-ocr page 1-
«.•.♦*<<.
\\
i
-. * • \'
-,1
-ocr page 2-
*hO*2<X
<r\\ \\
rr\\
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
/
^ Je
•
. ••> i*h • *
-
•
\\
. »
• X \\
-ocr page 6-
A06000006823193B
-ocr page 7-
620
BEKNOPTE
OPVOEDKUNDE
VOORAL MET HET OOG OP DE LAGERESCI100L,
doob
R. R. RIJKENS,
DIRECTEUR DER RIJKSKWEEKSCHOOL VOOR ONDERWIJZERS
TE NI IM RIJ EN.
r~
ZEVENDE, HERZIENE DRUK.                                                ► \\JtX6C \'V.
bibliotheek I BIBLIOTHEEK QENTRÜMürTHOF
instituut voor pedagogische^en                                          —-
andra^ocr: :he welar.-chappen                                           rf)
heidelbergioan 1 - 3508 te utrecht
tel. 030-534711 ^
TE GRONINGEN BIJ .1. B. WOLTERS, 1889.
-ocr page 8-
Ktoomdrukkerij van .1. B. Wolters.
-ocr page 9-
VOORBERICHT VOOR DEN ZEVENDEN DRUK.
De eerste druk van dit werkje verscheen in November i877- Kri nu, bijna
12 jaar later, gaat de zevende de wereld in. Ik ma(; dus volop tevreden zijn.
Erkentelijk ben ik dan ook voor de waardeering, aan mijn werk ten deel gevallen.
Ook in dezen zevenden druk heb ik gewijzigd en aangevuld, waar ik dat
noodig oordeelde. Bij de tegenwoordige inrichting van ons lageronderwijs heb ik
de veranderingen, die het Ontwerp-Mackay er wellicht in brengen zal, aan den
voet der bladzijden meegedeeld. Met de uitgave te wachten, tot het lot van het
Ontwerp beslist zou zijn, liet de omstandigheid niet toe, dat de zesde druk zoo
goed als uitverkocht is.
Wordt dat ontwerp wet, dan wordt wederom kennis der opvoedkunde van den
adspirant-hoofdonderwijzer gevorderd, waarop hij zich te meer zal kunnen toeleggen,
als van hem geen kennis der wiskunde meer gevraagd zal worden, een ruil,
waarin men zich voor de school mag verheugen.
Kene opmerking. Onlangs lwweerde iemand bij het onderwijs, dat de zielkunde
geen vak was, om aan 15. a 16-jarigen onderwezen te worden. Was het waar,
-ocr page 10-
dan gold hetzelfde voor hulponderwijzers. Maar zielkunde en zielkunde is twee.
liet komt geheel aan op de methode, die gevolgd wordt. Niet de stellingen
moeten voorop. Maar in het eigene zielclevcn moet nagegaan worden, wat er in
waar te nemen is, en dan kost het geen moeite tot de zielkundige begrippen,
bepalingen en stellingen te komen, gevat in een\' vorm, die wellicht bij een\'
boogleeraar in de wijsbegeerte niet geheel door den lieugcl kan, maar voor de
ontwikkeling van den aanstaanden onderwijzer past en een goede grond is voor
latere studie. Maar wiens onderwijs in taalkunde beslaat in liet laten memoriseeren
van ljcpalingcn en regels, begrijpt zeker niet, wat aanschouwelijk onderwijs in
zielkunde is.
liet Aanhangsel over het onderwijs in de nuttige vrouwelijke handwerken is
van de hand van Mejuffrouw P. M. Heringa, directrice van de kweekschool voor
onderwijzeressen te Groningen, aan wie ik voor die welwillende medewerking hier
openlijk mijn hartelijken dank betuig.
Nijmegen, Juni \'89.                                                                                 R. R. R.
-ocr page 11-
INHOUD.
INLEIDING.                                                                                                      Blz.
Begripsbepaling: ontwikkeling] opvoeding. Doel. Veideeling.......i
EERSTE AFDEELING.
LICHAMELIJKE OPVOEDING.................°
Gymnastiek........................I2
TWEEDE AFDEELING.
OPVOEDING DER ZIEI....................15
HOOFDSTUK I.
ZIELKUNDE......................17
A. Het Denkvermogen.
1.    Oorsprong van de loeiden: de zinnen en hun werk........18
2.    De beeldenschat der ziel.................21
3.    Voorstellingen.....................22
4.    Begrippen.......................24
5.    Oordeelen en sluitredenen.................27
6.    Verstand.......................29
7.     Aanleg.......................31
8.     Bewustzijn. Stem en spraak................32
9.    Opmerkzaamheid....................35
10.    Geheugen. Herinnering. Terugroepende verbeelding........38
11.    Phantasie...................... 40
-ocr page 12-
Blz.
12.     Het denken......................42
13.    Overzicht.......................44
B.    Het gevoel vermogen..................45
1.     Het gemoed......................48
2.    Bijzondere toestanden der ziel...............49
3.     Hooger gevoel.....................52
Het schoonheidsgevoel.................52
Het waarheidsgevoel.................53
Het zedelijk gevoel..................54
Het godsdienstig gevoel................55
Het gevoel van eigenwaarde...............5°
Het gevoel voor anderen of sympathie (medegevoel)......57
C.     HetBegcervermogen...........         ......5^
HOOFDSTUK II.
DB OPVOEDING VAN HET DENKVERMOGEN OK HET ONDERWIJS.
A.    Algemeen gedeelte.
1.     Begrip van onderwijs. Doel. School. Klassificatic.........63
2.     Leerstof en methode...................68
a. Leerstof......................68
i. Methode......................71
1.    De Leervorm...................76
a.    De mededeelende leervorm............  jS
b.    De opwekkende leervorm.............  82
2.    De Leergang...................  86
3.    De Leertoon...................  88
4.    De Leermiddelen.................  91
HOOFDSTUK III.
B.    De bijzondere leervakken.
1.     Aanschouwings- en spreekondcrwijs.............91
2.     Taalonderwijs........         ............98
-ocr page 13-
Blz.
a.     Het spreken....................    99
b.     Het leesonderwijs..................   103
c.     Schrijven.....................118
1.    Schoonschrijven.................  ji8
2.    De schriftelijke uitdrukking der gedachten........   122
d.    Taalkunde.....................   127
3.     Rekenen.......................   132
4.    Vormleer......................   139
5.    Onderwijs in nuttige kennis................   141
a.    Geschiedenis....................   143
b.    Aardrijkskunde...................   149
c.     Natuurkennis....................   156
6.    Zingen.......................  161
HOOFDSTUK IV.
DE OPVOEDING VAN HET GEVOEI.VEKMOGEN..........   165
HOOFDSTUK V.
DB OPVOEDING VAN HET BBGBERVBRMOGBN OF DE ZEDELIJKE OP-
VOEDING ......................
    169
Algeraeene beschouwing der tucht..............   170
Tuchtmiddelen.
1.     Het voorbeeld.....................   175
2.    Het woord......................  176
a.    Het gebod en verbod.................  177
b.     Het algemeene voorschrift...............   179
c.     De raad.....................  180
3.    De onaangename tuchtmiddelen. Gehoorzaamheid........   181
ti. De afkeuring....................  183
/>. De vermaning....................  183
c. De berisping....................  183
./. De bedreiging...................  184
/. De straffen.....................  184
-ocr page 14-
Blz.
4.     De aangename tuchtmiddelen...............186
a.     De goedkeuring..................   [87
b.     De aanmoediging..................   187
c.      De l>elofte....................   1S7
d.     De belooning...................   187
5.     De voorbehoedmiddelen.................   18S
Om De orde.....................   189
b. Nauwkeurig toezicht.................   1S9
t\'. Aanhoudende werkzaamheid liij opgeruimdheid.......   1S9
6.     Beproevingen.....................189
UI. Orde.......;................190
DERDE AFDEELING.
GESCH1BDKNIS DER OPVOKDING VAN UK IAATSTE TIJDEN.
1.     Tot de achttiende eeuw..................192
1.
2.     De achttiende eeuw....................20» >
3.     De inrichting van het onderwijs in Nederland..........205
4.     Heil en Lancaster. Jacotoi. Ue bewaarschool. Kn\'llwl........219
AANHANGSEL.
De vrouwelijke handwerken..................227
-ocr page 15-
INLEIDING.
BEGRIPSBEPALING: ONTWIKKELING, OPVOEDING. DOEL. VERDEELING.
§ i. Het woord ontwikkeling wordt veelvuldig in de opvoed-
kunde gebruikt. Laat ons vóór alles zien, wat men er bij te denken heeft.
Volken, menschen, dieren en planten ontwikkelen zich. Wat wil
men daarmee zeggen? Het ruwe volk wordt in korter\' of langer\' tijd
eene beschaafde natie: men denke aan de bewoners der Sandwichs-
eilanden, als een voorbeeld uit den allerlaatsten tijd, en lette er op,
wat zij binnen ioo jaren geweest en geworden zijn. Men denke ook
aan de vroegere bewoners van Nederland en vergelijke dezen met de
tegenwoordige Nederlandsche natie. — Het kleine kind wordt een
volwassen mensch: zijn lichaam wordt grooter, zijne kracht meerder,
zijne kennis neemt toe, al wat hij doet, zijn loopen, zijn schrijven,
zijn nadenken, alles wordt meer \\olkomen. — Het jonge dier wordt
langzamerhand grooter, het kleine scheutje wordt een boom, die met
breede kruin zich hoog in de lucht verheft.
Men zegt ook, dat eene stad, eene kunst, et .ie wetenschap, een
handelstak, een bedrijf, in \'t kort, alles wat van menschen komt of
door menschen ontstaat en verandert, zich ontwikkelt. Al het genoemde
is voortdurend in een\' staat van wording, van toeneming; het
gaat over van minder tot meer; \'t is eerst onbeduidend, \'t wordt
later belangrijk. Zie op u zelf, uw eigen wezen; ga eens na, hoeveel
gij in één jaar of in 4 jaren vooruit zijt gekomen in één of meer
vakken. Ge zijt aanhoudend meerder geworden, ge zijt steeds meer
ontwikkeld. Ge ziet er uit, dat het begrip ontwikkeling tot
hoofdkenmerk heeft: meerder worden, toenemen, evenwel niet
meerder worden door uitwendige aanzetting, maar door inwendige uit-
zetting. Eene levende kracht werkt van binnen en doet de toeneming
ontstaan. Dat meerder worden nu door een eigen inwendig leven
noemt men ontwikkeling.
Er volgt uit, dat dé ontwikkeling niet aan de onbewerktuigde, maar
alleen aan de bewerktuigde schepping en aan alles, wat van den mensch
eijkkns, Oproedk., 7e druk.                                                        1
-ocr page 16-
2
uitgaat en door hem voortgebracht wordt, eigen is. Een keisteen ont-
wikkelt zich niet, eene bloem wel.
Het woord ontwikkeling heeft eene 1 ij d e n d e en eene b e d r ij-
vende beteekenis. De eerste heeft het, wanneer men er door verstaat:
het meerder worden, de toeneming, het langzaam komen tot een\'toestand
van meerderheid. De bedrijvende beteekenis heeft het woord, als men
er door verstaat het meerder maken, het meer of minder opzettelijk
uitoefenen van invloed, waardoor de toestand van meerderheid geboren
wordt. In het eerste geval is de ontwikkeling dus het resultaat, in het
tweede de werkzaamheid, die het resultaat doet ontstaan.
De letterlijke beteekenis van het woord ontwikkeling is: ontdoen
van de omgewonden doeken. Daarmee heeft het eigenlijke begrip
alleen het te voorschijn komen en het daardoor vrij worden
gemeen. Men kan de letterlijke beteekenis van het woord dus maar
voor een deel gebruiken tot verklaring van het begrip ontwikkeling.
In het algemeen is het verkeerd , dat men, zooals vaak gel>eurt, om tot de
gewone beteekenis te komen, begint met de letterlijke , eigenlijke beteeke-
nis te zoeken, door het woord te ontleden en zijne afleiding na te sporen.
Heter is het, uit het gebruik de gewone beteekenis op te maken en
zich af te vragen, wat men bij het hooren of zien van het woord denkt.
§ 2. Ontwikkeling wordt in betrekking tot de geheele levende schep-
ping gebruikt, opvoeding daarentegen alleen ten aanzien van den
mensch. Het ontwikkelen van dieren heet teelt of opfokken en van
planten teelt of kweeken. Alles wat op het lichaam of op de ziel
zekeren invloed uitoefent, brengt daarin verandering te weeg. Die ver-
andering, voor zoover ze gunstig is, kan opvoeding of ook ontwikke-
ling heeten. Maar ook hetgeen gedaan wordt, om die verandering
te bewerken, noemt men evenzeer opvoeding. In het algemeen kan
men door opvoeding verstaan: de samenwerking van alle omstan-
dighcden en maatregelen, waardoor de ontwikkeling, het
meerder worden van den mensch, bewerkt wordt.
Daaruit volgt, dat de opvoeding, even als de ontwikkeling, toe-
vallig en opzettelijk kan zijn. Men bedenke slechts, dat een
aantal omstandigheden, die niet van \'s menschen wil afhangen, maar
waarin hij toevallig geplaatst wordt, zoowel op zijn lichaam als op zijn\'
geest invloed ten goede of ten kwade uitoefenen en daardoor de mate
zijner ontwikkeling bepalen. Men kan de opvoeding toevallig noemen,
als men de gunstige uitwerking van al die levensomstandigheden op
den mensch bedoelt, die niet door anderen voor de opvoeding van het
ndividu bestemd zijn. De opvoeding van elk volk, zoowel als van
-ocr page 17-
3
eiken mensch, is voor een groot deel het product van een aantal
toevallige omstandigheden, als: de gesteldheid en de ligging des lands,
het klimaat, de aanraking met anderen, de rampen en beproevingen,
zij maken een volk tot wat het later is; zijne toevallige omstandigheden
maken ook van eiken mensch voor een deel datgene, wat hij in zijn
later leven vertoont. Zijn ze gunstig, dan wordt zijne opvoeding er door
bevorderd; zijn ze ongunstig, dan wordt ze er door tegengewerkt.
Wanneer in dit boek verder van opvoeding gesproken wordt, dan
hebbe men daarbij aan de op/.et te lijk e opvoeding, en meer bepaald
aan de opzettelijke opvoeding van kinderen, te denken. Zij bestaat
dan in de ordelijke samenwerking van al die maatregelen,
waardoor het kind de meest geschikte gelegenheid ver-
krijgt, om tot zekere mate van ontwikkeling te komen.
De opzettelijke opvoeding stelt den jeugdigen mensch weleens aan de
inwerking van toevallige omstandigheden bloot, opdat deze voordeelig
op hem zullen werken. Moeilijk is het soms, de gevolgen der toevallige
en der opzettelijke opvoeding van elkaar te onderscheiden: meermalen
wordt aan de laatste toegeschreven, wat toch een uitwerksel der eerste
is; ook het omgekeerde heeft plaats.
De toevallige opvoeding duurt van de geboorte tot den dood; de
opzettelijke begint met de geboorte en kan eindigen, wanneer de
kweekeling tot eene zekere mate van zelfstandigheid gekomen is en
verder zijn eigen opvoeder wezen kan. De wet verklaart hem eerst op
zijn 230 jaar zelfstandig (rtieerderjarig, mondig).
De opvoeding werkt deels negatief, deels positief. Ze werkt
negatief, als ze den ongunstigen invloed der toevallige omstandigheden
zoekt te verwijderen, en positief, als ze al die maatregelen neemt,
waardoor de ontwikkeling van den jeugdigen mensch bewerkt wordt.
Wijl de omstandigheden altijddoor op het kind werken, moeten de
negatieve en de positieve opvoeding wel samengaan, waarom de op-
voeder bij het nemen van de meest gepaste maatregelen ook acht geeft
op de toevallige invloeden.
Het woord opvoeding heeft, evenals ontwikkeling, eene bedrijvende
en eene lijdende beteekenis, en daardoor is opvoeding zoowel de
werking als het resultaat, dat er uit voortkomt: de opvoeder doet het
werk en het kind wordt opgevoed, komt tot opvoeding. Door de
letterlijke beteekenis van het woord: voeden tot iets hoogers,
wordt het begrip vrij goed aangeduid.
Ontwikkelen en opvoeden beide zijn, omdat zij slechts in betrekking
tot levende wezens beschouwd kunnen worden, van dien aard, dat
het wezen, dat de werking ondergaat, zich moet opvoeden, en dat
1*
-ocr page 18-
4
de persoon, die ontwikkelt en opvoedt, niets anders kan doen, dan de
gelegenheid voor (ie ontwikkeling en opvoeding zoo gunstig mogelijk te ma-
ken. Men kan daarom ook zeggen, dat opvoeden bestaat in het verschaffen
van de meest geschikte gelegenheid aan het kind voor zijne ontwikkeling,
zoodat het langzamerhand komt tot de redelijke bepaling van zijn\' wil.
Ontwikkeling, opvoeding en vorming mogen in de letterlijke betee-
kenis verschillen en ook niet altijd voor elkaar gebruikt kunnen worden,
in hoofdzaak zijn ze toch synoniemen.
Tot het goed verstaan van opvoedkundige werken en opstellen is
het noodig, niet uit het oog te verliezen, dat het woord opvoeding
meermalen in een meer beperkten zin en wel alleen voor zedelijke
opvoeding of opvoeding van den wil genomen wordt, b. v. als gespro-
ken wordt van opvoeding en onderwijs.
§ 3. De vraag, of de mensen opgevoed kan worden, mag haast
geen vraag heeten, als men in duizenden voorbeelden rondom zich ziet,
hoe de mensen lichamelijk en geestelijk toeneemt bij eene verstandige
leiding. Dat menige opvoeding toch mislukt, is toe te schrijven aan de
maatregelen, die öf op zich zelf in het algemeen verkeerd zijn óf niet
passen voor den bijzonderen aard van het individu.
Iets anders, en van meer belang, is het, te vragen naar het doel
der opvoeding: de aard van het doel werkt op het streven ter bereiking
er van. Voor een verheven, groot doel spant men zich meer in dan
voor een onbeduidend. Elk opvoeder, en dus ook elk onderwijzer,
mag zich daarom wel levendig bewust maken, welk doel hij met zijn
werk bereiken wil. Dat doel zal hem tot ijver en inspanning prikkelen
en kan hem zelfs bezielen. Het eerste doel van elke opvoeding is
natuurlijk de grootst mogelijke ontwikkeling van alle krachten in den
mensen, zoowel van het lichaam als van den geest te bewerken, om
hem daardoor tot zelfstandigheid te brengen, tot het besturen van zijn
eigen wil. Maar, zal men verder vragen, waartoe die altijd betrekkelijke
volkomenheid? Wat is de vrucht er van voor den mensch, opdat ieder
voor zich en elk voor een ander er naar streve? Die vrucht en zoo
ook het einddoel van alle opvoeding, kan geen ander zijn, dan het
waarachtige geluk van den mensch. Wat men ook anders als het doel
der opvoeding moge aanmerken, daarop zal in \'t eind alles toch wel
neerkomen, dat men \'s menschen geluk zoekt te bevorderen, waarin
men dat geluk ook acht te bestaan. Gelijk de ontwikkeling van een
enkel vermogen den mensch reeds vatbaar maakt voor het smaken van
een bijzonder genot door dat vermogen, zoo zal de evenredige ont-
wikkeling van alle menschelijke krachten en eigenschappen hem in
-ocr page 19-
5
staat stellen tot het genieten van het hoogste en waarachtig geluk.
Dat de mensch zoo dikmaals zich ongelukkig gevoelt of eene geringe
mate van geluk smaakt, ligt öf aan de gebrekkige opvoeding van zijne
medemenschen èf aan de eenzijdige ontwikkeling van zijne eigene krachten.
Wie dus aan de opvoeding des menschen meewerkt, mag rekenen, dat
hij arbeidt aan de opbouwing van waarachtig menschelijk geluk.
§ 4. De ouders zijn de natuurlijke opvoeders hunner kinderen, en
het huisgezin is daarom de eerste en de voornaamste plaats der
opvoeding. Omdat evenwel de ouders in den regel door velerlei bezig-
heden en zorgen, en ook door gebrekkige eigene ontwikkeling, niet bij
machte zijn, voldoende voor de opvoeding hunner kinderen te zorgen,
komt de school hun te hulp en neemt een deel hunner veelom-
vattende taak over, in het bijzonder de verstandelijke opvoeding of het
onderwijs, waarbij ze evenwel tegelijk de andere deelen der opvoeding
niet uit het oog mag verliezen. En dewijl de ontwikkeling van elk
individu noodzakelijk is voor het geluk van allen, heeft bij de beschaafde
volken de staat of de regeering begrepen, dat de school niet aan het
toeval of aan de zorg van enkelen mocht overgelaten zijn, maar zelf
die zorg er voor op zich genomen en scholen voor alle kinderen des
volks tot stand gebracht. De regeering van ons land heeft reeds voor
omtrent 90 jaren eene wet op het lageronderwijs in het leven geroepen,
die hetzelfde eischte, wat ook de tegenwoordige wet wil, dat „het
schoolonderwijs, onder het aanleeren van gepaste en nuttige kundig-
heden, dienstbaar gemaakt wordt aan de ontwikkeling van de verstan-
delijke vermogens der kinderen en aan hunne opleiding tot alle chris-
telijke en maatschappelijke deugden" (art. 33). Maar ook wanneer de
wet den onderwijzer, hoofdzakelijk belast met de verstandelijke opvoe-
ding, niet verplichtte, om ook de zedelijke opvoeding te behartigen,
zou hij toch, èn om de vrucht van zijn onderwijs te vermeerderen,
èn om het geluk der kinderen te bevorderen, zooveel mogelijk hunne
geheele opvoeding zich tot taak stellen.
Behalve de staat komen ook de kerkelijke vereenigingen de ouders
te hulp in de opvoeding hunner kinderen.
Omdat in het leven des menschen twee verschillende levensuitingen
zich openbaren, het leven des lichaams en het leven der ziel, is het
werk der opvoeding ook in tweeen verdeeld en spreekt men van
lichamelijke en geestelijke opvoeding.
In dit boek zal de opvoeding meer bepaald in betrekking tot de
lagere school beschouwd worden.
-ocr page 20-
EERSTE AFDEELING.
LICHAMELIJKE OPVOEDING.
§ 5. De opvoeding des lichaams bestaat, volgens het boven ge-
zegde, in de ordelijke samenwerking van al die maatregelen, waardoor
het kind de meest geschikte gelegenheid verkrijgt, om al de krachten
van zijn lichaam op de rechte wijze te gebruiken, en daardoor tot eene
zekere mate van volkomenheid te brengen en als een gevolg daarvan
gelukkiger te kunnen zijn.
Het belang van de lichamelijke opvoeding ligt voor de hand. De
mensch, hoewel men de onderscheiding maakt in lichaam en ziel, is
een geheel, zijn leven eene eenheid, waarvan de beide uitingen
elkander niet kunnen missen. Het lichamelijk leven is echter de oorsprong
van het geheele menschenleven en zijne ontwikkeling de eerste voorwaarde
voor de ontwikkeling van het geheel. Het lichaam is het werktuig voor
de ziel. Immers, door de zintuigen krijgt zij de eerste en altijddoor
nieuwe indrukken, en zenuwen en spieren staan in haar\' dienst. Geen
welontwikkeld leven der ziel is daarom denkbaar zonder dat des lichaams.
Bovendien, wie een gezond, krachtig, in alle opzichten bruikbaar
lichaam heeft, kan gelukkig zijn, voelt zich opgeruimd, moedig, tot
alles in staat. Het leven is hem geen last, maar een lust. Voor zich
zelven is hij altijd klaar, anderen kan hij altijd helpen. Men zal dus
licht inzien, dat de opvoeding des lichaams van niet minder belang is
dan die der ziel.
Niet altijd evenwel is dat belang evenzeer erkend. Bij de Grieken
vooral, maar ook bij de\'Romeinen maakte de lichamelijke opvoeding
een belangrijk deel uit van de geheele ontwikkeling van den mensch.
Minder echter was dit in de latere eeuwen het geval. Doch in de
laatste twee eeuwen is langzamerhand weer het denkbeeld levendig
geworden van de noodzakelijkheid der lichamelijke opvoeding, zoodat
men zelfs in onze dagen begonnen is de hygiëne (gezondheidsleer) tot
een deel van de menschelijke kennis te maken.
Het lichaam is een natuurproduct en moet ook geheel door de natuur
bestaan. Terwijl het leeft, verslijt het, en dit verlies moet aanhoudend
vergoed worden. Daarvoor de voeding. Doch het lichaam van een
kind groeit ook nog bestendig; de daarvoor noodige bouwstof moet
ook door voeding verschaft worden. De voeding is dus eene hoogst
-ocr page 21-
7
belangrijke zaak. Al wat tot voeding van het lichaam zal strekken,
moet eerst in het bloed overgaan, uit het bloed wordt de voedende stot
opgenomen door elk deel des lichaams. Niet alle spijzen en dranken
hebben evenveel voedende stof in zich. Daarom is met de bloote
vulling der maag het doel der voeding nog niet bereikt. Men lette bij
kinderen dus op de soort van voedsel, op de afwisseling of de ver-
scheidenheid, op de hoeveelheid en op den geregeld terugkeerenden
tijd der voeding.
Doch niet alleen van spijze en drank, ook van de lucht moet de
mensch leven. Daarom moet hij steeds in de gelegenheid zijn, om
voldoende versche lucht te kunnen inademen, die in de longen in het
bloed opgenomen wordt. De ademhalingswerktuigen moeten geregeld
kunnen werken en voor beleediging bewaard blijven..
De huid werkt ook voor een klein deel mee, om lucht in het bloed
te brengen. Daarom, en om de afscheiding van het zweet te bevorderen,
is reiniging volstrekt noodig. Tevens zal de mensch zich daardoor
meer opgewekt en meer geschikt voor zijne levenstaak gevoelen.
Opdat alle levensfunctien geregeld kunnen plaats hebben en alle deelen
van het lichaam zich kunnen ontwikkelen, is beweging onmisbaar
afgewisseld door rust, vooral door de geregeld terugkeerende rust van
den slaap.
De kleeding mag, terwijl ze tot bedekking en beschutting dient»
geen der lichaamsbewegingen hinderen en moet de werking der inwen-
dige deelen volkomen vrijlaten. Ze zij liever te wijd dan te nauw.
Komt er storing in het lichamelijk leven, d. i. ziekte, dan dien^
de hulp ingeroepen van den geneesheer, die de storing het best weet
te onderkennen en de rechte herstellingsmiddelen aan te wijzen.
§ 6. Deelen van het lichaam, die als organen van de ziel beschouwd
kunnen worden en zeer nauw in betrekking staan met de\'verstandelijke
ontwikkeling, zijn: de zintuigen, zenuwen, spieren en her-
senen. Door de zintuigen wordt de buitenwereld waargenomen, de
zenuwen brengen de ontvangen indrukken van de buitenwereld naar
de hersenen over en de spieren in beweging voor datgene wat de ziel
wil, terwijl de hersenen het orgaan zijn voor het bewust ontvangen en
bewaren der gevormde beelden en voor het beschouwen en verwerken
dier beelden. „Niets is in de ziel, of het heeft zijn eersten oorsprong
in de werking der zintuigen," mag men zeggen. Zonder de zintuigen
zou de ziel totaal ledig blijven en nimmer tot eenige ontwikkeling komen.
De indrukken, die de zintuigen ontvangen, moeten, zullen ze als beelden
in de ziel bestaan blijven, door de zenuwen naar de hersenen overge-
-ocr page 22-
8
bracht en daar met bewustheid ontvangen worden. Op de werking der
zintuigen, zenuwen en hersenen berust dus het geheele verstandelijke
leven des menschen, en \'t is daarom natuurlijk, dat men voor hunne
ontwikkeling de meeste zorg moet dragen. Wanneer van de geboorte
af daarop gelet wordt, zal veel, wat zich later als geestelijke gebreken
vertoont, vermeden kunnen worden.
In de eerste plaats moet gezorgd worden voor eene doelmatige voeding
en gewaakt tegen storingen in de spijsvertering; voor de stoffelijke
ontwikkeling der hersenen is dat noodig. Verder moet men zoeken te
verhinderen, dat het zenuw- en vooral het hersenstelsel door werktuig-
lijke invloeden, als stooten, schudden enz., beleedigd wordt. Vooral
bij kleine kinderen is deze zorg noodig, omdat de hersenen bij hen
door de schedelbeenderen nog niet geheel bedekt zijn en deze been-
deren nog geen voldoende vastheid gekregen hebben.
In de tweede plaats moeten sterke en aanhoudende inspanning en
prikkeling rler hersenen en der zintuigen vermeden worden; vooral de
hersenen, die nog niet volledig ontwikkeld zijn, hebben hiervoor rust
noodig. Reeds de gewone, onvermijdelijke indrukken, die de zintuigen
ontvangen, vorderen die rust, zoodat eene vermeerderde inspanning
licht nadeelig werkt. Die rust verkrijgt het kind vooral in den diepen,
vasten slaap, die het daarom nooit onthouden mag worden. Het eigen-
lijke onderwijs mag ook niet te vroeg een\' aanvang nemen. Haast kan
hier voor het geheele leven nadeelig werken. Het aantal leeruren moet
met bedachtzaamheid bepaald worden en kleiner zijn, naarmate het
kind jonger is. Men moet ook vooral niet meenen, dat de vrucht van
het onderwijs vermeerdert in verhouding tot het grooter getal lesuren;
\'t is eene valsche verhouding: een dubbel getal lesuren geeft eene
dubbele vrucht.
Met inachtneming van het boven gezegde kan en moet evenwel in
de derde plaats eene doelmatige werkzaamheid en oefening der zinnen
reeds vroegtijdig een\' aanvang nemen. Want gelijk de spieren door
langdurige oefening tot het ongelooflijke geschikt worden, — men
denke aan het viool- en pianospelen — zoo kunnen ook de zintuigen
tot groote ontwikkeling komen bij doelmatige en vroegtijdige oefening.
Men merkt spoedig een groot verschil tusschen kinderen, die reeds
vroeg veel te zien en te hooren krijgen, en hen, die in eene kamer
opgesloten of eenzaam wonende, weinig verscheidenheid door het
gezicht opmerken; tusschen hen, die gewend worden dikwijls in de
verte iets met het oog of het oor waar te nemen en te beoordeelen,
afstanden, kleine verschillen in smaak en reuk, in ruwheid, gladheid,
warmte, geluid, licht en kleur op te merken, en hen, die door ver-
-ocr page 23-
9
waarloozing of andere oorzaken daartoe niet in de gelegenheid zijn.
Als eene voorbereiding voor het eigenlijke onderwijs, of beter gezegd:
als het onderwijs der kleine kinderen mogen de kinderspelen be-
schouwd worden; het speelgoed is het eerste en belangrijkste vormings-
middel voor het kind ten behoeve van de oefening der zintuigen,
maar ook voor het doen ontstaan van voorstellingen en de bevrediging
en ontwikkeling van de drift tot werkzaamheid. Fröbel is degene, die
het spel tot leermiddel heeft gemaakt. Men moet zich wachten, in het
spel bloot genot te zien, en het vooral niet beschouwen als rechtstreeks
tegenover het leeren te staan. Integendeel, het staat naast het leeren
en is niet minder dan dit van belang voor de geheele ontwikkeling
van het kind.
Wie de opvoeding practisch wil uitoefenen, voor dien is de kennis
van de deelen des lichaams en van hunne werking onmisbaar. Die kennis
geeft meer bijzonder de somatologie of lichaamsleer, ook wel
de physiologie van den mensch genoemd, een onderdeel van de natuur-
lijke historie. Wijl deze laatste als een bijzonder studievak van den
onderwijzer en de onderwijzeres volgens de wet gevraagd wordt, behoeft
ze hier niet afzonderlijk ontwikkeld te worden. Wel is noodig de licha-
melijke opvoeding, in betrekking tot de lagereschool, te bespreken.
§ 7. Taak der lagereschool ten opzichte van de opvoe-
/d ing des lichaams. — Het huis is vooral de plaats, waar de ont-
wikkeling van het physische leven des kinds wordt bevorderd. Evenwel,
het kind brengt zooveel uren in de school door, de toestand des lichaams
heeft zooveel invloed op de vrucht van het onderwijs, en de school is
door hare geheele inrichting zoo geschikt, om methodisch de lichaams-
oefening te doen plaats hebben, dat zij hare zorg niet alleen over den
geest mag, maar ook over het lichaam moet uitstrekken.
Ze werkt negatief en positief voor de ontwikkeling des lichaams.
Hare negatieve werkzaamheid bestaat in het verhoeden, voorkomen
wegnemen of ten minste verminderen van de schadelijke invloeden, die
het schoolleven voor de ontwikkeling des lichaams noodzakelijk met zich
brengt en die nimmer geheel ontgaan kunnen worden.
In de wet op het L. O. van 1806 kwam geenerlei bepaling voor
omtrent den bouw en de inrichting der scholen. Die van 1857 echter
verbood, dat „schoolonderwijs werd gegeven in lokalen, die door den
districts-schoolopziener verklaard waren voor de gezondheid schadelijk
te wezen of van onvoldoende ruimte voor het getal schoolgaande kin-
deren". In de wet van 1878, gewijzigd in \'82 en \'84, wordt in art. 4
bepaald, dat voor den bouw en de inrichting van schoollokalen alge-
-ocr page 24-
10
meene regelen zullen worden vastgesteld bij algemeenen maatregel van
inwendig bestuur, en in art. 5 is te lezen: „Geen lager schoolonderwijs
wordt gegeven in lokalen, welke door den inspecteur van het genees-
kundig staatstoezicht zijn afgekeurd als schadelijk voor de gezondheid
of van onvoldoende ruimte voor het getal schoolgaande kinderen." —
De in art. 4 genoemde Algemeene maatregel van inwendig bestuur is
gekomen bij K. R. van 1 Mei \'82, maar werd reeds gewijzigd bij
K. B. van 5 December van datzelfde jaar en nog eens bij K. B. van
4 Mei \'83.
Die zorg voor de schoolgebouwen is wel te verklaren, als men be-
denkt, dat het schoolleven noodzakelijk maakt, dat een aantal kinderen
eenige uren per dag, gedurende eenige jaren, in eene altijd beperkte
ruimte vereenigd worden, waardoor de aanwezige lucht natuurlijk meer
of minder voor de gezondheid nadeelig wordt. Dit kan niet vermeden
worden, en daarom moet men het kwaad zoo gering mogelijk trachten
te maken. De ventilatie moet zoo ingericht zijn, dat de lucht zooveel
mogelijk ververscht, dus dat versche lucht aangevoerd en de bedorven
lucht weggevoerd, maar tegelijk zoo weinig mogelijk schadelijke tocht
veroorzaakt wordt. Des winters moet de koude door verwarming weg-
genomen worden, evenwel zonder dat de luchtverversching verhinderd
wordt, waarom men de ventilatie vaak in verband brengt met de
verwarming.
De kinderen moeten gedurende den schooltijd zittende en geestelijk
ingespannen bezig zijn. Beide kan schadelijk werken voor de gezondheid.
De banken en tafels dienen daarom zoo ingericht te zijn, dat de zittende
houding het lichaam zoo weinig mogelijk schaadt; de leerling moet
rechtop kunnen zitten, terwijl hij zijn werk doet; de banken moeten
daartoe doelmatige leuningen hebben ; de hoogte van het tafelblad boven
de bank moet in verhouding zijn tot de grootte van het kinderlichaam;
de bank moet eenigszins onder de tafel steken en het tafelblad vooruit-
geschoven kunnen worden. In de laatste tijden is de kwestie van de
schoolbanken aan een zeer zorgvuldig onderzoek onderworpen en hebben
deze eene groote verbetering ondergaan.
De onderwijzer zorge verder, dat de kinderen, vooral de kleine,
tusschenbeide opstaan en naar buiten gaan. Eene speelplaats mag dan
ook bij eene school niet ontbreken.
Van het oog wordt in de school veel gevergd: er worde daarom gewaakt,
dat de inspanning niet nadeelig werkt. Dus: geen boeken met te kleinen
letterdruk op grauwachtig papier; geen kaarten overladen met namen
en aanduidingen; geen te groote afstand tusschen de achterste kinderen
en den voorwand; geen glanzende kaarten en borden; de muren niet
-ocr page 25-
II
hel wit, maar zacht lichtblauw, lichtgrijs of lichtpaars; de vensters zoo
geplaatst, dat het licht op zijde invalt en wel vooral van de linkerzijde.
Verder plaatst men, om de gezondheid der kinderen niet te bena-
deelen, het schoolgebouw op een hoogen drogen grond, liefst naar het
zuiden, eene plaatsing, die in ons vochtig klimaat, met weinig helderen
zonneschijn, zeker de meest gewenschte is; in de weinige heete dagen
moeten de lastige zonnestralen afgeschut worden \').
\') Hier volgen de voorschriften uit de Algemeene regelen omtrent den bouw en
de inrichting van schoollokiilen, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 4 Mei 1883,
inzonderheid voor zoover ze betrekking hebben op de zorg voor het lichamelijk
welzijn der leerlingen.
De nabijheid (binnen een\' kring van 200 M. straal) van inrichtingen en plaatsen
nadeelig voor de gezondheid wordt bij het stichten oener school zooveel doenlijk
vermeden.
De vlakke inhoud van elk schoolvertrek bedraagt ten minste 0.8 M\' voor lederen
leerling. De lichamelijke inhoud van elk schoolvertrck bedraagt ten minste 3.6 M\'
voor iedcren leerling.
De afstand tusschen den werkmnur en de voorste bank is ten minste 1.3 M.;
de overige gangpaden langs de muren of de afscheiding zijn ten minste 0.6 M. breed
en de gangpaden tusschen de naast elkander geplaatste rijen banken hebben eene
breedte van ten minste 0.4 M. •
De afstand van den werkmnur en de leuning der daarvan het verst verwijderde
banken is niet grooter dan 6.5 M.
De wanden van het schoolvertrck zijn licht en mat gekleurd.
De vlakken der schoolborden zijn mat.
De lichtramen worden zoo geplaatst en ingericht, dat het schoolvertrek voldoende
en doelmatig verlicht zij en dat te sterk invallend licht worde getemperd.
Zij worden bij voorkeur geplaatst in den muur ter linkerzijde der leerlingen en
nimmer in den werkmuur.
Het bovengedeelte der in de muren aangebrachte lichtramen moet ten allen tijde
gemakkelijk kunnen worden geopend.
Indien de vloer van het schoolgebouw niet geheel van hout is, behoort althans
de vrije ruimte vóór den werkmuur met hout belegd en de zitbanken van voet-
planken of latten voorzien te zijn.
De deuren van het schoolvertrek zijn niet in onmiddellijke gemeenschap met de
buitenlucht.
De schoolbanken worden voorzien van eene lendeleuning.
Privaten en waterplaatsen, met het schoolvertrek gemeenschap hebbende, zijn
daarvan gescheiden door voorportalen.
Voldoende middelen tot verwarming en luchtverversching worden in elk school-
vertrek aangebracht.
Het bergen van kleederen in de schoolvcrtrekken is verboden.
Alle bovenstaande voorschriften gelden alleen voor openbare lagcreseholen.
Aan gesubsidieerde bijzondere lagcreseholen worden minder eischen gesteld (o. a.
3 M* inhoud voor iederen leerling).
Voor lokalen voor niet door gemeenten gesubsidieerd bijzonder lagerondcrwijs
zijn geen voorschriften gegeven.
-ocr page 26-
12
Door een en ander werkt de school negatief voor de ontwikkeling
des lichaams. De aard harer inrichting maakt het haar echter ook
mogelijk, dat ze er meer positief voor zorgen kan, en wel door onder-
wijs in de gymnastiek.
DE GYMNASTIEK.
§ 8. Begrip. — De gymnastiek (letterlijk =. naakt oefenen,
gymnasium bij de oude Grieken := de open plaats, waar men
naakt lichaamsoefeningen hield) is een methodisch samenstel van oefe-
ningen, waarbij zooveel mogelijk alle spieren in werkzaamheid komen
en daardoor geoefend en gemeenschappelijke regelmatige bewegingen
uitgevoerd worden. Bij de Grieken besloeg de gymnastiek in de
geheele opvoeding eene aanzienlijke, in enkele staten zelfs de eerste
plaats. Bij de Joniërs was vooral het begrip van schoonheid, bij de
Doriers meer dat van kracht ontwikkeld. Beide zocht men door de
gymnastiek te verwezenlijken. Bij de latere Europische volken werd het
lichaam verwaarloosd en de voornaamste zorg besteed aan het welzijn
der ziel, dat men door de zinnelijkheid in gevaar gebracht waande.
Hieruit volgde zeer natuurlijk, dat aan eene opzettelijke oefening des
lichaams niet gedacht werd; slechts de opvoeding van de middeleeuw-
sche ridderschap bracht met zich, dat het lichaam ontwikkeld werd,
doch alleen om het meer geschikt te maken voor het krijgvoeren. De
wijsgeeren der 17® eeuw, John Locke in Engeland en Montaigne in
Frankrijk, en later ook de Duitsche opvoedkundigen, Commenius en
Basedow, evenals de Franschman Rousseau, drongen weder aan op
lichaamsontwikkeling. Van John Locke is het bekende gezegde: „Slechts
in een gezond lichaam kan eene gezonde ziel wonen." Het was vooral
de opvoedkundige richting der Philantropijnen in Duitschland, die
de gymnastiek bij de opvoeding invoerde. Een van hen, Salzmann,
onderwees ze in zijne opvoedingsinrichting te Schnepfenthal bij Gotha.
Gutsmuths, een der leeraren, bracht de oefeningen het eerst tot een
wetenschappelijk stelsel en zond geschriften er over in het licht. Sedert
— het was ongeveer in het begin dezer eeuw —- is de gymnastiek in
Duitschland meer algemeen beoefend geworden. Haar invloed werd als
zoo groot beschouwd, dat de vorsten haar vreesden als oorzaak van
eene gevaarlijke ontwikkeling van het gevoel voor vrijheid en haar
verboden. Toch is ze langzamerhand meer erkend als een noodzakelijk
deel van de geheele opvoeding; in ons land kwam men eerst voor
omstreeks 50 jaren tot die erkentenis, en nog is het er verre af, dat
de gymnastiek algemeen in de scholen is ingevoerd, en nog verder,
-ocr page 27-
13
dat ze eene plaats in het leven buiten de school heeft gekregen. In
de wet op het lageronderwijs van 1857 is ze tot het uitgebreid lager-
onderwijs gebracht en in die van \'78 heeft ze die plaats behouden,
evenwel in die op het middelbaar onderwijs van 1863 is ze als ver-
plicht leervak opgenomen.
De zoogenoemde Zweedsche gymnastiek, waarvan Ling de schepper
is, onderscheidt zich van de Duitsche door grootere eenvoudigheid,
het niet toelaten van kunstenmakerij en sterke toeren en het weinig
gebruiken van toestellen, terwijl alle bewegingen afgemeten zijn naar
de wijze van werken der spieren.
§ 9. üoel en belang. — Het doel der gymnastiek is, het lichaam
tot een volkomen werktuig van den geest te maken. Daartoe moeten
de oefeningen vlugheid en kracht ontwikkelen, zoodat het lichaam
in staat is tot alles wat de geest wil uitvoeren. Doch zoodra de wil
in het geoefende lichaam een vlug en sterk werktuig gevonden heeft,
spiegelt zich het bewustzijn daarvan af in de fiere houding, in de
sierlijkheid en regelmatigheid van alle bewegingen en wekt daardoor
den zin voor schoonheid. Door de veelvuldige beweging en inspan-
ning van alle spieren ontstaat gezondheid: daarbij alleen kan de
mensch opgeruimd zijn en zich gelukkig gevoelen. De zekerheid en
vlugheid in alle bewegingen wekken het zelfvertrouwen, waardoor de
gymnastiek tot z e 1 fs t a n d i g h e i d leidt en zoo voordeelig werkt op
de vorming van het karakter. Wanneer zich bijzondere afwijkingen in
den groei des lichaams voordoen, dan kunnen die soms weggenomen
worden door de langdurige aanwending van bijzonder voor het doel
geschikte oefeningen: men spreekt dan wel van heilgymnastiek
(beter: genees- of herstelgymnastiek). Deze ligt evenwel niet op het
gebied der lageresehool. De orde, die er bij al de oefeningen in acht
genomen wordt, en het kommando, waarop ze uitgevoerd worden,
wekken den zin voor orde en maken het bij de opvoeding zoowel
als in het maatschappelijk leven noodzakelijke snelle gehoorzamen
lichter.
Groot is dus het belang der gymnastiek, niet het minst in onzen
tijd, nu er gedurig meer inspanning van den geest gevraagd wordt,
waaronder het lichaam licht kan lijden. Het geluk der geheele maat-
schappij , zoowel als dat van het individu, zal er zeer door vermeerderd
worden, als elke school tevens eene oefenplaats voor het lichaam is en
de gymnastiek ook buiten de school beoefend wordt. Ze kan daar eene
nutte bezigheid te meer zijn, die den mensch meteen afhoudt van
vermaken, die voor zijn duurzaam geluk minder bevorderlijk zijn.
-ocr page 28-
14
De opmerking is hier misschien niet overbodig, dat niet alleen voor
den jongen, maar ook voor het meisje — en voor haar niet het
minst — de gymnastiek noodig is. Het welzijn der maatschappij hangt
voor een groot deel van de geheele opvoeding der vrouw af, in het
bijzonder van hare lichamelijke ontwikkeling.
$ 10. Methode. —- Daar de gymnastiek een leervak is, dat eene
afzonderlijke beoefening vereisent, is het niet noodig, dat hier. in
bijzonderheden getreden wordt. Eenige opmerkingen zullen daarom
voldoende zijn: i. De oefeningen mogen nooit boven de krachten des
leerlings gaan. Als zijn overmoed hem mocht verleiden tot het doen van
gevaarlijke toeren, dan moet de onderwijzer hem daarvan terughouden.
2. Voor het rusten na de inspanning moet evenzeer gezorgd worden
als voor het werken zelf: te groote vermoeiing werkt nadeelig. 3. Bij
de gymnastiek moet op den leeftijd en op de bijzondere gesteldheid
van elks lichaam, maar bovenal op het geslacht gelet worden. Bij den
jongen komt het vooral op de ontwikkeling van kracht, bij het meisje
meer op die van schoonheid en bevalligheid aan. Bij al wat het meisje
doet, blijft zij op den grond, enkele oefeningen uitgezonderd. 4. De
oefeningen kunnen öf taktniatige bewegingen zijn van geheele klassen
öf spieroefeningen van de individuen met voorwerpen en werktuigen.
Bij de eersten komt het aan op de preciese opvolging van het kom-
mando. Het stipt opvolgen van het kommando gewent meteen aan
onmiddellijk gehoorzamen en wekt den zin voor orde. 5. Het geheele
stelsel van oefeningen moet zooveel omvatten, dat al de spieren op
hare beurt gebruikt en daardoor geoefend worden, zoodit eene zooveel
mogelijk harmonische ontwikkeling van het menschelijk lichaam er het
gevolg van is.
-ocr page 29-
TWEEDE AFDEELING.
OPVOEDING DER ZIEL.
§ ii. Algemeene beschouwing. — Reeds is gezegd, dat het
leven des menschen zich op twee wijzen openbaart: als een zichtbaar,
lichamelijk leven en als een onzichtbaar, alleen in zijne uitwerkselen
kenbaar zieleleven. Aanvankelijk wordt alleen het eerste opgemerkt en
bepaalt de opvoeding zich ook alleen tot het verschaffen van de meest
geschikte gelegenheid en de doelmatigste middelen voor de gunstigste
ontwikkeling van het lichamelijk leven. Langzamerhand openbaart zich
ook het zieleleven. Het zintuig des gezichte geeft er het eerst aanleiding
toe. Het kleine kind onderscheidt na eenige weken het eene voorwerp
van het andere, de eene kleur van de andere, later ook het eene geluid
van het andere, blijkbaar in de voorkeur, die het geeft aan het eene
boven het andere, of aan den verschillenden indruk, dien verschillende
zaken of personen op hem maken. lir zijn dus reeds een klein getal
beelden uit de buitenwereld in zijne ziel ontstaan, waardoor, zoodra
een reeds in zijne ziel aanwezig beeld opnieuw door een\' zijner zinnen
wordt gevormd, het dit dadelijk herkent: had het nog geen beeld in
de ziel, dan zou het ook niets onderscheiden en herkennen.
Doch de verstandige moeder zal nu ook opzettelijk meer en verschil-
lende voorwerpen onder de oogen van het kind brengen en ze nauw-
keurig laten bezien en betasten. Ze spreekt de namen der voorwerpen
duidelijk en bij herhaling uit, terwijl ze op de voorwerpen wijst, en
leert zoo de woordklanken met de zaken verbinden. Op die wijze
ontstaan gedurig meer beelden van voorwerpen, kleuren, vormen en
geluiden in de ziel, en daarmee is de opvoeding van het verstand
begonnen.
In het eerst is het kind voor alles onverschillig, niets schijnt nog
indruk op de jeugdige zinnen te maken; doch spoedig is aan het lachende
en schreiende gelaat, dat aangename of onaangename gewaarwordingen
toont, of aan het vestigen der oogen of aan het uitsteken der handen naar
iets te merken, dat de toestand der ziel niet meer dezelfde is. Tot het
gemoed, en in \'t algemeen tot het gevoelvermogen, behoort deze uiting
van het zieleleven. De moeder zoekt ook dit verder te ontwikkelen,
door het kind voortdurend in eene aangename stemming te houden,
het aangename klanken en melodieën te laten hooren en het begeerde
-ocr page 30-
16
zaken te verschaffen. Ze werkt zoo reeds aan de ontwikkeling van het
ge voelvermogen.
Doch met die aangename en onaangename gewaarwordingen, d. i.
met het verschil in den toestand der ziel, is ook de begeerte ontwaakt.
Het kind wil al spoedig het eene liever dan het andere en toont zelfs
hevige neigingen en krachtigen afkeer, \'t Is een noodzakelijk gevolg
van het opkomende zieleleven, en er bestaat niet de minste reden,
om het als een ongunstig verschijnsel te beschouwen, zooals door
onverstandigen weleens gedaan wordt. Het begeervermogen is werkzaam
geworden, en de verstandige moeder zal het begeeren trachten te leiden,
niet tegen te gaan. De wil kan slechts door willen krachtig worden.
Ook de opvoeding van den wil of de zedelijke opvoeding heeft nu
een\' aanvang genomen.
In dit tijdperk spelen het spel en het speelgoed eene voorname
rol. Spelen is bezig zijn naar eigen keus, het is het werken, het
onderwijs van het kleine kind. Het is de voorbereiding voor de latere
voorgeschreven inspanning. Daarom moet het spelen het werken en
het werken het spelen gelijken. Dit wilde vooral Fröbel. Het speelgoed
moet steeds van dien aard zijn, dat het kind er iets van maken kan,
het moet zich bewust zijn, dat het iets nuttigs schept.
\'t Is voor het kind van groot belang, als in dit tijdperk eene goede
bewaarschool de moeder in de opvoeding kan te hulp komen. Daarna
wordt aan de lagereschool meer bijzonder het onderwijs of de verstan-
delijke opvoeding toevertrouwd.
Gelijk ieder, die zich met de opvoeding des lichaams bezig houdt,
dat lichaam en zijne behoeften moet kennen, zoo moet ook elk, die
de opvoeding der ziel tot zijne taak genomen heeft, dus ook de
onderwijzer der lagereschool, met de ziel en hare behoeften bekend
zijn, om niet in het kiezen van de gelegenheid en de middelen, die
voor de ontwikkeling der ziel het meest geschikt zijn, mis te tasten.
Kn hoewel de onderwijzer meer bepaald belast is met de opvoeding
des verstands of van het denkvermogen, toch kan hij niet buiten de
kennis van het geheele zieleleven, omdat de ziel eene eenheid is,
waarvan de onderscheidene uitingen samengaan en elkander onder-
steunen.
-ocr page 31-
/ •
HOOFDSTUK I.
ZIELKUNDE.
§ 12. Uit het voorgaande is reeds eenigszins op te maken, dat liet
leven der ziel zich op drie wijzen openbaart. Men is vanouds gewoon
die drieerlei openbaring met de namen denkvermogen, gevoel-
vermogen en begeervermogen aan te duiden. Die namen zijn
niet zeer gepast, omdat ze scheiding doen vooronderstellen, waar men
zich eenheid moet denken, ook omdat de eerste naam slechts op een
deel van het geheel wijst. Ze duiden geen drie op zich zelf staande
vermogens aan, die elk afzonderlijk hun werk verrichten, maar drieerlei
openbaring van het zieleleven, die bijna altijd met elkander gepaard
gaan en niet ieder op zich zelve gedacht kunnen worden.
In het kind wordt het beeld van de vacantie bewust (denkvermogen).
Dat doet in hem eene aangename gewaarwording ontstaan (gevoelver-
mogen). Het verlangen naar den prettigen vrijen tijd komt op (begeer-
vermogen). Deze drie openbaringen van het zieleleven zijn hier wel als
na elkander plaats hebbend opgenoemd, maar vallen in de werkelijk-
heid tot een geheel samen.
Het eerste zoogenoemde vermogen omvat het leven der beelden
en wat daarop betrekking heeft; het tweede bepaalt zich tot de verschib
lende toestanden, die in het zieleleven opgemerkt worden, en het
derde sluit het streven der ziel in zich, om die toestanden te doen
voortduren of ophouden.
De wetenschap, die zich bezig houdt met het onderzoeken van de
uitingen van het zieleleven en de stelselmatige beschouwing daarvan,
heet men zielkunde of psychologie (psyche = oorspr. adem, verder
ziel, geest). De zielkunde is eene empirische (empirie — ervaring,
ondervinding) wetenschap; want hetgeen zij leert, is uit de ervaring
opgemaakt. Die ervaring bepaalt zich zoowel tot het waarnemen van
het zieleleven bij anderen als tot dat van het eigene zieleleven, dat
ieder zich bewust maken kan; het laatste is niet de minst rijke bron
voor het opdoen van zielkundige i. .iiiis. Natuurlijk is voor het waar-
nemen van beide eene groote oplette. 4heid noodig.
kijkkns, Oftvoedk., 7e druk.                                                             \'2
-ocr page 32-
18
A. HET DENKVERMOGEN.
i. Oorsprong van de beelden: de zinnen en hun werk.
§ 13. De ziel van een pasgeboren kind mag men nog ledig heeten;
ze heeft nog niets opgenomen of gevormd van wat er later in blijkt te
zijn. Op uw\' leeftijd zijt ge u bewust reeds duizenden en nogmaals
duizenden zaken „in uw hoofd" te hebben, die langzamerhand ont-
staan zijn, maar bij uwe geboorte niet aanwezig waren. De geleerdste
mensch met „een hoofd vol kennis" wist bij zijne geboorte niets. Wel
mag men op grond van ervaring vooronderstellen, dat de ziel met het
begin van haar leven eigenschappen en krachten met zich brengt,
die haar in staat stellen, om door middel van de zintuigen de buiten-
wereld als beelden in zich op te nemen, ze te bewaren, door hare
scheppende kracht er nieuwe uit te vormen en zich op die wijze eene
groote kennis eigen te maken.
De zinnen zijn de vermogens, waardoor de mensch de buitenwereld
waarnemen en er voorstellingen van vormen kan. De zintuigen zijn
de organen of werktuigen, waarmee de uitwendige waarneming plaats
heeft. Het voorwerp der waarneming is alles wat buiten den mensch
bestaat, en buitendien zijn eigen lichaam, zoowel uit- als inwendig.
De zinnen zijn: het gezicht, het gehoor, de tastzin, de reuk,
de smaak en het algemeen gevoel, ook de vitaal- of levens-
zin genoemd. De zintuigen daarvoor zijn: de oogen, de ooren,
de vingertoppen, de neus, de tong met een gedeelte van
het gehemelte en de uiteinden van de gevoelszenuwen.
De beelden van de buitenwereld, door de zintuigen gevormd en door
de hersenen opgenomen en bewaard, vormen den grondslag voor alle
verdere zielsontwikkeling, voor alle kennis, zoodat, indien iemand alle
zintuigen miste, zijne ziel totaal zonder beelden zou blijven, wijl hij
door de phantasie en de denkkracht ook geen beelden zou kunnen
scheppen: hij zou bloot kunnen groeien en eene plant gelijk zijn.
De werking der zinnen is in het algemeen zoodanig, dat de voor-
werpen der buitenwereld de zintuigen aandoen, elk zintuig op eene
verschillende wijze, zoodat daardoor een indruk ontstaat, die door de
zenuwen naar de hersenen wordt overgebracht; wordt die indruk daar
met bewustheid ontvangen, dan is er eene aanschouwing geboren, die
nu een eigendom van de ziel blijft in onbewusten toestand en later
weer bewust geworden als voorstelling optreedt.
-ocr page 33-
19
Het gezicht is de zin voor liet licht. Zijn orgaan, het oog, ontvangt
de lichtstralen van de voorwerpen der buitenwereld , waardoor indrukken
ontstaan van de kleur, de gedaante en de gesteldheid der oppervlakte,.
van den afstand en de onderlinge plaatsing, den samenhang en de bewe-
ging der voorwerpen. De gezichtsbeelden onderscheiden zich van de beel-
den, door de andere zintuigen verkregen, door hunne groote helderheid ,
die vermeerderd wordt, doordat het gezicht meer dan ééne eigenschap
aan de voorwerpen waarneemt, terwijl de andere zintuigen slechts ééne
eigenschap aan de voorwerpen opvatten. Dat verheft dezen zin reeds
boven alle andere; maar zijne waarde rijst in onze schatting nog hoo-
ger door het groote getal beelden, dat hij in weinig tijd vormen kan.
Hij kan dat, doordat het zintuig zich zoo gemakkelijk bewegen kan
en zonder moeite een uitgebreid veld waarnemen, door wapening een
veel grooter gebied krijgt en tot in de oneindige verte kan doordrin-
gen door den verrekijker en het telescoop, zoowel als het oneindig
kleine kan waarnemen door het microscoop. De gezichtszin beheerscht
dan ook het grootste deel van het zieleleven; verreweg de meeste
ziekbedden hebben hun\' oorsprong in den gezichtszin.
Het gehoor is de zin voor het geluid, zijn zintuig wordt aange-
daan door de luchttrillingen, die van een in trilling gebracht voorwerp
komen en het gehoor bereiken. Het wordt de buitenwereld dus alleen
gewaar door het geluid, kan daardoor ook afstand en richting bepalen
en doet door de opvolging der indrukken het begrip van tijd ontstaan.
Zijn gebied is veel beperkter dan dat van het gezicht, ook doordat het
maar op een betrekkelijk korten afstand waarneemt en zich door werk-
tuigen maar weinig laat versterken (telefoon, microfoon). Zijne beelden
zijn minder scherp bepaald en hebben veel minder eigenschappen,
eigenlijk slechts ééne, evenals de kleuren, vandaar eene geringe ver-
scheidenheid. Zijne waarde wordt evenwel verhoogd, doordat het geluid
een grooten invloed uitoefent op den toestand der ziel, wanneer het als
toon en samenstemming van tonen (harmonie) het schoonheidsgevoel
aangenaam aandoet, en doordat het als spraak het middel van ge-
meenschap is tusschen de menschen onderling.
De tastzin is eene richting van het algemeen gevoel en heeft zijn
orgaaan in de vingertoppen. Hij werkt actief en met zelfbewustzijn: wie
tast, wil onderzoeken, terwijl het algemeen gevoel zich meer passief
voordoet. Door den tastzin wordt de mensch den vorm der lichamen
en de gesteldheid hunner oppervlakte gewaar en tegelijk hun getal en
onderlingen afstand bewust, zoodat hij bij de zienden de waarnemingen
van het gezicht ondersteunt en vollediger maakt, maar bij de blinden
voor het gezicht in de plaats komt. Evenwel, wijl hij slechts door
2*
-ocr page 34-
20
aanraking kan werken, is de uitgebreidheid van zijn gebied niet te
vergelijken bij die van het gezicht.
§ 14. Het algemeen gevoel of de vitaal (levens-) zin is door
het geheele lichaam verspreid en werkt door de gevoelszenuwen, die
overal aanwezig zijn. Daardoor schijnt zijn gebied grooter dan dat van
den tastzin ; maar doordat bij dezen de vingers zich vrij kunnen bewegen ,
kan men ze naar verkiezing op alle bereikbare voorwerpen richten. Het
algemeen gevoel is meer lijdelijk (passief) en wordt in de meeste gevallen
toevallig aangedaan; zijne beelden munten niet uit door helderheid.
Het wordt warmte en koude, pijn, vermoeidheid, honger en ongesteld-
heid gewaar en waarschuwt daardoor den mensch voor datgene, wat
zijn leven zou kunnen benadeelen, of wijst hem aan, waardoor hij
zijne gezondheid bevorderen kan.
De reukzin kan slechts waarnemen, in zoover de lucht uiterst fijne
deeltjes van de reukgevende stoffen met het slijmvlies in den neus in
aanraking brengt. Daardoor kan men reeds ruiken, wat nog op verren
afstand is. Geeft de reuk den mensch genot door het waarnemen van
aangename geuren, hij waarschuwt hem tevens voor datgene, wat zijne
gezondheid benadeelen zou, vooral bij de spijzen, die onder den neus
den mond ingaan. Toch is de kring van werkzaamheid van dezen zin
niet belangrijk: getuige het zeer kleine getal woorden, waardoor de
mensch de gewaarwordingen van den reuk uitdrukt, en die bovendien
nog aan de werkzaamheid van den smaakzin ontleend zijn.
De smaakzin kan alleen werken, wanneer de te proeven stoffen
in opgelosten toestand onmiddellijk met het bovengedeelte der tong en
met een deel van het gehemelte in aanraking komen. Daardoor is zijn
gebied uiterst beperkt. Evenwel, omdat hij zoo nauw in verband staat
met \'s menschen physisch leven en de oorzaak is van veel genot,
wordt hij veelvuldig gebruikt en heeft de taal ook meer woorden voor
de gewaarwordingen van den smaak dan voor die van den reuk.
Naar hunne belangrijkheid voor de zielsontwikkeling onderscheidt men
de zinnen in hoogere of meer edele en in lagere zinnen.
