan de
eilanden van de fjorden of nabij de kust. De
opkomst van Tromsoe, Hammerfest en Sitka
(Amerika) is hierdoor te verklaren.
Trots die ongunstige gesteldheid der fjord-
kusten waren zij toch voor de ontwikkeling der
zeevaart in Noord-Europa van groot belang.
Aan de Skandinavische fjorden waren de Noor-
mannen gevestigd, die stoere zeevaarders, welke
onder de moedige Vikings den stormachtigen
Oceaan het eerst langs Europa van noord naar zuid
bevoeren, die het verre IJsland bevolkten, en
zelfs verder van Dieppe uit tochten naar Afrika\'s
westkust tot nabij Sierra Leone ondernomen
zouden hebben. Het land met weinig voort-
brengselen dreef deze mannen op zee, het groote
gebied waar voordeelen te behalen waren, en
maakte hen tot onverschrokken zeelieden.
Bij de dwarskusten, waar een bergketen in zee
eindigt, kan het gebeuren dat de zee inhammen
vormt, die in de lengtedalen tusschen de berg-
ketens zich uitstrekken. Dergelijke inhammen
worden met den naam rias aangeduid, naar den
naam, welken men in Spanje daaraan geeft. Een
zoodanige riaskust komt voor in het N.W.
van Spanje aan de Gallicisch-Asturische kust,
aan de kust van Bretagne (Frankrijk), in het
Z.W. van Engeland en in het Z.W. van Ier-
land.
Het is natuurlijk, dat de riaskusten meer toe-
gangen van de zee uit naar het land verschaffen,
omdat het gebergte hier dwars op de kust staat.
Evenwel is het aantal havens ook aan deze kusten
nog niet groot, al valt niet te ontkennen, dat
deze kusten belangrijken invloed op de ontwik-
keling der zeevaart hebben uitgeoefend.
De lage, vlakke kusten van West-Europa zijn
over \'t geheel gunstiger voor den handel dan de
hooge. Dit is bovenal hiervan een gevolg, dat
deze kusten den benedenloop van groote rivieren
hebben, zoodat de havensteden zich eigenlijk
niet nabij de kust maar aan de rivieren op eenigen
afstand van de kust ontwikkeld hebben. Dit
is de kust met rivierhavens. Hier vindt de
verbinding van de zee met het hart des lands
gemakkelijk plaats. In rivierschepen worden de
produkten en waren de rivieren op en af ver-
voerd, en de zeeschepen varen een eindweegs
de riviermonden op. De opkomst van haven-
steden had bovenal daar plaats, waar de zeevaart
aan den riviermond ophield, en dus de koopwa-
ren moesten overgeladen worden. Het is na-
tuurlijk, dat de vloed van den Oceaan, die de
rivieren oploopt, hierop grooten invloed uitoe-
fende. Uit dit oogpunt beschouwd is de ligging
van Hamburg, Breinen, Rotterdam, Antwerpen,
Londen, Huil, Rouen, Nantes, Bordeaux, Sevilla
en vele andere steden goed te verklaren. Ook
bij de Oostzee liggen de havens meestal aan
de riviermonden. De vloed oefent echter hier
geen invloed uit, wijl deze in de Oostzee zoo
goed als gemist wordt. Men denke hierbij aan
de ligging van Lubeck, Stettin, Danzig, Konings-
bergen, Riga, en andere steden.
Terwijl de lage kust met riviermonden den
toegang tot het land opent, is de lage kust met
duinen daarentegen zeer ongunstig voor het ver-
keer. De duinenkust is gevormd op ondiepe of bloot
liggende rijen zandbanken nabij de kust en
-ocr page 59-
51
HANDELS-AARDRlJKSKUNDË.
omringende zeeën van slechts weinige honderden
meters, meer dan 2/;! van het werelddeel onder
water zoude zetten. Er zouden dan behalve
enkele eilandengroepen, zooals een gedeelte van
Groot-Britannië, slechts twee door een breeden
zeeboezem gescheiden landmassa\'s overblijven:
eene in het noorden, het Skandinavische berg-
land omvattend, en een grootere in het zuiden,
de berglanden van Middel-Europa met de Alpen
en van de zuidelijke schiereilanden innemend.
Hieruit blijkt, dat het laagland zich door
Midden-Europa naar het oosten uitstrekt, waar
het geheel in Oost-Europa de grootste opper-
vlakte inneemt, terwijl de berglanden tot twee
hoofdgroepen zijn te brengen. De laagvlakte
bestaat uit de Germaansehe en de Sarmatische
of Russische laagvlakte, de berglanden zijn de
Alpen met omringende gebergten en het
Skandinavische bergland.
Die ligging van de laagvlakte in Midden-Europa,
waardoor de Oostzee ver naar het oosten in het
land doordringt, waardoor aanzienlijke rivieren
een weg van Midden-Europa naar het noorden
en noordwesten konden nemen (Elbe, Oder, Weich-
sel), waardoor het zeeklimaat diep in het conti-
nent kan doordringen, is van onberekenbaar
voordeel geweest voor de ontwikkeling van den
economischen toestand der bewoners in dit
werelddeel.
Het Skandinavische bergland, het noordelijkste
bergland, rijst met een steile helling op uit den
Atlantischen Oceaan en daalt met langzame
overgangen naar het oosten af tot het laagland, dat
in Zweden de Botnische golf omzoomt. Dit
bergland staat geisoleerd in het N. W. van Europa.
De rivieren dalen er meest af in een oostelijke
richting, doch wegens de geringe uitgebreid-
heid der vlakte heeft geen van deze een groote
beteekenis voor het wereldverkeer. Wij komen
hierop terug bij de beschrijving des lands.
Het hoofdgebergte van Europa vormt het
ketengebergte der Alpen. De Alpen vangen aan
bij Genua, waar zij zoo zeer met de Apennijnen
vereenigd zijn, dat het moeielijk valt de juiste
grens te trekken. In den laatsten tijd wordt
de lijn van Savona naar Ceva als de meest
wenschelijke grens tusschen beide ketens aan-
genomen. Aanvankelijk loopt de Alpenketen in
Z. W. richting en buigt zich vervolgens om naar
het noorden. De kam der Alpen, (de kam is
de lijn over de toppen van de bergketen) is
hier de staatkundige grens tusschen Frankrijk
en Italië. De zware bergmassa van den Mont-
blanc,
de hoogste berg van Europa (4800 meter),
vormt den hoeksteen, waar de Alpen van een
noordelijke een oostelijke richting aannemen, in
welke hoofdrichting zij zich blijven uitstrekken
tot den Donau bij Weenen. Zelfs moeten in
geologisch opzicht de Karpaten ook tot de Alpen
gerekend worden. Voor ons doel is het evenwel
daardoor sluit zich bij de duinenkust een strand
met gevaarlijke ondiepten aan. Hierdoor is op
deze plaatsen voor groote schepen de kust niet
te naderen, en de ondiepten maken de zee langs
de kust onveilig voor de scheepvaart. De zee-
man, die hier onbekend is, wordt dikwijls het
slachtoffer van dezen kust vorm, doordien het
schip strandt op de zandbanken.
De duinenkust is daarom arm aan steden.
Visschersdorpen konden hier ontstaan, tot han-
delssteden ontwikkelden deze zich niet. Wij zien
dit in N. W. Duitschland, in Nederland en aan
de Fransche kust bij de Golf\' van Biskaje.
Eigenaardig is nog de vorm van de Duitsche
kust der Oostzee. Terwijl hier in Mecklenburg
en West-Pommeren de zoogenaamde boddenkmt,
een kust met ondieppe kustbekkens, gevonden
wordt, heeft men in het oosten de haffen, d. i.
strandmeren, door een duintong of nehrung van
de zee gescheiden, en in welke haffen rivieren
uitmonden. De steden worden hier meestal aan
deze inhammen der bodden of der haffen,of aan
de riviermonden gevonden.
Aan de Middellandsche zee zijn de lage kusten
geringer van beteekenis in vergelijking met de
hooge, steile kusten. Een voordeel is het, dat deze
laatste nergens den toegang tot het land geheel
afsluiten, zoodat er niet alleen verbindingswegen
langs de kust bestaan, die de smalle vlakten in
gemeenschap met elkander brengen, maar ook vele
goede wegen o ver de gebergten. Rivierhaven s vindt
men minder aan de Middellandsche zee. De
Europeesche rivieren, welke in deze zee uitmonden,
hebben niet die beteekenis voor de scheepvaart
als de havens van West-Europa. Alleen de Nijl
met zijn delta in Afrika deed nog echte rivier-
havens ontstaan. Doch de steden Malaga, Bar-
celona, Marseille, Genua, Livorno, Napels, Mes-
sina, Palermo, Brindisi, Venetië, Triest, Athene
Konstantinopel e. a. zijn alle tot bloei gekomen,
zonder dat een rivier die opkomst bevorderde.
Aan de Zwarte zee vindt men weder rivier-
havens. Hier monden vele rivieren uit in breede,
trechtervormige inhammen, door de Russen limans
geheeten. Echter de belangrijkste haven aan
deze kust, Odessa, is zonder de medewerking
van een rivier tot stand gekomen.
§ 51. Het hoog en laag van den bodem.
In den bouw en de groepeering van de gebergten
en den geheelen vorm van de oppervlakte blijkt,
dat Europa als een zelfstandig deel der aardop-
pervlakte beschouwd moet worden, en geenszins
een deel uitmaakt van Azië, waarmede het door
land verbonden is. Het landschap in Europa
heeft iets eigenaardigs, iets zelfstandigs, dat het
werelddeel tot een landindividu stempelt.
Het grootste gedeelte van Europa is laagland.
Uit de beschouwing eener hoogtekaart van Europa
blijkt, dat het rijzen van den waterspiegel der
-ocr page 60-
52                                                                  HANDELS-AARDRIJKSKÜNDEi.
beter deze als een afzonderlijke keten te beschou-
wen.
Het gedeelte der Alpen van de Ligurische zee
tot den kleinen St. Bernhardspas ten zuiden
van de Montblanc (of de rivierdalen der Dora
Baltea op Italiaansche en der Isère op Fransche
zijde) noemt men gewoonlijk West-Alpen, en het
gedeelte van den Montblanc tot het Rijndal
van de Bodenzee naar Chur en verder langs
de Splügenpas (ten zuiden van den Achter-Rijn)
noemt men Middel-Alpen. De Middel-Alpen be-
hooren grootendeels tot Zwitserland en vormen
de natuurlijke grens naar Italië.
Al wat van de Alpen ten 0. van genoemde
lijn ligt kan als één geheel onder den naam van
Oost-Alpen worden samengevat. De Karpaten en
de bergketens ten N. van den Donau worden
hierin niet begrepen.
De bovenbedoelde hoofdketen der Alpen
vormt een centrale massa in de lengte uitge-
strekt, die zich in West- en Middel-Alpen steil
verheft uit de lage Povlakte naar den kant van
Italië. Aan de noordzijde zijn de centrale A1-
penketens nog met hoogvlakten en lagere berg-
ketens omringd, die in Frankijk, Zwitserland,
Zuid-Duitschland en Oostenrijk onder verschil-
lende namen bekend zijn. Men kan eene alge-
meene Voor-Alpine-hoogvlakte met een hoogte
van 500 a 60Ö meter aan den noordvoet der
Alpen aannemen, die zich van Geneve door Zwit-
serland en Zuid-Duitschland naar Weenen uit-
strekt.
In het oosten verbreeden zich de Alpenketens
maar worden tevens lager, om bij de Hongaarsche
laagvlakte te eindigen. In de Middel-Alpen is
de gemiddelde kamhoogte 2600 meter, en in het
oosten der Oost-Alpen daalt die tot 1Ö00 meter.
Gewoonlijk onderscheidt men de gebergten
naar de hoogte in voorbergen van 300 tot 600
meter, middelgebergten. van 600—2000 meter en
hooggebergten boven 2000 meter hoog. De cen-
trale Alpen vormen dus grootendeels een hoog-
gebergte,
dat zich in het noorden bij de Voor-
Alpine hoogvlakte aansluit en bovenal aan de west-
en noordzijde door een krans van middelgebergten
is omringd. Die middelgebergten strekken zich
door het O. van Frankrijk en door Zuid- en
Middel-Duitschland en het noorden van Oosten-
rijk-Hongarijë uit, en vormen met veel afwisseling
in het uiterlijk van het landschap een langzamen
overgang tot de voorbergen en verder tot de
Franse/te en Germaamche laagvlakten, die langs
den Atlantischen Oceaan en de Noord- en Oost-
zee het heuvel- en bergland omsluiten. Talrijke
rivierdalen doorsnijden de middelgebergten met
schilderachtige valleien en scheiden ze in af-
zonderlijke deelen.
De Alpen zijn in het Z. O. verbonden met
het bergland van het Balkan-schiereiland en in
het westen met de Apennijnen van Italië. Het
bergland van het Pyreneesche schiereiland vormt
een volledig afgescheiden geheel.
§ 52. De rivieren en de stroomgebieden.
De rivieren zijn een product van het klimaat
doch de richting der stroomende wateren hangt
grootendeels af van de afwisseling in hoog en
laag van den bodem. Daar het handelsverkeer
op het. land, vooral in vroegere eeuwen, van
de natuurlijke wegen, en wel meest van de
stroomende wateren afhankelijk was, zijn dus de
bevaarbare rivieren van veel invloed geweest op
de ontwikkeling en den bloei der landschappen.
Gedurende de oude geschiedenis was, zooals
wij zagen, de handel hoofdzakelijk tot de Middel-
landsche zeelanden beperkt. Het aantal bevaarbare
rivieren, dat in de Middellandsche zee uitmondt,
is gering. Spanje, Frankrijk en Italië zenden
ieder maar één stroom van belang naar de Mid-
dellandsche zee: de Ebro, de Ritene en de Po.
Van deze had alleen de Rhóne in den ouden
tijd internationale beteekenis, omdat langs deze
rivier en verder langs den Rijn de weg liep,
waardoor verbinding met de Noordzee en Oost-
zeelanden tot stand kwam (zie pag. 40).
Gedurende de oude geschiedenis kon door die
omstandigheden de rivierscheepvaart in Europa
niet tot ontwikkeling komen. De groote stroo-
men van Middel-Europa, de Rijn en de Donau,
werden bij de Romeinen eerst bekend in den
keizertijd, en dienden meer tot grenzen voor
hun wereldrijk, wat ten gevolge had, dat zij
daardoor voor de scheepvaart minder veilig waren,
en geenszins de centrale lijnen van verkeer
vormden.
De belangrijkste rivieren voor het verkeer van
Middel-Europa stroomen naar den Atlantischen
Oceaan, de Noordzee en de Oostzee. De hel-
ling van de middelgebergten in Middel-Europa
wijst den rivieren dien weg. De Loire, de
Sein e, de Schelde, de Maas, de Rijn, de Wezer,
de Elbe, de Oder en de Weicltsel zijn de hoofd-
rivieren. Eerst in de middeleeuwen, toen het
overwicht van Zuid-Europa door de opkomst
van het Germaansche midden- en noordwest-
Europa begon te verminderen, verkregen de
genoemde rivieren op den handel en het verkeer
veel invloed. De Rijn had het vroegst de meeste
internationale beteekenis; de Elbe, Oder en
Weichsel werden eerst in de latere middeleeuwen
tot veel gebruikte verkeerswegen.
De hoofdrivieren van het bergland der Alpen
en zijne middelgebergten stroomen dus naar het
N.W. en N. Alleen de Rhóne opent uit het hart
der Alpen naar de Middellandsche zee een weg.
En de Donau, met een oostelijke richting, is in
de middeleeuwen de groote verkeersweg naar
het oosten geworden. De rivieren wezen aldus
de verkeerslijnen aan en langs die rivieren ont-
stonden de oudste handelsteden.
-ocr page 61-
53
HANDELS-AABDRIJKSKUNDE.
De bovengenoemde rivieren behooren alle, in
ruimeren zin genomen, tot het gebied van de
verheffingen der Alpen. Doch de uitgebreide
vlakte in Rusland bezit een eigen stelsel van
groote rivieren, die niet op het bergland maar in
een heuvelgebied ontstaan. Een middelpunt,
waarom vele rivieren ontstaan, vormen hier de
Waldai-hoogten. De Düna, de Dnjepr en de
Wolga zijn de belangrijkste rivieren, die hier
ontstaan. Op de beteekenis dezer rivieren komen
wij terug bij de bespreking van dat land.
Men is gewoon de landoppervlakte, waarvan
eene rivier haar water ontvangt, het stroomge-
bied van die rivier
te noemen. Hieronder wordt
dus al het land verstaan, dat er tusschen en om
de bijstroomen van die rivier ligt, en dat daarop
afwatert.
De rivieren monden weder uit in de zeeën.
Nu noemt men ook de gezamenlijke oppervlakten
van de stroomgebieden van alle rivieren, welke in
eene zee uitmonden, het watergebied van die zee, of
kortweg: het zeegebied. Uit de grootte van het
zeegebied kan men dus weten, van welke op-
pervlakte lands er wateraderen naar die zee
toevloeien.
In Europa kan men zeven zeegebieden on-
derscheiden, die wij in orde van de grootte hier
laten volgen.
K.M2.
Stroomlengte Oppervlakte van
in K.M.
          stroomgebied.
Dnjepr......    2000                  527 000
Don.......    1700                  430 250
Petschora.....    1560                  329 500
Ural......    1500 (?)            249 500
Dwina met Suchona .    1220                  365 400
Weichsel.....    1050                  193 000
Dnester.....    1050                    76 860
Düna......      840                   85 400
Njemen of Memel. .      790                    90 550
De groote rivieren van west-Europa stroomen
in den bovenloop door het bergland en zijn dus
door watervallen, ondiepten en stroomsnelheid
meestal niet bevaarbaar. Toch kan men nog wel
rekenen, dat zij over \'t geheel voor meer dan de
helft van haar loop bevaren kunnen worden. De
belangrijkste rivieren in west-Europa zijn:
Stroomgebied
in K.M*.
197 200
143 300
121 000
112 000
98 900
77 800
46 000
48 800
74 900
Stroomlengte
in K.M.
Rijn......
El\'be.....
Loire.....
Oder.....
Rhóne.....
Seine.....
Wezer met Werra.
Garonne . . . .
Po......
1225
1158
930
905
810
705
712
600
580
2060 000
1718 000
1663 000
1288 000
1142 000
944 000
725 000
9540 000
Zwarte Zee en Zee van Azow
Kaspische Zee.....
Oostzee (zonder Skagerak) .
Noordel. IJszee.....
Atl. Oceaan......
Middell. Zee......
Noordzee (met Skagerak) . .
Totaal
De rivieren van Spanje, die meestal door het
hoogland stroomen, zijn minder goed bevaar-
baar, zoodat zij voor de scheepvaart meestal
niet meer dan over */» der lengte zijn te ge-
bruiken. Zelfs die rivieren, welke door eene
hoogvlakte loopen, zoo als de Guadalquivir en de
Ebro, zijn nog niet voor de halve lengte te be-
varen. Wij geven hierbij van deze een over-
zicht:
Stroomlengte         Stroomgebied
in KM.               in K.M*.
De Zwarte Zee en de Kaspische Zee hebben
dus het grootste zeegebied, wat hoofdzakelijk
een gevolg is van de uitgebreide vlakten van
Rusland, die tot de ontwikkeling van reusach-
tige rivieren aanleiding geven. Hier wordt door
goede bevaarbare rivieren eenigszins vergoed,
wat het land aan kustontwikkeling ontbreekt.
Meest door vlakten stroomend zijn toch de ri-
vieren van Rusland tot zeer ver naar de bronnen
bevaarbaar. Ook de Donau, die tot het gebied
der Zwarte zee behoort, is bijna bevaarbaar tot
zijn oorsprong.
Wij laten hier een overzicht van de grootte
der belangrijkste rivieren volgen, aanvangende
met oost-Europa, met opgave van lengte en
stroomgebied.
Stroomlengte   Oppervlakte van
in K.M.           stroomgebied.
Wolga. • . . . . 3183                1459 000
Donau......2780                 817 000
910
820
727
712
542
82 600
65 500
95 000
99 900
55 900
Tajo (Taag) . . .
Guadiana ....
Douro (Duero Sp.)
Ebro.....
Guadalquivir
De lijnen, waar de stroomgebieden van twee
rivieren aan elkander grenzen, noemt men water-
scheidingen.
Het is duidelijk, dat de water-
scheidingen ook de uiterste grenzen aanwijzen
van het rivierverkeer. Op verschillende plaat-
sen heeft men echter de waterscheidingen door-
gegraven, om de rivieren met elkander in ver-
binding te brengen. Onderscheidene kanalen
zijn aldus de middelen geworden, om van de
naar het oosten en zuidoosten stroomende rivieren
verkeerswegen naar de noordelijk en noordwes-
telijk stroomende tot stand te brengen. De be-
-ocr page 62-
54
HANDELS-AAI
langrijkste van dergelijke waterverbindingen,
die onderscheidene zeegebieden van Europa met
elkander in betrekking brengen, zijn:
A.     De verbinding van de Kaspische
zee met de Noordelijke Ijszee:
Hoogste punt der
verbinding.
1   door Wolga — Kama en Katharina
kanaal, Wytschegda — Dwina. . 150 M.
2   door Wolga — Scheksraa, door het
Kubinskqj meer en Suchona naar
Dwina en Wittezee......150 M.
B.     Verbinding der Kaspische zee met
de Oostzee:
1   door Wolga — Scheksma, langs
Bjelo-meer, door \'t Onega-kanaal
en Onega-meer, Swir, Ladoga-meer
en Newa naar de Finsche golf . 150 M.
2   door Wolga — Mologa, langs ka-
nalen, over het Ladoga-meer en
de Newa.........150 M.
3  door de Wolga, Twerza, Msta, een
kanaal, de Wolchow •— Ladoga-meer
naar de Newa........200 M.
C.     Verbinding van de Zwarte zee met
de Oostzee:
1   door Dnjepr, Beresina, Beresina-
kanaal, Düna........
2   door Dnjepr, Pripet, Oginskisch-
kanaal, Njemen of Memel dz . . 150 M.
D.     Verbinding ran Zwarte zee met
Noordzee:
door Donau, Ludwigskanaal (weinig
gebruikt), Main — Pijn .... 416 M.
E.      Verbinding ran Middellandsche zee
met de Noordzee:
door Rhöne, Bourgondisch-kanaal en
Rijn...........350 M.
F.    Verbinding van den Atlantischen
Oceaan met Middellandsche zee:
door Garonne en kanaal du Midi
(weinig gebruikt)......190 M.
§ 53. Het klimaat van Europa. Europa
is het eenige werelddeel, dat geheel buiten de
tropische luchtstreek ligt, en slechts in het
uiterste noorden voor een zeer klein gedeelte
in de koude luchtstreek doordringt. Evenwel
is het gedeelte van west-Europa ten noorden
van den poolcirkel door de hooge temperatuur
in werkelijkheid nog niet tot de koude lucht-
streek te rekenen. De zee blijft zelfs nog ten
oosten der Noordkaap geregeld vrij van ijs.
Aldus ligt Europa feitelijk bijna geheel in
de gematigde luchtstreek. Uit den loop der iso-
thermen van Januari is te zien, (zie pag. 3), dat
geen werelddeel een zachter winter heeft op
gelijke breedte dan de landen in west-Europa.
De oorzaak van dit zachte klimaat moet voor
een groot gedeelte toegeschreven worden aan
den invloed van den warmen Golfstroom (zie
pag. 9). Deze warme zeestrooming heeft ten
gevolge, dat het water van den Atlantischen
Oceaan in den winter van Schotland tot het
schiereiland Kola in het noorden nog een tem-
peratuur van 3° C. bezit. Hierdoor wordt het
bevriezen van den Oceaan verhinderd, terwijl
de uit het noorden komende massa\'s drijnjs de
Europeesche kust niet bereiken. Door die hooge
temperatuur geeft het water verder veel ver-
damping, terwijl de heerschende westenwinden
die door het lauwe water verwarmde en met
waterdainp beladen lucht naar het land voeren.
Hiervan is een groote vochtigheid en ook
een zachte wintertemperatuur het gevolg. Die
temperatuur leert ons het kaartje op pag. 3 kennen.
Geheel westelijk Europa heeft aldus een
klimaat, dat onder den invloed van den Atlan-
tischen Oceaan staat, en dat zich als een sterk
uitgesproken zeeklimaat kenmerkt. Naar het
oosten toe gaat dit langzamerhand in het vaste-
landsklimaat over. Eigenaardig is het, zooals
ook uit den loop der Januari-isothermeti blijkt,
dat vooral in den winter de temperatuur veel
sterker afneemt in een oostelijke dan in een
noordelijke richting.
Het is voor een overzicht gemakkelijk Europa
naar de eigenaardige gesteldheid van het kli-
maat in groote gebieden te verdeelen, nl. het
Atlantische klimaatgebied, het Middellandsche zee-
gebied
en het Continentale Oost-Enropeesche kli-
maatgébied.
Omdat in west-Europa het klimaat door
den invloed van den Atlantischen Oceaan be-
heerscht wordt, kan men dat het Atlantische
klimaatgebied
noemen. Dit gsbied omvat de west-
kust van het Pyreneesche schiereiland, geheel
Frankrijk, behalve het land ten Z. O der Ce-
vennes, België, Nederland, de Duitsche Noord-
zeekust, Groot-Britannië, Denemarken en het
Skandinavische schiereiland. Het westelijk ge-
deelte der Germaansche laagvlakte behoort hier
nog toe, omdat het Atlantische klimaat langs
de vlakten van de Oostzee gelegenheid vindt met
de heerschende westenwinden diep in Europa
door te dringen.
Het algemeen karakter van het Atlantische
klimaat kan men in het volgende samenvatten:
De zomertemperatuur wordt door den Oceaan
verlaagd, de winterkoude verzacht. De heerschende
winden zijn westelijk, en dikwijls dringen stormen
van den Oceaan in het land door. De lacht is
rijk aan vochtigheid, heeft veelvuldige bewolking,
en een rijke regenval is hiervan het gevolg. De
meeste regen valt in Nederland, langs de Oostzee
en in het hart van Engeland in Augustus; langs
de westkust van Skandinavië, in Engeland, oost-
tichotland en Ierland, en het ivesten van Frankrijk
in October. Alleen op enkele westelijke punten van
-ocr page 63-
55
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
Het oosten van Europa, de groote vlakte van
Rusland met aangrenzende gewesten, heeft een
zuiver continentaal klimaat, dat zich door scherpe
tegenstellingen van zomer* en wintertemperatuur
kenmerkt. De zomer is er zeer heet, de winter
zeer koud. Terwijl het verschil tusschen Juli-
en Januari-temperatuur in Ierland slechts 10" C.
( 15° C. en 5° C.) bedraagt, neemt dit in
Duitschland op dezelfde breede toe tot 20° C.
( 20° C. en 0" C.) en aan den voet van den
Ural tot 30° C. ( 20° C. en — 10° O.).
In bijzonderheden zullen wij hier het klimaat
van dit gebied niet behandelen, omdat wij bij
de beschrijving van/ Rusland daarop beter terug
kunnen komen, in verband met de geheele lands-
gesteldheid. Alleen wijzen wij er hier op, dat
de regentijd hoofdzakelijk in den zomer valt.
De landen van Midden-Europa, als Duitsch-
land, Zwitserland en Oostenrijk-Hongnrije liggen
tusschen de twee besproken klimaatsgebieden,
en vormen dus een overgang van het Atlantisch
klimaat naar het Continentale klimaat, waarin
zij naar het oosten overgaan.
Het noordelijke voorland der Alpen, als Zwit-
serland en zuid-Duitschland, zijn scherp van
de landen met het Middellandsche zeeklimaat
gescheiden door den hoogen bergrug der Alpen-
ketens. Bij een overgang over de Alpen is de
klimaatsverandering plotseling en zeer sterk in
het oog springend.
Ten slotte nog iets over de regenverdeeling.
De meeste waterdamp, die regen brengt, komt
van den Atlantischen Oceaan en wordt met de
westenwinden naar het land gevoerd. Waar hier
de lucht afkoelt tot boven het verzadigingspunt,
ontstaat er regen. Die afkoeling heeft bovenal
plaats door opstijging. Daardoor wordt het
duidelijk dat de wind, die bij een berghelling
opstijgt, daar veel regen doet ontstaan (zie § 6).
Het bovenstaande verklaart ons, dat in Europa
met heerschende westenwinden, de gebergten
der westelijke kusten het rijkst zijn aan regen.
Ook zijn over \'t geheel de westhellingen der
gebergten rijker aan regen dan de landen en
hellingen die ten O. van de gebergten als
in de luwte van den wind liggen. Verder is
het duidelijk, dat het bergland rijker aan regen
moet zijn dan de vlakte, waar minder die op-
stijging en afkoeling der lucht geschiedt. En-
kele voorbeelden zullen dit illustreeren voor
punten aan de oost- en westkust in Groot-Bri-
tannië en Skandinavië.
dit f/ebied in het Z.- W. van Noorwegen, van Schot-
land en van Ierland, alsmede op den Atlantiachen
Oceaan valt de meeste regen in Deccnber en
Januari.
De gemiddelde temperatuur van het Atlantische
klimaatgebied is hoog, doch in den zomer
door den invloed van het zeeklimaat koel of
zacht. Langzaam neemt de jaartemperatuur van
het zuiden naar het noorden af. Op 44° N.Br.
is de gemiddelde temperatuur 13° C, op 57^/a0
N.Br. 9y.,° C. en tusschen 65 en 67° N.Br. nog
4° C. Wij wezen er reeds op, dat voor west-
Europa de temperatuur in den winter en ook als
gemiddelde des jaars gerekend sneller afneemt
naar het oosten dan naar het noorden.
De landen van Zuid-Europa vormen een zelf-
standig klimaatgebied, dat onder den invloed
der Middellandsche Zee staat, en daarnaar het
Middellandsche zeegebied genoemd wordt. In het
noorden heerscht dit klimaat tot de Pyreneeën,
de Cevennes, de Alpen en het Balkan-gebergte,
zoodat het bijna geheel door een natuurlijke
grenslijn van midden-Europa wordt gescheiden.
De verandering van klimaat, als men uit het
noorden deze gebergten overtrekt, is op korten
afstand zeer sterk. In het zuiden wordt het
klimaat van het Middellandsche zeegebied be-
grensd door de Sahara, zoodat het noorden van
Afrika er ook toe behoort. In het O. strekt
het zich uit over Klein-Azië en Syrië en zelfs
tot Mesopotamië.
Een gemeenschappelijk karakter van het kli-
maat in dit geheele gebied is bovenal gelegen
in den regenarmen zomer en de beperking van den
regen tot den ivinter in het zuiden en tot de lente en
den herfst in het noorden.
In de zuidelijke deelen
van het Middellandsche zeegebied is de zomer
zoo goed als regenloos, in het noordelijk ge-
deelte wordt de regen meer over het geheele
jaar verbreid, doch valt bovenal in de lente
en den herfst.
De temperatuur in dit gebied bedraagt in
het zuiden als jaargemiddelde 19° C, in het
noorden 15°. Deze temperatuur is betrekkelijk
hoog voor deze breedte. Daartoe draagt zeker
de afsluiting door de gebergten tegen de noor-
delijke winden en de meer vrije toegang van
zuidenwinden bij. Daarbij komt, dat de Mid-
dellandsche zee een afgesloten kom vormt,
waardoor het water niet volledig met den At-
lantischen Oceaan in verbinding staat, en niet
zoo sterk afkoelt in den winter. Hierdoor is
de temperatuur van het water betrekkelijk hoog,
en is dit mede de oorzaak van een hoogere
temperatuur der lucht. De winter is in de
Middellandsche zeelanden clan ook geenszins
koud, maar meer zacht, en de loof booinen blij-
ven in den winter groen. Aldus zijn de jaar-
lijksche temperatuurschommelingen gering.
Oostkusten.
Aberdeen
Dublin (Ierl.)
Christiania
Stokholm
Westkusten.
Eiland Skye 258
Galway (Ierl.) 130
Bergen
              226
Grötheborff          83
5 c.M,
4
4
40
c.M.
De grootste gemiddelde jaarlijksche hoeveel"
-ocr page 64-
5G
HANDELS-AARDRI.TKSKUNDE.
heid regen in Europa valt aan de westkust van
Skandinavië, van Schotland, Ierland en Z.-W.
Engeland, aan de noordelijke helling van het
Cantabrisch-Asturisch gebergte in Spanje, en
van de westelijke Pyreneeën, alsmede op de A1-
pen en de zuidelijke voortzetting tot de Dina-
rische Alpen. De jaarlijksche regenval bedraagt
in genoemde gedeelten van 130 tot 200 c.M.
(In Nederland 60 tot 80 c.M.). De ligging de-
zer gebergten verklaart dien grooten regenval.
Ten oosten van Skandinavië daarentegen, in
Zweden, valt aan de oostkust niet meer dan
43 c.M., en gemiddeld hooft dit land ongeveer
57 c.M. regen, wat na hot bovenstaande ver-
klaarbaar is.
De landstreken in Europa, welke de geringste
hoeveelheid regen ontvangen, vindt men: ineen
kring om Parijs; ten W. van den Rijn in de
Boven-Rijnsche laagvlakto (denk om de Voge-
zen welke ten W. hiervan liggen); in het mid-
den van Bohemen (denk aan de gebergten); in
de Hongaarsche laagvlakten; in Rumenië; in
Noord-Duitschland om Berlijn, en in het mid-
den van het Pyreneesche schiereiland, waar
overal slechts van 20 tot 60 c.M. regen valt. De
verklaring van deze regenverdeeling is uit de
gesteldheid des lands gemakkelijk te geven.
§ 54. De plantengroei van Europa, en enkele
opmerkingen over de verbreiding van dieren.
De plantengroei geeft een eigenaardig karaker
aan het landschap, en maakt tevens eene der
belangrijkste voorwaarden uit voor het leven der
bewoners, voor hun bedrijf en middelen van
bestaan. Hierdoor staan de planten ten nauwste
met het handelsverkeer in betrekking.
De drievoudige indeeling van Europa naar
het klimaat is ook in de flora of het plantenrijk
1 Toendra\'s.
^fld Plantengroei v. h. hooggebergte.
|;:;X;X;:| Boomarnigeb. en giusl.(steppen).
f\'.;?.\':.] Bergwouden
         i
_} tuurland
H Cultuurland der aubtrop. zone.
~j Landstreken arm van planten.
\' " \'•\'\' Woestynen
Overzicht van den plantengroei in Europa.
Verder valt het gemakkelijk ook in Rusland
nog geheel eigenaardige landschappen te onder-
scheiden, die hoofdzakelijk door den planten-
groei een zelfstandig karakter dragen. Zoo kun-
nen wij Europa gemakkelijk naar den planten-
te herkennen, en evenals in het klimaat is de
tegenstelling tusschen zuid-Europa en het overige
sterker dan tusschen west- en oost-Europa.
Daardoor vormen de Middellandsche zeelanden
ook in dit opzicht een afzonderlijk gebied.
-ocr page 65-
57
HANDELS-AARDRITKSKUNDE.
LANDEN.                          H. A. Bosch. In procenten
der oppervl
Italië.......        5 691 590        22,0
Zwitserland.....           715 500        18,0
Frankrijk.....        9 075100        17,3
Griekenland.....           688 400        14,3
België.......           200 500        13,0
Spanje......        3133 450        17,3
Nederland.....           226 968          6,9
Portugal......           466100          5,1
Groot-Britann. en Ierl. .        1004100          4,1
Denemarken ....           185700          3,4
Het woud en de graanbouw gaan nergens op
aarde zoo ver naar het noorden als in Europa. De
berk is de noordelijkste vertegenwoordiger van
den woudgroei, en gaat tot 70" N. Br. In het N.
van Rusland komen meest lorken in wouden voor.
De beukeboom, die in het zeeklimaat het best
groeit, komt in West-Europa, de eikenboom
meer naar het oosten van Middel-Europa voor.
De oostelijke grens van de beuk begint op de
kust van Noorwegen op ongeveer 59" N. Br.,
loopt van Gothenburg over Kalmar en Konings-
bergen in de richting van Odessa. De poolgrens
van den eik ligt noordelijker en loopt van 63"
N.Br. in Noorwegen over 61" N. Br. in Zweden,
verder over St. Petersburg naar Perm bij het Ural-
gebergte. Deze lijn vormt ook de grens tusschen
de noordelijker naaldbosschen en de zuidelijk
algemeen voorkomende loofboomwouden, eiken
en linden, in Rusland.
Van dè landbouwgewassen bekleeden barer,
gerst, rogge
en aardappelen wel den eersten rang in
dit gebied. Als zomergewas wordt de gerst in
Noorwegen verbouwd tot 70" N. Br.; de verbouw
van wintergranen begint in Zweden en Rusland
op 60° N. Br. Tusschen 50 en 60" N. Br. zijn
in Europa wintertarwe en winterrogge de meest
voorkomende granen. Ten zuiden van 50" ver-
dringt de tarwe de rogge meer en meer, en
verder naar het zuiden in Zuid-Frankrijk, Zuid-
Duitschland en Hongarije begint de oogst
van ma\'is.
De noordgrens der ooftboomen gaat in Skan-
dinavië tot 60", doch loopt in Rusland naar het
zuiden over St. Petersburg ongeveer naar Kazan.
De noordelijke grens van den wijnstok loopt
van den mond der Loire, over Nantes, Keulen,
langs de Karpaten en over Astrakan. Ten N.
van deze grens kan de wijnstok wel groeien,
maar wordt de vrucht zelden rijp. In het hier
besproken gebied liggen dus de belangrijkste
wijnlanden: Frankrijk, Duitschland (Rijnwijn)
en Oostenrijk-Hongarijë. (Zie kaartje pag. 56).
Ook vormt het Middel-Europeesche Woud-
gebied het land, waar de meeste suikerbieten
verbouwd worden.
En eindelijk maakt de heerschende vochtigheid
er het land vooral in het westen goed geschikt
voor den grasgroei, zoodat daar groote uitge-
groei in vier groote gewesten verdeelen, en wel:
1. de toendra\'s, 2. het woudland van middel-
Europa,
3. het MiddeUandseke zeegebied, 4. het
steppenland.
I.    De toendra\'s. Onder de toendra\'s of mos-
steppen
verstaat men de vlakten der koude lucht-
streek met een jaartemperatuur beneden 0°,
welke bijna geheel met mossen bedekt zijn. De op-
pervlakte des lunds is in den zomer slechts tot
eene diepte van een halven meter ontdooid en
op grooter diepte houdt een korst van altijd-
durend ijs den bodem hard. De vochtige toendra\'s
zijn hoofdzakelijk begroeid met bladmossen, ook
wel „groene mossen" genoemd, de droge toendra\'s
met een witgrijze sprei van rendiermos, korst-
mossen en ijslandsch mos. De toendra\'s zijn ge-
heel boomloos. Van de huisdieren leeft hier
alleen het rendier op de toendra\'s aan de Witte-
en de Noordelijke IJszee. Het leven der Samo-
jeden en Lappen, de bewoners dezer onherberg-
zame oorden, is geheel afhankelijk van dat dier.
Ook in de koude gewesten van Azië en Noord-
Amerika strekken zich toendra\'s uit.
De dierenwereld in dit gebied is zeer schaars
vertegenwoordigd. Hoofdzakelijk worden de
arktische (noordelijke) landen door pelsdieren be-
woond, als: marter, hermelijn, wolf en beer. Het
ren lier en de hond zijn schier de eenige huis-
dieren. De zeekusten worden verlevendigd door
de zwemnogels. In de zeeën leven robben en
waldieren.
II.     Het Woudgebied van Middel-Europa.
Door de geheele gematigde luchtstreek der oude
en der nieuwe wereld strekt zich een landstreek
uit, die in de oudste tijden grootendeels met
wouden bedekt moet zijn geweest, en die daarnaar
nog het „woudgebied" wordt genoemd. Evenwel
is met de toeneming der bevolking het woud
meer ert meer gedund, en heeft het bouwland
en het weideland de plaats van de meeste vroegere
wouden ingenomen. Alleen in de bergstreken
en op enkele afgelegen plaatsen heeft het woud
zich nog gehandhaafd, zoodat het zelden meer
dan */4 der oppervlakte van het land inneemt.
De oppervlakte aan wouden in de Europeesche
landen leert ons het volgend overzicht bij be-
nadering kennen1).
LANDEN.                       H A. Bosch. In procenten
_                                                                                     der oppervl.
Rusland......    190 684 000 (      An n
Finland......      10 868 000 j      4"\'U
Zweden......      17 358170i      o. ^
Noorwegen.....        7 568 200)      d4\'1
Oostenrijk.....      18123 760        29,4
Duitschland.....      13 987 900        26,1
Turkije......        8 201300)      000
Rumenië......           976 000)      ass»a
\') Volgens Semler, TValdwirthschaft imd Holzkuudc 1S88
-ocr page 66-
58
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
strektheden als groene weiden gevonden worden,
en daarmede een bloeiende rundveeteelt. Het
paard is in deze streken meest trekdier. Naast
de runderen en paarden zijn varkens, schapen
en geiten huisdieren.
De groote wilde dieren, zooals de beer, de
wolf, los, wilde kat, ros en bever worden in dit
gebied meer en meer uitgeroeid; edelhert, ree en
gems, alsook het trilde varken blijven door kunst-
matige bescherming nog in den natuurstaat
voortleven.
III. Het Middellandsche zeegebied. Dit
landgebied, ook wel het subtropische genoemd,
heeft droge zomers en vochtige winters. Die
vochtigheid en de niet lage temperatuur van
den winter hebben ten gevolge, dat de boomen
er altijd groen blijven, zoodat men dit het gebied
der altijd groene loofboomen kan noemen. Tot
die altijd groene planten behooren : olijfboom,
mi/rtc, oleander, laurier, oranjes, citroenen,
en
eenige soorten van eiken. Als cultuurboomen
vindt men hier verder agrurnen (== zuursmakende
vruchten, als sinaasappels), vijgen, amandelen,
Johannesbroodboom
en kastanjes, terwijl sporadisch
reeds de dadelpalm voorkomt. Vele van deze
planten zijn in den loop der tijden van elders
ingevoerd. Zoo zijn uit de heete luchtstreek
hier de katoenboom, het suikerriet, de pisangs en
bataten overgebracht.
Gedurende den dorren zomer wordt de planten-
groei kort afgebroken doch de zachte winter bevor-
dert vooral een langen groeitijd in den herfst
en het voorjaar. Hierdoor is in den zomer
kunstmatige besproeiing noodzakelijk, waartoe
het bergachtige land zich goed leent. Doch dit
heeft tevens ten gevolge, dat de landbouw niet
op groote schaal gedreven kan worden. Verder
is het bijna geheel ontbreken of schaarsch voor-
komen van weideland daarvan een gevolg.
De belangrijkste granen in dit gebied zijn
ma\'is en tarwe, en in Italië en op eenige andere
plaatsen ook een weinig rijst. De graanvelden
zijn meest van rijen boomen omringd, waarom
zich wijnranken slingeren.
De dierenwereld heeft in Zuid-Europa ook
eigenaardige kenmerken. De rundveeteelt be-
teekent hier niet veel, wat een gevolg is van
het gemis aan weidevlakten. Het paard wordt
hier veel door den ezel en het muildier als trek-
dier en lastdier verdrongen. De schapenteelt heeft
er groote uitbreiding, wat gedeeltelijk daar-
aan is toe te schrijven, dat het klimaat gunstig
is voor den groei der wol. Daarenboven houdt
men hier veel geiten. Met den moerbezieboom
is ook de zijdeworm ingevoerd. Verder noemen
wij van de karakteristieke zoogdieren nog: de
jakhals, de pardelkat, het stekelearken, de moef-
lon,
de steenbok en het damhert.
In Middel- en Zuid-Europa heeft het planten-
leven en de dierenwereld groote veranderingen
ondergaan door de bewoners, die geheel vreemde
soorten invoerden en bestaande uitroeiden. De
wilde dieren zijn er grootendeels door den mensch
uitgeroeid.
IV. Het steppengebied. Het steppengebied,
dat een kleine oppervlakte in het Z.O. en Z. van
Rusland omvat, kenmerkt zich door geheel gemis
aan boomen. Het is een grasland, dat alleen
in de lente en voor korten tijd in den herfst
groen staat, doch gedurende den heeten zomer een
dorre, grijze vlakte vormt, waar niets groeit.
En in den strengen, langen winter jagen de
sneeuwstormen woest over de schier grenzenlooze
vlakte.
Deze gesteldheid des lands maakt, dat slechts
een geringe bevolking hier kan gevoed worden,
die geen landbouw beoefent, maar hoofdzakelijk
als nomaden van veeteelt leven.
§ 55. De bevolking van Europa. De overleve-
ringen der vroegst beschaafde volken en verschil-
lende andere feiten wijzen er op, dat Europa in
den oudsten tijd hoofdzakelijk van Azië en Noord-
Afrika uit is bevolkt geworden. De oudste
volkplanters in Griekenland zijn waarschijnlijk
uit Klein-Azië, Phoenicië en Egypte afkomstig.
De Etrusken in Italië, een volk met een vroege
en zelfstandige beschaving, kwamen van het
noorden Italië binnen.
In den oudsten tijd schijnt Middel- en Noord-
Europa door volkengroepen bewoond te zijn
geweest, waarvan de historie slechts onzekere
berichten geeft, doch die door paalwoningen,
hunebedden, cromlechs, menhirs en andere over-
blijfselen sporen van hun bestaan hebben achter-
gelaten. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de
Finnen en Lappen in Noord-Europa en de Basken
in de Pyreneeën als overblijfselen van die volken
moeten beschouwd worden.
Op deze oudste volken volgen de Kelten. De
Kelten kwamen waarschijnlijk van de landen
aan de Zwarte Zee in Europa, en trokken ten
zuiden langs den Middel-Europeeschen woud-
gordel (zie pag. 57) naar het westen, waar zij
zich vervolgens in de landstreken aan de Donau,
in de Alpen, het Duitsche middelgebergte, Noord-
Italië, Gallië en Britannië vestigden. Zij vorm-
den in den oudsten tijd zeker de hoofdbewoners
van Europa.
Na de Kelten kwamen de Germanen. Ook
zij waren uit het oosten afkomstig 1) en vestigden
zich hoofdzakelijk in de woudrijke streken der
Germaansche vlakte en van Skandinavië, zooals
hun oude overleveringen vermelden. En na de
Germanen volgden weder de Slaioen, die even-
eens uit het oosten Europa binnen kwamen en
de vlakten van Oost-Europa bevolkten.
*) Dit gevoelen wordt in den laatsten tijd wel door
| Penka e. a. bestreden, doch is nog niet voldoende weerlegd.
-ocr page 67-
59
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
Op die wijze had er een voortdringing der
volken van het oosten naar het westen plaats,
wat tot vele vermengingen aanleiding gaf. De
oude indeeling en de woonplaatsen dier volken-
groepen is door historische en politieke gebeurte-
nissen geheel veranderd. In zuid- en zuidwest-
Europa hebben o. a. de Romeinen door hun
politieke overheersching en meerdere beschaving
op de talen, rechtsverhoudingen en zeden van
onderscheidene volksstammen een eigenaardigen
stempel gedrukt. Men noemt die volken, welke
onder den geestelijken invloed der Romeinen
zich ontwikkelden en het eigenaardige daarvan
behielden, de Romaansche rolken. De Romanen vor-
men dus niet een volk één van afkomst, maar
zijn, hoewel van verschillende afkomst, meer
één geworden door historische omstandigheden.
Men kan de tegenwoordige bewoners van
Europa hoofdzakelijk brengen tot vier groepen,
die zich door taal en ras onderscheiden. Zij
zijn: 1 de Basken, (een klein aantal), 2 de Indo-
Germanen,
3 de Ural-Altaische volken van het.
Mongoolsche ras,
en 4 de Semieten.
De meeste van deze hoofdgroepen bestaan
weder uit verschillende ondergroepen. Tot de
Indo-Germanen behooren de Grieken, Kelten,
Romanen, Germanen, Slawen
en de Zigeuners.
En deze ondergroepen bestaan weder uit ver-
scheidene kleinere stammen of afdeelingen, zooals
die meestal door historische gebeurtenissen zich
gevormd hebben.
Tot de Romanen behooren: Italianen, Span-
jaarden, Franschen, Portugeezen, Rheto-Romanen
(in Zwitserland in de Alpen) en Rumeniërs.
Tot de Germanen behooren: Diiitschers,
Friezen, Nederlanders, Denen, Zweden, Noorwegers,
IJslanders
en Engelschen.
Als afdeelingen van de Slawen noemen wij :
A. de Z u i d e 1 ij k e Slawen: Sloivenen, Serben,
Kroaten
en Bulgaren. B. Noordel ij ke Slawen:
Tschechen, Slowaken, Polen en Russen. G. Let-
tische volken: Litauers en Letten.
Tot de Ural-Altaische groep der Mongolen
behooren: A. de Finsehe volken: Finnen, Lap-
landers, Syrjenen, Wogulen, Esthen, Tscheremissen,
Wotjaken
en Mordwinen, alle meest in Rusland,
en de Magyaren of Hongaren in Hongarije. B. de
Samojeden en Tataren: Kirgiezen, Tschuwaschen
aan de Wolga, Kazansche Tataren en Osmanische
Turken.
De Israëlieten behooren tot de Semieten. Zij
leven in Europa verstrooid onder de verschil-
lende volken.
Zonder nu in bijzonderheden af te dalen kan
men als de belangrijkste hoofdgroepen der be-
volking van Europa aannemen: de Romanen, de
Germanen en de Slawen.
De totale bevolking van Europa bedroeg in
1891 ongeveer 358 millioen, d. i. nagenoeg %
van de totale bevolking der aarde. Als gemiddelde
voor 1 vierkante kilometer vindt men in Europa
een volksdichtheid van 36 personen, een cijfer
dat alle werelddeelen overtreft (Zie tabel pag. 48).
Voor de verschillende landen in Europa geven
wij het overzicht van de dichtheid der bevol-
king op pag. 60.
De meest beleden godsdienst in Europa is
de Christelijke, terwijl er in Rusland en Turkij ë
nog 6 mill. Mohammedanen gevonden worden.
Het aantal Israëlieten in Europa wordt gerekend
op 57a mill.
                        /
Omtrent de drie Christelijke hoofdafdeelingen
kan men in \'t algemeen zeggen, dat de Roomsch-
Katholieke
kerk de meeste leden telt onder de
Romanen, de Protestantsche kerk onder de Ger-
manen en de Grieksch-orthodoxe kerk onder de
Slawen en Grieken. Het aantal Roomsch-katho-
lieken in Europa bedraagt ongeveer 160 millioen,
dat der Protestanten 90 mill. en het aantal be-
lijders der Grieksche kerk wordt eveneens op
90 mill. geschat. Volkomen nauwkeurig zijn deze
cijfers natuurlijk niet, zij geven slechts bij bena-
dering de verhouding aan.
§ 56. De landen van Europa. De verdeeling
der aardoppervlakte in werelddeelen berust groo-
tendeels op de natuurlijke afscheidingen, en
is voor het gemak algemeen ingevoerd. De
werelddeelen bestaan uit landen. Hieronder
verstaat men gewoonlijk de gedeelten der aard-
oppervlakte, welke onder een zelfde bestuur
staan, onverschillig hoe dat bestuur is ingericht
en of de bestuurder keizer, koning, vorst enz.
heet. Daarom moemt men deze indeeling de
politieke indeeling. Zulk een zelfstandig politiek
geheel noemt men een staat.
De politieke verdeeling der werelddeelen in
landen of staten is grootendeels een historisch
geworden iets. De loop der geschiedenis, de
eindresultaten der groote oorlogen, de tractaten
der mogendheden, zij bepaalden bovenal de
staatkundige grenzen. Dit neemt niet weg, dat
de natuurlijke gesteldheid der landen, de berg-
ketens, de rivieren, zeeën, moerassen enz. steeds
invloed hebben uitgeoefend op de keuze dier
staatkundige grenzen bij politieke onderhande-
lingen. Bij de verschillende landen zullen wij
dit opmerken.
Hierdoor is de opkomst en uitbreiding der
staten een historisch-geographisch verschijnsel:
d. w. z.: de historie des volks werkte met de
aardrijkskundige gesteldheid des lands mede om
de grootte en gedaante des lands te bepalen.
Bij de behandeling der deelen van de aarde
zullen wij de politieke indeeling volgen. Wij
vangen daarom aan met een statistisch overzicht
van de Europeesche staten te geven, met opgave
van grootte, aantal inwoners en betrekkelijke
bevolkingsdichtheid. De landen worden in alpha-
betische orde geplaatst.
-ocr page 68-
60
HANDELS-AAEDBIJKSK.UNDE.
De staten van Europa.
Opper-
vlakte in
Inwoners
Bewce
Staten en landen.
in duizend-
nt\'rs op
1K.M2.
KM».
tallen.
452
6
13
29 457
6136
208
Bulgarije en Oost-
Rumelië....
96 660
3154
33
Denemarken . . .
38 279
2 172
57
Earoer en IJsland .
106 118
84
0,8
Duitschland . . .
540 504
49 428
91
De haffen en liet aan-
deel in de Bodensee
4 463
— —
Frankrijk ....
536 408
38 343
71
Griekenland . . .
65 119
2 217
34
Groot-Brit. en Ierl.
314 628
37 879
120
Gibraltar en Malta.
328
203
619
286 589
30 347
106
Liechtenstein. . .
159
9,4
59
Luxemburg . . .
2 587
211
82
22
13,3
616
Montenegro . . .
9 080
200
22
Nederland ....
33 000
4 622
140
Oosteniïjk-Hongarijë
625 557
41 385
66
Oostenrijk....
(300 232;
(23 895)
(80)
Hongarije ....
(325 325)
(17 489)
(54)
Bosnië en Herzego*
51110
1336
26
Polaire eilanden. .
119 613
— —
__
Spitsbergen (70100)
Frans-J ozeflaud (49100)
en J au Mayeneilaud(413)
Portugal ....
89372
4 307
48
(zonder de Azoren en
Madera).
Rumenië ....
131 020
5 038
39
5427 598
95 990
18
(volgens administra-
tieve grenzen met
Novazembla).
Daarvan Finland
(373 612)
(2380)
16.4)
San Marino . . .
59
8,2
139
48 590
2162
44
497 244
17 269
36
(zonderde Kanarische
eil. en de Afrik Be-
zittingen).
175 883
5 753
33
(met Novibazar zon-
der Bosnië).
Zweden en Noorwe-
gen.....
773 168
6 774
8,8
Zweden ....
(450 574)
(4785)
(10,7)
Noorwegen
(322 594)
(1989)
(C8>
Zwitserland . . .
41346
2 918
71
Europa volgens admi-
L0 044 4131
357 964,9
36
nistratieve grenzen.
\'
DUITSCHLAND.
(Oppervlakte 540504 K.M». - Inwoners 49428 —
Bewoners per KM». 91).
§ 57. Geographische ligging van Duitschland
en beteekenis daarvan voor klimaat, handel
enz. Het üuitsche rijk ligt tusschen 471/2°—56°
N.Br. en 6"—22° O. Lengte van Greenwieh. De
breedte, waarop Duitschland ligt, wijst aan, dat
het geheel tot de gematigde lurhtstreek behoort, en
wel ongeveer op gemiddelde breedte daarvan ligt.
Hieruit valt reeds af te leiden, dat er een in
alle opzichten gematigd klimaat zal heerschen.
De gematigdheid van het klimaat wordt door
verschillende oorzaken bevorderd.
Het westen van Europa staat onder den in-
vloed van den Atlantischen Oceaan met den
lauwen Golfstroom, en heeft daardoor in den
winter een zachter, in den zomer een koeler
klimaat (zeeklimaat; zie pag. 4). De richting
der heerschende winden is westelijk, en dit heeft
ten gevolge, dat de invloed der zee dieper in
het land doordringt. Nog geeft de laagvlakte
van Noord-Duitschland en de Oostzee aanleiding,
dat het Atlantische zeeklimaat hier verder
naar het oosten kan doordringen, dan elders in
Europa. Het zeeklimaat is daardoor in het
noord-westen en noorden heerschend, en dit gaat
naar het Z.-O. en O. langzamerhand in het con-
tinentale klimaat over.
Evenwel, de afwisseling van hoog en laag heeft
aanzienlijke temperatuurverschillen op kleine
afstanden ten gevolge. Het koudst is het N. O.;
het warmst zijn het Rijndal van Straatsburg tot
Keulen, alsook de dalen aan den benedenloop
der rivieren de Neckar, Main en Moezel. Dit
openbaart zich ook hierdoor, dat langs den Rijn
de wijnbouw het verst naar het noorden gaat.
De meeste regen valt in de bergstreken. Over
\'t geheel neemt de regenhoeveelheid af van het
Z. W. naar het N. O.
Duitschland ligt in het centrum van Europa,
te midden van handeldrijvende landen, die pro-
dukten voortbrengen of noodig hebben. Deze
centrale ligging is van veel belang voor den
handel; daardoor is Duitschland de derde han-
delsstaat der aarde geworden.
Het Rijk heeft een kustlengte van 1900 K.M.,
waarvan 1450 K.M. aan de Oostzee en 450 K.M.
aan de Noordzee. De Noordzee is een der meest
bevaren zeeën der aarde, zoodat het belang
dezer, hoewel kleine kustlengte, in het oog valt.
De Oostzee of Baltische zee is een binnenzee,
welke druk bevaren wordt, doch die voor de
scheepvaart door de heftige winden nog al gevaar-
-ocr page 69-
HANDELS-AA]
lijk is. Door het geringe zoutgehalte en de
afgesloten ligging vriest elke eeuw ongeveer
eenmaal de geheele Oostzee dicht. Vele havens
aan de Oostzee zijn des winters bij vorst ge-
regeld ontoegankelijk.
§ 58. Het hoog en laag van den bodem
en de natuurlijke gesteldheid des lands. I. De
Noord-Duitsche laagvlakte. Langs de Oostzee
en de Noordzee bestaat de bodem in Duitsch-
land uit laagland, dat zich als de Noord-Duitsche
laagvlakte
van Rusland uit naar het westen voort-
zet. Ten W. en ten O. van de rivier de Elbe
levert die laagvlakte kenmerkende verschillen op.
Ten W. der Elbe is de zachtgolvende bodem,
die meestal uit zand- en grintgronden bestaat,
op vele plaatsen met uitgestrekte hoogvenen
bedekt, die in het Bocrtanger moeras en het
Saterland in Oldenburg zeer schaars bewoond
zijn. De landstreek ten W. der Elbe is arm
aan meren. De schrale zandbodem, algemeen
als geestgrond (= onvruchtbare grond) aangeduid,
strekt zich bij Cuxhafen tot aan de zee uit,
doch wordt overigens in Oost-Friesland, aan den
Wezer- en den Elbemond, met een zoom van
vruchtbare kleigronden omringd, welke hier
marschen genoemd worden, overeenkomende met
de zeekleigronden in het noorden van onze
provinciën Groningen en Friesland, en even als
deze door aanslibbing aangegroeid en steeds
toenemend. Buiten deze, d.i. aan den zeekant der
bedijkte marschen, ligt een ondiepe zee, eene
voortzetting der Wadden, terwijl zich op eeni-
gen afstand van de kust de duineilanden voort-
zetten, welke hier, evenals in Nederland, op de
vroegere verder zeewaarts liggende duinenkust
wijzen. Men vindt hier de eilandjes Borkum,
Juist, Norderney, Langeoog, Spiekeroog
e. a. Ten
noorden van de Elbe vindt men soortgelijke
kusteilandjes, aan de W.-kust van Sleeswijk als de
Halligen en de Noord-Friesche eilanden bekend.
De Liïneburgerheide vormt een lage landrug
tusschen Elbe en Wezer; in het Z. is hij met
dennenwouden, in het noorden met groepen
beuken en eiken begroeid, en overigens liggen
groote uitgestrektheden nog woest als heiden,
enkel met erica begroeid. Over \'t geheel is het
landschap der geestgronden niet vruchtbaar, daar
de leemlaag veelal in de zandgronden ontbreekt
of gering is. Waar in den bodem leemlagen
of kleilagen gevonden worden is de toestand
gunstiger, wat zich dikwijls reeds openbaart door
beter boomgroei. De oudste nederzettingen in
deze streken, de kloosters, waren aan die leem-
lagen gebonden. De beschaving en bewoning
ontwikkelde zich om de dorpen, die als oasen
in de heiden gevonden worden. De heidevelden
om de dorpen bleven langen tijd nog gemeen-
schappelijke bezittingen, waar schapenteelt het
eenige bedrijf vormde. In deze eeuw is de
DBIJKSKUNDE.
61
heide zeer ingekrompen en ook de hoogvenen
zijn door afgraving veel verminderd.
Ten O. van de Elbe kenmerkt zich de laag-
vlakte in het noorden door een grooten rijkdom
aan meren, terwijl twee landruggen de vlakte
voor een gedeelte in een golvend heuvelland
doen overgaan.
De zuidelijkste dezer landruggen kan als de
oostelijke voortzetting der Lüneburgerheide be-
schouwd worden. Ten O. van Maagdeburg ver-
heft hij zich als de Flüming tot 20Ö M., (Maag-
deburg is ontstaan aan de Elbe, waar de landrug
den overgang over die rivier gemakkelijk maakte)
een naam, die herinnert aan de Vlamingen, welke
hier koloniën vestigden onder Albrecht den Beer.
In enkele lagere heuvels valt verder oostwaarts
de Z. landrug nog sporadisch op te merken, tot hij
in het Tarnowitzer plateau ten W. van de Weichsel
als een breede, golvende vlakte, welke op vele
plaatsen meer dan 400 M. hoog is, zich uit-
breidt.
Het Tarnowitzer plateau. Het Tarnowitzer plateau
is geologisch te beschouwen als de westelijke uitlooper
van de zwaie, horizontaal liggende lagen, welke in
Oost-Europa van den Ural af zulk eeu aanzienlijke uit»
gebrcidlieid in Rusland innemen. De Tarnowitzer hoogten
bestaan hoofdzakelijk uit selielpenkalk, welke op de ge-
stcenten der sleenkolenformatie ligt. Opmerkelijk is het,
dat hier de incest oostelijke basalt-uitbarsting heeft plaats
gevonden, die in Middel-Duitsch and door Hessen, Thu-
riugen, Noordelijk-Bohemen, Saksische Schweiz en
Lausitz zich voortzet, en met denS<. Annalwrg (385 M.)
alhier eindigt. De Taruowitzerhoogteu zijn rijk aan
yzer, steenkolen, zink en lood, en vormen een der be-
langrijkste mijndistricten van Duitschland. In geen
gebied der aarde wordt zooveel zink verkregen.
Ten noorden van dezen zuidelijken landrug vindt
men eene inzinking of laagte van het O. naar het
W. door Noord-D uitschland, die verder noorde-
lijk weder overgaat in de heuvelvormige ver-
heffingen van den noordelijken landrug. Deze
inzinking is gekenmerkt door vele kanalen en
rivieren. De rivieren volgen gedeeltelijk die
laagte over eenigen afstand naar het westen,
om vervolgens den noordelijken landrug meestal
rechthoekig te doorbreken. De natuur wees
hier den weg aan, om gemakkelijke kanaalver-
bindingen tot stand te brengen tusschen de
rivieren. Warthe en Netze, bijstroomen van de
Oder, zijn verbonden met de Weichsel door het
Bromberger-kanaal. De Oder is met de Havel ver-
bonden door het Finow-kanaal, en met de Spree
door het Friedrich- Wilhelmkanaal. De Beneden-
Havel is door de Markische laagvlakte in kor-
ter verbinding gebracht met den mond van de
Spree door het Ruppin- en het Rhinkanaal. Ook
is van de Havel door het Plauensche kanaal de
vaart naar de Elbe afgekort.
Het ontstaan der laagte tusschen de landruggen.
Deze laagte tusschen de landruggen is de voormalige
-ocr page 70-
02
HANDELS-AARDRIJKSKÜNDE.
bedding van een breede rivier, die in den ijstijd hier
bestond. Toen de Noord-Duitsche landrug met liet
landijs van den ijstijd bedekt was, moest het water ten
zuiden van die glrtsclierbcdekking wel een weg zoeken
naar liet westen. De moerassige gesteldheid en de loop
der tegenwoordige rivieren wijzen nog de sporen dier
oude rivier aan. Na het einde van den ijstijd vonden
de Weichscl en de Oder weder ecu uitwatering door deu
laudrug naar de Oostzee, zooals zij die vóór den ijstijd
in die richting misschien reeds bezaten.
De noordelijke Duitsche landrug, naar de Bal-
tische zee, welke hij aan de zuidzijde omsluit,
ook wel Baltische landrug genoemd, begint in het
noorden van Jutland als een lage, zandige rug, en
zet zich voort door Sleeswijk, Holstein, Mecklen-
burg, Pommeren en door West- en Oost-Pruisen.
Op vele plaatsen is hij gekenmerkt door een
grooten rijkdom aan meren. In de zand- en
grintlagen, de leembanken enz. kan men bewij-
zen vinden, dat hier grond- en eindmoraines
liggen van de gletschers uit den ijstijd. De
Turmberg ten Z.-VV. van Danzig is het hoogste
gedeelte, 330 meter hoog. Over \'t geheel is de
landrug een golvend heuvelland, niet zeer vrucht-
baar, met uitgestrekte heiden bedekt, doch met
vele schoone en afwisselende landschappen. Langs
de rivieren is hij met vruchtbaarder streken
doorsneden.
De kusten der Oostzee verschillen zeer van
die der Noordzee. De Baltische landrug, welke
op vele plaatsen onmiddellijk tot aan de zee
komt, vormt tusschen de met bosch begroeide
vooruitstekende punten in het westelijk gedeelte
diepe inhammen, die uitmunten als havens.
Aan de oostkust van Sleeswijk en Holstein
heeten deze rechthoekig op de kustlijn zich uit-
strekkende inhammen fjorden, en vele steden als
Hadersleben, Apenrade, Flensburg, Sleeswijk, Kiel
en Lübeck zijn daaraan ontstaan. In Mecklen-
burg en West-Pommeren vindt men vele breede,
ondiepe kustbekkens, bodden genaamd, die hier
door schiereilanden, elders door eilanden aan de
zeezijde worden afgesloten. Men noemt deze kust
een boddenkust.
Op hot eiland Rügen komt de vaste krijtrots
aan de kust.
De kust van Achter-Pommeren maakt met bo-
vengenoemd gedeelte een groot contrast. Het
strand is hier met duinen bezet, en achter deze
liggen vele strandmeren. Slechts weinige na-
tuurlijke havens worden er gevonden. De kust
langs de prov. Pruisen kenmerkt zich meer door
de eigenaardige inhammen of strandmeren, welke
men haffen noemt, en die door duintongen,
Hehrungen geheeten, van de zee worden geschei-
den. De haffen zijn strandmeren, waarin hier
rivieren uitmonden, en die bijna geheel zoet
water hebben. Het meest typisch zijn het Fri-
sche Haff,
waarin de Nogat (een der Oderarmen,)
alsook de Pregel uitmondt, en het Kurische Haff,
waarin de Memel haar water uitstort. Tusschen
beide haffen ligt het schiereiland Samland met
de barnsteenkust, dat in Brit ster Ort (Ort =
hoek; hier = landhoek) als een kaap uitsteekt.
II. Het Middel-Duitsehe bergland. Naar
het zuiden gaat de Noord-Duitsche laagvlakte
over in het Middel-Duitsehe bergland. Hieronder
verstaat men een gordel van voorbergen en mid-
delgebergten, welke zich van de Ardennen in
het westen tot de randgebergten om Bohemen
uitstrekt. Op eenige plaatsen dringt de noorde-
lijke laagvlakte nog met inhammen in dit bergland
door. Dat is o. a. het geval aan den Rijn tot
nabij Bonn met de Bcneden-Rijnsche laagvlakte;
met de Mïmstersche laagvlakte of de Westfaalsche
bocht,
(de vruchtbare vlakte rondom Paderborn
en Munster tusschen het Teutoburgerwoud,
Eggegebergte en de Haarstrang), en met de Sile-
zische laagvlakte
langs de Oder.
Het Middel-Duitsehe bergland bestaat in het
westen uit het Leisteengebergte aan den Rijn
(Rheinische Schiefergebirge). Eigenlijk draagt
dit ten onrechte den naam van gebergte; het is
in werkelijkheid een plateau, dat van verschil-
lende rivierdalen doorsneden is. De gemiddelde
hoogte zal niet meer dan 500 meter bedragen,
en het terrein wisselt af van 400 tot 800 meter.
De Rijn doorsnijdt dit gebergte met een dal,
dat in de steenlagen is geërodeerd (uitgeschuurd,
uitgesleten). Van Bingen tot Bonn scheidt de Rijn
het Leisteengebergte in twee deelen. Het wes-
telijke deel bestaat in het zuiden uit den Huns-
rück
(= hooge rug), die door het Moezeldal
van het noordelijker gelegen plateau van den
Eifel gescheiden wordt. De Eifel is een veel-
vuldig verscheurd tafelland, waar bazaltkegels,
oude vulkaankraters en ketelvormige dalen of
maaren (Laacher See) wijzen op vroegere vul-
kanische werkzaamheid. Naar het W. gaat de <
de Eifel over in de Ardennen (in België, Luxem-
burg en Frankrijk) en in het noorden loopt hij
uit in de Hohe Venn, een ruw, met hoogveen
bedekt plateau, dat bij Aken eindigt.
Het Rijnsche Leisteengebergte bestaat hoofd-
zakelijk uit leisteenen, welke in het Devonische
tijdperk \'der aardgeschiedenis *) gevormd zijn.
\') Men onderscheidt de aardlagen op grond van den
tijd, waarin zij zijn outstaan, in verschillende formaties.
Sommige van de formaties hebben den naam van een
bepaald gesteente, o. a. de Steenkolen-formatie, die wij
boven noemden. Men deuke evenwel niet, dat de Steen-
koolformatie enkel uit steenkolen bestaat; ook zandsteen,
leisteenen e a. komen in aanzienlijke lagen daarin voor.
Doch al deze in dien bepaalden tijd gevormde lagen
noemt men de Steenkolen-formatie Van de Krijtformatie
en de andere formaties valt hetzelfde te zeggen; ver-
schillende steensoorten worden in een formatie samen-
gevat, die gemeen hebben, dat zij in één groote tijds-
periode gevormd ziju.
Van de oudste formaties af onderscheidt men in volg-
-ocr page 71-
63
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
sneeuwrijke winters kenmerkt. De bevolking
is daarom ook meest in de dalen geconcentreerd;
de hoogvlakte is zeer dun bevolkt.
Ten O. van het Rijnsche Leisteengeb. ligt
het Hessische en Wezer-bergland, dat in het
O. weder door het Thüringsche bergland be- /"
grensd wordt. Het Hessische bergland bestaat f
in het zuiden uit talrijke geïsoleerde basalt-/
bergen en trachiettegels 4), overblijfselen van|\'
de vulkanische werkingen, welke in Middel-
Duitschland in vroegeren geologischen tijd
plaats hadden. (Zie pag. Gl). Van deze vormt
het Vogelsgebergte de omvangrijkste basalt-
massa in Middel-Europa. Het is een afgeplatte
kegel van 800 M. hoog, door het schoone dal
de Wetterau aan de Witter van de Taunus geschei-
den. Ten O. van het Vogelsgebergte ligt de Bhön,
een groep van oude vulkanen met sierlijke spitse
kegels op een breeden grondslag. De bevol-
king der dorpen aan den voet van de Rhön is
zeer arm. Op den Rhön ontspringt de rivier
de Fulda, die bij Münden met de Werra (van
het Thüringer woud) samenvloeit, waardoor de
Wezer ontstaat. In den hoek bij de samenkomst
van Werra en Fulda, ten O. van Kassei ligt
de basaltmassa de Meissner (750 M.) en ten
W. van Kassei ligt het Habichtswoud (630 M.)
met het bekende slot Wilhelmshöhe.
Het Wezer-bergland is niet vulkanisch. In
het O. is het door het dal der Leine van de Harz
gescheiden, en het staat met het Rijnsche Lei-
steengeb. op enkele plaatsen in verbinding.
Links van de Wezer ligt het Egge-gebergte,
dat zich met het Teutoburgenroitd vereenigt, welke
beide de Münstersche bocht (zie pag. 62) naar
het O. en N. afsluiten. Het Teutoburgerwoud
is een boschrijke bergstreek (veel met loofboo-
men bedekt), die zich uit de laagvlakte verheft.
Het Wezer-gebergte, dat zich in VV. N. W.
richting uitstrekt, wordt bij Minden door de
Wezer doorgebroken in het dwarsdal, dat de
Westfaalsche poort (porta Westfalica) heet. Ver-
volgens stroomt de Wezer door de Noord-Duitsche
laagvlakte naar de Noordzee.
Het Thüringer bergland en de Harz. Ver-
der naar het oosten vinden wij de verheffingen
van het Thüringer bergland in het Z. en de
Harz noordelijker.
Het Thüringer land vormt een bekken of kom,
die aan den noordkant door de Harz, in het zuid-
westen door het Thüringer woud wordt begrensd.
Het Thüringer woud bestaat uit een in de
lengte uitgebreid horstgebergte2); een berg-
door uitpersing van vloeibare steenmassa\'s uit het bin-
nenste der aarde ontstaan.
3) Een horstgebergte noemt men de hoogte, welke
is gevor i,d, doordien in den geologischen voortijd aan
de zijdon het land wegzonk, zoodat het gebergte als
pilaar bleef staan.
Op die Devonische leisteenlagen liggen aan
den noordelijken en \'zuidelijken rand gesteen-
ten uit het Steenkolentijdperk, waarin produk-
tieve steenkolenlagen gevonden worden. In het
noorden zijn het de steenkolenlagen, welke van
Valenciennes in Frankrijk af zich langs het Sam-
bre- en Maasdal en verder door Nederlandsch
Limburg (Kerkrade) tot bij Aken uitstrekken. In
het zuiden wordt het steenkolenbekken van de
Saar gevonden (Saarbrücken.)
Het gedeelte van het Rijnsche Leisteengebergte
ten O. van den Eijn bestaat in het zuiden uit den
Taunus, of, zooals men in deze streken zegt,
die Höhe, omdat hij zich zoo steil uit het dal
van de Main en van den Rijn tusschen Mainz
en Bingen verheft. De zuidelijke helling van
den Taunus langs den Rijn vormt de liefelijke,
veel geprezen Itheingaa. Het gebergte is hier
overal met wijngaarden bezet, die de edelste
Rijnwijnen leveren (Johannesberger, Rüdeshei-
mer). Verder vindt men hier veel ooftboomen.
De koolzure bronnen gaven aanleiding tot het
ontstaan van badplaatsen (Wiesbaden enz.).
De Taunus vormt een rug tusschen den Rijn
en de Main in \'t zuiden en de Lahn in het
noorden. Tusschen de Lahn en de Sieg ligt het
Westerwoud, een ruwe, kale hoogvlakte, aan
welks noordwestelijken hoek het aan afwisseling
zoo rijke vulkanische Zevengebergte, met basalt-
toppen 1) als de Drachenfels (300 M.) e.a., oprijst.
Ten noorden van de Sieg tot de rivier de Ruhr
ligt het Sauërlands gebergte (Zuiderlandsch),
dat zich meer van den Rijn verwijdert. In den
Astenberg (830 M., het hoogste punt van West-
falen,) verheft zich dit bergland het hoogst.
Langs de Ruhr is dit gebied rijk aan steenkolen
(een voortzetting der beddingen bovengenoemd
naar het O.) en ijzer en hierdoor is een levendige
industrie ontstaan. Ten noorden van de Ruhr
eindigt het Leisteengebergte met de Hoarstrang.
De dalen van het Rijnsche Leisteengebergte,
waar door beschutte ligging een zacht klimaat
heerscht, en wijnbouw en ooftteelt zeer ver naar
het noorden voortdringen, vormen een scherpe
tegenstelling met de eentonige hoogvlakte van het
gebergte, die zich door ruw klimaat en lange,
orde de volgende formaties: 1. Silurische formatie,
2. Devonische formatie 3 Steenkolen formatie. 4 Perm-
sche formatie,
5. Trias formatie, 6 Jura formatie,
7 Krijiformatie. 8. Tertiaire formatie. 9. Quartaire
formatie.
— De Quartaire formatie wordt weer onder-
verdeeld in een oudere of het Diluvium, en een jongere
of het Alluvium. Onder Alluoium verstaat men in de
geologie de in den tegeuwoordigen tijd ontstane aard
lagen, zooals de meeste zeeduinen, venen, riviei- en
zeeklei enz. In liet dagelijkseh leven wordt het woord
alluvium ook wel gebruikt voor aanslibbing, aangeslibde
grond.
Bij dit gebruik heeft het woord geen geolo-
gische beteekenis.
\') Basalt en trachiet zijn vulkanische gesteenten
-ocr page 72-
61
HANDELS-AARD BIJKSKUNDE.
keten, die zich van het Fichtelgebergte naar het
N.-W. uitstrekt. Het breede en eentonige ge-
deelte dezer keten in het Z.-O. heet Franken-
icoud,
terwijl het eigenlijke Thüringer woud een
smalle bergketen is. In den Inselbcrg, een veel
bezochte top met schoone vergezichten niet ver
van Friedrichroda, verheft de keten zich tot 915
meter.
Het gebergte met zijn schilderachtige dalen
is op de benedenhellingen met schoone loof-
boomwouden bezet, terwijl hooger op wouden van
pijnen gevonden worden. In de lengte over den
kam van het gebergte loopt door het gebied
der pijnboomen van de Werra (niet ver van
Eisenach) tot de Saaie bij Blankenberg een weg,
de Rennsteig (d. i. Rainweg = grensweg), de
oude grens tusschen den Thüringschen stam
van het N.-O. en den Frankischen van het
Z.-W. in het Main- en WerradaL Het Thüringer
woud, met betrekkelijk hooge en steile over-
gangen, bemoeilijkt daardoor het verkeer tus-
schen de beide zijden zeer.
In het noorden gaat de voet van het Thü-
ringer woud over in het Thüringer land, een
schoon, heuvelachtig en vruchtbaar landschap,
dat in den geologischen voortijd als een kom is
weggezonken, terwijl de Harz en Thüringer woud
als hooge horsten bleven staan.
Dit Thüringer heuvelland sluit zich aan bij
de noordelijke terrassen en afhelling van het
Saksische Ertsgebergte, en het overtollige water
van dit land stroomt door de Unstrut en de
Saaie (beide vereenigen zich bij Naumburg)
en nog eenige andere rivieren af op de Elbe.
De Harz (= woud) is een ellipsvormige berg-
massa, die zich in hoofdrichting van het W.
N. W. naar O. Z. O. uitstrekt. Wat zijn ont-
staan betreft is het een horstgibergte, evenals
het Thüringer woud (zie de noot pag. 63). In
het W. is de Harz als Ober-Harz het hoogst
en verheft zich, terwijl dit gedeelte overigens
met naaldhout bedekt is, in den Broeken (1100
M.) met een naakten top tot boven de woud-
grens, het eenige voorbeeld hiervan in Noord-
Duitschland.
De Unter-Harz, het Z. O., daalt langzaam
hellend af naar het Elbedal, en is met schoone
beukenwouden bedekt. Dit gedeelte wordt we-
gens de schoonheid der natuur het meest be-
zocht. Het schilderachtige Bodedal, dat met
kleine afmetingen door trotsche vormen aan
een echt bergland herinnert, vormt hier de
afstrooming op de Saaie.
Het Saksische Bergland. Ten O. van de
Saaie sluit zich het Vogtlandsche gebergte bij
het Thüringsche land aan. Dit gebied wordt
door de Eister, een bijstroom der Saaie, door-
sneden. Naar het zuiden rijst het terrein en
kan als het Saksische bergland aangeduid worden,
dat in het zuiden zich verheft tot de keten van
het Saksische Ertsgebergte (op de grens
van Saksen en Bohemen), welk gebergte steil
afdaalt naar den kant van Bohemen, en in het
noorden langzamer glooiende overgangen tot het
Saksische bergland vormt, hetwelk verder noorde-
lijk weder in de Germaansche laagvlakte overgaat.
Het ontstaan van het Ertsgebergte. Het Ertsgc-
lergte maakte oorspronkelijk deel uit van de stceulagen,
die als een massieve massa zich door Bohemen uitbreidden.
In liet begin van de vorming der Tertiaire formatie (zie de
noot pag. 02) ontstond er in Bohemen langs de lijn, die te-
genwoordig door de rivier de Ener wordt aangewezen, een
lange breuk, waardoor de zuidelijke getteeutelagen, ui. van
het noorden van Bohemen, in de diepte wegzonken.
Langs den rand ontstonden door deze inzinking bij die
scheur in de aardkorst vulkanische verschijnselen, waarvan
vele warme en koude minerale bronnen nog tegeuwoor-
dig het gevolg zijn. De wereldberoemde badplaatsen in
het noorden van Bohemen hebben hieraan hun ontstaan
te danken Wij wijzen slechts op Mariênhad, Ftan-
zenshad, Kartibad
en Teplilz.
De aardlagen ten noorden van die breuklijn zonken
als een groote aardschol in het noorden meer naar bene
den en hieven zich daardoor in het zuiden als een
steilcn rand op. Die rand vormt de keten van het Erts-
geberte. Hierdoor wordt verklaarbaar, dat het Ertsge-
bergte zoo steil afdaalt naar den kant van Bohemen,
en in het noor leu schuiner hellend in het Saksische
bergland overgaat.
De bewoning der hoogere deelen van het
Saksische Ertsgebergte ving aan met de ont-
dekking van den zilverrijkdom in 1186, het
eerst bij Freiberg, later bij Annaberg en Schnee-
berg. De meeste bergsteden ontstonden in de
15e eeuw. Geen der Duitsche gebergten is zoo hoog
bewoond en zoo ver naar boven met steden bezet
als het Ertsgebergte, en op geen wordt de land-
bouw tot zulk eene hoogte boven de zee ge-
dreven als hier. Ongeveer 20 pet. der bewoners
leven van den landbouw, slechts 6 pet. van den
bergbouw. Toen in de 17e eeuw de rijkdom
der mijnen achteruitging, zocht de bevolking
andere middelen van bestaan, en daardoor werd
de industrie hier allengs met vlijt beoefend.
Het arbeidsvermogen van de stroomende wateren
en de steenkolenlagen aan den voet van het
gebergte verschaften uitnemende hulpmiddelen
daarvoor.
Twee kolenbekkens liggen aan den noordvoet
van het Ertsgebergte, een groot bij Zwickau
en een kleiner tusschen Tharandt en Dresden.
In het oosten sluit zich bij het Ertsgebergte
de Saksische Schweiz aan. Met dezen naam
duidt men het schilderachtige, van grillige da-
len doorsneden Elbezandsteen-gebergte aan,
dat een laag verbindingslid tusschen het Erts-
gebergte
en de Silezische gebergten vormt, en aan
beide oevers der Elbe zich uitstrekt. Het Elbe-
zandsteengebergte heeft de merkwaardige ro-
mantische vormen der gesteenten hoofdzakelijk
verkregen door de erozie van het stroomend
-ocr page 73-
65
HANDELS-AABDRIJKSKUNDE.
water, dat hier in alle richtingen de steenlagen
heeft doorsneden.
III. Het Zmdwest-Duitsche bekken en
zijne gebergten. Van het Donaugebied af naar
het W. en N.-W. behoort Zuid-Duitschland tot
het Rijngebied. Ongeveer van het Duitsche
Jura-gebergte af, dat nog grootendeels zijn over-
tollig water op de Donau doet afstroomen, be-
staat Z.-W. Duitschland uit een vlakke kom, in
welks midden het Rijndal de diepste inzinking
vormt, en waarheen ook alle stroomen met hun
afwatering gericht zijn. Men noemt deze kom
in de aardrijkskunde tegenwoordig meestal het
Zuidwest Duitsche bekken. De grenzen hiervan
maken bijna een rechthoekigen driehoek uit,
met het toppunt bij Bazel, de kleine rechthoeks-
zijde in de lijn, die voor den bovenloop de wa-
terscheiding tusschen Moezel en Maas vormt, de
schuine zijde langs het Duitsche Jura-gebergte,
en de basis op den parallelcirkel van ongeveer 50°.
In het midden van het Z. W. Duitsche bekken
ligt langs de Rijn van Bazel tot Bingen de
Boven-Rijnsche laagvlakte, aan beide zijden
in het O. en W. door bergketens begrensd, die
met steile hellingen uit genoemde laagvlakte op-
rijzen.
Het gebergte ten W. van de Rijn wordt
gevormd door de Vogezen in het zuiden (Was-
genwald.
Lat. Vosagus, Fr. les Vosges, en hieruit
is de Duitsche vorm Vogezen ontstaan) die verder
noordelijk in het Haardtgebergte overgaat. In
het zuiden heeft de Vogezen den hoogsten top, het
Sidzer Belchen (1423 meter) en hij eindigt vrij steil
naar het dal, dat tusschen de Vogezen en de
Jura ligt, en toegang geeft van het Rhöne- en
Saonedal en verder langs de rivier de Doubs
naar de Boven-Rijnsche laagvlakte. Men noemt
deze bergpas de Bourgondische Poort, omdat in
ouden tijd de Bourgondiërs langs dezen weg
naar Zuid-Frankrijk doordrongen. Een scheep-
vaartkanaal is door deze laagte aangelegd, het
Rhöne-Rijnkanaal.ten einde deze beide stroomen
te verbinden.
In het noorden worden de Vogezen afgebroken
door de Pas van Zabem, een dal dwars door het
gebergte, dat gebruikt is om de Marne (bijstroom
van de Seine) met de llijn door een kanaal te
verbinden, het Marne-Rijnkanaal geheeten.
De Pas van Zabem had altijd veel beteekenis
voor het verkeer tusschen Frankrijk en Zuid-
Duitschland, en hieraan heeft Straatsburg, nabij
de Rijn in de richting der wegen door die pas
gelegen, zijn naam en beteekenis te danken.
Ten noorden der Pas van Zabem ligt het Haardt-
gebergte.
Vogezen en Haardtgebergte rijzen steil op uit
de Boven-Rijnsche laagvlakte. Het Haardtgeb., het
bergland van de Rijnpfalz, vormt hoofdzakelijk een
plateau van zandsteenlagen, terwijl in het noorden
rijke kolenlagen bij de Saar gevonden worden
(Zie pag. 63).
Naar het westen gaan deze gebergten meer
langzaam hellend over in de hoogvlakte van
Lotharingen, die door Saar, Meurthe en Moezef,,
(welke alle op de westelijke helling der Vogezen
ontspringen), doorstroomd wordt.
Het Schwarzwald met het Neckarbergland
en het Odenwald vormen naar het oosten de
grens der Boven-Rijnsche laagvlakte. De keten
vormt een evenbeeld van de westelijke, heeft
ook eveneens zijn hoogsten top in het zuiden
(de Feldberg 1493 meter) en rijst steil op uit
de Rijnvlakte. Het Schwarzwald is een goed
bebouwd, met schoone wegen doorsneden ge-
bergte, waarin tal van welvarende dorpen, som-
mige tot op aanzienlijke hoogte, gevonden worden.
Het gebergte heeft zijn naam naar de donkere
dennenwouden. Die houtrijkdom bevorderde hier
de houtsnijkunst als huisindustrie. Een schoone,
romantische natuur vindt men in het Boren-
Murgdal,
het Alhdal, het Kinzigdal, bij Triberg
enz. Grootsch en wild is het romantische Höl-
lenthal.
Ten N. van de Murg gaat het Schwarzwald
over in het Neckarbergland, een plateau dat zich
tot de Neckar in het N. uitstrekt. Het is een
zeer vruchtbaar heuvelland met veel landbouw,
wijnbouw, veeteelt en nijverheid.
Ten N. van de Neckar ligt het Odenwald,
(Otto\'s woud) dat, hoewel door de Main er van
gescheiden, in geologisch opzicht een voortzetting
vindt in de Spessart (Spechtenwoud), welks
hellingen met de schoonste eiken en beuken-
wouden bedekt zijn.
De bergen aan beide zijden der Rijnvlakte
leveren voortreffelijke wijnen.
De Boven-Rijnsche laagvlakte strekt zich
over eene lengte van 300 K.M. en een breedte
van 20 K.M. tusschen genoemde bergketens uit.
Het is een bijna volkomen effen landschap, doch
op meer of minder grooten afstand ziet men
overal de grensgebergten aan den horizon op-
rijzen. Bij Bazel ligt de vlakte 250, en bij
Mainz 80 meter boven de zee. De vruchtbare,
door aanslibbing gevormde bodem, die meestal
uit een oude kleisoort of loss bestaat, in ver-
band met het zachte klimaat, (mede een gevolg
van de beschutting door de gebergten tegen
koude winden), maken de Boven-Rijnsche laag-
vlakte tot een der schoonste landbouwstreken
van Duitschland. Bovenal is dit het geval met
den linker oever. Alle groote, historisch be-
langrijke steden liggen ook aan die zijde, wat
aan deze omstandigheid, alsmede daaraan moet
toegeschreven worden, dat het oorspronkelijk
Romeinsche vestigingen waren, terwijl de Ro-
meinen de Rijn als oostelijke grens beschouw-
den. De rechter of oostoever bestaat op enkele
plaatsen nog uit zandige en moerassige streken
-ocr page 74-
66
HANDELS-AARDRI.JKSKUNDE.
de oppervlakte van dit land zijn voor een groot
gedeelte gevormd door het steenpuin, dat de
gletschers der noordelijke Alpen in den ijstijd
als moraines hier aanvoerden. In het zuiden
vertoont de vlakte op vele plaatsen nog duidelijk
het karakter van een blootgelegd moraine-land-
schap. In het noorden is de hoogvlakte voor
een groot gedeelte moerassig en met venen be-
dekt, die in liet oostelijke gebied door de Beier-
sche bevolking als Mooxe, in het westelijke door
de Zwabische bewoners als Riede worden aan-
geduid. (Dachauer- en Erdinger Moos, Donau-
Moos en Donauried).
De gemiddelde hoogte der hoogvlakte bedraagt
490 meter. Naar het noorden en noordoosten
daalt het land, en in die richting wordt het ook
door rivieren, de Iller, de Lech, de Isar en de
lnn doorstroomd.
§ 61. Het Bohemer Woud, het Beiersche
Woud en het Fichtelgebergte. Ten O. van
de Frankische Jura ligt de hoogvlakte der Opper-
Pfalz,
die door de rivier de Xaab, welke in de
Donau uitmondt, tot het Donaugebied behoort.
Deze hoogvlakte ligt tegenover de Zwabisch
Beiersche hoogvlakte, en helt naar het zuiden
af, dus in omgekeerde richting als laatstgenoemde.
Naar het oosten wordt de hoogvlakte van de
Opper-Pfalz begrensd door de bergketens van
het Beiersche Woud en het Bohemer Woud,
welk laatste de grens van Bohemen vormt.
In het noorden van dit gebied ligt de massieve
bergklomp van het Fichtelgebergte, een centraal
punt, waar het Saksische Ertsgeb., het Franken-
woud en het Bohemeiwoud elkander naderen. Vier
rivieren, de Main, de Na/tb, de Eijer en de Saaie
vloeien van hier in alle richtingen, en omgekeerd
zijn in de middeleeuwen do volken van alle
richtingen langs deze rivieren het Fichtelgeb.
genaderd: de Slawen langs de Eger uit het O.,
(zij zijn uit het Boven-Egerdal reeds sinds lang
weer door Franken verdrongen), van het N. de
Thüringers, van het W. de Franken langs de
Main, en van het Z. de Beieren.
§ 62. De zeeën en rivieren van Duitsch-
land en hare beteekenis voor den handel.
Duitschland grenst aan twee druk bevaren
zeeën, de Noordzee en de Oostzee en in deze
zeeën wateren ook do belangrijkste rivieren
van dit land uit. De kust der Noordzee is zoo
ondiep, dat zelfs kleine schepen niet anders dan
door de riviermondingen het land kunnen naderen.
De kust der Oostzee is het minst diep in de
oostelijke helft, waar de haffen gevormd zijn.
Terwijl de haveus aan de Noordzee het geheele
jaar door zijn te bereiken, vriezen die aaii de
Oostzee geregeld eenigen tijd des jaars dicht.
Naar het oosten is de duur van het dichtvriezen
der havens het langst. Terwijl de haven van Lübeck
zooals bij Karlsruhe. De Rijn kronkelt met
vele windingen en bochten, van welke er on-
derscheidene kunstmatig zijn afgesneden, door
de vlakte, en vele sporen in het land wijzen
nog aan, dat de rivier haar bedding vroeger
meermalen verlegd heeft.
Het ontstaan der Boven-Rijnsche laagvlakte. De
Boven-Rijnsche laagvlakte is ontstaan door inzinking
of verzakking dor aardlagen in den geologisohen voortijd.
Oorspronkelijk vormden Vogezen mot Schwarzwald,
alsmede de overige gebergten langs dit gedeelte der
Hijn, een samenhangend plateau. Door lange spleten
in de aardkorst liad in het midden ceue inzinking plaats,
en aldus werd het. dal der Boven-Rijnsche laagvlakte
gevormd, terwijl aan beide zijden de randen van het,
niet weggezonken gedeelte, als bergketens bleven staan.
Schwarzwald en Vogezen zijn aldus in geologisohen zin
horsten (zie de noot op pag. 63). Door de rivieren
werden vcrvolgcus in de weggezonken Rijnvlaktc lagen
slib en bezinksels neergelegd, waardoor er een vruebt-
bare löss-bodem aan de oppervlakte over de oudere
gesteenten ontstond.
§ 50. De Duitsche Jura. De Duitsche Jura
sluit het Z. W. Duitsche bekken naar het O.
en Z. O. af. Een bergketen in den echten zin
des woords is het niet, doch de Duitsche Jura
vormt meer een breede dam, die van de Main
tusschen Bayreuth en Bamberg naar de Donau als
Frankische Jura in Zuidelijke richting loopt,
en zich vervolgens ten N. langs de Donau naar
het Z. W. wendt tot ten W. der Bodensee. In
den uiterlijken vorm is daardoor de Duitsche
Jura van de Zwitsersche (een echte keten) scherp
onderscheiden. Van de RhOne naar de Main
neemt de Jura in hoogte af. Het zuidwestelijkste
gedeelte tot Nördlingen is van de Duitsche Jura
het hoogst, en heet Zwabische Jura, welke in
het meest ruwe gedeelte met den naam Rauhe
Alp wordt aangeduid. In het Z. W. sluit zich
de Duitsche Jura zoo dicht bij het Schwarzwald
aan, dat beide moeielijk te onderscheiden zijn.
De geheele Jura is, door de kalkgesteenten,
waaruit het gebergte grootendeels bestaat, rijk
aan holen en druipsteengrotten. Bij Solnhofen
levert het gebergte den besten lithographischen
steen.
De steile helling der Jura naar het Neckardal
heeft schilderachtige punten, van welke er vroe-
ger vele met historisch beroemde sloten gekroond
waren. Wij noemen slechts den stamzetel van
het Duitsche vorstenhuis, Hohenzollern, welke
burg geheel gerestaureerd is, alsmede de Hohen-
slaufcu,
welke echter niet meer bestaat.
§ 60. De Zwabisch-Beiersche hoogvlakte.
Ten zuiden van de Donau tot de noordelijke
Alpenketens (de Algauer Alpen en de Beiersche
Alpen) breidt zich eene ruwe, naar het noorden
afhellende hoogvlakte uit, de Zwabisch-Beier-
sehe hoogvlakte genoemd. De aardlagen aan
-ocr page 75-
HAXDELS-AAT
jaarlijks gemiddeld 32 dagen dichtvriest, is die
van Greifswald 58, van Neufahrwasser (binnen-
haven) 81, van Riga (de Diina) 126, van Narwa
aan de Finsche golf 137 en van St. Petersburg
(de Newa) 147 dagen gesloten.
De belangrijkste rivieren van Duitschland zul-
len wij achtereenvolgens hespreken.
1. De Rijn. A. Geschiedenis van de Rijn als
handelsweg. Voor den handel is de Rijn de be-
langrijksto rivier van Europa, hoewel andere
rivieren, als Donau en Wolga, haar in lengte
overtreffen. Het stroomgebied van de Rijn omvat
dichtbevolkte, door nijverheid bloeiende streken
en zij heeft haar uitmonding in een druk bevaren
zee, niet ver van een bedrijvig land, en in het
midden van West-Europa. Talrijke, gedeeltelijk
bevaarbare bijstroomen, brengen de hoofdrivier
nader met het omliggende land in betrekking
en door onderscheidene kanalen is de Rijn met
verschillende andere Europeesche rivieren en
volkrijke landen in verbinding gebracht.
Hierdoor is de Rij nschoepvaart sedert de
oudste tijden van groote boteekenis geweest,
terwijl het rivierdal tevens een goeden weg
opleverde voor het landverkeer langs de oevers.
De Romeinen beschouwden de Rijn mede als
oostelijke grensrivier, en vestigden zich dus
voornamelijk langs den westelijken oever, waar ook
de oud-Romeinsche steden hoofdzakelijk gevonden
worden. Gedurende de middeleeuwen tot het
eind der vorige eeuw was de Rijn door talrijke
geestelijke vorstendommen omringd, die alle hun
beteekenis en opkomst voor een gedeelte aan
deze rivier te danken hadden. Als zoodanig
noemen wij Chur, Constanz, Bazel, Straatsburg,
Spiers, Worms, Mainz, Trier en Keulen alle op
den linker oever, terwijl Bamberg en Wiirzburg,
alsook Utrecht, op den rechter oever lagen.
De vele kleine staatjes langs de Rijn, alle met
eigen vorsten, eigen voorrechten en eigen tollen,
welke niet zelden hoog werden opgevoerd ; de
de roofridders, die gedurende de middeleeuwen
van hun ontoegankelijke sloten op de bergen
de schippers beroofden, en de weinige zorg, die
in dit versnipperde land aan de bevaarbaarheid
van de Rijn werd besteed, dit waren eenige
omstandigheden, welke de scheepvaart en den
handel op de Rijn zeer benadeelden. Hoewel
men later trachtte die misbruiken tegen te gaan.
en vele tollen verlaagde, bleven toch de stapel-
rechten der steden en de willekeur der amb te-
naren zeer ernstige belemmeringen voor den
handel. Tegen het einde der 18e eeuw werden
17 tollen op den rechter oever van de Rijn
opgeheven, hoewel zij te zamen meer dan 2 ïnill.
opbrachten.
_ De eerste stoot tot een vrije scheepvaartbewe-
ging op de Rijn werd gegeven door het Fransche
Directoire, toen zijn afgevaardigde op het Congres
DltlJKSKUXDE.
67
te Rastadt in 1797 daartoe voorstellen deed.Tijdens
de oorlogen, die op de Fransche revolutie volg-
den, bestond er echter in de bepalingen omtrent
de scheepvaart op de Rijn veel onzekerheid en
afwisseling, zoodat goede wenschen niet doorge-
voerd werden. Doch bij het Congres te Weenen
werd in 1815 door de gezanten der verbonden
mogendheden en van de Rijnoeverstaten een uit
32 artikelen bestaande Rijn vaart-conventie ge-
sloten, waardoor de vaart op de Rijn en al
haar bijrivieren tot aan zee (jusqu a la nier)
voor allen tegen den zelfden tol werd openge-
steld. In 1816 werden de onderhandelingen der
vertegenwoordigers van de Rijnoeverstaten, die
te zamen de zoogenaamde Centrale Commissie
vormden, geopend, om Rijnvaart te regelen. Vooral
wijl de Nederlandsche regeering zich voordeden
wenschte toegekend te zien boven de overige
Rijnoeverstaten, hieven de onderhandelingen lang
hangend. Eerst in 1831 kwam een reglement
voor de Rijnvaart tot stand, dat door al de be-
trekkelijke staten bekrachtigd werd. Toch bleven
hierbij nog tollen op de Rijn bestaan. Nadat
deze in 1851 door enkele staten verlangd werden,
werd na den oorlog van 18(i(i door Pruisen op-
heffing der Rijntollen verkregen. Den len Janu-
aii 1867 zou alle tolheffing op de Rijn vervallen.
Den 23sten Juli 1868 kwam de Centrale Com-
missie
voor de Rijnvaart te Mannheim weder bij-
een, en na eenige tegenkanting van de zijde van
Nederland kwam een nieuwe conventie tot stand,
die 1 Juli 1869 zou worden toegepast.
Deze conventie werd in Nederland goedge-
keurd bij de wet van den 4den April 1869
Staatsbl. No. 39.
Hierin werd bepaald, dat de scheepvaart op
de Rijn en haar bijstroomen van Bazel tot in
zee, onder de inachtneming der in dit verdrag
voorkomende bepalingen en der voor de policie
ten behoeve der algemeene veiligheid gegeven
voorschriften, voor vaartuigen van alle natiën tot
vervoer van goederen geopend zal zijn, dat aan
de vrije scheepvaart geenerlei belemmering in
den weg mag worden gelegd, dat de Lek en
de Waal ook tot de Rijn behooren, en dat sche-
pen en vlotten onverhinderd door het Neder-
landsch grondgebied naar zee en naar België
mogen varen. De heffing van stapel- en opslag-
rechten bleef afgeschaft, die der doorvoerrechten
eveneens. Verder werden in dit verdrag de Rijn-
havens in Duitschland en Nederland aangewezen.
De Rijnhavens zijn: Kehl, Maxau, Leopohh-
hafen, Germersheim, Spiers, Mannheim, Ludwig$-
hafen, Worms, Bosengarten, Gernsheim, Oustavs-
burg, Mainz, Biebrich, Schierstein, Bingen, Ober-
lahnstein, Koblenz, Keulen, Reuss, Dusseldorf,
Horhfeld, Duisburg, Rahrort en Wesel,
en in
Nederland: Arnhem, Nijmegen, Tiel, Zalt-
bommel, Dordrecht, Rotterdam, Utrecht en Am-
sterdam.
-ocr page 76-
68
handels-aardrijkskunde.
Marne-Rijnkanaal (zie pag. 66) vereenigt, om
gezamenlijk naar de Rijn te stroomen.
Beneden Kehl wordt de bevaarbaarheid reeds
beter. Echter de vaart van groote Rijnschepen
vangt niet eerder aan dan te Spiers, en bovenal
bij Ludwigshafen en Mawnheim.
De loop van de Rijn door de Boven-Rijnsche
laagvlakte had in den loop der eeuwen groote
bochten gevormd, zooals dit met alle rivieren
het geval is, die door een lossen bodem stroomen.
De Badensche regeering heeft in deze eeuw vele
van die bochten doen afsnijden, waardoor de loop
aanzienlij k verkort en de rivier veel verbeterd werd.
Bij Mainz stuit de rivier op den Taunusketen
en wendt zich ten zuiden van deze naar het
westen. De noordelijke oever, die op korten
afstand tot bergen oprijst, vormt de schoone
R/ieingau. Van Bingen tot Koblenz breekt de
Rijn met een bochtig en smal dal door het
Rijnsche Leisteen-gebergte. Het Bingerloch was
vroeger een gevaarlijke plek in de Rijn, waar
de ondiepe rotsdrempels en groote stroomsnel-
heid menig schip met gevaar bedreigden. Reeds
tijdens Karel den Groote werd dit rotsbed
voor kleine schepen bevaarbaar gemaakt. Sedert
werd het dikwijls verdiept en in 1834 werd door
de Pruisische regeering hier veel verbetering
aangebracht.
Beneden Koblenz wijken de vaste rotsen meer
en meer van de oevers terug, en nadat zij bij
het Zevengebergte nog weder de rivier naderen
(Rolandseck—Drachenfels) komt bij Bonn de
Rijn voor goed in de laagvlakte. Ook hier heeft de
bedding der Rijn in den loop der eeuwen veel
verandering ondergaan, zoowel door kunst als
door natuur. Wij zullen op deze plaats daar-
over niet verder handelen 1).
De belangrijkste bijstroomen, die de Rijn ont-
vangt, zijn in Duitschland: de Neekar bij Mannheim
de Main bij Mainz, de Lahti bij Obei-lahnstein,
de Moezel bij Koblenz, de Ruhr bij Ruhrort, en
de Lippe bij Wezel. Al deze bij stroomen zijn
grootendeels bevaarbaar voor schepen tot 1 M.
diepgang. De Moezel met haar buitengewone
kronkelingen, verkeert wel in de onvoordeeligste
omstandigheden. De Main is in den laatsten tijd
tot Frankfort uitgediept voor schepen tot ltyj
meter diepgang. Zij is verder bevaarbaar tot
haar vereeniging met de Regnitz, en langs deze
rivier en het Ludivigskanaal staat zij in verbin-
ding met de Donau. Dit kanaal echter, hetwelk
voor Oostenrijk-Hongarije groote beteekenis kon
hebben, voldoet niet aan de eischen, die men hier-
\') Wij zijn iets uitvoerig in de beschrijving van de
Rijn geweest, omdat deze rivier van zoo groot belang is.
Wie de geschiedenis van de natuurlijke gesteldheid der
Rijn in Nederland nauwkeurig wenscht te kennen ver-
wijzen wij daaivoor naar onze beide werken: Nederland
en zijne Bewoners
I en: Der Rhein in den Niederlanden
(Forschungf-n zur deutscheu Landeskunde 1889.)
B. Natuurlijke gesteldheid van de Rijn.
De Rijn ontspringt in Zwitserland en eindigt
in Nederland, waar zij zich splitst in Waal, Rijn
en IJsel. De IJsel, met ± 1/c, van het totale
water van de Rijn, mondt beneden Kampen
door het Keteldiep uit in de Zuiderzee. De Waal,
de hoofdtak, met "/,, van den water-afvoer des
Rijns, gaat bij Woudrichem na vereeniging met
de Maas over in de Merwede, en verdeelt ver-
volgens haar water over verschillende waterar-
men, als Nieuwe Merwede en Beneden Merwede,
verder Oude Maas geheeten. De Rijn stroomt met
2/9 van het Rijnwater voorbij Arnhem enz, neemt
bij Wijk bij Duurstede den naam Lek aan, en
zet zich voorbij Krimpen voort als Nieuwe Maas,
om onder dezen naam voorbij Rotterdam enz.
door den Hoek van Holland langs den Nieuwen
Waterweg
in zee te monden.
Van de bron tot de mond heeft de stroom,
aan eene lengte van ± 1225 kilometer. Het
stroomgebied omvat rh 197200 K.M2, waarvan
er ± 113750 K.M2, tot Duitschland behooren.
De bronnen van de Rijn liggen in het glet-
schergebied der Alpen ten O. van den St. Go-
thard. Uit niet minder dan 150 gletschers in
Grauwbundeiland ontvangt de Rijn het water
in den bovenloop. De hoogste bron van de Rijn
ligt \'2344 meter boven de zee. Bij Cliur wordt
de Rijn reeds voor kleine booten bevaarbaar.
De rivier wendt zich van hier noordwaarts en
stort zich niet ver beneden Kheineck in de Bo-
den See
of het Meer ran Constanz. Bij het verlaten
van dit meer draagt de Rijn reeds vrij groote
schepen, en men vindt er stoombootverkeer. Tus-
schen hooge, schilderachtige oevers rolt de rivier
voort tot Schqffhausen. Beneden deze stad breekt
de rivier door talrijke kalkrotsen van de Jura,
die bij Lauffen den bekenden waterval doen ont-
staan. Met een breedte van 150 meter stort hier
het water ± 21 meter in de diepte. Hierdoor
wordt de bevaarbaarheid afgebroken. Beneden
den waterval wordt de rivier wel weder kalmer,
maar tot Bazel is zij toch op verschillende pun-
ten zeer moeielijk te bevaren. Zij ontvangt in
dit gebied nog de Thur en verder de Aar (met
Reuss en Limmat) uit Zwitserland.
Bij Bazel, waar de Rijn de Boven-Rijnsche
laagvlakte binnenstroomt, (248 meter boven de
zee) wordt de loop regelmatiger. Met een ge-
middelde breedte van 200 meter stroomt zij tot
Kehl (bij Straatsburg) verder. Dit gedeelte heeft
echter nog groote stroomsnelheid (bij Kehl is
de rivier 141 meter hoog), terwijl het water over
tal van ondiepe grintbanken bruist, zoodat de
rivier hier nog weinig bevaren wordt.
Nabij Kehl komen uit het westen twee kana-
len in de Rijn : het Rhdne-Rijnkanaal, dat door
de Bourgondische Poort (zie pag. 66) uit de Doubs
komt, en evenwijdig aan de Rijn tot Straatsburg
door de vlakte loopt, waar het zich met het
-ocr page 77-
69
HANDELS- AARDRIJKSKUNDE.
de scheepvaart er is toegenomen. Bremen is
de belangrijkste handelsstad aan de Wezer.
In den laatsten tijd zijn dikwijls plannen ont-
worpen, om door den aanleg van een kanaal
van den Rijn naar de Wezer den handel en de
scheepvaart der Rijnstreken geheel voor Duitsch-
land te behouden. Evenwel, het zijn nog voor-
loopige uitingen van de publieke meening, meer
niet.
IV.    De Elbe. De Elbe is na de Rijn de
belangrijkste rivier van Duitschland. Ontstaan
op het Rcuzengebergte in Bohemen, niet ver van
de grens van Silezië, stroomt zij door Bohemen,
ontvangt hier o. a. de Moldau en de Eger en breekt
vervolgens langs de schilderachtige rotspoort
bij Tetschen dwars door het Elbezand steen ge-
bergte.
Bij Pirna in Saxen wordt zij reeds voor
schepen van gemiddelde grootte bevaarbaar en
de zeeschepen kunnen bij vloed tot Hamburg
komen. Het bevaarbaar gedeelte bedraagt in
\'t geheel 846 K.M., waarvan 562 K.M. binnen
het Duitsche Rijk liggen.
Boven Hamburg splitst de Elbe zich in onder-
scheidene takken, welke eilanden insluiten, en
die zich eerst 11 K.M. beneden deze stad weer
vereenigen. De verondieping van den mond
benadeelt echter Hamburg meer en meer, terwijl
de tegenwoordige tijd met grooter schepen juist
meer rivierdiepte vereischt.
De Elbe is zeer vischrijk; gedeeltelijk zijn
het riviervisschen, gedeeltelijk zeevisschen, die
de rivier opzwemmen om kuit te schieten.
De hoofdlijnen van het scheepvaartverkeer
gaan langs de Elbe, Havel en kanalen (Rhin-
Lurltkan., Ruppinkan., Finowkan.
e.a.) naar Berlijn
en verder naar de Beneden-Oiler, waarbij zich ver-
bindingen met Stettin en de Weichsel aansluiten.
Verder gaat het verkeer naar Maagdeburg, naar
Saksen en Bohemen. De lijn Maagdeburg—
Beneden-Oder is ook van groote beteekenis. Het
scheepvaart-verkeer gaat in het zuiden tot Praag
aan de Moldau, en dringt langs Saaie en Unstrut
tot Thüringen en de Harz door.
Rijke industrie gewesten en landbouwdistricten
worden door de Elbe met elkander en met de
zee verbondeD, en hierdoor is de Elbe van groote
beteekenis voor den handel.
V.     De Oder. De Oder ontspringt in Moravië
(Oostenr.-Hong.), bereikt na een loop van 45,5 K.M.
de Pruisische grens, om vervolgens door de pro-
vinciën Sileziö,Brandenburg en Poinmeren,Pruisen
te doorstroomen. De benedenloop ligt in een breed
dal, meest door vruchtbare langvlakten inge-
nomen. Beneden Frankfort ligt het 64000 H.A.
groote Oderbruch, dat wegens zijn weelderige
weiden en hieruit voortvloeiende voortreffelijke
veeteelt beroemd is. De lage oevers worden
door zware dijken tegen overstrooming beveiligd.
Met schilderachtige natuurvormen doorsnijdt de
aan mag stellen, en wordt daardoor ook weinig
gebruikt.
De scheepvaart op de Rijn, vooral beneden
Mannheim, is zeer aanzienlijk. In het geheele
stroomgebied van deze rivier wordt het aantal
schepen op bijna 2800 geschat, waaronder on-
geveer 200 stoombooten. De eerste stoomboot
voer in 1817 van Londen bij hoogen waterstand
de Rijn op tot Koblenz.
In 1893 is Amsterdam door een flink kanaal
met den Rijn verbonden.
II. De Eems. De Eems is grootendeels een
stroom der laagvlakte. Ontstaan op de Zuid-
westelijke helling van het Teutoburger woud,
wordt zij bij het stadje Greren eenigszins bevaar-
baar, en bereikt beneden Iiheine de lage vlakte,
waarmede de bevaarbaarheid toeneemt. Bij
Meppen neemt zij de Haase op en bij Leer ver-
breedt zich de rivier tot een wijden mond, die
allengs overgaat in den Dollart en Eemsmond.
De benedenloop der Eems is door hooge dijken
omringd, en loopt door lage kleigronden. Langs
den middelloop breiden zich uitgestrekte hoog-
venen uit, een voortzetting van die in het oosten
van de Nederlandsche provinciën Drente en
Groningen. Door deze venen wordt ten W. van
de Eems en evenwijdig daarmede het Nord-
Siidkanal
gegraven, niet ver van de Nederlandsche
grenzen, en dat aansluiting hebben zal met de
Nederlandsche kanalen in de aangrenzende pro-
vinciën Overijsel, Drente en Groningen. Evenwel
zijn deze kanalen nog niet alle voltooid.
IDZ. De Wezer. De Wezer ontstaat uit de Werra
en de lulda, die zich bij de stad Miinden ver-
eenigen. In hoofdzakelijk noordelijke richting
stroomend, aan beide zijden door het schilder-
achtige, niet hooge Wezerbergland omringd,
breekt de rivier bij Minden in de zoogenaamde
Westphaalsche poort (Porta Westfalica) dwars door
het Wezergebergte. Vervolgens stroomt zij door
de vlakte, neemt niet ver van Verden de Aller
op, die zich vooraf met Ocker en Leine vereenigd
heeft, stroomt voorbij Bremen en vormt een breeden
mond, waarin nog de Hunte uitwatert, om bij
Bremerhafen in zee te monden.
De Wezer zou een belangrijke waterweg zijn,
maar is over haar boven- en middelloop des
zomers wegens gebrek aan water veelal maanden
lang onbruikbaar voor de scheepvaart. Boven
Bremen varen enkel schepen van minder dan
1 meter diepgang. Kleine schepen van 200 last
inhoud gaan nog tot Münden. Oudtijds werd
de scheepvaart zeer belemmerd door de stapel-
rechten van vele steden en de voorrechten der
schippers van Münden, doch deze zijn na de
annexatie van Keur-Hessen en Hannover, toen
de Wezer geheel op Pruisisch grondgebied kwam
te liggen, opgeheven. Sedert is ook veel ge-
schied tot verbetering van dit water, zoodat
-ocr page 78-
70
HANPELS-AARDRTJKSKUNDE.
Oder den Noord-Duitschen landrug, terwijl de
rivier dikwijls splitsingen ondergaat. De Oder
mondt uit in het Stettinerhaff, dat door de eilanden
Usedom en Wollin van do Pomnierarhe bocht wordt
afgescheiden. Door drie lange en smalle straten
tusschen en langs genoemde eilanden, de Peene,
Swine
en Dicvenoir, staat het Stettinerhaff met
de Oostzee in verbinding.
De Oder is het verst tot Ratibor in Opper-
Silezië voor kleine schepen te bevaren. Kosel
(Silezië) op 104 M. hoogte is reeds voor grootere
schepen te bereiken, en bij Breslau vindt men
het eerst de Oderschepen, die een last van 1000
centenaars kunnen dragen. Zeeschepen varen
tot bij Stettin. Over eene lengte van 772 K.M.
is aldus de Oder bevaarbaar. Toch is in den
zomer de scheepvaart door gebrek aan water
gewoonlijk eenigen tijd gestremd. De verzanding
der rivier neemt ook snel toe, zoodat zij alleen
met veel moeite bevaarbaar gehouden kan worden.
En bij het smelten der sneeuw of bij veelvuldige
regens dreigt zij de lage landen aan den beneden-
loop dikwijls met overstrooming. De visscherij
in de Oder is belangrijker dan die der Elbe.
De Oder is met de Ha vel verbonden door het
Fi\'noir/, anaal (57 K.M.) en met de Spree door
het Friedrirh Wilhelm* of MSllroser kanaal.
De belangrijkste bijstroomen zijn: de Glatzer
Neisse,
de Bober, de Lausitzer Neisse en eindelijk
de Warthe (met de Nctze vereenigd) bij Küstrin.
Hoofdzakelijk steenkolen (uit Silezië), graan,
hout en steenen worden langs de Oder vervoerd.
VI. De Weichsel. De Weichsel (Poolsch Wis-
la), is een der belangrijkste stroomen van Prui-
sen en de belangrijkste rivier van Polen. Wat
het stroomgebied betreft is zij de grootste van
de rivieren, welke in de Oostzee uitmonden.
De Weichsel ontspringt opliet Ja bUmka gebergte
in Oostenrijksch Silezië en stroomt niet een boog
naar het oosten door het vroegere koninkrijk
Polen. In Polen is de Weichsel nergens kunst-
matig bedijkt, zoodat jaarlijks een groot gebied
van de lage oevers onder water gezet wordt, en
dus de steden op verren afstand van de rivier of
op hooggelegen punten worden aangetroffen. Waar
de Weichsel in Pruisen komt is boven Thorn
de linker oever door duinvoriuige hoogten bezet,
die op de meeste plaatsen met bosch begroeid
zijn. Met een diep ingesneden en breed dal,
soms zandige eilanden door onderscheidene armen
insluitend, baant de Elbe zich een weg door
den Noord-Duitschen landrug. Beneden Mariëu-
werder is die doorbreking voltooid en erlangt
de rivier een breedte van wel 1100 meter.
Op korten afstand verder splitst de Weichsel
zich. De kleinste arm, de Nogat, loopt in N.O.
richting naar het Frische Ha/}\'. De linker arm
stroomt noordwaarts tot nabij de kust, buigt zich
hier om tot voorbij Danzig, en stroomt door
een kanaal bij Neufahrwasser in zee. Vroeger
was er een uitmonding bij Weichselmiinde, welke
thans verzand is.
Het eiland tusschen deze monden van de
Weichsel heet Werder. Door dijken van wel
acht meter hoog wordt de lage Weichseldelta
tegen het rivierwater beschut, doch niet zelden
dringt bij hoogen waterstand het water over de
dijken het land binnen.
Door talrijke bijstroomen, van welke slechts
de San, de Bug (met Narew) en de Brahe voor de
scheepvaart beteekenis hebben,ontvangt deWeich-
sel watertoevoer. Door het Bromberger kanaal staat
de Weichsel met de Netze en zoo met de Warthe
en de Oder in verbinding. De Weichsel wordt
bij Zahrzeg reeds voor kleine, bij Krakau voor
gemiddelde, doch na opneming van de San bij
Zawichost voor groote schepen bevaarbaar.
Sedert 184-8 heeft er op de Weichsel beneden
Warschau geregeld stoombootverkeer plaats ; bij
hoogen waterstand gaan de stoombooten nog
verder, tot Sandomirz. De scheepvaart duurt
er gewoonlijk van April tot October, doch in
den zomer wordt zij wegens watergebrek niet
zelden op onderscheidene punten afgebroken.
Den hoogsten waterstand vindt men op de Weich-
sel omstreeks Maart, doch een tweede hoog-
waterstand komt nog voor omstreeks midden
Juni tot midden Juli. Trots den grooten wa-
terrijkdom en de stroomsnelheid vriest de Weich-
sel bijna eiken winter dicht.
VTI. De Pregel. De Pregel ontstaat in het
district Gumbinnen (Oost-Pruisen) en stroomt in
westelijke richting naar Konigsbergen om 8 K.M.
beneden deze stad in het Frische Haff uit te
monden. De Pregel is over bijna de geheele
lengte voor kleine schepen, en tot Konigsbergen
voor zeeschepen bevaarbaar.
VIII.    De Memel of Njemen. De Memel is
een der aanzienlijkste rivieren uit westelijk Rus-
land en Oost-Pruisen. Zij ontspringt ten zuiden
van Minsk in Rusland en wordt reeds spoedig
voor kleine, bij Grodno voor grootere schepen
bevaarbaar. Nabij den mond doorkronkolt zij
in eenige armen de vruchtbare laagvlakte van
Tilsit, die door zware dijken tegen overstroomin-
gen beveiligd wordt. De rivier mondt uit in
het Kiirische Haff. Daar dit haff niet goed ge-
schikt is voor de scheepvaart, is er een kanaal
gegraven van de rivier tot nabij Memel, hetwelk *
voor de scheepvaart meest gebruikt wordt.
De Wilna is een bevaarbare bijstroom der
Njemen in Rusland (de stad Wilna ligt hier aan).
Langs de Njemen wordt veel hout en graan
afgevoerd naar Memel.
IX.    Het Noord-Oostzeekanaal. Het 2word-
Oostzeekanaal
(174 K.M. lang) is in den laatsten
tijd tot stand gekomen en dient om de Kieler-
bocht met den Elbemond, of de Oostzee met de
-ocr page 79-
71
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
Sedert Duitschland één staat is verdwijnen de bij-
zondere talen meer en meer voor het Duitsch.
De gemiddelde volksdichtheid van het Rijk
bedraagt 91 op 1 K.M2. De grootste dichtheid der
bevolking wordt gevonden in de industrie-streken
of vruchtbare landschappen van het Middel-Duit-
sche bergland, als: Saksen, Silezië, aan de Nerkar,
de Boven-Sijnsche laagvlakte en de laagvldkte ran
de Rijn beneden Keulen.
De Zwabisch-Beiersche
hoogvlakte en de Noord-Duitsche laagvlakte staan
in volksdichtheid beneden het gemiddelde, en de
minst dichte bevolking vindt men in de moeras-
sige hoogvenen van het N. W. langs de Eems.
Duitschland heeft sedert lang door landver-
huizing een aanzienlijke hoeveelheid krachtige
lieden aan het buitenland geleverd, die in hun
nieuwe vaderland zich meestal uitstekend wisten
in te burgeren. Van 1882—1891 vertrokken meer
dan 1287000 landverhuizers uit dit Rijk. Het
aantal is feitelijk veel aanzienlijker, daar velen
vertrokken, die niet in de officieele statistiek zijn
opgegeven. Het grootste aantal landverhuizers
vertrok naar de Vereenigde Staten van Noord-
Amerika (1,1 mill. ongeveer), een kleiner aantal
naar Brazilië (± 20000), terwijl er eenige dui-
zenden naar andere deelen der Nieuwe Wereld,
naar Afrika en Australië, verhuisden. In deze
eeuw bedraagt het totaal aantal landverhuizers
uit Duitschland meer dan 4.6 millioen.
De christelijke kerken hebben in het Duitsche
Rijk gelijke rechten. Volgens de telling van
1890 behoorden tot de onderscheidene kerk-
genootschappen: 31027000 (63 pet.) protestanten,
17672000 (36pet.) katholieken,U8000 andere chris-
tenen,
en 568000 (1 pet.) Israëlieten. Het noorden
van Duitschland is meest j)rotestantsch, uitge-
zonderd het land aan de Eems, dat bijna geheel,
en Posen en West-Pruisen, die voornamelijk
katholiek zijn. Ook Opper-Silezië, Oud-Beieren
en de Rijn-Provincie ten W. van de Rijn zijn
hoofdzakelijk katholiek. Bovenal in de voormalig
Poolsche gewesten, in de vroegere geestelijke vor-
stendommen en in Beieren heeft het katholicisme
meest stand gehouden. Daarentegen waren alle
Rijkssteden en wereldlijke vorsten sedert de
16e eeuw met weinige uitzonderingen protes-
tantsch geworden.
Het onderwijs staat in Duitschland op hoogen
trap; schoolplicht is hier ingevoerd. In 1890
bestonden er meer dan 59000 lagere scholen
met meer dan 8 mill. leerlingen. Het hooger
onderwijs bezit 21 universiteiten, te zamen met
27500 studenten. Verder bestaan er een groot
aantal Realscholen (vrijwel overeenkomende met
onze H. B. Sch.), gymnasia en andere inrich-
tingen van middelbaar onderwijs.
De 9 technische hoogescholen te Aken, Berlijn,
Dresden, Brunswijk, Darmstadt, Hannover, Karls-
ruhe, Miinchen en Stüttgart werden bezocht door
3700 studenten.
Noordzee, te verbinden. Niet alleen heeft het
beteekenis voor den handel, doch ook voor de
Duitsche krijgsmarine, wijl het hierdoor mogelijk
wordt de oorlogsvloot over Duitsch gebied van
de Oostzee naar de Noordzee over te brengen.
X. De Donau. De Donau heeft door haar
richting naar het oosten en haar uitmonding
in de Zwarte Zee den weg van Zuid-Duitschland
naar het Oosten van Europa en verder naar
Klein-Azië aangewezen. Het is de eenige rivier
van Duitschland die deze richting volgt. Doch
het grootste en belangrijkte gedeelte van haar
loop behoort daardoor niet tot Duitschland. Wij
zullen daarom deze rivier nader bespreken bij
Oostenrijk-Hongrrije, aan welk land de Donau
nader verbonden is; enkel geven wij hier eenige
opmerkingen over haar loop in Duitschland.
De Donau ontstaat in het hertogdom Baden
op het oostelijk gedeelte van het Schwarzwald,
bij Donauëschingen, op een hoogte van 700 meter.
Zij stroomt door Württemberg en Beieren en
vormt de noordelijke grens der Zwabisch Beier-
sche Hoogvlakte, die naar deze rivier afbelt, en
haar ook belangrijke bijstroomen van rechts toe-
zendt. Zij zijn : de Hier, de Lech, de Isar en de Inn.
De rechter oever van de Donau is tot Regens-
burg toe moerassig, en daardoor liggen de steden
Vim, Donauwörth, Ingolstadt e. a. alle op den hoo-
geren linker oever. Nabij Nei/ensb/irr/ wordt dit
anders,en Regensburg, Straubing e. a. liggen aan
den rechter oever. Bij Passau verlaat de Donau
Duitschland.
Waar de Hier bij Vim zich met de Donau
vereenigt wordt zij bevaarbaar voor kleine schui-
teu, doch bij Donauwörth vangt de stoomvaart
het eerst aan. Toch heeft de Donau tot bij
Weenen nog geheel het karakter van een berg-
stroom, met een sterk, onregelmatig verdeeld
verval, en een snellen stroom. De Attmühl, een
kleine linker bijstroom, is door het Ludwigska-
naal
met de Regnitz en daardoor met de Main
en de Rijn verbonden (zie pag. 68).
§ 63. De bevolking van Duitschland. De
bevolking van Duitschland bestaat bijna geheel
uit Duitschers, nakomelingen van Oermaansche
volkon, die echter in het westen en zuiden met
Kelten en Romanen, in het oosten met Slawen
vermengd zijn. Ongeveer 7 pet. der bewoners
zijn geen Duitschers en behooren tot de Fran-
scheri, Walen, Denen, Wenlen, Tschechen, Litauers
en Polen. Bovendien zijn ongeveer 600000
Duitsche Israëlieten over het land verbreid, doch
bovenal wonen zij in Posen, Berlijn en de Elzas.
De taal is het Duitsch; alleen in enkele grens-
gewesten wordt nog een andere taal gesproken.
Zoo o. a. hoort men in het Z. W. van Lotharin-
gen nog veel Fransch, ten N. van Flensluirg nog
Deense!/, in Posen en Oost-Silozië Poolse/i, en
in de Lausitz nog het oude Slawische Wendisch,
-ocr page 80-
72                                                                   HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
Door de goede organisatie van het onderwijs
bedraagt het aantal recruten, die in dienst treden
zonder de school voldoende bezocht te hebben,
een zeer klein getal; in 1890—91 niet meer
dan 1035, d. i. 0.54 pet. Dezen kwamen meest
uit de Slawische provinciën.
§64. Staatkundige toestand en krijgswezen.
Onder Duitschland verstaat men een „statenbond"
of een bond van 26 zelfstandige staten, die zich
in 1871 tijdens den oorlog met Frankrijk tot één
Rijk, het Duitsche Rijk, vereenigd hebben. De
souvereine leden van dezon bond hebben door die
vereeniging een gedeelte hunner macht aan het
Rijksbestuur afgestaan. Aan het hoofd van het
Rijk staat de koning van Pruisen, die als zoo-
danig den titel voert van Keizer van Dititschland.
Hij vertegenwoordigt het Rijk in volkenrechter-
lijken zin; de keizer heeft het recht over oorlog
en vrede, voert het opperbevel over leger en
vloot, hij kondigt de rijkswetten af en waakt
voor haar uitvoering, benoemt de rijksbeambten,
en heeft het oppertoezicht over de gemeen-
schappelijke posterijen en het verkeerswezen.
De wetgevende lichamen in het Rijk zijn de
Bondsraad en de Rijksdag.
De Bondsraad bestaat uit de vertegenwoordigers
der bondsleden, d. i. der staten, welke tot den
bond behooren. In \'t geheel telt deze 57 stemmen,
waarvan er 17 aan Pruisen, 6 aan Beieren, 4 aan
Saksen en Wurttemburg ieder, 3 aan Baden en
Hessen ieder, 2 aan Mecklenburg-Schwerin en
Brunswijk ieder, en 1 aan elk der overige staten
toekomen. De Bondsraad beslist over de door den
Rijksdag genomen besluiten, welke hij ook kan
afwijzen. Zijn taak komt dus in enkele opzichten
met de Eerste Kamer in ons land overeen. Verder
neemt hij de besluiten en maakt de verordenin-
gen, welke voor de uitvoeringen der rijkswetten
noodig zijn. Voorzitter van den Bondsraad is
de Rijkskanselier, die door den Keizer benoemd
wordt (thans Caprivi).
De Rijksdag is de vertegenwoordiging van het
Duitsche volk • hij bestaat uit 397 afgevaardigden,
die door het algemeen stemrecht gekozen wor-
den. Ieder Duitscher, die den leeftijd van 25
jaren bereikt heeft, en op zijn minst een jaar
tot een der Duitsche staten behoord heeft, is
kiezer en kan gekozen worden.
Aan het hoofd van het bestuur der rijks-
aangelegenheden staat de Rijkskanselier.
Het Rijk heeft zijn eigen budget; de inkomsten
worden verkregen uit de opbrengsten der tollen,
van posterij en telegrafie, en van de gemeen-
schappelijke verbruiksbelasting en de invoer-
rechten. Het daarenboven nog benoodigde wordt
gedekt door de bijdragen der bondsleden.
De opperste aanvoerder van het leger is de
Duitsche Keizer, de koning van Pruisen. Ieder
Duitscher, die lichamelijk niet ongeschikt is, moet
van het 20e jaar af drie jaren in het staande
leger en vier jaar in de reserve dienen om
daarna tot de landweer over te gaan, waartoe
hij nog 5 jaren voor de eerste en 7 jaar voor
de tweede oproeping blijft behooren. Wie een
diploma der Obersekunda van een gymnasium
of realgymnasium bezit, zich zelf uitrust, kleedt
en bekostigt, behoeft slechts één jaar te die-
nen (einjührig Freiwilliger); lagere onderwijzers
(Volksschullehrer) hebben slechts 10 weken in
het staand leger te dienen.
In vredestijd bestaat het leger uit 20524 offi-
cieren, 486983 onderofficieren en manschappen,
93700 paarden, 434 batterijen veldartillerie. De
sterkte voor oorlog bedroeg in 1893 ongeveer
21/a mill. man.
De Duitsche oorlogsvloot bezat in 1892 190
schepen (222000 tonnen inhoud), 1400 stuks
geschut en 21000 manschappen. Onder deze
schepen bevonden zich 14 pantserschepen, 17
kust-pantserschepen, 10 torpedoschepen, 103
torpedobooten, 3 kruiserfregatten, 9 kruiser-
korvetten, 6 kruisers en 3 kanonneerbooten. Kiel
aan de Oostzee en Wilhelmshaven aan de Jahde
zijn de oorlogshavens, die thans door het Noord-
Oostzeekanaal (zie pag. 70) elkander kunnen
bereiken over Duitsch gebied.
De Rijkswetten gelden algemeen voor alle
leden van den Bond. Doch behalve deze ge-
meenschappelijke wetgeving hebben de afzonder-
lijke staten nog hun eigen wetten, bestuur en
vertegenwoordiging. De groote staten hebben
het stelsel van twee kamers als vertegenwoor-
diging, de kleine slechts een. In Pruisen vormen
het Heerenhuis en het Huis der Afgevaardigden
den Landdag, die aandeel heeft in de wetgeving,
in belastingzaken enz.
§ 65. Ontwikkeling van den handel en het
verkeer en van de staathuishoudkundige begin-
selen. Duitschlands economische ontwikkeling
leed de vorige eeuwen langen tijd onder de gevol-
gen van den dertigjarigen oorlog (1618—1648) en
van de latere oorlogen met Frankrijk. Zoo was de
maatschappelijke toestand der bevolking er lan-
gen tijd nog ver achter bij die van andere landen.
Eerst langzaam kwam er in het begin der 19de
eeuw verbetering. De landbouw begon zich meer
en meer te ontwikkelen door het opheffen of
verminderen der middeleeuwsche heerlijke rech-
ten, welke op den boerenstand drukten. En de
toenemende graanbouw op de Noord-Duitsche
vlakte had weldra een aanzienlijken uitvoer van
koren ten gevolge. Ook de tabaksbouw kwam
hier meer en meer in zwang.
Op het gebied der industrie en van den bergbouw
namen in het begin der 19de eeuw linnenweverij,
ijzerindustrie, exploitatie der kolenmijnen en der
ertslagen zeer toe. Duitsche geweven stoffen
werden toen vele naar Oost-Europa uitgevoerd.
-ocr page 81-
73
HANDELS-AABDRI.JKSKUNDE.
Evenwel kon Duitschland niet concurreeren
met Engeland, waar de machines in dien tijd
reeds een groote vlucht begonnen te nemen.
Toen het Cont inentaal stflscl van Napoleon I
de mededinging van Engeland uitsloot, verhie-
ven verschillende takken van nijverheid zich
snel in Duitschland, met uitzondering van de
linnenindustrie, welke hard achteruitging, daar
zij in dien tijd niet meer naar Engeland en Ame-
rika kon uitvoeren.
Na het einde van de Napoleontische oorlogen,
toen het internationale verkeer in Europa weder
geregeld kon plaats hebben, overstroomden de
in Engeland tijdens het continentaalstelsel opge-
hoopte artikelen het vasteland weder, doch kon-
den wol en granen ook met voordeel naar En-
geland uitgevoerd worden. Om de Engelsche
concurrentie te beteugelen werd in 1818 in
Pruisen een sterk beschermend stelsel ingevoerd,
dat de industrie in Westfalen, de Mark en de
Rijnprovincie snel deed opkomen. Daar nu ook
Oostenrijk, Rusland en Frankrijk door bescher-
mende rechten hun grenzen sloten, werd de nij-
verheid der kleinere Duitsche Staten machte-
loos aan Engelands concurrentie overgeleverd.
Dit was mede de aanleiding tot de oprichting
van de Duitsche Zollverein, die uit kleine be-
ginselen voortkomend, in 1834 de belangrijkste
Duitsche landen in economisch opzicht nauwer
verbond, en de onderlinge verkeersgrenzen en
de vele douanelijnen der kleine Duitsche staten
ophief. „De nieuwjaarsnacht van 1834 was de
aanvang van een nieuwe periode voor Duitsch-
land," zegt H. v. Treitschke. „Op alle land-
wegen van Middel-Duitschland wachtten de
zwaarbeladen vrachtwagens in lange rijen bij
de douanekantoren, omringd van vroolijk zin-
gende volksmenigten. Men wachtte den klok-
slag van 12 af, en zoodra waren de laatste to-
nen niet weggestorven of de douane-slagboomen
vielen neder, de zweepslagen weerklonken, en
jubelend zette alles zich in beweging door het
thans van tollen bevrijde land."
De Zollverein bracht meer economische en com-
mercieele eenheid in het versnipperde Duitsck-
land, en was aldus de voorbereiding van meer
staatkundige eenheid. Toen in 1866 door de
staatkundige gebeurtenissen Oostenrijk uit
Duitschland verdrongen en de Nooril-Dnitsche
Hond
was opgericht, welke ook de wetgeving
op industrie, handel, tolwezen, muntwezen,
bankwezen, zeevaart, post en telegraphie tot
zijn taak rekende, werd met de Zuid-Duitsche
staten in 1867 de Zollverein vernieuwd en een
„Zollparlement" met een „Zollbundesrat" inge-
voerd: een nieuwe economische band tusschen
de Duitsche landen.
In 1871 met de oprichting van het ééne
Duitsche Rijk trad de Rijksdag in de plaats
van het Zollparlement, en aan den Rijksdag
komt sedert de algemeene Duitsche wetgeving
toe, ook op het gebied van den handel.
Duitschland heeft in den loop dezer eeuw
grooten economischen vooruitgang gehad. De
landbouw is door intensieve bebouwing voor-
uitgegaan, doch klaagt niettemin over de con-
currentie der Amerikaansche produkten. De
industrie is met reuzenschreden vooruitgegaan;
bovenal de ijzer- en staalfabrikatie, gesteund
door den kolenrijkdom van de Ruhr- en Saar-
bekkens, heeft een groote vlucht genomen. Ook
de glas-, papier-, suiker-, chemikaliën-, bierfabri-
katie en andere takken van nijverheid gingen snel
vooruit. En in evenredigheid daarmede nam
ook de handel in Duitschland in omvang toe.
De middelen van verkeer en vervoer hebben
in Duitschland snel een groote ontwikkeling
erlangd, die in Europa alleen door België en
Engeland betrekkelijker wijze overtroffen wordt.
De eerste spoorwegen dateeren eerst na 1830,
doch na 1840 werd de uitbreiding van het
spoorwegnet krachtig ter hand genomen. Even-
wel werd zij zeer gedrukt door het particularisme
der vele kleine staatjes, en door politieke om-
stand igheden. Na 1871 ving een nieuwe periode
voor de Duitsche spoorwegpolitiek aan, daar
de Rijkswetten gelegenheid gaven tot meer
eenheid in het beheer.\' Evenwel de plannen,
om die eenheid wettelijk tot stand te brengen,
stuitten af op politieke overwegingen, en een
algemeene Duitsche spoorwegregeling is nog niet
tot stand gekomen. Toch hebben de verschil-
lende staten des Rijks den aanleg der spoorwe-
gen zeer bevorderd, en ook onderscheidene door
particulieren aangelegde spoorwegen in staats-
handen doen overgaan.
Op het geld- en credietwezen van Duitsch-
land had de oprichting van hot Duitsche Rijk
grooten invloed. Tot 1871 gold als munteen-
heid in Noord-Duitschland de Thaler, in Zuid-
Duitschland de gulden, terwijl Hamburg, Bre-
men en Lübeck afzonderlijke munten hadden.
De pasmunten waren zeer verschillend, zij wa-
ren slecht vervaardigd en zeer afgesleten. Hierin
werd een algeheele verbetering aangebracht.
De vroegere zilveren standaard werd door den
(jouden vervangen, hetwelk met de oorlogs-
schatting van 5 millard, door Frankrijk na 1871
aan Duitschland te betalen, kon uitgevoerd
worden. Sedert 1872 werd bij de maten en
gewichten, vroeger in de onderscheidene staten
zoo verschillend, de eenheid ingevoerd.
Het bankwezen, dat in de verschillende sta-
ten zelfstandig geregeld was, had in Duitsch-
land daardoor gemis aan eenheid en een onvasten
grondslag verkregen. Niet minder dan 33 ban-
ken badden vóór de oprichting van het Duitsche
Rijk binnen dit gebied bankbilletten in omloop;
instellingen op geheel verschillende grondslagen
-ocr page 82-
74
HANDELS-AARDRUKSKUNDE.
berustend. Dekking der uitgegeven billetten met
edel metaal, inwisseling, bepaling van de taak
der banken enz., zij waren geheel verschillend
geregeld. Daarbij kwam nog, dat ook de staten
zelven niet even voorzichtig waren met de uit-
gifte van staatspapiergeld. Niet minder dan 140
soorten van bankbilletten waren in Duitschland
in 18715 in omloop, alle met verschillende soli-
diteit en verschillenden koers.
De regeering stond voor een chaos. Doch de
bankwet (das deutsche Bankgesetz) van 1875
heeft hierin orde geschapen. Het gemengde
bankstelsel werd thans ingevoerd. Er werd een
Rijksbank opgericht, terwijl particuliere banken
daarnaast nog het recht tot uitgave van billet-
ten behielden. Aan historisch bestaande toe-
standen werd aldus de nieuwe regeling ver-
bonden.
Nevens de Rijksbank als opperste geld- en
credietinstelling van Duitschland heeft genoemde
bankwet de particuliere notenbanken onder
veelvuldige beperkingen laten bestaan. De werk-
zaamhcid van deze werd daardoor meer van localen,
territorialen aard, en vele banken hebben sedert
afstand gedaan van haar recht om billetten uit
te geven.
De volgende tien banken hebben in Duitsch-
land nog recht tot uitgave van bankbilletten:
de Rijksbank (grondkapitaal 120 mill. Mark),
de stedelijke Bank van Breslau (grondkapitaal
ij mill. Mark), de Frankforter Bank (grond-
kapitaal 17 mill. Mark), de Beiersche noten-
bank (grondkapitaal 7.5 mill. Mark), de Sak-
sische Bank te Dresden (grondkapitaal 80 mill.
Mark), de Württembergsche notenbank (grond-
kapitaal 9 mill. Mark), de Badensche Bank
(grondkapitaal 9 mill. Mark), de Bank van
Zuid-Duitschland (grondkapitaal 15.0 mill.
Mark), de Brunswijker Bank (grondkapitaal
10.5 mill. Mark, alleen in het hertogdom Bruns-
wijk), en de Landstandische Bank in Bautzen
(grondkapitaal 1.74 mill. Mark, alleen geldig in
Saksen).
De geschiedenis van het Duitsche Rijk is even-
wel niet in alle opzichten te beschouwen als een
aaneensluitende periode van handelsbloei. Had
reeds in 1857 de overproductie en overspeculatie
tot een treurige crisis geleid, in 1873 deed
plotseling een hevige crisis eveneens vele te
luchthartig gebouwde kaartenhuizen ineenstorten.
Verschillende oorzaken werkten hiertoe samen.
De behoefte aan vele produkten der industrie,
bovenal van de ijzerindustrie, welke door den
aanleg van vele spoorwegen was vermeerderd,
nam natuurlijk af, toen de aanleg van spoorwegen
verminderde. Toch ging de produktie aanvan-
kelijk voort. Daarbij kwam nog de overvloed
van beschikbaar kapitaal, een gevolg van de
Fransche milliarden na 1871 in Duitschland be-
taald. De ondernemingslust kende geen perken;
er werden naamlooze vennootschappen opgericht,
die de vroeger op beperkte schaal werkende
particuliere fabrieken kochten, en met verveelvul-
digde krachtinspanning deden arbeiden. Allerlei
ondernemingen werden in zenuwachtigen specula-
tiez wij mei aangevangen: makelaarsbanken, bouw-
banken enz. De speculatie in het bouwen van
huizen werd gedachteloos uitgebreid. Vestingen
werden hersteld, spoorwegen werden verbeterd,
het krijgsmateriaal werd vernieuwd, en alles werd
betaald uit de Fransche oorlogsschatting. En
men verkeerde helaas! in den waan, dat die be-
drijvigheid zou voortduren. Doch de ontnuchtering
volgde, toen die overproductie en overspeculatie
in 1873 in Oostenrijk de groote crisis (Krach)
deed uitbreken, en vele scheppingen der overspe-
culatie deed ineenstorten. In Duitschland volgde de
crisis weldra. Men zag, dat men te veel gebouwd
had op een tijdelijke behoefte; thans was de
productie ver boven de gemiddelde behoefte
gestegen, de magazijnen werden volgepakt, maar
bestellingen bleven uit.
Onder dien gedrukten toestand begon men uit
te zien naar afzetsgewesten voor koopwaren in
verre werelddeelen. Duitschland, dat in de eeuw
der landontdekkingen niet medegedaan had om
bezittingen in vreemde werelddeelen te verwer-
ven, trachtte thans koloniën te verkrijgen, om daar
een uitgebreider handelsterrein te vinden.
Doch de eeuw der nieuwe landontdekkingen
was zoo goed als voorbij. Daarom moest
Duitschland zich tevreden stellen met hetgeen
zoo hier en daar nog tusschen de Europeesche
bezittingen in andere werelddeelen was over-
gebleven, landstreken met zeer geringe of geen
waarde voor het beoogde dool. In 1884 werd
(Angra Pequena) (Z.-VV. Afrika) onder bescher-
ming van het Rijk gesteld, alsmede het gebied van
Kamerun. In 1884 had onder voorzitterschap van
den Duitschen Rijkskanselier te Berlijn de Kongo-
Conferentie plaats, waardoor Duitschland in de
internationale koloniale politiek een rol begon te
spelen. Sedert breidde het Rijk zijn bezittingen
nog uit, en verkreeg het deel aan de „Interessen-
spharen", die thans in de politiek een rol begonnen
te spelen. In Oost-Afrika werd de spheer der
Duitsche en Engelsche belangen verdragmatig
vastgesteld (1890), en een kuststreek van Zanibar
aan Duitschland afgestaan, terwijl gelijktijdig En-
geland het eiland Helgoland aan het Rijk af-
stond. Het overzicht van het koloniaal bezit
van Duitschland vindt men op pag. 75. Dat de
verwachtingen, die men in Duitschland van de
koloniën koesterde, bevredigd zijn, kan niet
gezegd worden. Veel zorg en veel uitgaven
heeft bijv. Oost-Afrika in enkele jaren reeds
gekost, zonder dat de opbrengsten daaraan even-
redig zijn. Behalve door koloniën trachtte men
door de invoering van beschermende rechten
de inlandsche nijverheid te verheffen. Wij ver-
-ocr page 83-
76
HANDELS-AABDRIJKSKUNDE.
Tegenwoordig is Duitschland in het bezit van
de volgende:
Koloniën, Bezittingen en Beschermde
Gewesten.
wijzen hiervoor naar hetgeen op pag. 16 over
de handelsverdragen gezegd ia, en wijzen er op,
dat deze invoerrechten weder verlaagd zijn.
Ook kunnen wij aan het vroeger geschrevene
nog toevoegen, dat in Februari 1894 een han-
delstractaat tusschen Duitschland en Rusland
voorloopig is tot stand gekomen. Sedert eenige
jaren hadden de stelsels van hoogo tarieven vele
nadeelen aan beide landen berokkend. Rusland
vindt nu weer voor zijn graan, nafta en hout
afzet tegen verminderd tarief, en de Berlijnsche
beurs zal waarschijnlijk ook toeschietelijker
worden, zoodat het verbod der beleening van
de Russische Staatsfondsen bij de Duitsche
Rijksbank zeker wordt opgeheven.
§ G6. De staten en bezittingen van het
Duitsche Rijk.
Het Duitsche Rijk bestaat uit
de volgende staten, naar officieele volgorde op-
genoemd.
Overzicht der Duitsche staten.
Bezittingen in
Oppervl.
in KMI.
Bevolking in
duizendtallen.
Op
1 K.M».
A. Afrika.
1   Duitsch Oost-Afrika.
2   Dtiitsch Z.-W. Afrika
3  Kaïnerun (tot 15» O.
L. en H.80 N.Br.)
4  Togo ......
955 220
835 100
319 500
61 000
2 900
200
1  600
2 300
3
0.2
5
3.8
In Afrika. . . .
B. In den Gr. Oceaan.
1   Keizer Wilhehnsland
2  Bis i arek Archipel .
3  Noordl. Salomo eil. .
4   Marshal eil. en Navodo
2170 820
181 650
47100
22 255
415
7 000
110
188
89
16
3.2
0.6
4
4
3.9
In de Gr. Oceaan.
251 420
400
1.6
Totale Bezittingen van
Duitschland . . .
2422 240
74 00
3.1
BONDSSTATEN.
Grootte in
K.M-2
Bevolking
in 1890.
Bewoner»
opl K.MS.
Koninkrijken.
348 858
29 957 367
86
75 865
5 594 982
74
14 993
3 502 684
234
4 Württembetg. . .
19 504
2 030 5-22
104
Groot- Hertogdommen.
15 081
1 6:>7 867
110
7 68-2
992 883
129
7 Mccklenb.-Schweriu
13 16-2
578 342
44
8 Saksen-Weimar . .
3 595
326 0<H
91
9 Mccklonb.-Strelitz .
2 929
97 978
33
10 Oldcnburg. . . .
6 423
354 968
55
Hertogdommen.
11 Brunswijk ....
3 672
403 773
110
12 Sakseii-Meiningen .
2 468
223 832
91
13 Saksen-Altenburg .
1 3-24
170 864
129
14 Sakseu-Cohurg-Gotha
1956
206 513
106
15 Anholt.....
2 294
271 963
119
Vorstendommen.
16 Schwarzburg R>idol-
941
85 863
91
17 Schwarzburg-Son-
dershause.t. . .
862
75 510
88
18 W\'aldcck enPyrmont
1 121
57 281
51
19 Reuss oudere linie .
316
62 754
198
20 Reuss jongere linie.
826
119811
145
21 Schaumburg-Lippe .
340
39163
115
22 Lippe.....
1 215
128 495
106
De vrije en Hanzesteden.
298
76 485
257
256
180 443
706
25 Hamburg . .
414
622 530
1504
26 Het Rijksland Elzas-
Lotbaringen . .
14 509
1 603 506
111
Ouitsche Rijk. . . .
540 504
49 428 470
91
§ (>7. Middelen van bestaan. A. Land-
bouw en Veeteelt.
Ongeveer 20 mill. menschen,
d. i. 2/5 van de geheèle bevolking, houdt zich
met landbouw en veeteelt bezig. Van de opper-
vlakte des lands wordt ongeveer de helft voor
landbouw en tuinderij gebruikt, % is met bosch
begroeid en de graslanden nemen 17 pet. der
oppervlakte in. Ongeveer 8.4 pet. der opper-
vlakte is improductief.
De beste graan/ande» vormen de Noordzee-
marschen, (vruchtbare kleilanden overeenkomende
met die in het noorden van Groningen), alsmede
Sleeswijk-Holstein, Mecklenburg en de Donau-
vlakte in Neder-Beieren.
De meeste rogge wordt geoogst in Branden-
burg, Silezië, Hannover, Beieren, Pommeren,
Posen, Saksen, Oost-Pruisen, het koninkrijk
Saksen en Mecklenburg-Schwerin. Tarwe wordt
vooral geteeld in: Beieren, Elzas, Silezië, Sak-
sen en de Rijnprovincie. Spelt leveren Würt-
temberg, Beieren en Baden. Gerst: Beieren,
Saksen, Silezië en Württemberg. Op de zand-
gronden der vlakte worden behalve rogge ook
boekweit en aardappelen verbouwd, in Zuid-
Duitschland groeit daarenboven ook maïs.
Wijnbouw vindt men in het Moezeldal, het
Saardal, aan de Rijnoevers tot Keulen in het
noorden, en de zijdalen van de Rijn, de streken
langs de Main, aan de Werra bij Witzenhausen,
aan de Saaie bij Naumberg, in Silezië bij Grün-
berg, en het noordelijkst in Duitschland bij
Bomst in Z.-VV. Posen.
De oppervlakte met druiven begroeid bedraagt
12000 H.A., en in gemiddelde jaren wordt 1 a 2
mill. H.L. wijn voortgebracht. In 1890 beliep de
-ocr page 84-
TG
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
oogst 42000 tonnen, met een waarde van 17
mill. Mark.
Tabak wordt meest geoogst in Baden, ver-
volgens in Rijn-Beieren, Brandenburg, Élzas-
Lotharingen en Pommeren. In 1890 bedroeg
de oogst 42000 tonnen ter waarde van 17 mill.
Mark.
Suikerbieten verbouwt men bovenal ten O.
van de Harz, in Mecklenlmrg en Silezië. Maag-
deburg wordt hierdoor een belangrijke suiker-
markt. Hop verbouwt men veel in Beieren
(bierbrouwerijen), Württemberg en Baden; vlas
in het N.-W. laagland aan het Teutoburger
woud en in Silezië; ooft in Saksen, Beneden
Franken, aan de Neckar, in het Rijndal. Bij
de toeneming van de bevolking zijn de land-
bouwprodukten niet meer toereikend, en moet
een groote hoeveelheid graan ingevoerd worden
voor het verbruik. Toch werden naar den
wensch der agrariërs (zie pag. 75) door Von
Bismarck nog hooge graanrechten doorgedreven,
welke echter thans weer aanzienlijk verlaagd
zijn (zie ook pag. 15).
Ongeveer 1/4 des lands is met bosschen be-
groeid, die te zamen 139000 vierk. kilom. beslaan.
Hiervan bestaat 1/., uit loofboomen, bovenal
beuken, 2/3 uit naaldbooinen. De grootste op-
pervlakten aan bosch vindt men in Hessen-
Nassau, Baden, Beieren, Saksen en Württem-
berg.
Volgens de telling van 1883 bezat Duitschland
15n/4 mill. runderen. Hiervan waren er, geinid-
deld op 100 H.A. oppervlakte berekend, in VVürt-
temberg 4(i, in het koninkrijk Saksen 43, in
Beieren (rechts van den Rijn) 40, in Baden 39,
in Sleeswijk-Holstein 38, in Hessen 37, in West-
Pruisen, 17, in Pommeren 16 en in Mecklen-
burg-Strelitz 14. Paardenteelt vindt men
meest in het noorden: in Oost- en West-Pruisen,
Mecklenburg, Sleeswijk-Holstein en Hannover.
Schapenteelt 19 mill. totaal) vooral in
Pommeren (84), Mecklenburg-Schwerin (70),
Brunswijk (66), Posen (65), Mecklenburg-Stre-
litz (64 per 100 H.A.). Verder is de varkens-
teelt (in 1883 91/s mill.) van veel belang.
Bijenteelt vindt men meest in de heidestreken.
B. Bergbouw, zoutwerken en ijzerhutten.
Naar den omvang en de behoefte voor de in-
dustrie staat voor de delfstoffen de productie
van kola», ijzer en zout bovenaan. De opbrengst
van edele metalen in Duitschland is gering.
In 1890 werden 70 mill. tonnen steenkolen,
19 mill. tonnen bruinkolen gewonnen. Gedurende
de laatste 25 jaren was de opbrengst verdub-
beid. Aan steenzout verkreeg men in 1890
557000 tonnen, aan kalizouten 1 % mill. tonnen,
aan ijzererts 11 \'/2 mill. tonnen. Wat de kolen-
en ijzerproductie betreft, staat Duitschland na
Engeland en Noord-Amerika als de derde in
de rij. Zink levert Duitschland zooveel als
België, in 1890 759000 tonnen erts; verder
168000 tonnen looderts; 596000 tonnen koper-
erts.
De waarde van de gewonnen hoeveelheid
edele metalen werd in 1890 op 41/2 mill. Mark
gerekend.
De smelterijen produceerden 42/3 mill. tonnen
ruw ijzer, 139000 tonnen zink, 105000 tonnen
lood, en 25000 tonnen koper.
De belangrijkste steenkolenmijnen vindt men
in de Rijnprovincie en Westfalen rechts van
de Rijn (langs de Ruhr), alsmede bij Aken en
Saarbrücken; verder in Saksen en in Opper-
Silezië. Bruinkolen worden in midden-Duitsch-
land langs een breede zone van Westfalen door
Hessen, Hannover, de provincie Saksen, Silezië
en Posen gevonden. Ijzerertsen vindt men in
Westfalen en de Rijnprovincie, Elzas-Lotha-
ringen, Opper-Silezië, in Nassau, Hessen-Darm-
stadt, Thüringen en elders, doch de ijzerhutten
bepalen zich hoofdzakelijk tot de groote kolen-
velden. Tin komt in het Ertsgebergte voor
(Altenberg); zink in Opper-Silezië (Königshütte),
zilver in de Harz en het P>tsgobergte. De pro-
vinoie Saksen (Stassfurt) heeft de belangrijkste
zoutwerken. Langs de kust der Oostzee in
Oost-Pruisen (Samland) wordt barnsteen ge-
wonnon.
C. Nijverheid en handwerken. De belang-
rijkste centra voor nijverheid zijn: de Rijnpro-
vincie, Westfalen, Saksen, Silezië en de om-
streken van Berlijn. De ijzerindustrie hield in
1890 niet minder dan 234000 arbeiders bezig:
vooral te Essen, Dortinund, Bochum, Königshütte
(Silezië), Buckau (ten N.O. van Maagdenburg) en
Peine (bij Hannover) wordt die beoefend. De fa-
brieken van Krupp te Essen leveren de meeste
kanonnen. Locomotieven en spoorwagens worden
gebouwd te Kassei, Berlijn, Karlsruhe, Esslin-
gen, Chemnitz en Hannover. De industrie van
klein ijzerwerk van allerlei soort wordt gevon-
den in de streken van Solingen, Remscheid,
Hagen, Aken, alsmede in Opper-Silezië, Saksen,
Württemberg en de Elzas. Machinefabrieken
vindt men bovenal in Berlijn, Chemnitz en ver-
der te Dortinund en Düsseldorf. Optische in-
strumenten
leveren München, Berlijn, Neurenberg
en Rathenow; mathematische instrumenten verder
Kassei en Leipzig. Klokken komen veel uit
het Schwarzwald (Triberg) en uit Saksen. Goud-
en zilverwerken
leveren Pforzheim, Hanau, Gmün-
den, Berlijn, Stuttgart en Geislingen.
De katoen-industrie zetelt bovenal in de
Elzas, Saksen, de Rijnprovincie, Württemberg
en Beieren. De Elzas levert de fijnst" stoffen,
Chemnitz vooral kousen, het Vogtland witgoed,
Elberfeld, Bannen en Annaberg passementwerk, in
het Vogtland en het Ertsgebergte bloeit fabri-
katie van kanten. De zijde-industrie heeft haar
-ocr page 85-
77
HANDELS-AA.RDRIJKSKUNDE.
zetel te Krefeld, en verder in Barmen, Elber-
feld, Berlijn en Aken. De wolindustrie wordt
vooral gedreven in de Rijnprovincie, Saksen,
Württemberg en de Elzas. Lakenwecerij bloeit
vooral te Aken, in Saksen en Brandenburg. De
linnenweverij wordt bovenal beoefend in Silezië
Lausitz en Westfalen; Zittau levert het beste
damast. Jutewaren worden bewerkt te Brunswijk,
Meissen en Berlijn.
Houten meubelen leveren Berlijn, Mainz,
Dresden, München en Frankfort a./M. Speelgoed
wordt bewerkt in het Ertsgebergte en te Son-
neberg (Thüringen). Ook Neurenberg heeft
eigenaardige speelgoedindustrie in het\' Neuren-
berger land, waartoe meer metalen, leder en
papiermaché gebruikt worden. Papierfabrieken
vindt men vooral in de Rijnprovincie, Saksen,
Silezië, Württemberg en Beieren. Potlooden,
kleardoozen, penseelen,
enz. leveren vooral Neu-
renberg en Regensburg.
De beetwortelsuiker-fabrikatie heeft hier een
groote vlucht genomen, (zie pag. 32); in 1890—91
bestonden er 400 fabrieken, die 1 */4 mill. tonnen
ruwe suiker en 263000 tonnen melasse leverden.
Hoofdzakelijk vindt men ze in de provincie
Saksen ; verder in Silezië, Hannover en Bruns-
wijk en Anholt.
In 1890—91 werden er 89(19 bierbrouwerijen
in Duitschland in de gewesten met bierbelasting
gevonden, die tezamen 321/4 mill. hectoliter bier
produceerden. Daarbij kwamen nog 192/3 mill.
H.L. uit Zuid-Duitschland, (zonder belasting).
Het meeste bier leverden in de landen met be-
lasting: Brandenburg (Berlijn), het koninkr. Sak-
sen, de Rijnprovincie, Silezië en de provincie Sak-
sen. Verder levert Beieren vooral het meeste bier.
Sigaren- en tabaks/abrieken vindt men bovenal
te Bremen en Hamburg; verder in Berlijn en
Dresden.
D. Handelsbeweging. Duitschland neemt, wat
den omvang der handelsbeweging betreft, naast
Engeland de tweede plaats in Europa in. De
invoer beliep in 1891 op een waarde van 4151
mill. mark, de uitvoer op 3170 mill. mark. In
de havens van het Duitsche Rijk liepen in 1891
54800 geladen schepen binnen, (12 mill. tonnen)
en 46500 liepen uit (9 mill. tonnen.) De vol-
gende handelswaren maakten de hoofdzaak van
den invoer uit: gratiën (voor 488 mill. mark,)
wol (288), katoen (234), vee (232), koffie (220),
huiden (144),\' ruwe zijde (138), hout (138), kolen
(113), wollen garens (86), petroleum (78), tabaks-
bladen
(75), vlas en hennep (73).
De uitvoer omvatte hoofdzakelijk: ivollen
stoffen
(228), suiker (228), ijzerwaren (155),
kolen (151), zijden artikelen (150), katoenen ma-
nufacturen
(147), instrumenten en machines (128),
ijzer (111), lederwaren (109), gemaakte Meeren
(104), boeken en kunstwerken (93), papier (90)
en ivol (67 mill. mark).
De cijfers tusschen ( ) wijzen in mill. marken
het bedrag der uit- en ingevoerde waarden aan.
De belangrijkste havens zijn Hamburg en
Bremen.
De Duitsche handelsvloot telde in 1892
3639 schepen (van meer dan 18 tonnen) tezamen
met 1469000 tonnen inhoud. Hieronder telt
men 941 stoomschepen, tezamen 765000 tonnen
groot.
Het buitenlandsch handelsverkeer heeft hoofd-
zakelijk met de volgende landen plaats, in volg-
orde van hun beteekenis voor dien handel ge-
noemd : Groot-Britannië, Oostenr.-Hongarije, Ver-
eenigde Staten v. N.-Am., Rusland, Nederland,
Frankrijk, België, Zwitserland, Brazilië, Italië,
en Oost-Indië. Verder volgen : Zweden, Denemar-
ken, Argentinië, Chili, Spanje en Rumenië.
Duitschland vormt één tolgebied, waarvan
alleen het vrijhavengebied van Hamburg en een
deel van de gemeente Kuxhaven, het vrijhaven-
gebied van firemerhafen en Geestemünde, het
eiland Helgoland, en een klein stuk van Baden
nabij Schatfhausen zijn buitengesloten. Binnen
het tolgebied ligt ook het groot-hertogdom Lu-
xemburg.
§ 68. Binnenlandsche middelen van ver-
keer.
De rivieren en kanalen hebben wij reeds
vroeger leeren kennen. Verder bezat Duitsch-
land 1 Mei 1892 een lengte van 38698 K.M.
Staats-spoorwegen, 331 K.M. spoorweglengte
van particuliere maatschappijen onder staatsbe-
heer, en eindelijk nog 4600 K.M. particuliere
spoorwegen onder het beheer dier bezitters.
De geheele spoorweglengte bedroeg aldus
436635 K.M.
Tot het gebied der Rijkspost en Rijks-tele-
graaf behooren Beieren en Württemberg niet,
die een eigen post- en telegraaf in beheer bezitten.
De telegraafverbindingen hadden in 1891 een
lengte van 109000 K.M. Ook bezat men reeds
in dit jaar op 253 plaatsen telephoonverbin-
dingen.
Voor de binnenscheepvaart dienden in 1887
20390 schepen, tezamen met 2,1 mill. tonnen
inhoud. Daaronder behoorden 1153 stoombooten,
waarvan 471 dienden tot personenvervoer.
69. PLAATSBESCHRIJVING.
A. Het Koninkrijk Pruisen. Het konink-
rijk Pruisen is verdeeld in provinciën. De meeste
van deze bezitten namen, welke historische be-
teekenis hebben. Daarom zullen wij de plaats-
beschrijving provinciesgewijze laten volgen, in
het westen aanvangend. Alleen over de meest
bekende centra der bevolking zullen wij iets
nader in bijzonderheden treden, bij de meeste
kunnen wij om de plaatsruimte niet verder dan
tot bloote vermelding van een paar bijzonder-
-ocr page 86-
7S
HANDELS -AABDRIJKSKUNDE.
heden gaan. Voor de ligging van provinciën en
steden, volge men de kaart.
1.    De Rijiiprovincie. Koblenz (33000 inw.),
een belangrijke Rijnhaven aan de samenvloeiing
van Moezel en Rijn. Naar deze samenkomst
heette de oudste vestiging bij de Romeinen Con-
Jluentes,
waaruit de naam Koblenz is ontstaan.
Koblenz is een belangrijke handelsstad en heeft
een bloeiende industrie. Tegenover de stad ligt
Ehrenbreitstein, een sterke rotsvesting. —
Kreuznach (18000 inw.), veel bezochte badplaats
aan de Natie. — Bonn (40000 inw.) universiteits-
stad. — Keulen (282000 inw. met de voorste-
den) is de belangrijkste handelstad aan de Rijn.
De stad Keulen was oorspronkelijk eene stichting der
Romeinen op den linker oever van de Rijn, en stond
aanvankelijk als Colonia Agrippinenii bekend In de
13de eeuw trad zij op als lid van het Hanze*Verbond
en streed als zoodanig niet Lübeck om den voorrang,
en in liet midden der 13de eeuw nam zij deel aan het
Rijnschc Staten— Verbond. Door den zeer omvangrijken
handel langs de Rijn had Keulen groote rijkdommen
verworven. Met den val der Hanze zonk die handels-
beteekenis zeer. Toch is de scheepvaart op de Rijn en
de handel er nog zeer aanzienlijk. Doch daarnevens
werd de nijverheid een belangrijk middel van bestaan
voor de bewoners. Hoofdtakken van nijverheid zijnde
bewerking van suiker, tabak, vergulde lijsten, tapijten;
eau de cologne, leder, meubelen enz.
Mülheim a. R. (31000 inw.) zijdeindustrie»
Dusseldorf (145000 inw.) beroemde schilder-aka-
demie ; belangrijke handel en Rijnhaven. Elber-
feld (126000) en Barmen (116000), naast elkan-
der in het Wupperdal gelegen ; bovenal textiel-
industrie. Solingen (30000), Remscheid (40000)
en Essen (79000) zijn vooral bekend door de
ijzer-industrie. Bovenal Essen is beroemd door
de fabrieken voor gegoten staal van Krupp, de
eerste der aarde op dit gebied, waar ± 22000
arbeiders werkzaam zijn. Verder textiel- en
ijzerindustrie te Mülheim a. d. Ruhr (28000),
Duisberg (51)000) en Oberhausen (25000). Ruh-
rort (11000) de belangrijkste rivierhaven na
Berlijn. — Wezel (21000)\'vesting, Kleef (10000),
Krefeld (105000) ftuweel- en zijdeweverij. —
Neuss (23000) graanhandel. — Aken (103000),
badplaats. Technische hoogeschool. Aanzienlijke
lakenindustrie. — Ook in het naburige Burt-
scheid (13000) en Eupen (15000).
Aan de Morzel ligt Trier (36000) met een
bisschopszetel. Vele overblijfselen van Romein-
sche gebouwen, welke opgegraven zijn. Saar-
brücken (14000) en St. Johann (15Ó00) aan de
Soar, met vele kolenmijnen.
2.    De provincie Westfalen. Munster in
Westfalen (49000) ouderwetsche stad, bisschops-
zetel. Sedert 1786 akademie. Bocholt (13000),
textielnijverheid. Minden (20000), nijverheid,
handel. In de nabijheid de Porla West/alica
(zie pag. 69). Herford (19000), katoenindustrie.
Bielefeld (40000) linnenindustrie en handel.
Paderborn (18000) oude bisschopszetel, wol-
handel. Arensberg (15000) a. d. Ruhr; ten W.
hiervan ligt het groote kolen- en ijzergebied.
Dortmund (90000) ouderwetsche stad; ijzer-
hutten, groote bierbrouwerijen. Ten Z. O. hier-
van Horde (16000), ijzerindustrie. De Hermnnns-
hiiite
levert het beroemde BessemerstaaL — Bo-
chum (48000) fabrieken voor gegoten staal. Iser-
lohn (22000) ijzerindustrie. Siegen (18000) aan
de Sieg levert het beste ijzer en heeft groote
leerlooierijen en papierfabrieken. Hamm (25000)
aan de Lyspe, „Schinken".
3.    De provincie Hannover. Het vroegere
koninkrijk Hannover werd door de wet van 20
Sept. 1866 als provincie van dien naam met
Pruisen vereenigd. Hannover (164000), fraaie
stad; katoen- en ijzerindustrie, piano\'s, sigaren-
fabrieken. Technische hoogeschool. In de nabij-
heid het bekende slot Ilerrenhmtsen, met fraaie
palmentuinen. Hildesheim (33000) oude stad,
veel industrie. Goslar (13000), een der oudste
steden des lands aan den voet van den Harz ;
bergbouw, welke verder in Klausthal, Grund
(rood), Andreasberg (zilver) en andere plaatsen
aan den Harz wordt beoefend. In laatstgenoemde
stad wereldberoemde kanarievogelteelt en luci-
fersfabrieken. Göttingen (24000) universiteit.
Lüneburg (21000) ouderwetsche stad, salinen,
kalkwerken, chemische fabrieken. CeUe (19000)
aan de Aller, parapluifabrieken. Harburg
(35000) tegenover Hamburg, opkomende handels-
en fabriekstad. Geestemünde nabij Bremerhafen,
(16000), zeehaven. Osnabrück (40000) oudste
bisdom. IJzer- en textielindustrie. tabak- en pa-
pierfabrieken en bierbrouwerijen. Emden (14000)
zeehandel, haringvangst en nijverheid. Wil-
helmshaven aan de Jahde (15000), nieuw ge-
grondveste oorlogshaven.
4.    De provincie Sleesvrijk-Holstein. Dit ge-
bied is in 1866 met Pruisen vereenigd en sedert
1 Juli 1876 is ook het hertogdom Lauenburg
hiermede vereenigd. Flensburg (37000), schoone
haven, industrie. Kiel (69000), Duitsche oor-
logshaven. Universiteit. Door het Nnonl-Oostzee-
kanaal
met de Elbe verbonden. Rendsburg
(13000), met de belangrijke ijzerwerken van
KarUhütte in de nabijheid. Altona (143000) be-
langrijke zeehandel, onmiddellijk bij Hamburg.
Wandsbeck (21000), nabij Hamburg met indus-
trie. Ten Oosten van Hamburg in het Saksen-
woud
ligt „Friedrichsruhe", de woonplaats van
Von Bismarck.
5.    De provincie Saksen. Maagdeburg (met
de voorsteden 202000), een vesting van den eer-
sten rang en een zeer belangrijke fabriekstad.
Vooral beetwortelsuiker-fabrieken en suikerhan-
-ocr page 87-
79
HANDELS-AARD RIJKSKUNDE.
del. In de voorstad Buckau groote machinefa-
ken. Stassfurth (19000) met zoutwerken en
groote chemische fabrieken. Quedlinburg (21000)
en Halberstadt (37000) met vele fabrieken ten
N. van de Harz. Merseburg (18000) veel nij-
verheid. Zoutwerken in de nabijheid. Zeitz
(22000) chemische fabrieken. Mansfeld, koper-
en zilver, bergbouw. Halle (101000), oude in-
dustrie- en handelstad, oude saline, sedert den
Keltischen tijd (Hallozen). Universiteit. Weezen-
inrichtingen van Aug. Herman Francke. Witten-
berg( 14000) aan deÈlbe; aanvang der hervorming.
Erfurt (72000), beroemde tuinbouw. Nordhausen
(29000) aan den voet van de Harz. Brandewijn
(Nordhiiuser). Suhl (12000) geweerfabrieken.
0. De provincie Ilesseii-Nassau. Deze pro-
vincie bestaat uit het voormalige keurvorstendom
Hessen en het vroegere hertogdom Nassau, be-
nevens kleine gedeelten van Beieren en het
groothertogd. Hessen, alsmede de stad Frankfort
a. d. Maiii,
in 1806 hierbij ingelijfd. Kassei
(72000) aan de Ftilrfa, met nijverheid. In de
nabijheid het schoone slot Wilhelmshöhe. Fulda
(13000) bisschopszetel. Schmalkalden (7000)
ijzerindustrie. Hanau a. d. Main, (25000), goud-,
zilver en galanterie waren, textiel-industrie.
Frankfort a. d. Main (180000). Frankfort
ligt in het breede dal van de Beneden-Main, 100
meter boven de zee, in een schoone en buitengewoon
vruchtbare streek, met zacht klimaat en hooge zo-
merteinperatuur. Daardoor is de stad dan ook met
een dichte krans van buitens, tuinen, wijngaarden,
tarwevelden en boomgaarden omringd. Hot
eigenlijke Frankfort ligt aan de rechterzijde
op den langzaam stijgenden rivieroever en is
met het aan de linkerzijde van de Main gelegen
Saksenhausen door de voor het eerst in 1342
gebouwde brug verbonden.
Tot 1860 was Frankfort de eerste der vier
vrije steden van den Duitschen Bond en de zetel
der Bondsvergadering. Door handel en groote
rijkdommen der bewoners was het een der be-
langrijkste steden van Duitschland.
De Engelsche en Fransche goederenhandel is
veel verminderd, sedert de Zollverein het alge-
meene handelsverkeer bevorderde en daarenboven
een gemakkelijke directe verbinding der ]andste-
den met de zeehavens door spoorwegen enz. tot
stand kwam. De vroeger zoo bloeiende missen, de
Paaschmis en de Herfstmis, zijn weinig van be-
teckenis meer. De boekhandel, die in de 17de
eeuw hoofdzakelijk te Frankfort gevestigd was,
is sedert lang door dien van Leipzig verdrongen,
maar de antiquariteitsboekhandel bloeit hier nog.
Ook is de effectenbeurs nog altijd de be-
langrijkste van Duitschland. Door de gunstige
ligging der stad en de vele spoorwegverbin-
dingen stroomen van alle zijden een groote me-
nigte vreemdelingen naar Frankfort toe.
Wiesbaden (65000) beroemde badplaats aan
de zuidelijke helling van het Taunusgeo. Verdere
badplaatsen alhier zijn : Homburg, Soden,
Schlangenbad en Langenschwalbach. Verder
Ems aan de Luim. Niederselters verzendt
jaarlijksch rh 4 mill. kruiken koolzuur water.
De zuidelijke helling van de Taunus, de Rhein-
(jau,
is bekend door den irijnbouir. Men vindt
dien o. a. bij de plaatsen : Johannesberg, Hoch-
heim, Geisenheim, Rüdesheim, en Assmans-
hausen.
7.     Re provincie Rmiirieiihiir<r. Potsdam
(54000) residentie, in het schoonste gedeelte der
Mark, eene schepping der koningen van Prui-
sen, even als Versailles van de Fransche koningen.
In de nabijheid Sanssouci en Babelsberg.
Spandau (35000) vesting, geweerfabrieken, ge-
schutgieterij. Charlottenburg (100000) bijna
een voorstad van Berlijn, koninklijk slot. Bran-
denburg (38000) oude hoofdstad der Mark. Rid-
derakademie. Laken- en zijde weverij. Ebers-
walde (16000) „ Forstakademie", nijverheid.
Frankfort a. d. Oder (56000) belangrijke han-
del en nijverheid.
Berlijn (Stadtkreis) (1578794 inw.) is de hoofd-
stad van Duitschland en van het koninkrijk
Pruisen aan de Spree gelegen. Het maakt de
eerste residentie van den Duitschen keizer uit,
en is de derde stad in grootte van Europa. Op
I industrieëel gebied neemt het een eerste
plaats in wat betreft machinebouw, electrische
werktuigen, en ijzergieterijen. Verder fabrieken
voor goud-, zilver», brons-, koper- en nikkel-
werken en artikelen van nieuw zilver (Berlijnsch
zilver); porcelein, steengoed, textiel-industrie
(fluweel, pluche, tapijten enz.), fabrieken voor
gemaakte kleeren, passementen, muziekinstru-
menten enz. De wolindustrie te Berlijn is reeds
zeer oud. De confectie- en modeartikelen nemen
vooral in den laatsten tijd een groote beteekenis
aan. Alleen in damesmantels bedroeg in den
laatsten tijd de omzet per jaar ver over 100
mill. mark, waarvan 2/3 werd uitgevoerd. Verder
vindt men er groote bierbrouwerijen. Voor eenige
artikelen als: wol, graan en spiritus, evenals
voor bankzaken en wisselhandel, is Berlijn een
wereldmarkt geworden. In den boekhandel staat
Berlijn naast Leipzig. De binnenscheepvaart te
Berlijn op de Spree is zeer levendig ; in 1890
kwamen er 21561 schepen binnen, met2!//( mill.
tonnen lading.
8.    De provincie Pommereii. Stettin (116000)
de belangrijkste handelsstad van de Oostzee,
aan de verbreeding van den Odermond gelegen.
In 1890 bedroeg het zeeverkeer in- aan- en uit-
voer 2138000 tonnen. Verder belangrijke in-
I dustrie, scheepsbouw en machinefabriek. Swi-
I nemünde (9000) is de voorhaven op het eiland
-ocr page 88-
80
HANDELS-AARDRI.JKSKUNDE.
Usedoin. In 1890 bedroeg hier de in- en uitvoer
van zee 410000 tonnen.
De ontwikkeling en beteekenis van Stet-
tin. De breede monding der Oder, waar
de eilanden tjsedom en Wollin het Stettinerhaff
naar de zeezijde afsluiten, nagenoeg in het
midden van de zuidkust der Oostzee gelegen,
met een groot achterland, dat zich langs de
rivier de Oder tot het zuiden van Silezië uitbreidt,
deze plek wees duidelijk de voordeelen voor eene
vestiging aan. De overleveringen spreken van een
stad Vineta met fabelachtige rijkdommen, die
hier ergens moet gelegen hebben, doch te gronde
is gegaan. Dat die voordeelen der natuur-
lijke ligging blijvend van invloed waren blijkt
uit de ontwikkeling der stad Stettin, waar reeds
in de 12,le eeuw een volkrijke plaats bestond,
door de Wenden bewoond. In de 12 Jl\' eeuw
werd Stettin deelhebber in de Hanze (zie pag.
44) en de handelsbeteekenis der stad, als eenige
doorgangsweg tusschen de plaatsen in de Mark
en de Oostzee, deed de Pommersche hertogen
besluiten hun zetel naar hier te verleggen. In
1720 kwam Stettin in het bezit van Pruisen, en
sedert verhief zich deze stad tot de eerste
zeehaven en belangrijke industrie-stad. Sedert
1858 is het aantal inwoners verdubbeld. De
zeeweg door het Stettinerhaff\' en het Sioine is
slechts voor schepen van op zijn meest 5 meter
diepgang te gebruiken, en grootere schepen
moeten te Swinewünde lossen of lichten, of wel
de lading aanvullen bij afvaart. Hierdoor bloeide
dit plaatsje sedert 1740 op tot een voorhaven
van Stettin. De haven van Stettin wordt bij
vorst door ijsbrekers open gehouden.
Stettin is door de ligging aan de Oder en de
nabijheid van Berlijn (134 K.M.) de belang-
rijkste haven van Pruisen, die ook buiten de
Oostzee veel handel drijft. Echter de verbinding
van de Oder met de Elbe door nieuwe scheep*
vaartkanalen heeft sterke concurrentie van Ham-
burg in het leven geroepen.
Wat den zeehandel aangaat overtreft de invoer
de uitvoer van Stettin zeer. De invoer van
Eiujelsche steenkolen is aanzienlijk; verder groote
invoer van granen uit Rusland. Voor oliezaden
is Stettin een hoofdmarkt; uit Indië, over België,
en over Groot-Britannie, worden die aangevoerd.
Uitvoer van lood en zink is aanzienlijk. Aard-
appelmeél
en beetwortelsuiker worden van hier
uitgevoerd, ook naar Nederland.
De helft van het aantal tonnen scheepsinhoud,
dat de haven binnenloopt, vaart onder Duitsche
vlag. Dan volgen de Britsche met V., en de
Deensche vlag met 1/k van ftet totaal. Het ove-
rige verkeer is verdeeld over Zweedsche, Noor-
weegsche, Fransche, Nederlandsche en andere
vlaggen.
Straalsund (28000), vesting. Zeeverkeer: in
1890 aan in- en uitvoer 141000 tonnen. Greifs-
wald
(22000) universiteit
9.     De provincie West-Pruisen. Danzig
(120000), ouderwetsche stad, vesting van den
eersten r.ing, niet ver van Weichselmond. De
haven van Danzig is Neufahrwasser (zeever-
keer, in 1890 aan in- en uitvoer 9150000 tonnen)
Bovenal handel in graan en hout en belangrijke
industrie.
Danzig als handelsstad. De beteekenis van
Danzig als handelsstad berust op de ligging
nabij een zeer beschutte, ook des winters meestal
ijsvrije reede (Danziger Bocht), en aan de be-
vaarbare rivier de Weichsel. Het achterland
van Danzig ligt meest in Rusland. Zoolang de
waterwegen bijna uitsluitend voor het handels-
verkeer gebruikt moesten worden, werd de bui-
tenlandsche handel voor het Weichsel-gebied
door Danzig tot stand gebracht. Sedert de
spoorwegen zijn aangelegd, is liet Russische
Weichsel-gebied hiertoe niet meer bepaald, en
kan door tariefregelingen het verkeer langs een
anderen weg geleid worden. De tarievenstrijd
tusschen Duitschland en Rusland (zie pag. 20) was
dan ook zeer nadeelig voor Danzig, zoowel als
voor Koningsbergen. Zeker zal het nieuw tot
stand gekomen handelstractaat weer voordeelig
zijn van deze stad. De uitvoer van hout, die
meer aan vervoer te water gebonden is, bleet
meest langs Danzig gericht. Danzig is hoofd-
zakelijk uitvoerhaven. De uitvoer bestaat in de
eerste plaats uit hout. Voor een inkoopsprijs
van 8 a 12 mill. mark aan hout, meest dennen-
hout, wordt uit het binnenland de Weichsel
afgevoerd naar Danzig, om van hier verscheept
te worden naar Groot-Britt. (voor ongeveer 1/2)
en naar België, Frankrijk, Algiers, naar Duitsche
havens, Denemarken en Nederland. De duigen
voor vaten, welke van hier uitgevoerd worden,
zijn meest afkomstig uit, Oostenr."Hongarije.
Verder bestaat de uitvoer vooral uit tarwe en
rogge; uit haver, gerst, erwten en boonen. Over
Amsterdam, Rotterdam en Antwerpen wordt veel
raapolie van hier uitgevoerd naar de Rijnstreken
tot de Elzass. Van den invoer over zee moet
vooral de Scliotsche en Engelsche haring genoemd
worden.
Van het aantal schepen, dat de haven van
Danzig bezoekt, vaart ongeveer de helft onder
Duitsche vlag; daarop volgen Britsche, Deen-
sche, Zweedsche, Noorweegsche en Nederlandsche
schepen.
Thorn (27000), vesting, en Graudenz (20000)
beide aan de Weichsel.
10.    De provincie Oost-Pruisen. Konings-
bergen (162000) kroningsstad der Pruisische
koningen; vesting van den eersten rang, zee-
verkeer in 1890 695000 tonnen in- en uitvoer.
De haven van Koningsbergen is Pilau.
-ocr page 89-
81
HANDELS- AARDRIJKSKUNDE.
ligt de gerestaureerde burg Hohenzollern (zie
pag. 66).
II.    De kleine Noord-Duitsche knststaten.
A. Groothertogdommen Mecklenburg Schnerin en
M. Strelitz.
Landbouw en veeteelt zijn hoofd-
bronnen van bestaan, waarmede 70 pet. der
bevolking zich bezighouden. Schwerin (34000).
Rostock (44000), grootste handelsmarine der
Duitsche Oostzeesteden, 210 schepen. Neu-Stre-
litz
(9000).
III.    De Vrije en Hanzesteden.
Lübeck (76485 inw.; in de stad zelve 63600)
in den Z. W. hoek der Oostzee, aan een klein
riviertje, de Trave, gelegen. De voorhaven van
Lübeck is Travemünde. Vooral handel op de
Oostzee-landen. In 1890 bedroeg de in- en
uitvoer tezamen 900000 tonnen. De handelsvloot
telde 32 schepen met 11000 tonnen inhoud.
Lübeck\'s handel. De trotsche, ouderwetsche
huizen,welke met prachtige,schilderachtige gevels,
geheele straten begrenzen; het, gothische raadhuis
en verschillende andere overblijfselen uit vroegere
eeuwen,herinneren nog aan den bloeitijd dezer oude
Hanzestad, die door veranderde historische om-
standigheden en de ontwikkeling van het verkeer
in een andere richting en langs andere wegen,
slechts een schaduw is van vroegere grootheid.
Met den ondergang der Hanze ging ook Lübeck
sterk achteruit. Toch is er nog een levendig han-
delsverkeer. Door belangrijken arbeid is de Trave
zoo zeer verdiept, dat zeeschepen van 5 meter
diepgang tot bij de kaden der stad kunnen komen;
de dieper liggende schepen blijven bij Trave-
münde. Evenwel is Hamburg een groote con-
current voor Lübeck, en door het graven van
het Noord-Oostzeekanaal is Hamburg in staat
de Oostzeekusten gemakkelijker te bereiken,
waardoor deze stad in nog gunstiger omstandig-
heden is gekomen. De invoer bestaat hoofd-
zakelijk in hout, granen, peulvruchten, hennep,
vlas
enz. Lübeck voert hoofdzakelijk Russische
petroleum in. Het hoofdaandeel in het haven-
verkeer heeft sedert 1886 de Zweedsche vlag,
en hierop volgen Britsche, Deensche en Russische
schepen.
Hamburg (622530 inw., waarvan in de stad
324000, in de voorsteden 245000). Sedert 15
Oct. 1888 behoort de stad zelve tot het Duitsche
tolgebied. Het vrijhavengebied heeft een opper-
vlakte van 10 K.M.2 met 9000 inwoners; ook
Kuxhaven aan den Elbemond, de voorhaven van
Hamburg, is vrijhavengebied. Hamburg is de
belangrijkste handelsstad van het vasteland van
Europa, en staat alleen achter bij Londen en Liver-
pool. In 1891 bedroeg de zeehandel voor 1521
mill. mark invoer en 1295 mill. mark uitvoer.
Daarbij kwam nog aan invoer langs spoorwegen
Beteekenis van Koningsbergen. Konings-
bergen dankt het ontstaan hoofdzakelijk aan
militaire doeleinden. Oorspronkelijk een vooruit-
geschoven vesting der Duitsche Orde te midden
van de Slawische bevolking, werd de stad ter
eere van koning Ottokar van Polen in 1255
Koningsbergen (Poolsch: Krolewiez) genoemd. De
ligging aan den mond van de bevaarbare Pregel
en aan het Prische ha/f\' gaf aanleiding tot ont-
wikkeling cener handelsstad. De vrij diepe
Pregel is goed te bevaren, doch het Frische
Hafl
is ondiep, en alleen schepen van 4 M. diep-
gang kunnen de stad bereiken. Met het maken
eener diepere vaargeul door het haff is men
bezig. Bij strenge vorst kan alleen de voorhaven
Pilau opengehouden worden door ijsbrekers.
De handel van Koningsbergen staat door de
geographische ligging der stad meer met Rusland
in betrekking dan met het smalle Pruisische
achterland. Daardoor leed het ook de nadeelen
van den tarievenstrijd, bij Tilsit besproken, en
ook voor deze stad zal het op pag. 75 genoemde
handelstractaat voordeelig zijn.
Het hoofdartikel van den handel van Konings-
bergcn is graan. Tarwe, haver en gerst worden
uitgevoerd naar Groot Britannië, Nederland, Bel-
gië en andere landen. Ook hennepzaad, lijnzaad,
raapzaad
en klarerzaad wordt er veel uitgevoerd.
De export van Russische hennep is van groot
belang.
Gumbinnen (12000); ten O. hiervan Tra-
kehnen, met beroemde paardenstoeterij.
11.    De provincie Posen. Posen (70000) aan
de Warthe, handel en nijverheid. — Bromberg
(41000) handel, nijverheid.
12.    De provincie Silezië. Breslau (335000)
belangrijke handelsstad. In 1890 voeren hier
6083 scïiepen de Oder af. Hoofdzetel der Silezi-
sche machinefabrieken, passementen. — Schweid-
nitz (25000), bierbrouwerijen. — Reichenbach
(13000), textiel-nijverheid, garenhandel. —
Ratibor, handel en nijverheid. —• Ten O. van
de Oder liggen Beuthen (31000), en Königs-
hütte (37000), met belangrijke ijzerwerken;
Tarnowitz (9000), met zeer aanzienlijke zink-,
lood- en ijzermijnen. Bij het dorp Malapane
vindt men de belangrijkste ijzermijnen van Si-
lezië. — Verder ten W. van de Oder: Glatz,
vesting; Hirschberg (16000), hoofdplaats van
den linnenhandel; Jauer, grootste graanmarkt
van Silezië, worstfabrieken; Liegnitz (47000)
fabrieken, handel, en Görlitz (62000) met belang-
rijke lakenfabrieken.
Hohenzollern, een klein vorstendom (1142
K.M.* en 66085 inw.) bijna geheel door Würt-
temberg omsloten en van de Donau doorsneden,
behoort sedert 1849 tot Pruisen. Bij Hechingen
-ocr page 90-
82                                                           handels-aa
RDRIJKSKUNDE.
of over de Elbe voor een bedrag van 1244 mill.
mark invoer en 1140 mill. mark uitvoer. Het
handelsverkeer van Hamburg omvat de geheele
aarde, doch gaat hoofdzakelijk naar Groot-Bri-
tannië en Noord- en Zuid-Amerika. De handels-
vloot telde in 1891 598 schepen (met 569000
tonnen inhoud), waaronder 318 stoombooten (met
293000 tonnen inhoud). Met alle deelen der
aarde is Hamburg in regelmatig stoombootverkeer
verbonden. Na Breinen is Hamburg de belang-
rijkste haven voor het vertrek der Duitsche
landverhuizers. De industrie heeft er zich krach-
tig ontwikkeld; hoofdtakken zijn: machine-
fabrieken, ijzergieterij, sigarenfabrieken, suiker-
raffinaderijen en scheepsbouw.
Ontwikkeling van Hamburg. De eerste aan-
leg van Hamliurg had plaats met zuiver militaire
bedoelingen. Karel de Groote bouwde in het
begin der 9\'le eeuw op eene hoogte tusschen de
Elbe en den oostelijken oever der kleine Alster een
slot en een kerk, om het ontluikend christendom
te bevorderen en de rooftochten der Wendische
bevolking tegen te gaan. De gunstige ligging
aan de Elbe deed de bevolking weldra toenemen
en ontwikkelde spoedig eenig handelsverkeer.
Evenwel van een groothandel in den geest van
den tegenwoordigen kon in dien tijd, toen de
Middellandsche zee en de Oostzee den Euro-
peeschen zeehandel beheerschten, nog geen sprake
zijn. Zelfs in den bloeitijd der Hanze konden
de scherpzinnigste kooplieden nog niet vermoe-
den, welke beteekenis de Elbestad eens zou
erlangen.
Tijdens het lidmaatschap van het Hanzeverbond
had Hamburg reeds een groote beteekenis ver-
kregen als handelscentrum, en de door Otto IV
tot den rang van een „vrije Rijksstad" verheven
stad, kocht landgoederenen dorpen in hare nabij-
heid, waardoor zij zich uitbreidde. Doch bovenal
na de ontdekking van Amerika en van den zeeweg
naar Indië nam Hamburg\'s handel een groote
vlucht.
De nadeelen, welke de overige Hanzesteden
door die ontdekkingen leden (zie pag. 45 enz.)
ondervond Hamburg niet.
Door het rijke achterland langs de Elbe en
de hiermede verbonden wateren, en door den toe-
gang van de Noordzee, werd Hamburg een cen-
trum, waar land- en zeehandel elkander ontmoet-
ten, en het bereikte hierdoor een buitengewonen
bloei. Vooral voor het rechtstreeksch verkeer
met Amerika lag Hamburg zeer gelegen, en
tijdens de oorlogen in de Nederlanden en aan
de Rijn vestigden zich vele ondernemende koop-
lieden in deze stad. En Hamburg spaarde geene
kosten om door den aanleg van havens en kaden,
van spoorwegen enz., door het verdiepen der rivier,
het betonnen van het vaarwater enz. den handel
te bevorderen.
De Elbe is de belangrijkste geographische
factor in de opkomst van Hamburg, en het was
een groot voordeel voor deze stad, dat in 1870
de Elbetollen geheel werden opgeheven. Hamburg
biedt een groot voordeel aan, doordien de schepen
hier van zee uit zoo diep in het land kunnen
doordringen, hoewel verdere verdieping van den
mond een eisch des tijds is. Vooral in den winter
wordt de haven van Hamburg soms vermeden,
om de gevaren op de beneden-Elbe. Ook ont-
breekt aan den mond der Elbe nog een ten allen
tijde bereikbare vluchthaven, hoewel tot den
aanleg van een haven te Kuxhaven besloten is.
Hamburg is de eerste koffiemarkt van Europa.
De invoering van den terinijnhandel, in verbinding
met een „Waren-liquidatiekas" naar het voorbeeld
van Havre en New-York in 1887, heeft Ham-
burg den voorrang boven Havre gegeven, zoodat
groote huizen in koffie te Londen en Havre hier
filialen hebben. Verder is de handel in thee,
cacao, tabak, granen, peulvruchten, wijnen, huiden,
suiker
enz. aanzienlijk. De belangrijke handels-
artikelen dezer stad op te sommen zou hier te
veel plaats vorderen.
Het middelpunt van het stedelijk leven is het
gedeelte der stad langs het Alster-bassin (Binnen-
Alster), vooral aan de Z. W. kade. Daar is de
aanlegplaats der kleine, locale booten ; daar klopt
de polsslag des verkeers zoo krachtig en zoo
lustig, dat ieder vreemdeling dit gedeelte van
Hamburg bezoekt. Een prachtig gezicht levert
die groote watervlakte van het havenbassin
op, wair vaartuigen van de meest verschillende
vormen en grootten in allerlei richtingen door
elkander kruisen. Prachtige rijen van boomen
omringen dit bekken aan de meeste zijden, en
langs de kaden verrijzen de schoone gebouwen
van Hamburgs kooplieden.
Het commercieele leven van Hamburg heeft
het hoofdkwartier nabij de statige Beurs. Dit
gebouw, dat in 1842, toen Hamburg door een
vreeselijken brand geteisterd werd, juist voltooid
was maar gespaard bleef, is rijk met plastiek
versierd. Daar verzamelt zich dagelijks van
l1/-2 tot 3 uur des namiddags de handelswereld
van Hamburg. De hier bewaarde zeer rijke han-
delsbibliotheek bestaat uit meer dan 50000 deelen.
De Beurs heeft vereenigd een <)ranen- en een
fondsenbeurs, een knffie-, tahak- en een warenbeurs;
een afdeeling waar de expediteurs staan, een
andere voor exporteurs. Onder de arcaden aan
de eene zijde is de assurantie-beurs. Ook de
advokaten bezoeken dagelijks de beurs, en hebben
gedeeltelijk vaste plaatsen. Zelfs de scheeps-
kapiteins
begeven zich naar deze plaats, als zij
van verre reizen terugkomen, en de riviersclippers
komen samen op het plateau vóór de graanbeurs.
Rondom de beurszalen vindt men de kantoren
der makelaars, handelsfirma\'s, expediteurs, ree-
ders, enz. De Hamburgsche beurs vormt een
zeer doelmatige, praktische inrichting.
-ocr page 91-
83
HANDELS-AARD RI.TKSKUNDE.
Altona sluit zich onmiddellijk bij de voorstad
St. Pauli van Hamburg aan, doch heeft slechts
een bescheiden beteekenis, met Hamburg ver-
geleken.
Bremen (180433 inw., de stad zelve 126000
inw.) ligt nabij den Wezermond. Na Hamburg
is Bremen de belangrijkste zeehandelstad, die
bovenal verkeer heeft met de Vereenigde Staten
van N. A. De handelsvloot telde in 1890 372
schepen met 390000 tonnen inhoud. Bremen is
dehoofdhaven voor de landverhuizing uit Duitsch-
land. De handelsartikelen zijn bovenal: tabak,
katoen, petroleum
en wol, terwijl Hamburg meer
koffie, ruwe suiker, huiden en verf hout verhandelt.
De invoer beliep in 1891 in totaal op een waarde
van 760 niill. mark. In 1890 liepen de haven
van en naar zee in en uit 2\'/;t mill. tonnen in-
houd. Bremerhaven (16000 inw.), met groote
dokken, is de voorhaven van Breinen, een ex-
clave in het Duitsche gebied.
Beteekenis en handelsontwikkeling van
Bremen.
Bremen is een der oude Hanzesteden,
die haar eerste ontwikkeling heeft gehad in den
bloeitijd van dit machtig verbond, toen de handel
bovenal aan de Oostzee een rijk gebied had.
Toen na de 16lle eeuw de handel zich meer naar
de Noordzee verplaatste, moest Lübeck het meest
daaronder lijden, doch Hamburg en Breinen
gingen door haar ligging een nieuwe toekomst
tegemoet. Hamburg aan de Elbe verkreeg de
eerste plaats; Bremen aan de Wezer was minder
bevoorrecht in ligging. Wel is de Wezer be-
vaarbaar (zie pag. 69), doch tusschen de Elbe en
de Rijn gelegen, twee groote rivieren, die ver naar
het hart van het vasteland voeren, bezit de stad
aan den mond der betrekkelijk korte Wezer niet
dat uitgebreide achterland. Echter, wat de natuur
naar de landzijde aan Bremen onthield, werd
vergoed door de energie der burgers, die van
de ligging nabij zee alle voordeel trachtten te
trekken. Op een afstand van 66 K. M. van den
Wezermond gelegen, werd in 1827 de voorhaven
Bremerhaven aangelegd voor de nieuwe, groote
zeeschepen, die Bremen niet meer konden be-
reiken. Vooral richtte men het oog op Amerika,
om het verkeer hiermede in handen te verkrijgen.
Daarom werd de stroom der landverhuizing
over Bremen geleid, en als retourvracht werd
tegen billijken prijs tabak medegevoerd, waardoor
Bremen de voornaamste tabaksmarkt van het
continent werd. Later werden op dezelfde wijze
ook granen, katoen, rijst en petroleum mede terug-
gevoerd, en aldus werd de handel in deze arti-
kelen uitgebreid. Vooral de „Norddeutsche Lloyd",
die groote scheepvaartmaatschappij, deed het
scheepvaartverkeer met Nbord-Ainerika een groote
vlucht nemen, en door zijn vaart op Zuid-Amerika
werd de wol van dit werelddeel aangevoerd, en
Bremen tot de hoofdstapelplaats van den wol-
handel bevorderd. Vervolgens werden tal van
stoomvaartlijnen met Voor-Indië, de Zwarte Zee
enz. opgericht, die ook den graanhandel deden
bloeien. Door den aanleg van Bremerhaven,
door de verdieping van de Beneden-Wezer, en.
door den aanleg van een nieuwe haven voor
zeeschepen in Breinen zelve, is de handel zeer
bevorderd. In 1888 sloot Bremen zich aan bij
het Duitsche tolgebied, doch om het transito-
verkeer te bevorderen werd een afzonderlijk
rrijharengebied van 100 H. A. oppervlakte in
het westen der stad, waar een havenbassin is,
aangelegd. Ook Bremerhaven heeft een eigen
vrijhavengebied, dat de monding der Geeste en
bassins insluit.
Ten zuiden van Bremerhaven grondvestte aan
den linker oever der Geeste de vroegere Hanno-
versche regeering als concurrent Geestemlinde,
met een haven, die in 1863 voltooid werd. Toch
heeft deze,hoewel uitmuntend ingerichte haven,niet
de bedrijvigheid verkregen, waarin zich Bremer-
haven verheugt. Voor de zeerisscherij is Geeste-
münde echter van groote beteekenis geworden,
en de vischhandel is er belangrijk.
Steden in eenijre kleine staten van het
noorden. Oldenburg (23000), hoofdstad van
het groothertogdom van dien naam, aan de be-
vaarbare Hunte, met belangrijke paarden markten;
visscherij. — Oberstein in het vorstendom Bir-
kenfeld,
dat aan de Nahe gelegen is maar tot
Oldenburg behoort, met agaatslijperijen. —
Brunswijk, ouderwetsche stad (101000), in het
hertogdom van dien naam aan de Ocker, met
belangrijke industrie; beroemde vleeschwaren,
boekhandel. — Dessau (35000) in het hertogd.
Anholt, met beetwortelsuikerfabrieken en laken-
industrie. — Gera (49000) in Reuss, bloeiende
textiel-industrie, orgels enz.; wollen stoffen,
ververij, katoendrukkerij enz. —• Weimar (24000)
in Saksen Weimar-Eisenach, wol- en graanhandel;
kunstleven. — Apolda (20000) met nijverheid;
kousen. — Eisenach (21000), kamgarenspinnerij,
wolweverij. — Gotha (29000) in Saksen-Koburg-
Gotha,
belangrijke industrie; het beroemdegeo-
giaphische Instituut van Justus Perthes.
Het Koninkrijk Saksen. Dresden (290000)
de hoofd- en residentiestad, schilderachtig ge-
legen aan de Elbe, die hier druk bevaren wordt.
De stad heeft meer het uiterlijk van een con-
sumtie- dan van een productie-stad. Men vindt
er wereldberoemde kunstverzamelingen. Het
conservatorium is beroemd. Industrie van naai-
machines, piano-fabrieken, steengoed-fabrieken,
chocolade, suikerwaren enz. Ten Z. O. van
Dresden ligt Saksisch Zwitserland, een schilder-
achtig gebied met veel vreemdelingenbezoek in
den zomer. — Preiberg (29000), middelpunt
van bergbouw, beroemde bergbouwakademie. —
-ocr page 92-
84
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
lautern (37000), grootste stad der Pfalz; tex-
tiel-industrie, machinefabrieken, sigaren.
Het koninkrijk Württemberg. Stuttgart
(140000) residentie, bekoorlijk gelegen in het
dal der Neckar. Belangrijkste plaats voor de
boekhandel in Zuid-Duitschland. Ten Z. de
„land- und forstwirthschaftliche Akademie"
Hohenheim. Toenemende nijverheid, vooral van
luxe-artikelen. — Heilbronn (29000) aan de
Neckar, hoofdzetel van den Neckai\'handel, groote
papierfabrieken. — Esslingen (22000) machine-
fabrieken, kamgarenfabr. en andere industrie.
— Reutlingen (19000) veel textiel-industrie. —
Gmünd (17000) ouderwetsch; metaal-industrie,
(goud, zilver, bijouterie). — Ulm (30000), de
Donau wordt hier bevaarbaar, industrie en han-
del. Vroeger vooral bloeiend; het oude spreek-
woord luidt: „Ulmer geld geht durch alle Welt."
Thans gaat het weer vooruit.
Het groothertogdom Baden. Konstanz
(16000) aan de Boden See; metaal* en tex-
tiel-industrie. — Triburg, hoofdzetel der in
1740 ingevoerde klokkenfabrikatie. — Freiburg
(49000) in de Breisgau, zetel van den aartsbisschop,
velerlei industrie. — Kehl nabij Straatsburg,
aan de Rijn, behoort tot het vestinggebied
dezer stad. — Karlsruhe (74000), residentie;
veel machinefabrieken en fabrieken voor ijzeren
spoorwagens. Kunst-akademie. — Baden (14000)
beroemde badplaats in het Schwarzwald. —
Pforzheim (30000) fabrieken van gouden ver-
sierselen. Mannheim (79000) grootste stad
van het land, belangrijke Rijnhaven, veel han-
del; chemische fabrieken. — Heidelberg (32000),
universiteit, bekende slotruïne in de nabijheid.
Het groothertogdom Hessen. Darmstadt
(50000) residentie; chemische fabrieken, machi-
nes. — Offenbach (35000) belangrijke fabriek-
stad, machines, chemicaliën, fijn lederwerk. —
Mainz (72000), vesting, belangrijke Rijnhaven
bij de samenkomst met de Main. — Worms
(25000), Rijnscheepvaart, wijnbouw en handel;
school voor brouwers. — Giessen (21000) vrien-
delijk stadje, met universiteit; industrie.
Het Kijksland Kis» ss-Lotha ringen. Dit ge-
bied werd door den oorlog 1870—71 van Frank-
rijk voor Duitschland verkregen, behoort als
Rijksland aan Duitschland, en wordt door een
Stadhouder bestuurd. Mülhausen (77000) mid-
delpunt van belangrijke katoen-industrie. —
Kolmar (30000) katoenfabrieken. — Straats-
burg (Straasborg) (124000), residentie van den
stadhouder, sterke vesting, universiteit; be-
roemde Munster. Industrie en handel. De lig-
ging vóór de poort van Zabern (zie pag. 65)
had tengevolge, dat de wegen van Frankrijk
Meissen (18000) oudste, beroemde porcelein-
fabriek in Duitschland. Jutebewerking. — Leipzig
(357000), de grootste stad van Saksen, belang-
rijke handelsstad met nog altijd beroemde inis-
sen. Hoofdartikelen van den handel zijn: pels-
waren (hiervoor is Leipzig de wereldmarkt),
garen, ruwe zijde, katoenen en wollen stoffen,
kanten, koloniale waren en drogerijen. Wereld-
beroemde boekhandel, boekdrukkerijen enz. —
Zwickau (44000) middelpunt van steenkolen-
mijnen, glasfabrikatie, porcelein-, papier*, textiel-
industrie. — Chemnitz (130000) belangrijkste
fabriekstad van Saksen en een der eerste van
Duitschland; machinefabrieken, katoenspinne*
rijen enz. — Annaberg (15000) zijdefabrieken,
passementen, kanten. — Plauen (47000) katoen-
fabrieken.
Het koninkrijk Beieren. München (351000)
hoofd- en residentiestad, aan de laar, dankt
haar beteekenis bovenal aan koning Lod. I,
door wieu hier een bloeiend kunstleven ontwik-
keld werd, en talrijke gebouwen aan kunst ge-
wijd, verrezen. Hoofdplaats van den Zuid-Duit-
schen graanhandel. Graanbeurs. Groote bier-
brouwerijen. — Reichenhall, zoutwerken, A1-
pen-kurplaats. — Oberammergau, bekend door
de passiespelen. — Landshut (19000) graanhan*
del; Passau (14000) schilderachtig gelegen aan
de samenkomst van Inn en Donau. — Regensburg
(38000), een der oudste steden van Duitschland;
in de middeleeuwen van hier veel handel op
Italië, Konstantinopel enz. (zie pag. 44). Potlood-
en Papierfabrieken; hout- en graanhandel. —
Augsburg (70000) aan de Leeh, in de middel-
eeuwen een der rijkste handelssteden van Duitsch*
land (Fugger, Welser), thans nog veel industrie
tot bewerking van wol, katoen en metaal; bier-
brouwerijen. — Solnhofen, steengroeven voor
lithographischen steen in de Jura. — Bayreuth
(25000) textiel" en ijzerindustrie, handel. —
Bamberg (3(i000) aan de Regnltz, schilderach-
tig gelegen, textiel-industrie; groenten en hop-
bouw. — Neurenberg (Nürnberg) (143000),
door ouderwetschen bouw zich bijzonder kenmer-
kend, was in de 15do eeuw en 16de eeuw door
industrie en handel de rijkste stad des lands,
de wieg der Duitsche kunstindustrie. In de 18Je
eeuw was hier door J. B. Hoinaiin het middel-
punt der Duitsche landkaarten-industrie. Nog
tegenwoordig bloeit de nijverheid hier zeer:
potlooden, inetaalfabrieken, spoorwagens, ma-
chines, verven, en bier. — Pürth (43000) be-
langrijke industrie. Metaalwaren, goudsmederij,
klokken, galanteriën, enz.—Würzburg (01000),
wijnbouw, bier. — Kissingen, veel bezocht bad
aan den voet van den Rtnin.
In Ryn-Beieren: Spiers (18000) wijn- en tabaks-
bouw. — Ludwighafen (33000) belangrijke
Rijnhaven bij Mannheim, handel. — Kaisers-
-ocr page 93-
85
HANDELS-AARD RIJKSKUNDE.
duidelijk zien, dat zij ontstaan is door samen-
schuiving en opplooiing der kalklagen, welke
zich hier in den geologischen voortijd eens hori-
zontaal uitstrekten. Het is moeielijk deze vele
ketens over te trekken, en daardoor was de Jura
als grensgebergte uitstekend geschikt (grens:
Zwitserland — Frankrijk).
De Zwitsersche Hoogvlakte vormt een gol-
vende, lager gelegen vlakte, tusschen de Jura en
de Alpen, en breidt zich van het meer van Genève
naar de Boden-See in een N.O. richting uit over
150 K.M. lengte bij ± 20 K.M. breedte. Naar
de Alpen rijst de hoogvlakte langzaam in hoogte,
en aan den voet der Jura is zij scherp be-
grensd. Vele rivieren stroomen van de Alpen
naar de Hoogvlakte toe, en vereenigen zich in
den hoofdstroom de Aar, welke niet ver van de
Jura in de lengte over de Hoogvlakte naar het
N.O. stroomt, om in de Rijn uit te monden.
Die Alpenrivieren hebben veel rotspuin op de
Hoogvlakte aangevoerd, terwijl de vroegere glet-
schers er tal van morainen hebben neergelegd.
Op de hoogvlakte vindt men het Meer van Neu-
chatel,
het Iiieler Meer en het Meer van Murten.
De Zwitsersche Alpen omvatten een aan-
zienlijk gedeelte der Midden-Alpen (zie pag 52).
Evenals de Jura zijn zij door opplooiing of vou-
wing ontstaan, doch de lagen zijn veel scherper
gebogen en geknikt en daardoor is de afwisse-
ling van vormen in de Alpen veel grooter. In
de hoogste gedeelten der centrale Alpen zijn
zelfs de bovenste kalkachtige lagen, welke het
meest aan verweering bloot stonden, meestal
weggevoerd, en komen graniet en gneis aan de
oppervlakte. De Zwitsersche Alpen vormen het
schoonste gedeelte van de gansche Alpen. De
hoogste ketens verheffen de spitsen en kammen
ver boven de sneeuwgrens, en de eeuwig witte,
glinsterende sneeuwvelden of de blauwachtige
gletschers bedekken de dalen der hoog-Alpen
over groote uitgestrektheden.
De Zwitsersche Alpen worden door twee leng-
tedalen in een zuidelijk tevens hooger bergland
en een noordelijk gelegen lager bergland geschei-
den. Het Rhohnedal is het westelijke en het
Rijndal tot Chur het oostelijke dier scheidings-
dalen. Tusschen beide dalen verheft zich het
oneffene hoogplateau van den St. Gothard, waarop
Rhóne en Rijn ontspringen, terwijl van hier nog
de Beun naar het noorden en de Ticino naar het
zuiden stroomen.
De Voor-Alpen ten noorden van genoemd
lengtedal bestaan uit vier groepen, gescheiden
door drie dwarsdalen met rivieren en prachtige
meren. Zij zijn:
I. Het gebied van de Boven-Aar, met het
lange Thuner- en Briënzer Meer. Tusschen het
Aar- en het Rhönedal ligt het Berner-Ober-
land,
dat zich naar het zuiden in den Fin-
naar Zuid-Duitschland en langs de Eijn hier
elkander kruisten, waardoor Straatsburg reeds
vroeg een belangrijke handelsstad werd.
Metz (60000), hoofdstad van Lotharingen,
sterke vesting; katoennijverheid en wolfabrie-
ken, leerlooierij. — Saargemünd (13000) be-
langrijke nijverheid.
§ 70. Het Groothertogdom Luxemburg.
(2587 KM»., 211000 inw. (iu 1890), 82 bewoners op
1 KM*).
In den hoek tusschen de Pruisische R/jn/>ro-
vincie, Lotharingen, Frankrijk
en België, ligt
het kleine groot-hertogdom Luxemburg, dat tot
1806 tot den Duitschen Bond behoorde, doch
sedert een zelfstandige, neutrale staat vormt.
Tot 1890 was de koning van Nederland groot-
hertog, zoodat er een persoonlijke band bestond
tusschen beide staten. Na het overlijden van
koning Willem III kwam Luxemburg door erf-
recht aan den hertog Adolf van Nassau.
Luxemburg ligt op de Ardennen en het Hoog-
land van Lotharingen.
Het is een bergachtig
land, niet hoog, en met schilderachtige gedeel-
ten. De bewoners op het platte land spreken
meest Duitsch ; in de steden, namelijk in de
hoofdstad, wordt ook Duitsch doch meer Fransch
gesproken. De bevolking belijdt bijna geheel
den katholieken godsdienst. Het land is bij
het Duitsche Tolverbond aangesloten.
Hoofdmiddelen van bestaan vormen landbouw
en veeteelt. Door de ijzerertsen, welke vooral
in het zuiden des lands voorkomen, is ook de
ijzer industrie van groot belang. De hoofdstad
Luxemburg, (18000) was tot 1866 Bondsves-
ting, doch na dit jaar zijn de vestingwerken
geslecht. Leder-industrie, ijzermijnen en handel.
Zwitserland.
(Oppervlakte 41346 KM». — Bewoners 2 91S000. —
Bewoners per KM4. 71).
§ 71. Natuurlijke gesteldheid. A. Hoog en
Laag.
Zwitserland is hoofdzakelijk een Alpen-
land. Bovenal aan de noordzijde van de cen-
trale hoogste Alpenketen strekt dit land zich
uit over de Voor-Alpine-hoogvlakte met haar
lagere Alpenketens en dalen. Naar de gesteld-
heid van den bodem zijn in Zwitserland drie
karakteristiek verschillende deelen te onder-
scheiden : het Juraland (12 pCt. van de totale
oppervlakte), de Zwitsersche hoogvlakte (ongeveer
30 pCt. der totale oppervl.) en het Alpenland
(ongeveer 58 pCt. der oppervlakte).
Het westen des lands wordt ingenomen door
het Juragebergte. De Zwitsersche Jura is, in
tegenstelling van de Duitsche, een echt keten-
gebergte, dat uit smalle, parallelle kalkketens
bestaat, door lengtedalen gescheiden. Op enkele
plaatsen liggen wel 10 a 12 ketens naast elkan-
der. Men kan bij beschouwing van de Jura
-ocr page 94-
86
HANDELS-AARD RIJKSKUNDE.
steraarhorn (4275 M.), den Schreckhor» (4080 M.),
Wetterhorn (3700 M.), Aletschhorn (4198 M.),
Mönch (4104 M.), de Jungfrau (4167 M.), en
andere hooge toppen tot ver boven de sneeuw-
grens verheft, en rondom deze bergen een aan-
zienlijk gletschergebied uitbreidt. Dit gebergte
wordt het meest door touristen bezocht. De
Gemmi pas (2302 M. hoog) geeft verkeer tusschen
het Aar-dal en Rhdnedal van Thun naar Bad
Leuk.
II.  Het gebied van de Reus» en het Vierwald-
stütter-meer.
Dit schoone meer is omringd door
gebergten, die den naam Vierwaldstatter Alpen
dragen, en waarin de Rigi (1800 M.) een veel
bezochte berg is met schoone vergezichten op
de Alpenwereld. Door een tandrad-spoorweg
kan men den bergtop thans bereiken. Ook de
Pilatus (2133 M.) is door een spoorweg toegan-
kelijk.
Door het Reussdal loopt de spoorweg, die
langs den St. Goihard-tunnel Zwitserland met
Italië verbindt. Van het boven-Iieusdal leidt
de Furka pas naar het boven-Rhónedal, en de
Oberalp pas naar het gebied van de Boven-Rijn.
III.   Het gebied van het Wallen- en Züricher
Meer, uit welk laatste de Limmat te voorschijn
komt.
De zuidelijke of centrale Alpenketens hebben
de hoogste verheffing. Van den Mout-Blanc uit-
gaande naar het oosten vindt men ten zuiden
van het Rhdnedal de Penninische Alpen, van
den Grooten St. Bernhard pas tot den Simplon
pas
(2000 M.) (twee wegen tot verbinding met
Italië), en verder de Lepontische Alpen van
den Simp/on- tot den Splügen pas. De Simplon
pas vormt den verbindingsweg tusschen lirieg
aan de Rhóne en Domo (/\'Osso/a in Italië; de
Bernhardin pas (2063 M.) van de Achter-Rijn
naar Lago-Maggiore% en de Splügen pas (2117
M.) van de Achter-Rijn (Thusis) naar Chiavenna
en het Como Meer. In het midden van deze berg-
reeksen ligt de St. Gothard, welks pas 2100
M. hoog ligt, en die door een tunnel is door-
boord.
Ten O. van de Splügen pas strekken zich de
Grauwbunder-Alpen uit, die door de Inn met
het Engadindal worden doorsneden. De Inn
ontspringt nabij den Malojapas (1811 M.), welke
van het Inndal naar het (Joino Meer leidt. Door
een schilderachtig dal met kleine meren stroomt
de Inn in N. O. richting, en onderscheidene bad-
plaatsen liggen langs de rivier, welke tevens
door koele ligging als zomerverblijfplaats die-
nen. Men vindt als zoodanig in Engadin St.
Moritz
(1856 M.) Samaden 1712 M., en nabij de
Inn Pontresina.
B. Rivieren. Door de gebergten met glet-
schers en de eeuwige sneeuwvelden is Zwitser-
land een zeer waterrijk land, hoewel de rivieren,
die hier bovenal in haar bovenloop zijn, slechts
zeer weinig bevaren kunnen worden. Daaren-
tegen leveren de bruisende bergstroomen met
watervallen goedkoop arbeidsvermogen voor de
nijverheid, die hiervan veel voordeel trekt. De
groote meren in Zwitserland worden alle door
stoombooten bevaren, en dragen veel bij tot de
schoonheid van het landschap.
Van de rivieren hebben wij de Rijn reeds
vroeger beschreven (zie pag. 68). Deze rivier
ontvangt in Zwitserland het water van niet
minder dan ongeveer 2700 beken en riviertjes. De
belangrijkste bijstroomen van de Rijn zijn : de
Thur; verder de Aar, die door het Brienzer- en Tfiu-
nermeer
stroomt, voorbij Bern loopt, de wateren
van de Saane, de Emmen (door het Eminen-
thal; Einmenthaler kaas), de Reuss en de
Limmat opneemt. Het Züricher- en het Wal-
lenmeer
zijn verbonden door het Linthkanaal, dat
tevens dit moerassig gebied heeft droog gelegd.
De Rhóne. Als de bergwandelaar van Ur-
sern uit de Furka bereikt heeft, en vervolgens
lnngs den goed aangelegden slingerenden berg-
weg nederdaalt door een diep ingesneden dal,
wordt het oog weldra door een der meest ver-
rassende natuurtafereelen getroffen, die de Alpen-
wereld kan aanbieden. In de diepte ligt de prach-
tige ijsstrooui van den Rhónegletscher, in een
woesten chons met kloven doorsneden, die in ultra-
marijn schitteren, en het zuiverste ijs te aan-
schouwen geven. Door de wendingen van den
weg heeft men het vrije uitzicht over de geheele
lengte van den gletscher, tot waar hij op de
hoogte uit het witte hrnveld te voorschijn komt,
dat den Damastok omringt.
Het melkwitte smeltwater van dezen gletscher
loopt op 1753 meter hoogte als een jonge rivier
aanvankelijk door een smal dal weg, waarnaar
talrijke zijdalen eveneens het wegstroomende
smeltwater van verschillende andere gletschers
toevoeren. Op die wijze ontstaat de Rhóne, en
zij wordt door den rijken toevoer van het water
der zijrivieren weldra een vrij krachtige rivier,
die het enge dal in het Alpenland verlaat, en
als een statige stroom haar wateren door de
breede vallei van Wallis voortstuwt.
Het Rhónedal in Zwitserland, dat naar het
Z.W. geopend is, en naar het noorden en noord-
oosten door de Berner Alpen voor koude win-
den wordt afgesloten, heeft daardoor een zacht
klimaat. De ooftboomen komen hier voor tot
1046 M. hoogte, kastanje en wijn tot 770 meter.
Uitgestrekte graanvelden, vriendelijke boom-
gaarden, de wijngaarden langs de berghellingen,
en dit geheel omlijst door de wild romantische,
met sneeuw en ijs gekroonde bergketens, dat
alles geeft aan het landschap een bekoorlijk
uiterlijk. Door kostbare stroomcorrecties heeft
-ocr page 95-
87
HANDELS-AARDIUJKSKUNDE.
zich nog een oud-Romaansche taal bewaard blijft
onder de landbevolking (Rheto-Romaansch.) Ver-
der wordt ten Z. der Alpen in Tessino ook
nog Italiaansch gesproken.
Zwitserland is eene republiek, die uit 25 auto-
nome kantons bestaat, welke tot een bondsstaat
(geen statenbond, d.i. een bond van staten, manr
één staat) veroenigd zijn. De grondwet dagtee-
kent van 1874. De wetgevende macht berust
bij den Nationalen Raad en den Ht>ndenraad,
de uitvoerende macht bij den Bondsraad, die
te Bern zetelt. 1)
Ieder Zwitser behoort van 20—32 jaren tot
de militie, en heeft jaarlijks eenige weken aan
de oefeningen deel te nemen, en van 33—44 jaar
worden zij bij de Landweer ingelijfd, waarna allen
zij tot het 50sll! jaar nog tot de Landstorm be-
hooren. In 1891 bestond het eerste gedeelte
(der Auszug) uit 128000 manschappen, de Land-
weer uit 81000 man.
De bevolking was in 1888 bij de volgende
kerkgenootschappen ingedeeld: 1710548 Protes-
tanten, 1183828\' Katholieken, 8009 Israëlieten.
De Protestanten bewonen meest het Juragebied
en de Hoogvlakte ; in de Urkantons en in Tessino
en Walles heeft het Katholicisme meest stand
gehouden.
§ 73. Ontwikkeling van nijverheid, han-
del en verkeer. Zwitserland is bijna onmerk-
baar in de geschiedenis van den wereldhandel
opgetreden, om daarin, naar zijn grootte gere-
kend, thans een belangrijke plaats in te nemen.
Bovenal door de levendige industrie heeft Z\\vit-
serland beteekenis voor den handel verkregen.
En dit is wel opmerkelijk voor een land, bijna
zonder steenkolen, met weinig ijzer, en zonder
veel ruwe grondstoffen voor de nijverheid.
De grondslag voor dien industrieelen bloei
gaat reeds tot de middeleeuwen terug, toen
Bazel, Ziirich en St. Gallen reeds bloeiende
laken- en linnenweverijen hadden. Doch gedu-
rende de nieuwe geschiedenis ontwikkelde de
nijverheid zich sterk door de welgestelde Fransche
réfugiés en de arbeiders, die na de opheffing van
het Edict van Nantes in 1685 wegens geloofs-
vervolging uit Frankrijk vluchtten (ook in Neder-
land was hun invloed groot), en zich hier ves-
tigden. De aanzienlijke uitbreiding der zijde-
weverij en de katoen- en lakenindustrie, de
katoendrukkerij, alsmede de horlogefabrikatie is
hoofdzakelijk door hen tot stand gebracht. En
in den tijd, toen het Continentaalstelsel van
Napoleon de Engelsche fabrikaten weerde, kwa-
men deze fabrieken vooral tot bloei, doch ook
na dien tijd konden zij de concurrentie met
\') Zie over de Zwitscrsche staatsinrichting uitvoerig
ons artikel: »L)e ontwikkeling der Zwitsproche demo-
cratie en hut referendum" in Vragen van den Dag. 1893.
men de rivier veel verbeterd. De Rhóne stroomt
langs Briey, Leuk, Sitten en Martiyny, en buigt
zich hier met een scherpe bocht naar het noor-
den. Waar de Dent de Midi links en de Dent
de Morel es
rechts de rivier nauw insluiten, ont-
staat de merkwaardige rotspoort vla porie du
RMtte".
Verder doorstroomt zij het Meer van
Gen\'rc,
hetwelk zij bij de stad Genève verlaat.
Vervolgens buigt de Rhóne zich met een bocht
naar het zuiden om de Jura heen, om in westelijke
richting Lyon te bereiken, en verder naar
het zuiden te stroomen (zie verder bij Frankrijk).
Het Rhónedal beneden Brieg is in de lengte
door een spoorweg doorsneden. Bij Briey vangt
de weg over den Simplon aan. Van Vis/t gaat
een tandradbaan naar Zermati op 1620 meter
hoogte is het Vispdal gelegen. Bij Leuk komt
de weg over den Gemmi bij de Rhóne", en bij
Martiyny buigt zich den weg over den Gr. St.
Bernard
af.
C. Klimaat. Zwitserland heeft op niet aan-
zienlijke hoogte een gematigd klimaat. In
de beschutte dalen van het zuiden is de tem-
peratuur zelfs betrekkelijk hoog, en vindt men
dan ook planten, die aan zuidelijker gewesten
doen denken. De oevers van het meer van
Genève en het dal Davos zijn als zachte winter-
verblijfplaatsen voor zieken bekend. Door het
verschil in hoogte verschilt de temperatuur op
dicht bij elkander gelegen plaatsen dikwijls
zeer veel. De berglanden zijn over \'t geheel
rijk aan regen ; de regenval te Bazel bedraagt
95 cM., op den Rigi 153 cM., te Lugano 1(54
cM. In het Rhöne- en Inndal valt de geringste
hoeveelheid regen. Van de bergen daalt er
dikwijls een heete, droge valwind neder, die als
Z. of Z.0. wind in de dalen doordringt, albs
uitdroogt en veel bijdraagt tot het smelten der
sneeuw. Men noemt dezen wind den F&n,
§ 72. De bevolking, staatsvorm enz. De
N. W. helft van Zwitserland was oorspronkelijk
bewoond door Keltische Helretiërs, en de Alpen-
gewesten waren bevolkt door de Rhctiërs, die
met de Etrusken verwant schijnen geweest te
zijn. Tijdens de Groote Volksverhuizing werd
Zwitserland echter voor het grootste gedeelte
door Germaansche stammen overstroomd, die van
het N. hier voortdrongen, en zich er vestigden.
Zoo werden ook Duitsche taal en zeden in dit
land inheemsch. In het Z. W. bleef echter de
Fransche taal der geromaniseerde Kelten stand
houden.
Men vindt in Zwitserland deze volkselementen
nog aanwezig. Ten W. van de lijn Bazel-Bern-
Sidders aan de Rhóne wordt de Fransche taal
gesproken, (24 pCt. der bevolking), ten O. dier
lijn de Duitsche taal (60 pCt. der bevolking),
terwijl in Grauwbunderland bij de Rhetiërs
-ocr page 96-
88
HANDELS-AARDRI.TKSKUNDE.
levert bovenal kaas en gecondenseerde melk
voor den uitvoer. Doch boter en jong slachtvee
moeten zelfs nog ingevoerd worden. De bijen-
teelt
is van belang; in Tessino en Grauwbun-
derland vindt men zijdeteelt.
De productie van delfstoffen is gering; van
de metalen is alleen het ijzer te noemen (10 000
tonnen ruw ijzer), dat hoofdzakelijk door de Ber-
ner Jura geleverd wordt. De opbrengst van
steenkolen is onbeteekenend; Zout wint men nog
in Waadtland, Bazel en Aargau; asphalt in de
Jura (Val de Travers), minerale bronnen op ver-
schillende badplaatsen.
Nijverheid. Op de belangrijkheid der indus-
trie hebben wij reeds gewezen; 37 °/0 der bevol-
king vindt hierin een middel van bestaan. Vooral
op de lioogvlakte en in de Jura is zij het be-
langrijkst. De katoen-industrie vindt men
bovenal in St. Gallen, Appenzell, Zürich, Aar-
gau en Glarus; de zijde-industrie in Zürich
Bazel, Aargau en Bern; de horloge\'s-industrie
in de Berner Jura, (Ie Locle en la Chauxde Fonds)
Neuchatel, Genève, Waadtland. De groote, we-
reldberoemde beteekenis der Zwitsersche horloge-
industrie is verloren gegaan; door concurrentie
in het land zelf en in Amerika is het fabrikaat
slechter geworden. Toch worden in Zwitserland
; jaarlijks nog ± 3 mill. stuks horlogies vervaar-
i digd. Verder machinefabrieken in Zürich, Bazel-
j stad en St. Gallen, en de stroovlechterij in
Aargau, Freiburg, Tessino en Zürich. De lin-
nenindustrie
is het belangrijkst in het kanton
Bern, en de wolindustrie eveneens. Het Berner
Oberland is bekend door hontsnijderij,fabrikatie
van muziekdoozen
enz.
Handel en verkeer. De handel van Zwitserland
beliep in 1891 aan invoer een bedrag van 954
mill. franc, en aan uitvoer 711 mill. franc waar-
de. De hoofdartikelen van den invoer zijn : granen,
en meel, zijden garens, vee, ruive rijde, wolpro-
(hikten, steenkolen, katoen, wijn, ijzer, koloniale
ivoren
enz. De uitvoer bestaat hoofdzakelijk in
zijdeiraren, katoenen fabrikaten, horloges, zijden
garens, kaas, melk
enz.
Vóór 1870 werd de meeste handel gedreven
met Frankrijk; na het verlies van den Elzas
is die handel sterk verminderd en sedert neemt
Duitschland de eerste plaats in. Hierop volgen in
de rij Frankrijk, Italië, Groot-Britannië, Oosten-
rijk-Hongarijë, de Vereen. St. v. N.-Amerika,
Rusland, België. Italië levert bovenal landbouw-
produkten, wijnen, vruchten, olie en ruwe zijde
aan Zwitserland. De handel met België en
Duitschland volgens de statistieken zal ook voor
een gedeelte de betrekking met Nederland in
zich sluiten. De hoofdhavens van het overzee-
sche verkeer zijn: Genua, Marseille, Antwer-
pen, Rotterdam, Bremen en Hamburg.
Het verkeer werd in Zwitserland zeer veel
Engeland volhouden. De stroomende wateren
des lands toch geven goedkoop arbeidsvermogen,
en de handenarbeid, waarin de Zwitsers zeer
bedreven zijn is er niet duur. De huisarbeid
is er dan ook sterk ontwikkeld bij het fabrieks-
wezen.
Het vrijhandelstelsel, het goedkoope beheer
van den kleinen staat, en de activiteit en intel-
liarentie der bewoners, gaven aan de ontwikkeling:
des lands in deze eeuw een natuurlijken loop.
Sedert 1850 werden de lastige binnenlandsche
tollen, de bruggelden en tollen op de wegen
opgeheven, bij het muntstelsel en de maten en
gewichten eene eenheid ingevoerd, en Zwitser-
land aangesloten door handelsverdragen bij andere
landen. Na 1850 begon men hier den aanleg
van spoorwegen door te zetten, en sedert is het
spoorwegnet snel ontwikkeld. Vooral de door-
boring van den St. Gothard, die in 1880 werd
tot stand gebracht, heeft Zwitserland weder aan
den internationalen verkeersweg van Duitschland
naar Italië, van de noordelijke zeeën en het dal i
van de Donau met de Middell ndsche Zee, terug
gebracht. De oude weg van Nederland, België
en Duitschland naar Italië, die hier reeds langs
liep, en die met den aanleg van den Mont Cenis-
spoor\\veg over Frankrijk dreigde verlegd te
worden, bleef aldus voor Zwitserland behouden.
§ 74. Produkten des lands en middelen
van bestaan.
Het woeste berachtige land, waar
de vaste rotsen het grootste gedeelte bedekken,
is slechts voor l(J,-4 pet. der oppervlakte aan den
landbouw gewijd. De bergweiden mede inhe-
grepen (Matten) is 35,8 pet. der oppervlakte gras-
land, terwijl 18,7 pet. met wouden bedekt is en
28,4 pet. der oppervlakte van den bodem woest
ligt en geen planten voortbrengt.
De graanbouw des lands is nog niet voor
de helft voldoende voor de behoefte, en derhalve
moet er een aanzienlijke hoeveelheid granen
worden ingevoerd. De vlasbouw is achteruit-
gegaan. Aan de Boden See, en in de kantons
Zürich, Schaffhauseii en Aargau bestaat een be-
langrijke ooftbouw, die aanleiding geeft tot berei-
ding van cider. Wijn van goede qualiteit verbouwt
men in het Z. en Z. W. en op beschutte plaatsen;
in \'t geheel dt 1 mill. H.L. per jaar. Een gedeelte
wordt als champagne naar Amerika uitgevoerd.
Het woud is door onvoorzichtig gebruik achter-
uitgegaan. Echter is sedert 1874 het opper-
toezicht over waterbouwwerken en wouden in
het hooggebergte aan den Bond gekomen, om
beide te beschermen.
Hoofdzaak voor de landbouwers is de vee-
teelt;
in 1888 telde men er 1 212 000 stuks rund-
vee, (daaronder 003 000 koeien), 758 000 scha-
pen en geiten. De veeteelt op de Alpenweiden,
waar in de zomermaanden het vee veel vertoeft,
-ocr page 97-
39
HANDELS-AARDRIJK.SKUNDE.
hindernissen in den weg gelegd door de geberg-
ten des lands. De dalen der rivieren wezen
hiervoor het meest den weg aan. De landwegen,
langs de berghellingen en door de dalen aange-
legd, zijn voortreffelijk, en de Alpen zijn door
wegen over de passen toegankelijk gemaakt.
Het spoorwegnet is met flinkheid uitgebreid;
in 1892 waren er 3288 KM. lengte spoorwegen
in gebruik.
De uitbreiding en versnelling van de middelen
van verkeer hebben Zwitserland tot een land
gemaakt, dat veel door touristen bezocht wordt,
zoodat het zomerbezoek voor tal van plaatsen
een belangrijke bron van bestaan is.
§ 75. Plaatsbeschrijving. 1 Kanton Bazel1)
(1 Stad en 2 Land). Bazel (780000) 2), zijde-
industrie, chemische fabrieken, expeditie-handel,
kruispunt van spoorwegen.
3 Aargau: Aarau (7000) zijde- en katoennij-
verheid. — 4 Zürich : Zürieh (91000 inw. met de
voorsteden) waar de Limmat uit het Züricher
Meer stroomt, schoone stad, met veel industrie,
vooral van zijde en katoen. Universiteit en be-
roemd Polytechnikum. — Winterthur (16000).
5 Schaffhauaen: Schaffhausen (12000), veel in-
dustrie, bevorderd door den waterval.
6. Thurgau. — 7. St. Gatten: St. Gallen
(28000), belangrijke katoennijverheid. — Ragatz
en Pfaffers, met het bad in de Taminaxcliltic/tt.
8. A/tpfiiizrll-InnerrJiotlen en 9. Appemett Ausser-
rhoden.
10. Ghrauwbunderland: Chur (9400) aan
de ombuiging van de Rijn ; katoennijverheid. —
In Engadin: Samaden, Pontresina, Tarasp en
Schuls, kleine plaatsen met zomerbezoek. — 11.
Tesftino : Airoio, dorp aan het zuidelijk eind van
den Gothard-tunnel. — Lugano (7200) veel vreem-
delingenbezoek; zijdeteelt. — 12. Waadtland:
Lausanne (34000) nabij het Meer van Genève,
schilderachtig gelegen; industrie. — Montreux,
veel bezochte badplaats. — 13. Genève: Genéve
(78000 inw. met de voorsteden) op de plaats
voor de Rhöne uit het Meer van Genève stroomt;
een schoone stad met prachtige gebouwen. Be-
langrijke horloge-industrie, bijouterieën; expe-
ditiehandel.
14 Neuchdtel: Neuchatel (17000) schilder-
achtig gelegen. — Le Locle (11000) horloge-
fabrikatie en La Chaux de Fonds (20000).
15 Solothum: Solothurn (8000), a. d. Aar, ka-
toendrnkkerij, 16 Freiburg: Preiburg, (12000),
17 Bern: Bern (47000) hoofdstad, aan de Aar,
met belangrijken handel. — Thun, Interlaken
en Brienz kleine plaatsjes met veel vreemdelin-
genbezoek. — 18 Luzem: Luzern, (21000) prach-
tig gelegen aan de Reuss, die uit het Vierwald-
stiitter meer stroomt. Veel vreemdelingenbezoek;
fabrieken. — 19 Z/iy. — 20 Pr», met Gösche-
nen, het dorp waar de Gothardtunnel in het
noorden aanvangt. — 21 Schwyz. — 22 Unter-
walden.
—• 23 Olarus. — 24 Wallis, het dal der
boven-Rhöne: Sitten en Brieg.
Oostenrijk-Hongarije.
(Oostenrijk 300 232 K.M.* met 23 895 000 inw. —
Hongarije 325 324 KM.\' met 17 403 000 inw. — Bos-
nië en Herzegowina 51110 K.M.1 met 13 30000 inw. —
Gemiddelde volksdichtheid in Oostenrijk 79, en Hon-
garijë 54 en in Bosnië en Herzegowina 20 per K.M.2)
§ 76. Algemeen overzicht van ligging, hoog
en laag des bodems en staatsgesteldheid. In
het midden van Europa, bijna geheel door hind-
grenzen ingesloten, ligt de tweelingstaat, het
keizer-koninkrijk Oostenrijk-Hongarije\'. Toch is
de geographische ligging van het gebied, dat
dezen staat omvat, uit een handelsoogpunt in
vele opzichten niet ongunstig. Een groote be-
vaarbare rivier, de Donaii, doorsnijdt het geheele
land, eD vormt als het ware de levensader voor
het verkeer, dat aangewezen schijnt, om een
bemiddelende rol tusschen Oosten en Westen te
spelen. Reeds in de middeleeuwen had de Do-
nati die beteekenis, en ook de ethnographische
toestand in dit gebied, waar Germanen met
de oostelijke Magyaren en Slawen elkander
ontmoeten, wijst op dit verkeer in eene oost-
westelijke richting sedert eeuwen. Het verkeer
van een groot gedeelte des lands vloeit door
bevaarbare bijstroomen en andere wegen naar
de Donau als een centrale lijn samen, om langs
of over deze rivier het doel te bereiken. Alleen
Galicië ligt te dien opzichte meer geisoleerd,
en behoort eigenlijk bij Rusland. Een groot
nadeel voor de Donau is het evenwel, dat
de mond van de rivier niet in het bezit van
dezen staat is, en lang door onzekere staatkun-
dige toestanden voor het verkeer met de Zwarte
Zee moeilijkheden veroorzaakte.
Een ander nadeel is het, dat dit land een
zoo korte kustlengte bezit (1700 K.M.), en dat
dit gedeelte nog door berglanden van het cen-
trale gebied aan de Donau is afgescheiden. Die
berglandschappen, welke groote oppervlakten
beslaan, zijn eveneens hindernissen voor het
verkeer in het land, en hebben er toe bijgedra-
gen, dat de vele volksstammen door afgezonderde
woonplaatsen een zelfstandig karakter bleven
behouden.
Oostenrijk-Hongarije is door de vruchtbaar-
heid des bodems in verscheidene gedeelten een
land, rijk aan landbouwvoortbrengselen, en bezit
ook vele minerale schatten. Toch is de econo-
mische toestand der bevolking er minder ont-
wikkeld dan in Engeland en Duitschland, wat
voor een gedeelte een gevolg is van de weinige
\') De namen der kantons zijn cursief gedrukt, die
der steden vet.
*) De cijfers der inwoners gelden voor 1888.
-ocr page 98-
90
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
eenheid in het volksleven. De groote staat is te
veel een agglomeraat van verschillende natio-
naliteiten.
Naar de natuurlijke gesteldheid des lands
zijn in het groote staatsgebied de volgende ge-
deelten te onderscheiden, die alle een verschil-
lend natuurlijk karakter dragen: I de Alpen-
landen, II Bohemen en Moravië, III de Kar-
paten landen. IV de Hongaarsche laagvlakte,
en V de berglanden ten Zuiden van de Save.
Wij zullen deze deelen nog nader beschouwen,
wanneer de plaatsbeschrijving behandeld wordt.
Op deze plaats geven wij enkel nog een algemeene
beschrijving van het klimaat en een nadere be-
schrijving van de Donau.
Klimaat. In de kustlanden van de Adriati-
sche zee heerscht een subtropische temperatuur
(14—16° C), met bovenal veel herl\'stregens (tot
142 c M. zelfs per jaar). Verder van de kust op
het plateau van Bosnië is de temperatuur meer
gematigd.
In de Alpenlanden verschilt het klimaat door
de afwisseling in hoogte veel op korten afstand,
zoowel wat betreft temperatuur als regenval en
windrichting. Op de meeste plaatsen is de wes-
telijke windrichting overheerschend. De ge-
middelde temperatuur schommelt tusschen 12" C
in het Z. en 8° ten N. van den hoofdkam. De naar
het O. geopende dalen hebben strenge winter-
koude. In de zuidelijke Alpen stijgt de woud-
groei tot 2100 M., in de noordelijke tot 1900
M. hoogte. In de naar Italië geopende dalen vindt
men reeds den olijfboom.
Op het hooggebergte der Alpen vindt men
sneeuw en glotschers (in Tirol ferner, in Karin-
thië kees, in de Italiaansche streken vedretta ge-
heeten.) tot de hoogte van 2000 meter.
Het klimaat der oostelijke helft van dezen
staat is een sterk uitkomend vastelands-klimaat.
Galicië heeft een gemiddelde temperatuur van
(5° tot 8° C, maar met groote verschillen tus-
schen zomer- en winter-temperatuur. Op een
langen en strengen winter volgt een onbesten-
dige lente en een heete zomer. In Zevenburgen
is de gemiddelde temperatuur 7Ü a 9° C, in de
Hongaarsche dalen der Karpaten 6° a 8° C.
De regenval is het grootst in de berglanden en
loopt tot 90 c.M., terwijl op de Hongaarsche
laagvlakten niet meer dan 60 c.M. regen valt.
De tijd van den meesten regenval is hier de zomer.
§ 77. De Donau. De Donau is de tweede stroom
van Europa, en wordt enkel door de Wolga over-
troffen in stroomgebied en lengte. De Donau
begrenst het Alpenland in het noorden, en loopt
in Duitschland langs den zuidvoet van Jura en
Beiersche Woud, waarvan zij zelfs enkele ge-
deelten afsnijdt. Bij Passau (290 meter hoog)
komt de Donau binnen Oostenrijk, en eerst bij
Weenen in de vlakte is de stroom met zijn vele
eilanden geheel geregeld. Bij Linz, bij Tulln en
bij Weenen doorstroomt hij kleine vlakten, als
dalen door het gebergte ingesloten; zeer zeker
vroegere meren, die met slib aangevuld werden
en later droog stroomden.
Bij Weenen komt de rivier in de plakte van Wee-
nen
met het Marchfeld, hij Presburg in de Kleine
Hongaarsche laagvlakte met de rivier-eilanden
Groot- en Klein Schütt, en vervolgens beneden
Waitzen, na nog het Bakomj Woud tusschen Gran
en Waitzen te zijn doorgebroken, in de Groote
Hongaarsche laagvlakte. Hier buigt de Donau
zich rechthoekig om naar het zuiden, om ver-
volgens de eentonigste landschappen der vlakte
te doorstroomen, en in het zuiden der vlakte
een oostelijke richting te nemen. Bij Baziasch
nadert de rivier het Banatergebergte onder een
rechten hoek, en stroomt dwars door dit ge-
bergte, waar de IJzeren Boort bij Orsowa door
stroomversnellingen, schietstroomen en ondiep-
ten de rivier gevaarlijk maakt voor de scheep-
vaart. Men is thans met de verdieping der
IJzeren Poort bezig, welke arbeid in 1895 vol-
tooid moet worden.
De belangrijkste bijstroomen van de Donau
zijn: A. Aan de redder zijde: Uier, Lech en
laar; de Inn, (die van Hall af bevaarbaar is)
met de Salzach; de Traan, de Knus, de Leitha,
de Raab, de Draii of Drave (bevaarbaar van
Villach af) met de Mur (bevaarbaar van Juden-
burg) en de Sa»e (bevaarbaar beneden de uit-
monding der Laibach). B. Aan de linker zijde:
de Altmiihl (Ludwigs-kanaal), de Naab, de March
met de Thaya over het Marchfeld, de Waag, de
Xentra,de Gran ; de Theiss, (de grootste bijstroom,
bevaarbaar tot Szigeth) met de Santos, de Körös,
de Ma ros en de Bega links, en de Bod rog rechts;
verder de Ternes, de Aluta, de Sereth en de Pruth.
De beteekenis van de Donau als handelsweg.
Voor de beteekenis der Donau als handels-
en verkeersweg zijn andere verhoudingen en
omstandigheden van invloed dan voor de overige
Europeesche stroomen. Terwijl de Donau een
stroomgebied van 800 000 K.M.2 bezit, hetwelk
door de Alpen en de Balkan aan den eenen kant en
door de Duitsche middelgebergten aan den an-
deren kant van de zeeën gescheiden is, en dat in
het oosten met de Zwarte Zee verbonden wordt,
wijst de richting der Donau op eene verbinding
van het oosten met het westen, en heeft zij, als
eenige groote rivier uit het hart van Europa,
waarmede dit het geval is, een groote betee-
kenis. Door het groote verschil in de voortbreng-
selen der landen uit haar stroomgebied, en door
de verscheidenheid van volken langs haar oevers,
die alle in verschillende richting arbeiden en
produceeren, wordt het belang van dien handels-
weg nog grooter.
En toch neemt de Donau den rang niet in,
-ocr page 99-
91
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
welken men haar op genoemde gronden zou toe-
kennen. Natuurlijke en politieke oorzaken wer-
ken hiervoor samen. Over twee derde van haar
loop heeft de scheepvaart met hindernissen te
worstelen. Verder mondt de Donau uit in een
binnenzee, welke gemakkelijk voor de scheep-
vaart gesloten kan worden, en die ver van de
Oceanen gelegen is. Daarbij komt nog, dat
het best bevaarbare gedeelte, in den beneden-
loop, gedurende de middeleeuwen en een groot
deel der nieuwe geschiedenis in handen van
half beschaafde volken was, van welke de vrij-
heid tot verkeer moest worden afgedwongen.
Dat trots deze omstandigheden, en trots den
aanleg van spoorwegen, nog altijd het verkeer
op de Donau toeneemt, wijst op de groote be-
teekenis van dezen verkeersweg.
De bevaarbaarheid der Donau begint bij Ulm
voor lichte roeischepen. De moeielijkheid der
vaart stroomopwaarts heeft hier sedert drie
eeuwen een eigenaardige nijverheid in het leven
geroepen. Er worden namelijk drieërlei soort
van platbodemde vaartuigen gebouwd, die be-
vracht worden, den stroom afvaren, om, zoo-
dra de lading de plaats van bestemming bereikt
heeft, als hout verkocht te worden. (Ulmer
Schachtels). Jaarlijks gaan dr honderd van der-
gelijke schepen den stroom af.
De stoombootvaart begint bij Donauwörth,
eerst voor kleinere, verder benedenwaarts voor
grootere booten. De eveneens bevaarbare Theiss,
de Drare
en de Save, vormen in de Hongaarsche
vlakte een ver vertakt en uitgebreid net van
waterwegen. Nabij Basiasch wordt de scheep-
vaart nog zeer bemoeilijkt door de IJzeren Poort;
bij lagen waterstand is zij zelfs onmogelijk. Doch
beneden Orsowa wordt het verkeer weder druk-
ker, daar zee- en rivierscheepvaart hier samen-
gaan, en de in- en uitvoer bijna uitsluitend op
de rivier geconcentreerd is. Stoomschepen van
150-200 paardekracht, met roeiriemen en zeilen
uitgeruste platte booten (Czaike) van 1500-8000
centenaars draagvermogen, vindt men hier.
De Oostenrijksche regeering heeft in deze
eeuw veel moeite gedaan en kosten besteed, om
de Donau te verbeteren voor het scheepvaart-
verkeer. Toch blijft de IJzeren Poort nog altijd
een lastig punt. Bij de conventie van 13 Maart
1871 (revisie der Parijsche conventie van 1856)
is den Donau-staten toegestaan, als zij de ver-
betering dier moeilijke punten ter hand nemen,
een tol te heffen van alle handel sschepen,
welke van deze verbetering genot hebben, ten-
einde de daarvoor aangegane schulden te delgen.
In vroegere eeuwen was de Donau in Duitsch-
land nog meer dan de Rijn met tollen belast.
Bij den vrede van Teschen in 1779 bepaalden
Oostenrijk en Beieren, dat zij gemeenschappelijk
gebruik zouden kunnen maken van de Donau,
de Inn en de Salzach, en bij het verdrag van 1816
werden deze bepalingen vernieuwd. Den 2llen
Dec. 1851 werd tusschen Oostenrijk en Beieren
een verdrag gesloten, waardoor wederkeerig het
gebruik van de wateren voor de scheepvaart
werd vergemakkelijkt. En in 1854 gaf Turkije
aan de waren van de boven-Donau dezelfde ge-
makken en vrijheden voor het verkeer als aan
de Oostenrijksche.
Op die wijze werd het scheepvaartverkeer
op de Donau vergemakkelijkt en de handel be-
vorderd. De Donaumonden behoorden sedert
den vrede van Bukarest in 1812 tusschen Rus-
land en Turkije gesloten, tot den Donaudelta, die
neutraal gebied zou zijn, doch feitelijk onder
Rusland stond. Rusland liet deze monden aan
hun lot over, zoodat zij meer en meer ver-
zandden, en hield een drukkend toezicht op
de scheepvaart. Men vreesde, dat de Donau-
mondingen weldra voor de scheepvaart onbruik*
baar zouden worden, en een in 1840 daaromtrent
gesloten conventie verbeterde de zaak niet. Doch
bij den vrede van Parijs, 1856, werden de
Donau-mondingen onder de bescherming van
van het Europeesche volkenrecht geplaatst, daar
men de Donau in haar geheelen loop, tot de uit-
monding in de zee, aan de bepalingen van het
Weener Congres (art. 108—116) over de inter-
nationale stroomen onderwierp (zie pag. 67).
De scheepvaart zou voor alle staten over de
geheele rivier vrij zijn en de mondingen zouden
verbeterd worden.
Om dit tot stand te brengen werden twee com-
missies benoemd : I de Europeesche Donait-scheep-
vaart-commissie,
uit gedelegeerden van Franrijk,
Groot-Britannië, Oostenrijk, Pruisen, Rusland,
Sardinië en Turkije bestaande, die de bevaar-
baarmaking der Donaumonden ten doel stelde,
en II. de permanente Commissie der Donau-oever-
stnte»,
tot het regelen der stroom-politieverorde-
ningen. De volmacht der eerste commissie werd
herhaaldelijk verlengd en uitgebreid, het laatst
in 1883 bij de Donau-conferentie te Londen
voor 21 jaren.
§ 78. Bevolking en staatsinrichting. Le-
ger. Kerk en School.
De Oostenrijk-Hongaar-
sche staat is door een bonte mengeling van
volken bewoond, en vormt dus in geen enkel
opzicht eene natie. Vier Europeesche hoofd-
stammen vindt men hier vereen igd, van welke
er drie: de Germanen, de Romanen en de Slotren,
verre verbreiding hebben over het vasteland,
terwijl de Hongaren of Magi/aren tot Hongarije
beperkt zijn. De laatsten zijn oorspronkelijk
van Finsch-Tataarsche afkomst en behooren
aldus tot het Mongoolsche ras, doch hebben zich
met andere volken vermengd. De taal hebben
zij bewaard, doch sedert het jaar 1000 werd
door hen het christendom aangenomen, waardoor
zij een geheel andere ontwikkeling erlangden
-ocr page 100-
92
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
der wetten heeft) de wetgevende macht met de
beide huizen van den Rijksraad: het Heerenhuis
en het IJiris der Afgevaardigden. Daarenboven
bestaan nog Landdagen voor de afzonderlijke
landen, die over onderwerpen beslissen, welke
niet uitdrukkelijk aan den Rijksraad gebracht
zijn. De uitvoerende macht wordt feitelijk ge-
voerd door 7 ministeriën.
In Hongarije berust de wetgevende macht
naast den Koning bij den Rijksdag, die bestaat
uit den Magnatcntafel en de Representantentafel.
Kroatië en Slavonië heeft voor zijn autonome
aangelegenheden een eigen Landdag. De uit-
voerende macht wordt feitelijk gevoerd door 9
Hongaarsche ministers.
De buitenlandsche zaken, het oorlogsioezen en
de gemeenschappelijke financiën zijn vereenigd
voor beide deelen. Bovendien bestaat er tus-
schen beide rijkshelften een tol- en hamlelsver-
bond,
en de wetgeving op de industrieële productie
betrekking hebbend, wordt op gemeenschappe-
lijke grondslagen gevestigd.
Leger en vloot. De algemeene weerplicht,
welke hier bestaat, begint met het 21ste jaar,
duurt 12 jaren, waarvan 7 jaren in de reserve
en 3 in de landweer. Omtrent de eenjarige
vrijwilligers bestaan dezelfde bepalingen als in
Duitschland (zie pag. 72.) Alle weerbare man-
nen, die niet op de vloot, noch in het landle-
ger gediend hebben of dienen, behooren van 19
—42 jaar tot den Landstorm. In vredestijd be-
stocd het leger voor 1892 uit 21243 officieren,
182(i940 manschappen en 57344 paarden. De vloot
telde in 1892, 122 schepen, tezamen 119600
tonnen, met 1727 stukken geschut en 12000
manschappen.
Kerk en school. De Roomsch katholieke kerk
telt de meeste aanhangers in dit gebied (27,6
mill.;) verder volgen de Grieksche kerk (Grieksch-
Armenische en Grieksch-Oostersche) (7,6 mill.)
en de Litthersche kerk (1,5 mill.). Daarenboven
telt men hier een aanzienlijke Joodsche bevol-
king
(1,8 mill.).
Er bestaat schoolplicht van het 7—12de,
resp. 14de jaar. In Oostenrijk onderscheidt men
algemeene rolksscholen en burgerscholen, in Hon-
garije elementaire scholen, hoogere volksscholen en
burgerscholen. Voor uitbreiding van het onder-
wijs heeft men reaalscholen, reaalgymnasia en
gymnasia. Verder telt dit rijk 11 universitei-
ten, 5 technische hoogescholen, 3 „berg- en
forst-akademiën."
§ 79. Ontwikkeling van landbouw, han-
del
en nijverheid in deze eeuw. Oostenrijk-
Hongarijë is in hoofdzaak een landbouwstaat;
de landbouw houdt :,/« van de bevolking in
dezen staat bezig. In den aanvang dezer eeuw
stond de nijverheid dan ook op zeer lagen trap,
en konden alleen Bohème en Moravië industrie-
dan de met hen verwante Turken, die den Islam
omhelsden. De Magyaren zijn hoofdzakelijk
bewoners van de Hongaarsche laagvlakte, waar
het trekkende ruitervolk een land vond, dat het
meest op hun oostelijk vaderland geleek.
De Slawische bevolking wordt onderscheiden
A. in Noordelijke Slawen, waartoe hehooren : de
Tschechen in Bohemen, de Moraviërs in Mo-
ravië, de Slowaken in het Hongaarsche Erts-
gebergte, de Polen en de Ruthenen en B. Znide-
lijke Slawen,
waartoe behooren: Slowenen,
Kroaten, Serviërs en Bulgaren. De Slawen
vormen naar zeden en taal niet één geheel,
doch maken eigenlijk verschillende volken uit,
die wel oorspronkelijk van dezelfde afkomst
zijn doch later gescheiden werden en zich af-
zonderlijk ontwikkelden. De Duitschers be-
wonen hoofdzakelijk het westen des lands;
zij hebben zich bovenal in de Alpen gevestigd,
en in Bohemen maken zij de meerderheid uit
langs de bergachtige randen, terwijl de Slawen
in Bohemen de vlakte van het midden bewonen.
Men vindt, dat ongeveer dat 45 pCt. der bevol-
king tot de Slawen, 29 pCt. tot de Duitschers
10 pCt. tot de Mayyaren en 6 pCt. tot de Romanen
behoort. De laatsten vindt men bovenal nabij
de grenzen van Italië.
Uit het bovenstaande valt reeds af te leiden,
dat de innerlijke eenheid in Oostenrijk-Hongarijë
veel te wenschen overlaat. Geen staat in Euro-
pa, met uitzondering van Rusland, waar zoovele
nationaliteiten gevonden worden, en men spreekt
er de Duitsche, Magyaarsche, Tschechische, Pool-
sche, Rumeensche, Italiaansche, Servische en
andere talen.
De verschillende volken van dezen staat zijn
door een staatkundigen band verbonden, welke
in den loop der eeuwen door den persoon des
vorsten is tot stand gekomen. Aanvankelijk een
foederatieve staat, zijn zij door de Pragmatieke
Sanctie van Karel VI (1713) tot een ondeelbare
monarchie vereenigd. Toch draagt in de ver-
schillende deelen des Rijks de vorst nog ver-
schillende titels. Hongarije, dat in de eerste helft
dezer eeuw geheel met Oostenrijk vereenigd was,
is na herhaalde woelingen in 1807 weder een af-
zonderlijke staat geworden, die evenwel in ver-
schillende opzichten met Oostenrijk verbonden
is. Tegenwoordig bestaat aldus Oostenrijk-Hon-
garije uit een tweelingstaat: het keizerrijk Oos-
tenrijk
en het koninkrijk Hongarije. Door de
staatsgrondwet van 21 December 1807 zijn beide
onscheidbaar tot één constitioneele monarchie
verbonden, met behoud van veel zelfstandigheid.
De heerscherswaardigheid is naar het recht van
eerstgeboorte in de mannenlijke linie van het
Habsburgsche huis (juister Lotharingsche) erfe-
lijk, en gaat bij het uitsterven der mannelijke
linie in de vrouwelijke over.
In Oostenrijk deelt de Keizer (die de sanctie
-ocr page 101-
93
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
beter te regelen, werd het daarin verhinderd
door den oorlog van 1859 met Italië, welke
Lombardijë voor Oostenrijk deed verloren gaan.
In 1860 werd het constitutioneele stelsel in-
gevoerd. Evenwel vielen er tal van gebeur-
tenissen voor, die de geregelde ontwikkeling
van het economisch leven verhinderden. Wij
wijzen alleen op den oorlog van 1866 met Prui-
sen, op den strijd der nationaliteiten in het land
enz., welke in 1867 tot het dualisme van den
keizerstaat (Oostenrijk en Hongarije als twee
zelfstandige helften) voerde. In 1878 werden de
Turksche provinciën Bosnië en Herzegowina aan
Oostenrijk ten beheer overgelaten; twee schoone
vruchtbare provinciën, doch die onder de Turken
waren achteruit gegaan.
In deze eeuw kwam de landbouw in Oosten-
rij k-Hongarijë tot groote ontwikkeling, vooral
door den aanleg van spoorwegen, welke den uit-
voer van granen vergemakkelijkten. Echter vond
de intensieve bebouwing van den bodem hin-
dernissen in de uitersten van het vastelands-
klimaat in het oosten.
De industrie bleef in de Alpenlanden, in
Kroatië, Slavonië, Galicië, Bukowina en Zeven-
burgen hoofdzakelijk tot handwerksbedrijf be-
perkt, terwijl in Neder-Oostenrijk, Bohemen,
Moravië en Silezië de moderne groot-industrie
zich ontwikkelde, met alle nieuwe hulpmidde-
len. Dit geldt voornamelijk voor de fabrikatie
van machines, de katoen-industrie (N.O. Bohe-
men) van de meubelstof-, tapijt- en shawlfabri-
katie (Weenen); voor de glasindustrie (Bohe-
men) en de Stiermarkensche ijzerindustrie.
De handel vond steeds een groote hindernis
in de onophoudelijke schommelingen van het
goud- en zilveragio, doch niettegenstaande deze
had er toch een groote vermeerdering van den
uitvoer plaats.
Na de verzachting van het beschermend tolstel-
sel sedert 1852 werden er achtereenvolgens
handelsverdragen met onderscheidene mogend-
heden gesloten (ook met Nederland), en aan deze
de behandeling op den „voet der meest begun-
stigde mogendheid" toegestaan. Nadat men in
den laatsten tijd weder tot zelfstandige tolwet-
ten was overgegaan, werd in 1892 op nieuw het
handelsverdrag met Duitschland (zie pag. 16)
gesloten.
Op het gebied der verkeerswegen begon men
vroeg de nieuwe uitvindingen toe te passen.
Oostenrijk bezat den eersten spoorweg van het
vasteland, de 1825—1830 aangelegde Budweis-
Linz- Gmundener „paardebaan". In 1841 ging
men over tot den aanleg van staatsspoorwegen,
waarvan de eerste in 1844 geopend werd. Helaas,
men verliet in 1854 het beginsel van den staats-
aanleg. en verkocht sedert 1854 belangrijke en
waarde bezittende spoorwegen aan buitenland-
sche maatschappijen. Na 1866 werd de aanleg
produkten uitvoeren. Doch de ontwikkeling van
handel en nijverheid werd door de Napoleontische
oorlogen en door het „continentaalstelsel" (180G—
1812) veelvuldig belemmerd, en alleen de ka-
toen-industrie kwam in dien tijd tot bloei. Ook
hadden de oorlogen in dien tijd ten gevolge, dat
er behoefte was aan laken en metaalwaren,
waardoor deze takken van bedrijf het druk
hadden. Toen evenwel na opheffing van het
Continentaalstelsel de Oostenrijksche markt met
produkten van elders werd overstroomd, en door
het ophouden van de oorlogen de behoefte
aan laken en metaalwaren verminderde, meende
men door invoering van een stelsel van be-
scherming, bestaande in hooge invoerrechten,
(1817), de buitenlandsche produkten te weren.
Door dit prohibitief (afwerend) stelsel kwam de
Boheemsche glas- en katoen-industrie, de Mora-
vische laken-industrie, en de Stiermarksche ijzer-
en staalindustrie
tot ontwikkeling en bloei, en
weldra werden afzetsgebieden naar buiten ver-
kregen. Weenen legde in dezen tijd den grond-
slag voor zijn industrie van luxe-art ik elen; Triest
werd, ten koste van het achteruitgaande Vene-
tië, de stapelplaats voor den handel op de Mid-
dellandsche zee.
Echter, hoewel de economische toestand der
bewoners vooruitging, de staatsfinanciën ver-
keerden in zeer treurige omstandigheden. De
Napoleontische oorlogen hadden den schuldenlast
van den staat zoozeer vermeerderd, dat deze
wel bankroet moest gaan. In 1811 werd 1390
mill. fi. papier- en kopergeld plotseling tot op
Yö der nominale waarde gereduceerd. Daarbij
kwam, dat de buitenlandsche politiek den kei-
zerstaat voortdurend tot kostbare militaire in-
spanningen noodzaakte, terwijl debinnenlandsche
politiek niet praktisch werkte, om de nationale
verscheidenheden in dezen staat te doen samen-
smelten. Hierdoor was de staat onrustig. De
revolutie van 1848 vond dien ten gevolge voedsel
in dezen staat; de Hongaarsche en Italiaansche
veldtocht van 1849 en de tweede Italiaansche
veldtocht van 1859 deden de financieële zorgen
zeer toenemen.
Men ging sedert 1852 van staatswege een
beteren weg op, om de welvaart der bevol-
king te bevorderen. Het beschermend stelsel
werd onder den indruk der vrijhandelsbewe-
ging, die in Europa meer en meer veld won,
verzacht; de verkeersmiddelen werden verbeterd,
de oprichting van stoomboot-maatschappijen
werd bevorderd, scheepvaarttollen werden op-
geheven. In andere landen werd meer de aan-
dacht gevestigd op de natuurlijke hulpbronnen
van dit land, en uit Duitschland, Engeland,
Frankrijk en Nederland stroomde het kapitaal
toe voor nieuwe ondernemingen. Evenwel, thans
voerde de speculatie tot een crisis in 1857. En
toen Oostenrijk op het punt stond zijn financiën
-ocr page 102-
94
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
van spoorwegen hier een zaak van overdreven
speculatie, zoodat de spoorwegen in 1873 in de
groote economische crisis betrokken waren.
De centrale punten van het spoorwegver-
keer, vanwaar verbindingen met alle groote
steden bestaan, zijn: Weenen, Buda-Pest en
Praag; daarop volgen Pilsen, Brünn, Lemberg,
Szegedin. In technisch opzicht had de bouw
der Oostenrijksche spoorwegen groote verdienste
door het overwinnen van vele natuurlijke hin-
dernissen bij den aanleg van de wegen over den
Semmering en den Brenner pas; ook de Pontebba-
baati
en de Arlbergbaan zijn in dit opzicht van
beteekenis.
Sedert een halve eeuw heeft zich ook de zee-
handel op de Adriatische zee hier krachtig ont-
wikkeld, waarin de oprichting der OnstcnriJk-
sche Lloyd
te Triest een belangrijk aandeel had.
Hierdoor verkreeg Oostenrijk vasten voet in de
Levant en verkreeg het uitvoer van verschil-
lende produkten naar Amerika, terwijl Venetië
meer en meer ter zijde werd geschoven. Triest
was langen tijd de beheerscheres van den han-
del op het Adriatische gebied; thans heeft deze
handel een gevaarlijke concurrent verkregen door
de uitbreiding van de Italiaansche sporen tot
Brindisi en door de St. Gothardbaan, welke
Genua bevoorrecht heeft ten koste der havens
aan de Adriatische zee.
Oj) het gebied van crediet- en bankwezen
heeft Oostenrijk treurige ervaringen opgedaan.
De Oostenrijksche Nationale Batik werd in 1816
opgericht. Zij kon niet alleen gewone bankzaken
verrichten (mede als hypotheekbank) maar ook
met de staatsfinanciën stond zij in betrekking.
De staat werd schuldenaar der Bank en begun-
stigde daarvoor ook de circulatie der banknoten.
Tot 1848 kon zij de betaling in baar geld vol-
houden ; daarna volgde hierin een beperking, en
toen de Bank in 1859 en 1866 de baar-betaling
weder wilde invoeren, werd zij daarin verhinderd
door de oorlogen, weike voor Oostenrijk in ge-
noemde jaren uitbraken, en die den staat nieuwe
eischen aan de Bank deed stellen.
De inrichting van den dualistischen staat in
1867 had mede ten gevolge, dat de Nationale
Bank in Hongarije niet wettelijk erkend werd.
Na vele onderhandelingen en door de onzeker-
heid in het crediet als gevolg der crisissen, werd ein-
delijk deze bank opgeheven, en in plaats daar-
van werd de Oostenrijksch-Hongaarsche Bank
opgericht, die uitsluitend in beide staten het
recht tot uitgifte van bankbilletten bezit. Het
grondkapitaal dezer Bank bedraagt 180 mill.
mark. Met het einde van 1891 waren in het
land voor ± 454,5 mill. Ned. gulden aan Oos-
tenrijksch-Hongaarsch papiergeld (muntbilletten
in omloop) en voor zh 546,2 mill. gulden aan
bankbilletten.
Het jaar 1873 was een ongelukkig jaar voor den
handel van Oostenrijk. De roekelooze speculatie
na 1870 (zie pag. 74), oorspronkelijk wel van
Duitschland uitgegaan, had toch in Oostenrijk-
Hongarijë een buitengewone hoogte bereikt.
Vooral de meerdere vrijheid na 1866 had de
oprichting van allerlei speculatieve ondernemin-
gen in dat land bevorderd. Van 1866—1873
waren hier niet minder dan 175 banken, 34
spoorwegmaatschappijen, 645 industrieële maat-
schappijen, 104 bouwbanken geconcessioneerd,
en in werkelijkheid waren er 682 „Aktiengesell-
schaften" met een nominaal kapitaal van 2577 mill.
fl. tot stand gekomen. Doch in Mei 1873 begon
de crisis aan de beurs te Weenen; bankroet op
bankroet volgde, het publiek wilde zich van
alle aandeelen ontdoen, en de prijzen daalden
buitengemeen. Deze crisis breidde zich tot
1880 over Italië, Rusland, Noord-Amerika,
Duitschland, Engeland, Nederland, België en
zelfs over Zuid-Amerika en Australië uit, en
omvatte alle belangrijke takken van industrie.
In Oostenrijk verdwenen vele van de opgerichte
banken in dezen tijd voor immer, tal van teleur-
gestelde verwachtingen achterlatend. Er heerschte
eenigen tijd groote verslagenheid en wantrou-
wen in dit land ; de ondernemingslust was ge-
drukt, maar geleerd door de ervaring werd men
voorzichtiger. Daardoor ook had de crisis op de
Fransche beurs van 1882 op Oostenrijk geen
belangrijken invloed, hoewel het er in betrok-
ken was.
§ 80. Voortbrengselen en middelen van be-
staan. A. Landbouw, bosschen en veeteelt. De
ligging in de gematigde luchtstreek, op vele plaat-
sen met een hooge zomertemperatuur, in verband
met den vruchtbaren bodem, maken Oostenr.-
Hongarijë tot een land met rijke voortbrengselen
van den landbouw. De temperatuurs-verschillen,
welke men er aantreft, hebben tengevolge, dat
de voortbrengselen er nog al afwisselen in de
onderscheidene deelen des lands.
Wat het gebruik van den bodem betreft valt
in de eerste plaats in het oog, dat nagenoeg */8
der geheele oppervlakte met bosschen bedekt
is, terwijl de graslanden ongeveer \'/4 der opper-
vlakte innemen. Bouwgrond en tuingrond be-
slaan ongeveer 37,3 % der oppervlakte en slechts
6 % van de oppervlakte ligt improductief. Nog
ongeveer 1,1 % wordt door wijnbergen inge-
notnen.
Uit deze opgaven blijkt reeds, welke gunstige
omstandigheden de grondsgesteldheid aanbiedt.
De gecultiveerde landen hebben de grootste uit-
gestrektheid in Bohemen, Silezië, Moravië, Neder-
Óostenrijk en Galicië, terwijl in de berglanden
van Salzburg en Tirol groote gedeelten onbe-
bouwd blijven liggen. In Hongarije strekt zich
langs de Beneden-Theis een boomlooze steppe
uit, enkel uit grasland bestaande, die ongeveer
35000 KM2 oppervlakte bezit.
-ocr page 103-
95
HANDELS-AARDKIJKSKUNDE.
mill. paarden, 5,6 mill. runderen, 11,2 mill. scha-
pen,
8,8 mill. varkens. Hongarije is het echte
paardenland; de Hongaren zijn ruiters van na-
tuur. De uitgestrekte grasvlakten in Hongarije,
de poestax, waar op mijlen afstands geen dorp
of boom de eentonigheid verbreekt, wordt in de
lente, evenals de prairiën van Noord-Amerika,
met talrijke kudden van paarden, runderen en
schapen bedekt, door de woeste, ruwe herders be-
geloid. De paai denherder, de Czilco, staat het
hoogst in rang onder de herders; op hem volgt
de schapenherder, Juhflsz, en daarop de runder-
herder, Csordèsz. De Hongaarsche paarden zijn
het beste ras van Europa.
In de Alpenlanden is de rundvee-teelt door
de „Sennenwirfhschaft" gekenmerkt, evenals
in Zwitserland. Galicië en Hongarije leveren
bovenal slaehtree. De schapenteelt gaat achter-
uit. In Zuid-Tirol, Görz en in den laatsten
tijd ook in Hongarije, vindt men zijdeteelt.
B.  Bergbouw, salinen en ijzerhuttcn. Steen-
kolen vindt men over het geheele rijk, doch bo-
venal in Bohemen, Silezië, Moravië en Stier-
ken. Ruw ijzer en ijzerertsen leveren boven-
al Stiermarken, Bohemen, Karinthië, Moravië en
de noordelijke en zuid-oostelijke deelen van Hon-
garijë. Goud wordt vooral in Hongarije ge-
vonden (vooral in Zevenbergen); Bohemen le-
vert zilver. Ook vindt men in Bohemen tin.
In Hongarije vindt men koper, in Karinthië
lood, in Krain kwikzilver (bij Idria), in Gali-
cië zink en zwavel. In Bohemen, Moravië en
Stiermarken vindt men graphiet, in Galicië
petroleum en aardwas, in Tirol en Dalmatië
asphalt. De Alpen en de Karpaten zijn bui-
tnngewoon rijk aan zout; bij Ischl, Halstadt,
Hallein en te Wieliczka in West-Galicië. Langs
de kusten wint men zeezout.
C. Nijverheid. Over de geschiedenis der nijver-
lieid hebben wij reeds het een en ander mede-
gedeeld. Ongeveer 1/4 der bevolking houdt zich
met de nijverheid bezig. Het meest is deze ont-
wikkeld in Beneden-Oostenrijk, Bohemen, Vorarl-
berg, Silezië, Moravië en Opper-Oostenrijk. Hoofd-
zakelijk wordt de industrie beoefend door de
Duitschers. In Transleithanië wordt de huisin-
dustrie, vooral de weverij, naast den landbouw
beoefend.
De textiel-industrie neemt een eerste plaats
in, vooral de katoennijverheid. Deze vindt
haar hoofdzetel in Bohemen, bovenal in het ge-
bied van Reichenberg; vervolgens in Moravië,
Beneden- en Opper-Oostenrijk en Vorarlberg. Daar
de Oostenrijksche fabrieken slechts grof garen
spinnen, moeten alle tijne katoenen garens wor-
den ingevoerd.
De wol-industrie houdt velen bezig. Weenen
fabriceert shawls. In de linnen-industrie staat
De graanbouw is van groote beteekenis,
bovenal in de vlakten van Hongarije, Banaat,
Bohemen, Galicië en Moravië. In 1890 besloeg
de met granen bebouwde oppervlakte meer dan
4 mill. H.A., waarbij op een opbrengst van ± 11
H.L. per H.A. kon gerekend worden. De op-
brengst gaat boven het verbruik, zoodat een
groot gedeelte kan uitgevoerd worden. De rogge-
bouw, die tot de koudere, hoogere streken be-
paald is, vermindert; die der gerst eveneens.
In Hongarije zijn tarwe en maïs de hoofdgra-
nen, en daarop volgen haver, gerst en rogge.
Ook in Kroatië en Slavonië is de tarwe- en
maïsbouw van belang, en alleen Italië overtreft
Oostenrijk-Hongarijë in deze cultuur. Ook vindt
men op daarvoor gunstige plekken van Honga-
rijë rijstbouw. Boonen worden veel geoogst
in Bohemen, Moravië, Galicië en Stiermarken.
De aardappel wordt meer geoogst in Oostenrijk
dan in Hongarije; een oppervlakte van 1500000
H.A wordt er mede bezet, die een gemiddelde
opbrengst van 125 mill. H.L. geefï. Bohemen
en Moravië zijn de hoofdlanden van de suiker-
bieten; in Hongarije, Silezië en Neder-Oosten-
rijk komen zij minder voor. Van de handelsge-
wassen noemen wij nog: vlas in Bohemen, Mo-
ravië, Galicië en Stiermarken; hennep in Óost-
Galicië en Hongarije, hop in Bohemen (vooral
beroemd in de streken van Saaz). Tabak, wel-
ker bewerking en verkoop staatsmonopolie is,
wordt veel in Hongarije verbouwd; minder in
Oost-Galicië, Bukowina, Dalmatië en Zuid-Tirol.
De wijnbouw heeft in de laatste jaren een
aanzienlijke uitbreiding verkregen, en wijn vormt
een der belangrijkste produkten des lands, zoodat
Oostenrijk-Hongarijë een der eerste wijnlanden van
Europa is. Ongeveer 6703 KM2, zijn met druiven
bezet, en ongeveer 2/8 er van komen op het Hon-
gaarsche staatsgebied met Kroatië en Slavonië.
Verder komt de wijn voor in Dalmatië en het
Kustland en in Neder-Oostenrijk. De opbrengst
wordt in de laatste jaren op 10 mill. HL. ge-
schat. Olijven en andere zuidvruchten komen
voor in de zuidelijke streken; verder kastanjes
en ooft over het geheele gebied.
Wat de uitgebreidheid der wouden betreft
volgt Oostenr.-Hongarijë in Europa op Rusland,
Zweden en Noorwegen. In Oostenrijk beslaat
het woud een oppervlakte van 97770 en in
Hongarije van 91080 KM\'2. De schoonste wouden
vindt men in de Alpen, Bohemen en de Karpaten.
Kroatië en Slavonië bezit uitgebreide eiken won-
den
; verder beukenwouden, sparren enz.
De uitgebreide graslanden (1//,) geven aanlei-
ding tot belangrijke veeteelt. In het Oosten-
rijksche statengebied telde men op het einde
van 1890 15, mill. /marden, 8,6 mill. runderen,
3,2 mill. nehapen, 1 mill. geiten en 3,5 mill. vnr-
kens;
het Hongaarsche gebied telde in 1884 2
-ocr page 104-
96
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
land in dit opzicht minder afhankelijk is van
het buitenland. De markt van Italië blijft altijd
een débouché voor Oostenrijk-Hongarije: daar
Italië geen steenkolen bezit, kan zich hier de
moderne groot-industrie moeielijk ontwikkelen,
en altijd zal het van Oostenrijk een belangrijk
deel der industrieele produkten koopen, vooral
na het handelsverdrag van 1891 (zie pag. 16).
Oostenrijk-Hongarije ontvangt daarvoor uit Italië:
vruchten, oliën en rijst, waaraan het behoefte
heeft; alsmede marmer, ijzererts en zwavel. De
handelsomzet tusschen beide rijken bedraagt
ongeveer \'200 mill. fL per jaar.
De handel met den anderen buurman, Rus-
land, is minder aanzienlijk, en beloopt ongeveer
100 mill. fl. Daar beide landen belangrijke
leveranciers van granen, vee en hout zijn, is dit
te verklaren, en kan men daarin ook weinig toe-
neming verwachten. Op industrieel gebied staat
Oostenrijk-Hongarije van beide bovenaan, en
daardoor levert dit jaarlijks voor aanzienlijke
bedragen aan geweven stoffen, machinerieën,
weelde-artikel en enz. aan Rusland, terwijl Rus-
land op zijn beurt grondstoffen terugzendt, als
wol, vlas, hennep.
Door de opening van den Arlberg-spoorweg
komt de handel van Oostenrijk met Zwitserland
en Frankrijk beter tot ontwikkeling; hout en
artikelen der industrie (articles de Vienne) wor-
den naar Frankrijk veel vervoerd; de invoer
uit Frankrijk omgekeerd is niet aanzienlijk.
In de landen van het Balkan-schiereiland
speelt de invoer uit Oostenrijk-Hongarije altijd
een eerste rol, nevens die van Groot-Britannië;
in Griekenland wint Oostenrijk veld op Frankrijk
en Engeland. In Egypte treedt Oostenrijk>
Hongarijë\'s handel in de vierde plaats op, na
die van Engeland, Frankrijk en Rusland; in de
Levant concurreert het met Groot-Britannië en
in Engelsch-Indië, China en Japan neemt de
handel van Oostenrijk-Hongarije sterk toe.
De handel van Oostenrijk-Hongarije heeft aldus
in de laatste jaren op de markten van de Levant
en het Oosten een buitengewone beteekenis
verkregen. Men vindt te Weenen een „Orienta-
lisch Museum," dat vooral dezen handel heeft
bevorderd, en door het „Oesterreichische Monats-
schrift filr den Oriënt"
alle noodige handels-
inlichtingen hekend maakt.
De zeehavens van het rijk zijn Triest en
Fiume; de haven van Triest wordt jaarlijks
door rfc 15000 a 18000 schepen binnen- en uit-
geloopen. Fiume, de Hongaarsche haven, neemt
een tweeden rang in ; in 1890 voeren hier ruim
10000 schepen in en uit.
De handelsvloot telde in 1892 10380 sche-
pen met 250568 tonnen inhoud, waarbij 173
stoomschepen waren met 97852 tonnen inhoud.
Het getal der zeeschepen bedroeg 261 met 168800
tonnen.
Bohemen bovenaan; Trautenau is het middel-
punt van het spinnen, Georgswald voor het
weven; verder vindt men linnen-industrie in
Silezië en noordelijk Moravië. In Hongarije wordt
linnen- en hennep-industrie als huisnijverheid
beoefend. Jute-industrie vindt men om Wee-
nen, in Bohemen en Moravië; zijde-industrie
heeft haar zetel in Weenen. Verder is Bohemen
het land der kantklopperij (in het Ertsgebergte),
der ververij en drukkerij.
De ijzer-industrie is bovenal in de Alpenlan-
den verbreid, (Stiermarken, Opper-en Beneden-
Oostenrijk, Karinthië en Tirol), Bohemen, Moravië\'
en Silezië. De fabrikatie van zeisen is van
ouds beroemd. Machinefabrieken vindt men
in eenige hoofdsteden: Weenen, Praag, Brünn,
Triest, Graz, Buda-Pest en verder in Wiener-
Neustadt en Fiume. Weenen heeft fabrikatie
van goud- en zilverwaren. Aardewerk wordt
bovenal in Bohemen, Moravië en Neder-Oosten-
rijk bewerkt. Bij Karlsbad vindt men vele
porceleinfabrieken. Bohemen is wereldberoemd
door zijn glasfabrieken; de bosschen van het
Bohemerwoud en het Reuzengebergte leveren
de brandstof hiervoor. Ook Hongarije telt 43
glasfabrieken. De groote rijkdom aan hout heeft
de vervaardiging van vele houtwaren tenge-
volge. Eigenaardig is de fabrikatie van meu-
belen uit gebogen hout
(Weenen, Bohemen,
Hongarije) en van houtsnijwerk, (Ertsgebergte,
Salzkammergut, Tirol). Leerlooierij is het be-
langrijkst in Oostenrijk (O. en N.), Bohemen,
Moravië en Hongarije.
De fabrikatie van beetwortelsuiker is het
aanzienlijkst in Bohemen en Moravië, doch komt
ook voor in Silezië, Galicië en Hongarije. Bo-
hemen heeft veel bierbrouwerijen (Pilsen).
Tabak en Sigaren worden in 40 staatsfabrieken
bewerkt.
D. Handel en verkeer. Oostenrijk-Hongarije
heeft uitvoer van: granen (in 1890 voor 121
mill. guld.) suiker (78,0 inill. guld.) hout, vee,
kolen, klein ijzerwerk, wollen artikelen, lederwaren,
eieren, wijn, glas, papier, veeren, zijde, huiden,
totaal in 1890 voor een waarde van 555,4 mill.
gulden. De invoerartikelen zijn: katoen, wol,
koffie, kolen, tabak, zijde, machines, wollen garens,
katoenen garens, edelgesteenten, vee, leer, zijde
enz.
in 1890 totaal voor 439,8 mill. gulden.
Ongeveer 3/5 van het warenverkeer heeft plaats
over de Duitsche grenzen, */6 over zee. De uit-
voer schijnt eerder te verminderen dan te ver-
meerderen, daar Duitschland, vooral na de slui-
ting van het tractaat met Rusland, zich gemak-
kelijker met granen en vee uit Rusland kan
voorzien, of met granen uit Amerika. Daaren-
tegen wordt de productie van steenkolen in
Oostenrijk-Hongarije bevorderd, waardoor het
-ocr page 105-
97
HANDELS- AARDRIJKSKUNDE.
Van die verschillende deelen behooren de
Cisleithaansche landen ten zuiden der Donau
(grootendeels de landen 1 tot en met 9) tot het
Alpenland.
§ 82. Het Alpenland. De Alpenlanden van
Oostenrijk-Hongarije behooren tot de Oost-Alpen
(zie pag. 52), die zich in hoofdrichting van het
W. naar het O. uitbreiden, en naar het oosten
in hoogte afnemen doch in breedte toenemen.
In de lengte door de Oost-Alpen gaat een centrale
keten, die het hoogste gedeelte uitmaakt, en
hoofdzakelijk uit gneis, graniet en kristallijne
schiefergesteenten bestaat. Van het westen af, d.i.
van de grenzen van Zwitserland, wordt die cen-
trale gordel gevormd door de Oetzthaler Alpen,
eene voortzetting der Rhetische Alpen in Zwitser-
land [van den Reschenscheideck pas in het W.
(1491 meter) tot den Bremwrpas in het 0.(1362 M.),
waarlangs de oudste en belangrijkste spoorweg
over de Alpen naar Italië loopt, die Innsbrnck
in \'t N. met Botzen in \'t Z. verbindt]; door de
Zillerthaler A.,
de Hohe Tauern [met den
hoogen top van den Grossglockner (3800 M.)], de
Tauern en de Stiermarker Alpen.
Ten noorden langs deze kern strekt zich
een rij van hoofdzakelijk kalkalpen uit, die ge-
zamenlijk als de Noordelijke Kalkalpen worden
aangeduid. In het westen bestaan deze hoofd-
zakelijk uit plooiingen der kalklagen (vouwen-
gebergte), die in het oosten meer in plateaux over-
gaan, zooals die reeds in het Salzkammergut
worden gevormd. In het westen maken het
Bregenzerwoud en de Noord-Tirolsche kalk-
alpen
deze vouwengebergten uit. Verder oostelijk
liggen de Salzburger A. en de Oostenrijksche
Kalk-Alpen
; alle bergmassa\'s en plateaux, die door
eroziedalen veelvuldig zijn doorsneden en rijke
afwisseling vertoonen, maar waarbij de ketenvorm
minder valt waar te nemen. In het Salzkammer-
gut is het landschap rijk aan meren.
Ook ten zuiden van de centrale kern vindt men
een breede strook van kalkalpen. Van het W. af
vindt men hier de Ortler Alpen, die in het O.
begrensd worden door het groote dwarsdal der
Etsch. Ten O. van de Etsch liggen de Zuid
Tirolsche Dolomiet-Alpen,
verder de Kar-
nische Alpen,
die oostelijk zich splitsen in de
Karawanken ten N. en de Julische Alpen ten
Z. van de San. Deze laatste keten gaat naar
het zuiden over in het plateauachtig gevormde
hoogland van de Karst. dat hoofdzakelijk uit
kalklagen bestaat, en door onderaardsche rivieren,
grotten enz. vele eigenaardige natuurverschijn-
selen te voorschijn roept. Naar het Z. gaat ten
O. der Adriatische Zee de Karst weder over in het
stelsel der Dinarische Alpen van het Balkan-
schiereiland.
De Oost-Alpen vormen een jong plooiings-
gebergte, dat in hoofdzaak uit een drietal (de
De binnenlandsche handel tusschen de onder-
scheidene landen met zoo zeer verschillende
voortbrengselen is zeer belangrijk. Voor een
aanzienlijk gedeelte heeft die langs de rivieren
plaats ; verder over de spoorwegen. De Donau is
hiervoor van het grootste belang, wijl zij over de
geheele lengte in dit rijk voor stoombooten is
te bevaren. De „Donau-Dampfschiffahrt8-Oesell-
schaft"
is de grootste maatschappij van dien
aard, die de Donau van Regensburg af tot Ga-
latz bevaart, alsmede de Theiss tot Namény, de
Save tot Sissek, de Drau tot Barcs en de Inn tot
Braunau, en op de Zwarte Zee de lijnen Ga-
latz-Odessa en Galatz-Batum heeft. In 1887
had deze maatschappij 190 stoomschepen en 729
ijzeren sleepbooten. Verder vindt men er nog
de Zuid-Duitsche Donau-stoomscheepvaart.
Daar de Donau boven Weenen nog altijd het
karakter van een bergstroom bezit, en in Hon-
garije door eenzame, schaars bewoonde vlakten
stroomt, kan de scheepvaart zich hier niet
ontwikkelen zooals op de Rijn en de Elbe.
Een tweede belangrijke waterweg is de Mol-
dau-Elbe
door Boheinen naar Saksen enz. (zie
pag. 69). Bij Leitmeritz wordt de Elbe, bij
Praag de Moldau bevaarbaar.
De Etsch of Adige, die naar Italië stroomt,
wordt bij Botzen een weinig bevaarbaar.
De belangrijkste handelsplaatsen zijn: Wee-
nen, Prang, Buda-Pest, Brünn, Brody, Linz,
Graz en Triest.
Beschrijving der onderscheidene deelen des
lands en plaatsbeschrijving.
§ 81. Indeeling. Staatkundig bestaat het rijk
uit twee rijkshelften, zeiden wij, uit het Keizer-
rijk Oostenrijk
of Cisleithanië (= landen aan deze
zijde der Leitha, een zuidelijken bijstroom der
Donau) en het Koninkrijk Hongarije of Trans-
leithanië
(— landen aan de overzijde der Leitha).
Van de Cisleithaansche landen maakten de vol-
gende 12 eerste, uitgezonderd Dalmatië, tot 1806
deel van Duitschland uit.
Tot de Cisleithaansche landen behooren:
1. Het aartshertogdom Beneden-Oostenrijk, 2. het
aartshertogdom Boven-Oostenrijk, 3. het hertogdom
Salzburg,
4. het vorstelijk graafschap Tirol en
Vorarlberg,
5. het hertogdom Stiermarken, 6. het
hertogdom Karinthië, 7. het hertogdom Krom,
8. het Kustland (bestaande uit het vorstelijk graaf-
schap Görz
en Gradiska met het markgraafschap
Istrië
en de stad Triest), 9. het Koninkrijk Dal-
mat ië,
10. het koninkrijk Bohemen, 11. het mark-
graafschap Moravië,
12. het hertogdom Silezië,
13. het koninkrijk Galicië en Ladomirië en het
hertogdom Bukowina. Tot de Transleithaansche
landen
behooren: het grootvorstendom Zeven-
bergetiy
het koninkrijk Hongarije, met Kroatië en
Slavoni\'ê.
Verder worden Bosnië en Herzegoirina
sedert 1879 door Oostenrijk bestuurd.
-ocr page 106-
98
HANDELS-AARDRI.IKSKUNOE.
peesche gebergten, de Alpen en de Karpaten,
tegelijkertijd van het noorden (Marchdal) en het
westen geopend was, en door een grooten stroom
den toegang had naar het oosten, terwijl ook naar
de Adriatische Zee gemakkelijk wegen werden ge-
baand. In het westen van deze vlakte lag reeds in
den vroegsten historischen tijd de Keltische stad
Carnuntum, die rijk geworden was door den
barnsteenhandel (van de Oostzee langs de March
en over de Oost-Alpen naar Venetië) en den
handel op de Donau, en na de verovering door
de Romeinen tot een hoofdwapenplaats werd.
De verwoesting dezer stad door de Germanen
in de 4e eeuw deed de Romeinen het oostelijker
gelegen Vindobona als hoofdplaats kiezen, en
deze plaats ontwikkelde zich tot Weenen, dat
zich in de middeleeuwen vooral ten koste van
Regensburg verhief. De gunstige militaire lig-
ging maakte Weenen naar het oosten tot het
belangrijkste bolwerk van het Duitsche Rijk.
Tegenwoordig is Weenen het middelpunt van
het Oostenrijksche spoorwegnet; de groote spoor-
wegen loopen van hier als middelpunten uit.
De handel op het Oosten heeft voor Weenen
groot belang, en daarom is er ook eene „Orien-
talischo Akademie" en een „Orientalisch Museum"
opgericht. De effectenbeurs te Weenen heeft
Europeesche beteekenis, en de stad is rijk aan
belangrijke crediet-instellingen.
Wie Weenen bezoekt bemerkt onmiddellijk,
dat hier het Oosten en het Westen elkander
ontmoeten. De groote verscheidenheid in gelaats-
trekken en kleedij wijst op de samenstrooming
van lieden uit verschillende natiën. Hongaren, Po-
len, Serben, Kroaten, Rumeniërs en andere volken
vertoonen er zich in nationale kleederdracht. In
het algemeen spreekt men er Duitsch, maar ook
hoort men er Fransche, Engelsche, Italiaansche,
Tschechische, Hongaarsche, Poolsche, Illyrische
en Nieuw-Grieksche talen. De bevolking der stad
is bekend door het opgeruimd en vroolijk karak-
ter, door genotzucht, en door groote welwillend-
heid ten opzichte van vreemdelingen. Weenen
is de stad van het vroolijke opgewekte leven.