Het gezicht, het gehoor en — vooral in betrekking tot de
blinden — de tastzin behooren tot de eerste soort, het algemeen
gevoel, de srtaaak en de reuk tot de lagere zinnen. Door de eerste
worden een veel grooter getal, veel duidelijker en meer samengestelde
beelden gevormd, die velerlei ontbindingen toelaten en daardoor tot
een rijker zieleleven veel bijdragen. Daarom zal ook iemand, die het
gezicht mist, in ontwikkeling altijd beneden anderen staan, wat niet
het geval is, met die b.v. den reuk mist.
-ocr page 35-
21
y
jï. De beeldenschat der ziel.
§ 15. Boven is gezegd, dat het denkvermogen dat alles van het
leven der ziel omvat, wat betrekking heeft op het verkrijgen, bewaren,
beschouwen en verwerken der beelden. Die beelden vormen eene
kolossaal groote hoeveelheid, vooral bij menschen, die veel gereisd en
veel gestudeerd hebben.
Het pas geboren kind vertoont nog niets van dien rijkdom. Maar
slaat men het na een jaar weer gade, dan toont het reeds zijne huis-
genooten, zijn speelgoed en veel andere zaken te kennen, d. i. van
al die personen en voorwerpen heeft het de beelden in zich, zoodat
het, wanneer het ze opnieuw waarneemt, bespeurt, dat de nieuwe
waarneming geheel overeenkomt met een vroeger verkregen beeld. Na
twee, drie en meer jaren zal men telkens bespeuren, dat het kind
meer weet, dat het meer beelden bekomen heeft.
Gaat men zijn eigen zieleleven na, dan merkt men spoedig, dat
men nu weet, wat men het vorige jaai nog niet wist; ja, dat men
vandaag beelden heeft, die men gisteren nog niet had; dat men van
dag tot dag en van jaar -tot jaar rijker wordt aan beelden. Al die
beelden maken onze kennis, on,s weten uit. Alles wat afzonderlijk
in ons bewust wordt, waaraan of waarover we kunnen denken, waar-
over we spreken of schrijven, noemen we een beeld of zielebeeld,
alles te zamen onzen beeldenschat.
Men is gewoon dien schat in het hoofd te plaatsen en te spreken
van een hoofd vol kennis, veel in \'t hoofd hebben, zeker omdat de
zintuigen in het hoofd gevestigd zijn en de hersenen hare plaats in het
hoofd hebben, en het hoofd vermoeid wordt of pijn gevoelt, wanneer
er veel met de beelden gewerkt wordt, d. i. wanneer de mensch inge-
spannen denkt. Het hoofd schijnt dus de schatkamer te zijn van den
grooten rijkdom, het magazijn, waarin de massa beelden bewaard wordt.
Ieder van die beelden staat op zich zelf, d. i. kan afzonderlijk in
het bewustzijn komen, onderscheiden van elk ander beeld, kan op
zich zelf een voorwerp van het denken zijn. Ieder beeld is dus eene
zelfstandigheid, en het woord, waarbij men aan zulk eene zelfstandig-
heid denkt, noemt men zeer ongepast een zelfstandig naamwoord,
beter een zelfstandigheidsnaam. Wijl ook alle eigenschappen, werkingen
en betrekkingen in de ziel elk op zich zelf gedacht en tot een punt
van beschouwing gemaakt kunnen worden, dus zelfstandigheden kun-
nen zijn, kunnen ook de woorden, die ze aanduiden, als zelfstandige
naamwoorden gebruikt worden.
-ocr page 36-
22
Hoe komt de mensch aan al die beelden, aan al die kennis? Ieder
kan daar gemakkelijk op antwoorden, als hij maar bij zich zelven
onderzoekt, hoe hij aan zijne kennis gekomen is. Voor een groot deel
heeft hij ze door waarneming met al zijne zintuigen verkregen, waaruit
zich als van zelf de beelden der soorten ontwikkeld hebben. Voor een
ander deel heeft hij ze verkregen door de phantasie en het denken.
Voor een zeer groot deel ook door de taal, d. i. door hooren spreken
en door lezen.
De zielebeelden zijn niet alleen door hun\' inhoud, maar ook door
den graad van helderheid (duidelijkheid) en volledigheid (juist-
heid) van elkander onderscheiden. Een beeld is helder of duidelijk,
als het, zooals het gevormd is, scherp bepaald in het bewustzijn treedt.
Ken beeld is volledig of juist, als al de eigenschappen, die er werkelijk
toe behooren, of waaruit het behoort te bestaan, bewust worden.
Onvolledige of onjuiste beelden kunnen meermalen zeer helder zijn,
terwijl volledige beelden soms gebrek aan helderheid hebben. De vol-
ledigheid of juistheid wordt verkregen door nauwkeurige waarneming
en zorgvuldig nadenken met vergelijken, de helderheid door de veel-
vuldige herhaling der waarneming en der bewustwording; want het is
eene w:et in het zieleleven, dat het gelijke zich steeds met het gelijke
vereenigt, zoodat het beeld van eene latere waarneming of eene latere
bewustwording samensmelt met het reeds aanwezige beeld en dit daar-
door in helderheid doet winnen. Zooals we gezien hebben, winnen de
beelden, door het gezicht verkregen, het verreweg in helderheid en
juistheid van alle andere.
Al de beelden kunnen tot twee hoofdsoorten gebracht worden: ze zijn
of beelden van het bijzondere of beelden van het algemeene; de eersten
zullen we voorstellingen, de anderen begrippen noemen.
Kl- Voorstellingen.
§ 16. Eene voorstelling is een beeld van iets bijzonders, van elk
voorwerp op zich zelf of van wat er aan opgemerkt wordt, van eiken
bijzonderen toestand van ons lichaam of van onze ziel. Ik heb alzoo
eene voorstelling van mijn\' hond, van mijne klok, van dat huis,
van Amsterdam, van dat loopen van dien jongen, van dat rood,
van het geluid van die piano op dit oogenblik, van den smaak van
dezen appel, van deze gevoelde pijn, van den toestand mijner ziel
op dit of dat oogenblik, van dat beeld, \'twelk mijne phantasie vroe-
ger gevormd heeft, enz. enz. Het getal voorstellingen is dus oneindig
groot: zoo vaak ik een voorwerp, eene eigenschap, eene werking, een\'
-ocr page 37-
23
toestand, eene kleur, een verschijnsel of wat ook in mijn leven gezien,
een geluid gehoord, eene oppervlakte getast, eene pijn of eene tempe-
ratuur gevoeld, een\' smaak geproefd of een\' reuk geroken heb, zooveel
bijzondere toestanden mijner ziel mij bewust geworden zijn, — zooveel
voorstellingen heb ik in mij, nog vermeerderd met die, welke ik door
mijne phantasie in mij heb doen ontstaan. Ze zijn alle beelden van
het bijzondere, en ik beschouw elk op zich zelf. Ze zijn niet alle
even duidelijk en scherp geteekend, vooral de voorstellingen van een
gevoel, van een\' reuk en van een\' smaak zijn zeer onbepaald, bestaan
ook maar uit ééne eigenschap; toch zijn ze even goed voorstellingen
als die van het gezicht.
Hoe ontstaan ze? Verreweg de meeste verkrijgt de mensch door
uitwendige waarneming, door middel van de zintuigen. De buiten-
wereld maakt op deze indrukken. De ziel neemt haar met opzet waar
of wordt ze onwillekeurig gewaar. Doch zal de ziel een beeld vormen,
dat altijd meer of minder samengesteld is, dan moet ze voor elk
afzonderlijk deel eene waarneming doen; een aantal waarnemingen
vormen in de ziel eene aanschouwing, die langer of korter bewust
blijft. Ze behoort nu tot haren beeldenschat. Gaat ze evenwel in den
onbewusten toestand over en wordt ze later weer bewust, dan treedt
ze als voorstelling weer op en blijft vervolgens, nu eens bewust,
dan weder onbewust, in de ziel voortbestaan, ze is dan werkelijk haar
eigendom. Voorstellingen kunnen dus ook bewust geworden aanschou-
wingen genoemd worden.
Andere voorstellingen ontstaan door de inwendige waarneming. Mij
wordt soms de toestand mijner ziel op een bepaald oogenblik bewust
en blijft als eene voorstelling in mij, die ik mij later ook weer herin-
neren of bewust maken kan. Ik heb b. v. eene voorstelling van mijne
vreugde, toen ik gelukkig door het examen gekomen was.
Een ander, grooter getal voorstellingen ontstaat door schepping, en
wel door de phantasie. Het spelende kind begint er reeds mee, zooals
op te maken is uit zijne vertellingen, uit de vergrooting, waarmee hij
het waargenomene voorstelt, en uit hetgeen hij bij zijn spelen tot
stand brengt; de kunstenaar vormt er onophoudelijk en geeft ze weer
in zijne producten. Phantastische voorstellingen noemt men die, welke
zeer veel van de gewone verschillen.
Nog andere voorstellingen ontstaan door de taal en wel door beschrij-
vingen, d. z. opgaven van de eigenschappen van eene voorstelling.
Die beschrijvingen hoorende of lezende, vormen wij in ons de voorstel-
lingen, die beschreven worden. Uit eene schilderachtige beschrijving
van den Niagara-val vorm ik in mij eene voorstelling van dien val.
-ocr page 38-
24
Niet alle menschen zijn even rijk aan voorstellingen. De eene is
niet in de gelegenheid, om verscheidenheid van indrukken door de
zintuigen te ontvangen, bij den ander is de verbeeldingskracht weinig
ontwikkeld, weer een ander leest weinig of niet: alle drie blijven arm
aan voorstellingen. Wie veel reist, in veel verschillende levenstoestan-
den komt, veel menschen ontmoet, in eene drukke stad woont, eene
werkzame phantasie heeft, veel leest, wordt rijk aan voorstellingen.
De taal duidt de voorstellingen\'zeer bepaald aan. Ze gebruikt daartoe
vooral de eigen zelfstandige naamwoorden en de persoonlijke voor-
naamwoorden , en verder ook de gemeene zelfstandige naamwoorden,
waarvan dan het algemeene der beteekenis beperkt wordt door een
aanwijzend of bezitt. voornaamwoord of door eene uitsluitende bepaling;
soms doet ook het bepalend lidwoord alleen denzelfden dienst. Dit nader
toe te lichten is zeker niet noodig.
4. Begrippen.
§ 17. De tweede soort van zielebeelden zijn de begrippen. Ze zijnde
beelden van het algemeene, van de soorten en daardoor zeer bepaald
onderscheiden van de voorstellingen. Zoodra een beeld het karakter van
algemeenheid krijgt, zoodat er eenige voorstellingen onder verstaan of
toe gebracht kunnen worden, behoort het tot de begrippen. Een begrip
is namelijk de vereeniging of de samenvatting of samenvloeiing van de
algemeene eigenschappen, die in een aantal voorstellingen voorkomen.
De begrippen zijn dus geen oorspronkelijke beelden, maar ontstaan
zonder opzet uit de voorstellingen of worden daaruit met bewustzijn
door denken gevormd. Deze moeten dus voorgaan en aanwezig zijn,
als de begrippen zullen ontstaan, de eersten zijn de bouwstof voor
de laatsten. De natuurlijke gang bij het onderwijs der lagereschool is
daarom, dat men met het laten waarnemen of het voorstellen van het
bijzondere of concrete begint, of anders: dat het onderwijs in elk leer-
vak een aanschouwelijken grondslag heeft. Wanneer men soms enkel
door eene bepaling, dus door woorden, een begrip tracht te geven,
b. v. in de taalkunde van eene woordsoort, zonder dat dit begrip uit
voorbeelden ontwikkeld is, dan is óf dit begrip zeer vaag en onbepaald
öf erlangt geen bestaan in de ziel, en in dit geval worden de woord-
klanken voor het begrip genomen.
Laat onfc zien, hoe de begrippen ontstaan, hoe dus elk mensch, ook
reeds het kleine kind, aan begrippen komt. Vooronderstel, dat ge op
zekeren leeftijd nog nooit een\' leeuw hadt gezien. Ge hadt dus geen
enkel beeld, zoo min eene voorstelling van een bijzonderen leeuw als
-ocr page 39-
25
een begrip van zijne soort in u. Toen bracht men u in een beestenspel,
waarin een leeuw was: ge kreegt dus eene voorstelling van dien leeuw.
Later bezocht ge Amsterdams beroemde diergaarde. Met behulp van
uwe vroeger verkregen voorstelling kondet ge de leeuwen onderken-
nen: zij moesten iets hebben, dat met uwe voorstelling overeenkwam.
Ge kwaamt vervolgens nog eenige keeren in Artis en ook in den
Rotterdamschen dierentuin en in dien van Antwerpen, Keulen enz.
Ge kreegt misschien ook platen onder de oogen, waarop leeuwen
afgebeeld waren. Telkens zaagt ge leeuwen, die allen wel van elkaar
verschilden, maar toch ook veel gelijks hadden, zoodat ge den leeuw
niet met een\' tijger zoudt verwarren. Immers, bij het herhaald zien
van een\' leeuw was in u, behalve de voorstelling van eiken leeuw in
het bijzonder, door de samenvloeiing van het gelijke in alle leeuwen
eene vereeniging van de algemeene eigenschappen, aan alle leeuwen
eigen, ontstaan; dat gelijke was afgetrokken of geabstraheerd van de
beelden der werkelijkheid of de voorstellingen. I )ie algemeene eigenschap-
pen vormen nu samen het begrip leeuw en zijn in u door de herhaling
helderder geworden dan elke voorstelling, zoodat ge lichter een\' leeuw
van een\' tijger dan den eenen leeuw van den anderen kunt onderscheiden.
Door het waarnemen van het bijzondere is dus een beeld van het
algemeene in u ontstaan: het begrip is geboren uit voorstellingen. Op
deze wijze ontstaan de meeste begrippen, ook reeds bij kleine kinderen.
Ze ontstaan als van zelf, ten minste zonder opzet. Men zou kunnen
zeggen: zoodra er twee voorstellingen bij de kleinen gevormd zijn, is
door het gelijke, dat zij hebben, ook een begrip ontstaan. Daarom
erkent een klein kind licht elke tafel als tafel, al is deze ook zeer
onderscheiden van de weinige, die het nog gezien heeft; het noemt
elke vrouw tante, omdat het in elke vrouw het aan alle vrouwen
eigene waarneemt. De vorming der begrippen begint dus reeds heel
vroeg en duurt het geheele leven door.
§ 18. De begrippen, op deze wijze ontstaan, zou men ervaring s-
begrippen kunnen noemen, omdat ze een bijna onmiddellijk pro-
duct zijn van de ervaring of de waarneming, en omdat alleen deze
noodig is voor hunne vorming, zoodat dan ook zelfs de minst ont-
wikkelden ze hebben. Ze treden in de ziel op, verbonden met de
eene of andere voorstelling, waarom men ze ook algemeene voor-
stellingen zou kunnen noemen. Als ik mij het begrip boom bewust
wil maken, dan komt altijd de voorstelling van den een of ande-
ren boom in mijn bewustzijn, waarbij echter de bijzondere eigen-
schappen eenigszins op den achtergrond treden. Verreweg de meeste
-ocr page 40-
26
menschen komen niet verder dan tot deze ervaringsbegrippen en ver-
warren meermalen het algemeene met het bijzondere. Door onderwijs
en studie ontstaan later de logische begrippen, die vruchten van het
zuivere denken zijn. Daarom behooren deze geheel op het gebied der
wetenschap te huis. Men vormt ze, doordat men zich afvraagt, welke
in een aantal voorstellingen de algemeene eigenschappen zijn, en deze
tot een geheel vereenigt: dit geheel is nu het eigenlijke wezen van een
ding. Zulk een logisch begrip is niet voor voorstelling vatbaar. Geeft
men de algemeene eigenschappen in woorden op, dan heet dat eene
bepaling of definitie. Men zal wel een ervaringsbegrip van een
kabinet, van een\' stoel hebben, zoodat men het eerste van eene kast,
het tweede van eene bank onderscheiden kan; maar niet dan met eenige
moeite zal men eene juiste bepaling van een kabinet of van een\' stoel
kunnen geven. De meeste menschen zullen de gewone dieren wellicht
niet met elkaar verwarren en hebben dus begrippen van die dieren;
ze onderscheiden b.v. zeer goed een\' beer van een\' wolf, maar kunnen
niet opgeven, uit welke eigenschappen het begrip van een\' beer of dat
van een\' wolf bestaat; de dierkundige alleen kent de algemeene eigen-
schappen van elke soort of geslacht en weet die in eene bepaling saam
te vatten. Hij heeft het tot logische begrippen gebracht. De ervarings-
begrippen ontstaan onwillekeurig, als van >.elf met en door de uitwen-
dige waarneming en zijn dus ook het eigendom van iedereen; de
logische begrippen worden door de inwendige waarneming, door het
denken voortgebracht, ze worden met opzet gevormd of gemaakt en
zijn dus alleen aan den ontwikkelden mensch eigen.
De begrippen kunnen ten opzichte van elkander lagere en hoogere
of meer bijzondere en meer algemeene begrippen heeten, al naar-
dat de omvang der begrippen kleiner of grooter wordt, d. i. naardat
men minder of meer voorstellingen er toe brengen kan. De omvang van
een begrip is dus de som der voorstellingen en der meer bijzondere
begrippen, die er toe gebracht kunnen worden. Men spreekt bij begrippen
ook van hun\' inhoud en verstaat daaronder de som der eigenschappen,
die een begrip samenstellen. Azor, huishond, hond, viervoetig zoogdier,
dier, levend wezen, natuurvoortbrengsel, lichaam of voorwerp zijn alle
namen, de eerste van eene voorstelling, de andere van steeds algemeener
wordende begrippen. Van deze is in de opgegevene volgorde de omvang
toenemende, de inhoud afnemende. Tot huishond behooren minder
voorstellingen van bijzondere honden dan tot hond: het begrip huis-
hond heeft dus minder omvang dan hond. Maar het begrip huishond
bestaat uit meer eigenschappen dan hond: zijn inhoud is dus grooter
dan die van hond.
-ocr page 41-
27
De taal duidt de begrippen aan door ge meen e zelfstandige naam-
woorden. Wil ze uitdrukken, tot welk begrip eene voorstelling of tot
welk hooger begrip een lager behoort, dan gebruikt ze daartoe zinnen
met een zelfstandig naamwoord tot gezegde of ook korter eene appositie
of bijstelling.
Uit het gezegde is op te maken, dat de woorden begrip en soort
synoniemen zijn.
5. Oordeelen en sluitredenen.
§ 19. Een oordeel is de samenvoeging van twee of meer zielebeelden,
waarvan ik mij de onderlinge betrekking bewust en daarom overtuigd ben,
dat ze bij elkander behooren. Ik denk aan tafel en tegelijk aan vier-
kant. Ik ben mij bewust, dat die twee begrippen bij elkander behooren
en wel zoo, dat het tweede eene der eigenschappen van het eerste is. Zoo
is het met roos en bloem, met jongen en loopen, met Rusland
en uitgestrekt. Dit zijn alle zeer eenvoudige oordeelen, waarin de
betrekking tusschen de beide leden gemakkelijk is in te zien. Iets meer
samengesteld zijn b. v.: Die brand is door den bliksem ver-
oorzaakt. Hier ben ik mij bewust, dat de betrekking tusschen de
drie zielebeelden zoodanig is, dat de brand het gevolg is van den
bliksem. De toepassing van de stoomkracht heeft eene ver-
bazende verandering gebracht in het maatschappelijk
leven van de laatste vijftig jaren. Als ik dit oordeel vorm,
dan ben ik mij bewust, dat al de genoemde zielebeelden bij elkander
passen, en dat de stoom de verandering heeft uitgewerkt. Zoodra ik
weet, dat zekere zielebeelden bij elkander behooren, dan heb ik reeds
inwendig het oordeel gevormd; wil ik mijn bewustzijn aan anderen
mededeelen, dan gebruik ik daartoe een\' zin of volzin, volledig of
op de eene of andere wijze verkort. Het zielebeeld, dat het eerst in
mij bewust wordt, heet het onderwerp, het andere, dat ik als er
bij behoorende beschouw, het gezegde; het onderwerp moet dus wel
het hoofdlid in eiken zin wezen, waarom ook het gezegde taalkundig
daarvan afhankelijk is. Hoe groot ook de volzin is, hij bevat altijd
slechts twee leden: aan het onderwerp zijn de bijvoeglijke bepaling
en de bijstelling, aan het gezegde het voorwerp en de bijwoordelijke
bepalingen ondergeschikt.
Het oordeel is eene schepping van het denken uit de aanwezige
zielebeelden. Zoodra het oordeel gevormd is, blijft het als eene ver-
eeniging van beelden bestaan en is iets zelfstandigs in de ziel geworden:
het behoort dan in zijn geheel tot onzen beeldenschat. Zulke gevormde
-ocr page 42-
28
oordeelen hebben we in menigte. Men zou ze ge ree de oordeelen
kunnen noemen, ze worden in hun geheel in ons bewust en liggen
altijd klaar om gebruikt te worden: men denke b.v. aan zekere alge-
meene waarheden in den vorm van spreekwoorden of aan tal van
andere oordeelen, die ieder dagelijks gebruikt, zonder ze eerst te vor-
men. Onder de oordeelen, die we verzameld hebben, zijn er echter
ook, waarvan we ons geenszins bewust zijn, dat de beelden bij elkan-
der behooren, ja waarvan de beelden niet eens ons eigendom zijn,
maar die we eenvoudig als woordklanken van anderen hebben overge-
nomen. Insgelijks zijn er onder, bij wier vorming we niet genoeg
hebben nagedacht: ze mogen ongegronde, onbekookte of licht-
vaardige oordeelen heeten. Is iemand zich bewust, dat twee beelden,
reeds tot een oordeel vereenigd, niet bij elkander behooren, dan noemt
hij zulk een oordeel valsch. Drukt hij zelf door een\' taalvorm uit,
dat het eene beeld niet bij het andere behoort, dan heet zulk een
oordeel ontkennend. Tot de oordeelen kan men nog de vooroor-
deelen brengen, d. z. oordeelen, die meestal tot de gereede behooren,
zonder ernstig nadenken en kennis van zaken overgenomen en met
zekere voorliefde gekoesterd en daardoor stijf vastgehouden worden.
Ze gaan meest gepaard met domheid en bekrompenheid of ook met
hoogmoed.
Hij is iemand met veel oordeel. Hiermee wil men zeggen, dat
hij in gevallen, dat de onderlinge betrekking tusschen de zielebeelden
niet gemakkelijk te bespeuren is, juist weet te zeggen, welke beelden
bij elkander behooren. Het werkwoord oordeelen ziet evenzeer meer
op het juist onderscheiden in moeilijke gevallen, dan wel op elk samen-
voegen van twee bij elkaar behoorende zielebeelden. Iets is oordeel-
kundig ingericht, met veel oordeel te werk gaan, met oordeel
des onderscheids handelen, is nu met eenig nadenken te verklaren.
Een gezond oordeel kan nimmer gevormd worden, of de daarvoor
noodige beelden moeten helder bewust geworden zijn. Men mag daarom
ook van een kind geen oordeel vragen, als men niet zeker is, dat in
hem de betrekkelijke beelden duidelijk bewust geworden zijn. Evenmin
mag men bij een kind de vorming van een oordeel toelaten, dat niet
gegrond is op helder bewuste zielebeelden. Het kind moet gewoon
worden nimmer anders te oordeelen, dan wanneer het zich volkomen
helder bewust is, dat twee of meer zielebeelden bij elkander behooren.
§ 20. Eene eigenaardige samenvoeging van drie bepaalde oordeelen
heet eene si ui tred e (syllogisme). Een voorbeeld zal het duidelijk
maken: „Alle zoogdieren brengen levende jongen ter wereld; de koe
-ocr page 43-
20
is een zoogdier: dus brengt de koe levende jongen ter wereld." De
beide eerste oordeelen heeten grondstellingen of praemissen,
en wel het eerste de meerdere term of major, het tweede de
mindere term of minor, terwijl het derde oordeel het besluit
of de conclusie heet. De major is een algemeen oordeel, de minor
een bijzonder, waarin wordt uitgedrukt, dat iets ondergeschikt is aan
het begrip, dat in het eerste oordeel als onderwerp optreedt. In de
conclusie wordt te kennen gegeven, dat, wat gezegd mag worden van
het algemeene, evenzeer geldt van het daartoe behoorende bijzondere.
De sluitredenen zijn dus bijzondere vormen van ons denken, waar-
door we ons volkomen bewust worden, dat een zeker oordeel volstrekt
waar is. De waarheid van een oordeel kan men daarom het best aan-
toonen, door het tot de conclusie van eene sluitrede te maken. Vele
van onze oordeelen zijn niets anders dan conclusien van sluitredenen,
waarvan ééne der praemissen of beide weggelaten worden, b. v. Geleer-
den zijn menschen; daarom kunnen zij dwalen. Vernuftig gevormde,
schijnbaar ware sluitredenen heet men drogredenen ofsophismen.
Elke sluitrede, eenmaal gevormd, duurt als elk oordeel, begrip en
voorstelling in de ziel voort en kan ook als een harer beelden beschouwd
worden. Alleen doordat van haren bijzonderen vorm zelden gebruik
gemaakt wordt, treedt ze niet licht in het bewustzijn en blijft ze den
mensch eenigszins vreemd.
\\S 6. Verstand.
§ 21. \'t Is eenigszins moeilijk met het woord verstand een bepaald
begrip te verbinden, omdat het dikwijls zoo onbepaald en met verschil
van beteekenis gebezigd wordt, en omdat de zaak zelve niet voor
waarneming vatbaar is. Er worden dan ook verschillende bepalingen
van gegeven, \'t Is hier de plaats niet, om hare meerdere of min-
dere juistheid te onderzoeken. Hier kan niet meer gedaan worden
dan de bepaling, die aanstonds van verstand gegeven zal worden,
vooraf duidelijk te maken door de beteekenis na te gaan van enkele
uitdrukkingen, waarin het woord verstand gebezigd wordt. Daarom
wordt gevraagd: „Wat beteekent de uitdrukking: ik heb daar geen
verstand van?" Een ijzersmid zal die woorden gebruiken ten aanzien
van een horloge, een ongeleerd mensch ten aanzien van eene stoonv
machine, een eenvoudig burger ten aanzien van de staatszaken, een
schoenmaker ten aanzien van een microscoop. Wordt evenwel een
ijzersmid, die nauwkeurig weet waar te nemen, in de gelegenheid
gesteld, om de samenstelling van een horloge na te gaan, de deelen
-ocr page 44-
30
nauwkeurig te onderscheiden en hunne samenvoeging waar te nemen,
dan durft hij later zeggen: ik heb daar verstand van gekregen; hij had
er dus vroeger geen verstand van. De bovengenoemde woorden kunnen
dus niets anders willen zeggen dan: ik heb in mijne ziel geen enkel
beeld, waarmee ik het zou kunnen vergelijken; evenals ons datgene
bekend is, waarvan we reeds een beeld hebben ontvangen. Men heeft
dus verstand van het eene en geen verstand van het andere; men heeft
eerst geen verstand van iets en heeft of krijgt er later wel verstand
van, al naardat men al of niet beelden van het gelijksoortige in zijne
ziel heeft.
Uit een en ander mag men afleiden, dat het verstand niet te beschou-
wen is als een op zich zelf staand vermogen, waarmede de mensch
geboren wordt, maar als iets dat langzamerhand in hem ontstaat,
zoodat de gewone spreekwijze niet ongegrond is: het verstand komt
met de jaren, ja in zekeren zin ook: het verstand komt met het ambt.
Het verstand kan niet wel iets anders zijn dan de gezamenlijke
voorstellingen en begrippen, die bij iemand op zekert ij d-
stip van zijn leven aanwezig zijn, en die hem in staat stellen,
om hun onderling verband op te sporen en juist te bepalen. Het verstand
kan dus ook groot en uitgebreid of ook klein en bekrompen zijn,
wanneer de ziel een grooten rijkdom van beelden of maar een klein getal
heeft. Het kan helder en scherp wezen, wanneer de beelden zeer dui-
delijk en bepaald zijn. Men kent iemand gezond verstand toe, als
hij duidelijke beelden heeft van in het gewone, practische leven voor-
komende zaken en dus ook van de rechte middelen om het ware doel
te bereiken. Iemand wordt gezegd verstandig te handelen, als hij
handelt met verstand, d. i. overeenkomstig de juiste beelden van de
zaken, waarop zijn handelen betrekking heeft. Ons verstand gaat dan
ook niet verder dan de beelden, die we hebben; zoodra ons een oor-
deel gevraagd wordt buiten den kring onzer beelden, dan zijn we, als
we eerlijk zijn, genoodzaakt te verklaren, dat we er geen verstand van
hebben. Is het verschil tusschen onze beelden en het waargenomene
bijzonder groot, dan staat ons verstand er zelfs voor stil.
Het verstand ontwikkelen, d. i. meerder doen worden, doen
toenemen, drukt nu volgens het boven gezegde uit: het kind de meest
geschikte gelegenheid geven, om een groot getal zeer duidelijke beelden
te vormen. Een onderwijs daarom, dat niet van aanschouwing uitgaat
en niet voortdurend de aanschouwing te hulp roept, maar daarentegen
te veel gebruik maakt van het wooid ter mededeeling en verduidelijking,
is geen verstandontwikkelend onderwijs.
Het verstand neemt toe met de beelden. Een klein kind heeft dus
-ocr page 45-
31
ook reeds verstand, zooals de ervaring genoegzaam leert, al is het
klein, hoewel daarom nog niet bekrompen, wat gezegd wordt,
ingeval men recht heeft om een uitgebreider verstand te verwachten,
b. v. bij een volwassen mensch.
Met verstand komt kennis in hoofdzaak overeen. Daarom worden
die woorden ook dikwijls voor elkaar genomen: men zegt zoowel
kennis als verstand van iets hebben. Hetgeen men kent, daarvan
heeft men vroeger reeds een beeld ontvangen. Alleen kennis schijnt
meer te zien op het bloote weten zonder meer, terwijl verstand
duidelijkheid der beelden en der betrekkingen tusschen de dingen schijnt
te vooronderstellen.
7. Aanleg.
§ 22. Ook wanneer het mogelijk ware, dat twee kinderen den invloed
ondervonden van volstrekt dezelfde toevallige en opzettelijke opvoeding,
zou men daarom nog niet mogen verwachten, dat hunne zielsontwikkeling
geheel dezelfde zou worden. Die uitkomst toch is, behalve van de toevallige
inwerking van buiten, die men nooit geheel kan vermijden, en van de
opzettelijke opvoeding, nog afhankelijk van hun\' aanleg (individuali-
teit), d. i. van de aan elk individu van nature eigene gesteldheid der
ziel, tengevolge waarvan deze meer of minder ontwikkeld kan worden.
Die aanleg is vooral door drie eigenschappen bepaald: prikkelbaar-
heid, levendigheid en sterkte. Naar die eigenschappen in meer-
dere of mindere mate van nature aan het zieleleven eigen zijn, zijn ook
de aanleg en de latere ontwikkeling verschillend.
Onder prikkelbaarheid verstaat men de meerdere of mindere
geschiktheid of ontvankelijkheid voor prikkels, zoodat de een gevoelig
is ook voor den zwaksten prikkel, en de ander eerst een krachtigen
invloed moet ondervinden, vóór hij een\' indruk gewaar wordt. Daaruit
volgt, dat de eerste veel meer indrukken zal ontvangen en deze dui-
delijker en vaster zullen wezen, hetgeen natuurlijk later de geheele
zielsontwikkeling bepalen zal.
Men verwarre vooral deze algemeene eigenschap der prikkelbaarheid
niet met de aan sommige naturen eigene gevoeligheid voor aangedane
beleedigingen, die men eene eigenaardige wijziging der algemeene
prikkelbaarheid zou kunnen noemen.
Levendigheid is de snelheid, waarmee de mensch prikkels kan
ontvangen en de bewustwording kan plaats hebben. Aan wien dus veel
levendigheid eigen is, die kan in korten tijd veel prikkels ontvangen,
uit- en inwendig; bij hem zal dus ook de bewustwording van beelden
-ocr page 46-
32
snel na elkander plaats hebben. Wie weinig levendigheid heeft, bij
dien gaan de opneming en de bewustwording van beelden langzaam;
hij is traag of dom, en bij het vormen van een oordeel kan hij
niet dan met moeite de noodige beelden bewust roepen, om ze met
elkander te vergelijken.
Sterkte is die eigenschap van het zieleleven, dat alles duidelijk
wordt opgenomen en daardoor ook meer blijvende is. Wie de eigen-
schap der sterkte bezit, die moge meer tijd dan de levendige voor het
ontvangen van prikkels noodig hebben, zijne beelden munten echter
uit door helderheid. Zijne ontwikkeling zal door degelijkheid gekenmerkt
zijn. Zal rijkdom van beelden meer het deel zijn van den levendige,
hij zal ook gevaar loopen tot oppervlakkigheid te vervallen, als hij
zich den tijd niet gunt tot het vormen van duidelijke beelden door
nauwkeurig waarnemen en inwendige beschouwing. Iemand met veel
prikkelbaarheid en levendigheid zal zich licht ontwikkelen in de richting
der kunsten, terwijl een met veel sterkte waarschijnlijk een schrander
werktuigkundige, een degelijk geleerde, een groot denker enz. zal worden.
De idioten hebben genoemde drie eigenschappen in zeer geringe mate,
zoodat hen te ontwikkelen de grootste moeite kost en een oneindig
geduld vordert. Aan het gewone onderwijs kunnen ze niet met vrucht
deelnemen; daarom is voor hen afzonderlijk onderwijs noodig (Idioten-
school in Den Haag).
De opvoeder moet zooveel mogelijk tot zekerheid zoeken te komen
omtrent den aanleg van het kind, en niet te spoedig eenig gebrek op
rekening van den aanleg schrijven, terwijl hij zelf er de oorzaak van
is. \'t Is gemakkelijk het kind van gebrek aan aanleg te beschuldigen
en daarmee zich zelf te verontschuldigen, maar moeilijk het bewijs er
voor te leveren. Is hij geheel op de hoogte van de individualiteit van
zijn\' kweekeling, en richt hij zijne opvoeding daarnaar in, dan mag
hij goede vruchten verwachten. Handelt hij evenwel in strijd met de
individualiteit, dan is het tamelijk zeker, dat hij tot eene verkeerde
uitkomst zal geraken.
8. Bewustzijn. Stem en spraak.
§ 23. Het bewustzijn is de eigenschap der ziel, dat ze weet, wat
in haar is en ontstaat, zoodat ze zich daarvan rekenschap kan geven. Ze
denkt, gevoelt en begeert, maar weet ook door het bewustzijn, dat ze
denkt, gevoelt en begeert. Het is het weten van haar weten. Het is zien
in tegenovergestelde richting van het zinnelijk zien: het is zien naar binnen.
In zoover de ziel haar bewustzijn bepaald met zekere inspanning op
-ocr page 47-
33
ééne zaak richt, wordt het de straks te beschouwen opmerkzaamheid.
Bij idioten is het bewustzijn in zeer geringe mate aanwezig; in den
slaap en bij bezwijming houdt het geheel op. Ontvangt de ziel indruk -
ken op een oogenblik, dat het bewustzijn zich tot iets anders bepaalt,
dan zijn die indrukken óf heel flauw óf zij vestigen zich in het geheel
niet in de ziel. De klok kan in onze nabijheid slaan, zonder dat wij
het hooren. Een bekende kan ons voorbij gaan, zonder dat wij hem
merken. Een kind kan zich onder het drukke spel bezeeren, zonder
daarbij pijn te gevoelen.
Bij zeer jonge kinderen is het bewustzijn nog niet ontwikkeld. Men
ziet het aan hunne onverschilligheid bij het ontvangen van indrukken
en aan de doelloosheid hunner bewegingen. Doorgaans eerst in het
derde jaar spreekt het kind van zich zelf in den eersten persoon. De
herhaling van denzelfden indruk, waarvan telkens een spoor achterblijft
en met het vorige samenvloeit, doet het bewustzijn ontstaan. Zoo
ontwikkelt zich bij het kleine kind langzamerhand het bewustzijn: het
begint personen en zaken te herkennen, zijn oog zweeft niet meer
doelloos rond, maar vestigt zich op bepaalde punten, zijne bewegingen
strekken zich tot iets bepaalds uit en worden handelingen.
Naarmate de beelden in duidelijkheid winnen, wordt dus het bewust-
zijn levendiger. Aan de duidelijkste beelden hecht zich ook het leven-
digste bewustzijn. Wie dus in de gelegenheid is, vele en zeer heldere
beelden te vormen en daarbij veel aanleg heeft, die zal ook het leven-
digste bewustzijn hebben.
De beelden, eenmaal door ons gevormd, verkeeren in ons in tweeer-
lei toestand: ze zijn op een gegeven oogenblik of bewust of o n b e-
wust. In den regel is er op één oogenblik slechts één beeld of eene
groep van beelden bewust; alle andere beelden verkeeren dan in on-
bewusten toestand. Bij veel prikkelbaarheid en levendigheid heeft de
bewustwording der beelden zeer licht plaats en gaat zeer snel, zoodat
het eene onophoudelijk op het andere volgt.
De beelden worden met onzen wil, zonder onzen wil en ook
tegen onzen wil bewust. Worden ze met onzen wil bewust, dan
hebben we de heerschappij over de bewustwording, we kunnen ordelijk
nadenken, onze opmerkzaamheid ondervindt dan geen afleiding in
opkomende beelden. Worden ze zonder onzen wil bewust in oogen-
blikken, dat we aan niets bepaalds hebben te denken, dan geven we
ons er aan over, we laten ons door de toevallige bewustwording mee-
voeren (we soezen), en we smaken genot of voelen ook droefheid al
naar den aard der beelden. Worden ze evenwel tegen onzen wil
bewust, dan doen we moeite, om ze terug te dringen in den onbe-
KUKKNS, Oprnedk:, 7e druk.
                                                       3
-ocr page 48-
34
wusten toestand, en niet altijd gelukt ons dat: we lijden dan aan
afgetrokkenheid of verstrooidheid.
Bij kinderen , wien de heerschappij over de bewustwording nog vreemd
is, zal het tweede geval veel opgemerkt worden bij het onderwijs.
Daarom moet de onderwijzer hun te hulp komen, alle afleiding zorg-
vuldig verwijderen en niet met geweld opmerkzaamheid eisenen, als ze
die moeilijk kunnen betoonen, b.v. kort nadat ze gestraft of door
vreugde opgewonden zijn, of ook wanneer eene zware straf hen wacht.
Is het bewustzijn zoo ver ontwikkeld, dat de mensch al hetgeen in
zijne ziel is en plaats heeft, nauwkeurig waarneemt en onderscheidt,
dat hij de drijfveeren van zijne handelingen weet op te sporen, in \'t
kort, dat zijn inwendig leven hem volkomen duidelijk is, dan spreekt
men van zelfbewustzijn.
Vergelijk eens de oogen, de geheele gelaatsuitdrukking, de houding,
den gang, in \'t kort, het geheele voorkomen van een\' idioot niet dat
zelfde bij een flink ontwikkelden mensch. Bij den eerste merkt ge een
weinig, bij den laatste veel zelfbewustzijn.
§ 24. Het bewustzijn openbaart zich vooral door de stem en de
spraak. Geluiden kunnen schier alle levende wezens voortbrengen,
maar eene stem heeft alleen de mensch. Het kleine kind laat nog
geheel onbepaalde geluiden hooren, waarbij nog niet de minste heer-
schappij over de bewegingen van het strottenhoofd en van de spieren,
die bij het voortbrengen van bepaalde geluiden bewogen moeten
worden, is op te merken. Allengskens nemen de geluiden een meer
bepaalden vorm aan en worden klanken. Dan reeds is de menschelijke
stem onderscheiden van het dierengeluid. Nemen die klanken ten
opzichte van elkander eene vaste hoogte aan, dan heet men ze tonen;,
worden deze met maat voortgebracht, dan ontstaat het zingen, dat
den mensch zoo groot genot verschaft.
Doordat de ouderen voor de ooren van het kind bepaalde klanken
laten hooren, terwijl ze op bepaalde voorwerpen wijzen, leert het
kind door veelvuldige herhaling een bepaalden klank met een bepaald
voorwerp verbinden. Het laat vervolgens den klank hooren, als het
aan het daarmee verbonden voorwerp denkt, en hiermede is het begin
der spraak in hem ontstaan. Zijn kleine taalschat bestaat eerst alleen
uit zelfstandige naamw., daarop volgen enkele werkwoorden, de bijvoeg,
naamw. komen nog later. De oorzaak daarvan is gemakkelijk op te
sporen. Met eiken dag wordt nu het aantal verbindingen van zaak en
klank grooter en de taal rijker. Bij verdere ontwikkeling komt het
kind niet alleen zoo ver, dat het al de waarnemingen zijner zintuigen
-ocr page 49-
35
kan benoemen, maar ook hetgeen op zijn inwendig leven betrekking
heeft, door bepaalde klanken aanduiden en de gebruikelijke vormen
der spraak aanwenden, waardoor hij, omdat allen, die hem omringen,
die vormen ook kennen, in staat is, om ordelijk aan anderen te kennen
te geven al wat hij denkt, gevoelt en wil, en de openbaring van het
zieleleven van anderen te verstaan.
Iemand verstaan wil zeggen: bij de woorden van een ander
hetzelfde denken, als wat deze er bij gedacht heeft.
Zoo wordt de spraak het middel, waardoor de mensen zijn inwendig
leven het duidelijkst naar buiten openbaart, en waardoor hij dat van
anderen kan gewaar worden.
Hoogst gevaarlijk voor de geheele volgende verstandelijke ontwikke-
ling is het, het kleine kind woorden te leeren uitspreken, waarbij het
nog weinig of niets kan denken. Daardoor zal aan de eene zijde ver-
hinderd worden het ontstaan van de bepaalde behoefte, bij elk gehoord
of gelezen woord aan iets te moeten denken, en aan de andere zijde
de gewoonte ontstaan, woorden te gebruiken, waarbij aan weinig of
niets gedacht wordt. Moeilijk is het op zoodanigen grondslag eene
degelijke ontwikkeling van het verstand\' te bouwen. Oppervlakkigheid
en babbelzuoht, gewaande wijsheid en onbekookt oordeelen staan haar
in den weg. Zielebeelden zonder namen doen weinig kwaad: de namen
worden later zeer licht aangeleerd; maar namen zonder zielebeelden
mogen nooit geduld worden.
. 9. Opmerkzaamheid.
§ 25. Reeds is gezegd, dat de door de zinsorganen gevormde beel-
den eerst dan het eigendom der ziel worden, als ze in de hersenen
gekomen met bewustheid door de ziel ontvangen worden. De zintuigen
kunnen door de prikkels der buitenwereld getroffen worden, zonder
dat daardoor een beeld in de ziel ontstaat. Men is dan ziende blind
en hoorende doof. De ziel is dan niet opmerkzaam.
De onderwijzer staat voor de klasse. Hij spreekt bezield en duidelijk
en wijst aan, als het noodig is. Er is rust onder zijne leerlingen.
Hunne oogen zijn op hem gericht. Zij volgen al zijne bewegingen.
Men zegt van hen: ze zijn opmerkzaam of oplettend, d. i. ze
hebben hun bewustzijn op één bepaald punt gericht, en wel op dat
punt, waarop het moet gevestigd zijn. Dat is de eigenlijke o pin er k-
zaamheid, die in de school, die bij alle onderwijs noodig is. Zijn
die kinderen met opzet opmerkzaam, willen ze opmerkzaam zijn?
In den regel is dat bij hen niet het geval, evenmin als dat ze niet
3*
-ocr page 50-
36
opzet onopmerkzaam zijn. De opzettelijke opmerkzaamheid vindt
men eerst bij volwassen menschen, die iets willen leeren, iets willen
beschouwen, over iets willen nadenken. Zij hebben de heerschappij
over hun bewustzijn en bepalen het naar eigen wil. Bij hen is de
opmerkzaamheid eene daad, een streven en moet opzettelijk heeten.
Bij de leerende kinderen moet men van eene geleide opmerkzaam-
heid spreken. Zij hebben nog niet de heerschappij over hun bewustzijn :
daardoor volgt het de toevallige indrukken van het oogenblik. Ze
willen wel opmerkzaam zijn, ja zij moeten vanwege hunne natuur altijd
iets hebben, waarmee hun bewustzijn zich bezig houdt. Daarvan maakt
de verstandige onderwijzer gebruik en zoekt aan zijn onderwijs zulke
indrukken te verbinden, waardoor zijne leerlingen tot zijn werk geleid
worden. Zijn ze onoplettend, dan is dat in den regel zijne schuld.
Onder de bovengenoemde leerlingen is er één, die met de hand in
den zak zijne vóór den schooltijd gewonnen knikkers natelt. Is hij niet
opmerkzaam of let hij niet op? De onderwijzer doet hem eene vraag,
en het blijkt, dat hij volstrekt niet bij de zaak, maar afgetrokken
of verstrooid is. Maar nog eens: was hij niet opmerkzaam? Zeer
zeker; want zijn geheele bewustzijn was bij zijne knikkers, en hij wist
precies, hoeveel hij op \'t oogenblik had. Toevallig had hij zijne hand
in den zak gestoken en daar de knikkers gevonden. Toen was hij
daaraan gaan denken en had den onderwijzer vergeten. Hij kon geheel
toevallig opmerkzaam heeten, maar was ten aanzien van het onderwijs
onopmerkzaam, onoplettend.
Ge zit in de schemering in uwe kamer en hebt het werk een oogen-
blik laten rusten. Uwe gedachten — uw bewustzijn — gaan naar den
brand van de vorige week, van daar naar een\' vriend, dien ge er bij
ontmoettet en verder naar een voorval, waar ge beiden ook bij waart,
en waar al niet verder heen. Ge soest. Uw geheele bewustzijn is
door die herinneringen ingenomen, zoodat ge niet merkt, dat de deur
opengaat en er iemand binnenkomt. Ge zijt evenzeer opmerkzaam als
de jongen met de knikkers, maar ook als hij toevallig.
Behalve in den slaap en bij bezwijming is de gewone mensch altijd
opmerkzaam, d. i. zijn bewustzijn bepaalt zich altijd tot iets. Daarbij
doen zich echter drie gevallen voor: i. zijn eigen wil bepaalt zijn be-
wustzijn, en dan is hij opzettelijk opmerkzaam; 2. de wil van een
ander bepaalt het, en dan spreekt men van geleide opmerkzaamheid,
en 3. het toeval bepaalt het, en dan is men toevallig opmerkzaam
(onoplettend ten aanzien van het onderwijs).
Het tweede geval komt in den regel in de school voor. Het derde
werkt daarop storend en moet door den onderwijzer verhinderd worden.
-ocr page 51-
37
§ 26. Voor de opzettelijke opmerkzaamheid is eene zekere mate
van zelfstandigheid noodig, die aan den kinderleeftijd niet eigen is.
Bij kinderen zal men weinig anders dan de geleide opmerkzaamheid
vinden, die evenwel soms tot de volstrekt toevallige overgaat en als
verstrooidheid en afgetrokkenheid zich vertoont. Wijl echter de opmerk-
zaamheid voor het leeren onmisbaar is, moet de onderwijzer de middelen
kennen en weten te gebruiken, om de willekeurige opmerkzaamheid
te wekken, te leiden en te bewaren. Die middelen werken voor een
deel negatief, voor een ander deel positief of opwekkend. De
eerste bestaan in het verwijderen van alle afleiding; daartoe behoort
dus het wegbergen van alles, waarmee de zintuigen of de handen zich
zouden kunnen bezig houden, en verder het schepen van eene volkomen
rustige omgeving: eene rustige orde is voor de opmerkzaamheid noodig.
Vrees voor straf werkt afleidend. Daarom moet de onderwijzer vóór of
onder het leeren zoo weinig mogelijk straffen of ook met straf dreigen.
Doch het aanwenden van de negatieve middelen alleen is niet vol-
doende bij het kind, dat nog zoo weinig zelf zijn bewustzijn bepaalt,
en wiens levendigheid hem onophoudelijk nieuwe beelden toevoert.
Zijne opmerkzaamheid is nog bijna geheel onwillekeurig en laat zich
leiden. De onderwijzer moet de leerlingen weten aan te trekken, te
boeien, mee te sleepen, zoolang het noodig is. Als de opmerkzaamheid
verdwijnt, dan ligt de oorzaak voor het grootste deel bij hem zelven.
Als hij dikwijls de verdwenen opmerkzaamheid terugroepen moet, dan
deugt zijn werk niet. Schier elke straf voor onopmerkzaamheid is eene
aanklacht tegen hem zelven van onbekwaamheid of ongeschiktheid.
Wil hij de opmerkzaamheid voortdurend op zijn onderwijs gevestigd
houden, dan moet hij positieve middelen aanwenden: i. hij moet de
meest mogelijke belangstelling toonen in zijn eigen werk; want daar-
door wordt belangstelling bij den leerling gewekt, en slechts wat dezen
belang inboezemt, trekt zijne opmerkzaamheid; 2. die belangstelling
spreke uit zijne warme, bezielde voordracht, uit zijne geheele houding,
zijn gelaat en zijne gebaren, uit zijn streven, om alles zoo duidelijk
mogelijk te maken door eene gepaste woordenkeus, door aanschouwe-
lijkheid, door noodige herhaling, door onvermoeid geduld bij niet
begrijpen; 3. hij legge zich toe op een aangenamen toon van spreken,
die uitlokt tot opmerkzaam luisteren; 4. hij zorge voor eene opge-
ruimde stemming, die zoo weinig mogelijk door berisping of straf
verstoord moet worden; 5. hij spreke, terwijl hij steeds de geheele
klasse overziet, als tot elk individu in het bijzonder, elke kleine
afdwaling opmerkende en door de eenvoudigste middelen voorkomende,
opdat ze niet tot geheele afwezigheid overga.
-ocr page 52-
38
io. Geheugen. Herinnering. Terugroepende verbeelding.
§ 27. Duizenden malen heeft men kunnen opmerken, dat hetgeen
men met een der zintuigen waargenomen of wat men gelezen, verno-
men, gedacht, gedaan heeft, wat men op zeker oogenblik gevoelde of
voornemens was te doen, in \'t kort, dat alles, wat eenmaal in de ziel
gekomen is, welken naam het ook drage, na verloop van meer of
minder tijd weer bewust wordt en later, soms na verloop van jaren,
nog eens weer en nog eens weer: daaruit mag men besluiten, dat dat
alles van het ontstaan tot de bewustwording in onbewusten toestand in
de ziel gebleven is. Dat b 1 ij v e n d e z ij n, dat voortduren van het-
geen eenmaal in de ziel ontstaan is, kan men het geheugen noemen.
In dien zin strekt het geheugen zich dus over alles uit, wat eenmaal
een deel der ziel geworden is. Kvenwei, het woord geheugen heeft
ook eene meer beperkte beteekenis en wordt dikwijls gebruikt voor
het blijvende zijn of het voortduren van woordklanken, die door hooren
spreken, door lezen of vooral door opzettelijk van-buiten-leeren tot
beelden der ziel geworden zijn. In dien zin gebruikt men het woord
b.v., als men het onderwijs in eenig leervak met zekere minachting
louter geheugenwerk noemt, of van geheugenkraam of ook
van geheugenoefeningen spreekt. Aan die opvatting beantwoordt
dan ook geheel het van-buiten-leeren van versjes, wanneer op de leerorde
eener bewaarschool of eener aanvangsklasse van eene lagereschool op
zeker uur „geheugenoefening" als leervak voorkomt.
Men mag op grond van ervaring als hoogstwaarschijnlijk aannemen,
dat, hetgeen eenmaal in de ziel is ontstaan, daarin ook voor immer
blijvende is. \'t Is althans niet te bewijzen, dat iets uit de ziel verdwenen
is, wanneer het ook met inspanning niet bewust wil worden, m. a. w.
wanneer men het vergeten is, omdat het dikwijls blijkt, dat het ver-
getene toch later weer bewust wordt, soms zelfs na veel jaren. Voor
de opvoeding heeft dit vraagpunt evenwel geen belang.
Wijl het geheugen geen vermogen, geen kracht is, maar bloot eene
eigenschap der ziel, kan er ook niet van geheugenoefening sprake
zijn. Het van-buiten-leeren kan zelfs geen oefening van het zooge-
noemde woordgeheugen zijn. Het vermeerdert alleen den woordenschat
en maakt daardoor het later van-buiten-leeren gemakkelijker. Ook
blijft met de woorden hun inhoud bewaard en wordt de kennis grooter.
Als opzettelijke oefening kan het in zoover nadeelig werken, als het
kind licht gewend wordt met woorden om te gaan, zonder er bij te
denken.
-ocr page 53-
39
Kan het geheugen dus niet geoefend worden, wel kan men maken,
dat het duidelijk bewaren der zielebeelden en de gemakkelijke bewust-
wording bevorderd worden. Het hoofdmiddel daarvoor is het goed
opnemen en duidelijk vormen der beelden: wat goed waarge-
nomen, wat duidelijk ingezien, wat geheel doordacht wordt, dat blijft
ook het best bewaard. Opmerkzaamheid is dus bij alle leeren een
eerste vereischte. Het tweede is de herhaling van het opgenomene
en gevormde, waardoor de beelden telkens verfrischt en duidelijker en
meer aan elkander vastgeknoopt worden. Het derde is het opnemen
en herhalen in eene bepaalde orde, hetzij orde van gelijkheid,
waardoor het gelijke tot soorten gebracht wordt, hetzij orde van plaats
of van tijd of van oorzaak en gevolg, van middel en doel enz. Door
dit opnemen in orde wordt gemakkelijke bewustwording bevorderd,
wijl het eene het andere oproept.
Kunstmiddeltjes voor het onthouden hebben alleen waarde, als hunne
aanwending hoogst eenvoudig en natuurlijk is. Eene kunstige mnemo-
techniek of geheugenleer verdient dus geen aanbeveling.
Naar de soort van zielebeelden, die bewaard blijven, spreekt men
weleens van woordgeheugen, geheugen voor jaartallen of formules,
geheugen voor geschiedenis, geheugen voor dit of voor dat. Na het
boven gezegde moeten deze benamingen niet opgevat worden, alsof
elk mensch een afzonderlijk geheugen bepaald voor het een of ander
heeft; integendeel, ze moeten aanduiden, dat iemand door zijn\'aanleg,
door zijne omstandigheden, vooral door zijn vroeger ontvangen onder-
wijs er toe geleid is, zich meer op het een of ander toe te leggen en het
door duidelijke opneming en veelvuldige herhaling vaster dan iets anders
te maken. Waarvan de gronden goed gelegd worden, wat ons met be-
langstelling onderwezen wordt, dat gelukt ons beter en wekt onzen lust op.
Zoo spreekt men ook van een werktuiglijk en van een verstandelijk
geheugen, al naardat we het best bloot de vormen bewaren, zonder
aan hun\' inhoud te denken, of de beteekenis der vormen, zonder aan
de laatste onze belangstelling te wijden. Het eerste zal men licht vinden
bij menschen, die niet gewoon zijn na te denken en daardoor niet
verder gaan dan de vormen, het laatste bij menschen met veel denk-
kracht en levendigheid. Een goed onderwijs verwaarloost het van-buiten-
leeren niet, als de beteekenis der woorden eerst het eigendom der ziel
geworden is. Ook is het van belang, dat hetgeen gememoriseerd wordt,
bij de herhaling altijd in denzelfden vorm wordt gereproduceerd.
§ 28. Herinnering en geheugen zijn twee zijden van dezelfde
zaak. Zonder herinnering zou het geheugen voor ons niet bestaan,
-ocr page 54-
10
en zonder geheugen zouden we van herinnering niet kunnen spreken.
Door dat nauwe verband wordt ook licht eene eigenschap aan het
geheugen toegekend, waarop de herinnering recht heeft, en geeft men
middelen op voor het bewaren der zielebeelden, die eigenlijk dienen,
om de herinnering gemakkelijk te maken. Het geheugen kan van
grooten omvang, sterk, duurzaam en getrouw zijn, de herinnering
vlug en zeker.
De herinnering is de bewustwording (reproductie) van hetgeen in de
ziel onbewust bestaat. Ze gaat bij verschillende menschen met meer of
minder moeite gepaard. Wanneer men zich veel moeite geeft, om zich
iets te binnen te brengen, dan spreekt men van zich bezinnen.
Die veel levendigheid bezitten, zullen zich gemakkelijk iets herinneren.
Wie op een zeker oogenblik door een drukkend gevoel overheerscht
wordt, zal zich moeilijk iets herinneren, doordien dat drukkende gevoel
het geheele bewustzijn inneemt. Daarom mag men van een kind, dat
door vrees beheerscht wordt, niet vorderen, dat het zich op dat oogen-
blik het geleerde zal herinneren.
Wanneer men iets, ook met inspanning, niet bewust kan doen wor-
den, dan gebruikt men daarvoor het zeggen vergeten zijn. Heeft
men zich op een bepaalden tijd niet herinnert!, dat men zekere hande-
ling moest verrichten, dan duidt men dit aan door vergeten hebben,
Ik heb het boek vergeten (mee te nemen), ik heb vergeten te schrijven,
maar: hij is de les, de vermaning vergeten.
De terugroepende verbeelding is een onderdeel van de her-
innering. De laatste is het algemeene begrip, waaronder het eerste
gebracht moet worden. De terugroepende verbeelding is namelijk de
herinnering van beelden van bijzondere personen, zaken, toestanden,
met al de grooter en kleiner bijomstandigheden, die er bij waargeno-
men zijn. Ze kan dus slechts betrekking hebben op voorstellingen.
Het beeld van een\' persoon, juist zooals hij er uitziet, van een huis,
van een dier, van een\' tuin, van een landschap, van eene schilderij is
een voorwerp der terugroepende verbeelding. Naarmate de beelden
meer met het oorspronkelijk waargenomene overeenkomen, is de terug-
roeping getrouwer.
/ n. Phantasie.
A
§ 29. De phantasie is een scheppend vermogen en heet daarom
ook wel scheppende verbeeldingskracht. De terugroepende geeft slechts
weer, wat en zooals dit opgenomen is, de scheppende vormt zelf
beelden. Even als de terugroepende houdt ze zich alleen bezig met
-ocr page 55-
41
voorstellingen en maakt er door afscheiding en samenstelling nieuwe
voorstellingen van. Hare scheppende kracht is dus heperkt tot de
samenvoeging van in de ziel aanwezige elementen, maar strekt zich
niet uit tot de vorming van die elementen zelven. Hare bouwstoffen
zijn ile in de ziel aanwezige voorstellingen, hetzij deze door onmiddellijke
waarneming uit de buitenwereld verkregen of ook reeds vroeger door
de phantasie gevormd zijn. Hare producten kunnen als beelden van het
bijzondere niets dan voorstellingen zijn.
Zij vertoont zich bij het kind, dat uit de blokken zijner bouwdoos
verschillende gebouwen maakt, zooals het ze nog niet gezien heeft,
niet bij dat, \'t welk eenvoudig het werk van een ander nabootst; bij
het kind, dat de pop laat spreken en allerlei rollen vervullen, dat
zijne looden soldaatjes elkander laat aanvallen en neersabelen, dat op
zijn stokpaard den generaal vertoont met de oprukkende troepen achter
zich; bij het kind, dat alles vergroot voorstelt, dat in het duister
spoken ziet, dat aan zijne makkers allerlei wonderlijke dingen vertelt
van omstandigheden, die het zijn overkomen of zullen overkomen.
Wat men bij zulk een kind soms verleid wordt liegen te noemen, is
niets dan de werking der phantasie, die, terwijl het nog de gave der
juiste onderscheiding mist, zaken en toestanden niet beschrijft, zooals
ze zijn, maar zooals zijne opgewekte verbeelding ze gelieft te maken.
Liegen vooronderstelt boos opzet.
Het phantaseeren is bij het kind de voorbereiding tot het latere .
denken bij meer ontwikkeling; het is alleen een denken met voorsteb
lingen, wel zonder dat op logische betrekking gelet wordt, maar toch
een bezig zijn met de scheppende kracht der ziel. Daarom is bij het
kind het werken der phantasie eene oefening in het denken; het leven
der ziel wordt er door gewekt. Op dien grond hebben ook vertellingen en
sprookjes geen geringe waarde voor de verstandelijke vorming des kinds.
Bij den ontwikkelde openbaart de phantasie zich als een verhoogd
leven der ziel, waarin deze aanschouwt, wat de mensch in gewone
omstandigheden niet in staat is waar te nemen, \'t Is vooral de beeldende
kunstenaar, die door zijne levendige phantasie vormen en kleuren
samenvoegt tot een schoon geheel, dat hij aan de werkelijkheid alleen
in zoo ver ontleend heeft, als de voorstellingen der bijzondere deelen
vóór de schepping in zijne ziel aanwezig waren, maar dat, zooals het
is, niet in de werkelijkheid bestaat, althans er niet uit genomen is.
De dichter schetst met woorden de beelden zijner phantasie, de bouw-
meester geeft ze weer in de schoone vormen zijner bouwgewrochten, de
musicus in de oneindige samenvoeging van tonen, maat en voordracht.
Allen scheppen ze voorstellingen, om het algemeene van een be-
-ocr page 56-
42
grip aanschouwelijk te maken door het bijzondere, het individueele.
Een beeldhouwer wil het begrip moederliefde voorstellen en schept een
liefelijk vrouwenbeeld, dat op het kind op haar\' arm vol liefde neerziet
en het aan haar\' boezem drukt. Een schilder wil het begrip mannen-
kracht een\' vorm geven en voegt nu kleuren en lijnen zoodanig samen,
dat het oog een sterkgespierden man aanschouwt, die met forsche
bijlslagen bezig is een zwaren eik om te houwen. Een bouwkunstenaar
zoekt de begrippen godsdienstige verhevenheid en ernst, woning voor
den Allerhoogste, verheffing boven het aardsche, te verzinnelijken in
een kerkgebouw niet elkander naderende lijnen, met slanke pilaren en
hooge gewelven, eene nabootsing van een woud van zware boomen,
en met hooge, ten hemel strevende spitsen.
De phantasie schept zelfs datgene, wat nooit bestaan kan: men denke
aan hare zonderlinge producten uit de oudheid, toen meer dan tegen-
woordig aan de verbeelding vrij spel gelaten werd.
In zoover Fröbel het kind wilde leiden tot scheppend handelen, om
het daardoor meer geschikt te maken voor zijne roeping als mensch,
werkte hij voordeelig op de ontwikkeling der phantasie.