Vol trots zegt de Oostenrijker: „Er is maar
een keizersstad, maar één Weenen!" In den
omtrek der stad liggen vele aanzienlijke sloten
en buitenverblijven.
Wiener Neustadt (25000) fluweel, zijde en
metaalfabrieken, veehandel. — Krems (11000)
verffabrieken, „Kremser wit". Wijnhandel. —
Linz (43000), industrie, handel in ijzerwaren,
zeisenfabrikatie. — Steyer (21000) hoofdzetel
der Oostenrijksche staal- en ijzerfabrikatie (mes-
sen, spijkers, vijlen, geweren, werktuigen). Ischl
en Hallstatt. zo ut werken.
2. Het hertogdom Sal/.bnrg. Salzburg
(27000), katoen en ijzerindustrie. — Hallein
drie gordels) vouwen bestaat, terwijl in de cen-
trale keten, die het hoogst was ongeplooid, door
verweering en afspoeling de bovenste deklagen
van kalkgesteenten grootendeels zijn weggenomen.
Bohemen en Moravië. Zuidelijk Bohemen
en Moravië vormen in geologisch opzicht een zeer
oude aardschol uit gneis, graniet en glimmer*
schiefer bestaande, die als een vaste, onbewegelijke
massa sedert ouden geologischen tijd zich hier
verhief, en waartegen later de Oost-Alpen, door
eene drukking van het zuiden, zijn opgeplooid. Het
noordon van Bohemen vormt een inzinkings-
gebied (zie pag. 64 over het ontstaan van het
Ertsgel)orgte), dat aan drie zijden door berg-
ketens is omringd, en van het zuiden afterras-
vormig naar het noorden daalt. Daardoor vormt
Zuid-Bohemen een heuvelland, Noord-Bohemen
in het midden een vlakte. In het Z. W. ligt
het Bohemer Woud (zie pag. (i(i), ten N. W. het
Ertsgebergte met het Elbezandsteengeb. (zie
pag. (> 1). en ten N.O. liggen do Sudeten, waarvan
het Reuzengebergte het hoogste deel uitmaakt.
Een hooge rug, de Moravische hoogten, scheidt
Bohemen in hydrographisch opzicht van Moravië,
welk laatste land grootendeels afwatert in het
dal van de Marrh, die ten noorden van Weenen
her historisch beroemde Marchfeld doorstroomt.
Dat het noorden van Bohemen rijk is aan
minerale bronnen hebben wij reeds aangewezen
(pag. <!4).
§ 83. Plaatsbeschrijving.
1. A;irtshertogdom lteneileu- en Boven Oos
tenrijk:
Weenen (W
ien, het oude Vindobona)
(1365000), hoofdstad der monarchie, een der
schoonste steden van Europa, de vierde in grootte.
De stad heeft prachtige gebouwen, als de Gothi-
sche Stephanuskerk, en de keizerlijke Hofburg, een
verzameling van gebouwen uit verschillende tijd-
perken en van den meest verschillenden stijl, enz.
Verder talrijke inrichtingen voor kunst en weten-
schap (universiteit, technische hoogeschool, geo-
logische rijksinrichting), schilderijenmusea, de
keizerlijke schatkamer enz. Doch bovenal munt
Weenen uit als industriestad, waar het betreft
luxe-artikelen en produkten der kunst-industrie.
Weenen is het middelpunt voor de fabrikatie
van pharmaceutische stoffen en parfumeriën ; het
levert schrijnwerkersartikelen, juwelierswaren,
o. a. voortreffelijke imitatie van edelgesteenten,
terracotta, porcelein, horloges, kunstbloemen,
handschoenen enz.
De gunstige geografische ligging heeft Weenen
als handelsstad groote ontwikkeling gegeven.
Weinige punten van Europa bezaten door haar
ligging zoo groote beteekenis, hetzij voor een
rustpunt in het volken verkeer of tot een vast punt
voor de beheersching van de omringende landen,
als de vlakte van Weenen, die op de plaats der
ontmoeting van de beide groote Middel-Euro-
-ocr page 107-
99
HANDELS-AARDRIJKSKUXDE.
van andere steden zooveel mogelijk tegenging.
Tegen die onderdrukking zocht het hulp bij den
Hertog van Oostenrijk, die in 1382 de stad in be-
zit kreeg. De hertog voorzag zeer goed de verder-
gaande beteekenis van deze daad: het huis van
Habsburg werd hierdoor de toegang tot de zee
verzekerd. Toch bleef Triest tot het einde der
17de eeuw een onbelangrijke kuststad, wier rijk-
dom hoofdzakelijk bestond in den wijnbouw.
Venetië toch wist de vrije scheepvaart op de
Adriatische Zee te belemmeren. Doch toen kei-
zer Karel VI den 2\'le" Juni 1717 deze scheepvaart
vrij verklaarde, en in 1719 Triest en Piume tot
vrijhavens verhief, waar tal van nautische in-
richtingen gevestigd werden, gingen beide steden,
doch bovenal Triest, snel vooruit. Vooral na
de Napoleontische oorlogen, [toen de stad nog
een tijd lang (1797—1805) onder Fransch gezag
kwam,| geraakte Triest tot bloei en werd een
geduchte mededingster van Venetië. In 1849 werd
de stad met haar grondgebied tot een rijks-
onmiddelbare stad verheven. De verbinding door
spoorwegen met het binnenland in 1857 was
aanleiding tot verbetering der haven, waarmede
in 1867 werd aangevangen. Sedert is de stad
tot een der grootste Middel-Europeesche havens
ontwikkeld.
De ligging is ook in vele opzichten gunstig.
De golf, waaraan de stad ligt, vormt een der
verst naar het noorden zich uitstrekkende in-
hammen van de Adriatische Zee, en is tegelijker-
tijd het zuidelijke eindpunt van dien belangrijken,
door de natuur aangewezen landweg, welke de
vruchtbare laaglanden van de Weichsel en de
Oder op de kortste wijze met de Middellandsche
Zee verbindt. Deze weg loopt van he tN. langs de
March tot de Donau (Weenen), kruist de Alpen in
den lagen Semmering peis, en vervolgens meest de
breede dalen van onderscheidene rivieren volgend,
komt hij nabij de zee, waar evenwel de waterarme
hoogvlakten van het Karst-plateau de afdaling
verhinderen, zoodat men langs een omweg te
Triest aankwam. Dit laatste was een hindernis,
en had dan ook ten gevolge, dat de ontwikkeling
van Triest niet van de stad zelve uitging, maar
van buiten af bevorderd werd. Toen Karel VI
Triest tot een handelsstad wilde verheffen, wist
hij Grieken, Italianen, Belgen, Nederlanders en
Duitschers te winnen tot vestiging, en van dezen
verkregen de Italianen het overwicht.
De ontwikkeling en bloei van Triest, welke
stad in deze eeuw gouden dagen beleefd heeft,
lijdt thans eenigszins aan den stilstand van \'tver-
keer. Verschillende oorzaken werken hiervoor sa-
men. Vroeger was de „Oostenrijksche Zuidbaan"
de eenige spoorweg dwars door de Alpen, en thans
telt men er niet minder clan zes. Een gedeelte
van het verkeer van Midden-Europa naar de
Levant enz., dat vroeger alleen over Triest ging
volgt thans andere wegen. Daarbij komt, dat
(4000), beroemde zoutwerken. — Wildbad-
Gastein,
bekende badplaats.
3.    Het vorstelijk graafschap Tirol en Vor-
arlberjr. Innsbruck (23000) aan de Inn. Weverij;
handschoenen, machinefabrikatie en glasfabri-
katie. — Botzen (12000) aan de Eisack nabij de
monding in de Etsch, belangrijke handel op
Italië (4 missen), en ooft- en wijnhandel. —
Meran, badplaats. — Trient (21000) zijdeteelt
en zijde-industrie, wijnbouw, handel. — Roveredo,
zijdehandel. — Bregenz (7000) aan de Bodensee,
haven, zijdeindustrie.
4.     Het hertogdom Stiermarken. Graz.
(112000) aan de Mur, machinefabrieken en ijzer-
industrie, papierfabr. en andere. Handel, —
Marburg, a. d. Drave.
5.   Het hertogdom Karinthië. Klagenfurth
(20000), ijzer-, lood- en Ieder-industrie, en weve-
rijen. — Villach (7000) loodwit; lood-en ijzer-
handel. — Bleiberg, met loodinijnen in de nabij-
heid.
6.     Het hertogdom Kruin Laibach (29000),
fabrieken en graanhandel. Idria (4000) kwik-
zilver, bergwerk.
7.     Het Kustland. Görz (21000) a. d.I.sonzo,
schilderachtig gelegen, „winter-kurort" het
Oostenrijksche Nizza. Fabrieken ; ooft- en wijn-
bouw. — Capo d\'Istria (8000) haven, scheeps-
bouw, zeezout. — Rovigno (10000;, haven,
handel. — Pola (32000) belangrijkste oorlogs-
haven van Oostenrijk.
Triest. (145000) is een vrijhaven aan de
golf van denzelfden naam gelegen, met voor-
treffelijke haveninrichtingen. Het is de belang-
rijkste zeehaven van het rijk. De Oo.s/e>inj/.sch-
Hongaarsche Lloytl,
in 1833 opgericht heeft hier
een belangrijk zeeverkeer gevestigd, en onder-
houdt vooral betrekkingen met de Levant, de
Zwarte Zee, de Roode Zee, Indië en Brazilië.
In 1891 bezat zij 74 schepen met 122321 tonnen
inhoud. De haven werd in 1891 door 7835 sche-
pen (1474865 tonnen) binnengeloopen. Scheeps-
werven, fabrieken enz.
Ontwikkeling van Triest als handelshaven.
Triest is een stad door de Romeinen gesticht
met strategische bedoelingen. Hadden de Ro-
meinen een handelshaven willen aanleggen, zij zou-
den zeker de gunstiger gelegen bocht van Muggia
in de nabijheid gekozen hebben, waar de handels-
haven Aquileja ontstond. Het Romeinsche Ter-
yeste
(de naam, dien de Romeinen aan hun ves-
üging gaven) bleef lang een onbeduidende stad,
vooral doordien de machtige Republiek Venetië
den handel van de Adriatische Zee gedurende
de middeleeuwen beheerschte, en de opkomst
-ocr page 108-
100
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
Hongarije zijn overzeeschen handel in Fiume
concentreert. De export van industrie-artikelen
uit de Noord-Sudeten en Beneden-Oostenrijk
volgt tegenwoordig veel den goedkoopen water-
weg over de Elbe, om van Hamburg uit geëx-
porteerd te worden. Daarenboven reiken tegen-
woordig consument en producent elkander meer
en meer de hand over de wereldzeeën, waardoor
de tusschenhandel veel van zijn beteekenis ver-
liest, en aanzienlijke handelshavens meer en meer
tot transito-havens verminderd worden. Onder
deze richting van den handel lijden vele havens,
ook de Nederlandsche.
Van de vreemde schepen in de haven van
Triest nemen de Britsche de eerste plaats in.
Daarop volgen de Italianen en de Grieken; de
laatsten weten zich zeer goed een plaats te ver-
overen.
8.    Het koninkrijk Dalmatië. Zara (11000),
fabrikatie van rosoglio (een gekruiden brande-
wijn) en marasquin. — Spolato (16000), weve-
rij, visscherij, handel. — Lissa (4000) oorlogs-
haven, op het eilandje van dien naam.
9.    Het koninkrijk Bokemen. Praag (met de
voorsteden 310000 inw.), gelegen in het hart van
Bohemen aan de Moldau, waar deze voor kleine
schepen bevaarbaar wordt, is het middelpunt der
spoorwegen en van den handel des lands en de
belangrijkste fabriekstad. De industrie bestaat
bovenal in katoendrukkerij en weverij, machi-
nefabriekatie, ledervverk, handschoenen, fabrika-
tie van gouden en zilveren artikelen. De stad heeft
een overheerschend Slawisch karakter daar de
Slawen ook de meerderheid der bevolking uitma-
ken (Tschechen). — Budweis (28000) Duitsche
bevolking ; potlooden, porcelein-fabrieken, tabak-
en suikerfabrikatie. — Pilsen (50000) bierbrou-
werijen, chemische fabrieken, glasfabrikatie. —
Mariënbad, Franzensbad, Karlsbad, Teplitz
bekende badplaatsen. — Reiehenberg (81000)
na Praag de belangrijkste industrie-stad des
lands ; wol, kousen, machines.
10.   Het koninkrijk Moravië, Brünn (49000),
eerste fabriekstad der monarchie, wolspinnerij
en weverij, ververij, machinefabrikatie. —
Iglau (24000), Duitsche bevolking te midden der
Slawen ; lakenfabrieken, tabak, glasslijperij. —
Prossnitz (21000) textiel-industrie, graanhandel.
— Olmütz (20000) a. d. March, leerlooierij,
weverij.
11.  Het hertogdom Silezië. Troppau (23000),
en Jagerndorf (14000 bew.) industrie, suiker-
fabrieken.
12.    Het koninkrijk Galicië en Lodomiriën,
en het hertogdom Kiikowina. Dit gebied be-
staat uit de noordelijke en noordoostelijke af-
helling van het Karpaten-gebergte met zijn wouden
en weiden, en maakt verder deel uit van een laag-
plateau, dat zich in Rusland voortzet. Het N.W.
behoort tot het Weichselgebied, het Z.O. tot dat
van Diijester en Pruth. De aansluiting bij Rusland
geeft aan deze landstreek een sterk uitkomend
continentaal klimaat, met ruwe en strenge winters,
maar de zomer duurt nog lang genoeg, om te
maken, dat de benedenste hellingen der Karpa-
ten met uitgestrekte beukenwouden bedekt wor-
den, vooral in Bukowina.
Lemberg (128000), hoofdplaats der industrie
en van den handel; wolmarkt. —Brody (18000)
handel met Rusland. — Tarnopol (26000) sui-
kerfabrieken, leerlooierij, paardenhandel. —
Stanislawow (22000) machinefabrieken, graan-
handel. — Kolomea aan de Pruth (30000) handel.
—  Przemysl (35000) aan de Sau, linnenweverij,
leerlooierij. — Tarnow (28000); linnen, leer.
—   Wieliczka, beroemde zoutmijnen. — Kra-
kau
a. d. Weichsel (95000 inw. met de voor-
steden) ; laken en lederindustrie. — Czernowitz
a. d. Pruth, (54000) papier; brons- en machine-
fabrieken.
13. Het koninkrijk Hongarije en Zevenbur-
gen. Het thans te bespreken landgebied wordt in
het noorden en oosten omsloten door de Kar-
paten,
een bergketen, die zich met een boog van
de Donau ten N. van Presburg tot bij Walla-
chije uitstrekt. Ten N. van Presburg op de
grens van Moravië strekken de Kleine Karpaten
zich uit naar het N.O., waarbij zich de Weste-
lijken Beskiden
aansluiten op de zuidgrens van
Silezië en Galicie. Ten Z. hiervan verheft zich
de Hooge Tatra en nog verder zuidelijk schuift
het Hongaarsche Ertsgebergte, een onregel-
matig bergland, in de Hongaarsche vlakte voor-
uit. De Oostelijke Beskiden gaan naar het O.
over in de Karpaten, ook wel het Karpatische
Woudgebergte
geheeten, naar de dichte wou-
den, waarmede het bedekt is. De Westelijke
Beskiden worden van een spoorweg doorsneden
van Teschen naar Kremnitz, de Oostelijke Beski-
den tusschen Tarnow en Kaschau, en de Karpa-
ten nog op twee plaatsen, over den Lupkowpas naar
Przemysl en over den Baloczpas naar Lemberg.
In het Z. sluit zich het woudrijke Hoogland
van Zevenburgen
bij de Karpaten aan. Dit
is een land, dat in het midden uit een golvenden
bodem bestaat, en naar het O. en Z. door hoo-
gere oudere gebergten is afgesloten, in het Z.
nl. door de Transsylvanische Alpen. Naar het
W. sluit het Biharia-geb. Zevenbergen niet vol-
ledig af.
De lange keten der Karpaten ontstond door
evenwijdige opplooiing der aardlagen tot een
hoefijzervormige boog, welke het N. O. einde
der Alpen met het N. W. einde van het Bal-
kanstelsel verbindt. Aan den binnenkant van
die boog zijn de aardlagen door een verzakking
in de diepte weggezonken. De Oost-Alpen ver-
-ocr page 109-
101
HANDELS-AARDRIJKSKTJNDE.
Ofen en Pest (Buda-Pest) (492000 inw).
Hongaarsche hoofd- en resideutiestad, bestaat uit
het op de laatste uitloopers der Alpen nog al hoog
gelegen Ofen rechts, en het zacht oprijzende Vest
links van de Donau, door bruggen verbonden.
De bewoners zijn naar de nationaliteit ± 67 °/0
Magyaren, 23,7 % Duitschers, 5,6 % Slawen.
De groote meerderheid is katholiek. Ook be-
vinden zich hier ruim 100000 Israëlieten. De
belangrijkste tak van industrie zijn de molens,
die jaarlijks ± 4,6 mill. inetr. centenaars meel
opleveren. Verder vele machinefabrieken (31),
ijzergieterijen, scheepsbouw, groote bierbrou\\ve-
rijen, 2 staats tabak- en sigarenfabrieken (met
meer dan 2000 arbeiders) de Hongaarsche wa-
penfabriek. Veel handel in tarwe, meel, brand-
stoffen, leder, wol, wijn, rundvee, varkens enz.
C. Steden tusschen de Donau en de Theiss:
Zambor (26000 inw.), graan* en veehandel.
Maria-Theresiopel (Szabadka) (73000 inw.),
linnenweverij, ververij, leerlooierij, veehandel.
Félegyhaza (30000 inw.), landbouw en veeteelt,
wijnbouw, ooftbouw, tabak. — Kecskemét (48000
inw.), veeteelt, tabak, wijn, zeepfabrikatie. —
Nagy-Körös (25000 inw.) en Czegléd (28000
inw.), met landbouw en veeteelt.
L\\ In het Hongaarsche Ertsgebergte en omstreken
liggen vele fabrieksteden. Neutra (14000 inw.).
Schemnitz (Selmecz) (15000 inw.), en Krem-
nitz (Körmöczbanya) met goud- en zilvermijnen.
Kaschau (Kassa) (29000 inw.), fabrieken, han-
del in produkten des lands. Miskolcz (30000
inw.), machinefabrieken, molens, graan- en ooft-
bouw; wijn. Erlau (22000 inw.), wijnbouw;
weehndustrie.
E.  Aan de Theiss liggen: Munkacs (11000 inw.)
ijzer- en aluingroeven. Tokaj (450Ó inw.), be-
roemde wijn. Szolnok (21000 inw.), machine-
fabrieken, molens. Congrad (21000 inw.). Szentés
(31000 inw.), wijnbouw. Szegedin (86000 inw.),
aan den mond der Maros; papier-, tabak- en
zeepfabrieken; handel in produkten des lands.
Zenta (26000 inw.), veeteelt.
F.    Ten O. van de Theiss en in Banaat: Nyire-
gyhaza (27000 inw.), soda, minerale bronnen.
Debreczen (57000 inw.), eerste varkensmarkt;
vleeschwarenfabrieken. Csaba (34000 inw). Bé-
kés (25000 inw.). Arad a. d. Maros (42000 inw.),
fabrieken en handel. Temesvar (40000 inw.),
zijdeteelt, looierij, weefindustrie.
Kroatië en Slavenië. Agram (Zagrab) (38000
inw.), aan de Sau; tabak-, steengoed- wijnsteen-
fabrikatie. Warasdin (Varasd) (10000 inw.).
De haven van het Hongaarsche Rijk is Fiume
(29000 inw.), aan de golf van dien naam. Door
de verbinding met sporen en de begunstiging
der regeering is de stad snel vooruit gegaan,
toonen die afbreking der aardlagen in het oosten
duidelijk, en vulkanische gesteenten aan den
binnenkant der Karpaten wijzen eveneens op
dergelijke verzakking. Dat weggezonken ge-
deelte is later met water bedekt en vormde een
meer, waarin de Donau, en de andere rivieren
van de omringende gebergten, vaste stoffen aan-
voerden en tot regelmatige lagen nederlegden.
Dit meer werd met het einde van den Tertiairen
tijd langzaam drooggelegd door betere afstroo-
ming der Donau langs de IJzeren Poort, en al-
dus ontstond de Hongaarsche Laagvlakte. Door het
Bakonyer woud en het Visegrader gebergte
wordt die vlakte gescheiden in de Kleine Hon-
gaarsche Laagvlakte in het N. W. en de
Groote Hongaarsche Laagvlakte in het Z. O.
De Hongaarsche vlakte heeft een scherp ge-
teekend vastelandsklimaat met heete zomers en
koude winters. De gebergten, welke de vlakte
omsluiten, berooven de winden van hun vochtig-
heid, en de ongelijkmatige verdeeling van den
regen over het jaar (zomerregen) heeft ten ge-
volge, dat de woudgroei wordt belemmerd. De
boomlooze vlakte wordt over groote uitgestrekt-
heden geheel een steppe, hier „poesta" ge-
heeten, d. i. woeste vlakte. De zomerregen doet
echter de granen goed gedijen, en de tarwe levert
er rijke oogsten. Aan de hellingen der gebergten
groeit een heerlijke wijn. Verder is de veeteelt
(zie pag. 95) in Hongarije algemeen.
Zevenburgen. Kronstadt (Brassó)1) (31000
inw. meest Duitschers) eerste fabrieks- en handels-
stad, laken, katoen, leder. Hermannstadt (21000
inw., meest Duitschers) papier-, suiker-, kaarsen-
en hoedenfabrikatie. Klausenburg (Hong. Ko-
lozsvar)
(33000 inw., meest Magyaren) fabriek-
stad, en handel.
Honiriirijë. A. Tusschen de Donau en deDrau:
Odenburg (27000 inw.) laken- en suikerfabrie-
ken, veemarkten. Stuhlweissenburg (Székes-
Fejérrar)
(28000 inw.) wolindustrie, wijnbouw,
veemarkten. Fünfkirchen (Pécs) (3400Ó inw.),
veelvuldige industrie, wijn-, ooft- en tabaks-
bouw: zwijnenhandel.
B. Steden aan de Donau: Presburg (Pozsony)
(52000 inw.), fabrieken, daaronder de grootste
dynamietfabriek van het vasteland, expeditie-
handel. — Raab (Györ) (23000 inw.), lakenfabrie-
ken, graanhandel. Komorn (Komarom) (13000
inw.), wijnbouw. — Waitzen (Vacz) (14000 inw.),
wijnbouw, veemarkten.
\') Vele steden in Hongarije hebben behalve de naineu,
waaronder zij algemeen bekend zijn, nog eigen Hon-
gaarsche namen. Wij geven ook deze op tusschen ( ).
De letters cz en tz spr. uit als t% — es en ts ais
<<•ƒ• — zs als de Fransche j. — gy als dj en dus Magyaren,
spr. uit: Mddjaren.
-ocr page 110-
102
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
en heeft een levendigen handel, hoewel het niet
tegen Triest kan concurreeren.
Bosnië en Herzegowina. Van dit gebied is
ongeveer 44 °/0 der oppervlakte door bosch be-
dekt, 24,7 ü/0 is bouwland, 16,7 % is grasland
en 14 °/0 ligt woest. De grond is zeer vrucht-
baar, doch de landbouw staat nog op een zeer
lagen trap. Maïs is het hoofdprodukt des lands ;
verder verbouwt men: tarwe, gerst, haver, aard-
appelen
enz. Het land is buitengewoon rijk aan
ooft, vooral aan pruimen; wijn oogst men in
Herzegowina. De bergbouw is onder het Oosten-
rijksch bestuur zeer vooruit gegaan; men vindt
er ijzer, koper en mangaanerts enz. alsmede bruin-
kolen.
De kleinindustrie en huisnijverheid werken
hier nog voor de behoeften ; grootindustrie komt
meer en meer op, als: papierfabrikatie, tabaks-
nijverheid en bierbrouwerij.
Serajewo (11000 inw.), leerlooierij en andere
fabrieken. Mostar (13000 inw.), aan de Narenta,
Wapenfabrieken; zijdeteelt en wijnbouw.
Het Koninkrijk België.
(Grootte 29457 K.M4. — Bewoners 0130444 (op einde
18U1). — Bewoners per K M.» 209).
§ 84. Natuurlijke gesteldheid des lands enz.
Het kleine koninkrijk België ligt tusschen Neder-
land, Pruisen, Luxemburg, Frankrijk en de
Noordzee. Van het zuidoosten af vormt de
bodem een overgangsland tusschen het Itijnsche
Leisteengebergte
(zie pag. 62) in het Plateau
van Lotharingen
(pag. 65) naar de kustvlakte,
die zich langs de Noordzee uitbreidt. Het berg-
land der Ardennen, dat het zuidoosten des
lands inneemt, kan als eene voortzetting van
genoemde berglanden, en in \'t bijzonder van de
Eifel en Hohe Venn beschouwd worden. De
Ardennen vinden naar het noorden en westen
hun grens in het dal der Maas. Zij vormen een
hoogvlakte (de hoogste punten zijn dz 600 a 700
M. hoog) (van Silurisch-Devonische formatie en
behooren dus ook in geologisch opzicht tot bo-
vengenoemde gebergten), die van eenige rivier-
dalen (Ourthe, Lesse, Semoy) in grillige kron-
kelingen doorsneden is. De steensoorten wor-
den gevormd door leigesteenten, zandsteen en
grauwakke. Over \'t geheel heeft de hoogvlakte
een ernstig, somber karakter (evenals de Eifel)
en in de hoogste gedeelten is zij met heiden
en hoogvenen (in de Hautes Fagnes = hooge
venen), bedekt. De bevolking is hier zeer ge-
ring en heeft zich hoofdzakelijk in de rivierdalen
gevestigd. In den zomer worden de dorpen
veel voor zomerverblijf bezocht.
Ten noorden van het eigenlijke gebied der
Ardennen ligt ten zuiden langs de öambre en
Maas een breede gordel lands van minder dan
300 meter hoogte, die als een overgang van
het heuvelland tot het bergland kan beschouwd
worden, hoofdzakelijk uit zandsteen en kalkge-
steenten bestaande. Hier liggen de landschappen
Fagne (ten W. der Maas), Famenne en Comlroz
(ten O. der Maas) en Heroe (ten N.O. van Luik).
Over \'t geheel is de bodem er niet zeer vrucht-
baar, uitgezonderd het land van Herve, dat door
den leembodem zeer goede weiden (60 pet.) en
bouwlanden oplevert. In het land van Condroz
vindt men een 40—50 meter hooge rug langs
de Maas, die uit Devonischen zandsteen bestaat,
en waarbij zich noordelijk de steenkolenforniatie
aansluit, zoodat de rijkdom aan kolen, ijzer,
zink
en lood tusschen Namen en Luik de aanlei-
ding tot de bloeiende industrie van België ge-
worden is.
Tusschen de Maas en de Schelde breidt zich
een golvend heuvelland uit, dat van ongeveer
200 M. hoogte in het Z. O. tot 50 M. in het
noorden daalt, en van vele schilderachtige rivier-
dalen doorsneden is. De bodem is meest in
den Tertiairen tijd der aardgeschiedenis gevormd,
en wordt van de Borinage in Henegouwen tot
het land van Hesbai/e ten W. van Luik met een
vruchtbare diluviale klei of leem, loss (in het
zuiden van onze provincie Limburg vindt men
dezelfde kleisoort), en mergelgrond bedekt, die
voor tarwe en suikerbieten zeer goed geschikt is.
Verder noordelijk wordt de bodem meer zandig
en minder vruchtbaar; toch groeien ook hier,
waar de grond kalk- en mergelhoudend is, alle
graansoorten, alsmede vlas, tabak en cichorei.
Ten N. en N.W. van het heuvelland ligt de
vlakte van Vlaanderen en Antwerpen, die van
± 50 M. hoogte tot beneden den zeespiegel daalt.
Langs de zeekust strekt zich een duinenrij uit
en achter deze ligt een strook van 10 tot 15 K.M.
breed, bestaande uit lage, vruchtbare kleigron-
den, overeenkomende met die in Holland, en
ook als deze grootendeels tot polders bedijkt.
Hier heeft men de meest intensieve cultuur, en
in het dicht bevolkte land is de bodem schier
tot tuinen verdeeld, welke op zeer afwisselende
wijze bebouwd worden. Ten O. van Antwerpen
strekt zich op de zacht golvende zandgronden,
die in Nederlandsch Noord-Brabant eene voort-
zetting vinden, een uitgebreide heide uit, zoo
hier en daar met zandverstuivingen overdekt.
Dit zijn de Kempen of Campine. Nabij de
verstrooid liggende dorpen is de bodem als in
oasen ontgonnen. In het N. O. wordt de ont-
ginning bevorderd door kunstmatige irrigatie
met het water, dat uit de rivier de Maas wordt
aangevoerd.
Rivieren. Het oostelijk deel van België be-
hoort tot het stroomgebied van de Maas, die
in Frankrijk ontstaat, in den middelloop tot
België en in den benedenloop tot Nederland
behoort. De belangrijkste linker bijstroom is
-ocr page 111-
103
HANDELS-AARDKIJKSKUNDE.
regenhoeveelheid neemt naar het Z.O. met de
hoogte des lands toe (70—80 c.M. op de vlakte
en het heuvelland; 80—100 c.M. ten Z. der
Maas en 100—150 c.M. in de hoogste gedeelten).
De meeste regen valt in den herfst en in
den zomer; in de Ardennen ook wel in den
winter.
§ 85. Bevolking, staatsbestuur, leger, kerk en
school.
De ligging van België, in een gebied
waar onderscheidene volkengroepen tijdens de
verhuizingen elkander kruisten, heeft ten ge-
volge gehad, dat er verschillende volkselementen
gevonden worden. Hoofdzakelijk twee groepen,
de Germaansche Vlamingen en de Keltische
Walen maken thans de hoofdbestanddeelen der
bevolking uit.
In den oudsten historischen tijd, die met de
komst der Romeinen begint, was het berg- en
heuvelland door Kelten bewoond. Deze Kelten
werden geromaniseerd (zie pag. 59) en de tegen-
woordige Walen zijn de nakomelingen der ge-
romaniscerde Kelten. De Walen bewonen vooral
het Z.O.; een lijn van Kortrijk naar Visé
(aan de Maas nabij de Ned. grens) getrokken
geeft ongeveer de noordelijke grens van hun
gebied aan.
De vlakte en het heuvelland werden in den
ouden historischen tijd en gedurende de middel-
eeuwen door verschillende Germaansche stammen
overstroomd, die Vlamingen genoemd werden.
In het bergland, een natuurlijke vesting, hielden
de Walen tegen de uit het noorden binnen-
dringenden stand, en bewaarden daar hun
nationaliteit. De Vlaming, met zijn blond haar,
grooter gestalte en blauwe oogen (van Saksisch
ras) is gemakkelijk van den donkeren Waal met
hoekig gelaat en scherpe lichaamsvormen, kleiner
gestalte en grooter levendigheid, te onderscheiden.
De Vlamingen spreken de Nederlandsche taal,
{Vlaamsch genoemd), die in België naast het
Fransch als officieele taal erkend is. Sedert een
zestigtal jaren hebben de Vlamingen een warmen
strijd gevoerd voor het handhaven hunner taal;
dien strijd noemt men de Vlaamsche beweging, en
zij is gedeeltelijk met succes bekroond.
De Walen hebben hun eigen Waalsche taal,
maar spreken allen ook Fransch. Doch behalve
bij de Walen is het Fransch bij vele Vlamingen
algemeen in gebruik, of kan het gesproken wor-
den. België heeft derhalve twee talen. Volgens
de statistiek der volkstelling van 1890 spraken
in België 45,2 pet. der bevolking Vlaamsch,
40,9 pet. Fransch en 11,5 pet. beide talen.
België is na Saksen het dichtst bewoonde
land van Europa. De ontwikkeling van landbouw
en nijverheid geven aanleiding, dat op een kleine
oppervlakte een talrijke bevolking kan gevoed
worden. De verdeeling der bevolking over het
land leeren wij uit het volgend overzicht kennen.
de Sambre (bij Namen), die aan den mond be-
vaarbaar is. Rechts ontvangt de Maas de Semoy,
die
met een sterk kronkelenden loop door
een schoon dal in de Ardennen stroomt („Klein
Provence" genoemd wegens het zacht klimaat);
de Lesse, (met de Grot van Han) en de Ourthe
met de Amblève en Vesdre. In deze rivier-
dalen heeft zich veel industrie ontwikkeld.
De Maas zelve is in België voor 128 K.M. be-
vaarbanr, hoewel het veel moeite kost haar
eenigszins aan de eischen eener bevaarbare rivier
te laten voldoen.
De Maas is de hoofdrivier van het bergland,
de Schelde die van het heuvelland en de vlakte.
De Schelde is voor den handel de belangrijkste
rivier des lands. Ontstaan in Frankrijk, wordt
zij reeds bij Doornik bevaarbaar, neemt bij Gent
de Lys of Leye op, bij Dendermonde de Dender,
bij Rupelmonde de Rupel, (ontstaan uit de samen-
vloeiing van Senne, Dyle en Nethè), en stroomt
voorbij Antwerpen, om in den zeearm der Wester-
Schelde nabij de Nederlandsche grens uit te
monden. In \'t geheel over 240 K.M. bevaarbaar,
heeft de Schelde bij Antwerpen een diepte van
10 meter. De vloed doet zich tot voor deze
stad gevoelen; te Antwerpen bedraagt het ge-
middeld verschil in waterstand bij eb en vloed
43 d.M. Hierdoor is Antwerpen voor groote
zeeschepen te bereiken. De mond der Schelde
behoort aan Nederland, doch de vaart is voor
België vrij. Van 1648 tot 1792 kenden de
Nederlanders zich het recht toe de Schelde door
tollen af te sluiten, en ook na 1830 trachtte men
aanvankelijk dit recht te handhaven, maar se-
dert lang zijn reeds alle belemmeringen afgeschaft.
Het land is verder door een net van 32 groote
kanalen doorsneden, tezamen met 776 K.M.
lengte, terwijl in \'t geheel de 49 kanalen ± 1000
kilometer lengte bezitten.
Kanalen. De belangrijkste kanalen zijn:
Van Yperen naar Nieuiopoort, het oudste kanaal,
in 1251 gegraven. —• Het kanaal von Charleroi
naar Brussel
(73 K.M.). — Het Kempenkanaal
(86 K.M.) van de Maas naar de Schelde. —
Het Zuid- Willemskanaal van Maastricht naar
den Bosch (45 K.M.). — Het kanaal van Gent
over Brugge naar Ostende
(72 K.M.). — Het
kanaal van Gent naar Terneuzen. — Het kanaal
van Turnhout naar Antwerpen (37 K.M.).
Klimaat. Het klimaat van België staat door
de heerschende westenwinden onder den invloed
van den Atlantischen Oceaan en is derhalve een
zeeklimaat (zie pag. 54). Naar het zuidoosten,
op de Ardennen wordt het klimaat meer con-
tinentaal. De gemiddelde temperatuur te Oostende
is 10,3° C, in Brussel 10,3° C. en in Luik
10,2° C. In het westen is de zomer iets koeler
dan in het oosten, de winter omgekeerd. De
-ocr page 112-
AARDRIJKSKUNDE.
Oppcrvl.
Inwonon op
Inwoners
in KM 3
31 Dec. 1890.
op 1 K.M.1
Antwerpen . .
2 831,7
699 919
248
Brabant . . .
3 282,9
1 106 158
337
West-Vlaanderen
3 233,8
738 442
228
Oost-Vlaanderen.
3 000,3
949 526
316
Henegouwen . .
3 721,6
1 048 546
282
2 894,8
756 734
262
Limburg . . .
2 412,0
222 814
92
Luxemburg . .
4 418,3
211 711
48
Namen ....
3 660,2
335 471
92
België ....
29 457,0
6 136 000
209 *)
reeds aangetoond, hoe de geographische ligging
in verband met de historische omstandigheden
een belangrijke factor in de ontwikkeling van
dit economisch verschijnsel was.
Ongelukkig begon in de 15(ie eeuw de natuur
den Vlaamschen steden onoverkomelijke hinder-
nissen in den weg te leggen door het verzanden
van vele havens. Brugge, in het midden der
14de eeuw nog de groote zeehaven dezer streken,
de zetel der Duitsche en Engelsche kooplieden,
de stapelplaats der Vlaamsche fabrieksgoederen,
zag sedert het begin der 15de eeuw zijn toegang
uit zee, het Zwin, meer en meer verzanden, een
euvel dat jaar op jaar toenam, zoodat hot eindelijk
geheel van de zee werd afgesloten. Damme en
Sluis (in Zeeuwsch Vlaanderen) troffen hetzelfde
lot, en de handel in dezo steden ging snel achter-
uit. Vooral in Brugge was het verval snel en groot.
De stad, die eene eeuw te voren Venetië\'s
handelsvloten nog voor hare muren zag komen,
waar Engelsche, Schotsche en Spaansche wol
en Fransche wijnen met het damast, de reuk-
werken en edelgesteenten van den Levant, de
korenoogsten van Frankrijk en de Oostzeekust,
de pelswerken van Rusland, het hout van Skan-
dinavië, het ijzer van Spanje en de zijde van
Italië samenstroomden, waar de geldhandel een
ongekend groote vlucht had genomen, en het
crediet zijn eerste ontwikkeling beleefde (zie
pag. 12 over beurzen, noot) zij was omstreeks
1500 slechts een schaduw van haar vroegere
machtsontwikkeling. Want hoewel de bewoners,
bouwend op vroeger verworven rijkdommen, nog
door wereldvertoon trachtten te schitteren, de
kaden, eens bedekt met de vrachtkarren en in
rijen omzoomd met schepen, waren ledig, en het
gras groeide in de eertijds drukke straten.
De erfenis van Brugge werd door het gunstig
gelegen Antwerpen aan de Schelde aanvaard, en
in het begin der 16de eeuw werd deze stad de
rijkste koopstad van Europa. Evenwel, de oor-
logen der Nederlanden met Spanje, waarbij
Amsterdam in 1578 de zijde der Staten koos,
terwijl Antwerpen aan Spanje bleef, het bezit
van den mond der Schelde in de handen der
noordelijke Nederlanden, dit waren historische
gebeurtenissen, welke den handel en de nijver-
heid van Antwerpen gedurende de 17de en de
18d0 eeuw zware slagen toebrachten. Het
Spaansche en Oostenrijksche bestuur was voor
de zuidelijke Nederlanden niet voordeelig, en de
bijna voortdurende oorlogen, welke dit land tot
het algemeene slagveld maakten, werkten verder
mede om een vernieuwde economische ontwikke-
ling tegen te houden. Eerst in het laatst der
18du eeuw begon de landbouw in deze gewesten
iets vooruit te.gaan.
De vereeniging van België met Nederland van
1815—1830 was voor de ontwikkeling van eerst-
genoemd land niet onvoordeelig. De regeering
Hieruit blijkt, dat de bergachtige gedeelten
des lands het dunst bevolkt zijn, de vlakte van
Vlaandoren het dichtst.
De Katholieke godsdienst is algemeen in België;
men vindt er slechts 15000 Protestanten en 3000
Israëlieten, meest in Brabant en Antwerpen.
Het lager onderwijs laat nog veel te wenschen
over; volgens de volkstelling van 1890 kondon,
na aftrek dor kinderen beneden 8 jaren, slechts
74.96 pet. der bevolking lezen en schrijven.
België is na de afscheiding van Nederland
(1831) een constitutioneele monarchie. De wet-
gevende macht wordt uitgeoefend door den koning
en twee kamers der volksvertegenwoordigers,
welke door een zeer uitgebreid kiesrecht (wet
van Sept. 1893) gekozen worden.
Het leger bestaat uit vrijwilligers en een
nationale militie, door loting aan te wijzen uit
hen, dio het 20slc jaar zijn ingetreden. De staat
zorgt zelf voor plaatsvervangers, tegen een vrij-
koopsom van 1800 francs. Het leger bestaat
in vredestijd 13300 manschappen (alles tezamen
uit 50005). België is door de mogendheden als
een neutrale staat erkend en derhalve dient het
leger tot verdediging van het land en van de neutra-
liteit. Antwerpen is het centraalpunt van het
vestingstelsel dos lands, terwijl langs de Maas
een rij van bevestigde punten, de zoogenaamde
Maadinie, ter verdediging dienen.
§ 86. Ontwikkeling van handel en nijver-
beid in
België. België, dat in de middeleeuwen
tot de Nederlandsche gewesten behoorde, was
in dien tijd reeds een land, bloeiende door han-
del en nijverheid. De Vlaamsche steden als
Brugge, Gent, Yperen en Antwerpen e. a. hadden
tijdens de middeleeuwen door levendigen handel
(zie pag. 45) een groote beteekenis in West-
Europa, en mot recht werd er van een wereld-
handel gesproken, waaraan een buitengewoon
drukke fabrieksnijverheid, vooral van weeffabri-
katen, gepaard ging. Op pag. 45 hebben wij
\') Door optelling zal men niet zuiver de onderstaande
cijfers verkrijgen Wij ontleenden deze opgaven aan ver-
schilleudc bronnen en daardo >r ccm<* verschil. Dit doet
echter aan de hoofdzaak geen nadeel.
v
-ocr page 113-
105
H ANDELS-A ARDRT.TKSKTJNDE.
trachtte van het zuiden een industrieland te
maken, waartoe het ook was aangewezen door de
minerale voortbrengselen des lands, terwijl men
den handel in het noorden dacht te concen-
treeren. Daarom werd de nijverheid in het zui-
den ten zeerste bevorderd. Aan de hulp der
regeering was het te danken, dat te Seraing (bij
Luik) eene zeer groote fabriek voor machines
werd opgericht, die met de boste in Engeland
kon wedijveren. En ook de bergbouw nam in
dien tijd zeer toe in bloei.
De langdurige vrede, die na de afscheiding
van 1830 voor België volgde, was voor de
ontwikkeling der nijverheid in dat land van
groote beteekenis. Snel verhief België zich tot
een eersten industrie-staat, waartoe de kolen- en
ijzerrijkdom het in staat stelde. De ligging te
midden van welvarende staten, en het bezit van
een net van goed bevaarbare wateren werkten hier-
toe mede. Daardoor verkreeg de moderne groot-
industrie hier een buitengewone vlucht. Terwijl
België in 1850 nog slechts 3374 stoommachines
met 65930 paardenkracht telde, vond men in
1891 er reeds 18630 stoomketels en 18304 mo-
toren, te zamen met 936486 paardenkrachten.
Eigenaardig is het in België, dat de Waalsche
bevolking zich hoofdzakelijk op bergbouw en
metaalindustrie, de Vlaamsche meer op handel
en zeevaart toelegt, terwijl de textiel-industrie
en landbouw door beide worden beoefend.
Aanvankelijk werd België\'s handel nog be-
lemmerd door de tol, die Nederland op den
Scheldemond hief, welke echter in 1863 door
België werd afgekocht, en tevens kocht dit land
het recht van een gelijkstelling der Belgische
schepen met de Nederlandsche op de overige
wateren tusschen de Schelde en de Rijn. Daardoor
kon Antwerpen weder de gelukkige concurrent
worden van Amsterdam en Rotterdam. En door
den voortvarenden aanleg van een dicht spoor-
wegnet, dat de goedkoope en snelle verbinding
met Duitschland, Oostenrijk en Frankrijk tot
stand bracht, werden Antwerpen en Ostende
spoedig bloeiende havenplaatsen met drukken
handel, gedeeltelijk ten koste van Nederland,
dat in den aanleg van spoorwegen te lang
achter bleef.
Een aanzienlijk deel van den Duitschen han-
del werd hierdoor van Amsterdam en Rotter-
dam naar Antwerpen verplaatst. Het is dus
geen wonder, dat België\'s handel verbazend is
toegenomen in de laatste halve eeuw. In de
eerste plaats nam het transito-verkeer een bui-
tengewone vlucht door de lage tarieven op de
spoorwegen. Doch ook de werkelijke Belgische
handel ging snel vooruit, waartoe de bloeiende
nijverheid veel bijdroeg. Het volgend overzicht
wijst dit duidelijk aan; de cijfers duiden de
waarde aan handelsomzet aan .in mill. franc.
Jaren:
1840
1860
1880
1891
Alg. handel . .
1)Speciaalhandel
Doorvoer....
429,9
345,2
205,6
139,6
43,9
1801,4
985,9
516,5
469,4
408,8
4935,6
2897,6
1680,9
1210,7
1008,4
5966,6
3318,8
1799,8
1519,0
1328,0
Gedurende dit vijftigtal jaren is aldus de han-
del op zijn minst vertienvoudigd.
Wat de handelspolitiek betreft, hangt België
hoofdzakelijk af van de machtige naburen,
met wie hot in betrekking staat, en daarnaar
stelt het zich beginselen. Het vrij-handel-
stelsel heeft België ten zeerste in bloei doen
toenemen, en aan zijn gunstige geographische
ligging groote voordeelen gegeven. Zeker zou
men niet gedacht hebben hiervan af te wijken,
als de naburige landen dit stelsel ook getrouw
waren gebleven, wat, zooals wij zagen, niet het
geval was. Door de beschermende stelsels in
Duitschland en Frankrijk is ook hier een partij
voorstanders van het protectionisme ontstaan,
of liever van reprosaille-maatregelen. Niet zeker
is het of hieraan gevolg zal worden gegeven.
In de geschiedenis van het spoorwegverkeer
spoelt België een belangrijke rol. Men besloot
aanvankelijk tot den aanleg van staatsspoor\\ve-
gen (1834) en exploitatie door den staat. Spoe-
dig echter ontdekte men hierbij groote gebre-
ken, duur beheer en dientengevolge lage renten,
waarom men in de kamers dikwijls op veran-
dering in dezen aandrong. Men besloot in 1844
daarom het beginsel van staatsaanleg te laten
varen, en de reeds geprojecteerde lijnen voor
particulieren aanleg open te laten. Dit ge-
schiedde, doch de staat hield nog eenige der
belangrijkste lijnen in eigendom en exploitatie,
zoodat staats-exploitatie er de overhand heeft.
In den jongsten tijd is België als koloniale
mogendheid opgetreden. Koning Leopold II
had het initiatief genomen tot het stichten van
den Kongo-Staat aan de Kongo-rivier in Afrika,
en was souverein van dien staat geworden. De
band tusschen beide staten was echter aanvan-
kelijk slechts van persoonlijken aard. Doch bij
testamentaire beschikking van 2 Aug. 1889
heeft de souverein zijn rechten op den Kongo-
Staat na zijn dood aan België gelegateerd. Én
bij eene overeenkomst van 3 Juli 1890 tusschen
den Kongo-Staat en België is aan dezen staat
\') Men onderscheidt bij de handelsstatistiek generaal\'
handel
of algemeene-handel en speciaal-handel. Bij den
invoer omvat de generaal-handcl alles, wat uit het
buitenland en de koloniën wordt binnengevoerd; met
den speciaal-handel bedoelt men alleen den invoer voor
gebruik in het land. Bij den uitvoer beteekent de
generaal-handel den uitvoer van alle koopwaren, de
speciaal-handel den uitvoer van produkten des lands.
-ocr page 114-
106
HANDELS-AAK
DKIJKSKÜNDE.
pjes in de lagere gedeelten vindt men veel
wilgen en populieren (Kanadasche) geplant, die
aanleiding geven tot mandenmakerij, klompen-
makerij enz., waarmede in het Land van Waes
zich duizenden bezig houden.
De rijkdom aan huisdieren bestond in 1880
uit 272Ó00 paarden, 1383000 stuks rundvee,
365000 schapen (in de Kempen en op de Ar-
dennen), 249000 geiten en 646000 varkens. De
meeste paarden vindt men in Namen en Luxem-
burg. Voor de veredeling van het paardenras
wordt veel gedaan door de Staatsstoeterij te
Tervueren. De bijenteelt bloeit nog in de
Kempen.
B. Bergbouw, enz. Onder de schatten des bo-
dems staat de steenkool boven aan, die in een
streek langs Sambre en Maas gevonden wordt,
en hier bovenal twee hoofdbekkens heeft. In
1891 telde men hier 240 kolenmijnen, waarvan
133 in exploitatie, en waarin 118983 arbeiders
werkzaam waren. De meeste liggen in Hene-
gouwen en Luik. De opbrengst was in 1891
19,7 mill. tonnen. In 1890 werd door België
4,5 mill. tonnen steenkolen en cokes meer uit-
gevoerd dan ingevoerd; de grootste uitvoer ging
naar Frankrijk.
De productie van vele mineralen, uitgezonderd
ijzer, is in de laatste 25 jaren achteruitgegaan.
Het volgend overzicht toont dit aan.
het recht gegeven, om binnen het tijdsverloop
van 10 jaren te beslissen, of hij den Kongo-
Staat met alle rechten en verplichtingen wenscht
over te nemen. Aldus is de weg gebaand om
den Kongo-Staat tot een Belgische bezitting te
maken.
§ 87. Middelen van bestaan. A. Landbouw
en Veeteelt. Wouden.
De landbouw in België
heeft zich sedert de vorige eeuw belangrijk ont-
wikkeld en staat in Europa mede boven aan.
Uit de beschrijving der grondgesteldheid bleek
reeds, dat de vruchtbaarheid in de onderscheidene
deelen zeer verschilt. In de Kempen van het noord-
oosten vindt men slechts weinig bebouwde stre-
ken: heiden, bosschen en moerassen bedekken
het grootste gedeelte des lands. De Condroz
is somber en koud; de Ardennen, waar wou-
den en hoogvenen gevonden worden, zijn arm
aan bouwlanden, doch voorveeteelt beter geschikt.
Vlaanderen en Hesbaye zijn de vruchtbaarste
landstreken (klei- en lössgrond). De opper-
vlakte des lands, die ongeveer aan den verbouw
van verschillende produkten gewijd wordt, lee-
ren wij uit onderstaand overzicht kennen, vol-
gens opgave van 1880.
Hectaren.                                          Hectaren.
Rogge.....277 640 Erwten en wikken 14 005
Tarwe.....275 932 Vlas....... 40 087
Haver.....249 486 Beetwortelen . . 32 627
Spelt...... 52 514 Hennep.....         805
Gerst..... 40 182 Hop....... 4 185
Gemengd koren 25 726 Aardappelen . . 199 357
Boekweit . . . 13184 Voedergew. enz. 217 940
Boonen .... 19088 Tabak...... 1577
In \'t geheel was er in 1880 aan landbouw
gewijd 2 215 533 H.A., aan grasland 351 155
H.A., aan tuinbouw 39 723 H.A., aan boom-
gaarden
37 948 H.A., aan wijnbouw 206 H.A.
Tarwe verbouwt men bovenal in de provinciën
Antwerpen en Brabant; rogge in Brabant en
Oost-Vlaanderen; haver in Luxemburg, Namen
en Henegouwen; spelt in Namen; gerst en vlas
in Vlaanderen en Henegouwen; boekweit in
Oost-Vlaanderen en Antwerpen ; suikerbieten in
Henegouwen, Luik en Brabant. De aanzienlijke
cultuur der suikerbieten heeft grooten uitvoer
van suiker tengevolge, in 1891—92: 205000
tonnen. In de behoefte aan granen voorziet
echter het land op verre na niet. De kunst-
matige culturen zijn in België met veel succes
ontwikkeld ; ook de tuinbouw staat er door goede
scholen op hoogen trap.
De wouden beslaan een oppervlakte van
489 423 H.A. (16,4% der oppervlakte), en komen
meest voor in de Ardennen, terwijl in Vlaan-
deren bijna geen bosch gevonden wordt. De
houtrijkdom is op verre na niet voldoende voor
de behoefte. Langs wegen, slooten en strooin-
Tonnen Tonnen : Waarde in
opbrengst in opbrengst in Francs.
1«ti5. 1891. 1891.
Ijzererts . .
Zinkblende . .
Galmei. . . .
Loodglans. . .
Zwavelkies . .
Mangaaiierts.
1018 231
14 657
41 528
14 658
31818
202 204
10 200
4 080
70
1 990
18 498
1172 700
816 000
237 000
8100
19 100
254 000
In 1891 waren er 28 hoogovens werkzaam, die
684126 ton ruw ijzer bewerkten, ter waarde van
38,3 mill. francs.
Het onzijdig gebied „Vieille Montagne" op de
zuidgrens van Nederlandsch Limburg, Prui-
sen en België, heeft rijke zinkinijnen, die jaarlijks
dr 80000 tonnen van dit mineraal leveren.
C. Nijverheid. Wij wezen reeds op den ver-
bazenden vooruitgang der groot-industrie in
België. De textiel-nijverheid is zeer ontwik-
keld. In het laagland (Vlaanderen, Antwerpen,
Brabant en Henegouwen) vindt men katoen- en
linnen-industrie (in 1883: 320000 vlas- en
800000 katoen-tijnspindels); de wol-industrie
(300000 hjnspindels) is het belangrijkst in de
prov. Luik (Verviers). De kantenfabrikatie is
beroemd te Brussel, Mechelen en Gent; men
-ocr page 115-
107
1IANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
schat het aantal vrouwelijke arbeiders, die kanten
bewerken, op 1Ö0O0O. De ijzerindustrie vindt
men in het zuiden : Luik, Namen en Luxemburg.
Machine- en wapenfabrieken vindt men te Se-
raing, (die van Cockerill is vooral beroemd), Luik,
Brussel, Verviers. De uitvoer van machines is
echter verminderd; in 1882 bedroeg die uitvoer
voor een waarde van 77,4 mill. franc, in 1891
voor niet meer dan 40,9 mill. franc. Verder
noemen wij non;: de glasfabrikatie in Henegou-
wen, de talrijke, meest kleine bierbrouwerijen
(in 1891: 2882 die tezamen 10 mill. H.L. bier
leverden: het hier is er nationale drank), tabaks-
industrie, leerlooierijen, papier- en stroo-
hoeden-fabrikatie; de fabrieken van steengoed
en lai/enci\' in Henegouwen (Doornik); de fabri-
katie van aarden pijpen in Namen en Henegouwen
enz. De staat heeft een kanonnengieterij (Fa-
brique nationale) te Luik. De suikerindustrie
(zie bij suikerbieten) telde in 1891: 120 fabrieken
en 30 raffinaderijen met een productie van 150000
ton ruwe suiker. De brandewijnstokerij had
in 1891 264 fabrieken aan den arbeid.
D. Handel en verkeer. Scheepvaart. De bui-
tenlandsche handel van België omvat per jaar
aan invoer en uitvoer een bedrag van ongeveer
3 milliard franc en is dus, met het oog op den
kleinen staat, zeer aanzienlijk. In het volgend
overzicht leeren wij de landen kennen, waarmede
België hoofdzakelijk handel drijft; de waarde is
uitgedrukt in millioenen francs voor 1891.
Ingevoerde
In duizend
Uitgevoerde
In duizend
waren in 1891.
Frank.
waren in 1891.
Franc
Boter ....
15 745
Machines en
Granen ....
419 732
werktuigen .
108 567
Groenten en aard-
9 314
Koleu en cokes.
1(12 066
appelen . . .
Spin-materiaal .
81 384
Spin-materiaal .
IJzer ....
188 407
Hennep en vlas
16 941
(gesponnen) .
73 920
Vet en talk . .
31 408
Wollen garens .
65 824
Chemische pro-
IJzer en ijzerblik
62 499
dukten . . .
68 902
Vlcesch . .
43 273
Geweven stoffen .
59 471
Huiden (ruwe) .
42 662
Kunstvoorwerpen
5 709
Ruwe suiker. .
35 849
Koffie (1890) . .
52 534
Chemicaliën . .
35 056
Hout (1890). .
70 363
Wollen stollen .
26 240
Levensmiddelen
Vet en talk . .
25 955
(1890) . . .
93 372
Glaswerk (1890)
45 134
De meerdere invoer heeft hoofdzakelijk op
ruwe produkten, de meerdere uitvoer vooral op
bewerkte fabrikaten betrekking.
Behalve met de bovengenoemde landen heeft
België nog handel met het Kongo-land; de totale
waarde van dien handel werd (in- en uitvoer) in
1890 op 20 mill. franc geschat. Door het goedkoope
spoorwegverkeer is de transito-handei ook zeer
aanzienlijk; in 1890 een waarde vertegenwoor-
digend van 1511 mill. franc (tegen 831 mill.
franc in 1870). De opening van den St. Gothard-
spoorweg (pag. 20) heeft Antwerpen tot een door-
voerhaven gemaakt voor koopwaren naar Italië,
terwijl verder het verkeer op Zwitserland, Oosten-
rijk-flongarijë, Zuid-Duitschland, Noord-Frank-
rijk en Nederland enz. zeer is toegenomen.
In vergelijking met dien uitgebreiden handel
is de Belgische handelsvloot onbeteekenend. In
1891   had België slechts 51 schepen, waaronder
47 stoomschepen, tezamen met 72904 tonnen
inhoud. De scheepvaart wordt meest met vreemde
schepen gedreven. De visschersvloot telde met
het einde van 1890 349 schepen. De hoofdhaven
is Antwerpen; daarop volgt Ostende. Vervolgens
komen Gent (door het kanaal van Gent) en
Brugge in de rij. Er worden thans weer pogingen
aangewend om van Brugge een zeehaven te maken.
§ 88. Plaatsbeschrijving.
Het rijk is verdeeld in 9 provinciën en de
plaatsbeschrijving zullen wij provinciesgewijze
laten volgen. Het aantal inwoners geldt voor
31 Dec. 1890.
1. Brabant (Ziiid-Brabant). Brussel (Bruxelles)
(176000 inw., met de voorsteden 472000 inw.)
is de hoofd- en residentiestad, aan de kleine
rivier de Senne gelegen. Een scheepvaartkanaal
voert uit de stad naar de Rupel ter verbinding
met Antwerpen, een ander loopt naar Charleroi
in de Sambre. De stad ligt op de grens van
het heuvelland en de vlakte, in een vruchtbare
Invoer
Uitvoer
in België.
uit Helgië.
326,8
378,7
199,5
265,6
164,2
294,4
196,6
228,7
199,9
55,3
121,6
9,0
116,3
7,8
109,9
7,3
86,9
11,8
46,5
13,7
82,1
23,8
24,4
27,5
17,0
31,4
2,3
30,1
11,4
19,7
LANDEN.
Frankrijk.....
Groot-Britannië. .
Deutsche „Zollverein"
Nederland.....
Vereenigde Staten. .
Britsch-Indië. . . .
Rusland.....
Rumenië.....
Argentina.....
Skandinavië . .
Brazilië......
Italië ......
Spanje......
Zwitserland . . . .
Turkije......
Daarboven komt nog een belangrijke handel
met de vrijhavens van Hamburg en Bremen,
die respectievelijk in 1891 aan invoer in België
op 14,0 en 1,4 mill., en aan uitvoer 16,2 en
2,1 mill. franc beliep.
De belangrijkste artikelen van invoer en uit-
voer leert ons de volgende tabel kennen, volgens
de opgaven voor 1891, in duizenden franc.
-ocr page 116-
i08
HANDELS-AABDRIJKSKÜNDE.
actieve kooplieden de stad verlieten, om zich in
Amsterdam en Rotterdam te vestigen. De eens
100000 inwoners tellende koopstad verviel tot
den rang eener provinciestad van 40000 inwoners
(in 1800). Evenwel, door kunst bleef ook in
den tijd van achteruitgang Antwerpen groot.
De vernieuwde bloeitijd van Antwerpen dag-
teekent van 1803, toen Napoleon I met zijn
scherpen blik de gunstige geographische ligging
dezer stad op de kaart overzag, en besloot van
Antwerpen een „Londen van het vasteland" te
maken, een hoofdhaven, tot ondersteuning van
zijn Continentanlstelsol. Hij verklaarde de Rijn
en de Schelde tot vrije, open stroomen en legde
hier een groot zeearsenaal en werven voor de
vloot aan. Tal van inrichtingen om den handel
en de scheepvaart te bevorderen kwamen in
dien tijd tot stand. Zelfs vatte hij het plan
op, om Antwerpen door een kanaal met de Maas
en de Rijn te verbinden. Dit kanaal, dat met ijver
begonnen werd, kwam niet tot stand, doch is later
gedeeltelijk gebruikt voor het Kempen-kanaal.
Een nieuwe phase voor de ontwikkeling van
Antwerpen trad in na 1830. De aanleg der
spoorwegen bracht deze stad tot bloei; thans
is zij het centrum van vijf hoofdlijnen. Vooral
nadat de Scheldetollen in 1803 werden opgeheven,
ging de stad snel vooruit. De staat nam de
uitbreiding en verbetering van havens, kaden
enz. ter hand, en thans is Antwerpen een der
schoonste en beste havens van Europa, waar in
letterlijken zin een bosch van masten, met allerlei
vlaggen getooid, zich verheft. De grootste zee-
schepen vinden hier zoo diep water, dat zij bij
vloed zoowel als bij ebbe kunnen binnenvaren.
Ook als Rijnhaven heeft Antwerpen een groote
beteekenis, en wordt daarin alleen door Rotterdam
overtroffen (Zie pag. 105).
Hoofdzaak voor de haven van Antwerpen is
de invoer van zee. Vooral granen worden hier
ingevoerd. De Donau-Vorstendominen, Zuid-
Rusland, Britsch-Indië en de Vereenigde Staten
leveren tarwe; Rusland en Rumenië ror/ge, gerst
enz., de Vereenigde Staten van N. A., Zuid-
Rusland en Argentinië mals. Verder bestaat de
aanvoer uit rijst, koffie, cacao, suiker en tabak.
Antwerpen is een der hoofdhandelplaatsen voor
Brazilii\'-koffie; op het voorbeeld van Havre is hier
ook de termijnhandel ingevoerd en een „Caisse de
lujuidation" opgericht. De tabakshandel is er zeer
achteruitgegaan, ook de hop-handel. Door de ver-
binding met La Plata werd Antwerpen het hoofd-
depót in Europa voor Liebigs rleeschextract uit
Fray Bentos. Vorder is het een hoofdplaats voor
den handel in varkensvet en Amerikaansch pekel-
vleesch. De Zuid-Amerikaansche wol heeft hier
een hoofdhandelplaats. Verder noemen wij den
handel in katoen, huiden, hout, den handel in ivoor
van de Kongo, in petroleum uit Noord-Amerika
en van den Kaukasus, enz.
streek, waar de beide taalgebieden, het Vlaamsen
en Fransch, in elkander loopen. De bovenstad,
het gezondste en vruchtbaarste gedeelte, wordt
door den adel en de geldaristocratie bewoond.
Taal en gewoonten zijn hier meestal Fransch.
De nauwe, hoekige benedenstad is de zetel van
handel en nijverheid en kenmerkt zich door
Vlaamsche taal en zeden. Sedert de afscheiding
is de stad snel toegenomen in bevolking, van
84000 in 1824 tot 183833 in 1892, en met de
acht aangrenzende gemeenten: Etterbeek, Ixelles,
St. Gillen, Anderlecht, Molenbeek—St. Jean, hoeken,
Schaerbeek
en .S7. Josse ten Noode, die, hoewel
administratief afzonderlijk, geografisch met Brus-
sel een geheel uitmaken, in 1892 487988 zielen.
Door het verblijf van het hof en den zetel der
regeering wonen hier vele renteniers. Takken
van nijverheid zijn: linnen- en katoenindustrie,
kantklopperij, looierij, machinefabrieken enz.
Brussel neemt ook een gedeelte van den handel
van Antwerpen over, wat door bovengenoemd
kanaal bevorderd wordt. Echter is het scheep-
vaartverkeer gering; in 1891 kwamen er slechts
140 schepen binnen (21278 tonnen). Door spoor-
wegen ligt Brussel op een kruispunt van verkeer.
Leuven (Louvain) (41000) aan de Dyle; kant-
en papierfabrikatie. Bier.
2. Antwerpen. Mechelen (Malines) aan de
Dyle (51000) linnen- en katoen-industrie; kan-
ten. — Lier (Lierre) (20000) katoen-weverij en
drukkerij. — Turnhout (19000) linnenweverij,
kant- en papierfabrikatie. Bleekery, ververij.
Antwerpen (Anvers) (224000 inw., met de
voorsteden 208000). Antwerpen is, zooals reeds
gezegd werd, de hoofdhaven des lands. Reeds op
pag. 104, § 86 hebben wij er op gewezen, dat in
de 15,lu eeuw Antwerpen in de plaats trad van
Brugge. De gunstige ligging aan de Schelde, die
door een net van wateradcren met het binnenland
verbonden is, en welke rivier tot hiertoe voor
groote zeeschepen kan opgevaren worden, terwijl
men ook gemakkelijk langs de Nederlandsche
waterwegen van daar de Rijn kon bereiken,
gaf Antwerpen geographische voordeden, die
het spoedig tot een levendige en rijke handelstad
deden ontwikkelen, terwijl de verworven rijk-
doiumeu tevens den smaakziu prikkelden en aan-
leiding gaven tot meesterwerken der bouwkunst.
In de löllc en 17dc eeuw kon Antwerpen de
industrieele hoogeschool voor geheel Europa
genoemd worden : hier bloeiden diamantslijperij,
glasschilderij, kant- en tapijtweverij, drukkerij
enz.; Antwerpen voorzag de noordelijke Neder-
landen en andere landen van beroemde klokken-
spelen ; haar voortbrengselen in stoffen en goud-
en zilverwaren vonden zelfs aftrek naar Arabië,
Perzië en Indië. Echter de grootheid der stad
ging onder na den Tachtigjarigen Oorlog, toen
de Sckeldeniond gesloten werd, en vele rijke,
-ocr page 117-
109
HANDELS-AABDRIJKSKüNDE.
3. Oost-Vlaand eren. St. Nicolaas (28000).—
Aalst (Alost) (26000). — Gent (Gand) (149000
inw., met de voorsteden 172000), zeehandel;
katoen en vlas-spinnerij en weverij, machine-
fabrieken.
Bloementeelt. —• 4. West Vlaawieren:
Brugge (Bruges) (47000), kantfahrikatie, brou-
werijen. — Ostende (25000) de eenige belangrijke
haven aan zee; stoomvaartlijnen naar Londen
en Dover; vischvangst, scheepsbouw. Zeebad-
plaats. — Kortrijk (Courtrai) (30000) linnen-
en katoen-industrie. — 5. Henegouwen (Hainaut) :
Doornik (Tournai) (34000), linnen-, katoen-,
tapijt-industrie, poreelein-fabrieken. — Jemappes
(12000), steenkolen, fayence-fabrieken. — Char-
leroi
(21000), machinefabrieken; steenkolen. —
6. Namen: Namen (Nainur) (37000), ijzer- en
staal-industrie, glasfabrikatie. — 7. Luxemburg:
Bouillon, aan de Senwg; Arlon. — 8. Luik:
Luik (Liège) (148000), wapenfabrieken, machine-
fabrieken. — Seraing (58000 inw. met de voor-
steden) machinefabrieken van Cockeril. — Huy
(14000) ijzererts, steenkolen; ijzer- en zink-
industrie; glasfabrikatie. — Herstal (14000),
ijzer- en staal-industrie, steenkolen. — Spa (7100),
badplaats. — Verviers (74000 inw. met de voor-
steden), lakenfabrieken en fabrikatie van andere
wollen stoffen. — 9. Limburg: St. Truyen
(St. Trond) (13000) fabrieken. — Hasselt (13000),
kant-, tabak- en Iinnenfabrieken.
De Republiek Frankrijk.
(Grootte: 636408 K.M.* — Inwoners: 38343192. —
Bewoueis per K.M \' 71).
§ 89. Natuurlijke gesteldheid des lands.
De bodem in Frankrijk vormt den overgang van
het hooggebergte der Alpen tot de laagvlakte,
die, hoewel in Picardië, in Norinandië en Bretagne
door heuvel- en berglanden afgebroken, zich als
voortzetting der Germaansche laagvlakte langs
het Kanaal en den Atlantischen Oceaan tot de
Pyreneën uitstrekt. Daardoor bezit het land
in het algemeen gesproken een af helling naar
het N. W., wat door de richting der rivieren ook
wordt aangewezen. Alleen aan zijne grenzen
bezit Frankrijk hooggebergten: in het Z. de"
Pyreneën, en in het O. de West-Alpen, welke
zich met zijtakken in het land uitbreiden.
De West-Alpen, die zich van de Aliddellandsche
Zee tot den Mt. Blanc in een hoofdrichting naar
het noorden uitstrekken, vormen de natuurlijke
grens naar den kant van Italië. Zij worden
onderscheiden in Zee-Alpen, Cottische Alpen en
Orajische Alpen. De westelijke voorgebergten,
die hoofdzakelijk uit kalkgesteenten bestaan
(terwijl de centrale keten uit graniet gevormd
wordt), worden langzaam hellend lager naar het dal
der Rhóne, en beslaan in Frankrijk nog een uitge-
strekt gebied. Zelfs nemen de Alpen in Frankrijk
een ± tweemaal zoo groote oppervlakte in als
in Zwitserland. Door die voorgebergten rijzen
de wegen over de Alpen van den kant van
Frankrijk langzaam hellend, en van den Italiaan-
schen kant, waar die voorbergen ontbreken, steil.
Dit heeft ten gevolge, dat het gebergte gemak-
kelijker van eerstgenoemd land uit dan van het
laatstgenoemde kan worden overgetrokken. De
passen, welke men hier vindt, zijn: de Col di
Tenda
(1870 M.), de Mont Genevre (1850 M.),
de Mont Cenis (2l00 M.) en de Kleine St. Bemhard
(2210 M.). In de Cottische Alpen ligt de
spoorweg-overgang naar Italië door den Col de
Frejus,
die een tunnel heeft op 3100 M. hoogte,
gewoonlijk de tunnel van den Mt. Cenis genoemd.
Ten N. van de Bhöne zet zich de Zwitsersehe
Jura
als grensgebergte op de grens van Zwitser-
land voort (zie pag. 85), en wordt door het
dal der Bourgondische Poort gescheiden van een
ander grensgebergte, de Vogezen (zie pag. 65).
Het Rhöne-Saöne-dal. Het dal der Saöne niet
dat van de Rhöne beneden Lyon vormen de grens
van Jura en Alpen en hunne voor-terrassen naar
het westen. De Rhöne stroomt beneden het Meer
van Genive
(zie over den bovenloop op pag. 86)
Frankrijk binnen, verliest zich in de „Perte du
Rhöne" in een enge rotskloof van de Jura,
verkrijgt na het doorbreken van dit gebergte
een breeder dal, en neemt bij Lyon de Saöne op.
Deze laatste rivier ontstaat op het Plateau van Lan-
gres en stroomt naar het zuiden. Van Lyon af, waar
de Rhöne door een dal tusschen de West-Alpen
en het hoogland van Zuid-Frankrijk gelegen naar
het zuiden stroomt, schijnt de Rhöne de natuur-
lijke voortzetting der Saöne. Beneden Lyon heeft
de Rhöne minder verval, en is over 500 kilometer
bevaarbaar, hoewel de stroom nog altijd zeer snel
is, en deze de vaart rivier-opwaarts zeer be-
moeielijkt. Na de opneming van het water der
Isère uit de Alpen komt de Rhöne in het eigen-
lijk langland (Valence ligt ongeveer 110 AI. boven
de zee) der Mliónevlakte, dat zich door het achter-
uitwijken der gebergten naar het zuiden verbreedt
tot de vlakten van Prooence en Languedoc, ten O.
en ten W. der Rhöne, langs de Golf du Lion ge-
legen. Avignon, aan de Rhöne vormt ongeveer het
middelpunt van het laagland. De monding der
Rhöne vormt een uitgestrekte delta, de vrucht-
bare grasvlakten der Camargue, en ten O. der delta
ligt La Crau, een met rotspuin der Alpen over-
dekte schrale vlakte.
Van de bijstroomen der Rhöne zijn de Isère
over 146 K.M., de Ain over 112 K.AL, de Saöne
over 323 K.AI. en de Doubs (een bijstroom der
Saöne) over 78 K.AI. bevaarbaar. Op de Durance,
een onstuimigen bergstroom, heeft geen scheep-
vaart plaats.
Het zuidelijke Rhönedal, langs de Middel-
landsche zee geopend en in het noorden afge-
sloten door Cevennes en Alpen, vormt een op
zich zelve staande natuurlijke provincie. In
-ocr page 118-
110
HANPELS-AARDRI.TKSKUNDE.
klimaat, bodemgesteldheid en plantengroei komt
dit gebied veel overeen met zuidelijker land-
schappen. Waar de droge, stoffige bodem goed
besproeid wordt, is hij zeer vruchtbaar. Olijven,
wijn, moerbeziën en aromatische planten groeien
hier goed; de zuidelijke streek behoort tot het
gebied der altijdgroene loofboomen. De regen
valt er meest in den herfst en de lente. Doch
het heerlijk land lijdt van tijd tot tijd onder
de heerschappij van den heviger», konden N. W.
wind, die van de bergen daalt, de Mistral ge-
noemd.
Het Rhónedal had van ouds als handelsweg
groote beteekenis. Langs de Rhóne, de Saöne,
de Doubs en door de Bourgondische Poort naar
het dal van de Rijn, liep de eenige gemakkelijke
handelsweg, om de Middellandsclie Zee met de
Noord- en Oostzee te verbinden. Het Britsche
tin en het barnsteen der Noordzee-eilanden werd
langs dien weg naar de kusten der Middellandsche
zee gevoerd. Daarin lag dan ook de grond voor
de opkomst van Massilia (Marseille), een kolonie
door de Phocaeërs omstreeks 600 voor Chr. ge-
sticht. De stad werd een ontmoetingspunt der
volken in de oudheid: Grieken, Karthagers,
Phoeniciers, Galliërs en Romeinen kwamen hier
samen. Dezen handelsweg kozen later ook de
Romeinen op hun tochten naar het noorden.
De Bourgondische Poort werd de algemeene weg
tusschen Gallië en Zuid-Duitschland en Zwitser-
land. De stad Bazel had aan de ligging vóór
die poort in de middeleeuwen haar handelsbloei
te danken. En de vesting Belfort heeft door
haar ligging in dezen pas groote strategische
waarde.
Het bergland in Frankrijk. Ten W. van
de Vogezen breidt zich in N. O. Frankrijk het
het Plateau van Lotharingen uit, dat zich in
het N. bij de Ardennen aansluit (zie pag. 05, 102).
Door de Morzel en de Mans wordt het in N.
richting doorstroomd.
Naar het Z. zet zich die hoogvlakte voort in
verschillende plateaux en berglanden. Men vindt
hier in het N.: het Plateau van Langres, door
de Monts Faucilles of Sikkelbergen met de
Vogezen verbonden. Vervolgens de Cóte d\'Or
(hier groeit de beroemde Bourgondiër druif),
het geb. v. Charolais, het geb. van Lyonnais
en dat van Gevaudan en Vivarais, alle ten W.
van het Saöne-Rhönedal gelegen. Het laatste
gaat naar het Z. over in de Cevennes, die met
een steile helling uit de vlakte van Languedoc
oprijzen.
Ten W. van deze bergreeksen en er mede
verbonden ligt het Hoogland van Auvergne,
de kern van het Centrale bergland van Frankrijk,
dat talrijke sporen van vroegere vulkanische
werkzaamheid vertoont, hetzij door de vulkanische
bergkegels als: Piiij de Dume (1465 M. hoog, met
meteorologisch station), Pin/ de Saney (1886 M.)
Mt. Cantal e. a., hetzij door lavalagen of door
warme bronnen, die hier vele gevonden worden.
Tusschen de Loire en Allier ligt het Forez-Geb.
Het Centrale bergland vormt een plateau,
gemiddeld 1000 M. hoog, dat in het O. en Z. O.
steil rijst, naar het W. en N. W. met zachte
hellingen terrasvormig (de terrassen van ÏAmousin
en van Rouergne in het W.) langzaam daalt.
De erozie van het water heeft vele dalen hierin
gevormd, waardoor het plateau in onder-
scheidene blokken wordt verdeeld. Die dalen
zijn door genoemde helling meest van het noorden
geopend, en verleenen van die zijde toegang tot
dit land. Wij zien dit reeds aan de richting
der Loire en der Allier. Daardoor hebben de
bewoners van dit arme gebied zich ook steeds
bij het noorden aangesloten. Noch de Engelschen,
die een tijdlang bezitters waren van het westen,
noch de Gothen of de Bourgondiërs uit het oosten,
noch de graven van Toulouse uit het zuiden,
konden hun gezag van die zijden tot over deze
bergvesting uitbreiden.
Een afzonderlijk liggend bergland, lager en
van geringer uitgebreidheid, vormt het bergland
van Normandië en van Bretagne, dat in de
Mts. d\'Arree tot 390 meter hoog is.
Verder maakt het gebied van Frankrijk langs
de kust een golvende vlakte uit, op de meeste
plaatsen vruchtbaar, doch ten Z. der Gironde
overgaande in de Landes, een land van moerassige
heiden achter een zoom van duinen.
Het Seinebekken of de kom van Parijs en
de Seine. De kern van het noordelijke Frankrijk
wordt gevormd door de kom, waarin de Seine
en haar bijstroomen samenkomen, en waarvan
Parijs het middelpunt uitmaakt. Het is over
\'t geheel een vruchtbaar landschap, dat door vrij
goed bevaarbare rivieren doorsneden is en niet ver
van Engeland ligt, waardoor het met dat volk in
ruil verkeer der produkten en waren kan treden. Een
aanzienlijke verkeersweg loopt door het Seine-
bekken langs de Marne en het Manie-Rijnkanaal
naar Zuid-Duitschland (zie pag. 65). Verder
staat het Seinegebied door kanalen in verbinding
met onderscheidene rivieren: door het Bourgon-
discJie kanaal
van de Armancon langs Dijon met
de Saóne, door het Kanaal van Orléans en het
Briarekanaal met de Loire, door het Sa>nbre-kanaal
van de Oise met de Sainbre, enz.
De Seine ontspringt op het Plateau van Langres
en stroomt in het algemeen naar het N. W., tot
zij bij Havre met een breeden mond in zee uit-
loost. Van haar 685 K.M. langen loop zijn
554 K.M. bevaarbaar; bij de monding der Aube
vangt de bevaarbaarheid aan. Van haar bij-
stroomen zijn bevaarbaar: de Yonne (119 K.M.),
de Marne (voor 364 K.M.), de Aisne, Oise en
Eure. Hierdoor is de Seine de belangrijkste
-ocr page 119-
111
HANDELS-AARDRÏJKSKUNDE.
Klimaat. De algemeene gesteldheid van het
klimaat leerden wij op pag. 54 kennen. Wij
zagen reeds, dat in het grootste gedeelte des lands
het Atlantische zeeklimaat heerscht, hetwelk
vooral in de vlakke kuststreken sterk uitkomt.
In het W. is de temperatuur gemiddeld hooger
dan in het oosten; ook zijn de jaarlijksche
temperatuurschommelingen in het oosten grooter,
zoodat de temperatuur hier meer een continentaal
karakter verkrijgt. De gemiddelde jaartempera-
turen des lands liggen tusschen 14° en 9° C. Het
Rhönedal heeft in het zuiden een subtropisch
klimaat met hooge temperatuur (zie boven).
De regenval is het grootst aan de N. W. kust
en aan de west- of noordzijde (Pyreneën) der
gebergten; het geringst in het dal der Allier
en in het Seinebekken om Parijs (46—51 C.M.).
De meeste regen valt bij Gavarnië in de Pyre-
neën en te Gap in de Alpen (meer dan 200 c.M.).
| Te Abbeville valt gemiddeld op 175 dagen, te
. Lille op 169 dagen, en te Marseille slechts op
55 dagen per jaar regen. Een kaart der regen-
hoeveelheid komt met een bergkaart veel overeen.
Naar den tijd van den regenval onderscheidt
men: gewesten met overheerscheuden zomerregen
in het N. O. en het zuiden, met herfstregm in
het W. en in het Saone-Rhönedal, en met lente-
en herfst reyen
aan de Middellandsche Zee.
§ 90. Bevolking, staatsinrichting, leger,,
kerk, enz. Uit de overblijfselen in holen en
grotten op verschillende plaatsen ontdekt, blijkt,
dat in voorhistorischen tijd Frankrijk en
België reeds bewoond moeten geweest zijn. De
oudste historische bewoners waren de Iberiërs,
wier woonplaatsen zich van de Pyreneën tot de
Garonne uitstrekten, en Gascogne is aldus het land
der Wasconen of der Beuken, zooals deze groep
der Iberiërs genoemd werd. Hierbij sloot zich
aan de Middellandsche Zee de volksstam der
Ligurièrs of der Lygiërs aan. Op deze beide
oudste volken volgde, waarschijnlijk van het
oosten binnendringend, de stam der Galliërs,
een Keltische bevolking. Dezen waren in ver-
schillende kleine groepen verdeeld, en hebben
hun namen in die van oude steden en land-
schappen bewaard.
Onder Julius Caesar, die van 58—51 v. Chr.
de landstreek aan de Middellandsche Zee ver-
overde, en hier de eerste Provincie van het
Romeinsche Rijk stichtte (een naam die tot den
lateren naam Prorence aanleiding gaf), begon de
invloed der Romeinen. Gallië werd weldra een
deel van het groote Romeinsche Rijk en bleef
dit tot zijn ondergang. Do invloed der Romeinen
op de bewoners was vooral in taal en bescha-
ving op te merken. De Latijnsche taal werd door
Romeinsche kooplieden, regeeringsbeainbten en
militairen verbreid en ontwikkelde zich hier
zelfstandig. In het noorden bij de Galliërs
rivier van Frankrijk. De bevaarbaarheid der
Seine wordt bevorderd door de wonden in haar
stroomgebied, die een tamelijk gelijkmatige af-
vloeiing van liet regenwater ten gevolge hebben,
alsmede door gering verval. De groote verschillen
in waterstand, die de Loire benadeelen, worden
hierdoor voorkomen. Zeeschepen gaan de Seine
op tot Rouen.
De Somme is bijna over den geheelen loop
bevaarbaar.
De Loire. De Loire met de Allier ontstaan
op het Centrale Hoogland, stroomen naar het
noorden, en vereenigen zich bij Nevers. Als
Loire stroomt de rivier verder voorbij Orléans
naar het N. W., buigt zich om het woeste, meren-
rijke landschap der Sologne, loopt voorbij Tours
en Nantes, om met een breeden mond te St. Nazaire,
de voorhaven van Nantes, in zee te stroomen. De
Loire is over 822 K.M. van haar lengte bevaarbaar,
hoewel de ondiepten en de afwisselende hoogte
van den waterstand daaraan mooielijkheden in den
weg leggen. De vloed dringt tot Nantes de rivier
binnen, doch diepgaande zeeschepen kunnen deze
stad niet meer bereiken, en blijven in de voor-
haven St. Nazaire. Van de bijstroomen zijn
bevaarbaar: de Allier 245 K.M., de Cher 197
K.M., de Vienne 175 K.M., de Maine en
Mayenne 123 K.M., de Sarthe 125 en de Loir
114 K.M.
De Charente, met vele sluizen, is bevaarbaar.
De Garonne. De Garonne is de hoofdstroom
der Pyreneën; het is een woeste, door over-
stroomingen gevaarlijke rivier. Beneden Bor-
deaux, na vereenigiug met de Dordogne, heet
de trechtervormige monding, waarin de vloed
13 mijlen ver kan doordringen, de Gironde.
Over 468 K.M. lengte is de Garonne bevaarbaar;
zeeschepen varen de rivier op tot Bordeaux.
De grootste bijstroomen ontvangt de Garonne
uit het Centrale Hoogland. Van deze is de
Tarn over 147 K.M., de Lot 197 K.M. en de
Dordogne over 284 K.M. bevaarbaar. De snelle
stroom, de zandbanken en de afwisseling in
waterstand benadeelen de bevaarbaarheid dezer
rivieren zeer.
De Garonne is door het Canal dit Midi langs
de Aquitanische poort van Toulouse met de
Middellandsche Zee verbonden. Dit in 1668
voltooide kanaal voldoet echter niet aan de ver-
wachting. Verder is er van Toulouse tot niet
ver boven Bordeaux een kanaal langs de rivier
gegraven.
Frankrijk is rijk aan kanalen, die de verschil-
lende rivierstelsels verbinden. Wij leerden er
reeds eenige van kennen. De vlakten des lands
bevorderen hun aanleg. De kanalen in het noor-
den des lands tusschen de Seine en Somme, de
Schelde en de Maas, worden het drukst bevaren.
-ocr page 120-
112
HANDELS-AARDm.TKSKUNDE.
klonk het Latijn anders dan bij de Liguriërs
en Iberiërs in het zuiden. Aldus ontwikkelden
zich in het noorden en het zuiden van het tegen-
woordig Frankrijk twee dialecten of eigenaardige
doch verwante talen.
Bij de verzwakking van het Romeinsche Rijk
drongen Germaansche volken Frankrijk binnen.
De West-Gothen wisten in het zuiden, de Bour-
gondiërs
in het Rhónegebied, de Alemannen
en
de Franken meer naar het noorden zich te
vestigen. Later verkregen de Noormannen
nog een woonplaats in Normandië.
Hoewel het land van de Germaansche Franken
den naam Frankrijk ontving, en de bevolking
later Franschen genoemd werden, toch bleven
de taal, het karakter en de zeden der gero-
maniseerde Galliërs er heerschend, en zoo wer-
den ook de Gerinaansche bewoners geromani-
seerd. De taal van het noorden en zuiden
werd in de middeleeuwen meer beslist geschei-
den, en verkreeg in het noorden den naam
longue d\'oil, naar het woord oü, thans om, en
in het zuiden langue (Vor, naar het woord oc,
dat hier voor ons ja gebruikt werd. De grens van
beide dialecten ligt ongeveer op de breedte van
Lyon.
Op politiek gebied zegevierde het noorden en
hiermede ook de taal van het noorden. Daardoor
werd het Fransch van Parijs de wereldtaal,
en bijna de geheele bevolking spreekt dat
Fransch. Alleen een deel der Keltische Bretn-
nen
in Bretagne, de Basken (pi. m. 116000), en
de Italianen op Corsica en bij Nizza hebben
hun eigen talen nog bewaard. Ook in het
noorden: in de omstreken van Duinkerken, wordt
nog Vlaamsen gesproken in de vroegere Vlaam-
sche gewesten.
In ethnographisch opzicht onderscheidt men
thans: de Walen in het noorden 5%, de Bre-
tonen
in Bretagne 3 °/0, de Italianen in het
Z. O. 1,1 0/°, de Basken en Cataloniërs in de
Pyreneën 0,5 °/0, de Israëlieten 0,14 °/0, terwijl
de eigenlijke Franschen, d. i. de nakomelingen
der vermenging van Keltische Galliërs, Romei-
nen en der Germaansche Frankische stammen,
ongeveer 90,21 °/0 uitmaken.
Volksdichtheid, enz. Wat de gemiddelde
dichtheid der bewoning aangaat neemt Frank-
rijk de zesde in de rij der Europeesche staten
in. De dichtheid van bevolking is hier zeer
langzaam toegenomen, een aardig verschijnsel,
dat op eene beperking in het verwekken van
kinderen wijst. Het gemiddeld aantal kinderen
eener familie was in 1887 nog geen 3 (2,91),
terwijl het in Oostenrijk 4, in Pruisen 4,1 be-
draagt. Van 1881 tot 1880 nam de bevolking
1,25 % toe, van 188(i tot 1891 slechts 0,32 %,
wat op een afneming in den vooruitgang der
bevolking wijst. Terwijl de bevolking van
Noorwegen in 38 jaren, in Pruisen in 42, in
Groot-Britannië in 52 en in Rusland in 66 jaren
gemiddeld verdubbelt, is voor Frankrijk daar-
voor 160 jaren noodig. In de armste departe-
menten is de toeneming der bevolking het
grootst. In 1821 kwamen er 56, in 1841: 65, in
1861: 69 in 1881: 71 in 1886: 72,2 en in 1891:
72,4 bewoners voor, als gemiddelde op 1 K.M.2
gerekend. Gedurende de laatste periode (1881
tot 1891) was zelfs in 55 departementen de
totale bevolking afgenomen en alleen in 32
departementen toegenomen, zonder buitengewone
oorzaken.
Do dichtste bevolking vindt men in de depar-
tementen Seine, Nord (301), Rhóne, Seine-
Inférieure, Pas-de-Calais, Loire, Bouches-du-
RhOne, Seine et Oise en Finistère; de dunste
bevolking in de bergstreken.
Een algemeen verschijnsel van het laatste
twintigtal jaren, dat namelijk de bevolking van
het platteland en der kleine steden veel naar
de groote steden verhuist, vindt men hier in
sterke mate; in vele deelen des lands hebben
sedert een geslacht de kleine steden 1/5 der be-
volking verloren.
Kerk en Staat. De heerschende kerk is de
katholieke, waartoe 981/2 °/o der bevolking be-
hoort. De protestanten nemen slechts 1,8 % der
bevolking in. Verder vindt men er nog 53436
Israëlieten, die meest in het departement Seine
voorkomen. Ongeveer 7,5 mill. bewoners ver-
klaarde bij de jongste telling tot geen kerk te
behooren.
Frankrijk is sedert 1870 een republiek. Aan
het hoofd staat de President, die voor den tijd
van zeven jaren door de Nationale Vergadering
met absolute meerderheid van stemmen gekozen
wordt. De Nationale Vergadering bestaat uit
twee Kamers. De Senaat is uit 300 leden samen-
gesteld, die door bijzondere kiescomité\'s gekozen
worden voor 9 jaren. Van de oorspronkelijke
75 senatoren, die voor hun leven gekozen waren,
zijn er nog 36 in leven; voor de overigen heeft
om de 3 jaren vernieuwde verkiezing van 1/3
plaats. De Kamer fier Afgevaardigden bestaat
uit 584 leden, bij directe verkiezing voor 4 jaren
gekozen. De kiezers moeten burgers zijn en
den ouderdom van 21 jaren bereikt hebben.
Leger. Er bestaat een algemeene weerplicht,
die met 21 jaren aanvangt. Men dient 3 jaren
in het actieve leger, 10 jaren in de reserve, nog
6 jaar in het territoriale leger en 6 jaar in de
reserve van dit. In vredestijd bestaat het leger
uit 340000 man Infanterie, 76000 man Cavalerie,
78000 man Artillerie en 24000 man Genie en
train-corpsen. De oorlogsvloot telt 350 schepen,
te zamen met 574000 tonnen inhoud en 3560
stukken geschut voerend.
-ocr page 121-
HA.NDELS-AARDRIJKSKUNDE.                                                                113
Louis d\'Or in goud een bedrag van 7200 franc
in assignaten bekomen. Daarbij kwam nog de
tierceering der staatsschulden, het bijna geheel
ophouden van allen handel, het stilstaan der
nijverheid, en het verlies der flinke werkkrachten
in de bloedige oorlogen.
Na den oorlogstijd gedurende de restauratie her-
stelde zich het land spoedig weder. De gunstige
ligging en de natuurlijke rijkdommen des lands be-
vorderden bij de meer en meer van druk bevrijde
bevolking een snelle opkomst. Bovenal de land-
bouw kwam tot bloei, zoodat Frankrijk, hetwelk
vroeger altijd granen had ingevoerd, thans niet
alleen de behoefte dekte, maar bij goede oogsten
zelfs graan kon uitvoeren. Ook de nijverheid
ging vooruit, onder de bescherming van het
hooge toltarief van 1822. Dat echter ook andere
mogendheden een hoog tarief van invoerrechten
invoerden, had ten gevolge, dat de uitvoer van
Fransche wijnen en van zijde hierdoor bena-
deeld werd.
De tijd van het tweede keizerrijk onder Napo-
leon III scheen voor de volkswelvaart zeer gunstig
te zijn. De keizer wist de economische belangen
des volks te vleien, en door schitterende weelde
scheen men de industrie te bevorderen. De
economische stelling werd zelfs verkondigd, „dat
de weelde bevorderlijk is voor de welvaart des
volks." Schitterende militaire ondernemingen in
China, Rusland en Italië verhieven het zelf-
bewustzijn der op roem gestelde natie, en het
inwendig verderf van den staat werd hierdoor tij-
delijk bedekt, terwijl beursspeculatie haar grootste
hoogte bereikte. In dien tijd valt ook de groote
wereldtentoonstelling van 1867, die het keizerrijk
buitengewoon deed schitteren, maar de voorbode
was van zijn ondergang. Slechts drie jaren later,
en de oorlog met Duitschland (1870) deed het
Fransche keizerrijk ineen storten, om voor de
republiek plaats te maken. Toch bleek de inner-
lijke rijkdom des lands ook toen uit de wijze,
waarop het de slagen van den oorlog van 1870
wist te boven te komen, de oorlogsschatting
betaalde, en zelfs in 1878 weder een goed ge-
lukte wereldtentoonstelling kon organiseeren.
Zooals in de vorige eeuw werd ook in deze
de handelspolitiek van Frankrijk gekarakteriseerd
door een overdreven stelsel van bescherming,
waardoor zelfs de vrije ontwikkeling der nijver-
heid aan banden werd gelegd. Wel traden
enkele staathuishoudkundigen hier tegen op,
mannen als Bastiat, Chevalier, Garnier e. a.,
die het beginsel van vrijhandel huldigden, doch
zonder hun begrippen in den staat te kunnen
doorvoeren. Napoleon III komt de verdienste
toe, in dit opzicht meer vrijheid tot stand te
hebben gebracht. Hij sloot handelsverdragen
met onderscheidene mogendheden, en den 5den
Jan. 1860 verklaarde hij plechtig een grooten
omkeer van de bestaande handelspolitiek. Een
§ 91. Ontwikkeling van handel, nijverheid,
landbouw enz. in den nieuwsten tijd.
De
Nieuwe Geschiedenis, die voor Groot-Britannië,
Nederland en andere landen zulke belangrijke
gevolgen had op het gebied van handel en scheep-
vaart, was voor Frankrijk in dit opzicht minder
van beteekenis. Gedurende de periode derlandont-
dekkingen bleef Frankrijk in economisch opzicht
achter. De Franschen zijn geen zeevaarders
van natuur, en de koloniale politiek was daardoor
voor Frankrijk van de 16(1° tot de 18,,e eeuw
ook niet rijk aan gevolgen. Wel werden in de
16de en 17(le eeuw al eenige produkten uit Frank-
rijk aan het buitenland afgeleverd, bovenal wijn,
vruchten
en zout, maar uit het buitenland verkreeg
Frankrijk weinig, en die invoer geschiedde nog
hoofdzakelijk over Antwerpen. Voor zeevaart
hebben de Franschen weinig talent.
Op industrieel gebied ging Frankrijk in de
eerste eeuwen der Nieuwe Geschiedenis nog al
vooruit. Frans I bevorderde de invoering der
zijde-industrie in 1521 zeer. Doch vooral de
minister Colbert wist na 1661 door een eigen-
aardig stelsel van bescherming de nijverheid
des lands te verheffen. Hij belastte de vreemde
waren met hooge invoerrechten, oin aldus de
opkomst der industrie in het land zelve te be-
vorderen, en legde aldus den grondslag voor het
zoogenaamd „Mercantiele Stelsel", dat naar hem
ook wel „Colbertismus" genoemd wordt. Vreemde
arbeiders wist hij naar Frankrijk te doen komen,
om er de takken van nijverheid uit het buiten-
land in te voeren, en door premiën, voorschotten
aan ondernemers, privilegiën en de oprichting
van fabrieken door den staat zelf, wist hij de
glasfabrieken, tapijtfabrieken, porceleinfabrieken,
zijdefabrieken e. a. tot bloei te brengen.
Ook de landbouw werd door de regeling der
belastingen aan den eenen kant bevorderd, aan den
anderen kant door de wetten op den uitvoer der
granen benadeeld. De oorlogsvloot werd uit-
gebreid, de scheepsbouw bevorderd, en de zee-
havens werden verbeterd. Zelfs werden tot het
verkrijgen van afzetsgebieden in het buitenland
handelsverdragen gesloten en handelsvennoot-
schappen opgericht.
Zoo lang Colbert leefde scheen hij wezenlijk
zijn doel te bereiken, doch na zijn dood was de
staatkunde van Lodewijk XIV en zijn opvolgers
van dien aard, dat het land door verkwisting
en oorlogen meer \'en meer werd uitgeput, en de
bevolking aan onderdrukking ter prooi was, terwijl
de ontwikkeling van den economischen toestand
veel te wenschen overliet. En eindelijk deed
de Fransche revolutie de ontwikkeling van de
volkswelvaart eenige jaren geheel stilstaan. Het
crediet werd ten zeerste geschokt door de uitgifte
van de groote bedragen papiergeld (assignaten),
hetwelk later geheel of zoo goed als waardeloos
bleek te zijn. In 1796 kon men zelfs voor een
-ocr page 122-
114                                                                HANDELS-AA]
handelsverdrag met Engeland begon met eene
verlichting der invoerrechten van 25 pet., naast
opheffing van het verbod van invoer. Dat ook
deze politiek niet behouden bleef en weder door
een beschermend stelsel gevolgd is, hebben wij
gezien (zie pag. 16).
De landbouw in Frankrijk onderging door de ver-
andering in het grondbezit en de kleinere verdee-
ling des lands bij de revolutie van 1789 een geheelen
ommekeer. Het aantal grondbezitters, dat tijdens
de groote revolutie op 4 millioen geschat wordt,
is thans ongeveer 8 millioen. De graanbouw
nam hierdoor meer toe dan de veeteelt. De
wijnbouw stond aan groote schommelingen bloot,
vooral door de druivenziekte, die na 1850 den
wijngroei zeer benadeelde, en den aanzienlijken
uitvoer van wijn zelfs in een te kort voor de
behoeften des lands veranderde (zie pag. 34).
Sedert 1880 is de invoer van wijn in Frankrijk
grooter dan de uitvoer, en de fabrikatie van
kunstwijn is hiervan het gevolg geweest.
De industrie in Frankrijk is ongetwijfeld door
de genoemde beschermende stelsels bevoordeeld.
Doch haar groote ontwikkeling heeft zij te danken
aan de smaak en bekwaamheid der Franschen,
waardoor zij op het gebied van kunst en smaak
die der meeste landen overtreft. Ook op handels-
gebied is het land in de laatste jaren snel vooruit-
gegaan, zoodat het naast Groot-Britannië en de
Vereenigde Staten aan de spits van den wereld-
handel staat.
Het credietwezen in Frankrijk heeft zich nor-
maal ontwikkeld. De lianr/ue dr France, in 1800
opgericht, heeft alle staatkundige omwentelingen
goed doorgestaan, en is sedert 1848 de eenige
circulatiebank (zie pag. 27). Dit neemt niet
weg, dat talrijke crisissen ook hier groote ver-
wachtingen in ondernemingen, met veel ophef
doch zonder goeden grondslag opgericht, hebben
teleurgesteld. Wij wijzen slechts op de crisis
van 1882 en op de jongste crisis door de onder-
neming tot aanleg van het Panama-kanaal.
De aanleg van spoorwegen begon in 1828, toen
de eerste spoorweg van St. Etienne naar Andrezieux
in gebruik werd genomen. Tot 1842 ging men
slechts langzaam voort met den aanleg, doch
een wet van dit, jaar bepaalde, dat een groot
net van spoorwegen onder samenwerking van
staat, departementen, gemeenten en particuliere
maatschappijen tot stand zou komen. Vooral in het
jaar 1857 werd de uitbreiding van de spoorweg-
lijnen ijverig voortgezet; niet minder dan 1262
kilometer spoorweglengte werd in dat jaar ge-
opend.
Evenwel waren er tal van kleine maatschappijen
opgericht, die met haar kleine lijnen de groote
verbindingen belemmerden door hooge vracht-
prijzen enz. Dit maakte een vereeniging der
lijnen meer wenschelijk, en van 1852 tot 1857
had eene fusie van vele maatschappijen op grond
van geographische ligging plaats, zoodat in 1857
vooral zes groote maatschappijen de particuliere
wegen in handen verkregen: de Noordlijn, de
Oostlijn, de Westlijn, de Zuidlijn, de Orleanslijn
en de lijn Parijs—Li/on—Middellandsche Zee.
Toen in 1858 de Fransche spoorwegen door een
financiëele crisis getroffen werden, was de staat
genoodzaakt de ondernemingen ter hulp te komen,
om de ontworpen lijnen te voltooien. Door rente-
garantie werd dit tot stand gebracht, en deze
met rente-garantie aangelegde lijnen heeten sedert
het „nieuwe net," in tegenstelling tot het „oude
net." Daar de spoorweg-ondernemingen alleen de
groote lijnen aanlegden en de locale belangen te
veel verwaarloosd werden, kwam de staat ook
hierin tusschenbeide, en werd in 1865 bij wet tot
den aanleg van spoorwegen van locaal belang
besloten. In Sept. 1892 bedroeg de lengte der
gezamenlijke spoorwegen 38743 kilometer.
De koloniale staatkunde van Frankrijk is niet
gelukkig geweest. De bezittingen in Kanada
en Louisiana alsmede St. Domingo gingen reeds
in de vorige eeuw verloren, zoodat alleen Mar-
tinique
en Guadaloitpe, twee eilandjes der kleine
Antillen, in Amerika behouden bleven. In Azië
bleven van de vroegere bezittingen in Indië
alleen Pondicheiy, Txjandeniagore en eenige ge-
ringere plaatsen behouden.
In den Indischen Oceaan bezit Frankrijk
Iiéunion, een eilandje met veel suikerproductie.
Verder bezit het. Xeder-Cocliinchina en neder-
zettingen in Tongking, wat aanleiding gaf tot
een kostbaren oorlog met China, die in 1885
eindigde. Daarenboven bezit Frankrijk een ge-
bied in Senegantbië en Fransch-Kongo ten N. van
de Kongo.
De belangrijkste kolonie van Frankrijk is
Algiers, in 1830 van den Dey van Algiers na
hardnekkigen strijd genomen. Echter voldoet
deze kolonie uit een economisch oogpunt nog
niet aan de gekoesterde verwachtingen. Daaren-
boven heeft Frankrijk in 1881 het protectoraat
over Tunis verworven.
§ 92. Middelen van bestaan. A. Landbouw
enz. en veeteelt. Door den over\'t geheel vruchtba-
ren bodem en het gunstige klimaat is de landbouw
een belangrijke tak van bestaan. De bodem
wordt voor ongeveer 50,2 pet. als bouwland
en tuinen, 15,8 pet. als bosch, 13,9 pet. als
grasland, en 4,9 pet. als wijngaarden gebruikt.
Nog 15,4 pet. des bodems ligt woest. Deze
cijfers doen het belang van den landbouw in
het oog springen. De vruchtbaarste streken
vindt men in het noorden, in de omstreken
van Parijs, in het mondingsgebied der Seine en
Somme, en aan de Belgische grens. De onvrucht-
baarste gedeelten zijn de Alpen en de Pyreneën
en het Centrale Plateau; verder de Landes ten
Z. der Garonne, de met meertjes en moerassen
-ocr page 123-
115
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
bedekte Sologne (ten Z. der Loire), de steen-
achtige bodem der Crau (ten O. van de Rhöne-
delta), de heidestreken van Bretagne en de krijt-
bodem van Champagne-Pouilleuse.
Van de landbouwers wordt gerekend, dat
79,8 pet. werkelijk eigenaars zijn, terwijl 13,8 pet.
als pachters het land huren, en 6,4 pet. als
metayers voor het gebruik van den grond een
gedeelte van de opbrengst geven. De eersten
gebruiken ± 59,8 pet., de tweeden 27,2 pet. en
de laatsten 13 pet. van de oppervlakte des bodems.
De bewerking van den grond geschiedt met veel
zorg. De regeering heeft sedert 1885 door in voer-
rechten op granen den landbouwersstand trachten
te bevoordeelen, terwijl men door invoering van
betere methoden, door oprichting van landbouw*
scholen, door drainage enz. den landbouw tracht
te verheffen.
Het hoofdprodukt van den landbouw is tarwe;
verder rogge, gerst, haver en boekweit. Daaren-
boven worden verbouwd: aardappelen, suiker-
bieten
(uitsluitend in het N.), vlas en hennep ;
tabak en hop.
Het volgend overzicht leert ons als gemiddelde
voor de jaren 1882—1891 de opbrengst der
verschillende granen in Frankrijk, alsmede den
handel in granen voor 1891 kennen.
29 mill. H.L. Bovenal wordt de wijnbouw ge-
vonden in het Saöne-Rhönedal, langs de Garonne
en bijstroomen, in het gebied der midden-Loire,
en in het bovengebied der Seine (Champagne).
Ongeveer het */« van de oppervlakte des lands
is met bosch bedekt. Reeds in 1827 trachtte
de regeering de uitroeiing der bosschen tegen
te gaan. Ook onder Lodewijk Philips en bovenal
onder Napoleon III hield men zich ernstig bezig
met de vraag, hoe de wouden konden uitgebreid
worden. In 1870 waren reeds 100000 H.A.
nieuw beplant en sedert zijn de wouden met
dr 200000 H.A. toegenomen. Het departement
Landes is het rijkst aan bosch (47 pet. der
oppervlakte), dat der Seine het armst (2 pet.).
De rundveeteelt wordt het ijverigst gedreven
in het N.W., alsmede tusschen Vogezen, Jura
en Centraal-Frankrijk; in de streken langs de
Middellandsche zee is die het geringst. Als
gevolg van de runderteelt levert het N. W. veel
boter aan Engeland. De paardenteelt wordt
met groote kosten in \'t belang van het leger
bevorderd door den staat. Terwijl Frankrijk
vroeger meer paarden invoerde dan uitvoerde is
thans de uitvoer veel aanzienlijker dan de invoer.
Vooral wordt de paardenhandel met Duitschland,
België en Engeland gedreven. In het zuiden en
in de bergstreken vindt men meer muildieren.
Schapenteelt vindt men in het bekken van
Parijs en op het Centraal-plateau; geiten ten O.
van dit plateau, waar de geitenmelk met kaas-
melk vermengd tot kaasbereiding gebruikt wordt
(Roquefort bij St. Affrique). Gevogelte vormt
een uitvoerartikel; eieren worden geëxporteerd
naar Engeland.
In het zuiden vindt men zij\'dewormen in het
Rhönedal.
De visscherij is zeer aanzienlijk; in 1888
hield deze 143375 menschen bezig, waarvan 88528
op de 25443 schepen voor visscherij gebruikt.
Langs de westkust wordt visscherij op sardinen
en oesters uitgeoefend, in de Middellandsche Zee
op tonijnen, en verder heeft Frankrijk recht tot
visscherij op de banken van New-Foundland:
kabeljauwvangst. De kunstmatige oesterteelt wordt
op groote schaal gedreven; in 1888 leverde die
een aantal van 607 mill. stuks op; 10000 mannen,
15000 vrouwen en 1300 kinderen waren hier-
mede bezig.
B. Bergbouw, Salinen enz. Frankrijk is rijk
aan steenkolen, die wel tamelijk gelijkmatig over
het land verspreid zijn, doch hoofdzakelijk in
vier hoofdbekkens gevonden worden: I. dat van
Valenciennes in het N. (in 1890: 14208000 ton
opbrengst); II. dat van St. Etienne (3536300 ton);
III. dat van Alais (2017500 ton) en IV. dat van
Creuzot en Blanzy (1534400 ton). Bovendien
vindt men nog kleine kolenbekkens. Hoewel
Graansoort-k».
Gemidd.
oppervl. p
jaar in
1000 H.A.
Opbrengst
der oojrst in
1000 H.L
Invoer in
Frankrijk in
tonnen.
Uitvoer in
tonnen.
1882-1891.
Gemidd. over
1882-1891
per jaar.
1891.
1891.
Tarwe
Rogge
Gerst
Haver
Maïs
Boekweit
Gemengd
(half tarwe
en rogge)
6 848
1656
982
3 760
577
619
329
107 089
24 202
18 596
89 607
9 456
9 849
5180
1 910 508
304
136 825
97 873
62 910
3
679
40 594
124 203
18 550
941
39 066
Zooals wij zien is de boekweit het eenige
produkt, dat een aanzienlijk grooteren uitvoer
dan invoer aanwijst.
De ooftteelt is zeer belangrijk; vooral in
Normandië en Bretagne, waar appels en peren
voor bereiding van cider gebruikt worden. Op
het Centrale plateau komt de walnoot bijna in
de plaats van brood. In het Z. is de teelt van olijven,
ön van bloemen tot het winnen van aetherische
olie, enz. van belang en vormen de bloemen een
aanzienlijk handelsartikel. In groote hoeveelheid
worden groenten en peulvruchten verbouwd.
De wijnbouw is zeer belangrijk. Na Italië
levert Frankrijk in Europa de grootste wijn-
opbrengst; in 1892 werd die geschat op ruim
-ocr page 124-
116                                                         HANDELS-AAI
de kolenopbrengst in de laatste 20 jaren bijna
verdubbeld is, leveren toch de Fransche mijnen
niet meer dan 2/3 van de benoodigde hoeveelheid,
zoodat nog een aanzienlijke hoeveelheid kolen
uit België (in 1892: 5,2 mill. ton), Engeland
(5,2 mill. ton) en Duitschland (0,6 mill. ton)
wordt ingevoerd.
Van de metalen levert de Fransche bodem
bovenal ijzer. Dat evenwel de ijzermijnen niet
in de nabijheid der kolenmijnen gevonden worden,
zooals in Engeland, is een groot nadeel, hetwelk de
bewerking duurder maakt. In 1890 werden 318
ijzermijnen, waarin tezamen 5470 arbeiders werk-
zaam waren, geëxploiteerd, die meer dan 2773600
ton erts ter waarde van 9,88 mill. francs leverden.
Toch is deze opbrengst niet voldoende voor
de behoefte, zoodat een groote hoeveelheid ijzer
moet worden ingevoerd (in 1888 ruim 1,3 mill.
ton, waarvan 610000 ton uit Duitschland en
Luxemburg, 389000 ton uit Spanje, 80000 ton
uit België, 18000 ton uit Algiers). In 1890
bestonden er 255 ijzerhutten en 116 hoogovens
in het land. De productie van ruw ijzer heeft
hoofdzakelijk plaats in de departementen Meur-
the-etMoselle, Nord, Pas de Calais, Gard, Saöne
et Loire.
Aan andere metalen is Frankrijk arm. Men
vindt er koper (Pas de Calais en nabij Lyon), en
lood (Puy-de-Döme), doch van minder beteekenis.
De bodem is verder rijk aan nuttige steensoorten.
Marmer leveren de Ardennen, Alpen en Pyreneën;
kalk- en zandsteen de omstreken van Parijs, graniet
Bretagne, steenzont vindt men bij Nancy. Aan
de kusten in het zuiden wordt zeezout gewonnen.
Men schat het aantal steengroeven op 33300,
waarin 113000 arbeiders werken.
De Pyreneën, de Alpen en het Centrale plateau
zijn rijk aan minerale bronnen.
C. Nijverheid. Van de nijverheid van Frankrijk
neemt de textiel- en kleedingindustrie eene eerste
plaats in. De wol-industrie staat hiervan boven-
aan; in de productie van wollen waren overtreft
Frankrijk alle landen van het vasteland. Daarop
volgen de bewerking van katoen, zijde, hennep,
jute
enz. De wolnijverheid is het meest ont-
wikkeld in de departementen Nord, Ardéche,
Tarn
en Marne. Lakens enz. worden vooral
geweven te Louviers, Elbeuf, Abbeville, Reims
en Sedan; fijne kamgaren stojfen in Roubaix,
Reims en Rouen. In de vervaardiging van
tapijten (Gobelins en Savonnerie-tapijten) neemt
Frankrijk eene eerste plaats in; middelpunten
daarvan zijn Parijs, Aubusson en Beauvais. Voor
kleedingstukken heeft Parijs een wereldbe-
teekenis.
Frankrijk komt door die vele fabrieken voor wol-
len stoffen jaarlijks een aanzienlijke hoeveelheid
wol te kort. In 1891 werd 195 mill. K.G. wol inge-
voerd; deze werd vooral geleverd door Argentinië,
Australië en de Kaapkolonie. Van die invoer
werd echter 41 mill. K.G. weder uitgevoerd.
Lyon is de eerste stad in Europa voor de
zijdeweverij, die ook te St. Etienne en Grenoble
wordt uitgeoefend.
De katoennijverheid werd in 1773 het eerst
in Amiens ingevoerd en erlangde sedert een
buitengewone beteekenis. In 1888 waren 727
fabrieken met 103000 arbeiders daarin werkzaam.
De steden Lille, Roubaix, Tourcoing en Rouen
zijn hoofdzetels dier nijverheid; verder vindt
men ze in de departementen der Vogezen, Aisne
en Eure. De invoer van katoen bedroeg in 1892
een waarde van 232,5 mill. francs; de invoer
van katoenen stoffen van 35,2 mill. en de uit-
voer van 98,26 mill. francs.
Ook de linnen-industrie is in Frankrijk van
groote beteekenis. Middelpunten van de vlas-
spinnerij zijn de steden: Amiens en Lille, voor
jute Ailly (Somme) en Duinkerken. Linnen-
weverij wordt bovenal uitgeoefend in Lille,
Cambrai (Kamerijk), Valenciennes en Armen-
tières. Kantfabrikatie vindt men te Valenciennes,
Bayeux en Caen.
De fabrikatie van machines vindt men bovenal
in de groote steden, als Parijs (naaimachines),
Rouen, Lille, Lyon en St. Etienne. De fabrikatie
van (jouden, zilveren, bronzen en andere sieraden,
juweliers-artikelen
enz. heeft te Parijs een hooge
beteekenis. Sèvres en Limoges hebben beroemde
porceleinfabrieken.
Fabrikatie van horloges en klokken vindt men
te Parijs en Besancon.
In vele takken der lederinduslrie geeft Frank-
rijk de toon aan in den wereldhandel, vooral
bij sierlijke artikelen, als handschoenieder (te An-
nonay in dep. Ardèche en te Chambéry in Savoye)
gekleurd leder enz. De tabaksindustrie is staats-
monopolie en wordt beoefend in 21 groote fa-
brieken. Door den achteruitgang van den wijn-
bouw (druifluis) heeft de bierbrouwerij grooter
ontwikkeling erlangd; in het noorden des lands
is bier de gewone volksdrank. De fabrikatie
van brandewijn uit wijn (Fransche brandewijn)
is nauwelijks meer bekend; de 3671 branders
gebruiken aardappelen, knollen, granen enz. voor
hun produkt.
De meubelindustrie is vooral in Parijs en Bor-
deaux sterk ontwikkeld; er worden jaarlijks
voor 300 mill. francs aan meubelen vervaardigd,
van welke er voor 12,5 mill. uitgevoerd worden.
In Parijs bestaat een bijzondere school voor
deze tak van industrie.
Handel en scheepvaart. Het volgend over-
zicht leert ons den buitenlandschen handel van
Frankrijk voor de belangrijkste artikelen kennen,
dat in millioenen francs de waarde van den in-
en uitvoer over 1891 en 1893 aangeeft.
-ocr page 125-
117
HAïfDELS-AAnDRI.TKSKimDE.
Invoer naar waarde in
mill. francs.
Uitvoer naar waarde in
mill. francs.
Handelsartikelen.
1891.
1892.
Handelsartikelen.
1891.
1892.
Wijn........
401,2
302,10
Wollen weefsels ....
349,8
341,92
554,4
524,48
Zijden weefsels.....
251,7
254,06
Wol.........
392,4
383,33
Wijn........
249,1
223,32
250,8
188,57
175,2
115,59
Zijde........
282,7
279,96
100,2
95,05
236,4
179,98
Lederwaren......
139,4
121,40
248,7
232,53
254,05
227,8
147,43
Confectie-artikelen.
99,8
90,53
Hout........
234,4
118,34
Wol.........
123,0
125,65
Koffie........
161,2
152,62
118,4
90,20
84,3
58,75
Parijsche artikelen.
111,1
124,75
82,1
104,49
105,0
98,26
Wollen weefsels . . .
73,1
62,20
Metaal waren......
87,1
86,92
70,8
36,53
71,5
6,6 (?)
Zijden weefsels.....
Vlas.........
71,8
51,0
60,54
67,49
58,1
33,21
55,1
60,79
56,7
54,64
45,7
36,01
55,6
56,64
Mode-artikelen.....
43,2
44,09
Vet.........
—
31,79
48,1
30,80
61,1
48,91
Houten artikelen ....
37,6
30,55
Door deze officiëele statistiek springt direct het belangrijk verschijnsel in het oog, dat de
invoer van wijn in Frankrijk aanzienlijker is dan de uitvoer.
De handel in landbouwprodukten hebben wij reeds op pag. 115 (tabel) besproken.
De landen, waarmede Frankrijk handel drijft, leert ons het volgend overzicht kennen. De
cijfers wijzen op den speciaal-handel in millioenen francs.
Invoer
Uitvoer
naar Fr.inkr.
van Frankr.
in 18U0 in
in 18Ü0 in
mill. francs.
mill. francs.
627,4
1029,7
500,5
537,6
351,0
341,6
353,8
152,6
104,2
242,8
121,9
149,9
194,6
16,6
113,1
17,6
133,0
60,3
78,8
31,2
13,0
33,0
40,1
43,7
53,0
10,4
44,1
11,5
317,4
328,8
210,5
103,5
Invoer            l\'itvoer
naar Frankr. I van Frankr.
in 1WI0 in in 1SU0 in
mill. franrs. mill. francs.
Landen in handelsverkeer
met Frankrijk.
Lauden iu handelsverkeer
met Frankrijk.
81,0
32,0
13,5
46,6
7,7
12,6
4,1
15,3
4,2
44,2
3,3
194,9
12,5
13,3
13,7
1,6
60,1
Groot Britannië.....
België........
Duitschland......
Spanje........
Zwitserland......
Italië........
Rusland.......
Oostenrijk-Hongarijë . . .
Turkije........
Skandinavië......
Portugal.......
Nederland.......
Rumenië.......
Griekenland......
Vereenigde Staten v. N. A.
Argentinië.......
Brazilië.......
Uruguay .......
Haïti........
Columbia.......
Peru.........
Britsch-Indië......
China........
Japan ........
Oost-Indië.......
Afrika........
Australië.......
Algiers.........
Guadaloupe......
Senegambië......
Martinique......
Fransch-Indië.....
De overige Fransche koloniën
81,5
36,7
52,4
11,8
45,1
210,1
103,4
53,7
24,3
94,4
36,5
208,5
18,7
23,3
20,1
21,7
70,8
De handelsvloot bestond met het einde van 1891 uit 15047 schepen met 948079 tonnen
inhoud. Hieronder vindt men 1157 stoomschepen met 521872 tonnen inhoud.
De belangrijkste havensteden leert ons het volgend overzicht kennen, met opgave van het aantal
hinnengeloopen schepen en hun tonnen inhoud voor 1892.
-ocr page 126-
118                                                         HANDELS- AARDRIJKSKUNDE.
Binncnfreloopen
Inhoud dier
Uitgevaren
Inhoud dier
onntnl srliepcn
schepen
aantal schepen
sehepen
in 1892.
in 10U0 tonnen.
in 1S\'J2.
in 1000 tonnen.
4026
3315
3802
3099
2302
2092
1393
1364
1474
930
1413
940
1895
1184
1034
450
1332
699
692
273
855
656
. 251
170
2296
602
2033
488
1492
436
1132
244
888
439
787
375
1427
607
1658
621
Belaugrijkstc havens.
Marseille.....
Le Havre . . . .
Bordeaux.....
Duinkerken . . .
Rouen......
St. Nazaire . . . .
Calais......
Dieppe.....
Cette......
Boulogne.....
der rivier uit. Parijs is de grootste vesting der
aarde en wordt door een rij van forten ter lengte
van 122 kilometer omringd. Parijs is de eerste
industriestad van Frankrijk, en de verzamelstad
van vele voortbrengselen der Fransche nijverheid,
die van hier den wereldhandel ingaan. Naast
de groote industrieën als: ijzer gieterij, machine-
fabrikatie, suikerfabrieken
enz. zijn bovenal de
verschillende takken van kunstnijverheid en van
luxe-industrie hier sterk ontwikkeld, als f/alan-
terie-, bijouterie; mode-
en dergelijke artikelen.
Verder is het een stad met de eerste bank-
instellingen, en heeft zij een zeer belangrijke beurs.
Parijs is het middelpunt van het intellectueele
en politieke leven in Frankrijk. De vroolijkeen
levendige stad wordt door veel vreemdelingen
bezocht.
Van de voorsteden noemen wij: Boulogne
sur Seine
met het bekende Bois de Bologne;
Cliehy, Ivry, Neuilly en Vincennes. Nabij
Parijs liggen nog aan de Seine: Sévres (6900)
met de beroemde porceleinfabriek; St. Cloud
(5700), St. Denis (51000) vesting, fabrieken.
Niet ver van Parijs ligt Versailles (51000), met
het groote slot en park door Lodewijk XIV
aangelegd, sedert dien tijd een residentie der
koningen. — St. Germain en Laye (14000)
aan de Seine; wolfabrieken, papier. — Fon-
tainebleau
(14000) aan de Seine; slot en park. —
Beauvais (19000), tapijt- en lakenfabrieken.
Natuurlijke grondslagen voor de ontwik-
keling van Parijs als centrum van het Seine-
bekken en hoofdstad des lands.
Oorspronkelijk
was Parijs de woonplaats van de Gallische
volksstam der Parisii en werd „Loutouhezi"
genoemd, een naam, welke door de Romeinen
als „Lutetia" werd verlatiniseerd, met de toe-
voeging „Parisiorum". Deze toevoeging bleef be-
waard en werd zelfs de naam der latere stad. Lang
voor dat het een Europeesche wereldstad was,
bestond Parijs uit een kleine handelsstad, die
in Caesars tijd tot het eilandje in de Seine,
thans de Oité, beperkt was. Dat evenwel de
plaats op het Seine-eiland niet zonder beteekenis
De belangrijkste steden voor den landhandel
zijn de volgende: Parijs, Lijon, Lille, Montpellier,
Nimes, Nanfes, Botten, Rennes, St. Etienne, Tou-
louse, Aix, Beaucaire, Carcassonne, Béziers, Nancg,
Orléans, Perpignan
en Tours.
In 1892 liepen in de Fransche havens in totaal
225 schepen (489728 M3. inhoud) onder Neder-
landsche vlag
binnen, en wel in de volgende:
Duinkerken 70 schepen, Marseille 62, Bordeaux 50,
Havre 21, Caen 7, Boulogne sjM 6, te Cette 3,
alsmede eenige sehepen in andere havens.
§ 93. Indeeling en plaatsbeschrijving. Frank-
rijk werd vroeger in een aantal grootere land-
schappen ingedeeld, welke in historisch opzicht
bekende namen hadden, en die nog steeds in den
mond des volks voortleven. De belangrijkste
van deze zijn: Artois, Picardië, Lotharingen en
Champagne in het N.; Franche Comté, Bourgondië,
Savoye, Dauphiné
en Provence in het O. en Z. O.;
Normandië, Bretagne, Maine, Anjou, Poitou en
Saintogne in het N. W. en W., Guyenne, Gascogne
en Béarn in het Z. W.; Foix, Roussillon en
Languedoc in het Z. en Isle de France, Orléannais,
Berrg, Bourbonnnis, Lgonnais, Limousin, Auvergne
en Perigord in het midden. Deze historische
indeeling werd in den tijd der eerste republiek
ter zijde gesteld, en, om het historische geheel
te doen verdwijnen, door een groot aantal depar-
tementen met willekeurige grenzen vervangen.
De meeste dier departementen hebben hun namen
aan de natuurlijke gesteldheid des lands ontleend,
aan rivieren, gebergten enz. Er bestaan op
dit oogenblik 86 departementen en 1 territorium,
dat van Belfort (de vesting in de Bourgondische
Poort).
Bij de plaatsbeschrijving zullen wij de histo-
rische indeeling volgen.
1. Isle de France. Parijs (Paris) (2448000 inw.,
met de voorsteden 2713000 inw. *), de hoofdstad
des lands, ligt te midden van het schoone bekken
van Parijs, en breidt zich op de plaats waar de
Marne in de Seine uitmondt aan beide oevers
\') De cijfers van liet aantal inwoners zijn een resultaat
van de volkstelling in 1891.
-ocr page 127-
119
HAXDELS-AARDItl.nvSKUNDE.
Daarenboven wees de Marné den weg langs den
pas van Zabern* (zie pag. 65 en 110) naar Zuid-
Duitschland en den Rijn (Marne-Rijn-kanaal),
terwijl de Oise in het noorden tot de verbinding
met Belgische rivieren gemakkelijk gelegenheid
aanbood, waarvan later partij getrokken is bij
het graven van vele kanalen.
Is het te verwonderen, dat door deze om-
standigheden de stad in het centrum van het
Seinebekken een groote beteekenis verkreeg
boven alle steden des lands ? Is het niet natuur-
lijk, dat zich hier naast de economische welvaart
van dit rijke land het staatkundig leven en de
geestelijke ontwikkeling concentreerden? Zoo
werd Parijs de wetenschappelijke, litterarische
en artistieke hoofdstad des lands; zoo werd ook
Parijs een der eerste handels* en industriesteden
van Frankrijk. En dezelfde omstandigheden
maakten Parijs ook tot de staatkundige hoofdstad
van het land.
Parijs is thans een der schoonste en levendigste
steden, waar de hartader des lands rusteloos
klopt. Breede boulevards, met boomen omzoomd,
doorsnijden de stad in onderscheidene richting.
Tal van gebouwen en instellingen zijn wereld-
beroemd. Evenwel mogen wij uit plaatsgebrek
hierbij niet langer stilstaan.
2. Normandië. Dieppe (22000); haven, zee-
bad. — Havre (Le Havre de Grace) (116000)
ten noorden aan den Seinemoml. Havre is de
tweede haven van Frankrijk, de eerste uitvoer-
haven des rijks, welke door talrijke stoomlijnen
met het buitenland in verbinding staat. Invoer
van katoen, wol, koffie en huiden; uitvoer van
geweven stoffen, wijn, brandewijn. —- Rouen
(112000), haven aan de Seine. Textiel-en metaal-
nijverheid.
De ontwikkeling en beteekenis van Havre
en Rouen. Met buitengewone scherpzinnigheid,
zooals die telkens aan den dag kwam, schetste
Napoleon I de economische beteekenis van de
ligging der beneden-Seine. „Parijs, Rouen en
Havre vormen slechts één stad, welker hoofd-
straat de Seine is," aldus de eerste keizer van
Frankrijk. En wanneer men de sedert het begin
dezer eeuw ingestelde veranderingen aan de
oevers der Seine beneden Parijs nagaat, wanneer
men de ontwikkeling van het verkeer en den
aanwas der steden beschouwt, en het streven
van Parijs oin zelf een zeehaven te woiden
hiermede in verband brengt, dan schijnt het, of
hetgeen de blik van Napoleon doorzag, onder
vreedzame ontwikkeling tot werkelijkheid ge-
worden is. Door stoombootvaart en spoorwegen
met het achterland verbonden is Havre aan den
mond der Seine tot een havenplaats van den
eersten rang geworden.
De eerste pogingen om hier een havenstad te
stichten zijn uitgegaan van koning Frans I.
was, blijkt hieruit, dat Caesar het „oppidium" =
„stad" noemt, hier een Gallischen Rijksdag hield
en er zijn Britsche vloot liet bouwen.
De ontwikkeling eener belangrijke stad op
dit punt vindt zijn grond geheel in natuurlijke
oorzaken. Parijs is middelpunt van een stel-
sel van tamelijk ver naar de bronnen bevaar-
bare rivieren (vooral met het oog op \'t verkeer
in vroegere eeuwen), welke alle in een lijn, die
der Seine, samenkomen. Een golvend land, rijk
aan produkten, welker dalen sedert de vroegste
tijden goed bebouwd waren, met tal van neder-
zettingen in dorpen en steden langs de oevers
der rivieren, . .. voor dat land was Parijs de door
natuurlijke wegen aangewezen marktplaats.
Zoo hadden in de middeleeuwen alle steden
der omstreken, de steden aan de Oise, de Marne
enz., op de markt te Parijs een groote bazar voor
allerlei soorten van koopwaren; elke stad had
daar haar eigen magazijnen en herbergen. Men
vond er in de l.!5\'le eeuw „les Halles de Pon-
toise", „les Halles de Beauvais" enz. en ook
vroeger zal dit aldus geweest zijn. Te Parijs
werd de Seine na het opnemen van de Marne
voor grootere schepen bevaarbaar, en zelfs de
kleine zeeschepen konden in ouden tijd te Parijs
komen. Daarom werden de produkten der land-
streken in het brongebied der Seine, die voor
den uitvoer bestemd waren, hier vereenigd voor
grootere transporten, terwijl te Parijs omgekeerd
de van de beneden-Seine of de van zee afkomstige
waren verdeeld werden voor de plaatsen over
het Seinegebied. Parijs werd de hoofdmarktplaats
en een rendez-vous voor al de plaatsen uit het
Seinebekken. Door dit samenstroomen der be-
volking van alle zijden en het levendig handels-
verkeer kwam de stad snel tot groote ontwik-
keling, en breidde zij zich weldra ook buiten het
Seine- eiland uit.
Doch niet alleen het Seinegebied was denatuur-
lijke oorzaak voor de ontwikkeling van Parijs.
Want dit gebied, dat op zich zelf reeds tot de
grootste stroomgebieden van Frankrijk behoort,
werd mede nog gevoed door de economische
voordeelen van andere riviergebieden. Ten zuiden
van Parijs buigt de Loire zich het verst naar
het noorden, als om deze stad te naderen. En
de stad Orléans, hier gelegen, werd als het ware
een voorhaven van Parijs aan de Loire, waardoor
zij met den boven- en benedenloop dezer rivier
in commercieele verbinding trad. Zelfs werden
de Seine en de Loire hier later door scheepvaart-
kanalen verbonden.
Eveneens was van Parijs gemakkelijk de weg
te openen naar het Saóne-RhOne-dal, den grooten
weg naar de Middellandsche Zee, en waarlangs
men door de Bourgondische Poort den weg
vond naar Zwitserland. Ook hier is later eene
kanaalverbinding tot stand gebracht (Canal du
-ocr page 128-
120
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
Deze verleende aan het onbeteekenende visschers-
plaatsje aan den Seineinond, „Havre de Grace"
geheeten, in 1517 talrijke privilegiën. Daardoor
vermeerderde de bevolking zeer. De hier aan-
gelegde haven werd langzamerhand veel ver-
beterd, en een voorhaven van het rijke Rouen.
Vooral Richelieu en in nog grooter mate Colbert
(zie pag. 113), die de zeevaart wilde ontwikkelen,
deden veel voor de opkomst der stad. OokLode-
wijk XVI zag het belang van deze haven in,
en deed veel tot haar bloei, doch zijn ontwerpen
oin den aanleg te verbeteren werden afgebroken
met zijn ongelukkig uiteinde. Evenwel in deze
eeuw werd de aanleg op nieuw voortgezet en
voltooid. Het is een grootsch en uitgebreid
stelsel; een tiental ruime havenbassins met
een rustelooze bedrijvigheid dringen diep in de
stad door, en breede kaden, meest met spoor-
lijnen doorsneden, omringen de havens. De vloed,
die den Seinemond en de buitenhavens binnen-
dringt, doet bij springvloed den waterstand tot
6.15 a 7.85 Meter rijzen, en levert bij het binnen-
dringen een trotsch gezicht op. Het toegangs-
kanaal, dat bij ebbe niet diep is, wordt daardoor
bij vloed voor de grootste schepen bevaarbaar.
Bij den aanvang der ebbe woiden de groote
sluizen der afgesloten havenbassins gesloten,
zoodat het meeste verkeer bij vloed plaats heeft.
Wat de haveninrichtingen betreft is Havre
een der beste havens van Europa, waar de
handelaar alle mogelijke gemakken vindt. Doch
de toegang tot de haven is door de ondiepten
van den Seinemond nog altijd moeielijk. Een
rij van zandbanken omsluit van Kaap de la Hève
langs de west- en zuidzijde de stad tot den
linker Seineoever in een uitgestrekt gebied, zoodat
de groote schepen er alleen bij hoog water kun-
nen passeeren.
De handel van Havre, die in de vorige eeuw
niet onaanzienlijk was, doch tijdens de oorlogen
van Frankrijk in het begin dezer eeuw achteruit-
ging, is vooral in de laatste halve eeuw tot
bijzonderen bloei gekomen. De aanleg van den
spoorweg naar Parijs in 1849 droeg veel hiertoe
bij, alsmede de oprichting der „Compagnie
Générale Transatlantique". In 1881 werd door
Frankrijk een wet afgekondigd, waarbij schepen,
die lange zeereizen maakten, voor 10 jaren een
premie uit de staatskas werd verzekerd. Deze
wet begunstigde de oprichting van nieuwe stoom-
vaartlijnen. Te Havre werd op dien grondslag
de maatschappij der „Chargeurs Réunis" opge-
richt, welke het verkeer met Zuid-Amerika tot
stand bracht. Nu in den laatsten tijd genoemde
bevoordeeling vermindert, zijn velen ontevreden.
Een nadeel is het verder voor Havre, dat de
Fransche Westspoorweg hooge vrachttarieven
heeft, waarom men voor vele in te voeren waren
de gunstiger verbindingen over Duinkerken en
Antwerpen zoekt. Verder heeft de uitdieping der
Seine, waardoor kleine zeeschepen reeds tot
Rouen komen, voor Havre een mededinger doen
ontstaan, en als de verdere uitdieping doorgaat,
zal die concurrentie toenemen. Doch trots dit
alles is Havre nog altijd de tweede haven van
Frankrijk. Het meeste verkeer heeft er plaats
met Engeland; daarop volgen de Vereenigde
Staten en Duitschland. De Fransche vlag is het
meest vertegenwoordigd; daarop volgen in rij
de Engelsche, de Du/tsche, de Spaansche en de
Noorweegsche vlaggen. In 1892 liepen hier 21
schepen onder Nederlandsche vlag binnen, te
zamen met 5(i401 M!. inhoud, waarvan er 17 van
Paramaribo kwamen.
Rouen was in den tijd, toen de zeeschepen
nog niet zoo veel diepgang hadden en dus ge-
makkelijk de rivieren verder konden opvaren,
de rijkste handelsstad van Nonnandië. De ligging
aan de Seine, die tot hier door zeeschepen werd
bevaren, in een door heuvels omsloten vlakte op
den rechter oever der rivier, was bij uitstek
geschikt voor de ontwikkeling van een handels-
metropoleum. Doch Rouen heeft haar beteekenis
ten deele aan het opkomende Havre overgedaan,
dat met het oog op de moderne behoeften beter
gelegen was. Toch is Rouen nog altijd de
vijfde havenstad van Frankrijk en een der eerste
fabriekssteden.
Elbeuf (21000) a. d. Seine; laken- en andere
fabrieken. — Caen (43000) niet ver van den
mond der Ome, haven; katoen- en wolindustrie.—
Cherbourg (39000) oorlogshaven en zeearsenaal
van den eersten rang.
3.  Picardië. St. Quentin (46000) aan de Somme,
Middelpunt van katoennijverheid. — Amiens
(76000) a. d. Somme. Linnen-, zeildoek- en wol-
industrie. — Abbeville (20000) suikerfabrieken.
4. Artois. Douai (24000), katoen, wol, suiker. —
Arras (26000), suikerfabrieken, graanhandel. —
St. Omer (21Ó00) vlas- en wolspinnerij, weverij,
ijzergieterij, papierfabrieken.
Boulogne-sur-Mer (42000) haven, handel met
Engeland, Indië enz. Zeebad. Fabrieken. —
Calais (53000) haven en vesting. Overvaart
naar Engeland (Dover). Kantfabrieken; hand-
schoenen, linnen en katoen.
Boulogne-sur-Mer is sedert de oudste his-
torische tijden steeds een belangrijk handelspunt
geweest. In den Romeinschen tijd was het als
haven van N. W. Gallië reeds het steunpunt
der Romeinsche macht in Britanuië en in den
strijd van Frankrijk met Engeland heeft het
altijd een belangrijke rol gespeeld. Daardoor
is het niet te verwonderen, dat er in de bene-
denstad zelfs een Engelsche kolonie bestaat
van dr 6000 personen, die de Engelsche taal
spreken, en Engelsche zeden en gewoonten
behouden hebben. Het verkeer met Engeland
-ocr page 129-
121
HANDELS-AARDRI.TKSKUNPE.
is nog altijd zeer levendig; 150000 reizigers
trekken gemiddeld per jaar nog van Engeland
langs deze stad.
De stad ligt op een heuvelachtig terrein aan
den rechter oever der Liane-rivier, die hier in
het Kanaal uitmondt. De riviermond is in een
ruime haven met bassins veranderd. De kust
van het Kanaal is hier steil; door de branding
der zee zijn de rotsen afgeslagen en ondermijnd,
en is de kust met een zoom banken van zand
en rotspuin omringd, waardoor de nadering bij
stormachtig weer zeer gevaarlijk wordt. Groote
kosten zijn er besteed om deze haven goed toe-
gankelijk te maken. De uitvoer van wollen
artikelen is hier aanzienlijk; verder van zijden
stoffen. Ook is Boulogne een der belangrijkste
visscherijhavens van Europa. Voor het overzeesch
verkeer is bovenal de Nederlandsch-Amerikaan-
sche stoomvaartlijn van belang, welke de schepen
van Rotterdam naar New-York hier doet aan-
leggen om passagiers en landverhuizers uit Zwit-
serland en Italië te vervoeren.
Calais. De Straat van Calais is in de laatste
vier eeuwen, vooral door de ontwikkeling van
den Engelschen handel, een der drukst bevaren
wateren geworden. De aanzienlijke zeevaart van
Londen, van de oostkust van Engeland en
Schotland, en het oceanisch verkeer op België,
Nederland, Duitschland enz. neemt haar weg
grootendeels door de „Pas de Calais", en lood-
recht op die richting wordt deze straat door-
sne Ier. door verschillende lijnen, tot verbinding
van Frankrijk en Engeland. Op elk uur van
den dag zijn hier honderden schepen van alle
zeevarende natiën onderweg, en al wezen ook
de blinkend witte krijtrotsen van Dover en de
duinen van Calais niet aan, dat hier twee
belangrijke landen elkander naderden, het, rus-
teloos scheepvaartverkeer zegt reeds onmiddellijk,
dat men hier een der belangrijkste internationale
verkeerswegen heeft, zoodat de „Pas de Calais"
door geen andere zeestraat in beteekenis wordt
overtroffen.
Op dit belangrijke punt voor het handelsver-
keer verkreeg Calais reeds in de middeleeuwen
een groote beteekenis, en zoo werd deze stad
door de Engelschen als de sleutel van Frankrijk
aangezien, waarom zij alle moeite deden om Calais
te behouden. Tot 1558 bleef Calais dan ook
het bezit van Engeland.
Calais ligt aan een vlak en moerassig duinen-
strand. Sterke vestingwerken omsluiten de stad,
doch deze verhinderden hare uitbreiding. Daar-
door kwam het dorp Saint-Pierre-les-Citlais ten
zuiden van Calais, dat in 1800 nog niet meer
v an 2600 inwoners telde, in deze eeuw tot
aanzienlijke uitbreiding en overvleugelde spoe-
digde oude stad geheel.
Calais ligt 40,7 KM. van Dover verwijderd,
zoodat bij helder weer de krijtrotsen uit de verte
zichtbaar zijn. De haven van Calais is de dichtst
naar Engeland naderende. Hierdoor is het per-
sonenverkeer op Engeland buitengewoon groot;
in 1891: 248400 reizigers. Calais en Boulogne
staan hierin verre boven aan.
De zeevaart aan de Fransche kust van het
Kanaal heeft veel met moeilijkheden te strijden.
Langs de duinenkust ligt een ondiepe zee met
vele zandbanken, waarlangs alleen met groote
voorzichtigheid de weg kan gevonden worden.
En bij ebbe, die op vele plaatsen (5,5 nieter
daalt, ligt een breede zoom van het strand droog,
bij Calais wel 1,4 K.M. breed. Daarenboven
doen zich krachtige getijdenstroomen in het Ka-
naal gevoelen.
De haven van Calais heeft veel van verzanding
te lijden en het kost veel geld en zorg om haar
open te houden. Een nieuwe haven is met
groote kosten aangelegd. Evenwel de verwachte
vooruitgang van den handel is daaraan niet
evenredig, wijl Duinkerken nog altijd een groot
overwicht heeft. In 1892 liep slechts één schip
onder Nederlandsche vlag deze haven binnen.
5. De fransche Nederlanden. (Vlarunleren
en Henegouwen). Het is voor een Nederlander
opmerkelijk, in een klein gedeelte van Frankrijk
de Nederlandsche taal nog te kunnen hooren
spreken. Dit is het geval in de vroeger tot de
Nederlanden behoorende gedeelten van het N.W.,
waar evenwel het Vlaanisch meer en meer door
Franscli verdrongen wordt. Toch wijst de naam
der eerste stad, die wij hier noemen, nog op
Nederlandschen oorsprong.
Duinkerken. (Fr. Dunkenpie) (52000 inw.
met de voorsteden); haven en vesting; handel
in steenkolen, graan en hout. Visscherij.
Duinkerken ligt te midden van een vlakke,
troostelooze duinenkust, die naar zee in een on-
diep strand met uitgestrekte zandbanken over-
gaat. Daardoor is deze kust zeer gevaarlijk,
hoewel alle middelen worden aangewend, om
door bakens, lichtorens en lichtschepen den zee-
lieden den weg te wijzen. Doch al deze hulp-
middelen zijn niet voldoende, om de gevaren af
te wenden, en menig schip is op deze kust het
slachtoffer geworden der ondiepe zee. Toch is
tegenwoordig Duinkerken nog een belangrijke
havenstad. Tusschen twee reusachtige golfbre-
kers ligt de invaart van 80 meter breedte naar de
binnenhavens. Ook deze stad heeft het nadeel van
alle havens aan deze kust, dat zij bij laag water
niet voor groote schepen te bereiken valt, zoo-
dat het verkeer voor diepgaande schepen alleen
tot den tijd van hoogwater beperkt is. In 1892
liepen 70 schepen (52240 M:i inhoud) onder Neder-
landsche vlag deze haven binnen.
Armentiéres (28000), linnen, katoen. — Lille
(Rijssel) 177000 inw. met de voorsteden), ves-
-ocr page 130-
122
HANDELS- AARDRT.TKSKUXDE.
ting, hoofdwapenplaats voor het noorden. Spin-
nerij, weverij, suikerfabrieken, machinefabrieken,
bierbrouwerij. — Roubaix (105000), Tourcoing
(48000) textiel-nijverheid, vooral van wollen mo-
destoffen. — Valenciennes (25000), vesting,
steenkolenmijnen, kantfabrikatie; fabrieken. —
Cambray (Kamerijk) (17000 inw.) textielnijver-
heid (batist, linon of kamerdoek).
6.   Champagne. Sedan (20000) vroeger vesting;
fabrikatie van modeartikelen. — Méziéres\',24000)
a. d. Maas, wapenfabrieken, metaalindustrie. —
Reims (120000) sterke vesting; wolindustrie,
beetwortelsuiker, wijnhandel. — Chalons-sur-
Marne (2(i()()0) wijn- en wolhandel. — Troyes
(50000) a. d. Seine. Wol- en katoenweverij.
Oudtijds belangrijke missen. (Trooisch pond).
7.  Lotharingen (Lorraine). Epinal (21000) aan
de Moezel. Borduurwerk, metaalwaren. — Bac-
carat a. d. Meurthe (5200) grootste glasblazerij
en spiegelfabriek van het Rijk. - Toul (12000)
aan de Moezel en Verdun-sur-Meuse (18000),
vestingen.
8.    Franche-Comté (Vrijgraafschap Bourgondië
en Opper Bourgondië). Besancon (45000) a. d.
Doubs, horlogefabrikatie. — Belfort (25000),
belangrijke vesting in de Bourgondische Poort.
9.    Bourgondië. Macon (18000) a. d. Saöne
wijnhandel en wijnbouw. — Chalon-sur-Saöne
(24000) steenkolenmijnen, machinefabrikatie. —
Dijon (81000) mosterdfabriekeu, chocolade, olie.
10.   Li/itniiaiti. Lyon (42\'JOOO inw. met de voor-
steden). Hoofdzetel derzijde-industrie; chemische
fabrieken, ijzergieterijen, machinefabrieken. Be-
langrijke handel. Missen. — St. Etienne( 123000),
wapen- en geweerfabrieken, messen en machinen-
fabrikatie.
11.   Savoye. Chambéry (20000) zijdeindustrie.
Chamonix (2300) in het dal van dien naam,
uitgangspunt voor het beklimmen van den Mont-
Blanc.
12.  Dauphiné. Grenoble (57000), handschoenen.
Valence (23000) wol- en zijdeweverij; hand-
schoenen. — Vienne (23000), laken, linnen,
metaal.
13.  Avignon en Orange. Avignon (38000), zijde-
industrie, lederhandel.
14.   Nizzu. Grasse (10000) bloementeelt, fabri-
katie van aetherische oliën en ossenzen. Aan de
kust de winter-badplaatsen, als: Cannes (15000),
Antibes (C300), Nizza (Nice) (74000) en Mentone
(8300).
15.  Provence. Arles (14000) bij het begin van de
Rhónedelta. Handel in olie eu wijn. — Aix
(23000) het oude „Aquae Sextiae", belangrijke
markt voor olijfolie. — Toulon (74000) oorlogs-
haven, marinewerkplaatsen, scheepshaven. —
Marseille (321000), eerste haven van Frankrijk.
Hoofdzetel van den graanhandel; handel in olie-
zaden, wijn en zijde. Bewerking van ertsen,
molens enz.