12. Het denken.
§ 30. Wat is toch die werkzaamheid der ziel, die men denken
noemt, waarbij het voorhoofd rimpels vertoont, de oogen staren, het
geheele lichaam in rust is en ernst uit alles spreekt, \'t Is een werk, dat
door ieder gedaan wordt, maar waarvan niet ieder zich rekenschap weet
te geven. Even als het phantaseeren is het denken eene scheppende
werkzaamheid. Maar gelijk het eerste slechts nieuwe voorstellingen uit
aanwezige schept en het algemeene zoekt te verzinnelijken , zoo beschouwt
het denken de bijzondere gevallen en leidt er het algemeene uit af en schept
zoo uit alles wat in de ziel bestaat, eene oneindige verscheidenheid van
producten: logische begrippen, oordeelen, opstellen, besluiten, plannen,
stelsels, wetten , regels, beschouwingen, redevoeringen, inrichtingen, ver-
anderingen, overzichten, nieuwe gezichtspunten, uit welk alles de verba-
zende en schier grenzenlooze rijkdom van den menschelijken geest blijkt.
Denken is die werkzaamheid van het zieleleven, die bestaat in het
beschouwen en verwerken der zielebeelden, om hun onderling verband
te leeren kennen en door vergelijking, afscheiding en samenvoeging
nieuwe beelden te scheppen. Het is het zoeken naar de antwoorden
op gestelde vragen. Daarom denkt hij veel, die zich veel vragen stelt.
De trage of domme vraagt niet, maar denkt ook niet. Hij kan opne-
men, maar iets vervormen door denken kan hij niet.
-ocr page 57-
43
Het denken houdt zich dus bezig met de in de ziel aanwezige beelden:
buiten dien kring kan het niet gaan. Een denken zonder inhoud kan
niet bestaan. Naarmate door de waarneming meer beelden in de ziel
zijn geboren, naar die mate is het gebied van het denken ook grooter,
en naardat de beelden duidelijker zijn, kan het denken juister wezen.
Doch niet alleen van het getal en de helderheid der beelden hangt het
denken af, ook van de levendigheid en de helderheid van het bewustzijn ,
waardoor de noodige beelden gemakkelijker en duidelijker zich ter
beschouwing aanbieden.
Naar de aanleg van den mensch is, is dan ook het denkend ziele-
leven bij hem ontwikkeld. Zijne opvoeding kan evenwel zoo ingericht
worden, dat het denken schier ophoudt of althans beperkt blijft, en
ook dat het voor hem eene gewoonte en dus behoefte wordt te denken.
Vele en duidelijke waarnemingen zijn eene eerste voorwaarde voor
helder denken. Waar enkel door het woord, zij het ook eene groote
kennis opgedaan is, daar ontstaat licht oppervlakkigheid en geen
krachtig, diep denken. De voorstellingen moeten de bouwstof geleverd
hebben voor de begrippen, zal er een vruchtbaar denken mee kunnen
plaats hebben. Daarom is niet ten onrechte weleens te opmerking
gemaakt, dat men onder in afgescheidenheid levende menschen veeltijds
beter denkers vindt dan onder hen, die hunne dagen doorbrengen in
het overdrukke gewoel der groote steden.
Ts voor het denken een goede grondslag gelegd door een groot getal
duidelijke waarnemingen, dan moet aan de ziel veelvuldige aanleiding
tot denken gegeven worden. Gelijk het kind loopen leert door te
loopen, leert het denken door te denken. Reeds de huiselijke opvoeding
kan die aanleiding geven en moet in allen gevalle van de zucht van
het kind tot denken ijverig gebruik maken. Meer opzettelijk en ordelijk
doet het de school vooral door de methode van haar onderwijs. Inzon-
derheid zoekt ze door opgaven en vragen het kind denkend werkzaam
te doen zijn. Ze leidt daardoor niet alleen de ziel bij het denken,
maar dwingt ze er schier toe. De ziel moet zich dan bezig houden
met het onderzoek van de door de opgaven en vragen aangeduide
zielebeelden. Deze treden met steeds grooter duidelijkheid in het
bewustzijn en komen gedurig meer met andere beelden in betrekking.
Zoo wordt de zin voor denken gewekt en het denken zelf eene behoefte
voor de ziel.
Wanneer een kind toont weinig te denken, dan kan daarvan gebrek
aan natuurlijken aanleg de oorzaak zijn; maar vaak is het een gevolg
van de opvoeding. Zij is dit, als het kind wel veel, maar vluchtig
waargenomen heeft, en het gewoon geworden is de woorden te gebruiken
-ocr page 58-
44
zonder er iets bij te denken, of als de hoofdstrekking van zijn onder-
wijs geweest is, dat het altijd maar moest opnemen, en het weinig
aanleiding gegeven is, om zich met het opgenomene bezig te houden.
Een gezond en natuurlijk ontwikkeld kind wil denken, evenals het
zich wil bewegen.
Bepaalt het denken zich tot het samenzoeken van de gelijke alge-
meene eigenschappen in een aantal voorstellingen, dan ontstaan er
begrippen, of hetzelfde in een aantal lagere begrippen, dan ontstaan
er hoogere begrippen. Als het denken naspoort, welke ziekbedden bij
elkander behooren, dan heet het oordeelen. Als het denken tot
uitkomst heeft, dat een oordeel voortvloeit uit twee andere oordeelen,
dan heet het besluiten. Als elk volgend oordeel voortvloeit uit elk
voorgaand, dan wordt het denken re deneeren. Als de ziel zich
maar flauw bewust kan maken, dat twee zielebeelden bij elkander
behooren, dan heet het denken vermoeden, soms ook voelen,
welk voelen vooral niet verward moet worden met het later te bespre-
ken waarheidsgevoel. Houdt de ziel zich aanhoudend met hetzelfde
punt bezig, zoodat het bewustzijn zich uitsluitend daartoe bepaalt,
dan wordt het denken peinzen. Wanneer het redeneeren tot steeds
algemeener oordeelen leidt, die niet meer op de zinnelijke wereld
betrekkiiig hebben, dan duidt men dat verheven denken wel aan met
den naam rede.
13. Overzicht.
§ 31. Wanneer we beknopt samenvatten, wat er van het denk ver-
mogen gezegd is, dan komen we tot het volgende; In die openbaring
van het zieleleven, die we denkvermogen noemen, komen twee
hoofdzaken voor: vooreerst de oneindige hoeveelheid beelden of de
voorwerpelijke inhoud der ziel en de eigenschappen en krachten,
waardoor die beelden ontstaan en blijven bestaan en steeds veranderd
en vermeerderd worden, en die wel de onderwerpelijke inhoud der ziel
genoemd worden.
Die beelden zijn alles, wat in mijn\' geest zelfstandig aanwezig is,
wat in mij bewust wordt, waaraan of waarover ik kan denken, alles
wat ik weet, wat ik door namen aanduid, in \'t kort al mijne kennis,
dit woord in algemeenen zin genomen.
Ze kunnen onderscheiden worden als: voorstellingen of beelden
van het bijzondere, en begrippen of beelden, die het karakter van
algemeenheid hebben. Uit beiden worden gevormd oordeelen of
verbindingen van bij elkander behoorende beelden en sluitredenen
-ocr page 59-
45
of eene eigenaardige samenstelling van oordeelen, die beide ook, wan-
neer ze eenmaal gevormd zijn, als beelden in de ziel blijven bestaan.
Al wat eenmaal in de ziel ontstaan is, is haar eigendom en blijft er
in bestaan. Die eigenschap der ziel, dat de beelden blijvende in haar
zijn, noemen we het geheugen, welk woord eene algemeene en
eene beperkte beteekenis heeft. Aan het zieleleven is bewustzijn
eigen. De beelden komen in twee toestanden voor: ze zijn èf onbe-
wust óf bewust. De bewustwording (reproductie) der beelden
heet herinnering. Doen we veel moeite, om ze bewust te maken, dan
spreekt men van zich bezinnen. Heeft de herinnering van voorstel-
lingen plaats met veel levendigheid en met alle bijbehoorende omstan-
digheden, dan spreekt men van terugroepende verbeelding.
De ontwikkeling van het zieleleven begint met en heeft haar\' oor-
sprong in de werkzaamheid der zintuigen: zonder deze is geen ontwik-
keling denkbaar.
De beelden ontstaan óf door opneming (receptie) óf door s c h e p-
p i n g (productie). De opneming heeft plaats onmiddellijk door de
zintuigen en middellijk door de taal, de schepping door de phantasie
en het denken. De voorstellingen worden gevormd door de zinnelijke
waarneming, door de taal en door de phantasie of scheppende
verbeeldingskracht. De begrippen ontwikkelen zich uit de zinne-
lijke waarneming of worden door denken gevormd, door welk laatste
de mensch ook de oordeelen en hunne verbindingen schept.
Zoowel voor opnemen als scheppen is opmerkzaamheid een
volstrekt vereischte: ze is de vestiging van het bewustzijn op het punt,
waarmee de ziel zich op zeker oogenblik moet bezig houden.
Een onderwijs, dat er op uit is, om veel en duidelijke beelden te
doen ontstaan en veel aanleiding tot denken te geven, heet men door-
gaans een ontwikkelend of ook vormend onderwijs.
yS B. HET GEVOELVERMOGEN.
§ 32. Tot nogtoe hebben we ons bezig gehouden met de beelden,
die in de ziel ontstaan en blijven, en met hetgeen er met hen geschiedt.
Dat is het verstandelijke leven der ziel en vormt gezamenlijk, wat men
het denkvermogen noemt. Doch als we ons eigen zieleleven en ook
dat van anderen nagaan, dan bespeuren we licht, dat die beelden,
hetzij bij hun ontstaan, hetzij bij hunne bewustwording, ons niet
onverschillig laten, maar ons in meerdere of mindere mate aandoen,
ons treffen, tl. i. ilat ze den toestand onzer ziel in meerdere of min-
-ocr page 60-
4fi
fiere mate veranderen. Die verandering van den toestand der ziel
is uitwendig merkbaar aan het gelaat, aan geluiden en aan beweging
en rust.
Het kleine kind, dat plotseling zijne moeder opmerkt of wien een
koekje voorgehouden wordt, zet dadelijk zijn gezicht in eene lachende
plooi, stoot allerhande geluiden uit, brengt handen en voeten in bewe-
ging. De oogen van het schoolkind, dat een woord van lof ontvangt.
beginnen te glanzen en zien den onderwijzer strak aan, terwijl het
geheele gelaat gespannen is en eene uitdrukking van blijdschap vertoont.
Bij een woord van afkeuring of bij aankondiging van straf is de blik
naar beneden gericht, het geheele lichaam is in rust, de ledematen zijn
meer of min hangende, tranen komen in de oogen en de anders
levendige knaap is zonder opgewektheid. Wie gelukkig door een examen
gekomen is, juicht, schreeuwt het uit, vliegt van den een naar den
ander en doet allerlei dwaze dingen. Een gezelschap zit vroolijk bijeen,
maar opeens brengt de reeds dreigende donkere lucht een onweer
voort, een donderslag doet zich plotseling hooren, en allen zijn ernstig
en stil geworden; ze gaan naar buiten, en met zacht gesproken woor-
den geeft ieder te kennen, hoe de vurige bliksemstralen hem aandoen.
Iemand ziet, hoe een groote jongen een kleinen mishandelt, en dade-
lijk springt hij op uit zijne rust en verwijt vol verontwaardiging den
grooten lafaard zijne gemeenheid. Bij het hooren van schoone muziek
zitten honderden stil. We wandelen pratende door eene tentoonstellings-
zaal, zien eene prachtige schilderij, blijven staan en staren en geven
slechts door enkele woorden onze verrukking te kennen.
Nog duizend gevallen zouden we kunnen opgeven, waaruit ons zou
blijken, dat de toestand der ziel bij het opnemen of bewustworden
van beelden meer of minder snel verandert, en dat deze verandering
zich meestal naar buiten openbaart. In de hier opgegeven gevallen is
de verandering bijzonder groot. Gaan we evenwel ons eigen zieleleven
zeer nauwkeurig na, dan zullen we ontdekken, dat schier iedere waar-
neming, elke bewustwording eene, zij het ook uiterst geringe verande-
ring in onzen zielstoestand teweeg brengt, dus dat bijna niets ons
totaal onverschillig laat, zoodat men zeggen mag: dat de toestand der
ziel onophoudelijk verandert. Alleen bij menschen met zeer weinig
prikkelbaarheid en levendigheid, zooals bij idioten, of ook bij menschen
van zeer geringe ontwikkeling, dus evenzeer bij zeer jonge kinderen,
en ook bij dieren, merkt men weinig verandering in den toestand der
ziel op, bij hooger ontwikkelde dieren evenwel wederom meer dan bij
lager ontwikkelde.
De eigenschap der ziel, dat de beelden, die in haar
-ocr page 61-
47
ontstaan of die opnieuw in haar bewust worden, haar\'
toestand kunnen veranderen, duidt men door het woord
gevoelvermogen aan. Het gevoel is het bewustzijn van
de verandering, die er in den toestand der ziel plaats
heeft. Bij een dier, een klein kind, een\' idioot, een zeer weinig
ontwikkelden mensch kan men dus van geen eigenlijk gevoel spreken,
omdat bij hen de veranderingen niet bewust worden.
Dit gevoel moet men niet verwarren met het als een der zinnen
boven besproken lichamelijk voelen, waarbij het noodig is, dat de
zenuwen eene uitwendige gewaarwording ondervinden. Toch is dit
lichamelijk gevoel ook niets anders dan het bewustzijn van eene ver-
andering in den toestand des lichaams en kan ook weer oorzaak zijn
van het geestelijk voelen.
§ 33. Men ziet dus, de bewustwording van beelden is noodig, om
een gevoel te doen ontstaan. Die beelden treden dus bij het ontstaan
van een gevoel op als werkende oorzaak. Gelijk het denkvermogen bij
het jonge kind zich het eerst openbaart en later het gevoelvermogen,
blijven het geheele leven door die vermogens in dezelfde orde elkander
opvolgen. Men moet zorg dragen de voorstelling van eenig gevoel niet
te verwarren met het gevoel zelf. Iemand kan een zeer duidelijk beeld
hebben van zeker smartgevoel, zonder dat hij in het minst smartelijk
aangedaan wordt. De verandering in den toestand der ziel is altijd ot
aangenaam of onaangenaam; ze doet zich kennen als een lust
of als een onlust, als een behagen of als een mishagen. De mate
en de aard van het aangename en onaangename kunnen zeer verschib
lend zijn. Het gevoel kan immers in verschillende graden meer of min-
der hevig zijn.
Ook kan men het gevoel bepalen naar de zielebeelden, die het doen
ontstaan.
De mate of graad evenwel blijft te onbepaald, om daarnaar eene
onderscheiding van het gevoel te maken. Bij alle gevoel treden de
zielebeelden, waardoor het veroorzaakt wordt, ook niet even duidelijk
op den voorgrond, om daarnaar het gevoel te verdeelen. Om echter
aan te duiden, wat al tot het gevoelvermogen gebracht moet worden,
zou men kunnen spreken: i. van het gemoed of den doorgaanden
toestand der ziel, 2. van het gevoel, waarbij het eigenaardige van den
toestand meer onderscheiden wordt, en 3. van het hoogere of eigenlijke
gevoel, waarbij meer gelet wordt op het eigenaardige van de ziele-
beelden, waardoor de toestand veroorzaakt wordt.
-ocr page 62-
48
i. Het gemoed.
§ 34. De beteekenis van het woord gemoed is moeilijk juist te
bepalen, omdat het in het gebruik zoo vaak verschillend gebezigd
wordt. Zeker is het, ilat het gemoed tot het gevoelvermogen behoort;
door het woord drukt men meestal uitden doorgaanden, den
meest heerschenden toestand der ziel. Men let hierbij in het geheel
niet op de werkende oorzaken, die den toestand doen ontstaan, en
vat slechts den toestand zelven in het oog. Vaak kan men zelfs met
nadenken de oorzaak van den toestand niet eens vinden. Bij gemoed
denkt men derhalve bijna alleen aan het aangename of onaangename
van den toestand der ziel, mist men de juiste onderscheiding en spreekt
men alleen, als de toestand aangenaam is, van een opgeruimd
gemoed of van b 1 ij m o e d i g h e i d, voor zoover de toestand vooral
op het gelaat zichtbaar is; van een v r o o 1 ij k gemoed of v r o o 1 ij k-
heid, voor zoover hij zich in woorden en lachen, en van uitgela-
tenheid, voor zoover hij zich in daden openbaart. Is de toestand
onaangenaam, dan spreekt men alleen van een gedrukt, n e e r-
slachtig, somber, droef of treurig gemoed.
Het gemoed of de doorgaans heerschende toestand van het zieleleven
is het product van stemmingen, die uit gewaarwordingen ge
boren worden. Beide zijn van aangenamen of onaangenamen aard en
zijn aan gedurige afwisseling onderhevig. De gewaarwordingen zijn de
oogenblikkelijke toestanden, de stemmingen de langer aanhoudende.
Men zegt: de eene of andere onaangename gewaarwording heeft mij in
eene onaangename stemming gebracht. Zoo kan ook hij spreken, die
een opgeruimd gemoed heeft, evenals iemand met een somber gemoed
zijne tijden van opgeruimdheid kan hebben. Naarmate de gewaarwor-
dingen vaker van een aangenamen aard zijn, zullen ook de aangename
stemmingen vaker terugkeeren, en het gemoed het kenmerk, de kleur
van opgeruimdheid of blijmoedigheid verkrijgen.
De gesteldheid van het lichaam oefent een grooten invloed op het
gemoed uit; daarnevens zijn het de opvoeding en alle levensomstandig-
heden, waardoor het mede gevormd wordt. De levensomstandigheden
kan men niet altijd beheerschen; evenwel het lichaam zooveel mogelijk
gezond te houden en daardoor de opgeruimdheid te bevorderen, en de
geheele opvoeding zoo in te richten, dat die toestand bewerkt wordt,
dat heeft men in zijne macht.
En die vorming des gemoeds is van het grootste belang voor het
levensgeluk van den mensch; want naarmate het gemoed het door-
-ocr page 63-
49
gaande kenmerk van opgeruimdheid of van neerslachtigheid heeft, zal
de mensch ook zijne levensomstandigheden als aangenaam ofalsonaan-
genaam beschouwen: den neerslachtige is alles donker, den opgeruimde
alles helder en licht. Voor een groot deel hangt dus \'s menschen levens-
geluk van de kleur van zijn gemoed af.
Maar ook voor het welslagen der geheele opvoeding en in het bijzon-
der van het onderwijs is de vorming des gemoeds van groot belang.
De opgeruimde is meer vaardig tot gehoorzamen en laat zich dus
lichter leiden. Hij is meer geschikt om het ware, schoone en goede
op te merken en te waardeeren. Hij schuwt niet de inspanning, maar
zoekt haar zelfs. Een opgeruimde geest in de school draagt dan ook
veel bij tot de vruchtbaarheid van het onderwijs. Als de ziel in een
aangenamen toestand is, kan ze eerder opmerkzaam zijn, is hare denk-
kracht ten volle beschikbaar. Straften mogen niet altijd te vermijden
zijn, ze hebben toch immer deze schadelijke zijde, dat ze den leerling
minder geschikt tot leeren maken. Wie een aangenamen geest in de
school onderhoudt en dus bij de kinderen de opgeruimdheid bevordert,
zal minder behoeven te straffen.
Juist wijl het gemoed bloot een toestand is, heeft het geen actief
karakter: de mensch is eenvoudig zoo of zoo, zonder meer. Toch is
het gemoed veelvuldig de aanleiding tot handelen en staat daarom in
nauw verband met \'s menschen zedelijkheid. Wat hem in eene aange-
name stemming brengt, dat begeert hij, wat onaangenaam op hem
werkt, daaraan zoekt hij te ontkomen. In beide gevallen moet hij han-
delen. Hij zou zich evenwel ongelukkig maken, indien hij altijd de
aanleiding, door zijn gemoed gegeven, volgde. Niet alles, wat aange-
naam voor hem is, is daarom nuttig; integendeel, het aangename kan
soms oorzaak wezen van zijn ongeluk. Daarom moet het gemoed onder
de heerschappij van het denken staan, dat hem het onaangename tus-
schenbeide zelfs als nuttig zal voorschrijven.
2. Bijzondere toestanden der ziel.
§ 35. Let men meer op het eigenaardige van den toestand, en
blijven de zielebeelden, die hem teweegbrengen , nog op tien achtergrond,
dan duidt men de verschillende toestanden aan door opgewektheid
(als gevolg van bezigheid), verwachting, ongeduld, hoop,
bezorgdheid, verlichting, verrassing, schrik, twijfel, ver-
twijfeling, verveling, onderhouding (doortijdverdrijf, inspan-
ning of arbeid).
Wanneer de zielebeelden zoo min ons overstelpen als zelven in de
uu K kns, Opvoedk., Ie druk.
                                                             4
-ocr page 64-
50
bewustwording belemmerd worden, maar een regelmatig verloop hebben,
dan spreekt men van gemoedsrust. Ontstaat er op de eene of andere
wijze verandering, dan komt de ziel in zekere aangename of onaange-
name toestanden en is de rust in meerdere of mindere mate geweken.
Er ontstaat een aangenaam gevoel, als er noch te veel opeens, noch
te weinig zielebeelden bewust worden; maar juist zooveel als waarmee
de opmerkzaamheid zich bezig houden kan. Dit is het geval bij
rustigen arbeid, bij bedaard nadenken, bij een onderhoudend gesprek,
op eene voetreis, enz. Worden opeens eene massa beelden bewust,
dan ontstaat het onaangename gevoel van overspanning, b. v. bij
overgroote drukte, bij het haastig bezoek van eene schilderijententoon-
stelling, bij een gesprek naar meer dan ééne zijde gevoerd, enz. Komt
men dan weer in den normalen toestand, dan volgt het aangename
gevoel van ontspanning, waartoe uitspanning behoort, als opzet-
telijk aangename beelden bewust gemaakt of gevormd worden.
Worden niet genoeg beelden bewust, of vinden de bewustwordende
geen aanknoopingspunten, als er zich dus geen beelden opdoen, waarmee
de opmerkzaamheid zich bezig kan houden, dan ontwaart men het
onaangename gevoel van verveling, die zoowel een gevolg van t e
veel als van te weinig nieuws kan zijn. In het eerste geval kan de
ziel zich de nieuwe beelden niet toeeigenen, blijft onbevredigd en
vervalt tot volkomene werkeloosheid, in het tweede loopt ze de rij der
beelden vooruit, maar wordt daarbij telkens vastgehouden en kan zich
dan met niets bezig houden. Zoo b. v. bij het wachten, wanneer de
ziel gedurende korter\' of langer\' tijd alleen om de vervulling denkt,
die evenwel uitblijft, of bij het hooren van eene onbeduidende rede-
voering , die ons niet kan bezig houden, terwijl ze onzen gedachtenloop
ook toch telkens weer afbreekt.
Een onderwijzer, onder wien de leerlingen zich vervelen, behoort
niet te staan op de plaats, die hij heeft ingenomen; want de oorzaak
der verveling is bij hem en niet bij de leerlingen. Hij is er toe geroe-
pen, en hij heeft zich er toe verbonden, dat zij zich onder hem niet
zullen vervelen, integendeel, dat zij rustig bezig zullen zijn.
Het gevoel, waarvan tot nog toe gesproken is, ontstaat door ziele-
beelden , die op het oogenblik op den mensch werken. Er zijn evenwel
ook gevoelsuitingen, die gewekt worden door beelden, die den mensch
te gemoet komen.
Alles, waarvan we reeds een beeld ontvangen hebben en dat opnieuw
in ons bewust wordt, noemen we bekend, terwijl vreemd heet datgene,
waarvan nooit een beeld in ons is ontstaan, of waarvan ten minste
het beeld niet meer bewust wordt. Doen we nu eene waarneming,
-ocr page 65-
51
die een beeld in ons bewust roept, dat op hetzelfde voorwerp betrek-
king heeft, dan ondervinden we het aangename gevoel der herken-
ning, dat vooral sterk wordt, wanneer we enkel door het vreemde
omgeven zijn. Verwachting is de toestand van niet bevredigd wor-
den en daarom het onaangename gevoel, dat ontstaat, wanneer een
of meer beelden ons voortdurend bewust zijn, verbonden met het
besef der groote waarschijnlijkheid, dat ze in de werkelijkheid hunne
verwezenlijking zullen vinden. Naarmate de vervulling langer uitblijft,
wordt het gevoel onaangenamer. Zoo vaak ze schijnt te komen en
toch niet komt, ontstaat telkens het onaangename gevoel, dat we
teleurstelling noemen. Beantwoordt eindelijk de werkelijkheid aan
de bewuste beelden, dan ontwaart men het aangename gevoel der
bevrediging; komt men evenwel tot het besef van de onmogelijk-
heid der vervulling, dan ontstaat het zeer onaangename gevoel der
v o 1 k o m e n e teleurstelling. Wenden we opzettelijke pogingen aan,
om de verwachting in vervulling te doen overgaan, dan ontwaren we
hetzelfde bij zoeken en vinden, bij gelukken en mislukken.
Laat de uitkomst lang op zich wachten en stellen we toch een leven-
dig belang in het verwachte, dan gaat het gevoel der verwachting
over in dat van ongeduld. Is het verwachte iets aangenaams,
waarmee de phantasie zich reeds vooruit bezig houdt, dan ontstaat
het aangename gevoel der hoop, de „roos aan onzen pelgrimsstaf".
Verwachten we evenwel iets onaangenaams, waarmee de phantasie zich
evenzeer bezig houdt, dan merken we bezorgdheid in ons, die
tusschenbeide afgewisseld kan worden door het aangename gevoel der
verlichting, als beelden in ons bewust worden, die iets aangenaams
doen verwachten, of als het onaangename verdwijnt. De bezorgdheid
wordt vrees, als het verwachte onaangename een meer bepaalden
vorm aanneemt. T w ij f e 1 is ook eene verwachting en dus een onaan-
genaam gevoel, dat ontstaat, als twee of meer rijen van beelden bij
afwisseling in het bewustzijn komen en de verwachting van de eene
op de andere overgaat. Wie weinig nadenkt, dus ook do jeugd, kent
den twijfel niet. Gaat met den twijfel groote bezorgdheid gepaard, ten
opzichte van een bijna zeker onaangenaam gevolg, en verdwijnt\' daar-
entegen de mogelijkheid van een tegenovergesteld aangenaam gevolg,
dan neemt de onrust van den twijfel toe en wordt vertwijfeling.
Het tegenovergestelde van de verwachting is de verrassing. Doet
zich namelijk iets voor, dat we volstrekt niet of geheel anders ver-
wacht hadden, dan verwekt de voorstelling daarvan, omdat ze geheel
in strijd is met wat op dat oogenblik in ons bewust is, aanvankelijk
een onaangenaam gevoel, dat evenwel spoedig öf in eene blijde verras-
4*
-ocr page 66-
52
sing óf in eene onaangename overgaat. De verrassing wordt schrik,
wanneer ze zeer plotseling werkt.
Men ziet hieruit, hoe velerlei het gevoel is, dat door de zielebeelden
gewekt kan worden, en nog zijn niet alle gevallen hier opgenoemd.
3. Hooger gevoel.
§ 36. De bovengenoemde zielstoestanden zijn zeer onderscheiden
van die, welke nu besproken zullen worden. Deze hebben het eigen-
aardige, dat het gevoel geheel afhankelijk is van den inhoud der
beelden, waardoor het gewekt wordt, zoodat het ook wel i n h o u d s-
gevoel wordt geheeten. Daarom wordt het ook onderscheiden en
benoemd niet naar den aard van het gevoel, maar naar den aard van
de zielebeelden, die het doen ontstaan. Die hebben vooral betrekking
op het schoone, ware en goede en op ons zelven en onze
medemenschen. Men onderscheidt daarom het gevoel voor het
schoone en verhevene, voor waarheid, voor zedelijkheid,
voor godsdienst, het gevoel voor eigenwaarde en dat voor
anderen of sympathie (medegevoel).
Dit hoogere gevoel, als geheel afhankelijk van den inhoud der ziele-
beelden , is nauw verwant aan het verstand en kan daarom ook slechts
bestaan bij een hoogen trap van ontwikkeling. Bij onbeschaafden \'en
bij kinderen is van dit gevoel geen sprake, wijl ze de beelden missen,
waardoor het ontstaat. Bij de beschouwing van dit hooger gevoel komt
het vooral op juist onderscheiden aan, omdat men, het nagaande, elk
oogenblik op het gebied van het denkvermogen staat.
Het schoonheidsgevoel.
§ 37. Vele voorwerpen hebben het eigenaardige, dat hunne voor-
stellingen, zoodra deze helder bewust worden, een aangenaam of onaan-
genaam gevoel verwekken; wij zeggen dan, dat het eene voorwerp ons
bevalt, het andere ons mishaagt, en noemen zulk een voorwerp, dat
ons onwillekeurig en onvoorwaardelijk bevp.lt, schoon, een ander,
dat ons onwillekeurig en onvoorwaardelijk mishaagt, leelijk. Het
gevoel van het onvoorwaardelijke, aan elk belang vreemde behagen
of mishagen noemt men aesthetisch of schoonheidsgevoel,
waartoe ook het gevoel voor het verhevene gerekend wordt, dat
opgewekt wordt door het waarnemen van buitengewone krachten en
afmetingen en van stoute scheppingen der phantasie.
Het schoone en leelijke werkt wel aangenaam en onaangenaam op
-ocr page 67-
5:5
ons, maar mag toch niet verward worden met het aangename en onaan-
gename zelve. Het aangename is verbonden aan de stof van hetgeen
men gewaar wordt: de geur van eene bloem is aangenaam. Het schoone
is gelegen in den vorm, de kleur, de tonen, de bewegingen en in de
scheppingen van de phantasie door middel van de taal. Het schoone,
als de eenheid of de overeenstemming in de verscheidenheid, is niet
verbonden aan het volstrekt eenvoudige: eene enkele kleur, een enkele
toon kan aangenaam zijn, niet schoon. Evenmin mag het gelijkgesteld
worden met het nuttige en schadelijke: het nuttige erlangt zijne waarde
door het doel, waartoe het bestaat, het schoone behaagt alleen op en
om zich zelf. Het schoone, voor zoover het zinnelijk waarneembaar is,
wordt alleen door het gezicht en gehoor opgevat: vormen, kleuren,
bewegingen en tonen alleen kunnen schoon zijn. Het vertoont zich ook
in de scheppingen der phantasie door middel van de taal en in de
handelingen der menschen, die zedelijk schoon en verheven kunnen
zijn of ook verachtelijk en laag en dan afschuw verwekken.
Niet ieder is vatbaar om het schoone on te vatten, daarvoor is eene
zekere mate van ontwikkeling noodig. Door het waarnemen van het
schoone gepaard met veel heldere kennis wordt het schoonheidsgevoel
ontwikkeld, d. i. wordt men geschikt, om door het schoone aangedaan,
getroffen te worden.
Hel waarheidsgevoel.
§ 38. Het waarheids- of intellectueel (verstandelijk) gevoel bestaat in de
aangename gewaarwording bij het zien of ontdekken eener waarheid, bij
de opheffing van den twijfel, bij het zien der overeenstemming tusschen
onze begrippen en oordeelen en die van menschen, die we om hun
verstand hoog stellen, bij het erkennen van groote waarheden, bij het
onbaatzuchtig strijden voor de waarheid door anderen. Het hangt zeer
nauw met onze verstandelijke ontwikkeling samen. Naarmate onze
begrippen helderder en onze oordeelen juister zijn, naar die mate kan
ons waarheidsgevoel ook meer ontwikkeld zijn. Het mag vooral niet
verward worden met het flauw vermoeden der waarheid, dat wel-
eens een voelen der waarheid genoemd wordt, maar op het gebied
van het denkvermogen te huis behoort en een gevolg is van het hebben
van een klein getal of van weinig heldere zielebeelden.
Met het nuttige heeft het ware niets te maken. Het ware behaagt
evenals het schoone op en om zich zelf. Wie zin voor waarheid heeft,
die staat voor zijne overtuiging, ook als die hem nadeel berokkent.
-ocr page 68-
54
Het onderwijs kan door het doen ontstaan van heldere begrippen
en juiste oordeelen, door immer het onderling verband tier zaken op
te sporen, veel doen ter ontwikkkeling van het waarheidsgevoel. Toch
kan door het voorbeeld, door verkeerde grondregels en door eene
verkeerde leiding het gevoel voor waarheid totaal bedorven worden,
terwijl het daarentegen tot ontwikkeling komt, als de opvoeder zijn\'
afkeer van de leugen en zijn welbehagen in de waarheid telkens
nadrukkelijk te kennen geeft.
Hel zedelijk gevoel.
§ 39. Kik mensch waardeert hetgeen, waarmee hij op de wereld in
aanraking komt, op eene verschillende wijze: wat de een een goed acht,
noemt de ander een kwaad. Dat zijn hunne zedelijke oordeelen. De
zedenleer (ethiek) bepaalt, wat werkelijk goed of kwaad, wat zedelijk
of onzedelijk is. Het is de hoofdzaak der opvoeding het kind de wetten
der zedelijkheid te leeren kennen en zijn\' wil zoodanig te leiden, dat
het dienovereenkomstig handelt. Aan die kennis en aan dat handelen
zal evenwel bij de meeste menschen meer of minder ontbreken, ja velen
zullen zeer onjuiste zedelijke oordeelen vellen en daarnaar ook verkeerd
handelen. Bij dit alles beweegt men zich evenwel op het gebied van
het denkvermogen, niet op dat van het gevoelvermogen. Eerst wanneer
men nagaat, hoe de toestand der ziel door het handelen verandert,
houdt men zich met het gevoelvermogen bezig.
Het handelen en het oordeelen van anderen en van ons zelven nl.
laat ons niet onverschillig, maar brengt meer of minder verandering
in den toestand onzer ziel. Sommige handelingen en oordeelvellingen
zijn ons aangenaam, andere onaangenaam. Het bewustzijn nu van
de aangename of onaangename gewaarwordingen bij het
oordeelen en handelen van anderen of van ons zelven
noemen we het zedelijk gevoel.
Natuurlijk is dat gevoel afhankelijk van de begrippen van zedelijk-
heid, die we hebben, evenals van onze neigingen: wat den een aan-
genaam aandoet, zal den ander onaangenaam treffen. Het kind b. v.
uit de achterbuurt eener groote stad, dat weinig anders hoort, dan
uitingen van woestheid en dierlijkheid, dan vloeken en tieren, en wei-
gevallen in en toejuiching van die onzedelijkheid aanhoudend heeft
waargenomen, zal daarbij volstrekt geen onaangenaam gevoel hebben;
integendeel, de onzedelijkheid behaagt hem. Een welopgevoed kind
echter, dat slechts zedelijke tooneelen voor oogen krijgt en alleen
-ocr page 69-
55
welgevallen daarin bij anderen bespeurt, zal door het onzedelijke onaan-
genaam getroffen worden.
Als we opmerken, dat onze eigene handelingen al of niet overeen-
stemmen met de voorschriften der zedelijkheid, die ons geleerd zijn,
en wanneer daarbij eene aangename of onaangename verandering in
den toestond onzer ziel ontstaat, dan heeten we dat gevoel geweten.
Het geweten is derhalve een onderdeel van ons zedelijk gevoel en is
dus evenzeer als dit afhankelijk van onze zedelijke oordeelen en onze
neigingen. Het wordt dan ook, evenals dit, door de opvoeding ontwik-
keld. De zorg voor de ontwikkeling van het geweten maakt een belangrijk
deel der zedelijke opvoeding van kinderen uit. Die zorg bestaat in het
wijzen op en het afkeuren van \'s kinds overtredingen met duidelijk
maken van beweegredenen en gevolgen, zoodat het kind het verkeerde
zijner handelingen duidelijk inziet en smartgevoel bij hem ontstaat.
Veel doen in dezen de toon van spreken en de verhouding tusschen
het kind en den opvoeder af. Het geweten wordt doorgaans in het
hart geplaatst, zeker omdat, door de onrust, die op een bedreven
kwaad volgt, het bloed sneller begint te vloeien en de kloppingen van
het hart heviger worden. Vandaar het zeggen: het geweten klopt. Het
smartgevoel, volgende op onze eigene verkeerde handelingen, gepaard
met een helder inzicht van het verkeerde en met het voornemen, om
het niet weer te doen, heet men berouw.
f f et godsdienstig gevoel.
§ 40. Zeer nauw verwant met het zedelijk is het godsdienstig gevoel.
Men verstaat er dat gevoel onder, \'twelk gewekt wordt door \'s men-
schen begrippen van eene bovenzinnelijke wereld, welker middelpunt
God is. Natuurlijk is dus het godsdienstig gevoel afhankelijk van die
begrippen, evenzeer als van de ontvangene indrukken. Men moet zich
wachten, de voorstellingen en begrippen uit het gebied van eenige
godsdienstleer te verwarren met het gevoel, dat ze doen ontstaan.
Naarmate ze zuiverder zijn en meer overeenstemmen met de zedelijk-
heid, zal het godsdienstig gevoel ook een heilzamer invloed hebben op
\'s menschen handelingen. Dewijl echter de wet op het L. O. in art. 3$
van den openbaren onderwijzer vordert, „zich te onthouden van iets
te leeren, te doen of toe te laten, wat strijdig is niet den eerbied,
verschuldigd aan de godsdienstige begrippen van andersdenkenden",
is het der openbare school in elk geval wat moeilijk gemaakt, met
inachtneming van dat voorschrift iets te doen ter opwekking van het
-ocr page 70-
56
godsdienstig gevoel. Die taak blijft daarom beter aan de kerk en het
huisgezin overgelaten.
Het gevoel voor eigenwaarde.
§ 41. Door meerdere ontwikkeling van het zeil bewustzijn ontstaat
het gevoel voor eigenwaarde, ook wel zelfgevoel genoemd. Komt de
mensch machtige hindernissen der natuur te boven, of betoont hij
meer te kunnen en te zijn dan andere mensehen, met wie hij zich
vergelijkt, dan wordt in hem een aangenaam gevoel bewust, dat aan
de voorstelling van zijn ik verbonden is.
Reeds bij het kind vertoont zich dat: het is hem een genot, wanneer
het voorwerpen bewegen en veranderen, het levenlooze en het levende
zich dienstbaar maken kan. Bij den onbeschaafden mensch vindt het
gevoel voor eigenwaarde vaak zijn\' grond in meerdere lichaamskracht
en openbaart zich dan vel in ruwheid en wreedheid. Bij den beschaafde
doet het zich kennen in zijn edelsten vorm, wijl het betrekking heeft
o]) ontwikkeling des geestes.
Naardat de begrippen van ons zelven juist of onjuist zijn, is het
gevoel voor eigenwaarde waar of valseh. Het laatste bestaat, öf als
de mensch zich zijne waarde in het geheel niet bewust is óf zijne
krachten te hoog of te laag aanslaat; het eerste daarentegen, wanneer
de mensch zich voor datgene erkent, wat hij werkelijk is. Het te
geringe gevoel voor eigenwaarde ontstaat uit het besef van eene gebrek-
kige lichamelijke en geestelijke ontwikkeling en gaat gepaard met het
bewustzijn van zwakheid en onmacht, van vrees en versaagdheid, van
beschroomdheid en verlegenheid en gebrek aan zelfvertrouwen; het te
hooge gevoel heeft zijn\' grond in toevallige lichamelijke of geestelijke
voorrechten of ook in het bezit van geld of in eene hooge plaatsing in
de maatschappij, verbonden met eene oppervlakkige vorming, en gaat
gepaard met verachting of minachting van alle onderricht, vermaning,
gezag en wet; eigenzinnigheid, moedwil, heerschzucht, ijdelheid, hoog-
moed, trotschheid, verwaandheid, laatdunkendheid, menschenhaat en
gruwzaamheid zijn verkeerde uitwassen van het gevoel voor eigenwaarde.
De ware beschaving leidt tot het ware zelfgevoel, dat zich toont in
eene juiste beoordeeling van zich zelf en anderen, in bescheidenheid
en ware nederigheid bij zelfvertrouwen, in moed en fierheid, in zin
voor recht en eer, in een vasten wil en krachtig handelen.
Wanneer we ons bewust zijn, dat onze meerderheid ook door anderen
erkend wordt, dan ontstaat het gevoel voor eer, terwijl het sehaamte-
gevoel opgewekt wordt, als we weten, beter te hebben kunnen doen,
-ocr page 71-
57
dan wc gedaan hebben, en dat dit aan anderen, op wier waardeering
we prijs stellen, bekend is.
De opvoeding en dus ook de school moeten trachten in den leerling
het ware gevoel voor eigenwaarde te ontwikkelen en mogen daartoe
gebruik maken van prijzen en lof, van goedkeuring en belooning. Het
kind krijgt daardoor prikkel en kracht tot verdere ontwikkeling. Hij,
bij wien het gevoel voor eigenwaarde gedood wordt, verliest het streven
naar hooger en „werpt zich zelven weg." De philantropijnen (waarvan
beneden) werkten, vooral op het voetspoor van den Engelschen wijs-
geer, John Locke, al te sterk op het gevoel voor eer en schande met
veelvuldige gebruikmaking van uitwendige onderscheiding en kweekten
daardoor ijdelheid.
Hel gevoel voor anderen of sympathie (medegevoel).
§ 42. Als we bij een ander de openbaring van een gevoel waar-
nemen of uit zijne omstandigheden opmaken, dat een of ander gevoel
in hem is, dan kunnen we daarbij zelden geheel onverschillig blijven;
bij ons worden dezelfde zielebeelden bewust, die in den ander het
gevoel doen ontstaan, zoodat onze ziel in een soortgelijken toestand,
hoewel in minderen graad, komt. d. i. wij voelen, wij sympathiseeren
met den ander. Het medegevoel of het sympathetische
gevoel is dus dat gevoel, \'t w e 1 k in ons o n t s t a a t b ij
de waarneming of de vooronderstelling van hetzelfde
gevoel bij anderen. Al naardat het wairgenomene gevoel bij
anderen lust of onlust is, wordt het medegevoel ook een aangenaam
of een onaangenaam gevoel.
Voor het ontstaan van het sympathetische gevoel is noodig, dat wij
de oi>enbaring van het gevoel bij anderen of de omstandigheden, waarin
zij verkeeren, goed begrijpen, en dat wij ons in den toestand van
anderen kunnen indenken en verplaatsen. Daarom is er eene zekere
ontwikkeling noodig, om met anderen te voelen, en zullen we het
meest sympathiseeren met hen, die ons het naaste zijn.
Licht wordt evenwel het medegevoel een gemengd gevoel, doordat
de zielebeelden, op onzen eigen toestand betrekkelijk, te gelijk bewust
worden met die van anderen. Zoo gaat met het medelijden licht gepaard
de vreugde, dat we zelven in gelukkiger omstandigheden verkeeren,
en met de medevreugde zeer vaak het bewustzijn van onzen eigenen
minder gelukkigen toestand. Daarom komt medelijden menigvukliger
voor dan medevreugde.
Treedt het tegenovergestelde eigene gevoel helder in het bewustzijn,
-ocr page 72-
58
dan kan in plaats van medevreugde zelfs n ij d ontstaan, wanneer het
geluk van anderen ons onaangenaam is, en in plaats van medelijden
leedvermaak, als we ons verheugen over het leed van anderen.
De algemeenheid der menschelijke eigenliefde maakt, dat het mede-
lijden, vermengd met het aangenaam gevoel vanwege ons eigen geluk,
en de nijd het meest voorkomen; ter eere der menschheid mag er
echter bij gevoegd worden, dat de vreugde over eens anders leed, het
hatelijkste van het hatelijke in den mensch, even zelden voorkomt als
algemeen verafschuwd wordt.
Uit de sympathie spruiten algemeene welwillendheid en onderlinge
liefde voort. Wijl daardoor het geluk van allen zeer aanzienlijk ver-
meerderd wordt, is het van groot belang, dat de school eene kweek-
plaats zij van ware sympathie. Niet alleen dat het schoolleven er door
veraangenaamd wordt, maar ook wordt daardoor de grond gelegd voor
het geluk van het maatschappelijk leven. Tal van inrichtingen in eene
beschaafde maatschappij: inrichtingen voor zieken, zwakken, verwaarloos-
den, armen of welke ongelukkigen ook, zijn de vruchten der sympathie.
Men verlieze niet uit het oog, dat sympathetisch gevoel iets anders
is, dan hetgeen in het leven vaak aangeduid wordt door de woorden
sympathie en antipathie. Men zegt nl. sympathie of antipathie
voor of tegen iemand of iets hebben en meent dan: van iemand of
iets al of niet houden.
V C. HET BEGKERVERMOGEN.
§ 43. Omvat het denkvermogen het gebied der beelden en wat
met hen geschiedt, bestaat het gevoelvermogen in de geschiktheid der
ziel, om in de verschillende toestanden te geraken, waarin het
zieleleven door de beelden gebracht wordt, het begeervermogen heeft
betrekking op het streven, dat uit de toestanden voortkomt. Laat
ons het nog eenmaal zeggen: tusschen het drieerlei zieleleven bestaat
dus het nauwste verband. Twee of meer beelden moeten in het bewustzijn
treden, om eene verandering van den toestand te bewerken, en deze
is noodig voor het wekken der begeerte, om dezen toestand te doen
voortduren of te doen ophouden. Deze drie verschijnsels hebben niet
op drie verschillende opvolgende tijdstippen plaats, maar schier op
hetzelfde oogenblik als een geheel. Daarom gaan bewustwording, voelen
en begeeren steeds gepaard. Evenwel, hoe edeler het gevoel is, hoe
minder het begeeren op den voorgrond treedt en hoe rustiger de
stemming blijft; een sterk zinnelijk gevoel en eene hevige zinnelijke
aandoening daarentegen gaan vergezeld van krachtige begeerten.
-ocr page 73-
59
Begeeren is het streven, om een aangenamen toestand
te doen voortduren of hem weer te voorschijn te roepen,
en ook om een onaangenamen te doen eindigen of zijne
herhaling niet te doen plaats hebben.
Zoo bekruipt ons, als we eenzaam en verlaten in den vreemde ver-
toeven, het heimwee als een onaangenaam gevoel, zoo vaak het beeld
van het huis in het bewustzijn komt nevens dat van het tegenwoordige
verblijf. Dat onaangename gevoel zoeken we te doen ophouden. Zoo
lang de mogelijkheid der vervulling ons niet bewust is, kunnen we
slechts onbepaald wenschen, verlangen en hopen; maar kunnen
we eenigszins denken, dat door de aanwending van zekere middelen
de onaangename toestand ophouden kan, dan trachten we die middelen
in het werk te stellen, en we willen en verwachten, dat de
toestand van eenzaamheid en verlatanheid vervangen zal worden door
het zalig gevoel, dat ontstaat door het te-huis-zijn.
Zien wij iemand in overvloed zich baden, dan ontstaat in ons het
gevoel, dat we meenen te zullen hebben, indien we werkelijk rijk
waren. Dat gevoel trachten we te doen voortduren, de begeerte is
ontstaan naar rijk-zijn.
Oppervlakkig beschouwd zou men meenen, dat het begeeren onmid-
dellijk op een of ander voorwerp gericht is, dat dus de hongerende
brood, de dorstende water, de schraapzuchtige geld begeert. Bij beter
nadenken evenwel zullen we zien, dat het niet het voorwerp zelf,
maar een op het oogenblik niet bestaande zielstoestand is, waartoe
het begeeren zich uitstrekt. De voorwerpen zijn slechts de middelen,
waardoor men weet, dat de toestand bewerkt wordt. Door verkeerd
inzicht vergist men zich soms in het middel.
Klke begeerte heeft betrekking op iets toekomstigs, wil iets doen
ontstaan, wat nog niet aanwezig is: de door heimwee gekwelde ver-
langt naar huis terug te keeren, de zieke naar gezondheid, de gevan-
gene naar vrijheid. Heel natuurlijk ontwikkelt de begeerte zich uit een
gevoel van onlust, aan elke begeerte ligt zekere ontevredenheid met
het bestaande ten grondslag: men is niet tevreden met het bestaande
en wenscht daarvoor een beteren toestand in de plaats, of men is niet
tevreden met het toekomstige en wil het tegenwoordige daarom doen
voortduren. Het begeeren heeft dus twee zijden: het is een eigenlijk
begeeren of het is een verwerpen, verwijderen, welk laatste het gevolg
is van afkeer, afschuw, afgrijzen.
Er zijn altijd twee of meer zielebeelden noodig, om een gevoel te
doen ontstaan, en een gevoel moet er zijn, om eene begeerte te
wekken. Bewuste zielebeelden zijn dus het begin van alle begeeren:
-ocr page 74-
60
zonder deze is geen begeeren mogelijk. Daarom kan het begeeren
zich ook niet verder uitstrekken, dan de beeldenschat der ziel gaat.
„Wat het oog niet ziet, dat deert het harte niet," zegt men ten aan-
zien van kinderen.
De duur der begeerte is natuurlijk afhankelijk van de bevrediging;
met deze houdt de begeerte 0]> te bestaan en wordt vervangen door
een aangenaam gevoel. Wijl de begeerte een prikkel is tot het aan-
wenden der middelen te harer vervulling, doet de opvoeder de begeerte
lang duren, om zijn\' kweekeling wakker en ingespannen te houden.
Wie spoedig en gemakkelijk zijne begeerten vervuld krijgt, verliest op
den duur den lust tot inspanning en is daardoor minder gelukkig.
()nmiddellijk vóór de vervulling is de begeerte het sterkst: de mensch
is dan in zekere spanning. De sterkte van de begeerte hangt af van
zekere oorzaken, die een gevoel doen ontstaan, en die men wegge-
nomen of verwezenlijkt wil zien: ze zijn de motieven voor het
begeeren. De krachtigste motieven zijn de zinnelijke gewaarwordingen.
Soms kunnen ook duistere ziekbedden sterke begeerten wekken, waaruit
volgt, dat, na een zorgvuldig onderzoek en helder inzien, de kracht der
begeerte vermindert. Ook door veelvuldige herhaling van de vervulling
worden de begeerten sterker; de vervulling wordt dan eene gewoonte
en kan niet zonder een zeer onaangenaam gevoel te veroorzaken,
achterwege blijven. Ken verstandig opvoeder zal daarom bij zijn\' kwee-
kei ing geen begeerten tot gewoonte laten worden, die in het vervolg
zonder vervulling moeten blijven, of wier vervulling het wezenlijk geluk
van het individu of van anderen benadeelen zou.
V;iak zal de vervuling der begeerte niet beantwoorden aan de ver-
wachting. De phantasie stelt het voorwerp der begeerte in een schoon
licht en voegt er aan toe of doet er van af, waarvan het gevolg is,
dat men bedrogen uitkomt.
Moe meer ons bewustzijn onder den invloed der zinnelijkheid staat,
en hoe minder door eene verstandige leiding voor eene ordelijke bewust-
wording gezorgd is, des te lichter geeft het gemoed aanleiding tot
begeerten en krijgt het een overheerschend karakter. Het kind begeert
alles wat het ziet, en de ruwe mensch is door ongeregeld begeeren
gekenmerkt. De beschaafde daarentegen weet zijne begeerten in toom
te houden. Gaat dit in een uiterste over, dan wordt het eene stoïcijn-
sche onverschilligheid voor alles, die evenwel niet gelijk gesteld moet
worden met geblazeerdheid of ook niet met de uit verstomping of
gebrek aan ontwikkeling ontstaande ongeschiktheid tot begeeren.
§ 44. Het wezen van elke begeering bestaat in haren inhoud en
-ocr page 75-
81
hare motieven, of het voorwerp van en de aanleiding tot het begeeren.
Dewijl echter de inhoud bij vele begeeringen geen helder zielebeeld
wordt, kan men de begeeringen het best onderscheiden naar hare
motieven. Die motieven kunnen van zinnelijken of van geeste-
lij ken aard zijn; dienvolgens kan men de begeeringen tot twee
groepen brengen: i. zinnelijke of lagere begeerten, die weder
onderscheiden worden in voorbijgaande zinnelijke begeerten en in
de meer duurzame driften, neigingen en hartstochten, en 2.
geestelijke of hoogere begeerten, waaruit het meer voorbijgaande
willen en de vrije wilsbepaling en de meer duurzame toestanden
van vrijen wil en karakter voortkomen.
De driften zijn de strevingen van het lichamelijke leven, om het
bestaan te behouden, en bloote openbaringen van dat leven. Daarom
kan men spreken van eene drift naar voeding, ademhaling enz. en van
eene drift naar beweging of werkzaamheid. Bij het zeer kleine kind
werken die driften geheel onbewust en hebben geen bepaald voorwerp
tot doel. Langzamerhand wordt hare werking bewust en zijn ze gericht
op een bepaald doel, b.v. de eene of andere spijze, loopen, dansen enz.
Dan zijn zij overgegaan in voorbijgaande zinnelijke begeerten.
Krijgen deze door de herhaalde vervulling een meer blijvend karakter,
dan wórden ze neigingen. Ze worden dat, doordat het beeld van
het voorwerp der vervulling en het beeld van het aangename gevoel
der vervulling door gedurige herhaling eene groote mate van helderheid
verkrijgen en in de ziel telkens op den voorgrond treden. Wat daarvan
het gevolg is, heet ook eene gewoonte. Naarmate in den loop van
het leven andere zielebeelden de eerste plaats in de ziel innemen,
veranderen ook de neigingen en gewoonten: wat het streven van het
kind is, dat schat de jongeling of het meisje gering, en wat de ziel
van dezen geheel inneemt, wordt bij den man of de vrouw langzamer-
hand door geheel iets anders vervangen.
De opvoeder moet zorgen, dat er in de ziel des kinds geen verkeerde
gewoonten ontstaan. Zijn ze er eenmaal, dan kunnen ze slechts langzaam
verdwijnen, doordat men andere beelden in de ziel doet heersenen.
§ 45. Wanneer driften en neigingen zoo krachtig zijn, dat het ver»
stand er geen\' invloed op kan uitoefenen, dan spreekt men van
hartstochten.
Het begeeren wordt een bepaald verlangen, wanneer nevens
het begeerde voorwerp ons ook de middelen bewust zijn, waardoor
de begeerte vervuld kan worden, terwijl het wenschen in willen
overgaat, wanneer we overtuigd zijn van de mogelijkheid der vervulling.
-ocr page 76-
(52
Wanneer men het willen tot uitvoering brengt, dan spreekt men van
handelen. Eene handeling is dus eene beweging, om een bepaald
doel te bereiken. Bij een klein kind heeft men alleen onwillekeurige,
doellooze bewegingen. P\'.erst wanneer de ontwikkeling toeneemt, worden
de bewegingen handelingen.
Aan het handelen moet overwegen of nadenken voorafgaan. Wie zich
een juist beeld van het begeerde vormt, zich helder bewust is, dat het
zijn wezenlijk geluk zal bevorderen, en dienovereenkomstig handelt,
die handelt verstandig.
In zoo ver het niet noodzakelijk is, dat een ander ons willen bepaalt,
heeft elk mensch een vrijen wil, d. i. hij kan zelf zijn willen bepalen.
Toch noemt men iemand eerst werkelijk vrij, als hij immer zijn willen
in overeenstemming brengt met zijn eigen waarachtig geluk en dat van
anderen. Zijn\' toestand noemt men zedelijke vrijheid.
Wie voortdurend naar vaste regelen of zedelijke grondbeginselen leert
willen en handelen, die heeft karakter. Karakter is dus het voortdu-
rend handelen overeenkomstig vaste zedelijke beginselen. Het ontwikkelt
zich uit het bij herhaling ten uitvoer brengen van een goed voornemen ,
waaruit langzamerhand een regel voor het handelen in gelijksoortige
gevallen ontstaat, evenals de begrippen uit de voorstellingen voortkomen.
Wie nu doorgaans volgens zulke regels handelt, heeft karakter. Wiens
handelen door onzedelijke beginselen bestuurd wordt, kent men een
slecht of gemeen karakter toe, terwijl men iemand, die bij zijn handelen
geen beginselen vertoont, maar toch doorgaans onzedelijk handelt,
karakterloos gewoon is te noemen.
Bij een kind kan nog geen sprake zijn van zedelijke vrijheid en
karakter. De opvoeder heeft te zorgen, dat het goede gewoonten krijgt
en daarnaar handelt, èn opdat het zich zelven en anderen direct niet
ongelukkig make, èn opdat het later bij zijne vrije wilsbepaling niet al te
groote moeilijkheden ordervinde. Langzamerhand moet de opvoeder het
kind meer vrijheid geven en het naar zijne eigene inzichten leercn handelen.
-ocr page 77-
63
/
H 0,0 FDSTUK II.
DE OPVOEDING VAN HET DENKVERMOGEN OF HET ONDERWIJS.
A. ALGEMEEN GEDEELTE.
i. Begrip van onderwijs. Doel. School. Klassificatie.
§ 46. In het begin van dit werkje hebben we reeds het onderwijs
leeren kennen als een deel van de geheele geestelijke opvoeding. We
hebben daar aangetoond, dat de geestelijke opvoeding, op grond van
de drie hoofdrichtingen van het zieleleven, noodzakelijk uit drie hoofd-
deelen moet bestaan: de opvoeding van het denkvermogen of de ver-
standelijke opvoeding, de opvoeding van het gevoelvermogen en de
opvoeding van den wil of de zedelijke opvoeding.
Het eerste deel nu, de verstandelijke opvoeding, is men gewoon
onderwijs te noemen. Met het oog op de bepaling, die we van
opvoeding gegeven hebben, is onderwijs, heel algemeen genomen: den
mensch de gelegenheid aanbieden, om iets te leeren, en hem bij het
gebruik maken daarvan te leiden; meer in het bijzonder is schoolonder-
wijs: een aantal kinderen tegelijk de meest geschikte gelegenheid aan-
bieden, om onder de leiding van een\' meer ontwikkelde heldere kennis,
door de wet voorgeschreven, op te doen, zijn voorstellings- en denk-
kracht te vermeerderen en zich bepaalde vaardigheden eigen te maken.
Hier wordt gezegd: de gelegenheid aanbieden, en zoo is het.
De onderwijzer kan niet meer dan voor het kind de gelegenheid zoo
geschikt mogelijk maken en het zoo verstandig mogelijk leiden. Het
kind zelf moet gebruik maken van de gelegenheid, het moet zich
inspannen, het moet zelf zien en hooren, het moet zelf denken en al
zijne krachten gebruiken. De tucht in het algemeen wil hem zijn streven
gemakkelijk maken en door aangename en desnoods ook door onaan-
gename middelen op zijn\' wil werken, opdat het van de aangeboden
gelegenheid een zooveel mogelijk goed gebruik make. Zoo is het immers
met de geheele opvoeding van het kind: slechts door de in hem wonende
krachten té laten werken, kan het deze ontwikkelen. Het kind ontwik-
kelt dus eigenlijk zich zelf, de onderwijzer kan het daarbij alleen leiden.
Daarom moet de hoofdbedoeling bij alle onderwijs zijn, den eigen lust,
het eigene streven, de zelfwerkzaamheid bij den leerling op te wekken.
Men moet daartoe van het beginsel uitgaan, dat elke leerling wil
werken, als hij maar met iets bezig kan zijn, dat voor hem past
-ocr page 78-
(14
Het einddoel v;m het onderwijs kan geen ander zijn dan dat van
de geheele opvoeding: het waarachtig geluk van den mensch te bevor-
deren, door hem de middelen te leeren kennen, waardoor hij dat
geluk het best bereiken kan. Zoo wil het door gymnastische oefeningen
het lichaam versterken en het kind meer heerschappij over zijne krachten
geven. Het wil door zingen en teekenen \'s kinds schoonheidszin ont-
wikkelen en het in staat stellen edel genot te smaken. Het wil hem
leeren nadenken over alles, waarmee hij in betrekking komt. Het wil
hem veel en velerlei kennis geven, die hem tot juist oordeelen en zoo
tot juist handelen moet leiden en hem in het leven van dienst kan
zijn, en jhem zekere vaardigheden eigen maken, die voor het leven
in de maatschappij onmisbaar zijn. Tegelijkertijd tracht het door tucht
zijn\' wil ten goede te leiden en door het gewennen aan orde en werk-
zaamheid hem meer geschikt te maken voor het latere leven.
Het voldoen aau den eisch des levens is zeker eene hoofdbedoeling:
die eisch is gebiedend. Zonder eene zekere mate van kennis kan
iemand in eene beschaafde maatschappij niet behoorlijk en zeker in
zijne behoeften voorzien en moet hij zich dus veel genot ontzeggen.
Doch aan dien eisch des levens wordt het best voldaan, wanneer alles
wat tot het leven van den mensch behoort, dus zoowel zijn lichaam
als zijne ziel, zoowel zijn denk- als zijn gevoel- en begeervermogen,
zooveel mogelijk ontwikkeld wordt en het kind daarbij in de eerste
plaats datgene geleerd wordt, wat volstrekt onmisbaar is voor het leven
in de maatschappij. Wanneer het onderwijs zich alleen of hoofdzakelijk
ten doel stelt, het kind de kennis en de vaardigheden eigen te maken,
die het in de maatschappij volstrekt niet missen kan, zonder waarde
te hechten aan helderheid der beelden en ontwikkeling der denkkracht,
dan spreekt men van materieel onderwijs. Evenwel een goed inge-
richt onderwijs moet hoogere bedoelingen en eene algemeene ontwikkeling
op het oog hebben, en heeft het die, dan noemt men het f o r m e e 1.
Een materieel onderwijs zou op den laagsten trap met werktuiglijk
aanleeren van het allernoodzakelijkste kunnen volstaan. Doch de school
moet meer geven, indien de mensch meer geschikt zal worden, om
zelf waarlijk gelukkig te zijn en anderen gelukkig te maken. Dan moet
zij de vorming van den geheelen mensch bedoelen, en haar onder-
wijs heet dan vormend, formeel of opvoedend onderwijs.
Vooral dat opvoedend onderwijs strekt tot wezenlijk heil van staat
en maatschappij, werkt het geluk uit van elk individu zoowel als van
de vereeniging. Niet hij is de beste leeraar, die alleen maar veel kennis
opgedaan heeft, ook nog niet hij, die daarbij goed heeft leeren denken,
maar wel hij, die zijne leerlingen niet alleen goed verstandelijk weet
-ocr page 79-
65
te ontwikkelen, maar hen ook tot zedelijke en krachtig willende men-
schen weet te vormen. Immers dat kind kan een goed lid van staat
en maatschappij worden, die bij goed onderwijs zin heeft gekregen
voor alle menschelijke deugd, die niet uitsluitend zich zelf heeft leeren
zoeken, maar er ook toe geleid is het geluk van anderen te bewerken
en er zich opofferingen voor te getroosten, die zijn\' wil heeft leeren
onderwerpen aan dien van een ander, dus leeren gehoorzamen in een
gezonden zin , zoodat hij geschikt is geworden voor het leven in elke
kleine of groote vereeniging, waar de bevordering van het gedrag van
allen, of ten minste van de meerderheid, het geluk van het individu
bepaalt, en waar elk iets moet opofferen van zijn eigen belang en van
zijne persoonlijke vrijheid voor het welzijn van het geheel. Kan het
onderwijs dat uitwerken, dan heeft het zijn doel bereikt.
Men moet niet meenen, dat het onderwijs geheel op zich zelf staat
en eerst met het ter school komen van het kind begint. Het huisgezin
is reeds van de geboorte bezig geweest met het te onderwijzen. Het
kind heeft reeds in zijne eerste vijf of zes levensjaren eene massa kennis
opgedaan en spreken en denken geleerd. Daarbij is echter veel aan het
toeval overgelaten geweest: de school wil volgens een welgeregeld plan
het kind bepaalde vaardigheden leeren en bepaalde kennis eigen
maken en bovendien zijne denkkracht verder ontwikkelen. Ze moet
zich daarom zooveel mogelijk aan het voorafgaande leven van het kind
aansluiten en het werk voortzetten, dat reeds begonnen is.
§ 47. Juist wijl het onderwijs een zoo grooten invloed op den ge-
heelen mensch uitoefent, zoodat men het welzijn van den staat er afhan-
kelijk van rekent, wordt er zooveel voor gedaan. Daarom heeft in ons
land, gelijk in de meeste beschaafde landen, de regeering het onderwijs
tot een voorwerp van hare aanhoudende zorg gemaakt, en een hooger-,
middelbaar- en lage ronder wijs in het leven geroepen en geregeld. Het
laatste heet men ook wel volksonderwijs. Het wordt zoowel in scholen
als in huisgezinnen gegeven. (School- en huisonderwijs).
Eene school heeft het eigenaardige, dat een aantal kinderen zijn
saamgekomen, om tegelijk onderwijs te ontvangen; hierdoor wordt
natuurlijk eene bijzondere inrichting der school noodzakelijk, die in
orde en klassificatie bestaat. De orde komt bij de tucht ter
sprake, hier willen we de klassificatie wat meer in bijzonderheden
beschouwen, omdat ze tot het wezen der school behoort.
Door klassificatie in de school verstaat men de verdeeling van
de kinderen, die haar bezoeken, in groepen, waarvan het gevolg is,
dat al de kinderen derzelfde groep tegelijk hetzelfde onderwijs ontvan-
KUKEN8, Opvoedk., 7e druk.                                                            5
-ocr page 80-
66
gen. Tegenover klassikaal staat hoofdelijk onderwijs, en om door ver-
gelijking het klassikaal onderwijs goed te begrijpen, denk u dan het
schoolonderwijs in de vorige eeuw, zooals het dus was vóór de alge-
meene wettelijke regeling van het begin dezer eeuw. Wel had men
vóór dien tijd de kinderen ook in groepen verdeeld, maar het
onderwijs aan elke groep maakte geen juist bepaald deel van het
geheel uit, terwijl de kinderen derzelfde groep ook ieder op zich zelf
werkten en onderwezen werden en dus zeer ongelijk in vorderingen
konden zijn. Men kan daarom met recht zeggen, dat vóór het begin
dezer eeuw geen klassikaal onderwijs in onze scholen gegeven werd.
Maar in de Algemeene Schoolorde van 1806, een uitvloeisel van de
Nederlandsche onderwijswetgeving van dat jaar, wordt voorgeschreven,
dat „de leerlingen zullen verdeeld zijn in drie klassen, welke van
elkander afgezonderd zitten en ieder binnen eiken schooltijd onderwijs
ontvangen. De leerlingen derzelfde klasse worden steeds gezamenlijk
onderwezen, terwijl voorts gezorgd wordt, dat die der andere klassen
gedurende dien tijd hunne bezigheid hebben." Door de opvolging van
dat voorschrift kon eerst een welgeregeld, deugdelijk onderwijs ontstaan,
en het klassikale is dan ook eene voorname eigenschap van ons ver-
beterd onderwijs.
Want, of men er huisonderwijs of het hoofdelijk schoolonderwijs van
vroeger tegenover stelt, men mag met recht zeggen, dat de klassificatie
heilzaam werkt op onderwijzer en leerling beiden. De eerste wordt
bezield door de grootte der klasse, door de vele levendige, op hem
gerichte oogen, door het besef van het groote belang van zijn werk,
dat op hetzelfde oogenblik strekken moet tot geestelijk voedsel voor
zoo velen. Dat maakt hem bedachtzaam en noopt hem tot zorgvuldige
voorbereiding. Het geeft aan zijn onderwijs dat belangwekkende, waar-
door de kleine hoorders onwillekeurig tot inspanning gedrongen worden.
De opmerkingen, vragen en tegenwerpingen van zoovelen wijzen hem
op leemten in zijn werk en drijven hem tot steeds meerdere duidelijk-
heid, opdat hij voor allen de ware leermeester zij. Doch ook de kin-
deren ondervinden den heilzamer* invloed van het klassen-onderwijs.
Ze leeren zoowel van de verkeerde als van de goede antwoorden hun-
ner makkers. Ze voelen zich door het samenstreven geprikkeld, om met
elkander te wedijveren in het bereiken van het voorgeschreven doel.
De aandacht des eenen noopt den anderen onwillekeurig tot belang-
stellend luisteren. De ijdele zelfverheffing voelt zich beschaamd bij het
opmerken van de gaven en de vorderingen van sommige zijner mede-
leerlingen, gelijk de kleinmoedige verheven en gesterkt, als anderen
zijne welgeslaagde pogingen opmerken. Het geheel der klasse met een
-ocr page 81-
67
flinken onderwijzer aan liet hoofd wordt een bezield geheel, waarvan
de deelen elkander onderling sterken.
Maar niet alleen onderwijzer en leerlingen, ook het onderwijs en de
tucht winnen bij het klassenonderwijs. Behalve dat het in vergelijking
van het vroegere hoofdelijk schoolonderwijs tijd uitwint, of wat hetzelfde
is, de kinderen meer onderwijs ontvangen, wordt de leerstof ordtlijker
ingedeeld en de leergang dus juister omschreven. Voor leermiddelen
wordt beter gezorgd en deze zelven meer gebruikt: het groote getal kinde-
ren dringt er onwillekeurig toe. Het klassenleven vordert orde en stipt-
heid in het gehoorzamen, maakt het opvolgen van bevelen ook voor den
onbedachtzame en den kwaadwillige gemakkelijk. Daardoor heeft eene
welgeregelde klasseninrichting in onze scholen in vergelijking van vroe-
geren tijd een beteren geest gebracht, het geheele onderwijs meer
opvoedend gemaakt; alleen door de klassificatie kan het aantal vakken
der wet onderwezen worden, terwijl het onderwijs vroeger zich hoog-
stens bepalen kon tot werktuiglijk leeren lezen, schrijven en rekenen.
Doch dan moeten de klassen ook niet al te groot zijn en de grenzen
niet overschrijden van het getal, dat één onderwijzer met zeker gemak
beheerschen kan. Dan moet ook de onderwijzer allen in zijn onderwijs
weten te betrekken, den trage te prikkelen, den zwakke te bemoedigen.
Dan moét de taak van elke klasse juist aangegeven zijn en met het
onderwijs der geheele school een weigesloten geheel vormen.
De grondslag van de klassificatie kan geen andere zijn dan de
trap van ontwikkeling der leerlingen: bij elkaar worden gevoegd, die
in kennen en kunnen zoo weinig mogelijk verschillen, opdat het te
geven onderwijs zooveel mogelijk voor allen geschikt zij. Op enkele
bijzondere omstandigheden moet soms acht gegeven worden, doch niet
anders dan bij uitzondering.
In hoeveel klassen moet eene school verdeeld worden ? Men zou
kunnen zeggen: in zooveel, dat elke der klassen niet te veel kinderen
bevat voor één onderwijzer en niet te weinig, om het eigenaardige
opgewekte leven, dat het klassenonderwijs met zich brengt, niet te loor
te doen gaan en om de geldelijke uitgaven niet te groot te maken. Voor
het maximum-getal van ééne klasse zou men 40 kunnen stellen, het
minimum zal wel boven 10 moeten blijven. Volgens de Wet moet op 45
leerlingen één onderwijzer gerekend worden \'). Veel klassen in eene kleine
\') Art. 24: „Het hoofd der school wordt bijgestaan door ten minste één
onderwijzer, zoodra het aantal schoolgaande kinderen meer dan veertig, door
ten minste twee onderwijzers, zoodra het zes en tachtig bedraagt. Voor elk vijf-
en-veertig-tal schoolgaande kinderen boven de vijf en tachtig wordt één onder-
wijzer meer vercischt."
5*
-ocr page 82-
68
school maakt het geven van onderwijs moeilijk. Men zal dus in zeer
kleine scholen (met minder dan 40 kinderen) slechts 3 klassen vormen,
èn om de klassen niet al te klein te maken, èn omdat er volgens de
Wet maar één onderwijzer behoeft te zijn. In scholen met meer kin-
deren en 2 of meer onderwijzers zal men meer klassen kunnen maken.
Natuurlijk, dat bij meer klassen het verschil tusschen de kinderen
derzelfde klasse minder en dus het onderwijs voor allen meer geschikt
kan worden. In grootere scholen kan daardoor een beter ingericht
klassenstelsel zijn, dan in kleinere. Het getal klassen hangt dus hoofd-
zakelijk af van de grootte der scholen, doch is ook bepaald door den
duur van den leertijd en het getal onderwijzers. Wijl nu de leertijd
veelal op 6 jaren gesteld wordt, zou eene school van om de 200
leerlingen in 6 klassen verdeeld moeten zijn bij de vorming van eene
nieuwe aanvangsklasse eenmaal per jaar. Eene school van om de 400
leerlingen zou 12 klassen kunnen hebben en elk half jaar eene nieuwe
aanvangsklasse kunnen bekomen. Voor andere scholen wordt de ver-
deeling eenigszins moeilijk, omdat ook niet altijd het getal onderwijzers
met dat der noodige klassen overeenstemt. Na 3, 6 of 12 klassen
zullen wel 4 of 8 het meest in aanmerking komen.
2. Leerstof en methode.
§ 48. Als men het onderwijs, welk ook, nagaat, dan ziet men,
dat zich er twee hoofdzaken bij voordoen: vooreerst datgene, wat
onderwezen wordt, en ten tweeden de wijze, waarop het onderwezen
wordt, of de leerstof en de methode. Naarmate de leerling jonger
is, moet de methode meer doen, wijl de leerling zelf minder mee-
werkt; bij oudere leerlingen, b. v. bij het hoogeronderwijs, komt het
meer op de leerstof aan en minder op de methode, wijl de leerlingen
zelfstandiger zijn.
a. De leerstof.
De leerstof is de som van al datgene, wat onderwezen of geleerd
wordt. Zij omvat al die kennis èn kunstvaardigheden, die het kind
door het onderwijs eigen moeten worden. De afzonderlijke gedeelten
er van worden met den naam leervakken aangeduid. De leerstof
wil een kennen en een kunnen uitwerken. Het kennen bestaat
in het bezitten van duidelijke beelden van het geleerde, het kunnen
is de geschiktheid om bepaalde handelingen te verrichten.
Hoeveel leerstof moet de lagereschool haren leerlingen eigen maken ?
De juiste maat is moeilijk te bepalen. In het algemeen kan men zeggen:
-ocr page 83-
6!l
hoe meer leerstof, hoe beter; een mensch weet nooit te veel. Evenwel,
alle leerstof moet opgenomen en verwerkt worden, en daarvoor zijn
kracht en tijd noodig. De hoeveelheid leerstof wordt dus bepaald door
de ontwikkeling of de kracht der leerlingen en door den b e s c h i k-
baren tijd. Ken leerling kan slechts dat opnemen en verwerken, wat
voor zijne ontwikkeling past, en heeft daarvoor maar eenige (de Wet
veronderstelt zes) jaren tijd, omdat na het lageronderwijs óf een ander
onderwijs volgt öf het maatschappelijk leven hem reeds opneemt. Uit
de groote hoeveelheid kennis en kunstvaardigheden dient dus eene
verstandige keus gedaan. Bij die keus is het niet de vraag, of zekere
kennis nuttig is: want dat kan van schier alle gezegd worden, —
maar welke kennis de meest nuttige, de volstrekt noodige is. De
onderscheidene vakken moeten daarom ten aanzien van hun nut onder-
ling vergeleken worden.
Te veel leerstof werkt nadeelig, d. w. z. te veel in betrekking tot
tijd en kracht: het gevolg van te veel is, dat de aangeboden stof niet
tot duidelijke en heldere beelden wordt, en dat de ziel maar steeds
moet opnemen en zich niet met het opgenomene kan bezig houden,
dus hare denkkracht niet kan oefenen; oppervlakkigheid zal dan den
leerling kenmerken, en de kennis spoedig vervliegen. Beter is het
weinig leerstof, maar die geheel het eigendom der kinderen wordt,
en bij welker mededeeling tijd overblijft tot verwerking.
Welke leerstof heeft de lagereschool dus noodig? De keus is door
het doel van het onderwijs bepaald. Het onderwijs wil den mensch
geschikt maken, om voor het geluk van zich zelf en anderen in het
latere leven werkzaam te zijn. Wijl hij met en onder zijne medemen-
schen moet leven, moet hij in de eerste plaats het gemeenschapsmiddel,
de taal, verstaan, d. i. hij moet anderen verstaan en zich doen ver-
staan, beide sprekende en schrijvende. Voorts is de kennis der taal,
als de draagster van de kennis en het denken van anderen, hem het
middel, om zich voortdurend verder te ontwikkelen en dus ook meer
geschikt te maken voor de vervulling zijner verschillende levensbetrek-
kingen. Het leven leert hem spreken: dit heeft de school alleen verder
te ontwikkelen. Ze moet hem dus leeren lezen en schrijven. Doch
in het leven ontmoet hij ook onophoudelijk het getal en den vorm;
hij kan volstrekt niet buiten de kennis der hoeveelheden en hare uit-
drukking door het cijferschrift en kennis van de vormen der lichamen,
voor zoover ze tot berekeningen in het dagelijksche leven aanleiding
geven. De school moet hem daarom rekenen met inbegrip van de
berekening van uitgebreidheden leeren. Lezen, schrijven en rekenen zijn
dan ook van de vroegste tijden onderwezen.
-ocr page 84-
70
Hunne waarde mag evenwel niet overschat worden. Lezen en schrij-
ven hebben op zich zelven, bloot als werktuiglijke vaardigheden, geen
groote waarde. Ze krijgen eerst recht hunne waarde, als het bezit van
kennis er mee gepaard gaat. Immers, eene taal kan niet goed gekend
worden, zonder dat de ziel eene groote massa beelden heeft, die door
de taal worden aangeduid. Die beelden maken \'s menschen kennis
uit. Ken groot deel dezer kennis is reeds opgedaan vóór den school-
leertijd in huis en daar buiten. De school moet die kennis uitbreiden
in eene bepaalde richting, door de Wet voorgeschreven, waardoor de
leerlingen in staat gesteld worden, om over veel zaken in het maat-
schappelijk en het staatsieven juist te oordeelen. Welke kennis zou de
school moeten geven ? Natuurlijk die in de eerste plaats, waardoor de
mensch voor zijn eigen geluk en dat van anderen het meest vrucht-
baar werkzaam kan zijn. Derhalve kennis van zijn eigen lichaam en
van de middelen om het gezond te houden, (physiologie en gezond-
heidsleer) en kennis van de middelen om tot welvaart te komen
(volkshuishoudkunde), en buitendien nog kennis van zijne omgeving
(natuurkennis, aardrijkskunde, geschiedenis, kennis der staatsinrichting).
Voorts mag hij kennis hebben van hetgeen hem onmiddellijk edel ge-
not kan bezorgen en zijn schoonheidsgevoel ontwikkelen (zingen en
teekenen).
Evenwel, of de leerlingen der lagereschool al deze kennis zouden
kunnen opnemen, kan geen vraag wezen, der overweging waardig.
Maar behalve dat, de onderwijzer is niet vrij in de keuze der leer-
vakken. De Wet heeft hem voorgeschreven, in welke vakken hij
onderwijs moet geven. Liet de wet van 1806 de leerstof vrij onbe-
paald \'), de beide volgende wetgevingen hebben de onderscheidene
leervakken nauwkeurig aangewezen (art. 1 van de wet van \'57 en art. 2
van die van \'78). De wet van \'57 bracht de leervakken tot twee
groepen; vooreerst die, welke behoorden tot het gewoon lager-
on d e r w ij s en die in alle scholen moesten onderwezen, en die,
welke het uitgebreid lageronderwijs uitmaakten en bij de eer-
sten konden onderwezen worden. De wet van \'78 heeft de namen
dier onderscheiding niet, maar neemt ze inderdaad toch aan, doordat
ze bepaalt: „Onder lageronderwijs begrijpt deze wet het onderwijs in:
a. het lezen, b. het schrijven, c. het rekenen, d. de beginselen der
vormleer, e. die der Nederlandsche taal, f. die der vaderlandsche ge-
\') „De eerste beginselen van kennis en beschaving, als Lezen, Schrijven , Hekenen
en de Ncderdiiitschc taal, of derzelvcr verdere hulpmiddelen, als de Franschc
en andere hedendaagsche of ook geleerde talen, de Aardrijks-, Geschiedkunde
en dergelijke.\'"
-ocr page 85-
71
schiedenis, ff. die der aardrijkskunde, h. die van de kennis der natuur,
i. het zingen, k. de nuttige handwerken voor meisjes. — Aan lagere
scholen kan bovendien onderwijs gegeven worden in: /. de beginselen
der Fransche taal, m. die der Hoogduitsche taal, n. die der Kngelsche
taal, o. die der algemeene geschiedenis, /. die der wiskunde, q. het
handteekenen, r. de beginselen der landbouwkunde, s. de gymnastiek,
/. de fraaie handwerken voor meisjes."
Wanneer men deze opgave met die van de wet van \'57 vergelijkt,
dan ziet men, dat in de tegenwoordige wet alleen de vaderland-
sche geschiedenis en ook de nuttige handwerken voor meisjes tot het
verplicht onderwijs gebracht worden en dat de aardrijkskunde na de
vaderlandsche geschiedenis genoemd wordt, doch dat de algemeene
geschiedenis toch kan onderwezen worden.
Al die kennis en vaardigheden moeten het eigendom zijn des onder-
wijzers; ze moeten, voor zooveel mogelijk, ook het eigendom worden
der leerlingen. Ze kunnen dat worden onder doelmatige leiding en met
gebruikmaking van gepaste hulpmiddelen, door middel van het gespro-
ken woord des onderwijzers en het geschreven woord van het boek en
door aanwijzen en voordoen.
Wel zijn dus door de wet de leervakken aangewezen, die onderwezen
moeten > of kunnen worden; het wat en het hoeveel uit elk vak te
bepalen is evenwel geheel aan den onderwijzer, behalve dat volgens
art. 21 \') de vaststelling van het leerplan door den onderwijzer de
goedkeuring noodig heeft van burg. en weth. en van den districts-
schoolopziener.
b. Methode.
§ 49. Het begrip. — Het woord methode, van Grieksche af-
komst, beteekent letterlijk een\' weg volgen. Men moet zich er
evenwel onder denken: de geheele inrichting van het onderwijs, om
dat aan zijn doel te doen beantwoorden. Het kind moet onderwijs
ontvangen, moet iets leeren; nu komt het er maar op aan, hoe de
onderwijzer zijn werk inricht, opdat het kind zoo veel en goed moge-
lijk leert. Iedereen, die een werk wil uitvoeren, denkt er eerst over
na, hoe hij het zal aanleggen, om op de beste wijze zijn doel te be-
\') „Do regeling van de schooltijden en vun de vacantiën, de vaststelling van
het leerplan en van de bij het onderwijs te gebruiken boeken en de vcrdcelin«\'
van de school in klassen geschieden door het hoofd der school, onder goedkeuring
van burgemeester en wethouders en van den districts-schuolupziener,"
-ocr page 86-
72
reiken : elk werk , niet alleen het schoolwerk , vordert dus eene methode.
Daaruit volgt, dat men bij elk werk in het maatschappelijk leven, al
wordt de naam niet gebruikt, evenzeer eene methode moet kunnen
opmerken: de huismoeder, de koopman, de timmerman hebben dus
evenzeer eene methode als de onderwijzer, tenzij ze voor hunne taak
niet deugen. Het woord methode is dus synoniem met inrichting,
regeling, stelsel. Ken onderwijs, waarbij eene methode gevolgd wordt,
mag heeten methodisch, stelselmatig, ordelijk, geregeld; bij het ont-
breken van eene methode regelloos, stelselloos, ordeloos, sleur.
Men moet ondervvijs-methode vooral niet verwarren met leermanier.
De laatste is de eigenaardige wijze, waarop een enkel persoon zijn werk
uitvoert, in onderscheiding van de manier eens anderen. De eerste is
het resultaat van wetenschappelijke overweging en heeft het kenmerk
van algemeenheid. Ze wordt gevolgd door velen, die haar ieder op
zijne manier toepassen. Daarop doelen de zegswijzen: „de onderwijzer
staat onder en boven de methode", en „de onderwijzer is de levende
methode". De methode wordt gemaakt, de manier is iemand eigen
en staat in verband met zijne bijzondere natuur. Ieder onderwijzer heeft
zijne manier, maar daarom nog niet zijne methode, daar hij ze vaak
van een ander overneemt en ze daardoor met velen volgt.
De methode is natuurlijk ten behoeve van den leerling; want ze
strekt, om hem het leeren gemakkelijk en dit voor hem zoo vrucht-
baar mogelijk te maken. Daarom moet ze ook geheel in overeen-
stemming met zijne zielsontwikkeling gemaakt worden, d. w. z. de
geheele inrichting van het onderwijs moet zoodanig zijn, dat de leer-
ling op de snelste en gemakkelijkste wijze het meest en het gron-
digst leert.
De methode kan algemeen of bijzonder wezen. Ze is alge-
meen, als ze de inrichting van het geheele onderwijs des kinds voor
een bepaald levenstijdperk omvat, dus in dezen het geheele onderwijs
der lagereschool. Ze is bijzonder, als ze de inrichting van het
onderwijs in een enkel leervak of zelfs van een deel van een leervak
betreft. Zoo spreekt men van eene schrijfmethode, van de methode
voor het taalonderwijs, van eene methode voor het aanvankelijk lezen
of voor het aanvankelijk rekenen. Maar of de methode algemeen of
bijzonder is, ze moet altijd op zielkundige gronden in overeenstem-
ming met de ontwikkeling der leerlingen gemaakt zijn. Van de methode
hangt voor een groot deel het al of niet gelukken van het onderwijs af.
Kvenwel niet uitsluitend van de methode, ook van de persoonlijkheid
des onderwijzers, waardoor de beste methode óf in het geheel niet tot
haar recht komt óf uitstekende vruchten oplevert.
-ocr page 87-
73
§ 5°- De algemeene en ook de bijzondere methode moeten gebouwd
zijn op de volgende grondbeginselen:
i. Alle onderwijs moet juist afgemeten zijn naar het
opvattingsvermogen en de denkkracht der leerlingen.
Dat opvattingsvermogen en die denkkracht der leerlingen gaan niet
verder dan de duidelijke voorstellingen en begrippen, die reeds in
hunne ziel gevormd zijn. Het kind, dat eerst ter school komt, heeft
geen andere zielebeelden, dan die in hem ontstaan zijn door de waar-
neming zijner beperkte omgeving: huis, straat, dorp of stad, speelgoed,
huisgenooten, het hooren der dagelijksche gesprekken, enz. Daarom
verstaat het alleen, wat uit dien kring is, en daarom ook was het
vroeger eene dwaasheid, het kind dadelijk met de letterteekens op het
lijf te vallen, die het nog niet kon opvatten, wijl ze geen enkele aan-
sluiting in zijne ziel hadden. Even dwaas was het, met de cijfers te
beginnen, die het niet kon opvatten, vóór het de hoeveelheden had
leeren kennen. De geschiedenis wortelt niet in de ziel van kinderen,
tenzij het onderwijs daarin bestaat in aanschouwelijke schetsen van
personen en toestanden, waarvan zij zich een beeld kunnen vormen.
Den kinderen vragen te doen, tot hun oordeel gericht, over zaken,
die buiten hunne bevatting liggen, heeft geen vrucht, wijl de ziel niet
verder denken kan, dan de kring van beelden gaat, die ze duidelijk
heeft opgenomen. Zoodra de kinderen, voorondersteld dat iIe onder-
wijzer zelf heldere begrippen heeft en ze gemakkelijk duidelijk kan
maken, hem niet begrijpen, ligt de oorzaak daarin, dat de behandelde
zaken niet passen voor hun\' trap van ontwikkeling.
2.     Het onderwijs mag niet spoediger voorwaarts gaan,
dan de krachten der leerlingen toelaten.
Deze grondstelling volgt uit het voorgaande. „Haast u langzaam,"
geldt bij het onderwijs. Het baat niet, of de leerlingen al veel woor-
den kunnen nazeggen: de inhoud dier woorden moet werkelijk door
hen opgenomen en in den vorm van voorstellingen en begrippen in
hunne ziel aanwezig zijn. Uitwendige schittering kan hier het ledige
inwendige niet vergoeden. Ook wat waargenomen wordt, moet zorg-
vuldig opgevat worden, indien het beeld zal beklijven, en daarvoor
zijn tijd en rust noodig. Wat vooraf gaat, moet goed gekend en
geheel het eigendom der kinderen zijn, vóór de ziel met iets anders
bezig gehouden wordt. Te langzaam zou nog minder schadelijk zijn
dan te haastig.
3.     Elk deel van het onderwijs moet op het voorgaande
gebouwd wezen en de grondslag zijn voor het volgende,
zoo dat de deelen tot een goed geheel aaneensluiten.
-ocr page 88-
74
Men beginne met het gemakkelijke, het naastbijzijnde en het enkel-
voudige, omdat daarvan of reeds beelden in de ziel aanwezig zijn, óf
het enkelvoudige het gemakkelijkst opgevat kan worden. Zullen zich
nieuwe duidelijke beelden vormen, dan moeten de elementen daarvoor
reeds in de ziel aanwezig zijn. Zal het kind zich b. v. een juist begrip
vormen van eenige woordsoort, dan moet de beteekenis der woorden
vooraf opgespoord zijn, en om het begrip hoeveelheid te kunnen opvat-
ten , moet het dat begrip honderden malen in werkelijke voorwerpen
aanschouwd hebben. Voor de vorming van het begrip tien is noodig,
dat er duidelijke begrippen van de samenstellende hoeveelheden door
herhaalde aanschouwing verkregen zijn. Het begrip moet gegrond zijn
op de voorstellingen; een juist oordeel kan eerst gevormd worden,
wanneer deze beide als duidelijke beelden aanwezig zijn.
4.     Kik onderwijs moet zich een zeker doel als grens
stellen, dat in een bepaalden tijd bereikt kan worden.
De lagereschool heeft hare leerlingen gemiddeld van hun vijfde ot
zesde tot hun twaalfde jaar. Soms krijgt ze de kinderen geheel onvoor-
bereid uit de huizen van weinig ontwikkelde ouders, soms ook voor
opvatting geschikt gemaakt door goede bewaarscholen. Alle scholen
kunnen dus niet hetzelfde doel als grens stellen. Elke school moet
voor zich dat doel bepalen, en dan de leerstof zoodanig verdeelen
over de verschillende klassen, dat de leerlingen bij het einde van den
leertijd tot de grens gekomen zijn en een zeker geheel uit de school
medenemen. Een groot en onoverkomelijk bezwaar hiertegen is het
schoolverzuim.
5.     Alle onderwijs aan de leerlingen der lagereschool
moet aanschouwing tot grondslag hebben; het woord
moet eerst in de tweede plaats komen.
Wat onderwezen wordt, moet in den vorm van beelden in de ziel
ontstaan. Langs twee wegen is dat slechts mogelijk: vooreerst door
onmiddellijke zinnelijke waarneming, waardoor alleen voorstellingen
geboren worden, die vervolgens door de productie tot begrippen wor-
den verwerkt. Ten tweeden langs den middellijken weg, nl. door
het woord, öf het gesproken woord des onderwijzers of het geschreven
woord van het boek. Dat woord moet bij den leerling hetzelfde bewust
roepen, als wat de spreker of schrijver er bij gedacht heeft. Daarvoor
is evenwel noodig, dat vooraf door onmiddellijke waarneming de voor-
stellingen zijn ontstaan, waaruit de begrippen, als de inhoud der meeste
woorden, gevormd worden. Zoolang en voor zoover die grondvoorstel-
lingen niet aanwezig zijn, zullen de woorden niet verstaan en zal dus
de taal als leermiddel niet gebruikt kunnen worden. Daarom begint alle
-ocr page 89-
75
onderwijs met zinnelijke waarneming, en zoodra men bespeurt, «lat bij
het onderwijs door het woord de vorming van een begrip ten gevolge
van onjuiste en niet voldoende waarneming niet helder is, roept men
de aanschouwing te hulp, om het gebrekkige te verhelpen. Zeer nuttig
zijn daarom het krijt en het zwarte bord, als de onderwijzer daarvan
gebruik maakt, om langs den kortsten weg door eene teekening een
begrip te verzinnelijken.
6.     Het onderwijs moet grondig zijn, d. i. het moet een
vasten grond hebben; waarop al het latere gebouwd wordt. Aldus de
overdracht. De grond is het voorafgaande, wat er op gebouwd
wordt, is al het volgende. Dat voorafgaande is noodig voor het opvat-
ten , het begrijpen van het volgende. Men begrijpt immers met de
beelden, die men heeft. Men kan eene zaak niet begrijpen, als men
niet heeft of niet te zijner beschikking heeft de beelden van de onder-
deelen dier zaak. De stelling: het onderwijs moet grondig zijn, wil
dus zeggen: het onderwijs moet zoo geregeld zijn, dat alles geleerd en
volkomen duidelijk gemaakt wordt, wat noodig is tot het begrijpen van
hetgeen later komt. Daarvan is bet gevolg, dat het kind al het geleerde
begrijpt en daardoor ook beter bewaart. Het verband met de derde
grondstelling valt duidelijk in het oog.
Zal het onderwijs grondig zijn, dan moet het zich niet vergenoegen
met vluchtige waarneming en opvatting van woorden; maar het hoofd-
streven moet zijn, dat het kind duidelijke beelden verkrijgt, zoowel
door de onmiddellijke waarneming als door het woord; daarbij moet
het zich het verband tusschen de beelden duidelijk bewust zijn en dus
de gelijkheid en de ongelijkheid, oorzaak en gevolg, middel en doel
bij alles scherp leeren onderscheiden. Vooral moet het bij elk woord
het rechte denken; geen spelen met woorden mag geduld worden.
Beter is het minder leerstof en dan volkomen helder, dan veelheid van
beelden, waarvan weinig anders dan de naam in de ziel bestaat. 1 Iet
tegenovergestelde van grondig onderwijs is oppervlakkig. Het onderwijs
heeft deze laatste eigenschap, als het bestaat in het aanbrengen van
veel kennis door middel van niet altijd begrepen woorden.
7.     Alle onderwijs moet op en door de eigen kracht
des leerlings werken, d. i. het moet heuristisch zijn. Het
geleerde kan slechts in zoover het eigendom des kinds worden, als dit
zelf tot de verwerving meewerkt. Niet hij is de beste onderwijzer, die
veel weet en veel spreekt, maar die den leerling weet te doen werken
en het bewustzijn van eigen kracht zoo in hem op te wekken. De knor-
rende en altijd berispende onderwijzer doet daarom kwaad; wie het
goede in den leerling erkent door een woord van goedkeuring en lof,
-ocr page 90-
76
ontwikkelt het besef van kracht en bouwt op. Niet alleen wordt de
onmiddellijke vrucht van het onderwijs daardoor vermeerderd, maar
wat van grooter belang is, ook het streven naar verdere ontwikkeling,
als het onderwijs opgehouden heeft, blijft den leerling bij in zijn vol-
gend leven. Voorts moet het onderwijs zoo zijn ingericht, datdeleer-
ling door vragen en opgaven geleid wordt tot zelf denken en werken,
tot inspanning van zijne krachten, om de verlangde uitkomst te ver-
krijgen. Eerst dan draagt het onderwijs de meeste vrucht voor het leven.
§ 51. De algemeene en de bijzondere methode omvatten den leer-
of onderwijsvorm, den leergang, den leertoon en de leer-
middelen. Alleen van den leertoon kan niet gezegd worden, dat
hij een deel van de bijzondere methode uitmaakt, zooals bij de bespre-
king daarvan blijken zal. Bij elk onderwijs, dat op zekeren tijd
gegeven wordt, moeten op dat oogenblik de vorm, de gang, de toon
en de middelen aangewezen kunnen worden, d. w. z. elk onderwijzer,
die aan het werk is, maakt op zeker oogenblik gebruik van den een
of anderen vorm, volgt een\' gang, brengt zijn\' leertoon in toepassing
en bezigt zekere leermiddelen: uit dat alles bestaat zijn onderwijs op dat
oogenblik. Dit wordt hier opgemerkt, omdat velen de onderwijskundige
onderwerpen te veel op zich zelf en als buiten het onderwijs liggende,
beschouwen. Wat de onderwijskunde hun leert, moet waargenomen
kunnen worden in de practijk.
De wetenschappelijke beschouwing der methode heet methodiek
of methodologie of methodeleer. Het belang van eene goede
methode is zeer groot, hoewel het licht overschat kan worden, als men
de persoonlijkheid des onderwijzers of den leertoon buiten rekening laat.
We willen nu de onderdeden van de methode ieder afzonderlijk nagaan.
,^1. De leervorm»
§ 52. De leerstof moet het eigendom der kinderen worden: dat is
het onmiddellijke «loei van het onderwijs. Evenwel, dat is niet het
eenige doel, het wil ook het verstandelijke leven der ziel, de denk-
kracht, ontwikkelen of zooals de wet het uitdrukt: „onder het aan-
leeren van gepaste en nuttige kundigheden moeten de verstandelijke
vermogens ontwikkeld worden". Dit tweede doel, eenigszins nader
omschreven, wil zeggen: de leerling moet niet alleen de leerstof als
zielebeelden in zich opnemen en zich eigen maken, maar hij moet
ook leeren zich met die stof uit eigen aandrift bezig te houden, ze aan
eigen beschouwing te onderwerpen, ze te verarbeiden, te rangschikken,
de deelen in onderling verband te brengen en het geheel toe te passen
-ocr page 91-
77
op bijzondere gevallen, opdat hij, de school verlaten hebbende, gewoon
is geworden over alles wat hem voorkomt, na te denken en er nuttige
toepassing van te maken.
Wie onderwijs geeft, moet zich dus, wanneer het doel van het
onderwijs bereikt zal worden, afvragen: hoe verhoudt de leerling zich
tot mijn onderwijs? hoe is zijne ziel werkzaam? hoe leert hij? Naar
het antwoord op die vragen moet hij zijn onderwijs inrichten.
Kn gaat hij nu het verstandelijk leven der ziel na, dan vindt hij,
zooals in het hoofdstuk over de zielkunde reeds ontwikkeld is, daarin
twee hoofdwerkzaamheden: de ziel is óf opnemend, receptief (door
middel van de zintuigen of door de taal) of scheppend, produo
tief (door de phantasie en de denkkracht) werkzaam. Door de opne-
ming ontstaan in haar beelden, door de schepping vormt ze uit de
aanwezige nieuwe. Daardoor is aangewezen, waarvoor de leervorm
heeft te zorgen.
De leer- of onderwij s vorm is daarom dat deel der
methode of van de geheele inrichting van het onderwijs,
\'twelk de leerstof zoodanig tracht te behandelen,. dat de
leerlingen op hun\' trap van ontwikkeling haar het best
kunnen opnemen en verwerken, \'t Is de wijze van aanbieding
der leerstof, hetzij deze bloot opgenomen of ook verwerkt moet worden,
\'t Is de vorm, waarin de onderwijzer het onderwijs kleedt, als hij den
leerling de stof wil eigen maken en zijne denkkracht daarbij ontwikkelen.
Niet alleen de onderwijzer, maar ieder, die een ander iets wil leeren ,
wie hij ook zij, kleedt zijn onderricht in zekeren vorm, naar hij meent,
dat de ander het geleerde het best zal opnemen en behouden.
De vorm, dien de onderwijzer bezigt, is de uitwendige; de
werkzaamheid in de ziel des kinds kan men dan den inwendigen
leervorm noemen. Zoo als de onderwijzer onderwijst, zoo moet het
kind, hem volgende, in zich leeren. De uitwendige leervormen moeten
aan de inwendige beantwoorden. Er kunnen daarom niet meer dan
twee hoofd-onderwijsvormen zijn: i. zullen in het kind beelden ont-
staan, dan moet de onderwijzer het daarvoor de gelegenheid geven;
2. zal het met die beelden werken, om er nieuwe uit te scheppen,
dan moet de onderwijzer het daartoe aanleiding geven, hetopwek-
ken en leiden. Men spreekt daarom van een m e d e d e e 1 e n d e n en
een opwekken den onderwijsvorm. Aan den uitwendigen mededee-
lenden vorm beantwoordt de inwendige opnemende of ontvangende, en
aan den uitwendigen opwekkenden beantwoordt de inwendige verwer-
kende, zelfzoekende, heuristische. Tot den mededeelenden kan men
den repeteer en den vorm brengen.
-ocr page 92-
78
a. De mededeelende leervorm.
§ 53. De naam, mededeelende onderwijsvorm, moet door zijne
letterlijke beteekenis niet tot eene verkeerde opvatting leiden. Men
moet er bij denken: het kind in de gelegenheid stellen, dat
het kan opnemen. De mededeelende onderwijsvorm heeft de receptie
of opneming van de leerstof door den leerling ten doel. Tegenover
de mededeeling van den onderwijzer, tl. i. gelegenheid geven tot
opnemen, staat de opneming van den leerling. Die opneming geschiedt
langs den weg der zinnelijke waarneming en door de taal, dus
onmiddellijk en middellijk. Tengevolge daarvan splitst zich de mede-
deelende leervorm in tweeen: den vorm der aanschouwing en
den vorm van het woord. De eerste wordt ook wel het aantoo-
nen en voordoen en de tweede, minder juist, de mondelinge
voordracht genoemd (deiktische en acroamatische leervorm).
Bij den vorm der aanschouwing moet de leerling met zijne
zinnen waarnemen, terwijl de onderwijzer aantoont of aanwijst, wat
waargenomen, en voordoet, wat nagedaan of verricht moet worden.
De leerling van zijne zijde moet opmerkzaam zijn; de onderwijzer
moet aanwijzen, om de opmerkzaamheid te leiden en te bepalen.
Handelingen of verrichtingen doet hij voor. Het aanwijzen is volstrekt
geen onverschillige zaak, vooral niet bij jeugdige leerlingen, die licht
afdwalen en daardoor niet juist waarnemen, en wier bewustzijn nog
geleid moet worden.
Deze leervorm wordt aangewend bij het eigenlijk aanschouwelijk
onderwijs, bij het aanvankelijk lezen en rekenen, bij het schoon-
schrijven, bij het gebruik van kaarten ten behoeve van het aardrijks-
kundig onderwijs, bij het zingen, om de hoogte der tonen, de maat
en de voordracht aan te wijzen, en in het algemeen altijd, als er
waargenomen moet worden. Het eerstgenoemde eigenlijk aanschouwelijk
onderwijs, ook in het bijzonder aanschouwingsonderwijs genoemd, dat
vooral in de bewaarschool en in de aanvangsklasse der lagereschool op
zijne plaats is, heeft ten doel, vooreerst met opmerkzaamheid te leeren
waarnemen en ten anderen, nauwkeurige beelden van het waargeno-
mene in den vorm van voorstellingen in de ziel te doen ontstaan,
opdat daaruit later duidelijke begrippen kunnen gevormd worden. Dit
onderwijs leent zich voortreffelijk tot opzettelijke denk- en spreekoefe-
ningen, omdat het kind direct in woorden kan uitdrukken, wat het
waarneemt.
De aanschouwingsmiddelen daarbij zijn zoodanig, dat ze
dienen of ter onmiddellijke óf ter middellijke aanschouwing. Voor de
-ocr page 93-
79
onmiddellijke aanschouwing dienen de voorwerpen zelven, voor
de middellijke nabootsingen en platen. De onmiddellijke aan-
schouwing is verreweg de beste, doordat het kind zich daarbij niets at
of bij heeft te denken en dus het beeld van het voorwerp, zooals het
is, kan vormen. Van de middellijke aanschouwing is die door platen
de minst verkieslijke, wijl deze de voorwerpen slechts van ééne zijde
en alleen voor het gezicht waarneembaar voorstellen. Daarbij moet
men niet uit het oog verliezen, dat eene afbeelding op een vlak met
behulp van schaduw en perspectief een eenigszins geoefend oog vereischt,
om niet verkeerd opgevat te worden, en zulk een oog heeft het jonge
kind nog niet. Men merkt immers wel bij volwassen, maar niet zeer
ontwikkelde menschen, dat zij eene plaat niet verstaan. Wijl nu de
platen voor het gebruiken zoo voor de hand liggen, mag men vreezen,
dat er weleens wat al te veel gebruik van gemaakt wordt. Men behoort
als regel aan te nemen, dat slechts dan platen moeten gebezigd worden,
als de voorwerpen zelven of hunne nabootsingen niet voor de oogen
der kinderen gebracht kunnen worden. Hier geldt het onderwijskundige
zeggen: „als ge van een kalf spreekt, breng dan een kalf in de school".
Daar de aanschouwing al het verdere onderwijs moet vergezellen,
zijn er nog allerlei verzinnelijkingsmiddelen noodig: als bij het reke-
nen eene kubendoos, de ballenteller en buitendien alle voor de hand
liggende voorwerpen, bij de vormleer voorwerpen van hout of papier
of draad, bij de taalkunde het woord in den volzin, bij de geschie-
denis platen, bij de aardrijkskunde globen, kaarten en platen , bij de
natuurkennis voorwerpen en werktuigen, dieren, planten en delfstof-
fen, enz.
§ 54. De andere wijze van mededeelen is die door het woord
of de taal, de acroamatische onderwijsvorm. Hierdoor vindt
geen onmiddellijke, maar eene middellijke mededeeling plaats. liet
middel is het woord of de taal, zoowel het geschreven als het gespro-
ken woord. De schrijver van het boek legt zijne kennis en zijne oor-
deelen in zijn schrift; het kind, dat dat schrift moet verstaan, d. i.
bij de woorden hetzelfde denken, als wat de schrijver er bij gedacht
heeft, neemt door de woorden op, wat de schrijver hem mededeelt.
De onderwijzer spreekt zijne kennis hoorbaar voor zijne leerlingen uit,
en dezen verstaan zijne woorden weder: hunne beteekenis wordt in hen
tot beelden; door zijne taal ontvangen zij zijne kennis.
Zoo beschouwd schijnt deze onderwijsvorm zeer gemakkelijk en met
vrucht aan te wenden. Evenwel, hij heeft eene schaduwzijde van belang.
Immers, hij kan slechts gebruikt worden, in zoover de leerlingen de
-ocr page 94-
80
taal verstaan, waardoor rie mededeeling geschiedt. Worden er dus
woorden of zinsvormen gebezigd, waarbij de leerlingen niet dadelijk
het rechte kunnen denken, of wier beteekenis niet gemakkelijk uit het
verband is op te maken, dan wordt er niets meegedeeld, omdat er
niets wordt opgenomen. In dit opzicht heeft de schrifttaai nog een
groot nadeel meer dan het gesproken woord. Dit laatste kan door den
spreker naar den eisch van het oogenblik gewijzigd en zijne beteekenis
aangevuld of verduidelijkt worden door den toon, den nadruk en de
gebaren, terwijl bovendien de bezieling des sprekers zich mededeelt
aan zijne jeugdige hoorders, waardoor hunne opmerkzaamheid meer
gespannen en grooter wordt. Daartegenover heeft weer de schrifttaal
het voordeel, dat ze den lezer tijd gunt tot opnemen en onbepaalde
herhaling toelaat. Beide wijzen van mededeelen door de taal hebben
evenwel iets vermoeiends en vervelends voor den jeugdigen leerling,
doordat ze lang achtereen eene ingespannen opmerkzaamheid vorderen,
die grooter is, dan men gewoonlijk denkt, en waartoe het kind niet
altijd in staat is, en doordat de afwisseling nooit zeer groot kan zijn,
waarom haar duur, hoewel naar den ouderdom der kinderen verschil-
lend, altijd beperkt moet zijn.
Vooral van de mededeeling door de schrifttaai is dikwijls veel mis-
bruik gemaakt. Men meende door het leesboek alle gevorderde kennis
te kunnen mededeelen. Men verloor daarbij uit het oog, dat het luid
ot zacht achtereenvolgens opnoemen der woorden nog geen opnemen
van gedachten is. Daarom bedroog men zich ook in de vrucht van
liet onderwijs. Ook het van-buiten-leeren is zeer misbruikt en heeft
veel kwaad gedaan. Doordat men liet van-buiten-leeren, wat niet vol-
komen begrepen werd, bracht men geen grondige kennis aan, maar
kweekte oppervlakkigheid en waanwijsheid.
De leervorm van het gesproken woord is dan ook meer geschikt
voor de toepassing in de lagereschool. Hij is nog weer tweeërlei:
de onderwijzer kan lang achtereen spreken en eene aaneengeschakelde
mondelinge voordracht houden, of hij spreekt zijne oordeelen uit in
kleinere of grootere volzinnen en wisselt die af door vragen of eene
aanwijzing of door het spreken der leerlingen. Elke volzin bevat immers
eene mededeeling. Telkens dus, wanneer de onderwijzer iets uitspreekt,
maakt hij gebruik van den mededeelenden leervorm door middel van
het gesproken woord; maar zoodra hij eene vraag doet, deelt hij niet
meer mee.
De eigenlijke acroamatische leervorm wordt toegepast door de aan-
eengeschakelde mondelinge voordracht. Wijl die eene groote inspanning
der opmerkzaamheid vordert, is hij meer op zijne plaats bij de oudere
-ocr page 95-
Hl
dan bij de jongere leerlingen; bij de laatsten alleen in de levendige
vertelling, bij de eersten ook in de beschrijving. De vertelling is
de voorstelling van datgene wat wordt, wat ontstaat in den tijd,
en waarvan de deelen achtereenvolgens worden meegedeeld; ze bevat
dus eene gebeurtenis. De beschrijving is de voorstelling van dat-
gene wat is, wat bestaat in de ruimte, en waarvan de deelen naast
elkander komen te staan. Wijl in de vertelling handeling, beweging,
leven is, brengt ze afwisseling met zich en voorkomt daardoor ver-
moeidheid, waarom ze past voor de jongste kinderen, maar waarom
ook de oudere haar aangenaam vinden. Men moet zich wachten, in de
vertelling bloot een middel te zien, om de kinderen aangenaam bezig
te houden, al kan men dit reeds een groot voordeel achten. Maar
behalve dat ze de kinderen aan ingespannen opmerkzaamheid gewent
en ze het voertuig is, om hun velerlei kennis eigen te maken, boven-
dien het gevoelsleven aandoet en edele neigingen en voornemens doet
ontstaan, geeft ze der phantasie stof tot scheppen en legt daardoor den
grond voor de ontwikkeling van het productievermogen der ziel. Om
die reden mag in de bewaarschool en in de aanvangsklasse der lagere
school gerust een ruimer gebruik van de vertelling gemaakt worden,
dan misschien meest het geval is. De vertelling behoort wel degelijk
eene plaats in te nemen in de rij der middelen, waardoor men het
denkende leven der ziel tot ontwikkeling zoekt te brengen.
Het onderwijs in geschiedenis, aardrijkskunde en natuurlijke historie
vordert het gebruik van den acroamatischen leervorm, wijl daarbij
mededeeling van kennis hoofddoel is. Dat het goed is, ook hier de
aaneengeschakelde voordracht soms door vragen af te breken en af te
wisselen, is licht te begrijpen.
Wijl het spreken des onderwijzers een zoo belangrijk middel is
voor de mededeeling in de school, ligt het voor de hand, dat de
onderwijzer aan zijn spreken eene bijzondere zorg moet besteden, en
enkele opmerkingen daarover hier niet misplaatst zullen zijn. Datspre-
ken moet zijn: i. duidelijk, en wel duidelijk ten aanzien van de
uitspraak en ten aanzien van de woordenkeus en den zinsbouw. Hebben
de kinderen moeite met het opvatten der woordklanken, dan houden
ze op met opmerkzaam te zijn. Hetzelfde zal het geval wezen, als ze
uit de woorden en den zinsbouw de beteekenis niet gemakkelijk kun-
nen opmaken. Moet de onderwijzer dan enkel woorden en zinsvormen
bezigen geheel uit den kinderkring en zelfs het dialect gebruiken?
Deed hij dat, hij zou licht plat en misschien laf worden en de kinde-
ren niet vooruit brengen in de kennis der taal. Hij mag wel en moet
zelfs voor hen onbekende woorden en ongewone zinsvormen gebruiken,
KIJKKN8, Ujiooeciï., 7e druk.                                                                     ü
•
-ocr page 96-
82
als hij tevens maar zorgt, óf dat de t>eteekenis uit het verband op te
maken is, of dat hij die door een synoniem of eene korte verklaring
of door gebaren aanduidt. Om hiervan overtuigd te worden, bedenke
men slechts, hoe elk mensch door lezen en door anderen te booren
spreken aan de beteekenis der meeste woorden en zinsvormen komt,
zonder dat die elk afzonderlijk hem verklaard worden.
2.     Bedaard, opdat de kinderen tijd hebben, niet alleen voor het
opnemen der klanken, maar ook voor de bewustwording der beelden.
Daarmee is niet gezegd, dat het spreken juist langzaam moet zijn,
alleen, het mag niet overhaast wezen.
3.     Aangenaam, en wel aangenaam wat den toon en wat den
inhoud aangaat. De onderwijzer moet niet vergeten, dat hij met kinde-
ren te doen heeft, bij wie niet de willekeurige of opzettelijke opmerk -
zaamheid, althans in de school, maar slechts de geleide gevonden wordt,
en dat hij hen moeilijk kan dwingen tot opletten en hen daarom lokken
en boeien moet. De onderwijzeres heeft door hare meer aangename stem
veelal iets voor boven den onderwijzer. Daarom moet ieder onderwijzer
zich te meer verplicht rekenen, op den toon zijner stem acht te geven
en het onaangename daarvan te veranderen.
4.     Levendig en aanschouwelijk: levendig door de afwisseling
in tien toon, levendig ook door de afwisseling in de stof; aanschou-
welijk door gelaatsuitdrukking en gebaren, aanschouwelijk ook door
de schildering der zaken.
iv/è. De opwekkende leervorm.
§ 55. Bij de aanwending van den mededeelenden leervorm is de
leerling ontvangende, opnemend en in zoover lijdelijk (passief); door
de ingespannen opmerkzaamheid, die van hem gevorderd wordt, wordt
hij echter weer bedrijvend (actief). Bij de toepassing van denopwek-
kenden leervorm daarentegen is de leerling geheel zelf werkzaam,
naar eene uitkomst zoekend. Vandaar dat deze leervorm ook wel de
heuristische (zelfzoekende, denk aan heurêka =. ik heb het ge-
vonden! den bekenden uitroep van Archimedes) wordt genoemd. De
onderwijzer treedt nu meer op als leidende, aanleiding gevende.
Hoewel nu geen opneming plaats vindt als bij de toepassing van den
mededeelenden leervorm, wordt toch de beeldenschat der ziel grooter,
doordat nieuwe begrippen ontstaan en nieuwe oordeelen gevormd worden;
doch de eigenlijke vrucht van den opwekkenden leervorm is, dat de
aanwezige beelden beschouwd, onderling vergeleken en met elkander
in verband gebracht worden, waardoor ze in duidelijkheid winnen en
tot oordeelen verbonden worden. De ziel komt in een\' toestand van
«
-ocr page 97-
83
opgewektheid, waarin 7.e hare krachten meer inspant, welke toestand,
door de veelvuldige herhaling, een blijvende wordt.
De middelen, die de onderwijzer bezigt, kunnen geen andere zijn
dan opgaven en vragen, zoodat men ook wel van een opgevenden
en vragenden leervorm spreekt. De opgaaf en de vraag zijn evenwel
naar hare bedoeling niet onderscheitien: beide wijzen ze den leerling
een punt uit zijne kennis aan, waarop hij zijn bewustzijn meer bepaald
moet richten, beide willen ze dus zijne zelfwerkzaamheid in beweging
brengen , door hem aanleiding te geven om over iets na te denken,
maar de opgaaf is meer stellig, gebiedend, de vraag meer uitlokkend,
opwekkend; de opgaaf geeft veelal eene taak, die strekken moet tot
toepassing en bevestiging van het geleerde, de vraag wil aanleiding
geven tot nadenken over een aangeduid onderwerp.
Tot de opwekkende of aanleiding gevende middelen zou men ook
kunnen brengen: raadsels, paradoxen (wonderspreukige gezegden),
ironie (fijne bedekte spot, waarbij men het tegengestelde zegt van
hetgeen men meent), zelfs ongerijmde uitspraken: alle middelen, die
lot nadenken prikkelen.
Het n u t van den opwekkenden leervorm is zeer groot en mag,
omdat het weleens voorbijgezien en te gering geschat wordt, wijl de
vruchten, niet zoo bepaald zichtbaar en aan te wijzen zijn als bij de
mededeeling, wel afzonderlijk aangetoond worden. Gepast aangewend,
maakt hij het onderwijs eerst recht vruchtbaar, doordat hij in den
leerling zijne kennis tot bewustzijn brengt, hem er mee leert werken
en hem er zoo de heerschappij over geeft. Kennis op zich zelve is
een schat in den akker verborgen, die eerst waarde verkrijgt, als men
ze leert gebruiken en toepassen en er oordeelen uit leert vormen.
Daartoe moet het aanwenden van den opwekkenden leervorm leiden.
Hij wekt, bovendien het leven der ziel en gewent den leerling aan
ernstig nadenken, dat meer bevredigt en dus aangenamer is dan
louter opnemen.
De opgaven moeten zijn: i. beknopt, zoodat de leerling niet
in de veelheid van woorden verward raakt; 2. bepaald, zoodat hij
juist weet, welke zijne taak is; 3. duidelijk, zoodat de leerling in
de woorden en den vorm der opgave geen zwarigheid vindt, om de
bedoeling te vinden, en 4. voor de krachten des leerlings
geschikt, zoodat hij noch moedeloos wordt en de taak onafgewerkt
laat door te moeilijke opgaven , noch lusteloos of overmoedig door te
gemakkelijke opgaven.
Waar twee of meer afdeelingen in hetzelfde lokaal onderwijs krijgen
of aan één onderwijzer twee afdeelingen zijn toevertrouwd, moet men
6*
-ocr page 98-
ft 4
soms gebruik maken van zoogenaamde stille werkzaamheden,
die dan bloot ten doel hebben de eene afdeeling stil bezig te houden.
Ze zijn in dat geval alleen als een noodzakelijk kwaad te dulden. In
eene goed ingerichte school moeten alle opgaven een deel van het
onderwijs zijn en dus ontwikkeling uitwerken. In vroeger jaren waren
dan ook de stille werkzaamheden vrij algemeen in gebruik; tegenwoor-
dig zijn ze minder noodig.
Dat de opgaven zorgvuldig nagezien worden, is iets dat van zelf
spreekt. Ze kunnen ook tegelijk aangewend worden als schrijfoefening
en als zoodanig zeer vruchtbaar werken voor het onderwijs in het
looi>end schrijven.
§ 56. Het ander middel, dat de opwekkende leervorm gebruikt, is
het vragen. Men spreekt wel van katechetisch, socratisch,
repeteerend en examineerend vragen.
Door katechetisch vragen (het Grieksche grondwoord beteekent
tegenklinken en doet denken aan de antwoorden der leerlingen op
gedane vragen, dus: in den vorm van een gesprek onderwijzen) ver-
staat men zulk vragen, waarbij over eene gegevene stof vragen gedaan
worden met het doel, dat de leerling op die stof of een onderdeel er
van zijne aandacht vestige en er een oordeel over uitspreke. Is hij
daartoe niet in staat, dan ontleedt de onderwijzer de stof en leidt
weer de aandacht des leerlings op de onderdeden en gaat met het
verder ontleden voort, ingeval de leerling nog niet tot helder inzicht
gekomen is. Het doel van het katechetisch vragen is dus, door de
stof te ontleden en door middel van vragen de aandacht op elk
onderdeel te vestigen en daarover te doen nadenken, tien leerling tot
helder inzicht van de enkele deelen zijner kennis te brengen, om daarna
uit de deelen het geheel weer samen te stellen. Ken duidelijk begrip
toch kan slechts ontstaan door eene juiste kennis van al de deelen.
Men zou daarom het katechetisch vragen ook analytisch, ontledend,
vragen kunnen noemen.
Socratisch noemt men het vragen, waarbij het doel aan den
gevraagde onbekend is en uitgegaan wordt van een punt, dat schijn-
baar niet in verband staat met het doel. Het is het vragen langs den
weg der inductie, daar men van een bijzonder geval of van bijzondere
gevallen uitgaat, om daaruit eene algemeene waarheid of eene stelling
af te leiden. Op het gebied van het onderwijs heeft het boven het
katechetisch vragen geen ander voordeel, dan dat het den leerling
ondanks hem zelven tot de erkenning van zekere waarheid brengt, hem
door de uitkomst verrast en daardoor zijne belangstelling wekt. Daarom
-ocr page 99-
85
kan het socratisch vragen vooral zijn nut doen, wanneer men iemand
eene zedelijke waarheid of het verkeerde van zijn eigen handelen wil
doen erkennen, waartoe hij op eene andere wijze niet licht zou
komen. Daartoe gebruikte ook Socrates dikwijls de bedoelde wijze van
vragen. Door iemand eene reeks van schijnbaar onverschillige vragen
te laten beantwoorden, plaatste hij hem eindelijk voor eene vraag,
waarop wel de erkenning der waarheid of van het gebrek als antwoord
moest volgen.
Dat voor een goed vragend onderwijs eene heldere kennis en veel
vlugheid van geest noodig zijn, is licht te begrijpen.
Repeteerend vragen bedoelt bevestiging en verduidelijking van
het opgenomene, door het nog eens in het bewustzijn te roepen of
nog eens aan eene beschouwing te onderwerpen.
Examineerend vragen kan geen eigenlijk onderwijs genoemd
worden: het heeft alleen ten doel, gewaar te worden, welke kennis
iemand heeft en hoe duidelijk zijn inzicht is, en is dat gewaarworden
ook al noodig voor den onderwijzer, het kan toch geen onderwijs
heeten.
Alle vragen moeten, als de opgaven, beknopt, bepaald, duidelijk
en voor de krachten der leerlingen geschikt zijn. Beknopt
zijn ze, _ als ze uit niet meer woorden bestaan, dan de duidelijkheid
eischt. Bepaald zijn ze, als ze het vraagpunt juist aanwijzen en er
dus geen ander antwoord op mogelijk is dan het bedoelde. Duidelijk
zijn ze, als de woordenkeus en de zinsvorm den leerling geen zwarig-
heid aanbieden voor de beantwoording. Ze zijn voor de krachten der
leerlingen geschikt, als de inhoud slechts over zaken loopt, dié*Wnnen
den kring van hunne kennis liggen.
Vragen, die alleen ja of neen tot antwoord eischen, zijn af te
keuren, omdat ze te weinig inspanning vorderen en den onderwijzer
soms in het onzekere laten, of de leerling met volkomen inzicht
geantwoord of wel geraden heeft.
De antwoorden moeten zooveel mogelijk juist zijn en in volzinnen
gegeven worden. Dan eerst kan men zeker wezen, dat de leerlingen
goed nagedacht hebben, en wordt het onderwijs oefenend voor den
geest. Als de kennis, noodig tot het geven van een antwoord, aan-
wezig is, kunnen gebrekkige of onjuiste antwoorden zoowel het gevolg
zijn van gebrek aan denkkracht als van traagheid in het denken.
De opvoedkundige Pestalozzi maakte veel gebruik van den leervorm,
die in voor- en naspreken bestaat, maar te veel in verhouding
tot de vrucht voor de ontwikkeling der leerlingen.
-ocr page 100-
86
. / 2. De leergang.
§ 57. De leerstof moet in al hare deelen geschikt zijn voor de
krachten van den opnemenden leerling, en het eene deel moet de
opneming van het andere gemakkelijk maken, terwijl alle een aaneen-
gesloten geheel moeten vormen. Daarom moet de onderwijzer bepalen,
welke deelen der leerstof op eiken trap van ontwikkeling des kinds
onderwezen moeten worden.
Daaruit ontstaat de leergang. De leergang is dus de aanwijzing
van de deelen der leerstof en hunne ordelijke opeenvolging, zooals ze
naast en na elkander in betrekking tot den leertijd en de ontwikkeling
der leerlingen onderwezen moeten worden. Hij wordt gemaakt, ge\'ijk
de geheele methode, ten behoeve van den leerling, want het doel er
van is, dat deze zich de leerstof op de gemakkelijkste wijze toeeigent
en er de meeste vrucht van heeft. Daaruit volgt, dat de leergang zich
voegen moet naar de ontwikkeling des leerlings en de aard der leerstof
daarbij in aanmerking genomen moet worden. De uitdrukking: op de
gemakkelijkste wijze toeeigenen, versta men vooral niet verkeerd. Ze
wil niet zeggen, dat men van den leerling geen inspanning moet
vorderen, maar alleen dat men hem geen onnoodige zwarigheid in den
weg moet leggen, die den voortgang van het onderwijs maar zou
vertragen.