Ontwikkeling van Marseille. Marseille is
een der weinige gedenkteekenen van den bloeien-
den handel der oudheid, die de wisseling der
eeuwen met roem heeft doorstaan. Het oude
Massilia, zes eeuwen vóór Chr. door den prac-
tischen handelsblik der Grieken gesticht (zie
pag. 110) heeft de stormen van duizenden jaren
met glans doorstaan, en hoewel herhaaldelijk
bedwongen en ten ondergang gedoemd, verhief
het onder den invloed der gunstige geographische
omstandigheden zich telkens weder tot nieuw
leven. Massilia zag Tyrus ondergaan, en Kar-
thago, haar machtige mededingster in het westelijk
bekken der Middellandsche Zee, bezwijken onder
de slagen van de Romeinen. Massilia beheerschte
reeds het oosten der Middellandsche Zee in den
tijd toen Alexander de Groote den grondslag
legde voor Alexandrië; Massilia zag het oude
Rome en Byzantium, Athene en Korinthe tot bloei
geraken, en beleefde ook hun ondergang; Massilia
zag het oude Venetië, Genua en Pisazich verheffen
en daarna dalen in beteekenis, terwijl het zelf de
trotsohe handelskoningin in het westen der Mid-
dellandsche Zee bleef. Hoewel haar geboorte in
den grijzen nacht der oude historie valt, verheft
Marseille zich nog als met jeugdige kracht, en
streeft alle jongere havensteden, alsmede haar
antieke zusters Konstantinopel en Alexandrië,
met roem voorbij. Bij Marseille is het best na
te gaan, hoe de natuurlijke geographische ge-
steldheid en de ligging eener stad over haar
bloei kunnen beslissen, als de historische om-
standigheden de ontwikkeling van het resultaat
dier invloeden niet geheel belemmeren. Bar-
baarschheid en talrijke oorlogen, de bevoorrechting
van concurreerende steden, zij waren niet in staat
de begunstiging van Marseille door de natuurlijke
ligging op te heffen, en hierin bleef steeds de
bron van de welvaart der stad.
Geen enkel punt aan deze kust was zoo gunstig
voor den aanleg eener haven als dat, wat voor
Marseille werd uitgekozen. In een bocht gelegen,
die naar het zuiden door eilandjes, naar het O.
en W. door vooruitspringende kapen werd be-
scherind, werd er een tamelijk veilige reede door
do natuur gevormd, die alloen voor de westelijke
stormen open lag. Doch in onzen tijd heeft
Marseille daarenboven over een der grootste
kunstmatig aangelegde havens der aarde te be-
schikken, met welks aanleg in 1844 werd aan-
gevangen. Ten W. der stad ligt de moerassige
Rhónedelta, en aan deze kust kon geen andere
stad ontstaan vóór Cette, dat ver ten W. dier
delta ligt. Daardoor werd Marseille van het
-ocr page 131-
123
HANDELS-AARDRLTKSKUNDE.
oosten uit de commercieele beheerscher van den
weg door het Rhönedal (zie pag. 110).
Marseille heeft van zee uit een schilderachtig
uiterlijk en maakt een trotschen indruk. Op een
zacht oprijzende en door hergen omsloten kust-
vlakte strekt de stad zich eenigszins amphithea-
tersgewijze uit over eene lengte van 6 K.M.,
waarboven torens, koepels en enkele trotsche
kerken hoog uitsteken. Op den voorgrond ligt
de uitgestrekte haven, bestaande uit een vijftal
bassins, gemeenschappelijk door een zwaren golf-
breker beschut, achter welke in letterlijken zin
zich een mastbosch van schepen verheft. Onop-
houdelijk komen de grootste stooinschepen aan en
varen af, en zeilschepen uit alle worelddeelen
kruisen er door elkander. Rusteloos klopt hier
de polsslag van het wereldverkeer, en door een
goed georganiseerden arbeid wordt er veel met
snelheid verricht. Reusachtige magazijnen ver-
heffen zich langs de kaden, en deze zouden de
vele aangevoerde handelsartikelen op verre na
niet kunnen bevatten, doch de snelle handels-
omzet maakt het mogelijk, zich met die ruimte
te behelpen.
De omgeving van Marseille is een van water-
leidingen doorsneden vruchtbare dalgrond, met
vele gehuchten bedekt, en door heuvelrijen of
bergen van vrij aanzienlijke hoogte ingesloten,
langs welks hellingen talrijke landhuizen ver-
strooid liggen. Men noemt deze „bastides". Bijna
ieder burger van Marseille bezit een dergelijk
Stuk der aardoppervlakte buiten in de vrije
natuur. Over het dal rust de zegen eener prach-
tige en weelderige vegetatie, zoodat zelfs de
rotsen met een kleed van geurende kruiden
overdekt zijn. Aldus is in algemeene trekken
het beeld der eerste handelsstad van Frankrijk.
In den tijd van het Continentaalstelsel ging
de handel van Marseille bijna geheel te gronde, en
om hem na den val van Napoleon weder te ver-
heffen, werd Marseille tot vrijhaven verklaard in
1814. Doch de vernieuwde bloei van Marseille
vangt eigenlijk aan met de verovering van Algiers
in Ï830, waarna er ook talrijke scheepvaart-
maatschappijen werden opgericht, om den handel
met de Levant en andere deelen der aarde tot
stand te brengen. Ook de doorgraving der land-
engte van Suez, waardoor de Middellandsche Zee
weder aan de route voor het verkeer met Indië
te liggen kwam, was van veel belang voor
de ontwikkeling van Marseille in den nieuw-
sten tijd.
In den laatsten tijd heeft Marseille weer een
opbloeieuden concurrent verkregen in Genua, dat
tot nieuw leven ontwaakt, en zich een gedeelte
van den handel op de Middellandsche Zee heeft
weten te verwerven. De opening van den St.-
Gothardspoorweg (zie pag. 88) heeft den handel
van Zwitserland grootendeels aan Marseille ont-
trokken. De Nederlandsche stoomvaartmaat-
schappij „Nederland" naar Java legt thans niet
meer in Marseille maar in Genua aan.
Marseille ziet scherp rond naar alles, wat
dienen kan om de concurrentie van Genua en
andere steden te overwinnen. Een nieuwe kanaal-
verbinding met de Beneden-Rhóne zal aangelegd
worden, om gemakkelijker van het goedkooper
scheepvaartvervoer op deze rivier partij te kunnen
trekken. De spoorwegverbindingen zijn aldus
ingericht, dat men den handel op het achterland
kan beheerschen. Eene lijn loopt langs de kust:
in \'t O. naar Genua, in \'t VV. naar Nimes, Mont-
pellier en Barcelona. En de belangrijkste ver-
binding met het noorden wordt door de grootste
en rijkste Fransche spoorwegmaatschappij tot
stand gebracht: do Parifs—Lijon—Middellandsche
Zee-spoorwry,
welke bijna tusschen die van Parijs—
Basel en Parijs—Cette ligt. Deze spoorweg loopt
langs de Rhöne tot Lyon, waar hij zich waaier-
vormig in vier lijnen splitst. De lijn wordt ge-
steund door een tweede spoorlijn, die van Parijs
door het dal der Allior komt, over Nimes gaat,
en zich hier bij de kustlijn aansluit. Een derde
lijn, die op dit oogenblik van minder belang is,
gaat van Marseille direct naar het noorden, over
Grenoble en Chambéry naar Genève. Uit den
loop dezer lijnen leeren wij naar de landzijde
het handelsgebied van Marseille kennen. Met
uitzondering van de Povlakte, welks handel door
Genua is verkregen, van die der Oost-Alpen-
landen, welke Triest en Venetië tot zich hebben
getrokken, is dat handelsgebied van Marseille
nog hetzelfde als in de oudheid. En naar de
zeezijde komt het verkeer met de Middellandsche-
Zeelanden en de Fransche koloniën in de eerste rij.
De scheepvaart op Marseille in 1888 was van
verschillende natiën als volgt:
Stoombooteu. Zeilschepen.
Fransche
vlag
7710             3571
2278                 51
538               366
300               957
180                   6
98               618
Engelsche
Spaan sche             „
Italiaansche          „
Nederlandsche     n
Grieksche             „
In 1892 liepen 30 schepen onder Nederland-
sche (140700 M;i inhoud) de haven van Marseille
binnen.
Bij den bijzonderen handel van Marseille zullen
wij verder niet stilstaan.
16. Lantjuedoc. Toulouse (136000) aan de Ga-
ronne. Molens en fabrieken. — Carcassonne
(25000) a. d. Aude. Textielnijverheid. — Nar-
bonne
(27000) handel, fabrieken. Door een
kanaal met de haven La Nouvelle aan de Middell.
Zee verbonden. — Béziers (42000) aan het
Kanaal du Midi. Wijnf abrikatie; scheepsbouw. —
Cette (36000) haven, handel in wijn, spiritus,
visscherij. —Montpellier (66000) katoenspinnerij
-ocr page 132-
124
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
en weverij; wol en zijdeweverij; wijn- en spiritus-
handel. — Nimes (69000), spinnerij, weverij,
ijzergieterij; handel in zijde, wijn en spiritus.
De beste overblijfselen van Roineinsche bouw-
werken.
17. Roitssillon: Perpignan (28000) van militaire
beteekenis. Industrie, handel.
18. BramenBeneden-Navarre. Pau (31000), win-
terbadplaats. — Bayonne (25000) aan den mond
der Adour. Vesting, handelshaven. Handel in
wijn, graan, maïs, hout. — Biaritz (7200) zeebad.
19.  Gut/enne en Gascogne. Périgueux (31000) fa-
brikatie van papier, messen, spijkers, leerlooierij.
Handel in truffels. — Montauban (23000) spin-
nerij, weverij ; leerlooierij. — Agen(21000) hoofd-
zetel des handels in gedroogde pruimen. —
Tarbes (25000) messen- en koperwarenfabrie-
katie. — Lourdes (6200), bedevaartplaats.
Bordeaux, (24800) aan de Gironde, met be-
langrijke haven, de derde van Frankrijk. Handel
met Noord-Europa, Engeland en de overzeesohe
havens. Invoer van steenkolen en hout; uitvoer
van wijn, brandewijn, gedroogde en ingemaakte
vruchten. Scheepsbouw, machinefabrieken, sui-
kerraffinaderijen enz. I\'aitillac (4000) en Le Verdon
zijn voorhavens.
Ontwikkeling van Bordeaux. Op een afstand
van 100 K.M. van de kust des Oceaans, te midden
van een effen, zacht oprijzend terrein, is de stad
Bordeaux ontstaan. Toen de Romeinen hier de
Keltische plaats Burs-Wall bezetten, zagen zij
spoedig de gunstige geographische ligging van
dit punt, waar zeevaart en riviervaart elkander
ontmoetten, en de naar of van zee aangevoerde
waren moesten overgeladen worden. — Zij grond-
vestten hier Burdiyala, dat weldra een der eerste
steden van Gallië werd. Doch in den loop der
eeuwen had deze stad bijna voortdurend te lij-
den van oorlog en onzekere toestanden. Toch
deed de gunstige ligging Bordeaux tot een be-
langrijke handelstad ontwikkelen. Een middel
tot verheffing van Bordeaux werd gezien in de
verbinding der Garonne door een kanaal met de
Middellandsche Zee. Dit kanaal, het Canal du
Midi, kwam onder Lodewijk XIV tot stand,
en hoewel het aanvankelijk bijdroeg tot ver-
nieuwden handel voor Bordeaux, voldoet het
sedert lang niet meer aan de eischen van het
moderne verkeer. Een nieuw j>lan een „(Janal
des deux Mers," dat ontworpen werd voor de
groote scheepvaart naar het model van het
Noordzee-Oostzeekanaal in Duitschland, is niet
tot uitvoering gekomen.
Napoleon I was Bordeaux niet vriendschap-
pelijk gezind, en onderdrukte zelfs haar zeehandel,
die evenwel na den val van het keizerrijk
spoedig weder opkwam. Doch, al is de lig-
ging der stad zeer gunstig, de groote scheepvaart
heeft er met vele hindernissen te strijden. Groote
schepen kunnen alleen door de hulp van loodsen
met moeite de stad naderen, wijl de riviermond
door zandbanken en riffen onveilig gemaakt wordt.
Door lichten en boeien wordt de vaargeul hier-
tusschen aangewezen, en groote schepen kunnen
enkel bij vloed (bij springvloed verheft zich hier
het water ± 3,4 meter) de stad naderen. De
allergrootste zeeschepen blijven bij de voorhaven
Pauülac liggen.
De overzeesche handelsbetrekkingen hebben
bovenal plaats met Groot-BritaHnië, Spanje, Se-
negambië, de La Plata-staten, West-Indië, Mexico
en de landen, die aan de Carnïbische zee liggen.
De grondslag voor den handel is de wijnbouw
langs de Gironde. Voor 1889 wordt de nijn-
uitvoer
in vaten op 1105911 HL. en in fles-
schen op 49408 H.L. opgegeven, en de irijnin-
roer
op 1763260 H.L. Door de druiHuis toch
kan de eigen opbrengst des lands niet meer den
handel in Bordeaux-wijn voeden, en wordt er
veel wijn ingevoerd, die tot Bordeaux-wijn ver-
werkt wordt. In 1889 werd hier ingevoerd uit
Spanje 675308 H.L., uit Portugal 622390 H.L.,
uit Algiers 259300 H.L., uit Italië 14523 H.L.
en uit andere landen (voornamelijk uit Oostenrijk-
Hongarije, in 1888: 175915 H.L.) 191729 H.L.
wijn. Uit de goedkoopste soorten Fransche,
Spaansche, Portugeesche en vroeger ook A1-
giersche wijn worden zoogenaamde „Vins de
cargaison" bereid, die naar Argentinië en Uruguay
verzonden worden, doch ook naar Europeesche
landen. De Engelschen, die alleen de betere soor-
ten van Bordeaux-wijn nemen, welke zij „Claret"
noemen, rekenen, dat slechts 50 a 60 pet. der
wijn, die zij uit Bordeaux ontvangen, werkelijk
in dat gebied gegroeid is. In Engeland stijgt
het gebruik van Bordeaux-wijn zeer, en verdringt
de Sherry en Portwijn meer en meer.
Ook de uitvoer van brandewijn en cognac,
uit wijn bereid, is zeer aanzienlijk.
Het scheepvaartverkeer te Bordeaux was in
1888 als volgt:
Schepen. Tonnen.
Buitenlandsch verkeer 3 843 2 558 646
Kustvaart_____________20 694 1 308 800
Totaal                              24 537 3 867 446
De Britsche vlag speelt hier de hoofdrol;
meer dan de helft van het aantal tonnen buiten-
landsch verkeer behoort hiertoe. Hierop volgt
de Fransche vlag. In veel kleiner aantal vindt
men er ook Zweedsche, Noorweegsche, Duitsche,
Spaansche en Deensche vlaggen. In 1892 kwamen
er 50 schepen (58421 M!. inhoud) onder Neder-
landsche vlag in de haven van Bordeaux.
Hoewel rivierstoombooten de Garonne opvaren
berust de binnenlandsche handel toch hoofd-
zakelijk op de spoorwegverbindingen met tal
-ocr page 133-
125
HANDËLS-AARtmlJKSKÜNftË.
van plaatsen. Bordeaux is een belangrijke stad
voor Noord-Spanje, een aanzienlijk station voor
den internationalen sneltrein : Parijs—Bayonne—
Madrid—Lissabon.
20.   Angoumois, Aunis en Saintonge (gebied der
Charentej La Rochelle (23000), haven. Invoer
van hout en kolen. Uitvoer van zeezout, brande-
wijn en graan. — Rochefort (3*2000) oorlogs-
haven aan de monding der Charente; scheeps-
bouw, ijzergieterijen. Arsenaal. — Cognac (17000)
a. d. Charente, middelpunt van brandewijn- en
cognacfabrikatie. — Angoulême (34000) a. d.
Charente. Papierfabr., buskruitfabrieken.
21.     Limousin. Tulle (15000) kantfabrikatie
(Plisse of Point de Tulle). Wol en katoen; geweren
enz. — Limoges (08000) a. d. Vienne. Beroemde
porceleinfabrieken. Spinnerij, weverij enz.
22.     Auvergne. Clermont-Ferrand (45000) fa-
brikatie van kleine metaal waren, chocolade, con-
fituren enz.
23.     Bowbonnais. Moulins (22000), wol- en
katoen-fabr., leerlooierij. — Montlucon (26000)
ijzer- en staalfabr., spiegels.
24.     Nivernais. Nevers (25000) porcelein,
fayence-fabr., landbouwmachines.
25.     Berri. Chateauroux (23000), wolspinnerij,
lakenfabr. Lithographische steen in de nabijheid.
26.     Poiton. Poitiers (34000) papier- en leer-
fabrikatie, vlas- en hennepspinnerij.
27.     Anjou. Angers (71000) a. d. Maine. Tex-
tielnijverheid, conservefabrieken.
28.     Touraine. Tours (60000), textiel en ijzer-
industrie, leerlooierij, tapijtenfabrieken, porcelein.
29.     Orlêannais. Chartres (23000) pasteienhan-
del. Orléans (61000), wol- en katoenindustrie;
wijnazijn-, suiker-, leder-, brandewijn- en chemi-
sche fabrieken. — Blois (21000).
30.     Maine. Laval (28000) van ouds beroemde
linnenweverij; thans beddetijkweverij. — Le
Mans (53000), linnenweverij.
31.     Bretagne. St. Malo (12000) haven, vissche-
rij. — Brest (76000) aanzienlijke oorlogsnaven. —
Lorient (41000), haven, scheepsbouw, ijzer-
industrie. — Rennes (65000) industrie en handel
in landsproducten. — Nantes (116000), haven
nabij den Loiremond. Invoer van ruwe suiker
uit de Fransche en Engelsche koloniën, graan-
en wijnhandel; suikerraffinaderijen. Scheepsbouw.
St.. Nazaire (26000) is de voornaven van Nantes,
waar de groote overzeesche stoomvaartlijnen
aanleggen.
Nantes en St. Nazaire in hun beteekenis.
JNantes, eens een stad met aanzienlijken zeehandel,
is in dit opzicht thans een gevallen grootheid.
b>e ongunstige gesteldheid van den Loiremond
neeft de buitenlandsche scheepvaart vernietigd,
en het is hoofdzakelijk aan haar verandering in
een fabrieksstad te danken, dat Nantes nog een
volkrijke stad is.
Nantes ligt 53 K.M. van den mond der Loire
de rivier opwaarts. Door de verondieping der
rivier is de stad alleen nog te bereiken voor
schepen van niet meer dan 3 meter diepgang;
dieper gaande schepen kunnen wegens de vele
zandbanken in de rivier niet dan met gevaar
Nantes naderen. Toen Nantes door die ver-
ondieping haar grootheid als handelsstad bedreigd
zag, dacht het in St. Nazaire een goede natuur-
lijke haven te kunnen scheppen. Terwijl de
grondvesting vnn deze haven met kracht bevor-
derd werd, dacht men er niet aan daarmede een
concurrent in\' t leven geroepen te hebben. En dit
is het geval, zoodat de groote schepen thans te
St. Nazaire blijven.
St. Nazaire is aldus geheel eene schepping
van den nieuwen tijd. Nog voor een veertigtal ja-
ren was haar haven bijna enkel een toevluchtsoord
voor visschersbarken en loodsbooten en zonder
eenige beteekenis ; tegenwoordig is de haven van
St. Nazaire met de ruime bassins, die 33 H.A. be-
slaan, een zeer belangrijk verbindingslid met
het buitenland, vooral met Noord-Amerika. Geen
stad aan de Fransche kust is zoo snel opgekomen
als St. Nazaire. In 1888 werd de haven door
2511 schepen bezocht (1308861 tonnen), waarvan
1600 voor het buitenlandsch verkeer. Het buiten-
landsch verkeer heeft meest plaats onder Britsche
vlag, daarop volgt de Fransche vlag. Onder Ne-
derlandsche vlag kwamen in 1892 slechts twee
schepen (5264 M3. inhoud) in deze haven.
32. Corsica. Tot Frankrijk behoort het eiland
Corsica. Bastia (23000), haven. Zeep- en likeur-
fabrieken ; wijn- en oliehandel.— Ajaccio (19000),
haven, tabaksfabrieken; wijnhandel. Sardellen-
visscherij.
§ 94. Het vorstendom Monaco.
(Oppervl. 21,0 K.M*. — 13302 inwoners).
Dit kleine vorstendom op de grens van Frank-
rijk en Italië, is een onbeperkte erfelijke mo-
narchie, die meest door Franschen en Italianen
bewoond wordt. De stad Monaco (3300) is
bekend door de speelbank.
Het Pyreneesche Schiereiland.
De Koninkrijken Spanje en Portugal.
(Spanje. Oppervlakte, behalve tic Kanarische eilanden
en de bezittingen in Noord-Afrika: 497245 K.M\'2. —
Inwoners 17869000. — bewoners per K.M2. 35).
(Portugal. Oppervlakte, behalve de Azoren en Madera:
89372 K M*. — Inwoners 4307000. — Bewoners per
K.M * 39).
§ 95. Ligging en natuurlijke gesteldheid.
Het Pyreneesche Schiereiland, ook het Hesperische
(d. i. naar de avondzijde gelegene) genoemd, of
-ocr page 134-
126                                                         HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
naar de oorspronkelijke bevolking wel het Iberi-
sche Schiereiland
geheeten, is door de hergketen
der Pyreneeën van Frankrijk gescheiden. Deze
natuurlijke afscheiding, die moeielijk en slechts
aan de beide einden valt over te trekken, is
tegelijkertijd de staatkundige grens van Frankrijk
en Spanje geworden. In het oosten (van Per-
pignan naar Gerona) en in het westen (van
Bayonne naar Tolosa, Pamplona en naar Vitoria,
Burgos, Madrid) worden de Pyreneeën thans van
spoorwegen doorsneden, waardoor de verbinding
met het overig Europa te land is vergemakkelijkt.
Doch dit neemt niet weg, dat het schiereiland
een geïsoleerd, van Europa afgescheiden karakter
heeft, en door de natuurlijke gesteldheid een
overgang tot Afrika vormt, waarvan het door
de 15 K.M. breede (200—800 meter diepe) Straat
van Gibraltar gescheiden is. Klimaat, planten
en dieren van Zuid-Spanje en Noord-Afrika
komen zoo zeer met elkander overeen, dat men
wel gezegd heeft, dat Afrika reeds aanvangt
ten zuiden der Sierra Morena.
Kusten. Het Pyreneesche schiereiland is bijna
aan alle zijden door zeeën begrensd. Langs de
noordkust breidt zich de Golf van Biskaje uit.
Met een steile kust rijst hier het land op uit
zee, en slechts zeer kleine inhammen breken de
gesloten kustlijn af. In het noordwesten worden
die inhammen talrijker, en van kaap Vares tot
den mond der Minho vindt men een typische
riaskust (zie pag. 50). Waar rivieren in deze
rias uitmonden zijn aan de voortreffelijke natuur-
lij ke havens handelssteden ontstaan (La Coruna,
Vigo e.a.). Evenwel, de onbevaarbaarheid der
rivieren doet die steden een gemakkelijke ver-
binding met het binnenland missen.
De wouden op de noordhellingen van het Can-
tabrisch-Asturisch gebergte, die door den regen-
aanbrengenden zeewind hier eigenaardig zijn, en
de rijkdom aan ijzerertsen in den bodem, leidden
reeds vroeg tot scheepsbouw en scheepvaart aan
deze kust. In de middeleeuwen was de walvisch-
vaart van deze streken uit zeer aanzienlijk.
De westkust van Portugal is bij afwisseling
steil en vlak. De vlakke kust tusschen den
mond der Douro en Kaap Carvoeiro is met duinen
bezet, die een schrale, met heide en brem be-
dekte landstreek, overeenkomende met de „Lan-
des" in Frankrijk, van zee afsluiten. Steden van
beteekenis worden aan deze kust niet gevonden.
Ten zuiden van genoemde kaap verheft zich de
kust steil door het naderen der voorbergen van
Ssrra da Estrella, die in kaap da Roca eindigen.
Ten Z. hiervan ligt de Taagmonding. Een vlakke
kust zet zich voort tot Kaap da Sao Vicente
naar
het zuiden, waar weer een steile kust
aanvangt, welke door de Serra de Monchique
Zuid-Portugal begrenst. Aan de monden der
Guadiana en der Guadalquivir strekt zich weder
een vlakke, veelal met duinen bezette kust uit,
welke duinen langs de vlakte der Arenas Go-
redas
(= zware zanden) tot 113 meter hoog
zijn. Achter deze zandvlakte liggen aan de
Guadalquivir de Marismas (moerassen), moeras-
sige weiden, waar de voor de stierengevechten
bestemde stieren half in het wild rondloopen.
Kaap Tarifa As de zuidelijkste punt van het
schiereiland (3(>ty\' N. Br.). De zuidkust tot K. de
Gata
is steil en ook tot K. de la Nao komt de
steile kust meest voor, uitgezonderd van K. de
Pa los
tot Alicante.
Van K. de la Nao tot Barcelona vormt de
zee een ruime bocht, welke in het Z. golf van
Valencia
genoemd wordt. De kust is over \'t ge-
heel vlak en zandig, met duinen bedekt, zonder
goede natuurlijke havens, doch met haffvormige
strandmeren, albuferas genoemd, die zeer visch-
rijk zijn.
Het binnenland. Het Pyreneesche schier-
eiland, dat een gemiddelde hoogte van 660 me-
ter heeft, bestaat voornamelijk uit hoogland en
bergland. Men kan hierbij gemakkelijk drie
deelen onderscheiden: A, het Centrale hoogland,
B.
de Pyreneeën met het Katalonische ge-
bergte
en C. het Andalusische bergland. Daarbij
komen nog twee laagvlakten, die langs rivieren
wigvormig in het land doordringen: 1. de Anda-
lusische laagvlakte
aan de Guadalquivir, en 2.
de Ebro-vlakte aan de Ebro.
A. Het Centrale of Iberische hoogland is de
kern van het schiereiland. Het is een plateau
dat van het Iberisch bronnenland, dehooge oost-
rand van het plateau, naar het westen zacht
glooiend afloopt. In het noorden en zuiden
wordt dit hoogland door randgebergten afge-
sloten: door het Cantabrisch-Asturisch ge-
bergte
in het noorden, en door de Sierra Mo-
rena
in het zuiden, beide in een richting O.-W.
loopend. Door het Kastiliaansche scheidings*
gebergte wordt het hoogland in twee deelen
gescheiden: in de Hoogvlakte van Oud-Kastilië
in het N. en de Hoogvlakte van Nieuw-Kastilië
in het zuiden.
                 •. <
De Hoogvlakte van Nimw-KastiliY\', die zich ook
over Leon uitstrekt, is eigenlijk een kom van
800 meter gemiddelde hoogte, welke naar het
westen lager ligt en aan die zijde op de Duero
(in Portugal Douro geheeten) afwatert. Deze
rivier, die bij Porto uitmondt, is alleen in den
benedenloop in Portugal bevaarbaar.
De hoogvlakte heeft uitgestrekte vruchtbare
gedeelten, o. a. in de provincie Palencia (in de
Tierra de Campos) en Valladolid, waar de boom-
looze vlakte de korenschunr des lands is. Op
het 1000 meter hooge plateau van Reinosa
vindt men goede weiden. Doch eveneens vindt
men er groote vlakten, die geheel onbebouwd
liggen; steppen, welke enkel voor schapenteelt
-ocr page 135-
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.                                                                127
des lands ver verwijderd landschap, zelfstandig
ontwikkeld. In vele opzichten vormt dit land-
en zijn bewoners een overgang tot Zuid-Frank-
rijk; natuur, volkskarakter en taal vertoonen
vele sporen van verwantschap met dit land.
De Ebro-laagvlakte of het Iberische laagland
ligt als een wigvormig dal van 28000 K.M\'2,
tusschen den rand van de Kastiliaansche hoog-
vlakte, die Iberisch bronnenland genoemd wordt,
de Pyreneeën en het Katalonisch gebergte. In een
vroeger geologisch tijdperk was deze vlakte een
zeeboezem, die later droog gelegd werd, en thans
in vele gedeelten een eentonig steppengebied
vormt. De Ebro doorstroomt de vlakte in
de lengte. Deze rivier is in den benedenloop
bij hoogen waterstand slechts tot Tortosa voor
zeeschepen te bevaren, en hooger op maakt de
waterarmoede de rivier bijna geheel onbevaar-
baar. Het meeste water wordt de rivier ont-
trokken door het Keizerkanaal (Canal imperial),
met welks aanleg keizer Karel V reeds aanving,
en dat ten Z. langs de rivier loopt. Het dient
voor de scheepvaart en de bevloeiing van het
dorre land.
De Ebro-delta, die 24 K.M. in zee vooruitsteekt,
is een woest gebied, bijna geheel uit duinzand
en moerassen bestaande.
Het Andalusische bergland ligt tusschen
de vlakte der Guadalquivir en de Middellandsche
Zee. In den Sierra Nevada (= sneeuwgebergte)
vindt men hier het hoogste gebergte van het
schiereiland, dat in enkele gedeelten, als de
Mtdliacén, tot 348-1 M. rijst. De gletschers in
het circusdal aan de Veleta, die tot 2845 M.
dalen, zijn de zuidelijkste van Europa. Door
de sneeuw en het ijs op dit zuidelijke gebergte
wordt de Guadalquivir ook in den drogen tijd
van water voorzien, zoodat deze een der best
bevaarbare rivieren van het schiereiland is.
Ten N. der Sierra Nevada ligt een rij kleine
hooglanden; de belangrijkste is de 600 M. hooge,
door de Genil doorstroomde Vega van Granada,
beroemd door den goed bebouwden bodem.
De Guadalquivir (= groote rivier) doorstroomt
de vlakte van Andalusië. Zij is, door de voeding
op een sneeuwgebergte, de meest waterrijke
rivier van Spanje. In den bovenloop verzandt
zij meer en meer. Groote schepen, die oudtijds
tot Cordova kwamen, komen thans niet verder
dan Sevilla, waar de werking van den vloed
nog te bemerken valt. De rivier veroorzaakt
soms uitgebreide overstroomingen. De Marismen
nabij den mond, echte zoutmoerassen, leveren
zeezout.
De zacht golvende vlakte van Andalusië
heeft een oppervlakte van 27000 K.M2. De
beroemde bijnamen, die Andalusië heeft, als:
de „korenschuur", de „kelder", de „veestal", ja
zelfs „de geldbuidel" van Spanje, doen een bui-
dienen. Hiertoe behoort o. a. de Oud-Kastiliaansche
steppe ten Z. van Valladolid.
De Hoogvlakte van Nieuw-Kastilië heeft even-
eens een e helling naar het W. en Z. W. Zij
watert af op twee rivieren: de Tajo (spr. Tago)1)
en de Guadiana.
De Tajo (Portug. Tejo) is alleen in den beneden-
loop bevaarbaar. Een weinig vóór zij de Por-
tugeesche grens bereikt, vangt de bevaarbaarheid
aan. Zij mondt uit in een rias-vormigen inham
bij Lissabon. De vloed en ebbe doen op de
rivier zich gevoelen tot nabij Santarem.
De Guadiana ^), een groote rivier, heeft voor
de scheepvaart nog minder beteekenis. Zij mondt
uit in de Golf van Oadiz en is enkel in den
benedenloop van Mertola af bevaarbaar. Zee-
schepen van 4 AL diepgang kunnen slechts
48 K.M. van den mond de rivier opvaren.
De rivierdalen in Nieuw-Kastilië zijn diep in
den bodem gesneden, en staan door hun vrucht-
baarheid en boomgroei in scherpe tegenstelling
met de dorre, boomlooze landschappen verder van
de oevers. De bodem is niet onvruchtbaar, doch
gebrek aan water maakt hem o Ver uitgestrekte
landstreken tot een boomlooze steppe. Het duide-
lijkst komt dit steppenkarakter uit in la Mancha,
het Z.O. gedeelte van het Guadianagebied. Deze
effen, boomlooze vlakte, door enkele kleine
watertjes traag doorstroomd, is het land waar
windmolens de beweegkracht moesten en konden
leveren. Het bouwland op deze hoogvlakte is
tot de laagten beperkt, waar het grondwater
des bodems door schep-watermolens, „nórias"
genoemd, tot besproeiing wordt opgevoerd.
De Sierra-Morena is do zuidrand van het hoog-
land. Het is een door het water veelvuldig ver-
weerde rand, die eigenlijk alleen van de Andalu-
sische laagvlakte in het zuiden zich als een
gebergte voordoet.
De Pyreneeën hebben wij reeds aangeduid
als een ontoegankelijk en moeielijk over te trek-
ken gebergte. De opplooiing der aardlagen,
waardoor deze keten ontstaan is, heeft aan de
zuidzijde eenige breede lengtedalen gevormd, die
aan de noordzijde geheel ontbreken. De hoogste
toppen zijn de Maladetta (3404 M.) en de ML Perdu
(3352 M.) in het midden. In het O. sluit zich
het Katalonische geb., dat de Ebrovlakte naar
de zee afsluit, bij de Pyreneeën aan.
Tusschen de kustketen en de binnenste keten
van het Katalonisch geb. ligt het lengtedal van
Katalonië, met intensieven landbouw en de
levendigste nijverheid van Spanje. Hier heeft
Katalonië zich als een afgesloten, van het centrum
) Dey iu alle Spaansche namen luidt bijna als onze g.
Jucar
spr. Gucar enz. Dit geldt niet voor Poitugetschc
namen. Bij deze luidt de j als in het Fransch.
) Guadi in Spaansche namen beteekent rivier; het
woord komt van het Arabitch Wadi = dal;
-ocr page 136-
128                                                                HANDELS AAIi
tengewonen natuurlijken rijkdom veronderstellen.
In werkelijkheid zijn die namen slechts op kleine
gedeelten toepasselijk. De vega\'a (= vruchtbare,
goed besproeide vlakten) van Cordoba, Se villa,
Ecija, Jeres e. a. zijn zeer schoon en vruchtbaar;
in April staan hier reeds de tarwe en maïs rijp,
en zij leveren er respectievelijk 40 en 80 ja
100-voudige vrucht. De plantengroei is er geheel
subtropisch. Doch naast deze vruchtbare streken
vindt men er ook droge, schrale steppen. Geen
landschap biedt zoo scherpe tegenstellingen van
weeldengen plantenrijkdoni en dorre, naakte
gewesten aan.
Klimaat. Het Pyreneesche schiereiland ligt
tusschen de jaar-isothermen van 14° en 18" (J.,
en is dus het warmste land van Europa. De
noordelijke kust heeft bij 12—14" C. gemiddelde
jaartemperatuur een gematigd klimaat; de winter
is er zacht, de zomer matig warm, en hier valt
door het opstijgen der N.W. winden bij de kust-
gebergten overvloedig regen. Langs de geheele
westkust vindt men hetzelfde klimaat; echter is
de winter er nog zachter, terwijl naar het zuiden
het klimaat meer een subtropisch karakter ver-
krijgt. Langs de kust der Middollandsche Zee
vindt men vooral een subtropisch klimaat.
In het binnenland op de hoogvlakte vertoont
het klimaat de sterke tegenstellingen van een
continentaal klimaat. In Madrid bedraagt de
gemiddelde Januari-temperatuur 4,5" C. en de
thermometer daalt er soms tot — 11,9° C, Juli
heeft gemiddeld een temperatuur van 24,9° C. Het
binnenland wordt gekenmerkt door vele sneeuw-
jachten in den winter; op den Sierra Guadarama
zijn steenen zuilen langs de wegen geplaatst, om
in den winter bij sneeuwval den weg te wijzen.
„Te Madrid is de lucht in den winter zoo lijn
en scherp, dat zij een mensch doodt, maar geen
lampje uitblaast" zeggen de Spanjaarden. Eigen-
aardig wordt ook dit vastelandsklimaat gekarak-
teriseerd door de uitdrukking der Kastilianen,
voor het binnenland geldend : „9 maanden winter
en drie maanden hel."
De regen is zeer ongelijkmatig over het land
verdeeld. De grootste hoeveelheid regen ont-
vangen de noord- en noordwestkuststreken
(Asturië beteekent: rotswater) waar Santiago
164,7, Oporto 133,5 en Lissabon gemiddeld 74,4
c.M. regen per jaar ontvangen. De hoogvlakten
zijn arm aan regen (Salamanca 27,5 c.M.). Ook
het Ebrobekken is zeer arm aan regen. Bilbao
in het N. heeft gemiddeld 163 regendagen,
Alicante in het oosten heeft slechts 63 regendagen
per jaar. Van Oud-Kastilië naar het zuiden
gaande wordt de zomer steeds armer aan regen
tot in het zuiden de typische zomerdroogte der
subtropen voorkomt, die 6 maanden duurt
(April—October).
EtUKSKUNDE.
Het koninkrijk Spanje.
§ 96. Bevolking. De oorspronkelijke bewoners
van Spanje waren de Iberiërs (zie pag. 59), een
volkengroep van welke de Basken, die ten getale
van 44000Ö de westelijke Pyreneeën en het ooste-
lijk gedeelte van het Kantabrisch gebergte be-
wonen, nog nakomelingen zijn. Na de Iberiërs
hebben talrijke volksstammen hun aandeel ge-
leverd voor de latere bewoners. In de eerste
plaats volgden de Kelten, die het N.-W. en W.
bewoonden, vervolgens de Phoeniciërs, Grieken
en Romeinen, die hier volkplantingen stichtten,
(meest in het O.), en verder de Germanen als: Sue-
ven, West-Gothen, Alanen en Vandalen. Ein-
delijk kwamen nog de Mooren uit Arabië en
Noord-Afrika. De 60000 Morisco\'s van de Sierra
Nevada zijn nakomelingen van de Moorsche ver-
overaars. En over het geheele land verstrooid
leven nog ongeveer 50000 Zigeuners, Gitanos
genoemd.
Door die verschillende afkomst, in verband
met de staatkundige versnippering des lands, welke
tot de Nieuwe Geschiedenis toe hier gevonden
werd, bestaat er groot verschil in eigenaardig-
heden en taal bij de bewoners. Van de onder-
scheidene dialecten is het Kastiliaansch de
schrijftaal geworden; de Spanjaarden noemen
hun taal „la lengua castellana." De Baskische
taal staat geheel op zich zelve in Europa.
Spanje is zeer schraal bewoond; gemiddeld
vindt men er slechts 35 bewoners per K.M2,
(in Nederland 140). De bevolking is het dichtst
in de kuststreken, waar die in Galicië en Asturie
62, in Navarra en de Baskische provinciën 46
bewoners per K.M2, bedraagt.
Staat. Spanje is een constitutioneele monarchie.
De volksvertegenwoordiging, de Cortes genaamd,
bestaat uit den Senaat en de Kamer ran Afi/e-
vaardigden.
Tot den Senaat behooren op zijn
hoogst 180 leden, die voor hun leven, en 180
leden, welke voor vijf jaar door hooge staats-
lichamen en hoogst aangeslagenen in de be-
lasting gekozen zijn. De Kamer van Afgevaar-
digden bestaat uit 432 leden, voor vijf jaar ge-
kozen. Het actieve en passieve kiesrecht begint,
wanneer de noodige census betaald wordt, met
het 25ste levensjaar.
Leger. Sedert 1885 is algemeene weerplicht
ingevoerd, die met het 19e jaar aanvangt, daarnain
3 jaren dienst bij het staande leger, 3 jaren bij
de eerste reserve, en 6 jaar bij de tweede reserve
overgaat. Vrijkoop kost 730 gulden (Ned.), plaats-
vervanging onder broeders is geoorloofd. Het
jaarlijksche contingent aan recruten is 80000
man. De sterkte van het leger in vredestijd
bedroeg in 1892: 9442 officieren en 91928 man-
schappen. De vloot telde 118 schepen (105859
tonnen) met 848 stuken geschut.
-ocr page 137-
129
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
Sedert het bestijgen van den Spaanschen troon
door de Bourbons in 1713 werd de toestand
eenigszins verbeterd, en was er wezenlijk vooruit-
gang in den economischen toestand te bespeuren.
Doch de Napoleontische oorlogen, waarin Spanje
betrokken was, en waarbij de strijd ook op eigen
bodem verplaatst werd, sloegen het land bij den
aanvang der 19de eeuw diepe wonden. En toen
na den val van Napoleon andere landen van
Europa door langdurigen vrede zich weder her-
stelden van de toegebrachte slagen, werd Spanje
inwendig verscheurd door burgeroorlogen, woelin-
gen en onzekerheid. Door dien toestand was
vernieuwde opkomst onmogelijk. Eerst toen de
partijschappen een weinig tot rust kwamen, kon
er aan gedacht worden om voor het exploiteeren
der hulpbronnen van bestaan iets te verrichten.
En het was nog met Engelsch geld, dat in 1848
de eerste spoorwegen werden aangelegd en ver-
schillende ondernemingen werden gewaagd, om
de minerale schatten des bodems te exploiteeren.
Hierbij bleken de kopermijnen aan de Rio Tinto
zeer rijk te zijn; ook kwikzilver, ijzer, lood en tin,
alsmede sternkolen en zout, brengt sedert dien
tijd het land in aanzienlijke hoeveelheid voort.
Behalve met Engelsch werden ook met Fransch en
Belgisch kapitaal verschillende ondernemingen
op touw gezet. Daarentegen ging de eens zoo
bloeiende Spaansche schapenteelt hard achteruit.
De nijverheid, die door de burgeroorlogen ge-
drukt was, begon zich met den aanleg van betere
middelen van verkeer langzaam te verheffen, en
sedert het midden dezer eeuw gaat de handel
eenigszins vooruit. Spanje ondergaat, indien de
rust bewaard blijft, een verjongingskuur. Hoewel
de koloniën tot op weinige zijn geslonken; na het
ophouden van het vloeien der koloniale zilver-
stroomen is de aandacht gevestigd op de eigen
hulpbronnen van welvaart. Er is weer leven en
geest in dit volk gekomen, en niet zonder goede
verwachting kan het land in de toekomst zien.
De Spaansche koloniën, die eens zulk een
reusachtige uitgebreidheid hadden, zijn meest
alle verloren gegaan. De koloniale politiek, welke
op uitpersing en onderdrukking gegrondvest was,
bevorderde dien loop der zaken. Mexico en Peru
maakten zich in deze eeuw onafhankelijk (1824).
Alleen Cuba, Portorico, de Philippijnen en eenige
onbeteekenende eilandengroepen in Australië en
aan de westkust van Afrika, bleven nog behouden.
Van deze is Cuba de rijkste bezitting.
§ 98. Middelen van bestaan. A. Landbouw,
produkten uit het plantenrijk, veeteelt enz.
De bodem van Spanje wordt voor ongeveer
35,4 pet. als bouwland en tuingrond, voor 20,8 pet.
als bosch, voor 19,7 pet. als grasland en voor
3,7 pet. als wijnbergen gebruikt, terwijl ongeveer
20,4 pet. der oppervlakte woest ligt. De meeste
woeste gronden liggen op de Kastiliaansche
Kerk en school. De katholieke kerk is staats-
kerk; niet meer dan 30000 bewoners behooren
tot andere kerkgenootschappen. Hoewel er vol-
gens de wet de leerplicht bestaat, kon toch
in 1877 nog de helft der bevolking niet lezen.
In den laatsten tijd is hierin wel verbetering
gekomen.
§ 97. Historisch overzicht van den eco-
nomischen toestand van Spanje in deze eeuw.
De nieuwe geschiedenis ving voor Spanje aan
met roemrijke dagen. De ontdekking van Ame-
rika met zijn rijke goud- en zilverniijnen deed
in letterlijken zin groote schatten naar Spanje
stroomen. Doch die ontdekking was meer toeval
dan de ontwikkeling van een natuurlijk proces.
Het vinden van de Nieuwe Wereld door Columi>us
voor Spanje was ten opzichte van dit land een
blind geluk, dat aanvankelijk groote voordeelen
opleverde, doch waartegen de bevolking niet
bestand was. Spanje werd door een lot uit de
loterij begunstigd, en toen het hierop bouwde
werd het armer dan te voren.
In de lö,le eeuw was Spanje door eigen hulp-
bronnen en de nijvere bevolking der Mooren
tot het eerste industrieland van Europa verheven.
In den zwijmelroes der ontdekkingen van goud-
rijke landen begon de regeering tegen de niet-
christelijke Mooren den strijd aan te binden,
en de nijverste bewoners des lands werden
gedurende de 16,le en 17\'\'° eeuw gedeeltelijk
verdreven, gedeeltelijk in hun vrijheid onder-
drukt. Hierdoor werd de industrie in Spanje
een zware slag toegebracht. Men meende voort-
durend op de edele metalen der Nieuwe Wereld
te kunnen bouwen, en door koene veroveringen
en afpersingen der onderworpen volken zich
gemakkelijk te kunnen verrijken. De onjuiste
meening won veld, dat enkel goud en zilver
den rijkdom eener natie uitmaken. Zoo kwam
nijverheid in minachting en de industrieën, welke
zich te Barcelona, Valencia, Valladolid, Cordova
en Sevilla glansrijk ontwikkeld hadden, geraak-
ten in verval. De Spanjaarden werden meer
een volk van zeelieden en avonturiers, of van
ridders en monniken. De weelde en verkwisting
van den veroveraar nam de plaats in van
Moorsche vlijt. De buitenlandsche handel kwam
schijnbaar eenigszins tot bloei, toen voor de
edele metalen uit Amerika groote hoeveelheden
waren in de Nederlanden, Engeland, Lissabon
en Italië werden aangekocht, doch het gevolg
was, dat andere volken de vruchten plukten van
de Spaansche uitpersing in hun bezittingen.
Voegt men hierbij de ongelukkig gevoerde oor-
logen, het slechte beheer van den staat enz., dan
is het niet te verwonderen, dat staat en volk
met reuzen schreden achteruit gingen na de eerste
eeuw der Nieuwe Geschiedenis. Met het einde
der 16Ue eeuw bleek dit verval reeds duidelijk.
-ocr page 138-
130
HANDELS-AARDRI.TKSKUNBE.
hoogvlakten, bovenal in la Manche en Estra-
madura.
De landbouw is hoofdbezigheid der bevolking.
Het bebouwde land wordt onderscheiden als
seeano of campo secano, d. i. droog land, waar
de plantengroei van den regen afhangt, en campo
regadio,
d. i. kunstmatig besproeid land. De
regadios, die gewoonlijk als huertas (tuinen) of
vega\'s (tuinen) worden aangeduid, hebben een
oppervlakte van 9000 K.M\'2. Een eigenaardig
kenmerk van de vega\'s is, dat gelijktijdig onder-
scheidene vruchten op denzelfden akker vei bouwd
worden. Als produkten der huerta\'s komen veel-
vuldig voor: sinaasappels (voortreffelijk in Va-
lencia), limoenen, vijgen, dadels (die in Europa
enkel in Murcia (Elche) rijpen), suikerriet,
granaatappels, katoen, vlas, hennep, rijst,
maïs, tarwe, grondnoten en groenten. Langs
de kusten der Middellandsche Zee, in Murcia,
en Valencia, alsmede in Andalusië, worden vele
vega\'s en huertas gevonden, doch ook in Aragon
en Xieuw Kastilië vindt men ze. Tal van de
irrigatie-werken dagteekenen nog uit den tijd der
Mooren, die deze met zorg aanlegden. Toch ligt
nog ongeveer 14,5 pet. van den vruchtbaren bodem
des lands onbebouwd. De oorzaak van dit be-
treurenswaardig verschijnsel is een gevolg van
het gebrek aan arbeiders, gedeeltelijk door de
landverhuizing naar Amerika, gedeeltelijk door
verdrijving der Mooren ontstaan, alsmede van het
heerschend grootgrondbezit.
Op de secano\'s verbouwt men granen, bovenal
tarwe (het meest in Oud- en Nieuw-Kastilië,
Leon, Estrainadura en Andalusië), verder maïs,
rogge, i/erst
en haver. Ongeveer 11 mill. H. A.
des lands wordt voor den graanbouw gebruikt.
In 18!)0 werden geoogst in het geheele land:
dr 26,6 mill. H.L. tarwe, 13,5 mill. H.L. rogge,
7,8 mill. H.L. maïs, 6,1 mill. H.L. gerst en
5,7 mill. H.L. haver.
Aardappelen worden er algemeen verbouwd;
met de peulvruchten (erwten eu boonen) vormen
zij een belangrijk voedsel.
De wijn is een der eerste rijkdommen van
Spanje; het klimaat is er voor den wijngroei
bijzonder gunstig, zoodat hij bijna nimmer mislukt.
Vooral levert Spanje zoete wijnen, als: Alicaiite,
Malaga, Jeres, Val\'lepenas, Miiscadellenivijn
e. a.
Bijna uitsluitend zijn deze soorten luxewijnen,
als Spaansche wijn bekend. De ordinaire wijnen
van Katalonië, Aragon, Murcia en elders waren
lang weinig in den handel. Thans evenwel wordt
de bereiding verbeterd en wordt die veel naar
Frankrijk verkocht, om daar het te kort aan te
vullen. Vooral wegens de kleur en het aanzien-
lijk gehalte aan alcohol zijn deze wijnen gezocht.
Het is wel opmerkelijk, dat de invoer van
alcohol in Spanje, vooral uit Duitschland, ge-
durende de laatste jaren zoo sterk is toegenomen.
Die alcohol wordt evenwel niet door de zeer
matige Spanjaarden gebruikt, maar dient om de
wijnen te versterken en wordt aldus in den wijn
weder naar Frankrijk uitgevoerd.
De uitvoer van wijn uit Spanje, die in 1854
slechts 1,1 mill. H.L. bedroeg, beliep in 1878
op 2,9 mill. H.L. en bedraagt thans meer dan
7 mill. H.L. In Zuid-Amerika en de Vereenigde
Staten wordt Spanje reeds een geduchte con-
current voor Frankrijk, wat betreft den wijn-
invoer. Evenwel de phyloxera heeft ook hier
de druif aangetast.
De olijfboomen beslaan 860000 H.A. en leveren
jaarlijks zh 2,5 mill. H.L. olie. In de noordelijke
provinciën vindt inen veel ooftteelt en fabrikatie
van ooflioijn. Walnoten en kastanje-boomen
vindt men hier vele verbreid. Het espartogras,
een soort van Spaansche brem of taai vlechtgras,
dient tot vlechtwerk; het komt voor ten Z. O.
van Madrid tot de kust.
De bosschen zijn in Spanje zeer verwaarloosd.
Onvoorzichtig had men de wouden gedund en
door de schapenteelt werd de vernieuwde woud-
groei belemmerd. Van de woudboomen is de
kurkeik vooral van beteekenis, die rt 255000 H.A.
bedekt. Men vindt hem in Katalonië, de Sierra
Morena, de prov. Badajoz, Cadix, Malaga enz.
Door het droge klimaat is de oppervlakte aan
grasland niet aanzienlijk, en daardoor neemt
de veeteelt een ondergeschikte plaats in. Galicië,
Asturië en Navarra, de vochtigste streken, staan
in dit opzicht bovenaan; hier vindt men veel
runderen. Paarden zijn het talrijkst in Beneden-
Andalusië, waar vroeger de paardenteelt beroemd
was, en op de Kastiliaansche hoogvlakten. Het
aantal muildieren en ezels neemt naar het
zuiden toe; eveneens het aantal geiten.
De droge weiden der hoogvlakten van Kastilië
zijn bijzonder geschikt voor de schapenteelt,
die hier aanzienlijk is. De herders brengen den
zomer met hunne kudden op de noordelijke en
oostelijke hoogere streken door om des winters de
meer zuidelijke lager gelegen gedeelten met war-
mer klimaat te bezoeken. Spanje is een land,
dat betrekkelijk het rijkst is aan schapen. In
\'t geheel telt men er rfc 16,9 mill., of per 100
bewoners gerekend 131, terwijl in Groot-Britan-
nië er 105, in Noorwegen 92, in Denemarken 78,
in Rusland, Portugal en Hongarije 62, in Frank-
rijk 51, in Italië en Zweden 30, in Nederland
21, in Oostenrijk 17, in Zwitserland 16 en in
België gemiddeld 6 per 100 bewoners geteld
worden.
Varkensteelt vindt men meest in de streken die
rijk zijn aan eikenwouden, als Estramadura en
Cadiz. De zijdeteelt in Valencia en Murcia ging
achteruit. — Cochenille wordt in Malaga en
Valencia gewonnen.
B. Mijnen, salinen enz. Spanje\'s rijkdom aan
ertsen was reeds tijdens de Oude-Geschiedenis
bekend. De Phoeniciërs, Romeinen en Arabieren
-ocr page 139-
131
HANDÊLS-AARDRIJKSKUNDE.
wisten de rijke ertslagen reeds met succes te
exploiteeren. Na de ontdekking van Amerika
werd de bergbouw verwaarloosd, doch in deze
eeuw kwam hij op nieuw tot ontwikkeling, hoewel
door buitenlandsch kapitaal. Vooral aan de randen
van het hoogland, in de randgebergten, worden
die ertsen gevonden.
Zilver en lood vindt men veel in de kust-
gebergten van Almeria en Curtagena. De kwik-
zilvermijnen van Almaden leverden in 188!):
45477 flesschen kwikzilver. Kopermijnen vindt
men vele langs de Rio Tinto. In dit gebied,
alsmede in de Z. O. kustgebergten, vindt men
ijzerertsen; echter het meeste ijzer vindt men
in de noordelijke provinciën, bovenal in Biskaje.
De jaarlijksche opbrengst aan ijzer is 800000
tonnen. Zink vindt men in de prov. Santander
en bij Cartagena; tin in Galicië. Verder levert
de bodem galmei, antimonium, phosphorus,
zwavel (in het gebied der Segura en Guadalaviar).
De rijkste steenkolenbeddingen heeft de pro-
vincie Oviédo, doch zij komen ook voor in Leon,
bij Burgos, in de oostelijke Pyreneeën en in de
zuidelijke Sierra Morena, bij Belmez. De kolen-
opbrengst in 1891 was 1,3 mill. ton; door de
geringe ontwikkeling der industrie is ook de
exploitatie der kolenmijnen niet groot.
IJzerhutten vindt men in Spanje betrekkelijk
weinige, daar de steenkolenbeddingen ongunstig
liggen ten opzichte der ijzerertsen. Dit heeft ten
gevolge, dat groote hoeveelheden ijzererts worden
uitgevoerd.
Groote lagen steenzout, die nog weinig ge-
exploiteerd zijn, vindt men in Katalonië; kleinere
op de Kastilische Hoogvlakte en in het Ebro-
bekken. De omstreken van Cadiz en Valencia
leveren zeezout. Marmer levert de bodem in
grooten rijkdom.
C. Nijverheid. In het historisch overzicht zei-
den wij reeds, dat de nijverheid in den laatsten tijd
meer tot ontwikkeling komt. Vooral in de Bas-
kische provinciën en Katalonië bloeide zij vroeger
het meest; in Galicië, Andalusië en Valencia
komt zij thans tot bloei.
De katoen-industrie neemt de eerste plaats
in (in 1883: 1,9 inill. spindels); Barcelona is de
hoofdplaats dier industrie. — Zijde-spinnerij en
•weverij wordt in Valencia, Barcelona en Sevilla
uitgeoefend; wolindustrie bovenal in Katalonië
en in de streken waar men schapenteelt vindt.
Hennep- en vlasindustrie zijn zeer verbreid.
Andere industrieën zijn: kantfabrikatie, esparto-
(jrasvleehterij
(Murcia), lederfabrikatie, handschoe-
nen
(Sevilla), kurksnijderij (Gerona), fabrikatie
van aetherische oliën; verder: glas- en aardewerk-
fabrieken, papierfabrieken, bierbrouwerijen
(meest
door Duitschers opgericht in de groote steden)
bewerking van tabak uit de koloniën. Wapens
levert Toledo.
§ 99. Handel en verkeer. De buitenlandsche
handel is vooral na 1849 op nieuw opgekomen.
In 1890 bedroeg de invoer aan waarde 941137925
pesetas, de uitvoer 937759883 pesatas1). Het
aandeel der verschillende landen in dien handel
leert het volgend overzicht kennen voor 1890.
Frankrijk.....
Groot Britt.....
Vereenigde St. v. N. A.
Cuba......
Duitschland . . . .
België......
Portugal.....
Rusland.....
Philippijnen . . . .
Porto-Rico.....
Argentinië . . . .
292 293 969
194 578 329
79 393 645
44 561 014
44 175 947
40 472 983
34 873 578
26 355 075
24 563 378
23 127 188
10 579 393
425 604 224
218 371810
25 521 562
86 426 832
11829 943
21445 419
35 672 058
374 884
9 213 712
22 617176
15 409 373
De uitvoer uit Spanje naar Nederland is nog al
van belang, in 1890 voor 21 mill. Ned. guldens;
de invoer van Nederland naar Spanje is niet
belangrijk; in 1890 slechts voor 3,6 mill. guldens.
Produkten van uitroer uit Spanje zijn: wijn
( 154,5 mill. gulden, y3 van den totaal
uitvoer), lood, ijzer, koper, rozijnen, kwik,
oranjeappels, citroenen, olijfolie, druiven,
tarwemeel, safraan, kwikzilver, zout, esparto-
gras enz. Invoerartikelen zijn: katoen (in 1890
voor 33,9 mill. guld.), suiker, kolen, hout, machines,
tabak, tarwe, spiritualiën, visch, chemicaliën, wollen
artikelen
enz.
De meeste handel met Spanje wordt door
Frankrijk gedreven. Frankrijk vindt hier afzet
voor een groot gedeelte der produkten van zijn
industrie en ontvangt in Spanje landbouw»
produkten en mineralen. De verzending van
wijn uit Spanje naar Frankrijk vermindert, sedert
Algiers en Tunis veel wijn leveren.
Het handelsverkeer in het land was langen tijd
zeer moeielijk door de natuurlijke afscheidingen
der afzonderlijke deelen, en het gemis aan be-
vaarbare rivieren, terwijl ook de gesteldheid des
lands den aanleg van kanalen belemmerde. Die
natuurlijke afscheidingen gaven aanleiding tot
provincialisme en particularisme, vermengd met
een trek naar zelfstandigheid, alsmede tot een
zeer verschillend karakter bij de bewoners. Een
groot nadeel voor Spanje is het, dat het bevaar-
bare gedeelte der rivieren van het hoogland in
het westen geheel aan Portugal behoort.
De binnenlandsche handel wordt voor een
groot gedeelte tot stand gebracht door de kust-
scheepvaart, die van de 116 meestal kleinere
havens uit, welke Spanje aan beide zeeën bezit,
voor de waarde der peseta pag. 24. Zij be-
: 1 franc.
<) Zie
draagt -\\
-ocr page 140-
132                                                         üanöels-aardrijksKunM.
Santander. Barcelona is de belangrijkste haven,
als centrum van den Spaanschen handel op de
Middellandsche Zee en eerste handelsstad des
rijks; Sevilla is de belangrijkste export- en
import-haven, en in het noorden is Santander
van groot belang voor het verkeer met West-
Europa.
plaats heeft. Het vervoer te land is er zeer duur.
Hoofdplaatsen voor den binnenlandschen handel
zijn: Madrid, Burgos, Oviedo, Zaragoza en Gra-
nnda.
— Zafra en Vbeda hebben groote vee-
markten ; Cueiiza en Be/ar wolmarkten.
De havens voor den buitenlandschen handel
zijn hoofdzakelijk: Barcelona, Malaga, Sevilla en
Het scheepvaartverkeer van Nederland met Spanje in 1892 leert
het volgend overzicht kennen.
ARntal schepen
onder Ned. vlaj: in
1 vi 2 in de haren.
Tonnen inhoud.
Bilbao ....
87
267 837
30
52 491
Barcelona. . .
11
21587
Santander. . .
10
23 715
Carthagena . .
4
11880
Tarragona . .
3
7151
Alicante . . .
3
6 627
De meeste schepen kwamen uit de
havens Tan
Rotterdam 70, Amsterdam 6.
Amsterdam 7, Rotterdam 1.
Amsterdam 8.
Amsterdam 5, Rotterdam 4.
De Spaansche handelsvloot telde in 1891
1679 schepen van meer dan 50 ton, totaal 614921
tonnen inhoud, waaronder 423 stoombooten met
417323 tonnen inhoud.
§ 100. Plaatsbeschrijving. Bij de plaats-
beschrijvïng gaan wij van de oude landschappen
uit, wier historische namen het best bekend zijn.
Het aantal inwoners geldt voor 31 Dec. 1887.
1.    Nieuw-Kastilië: Madrid (470000), hoofd-
en residentiestad, aan de onbevaarbare Manze-
narea.
De stad ligt te midden eener onvruchtbare
hoogvlakte op een aantal heuvels, ongeveer 650
meter hoog, in het centrum des rijks. Die ligging
moge voor een hoofdstad beteekenis hebben,
voor den handel is de ligging van Madrid niet
geschikt. De handel is er dan ook weinig van
belang, en op de beurs is de speculatie in
staatspapieren hoofdzaak. Fabrikatie van tabak,
sigaren, tapijten, goud- en zilverwerk. Ten N.
der stad ligt el Pardo, het jachtslot en winter-
paleis van Karel V, ten N. W. el Escurial, het
door Philips II gebouwde kloosterpaleis met de
grafplaatsen der Spaansche koningsfamilie. Aran-
juez, 49 K.M. ten Z. der hoofdstad, in een
schoon en woudrijk dal der Taag, vormt de zomer-
residentie. Prachtig slot. Het stadje is in Hol-
landschen trant gebouwd. — Toledo (21000)
a. d.Tajo; koninkl. wapenfabriek(Toledo-klingen).
Fabrikatie van papier. — Almadén (8200) kwik-
zilver.
2.  Estramadura: Badajoz (27000) aan de Gua-
diana, fabrieken, grenshandel.
3.  Leon. Bejar (12000). De beroemde hammen
van Estramadura komen van hier. —> Salamanca
(22000), leerlooierij, lakenfabrieken, universiteit.
Leon (13000), vlas- en linnenhandel.
4. Galicië: Vigo (15000), belangrijke haven.
Visscherij, looierij, zeepfabrieken. — La Estrada
(25000) beroemde mis. — Santiago de Com-
postella (24000), bedevaartsplaats, handel, uni-
versiteit. — Coruna (37000) havenstad, industrie,
handel op Cuba. — El Ferrol (26000) hoofd-
oorlogshaven, zeearsenaal.
• 5. AsturiT\': Oviedo (43000) steenkolen, konink-
lijke wapenfabriek enz. — Gion (35000) haven-
stad; levendige handel in steenkolen, ijzer,
hout, vee.
6.   Oud-Kaxtilïc: Santander (42000) havenstad
(in 1692 kwamen 10 Ned. schepen in deze haven)
ijzergieterij, wolspinnerij, sigaren, papierfabr.,
scheepswerven. Uitvoer van wol, zink en ijzererts.
Burgos (31000) kken- en breiwerkfabrieken. —
Valladolid (62000) fabriekstad.
7.    De Basltische provinciën: Vitoria (28000)
aan een der hoofdwegen naar Frankrijk gelegen,
en daardoor strategisch belangrijke ligging.
Levendige handel en industrie. — Bilbao
(51000) belangrijkste haven der noordkust; uit-
voer van ijzererts. In 1892 kwamen 87 schepen
onder Nederlandsche vlag in deze haven, waarvan
er 70 uit de haven van Rotterdam en 6 uit die
van Amsterdam kwamen. —• St. Sebastian
(29000) haven, transito en expeditiehandel; aan
den spoorweg van Frankrijk naar Madrid gelegen.
8.  Nanarra. Pamplona (29000) ijzerindustrie,
wijnhandel.
9.   Aragon: Huesca (13000), lakenfabrikatie,
wijn en olijven. — Zaragoza (92000) in een
vruchtbare streek aan deEbro; zijde-en laken-
weverij; zeep, salpeter, chocolade en leder-
fabrikatie.
10.    Kaïalonië: Gerona (15000) kurkenfabri-
-ocr page 141-
133
HAHDËL8-A.Alit>Ri.TKSKUyDE.
katie. — Mataró (18000), zijde, katoen- en
ijzerindustrie; haven.
Baroelona (272000 met de voorsteden 45000
inw.) is de eerste haven- en fabrieksstad van
Spanje. De stad ligt tusschen de monding der
Llobregat en der Besos, in een goed bebouwde,
met landhuizen dicht overdekte vlakte, welke
door met wijn bedekte heuvels omringd is, aan
de kust der Middellandsche Zee, die hier door
een klein vooruitspringend schiereiland een goede
havenbocht vormt.
Na Madrid en Cadiz is Barcelona de schoonste
stad van Spanje. Reeds door de Phoeniciers is
hier een handelsstad gebouwd, en in de middel-
eeuwen was Barcelona de hoofdplaats voor den
handel op de Middellandsche Zee. Hier werd
in 1258 het eerste wetboek voor handel en zee-
recht opgesteld. In 1888 kwamen 2760 schepen
in de haven (2321288 tonnen). De kusthandel
wordt van hier uit door 3900 schepen gedreven
(1621642 tonnen inhoud). De uitvoer van Bar-
celona bestaat naast industrieartikelen van allerlei
aard, die in het nijvere Katalonië vervaardigd
worden, bovenal in Katalonischen rooden wijn naar
Zuid-Amerika, zuidvruchten en brandewijn. De
invoer bestaat in Fransche, Engelsche en Ita-
liaansche fabrikaten, granen uit Rusland, de
Vereenigde St. v. N. A. en Turkije, hout uit de
Oostzee, ijzer uit Zweden, hennep uit. Riga,
Petersburg en Marokko; linnen, koper- en ijzer-
draad uit Duitschland enz.
Landinwaarts liggen de volgende steden, met
wol- en katoenindustrie: Sabadell (20000), Man-
resa
(23000), Lérida (22000). — Tarragona
(27000) haven, katoen- en lakenweverij; wijn-
uitvoer. — Reus (29000) textiel-industrie. —
Tortosa (25000) haven; nijverheid. Marmer- en
albastgroeven.
11.   Valencia: Castellón de la Plano (25000),
wijn, olijven, zuidvruchten. — Valencia (171000)
aan de Guadalaviar, door vruchtbare tuinen om-
ringd. Uitvoer van oranges en wijn. Zijde-
industrie, ijzergieterijen enz. — Alcóy (30000)
fabrieken. — Alicante (40000) haven voor
Madrid aan de Middellandsche Zee; wijnbouw,
katoen- en linnen-industrie. Uitvoer van wijn,
olijfolie, espartogras. — Elche (24000) van pal-
men omringd. Dadels.
12.   Murcia: Murcia (99000) aan de Segura,
te midden van een schoone huerta. Zijde- en
katoennijverheid, espartogras-vlechterij, salpeter-
fabrieken. — Gartagena (84000) voortreffelijke
natuurlijke haven, oorlogshaven. Arsenaal,
scheepswerven, fabrikatie van zeildoek, lederen
artikelen, zijden stoffen. Uitvoer van ijzer, lood,
zilver, koper. — Lorca (58000) salpeter- en kruit-
fabrikatie, molens, zijde-industrie.
13.   Granada: Cuevas de Vera (20000) zilver-
mijnen. — Almeria (36000) haven, uitvoer van
lood. Druiven. — Malaga (134000) in een uiterst
vruchtbare vega, met wijn, amandelen, olijven,
oranges en suikerriet. IJzerwaren en machine-
fabrikatie; zijdeweverij. — Antequera (27000)
papierfabrikatie, flanelweverij. - Granada (73000)
door een prachtige vega omringd. De vroeger
zoo bloeiende industrie is achteruitgegaan. Boven
de stad verheft zich het Moorsche konings-
paleis Alhambra.
14.   Andalusië. Jaen (26000), zijde-, wol- en
linnenindustrie. — Linares (30000) loodmijnen,
koper en antimonium. — Córdova (56000)
metaalindustrie en andere nijverheid. De fabri-
katie van Kordaan (een leersoort, die naar deze
stad den naam heeft) is ook achteruitgegaan.
Ecija (24000) wol- en zijdeweverij.
Sevilla (143000), vroeger de eerste zeehaven
van Spanje, nog belangrijk als zeehaven. Konink-
lijke tabakfabiïek, koninkl. geweerfabriek, fabri-
katie van snuiftabak (spaniol), goud- en zilver-
waren, ijzergieterij, enz. Handel in granen,
petroleum, zuidvruchten, enz. — Huelva (18000)
uitvoer van koper en andere ertsen. — San
Lucar de
Barrameda (23000) aan den mond
der Guadalquivir, voorhaven van Sevilla. —•
Jerez de la Frontera (62000), wijn; sherry. —
Cadiz (63000) de belangrijkste haven voor de
transatlantische verbindingen met de koloniën,
een der eerste oorlogshavens, vroeger de haven
voor de zilvervloten. Uitvoer van wijnen en zout.
15.   De Balearische eilanden. De I\'t/thiusen en
Balearen zijn Spaansche eilanden in de Middel-
landsche Zee. Op het eiland Mallorka ligt de
haven Palnaa (60514).
Het Koninkrijk Portugal.
§ 101. Bevolking, staat, kerk enz. Het Portu-
geesche volk is ontstaan door eene samensmelting
van Suévische en Romaansche elementen, ver-
mengd met Arabieren en andere stammen. Door de
Romeinen werd dit land reeds 139 v. Chr. ver-
overd en als wingewest met den naam Lusitanië
bestempeld. In den strijd met de Mooren werd
graaf Hendrik van Bourgondië door Ferdinand I
van Castilië met het land tusschen de Douro
en de Minho beleend, 1093, en hierin ligt de
grondslag van dit rijk, hetwelk door veroveringen
op de Mooren zich uitbreidde. De leenmannen
van Portugal gedroegen zich weldra als heeren
des lands, en in 1139 werd de heer van Portugal
als koning uitgeroepen.
Het koninkrijk Portugal heeft een oppervlakte
van 92575 K.M2, met 4708178 inw. Hiervan
behooren 89372 K.M2, en 4306554 bew. tot
het vasteland en 3203 K.M2, met 401624 be-
woners tot de eilanden de Azoren en Madeira,
die ook bij Portugal gerekend worden.
Portugal is een constitutioneele monarchie,
erfelijk in mannelijke en vrouwelijke linie van
het huis van Braganza. Het Parlement, de Cortez
-ocr page 142-
134
HANDËLS-AARtmljKSKÜNDE.
Niet alleen Indië, ook Zuid-Amerika leverde
aan Portugal zijn rijke natuurschatten, die echter
aanvankelijk slechts in verf hout (Brasilhout) be-
stonden. Zoo was de Portugeesche handel een
wereldhandel, het Portugeesche Rijk door zijn
uitgestrekte bezittingen een wereldrijk geworden.
Doch het duurde niet lang. Toen in 1580 na
het uitsterven van de dynastie Portugal aan
Spanje kwam, deelde het in de oorlogen van
dat rijk. De Hollanders, met Spanje in oorlog,
werden door verkeerde taktiek der Spaansche
regeering in het verkeer met Lissabon belemmerd,
en zochten nu zelf den zeeweg naar Indië, waar
zij de Portugeezen bestreden en een gedeelte van
hunne bezittingen wisten te veroveren. Portugal
deelde na korten bloei in den achteruitgang van
Spanje, uit welk verval het zich niet weer ver-
heffen kon, ook al werd het van Spanje gescheiden
in 1640. Het aktieve volk van vroeger werd passief,
zonder initiatief, zonder veerkracht, en liet zijn
vroegere concurrenten de heerschappij geheel.
Hollands opkomst berustte gedeeltelijk op den
ondergang van Portugal. En Engeland wist het
kleine land in de vorige eeuw economisch en
staatkundig geheel aan zich te verbinden.
Gedurende de oorlogen, uit de Pransche Revo-
lutie voortvloeiend, hield Portugal zich neutraal
en zag het aanvankelijk weder den handel toe-
nemen, vooral doordien het de Hamburger markt
van Braziliaansche waren voorzag. Ook de in-
dustrie ging vooruit. Doch deze bloei duurde
niet lang, want in 1807 trok een Fransch leger
verwoestend door het land, terwijl in 1808 de
koningsfamilie vluchtte. Thans volgde er een tijd
van onrust en onzekerheid, die geenszins ophield,
toen de dynastie terugkeerde. Het land was
ten prooi aan revolutie en tegenrevolutie, en
eerst na 1848 vertoonde zich langzamerhand
eenige verbetering. De handel nam een weinig
toe, de nijverheid ontwikkelde zich. Maar de
staat, welks financiën sedert 1820 bijna voort-
durend in een slechten toestand verkeerden, kon
weinig doen, om door den aanleg van spoorwegen
het verkeer te bevorderen. Sedert 1861 heeft
men zelfs kerkelijke bezittingen geconfiskeerd
en verkocht.
Van de eens zoo uitgebreide koloniale bezit-
tingen is slechts een klein gedeelte aan Portugal
gebleven. Deze zijn: de Azoren, de Madeira-
groep,
de Kaap-Verdische eilanden, bezittingen in
Senegamhië,
de eilanden St. Tliomé en Principe,
bezittingen aan de u>esl- en oostkust van Afrika
(Angola, Benguela, Mozambique), in Indië: Goa
en Diu, een deel van Timor en Maeao in China.
Behalve Madeira hebben deze koloniën weinig
beteekenis voor den wereldhandel.
§ 103. Middelen van bestaan. A. Landbouw
en veeteelt. Ongeveer 22,4 pet. van den bodem
wordt als bouwland en tuinland gebruikt;
genoemd, bestaat uit de Kamer der Pairs (254
leden, gedeeltelijk door den koning benoemd,
gedeeltelijk erfelijk, of door hun ambt er toe ge-
roepen of gekozen) en de Kamer van afgevaar-
digden
(180, door directe censuskiezers gekozen
vertegenwoordigers).
De algemeene weerplicht begint met het21ate
levensjaar en duurt drie jaar, terwijl de recruten
nog 5 jaar bij de eerste en 4 jaar bij de tweede
reserve zijn ingelijfd. Bij vredestijd bedroeg de
sterkte van het leger in 1892: 34971 officieren
en manschappen. Daarbij komt nog het koloniale
leger, in vrede 9476 man groot (1891). De
oorlogsvloot telde in 1892 57 schepen met 171
stukken geschut.
De Roomsch-Katholieke kerk is in Portugal
staatskerk, doch ook andere gezindten worden
geduld. Er wonen slechts ± 500 Protestanten
in Portugal. Het schoolbezoek is verplichtend
gesteld. De eenige universiteit vindt men te
Coiinbra.
§ 102. Ontwikkeling van handel, nijverheid
en verkeer. Portugal werd bij den aanvang
der Nieuwe Geschiedenis een belangrijke han-
delsstaat, omdat het als de eerste koloniën-
veroverende mogendheid in Europa optrad.
De bewoners der smalle kuststrook aan de mon-
ding der Spaansche rivieren werden vooral door
het initiatief van den Prins „Hendrik den Zee-
vaarder" een volk van zeevaarders, landontdek-
kers en handelaars. De geheele ligging bestemde
ook dit land bij voorkeur tot de zeevaart, en men
moet de bevolking de eer toekennen, dat, toen
eenmaal de stoot daartoe van bovenaf gegeven
was, zij met geestdrift en volharding hun roeping
heeft vervuld. Vóór de eeuw der ontdekkingen
was Portugal\'s handel zonder beteekenis en
werden er alleen wijn en visschen op de markt
gebracht. Doch toen Portugal in West-Afrika
bezittingen verkreeg, werden van hier ivoor,
stofgoud, gummi, katoen
en slaven in den handel
gebracht, en de West-Afrikaansche eilanden
leverden maderawijn en suiker aan dit land.
Maar het glanspunt van Portugal\'s grootheid
werd bereikt door de ontdekking van den zee-
weg naar Indië (zie pag. 4G). Hierdoor werd het
kleine Portugal de bezitter van de rijkste en aan-
zienlijkste koloniën. Omstreeks 1520 was Portu-
gal het eerste land van den wereldhandel, waar de
schatten van Indië in de magazijnen van Lissa-
bon werden opgeslagen. Gedurende den geheelen
loop der zestiende eeuw voorzag Lissabon alleen
alle Europeesche markten, de Italiaansche niet uit-
gezonderd, van de Indische artikelen. Uitsluitend
te Lissabon mochten zij ingevoerd, alleen van daar
mochten zij uitgevoerd worden. De Portugeezen
brachten of zelf die waren weder naar het noorden,
naar Antwerpen enz., of andere natiën kwamen
in deze haven om de handelsartikelen te halen.
-ocr page 143-
HANDELS-AAI
26.7   pet. als grasland; 2,9 pet. is met bosch
bedekt en 2,2 pet. met wijngaarden, terwijl nog
45.8  pet. woest liggen.
Hieruit blijkt, dat landbouw en veeteelt er
niet bijzonder ontwikkeld zijn. Hoewel er na de
verdeeling van de groote bezittingen in de doode
hand sedert 1852 verbetering valt waar te
nemen, ligt toch nog een aanzienlijk gedeelte
des bodems improduktief. Het grootste gedeelte
van deze onbebouwde gronden vindt men daar,
waar het grootgrondbezit bestaat, n.1. ten zuiden
van de Taag. In Algarvië in het zuiden en aan
de Minho in het N. is het in dit opzicht beter
gesteld.
De landbouw teelt er: tarwe, maïs, rogge,
gerst, haver en rijst (deze meest aan de Ria
d\'Aveiro). Hoewel de bevolking zeer dun is,
voldoet de opbrengst der granen toch niet aan
de behoefte, en moet er jaarlijks voor een aan-
zienlijk bedrag aan graan worden ingevoerd.
Peulvruchten en groenten dienen veel mede
tot voedsel. De aardappelbouw neemt toe;
in het N. verbouwt men vlas. De wijn is
het belangrijkste produkt voor den uitvoer;
300000 H.A. zijn met druiven beplant, waarvan
de opbrengst 5 mill. H.L. per jaar bedraagt.
Het heuvelland ten noorden langs de Douro,
het Paiz do Vinho (Wijnland) is de belangrijkste
streek voor den wijnbouw (Portwijn). Daaren-
boven is er wijnbouw in de omstreken van Lissa-
bon
en Setival. Verder levert het land kastanjes,
olijven
en in het Z., vooral in Algarvië, sinaas-
appels, vijgen, amandelen
enz.
De veeteelt levert in het N. vooral runderen,
in het Z. schapen en varkens. Verder paarden,
muildieren, geiten enz. De zijdeteelt neemt
toe. Aan de kusten wordt veel visscherij uit-
geoefend; vooral ten Z. van den Douro-mond.
B.  Bergbouw, Nijverheid enz. De bergbouw
levert vooral koper in Alemtejo. Toch wordt
er ook ijzer, lood en mangaanerts, tin, zink en
antimoniuin gewonnen.
Belangrijk is de opbrengst aan zeezout.
De nijverheid heeft nog altijd geen inter-
nationale beteekenis.
C.  Handel en verkeer. Naar het voorbeeld der
overige staten van Europa heeft Portugal gedu-
rende de laatste 40 jaren het beginsel van den
vrijhandel gehuldigd, en sedert nam zijn buiten-
landsche handel sterk toe. Het bedrag van
den buitenlandschen handel beliep in 1891 aan
invoer (speciaalhandel, zie noot pag. 105) ± 107,7
mill. guld. en aan uitvoer 57,2 mill. guld.
De belangrijkste produkten van invoer zijn:
granen, katoenen weefsels, machines, ijzer, kolen,
suiker, wollen stoffen.
Hoofdartikel van den
uitvoer is wijn; verder worden uitgevoerd: kurk,
visschen, koper, vee
enz. In den buitenlandschen
handel neemt Groot-Britannië de eerste plaats
:>ItT.TKSKUNDE.
135
in. Beeds in 1703 wist de Engelsche gezant
Methven een handelsverdrag met Portugal tot
stand te brengen, dat in de geschiedenis als het
Methven-verdrag bekend is. Hierbij werd de
invoer van Portugeesche wijnen in Engeland
begunstigd door verlaagd tarief van invoer, ter-
wijl Portugal op zijn beurt alleen Engelsche
wol op de Portugeesche markt toeliet. De voor-
deelen van dit verdrag kwamen bovenal de
adellijke bezitters van wijnbergen in Portugal
en de grondbezitters in Engeland te goede.
Daarenboven was het gevolg van dit tractaat,
dat Portugal in een soort van economische af-
hankelijkheid ten opzichte van Engeland kwam
te staan. De vermeerderde wijnuitvoer deed in
de eerste plaats een uitbreiding van den wijnbouw
ontstaan, en de rijkdom der aanzienlijken naast
de armoede van den middenstand bracht degrond-
bezittingen meer en meer in handen van enkelen.
Het grootgrondbezit was in opkomst en de be-
hoefte aan graan en vleesch werd meer en meer
gevoeld. De industrie ging achteruit, naarmate
de markt meer met Engelsche fabrikaten werd
overstroomd. Steeds heeft Engeland dien invloed
op Portugal behouden. Een groot gedeelte van
den wijnuitvoer gaat naar dit land, daarenboven
de vruchten en mineralen. Doch Engeland levert
aan Portugal steenkolen, koloniale waren, sche-
pen, manufacturen enz. Frankrijk komt in de
tweede plaats in de rij van den buitenlandschen
handel. Frankrijk levert luxe-artikelen aan Por-
tugal, bovenal geweven stoffen, en ontvangt wijn
en vruchten. Duitschland levert alcohol aan
Portugal, doch koopt er weinig. De handel
tusschen Spanje en Portugal is nog altijd onbe-
teekenend. De oorzaken hiervan zijn vele. Er
bestaat een nationale haat tusschen beide volken.
Daarenboven zijn de verkeerswegen slecht, daar
de rivieren in Spanje onbevaarbaar zijn. De
grensstreken tusschen beide landen zijn met
uitgestrekte heiden bedekt, die het verkeer niet
bevorderen. Bovendien kan deze handel niet
aanzienlijk worden, daar beide landen bijna
dezelfde voortbrengselen leveren.
De handel van Nederland met Portugal is
onbeduidend. Toch kwamen in 1892 nog 49
Nederlandsche schepen (94864 tonnen) in de
haven van Lissabon, waarvan 24 van Amsterdam.
België heeft tegenwoordig nog eenigen invoer
in dat land met het oog op het vervoer naar
den Kongo-staat. Deze zal evenwel verminderen
of ophouden, zoodra België een eigen scheepvaart-
verbinding met den Kongo-staat verkrijgt.
Voor den zeehandel is Portugal gunstig gelegen.
Lissabon is als aangewezen voor de vaart op
Zuid-Amerika. Lissabon en Porto zijn de natuur-
lijke uitgangspunten voor de produkten van het
schiereiland. De monden der rivieren zijn in dit
land meestal bevaarbaar. Doch de overige wegen
in het land verkeerden lang in een allertreurig-
-ocr page 144-
136                                                                 HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
sten toestand; vóór 1851 bestond er slechts één
goed berijdbare weg, die van Lissabon naar
Cintra. In 1854 is men begonnen met den aanleg
van een spoorwegnet. De spoorlijnen hadden
op 1 Jan. 1891 een lengte van 2149 K.M.
De Portugeesche handelsvloot telt 553 schepen
(74240 tonnen), waaronder 67 stoombooten (36366
tonnen).
§ 104. Plaatsbeschrijving. Lissabon (Lisboa)
(246000 inw.) de hoofd- en residentiestad, met
de voorsteden Belem en Olivaes, is prachtig
gelegen aan de breede monding van de Taag,
die zich niet ver van de uitwatering in zee tot
een haff verwijdt. De stad is amphitheaters-
gewijze gebouwd op zeven heuvels, waarachter
de keten van de Serra de Cintra verrijst, en biedt
door die boven elkander liggende straten, van
de kaden af, een schilderachtigen aanblik op. Op-
merkelijk is het, dat nergens hooge torens boven
de huizenrijen uitsteken ; de vrees voor een her-
haling van aardbevingen zooals die van 1755,
heeft het bouwen van hooge torens tegen-
gehouden. De steilheid van vele straten maakt
het noodig, dat de trams bergopwaarts door
4 muildieren moeten getrokken worden, terwijl
bergaf de wagens niet alleen door eigen zwaarte
worden bewogen maar met de rem nog moeten
tegengehouden worden.
In het oosten is rondom het kasteel St. George
de oude stad gebouwd, met haar warnet van
straten en huizen, waarbij zich westelijk de met
regelmaat en orde aangelegde nieuwe stad aan-
sluit. Het schoonste gedeelte vormt hier het
uitgestrekte plein Prara do Conimercio langs den
oever der Taag en aan drie zijden door openbare
gebouwen omringd. Langs den noordelijken
Taagoever strekken de huizen zich in regel-
matige rijen over de heuvelhellingen en door
de dalen uit, en tuinen, buitenplaatsen en oranje-
gaarden breken het eentonige der gebouwen.
De voorstad Belem, is verder naar zee gegrond-
vest in de nabijheid der Beleinspits. Het im-
posante koninklijke marmerpaleis (Paco Real
d\'Adjuda) verheft zich hier boven alle gebouwen.
Tusschen Belem en Lissabon is nog een tweede
voorstad Alcantara ontstaan. Langs den geheelen
oever tusschen Belem en het genoemde Praca
do Conimercio zijn havenwerken en kaden in
aanleg of reeds tot stand gebracht. De mond
der Taag heeft hier overal voldoende vaardiepte,
en kan bij alle weersgesteldheid gemakkelijk
worden binnengeloopen. Daardoor is Lissabon
van maritiem standpunt een der veiligste en beste
havens van geheel Europa, en kan, wat land-
schapssehoonheid betreft, met de heerlijkste
streken van Europa wedijveren, ja behoeft zelfs
niet voor Napels en Constantinopel onder te doen.
Lissabon is aldus de eerste havenplaats van
Portugal. Meer dan de helft van den buiten-
landschen handel heeft over Lissabon plaats,
zoodat wij den handel dezer stad uit het overzicht
van den handel reeds kunnen leeren kennen.
Door de gunstige ligging is het scheepvaart-
verkeer er betrekkelijk veel aanzienlijker dan de
handel. Lissabon toch is de verst naar het Z.W.
vooruitgeschoven groote haven van Europa en
ligt aan het eindpunt der groote internationale
sneltreinlijn, welke de post van noordelijk Europa
over Bordeaux, Medina en Madrid of over Coïmbra
en Salamanca naar Lissabon brengt. De schepen
van alle natiën zijn aldus genoodzaakt hier de
laatste Europeesche post op te nemen of bij
terugreis de buiten-Europeesche af te geven.
In 1887 liepen 4544 schepen van de groote vaart
en 2027 schepen van de kleine kustvaart de
haven van Lissabon binnen. In de groote scheep-
vaart speelt de Portugeesche vlag slechts een
onbeteekenende rol; de Engelsche vlag staat
bovenaan, daarop volgen de Duitsche, dan de
Fransche, en de Zweedsche en Noorweegsche
vlaggen. In 1892 liepen hier 49 Nederlandsehe
schepen binnen. De stoomschepen der „Konink-
lijke Nederlandsehe stoombootmaatschappij" hou-
den hier geregeld aan, en daardoor heeft er
transitoverkeer over Amsterdam plaats. Hoofd-
artikelen van den invoer uit Nederland zijn:
boter, jenever, kaas, kaarsen, tabak en suiker.
De uitvoer naar Nederland bestaat vooral in
koffie, palmpitten, zout, kurk, wijn enz.
Porto (Oporto) (106000) aan den mond der
Douro, tweede haven des lands. Uitvoer van
wijn (Portwijn), zuidvruchten. Katoen-, wol- en
zijde-industrie. — Braga (20000) messen- en
slotenfabrieken. — Setübal (15000) aan den
mond der Sado. Uitvoer van zeezout. Sardinen-
visscherij.
De Azoren (= havikseilanden) op 1700 K.M.
van het vasteland verwijderd, bestaan uit een
groep van 9 eilanden en onderscheiden klippen
in den Atlantischen Oceaan, die een provincie
van Portugal uitmaken. De eilanden hebben
een oppervlakte van 2388 K.M-. en 269400 be-
woners, die, hoewel vermengd, toch meest van
Portugeesche afkomst zijn. Het klimaat is er
gematigd, zacht, vochtig en gezond. Landbouw,
handel en walvischvangst zijn bronnen van be-
staan. De belangrijkste havenplaatsen zijn:
Ponta Delgada (op Sao Miguel) met 18000 en
Angra (op Terceira) met 11000 inw.
Gibraltar (Engelsch).
§ 105. Gibraltar (met het garnizoen van
5896 man, 25869 inw. — Engelsche bezitting).
In het zuiden van het Pyreneesche schiereiland
dringt ten O. van Kaap Tarifa de baai van
Algeciras met een bocht in het land door, terwijl
ten O. van die baai het Voorgebergte van Gribral-
-ocr page 145-
137
HANDELS- AARDRIJKSKUNDE.
tar als een spits naar het zuiden in zee uitsteekt.
Dit voorgebergte bestaat in het zuiden uit vaste
rotsen, die in het noorden door eene zanderige
vlakte met stuif\'zand aan het vasteland verbonden
is. Het rotsachtig gedeelte der landtong is
4,62 K.M. lang, 1245 meter breed en bereikt
eene hoogte van 425 meter.
Aan de westzijde van deze rots, aan een tegen
alle winden goed beschutte reede, ligt terras-
vormig van de kust opstijgend de stad Gibraltar,
sedert den vrede van Utrecht in 1714 eene
bezitting van Engeland. Deze stad, een sterke
vesting, heeft hoofdzakelijk strategische betee-
kenis. De uitgaven voor het in stand houden
dezer vesting bedraagt jaarlijks 250000 pond
sterling. Gibraltar bewaakt den ingang, Malta
het midden en Cyprus de oostelijke helft der
Middellandsche Zee voor Engeland, en Egypte,
dat mede onder Britschen invloed staat, is door
het Kanaal van Suez de sleutel van den hoofd-
toegang naar Indië. Bovendien is Gibraltar
belangrijk als kolenstation en als entrepot voor
den Britschen handel met Noord-Afrika. In 1892
legden 4947 schepen in de reede aan, hoofd-
zakelijk onder Britsche vlag. Daar Gibraltar
een vrijhaven is kan de smokkelhandel met
Spanje groote voordeelen opleveren, en deze is
dan ook zeer aanzienlijk. Vooral de tabaks-
fabrieken in Gibraltar leveren veel over de grens
van het vrijhavengebied. Gibraltar is niet door
een spoorweg met het vasteland verbonden;
Engeland houdt die verbinding uit strategische
beginselen tegen.
Het Koninkrijk Italië.
(Oppervlakte: 28658!) K.M2. — Bewoners30347000.—
Bewoners per K.M\'2 106).
§ 106. Natuurlijke gesteldheid. Italië ligt
tusschen ± 38° en 46u 40\' N. Br., en strekt
zich als een lang uitgerekt schiereiland naar
het Z. in de Middellandsche Zee uit. Hierdoor
ligt het land midden in de Middellandsche Zee,
die zij met Sicilië in een oostelijk en westelijk
bekken verdeelt. Aan drie zijden wordt het
land door zeeën ingesloten, en in het noorden
vormen de steile hellingen der Alpen een natuur-
lijke grens naar Midden-Europa.
Naar de natuurlijke gesteldheid des lands kan
men Italië in drie deelen verdeelen: I. in Boven-
Italië met een vastelandskarakter
; II. in het eigen-
lijke Apennijnsche schiereiland
(een naam die ook
op het geheel wordt toegepast onder I en II
genoemd) en III. in de eilanden. Elk van deze
zullen wij in algemeene trekken beschouwen.
A. Boven-Italië. Boven-Italië wordt hoofd-
zakelijk ingenomen door de laagvlakte van de Po.
Het is een schoone en vruchtbare vlakte, grooten-
deels gevormd door aanslibbingen, die in den
loop der eeuwen van de omringende bergketens,
van de Alpen in het N. en van de Apennijnen in
het Z., door de rivieren of gletschers hier zijn
nedergelegd. Men kan aantoonen, dat deze vlakte
in een vroeger geologisch tijdperk een inham
der Adriatisehe Zee was, die langzaam door
bezinksels werd opgehoogd, terwijl de bodem
door het dalen der wateren ten opzichte van
het land kwam droog te liggen.
Deze laagvlakte wordt over de geheele lengte
door de Po in eene oostelijke richting doorstroomd.
De Po ontspringt op den Mt. Viso, en bereikt
reeds spoedig de vlakte. Van Piacenza af wordt
zij door moerassige oevers omzoomd, en aan haar
mond bouwt zij snel voort aan een delta, die
reeds met een bocht in de Adriatisehe Zee
vooruitsteekt. Eigenlijk vormen Po en Adige of
Etscli gemeenschappelijk één deltagebied. De
deltabouwing gaat steeds voort; het is bekend, dat
sedert het begin der 17\'\'\'\' eeuw de uitbreiding van
de aanslibbingen der delta jaarlijks 70 a, 80 meter
toeneemt. Als die deltavorming aldus voortgaat,
zal de Po-delta in 1000 jaren een strook aange-
slibde grond van 10 K.M. breedte in de Adriatisehe
Zee vooruitschuiven, en de Golf van Venetië tot een
afgesloten meer maken. Met de delta-vertakkin-
gen telt men te midden van die aanslibbingen
thans reeds 9 mondiiigsarmen van de Po. De Po-
oevers zijn laag, en worden daardoor na de herfst-
regens dikwijls aan overstrooming blootgesteld. De
rivier is daarom met dijken omringd. Van de Po
af lijst de bodem langzaam hellend tot den voet
der Alpen, die zeer steil uit de vlakte oprijzen,
en door deze steile helling een goede natuurlijke
grens vormen. De Alpen omsluiten met een boog
in het W. en N. die vlakte geheel. Van het
W. af zijn het de volgende hoofdketens van den
centralen Alpengordel (zie pag. 52): de Zee-
Alpen,
de Cottische Alpen en de Grajische
Alpen in het westen (West-Alpen); de Penni-
nische Alpen
en de Lepontische Alpen in het
N. Deze centrale Alpenketens missen in het
zuiden de voor-Alpen van kalkketens, waardoor
zij met gneis en graniet steil uit de vlakte oprijzen.
Verder oostelijk is de centrale en hoogste.
Alpengordel van gneis en graniet ook in het
Z. van lagere kalkketens omzoomd, zoodat hier
de overgang uit de vlakte gemakkelijker wordt.
In het N. van Italië vindt men hier de Bernina
Alpen,
de Ortler-Alpen, de Adamello-Alpen,
de Zuid-Tiroolsche Dolomiet-Alpen en de
Carnische Alpen. De rivier de Po nadert de
Apennijnen in het Z. dichter dan de Alpen
in het N.; een gevolg hiervan, dat zij van de
laatste de krachtigste bijstrooinen ontvangt. De
belangrijkste bijstroomen der Po zijn: A. van
de Alpen: Tanaro met Stura, Dora Riparia,
Dora Baltea, Sesia,
de Ticino (die door het
Lago Maggiore stroomt), de Adda (die door het
Lago di Como stroomt), de Oglio, en de Mincio,
-ocr page 146-
138
HANDELS-AARDRI.1KSKUNDE.
(die door het Garda-Meer vloeit), welke vier laatste
gedeeltelijk bevaarbaar zijn. B. van de Apen-
nijnen: Trebbia, Taro, Reno e. a.
De Alpenstroomen zijn in den zomer rijk ann
water (door het smelten van sneeuw en gletschers),
die der Apennijnen, waar geen eeuwige sneeuw
ligt, door gemis aan zomerregens waterarm;
in den winter hebben deze laatste waterrijkdom.
De Po is van de uitmonding der Dora Riparia
af bevaarbaar en draagt beneden de uitmonding
der Adda grootere schepen en stoombooten. In
verbinding met de Po en haar bijstroomen is
de Po vlakte van een geheel net van kanalen
doorsneden, die mede dienen tot besproeiing van
den bodem: het grasland en de rijstvelden, zoodat
de landbouw bij den overvloed van rivierwater
er weinig van den regen afhankelijk is.
Eigenaardig is de gesteldheid van de Povlakte
langs de kust der Adriatische Zee. Het is een
deltaland van onderscheidene Alpenrivieren, dat
in vele opzichten aan Holland herinnert, ware
het niet, dat de plantengroei op een zuidelijker
ligging wijst. „Lage landen, vochtige lucht,
een labvrinth van kanalen en riviei-armen, een
onbegrensde horizon, het gewest van koorts,
muskieten en kikvorschen" aldus schetst een
kenner de kuststrook der Po-vlakte. „Land
en zee vermengen zich; lagunen, zandbanken,
moerassen, ondoordringbare rietvelden, ingepol-
derde weiden en overstroomde rijstvelden strekken
zich mijlen ver uit."
In de delta van de Po zijn de lido (van litns =
kust), oude strandduinen, die ten N. van Venetië
aanvangen en dwars door de delta zich uit-
strekken tot Comncchio, dadelijk te herkennen.
Het geheele gebied der kuststreek is van uit-
wateringskanalen en dijken doorsneden. Reeds
in de eerste eeuwen onzer jaartelling is hier de
inpoldering aangevangen, en \'sedert met zorg
voortgezet.
De Povlakte is een der vruchtbaarste vlakten
van Pjiiropa. Hier slingert de wingerd om de
olmen, die de stukken lands omringen, en daar
naast vindt men rijen moerbeziebooinen geplant
voor de zijdeteelt, zoodat van verre het land er
uitziet als een woud. Doch van nabij gezien
bemerkt men, dat onder en naast de boomen
de bodem bedekt is met mctfs, op enkele plaatsen
zelfs met rijtf, verder met hennep, meloenen en
groenten van allerlei aard. Het land is voor het
gebruik in een groot aantal kleine stukken ver-
deeld, die verpacht worden. Doch het grondbezit
is er meest in handen van aanzienlijken, die
kapitaal bezaten om de kostbare besproeiings-
kanalen en de dijken tegen overstrooming enz. aan
te leggen. De dorpen zijn in de boomgaarden
verscholen, waarboven enkel de kerktorens hun
spitsen verheffen.
Wij zeiden, dat de Povlakte een vastelands-
karakter draagt. Dit openbaart zich ook in het
klimaat, dat hier continentaal is, en zich door
heete zomers en nog al koude winters kenmerkt.
II. Het schiereiland van Italië. Het eigenlijke
schiereiland is door de bergketen der Apennijnen,
die hoofdzakelijk uit grijze kalkgosteenten be-
staat, en welke een naar het Z. VV. geopenden boog
vormt, doorsneden. De hoofdkam sluit zich ten
Z. O. van Nizza nauw bij de Alpen aan, zoodat
de scheiding niet altijd op dezelfde plaats wordt
aangegeven. Met een bocht omsluit de Apen-
nijnenketen de Golf van Genua, richt zich ver-
voljjens in een X. O. richting naar de Adriatische
Zee, loopt van Ancona af met deze ongeveer
evenwijdig, en wendt zich in het zuiden weer
meer naar de Tyrrheensche Zee, om in het
schiereiland Calabrië te eindigen. In het midden
(ten O. van Rome), breidt zich het bergland tot een
woest hoogland uit, de Abruzzen geheeten, waar
eenige bergen met eeuwige sneeuw bedekt zijn,
en de Gran Sasso tot 2!)()0 meter hoogte stijgt.
In de noordelijke helft gaan de Apennijnen naar
het westen in een gedeeltelijk effen en slechts
van kortere bergketens doorsneden voorland over,
dat der Sub-Apennijnen. Door deze gesteldheid
des lands vindt men alleen aan de westzijde
rivieren van beteekenis, als de Arno en de Tiber.
De Arno ontspringt in de Etruskische Apen-
nijnen, stroomt eerst naar het zuiden, en bereikt
de vruchtbare, goed bebouwde vlakte van Arezzo,
waar het Chiana-kanaal, een gekanaliseerd water,
er zich mede voreenigt. Vervolgens doorstroomt
zij het breede, vruchtbare boven-Arnodal (Val
d\'Arno) in N. richting. Nu weer door vlijtig
bebouwde, boschrijke of met goede weiden be-
dekte heuvels ingesloten, dan weer door breeder
vlakten in komvormige dalen stroomend, richt de
rivier zich naar het westen, vloeit langs Florence,
dat in breed dal gelegen is, en bereikt 10 K.M.
beneden Pisa de zee. In de Middeleeuwen lag
Pisa slechts 3 KM. van zee verwijderd, doch
door aanslibbing heeft de kust zich hier uitge-
breid. Beneden Florence is de rivier enkel voor
barken en kleine schepen bevaarbaar.
De bronnen van de Tiber liggen ten Z.O.
van die der Arno. Door de stad Rome is dit
een der meest bekende rivieren van Italië ge-
worden. Rome is ook de eenige stad van betee-
kenis aan haar oever. Het bovendal der rivier
is zeer vruchtbaar. Van Perugia af kan de Tiber
door vlotten, van de uitmonding der Nera af
met kleine, van Rome af met grootere, schepen
en kustvaartuigen bevaren worden. Rome ligt
op de plek, waar de Anio zich met de Tiber
vereenigt. In haar benedenloop stroomt zij door
de golvende Compagna di Roma, een golvende,
heuvelachtige vlakte, die in het Z. wegens ge-
mis aan goede afwatering het ongezonde gebied
der 1\'ontijnsche moerassen vormt. De beide
monden der Tiber, van welke de noordelijke
-ocr page 147-
139
HANDKLS-AARDRI.TKSKUNDE.
bevaarbaar is, doch de zuidelijke verzandde,
omsluiten het „Isola Sacra", het heilige eiland,
een met bosschen en moerassen overdekte kleine
delta. Door het Chiana-kanaal is de Tiber met
de Arno verbonden.
Waar in het zuiden de Apennijnen verder van
de oostkust verwijderd zijn, ligt in het Z. O.
het hoogland van Apulïé.
Bij eene vergelijking der oost- en der west-
kust van Italië valt onmiddelijk het verschil in
geleding der beide kusten in het oog. De oost-
kust is recht en gesloten ; alleen het schiereiland
met den Mt. Gargano dringt hier in zee vooruit.
Doch de westkust bezit tal van inhammen en
golven. De belangrijkste zijn: de Golf van Ge-
nua,
welker westelijke kuststreek lüoiera di
Ponente,
en welker oostelijke liiviera di Levante
heet; verder de golven van Gaefo, van Napels en
van Salerno, van Policastro en van Eufemia.
De westkust wordt in het bijzonder gekenmerkt
door het vulkanismus, dat zich in de werkzame
vulkanen: de Vesuvins (1300 M.), in den Ktna op
Sicilië (3300 M.), alsmede in talrijke vulkanische
verschijnselen openbaart.
Het klimaat van Italië zullen wij niet verder
beschrijven, doch verwijzen daarvoor naar pag. 58,
over het Middellandsche zee-klimaat, dat hier-
op ten volle toepasselijk is.
De eilanden worden afzonderlijk besproken bij
de plaatsbeschrijving.
§ 107. Bevolking. A. Afkomst. De bewoners
van Italië zijn van gemengde afkomst. In de oud-
heid vormde Boven-Italië reeds vroeg eene tegen-
stelling met het land der Apennijnen, zooals die
ook in verheffing des bodems en het verschillend
klimaat was op te merken. Daar Noord-Italië voor
de Alpenpassen lag, drongen hier de Keltische
Galliërs binnen, die evenwel onder den invloed der
Romeinen geromaniseerd werden. Met het einde
der groote Volksverhuizing trokken van het N. O.
de Longobarden over de Alpen naar Italië en
veroverden de vlakte, doch ook zij werden ge-
romaniseerd. Echter zijn er nog sporen van die
afkomst bij de bewoners van Noord-Italië te
ontdekken.
In het Z. O. van het schiereiland, dat zich
naar het Z. O. uitstrekt, alsmede op Sicilië, werden
tijdens de Oude Geschiedenis Grieksche koloniën
aan de kusten gevestigd, en dit gebied heette in
dien tijd Groot Griekenland. Gedurende de mid-
deleeuwen verkregen de Arabieren hier tijdelijk
voet, terwijl zij zich op Sicilë langen tijd staan-
de hielden. Door deze verschillende stammen
werd de bevolking in den loop der tijden zeer
vermengd, doch de kern der natie stamt af va»
van de Italiërs. En het waren de Latijnen, een
stam van dit volk, die onder de leiding van de
stad Rome de verschillende oude bewoners van
hot schiereiland tot één geheel vereenigden, en
den grondslag van het Romeinsche wereldrijk
legden.
Zooals Rome met de Latijnen de staatkundige
heerschappij verkreeg, wist het ook geestelijken
invloed in Italië uit te oefenen. In het begin
van den Keizertijd sprak bijna geheel Italië
het Latijn, dat zich onder verschillende in-
vloeden in don loop der eeuwen tot het Ita-
liaansch
van den tegenwoordigen tijd ontwikkeld
heeft. De vreemde volkselementen, als Germanen,
Grieken e. a. hebben zich geheel opgelost in het
Italische element, zoodat, hoewel niet zonder nuan-
ces, toch de Italiërs van dezen tijd als één natie,
als één volk kunnen beschouwd worden. De taal
is Italiaansch, en alleen in de dalen van de West-
Alpen wordt ook Fransch gesproken ( 120000
meest Waldenzen), terwijl in de Venetiaansche
Alpen 37000 inwoners Duitsch spreken. In het
Napolitaansche wonen nog 90Ö00 Alhaneezen,
en als handelaren zijn nog een 15000 Grieken
over het land verstrooid. Ongeveer 0,8 pet. der
bevolking zijn geen Italianen.
B. Volksdichtheid. De volksdichtheid bedroeg
in 1892 : 107 per K.M\'2. De dichtste bevolking
vindt men in Campanië langs de Golf van Na-
pels (189), verder in Ligurië (182), Lombardije
(163), Sicilië (131) en Venetië (123).
De voorliefde der bevolking om in steden te
wonen, zelfs van de boeren in het zuiden, heeft
ten gevolge, dat er vele stedelijke centra\'s in
het land gevonden worden. Wel 12 steden van
Italië hebben meer dan 100000 inw. en 55
tusschen 30000 en 100000 inw. De steden met
meer dan 100000 inw. zijn:
530000
436000
425000
329000
272000
210000
Florence 190000
Venetië 159000
Napels
Rome
Milaan
Turijn
Palermo
Genua
147000
142000
112000
106000
Bologna
Messina
Catania
Livorno
Zeer van beteekenis is de landverhuizing naar
Oostenrijk, Frankrijk, de Vereenigde Staten van
Noord-Amerika, naar Middel- en Zuid-Amerika.
In 1887 verlieten 215667, in 1889 : 218412 en
in 1892 : 223667 Italianen hun vaderland als
landverhuizers. De meeste landverhuizing ge-
schiedde uit het gebied van Venetië, uit Piemont,
Lombardije en Campanië.
C. Staatsinrichting, enz. Italië, dat na den val
van het Westersch Romeinsche Rijk in talrijke
staatjes verbrokkeld was, is sedert 1859 on dei-
het vorstenhuis van Savoye allengs weder tot
een politieke eenheid geworden. Het laatst werd
in 1870 de Kerkelijke Staat met de stad Rome
hieraan toegevoegd, welke laatste thans hoofdstad
en residentie is. Italië is een constitutioneele
monarchie; de kroon is erfelijk in het huis van
Savoye. Het volk wordt vertegenwoordigd door
-ocr page 148-
1-td
HANT)ELS-AARDRIJKSKUNDE.
een „Kamer van Afyevaavdiyden" en den „Senaat".
Tot den Senaat behooren 390 leden, waaronder
de prinsen van het Koninklijk Huis na hun 25slc
jaar, en bovendien door den koning benoemde
notabelen, die op zijn minst 40 jaren oud zijn.
De Kamer van Afgevaardigden bestaat uit 508
door directe verkiezing voor 5 jaren gekozen leden.
Ieder Italiaan, meer dan 21 jaren oud en op zijn
minst 20 lire directe belasting betalend, is kiezer.
Door het overnemen van de vele schulden der
afzonderlijke staatkundige deelen, die na 1859
tot Italië vereenigd zijn, door het naasten van
dure spoorwegen en door de vele uitgaven voor
vloot en leger is de schuldenlast van Italië zeer
hoog, en de tinancieële toestand niet gunstig. Daar-
door zijn er vele en hooge belastingen ingevoerd.
De intellectueele ontwikkeling des volks staat
nog verre bij de meeste Europeesche landen ten
achter, doch er is eenige verbetering op te mer-
ken. Van de meer dan G jaar tellende bewoners
konden in 1861 lezen noch schrijven (analpha-
beten) : 68,09 pet. mannelijke en 881,27 pet.
vrouwelijke personen, en in 1881 respectievelijk
54,5 pet. en (59,3 pet. Het lager onderwijs is
volgens de wet van 15 Juli 1877 verplichtend,
doch de wet op den schoolplicht kan wegens
gemis van leerkrachten niet uitgevoerd worden.
§ 108. Overzicht van de geschiedenis der
ontwikkeling van handel en nijverheid. Sedert
de eeuw der landontdekkingen werd de wereld-
handel uit de Middelandsche. Zee naarden Atlanti-
schen Oceaan verplaatst. Voor Italië, dat door
do ligging des lands in het midden der Middel-
landsche Zee, alsmede door zijn lang uitgestrekten
vorm en havenrijke kusten gedurende de middel-
eeuwen tot de economische heerschappij over
Zuid-Europa en Noord-Afrika gekomen was, voor
Italië bracht die verplaatsing van den handel
groote nadeelen te weeg. De handelssteden als
Venetië, Genua, Livorno, Amallti e. a. gingen
gedurende de Nieuwe Geschiedenis steeds meer
en meer achteruit. Met het einde der vorige
eeuw was Italië\'s handelsbeteekenis geheel ge-
slonken. Venetie\'s glans was verbleekt, de eens
zoo bloeiende Italiaansche industrie was door
die van Engeland, Frankrijk en Duitschland
sedert lang overvleugeld. En de Napoleonti-
sche oorlogen met het Continentaalstelsel brach-
ten Italië den laatsten slag toe.
Na de restauratie leed Italië in de eerste helft
dezer eeuw nog aan de versnippering van het
grondgebied, de onderdrukking van de vrij-
heid, en het slecht beheer der kleine vorsten. De
oorlogen en opstanden, die daaruit voortvloeiden,
beletten de opkomst van nijverheid in deze eeuw
zeer. En eerst na 1859, toen de eenheid des
lands van Sardinië uit zich begon te vestigen,
brak ook op economisch gebied een vernieuwde
periode van ontwikkeling vooi Italië aan.
Daardoor zijn de toestanden in Italië nog jong
en van den tegenwoordigen tijd, zoodat zij niet
met die van andere landen met een lange geschie-
denis vergeleken kunnen worden. Want de poli-
tieke eenheid was geenszins het eenige, dat tot
stand kwam: er moesten vele verkeerdheden in
bestuur enz. uitgeroeid worden, er diende eenheid
gebracht te worden tusschen het meer werkzame
noorden en het achterstaande zuiden. Trots al
die moeilijkheden is er in een dertigtal jaren
veel tot stand gekomen.
Van een systematisch doorgevoerde handels-
politiek kan bij het kort bestaan van den staat
nog geen sprake zijn. De inlandsche douane-gren-
zen, welke vroeger tusschen de afzonderlijke
Italiaansche staten bestonden, en die vóór 1859
het verkeer ten zeerste tegenhielden, zijn op-
geheven; sedert October 1862 is voor het ge-
heele koninkrijk een gelijk en eenig tolstelsel
ingevoerd. Ook door handelsverdragen (ziepag.16),
waardoor Italië in den laatsten tijd politiek zoo-
wel als commercieel met Duitschland en Oos-
tenrijk verbonden is, werd het internationaal
verkeer vergemakkelijkt. De belangrijkste ge-
sloten handelsverdragen zijn: die met Rusland
(1863), met de Vereenigde Staten van N. Ame-
rika (1871), met Argentinië, (1871), met Groot-
Britannië (1893), met Duitschland en Oosten-
rijk (1891), met Zwitserland (1892).
Toch was er sedert de eenheid van Italië niet
voortdurend vooruitgang op te merken in het
handelsverkeer, zooals uit het volgend overzicht
blijkt. De cijfers hebben betrekking op den
speciaalhandel in millioen lires, zonder de edele
metalen er bij te rekenen.
JAAR.
INVOER
UITVOER.
Meer invoer
diin uitvoer.
1862
830
576
254
1872
1182
1162
20
1882
1227
1152
75
1885
1460
951
509
1890
1317
876
441
1891
1122
878
244
1892
1173
958
215
Tot de eerste handelsstad van Italië is Genua
opgekomen, terwijl Lioorno, dat tot voor weinige
jaren een levendigen tusschenhandel had, sterk
is achteruitgegaan.
§ 109. Middelen van bestaan. A. Land-
bouw en veeteelt. Italië kon in den aanvang
dezer eeuw nog als een produktief landbouwland
gelden, doch is in dit opzicht achteruitgegaan.
Mede door de uitbreiding van de wereldmarkt
voor granen, als gevolg van den aanvoer uit
Amerika, is de waarde van deze gedaald. Daar-
door is de landbouw achteruitgegaan. Toch
houdt zich in Italië nog meer dan de helft der
-ocr page 149-
141
HANDELS-AARDRUKSKUNDE.
(1,8 mill.); verder: paarden, muildieren en ezels
(2 mill.). De runderteelt is na 1862 belangrijk toe-
genomen, de paardenteelt iets, doch de srhapen-,
geiten-
en varkensteelt is aanzienlijk achteruit-
gegaan. In de Maremmen wordt de buffel geteeld.
Zijdeteelt vindt men over geheel Italië; in 1891
werden 38,790 mill. K.G. cocons gewonnen. De
bijenteelt is verder zeer belangrijk. De uitvoer
van eieren, in den winter ook naar Nederland,
is zeer aanzienlijk.
Een gevolg der veeteelt is de kaasmakerij,
die zeer beroemd is. Bekend zijn de Pnrme-
zaansche kaas, Stracchino-kaas
en Gorgonzola in
Lombardije.
Met de zeevisscherij houden zich ± 30000
lieden bezig op 10000 booten. Toch voldoet de
opbrengst niet aan de behoefte. Een tak van
visscherij op zich zelve is de koralenvisscherij
aan de kusten van Sardinië, Corsica en Afrika.
Bergbouw, enz. Dat de steenkolen ontbreken
is een groot nadeel voor de ontwikkeling der
nijverheid. Evenwel levert de bodem ijzer,
koper, zilver
en lood. Op Elba en Sardinië, in
Piemont en in de provinciën Bergamo en Brescia
vindt men rijke ijzerlagen. In 1890 werd er
13000 ton ruw ijzer gewonnen, waardoor de
behoefte des lands echter niet gedekt werd.
Kopererts wordt gevonden in de Venetiaansche
Alpen bij Aosta en in Toskane; looderts in de
provinciën Genua en Lucca en op Sardinië;
zinkerts in rijke lagen op Sardinië en in Lom-
bardije (Seriandal). Gouderts komt nog voor in
de zwavelkies van den Mont-Rosa; een weinig
gedegen goud vindt men in het Aostadal en in
de Alpenrivieren.
Voor de opbrengst van zwavel is Italië een
der eerste landen van Europa. De zwavel-
productie bedraagt ongeveer de helft der waarde
van de totaalopbrengst van alle delfstoffen des
lands. Uit de 598 zwavelmijnen, welke op Sicilië
in een 170 K.M. lange zone liggen, werden in
1891: 393528 tonnen zwavel ter waarde van
44,5 mill. lire gewonnen. Middelpunten zijn:
Caltanisetta (ongeveer de helft der productie van
het eiland), Girgenti en Caljtania. Ongeveer
32300 arbeiders zijn in de zwavelmijnen werk-
zaam en leiden daar een treurig bestaan.
Langs de kusten, het meest bij Cagliari op
Sardinië en op Sicilië, wordt zeezout gewonnen.
De kalkgebergten der Apennijnen zijn rijk aan
schoone marmersoorten; de marmergroeven, (i()0
in aantal, bij Carrara, Massa en Serravaza, zijn
bekend.
Nijverheid. Door gemis aan steenkolen kan
de groot-industrie zich hier niet belangrijk ont-
wikkelen, en is het handwerksbedrijf nog meest
algemeen. Veel gebruik wordt er gemaakt
van waterkracht, doch op het eigenlijke schier-
bevolking met den landbouw bezig. Men kan
rekenen, dat de oppervlakte des lands ongeveer
aldus gebruikt wordt: 39,9 pet. als bouwland en
tuinen, 25 pet. als grasland, 6,3 pet. als wijn-
bergen,
15,7 pet. als ooseh, terwijl nog 13,1 pet.
onproductief ligt.
De landbouw teelt bovenal: tarwe, maïs, haver,
gerst, rijst
en rogge; verder: boonen, erwten en
linzen. Het verdient de aandacht, dat van de
Europeesche landen Italië betrekkelijk de grootste
oppervlakte met wijn begroeid heeft, alsmede de
grootste oppervlakte met olijven en kastanjes.
Verder vindt men er citroenen en oranjes, en op
Sicilië en in Apulië katoen en suikerriet.
Het volgend overzicht leert ons den vooruit-
gang en achteruitgang der teelt van eenige
landbouwprodukten kennen.
Oppervlakte in 100 H.A.
1870—79.
1890.
Wijn......
Vlas.......
47 367
17167
2 320
19 268
8 951
1348
824
44 047
19118
1930
34 303
10131
1100
552
Terwijl de tarwebouw dus achteruitging nam
de maïsteelt toe. De rijstbouw nam af in be-
teekenis. De verbazende toeneming van den
wijnbouw is wel opmerkelijk.
De opbrengst van tarwe, rogge, gerst en haver
per H.A. der oppervlakte is in Italië veel ge-
ringer dan in Duitschland, Nederland en Groot-
Britannië. De oorzaak ligt bovenal hierin, dat
de bewerking van den bodem in vele gedeelten
des lands sedert eeuwen niets is vooruitgegaan, en
geheel onontwikkeld is gebleven. Dit neemt niet
weg, dat het met den landbouw voor enkele ge-
deelten des lands gunstiger gesteld is. Doch die
rijke landbouwstreken in Lombardije, de Emilia,
Campanië en Toskane hebben slechts een kleine
oppervlakte in vergelijking tot het geheele land.
De graanopbrengst voldoet thans ook niet meer
aan de behoefte des volks, en alleen rijst, die
voornamelijk in de provinciën Novara, Pavia,
Milaan, Mantua en Ferrara verbouwd wordt,
kan er nog uitgevoerd worden.
In 1890 vond men er 17,11 mill. citroenen- en
oranjeboomen, waarvan het getal vruchten op
3498 mill. werd gerekend, ter waarde van 90
mill. lire.
De ruim 15 pet. der oppervlakte of 0.4 mill.
H.A. bosch voorziet niet in de behoefte des
lands aan hout.
De veeteelt bezit runderen (5 mill. in 1890),
schapen (6,9 mill.), geiten (1,8 mill.) en varkens
-ocr page 150-
142
HANDELS-AARD IU.IKSKUNDE.
eiland is die onzeker, door de ongelijkmatige
verdeeling van den regen over het jaar. Ook het
gelirek aan kapitaal hield de ontwikkeling der
groot-industrie tegen. Daardoor is Italië van
den rang van leermeester, dien het in de oudheid
en middeleeuwen in Europa innam, gedaald tot
leerling, en ver door andere landen overvleugeld.
Alleen in Noord-Italië vindt men eenige groot-
industrie. In het algemeen is er op dit gebied
vooruitgang waar te nemen, maar in de behoefte
des lands aan produkten der nijverheid wordt
nog niet\'voorzien.
Het belangrijkst is er die nijverheid, welke zich
bij de gewinning van ruwe produkten aansluit.
Bovenaan staat de zijde-industrie (vooral de zijde-
spinnerü),
waarmede zich ± 175000 personen,
voor \'J/1() vrouwen en meisjes, bezighouden, en
die hoofdzakelijk in Lombardije en in Piemont
gedreven wordt. Como, Genua, Caserta, Turijn
en Napels zijn hoofdplaatsen voor deze industrie.
Zij werkt bijna geheel voor export. In denlaatsten
tijd lijdt zij onder Japansche en Chineesche
concurrentie.
De linnen-, hennep- en jute-industrie is vooruit-
gegaan ; de wol- en katoennijverheid eveneens.
Het landvolk in Toskane houdt zich veel met
stroovlechterij en stroohoedenfabrikatie bezig; de
stroohoeden van Florence zijn wereldberoemd.
Ook in west-Venetië wordt die tak van nijverheid
beoefend.
De ijzer industrie wordt, bovenal in de provinciën
Brescia, Como en Milaan beoefend; de machine-
fabrikatie, die vooruit gegaan is, in Genua en
omstreken, waar ook de scheepsbouw belangrijk is.
De lederindustrie, die ten gevolge der vele
looistoffen van ouds beoefend werd, is nog altijd
van veel belang. Tot uitvoer komen ruw leder
en handschoenen. Van de chemische fabrikaten
zijn te noemen: oliën, zeepen, essenzen, citroen-
zuren, wijnsteen.
Van de mee/fabrikaten is ma-
caronie
bekend. Verder noemen wij: albasten
en marmeren voorwerpen (Napels, Livorno, Pisa
en Rome); tnozatken (Home, Florence, Venetië);
pottenbakkerswaren (Vicenza); terracotta-roor-
toerpen
(Napels, Sicilië); koralen versieringen
(Napels, Livorno, Venetië); snaren en snaar-
instrumenten
(Rome en Padua, Cremona).
Handel. De geographische ligging begunstigt
den handel zeer, vooral nadat in den nieuwen
tijd door spoorwegen de verbinding met Middel-
Europa is tot stand gekomen.
De geographische ligging des lands wijst naar
den handel op de Levant in den ruimsten zin.
Voor de ontdekking van den zeeweg naar Indië
om de Kaap bracht Italië de verbinding met
het oosten tot stand; na de ontdekking van dien
zeeweg daalde de handelsbeteekenis des lands
zeer, totdat het in deze eeuw door de doorgraving
der Landengte van Suez weder aan een belang-
rijke verkeersroute kwam te liggen. De Italianen
zijn een volk vol koopmansgeest, met veel takt
om handel te drijven.
Den loop van den handel in de laatste jaren
hebben wij reeds op pag. 140 nagegaan, alsmede
de totaal-bedragen van den invoer en den uitvoer.
Wij zullen hier nog kortelijk de handelswaren
bespreken, alsmede de landen, waarmede Italië
bovenal in verkeer staat.
De tabel op pag. 140 leert reeds, dat de invoer
grooter is dan de uitvoer. De belangrijkste
invoerwaren zijn: granen, vooral tarwe, voor
167,2 mill. lire (voor 1892 gelden deze cijfers);
kolen voor 95 mill. lire; onbewerkt katoen, voor
92,2 mill. lire; zijde voor 101,8 mill. lire, koffie voor
32.5  mill. lire; huiden voor 42,6 mill. lire; suiker
voor 30,4 mill. lire; visch voor 29,1 mill. lire;
machines voor 26,6 mill. lire; timmerhout voor
29,1 mill. lire, wol voor 25 mill. lire, tabaks-
bladeren
voor 16,6 mill. lire.
Uitgevoerd werden: zijde, ruw, gesponnen
enz. voor 325,5 — zijden artikelen voor 17,9 —
olijfolie voor 60,3 — vruchten (versche) voor
57.6    — wijn voor 56,2 — zwavel voor 29,1 —
hennep en vlas voor 28 mill. lire.
Van de landen, waarmede Italië in handels-
verkeer staat, neemt bij den invoer Engeland, bij
den uitvoer Frankrijk de eerste plaats in. Voor
1892 verkrijgt men daarvan het volgend overzicht.
Invoer 1892
Uitroer 18M
in
m
mill. Ure,
mill. lire.
244
133
168
147
143
145
122
105
66
14
124
10
78
100
49
173
38
15
27
24
18
10
20
25
9
11
14
0,6
Landen.
Groot-Britannië ....
Frankrijk......
Duitschland.....
Oostenrijk-Hongarijë .
Britsch-Indië.....
Rusland......
Vereen. Staten van N. A.
Zwitserland.....
Turkije, Servië, Rumenië
België.......
E8ypte.-.......
Argentinië......
Spanje en Gibraltar . .
Centraal-Amerika . . .
Van Nederlaad uit bedroeg in 1892 de uitvoer
naar Italië voor 4,7 mill. gulden, en de invoer
uit Italië wordt op een gelijk bedrag gerekend.
Hieruit blijkt, dat onze handel met Italië van
weinig belang is.
De belangrijkste havenstad is Genua en daarop
volgt Venetië. Voor 1891 was de koopwaren-
beweging in de twaalf belangrijkste havens, met
het kustverkeer er in begrepen, aan tonnen in-
en uitvoer, als volgt:
-ocr page 151-
143
HANDE LS-AARDRI.7KSKUNDE.
Havens.
Tonnen.
Havens.
Tonnen.
Ancona . .
219 501
Livorno.
838 524
Bari . . .
174 875
Messina.
385 361
Brindisi . .
297 697
Napels .
771036
Cagliari .
369 742
Palermo.
663 186
Catania .
463 549!
Savona .
539 277
Genua.
3 750 297
Venetië. .
1 204 840
en zeep. De bank San Giorgio, in 1407 gegrond-
vest, is dé oudste van Europa.
Ontwikkeling van Genua en beteekenis van
de Riviera. Een lachend kustlandschap, vol be-
koorlijkheid en met een weelderige natuur, strekt
zich langs den voet der Apennijnen van Spezia
naar het westen uit, tot daar, waar de Zee-Alpon
aan de Middelland.sche zee worden afgebroken.
Met rijke gaven heeft moeder natuur deze stroken
In Italiaansche havens liepen in 1892: 238
schepen onder Nederlandsche vlag binnen (744600
tonnen), waarvan 22 te Catania, 83 te Genua
(waarbij stoomschepen op Indië), 28 te Livorno,
31 te Messina, 26 te Napels, 30 te Palermo,
3 te Venetië.
Middelpunten van den binnenlandschen handel
zijn : Milaan, Turijn, Napels en Palermo. Bovenal
Milaan heeft zich snel ontwikkeld sedert den
aanleg van den St. Gothard-spoorweg.
Do Italiaansche handelsvloot telde in 1892:
6624 schepen, waarbij 6308 zeilschepen (609821
tonnen) eri 316 stoomschepen (201443 tonnen).
Voor de groote vaart waren 572 zeilschepen en
77 stoomschepen bestemd. Deze bevaren 15
overzeesche lijnen, waarvan 2 naar Oost-Indië
en China, 4 naar Oost-Afrika, 3 naar Noord-
Afrika, 2 naar Argentinië en 4 naar de Levant.
Italië bezit slechts weinig lengte aan bevaar-
bare rivieren (3200 K.M.), zoodat het verkeer
in het binnenland hoofdzakelijk per spoor moet
plaats hebben. In 1892 hadden de spoorwegen
een lengte van 14453 K.M., d. i. 4,7 K.M.
spoorweglengte op 100 K.M\'2, en 4,4 K.M. per
10000 bewoners.
§ 109. Plaatsbeschrijving. Bij de beschrijving
der plaatsen zullen wij de historische indeeling
volgen. De cijfers van het aantal inwoners zijn
aan de in 1891 plaats gehad hebbende volks-
telling ontleend, en geven de in centra vereenigde
bevolking aan, niet die der gemeente. Deze
laatste is veel aanzienlijker en vindt men ge-
woonlijk in de handboeken, omdat zij gemakke-
lijker te bekomen is. Aanzienlijke verschillen
in de opgaven van het aantal inwoners kunnen
hieruit dikwijls verklaard worden.
IAgurië. Genua (St. Genova) met de voorstad
San Pier d\'Arena (194000), aan de Golf van Genua
gelegen, van welks kust de stad zich amphi-
theatersgewijze verheft. Wegens de talrijke oude
marineren paleizen wordt Genua wel „de mar-
meren stad" genoemd, terwijl het heerlijke klimaat
haar den naam „la superba" d. i. „de prachtige"
geschonken heeft. Genua is de eerste havenstad
van Italië, een belangrijke fabrieksstad, met vele
ijzergieterijen en machinefabrieken in de voorstad,
met zijde-, fluweel" en katoennijverheid, met
fabrikatie van gouden-, zilveren-, albasten- en
koralen voorwerpen, alsmede van handschoenen |
gezegend. Door het hooggebergte tegen de
koude, ruwe luchtstroomon uit hot noorden be-
schut, ligt de kust onder den invloed der zachte,
vochtige zuidenwinden, welke de berghellingen
en dalen met een paradijsachtigen plantengroei
doen bedekken. Alles bloeit en geurt hier; het
is een tuin, die de prachtigste bloemen en ge-
wassen aan Europa schenkt.
Hier, waar de Ligurische kust de oostelijke
kniebocht vormt, heeft Genua, la superba, aan
een natuurlijke havenbocht haar marmerpaleizen
gebouwd. Aan beide zijden van de stad strekken
zich met afwisselende landschappelijke schoon-
heid vele mijlen ver de schoone hellingen der
Riviera uit: oostelijk de Riviera di Levante, weste-
lijk de Ririera dl Ponente, beide namen, welke reeds
in den tijd der Genueesche republiek beteekenis
hadden. De plaatsen als Nizza, Mentone, San
Romo e. a. liggen als zoovele parelen aan deze
schoone kust, en genieten door het heerlijk
klimaat een wereldberoemden naam, zoodat zij
„de zieken tot zegen, de gezonden tot genot
zijn." Hierdoor is de Riviera het aantrekkings-
punt van de aanzienlijken uit geheel Europa.
De bocht van Genua, een der hoofdplaatsen,
waar de Ligurische vrijbuiters in den ouden tijd
zich vestigden, was reeds aan de Grieksche
zeevaarders bekend. Deze kuststreek werd in
222 vóór Chr. door de Romeinen veroverd, en
daarna onder den naam Gallia cisalpina bij het
Roineinsche Rijk ingelijfd. De stad ontwikkelde
zich eerst langzamerhand, en wist in den lateren
Karolingischen tijd (958 na Chr.) zich vormelijk
zelfstandig te maken.
Reeds onder de Romeinen was Genua een
belangrijke handelsstad. Evenwel, gedurende de
oude geschiedenis was de ontwikkeling der stad
nog niet groot, en eerst in de Middeleeuwen
kwam Genua door den ondernemingsgeest en de
zeevaart der kustbewoners tot hoogen bloei, ter-
wijl de staatkunde met gelukkige oorlogen tegen
concurreerende steden het den eersten rang deden
innemen. Genua nam van den aanvang af deel
aan de ondernemingen der christelijke vorsten
om het Heilige Land te veroveren (Kruistochten,
zie pag. 42) en zag hierin met recht een middel
tot ontwikkeling van eigen macht. De groote
transportvlooten door deze Republiek uitgerust, en
nog meer de in het Oosten aangeknoopte handels-
betrekkingen, deden de macht en rijkdom van
-ocr page 152-
144
HANDELSAARDRIJKSKUNDE.
Genua snel toenemen, terwijl de Genueezen
handels-nederzettingen in Beirut, op Cyprus en
Majorka, zoowel als in Tripolis en Tunis bezaten.
Door een praktische handelsstaatkunde en een
verbond met Michael Paleologus in 1261 wist
Genua in het Oostersch Romeinsche Rijk groote
voorrechten voor den handel te verwerven, en
verkregen de Genueezen verlof tot vestiging aan
den oostelijken oever van den Gouden Hoorn te
Galata, waar zij onder een eigen Podesta stonden.
De Genueesche handel alhier was weldra tienmaal
zoo groot als die van Konstantinopel. Nog in
het midden der 14de eeuw verkreeg Konstanti-
nopel het graan enkel van de Genueezen, die de
doorvaart door den Bosporus met behulp van een
kasteel konden afsluiten. Wij moeten nog legen-
woordig de koopmanstaktiek der Genueezen be-
wonderen, welke er naar streefden in dien tijd den
Indischen handel over Konstantinopel te leiden.
De schepen der Genueezen bevoeren ook de
Kaspische Zee; hun kooplieden leidden den Per-
zischen handel over Trebizonde en zonden in
1291 een handels-expeditie naar Indië. De be-
middeling van den handel tusschen Syrië—Egypte
en zuidelijk Klein-Azië bleef nog lang na de
kruistochten in hun handen.
Hoewel innerlijke partijschappen deze stede-
lijke republiek in de 14e en 15e eeuw teisterden,
toch wisten de Genueezen de handelsbelangen
daarnevens nog goed te behartigen. Om bij de
wisseling der politieke partijen de financiën goed
geregeld te houden, werd in 1407 de „Banco
di S. Giorgio" opgericht, welke de staatsschulden
zelfstandig bestuurde, de inkomsten van den
staat beheerde, en langzamerhand bijna het ge-
heele Genueesche gebied in pand wist te ver-
werven, zoodat zij bijna een soort van terri-
torianl gezag uitoefende, ongeveer als de Oost-
Indische Compagnie. De „Bank van St. George"
was als een staat in den staat, en elke politieke
partij, die de overhand verkreeg, moest vooraf
haar privilegiën erkennen. In 1675 werd zij tot
een giro-bank uitgebreid.
Gedurende de Nieuwe Geschiedenis ging met
het verplaatsen van den wereldhandel Genua
meer en meer achteruit, hoewel het op de
geldmarkt in Europa nog altijd grooten invloed
uitoefende. Hier woonden de grootste schuld-
eischers van Filips II van Spanje. De handel
der stad werd geheel vernietigd door de ver-
overing der Franschen in 1800. Toen Genua
in 1815 bij Sardinië kwam, bloeide de stad
langzaam weder op. Wel werd zij aanvankelijk
in deze eeuw nog door Livorno overvleugeld,
doch met de ontwikkeling der eenheid van Italië,
en vooral na 1870, toon het Kanaal van Suez
geopend werd, trad een nieuwe periode van bloei
voor Genua in. Door den aanleg van spoorwegen
over de Alpen en verbindingen met de overige
steden van de dichtbevolkte Po-vlakte enz. moest
de handel zich wel ontwikkelen. De spoorweg
door den Mt. Cenis (17 Sept. 1871) bracht de
verbinding met Frankrijk tot stand, hoewel
hierdoor ook Havre en Boulogne in den wolhandel
op Boven-Italie met Genua konden concurreeren.
Doch de opening van den St. Goihard-spoorweg
in 1882 was van buitengewoon groot voordeel
voor Genua, waardoor het tot transito-haven
van Zwitserland en een gedeelte van Duitsch-
land werd verheven.
Genua ligt aan de spoorlijnen: Genua—Ven-
timiglia (151 K.M.); Genua—Pisa (165 K.M.)
en Genua—Novi—Milaan (145 K.M.). Deze
laatste lijn is de voortzetting der Gothardlijn
naar het zuiden. Genua bezit onderscheidene
groote stoombootmaatschappijen, en staat in ver-
binding met alle belangrijke steden aandeMiddell.
Zee. De handelsbeweging leeren wij uit het
volgend overzicht kennen.
1890.
1890.
1891.
1891.
Iu tonnen.
In 10OO-
tallen lire.
In tonnen.
In 10O0-
tallen Ure.
Invoer
Uitvoer
2 351819
91765
355293
82127
2149250
105953
364970
78516
Totaal
2443584
437420
2255203
443486
In volt
in tonnen.
Uitvoer
in tonnen.
Landen.
489121
169 360
93 363
63 016
32 407
17 285
17375
4 668
11537
3358
424
13326
17784
6907
3227
5869
12039
257
Groot-Britannië ....
Rusland......
Vereenigde St. v. N. A.
Frankrijk......
België.......
Spanje en Portugal . .
Duitschland.....
Oostenr.-Hongarijë . . .
Zweden en Noorwegen .
Nederland......
Zwitserland.....
Argentinië.....
Turkije.......
Uruguay ......
Peru en Chili ....
Brazilië ......
Griekenl. en Malta. . .
Egypte.......
Tunis.......
16541
7789
4298
2170
2016
1896
1867
708
Handel van Genua met Nederland. De tarieven-oorlog
tusschen Italië en Frankrijk, die reeds een zestal jaren
geduurd heeft en uog jaren kan aanhouden, heeft het
handelsverkeer tusschen deze beide landen zeer doen ver-
niindeien en Italië zoekt daarom voor vele produkten een
andere débouché. Hierdoor u de uitvoer van Italiaansche
produkten naar Nederland en zijn koloniën iu het laatste
jaar (1893) sterk toegenomen.
-ocr page 153-
145
HANDELS-AARDRT.TKSKUNDE.
In de eerste plaats is dit te danken aan liet voort-
durcnd scheepvaartverkeer tusschen Nederland on ltalië\'s
voornaamste handelshaven, Genua. De Mailhooteti der
Maatschappij Nederland, welke maatschappij van het
Italiaansehe gouvernement een subsidie geniet, onder-
houden een geregeld verkeer tusschen Amsterdam en
Genua en de Nederlaudsche koloniën, en voeren de
handelsartikelen voortdurend af en aan In andere
Italiaansehe havens vertoont de Nederlaudsche vlag zich
zoo goed als niet, maar te Genua is zij ecuc geregelde
en welkome verschijning.
Uit het jaarverslag van den consul over 1892 blijkt,
dat van de 11019 vaartuigen, die de haven van Genua
in- en uitgingen, 107 voeren onder Nederlaudsche ving.
Dit waren meest groote stooiuers (de stoomschepcu van
de Nederland) met een gezamenlijke tounenmaat van
2S6220 ton.
Terwijl nu de uitvoer van Italiaansehe artikelen naar
ons land en Indië in 1893 is toegenomen, valt er in
sommige opzichten eene nog belangrijkere toeneming van
den invoer van Nederlaudsche of Nederlandsch-Indische
artikelen in Italië zelf op te merken. Dit blijkt uit
eenige cijfers, welke wij ontkenen aan het nig niet
verschenen jaarverslag over 1893 van den Nedcrlandschen
vice-consul te Genua, den heer M. Bellini. De invoer
van Hollaudschc artikelen iu Italië, in 1892 een totaal-
cijfer bedragende van 4,997)000 kilogram, is in 1893
gestegen tot 4,895,300 K G, en die uit Nederlandsen
Indië van 5,830,660 K.G. iu 1892 tot 9,349,400 K.G.
in 1893.
Het blijkt bij nauwkeuriger beschouwing, dat de toe-
neming van den invoer van Ncilcrlandsche artikelen iu
Italië hoofdzakelijk één artikel geldt: aardappelenmeel.
Dit heeft in de verhooging van het totaalcijfer vanden
invoer een deel van 501,300 K.G, terwijl de gchecle
vermeerdering 598300 K.G. bedraagt. Zeker een zeer
heugelijk verschijnsel voor een van onze belangrijkste
nijverheidsartikelen, te meer, omdat het zich iu \'91 en
\'92 liet aanzien, alsof dit artikel op de Italiaansehe markt
langzaam door sago meel zou worden verdrongen. Voorts
blijkt het, dat wij in Italië in 1893 eodks f650000 K.G j
hebbeu ingevoerd, wat in 1892 niet geschiedde, tenzij
de opgaaf van dit artikel ouder de 303,000 K.G. diversen
moet worden gezocht Een verhoogden invoer vonden
onze chemische produkten, onze cacao (van 51,200 K.G.
op 101,700 K.G.), onze stearine (van 33,900 op 94,400
K.G ), onze kinahast, onze bewerkte suiker (van 5,300
op 70,200 K.G.), onze phosphaten, tin enz. Daartegeu-
over evenwel staat eene betreurenswaardige vermindering
van andere artikelen, ja, de meeste onzer handelsartikelen,
die wij naar Italië uitvoerden, deelden in die vermindering.
Zoo is onze kaas, die overal haar oude reputatie schijnt
verloren te hebben, van 111,110 K.G. tot 32,100 K..G.
teruggegaan. Van zink verminderde de aanvoer met
210,000 K.G.(in 1S92 510,000 K.G., iu 1S93 330,000K.G.).
Wat den aanvoer uit Indië betreft, is het artikel
koffie van 109,710 K.G. iu 1892 in 1893 op nihil ge-
komen. De invoer van copra is gedaald van 2,295,000
tot 1.308,000 KG., die van peper van 029,300 tot
440,100 KG, die van drogerijen van 128,100 tot
31,700 K G.; maar overigens valt er gelukkig eene
hoogst, belangrijke stijging op te merken. Vooral belang-
rijk is in het vorig jaar de invoer van suiker toegenomen:
in 1892: 2,587,900 KG., iu 1893: 4,083,800 K.G.
Tabak komt in 1892 in de statistiek in het geheel niet
voor, iu 1893 verschijnt zij met eene hoeveelheid van
«iet minder daa 2,050.000 K.G. Hetzelfde verschijnsel
doet zich voor met sago-meel en tapioca-meel: in 1892:
niets, in 1893: 83,900 K.G. Ook is de invoer van
huiden, indigo, bamboe enz. min of meer belangrijk
gestegen.
Een dergelijk belangrijk verschil vindt men niet in
de cijfers van den Italiaanscheu uitvoer naar Nederland
en zijne koloniën. Italië voert naar ons laud eu naar
Indië hoofdzakelijk rijstmeel, glycerine, oliën, vruchten,
wijnen
en likeuren aan, vooral veel naar Indië. Van
bewerkt marmer, hoewel dit juist een der echt Italiaansehe
artikel, n is, verminderde in 1893 de uitvoer. Van de
Italiaansehe wijnen neemt de uitvoer naar Indië langzaam
toe. Wijnen en likeuren worden te zameu opgegeven,
en wel iu 1892 naar Nederland 110,0\'0 K.G., naar
Indië 11,90(1 KG.; iu 1893 115,200 K.G. en 20,400 K.G.
Eene vergelijking tusschen de Erauschc wijneu eu de
Italiaansehe valt, èu wat prijs, èn wat gehalte betreft,
dikwijls gunstig uit voor de laatste."
Spezia (20000) oorlogshaven. — Savona
(24000) haven, zijdeweverij. Uitvoer van zuid-
vruchten. — San Remo (12000) wintert>adplaats.
2.    Piemont. Turijn (230000), aan de monding
der Dora-Riparia in de Po; tot 185!) hoofdstad
van het koninkrijk Sardinië, en tot 1865 van
Italië. Belangrijke textiel", ijzer- en papier-
nij verheid. — Casale (17000) zij de-industrie;
graanhandel. — Alessandria (31000) sterke
vesting; textiel-industrie; handel. — Novara
(20000) zijdo-industrie, leerlooierij. — Vercelli
(20000) rijst- en hennepbouw.
3.    Lombard*/?, Como (26090) aan het meer
van dien naam. Zijdeweverij en -handel. Was-
kaarsen en optische glazen. —Bergamo (31000)
zijde-, wol- en ijzerindustrie; beroemde Bartho-
lomeüs-mis voor zijden artikelen. — Brescia
(43000), beroemde fabrikatie van messen, wapens,
en andere staalwaren ; zijde- en linnennijverheid;
goudwaren; leer- en papierfabrikatie. Augustus-
mis. — Milaan (Milano) (29G000, in de gemeente
425000), aanzienlijkste stad van Opper-Italiö,
een der belangrijkste fabriek", bank- en handels-
plaatsen, op een kruispunt van vele spoorlijnen,
door kanalen met de Ticino en de Adda verbon-
den. Textiel-industrie; fabrikatie van bronzen-,
goudeii", zilveren- en koralen sieraden. Chocolade-
fabrieken; maccaronie. Spiegelfabrieken. Stapel-
plaats voor de zijde. Prachtige Dom. — Pavia
(30000) zijdeweverij; handel iu landbouwproduk-
ten. — Cremona (31000), snaarinstrumenten;
handel. — Mantua (Mantova) (28000), sterke
vesting; zijde- en wolweverij.
4.    Venetië". Verona (62000), sterke vesting;
zijde-industrie en handel. — Chioggia (20000)
haven aan de lagune van Venetië. Visscherij,
scheepsbouw, zoutbereiding. — Padua (Pudova)
(49000), zijde-weverij, snarenfabiikatie, handel. —
Vicenza (28000), paleizenstad ; industrie. —Udine
(24000;, zijdespinnerij en weverij; zijdehandel..
Textiel-nij verheid.
-ocr page 154-
146
HANDELS- AARDBIJKSKUNDE.
bezit, wat bij de hier bestaande pachtstelsels
wel geen groote doch gemakkelijk te verkrijgen
winsten oplevert.
Het tegenwoordige handelsgebied van Venetië
omvat alleen de Venetiaansche provinciën en de
Romagna; de verder westelijk gelegen landschap-
pen staan meer in handelsbetrekking met Genua.
Hoofdzakelijk is de handel transito-verkeer, doch
deze wordt zeer benadeeld door slechte spoorweg-
verbinding en gemis van goede aanlegplaatsen
voor schepen. Toch is Venetië nog de tweede
haven van Italië, zooals uit het overzicht op
pag. 143 blijkt. De invoer over zee is
de hoofdzaak van het handelsverkeer. Hoofd-
artikelen van den invoerhandel zijn: graan,
rijst, koffie
en suiker. Venetië is een hoofdplaats
voor den oliehandel; veel olijfolie komt uit Triest,
oliezaden komen uit Indië. Wijn wordt veel
uit Griekenland ingevoerd. Verder worden in-
gevoerd brandewijn, huiden (de belangrijke leer-
industrie
van Italië wordt van hier uit meest van
huiden voorzien), katoen, trol en steenkolen. De uit-
voer is niet van belang, en gaat nog achteruit.
Verder fabrikatie van glaswaren, spiegels, goud-
en zilverwaren, zijde
en fluweel.
Padua (Padova) (49000), zijdeweverij; darm-
snaren, handel. — Vicenza (28000), industrie. —
Treviso (20000) zijde. — Udine (24000) zijde-
teelt en handel.
5.   Emilia (de vroegere hertogdommen Forma
en Modern met de Romagna). Piacenza (35000),
vesting aan de Po. Textiel-industrie. — Parma
(45000) hoofdmarkt der zijde. Prachtige gebou-
wen. Porcelein. — Modena (31000), laken- en
linnenweverij; handel in graan, wijn, zijde,
aardhars. — Bologna (104000) hoofdplaats van
de zijdespinnerij en -weverij; kunstbloemen,
stroohoeden, glas. Scheeve torens. — Faënza
(16000) hoofdfabrikatie van het naar deze stad
genoemd „Fayence" (plateelwerk), en „majolica"
(een grover soort van aardewerk). — Förli (17000),
zijde. — Ravenna (19000), eens een zeestad,
thans door aanslibbing 9 K.M. van zee. Wijn-
bouw en zijdeteelt; industrie, piano\'s. Mis in
Mei. — Ferrara (31000), visscherij, zijde.
6.   De Marken (Marche). Pesaro (13000) haven,
vijgen, wijnhandel. — Ancona (31000, belang-
rijke handelshaven aan de oostkust, oorlogshaven.
Invoer van granen, koloniale waren ; uitvoer van
zijde, wijnsteen, was.
7.     Umhriï. Perugia (17000); zijde-, fluweel-
en linnenweverij.
8.  Toskane. Florence (Pransche naam, It. Firen-
ze), een der prachtigste steden, waar van ouds de
kunst ten zeerste werd bevorderd. De stad heeft
eone belangrijke industrie; vooral stroohoeden-
vlechterii, fabrikatie van fluweel en zijde, albasten
Venetië. (Venezia) (129000 inw.; de gemeente
telt 159000 inw.). De stad is op talrijke eilanden in
de lagunen van Venetië gelegen, gel>ou\\vd. Lang
uitgestrekte duineilanden, lidi, sluiten het lagunen-
gebied als een scliutsinuur aan de zeezijde af\',
en door een viertal openingen verkrijgt men van
de Golf van Venetië toegang tot het laliyrinth
der lagunen. Die openingen zijn: A/V/o, Treporti,
Malamocco
en Chioggia. De Malamocco-toegang
wordt voor groote schepen gebruikt; zij wordt
door een in 1825 gebouwden leidam, die 2100
meter in zee uitsteekt, tegen verzanding beschermd.
Bij stormachtig weer wordt deze toegang ook
voor kleine schepen gebruikt, want voor Lido
liggen ixitgestrekte zandbanken, die bij onstuimig
weer zware brandingen doen ontstaan. De ebbe
en vloed veroorzaakt in de kanalen der lagunen
getijdenstroomingen, welke het water telkens
ververschen en daardoor voor den hygienischen
toestand van dit moerasland gunstig zijn. Het
verschil in waterstand door de getijden bedraagt
ongeveer 1 M. Bij vloed is het uitgestrekte
latjunengebied in een meer veranderd, op welks
wateren Venetië met zijn voorsteden en talrijke
in den omtrek verspreide kloosters als zoovele
eilanden schijnt te drijven; bij ebbe vertoonen
de lagunen uitgestrekte, drooggelegde vlakten,
donkerbruin gekleurd en van waterwegen door-
sneden. Sedert de oudste tijden was het een
streven der Venetianen de lagunenwateren tegen
verzanding te beschutten, en het kanalennet door
de Povlakte uit te breiden. In den tijd, toen
het vervoer zeer moeilijk was, bezat Venetië
hierdoor een uitgebreid net van verbindingen
met geheel Boven-Italië, waaruit het eerste op-
komen van den handel dezer stad kan verklaard
worden.
Venetië was in de middeleeuwen de eerste
handelsstad van Europa. Door de gunstige
ligging in het midden van het Middellandsche-
zeebekken, aan een inham, die diep in het hart
van Europa doordringt, waar de lagunen een
geschoolde zeevaartkunde ontwikkeld hadden, en
waar hout voor den scheepsbouw in overvloed en
gemakkelijk te verkrijgen viel, is dit verschijnsel
goed te verklaren. In 1420 bezat de republiek
Venetië niet minder dan 3340 koopvaardijschepen
met 26000 matrozen bemand. Toen de zeeweg
naar Indië om de Kaap de Goede Hoop ontdekt
was, ging de rijke en bedrijvige stad achteruit,
doch teerde nog lang op vroeger gewonnen rijkdom.
Wel is in deze eeuw door de opening van het
Kanaal van Suez de route van het handelsverkeer
in het voordeel van deze landen verplaatst, doch
de handelsbeteekenis van Triest en Genua heeft
hierbij, door gunstiger verbindingen met het
binnenland, meer gewonnen dan Venetië. Ook
de oude handelsgeest, die eenmaal de stad groot
gemaakt heeft, is geweken, en de kapitalen worden
meer belegd in landbouwondernemingen en land-
-ocr page 155-
147
HANDELS-AARDRI.TKSKÜNDE.
12.   Calabrië. Reggio di Calabria (30000) aan
de Str. v. Messina; haven, zijdeweverij. Frabi-
katie van essenzen, parfumerieën en wijnsteen.
Visscherij.
13.    Het eiland Sicilië. De keten der Calabri-
sche Apennijnen zet zich in het noorden door
Sicilië voort, welk eiland door de Straat van Mes-
sina,
die in het noorden 3 K. M. breed en 100 M.
diep is, van het vaste land is gescheiden. Ten
Z. van de bergketen verheft zich nabij de
oostkust de vulkaankegel van den Etna tot een
hoogte van 3300 M. Door de vulkanische werk-
zaamheid der aarde is het eiland voor het 1/4
gedeelte met zwavellagen bedekt, die ijverig
ontgonnen worden. Landbouw en veeteelt zijn
er verder bronnen van bestaan, doch niet meer
dan Y[0 der oppervlakte is bebouwd. De !>elang-
rijkste produkten zijn: tarwe, wijn, olie, zwavel,
katoen, hennep, vlas, maïs en zoethout
Palermo (206000), haven, schilderachtig ge-
legen. Handel in agrumen, wijn, graan, wijnsteen,
zijde- en katoenweverij.—Messina(78000),belang-
rijkste haven- en handelstad van het eiland.
Uitvoer van zuidvruchten enz.; zijde- en Ieder-
industrie ; koralen. — Catania (96000), haven; uit-
voer van agrumen, amandelen en zwavel. Katoen-
en zijdeweverij. — Syracuse (Siracusa) ("19000)
wijnhandel. — Girgenti, het oude Agrigentum,
(19000) met de belangrijkste zwavelgroeven van
het eiland. — Trapani (32000), haven, tonijn-
visscherij en koraal visscherij. Handel in graan,
zwavel, zout.
14.    Sardinië is een rotsachtig eiland, vooral in
het O. door een bergketen doorsneden. Het kli-
maat is ongezond. De bevolking is niet aanzien-
lijk; veeteelt, bovenal schapenteelt, is een mid-
del van bestaan. Cagliari (3600), nationale hoofd-
stad, haven. Tabak- en kruitfabrieken, scheeps-
bouw. Uitvoer van graan, wijn en olie. — Sas-
sari
(32000), Italiaansche hoofdstad van het ei-
land. Tabaksfabrikatie; handel in graan, olie,
kaas, schapenvellen enz.
15. Buitenlandsche bezittingen. Als zoodanig heeft
Italië de Erijthre\'ische kolonie met Massua aan
de Roode Zee verworven, alsmede het protectoraat
over Abessi/nië
en verder de Somall-kust.
§ 110. De Maltagroep. (Engelsch).
De Maltagroep bestaat uit drie, hoofdzakelijk
uit koraalkalk gevormde eilanden, n.1. het hoofd-
eiland Malta, met de kleinere eilandjes Gozo
en Comino. Tezamen beslaan zij een opper-
vlakte van 323 K. M.2 met 177225 inw.
(1891). Sedert 1800 zijn deze eilanden eene
Engelsche bezitting, hoewel zij naar de natuur-
lijke gesteldheid tot Sicilië behooren. De ligging
in het midden der Middellandsche Zee, tusschen
Afrika en Europa, geeft aan deze eilanden ma-
en marmeren voorwerpen, goud- en zilverwaren,
mozaïeken, parfumerieën.
Pistoja (20000), geweerfabrikatie. (Het pistool
zou naar deze plaats genoemd zijn).—Prato(16000),
zijdemarkt.— Carrara (12000), beroemde marmer-
groeven. — Lucca (20000), zijde-, fluweel», wol-
en katoenweverij ; ijzergieterij; glas- en papier-
fabrikatie. Vele bewoners handelen in het bui-
tenland in albaster waren. — Pisa (38000), eens
een rijke handelsstad, waaraan enkele monumen-
tale gebouwen nog herinneren. Zeep-, vitriool-
en glasfabrikatie. — Livorno (87000), aanzien-
lijke haven. Uitvoer van olijfolie, marmeren arti-
kelen, stroohoeden. Expeditie; wisselhandel. —
Siena (23000), nijverheid, zijde, laken, hoeden.
Van de Toskaansche eilanden is Elba (224 K.M2,
22000 inw.), de belangrijkste; het eiland is rijk
aan ijzererts.
9.     Gebied van Rome (Lazio, Latium). Rome
(Roma) (273000), sedert 1871 residentie en
hoofdstad des rijks. Talrijke gewrochten der
bouwkunst herinneren aan vroegere, roemrijke
perioden. De industrie en handel zijn er nog
niet van belang. De omstreken, de „Canijxiijna",
zijn onbewoonde vlakten, met talrijke ruïnen
overdekt. — Civita Vecchia (9200) is de haven
van Rome.
10.     Campani\'é. Gaeta (17000), havenstad. —
Oaserta. Wijn- en zuidvruchten; zijde. — Napels
(403000), de grootste stad van Italië, gedeeltelijk op
heuvels gebouwd, prachtig gelegen aan de schoone
Golf van dien naam. In de nabijheid verheft
zich de Vesuvius tot 3000 meter. De vele
kasteelen zijn karakteristiek voor de stad. Na-
pels is de meest bevolkte stad van Italië. De
stad heeft een voortreffelijke haven en is be-
langrijk voor handel, beursverkeer en bank-
wezen. Uitvoer van olie, zijde, hennep, zwavel,
zuidvruchten enz. Industrie van zijdenartikelen,
lakens, koralen, gesneden steenen, zeep, parfu-
merie, handschoenen, hoeden, terra cotta, mac-
caronie enz. Visscherij. — Castellamare, indn-
strie en handel; scheepswerven. — Salerno
(22000), haven, zijdeweverij, lakenfabrieken enz.
11.     Apulië. (Puglië). Poggia (37000), hoofd-
markt van Apulië. — Manfredonia (8300), ha-
ven, handel in wijn, granen. — Barletta (32000),
haven, handel in wijn, graan, amandelen. Zout-
werken in de nabijheid. — Andria (37000), han-
del in amandelen, wijn, olie, enz. — Bari (58000),
haven, spinnerij, weverij, zeepfabrikatie. Uitvoer
van olie, amandelen, venkel, vijgen, schapen-
huiden enz. — Brindisi (15000), haven, vooral
belangrijk voor personenvervoer en postverkeer
naar Indië. — Lecce (22000), katoenbouw, handel
in olie en wijn. — Tarente (Tiiranto) (25000),
haven aan de straat van dien naam, linnen- en
wolweverij, zoutwerk, visscherij.
-ocr page 156-
148                                                                HANDËLS-AAE
ritieme staatkundige beteekenis. De vorming van
bouwaarde op de rotsen wordt met zorg be-
vorderd. De voortbrengselen der eilanden bestaan
in tarwe, katoen, groenten, aardappelen, ooft,
zuidvruchten, enz. Vroege aardappelen worden
van hier veel door Europa verzonden.
La Valetta, sterk bevestigde hoofdstad, (70000
heeft een goede haven, (een vrijhaven). De Brit-
sche vloot der Middellandsche Zee heeft hier
een hoofdstation. Druk scheepvaartverkeer.
Scheepswerven, banken.
Het Balkan-Schiereiland.
§ 111. Algemeen overzicht der natuur-
lijke gesteldheid van het land.
Het schier-
eiland, waarmede Z. O. Europa zich naar het
zuiden richt, en dat in het noorden zich tot
de lijn van den Donau-mond en langs haar bij-
stroom de Sare uitstrekt, duidt men tegen-
woordig meestal aan als het Balkan-schiereiland.
Het Balkan-schiereiland is voor het grootste
gedeelte een bergachtig land. De bergketens
doorsnijden het gebied hoofdzakelijk in de rich-
tingen, waarmede de kusten zich uitstrekken, d. i.
N.W.-Z.O. en W.-O., waardoor een netwerk van
gebergten ontstaat, dat kleine vlakten openlaat,
welke bijna geheel door bergketens worden inge-
sloten, een karakteristiek verschijnsel voor dit
land. Twee bergstelsels vindt men er hoofdzakelijk:
een westelijk stelsel, dat zich bij de zuidelijke
Kalk-Alpen aansluit, en nagenoeg evenwijdig aan
de Apennijnen naar het Z. O. loopt. Men vindt
hier de ketens der Dinarische Alpen, die in liet
zuiden als Zwarte Bergen tot 2500 M. hoogte
stijgen, en eindigen in den Sjar Dagh, een keten
met naakten kam, van \'2000 M. hoog. De
voortzetting van dat bergstelsel bedekt verder
geheel Griekenland. In noordelijk Griekenland
heet de hoofdketen de Pindus, waarvan een der
oostelijke uitloopers eindigt in den historisch be-
kenden bergtop van den Olympus, 3000 M. hoog.
Het oostelijk bergstelsel wordt in West-Europa
meestal als Balkan aangeduid, een naam, dien
de Turken eigenlijk aan elk gebergte geven.
Het is een lange keten, 1600 M. hoog, die
zich van de Servische grens naar het oosten
uitstrekt, en eindigt in Kaap Emineh aan de
Zwarte Zee. Van het oostelijk einde des Balkans
strekt zich naar het Z. O. het Istrandscha geb.
met woudrijke toppen van 1000 M. tot Kon-
stantinopel uit, door welk gebergte het dal der
Maritza in het O. gedeeltelijk wordt afgesloten.
In het N. breidt zich van den Balkan de hoog-
steppe dor Dobrudscha langs de kust tot den
Donau-mond uit.
Ten Z. van Sofia zet zich van den Balkan
een bergstelsel naar het Z. en Z. O. tot de
Egeesche Zee voort, waardoor het Maritzadal
in het W. wordt afgesloten. Het oostelijk ge-
deelte hiervan vormt het Rhodope geb. met de
Despoto-Dagh (dagh in het Turksch = berg),
en verder westelijk vindt men den Perim-Dagh.
De grootste laagvlakte van het Balkanschier-
eiland is de Wallachijsche laagvlakte, ten
N. van de Donau gelegen, en in het noorden
door de Transsylvaansche Alpen, op de grens
van Zevenbergen, afgesloten.
De kustontwikkeling van het schiereiland vindt
men hoofdzakelijk in het zuiden, waar talrijke
schiereilanden in zee vooruitsteken (Oallipoli, het
Cluilcidisch schiereil. enz.), of golven in het land
doordringen: golf v. Saloniki, golf v. Volo, golf
r. Egina, golf v. Nauplia, golf v. Patras
en golf
v. Korinthe,
welke laatste thans door een kanaal
door de Landengte van Korinthe met de golf v.
Egina verbonden is. Geheel het zuidelijk ge-
deelte, het koninkrijk Griekenland, is door kran-
sen van rotsachtige en gedeeltelijk vulkanische
eilanden omringd (Sporaden, Cykladen, Jonische
eilanden), die gemakkelijke overgangen naar de
naburige kustlanden vormen.
Klimaat. De keten van den Balkan vormt
een belangrijke klimaatscheiding (Zie pag. 55).
De landschappen ten noorden van den Balkan
bezitten meer een vastelandsklimaat met ruwe
winters, die den overgang tot het klimaat van
Zuid-Rusland vormen. De Donaumond is ge-
regeld eenigen tijd des jaars dichtgevroren.
Ten Z. van den Balkan begint het subtropische
klimaat der Middellandsche-zeelanden (zie pag.
55), dat bovenal aan de kuststreken heerscht.
Door den verren afstand van den Atlantischen
Oceaan is het klimaat hier meer continentaal
dan in West-Europa, en zijn de zomers er warmer,
de winters kouder. Vooral voor het binnenland
komt dat continentale klimaat uit. Daar de
Zwarte Zee slechts door het lage Istrandscha
gebergte in het W. wordt afgesloten, kan de
koude lucht van hier in den winter vrij onge-
stoord uit het N. O. doordringen, wat een lager
wintertemperatuur in het O. dan in het W. ten
gevolge heeft.
§ 112. Bevolking en Staten. Het Balkan-
schiereiland is bewoond door een bonte ver-
menging van Indo-G\'ermannsehe, Ugrisch-Tataar-
sche
en Semietische volksstammen, waarvan de
Indo-Germanen de hoofdgroep uitmaken.
Het breede noordelijk gedeelte was in de
oudheid in het W. door de Illyriërs, in het O.
door de Thraciërs bewoond. Tegenwoordig wo-
nen in het W. de Serben in het O. de Bul-
garen,
twee Slavische volken, die na de Ger-
maansche Volksverhuizing uit het N. hier bin-
nendrongen, en de vroegere bewoners gedeel-
tolijk verdreven, gedeeltelijk zich er mede ver-
smolten. De Albaneezen (de meest zuivere
nakomelingen der Illyriërs), bewonen in het W.
nog een gebied langs de Adriatische zee en in
het tegenwoordig Griekenland, in welk laatste
-ocr page 157-
149
HANDELS-AARDRT.TKSKUNDE.
land zij zich echter meer en meer met de Grieken
versmelten. De Nieuw-Grieken in Griekenland,
hoewel sedert de middeleeuwen veel met Slawen
en Albaneezen vermengd, kan men als de na-
komelingen der oude Hellenen beschouwen.
Zij staan in ontwikkeling en kunstzin het hoogst,
ofschoon zij het hooge standpunt, dat in de
oudheid door hen werd ingenomen, niet weder
bereikten.
Sedert de 14\'lc eeuw drongen de Osmanische
Turken
(Mongoolsche volken) in dit gebied door,
en hoewel zij lang beheerschers van het grootste
gedeelte van het schiereiland waren, bewonen
zij thans hoofdzakelijk enkel het tegenwoordig
Turkije.
In het land ten N. van de Donau wonen
de Rumeniërs, een Dacische volksstam, die
onder den invloed en door vermenging met de
Romeinen hun Romaansche taal verkregen, hoe-
wel zich ook Slawisch bloed met hen vermengde.
Verder wonen in dit gebied vele Zigeuners
over het land verstrooid.
Door de ligging in het Z.-O. van Europa, in
de nabijheid der brandpunten van beschaving
tijdens de oude geschiedenis, als Egypte, Phoe-
nicië en het verdere Oosten, was het oude Grie-
kenland de wieg der Europeesche beschaving,
waar het eerst kunsten en wetenschappen be-
oefend werden, waar zeevaart, zeehandel en
kolonisatie zich vroeg tot een aanzienlijke hoogte
verhieven (zie pag. 40). Doch gedurende de
middeleeuwen ging de sedert lang kwijnende
beschaving in deze streken geheel onder door
de invallen der Turksche volken. De verovering
van Konstantinopel in 1453 bevestigde de heer-
schappij der Turken, waarmede het Mohammeda-
nisme hier vasten voet kreeg. De Sultans en hun
pacha\'s persten de bevolking, die het oostersch-
christendom getrouw bleef, meer en meer uit, en
het land werd zoo aan achteruitgang en ellende ter
prooi, waardoor de economische toestand der be-
volking in treurig verval geraakte. Istrië en
Dalmatië bleven nog een bezitting der republiek
Venetië, tot zij in 1800 aan Oostenrijk kwamen.
De dappere Serben in de woeste rotsgebergten
van Montenegro wisten door voortdurenden strijd
hun zelfstandigheid nog te handhaven.
Hoofdzakelijk gedurende deze eeuw ontwaakte
de vrijheidsgeest der door het Turksche juk zwaar
gedrukte volken in dit gebied. De vrijheids-oorlog
der Grieken begon in 1821, en had de oprichting
van het Koninkrijk Griekenland ten gevolge.
Servië wist in 1808 in zoover zijn zelfstandigheid
te verwerven, dat het een eigen christen vorst
verkreeg, doch de vestingen des lands bleven
nog tot 1862 in Turksche handen. Eerst in
1867 verlieten de Turken het land, en in 1882
werd Servië een onafhankelijk koninkrijk.
Ook in Bulgarije begon de vrijheidsgeest sedert
t .792 te ontwaken. Vooral na 1840 werd het
volk wakker geschud door nationale litteratuur
en vrijheidsbladen, zoodat het in 1870 kerkelijke
vrijheid verkreeg voor het Grieksche patriarchaat.
Eerst in 1876 werd het zelfstandig vorstendom
Bulgarije opgericht, waarmede in 1885 Oost-
Bitmelië
ten ^. van den Balkan feitelijk ver-
eenigd werd. *^
De landen van het tegenwoordige Rumenië
verkregen in 1856 een zelfstandig bestuur, ver-
eenigden zich in 1861 tot een geheel, en werden
in 1866 onafhankelijk. In 1881 werd die staat
tot een koninkrijk verheven.
Dat een gedeelte van het Balkan-schiereiland,
n.1. Bosnië en Herzegowia, door Oostenrijk bezet
is, hebben wij reeds vroeger besproken. (Zie
pag. 97 en 102).
Aldus bestaat het Balkan-schiereiland thans
uit de volgende staatkundige deelen:
Griekenland . . .
Turkije (zonder Bos-
nië, Herzegowina
en Novibazar) . .
Bulgarije . . . .
Servië.....
Rumenië.....
Montenegro. . . .
Door Oostenrijk be-
zet......
2 187 208 (1889)
65 119
168 533
96 660
48 590
131 020
9 080
5 600 000
3 154 375
2 161961
5 038 342
200 000
1 498 091
(1888)
(1890)
(1888)
58 460
(1885)
Het Koninkrijk Griekenland.
§ 113. Natuurlijke gesteldheid. A. Ligging,
Kusten.
Het zuidelijk gedeelte van het Balkan-
schiereiland wordt ingenomen door het Konink-
rijk Griekenland,
tusschen 36 en 40° N.Br. ge-
legen. Het is een schiereiland, aan drie zijden
door de zee omringd. Door de rijke kustont-
wikkeling is de verbinding met de zee voor vele
deelen des lands zeer gemakkelijk. Evenwel zijn
ook uitgestrekte gedeelten der kust als lengte-
kusten (zie pag. 49 § 50) zonder havens, en
daardoor voor de scheepvaart van weinig belang.
Hiertoe behooren de oostkust van Thessalië, van
de steile helling van den Olympus tot her. ka-
naal van Trikari; de oostkust van Eubea, en de
oostkust van Morea van de Golf van Nauplia
tot de zuidelijke rotspunt kaap Malia. Aan de
Golf van Volo is Volo de eenige haven van
Thessalië. Het Talanti-kanaal tusschen Eubea
en het vasteland, dat in het midden bij Chal-
kis slechts 60 meter breed en 6 meter diep is,
zoodat reeds in de oudheid hier door een brug
de overtocht was tot stand gebracht, is arm
aan havens. Eerst bij de Golf van Êgina en
(hoewel minder) bij de Golf van Nauplia is de
kust rijk aan natuurlijke inhammen, zoodat ook
-ocr page 158-
150
HANDELS-AARDHT.TKSKUNDE.
aan deze kust sedert de oudheid het zwaarte-
punt. van het Grieksche zeeleven lag. De Golf
van Egina, met de haven Pireüs, legde daardoor
den grondslag voor de ontwikkeling van Athene
als het middelpunt des Griekschen levens. De
beide zuidelijke inhammen hebben ieder slechts
één noemenswaardige haven: aan de Golf van
Marathonisi ligt Cythion (Marathonisi), en aan
de Golf van Koroni Kalamata. Aan de Z.-W.
kust ligt aan een kleinen inham het oude
Pi/los (Navarino), waar in 1827 de Turksche
vloot door de Engelschen werd vernield. De
grootste inham in het W. is de Golf eau Patras
met een monding van 2 K.M. breedte. Zij vormt
den toegang tot de Golf van Korinthe, welke na de
doorgraving van den Istlnnus in den laatsten tijd
met de Golf\' van Egina verbonden is. Aan den
ingang der Golf van Korinthe ligt de versterkte
zeestad Naupaktos of Lepanto Ten N. van de
Golf van Patras is de westkust van Grieken-
land wel rijk aan inhammen, maar toch voor
het zeeverkeer niet belangrijk.
B. Gesteldheid des lands. Het vasteland
van Griekenland bestaat uit twee deelen : Noord-
Griekenland
en Morea, welke door den Isthmus
of de Landengte van Korinthe met elkander ver-
bonden zijn. Beide deelen bestaan uit heuvel» en
bergland, slechts door kleine vlakten afgebroken.
Noord-Griekenland bezit slechts eene aanzienlijke
vlakte, de vlakte van Thessalië, aan de rivier
de Salambria gelegen. Deze vlakte is de koren-
schuur des lands. Het midden van Morea wordt
ingenomen door het Hoogland pan Arkadië, een
door randgebergten omringd plateau, dat terras-
vormig naar de omringende zeeën afdaalt. De
Grieksche gebergten, welke in den bloeitijd van
het oude Griekenland grootendeels goed bebouwd
waren, zijn thans kaal, door waterarinoede on-
vruchtbaar, en weinig begroeid.
Griekenland is arm aan rivieren. Daarenboven
zijn de rivieren slechts kustwateren, welke in
den drogen zomer geen water hebben, waardoor
zij voor de scheepvaart niet dienen, en evenmin
aan de industrie beweegkracht kunnen leveren.
§ 114. Bevolking en Staat. Volgens de
laatste telling in 188!) bezit Griekenland 2187200
bewoners. De bevolking neemt niet snel toe,
daar er bij het landvolk in Morea een groote
sterfelijkheid onder de kinderen bestaat. De
oorzaak hiervan ligt in de groote en snelle
schommelingen der temperatuur in het binnen-
land, alsmede in de slechte verzorging en voeding.
Griekenland is een constitutioneel koninkrijk.
De koning deelt de wetgevende macht met een
enkele kamer van volksvertegenwoordigers, uit
150 leden bestaande. Aan het hoofd der rechts-
pleging staat de Areopagus, een hof van cassatie.
De adel is in dit land afgeschaft. Alle Grieken
van 21—40 jaar zijn dienstplichtig, en wel 10
jaar bij het actieve leger en 10 jaar bij de
reserve der Nationale Garde. In vredestijd be-
staat het leger uit 1890 officieren en 26000
manschappen. De oorlogsvloot telde in 1892
38 schepen met 28000 tonnen inhoud en 151
stukken geschut.
Hoewel de schoolplicht wettelijk is ingevoerd
voor kinderen van 5—12 jaar, wordt er toch
nog weinig gebruik van het onderwijs gemaakt.
De volksontwikkeling staat op een lagen trap;
een groot gedeelte der kinderen ontvangt in
\'t geheel geen onderwijs. Op de eilanden staat
het onderwijs hooger dan op het vasteland. Bijna
alle scholen, en ook de universiteit, worden door
private bijdragen onderhouden. De staat zelf
bevindt zich op dit oogenblik in een treurigen
financiëelen toestand, en kan geen gelden voor
het onderwijs toestaan.
De maatschappelijke toestanden in Grieken-
land zijn nog altijd ver ten achter, als gevolg
van de onderdrukking door de Turken vóór
1827, en van den vrijheidsoorlog, om zich daar-
van te verlossen. Kloosters vindt men er vele,
het aantal geestelijken is aanzienlijk, maar het
aantal industrieelen is gering. Bij een milde,
goedgunstige natuur, vindt men er veel woest
en schraal land. Onmiddellijk naast de fijnheid
van den modernen wereldhandel ziet men het
ruwste herdersleven. Daarbij houden partij-
schappen, politieke agitatie, hebzucht en onedele
drijfveeren der politieke leiders de totstand-
koming van veel goeds tegen.
§ 115. Voortbrengselen, bedrijf en handel.
Van den bodem ligt nog 35,1 pet. woest. Ongeveer
37 pet. wordt als grasland, 14 pet. als bouwlanden
tuinen en 4,6 pet. als wijnbergen gebruikt, ter-
wijl de bosschen ruim 9,3 pet. der oppervlakte
in beslag nemen. De landbouw, die voor de
helft uit graanbouw bestaat {tarwe; in de laagten
van Elis ook rijst), voldoet nog niet aan de be-
hoefte des lands. Voor den uitvoer worden ver-
bouwd: krenten (in 1890 150000 tonnen) wijn,
olijven, vijgen
en citroenen. Tabak wordt hoofd-
zakelijk verbouwd in de vlakten van Argolis,
om de Golf van Korinthe enz., eveneens voor
den uitvoer. De wouden zijn niet voldoende
voor de behoefte des lands aan hout.
De belangrijkste huisdieren zijn schapen en
geiten; van de melk dezer dieren maakt men
boter en kaas. Van de wol wordt nog :% uit-
gevoerd. Runderen en paarden worden bijna niet
geteeld maar ingevoerd. Belangrijk is de bijen-
teelt,
bovenal bij den Hymettus. De zijdeteelt
heeft, in den jongsten tijd vooruitgang gemaakt.
De bergbouw houdt zich bezig met het exploi-
teeren der oude mijnen in Laurion (door een
Fransche en een Grieksche maatschappij), om
mangaanijzer, galmei, lood en blende te ver-
werven. Marmer wordt nog verkregen van den
-ocr page 159-
151
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
guldens met Vj., pet. korting franco boord Triest,
betaalbaar na ontvangst der goederen door tus-
schenkomst van den agent of eene bank te
Pireiis, tegen overgave van verschepings-docu-
menten.
Londen en Antwerpen verkoopen op Pireiis.
Marseille noteert franco aan boord in francs. De
levering geschiedt in overzak-zakken van 00 K.G.
Voor tarra wordt 1 a l1/-> kilogr. vergoed.
De invoer van koffie bedroeg: uit de Vereenigde
Staten van Noord-Amerika in francs 1,477,187;
Oostenrijk-Hongarijë fr. 59.5,743; Frankrijk fr.
228,058;\' Groot-Britannië fr. 228,057; Italië fr.
40,959; Duitschland fr. 40,132; Egypte 6,954;
Turkije 1,614; België 1100. Andere landen:
418,143 fr.; totaal 3,037,947 fr.
Rijst blijft voor Griekenland een belangrijk
handelsartikel. De fijnste soorten levert Italië,
terwijl voor de overige soorten de concurrentie
tusschen verschillende Europeesche havens alge-
meen is. Hamburg verscheept naar hier veel
Rangoon-glacé rijst. Grofkorrelige Rangoon-
rijst wordt ook nog van Smyma, Alexandrië
en Londen (ook Japan-rijst) naar Pireiis aan-
gevoerd. Rijst wordt steeds in overzakken van
lOO kilogr. geleverd, met vergoeding van 2 pet.
tarra. De wijze van betaling is dezelfde als
die bij koffie. De invoer van 1893 was: Uit
Oostenrijk-Hongarije in francs 613,571; Italië fr.
409,819; Groot-Britannië fr. 295,652; Frankrijk
fr. 237,866; Egypte fr. 119,876; Duitschland
fr. 111,268; Turkije fr. 68,801; Nederland fr.
39,379; Denemarken fr. 7,741; België fr. 3,697;
Vereenigde Staten van Noord-Amerika fr. 1,351;
andere landen fr. 227,750; totaal fr. 2136771.
Touwwerk levert Italië. Zeildoek komt uit
Dundee. Jutezakken worden eveneens veel uit
Dundee ingevoerd.
De invoer van wol is als volgt: uit Turkije
francs 4,530,738; Duitschland fr. 65,025; België
fr. 42,363; Oostenrijk-Hongarije fr. 32,080; Ne-
derland fr. 28,750; Frankrijk fr. 24,728; Groot-
Britannië fr. 22,900; Italië fr. 11,000; Dene-
marken fr. 6,688; Egypte fr. 4,800; Vereenigde
Staten van Noord-Amerika fr. 4,700; totaal
fr. 4,773,852.
De handel in onbereide huiden is zeer aan-
zienlijk en ook voor Nederland niet van belang
ontbloot, hoewel, het zij gezegd, Marseille en
Antwerpen de eerste plaats innemen. Men geeft
de voorkeur aan zware huiden van een gewicht
van 30 kilogr. Conditiën van verkoop naar hier
luiden: betaling op 4 maanden, met berekening
van 6 pet. rente voor het verleend crediet.
Hoewel de handel in manufacturen voor
Nederland niet gunstig is, zijn toch linnen
goederen, gewoon tafelgoed en damast hier
gewilde artikelen. „Zoo kwam het dan ook,
luidt het Consulair bericht, „dat reizigers voor
j Hollandsche en Belgische kuizen, die het laad
Pentelikon en van het eiland Naxos. Daar de
steenkolen ontbreken en eveneens het kapitaal,
staat de ontwikkeling der industrie op lagen
trap, hoewel zij sedert 1870 goed is vooruit-
gegaan.
Het best hebben zich ontwikkeld de Ieder-
industrie,
de scheepsbouw langs de kusten, en de
bewerking van zijde. Ook de huisnijverheid neemt
toe in beteekenis; zij voorziet in kleine steden
en op het platteland geheel in de behoeften.
De Nieuw-Grieken zijn, evenals de oude
Hellenen, geboren kooplieden ; handel en scheep-
vaart is het hoofdbestaan der Grieken, waartoe
zij door de ligging van hun land als werden
opgevoed. Evenals in de oudheid hebben de
Nieuw-Grieken talrijke koloniën en handelshuizen
langs de kusten der Egeesche zee gevestigd.
De beteekenis van het verkeer in Griekenland
berust hoofdzakelijk op de vloot; ook het binnen-
landsch verkeer wordt vooral door kustvaart tot
stand gebracht. De handelsvloot bestond in
1892 uit 1422 schepen voor groote vaart (341400
tonnen) waaronder 88 stoorabooten (60376 tonnen).
De landwegen zijn nog slecht, en alleen de be-
langrijkste steden zijn door spoorwegen ver-
bonden, die in totaal 762 K.M. lengte bezitten.
De lijn Pireiis—Athene—Korinthe—Patras heeft
de meeste beteekenis.
De invoer des lands bestaat hoofdzakelijk uit:
graan, garens, mineralen en metalen, hout, droi/e-
rijen
en chemikaliën, metaalwaren, visschen, huiden
enz. Uitgevoerd worden: krenten (meer dan de
helft, 30 mill. gulden in 1891), metalen en
ertsen, olijfolie, wijn en tahak.
Omtrent den invoer van eenige artikelen in
Griekenland nog iets naders.
Kaas werd in 1893 ingevoerd uit Nederlan l
(50981 fr.),ZwU8erlandll585i{r.),Itali?(288i8fT.),
Frankrijk (14558 fr.), Groot-Britannië (2827 fr.),
Turkije (1763 fr.), DuUschland (761 fr.) en België
(10)} fr.). Door den invoer van veel imitatie van
Hollandsche kaas is dit produkt wel eenigszins in
miskrediet geraakt. — Suiker, een belangrijk
import-artikel, wordt hoofdzakelijk uit Triest
betrokken, hoewel dit artikel in qualiteit veel
te wenschen overlaat. De reden, waarom men toch
van hier de suiker neemt, is, dat van Triest dit
artikel gemakkelijk kan ingevoerd worden, terwijl
de importeurs meestal met Triest in rekening-
courant staan, wat de betaling vergemakkelijkt.
De gemiddelde invoer was in 1893: Oostenrijk-
Hongarijë 3190049 fr., Duitschland 24603 fr.,
Nederl. 18355 fr., Groot-Britannië 16063 fr.,
Frankrijk 1871 fr.
Koffie is voor Griekenland een voornaam
handelsartikel, en hoofdzakelijk worden de Rio-
en Santos-soorten verhandeld. De eerstgenoemde
qualiteit geniet in het algemeen de voorkeur, en
vooral wordt er op gelet, dat er geene zwarte
boonen onder doorloopeu. Triest verkoopt iu
-ocr page 160-
152
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
met hunne monsters bezochten, zeer tevreden
waren over den uitslag van den verkoop. Men
doet echter goed, zich vooraf te vergewissen, of
het oogenblik wel gunstig gekozen is, om de reis
naar hier te ondernemen, ten einde men niet aan
teleurstelling\' zij blootgesteld."
De handel met de belangrijkste landen leert
ons het volgend overzicht kennen voor 1891, in
mill. drachmen waarde.
kante kilometer beslaan. In deze laatste is
evenwel het gezag grootendeels meer schijn
dan in werkelijkheid.
De Sultan van Turkije is onbeperkt monarch.
De waardigheid van den Sultan is erfelijk in
de dynastie van Osman, en gaat over op den
oudsten prins van het huis. Tegelijkertijd is
de sultan het geestelijk opperhoofd van alle
Mohammedanen. De leider van de hoogste staats-
zaken is de Grootvizier, de eerste minister. Als
civiele ambtenaren volgen op hem de Vizier en
de Ba/a, en in militair opzicht de Musehir.
Hierop volgen in rang de Bacha\'s. De be-
stuurs-ambtenaren heeten E//\'endi, welke dikwijls
ook den titel van Bei verkrijgen.
Er bestaat algemeene weerplicht, die met het
20s,c jaar aanvangt, voor de infanterie 3 jaren,
voor andere wapens 4 jaar duurt. Ieder kan zich
na drie maanden diensttijd vrijkoopen. In vredes-
tijd bestaat het landleger uit 180000 manschap-
pen, 30000 paarden, en 1248 stuks veldgeschut.
In oorlogstijd bedraagt het geheele leger met
landstorm en landweer 800000 manschappen.
De oorlogsvloot bestond in 1892 uit 39 schejien
met 380 kanonnen.
De Islam is staatsgodsdienst, doch daarnaast
wordt elke erkende religie geduld. De ontwik-
keling staat nog op lagen trap. Wel zijn er in
de laatste jaren wetten uitgevaardigd, om scho-
len op te richten, en is zelfs het onderwijs van
6—11 jaar verplichtend gesteld, doch tot uit-
voering dier wetten is het nog niet gekomen.
B. Economische toestand. Landbouw en
veeteelt.
De bodem des lands is voor groote ge-
deelten, bovenal in de dalen van de Vardar de
Siroewa en de Maritza, buitengewoon vruchtbaar,
en nochtans liggen groote uitgestrektheden braak.
Met het achteruitgaan der beschaving gedurende
vele eeuwen zijn groote oppervlakten in dorre
steppen of in moerassen veranderd. De landbouw
wordt er met weinig zorg beoefend, en overal
worden de boeren bovendien gedrukt door de
tienden, die hebzuchtige collecteurs ten behoeve
der schatkist innen, en waarvan deze nog slechts
een klein gedeelte ontvangt. De belangrijkste
produkten van het plantenrijk zijn: granen, zuid-
vruchten, (rozijnen, vijgen, olijven [vooral op
Kreta], granaatappels) en edel ooft. Macedonië
levert veel rijst. De wijnbouw is vooruitgegaan,
sedert de aanvraag van Frankrijk jpm vreemde
wijnen, wegens de druiHuis, gestegen is. Het
hoofdgebied voor het verbouwen van tabak is
Macedonië, waar ook katoen geoogst wordt. In
Thracië is de rozenteelt voor de bereiding van
rozenolie veel verbreid. De gebergten zijn goed
met wouden bedekt, welke echter slecht geex-
ploiteerd worden.
Rundvee vindt men er niet veel; het hoorn vee
dieut meest voor den landbouw en voor het
Uitvoer.
Landen :
Invoer.
40,42
49,77
27,16
3,10
21,14
7,5b
18,52
7,22
12,0-2
25,55
7,18
2,79
4,2*
1,82
3,3!)
4,02
3,33
0,92
Groot-B ritannië
Rusland.....
Turkije.....
O ostenrij k-Hongarij e.
Frankrijk . . . .
Duitschland. . . .
Italië......
Amerika.....
België......
§ 11C. Plaatsbeschrijving. Athene (108000),
hoofdstad, met zijde- en katoenspinnerij; leer-,
ijzer- en papierfabrikatie. In de nabijheid ligt:
Pireüs (Peiraiéus) (34000), aan de Golf van Egina
de eerste haven des lands. Katoenspinnerij en
weverij. — Missolongi (9500), aan de Golf van
Patras; handel, scheepvaart. — Larissa (14000),
katoen- en zijdeweverij; tabaksfabrikatie. —
Volo (11000), havenstad. — Patras (34000),
belangrijkste havenplaats van den Peloponnesus;
aan de Golf van Patras.
Eilanden: Eabea, met de stad Chalkis (9900),
door een brug met het vasteland verbonden.
De Cykladen, waartoe: Andros (met een haven),
Tenos (met een haven, en zijde-industrie), Si/m,
met de stad Hermopolis (22000), een belang-
rijke havenstad. Katoenspinnerij, looierij, scheeps-
bouw.
De Joninclie eilanden : Corfu (Kerkyra), met de
stad Corfu (27000), een belangrijke haven; uit-
voer van olie en wijn. — Leukds (It. St. Maura)
met de stad Leukas (5500). — Zante met de
stad Zante (17000), haven, uitvoer van krenten
en olie; tapijt* en zijdeweverij. Aardhars-
bronnen.
Europeesch Turkije.
§ 117. De bevolking. A. Staatswezen.
Het onmiddellijk gebied van den Turkschen
staat, die zich eenmaal over het geheele schier-
eiland uitstrekte, is tegenwoordig beperkt tot
het middelste gedeelte, van de Straat van
Otranto tot den Bosporus. Het zwaartepunt
van het Turksche Rijk ligt echter in Azië, waar
het 1,9 mill. vierkante kilometer bezit, terwijl
de bezittingen in Noord-Afrika nog 2 mill. vier-
-ocr page 161-
153
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
transport, en niet voor het vleesch. In het zui-
den gebruikt men hiervoor ezels en muildieren.
De schapenteelt geschiedt om de wol.
De paardenteelt is nog al van beteekenis, en
heeft uitvoer ten gevolge. Bijenteelt en zijde-
teelt zijn toegenomen in den laatsten tijd.
C.  Industrie. De nijverheid in Turkije is meest
handwerksnijverheid, en deze heeft zich bijna
nog niet tot fabrieksnijverheid ontwikkeld. Stoom-
machines vindt men er nog weinig. De fabri-
katen, als : wollen stoffen, tapijten, lakens, zijden
stoffen enz. dienen dan ook bijna uitsluitend
voor binnenlandsch gebruik. Adrianopel fabri-
ceert rozenolie.
D.  Handel en verkeer. In tegenstelling met de
Grieken zijn de Turken weinig voor den handel
geschikt. Trots de buitengewoon gunstige ligging
des lands voorden transito-handel van Arabische,
Perzische en Indische artikelen naar Europa,
is de handel er onbelangrijk. De invoer in het
land bestaat hoofdzakelijk uit weef-artikelen,
suiker, graan, katoenen garens, koffie, petroleum,
drogerijen, huiden, boter, kaas, enz. Bij den
uitvoer staan granen en druiven bovenaan;
daarop volgen ruwe zijde, olijfolie, angora-wol,
koffie, opium, wol, cocons enz. Het handels-
verkeer heeft hoofdzakelijk plaats met Engeland,
Frankrijk, Oostenrijk-Hongarijë, Rusland, Bul-
garijë, Italië, Griekenland en Rumenië. De invoer
had in 1890 een waarde van 255,6 mill. gulden
(Ned.), en de uitvoer van 143 mill. gulden.
Bijna de geheele handel, en bovenal de geld-
handel, is in handen van Grieken en Armeniërs.
De Turksche handelsvloot bestond in 1890
uit 947 schepen met 238981 tonnen inhoud.
Hieronder bevonden zich 101 stoombooten (72207
tonnen). Het spoorwegverkeer, dat nog wel te
wenschen overlaat, is toch veel verbeterd voor
het overig Europa, door den aanleg van de z.g.
Orient-lijnen : Belgrado—Nisch—Konstantinopel
en Belgrado—Nisch—Saloniki, in 1888.
§ 118. Plaatsbeschrijving. Wij moeten hier-
bij aanvangen met er op te wijzen, dat de op-
gaven van het aantal inwoners voor de steden
op schatting berusten, wijl er geen volkstellingen
in dit land plaats hebben.
Konstantinopel (Stamboel, het oude Byzantium
met 874000 inwoners in 1885, waaronder 385000
Mohammedanen, 153000 Grieken, 150000 Arme-
niërs en 129000 vreemdelingen). De stad is
hoofd- en residentiestad des rijks, zeer schilder-
achtig aan beide zijden van den Bosporus en
van den inham, den Gouden Hoorn, gelogen. Op
het schiereiland tusschen den laatste on de Zee
van Marmora ligt het oude Konstantinopel met
het Serail, het paleis der Sultans, de hooge
Porte (het paleis van den Grootvizier en het
ministerie van Buitenlandsche Zaken; de naam
Porte voor Turkije is hiervan afkomstig), de Aja
Sophia of Sophia-Moskee, en de groote bazar.
De groote bazar is een echte doolhof van over-
dekte, nauwe straten, doorgangen, hallen en
kruiswegen, met winkel naast winkel, waar de
schitterende schatten der oostersche industrie
tentoongesteld liggen. Voor vreemdelingen is
dit een aantrekkelijk gedeelte. Ten N. van den
Gouden Hoorn, die als haven dient, ligt Galata,
de hoofdzetel van den handel, meest door chris-
tenen bewoond, en Pera, het „Frankenkwartier"
met de paleizen der Europeesche gezanten. Aan
de Aziatische zijde van den Bosporus ligt Skutari,
met drukken handel, vooral in zijden artikelen
en lederwaren.
Door den aanleg van den spoorweg Belgrado—
Konstantinopel en de voortzetting dezer lijn van
Skutari naar Ismid in Klein-Azië is een oude
handelsweg van Europa naar het Oosten op nieuw
geopend. Ook de scheepvaartverhouding op den
Bosporus is over \'t geheel goed, hoewel de
uit de Zwarte Zee trekkende strooming eenige
voorzichtigheid vereischt. Hierdoor is de geo-
grafische ligging van Konstantinopel voor den
handel buitengewoon gunstig. Doch door de
indolentie der Turken en door de politieke ge-
beurtenissen is die handel, welke hier eens ge-
concentreerd was, geheel geslonken. Het drukke
scheepvaartverkeer door den Bosporus komt
Konstantinopel\'s handel weinig ten goede. Kon-
stantinopel is niet meer de stapelplaats voor het
Balkan-schiereiland en evenmin het ontmoetings-
punt voor het verkeer tusschen twee werelddeelen.
De weg naar Perzië wordt niet meer van hier
uit beheerscht; de Engelsche waren gaan meest
over Bushir (Abuschir, a. d. Perzische Golf)
naar Perzië, en de invoer van Rusland naar dit
land gaat door Kaukasië langs den spoorweg
Batum—Baku en de hiermede verbonden andere
wegen. Centraal-Azië staat geheel onder Rus-
sischen invloed, en de groote handelshuizen,
welke het ruilverkeer met Perzië enz. vroeger
tot stand brachten, zijn in de laatste jaren
geheel verdwenen. Ook de handel in het
Turksche Rijk zelf is in de laatste jaren gedecen-
traliseerd. De havens van Saloniki, Smyrna, Mer-
sina en Beirut hebben zich van de bemiddeling van
Konstantinopel onafhankelijk gemaakt, en alleen
op de Turksche steden aan de Zwarte Zee wordt
van Konstantinopel uit de handel nog gevoerd.
Adrianopel (Edirneh) (71000) aan de Maritza.
Tapijten, saffraan.
Seres (25000), nabij de Struma; katoenteelt,
katoen- en wol-industrie. — Saloniki (Selanik)
(150000 inw.), aan de golf van dien naam; han-
del in katoen en wijn; tapijtweverij, zijdewerij,
metaalfabrieken, lederfabrikatie. — Bitolia (Mo-
nastir) (50000), belangrijke handel. — Uskub
(20000) aan de Varder, leer- en metaalfabrieken. —
Skutari (Uschkodra) (20000 inw.), geweerfabri-
-ocr page 162-
154                                                               HANDELS-AABDKIJKSKUNDE.
katie; handel met Oostenrijk. — Janina (30000),
fabrikatie van goudstoffen en koorden, marokijn;
handel. — Novibazar (12000) belangrijke missen ;
warme zwa veil nonnen.
Eilanden in de Egeesehe zee: Thaso (10000)
onder Eg)-ptisch bestuur. Graan, wijn, olie,
scheepsbouwhout, honig, was. — Samothraki
(2500) graan, houtskool. — Imbro (0500), geiten,
bijenteelt. — Limno (21000) graan, wijn, zuid-
vruchten : paardenteelt, schapen en bijen. —
Kreta of Kandia (Turksch: Kirid) (280000), be-
roemd door olijventeelt, zuidvruchten. Belangrijk
is de wijnbouw en de zijdeteelt.
Het Vorstendom Bulgarije met
Oost-Rumelië.
§ 11!). Bevolking, bestaansmiddelen, han-
del en verkeer. Dit vorstendom wordt hoofd-
zakelijk bewoond door Bulgaren; verder vindt
men er Turken, Grieken en Zigeuners in nagenoeg
gelijk aantal, en leden van verschillende andere
natiën. Sedert het verdrag van Berlijn van 1878
werd Bulgarije een constitutioneel vorstendom, dat
aan den Sultan schatplichtig is. De vorst oefent
met de nationale vergadering (Sobranje) de wet-
gevende macht uit. Door directe keuze worden
de volksvei tegenwoordigers gekozen. Er bestaat
algemeene weerplicht, doch de Mohammedanen
kunnen zich voor ƒ250 vrij koopen. De meest
heerschende religie is de Grieksch-orthodoxekerk,
doch men vindt er ook een groote menigte
Mohammedanen. Het schoolonderwijs is verplicht.
De vrachtbare bodem bevordert den landbouw,
die dan ook hoofdbron van bestaan is. De be-
langrijkste producten zijn: tarwe, ma/s en gerst]
verder rogge, haver, rijst, bonnen enz. Aanzienlijke
tabaksbouw. De rozenteelt voor het winnen van
rozenolie wordt vooral in Oost-Rumelië, doch ook
in Bulgarije uitgeoefend. Het land levert verder
goede houtsoorten: eiken, beuken, noten. De vee-
teelt heeft vooral schapen, geiten, hoornvee, var-
kens, paarden.
— Zijdeteelt.
De industrie is bovenal huisnijverheid. Weef-
industrie. Doch de concurrentie met artikelen
uit West-Europa doet de nijverheid achteruitgaan.
De invoer bestaat in geweven artikelen, machi-
nes, instrumenten. Uitgevoerd worden bovenal
graan, en verder wol, huiden, leer, wijn, hout en
rozenolie. Oostenrijk-Hongarije, Groot-Britannië,
Turkije en Frankrijk drijven hoofdzakelijk den
handel op dit land.
De spoorweg Belgrado—Nisch—Konstantinopel
gaat door dit land.
Steden. (De opgave van de bevolking is van
1888). A. Bulgarije Widdin (15000) aan de
Donau, tabaksfabrikatie, molens, handel. — Rust-
schuk (27000), vesting, handel, weverij — Varna
aan de Zwarte Zee, hoofdhaven van Bulgarije. —•
Sehumla (23000) vesting; kruispunt der wegen
van oostelijk Bulgarije. Weverij, kopersmederij.
— Sofia (42000) hoofdstad; zijde- en lederfabri-
katie; laken. — B. In Oost-liumelië: Philippopel
(Plovdiv) (33000) aan de Maritza, hoofdstad.
Weverij; rijst-, wijn-, ooft- en rozenteelt. —
Kazanlik (9500) rozenteelt.
Het Koninkrijk Servië.
§ 120. Bevolking, middelen van bestaan enz.
Door de grondwet van 1869, herzien in 1889, is
Servië een constitutioneele staat. De holintriges
hebben de kracht van het hoogste gezag zeer doen
lijden. De volksvertegenwoordiging (Skuptschina)
bestaat uit 45 door den koning benoemde, en
134 door het volk voor 3 jaren gekozen leden.
De Grieksch-orthodoxe kerk is er staatskerk.
Landbouw en veeteelt zijn hoofdbronnen van
bestaan. De bodem is zeer vruchtbaar, maar de
landbouw staat er op een lagen trap. Nog
niet meer dan 1/4 der oppervlakte is bouwland,
terwijl de wouden bijna de helft van de opper-
vlakte in beslag nemen. Ongeveer 9,2°/0 des
lands is grasland, en 2°/0 wordt door den wijn-
bouw ingenomen.
Tarwe en mals zijn hoofdgranen. Bij de ooft-
soorten nemen de pruimen een eerste plaats in.
Verder wijn in de Donaustreken. — Paarden,
muildieren, ezels, rundvee, schapen, geiten en
varkens.
De industrie is meest huisnijverheid. Langs
de Oriënt-spoorwegen, die het land doorsnijden,
doorvoerhandel. Invoer van linnen en katoenen
artikelen, metaalwaren, kleedingstukken enz.
Uitgevoerd worden tarwe, pruimen, wijn, varkens,
rundvee enz. De handel wordt voornamelijk be-
heerscht door Oostenrijk-Hongarije.
Steden. Belgrado (Beograd = witteburg)
(54000 inw. in 1890) hoofdstad, vesting. Leven-
dige handel. — Kragujewats (13000) kanonnen-
gieterij, arsenaal.
§ 121. Het vorstendom Montenegro.
In dit kleine bergland met 200.000 inw. heeft
de vorst zijn onbeperkte erfelijke monarchie
weten te handhaven. De ontwikkeling des volks
staat op zeer lagen trap. Wegens de bergachtige
gesteldheid des bodems is de landbouw van
weinig beteekenis, en is veeteelt de hoofdzaak.
Vooral geiten- en schapenteelt, alsmede bijenteelt;
verder varkens. De handelsvloot bestond in
1888 uit 3 zeeschepen en 100 kustvaartuigen.
Cetinje (1200 inw.) hoofdstad. — Dulcigno
(2000 inw.) aan de Adriatische zee, haven; handel
in olie en hout.
Het koninkrijk Rumenië.
§ 122. Bevolking, bedrijf enz. De Rumeniërs
zijn nakomelingen der oude Daders vermengd met
de Romeinen. Hoewel later ook sterk met Slawisch
-ocr page 163-
155
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
tendze (Constanta) (8000) haven aan de Zwarte
zee. — Sulina, kleine stud aan den best be-
vaarbaren Donaumond van dien naam, haven,
graanuitvoer.
Groot Britannië en Ierland.
(311-023 K.M*. — 37879000 inw. —
120 bewoners per KM\'2.)
§ 123. Ligging en natuurlijke gesteldheid.
Groot Britannië met Ierland vormt de grootste
en belangrijkste eilandengroep van Europa. De
ligging van dit land is bijzonder gunstig voor
de maritime ontwikkeling, en den bewoners
kan de eer niet ontzegd worden, van die gunstige
ligging in alle opzichten partij te hebben ge-
trokken. Groot-Britannië ligt in het midden
van het grootste landhalfrond der aarde, en
vormt een voorpost van Europa in den At-
lantischen Oceaan. Ongeveer even ver van
Skandinavië als van het Pyreneesche schier-
eiland verwijderd, staat het in verbinding met
het noorden en het zuiden, en het is slechts door
een betrekkelijk smalle zee van de westkust van
Midden-Europa gescheiden, zoodat het ook hier-
mede gemakkelijk in betrekking blijft. Verder wijst
de open Oceaan het aan voor het verkeer op Ame-
rika. De buitengewoon rijke kustontwikkeling, met
vele natuurlijke havens, bevordert de verbreiding
en bloei van den handel en de scheepvaart, en
deze legde den grondslag voor het rijk als kolo-
niale mogendheid. Een buitengewone rijkdom
aan kolen en nuttige metalen gaf aanleiding tot
de opkomst van een bloeiende industrie. Zoo
werkte de natuurlijke gesteldheid in alle op-
zichten mede, om dit land tot de woonplaats
van een nijver en bedrijvig volk te maken.
Groot Britannië en Ierland ligt tusschen
49° 58\' en 58u 40 N. Br., dus in het midden
der gematigde luchtstreek. De Atlantische Oceaan
heeft in dit gebied door den Golfstroom een
hooge temperatuur (zie pag. 9 en § 53), en dit heeft
ten gevolge, dat de havens het geheele jaar door
voor de scheepvaart zijn te bereiken. Daaren-
boven heeft de natuur talrijke bevaarbare in-
hammen gevormd, welke in het land doordringen,
en de scheepvaart vergemakkelijken. De belang-
rijkste dier inhammen en zeestraten aan de
oostkust zijn: de Theems-mond, de Washbaai, de
Humber-mond, de Firth of Forth, de Firth of Tag
en de Morag-Firth; in het westen: North-Minch,
Little Minch, Firth of Lom, Forth of Clyde,
Sohvaji Firth, Morecambe baai, Mersey bocht, Menai-
straat, Cardigan baai,
en het Kanaal pan Bristol.
In Ierland vindt men de grootste inhammen
aan de westzijde: de Donegal baai, Oalway baai,
en de Dingle baai met de haven van Valentia en
het eiland Valentia, vanwaar uit de eerste
onderzeesche kabel naar Amerika gelegd werd.
De zeeën rondom Groot-Britannië behooren tot
de drukst bevaren wateren. Hoewel men alle
bloed vermengd, hebben zij toch de Itoinaansche
taal bewaard. Vroeger bestond het gebied van Ru-
menië uit twee vorstendommen : Moldavië en Wal-
lachije,
en in 1861 werden deze vereer.igd. In 1866
werden zij onafhankelijk en in 1881 werd de
staat tot een constitutioneel koninkrijk verheven,
met een Senaat en een Kamer van afgevaardig-
den. De bevolking is meest de Grieksch-Katho-
lieke kerk toegedaan.
De bodem des lands is over \'t geheel zeer
vruchtbaar, en het klimaat bevordert verder den
landbouw. Het is een land, dat veel met Lom-
bardije overeenkomt. Toch staat de landbouw
door de traagheid der bevolking nog op lagen
trap. Ongeveer \'/s des lands is bouwland, (29"/u),
21u/0 der oppervlakte is met gras begroeid, 16°/0
wordt door wouden ingenomen, en 31°/0 ligt nog
woest.
Maïs en tarwe zijn hoofdproducten van den
landbouw; daarop volgen gerst, haver, rogge en
boekweit. Men verbouwt er veel vlas, hennep,
tabak
en wijn. Dejaarlijksche wijnopbrengst wordt
op 1 a 1,5 mill. H.L. geschat. De riinderteelt heeft
er veel beteekenis.
De bergbouw levert steenzout in de Karpaten,
alsmede petroleum. Hoewel de industrie be-
gunstigd wordt, heeft zij toch nog weinig ont-
wikkeling. Op het land voorziet de bevolking zich
hoofdzakelijk door huisindustrie van hetnoodige.
Het eigenlijke handwerk is bijna geheel in
handen van de Joden, de handel geheel.
Het belangrijkste product van den uitvoer is
het graan (in i890 voor ruim 109 millioen gul-
den). Verder vruchten en groenten, vee, wol, huiden
enz.
Ingevoerd, worden spinstoffen, garens, weefsels,
metaalwaren.
Importeurs zijn bovenal Oostenrijk-
Hongarijë, Groot-Britannië, Duitschland en
Turkije.
In 1889 liepen 30807 schepen de havens van
Rumenië binnen. Nederlandsche schepen vindt
men hieronder bijna niet.
Steden. Bukarest (Bucuresci) (195000 inw.)
hoofdstad, heeft in de laatste jaren meer en meer
het karakter van een Europeesche groote stad
aangenomen. Stapelplaats van den binnenland-
schen handel. — Braila (47000) hoofd-invoer-
haven en uitvoerhaven, graanhandel. Concurrent
van het verder stroomafwaarts aan de Donau
gelegen Galatz. De groote zeeschepen varen nog
tot Braila de Donau op, iets wat de stad groote
voordeelen geeft voor . den graanuitvoer. —
Galatz (59000), gunstig gelegen aan den linker
Donau-oever, tusschen de mondingen der beide
bevaarbare zij stroomen de Pruth en de Sereth,
is een belangrijke havenplaats, het centrum van
den invoerhandel op de beneden-Donau. De uit-
voer van granen geschiedt meer van Braila. —
Jassy (73000), hoofdstad van Moldavië, handel
in landsproducten; drukbezochte missen. — Kös-
-ocr page 164-
156
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
pogingen in het werk stelt, om de scheepvaart
tegen gevaren te beveiligen, en meer dan 300
vuurtorens langs de kusten verrijzen, hebben
de talrijke stormen toch nog veelvuldige schip-
breuken op de klippige kusten ten gevolge.
Gemiddeld bedraagt het aantal schipbreuken nog
1000 per jaar.
De verticale gesteldheid des lands is even-
eens voordeelig voor de ontwikkeling des volks.
Hooge en lange bergketens, waardoor de deelen
gescheiden worden, komen hier nergens voor.
De gebergten vormen meer groepen, die overal
door tusschenliggende inzinkingen het verkeer
aan beide zijden gemakkelijk tot stand brengen.
In het algemeen gesproken is Engeland een
heuvelland, Schotland een hoogland en Ierland
een laagland. Engeland heeft hoofdzakelijk in
de westelijke gedeelten aanzienlijke bergverhef-
fingen. Een lijn van Sunderland (aan de oost-
kust op 55° N.Br.) met een bocht naar Exeter
(Z.W. kust) scheidt ongeveer het bergland van
het heuvelland in Engeland. In het Z.W. verheft
zich het bergland van Cornwallis en Devon, een
land van rotsen en heiden, dat in Kaap La»ds-
End,
die 32 M. hoog steil in zee afdaalt, vooruit-
steekt, en in de Scilly-eilanden, van waar de
Phoeniciërs het tin haalden, eenige laatste sporen
vertoont. Het woudarme gebied van Wales is
een woest, romantisch bergland, dat in het N. in
den Snairdon zich tot 1088 SI. verheft, en in het O.
door het dal van de Sevem begrensd wordt. Aan
alle zijden rijst dit bergland steil op uit. de zee.
Geheel van dit bergland gescheiden is het
Penninisch gebergte, het centrale gebergte van
Noord-Engeland, de waterscheiding tusschen de
Noordzee en de Iersche zee.
Het Z.O. van Engeland vormt een zacht gol-
vend herivelland, met schoone en vruchtbare
tusschenliggende vlakten. Het is geen laagland als
de Germaansche vlakte; op tal van plaatsen toch
breekt de vaste rots met schilderachtige partijen
door de losse aardlagen heen. Langs de zuid-
kust strekken zich de South-Downs uit, en iets
noordelijker liggen de North-Downs. Beide be-
hooren tot de Krijtfonnatie; naar de witte klippen,
waarmede deze Downs in zee vooruitsteken, heeft
Engeland den naam van Albion verkregen, d. i.
het witte eiland.
Engeland bezit een grooten rijkdom aan rivieren,
die voor het verkeer en de besproeing van groot
belang zijn. De rivieren hebben meest een korten
loop; de grootste, de Theems, is slechts 350 K.M.
lang. Meer dan 50 der rivieren in Engeland
zijn bevaarbaar. De belangrijkste van deze zijn :
de Theems, de Oase, de uit de vereeniging van
Trent en Ouse ontstane Humber, de Tees, de
Wear en de Tgne in het O.; de Avon in het Z.;
de Severn, Dee en Merseg in het W.
De meeste rivieren hebben een diepe bedding,
weinig verval en grooten waterrijkdom, waardoor
zij reeds vroeg in haar loop bevaarbaar zijn.
De mondingen worden door de getijden-stroo-
mingen beschut tegen verzanding. Daarenboven
worden de verschillende rivierstelsels van het
O. en W. door kanalen verbonden. De drie
groote vereenigingspunten van het binnenland-
sche waterverkeer zijn Londen, Birmingham en
Manchester.
Schotland bestaat in het Zuiden uit bergland,
in het noorden uit hoogland. Van de Firth of
Forth uit het oosten dringt hier het smalle
Schotsche laagland (lowland) in het land door tot
het gebied der Clyde. Dit Schotsche laagland
bestaat hoofdzakelijk uit heuvelland, hetwelk door
een zacht klimaat, door den vruchtbaren bodem en
den rijkdom des lands aan kolen en ijzer, tot
het dichtstbevolkte en meest belangrijke gedeel-
te des lands geworden is.
Het Schotsche Hoogland, vooral het noorde-
lijke, vormt een ruw bergland, veelvuldig ver-
scheurd en voor aanzienlijke uitgestrektheden
met heide bedekt. In het westen en noorden lost
zich het Hoogland op in de rotsachtige eilanden-
groepen der Hebriden of Wester-eilanden, en de
Orkaden of Orkney-eilanden.
Ierland (Engelsch Ireland, door de Ieren Irin
geheeten) bezit een buitengewoon lange kust-
ontwikkeling, en is rijk aan goede natuurlijke ha-
vens. Niet minder dan 14 van deze verzekeren de
grootste schepen, en 51 aan de kustvaartuigen
veilige verblijfplaats. Daarbij komen nog 25
goede ankerplaatsen gedurende den zomertijd.
Het midden van Ierland bestaat uit eene
moerassige vlakte met venen bedekt. Sedert het
begin dezer eeuw zijn die venen meer en meer
droog gelegd. Langs de kusten verheffen zich
bergmassa\'s, die vooral in het W. met rotston-
gen in zee vooruitsteken. In het Z. W. heeft het
bergland in de Kerry-Mountains de grootste ver-
heffing.
Klimaat. Het klimaat van Groot-Britannië
is een sterk sprekend zeeklimaat, en draagt in
vollen zin de eigenschappen van het Atlantische
klimaat, reeds vroeger beschreven (zie pag. 54).
De winters zijn er buitengewoon zacht, de zomers
koel. De meest waaiende westenwinden brengen
veel bewolking en regen aan, waardoor de regen-
hoeveelheid zeer aanzienlijk is. In den winter is
het water der omringende zeeën warmer dan de
lucht, en derhalve werkt de zee verwarmend, in
den zomer is het omgekeerd. Hierdoor is de zomer-
temperatuur aan de oostzijde, de wintertempera-
tuur aan de westzijde des lands het hoogst. De
zachte wintertempera tuur maakt, dat vele planten
van zuidelijker streken hier goed groeien, hoewel
door de koele zomers de vruchten niet rijp wor-
den. Dit is o.a. het geval met de wijndruif.
De regen is wel tamelijk gelijkmatig over het
land verdeeld, doch in Engeland valt hij meest
-ocr page 165-
157
HANDELS-AARDBIJKSKUNDE.
in eenig land zijn in Groot-Britannië de inwoners
stadsbewoners. In Engeland woont 2/3; in Schot-
land ;l/5, en in Ierland i/i der bevolking in steden.
Alleen te Londen woont zelfs ongeveer 1/to der
totale bevolking van het rijk. In 1891 telde men
er 30 steden met meer dan 100000 inwoners.
In Groot-Britannië vindt men nog eene scherpe
verdeeling der bevolking in standen, welke met
het Britsche staatswezen is samengegroeid. Vol-
gens de wet bestaan er twee standen: de Peers
en de Comnwners. De eerste bestaan uit den
adel boven den baronet-rang, en bezitten eenige
voorrechten. Doch ook de zonen van den hoog-
sten adel zijn „commoners" en kunnen leden
worden van het lagerhuis, wat dikwerf geschiedt.
Groot-Britannië is een constitutioneele monar-
chie. De koning (koningin) voert tegelijkertijd
den titel „Keizer van Indië", en moet tot de Angli-
caansche kerk behooren. De wetgevende macht
deelt hij met het Parlement, dat uit het „House
of Lords" en het „House of Commons" bestaat.
Het „House of Lords" bestaat uit 541 leden
(Peers), die door erfrecht (koninklijke prinsen),
door koninklijke benoeming (de hoofden van den
hoogen adel), door hun ambt (de Anglicaansche
aartsbisschoppen en bisschoppen), of door keuze
zijn aangewezen, hetzij voor levenstijd of voor een
parlementszitting. Het lagerhuis bestaat uit 670,
voor 7 jaren direct door de kiezers gekozen leden.
Het kiesrecht is gebonden aan het bewonen
van een eigen huis, dat een netto opbrengst
van £. 10 per jaar heeft, of aan een huishuur tot dit
bedrag.
§ 125. Ontwikkeling van handel en verkeer.
De Engelsche handelsgrootheid ving aan met de
Nieuwe Geschiedenis. In de Middeleeuwen was
het Britsche Rijk ten opzichte van den wereld-
handel zeer passief, en dreven bovenal de Hol-\'
landers en Hanseaten (zie pag. 44 enz.) handel op
dit rijk. De uitvoer bestond destijds bovenal
in wol en metaalwaren ; de exploitatie der steen-
kolen ving aan in het midden der 14Je eeuw.
Eerst in het midden der 15llu eeuw begonnen de En-
gelsche kooplieden den handel uit te breiden, maar
toch bleef de scheepvaart gedurende de eerste helft
der 16do eeuw nog onbelangrijk. Tijdens de
regeering van koningin Elisabeth (1558—1603)
werd echter de nationale nijverheid en handel
zeer bevorderd; de Hanzeaten werden hun privi-
legiën in Engeland ontnomen, en toen de Hanze
bewerkte, dat de toegang voor Engelsche schepen
in Duitsche havens werd belet, moest het centraal-
kantoor der Hanze te Londen, het „Stahlhof",
in 1598 gesloten worden.
Met de ontdekking van Amerika werd de
geographische ligging van de Britsche eilanden
veel verbeterd. Engeland lag thans niet meer aan
het eind der bekende aarde, maar werd meer
een voorpost van Europa in de richting naar
in den herfst en in Ierland in den winter. Belang-
rijk is het verschil in den regenval aan de west-
zijde (westenwinden met veel regen) en aan
de oostzijde des lands. West-Ierland heeft ge-
middeld 150 c.M. regen, Dublin slechts 74 c.M.;
Manchester 91 c.M. en Londen 61 c.M. In de
bergstreken aan de westkust van Schotland
valt 300 k 400 c.M. regen.
§124. Bevolking. De afkomst der bevolking is
van twee groote groepen af te leiden: n.1. van
de Kelten en de Germanen. De Kelten hebben
de oorspronkelijke bewoners gevormd. Zij be-
stonden voornamelijk uit twee familiën, die der
Kymren of Britten en de Ersen of Gaelen. De
echte bewoners van Wales en van Cornwall
behooren tot de Kymren; zij hebben hun ver-
wanten in Bretagne (Frankrijk). De Gaelische
familie wordt verdeeld in twee groepen: de
Gaelen in Schotland, op het eiland Man en op de
Hebriden, en de Ersen in Ierland.
De overwegende meerderheid wordt gevormd
door de Germaansche Engelschen. Zij zijn voort-
gekomen uit eene vermenging van Angel-Saksen
met Skandinaviërs en later met de Fransche Noor-
mannen.
Volgens de tienjarige volkstelling bedroeg in
1891 het aantal bewoners voor het geheele rijk
38 mill.; hiervan bewoont 3/4 Engeland en
Wales. De jaarlijksche toeneming is voor Enge-
land op 1,3% berekend, zoodat hier de bevol-
king in 54 jaren zou verdubbelen, terwijl Schot-
land, met een toeneming van 1,05%, in 67 jaren
een verdubbeling zou verkrijgen. In Ierland
neemt de bevolking, als gevolg van de treurige
maatschappelijke toestanden, door de landver-
huizing sterk af. In 1841 bezat Ierland eene
bevolking van meer dan 8 mill.; zij daalde in
1872 tot 52/5 mill., in 1881 tot 51/ö mill. en in
1891 tot 4,7 mill. In 40 jaren had Ierland een
achteruitgang der bevolking van 3.39 mill., d. i.
van 41, 38%. Niet alleen uit Ierland, maar ook uit
andere gedeelten van Groot Britannië heeft
landverhuizing plaats. In 1892 werden in de
Britsche havens 321379 landverhuizers geteld,
en daarvan waren 210000 Britten. Hiervan gin-
gen er 41600 naar Britsch Noord-Amerika,
235200 naar de Vereenigde Staten, 16000 naar
Australië, en 11600 naar Zuid-Afrika. De meeste
emigranten zijn daglooners. Ook de immigratie
is zeer aanzienlijk, maar bedraagt toch niet meer
dan de helft der emigratie.
De dichtheid der bevolking is in sommige
gedeelten des lands buitengewoon groot, vooral
in de fabrieksdistricten. De bevolking ten platten
lande is niet dicht. Dit is een gevolg van de
groote latifundiën of landbezittingen, die het
Engelsche erfrecht heeft in stand gehouden.
Daardoor, alsmede door den vooruitgang der
industrie, wordt de toenemende bevolking meer
en meer in de steden vereenigd. Sterker dan
-ocr page 166-
158
HANDELS-AARDKI.IKSKUNDE.
Amerika. Deze veranderde geographische ver-
houding was zeer bevorderlijk aan de ontwik-
keling van de scheepvaart en den handel in dit
Rijk. Hot nam nu ernstig deel aan de ontdek-
kingstochten in oost en west, en de Engelsehe
handelspolitiek wist verbindingen aan te knoopen
in Rusland en Perzië, met de landen van de
Middellandsche zee en Klein-Azië. Op de New-
Foundlandsche banken concurreerden weldra de
Engelsehe visschers met goed gevolg met de
Fransche en Spaansche. Ook met Antwerpen,
Amsterdam en Middelburg, ontwikkelde het
handelsverkeer zich verder. En ook in Britannië
werden, nu met de uitbreiding van de bekende
aarde de persoonlijke handel het handelsgebied
niet meer omvatten kon, groote handelsvereeni-
gingen opgericht.
Zoo ontstond er een Russische-, een Oostzee-
en een Turksch-Levantisehe Compagnie, en
de aanvang der Oost-Indische Compagnie is
reeds in den tijd van Elizabeth te zoeken.
De Engelsehe koopvaardijvloot werd in de
17dl\' eeuw meer en meer de concurrent van de
Hollanders. Om vooral de laatsten afbreuk te
doen en Engelsehe scheepvaart te bevoordeelen,
vaardigde Cromwell in HS51 de bekende „Akte
van Navigatie" uit, welke bepaalde, dat de in-
voer van koopwaren in de Britsche koloniën
enkel aan Britsche schepen met Britsche be-
manning zou geoorloofd zijn, en dat Europeesche
artikelen alleen in Engelsehe schepen of in
schepen van de natie, die deze waren geprodu-
ceerd had, in Engeland ingevoerd mochten wor-
den. Zelfs werd bepaald, dat Engelsehe schepen
enkele Noorsche artikelen alleen uit het land
van afkomst mochten halen, en dat voor visschen,
die niet met Engelsehe schepen aangevoerd
werden, dubbele invoerrechten moesten betaald
worden bij den invoer in Engeland. Ook werd gebo-
den, dat de produkten der Engelsehe koloniën al-
leen naar Engeland mochten uitgevoerd worden.
De protectie door genoemde „Akte van Navi-
gatie" was ongetwijfeld van groot voordeel voor
de ontwikkeling van den Britschen handel en
de scheepvaart. Daarbij kwam nog de kolonisatie
door Engelsehe onderdanen in Amerika, de
inbezitneming van gedeelten lands in Oost- en
West-Indië, de oprichting der Oost-Indische Com-
pagnie in 1600 enz., welke gebeurtenissen alle
medewerkten tot de uitbreiding van den Britschen
handel. De bloeiperiode van den Britschen han-
del begint met de regeering van Willem III in 1688.
In het belang der Britsche industrie werd thans
de invoer van Fransche fabrikaten verboden,
terwijl de invoer van die artikelen, welke ook
in Engeland geproduceerd werden, met hooge
invoerrechten werd belast. Zelfs trof dit ver-
bod de Indische zijden en katoenen stoffen.
Verder werd de uitvoer van die ruwe grond-
stoifen, welke de Engelsehe industrie verwerkte,
verboden, terwijl de invoer van ruwe grond-
stoifen werd toegelaten. De uitvoer van artike-
len der industrie werd door tolvergoeding kunst-
matig bevorderd. Ook werden de koloniën geheel
en al behandeld naar dit protectiestelsel van
het moederland, zoodat de ontwikkeling eener
eigene industrie hier belemmerd werd, opdat de
koloniën al het noodige uit Engeland zouden aan-
voeren. Verder wist Engeland ook in andere
landen voordeelige betrekkingen aan te knoopen,
o. a. met Portugal door het Methven-verdrag
(zie pag. 135).
Het kan niet ontkend worden, dat deze ver-
schillende maatregelen van protectie veel heb-
ben bijgedragen voor de ontwikkeling van
Engelands handel, nijverheid en scheepvaart,
zoodat deze in de vorige eeuw reeds een groote
vlucht namen. Vooral de Nederlandsche industrie
en scheepvaart werden hierdoor getroffen. Zoo
begon Engeland in het midden der vorige eeuw
reeds de eerste plaats in den wereldhandel en
de scheepvaart in te nemen. Algemeen nam de
welvaart en bloei der bevolking toe. Echter
mocht Ierland door politieke en sociale oorzaken
niet in dien algemeenen vooruitgang deelen.
Zoo had Engeland weldra den eersten rang
ingenomen op het gebied van den wereldhandel
en der nijverheid. Zelfs kon het land op het
eind der vorige eeuw een zwaren slag, als de
vrijmaking der Amerikaansche koloniën, die altijd
in een toestand van economische afhankelijk-
heid van het vaderland gehouden waren, goed
verduren. En in Engeland was het reeds aan
velen duidelijk, dat de krachtige Britsche natie
thans de staatshulp niet meer behoefde, om zijn
handel verder te ontwikkelen. Door het vrijworden
der Amerikaansche koloniën hield dan de handel
met deze ook niet op, doch na den oorlog maakte
de dwang van vroeger plaats voor het vrije
handelsverkeer.
In het begin van deze eeuw vond Groot-
Britannië een krachtigen bestrijder in Napoleon I,
die door het bekende „Continentaalstelsel" den
Engelschen handel en de nijverheid wilde fnuiken.
Na den val van Napoleon werden de verbro-
ken handelsbetrekkingen wel weder aangeknoopt,
maar op het vasteland had zich gedurende dien tijd
de nijverheid ook ontwikkeld, en toen het vasteland
nu overstroomd werd met de Engelsehe fabri-
katen, die gedurende eenige jaren opeengestapeld
waren, ontstond er een te groot aanbod. Het
gevolg was eene daling der prijzen met gemis
aan aftrek, en vele fabrieken moesten weldra
stilstaan. Hooge prijzen der levensmiddelen ver-
meerderden nog de ellende.
Gelukkig volgde er na de slechte jaren van
1814—1819 spoedig een periode van bloei,
1819—1825, in welk tijdperk de nijverheid weder
een groote vlucht nam. Echter ook thans leidde
overspecuiatie tot een crisis in 1825. Doch deze
-ocr page 167-
159
HANDELS-AABDBIJKSKUNDE.
Suez en door het verwerven van Cyprus van
Egypte, is de invloed van Engeland in het oosten
der Middellandsche Zee zeer vergroot. Daardoor
werd Engeland in de Egyptische quaesties be-
trokken, maar dewijl het in 1882 in Egypte de
orde herstelde, werd zijn macht ook hier ver-
groot.
§ 126. Landbouw en veeteelt. Grondeigen-
dom. pachters, enz. De eigendomsverhoudingen
in Groot-Biïtannië berusten theoretisch nog op
oude, feudale wetten. De landgebruiker verkrijgt
zijn land direct van de kroon als vrijgezetene
(freeholder), of een anderen landheer als erfpach-
ter (copyholder), pachter (leaseholder) enz. De
eenige uitzondering op dien regel vindt men op
do Orkney- en Shettlandsche-eilanden, waar kleine
grondgebruikers (udallers) hun land in erfelijk
bezit hebben. Het grootste deel van den grond
is in handen van groote grondeigenaars, die er
naar streven het aantal kleine grondbezitters
door aankoop hunner bezittingen meer en meer
te beperken. Daardoor zijn de „yeomen" of kleine
grondbezitters, die zelf hun land bewerken, bijna
geheel verdwenen.
Wanneer men Londen, de gemeentelijke be-
zittingon en de grondbezittingen kleiner dan 1 acre
uitzondert, vindt men in het geheele koninkrijk
±: 321400 landeigenaars (269597 in Engeland
en Wales, 19225 in Schotland en 32614 in Ier-
land), waarvan 7400 de helft der oppervlakte
des lands bezitten. Een groot gedeelte van het
in cultuur gebrachte land is aan pachters in
gebruik gegeven, een klein gedeelte wordt door
de eigenaren zei ven gebruikt. Volgens de statistiek
van 1890 waren in gebruik van:
Pachters.                Eigenaren.
In Engeland 21 114 245 acre*.       3 8\'i3 902 acres.
In Wales 2 432 212 »              331946 »
In Schotland 4 378 340 •             617 610 »
Verder zijn in de ambtelijke registers der
grondgebruikers aangewezen voor 1890:
I                               Als gedeeltelijk
Als pachters Als eigenaars            pachters en
gedeeltelijk eigenaars
In Engeland 352 067        59 873        19 656 personen.
! In Wales          55 973          6 257          1 009 »
In Schotland 76 393          6 049            564 »
In Ierland is de statistiek minder zeker. In
1880 telde men hier 579 399 pachters, van welke
51221 minder dan 1 acre, 66 339 tot 5 en
163 062 tot 15 acres grond gebruikten, zoodat
er in totaal meer dan 128000 pachters met
minder dan 15 acres grondgebruik gevonden
werden. Deze cijfers zullen sedert niet veel
veranderd zijn. Hieruit blijkt duidelijk de ver-
snippering van het grondgebruik op dit eiland.
De verhouding der pachters (tenants) tot de
verhuurders (landlords) is in de onderscheidene
deelen des lands verschillend. In Schotland
crisis zuiverde weder den toestand, en een periode
van kalme maar degelijke ontwikkeling volgde
hierop, die ingeleid werd door de opening van
den eersten spoorweg van Stockton naar Dar-
lington, in 1825. Buitengewone ontwikkeling
der nijverheid, vooral door de invoering van
nieuwe machines, werd ook in het vervolg
nog van tijd tot tijd door crisissen gevolgd,
o. a. in 1837, 1839 in 1847 enz., maar over
\'t geheel ging de Britsche industrie steeds vooruit.
Een opmerkelijke omkeer in de economische
beschouwingen werd sedert ongeveer 1820 in
Engeland waargenomen. Wij zeiden boven reeds,
dat de bescherming der nijverheid van staats-
wege in Engeland werd toegepast. Thans begon
men tot het inzicht te komen, dat deze bc-
scherming niet alleen niet meer noodig was, maar
streed tegen het algemeen belang. Er ontstond
een vrijhandelspartij, die onvermoeid arbeidde,
om in de pers en in het Parlement aanhangers
te verkrijgen. En de „freetraders" hadden succes.
Reeds in 1823 werden de invoerrechten al ge-
matigder, en de „Akte van Navigatie", welke
nog altijd bestond, werd langzamerhand van de
hardste bepalingen ontdaan. De beperkingen
van den handel vielen langzamerhand alle weg voor
den invloed van het vrijhandolstelsel, hetwelk
de Britsche natie doordrong. De korenwetten,
welke ingesteld waren om den inlandschen
graanbouw te bevoordeelen, werden in 1846
door de bemoeiingen van den vrij handelsman
Cobden opgeheven, nadat zij te voren reeds
door Robert Peel gematigd waren.
Op den weg van den vrijhandel ging men
verder. In plaats der beperkende bepalingen
van de buitenlandsche scheepvaart kwamen
thans de „scheepvaartverdragen" tusschen onder-
scheiden landen, waarin het stelsel van „weder-
keerige behandeling als de meest begunstigde
mogendheden" gevolgd werd. De Akte van Na-
vigatie, die, hoewel verzwakt, nog bestond,
werd in 1849 geheel opgeheven. De vrees der
protectionisten, dat Engeland hierdoor zijn be-
voorrechte plaats in den zeehandel zon verlie-
zen, bleek weldra geheel ongegrond. De handel,
thans bevrijd van alle banden, een voorbeeld
dat ook elders in Europa langzamerhand gevolgd
werd, verhief\' zich door eigen kracht tot een
nooit gekende hoogte.
Ten opzichte van de buitenlandsche politiek
neemt Groot-Britannië gedurende deze eeuw
een vreedzame houding aan. Door de afgezon-
derde ligging als eiland wordt dit in Europa
gemakkelijk, hoewel door de groote bezittingen in
andere werelddeelen Engeland ook niet zelden
in internationale conflicten wordt medegesleept.
In de oostersche vraagpunten heeft Engeland
zich niet onbetuigd gelaten, en vooral heeft het
door handelstaktiek hier invloed verkregen.
Door aankoop der aandeelen in het kanaal van
-ocr page 168-
160                                                         HANDELS-AAI
komen veelvuldig pachtverdragen over een reeks
van jaren voor, doch in Engeland en Ierland
zijn de zoogenaamde „yearly tenancies", de
verhuringen per jaar, regel. Bij de laatste gaat
de pacht van jaar tot jaar verder, als niet 12
maanden van te voren de huur is opgezegd.
Tengevolge dezer onzekerheid van het grond-
gebruik door de pachters werd het hun moeielijk
kapitaal te besteden tot verbetering van den
bodem. Om dit nadeel tegen te gaan werd door de
„Agricultural Holding Act" van 1883 bepaald, dat
de pachter hij liet ophouden der pacht schadeloos
gesteld wordt voor de verbeteringen, die hij aan
den grond heeft aangebracht. Ook werd in 1883
in Schotland een soortgelijke wet uitgevaardigd.
In de laatste jaren zijn in Engeland pogingen
aangewend, om ook de weinig bezittende klas-
sen gelegenheid te geven eenigen landbouw uit
te oefenen. Door de „Allotment Acts" van 1884
en 1800 zijn de County Oouncils (Provinciale
besturen) gemachtigd landerijen te verwerven,
ten einde deze in gedeelten van op zijn hoogst
1 acre te verpachten. Hierdoor zullen daglooners
en dergelijke lieden in staat gesteld worden, ook
een klein stuk grond in eigen gebruik te nemen.
De in 1892 aangenomen „Small Holding Act"
heeft daarenboven ten doel een zelfstandigen
boerenstand te scheppen, wijl zij de County
Councils machtigt voor dat doel grondeigendom
te verwerven, en deze grond onder gunstige
voorwaarden van betaling, in niet grooter stuk-
ken dan 1—50 acres te verkoopen.
Van de oppervlakte des lands in Groot-Brit-
tannië wordt 18,8 pet. voor landbouw en 42,7 pet.
als grasland gebruikt, terwijl 3,6 pet. met bosch
bedekt is, en 34,9 pet. als woeste grond ligt.
De meeste woeste grond ligt in Schotland, waar
heiden en venen groote uitgestrektheden beslaan,
en in Ierland, waar in het N.-W. uitgestrekte rotsen
en moeraswildernissen voorkomen, terwijl in het
midden laagvenen gevonden worden. Door het
dalen der graanprijzen na 1872 en de toenemende
opbrengst van de veeteelt heeft men het bouwland
ingekrompen en het grasland vermeerderd. Ook de
tuinbouw is in den laatsten tijd zeer toegenomen.
Het vochtig klimaat en de koele zomers zijn
voor den graanbouw minder gunstig; de uitge-
strekste vlakten voor den graanbouw vindt men
dan ook in het Z.-O. van Engeland, waar het
zeeklimaat minder sterk uitkomt. In Engeland
verbouwt men hoofdzakelijk tnrire en gerst, in
Schotland haver en in Ierland aardappelen. Echter
is de tarweoogst op verre na niet voldoende
voor de behoefte des lands, zoodat groote hoe-
veelheden tarwe moeten worden ingevoerd. Ver-
der verbouwt men hop (voor de brouwerijen, in
Kent, Surrey en Sussex), ooft (in het Z. en Z.-W.),
veel groen\'en en vlas. Het verbouwen van tabak
is verboden oin de hooge invoerrechten op ta-
bak niet te benadeelen.
In de Schotsche hooglanden zijn groote opper-
vlakten met wouden bedekt.
De veeteelt heeft in Groot-Britannië een hooge
ontwikkeling bereikt en neemt nog voortdurend
toe in beteekenis. In 1892 telde het Rijk 2,1 mill.
paarden, 11,5 mill. stuks rundvee, 33,6 mill.
schapen en geiten, en 3,3 mill. varkens. Geiten
worden vooral in Schotland en Wales, varkens
in Ierland gehouden. De Engelsche renpaarden,
de Alderney-koeien der Kanal-eilanden en de
Southdown-schapen zijn beroemd.
Zooals de landbouw in Groot-Britannië lijdt
onder den invoer van goedkoope granen, wordt
ook de veeteelt benadeeld door den invoer van
goedkoop slachtvee en geslacht vee.
Bosschen. Men rekent, dat in Groot-Britannië
slechts ongeveer 3,6 pet. der oppervlakte met
bosch bedekt is. Groote wouden vindt men er
niet meer; de groote, zoogenaamde „DeerForests"
op het Schotsche Hoogland zijn slechts uitge-
strekte heiden met nauwelijks een enkelen boom.
De tegenwoordig bestaande wouden zijn aan-
plantingen van den nieuwsten tijd. Toch levert in
verhouding tot de kleine bosch-oppervlakte Enge-
land nog meer timmerhout dan men zoude ver-
wachten. Vooral den Engelschen eiken wordt bij de
scheepsbouw nog de voorkeur gegeven boven
die van het buitenland. Evenwel de grootste
hoeveelheid hout moet ingevoerd worden; in
1892 bedroeg die invoer totaal een bedrag van
17,18 mill. pond sterling.
De zeevisscherij heeft voor Groot-Britannië
een groote beteekenis. Het belangrijkst is\' de
haringvangst (Yarmouth in Engeland en Wiek
in Schotland). Kabeljauw wordt op Doggers-
bank en bij New-Foundland gevangen, oesters
vindt men in de Theems-bocht, en de icalvisch-
vaart
wordt van Dundee uit gedreven.
Bergbouw. De bodem bezit niet veel edele
metalen doch is rijk aan nuttige delfstoffen. In de
eerste plaat3 noemen wij de steenkolen. De
steenkolenlagen beslaan een oppervlakte van
meer dan 18000 K.M2. De uitgebreidste beddingen
bezit Engeland (72 %), waar ook de oudste, in 1252
geopende mijn van New-Castle gevonden wordt.
27 pet. wordt in Schotland en 1 pet. in Ierland
gevonden). Ongeveer 526700 arbeiders zijn in
de kolenmijnen werkzaam. Naar de kolenopbrengst
staat het Britsche rijk aan de spits van de
Europeesche landen (in 1891: 188,4 mill. ton).
Ongeveer 90 pet. der kolen wordt in het land
zelf verbruikt; de uitvoer van de rest der ko-
len is zeer belangrijk voor de scheepvaart. De
belangrijkste havens voor den kolenuitvoer zijn
de volgende: Cardi/J\' (9,67), Ncwcastle (4,51),
North-Shields (2,32) \'en Newport (1,78 mill. ton).
Verder voerden kolen uit: Sunderland, Kirkcaldg,
Huil, Swanaea, Grangemouth, Ulasgow, Great-
Grimsby
en Liverpool.
-ocr page 169-
161
HANDELS-AARDRI.TKSKUNDE.
Op de steenkolen volgt het ijzer. In de laatste
jaren echter is Groot-Britannië daarin door
Amerika overtroffen. Al vroeg begon het delven
van ijzererts in dit land; reeds onder Willem
den Veroveraar (1066—1087) is er sprake van
ijzermijnen. De groote productie van ijzer ving
echter eerst, ann, toen men geleerd had het erts
met behulp van steenkolen te smelten. Dat men
het ijzer in dezelfde streken vindt als de kolen,
is voor den bloei der ijzerindustrie van veel be-
lang. In 1891 bedroeg de productie van ruw
ijzer 17,5 mill. ton.
Verder levert de bodem lood (in 1891: 43859
ton), tinerts in Cornwall (14488 ton), zinkerts
(22216 ton), kopererts (8836 ton in 1891). De
opbrengst van graphiet uit de bekende mijnen
van Borrowdale in Cumberland heeft zeer af-
genomen.
Nijverheid. De Britsche industrie is beguns-
tigd door den rijkdom des lands aan mineralen,
bovenal door de steenkool, de beweegkracht van
den modernen tijd, alsmede door de vindingrijkheid
en ondernemingsgeest der bewoners, en door
den geinakkelijken afzet der artikelen in alle
werelddeelen. De Britsche arbeider is flink, en
overtreft in arbeidsvermogen en handigheid over
\'t geheel dien van het vasteland.
De text iel-i nluxtr ie is verreweg het belang-
rijkst. De uitvoer van textielfabrikaten en garens
maakt bijna de helft der waarde van den totaal-
uitvoer uit. Niet minder dan voor een waarde
van 170 mill. L wordt hiervan geproduceerd.
Een overzicht over de textiel-industrie levert
de volgende statistiek voor 1890.
vooral bekend: fijn laken (broadcloth) in Leeds,
Manchester, Halifax, Huddersfield en Bradford;
jianel in Halifax en Rochdale; wollen dekens in
Witney en Dewsbury; de beroemde Schotsche
Tweeds
in Aberdeen, Galashiels en Hawick.
In de vlas- en linnennijverheid staan Schotland
en Ierland bovenaan. Van de jidefabrieken zijn
er meer dan 100 in Schotland.
De fabrikatie van machines en metalen artikelen
volgt in beteekenis op de textielnijverheid. De
groote machinefabrieken vindt men hoofdzakelijk
in de steden: Manchester, Leeds, Sheffield, Bir-
mingham, New-Castle en Glasgow. Zwaar ge-
schut wordt in New-Castle gegoten.
Smeedijzer en staal wordt het meest bewerkt
in Zuid Wales, in het district Sheffield, en in het
N. van Yorkshire. Messen, snijartikelen en
klingen fabriceert Sheffield. Birmingham heeft
een groote verscheidenheid van ijzeren voort-
brengselen, terwijl hier tevens de messing; brons-
en koper-industrie inheemsch is. De bouw van
ijzeren schepen heeft hoofdzakelijk plaats aan
de Tyne (New-Castle, Shields) en de Clyde
(Glasgow, Greenock), alsmede in alle groote ha-
vensteden.
Het hoofddistrict van pottenbakkersartikelen is
„Stoke upon Trent". Buitendien wordt in Wor-
cester en Londen porcelein gefabriceerd. Glas-
industrie
vindt men in Londen, Birmingham,
New-Castle en Sunderland; hoofdzakelijk wordt
geleverd : spiegelglas, tafelglas en flintglas. Leder
wordt in Londen, Bristol, Perth en Limmerick
bewerkt. Belangrijk is verder nog de papier-
fabrikatie
(Kent), de bierbrouwerij, die ook voor
den uitvoer levert, de brandewijnstokerij enz.
Handel en verkeer. Een nauwkeurige be-
rekening van den handel in dezen handelsstaat
bij uitnemendheid te maken is niet mogelijk,
bovenal niet van den binnenlandschen handel. Wat
den laatsten betreft wijzen wij nog op het drukke
handelsverkeer, dat van Ierland uit naar Enge-
land plaats heeft, vooral de aanvoer van
levensbehoeften, als boter, eieren, kaas, vee en
koren, die voornamelijk te Liverpool worden
aangebracht.
De buitenlandsche handel heeft een omvang
als van geen staat der aarde. Groot-Britannië
behoort tot de vrijhandelsstaten; de eenige arti-
kelen, welke aan invoerrechten onderworpen
worden, zijn: chicorei, cacao, koffie, gedroogde
vruchten, brandewijn, thee, tabak en wijn.
De buitenlandscho handel is in een halve
eeuw verbazend toegenomen. Van 1841—1850
bedroeg de gemiddelde uitvoer per jaar 75
mill. £, in 1892: 291,4 mill. £. Van de uitvoer-
waarde in 1892 behoort 227,06 mill. k tot de
Britsche en 644 mill. £ tot de buitenlandsche en
koloniale producten.
Het volgend overzicht leert ons den invoer
Aan tril
bedryvcti.
Aantal
•pindela.
Aantal arbeiders.
Mannen. ] Vrouwen.
Engeland
en Wales
Schotland
Ierland
6180
747
263
50211216
2 413 735
1016111
357 84S
40 386
23 848
500 404
108 205
47 !\'40
858 252
154 591
71788
Totaal
7190
53641062
42S 082
656 549
1084 631
Er bestaan 2538 katoenfabrieken, 1793 fabrie-
ken van wollen stoffen, 125 voor kunstwol, 753
voor wollen garens, 357 voor vlas, 105 voor
hennep, 116 voor jute, 24 voor vezels van kokos-
noten, 623 voor zijde, 403 voor kant, 257 voor
kousen. De belangrijkste fabriekssteden voor
de katoennijverheid zijn : Manchester, Blackburn,
Preston, Ashton under Lyne, Stalybridge, Bolton,
Rochdale, Middleton, Heywood en Stockport.
In het graafschap Lancasliire, waar de katoen-
industrie het meest vertegenwoordigd is, vindt
men 615719 weefstoelen.
De wolindustrie heeft haar centrum hoofdza-
kelijk in Yorkshire en in het westen. Hoofd-
plaatsen hiervan zijn : Bradford-on-Avon, Frome,
Stroud, doch vooral Manchester, Leeds, Hudders-
field en Halifax. De volgende fabrikaten zijn
-ocr page 170-
162
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
en den uitvoer voor 1892 kennen. Bij den uit-
voer zijn alleen de Britsche producten gerekend.
Invoer
in 1892.
Landen.
32,25
30,44
14,65
5,69
4,86
0,83
1,95
3,96
0,94
1,17
1,85
0,10
0,23
0,75
108,10
43,50
25,71
28,81
16,99
15,10
11,24
3,59
3,50
3,28
10,52
8,22
6,56
4,53
8,40
3,43
2,97
3,87
0,80
3,57
1,55
1,82
1,23
1,57
1,29
Indië........
Australië......
Br. Noord-Amerika. . .
Br. Zuid-Afrika . . . .
Straits-Settlements . . .
Hongkong ......
Britsch YVest-Indië. . .
Ceylon.......
Britsch Guyana . . . .
Kanaal-eilanden . . . .
Br. West-Afrika . . . .
Malta........
Mauritius......
Andere Britsche Bezitt. .
Vereen. Staten van N.-A.
Frankrijk......
Duitschland.....
Nederland......
België.......
Rusland.......
Spanje.......
China........
Brazilië.......
Italië........
Egypte.......
Zweden.......
Turkije.......
Argentinië......
Denemarken.....
Portugal.......
Rumenië.......
Chili en Bolivia ....
Japan........
Noorwegen......
Java........
Griekenland.....
Oostenrijk-Hongarijë . .
Peru........
Centraal-Amerika. . . .
Waarde in
Pond Sterl.
Invoer.
Slachtvee . . . .
Voedingsmiddelen 1).
Voedingsmiddelen 2).
Tabak .....
Metalen.....
Chemikaliën . . .
Olie......
Ruwe weefstoffen
Andere ruwe stoffen
Fabrikaten ....
Verschillende waren.
Postpaketten . .
Totaal . . .
9 360
149 115
26 411
3 574
21 093
7 707
7 076
77 631
40 977
65 440
14 968
535
123892178
Waarde in
Pond Sterl.
Uitvoer.
696 540
Voedingsmiddelen.....
10 427 066
19 328 935
100 065 975
Metalen en metaalwaren .
33 057 739
14 798 716
Kleedingstukken......
10 419 142
Chemikaliën, artsenijen
8 587 506
Andere fabrikaten en halffabr.
28 676 725
1 001 880
Totaal.......
227 060 224
Bij den invoer staan aldus de voedingsmid-
delen, bij den uitvoer de artikelen der textiel-
en ijzerindustrie bovenaan. Als voedings-
middelen werden in 1892 ingevoerd 839181)8
tonnen graan en meel. Hiervan komt voor de
tarwe 1693 mill. K.G. uit de Vereenigde Staten
van Noord-Amerika, 721 mill. K.G. uit Indië,
253 mill. K.G. uit Rusland, en het verdere uit
Canada, Chili, Australië, Rumenië en Turkije.
Thee werd ingevoerd 108552000 K.C waarvan
25 pet. uit China en Honkong komt, 45 pet. uit
Indië en 25 pet. van Ceylon.
Het volgend overzicht leert ons het aandeel
der verschillende landen in den Britschen han-
del kennen, in millioen pond sterling.
De totaal-invoer uit de Britsche Bezittingen
en Koloniën bedroeg in 1892 een waarde van
97,81 mill. £, de uitvoer naar de bezittingen
74,58 mill. £.
De „Chambers of Commerce" of handels-
kamers, die men in alle groote steden vindt,
dienen om den handel en de nijverheid te be-
vorderen. Zij geven jaarlijks verslagen uit van
den handel en wat daarop betrekking heeft.
Scheepvaart. De Britsche handelsvloot is verre-
weg de grootste der aarde. De Britsche vloot heeft
meer dan zesmaal zooveel scheepsruimte als de
Duitsche, meer dan achtmaal zooveel als de Fran-
sche vloot en als die der Vereenigde Staten van
Noord-Amerika. Als men slechts de schepen
\') Vrij van invoerrechten.
2) Aan invoerrechten onderworpen.
-ocr page 171-
1G3
HANDELS-AARDRI.TKSKUNDE.
Behalve dit eigenlijk buitenlandsch verkeer
is ook de kustvaart zeer belangrijk.
In 1892 liepen in Groot-Britannië 468 Nederl.
geladen stoomschepen en 338 geladen zeilschepen
binnen, benevens nog 112 schepen met ballast.
§ 127. Plaatsbeschrijving. Londen (4211000
inw.1) in het eigenlijke Londen, 563300 alspolitie-
district) is de hoof\'d- en residentiestad, aan beide
zijden der Theems gebouwd, die als haven dient.
Londen is de eerste haven van het koninkrijk,
het centrum voor den handel van Groot-Britannië,
of liever van den wereldhandel. Invoer van
thee, koffie, peper, indigo, wol, zijde, cacao,
huiden, petroleum enz. enz. Handel met China,
Japan, Oost- en West-Indië, Australië, Amerika,
geheel Europa, enz. enz. Groote Bank- en
Beurzenstad. Uitgebreide industrie.
Beteekenis en ontwikkeling van Londen.
Londen, de belangrijkste stad voor den zeehan-
del, bezit geen door de natuur gevormde
haven, ligt zelfs niet eens aan de zee, maar
ontwikkelde zich aan een rivier op eenigen
afstand van de zee. Toch kan met recht
gezegd worden, dat de geographisch gunstige
ligging van dit punt een belangrijke factor was
voor de ontwikkeling van Londen, waardoor deze
plaats in den loop der eeuwen tot een stad van
de tegenwoordige grootte is uitgebreid. Londen
toch is langs de Theems voor schepen van alle
grootte van de zee uit te bereiken ; het ligt
nabij de kusten van N.-W. en West-Europa,
aan den grooten en druk bevaren waterweg van
het Kanaal, en aan den weg, die van den Oceaan
naar de noordelijke wateren en de Oostzee voert.
Daarenboven werd Londen wegens zijn ligging
in het zuid-oosten van het Britsche eiland, en
als gevolg van zijn maritieme toegankelijkheid,
de hoofdstad van het Britsche Rijk. De Britsche
vorsten toch, wier belangen in de middeleeuwen
mede op het vasteland (Frankrijk) lagen, had-
den behoefte aan een dergelijk vast punt, om
van hieruit hun rechten aan beide zijden van het
Kanaal te doen eerbiedigen.
De vestiging van een centrum van bewoners
op de plaats van het tegenwoordige Londen is
ouder dan de geschiedenis, en in oorsprong
niet met zekerheid na te gaan. Reeds in de
10de eeuw had die stad een aanzienlijke betee-
kenis. Steeds gold Londen voor het centrum
des lands, en met de ontwikkeling van Engeland
als eerste handelsstaat en zeemogendheid nam
de beteekenis van Londen evenredig daaraan
toe. Aldus had in het begin der 18de eeuw
Londen reeds ruim 700000 inwoners, een voor
dien tijd ongekend getal. En gedurende de
18de eeuw werd met de toenemende wereld-
beteekenis van het Britsche Rijk dit aantal
van 100 tonnen en meer rekent, bedraagt het
aantal tonnen inhoud der koopvaardijvloot, de
schepen in de koloniën er hij begrepen, onge-
veer l21/2 mill. tonnen, d. i. ongeveer de helft
van de tonnenhoeveelheid van alle handelssehe-
pen der aarde. Hoewel het aantal schepen af-
neemt, wordt toch het tonnen-aantal grooter.
Voor den buitenlandschen handel liepen in
1891 61380 schepen, met 3(i,8 mill. tonnen, de
Britsche havens binnen, en C2202 schepen met 37,9
mill. tonnen liepen uit.Aan het totaal verkeer (in- en
uitloopen) namen niet-Britsche vlaggen voor 20,8
mill. tonnen deel.
Het aandeel der belangrijkste volken in die
scheepvaart was als volgt:
Landen.
Tonnen.
5 045 538
4 400 479
1 943 854
1 889 871
1 851 100
1 762 705
1 223 323
952 263
503 788
476 722
306 044
133 941
Noorwegen
Duitschland
Nederland.
Denemarken
Frankrijk.
Zweden .
Spanje
België. .
Rusland .
Italië . .
Vereenigde Staten
Oostenrij k-Hongarije
De belangrijkste zeehavens en haar aandeel
in het scheepsverkeer laten wij ten slotte vol-
gen in een statistisch overzicht.
Verkeer in
1000 tonnen.
Havens.
13 425
11087
9 386
5 283
3 813
3 592
2 657
1837
1751
1716
1445
1369
1356
1349
1888
830
771
438
403
243
131
Londen ......
Liverpool......
Cardiff......
New-Castle.....
Huil.......
North- en South-Shields.
Glasgow......
Newport......
Southampton . . . .
Sunderland.....
Leith.......
Swansea......
Great-Grimsby. • . .
Middlesbrough. . . .
Grangemouth . . . .
Bristol.......
Hartlepool.....
Greenock......
Dundee......
Belfast ....*..
Cork .
\') Het aantal inwoners bij de onderscheidene steden
geldt voor 1891.
-ocr page 172-
164                                                                HANDËLS-AAl
aanzienlijk vermeerderd. Toch bedroeg het getal
inwoners in 1800 nog slechts 900000, zoodat het
sedert ruim zes maal zoo groot geworden is.
Het tegenwoordige Londen is een buitenge-
wone complex van huizen aan beide oevers van
de Theems gelegen. Het zwaartepunt der stad
ligt op den iinker oever; daar ontwikkelde zich
ook het oude Londen, dat zijn vroegere grenzen
overschreed, en eindelijk de rivier-opwaarts ge-
legen stad West-Minster in zich opnam. Bij de
uitbreiding werd als van zelf ook de noorde-
lijke oever in beslag genomen; het doel der
stad toch noodzaakte de oevers zooveel mogelijk
te exploiteeren. Doch hierbij ontstond een eigen-
aardig verschijnsel, dat voor Londen karakteristiek
kan genoemd worden. Hoe grooter de stad werd,
en hoe intensiever het handelsleven er zich ont-
wikkelde, des te sterker werd een zekere cen-
trifugale beweging der bevolking. Het oude
Londen viel tamelijk wel samen met de City-
van tegenwoordig. Daar ligt het hart der stad.
Doch de bevolking verliet de City langzamer-
hand als woonplaats; de City werd behouden
tot het doen van zaken enz., terwijl meer en
meer de bewoners naar buiten trokken. Zoo is
tegenwoordig de City alleen aan het doen van
zaken overgelaten. In de City woont en leeft
men niet, er wordt gearbeid. En zoo verkreeg
Londen een stadskwartier, in omvaDg een ge-
heele stad overtreffend, waar zich des nachts
enkel de bewakers en dienaren der veiligheid
ophouden, en waar overdag het drukke kan-
toorleven gevonden wordt.
In het westen, de rivier op, werden nieuwe
woningen gebouwd. Daar was de gelegenheid
tot wonen gunstiger; daar werd de lucht niet
veronaangenaamd door de stadsdampen4). Zoo
ontstond het gedeelte, dat „West End" heet.
Wij mogen om der plaatsruimte wille niet
langer bij de geschiedenis der ontwikkeling van
Londen stilstaan. Waren wij hierdoor niet ge-
bonden, dan zouden wij gaarne de onderschei-
dene deelen in hun wording en beteekenis na-
der beschouwd hebben. En vooral zouden wij
dan voor ons doel verder hebben stil gestaan
bij de grootsche handels-inrichtingen, de reus-
achtige dokken en de magazijnen, waar de han-
delsartikelen van alle deelen der aarde worden
opgestapeld. Londen toch is de hoofdmarkt
voor vele koloniale artikelen en buitenlandsche
produkten, als wol, thee, koffie, peper, kaneel,
indigo, cacao, rozijnen, jute, tin, huiden, pelsen,
ivoor, edelgesteenten, petroleum, spiritualiën enz.
RIJKSKUNDE.
Alleen in enkele artikelen als katoen, rijst en
tabak, staat Londen bij Liverpool achter. Hoewel
Londen bovenal handelsstad is, heeft het toch
ook een hoog ontwikkelde industrie, en staat in
enkele takken zelfs bovenaan.
De inachinenfabrikatie alleen houdt bijna 18000
menschen bezig, in de meubelfabrieken werken
wel 22000 werklieden, en in de industrie der
kleederconfectie wel 71800 personen. Verder telt
Londen meer dan 170 bierbrouwerijen.
Nabij Londen liggen: Greenwich (165000),
sterrenwacht, nautische inrichtingen, en Wool-
wich
(107000), met arsenaal, die beide tot Lon-
den gerekend worden. — Tottenham (71000),
pottenbakkerij. — Gravesend, a. d. Theems,
groentebouw, visscherij. — Chattam (82000),
haven, zeearsenaal. — Canterbury (32000),
Aartsbisschop primaat. Gothische kathedraal, hop-
handel. — Brighton (115000), haven, zeevaart,
beroemd zeebad. — Portsmouth (159000), oor-
logshaven, de grootste magazijnen en scheeps-
werven. — Southampton (65000), haven, han-
del, scheepsbouw. Uitgangspunt van overzeesche
poststoomschepen en van verschillende stoom-
vaartlijnen. — Plymouth (48000), haven, stoom-
bootverkeer met de koloniën, en Devonport
(55000), zeearsenaal, scheepswerven, dokken. —
Bristol, a. d. Avon (230000), vierde zeehaven
van Engeland, handel op West-Indië. — Bath
(52000), minerale bronnen, papier. — Oxford
(46000), universiteit. — Norwich (101000), a. d.
Yare; sedert de immigratie van Vlaamsche la-
kenwevers een drukke wolindustrie; shawls. De
haven is Great-Yarmouth (49000). — Leicester
(150000), wolindustrie. — Derby (100000), zijde-
spinnerijen. — Nottingham (238000), middel-
punt der kantindustrie, kousen. — Sheffield
(324000), de beste Engelsche ijzer- en staalwa-
ren. — Leeds (368000), hoofdzetel der wolfa-
brieken; fijne lakens. — Bradford (325000),
spinnerij van wollen garens. — Huil (Kingston
upon Huil) (208000), hoofdzetel van den handel
naar de Oostzee. — Sunderland (134000), a. d.
Wear, met de voorsteden aan den Wearmond
één stad vormend. Kolenuitvoer. Scheepsbouw
op groote schaal. — New-Castle upon Tyne
(186000) kolenhandel, kolenmijnen. — Man-
chester
(505000), vormt met Salford (198000)
een stad van 703000 inw. Een wereldstad voor
de katoenindustrie, zijde- en metaalnijverheid.
Vooral fabrikatie van locomotieven. Door een
zeekanaal is het met Liverpool verbonden. —
Liverpool (518000, met de voorsteden 698000
inw). Tweede haven van Engeland. Hoofdplaats
voor den invoer van katoen en den uitvoer van
katoenen artikelen, alsmede van andere produc-
ten der nijverheid. Vooral handel met Amerika
en West-Afrika. Overtocht naar Ierland. De
belangrijkste haven voor landverhuizers. —Bir-
kenhead
(99000), a. d. Mersey; groote haven.—
\') Dit is een gevolg vau de lieerschende westen-
winden. Opmerkzaamheid verdient het, dat de aanbouw
van stadsgedeell en voor de aanzienlijken in Engelanl om
die reden steeds geschiedde aan de westzijde, terwijl
naar de oostzijde meer de stadsgedeelten der arbeiders
gevonden worden.
-ocr page 173-
HA.NDELS-AARDRIJKSKUNDE.                                                         165
Stoke upon Trent (24000), in een kolendisti iet;
hoofdplaats voor pottenbakkerij. — Wolver-
hampton
(83000), ijzerwaren. — Birmingham
(455000), een der grootste fabriekssteden ; mes-
sen, brons, ijzer, glas.
Oppervl.
in K.M.2
Bevolking
in duizend-
tallen.
I. Azië.
1.
Keizerrijk Indië . . .
4 853 161
290 975
a.
Daarvan onmiddellijk
2 504 100
221 252
b.
Daar>an middellijk .
2 349 001
69 723
2.
63 976
3 998
3 008
3.
Straits Settlements
507
4.
79
221
5.
9 601
209
6.
Verder in Azië .
294 872
1202
Totaal
5 225687
296 122
II. Afrika.
1.
Nigergebied ....
678 000
17 500
2.
Britsen Oost-Afrika .
1 212 000
6 500
3.
Kaapkolonie (met Wal-
visch baai) ....
576 050
1527
4.
Natal en Zululand . .
68 150
686
5.
Basutoland, Britsch
Beetschuanen land,
Zambezigebied en
Njassaland ....
1 819 880
1629
6.
Zanzibar en Pemba. .
2 550
165
7.
Noordelijke Soinalikust.
103 600
200
8.
Gambia, Sierra Leone,
Lagos......
117 728
1710
9.
Eilanden in den Indi-
schen en Atl. Oceaan.
Totaal . .
III. Amerika.
6 609
4 584 567
---_
413
30 330
1.
Dominion of Canada
(met Arkt. eil.) . .
8 767 700
4 834
2.
New-Foundland . . .
421 470
202
3.
Britsch Middel-Amerika
(en West-Ind.) . .
55 974
1398
4.
Britsch Guyana . . .
229 600
285
5.
Bermudas-eilanden . .
12 582
17
Totaal . .
IV. Australië.
9 487 326
6 736
1.
Het vasteland met Tas-
manië......
7 696 231
3 239
2.
Nieuw-Zeeland . . .
270 567
704
3.
Britsch Nieuw Guinea.
229 102
489
4.
20 837
121
5.
De overige Britsehe be-
zittingen.....
1608
8 218 345
45
Totaal . .
4 598
In het vorstendom Wales.
(49000), groote ijzerwerken. -
Merthyr Tydfil
- Oardiff (129000)
uitvoer van kolen en ijzer.
In het koninkrijk Schotland. Edinburgh (264000),
hoofdstad, boekdrakkerij. — Leith (69000) ha-
ven van Edinburgh, handel naar Noord-Europa,
Australië, Azië en NoorJ-Amerika. — Glasgow
(685000) a. d. Clyde, hoofd- handels- en fabrieks-
plaats des Lnds. Katoen- en ijzerfabrieken en
ijzerhandel. — Dundee (154000), haven met drie
dokken; eerste plaats van den binnenhandel.
Walvischvangst. — Aberdeen (120000). haven,
linnenindustrie, zeehandel, visscherij. — Inver-
ness
(21000), haven, vreemdelingenverkeer.
Het koninkrijk Ierland. Dublin (245000, met
de voorsteden 311000 inw.), hoofdstad, haven,
universiteit. Brouwerijen, brandewijnstokerijen,
machine-fabrikatie. De voorhaven is Kingstown
(17000 inw). — Belfast (256000), haven. Be-
langrijkste fabriek" en handelsstad van Ierland.
Linnen- katoen- en andere fabrieken. — Cork
(75000) haven. Uitvoer van vee, vleesch en boter.
— Limerick (37000) aan de Shannon, haven.
Uitvoer van vee. —Londonderry (33000) haven,
linnen-industrie.
De Kanaal-eilanden. De Kanaal-eilanden zijn
de laatste overblijfselen der eens zoo groote be-
zittingen van Engeland in Frankrijk. Voor den
smokkelhandel zijn zij gunstig gelegen. Jersei/,
met St. Heiier (28000) en Ouermey met St.
Peter Port
(17000 inw.)
§ 128. De Britsehe koloniën. Groot-Britannië
is de grootste koloniale mogendheid. Volgens de
officieele opgave van 1892 hebben de Britsehe
koloniën en bezittingen te zamen een oppervlakte
van 25,5 mill. K.M\'2, met 314 mill. inw. Die
uitgebreidheid der Britsehe bezittingen heeft ten
gevolge, dat de Eugelsche taal wereldtaal is
geworden, en dat de Britsehe handel zich op
grooter schaal dan bij eenige natie kon ont-
wikkelen.
Eerst in het begin der 17de eeuw begon En-
geland als koloniale mogendheid op te treden.
De eerste koloniën verwierf het in Oost-Indië,
waar in 1602 de Britsch Oost-Indische Com-
pagnie, van een koninklijk charter voorzien,
nederzettingen grondvestte. Vervolgens breidde
Engeland het koloniaal gezag in alle wereld-
deelen uit.
Wij
geven hieronder een overzicht van de
Britsehe bezittingen en koloniën buiten Europa.
De Britsehe koloniën kunnen in vier klassen
onderscheiden worden: I. in die, waar de door
de kroon benoemde gouverneur alle macht in
zich vereenigt, de zoogen. Crown-colonies (als
-ocr page 174-
166
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
bijv. Gibraltar, St. Helena). II. die, waar de
gouverneur door een benoemde uitvoerende en
wetgevende macht wordt bijgestaan (als : Britsch
Nieuw-Guinea, Ceylon, de Fidschi-eilanden,
Straits-Settlements); ook deze noemt men Crown-
colonies.
III. koloniën, waar de wetgevende macht
gedeeltelijk door de keuze van de bewoners
wordt samengesteld, terwijl ook de uitvoerende
macht door de kroon benoemd wordt, of door
den gouverneur. Hiertoe bekooren eenige West-
Indische koloniën, verder Mauritius, Malta en
Natal. Eindelijk ten IVC" koloniën, in welke enkel
de gouverneur door de kroon benoemd wordt, ter-
wijl de kolonie overigens wetten en vertegen-
woordiging heeft als in Engeland. Hiertoe be-
hooren: de Australische koloniën, New-Found-
land, Kaapkolonie, en de Bondsstaat der Domi-
nion of Canada.
De regeling der verhouding van de koloniën
tot het moederland is een der ernstigste en veel
besproken vraagpunten in het Britsche Rijk.
tol. De Groote Belt baart door de zandbanken
en de kronkelingen van het vaarwater meer moei-
lijkheid aan de scheepvaart, en de Kleine Belt
wordt wegens de snelle stroomingen weinig
gebruikt.
Het klimaat des lands is een echt zeeklimaat;
de gemiddelde temperatuur bedraagt 7Ü O. West-
Jutland heeft 670, en Kopenhagen 587 m.M. regen.
De Denen zijn Germaansch van afkomst (Go-
thisch), doch er bestaat nog eenig verschil tus-
schen de eilandbewoners en de Juten. Ongeveer
66 °/0 bewoont het platteland en 34 % woont
in de steden. De Luthersche godsdienst is meest
voorkomend, en ook de koning moet deze belij-
den. Denemarken is een constitutioneele monar-
chie. De rijksdag bestaat uit de bolkethiwj met
102, en de Landsthing met 66 leden.
Landbouw en veeteelt. De oppervlakte
des lands wordt voor 80 pet. door landbouw
en veeteelt in gebruik genomen, waarvan 34 pet.
bouwland en 41 pet. grasland vormt, terwijl
5 pet. met bosch bedekt is. Van de 1000 be-
woners leven gemiddeld 469 uitsluitend van den
landbouw. Ook in de kleine steden vormt de
landbouw het hoofdmiddel van bestaan. Daaren-
boven is de veeteelt zeer aanzienlijk. In 1888 vond
men er 375533 paarden, 1459527 stuks rundvee,
1225196 schapen en 770785 varkens. De veeteelt
levert voor den uitvoer: in 1890 werden uit-
gevoerd: 16217 paarden, 139522 stuks rundvee,
72171 geiten en schapen en 111028 varkens.
De zuivelprodukten vormen een belangrijk
artikel van uitvoer (Deensche boter).
Nijverheid. De nijverheid is niet van inter-
nationale beteekenis. Er bestaan 113 branderijen,
waarvan 35 in Kopenhagen. Overigens kan men
zeggen, dat de nijverheid hoofdzakelijk in de
hoofdstad gevestigd is. De visscherij houdt
1 pet. der bevolking bezig.
Handel. Aan de westkust van Jutland, de
ijzeren kust, ontbreken de havens, en die aan de
oostkust zijn over \'t geheel te ondiep voor groote
schepen. De haven van Kopenhagen is de beste
des lands. De invoer en uitvoer der verschil-
lende produkten des lands leert men uit het
volgend overzicht kennen, in procenten van het
geheel voor 1889:
Het koninkrijk Denemarken.
(38279 K.M". — 2172380 luw. — 57 Bewoners per K.M*.)
§ 129. Algemeen overzicht van land en
volk, van handel en verkeer enz. Denemarken
vormt het noordelijk gedeelte van het Noord-
Germaansche langland, hetwelk zich als een
schiereiland naar het noorden voortzet.
De Noord-Duitsche landrug van Sleeswijk-
Holstein zet zich midden door Denemarken voort.
De aardlagen aan de oppervlakte op de oostelijke
aflielling van Jutland worden voor een groot ge-
deelte gevormd door het gletscherleem, dat in
den ijstijd hier is nedergelegd, en bestaan
aldus uit een vruchtbaren grond, goed geschikt
voor den landbouw. Het W. en Z. van Jutland
bestaat uit schrale zandgronden, voor groote
gedeelten met heide bedekt. Langs de Noordzee
liggen duinen en achter deze in enkele oasen
vindt men nog kleigrond. Groote rivieren kon-
den zich op dit schiereiland niet ontwikkelen.
Van de oppervlakte des lands, die 38279 K.M2.
bedraagt, ligt 13037 K. M2. in eilanden, die door
onderscheidene zeestraten gescheiden worden. De
belangrijkste eilanden zijn: Seeland, Fiinen, Laa-
land, Lamjeland, Möen
en Bornholm. De Sont,
een diep vaarwater, scheidt Seeland van zuide-
lijk Zweden; de Groote Belt ligt tusschen See-
land en Fünen, en de Kleine Belt tusschen Fiinen
en de kust van Jutland en Sleeswij k. De Sont
wordt van deze wateren het meest bevaren, het
vaarwater ligt aan de kust van Seeland, die bij
de heerschende westenwinden ook de meeste be-
scherming aanbiedt. Daardoor beheerschten de
Denen dit vaarwater steeds, en hieven er van alle
koopvaardijschepen tot 1857 den bekenden Sont-
il
11
Visscherij.
I
II
Produkten v.
d. Bergbouw.
Uitvoer
Invoer
31,4
10,4
11,1
80,8
2,6
3,4
7,2
34,8
5,4
12,9
De waarde der verschillende artikelen van
in- en uitvoer bedroeg in mill. kronen in 1890:
-ocr page 175-
167
HANDELS-AARDBIJKSKUNDE.
Handklswauen.
Invoer.
Uitvoer.
Koloniale waren ....
25,57
7,10
4,22
1,59
5,3
49,16
Varkensvleesch, boter,
eieren, spek, vet . . .
23,86
112,31
31,13
14,53
22,51
2,23
Textielwaren.....
38,48
4,94
Hout en houten artikelen .
18,74
2,99
Metalen en metaalwaren .
28,79
5,13
dons. Eeykjavik (3900) is de hoofdplaats, met
een haven.
Buiten Europa bezit Denemarken nog : Groen-
land
en de West-Indische eilanden: St. Thomas,
St. Croix
en St. John.
Skaninavië.
Zweden: 450574 K.M». — 47S5000. luw. —
Gemiddeld 10,7 bewoners per K.M\'2.
Noorweoen: 322594 KM» —" 19S9000 luw. —
Gemiddeld 6,2 bewoner per K.M2
§ 131. Ligging en natuurlijke gesteldheid
des lands. Skandinavië, of juister Skadmavië,
is het grootste schiereiland van Europa. Hoewel
met het vasteland verbonden, ligt die verbinding
in een klimatisch zoo ongunstig gedeelte, dat
het verkeer met het overige Europa over zee
moet geschieden.
Skandinavië ligt tusschen 551/.2° en 71° NB.
(Noordkaap). Aan drie zijden door zeeën inge-
sloten, is de kustlengte reeds zeer groot. Die
kustlengte wordt nog zeer vergroot door de
talrijke inhammen der fjorden, die overal van het
westen in het land doordringen, en welker rots-
tongen zich in eilandengroepen oplossen. (Lo-
foden, Veiteraalen
enz.). De invloed van die kust-
ontwikkeling had ten gevolge, dat de oude be-
woners zich tot koene zeelieden vormden.
Evenwel, door het barre hoogland, waarin de
fjorden zijn ingesneden, is de toegang tot het
binnenland zeer moeilijk, zoodat zij voor den
handel niet de waarde hebben, welke men er aan
zou kunnen hechten. Eenige bekende fjorden zijn :
de Christiania fjord, de Hardanger fjord, de
Sognefjord, de Drontheimerfjord.
Het oostelijk gedeelte van Skandinavië is
rijk aan rivieren. De grootste rivier is de Klara-
elf,
die, als zij uit het Wener meer te voorschijn
komt, Gotha-elf heet. De Trolhiitta-watervallen
worden door het Trolhiitta-kanaal omgegaan.
Verder nog de Dal-elf, de Angerman-elf, de
Umea-elf en de Tornea, de grensrivier van Rus-
land. De meeste dezer rivieren hebben hoofdzake-
lijk waarde voor den afvoer van houtvlotten, ter-
wijl het stroomend water beweegkracht levert
voor de industrie. Bij het gebrek aan steenko-
len is dit niet onbelangrijk.
Skandinavië vormt in het westen een uitge-
strekt bergland, dat steil in den Oceaan afdaalt.
Het is een massaal gebergte, zonder ketenvonn
of kam, dat in zuidelijk Noorwegen uitgestrekte
hoogvlakten vormt, „fjeld" geheeten, die door
diepe dalkloven gescheiden zijn, terwijl zware en
uitgebreide sneeuw- en ijslagen de fjelden bedek-
ken. Men vindt er de ,Hardanger Fjeld, de Doere
Ijeld
e. a. In het N. neemt het gebergte meer
deu ketenvorni aan, en werd daarnaar ook Kjölen
Het handelsverkeer had plaats met de vol-
gende landen, in mill. kronen uitgedrukt volgens
de opgaven voor 1890.
Landen.
Uitvoer.
Invoer.
Duitsehland.....
Groot-Britannië
Zweden en Noorwegen.
Rusland......
Vereenigde St. v. N. A.
Nederland . . . . .
Frankrijk......
België.......
Deensche Koloniën .
58,58
129,47
29,23
2,73
2,17
0,93
2,13
1,11
3,95
99,50
67,56
48,53
27,11
21,34
7,13
6,94
8,49
3,88
De Deensche handelsvloot telde in 1890: 3213
zeilschepen met 189406 tonnen en 330 stoom-
booten met 112788 tonnen inhoud.
§ 130. Plaatsbeschrijving. Op Seeland. Kopen-
hageu,
Deensch: Kjobenhavn = koopmanshaven,
(373ÜU0 inw.) hoofd- en residentiestad, eerste
havenplaats en stapelplaats voor den handel
des lands. Het is de beste oorlogshaven van de
Oostzee. De stad is gelegen op de eilanden See-
land en Amager aan de Sont, die hier 30 K.M.
breed is, en met een smallen zeearm, Kalvebod-
strand,
Seeland van Amager scheidt. Deze zeearm
vormt een uitstekende natuurlijke haven voor de
stad. — Helsingör (11000), aan de noordelijke in-
vaart der Sont, met een haven. Scheepsbouw,
industrie, visscherij. Op Fiinen : Odense (11000),
handschoenfabrikatie. Op Jutland, Fredricia
(10000) noordelijke ingang tot de Kleine Belt.
Vesting. — Aarhuus (33000), scheepvaart, han-
del. — Aalborg (20000), handel in landspro-
dukten.
Tot Denemarken behooren de Füro\'èr (= scha-
peneilanden), een eilandengroep ten N. der Shet-
landseilanden, met schapenteelt, jacht en vis-
scherij. Hoofdplaats is Thorshavn (13000). Ver-
der IJsland, een vulkanisch eiland, nabij den
noordpoolcirkel. Bekend zijn de vulkanen de
Hckla (1550 M. hoog) en de Orüjiikul. Uitvoer
van wol, visschen, traan, zeehondsvellen, eider-
-ocr page 176-
168
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
d. i. scheepskiel, genoemd, hoewel het land er
toch meer een hoogvlakte vormt. Tegenwoordig
noemt men dit gedeelte het Noordlandsche gebergte.
Terwijl het gebergte steil oprijst in het westen
daalt het met langzamer hellingen af naar het
oosten. Aan deze zijde zijn de rivieren ook het
langst. Zweden bestaat voor het grootste ge-
deelte uit terrassen, waarmede het Skandinavisck
gebergte naar de Oostzee afdaalt.
Hot zuidelijk gedeelte van Zweden, ongeveer
van de lijn GelHe—Frederiksstad af, vormt een
golvende laagvlakte, die in het Plateau van Sma-
land de hoogste verheffing heeft.
Klimaat. Het klimaat van westelijk Noor-
wegen is een sterk sprekend zeeklimaat. De
invloed van den Golfstroom in verband met de
heerschende westenwinden veroorzaken veel
regens, doch verzachten ook de wintertemperatuur
op deze breedte. Daardoor heeft de kuststrook
ook een regenrijk, zacht klimaat. Op de hoog-
vlakten van het binnenland is het klimaat ruw
en koud, terwijl zuidelijk Zweden een klimaat
heeft als Denemarken. In het oosten van Zweden
is het klimaat meer continentaal, en daardoor is de
zomertemperatuur er hooger, de winterkoude
strenger.
§ 132. Bevolking. De bevolking bestaat uit de
Germaansche Skandinariërs, terwijl in het noor-
den de Lappen en Finnen, Mongoolsche volks-
stammen, gevonden worden. De laatsten zwier-
ven vroeger rond, maar hebben tegenwoordig
meest vaste woonplaatsen. Misschien zijn er
nog een duizendtal Lappen, die met hun rendier-
kudden rondzwerven.
Skandinavië bestaat uit twee staten: Noor-
ivegen
en Zweden, die sedert 1814 door een
persoonlijken band onder een vorst staan (per-
soneele unie).
De volksdichtheid is, zooals boven aangegeven
werd, zeer gering. In beide staten neemt de
volksdichtheid naar het noorden toe sterk af.
Tot de groote meren toe heeft het zuiden van Zwe-
den gemiddeld nog 20 bewoners per K.M2., ten
noorden daarvan 10 per K.M2., en in groote
gedeelten van het noorden telt het land slechts
1 a 2 bewoners per K.M2. In Noorwegen woont
bijna de geheele bevolking langs de kusten,
met uitzondering van het Z., waar zij ook verder
in het land doordringt. De volksverhuizing uit
beide landen is nog al talrijk; van 1886—1891
emigreerden uit Noorwegen 100000 en uit
Zweden van 1888—1891: 161000 personen.
De koning moet lid zijn van de Luthersche
kerk. In Zweden oefent hij de wetgevende
macht uit met den Rijksdag, die uit twee kamers
bestaat, een Eerste Kamer met 138 en een
Tweede Kamer met 214 leden. In Noorwegen
deelt de koning de wetgevende macht met de
Storthing, uit 114 leden bestaande. De genieen-
schappelijke aangelegenheden van beide staten
worden door een staatsraad, waartoe iedere staat
19 leden kiest, behandeld.
§ 133. Produkten des lands. In Zweden wordt
44,4 pet. der oppervlakte door bosschen inge-
noinen, zoodat het hout een belangrijk produkt
des lands is. Verder dient 8,2 pet. als bouwland
en tuinen, en 4,1 pet. als grasland, terwijl 43,3 pet.
der oppervlakte woest ligt.
In Noorwegen ligt 71,1 pet. der oppervlakte
des lands woest, 24 pet. wordt door wouden
ingenomen, 2,8 pet. door grasland, en 2,1 pet.
door bouwland en tuingrond.
Uit deze opgaven blijkt reeds, dat een groot
gedeelte des lands onproductief ligt. Door de
gebergten, het klimaat en door moerassen wordt
de landbouw zeer beperkt. In Zuid-Zweden
is de landbouw het belangrijkst. Het meest
worden verbouwd: haver, rogge, gersten aard-
appelen. Zweden heeft meer, Noorwegen minder
graanproductie, dan de behoefte bedraagt. Ooft
wordt meer verbouwd in Noorwegen, vlas meer
in Zweden.
Vooral belangrijk is de vischvangst (haring,
kabeljauw) in Noorwegen. De bergbouw levert
vooral ijzererts. Het meeste ijzer wordt in Zweden
gewonnen: Danemora, de Gellivara, de Taberg.
Verder kopererts (Falun, Atvidaberg, Röraas)
zilver (Kongsberg), en lood (Sala). Door het
gemis van steenkolen wordt verhinderd, dat de
ertsen beter geëxploiteerd worden. Alleen in
Zuid-Zweden heeft men eenige steenkolen. Zwe-
den produceerde in 1891: 49100 ton en Noor-
wegen in 1890: 52000 ton ruw ijzer.
§ 134. Nijverheid, handel en verkeer. Het
gemis van steenkolen wordt eenigszins vergoed
door het arbeidsvermogen der stroomende en
vallende wateren, hetwelk ijverig geëxploiteerd
wordt. Doch de nijverheid werkt niet op groote
schaal, en produceert bovenal voor het binnen-
land. Dit is het geval met de katoen-, wol- en
suikerindustrie, met machinefabrikatie, glasfa-
brieken enz. Voor exportatie werken vooral de
ijzer- en staalnijverheid, de plankenzagerij, luci-
fers-fabrieken, en in Noorwegen da fabrikatie
van traan en vischguano.
De belangrijkste artikelen van invoer zijn in
beide landen: textielartikelen, granen, koloniale
iraren, kolen, spinstq/fen
en oliën; bovendien in
Zweden: machines, schepen en wagens; in Noor-
wegen : metalen en metaalwaren. Uitgevoerd wor-
den hoofdzakelijk: hout, visschen, boter, papier,
houtstof
en lucifers; uit Zweden metalen en ertsen,
rundvee, haver
en gerst, en uit Noorwegen hout-
waren, traan, huiden
en melk.
De uitvoer van ijzererts uit Zweden bedroeg
in 1893 484020 ton, tegen 320071 ton in het
vorige jaar. Deze toeneming was een gevolg
van de grootere opbrengst der Gellivara-mijnen.
-ocr page 177-
169
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
stad (12000), houthandel. — Drammen (20000)
uitvoer van hout. — Arendal (4400) ijzererts. —
Stavanger (22000), haringvisscherij en handel. —
Bergen (53000) hoofdplaats van den vischhan-
del. — Drontheim (Trondhjem) (25000), uitvoer
van kopererts; visch- en traanhandel. Van hier
doorsnijden spoorwegen het land: een naar Sunds-
val en een over Röraas naar Christiania —
Röraas, kopermijnen. — Tromsö, op 691/2° N.B.
(6100), heeft eigenlijk geen haren, maar tusschen
de klippen een beschutte reede. Handel in visch,
traan en pelswerk. — Hammerfest (2200), op
het eiland Kwalö, de noordelijkste handelsstad.
Verkeer met Rusland.
De beteekenis van den houthandel van Noor-
wegen leeren wij uit het volgende kennen. In
1893 werden uitgevoerd naar:
Groot-Britannië. . .  1093 973  M\'.
Frankrijk.....     126 239    „
België......     116 492    ,
Nederland.....       93 818    ,
Duitschland ....       71419     „
Denemarken ....       31,302     „
Zweden.....       38 542     „
Spanje......       21404     ,
Australië.....       34 526     „
Afrika......       39188     „
Andere landen ...       19 612    „
Totaal 1 686 505 M3.
De Noorweegsche handelsvloot is de tweede
in grootte van Europa; in 1889 telde zij 7200
schepen (1535000 ton); de Zweedache telde
3840 schepen (500000 ton). Hoofdhandelplaatsen
zijn: Stokholm, Götheborg, Christiania, Dram-
men en Bergen. In 1892 liepen 132 schepen (101548
tonnen) onder Nederlandsche vlag de havens
van Noorwegen binnen, waarvan 39 te Bergen,
15 te Christiania, 17 te Drammen en 17 teFrederik-
stad. 223 Schepen (257,731 tonnen) liepen on-
der Nederlandsche vlag de havens van Zweden
binnen. Hiervan kwamen er 62 te Hernösand,
50 te Sundsval, (beide meest houthandel), 19 te
Stokholm, 18 te Malmö, 15 te Götheborg en
12 te Helsingborg.
§ 135. Plaatsbeschrijving. A. In Zweden
(Swealand). Stokholm (251000), aan de uitmon-
ding van het Malarmeer naar de Oostzee (de naam
beteekent: „eiland in de zeestraat"), hoofd- en
residentiestad ; eerste fabrieks-en handelsstad des
lands. MetaaU en houtindustrie; spinnerij, zijde-
weverij, suikerfabrieken. — Upsala (21000), uni-
versiteit. — Orebro, aan het Hj el marineer, (15000)
ijzerindustrie.. — Falun (8100), koper. — Gefle
(24000) uitvoer van hout en erts. — Sundsval
(14000) en Hernösand (6000), houthandel.
Götheborg (107000), aan den mond der
Gotha Elf, levendige handel, katoenspinnerij,
touw-enzeildoekfabrikatie; scheepsbouw. Haring-
visscherij. — Helsingborg (21000) aan den noorde-
lijken ingang van de Sont, handel, fabrieken. —
Malmö (49000) a. d. Sont, haven. Verkeer
met Denemarken en Duitschland ; graanuitvoer. —
Karlskrona (21000), oorlogshaven. — Wisby
(7100) haven op Gothland; in de middeleeuwen
de hoofdstapelplaats voor den handel tusschen
Duitschland en Denemarken met het Noorden. —
Jönköping (20000) aan het zuiden van het Wet-
termeer, lucifersfabrikatie. — Norköping (33000)
belangrijke fabrieks- en handelsstad.
B. Noorwegen (Norge). Christiania (148000)
hoofdstad en eerste handelsstad. Katoen- en
hout-industrie papier-fabrikatie. — Frederik-
Het Keizerrijk Rusland.
(5427598 KM*. — 95990000 Inw. — Gemiddeld
18 bewonen per K.U*. — Daarvau behoort tot Finland
373612 K.M*, met 23S0OOO bewoners).
§ 136. Ligging, beteekenis, enz. Met de
bezittingen in Azië, Kaukasië, Siberië en Tur-
kestan bezit het Russische Rijk eene oppervlakte
van 22 mill. K.M2., d. i. meer dan tweemaal
zoo groot als Europa, en bijna het zesde gedeelte
van de bekende aarde. In Europa neemt Rusland
zelfs de helft van dit werelddeel in beslag. In
het oosten gelegen, heeft het rijk geen deel aan
den Atlantischen Oceaan, doch op de Oostzee
is zijn invloed groot en op de Zwarte Zee voert
Rusland heerschappij. Met Perzië staat het land
in verbinding over de Kaspische Zee en door
het gebied in Kaukasië en Turkestan; van de
Engelsche bezittingen in Indië is het land slechts
gescheiden door Afghanistan, terwijl het door
Siberië gemakkelijk communicatie heeft met
China, en zelfs met de westkusten van den Stillen
Oceaan, de uiterste gedeelten der Oude wereld.
Aldus is Rusland bijzonder gunstig gelegen om
den landhandel van Azië en Europa te bemid-
delen. Hierdoor dan ook werd de mis te Nizjnii
Nowgorod een centraal punt voor den handel in
oostersche artikelen. Evenwel, het goedkooper
verkeer ter zee heeft die bemiddelende beteekenis
van Ruslands ligging zeer verminderd. Doch nu
tracht Rusland door den aanleg van spoorwegen
in Turkestan (reeds tot Samarkand) den handel
nog door zijn gebied te leiden.
§ 137. Natuurlijke gesteldheid des lands. In
tegenstelling met den afwisselenden, veel geleden
verticalen vorm van West-Europa bestaat Rusland
uit een meer gelijkvormig land. Het geheel is een
groot laagland, dat in het O. door den keten
van den Ural begrensd wordt. In het N. W.
vindt men in de granietrotsen van het Finsche
merenplateau een overgang tot de geologische
gesteldheid van Skandinavië, en in het Z. W.
-ocr page 178-
170
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
zet zich door Podolië het voorland der Karpaten
voort. De uitgebreide vlakte des lands wordt
slechts door lage landruggen en aanzwellingen
des bodems afgebroken. Doch dit verhindert
niet, dat de natuur des lands die van een uit-
gestrekt laagland vormt, waar de hoogste ver-
heffingen ruim 300 M. bedragen. De bekende
heuvels der Waldaihoogten bereiken 351 M.
In het noorden, aan de Noordelijke I.Tszee,
vangt het arktische land aan met het boomloos
gebied der toendra\'s of mossteppen, die hoofd-
zakelijk ten N. van den Po.olcirkel liggen. Ver-
der zuidelijk ligt een breede woudgordel, van
67—-60°. In het N. van dezen vindt men naald-
boom-wouden. In de gouvernementen Wologda
en Olonez neemt het woud 82 pet. en i)5 pet.
der oppervlakte in beslag, terwijl bouwland en
grasland te zamen slechts 4 pet. bedragen.
Verder naar het midden des lands komen in de
plaats der naaldboomen de loofboomen : linden,
olmen en eiken, die verder zuidelijk meer in
aantal afnemen. Tusschen 52 en 48u N. Br.
ligt in het N. het land der „Zwarte Aarde\'\'
(Tschernosem door de Russen genoemd), een
gebied met rijke, vruchtbare humuslagen, die
den landbouw begunstigen en hier de koren-
schuur des lands vormen. In het zuiden wordt
die Zwarte Aarde langs de Zwarte Zee en de
Kaspische Zee met grassen bedekt, die in de
lente en in den herfst groen zijn, in den zomer
dor liggen, en in den winter door hevige sneeuw-
jachten bezocht worden. Dit is het gebied der
Zuid-Russische steppen, die een oppervlakte als
Duitschland beslaan. Zij worden onderscheiden
in grassteppen, zandsteppen en in zoutsteppen;
de laatste hebben een zouthoudenden bodem.
De boomlooze steppen leenen zich het best voor
de veeteelt; in het zuiden zwerven hierop nog
herdersstammen rond. Door de „Oost-Euro-
peesche volkenpoort", d. i. de laagte ten N. der
Kaspische Zee tot den Uralketen, staan de Zuid-
Russische steppen met de Aziatische in ver-
binding.
De Ural is een lange bergketen, welke zich in
de richting van het Z. naar het N. uitstrekt, en
die de Russische vlakte van de Siberische scheidt.
In het zuiden is deze keten het breedst, en heet
naar de wouden de Womlrijke Ural, in het
midden noemt men hem naar den ertsrijkdom
Ertxrijken Ural, en in het N. spreekt men terecht
van Woesten Ural.
De rivieren (zie ook pag. 53 en 54) stroomen
uit het midden van Rusland bijna straalvormig
naar alle zijden. De Petschora stroomt van
den Ural naar de. Noordelijke IJszee; de Dwina
stroomt door noordelijk Rusland naar de Witte
Zee. De Newa, de afwatering van het Onega-
en Ladoga-Meer, stroomt naar de Oostzee (Fin-
sche Golf); de Duna komt van de Waldaihoogten
en mondt uit in de Golf van Riga. De Memel of
Njemen (zie pag. 70) loost in het Kurische Haff.
De Weichsel (zie pag. 70) stroomt door Rus-
sisch Polen. Naar het zuiden stroomen de Dnjester,
de Bug en de Dnjepr naar de Zwarte Zee. De
Dnjepr, die reeds vroeg in den loop bevaarbaar
wordt, stroomt door de meest korenrijke streken
van Rusland. Een goed ingerichte loodsdienst voert
de schepen over gevaarlijke plaatsen. In de 9\'le
en 10{le eeuw vormde deze stroom reeds een
handelsweg voor de Noormannen en later voor
de Hanze naar het zuiden.
De Don wordt bij Woronesh bevaarbaar en
vormt in den verderen loop de grens tusschen
de Aziatische en Europeesche wijze van leven.
W7aar de Don het meest de Wolga nadert, zijn
beide door een spoorweg verbonden.
De Wolga, de grootste en belangrijkste rivier,
ontspringt op de Waldaihoogten, heeft tot Kazan
een oostelijke, vervolgens een zuidelijke richting,
om van Sarepta in Z. O. richting naar de Kas-
pische zee te stroomen. Zij is 3182 K.M. lang
en over 2860 K.M. bevaarbaar. Van Twer af
bevaren stoombooten de rivier, welke meest door
Duitsche kapiteins bestuurd worden. Een be-
langrijke bij stroom is de Oka, die bij Moskou »
de Moskwa opneemt, en bij Nizjnii Noicyorod
uitmondt. Deze stad vormt een centraalpunt,
waarheen langs Oka en Wolga uit het westen, langs
Wolga en Kama (een noordelijke bijstroom) uit
het oosten waren worden aangevoerd. De be-
roemde missen te Niezjnii Nowgorod hebben
hieraan hun ontwikkeling te danken.
De Ural stroomt door een steppenland; scheep-
vaart wordt hierop niet gevonden. De rivieren
zijn in dit vlakke land over \'t geheel ver be-
vaarbaar, en worden daarenboven nog door vele
kanalen verbonden. Een groot nadeel evenwel
is het, dat de kanalen en rivieren door het streng
vastelandsklimaat een groot gedeelte des jaars
zijn bevroren.
Klimaat. Rusland heeft een sterk uitkomend
continentaal klimaat (zie pag. 55). Hoe verder naar
het O. des te kouder wordt de winter. De jaar-
isothermen loopen in het N. van het N. W. naar
het Z. O.; de isotherm van 0° C. loopt van
Haparanda door de Witte Zee naar Tobolsk in
Siberië; die van 4° C. van Helsingfors over
Petersburg, Nowgorod, Twer en Samara naar
Orenburg, en de isotherm van 6° loopt van Riga
over Mohilew en Kursk. De isotherm van 1Ó°
loopt van Odessa oostwaarts.