Het begin van eiken leergang moet zijn het gemakkelijke, het
eenvoudige, het nabijzijnde, het aanschouwelijke of bijzondere of
concrete, opdat daaraan het volgende kunne vastgeknoopt worden.
De voortgang van den leergang moet geleidelijk zijn, zoodat er
geen onnatuurlijke sprongen of leemten in voorkomen, die te groot
zijn voor de opvolgende ontwikkelingstoestanden van den leerling,
maar het volgende zijn\' grond vindt in het voorgaande, doordat in
het voorgaande de begrippen duidelijk gemaakt worden, die in het
volgende terugkeeren, maar daar dienen, om er het nieuwe aan vast
te knoopen. Het einde van eiken leergang moet daar zijn, waar het
onderwijs den leerling overeenkomstig zijne krachten in een bepaalden
tijd kan brengen. Het einde moet altijd de afsluiting van een zeker
geheel zijn. Niet voor alle lagerescholen past volkomen dezelfde leergang.
De leergang kan analytisch (ontledend) of synthetisch
(samenstellend) zijn, naar de aard van het leervak het meebrengt.
Hij is analytisch, wanneer men eerst het geheel ter beschouwing
neemt en daarna achtereenvolgens de hoofd- en onderdeden. Hij is
synthetisch, als men aanvangt met een deel en overgaat tot andere
deelen, zoodat het veld van kennis steeds grooter wordt. Omdat alle
-ocr page 101-
87
kennis der leervakken nog in het kind opgebouwd moet worden, is
de synthetische gang voor de lagereschool aangewezen; alleen dan,
wanneer zekere geheelen zich van zelf ter beschouwing aanbieden,
kan men analytisch te werk gaan. Bij de aardrijkskunde b. v. kan elk
land eerst in het algemeen als een geheel opgevat en daarna in zijne
bijzonderheden nagegaan worden, zoo ook elk werelddeel. Bij de
vormleer kan men geschikt een voorwerp eerst als een geheel nemen
en daarin de deelen laten opzoeken en aanwijzen. Het reken- en het
schrijfonderwijs moeten noodzakelijk geheel synthetisch aanvangen. Het
lezen begint analytisch, maar wordt al spoedig synthetisch.
Zoodra eene zaak opgehelderd of eenig begrip verduidelijkt moet
worden, moet men analyseeren; want eene zaak kan slechts gekend,
een begrip helder worden, doordat men elk afzonderlijk deel, elke
eigenschap op zich zelf beschouwt. Daarom zal de onderwijzer telkens
van ontleding gebruik maken, zoodra hij bespeurt, dat het een of
ander den kinderen niet duidelijk is. Volgt men dus ook al bij het
onderwijs aan kinderen bijna altijd een synthetischen leergang, men
zal toch onophoudelijk moeten afbreken, om te analyseeren, zoodra
iets duidelijk gemaakt moet worden.
Genetisch (van genesis = het ontstaan, de wording) heet de
leergang, als de zaken zoo onder de aandacht van den leerling gebracht
worden, dat ze als uit elkander ontstaan en dus hunne onderlinge
verhouding van oorzaak en gevolg telkens in het oog gevat wordt. De
genetische leergang kan weer progressief (vooruitgaand) en re gres -
si e f (teruggaand) zijn: in het eerste geval gaat men van de oorzaak
tot het gevolg, in het tweede van het gevolg tot de oorzaak. De
geschiedenis wordt in den regel genetisch-progressief onderwezen.
Men spreekt ook van concentrische (van een middelpunt uit-
gaande) leergangen. Een concentrische leergang bestaat daarin, dat een
zelfde weg meer dan eenmaal wordt afgelegd, doordat men achtereen-
volgens hetzelfde leervak of hetzelfde deel daarvan behandelt, maar
zoo, dat men telkens meer in bijzonderheden treedt en nieuwe begrip-
pen aan de verkregene vastknoopt. De leerling krijgt dus telkens wel
een geheel, maar dat gedurig vollediger wordt.
De leergang heeft betrekking op het geheele onderwijs in het alge-
meen of op elk leervak in het bijzonder of op eenig zelfstandig deel
van een leervak. Zelfs moet aan het onderwijs in elke les een leergang
ten grondslag liggen.
Heeft hij betrekking op de regeling van het geheele onderwijs in eene
school, dan wordt hij ook wel leerplan genoemd. Wijl de leervakken
door de wet aangewezen zijn, bepaalt het leerplan, welke vakken of
-ocr page 102-
88
welke deelen daarvan in de onderscheidene klassen onderwezen moeten
worden, b.v. bij eene verdeeling der school in drie klassen, degeschie-
denis alleen in de hoogste klasse, de aardrijkskunde van de gemeente
en van Nederland in de tweede klasse, aanschouwelijk rekenonderwijs
in de eerste klasse. Het wijst juist aan, hoever de leerlingen in de
eene klasse gevorderd moeten zijn, om in eene volgende te kunnen
overgaan, hoeveel uren in elke klasse aan elk leervak gewijd, en
welke leermiddelen in elke klasse gebruikt moeten worden. In sommige
landen heeft men een door de landsregeering voor eene bepaalde soort
van scholen vastgesteld leerplan. In ons land bestaat zulk een alge-
meen leerplan niet. Ieder onderwijzer moet het dus ten behoeve zijner
school vaststellen; doch de goedkeuring is volgens de Wet (art. 21)
aan burgemeester en wethouders en den districts-schoolopziener. Hij
moet daarbij in aanmerking nemen, of de leerlingen in den regel
onmiddellijk uit het huis of voorbereid van eene bewaarschool komen,
welke in elk van die twee gevallen hunne gemiddelde ontwikkeling is,
en hoe lang hij ze in de schoolhoudt. Ook kan hij zich de vraag stellen,
wat het beste is, al de leervakken tegelijk, of één of enkele leervakken
langen tijd achtereen te onderwijzen. Beide heeft zijne voordeelen.
Ken uitvloeisel van het leerplan is de leerorde, ook rooster
of tafel van werkzaamheden genoemd. De leerorde is de aan-
wijzing, welk leervak op elk uur van den schooltijd in eene klasse
onderwezen moet worden. In den regel wordt aan elk vak telkens
een uur gegeven. Hij de grooteren is die tijd voor het schoonschrijven
te lang, bij de kleinsten moet de afwisseling der werkzaamheden
om de drie kwartier of om het halfuur plaats hebben. Behalve op
meer bijzondere omstandigheden moet men bij het samenstellen der
leerorde er op letten, welke werkzaamheden beter in de voormiddag",
welke beter in de namiddag-uren verricht kunnen worden, en er
voor zorgen, dat geen inspannende werkzaamheden onmiddellijk op
elkander volgen. Zijn er twee afdeelingen in één lokaal werkzaam,
dan moet de regeling zoodanig zijn, dat de eene afdeeling de andere
niet hindert.
3. De leertoon.
§ 58. De leertoon, ook leergeest genoemd, is het eigenaar-
dige, dat elk onderwijs en het geheele schoolleven kenmerkt, als een
gevolg van de persoonlijkheid des onderwijzers, hetzij deze persoon-
lijkheid zijne natuur is, hetzij hij ze met opzet na overweging van
zekere wetenschappelijke voorschriften eerst maar vertoont en lang-
-ocr page 103-
89
zamerhand zich eigen maakt. De hoorbare en zichtbare uiting van de
persoonlijkheid zou men <le boven bij de methode (blz. 72) besproken
leermanier kunnen noemen. Van dezen leertoon hangt voor een
groot deel het welgelukken van het onderwijs af. De methode kan
goed, cle leerstof het volkomen eigendom van den onderwijzer zijn,
en toch kan de vrucht van het onderwijs daarmede niet in verhouding
wezen. De oorzaak is gelegen in de weinige zelfstandigheid van het
jonge kind, dat nog niet naar eigen verstandelijk inzicht zijn\' wil
bepaalt, maar zich door alles laat leiden en trekken, wat invloed op
hem uitoefent. In den regel leert hij zelf niet, maar laat zich leeren,
en vandaar, dat de persoonlijkheid van den onderwijzer van zoo groot
belang is bij het lageronderwijs en zijne meerderheid het onzelfstandige kind
te hulp moet komen. Bij het middelbaar- en hoogeronderwijs treedt de
leertoon meer op den achtergrond, omdat daar de zelfstandigheid van
den leerling grooter is. In de aanvangsklasse der lagereschool en in de
bewaarschool beheerscht de leertoon het onderwijs meer dan ergens elders.
Hoewel de leertoon voor een groot deel het uitvloeisel is van de
eigenaardige zielsontwikkeling van eiken onderwijzer, kan men toch
algemeene eigenschappen noemen, die eiken goeden leertoon moeten
kenmerken, en naar welker bezit elk onderwijzer moet streven. Heeft
hij al niet van nature die eigenschappen , door nadenken en studie en
door nauwkeurig achtgeven op zich zelven kan hij zijn minder geluk-
kigen aanleg toch nog ontwikkelen en zijne natuur wijzigen ten goede.
Vraagt men, waardoor zich dan een goede leertoon moet kenmerken,
dan kunnen de volgende eigenschappen opgegeven worden:
1. Levendigheid. Ze bestaat in het gemakkelijk spreken, in
de heerschappij over de gebaren, in het vinden van voorbeelden ter
vergelijking of ter opheldering, in het vlug raden van de oorzaken
van \'s kinds gedrag, in het gemakkelijk opmerken van alle omstandig-
heden in de klasse, in het gemakkelijk nasporen van den gang van
denken bij het kind, waardoor cle onderwijzer zich daarin licht ver-
plaatsen kan en hij, bij al hetgeen voorkomt, dadelijk de rechte
middelen weet te kiezen. De levendigheid behoeft volstrekt geen
drukke beweeglijkheid te zijn, die vaak storend op het onderwijs
werkt; ze kan heel wel met bedaardheid gepaard gaan.
Wie op kinderen invloed wil uitoefenen, kan die levendigheid niet
missen. Al wat weinig verandering toont, verveelt hen. Daarom willen
ze gedurig een nieuwen en anderen prikkel, die hun\' lust gaande
houdt. Dat eene uitgebreide en grondige kennis een uitstekend middel
is, om de ware levendigheid te kunnen betoonen, ligt voor de hand.
Levendigheid bij oppervlakkigheid ontaardt In babbelarij. Wie daarom
-ocr page 104-
90
in de les in een goeden zin levendig wil zijn, moet altijd goed voor-
bereid wezen: slechts in dat geval is hij meester van de stof en kan
kiezen, wat voor den leerling het meest passend is.
2.    Warmte of geestdrift. De warmte is de openbaring der
belangstelling, deze is het gevolg van de hooge waardeering. Is men
ten volle overtuigd van de hooge waarde, zoowel van het onderwijs
voor het geluk des kinds en des volks als van elk oogenblik, dat voor
het onderwijs is afgezonderd, dan stelt men ook belang in zijn werk,
en men kan niet anders, dan met den meesten ijver en den grootsten
ernst aan zijne taak arbeiden. Met elk oogenblik wordt gewoekerd,
elk nuttig middel aangegrepen; vuur spreekt er uit den blik, kracht
uit de taal; de zwakke wordt gesteund, de lauwe geprikkeld, de
beschroomde aangemoedigd, voor ieder is de onderwijzer alles, als
waarachtige belangstelling hem bezielt, die zich in zijne warmte open-
baart. De warmte gaat over op zijne leerlingen, die ook al hunne krachten
inspannen om vooruit te komen. Een onderwijs aan kinderen, dat zonder
warmte gegeven wordt, is weinig vruchtbaar, \'t Is hier: leven wekt leven.
De overdrijving der warmte wordt onbesuisde drift, die zich zelve
voorbijloopt en het doel mist, veel goeds vernielende.
3.    Opgeruimdheid en vriendelijkheid. De natuurlijke toe-
stand van het gemoed des kinds is die van opgeruimdheid. De onaan-
gonaamheden des levens gaan het kind nog voorbij, en treffen ze hem
ook, dan duurt de werking zeer kort. Daarom is de opgeruimde man
of vrouw met hem gelijk van zin en kan hem gemakkelijk leiden.
Bovendien, bij een opgeruimd gemoed kan de geest onverhinderd
werken en al zijne kracht ontwikkelen, de wil is vaardig tot den
arbeid, het oordeel helder, de bewustwording gemakkelijk. Daarom
mag men van een gestraft kind niet vorderen, dat het dadelijk na de
straf zijne taak goed verrichte, en dit ook niet verwachten, wanneer
het denkt aan de straf, die komen zal.
Als de opgeruimdheid luidruchtige vroolijkheid wordt, is er nog
geen ander gevaar bij, dan dat de schoolorde voor een oogenblik
verstoord wordt, maar bij een opgeruimden zin is die ook spoedig hersteld.
Vriendelijkheid trekt; niet de zoetsappige, gemaakte vriende-
lijkheid, maar die een natuurlijk gevolg van opgeruimdheid en van
sympathie is. Zij richt oog en oor van het kind op den leermeester
en opent het hart voor zijne vermaningen. Waar een opgeruimde en
vriendelijke geest heerscht, blijft de boosheid verre.
De leertoon maakt wel een onderdeel uit van de algemeene methode,
maar niet zoo van de bijzondere, omdat er voor elk leervak geen
bijzondere leertoon vereischt wordt.
-ocr page 105-
01
4. De leermiddelen.
§ 59. De leermiddelen moeten niet verward worden met de
sefTool meubel en. De eersten worden bij en ten behoeve van liet
onderwijs gebruikt, om dit mogelijk en meer vruchtbaar te maken.
Ze maken een onderdeel uit van de methode, omdat ze behooren tot
de geheele inrichting van het onderwijs.
Ze kunnen onderscheiden worden in die, welke de onderwijzer in
den regel gebruikt, en die, welke doorgaans door den leerling gebezigd
worden. Tot de eersten behooren: borden en krijt, kaarten, globe,
natuurkundige instrumenten, lichamen voor de vormleer, viool, ballen-
teller, allerlei aanschouwingsmiddelen, enz. Tot de Kaatsten: schrijf-,
lees- en rekenboeken, pennen en inkt, griffels en leien, atlas, enz.
Ze moeten gekenmerkt zijn door doelmatigheid en netheid.
Zeer samengestelde toestellen passen niet voor de lagereschool. De
eenvoudigste zijn ook veelal de doelmatigste leermiddelen.
HOOFDSTUK III.
B. DE BIJZONDERE LEERVAKKEN.
1. Aanschouwings* en spreekonderwijs.
§ 60. De wet kent, zooals boven gezegd is, geen andere vakken
dan de daar genoemde: afzonderlijk onderwijs in het aanschouwen
en spreken staat niet op de lijst. En om het belang der zaak en omdat
het in de werkelijkheid voorkomt, willen we het hier evenwel aan
eene nadere beschouwing onderwerpen.
Het begrip. — Bij het nagaan van het leven der ziel blijkt,
dat de zinnelijke waarneming de grondslag van het geheele zieleleven
is. Er moeten eerst voorstellingen in de ziel zijn, vóór er begrippen
en oordeelen kunnen ontstaan. In de jaren vóór den schooltijd heeft
het kind reeds eene massa voorstellingen gevormd en een groot aantal
begrippen daaruit ontwikkeld: het bezit reeds een\' schat van kennis.
Het heeft echter niet juist waargenomen, en daardoor zijn de voor-
stellingen onvolledig en onduidelijk en de begrippen flauw en onbepaald.
De school kan niet anders, dan de begonnen ontwikkeling voortzetten
-ocr page 106-
92
en moet zich dus vooral bevlijtigen, om de aanwezige voorstellingen
te verhelderen en daarna ook den voorraad te vermeerderen. Dat ze
daartoe de omgeving bezigt, spreekt van zelf. Zijn de kinderen niet
voorbereid op eene goede bewaarschool, dan mag men gerust een jaar
of meer besteden aan aansehouwings- en spreekoefeningen, voor men
begint met hen het letter- en cijferschrift te leeren verstaan. Als ze
eerst met opmerkzaamheid hebben leeren waarnemen en spreken, als
ze een goeden voorraad van heldere aanschouwingen hebben opgedaan,
dan is het nog tijd genoeg voor het eigenlijke schoolonderwijs. Natuur-
lijk is het totaal verkeerd, het kind dadelijk bij zijne komst op de
school met het leeren der letters lastig te vallen: behalve dat dat
onderwijs eene kwelling voor het kind is, draagt het ook geen vrucht
genoeg in betrekking tot den tijd.
Onder aanschouwingsonderwijl, moet men dus verstaan: onderwijs
in het aanschouwen of waarnemen, dit in algemeenen zin genomen,
dus: aanschouwen of waarnemen met al de zintuigen. Waarnemen
bestaat evenwel in het laten werken der zintuigen, gepaard met opmerk-
zaamheid. Als de zintuigen werken zonder opmerkzaamheid, wordt er
niet waargenomen. Daardoor wordt onderwijs in het aanschouwen
eigenlijk onderwijs in opmerkzaamheid. De vrucht daarvan moet zijn:
ten eerste gewenning aan opmerkzaam waarnemen, en ten tweeden
het verkrijgen van heldere voorstellingen.
Men kan onderscheid maken tusschen aan schouwingsonder wijs
en aanschouwelijk o n d e r w ij s. Het eerste is het voorbereidend
gedeelte van het eigenlijk lageronderwijs en is geheel in de bewaar-
school en de aanvangsklasse der lagereschool op zijne plaats. Het
laatste kan meer beschouwd worden als een hulpmiddel bij alle onder-
wijs, dat vooral door het woord gegeven wordt, om door waarneming
van het bijzondere duidelijke begrippen te doen ontstaan en algemeene
waarheden af te leiden (inductie), en ook deze, eerst gegeven, weder
in bijzondere gevallen zichtbaar te maken (deductie). Bij het eerste
is meer het met opmerkzaamheid waarnemen de hoofdzaak, bij het
laatste de bevestiging van het waargenomene. Voor dit aanschou-
welijk maken van het onderwijs kan het zwarte bord uitstekende
diensten doen, en is het van belang, dat de onderwijzer teekenen kan.
Eéne ruw geteekende figuur kan soms meer nut doen dan honderd woorden.
Een groote misslag is het en was het te allen tijde, dat men zich
afsloofde en het kind kwelde, om het kennis aan te brengen enkel
door het geschreven woord. Men meende, dat, wanneer de woorden
in het hoofd waren, ook de zaken zich in de ziel hadden gevestigd.
Hoeveel goeds de memoriseer-methode ook kan uitwerken, alléén
-ocr page 107-
93
gebruikt doet ze kwaad. Wijsgeeren en opvoedkundigen hebben er
hunne stem tegen verheven, maar jaren zijn er heengegaan, vóór de
waarheid werd ingezien en toegepast. Reeds de Engelsche wijsgeer
Bacon (1561—1626) beweerde, dat alle kennis op zinnelijke waarne-
ming moet rusten, en dat dus aanschouwing het begin moet zijn
van alle onderwijs. Hij kwam er met kracht tegen op, dat de geschre-
ven taal als hoofddoel en hoofdmiddel tevens bij het onderwijs werd
beschouwd. Wat hij leerde, paste Amos Comenius (1592—1671)
practisch toe.
Geheel door eigen nadenken geleid, schreef en werkte in denzelfden
geest Pestalozzi (in Zwitserland 1746—1827), die vooral de leer der
hoeveelheden en der vormen op aanschouwelijke wijze inrichtte tot
leervakken voor de lagereschool. Niet minder wees Rousseau (in
Frankrijk 1712—"1778) duidelijk aan, hoe alle ontwikkeling een aan-
schouwelijken grondslag moet hebben en paste dit beginsel inzonderheid
toe op aardrijkskunde, meetkunde en het teekenen. Op hun voetspoor
hebben tal van mannen, vooral Duitschers, den aanschouwelijken
grondslag van het lageronderwijs verder voor de school uitgewerkt,
zoodat men zeggen kan, dat na Pestalozzi en Rousseau het groote
zielkundige beginsel der aanschouwing in de lagereschool langzamerhand
meer tot zijn recht gekomen is.
Het onderwijs in alle leervakken moet dus van aanschouwing uit-
gaan en er steeds door vergezeld worden: maar — waarop het hier
aankomt, — het eerste onderwijs moet, zooals boven reeds gezegd is,
enkel in aanschouwingsoefeningen bestaan. Daarmede gaan spreek-
oefeningen gepaard. Waarom deze juist hiermede gepaard gaan?
Omdat het kind in hetgeen het zelf waarneemt, de stof heeft voor
zijn spreken. Dat, wat het waarneemt, kan het gemakkelijk uitdrukken.
De spraak is de mondelinge uitdrukking der gedachten. Daarom zijn
verstandig ingerichte spreekoefeningen tegelijk denkoefeningen. Behalve
dat het ter school komende kind vaak nog maar gebrekkig de woord-
klanken laat hooren, mist het ook nog eene behoorlijke verbinding der
woorden, en vooral zijn zijne voorstellingen en begrippen zeer onvol-
komen en daardoor is zijn woordenschat klein. Pestalozzi liet zijne
spreek-, met de aanschouwingsoefeningen verbonden, vooral in vóór-
en in koor naspreken bestaan, maar gaf daardoor niet weinig aanleiding
tot gedachteloos naklappen van woordklanken.
§ 61. Doel en belang. — Het doel is: een goeden grondslag
leggen voor alle verdere ontwikkeling en dus ook voor het volgende
schoolonderwijs; het ontvankelijk maken voor al hetgeen voor de
-ocr page 108-
94
verstandelijke ontwikkeling /.al worden in het werk gesteld. De lagere
school heeft eene bepaalde onafwijsbare roeping, een voorgeschreven
leerstof en een meer of min vastgestelden leertijd, maar als zij haar
werk wil beginnen, vindt ze het kind in de meeste gevallen geheel
onvoorbereid. Die voorbereiding nu is het doel van het aanschouw ings-
en spreekonderwijs.
Het belang blijkt uit het boven gezegde. Zal het latere onderwijs in
de leervakken vrucht «Iragen, dan moet het kind daarvoor ontvankelijk
gemaakt worden. Het moet zijn\' beeldenschat verhelderen en vermeer-
deren, zal het verdere onderwijs daarin een goeden grondslag vinden.
Het moet nauwkeurig leeren waarnemen en opmerkzaam zijn, opdat
het in het vervolg datgene, wat het door hooren moet leeren, met
opmerkzaamheid en zorgvuldig opneme. Het moet zijne spraak leeren
gebruiken en aan de woordklanken de rechte beteeken is hechten, opdat
het middel voor het aanbrengen van kennis, de taal, met vrucht bij
zijn onderwijs kan aangewend worden. Men zou daarom ook het
aanschouwings- en spreekonderwijs kunnen beschouwen als onderwijs in
de taal, ten minste rekenen, dat het de grondslag is van het taalon-
derwijs. Hebben zoo de aanschouwings- en spreekoefeningen haar
belang voor het geheele volgende onderwijs, tegelijk werken ze voor-
deelig voor de geheele verstandelijke ontwikkeling van het kind.
§ 62. Methode. — Het spreekt van zelf, dat het onderwijs in
aanschouwen en spreken, zoo min als al het andere onderwijs, van
willekeur en toeval mag afhangen, zoodat zonder reden het eene na
het andere genomen wordt. Kischen die oefeningen ook al niet die
strenge opvolging als bij de andere leervakken, toch moet men hier
evenzeer letten op den leergang, den leervorm en de leer-
middelen.
Wat den leergang betreft, men verlieze hierbij niet uit het oog,
dat het kind, voor het de school betreedt, aanschouwelijk onderwijs
genoten heeft in huis en op straat of weg, maar zonder de minste
orde, geheel zooals de toevallige omstandigheden de voorwerpen aan
de hand gaven. Dit onderwijs moet dus voortgezet en aangevuld wor-
den. Het moet zich aansluiten aan hetgeen in de ziel aanwezig is.
De stof voor het eerste aanschouwingsonderwijs wordt dus in de om-
geving des kinds gevonden. Langzamerhand verlaat men de omgeving
en neemt het verderaf liggende, maar niet geheel onbekende. Aan-
vankelijk neemt men de eenvoudigste voorwerpen, die dus in hunne
samenstelling de minste moeite voor de waarneming aanbieden.
-ocr page 109-
95
Een volstrekt volledige en in zijne deelen aaneensluitende leergang
is voor het aanschouwingsonderwijs moeilijk te maken, doch ook niet
noodig: moeilijk te maken, omdat het gebied zoo verbazend groot is,
niet noodig, omdat geen volledigheid bedoeld wordt, maar vooral
oefening der zintuigen en gewenning aan nauwkeurig waarnemen. Ook
zou een volledig stelsel van onderwerpen licht te grooten omvang
verkrijgen en behalve dat meer van eene groepeering met slechts een
uitwendigen band tusschen de afzonderlijke groepen hebben, dan een
leergang met inwendigen samenhang zijn.
De eerste aanschouwingen hebben enkel ten doel door waarneming
een beeld van het voorwerp, dus eene voorstelling, te doen ontstaan.
Daarna zoekt men uit twee of meer voorstellingen een begrip te doen
voortkomen. Voor dit laatste doel heeft men natuurlijk twee of meer
voorwerpen van dezelfde soort noodig, waarin de overeenkomst duide-
lijk in het oog valt, b.v. eenige verschillende leien, eenige verschillende
boeken, hoofddeksels, fleschjes enz.
Het begin van den leergang is gemakkelijk aan te geven: de
omgeving, dus in de eerste plaats de voorwerpen in het schoolvertrek,
daarna in het woonhuis en langs de straat of den weg, de lichaams-
deelen; het einde is niet te bepalen. Licht komt men bij groote
uitbreiding op het gebied der bijzondere leervakken en buiten den
leeftijd der kinderen, waarvoor dit aanschouwingsonderwijs bestemd is.
De meest gepaste leervorm is natuurlijk de aanschouwelijk
mededeelende, maar buitendien de opwekkende door het gesprek
tusschen onderwijzer en leerlingen, waarvoor de aanschouwings- meteen
spreek- en denkoefening wordt.
De aanschouwing heeft voornamelijk door het gezicht plaats; toch
moet zooveel mogelijk elk zintuig gebruikt worden. Wanneer b.v. ten
aanzien van de deur gevraagd wordt, waarvan ze gemaakt is, zal het
kind antwoorden: van hout. Dit weet het echter niet door de tegen-
woordige waarneming; want de verf maakt het hout onzichtbaar, maar
of door eene vroegere öf door het zeggen van anderen. Zal op het
gegeven oogenblik zijn antwoord op werkelijke waarneming berusten,
dan moet men óf de verf ergens met een mes wegmaken óf op eene
vervelooze plek wijzen; doch ook kan men het gehoor en het gevoel
er bij te pas brengen, door den klank van het hout te vergelijken met
dien van ijzer of steen en te laten voelen het verschil tusschen hout,
ijzer en steen. Wanneer het voorwerp er aanleiding toe geeft, moeten
voor zijne opvatting meer dan één zintuig aangewend worden.
De vragen, die gedaan kunnen worden, zijn: wat ? hoe ? waarvan ?
waardoor? waartoe? Men vergete daarbij evenwel niet, dat, als ge-
-ocr page 110-
!)fi
vraagd wordt, door wien een voorwerp gemaakt is en waartoe het
dient, het antwoord niet uit zuivere aanschouwing voortvloeit, maar
een gevolg is van vroeger opgedane kennis. Men beweegt zich daarbij
niet meer op het gebied tier aanschouwing. Het vragen dient hier, om
\'s kinds aandacht te vestigen op hetgeen het moet waarnemen. Zoo
maakt men het opmerkzaam op de gedaante en de kleur, de deelen
en hun\' vorm, de hoeveelheid, de plaats in betrekking tot andere
voorwerpen, de afstanden daarbij, de toestanden of de werkingen (eene
lei b.v. kan liggen, hangen, slingeren, vallen, weggeschoven worden,
glijden). Houdt men zich in het begin aan zuivere aanschouwing,
zoodat slechts voorstellingen ontstaan, later zoekt men met het aan-
schouwde te verbinden de reeds aanwezige voorstellingen, door bewust
te roepen het gelijke, dat vroeger reeds waargenomen is. Zoo geeft
de lei aanleiding tot het vragen naar dat, waarop meer nog geschreven
wordt. Daardoor wordt de voorstellingskracht versterkt en kan zelfs
de phantasie in beweging gebracht worden. Alleen men zorge daarbij
zoo dicht mogelijk bij de zaak te blijven, of men loopt gevaar over
dingen te praten, die buiten den voorstellingskring der kinderen
liggen, zoodat dezen buiten het onderwijs blijven.
Aanvankelijk worden niet dan voorwerpen ter aanschouwing aange-
boden, daarna ook platen, eerst van bekende en vervolgens van min-
der bekende dingen. Wil men een voorbeeld van behandeling? Stel,
dat eene gewone Goudsche pijp voorwerp van aanschouwing is, dan
zou het onderwijs als volgt kunnen ingericht zijn. Wat heb ik hier?
Welke kleur heeft de pijp? Een der kinderen wordt opgewekt, om
te zeggen, dat de pijp wit is; daarna zeggen allen in koor: de pijp
is wit. Wat ziet ge hier in de school, dat wit is? Waar hebt ge soms
ook eene pijp als deze gezien? In huis. Was die ook nog zoo mooi
wit als deze? Hier heb ik nog eene pijp (eene korte). Hoe is nu deze
(met de uitgebreide armen „lang" aanduidende) en hoe deze andere?
Welke is in mijne rechter-, welke in mijne linkerhand? Welke pijp
is naar uwe rechter- en welke naar uwe linkerzijde gekeerd? Spreken:
De lange pijp is aan onze rechterzijde enz. Hoe heet dit lange eind?
Hoe dit dikke deel ? Ziet hier eens: daar zit nog een uitstekend stukje,
dat is het nopje van de pijp. Hoeveel deelen ziet ge dus aan de pijp?
Wijs ze aan en noem ze. Zegt: de pijp bestaat uit drie deelen. Hoe
heet deze vorm (met den vinger \'rondom de opening van den kop
gaande)? Zeg nu: de kop is rond. Wat is nog meer rond aan de
pijp? Ik steek mijn\' vinger in den kop. Wat zegt men nu van den
kop? De kop is hol. Is de steel ook hol? Past op: ik haal dit eind
ijzerdraad er door. Wat is wijder: de holte in den kop of in de steel?
-ocr page 111-
!>7
Spreken: de holte in den kop is wijd; de holte in de steel is nauw.
Kijk, ik laat dezen stok vallen en daarna deze oude pijp. Wat ziet
ge? De pijp is gebroken. Hoe is nu de pijp? De pijp is breekbaar.
Kunt ge de pijp ook samendrukken? Hoort: ik sla er mee tegen den
muur. De pijp is hard. Als iets hard is en toch licht breekt, zegt
men, dat het broos is. Spreken: de pijp is broos. Glas is ook broos;
ziet maar eens (een stuk glas valt op den grond). Kunt ge nog wat
noemen, dat ook broos is? Wat doet nu de pijp? De pijp hangt. En
nu? De pijp slingert. En nu? De pijp ligt. En nu? De pijp glijdt.
En nu? De pijp draait. Kn nu? De pijp valt.
Waarvan zou de pijp gemaakt zijn? Misschien van hout? Neen,
dan zou men er in kunnen snijden. Of van glas? Neen, dan zou ze
gladder en doorschijnend zijn. Van ijzer? Neen, dan zou ze zwaarder
zijn en moeten klinken. Als de kinderen zien, dat\' eene pijp hard
is en men er met de punt van een mesje in boren kan, zullen
ze zeggen, dat de pijp van steen is. De onderwijzer verbetert dit
nu en zegt, dat ze van aarde gebakken is, evenals een schoteltje of
een tafelbord.
Waartoe dient de pijp? Om er tabak uit te rooken. Wie doen dat?
Voor wie is de pijp dus bestemd?
Hier heb ik nog eene pijp (eene lange Duitsche). Hier nog eene
en nog eene. Zie, wat al die pijpen hebben. Een kop en eene steel,
die beide hol zijn. Wijs die deelen hier aan en hier en hier. Pas op,
ik kan er door blazen. Voel maar. Wat moet nu wel aan alle pijpen
te zien zijn? Maar dit sigarenpijpje dan? Ja, dat is ook eene pijp.
Waarom ?
Zoo ongeveer zou men eene aanschouwingsles voor reeds eenigszins
gevorderde kinderen kunnen inrichten. Alles laten aanwijzen door
meer dan één kind. Niet alleen laten zien, maar ook hooren en voe-
len, als het noodig is. Het waargenomene moet mondeling in een\'
zin uitgedrukt en in koor nagesproken worden. De onderwijzer moet
zorgen, dat het kind duidelijk en volledig spreekt: geen halfheid
wordt geduld, halve woorden zoo min als halve volzinnen. Dat wat
het kind zegt, moet het goed zeggen. Dan wordt ook het spreken
eene vooroefening voor de schriftelijke uitdrukking der gedachten en
tegelijk een middel tot ordelijk denken. Slordig spreken is vaak een
gevolg van slordig denken en leidt ook weer tot het laatste.
Het kind moet, zooveel het mogelijk is, niet zijn dialect, maar
Nederlandsch spreken: voor het leeren opvatten van de geschrevene
taal en voor zijn voortkomen in de wereld is dat van belang. De
onderwijzer spreke ook beschaafd Nederlandsch, alleen het dialect
kijkkns, Opvoedk., 7e druk.                                                       7
-ocr page 112-
98
gebruikende voor de soms noodige verduidelijking. Mag hij ook woor-
den bezigen, die het kind niet onmiddellijk verstaat? Deed hij het
niet, hij zou het kind niet verder brengen in zijne spraakontwikkeling.
Hij gebruike alleen geen woorden, die het kind niet kan verstaan,
omdat de beteekenis buiten zijn\' gezichtskring ligt, maar zorge, dat
hij door het juiste verband der woorden, door gebaren, door vertaling
en verklaring het kind in het verstaan te hulpe komt. Spreken, zoo-
als het kind spreekt, zou dit evenmin behagen als het oefenen.
De leermiddelen zijn boven ook reeds aangeduid, het zijn mid-
delen voor de onmiddellijke en voor de middellijke aanschou-
wing. De eersten zijn de voorwerpen en stoffen zelven, de laatsten
nabootsingen en afbeeldingen of platen. De eersten verdienen altijd
de voorkeur. Bij het gebruik van platen is men niet altijd zeker, dat
het kind ze verstaat, in allen gevalle moet het ze eerst leeren verstaan,
waarvoor de grond gelegd wordt door het zien van afbeeldingen van
zeer bekende voorwerpen. Voor het gebruik van platen kan als regel
gesteltl worden, dat in allen gevalle met voorwer[>en begonnen worde
en dat alleen nabootsingen en platen voor het kind gebracht worden
van al datgene, wat om de eene of andere reden niet onmiddellijk
getoond kan worden. De platen dienen door duidelijkheid uit te
munten en voor de gemakkelijke opvatting maar weinig te bevatten ,
dat dan nog goed van elkaar gescheiden moet voorkomen.
• 2. Taalonderwijs.
§ 63. Taal is in het algemeen elk middel, waardoor een levend
wezen naar buiten openbaart, wat in hem omgaat. Zoo spreekt men
van dierentaal, teekentaai, bloementaal, gebarentaal, woordentaal. In
betrekking tot het onderwijs verstaat men onder taal enkel woorden-
taal. In ons geval is dus de taal het middel, waardoor de mensch
door woorden zijn inwendig leven openbaart en dat van anderen ge-
waar kan worden. Verstaat hij dus zijne taal, dan is hij niet alleen
in de gelegenheid, om zich mondeling en schriftelijk met anderen in
betrekking te stellen, maar hij kan ook alles, wat anderen denken of
ooit gedacht hebben, gevoelen of ooit gevoeld hebben, dus een deel
van hun zieleleven, in zich opnemen en daardoor zoowel een edel
genot smaken als zich verstandelijk ontwikkelen.
De mensch komt immers langs twee wegen tot kennis: door onmid-
dellijke waarneming en door de taal. De geschreven taal bevat in
zich schatten van kennis en wijsheid, die voor ieder, wie de taal
verstaat, openliggen. Daarin steekt de groote waarde van de kennis
-ocr page 113-
99
der taal voor de ontwikkeling van den mensch. Maar dan volgt er
ook uit, dat het onderwijs niet zijne meeste zorg moet besteden aan
het onderwijzen van de grammaticale schrijfwijze, maar van de be-
teekenis van woorden en zinnen, d. i. het kind moet leeren, wat het
bij de woorden op zich zelf en in hunne samenvoeging te denken heeft.
Om de taal te leeren kennen en gebruiken heeft het kind voor-
eerst noodig de wetenschap, om het gesprokene en geschrevene van
anderen te verstaan (het laatste is lezen), ten tweeden om zijn
eigen zieleleven uit te drukken (spreken en schrijven) en ten
derden om het schrijven overeenkomstig de taalregels uit te voeren
(taalkunde of grammatica). Deze vier deelen van het taalonder-
wijs zullen we nu elk afzonderlijk beschouwen: het spreken , het lezen,
het schrijven, de taalkunde.
a. Het spreken.
§ 64. Boven is het spreken in verbinding met het aanschou-
wingsonderwijs beschouwd: hier willen we het wat nader op zich zelf
bezien.
Het begrip. — Spreken is de uitdrukking van het inwendige
leven van den mensch door middel van hoorbaar voortgebrachte woor-
den. Woorden zijn klanken (spraakklanken), waarbij aan iets bepaalds
gedacht wordt, die eene beteekenis hebben, of die bij wie ze verstaat,
een bepaald zielebeeld in het bewustzijn roepen. Daardoor is het
spreken het middel van gemeenschap der menschen, die in elkanders
nabijheid zijn, voor zoover bij hen aan weerszijden bij elk gesproken
woord hetzelfde bewust wordt.
Door verschillende oorzaken heeft elk volk zijne eigene spraakklan-
ken gekregen, maar niet alleen elk volk, elk deel van een volk, dat
een meer of minder zelfstandig bestaan, een eigen leven gehad heeft.
Daardoor zijn er in een land een aantal dialecten of tongvallen (ook
streek- of gouspraken). De onderwijzer heeft met die dialecten rekening
te houden in betrekking tot zijne school, omdat ze vaak de eenige
taal zijn der kinderen, die voor het eerst de school bezoeken, en voor
allen de taal blijven van het dagelijksch leven. De dialecten, het eene
zoo goed als het andere, hebben recht op die erkenning. Met zekere
minachting of uit de hoogte er op neer te zien, is daarom eene
dwaasheid; nochtans èn om het Nederlandsch als schrijftaal des te beter
te verstaan èn omdat het Nederlandsch de taal der beschaving is, is
het noodig, dat het ook de onderwijstaal der school is. Ten aanzien
van het spreken moet men, evenals later bij het lees- en schrijfonder-
7*
-ocr page 114-
100
wijs, onderscheid maken tusschen werktuiglijk en verstandelijk
spr ken. Het eerste bestaat in het juist voortbrengen der spraakklanken
en wordt inzonderheid in de bewaarschool en in de aanvangsklasse*der
lagereschool beoefend; het andere is de eigene mondelinge uitdrukking
der gedachten en wordt ontwikkeld öf altijddoor bij het geheele onder-
wijs öf ook afzonderlijk in de hoogste klasse.
Doel en belang. — Het doel van het spreekonderwijs, dat we
hier op het oog hebben, is den kinderen eene gemakkelijke mondelinge
uitdrukking hunner gedachten zooveel mogelijk in beschaafd Neder-
landsch eigen te maken, zoodat zij later bij voorkomende gelegenheden
als beschaafde menschen hunne meening te kennen kunnen geven.
Mocht men meenen, dat een afzonderlijk spreekonderwijs niet noodig
is, omdat het leven buiten de school voldoende spreken leert, dan zij
geantwoord, dat spreekonderwijs overtollig zou zijn, wanneer de kin-
deren in en buiten het huis immer goede taal hoorden. Doch —• ieder
weet het — dat is op verrena niet het geval. Daarom moet de school
te hulp komen.
Want goed spreken is van niet weinig belang. Vooreerst is het
een genoegen, dat men, waar men komt, zich sprekende als een be-
schaafd mensch kan voordoen en zich bij gesprekken niet ongunstig
onderscheidt. Ten anderen zal het iemands voortkomen in de wereld
bevorderen, als hij toont, flat hij met beschaafden kan omgaan, door-
dat hij een zeker kenmerk der beschaving met zich brengt. Ten der-
den bevordert het spreken van goed Nederlandsch de goede uitspraak
eener vreemde taal. Ten vierden leidt goed spreken tot goed denken,
evenals slordig spreken een gevolg is van en tegelijk oorzaak van
slordig denken. Ten vijfden eindelijk — doch dit geldt meer in het
bijzonder scholen voor kinderen uit den meer gegoeden stand en vooral
scholen voor voortgezet onderwijs, dus niet het minst hoogere burger-
scholen — bereidt goed spreken voor tot het leven in de burgermaat-
schappij, waarvan in onzen tijd een kenmerk geworden is: uitoefenen\'
van kracht door vereeniging van individuen en van invloed op het
geheel door vertegenwoordiging. In staat en kerk en waterschappen —
en waar niet? — laten de individuen zich vertegenwoordigen. Voor
de bevordering van schier elke zaak van algemeen belang vormt zich
eene vereeniging. In beide gevallen wisselt men sprekende van gedachten
en kan men door de mondelinge rede invloed op anderen uitoefenen
en zijne meening doen bovendrijven. Menigeen, die de gave des woords
mist en toch uitstekende denkbeelden heeft, kan die niet aan den man
brengen en moet aanzien, dat het in zijn oog verkeerde gevolgd wordt.
In Engeland en de Vereenigde Staten, waar de individuen in staat
-ocr page 115-
101
en maatschappij op den voorgrond komen, wordt op de oefening in
het spreken meer bijzonder gelet, omdat schier ieder bij meer staat-
kundige ontwikkeling zich bewust is, dat hij te eeniger tijd geroepen
kan worden, om door zijn woord de algemeene belangen voor te staan.
Nederland staat hierin met die beide staten gelijk; maar het is be-
kend, dat het Nederlandsche volk gebrekkig spreekt en zich zelfs in
het dagelijksche leven, vooral buiten den gewonen levenskring, onbe-
holpen voordoet. Daarom te meer mocht onze lagereschool, vooral
die voor uitgebreid onderwijs, en nog meer de middelbare school, de
oefening in het spreken wel tot een voorwerp van gezette zorg maken,
evenals dit het geval is met de andere deelen van het taalonderwijs.
§ 65. Methode. — De aard van het onderwerp brengt mee, dat
we hierover kort kunnen zijn, aangezien de oefening in het spreken
meest zal moeten verbonden worden met het andere onderwijs en voor
een kleiner deel afzonderlijk gegeven.
In het algemeen mag vooraf opgemerkt worden, dat er tot het
mondeling uitdrukken der gedachten eene zekere vrijmoedigheid ver-
eischt wordt, die onzen landaard in den regel juist niet bijzonder
eigen is, waaruit volgt, dat alle spreken in de school aanmoediging
noodig heeft, meer dan afkeuring en berisping; het nadeeligst werken
krenking en spot. Het bewustzijn moet bij de kinderen ontstaan, dat
ze wel kunnen spreken.
Kene andere algemeene opmerking is, dat de beschaafde spreektaal
zooveel mogelijk in de school gebruikt moet worden; het dialect niet
toelatende, maar evenmin de stijve boekentaal, zie men volstrekt niet
angstig toe, dat enkele woorden en klanken uit het dialect tusschen het
Nederlandsch in vloeien, iets wat schier onvermijdelijk is. Vooral op
het platteland kan men niet buiten een langzamen overgang van het
dialect tot het beschaafde Nederlandsch. Allerlei spraakgebreken dienen
meer door streng volgehouden goed voordoen tegengegaan, dan door
onophoudelijk te eischen, dat volkomen goed worde nagesproken.
\'t Is natuurlijk, maar ook de ondervinding leert, dat dringen en persen
in dezen weinig of geen vrucht geeft.
Veel kan hier intusschen het aanvankelijk onderwijs in het werk-
tuiglijk spreken uitwerken. Als de kinderen, vooral die van het
platteland, ter school komen, is hun werktuiglijk spreken, tenzij eene
goede bewaarschool of een beschaafd huiselijk verkeer hen vooraf vol-
doende geoefend heeft, nog uiterst gebrekkig, deels doordat ze hunne
spraakorganen nog niet in de macht hebben, deels doordat hun gehoor
nog weinig ontwikkeld is, waardoor ze niet in staat zijn, hun voor-
-ocr page 116-
102
gesproken klanken na te zeggen. Zullen hun nu èn bij het verstandig
spreken èn bij het latere luid lezen eene zooveel mogelijk juiste
klankonderscheiding en daardoor eene zuivere uitspraak eigen worden,
dan moeten ze, wanneer het gehoor en de organen nog niet al te
erg bedorven zijn, dus in het begin van den schooltijd zorgvuldig
geoefend worden in het opvatten en weergeven van de onderscheidene
spraakklanken. Op die wijze wordt een goede grond gelegd voor
het volgende spreek- en leesonderwijs en ook voor het onderwijs in
vreemde talen. Op lateren leeftijd helpt veeltijds de grootste moeite
weinig of niets.
Voor zoover het spreekonderwijs met die leervakken, welke zich er
vooral toe leenen, verbonden wordt, mag als regel gelden, dat de
onderwijzer zoo weinig mogelijk, de leerling zooveel
mogelijk behoort te spreken. Behalve dat de veelspreker niet
altijd trouw luisterende ooren vindt, beneemt hij het kind de gelegen-
heid, om zich in het spreken en denken te oefenen. Hetgeen de kin-
deren willen uitdrukken, moeten ze in ordelijk gebouwde volzinnen te
kennen geven en voor zoover de natuurlijkheid der spreektaal er niet
al te zeer onder lijdt, ook taalkundig zuiver. De school mag in dit
opzicht gerust wat ver gaan, het leven buiten de school zal wel zorgen,
dat het teveel weer weggenomen wordt. In elk geval is het taalkundig
zuiver spreken een uitstekend middel ter bevordering van het taalkundig
zuiver schrijven.
                                                                                             •
Welke leervakken het meest aanleiding tot spreekoefening geven?
In de eerste plaats zeker lezen, maar dan ook rekenen, geschiedenis,
aardrijkskunde en natuurkennis. De gelezen stof kan mondeling weer-
gegeven worden met of \'zonder gebruikmaking van de woorden van
het boek. Knkele punten kunnen worden uitgebreid naar aanleiding
van gedane vragen. Niet alle stof leent zich even goed tot teruggave.
Kerst kunnen de hoofdmomenten van het stuk opgezocht en die dan
een voor een besproken worden, even als men de punten opgeeft voor
een schriftelijk opstel. Wie spreekt, gaat voor de klasse staan, de
overigen mogen onder het spreken aanteekening houden van datgene,
waarop ze aanmerking meenen te kunnen maken. Na het spreken
kunnen ze daarmee voor den dag komen. Zoo ontwikkelt zich een
klein dispuut, dat de belangstelling in hooge mate wekt.
Vooral het mondeling oplossen van sommen geeft daartoe aanleiding^
Hierbij vooral moet op juistheid van uitdrukking gelet worden en moet
ieder het recht hebben, om een naar zijne meening juister vorm te
berde te brengen.
Dit een en ander heeft meest betrekking op de hoogste klasse; het
-ocr page 117-
103
spreekt van zelf, dat de eischen naar de verschillende ontwikkeling
der leerlingen aanzienlijk gewijzigd moeten worden.
Ingeval het spreekonderwijs opzettelijk en dus op een bepaalden tijd
gegeven wordt, wat het geval kan zijn op eene school voor uitgebreid
onderwijs en op de middelbare school, dan moet vaststaan, dat de
leerlingen de stof meester zijn en ze dus hunne meeste zorg aan den
vorm kunnen wijden, evenals dit bij een schriftelijk opstel gevorderd
wordt. Het onderwerp kan zijn eene vertelling, hetzij uit het dage-
lijksche leven of uit de geschiedenis, in het eerste geval naverteld of
ook door eigene phantasie geschapen; verder eene beschrijving uit het
gebied der aardrijkskunde of der natuurlijke historie of van een voor-
werp uit de omgeving of van een reisje; eindelijk, als het moeilijkste,
de mondelinge behandeling van eene waarheid, vervat in een spreek-
woord of eene stelling.
De vertelling zoowel als de beschrijving worden eerst besproken en
in hare hoofd- of onderdeelen ontleed. Van de waarheid worden eenige
hoofdpunten opgezocht en deze wat nader bezien bijwijze van een
gesprek, waarna de behandeling door een der leerlingen vóór de klasse
weergegeven wordt. Natuurlijk worden eerst daarna aanmerkingen
gemaakt en aanwijzingen gedaan.
,                            b. Het leesonderwijs.
§ 66. Het begrip. — Lezen is het opvatten van schriftelijk uit-
gedrukte gedachten. Men verwarre dit algemeene begrip niet of stelle
het niet gelijk met luid lezen in de school, dat ter wille van het
lezen Ie er en geschiedt en buitendien zijn nut voor het leven heeft
als voorlezen. Luid lezen en stil voor zich lezen zijn natuurlijk
twee soorten van lezen. Als men dus zegt: lezen is het overbrengen
van de zichtbare in de hoorbare taal of iets dergelijks, dan betreft
die bepaling bloot het luid lezen. Wie leest, beschouwt de hem be-
kende schriftteekens, vat ze als woorden en zinnen samen en wordt
zich nu hunne beteekenis bewust. Daardoor gaan de gedachten van
den schrijver in de ziel des lezers over en worden ook haar eigendom.
Voor het lezen is dus noodig: i. kennis van de afzonderlijke schrift-
teekens; 2. kennis van de samenstelling tot woorden en van deze
tot zinnen, en 3. kennis van de beteekenis der woorden en zinnen.
Het onderwijs in lezen bestaat dus in het doen ontstaan van die
onderscheidene kennis bij de kinderen volgens eene bepaalde methode.
Het moet dus noodzakelijk twee elementen hebben: n.1. vooreerst het
leeren der letters, het verbinden van deze tot woorden en het vlot
-ocr page 118-
104
achtereenvolgens opvatten of uitspreken daarvan, en in de tweede
plaats het leeren verbinden van de rechte beteekenis met die woorden
ieder op zich zelf en hunne verbinding tot zinnen. Het eerste lees-
onderwijs heet men wel onderwijs in het werktuiglijk lezen, het
andere onderwijs in het verstandelijk lezen. Het laatste moet even-
wel zoo spoedig mogelijk met het eerste gepaaid gaan.
Doel en belang. — Het doel van het leesonderwijs is_, het
kind in staat te stellen, om gemakkelijk datgene te lezen, wat niet
boven de mate van zijne ontwikkeling gaat. Kr mag voorondersteld
worden, dat het kind zich later, al lezende, verder in het lezen
oefent, d. i. de beteekenis der woorden en zinnen gedurig beter leert
opvatten. De lagereschool kan niet verder gaan, dan de ontwikkeling
van het kind en de beperkte tijd toelaten. Zet het kind zijn onderwijs
voort o]) eene andere onderwijsinrichting, dan wordt het natuurlijk ook
meer in het lezen geoefend; gaat het onmiddellijk in het maatschappelijk
leven over, dan moet zijne vordering in het lezen wel beperkt blijven.
Het hoofddoel van het lezen kan niet zijn het leeren van het boven-
genoemde werktuiglijk lezen. In zekeren zin is dat slechts een middel
tot het eigenlijke doel: het leeren verstaan der taal. Niet hij kan ge-
zegd worden te kunnen lezen, die bloot de woorden vlug achter
elkander uitspreken kan, maar wel hij wien met de opvatting van
de schriftteekens hunne beteekenis zonder moeite bewust wordt.
Vroeger maakte men het leeren van het middel te veel tot doel van
het leesonderwijs. Het onderwijs in het lezen moet opgevat worden
als onderwijs in de taal.
Het belang van het leesonderwijs ligt in het belang van het lezen
zelf. En dat belang is buitengemeen groot. Daarom is het leesonderwijs
het voornaamste leervak der lagereschooi.
De kennis van het lezen is vooreerst eene behoefte voor elk lid
eener beschaafde maatschappij. Onder een volk van zoogenaamde wilden
is alleen de spreektaal het middel van gemeenschap. Bij beschaafden
moeten wetten en allerlei geschreven stukken, die het maatschappelijk
leven met zich brengt, door ieder gelezen kunnen worden. Wie niet
kan lezen, wordt als geen beschaafd mensch beschouwd en is zeer
beperkt in de keus van de middelen, waardoor hij in zijn levens-
onderhoud kan voorzien.
In de tweede plaats is de kennis van het lezen eene eerste
voorwaarde voor verdere geestelijke ontwikkeling. De waarheid hiervan
is licht te vatten. De mensch ontwikkelt zich immers door het opne-
men en vormen van nieuwe beelden, zoodat zijn beeldenschat grooter
wordt, en door het denken met de aanwezige beelden, waardoor deze
-ocr page 119-
105
duidelijker worden en met elkander in veelvuldig verband komen.
Leest hij nu op de rechte wij/e, dan doet hij nieuwe beelden op,
die de schrijver op allerlei wijze met elkander tot gedachten verbonden
heeft. Met bewustheid neemt hij alles op en leest denkende of denkt
lezende en zal, zoo vaak hij in zijn leven daartoe aanleiding krijgt,
zijne kennis in verband brengen met zijne nieuwe waarnemingen en
zoo blijven denken en zich ontwikkelen.
Welken invloed op de geestelijke ontwikkeling men aan het lezen
toekent, blijkt eensdeels uit de vrees, die sommigen hebben voor het
lezen van zekere boeken, en anderdeels uit het streven van verstan-
dige mensehen, om de gelegenheden tot lezen steeds algemeener voor
het volk te maken, vooral voor den minderen man, door het uitgeven
van goedkoope litteratuur, door het oprichten van volksbibliotheken
en leeszalen, waarvan kosteloos door elk gebruik gemaakt kan worden.
Men meet ook weleens de ontwikkeling van een volk af naar het
getal uitgegeven drukwerken.
Rn in de derde plaats is voor die ontwikkeling het boek het
meest practische en meest gemakkelijke middel. Om een\' spreker te
hooren, moet men zich verplaatsen; een boek kan altijd bij ons zijn
en ieder oogenblik gebruikt worden.
Hierom en om het voorgaande is ten vierden het lezen een uit-
stekend .nuttig tijdverdrijf. De mensch wil wat doen. Wie niet kan of
wil lezen, houdt zich licht met iets bezig, dat op zijne zedelijke
ontwikkeling nadeelig werkt. Wie leest, heeft in zijn boek een aanbe-
velenswaardig afleidingsmiddel.
Om al deze redenen moet de lagereschool veel zorg besteden aan
een goed leesonderwijs, waarbij zoowel het werktuiglijk als het ver-
standig lezen tot zijn recht komt, opdat elk kind bij het verlaten
der school zonder moeite lezen |kan, wat voor zijne ontwikkeling
berekend is.
§ 67. De methode. — Hier moet dadelijk onderscheid gemaakt
worden tusschen een aanvankelijk en een voortgezet leesomler-
wijs. Van het eerste maakt een belangrijk deel uit het noodzakelijke
leeren der letters en hare verbinding tot woorden. Het kind de letters
leeren beteekent: maken, dat het vooreerst een duidelijk beeld krijgt
van den klank, ten tweeden evenzoo van den lettervorm, en ten
derden, dat de.verbinding van klank en teeken duidelijk bewust wordt.
Het eerste is het werk der bewaarschool en der voorbereidingsklasse,
waar reeds de spraakgeluiden in de woorden opgezocht en onderschei-
den worden, en moet in elk geval het leeren der letterteekens voor-
-ocr page 120-
106
afgaan. Dit laatste wordt tot het lageronderwijs gerekend en mag dus
in de bewaarschool niet plaats hebben, wanneer het ook al geen
dwaasheid heeten moet, het kind zoo vroeg er mee bezig te houden.
Het leeren der letters heeft men ten allen tijde van zooveel gewicht
gerekend, dat voor geen ander deel van het onderwijs meer methoden
zijn gemaakt.
De geschiedenis geeft twee hoofd-methoden op, de spel- en de
klankmethode, of liever twee wijzen van letterbenoeming, die men
methoden gewoon is te noemen, hoewel het woord methode in dit
geval eene veel beperkter beteekenis heeft, dan die wij er aan gehecht
hebben. Het onderscheid tusschen beide methoden is bloot de ver-
schillende letterbenoeming, en daaruit vloeien bij de toepassing
andere verschillen voort.
De spehnethode, de oudste van de twee en tegenwoordig zoo goed
als buiten gebruik, is dan die inrichting van het aanvankelijk leeson-
derwijs, waarbij de letters benoemd worden met den klank, dien ze
in het alphabet hebben. Kvenzoo moet men bij de klankmethode
denken aan die inrichting van het aanvankelijk leesonderwijs, • waarbij
de letters benoemd worden met den klank, dien ze bij het langzaam
uitspreken der woorden krijgen. Volgens de spelmethode blijft de letter-
klank vreemd aan het gesproken woord; volgens de klankmethode
maakt die klank daarvan een werkelijk deel uit.
Henoemt men de letters op de eerste wijze, dan is het natuurlijk
hoogst moeilijk, ja onmogelijk voor het jonge kind, wien het schrift"
nog geheel vreemd is, uit het uitspreken der letters tot de uitspraak
van het woord te besluiten. Alleen door menigvuldige herhaling en
geheel langs den synthetischen weg komt het kind er toe, na het
uitspreken der letters het woord te noemen. Dit heet men spellen.
Veelvuldige oefening is bij het lezenleeren naar de spelmethode hoofd-
zaak. Het oordeel is bij de vorming der woorden volstrekt niet werk-
zaam. De gewoonte moet alles doen. Toch is in onze scholen de
spelmethode tot in het begin der tegenwoordige eeuw de eenige methode
voor het aanvankelijk lezenleeren geweest, hoewel reeds in de 16e
eeuw in Duitschland en in de volgende eeuw ook in ons land \') boeken
verschenen, waarin eene betere leesleerwijze, gegrond op eene meer
natuurlijke uitspraak der letters, ontwikkeld werd. H. Wester (onder-
wijzer en schoolopziener te Oude Pekela, gest. 1821) verbeterde in
\') In I63S verscheen te Delft: P. Montanus, Bericht van ucn niewe kunst,
(;eniiemt de Sprceckonst, en in 1654 te Rotterdam: l\'aspariis van den Einde, Sehat-
kamei\'. Vooral in het laatste werk vindt men reeds hetzelfde, wat later de
klankmethode werd.
-ocr page 121-
107
zoover het lezenleeren naar de spel methode, als hij ordelijk opklim-
mende oefeningen maakte, maar hield daardoor misschien ook de
invoering der klankmethode in de provincie Groningen tegen. Die
invoering deed zich in vele deelen van ons land als eene hoogst
gewichtige gebeurtenis kennen, die veel tegenstand opwekte. Wijl ze
samenviel met de verbetering van ons lageronderwijs tengevolge van
de wet van 1806, ontstonden in de eerste helft dezer eeuw een aantal
leerwijzen voor het aanvankelijk leesonderwijs, ingericht naar de klank-
methode , waarbij dus gebruik gemaakt werd van de nieuwe letterbe-
noeming. Daarvan hebben die van Nieuwold en van Prinsen misschien
wel den meesten naam gemaakt en zich het langst gehandhaafd, de
eerste vooral in Friesland, de andere meer in het westen en zuiden
des lands.
Nieuwold (predikant en schoolopziener te Warga in Friesland, gest.
in 1812), de voorstander van het spelend en van het ontwikkelend
onderwijs, verbond het schrijf" met het leesonderwijs. Tot toelichting
van zijne leesleerwijze heeft hij geen handleiding geschreven, zoodat
men zijne methode moet opmaken uit zijne uitgegeven leesboekjes.
Hij gebruikte eenvoudige prentjes, maakte naar aanleiding daarvan
kleine volzinnetjes, schreef die op het bord, liet ze bij herhaling lezen
en daarna ontleden in al hunne deelen, waardoor hij tot de enkelvou-
dige spraakgeluiden kwam. Bij zijn leesonderwijs sprak hij van
samengestelde medeklinkers (bl, dr enz.) en van grond- of wor-
telklanken en van slotklanken (woordeinden), alle middelen, om;
het kind het opvatten der deelen van het woord en zoo ook van het
geheele woord gemakkelijk te maken. Hij handelde dus eerst analytisch
en vervolgens synthetisch. Zijne leerwijze komt veel overeen met die
van den Franschman Jacotot (als hoogleeraar te Leuven gest. in 1840).
Nieuwold maakte voor de vorming van woorden gebruik van het door
hem uitgevonden leesrad met daarbij behoorende schuiflijsten. Hij hield
er van letterverbindingen met beteekenis te leeren en nam zijne woor-
den uit het leven des kinds.
Prinsen in 1817 directeur geworden van de onder de wet van 1806
bestaan hebbende rijkskweekschool voor onderwijzers te Haarlem,
(1777—1854) handelde voor het grootste deel synthetisch. Naar aanlei-
ding van prentjes liet hij namen uitspreken. In eiken naam liet hij een\'
letterklank hooren en beide herhalen, tot de naam gemakkelijk den
letterklank herinnerde. Daarna leerde hij de zoogenaamde slotklanken
(woordeinden bestaande uit een\' klinker of tweeklank met een\' mede-
klinker er achter) en vormde daarvan nieuwe woorden, door eerst één
medeklinker vóór en dan nog één er achter te voegen, vervolgens twee
-ocr page 122-
108
medeklinkers enz. Zijne tien geregeld opvolgende oefeningen heeft hij
in negen leestafels bijeengebracht. Van het begin der vijfde oefening
op de vierde leestafel gebruikt hij alleen letterverbindingen met
beteeken is.
Het spreekt van zelf, dat men over de zoo gewichtige zaak van het
aanvankelijk leesonderwijs aanhoudend bleef nadenken en zoo der
waarheid steeds nader kwam. Nog altijd bleef in de nieuwe leerwijze
iets van den zuurdeesem van het oude spellen over. De letters werden
niet zuiver zoo benoemd, als ze in het woord gehoord werden, maar
ontvingen een bij-geluid. Men verloor nog steeds het grondbeginsel
van de klankmethode uit het oog: de uitspraak der letters
moet zooveel m o gel ij k overeenkomen met haar\'
klank in de uitgesproken woorden, zoo dat door het
achtereenvolgens uitspreken tl er letters het woord
dadel ij k ontstaat.