De regen valt voornamelijk in den zomer;
naar het Z.O. toe neemt de regenhoeveelheid
af. In Finland, Polen en Litauen bedraagt de
regenhoeveelheid 55—70 c.M,, in Midden Rusland
40—55 c.M., en ten Z. O. van de lijn Odessa—
Kazan slechts 25 a 40 c.M., terwijl in de Kas-
pische laagte de regenhoeveelheid nog minder
bedraagt. Het gebrek aan neerslag is hier de
oorzaak van het ontstaan der steppen.
-ocr page 179-
tIJKSKUNDE.                                                                  171
stond, en zelf nam hij het initiatief om handel
en nijverheid in zijn land vooruit te brengen.
Door uitbreiding van het landgebied aan de
Oostzee en de Zwarte Zee trachtte hij handels-
havens te bouwen (St. Petersburg), door zelf de
nijverheid in West-Europa te beoefenen en te
loeren kennen gaf hij het voorbeeld, terwijl hij,
door bekwame lieden van elders naar zijn rijk te lok-
ken, menigen tak van nijverheid aldaar stichtte. Dit
alles nam evenwel niet weg, dat Rusland nog
lang de leverancier van ruwe of half bewerkte
produkten aan West-Europa bleef, en dit gedeel-
telijk nog is. Dat toch is een gevolg van de
economische gesteldheid van land en volk.
De uitbreiding van Rusland in de vorige en
in deze eeuw had bovenal ten doel de kust-
lengte te vergrooten. De veldtocht tegen Zweden in
1809 bracht Finland aan Rusland. Door genoemde
uitbreiding van het kustgebied nam de handel
snel toe. En vooral werd Rusland de leverancier
van hout, toen Engeland in het laatst der vorige
eeuw, tijdens den oorlog met Amerika, al het
hout voor den scheepsbouw uit Rusland moest
halen. Hoe meer de West-Europeesche landen
de nijverheid uitoefenden, des te meer werd
Rusland de leverancier van de grondstoffen.
Steeds grooter werd de uitvoer van vlas, hennep,
talk, hout, pek, teer en lijnzaad uit de Oostzee-
havens, en van granen uit Odessa.
Om de nijverheid te bevorderen werd in 1821
een stelsel van beschermende tollen ingevoerd,
waardoor werkelijk de nijverheid vooruitging,
al was het kunstmatig. Toch zag men het on-
juiste beginsel hiervan weldra in, vooral door
de benadeeling der consumenten, en in 1850
werd een meer gematigd stelsel van invoerrechten
ingevoerd, waardoor de invoer uit het buitenland
weer toenam.
Voor den Russischen landbouw is de emancipatie
der boeren een belangrijke gebeurtenis geweest.
In Rusland waren de boeren lijfeigenen, aan
den grond verbonden. In 1857 werd besloten
tot de vrijmaking van de boeren. De vrijmaking der
lijfeigene boeren vond op die wijze plaats, dat de
diensten, welke de boeren aan hun heeren hadden
te verrichten, gekapitaliseerd werden als een 6 pet.
fonds tot schadevergoeding. De boeren moesten
20 pet. onmiddellijk daarvan aan de heeren vol-
doen, en het overige werd in 5 pet. schuldbrieven
van den staat betaald in voorschot voor de
boeren. Dezen nu werden verplicht hiervoor 49
jaar lang 6 pet. rente te voldoen, en hiermede
was dan tegelijkertijd de geheele schuld geamor-
tiseerd. Op die wijze werden de boeren dus vrij,
mochten zij zich vestigen waar zij wilden, en
konden zij land in vrijen eigendom verkrijgen.
Van 1866—1873 werden 8,8 mill. boeren aldus
vrijgekocht. Of deze groote wijziging in den
socialen toestand in alle opzichten de gewenschte
gevolgen had, durven wij niet beweren. Doch
HANDELS-AAR
Klimatalogisch is Rusland in 3 zonen te
onderscheiden. I. De noordelijke zone van de
Ijszee tot 57° N.Br. heeft lange zomerdagen en
lange winternachten. In Archangelsk duurt
de langste dag van l*/4 uur na middernacht tot
103/4 uur (vóór middernacht), en de langste win-
terdag duurt slechts 4 uur. De lange winter-
nacht wordt verlicht door heldere maneschijn
en door het noorderlicht. De 2e zone van 57
tot 48° N.Br. heeft nog lange, ruwe winters,
vooral in \'t oosten, doch de zomer is betrekkelijk
heet. De 3e zone in het zuiden, van 48—44u
N.Br., heeft in den winter hevige sneeuwstormen,
„wjoega\'s", doch in den zomer is het er zeer heet.
. Uit het bovenstaande valt af te leiden, dat
zoowol in het hooge noorden als in het zuiden
de beschaving wordt belemmerd door de uitersten
in het klimaat.
§ 138. Bevolking. De hoofdbevolking des
lands wordt gevormd door de Slawische Kussen,
die in Groot-Bussen, Klein-Russen of Rulhenen
en Wit-Russen onderscheiden worden. Behalve
dezen vindt men er nog als Slawische bevolking:
Polen en Litauers. Verder Finsche stammen, en
wel gedeeltelijk ten N. van 60° N. Br. in Finland
en de polaire gewesten, alsmede ten O. der
Wolga als Wolga-Finnen. In het Z.O. wonen
nog Tataarsrhe stammen. In 1883 telde men
in Rusland 64,(i mill. Russen, 6 mill. Polen, 3,1
mill. Litauers, 5,5 mill. Finnen, 3 mill. Tataren,
1,3 mill. Duitschers, 0,8 mill. Ruineniërs, 300000
Zweden en 40000 Armeniërs. Het aantal Joden,
dat toen 3 mill. bedroeg, is sedert zeer af-
genomen.
Finland is een constitutioneel Grootvorstendom,
dat sedert 1809 door een personeele unie met
Rusland verbonden is. Rusland zelf is een
absolute monarchie. De Grieksch orthodoxe kerk
is er staatsgodsdienst. De Keizer of Czaar is
het opperhoofd der Grieksch-orthodoxe kerk;
onder zijn leiding staat de heilige synode te
St.-Petersburg, die de godsdienstzaken bestuurt.
De Polen en Litauers zijn Roomsch-Katholiek,
de Finnen en de Duitschers aan de Oostzee zijn
leden van de Luthersche kerk.
In Rusland bestaat algemeene weerplicht;
elke Rus, die 20 jaren oud is, dient vijf jaren
in het staande leger, 13 jaar in de reserve. In
vredestijd is het leger 780000 manschappen sterk.
De oorlogsvloot telt 100 schepen en 880 stuks
geschut.
De ontwikkeling des volks staat nog zeer
laag; alleen in de Oostzee-provinciën is leerplicht
ingevoerd, en eveneens in Finland.
§ 139. Ontwikkeling van nijverheid, handel
en verkeer.
Rusland is laat in den kring van het
Europeesche handelsleven getrokken. Czaar
Peter de Groote (1682—1725) zag terecht in,
dat Rusland verre bij het westen ten achter
-ocr page 180-
172
HANDELS-AABDRIJKSKUNCE.
wij mogen hier niet stilstaan om dit te onderzoeken.
De groote uitvoer van Rusland is eerst een
gevolg van den nieuwen tijd. Vooral de aanleg
van spoorwegen heeft daartoe veel bijgedragen.
Daarenboven werkte een meer liberale tolpolitiek
het vrije verkeer in de hand, terwijl ook het
Russische volk tot hooger ontwikkeling kwam, en
hiermede meer behoefte aan ruilverkeer verkreeg.
§ 140. Produkten des lands, landbouw,
veeteelt. Middelen van bestaan.
De landbouw
is een der hoofd middelen van bestaan in Rus-
land. Ongeveer 26,2 pet. van het rijk in Europa
wordt als bouwland en tuingrond gebruikt, ter-
wijl 15,9 pet. uit grasland bestaat. De wouden
nemen de grootste oppervlakte in beslag: 40 pet.
des lands wordt door wouden ingenomen. Nog
19,1 pet. van de oppervlakte ligt onproductief.
Rusland is het eerste land in Europa voor
den graanbouw. Die uitgebreide graanbouw wordt
in het midden, in het Z. en Z.W. gedreven.
Het meest brengt het gebied der Zwarte Aarde
op. Het hoofdgraan is rogge, daarbij sluit zich aan
haver, tarwe, gerst, boekweit en mals. Ook aard-
appelen worden veel verbouwd. Zeer uitgebreid
is de vlasbouw en hennepbouw. Verder oogst
men er suikerbieten (in 1891—92: 493000 ton
suiker in Rusland en Finland), tabak, en hop, en
in het zuiden wijn en ooft.
Rusland is het derde land van Europa in de
productie der tabak, en volgt op Duitschland en
Oostenrijk. Ook de wijnbouw is zeer toegenomen.
Hoewel de wouden veel gedund zijn, beslaan
zij toch nog altijd een groote oppervlakte. Rus-
land, met 40 pet. oppervlakte aan bosch, is
het woudrijkste land van Europa (zie pag.
57). De regeering bevordert de uitbreiding der
bosschen in menig gebied.
De steppen in het zuiden worden hoofdzakelijk
doornomadiseerende volken voor veeteelt gebruikt.
Rusland is zeer rijk aan huisdieren. In 1880
telde men er 20,9 mill. paarden, 27,9 mill. run-
deren, 49,5 mill. schapen en geiten. In het noorden
worden nog rendieren, in het Z. kameelen geteeld.
De uitgestrekte wouden van lindeboomen be-
vorderen de hijenteelt, die er op groote schaal
gedreven wordt. De visschcrij op de binnen-
wateren, meren en zeeën levert veel voordeel
op. In de Kaspische Zee en de daarin uit-
mondende rivieren wordt vooral steur gevangen.
Bergbouw. De belangrijkste kolenlagen vindt
men in de midden-gouvernementen: Kaluga,
Tula, Rjiisan, in Polen en in het gebied der
Donetz. Evenwel de kolenrijkdom is nog slecht
bekend en wordt weinig geëxploiteerd. Ook het
turfoeen heeft in het midden groote uitgestrekt-
heid, doch wegens den overvloed van hout om
te branden wordt dit veel verwaarloosd. In de
laatste jaren komt de rijkdom aan petroleum
in de gewesten aan de Kaspische Zee tot exploi-
tatie. Vooral het schiereiland Apscheron (met
de stad Baku) is rijk aan naphtabronnen. Alleen
Amerika overtreft tegenwoordig Rusland nog in
de productie van petroleum (Zie pag. 38). IJzer-
ertsen
vindt men veel verbreid, het meest in
den Ural. In 1890 werden 926000 tonnen ruw
ijzer gewonnen. In den Ural wordt ook goud
en platina, alsmede koper en mangaanerts ver-
kregen. Polen bezit zink. De rijkdom des lands
aan zout is zeer groot. In de gouvernementen
Orenburg en Astrakan vindt men uitgebreide
lagen steenzout, in de noordelijke en middelste
streken veel zoutbronnen, en in het Z. en Z.O.
wordt in de limans der Zwarte Zee en in de
zoutmeren (Elton-meer e. a.) zout gewonnen.
Nijverheid. De nijverheid in Rusland, die
lang op lagen trap stond, begint zich in den
laatsten tijd met kracht te ontwikkelen. De
hooge beschermende rechten hebben daartoe het
hunne bijgedragen. De lange, strenge winter
begunstigt daarenboven bij de boeren de huis-
industrie, welke zich tot verschillende takken uit-
strekt: n.1. het spinnen en weven van vlas, hennep
en katoen, het maken van landbouwgereedschap-
pen, enz. Toch is in vele opzichten Rusland indus-
trieel nog mede van het buitenland afhankelijk,
en met West-Europa kan het niet concurreeren.
Evenwel bezit Rusland in Azië een afzetgebied
voor zijn fabrikaten, dat steeds wordt uitgebreid,
en verder werkt Rusland gedeeltelijk voor eigen
behoeften. De hoofdstreken voor de industrie
zijn de middelste gouvernementen: Moskou,
Wladimir, Kastroma, Jaroslaw, Twer; verder
Polen, Esthland en St.-Petersburg. De belang-
rijkste takken zijn: katoen-industrie, wol-, lin-
nen en hennep-industrie, spiritusbranderij, meel-
fabrikatie, oliefahrikatie, ijzergieterij, leerlooierij
(jucht-leer) enz. In de gouvernementen Archan-
gelsk en Wologda vindt men pek- en teerziederij.
Handel en verkeer. De omzet van handels-
artikelen in Rusland bedroeg in 1893: 1010643000
roebel en het gemiddelde der laatste 5 jaren
bedroeg 1247088Ó00 roebel. Zeer belangrijk is
de uitvoer van granen uit Rusland. De waarde
van den graaiiititvoer bedroeg in duizend roebels:
\'Gcniiddeldujimrl uit-
voervan 1888—1892
in il ui/t ml ruübüls
Uitvoer in
18US.
171 853
48 963
36 139
56 542
1150
6 314
3 227
16 271
135 495
22 878
59 285
41182
1283
5 915
4147
9 250
Tarwe .
Rogge .
Gerst. .
Haver. .
Boekweit
Tarwemeel
Roggemeel
Maïs . .
-ocr page 181-
173
HANDELS-AARÖRIJKSKUNDK.
lage en vruchtbare strook lands omzoomd, welke
dicht bewoond is. Landbouw en wouden zijn
hoofdmiddelen van bestaan (potasch, teer, pek,
houtstof). — Helsingfors (66000) hoofdstad, vrij-
haven aan den ingang der Finsche Golf. — Abo
(32000), graan- en houthandel.
B. Rusland.
De Oostzeeprovinciën. a. Ingermanland. St.-
Petersburg
(954000 inw. in 1890), aan den mond
der Newa, hoofd- en residentiestad ; eerste haven
des rijks. Jaarlijks loopen ± 1800 schepen de
haven binnen, hoewel de scheepvaart wegens het
ijs slechts van Mei tot October duurt. Belang-
rijke fabrieksstad. De stad is in 1703gegrond-
vést door Peter I. — Kroonstad (43000), zee-
vesting en havenstad, 49 K.M. ten W. van
St.-Petersburg op de oostzijde van het eiland
Kotlin gelegen. Kroonstad was de eigenlijke
handelshaven van Petersburg. Alle in te voeren
en uit te voeren waren moesten tot voor kort
hier overgeladen worden, en eerst door het zee-
kanaal, van 1875—1885 aangelegd, is het voor
zeeschepen mogelijk geworden tot Petersburg te
varen. Jaarlijks komen eenige duizenden sche-
pen in Kroonstad. Op de plaats van Kroonstad
werd in 1703 een slot gebouwd, dat in 1710
door Peter I tot vesting is uitgebreid.
Narwa (11000) haven, vischhandel.
b. Estland. Reval (52000) haven; handel in vlas,
lijnzaad, hennep, graan. — c. Lijfland. Dorpat
(jurjêw) (31000), universiteit. — Riga (179000)
oorspronkelijk een Hanzestad, door Bremer koop-
lieden gegrondvest. Belangrijke haven aan de
Düna en de golf van Riga; derde handelstad
des Rijks. Uitvoer van vlas, lijnzaad, hennepzaad,
graan en hout.
d. Koerland. Mitau (28000) fabrieken. —
Libau (33000), haven, die in bloei toeneemt.
Graanhandel.
Groot-Rusland. Kursk (52000), fabrieken. —
Woronesh (61000) en Tambow (40000), laken-,
leer- en zeepfabrieken. — Penza (4700Ö), leer-,
zeep- en linnenfabrikatie. — Tula (65000),
metaalwaren en geweren. — Kaluga (40000),
fabrieken van wol, katoen, suiker enz. — Smo-
lensk,
graanhandel. — Moskou (799000) aan
de Moskwa, nationale hoofdstad, eerste fabrieks-
stad en handelsstad in het binnenland. Middel-
punt van den Siberischen theehandel. Perzische
artikelen. — Twer (40000) linnenfabrikatie, olie.
De Wolga wordt van hier bevaren. — Rybinsk
(32000), een middelpunt voorden binnenlandschen
handel. — Jaroslaw (82000), linnen en katoen-
fabrikatie. — Niezjnii Nowgorod (73000), de
grootste mis in Rusland (in Juli en Aug.). —
Kazan (136000) leerfabrikatie; handel. — Perm
(36000), ijzer- en koperwerken. — Jekaterinen-
De belangrijkste artikelen van invoer leert
ons het volgend staatje kennen.
Gemiddeld per jaar
van 1SS8—1893
Invoer in
in duizend roebels.
Onbewerkt katoen
77 491
64 067
16 515
17 691
Wol.....
19 318
28 880
Zijde.....
9 916
12 347
Machines . . .
19 224
25 358
Fabrikaten uit
staal enz. . .
11274
14176
Kolen en cokes .
13 002
14 292
Verven en verf-
stoffen. . . .
14 354
12 853
Pekelharing . .
7 617
10 267
Van de landen, die met Rusland handel drijven,
staat Duitschland bovenaan. Daarop volgen
Groot-Britannië, Frankrijk, Oostenrijk-Hongarije,
Italië en de Vereenigde Staten van Noord-Europa.
Uit Azië wordt ingevoerd : vee uit de Kirgiezen
steppen, thee uit China, katoenen artikelen uit
Perzië, en eveneens worden uit Rusland naar
Azië uitgevoerd: katoenen manufacturen naar
de Kirgiezen-steppen, lakens en pelswerk naar
China.
In verhouding tot de oppervlakte des lands
heeft Rusland een kleine kustlengte en deze
kusten liggen verre van den open Oceaan. De
Oostzee en de Zwarte Zee zijn binnenzeeën,
waarvan de toegangen onder beheer staan van
andere mogendheden. Daarenboven zijn de Oost-
zee (zie pag. 67) en de Noordelijke IJszee een
groot gedeelte des jaars voor de scheepvaart
niet toegankelijk wegens de bedekking met ijs.
Daardoor moeten de spoorwegen in Rusland
groote beteekenis hebben voor het verkeer. In
deze groote vlakte legt het relief des bodems
ook geen hindernissen van beteekenis voor den
aanleg van spoorwegen in den weg. Van de
spoorwegen is Moskou het centrum.
De spoorwegroute van Petersburg naar Siberië
over No wgorod, T wer, Moskou, Kazan, Peru, Tomsk
naar Irkutsk, is een der langste van de aarde.
De Russische handelsvloot telde in 1891: 2418
schepen (545620 tonnen), waartoe 313 stoom-
schepen behooren.
In de Russische havens liepen in 1892 in
totaal 122 schepen (186991 M3. inhoud) binnen
onder Nederlandsche vlag. Daarvan kwamen
er te Riga 40, te St. Petersburg 27, te Wiborg
12, te Narwa 12 en te Kotha 10.
§ 141. Plaatsbeschrijving.
A. Het Grootvorstendom Finland.
Het ruwe tafelland, met tal van meren bedekt,
is langs de kust door een 30 a 60 K.M. breede
-ocr page 182-
174                                                         HANDELS-AAI
burg (37000) middelpunt van de bergwerken in
den Ural. — Orenburg (53000) a. d. Ural.
Verzamelplaats der karavanen uit Centra al-Azië.
Laken- en leerfabrieken. — Aan den beneden-
Wolga: Simbirsk (39000), handel, missen. —
Samara (75000), graanhandel, leerlooierij, zeep-
ziederij. — Saratow (120000), handel in lands-
produkten. — Astrakan (74000) op de delta
der Wolga. Belangrijke handel naar Perzië
en Siberië. Vischvangst. Kaviaarbereiding. Wijn-
bouw.
Wit- en Klein-üiisland. (stroomgebied van
Dnjepr en Dnjestr). Mohilew (44000), fabrieken,
handel. — Minsk (71000) laken- en leerfabrie-
ken. — Kjew (106000), veel fabrieken. — Char-
kow
(15)5000) groote mis. — (. herson (65000),
haven; stapelplaats voor de landsprodukten. —
Nikolajew (76000), aan de Bug, oorlogshaven. —
Odessa (285000), tweede handelsstad des Rijks.
Uitvoer van graan; zeezout; visscherij. —
Kischenew (116000), tabaksfabrieken, molens;
wijn- en tabaksbouw.
Polen. Warschau (443000) aan de Weichsel.
Industrie, handel. — Lodz (125000) katoen- en
wolindustrie, meest in handen van Duitschers.
Lublin (40000) laken-, zeep- en tabaksfabrieken;
meel.
Litanieën. Bjelostok(57000) fabrieken. -Grodno
(45000) en Kowno (52000). — Wilna (100000)
branderijen. — Dünaburg (Dwinsk) 72000),
vesting, en Witebsk (58000) aan de Düna, leer-
looierijen.
Archangelsk (18000) aan den mond der Dwina
bij de Witte Zee. Uitvoer van hout, vlas en
lijnzaad.
In het Donaebied en Taurië. Nieuw-Tscherkask
(33000) hoofdstad van het land der Donsche
Kozakken. — Rostow, graanuitvoer. — Tan-
gerog (99000) belangrijkste haven aan de Zee
van Azow.
Sebastopol (34000) op het schiereiland de
Krim, tot 1855 een der grootste oorlogshaven s
van Europa. In het zuiden van de Krim ligt
Livadia met het winterpaleis van den Czaar.
§ 142. De landen van Azië.
De gestelde plaatsruimte maakt het noodig,
dat wij ons bij de beschrijving der landen buiten
Europa beperken. Daarom kunnen wij thans
niet meer dan een overzicht van den handel in
de verschillende landen der aarde geven, maar
willen daarbij toch die gedeelten, welke voor
den wereldhandel het meeste belang hebben,
meer op den voorgrond schuiven. De algemeene
beschouwing van de werelddeelen laten wij
thans achterwege, om onmiddellijk met de ver-
schillende landen aan te vangen. Wij beginnen
met Aziatisch Rusland, om daarmede bij Euro-
peesch Rusland aan te sluiten.
§ 143. Russisch Azië.
Russisch Azië strekt zich uit van de Str. v.
Kertsch
tot de Beringstraat, en van 35° 20\' tot
77u 36\' N. Br. Niet alleen over een buitenge-
woon groote geographische lengte, doch ook over
een zeer aanzienlijke breedte breidt het Russisch
gebied zich hier uit, zoodat het in de sub-tropische,
gematigde en koude luchtstreek ligt. Veel ver-
schil van klimaat zoowel als van grondsgesteld-
heid en van plantengroei kan men in deze
onderscheidene deelen opmerken. Het Aziatisch
Rusland met Kaukasie heeft een oppervlakte
van 17006065 K. M2 (of 38,5% van geheel
Azië), met 17171255 inwoners (in 1891), zoodat
gemiddeld weinig meer dan één bewoner op de
K. M2. gevonden wordt. Het bestuur, de munten,
maten en gewichten, enz. zijn dezelfde als in
Europeesch Rusland.
Men kan bij Aziatisch Rusland drie deelen
onderscheiden: I Kaukasie 1); II Russisch
Centraal"Azië; en III Russisch Noord-Azië
of Siberië met het Amurland en Sachalien.
§ 144. A. Kaukasie.
Kaukasie wordt onderscheiden in Trans-Kau-
kasië
aan gene zijde, en Cis-Kaukasië aan deze
zijde van den Kaukasus. Het is een gebied, door
een bonte vermenging van allerlei volksstammen
bewoond. Het plantenrijk levert allerlei ooft- en
graansoorten, en daarenboven mals en rijst in
Trans-Kaukasië; verder katoen, (in Eriwan)
veel hennep en notenhout. Van de dierlijke pro-
dukten staan zijde en tvol bovenaan. Zijde-
teelt heeft voornamelijk plaats in het gouver-
nement Baku. Trans-Kaukasië levert als minerale
produkten : steenzout, mangaanerts en petroleum.
Het mangaanerts is van buitengewone zuiver-
heid en wordt daarom voor de staalindustrie in
Engeland en Amerika zeer gezocht. Te Baku
vindt men wel 30 fabrieken tot het raffineeren van
petroleum en het bewerken der bijprodukten.
Zoowel van Baku als van Batum. en Poti uit
worden deze produkten uitgevoerd.
Steden in Cis-Kaukasië: Jekaterinodar (66300)
a. d. rechter oever van de Kuban. —• Wladi-
kawkas
(44000) vesting aan de Terek. — In
Trans-Kaukasië: Batum (20000) haven aan de
Zwarte Zee. Veel uitvoer; in 1890: 45 mill.
gulden petroleum, 10267 tonnen mangaanerts,
5713 tonnen maïs, 5921 tonnen zoethout, 5250
tonnen hennep, 5250 tonnen zout enz.
\') In Rusland wordt nu weer geheel Kaukasie, dan
weer alleen Cis-Kaukasië tot Europa gerekend. Die
grens wordt dan ook op de kaarten verschillend ge-
trokken.
-ocr page 183-
175
HANDELSAARDRIJKSKUNDE
Poti (5200) havenstad aan de Zwarte Zee;
uitvoer van zijde, wol, maïs, hout, bruinsteen. —
Tiflis (105000) hoofdstad van Trans-Kaukasië,
heerlijk door tuinen omringd, aan de Kura 456
M. hoog gelegen, zetel van den gouverneur-
generaal. Veel industrie en handel. In de nabij-
heid liggen eenige Duitsche koloniën.
Eriwan (14600) 984 meter hoog gelegen op
een vlakte en N. van den Ararat. — Baku
(93000), haven aan de Kaspische Zee; eerste
industriestad des lands en eindstation van den
Trans-Knukasischen spoorweg. — Derbent (=
deur toe) (14000 inw.) aan de Kaspische Zee.
§ 145. B. Russisch Centraal-Azië.
Met den naam Russisch Centraal-Azië duiden
wij de Trans-Kaspische pronncie van Rusland
met West-Turkestan en de Kirgiezen steppe aan. De
uitbreiding van het, .Russisch gezag in dit ge-
bied is hoofdzakelijk geschied ter bevordering
van handelsbelangen. Het doel was de roof-
zuchtige Turkmenen en andere horden te bcdwin-
gen, het fanatisme en de willekeur der Mohamme-
daansche Khainitcn te beperken, en daardoor
het verkeer nieuwe en zekere wegen te openen.
Van 1847 tot 1881 had die uitbreiding van ge-
bied plaats, en van 1880 tot 1888 werd de
Trans-Kaspische spoorweg aangelegd van Usun-
ada bij Michailowsk aan de Kaspische Zee
over Merw en Buchhara naar Samarkand. Deze
spoorweg en de liberale politiek van Rusland in
deze streken heelt den handel met kracht ont-
wikkeld.
Van Russisch Centraal-Azië is West-Turkestan
het belangrijkste gedeelte. De voortbrengselen
zijn: rijst, larue, gerst, gierst, ma/s, groenten,
ooft
en wijn, alsmede katoen en zijde. De vee-
teelt is zeer aanzienlijk en levert veel wol en
huiden. Als minerale produkten vindt men er:
steenkolen, sleenzout, naphta, zwavel en graphiet.
Echter is de bergbouw nog weinig ontwikkeld.
In de steden wordt eenige industrie uitgeoefend
voor de volksbehoeften. Evenwel maken veeteelt
en landbouw nog de hoofdbronnen van bestaan
uit. De aangelegde spoorweg heeft den handel
zeer bevorderd. Uit Centraal-Azië werden langs
den weg in 1891 naar Rusland vervoerd 42915
ton katoen, verder: rijst en granen, rozijnen,
wol en huiden. Omgekeerd voerde Rusland aan
suiker naar Turkestan 1048000 pud, en naar
Perzië 7\'/4 mill. pud, te zamen 140000 ton.
Steden. Taschkent, hoofdstad, zetel van den
Gouverneur-generaal, (121000), in een vrucht-
bare vlakte gelegen, omringd door voorsteden
en oofttuinen, met zijde en katoen-industrie. —
Kodschent, (35000) aan de Syr Darja, met
kolen- en steenzoutlagen in de nabijheid. —
Samarkand (40000) inw., daaronder 6000 Rus-
sen een historisch beroemde stad. — Kokan (Kho-
kand) (54000) veel handel en industrie.
In de Kirgiezen steppe ligt Uralsk (26000)
aan de Ural.
Buchara en Chiwa zijn vazallenstaten van
Rusland in dit gebied. Het Emiraat Buchara,
langen tijd de machtigste staat van West Tur-
kestan, is sedert 1865 van Rusland afhankelijk.
Chiwa staat sedert 1873, toen het een aanzien-
lijk gebied rechts van de Amu Darja afstond,
onder Russischen invloed. Voortbrengselen zijn:
granen, ooft, zijde, katoen, hennep, vlas, sesam,
en tabak. Het land heeft kudden van schapen,
geiten, paarden en kameelen, en levert vooral
wol en huiden voor den handel. Ook vindt inen
er goud, zout, aluin en zwavel. De Transkaspische
spoorweg is van veel beteekenis voor den han-
del in dit land.
Buchara (100000), hoofdstad, ligt aan den
spoorweg in een vruchtbare vlakte. Markt van
Russische, Perzische en Engelsche waren en
van inlandsche produkten. Op de groote bazaar
verkeeren allerlei volksstammen: naast de In-
landsche Usbekers, Tadschiks, Turkmenen en
Joden ziet men er Indiërs, Arabieren, Afrikanen,.
Perzen en Russen. — In Chiwa is Chiwa (5000)
de hoofdstad, een ellendig plaatsje.
§ 146. Siberië, het Amurland
en Sachalien.
Dit uitgestrekte gebied omvat geheel Noord-
Azië, van de grenzen van het Chineesche Rijk
en de Kirgiezen steppe tot ver in de Noorde-
lijke I.Tszee. Op een oppervlakte van 12518487
K.M2, wonen 4719441 bewoners, d. i. gemiddeld
2,9 per K.M2.
Men onderscheidt West-Siberië, Oost-Siberië
en Amurland. Terwijl de beide eerste gedeel-
ten reeds sedert eenige eeuwen tot Rusland
behooren, en 80 a 90 pet. der bevolking Russen
zijn, werd het Amurland eerst in 1859 door
China aan Rusland afgestaan, en bezit dit slechts
een klein aantal Russische kolonisten. De Kir-
giezensteppe, boven reeds genoemd, wordt ook
wel tot Siberië gerekend.
Met uitzondering van het Altai-mijngebied in
het zuidelijk deel van het gouvernement Tomsk,
dat een keizerlijk domein vormt, is het overige
gedeelte van Siberië eigendom der kroon. Het
land wordt den boeren in vruchtgebruik gegeven
zonder wettelijke regeling. In West-Si berië
verkreeg tot nu toe dé vrije emigrant gewoon-
lijk 18 dessatinen (16,5 H.A.) land voor ieder
lid des gezins, de gedeporteerde slechts 3 des-
satinen (2,7 H.A.). In de oostelijke gewesten
heerscht nog grooter vrijgevigheid, en kan ieder
kolonist gemakkelijk in het bezit van 1000 H.A.
land komen.
De belangrijkste voortbrengselen des lands
worden geleverd door landbouw en veeteelt.
Met het uitbreiden dor verkeersmiddelen zullen
deze in belang toenemen. Evenwel het klimaat
-ocr page 184-
176
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
is zeer ongunstig en op vele plaatsen is de
bodem arm.
Het gebied der granen ligt tusschen 56—59°
N.Br. en omvat de zuidelijke deelen van het
gouvernement Tobolsk, de middelste van Tomsk.
De bodem wordt echter slecht bewerkt, en als
hij door uitputting geen vruchten meer oplevert,
laat men het land braak liggen. Door de groote
oppervlakte wordt er veel graan (164 a 194 juill.
K.G.) geleverd voor den uitvoer; vooral in
West-Sil>erië. Voor het ooft zijn de winters te,
streng, doch de vele bessen bieden daarvoor
eenige vergoeding aan.
De veeteelt staat ver achter bij den landbouw.
Paarden, rundvee en schapen vormen het hoofd-
bezit ais huisdieren. Doch bij den verren af-
stand der steden kunnen de produkten van de
melk geen goeden afzet vinden. De bijenteelt
is zeer geliefd; de meede, een honigbier, wordt
met graagte gedronken. Ook de vischvangst in
de rivieren en nieren is nog van belang.
Van de mineralen geven goud en zilver de
grootste opbrengst, en hieraan wordt ook de
meeste aandacht gewijd. Evenwel ook ijzer, koper,
lood
en tin worden er gevonden. Siberië is rijk aan
graphiet. Een zeer zware laag, in het bezit van
den bekenden koopman Siberiakoff, vindt men bij
Turuchansk aan de Jennissei. Een andere
graphietbedding werd in 1842 door den Fransch-
man Alibert in het gouvernement Irkutsk ont-
dekt, en is in het bezit gekomen van de bekende
firma Faber te Neurenberg voor de potlood-
fabriek. Groote hoop is gevestigd op de voor
kort ontdekte steenkolenlagen in zuidelijk Us-
surië. Ook het eiland Sachalien levert kolen,
doch deze hebben niet veel waarde wegens de
groote hoeveelheid asch, die zij geven.
Steden. Tobolsk (\'22000), op de plaats waar
de Tobol in de Irtisch mondt. — Tjumen
(35000) sedert 1885 eindstation der spoorlijn van
Perm over Jekaterinenburg, ligt aan de be-
vaarbare Tura. Handel en Nijverheid.— Obdorsk
op 651/.2° N. Br. aan de Ob; marktplaats waar
Samojeden en Ostjaken hun visch, rendierveb
len en mammouth-tanden ter verkoop aanvoeren.
—    Tomsk (42000), rijkste en naar grootte
tweede stad van Siberië. — Barnaul (18000), de
bloeiende, goedgebouwde hoofdstad in het mijn-
gebied van den Altai aan de Ob. Goud-, zilver-,
ijzer-, koper- en loodmijnen, meest door Duit-
schers aangelegd. — Krasnojarsk (17000), in een
vruchtbare vlakte aan de Jenissei, aan den grooten
handelsweg van liusland naar Oost-Siberië en
China, waar men het plan vormt voor een spoorweg.
—  Irkutsk (50000), de grootste stad van Siberië,
veel industrie. Door den transitohandcl met
China heeft de stad zich verheven. — Jakutsk
(6000), nabij het gebied der grootste koude en in
het dunst bevolkte gebied, aan de Lena; han-
del in pelswerk, Siberisch ivoor, (de slagtanden
van mammouth en walrus). De Lena is hier
204 dagen des jaars met ijs bedekt en de bodem
is tot een diepte van 1—11/2 M. steeds bevro-
ren — Blagowesehtschenk, hoofdplaats van het
Ainurland, (9300) levendige handel in thee,
graan en Russische industrie-artikelen. —
Wladiwostok (14500), aan de kust der Japan-
sche Zee, met ruime, veilige haven. Oostelijk
eindpunt van de telegraaflijn over land. —
Nikolajewsk (10580), aan de Tataren Sont,
nabij den Amurmond. De haven, met veei
kosten tot oorlogshaven ingericht, lijdt aan ver-
zanding, zoodat er slechts kleine schepen kunnen
binnenloopen.
Het eiland Sachalien (Jap. Karafto) heeft, trots
de betrekkelijk zuidelijke ligging op 50° N.
Br., toch een zoo koud klimaat, dat de landbouw
er onmogelijk is. De bewoners zijn de Aino\'s in
het Z., de Giljaken in het N., en daarenboven
»og ± 5000 Bussen, voor een gedeelte gede-
porteerde misdadigers. De vischrijkdcm der om-
ringende zeeëen trok de Japanneezen uit het
Z. en de Russen uit het noorden gedurende de
zomermaanden. Deze toestand bleef lang bestaan,
zonder dat een van beide regeeringen zich om
dit land bekommerde. Langzamerhand werd stil-
zwijgend het noordelijk deel tot Rusland, het zui-
delijk deel tot Japan gerekend. Toen hier echter
steenkolen ontdekt werden, trachtte Rusland zijn
gezag uit te breiden, en in 1875 wist Rusland
van Japan te verkrijgen, dat het afstand deed
van Sachalien, doch Japan verkreeg hiervoor de
Kurilen eil. De steenkolen op Sachalien hebben
echter geringe waarde. Rusland zendt thans
misdadigers naar dit eiland.
§ 147. Turksche bezittingen in Azië.
Turkije bezit in westelijk Azië nog een aan-
zienlijk gebied, dat in \'t geheel ± 1780000
K. M2. beslaat met 15 470 000 inw. De deelen
der Turksche bezittingen zijn:
Klein Azië            515100 K.M2 met 8365000 inw.
Tarksch Armeni* 231194 „ „ 2365000 ,
Mesopotmnïê 259525 „ „ 1650000 „
Si,rïèenIJale»tiva2m212 „ B 2000000 „
furksch Arahïè 474000 „ „ 1050000 „
Het eiland Samos 468 B „ 44661 B
1778499 » 9l5Ï74"661 ,
Het bestuur en de rechtspleging in deze
landen is hetzelfde als in Turkije.
A. Klein Azië.
Bij een oppervlakte ongeveer zoo groot als
Frankrijk heeft dit gebied slechts 8,3 mill. be-
woners, d. i. gemiddeld 16 op 1 K.M. Het land
vormt een tafelland van 1000 tot 1300 M. hoog, door
eenige bergketens doorsneden. Geen enkele bevaar-
bare rivier vindt men in dit land. Het klimaat is er,
evenals in de aangrenzende gedeelten, streng
-ocr page 185-
177
HANDELS-AABDRIJKSKUNDE.
continentaal. In de oudheid was dit gebied dicht
bevolkt, en werd de bodem goed bebouwd, doch
de beschaving is door tal van historische ge-
beurtenissen achteruit gegaan.
De landbouw is hoofdbron van bestaan. Men
verbouwt er tarwe en gerst, erwten en bootten,
maïs, tabak, katoen
en opium. Beroemd zijn de
rijgen van Smyrna, welke hoofdzakelijk van
Samos komen, alsmede de druiven, rozijnen en
de wijn van dit en van andere eilanden. Van de
produkten der veeteelt noemen wij in de eerste
plaats zijde, van Amasia en Brussa, en vooral
de wol der angora-geit. Verder was en sponsen,
de laatste uit de omstreken van Rhodus. Het
mineralenrijk levert koper- en zilverhoudende lood-
ertsen
bij Tokat en Trapezunt; verder steen-
kool
en meerschuim. De nijverheid is weinig van
belang. Echter zijn de tapijten van Smyrna nog
steeds beroemd.
Steden. Smyrna (200000 inw., waaronder
meer dan 100000 Grieken, 60000 Turken) groot-
ste en belangrijkste handelsstad van Voor-Azië,
tapijten-industrie. — Trapezunt (45000), oude,
belangrijke havenstad aan de Zwarte Zee. Uit-
gangspunt der karavanen naar Armenië en
Perzië. De Russische haven van Poti, met den
spoorweg, is een gevaarlijke concurrent. Siwas
(Sebastia in den keizertijd) (48000), karavaan-
handel. — Brussa (60000) zijde- en tapijtin-
duatrie, wijnbouw, meerschuim-industrie, handel
met Konstantinopel. — Skutari (100000) aan
den Bosporus tegenover Konstantinopel, handel
met deze stad. — Adana, met de haven Mersina
aan de Middellandsche Zee, stoombootverbin-
ding, houtexport, handel in zuidvruchten. —
Tokat, karavanenhandel, katoen- en zijde-in-
dustrie.
Het eiland Cyprus met 209000 inw., is sedert
1878 aan Engeland afgestaan. Men vindt er
landbouw, katoenteelt, tabak, zuidvruchten.
Cypruswijn is beroemd.
Het eiland Rhodus (Turksch) (27000), expor-
teert rozijnen, zijde en sesam. De stad Rhodus
heeft een groote haven.
De volgende eilanden in den Griekschen Ar-
chipel behooren o. a. nog tot Klein- Azië : Tcn?dos,
Lesbos, Chios, Santos, I\'atnios, Kos, Thaso
enz.
Hoofdprodukten dier eilanden zijn: hout, graan,
wijn, zuidvruchten, honig, olie. Zeehandel.
B. Armenië en Kurdistan.
Dit gebied vormt een ruw doorgangsland voor
den handel tusschen Perzië en de Zwarte Zee.
veeteelt is de hoofdbron van bestaan in het
bergachtige land. — Erzerum (60000), rustpunt
voor karavanen. — Diabekr (47000;, aan de Ti-
gris; met belangrijke karavanenhandel.
C. Mesopotamië.
Mesopotamië bestaat grootendeels uit het laagland
tusschen en langs de rivieren de Tigris en de
Euphraat. In dit land was oudtijds de Azia-
tische beschaving gevestigd; groote en be-
roemde rijken ontstonden en verdwenen in dit
gebied. Tegenwoordig zijn de oevers der rivie-
ren met gras en struiken bedekt, en de in de
oudheid zoo vruchtbare velden zijn thans wei-
nig bevolkte steppen. Hoofdzakelijk door ver-
waarloozing des bodems is dit land zoo achter-
uitgegaan. Grootendeels is Armenië door no-
maden bewoond, die veeteelt drijven.
Mossul, aan de Tigris (57000), vroeger bloeiende
stad, levert koper, katoen en lederartikelen;
muzeline (naar de stad genoemd); stapelplaats
voor Perzische en Turksche waren. —• Bagdad
aan de Tigris (180000), leder-, katoen-, zijde-
en wolfabrikatie. Stapelplaats voor Europeesche,
Indische, Perzische en Arabische koopwaren. —
Basra (Bassora) (40000), te midden van dadel-
palmen gelegen; handel op Indië.
C. Syrië en Palestina..
Syrië met Palestina bestaan uit een grooten-
deels woest en steenachtig kustland, van kalk-
gesteenten opgebouwd, en in noordelijk Pale-
stina tot 500 a G00 M. hoog. Merkwaardig
is de inzinking van den bodem, van het meer
van Antiochië in de richting des meridiaans
naar de Golf van Akaba loopend, en die in de
Doode Zee aanzienlijk (tot 394 M.) beneden het
niveau der Middellandsche Zee gelegen. De Jor-
daan stroomt grootendeels door dit dal. Het
land levert, zoover het vruchtbaar is, graan,
sesam, olijven, dadels, zuidvruchten, wijn, rijst,
tabak, katoen. De veeteelt heeft er beroemde
paarden ; verder kameelen, schapen en buffels.
Steden: Beirut (110000), haven van Damaskus.
Zij levert vooral zijde, tabak en katoen. Mar-
seille, Triest, Odessa en Engeland hebben ge-
regelde stoombootvaart op Beirut. Een door de
Franschen aangelegde rijweg voert van Beirut
naar Damaskus. — Damaskus (180000), aan de
Barada, die de velden besproeit, te midden van
palmen, oranjes, vijgen en moerbezieboomen.
Beroemd door het damast, dat naar deze stad den
naam draagt; verder stalen artikelen. — Haleb of
Aleppo (120000), 104 K.M. of 4 dagreizen verwij-
derd van Iskanderun, een kleine haven. Industrie
en handel bloeien • te Aleppo, de bemiddelaar
tusschen de Syrische kust en Mesopotamië. —
Jaffa of Joppe, haven van Jeruzalem; een spoor-
lijn voert van Jaiïa thans naar Jeruzalem. —
Jeruzalem (43000 inw. waaronder 10000 Israe-
lieten, 6000 christenen). Als handelsstad heeft
Jeruzalem weinig beteekenis.
D. Turksch Arabië met aangrenzend gebied.
Het schiereiland tusschen de Roode Zee en
de Perzische Golf is grootendeels woest, bijna
-ocr page 186-
178
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
zonder rivieren of stroomend water. Echter de
terrassen, waarmede het plateau naar de west-
kust afdaalt, levert nog waardevolle produkten.
Hier worden verbouwd: graan, wijn, dadels en
koffie (Mokka); verder levert het land balsem,
wierook, en gummi (Arabische). De paardenteelt
is in Arabië beroemd. De industrie is van geen
beteekenis. Het westelijk eii het noordelijk
gedeelte van Arabië behoort aan Turkije.
In het binnenland worden de kleine stammen
door onafhankelijke Sheiks nog patriarchaal ge-
regeerd. Aan den Indischen Oceaan heeft de Iman
van Maskate een geregeld staatswezen.
Men heeft de bevolking van Arabië op 5
millioen geschat, welke gedeeltelijk vaste woon-
plaatsen hebben, gedeeltelijk nog een nomaden-
leven leiden.
Hoewel het land geen industrie heeft, ont-
breekt het toch niet aan handelsbetrekkingen.
Heeft Arabië vroeger steeds de bemiddeling
tusschen Indië en het westen tot stand gebracht,
en van de groote handelsbeteekenis van vroeger
zijn ook nu nog geenszins alle sporen verdwenen.
Ook in Oost-Afrika wordt door de Arabieren nog
steeds een uitgebreide handel gedreven. Het
middelpunt van den Arabischen handel is Mas-
kate. De binnenlandsche handel komt meestal
bij de pelgrimstochten „hadschs" tot stand.
Onder Turksche heerschappij staat a. Jemen,
d. i. zuidland, met Mokka, de beroemde koffie. —
Sana (20000), koffie, handel; Hodeida, haven. b.
Ikdschas
met Mekka (45000), middelpunt van den
Islam. De Kaaba is het nationaal heiligdom
der Mohammedanen. Dschedda (19000), zee-
haven, hoofdhandelplaats van Arabië. — Medina
(15000), met het graf van Mohammed; de haven
is Jambo.
De vrijhaven Aden (23000), een sterke rots-
vesting aan den zuidelijken ingang der Roode
Zee, is sedert 1839 een Engelsche bezitting.
Als kolenstation voor de stoombooten is Aden
belangrijk, jaarlijks loopen 1500 schepen de
haven binnen. De stad is heet en ongezond.
Maskate (20000), in het gebied van Oman
of Aman, handelsstad aan de Golf van Oman.
§ 148. Perzië of Iran.
Perzië is een land, dat door vruchtbare berg-
landen is omringd, die in het midden een dor
gebied van steppen en woestijnen insluiten.
Hier was eenmaal het vaderland van Mediërs,
Perzen en Parthen. De tegenwoordige bevol-
king bestaat uit Perzen en Mediërs, lieden van
schoonen, Kaukasischen lichaamsbouw, en uit
Turksch Tataarsche stammen in het N.W. des
lands. De levenswijze der bevolking is zeer
eenvoudig, en het hoofdvoedsel bestaat uit rijst.
De Schach is onbeperkt heerscher.
Woestijnen, steppen en naakte gebergten zijn
de regel, woud en vruchtbaar bouwland de
uitzondering in het landschapsbeeld van Perzië.
Waar water in overvloed is, zij het kunstmatig
of door de natuur aangebracht, daar ontwikkelt
zich meer of minder weelderig de plantengroei;
waar het water ontbreekt vindt men woestijn.
In de kuststreek aan de Kaspische Zee en de
gebergten van Kurdistan vindt men nog eiken
en beuken wouden. De landbouw, nog hoofd-
middel van bestnnn, wordt op zeer primitieve
wijze gedreven. Zijdeteelt is er aanzienlijk.
Van de huisdieren dient het schaap meest voor
slachtvee, de geit levert melk, het rund is er
trekdier, de kameel lastdier. De industrie le-
vert slechts enkele artikelen voor het buiten-
land van belang: nl. tapijten, shawls en zijden
stoffen, terwijl ook de parelvisscherij in de Per-
zische Golf nog beteekenis heeft. De Perzische
tapijten worden met de hand bewerkt; de fijnste
komen uit Kurdistan en Mesched, de duurste
shawls levert Kerwan.
De verkeersmiddelen zijn zeer slecht; in het
binnenland bestaat enkel het karavanen-vervoer.
Het verkeer over de Perzische Golf is meest in
handen van Engelschen en Arabieren, op de
Kaspische Zee van de Russen.
Steden: Teheran (210000) hoofdstad, in den
zomer zeer ongezond en voor de helft door de
bevolking verlaten. Industrie en handel zijn er
niet aanzienlijk. — Tebris (180000) aanzienlijke
handelsstad; middelpunt van verkeer tusschen
Perzië en Europa. — Isfahan (90000) leven-
dige industrie en binnenlandsche handel. —
Mesched (70000) hoofdplaats voor het verkeer
met Oost-Perzië. — Schiras (32000) verbouw
van tabak, wijn en rozen. Buscher of Abuscher,
belangrijkste zeehaven des lands.
§ 149. Beludschistan.
(Grootte ± 2800 K.M2. — 350000 inw.)
Beludschistan vormt het Z. O. deel van het
hoogland van Iran. Het is een land, dat uit
een handelsoogpunt weinig beteekenis heeft.
Nijverheid en handel zijn er gering. Kelat
(14000) is de hoofdstad.
§ 150. Afghanistan.
(680000 KM2. — 4 a 6 mill. inw.)
Dit land is in politiek opzicht van groote be-
teekenis, omdat het_tusschen de Engelsche en
Russische bezittingen in Azië ligt. Het Afghaan-
sche hoogland, dat door randgebergten omslo-
ten is, welke alleen door moeielijk begaanbare
passen zijn over te trekken, vormt door die
natuurlijke gesteldheid een uitstekende grens-
scheiding tusschen beide genoemde machten.
De bevolking heeft gedeeltelijk vaste woon-
plaatsen en bestaat verder voor een gedeelte nog
-ocr page 187-
179
ÏUNbEtS-AAttbRlTKSKÜNDÉ.
uït nomaden. De gebergten zijn rijk aan meta-
len, op de hoogvlakten wordt graan verbouwd,
en in de dalen vindt men ook zuidvruchten. De
veeteelt is er van veel belang. De industrie
levert enkel voor de behoefte des lands. De
handel is er karavanenhandel; kameelen ver-
voeren de handelsartikelen. — Kabul (GUOUO)
zetel van den Chan of sultan. Levendig tran-
sitoverkeer als kruispunt der karavanenwegen. —
Herat in een vruchtbare, bouwbare vlakte.
§ 151. Britsch Azië.
(4973420 K.M2. — 293580000 inw.)
Britsch-Azië beslaat een groot gebied, welks
deelenin verschillende graden van afhankelijkheid
tot het Britsche Rijk staan. Men onderscheidt
daarbij Koloniën (Colonies), Bezittingen (Poses-
sions en Dependencies) en Beschermde Staten
(Protectorates). Tot Britsch-Azië behooren: C;/-
prus,
(zie pag. 177), Aden (zie pag. 178) Britsch-
Indië, Ceylon, Straits Settlements, Labiian
met
Noord-Borneo en Hongkong.
Britsch-Indië.
De Britsche heerschappij in Indië is wel het be-
langrijkst van de Aziatische bezittingen. Zij ving
aan met de oprichting der Oost-Indische Com-
pagnie in 1600. Het was een handelsmaatschappij,
die met monopoliën en souvereine rechten be-
giftigd was. In 1858 zijn de hoogheidsrechten
van de Oost-Indische Compagnie aan de En-
gelsche regeering overgegaan, üe koningin van
Engeland, die met 1 Jan. 1877 den titel „Kei-
zerin van Indië" aannam, kwam daardoor in
plaats der Oost-Ind. Compagnie, met al haar
rechten en plichten. De Staatssecretaris van
Indië oefent het beheer uit in naam der Konin-
gin. In Indië is het bestuur opgedragen aan
een Gouverneur-Generaal, die gewoonlijk, hoe-
wel niet officieel, Vice-Koning genoemd wordt.
Hij wordt door de kroon benoemd en bezit uit-
gebreide volmacht. Evenals de Staatssecretaris
in Engeland wordt de Vice-Koning, die te Cal-
cutta resideert, door een Raad in zijn bestuur
bijgestaan.
De onmiddellijke bezittingen in Indië zijn onbe-
perkt eigendom van Engeland en worden door vice-
gouvemeurs
bestuurd. De beschermde staten, welke
er niet minder dan 629 zijn, staan onder in-
landsche vorsten, hebben hun eigen wetten en
besturen, en zijn ten opzichte van binnenland-
sche zaken zelfstandig. Aan het hof van elk
dezer vorsten is een door den Vice-Koning be-
noemd resident gevestigd, die meer of minder
invloed uitoefent, en waakzaam is voor de hand-
having van het jBritsche gezag. Daar er in de
onmiddellijke Engelsche bezittingen meer orde
heerscht, heeft er in de laatste jaren een emi-
gratie uit de beschermde staten naar deze plaats.
In het directe Engelsche gebied wonen gemid-
deld 90 personen op 1 K.M2.
Indië wordt onderscheiden als Voor- en Achter-
Indië.
Voor-Indië is het rijkst gezegende tro-
penland van Azië. De reusachtige bergketen
van den Himalaja, met de hoogste verheffingen
der aarde, sluit het land naar het noorden en
noordoosten af, doch door de Kaiberpas dron-
gen sedert ouden tijd reeds veroveraars uit het
noorden het land binnen, die zich hoofdzakelijk
in de laagvlakte vestigden. De laagvlnkte van de
Ganges en de Bramaputra, welke beide rivieren een
gemeenschappelijke delta doen ontstaan, vormt het
Noord-Indische laagland, een zeer vruchtbaar en
goed bebouwd gebied, waar de meeste en grootste
steden gevonden worden. Verder strekt Voor-
Indië zich als een schiereiland in het Plateau
van Dekan
naar het zuiden uit. Dekan bestaat
uit een driehoekig tafelland, van 500 tot
1000 M. hoog. In het westen vormt de berg-
keten van de Wesl-Ghats, met de vruchtbare en
havenrijke kust van Malabar, de grens van Dekan
naar de zee, en in het oosten is het de keten
der Oost-Ghats, met de moeielijk genaakbare
kust van Knromandel.
Achter-Indië is het schiereiland ten O. van de
Golf van Bengalen. Het is door groote rivieren,
die langs lengtedalen in het bergland den weg
kiezen, doorsneden, en van deze is de Irdwadi
de belangrijkste.
Indië behoort klimatologisch tot het gebied der
moessons, d. i. der regelmatige winden, die met
de jaargetijden afwisselen. In den zomer bij den
I hoogsten zonnestand waait de wind van de zee
I naar het land, en deze wind brengt vooral aan
de kuststreken regens aan; natte moesson. De win-
termoesson, de wind die bij denlaagstenzonnestand
waait, heeft een tegengestelde richting, en waait
van het land naar de zee. Daardoor is deze een
droge wind, de droge moesson. De zoinermoesson
doet in deze gewesten een rijke Hora ontwikke-
len, die door de ligging nabij den keerkring een
tropisch karakter draagt.
firitsch-Indië wordt bewoond door eene ver-
menging van onderscheidene rassen en volks-
stammen, onder wie de nakomelingen der Arische
Hindoes de meerderheid uitmaken. In Dekan
wonen nog nakomelingen van de niet-Arische
Dravidas. Verder hebben zich Arabieren, Ira-
niërs, Mongolen
en vertegenwoordigers van ver-
schillende andere stammen in dit gebied geves-
tigd. Het aantal Indische Ariërs bedraagt 195,4
inill., dat der Dravida\'s 52,9 mill. De meest
gebruikte taal des lands is het Hindostansch
(Hindostani), welke taal alle hoogere burgerlijke
ambtenaren moeten leeren. Ongeveer \'•% der
bevolking (207,7 mill.) belijdt den Hindu-
godsdienst, een nieuw-Brahinanisine ; verder
wordt de Mohammedaansche leer door 57,3 mill.
beleden, 9,3 mill. zijn natuuraanbidders (Animis-
ten), 7,i mill. zijn Budhisten (in Barma en Kasch-
mir) en 2,3 mill. zijn Christenen.
-ocr page 188-
180                                                               HANDELS-A ARDRIJKSKUNDE.
51 in die van Peiiahg, en 29 in die van Colombo.
De totaaluitvoer bedroeg in 1891 voor een
bedrag van 8359,5 mill. gulden. De belang-
rijkste uitvoerartikelen zijn in volgorde naar het
bedrag van den uitvoer: rijst, (Beneden-Barma
vooral), tarwe, oliezaden, ruw katoen, katoenen
garens, opium, jute (uit Bengalen), thee (As-
sam), huiden, indigo, koffie en wol.
Verkeerswezen. De regeering heeft in vele
opzichten de toestanden in Indië verbeterd, door
het aanleggen van besproeiïngswerken, door het
invoeren van onderscheidene cultuurplanten, als
de theestruik, de kina, enz. Ook voor het verbeteren
van het verkeer heeft de regeering veel gedaan
door het aanleggen van wegen, van spoorlijnen
en telegraaflijnen, en door de organisatie van
het post wezen.
De buitenlandsche handel heeft voornamelijk
plaats van de volgende havens uit: Bombay,
uitvoer van katoen, tarwe, oliezaad, opium.
Calcutta, opium, oliezaad, rijst, indigo, tarwe,
thee. Rangun (uitvoer vooral van rijst); Madras
(uitvoer van katoen, oliezaad, rijst, indigo),
Karatschi (uitvoer v:;n tarwe, oliezaad, katoen).
Indeeling en plaatsbeschrijving. Het Brit-
sche gebied wordt ingedeeld in twee president-
schappen of gouvernementen; Bombay met Sindh
en Aden en Madras, nlsmede tien provinciën : Ben-
galen, Pttndjdb, Noordtcestprovinciën, Oudh, Cen-
traal-provinci\'i\'n, Assam, Banna, Berar, Adsclimir
en Kurg.
A.    Bengalen. Calcutta (met de voorsteden
862000 inw.) hoofdstad en zetel der regeering,
aan den linkeroever der Hugli, 160 K.M. van
haar mond aan den westrand van den Ganges-
delta. De stad bestaat uit de Zwarte stad in
het N., een gedeelte met nauwe, vuile straten,
waar de inboorlingen wonen, en de Witte stad
in het zuiden, naar Europeesch model gebouwd,
waar de Europeanen verblijven. Howra is de
voorstad van Calcutta aan de westzijde der
rivier (116000). — Murshidabad (150000) oude
hoofdstad van Bengalen, aan het begin van den
Gangesdelta. — Patna (165000) in een vrucht-
bare streek, levert veel indigo en opium.
B.   Noordwest-provinciën. Benares (219000)
paarlen, edelgesteenten, katoen en zijde. —
Allahabad (175000) heilige stad aan den heiligen
stroom der Hindus, de Ganges. Katoen.
C.  Oudh. Lucknau (223000).
D.   Pandjab. Lahore (179000). — Amritsar
(137000), belangrijkste fabrieks- en handelsstad
van N. W. Indië.\' — Delhi (193000) hoofdzetel
van den Islam in Indië, is achteruitgegaan.
E.   De Centraai-provinciëu omvatten deelen
van Hindostan, Malwa en een groot deel van
Goudwana. Nagpur (100000).
F.    Bombay. Bombay (822000) eerste han-
delsstad, ligt op een eilandje aan de westkust.
Landbouw en veeteelt; mineralen. De In-
dische regeering is de grootste grondbezitter
der aarde, en landbouw is de belangrijkste bron
van haar inkomsten. Van de 56,2 mill. H.A. lands,
welke in 1891 bebouwd werden, had ongeveer het
*/5 gedeelte een gedeeltelijk kunstmatige besproei-
ing. De rijst wordt veel verbouwd in landstre-
ken aan den Beneden-Ganges en de Brahmaputra
alsmede in de kuststreken van Achter-Indië. Tarwe
wordt veel verbouwd in Panjab, (den Boven-In-
dus) de centrale en de noord-westelijke provinciën.
Gerst en katoen groeien bovenal in Bombay en de
centrale provinciën ; jute in Bengalen, indigo in Be-
nares, koffie in de zuidelijke gebergten ; thee voor-
namelijk in Assam, tabak en opium in Bengalen
en Malwa, kinabast sedert 1860 op den Niligiri
(Z. v. Dekan), lijnzaad, raapzaad en grond noten
in verschillende deelen des lands, kokosnoten
aan de zuidelijke kusten. De wouden leveren
voortreffelijke houtsoorten, vooral het gezochte
teakhout.
Van de dierlijke produkten noemen wij in de
eerste plaats rooi en zijde. Buffels trekken den
ploeg; olifant en kameel zijn lastdieren. Het
gebrek aan paarden wordt uit Australië en Af-
ghanistan aangevuld.
Als mineralen levert Indië ijzer en goud; ver-
der steenkolen in het land tusschen de Ganges
en de Godaweri; echter geven deze kolen veel
asch. Zout wordt gedeeltelijk aan de kust,
gedeeltelijk in Panjab gewonnen.
Nijverheid. De bouwkunst heeft in Indië
drie groote tijdperken doorgemaakt, welke met
drie perioden in de godsdienstgeschiedenis sa-
menvallen: met de heerschappij van het Brahma-
nisme, van het Budhisme, en van den Islam.
Talrijke verblijfselen uit deze drie tijdperken der
bouwkunst zijn nog aanwezig.
De kunstvlijt der Indiërs heeft zich op ver-
schillende zaken gericht. Men vindt er tapijt-
weverij,
fabrikatie van zijden en katoenen stojj\'en,
velerlei versiering van metalen artikelen, van wa-
pens
enz.; fabrikatie van hout- en ivoorsnijwerk;
terwijl vele sierartikelen van goud, paarlen en
edelgesteenten bewerkt worden. In den nieuweren
tijd zijn onderscheidene takken van Europeesche
industrie hier ontwikkeld geworden, en concur-
reeren die reeds op de Chineesche en Japansche
markten met Engeland.
Handel. De uitvoer van artikelen uit Indië
heeft in volgorde plaats naar de volgende lan-
den: Engeland (ongeveer % van het totaal),
China, Frankrijk, Egypte, België, Duitsehland,
Straits Settlements, Italië, Ceylon, Vereenigde
Staten van Noord-Amerika, Oostenrijk en Japan.
In 1892 werden havens der Britsche bezit-
tingen in Azië bezocht door 162 schepen onder
Nederlandsche vlag, waarvan 158 stoomschepen.
Daarvan kwamen er 82 in de haven van Singapore,
-ocr page 189-
HANDELS-AAftDElJÉSKÜUDfi.                                                          18i
n.1. aan de Straat van Malakka, vormen sedert
1867 een kroonkolonie met den zetel der regee-
ring te Singapore. Hiertoe behooren:
K.M* Inw.
1   Eiland Singapore                        533,5 184554
2       „ Pinang (Pulo Penang) 277,1 )
3   De provincie Wellesley             699,3 | 235618
4    „           „          Dindings              518,0 )
5  Stad en district Malakka 1706,8 92170
Totaal 3734,7 512342
De bevolking bestaat hoofdzakelijk uit Ma-
leiers en Chineezen ; verder uit inboorlingen van
Indië, en uit 3400 blanken.
Singapore is de belangrijkste stad (15000)
voor den handel. Het is een centraalpunt voor
de scheepvaart in de wateren van Öost-Azië,
wat bevorderd wordt, doordien het een vrijhaven
is. In den omgang wordt er Maleisen gesproken.
Uitvoer van gambir, tin, sagomeel, peper, ver-
schillende harsen en guinmisoorten, antimonium,
schildpad, enz.
§ 154. Britsch Noord-Borneo en Labuan.
Een Engelsche maatschappij wist in 1878 van
de sultans van Sulu en Brunei, in het noorde-
lijk gedeelte van Borneo, 80300 K.M2, lands te ver-
werven. Door koninklijk decreet werd de „Bri-
tish North Borneo Company" in de bezitting
bevestigd, en in 1888 werd deze bezitting onder
bescherming van Engeland gesteld en met het
eiland Labuan vergroot, dat sedert 1844 reeds
een Engelsche bezitting was. Labuan heeft voor-
al beteekenis door de steenkolen. De hoofdstad
van Britsch Noord-Borneo is Sandakan, aan
de N.O.kust gelegen. Landbouw wordt er
bovenal uitgeoefend. Brunei en Sarawak, gedeel-
ten in het N. W. van Borneo, staan sedert 1888
onder Britsch protectoraat.
§ 155. Hongkong.
In het Oosten van Azië bezit Engeland sedert
1841 nog de Kroonkolonie Hongkong. Bij den vrede
van Nanking, waarmede de „opiumoorlog" werd af-
gesloten, verkreeg Engeland dit eilandje, 70 K.M2
groot, ten O. van het Portugeesche Macao ge-
legen. Op Hongkong ligt de stad Victoria, veel-
al Hongkong geheeten, met goede dokken. Hong-
kong is een vrijhaven. Hoewel de handel na het
opkomen van Shanghai en andere verdraghavens
in China verminderd is, kan Hongkong toch nog
altijd een stapelplaats van den Britschen han-
del op China genoemd worden.
Honkong is de belangrijkste stad ten O. van
China voor het chartern van schepen, voor post
en telegraphie, en is een groot kolenstation. De
belangrijkste handelswaren zijn : opium, katoenen-
en wollen stoffen, metalen artikelen, aardewerk,
houtsoorten, suiker, olie, ivoor enz.
De naam komt van het Portugeesch Bom-bahia
= goede baai, een goed gekozen naam. Bombay
is de eerste handelsstad van Indië. — Puna
(130000), graanhandel; papierfabriek. — Karat-
schi (105000) ten W. van den mond der Indus;
haven van het Indusgebied, ook uit militair
oogpunt van beteekenis.
G. Madras: Madras (453000). Bij de N.-O.
winden van Oct. tot Jan. is do kust ongenaak-
baar, en ook anders moeten de schepen ver van
de kust ankeren. — Kalikut (66000), waar
Vasco de Gama in 1498 het eerst landde; de
haven verzandt.
H. In de beschermde staten: Haiderabad in
Dekan (415000). Maisur of\' Mysore (74000).
I. Opper- en Beneden Banna (Burma): Rangun
(180000), havenstad; uitvoer van rijst. — Man-
dalay (189000), oude residentie in het binnenland,
aan de Irawadi; beroemde robijngroeven in de
nabijheid. Akyab (34000). — Bassein (31000)
rijsthaven.
Bezittingen van andere natiën in Indië: Portugal
heeft van zijn eens zoo rijke bezittingen alleen be-
houden Diu en Goa; Frankrijk bezit Pondichery
(50000) en Carical (35000)* beide slecht te ge-
naken havens, en Tschandernagore (25000)
in den Gangesdelta.
Zelfstandige S/aten: Aan den zuidelijken voet
van den Himalaja liggen de zelfstandige staten
Nepal, met de hoofdstad Katmandu (50000)
en Buhtan. De Engelschen noemen deze staten
„Frontier States", d. i. grensstaten.
§ 152. Het eiland Ceylon.
Ceglon wordt door de Golf van Menaar en de
Palkstraat van Dekan gescheiden. Langs de kusten
vindt men vele goede havenplaatsen. De oor-
spronkelijke bewoners zijn de Singhaleezen
( 1 mill. Budhisten). De regenrijkdom des
lands, welke de zuidwest moesson aanbrengt, heeft
een weelderige plantengroei ten gevolge, en doet
onderscheidene cultures goed gedijen. Bovenal
levert het plnntenrijk rijst en andere granen,
kokoswoud-en, kaneel, kojfie, thee, cacao, kina.
Door de koflieziekte is deze cultuur verminderd,
en heeft plaats gemaakt voor de thee, welke
thans veel wordt uitgevoerd. De buitenlandsche
handel is hoofdzakelijk in handen van Enge-
land. De havens voor den handel zijn : Colombo
(127005), Point de Galle (33500),\' Trincomali
(11400), Jafna (43000). De hoofdstad is Kandy
(20000).
Tot Ceylon worden ook gerekend de Z. W.
gelegen eilanden der Malediven, een groep van
17 atollen (koraaleilanden), waar men Kauri-
schelpen vischt, en de Lakkadiven..
§ 153. De Straits Settlements.
De „Straits Settlements" d. i.: „de Engelsche
nederzettingen of bezittingen aan de zeestraat",
-ocr page 190-
182
»ANbEtS-AA.mmiJKSKÜNDfi.
§ 156. Fransche bezittingen in Azië.
De Fransche bezittingen in Voor-Indië heb-
ben wij reefis genoemd. In Achter-Indië bezit
Frankrijk een uitgebreider gebied het „Indo-CMne
Francaise"
dat bestaat uit Cochinchina, Kambodja,
Annam
en Tongking (Fransch Tonkin). Dit ge-
bied beslaat ± 489000 K.M2, met 18 a la mill.
inwoners. Het wordt bespoeld door de Golf
van Stam
en de Zuid-Chineesehe Zee. De Mekong
is de grootste rivier van dit land. De hoofduit-
voerartikelen des lands zijn : rijst, kaneel, katoen,
suiker, huiden, tabak, indigo, peper en gezouten
of gedroogde visch. Hoewel een Fransche be-
zitting, is de handel nog hoofdzakelijk in En-
gelsche handen.
Cochinchina: Saigon (65000), havenstad; in
1891 liepen 322 schepen (315415 tonnen) de
haven binnen, waaronder 117 Engelsche en 132
Duitsche schepen.— A\'V//»6o///«:Pnom-Penj (75000
inw.). — Annam: Hué (30000). — Tongking:
Hanoi (70000; met de omringende plaatsjes
150000 inwoners).
§ 157. Portugeesche Bezittingen in Azië.
Portugal, dat den zeeweg naar Indië van
Europa uit ontdekt heeft, had in de 16de eeuw
hier een zeer uitgestrekt bezit. Door de En-
gelschen en de Nederlanders zijn die Portu-
geesche bezittingen langzamerhand voor een
groot gedeelte in beslag genomen, en Portugal
bezit thans slechts eenige verstrooide overblijf-
selen van zijn vroeger gebied. Die bezittingen
zijn de volgende:
In Indië: Goa, Damïxo en Diu. In China:
Macao, en in den Maleischen Archipel de N. O.
helft van het eiland Timor (met het stadje Dili),
en het kleine nabijgelegen eilandje Kambina.
Macao (Chin. Makau) (170000), in de nabij-
heid van het Britsohe Hongkong gelegen en met
een ondiepe haven, wordt door laatstgenoemde
stad overvleugeld.
§ 158. Het koninkrijk Siam.
Stam, door de inboorlingen „Muang Thaï" d. i.
land der vrijen genoemd, is het eenige nog
eenigszins vrije land van Achter-Indië. De ko-
ning regeert als een tamelijk wel absoluut vorst. De
buitenlandsche handel is hoofdzakelijk in han-
den van vreemdelingen en geschiedt over
Bangkok (600000 inw.) aan de Menain gelegen.
Een ondiepte aan den mond der rivier maakt
het binnenvaren alleen voor schepen met inin-
der dan 4 M. diepgang mogelijk. Hoofdartikelen
van den uitvoer zijn : rijst, peper, suiker, sesam,
teakhout, visschen en huiden.
§ 159. Het Chineesche Rijk.
China, in het Chineesch „Tschung-kwo", d. i.
„land van het midden" geheeten, is de volk-
rijkste staat van Azië en de tweede in oppeiS
viakte. De oppervlakte beslaat 11790000 K.M2.,
terwijl het aantal bewoners op 400 millioen ge-
schnt wordt. Men onderscheidt eigenlijk China
en de Chineesche bijlanden of koloniën en be-
schermde staten. Tot de laatste behooren Mand-
schurije, Mongolië, Tibet, D.yungarijë\'
en Oost-
Turkestan.
Korea was vroeger een Chineesche
vazallenstaat, doch thans niet meer.
Op zijn minst 5/0 van China wordt door ge-
bergten en hoogland ingenomen. In de noor-
delijke provinciën breiden zich groote hoogvlak-
ten uit, door van Z. W. naar N. O. loopende
bergketens afgebroken. Aan den Grooten Oceaan
heeft China een goede kustontwikkeling. Deze,
in verband met vele groote rivieren en de kunst-
matig aangelegde verbindingskanalen tusschen
de rivieren, bevorderen het scheepvaartverkeer
zeer. Onder de rivieren staan de Jang-tse-kiang
en de Hoango in beteekenis bovenaan. De
Jang-tse-kiang, d. i. „zoon des oceaans", is een
der grootste rivieren van de aarde; haar be-
teekenis voor het scheepvaartverkeer is met
de Mississippi in Noord-Amerika of met de
Wolga in Rusland te vergelijken. De Hoangho
of Gele rivier doorstroomt het bekende löss-
gebied van Noord-China; een uitgestrekte op-
pervlakte is hier met zware lagen lüss, een
oude kleisoort, bedekt. Deze gele kleibestand-
deelen geven aan het water der rivier een gele
kleur, en deze heet daarnaar „gele rivier." Zelfs
de zee bij den mond wordt door dat water nog ge-
kleurd, en heet ook Gele Zee. De Peiho of „Witte
rivier" is de noordelijkste rivier des lands; aan
deze rivier ligt Peking. In het zuiden is nog
belangrijk de rivier de Sikiang. De laatste
is de belangrijkste rivier van Zuid-China.
Een der armen van de Delta loopt als Kan-
ton-rivier
voorbij de groote handelsstad van dien
naam.
Door de uitgestrektheid des lands en het
groote verschil in hoogte wisselt het klimaat
in de onderscheidene deelen zeer af. Over het
grootste gedeelte heerscht een streng vastelands-
klimaat met heete zomers en koude winters.
Langs de kuststreken vindt men een typisch
moessonklimaat met tegengestelde winden in
den winter en den zomer. In den winter waait
de koude, droge landwind, die uit het N. W.
komt; in den zomer waait de zeewind uit het
Z. O. en O. en brengt veel vochtigheid en re-
gens langs de kuststreken. Hierdoor wordt het
verschil in temperatuur in den zomer en den
winter zeer groot. Het verschil tusschen de
hoogste en de laagste temperatuur te Peking
bedraagt wel 50u, te Shanghai meer dan 47u,
en te Kanton 33°. Het Keizerskanaal te Peking
vriest zelfs tot op den grond toe vast, en ook de
Golf van Petschili wordt met zware ij slagen
bedekt.
-ocr page 191-
183
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
De bevolking van China, de Chineezen of Han-
lieden,
vormen een door lichamelijke en geeste-
lijke eigenaardigheden en zeden scherp onder-
scheiden tak der groote Mongoolsche volken-
familie. Reeds voor meer dan 4000 jaren scheid-
den zij zich van de overige Mongolen af, en
vestigden zich in dit gebied. De Chinees is
verstandsmensen; gemoedsaandoeningen zijn bij
hem zeer zeldzaam. Scherpzinnigheid en bere-
kenend verstand zijn belangrijke eigenschappen,
waardoor zijn handelen bepaald wordt. De
Chinees is vreedzaam en ordelievend, hij arbeidt
gaarne, en doet dat met volharding. Als slechte
eigenschappen kan men aanmerken zijn gemis
aan reinheidszin, gebrek aan waarheidsliefde,
neiging tot diefstal, valschheid en ondank-
baarheid. De eeuwenlange geslotenheid des
lands voor vreemden heeft een sterk conserva-
tisme doen ontwikkelen. Het gebruik van opium
heeft zich, trots alle verbodsbepalingen der re-
geering, meer en meer verbreid.
De Chineesche bevolking wordt verdeeld in
vrijen en slaven. Evenwel het getal der laat-
sten is niet groot, en meestal zijn zij door schul-
den in dien toestand van afhankelijkheid gekomen.
Geleerdheid staat sedert de oudste tijden hoog
in aanzien, doch onder de landsbevolking telt
men nog vele millioenen die niet kunnen lezen
of schrijven.
De regeering van China vortnt een patriarchaal
despotismus, hetwelk echter de bevolking niet
schijnt te drukken, daar het overeenkomt met
hun religieuze beschouwingen. De keizer is
voor den Chinees „Tien-tsze", d. i. „zoon des
hemels" en de bemiddellaar tusschen goden en
menschen.
Produkten. In China vormt de boerenstand
een „eere-stand", die in rang boven dehand-
werkslieden en kooplieden staat. De Chi-
neesche boer heeft zijn grond van den Staat
verkregen en behoudt dien zoo lang als hij hem
bebouwt en de daarop rustende belasting be-
"taalt. Dit bezit gaat op den oudsten zoon over,
hoewel ook jongere zonen op den grond kunnen
blijven wonen. Dochters erven niet mede. Ge-
woonlijk is een dergelijke boerderij klein, en
wijl de veeteelt gering is, het grasland ontbreekt,
melk en boter onbekende zaken zijn, wordt al
de grond zorgvuldig bebouwd, als ware het geheele
land een tuin. In den regel komen enkel bij den rijst-
bouw de door den buffel getrokken ploeg en egge
in gebruik. De meeste arbeid is handenarbeid.
Door de dichte bevolking neemt het verbou-
wen van voedselplanten een eerste plaats in.
Rijst, tarwe, gerst, verschillende soorten van
gierst, maïs, boekweit, peulvruchten, aardappelen
enz. komen meest voor. Daar het voor den
rijstgroei in de noordelijke streken te koud is,
levert deze plant niet voldoende op voor de be-
hoefte des lands; uit Formosa en Achter-Indië
wordt in het ontbrekende gedeelte voorzien.
Katoen is algemeen verbreid; daarbij komen nog
linnen, hennep enz. Belangrijk is de theeplant,
zoowel voor het binnenlandsch gebruik als voor
den uitvoer. Talrijk zijn de oliegewassen en
de plantenvetten. De beste tafelolie komt van
het sesamzaad. Het suikerriet wordt voornamelijk
in het zuiden en op Formosa verbouwd.
De belangrijkste handelsplant is de theestruik.
De cultuur der thee is over een gebied van
110000 K. M2., van den keerkring tot 35° N.
Br. verbreid. Zooals in Midden Europa de wijn-
gaarden, vindt men de Chineesche „theegronden"
voornamelijk ann de onderste zachte hellingen
der bergen en heuvels.
De veeteelt heeft er geen groote beteekenis.
In de behoefte aan vleesch wordt meestal voor-
zien door varkensteelt en vogels; in het N. door
schapen- en runderteelt. De paarden zijn er
klein en worden slecht behandeld. Aan de
grenzen van China wordt het verkeer in de
woestijnen van Mongolië en Mandschurije door
de kameel tot stand gebracht. Verder moeten
wij nog noemen de zijderups, en eindelijk de
schildluis, welke een soort van vet levert.
De bodem des lands is rijk aan steenkolen,
die in schier elke provincie gevonden worden,
maar nog weinig worden geëxploiteerd. IJzer-
ertsen moeten ook in onderscheidene gedeelten
des lands voorkomen; eveneens vindt men
er steenzout, koper, zink, tin, lood, zilver.
Doch in \'t algemeen is de mijnbouw er nog
weinig ontwikkeld.
De industrie in China is meestal klein-industrie.
De bekwaamheid en handigheid van de Chinee-
sche werklieden vergoedt eenigszins het gemis
van machines. Met eenvoudige werktuigen weten
de Chineezen nog veel tot stand te brengen,
vooral wat betreft ivoor-, hout- en steensnijderij,
waarvoor Kanton de hoofdzetel is.
Ook de zijdeweverij wordt er met" kunst be-
oefend, bovenal in de steden Nanking, Sutschou,
en Hangtschou. Nanking is bovendien reeds
lang door zijn katoenen weefsels bekend. In
andere takken van industrie werd China reeds lang
door Japan en andere landen overvleugeld, o. a.
in de lak-, porcelein-, brons- en email-industrie.
De handel van China met het buitenland
neemt toe. Vroeger geheel gesloten, zijn thans
25 havens door verdragen voor den handel
opengesteld. Dit zijn de zoogenaamde „verdrags-
havens". De buitenlandsche handel is hoofd-
zakelijk (in 1891 voor 85,4 pet. van den invoer)
in handen van Engeland, Engelsch-Indië en
Hongkong. Een overzicht van het aandeel der
verschillende volken in den handel op de ver-
dragshavens geeft de volgende statistiek voor
1891, de waarde uitgedrukt in Taels *).
*) De Tael heeft ongeveer een waaide van ƒ 2.70.
-ocr page 192-
184
HANDELS-AARDRTJKSKUNDE.
Eerst in 1876 werd het door een verdrag met
Japan voor de buitenwereld geopend. Sedert
sloten ook de Vereenigde Staten, Duitschland,
Engeland, Rusland, Italië, Frankrijk en Oosten-
rijk verdragen met Korea. Hierbij werd het
land als zelfstandige, onafhankelijke staat be-
handeld, hoewel het vroeger onder een soort
van bescherming van China stond.
De produkten des lands zijn: rijst, tarwe en
andere graansoorten, boonen, Spaansche peper,
tabak. Tot de huisdieren behooren runderen,
varkens, paaiden van klein ras, gevogelte. In
enkele streken wordt, zijdeteelt uitgeoefend.
Verschillende rivieren voeren stofgoud mede;
verder moet de bodcin rijk zijn aan koper, ijzer
en kolen, doch deze bergbouw wordt nog niet
geëxploiteerd.
De buitenlandsche handel heeft de verwach-
ting der verdragstaten niet vervuld; men had
te hooge verwachting van de koopkracht des
volks. De buitenlandsche handel is hoofdzake-
lijk in handen van Japanneezen.
Voor den buitenlaudschen handel dienen de
havens Tschemulpo, Fusan on Gensan.
§ 161. Het keizerrijk Japan of Nippon.
Door de inwoners wordt het eilandenrijk Ja-
pan Nippon genoemd, d. i. het land van den
opgang der zon. \' Dit eenige groote, Oost-Azia-
tisclie eilandenrijk bestaat hoofdzakelijk uit ke-
tens van vulkanische gebergten, die in het bin-
nenland echter nog niet volledig bekend zijn.
Het eigenlijke Japan bestaat hoofdzakelijk uit
vier groote eilanden Kiuschiu, Schikoku (Sjikok),
Honschiu (of Ilondo; veelal in Europa ten on-
rechte Xippon genoemd) en Jesso. Daarbij ko-
men nog de Kurilen en de Liukiu-eilanden.
De Japansche eilanden hebben een groote
kustlengte (24480 K.M.). Vooral de zuid- en
westzijde der eilanden is het meest geleed, wat
voor de scheepvaart van groot belang is.
De Japanneezen zijn de nakomelingen van*
veroveraars, welke over Korea het land binnen-
trokken. Over hun afkomst is nog weinig met
zekerheid bekend. Hoewel de lichaamsbouw ten
duidelijkste aanwijst, dat zij tot het Mongoolsche
ras behooren, onderscheiden zij zich toch van
de Koreaners door taal en geestelijke eigen-
aardigheden. Of dit verschil alleen een gevolg
is van de lange scheiding, en van de veranderde
levenswijze, of misschien ook uit vermenging
met Polynesiërs en Maleiers voortkomt, is nog
onbeslist.
Het oude regeeringstelsel in Japan was dat
eener absolute monarchie. In 1889 werd echter
het land een constitutioneele regeering gegeven
naar Pruisisch model. De nieuwe constitutie
verzekert religieuze vrijheid en sedert hebben
verschillende christelijke sekten getracht hier
Invoer in
l\'itvuer in
duizelt\'! Taels.
duizend Tncls.
?,9 628
13 771
68 155
37 707
12 473
1 562
Singapore en Straits Settlem.
1769
1 379
AustrüJië en Nieuw-Zeeland
110
1196
Zuid-Afrika......
—.—
189
Britsch Noonl-Amerika . .
934
519
Vereen igde Staten v. N. A.
7 731
9 033
31
—.—
Europa (zonder Rusland) .
4 381
14 899
Rusland over Odessa ter zee
883
5 777
Rusland en Siberië over
Kiachta en Siberië. .
------
4 433
Russisch Mandschurijë .
180
917
Japan ........
5 704
5 801
Over Macao......
3 656
1918
47
233
Cochiuchina, Tongking en
Annam.......
250
208
29
357
Java en Sumatra ....
36
370
Aziatisch Turkije, Perzië
en Egypte, Algiers en
4
668
De hoofdartikelen van den invoer zijn opium,
katoen, rijst, trollen stoffen, metalen, steenkolen,
petroleum
; uitgevoerd worden bovenal: thee, zijde,
suiker, gevlochten stroo en rotangartikelen.
De verdragshavens van China zijn de vol-
gende:
A. De noordelijke: Nuitschwang (60000).—
Tientsin (950000), haven van Peking. — Tschifu
(33000). B. Rivierhavens aan de Jangtse: Tschung-
king (250000). — Itschang (34000). — Han-
kou (800000). — Kiukiang (53000). — Wuhu
(71000). — Nangking (40000). — Tschönkiang
(140000). — C. Middelste havens: Schanghai
(400000). — Ningpo (255000). — Wontschou
(80000). — D. Zuidelijke havens: Futschou
(663000). — Amoy (96000). — Swatou (40000).—
Kanton (1800000). — Pakhoi (25000). — Kau-
lung en Lapa — E. Op de eilanden: Kiungtschou
(op Hainan, 40000). — Tamsui (op Formosa,
100000). — Kilung (Formosa, 70000). — Taiwan
(Formosa, 235000). — Takou (Formosa, 100000
inw.). — Daar de verdragshavens bovenal voor
den internationalen handel beteekenis hebben,
zullen wij in de opnoeming der steden weinig
verder gaan. Alleen noemen wij nog Peking
( l1/-2 niill. inw., noordelijke hoofdstad) met
het keizerlijk paleis in de nabijheid.
§ 160. Het koninkrijk Korea.
Korea was tot in den nieuwsten tijd een land,
dat enkel voor de Chineezen toegankelijk was.
-ocr page 193-
185
HANDELS-AARDRIJKSKUXDE.
propaganda te maken. Geen volk heeft in den laat-
sten tijd zulke veranderingen van inzicht ondergaan
als het Japansche; het Rijk is in enkele jaren van
een antieken, Oost-Aziatischen staat, een moderne
staat geworden naar West-Europeesch model. Mis-
schien ook geen staat, waar persoonlijke bekwaam-
heid, dus willen en kunnen, zoo hoog geschat
worden als in Japan, en nergens wordt de jeugd
zoo geoefend om beide eigenschappen deelachtig
te worden. Aan dit streven is ook de groote
vooruitgang op technisch gebied te danken,
welke dit land in den laatsten tijd gemaakt
heeft, zoodat het bij de industrie reeds een
belangrijke plaats inneemt. Voor de lagere scholen
bestaat er schoolplicht. In 1870 verscheen de
eerste politieke courant in dit land, en in 1891
verschenen er reeds 7C6.
Produkten des lands. De landbouw wordt
in dit land hoog geacht. De Japanner zegt in
zijn taal: „landbouw is de steun des lands".
De landbouw wordt er, evenals in China, inten-
sief gedreven, met een zorgvuldigheid als bij
ons de tuinbouw. Hierdoor is het erfelijk bezit
der boeren klein, en zijn groote landbezittingen
een zeldzaamheid. Rijst is het hoofdvoedsel;
de rijstbouw neemt de eerste plaats in bij den
landbouw, en beslaat meer dan de helft van den
bodem. Verder verbouwt men gerst en boonen ;
men plant moerbezieboomen voor de zijdeteelt;
katoen, zuidvruchten, ooft, wijn, meloenen. Thee
is de algemeene volksdrank. De wouden leveren
uitstekende houtsoorten, die bij ontwikkeling
van het verkeer in het binnenland voor den
handel een groote toekomst kunnen verkrijgen.
Evenals in alle landen met veel rijstbouw stond
ook hier de veeteelt op den achtergrond. Ezels,
schapen, geiten en ganzen kende men in het
geheel niet, het varken nauwelijks, en het rundvee
werd tot ploegen en als lastdier gebruikt; voor
vleesch en melk werd het rund niet gehouden.
De zijdeteelt wordt bijna uitsluitend op het
eiland Hondo uitgeoefend. Een zeer belangrijk
middel van bestaan en voedingsmiddel is de
vischvangst. Bijna alle soorten van visch en
schaaldieren worden gevangen.
De vroegere meening, dat Japan een goudrijk
land zoude zijn, is niet bevestigd geworden.
Alleen koper en antimonium kunnen in aanzien-
lijke hoeveelheden uitgevoerd worden, terwijl
andere metalen niet in de behoefte des lands
voorzien. Hetzelfde geldt van petroleum. Geolo-
gisch jonge steenkolen vindt men in onderschei-
dene deelen des lands; van Nagasaki worden
deze uitgevoerd naar Sjanghai. Japan is rijk
aan voortreffelijke porceleinaarde, waardoor de
porcelein-industrie hier ontstond.
Wij zeiden het reeds, dat op industriegebied
China de leermeester was van Japan, doch dat
dit laatste rijk den leermeester verre heeft over-
troffen. De nijverheid heeft in den laatsten tijd
grooten vooruitgang plaats gehad.
Handel. De buitenlandsche handel van Japan
heeft zich in de laatste jaren buitengewoon
ontwikkeld. Vroeger was de invoer aanzienlijker
dan de uitvoer, na 1882 staat de uitvoer steeds
boven den invoer. Bij den invoer staat Groot-
Britannië sinds lang bovenaan. Na Engeland
volgen bij dien handel China en Hongkong,
Indië en Siam en vervolgens Duitschland en
Frankrijk. Nederland heeft zijn handel in Japan,
die vroeger belangrijk was, zoo goed als verloren.
De uitvoer van Japan geschiedt voornamelijk
naar de volgende staten: Noord-Amerika (zijde,
thee), Frankrijk (zijde), China (produkten der
zee, steenkool), Groot-Britannië, Duitschland.
De handelsvloot bestond in 1890 uit 451 in
Europa en £70 in Japan gebouwde schepen,
waarbij 586 stoombooten waren.
De buitenlandsche handel is betrekkelijk nog
jong. Van korte perioden in vroegere eeuwen
afgezien, begon het verkeer met vreemde natiën
hoofdzakelijk in 1859. Aanvankelijk werd slechts
in enkele steden bij verdrag aan vreemdelingen
toegang verleend. Tegenwoordig zijn verdrags-
havens: Jokohama, Kobe, Osaka, Nagasaki, Ho-
kodate,
en Niigata.
Steden: Tokio (1155000). — Kióto. — Osaka
(474000). Onder de 6 verdragshavens neemt
Jokohama (128000) de eerste plaats in. Sedert
1859 is Jokohama uit een visschersdorp tot
deze aanzienlijke stad opgegroeid. — Hiogo-
Kobe (141000). — Nagasaki (58000). De vierde
verdragshaven is Hakodate (56000); verder
volgen: Niigata (47000), als haven heeft de
stad niet de verwachting vervuld. — Nagója
(170000). - Hiróschima (91000).
§ 162. Spaansche bezittingen. De Philippijnen.
De noordelijkste eilandengroepen van den
Maleischen Archipel, de Philippijnen (Spaansch
Filipinos), behooren aan Spanje. Het is een groep
eilanden, te zamen ongeveer 400 in aantal,
waarvan een 40-tal grootere eilanden zijn, met
een totale oppervlakte van 285585 K. M2. en
± 6 mill. inw. De belangrijkste eilanden zijn:
Luzon, Mindanao, Palawan. De hoofdstad dezer
bezitting is Manilla (270000) op Luzon, de
zetel van den gouverneur generaal.
Deze eilanden leveren voor den uitvoer: suiker
aan de Vereenigde Staten, Engeland, China en
Japan; verder tabak, koffie, kopra, sapanhout en
sandelhout.
-ocr page 194-
186
HANDELS-AARDRUKSKUNDE.
Het werelddeel Afrika.
§ 163. Egypte.
(550000 K.M2. — 5 mill. iuw.).
Het vioe-koninkrijk Egypte, een gebied dat
in 1517 door Selim I veroverd werd en sedert
een deel uitmaakt van het Osmanische Rijk, strekte
zich voor enkele jaren uit van de Middellandsche
Zee tot in de nabijheid van den Equator. Se-
dert in 18N1 de Madhi de vaan des opstands
verhief, is het zuidelijk gedeelte, de Egyptische
Sudan,
van Egypte gescheiden, en het door den
Vice-koning onder Turksche opperheerschappij be-
stuurde land breidt zich thans uit tot 21° 40\' N.Br.
Egypte wordt grootendeels gevormd door het
dal van de Nijl, een vruchtbaar gebied, dat aan
beide zijden door rotsige woestijnen is inge-
sloten, waarin slechts enkele vruchtbare oasen
gevonden worden. De ten O. van de Nijl ge-
legen woestijn heet de Arabische, de westelijke
de Li/bische woestijn. Aan den mond van de
Nijl wordt een uitgestrekte, deels moerassige
delta gevonden, die zich nog steeds verder in
de zee uitbreidt.
Het klimaat des lands is in de onderscheidene
gedeelten verschillend. De hooger gelegen zui-
delijke deelen hebben één enkel jaargetijde, een
drogen en heeten zomer en een tamelijk gelijk-
blijvende temperatuur; de middelste en noorde-
lijke streken daarentegen hebben een koel en
een heet jaargetijde. Het eerste duurt van Oc-
tober tot Maart, het laatste van Maart tot Oc-
tober. De Januari-temperatuur van Kaïro be-
draagt gemiddeld 12,1° C, die van Augustus
29° C. Terwijl op de delta niet zelden regen
valt (Alexandrië heeft 215 m.M. regen), heeft
Kaïro, waar gemiddeld slechts 30 m.M. regen
in het jaar valt, volgens een berekening gemid-
deld 240 dagen des jaars geheel helder, op 86
dagen zijn wolken zichtbaar, en op 31 dagen is
de lucht geheel bewolkt. Het klimaat is, met
uitzondering van de moerassige streken, gezon-
der dan in andere tropische landen.
Het gemis aan regen wordt vergoed door de
geregelde overstrooiningen van de Nijl, die van
Juni tot het einde September de oeverlanden
onder water zet, en met vruchtbaar slib bemest.
Op kunstmatige wijze wordt de ovorstrooming
van het Nijlwater zoo ver mogelijk uitgebreid.
De bevolking van Egypte behoort tot het
Middellandsche ras, en wel tot de Hainito-
Semitische stammen. De bont vermengde Egyp-
tische bevolking bestaat uit de volgende groepen :
1.   de Fellaclien, de Egyptische boerenstand, die
als de kern der bewoners kan beschouwd worden ;
2.    de Kopten 300000 zielen, de directe na-
komelingen der oude Egyptenaren, en 3. de
Jiedouüien, 250000 zielen, de nomaden van
Egypte. Verder vindt men er 4. de Arabische
stadsbewoners, en 5. Berbers, Negers, Turken,
Levantiners
en Europeanen, allen vreemdelin-
gen, die zich hier gevestigd hebben. Het land
wordt door een vice-koning geregeerd, die in
een soort van afhankelijkheid van Turkije ver-
keert, en aan de Porto een jaarlijksche belasting
moet betalen. Sedert 5 April 1880 bestaat er
een internationale commissie tot regeling van de
financieele aangelegenheden en tot behartiging
der belangen van de Egyptische schuldeischers.
Hierdoor oefent Engeland grooten invloed uit op
het bestuur des lands.
Produkten. De landbouw levert de meeste pro-
dukten ; 21000 K.M\'2, oppervlakte is aan landbouw
gewijd. De kunstmatige besproeiing metNijlwater
speelt bij den landbouw een groote rol. Over \'t ge-
heel onderscheidt men er drie landbouwperioden :
de winter*, de zomer- en de herfst- of\' nazomer-
cultuur. In de winterperiode vangt men aan met
het uitzaaien na het afvloeien van het Nijlwater,
zonder voorafgaand ploegen. Het zaad wordt
over den door de overstrooining doorweekten
bodem gezaaid, door walsen er ingedrukt, of door
trekdieren er in getrapt. Binnen vier maanden
wordt reeds de eerste oogst binnengehaald; van
midden Februari tot eind April heeft de inza-
meling van dien oogst plaats. Dit tijdperk is
voor Middel- en Opper-Egypte het belangrijkste
des jaars. Hoof\'dprodukten van den landbouw
zijn: tarwe, klaver, boonen, katoen. De periode
der zomercultuur is voor den Delta het belang-
rijkst; zij duurt van April tot Augustus. Ondor-
scheidene dor gezaaide planten rijpen echter
eerst in den herfst, als rijst, katoen, tabak. De
meeste groenten rijpen in de zomerperiode. In
de herfstperiode valt het narijpen van vele veld-
vruchten: in dien tijd rijpt do maïs, welke na
katoen en tarwe een hoofdprodukt des bodems
uitmaakt.
De veeteelt staat in Egypte op tamelijk hoogen
trap, doch de produkten der veeteelt worden niet
of weinig uitgevoerd. Het paard is over het
geheele Nijldal verbreid; do ezel is algemeen
voor vervoer in gebruik; de kameelenteelt wordt
met zorg behandeld. De buffel is er sedert lang
inheemsch en vindt men bovenal in den Delta.
Geiten worden algemeen gehouden; schapen
vindt men in de woestijnen en steppen in talrijke
kudden ; hun wol is niet fijn. De Mohammedanen
beschouwen de varkens als onrein, doch de Kopten
houden ze in groote kudden.
De industrie in Egypte is onbelangrijk; de
produkten der weverij enz. dienen hoofdzakelijk
voor binnenlandsch gebruik.
De handel is in de laatste jaien sterk toege-
nomen, en de uitvoer geschiedt hoofdzakelijk over
de haven van Alexandrië. Uitgevoerd worden:
katoen, katoenzaad, suiker, boonen, tarwe en
maïs. Ingevoerd worden: katoenen stoffen, zijde,
-ocr page 195-
187
HANDELS-AABDRIJKSKÜNDE.
Steenkool, hout, tabak en ijzerwaren. De buiten-
landsehe handel is hoofdzakelijk in handen van
Engeland, verder van Frankrijk, Turkije, Oosten-
rij k-Hongarijë, Italië en Rusland.
Het verkeer wordt hoofdzakelijk tot stand
gebracht langs de Nijl, langs kanalen, welke
men vele in den Delta vindt, met spoorwegen
en door karavanen. De belangrijkste waterweg
is het Suez-kanaal, 160 K.M. lang, waardoor de
weg van West-Europa naar Indië weder over
de Middellandsche Zee gaat. In 1891 passeerden
meer dan 4000 schepen dit kanaal.
Steden: Alexandrië (213000), belangrijkste
havenstad, door het Mahmndikanaal met de Nijl
verbonden. Vroeger was het een der eerste
handelssteden van de aarde. Een gedeelte van
het handelsverkeer, dat hier gevestigd was, is
na de opening van het kanaal van Suez naar
Fort-Saïd overgegaan. — Rosetta (KiOOO), leven-
dige handel. Hoofdmarkt voor de rijst. —
Damietta (34000), aan den Nijlmond en thans
8 K.M. van zee afgelegen; belangrijke haven
voor zeilschepen. — Port-Saïd (70000) in 1859
gegrondvest aan den ingang van het Suez-kanaal.
Suez (11000) aan de Roode Zee waar het Kanaal
eindigt, met een schoone haven, die meer dan
500 schepen kan bevatten. — Kaïro (375000)
de grootste stad van Afrika en een der schoonste
in de Mohammedaansche gewesten, nabij de Nijl.
De havenstad van Kaïro is Bulak aan de Nijl,
een voorstad van Kaïro. — Siut (Assyut) (31000)
industriëele stad met vele bazars.
uit vermenging van vreemdelingen met inboorlin-
gen zijn ontstaan.
A.  Uur ka en Tripoli staan onder Turksch gezag.
B.   Tunis (116000 K.M., l1/2 mill. inw.), vroeger
door een Turkschen Bey voor Turkije bestuurd,
staat sedert 1881 onder Fransch protectoraat.
De stad Tunis (125000) met de haven La Go-
letla
heeft veel fabrieken en bazars. Na Alexandrië
is het de grootste handelsstad aan de noordkust.
C.  Algiers (667000 K.M2., 4 mill. inw.) is sedert
1830 een Fransch e kolonie, die na strijd met
de Kabylen in het zuiden is uitgebreid. In de
steden vormen de Mooren de gezeten bevolking.
De landbouw wordt hoofdzakelijk door Euro-
peanen gedreven. Men vindt er 150000 H.A.
wijnland, 3,2 mill. H.A. woud, terwijl 4,2 mill.
H.A. bebouwd worden. Hoofdprodukten zijn:
tarwe, gerst, wijn, tabak, katoen, vlas, indigo,
saffraan, sesam, suikerriet, grondnoten, oranjes
en olijven. De zijdeteelt neemt toe. De Algiersche
wouden zijn rijk aan houtsoorten als pijnen, eiken,
esschen, ceders, myrten, kurkeiken enz. De vee-
stapel is aanzienlijk en de bodem levert ijzer.
In de noordelijke Sahara wordt de bodem vrucht-
baar gemaakt door het boren van Artesische
bronnen, waardoor de bodem kunstmatig be-
sproeid wordt.
De handel heeft hoofdzakelijk plaats met
Frankrijk, verder met Engeland, Tunis, Marokko,
Spanje, de Vereenigde Staten en Oostenrijk-Hon-
garijë.
Steden: Algiers (Fr. Alger) (83000) zetel van
den gouverneur en belangrijkste handelsstad des
lands. — Oran (75000). Constantine (49000)
het oude Cirta. — Böna (31000).
D.  Marokko. Het keizerrijk Marokko, begrensd
door twee zeeën, heeft hierdoor een buitengewoon
gunstige ligging. Een breede gordel van vrucht-
baren bodem breidt zich langs de kust uit, en
de hoogte geeft het land een vrij gezond klimaat.
Doch de bevolking is geheel Mohaminedaansch,
en sedert lang is het land bijna geheel gesloten voor
het verkeer met het buitenland. Er is dan ook
weinig over het binnenland bekend.
De handel met Europa is geheel en al in
handen van Engelschen, Franschen en Duitschers;
en wel voor 3/4 in handen van Engeland. Be-
halve stofgoud, struisveeren en ivoor worden
nog naar Europa uitgevoerd: boonen, wol, erwten,
olijfolie, maïs, amandelen, dadels en leersoorten.
Het binnenlandsch verkeer geschiedt door kara-
vanen.
Marokko (50000), stapelplaats voor den tran-
sito- en karavanenhandel; de haven der stad is
Mogador of Suera (18000) aan den Atlantischen
Oceaan, de belangrijkste handelsstad aan de west-
kust. — Fez (17000) belangrijkste handels* en
industriestad des lands; middelpunt van Mo-
§ 164. Het Rijk van den Madhi.
In het zuiden van Egypte is uit het vroegere
Egyptische gebied sedert 1882 het Iiijk van den
Madhi
ontstaan, hetwelk de landschappen: Nubië,
Sennaar, Kordofan, Dar/oer en de Negerlanden
aan den Boven-Nijl
omvat. Omtrent den toestand
in dit Rijk valt weinig te zeggen. Men vindt
er de steden: Donkola, vroeger hoofdstad van
Nubië, Berber en Chartum, een handelsstad en
hoofdplaats voor de leverantie van slaven.
§ 165. De Noordkust van Afrika.
Ten W. van Egypte ligt aan de Middelandsche
Zee het Plateau van Bar ka (900 M. hoog), dat
door een laagte van de Sahara is gescheiden.
Verder W. volgen de vier staten van Barbarijë,
vroeger wegens de zeerooverij Barbarijsche .staten
geheeten: Tripoli, Tunis, Algiers en Marokko.
De bevolking wordt in de eerste plaats gevormd
door de Berbers, overblijfselen der oude Lybiërs
en Numidiërs. In Marokko behooren hiertoe
de Amiizigh (d. i. vrijen), in Algiers de Kabi/len
(= stammen). Verder vindt men er sedert de
7e eeuw Arabieren en de Mooren, welke laatsten
-ocr page 196-
188                                                                HANDËLS-AAfiDRIJKSIfUtfDE.
hammedaansche wetenschap. — Tetuan (20000)
belangrijke haven; industrie.
E. De Spaansche Presidios zijn oenige vaste
punten uit den bloeitijd der Spaansche heer-
schappij in Noord-Afrika, waar Spanje noggar-
nizoenen gevestigd heeft. Hiertoe behooren
Ceuta, Melilla en Belez de la Gomera.
komen voor een gedeelte uit Sudan. Als zoo-
danig noemen wij stofgoud, ivoor, struisveeren enz.
Sudan wordt onderscheiden als Hoog-Sudan,
het westen, en Laag-Sudan, het oostelijk ge-
deelte. Hoog-Sudan bestaat uit een bergland,
hetwelk gedeeltelijk naar het westen of naar Sene-
gambië, gedeeltelijk naar het Z. d. i. naar de kust
van Guinea, gedeeltelijk naar het N. en O. af-
daalt. Men vindt hier de bronnen van de Niger,
van de Senegal en de Gambia.
Goud en zout zijn de belangrijkste mineralen
van Sudan. Het hoofdvoedsel des volks be-
staat uit maniok (cassave), yams, rijst en maïs.
Bovendien vindt men er onderscheidene soorten
van palmen: kokospalmen, oliepaltnen enz., verder:
grondnoten, tabak, katoen, indigo. Men teelt er
paarden, kameelen, schapen, runderen, ezels en
geiten; olifanten worden om het ivoor gejaagd.
Landbouw, veeteelt en onderscheidene takken
van industrie oefent men er uit. De handel, kara-
vanenhandel, neemt gedeeltelijk de richting van
het O. naar het W., gedeeltelijk van Barbarijë
naar het binnenland, door de Sahara naar Tim-
buktu, Kano, Kuko en andere steden, en van
hier naar de kust van Guinea. De zeehandel
wordt gedreven door Europeanen. In verbinding
met hunne koloniën aan de kust hebben zij fac-
toriën in het binnenland gevestigd, waar gummi,
palmolie, stofgoud, grondnoten ivoor enz. worden
opgekocht (geruild tegen Europeesche waren), en
naar de kust gevoerd. De kuststreken zijn meest
in bezit van Europeanen. In het binnenland
van den Sudan vindt men nog eenige zelfstan-
dige staten, die evenwel door de uitbreiding van
het gezag der Europeanen naar het binnenland
gedeeltelijk in de „Interessenspheer" van Euro-
peesche staten zijn komen te liggen.
In het W. verhief zich het wakkere volk der
lichtgekleurde Fellata, een veroverend herders-
volk, dat ver naar het O. is doorgedrongen, en
een reeks van staten gevormd heeft. Het grootste
Fellatarijk van het W. is Massina. De oostelijke
naburen van dit rijk zijn de Songhag-negers, wier
hoofdstad Gagho is, aan de Niger. Aan de
middel-Niger grondvestten de Fellata een staten-
complex, die naar den meest hier voorkómenden
negerstam der Haussa, „Haussa-staten" genoemd
worden. Hiertoe behooren de rijken: Gandu,
Sokoto
en Adamaua.
Om het Tsadmeer vindt men de negerrijken:
Bornu, Bagirmi, Wada\'i en Kanem.
§ 166. De Sahara.
De oppervlakte der Sahara wordt op 6662000
K.M2, geschat en het aantal inwoners op 3700000.
De Sahara is geenszins een eentonige zandige
laagvlakte, zooals men te veel denkt, maar zij
vormt een plateau van 370 M. hoog, dat uit een
rijke afwisseling van hoogvlakten, gebergten en
inzinkingen bestaat. De rotsige hoogvlakten,
Hammddas, en de lage, met steengruis overdekte
vlakten, Serirs, nemen bijna de helft van dit ge-
bied in, de gebergten */4 en de duinen of naakte
zandvlakten Vs) terwijl nog 1/u voor steppen
(als de Algerijnsche Sahara) en de oasen overblijft.
De meening, dat de Sahara een absoluut regen-
loos gebied is, bleek onjuist te zijn. Er vallen
in vele streken, hoewel op zich zelve en zelden,
van tijd tot tijd tropische regens, welke de wadis,
droge rivierbeddingen, tijdelijk met water vullen.
De oasen, als het ware eilanden in de woestijn,
worden veelal door bronnen van onderaard sch
water bevochtigd en hebben dan een rijken plan-
tengroei.
Als dieren vindt men in de Sahara slechts
struisvogels en eenige antilopensoorten; aan
den rand komen leeuwen, jakhalzen en hyena\'s
voor. De kameel is bij het reizen door de
woestijn onontbeerlijk.
In het westelijk deel der Sahara wonen de
Mooren en Arabieren, in het midden de Tuareg
en in het oosten de zwarte Tebu of Tediï. De
bewoners zijn bijna alle nomaden en staan onder
onafhankelijke, erfelijke hoofden. Zij leven ge-
deeltelijk van de veeteelt, gedeeltelijk van den
handel; met het „schip der woestijn" volgen zij
de oude karavauenwegen.
Aan de grens der woestijn ligt nabij de groote
kniebocht van de Niger Timbuktu (20000), een
handelsstad, die den vroegeren glans verloren
heeft. De haven is Kabara aan de Niger.
§ 167. Sudan.
Ten zuiden van de Sahara ligt het uitgebreide
landgebied Sudan, volledig Beled es Sudan ge-
heeten, d.i. het land der Zwarten, hetwelk Afrika
van het W. naar het O. doorsnijdt, en dat door
talrijke volksstammen bewoond is. De Sudan
is het echte stamland der Afrikaansche Negers.
De meeste waren, die als echt Afrikaansche op
de Europeesche markten worden aangevoerd,
§ 168. De Fransche bezittingen in
Noord-West-Afrika.
Wij zullen de verdere gedeelten van Afrika
kortelij k bespreken als Europeesche bezittingen.
Met uitzondering van de Britsche koloniën
-ocr page 197-
189
HANUELS-AARDRÏJKSKÜtfDE.
en verder in de zee ten W. van Afrika de Azoren
en Madeira, alsmede de Kaapverdische eilanden.
§ 171. Duitsche bezittingen.
Duitschland heeft sedert 1884 zich aan de
Slavenkust gevestigd in het Togoland, en verder
oostelijk rondom het Kamerungebergte, in het ge-
bied Kaïnerun. De voortbrengselen dezer streken
zijn als in genoemde gewesten.
§ 172. Liberia.
Aan de Peperkust ligt de vrije Negerrepubliek
Liberia (37200 K. M2. met 767500 inw., waarvan
18000 Amerikaansche Liberianers en\' de rest
inboorlingen.) Deze republiek is ontstaan uit
vrijgelaten negerslaven in Noord-Amerika, voor
wie de „American Colonisation Society" in Afrika
een verblijf wist te verwerven. In 1847 werd
de geheele kolonie als een vrije republiek ver-
klaard. Uitgevoerd worden vooral koffie, suiker,
palmolie, palmpitten, ivoor, campêchehout, arrow-
root, gember enz. Allerlei Europeesche artike-
len worden ingevoerd. Het geld is Engelsch en
Amerikaansch. Monrovia (5000) hoofdstad.
§ 173. Aschanti en Joruba.
Beide rijken zijn nog onafhankelijk. Het
eerste, dat zich vroeger tot aan de zee uitstrekte,
is thans door de Engelschen naar het binnenland
teruggedrongen. Kumassi (35000), residentie
van den vorst. Abbeokuta in het rijk Joruba
(120000), en Ibadan (100000 inw.).
§ 174. Fransch Kongo.
Onder Fransch Kongo verstaat men een ge-
bied, dat het geheele Ogowe-bekken omvat, het
estuarium van de Gabun, en in \'t oosten zich
tot de Kongo uitbreidt. Het beslaat een opper-
vlakte van 569800 K. M. en 2,5 mill. inw. Het
aantal blanken is nog gering. Randgebergten
loopen ongeveer evenwijdig aan de kust door
het land; ten O. van deze strekken zich uitge-
breide savannen (grasvlakten) uit, die naar het
bekken van de Kongo afdalen, en ten W. der
randgebergten vindt men een smalle kustvlakte.
De handel heeft zich in den laatsten tijd goed
ontwikkeld; uitvoerprodukten zijn: ivoor, hout,
caoutchouc, palmolie. Loango, aan de kust en
Brazaville een vestiging aan de Kongo.
§ 175. De Kongostaat \')•
(1\'Etat indépendant du Congo).
De Kongostaat, die nog „vrijstaat" genoemd
wordt, maar waar de handelsvrijheid door invoer-
\') Over het land aau den Kongo eu de kuststreek
aan beide zijden dezer rivier, hebben wij een uitvoerige
monograpbie geschreven: Het Kongoland eu ziju Be-
woners, 1891, waarin ook uitvoerige niededee.ingen voor-
komen over den haudel in dit gebied en over hetgeen
de Nederlanders hier verrichtten. Gedeeltelijk werd dit
reeds in hét Duitseh vertaald.
van de Gambia, Sierra Leone, de Goud kust, Portu-
geesch Guinea en Liberia, maakt Frankrijk aan-
spraak op al het land in West-Afrika van Kaap
Blanco tot het Togoland en naar het binnen-
land tot de Midden Niger in het O.
De ligging der landschappen tusschen de
Senegal, de Gambia en de Rio Grande is zeer
gunstig voor den handel. De groote rijkdom aan
Uatuurprodukten, welke het kustland, en nog
meer het goudrijke achterland levert, gaf aan-
leiding dat de Franschen zich hier vestigden.
De Senegal is alleen voor kleinere schepen aan
den mond te bevaren (3 a 4 M. diep), de Gam-
bia is voor groote schepen tot een afstand van
50 a 60 K. M. bevaarbaar. Bewoners des lands
zijn de Djoloffen, Mandingo\'s en andere Neger-
stammen. Uitvoerprodukten zijn : gummi, grond-
noten, hout, huiden. St. Louis (25000) aan de
Senegal.
De verdere Fransche bezittingen aan de
kust zijn: de Rivières du Sud, d. i. de kust-
streek aan de monding der Casamanza, de kust
van Rio Company tot de monding der Rio Scar-
cies.
De nederzettingen aan de Goudbitst en in
Benin zijn hiermede sedert 1892 administratief
vereenigd. De nederzettingen aan de Ivoorkust,
officieel Goudkust geheeten, krijgen eerst in den
laatsten tijd beteekenis, daar de handel van
Kong hierover gaat. De nederzettingen aan de
Slaven kust, als Fransche kolonie Benin geheeten,
hebben door de verovering van Dahome en de
inlijving van dit gebied, in beteekenis ge-
wonnen.
§ 169. Britsche bezittingen in
Noordwest-Afrika.
Tegenwoordig bestaan er twee groepen van
Britsche bezittingen in W. Afrika: de kroon-
koloniën: Gold Coast, Lagos, Gambia en Sierra
Leone,
alsmede de vroegere Oilrivers Protectorate,
tegenwoordig Niger Coast Protectorctte geheeten.
De Britsche koloniën in Senegambië bestaan
uit de kolonie aan den mond der Gambia en
enkele punten aan den benedenloop van dien
stroom. In Sierra Leone ligt de stad Freetown
(30000). Uitgevoerd worden hier: palmolie, palm-
pitten, grondnoten, kolanoten, kopal, gummi, hui-
den. De Gold-Coast, met de plaatsen: Accra
(20000), Cape Coast Castle (25000), voert uit:
palmolie, palmpitten, gummi, hout. Goud wordt in
onderscheidene rivieren gevonden. — Lagos is een
eiland nabij de kust; het levert dezelfde produkten.
Het Niger Coast Protectoraat voert uit: palmolie,
palmpitten, ivoor, hout, indigo, huiden; inge-
voerd worden : calicot, spiritualiën, tabak, kruit,
wapens, rijst.
§ 170. Portugeesche bezittingen in
Noordwest-Afrika.
Portugal heeft in dit gebied: een bezitting
in Senegambir, de eilanden St. Thomé en Principe,
-ocr page 198-
190
HANDELS-AARDRtjKSKÜNDE.
en uitvoerrechten beperkt wordt, is hoofdzakelijk
eene stichting van Koning Leopold II van
België. De ontdekkingen in de binnenlanden
van Afrika, vooral de ontdekking van den loop
der Kongo door Stanley, was aanleiding dat
men in Europa trachtte ook Afrika meer aan
de beschaving deelachtig te doen worden. Met
dat doel werd in het bekken van de Kongo
een Staat opgericht, onder souvereiniteit van
den Koning van België. De uitmonding der
Kongo behoort tot dien staat en verder heeft
hij slechts een zeer klein kustgebied ten N. der
Kongo. De oppervlakte van den staat volgens de
officieele grenzen bedraagt 2241000 K.M2.; echter
is het grootste gedeelte binnen die grens nogonbe-
kend, en in geen geval aan den staat onderworpen.
De Kongo, die in den benedenloop voor korten af-
stand bevaarbaar is, wordt ook in den boven-
loop bevaren. In de randgebergten wordt de
bevaarbaarheid door watervallen afgebroken, en
een spoorweg wordt aangelegd om de verbin-
ding van beide deelen tot stand te brengen.
De grondleggers van den handel op het Kongo-
gebied in deze eeuw en nog altijd de hoofdhandela-
ren zijn Rotterdamsche kooplieden. De Nieuwe Afri-
kaamche Handels-Vennootschap
heeft den handel
grootendeel.s in handen. Vroeger had deze haar
hoofdfactorij te Banana aan den Kongoinond;
na het heffen van invoerrechten door den Kongo-
staat is deze hoofdzakelijk naar het Portugeesche
Cabinda, ten Z. van Fransch Kongo verplaatst.
Daarenboven heeft de handelsvereeniging nog
onderscheidene factorijen langs de kusten en in het
binnenland. Uitijevoerd worden: palmolie, koffie,
caoutchouc, grondnoten, ivoor, kopal, en inge-
voerd
worden : manufacturen, wapens, kruit, sterke
dranken, tabak.
Banana, aan den Kongomond; Boma, zetel
der regeering; Vivi, begin van de spoorlijn;
Léopoldville aan Stanleypool, het eindpunt van
den spoorweg.
§ 176. De Portugeesche bezittingen:
Kongo, Angola, Benguella, Mossamedes.
De bovengenoemde kuststreken, die aan Por-
tugal behooren, zijn tusschen de Kongo en de
Kunene gelegen. Het is een oppervlakte van
1339450 K.M\'2, met misschien 12,4 mill. inwoners,
tot de Bantu-negers behoorend. Blanken vindt
men er weinigen. Het land staat onder een gou-
verneur-generaal, die te San Paolo de Loanda
zijn zetel heeft.
San Paolo de Loanda (14000) de beste haven
aan de kust. — Benguella (4500), handel. —
Mossamedes (5000) met goede haven.
§ 177. Duitsch-Zuidwest-Afrika.
Van de Kunene tot de Oranje-rivier behoort
het kustgebied tot 20° O. L. en in het N. iets
verder oostelijk aan Duitschland. Men vindt
hier het Groot-Namaland. en het Damaraland
het Kaoko- en Ambaland in het N.W. en N.,
ruim 835100 K.M2, oppervlakte. Tot nog toe
heeft dit gebied weinig handelsbeteekenis.
§ 178. Britsche bezittingen en protectoraten,
in Zuid-Afrika.
In Zuid-Afrika vindt men onderscheidene ge-
deelten, die in verschillenden graad van afhan-
kelijkheid tot Engeland staan. Zij zijn: de
Kaapkolonie en Natal, die van Engeland af-
hankelijk zijn; Dasoetoland, Britscli-Bechuanen-
land
en Zoeloeland, Engelsche kroonlanden, en
Zambesia, een Britsch Protectoraat.
A. De Kaapkolonie
Het zuidelijk deel van Zuid-Afrika ongeveer tot
de Oranje-rivier wordt ingenomen door de Kaap-
kolonie. Oorspronkelijk een Nederlandsche kolo-
nie, kwam dit gebied in 1814 aan Engeland.
Een overblijfsel van die Nederlandsche vestiging
is, dat het Nederlandsch door de oorspronkelijke
bewoners des lands, de Boeren, nog veel gesproken
wordt, en ook in het Parlement gebruikt mag wor-
den. Toch is het Engelsch de hoofdtaai en ook heb-
ben zich in deze eeuw vele Engelschen in de Kolonie
gevestigd. De bevolking zal ongeveer 1,2 mill.
zielen bedragen, waarvan 34OOO0 tot het blanke
ras behooren, terwijl de overigen meest in-
boorlingen van Zuid-Afrika zijn: Hottentotten,
Boschjesmannen en vooral Kaffers.
Het land levert vooral produkten van land-
bouw en veeteelt. De schapenteelt is er belang-
rijk, en de wol vormt een aanzienlijk artikel van
uitvoer. Ook de struisvogelteelt wordt met
voordeel uitgeoefend. De bodem levert in het
noorden bij Kimberley diamanten. De wijnbouw
levert voor den uitvoer. Uitgevoerd worden:
diamanten, wol, huiden, struisvogelvederen, wijn
en graan. Ingevoerd worden vooral produkten
der Europeesche industrie.
Het handelsverkeer over zee heeft plaats over
Kaapstad en Port Elizabeth. In 1891 liepen
796 schepen de havens der Kaapkolonie binnen,
waarvan 572 Britsche. Van Kaapstad en Port-
Elizabeth loopen spoorlijnen naar het binnenland:
naar en voorbij Kimberley en door den Oranje-
Vrijstaat naar de Zuid-Afrikaansche Republiek.
Kaapstad (84000) aan de Tafelbaai; handel. —
Port-Elizabeth (23000) tweede havenplaats aan
de Algoabaai. — Grahamstown (11000) door
de ligging de schoonste stad der Kaapkolonie. —
Kimberley (29000), met diamantmijnen in de
nabijheid.
B. Natal.
Natal is een Engelsche kolonie in het Z.O.
van Zuid-Afrika. Het land wordt bewoond door
Kaffers en blanken, de laatsten van Hollandsche
en Engelsche kolonisten afkomstig. Daarenboven
heeft de regeering er vrije Indische koelis inge-
-ocr page 199-
191
HANDELS-AARDRI.TKSKUNDE.
kust afdaalt. De Republiek grenst niet aan de
zee, en de rivieren zijn er onbevaarbaar, zoodat
het vervoer per as moet geschieden. In den
laatsten tijd zijn spoorwegen naar dit gebied
aangelegd: I. van de Kaapkolonie door den
Oranje-Vrijstaat, II. van Natal tot de grens, en
III. van Delagoabaai (Lorenco-Marques) kan men
thans per spoor naar de hoofdstad Pretoria
komen.
De hoofdbronnen van bestaan voor de oor-
spronkelijke Boeren-bewoners waren landbouw
en veeteelt. Evenwel door de ontdekking der goud-
velden, die na 1880 meer de aandacht trokken,
ontstond er een geheele omkeer in de toestan-
den des lands. Van alle kanten stroomden han-
delaars, industrieelen, werklieden maar ook
avonturiers toe naar de Transvaal. Plotseling ver-
rezen steden als uit den grond. De rijkste
goudvelden zijn die van Witwatersrand, waarvan
Johannesburg het middelpunt is; verder die bij
Barberton aan de Kaaprivier (Kaapgoudvelden),
de Potchefstroom- en Klerksdorp-goudvelden, en
de Zoutpansberg- en de Malmani-goudvelden. Ook
bevat de bodem koper, lood, kobalt en ijzer,
welke nog niet ontgonnen worden. Steenkolen
vindt men bij Johannesburg.
Het aantal blanke bewoners bedroeg in 1890:
119000, terwijl er G50000 inboorlingen, meest
Kaffers, gevonden werden. Uitgevoerd worden:
huiden, wol en bovenal goud. Daar de industrie
nog weinig ontwikkeld is, worden bijna alle
fabrikaten ingevoerd.
Pretoria (6000), hoofdstad. — Johannesburg
(20000) de grootste stad, ontstaan in de goud-
velden van Witwatersrand. — Potchefstroom
(20000). — Rustenburg, Lijdenburg.
Swaziland is een Kafferstaat op de oostgrens
der Zuid-Afrikaansche Republiek. Hoewel over
dit landje nog niet voor goed is beslist, staat
het toch onder invloed van de Republiek.
§ 181. Portugeeseh Oost-Afrika.
Lourenco Marques en Mozambique.
Het oostelijke kustgebied van Delagoabaai tot
kaap Delgado, en aan de Zambezi van den mond
tot Sumbo, behoort aan Portugal, en draagt den
naam „Estado d\'Africa Oriental". Het omvat
de landschappen om Kaap Delgado, lbo, Mocam-
bique, Inhambane, Quilimane, Gasaland, Sofala,
de Delagoabaai en onderscheidene kleine eilanden.
Het geheele gebied behoort tot twee provinciën:
Mocambique ten N. en Lourenco Marques ten Z.
der Zambezi. De kuststreken zijn over \'t geheel
laag en ongezond. Het binnenland is vruchtbaar
en rijk aan tropische produkten, doch de heer-
schappij der Portugeezen gaat niet diep land-
waarts. Van de produkten des lands brengt
men ivoor, huiden, visschen, tanden van rivier-
paarden, kopal, salpeter, gummi, koper en goud
voerd, om op contract op de plantages te werken.
Door Natal loopt een spoorweg van de kust
naar de grens der Zuid-Afrikaansche Republiek.
De hoofdstad der kolonie is Pietermaritzburg.
Doch de handel is hoofdzakelijk geconcentreerd
op Durban, met de natuurlijke haven Port-Natal.
Uitgevoerd worden: suikerriet, wol en katoen,
en ingevoerd worden verschillende fabrikaten.
De Engelsche protectoraten en kroonlanden enz.
kunnen wij uit plaatsgebrek niet nader bespre-
ken. Enkel wijzen wij er nog op, dat Zambezia
het gebied omvat ten N. der Zuid-Afrikaansche
Republiek tot den Kongo-staat, welk land door
de Iiritiah South African Company verworven is,
die in 1889 een koninklijk Charter verwierf.1)
§ 179. De Oranje-Vrijstaat.
De Oranje-Vrijstaat is een Republiek, welke
opgericht werd door Oud-Hollandsche Boeren, die
met het Engelsch bestuur der Kaapkolonie niet
tevreden waren, en na 1835 van hier verder in
het land trokken. Zij kozen de hoogvlakte ten
W. der Drakenbergen tot verblijf. De opper-
vlakte bedraagt 130705 K.M2, en het aantal
inwoners bedroeg in 1890: 207500, waarvan
129789 inboorlingen. De Nederlandsche taal is
hier officieele taal. Landbouw en veeteelt zijn
de hoofdbronnen van bestaan. De uitvoer en invoer
geschiedt over Natal en vooral over de Kaapkolonie,
met welke laatste het land door een spoorweg
verbonden is. De handel is er nog weinig van
beteekenis. De hoofdstad is Bloemfontein
(34000). Verder vindt men er Jagersfontein
(3700), met diamantmijnen in de nabijheid.
§ 180. De Zuid-Afrikaansche Republiek
(Transvaal).
De Zuid-Afrikaansche Republiek omvat het
land, dat ten noorden der Vaal-rivier en ten Z.
der Limpopo ligt. Toen de Hollandsche Boeren
na het vertrek viit de Kaapkolonie ook in Natal
en den Oranje-Vrijstaat door de Engelschen
achtervolgd werden, vestigde een gedeelte, zich
over de Vaal-rivier en richtten hier de Zuid-
Afrikaansche Republiek
op, die veelal de Transvaal
genoemd wordt. Het land maakt deel uit van
de hoogvlakte van Zuid-Afrika; het wordt in \'t O.
begrensd door en gaat over in de randgebergten
en terrassen, waarmede de hoogvlakte naar de
\') Voor Zuid Afrika en Oost-Afrika verwijzen wij
naar onze geschriften en werken:
Transvaal en omliggende landen 1889.
De Zuid-Afrikaansche Republiek en haar Bewoners 1890.
Aardrijkskunde van Zuid Afrika 1889.
Beknopte Aardrijkskunde van Zuid-Afrika 1890.
Staatkundige grenzen en betrekkingen in Zuid-Afrika
(Vragen van dcu Dag V pag. 1).
Oost-Afrikaansche koloniale vraagstukken iu historisch
licht beschouwd (Vragen van den Dag V, pag. 721).
-ocr page 200-
192
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
in den handel. Verbouwd worden: rijst, maïs,
gierst, koffie, katoen en vruchten.
Mozambique (7000 inw., waaronder 750 Eu-
ropeanen). — Quilimane (7000). — Lourenco-
Marques
(1200). Van hier loopt de spoorweg
naar Pretoria in de Transvaal.
§ 182. Zanzibar.
Het Arabische sultanaat Zanzibar, dat thans
onder bescherming van Engeland staat, bestaat
uit de eilanden Zanzibar, 1590 K.M2, en Pemba,
960 K.M2., dicht bij de kust gelegen. De be-
volking bedraagt 165000 zielen, en bestaat uit
Suaheli, Arabieren en Indiërs. Sedert 1891 wordt
de regeering door Engelschen en Arabieren ge-
voerd ; alle stukken verschijnen in Engelsche en
Arabische taal.
Belangrijk is Zanzibar door zijn handel, vooral
op de binnenlanden van Afrika. Arabieren van
Zanzibar trekken in alle richtingen Oost-Afiika
door om ivoor, caoutchouc, huiden, sesam enz.
te koopen van de inboorlingen. In 1891 liepen
247 schepen de haven van Zanzibar binnen ; hier-
van waren 81 Engelsche en 70 Duitsche schepen.
Zanzibar (30000), hoofdstapelplaats van den
handel.
§ 183. Duitseh-Oost-Afrika.
Ten N. van het Portugeesche gebied ligt
Duitsch-Oost-Afrika, dat in het W. tot het
Tanganjika-meer zich uitstrekt, en in bet N. aan
het Victoria Nyanza grenst. Het heeft een opper-
vlakte van 955220 K.M2. Hoofdplaatsen zijn:
Dar-es-Salam (6000); Bagamoyo (10000); Pan-
gone
(4000), alle aan de kust.
§ 184. Britsch Oost-Afrika.
(Imperial British East-Africa).
Ten N. van het Duitsche gebied ligt het ge-
bied van de Imperial British East Africa-Com-
painj,
tot de Jub-rivier in het N., den Kongostaat
in het W., en het Rijk van den Madhi (zie § 164)
in het N. W. Aan de kust vindt men ook
hier kleino Arabische nederzettingen. De belang-
rijkste haven is Mombas (15000). De handel
is in handen der Banianen, d. i. Indische kooplie-
den. Uitvoer-produkten zijn: sesam, ivoor, gummi,
caoutchouc, kopra, verfhout en huiden. In het
binnenland aan het Victoria Nyanza ligt het
land Utjanda.
§ 185. Het gebied der Italiaansche belangen.
Italië\'s „interessensphiire" breidt zich uit over
den geheelen oosthoorn van Afrika, uitgezonderd
Obok en de noordelijke Somali kust, terwijl ook
Abessinië er in begrepen wordt. Doch het eigen-
lijke Italiaansche bezit bepaalt zich hoofdzakelijk
tot Massaua en de streek ten N. van Tigré
(Eritrea). — Massaua (16000) zetel van het
bestuur.
Abessinië.
Abessinië staat onder Italiaansche bescherming.
Het is een rijk, dat tegenwoordig met Schoa,
God jam
en Harar vereen igd is, en ongeveer
500000 K.M2, oppervlakte beslaat. Het eigenlijke
Abessinië is een alpenland, het Afrikaansche
Zwitserland, meest uit hoogvlakten bestaande,
die van eenige bergketens zijn doorsneden. De
bewoners van het hoogland zijn sedert de 4" eeuw
christenen, wat niet veel meer is dan een formaliteit.
Landbouw en veeteelt zijn hoofdmiddelen van
bestaan. De industrie is van weinig beteekenis
en ook de handel is van geen belang. Het ver-
keer met Europa geschiedt over Massaua.
Antotta, hoofdstad. — Gondar (5000). —
Harar (35000).
§ 186. Fransch en Engelsen bezit aan de
Golf van Aden.
Frankrijk beheerscht ten Z. der Golf van Aden
de kuststreek van Raheita tot lias Djibutd met
de vestiging Obok (300). Engeland nam hier,
n:.dat Egypte in 1885 de Somalikust ontruimde,
aan den zuidrand der Golf van Aden de havens
Zejla, Bulhar en Berbara e.a. in bezit, tot ver-
zekering van dien toegang. Dit gebied vormt
het Somali Coast Protectoraat.
§ 187. Afrikaansche eilanden.
Van de Afrikaansche eilanden behooren de
Madeira groep, de Kaaprerdische eilanden, St.-
Thomé
en Principe aan Portugal. De Ka-
narische eilanden, Pemandopo en Annabon be-
hooren aan Spanje. —• Ascencion en St. Helena be-
hooren aan Engeland. — Madagaskar (591980
K.M2, en 5 mill. inw.) staat volgens tractaat van
1890 onder protectoraat van Frankrijk. Verder
bezit of beschermt Frankrijk de Komoren en
het eiland Péunion. — Engeland bezit in het
oosten de eilanden Mauritius, de Amiranten, de
Seychellen, Sokotora, het eiland Perim in de straat
van Bab-el-Mandeb, en de eilanden St. Paul en
Amsterdam midden in den Oceaan.
Amerika.
§
188. De Poollanden.
Tot de poollanden van Amerika kan in de
eerste plaats Groenland gerekend worden. Het
is een uitgebreid plateau, grootendeels met
sneeuw en gletscherijs bedekt, en wordt hoofd-
zakelijk alleen langs de westkust door Eskimo\'s
en enkele Europeanen bewoond. In 1890 woon-
den aan de westkust 10207 Eskimo\'s en 300
Europeanen. Het gebied behoort aan Denemar-
ken. Voor den handel levert dat land produkten
der vischvangst. In 1891 werden van hier naar
Denemarken vervoerd: 10732 ton robbenspek en
2299 ton vischlever. Daarbij kwamen nog zee-
hondsvellen, walvischbaarden, eiderdons en pel-
sen. Men vindt de koloniën Julianehaab (2500),
Godthaap (900), Upemavik (900).
-ocr page 201-
193
HANDEïiS-A ARDBT.TKS KUNDE.
Ten Noorden van het vasteland van Noord-
Amerika ligt een archipel van eilanden, die door
de noordelijke ligging in zeeën, welke het
grootste gedeelte des jaars onbereikbaar zijn,
weinig waarde hebben voor den handel.
§ 189. Britsch Noord-Amerika.
A. Dominion of Canada.
Britsch Noord-Amerika omvat in de eerste
plaats „Dominion of Canada", een Bondsstaat,
waartoe onderscheidene gedeelten van Britsch
Amerika in 18(57 vereenigd werden. Deze deelen
zijn: Onlario, Quebeck, Nieuw-Schotland, Nieuuu
Brunswijk, Manitoba, Prins Edward-eiland
en
Columbia. Bijna geheel Britsch Noord-Amerika,
met uitzondering van New Foundland en ooste-
lijk Labrador, zijn in dezen staat vereenigd,
die zich van den Atlantischen Oceaan tot den
Grooten Oceaan uitstrekt. Het noorden des lands
is een woest, moerassig merenland, dat tot in
de koude luchtstreek gaat. In het westen ligt
het bergland van het Rotsgebergte, en in het
zuiden sluit het land zich aan bij de vlakte
van de Vereenigde Staten. Canada was aan-
vankelijk eene bezitting van Frankrijk en werd
ook eerst door Franscheu gekoloniseerd. In 17(53
ging deze bezitting aan Engeland over. Toch
vindt men nog 1,3 mill. Franschen in dat ge-
bied. Daarenboven hebben er zich gevestigd:
Engelschen, Ieren, Schotten en Duitschers. Het
aantal Indianen, die in voor hen gereserveerde
streken verblijven, zal ongeveer 121000 bedragen.
Onder de produkten des lands moet men in
de eerste plaats het hout noemen. In de meeste ge-
deelten des lands vindt men nog schoone wouden ;
het totale gebied aan wouden wordt op 725000
K. M2. geschat. De landbouw en veeteelt nemen
voortdurend toe in beteekenis. Meer dan 56°/0
der bevolking van Canada houdt zich met den
landbouw bezig, Tarwe oogst men met succes in
Ontario en Canada; de haver komt voor tot de
noordgrens van den graanbouw; verder oogst
men er ma\'is, gerst, enz. Ook de veeteelt neemt er
sterk toe. Doch een hoofdprodukt voor den handel
leveren nog de pelsdieren. De „Hudsonsbaai Com-
pagnie", een handelsvereeniging, die vroeger naast
handelsmonopolie ook souvereine rechten had
over de landen aan de Hudsonsbaai, welke laatste
in 1870 aan het Dominion of Canada zijn afge-
staan, heeft hoofdzakelijk den pelshandel nog in
handen. In 1891 werden aan de kantoren der
Hudsonsbaai Compagnie afgeleverd : 1800 beven,
16000 bevers, 1100 bunsinqs, 800 hermelijnen,
1400 vossen, 3200 lossen, \'11000 marters, 6000
vischotters, 79000 bisamratten, 2800 otters, 14
veelvraten, 30 wolven, 200 skunkse. Vele dezer
pelsen worden naar Londen vervoerd, doch
men voert ze ook tegenwoordig direct uit naar
Leipzig.
De rijkdom des bodems aan nuttige mineralen
is groot, doch zij worden nog weinig geëxploi-
teerd. Goud vind men in Noord-Nieuw-Schotland,
Nieuw-Brunswijk en Britsch-Columbia; hier zijn
39 mijnen in werking, die in 1891 voor 41 mil-
lioen gulden opleverden. IJzer wordt in alle
provinciën gevonden; het fijnste in Nieuw-Schot-
land; steenkolen vindt men in Manitoba. Ook
levert het land petroleum.
Op industrieel gebied staat het land nog bij
de Vereenigde Staten achter, maar door den
rijkdom aan natuurprodukten heeft het toch ook
in dit opzicht een toekomst. Thans komen de
%\'olgende industrieën het meest voor: graan-
molens, zaagmolens, schoenfabrieken, leerlooie-
rijen enz.
De buitenlandsche handel is bijna geheel in
handen van do Vereenigde Staten en van Groot-
Britannië. De I\'innen-scheepvaart van Canada
is de grootste der aarde door de vele bevaarbare
rivieren. De St.-Laurensslrooni is een onverge-
lijkelijke verkeersweg voor de scheepvaart, hoe-
wel hij jaarlijks eenigen tijd is dichtgevroren.
Steden: Quebeck (63000), belangrijke han-
delsstad. — Montreal (216700) op een eiland
in de St. Laurensrivier, handel, fabrieken. —
Ottawa (44000) — Toronto (181000). — St.-John
(26000). — Halifax (38600).
B. New-Foundland met Labrador.
Het eiland New-Foundland met oostelijk La-
brador vormt een afzonderlijke Britsche bezitting.
New-Foundland is een ruw, woest eiland, veel-
vuldig in nevels gehuld. Hoofdbedrijf is de visch-
vangst; zeehonden-, doch vooral kabeljauwvangst,
welke 54000 menschen bezig houdt. Üe opbrengst
der visscherij bedraagt 12 mill. gulden (Ned.).
jaarlijks. — St.-Johns (26000), belangrijke handel.
§ 190. De Vereenigde Staten van
Noord-A merika.
(United States of America).
(Oppervlakte 9212300 K.M«. — 62982244 Inw. —
Gemiddeld 7 bewoners per K.M\'.)
De Vereenigde Staten van Noord-Amerika
bestaan uit een bond van 44 staten, 1 bonds-
district en 6 teiritoriën. Deze grootste republiek
der aarde grenst aan twee hoofdzeeën, den Grooten
Oceaan en den Atlantischen Oceaan, doch heeft
hoofdzakelijk haar ontwikkeling en beteekenis
aan laatstgenoemde te danken. De belangrijkste
havens vindt men in het • oosten, vanwaar de
toegang tot het groote gebied ook open staat,
terwijl de westzijde door hooge gebergten en
hoogvlakten van het binnenland is afgesloten,
üe rivieren, welke in het O. uitmonden, zijn:
de Hudson, de Delaware, de Potomac en de
Savannah. De smalle kustvlakte van het oosten
-ocr page 202-
194                                                        HANDELS-AAI
gaat landwaarts over in de lage keten van het
Apalachen-gebergte, een gebergte, dat het verkeer
weinig hindernissen in den weg legt, en de
ooi zaak is van het ontstaan van de talrijke
rivieren van het oosten. Ten W. van genoemde
keten strekt zich een reusachtige laagvlakte
van het noorden naar het zuiden door het land
uit, die in de laagste gedeelten doorstroomd
wordt door de Mississippi en haar bijstroomen
de Misssouri, Kansas, Arkansas en Ohio met de
Tenessee, e. a. De Mississippi-vlakte rijst naar het
westen zacht hellend, en wordt vervolgens af-
gesloten door het hoogland van het westen met
de ketens van het Rotsgebergte en de Sierra-Xevada.
Naar het noorden gaat de vlakte der Ver-
eenigde Staten bijna onmerkbaar over in die van
Britsch Noord-Amerika. Op de grens van beide
staten vindt men de groote meren: het Bovenmeer,
Uronmeer, Michiganmeer, Eriemeer
en het Ont«rio-
mi-er,
waaruit de St.-Laurensrivier haar water
ontvangt. Tusschen laatstgenoemde beide meren
vindt men den bekenden waterval Niagara.
Het klimaat der Vereenigde Staten vertoont
van het N. naar het Z. groote uitersten en be-
langrijke verschillen. De hooge temperatuur
maakt in het Z. van dit gebied den oogst van
subtropische handelsgewassen, als rijst, suikerriet
en katoen, mogelijk, welke hun noordgrens vinden
ongeveer op 37" N.Br. Ten N. hiervan ligt het
gebied van den graanbouw en van de cultures,
welke met die der Middel- en Noord-Europeesche
giaanlanden overeenkomen. Men kan ook hier
weer een noordelijke en een zuidelijke zone onder-
scheiden ; in de zuidelijke zone is maïs, in het
noordelijk gebied tarwe het hoofdprodukt.
In klimatalogisch opzicht komt het O. der
Vereenigde Staten over groote oppervlakte met
* Europa overeen. Daardoor groeien alle Euro-
peesche cultuurplanten, zij het ook met eenige
verandering, in Amerika. De landbouw draagt
derhalve in beide hetzelfde karakter, met dit
verschil, dat in Noord-Amerika de landbouw
veel noordelijker voorkomt dan in Europa. De
kuststreken der landen aan de Golf van Mexico
en de zuidelijke staten aan den zuidelijken At-
lantischen Oceaan, waar een temperatuur als van
onze Middellandsche Zeelanden heerscht, verbon-
den met rijken neerslag, behooren tot de vrucht-
baarste streken der aarde. Evenwel is de gele
koorts hier voor de bewoners zeer nadeelig.
Opmerkelijk zijn de groote afwisselingen en de
snelle sprongen in de temperatuur der Vereenigde
Staten. Vooral de winters zijn dikwijls zeer
koud. De Hudson bij Albany op 42° N.Br.
ligt gemiddeld 89 dagen des jaars met ijs bedekt,
en is eerst 15 Maart voor de scheepvaart open;
het Erie Meer eerst 15 April.
Bewoners. De bevolking der Vereenigde Staten
bedroeg in 1890: 62982200 zielen. Trekt men
hiervan de Indianen en de bewoners van Allaska
af, dan blijven er 6260000. Van 3,9 mill. bewoners
in 1790 steeg het cijfer der bevolking tot 5,3 mill.
in 1800, 17,6 mill.\'in 1840 en 50,1 mill. in 1880.
De toeneming van 10 tot 10 jaren bedraagt
tusschen 20 pet. en 30 pet. Vooral door immigratie
is de bevolking zoo sterk toegenomen. De be-
volking heeft zich het eerst en meest vereenigd
in het O., en is van hier langzaam naar het W.
voortgeschoven.
De Indianen, de oorspronkelijke bewoners, zijn
naar enkele voor hen gereserveerde gewesten,
zoogen. „reservations" teruggedrongen. In 1891
telde men nog 246800 Indianen; snel gaan zij
hun ondergang te gemoet. VTerder vond men
in 1890 nog 6337900 Negers in de Unie en
1132000 Mulatten, afstammelingen van blanken
en Negers. Alleen in drie staten: Zuid-Carolina,
Mississippi en Louisiana is de gekleurde bevol-
king talrijker dan de blanke. Chineezen telt
men er 107475; sedert 1882 is de immigratie
der Chineezen in dit land verboden.
De blanken zijn dus de eigenlijke bewoners
der Unie; hun aantal bedroeg in 1890; 54811500.
De blanken in de Vereenigde Staten zijn hoofd-
zakelijk van Europeesche afkomst. Van 1820—-
1890 zijn 16\'/-2 mill. mensehen in de Vereenigde
Staten geïmmigreerd; hiervan kwamen 6,4 mill.
uit Groot-Britannië en Ierland, 5,4 mill. uit
Duitschland, Oostenrijk en Zwitserland, 1,5 mill.
uit Denemarken, Zweden en Noorwegen. De
immigranten uit Canada vestigen zich meest in
de noordelijke staten van Nieuw-Engeland en
noordelijk New-York; Engelschen en Schotten
trekken meest naar New-York en Pensylvanië,
doch zijn ook talrijk in de andere noordelijke
staten, terwijl die uit Walis zich hoofdzakelijk
in de districten met bergbouw, in Pensylvanië
en Ohio vestigen. De Ieren gaan het meest
naar de staten van Nieuw-Engeland, doch vesti-
gen zich ook meer dan de andere Europeanen
in de grootere steden, en verrichten gewoonlijk
den laagsten arbeid. In het politieke partijleven
en bij het straatgepeupel spelen de Ieren dikwerf
een groote rol. De Duitsche landverhuizers gaan
weinig naar de staten van Nieuw-Engeland of
naar de zuidelijke staten, evenmin naar die van
den Grooten Oceaan. Zij kiezen meestal de
middel-Atlantische staten en de prairiën; New-
York, Illinois, Ohio en Wisconsin zijn voor hen
het meest gezocht. In de gemiddelde en kleine
steden vestigen zij zich weinig: zij kiezen óf
de groote steden, öf de farms van het binnenland.
Van de Nederlandsche, Zwitsersche, Oosten-
rijksche en Poolsche landverhuizers valt hetzelfde
te zeggen. De Skandinaviërs geven de voorkeur
aan het prairieland, vooral in het N.W; de
Franschen kiezen het mondingsgebied der Mis-
sissippi.
De landverhuizers in dit gebied verliezen in
-ocr page 203-
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.                                                                195
de meeste gevallen hun nationaal karakter en
gaan op in een nationaal Amerikaansch leven,
dat een Engelschen stempel draagt, en waar de
Engelsche taal omgangstaal is.
De Uuie is een republiek. De grondwet van
1787 onderscheidt drie zelfstandige, gescheiden
staatsmachten: de uitvoerende macht (de Presi-
dent), de wetgevende macht (Congres), en de
rechterlijke macht. De President wordt telkens
van 4 tot 4 jaren gekozen door afzonderlijk
daarvoor gekozen kiezers. Hierdoor is hij onaf-
hankelijk van het Congres. Hij heeft zijn zetel
te Washington, de hoofdstad van den Bond.
De president kiest zeven staatsambtenaren tot
een ministerie, dat echter geheel onafhankelijk
van hem is.
Middelen van bestaan en bedrijf. In het
jaar 1880 was de verhouding van de produktieve
bevolking tot de niet-produktieve als 100 : 176.