§ 68. In 1866 verscheen de leerwijze van Bonman. Zij trok al
spoedig de algemeene aandacht, wijl ze het meeste voldeed aan de
eischen eener gezonde onderwijsmethode. Bouman verbindt het aan-
vankelijk lees- met het aanschouwings- en spreekonderwijs. Daarvoor
heeft hij 12 platen gegeven met afbeeldingen van voorwerpen uit den
kinderkring, waarvan de namen de klinkers en medeklinkers bevatten.
Die namen heet men normaalwoordcn. Nadat de afbeelding beschouwd
en besproken en met dit onderwijs vertellen, van-buiten-leeren en
zingen van een versje, alles op het onderwerp betrekkelijk, verbonden
is, worden door duidelijk en langzaam voor- en naspreken uit den
naam de klanken gezocht en deze daarna door de zichtbare letterteekens
voorgesteld. Alles is aanschouwelijk en het volgende op het vooraf-
gaande gegrond. Het letterteeken staat niet als iets vreemds op zich
zelf, maar vindt zijn\' grond in den letterklank, die weer uit den
woordklank is voortgekomen, terwijl deze zijn\' inhoud heeft in het
afgebeelde voorwerp, dat een zoo duidelijk mogelijk beeld in de ziel
is geworden. Zoodra twee of drie letterteekens in de ziel des kinds
vast met hun\' klank verbonden zijn, worden er kleine woordjes van
gevormd en gaat men op die wijze met de andere afbeeldingen voort.
Er worden alleen letterverbindingen met eene beteekenis, dus woorden
geleerd. Het kind moet de beschouwde letterteekens in drukvorm of
met cursieve letter nateekenen. Voor het eigenlijke schrijfonderwijs is
een afzonderlijke leergang noodig. Het nateekenen der geleerde letters
dient alleen tot betere opvatting.
Om de verschillende uitspraak der klinkers aan te duiden, gebruikt
-ocr page 123-
109
Bouman geen toonteekens, zooals vroeger wel gedaan werd: ze maken
het kind zijne taak slechts moeilijker en worden later toch buiten
gebruik gesteld. Afwijkingen in de uitspraak blijven eerst weg; als het
kind eenige vaardigheid verkregen heeft in het opvatten van eenvoudige
woordvormen, zal het geen \'moeite kosten, hem te gewennen, som-
mige woorden eenigszins anders uit te spreken, dan de letterteekens
aanwijzen.
Üe voorwerpen, op Bouman\'s platen afgebeeld, zijn: roos, peer,
hoed, pen met pot, zaag, muur, vat, juk met korf, bijl,
schip, wieg en deur. Misschien kan op de keuze van deze zooge-
noemde normaalwoorden aanmerking gemaakt worden, daarmee heeft
echter het grondbeginsel der leerwijze niet te maken \').
Voor het lezen der tweeklanken heeft Bouman geen afzonderlijke
platen gegeven. Ze kunnen geacht worden, samenstellingen van enkele
klinkers te zijn, of ook na de andere letters als een geheel beschouwd
en met hun eigenaardigen klank geleerd worden.
De beide eerste grondwoorden haan en peer bevatten, behalve
voor eenige zelfst. naamw., de bestandtleelen van het lidwoord van
onbepaaldheid en van een voorzetsel, met welke woorden uitdrukkingen
gevormd worden. De grondwoorden der eerste v ij f platen bevatten de
letters van het bepalend lidwoord, het zelfst. werkwoord, een voor-
naamwoord en eenige voorzetsels. Is men zoo ver gevorderd, dan
lezen de leerlingen geheele volzinnen. Het lidwoord d e wordt zonder
ontleden als een geheel uitgesproken, zoo ook de volstrekt noodige
toonlooze uitgangen.
Spellen d. i. het eerst noemen der letterklanken en het daarna uit-
spreken van het woord, wil Bouman niet: het uitspreken der letter-
klanken moet dadelijk tot het woord leiden. Gaat dit ook eerst moeilijk
en slepend, weldra zal het kind op het zien der letterteekens door het
uitspreken der klanken zonder veel moeite tot het woord komen.
Het leeren der letters en woorden gaat, zooals uit het boven
genoemde blijkt, zoo spoedig mogelijk over in en gepaard met lezen
van zinnetjes, waarvan de beteekenis door vragen tot het bewustzijn
gebracht wordt, en die in den vereischten toon worden gelezen.
Men zal gezien hebben, de gang is aanvankelijk analytisch, maar
wordt later natuurlijk synthetisch. Toch zal men gedurig weer tot het
ontleden moeten terugkeeren, om den kinderen goed bewust te
\') Later heeft Bonman eene tweede serie van 13 platen gegeven onder den
titel: De eerste schooljaren, waarop voorkomen: haan, peer, kip, mes, doos, wiet/,
bijt, sloel, jas, mof\', vuur, schoen
en deur. Hierbij ook een Handboekje benevens
9 leesbockjes. Alles bij den uitgever dezes.
-ocr page 124-
110
maken, uit welke klanken het hoorbare en uit welke teekens het
zichtbare woord is gevormd. Voor het zuiver schrijven is deze ontleding
bovendien noodzakelijk.
Na het verschijnen van Bouman\'s leesleerwijze zijn er nog verscheiden
andere in het licht gekomen. Kenige zullen hier in hun eigenaardigs
geschetst worden.
De leesleerwijze van De Raaf en Baas komt in de hoofdzaken met die
van Bouman overeen. Zij bezigen echter geen normaalwoorden , maar
normaalzinnen: ik rij, ik rij op ijs, ik zie een boom, een duif zit op
het dak, de koe gaat naar de wei, de jager gaat op de jacht, de klok
wijst vier uur, de koopman draagt een mars op den rug, de wijzer op
de klok draait rond, een oude bedelaar staat aan de deur, de brug
ligt over den stroom. Op 10 platen vindt men afbeeldingen, die op
die zinnen betrekking hebben.
Niet alleen worden uit zinnen de letters geleerd, de leesoefeningen
bestaan ook van het begin vooral uit zinnen. De eerste leesoefening
is: ik — rij, ik rij, rij ik? — rij! — Men lette op den verschillen-
den vorm dezer drie zinnen en het vroeg gebruiken van leesteekens.
Bij de keuze van de woorden hebben de schrijvers eene geregelde
opklimming in acht genomen. Zoo zijn de beide eerste normaalzinnen
gemaakt van woorden, bestaande uit eenen klinker met eenen mede-
klinker er voor of er achter. De drie volgende zinnen bevatten daar-
nevens woorden van een\' klinker met een\' medeklinker vóór en achter
den klinker. (Men vergelijke met deze volgorde de eerste normaal-
woorden bij Bouman, haan en peer: medeklinker klinker - -
medeklinker).
Lezen en schrijven zijn niet verbonden. De gevolgde leergang dient
dus niet voor het onderwijs in het schrijven.
De methode is ook analytisch-synthetisch. De Raaf en Baas naderen
met hunne normaalzinnen Jacotot en Nieuwold.
Eene andere methode is die van Noyon. Ze verschilt van die van
Bouman in de eerste plaats door de keuze der normaalwoorden. Onder
deze vindt men bij Noyons zoowel betrekkingswoorden als namen van
zaken. Eenige van de eerstgenoemde soort zijn: om, op, af, en, in.
Het woordje o p staat onder eene afbeelding van een jongentje, dat
op een bankje geklommen is. Duidt het grondwoord, zooals in dit
geval, eene betrekking aan, dan komt men van de afbeelding tot eenen
zin en van dezen tot het bedoelde woord. (Vergelijk hiermede den
tweeden normaalzin van De Raaf en Baas: ik rij op ijs).
Verder vangt Noyons aan met het lezen van een woord, dat alleen uit
eenen klinker bestaat: het woordje oo ! voorgesteld door een dubbel teeken.
-ocr page 125-
111
De eerste leesoefeningen bestaan in woorden van een\' klinker en een\'
medeklinker er achter en woorden van alleen een\' klinker. Het lezen
van een\' medeklinker aan het begin van een woord wordt tot het
tweede leesboekje uitgesteld en bijgevolg moeilijker geacht. De Raaf
en Haas nemen tusschen woorden van den vorm klinker en medeklinker,
medeklinker en klinker, zooals we gezien hebben, geen\' overgang aan.
Men herinnere zich den eersten normaalzin, waarin de medeklinker
zich zoowel achter als vóór den klinker bevindt.
Ook deze methode dient niet als leergang voor het onderwijs in het
schrijven. Het naschrijven der letters is een middel, om haar vaster in
het geheugen te prenten.
Eene derde is die van J. Versluys. Bij deze daarentegen is voor de
volgorde der letters ook gelet op de moeilijkheid, om het teeken te
schrijven. In de leesboekjes staan de normaalwoorden onder de plaatjes
in druk- en in schrijfletters. Hoewel we hier dus met een\' schrijflees*
leergang te doen hebben, is de bij de leesboekjes behoorende handlei-
ding echter alleen voor het leesonderwijs.
Versluys leert slechts ééne letter tegelijk. Zijn eerste normaalwoord
is ui. Volgens Versluys begint men dus met een woord, dat uit een\'
tweeklank bestaat (Noyons beginwoord is een klinker), maar worden
de tweeklanken dan ook niet ontbonden. De eerstvolgende normaal-
woorden zijn: ei, lei, aal, aar, oor, roos enz. Door de afbeelding
kan het kind den naam van het nieuwe teeken zelf vinden.
Van de leesoefeningen valt ten slotte nog op te merken, dat sommige
moeilijkheden afzonderlijk behandeld worden. Deze moeilijkheden zijn
o. a.: het enkele teeken voor den volkomen klank en de scherpe uit-
spraak der zachte medeklinkers op het einde van een woord. Hieraan
zijn afzonderlijke lesjes gewijd.
Eindelijk willen we hier nog een tweetal methoden noemen, waarin
lezen en schrijven werkelijk met elkander verbonden zijn, en waarvan
de handleidingen voor beide leervakken even uitvoerige aanwijzingen
geven. Het zijn in volgorde van haar verschijnen: Lezen, schrijven en
taal door P. Molenbroek, en Schrijven en lezen door L. Bouwman en
W. F. Hildebrand. Uit den titel blijkt, dat de eerste ook het onderwijs
in de taal omvat.
Beide schrijfleesmethoden vangen aan met het woordje i n. Opdat dit
woord gelezen en geschreven zal kunnen worden, zijn er vooraf voor-
bereidende oefeningen gehouden. Deze bestaan hoofdzakelijk in het
leeren van de houding van het lichaam en pen en schrijfboek en het
schrijven van op- en neerhalen. Wat het lezen betreft, hebben volgens
de methode van Bouwman en Hildebrand de leerlingen, eer de ver-
-ocr page 126-
112
bonden schrijfleesoefening met het woordje in begint, ook nog vaardig-
heid verkregen in het ontbinden van kleine woordjes in hunne klanken
en het verbinden van deze tot woorden. In de methode van Molenbroek
is dit niet het geval en gaat aan het leeren lezen en schrijven van i n
alleen de bovengenoemde schrijfoefening vooraf. Bouwman en Hildebrand
zorgen, dat, als het eerste normaalwoord hunner methode aan de orde
komt, de klanken reeds bekend zijn; bij Molenbroek zijn èn de klan-
ken èn de teekens nog nieuw.
Uit de overige normaalwoorden leeren de schrijvers steeds ééne letter
tegelijk. Molenbroek heeft na in genomen: non, mom, o! oom,
ooi, oor, rum, ui, u enz.; Bouwman en Hildebrand hebben: min,
vin, wim, uur (bij uitzondering twee nieuwe letters), een, ei, wei,
oor, moe, man enz.
Het eerste en het derde leesboekje ivan Bouwman en Hildebrand
zijn geheel met de schrijfletter gedrukt. Het tweede is eene herhaling
in drukletters van het eerste. In de leesboekjes van Molenbroek is
overal de drukletter gebruikt en zijn de normaalwoorden bij de plaatjes
ook met eene cursieve letter gedrukt.
Molenbroek geeft als leesoefeningen losse woorden, uitdrukkingen en
zinnen, Bouwman en Hildebrand gaan spoedig over tot lesjes met
samenhang.
A 69. We komen nu tot de methode voor het voortgezet
leesonderwijs in de volgende schoolklassen. De kinderen hebben
in de aanvangsklasse de letters geleerd en kunnen gemakkelijke woor-
den in hun geheel vaardig opvatten en er de rechte beteekenis aan
verbinden. Daarmee moet natuurlijk voortgegaan worden, waartoe de
leesstof in moeilijkheid opklimt.
Het voortgezet leesonderwijs heeft twee bedoelingen: het wil
de kinderen vooreerst goed luid leeren lezen, ten tweeden de
geschreven taal doen verstaan. Beide bedoelingen hangen zoo nauw
samen, dat de eene niet zonder de andere bereikt kan worden. De
tweede bedoeling blijft evenwel de hoofdzaak, omdat het doel van
alle lezen is de opvatting van den inhoud der schriftelijke taal. De
meeste moeite moet dus besteed worden aan het leeren verstaan der
schrifttaai. De mensch leest immers in zijn leven tienmaal zacht voor
zich zelf tegen eenmaal hardop. Daar evenwel het luid lezen voor het
leesonderwijs volstrekt noodig, goed hardop lezen ook bevorderlijk is
voor het spreken en tevens een waarborg voor het verstaan, terwijl
het ook in het gezellig huiselijk leven van groot belang is, dient er het
noodige gewicht op gelegd te worden. Doordat in de school altijd luid
-ocr page 127-
113
gelezen moet worden, is het luid lezen weleens ten onrechte genomen
voor het lezen in het algemeen.
Het voortgezet leesonderwijs in de school dient te zorgen, dat
de leerlingen komen tot nauwkeurig, natuurlijk en vaardig
lezen. Ieder zal inzien, dat die drie eigenschappen alleen betrekking
hebben op het luid lezen, maar dat ze tegelijk voor een deel het ge-
volg zijn van goed verstaan en dit tevens bevorderen.
Nauwkeurig leest hij, die bij zijn luid lezen alles in acht neemt,
wat op het blad gedrukt staat. Wie dus geen letter invoegt of uitlaat,
geen woord verkeerd uitspreekt of een hooren laat, dat er in \'t geheel
niet staat, geen woord herhaalt en vlot achtereen leest, elk teeken
opmerkt en gelden laat, zoo iemand leest nauwkeurig. Wie niet nauw-
keuiïg leest, leest foutief of volgens het gewone zeggen slordig of valsch.
Het nauwkeurig lezen zal worden bevorderd, als de oefeningen
langzaam en geregeld opklimmen en vooral aan de eerste oefeningen
veel zorg besteed wordt, zoodat het kind nauwkeurig leert zien en
bedaard eiken woordvorm leert opnemen. De fouten, die het maakt,
moet het door zelf zien verbeteren.
Iemand leest natuurlijk, als zijn lezen overeenkomt met het
spreken van een beschaafd mensch. Hardop lezen is immers niets
anders dan het uitspreken van schriftelijk uitgedrukte gedachten. En
gelijk iemand spreekt, naar de aard van zijn onderwerp meebrengt,
zal ook het natuurlijk lezen overeenstemmen met den aard van het
gelezene en de euphonie der taal. Elke letter wordt dus naar den
eisch der taal uitgesproken, de klemtoon wordt naar de voorschriften
gelegd, het hooge of lage van den toon en de maat worden ingericht
naar den aard van het gelezene.
Goed voordoen en goed verstaan zijn twee middelen, waardoor het
natuurlijk lezen verkregen wordt. Dikwijls evenwel zal men opmerken,
dat kinderen, die in huis goed hebben leeren spreken, ook licht tot
natuurlijk lezen komen, terwijl anderen, die zelden goed spreken hoo-
ren of wien in huis verkeerd voorgelezen wordt, ook met de meeste
zorg nooit natuurlijk leeren lezen. Individueele, plaatselijke en alge-
meene gebreken in de uitspraak zijn ook hinderpalen voor het natuur-
lijk lezen, waartegen de onderwijzer wel altijddoor strijd voert, maar
die hij bijna nooit wegneemt, omdat het kind buiten de school de
fouten steeds weer hoort en zijn gehoor voortdurend bedorven wordt.
Al te veel moeite en tijd aan het bestrijden van de individueele en
plaatselijke gebreken in de uitspraak te besteden, zou wellicht het
leeren verstaan — en dit is toch het hoofddoel — benadeelen. Iets
anders is het met de algemeene gebreken, zooals het scheiden van
icijkens, Ujwoedk., 7e druk.                                                            8
-ocr page 128-
114
den ;y-klank, het volledig laten hooren van de sch in het midden en
aan het eind van het woord, het geven van evenveel toon aan de
voor- en achtervoegsels als aan den stam en meer andere gebreken,
die niet in de beschaafde spreektaal gehoord en daarom licht a/ge-
leerd of liever niet aangeleerd worden, als de onderwijzer zelf er niet
mee behept is.
Vaardig leest hij, die zonder de minste moeite nauwkeurig en
natuurlijk leest, wien dus goed lezen geheel eigen is. Het is de vrucht
van veel zorgvuldige oefening in nauwkeurig en natuurlijk lezen.
Bij enkele regels te laten lezen is onzin; ook is het verkeerd, elk
kind altijd slechts een enkelen volzin te laten lezen: beide staan het
natuurlijk en vaardig lezen in den weg.
Aan de lagereschool kan men gerust vreemd laten het schoon
lezen, dat daarin bestaat, dat de lezer door zijn\' toon en voordracht
het gevoel wil weergeven, \'t welk den schrijver bezield heeft, om daar-
door ook bij zijne hoorders dat zelfde gevoel te doen ontstaan. Behalve
dat de daarvoor geschikte leesstof voor de bevatting van het twaalfjarige
kind te hoog is, is ook zijne geheele ontwikkeling niet ver genoeg
gevorderd, om het schoone en verhevene juist op te vatten en weer
te geven. De beoefening van het schoon lezen zou bij het schoolkind
licht leiden tot naaperij en pedanterie.
§ 70. Zooals gezegd is, natuurlijk en vaardig lezen worden bevor-
derd door het goed verstaan van het gelezene; dit dus is in zoo-
ver een middel, doch tegelijk is het het hoofddoel van het leesonder-
wijs; want dit moet leiden tot het verstaan der taal.
Het leesboek, dat eigenlijk altijd om de oefening eenigszins boven
de krachten van het kind moet zijn, bevat een aantal woorden en
uitdrukkingen, die het niet verstaat, d. i. dezulke, waarbij het zich
niets of niet het rechte denkt. Die moet het leeren verstaan, indien
het zijne taal tot zekere hoogte zal kennen. Voor een deel heeft het
zijne taal reeds geleerd door het leven buiten de school. Doch van
veel woorden is hem de beteekenis niet duidelijk geworden, veel andere
woorden, die het in zijn leesboek vindt, heeft het nog nooit ontmoet.
Ook krijgt het construction onder de oogen, die hem vreemd en daar-
door onverstaanbaar zijn. Beide leert het voor een gedeelte verstaan,
doordat het de beteekenis opmaakt uit het verband der woorden en
zinnen. Voor zoover de onderwijzer vreest of overtuigd is, dat de leer-
lingen het gelezene niet verstaan, moet hij het verklaren, opdat met
elk woord en elke uitdrukking de rechte beteekenis door het kind ver-
bonden wordt. Het kind te laten uitspreken, wat het niet verstaat,
-ocr page 129-
115
werkt verderfelijk, omdat het daardoor gewoon wordt klanken te laten
hooren, zonder er iets bij te denken.
Wat verklaring behoeft, is moeilijk in bijzonderheden op te geven.
Het oordeel en de ervaring des onderwijzers doen dezen licht inzien,
wat zijne leerlingen niet verstaan. Een gebrek, waarin beginnende
onderwijzers licht vervallen, is het verklaren van woorden, die geen
verklaring noodig hebben, enkel uit zucht tot praten of doordat ze
meenen, dat elke zin toch eenige verklaring behoeft. Kr blijft te veel
over, wat werkelijk toelichting noodig heeft, om tijd aan het onnoodige
te verspillen. De leesles moet eene leesles blijven, dus eene oefening
zoowel in het luid lezen als in het verstaan; ontwikkeling van een
begrip behoort niet meer tot het leesonderwijs.
De verklaring kan noodig zijn ten aanzien van enkele woorden,
uitdrukkingen en geheele zinnen. De verklaring van een woord
kan of uit zijne taalkundige vorming afgeleid óf door een bekend
synoniem aangeduid óf door eene bepaling gegeven óf ook door het
in een anderen volzin te gebruiken, verstaan worden. Het eerste kan
slechts bij een bepaald getal woorden en moet steeds met veel om-
zichtigheid geschieden, omdat verscheiden woorden eene andere betee-
kenis gekregen hebben, dan hunne taalkundige vorming aanduidt; ook,
omdat een woord veelal maar ééne eigenschap van het begrip opgeeft.
Veel woorden hebben eene overdrachtelijke beteekenis, die zooveel
mogelijk uit de eigenlijke verklaard moet worden.
Op dezelfde wijze kan met de uitdrukkingen gehandeld worden.
Bijna alle zijn ze figuurlijk; daarom kan men hare beteekenis ook vaak
uit den eigenlijken zin opmaken.
De beteekenis van zinnen kan slechts door hunne ontleding duidelijk
in het licht gesteld worden. Daarvoor dient de zins- of redekundige
ontleding. Haar doel is de opsporing en benoeming van de betrekking,
die de woorden in den zin vervullen. Eene afzonderlijke beoefening
van de zinsontleding is in de lagereschool overbodig, bij het leeson-
derwijs is ze op hare plaats. Hoe ver men met de onderscheiding der
leden gaan moet, hangt geheel af van de ontwikkeling der leerlingen.
Soms kan reeds, door bijzonderen nadruk op een of ander lid te
leggen, zijne betrekking aangeduid worden.
De verklaring kan meedeelend gegeven of ook vragend ont-
wikkeld worden. Is het laatste mogelijk en vordert het niet te veel
tijd, dan verdient die wijze natuurlijk verreweg de voorkeur, omdat
ze het kind oefent in het denken en de beteekenis beter tot zijn
eigendom maakt.
Voor de opvatting van het geheele leesstuk is aanwijzen van de
8*
-ocr page 130-
116
deelen en hun onderling verband noodig. Het opschrift of de titel
duidt reeds den inhoud in het algemeen aan. De behandelde hoofd-
zaken worden opgezocht en zooveel mogelijk met eigene woorden
weergegeven. Door vragen wordt het kind er toe geleid, het verband
tussohen de hoofddeelen te vinden en het, als het kan, door een
voegwoord uit te drukken.
Op die wijze wordt het lezen, wat het zijn moet, eene taaioefening,
en leert het kind zijne taal verstaan en zich er in uitdrukken, zoover
de trap zijner ontwikkeling dat toelaat.
§ 71. Tot de leermiddelen voor het leesonderwijs kan men
rekenen: in de eerste plaats het zwarte bord met krijt en het
leesboek, buitendien heeft men wellicht nog en had men inzonder-
heid vroeger eenige meer bijzondere leesleermiddelen, als: het leesrad
met schuiflijsten, de letterkast en de leeslessenaartjes. In de laatste
tijden heeft men ze echter weinig of niet meer in gebruik gezien. Het
eerste was er op ingericht, om op eene gemakkelijke wijze en in
korten tijd eene groote menigte woorden te kunnen vormen. Het was
meer een uitvloeisel van de spel- dan van de klankmethode. Immers
volgens de eerste methode was het noodig, dat het kind zooveel mo-
gelijk woorden spelde; dat denkbeeld bracht men over op de klank-
methode en bedacht daarom werktuigen om vlug woorden te maken.
De letterkast en de leeslessenaartjes bedoelden, het kind zelf de
woorden te laten samenstellen, en mochten in dat opzicht eene geluk-
kige vinding heeten. Ondoelmatigheid bij het klassenonderwijs schijnt
ze evenwel langzamerhand van de baan geschoven, althans op den
achtergrond geplaatst te hebben.
Meer practisch en doelmatig zijn het zwarte bord en het leesboek.
Het eerste behoort geheel bij het aanvankelijk leesonderwijs. Du aan-
dacht van al de kleinen gezamenlijk moet nog naar één punt getrok-
ken en door den onderwijzer beheerscht worden. Als ieder voor zich
in een boekje moet zien, dwalen ze licht af. Evenwel, èn tot afwis-
seling èn tot oefening is het goed, tusschenbeide het leesboek te
gebruiken.
Het leesboek heeft bij het onderwijs altijd eene belangrijke plaats
ingenomen en neemt het nog in. Er is dan ook altijd veel zorg aan
besteed. En terecht: het verstaan der taal is volstrekt noodig voor de
algemeene ontwikkeling van den mensch, en het leesboek is voor het
leeren verstaan het voornaamste hulpmiddel. In den loop der tijden is
evenwel over zijn\' dienst zeer verschillend gedacht en heeft het leesboek
een verschillend karakter gekregen. Voordat het lageronderwijs eene
-ocr page 131-
117
staatszorg werd, bestond de leesboekenlitteratuur maar uit zeer weinig
nummers, en wat er was, had geen recht, om den naam van leesboek
te dragen. Van geschikte stof en geregelde opklimming was niets te
bespeuren. De maatschappij: Tot nut van \'t Alg., bracht het eerst
verbetering. Wester gaf ordelijke leesoefeningen naar de spelmethode
en bovendien eenige leesboeken. Een aantal anderen, waaronder vooral
Van Heyningen Bosch, Nieuwold en Anslijn moeten genoemd worden,
voorzagen na het begin der wetgeving langzamerhand de school van
geschikte leesboeken. Aanvankelijk bestond de inhoud vooral in kinder-
lijke verhalen en versjes met eene zedelijke strekking. Daarnaast waren
er ook, waarin een of ander leervak de leesstof uitmaakte. Allengs,
reeds tusschen \'40 en \'50, werden de boekjes met vertellingen minder
geschikt gekeurd en verschenen er meer leesboeken, waarin eenig leervak
behandeld werd. Vooral, toen de wet van \'57 de leerstof der lagere-
school aanzienlijk uitbreidde, namen die leesboeken, die men later als
leerleesboeken aanduidde, zeer toe en kregen de overhand. Zoo
kreeg men leesboeken over geschiedenis, aardrijkskunde, natuurkennis,
taalkunde, zelfs over vormleer en rekenen. Onnatuurlijk was dit niet:
vooreerst werd lezen enkel als luid lezen verstaan en werd er weinig
aan verklaring gedacht, waaruit volgde, dat met dat lezen de stof uit
eenig leervak zonder moeite kon worden opgenomen. Ten anderen
waren de leerleesboeken voor veel onderwijzers, die niet op de hoogte
van hun\' tijd waren, een gemakkelijk middel, om aan de wet te
voldoen.
Het gebruik van de leerleesboeken had echter zijne nadeelen:
1. doordat licht meer werk gemaakt werd van het leervak, dat den
inhoud uitmaakte, werd op het verstaan der taal, op het eigenaardige
gebruik van woorden en uitdrukkingen niet of minder gelet; 2. het
leervak met het lezen verbonden kon niet naar zijne methode onder-
wezen worden, evenmin het lezen zelf; 3. de mondelinge voordracht
des onderwijzers, zoo levenwekkend in de lagereschool, raakte op den
achtergrond. Daarbij dient opgemerkt te worden, dat de vereeniging
van twee leervakken in allen gevalle maar schijnbare tijdwinst opleverde:
men kan geen twee ruggen uit één varken snijden.
Het nadenken over een en ander leidde er toe, dat de leerleesboeken
langzamerhand buiten gebruik gesteld werden. Er voor in de plaats
kwamen — het was omstreeks \'70 — leesboeken, waarvan de inhoud
letterkundig zou kunnen genoemd worden, boeken meer geschikt,
om de taal in hare verscheidenheid aan de kinderen te leeren kennen.
Wel zijn in de laatste jaren weer leesboekjes verschenen, die met de
vroegere leerleesboeken gemeen hebben, dat geschiedenis, aardrijks-
-ocr page 132-
118
kunde of kennis der natuur hun\' inhoud uitmaakt, maar daarvan zeer
verschillen door stijl en inrichting en een afzonderlijk mondeling metho-
disch onderwijs in het verbonden leervak naast het gebruiken van het
leesboek veronderstellen.
y c. Schrijven.
§ 72. Wat is schrijven? Schrijven is het zichtbaar door woorden
uitdrukken van gedachten. Dat zichtbaar uitdrukken heeft plaats door
het letterschrift. Het schrijven bestaat dus uit twee elementen: het
maken der lettervormen en het uitdrukken der gedachten. Dat geeft
natuurlijk tweeërlei onderwijs, beide zeer van elkander onderscheiden:
onderwijs in het schoonschrijven (calligraphie) en onderwijs in de
schriftelijke uitdrukking der gedachten volgens den aard der
taal, of, gelijk men ook wel zegt: werktuiglijk en verstandelijk
schrijven. Bij het leesonderwijs heeft men dezelfde beide hoofddeelen:
een werktuiglijk en een verstandelijk -deel; maar hier kan het tweede
al heel spoedig met het eerste samengaan, bij het schrijven niet, wijl
het schoonschrijven zooveel oefening van de vingers en van het oog
vereischt, dat er wel een afzonderlijk leervak van gemaakt moet worden.
1. Schoonschrijven.
§ 73. Begrip. — Het schoonschrijven bestaat in het zoo
duidelijk, vlug en fraai mogelijk makeii der lettervormen en hunne
verbinding tot woorden. Door het oog moeten de vormen eerst opgevat
worden, opdat ze als beelden in de ziel bestaan erlangen. De hand
moet daarna de gevormde beelden weer op het papier brengen. Het
onderwijs in het schoonschrijven bestaat dus in het doen ontstaan van
de letterbeelden in de ziel door aanwijzen en ontleding en het ver-
schaffen van de gelegenheid aan de hand, om de letters op de lei ot
het papier te leeren weergeven.
Doel en belang. — Het doel van het onderwijs in schoonschrij-
ven is, dat de kinderen leeren duidelijk, vlug, eenvoudig, regelmatig
en fraai de letters, tot woorden verbonden, achtereen neer te schrijven,
zoodat zij, gelijk men het wel uitdrukt, de pen gemakkelijk weten te
hanteeren. Het doel van het schrijfonderwijs op de lagereschool is niet
calligraphen te vormen: ze kan haar\' tijd nuttiger besteden. Daaruit
mag men evenwel niet afleiden, dat het schoonschrijven verwaarloosd
of weinig gerekend mag worden. Door het belang na te gaan zullen
we tot de juiste schatting komen.
Het belang van het onderwijs in schoonschrijven is gelegen in de
practische toepassing, die er van gemaakt wordt. Het leven eischt
-ocr page 133-
119
schrijven van elk lid der maatschappij. Wie het niet kan, moet nood-
zakelijk op eene lagere sport blijven staan, tenzij de fortuin hem be-
gunstigd heeft. Wie schrijven kan, is in de gelegenheid, om eene
hoogere plaats in te nemen en meer levensgenoegen te smaken. Niet
alleen dat voor elke zaak van eenig belang schrijven noodig is, maar
ook het schrijven op zich zelf is reeds voldoende, om iemand zijn
brood te doen verdienen. Het schrijven wordt op de lagereschool dus
geheel om zich zelf onderwezen: het moet in het leven gebruikt wor-
den, zooals het geleerd wordt. Daarmee is niet gezegd, dat het onder-
wijs er in niet meer kan uitwerken. Integendeel, door een verstandig
schrijfonderwijs leert het oog juist waarnemen, krijgt de hand vastheid,
gewent het kind zich aan netheid en nauwkeurigheid en wordt de zin
voor schoone vormen gewekt en geoefend.
In vroeger dagen stelde men het belang van het schrijven in de
lagereschool veel hooger dan nu, en veelal te hoog. Daarom werd er
ook veel meer tijd en zorg aan besteed, en genoot een fraai schrijver
eene onderscheiding, waarop hij nu niet meer behoeft te rekenen.
Toen bestond er dus overschatting. Het schrijven wordt geleerd om
gebruikt te worden en om niets anders; het leven eischt van het
schrift in de eerste plaats duidelijkheid en vlugheid bij netheid, en in
de tweede plaats zooveel mogelijk fraaiheid. Maar de beperkte leertijd
van het kind en het groote belang van andere kennis verbieden den
schooltijd aan de calligraphie te wijden.
§ 74. Methode. — De leergang is bij het schrijfonderwijs de
synthetische. Om de lettervormen wel te leeren kennen, moeten de
deelen afzonderlijk gekend worden. Daarvan moet men dus uitgaan.
De beide elementen van bijna al onze letters zijn de rechte streep en
het ovaal. Die maken dus den grondslag uit van eene reeks van oefe-
ningen, die, in moeilijkheid opklimmende, door de kinderen wordt
doorloopen. Maken ze den een of anderen vorm niet naar den eisch,
dan is ontleding en nauwkeurige aanwijzing van de deelen noodig.
De leervorm is- het aanwijzen en voordoen van de zijde des
onderwijzers en het nadoen door den leerling. Het eerste is volstrekt
noodzakelijk, omdat goed zien eene eerste voorwaarde is voor goed
namaken, en omdat niets meer dan het schrijven sleurwerk wordt,
zoodat het voorkomt, dat de leerlingen herhaaldelijk dezelfde fouten
maken, zonder het zelf te weten. Daarom moet het schrijfonderwijs
niet te lang achtereen duren en niet te vaak gegeven worden. Een
uur achtereen is ook voor de grootsten te lang. Zal het vruchten
dragen, dan moet de leerling met zijn volle bewustzijn er bij wezen
-ocr page 134-
120
en geen enkele letter in sleur maken, en vordert men dit, dan is het
schrijven voor den leerling geen geringe inspanning.
Is het aanwijzen en ontleden volstrekt noodig, toch is de oefening
van de hand de hoofdzaak: op de eigenlijke schrijfoefening komt het
dus aan, waarop evenwel de onderwijzer aanhoudend toezicht uitoefent.
Het schrijfonderwijs moet immers niet bestaan in een laten schrijven,
zooals bij groote klassen en weinig hulp maar al te licht het geval
wordt, maar in een werkelijk onderwijs. Daarom moet het ook klassi-
kaal gegeven worden, niet alleen in dien zin klassikaal, dat allen
tegelijk hetzelfde schrijven, maar dat de aanwijzing en onderrichting
voor allen tegelijk plaats heeft.
Omdat vlugheid bij duidelijkheid en bij netheid moet verkregen
worden en schoonheid niet het hoofddoel is, moeten de oefeningen
langzamerhand in zoogenaamd loopend schrijven overgaan en al het
schriftelijk werk der leerlingen mede als schrijfoefening beschouwd
worden. Een scherp onderscheid tusschen staand en loopend schrift te
maken is verkeerd: het laatste moet alleen vlugger geschieden. Daardoor
zal het van zelf wat minder volkomen worden; maar die onvolkomen-
heid mag men er geen noodzakelijke eigenschap van rekenen. Hij heeft
de meeste vruchten van het onderwijs geplukt, die het vlugst, maar
tegelijk het duidelijkst, netst, regelmatigst en schoonst schrijft.
De keus der lettervormen moet aan het doel van het schrijven
beantwoorden; of ze in een of ander opzicht iets minder aan het oog
behagen, kan de vraag niet zijn. Men kiest dus die vormen, welke
voor een vlug en duidelijk schrift passen. Hierbij is vooral te letten
op de f, k, p, r, s, t, v, w en z. Voor de juiste verbinding derlet-
ters en voor het vlug schrijven dient de pen op het papier te blijven,
tot het woord uit is.
Er is groot-, middelsoort" en kleinschrift. Met welke dezer drie
moet het onderwijs aanvangen? Men is het er tegenwoordig vrij wel
over eens, dat men met het middelsoort moet beginnen. Het groot
van twee centimeters eischt vooral in de lange letters te veel van de
kleine kinderhand, en in het klein kan het ongeoefende oog de vor-
men nog niet onderscheiden, evenmin als ze weergeven. Maar dan in
het geheel geen grootschrift? Zeer zeker; maar later, niet omdat het
leven het soms vordert, maar omdat de vingerspieren er door geoefend
en krachtiger worden. Grootschrift moet dus beschouwd worden als
een steun voor het kleinschrift. Voor kinderen, die geen vaste hand
hebben, is het eene uitstekende oefening flinke groote rechte strepen
en letters te maken. Ze zullen dan veel minder moeite met de kleinere
letters hebben.
-ocr page 135-
121
Op het houden van de pen en de houding des lichaams moet èn
om het schrijven èn om de gezondheid der leerlingen nauwkeurig acht
gegeven worden. Eene onnatuurlijke, gewrongen houding van hen te
vorderen, leidt tot niets en werkt zelfs nadeelig. Het lichaam moet
in eene natuurlijke en gemakkelijke houding zitten, waarom men op
de grootte van de leerlingen ten opzichte van de schrijftafel wel dient
te letten; waar die verhouding niet deugt, kan men eene natuurlijke
houding vorderen noch verwachten.
De voornaamste leermiddelen zijn pen of potlood en papier,
griffel en lei. Ze moeten, juist omdat ze door kinderen gebruikt zullen
worden, van goede hoedanigheid zijn. De griffel moet zacht, aangepunt
en in een busje gestoken zijn. Het papier en de lei beide moeten
gelinieerd en ook van loodlijnen of het papier in het bijzonder van
schuine richtingslijnen voorzien wezen, tenzij men meenen mocht, het
kind minder te moeten binden. Immers, geheel tegenovergestelde
methoden voor het schrijfonderwijs zijn in den loop der tijden gehul-
digd: men heeft zoowel aan de hand voor een groot deel de vrije
beweging willen laten, als haar elke beweging en richting willen voor-
schrijven. De waarheid zal hier wel in het midden liggen, \'t Is er niet
om te doen, dat het kind bij het schrijfonderwijs nooit eene fout
maakt, maar wel, dat het oog zelf richting en afstand leert bepalen
en de hand leert uitvoeren, wat het oog ziet. En om nu het kind
eenigszins te hulp te komen, zullen waterpaslijnen wel voldoende
wezen, eerst dubbele, later enkele. Meent men evenwel, de bindende
methode te moeten volgen, dan zal men toch langzamerhand den band
moeten laten wegvallen, naarmate het kind meer geoefend is. Voor
zeer gebrekkige schrijvers zal men misschien buitengewone middelen
gebruiken, als overschrijven van met potlood of blauwen inkt geschre-
ven letters of van zwarte letters op rood papier onder mat glas, waarop
met speksteen geschreven wordt. Doorgaans evenwel zijn de eenvou-
digste middelen ook de doelmatigste en zal men zich het best bevinden
bij nauwkeurige aanwijzing en zelfbewust nadoen, waarbij men alleen
van waterpaslij nen gebruik maakt. De grootste vijandin van de vordering
bij het schrijfonderwijs is de sleur.
Het is hier de meest geschikte plaats, om met een enkel woord van
de schrijfleesleerwijze te spreken. Men moet er die inrichting van
het onderwijs in schrijven en lezen door verstaan, waarbij deze beide
leervakken tegelijk onderwezen worden, d. w. z. van de letters, die
naar teeken en klank worden geleerd, worden meteen de teekens
geschreven en naar hun\' klank benoemd.
Het voordeel, daaraan verbonden, ligt voor de hand: i. het eene
-ocr page 136-
122
ondersteunt het andere d. w. z. het beeld van den lettervorm, die voor
het leeren kennen goed waargenomen moet worden, wordt helderder
en zoo beter onthouden, doordat het meteen afgeteekend en dus nog
eens juist beschouwd wordt. 2. De vereeniging van de beide werkzaam-
lieden brengt eene aangename afwisseling in het aanvankelijk onderwijs
in het lezen en schrijven, die natuurlijk gunstig moet werken op de
vorderingen.
Doch tegenover dat voordeel staat een vrij groot nadeel, dat neer-
komt op een verkeerd schrijfonderwijs. De aard van elk der beide
vakken loopt n.1. te ver uiteen, dan dat ze geregeld zouden kunnen
samengaan. 1. De lettervormen, die voor het lezenleeren de gemakke-
lijkste zijn, zijn dit niet voor het leeren schrijven. 2. Het schrijven
eischt veel oefening van de hand en veel vooroefeningen, die beide
met het lezenleeren niets te maken hebben en daardoor de vordering
in beide vakken ongelijk doen zijn. 3. Voor het lezen moet men wel
met de drukletter beginnen, voor het schrijven met de schrijfletter.
Is dus een stelselmatig samengaan van het onderwijs in beide vakken
niet wel mogelijk, het voordeel van de vereeniging zoekt men evenwel
te verkrijgen, door, zooals hiervoor bij de leesmethoden gezegd is,
naast de te lezen drukvormen de schrijfletters te plaatsen en te laten
naschrijven, waarnaast, gelijk boven gezegd is, natuurlijk afzonderlijke
oefening in het aanvankelijk schrijven moet plaats hebben.
De doelmatigste schrijfleesleerwijzen zijn die van Molenbroek
en van L. Bouwman en Hildebrand, waarover reeds op blz. m en
112 het een en ander meegedeeld is.
2. De schriftelijke uitdrukking der gedachten.
§ 75. Het begrip. — Gelijk de ruwe wilde alleen maar in be-
paalde klanken het middel heeft gevonden, om zijn inwendig leven te
openbaren aan hen, die bij die klanken hetzelfde denken als hij, zoo
heeft de mensch, die reeds op zekeren trap van ontwikkeling gekomen
is, bovendien zichtbare teekens voor die klanken aangenomen, en nu
kan hij door die teekens, de letters, eveneens zijn denken, voelen en
willen te kennen geven aan hen, die bij die teekens hetzelfde denken
als hij. Door het schoonschrijven leert het kind die teekens vormen;
nu moet hij ook nog leeren ze te gebruiken voor de uitdrukking zijner
gedachten, en dat wel overeenkomstig den aard der taal. Indien het
kind nu maar sprak, gelijk het behoort te schrijven, dan zoudeschrif-
telijke uitdrukking niet veel moeilijkheid hebben; maar bij de meeste
kinderen is er eene groote klove tusschen hun spreken en schrijven.
-ocr page 137-
123
„Schrijf, zooals ge spreekt," kan men hun onmogelijk tot regel geven.
Voor velen, vooral op het platteland, is het Nederlandsen gedeeltelijk
eene vreemde taal. Dat maakt den onderwijzer zijne taak zeer moeilijk.
Doel en belang. — Het doel van het onderwijs in de schriftelijke
uitdrukking der gedachten is, het kind in staat te stellen, om na het
verlaten der school zijne gedachten in goed Nederlandsch op het papier
te brengen, zooals van een beschaafd mensch verwacht mag worden.
Dewijl het leven van velen evenwel niet dikwijls het gebruik der pen
vordert, ziet men meermalen eene gebrekkige uitdrukking, ook als de
school haar\' plicht gedaan heeft.
Het belang van het onderwijs in de schriftelijke uitdrukking is
tweeërlei: voor de verstandelijke vorming en voor het gebruik.
Voor de verstandelijke vorming: de schriftelijke uitdrukking vordert
meer dan de mondelinge zorgvuldige overdenking en ordelijke rang-
schikking en gewent daardoor aan nadenken; den zin der woorden
leert men beter verstaan en de woordvormen zich eigen maken, waar-
door de taal van het kind ontwikkeld wordt. Daarom is de schriftelijke
uitdrukking eene uitstekende oefening voor het denken en ook voor
het helder opvatten der zaken. Wie, die genoodzaakt was, om zich
schriftelijk over een onderwerp uit te drukken, heeft niet vaak eerst
dan ondervonden, dat zijn denken gebrekkig en zijne opvatting der
zaken onvolledig en onjuist was? Die opmerking zal hem gedrongen
hebben tot meer inspanning.
Voor het gebruik: wie in het leven blijken geeft, de pen goed mach-
tig te zijn, brengt eene aanbeveling met zich voor de vervulling van
velerlei levensbetrekkingen; hij is ook niet afhankelijk van anderen,
maar kan zich in de meeste gevallen in zijne zaken zelf helpen.
§ 76. Methode. — Oefening van de zijde des leerlings is hier
hoofdzaak, de doelmatigste aanleiding geven tot oefening de taak des
onderwijzers. Behalve die opzettelijke oefening kan de school meer
doen ter voorbereiding en ondersteuning van de oefening. Immers, wat
wil men bewerken? Dat het kind de woorden en hunne buigingen en
zinsvormen zoo eigen worden, dat hij ze met gemak kan gebruiken
voor de uitdrukking zijner gedachten. De vormen der taal moeten dus
beelden in zijne ziel worden. Evenwel moet altijd voorondersteld wor-
den, dat het kind in het bezit is van de stof voor zijne schriftelijke
uitdrukking. Gelijk bij het spreken, zoo ook hier bij het schrijven.
Hoe komt het kind aan de taalvormen?
Vooreerst door het spreken. Daarom moet aan het spreken als
stijloefening groote waarde gehecht worden. Van de aanvangs- tot de
-ocr page 138-
124
hoogste klasse moet het kind veel spreken, maar dan goed, zooveel
mogelijk in ordelijk gebouwde volzinnen. Halve of afgebroken of
gebrekkige volzinnen mogen niet geduld worden, evenmin als eigenlijk
gezegde slordigheid in het gebruik der buigingsvormen. Aanleiding
tot spreken is er voor den leerling genoeg, schier bij alle onderwijs. —
De onderwijzer houde maat in zijn spreken en bezige altijd goede taal.
Het dialect blijve zooveel mogelijk buiten de school.
In de tweede plaats door het lezen, het lezen n.1. in een gezonden
zin, waarbij alle woorden en uitdrukkingen verstaan worden en de
stijl groote verscheidenheid van vormen aanbiedt, die door het lezen
het eigendom des kinds worden. Bovendien laat de onderwijzer het
leesstuk mondeling ontleden in zijne hoofddeelen, weergeven in andere
vormen en woorden, sommige zinnen omzetten, woorden door andere
vervangen enz. Op die wijze wordt ook het lezen eene stijloefening,
waarvan voor de schriftelijke uitdrukking veel verwacht mag worden.
Ten derden door van-buiten-leeren. Dit, verkeerdelijk als
geheugen-oefening gebezigd, kan wel dienen als stijloefening. Eigenlijk
berust al onze taalkennis op het bewaren door het woordgeheugen.
Kan dit nu nog bevorderd worden door het opzettelijk van-buiten-
leeren van uitstekende stukken niet groote verscheidenheid van woorden
en uitdrukkingen, dan wordt natuurlijk de schriftelijke uitdrukking der
gedachte daardoor gebaat. We kunnen geen andere woorden en vormen
gebruiken, dan die we ons öf door spreken en lezen óf opzettelijk
door van-buiten-leeren hebben eigen gemaakt. In den regel zullen
dan ook die kinderen het gemakkelijkst en het best hunne gedachten
schriftelijk uitdrukken, die niet alleen in huis beschaafd hooren spreken,
maar ook veel gelezen hebben. Zoo is het ook volstrekt geen zeldzaam-
heid, dat menschen zonder bepaalde leiding alleen door veel lezen
gekomen zijn tot eene goede schriftelijke uitdrukking hunner gedachten.
§ 77. Doch eindelijk in de vierde plaats wordt de schriftelijke uit-
drukking der gedachten vooral bevorderd door de oefening zelve in
die uitdrukking, d. i. het maken van opstellen. Het ligt al
dadelijk voor de hand te besluiten, dat, zooals men loopen leert door
te loopen en denken door te denken, zooals men zijne gedachten
mondeling leert uitdrukken door te hooren spreken en door zelf te
spreken, men zoo ook zijne gedachten schriftelijk leert uitdrukken
door ze schriftelijk uit te drukken.
De stijloefening, d. i. de oefening in de schriftelijke uitdrukking
der gedachten, moet dus in hoofdzaak bestaan in het maken van
opstellen. Wanneer men mocht meenen, dat dit slechts werk is voor
-ocr page 139-
125
de hoogste klasse of alleen voor leerlingen, die een voortgezet onderwijs
ontvangen, dan bedenke men, dat het kind der laagste klasse ook
reeds gedachten heeft, die het kan uitdrukken, al zijn ze van een
anderen aard dan op verderen leeftijd, en dat, wanneer men het nu
maar aanleiding geeft om die te kennen te geven, het dit evenzeer
zal doen als na eenige jaren, al is de vorm aanvankelijk hoogst een-
voudig. Men vergete niet, dat ook het kleine kind reeds denken en
spreken kan, en dat het daarom bij eenige leiding ook moet kunnen
schrijven, natuurlijk over die zielebeelden, die het op zijn\' leeftijd
verworven heeft.
Daarom zoodra het kind met het letterschrift bekend en met het
lezen zoo ver gevorderd is, dat het de meeste voor zijn\' leeftijd be-
rekende woorden ontleden en door letters aanduiden kan, is het ook
in staat een opstel te maken, in zoover het door het schrift uitdruk-
king geeft aan zijn denken, evenzeer als het dat doet, maar over
geheel andere onderwerpen, in de volgende schooljaren.
Op die wijze leert het kind werkelijk zijne gedachten schriftelijk
uitdrukken en wordt hem dit eigen, gelijk het spreken hem eigen
geworden is, d. w. z. het leert spreken door te hooren spreken en
door zelf te spreken, en het leert schrijven door het schrift te lezen
en door zelf te schrijven. Dat mag men den natuurlijken weg noemen.
Maar gelijk hem bij het leeren spreken aanleiding gegeven en lei-
ding geboden wordt, zoo heeft hij beide, en vooral niet minder, zoo-
als licht te begrijpen is, bij het schrijven noodig. Hij vindt die
aanvankelijk in gestelde vragen, die hij slechts te beantwoorden heeft,
eerst mondeling en daarna schriftelijk. Verschillende vormen worden
door allen gegeven, de best gekeurde vorm wordt behouden en opge-
schreven. Het gesprokene wordt dus dadelijk in schrift overgebracht.
Op die wijze komt het opstelletje klaar, dat natuurlijk slechts uit een
klein aantal eenvoudige volzinnetjes bestaat, die evenwel de uitdruk-
king zijn van \'s kinds eigene gedachten \').
Eerst zijn de vragen zeer bepaald, langzamerhand worden ze alge-
meener en laten ze een meer uitgebreid antwoord toe, en daarmee
wordt ook haar getal verminderd. Eerst hebben allen denzelfden vorm
voor het opstel, later vormt ieder zijne zinnen op zich zelven. Eerst
laat de leiding des onderwijzers het kind weinig of niet los; gaandeweg
werkt het meer zelfstandig. Maar hoe het zij, altijd worden de gemaakte
opstellen gebruikt als klassikale stijloefening. Zinnen, die er voor vat-
\') Voorbeelden hicrvnn vindt men in: liet Opstel voor de Vollcsscliool, door
Joli. Berghuis, bij den uitgever dezes.
-ocr page 140-
126
baar zijn, worden omgezet of met andere woorden uitgedrukt. Van
verkeerd gebruikte woorden wordt de beteekenis ontwikkeld en aange-
toond, dat ze niet in hun verband passen. Taalfouten worden opgezocht
en besproken. Woorden, die gebruikt zijn, worden door hunne syno-
niemen vervangen, waarbij men soms het geringe verschil in \'t oog laat
vallen. Zoo leeren de kinderen hun eigen vorm ter uitdrukking van
hunne eigene gedachten beschouwen en veranderen. Terwijl ze dan
gewend worden door het schrift uit te drukken, hetgeen ze denken
en uitspreken, leeren ze meteen verschillende taalvormen gebruiken.
Daartoe helpt hen natuurlijk het lezen ook. Door het lezen worden
ze met de taal bekend en worden hun hare vormen eigen, die ze weer
te pas brengen bij hunne schriftelijke uitdrukking. Zonder een goed
leesonderwijs is geen schriftelijke uitdrukking der gedachten mogelijk,
omdat de taal anders niet genoeg aan het kind eigen wordt.
Waarover het kind opstellen moet maken ? Volgens hetgeen boven
gezegd is, moeten de onderwerpen geheel uit den levenskring des
kinds genomen zijn, en dewijl het zich nog meer beweegt in het con-
crete dan in het abstracte, moet het zijne gedachten over het eerste
uitdrukken. Het moet niet iets schrijven over den hond, maar over
z ij n\' hond; niet over een huis, maar over z ij n huis; niet over het
genoegen van het reizen, maar .over een reisje, dat het werkelijk
gedaan heeft; niet over een\' brand, maar over den brand, dien het
onlangs bijgewoond heeft; niet over den last van het ziek zijn, maar
over de ziekte, waaraan het eens lijdende geweest is. Naarmate het
in ontwikkeling toeneemt, kan het ook meer over het abstracte den-
ken en kunnen de onderwerpen meer abstract worden. Doch altijd
moet het kind het onderwerp in zijne macht hebben, zal het zich er
met eenig gemak over kunnen uitdrukken. Bestaat er vrees voor het
tegendeel, dan moet het onderwerp besproken en toegelicht worden.
Vertellingen en beschrijvingen hebben beide betrekking op voorsteb
lingen; omdat echter bij de vertellingen de phantasie werkzaam zijn
kan en deze in de kinderjaren vrij levendig is, zal eene vertelling
gemakkelijker te maken zijn dan eene beschrijving. In alles wat mee-
gedeeld wordt, moet orde heerschen. Daarom is het goed, dat het
kind eerst de hoofdpunten, die het wil bespreken, opzoekt, ze rang-
schikt en ze dan achtereenvolgens behandelt.
De leesstof kan ook dienen om schriftelijk weergegeven te worden,
zoo ook de mondeling behandelde stof eener les. Terwijl het kind
zich zoo oefent in het gebruiken der pen voor de uitdrukking zijner
gedachten, worden de behandelde zaken hem tegelijk duidelijker en
meer tot een onvervreemdbaar eigendom. Tot het weergeven der lees-
-ocr page 141-
127
stof zou men ook kunnen rekenen het overbrengen van proza in ander
proza of van poëzie in proza. Bij deze laatste oefening zij men er
evenwel op bedacht, dat op verrena niet alle poëzie geschikt is, om
in behoorlijk proza overgebracht te worden. In elk geval moet men
trachten te verkrijgen, dat de naakte gedachte, dus ontdaan van eiken
poetischen zwier, weergegeven worde. Dat heeft zijn groot nut, maar
kan ook even goed bij het lezen zelf in toepassing gebracht worden.
De opstellen behoeven juist niet op de lei gemaakt te worden;
integendeel ze dadelijk in een schrijfboek te maken heeft het groote
voordeel, dat het kind zich gewent, pen en papier te gebruiken voor
het uitdrukken zijner gedachten, en zich practisch oefent in het vlug
schrijven. Men ontgaat dan ook licht het nadeel, dat het flauwe grijze
schrift iler lei voor de oogen heeft. Als de onkosten geen bezwaar
zijn, make men minder van de lei, meer van het papier gebruik.
Misschien zal iemand de opmerking maken, dat hier niet gesproken
wordt van zoogenoemde afzonderlijke stijloefeningen, waarvoor
vooral in den laatsten tijd een groot aantal boekjes in het licht ver-
schenen zijn. \'t Is. hier de plaats niet, om er in het breede over te
handelen. Het zij voldoende, hier alleen te zeggen, dat vele van die
oefeningen meer bij het onderwijs in het lezen, dan bij dat in de
schriftelijke uitdrukking te huis behooren; dat andere oefeningen niet
leiden tot de werkelijke uitdrukking door het schrift, wijl ze loo[)en
over vormen, die het kind zelf niet gebruikt heeft, dus meer bestaan
in het aanschouwen en verwerken bloot van den vorm, die zijn\' inhoud
niet vindt in de ziel des kinds en daardoor aan het kind meer moeite
dan nut verschaft; dat bovendien die zelfde oefeningen met de opstellen
der kinderen gedaan kunnen worden; dat het maken van opstellen de
natuurlijke weg is, wijl het kind daardoor schrijven leert, evenals
het spreken geleerd heeft en nog leert, en dat het schrijven evenzeer
door practische oefening moet geleerd worden als het spreken.
d. Taalkunde.
§ 78. Het begrip. — Men mag aannemen, dat de wet dit leer-
vak aanduidt als „Beginselen van de kennis der Nederlandsche taal."
Waaraan hebben we hier te denken? Dit juist aan te wijzen is van belang.
„Beginselen der Nederlandsche taal" omvat eigenlijk de beginselen
van de kennis der geheele taal. Evenwel, het. lezen heeft reeds een
groot deel daarvan voor zijne rekening, n.1. het verstaan of het opvat-
ten van den inhoud. Het schrijven zorgt voor de schriftelijke ultdruk-
king der gedachten. Bij het geheele onderwijs moet de mondelinge
-ocr page 142-
128
uitdrukking tot haar recht komen. Wat kan er dus slechts overblijven
voor de „Beginselen der Nederlandsche taal?" Niet anders, dan wat
men verstaat onder taalkunde, grammatica of spraakkunst.
De inhoud van een taalkundig leerboek geeft hier dus de stof. Het
bevat de leer van den volzin en de leer van het woord. Bij de
eerste komen de zins ontleding, de woordschikking en de
punctuatie te pas. Bij de laatste als hoofddeelen de woordsoor-
ten, de woordvorming, de woordbuiging en de spelling.
Wij moeten derhalve bij dit leervak denken aan de kennis van de
vormen der taal en niet aan haar\' inhoud, dan voor zoover die
noodig is voor het verstaan der vormen. Als we nu het doel en be-
lang van het leervak gaan onderzoeken, zal meer duidelijk worden,
in welken zin de bovengenoemde onderdeden van de taalkunde moeten
worden opgevat.
Doel en belang. — Het doel ligt voor de hand. De lagereschool
wil hare leerlingen eene algemeene voorbereiding voor het leven ver-
schaffen , hetzij ze overgaan op hoogere onderwijsinrichtingen, hetzij
ze onmiddellijk het werkzame leven der maatschappij binnentreden.
Ze moeten dus gemakkelijk en in een behoorlijken vorm hunne ge-
dachten schriftelijk kunnen uitdrukken. Behalve wat daarover hierboven
gezegd is, moet nu nog opgemerkt worden, dat zij het ook zooveel
mogelijk taalkundig zuiver moeten leeren doen. En ziedaar het hoofd-
doel van het onderwijs in taalkunde. Dat doel is dus meest practiseh:
men wil de kinderen der lagereschool in staat stellen, dat ze meer
of min zuiver schrijven, gelijk dat van een behoorlijk ontwikkeld
mensch verwacht mag worden.
Daarmee is meteen een deel van het belang van het taalkundig
onderwijs aangewezen. Evenwel, er is nog meer belang aan vast. De
taalkundige kennis draagt ook bij tot het verstaan der taal, inzonder-
heid de kennis der woordsoorten en der buiging, maar bovenal die
der woordvorming. Het zal niet noodig zijn, dit hier aan te toonen.
Bedoelt eene lagereschool bepaalde voorbereiding voor eene volgende
onderwijsinrichting, dan heeft de taalkundige kennis nog belang met
het oog daarop. Een goed taalkundig onderwijs eindelijk heeft gelijk
bijna elk ander goed ingericht onderwijs, ook zijn belang voor de
ontwikkeling van de denkkracht en voor de gewenning aan stiptheid
en nauwkeurigheid. Maar dan moet, als men let op het eerste, de
taalkundige kennis niet bestaan in een samenstel van gememoriseerde
bepalingen en regels, maar moeten de/e uit de taal zelve gezocht en
door de leerlingen zelve gemaakt worden en dus de vrucht zijn van
waarnemen en nadenken.
-ocr page 143-
129
Hooger kan men het belang van het taalkundig onderwijs niet aan-
slaan voor de lagereschool. Als men het hier en daar hooger ziet op-
gegeven , dan is dat een gevolg van de verwarring van kennis der
grammatica met kennis der taal in bet algemeen. Het belang van deze
laatste is buitengemeen groot en op andere plaatsen in \'t licht gesteld.
Dat moet wel in aanmerking genomen worden.
§ 79. Methode. — We hebben hier te doen met het onderwijs
in de kennis der grammatica, en nu is het de vraag: hoe moet dit
ingericht worden ? In de voorgaande eeuwen was de kennis der klas-
sieke talen, en later ook die van de voornaamste levende talen, hoofd-
zaak bij \'t onderwijs, terwijl de kennis der moedertaal op den achter-
grond gesteld, ja geheel veronachtzaamd werd. Met de verbetering van
het lageronderwijs in de tegenwoordige eeuw is ook de moedertaal meer
gewaardeerd en het onderwijs er in een deel van het volksonderwijs
geworden. Doordat evenwel klassieke en vreemde talen niet als de moe-
dertaal door lezen en spreken beide kunnen worden aangeleerd, is voor
hare kennis een volledig onderwijs in de grammatica dier talen onmis
baar. Dat denkbeeld ging men nu ook onwillekeurig toepassen op het
onderwijs in de moedertaal op de lagereschool, zoodat men den leer-
ling verkorte spraakkunsten in handen gaf, die hij moest memoriseeren,
waaruit eene dorre woordenkennis ontstond, die spoedig weer verloren
ging, omdat ze geheel op zich zelf stond en niet altijd practisch toe-
gepast werd. Of men liet daarnevens, maar ook alleen, verbuigen en
vervoegen in het oneindige, eene oefening, die volstrekt tot niets leidde.
De moedertaal echter hoort het kind van zijne geboorte af, hoewel
veelal zeer gebrekkig spreken; ze is dus voor een deel reeds zijn
eigendom bij zijne komst in de school. Hier wordt het nu bekend
gemaakt met het letterschrift zijner taal en leert het deze lezen en
schrijven. Bovendien wordt al het onderwijs in die taal gegeven en heeft
het kind dus veelvuldige aanleiding, om zich in haar gebruik te oefenen.
Wanneer ieder zich afvraagt, waardoor hij taalkundig zuiver schrijft,
dan zal hij zich wel het antwoord moeten geven: doordat hij gewoon
geworden is zoo te schrijven, en niet door gebruikmaking van regels.
De vormen der schriftelijke taal zijn voor het oog zichtbaar en worden
bij een goed lees- en schrijfonderwijs beelden in de ziel, die bij het
schrijven bewust worden en ten papiere komen. Men mag dus verwach-
ten , dat het kind, wanneer het een degelijk leesonderwijs ontvangt en
het op de rechte wijze geoefend wordt in de schriftelijke uitdrukking
der gedachten, zich de vormen der taal zal eigen maken en gewoon
worden behoorlijk zuiver te schrijven.
kijkess, Opvoedk., 7e druk.                                                       9
-ocr page 144-
130
Door deze beschouwingen komen we onwillekeurig tot de vraag: is
een afzonderlijk, opzettelijk onderwijs in de grammatica nog noodig ?
Bij de beantwoording dezer vraag moet men het belang van de kennis
der grammatica vergelijken met het belang van de kennis der andere
leervakken en dus den tijd bepalen, die aan het eerste mag gegeven
worden. Men zal dan bevinden, dat die tijd zeer beperkt moet zijn.
Het zal dus niemand bevreemden, dat er zijn, die alle grammaticaal
onderwijs willen verbinden met het onderwijs in het lezen en in de
schriftelijke uitdrukking der gedachten \'), terwijl anderen de grammatica
als een op zich zelf staand leervak in bepaald aangewezen uren onder-
wezen willen hebben. De soort van school doet in dezen veel af, als ook
het getal lesuren. Wij gelooven, dat de eersten hun doel wel zullen
bereiken, vooral doordat ze zooveel mogelijk aanschouwelijk zijn, maar
dat ze dan ook vaak hun eigenlijk leesonderwijs zullen moeten afbreken
en dus van de leesles eene taalkundige les maken, teneinde zekere
taalkundige begrippen te kunnen verklaren, terwijl de laatsten die
verklaring meer gepast geven in eene afzonderlijke les.
Evenwel, of men den een of den anderen weg volgt, de som der
taalkundige begrippen moet men zoo beperkt mogelijk nemen, daar
het kennen op zich zelf van de taalkundige begrippen voor het kind
der lagereschool zeer weinig waarde heeft. Het leeren en memoriseeren
van de geslachtsregels b. v. is voor het kind zonder vrucht, als men
enkele regels uitzondert, die evenwel ook gemakkelijk bij het schrifte-
lijk taalwerk door herinnering en toepassing kunnen geleerd worden.
De begrippen van afleiding en samenstelling kunnen zeer geschikt tot
het leesonderwijs gebracht worden, omdat ze zoo nauw met de betee-
kenis der woorden in verband staan. De woordschikking, spelling en
punctuatie eischen geen afzonderlijk onderwijs, maar worden het kind
door de lees- en schrijfoefeningen langzamerhand tegen het einde van
den leertijd eigen. Voor het afzonderlijk onderwijs zou dan nog over-
blijven: de onderscheiding der woordsoorten en de buiging of vorm ver-
andering, waardoor de leerstof tot een minimum wordt herleid.
Vraagt men nu naar de methode voor dit alzoo beperkte leervak,
dan is daarop het volgende te antwoorden: gelijk bij alles in de lagere-
school moet ook hier de leervorm de aanschouwelijk mededee-
lende en de opwekkende of heuristische zijn. Het leesboek, of wat
haast hetzelfde is, de volzin, dus de taal zelve, is het middel ter
\') De toepassing van de verbinding vim de taalkunde met het lezen vindt men
in de leesbockjes: De Moedertaal door De Haat\' en Zijlstra, te Groningen bij
Noordhoff en Smit.
-ocr page 145-
131
aanschouwing. Daarin zijn de functiën der woorden, dus de woord-
soorten op te merken en de buigingsvormen zichtbaar voor het oog,
terwijl hunne beteekenis door het verstand daaruit opgemaakt kan wor-
den. De bepalingen van getal en naamvallen, van tijden, wijzen,
personen en getallen moeten niet vooraf gegeven, maar door de leer-
lingen zclven uit de gebruikte taal gezocht en gevormd worden. Wat
o]) die wijze geleerd is, moet men in mondelinge en schriftelijke
oefeningen weer toepassen, opdat de leerlingen zich de vormen goed
eigen maken en deze hun duidelijk bewust worden. De gang voor elke
les is dus: waarneming, toelichting door bespreking, toepassing in
oefeningen.
§ 80. Twee taaioefeningen moeten we hier nog kortelijk bespreken,
omdat ze vroeger algemeen bij het onderwijs in gebruik waren en nog
wel aangewend worden: de dictee en het foutieve opstel.
De dictee bestaat in het opschrijven door de leerlingen van vol-
zinnen , die door den onderwijzer worden voorgezegd. De leerling hoort
dus de woordklanken, die in hem een zekeren inhoud bewust roepen,
en moet daarvoor de gepaste letterteekens kiezen. Welke vrucht heeft
hij hiervan voor zijne taalkennis? Ze kan geen andere zijn, dan dat
hij, meer dan bij het maken van een opstel, zijne opmerkzaamheid
vestigt op den vorm der woorden en deze hem daardoor meer bewust
wordt, tengevolge waarvan hij bij zijn schrijven er meer acht op zal
geven. De dictee kan dientengevolge geen geregeld terugkeerende
taaioefening zijn: de tijd, er voor noodig, kan beter gebruikt worden.
Tusschenbeide, bijwijze van examen en ter toepassing, kan ze zeker
met vrucht aangewend worden; doch dan moet de dictee opzettelijk
voor haar doel ingericht zijn en niet uit eenig toevallig voorkomend
boek genomen worden. Klassikaal nazien en bespreken der fouten is
natuurlijk een vereischte.
Het foutieve opstel bestaat in een aantal volzinnen met fouten,
die door de leerlingen moeten verbeterd en vervolgens klassikaal be-
sproken worden. Wat is daarvan de vrucht? Ze ligt voor de hand: de
leerling vestigt meer bepaald zijne aandacht op de fouten, deze worden
hem daardoor duidelijker bewust, zoodat hij ze in zijn schrijven ver-
mijden zal. Tegenover dat voordeel staan evenwel nadeelen. Omdat het
zuiver schrijven hoofdzakelijk een gevolg is van het zien van taai-
kundig zuiver schrift en van zuiver schrijven, werkt het foutieve opstel
nadeelig, in zoover het de woordvoorstellingen in de ziel des leerlings
bederft, zoodat hij de juiste en de verkeerde vormen met elkander
verwart. Bovendien laat het foutieve opstel niet wel een geregelden
9*
-ocr page 146-
132
leergang toe. Daardoor kan het niet anders dan als middel van examen
gebruikt worden. Doch dan mag het volstrekt geen fouten bevatten,
die zelden of nooit gemaakt worden, evenmin zulke, die niet volgens
een\' taalregel te verbeteren zijn. In het algemeen is het gebruik van
foutieve opstellen niet aan te bevelen; de klassikale bespreking van de
opstellen der leerlingen geven volop aanleiding, om op de meest voor-
komende fouten opmerkzaam te maken.
2,.y R e k e n e n.
§81. Het begrip. — Wat is rekenen, en waarin bestaat dus
het onderwijs in rekenen ? Rekenen is het werken met hoeveelheden
met het doel uit twee of meer gegevens te besluiten tot eene nog
onbekende hoeveelheid. Duidelijke begrippen van de hoeveelheden te
hebben is dus voor den rekenaar een volstrekt vereischte. Die hoe-
veelheden kunnen in werkelijke voorwerpen bestaan (aanschouwelijk
rekenen), bloot door namen (getallen) aangeduid (uit het hoofd reke-
nen) of ook door zichtbare teekens of cijfers voorgesteld worden
(cijferen). Het eerste is het begin en de grondslag van alle rekenen
en wordt daarom ook bij onbeschaafde volken en kleine kinderen ge-
vonden , hoewel toch ook reeds met gebruikmaking van namen of ge-
tallen. Het tweede en derde is een veel meer ontwikkeld rekenen,
waartoe de mensch slechts door goed onderwijs komt. Het werken met
de hoeveelheden door middel van cijfers of het cijferen eischt veel en
goed onderwijs, om den leerling tot helder inzicht te brengen, doordat
het cijferschrift een zeer kunstig schrift is, vooral in de breukvormen, en
doordat bij het cijferen van regels of verkorte bewerkingen gebruik ge-
maakt wordt, waarvan de grond niet zoo gemakkelijk helder bewust wordt.
Het onderwijs in rekenen bestaat dus in het doen ontstaan in den
leerling van duidelijke begrippen van hoeveelheden en getallen en van
het cijferschrift en het leeren der bewerkingen met getallen en cijfers.
Daarvoor is noodig aanschouwelijk onderwijs in het rekenen, waar-
door de grond gelegd wordt voor de rekenkundige begrippen; onder-
wijs in rekenen uit het hoofd, waardoor het getalbegrip helderder
opgevat en het rekenen in het leven voorbereid wordt, en cijferen,
dat den leerling een middel aan de hand geeft, om door het cijfer-
schrift rekenkundige oplossingen te maken en de berekeningen, die
in het leven voorkomen, gemakkelijk en kort uit te voeren, voor
zoover ze te moeilijk zijn, om uit het hoofd opgelost te worden.
§ 82. Doel en belang. — In het werkelijk leven is alles door
-ocr page 147-
133
het getal bepaald. Men kan zich in geene omstandigheid bevinden, 01
men komt met het getal in aanraking, inzonderheid bij alles wat be-
trekking heeft op de zoozeer verschillende ruiling in de maatschappij.
Geen wonder dan ook, dat de kennis van het rekenen ten allen tijde
eene zoo groote behoefte geacht is, dat het na het lezen en schrijven
voor het voornaamste leervak gehouden werd. Het eerste doel van het
rekenonderwijs moet dus wel zijn: voorbereiding voor het
leven. De behoeften van ons maatschappelijk leven schrijven dat
onderwijs gebiedend voor. Geen enkel lid der maatschappij kan er
buiten, of hij staat dadelijk verlegen in zijn\' kring. Bijna even noodig
als lezen en schrijven voor het leven zijn, is het ook het rekenen.
Met het oog op het genoemde practische hoofddoel van het reken-
onderwijs moet zich — dit ligt voor de hand — de leerstof ook
alleen bepalen tot het voor het leven noodige. Breidt men ze verder
uit, dan de eischen van het gewone verkeersleven, dan doet men
meer, dan het doel vordert. Welke opmerkelijke eigenschappen de
getallen ook hebben, tot welke vernuftige berekeningen de regels der
rekenkunde ook aanleiding geven, als ze voor het leven geen waarde
hebben, mogen ze ook niet tot de leerstof voor het rekenonderwijs
gebracht worden, tenzij ze voor de bereiking van een ander doel
noodig zijn.
En dat andere doel bestaat: nevens het hoofddoel wil men met het
rekenonderwijs nog iets anders uitwerken. Het zal namelijk strekken,
om den leerling juist en ordelijk te leeren denken, hem aan stiptheid
en nauwkeurigheid te gewennen en zijn\' zin voor waarheid te ontwik-
kelen. En het is waar: een goed rekenonderwijs eischt bezig-zijn met
de getallen en hunne verhoudingen, het nasporen daarvan en het af-
leiden van besluiten uit gegevens; het vraagt daarbij orde en juistheid
en duldt niet, dat iets gesteld en aangenomen wordt, waarvan de grond
niet opgegeven is. Eene enkele vergissing maakt eene groote berekening
vruchteloos. Bij het rekenen komt men tot eene vaste waarheid, \'t welk
eene aangename gewaarwording verwekt en zoo den zin voor waarheid
ontwikkelt.
Dit alles kan ten volle erkend worden, maar dan moet ook het
werktuiglijk gecijfer vermeden, althans daarvan geen vrucht voor het
denken verwacht worden; dan moet alles helder en duidelijk bewust
zijn, telkenmale als het in berekeningen wordt toegepast. En dat zal
men onmogelijk altijd van het cijferen kunnen zeggen. Als het kind
b.v. twee breuken moet vermenigvuldigen of deelen, dan zal hem stel-
lig, telkens en op het oogenblik als hij den regel toepast, deze in zijne
waarheid niet helder bewust zijn, al is het ook in staat, den regel te
-ocr page 148-
134
ontwikkelen, wanneer hij daartoe geroepen wordt. Maakt hij eene dec-
ling met geheele getallen, zelfs eene vermenigvuldiging, dan is dat eene
volstrekt werktuiglijke handeling, dan wint hij daardoor voor zijne
denkkracht niets. Wil men daarom het doel van het rekenonderwijs
bereiken, dan dient men bij het cijferen zeer voorzichtig te zijn, wijl
dit zoo licht aanleiding tot werktuiglijkheid geeft.
Het doel van het rekenonderwijs is dus: noodzakelijke voorbereiding
voor het leven, oefening in nauwkeurig en ordelijk denken, gewenning
aan stiptheid en orde en opwekking van den zin voor waarheid.
Daarmee is ook het belang opgegeven; doch om dit juist te waar-
deeren, moet niet vergeten worden, dat het rekenonderwijs weinig
bijdraagt, om den beeldenschat der ziel te vermeerderen: de getalbe-
grippen immers zijn hoogst eenvoudig en zeer eenvormig en laten de
ziel veel armer dan b. v. natuurkennis of aardrijkskunde. Verder mag
ook niet uit het oog verloren worden, dat, om het rekenen aan zijn
doel te doen beantwoorden, veel tijd vereischt wordt, die natuurlijk
ten koste van ander onderwijs wordt gebruikt, en dat als men dezelfde
strenge methode op het onderwijs in nuttige kundigheden toepast, men
ook daarvan rijke vrucht voor de ontwikkeling der denkkracht kan
verkrijgen. Het is bovendien moeilijk te bewijzen, dat het rekenonder-
wijs, ook op de beste wijze gegeven, kan strekken, om de denkkracht
in het algemeen bij het kind te ontwikkelen, en dus ook zijn\' invloed
op ander gebied kan" uitoefenen dan op dat der hoeveelheden; dat dus
het rekenonderwijs ook kan dienen, om het kind helder te doen den-
ken over onderwerpen b. v. uit de aardrijkskunde, de geschiedenis of
het dagelijksche leven.
Het belang van het rekenonderwijs is weleens en wordt nog licht
overschat. Daartoe was in ons land alle aanleiding. Voor handel en
zeevaart en de tallooze waterwerken was het rekenen onmisbaar: daarom
werd het hoog aangeslagen , vooral door den rustigen, in zich gekeerden
en stillevenden Hollander, \'t Was dan ook volstrekt niet vreemd, in
ons land een eenvoudigen boer of ambachtsman aan te treffen, die een
zelfs in het buitenland erkend beroemd meester in het cijferen was. Is
er dus aanleiding tot overschatting, dan moet men des te voorzichtiger
zijn in het waardeeren van het rekenen, en vooral in het bloote cijferen
niet zoeken, wat er onmogelijk in kan gelegen zijn.
, § 83. Methode. — Met het oog op het hoofddoel van het reken-
\' onderwijs, voorbereiding voor het leven, moet het kind komen tot
gemakkelijk uit het hoofd rekenen en tot vlug en nauwkeurig cijferen.
Met het oog op andere bedoelingen moet bovenal gezorgd worden,
-ocr page 149-
135
dat het rekenen veel van het denken vraagt en dat stiptheid en nauw-
keurigheid er mee gepaard gaan.
Het leven eischt kennis van het cijferschrift en van het stelsel van
munten, maten en gewichten, en verder de bekwaamheid, om dage-
lijks voorkomende gevallen met geheele en gebrokene getallen te be-
rekenen. Groote getallen en moeilijke breukvormen komen evenwel
zelden of nooit in het gewone leven voor. Wat het leven niet eischt,
voor het leeren denken van weinig waarde en voor de oefening in het
vlugge cijferen niet volstrekt noodig is, mag niet behooren tot de leer-
stof voor het rekenonderwijs.
In de laatste jaren heeft men dan ook terecht den regel van drieën
laten varen, evenals vrij algemeen de repeteerende breuken. Voortgezet
nadenken zal wellicht er toe leiden, dat de leerstof nog meer vereen-
voudigd en dat er b. v. een en ander van de behandeling der gewone
en tiendeelige breuken geschrapt wordt. Men denke aan het zoeken van
den grootsten gemeenen deeler en het kleinste gemeene veelvoud. Met
den leertijd dient zuinig omgegaan.
Wil men de methode voor het rekenonderwijs onderzoeken, dan
moet men onderscheid maken tusschen aanschouwelijk rekenen,
uit het hoofd rekenen en cijferen, maar daarbij opmerken, dat
het eerste bloot middel is om voor de beide laatste wijzen van reke-
nen een goeden grondslag te leggen en ze vruchtbaar te maken voor
de ontwikkeling van het denken.
Evenals men vroeger het leesonderwijs begon met het leeren der
letterteekens, zoo het rekenen met het leeren der cijfers, terwijl het
verdere onderwijs in een dor cijferen of het uitwerken van voorstellen
bestond, \'t Was Pestalozzi, die er het eerst eene betere richting aan
gaf. Volgens zijn beginsel moest zinnelijke waarneming de grondslag
van alle kennis zijn. De getalbegrippen moesten dus ook ontstaan uit
de waarneming van hoeveelheden van werkelijke voorwerpen. Hiertoe
vervaardigde hij de bekende „eenheidstafel", bestaande in een groot
kwadraat, verdeeld in 100 kleine kwadraten. In elk der bovenste 10
plaatste hij i streepje, in elk der tweede rij 2 en zoo verder. Pesta-
lozzi\'s eenheidstafel is buiten gebruik geraakt, maar zijn denkbeeld
is blijven bestaan en heeft het aanschouwelijk rekenonderwijs
voortgebracht.
Het getalbegrip is abstract gelijk alle begrippen. Zal het helder zijn,
dan moet het langzamerhand voortkomen uit voorstellingen. Daarom
begint het onderwijs met het geven van getalvoorstellingen door middel
van allerhande voorwerpen en ook wel door strepen op het zwarte
bord. Groote verscheidenheid is hier van belang. Als gemakkelijk luer-
-ocr page 150-
136
middel gebruikt men evenwel meest den ballenteller of de Russische
rekenmachine, ook rekenraam genoemd, een werktuig, dat een-
voudigheid met doelmatigheid vereenigt. \'t Is goed, dat het zoo is
ingericht, dat de voor het oogenblik niet gebruikte balletjes buiten
het gezicht der kinderen gebracht kunnen worden. Dezelfde hoe-
veelheid, door balletjes voorgesteld, wordt daarna door alles wat voor
de hand ligt, zichtbaar gemaakt: vingers en andere lichaamsdcelen,
knikkers, centen, tafels, borden, vensters, ruiten, kinderen, streepjes
of wat ook.
Als men een begrip duidelijk wil doen opvatten, dan moet men de
eigenschappen, waaruit het bestaat, opzoeken en in \'t licht stellen.
Wijl nu het éénige kenmerk van het getalbegrip is, dat het is saam-
gesteld uit eenheden of kleinere hoeveelheden, komt het er vooral op
aan, die samenstelling duidelijk te doen zien. Daarom moet het kind
elke hoeveelheid zien worden en ook weer zien ontbinden, beide
op zooveel wijzen als mogelijk is. Men begint natuurlijk met de kleinste
hoeveelheid, om door bijvoeging van éénen tot de volgende te komen.
Haast is hier geheel verkeerd. De voorstelling van de kleinste hoeveel-
heden moet zeer vaak herhaald worden, opdat daarvan de begrippen
volkomen helder worden, vooral dewijl alle volgende hoeveelheden
slechts samenstellingen zijn van de kleinere. De hoeveelheden beneden
zes moeten inzonderheid bij het eerste onderwijs in \'t oog gevat wor-
den, omdat het kind deze nog met één blik omvatten kan, wat bij de
volgende hoeveelheden gestadig moeilijker wordt. Met elke nieuwe hoe-
veelheid worden rekenoefeningen gehouden in de vier hoofdbewerkingen :
optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en deelen, eerst met werkelijk
aanwezige voorwerpen, daarna met gedachte voorwerpen, dus met
benoemde getallen, en eindelijk met onbenoemde getallen.
Zijn de begrippen van 10 en daar beneden uit aanschouwing van
werkelijke hoeveelheden ontstaan en volkomen helder, dan volgen die
van 10 tot 20, van 20 tot 30 enz. tot aan 100. Telkens is 10 de
collectieve eenheid, waarvan uitgegaan wordt en waarop men altijd
weer terug komt, om zoo het grondbegrip van ons talstelsel duidelijk
te doen uitkomen. Boven 100 worden 10 en 100 de begrippen, waar-
aan men de andere vastknoopt enz. Van aanschouwen in den eigen-
lijken zin kan hier geen sprake meer wezen, omdat het getal voor-
werpen te groot wordt en omdat het gezicht niet in staat is, de eene
hoeveelheid van de andere te onderscheiden. Boven 100 kan men
daarom alleen met gedachte voorwerpen of ook met onbenoemde ge-
tallen werken.
De schriftteekens voor de hoeveelheden of de cijfers worden eerst ge-
-ocr page 151-
137
leerd, als ze noodig zijn, en dat is niet eerder he geval, dan wanneer
de begrippen van de hoeveelheden boven 10 ontstaan. Het cijfer moet
zijn\' inhoud krijgen door de verbinding van het teeken met werkelijk
aanwezige voorwerpen, strepen of stippen. Eerst wordt natuurlijk de
volstrekte waarde der cijfers en daarna hunne betrekkelijke waarde ge-
leerd. Om dit laatste zooveel mogelijk door aanschouwing duidelijk te
maken, kunnen meer of minder doelmatig goeden dienst doen: de
kubendoos en Keuning\'s Rekenkast. \')
§ 84. Het uit het hoofd rekenen gaat steeds gepaard met het
aanschouwelijk rekenen. Immers, het werken met gedachte voorwerpen
en met onbenoemde getallen, waarbij geen cijfers gebruikt worden,
moet reeds zoo heeten. Wat toch is uit het hoofd rekenen ? Het is het
werken met hoeveelheden, zonder daarbij van het cijferschrift of ook
van\' voorwerpen gebruik te maken. De gewone regels voor het cijferen
worden er dan ook niet bij gevolgd. Behalve zijn groot practisch belang
heeft het groote waarde voor het denken. Bij het uit het hoofd rekenen
zijn sleur en werktuiglijkheid bijna niet mogelijk, die bij het cijferen
haast onvermijdelijk zijn. De leerling beweegt zich er geheel vrij bij
en zoekt onderscheidene wegen, om tot zijn doel te komen. Steeds is
hij denkend bezig en moet zich alleen op zijn hoofd verlaten, waar-
door het werken met het hoofd zeer bevorderd wordt.
Het uit het hoofd rekenen moet niet op zich zelf staan, maar reeds
een deel van het aanschouwelijk rekenen uitmaken en het cijferen
blijven vergezellen, d. w. z. alles wat, zonder cijfers te gebruiken,
berekend kan worden, moet uit het hoofd berekend worden. Voor de
practijk des levens is dit van het grootste belang, maar niet minder
voor de gewenning aan denken, \'t Is ook de weg, die in het leven
bijna altijd gevolgd wordt en mag dus de natuurlijke heeten.
\') De kubendoos bevat een aantal houten kubcn van 1 cM. afmeting, verder
een aantal blokjes, waarin 10, 100 en 1000 van die kubcn vervat zijn. Verdeel*
strepen wijzen aan de samenstelling der grootere blokken uit de kubcn. 3333 bv.
kan dus aanschouwelijk voorgesteld worden op eene plank boven aan het zwarte
bord aangebracht.
Hij Kennil>g,a Kekcnkast behoort eene doos met soortgelijke blokjes. De kast
bestaat uit een bord , waartegenaan .\'1 horizontale rijen kleine en grootere vakjes
zijn geplaatst: de kleine vakjes links voor de eenheden, naar rechts voor de tient.
enz. De blokjes worden in die vakjes geplaatst. Roven elke rij is eene plank,
waarop de cijfers geschreven worden , die de eenheden der verschillende orden
aanduiden. Met het cijfer wordt dus direct verbonden de waarde der eenheden. -
Met deze Kekcnkast kunnen ook zeer kleine optellingen uitgevoerd woiden door
aanschouwing.
-ocr page 152-
138
Het cijferen geschiedt naar aanleiding van voorstellen in een
rekenboek of op het bord. Maar hoe het geschiede, altijd klassikaal.
Vroeger bestond het rekenonderwijs geheel in cijferen naar het reken-
boek en was zuiver hoofdelijk. Toen brachten enkele leerlingen der
lagereschool het zeer ver in het cijferen, maar niet zelden ten koste
van de vorderingen der anderen, \'t Is niet het doel der lagereschool,
uitblinkende rekenaars te vormen, wel dat allen aan de behoeften van
liet gewone maatschappelijke leven kunnen voldoen en dat door het
rekenen de denkkracht geoefend wordt. Daarom moet het onderwijs in
het rekenen, gelijk in elk ander leervak, volstrekt klassikaal zijn. Het
noodzakelijke daarvan ligt voor de hand.
In den laatsten tijd zijn een aantal rekenboeken in het licht geko-
men, waarin de onderwijzer overvloedigen voorraad vindt voor een
verstandig cijferen.
Niet genoeg kan het evenwel opgemerkt worden, dat het cijferen
zeer veel werktuiglijks met zich brengt, en dat niet het cijferen op
zich zelf tot nadenken leidt, maar wel het opsporen der verhoudingen
en liet maken van gevolgtrekkingen uit die verhoudingen. Daarom moe-
ten de voorstellen eenvoudig zijn, uit het dagelijksche leven genomen,
en het sprekende redeneeren bij het cijferen meer de hoofdzaak zijn
dan het cijferen zelf. Een kind heeft er meer voordeel van, als het
redeneert: dat werk kan zooveel korter duren, omdat er zooveel meer
arbeiders aan gezet worden, dan wanneer het eene groote vermenig-
vuldiging of deeling uitvoert.
F,venwei, zal het cijferen doel treffen, dan moet het met vlugheid en stipt-
heid geschieden, omdat het leven zulks eischt. Daarom is oefening in het
vlug en nauwkeurig cijferen ook noodig, al blijft het denken hoofdzaak.
1 )e voorstellen in de boeken moeten beknopt en duidelijk zijn, zoo-
dat de leerling in den vorm althans geen bezwaar tegen het verstaan
heeft, en voor het gemakkelijk verstaan is het ook noodig, dat ze uit
de omgeving des kinds genomen zijn.
Du volgende algemeene regels zijn ter samentrekking en toepassing
van groot belang: i. alle rekenonderwijs moet van aanschouwing uit-
gaan; 2. de regels moeten niet gegeven, maar door den leerlingzelven
uit het waargenomene en beredeneerde afgeleid worden; 3. vaardigheid
en nauwkeurigheid zijn van niet minder belang dan helder inzicht;
4. het rekenen moet zich geheel aansluiten aan de practijk van het
leven; 5. het rekenen eischt een streng bepaalden gang, wijl hier meer
dan bij iets anders het volgende rust op het voorgaande, en 6. elke
rekenles moet eene oefening in nauwkeurig en streng logisch spreken
en denken zijn.
-ocr page 153-
139
4. Vormleer.
§ 85. Het begrip. — De vormleer is het leervak, waardoor het
kind langs den weg der aanschouwing begrippen krijgt van de vormen
der stoffelijke voorwerpen en in staat gesteld wordt, berekeningen uit
te voeren aangaande uitgebreidheden, evenals men door de g e t a 11 e e r
begrippen zoekt te doen ontstaan van de hoeveelheden, om bereke-
ningen uit te voeren aangaande voorkomende werkelijke hoeveelheden.
De vorm moet gekend en juist opgevat worden, omdat hij een voor-
naam element van alle voorwerpen is, waardoor ze zich het meest van
elkander onderscheiden, en als het kind heldere voorstellingen zal op-
doen van de hem omringende wereld, dan moet het inzonderheid den
vorm goed waarnemen. Bovendien is de vorm zoo duizendvoudig
onderscheiden, dat hij, veel meer dan andere elementen van de uit-
wcndige wereld, geschikt is tot juist waarnemen, abstraheeren en com-
bineeren. Daarom nam ook Pestalozzi onder de drie grondbegrippen ,
waartoe hij de leerstof der volksschool terugbracht, nevens getal en
spraak, den vorm aan. De vormleer is dan ook door hem en sedert
hem een leervak der volksschool geworden. In ons land is zij echter
eerst in de onderwijswet van 1857 in de rij der verplichte leervakken
geplaatst. Daarmee vond zij evenwel nog geen algemeene waardecring.
Er waren ,er, die in het vormleeronderwijs tijdverspilling zagen. Zelfs
kreeg ze in het niet aangenomen wetsontwerp op het L. O. van Heems-
kerk geen plaats. Had men haar dadelijk genoemd met den naam,
dien men haar vervolgens meende te moeten geven, aanschouwe-
lijke meetkunde, of ook meetkunde der lagereschool, mis-
schien had ze met minder tegenstand te worstelen gehad. De onderwer-
pen der vormleer toch zijn dezelfde als die der meetkunde; alleen in
de uitgebreidheid der leerstof en vooral in de methode is het groote
verschil tusschen vormleer en meetkunde gelegen. De vormleer ontleent
hare leerstof aan de meetkunde, maar neemt alleen datgene, wat door
onmiddellijke aanschouwing geleerd kan worden en voor de bevatting
van jeugdige leerlingen geschikt is. Haar leervorm is de aanschouwelijke
en de zelfzoekende, haar leergang in hoofdzaak de analytische.
Doel en belang. — Zooals boven gezegd is, maakt de vorm
een belangrijk element van alle voorwerpen uit. Door den vorm zijn
ze \'t meest van elkander onderscheiden. Die vorm nauwkeurig op te
nemen is dus een noodzakelijk vereischte voor het verkrijgen van
duidelijke voorstellingen. Het doel van het onderwijs in de vormleer
is dus het doen ontstaan van juiste begrippen met betrekking tot den
vorm, maar verder ook het nauwkeurig leeren waarnemen, en omdat
-ocr page 154-
140
het kind de meest gereede aanleiding vindt tot spreken door het uit-
drukken van hetgeen het waarneemt, strekt het onderwijs in de vorm-
leer ook tot het leeren uitdrukken der gedachten. Bovendien heeft
dat onderwijs ook een belangrijk practisch doel, in zoover het bere-
kenen der uitgebreidheden en het oordeelen over de vormen in het
maatschappelijk leven gedurig voorkomen, vooral in het leven van den
handwerksman.
Het belang van het onderwijs in de vormleer is dus gelegen in zijne
verstandelijk vormende strekking en in zijn practisch nut. Sedert de
vormleer in ons onderwijs eene plaats gekregen heeft, is dan ook de
inhoud der rekenboeken gewijzigd, in zoover daarin opgenomen zijn
de berekeningen van verschillende uitgebreidheden, in het dagelijksch
leven voorkomende, die vroeger gerekend werden te behooren tot het
gebied van de wetenschap der meetkunde. Hier dient nog bijgevoegd
te worden, dat het belang der vormleer verhoogd wordt, doordat ze
eene uitstekende voorbereiding is voor het latere onderwijs in de
meetkunde.
§ 86. Methode. — De leervormen, die voor het onderwijs in
de vormleer passen, zijn de aanschouwelijke en de zelfzoekende; de
leergang is in hoofdzaak de analytische; de leermiddelen zijn
bord met krijt en verschillende voorwerpen van papier gevouwen, van
ijzerdraad of van hout.
De vormleer is juist op hare plaats in de lagereschool, waar aan-
schouwing schering en inslag bij het onderwijs is. Zij kan niet anders
dan aanschouwelijk onderwezen worden. Zien en altijd weder zien
moet het kind, telkens uitdrukkende wat het waargenomen heeft. De
overeenkomst en het verschil in vorm tusschen figuren en tusschen
voorwerpen moet het zelf zoeken, de verschillende gevallen, waarin
een aantal lijnen ten opzichte van het al of niet evenwijdige kunnen
voorkomen, de verdeeling van zekere figuren, de soorten van drie- en
vierhoeken moet het zelf opsporen. Hier, meer dan ergens, kan de
onderwijzer den leerling leiden tot zelfvinden. Zelf kan deze komen
tot het opgeven van het getal vlakken, kantlijnen, vlakhoeken, twee-
en meer-vlakkenhoeken, hunne plaatsing ten opzichte van elkander, enz.
De hoofdleergang is de analytische; want het voorwerp, het lichaam
is het uitgangspunt. Daaraan worden de elementen van den vorm op-
gemerkt en ieder afzonderlijk beschouwd. Het punt bestaat slechts als
grens van de lijn, de lijn als grens van het vlak, het vlak als grens
van het lichaam. Op zich zelf komen vlak, lijn of punt niet voor.
Wel kan men ze aanduiden door figuren, strepen en stippen. Door
-ocr page 155-
141
ontleding alleen kunnen derhalve de begrippen van de vormen ontstaan.
Zal de vormleer haar practisch doel bereiken, dan moet het onder-
wijs haar in verband brengen met het werkelijke leven; dan moeten de
vormen daar opgezocht en moet de stof voor de berekeningen daaruit
genomen worden.
Ue leermiddelen zijn eenvoudig. Met het krijt kan men doorstrepen
de vlakken en lijnen op het bord voorstellen. Voor de hoofdvormen
der stoffelijke voorwerpen heeft men een zeker getal houten of van kaart-
papier gevouwen of ook door ijzerdraad gevormde lichamen : regelmatige
lichamen, pyramiden, prisma\'s en lichamen met gebogen vlakken. In
die lichamen moet men niet anders zien dan verzinnelijkingen van
vormbegrippen, dus typische voorstellingen van de hoofdvormen. Daar-
om is het nuttig en noodig, dat die typische voorstellingen der vor-
men telkens opgezocht worden in de werkelijkheid, in de stoffelijke
voorwerpen, die niet volkomen met de typen overeenkomen, maar deze
laatste in zich op te merken geven, — of omgekeerd, dat de vormen
der voorwerpen gebracht worden tot een der hoofdvormen, evenals de
hoofdvormen der vlakken opgezocht worden aan alles, wat het kind
omringt of wat het zich herinnert, \'t Is niet zoozeer te doen om zekere
figuren en bepaalde lichamen te leeren kennen, maar om begrippen te
doen ontstaan van hoofdvormen en deze hoofdvormen weer te erkennen
in de werkelijkheid.
5. Onderwijs in nuttige kennis.
§ 87. De leervakken, door ons tot nogtoe besproken, hebben bijna
alle eene practische strekking: ze bestaan in het leeren van eenig werk
en bedoelen het verkrijgen van de eene of andere vaardigheid. Wijl de
mensch het meest geleid wordt door de behoeften des levens, hebben
de leervakken, die practisch nut beoogen en waarvan dus de kennis
onmiddellijk in het leven toegepast kan worden ook het eerst eene plaats
op de lagereschool gekregen en wil men ze nog liefst als h o o f d v a k k e n
beschouwen. Het is evenwel van groot belang, dat de mensch meer
opdoet dan de vaardigheden, die het leven onmisbaar maakt, dat hij
ook kennis verkrijgt van de wereld, waarin hij leeft, zonder welke hij
ook slechts tot eene gebrekkige kennis der taal komen kan. In de wet
komen daarom drie vakken voor, die het kind met de hem omringende
wereld zullen bekendmaken: geschiedenis, aardrijkskunde en kennis der
natuur. Het noodzakelijke van de practische vakken valt ieder in het
oog, het nut van de vakken, die bloot kennis aanbrengen, is niet zoo
direct in te zien. \'t Is daarom vanbelang, dit wat nader te beschouwen.
-ocr page 156-
142
De genoemde vakken zouden saamgevat kunnen worden onder den
naam wereld kunde, omdat ze alle drie betrekking hebben op de
wereld, d. i. op de natuur en den mensch. De geschiedenis heeft tot
onderwerp het verled ene der menschheid, hare ontwikkeling tot op
onzen tijd, de aardrijkskunde houdt zich bezig met den tegenwoor-
digen toestand van den mensch en met zijne woonplaats, de aarde;
de kennis der natuur bepaalt zich tot de krachten en verschijnselen in
de natuur en tot hare voorwerpen. Van dat alles nu zal het kind door
het onderwijs kennis erlangen, d. w. z. in zijne ziel moeten duidelijke
voorstellingen en begrippen uit het gebied van geschiedenis, aardrijks-
kunde en natuurkennis ontstaan. Waartoe die kennis? Het verwerven
van kennis geeft een zeker genot; evenwel dat genot te smaken, die
weelde kan en mag het hoofddoel niet zijn. De kennis wordt, even
goed als elke vaardigheid, verworven om gebruikt te worden. Kennis,
waarvan men meent, dat ze nergens bruikbaar voor is, heet dan ook
onnutte kennis, ballast; men moest liever zeggen: kennis, die in een
gegeven geval niet bruikbaar is, mag ballast heeten, omdat alle kennis,
welke ook, haar\' bezitter meer of minder dienen kan.
Waartoe gebruikt men de kennis ? Enkel om te oordeelen. Ieder oor-
deel moet zijn de uitkomst eener vergelijking van hetgeen men waar-
neemt of wat in ons bewust wordt, met de voorstellingen en begrippen,
die in ons zijn. Daarom kan ons oordeelen ook niet verder gaan, dan
onze kennis reikt; doch ook andersom: waarvan we kennis hebben,
daarover kunnen we ook oordeelen. Ons oordeelen moet wederom de
grondslag van ons handelen zijn; als dat niet het geval is, spreekt
men immers van onbedachtzaam of lichtzinnig of in sleur handelen.
Onze kennis bepaalt derhalve onze handelingen. Wie zeer veel kennis
heeft, zal in meer gevallen weten, hoe hij handelen moet, dan iemand
met weinig kennis. Daarom is b. v. de kennis der geschiedenis voor
den staatsman onmisbaar, voor den burger zeer nuttig. Daarom is ook
de volkshuishoudkunde voor elk lid der maatschappij van het grootste
gewicht. Zij stelt hem in staat, om juist te oordeelen over maatschap-
pelijke toestanden en verschijnsels en dienovereenkomstig te handelen.
Wie kennis heeft uit het gebied der gezondheidsleer en van zijn eigen
lichaam, zal kunnen oordeelen over datgene, wat voor zijne gezondheid
voordeelig of schadelijk is, en zijne handelingen daarnaar inrichten. In
zoover is het eene waarheid: kennis is macht. Daarom moet ook de
waarde der algemeen nuttige kundigheden, die de lagereschool het kind
zoekt te verschaffen, niet gering, of liever zeer hoog, geschat worden.
Lezen, schrijven en rekenen zijn wel volstrekt onmisbaar, maar hebben
weinig waarde zonder het bezit van velerlei kennis: alleen hierdoor
-ocr page 157-
143
krijgen ze eerst hunne rechte beteekenis voor de ontwikkeling der maat-
schappij.
Alle kennis, zeiden we, is in meerdere of mindere mate nuttig. De
lagereschool kan evenwel slechts eene beperkte kennis geven. Weliswaar
moet ook door het onderwijs in lezen, schrijven en rekenen kennis
ontstaan; maar geen leervakken der Wet worden zoozeer alleen om de
kennis onderwezen, dan geschiedenis, aardrijkskunde en natuurkennis.
Het blijft eene belangrijke vraag, of de wetgever uit de massa kennis
de juiste keus gedaan heeft, en of b. v. volkshuishoudkunde niet de
voorkeur verdiende boven geschiedenis.
De grondslag van alle kennis wordt reeds in huis, in de bewaar-
school en in de aanvangsklasse der lagereschool gelegd. Het kind
neemt reeds veel waar, vóór het nog in de bewaarschool of in de
lagereschool opzettelijk onderwezen wordt. Duizenden beelden ontstaan
in zijne ziel van al hetgeen wat zich in huis, op straat, op weg of
op het veld bevindt. Naarmate het kind beter in de gelegenheid is
om veel te zien en te hooren, wordt zijne aanvankelijke kennis ook
grooter. In dat opzicht verschilt de ontwikkeling van kinderen uit
eene levendige stad of van een druk dorp veel van die, welke afge-
legen wonen, waar de zinnen weinig kunnen waarnemen. — In de
bewaarschool of in de aanvangsklasse der lagereschool strekt het aan-
schouwingsonderwijs door middel van voorwerpen en platen, om de
kennis des kinds te vermeerderen en vooral om de beelden duidelijk
te maken. Nog is evenwel de kennis niet tot soorten gebracht. In de
hoogere klassen begint men de kennis te scheiden en wordt ze ver-
deeld in aardrijkskundige, geschiedkundige en natuurkundige kennis.
Het spreekt dus van zelf, dat de vruchten van het onderwijs in deze
drie vakken voor een deel afhangen van het getal en de helderheid
der beelden, die het kind door het voorafgaande onderwijs en door
zijn leven in huis opgedaan heeft.
a. Geschiedenis.
§ 88. Het begrip. — Geschiedenis, in zeer algemecnen zin ge-
nomen, is de voorstelling van het verledene, van de wording, de
ontwikkeling van iets: zoo spreekt men van de geschiedenis eener
wetenschap, van de kerk, van een enkel persoon enz. In den gewo-
nen zin evenwel verstaat men door geschiedenis de voorstelling van
het verledene, van de wording, de ontwikkeling der menschheid of
een deel er van, natuurlijk voor zoover daarvan de kennis tot ons ge-
komen is. Het onderwijs in de geschiedenis bestaat dus in het doen
-ocr page 158-
144
ontstaan van ziekbedden, die betrekking hebben op het verledene van
het menschelijk geslacht. De volken in hunne eigenaardige ontwikke-
ling, in hunne levenstoestanden, godsdienst, zeden en gebruiken, hun
invloed op de ontwikkeling van andere volken, de personen die aan
het hoofd der bewegingen stonden, de gebeurtenissen die groote ver-
anderingen brachten, van dat alles, in meerdere of mindere mate,
moeten de kinderen beelden in de ziel bekomen: voorstellingen van
het bijzondere, begrippen van het algemeene.
Doel en belang. •— Van elk leervak is het noodig, dat de onder-
wijzer zich het doel en belang juist voorstelle, van het onderwijs in de
geschiedenis evenwel geldt dit vooral, omdat zijne waarde in betrek-
king tot de lagereschool in de laatste jaren weleens in twijfel
getrokken is, maar ook niet gemakkelijk bepaald kan worden. Laat
ons dus zorgvuldig en onbevooroordeeld onderzoeken.
Het naaste doel van het geschiedkundig onderwijs is kennis bij het
kind te doen ontstaan van het verledene der menschheid in het alge-
meen en van dat van het eigene volk in het bijzonder. Aldus ten
aanzien vari de openbare school; voor de bijzondere school kan er
nog bij komen: kennis van de geschiedenis in den Bijbel vervat.
Waartoe al die kennis? Het aanwenden van kennis in het algemeen is
boven besproken. Het doel van de geschiedkundige kennis in het bij-
zonder moet nu zijn, den mensch in staat te stellen tot juistoordeelen
over maatschappelijke en staatkundige toestanden en over het streven
van sommige personen in staat en maatschappij, en in zoover als het
bijzonder leven van een aantal menschen in de geschiedenis blootge-
legd wordt, kan dit leven een maatstaf zijn ter beoordeeling van het
eigene leven.
De bereiking van het eerste doel is eene zaak van groot belang. „De
geschiedenis is het wereldgericht," heet het ergens. „De geschiedenis
is de spiegel der toekomst, is eene leerschool voor de geslachten der
toekomst," heet het elders. „In \'t verleden ligt het heden, in het nu
wat worden zal." Zeer ware woorden! Gelijk de eene mensch in het
leven van die hem omringen, eene aanwijzing heeft voor zijne eigene
handelingen, zoo vindt de menschheid of een geheel volk in het leven
van de menschheid of van enkele volken eene waarschuwing of aan-
prijzing. Niet zoozeer om de geschiedenis op zich zelve is het te doen,
als wel om hare resultaten: begrippen en waarheden betrekkelijk het
leven van volken. Ze predikt langs den weg der aanschouwing in voor-
beelden: in alles vooruitgang, ontwikkeling. Ze doet zien, hoe volken
tot welvaart, tot staatkundige orde en zoo tot meer geluk komen. Ze
stelt het streven van baatzuchtige volksleiders in een helder licht. Ze
-ocr page 159-
145
toont, hoe door het krachtig optreden en volhouden van een groot
man voor een volk een nieuw levenstijdperk geopend wordt, maar ook
waardoor een volk zijn eigen bestaan vernietigt of voor een\' tijd onbe-
duidend wordt. Ze schildert Ie glorie van een volk en prikkelt daardoor
tot streven naar ware grootheid. Ze maakt de waarheid of dwaasheid
van sommige stellingen der staathuishoudkunde zichtbaar. Doch genoeg
om te doen zien, dat de geschiedenis eene leerschool is en zeer nuttig
aanschouwelijk onderwijs geeft. Zou de kennis hunner allerjongste ge-
schiedenis, voor een groot deel door ervaring verkregen, de Franschen
niet wijzer gemaakt hebben?
Maar voor wie is in de eerste plaats dat onderwijs? In hoofdzaak
voor den burger en den staatsman. De begrippen en waarheden der
geschiedenis kunnen niet door het kind, ook nog niet door den jonge-
ling en het meisje worden toegepast. Op het tooneel der geschiedenis
spelen vooral volken en staatkundige personen en ziet men de toestan-
den der maatschappij in vroegere tijden voorgesteld. De toepassing van
hare begrippen en waarheden volgt dus eerst, als de mensch lid van
den staat en van de maatschappij is geworden of de leiding van velen
op zich heeft genomen.
Doch ook voor het individu heeft de geschiedenis haar belang, in
zoover ze het bijzondere leven van enkele personen blootlegt, en als
ze personen met grootsche en edele karakters ten tooneele voert, waar-
door het gemoed en de zin voor het zedelijk schoone en edele ont-
wikkeld worden. Tevens geeft ze veelvuldige aanleiding tot denken,
doordat al wat ze meedeelt, tot elkander in verband staat als oorzaak
en gevolg.
Uit het bovenstaande blijkt voldoende, dat men het nut van de
geschiedenis in het algemeen niet licht te hoog kan aanslaan. Evenwel
dat is niet het punt, waarop het aankomt. Hier geldt het nut voor
de lagereschool, dus ook het nut vergeleken met dat van de andere
leervakken. Hier is dus de vraag, wat de vrucht van het geschied-
kundig onderwijs kan zijn voor de kinderen beneden — in den regel —
12 jaar. En dan verdient het opmerking, vooreerst, dat men vaak
onderwijzers hoort klagen, dat er van de geschiedenis zoo weinig zitten
blijft, en ten anderen, dat men in het leven zoo weinig van geschied-
kundige kennis merkt.
De oorzaak kan liggen in eene verkeerde methode; doch wanneer
we de methode als goed vooronderstellen, dan kan ze nog gelegen
zijn in den aard der leerstof en in omstandigheden buiten de school.
Laat ons zien.
Alle onderwijs moet, zal het beklijven, aansluiten aan reeds in de
uu k kns, Oppoedk., 7e druk.                                                           10
-ocr page 160-
146
ziel aanwezige beelden en bovendien een aanschouwelijken grondslag
hebben. En nu geeft de geschiedenis vooral beelden, waarvan de ziel
van kinderen beneden 12 jaren de gelijksoortige nog niet heeft: vorst,
legerhoofd, veldslag, vrede, bestuur en dat van zoo verschillenden
aard en met zoo verschillende macht, volksverhuizing, wapens, staat-
kundige partijen, belegering en eene massa andere begrip[>en, te veel
om ze hier te noemen, die meest alle te weinig met den gewonen
levenskring van het kind samenhangen, dan dat ze vast in de ziel
zouden kunnen blijven. Ter opheldering van het beweerde moge het
verschijnsel dienen, dat de kinderen zeer gemakkelijk onthouden b. v.
Hugo de Groot\'s ontvluchting in eene boekenkist, de verrassing
van Breda door een turfschip, het springen van Van Schaffelaar
uit den toren enz., omdat boekenkist, turfschip, springen en toren
beelden zijn, die in den levenskring van het kind te huis behooren,
en tevens het middel, waardoor de zaken, die er mee in verband
staan, in de ziel bewaard blijven.
Het middel, om de geschiedkundige kennis te bewaren, is vooral
het woord. De aanschouwing kan niet veel meehelpen: platen kun-
nen slechts een enkel moment van eene gebeurtenis voorstellen, wel
zijn ze geschikt om beelden van toestanden te geven, kaarten duiden
alleen plaats, richting en afstand aan, niet de gebeurtenis zelve. Nu
het woord bijna alleen de geschiedenis moet bewaren, gaat ze lichter
verloren. Wat verleden is, heeft bovendien, als niet meer bestaande,
iets abstracts, dat het behouden niet bevordert. Door dit alles kan het
onderwijs in de geschiedenis maar voor een klein deel aanschouwelijk
gemaakt worden.
Doch de omstandigheden zijn de geschiedenis ook niet gunstig: ze
sluit zich niet aan aan het dagelijksche leven; slechts door geschied-
kundige herinneringsfeesten , door standbeelden , door het tooneel wordt
ze eenigszins teruggeroepen. Alleen enkele namen van beroemde per-
sonen blijven leven in de herinnering des volks. Dat de gebeurtenissen
der geschiedenis weinig in het gewone maatschappelijke leven genoemd
worden, heeft zijn goeden grond. Wat eenmaal voorgevallen is, is
voorbij, bestaat niet anders dan in de herinnering en in zijne gevolgen,
en om nu, hetgeen gebeurt, als een gevolg te beschouwen van hetgeen
vroeger voorgevallen is, daarvoor is eene mate van ontwikkeling noodig,
die niet bij de groote menigte kan verondersteld worden, zoodat
Brugsma dan ook zegt: „Het eigenlijk wezen tier geschiedenis kan
zich eerst in latere levensjaren voor den kalmen denker ontsluiten."
Het dagelijksch leven geeft dus weinig aanleiding tot herinnering van
geschiedkundige gebeurtenissen, waardoor de kennis er van licht weer
-ocr page 161-
147
verloren gaat. De vaderlandsche historie heeft in dit opzicht een voor-
deel boven de algemeene, gelijk natuurkennis en aardrijkskunde
boven de geschiedenis. Als het geschiedkundig onderwijs met zooveel
bezwaren te kampen heeft, is het des te meer zaak, de methode met
den meesten ernst te zoeken en te bepalen,
§ 89. Methode. — De leergang voor het onderwijs in de ge-
schiedenis moet wel uit den aard der zaak, gelijk die voor het onder-
wijs in elke kennis, synthetisch zijn, omdat van haar nog niets in de
ziel des kinds bestaat en alles moet opgebouwd worden tot eengeheel.
Omdat evenwel de geschiedenis niet eene verzameling van feiten is,
maar eene opeenvolging van uit elkander voortvloeiende gebeurtenissen ,
die als oorzaak en gevolg tot elkander in betrekking staan, moet de
synthetische gang tevens genetisch (wordend, genesis r= wording) zijn,
waarbij dan het voorafgaande beschouwd wordt als oorzaak van het
volgende, en het causaal verband duidelijk in het licht treedt. Daar-
door bekomt de geschiedenis eerst hare rechte waarde. Om te beant-
woorden aan de onderwijskundige waarheid, dat alle kennis zich moet
aansluiten aan het in de ziel bestaande, zou de synthetische leergang
regressief moeten zijn en uitgaan van den tegenwoordigen toestand, om
dien te ontwikkelen uit hetgeen hem voortgebracht heeft en dit wederom
uit zijne oorzaken. Dit heeft evenwel bij het onderwijs in de lagere-
school zijne groote bezwaren, ja is misschien onuitvoerbaar. Iets anders
is het, eerst den tegenwoordigen toestand op te vatten en van daar
met groote schreden te gaan tot het begin, om vervolgens progressief
het geheel te ontwikkelen.
Waar ligt het begin, en welke moeten de hoofddeelen van den
leergang zijn? Voor de lagereschool is het begin der geschiedenis niet
noodzakelijk het begin van het onderwijs er in, en is het belangrijkste
niet altijd dat, wat den man der wetenschap vooral interesseert. De
leeftijd en de ontwikkeling der kinderen moeten de keus bepalen. De
vaderlandsche geschiedenis wint het in belangrijkheid van de algemeene ,
en in de eerste zijn de laatste 4 eeuwen oneindig veel belangrijker
dan de vroegste geschiedenis. Daarom neme men uit deze laatste
enkele, den tijd kenschetsende feiten en personen en behandele men
de geschiedenis van den eigenlijken Nederlandschen staat meer uit-
voerig. Ten aanzien van de algemeene geschiedenis is de keus der
stof moeilijker. Kr zijn er die van haar slechts die deelen willen be-
handelen, die met de vaderlandsche in onmiddellijk verband staan.
Veel is daarvoor te zeggen, vooral met het oog op de school voor
gewoon lageronderwijs. Men mist dan echter den draad, die door de
10*
-ocr page 162-
•\'
148
geheele geschiedenis loopt. Beter is het, van de oude historie en van
een gedeelte der middeleeuwen een beknopt overzicht te geven en als
hoofdzaken te nemen die gebeurtenissen, waaruit de tegenwoordige
toestand der Europeesche staten is voortgekomen, dus het tijdperk dat
met Karel den Grooten begint.
Nu evenwel de tegenwoordige wet op het lageronderwijs bij de
opnoeming der leervakken in art. 2 alleen spreekt van „beginselen
der vad erl andsche geschiedenis, is er geen keuze meer overge-
bleven en zal het gebied van het geschiedkundig onderwijs beperkter
moeten worden. De noodzakelijkheid zal evenwel blijken, dat men tot
goed verstand van een aantal punten uit onze geschiedenis uitstappen
doe op het veld der algemeene , en zoo zal het worden: vaderlandsche
geschiedenis met dat van de algemeene, waarmee de onze in aan-
raking komt.
Maar wat moet dan op den voorgrond treden? Niet de massa na-
men , feiten en jaartallen. Zal de geschiedenis haar nut uitoefenen, dan
moet het levende geslacht zijne voorgangers zien , zooals ze waren,
zooals ze leefden en handelden. Daarom moet de geschiedenis der lagere-
school bestaan in eene reeks van biographieen van belangwekkende
]>ersonen, voorgesteld in de lijst van hun\' tijd, en schilderingen van
toestanden, die hun\' tijd kenmerken, en die alle zoodanig verbonden,
dat de voortgaande ontwikkeling van het menschdom of van een volk
daarin zichtbaar is. Eene goede keus te doen is niet gemakkelijk. Daar-
voor is veel geschiedkundige kennis noodig en een juist besef van de
behoefte der lagereschool.
De leervorm voor het onderwijs kan geen andere dan de mede-
deelende zijn, en wel de mededeelende, die van het woord gebruik
maakt. Niet het woord van het boek, maar het gesproken woord des
onderwijzers, \'t Gaat niet aan, de schriftelijke taal voor het opdoen van
kennis reeds te willen gebruiken bij kinderen, die hunne taal nog bezig
zijn te leeren. De vertellende onderwijzer geeft kleur en leven aan de
mededeeling door toon en gebaren; hij kan naar den eisch uitvoerig
zijn of zich bekorten, hij kan in een anderen vorm herhalen, wat niet
wel begrepen is. Daardoor verkrijgt de geschiedenis voor het kind iets
aantrekkelijks, dat hem ook in het vervolg uitlokt tot nadere kennis-
making. Wil men, dat eene wetenschap ook later nog een voorwerp
van beoefening blijft, dan moet ze zich aangenaam voordoen, en de
geschiedenis krijgt een aangenaam voorkomen, door haar zoo levendig
en aanschouwelijk mogelijk te vertellen.
Daarmee moet echter gepaard gaan het opgeven en bewaren van
jaartallen, die volstrekt noodzakelijk zijn voor het behoud van het ge-
-ocr page 163-
149
heel. Evenwel niet op zich zelf in den vorm van eene tijdtafel, maar
verbonden niet het meegedeelde, waardoor ze ook gemakkelijk bewaard
blijven. Natuurlijk is de repetitie bij dit onderwijs zeer noodig. Het
gebruik van een leesboek is niet uitgesloten. De leerling kan het bezigen
tot zijne voorbereiding of ook tot nastudie.
Tot de leermiddelen kunnen, behalve boeken, ook platen
gebracht worden, gelijk er in den laatsten tijd van zeer goede hoe-
danigheid verschenen zijn, voorts gewone landkaarten en geschied-
kundige kaarten; ook tijdstroomkaarten kunnen met vrucht worden
gebruikt.
,y b. Aardrijkskunde.
§ 90. Het begrip. — De geschiedenis heeft het verled ene van
de menschheid tot onderwerp, de aardrijkskunde leert ons haar tegen-
woordigen toestand kennen, maar tevens, wijl deze in zoo nauw
verband staat met de gesteldheid der aardoppervlakte, den toestand der
laatste met den invloed, dien de hemellichamen op haar uitoefenen.
Men onderscheidt daarom weleens de aardrijkskunde in staatkundige,
natuurkundige en wiskundige, eene onderscheiding evenwel, die voor
de beide «ierste deelen bij het onderwijs moeilijk is vol te houden, 1
omdat ze in zooveel punten samenvloeien.
De aardrijkskunde omvat dus de kennis van den mensch en van zijne
woonplaats. Ze geeft de eigenschappen van den mensch op, al naardat
hij behoort tot rassen en stammen of tot volken en standen; ze spoort
zijne bezigheden na en de scheppingen van zijne werkzaamheid; ze
duidt de instellingen aan, die zijn leven bepalen, en de omstandig-
heden, waarin hij leeft; bovenal onderzoekt ze de natuurlijke gesteld-
heid zijner woonplaats. Ze neemt dus den mensch ter beschouwing,
zooals hij reilt en zeilt, en de aardoppervlakte, zooals deze zich nu
vertoont. Ze let alleen in zoover op het verleden van beide, als ze dat
tot opheldering van sommige verschijnselen noodig heeft. Haar gebied
is dus zeer uitgebreid en moeilijk door juiste grenzen te bepalen. Aan
een aantal wetenschappen moet ze hare stof ontleenen. (Geologie, ge-
ognosie, mineralogie, botanie, zoölogie, ethnographie , technologie,
staathuishoudkunde, kennis der staatsinstellingen enz.).
Ze is evenwel geen bloote verzameling van bijzonderheden, den
mensch en de aarde betreffende, zij het ook, dat ze ordelijk tot soorten
gebracht zijn. Was ze dat vroeger ook al en daardoor geene uitlok-
kende wetenschap, sedert Von Humboldt en Ritter (beiden gest. in 1859)
-ocr page 164-
>
150
haar beoefend hebben, heeft ze een ander voorkomen gekregen. Sedert
spreekt men van vergelijkende aardrijkskunde — men blijve
hier niet aan den naam hangen —• en verstaat daardoor de kennis der
aardrijkskundige bijzonderheden, in verband met elkander beschouwd
als oorzaak en gevolg en in verband van gelijkheid. Voor het eerste
diene tot opheldering, dat het klimaat niet bloot wordt opgegeven,
maar afgeleid uit de natuurlijke omstandigheden; dat de producten en
de bezigheden in betrekking worden beschouwd tot de gesteldheid des
bodems, de ligging des lands en het klimaat; dat de volkseigenaardig-
heden niet bloot opgenoemd, maar zooveel mogelijk opgemaakt worden
uit de omstandigheden enz. Voor het tweede, dat verschillende streken
der aarde met elkander vergeleken worden ten aanzien van het gelijke
of ongelijke, dat haar kenmerkt, en dat dus hetzelfde verschijnsel aan-
gewezen wordt in verschillende deelen der aarde. Daardoor geeft de
aardrijkskunde menigvuldige aanleiding tot oordeelen en besluiten en
wordt ze, wat men noemt eene ontwikkelende wetenschap. Mocht men
meenen, dat z>i dan niet voor de kinderen der lagereschool geschikt
is, dan moet opgemerkt worden, dat elk leervak niet omvat de geheele
wetenschap, maar datgene uit elke wetenschap, wat geschikt is voor
de ontwikkeling des kinds.
Nu de aardrijkskunde den ouden weg verlaten heeft en algemeen
in de richting van Von Humboldt en Ritter onderwezen wordt, komt
de naam vergelijkende weinig meer voor.
§ 91. Doel en belang. — Het onmiddellijke doel van het
onderwijs in de aardrijkskunde is het doen ontstaan in de ziel der kin-
deren van beelden uit het gebied van den tegenwoordigen toestand des
menschen en der aardoppervlakte, om meteen, vooral door de methode
der vergelijkende aardrijkskunde, den kinderen aanleiding tot denken te
geven. Ken middellijk doel is het doen ontstaan van kaartenbeelden:
deze echter alleen, om het ordenen en het bewaren en de helderheid
van de aardrijkskundige kennis te bevorderen.
Het belang van het aardrijkskundig onderwijs is gelegen in het
belang van de aardrijkskundige kennis. Gelijk alle kennis moet ook
deze weer leiden tot juist oordeelen en dit verder tot zoodanig han-
delen, dat het geluk van het individu zelf en dat zijner medemenschen
bevorderd worden , en de wetenschap der aardrijkskunde geeft inzonderheid
veel kennis, die de mensch tot velerlei nuttige doeleinden gebruiken kan.
Vooreerst leidt de aardrijkskundige kennis tot juist oordeelen over
de staatkundige gebeurtenissen van den dag. Geen courant met hare
berichten kan verstaan worden zonder aardrijkskundige kennis. Veel
-ocr page 165-
151
blijft den lezer schemerachtig, als hij zich de plaats van het gebeurde
niet eenigszins bewust kan maken. Ten anderen doet die kennis
hem veel meer genot smaken bij al zijne lectuur, vooral voor zoover
die bestaat in reisbeschrijvingen. Slechts als men zich bij het lezen be-
hoorlijk oriOnteeren kan, door zich de kaart voor te stellen, kan men
geheel met de reizigers meegaan en met hen genieten. Ten derden
wekt de aardrijkskunde niet alleen op tot reizen, maar maakt ook een
genotvol reizen mogelijk , en dit heeft behalve genot weer zijne groote voor-
deelen voor de ontwikkeling van den mensch. Ten vierden, wat de
geschiedenis doet door de beschrijving van den mensch uit het verledene,
dat kan de aardrijkskunde nog meer door de voorstelling van den
mensch, zooals hij nu is: ieder volk heeft in zich iets eigenaardigs,
waarvan de kennis het begrip van mensch bij ons veel ruimer maakt.