Van de produceerende bewoners wijdden 57,6
pet. zich aan den landbouw. De landbouw van
dit gebied is het belangrijkst van alle landen
der aarde. De inrichting der openbare landerijen
(public lands), die tegen een prijs van ƒ3 tot
ƒ6 per 0,4 H.A. aan de immigranten werd afge-
staan, was van gunstigeu invloed op het in cul-
tuur brengen van den bodem. Ook door den
uitgebreiden aanleg van spoorwegen werd menig
gebied voor den landbouw ontsloten. De uitge-
strekte vlakten, waar de effene bodem den land-
bouw niet belemmerde, en waar de vruchtbaarheid
groot is, bevorderde het in gebruik nemen van
den grond. Door de practische inrichting der farms,
en door het gebruik van machines voor den land-
bouw, hetwelk nergens zoo zeer geschiedde als hier,
werden groote landerijen onderden ploeg genomen.
In de staten van het verre westen maakt gebrek
aan tijdige regens kunstmatige besproeiing nood-
zakelijk, wat voor de ontwikkeling van den land-
bouw hier niet voordeelig is.
Het hoofdprodukt des lands is de mats: in 1892
was 242500 K.M2, met maïs begroeid, welke 573,8
inill. H.L. oogst opleverde. Zij groeit vooral in
Jowa, Kansas, Missouri en Nebraska. Ten N. van
het gebied der maïs is de tarwe het hoofdgraan-
gewas, vooral in Indiana, Kansas, Illinois, Mine-
sota, Ohio, Dacota en Californië. In 1892 was
154220 K.M2, met tarwe begroeid, en de oogst
bedroeg 181,8 mill. H.L. Verder: haver (in 1892:
232,7 mill. H.L.), gerst (in 1889: 27,6 mill. H.L.)
boekweit, aardappelen enz. Belangrijk is de tabaks-
bouw in Kentucky. Katoen is een der belang-
rijkste handelsplanten van de Unie; in 1890
waren 78265 K.M2, aan katoenbouw gewijd,
vooral in Texas, Georgië en Mississippi. Saiker-
Ttet
werd verbouwd in Florida, Texas en Loui-
siana. Verder in geringer mate verbouwt men
vlas, hennep, hop enz. De wijnbouw neemt toe
in beteekenis; hij houdt 200780 menschen bezig.
Vooral in Californië heeft de wijnbouw beteekenis.
De veeteelt is in de Vereen. St. tot hoogen
bloei gekomen, en levert door het vleesch en vet
belangrijke artikelen voor den uitvoer. De rund-
reeteelt
en de paardcnteelt is het belangrijkst in
Illinois, Jowa, Indiana en Texas, de varkensteelt
in Kansas, Jowa, Illinois. Indiana, Missouri,
Nebraska, Ohio
en Texas. Ook de schapenteelt
is belangrijk.
De visscherij hield in 1880: 131426 personen
bezig, op 6605 schepen. In 1891 hielden zich
171 schepen met de walvischvangst bezig.
De bergbouw levert groote rijkdommen op.
In de produktie van ijzer staat de Unie in de
eerste rij van alle landen, in de ko/enprodnk/ie
neemt het een tweede plaats in. De kolengebieden
liggen meest in de oostelijke en middelste ge-
deelten der Unie. Verder levert de bodem koper,
kwikzilver, tin, antimonium.
Een hoogst belang-
rijk produkt is de petroleum, bovenal in N.W.
Pensylvanië en New-York. In 1892 werd 79,6
mill. H.L. gewonnen. Goud verkrijgt men meest
uit Californië, waar het in 1848 ontdekt werd;
verder in Colorado, Zuid-Dakota, Montana en
Nevada. Volgens Soetbeers berekening heeft
de Unie van 1821—1875 voor 33916 mill. gulden
aan goud opgebracht. Zilrer leveren Colorado,
Montana, Utah, Idaho en Nevada.
Nijverheid. Door de hooge beschermende
rechten heeft de industrie buitengewone ont-
wikkeling erlangd. Het eigenlijke industrie-
gebied vormt een smalle zone in het N.O. tus-
schen den Atlantischen Oceaan en de Mississippi;
kleinere industriegewesten vindt men aan de
Missouri en den Grooten Oceaan. Vooral op het
gebied der machinfifabrikatie is de nijverheid
hoog ontwikkeld. In 1890 bestonden er 562
hoogovens, waar 9,6 mill. tonnen ruw ijzer ge-
produceerd werd; 49,2 pet. leverde Pensylvanië.
De 158 staalfabrieken leverden 4,4 mill. ton,
waarvan 61,9 pet. in Pensylvanië. Metaalbewerking
en machinefabrikatie heeft bovenal plaats va: PMs-
burg, Steeltop, Sjiarroirs Point, Chirago, Johnstown,
Cleoeland, Buffalo, Wilmington, BHhlehem
en
Birmingham. Ook de textielnijverheid heeft zich
reusachtig ontwikkeld; in 1890 vond men er
2503 wolfabrieken met 221087 arbeiders. Katoen
wordt bovenal bewerkt te Manchester, Lawrence,
Chicopee, Baltimore, Charleston. Bij de rijke
graanopbrengst vindt men er veel meelfabrieken ;
de overvloed van slachtvee is aanleiding tot
groote slagerijen en vleeschzouterijen, vooral te
Chicago, Kansas City en Omaha. Het zou te
veel plaats vorderen, als wij de industrie in al
haar bijzonderheden nagingen.
Handel en verkeer. Tot 1846 werd het stel-
sel van vrijhandel in de Unie gehuldigd; sedert
heeft men door hooge invoerrechten de binnen-
landsche industrie trachten te bevoordeelen. Met
-ocr page 204-
196                                                        HANDïlLS-AARDRIjtfSKÜNDI!.
de Mac Kinley-Bill, in 1891 aangenomen, bereikten
die invoerrechten de grootste hoogte (zie pag.
16). Thans zijn die reeds weder verzacht.
Hoofdartikelen van den invoer zijn: koffie,
suiker, rune zijde
en zijden stoffen, wol en wollen
stoffen, chemicaliën, linnen, jute-artikelen
enz. Uit-
gevoerd worden: granen en meel, onbewerkt ka-
toen, vleesch, petroleum, ijzer- en staahraren, hout-
waren, tabak, koper, katoenen stoffen, leer,
enz. enz.
De uityeroerde handelsartikelen gingen voor ruim
481/2 pet. naar Groot-Britannië, vervolgens naar
Duitschland, Frankrijk, België, Nederland, Ca-
nada en West-lndië. De invoer geschiedde uit
Groot Britannië voor 18,89 pet., verder van
West-lndië, Brazilië, Duitschland, Frankrijk,
Canada, Mexico.
De spoorwegen hebben in de Unie een grootsche
ontwikkeling erlangd. De handelsvloot bestond
in 1892 uit 6392 stoomschepen met 2074416
tonnen inhoud, en in totaal uit 24383 schepen
met 4764921 tonnen. Het scheepvaartverkeer
heeft hoofdzakelijk plaats op de oostkust. Boven-
dien is er een druk verkeer langs de vele be-
vaarbare rivieren en kanalen.
Steden. Wij zullen de staten opgeven in
eenige groepen niet de belangrijkste steden.
Het aantal inwoners geldt voor 1890.
A. Nieuw-Enyeland en de oostelijke kustlanden.
1. Maine. Portland (36000).—2. New-Hamp-
shire.
Manchester (44000) — 3. Vermout. —
4.  Massachimetts. Boston (448000) een der oudste
en belangrijkste steden der Unie. Belangrijke
handel in graan, vleesch enz. — New-Bedford
(41000) hoofdplaats van de Ainerikaansche wal-
vischvangst. — Worcester (85000). — Lowell
(78000) het Amerikaansch Manchester. — Spring-
field (44000), papier- en wapenfabrieken. —•
5.   Connecticut. Hartford (53000). — Bridgeport
(49000). — Rhode Mand. Providence (132000). —
7. New-York. New-York (1515000 inw., waarvan
583000 Duitschers, 500000 Ieren, 25000 Italianen
en 10000 Chineezen). Met inbegrip van Brooklyn
(het oude Breukelen, door de Nederlanders ge-
bouwd en naar het dorp Breukelen aan de Vecht
genoemd), Jersey City en de kleine voorsteden,
die in werkelijkheid tot New-York behooren,
bedraagt het aantal inwoners 3\'/2 niill. New-
York is de grootste en rijkste stad der Nieuwe
Wereld, en volgt als geldmarkt en handelsstad
op Londen. De haven is een der schoonste van
de aarde. De in 1883 voltooide East-ïtivier-brug,
1825 meter lang, verbindt New-York met Brook-
lyn, dat 806000 inwoners telt. — Buffalo (256000)
en Roehester (134000), beide meel- en koren-
handel. — 8. Pensyloanië. Philadelphia (1047000)
belangrijke fabrieksstad. Petroleumhandel. —
Pittsburg (239000) te midden van het rijkste
ijzer- en kolengebied; petroleum. — 9. New Yersey
Newmark (137000). — 10. Delaware. Wilming-
ton (61000). — 11. Maryland. Baltimore (434000)
groote zeehaven; uitvoer van tabak. — 11. Het
district Columbia.
Washington (189000) hoofd-
stad van de Unie, zetel der regeering en der
volksvertegenwoordiging. — 12. West-Virginië.—
13. Virginü\'. Richmond (63050). — 14. Noord-
Carolina.
Wilmington (20000). — 10. Zuid-Caro-
lina.
Charleston (55000). — 16. Georgia. Sa-
vannah (43000).
B. Noordwestelijke en binnenlandsche staten.
17. Ohio. Cincinnati (297000), belangrijke han-
delsstad aan de Ohio. — Columbus (88000). —
18. Michigan. Detroit (206000). — 19. Indiana.
Indianapolis (105000). — 20. Illinois. Chicago
(1100000), de tweede stad in grootte, aan het
Michigan-meer. De aanwas van deze stad is
buitengewoon; in 1831 had de stad nog slechts
100 inw., in 1850: 30000, in 1870: 397000, in
1880: 503000. Chicago is een belangrijke fa-
brieksstad, heeft uitgebreiden handel, de hoofd-
markt voor koren en vee. Vleeschexport. Wereld-
bekende slagerijen. Als handelsstad volgt Chicago
op New-York.
21. Wisconsin. Milwaukee (204000), aan het
Michiganmeer, met voortreffelijke haven. Belang-
rijke fabrieksstad, levendige handel; houthandel.
22. Joira. Des Moines (50000). — 23. Minesota.
St.-Paul (133000) aan de Mississippi. — Min-
neapolis (165000) met St. Paul verbonden. De
grootste meelmarkt der aarde. —• 24 en 25.
Noord- en Zuid-Dakota, tarwebouw.— 26. Montana.
Zilver. — 27. Nebraska. — 28. Wyoming. In
het N.W. ligt het bekende „Nationale Park"
een gedeelte dat rijk is aan allerlei natuurwon-
deren, als geisers enz. enz., en daarom Nationaal-
eigendom verklaard is. — 29. Kansas. — 30. Mis-
souri.
St. Louis (452000), de vierde fabriekstad
der Unie; slagerijen. — 31. Arkansas. — 32.
Kentucky. Louisville (124000) aan de Ohio. —
33. Tennessee. Nashville (76000), ijzer, hout.
Memphis (64000) katoenhandel.
C. De zuidelijke kuststaten.
34. Florida. — 35. Alabama. Mobile (31000)
haven. — 36. Mississippi. — 37. Louisiana.
Nieuw-Orleans (242000) hoofdhandelsstad aan
de Mississippi; belangrijkste stad aan de Golf
van Mexico. Na Liverpool is het de grootste
katoenmarkt der aarde. Uitvoer van suiker,
rijst enz. — 38. Texas.
D. De Pacifische staten.
39. Washington. — 40. Oregon. — 41. Idaho. —
42. Californië. San Fransisco (299000) op een
schiereiland in het W. der Golf van San Fran-
cisco, welke door de Golden Gat e met den Oceaan
is verbonden. Het is de belangrijkste stad aan
de westkust van Amerika. Uitgevoerd worden:
-ocr page 205-
197
HANDELS-AARÖRiJKSKUNDÉ.
munten (tot betaling der renten van de schulden),
zilvererts, lood, koffie, tabak, hout. Ingevoerd
worden: linnen-, wollen- en katoenen stoffen,
machines, enz. De aanleg van spoorwegen heeft
sedert 1874 een betere verbinding met de Ver-
eenigde Staten tot stand gebracht.
Mexico (330000) hoofdstad, op de hoogvlakte
2240 M. hoog gelegen. Levendige handel. De
groothandel is veel in Duitsche handen. —
Quérétaro (30000). — Guanajuato (52000) zil-
vermijnen. — San Luis Potosi (85000). —
Guadalajara (95000), weetindustrie. — Vera
Cruz
(24000) havenplaats, goede reede. — Cam-
pêche,
uitvoer. — Acapulco (4000) schoone ha-
ven aan de westkust. Uitvoer.
§ 192. Midden-Amerika.
Midden-Amerika wordt staatkundig ingenomen
door vijf Republieken. Wel is van tijd tot tijd
het plan opgeworpen deze Republieken tot een
Bondstaat te vereenigen, maar tot nog toe zon-
der gevolg. Deze Republieken zijn : 1. Guatamala
met Nieuw-Guatamala (70000); 2. Honduras;
3. El Salvador; 4. Nicaragua en 5 Costa Rica. De
kuststreken van Midden-Amerika zijn meestal
ongezond; in het midden des lands, op het ge-
bergte dat zich hier uitstrekt, is het beter.
Aan de oostkust van het schiereiland Yucatan
ligt Britsch-Honduras met de nederzetting Belize.
§ 193. West-Indië.
De talrijke grootere en kleinere eilanden tusschen
Noord- en Zuid-Amerika gelegen, die in hun
uiterlijk veel aan de Oost-Indische eilanden doen
denken, en door de eerste ontdekkers (Columbus)
ook als deelen van Indië beschouwd werden,
heeten daarnaar nog altijd West-Indië. West-Indië
bestaat uit drie groote eilanden-groepen: 1. Ba-
hamd-eilanden,
2. de Groote Antillen (Cuba,
Haïti, Portorico en Jamaica) en 3. de Kleine An-
tillen,
en twee kleinere groepen: de Virginische
eilanden
en de Eilanden onder den Wind. De West-
Indische eilanden zijn meest bezittingen van
verschillende Europeesche staten.
I. Spaansche bezittingen. A. Cuba, vroe-
ger de „parel der Antillen" geheeten, (i 18833
K.M2, met 1,6 mill. inw.). De bevolking bestaat
uit 490000 kleurlingen en 44000 Chineezen.
Negers en Chineezen zijn hoofdzakelijk arbeiders.
Creolen zijn de landbezitters, en vreemdelingen
drijven den handel, terwijl de ambtenaren Span-
jaarden zijn. Slechts 10 pet. der oppervlakte is
in cultuur. Het belangrijkste produkt is suiker.
In 1891 werd geleverd 823 mill. K.Gr. De
tabaksbouw heeft tegenwoordig een betere toe-
komst; jaarlijks wordt 30ÖÖ00 balen gepro-
duceerd. In 1891 werden uitgevoerd 10 mill.
K.G. tabak, 195 mill. sigaren cu 732 mill. si-
goud en zilver, wijn, ooft, wol, graan. — Oak-
land
(49000) aan den oostelijken oever der Golf
van St. Francisco. — Fresno (11000), ooft- en
wijnbouw; rozijnen. — Sacramento (26000), aan
de rivier van dien naam. 43. Nevada. — 44. Colorado.
E. De Territoriën.
1. Utah, met Salt Lake City (45000), de hei-
lige stad der Mormonen, die het woeste land
in een vruchtbare streek hebben veranderd. —
2. Indianen-Territorium, waarheen sedert 1829
de Indianen worden overgebracht. —• 3. Nieuw-
Mexico.
— 4. Arizona. — 5. Alaska, het vroe-
gere Russisch Amerika, met de Aleuten. Pels-
dieren.
§ 191. Mexico.
Mexico heeft een gunstige ligging tusschen
twee Oceanen, doch het gemis van goede na-
tuurlijke havens heeft ten gevolge, dat hiervan
weinig partij kan getrokken worden. Het land
bestaat hoofdzakelijk uit hoogland, in het oosten
met een smalle kustvlakte.
Het land heeft een oppervlakte van 1946523
K.M2, met ongeveer 11,8 mill. bewoners. Mexico
is een federatieve republiek van 27 staten, 2
territoriën en 1 bondsdistrict. De bevolking be-
staat voor ongeveer 41/2 mill. uit Indianen,
2^5 mill. uit blanken, meest van Romaansche
afkomst, en 5 mill. van gemengd bloed (Mes-
tiezen, Zambo\'s en Mulatten). Van de inlandsche
talen wordt het Aztekisch het meest gesproken,
en in Yucatan de Maya-taal.
Mexico was van ouds een landbouwstaat en
nog tegenwoordig berust de welvaart des volks
op den landbouw. Voor een groot gedeelte des
lands ten N. van 19° N.Br. is kunstmatige be-
sproeiing noodig, doch dan geeft het land
rijke oogsten. Men oogst vooral maïs, het hoofd-
voedsel der bevolking, verder bananen, cacao,
maniok, Spaansche peper, suikerriet, vanielle
enz. De oogst van katoen voorziet in de behoefte
des lands. De veeteelt heeft Europeesche huis-
dieren. Cochenille wint men in de provincie
Oajaka.
De mineralen waren reeds voor eeuwen de
rijkdommen des lands. Men vindt er goud, zil-
ver, lood, ijzer, koper, kwikzilver, tin, kobalt,
antimonium, zwavel, kolen en petroleum. Geen
land der aarde heeft meer goud en zilver ge-
leverd. Voor de periode van 1521 tot 1875
wordt berekend, dat het land 265040 K.G. goud
en 76,2 mill. K.G. zilver geleverd heeft. Er
bestaan thans ongeveer 1700 mijnen, en hiervan
1300 voor goud en zilver, waarin 102240 lieden
arbeiden.
De industrie heeft zich weinig ontwikkeld.
De handel berust hoofdzakelijk op den uitvoer;
de uitvoer overtreft den invoer met 50 pet. De
hoofdartikelen van den uitvoer zijn: zilveren
-ocr page 206-
198                                                          HANDELS-Ai*
garetten. Verder werden uitgevoerd rum, katoen,
hout enz.
La Habana (200000) hoofdstad, haven, han-
del. — Guanabacoa (28000), levendige scheep-
vaart.
B. Puerto-Eico (9314 K.M2, met 798500 inw.).
Het eiland levert koffie, hout enz. — San Juan
de Puerto-Rico (26000) haven.
II.  Haïti, een nog zelfstandig eiland, dat staat-
kundig tot twee Republieken behoort: Haïti,
hoofdzakelijk een Neger-Republiek, en de Domi-
nicaansche Republiek,
meest met bevolking van
gemengde afkomst. Op Haïti is de omgangs-
taal Fransch. — Port-au-Prince (60000) hoofd-
haven, uitvoer van hout en koffie.
III.     Britsche bezittingen. 1. Bahama-eilan-
den, eenige honderden koraal-eilanden 2. Ja-
maika.
Het eiland levert voor den uitvoer: sui-
ker, rum, koffie, vruchten. — Kingston (47000)
hoofdstad. Van de Kleine Antillen behooren aan
Engeland: Barbadoes, Trinidad, St. Vincent,
Antigua, Grenada
en Santa Lucia.
IV.     Fransche bezittingen. Frankrijk bezit
van de Kleine Antillen: GuadaloupeenMartinique,
twee kleine eilanden.
V.    Deensche bezittingen. Van de Kleine
Antillen bezit Denemarken St. Thomas, centraal-
station voor de Engelsche West-Indische stoom-
booten; een vrijhaven.
VI.    Nederlandsche bezittingen in Amerika.
Nederland bezit van de Kleine Antillen de eilan-
den: St. Eustatins, Saba en de helft van St. Martin.
Verder bezit Nederland in Zuid-Ainerika Neder-
landsch Guyana
en eenige Eilanden Onder den
Wind.
Op deze bezittingen komen wij nader
terug bij het bespreken van de Nederlandsche
Koloniën.
§ 194. De Republiek Venezuela.
De Vereenigde Staten van Venezuela beslaan
een oppervlakte van 1043900 K.M2, met 2323527
bewoners, dat is 2,2 op 1 K.M2. Het land be-
staat uit een kustgebergte met een smalle, moe-
rassige kustvlakte, uit de grasvlakten der llano\'s
aan de Orinoco, en uit oerwouden. De Orinoco
is de hoofdrivier, die met een uitgestrekte delta
in zee uitmondt. Geheel in de tropische lucht-
streek gelegen, heeft het land een hooge tempe-
ratuur, die op de berglanden eenigszins gema-
tigd wordt.
De bevolking bestaat voor 12 pet. uit
blanken, 38 pet. uit Indianen en 50 pet. uit
gemengd bloed.
Van de produkten des lands nemen de edele
metalen de eerste plaats in. Vooral de goud-
en zilvermijnen zijn van belang. Verder vindt
men er koper en steenkolen. De nijverheid
is er onbeteekenend. Er worden uitgevoerd:
koffie, cacao, katoen, indigo. De handel wordt
vooral gedreven, wat den invoer betreft, door
Engeland, Duitschland, Frankrijk en Noord-
Amerika, en wat den uitvoer betreft door Noord-
Amerika, West-Indië, Frankrijk en Duitschland.
In 1888 liepen 12770 schepen met meer dan
2 mill. tonnen inhoud de havens der Republiek
in en uit.
Steden: Caracas (72400). — La Guayra
(12000) haven. — Valeneia (38600) brengt den
handel tusschen binnenland en de kust tot stand.
§ 195. Guyana.
De kustlanden tusschen de Orinoco en den
Amazonenstroom vormen de zoogenaamde „wilde
kust", waar de zee over uitgestrekte slijkbanken
bruist. Naar het binnenland bestaat de bodem
uit vlak, aangeslibd land, hetwelk op 100 K.M.
van de kust in een heuvel- en bergland over-
gaat. Dit bergland, dat zich in Venezuela voort-
zet, geeft den oorsprong aan onderscheidene ri-
vieren, van welke er eenige bijstroomen van de
Orinoco zijn. In Guyana vindt men de rivieren
de Esseqnibo (in Britsch gebied), de Corantijn
(op de Grens van Nederlandsch en Britsch
Guyana), de Suriname (in Ned. Guyana) en de
Maroicijne (op de grens van Nederl. en Fransch
Guyana).
Het geheele gebied heet Guyana. Het westelijk
deel is een Britsche bezitting, het midden een Ne-
derlandsche, en het oosten behoort aan Frankrijk.
I.     Britsch Guyana. Deze kolonie wordt
bestuurd door een door de Engelsche kroon be-
noemden Gouverneur. Nadat het land reeds
vroeger door Engeland in bezit was genomen
werd het sedert 1796 steeds duurzaam een En-
gelsche bezitting. Toen in 1838 de slavernij
werd afgeschaft, kwamen de plantages, die hier
bloeiden, in verval, daar de vrijgelatenen geen
lust hadden zich aan vrijen arbeid te wijden.
Eerst door de met kracht bevorderde immigratie
van Indische arbeiders (coolies), van vrije Negers
uit Liberia (croos), en van lieden uit West-Indië,
de Azoren, en de Kaapverdische eilanden, ver-
kreeg de productie der plantages op nieuw een
belangrijke uitbreiding. Hoofdprodukt des lands
is het suikerriet. De Guyana-suiker komt onge-
raffineerd in den handel, en wordt evenals de
rum, meest naar Engeland en de Vereenigde
Staten uitgevoerd. Allerlei produkten worden
ingevoerd, en wel bovenal uit Engeland en Noord-
Amerika. Georgetown (53000) is de hoofdstad.
II.  Nederlandsch Guyana. Zie bij Nederland.
III.    Fransch Guyana (Cayenne). Deze ko-
lonie wordt bestuurd door een Gouverneur, die
verantwoordelijk is aan den Minister van Ko-
loniën te Parijs. De bevolking bestond in 1877
uit 17160 personen, waarvan slechts 1140 blan-
-ocr page 207-
199
HANDELS-AAEDRI.JKSKÜNDE.
Suikerriet groeit bijna overal zeer goed. De uit-
voer van tabak, die over geheel Brazilië geteeld
kan worden, doch meest in Minas Geraes voor-
komt, neemt voortdurend toe. Het belangrijkste
produkt des lands is echter de koffie, welke
bovenal in de provinciën Rio Janeiro, Sao Paulo,
Minas Geraes gecultiveerd wordt. Bijna de helft
der uitgevoerde koffie gaat naar Noord-Amerika,
en meest over de havens Rio Janeiro en San-
tos. De wouden leveren Brazielfioitt, magalionie-
hout
en caoutchouc. De uitvoer van Paraguay-
t/iee
uit Zuid-Brazilië en de Laplata-staten is
zeer aanzienlijk.
De veeteelt wordt bovenal gedreven op de
Campos (grasvlakten) van Rio Grande do Sul,
Minas Geraes, Goyaz en Matto Grosso (= groot
woud), op dezelfde wijze als op de llano\'s
van Venezuela. Rio Grande do Sul levert
jaarlijks 4 a 500000 stuks rundvee aan de groote
slagerijen (charrpieadas) bij de stad Pelotas.
Het vleesch wordt in de zon gedroogd en onder
den naam charque = gedroogd vleesch, naar
Noord-Brazilië en Cuba uitgevoerd; terwijl hoor-
nen, huiden en beenderen, de laatste als beende-
renmeel, naar Europa verzonden worden.
De minerale produkten des lands worden nog
weinig ontgonnen. De provincie Minas Geraes
levert diamanten, in 1887: 56739 gram. In 1891
leverden de goudmijnen, bezittingen van Fransche
en Engelsche kapitalisten, voor ƒ 800000 goud.
De industrie is uit den aard der zaak van
weinig beteekenis, zoodat er allerlei produkten
van nijverheid worden ingevoerd. De invoer
geschiedt bovenal, in volgorde naar het bedrag,
door: Engeland, Frankrijk, Noord-Amerika,
Duitschland. Uitgevoerd wordt vooral koffie,
in 1892: 3393561 zak. Hiervan gingen 2405356
zak naar Noord-Amerika en 745458 zak naar
Europa.
De handelsvloot bestond in 1891 uit 524
schepen (167249 tonnen); hierbij waren 136
stoomschepen.
Steden: Rio de Janeiro (407000) aan de west-
zijde van de schoone inham van Nictheroy, waar
de grootste schepen kunnen binnenloopen. Het
is de grootste handelsstad van Zuid-Amerika. —
Belem of Para (70000) belangrijkste handels-
stad voor het gebied van den Amazonenstroom. —
Maranhao (30000). — Pemambuco (150000)
een der beste en belangrijkste havens des lands;
export van suiker en katoen. — Bahia (180000),
goede haven aan de Allerheiligen baai; uitvoer
van Brazielhout. — Campos (40000). — Santos
(35000) koffie-uitvoer. — Porte Allegro (30000).
§ 197. De Republiek Paraguay.
Paraguay is een kleine staat (253000 K.M2,
en 330Ö00 inw.) in het binnenland aan de rivier
van denzelfden naam. Door een langdurigen
oorlog met Argentinië is het land zeer in ver-
ken. De produkten komen overeen met het
overige Guyana. De uitvoer heeft bovenal naar
Frankrijk plaats. Cayenne (10000) is de hoofdstad.
§ 196. De Vereenigde Staten van Brazilië.
De Vereenigde Staten van Brazilië (vroeger het
Keizerrijk) beslaan een oppervlakte van 8361350
K.M2, met 14602300 inw. (in 1888), dat is gemid-
deld 1,7 bewoner op de K.M2. Naar de berekening
van den census van 1872, toen het aantal be-
woners 9930000 bedroeg, bestonden zij uit
3787000 blanken, 3801000 van gemengd bloed,
1954000 Negers en 3869000 Indianen. De blanke
bewoners zijn hoofdzakelijk van Portugeesche
afkomst, en vandaar dat de taal Portugeesch
is. In 1888 werden alle slaven vrij verklaard
tegen schadeloosstelling aan de bezitters. Door
een revolutie in 1889 werd de keizerlijke
macht omvergeworpen en de keizerlijke familie
uit het land verdreven. Sedert dien tijd is het
Rijk voortdurend aan woelingen ten prooi en
heerscht er een onzekere toestand, die de eco-
nomische ontwikkeling ten zeerste in den weg
staat. Niet onwaarschijnlijk is het, dat Brazilië
weldra in onderscheidene vrijstaten zal uit el-
kander spatten.
Brazilië bestaat in het Z.O. uit een bergland
en een smalle kustvlakte met talrijke havens.
Dit gebied is hoofdzakelijk de zetel der Euro-
peesche bevolking, waar ook de landbouw ge-
dreven wordt. De laagvlakte aan den Amazonen-
stroom is bijna geheel een oerwoud, dat door
ruwe, rondzwervende Indianenstammen, o.a. door
de Botokuden, bewoond wordt. De groote rivie-
ren zijn eerst in den laatsten tijd meer toegan-
kelijk geworden voor de Europeanen. In de
zuidelijke provinciën Santa Catharina en Rio
Grande do Sul
is het oerwoud door Duitsche
kolonisten uitgeroeid, en in een vruchtbaar graan-
land veranderd.
Brazilië levert vele en waardige produkten.
Evenwel van goede bebouwing is nog weinig
sprake, doordat er meestal een verderfelijke roof-
bouw gedreven wordt. Een der belangrijkste
voedingsmiddelen, niet alleen in Brazilië maar
in geheel Zuid-Amerika, is de wortel der cnssave-
plant (Jatropha manihot), in Brazilië mandioca,
in de
Spaansche landen yuca geheeten, welke
zeer voedzaam is, en het onder den naam tapioca
bekende meel levert. Als verdere knolgewassen
levert Brazilië: yamswortel, de taro-tvortel, de
gewone aardappel, zoete aardappelen of bataten en
de pijhcortel, welke het arrowrootmeel levert. De
rijst groeit er goed en levert rijke opbrengsten.
Onze granen echter hebben er beperkte verbrei-
ding; zij groeien voortreffelijk in de zuidelijke
provinciën. Van de vezelplanten worden hier
verbouwd vlas en katoen; het eerste dient voor
eigen gebruik, het laatste wordt uitgevoerd.
-ocr page 208-
200                                                          HANDELS-AA
val geraakt. De bewoners zijn voor 3/4 Mestie-
zen en verder Indianen. Het land is in vele
gedeelten zeer vruchtbaar. Oin de door den oor-
log vernietigde veeteelt weer te herstellen is
er fokvee ingevoerd. Maïs en tabak worden er
verbouwd. Assunsion (24000) is hoofdstad.
§ 198. De Republiek Uruguay.
Dit land (1787000 K.M2, en 750000 inw.),
tusschen Brazilië en de Laplata-rivier gelegen,
bestaat bijna geheel uit steppenland, en is niet
geschikt voor den landbouw. Veeteelt is het
hoofdmiddel van bestaan en groote kudden van
runderen, paarden en schapen vindt men hier
op de vlakten. De bevolking is van Spaansche
en Portugeesche afkomst; daarenboven hebben
er zich Italianen, Spanjaarden enz. als immigran-
ten gevestigd. — Montevideo 1190000), aan de
Laplata-rivier. Aanzienlijke handel, welke bovenal
in handen van vreemdelingen is. In den laatsten
tijd heeft de bereiding van Liebigs Vleesch-
extract in Fray Bentos een groote vlucht ge-
nomen.
§ 199. De Argentijnsche Republiek
(Laplata-Staten).
(2789400 K.M2. — 3794000 inw.).
De Argentijnsche Republiek strekt zich van
de Uruguay en de Laplata uit tot den keten van
de Andes. Het land bestaat grootendeels uit
uitgestrekte vlakten: in het N. de Gran Chaco,
gedeeltelijk moerasland, gedeeltelijk zoutsteppe,
door de Guarani\'s bewoond; zuidelijk daarvan
de onmetelijke grasvlakten der Pampas, waar de
ruwe Gaucho\'s, de rijdende herders, hun kudden
halfwilde runderen, schapen en paarden weiden.
Nog zuidelijker, door de Rio Negro van de
Pampa\'s gescheiden, liggen de woeste, zandige
vlakten van Patagonië. Het O. van Patagonië
behoort tot Argentinië, het W. tot Chili. Tus-
schen de Parana en de Uruguay in de provin-
ciën Entre Rios (= tusschen de rivieren) en
Corrientes vindt men vruchtbaar bouwland.
De Parana is de hoofdrivier des lands. Het
klimaat is, trots de snelle afwisseling van het
weer, over \'t geheel zeer gezond.
De bevolking behoort voor 70 pet. tot de
zuiver blanken, voor 28 pet. tot gemengd ras.
Door immigratie van Italianen, Franschen, Span-
jaarden, Engelschen en Duitschers, is de bevol-
king in den laatsten tijd zeer toegenomen. Hier-
door draagt de bevolking der steden ook een
internationaal karakter.
De Argentijnsche Republiek bestaat uit ver-
schillende deelen, die in 1860 tot een Bonds-
Republiek vereenigd zijn. Evenwel door het
drijven der partijen is er dikwijls onzekerheid
in het Bestuur, wat de economische ontwikke-
ling ten zeerste schaadt.
De grootste rijkdom des lands bestaat in de
produkten der veeteelt. De landbouw, vooral de
cultuur van suikerriet en granen, heeft ook in
de laatste jaren een grooten vooruitgang gehad.
Verder verbouwt men er tabak, grond noten, man-
rliora, rijst
en katoen. Ook de wijnstok wordt
op vele plaatsen met succes gecultiveerd, als-
mede de perzik.
Uitgevoerd worden bovenal produkten der vee-
teelt
en van den landbouw. Verschillende arti-
kelen voert men er in. Bij den invoer staat
Engeland bovenaan, en daarop volgen Frankrijk
België en Duitschland. De scheepvaart neemt
van jaar tot jaar toe. De meeste buitenlandsche
scheepvaart geschiedt op Buenos Ayres.
Steden: Buenos Ayres (in 1893: 559000 in-
won ers met de voorsteden). De stad is regel-
matig gebouwd en maakt geheel den indruk
van een Europeesche groote stad. — Laplata
(65000) is een na 1882 gebouwde stad, niet ver
beneden Buenos Ayres aan de rivier; zij was
bestemd om de hoofdstad te worden. Goede
haven. — Santa Fé (15000). — Rosario (50000)
buitenlandsche handel, aan de Laplata-rivier. —
Córdoba (49700).
§ 200. De Falklandseilanden.
\' Deze eilandengroep, op 51°—-530 Z. Br. ten O.
van Zuid-Amerika gelegen, behoort aan Enge-
land. Veeteelt en vischvangst zijn de hoofd-
bronnen van bestaan. De uitvoer bestaat in pro-
dukten der schapenteelt.
§ 201. De Republiek Chili.
Chili vormt een in de lengte uitgestrekt land,
dat op de westelijke helling der Cordilleras de
los Andes
ligt, welke keten met een steile hel-
ling in een lange, smalle kustvlakte overgaat.
De passen, welke van de Andes naar de Argen-
tijnsche Republiek voeren, zijn alle tamelijk
hoog, voornamelijk in de middelste en noorde-
lijke gedeelten. De spoorweg gaat over de
Uspallata-pas of Cumbrepas ten O. van St. Rosa,
welke 3900 M. hoogte heeft. Groote rivieren kun-
nen zich natuurlijk in dit smalle kustgebied niet
ontwikkelen.
In het N. van Chili heerscht een regenloos,
heet woestijn-klimaat, terwijl in de middelste
provinciën regelmatige winterregens vallen, zoo-
dat de landbouw hier met goed gevolg kan wor-
den uitgeoefend. De gemiddelde temperatuur
in de hoofdstad Santiago is in December tot
Maart (de heetste maanden) 21° C, en gedurende
de koudste maanden (Juni—Aug.) 9,9° C. Het
zuiden van Chili is zeer regenrijk en heeft een
lager temperatuur.
De bevolking van Chili is krachtiger, ijveriger
en actiever dan die der meeste Hispano-Ameri-
kaansche landen. Vooral als arbeiders in de mij-
nen doen zij goede diensten, en als zoodanig
-ocr page 209-
201
HANDELS-AARDRI.TKSKUNDE.
arbeidden zij ook in de mijnen van Peru en
Bolivia. Het aantal inwoners voor 1891 zal 3,2
mill. bedragen.
De produkten van Chili zijn menigvuldig. De
landbouw levert tarwe, welke ook uitgevoerd
wordt. Verder verbouwt men er bootten, erwten,
maïs, haver, rogge, tabak, hennep
en vlas. De wijn-
stok
gedijt er zeer goed. De bergbouw levert
in het N. salpeter, koper en zilver: verder lood,
goud, kobalt, nikkel.
De industrie ontwikkelt zich zeer. Ook de
handel over zee is er levendig. De import-han-
del is hoofdzakelijk in handen van Engeland,
Duitschland en Frankrijk, en de uitvoer ge-
schiedt naar Engeland, Duitschland, de Veree-
nigde Staten, Frankrijk en Peru.
Het binnenlandsch verkeer heeft in Chili,
trots het gemis van bevaarbare rivieren, een
goede ontwikkeling bereikt. Niet alleen is de
spoorweglengte er aanzienlijk, doch ook de ge-
v/one wegen zijn er goed. De handelsvloot telt
191 schepen waaronder 40 stooinschepen.
Steden: Santiago (189300), 537 meter hoog
gelegen, hoofdstad. — Valparaiso (105000),
havenstad, heeft den buitenlandschen handel in
handen. — Concepcion (24000), handel.
§ 202. De Republiek Bolivia.
De bevolking van Bolivia (1435000), bestaat
voor 245000 uit wilde, onbeschaafde Indianen,
en de overigen zijn van gemengd ras. Europeanen
en Noord-Amerikanen treft men er weinigen aan,
en bijna uitsluitend in de steden. De toestand
van den staat is zeer onzeker; militaire revolu-
ties en dictaturen zijn er niet zeldzaam. De
ontwikkeling des volks staat op lagen trap.
Veeteelt en landbouw worden er zeer verwaar-
loosd.
De uitvoer bestaat hoofdzakelijk uit zilver,
tin, kinabast
en alpaka-wol. Het handelsverkeer
heeft meest plaats over de havens Arica en
Antqfagasta in Chili.
Steden: La Paz (40000). — Potosi in de 17e
eeuw door de goudmijnen een groote stad met
100000 inw., telt er thans nog slechts 12000.
§ 203. De Republiek Peru.
Peru beslaat een oppervlakte van 1137000
K.M2, en telt 3 mill. inwoners. Het grootste
gedeelte des lands wordt ingenomen door de
gebergten der Cordilleras, terwijl in het O. zich
nog een kleine oppervlakte over de laagvlakte
van den Amazonenstroom uitstrekt. Door de af-
wisselende hoogte is het klimaat zeer verschiU
lend. In de bijna geheel regenlooze kustprovin-
ciën bedraagt de gemiddelde temperatuur 20° C,
terwijl zij in Januari en Februari tot 28 a 30° C.
stijgt. Het klimaat der 1000 a 3000 M. hoog
gelegen gewesten op de Andes is gematigd en
gezond.
De bevolking van Peru bestaat voor 14 pet.
uit blanken, 48 pet. uit kleurlingen (vooral af-
komstig van blanken met Indianen) en 38 pet.
uit zuiver Indianen, van welken er nog 300000
als „wilde stammen" genoemd worden. Van de
18000 Europeanen, welke in 1876 (de laatste
telling) aanwezig waren, behooren 7000 tot de
Italianen, 2600 tot de Franschen en 1600 tot de
Duitschers.
Peru verbouwt in de lage kuststreken rijst,
katoen, wijn
en suikerriet; in de hooger gelegen
streken tarwe, gerst, mals, aardappelen enz. De
met ichtt-gras bedekte „punagewesten" dienen en-
kel als weiden voor lama\'s, alpaka\'s en schapen,
wier wol naar Europa wordt uitgevoerd. Voor
de staatsfinanciën en den handel is echter het
belangrijkst de uitvoer van edele metalen, als-
ïnede van katoen, cacao, kinabast enz. Goud wordt
vooral bij de bronrivieren der Rio Purus ge-
vonden. In 1891 waren 4187 mijnen in exploi-
tatie, waarvan er 427 goud, 2641 zilver, en 46
goad en zilver beide opleverden, terwijl 28 koper,
20 kwikzilver, 613 petroleum en 278 kolen ople-
verden. Groote rijkdom aan asphalt vindt men
in het noorden des lands, doch de lagen worden
nog weinig geëxploiteerd. De industrie is on-
beteekenend.
De groothandel is bijna geheel in handen van
buitenlanders, bovenal van Engelschen, Duit-
schers en Franschen.
Steden: Lima (105000). — Callao (26800),
belangrijkste haven aan de kust. — Cuzco
(20000), voormalige hoofdstad van het Inca-rijk.—
Arequipa (30000), handel met de Zuid-Peruaan-
sche hoogvlakte.
§ 204. Eeuador.
Deze Republiek heeft een oppervlakte van
307243 K.M2., en telde in 1892 volgens schat-
ting 1205000 inw., waaronder 200000 wilde In-
dianen behooren. Klimaat en gesteldheid des
lands komen veel met Peru overeen.
Het hoofdprodukt des lands is cacao, welke
in de wouden in het wild groeit, en aan de
heete vochtige kuststreken gecultiveerd wordt.
In 1891 werden hier voor 9,8 mill. gulden (Ned.)
cacao uitgevoerd. Verder worden uitgevoerd:
koffie, goud, zilver, caoutchouc, huiden enz.
De buitenlandsche handel is bovenal in han-
den van Duitschers, hoewel de handelsomzet
grooter is met Engeland, Spanje en Frankrijk.
In 1891 liepen in de havens des lands 606 sche-
pen binnen, met 373573 tonnen inhoud, waarvan
249057 tonnen onder Engelsche vlag, en 8394
onder de vlag des lands.
Steden: Qutio (40000), 2850 meter hoog ge-
legen ; levendige handel. — Cuenca (25000). —
-ocr page 210-
202
HANDELS-AARDRI.TKSKUNDE.
Gauyaquil (45000), eerste haven des lands; de
beste haven der westkust. Het klimaat is echter
ongezond.
§ 205. De Bepubliek Columbia.
Columbia heeft een oppervlakte van 1203100
K.M2, met eene bevolking van 3321000 zie-
len. Het grootste gedeelte des lands is berg-
land, in het noorden door de vlakte der Mag-
dalena-rivier doorsneden. Het klimaat is zeer ver-
schillend naar de hoogte. De lage kuststreken
zijn ongezond en heet; op de hoogte is het
klimaat beter.
De bevolking bestaat voor 6 pet. uit zuiver
blanken en voor meer dan 50 pet. uit kleur-
lingen van gemengd bloed, terwijl er nog 78000
wilde Indianen gevonden worden. Het land is
rijk aan produkten van allerlei aard, doch hier-
van wordt nog niet het rechte voordeel getrokken.
Hoewel het land rijk is aan edele en andere
metalen, worden de mijnen slecht geëxploi-
teerd. Ook de industrie is niet van groot belang.
Tengevolge van dit alles is ook de handel van
weinig beteekenis.
De invoer heeft plaats door Engeland, Frank-
rijk en Duitschland, en de uitvoer gaat eveneens
naar deze landen, alsmede naar de Vereenigde
Staten.
Uitgevoerd worden, behalve edele metalen,
koffie, huiden
en tabak. Een belangrijke, tolvrije
transito-handel heeft plaats over de Landengte
van Panama, waar Panama en de haven Aspinwal,
aan beide zijden van de landengte gelegen, door
een spoorweg verbonden zijn.
Steden: Bogota (110000) een der schoonste
steden van Zuid-Amerika. — Medellin(37200). —
Panama (30000). — Colon of Aspinwall, aan
het Atlantische einde van den spoorweg, over
de landengte, met 1500 inw.
Australië.
§ 206. Het vasteland van Australië of
Nieuw-Holland.
De oude naam van Australië, Nieuw Hollan\'l,
herinnert ons nog, dat aan onze natie de ontdekking
van dit land te danken is. Wel had Magelhaes,
de Portugeesche zeereiziger, die in 1521 den
Grooten Oceaan voor het eerst van het westen
overzeilde, eenige eilandengroepen gevonden, die
thans tot Australië gerekend worden, doch eerst
nadat de Hollanders van Java uit expedities in
deze zeeën uitzonden, en Abel Tasman ten zuiden
langs Nieuw-Holland zeilde(1642), begon de nadere
kennis van dit land zich uit te breiden. De
naam Nieuw-Holland en verschillende namen
voor deelen der kust of eilanden, als: Arnhem\'s
land,\' de Wit\'s land, Tasmania, Nieuw-Zeeland
e.a., herinneren nog aan de ontdekkingen der
Nederlanders.
De kustontwikkeling van Nieuw-Holland is
ongustiger dan van eenig werelddeel, Afrika
alleen uitgezonderd. De 12840 K.M. lange kust
is zeer gesloten, en slechts op weinige plaatsen
vindt men inhammen of schiereilanden van be-
teekenis. Het driehoekige schiereiland York en
de Golf van Cnrpentaria zijn de grootste van
de weinige inhammen. En de eilanden, welke
tot het werelddeel behooren, zijn meest alle te
klein en liggen te verstrooid in de groote zee,
om het gemis aan kustontwikkeling te vergoeden.
Door dit alles biedt de kust van Nieuw-Holland
geene groote voordeelen aan voor handel en
verkeer. Hierbij komt nog, dat aan de Golf
van Carpentaria, in het zuiden aan de Austra-
lische bocht, alsmede in het W., de meest ontwik-
kelde kusten overigens niet geschikt zijn tot
nederzettingen. De gunstigste kusten zijn die
van het Z.O. en O., en langs deze vindt men
dan ook de eerste en hoofdnederzettingen.
Het algemeen karakter van Australië is dat
van een groote hoogvlakte, welke van alle zijden
naar het binnenland daalt, en hier in het vlakke
Eyre-meer de laagste inzinking heeft, tot 54 M.
boven de zee. Op den oostrand zoowel als op
den westrand vindt men lage bergketens, waarvan
die aan den oostrand het hoogst zijn. Hier
vindt men onderscheidene bergketens, van welke
de Australische Alpen de hoogste, zijn, die met
den Kosciusco-groep in onderscheidene toppen tot
ruim 2000 M. rijzen. Aan die Alpen sluit
zich in het noorden een groot tafelland aan,
waarop eenige bergketens rusten.
De rivieren van Australië zijn met weinige
uitzonderingen arm aan water; vele lossen zich
in het droge jaargetijde op in een reeks van
meertjes of drogen geheel uit. Zelfs de Murray,
met een uitgebreid stroomgebied in het zuidelijk
Queensland, in Nieuw-Zuid-Wales en Noordelijk
Victoria, bereikt de zee met een smallen mond,
die, door een zandbank versperd, voor de aan-
zienlijke scheepvaart niet geschikt is. Ook hare
aanzienlijkste bijstroomen, als de Darling en de
Murrumbidijee met de Lachlan, lossen in enkele
gedeelten zich niet zelden geheel op in meren, en
de levendige scheepvaart bij hoogwater houdt dan
tijdelijk geheel op. De rivieren in het binnenland,
zooals de lange Barcoo of Cooper, de Diamantina
e. a. zijn slechts zelden over den geheelen loop
met water gevuld, en bestaan uit reeksen ge-
deelten van rivieren, welke zich in zandvlakten
of zoutmoerassen verliezen. De meren in het
binnenland, welke de kaart aanwijst, bezitten
meestal zout water.
Het klimaat van Nieuw-Holland ligt voor2/5
in de heete, 3/5 in de gematigde luchtstreek. In
het noorden heeft het land een jaarlijksche tempe-
ratuur, overeenkomend met Madras en Calcutta;
-ocr page 211-
203
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
de gemiddelde jaartemperatuur van Brisbane
komt met Tunis overeen, Sydney heeft een zomer
van Konstantinopel en een winter van Kaïro,
Melhourne heeft een zomer van Marseille en
een winter van Palermo. De temperatuur-
schommelingen zijn er buitengewoon groot.
Het noordelijk tropengebied heeft twee jaar-
getijden: een nat met den N. W. moesson van
Óctober tot April, en een droog met den Z.O.
moesson (eigenlijk Z. O. passaat), in den overigen
tijd van het jaar. Het zuidelijk gedeelte, in de
gematigde luchtstreek, heeft vier jaargetijden.
De regen valt aan de oostkust in den nazomer,
in Victoria in de lente en den herfst, en verder
westelijk in den winter. In het binnenland is
de regenval gering, en komen van tijd tot tijd
groote perioden van droogte voor, waardoor som-
tijds duizenden schapen wegens gebrek aan
voedsel sterven. En eveneens richten de plotse-
linge hevige regens in het binnenland groote
schade aan.
Planten en dieren. Door de klimatische ge-
steldheid is de plantenwereld in het binnenland
zeer eenvormig en eentonig. In de gematigde
gewesten mist men het frissche groen der loof-
wouden, en men vindt er evenmin den echten
tropischen plantengroei. De meeste planten heb-
ben een bleeke, in\'t grijze of blauwe overgaande
glanslooze kleur, een verschijnsel, hetwelk hieruit
verklaard wordt, dat een dichte opperhuid het
bladgroen der cellensappen omhult, en dit daar-
door verhindert door te schijnen, zooals bij de dan-
huidige bladeren het geval is. De plantenvor-
men, welke het grootste gedeelte van het continent
bedekken, zijn die der eucalypten en proteaceeën.
De laatste komen in een dicht kreupelhout voor,
het scrub der Australiërs, hetwelk de ontginning
op vele plaatsen belemmert. Eigenaardige plan-
ten vindt men er ook: zoo o. a. de grasboomen,
met grasvormige bladeren. De bergstreken be-
zitten nog al bruikbare houtsoorten, o. a. in het
jarra (Eucalyptus marginata), dat evenals het
Oost-Indische teakhout tegen de aanvallen van
termieten bestand is.
De inheemsche diersoorten vormen de oudste
diervormen: de buideldieren in onderscheidene
soorten. Apen ontbreken geheel, eveneens her-
kauwende dieren. De dingo, een wilde hond,
is waarschijnlijk ingevoerd. Opmerkelijk is nog
de zwarte zwaan met karmijnrooden snavel.
De meeste Europeesche huisdieren zijn hier
ingevoerd, en vele gedijen er goed. Verder zijn
er ingevoerd kameelen, angorageiten, hazen,
struisvogels, enz. De ingevoerde konijnen zijn
door hun groote verbreiding een plaag des lands
geworden.
Bevolking. De oorspronkelijke bewoners, de
Australiërs, vormen een afzonderlijk menschenras,
met gezichtsuitdrukking tusschen Negers en
Maleiers. Het zwarte haar is kroes, doch niet
wollig, en de goed behaarde huid is donkerbruin
van kleur. Zij staan op den laagsten trap van
beschaving en zwerven zonder vaste woonplaats
rond door de woeste vlakten des lands. Het
aantal wordt op \'200000 geschat.
De tegenwoordige bewoners zijn hoofdzakelijk
van Britsche afkomst. Wel hebben zich ook
lieden uit onderscheidene natiën hier gevestigd,
doch Engelschen, Ieren en Schotten en hun
nakomelingen maken ongeveer 90 pet. der tegen-
woordige bewoners uit. In Zuid-Australië,
Queensland en Victoria hebben zich ook Duit-
schers gevestigd.
De immigratie in Australië heeft niet dien
omvang kunnen aannemen als in de Vereenigde
Staten. In de jaren van de goudkoorts, ongeveer
1852, was zij liet aanzienlijkst. Het jaar 1891
wees aan 215912 immigranten en 176467 emi-
granten, zoodat er slechts een gewin was van
39445.
Australië werd als kolonie van gedeporteerde
misdadigers gegrondvest. Van 1787 tot 1868,
in welk laatste jaar de deportatie ophield, wer-
den 137161 personen (116842 mannen en 20319
vrouwen) naar Nieuw Zuid-Wales, Tasmanië en
West-Australië gebracht. In Nieuw-Zuid-YVales
nam het stelsel der deportatie in 1839 een einde, in
Tasmanië in 1853. Nieuw-Zuid-Wales had van 1787
tot 1839: 59788, en Tasmanië van 1803 tot 1853:
67655 misdadigers als immigranten ontvangen.
In 1839 ving men aan West-Australië op die
wijze te koloniseeren. Tot 1868 werden hier 9718
misdadigers, uitsluitend mannen, geplaatst. Wijl
de overige Australische koloniën er steeds met
meer kracht tegen opkwamen, werd in 1868
hiermede geëindigd.
Australië bestaat uit zes koloniën, die in werke-
lijkheid zoo goed als zelfstandig zijn, doch wier
gouverneurs door de Britsche kroon benoemd
worden. Dit neemt niet weg, dat de Parlementen
bijna geheel vrij zijn in het nemen van besluiten.
Ook op handelsgebied zijn de koloniën zoo goed
als onafhankelijk, waardoor de toltarieven niet
alleen voor Groot-Britannië en andere landen
gelijke kracht hebben, maar ook de koloniën
onderling door die tolgrenzen gescheiden worden.
Produkten des lands voor den handel en
middelen van bestaan. Landbouw en vee-
teelt.
De hoofdbezigheid der kolonisten bestaat
in veeteelt en landbouw. De veeteelt neemt
verreweg het grootste gedeelte des lands in
beslag. Ondanks de snelle toeneming der bevol-
king ligt nog het uitgebreidste gedeelte des lands
ongebruikt. De landbouw vindt men bijna uit-
sluitend in de zuidoostelijke kuststreek, rondom
Melbourne en Adelaïde. Door den aanleg van
besproeiingsmiddelen, vooral in Victoria, worden
steeds grooter vlakten voor den landbouw ge-
-ocr page 212-
204
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
schikt gemaakt, en door het gebruik maken van
praktische machines stijgen de opbrengsten, trots
het nadeel, dat de konijnen hier aanrichten. Een
grooten vooruitgang, ook in qualiteit, maakt de
irijnbouic. Van 1878—1889 is de oppervlakte
des lands met wijn begroeid meer dan verdubbeld.
Vooral in Victoria, Zuid-Australië, Nieuw-Zuid-
Wales wordt de wijnbouw uitgeoefend; in 1891
waren 19239 H.A. met wijn beplant. Tarwebouir
wordt op uitgebreide schaal gedreven in Zuid-
Australië en Victoria, verder in Nieuw-Zeeland
en Nieuw-Zuid-Wales. In Nieuw-Zuid-Wales
en Queensland verbouwt men bovenal mals.
De vruchtbaarheid van den bodem is niet overal
zeer groot, en de graanhandel van Australië heeft
nog al met moeielijkheden te kampen. Alleen
als de graanprijzen in Europa hoog zijn kan
met voordeel Australië hier heen exporteeren.
Zelfs in de noordelijke streken van Nieuw-
Holland, die behoefte hebben aan koren en
daarin meestal uit het zuiden voorzien worden,
begint Amerika reeds met invoer. Sidney en
Brisbane ontvangen een gedeelte van het koren
reeds over San Francisco. Doch wijl de oogst
in Australië in onzen winter valt, geeft dit het
voordeel, dat het van daar aangevoerde koren
juist in den tijd aankomt, dat in Europa ge-
woonlijk het koren het duurst is.
De fijne vruchten der oude wereld, als oranjes,
citroenen, abrikozen, perziken, amandelen en
vijgen gedijen in Nieuw-Holland zeer goed.
Door het gebrek aan vochtigheid vindt men
in Australië niet die dichtbegroeide weidevlakten
met sappig gras, welke wij in West-Europa
kennen. Op de Australische savannen groeit
het gras in afzonderlijke, eilandachtig gescheiden
boschjes.
Suikerriet en katoen groeien op de oostkust
van Nieuw-Zuid-Wales en Queensland; de katoen-
oogst is echter onbeteekenend.
In 1891 waren in cultuur gebracht voor de
volgende produkten :
dieren had hier buitengewoon succes. Toen het
eerste misdadigers-transport in 1788 in de Ro-
tangbaai arriveerde, bestond de veerijkdom der
te vestigen kolonie uit 1 stier, 5 koeien, 1 hengst,
3 merries, 3 veulens, 28 schapen, 9 geiten, 74
varkens, 5 konijnen, 29 ganzen, 35 eenden en
210 hoenders. Later werden er meer ingevoerd
uit Indië en de Kaapkolonie. Toch duurde het
nog langen tijd, voor de veeteelt eenige vlucht
nam. Toen evenwel de geschiktheid des lands
voor de veeteelt later bleek, breidde zij zich
snel uit. Thans bezit Australië paarden, die
van de edelste Engelsche rassen afkomstig zijn,
en schapen van de soorten der Herefords, Short-
horns en Devons, Merinos, Lincolns enz. De
varkens van Yorkshire en Berkshire gedijen
nog beter in Australië dan in het oorspronkelijk
vaderland.
In Dec. 1891 was de veerijkdom van Australië
als volgt:
Paarden.
Runderen.
Schapen.
Nw. Z.-Wales .
459 755
2 046 347
61 831 416
Victoria.. .
440 496
1 813 159
12 919 428
Queensland..
399 464
6 192 759
20 289 633
Zuid-Australië.
202 906
676 933
7 745 541
West-Australië
40 812
133 690
1 962 212
Tasmanië. . .
31 312
167 780
1 664 118
Nieuw-Zeeland
211040
831 831
18 289 633
Totaal. . . .
1 785 68511 862 499
124 639 534
Behalve deze dieren vond men er 1154547
varkens, de meeste (308812) in Nieuw-Zeeland.
In de productie van dierlijke artikelen is
Australië een der eerste gewesten van de aarde.
Nu de uitvoer van bevroren vleesch goed ge-
lukt is, verkrijgt het vee meer waarde, en neemt
de uitvoer een groote vlucht. Londen ontvangt
jaarlijks groote hoeveelheden bevroren schapen-
vleesch. Ook wordt zelfs Australische boter op
de Londensche mnrkt aangevoerd. Bovendien
is de uitvoer van huiden, wol, hoornen enz.
zeer groot. De woluitvoer is het aanzienlijkst;
niet alleen Engeland ontvangt de wol, ook
Duitsche, Fransche en Belgische kooplieden
verschijnen op de Australische wolmarkt.
De squatters of veehouders vormen de aristo-
cratie der Australische kolonisten. Bezitters
van eenige honderdduizenden schapen zijn geen
zeldzaamheid. De veehouder heeft zijn weiden
meest niet in de kuststreek maar verder in het
binnenland, waar het klimaat minder goed voor
den landbouw geschikt is. De grootste vijand voor
hon is het gebrek aan water; groote sommen
moeten besteed worden voor het boren der bron-
nen, om water voor het vee te verkrijgen.
Delfstoffen. Hoofdzakelijk door den delf-
stoffenrijkdoni is Australië spoedig tot bloei
Opper-
vlaktc.
In rultuur
H.A.
Tarwe.
H.A.
Suiker-
riet.
ll.A.
Muis.
H.A.
Victoria . .
Nieuw-Zuid-
Wales . .
Queenslaud .
Z.-Australië .
"W.-Australië.
Het Continent
Tasniamë . .
Nieuw-Zeel. .
229078
799139
1730 721
2341611
2527 283
7 627 832
67 894
270935
1075130
471848
103202
1013316
52760
2 716256
206266
626092
533073
142666
7 722
620969
10746
1315176
18887
160909
8178
20369
64 831
60639
Austr. Kolon.
3548514
1494972
-----
De veeteelt wordt er op reusachtige schaal ge-
dreven. De invoering van Europeesche huis-
-ocr page 213-
205
HANDELS-AARDRIJKSKUNDË.
De handel tusschen de koloniën onderling is
het aanzienlijkst; daarna is de handel hoofdzake-
lijk in handen van Engeland. Ongeveer 17,9%
van den handel behoort aan niet-Britsche landen.
Evenwel de handel met deze landen neemt snel
toe, vooral met Noord-Amerika, Nederlandsch
Indie, China, Duitschland enz.
Het spoorwegnet voor het binnenlandsch ver-
keer is in den laatsten tijd snel uitgebreid. De
spoorwegen zijn bijna uitsluitend staatsspoor-
wegen. Sedert 1872 is Australië ook door een
telegraafiijn met Europa verbonden. De kolonie
Zuid-Australie heeft de telegraafiijn van Port
Augusta aan de Spencergolf midden door het
continent naar Port Darvvin aan de noordkust
gelegd, terwijl de Engelsche regeering een kabel
van Java naar Port Darwin gelegd heeft.
Onderscheidene stoomvaartlijnen en zeilsche-
pen onderhouden het verkeer met vele landen
der aarde. In 1889 liepen in totaal 18194
schepen (mot 14797772 tonnen inhoud) de Au-
stralische havens in en uit.
Staatkundige indeeling. Australië bestaat
in staatkundig opzicht uit 7 zelfstandige kolo-
niën, welke in naam nog aan Engeland behooren,
doch die een groote mate van zelfstandigheid
bezitten. De grondwetten der afzonderlijke kolo-
niën zijn naar Èngelsch model gemaakt. Sedert lang
bestaat er plan ze door een verbond op de wijze als
het Dominion of Canada te vereenigen. In Maart
en April 1891 werd hierover in Sydney verga-
derd, en er voorloopig toe besloten. De zeven
koloniën, Nieuw Zeeland er bij gerekend, zou-
den den naam „Commonwealth of Australia"
dragen en de „koloniën" zouden „staten" worden.
Een gouverneur, door de Koningin van Enge-
land te benoemen, zou de band met dit rijk
vormen. Tot de uitvoering van dat plan is het
nog niet gekomen, hoewel de quaestie geenszins
van de baan is.
gekomen. Hierbij speelt het goud eene eerste
rol. Het vinden van goud heeft den maatschap-
pelijken toestand in enkele gedeelten als met een
tooverslag geheel gewijzigd. Het gewicht aan
goud, dat van 1851 tot 1889 geleverd werd, be-
draagt voor Victoria 1750377 K.Gr., voor Nieuw-
Zeeland 361525 K.G., Nieuw-Zuid-Wales 314500
K.Gr., Queensland 212347 K.G., Zuid-Australië
8367 KG., West-Australië 2130 K.G., te zamen
2666698 K.G., een waarde van meer dan 45,6 mill.
gulden. Deze goudontdekkingen lokten duizen-
den naar Australië, deden daar tijden van over-
speculatie en al de ellenden der goudkoorts
ontstaan, maar waren ten slotte voor de econo-
mische ontwikkeling der koloniën zeer voordeelig.
Vóór het goud had men er ook reeds koper
gevonden. In 1861 werden de Wallaro-mijnen
ontdekt en sedert rekent men Zuid-Australië tot
de landen, die het rijkst zijn aan koper. Verder
vindt men er steenkolen, tin, zilver. Ijzererts
van voortreffelijke qualiteit vindt men in alle
gedeelten; echter niet altijd in de nabijheid der
steenkolen. Ook ontbreekt nog de noodige drang
om de ertsen te ontginnen. Hetzelfde kan van
het veelvuldig voorkomend lood, antimonium,
nikkel enz. gezegd worden.
Nijverheid. De nijverheid is nog weinig tot
ontwikkeling gekomen. Alleen in de hoofdsteden
wordt de nijverheid uitgeoefend tot voorziening
in de artikelen van dagelijksch noodige be-
hoeften. Om de nijverheid ook hier te prikke-
len zijn in 1879—80 te Sydney, in 1880—81 te
Melbourne, en te Launceston in 1891 tentoon-
stellingen gehouden, waarvan de invloed tot
nog toe wel niet groot was, maar toch valt op
te meiken. De grootste hoeveelheid benoodigde
artikelen der industrie worden uit Europa ver-
kregen.
Handel. De handel heeft met de ontwikkeling
der koloniën een groote vlucht genomen. Onder-
ling bestaat er een levendig verkeer tusschen
de onderscheidene koloniën, maar bij den rijk-
dom aan ruwe natuurprodukten en de behoefte
aan produkten der nijverheid moet ook het handels-
verkeer met beschaafde landen wel aanzienlijk
zijn. Wij leerden de produkten des lands reeds
kennen, alsmede zijne behoeften.
In- en uitvoer in 1891:
Bewoners
in 1893.
Bewoners
op 1 K.M*.
KOLONIËN.
1 165 300
1 157 804
410 345
325 766
53 285
1,4
5,9
0,2
0,14
0,02
Nieuw-Zuid-Wales
Victoria ....
Queensland . . .
Zuid-Australië .
West-Australië. .
Invoer van
Uitvoer van
poud sterling
pond sterling.
Nieuw Zuid Wales;
22 615 004
22 045 937
Zuid-Australië . .
8 262 673
8 827 378
22 954 015
13 266 222
Nieuw Zeeland . .
9 428 761
9 811 720
Queensland . . .
5 066 700
8 554 512
Tasmanië ....
1 897 512
1 486 992
West Australië. . .
874 447
671 813
3112 500
152 619
634 058
0,4
2,2
2,4
Vasteland v. Australië .
Tasmanië......
Nieuw-Zeeland ....
De Australische koloniën 3 899 177 0,49
Bij deze cijfers zijn de inboorlingen en de
Maoris niet gerekend.
1. Nieuiv-Zuid- Wales, de oudste kolonie. Zij
werd in 1788 na het verlies van de Vereenigde
Staten door Engeland tot een kolonie voor mis-
dadigers gegrondvest. Evenwel een grooter aan-
-ocr page 214-
206
HANDELS- AARDRIJKSKUNDE.
tal vrije kolonisten heeft zich hier later geves-
tigd, vooral door de ontdekking der goudvelden.
Sydney (386000 inw. met de voorsteden) aan
de Port Jackson, een der schoonste natuurlijke
havens. Universiteit. Druk scheepvaartverkeer,
levendige handel.
2.   Queensland, ten N. van Nieuw-Zuid-Wales.
Brisbane (94000) belangrijke handel.
3.   Victoria, de kleinste kolonie, doch door de
goudvelden de belangrijkste en bloeiendste.
Melbourne (491000), hoofdstad der kolonie, de
grootste stad van Australië, aan de tot hiertoe
bevaarbare Yarra Yarra, 13 kilometer van haar
monding in de Port-Philip. Druk scheep-
vaartverkeer, een handelsvloot van bijna 400
schepen. Geelong (17000) is de tweede haven-
stad der kolonie, aan de Port Philip. Stapelplaats
van den uitvoer van wol. — BJlarat (41000),
belangrijke goudstad van Victoria. — Bendigo
(27000) met goudmijnen.
4.  Zuid-Australir, oorspronkelijk alleen tot het
zuiden beperkt, zet zich thans door het midden
van het continent tot het noorden voort. Alexan-
draland
en het Noordterritorium zijn er in opge-
nomen. Het binnenland is éen groote woestenij.
— Adelaide (133000) hoofdstad nabij de Golf
van St. Vincent.
5.   West\'Australië is de grootste kolonie, doch
heeft de minste beteekenis, daar met uitzonde-
ring van de kust, het land een uitgestrekte
woestijn vormt. Perth (9600), aandezwanemïvier.
6.   Tasmaiiië, een eiland ongeveer van de grootte
van Ceylon, wordt door de ondiepe Bas-straat
van het continent gescheiden. Oorspronkelijk als
een misdadigers-kolonie van Nieuw-Zuid-Wales
en Engeland uit bevolkt, werd in 1851 de
deportatie naar hier opgeheven. Om de herinne-
ringen aan dat verleden uit te wisschen werd
het sedert dien tijd een andere naam gegeven,
vroeger Va» Diemensland geheeten (naar Antonie
van Diemen, Gouverneur tiener, in Ned. Indië)
wordt het sedert Tasmanië genoemd (naar Abel
Tasman, den ontdekker). — Hobarttown (29000)
met goede haven en een handelsvloot van 136
schepen. Station voor walvischvaarders. —
Launceston (17000).
7.  Nieuir-Zeeland. Nieuw-Zeeland vormt een
afgezonderde groep eilanden tusschen 34 en
48u Z. Br. gelegen. Ongeveer kunnen de Nieuw-
Zeelanders als de tegenvoeters van Engeland
beschouwd worden. De naam Nieuw-Zeeland is
hieraan gegeven door Abel Tasman, die deze
eilanden in 1642 ontdekte. Sedert 1840 is het
eiland door Engeland in bezit genomen. De
kolonie Nieuw-Zeeland bestaat uit drie eilanden,
twee grootere, als het Noord- en het Zuideiland
aangeduid, die door de Cooks-straat gescheiden,
worden, alsmede het kleinere Stewart-eiland ten
Z. van het laatstgenoemde gelegen.
De eilanden zijn over \'t geheel bergachtig.
Een keten, door de Cooks-straat afgebroken, loopt
over de eilanden. Het noordelijk eiland vooral
is van vulkanische natuur; de 1981 M. hooge
vulkaan Tongario is nog in werkzaamheid. Het
klimaat is zeer gelijkmatig en rijk aan regen. Het
is een typisch zeeklimaat. De oostkust is rijk
aan havens, de westkust is niet gunstig in dit
opzicht.
De oorspronkelijke bevolking wordt gevormd
door de Maori\'s. Langzamerhand gaan dezen hun
ondergang te gemoet. Vroeger was de immigratie
van Europeanen, vooral van Engelschen, zeer
sterk en werd zij ook bevorderd door de regeering.
Sedert 1870 kwamen door den steun der regeering
115544 immigranten op Nieuw-Zeeland, en in
\'t geheel overtrof de immigratie sedert 1851 de
emigratie met 305400 personen ; thans heeft echter
zelfs de emigratie de overhand op de immigratie.
Nieuw-Zeeland levert van de Australische
koloniën de rijkste oogsten aan tarwe en haver;
in 1891 werd voor 11,6 mill. gulden graan uitge-
voerd. De veeteelt is echter veel aanzienlijker. De
walvischvangst, vroeger aauzienlijk, is achter-
uitgegaan. Het zuidelijke eiland levert goud.
Het noordelijk eiland is voor handel en scheep-
vaart, het zuidelijke voor landbouw en berg-
bouvv het best geschikt.
Steden: Auckland (360(10) haven. — Welling-
ton (31000) aan Port Nicholson (Cooks-straat). —
Christchurch (27000).
§ 207. Melanesië en Polynesië.
Onder den naam Melanesië (d. i. eilanden
der Zwarten) verstaat men de eilanden Nieuw-
Guinea,
de Bismarck Archipel (Duitsch), de Salomo-
eilonden,
de Nieuire Hebridcn, Nieuir-Caledonië
(Fransch), de Fidschi-eilanden (Eng.)ennogeenige
groepen. De naam Melanesië is er aan gegeven
naar de donkerkleurige bewoners der eilanden,
de Papuas. De groepen kleine eilanden als de
Marianen of de Ladronen, de Carolinen (Spaansch),
de Marshal eil. (Duitsch) en de Gilbert eilanden
noemt men te zamen Micronesië, d. i.: kleine
eilanden.
De overige menigvuldige eilandengroepen tus-
schen Nieuw Holland en Zuid-Amerika in den
Stillen Oceaan verspreid, noemt men te zamen wel
Polynesië, waartoe ook Nieuw-Zeeland gerekend
wordt.
Over enkele dezer eilandengroepen een enkel
woord.
A. Nieuw-Guinea (785362 M.M2.) is door de
Torres-straat van het Australische continent ge-
scheiden. Het westelijk gedeelte is een bezit-
ting van Nederland en het oostelijk gedeelte
behoort in het noorden als Keizer-Wilhelmsland
aan Duitschland, terwijl het zuiden aan Groot-
Britannië behoort. Het binnenland is nog weinig
-ocr page 215-
207
HANDELS-AABDBI.TKSKUNDE.
in den Stillen Oceaan, tusschen 18u 39\' en 22° 16\'
N.Br. en 151° 30\' en 1360 w.L. Het zijn 11 eilan-
den, waarvan 4 groote, 4 van gemiddelde grootte,
en 3 kleine eilanden zijn. Gunstig gelegen in het
midden tusschen Amerika en Azië, en in de lijn,
welke de Vereenigde Staten met Australië ver-
bindt, heeft Hawaiï altijd een belangrijke rol ver-
vuld in het verkeer tusschen beide werelddeelen.
Alle eilanden zijn hoog en met bergen bezet. De
oostelijke eilanden zijn vulkanisch ; op het grootste
eiland, Hawaiï, verheffen zich drie vulkanische
bergmassa\'s, "waarvan Mauna Kea (4200 M.) en
Mauna Lea (4194 M.) de hoogste zijn. De be-
sproeiing door den regen op deze eilanden is
niet voldoende. De Europeanen en Amerikanen
hebben hier suikerriet, aardappelen, tabak, koffie,
oranjes, citroenen en den wijnstok aangevoerd.
Het klimaat is er aangenaam en gezond. De
bevolking dezer eilanden bedraagt ± 89900.
Hiervan zijn 34300 inboorlingen, 61000 van ge-
mengd bloed, 21100 blanken, 15300 Chineezen,
12300 Japanners en 588 van de overige eilanden
der Zuidzee. De 1 danken waren van de volgende
afkomst: 8600 Portugeezen (van de Azoren)
1928 Amerikanen, 1300 Engelschen, 1000 Duit-
schers en 227 Noorwe^ers. Door immigratie
neemt de bevolking voortdurend toe. In 1890
bedroeg het overschot van immigratie op emi-
gratie 2532 personen. De inboorlingen, de
Hawaiïers, een polynesische volksstam, gaan in
aantal achteruit.
Van de oppervlakten der eilanden, die te
zamen 16946 K.M2, (ruim de helft van Neder-
land) beslaan, is slechts 5°/0 geschikt voor be-
bouwing. Waar de bodem kunstmatig besproeid
wordt is hij zeer vruchtbaar. De bouw van
suikerriet is er van beteekenis; men telt er 72
plantages, waarvan 36 op het eiland Hawaiï,
14 op Mani, 13 op Kauai. Het kapitaal is
hoofdzakelijk uit Amerika afkomstig. Ook de
handel is hoofdzakelijk in handen der Veree-
nigde Staten van Amerika.
De regeering van Hawaiï was voor kort een
erfelijke monarchie, het laatst met Liliuokalani
(sedert 1891) als koningin. Doch na 1893 is het
een republiek. Sedert 1883 bezit Hawaiï eigen geld.
De hoofdstad is Honolulu (23000), een be-
langrijke haven aan de zuidkust van het eiland
Oahu. Groote magazijnen.
bekend. De plantengroei heeft er geheel een
Indisch karakter doch herinnert in het zuiden aan
Australië. Het klimaat kenmerkt zich door een
gelijkmatige, warme temperatuur, met veel voch-
tigheid. De hoogste temperatuur aan de kust is
35° en de laagste 19° C. Het klimaat is zeer
ongezond voor de Europeanen.
De bewoners behooren gedeeltelijk tot de
Maleiërs, gedeeltelijk zijn het Papuas. Hun
aantal schat men op 837000. Op zeer primitieve
wijze beoefenen zij den landbouw. Zij zijn be-
kwaam in de vervaardiging van touwwerk. Als
visschers van paarlen, trepang enz. zijn zij bekend;
goede schippers echter zijn zij niet. Grootere
staten van inboorlingen ontbreken; bijna ieder
dorp heeft zijn eigen zelfstandigheid.
De produkten des lands zijn sago, suikerriet,
kokosnoten, indisch vlas en cederhout. Tabak
wordt in de bergen gecultiveerd. De Europeanen,
die er in klein getal tijdelijk verblijven, zijn
met de cultuur van tabak en katoen begonnen.
B.    Fransche bezittingen. Nieuw Caledonië
vormt met de Loyalty, Chesterfield en Wallisei-
landen
en de eilanden Futima en Alosi een
onder een gouverneur staande Fransche bezit-
ting. De inboorlingen zijn Melanesiërs, op de
Loyalty-eilanden sterk met Polynesisch bloed
vermengd. Frankrijk gebruikt deze eilanden als
een verbanningsoord voor misdadigers. Van de
blanke bewoners waren er 9000 vrijen, 2714
soldaten, 2500 vrijgelatenen en 7477 gestraften.
Het aantal inboorlingen bedroeg in 1887 : 42500.
De handel concentreert zich in de hoofdstad
Noumea aan de westzijde van het hoofdeiland
gelegen, met goede reede, 7000 inw.
Behalve Nieuw-Caledonië bezit Frankrijk nog
onderscheidene groepen van kleine eilanden, die
niet tot Melanesië maar tot Polynesië behooren.
Als zoodanig noemen wij de Lage eilanden, de
Gezelschapseilanden, de Mangarewa-eilanden, e. a.
C. Engelsche bezittingen. Van de kleine eilan-
den bezit Engeland de Fidschi eilanden, de helft
der Salomons-eil. e. a.
D.    Duitsche bezittingen. Duitschland bezit
behalve een deel van Nieuw-Guinea, de Bis-
marck-Archipel
en de helft der Salomonseilanden,
terwijl de Marshals-eil., Brown-eil. e. a. onder
Duitsche bescherming staan. Ook bezit Duitsch-
land een kolenstation op de Carolinen.
E.    Spaansche bezittingen. Spanje bezit de
Carolinen en Morianen.
F.    Neutrale eilanden. De Samoa-eilanden
(onder Duitsche, Engelsche en Noord-Ameri-
kaansche bescherming), en de Vriendxchaps-eilan-
den
(onder Duitsche en Engelsche bescherming),
kunnen als neutrale eilanden beschouwd worden.
G. De Sandwich-eilanden of Hawaii-eilanden.
Deze groep eilanden, door den ontdekker Cook met
den eerstgenoemden naam aangeduid, ligt ver
-ocr page 216-
208
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
eene omstandigheid vooral in vroegere eeuwen
van belang, dan kan niet ontkend worden, dat
de geographische gesteldheid des lands van
grooten invloed geweest is op de economische
en handelsgeschiedenis dezer gewesten.
Doch een andere factor in het proces der
ontwikkeling van Nederlands handelsgrootheid
lag in het volk zelf. Het Nederlandsche volk
was opgegroeid in den strijd met de zee; velen
hadden als visschers geleerd de wateren te
bouwen, en uit die vertrouwdheid met den
oceaan is de ontwikkeling der scheepvaart ont-
staan, die weder den handel deed ontluiken.
Een belangrijke ontwikkeling erlangde de
Nederlandsche handel in den tijd van Karel V,
door uitbreiding over bijna alle Europeesche lan-
den. In de Noordsche rijken en in de landen langs
de Oostzee begonnen de kooplieden der Neder-
landsche steden meer en meer do plaats der
Hanze in te nemen en deze te verdringen, wat
niet zelden aanleiding gaf tot langdurige twis-
ten. En niet alleen Holland, ook de overige
Nederlandsche gewesten namen deel aan dien
buitenlandschen handel. Omstreeks het jaar 1503
bezaten de Zeeuwsche steden vele grooto sche-
pen, die op Spanje, Frankrijk en Engeland han-
delden. Vooral Zteriksee was in het bezit van een
groot aantal schepen, carveelen geheeten. Evenzoo
de steden Goes, Cnrttjene en Vliele, die op het
Noorden van Europa handel dreven.
In 1505 kwamen in Zeeland veel Italiaansche,
Fransche en Engelsche schepen. Ook zag men er
vaartuigen van de Hanzesteden, die vroeger in de
haven Sluis plachten te ankeren, vooral van Lubeck
en Danzig, welke meest voor Veere lagen, wijl
de kooplieden meer en meer uit Brugge en
Sluis (zie pag. 104) door het verzanden der
havens vertrokken. De schepen uit de Oostzee-
havens zeilden in dien tijd niet verder west-
waarts dan tot Zeeland, waar zij zout kochten
om terug te voeren. Ook de steden Kampen,
Zwolle en Deventer begonnen in 1506 een
drukke vaart uit Zeeland naar de Oostzee, tot
Beval toe. In 1508 waren ook de eerste schepen
van Veere naar de Kanarische eilanden uitge-
zonden en langs Spanje met suiker beladen terug-
gekomen.
De uitbreiding der scheepvaart van de Neder-
landsche steden, vooral der Hollandsche op de
Oostzee, had tengevolge, dat de schepen der
Hanze-steden meer en meer uit de Nederland-
sche havens verdrongen werden. Reeds sedert
1440 hadden de voornaamste Nederlandsche
steden, als Amsterdam, Middelburg, Dordrecht
en Botterdam onder den invloed van het huis
van Bourgondië zich van het Hanze-verbond los-
gemaakt. Zij wisten echter haar voorrechten in
het Oosten en Noorden door afzonderlijke ver-
dragen te behouden. De kleinere steden als
Zwolle, Deventer, Roermond, Arnhem, Alkmaa^
Nederland en de Nederlandsche
koloniën en bezittingen.
Wij behandelen Nederland met de koloniën
en bezittingen bij elkander, om het innig ver-
band, dat er tusschen deze bestaat, en dewijl
de laatste in de Grondwet ook tot Nederland
gerekend worden. Eene beschrijving van het
land, den bodem, de rivieren, klimaat enz. van
Nederland geven wij hierbij niet, omdat men
die in een aardrijkskundig schoolboek van
Nederland meer of minder uitvoerig behandeld
kan vinden *) en ons hiervoor op deze plaats
ook de ruimte zou ontbreken. Wij wenschen
Nederland alleen te beschouwen uit het oogpunt
van handel en nijverheid, landbouw enz., n.1. uit
een economisch oogpunt. Bij onze koloniën en
bezittingen voegen wij een beknopte beschrijving
des lands daaraan toe.
§ 208. De ontwikkeling van den handel
in Nederland, gedurende de Nieuwe
Geschiedenis.
De Nieuwe Geschiedenis opende in de noordelijke
Nederlanden een tijdperk van bedrijvig leven op
het gebied van handel en nijverheid. (Zie pag. 46).
Men kan zeggen, dat in den tijd van den zwaren
worstelstrijd tegen Spanje het Nederlandsche
volk ook den grondslag van zijn handelsgroot-
heid legde. De 16\'lu en nde eeuw vormen een
tijdperk, waarin de Nederlanden den handel in
West-Europa bijna geheel beheerschten.
De oorzaak der ontwikkeling van den handel
in de Nederlandsche gewesten moet in de eerste
plaats in de gunstige geographische ligging des
lands ten opzichte van andere landen gezocht
worden. In het midden van West-Europa ge-
legen, was Nederland als aangewezen om een
verbindingslid tusschen de Oostzee en de Zuid-
Euro peesche, Fransche en Engelsche kusten te
vormen. Daarenboven lag Nederland aan den
mond van den /?//», den belangrijksten waterweg,
die uit het hart van Europa naar zee loopt,
alsmede aan den mond van een anderen, hoewel
minder belangrijken waterweg, n.1. de Haas.
Verder mondt de Schelde in deze gewesten uit.
Door deze natuurlijke waterwegen, welke verin
Europa doordringen, had Nederland een uitgebreid
achterland, terwijl de zee voor deze streken
een verbinding met verre gewesten vormde.
Wanneer men daarbij in het oog houdt, dat het
land zelf in alle richtingen met door de natuur
gevormde bevaarbare wateren doorsneden was,
\') Wij wijzen hiervoor or: H. Blink, Nederland, hand-
leiding bij het onderwijs in de aardrijkskunde van
Nederland, f 1.26, bij de uitgevers dezes.
-ocr page 217-
209
HANDELS-AABDBIJKSKUNDE.
De landen aan de Oostzee leverden hoofd-
zakelijk de granen voor onze markt. En de
meeste schrijvers in den vreemde roemen de
handelspolitiek onzer voorvaderen ten opzichte
van den graanhandel ten hoogste. De wissel-
valligheid, waaraan de oogsten zijn onderworpen,
brachten de graanhandelaars tot een berekening,
om hiervan het meeste voordeel te trekken. In
goede jaren werd het graan tegen lage prijzen
opgekocht, en in de pakhuizen der Hollandsche
steden bewaard, om aldus de slechte jaren met hoo-
ger prijzen geduldig af te wachten. Wel trachtte
men in Holland soms bij slechte jaren de regee-
ring aan te sporen den uitvoer van graan hier
te verbieden, doch de koopmansgeest kwam
hiertegen op. Zóó werd Nederland de graanmarkt
van Europa, zóó werden de koopsteden dezer
landen in tijden van schaarschte en inisgewas
de bron, waaruit West-Europa gevoed werd, en
vanwaar de aanzienlijke graanuitvoeren konden
plaats hebben, tot groot gewin van den Hol-
landschen koopman. „Amsterdam", zeide reeds
Walter Ealeigh, „heeft ten allen tijde in zijne
pakhuizen een voorraad van 700000 quarters
(= 700000 last) granen, van welke niet een
enkel quarter in het land gegroeid is, en één
jnar van schaarschte verrijkt Holland voor zeven
jaren. Gedurende het tijdsverloop van anderhalf
jaar eener schaarschte in Engeland werden alleen
uit Southampton, Bristol en Exeter 200000 X,
en Londen en het overige land medegerekend,
wel 2 mill. pond sterling aan Holland voor
granen betaald."
Trots den strijd tegen Spanje, of gedeeltelijk
door dien oorlog, nam met het einde der 16cle
eeuw de handelsbeweging in de noordelijke
Nederlanden nog zeer toe. Dat Antwerpen onder
Spanje bleef en Amsterdam de zijde der Staten
koos in 1787, had ten gevolge, dat vele rijke
kooplieden uit eerstgenoemde stad naar Am-
sterdam of naar het noorden verhuisden, en hun
kapitaal en ondernemingsgeest naar hier ver-
plaatsten. De Nederlanders hielden den mond
der Schelde in hun macht, en wisten daardoor
Antwerpen van de zee af te sluiten. Toen
Spanje zijn havens voor de Nederlanders sloot,
begon men van hier direct ondernemingen te
wagen, waarvoor men vroeger zou hebben terug-
gedeinsd. Sedert 1584 stevende men zoowel
naar Archangel in het noorden als naar de
Kaapverdische eilanden in het zuiden, en, hoe-
wel onder Italiaansche of Fransche vlag, be-
zocht men ook eonige Turksche havens.
In 1593 vertrok uit Hoorn het eerste schip
naar de kust van Guinea.
Dagelijks breidden zich scheepvaart en handel
uit in deze gewesten, en tevens begon de han-
del zich langzamerhand meer in de groote ste-
den te concentreeren, hoewel de kleine nog
lang mededongen. Een gevolg was, datAmster-
Enkhuizen, Nijmegen, Groningen, Kampen, Har-
derwijk, Elburg eu Tiel bleven nog tot ver in
de 16de eeuw leden van de Hanze.
De uitbreidende koophandel vooral deed in de
16dc eeuw de Nederlandsche gewesten meer en
meer in bloei toenemen, zoodat bij den afstand
van Karel V de Nederlanden de rijkste en wel-
varendste gewesten van geheel Europa waren.
De geschiedschrijver Hooft zegt hierover:
„Filips II trof Nederland in het breedste van
zijn bloeien: bebouwt met meer dan twee hon-
dert steden, hondert vijftig opene vlekken, zoo
goedt als vele bemuurde steden, zes duizend
dorpen, alles vol van inwoonders, rijkdom,
neehringhe, welvaart en weelde, tot dartelheit
toe." Onder de regeering van Karel V werden
op verschillende plaatsen havens aangelegd of
verbreed en uitgediept, oorlogsschepen tot be-
veiliging van koophandel en visscherij uitgerust,
verscheidene bepalingen omtrent een en ander
gemaakt. Ook de assurantiën op schepen en
goederen werden in dien tijd geregeld. Dit
laatste geschiedde bij de „ordonnantie, statut en
edict op de zeevaart, equipage en uitrusting van
koopvaardij-, vi$schers- en andere schepen"
in 1549
bij vernieuwing door Karel V gegeven, een
oorkonde, welke zeer belangrijk is voor de
kennis van den handel in dien tijd. Uit deze
oorkonde blijkt, dat reeds in 1549 handel ge-
dreven werd op Spanje, Frankrijk, Portugal,
de Kanarische eilanden, Madeira, Italië, Cyprus,
Candia, Ragusa, en andere in het zuidoosten of
zuidwesten gelegen landen; verder op Ierland,
Engeland, Noorwegen, Denemarken, Zweden,
Oostland en andere ten noordwesten of in het
noordoosten gelegene streken, van waar men
aanvoerde: wol, ijzer, staal, koper, tin en andere
metalen, aluin, zijde, rollen Boldavid of cain-
vetsen, lakens, saai, lijnwaad, tapijtwerk, was,
weede, pastel, meekrap, specerijen, wijn, suiker,
siroop, oliën en andere goederen. (Art. 1).
Hoewel Nederland geen hout van beteekenis
opleverde, werden hier meer schepen gebouwd
dan in alle andere landen van Europa. Er werd
hier toeu reeds veel boter en kaas gemaakt,
wier waarde meer bedroeg dan die der specerijen,
hier uit Portugal ingevoerd, en welke men jaar-
lijks op meer dan 1 millioen gouds berekende,
zooals Guicciardini schrijft. De boter en kaas
werden naar verschillende landen van Europa, als
naar Duitschland, Engeland en Spanje uitgevoerd.
Hierbij kunnen wij er nog op wijzen, dat ver-
schillende andere takken van nijverheid ten
zeerste bloeiden.
Hoewel wij niet bij de verschillende takken
van handel in dezen tijd kunnen stilstaan en
enkel eenige hoofdfeiten aanstippen, moeten wij
toch op deze plaats nog wijzen op het groote
belang van den graanhandel voor de Nederland-
sche steden, en vooral voor Amsterdam.
-ocr page 218-
210                                                                HANDELS-AA]
dam en Rotterdam moesten worden uitgelegd
om betere havens te verkrijgen. In Rotter-
dam, dat door gunstige ligging vooral in bloei
toenam, werd in 1595 aangevangen met den
bouw eerier koopmansbeurs. En niet alleen in
den handel waren de Nederlanders van dien
tijd bedrijvig: ook bij de vrachtvaart op ver-
schillende landen vervulden zij een eerste rol. De
Nederlandsche zeelieden waren overal gezocht
en oefenden in alle landen van Europa de vracht-
vaart uit voor buitenlandsche rekening. Men
noemde de Nederlanders „vrachtvaarders van
Europa."
Het vinden van den zeeweg naar Indië en de ont-
dekking van Amerika zijn twee gebeurtenissen
van onberekenbaren invloed op den gang van den
wereldhandel in het algemeen (zie pag. 4(1), en die
van Nederland in het bijzonder. Nieuwe markten
werden er geopend voor de produkten der West-
Europeesche industrie, nieuwe handelsartike-
len kwamen in rijken overvloed op de Europee-
sche markten. En vooral verschaften zij aan
Nederland de middelen, om de algemeene markt
te worden voor alle volken van Europa.
Portugal, de ontdekker van den zeeweg naar
Iridië, had aanvankelijk de markt der Indische
produkten te Lissabon gevestigd, en van hier
werden door de Nederlandsche schepen deze
handelsartikelen gehaald en over Noord-Europa
verbreid. Doch nadat Portugal in 1580 met
Spanje vereenigd was, werd eindelijk in 1594
uit oorlogspolitiek de haven te Lissabon voor
de Nederlandsche kooplieden gesloten. Hiermede
werd de Nederlandsche handel met den onder-
gang bedreigd, had het volk geen kracht en
energie bezeten, om zelf den directen weg te
openen naar het gebied, waar Spanje ons wilde
uitsluiten. De Nederlanders zochten met alle
inspanning van krachten zelf den zeeweg naar
Indië, en in 1597 keerden de gebr. Houtman
van hun eersten tocht terug, waarbij zij Bantam
en Bali bezocht hadden.
Nu eenmaal de weg geopend was ging men
verder, en te Amsterdam verrees de eerste maat-
schappij voor den Indischen handel, de „Maat-
schappij van Verre (Landen)", die in 1598 een
vloot van 400 schepen naar Indië zond. Deze
keerde na een tocht van 15 maanden terug,
medebrengende 400 last peper, 100 last nagelen,
eene partij kaneel, foelie, notenmuskaat, be-
nevens een brief en geschenken van den Sultan
van Bantam aan den Stadhouder.
Dit goede succes gaf bij de handeldrijvende be-
volking aanleiding tot navolging. Verschillende
Amsterdamsche, Rotterdamsche en Zeeuwsche
handelshuizen openden den handel op Indië met
groot voordeel. Spoedig traden echter de Engel-
schen als machtige concurrenten hier op. En de
Portugeezen, sinds ongeveer een eeuw in het rustig
bezit van den Indischen handel, stelden natuur-
RI.TKSKUNDE.
lijkerwijze alle pogingen in het werk, om den
vreemden indringers afbreuk te doen. Dit mocht
evenwel niet baten. Niettegenstaande zij overal
de inboorlingen tegen de Nederlanders in het
harnas joegen, konden zij niet voorkomen, dat
de Nederlanders door verstandig beleid op ver-
schillende eilanden van den Indischen Archipel
invloed verkregen, en aldaar den grondslag
legden van den wereldhandel, die Portugals
vloten eenmaal uit deze wateren zou verdrij-
ven. Zij hadden niet kunnen tegengaan, dat in
een tijdperk van zeven jaar meer dan 64 sche-
pen naar Indië waren gestevend, waaronder 12
voor Zeeuwsche rekening, die meestal met rijke
schatten waren teruggekeerd. Zoo was de slui-
ting van de haven van Lissabon een oorzaak ge-
weest, om de opkomst van onzen directen han-
lel met Indië te verhaasten, en om den Portu-
geeschen handel ten onder te brengen.
Om den handel op Indië beter te kunnen beheer-
schen en niet door overdreven onderlinge con-
currentie te benadeelen, werd besloten een
groote maatschappij op te richten. Zoo ontstond
de Oost-Indische Compaijn:e, die in HiO\'2 haar
eerste octrooi verkreeg voor den tijd van 21
jaren. Dit octrooi bepaalde, dat zij gedurende
dien tijd met uitsluiting van alle andere, oost-
waarts van de Kaap de Goede Hoop of door
de Straat van Magelhaens op Oost-Indië zou
mogen handelen. Om de onderscheidene handels-
steden van Nederland deel in dien handel te
geven, was de Compagnie verdeeld in 5 kamers.
De kamer van Amsterdam zou de helft hebben
in de aandeelen der Maatschappij, die van Zee-
land %, die van de Maas, d. i. Delft en Rot-
terdam, en die van het Noorderkwartier, d. i.
Hoorn en Enkhuizen, ieder 1/,G. Alle ingezetenen
dezer landen verkregen het recht om binnen
zekeren tijd aandeelen te nemen. De Compagnie
mocht verbonden maken met de Indische vor-
sten in naam van de algemeene Staten of van de
Hooge Overheid der Vereenigde Nederlanden; zij
mocht sterkten bouwen, volkplantingen aanleggen,
bevelhebbers en krijgsvolk aannemen, mits dezen
den Staten of der Hooge Overheden en der Maat-
schappij den eed zwoeren. Men schat de som,
waarmede de Compagnie haar ondernemingen
begon, op 6,6 mill. gulden. De eerste vloot van
14 schepen werd in 1602 door haar uitgezonden.
Het ligt niet op onzen weg, de geschiedenis
der Oost-Indische Compagnie te vervolgen, de
oorlogen die zij voerde en de veroveringen die
zij maakte op te sommen of te beschrijven.
Blnkel wijzen wij er op, dat de Compagnie bij
het einde van het eerste octrooi reeds onder-
scheidene plaatsen in Indië in haar bezit had,
met vele vorsten en volken handels-overeen-
komsten had aangeknoopt, en daarop hnar mono-
polie gevestigd had, terwijl de Spanjaarden
(Portugeezen) hun bezittingen en hun handel
-ocr page 219-
211
HANDELS-AABDRIJKSKÜNDE.
ontvangst, en zelfs bood de keizer van Japan
hem geld aan uit de schatkist. Bij zijn vertrek
werd hem een brief van den Vorst voor den
Prins van Oranje medegegeven, waarbij de Hol-
landers in het drijven van handel op Japan
werden bevestigd, met de vergunning om er
loodsen of factorijen op te richten. Ook hier
werden de Hollanders weldra de geduchte mede-
dingers der Portugeezen, die geen moeite spaar-
den, om hen bij den keizer verdacht te maken.
Dit pogen was vruchteloos, en door de flinke
taktiek der Nederlanders moesten de Portugeezen
zelven het land ruimen, terwijl de Hollandsche
handel hier gevestigd bleef. Al moest, tengevolge
van eene christenvervolging, de Compagnie haar
factorij van Firando in Japan naar het eiland
Decima, dat door een brug met Nagisaki ver-
bonden is, overbrengen, de handel leed hierdoor
geen nadeel. De Hollanders bleven sedert langen
tijd de eenigen, wien werd toegestaan op Japan
handel te drijven. En al werd het handels-
verkeer ook bemoeielijkt door knevelarijen der
ambtenaren, toch maakte de Compagnie hier
goede winsten, door het aandeel dat zij bezat
in den uitvoerhandel van edele metalen, die
gedurende geruimen tijd jaarlijks een som be-
droeg van ïü mill. guldens.
De handel op Japan geschiedde door Japansche
makelaars, die naar willekeur de prijzen dergoede-
ren bepaalden. Deze beperking verhinderde niet,
dat op de waarde der ingevoerde goederen
lol) pet. werd verdiend. En op de goederen,
welke in Japan gekocht werden, als edele metalen,
koper, Japansch porselein, zijde, kunstwerken,
soja, ambergrijs enz. was de winst nog grooter.
Ook op China werd de blik der Hollanders
geslagen. De pogingen, om hier handel aan te
knoopen, waren minder gelukkig. Wel werd er
in 1622 een verdrag gesloten, dat de handelaren
van beide partijen op het eiland Formosa elkan-
der ontmoeten zonden, maar in 1661 verdreven
de Chineezen de Hollanders weder van Formosa,
en beletten hen aldus den handel op dat land
weder, welken zij echter in het laatst der eeuw
op nieuw hervatten, hoewel Formosa niet weer in
het bezit der Compagnie kwam.
In 1653 werd ook Korea door de Nederlandera
bezocht.
Hoewel die buitengewone uitbreiding van den
Nederlandschen handel in Indië, waarvan wij
slechts enkele hoofdfeiten konden noemen, niet
enkel met voorspoed gepaard ging; hoewel er
ook zware verliezen werden geleden en hoewel er
ook kostbare oorlogen het gevolg van waren,
moet men toch zeggen, dat de algemeene wei-
vaart van Nederland er ten zeerste door werd
bevorderd, zoodat niet alleen de Compagnie
hooge dividenden uitkeerde, doch aan alle nering-
doenden, aan fabrieken, handwerkslieden, klein-
handelaars enz. groote voordeelen bezorgde.
meer en meer zagen verkwijnen en in Neder-
lnndsche handen overgaan. Toen het eerste
octrooi der Compagnie geëindigd was, werd her.
met onbeduidende wijziging der voorwaarden
weder verlengd, en opnieuw werden de over-
winningstochten in Indië voortgezet. Zoo ver-
schafte de Compagnie zich den alleenhandel en
de souvereiniteit over een uitgestrekt gebied.
De voortdurende machtsuitbreiding der Com-
pagnie was van buitengewoon gunstigen invloed
op de uitbreiding des handels van Nederland en
deed groote schatten naar ons vaderland stroomen.
Timor en Celebes leverden was, schildpad,
sandelhout, sago, rijst, olifantstanden, kamfer,
katoen en gember.
De invoeren der Compagnie op Celebes
bestonden in scharlaken-, gouden en zilveren
stoffen, koper en tin. Borneo leverde dia-
manten, kamfer, suiker, was, en schildpad; de
invoer in Borneo bestond uit koper, kwikzil-
ver, glas, spiegels, lijnwaden, lakens en papier.
Sumatra leverde goud, benzoë, kamfer en peper;
Java suiker en rijst. Op Ceylon was de winst-
gevende kaneelhandel voor meer dan drievierde
gedeelte in handen van de Compagnie. Verder
leverde dit eiland edelgesteenten, indigo, carda-
mom en ivoor; ook werden er parelen gevischt.
Bengalen leverde op katoenen stoffen, neteldoek,
amfioen, zijde en katoen; de kust vanMalabar:
peper, cardamom, staal, hout en andere goederen;
die van Koromandel lijnwaden, zijde enz.
Het grootste gedeelte dezer voortbrengselen
werd uitgevoerd naar Europa, maar de Com-
pagnie dreef in Indië ook een zeer belangrijken
tusschenhandel, even als vroeger de Portugeezen.
Op haar schepen werden de voortbrengselen van
Indië naar China en Japan, naar Arabië en
Perzië vervoerd. Zij dreef handel tusschen Voor-
en Achter-Indië. Koffie en allerlei reukwerken
voerde zij op haar vloten uit Arabië aan, tot
zij zelve de koffieteelt op Java invoerde. Aan
de Perzische Golf had zij te Gamron en Bender-
Abassi haar handelsagenten en handelshuizen;
uit eerstgemelde plaats werden in 1611 wel 9U0
balen zijde naar Malakka verzonden.
Ook de Chineezen te Batavia oefenden den
tusschenhandel in het Z.O. gedeelte van den
Indischen Archipel uit, doch zij moesten daartoe
verlof hebben van de Companie, hetwelk hun
tegen groote sommen werd verstrekt. Het ver-
keer met de Molukken was aan ieder ander volk
streng verboden.
De Nederlanders beperkten hun handel niet
uitsluitend tot de eilanden en het vasteland van
Indië. Ook stevenden zij ten oosten van Java
naar het noorden, en weldra hadden zij het oog
op Japan gericht. In 1609 stevende van den
Broek hierheen, om te pogen er handelsbetrek-
kingen aan te knoopen. De pogingen slaagden,
de vlootvoogd ondervond er eene welwillende
-ocr page 220-
212                                                                HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
Van 1595 tot 1648 kwamen uit Indië naar
Nederland 334 schepen terug, en van 1648 tot
1703 steeg dit aantal tot 1051. Van 1649 tot
1784 gaf de Compagnie op de gestorte aandeelen
6241/.2 pet. rente, of gemiddeld 17\'-\'r,/3.> pet. per
jaar. Is het te verwonderen, dat. andere landen
naijverig werden op de Nederlanden, en zich een
gedeelte van dien haddel trachtten te verwerven?
Engeland, dat meer en meer opkwam, zag terecht
in, dat het voor de bevordering van zijn eigen
handel, die der Nederlanders moest treffen. De
„Akte van Navigatie", in 1651 door Cromwell
uitgevaardigd (zie pag. 158—159), had gedeeltelijk
de vernietiging van onzen kolonialen handel op
het oog. Oorlogen met Engeland waren mede
een gevolg van dien handelsnaijver.
Was het Oosten aantrekkelijk voor de Neder-
landers in de 16° en 17e eeuw, reeds omstreeks
het jaar 1580 voeren ook de Hollanders en
Zeeuwen op de kusten van Guyana in Zuid-
Amerika. In 1598 deed Olivier Van Noort op
zijn reis om de wereld Brazilië arm, doch werd
daar vijandelijk ontvangen. Volgens Velius zond
de stad Hoorn in 1599 de eerste schepen om
zout te halen naar West-Indië; dit zouthalen
was weldra zelfs van zooveel belang, dat 80
a 90 schepen zich er mede bezighielden. Zeeuwen
handelden op de kusten van Amerika; op Cuba
vond men reeds in dien tijd een aantal Hol-
landsche kooplieden, die zelfs dieper naar hot land
introkken, om handel te drijven. Ook bezochten
Hollandsche zeelieden de Golf van Mexico. In
1609 ontdekte de Engelschinan Hudson, die na-
mens de Staten der Vereenigde Gewesten op
kosten der O.-Ind.-Comp. was uitgezonden, oin
een noordwestelijken doortocht naar China te zoe-
ken, de Hudsons-rivier, welke hij opvoer, en die
naar hem genoemd is. Op zijn tocht huiswaarts
viel hij in Engeland binnen, waar de regeering
hem niet naar Holland wilde laten vertrekken,
zelfs niet om verantwoording te doen, ten einde
te voorkomen, dat hij verslag uitbracht van zijn
reis aan de Staten.
De verschillende handelsondernemingen op
Amerika hadden ook de gedachte doen rijzen
aan de oprichting eener West-Indische Com-
pagnie naar het voorbeeld der Oost-Indische.
Als men rekent, dat reeds voor 1609 honderd
en twintig groote en kleine schepen op West-
Indië voeren, wordt het duidelijk, dat men hieraan
dacht. Oldenbarneveld had er zich steeds tegen
verzet, doch na zijn dood, bij het eindigen van
het Twaalfjarig Bestand in 1621, waren er geen
beletselen meer hier tegen. In 1621 werd voor
den tijd van 25 jaren aan de West-Indische
Compagnie octrooi verleend, waarbij werd be-
paald, dat binnen den tijd van 24 jaren anders
dan alleen uit naam der opgerichte Compagnie,
uit deze Vereenigde landen, noch ook van buiten.
men zoude mogen varen of handel drijven op de
Afrikaansche kusten en landen van den Kreefts-
keerkring af tot Kaap de Goede Hoop, noch op
de landen van Amerika van het zuidelijk gedeelte
van Terre Neuve door de straten Magelhaens
tot de straat van Anjan (Beringstraat). Wy
mogen bij de geschiedenis dezer Compagnie, bij
hare handels- en krijgsverrichtingen, uit gebrek
aan plaatsruimte niet verder stilstaan. Alleen
wijzen wij er op, dat zij minder gelukkig was
in de ondernemingen dan hare oudere zuster in
Oost-Indië, zoodat zij reeds in 1674 ontbonden
werd, en door een nieuwe Compagnie werd ver-
vangen. Ook deze tweede werd na een lijdend
bestaan in 1791 door de Staten-Generaal ont-
bonden.
De handelsgrootheid der Nederlanders, in de
17lle eeuw zoo aanzienlijk, bleef niet voortduren.
Omstreeks het begin der 18Je eeuw, nagenoeg met
den vrede van Utrecht in 1713, vertoonden zich
reeds sporeu, die er op wezen, dat de staatkundige
beteekenis en handelsgrootheid niet alleen de
grootste hoogte bereikt hadden, doch ook achter-
uitgingen. Wel deed de Oost-Indische Compagnie
nog altijd schatten naar de Nederlanden stroomen,
maar het toppunt van haar bloei was spoedig
bereikt. De dividenden der Compagnie, welke
in de eerste jaren der 18\'le eeuw waren achteruit-
gegaan, rezen na den Utrechtschen vrede nog
wel weder, bereikten van 1716 tot 1720 zelfs
een hoogte van gemiddeld 40 pet., maar begon-
nen na dit laatste jaar ook weder te dalen. De
Compagnie had het toppunt van haar welvaart
bereikt. De waarde der aandeelen klom in 1718
tot 600 pet., bereikte zelfs in 1720, het jaar van
den windhandel, een hoogte van 1200 a 1260
pet. Doch het was de overspeculatie van een
opgewonden tijd, welke voor bijna waardelooze
bloembollen groote sommen deed besteden, en
die ook de aandeelen der beroemde Compagnie
tijdelijk onverstandig hoog opvoerde. Spoedig
daalden dan ook deze aandeelen weder, om hier-
inede velen groote nadeelen te veroorzaken.
En ook de opbrengsten der Compagnie zelve
gingen achteruit. De mededinging van andere
volken had den handel der Compagnie be-
perkt. Zij was op verre na niet meer de eenigste
m latschappij, die de Indische goederen naar
Europa vervoerde. Engeland werd de machtige
concurrent van de Nederlanders. Zelfs in België
zag men in 1718 een Oost-Indische Compagnie
verrijzen te Ostende, hoewel men dit in strijd
achtte met de bepalingen van den vrede van
Munster. Deze Belgische Compagnie werd dan
ook in 1731 opgeheven. Van die zijde waren
er ook geen belangrijke nadeelen ons toege-
bracht.
Doch verschillende andere oorzaken werkten
hiertoe mede. Op de kust van Koromandel
-ocr page 221-
213
HANDËLS-AARDRIJKSKÜNDE.
(Voor-Indië) leed de handel in lijnwaad een
groot verlies door de inneming vnn Masulipatnam
in 1750 door de Franschen, zoodat de handel
stilstond. Ziekten op Ceylon en een aardbeving
op Amboina brachten de Compagnie slagen toe.
Groot-Britannië\'s macht was in 1751 uitgebreid
door de inbezitneming van Bengalen. Onze
kaneelhandel werd zeer gedrukt door het gebruik
van wilde kaneel van Sumatra, Malabar en de
Philippijnsche eilanden. Op Sumatra hadden de
Engelschen zich gevestigd en onzen handel in
goud en kamfer groote nadeelen toegebracht.
Verschillende opstanden had men te bestrijden,
wat groote kosten medesleepte. De belangrijke
handel in salpeter en lijnwaad op Bengalen
geraakten geheel verloren. Banda en de ooste-
lijke eilanden brachten der Compagnie niet
meer zulke groote voordeelen aan als vroeger;
de inboorlingen dreven sluikhandel met andere
Europeesche volken, die hun, in ruil voor spe-
cerijen, opium toevoerden.
Zoo waren er onderscheidene verschijnselen,
die op achteruitgang wezen, ook al was in en-
kele opzichten de handel der Compagnie nog
altijd bloeiend. Doch in de laatste helft der
18liu eeuw werd het verval meer en meer zicht-
baar. De gedrukte verslagen der Compagnie
wezen het duidelijk voor de deskundigen aan.
Daarbij kwam nog de vierde Engelsche oorlog
van 1780—1784. Onze bezittingen op de kust
van Koromandel vielen in handen van den
vijand. Negapatnam werd ingenomen, en ging in
1782 verloren; op Ceylon leden wij verlies, en
op de westkust van Sumatra werden onze be-
zittingen genomen. De schepen, die gereed
stonden naar China, Beugalen of Surrate uit te
zeilen, moesten ten oorlog uitgerust worden.
De handel trad een tijdperk van stilstand in,
en er kwam geldgebrek. Holland leende in 1781
en 1783 de Compagnie aanzienlijke sommen, om
tijdelijk te helpen. En al werd na den vrede
in 1783 het grootste gedeelte dar veroverde be-
zittingen op Sumatra en Koromandel weder
terug gegeven, het geldgebrek der Compagnie
nam steeds toe, zoodat men wel een naderend
einde kon voorspellen.
Toen de toestand der Compagnie steeds slech-
ter werd en de tekorten groeiden (in 1788 was
zij 64 mill. ten achter), begon men van alle
zijden op verbetering en nader onderzoek naar
den financiëelen toestand aan te dringen. In
1790 kwam zelfs de vraag op, of zij al dan niet
behouden moest worden. Na eenige schoinme-
lingen tusschen onderscheidene plannen en halve
maatregelen, werd de toestand in 1795 geheel
hopeloos. Schulden en renten namen voortdu-
rend toe, en de inkomsten verminderden bij den
achteruitgang van den handel.
Zoo kwijnde de eens zoo machtige maatschappij
langzaam weg, vóór er flinke plannen tot reor-
ganisatie van het verkeerde beheer uitgevoerd
werden. De staatkundige oorlogen na 1795 de-
den de belangrijkste bezittingen in handen der
Engelschen overgaan, en de Compagnie had
weldra zedelijk opgehouden te bestaan, vóór zij
feitelijk ontbonden werd. In 1799 bij het ein-
digen van haar octrooi hield zij op te bestaan,
en in 1800 nam een Baad van de Aziatische Be-
zittingen
het bewind op zich in naam van
den Staat.
De handel der Oost-Indische Compagnie was
wel niet de geheele Nederlandsche handel, maar
maakte er toch de ziel van uit. Haar achteruitgang
en eindelij ke val was een zware slag voor den
handel in deze gewesten. En tegelijk met de
Compagnie ging ook de overige handel in het
eind der 18llc eeuw snel achteruit, zoodat er
weldra nog slechts een schaduw van overbleef.
De eertijds zoo bloeiende graanhandel op de
Oostzee was verloopen, de haringvisscherij stond
grootendeels stil, de Groenlandsche visscherij had
een belangrijke vermindering ondergaan, om in
de dagen der afhankelijkheid geheel te niet
te gaan.
Vroeger was Nederland de algemeene markt,
waar alles te vinden was, waar ieder artikel
een kooper vond. Wat men anders uit de Levant
of uit het Noorden, uit Frankrijk, Engeland of
Indië zou hebben moeten ontbieden, werd in
de Nederlandsche koopsteden aangetroffen. Doch
met het laatst der vorige eeuw was deze alge-
meene markt reeds grootendeels verloopen. De
pogingen door Willem IV gedaan tot opbeuring
van den handel misten hun doel. Aan het voor-
stel, om als een eclatant, promt, eflicacieus en
nieuw middel van redres in den koophandel
een
gelimiteerd Porto Franco in te voeren, werd
geen gevolg gegeven, evenmin als aan het mid-
del van vrije doorvoer. De dood van den Prins
maakte een einde aan deze plannen, zoodat de
koophandel met den dag meer en meer achter-
uitging.
De ondergang onzer afhankelijkheid deed het
verdere, om den Nederlandschen handel geheel
ten onder te brengen. Nederland bereikte een
toestand als deze gewesten nog niet gekend
hadden. De Nederlandsche marine, reeds lang
in verval, kon de koopvaardijschepen geen be-
schenning meer verleenen. Overal werden de
Hollandsche schepen door Engelsche kapers
vervolgd; de Britten, Zweden, Denen en Noord-
Amerikanen maakten zich van den zeehandel
der onzen meester. De Oost-Indische Compagnie
en de Bank losten zich geheel op, en vele aan-
zienlijke kooplieden verlieten het land, om el-
ders hunne kapitalen in handelszaken te steken.
En ook de fabrieken deelden in denzelfden toe-
stand van verval.
-ocr page 222-
2U                                                         ttAttDÉLS-AARDRI.tKStfÜNDE.
Wij zullen de geschiedenis van den handel
in dien tijd niet in bijzonderheden nagaan. Ge-
ringe sporen van hernieuwden bloei wisselden
af met tijden van even diep verval, al naar de
staatkundige en krijgskundige gebeurtenissen
van den veelbewogen tijd in het begin dezer
eeuw. En toen het beruchte Continentaalstelsel
in 180u\' werd uitgevaardigd, waardoor de han-
del met Engeland zoo goed als verboden was,
werd onzen handel de laatste slag toegebracht.
Wel had men beloften van tolvrijen handel van
Amsterdam tot Rome, doch deze werden nim-
mer verwezenlijkt. Koloniale produkten konden
niet meer worden aangevoerd, en in plaats van
den vrijen handel was de sluikhandel opgetreden,
die van de verbodsbepalingen op onzedelijke
wijze voordeel trachtte te behalen.
In dien tijd, waarbij de invoer van onder-
scheidene koloniale artikelen verboden was,
kwam de vervanging van deze door surrogaten,
welke allengs uitgevonden werden, in zwang.
Met de vernieuwde vestiging onzer onafhan-
kelijkheid begon er ook een nieuw leven voor
onzen handel. Niet in eens, doch zoo langzamer-
hand brak een tijdperk van wedergeboorte aan.
In 1814 (Aug.) werd bepaald, dat Nederland
de voormalige bezittingen der Oost- en W est-
Indische Compagnie, welke aan den staat waren
overgedaan, en die met den oorlog verloren ge-
gaan waren, terug zou bekomen, met uitzonde-
ring van Ceylon, de Kaap de Goede Hoop,
Deinerary, Essequibo en Berbice. Op het Wee-
ner Congres in 1815 werd bepaald, dat België
met Noord-Nederland zou vereenigd worden tot
één koninkrijk. Hierbij werden den Belgischen
ingezetenen dezelfde rechten met betrekking
tot den handel op de koloniën toegestaan als
den Noord-Nederlanders.
Het was moeilijk voor de regeering de tegen-
strijdige belangen van het noordelijk en het
zui lelijk deel des lands te vereenigen. In het
zuiden, in België, werd vooral welvaart aauge-
bracht door den bloei der fabrieken, waartoe de
natuurlijke voortbrengselen des lands aanleiding
gaven. In het noorden had men echter zijn kapi-
talen aan den handel te danken. Nu trachtte
men door een stelsel van protectie deze schijn-
baar tegenstrijdige belangen zooveel mogelijk
te vereenigen, en den handel, voor welke bescher-
ming nadeelig is, door kunstmiddelen op te
beuren.
Gedurende de inlijving van België bij Frank*
rijk had België van zijne fabrikaten naar dit land
kunnen zenden, en wijl de regeering van het
groote keizerrijk de Belgische fabrieken begun-
stigde, had dit land niet zooveel door de
Fransche overheersching geleden als de noorde-
lijke Nederlanden. Na de vereeniging met Noord-
Nederland hield die gunstige omstandigheid voor
België op, en de welvaart ging hierdoor dan
aanvankelijk ook niet vooruit. Door een nieuw ta-
rief met hooge invoerrechten op die waren,
welke ook in België geproduceerd werden, werd
de invoer van die artikelen uit het buitenland
belemmerd, en vooral in de noordelijke deelen
des rijks vonden de Belgische fabrieken enz. thans
afzet. Dit betreft o. a. laken, linnen, steenko-
len, ijzer- en metaalwaren, lederwaren, katoen
enz. Daarenboven werden de Belgische fabrie-
ken met kapitalen ondersteund. Door dit alles
nam de nijverheid in het zuiden spoedig toe
in bloei.
De handel in het Noorden had aanvankelijk
nog al moeite om weder tot vernieuwd leven
te komen. Amsterdam begon na den vrede van
1814 al zeer spoedig zijn oude handelsbetrek-
kingen weder op te zoeken. Natuurlijk werd
het oog gevestigd op Indië, dat grootendeels
weder in ons bezit was gekomen. Echter aan-
vankelijk was deze handel niet voorspoedig.
De handel in koloniale produkten was meest in
Engelsche handen, en er kwam hier weinig na-
vraag naar specerijen; zelfs de handel in suiker
en koffie was aanvankelijk gering. De vroegere
vrachtvaart was voorbij en de natiën gaven
thans de voorkeur aan eigen handel. Amsterdam
en Rotterdam vonden thans machtige concur-
renten in Antwerpen en de Hanzesteden. Er
moesten nieuwe handelswegen opgezocht wor-
den, waarin men niet altijd even gelukkig was.
Met enkele gedeelten van üuitschland was er
nog altijd een druk verkeer, en de kapitalen,
welke hier nog altijd berustten, als gevolg van
vroeger tijden, gaven voedsel aan nieuwe on-
dernemingen. Zoo breidde zich tot 1830 de
handel aanzienlijk uit, hoewel hij niet meer de
beteekenis verkreeg van vroeger.
Vooral na 1824 had er aanzienlijke vooruit-
gang van den handel plaats. In een tijdsbestek
van 4 jaren was de waarde van den invoer met
11 mill. vermeerderd, die van den uitvoer met
24 mill. Welvaart begon zich weder te ver-
spreiden, het crediet herleefde, en de bloei van
ons fabriekswezen nam van jaar tot jaar toe.
De verzendingen naar den Rijn van Amster-
dam, Rotterdam, Dordrecht en Antwerpen uit
werden zeer aanzienlijk. Ook de handel op de
Oostzee breidde zich sterk uit.
Deze uitbreiding van den handel was voor
een deel een gevolg van de oprichting der
Nederlanihc/ie Handelmaatschappij in 1824. De
oprichting dezer maatschappij geschiedde met
het doel om handel, scheepsbouw en fabrieken
weder op te beuren, met behoud van vrije
vaart voor elke Nederlandsche vlag en die van
bevriende mogendheden. Zij ving haar werk-
zaamheden aan met een kapitaal van 37 mill.
gulden, en werd bestuurd door 5 directeuren.
Hoewel met moeielijkheden kampend, ver-
-ocr page 223-
215
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
land de ontwikkeling van de nijverheid sterk be-
vorderd en de Handelmaatschappij droeg hiertoe
veel bij. De ontluiking der Tvventsche nijver-
heid tot groote beteekenis is daaraan grooten-
deels te danken.
Wij zeiden reeds, dat na de afscheiding van
België de tarieven van de invoerrechten ver-
zacht werden. En toen de definitieve afschei-
ding in 1839 geregeld was, drong men op een
volledige herziening der tarieven aan in de
richting van het vrijhandelstelsel. De tariefs-
herziening van 1845 werd dan ook op vrijzin-
nige beginselen geschoeid; die van 1850 was
nog vrijzinniger. Vermindering van tonnegeld,
afschaffing van doorvoerrechten en scheepsrech-
ten op den Rijn en de IJsel, opheffing van de
begunstiging aan de nationale vlag verleend, en
bevrijding van alle belemmeringen, die haar
ontwikkeling in onderscheidene beginselen der
bestaande wetgeving ontmoette, waren daarin
opgenomen. In 1854 werd alle verschil opge-
heven, dat nog in de heffing der rechten bestond,
voor de natiën welke de Nederlandsche schepen
in hun havens met de nationale gelijk stelden.
Nog vrijzinniger werd het tarief van invoer-
rechten in 1802, waarbij het beginsel eener hef-
hng naar de waarde van 5 ten honderd van
voorwerpen, welke als volledige fabrikaten kun-
nen worden beschouwd, werd vastgesteld, ter-
wijl voor artikelen, waarvan weinig of geen
verschil in soort bestaat, een gewichtsrecht
overeenkomende met een normaalrecht van 5 pet.
werd geheven. In 1877 werden de invoerrechten op
de benoodigde levensmiddelen geheel afgeschaft.
Door die verschillende vrijzinnige bepalingen,
waardoor Nederland als het ware een vrijhaven
werd, is de handel ontegenzeggelijk toegenomen.
De algemeene invoer bedroeg van 1872—1876
gemiddeld 0793 inill. K.G., en in 1887—1891
gemiddeld 14070 mill. K.G-., terwijl hij in 1893
op 16378 mill. K.G-. liep. De algemeene uitvoer
steeg van 3269 mill. K.G-. in 1872—1876, tot
7753 mill. K.G. gemiddeld van 1887—1890.
Deze cijfers zijn welsprekend.
Nederland heeft sedert dien tijd talrijke han-
delsovereenkomsten met onderscheidene natiën
gesloten, dienende om den buitenlandschen han-
del te bevorderen of te vergemakkelijken. Die
handelsverdragen zijn meestal gebaseerd op
wederzijdsche behandeling op den voet der
meest begunstigde natie, of op wederkeerige
vrijheid van handel. Wij kunnen bij die over-
eenkonisten niet nader stilstaan, omdat ons
hiervoor de plaatsruimte ontbreekt. Wie ge-
noemde verdragen wenscht te kennen, vindt ze
in de Verzameling vim handels- en scheepoaarU
overeenkomsten, gesloten tusschen Nederland en
rree< de Mogendheden,
door Jhr. S. v. Sittsrs,
in 1891 bij Gebr. Belinfante uitgegeven, en tot
dat jaar bijgewerkt.
schafte toch de Handelmaatschappij aan de
fabrieken in België druk verkeer door uitvoer
naar Indië, waar zij bijna alle mededinging
deed ophouden. Vooral sedert in Indië in 1880
het Gultuurstelsel door generaal Van den Bosch
werd ingevoerd, breidde zich de werkzaamheid
der Handelmaatschappij ten zeerste uit. En
ook de persoonlijke steun van het hoofd van
den Staat, Koning Willem I, deed die vereeni-
ging in den aanvang groote deelneming ver-
zekeren.
In het jaar 1830 scheidde België zich af van
het Noorden en werd eindelijk als een zelfstah-
dig rijk erkend. Sedert kon de regeering zich
in de behartiging van de belangen des volks
alleen tot het noorden bepalen. Dit had ten
gevolge, dat er veel halfslachtigs in de regee-
ringsmaatregelen verdween. Spoedig werden er
maatregelen genomen, om de bestaande hooge
rechten, in het belang der Belgische nijverheid
geheven, naar de beginselen van een meer vrij-
gevig handelsstelsel te wijzigen.
De invoering van het Cultuurstelsel iri Indië
in 1830 had belangrijke gevolgen voor het inoe-
derland. Het doel van dit stelsel was, om in
Indië meer produkten voor de Enropeesche
markt te verkrijgen. Er werd bepaald, dat de
inboorlingen van Indie % van hun landerijen
moesten bebouwen met gevraagde produkten,
voor de Europeesche markt van waarde, ter-
wijl elk dorp een zeker aantal arbeiders zoude
moeten leveren, waarvan een gedeelte kon ge-
bruikt worden tot de bebouwing zelve, en een
ander deel voor behoorlijke verzending zoude
zorg dragen. Terwijl men vroeger bijna alleen
op koffie de aandacht gevestigd had, werd deze
cultuur thans nog uitgebreid, maar tevens het
oog gevestigd op suiker en indigo. Op het voet-
spoor van Van den Bosch gingen zijne opvol-
gers voort, en werd ook de thee weldra een
produkt van Java. Door het Cultuurstelsel nam
de handel in koloniale produkten van jaar tot
jaar toe in beteekenis en omvang. Het kan niet
ontkend worden, dat het productief vermogen
van Java er buitengewoon door vergroot werd,
al valt het ook in vele andere opzichten af te
keuren. En de handel van Nederland op Oost-
Indië werd hoofdzakelijk gedreven door de
Handelmaatschappij, die de koloniale produkten
van het Rijk uit Oost-Indië in Nederland
ter markt bracht, en Nederlandsche industrie-
voortbrengselen onder bescherming van hooge
differentieele rechten in Indië invoerde. Even-
wel namen particuliere handel en scheepvaart
naast die der Handelmaatschappij eveneens toe,
hoewel van geen beteekenis tegenover de aan-
zienlijke uitbreiding, die Engelsche scheepvaart
en handel in Oost-Indië verkregen, nadat Singa-
pore tot vrijhaven was verklaard.
Na de afscheiding van België werd in ons
-ocr page 224-
216                                                                HANDELS-AAEDBIJKSKUNDE.
hoofdbronnen van bestaan uit voor het Neder-
landsche volk. De beteekenis van de veeteelt
leert men het best kennen door eene vergelij-
king van de absolute en betrekkelijke hoeveel-
heid vee, welke Nederland bezit in verhouding
tot eenige landen van Europa.
Tegenwoordige economische toestand
en handel van Nederland.
§ 209. Produkten des lands. A. Veeteelt
en produkten daaruit voorkomend.
De vee-
teelt maakt sedert de oudste tijden een der
Vergelijkend overzicht van het veebezit van eenige landen.
Paarden
Aantal run-
Runde-
Schapen in
Schapen
Varkens in
Varkens
per
deren in
ren per
pei\'
duizend-
per
Paarden.
K.M*
duizenden.
K.M*.
tallen.
KM-
lallen.
K.M*.
Pruisen (1892) . . .
2 647 388
7,6
9 851
28,3
10 092
29,0
7 704
22,1
Frankrijk (1889). . .
2 881 153
5,5
13 508
25,5
21 996
41,6
6 037
11,4
Groot-Britannië (1890).
1 964 911
6,3
10 789
34,3
31 667
100,7
4 362
13,9
Oostenrijk (1890) . .
1 539 388
5,1
8 606
28,7
3179
10,6
3 518
11,7
Hongarije (1884). . .
1 748 958
5,4
4 879
15,1
10 594
32,9
4 803
14,9
Rusland (1888)
20 837 680
4,2
27 622
5,5
48 220
9,6
10 742
2,1
Italië (1890) ....
720 000
2,5
5 000
17,5
6 900
24,1
1800
6,3
België (1880). . . .
271 974
9,2
1382
46,9
365
12,4
646
21,9
Denemarken (1888). .
375 533
9,8
1459
38,1
1225
32,0
770
20,1
Nederland (1892) . .
271 000
8,6
1528
46,7
752
22,8
544
1«,7
Uit het bovenstaande blijkt, dat in het bezit
van rundvee Nederland naast België de eerste
plaats inneemt, in vergelijking tot zijne opper-
vlakte. België, dat in volstrekt getal hij Neder-
land iets achterstaat, heeft een gelijk aantal
runderen per K.M2. Ook in het bezit van
paarden wordt Nederland slechts betrekkelij-
kerwijze door Denemarken en België overtroffen.
In de schapenteelt neemt Nederland op verre na
niet de eerste plaats in, maar staat Groot-Britannië
betrekkelijker wijze boven aan. En in het be-
zit van varkens wordt Nederland van genoemde
landen overtroffen door Pruisen, België en Dene-
marken, maar is toch zijn bezit zeer aan-
zienlij k.
Overzicht van het veebezit in onderscheidene Provinciën in 1891.
Pet der
Pet der
Rundvee
Scliapen,
Bouwland
opper-
Grasland
oprer-
ltundvee
per
Paarden
andere dan
Heldeseh&pen
in 11.A.
vlakteala
liomvl.
in 11 A.
vlakte als
jrrasland.
in 1891.
K.M2.
oppervl.
in 1891.
heideschapen,
in 1891.
in 1891.
Gelderland. . .
119 313
24
153 301
31
193 780
39
36127
25 052
25 993
Noord-Brabant .
145 658
29
120 932
24
190 633
39
32 921
11 534
32 024
Overijsel . . .
59 065
14
124 999
37
136 776
41
18 832
10 252
25 592
Friesland . . .
49 870
14
198 982
60
221 058
66
24121
124 279
11743
Zuid-Holland. .
66 375
22
161 274
53
225 763
74
39 619
58 774
46
Noord-Holland .
38 441
14
148 323
53
157 355
57
24 308
195 962
884
Drente ....
33 488
11
65 207
24
68 160
25
13 324
9 774
94 845
Groningen. . .
118 678
51
61699
26
94 268
44
31829
77 989
9 999
Limburg . . .
89 398
40
23 762
10
77 711
35
13 529
18 372
25 904
Zeeland....
106 688
60
39 762
22
74 029
42
24 759
28 932
537
Utrecht. . . .
20170
14
69 438
50
92 620 66
12 556
15 073
7 071
Het Rijk. . . .
847 244
26
1 167 880
35
1 532 153
46;7
271 925
575 993
234 638
betrek kei ijker wij ze het meest vertegenwoordigd.
Daarop volgen Friesland en Utrecht, en verder
Noord-Holland, alle Provinciën met de helft of
meer der oppervlakte aan grasland. De geringste
hoeveelheid rundvee bezit Drente, waar ook
slechts 24 pet. der oppervlakte uit grasland be-
staat. Doch in deze provincie vindt men de
meeste heideschapen in ons land.
Het bovenstaande geeft ons een overzicht
van den veerijkdom in de verschillende gedeel-
ten van Nederland. Absoluut juist mag men
deze cijfers wel niet beschouwen, maar in hun
betrekkelijke waarde hebben zij toch groote
beteekenis.
Het rundvee, dat de grootste beteekenis van
pnzen veerijkdom uitmaakt, is in Zuid-Holland
-ocr page 225-
217
HANDELS-AARDRIJKSKUN\'DE.
De veeteelt is nog de grootste rijkdom van
den landelijken stand in Nederland. Door de
lage graanprijzen, een gevolg van den invoer
van granen uit Noord-Amerika, Argentinië en
zelfs uit Australië in Europa, zijn de voordeden
van den landbouw in dit werelddeel hoe langer
hoe meer verminderd. In Nederland hoort men
dan ook allerwege klachten over den slechten
toestand van den landbouw, en dringt men van
vele zijden zelfs aan op de heffing van invoer-
rechten op de granen, om den gedrukten boeren-
stand hiermede te verheffen. Of dit middel
voldoende baten zal, schijnt wel twijfelachtig.
In elk geval zijn er groote nadeelen aan ver-
bonden voor de niet-landbouwers. Bescherming
van de eene klasse brengt benadeeling eener
andere klasse mede. Hiermede willen wij echter
nog niet absoluut den staf breken over dergelijke
plannen.
Een gevolg van den gedrukten toestand van
den landbouw is het, dat op vele plaatsen
het bouwland zooveel mogelijk veranderd wordt,
in grasland. In het zuiden van Limburg had
dit in de laatste jaren op groote schaal plaats.
Niet met alle gronden kan dit echter geschieden.
De veeteelt heeft in de eerste plaats direct
een drukken binnenlandschen handel ten gevolge.
In tal van provincie-steden en dorpen zijn de
vee-weekmarkten of de vee-jaarmarkten geregeld
bezochte centra van een druk handelsverkeer.
Wij laten hier een overzicht volgen van den
veeaanvoer, provinciesgewijze gerangschikt.
Veeaanvoer ter markten in 1891.
Melkkoeien
Mager Vee
Vet Vee
Pinken
Provinciën.
aangevoerd in 1891.
aangevoerd
in 1891.
aangevoerd
in 1891.
aangevoerd
Ie soort.
2e soort.
3° soort.
in 1891.
Groningen (Totaal)
9 251
7 337
7 000
12 808
9 809
2 973
Friesland „
19 519
35 803
1880
7 310
10102
5 821
Drente „
5 010
10 679
10 327
4 306
837
5 811
Overijsel „
8 754
41 246
22 404
10 736
7 648
18 396
Gelderland B
1318
9 705
54 042
7 356
15 044
8 015
Utrecht „
4140
7 579
3 040
11691
2 894
8 919
Noord-Holland ,
10 039
16 773
15 338
14 176
23 242
5 456
Zuid-Holland „
6 661
68 671
13 680
28 243
36 030
20 070
Zeeland „
142
2 279
102
137
137
145
Noord-Brabant „
6 592
10175
7 910
11 763
4 848
1 135
Limburg B
2116
4 607
3 224
2 889
3 794
114 385"
2 273
Nederland B
73 542
214 854
138 947
111415
79 014
De belangrijkste veemarkten in Nederland,
wat betreft de hoeveelheid van den aanvoer,
zijn de volgende:
1.   In Groningen: Groningen, Slochteren, Veen-
dam en Winschoten.
2.    In Friesland: Leeuwarden, Sneek, Dokkum,
Opsterlaud, Tietjerksteradeel, Schoterland.
3.   In Drente: Hoogeveen, Koevorden, Rolde,
Emmen, Zuidlaren, Assen, Meppel, Vries.
4.   In Overijsel: Zwolle, Ommen, Deventer,
Hengeloo, Delden, Steenwijk, Friezenveen,
Rijssen, Wierden.
5.    In Gelderland: Arnhem, Nijkerk, Lichten-
voorde, Eist, Wijchen, Hengeloo, Nijme-
megen, Ede.
6.   In Utrecht: Utrecht, Wijk-bij-Duurstede,
Montfoort.
7.   In Noord-Holland: Purmerend, Amsterdam,
Hoorn, Alkmaar, Schagen, Haarlem.
8.    In Zuid-Holland: Leiden, Delft, Rotterdam,
Gorinchem, Gouda, Puttershoek.
9.    In Zeeland: Middelburg.
10.    In Noord-Brabant: Den Bosch, Waalwijk,
Uden, Eersel, Tilburg, Rozendaal, Made
en Drimmelen.
11.    In Limburg: Valkenburg, Maastricht, Ven-
raai.
Behalve het vee .dat ter markt gebracht wordt,
wordt een groote hoeveelheid, misschien het
meeste wel, op de stallen aan rondtrekkende
kooplieden verkocht. In de laatste vijf en twin-
tig jaren heeft deze gewoonte zich sterk uit-
gebreid. Het aldus verkochte vee wordt voor
een gedeelte direct naar het buitenland geëx-
porteerd, en komt voor een ander deel in de
handen van slagers of wordt weder op andere
binnenlandsche markten aangevoerd.
Waar de runderteelt het ijverigst gedreven
-ocr page 226-
218                                                                HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
wordt, heeft ook de productie van zuivel het
meest plaats. De zuivelproductie heeft weder
een druk inarktverkeer in de provinciesteden
ten gevolge. Echter moeten wij hierbij opmerken,
dat door de oprichting van botêrfabrieken,
welke in den laatsten tijd bijna overal in ons
land plaats vindt, de aanvoer van boter op de
botermarkten veel verminderd is. De week-
markten lijden ontegenzeggelijk hierdoor groote
schade, doordien de boeren van den omtrek niet
meer genoodzaakt worden wekelijks de week-
niarkt te bezoeken. Dit neemt niet weg, dat
er nog altijd groote hoeveelheden boter en kaas
op de markten worden aangevoerd.
De aanvoer van boter op de markten in de
onderscheidene provinciën was in 1891 als volgt:
Boteraanvoer ter markt in 1891.
Provinciën
Grasboter
iu K.G.
Hooiboter
in K.G.
Kaas
in K.G.
Utrecht......
Noord-Holland . . .
Zuid-Holland ....
Noord-Brabant . . .
220 665
3 997 381
411 426
1 345 288
1 235 346
131 980
179 295
1 029 893
2160
625 948
136 878
132 800
967 536
350 020
539 972
195 225
30 675
121 861
313 815
8 000
410 869
12 000
1 696 186 (Friesche kaas).
6 235,
9 140 ( Zoetemelksche
12 646 435 ( kaas.
1561710\'
gedeelte uitgevoerd naar het buitenland, het
rundvee voornamelijk als fokvee. Wij bepalen
ons tot het jaar 1891, waarvan wij boven even-
eens de opgaven mededeeldon, en geven een
beknopt staatje van den invoer en uitvoer van
verschillende artikelen, op de veeteelt betrekking
hebbend.
Invoer en uitvoer der belangrijkste
produkten van de veeteelt.
De belangrijkste bo(er- en kaasmarkten in
Nederland zijn de volgende:
1.    Groningen: Groningen en Winschoten.
2.    Friesland: Leeuwarden, Sneek, Bolsward,
Workum, Lemsterland, Haskerland, Op-
sterland, Weststellingwerf, Gaasterland,
Harlingen.
3.    Drente: Meppel en Koevorden.
4.    Overijsel: Zwolle, Kampen, Deventer, Steen-
wijk, Raalte, Oldemarkt, Ommen.
5.    Gelderland: Tiel, Doesburg, Apeldoorn,
Zutfen, Arnhem, Wisch, Wageningen,
Barneveld.
6.    Utrecht: Amersfoort, Utrecht.
7.    Noord-Holland: Purmerend, Hoorn, Edam,
Schagen, Alkmaar, Haarlem, Enkhuizen.
8.    Zuid-Holland: Delft, Leiden, Gouda, Rot-
terdam, Woerden, Bodegraven, Gorinchem.
9.    Noord-Brabant: Den Bosch, Waalwijk, Op-
loo, Mil en St. Hubert, Gemert, Gilze,
Nispen, Vechel, Dongen, Waspik.
10. Limburg: Roermond, Gulpen, Maastricht.
Ook de handel in paarden en in varkens is
in vele plaatsen levendig. De marktplaatsen
zijn meestal hoofdzakelijk dezelfde als voor het
rundvee. Van de paardenmarkten is die te
Utrecht in Nederland wel het aanzienlijkst.
Het Nederlandsche vee wordt niet enkel in
Nederland behouden, doch wordt ook voor een
Invoer tot
Uitvoer
verbruik
uit liet vrije
in Xederland
verkeer
in 189]
in 1891.
Paarden (honderdtallen)
77
89
Veulens
3
6
O.ssen en koeien
1
913
Kalveren
—
618
Schapen
»
—
2 824
Lammeren
—
72
Varkens
—
3 270
Boter (1000 K.G.)
2 315
13 246
Kaas
322
30 535
Versch vleesch
322
4 788
Gerookt „
51
36
Versch schapenvl.
n
2
7 516
Gezouten „
132
2 266
Gorookt spek
8 690
1236
Talk
40 764
4 949
Stearine
1791
3 601
Huiden
13 691
11174
Wol
V
23 472
18 556
-ocr page 227-
Hanoels-aardrijkskünde.                                                         219
België en Groot-Britannië; de varkens naar
Pruisen, België en Groot-Britannië; de schapen
naar Groot-Britannië, België en Pruisen. Even-
wel een groot gedeelte van hetgeen de statistiek
voor België aanwijst zal nog weder voor andere
landen bestemd zijn.
Uit het bovenstaande blijkt, dat de uitvoer
van ossen en koeien, kalveren, schapen, varkens,
boter, kaas, versch vleesch, versch schapenvleecli
en gezouten schapen vleesch nog altijd veel aan-
zienlijker is dan de invoer. Het rundvee wordt
vooral uitgevoerd naar België, Pruisen, Groot-
Britannië en Frankrijk; de paarden naar Pruisen,
B.
Landbouw.
Overzicht van de teelt der belangrijkste landbouwproducten in 1891.
Oppervl.
bouwland
in H.A
Bouwl.
in pet
der
oppervl.
Tarwe.
OppiTvl.
in 1«U1
in H.A.
Ttoijrje.
Opperrl.
in lh\'Jl
in H.A.
Gerst.
Oppervl
in 1891
in H.A
Haver.
Oppervl.
in 1KU1
in H.A.
Boekweit
(Zand- en \\\'een-).
Oppervl. in 1891
in H.A.
Boonen.
Oppervl.
in 1891
in HA.
Erwten
Opperrl.
in 1S91
in H.A.
Aard-
appels.
Oppervl.
in 1891
in H.A.
Suiker-
bieten.
Oppervl.
in 1891
in H.A.
Vlot.
Oppervl.
in 1891
in H.A.
Groningen .
118678
51
5 962
10 944
12 294
36 136
( 512 Zandhoek w.
) 841 Veenboekw.
11 980
4 765
16 666
-----
2 661
Friesland. .
49 870
14
1 462
5 578
3 306
6 388
( 3 157Zandboekw.
| 884 Veenboekw.
| 2 002 Zandboekw.
| 2 167 Veenboekw.
3 135
2 731
15 120
140
2 315
Drente . . .
33 488
11
8
17 396
84
2 849
418
67
10 158
15
Overrjsel . .
59 065
14
314
30 719
736
5 054
i 5 467 Zandboekw.
j 459 Veenboekw.
583
55
13 390
171
125
Gelderland .
119 313
24
4 337
38 247
1 859
20 048
10 206 Zandboekw.
4210
2 239
28 960
4 705
152
Utrecht. . .
20170
14
1824
6 210
17
2 988
3 551 Zandboekw
907
537
4 335
224
-----
N •Holland.
38 441
14
4 167
3 027
2 783
6 965
567 Zandboekw.
2 378
2140
4 343
1 637
373
Z.-Holland .
66 375
22
10 787
1001
3 212
8 I1S
-----
5 002
4 336
12 701
2 899
2 548
Zeeland. . .
106 688
60
17 933
2 592
14 833
6 982
117 Zandboekw.
8 130
8124
8 119
6 682
4 376
N.-Brabant.
145 658
29
5 878
44 474
2 985
29 783
10 453 Zandboekw.
1 947
2610
23 357
5 905
1 586
Limburg . .
89 398
40
5 911
23 231
3 044
27 40I
3 180 Zandboekw.
2 084
405
12 435
168
282
Het Rijk. .
847144
26
58 583
183 509
45153
152 709
39 212 Zandboekw.
4 351 Veenboekw.
40 774
28 009
149 584
22 531
14 433
verkeert, zoodat de welvaart niet evenredig is
aan de opbrengst.
Vergelijken wij met het bovenstaande den
invoer en den uitvoer van eenige landbouw-
piodukten in hetzelfde jaar.
Uit bovenstaand statistisch overzicht blijkt
ons de beteekenis van den landbouw in Neder-
land. Wij wezen er reeds op, dat die door den
lagen prijs der artikelen in een gedrukten toestand
Overzicht van den invoer en uitvoer van eenige landbouwprodukten.
Meer in- dan Meer uit- dan
uitgeroerd              ingevoerd
in duizend guldens in duizend guldens
in 1891                 in 1891.
Invoer tot
verbruik
n 1000-tallen
in 1891.
Uitvoer uit liet
vrije verkoer
in 1000-tallen
in 1891.
9 918
6 485
3 091
2165
469
330
424
1182
13 421
140 050
5 052
578
2 847
2 880
42 809
1 524
154
18 495
42 402
21658
8571
694
2 208
939
2158
2 511
29 000
3 369
1640
1665
Tarwe.....
Rogge.....
Gerst.....
Haver.....
Boekweit. . . ,
Boonen . . . .
Erwten . . . .
Aardappelen. . .
Grutten . . . .
Meel.....
Aardappelmeel. .
Koolzaad. . . .
Lijnzaad . . . ,
Olie van oliezaad,
Oliezaadkoeken. .
Vlasstroo. . . .
Ruw vlas . . .
Hennepstroo. . ,
5 570
3142
1905
1976
182
189
158
1240
864
42 029
29 580
285
890
31 235
15 052
14 510
12 461
8 401
H.L.
H.L.
36
K.G.
K.G.
7 358
HL.
H.L.
n
K.G.
6 202
9 090
8 615
K.G.
4 038
(De vet gedrukte wijzen de grootste cijfers aan).
-ocr page 228-
220
HANDËLS-AARDRTJKSKÜïJDE.
C. Tuinbouw, bloemkweekerij enz. — De
tuinbouw kan men als een verfijnde, intensieve
landbouw beschouwen. Bijna bij elk boeren-
bedrijf vindt men eenigen tuinbouw, die grooten-
deels geschiedt om in de eigen behoeften te
voorzien, doch ook niet zelden om kleine hoeveel-
heden ter markt te brengen. Aan den tuinbouw
of de warmoezerij sluit zich de bloemkweekerij
nauw aan. Daarenboven moeten wij hier nog
een blik slaan op de boomgaarden in Nederland.
Wij vatten in een statistisch overzicht samen,
hoeveel grond aan tuinbouw, boomkweekerij enz.
in 1891 gewijd was.
Het bovenstaand statistiekje leert ons duide-
lijk, dat Nederland als land bouwland voor den
wereldhandel niets beteekent, doordien de uit-
vocr van landbouwprodukten bijna overal ge-
ringer is dan de invoer. De hoofdprodukten,
waarvan wij nog aan het buitenland leveren,
zijn aardappelen, aardappelmeel en vlas. Ook
de uitvoer der olie van oliezaad is aanzienlijker
dan de invoer, doch de grootere invoer van
lijnzaad staat hier tegenover.
Als laudbouwende natie kunnen de Neder-
landers dus niet optreden. Of het in deze oin-
standigheden gewenscht is door invoerrechten
de prijzen der landbouwprodukten te verhoogen,
is wel twijfelachtig.
Overzicht van de gronden, gebruikt voor tuinbouw, vruchtenteelt, boom- en
bloemkweekerij in 1891.
Provinciën.
Tuinen met
boómgaimlrn v.
eigen gebruik in
H.A.
\\Varmoezerij- .
gronden
in HA.
Boomgaarden
waarvan de op-
brengst Krooten-
deelfl in den han-
del komt in II A.
Boom-
kweekerijen
in H.A.
Bloem-
kweekeryen
in U.A.
Bloembollen-
grond
in HA.
Noord-Holland . . .
Zuid-Holland ....
Noord-Brabant . . .
3 305
2 568
1337
1074
5 419
1342
2 096
4 005
1197
4 073
2 509
83
44
19
100
628
71
1211
1623
59
290
93
95
292
113
330
5 106
2 202
881
1499
1501
795
6 588
38,—
111,—
23,-
35,-
174,98
48,61
263,—
477,44
42,-
221,06
109,—
8,-
2-
6,-
6,20
24,-
16,28
494,—
731,39
3,72
21,34
0,50
2,-
0,50
472,—
703,44
0,50
28 925
4 221
19 402
1603,09
1313,43
1178,44
Zoo worden de augurken vooral geteelt in som-
mige gedeelten van Noord-Holland en Zuid-
Holland, meer bepaald te Alkmade, Beemster,
ter Aar, Zoeterswoude, Aalsmeer en Loosduinen;
uien teelt men vooral te Zwijndrecht en op de
Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche eilanden ; bloem-
kool
voornamelijk te Rijnsburg, asperges in het
Westland te \'s Gravezande, en kool te Langendijk
in Noord-Holland.
Wat de vruchten betreft worden kersen voor-
nainelijk gewonnen in de Betuwe en in Utrecht,
en krieken in Oud-Beierland. Aari/beziën worden
te Boskoop, Aalsmeer en de omstreken van Breda
gewonnen, aalbessen en kruisbcssen in sommige
deelen van Noord- en van Zuid-Holland; peren
en appels voornamelijk in Zuid-Limburg, de
Betuwe en Utrecht. Druiven levert vooral het
Westland.
De tuinbouw enz. levert in Nederland jaarlijks
voor een aanzienlijk bedrag aan het buitenland.
In 1891 was de invoer en uitvoer als volgt:
De groenteteelt heeft hoofdzakelijk plaats in
de nabijheid der groote steden, waar de groenten
geregeld ter verkoop worden aangevoerd. Hier is
de grondgesteldkeid de hoofdt\'actor om te be-
palen, in welke streken juist de groenteteelt
geschiedt. De humusrijke gronden zijn bovenal
voor groenteteelt geschikt. In enkele streken
legt men zich ook op de groenteteelt toe voor
den handel op verder afzijnde steden in ons
land, voor het buitenland, of tot het drogen
of conserveeren van groenten.
Uit de oppervlakte aan de groenteteelt gewijd,
die het overzicht leert kennen, blijkt, dat in
Noord- en Zuid-Holland de warmoezerij een
belangrijke tak van bestaan moet uitmaken.
Vooral in de laatste 20 jaren is hierop meer de
aandacht gevestigd. De hoofdprodukten der
warmoezerijen zijn: roode kool, witte kool, savoye-
kool, uien, wortelen, bieten, rapen, knollen, heeren-
boonen, snijboonen, peulen
en cloperwten.
De teelt van sommige gewassen in het groot
is hoofdzakelijk gebonden aan enkele streken.
-ocr page 229-
HANDELS-AARD ftl.j SSKÜNDE.                                                          221
bestaan, 2 iu Gelderland, 2 in Zuid-Holland en
2 in Noord-Hollaud, alsmede 1 in Zeeland,
Utrecht en Overijsel ieder. In 1893 overtrof
de invoer van ruwe suiker de uitvoer met een
waarde van / 32600000, terwijl de uitvoer van
melis en andere geraffineerde suiker voor een
waarde van ƒ38700000 boven den invoer liep.
De beteekenis onzer raffinaderijen blijkt hieruit
duidelijk.
Het bovenstaand overzicht wijst 71 hierhromve-
rijen
aan, die met stoom gedreven worden, en
deze kunnen derhalve als de groote fabrieken
beschouwd worden. Doch in \'t geheel bestaan
er 505 bierbrouwerijen in Nederland, waarvan
202 in Noord-Brabant, 192 in Limburg, 30 in
Gelderland, 21 in Zuid-Holland, 22 in Zeeland,
12 in Noord-Holland, 11 in Utrecht en Groningen
ieder en 5 in Overijsel. De bierproductie van
Nederland is dan ook aanzienlijk, en in 1893
werd er voor ƒ248000 meer uitgevoerd dan in-
gevoerd.
Het aantal branderijen le soort bedroeg in
1893: 239, waarvan 222 in Zuid-Holland (voor-
namelijk te Schiedam, verder te Rotterdam,
Delfshaven) en 13 in Limburg. In 1893 be-
stonden er verder 89 distilleerderijen eerste on
173 tueeede klasse, welke meest in Zuid-Holland
en Noord-Holland voorkomen. De beteekenis
dezer industrie voor den handel blijkt hieruit,
dat in 1893 voor 3597000 gulden meer gedistil-
leerd werd uit- dan ingevoerd.
De wee/industrie in Nederland, in de oudheid
zeer belangrijk, heeft niet die beteekenis meer,
maar is toch in de laatste halve eeuw, vooral
na de afscheiding van België, opnieuw opgekomen.
In Nederland werden in 1893 nog aan manufac-
turen (alle bij elkander) voor 26219000 gld. meer
uit- dan ingevoerd. Hieruit blijkt de beteekenis
onzer weefn ij verheid. Twee eigenlijke districten
met weverij vindt men in Nederland, n.1. Twente
en de omstreken van Tilburg. De katoennijverheid
is bovenal in Twente gevestigd, voornamelijk te
Enschede, Almeloo, Hengeloo en Oldenzaal.
Evenwel ook te Leiden, Haarlem, Delden, Amers-
foort, Borne, Nijverdal, Goorle (bij Tilburg),
Aalten, Winterswijk, Helmond en Eindhoven
vindt men grootere of kleinere katoenfabrieken.
Het centrum der wolindustrie is Tilburg,
waar men in waarheid van een district van
wolfabrieken kan spreken. Verder vindt men
fabrieken tot bewerking van wollen stoifen te
Leiden, Eindhoven, Vaals, Geldrop, Roermond
en elders.
§ 211. Buitenlandsche handel. De hoofd-
artikelen van den buitenlandschen handel voor
Nederland leert het volgend overzicht ons ken-
nen, waarbij in procenten van den totaaluitvoer
over 1889—1893 het aandeel van bedoelde arti-
kelen is aangegeven.
Invoer tot
verbruik
in 10U0 gulden.
Uitvoer uit liet
vrije verkeer
in 1000 L\'iilden.
311
665
1128
4 438
18 723
975
Bloembollen, plantsoen
Groenten.....
Boomvruchten . . .
De uitvoer der versche en gedroogde groenten
geschiedt voornamelijk naar Pruisen, Groot-
Britannië en België; de ingemaakte groenten
worden vooral uitgevoerd naar Groot-Britannië,
de Vereenigde Staten v.
N."Amerika, Neder-
landsch Oost-Indië en België.
§ 210. Nijverheid. Het is niet gemakkelijk
een goed overzicht van de nijverheid in Neder-
land te verkrijgen, door \'t gemis aan volledige ge-
gevens. Wij zullen op deze plaats enkel nagaan
het aantal fabrieken, die met stoomkracht werken,
en de soorten dier fabrieken aanwijzen. Volgens
dit beginsel vond men in 1894 in Nederland:
Nominaal
Fabrieken met stoomkracht.
Aantal.
aantal
marde*
krach t.
Beetwortelsuikerfabrieken . .
30
2 366
71
670
Boek-, courant», plaat- en
steendrukkerijen ....
82
431
91
1157
Brood- en meelfabrieken . .
55
1035
Garancine- en meekrapfabr. en
verfw. bereiding ....
56
356
Houtzagerijen, "draaierijen enz.
248
4 044
76
3 073
Kleederwasscherijen en blee-
137
1123
79
2 279
232
3 661
Mout\\vijn-, jenever-, likeur-
162
731
130
2 554
39
1967
Scheepsbouw, uitrusting . .
48
1248
Steen- en paunenfabrieken. .
170
1400
Fabrieken van stoom- en andere
werktuigen en smederijen .
220
3171
Suikerraffinaderijen ....
11
629
Tabak- en sigarenfabrieken .
60
212
61
637
Totaal aan fabr., inclusief alle
3 911
66 401
Terwijl het aantal suikerraffinaderijen 11 be-
draagt (5 in Noord-Holland, 3 in Noord-Brabant),
vindt men in Nederland nog 30 beetwortelsuiker-
fabrieken,
waarvan er 21 in Noord-Brabant
-ocr page 230-
222                                                         ttANDELS-AARÖRtjKSKÜNDE.
Aandeel van den invoer en den uitvoer van enkele artikelen in pet. van
den totaal-invoer en -uitvoer.
Invoer.
• I 1880—1893.
Uitvoer.
I 1880—1893.
1S93.
1893.
8,71  pet.
14,64     „
10,62     ,
3,57     „
3,67     ,
3,08     „
3,2(5     „
1,94     ,
3.16     „
3,08     „
2.17     „
5,14 pet.
19,26
12,86
2,49
3,12
2,49
3,15
1,13
3,28
2,45
1,62
IJzer en ijzerwerk .
Granen .....
Drogerijen ....
Koffie.....
Garens.....
Ruwe suiker .
Steenkolen ....
Ongesponnen katoen
Rijst......
Steen......
Manufacturen . . .
7,92  pet.
10,53     „
9,06     ,
4,68     „
3,32     ,
3,78     ,
2.98     „
2,02
     ,
2,48
     „
2.99     „
IJzer en ijzerwerk .
Drogerijen . . . .
Granen.....
Boter en eetbare mar-
garine.....
Koffie......
Manufacturen . . .
Geraffineerde suiker .
Garens......
Ongesponnen katoen .
Slachtvee.....
4,64 pet.
12,90   „
13,05    „ i)
5,50   ,
1,78   „
4,39   „
3,73   ,
2,25   ,
8,81    „
0,98   ,
\')
57,84 pet.
53,70 pet.
Totaal
49,67 pet.
50,03 pet.
Totaal
\') Met de rijst.
Terwijl bovenstaand overzicht ons de beteekenis der verschillende artikelen voor den Neder-
landschen handelsomzet leert kennen, laten wij hierop volgen eene statistiek van het handelsverkeer
met de voor ons belangrijkste Staten in 1893.
Handel met de voornaamste Staten in mill. guldens in 1893.
iuvocr tot \\ erbruik uit:
Uitvoer uit het vrije verkeer naar:
6,8 mill.  guld.
1^5,6     „         „
7.8     ,         „
3,0
    ,         ,
45,6    „
20,1     „         ,
263,8    ,         ,
17,5    „     . ,
6,4     „         „
193.0     ,         „
6.9     „         ,
15,9
     „         „
258,8    ,         ,
88,8    „        fl
25.3     „         „
10,5
    „         ,
150.1     „         „
11.4     .         ,
2,4 mill. guld.
167,9 „ ,
V             tl
1,2 , .
Westkust v. Afrika. . . .
België........
Brazilië........
Breinen........
Rumenië (Donauvorstend.) .
Engelsch-Indië.....
Frankrijk.......
Groot-Britannië.....
Hamburg.......
Italië.........
Java en verdere O.-Ind. bezitt.
Noorwegen.......
Peru en Bolivia.....
Pruisen........
Rusland........
Spanje......, .
Turkije . . .
Westkust v. Afrika . . .
België........
Brazilië........
Bremen........
Rumenië (Donauvorstend.) .
Engelsch-Indië.....
Frankrijk.......
Groot-Britannië.....
Hamburg.......
Italië........
Java en verdere O.-Ind. bez.
Noorwegen ......
Portugal.......
Pruisen........
Rusland.......
Spanje........
Turkije........
Vereen. St. v. N.-A. . . .
Zweden........
0,7
10,0
256,3
15,5
6,0
57,1
5,5
1,4
534,2
5,9
1,7
3,7
21,8
3,1
v. N.-A.
Vereenigde St.
Zweden . . .
1116,6 mill. guld.
1408,7 mill. guld.
Totaal, inclusief andere landen
Totaal, inclusief andere landen
Wanneer wij de landen rangschikken naar het procentsgewijze aandeel der verschillende
landen in den handel met Nederland, dan verkrijgen wij het volgend overzicht:
-ocr page 231-
223
HA.NDELS-AABDEIJKSKUNDE.
Aandeel van enkele landen in den handel met Nederland.
Uitvoer in pet/
Invoer in pet.
vuii deu totaal-uitvoer in 1893,
van den totaal-invoer in 1893,
naar de landen:
uit de landen:
47,8 pet.
18,4 pet.
22,9 ,
18,7 „
15,0 „
12,5 ,
5,1 ,
6,3 „
Vereenigde St. v. N.-A. . . .
1,9 „
13,7 ;
0,5 „
Vereenigde St. v. N.-A. . .
n,o ,
1,4 „
3,8 „
0,5 ,
1,4 ,
0,2 „
1,2 ,
Totaal
95,3 pet.
Totaal
87,0 „
onder Nederlandsehe vlag (5126000 M3.) werden
ingeklaard, werden er 4065 schepen (8411000 M3.)
onder Engelsche vlag ingeklaard. De Engelsche
vlag overtreft derhalve de Nederlandsehe ver
in onze havens. Op de Nederlandsehe volgt de
Duitsche vlag (1768 schepen in 1893 ingeklaard
met 1847000 M3.), hierop de Noorsche vlag
(250 schepen met 523000 M3.), verder de Spaan-
sche vlag (276 schepen, 276000 M3.), de Deensche
vlag (203 schepen, 235000 M3.), en de Belgische
vlag (175 schepen, 175000 M3.).
Aan de Nederlandsehe scheepvaartbeweging
(alle geladen schepen) had de Nederlandsehe
vlag in 1893 voor 30,2 pet., de Engelsche voor
49,5 pet., de Duitsche. vlag voor 10,9 pet. en
de Noorsche vlag voor 3,1 pet. aandeel.
Het scheepvaartverkeer van Nederland met
onderscheidene landen is zeer aanzienlijk, zooals
het volgend overzicht leert. Evenwel blijkt ook
hieruit, wat wij reeds zeiden, dat het grootste
gedeelte tot stand gebracht wordt door vreemde
schepen.
Inklaring van schepen uit onderscheidene
landen in Nederland in 1893.
Uit het bovenstaande blijkt voldoende, welke
produkten de buitenlandsche handel hoofdzakelijk
omvat, alsmede met welke landen die handel
bovenal wordt gedreven. Wij mogen om der
plaatsruimte wille hierbij niet langer stilstaan.
§ 212. Buitenlandsche scheepvaart. De
Nederlandsehe koopvaardijvloot bestond in 1893
uit 442 zeilschepen (335000 M3. inhoud) en 154
stoomschepen (499000 M.3 inhoud), totaal 596
schepen met 834000 M:!. inhoud. Wanneer men
het transportvermogen der schepen in rekening
brengt (een stoomschip heeft door de snellere
vaart grooter transportvermogen dan een zeil-
schip van denzelfden inhoud; 1 stoomton ge-
rekend op drie zeiltonnen, zie pag. 19), dan
vindt men, dat het transportvermogen in 1893
1832000 IC3, bedroeg tegen 1494000 M:!. in 1884.
Hieruit valt voor de laatste 10 jaren een toe-
neming van 2,53 pet. af te leiden.
Van de zeilschepen behoorden 29 zeilschepen
(28212 M3. inhoud) en 63 stoomschepen (103037
M:\'.) te huis te Amsterdam, en verder 29 zeilsche-
pen (14704 M3.) en 82 stoomschepen (139468 M3.)
te Rotterdam; 6 zeilschepen (3202 Bi3.) te Schie-
dam, en 19 zeilschepen (17649 M3.) alsmede 3
stoomschepen (1853 M3.) in de omstreken van
Rotterdam.
De bemanning der zeilschepen bestond uit
2129 en der stoomschepen uit 18286 manschap-
pen, in totaal 20415 zeelieden. Van dezen waren
18355 Nederlanders en 2594 vreemdelingen.
In totaal werden in 1893 in Nederland inge-
klaard 8519 geladen schepen (onder verschillende
vlag) (16990000 M3. inhoud), waarvan 2529 sche-
pen (5126000 M!.) onder Nederlandsehe vlag,
en uitgeklaard 6392 geladen schepen (10385000 M3.
inhoud), waarvan 2547 schepen (4618000 M3.)
onder Nederlandsehe vlag.
Van de schepen der vreemde natiën, die onze
havens bezoeken, staat de Engelsche vlag boven-
aan. Terwijl in 1893 in totaal 2529 schepen
Inlioutl in
K.\'llil M3.
Aantal
schepen.
Land van herkomst.
Vlaggen.
Nederl.. .
Vreemde .
Totaal . .
Nederl.. .
Vreemde ,
Totaal .
Nederl.. ,
Vreemde ,
Totaal . .
Nederl .
Vreemde
Totaal .
382
79(5
6178
473
29
495
78
173
251
134
537
671
1190
2 875
4065
95
(i
1111
75
202
277
184
370
560
Groot-Britannië . . .
Nederl. Oostlndië . .
Noorwegen.....
Pruisen......
-ocr page 232-
224
HANDELS-AAEDRIJKSKUNDE.
volgt dat met de Vereenigde Staten van Noorcl-
Amerika, met Spanje en met Zweden. Dat
Pruisen hierbij geen hooger plaats inneemt en
België hierbij niet voorkomt is een gevolg daar-
van, dat met genoemde landen een groot gedeelte
van het handelsverkeer plaats heeft langs rivieren
of per spoor. Langs de rivieren werden in 1893
uit het buitenland in Nederland ingeklaard in
totaal 25005 geladen schepen (4971000 M3. in-
houd), waarvan 19977 (3488000 MP. inhoud) of
70 pet. onder Nederlandsche vlag.
In 1893 passeerden Lobit 41426 in- en uitge-
klaarde schepen (10423000 M:,.\\ welke de scheep-
vaartverbinding van Nederland met Duitschland
langs de rivieren alsmede van België (zie het
tractaat, pag. 108) tot stand brachten. Het kanaal
door Zuid-Beveland, waar in 1893: 33886 binnen-
schepen door voeren (3410000 M3. inhoud), wijst
er op, dat een gedeelte der schepen, welke
Lobit passeerden uit Antwerpen of België af-
komstig was.
De voornaamste havens in Nederland, waarop
zich de buitenlandsche handel concentreert, leeren
wij uit het onderstaand overzicht t~ amen.
Land vnn herkomst.
Vlaggen.
Aantal
schenen.
Inhoud in
1000 M3.
Oostzee en Witte Zee
Rusland......
Zwarte Zee.
Vereenigde Staten van
Noord-Amerika . .
(Nederl.. .
< Vreemde .
(Totaal . .
(Ne.lerl . .
1 Vreemde .
(Totaal . .
( Nederl.. .
j Vreemde .
( Totaal . .
(Nederl.. .
] Vreemde .
(Totaal . .
1 Nederl.. .
<  Vreemde .
(Totaal . .
89
364
453
1*8
158
4*
387
435
143
296
439
117
374
491
139
714
853
710
710
132
1151
1 2S3
935
1  269
2 204
181
785
9f)fi
Alle landen ....
(met de genoemde).
(Nederl. .
] Vreemde .
(Totaal . .
2 529
5 990
8 519
5 126
11 864
16 990
Zooals wij zien neemt het verkeer ter zee met
Groot-Britannië de eerste plaats in, en daarop
Inklaring van schepen in de volgende Nederlandsche havens in 1893.
I
nklaring in 1893.
Zeilsche en.
Sloomschepen.
Alle zeeschepen.
Aantal.
lnliou\'1
in 1000 II».
ARntil Inhoud
Aantal. | in 1000 M3.
Aantal.
Inhoud
in 1000 M\'.
115
182
1279
2 670
1394
2 852
Delfzijl.........
100
70
42
58
142
128
117
104
93
215
210
319
85
34
28
16
113
50
74
52
246
243
320
295
9
17
10
18
19
35
370
427
3 698
8 697
4 068
9124
39
18
59
145
98
162
39
23
451
757
490
780
9
3
897
2 057
906
2 060
52
70
146
364
198
430
Totaal, inclusief de overige
1235
1085
7 284
15 905
8 519
16 990
Uit dit overzicht blijkt, dat de inklaring te
Rotterdam meer dan de helft bedraagt van die
in het geheele land. Hierop volgen Amsterdam
en Vlissingen. Rotterdam moet derhalve als
de eerste zeehaven in ons land beschouwd wor-
den, waartoe de gunstige ligging het als het
ware voorbestemt.
§ 213. De zeevisscherij. De zeevisscherij
is nog altijd een belangrijke tak van bedrijf in
Nederland. De visschersvloot op de Noordzee
bestond in 1891 uit 1015 schepen door 7089
personen bemand, die op de Zuid-Hollandsche
en Zeeuwsche stroomen uit 557 schepen door
1287 personen bemand, die op de Zuiderzee uit
2568 schepen door 5877 personen bemand, en
de vloot voor de kusten van Groningen en
Friesland uit 186 schepen door 397 personen
bevaren. Over \'t geheel kan men dus zeggen,
dat ruim 15200 personen zich in Nederland aan
de vischvangst wijden op ruim 4300 schepen.
Rekent men hierbij nog de velen in de vis-
schersdorpen en de steden, die van den visch-
handel leven, dan moet men toegeven, dat de
vischvangst nog een belangrijke bron van be-
staan is voor velen,
-ocr page 233-
225
HANDELS-AARDBIJKSKUN\'DE.
Compagnieën. Toen deze maatschappijen op-
hielden te bestaan, werden hun souvereiniteits-
rechten afgestaan en kwamen deze aan den Staat.
Hoewel enkele bezittingen in den tijd der oorlogen,
die op de Franscho Revolutie volgden, verloren
zijn gegaan (zie p:ig. 214), kwamen toch de
meeste bij het Congres te Weenen weder in ons
bezit. Hierdoor is Nederland nog altijd een der
aanzienlijkste koloniale mogendheden. Wel zijn
de Nederlandsche bezittingen enz. niet de uit-
gebreidste, doch in belangrijkheid behoeven zij
enkel voor die van Groot-Britannië onder te
doen. Het totale koloniaal bezit van Nederland
beslaat een oppervlakte van 2003291 K.M2, met
ongeveer 32289000 inwoners.
De Nederlandsche bezittingen kunnen onder-
scheiden worden naar de werelddeelen, waartoe
zij behooren. Als zoodanig spreken wij van
Aziatische, Australische en Amerikaansche be-
zittingen. Van deze hebben de Aziatische niet
alleen de grootste uitgebreidheid maar ook de
grootste beteekenis voor het moederland.
De Aziatische Bezittingen oi
Nederlandsen Oost-Indië.
§ 215. Algemeen overzicht. Ligging en
indeeling. De Aziatische Bezittingen duidt men
gewoonlijk aan met den naam van Oost-Indië,
terwijl Multatuli er den meer dichterlijken naam
Insnlinde, d. i. eilandenwereld, aan gegeven hoeft.
Nederlandsch Oost-Indië is gelegen tusschen
7" N.Br. en 11° Z.Br., en strekt zich uit van
95° tot 133° O. L. van Greenwich. Ten N.
liggen Achter-Indië, de Zuid-Chinoesclio Zee en
China; ten O. de Groote Oce:u,n en de eilanden
van Australië; ten Z. Nieuw-Holland en de In-
dische Oceaan, en ten W. de Indische Oceaan.
Het Nederlandsch gebied in Indië bestaat uit
eenige groepen eilanden. De grootste van deze
zijn Borneo, Sumatra, Celebes en Jara, die men
ook wel de Groote Somda-eilanden noemt. Van
deze is Borneo 22 maal, Sumatra 13 maal, Celebes
51/-2 maal, en Java 4 maal zoo groot als Nederland.
Men verdeelt de eilanden van Nederlandsch
Oost-Indië gewoonlijk in 6 groepen:
I.    Java en de omliggende eilanden. \\ s.OTö
II.    Sumatra en omliggende eilanden. [ gf 8Q
III.    Borneo en omliggende eilanden, l g-o.3
IV.     Celebes en omliggende eilanden. \' -B \' 5"
V.
    De kleine Soenda eilanden.
VI. De Molukken.
§ 216. Klimaat. Geheel Nederlandsch-Indië
ligt in de tropische luchtstieek. De temperatuur is
er niet alleen hoog, doch heeft ook geringe schom-
melingen met de afwisseling der jaargetijden.
Een winter, in onze beteekenis des woords, kent
Nederlandsch-Indië niet. De gemiddelde tem-
perutuur te Batavia bedraagt 26° C. (Utrecht
Op de Noordzee vischt men haring, kabeljauw,
schelvisch, tong, schol, tarbot, garnalen
enz. Op
de Zuid-Hollandsche en Zoeuwsche stroomen:
garnalen, bot, schol, oesters en mosselen. De Zui der-
zee levert: haring, paling, ansjovis, bot, rog, mos-
selcn, garnalen
en spiering, en aan de kusten
van Groningen en Friesland vischt men op ansjo-
vis, haring, schelvisch, tarbot, kabeljauw, knor-
fianen, rog, steur
enz.
De haringvisscherij op de Noordzee werd in
1893 door 224 kielschepen en 312 bomschepen
uitgeoefend, waarvan de eersten 292850 tonnen,
en de laatsten 218231 tonnen gekaakte haiing
aanbrachten, en respectievelijk 6866 en 39838
duizendtallen steurharing. Nederland had in
1893 een uitvoer van 337680 tonnen gekankte
haring, terwijl 954 tonnen werden ingevoerd,
waaruit blijkt, dat de visscherij een belangrijk
overschot voor het buitenland levert. Verder
werden nog 45756000 bokkings uitgevoerd.
Gezouten haring werd in 1893 uitgevoerd:
290793 tonnen naar Duitschland, 25100 tonnen
naar België, 10600 tonnen naar de Vereenigde
Staten van N.-A., en nog 11187 tonnen naar
andere landen, te zamen 337680 ton. De totale
opbrengst der haringvisscherij op de Noordzee
werd in 1893 op ƒ504866 geschat.
De hoofdplaatsen van de visschersreederij op
de Noordzee zijn: Scheveningen (206 schepen),
Texel (150), Vlaardingen (122), Maassluis (97)
en Katwijk (83 schepen).
DE NEDERLANDSCHE BEZITTINGEN
EN KOLONIËN.
§ 214. Koloniën en Bezittingen. Men is veelal
gewoon te spreken van de Nederlandsche Kolo-
niën, wanneer men die gedeelten van het Rijk
bedoelt, welke in de tropische gewesten liggen.
Volkomen juist is die uitdrukking niet. Men
moet onderscheid maken tusschen koloniën en
bezittingen. Kolonïm zijn de gewesten, welke
hoofdzakelijk bevolkt zijn door Nederlanders,
die in verschillende tijden het vaderland verlaten,
en zich op den vreemden bodem gevestigd
hebben. Als zoodanig kan men Suriname, Curacao
en eenige andere kleinere West-Indische eilanden
beschouwen. Onder Bezittingen heeft men te
verstaan alle gewesten, waar de bewoners, die
er tijdens onze verovering gevestigd waren, de
hoofdbevolking zijn blijven uitmaken, en aan
ons gezag onderworpen zijn, terwijl de Neder-
landers slechts in betrekkelijk gering aantal en
meest voor korten tijd met een bepaald doel
zich daar ophouden. Dat is het geval met de
eilanden in den Oost-Indischen Archipel, waar-
over de Nederlandsche heerschappij zich uitstrekt.
Dit onderscheid van benaming wordt echter niet
altijd in het oog gehouden.
De Bezittingen en Koloniën van Nederland
zijn afkomstig van de Oost- en West-Indische
-ocr page 234-
226
HANDELS-AARDRI.TKSKUNDE.
10° O.), terwijl de gemiddelde maandtemperaturen
schommelen tusschen 27" en 25° C. Hoewel de
jaargetijden in gemiddelde temperatuur weinig
velschillen, zijn de schommelingen in temperatuur
tusschen dag en nacht aanzienlijker. Evenwel
het zeeklimaat, dat op de eilanden van Neder-
landsch-Indië heerscht, vermindert ook deze
schommelingen in temperatuur.
De ligging in de tropische luchtstreek zou
zonder meer ten gevolge hebben, dat in Oost-
Indië de passaten heerschende winden waren.
Evenwel de invloed der beide vastelanden, van
Azië en van Nieuw-Holland heeft ten gevolge,
dat hier in een gedeelte des jaars de moessons
(zie pag. 6, 179) de overhand hebben. De moessons
zijn, zooals wij reeds zeiden, winden, welke
ontstaan uit het verschil van verwarming, die de
groote vastelanden en zeeën iu de afwisselende
jaargetijden ondervinden, en waardoor bij den
hoogsten zonnestand een luchtstroom van zee
naar land, en bij den laagsten zonnestand van
het land naar de zee ontstaat. Het vasteland
van Azië en van Australië doen nu ieder op hun
beurt moessons ontstaan, en Nederlandsch-Indië
ligt tusschen beide, zoodat het beurtelings ge-
deeltelijk onder den invloed van Azië en van
Australië komt. Wij moeten er hierbij dadelijk
de aandacht op vestigen, dat in de onderscheidene
gedeelten van Nederlandsch-Indië de windrichting
verschilt, al naarmate de plaatsen ten N. of ten
Z. van den evenaar liggen.
Bepalen wij ons thans tot de Java-zee. In
Januari en Februari waait hier een N.W. wind,
de West-moesson, gewoonlijk ook natte moesson
geheeten. De^ie ontstaat, doordien Nieuw-Holland
in dien tijd (onzon winter) sterk verwarmd wordt.
Hierdoor vormt zich boven het N. van Nieuw-
Holland een luchtdrukminimum, en de lucht,
die hier naar toestroomt, doet op de Java-Zee,
welke ten N.W. van Nieuw-Holland ligt, een
N.W. wind ontstaan.
Van Mei tot October is de windrichting hoofd-
zakelijk Z.O. tot O. In den tijd toch dat de
zon ten N. van den evenaar staat, ligt het gebied
der grootste verwarming met de luchtdrukminima
ten N. van den aequator. De Z.O. passaat kan
dan ten Z. van den aequator zich geregeld ont-
wikkelen, en op de Java-Zee waait in dien tijd
de Z.O. passaat, die nabij den aetjuator bijna
in een O. wind overgaat. Tegelijkertijd heerschen
rondom het vasteland van Zuid- en Oost-Azië
moessons, en de Z.O. passaat ten N. van den
aequator gaat onmerkbaar in deze moessons over.
Evenwel noemt men in Indië ook dien Z.O. wind
moesson, in overeenstemming met de gewoonte
op het vasteland van Voor-Indië. De overgangen
van den eenen moesson in den anderen heet
kentering] in dien tijd waaien er onregelmatige
winden en heerschen er windstilten.
Langs ~de kusten der groote eilanden worden
de moessons nog afgewisseld door land- en zee-
winden.
De eerste waaien bij nacht, en vormen
luchtstroomen van het land naar de zee. De
zeewinden waaien over dag (van des morgens
10 uur tot 6 uur), en voeren van de zeeën op
eenigen afstand van de kust een luchtstroom
naar het land. De zeewinden matigen de hitte
over dag zeer.
Met de moessons staat ook de regentijd in
verband. De Z. O. moesson (passaat) (in onzen
zomer waaiend) komt voor de Kleine Soenda-
eilanden en Oost-Java over Nieuw-Holland, en
is over \'t geheel een droge wind, vooral in de
Zuid-Oostelijke deelen van den Nederlandschen
Archipel. De N. W. wind (in onzen winter
waaiend), die lucht aanvoert, welke ten N. van
don equator over de Zuid-Chineesche zee komt,
is de regenwind of natte moesson voor de stre-
ken langs de Java-zee.
In overeenstemming met deze moessons on-
derscheidt men er dan ook twee jaargetijden:
dat van den Oost- en den Westmoesson.
Nedorlandsch-Indië heeft een zeeklimaat.
Hoewel het aantal regendagen er niet groot is,
(te Batavia 136, waarvan 81 tot het natte jaar-
getijde bohooren) is de hoeveelheid regen er
aanzienlijk. Te Batavia valt jaarlijks gemiddeld
2062 m.M. regen (in Nederland 600 a 800 m.M.),
en te Buitenzorg, dat hooger boven de zee ligt,
valt gemiddeld 4989 m.M.
§ 217. Planten. Het tropisch klimaat, ge-
paard aan den rijken neerslag en den over \'t
geheel vruchtbaren bodem, die van verschillende
gesteldheid is, heeft tengevolge, dat het planten-
leven zich hier met een grooten rijkdom van
vormen en soorten ontwikkeld heeft. De lage,
aangeslibde bodem met zware lagen losse ge-
steenten heeft een anderen plantengroei dan de
bergachtige streken. Hierdoor heeft de planten-
groei voor elk gedeelte iets eigenaardigs. Doch
in algeineeue trekken beschouwd kan men eenige
zelfstandige gebieden beschouwen met bijzon-
deren plantengroei.
Noord- en Midden-Sumatra hebben een plan-
tengroei, welke veel met het vasteland van
Achter-Indië overeenkomt, en die het Sumatra-
sche gebied
kan genoemd worden. Een tweede
plantengebied omvat Bomeo, een derde Celebes
en de Molukken. De Nieuw-Hollandsche flora,
die in den geheelen Archipel vertegenwoordigers
heeft, vindt men het meest op Timor, en verder
op Celebes en Borneo meer dan op Java. Java
en de Kleine Soenda-eilanden behooren tot een
plantengebied, dat men het Soenda-gebied kan
noemen, waartoe ook de Lampongsche districten
van Sumatra behooren. Het oostelijk gedeelte
van dit Soendagebied, ongeveer met de lijn
over de vulkanen de Merapi en Merbaboe op Java
als grens, staat klimatologisch onder den invloed
-ocr page 235-
227
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
van Nieuw-Holland. De Zuidoost-passaat, die
hoven de vlakten van Nieuw-Holland sterk ver-
warmd en zeer droog wordt, veroorzaakt op deze
eilanden veel droogte, die zich aan de nabijgelegen
eilanden mededeelt, maar geringer wordt, naar-
mate de passaat verder over zee waait. Hierdoor
heeft West-Java reeds een vochtig klimaat, dat
verder oostelijk droger wordt. Reeds ten O.
van den Diöng, een vulkaan op Java, is dit
verschil bemerkbaar, en de zandige bodem schijnt
hiermede in verband te staan. Over \'t geheel
is de plantengroei in het westelijk deel van den
Archipel weliger dan in het oostelijke: een ge-
volg van die meerdere vochtigheid. Een groot
gedeelte van den bodem in het westen is met
ondoordringbare tropische wouden bedekt. Deze
wouden der tropen, met een grooten rijkdom
aan soorten in een woesten chaos door elkander
groeiend, met hun lianen-, klim* en woekerplan-
ten, vormen een scherpe tegenstelling met de
bosschen onzer gematigde luchtstreek.
Eigenaardige boomen langs de moerassige,
aanslibbende kusten voorkomend zijn de rhizo-
phoren
of worlelboomen, met hun koepelvormige
kronen en met enkelvoudige, leerachtige bladeren
en korte stammen, die door hun talrijke wortels het
slib der zee opvangen. Reeds in de nabijheid
der zee doch op niet te lage streken vindt men
den kokoxpalm op vele plaatsen in groote bos-
schen vereenigd, een slanke boom, die zijn prach-
tige vedervormige bladerkroon trotsch boven de
lagere planten verheft, tot een hoogte van soms
75 voet. De niboengpalm, die men vooral op
Sumatra aantreft, vertoont hetzelfde uiterlijk.
De areka-, pinang- of betelf alm. een hooge, gladde
stam, welke zich lijnrecht verheft en in een vederbos
van lichtgroen gekleurde bladeren eindigt, vindt
men over geheel Indië, maar bovenal op Sumatra.
Deze palm levert een noot, die veel looistof
bevat, en bij het betelkauwen gebruikt wordt.
Een andere palmsoort is de areng- oï goemoetipalm,
die ook op hoogere streken gevonden wordt. De
sagopalm, die in verschillende gedeelten van Neder-
landsch-ïndië voorkomt, vindt men het best op
de Molukken. Van de waaierpalmen vindt men
de gebang vooral in het westen; de loiitar van
het oosten van Java komt ook in het O. van de
Kleine Soenda-eilanden veel voor. Nevens de
genoemde komen er nog vele palmensoorten in
den Indischen Archipel voor. Ook de rotting
behoort tot de palmen.
Eigenaardige boomen zijn de pandanen, die
op talrijke, den stam ondersteunende luchtwortels
rusten. Een tegenhanger van den rhizophoor en
den pandaan is de vijgenboom, en in het bijzonder
de toaringin. In de verte dien boom bemerkend,
waant men een grooten, met prachtig groen be-
dekten koepel te zien, door sierlijk loof bedekt,
die van naderbij beschouwd uit een boom bestaat.
In de binnenlanden vindt men op sommige
plaatsen onafzienbare velden, soms dagreizen
ver zich uitstrekkend, bedekt met een 3 a 4 voet
hoog groeiend gras, alang-alang geheeten, op
sommige plekken afgewisseld door boschjes van
nog hooger, soms 10 a 18 voet opgroeiend
riet, glagah geheeten. Die velden van alang-alang
zijn ware wildernissen; een eentonige, doffe,
zilverwitte kleur ligt over het harde, stijve gras
der alang-alang-velden uitgespreid, en een buiten-
gewone hitte, tot 38° C., kan hier somtijds
heerschen. De oerwouden der tropen, hoe moeilijk
door te trekken, zijn niet zoo zeer te vreezen
als deze afmattende graszee.
Als het ware een gordel om de oorspronkelijke
wouden vormend, vallen de door allerhande slin-
gerplanten tot een geheel vereenigde boschjes
in het oog, waarin de bamboe een hoofdrol speelt.
Geen plant misschien heeft een sierlijker voor-
komen dan deze, soms 70 voet hoog groeiende
en in stoelen opschietende rietsoort. Hoewel
tot de grassoorten behoorend, heeft deze plant
met haar soms 8 a 9 duim breede stengels
alleszins het uiterlijk van een boom. De bamboe
dient voor het bouwen van woningen en brug-
gen, voor omheiningen om erven, voor de ver-
vaardiging van allerlei huisraad enz., en is daar-
door voor de bewoners van veel belang.
Wij noemden eenige van de planten, die Indië\'s
bodem bedekken. Bij dien rijkdom der plantenwe-
reld kunnen wij niet verder stilstaan. Wij konden
slechts op enkele de aandacht vestigen. Thans wil-
len wij nog enkele planten noemen, die door de
cultures of den handel voor ons belang heb-
ben. Vele boomsoorten hebben beteekenis door
de melksappen of harsen. De gomelastiek komt
van een soort vijgeboom, en andere boomsoorten
leveren kamfer, getalt-penja, gomcopal enz. Andere
planten leveren min of meer kostbare oliën. Ook
aan kostbare houtsoorten is Indië rijk. Het
uitstekende djatti- of teakhout, dat vooral voor
den scheepsbouw gebruikt wordt, maar ook tot
andere doeleinden, als huisbouw, water- en spoor-
wegwerken en meubelen dienstig is, komt van
den djattiboom, die inheemsen is in Voor- en
Achter-Indië, in Oostelijk Java, Sumatra, Borneo
en in sommige andere streken van den Archipel.
De djattiboom, gedijt in alle gronden, zoowel
zandige als zware, maar eischt een uitstekende
afwatering en drogen ondergrond. In het wild
komt hij gezellig voor, en kan een zware boom
van 30—40 M. hoogte bij 40—100 c.M. stam-
dikte worden. De Djatti-bosschen op Java be-
slaan een oppervlakte van (5000 K.M2.; zij zijn
het meest uitgestrekt in de residentiën Rembang,
Madioen en Samarang. De bosschen worden,
wegens het groote belang dat zij hebben, van
rijkswege beheerd.
Verder noemen wij als belangrijk nog het
ijzerhout, waarmede men verschillende harde en
duurzame houtsoorten aanduidt, en het kostbare
-ocr page 236-
228
HANDELS-AAEDRTJKSKUNDE.
sandelhout, dat vooral van de Kleine Soenda-
eilaii\'len komt. De sapanheester levert een bruin-
achtig rood verf hout.
Van de cultuurgewassen in Nederlandsch
Indië zijn voor de inlanders bovenal van belang:
rijst, nia\'is (djagoeng of miloe genoemd), tarwe
en gierst, peulvruchten (katjang) en aardvruchten
(oebi). Tot de laatste behoort de maniok of
Javaansche cassave. Daarenboven zijn de bananen
of pisangs voor de inlanders van veel belang.
Een andere reeks van cultuurgewassen levert
de vezelstoffen. Hiertoe behooren: de katoen-
plant,
de kapokboom, de netelplanten, het jute-
vlas
enz.
§ 218. Dieren. In de tropische gewesten is de
beteekenis van het plantenrijk veel aanzienlijker
dan die der dieren. Daarom zullen wij hierover
kort zijn.
In het algemeen kan men zegden, dat de dieren
van Sumatra, Java en Borneo overeenkomen met
die van het, Z. O. van Azië, terwijl de dieren
van Nieuw-Guinea met de omliggende eilanden
een Australisch karakter bezitten. De Molukken,
do Kleine Soenda-eilanden, Celebes en de Pilip-
pijnen vormen een overgangsgebied.
De apen, welke in het W. veelvuldig voor-
komen, nemen naar het O. in getal en in hoeveelheid
soorten af. Op Borneo en Sumatra leeft nog de
oerang-oelang, een der merkwaardigste dieren. De
olifant komt voor op Sumatra en in het N.O. van
Borneo. Op Sumatra en Borneo vindt men tapirs, op
deze beide eilanden en op Java ook rhinocerossen.
Het kattengeslacht is in het W. door verscliil-
lende tijgersoorten vertegenwoordigd, als : konings-
tijgers, luipaarden, panters, tijgerkatten. Varkens
en herten zijn vrij algemeen in Indië verbreid.
Schajien en geiten zijn er niet inheemsch, en
evenmin de buffel (karbow), een der nuttigste
huisdieren, en het rund (sapi). Het wilde rund
(banteng) is er inheemsch. De paarden zijn in
Indië ingevoerd, en zijn er van groote waarde.
In de oostelijke helft van Indië komen de
groote dieren niet voor, maar zijn de buideldieren
eigenaardig.
De vogeienwereld is in Indië rijk aan allerlei
bont kleurige soorten. Men vindt er pauwen in
het W., papegaaien, paradijsvogels, kasuarissen en
loophoenders meer in het oostelijk deel, terwijl
duiven algemeen verbreid zijn. De salanganen
of klipzwaluwen bouwen hun eetbare vogelnestjes
in de kalkgrotten van Java.
§ 21!). De inlandsche bevolking van Neder-
landsch-Indië. De ingezetenen van Nederlandsch
Indië worden door de regeering onderscheiden als
Inlanders en Europeanen. Met de inlanders worden
gelijk gesteld de van elders afkomstige per-
sonen, voor zooverre zij Arabieren, Mooren, Chi-
neezen, Mohammedanen
of Heidenen zijn.
De eigenlijke inboorlingen van Nederlandsch
Indië werden langen tijd door de ethnografen
tot twee rassen gerekend: n.1. die der Maleiers
en der Papua\'s. De overeenkomst in de een-
voudigste woorden der taal, in zeden en gebruiken
heeft in den laatsten tijd onderscheidene ge-
leerden er toe gebracht om aan te nemen, dat deze
beide groepen oorspronkelijk eene eenheid vorm-
den, zoodat men in den verren voortijd één ras
moet aannemen, waaruit zoowel Maleiers als
Papua\'s zich ontwikkeld hebben. Door een
langdurige scheiding, welke over eeuwen loopt,
hebben beide groepen eigenaardigheden ontwik-
keld, welke ze als afzonderlijke groepen ken-
merken.
Dat oorspronkelijke ras wordt het Maleisch-
Po/gnesische ras
genoemd. Het stamland, waar
dit volk aanvankelijk gewoond heeft, en vanwaar
het zich over den Archipel en de Australische
eilanden verbreidde, is Anam, Kambodscha,
Cochin-China en de oostelijke kuststreken van
Achter-Indië. De tijd hunner verhuizing kan
niet veel vroeger dan een paar eeuwen vóór
Chr. gesteld worden.
Het, groote ras der Maleisch-Polynesische vol-
ken biedt in de onderscheidene deelen veel ver-
scheidenheid aan, die uit verschil van bodem,
lucht, levenswijze, bedrijf alsmede vreemde in-
vloeden enz. zijn ontstaan. Daardoor kan men
er thans vier hoofdtakken van onderscheiden:
I.    Het Maleische of Indonesische ras.
II.     Het Melanesische of Papuasche ras.
III.     Het Mikronesische ras.
IV.     Het Polynesische ras.
Tot het Maleische ras behoort de westelijke
bevolking van den Indischen Archipel, meer
bepaald die van de Groote Soenda-eilanden, de
Kleine Soenda-eilanden tot en met West-Flores,
benevens Savoe. Ook de bewoners der Philip-
p/j\'nen
en van Madagaskar moeten hiertoe ge-
rekend worden.
Tot het Melanesische of Papuasche ras
behoort do bevolking van Nienw-Guinea, die der
eilanden tusschen Nieuw-Guinea en Celebes, de
Molukken, de overige Kleine Soenda-eilanden,
Midden
en West-Flores, Thnor, Rotti, de Zuid-
wesler-
en Zuid-ooster-eilanden, benevens de be-
volking van de eilanden, die wij reeds als Mela-
nesie aanduidden (zie pag. 206).
Mikronesiërs en Polynesiërs komen niet in
Nederlandsch Indië voor, en blijven hier dus
buiten bespreking.
In het uiterlijk en in karakter bestaat er
duidelijk verschil tusschen de beide rassen van
den Ned. Archipel. De Maleier is kort van
gestalte, bruin van kleur, sluik van haar, baarde-
loos van gezicht, glad van huid, en de Papua
is grooter, donker roetkleurig, kroesharig, gebaard
en behaard. De Maleier heeft een breed gelaat,
-ocr page 237-
229
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
Chineezen (van Hakka = familie van gasten of
emigranten), die beide in Noord-China te huis
behooren. De Hakka\'s zijn bij voorkeur mijn-
werkers, de Hokla\'s landbouwers.
De Chineezen zijn in de industrie de gevaar-
lijkste concurrenten van de Inlanders, en zelfs
kunnen zij in dit opzicht en ook in den groot-
handel met de Europeanen wedijveren. Op Java
is de kleinhandel voor het grootste gedeelte in
hunne handen. Enkele handwerken worden uit-
sluitend door hen uitgeoefend. Als klein-hande-
laars zijn zij in vele streken onmisbaar geworden ;
de klontong of Chineesche venter, die allerlei
voorwerpen aan de huizen te koop aanbiedt, is
een welkome verschijning voor de Europeesche
huismoeders, die hierbij goedkooper terecht
kunnen dan in de toko\'s.
Als landbouwers zijn de Chineezen de grootste
concurrenten der Europeanen. Van de particuliere
landerijen zijn er 50 pet. in hunne handen. Als
fabrikanten leveren zij suiker, olie, wijnen en
bieren. Zij treden uitsluitend op als pachters
van het gouvernement in zake de opium. De zoo-
genaamde „kleine verpachte middelen", als be-
lastingen op veeren, overhalen, dobbelspelen,
wajangvertooningen, pandhuizen, het slachten
van buffels, paarden enz., zijn meest in hun
handen. Bij aannemingen van bouw- en aarde-
werken, en bij leveranties aan leger, vloot enz.
doen zij mede. Transporten van zout, koffie en
geld worden gewoonlijk door Chineezen bezorgd.
Overal kan men Chineezen vinden als kassiers,
bedienden, timmerlieden, metselaars, ververs,
kuipers, meubelmakers, enz. enz. Niets is hun
te groot of te gering.
II.    Arabieren. Op de Chineezen volgen de
Arabieren in aantal van de Vreemde Oosterlingen.
In 1892 werden 14703 Arabieren op Java en
Madoera, en in \'t geheel 22133 Arabieren in
Nederl. Indië geteld. Voor een gedeelte zijn
deze Arabieren in Indië geboren, en voor zoo
verre zij uit Arabië geboortig zijn, komen zij
bijna zonder uitzondering uit Hadramaut (de
Zuidkust van Arabië). Ook zij huwen meest met
inlandsche vrouwen, en zijn veel meer dan de
Chineezen met de Inlanders verwant. Door hun
kleeding onderscheiden zij zich echter van hen.
Vooral leggen de Arabieren zich op den handel
toe, en zijn de tusschenpersonen tusschen den
groothandel en de gebruikers.
III.  Indo-Europeanen. De afstammelingen van
een Europeeschen vader en een Inlandsche moe-
der worden dikwijls sinjo\'s genoemd. Als dezen
buiten huwelijk geboren zijn, vormen zij meestal
beklagenswaardige elementen der maatschappij,
wijl zij maar al te dikwijls de gebreken van beide
rassen hebben aangenomen. Met hen, die uit een
wettig huwelijk geboren zijn, en naar Europeesche
zeden zijn opgevoed, is dit natuurlijk anders.
een kleinen neus en platte wenkbrauwen; de
Papua heeft een lang gezicht, een grooten,
vooruitstekenden neus en uitpuilende wenk-
brauwen. De Maleier is schroomvallig, koel,
ingetogen, rustig; de Papua is boud, onstuimig,
prikkelbaar en luidruchtig; de Maleier is stil
en lacht zelden; de Papua is vroolijk en lacht
veel; de een verbergt zijn aandoeningen en de
ander spreidt ze ten toon.
De Maleiers zijn het meest beschaafd, wat een
gevolg is van hun geschiedenis en de aanraking
met de Europeanen. Wij mogen echter bij de
inlanders niet langer stilstaan.
§ 220. Met Inlanders gelijk gestelden.
I. Chineezen.
Tot de met inlanders gelijk ge-
stelden of vreemde oosterlingen worden ook de
Chineezen gerekend. Het aantal Chineezen in
Nederlandsch Indië is zeer aanzienlijk en overtreft
dat der andere vreemde Oosterlingen. Op Java
en Madoera bedroeg hun aantal in 1892: 243486,
en in de verdere gedeelten 207347, zoodat het
totaal aantal Chineezen in 1892 bedroeg: 450833.
De overbevolking, welke in China heerscht,
is oorzaak van een sterke emigratie uit dit land.
Niet alleen in vroeger tijd maar ook tegen-
woordig nog verlaten duizenden Chineezen hun
vaderland, om in Indië, Australië, Amerika of
elders eenigen tijd verblijf te houden en geld
te verdienen, ten einde daarna terug te keeren,
of om er voor goed te blijven.
Jaarlijks komen nog vele emigranten uit China
in Indië aan. Evenwel wordt de snelle toeneming
der Chineezen belemmerd door het verbod van
emigratie der vrouwen, alsmede door het repa-
trieeren van velen, die de gewonnen rijkdommen
in hun vaderland willen verteren. Daar er geen
Chineesche vrouwen in Indië komen, huwen vele
Chineezen met inlandsche vrouwen. Het aantal
der hieruic geboren half bloed-Chineezen, perïl-
nakan-Chineezen
of lao-kce (= oudgast) geheeten,
[in tegenstelling met de rechtstreeksch uit China
aangekoinenen, die den naam sinkee (= nieuw gast)
of kortweg kee ontvangen], is dan ook groot.
De pèranakan-Chineezen worden op Chineesche
wijze opgevoed; zij volgen den godsdienst en
de kleeding huns vaders. Echter meent men,
dat zij minder energie bezitten dan de echte
Chineezen, en ook hunne deugden nog missen.
In Indië zijn de Chineezen nog veelal verplicht
in afzonderlijke wijken te wonen.
De Chineezen in Nederlandsch Indië zijn niet
uit dezelfde gedeelten van China afkomstig.
De Java-Chineezen komen meest uit het zuidelijk
gedeelte der provincie Foekhiën, met de stad
Amoy als hoofdplaats. Om die reden heeten
de Java-Chineezen ook wel Foekhi\'êneezen of
Amoy-Chineezen. De immigranten op West-
Borneo, Banka, Billiton en Deli zijn öf Hoklo-
Chineezen
(naar de provincie Hokkiën), öf Hakka-
-ocr page 238-
230
HANDELS-AARDRI.TKSKUNDE.
§ 221. Bestuur. De regeering der O.-I Bezittin-
gen wordt in naam des konings uitgeoefend door
den Gouverneur-Generaal. De Raad van Ned.
Indië,
die bestaat uit den Gouv.-Gen. als voor-
zitter, een ondervoorzitter en vier leden, staat
den G.-Gen. als raadgevend en voorlichtend
lichaam ter zijde. Al dezen worden benoemd
door den koning. De groote takken van alge-
meen bestuur worden onder den Gouverneur-
Generaal beheerd door directeuren, wier getal,
werkkring en bevoegdheid door den koning ge-
regeld worden. Deze directeuren hebben een
taak, welke met die der ministers in Nederland
overeenkomt.
Het grondgebied in Nederlandsch-Indië is
verdeeld in Gewesten, wier grootte en hoeveeU
heid door den Koning bepaald worden. Aan
het hoofd der Gewesten staan Europeesche amhte-
naren (Residenten, Gouverneurs). De gewesten
worden door den Gouverneur-Generaal verdeeld
in Afdeelingen of Regentschappen, en deze kunnen
door hem gesplitst worden in Districten.
In de onderscheideue deelen van Ned. Indië
wordt het gezag uitgeoefend door Gouverneurs,
Residenten
en Assistent-Residenten, allen Neder-
landsche ambtenaren. Zij oefenen het burgerlijk
gezag in den uitgestrekten zin des woords uit.
Aan hen is opgedragen: de zorg voor de open-
bare werken, voor de inning der inkomsten, voor
landbouw en nijverheid, in zoo verre de staat
daarbij direct belang heeft, de handhaving der
politie, de rechtspraak in vele burgerlijke zaken en
in strafzaken tusschen inlanders, enz. De inning
der landelijke inkomsten is, onder het toezicht
der residenten, aan controleurs opgedragen.
De inlandsche bevolking staat niet onmiddellijk
onder de Nederlandsche ambtenaren. Het is
een hoofdbeginsel van ons koloniaal bestuur,
de inlanders zooveel mogelijk onder de onmid-
dellijke leiding van hun eigene hoofden te laten.
Voor die hoofden koestert de inlander eerbied
en ontzag. Daarom is iedere residentie verdeeld
in afdeelingen, aan wier hoofd een inlandsch
districtshoofd staat. Regenten of l)istiictshoof-
den onder anderen titel worden op voordracht
der Residenten en Assistent-residenten door den
Gouverneur-Generaal benoemd. De Dessa- of
Gemeentehoofden worden door de bevolking zelve
gekozen, en door den Resident of Assistent-
Resident bevestigd. Die inlandsche hoofden
voeren verschillende bestuursmaatregelen op last
der Nederlandsche ambtenaren uit, en lichten
het Nederlandsen bestuur voor omtrent de wen-
schen der bevolking. In Soerakarta en Djokjo-
karta
staat de inlandsche bevolking geheel onder
het gezag van hun eigen vorsten, die aan de
Nederlandsche regeering leenroerig zijn. Men
noemt dit de Vorstenlanden.
§ 222. Grondbezit en grondgebruik. In Neder-
landsch-Indië beschouwt de Inlander den grond
als het eigendom van den Souverein, d. i. hier
het Nederlandsche Gouvernement. De Souverein
nu geeft zijn onderdanen gelegenheid grond te
ontginnen en te bebouwen tot eigen voordeel,
doch behoudt hierbij het recht op een deel der
opbrengst. Ons Gouvernement ontvangt zijn
deel door het heffen van belastingen in geld en
in arbeid.
Waar geheele dessa\'s gemeenschappelijk grond
ontginnen, wordt men gemeenschappelijk eigenaar
van den grond. Dit is het communaal bezit.
Aan elk der dessa-bewoners wordt door het
dorpsbestuur dan een deel toegewezen. Na zekere
tijden, hier per jaar, elders om de 2, 5 of meer
jaren, wordt deze toewijzing herzien of de be-
staande toestand gecontinueerd, indien de gebrui-
ker in staat blijkt zijn aandeel te bewerken en
de daarop rustende lasten te dragen. Dit ont-
ginnen in gemeenschap komt o.a. voor op Oost-
Java onder de inlandsche christenen.
Ook een enkel persoon, mits inlander, kan
grond ter ontginning verkrijgen. Hoewel op
deze gronden een belasting in geld of natura
rust, mag een individueel bezitter zijn grond
verhuren aan wien en zoo lang hij wil; ook
mag hij, mits aan inlanders, zijn recht op den
grond verkoopen. Zulk een individueel bezitter
kan van het Gouvernement kosteloos een eigen-
doms-titel bekomen. Vooral in de Soenda-
eilanden vindt men dat individueel bezit.
Ter bevordering van den landbouw in Ned.-
Indië heeft de Gouverneur-Generaal de bevoegd-
heid om aan ingezetenen van Nederland en van
Nederl.-Indië gronden, die ter beschikking der
regeering staan, in erfpacht uit te geven, op zijn
hoogst voor 75 jaren. Daartoe mag de regeering
geen gebruik maken van gronden, die indivi-
dueel eigendom geworden zijn van inlanders;
evenmin van die gronden, welke collectief eigen-
dom zijn van de gemeenten. Ter eerbiediging
van dit gemeentelijk grondbezit moet door den
Gouverneur-Generaal een beschrijving worden
gemaakt van de aan elke gemeente toebehoorende
gronden.
Verder vindt men er nog zoogenaamde „parti-
culiere landerijen". Dit zijn gronden, welke
I door schenking of aankoop het eigendom zijn
geworden van particulieren. Omstreeks het mid-
den der 17de eeuw begon men in de ommelanden
van Batavia met den verkoop van gronden, en
men ging daarmede voort al naar de geldnood
grooter was, totdat onder het Engelsch tusschen-
bestuur geheel de residentie Batavia, het weste-
lijk deel van Bantam, een deel van Krawang,
de Rrcanger Regentschappen, Tjeribon, Tegal,
Semarang, Japara, Soerabaja, Pasoeroean, Pro-
bolingo, Bezoeki en Celebes verkocht was. Wel
werd later een aanzienlijk deel weder ingekocht
door hei Gouvernement, maar toch bleven nog
-ocr page 239-
231
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
In den regel is de gagabouw op Java dan ook
de voorbereiding om een stuk woesten grond
in een sawah te veranderen, tenzij het terrein
slechts het aanleggen van tegals toelaat. Op
Java wordt de irrigatie van gouverneinentswege
bevorderd, om deu sawah-rijstbouw uit te breiden.
Eigenaardig zijn de soebaks op Bali, waaronder
men instellingen verstaat, die eenigszins met
onze waterschappen overeenkomen. De soebaks
vormen eene vereeniging van velden, die hun
irrigatie-water uit dezelfde hoofd-leiding ont-
vangen, en die dus dezelfde waterbelangen hebben.
Zij bezitten een eigen bestuur, dat onafhankelijk
is van het districts- en dorpsbestuur.
De rijst heeft niet den geheelen duur van het
jaar noodig om te rijpen. Als de rijstoogst is
afgeloopen, kan het veld nog gebruikt worden,
om de „palawida" aan te kwecken, die, daar zij
dan na de rijst worden geplant, gewoonlijk
„tweede gewassen" worden genoemd. Tot die
tweede gewassen behooren maïs, peulvruchten
en verschillende voedingsgewassen, suikerriet
voor inlandsch gebruik, tabak, indigo en kapas,
eveneens voor eijren gebruik der inlanders geteeld.
Verreweg de meeste rijst wordt op Java ge-
bruikt; de van hier uitgevoerde rijst wordt hoofd-
zakelijk van particuliere landerijen verkregen.
Daarenboven wordt een groote hoeveelheid rijst
naar Java van elders aangevoerd. De Buiten-
bezittingen behoeven ook meest rijst van elders,
en van enkele slechts wordt rijst uitgevoerd.
In de Molukken wordt de plaats der rijst in-
genomen door de veel minder voedzame sago,
die van den sagopalm verkregen wordt.
II. Koffie. Een der belangrijkste produkten
van Indië voor de Europeesche markt is de
koffie. Van de vroeger zoo talrijke gouvernements-
cultures, die door gedwongen arbeid der Inland-
sche bevolking gedreven werden, is thans alleen
de koffie-cultuur nog overgebleven. Hoewel ook
tal van particulieren zich met de vrije teelt van
koffie bezighouden, is de Gouveruements-koffi.e-
cultuur, althans op Java, nog altijd de meest
beteekenende, en zijn ook de belangen der In-
landers hierbij in hooge mate betrokken.
De koffieheester is een plant van 3—6 M.,
soms 10 M. hoog. De witte bloesems, die in
bundels of kransen van 4—16 stuks in de oksels
der bladeren voorkomen, springen in één nacht
open, en bloeien op zijn hoogst twee etmalen.
Driemalen des jaars kan in een koffietuin het
bloeien worden waargenomen, wat evenwel ge-
leidelijk ineenloopt, zoodat eenzelfde heester
gelijktijdig zoowel knoppen en bloesems als
vruchten vertoont.
De cultuur der koffie gaat niet tot grooter
hoogte dan 1600 M.; in Indië vindt men ze enkel
tusschen 250—1500 M. De zoogenaamde Liberia-
koffie,; welker aanplant men in Suriname be-
altijd groote bezittingen het eigendom van par-
ticulieren, vooral van Chineezen. Dit zijn de
particuliere landerijen. Thans is den Gouverneur-
Generaal de verkoop van gronden verboden.
§ 223. Cultuurprodukten voor de Euro-
peesche markt. Landbouw en Nijverheid.
I. Hijst.
De landbouw is voor de bevolking
van den Indischen Archipel de hoofdbron van
bestaan. De vruchtbaarheid van den bodem
voor groote uitgestrektheden, de hooge tempera-
tuur, en de vochtigheid met den west-moesson,
werken den landbouw ten zeerste in de hand.
Onder normale omstandigheden geeft de west-
moesson overvloed van regen, de oost-moesson
daarentegen droogte. Hierdoor is de cultuur
van éénjarige planten niet denkbaar, tenzij men
zijn akkers kunne besproeien.. In den regentijd
kan evenwel de overvloedige regenval vernieti-
ging van de jeugdige gewassen ten gevolge
hebben. Door deze omstandigheden is de teelt
van rijst vóór alles door de natuur aangewezen.
Onder de voedingsmiddelen van den inlander
staat de rijst dan ook bovenaan. De superieure
rijstsoorten eischen tot hare goede ontwikkeling
veel water; zij zijn ware slvjkplanten en kunnen
daarom in tropische landen, als men over be-
vloeiingsmiddelen beschikt, hot geheele jaar door
verbouwd worden.
De rijstplant wordt op verschillende wijzen
aangekweekt, deels afhankelijk van de gesteld-
heid van den bodem, gedeeltelijk van de ont-
wikkeling des landbouwers, zoodat men in zeker
opzicht den rijstbouw den meter van de beschaving
in Indië kan noemen. De hoogste trap van de
rijstcultuur zijn de sa/rah\'s, d. i. de kunstmatig be-
sproeide of natte rijstvelden. De landen worden
hierbij eenigszins glooiend gemaakt, en men
kiest daarvoor veelal de hellingen der bergen,
om sawah\'s aan te leggen. Ook heeft men sawah\'s,
die van den regen afhankelijk zijn, en moeras-
saivah\'s.
De verbouw van rijst op tegals of droge
gronden, waarbij de bodem niet besproeid wordt
(men vindt die enkel op Java), staat verre achter
bij dien op de sawahs. Verder wordt er nog rijst
verbouwd in de bosschen op het gebergte, die
gekapt of verbrand worden; men noemt dit de
gaga\'s. Deze gaga- of oemabotiw is een roofbouw,
waarbij na verloop van weinige jaren de gronden
verlaten worden, terwijl men elders weer het
bosch of de wildernis kapt en verbrandt, oin
hier den rijstbouw voort te zetten. De ver-
laten bodem is reeds na een paar jaren met
alang-alang en andere snelgroeiende planten be-
dekt, en geheel een wildernis. De gagabouw
wordt op bijna alle eilanden van den Archipel
teruggevonden, en is zelfs bij vele halfwilde
stammen de eenig gebruikelijke manier om rijst
te kweeken. De gagabouw wordt op Java zoo-
veel mogelijk door het gouvernement tegengegaan.
-ocr page 240-
232
HANDKLS-AARDRIJKSKUNDE.
proefde, groeit bij voorkeur in lage streken.
Lang heeft men Arabië voor het eigenlijke
vaderland der koffieplant aangezien. Toch trof
men die plant er nooit in het wild aan; maar
moet het gebruik van koffie sinds meer dan vijf
eeuwen te Mokka bekend geweest en van daar of uit
Perzië over Egypte naar Konstantinopel verbreid
zijn. Reeds in het begin der zeventiende eeuw
was Mokka als koffiemarkt en uitvoerhaven vor-
maard, en de Arabieren handhaafden hun naam
als fijnproevers en kweekers van het edelst
produkt, dat nog tegenwoordig dikwijls als
Mokka wordt aangeduidt. Echter er bestaat
geen twijfel aan, of het moederland der koffie
moet in Afrika gezocht worden, en wel in de
hooglanden van Kaffa, het zuidelijk gedeelte van
Abessinië, het Aethiopië der ouden.
Van Abessinië is de koffie waarschijnlijk over-
gebracht naar Perzië en van hier heeft zij zich
verbreid naar Arabië en Voor-Indië. In 1614
knoopten de Hollanders handelsbetrekkingen aan
met Aden, en twee jaren later maakte Pieter
van den Broecke in de havenstad Mokka kennis
met de koffie. Deze valt als de grondlegger van den
Nederlandschen koffiehandel te beschouwen. Om-
streeks het jaar 1696 zond Adriaan Van Ommen,
kommandeur van Malabar, koffieplantjes naarJava,
en hiermede was, zeer zeker op aandringen van
Nicolaas Witsen, burgemeester van Amsterdam
en mede bewindvoerder der Oost-Indische Com-
pagnie, de invoering der koffiecultuur in onze
Oost-Indische Bezittingen beslist. Wel gingen
de eerste planten op het landgoed Kedawoeng
bij Batavia door een overstrooming te niet, maar
in het begin van de zeventiende eeuw werden
door den Gouverneur-Generaal Hendrik Zwaarde-
kroon (1718—1725) opnieuw koffieplanten uit
Malabar aangevoerd, en thans was inen geluk-
kiger. In het jaar 1706 kon de Indische Regee-
ring reeds een proefje van de in de omstreken
van Batavia gekweekte koffie naar Nederland
zenden, vergezeld van een koffieplantje. En aan
dat plantje, in den Amsterdamschen Hortus met
zorg gekweekt en vermenigvuldigd, danken West-
Indië en Zuid-Amerika hun rijkdom door de
koffie-cultuur. Afstammelingen van dat plantje
werden in 1719 naar Suriname gezonden, en
van een exemplaar, in 1713 aan Lodewijk XIV
geschonken, vonden de te Parijs gewonnen
plantjes hun weg naar Martinique. In 1711
werd het eerste produkt der Java-koffie voor
den handel naar Nederland verzonden, in \'t geheel
894 pond.
Tot 1663 bleef het aandeel van den Neder-
landschen handel in koffie beperkt tot de Azia-
tische wateren. Venetië handhaafde het monopolie
nog in het westen. In het jaar 1663 ving de invoer
van koffie te Amsterdam aan, en sedert het begin
van de 18Je eeuw haalde men dit artikel niet
meer alleen uit Mokka, maar ook van de kust
van Malabar. Sedert 1730 voorzag de Oost-
Indische Compagnie zich reeds alleen van Java-
koffie. Tegenwoordig is de koffiecultuur schier
over alle tropische en eenige subtropische landen
verbreid. Men noemt de koffie-soorten naar de
plaatsen van herkomst, en spreekt van Java,
Santos, Rio enz. in plaats van Java-koffie, enz.
Als hoofdmarkten voor de koffie gelden, bui-
ten Nederland : Londen, Hiivre, Marseille, Bor-
deaux, Hamburg, Triest en Antwerpen in Europa
en New-York, Boston, Baltimore, Philadelphia,
Mobile en Nieuw-Orleans in Noord-Amerika. De
koffie uit Nederlandsch Oost-Indië vindt voor
verreweg het grootste gedeelte nog den weg
naar Nederland. Van Sumatra gaat schier de
geheele gouvernementsoogst en een deel van de
particuliere oogsten rechtstreeks naar Noord-
Amerika. Rio-koffie komt in Nederland nagenoeg
niet ter markt. Ook Bahia-koffie komt hier
weinig aan. Echter de aanvoeren uit Santos
nemen toe. De productie van Suriname, eertijds
aanzienlijk, verloor in den loop dezer eeuw haar
beteekenis. Zij beloolt zich te herstellen, nu
men zich met kracht op de teelt van Liberia-
koffie toelegt.
In Nederland geeft men de voorkeur aan Java-
koffie. Doch daar deze hoogerprijsheeftdan Santos-
koffie (uit Brazilië), en de laatste vrij goed is, wordt
hier tegenwoordig meer Santos, alsmede Midden-
Amerikaansche soorten gebruikt dan Java-koffie.
Duitichland vraagt Santos- of Midden-Ameri-
kaansche-, doch met voorliefde Java-koffie; Italië
en Ziritserland gebruiken naast genoemde soorten
ook Rio; Frankrijk vraagt Santos- en Midden-
Amerikaansche, België Santos en Haïti; Noord-
Amerika
koopt Rio- en Santos-, en verder Padang-
koffie direct uit Sumatra, alsmede Java-koffie uit
Nederland.
De koffie-cultuur is de eenige van de vroeger
zoo talrijke Gouvernements-cultures, welke nog
gedeeltelijk door den gedwongen arbeid der
inlandsche bevolking wordt gedreven. Alle andere
cultures zijn aan het vrije initiatief van onder-
nemers en bevolking overgelaten. En hoewel
ook tal van particulieren zich met de vrije teelt
der koffie bezighouden, is de Gouverneinents-
koffiecultuur, althans op Java, nog altijd de
meest beteekenende, en zijn de belangen der
Inlanders hierbij in hooge mate betrokken. Naast
de Gouvernements-cultuur heeft ook de parti-
culiere landbouw bij de koffie-cultuur in Ned.-
Indië groot belang.
De Gouvernements-kofHetuinen op Java gaan
helaas achteruit. De opbrengst, die van 1848—
1851 op 838164 pikol gerekend werd, was van
1883—1887 tot 656596 pikols gedaald1). In
Passoeroean, Probolinggo en Tegal is de produktie
1) De productie der Vorstenlanden, van Beuibang en
Bnitenzorg niet medegerekeud.
-ocr page 241-
233
HANDELS-AARDRT.TKSKUNDE.
Java is enkel rietsuiker. In de laatste jaren
is deze nijverheid met groote nadeelen bedreigd.
De rietsuiker toch vindt in Europa een machtige
concurrent in de beetwortel-suiker, welke, hetzij
direct door uitvoerpremie, of indirect door eigen-
aardige inrichting der suikeraccijns, beschermd
wordt. Daarbij komen de lage suikerprijzen
van de laatste jaren.
IV. Tabak. De tabaksteelt behoort tot de meest
geliefde cultures op Java en Smnatra. Na de
invoering van het Cultuurstelsel werd de tabak
als gedwongen cultuur door het Gouvernement
ingevoerd. Evenwel niet zonder groote teleur-
stelling. Na 1860 was do tabaksteelt in Indie
dan ook geheel aan de particuliere nijverheid
overgelaten. Op Java wordt vooral in de resi-
dentiën Bezoeki en Probolinggo de tabaksteelt
voor de Europeesche markt uitgeoefend.
Belangrijker dan op Java is de tabaksteelt op
Sumatra\'s Oostkust, en wel bovenal in het land-
schap Deli. Do tabak, die de inlandsche bevol-
king van Deli produceerde, trok omstreeks 1862
de aandacht van de Europeesche ondernemers.
De sultan van dit Rijk maakte den tëuropeanen
het verkrijgen van gronden zeer gemakkelijk.
Pachtsommen werden niet geheven, een goed
jachtgeweer was, om zoo te zeggen, een prijs
voor een tamelijk uitgetrekt stuk grond8. En
toen het bleek, dat de hier gewassen tabak voor
dekblad een uitmuntende qualiteit bezat, kwamen
er steeds nieuwe ondernemers bij. In 1871
begonnen de vorsten grondhuur te heffen, doch
dit schrikte de ondernemers niet af. En hoewel
de planters aanvankelijk met moèielijkheden
hadden te strijden, de goede qualiteit deed de
winsten sterk toenemen, en verschafte de Sumatra-
tabak een eerste plaats.
In 1870 werd te Amsterdam de Deli-Maat-
schappij opgericht, vooral door den invloed der
Handelmaatschappij. Deze tabakmaatschappij
kwam weldra tot buitengewonen bloei. Doordien
voorspoed aangelokt kwamen er spoedig vele
maatschappijen bij, doch geenszins deelden zij alle
in dien voorspoed. Sommige gingen zelfs geheel
te gronde. Van de 277 landbouw-ondernemingen
op de Oostkust waren in 1890 niet meer dan
de helft werkzaam. In 1891 werkten nog 170
ondernemingen, in 1892 niet meer dan 135. Zij
waren als volgt verspreid.
"vooruitgegaan en is de Preanger stationnair ge-
bleven, zoodat de opbrengst voor de overige
gewesten op 57 pet. moet gesteld worden. Voor
een gedeelte ligt de oorzaak in de koffieblad-
ziekte, voor een ander gedeelte in de uitputting
van de goede gronden. Ook op Sumatra\'s West-
kust is de opbrengst der Gouvernementskoffie-
oultuur niet bevredigend. De Sumatra-koffie,
door het Gouvernement verkregen, wordt niet
naar Nederland gezonden, maar te Padang ge-
veild. In de Minehassa levert de gedwongen
koffie-Cultuur zulke groote bezwaren op, dat
ernstig overwogen wordt, of\'zij niet moet worden
opgeheven, en voor 1893—94 geheele vrijstelling
van bijplant aan de bevolking is verleend. Op
Benkoelen, Palembang, Zuid-Celebes en Bali is
de vrije cultuur van veel beteekenis.
III. Suiker. De suiker-industrie voor de wereld-
markt, welke in Indië alleen op Java\' gevonden
wordt, dagteekent van het begin der 17de eeuw.
In dien tijd, en misschien reeds vroeger, werd
zij uitsluitend in de omstreken van Batavia
gevonden, vooral voor eigen gebruik. Sedert
breidde de suikerindustrie zich uit naar oost
en west. De Chineezen waren het bovenal, die
zich op dezen tak van nijverheid toelegden.
De eigenlijke bloeitijd der suikernijverheid
brak aan met de invoering van het Cultuur-
stelsel in 1830. Evenwel door deze dwangcultuur
werden de voordeelen der schatkist beoogd,
doch de belangen der inlandsche bevolking veel
verwaarloosd. De gedwongen suikercultuur had
rekening te houden met drie partyen: het gou-
vernement, den contractant, en de bevolking.
De geheele geschiedenis der gedwongen suiker-
cultuur is een doorloopend wanhopig streven
geweest, om tusschen die verschillende belangen
overeenstemming te brengen. Hierbij vei keerde
het volk in de slechtste omstandigheden. Na
vele pogingen om. verbetering hierin aan te
brengen, is in 1890 de Gouvernements- en ge-
dwongen suikercultuur geheel opgeheven. Hier-
door bestaat er tegenwoordig enkel vrije, par-
ticuliere suikercultuur. Deze berust grootendeels
op vrije contracten met de bevolking gesloten.
Een 147tal fabrieken werkt op die wijze, en in
1892 werd door de 145 ondernemingen, die op-
gaven verstrekten, over 67087 bouws beschikt,
welke 5C1878G pikols opleverden. De suiker van
Am t:il onder» « • *
Beplante onpL\'r-
lieliiur.icn \\v:i:ir ui \' , ,\'
18»° tabak l**» "} , "mws
nooirt werd I m:" "*"»«»B-
Vcrkre^\'
ductiu v
in |
mi pro-
iii tabuk
ikols.
/ Rijk van Deli.....
n .. 1 Padang en Bedagei. . .
Uel1 j Rijk van Langkat . . .
f Rijk van Serdang . . .
49
10
32
20
7
14
3
12 375
1394
6 434
2 678
554
2 492
288
102 539
9 255
50 374
24 457
4 750
Laboean Batoe .
15 669
2178
Totaal . .
135
26 215
209 222 of
26 152 750 Ams
pond.
-ocr page 242-
234
HANDELS-AARDHIJKSKUNDE.
In de residentie Palembang schijnt de grond
voor tabak niet geschikt. In de Wester-Afdeeling
en Z.- en O.-afdeeling van Borneo en in de
Minehassa zijn ondernemingen gevestigd, die
echter nog niet tot grooten bloei zijn gekomen.
V.    De thee. Tot voor vijftig jaren ongeveer
voorzag China de wereld van thee en nog tegen-
woord ig is de thee-productie van China het
belangrijkst, en overtreft zij die van alle landen
tezamen. De thee is in China met recht een
volkscultuur (zie pag. 130). Het is niet alleen
gebleken, hoe gemakkelijk de theeplant valt te
acclimatiseeren, maar dat zij ook op zeer ver-
schillende grondsoorten kan groeien. Zij doorstaat
strenge winters, mits zij daarnevens een zomer kan
genieten, die warm genoeg is en lang genoeg
duurt tot de ontwikkeling van haar groen.
Hierdoor kan de theestruik een aanzienlijke
verbreiding erlangen.
In het jaar 1826 zond Dr. von Siebold eenige
theepitten van Decima naar Java; het jaar daarop
had men er in den tuin te Buitenzorg reeds
800 planten van gewonnen, en aan een paar
deskundige Chineezen kon de cultuur en be-
reiding worden toevertrouwd. Hoewel niet zon-
der kostbare proefnemingen en herhaalde teleur-
stellingen, verbreidde men de cultuur al spoedig
in 13 gewesten van Java. Tot dit doel werden
nog zaden uit China ontboden. Tot 1842 bleef
de theecultuur uitsluitend in handen van het
Gouvernement. In 1842 trok men de theecultuur
in voor alle gewesten, buiten Bagalen, Tjeribon
en de Preanger, en werden contracten met par-
ticuliere personen voor de exploitatie der tuinen
gesloten. En toen deze contracten waren afge-
loopen, zijn zij niet weer vernieuwd, zoodat de
thee-cultuur hoofdzakelijk aan het vrije initia-
tief is overgelaten.
Van de theecultuur wordt werk gemaakt be-
halve op Tjikandie Oedik (Bantam), waar de
aanplantingen een lOOtal bouws beslaan, op 18
landerijen in de residentie Batavia, op welke in
het geheel 4795 bouws met thee zijn beplant.
VI.   De kina. Een hoogst belangrijke cultuur is
nog altijd de teelt van den kinaboom, hoewel
door de daling der prijzen van de kinine er
niet die voordeelen van worden verkregen, waarop
men een 20tal jaren geleden hoopte. De in-
voering van den kinaboom in Indië is nog van
jonge dagteekening. De vrees, die men koesterde,
dat de kinaboom in Zuid-Amerika door ruwe
exploitatie geheel zou vernield worden, was
aanleiding om den boom naar Java over te
brengen. De heer Hasskarl werd in 1852 belast
eenige planten uit Amerika naar Java over te
brengen, en met groote bekwaamheid en niet
/.einder gevaar volbracht hij dien last. De eerste
planten werden op Java in den grond gebracht
te Tjibodas, 1430 meters boven de zee. Daar
de ligging van Tjibodas minder geschikt was
voor deze teelt, werd door toedoen van Junghun
de teelt op groote schaal voortgezet in de
Preanger op de hellingen van den Malabar en
Tangkoeban-Prauw, waar thans groote aanplan-
tingen te midden van het oerwoud worden ge-
vonden. De invoering en eerste uitbreiding der
cultuur ging van het Gouvernement uit. Dit
trachtte hiervan echter geen monopolie te maken,
maar wilde particulieren overhalen proeven
met de kinateelt te doen. Daartoe werden de
planten uit de gouvernements-tuinen verschaft.
Met groote verwachtingen begonnen, werd de
vrije cultuur zeer gedrukt door de lage prijzen.
In 1892 was de opbrengst der kina in de
gouvernementstuinen 308021 K.G.; die van de
71 ondernemingen van particulieren op gronden
in erfpacht afgestaan, wier resultaten bekend
zijn, 2793820 K.G.
VIL Indigo-cultuur. De indigo is een der be-
langrijkste verfstoffen, welke vooral gebruikt
wordt voor de verschillende vezelstoffen. De
indigo wordt verkregen uit de bladeren van den
indigoheester, die in de tropische gewesten te
huis behoort, doch ook in de subtropische streken
geplant wordt.
De Oost-Indische Compagnie trachtte reeds
spoedig in het bezit van deze belangrijke verf-
stof te geraken, en in het tractaat van 1743 met
den vorst van Mataram gesloten, verbond deze
zich om de indigo-cultuur met kracht te doen
voortzetten. Zoo bestond de indigo-cultuur reeds
lang op Java, al was zij niet in een bloeienden
toestand. Toen Van den Bosch het Cultuur-
stelsel invoerde, gaf hij onder gouvernements-
toezicht dadelijk groote uitbreiding aan die in-
dustrie, en een aantal fabrieken werden in de
Preanger en Tjeribon, en spoedig ook elders,
opgericht. De gouvernements-indigocultuur le-
verde echter op den duur niet de gewenschte
opbrengst voor de regeering, en zij was ook na-
deelig voordeinlandsche bevolking. Daarom stelde
de Raad van Indië voor, om de indigo-cultuur voor
gouvernements-rekening in te trekken, waaraan
in 1805 gevolg werd gegeven. Sedert dien tijd
wordt de teelt van de indigo bovenal in de
Vorstenlanden gedreven, waar een deel der
gronden, van vorsten en hoofden gehuurd, met
indigo beplant wordt. Over 1892 werden in
Solo 279480 K.G., en in Djokjo 213614 K.G.
indigo verkregen, terwijl een vijftal ondernemin-
gen, aan vorsten in die gewesten behoorend, nog
37189 K.G. produceerden. In de gouvernements-
residentiën op Java waren op ultimo 1892 26
indigo ondernemingen in werking, berustende op
overeenkomsten met de bevolking, van welko
er 23 een hoeveelheid van 133641 K.G. aan de
markt, brachten. Verder verbouwen ook in onder-
scheidene gewesten inlandsche landbouwers de
-ocr page 243-
235
HANDELS-AARDKIJKSKUNDE.
aanwezig zijn; uitroeiing en vernietiging was
het vonnis over alles wat gevonden werd, ook
al had het toeval, bijv. de overbrenging door
vogels, hieraan schuld. „Ruim twee eeuwen
hebben winstbejag en grove zelfzucht loodzwaar
gedrukt op de Indische volkeren, en de eerste
stappen in een mildere richting kenmerkten zich
toch nog, gedurende een (JOtal jaren, door dwang
en monopoliegeest."
In 1863 werd de gedwongen pepercultuur op
Java, en 7 jaren later op Benkoelen opgeheven.
In 1863 liet men eveneens de verplichte teelt
en levering van kruidnagelen op Amboina en
onderhoorigheden vrij, en het volgende jaar ver-
ordende men hetzelfde ten aanzien van noten
en foelie op Banda. In Juli 1865 werd ook do
kaneel-cultuur van den laatsten dwang verlost.
En die vrijstellingen hebben niet geschaad aan
de opbrengst van specerijen: door het veelzijdig
en toenemend gebruik bij goedkooper prijzen,
is het resultaat zeer gunstig gebleven.
De peper wordt geoogst op Java in Bantam
en in de residentie Tjeribon. Doch vooral de
Lampongsche districten op Sumatra, verder op
Atjeh (van ouds het peperland), en de Riouw-
en Lingga-Archipel, (waar peper naast gambir
geteeld wordt), leveren peper. In Atjeh neemt
de productie toe; verder op Sumatra\'s West-
kust, op Banka, in de Westeraf deeling van Borneo,
op Banka en Billiton, in Langkat en Tamica
op Sumatra\'s Oostkust.
De kruidnagelboom behoort oorspronkelijk op
de eigenlijke Molukken te huis, en werd naar
het meer zuidelijk gelegen Amboina overgeplant.
Later werd hij door de maatregelen der Oost-
Indische Compagnie tot dat eiland en de naburige
Oeliassers beperkt. En ook thans wordt hij in
de Molukken slechts op genoemde gronden op-
zettelijk aangekweekt. Doch buiten.deze eilanden-
groep is de boom op Sumatra (Westkust en
Oostkust, en in Benkoelen) en elders ingevoerd,
zoodat zelfs de Zanzibar- en Mauritius-nagelen
op het Amboinsch product drukken.
De teelt der muskaatnoten geeft, de beste
uitkomsten op de Banda-eilanden. In 1892 vond
men hier 34 specerijperken, die 9440 pikols
noten en 2401 pikols foelie produceerden. In het
westelijk deel der buitenbezittingen heeft de
inlandsche bevolking hier en daar plantsoenen
van muskaatnoten, en wel meer bijzonder in de
gewesten Sumatra, Benkoelen. In 1892 werden
rechtstreeks uitgevoerd van Sumatra\'s Westkust:
3960 pikol muskaatnoten en 750 pikol foelie, en
van Sumatra\'s Oostkust 3930 pikol noten en 610
pikol foelie; Benkoelen voerde uit 236 pikol
noten en 45 pikol foelie. Uit Atjeh werden
nog 290 pikol muskaatnoten en 67 pikol foelie
te Pinang aangevoerd. Verder vindt men mus-
kaatuotenteelt in de Minahassa en op de Sangir-
eilanden.
indigo voor eigen gebruik, of ook voor het ver-
koopen der verfstof op de inlandsche markt.
VIII.  Cacao. Iti het begin dor 11\'1" eeuw is de
cacao-plant door de Spanjaarden naar Oost-Indiö
overgebracht, en wel het eerst naar Menado.
Van hier had langzamerhand de verbreiding over
andere eilanden van den Oost-Indischen Archipel
plaats, in de 2e helft der 18\'lc eeuw naar Amboina.
Uit de ingrijpende maatregelen van 1853 blijkt,
dat de regeering zich veel aan de teelt der cacao
gelegen liet liggen. De cacao-teelt vindt in
Nederlandsch-Indië nog goede behartiging. Op
Java leverden de 28 ondernemingen, werkende
op erfpachtsgronden, en van welke de productie
bekend is, in 1892 een hoeveelheid van 228105 K.G.
Op de Buitenbezittingen legt de bevolking der
residentie Amboina zich bijna alleen op de
cacao-teelt toe.
IX.  Specerijen. De geschiedenis van den direc-
ten specerijen-handel op het verre Indië valt voor
Nederland samen met die van de opkomst dezer
gewesten tot grootheid en roem. Reeds lang
waren kaneel, kruidnagelen, muskaatnoten, foelie
en peper in Europa bekend als de voortbreng-
selen van het rijke Indië. Toen Portugal den
zeeweg naar Indië gevonden had, werden deze
produkten door de Nederlandsche schepen uit
Lissabon gehaald, en over West-Europa verbreid.
Doch het sluiten van de haven van Lissabon
door Philips II voor de Nederlanders, om dezen
te treffen, was voor hen de aanleiding zelf den
zeeweg te zoeken naar het land der specerijen,
wat in 1595 gelukte. Vooral de kostbare spece-
rijen waren in dien eersten tijd het lokaas, dat
vele handelaren naar Indië voerde, en groote
winsten werden hieruit verkregen. Om eenige
voorstelling van die winsten te verkrijgen, doen
wij enkele opgaven. Een vijftal schepen, welke
in 1603 Texel weder binnenliepen, hadden een
lading bestaande uit peper, kruidnagelen en foelie,
welke een inkoops waarde van ƒ 588878 vertegen-
woordigde, terwijl de opbrengst in Holland
ƒ 1774769 bedroeg. Daar de kosten der reis
zelve vergoed waren door de winsten, die in
Indië op de uit Holland medegevoerde artikelen
behaald waren, was de netto winst voor genoemde
vijf schepen ƒ 1185891, welke zij in een reis
van twee jaren verkregen hadden. En dergelijke
winsten waren geenszins zeldzaam.
De peper was aanvankelijk het voornaamste
artikel van inruil. Tot 1720 bedroeg de opbrengst
van de peper nog 30 pet. van de geheele
waarde der door do O. Ind. Compagnie gereali-
seerde koloniale produkten. En de Nederlanders
trachtten niet alleen hun monopolie in den
specerij-handel te bewaren, zij hielden door be-
perking van de productie ook den prijs zooveel
mogelijk hoog. In landstreken, waar de teelt
verboden was, mocht geen enkele specerijplant
-ocr page 244-
236                                                                HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
X. Tin. Het tinerts is in onze Oost-Indische
bezittingen niet zoo algemeen verbreid als men
vroeger meende. Op verschillende plaatsen is
een onderzoek naar tinerts ingesteld, doch veelal
zonder resultaat. De onderzoekingen op de
eilanden in de residentie Riow hebhen geleerd,
dat op Groot Karimon het tinerts een bestand-
deel uitmaakt van liet vaste graniet. Op Singkep
ten Z. van Lingga is tinerts langs de geheele
zuidoostkust over eene lengte van 10 K.M. aan-
getroffen. Bijna alle valleien in het Z. O. zijn
tinhoudend. Sedert ongeveer eene eeuw heeft
hier de tinexploitatie plaats gehad, al kan men
over de opbrengst van vroeger weinig zeggen.
In 1887 werd aan den heer Alting du Cloux te
Batavia voor 25 jaren concessie verleend tot het
ontginnen der tingronden op dit eiland.
Het eiland Flores bevat eenige tinerts. Ook
in de bovenlanden van Siak op Sumatra\'s oost-
kust wordt tin gevonden; de exploitatie werd
in 1875 aangevangen.
Doch verreweg het meeste tin wordt geleverd
door de eilanden Banka en Billiton. Over de
tinexploitatie op deze eilanden een enkel woord.
Sedert 1710 is het bekend, dat het eiland
Banka tinerts bevat, in alluviale beddingen
afgezet, en sedert dien tijd is ook de exploitatie
aangevangen. Aanvankelijk werd de ontginning |
der stroom-tinertslagen door de Bankaneezen
gedreven, die putjes van 0,8 M. middellijn tot
op de ertslaag groeven. Deze putjes worden
nog in groote hoeveelheid op Banka aangetroffen,
en heeten Palenibangsche putjes, omdat zij tijdens
de Palembangsche overheersching meest gegra-
ven werden. De opbrengst was echter gering,
en om deze te vermeerderen, werd de hulp der
Chineezen in 1725 door den Sultan van Palem-
bang ingeroepen. Zoo vormden zich vier groote
Chineesche mijngezelschappen, Kongsiesgeheeten,
van wier etablissementen nog overblijfselen zijn
aan te wijzen. De tinopbrengst ging na dien
tijd sterk vooruit, doch met het einde der vorige
eeuw hield de exploitatie der mijnen bijna op.
Eerst nadat in 1816 de eilanden Banka en Bil-
liton weder voor goed aan Nederland gekomen
waren, en in 1821 de oorlog met Palembangen
de onlusten op Banka ten einde waren gebracht,
begon de exploitatie der tinmijnen op deze
eilanden weer met vernieuwde kracht. Sedert
1851 volgde men hierbij een meer wetenschap-
pelijk stelsel. Van 1821—1886 bedroeg de totale
opbrengst van Banka niet minder dan 410-4900
pikols tin.
Op Banka worden de tinmijnen voor rekening
van den staat geëxploiteerd, die ze door Chi-
neezen laat bewerken. Dezen vereenigeu zich
daartoe gewoonlijk in kongsies, arbeiden op eigen
manier, moeten het verkregen tin onder toezicht
van een Europeesch ambtenaar smelten en aan
het Gouvernement leveren. Daarvoor ontvangen
zij van de Regeering een zekere som voor eiken
pikol geleverd tin, en bovendien gereedschappen
en levensmiddelen tegen vaste prijzen, die van
de opbrengst van het tin worden afgetrokken.
Een algemeen reglement en een tweede regie-
ment regelen de rechten en verplichtingen der
ondernemers en werklieden onderling en tegen-
over het Gouvernement. Hierin is bepaald, dat
alle tinwinning op het eiland uitsluitend door
de regeering geschiedt, en ieder ander verboden
is. In 1892—93 werd 121736 pikols tin ver-
kregen en naar Nederland vervoerd; in 1893
was de opbrengst in Nederland 5,8 mill. gulden;
de werkelijke winst werd op ƒ40,24 per pikol
geraamd.
Op Billiton geschiedt de exploitatie der tin-
mijnen door de Billiton-maatschappiJ. In 1852
verkreeg deze concessie van de Regeering voor
de ontginning dier mijnen, tegen uitkeering van
3 pet. der bruto-opbrengst aan het Gouvernement.
Hiermede maakte zij ruime winsten. In 1892
werd opnieuw een overeenkomst tusschen de
Regeering en de Billiton-maatschappij gesloten,
waarbij deze weder concessie verkreeg, en wel
tot 30 April 1927. Volgens dit nieuwe contract
moet aan het Gouvernement 5/8 van het voor-
deelig saldo, waarmede winst- en verliesrekening
sluit, uitgekeerd worden. Van April 1892 tot
Mei 1893 bedroeg de tinproductie van dit eiland
78372 pikol.
XI. Goud en Diamant, Steenkool. Hoewel er
op Borneo, Sumatra en Celebes goudhoudende
gronden gevonden worden, heeft de ontginning
daarvan nog weinig te beteekenen. De vroeger
zoo bloeiende mijndistricten op Borneo\'s West-
kust zijn thans weinig van belang. In 1892
hielden zich in Sambas slechts 180 en in Mon-
trado 869 personen met goudgraven bezig. De
productie bedroeg in 1892 in Mempawa 40 a 50
thail, in Montrado 1371 thail, in Sambas 98
thail en in Landak 304 thail. De thail goud
gaf een opbrengst van 67 a 80 gulden. Een
tweetal mijnconcessiën in Sambas aan Europeanen
gegeven, en thans in het bezit van de West-
Borneo-Goudmaatschappij, leverden in 1892 geen
belangrijke resultaten op.
Op Borneo, in Landak en Martapoera worden
diamanten gevonden, doch de opbrengst is gering.
Ook de steenkolen geven in Indië nog niet
de verwachte voordeden. Bekend zijn de Oem-
bilin-kolenmijnen op West-Sumatra. De con-
cessie voor kolenmijnen op Oost-Borneo aan de
Mahakkam hadden in 1892 de beste productie,
n.1. van 20000 ton.
§ 224. Handel en verkeer. Voor den handel
en het verkeer op Nederlandsen Indië deelen
wij de belangrijkste statistieke gegevens mede,
omdat die het best den handel doen kennen.
-ocr page 245-
237
HANDELS-AARDllIJKSKUNDE.
Uitvoer der belangrijkste handelsartikelen uit geheel Nederlandsch-Indië en uit Java en
Madoera afzonderlijk in 1892.
Uitklaring volgens de officiëele statistiek.
Artikelen.
Uitvoer uit
geheel
Ned.-lndiö»).
Uitvoer van a i • i i
t aj- i 1 Artikelen.
Java en Madoera
Uitvoer uit | Uitvoer van
geheel Jan en Madoera
Ned.-Indië \'). in tons.
Koffie (Gouvernem.)
Koffie (Particulieren)
Rijst......
Zwarte peper. . .
Tabak .....
20 957 tons
41059 „
425 367 „
20 379 ,
2 015 Liter
14 751 tons
10 625 „
3 953 ,
34 343 „
691 ,
20 957 tons
28 782 „
425 364 ,
17138 „
1997 Liter
1 945 tons
5 880 „
3149 ,
16 071 „
691 ,
Notenmuskaat . .
Kapok.....
Thee......
Kaneel en kassia .
Tin (Gouvernem.) .
Tin (Particulieren) .
Kinabast (Gouvern.)
Kinabast (Particul.)
1  340 tons
2 210 ,
1587 „
3 671 ,
899 „
6 296 „
5 902 ,
312 ,
2 330 „
34 tons
1083 „
1379 „
3 671 „
2 .
6 296 .
5 901 ,
312 ,
2 330 ,
\') Java en Madoera er bij inbegrepen.
Uitvoer van Java, volgens de marktberichten der Handelsvereeniging te Batavia,
in 1893 naar verschillende landen.
Groot Britt.
Middelt
Zee
MiddeH. |
Totaal,
Nederland.
en Knfr.
Kanaal
en Zwarte Duttsch*
Zee- I land.
Amerika.
Australië.
China.
Britsch-
Indië.
Sinya*
pure
Inclusief
andere
voor orden
havens. |
landen.
Koffie (Gouver-
nements).
in Picols
233 9Cfi
233 106
Kollie (Particu-
lieren . .
» »
190 109
117
3 417
30 109
233
20 405
—
2 203
—
42 771
289 575
Suiker . .
» »
88 002 1 930 972
1 9S0 559
48 SOS
—
370 232
730 429 2 217 020
82 430 355 432
7 815 765
Rijst . . .
» »
353 517, 75 398
—
—
5 001
—
397
—
—
9 210
444 201
Arak . . .
» Leggers
2 503 150
—
—
—
—
15
—
—
715
3 83S
Rotting . .
» Picols
23700 \' 2 523
—
34
257
410
150
__
__
2 031
29 7U
Zwarte Peper
» »
39158 11210
—
0 189
—
300
9
20
__
4 985
01 871
Huiden . .
» Stuks
454 7191 83
0 759
17176
—
5 094
—
—
—
9 545
493 770
Tabak. . .
» Picols
284 37S —
2*4 37S
Indigo . .
Amst.
\' Pond
1050 653; 228
2 348
522 352
05 215
—
—
—
—
019
1 041 702
Notcumuskaat
» Picols
629 215
54
49
__
—
__
__
303
1310
Dainar . .
» »
3 015! 2 4S1
1220
4S62
180
3 010
—
__
__
772
15 546
Kapok . .
» »
14 901! —
—
2
—
—
0 071
295
_
1 496
\'J3 305
Thee . . .
» Kilogr.
1905 804,1 979 2\'.6
4 —
—
10 705
9 020
—
—
—
__
87S75
3 992 710
Kaneel . .
» Picols
__
—
114
—
—
—
__
54
172
Tiu (Gouvern.)
» »
110189
110 189
» (Particul.)
. » »
40 809
—
15 983
S800
—
—
—
53
__
2 329
GS 040
Kinabast (Gou-
Amst.
" Pond
ver. cm.) .
519 258
519 25S
Kinabast (Par
ticuliercn)
» »
0 775 544
132 007
5 405
6 913 556
Terwijl uit de eerste statistiek blijkt, welke
de hoofdprodukten zijn, die Nederlandsch-Indië
voor den wereldhandel levert, leert ons de laat-
ste bij benadering kennen, waarheen de belang-
rijkste dier produkten uitgevoerd worden. De
gouvernetnents-koffie gaat geheel naar Neder-
land, die der particulieren grootendeels. De riet-
suiker daarenboven wordt voor een klein ge-
deelte naar Nederland uitgevoerd, doch blijft
meest in de havens van de Middellandsche Zee,
van het Kanaal en van Groot-Britannië. Echter
China, Australië, Amerika en Singapore ontvan-
gen de meeste suiker. In Nederland is de ver-
kochte en verhandelde suiker meestal beetwor-
telsuiker. Rijst wordt meest naar Nederland
uitgevoerd, tabak eveneens. Thee gaat naar
Nederland en Groot-Britannië; kinabast bovenal
naar Nederland, en ook tin wordt naar Neder-
land uitgevoerd. Belangrijk is de handel op
Singapore.
-ocr page 246-
238
HANDELS-AARD RI.IKSKUNDE.
Algemeene invoer van goederen door par-
ticulieren in Nederlandsch-Indië, naar de
landen van herkomst in mill. gulden
in 1892.
Visch ....
Bier.....
Brandewijn . .
Mousseerende wijn
Jenever.... .
Arak.....
Miner. water . .
Wijn.....
Aardewerk. . .
Glas en glaswerk
Krainerijen . .
IJzer in staven .
IJzer, staalw. .
Koper .
Spijkers.
Petroleum
Verf waren
Steenkolen
Scheepvaart. In
de volgende havens:
l(i G71  In d
1168    ,
480   „
51    .
1494   „
119    „
1233    „
1360   „
1422   „
507    „
4162    „
740   „
628   „
380   „
251    „
101675    „
413    „
118   „
1892 weiden
uizend K.G.
Liter.
Flesch.
Liter.
Gulden
Flesch.
Liter.
Gulden
n
n
Bedng van den
invoLT in 1S\'J2
in tnill {.\'uldens.
48,2
23,9
1,0
5,7
11,4
45,0
0,9
1,(5
1,1
Nederland
Engeland .
Frankrijk .
Amerika .
Pulo Penang.
Singapore.
Siain .
China .
Australië . .
n               _ »
„ Liter.
n Gulden
„ Ton.
ingeklaard in
152,2
Totaal, incl. andere landen
Invoer door particulieren in Nederlandsch-
Indië van
eenige voorname handels-arti-
kelen, en het aandeel dat Nederland daarin
heeft.
Ingeklaakd.
Zeilschepeu
I In 1000
Stooinschcpen I
In 1000
K.M3.
Aantal.
| Invoer in I
.lllill. L\'ulliillS
in 18M.
Aantal.l
K.M3.
Uit Neder»
land in pet.
936
31
98
2
138
21
457
25
Batavia.    .
Tjeribon.   .
Semarang   .
Soerabaja   .
225
47
41
191
103
6
72
74
60
5.")
21
(il
.\'50
58
70
1
4S
48
52
28
3,5
0,04
24
44
54
2.0
1,0
14,2
3,2
3,9
2,7
3,5
2,6
3,7
40,9
2,0
2,0
1,9
11,9
1,6
1,2
1,7
Aardewerk.....
Bier.......
Eetwaren......
Fabr. en Stoomwerkt. .
Garens......
Gedistilleerd ....
IJzer en staal ....
Steenkolen.....
Krameiijen.....
Manufacturen. Katoenen
„              Wollen .
„              Zijden .
Meel.......
Petroleum.....
Sigaren ......
Was.......
Wijn.......
Het aandeel van de verschillende natiën in
de scheepvaart van Nederlandsch-Indie leeren
wij uit het volgend overzicht van het aantal
ingeklaarde schepen voor 1891 kennen.
Aantal
In
1000 M.K
/ Stoomsch.
Nederland . . | Zeilsch. .
115
26
541
81
\' Totaal. .
/ Stoomsch.
Engeland. . . Zeilsch. .
141
363
31
622
1147
121
\'Totaal. .
/ Stoomsch.
Frankrijk. . . Zeilsch. .
394
27
2
1268
66
6
\'Totaal. .
/ Stoomsch.
Duitschland . . Zeilsch. .
29
152
15
72
260
50
\'Totaal. .
i Stoomsch.
Noorwegen . . J Zeilsch. .
167
8
23
310
39
46
\'Totaal. .
/ Stoomsch.
Oostenrijk . . ] Zeilsch. .
31
13
1
85
29
3
\'Totaal. .
14
32
Invoer tot verbruik op Java door parti-
culieren van eenige belangrijke artikelen
in 1892.
31 481  In duizend Gulden
1769   „ ,
•188    n „             „
3 925    „
Katoenen
Wollen
Zakken .
Eetwaren
Boter
Hammen
Kaas. .
Meel . .
Tarwe .
Rijst. .
manuf.
184   ,
184   ,
118    ,
7 686   „
K.G.
Gulden
n
K.G.
Liter.
K.G.
79 624
-ocr page 247-
239
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
/ Stoomsch.
Italië .... jZeilsch. .
4
23
20
69
\'Totaal. .
27
89
_. , . , . ~ i Stoomsch.
Totaal, inclusief Zeilsch. .
andere landen /
1 Totaal. .
2988
187
3345
422
3175
3767
vindt men reeds een gematigde zone met een
gemiddelde temperatuur van 18,5 C0., en op
grooter hoogte, van 1500 tot 2500 M., vindt men
reeds de zone met een temperatuur van ge-
middeld 13" C. Op 3000 M. hoogte vindt men
een gemiddelde jaartemperatuur als in Neder-
land, 10° C, maar de warmte is er meer gelijk-
matig over het jaar verdeeld.
Java heeft een oppervlakte van 2290,30 vierk.
geogr. mijlen, en Madoera van 98,3 vierk. geogr.
mijlen, en de bevolking van Java bedraagt
22,7 mill. en van Madoera 1,1 mill. Het aantal
Europeanen (buiten het leger) op beide eilanden
bedraagt ruim 47000, terwijl er 246000 Chi-
neezen, 14700 Arabieren en 2900 andere vreemde
oosterlingen gevonden worden.
De inlandsche bevolking, allen Maleiers, wordt
onderscheiden als Soendaneezen in het W., Java-
nen,
hoofdzakelijk in het midden, en Madoereezen
op Madoera en in het O. De Madoerees heeft
den meesten aanleg voor handel en scheepvaart,
terwijl Soendaneezen en Javanen meer aanleg voor
landbouw en fabrieksarbeid bezitten. De taal
op West-.Tava is het Soendaneesch, en op Oost-
Java is het Javaansch de taal van het volk.
Langs de kusten, vooral van West-Java, is de
volkstaal verdrongen door het Maleisch.
Onder de Javanen heerscht de Mahomme-
daansche godsdienst, hoewel vermengd met spo-
ren van den ouden godsdienst en van het Hin-
duisme. De Soendaneezen hebben meer eerbied
voor den Islam, wijl bij hen het Hinduisine
minder wortel gevat heeft dan op Oost-Java.
Java is in alle richtingen door gned onder-
houden wegen doorsneden, meestal grintwegen,
welke ook voor rijtuigen bruikbaar zijn. Van
1808—1811 werd door Daendels de eerste groote
weg, de Groote Postweg, aangelegd) die over de
noordkust het geheele eiland van het \\V. naar
het O. doorsnijdt. Dit was een groote verbete-
ring. De reis van Soerabnja naar Batavia, waar-
toe men vroeger 3 weken, en in den natten
moesson zelfs meer dan 40 dagen noodig had,
werd nu in 5 a 10 dagen afgelegd. Aan dezen
weg zijn later andere toegevoegd. Een zuide-
lijke tak, die zich bij Soerabaja van eerstge-
noemden weg afscheidt, doorloopt geheel Midden-
Java, om te Tjilajap te eindigen.
Sedert 1873 vindt men ook spoorwegen op
Java. De lijn Buitenzorg—Batavia werd den
31ste" Jan. 1873 voor het verkeer geopend. Zij
was aangelegd door de Ned.-Oost-Indische Spoor-
weg-Maatschappij. In Mei 1873 werd de tweede
lijn dezer Maatschappij voor het verkeer ge-
opend, die van Semarang over Soerakarta naar
Djokjokarta loopt, met een zijlijn naar Anibarawa
en fort Willem I. In 1875 begon men met den
aanleg van Staatsspoorwegen op Java, waarvan
reeds onderscheidene lijnen voltooid zijn. Zie
daarvoor eene kaart.
Uit dit overzicht blijkt, dat de scheepvaart
van Groot-Britannië ongeveer nog tweemaal zoo
groot is als die van Nederland, terwijl ook
Duitschland nog meer inklaringen heeft, hoewel
met kleiner tonnen inhoud. Op het gebied van
scheepvaart en handel kan nog veel door Ne-
derland in Nederlandsch-Indië worden verricht.
§ 225. Het eiland Java met Madoera.
Java is een in de lengte uitgebreid eiland. De
westelijke helft bestaat uit een massief berg-
land, dat in het westen breedere plateaux
vormt, en in Midden-Java meer in bergketena
overgaat. Van die plateaux noemen wij die van
Bandoeng en Garoet. Door de ligging in de
tropische luchtstreek hebben deze plateaux over
\'t geheel een aangenaam klimaat, en worden zij
met vlijt bebouwd. Het smalle midden van
Java bestaat uit een bergketen, welke in het
O. overgaat in het JHeng-plateau. Deze plateaux
en ketens zijn door een menigte vulkanen, ge-
det-ltelijk uitgedoofde, gedeeltelijk nog wei-kende,
overdekt.
In Oost-Java zijn de vulkanen minder talrijk
en vormen zij meer afzonderlijke groepen.
Breede dalen en vlakten liggen er tus«chen,
waarlangs de grootste rivieren van het eiland
kronkelen. Een drietal bergketens strekken zich
hier in een O. richting uit, waarvan de zuide-
lijkste dicht nabij de zuidkust ligt, die steii
afdaalt in zee.
Het noorden van Java bestaat in het W. uit
een breede, aangeslibde laagvlakte, die aan de
kust zeer moerassig is. In Midden-Java vindt
men ten N. en ten Z. van het gebergte een
smalle laagvlakte, en in het O. wordt de vlakte
in het N. weer breeder, terwijl in het Z. het
gebergte tot nabij de kust komt. De grootste
rivieren van het eiland stroomen door deze ge-
steldheid naar het N. Van deze noemen wij : de
Tji-Llwong 1), Taroem, Manoek, Losari, de Kali
Bengawan
of Solo en de Kali Brantas of Kediri,
welke alle naar het N. stroomen. Naar het Z.
stroomen de Tji-Tanloej en Kali-Serajoe.
De lage kustvlakte van Java heeft de hoogste
temperatuur (tot 650 M. hoog gemiddeld 27,5 O".)
en is het ongezondst. Met de hoogte neemt de
temperatuur af; van 650 tot 1500 M. hoogte
\') Tji beteekent op Wcst-Java rivier. In Oost Java
heeft men hiervoor den naam Kali.
-ocr page 248-
240
HANDELS-AARDRTJKSKUNDE.
Java is verdeeld in de volgende Residentiën
(en de Vorstenlanden):
Hoofdsteden.
dikwijls achter een of ander eiland gaan ankeren.
Het eiland wordt in de lengte door een bergketen
doorsneden, Boekit Barisan geheeten, die dicht
langs de westkust loopt, en aan die zijde met
wouden bedekt is. Naar de oostzijde vormen
zich enkele plateaux, als het plateau van Toba
(met het meer van dien naam), en \'t.plateau van
Agatn.
De bevolking is van Maleische afkomst.
In de binnenlanden wonen stammen der Bataks
of Batta\'s, in het N. de Atjehers.
De voortbrengselen des lands zijn: peper,
koffie, tabak, kamfer, getah-pertja, katoen, ivoor,
goud, steenkool.
Sumatra wordt ingedeeld in de, volgende dee-
len : 1. Gouvernement Atjeh en onderhoorigheden.
2. Residentie Oostkust van Sumatra. 3. Gouver-
nement Sumatrrt\'s Westkust. 4. Residentie Beng-
korlen.
5. Residentie Lampongsche districten. G.
Residentie Palembang. Langs de westkust lig-
gen de plaatsen: Singkel, Sibóga, Natal,
Ajerbangis, Padang en Bengkoelen, alle han-
delplaatsen.
Padang, de hoofdplaats van het Gouvernement
„Sumatra\'a Westkust", is gelegen waar de Pa-
dang-rivier in zee uitmondt. De Wilhelmina
baai
met de Emma-haven is als ligplaats voor
groote schepen geschikt gemaakt. Padang is een
der schoonste plaatsen van Nederlandsch-Indië.
Hoofdmarkt van het goud van Sumatra; koffie-
veilingen. Spoorweg naar de Padangsche Boven-
landen. Verdere steden op Sumatra zijn: Telók-
Betong, Palembang, (50000) aan de Moessi;
handel. In de Residentie Sumatra\'s Oostkust ligt
het gebied van Dell met veel tabaksplantages.
Medan, de hoofdstad, is door een spoorweg met
de kust verbonden.
In Atjeh is de vroegere kraton van den Sul-
tan in een vesting der Nederlanders, Kota Radja,
veranderd.
De Residentie Biouw en onderhoorigheden be-
staat uit de eilandengroepen van Biouw, Lingga,
Anambas
en Natoena, en ook het rijk Indragieri
op Sumatra wordt hiertoe gerekend. Peper en
gambir zijn de hoofd voortbrengselen; de Chi-
neezen hebben de teelt dezer produkten in han-
den. De handel van de vrijhaven Riouw is door
Singapore tot zich getrokken.
Banka, met Muntok, en Billitun, leveren tin.
§ 227. Het eiland Borneo. Dit groote eiland,
met aanzienlijker uitgestrektheid dan Duitsch-
land, Nederland en België te zamen, grenst met
moerassige, lage kusten aan zee. In het binnen-
land verheffen zich bergketens, van welke tal-
rijke rivieren in alle richtingen naar de kust
stroomen. Wij noemen enkel de volgende : naar
het Z. W. stroomt de Kapoeas, naar het Z. de
Bari/oe, en naar het O. de Koetei of Mahakam.
Deze rivieren zijn echte deltabouwers en mon-
den met onderscheidene armen in zee uit.
1   Bantam
2   Batavia
8 Krawang
4 Preanger Regent-
scha]>pen
f> Tjeribon
G Tegal
7  Pekalongon
8   Banjoemas
9   Bagalen
, 10 Kedoe
lil Semarang
/12 Djapara
\\V6 Bembang
J1-4 Madioen
Il f) Kediri
1G Soerabaja
Serang.
Batavia (100000 inw.;
8000 Europeanen).
Poerwakarta.
Bandoeng.
Tjeribon.
Tegal.
Pekalongon.
Banjoemas.
Poerworedjo.
Ma gelang
Semarang (70000 inw.;
3500 Europeanen).
Pati.
Rembang.
Madioen.
Kediri.
Soerabaja
(130000 inw.;
0000 Europeanen).
Djokjokarta of Djokjo.
Soerakarta
of Solo.
Pasoeroean.
Probolinggo.
Besoeki.
Madoera.
17   Djokjokarta
18  Soerakarta
\' 1!) Pasoeroean
(20 Probolinggo
|21 Besoeki
22 Madoera
vur-
sten-
huidcn
Batavia, in 1G10 gesticht op de puinhoopen
van het oude Jacatra, ligt in een moerassige,
ongezonde streek. Be oude stad, waar pakhui-
zen en kantoren zijn, wordt thans door de Eu-
ropeanen enkel bezocht voor den handel. De
bovenstad, uit verschillende achter elkander lig-
gende wijken bestaande, in volgorde: Molen vliet,
Noord ir ijk, Rijswijk, Weltevreden, Meester Corne-
lis,
vormen als het ware zoovele villa-parken,
waar de Europeanen zich gevestigd hebben. De
Chineesche wijk aan de westzijde van Batavia
is een bezoek overwaard. Buitenzorg (op
300 M. hoogte), is de Residentie van den Gou-
verneur-Generaal. De natuur is hier buitenge-
woon prachtig, en het klimaat is op deze hoogte
zeer gunstig. Beroemd is de Gouvernements-
Plantentuin.
— Soerabaja is na Batavia de
belangrijkste handelsstad. Meer dan in eenige
stad bloeit hier de industrie.
§ 22G. Sumatra en omliggende eilanden.
De oostkust van Sumatra is laag en moerassig, en
de onderscheidene rivieren bouwen er snel voort
aan hare delta\'s. Van deze rivieren noemen wij:
de Moesi, de Djambi, de Indragiri, de Kampar en
de Stak. Hierdoor is de zee ten O. van het eiland
meestal ondiep, zoodat alleen kleinere schepen de
kust kunnen naderen. De westkust van Sumatra is
steil, doch bezit onderscheidene goede havens; ge-
durende den west-moesson moeten de schepen
-ocr page 249-
241
HANDELS-AARDRT.TKSKUNDE.
en door koraaldieren opgebouwd. Zij hebben
een droog klimaat, waar de landbouw geen rijke
vruchten kan dragen, en leenen zich daarom het
best voor de teelt van specerijen.
De bevolking bestaat meest uit Alfoeren, en
in het O. uit Papua\'s. Het hoofdvoedsel is de
sago. Men teelt er kruidnagelen (Ambon), mus-
kaatnoten (Banda-eilanden).
DE NEDERLANDSCHE KOLONIËN
IN AMERIKA.
§ 231. Suriname. De Nederlandsche bezit-
tingen in Amerika noemden wij reeds op pag. 198.
Over de belangrijkste van deze nog een enkel
woord.
De Nederlandsche bezitting in Guyana heeft
een oppervlakte van 129100 K.M\', en telt
57000 inwoners, waaronder de Indianenstammen
niet zijn begrepen. De bevolking bestaat uit
een klein aantal Europeanen ( 700); uit bijna
1300 nakomelingen van Portugeesche Joden, die
in 1644 uit Brazilië verdreven werden en hier
met hun negerslaven een toevluchtsoord von-
den; uit de in Amerika geborenen, zoogenaamde
Creoolsche Negers, ruim 50000, waaronder ook de
Mulatten, Mestiezen of in \'t algemeen de kleur-
lingen gerekend worden, en verder uit immi-
granten,
waaronder men de in China, West-
Indië en Britsch-Indië aangeworven arbeiders
verstaat. De pogingen om koeli\'s uit Oost-
Indië als vrije arbeiders naar hier te voeren,
zijn mislukt. In de binnenlanden leven nog de
Boschnegers of Mar ons, en de Indianenstammen.
De Boschnegers zijn afstammelingen der eertijds
uit Afrika ingevoerde plantage-negers, die hier
vluchtten en hun vrijheid in de bosschen zochten.
Suriname kan in den echten zin des woords
een kolonie genoemd worden. Terwijl in Oost-
Indië de bevolking grootendeels uit inlanders
en vreemde oosterlingen bestaat, die geen in-
vloed op het bestuur uitoefenen, zijn aan
de bewoners der kolonie Suriname, zoo-
ver zij vrijen waren en van Nederlandsche of
althans van Europeesche afkomst zijn, staats-
burgerlijke rechten toegestaan. Zoo bezit Su-
riname een volksvertegenwoordiging in de Ko-
loniale Staten. Het opperbestuur wordt door
den koning opgedragen aan den Gouverneur,
die de uitvoerende macht bezit. De wetgevende
macht komt toe aan den Gouverneur en de
Koloniale Staten. Deze Staten bestaan uit vier
leden, telkens voor een jaar door den Gouver-
neur benoemd, en uit een ander aantal, te kie-
zen door de ingezetenen. De vaststelling der
begrooting heeft tot dusver geregeld in Ne-
derland bij de wet plaats, daar er voortdurend
een bijdrage uit \'s Rijks schatkist voor deze
kolonie gevorderd wordt.
De kust van Suriname is vlak en moerassig,
De bevolking der binnenlanden van Borneo
vat men veelal onder den naam Dajaks samen.
Het eiland levert sago, kamfer, getah-pertja,
steenkool, ijzer, goud en diamant.
Borneo wordt verdeeld in twee Residenties:
I. West era f (heling en II. Zuider- en Oostera fdee-
ling.
Het noorden staat onder Britsch protecto-
raat (zie pag. 181).
Steden: Sambas; Montrado, goud, koffie,
katoen; Pontianak en Sintang aan de Ka-
poeas; Bandjermasin en Amoentai, in \'t ge-
bied der Barito-rivier. Bij \'t gebergte in de
nabijheid ligt Pengaron met de Oranje-Nassau
steenkolenmijn. Samarinda aan de Koetei.
§ 228. Het eiland Celebes. Celebes bestaat
uit vier groote, uit bergketens gevormde schier-
eilanden, door golven gescheiden. Het noordelijk
gedeelte vormt de Residentie Menado, het zui-
delijk deel maakt grootendeels het gouvernement
Celebes uit, en in het O. behoort een deel tot
de Residentie Te mate.
Menado\'s noordelijk gedeelte wordt meestal
aangeduid als de Minahassa. Het is een prach-
tig bergland met rijke afwisseling van hoog
en laag, waardoor trotsche en liefelijke partijen
elkander afwisselen, terwijl men overal heerlijke
bosschen vindt. De bevolking is tot het chris-
tendom bekeerd; nergens in Indië verkreeg de
zendingsarbeid beter resultaten dan hier. Hoofd-
voortbrengsel is de koffie. Steden: Menado, schoon
gelegen; handelsplaats. Gorontalo, Tondano.
In het Z. van Celebes wonen Mangkassaren
en Boegineezen. Mangkassar (20000), handel,
vischvangst.
§ 229. De kleine Soenda-eilanden. Deze
eilanden vormen een rij ten O. van Java. De
belangrijkste zijn: Bali, met overblijfselen der
Hindu-beschaving; Lombok (voor kort geheel
aan het Nederlandsche gezag onderworpen),
Soembawa, Mores, en het Z. W. van Timor, met
Koepang. (Het N. O. van Timor behoort aan
Portugal). Natuurkundig vormen deze eilanden
een overgang naar Australië.
§ 230. De Molukken. De eilanden tusschen
Celebes, Fimor en Nieuw-Guinea duidt men aan
met den naam Molukken. Zij vormen de
Residentiën Ternate en Ambon. Tot eerstgenoemde
residentie behooren : de eilandengroep van Hal-
maheira,
de Papuasche eil., de Soela-eil. en het
kustgebied der Golf van Tolo op Celebes. De
Residentie Ambon omvat: de Ambonsche eil. (Am-
b\'oina met de Oeleassers), Boeroe &n Ceram, de Ban-
da-eil.,
de Zuid-wester- en de Zuid-ooster-eilanden.
De Molukken zijn bergachtige, meestal kleine,
vulkanische eilanden ; vele vormen niet meer dan
boven de zee uitstekende vulkanen; enkele zijn laag
-ocr page 250-
242
HANDELS- AARDRIJKSKUNDE.
melasse, rum, cacao (1689157 K.G.), koffie (1557
K.G.) In de binnenlanden van Suriname vindt
men goudhoudende gronden, die tegenwoordig
geëxploiteerd worden; de uitvoer van goud be-
droeg in 1892 een waarde van 1478163 gulden.
De goudrijke streken tusschen de beide bron-
rivieren der Marowijne (de Lawa en de Tapa-
nahony), waarover grensgeschillen met Frankrijk
bestonden, zijn in 189L bij scheid rechterlijke
uitspraak aan Nederland toegewezen. Parama-
ribo
is de hoofdstad, met ( 29000 inw.).
§ 232. Curagaosche eilanden. Hiertoe behoo-
ren Curai-ao, Bonaire en Aruba, eilanden aan
de kust van Zuid-Amerika gelegen, en ook wel
Eilanden onder den Win I geheeten. Te zamen
beslaan zij niet meer dan 15 Geogr. mijlen
oppervlakte. De eilanden zijn bergachtig, en be-
staan hoofdzakelijk uit kalkrotsen. Curacao is
het belangrijkste dezer eilanden. De steile kusten
vormen goede reeden, en de hoofdstad Willem-
stad (± 10000 inw.) heeft in de St. Annabaai
een goede haven. De bodem levert phosphorus-
kalk voor den uitvoer.
§ 233. De Nederlandsche Antillen. Van de
Kleine Antillen zijn St. Eustatius, Saba en de
helft van St. Martin Nederlandsche bezittingen.
St. Eustatius, dat vroeger een uitgebreiden
handel had, heeft thans zijn beteekenis verloren.
en tot op verren afstand in zee met slibbanken,
die de scheepvaart zeer bemoeielijken, omzoomd.
De bodem des lands rijst langzaam van het N.
naar het Z. Langs de zee bestaat hij bijna
geheel uit vlakke, aangeslibde, alluviale gronden,
die op vele plaatsen moerassig zijn. Naar het
binnenland rijst de bodem en gaat eindelijk
over in een strook, welker oppervlakte meestal
uit blinkend kwartszand bestaat, dat op een
leemrijken ondergrond rust. Aan den noord-
rand van deze strook vindt men de savannen,
met hard, lang gras en lage struiken be-
dekt, doch langs de rivieren afgebroken door
wouden. Verder in het binnenland vindt men
de gebergten, voor een gedeelte uit graniet op-
gebouwd.
De belangrijkste rivieren van Suriname zijn:
de Corantijn, de Nickerie, de Coppename, de
Suriname, en de Maroirijne. Door een tal van
kreken en zijrivieren, welke het lage land door-
kronkelen, zijn deze rivieren onderling ver-
bonden.
Het klimaat van Suriname is zeer warm; de
gemiddelde temperatuur van Paramaribo is bijna
27° C. Evenwel is het er geenszins zoo onge-
zond, als men langen tijd meende.
De plantengroei draagt geheel een tropisch
karakter. De voornaamste plantaardige produk-
ten zijn : suiker, cacao, koffie, katoen, rijst, boomen,
maniok
en uitstekend timmerhout. De hoofdproduk-
ten van uitvoer zijn suiker (in 1892:4,8 mill. K.G.),
-ocr page 251-
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
INHOUD.
Bladt.
De talen der aarde......    19
Vreemde munten, maten en gewichten    20
Bankbilletten en Circulatiebanken .    26
Overzicht van de notenbanken in
verschillende landen.....    27
III.    Overzicht van den handel in
eenige belangrijke artikelen en van de
visscherij
..........
    29
Granen...........    29
Rijst.............    31
Aardappelen.........    31
Peulvruchten en groenten ....    31
Zuidvruchten en ooft......    31
Suiker...........    31
Koffie...........    32
Thee...........    33
Tabak...........    33
Wijn...........    34
Bier............    34
Katoen...........    35
Vlas............    35
Huiden...........    35
Wol............    35
Steenkolen.........    36
IJzer en staal........    36
Koper, zink en tin......    36
Edele metalen. Goud en zilver . .    36
Petroleum..........    38
Zeevisscherij.........    38
IV.     Historisch overzicht van den
loop van den wereldhandel.
De wereldhandel tijdens de oude ge-
schiedenis.........    39
De middeleeuwen.......    41
De nieuwe geschiedenis.....    46
De werelddeelen.......    48
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
Algemeen Overzicht.
I. De natuurlijke gesteldheid der aarde.
Bladx.
1.     De aarde als natuurlichaam ... 1
2.     De dampkring........1
3.     Temperatuur en verdeeling der aarde
in luchtstreken.......1
4.     De verdeeling der temperatuur over
de aarde.........3
6.     Neerslag uit den dampkring en ver-
deeling van den regen ....      7
7.    De zee...........      8
8.     De beweging der zee. Zeestroomen.      8
9.     Vloed en ebbe......\' .      9
10.     Algemeene slotopmerkingen ... 10
II. Algemeene ondenverpen voor
den handel van beleekenis.
11.     Het begrip handel en de wijze van
uitvoering.........10
12.    Iets over de ontwikkeling van het
marktwezen......., 11
13.     De beurzen en het beurswezen in
eenige landen........12
14.     Handelspolitiek en handelstractaten. 14
15.     Behartiging der handelsbelangen door
de regeering in den vreemde. Con-
suls en consulaire ambtenaren. . 16
16.     Voorwaarden voor de toelating van
Nederlanders in vreemde landen . 17
17.     Intercontinentale en interoceanische
wegen voor den wereldhandel . . 17
18.     Middelen van handelsverkeer. . .
A.   Spoorwegen ........ 18
B.   Scheepvaart........19
19.     Post en Telegraphie......19
§ 20.
» 21.
, 22.
. 23.
24.
25.
26.
27.
28.
29.
30.
31.
32.
33.
34.
35.
36.
37.
38.
39.
40.
41.
42.
43.
44.
45.
46.
47.
48.
-ocr page 252-
244
HANDELS-AAltbRIJKSKUNDE.
Bladz.
Bladz.
A.  Landbouw en veeteelt.
B.  Bergbouw, zout werken en ijzerhutten.
C.  Nijverheid en handwerken.
D.  Handelsbeweging.
§ 68. Binnenlandsche middelen van ver-
keer ...........77
a 69. Plaatsbeschrijving.......77
A. Het koninkrijk Pruisen.
1.  De Rijnprovincie.
2.  De provincie Hannover.
3.    »         »         Sakseu.
4.  De provincie Sleeswijk-Holstein.
\'5. »
         i)          Sakseu.
6.    »        »         Hesseu-Nassau.
7.    »        »         Brandenburg.
8.    »        »         Pommeren.
9.    »         »         West Pruisen.
10.    »         »         Oost-Pruisen.
11.    »        »         Posen.
12.    »         »         Silezië.
I. Hohenzollern.                                     81
II. De kleine N.-Duitsche Staten.           81
III. De Vrije- en Hanze&teden.                 81
Steden in eenige kleiue Staten van het
noorden.                                               83
Het koninkrijk Saksen.                             83
»         »          Beieren.                           84
»         »          Württemberg.                   84
» Groothertogdom Badeu.                     84
»               »              Hessen.                   84
» Rijksland ElsassLotharingen.            84
§ 70. Het Groot-Hertogdom Luxemburg . 85
Zwitserland.
„ 71. Natuurlijke gesteldheid.....85
A.  Hoog en laag.
B.   Kiviereu.
C.  Klimaat.
,, 72. De bevolking, staatsvorm enz. . .    87
„ 73. Ontwikkeling van nijverheid, handel
en verkeer.........    87
„ 74. Produkten des lands en middelen van
bestaan..........    88
„ 75. Plaatsbeschrijving.......    89
Oostenrijk-Hongarijë.
„ 76. Algemeen overzicht van ligging, hoog \'
en laag des bodems en staatsge-
steldheid.........89
„ 77. De Donau.......... 90
„ 78. Bevolking en staatsinrichting. Leger
en. vloot. Kerk en School ... 91
„ 79. Ontwikkeling van landbouw, handel
en nijverheid in deze eeuw ... 92
„ 80. Voortbrengselen en middelen van be-
bestaan..........94
A.  Landbouw, bosschen en veeteelt.
B.  Bergbouw, salinen en ijzerhutten.
C.  Nijverheid.
D.  Handel en verkeer.
EUROPA.
Algemeen Overzicht.
§ 49. De ligging en de kustontwikkeling
van Europa........48
B 50. Iets over de kustvormen in verband
met het verkeer.......49
„ 51. Het hoog en het laag van den bodem 51
„ 52. De rivieren en de stroomgebieden . 52
„ 53. Het klimaat van Europa .... 54
„ 54. De plantengroei van Europa, en en-
kele opmerkingen over de ver-
breiding van dieren.....56
I. De toendra\'s.
II. Het woudgebied van Middel-Europa.
III.  Het Middellandsche Zeegebied.
IV.  Het Steppengebied.
» 55.
. 06.
De bevolking van Europa .... 58
De landen van Europa.....59
Duitschland.
57.
58.
Geographische ligging van Duitsch-
land en beteekenis daars\'an voor
klimaat, handel enz......60
Het hoog en lang van den bodem
en de natuurlijke gesteldheid des
lands...........61
I. De Noord-Duitsehe laagvlakte.
II. Het Middel-Duitsehe bergland.
III. Het Zuidwest Duitsehe bekken en
zijne gebergten.
f)!).
60.
(il.
62.
De Duitsehe Jura.......66
De Zwabisch-Heiersche hoogvlakte . 66
Het Bohemer woud, het Beiersche
woud en het Fichtelgebergte . . 66
De zeeën en rivieren van Duitsch-
land en hare beteekenis voor den
handel..........67
I. De Rijn. a. Geschiedenis van de
Rijn als handelsweg. 6. Natuur-
lijke gesteldheid van de Rijn.
II. De Eem.s.
III.  De Wezer.
IV.  De Elbe.
V. De Oder.
VI. De Weichsel.
VII. De Pi egel.
VIII. De Memel of Njemen.
IX. Het Noord-Uostzeekanaal.
X. De Douau.
63.     De bevolking van Duitschland . . 71
64.     Staatkundige toestand en krijgswezen 72
65.     Ontwikkeling van den handel en het
verkeer en van de staathuishoud-
kundige beginselen......72
66.     De staten en bezittingen van het
Duitsehe rijk........75
67.     Middelen van bestaan.....75
-ocr page 253-
245
HANDELS-AAUDKIJKSKUNDE.
Bladz.
§ 81. Indeeling..........97
, 82. Alpenland..........97
„ 83. Plaatsbeschrijving.......98
\\. Aartsliertogdom Beneden* en Boven-
Oostenrijk.
2.  Het Hertogdom Salzburg.
3.  Het vorstelijk graafschap Tirol en
Vorarlberg.
4.  Het Hertogdom Stiermarken.
5.    >            »           Karintbic.
0. » »
           Kraiu.
7.  Het Kustlaud.
Ontwikkeling van Triest als han-
delsliaven.
8.  Het koninkrijk Dalinatië.
9.    >           »         Boliemeu.
10.    »           »         Moravië.
11.  Het hertogdom Silezië.
12.  Het koninkrijk Galicië en Lodomi-
rië en het hertogdom Bukowina.
13.  Het kouinkriJK Hongarije en Zeveu-
burgeu.
Kroatië en Slavonië.
Bosnië en Herzegowina.
Het koninkrijk België.
„ 84. Natuurlijke gesteldheid des lands enz. 102
B 85. Bevolking, staatsbestuur, leger, kerk
en school.........103
, 86. Ontwikkeling van handel en nijver-
beid in België.......104
n 87. Middelen van bestaan.....106
A.  Landbouw en veeteelt. Wouden.
B.  Bergbouw enz.
C.  Nijverheid.
I). Handel eu verkeer. Scheepvaart.
„ 88. Plaatsbeschrijving.......107
De republiek Frankrijk.
„ 89. Natuurlijke gesteldheid des lands . 109
„ 90. Bevolking, staatsinrichting, leger,
kerk enz..........111
„ 91. Ontwikkeling van handel, nijverheid,
landbouw, enz. in den nieuwsten
tijd...........113
„ 92. Middelen van bestaan.....114
A.  Landbouw en veeteelt enz.
B.  Bergbouw, Salinen, enz.
C.  Nijverheid.
„ 93. Indeeling en plaatsbeschrijving . .118
Natuurlijke grondslagen voor de
ontwikkeling van Parijs als cen-
trum van het Seine-bekken en
hoofdstad des lands.
Outwikkeliug en beteekenis van HAvre
en llouen.
Boulogne, Calais en Duinkerken en
baar beteekenis.
Ontwikkeling van Marseille.
»
               » Bordeaux.
N autcs en SI. JS azaire en baar beteekenis.
Bladz.
125
§ 94. Het vorstendom Monaco.
Het Pyreneesch Schiereiland.
, 95.
Ligging en natuurlijke gesteldheid
125
Het Koninkrijk Spanje.
Bevolking..........128
Historisch overzicht van den econo-
mischen toestand van Spanje in
deze eeuw.........129
Middelen van bestaan.....129
A.  Landbouw, produkteu uit het plau-
tenrijk, veeteelt enz.
B.  Mijnen, salinen.
C.  Nijverheid.
Handel en verkeer......131
Plaatsbeschrijving.......132
96.
97.
98.
99.
100.
101.
102.
103.
104.
105.
Het koninkrijk Portugal.
Bevolking, staat, kerk enz. . . . 133
Ontwikkeling van handel, nijverheid
en verkeer........134
Middelen van bestaan.....134
A.  Landbouw eu veeteelt.
B.  Bergbouw, nijverheid enz.
C.  Handel eu verkeer.
Plaatsbeschrijving. Ontwikkeling van
Lissabon.........136
Gibraltar..........136
Het koninkrijk Italië.
„ 106. Natuurlijke gesteldheid.....137
A.  Boven-ltalië.
B.  Het schiereiland van Italië.
„107. Bevolking..........139
A.  Afkomst.
B.  Volksdicbtheid.
C.  Staatsinrichting euz.
„ 108. Overzicht van de geschiedenis der
ontwikkeling van handel en nij-
verheid..........140
„ 109. Middelen van bestaan.....140
A.  Landbouw eu veeteelt.
B.  Bergbouw, enz.
C.   Nijverheid.
D.  Handel.
B 109a. Plaatsbeschrijving......143
Ontwikkeling van Genua eu betee-
keuis van de Riviera.
Piemont.
Lombardijë.
Venetië.
Ontwikkeling van Venetië.
Emilia.
De Marken.
Umbrië.
Toskanc.
I
-ocr page 254-
HANDELS-AARD aiJKSKUNDE.
Blads.
9. Rome.
10.  Camp\'inië.
11.  Apulië.
12.  Calabrië.
13.  Het eiland Sicilië.
14.  Sardiuie.
15.  Buiteulandsche bezittingen.
§ 110. De Maltagroep........147
Het Balkan-schiereiland.
„111. Algemeen overzicht der natuurlijke
gesteldheid van het land. . . . 148
„ 112. Bevolking en staten......148
Het Koninkrijk Griekenland.
„ 118. Natuurlijke gesteldheid.....149
A.  Ligging, kusten.
B.  Gesteldheid des lands.
„ 114. Bevolking en staat......149
„ 115. Voortbrengselen, bedrijf en handel . 150
„ 110. Plaatsbeschrijving. Athene. . . . 152
Europeesch Turkije.
„ 117. De bevolking........152
A.  Staats wezen.
B.  Economische toestand. Landbouw
en veeteelt.
C.  Industrie.
1). Handel en verkeer.
„118. Plaatsbeschrijving.......153
Konstantinopel.
Het vorstendom Bulgarije met Oost-
Ru nelië.
„ 119. Bevolking, bestaansmiddelen, handel
en verkeer.........154
Het Koninkrijk Sercii\'.
„ 120. Bevolking, middelen van bestaan enz. 154
„ 121. Het vorstendom Montenegro . . .154
Het Koninkrijk Eumenii\'.
„ 122. Bevolking, bedrijf enz......154
Groot Britannië en Ierland.
„123. Ligging en natuurlijke gesteldheid.   155
„ 124. Bevolking. ..."......   157
„ 125. Ontwikkeling van handel en verkeer   157
„ 126. Landbouw en veeteelt. Grondeigen-
dom, pachters enz.......   159
„127. Plaatsbeschrijving. Londen. . . .   163
Beteekeuis en ontwikkeling van Londen.
„ 128. De Britsche koloniën......   165
Het Koninkrijk Denemarken.
„ 129. Algemeen overzicht van land en volk,
van handel en verkeer enz.. . . 166
130. Plaatsbeschrijving.......166
Btadi
Skandinavië.
§ 131. Ligging en natuurlijke gesteldheid
des lands.........167
„ 132. Bevolking..........168
„ 133. Produkten des lands......168
„ 134. Nijverheid, handel en verkeer . . 168
„ 135. Plaatsbeschrijving.......169
A.  Zweden.
B.  Noorwegen.
Het Keizerrijk Rusland.
„ 136. Ligging, beteekenis enz.....169
„ 137. Natuurlijke gesteldheid des lands . 169
„ 138. Bevolking..........171
„ 139. Ontwikkeling van nijverheid, handel
en verkeer.........171
„ 140. Produkten des lands, landbouw, vee-
teelt. Middelen van bestaan. . . 172
„ 141. Plaatsbeschrijving.......173
A. Hei Grootvorsteudom Finland.
IS Rusland.
Het Werelddeel Azië.
„ 142. De landen van Azië......   174
„ 143. Russisch Azië........   174
„ 144. A. Kaukasië.........   174
„ 145. B. Russisch Centraal-Azië ....   175
„ 146. Siberië, het Amurland en Sachalien.   175
„ 147. Turksehe bezittingen in Azië . . .   176
A.  Klein Azië.
B.  Armoiiië en Kurdistan.
C.  Syrië en Palestina.
H. Turksck Arabie met aangrenzend
gebied.
„ 148. Perzië of Iran........178
„ 149. Beludsehistan........178
„ 150. Afghanistan .........178
„ 151. Britsch-Azië.........179
Britsch-Indië.
Landbouw eu veeteelt, nijverheid, han-
delsvcrkeer. Plaatsbeschrijving.
„ 152. Het eiland Ceylon.......    181
„ 153. De Straits Settlements.....   181
„ 154. Britsch Noord-Borneo.....    181
„ 155. Hongkong..........   181
„ 156. Fransche bezittingen in Azië . . .   182
„ 157. Portugeesche Bezittingen in Azië .   182
„ 158. Het koninkrijk Siam......   182
„ 159. Het Chineesche Rijk......   182
„ 160. Het koninkrijk Korea......   184
„ 161. Het keizerrijk Japan of Nippon . .   184
„ 102. Spaansche bezittingen. De Philip-
pijnen . . . . ......   185
Het werelddeel Afrika.
„163. Egypte...........186
„ 164. Het rijk van den Mahdi.....187
„ 165. De noordku\'st van Afrika .... 187
-ocr page 255-
247
Bladz
HANDELS-AARDRIJKSKUNDE.
Bladi.
A.  Barka cu Tripoli.
B.  Tunis.
C.  Algiers.
1). Marokko.
De sahara.........   188
Sudnn...........   188
De Fransche bezittingen in Noord-
west-Afrika........   189
Britsclie bezittingen in Noordwest-
Afrika..........   189
Portugeesche bezittingen in Noord-
west-Afrika........   189
Duitsche bezittingen......   189
Liberia...........   189
Aschanti en Joruba......   189
Fransch Kongo........   189
De Kongostaat........   189
De Portngeesche Bezittingen : Kongo,
Angola, Benguella, Mossamedes .   190
Duitsch Zuidwest-Afrika . . . .190
Britsclie bezittingen en protectoraten
in Zuid-AMka.......190
IV.  Fransche bezittingen.
V.    Deensclie bezittingen.
VI.  Nederlandscbe bezittingen in
Amerika.
§ 194. De republiek Venezuela......198
\'„ 195. Guyana...........198
I.     Britsch Gu ana.
II.   Nederlaudsch Guyana
III. Fransch Guyana.
„ 196. De Vereenigde Staten van Brazilië.    199
„ 197. De republiek Paraguav.....    199
, 198. ,           „          Uruguay.....    200
„ 199. De Argentijnsche republiek . . .   200
„ 200. De Falklands-eilanden.....   200
, 201. De republiek Chili.......   200
„ 202. „           „          Bolivia......   201
„203. „           „          Peru.......   201
„ 204. Ecuador..........   201
„ 205. De republiek Columbia.....   202
Australië.
„ 206. Het vasteland van Australië of Nieuw-
Holland..........202
A.  Bodem.
15.  Planten en dieieii.
C.  Bevolking.
I).  Produkten voor den handel.
E   Staten.
„ 207. Melanesië en Polynesiö.....206
A.  Nieuw-Guinea.
B.  Fransche bezittingen.
C.  Engehvhe bezittingen.
D.  Duitsche bezittingen.
E.  Spaansche bezittingen
F.  Neutrale eilanden.
G.  De Sandwich eilanden.
Nederland en de Nederlandsche koloniën
en bezittingen.
„ 208. De ontwikkeling van den handel in
Nederland, gedurende de nieuwe
geschiedenis........208
Tegenwoordige economische tiestand en
haudel van Nederland.
„ 209. Produkten des lands......216
A.  Veeteelt en produkten daaruit voor-
komend.
B.  Landbouw.
C.  Tuinbouw, blocmkweekerij enz.
„ 210. Nijverheid..........    221
„211. Buitenlandsche handel.....   221
„ 212. Buitenlandsche scheepvaart. . . .   223
„ 213. De zeevisscherij........   224:
De Nederlandsche bezittingen en koloniën,
„ 214. Koloniën en bezittingen..... 225
§ 166.
,167.
„168.
„169.
„170.
,171.
, 172.
» 173.
„174.
, 175.
,176.
,177.
„178.
A.  De Kaai kolonie.
B.  Natal.
179.
180.
De Oranje-Vrijstaat.....
191
De Zuid-Afrika;msehe Republiek
(Transvaal)........   191
Portugeesch Oost-Afrika. (Lourenco-
Marques en Mozambique) . . .   191
Zanzibar..........   192
Duitsch Oost-Afrika......   192
Britsch Oost-Afrika......   192
Het gebied der Italiaansche belangen.   192
Fransche en Engel sche bezittingen
aan de golf van Aden ....   192
Afrikaansche eilanden.....   192
Amerika.
De poollanden........192
Britsch Noord-Amerika.....193
A. Dominion of Canada.
B New-fouudland met Labrador.
De Vereenigde Staten van Noord-
Amerika..........193
A.  Nieuw-Engeland en de oostelijke
kustlauden.
B.  Noordwestelijke en binnenlandsche
staten
C.  De zuidelijke kuststaten.
D.  De Pacifische staten.
E.  De territoriën.
Mexico...........197
Midden-Amerika.......197
West-Indië.........197
I.     Spaansene bezittingen.
II.   Haïti.
III. Britsche bezittingen.
181.
182.
183.
184.
185.
186.
187.
„188.
„189.
,190.
„191.
,192.
.198.
-ocr page 256-
248
HANDELS-AARDHIJKSKUNDE.
Bladz.
Bliidi.
§ 215. Algemeen overzicht. Ligging en in-
deeling ..........
   225
„ 216. Klimaat..........   225
„ 217. Planten..........   226
„ 218. Dieren...........   228
„ 219. De inlandsche bevolking in Ned.-
Indië...........   228
B 220. Met Inlanders gelijk gestelden . .   229
I.     Chineezen.
II.   Arabieren.
III.  Indo-Europeanen.
„ 221. Bestuur...........230
„ 222. Grondbezit en grondgebruik . . . 230
„ 223. Cultuurprodukten voor de Europee-
sche markt. Landbouw en nijver-
heid...........231
I.       Rijst.
II.     Koffie.
III.    Suiker.
IV.    Tabak.
Thee.
De Kina.
Indigo-cultuur.
Cacao.
Specerien.
Tin.
Goud en diamant, steenkool.
V.
VI.
VII.
VIII.
IX.
X.
XI.
236
§ 224.
Handel en verkeer.......
Uitvoer der\'belaugrijkstc artikelen. AI-
gemcene invoer der belangrijkste ar-
tikelen.
Het eiland Java met Madoera. . .
Sumatra en omliggende eilanden.
Het eiland Borneo.......
Het eiland Celebes.......
De Kleine Soenda-eilanden. . . .
239
240
240
241
241
241
225.
226.
227.
228.
229.
, 230.
De
231
232
233
De Molukken........
Nederlandsche koloniën in Amerika.
Suriname..........241
Curacaosche eilanden......242
242
De Nederlandsche Antillen.