De bekrompenheid van den volks-eigenwaan verdwijnt, als men den
mensch in zoo groote verscheidenheid te aanschouwen geeft. Minder
geachte volken rijzen in onze schatting door het goede, dat we in hen op-
merken en dat ons vroeger onbekend was. Maar ook het eene volk staat
naast het andere en kan er mee vergeleken worden, en men ziet de
gevolgen aanschouwelijk van zekere verkeerde of goede richtingen in
het volksleven. De Spanjaard zal eerst dan inzien, dat zijne natie niet
de voortreffelijkste der aarde is, gelijk hij meent, als de aardrijkskunde
hem het leven van andere volken naar waarheid schetst, en hij zal
eerst dan naar middelen ter verbetering van den toestand zijns volks
omzien, als door vergelijking het besef van het gebrekkige daarin bij
hem ontwaakt. Ten vijfden eindelijk —- en dit belang mag zeer
groot gerekend worden — is de aardrijkskunde bevorderlijk voor de
volkswelvaart, in zoover zij den handel de oogen opent en hem de
wegen aanwijst, waarlangs hij komen kan tot de bronnen van rijkdom,
en de nijverheid met de stoffen en voorwerpen bekend maakt, die ze
met voordeel verwerken kan, ook in zoover zij de aarde grooter maakt
en den broodzoekenden landverhuizer op de streken opmerkzaam maakt,
die hem een ruimer bestaan kunnen verschaffen, dan hij in zijn eigen
land verwerven kan.
In het kort: de aarde is de woonplaats des menschen; van de aarde
moet hij leven; de menschheid is eene groote school, waar de een den
ander leert: die aarde en de menschheid te leeren kennen, moet wel
in velerlei opzicht den mensch tot voordeel zijn. Dat wordt dan ook
in den tegenwoordigen tijd begrepen, zooals blijkt uit het overal zicht-
bare streven, om de aardrijkskundige kennis uit te breiden.
§ 92. Methode. — Sedert de aardrijkskunde vergelijkend gewor-
-ocr page 166-
152
den is, is ook in hare methode eene groote verandering gekomen.
Kon het onderwijs vroeger in weinig anders bestaan dan in het geven
van een aantal namen en bijzonderheden zonder samenhang en het
afvragen van liet oj>genoinene, nu treedt het beginsel der aanschou-
wing meer op den voorgrond door flinke kaarten, nu deelt de onder-
wijzer meer in schetsen en schilderingen mee, nu kan hij door zijne
vragen het kind doen nadenken, het eene uit het andere doen afleiden
en verband tusschen alle deelen brengen. Werd het woordgeheugen
vroeger alleen gebruikt, en was het onderwijs door zijne dorheid den
leerling eene kwelling, nu worden verbeelding en denkkracht beide
aan \'t werk gezet en is de bezigheid eene aangename. Doch hoe moet
dan het aardrijkskundig onderwijs ingericht zijn naar leergang, leer-
vorm en leermiddelen?
De leergang moet in hoofdzaak synthetisch zijn. Immers, de
stof bestaat nog niet in de ziel des kinds, moet daarin nog geheel
opgebouwd worden. Anders dan bij de geschiedenis ligt hier het aan-
vangspunt in de nabijheid van het kind. Dat aanvangspunt is de plaats,
waar het kind zich bevindt: de school, van waaruit de richting be-
paald wordt der vier hemelstreken en de ligging ten opzichte van zekere
punten in de woonplaats. De plaats van zon en maan worden van uit
de school gezocht, hare beweging aan den hemel door tien vinger in
de lucht bewogen aangeduid en daardoor tle opmerkzaamheid op die
hemellichamen gevestigd. Men zal begrijpen, dat het hier niet om de
kennis der school op zich zelve en die der voorwerpen er in te doen
is, maar om de school als aardrijkskundig punt en om de richting,
waarin de voorwerpen zich ten opzichte van elkaar bevinden.
Van de school gaat men verder tien weg of de straat op en let
daarbij op de verschillende openbare gebouwen en inrichtingen, de
kunstwegen, de kanalen en andere wateren, de voornaamste bedrijven,
de voortbrengselen, tle grondsoorten, tle ligging ten opzichte van
andere nabijgelegen plaatsen: door dat alles is men in tle gelegenheid,
uit de aanschouwingen begrippen te doen ontstaan en deze aan het
dagelijks terugkeerende vast te knoopen. Zoo Wordt ook tle aardrijks-
kunde der woonplaats tle grondslag voor de volgende aardrijkskundige
kennis. Een aantal begrippen, die hier door aanschouwing gevormd
worden , keeren bij het voortgezette onderwijs gedurig terug: elke woon-
plaats is in zekeren zin in het klein, wat een geheel land in het groot is.
Met de bespreking van een en ander is gepaard gegaan het schetsen
van den platten grond der school en van de omgeving en vertier van
tle geheele woonplaats. Dit geschiedt vooral, om door aanschouwing
het kaartbegrip te doen ontstaan: gelijk tle kinderen hier in kaart ge-
-ocr page 167-
153
bracht zien, hetgeen ze zien en dat hun bekend is, zoo zullen ze
later uit de kaarten hetgeen ze niet onmiddellijk zien, leeren verstaan
en de kaarten met hare teekens leeren beschouwen als aanduidingen
van eenig deel der aardoppervlakte. Ook van de ongelijkheid der
schalen krijgen ze op die wijze een begrip. Kerst zien ze de school op
eene groote schaal, op de kaart der naaste omgeving is ze reeds klei-
ner, op die der geheele woonplaats nog kleiner, op die der gemeente
en der provincie verdwijnt ze en is het dorp of de stad eene stip geworden.
Van de woonplaats uit teekent men de wegen naar de naastliggende
plaatsen. Doch zoo kan men niet voortgaan: al wat verder ligt, is voor
het kind in gelijke mate onbekend, en er is dus samenvatting noodig.
Men zou die kunnen vinden in de natuurlijke geheelen, aangewezen
door de grondsoorten, of ook in de vloedgebieden; maar beide missen
al te zeer bepaalde omtrekken, om een duidelijk beeld in de ziel te
doen ontstaan. Daarom is het voor de leerlingen der lagereschool beter
de samenvatting te zoeken in het staatkundig geheel der provincie, die
na de gemeente in behandeling genomen wordt. Ze wordt eerst naar
hare ligging en natuurlijke gesteldheid en dan naar haar staatkundigen
toestand beschouwd. Voor de kennis der plaatsen gaat men uit van het
middelpunt, de hoofdstad, daarbij de water- of landwegen volgende.
Van de meeste plaatsen kan men niet veel meer geven dan den naam
en de ligging, en reeds die kennis kan van veel dienst zijn.
Bij dit alles moet het te doen zijn, om begrippen uit aanschouwingen
te doen ontstaan, en daarom moet men veel zaken maar niet alleen
noemen, maar zeer bepaald in \'t oog vatten , als: gemeente, provincie,
grens, veen, klei, zand, kanaal, rivier, kunstweg enz., waarbij natuur-
lijk de bijzondere ontwikkeling van de kinderen, zooals ze die in hunne
woonplaats hebben kunnen opdoen, in aanmerking genomen moet \\vor-
den. Kinderen in een afgelegen gehucht op het diluvium zullen mis-
schien zelfs de begrippen schip en stoomboot, kanaal en haven, dijk
en sluis en dergelijke missen, die anderen zeer gemeen zijn.
Als de provincie voldoende bekend geacht wordt, dan beschouwt men
haar in betrekking tot het geheele land of tien staat. Daarvan wordt
weder de ligging gezocht en de natuurlijke gesteldheid nagegaan. De
staatkundige toestand, voor zoover mogelijk, wordt hieruit afgeleid. De
plaatsen worden het best bewaard, als men ze in betrekking beschouwt
tot de rivieren of kanalen, de spoorwegen, de kusten enz.
Naarmate men verder van huis gaat, vallen de bijzonderheden weg.
Na Nederland wordt Europa naar zijn horizontalen en verticalen vorm
beschouwd. De verschillende landen worden opgezocht en daarvan de
bijzonderheden nagegaan, naardat de toestand der school en de ontwik-
-ocr page 168-
154
keling der kinderen toelaten. Op de werelddeelen wordt een algemeener
blik geworpen en alleen de deden, die zich het meest onderscheiden,
meer bepaald in het oog gevat. Daartoe behooren vooral de Neder-
landsche koloniën, die om hare steeds grooter wordende belangrijkheid
voor ons land wel eene afzonderlijke beschouwing verdienen.
Steeds moet men duidelijke begrippen trachten te geven en geen
woorden zonder zin laten gebruiken. Wie door de omstandigheden be-
let wordt, de geheele aarde te behandelen, moet den kring kleiner
nemen, liever dan dat hij bloot eene massa namen geeft.
Immer moet de beschouwing van de natuurlijke gesteldheid vooraf-
gaan en daaruit de staatkundige worden afgeleid.
De drie hoofddeelen der aardrijkskunde komen nog geheel met elkan-
der verbonden voor. Wanneer de begrippen breedte en lengte optieden
en die van parallellen en meridianen, van linie, keerkringen en polen
niet zich brengen, zoekt men die zooveel mogelijk aanschouwelijk te
maken door eene vingerbeweging in de lucht en door te laten aan-
wijzen , welke kinderen onder denzelfden meridiaan , welke onder dezelfde
parallel zitten, om zoo het valsdie denkbeeld tegen te gaan, dat die
lijnen over de aarde loopen, waartoe de kaarten en de globen licht
aanleiding geven.
§ 93. Wat den leervorm betreft, deze moet wel in hoofdzaak de
mededeelende zijn, omdat hier beelden in de ziel moeten ontstaan
van zaken, die haar nog onbekend zijn. De aardrijkskunde echter heeft
het voorrecht, dat de mededeeling zoowel door het woord als door aan-
schouwen kan plaats hebben. Vele zaken immers uit haar gebied kunnen
niet alleen onmiddellijk door de waarneming der werkelijkheid, maar
ook middellijk door kaarten, globen en afbeeldingen aanschouwelijk
gemaakt worden, waardoor het onderwijs veel gemakkelijker en vrucht-
baarder wordt. De mededeeling door het woord (de acroamatische leervorm)
bepaalt zich niet alleen tot het opgeven van zaken, maar vooral ook
tot schetsen en schilderingen van toestanden, waardoor het onderwijs
veraangenaamd en de verbeeldingskracht bezig gehouden en geoefend wordt.
Doch niet alleen de meedeelende leervorm, ook de opwekkende
of heuristische moet bij het aardrijkskundig onderwijs worden aange-
wend, in het bijzonder de vragende. Liet de vroegere methode niet
veel anders dan bloot afvragen toe, nu de aardrijkskunde vergelijkend
geworden is, nu de samenstellende bijzonderheden in onderling, vooral
in oorzakelijk verband tot elkander worden beschouwd, nu geeft het
onderwijs veelvuldige aanleiding tot ontwikkelend vragen. Door vragen
wordt de leerling er toe geleid, het onbekende als gevolg op te maken
-ocr page 169-
155
uit het bekende, en van het bekende de oorzaak te zoeken en te vin-
den in andere reeds bekende zaken , zoodat het waarom of waardoor
den leerling onophoudelijk tot nadenken dwingt. Daarom is de aard-
rijkskunile een zeer ontwikkelend leervak te noemen en verdient ze
eene eerste plaats op de lagereschool.
Het kaartteekenen moet hier, als een belangrijk onderdeel van
de methode, afzonderlijk besproken worden. Het heeft geen doel voor
zich, maar moet tot steun dienen van het aardrijkskundig onderwijs
in \'t algemeen. He aanschouwing is de rechte grond voor alle kennis.
Omdat de kaart het middel ter veraanschouwelijk ing is, moet haar
beeld eene plaats in de ziel innemen, opdat de door het woord mee-
gedeelde kennis zich daaraan aansluite, verhelderd en vastgemaakt
worde. Door het beschouwen der kaart wordt dat beeld reeds gevormd ;
maar om het belang der zaak is het noodig, dat het nog meer ver-
helderd en meer blijvende wordt. Daartoe het kaartteekenen. Het moet
niet bestaan in een altijd weer terugkeerend afteekenen van de kaarten
van den atlas, waarbij de vrucht niet evenredig is aan den gebruikten
tijd, maar moet verbonden zijn aan en gepaard gaan met het onder-
wijs. Wat aan de hand der kaart besproken is, moet daarna weer uit
het hoofd in kaart gebracht worden. Sommige gedeelten der kaart moe-
ten afzonderlijk beschouwd en ingeprent en daarna weer teruggegeven
worden.. Door dat uit het hoofd weergeven is de leerling gedwongen,
het opgenomene beeld duidelijk in zich bewust te maken, waardoor
het in helderheid wint en meer blijvende wordt. In dat beeld heeft de
leerling dan voortdurend, wanneer hij geen werkelijke kaart voor zich
kan hebben, het middel, om er zijne kennis aan vast te knoopen en
ze er door te verduidelijken. Al wat hij hoort of leest uit het gebied
der aardrijkskunde, verbindt zich dadelijk met het beeld der kaart en
wordt beter verstaan en daardoor behouden.
De leermiddelen zijn reeds genoemd: kaarten, globen, mundo-
motoriums en platen. De kaarten voor het lageronderwijs moeten tot
hoofdkenmerk hebben : duidelijkheid , waartoe soberheid en scherpte van
aanduiding noodig zijn. Alles wat de kaart geeft, moet licht opgevat
kunnen worden en zich aan het oog haast opdringen. Veelheid van
zaken en namen is daarom haar grootste gebrek. Kaarten kunnen niet
wel afbeeldingen genoemd worden, maar moeten meer plat te-
gronden heeten; toch moeten ze de afbeeldingen zooveel mogelijk
naderen en de begrippen van plattegrond en plaat in zich vereenigen.
Wandkaarten moeten op eene zoo groot mogelijke schaal geteekend.zijn
en dan nog niet veel bevatten, zoodat al het afgebeelde op een\' afstand
van ruim 5 meter nog duidelijk onderscheiden kan worden. Afzonder-
-ocr page 170-
lijkc kaarten voor de natuurlijke gesteldheid zijn noodig. Natuurkundige
kaarten van wasdoek, waarop de staatkundige bijzonderheden niet krijt
geteekend kunnen worden, zijn zeer aan te bevelen.
Van globen wordt licht meer verwacht, dan ze geven kunnen. Bij
haar gebruik dient men daarom voorzichtig te zijn. Ken kind moet
zeer veel verbeeldingskracht hebben, om zich de hemel verschijnsels door
middel van de globe voor te stellen. Nevens de globe moet de waar-
neming der werkelijkheid komen, ook om de kinderen daaraan te ge-
wennen. Noordpool, linie en keerkringen, parallellen en meridianen,
de loop der zon in winter en zomer moeten in het schoolvertrek met
den vinger in de lucht aangeduid worden. Voor de verklaring der waar-
neming kan een mundomotomnu of ook alleen een tellurium goede
diensten doen.
Naarmate het gebruik van platen nuttiger is, is het te meer te be-
jammeren, dat ze ofte duur óf gebrekkig zijn óf zelfs geheel ontbreken.
Van vele zaken is het schier ondoenlijk, het kind een eenigszins helder
begrip te geven: alleen door goede platen is dat mogelijk. Bij zeer
kleine klassen en bij privaatonderwijs kan met uitstekend gevolg van
stereoscopen gebruik gemaakt worden, waarvoor geschikte plaatjes wel
te bekomen zijn.
c. Natuurkennis.
§. 94. Het begrip. — Geschiedenis en aardrijkskunde waren vóór
\'57 wel niet door de wet voorgeschreven, maar werden toch op veel
scholen onderwezen: de kennis der natuur evenwel was bijna vreemd
aan de lagereschool en is eerst met de invoering der wet van \'57 een
verplicht leervak geworden en dat gebleven in de wet van \'78 en in
hare latere wijzigingen. Geen wonder dus, dat ze aanvankelijk eene
zeer bescheiden plaats kreeg; zelfs heeft ze nog de plaats niet erlangd,
die ze verdient in te nemen. De wet heeft het leervak algemeen aan-
geduid door „beginselen van de kennis der natunr," en daardoor recht
gegeven, om zoowel natuurkunde of physica en natuurlijke historie als
scheikunde of chemie en zelfs technologie op de lagereschool te onder-
wijzen. Kvenwel dien omvang laat de leertijd niet toe, wanneer ook al
het onderwijs voor de kinderen geschikt gerekend mocht worden. Men
zal zich moeten beperken tot natuurkunde of de leer der verschijn-
selen in de onbezielde natuur en de natuurlijke historie of de ken-
nis van de voorwerpen der natuui, die drieërlei kan zijn: de dierkunde
(zoölogie), plantkunde (botanie) en delfstofkunde (mineralogie).
Het onderwijs in de „beginselen van de kennis der natuur\' zal dus
-ocr page 171-
157
moeten bestaan in het verschaffen van de meest geschikte gelegenheid
voor het kind, opdat het zich beelden vorme uit het gebied der
natuurkunde en der natuurlijke historie en daarover leere nadenken.
Het onderwijs moet zich dus bepalen tot natuurverschijnselen en
natuurvoorwerpen.
Doel en belang. —• De mensch is zelf een natuurvoorwerp en
leeft te midden van en door de natuur: altijd en overal komt hij met
de natuur in aanraking; zijn leven is slechts mogelijk, als de natuur
het onderhoudt. In welken vorm hij voedsel tot zich r.eemt, het moet
oorspronkelijk uit de natuur genomen zijn; welke kleeding hij gebruikt,
de grondstof moet de natuur geleverd hebben; welk genot hij moge
smaken , de natuur is bezig geweest het hem te bereiden, \'t Is daarom
eenigszins vreemd, dat de mensch eerst betrekkelijk laat haar tot een
voorwerp van ernstig onderzoek gemaakt heeft. Veel kennis zou hij
kunnen missen, zonder dat zijn geluk daardoor veel minder werd;
maar de kennis van de natuur kan hem niet vreemd zijn , of hij moet
veel genot ontberen en veel kwaad ondervinden. Het dagelijksch leven
biedt tal van voorbeelden aan, om te doen zien, hoe gebrek aan kennis
van de natuur oorzaak is van allerlei ellende, maar niet minder, hoe
die kennis meewerkt, om \'s menschen geluk te verhoogen.
Gelijk alle kennis moet leiden tot juist oordeelen in het algemeen,
moet ook die der natuur den mensch tot juist oordeelen over de
natuur en dit weder tot zelfstandig handelen met betrekking tot de
natuur in staat stellen. Hij moet de natuur kennen, om haar tot zijn
voordeel te kunnen gebruiken en om haar nadeeligen invloed te kun-
nen ontgaan. Die kennis heeft dus een practisch belang voor het
bedrijvige leven der maatschappij en voor \'s menschen gezondheid.
Ze verhindert bovendien, dat de mensch de ijdele scheppingen zijner
verbeelding als werkelijk bestaande beschouwt, gaat daardoor het
bijgeloof tegen en bewaart den mensch voor veel onrust en dwaasheden.
Om haar te verwerven is nauwkeurige zinnelijke waarneming het eerste
en laatste; daarom leidt een goed onderwijs in de kennis der natuur
tot onderzoeken en brengt den mensch er toe, niets aan te nemen op
gezag, maar eerst na eigene waarneming. Het heeft dus niet alleen een
practisch, maar ook een vormend belang.
In de lagereschool is derhalve het leervak der natuurkennis juist op
zijne plaats, omdat niet het woord, maar de aanschouwing gebezigd
wordt, om de kennis te doen ontstaan.
§ 95. Methode. — De kennis der\' natuur is, gelijk ook geschie-
denis en aardrijkskunde, reken- en taalkunde, eene wetenschap. Wordt
-ocr page 172-
158
die wetenschap echter in de lagereschool onderwezen, dan verandert
ze van aard: dan levert ze slechts de stof, die voor de leerlingen ge-
schikt is, en wordt ze onderwezen volgens eene methode, die geheel
verschilt van een wetenschappelijk onderwijs.
Het leeshoek als middel ter mededeeling te gebruiken, als vroeger
wel gebeurde en wellicht nog plaats heeft, is geheel verkeerd ; zoo ergens,
dan is hier het levende woord des onderwijzers naast de aanschouwing
op zijne plaats, waarvan de reden straks duidelijk genoeg zal blijken.
Het is de lagereschool niet te doen, om den leerling eene massa ken-
nis te doen verzamelen, en wel het minst eene kennis, door het woord
verkregen, maar wel, om hem geschikt te maken en den lust in hem
te wekken voor het zelf waarnemen der natuur, opdat hij later, öi
overgaande in het leven öf zijne vorming voortzettende op eene hoogere
onderwijsinrichting, steeds zijne oogen open hebbe voor de verschijn-
selen en de voorwerpen der natuur.
Zal het onderwijs in de kennis der natuur dit uitwerken , dan moet
de leergang zich geheel aansluiten aan het in het kind aanwezigeen
het onderwijs dus uitgaan van de dagelijksche omgeving; dan moet «Ie
leervorm hoofdzakelijk de aanschouwelijke heuristische zijn en het
woord des onderwijzers slechts in de tweede plaats komen, door de
waarneming te leiden en het duistere op te helderen; dan moeten de
verschijnselen zelf, hetzij onmiddellijk in de natuur waargenomen of als
I>roeven voortgebracht, en de werkelijke voorwerpen de leermiddelen
zijn, en slechts, waar de werkelijkheid niet voor de kinderen gebracht
kan worden, daar moeten nabootsingen en platen ze wel vervangen.
Een wetenschappelijke gang moet aan de lagereschool vreemd blijven ;
het wetenschappelijke leerboek geeft den onderwijzer wel de stof, maar
de keus en de regeling moeten geheel aan hem zijn. Gelukkig zijn er
in onzen tijd handboeken verschenen, die den onderwijzer der lagere-
school genoegzaam terecht wijzen ten aanzien van de stof en den gang
bij het onderwijs in de „beginselen van de kennis der natuur."
§ 96. De volgende grondstellingen kunnen bij dat onderwijs gevolgd
worden, vooreerst bij dat in de natuurlijke historie en daarna bij dat
in de natuurkunde.
Wat de keus der stof aangaat:
1. De voorwerpen uit de omgeving des kinds moeten het begin zijn,
terwijl gaandeweg het vreemde zich aan het verwante bekende moet
aansluiten. De omgeving heeft het kind dagelijks voor oogen; door zijne
aandacht daarop te vestigen gewent men het kind er aan zelf waar
te nemen.
-ocr page 173-
159
2.     Men neme vooral zulke voorwerpen, die of om hunne eigenaar-
digheid óf om de nauwe betrekking, waarin ze tot het leven van den
mensen staan, van bijzonder belang zijn.
3.     Op eiken tra]) van het onderwijs moeten de voorwerpen uit de
verschillende natuurrijken genomen worden en een geheel op zich zelf
vormen, dat op een volgenden trap zijne uitbreiding erlangt. Dus niet
het eene jaar plantkunde, het andere dierkunde, niet in rechte lijnen,
maar in concentrische kringen moet men voortgaan, terwijl men op
eiken trap karakteristieke voorwerpen als vertegenwoordigers van eene
soort of geslacht neemt, welker beschouwing eene nauwkeuriger verdee-
ling der natuurrijken en een helderder inzicht in den inwendigen samen-
hang en de levensverrichtingen mogelijk maakt.
Wat de methode betreft:
1.     Het onderwijs beginne met de beschouwing van enkele voorwer-
pen. Niet van het algemeene, het begrip, maar van het bijzondere, de
voorstelling, moet men uitgaan. Daarom moeten de leerlingen zooveel
mogelijk de werkelijke voorwerpen kunnen waarnemen.
2.     De beschouwde enkele voorwerpen moeten met elkander verge-
leken worden, opdat de leerling uit het bijzondere het algemeene aflei< Ie.
Deze vergelijking is het beste middel, om orde in de verworvene voor-
stellingen te brengen en ze duidelijk te maken , er heldere begrippen
uit te doen ontstaan, de begrippen zelven juist te rangschikken en daar-
door de natuurkennis te overzien.
3.     De waarneming der enkele voorwerpen breide zich op die wijze
uit, dat eerst meer het uitwendige en daarna allengs meer het minder
goed zichtbare opgevat wordt. Slechts door de kennis van den uitwen-
digen bouw wordt het kind in staat gesteld het inwendige, de wetten
en voorwaarden voor het planten- en dierenleven op te vatten, en deze
kennis is wederom de grondslag voor belangrijke practische wenken,
die vooral in de hoogste klasse gegeven kunnen worden.
Ten aanzien van het onderwijs in de natuurkunde mogen de volgende
stellingen gelden.
Wat de keus der stof aangaat:
i. Slechts die verschijnselen moeten in de eerste plaats terbeschou-
wing genomen worden, die in het dagelijksche leven opgemerkt kunnen
worden. De lagereschool moet zich wel tot die verschijnselen beperken,
welker kennis voor iedereen van belang is en den mensch gewent, acht
te geven op en na te denken over hetgeen waarmee hij onmiddellijk
in aanraking komt.
2. Binnen deze grenzen bepale men zich vooral tot datgene, wat
voor huis en tuin of ook voor de eigenaardige behoeften van eene
-ocr page 174-
160
bijzondere streek van belang is. Beter is het, weinig goed dan veel ten
halve te leeren kennen.
3. Tot de belangrijkste verschijnselen moeten ook die gerekend vvor-
den, die tot grondslag kunnen strekken voor een later uitgebreider
onderwijs. De onderwerpen moeten daarom zoo ge! ozen worden, dat
ze den leerling opwekken tot waar.remen van en nadenken over andere
verwante verschijnselen en hem in s xt stellen , om zich na den leertijd
met behulp van populaire geschriften .,^lf verder te vormen.
Wat de methode aangaat:
1.     Het onderwijs zorge eerst voor nauwkeurige waarneming van
enkele verschijnsels, die door proeven voor het oog der kinderen ge-
bracht of, zoo mogelijk, in de natuur zelve waargenomen worden. Zon-
der aanschouwing is het onderwijs doelloos.
2.     Uit de enkele verschijnsels moet het algemeene, de wet, afgeleid
worden. Op de waarneming van het bijzondere geval volge steeds de
wet, waarop het rust: eerst het voorstellen, dan het denken. Dat is de
weg der inductie: afleiden van het algemeene uit het bijzondere.
3.     Voor de gevonden wet wordt de toepassing gezocht op andere
verschijnsels, die het kind bekend zijn. Op het begrijpen volgt de toe-
passing; ilat is de weg der deductie: het algemeene wordt opgemerkt
in het bijzondere, zoodat het bijzondere gedurig meer saamgevat wordt
onder algemeene gezichtspunten.
De vraag doet zich hier voor, wat bij het onderwijs vooraf dient te
gaan, als ze niet naast elkander onderwezen worden, natuurkunde of
natuurlijke historie. Het antwoord moet luiden: de laatste dient in
tijdsorde voor te gaan. Om deze redenen: de natuurlijke historie is meer
aanschouwelijk, ze houdt zich meer met de werkelijkheid bezig, ze is
meer geschikt voor onmiddellijke waarneming, ze leidt meer tot
opzettelijke waarneming en stelt het kind ook buiten de school in
staat, om het ontvangen onderwijs toe te passen.
Voor het natuurkundig onderwijs zijn zekere instrumenten noodig.
Voor de lagereschool, die niet de groote nauwkeurigheid der weten-
schap eischt, heeft het evenwel zijn voordeel, als de onderwijzer de in
het dagelijksche leven voorkomende werktuigen weet te gebruiken of
hoogst eenvoudige instrumenten kan maken uit onder het bereik des
kinds liggende middelen. Hij brengt daardoor verband tusschen het
weten en het leven des kinds.
Kan de onderwijzer met de kinderen in de vrije natuur gaan of hen
ook de natuurvoorwerpen zelven laten opzoeken en mee in de school
brengen, dan maakt hij het verband tusschen hunne kennis en hun
leven nog nauwer.
-ocr page 175-
161
/ 6. Zingen.
§ 97. Het be;. rip. — Het zingen is eene bijzondere soort van
taal, wijl het lielfcleven er eene uitdrukking in vindt. Naast de woor-
dentaal staat het als tonentaal, wa .rbij dient opgemerkt, dat de tonen
met woorden verbonden gaan. an door de woordentaal het geheele
zieleleven in al zijn\' omvang uitgedrukt worden, de tonentaal dient
meer bepaald ter openbaring van het gevoelsleven. Gelijk de woorden-
taal tweeörlei strekking heeft: de uitdrukking van het eigene zieleleven
en het verstaan van de uitdrukking van dat van anderen, zoo heeft de
mensch in het zingen een middel, om het eigene gevoelsleven uit te
storten en de uitstorting van anderen op te vatten. Kan de uitdrukking
door de woordentaal hoorbaar door spreken en zichtbaar door schrijven
plaats hebben en heeft dit laatste voor het verstaan het lezen naast zich,
ook de uitdrukking door de tonentaal gaat hoorbaar en heeft een schrift
verkregen, waardoor de componist zichtbaar zijn gevoel uitdrukt en dat
door den zinger zingende gelezen wordt. En heeft het spreken en hooren
spreken en het lezen en hooren lezen reeds een grooten invloed op ons
geheele zieleleven, doordat elk woord iets in ons bewust roept, het
zingen en hooren zingen werkt nog sterker, maar bepaald op het ge-
voel en spoort den mensch daardoor aan tot handelen, het bezielt en
* vervoert hem. De schriftelijke woordentaal is echter hoogst eenvoudig
in vergelijking met de zichtbare tonentaal. Het lezen van de woordeiv
taal kan daarom ook gemakkelijker en op jeugdiger leeftijd onderwezen
worden dan de meer samengestelde schriftelijke tonentaal; maar gelijk
het leeren lezen en schrijven voorafgegaan wordt door het leeren spre-
ken, zoo is het zingen op het gehoor de voorbereiding voor het zingen
naar het notenschrift.
Tonen zijn klanken van eene juist bepaalde hoogte, die ook alleen
door het verschil in hoogte van elkander onderscheiden zijn.
Vier elementen komen bij het zingen voor: de melodie (de
verschillende hoogte der tonen), de rhythmus (de maat), de
dynamiek (de voordracht) en de harmonie (de samenstemming
van tonen).
Het zingen is nu de kunst, om door middel van tonen, die met
woorden verbonden zijn en die met maat en voordracht en soms ook
in samenstemming voortgebracht worden, eene hoorbare uitdrukking
aan het gevoel te geven.
Het zingen op het gehoor staat met spreken gelijk, dat naar het
notenschrift met het lezen.
ui.MiKNs, Opvoedk., ïe druk.                                                            11
-ocr page 176-
162
§ 98. Doel en belang. — Het onderwijs in het zingen wil den
mensch in staat stellen, dat hij in den zang het middel hebbe, om
zich een edel genot te verschaffen. Zelf zingende en anderen hoorende
zingen, zal hij het schoone kunnen genieten en opgewekt worden tot
wat edel en schoon en goed is. Door de school moet het kind het
zingen eigen worden, het zal dan in zijn later leven het zingen blijven
beoefenen en zich er zuiver genot door verschaffen.
Meer in het bijzonder wordt door een goed zangonderwijs het vol-
gende uitgewerkt: a. het gehoor en de stem worden er door gevormd,
d. i. de begrippen der toonsafstanden worden gaandeweg juister en de
onderscheiding scherper, terwijl de stem door de oefening meer geschikt
wordt, om zuivere en aangename tonen voort te brengen; b. het ge-
voel wordt ontwikkeld, doordat de poëzie, met de tonen, de maat, de
voordracht en de harmonie vereenigd, de ziel in een aangenamen, op-
gewekten toestand brengt en haar door de herhaling gedurig meer vat-
baar maakt voor het geraken in tienzelfden toestand en dus voor het
smaken van het edelste genot; c. het geheele schoolleven wordt er door
veraangenaamd; reeds om dat bijzondere belang moet het zangonderwijs
hoog geschat worden: kan de opgeruimdheid door een vroolijk lied ge-
bracht en bewaard worden, dan heeft men voor het geheele onderwijs
veel gewonnen: d. het gezang gaat over in het leven en wordt daar
oorzaak van menige aangename, opgewekte stemming. „De boozen zin-
gen niet." Buiten zijne dagelijksche bezigheden kan de mensch nog niet
ledig zijn; daarom is hij altijd zoekende naar iets, waaraan hij zijn\'tijd
besteden kan. \'t Komt er maar op aan, dat hij het rechte kiest. De
beoefening van eenige kunst is eene uitspanning, die tegelijk een vormen-
den invloed heeft. Daarom moet de zang voor het leven niet gering geschat
worden: hij maakt opgeruimd en verlicht de moeilijkheden des levens.
De Ouden stelden muziek en zang op hoogen prijs. Ze rekenden hun\'
invloed op het gemoed zeer groot. In de geschiedenis der Israëlieten
komen tal van bewijzen voor, dat zang en muziek gebruikt werden,
zoowel om het godsdienstig gevoel op te wekken, als om in den strijd
voor het vaderland de krijgers aan te vuren tot krachtig volhouden.
De Spartanen zelfs waren zoozeer overtuigd van de uitwerking der
tonen, dat het getal snaren der lier met zorg bepaald werd: meer dan
vier snaren, meenden ze, leidde tot verweekelijking. Aan de zangen
van Tyrteus schreven ze zelfs hunne overwinningen op de Messeniers
toe. Men vergete hierbij evenwel niet, dat bij de Ouden zingen en
dichten samen gingen. In de Christelijke kerk heeft het godsdienstig
gezang steeds eene aanzienlijke plaats ingenomen onder de middelen
ter opwekking van het godsdienstig gevoel. De behoefte van onzen tijd
-ocr page 177-
163
aan velerlei kennis en het algemeene streven, om maar veel en vroeg
te leeren, hebben den zang bij ons onderwijs achteruit gedrongen en
hem bij het middelbaaronderwijs zelfs geene plaats overgelaten , zeker niet
in het voordeel van eene alzijdige vorming van den jeugdigen niensch.
§ 99. Methode. — Aan de school van Pestalozzi hebben we^eene
betere methode voor het zangonderwijs te danken. Vóór hem bestond
de meeste oefening in het zingen in een zoo luid mogelijk uitgalmen
der kerkliederen. Daar hij evenwel zelf niet zingen kon, bracht zijn
navolger, Nageli, het zangonderwijs tot een stelsel van streng ineen-
sluitende oefeningen, dat echter juist door zijne overgroote volledigheid
en door eene angstvallige zorg voor eene geregelde opklimming practisch
onbruikbaar was en daarop door Natorp vereenvoudigd werd. Door
die mannen werd naast het uitsluitend kerkelijke van het gezang het
wereldlijke lied geplaatst.
Bij de methode moet men onderscheid maken tusschen twee wijzen
van leeren zingen: naar het gehoor en naar het notenschrift.
Het eerste past uitsluitend voor jongere leerlingen, dus ook voor die
der bewaarschool, voor wie het notenschrift nog te moeilijk is. Het
9e jaar zal men als de grens mogen aannemen, tot waar het zingen
naar het gehoor kan worden voortgezet. De woorden worden na dui-
delijke verklaring van buiten geleerd, de melodie wordt voorgezongen
of met de viool voorgespeeld. Wordt er voor gezorgd, dat de kinderen
zuiver, net en liefelijk zingen, dan worden daardoor stem en gehoor
aanvankelijk geoefend en heeft de onderwijzer er een krachtig werkend
middel in, om zijne leerlingen tot opgeruimdheid op te wekken, hunne
wildheid te beteugelen en hen aan orde en maat te gewennen, een
voordeel, dat het zingen naar het gehoor meer gewenscht maakt dan
het zingen van strenge oefeningen, als waarin Nageli wilde, dat het
geheele zangonderwijs bestaan zou. In het zingen van liederen moeten
de kinderen eene groote vastheid en zekerheid verkrijgen, zoodat zij
ze geheel meester zijn en ze voor altijd behouden. In de bewaarschool
neemt het zingen eene groote plaats in en wordt het zoowel met het
onderwijs als met het spel verbonden.
Het spreekt van zelf, dat de melodieën niet buiten den omvang der
stem mogen gaan en eenvoudig moeten zijn en ook de woorden volkomen
verstaan moeten worden. Gelukkig zijn er tegenwoordig tal van gepaste
liedjes voor de bewaarscholen en de aanvangsklassen der lagerescholen.
Het onderwijs in het zingen naar het notenschrift is van meerderen
omvang. De leerling moet hierdoor in staat gesteld worden, dat hij
gemakkelijke melodieën „naar het blad" kan zingen. Hiervoor zijn veel
11*
-ocr page 178-
164
oefeningen noodig, die men kan onderscheiden in melodische,
rhythmische, dynamische en harmonische. Klke soort van
oefeningen staat niet op zich zelf. De melodische en rhijthmische oefe-
ningen gaan in den beginne dadelijk gepaard; later komen erdedyna-
mische bij en nog later de harmonische, hoewel deze laatste veel moeite
vereischen en misschien voor sommige lagerescholen van onzen tijd niet
met vrucht uitvoerbaar zijn. Om in het leeren der oefeningen eenige
afwisseling te brengen en er het eigenlijke zingen mee te verbinden,
worden enkele van de allereenvoudigste zelfs met woorden voorzien,
gelijk men bij het aanvankelijk lezen-leeren van de eerste woordjes
reeds volzinnetjes maakt.
De maatoefening moet zelfs eenigszins de oefening in het treffen der
tonen voorafgaan. De leerlingen slaan zelven de maat en tellen luid en
blijven de maat ook slaan, wanneer ze volgens de tonen zingen.
Wat gezongen zal worden, wordt aanvankelijk luid in de maat geteld.
De melodische oefeningen beginnen met één toon , liefst met de // van
den vioolsleutel. Die toon is het punt van aanvang, waarbij eerst de a,
dan de f en vervolgens gaandeweg de andere tonen gevoegd worden.
Men gaat dus gedurig een\' stap verder. Natuurlijk wordt daarmee ook
het maatbegrip uitgebreid. Zijn de leerlingen eenigszins vast in de maat
en in het treffen der tonen, den worden de dynamische teekens geleerd
en in acht genomen en kunnen ook eenvoudige harmonische oefeningen
plaats hebben. Wordt eerst alleen uit den toonaard van c gezongen,
later komen natuurlijk ook de andere toonaarden aan de orde. In alles
is volstrekt eene langzame opklimming van het gemakkelijke tot het
meer moeilijke noodig. Overhaasting is hier geheel misplaatst.
Men ziet, de leervorm is hier de deiktische: voordoen van de
zijde des onderwijzers, waarnemen en nadoen door den leerling. De
gang is de synthetische, waarbij, meer dan bij iets anders, met het
gemakkelijke wordt begonnen en het voorgaande goed gekend moet
worden, vóór men met het volgende aanvangt. De gang kan ook een
concentrische heeten, omdat op eiken leertrap de steeds moeilijker
wordende oefeningen terugkeeren.
Benoemde men vroeger de noten met ut, re, mi, later heeft men
vrij algemeen de letterbenoeming aangenomen. Onlangs evenwel heeft
een zeer bevoegd deskundige eene handleiding gegeven, waarin de sol-
fa-methode weer gevolgd wordt als zeer passend voor het onderwijs in
de lagereschool \').
\'J De bedoelde handleiding heet: Ut-re-mi. Zangmethode voor de lagereschool
door J. Worp, bij den uitgever dezes.
-ocr page 179-
165
De schrijfwijze, waarbij de noten op éene lijn geplaatst worden,
terwijl haar naam door ondergeschreven cijfers wordt aangeduid (methode
Galin-Paris Chevé), mag zoolang als minder practisch beschouwd «ror-
den, als de kinderen buiten de school de zangstukken niet met dat
zelfde schrift geschreven vinden. Voor het onderwijs in den zang aan
kinderen heeft ze evenwel het groote voordeel, dat ze voor het leeren
lezen van melodieën op verrena de moeilijkheden niet oplevert, als het
gebruikelijke notenschrift. Werd voor de zangmuziek, voor kinderen
en het volk bestemd, algemeen van het cijferschrift gebruik gemaakt,
dan zou de cijfermethode zeer zeker er toe meewerken, om de ont-
wikkeling van het volksgezang te bevorderen.
I HOOFDSTUK IV.
DE OPVOEDING VAN HET OEVOELVERMOGEN.
§ ioo. De hoofdtaak van de lagereschool is de opvoeding van het
denkvermogen of het onderwijs. Nochtans zal een wezenlijk opvoedend
onderwijs den geheelen mensch omvatten en dus ook de ontwikkeling
van het gevoel-, zoowel als van het begeervermogen trachten te bewerken.
Die van het laatste wordt trouwens ook door de wet voorgeschreven
(art. 33 der Wet). Wel hebben we boven op verschillende plaatsen,
waar het pas gaf, op de ontwikkeling van het gevoel gewezen; toch
zal het zeker niet zonder belang zijn, in een afzonderlijk hoofdstuk het
geheel van de opvoeding van het gevoelvermogen in de lagereschool
in een kort bestek ter beschouwing te nemen.
Het huis en het leven in de maatschappij zijn meer de gelegenheden,
waar het gevoel zijne ontwikkeling erlangt, toch zal de school ook het
hare er voor doen, omdat het kind zooveel uren in haar doorbrengt _
Ze doet dat door het onderwijs zoowel als door de inrichting der school
en het geheele schoolleven.
Het gemoed kan vooral door dit laatste ontwikkeld worden. Het
kind bevindt zich in de school onder kinderen, van wie onbezorgde
vroolijkheid een hoofdkenmerk is. Voortdurend leeft het daarom in eene
sfeer van opgeruimdheid, dat op de vorming van het gemoed een
grooten invloed uitoefent. Die opgeruimdheid mag door het onderwijs
niet verminderd, maar moet door den onderwijzer bevorderd worden.
Wel eischt het onderwijs inspanning en dus ernst; maar beide zijn zeer
goed bestaanbaar met opgeruimdheid. Zelfs is ingespannen bezigheid
juist geschikt, om een opgeruimden geest te bewaren, als ze maar niet
gaat boven des leerlings krachten en zijne belangstelling er voor gewekt
-ocr page 180-
166
is, omdat ze hem vrucht op zijn streven doet zien en zijne natuurlijke
behoefte aan werkzaamheid bevredigt. Verveling, tengevolge van geen
voldoende inspanning, wekt tegenzin en verstoort de opgeruimdheid.
Waar vlijtig gewerkt wordt, is genoegen op elks gelaat zichtbaar.
Daarom zorge de onderwijzer voor voldoende en inspannende bezig-
heid, zoeke daarvoor belangstelling te wekken, door die zelf te toonen,
en goed te keuren, wat maar eenigszins goedkeuring verdient, liever
dan af te keuren, ook waar aanleiding bestaat, om de afkeuring uit
te spreken. Hoe jonger de leerlingen, hoe meer dit geldt.
Hij moet er steeds op uit zijn, een opgeruimden geest te bevorderen.
Voor zich zelf moet hij steeds opgeruimdheid zoeken te bewaren en
toonen: zijne zorgen en onaangenaamheden moet hij trachten buiten de
school te laten. Daar grappen te verkoopen is eene eenigszins gevaar-
lijke wijze van handelen; maar nog beter een grappig onderwijzer dan
een knorrige en zuurziende en altijd berispende. Hij mag het straffen
niet nalaten, waar de handhaving der tucht het eischt, maar moet toch
immer nadenken, of hij het door andere en niet minder uitwerkende
middelen ook vermijden kan. Naarmate hij eene rustige orde dooreen-
voudige middelen bewaren kan, zal hij de natuur des kinds het minst
geweld aandoen en de opgeruimdheid het minst benadeelen.
O]) die wijze zal het schoolleven het gemoed der leerlingen het merk
van opgeruimdheid geven en zoo werken aan de opbouwing van hun geluk.
§ 101. Doch niet alleen kan het gemoed in de school, ook sommige
richtingen van het hoogere gevoel kunnen daar ontwikkeld worden
nl. het gevoel voor het schoone, voorde waarheid, het zedelijk
gevoel, het gevoel voor eigenwaarde en de sympathie.
Door orde, netheid, zindelijkheid en goeden toon kan het s c h o o n-
h e i d s g e v o e 1 bij het kind aanvankelijk ontwikkeld worden. Niet dat
het schoone daar reeds aanwezig is, waar zij gevonden worden, maar
zij leggen den grond voor den zin voor hetgene wel staat en wel luidt.
Is het kind eiken dag omringd door orde, netheid en zindelijkheid,
dan zullen die eene behoefte voor hem worden en hem later behagen
doen scheppen in schoone vormen en kleuren.
Kan ook al het schoolgebouw geen schoonheid in den eigenlijken zin
te aanschouwen geven, toch kan alles een net en zindelijk voorkomen
hebben en kunnen voor geringe kosten licht eenige groene planten aan
het eentonig wit van het vertrek eene aangename afwisseling geven.
De toon en de omgang des onderwijzers mogen niets ruws en onheb-
belijks vertoonen, maar hem steeds kenmerken als een\' man, die ware
beschaving lief heeft.
-ocr page 181-
167
Ook het onderwijs zelf kan gunstig op de ontwikkeling van het
schoonheidsgevoel werken: de inhoud der leesboeken moet uit het
schoone uit onze letterkunde bestaan; van tijd tot tijd leest de onder-
wijzer proza of poëzie voor, dat door schoonheid van voorstelling
uitsteekt. Het onderwijs in aardrijkskunde geeft aanleiding tot het voor-
lezen of zelf schetsen van schoone natuurtafereelen, gelijk dat in ge-
schiedenis tot het schetsen van verhevene karakters. Wat voor de oogen
der kinderen gebracht wordt aan platen en kaarten, moet zooveel
mogelijk door schoonheid uitmunten.
Niet minder kan het gevoel voor waarheid door de school bevor-
derd worden. Streeft de onderwijzer steeds naar de grootste duidelijk-
heid, zoodat de kinderen het aangename gevoel van volkomen begrijpen
hebben, duldt hij geen halve voorstelling bij hen en geen woorden,
waarbij ze niets denken, verheugt hij zich met hen, als ze eene waar-
heid gevonden hebben of er geheel van overtuigd zijn, geeft hij steeds
blijk, dat hij hen vertrouwt, gelijk hij vertrouwen van hen verwacht,
stelt hij de openhartige bekentenis van schuld op prijs en toont hij zijn\'
afkeer van de leugen, is hij zelf waar d. i. natuurlijk, in spreken en
handelen, zoodat de kinderen nooit aan zijne woorden en geopen-
baarde gezindheid twijfelen, hij zal langs dien weg den zin voor waar-
heid bij zijne leerlingen wekken en hen de waarheid leeren liefhebben.
Het zedelijk gevoel wordt in de school opgewekt door eene stand-
vastige, liefderijke tucht, maar bovenal door het voorbeeld van den
onderwijzer, die in en buiten de school den volstrekt /.edelijken man
vertoont. Weet hij zich de genegenheid der kinderen te verwerven, dan
zal zijn voorbeeld hun het goede welgevallig maken. Daartoe kan ook
medewerken, dat hij steeds zijne afkeuring uitspreekt over hetgeen
laag en verachtelijk, en goedkeurt, wat zedelijk en voortreffelijk is,
bij wie het ook gevonden wordt. Bovendien kan inzonderheid de lees-,
maar ook vele andere onderwijsstof strekken, om het de zedelijkheid
te leeren liefhebben.
Het gevoel voor eigenwaarde is een steun voor \'s menschen
zedelijkheid. Al te zeer vreest men, dat het kind aan zich zelf welge-
vallig is, en overschat men dientengevolge de deugd der bescheidenheid.
Een gepast gevoel voor eigenwaarde moet in de school ontwikkeld
worden. Het kind moet zich zelf kennen en weten, wat het kan; het
mag en moet het aangename gevoel hebben bij het volledig vervullen
van zijn\' plicht. Dat zal hem drijven tot voortdurend betrachten van
zijne plichten.
Door goedkeuring, lof en belooning krijgt het kind het aangename
bewustzijn, dat de vrucht van zijn streven als goed erkend wordt,
-ocr page 182-
168
door wie boven hem staan. Meer het goede dan liet verkeerde dient
de onderwijzer in zijne leerlingen aan te wijzen: «laardoor worden zij
in het goede versterkt en zal het verkeerde wijken.
De onderwijzer moet elk kind waardeeren: in elk kind moet hij een\'
mensen zien, zij het een menseh met onaangename gebreken, toch ook
met wat goeds, dat door zorgvuldige aankweeking vermeerderd kan wor-
den. Met minachting mag hij niet over een van de kinderen spreken,
maar nog veel minder tot een van hen: dit laatste is meer de open-
baring van kleingeestigen hoogmoed dan een middel tot verbetering
van het kind.
De overtreding vooruit te vooronderstellen vermindert evenzeer het
gevoel voor eigenwaarde, als dit aangekweekt wordt door aan plichts-
vervulling te gelooven. Het beste middel, om eenig kwaad te doen
ontstaan, is de verwachting of zelfs de vrees uit de drukken, dat de
kinderen zich er aan zullen schuldig maken. Niet minder wordt het
gevoel voor eigenwaarde benadeeld, door een kind openlijk voor de
klasse ten toon te stellen. Wijl het daarna veronderstellen kan, dat
anderen ongunstig over hem zullen oordeelen, zal het ook in eigen
oogen gedaald zijn en minder schromen dat te zijn, wat anderen van
hem verwachten.
In het algemeen moet het gevoel voor eigenwaarde zorgvuldig en niet
veel verstand aangekweekt en ontwikkeld worden. Wie zich zelven nog
kan achten om eenig goeds, is niet geheel bedorven en heeft kans, bij
verstandige leiding verbeterd te worden.
Het huis vooral, maar ook toch de school kan en moet het gevoel
voor anderen of de sympathie ontwikkelen. Wijl door haar in hooge
mate het geluk der menschheid bevorderd wordt, is die ontwikkeling
van groot belang te achten.
De schoolgeest doet in dezen het meest af, doch ook het onderwijs
kan iets. Van dit laatste eerst iets. Bij het onderwijs in de aardrijks-
kunde kan men vooral het licht doen vallen op die inrichtingen en
werkzaamheden in de maatschappij, die bevordering van het geluk van
anderen ten doel hebben. Hij dat in de geschiedenis kan men inzonder-
heid die personen op den voorgrond plaatsen, die door hun onbaat-
zuchtig streven het geluk van de volgende geslachten uitgewerkt hebben.
Doch vooral het schoolleven is in staat, om de sympathie bij de
kinderen te ontwikkelen. Daartoe moet de onderwijzer alles voor allen
trachten te zijn. Hij mag niemand onredelijk voortrekken, nog minder
anderen achteruitzetten. In cene gemengde school voor alle standen
moet hij vooral de steun zijn van kinderen uit den minderen stand,
die zich zoo licht verongelijkt meenen. Kinderen met mindere gaven
-ocr page 183-
169
mag hij niet bespotten: behalve dat de toestand hunner hersenen hun
niet toerekenbaar is, zou hij hun nog van de sympathie hunner makkers
berooven en hun daardoor menige onaangenaamheid bezorgen. In het
algemeen moet hij elk, die lijdend is, te hulp komen en anderen
opwekken, om evenzoo te handelen. Daarom moet hij goedkeurend
oordeelen over het helpen van het eene kind door het andere, al mag
hij het helpen zelf soins niet toelaten. De school moet iets hebben van
een groot huisgezin, waarin de eene leeft voor den ander.
HOOFDSTUK V.
DE OPVOEDING VAN HET BEGEERVERMOGEN OF
DE ZEDELIJKE OPVOEDING.
§ 102. De zedelijke opvoeding is meer bepaald de opvoeding van
het begeervermogen of van den wil. Zij is het voornaamste deel van
de geheele opvoeding van den mensch. Immers, op het handelen
als het uitvloeisel van het willen, komt het aan. Het handelen werkt
onmiddellijk het geluk of het ongeluk van het individu en van alle
anderen uit, met wie het in aanraking komt. Het leeren van iets, dus
het onderwijs, heeft op zich zelf geen waarde, maar krijgt die eerst,
wanneer het handelen er de laatste vrucht van is. Het onderwijs, door
de leerstof, maar vooral door de methode, oefent dus een m i d d e 1-
1 ijken invloed uit op \'s menschen zedelijkheid, gelijk boven (blz. 64)
reeds aangetoond is.
Buitendien kan het geheele schoolleven voordeelig werken op de zede-
lijkheid door werkzaamheid en orde, wanneer de tucht verstandig
gehandhaafd wordt. Over de orde afzonderlijk beneden. Hier een enkel
woord over de werkzaamheid in betrekking tot de opvoeding van den
wil. Werkzaamheid is geheel in overeenstemming met het wezen des
kinds. Het leeft, daarom beweegt het zich: hoe krachtiger leven, hoe
meer behoefte aan beweging. Werken is niets dan een vorm van be-
weging en is dus geheel natuurlijk voor het kind. Het wil, ja kan niet
zonder werken, \'t Ligt evenwel in den aard der zaak, dat het zich met
datgene wil bezighouden, wat hem aangenaam is, d. i. waarin het om
wal ook belang stelt. De school vraagt werken van een bijzonderen
aard, en vraagt dat voor al den tijd, dien het kind in de school door-
brengt. Nu komt het er vooral op aan, den leerling belangstelling in
te boezemen voor dat werk, opdat hij met al de kracht, die in hem
is, daarmee bezig zij, en hem door eene verstandige tucht bij aanhou-
-ocr page 184-
170
dend werken te houden: die inspanning oefent den wil en maakt hem
sterk. De ordelijke werkzaamheid der lagereschool kan daarom als een
krachtig hulpmiddel voor de zedelijke opvoeding beschouwd worden.
\'t Is echter ook noodig, dat er eene onmiddellijke inwerking op
den wil plaats heeft, zoolang het verstand nog niet helder ziet, ver-
keerde neigingen den wil beheerschen en deze nog niet krachtig ge-
noeg is, om vrij te zijn. Die opzettelijke inwerking op den wil kan
men als tucht beschouwen.
Ze moet een deel van het streven der lagereschool zijn, niet alleen
omdat anders het doel van het onderwijs niet bereikt zou worden,
maar ook omdat de Wet (in art. 33) voorschrijft, dat de kinderen in
de school moeten „opgeleid worden tot alle christelijke en maatschap-
pelijke deugden." Hoe men nu ook over die woorden moge denken,
dit is zeker, dat ze van de lagereschool de zedelijke opvoeding der
kinderen vorderen, natuurlijk voor zooveel haar dit mogelijk is1).
I. ALGEMEENS BESCHOUWING DER TUCHT.
§ 103. Het begrip. — Het woord tucht is ontstaan uit het
werkwoord tiegen, toen dit nog de beteekenis had van leiden.
Het woord zelf duidt dus op leiding, en in zoover is de naam niet
ongepast, zooals verder zal blijken.
De tucht is een deel der geheele opvoeding, in het bijzonder van
de zedelijke. Ze is de verstandige toepassing van al die regelen en
middelen, waardoor opzettelijk op den wil des kinds ingewerkt wordt
en men het kind tot de vervulling van zijne plichten tracht te brengen.
Ze mag leiding heeten, gelijk het woord uitdrukt, in zoover het kind
zelf moet gaan en handelen, \'t Is hier, als bij de geheele opvoeding:
men heeft met een zelf denkend en zelf handelend wezen te doen ,
waaraan men slechts de meest geschikte gelegenheid en leiding daarbij
kan geven, opdat het daarvan voor zijne ontwikkeling gebruik make.
Daarom kan de tucht ook slechts vruchten dragen, wanneer ze in
\') Naast de tucht nog de regeer ing te plaatsen met het oog op de opvoeding
in de school, is verkeerd. ])e regeering behoort tehuis in den staat. liet doel der
school, de opvoeding van het kind, en de verhouding tusschen den onderwijzer
en zijn\' leerling laten niet toe van regeering afzonderlijk te spreken. Waar men
zegt, dat ze uitgeoefend wordt, maken de wijze van uitoefening en het doel haar
toch weer tot tucht. Door de toepassing der maatregelen tot het in-ordc-houden
van het geheel, wil een goed onderwijzer den wil des kinds oefenen en sterken.
Dit hier verder te ontwikkelen gaat niet. Door deze aanteekening heb ik alleen
willen doen zien, dat ik het denkbeeld der regcering bij de opvoeding niet
over het hoofd gezien heb.
-ocr page 185-
171
overeenstemming is met het wezen van den mensch in het algemeen
en met de bijzondere natuur van het individu, waarop ze wordt toege-
past, in het bijzonder.
Men stelle tucht niet gelijk met straf, zooals weleens gebeurt en
waartoe men misschien verleid wordt door de beteekenis van het werk-
woord tuchtigen, waarbij men meer bepaald aan straffen, ja zelfs
lichamelijk straffen denkt. Tot die eenzijdige opvatting geeft
tuchthuis en geven enkele uitdrukkingen, waarin tucht voorkomt,
ook wel aanleiding. Tucht sluit de toepassing van meer middelen dan
van straf in zich.
Schooltucht in het bijzonder is die tucht, die voor de school
bestemd is. Behalve dat ze de vervulling van bijzondere plichten vraagt,
is ze evenzeer beperkt in hare middelen, als dat ze sommige andere
middelen juist tot haar\' dienst heeft, die het huis niet kan aanwenden.
De school vraagt b.v. stilte, die het huis niet zoo eischt; het huis kan
beloonen en straffen door geven of onthouden, waartoe de school niet
altijd in staat is.
De schooltucht heeft uitsluitend betrekking op de school en hare
eischen. Gaat ze daar buiten, dan kan zulks nadeelig werken. Een van
de vereischten der tucht is, dat ze rechtvaardig zij, en het kind zal
slechts in bijzondere gevallen erkennen, dat de onderwijzer recht heeft
op de toepassing der tucht op zijn gedrag in huis of op straat.
§ 104. Doel. —- Het doel der tucht is in het algemeen, het kind
te brengen tot de voortdurende vervulling zijner plichten, opdat die
vervulling eerst gewoonte en langzamerhand het gevolg worde van eigen
overtuiging. Daarom kan men ook zeggen, dat het doel der tucht is het
onnoodig maken der tucht zelve, of ook het brengen van het kind tot
zelfstandigheid, zoodat het zijn eigen opvoeder is.
Laat ons dit wat nader bezien. Het kind moet komen tot zulk
handelen, waardoor zijn waarachtig geluk en dat van anderen bewerkt
wordt. Het kan daartoe slechts komen door de grootst mogelijke alzijdige
lichamelijke en geestelijke ontwikkeling, dus ook, wanneer zijn wil
krachtig is en gericht op het waarlijk goede, schoone en edele. Daartoe
kan het niet komen uit zich zelf. Zijne ouders en onderwijzers moeten
hem daartoe helpen. Behalve dat zijne onwetendheid hem op verkeerde
wegen zou voeren, waarom zijn verstand ontwikkeling noodig heeft,
zou zijn wil gewend worden, om naar het verkeerde te streven: daar-
door zou hij het ongeluk bewerken van zich zei ven en anderen. Nuhou-
den zijne opvoeders zooveel mogelijk het lage, leelijke en verachtelijke
van hem verwijderd en omringen hem met het edele, goede en schoone,
-ocr page 186-
172
opdat de beelden van het laatste de voorwerpen van zijn streven \\vor-
den. Ze zoeken hem bezig te houden en hem zucht tot werkzaamheid
eigen te maken, als een uitstekend middel ter afleiding. Ze verbieden
hem het doen van het verkeerde en gebieden hem te doen, wat goed
voor hem is, en gebruiken zoowel aangename als onaangename mid-
delen, om hem tot het opvolgen van het gebod te brengen en hem zoo
te gewennen aan het doen van het goede. Naarmate de jeugdige mensch
in algemeene ontwikkeling toeneemt, geven zijne opvoeders hem alge-
meene voorschriften, die hij zelf moet toepassen, en bij nog verdere
ontwikkeling dienen ze hem alleen van hunnen raad, opdat hij zelt
leere kiezen en zijnen wil bepalen. Dan achten ze het tijdstip gekomen,
dat hij hunne leiding kan ontberen. Het doel der tucht is bereikt.
Dat doel kan dus ook gezegd worden te zijn: de zwakke krachten
van den onervaren jeugdigen mensch te hulp komen en ze leiden tot
sterkte en hem zelven tot zelfstandigheid. Zoolang eigen inzicht en
wilsbepaling ontbreken, moet gewenning aan het doen van het goede
hem zijne levenstaak gemakkelijk maken.
De tucht is dus geheel het uitvloeisel van de liefde of in dezen de
zucht, om het geluk van het kind, dat zijn eigen\' weg nog niet kent,
te bevorderen.
De tucht der lagereschool heeft het bijzondere doel, de vrucht van
het onderwijs te vermeerderen en is in haar algemeene doel meer
beperkt, omdat de kinderen haar op omtrent i2Jarigen leeftijd reeds
weer verlaten.
§ 105. Duur. — Uit het voorgaande blijkt reeds, hoelang de toe-
passing der tucht moet duren. Ze begint, zoodra er eenigc invloed op
den wil kan uitgeoefend worden. Het kleine kind wordt reeds gewend
aan orde in eten en slapen. Bij het opgroeien neemt men meer alle
aanleiding tot bet doen van iets verkeerds uit den weg, dan dat men
het positief er van terug houdt of tot het goede dwingt. Verstaat het
de taal, dan komt het eenvoudige gebod hem aanwijzen, wat het te
doen heeft.
Het einde der tucht kan eigenlijk slechts bepaald worden naar de
bijzondere ontwikkeling van elk individu. Kr zullen menschen zijn, die
nimmer zoo ver komen, dat ze op zich zelven kunnen staan. Anderen
zijn reeds op betrekkelijk jeugdigen leeftijd zoo ver, dat ze de tucht
kunnen ontberen. In het algemeen zal dus de tucht kunnen ophouden,
als de jeugdige mensch zoo ver is ontwikkeld, dat hij zijn eigen op-
voeder wezen kan. In de werkelijkheid houdt de tucht op, wanneer de
mensch tot zekeren leeftijd gekomen is, waarvan men in het algemeen
-ocr page 187-
173
zegt, dat hij „zijn eigen best moet weten." De wet verklaart iemand
vojr „mondig" of meerderjarig, als hij zijn 23ste levensjaar volbracht heeft.
§ 106. Gang. — Bij gang moet men hier denken aan het op
elkander volgen van de toepassing der verschillende tuchtmiddelen.
Deze toepassingen zijn afhankelijk van den tra]) van ontwikkeling,
waarop het kind achtereenvolgens komt, en dus in het algemeen van
de verschillende levenstijdperken.
Het voorbeeld werkt natuurlijk in eiken levenstijd, maar zal meer
opzettelijk gegeven worden, naarmate het kind jonger is. Op jeug-
digen leeftijd wordt het voorbeeld zelfs voordoen: men doet het kind
onmiddellijk zien en hooren, wat het evenzoo moet nadoen. Bij verdere
ontwikkeling volgt het woord in den vorm van gebod en verbod.
Dit past geheel voor het levenstijdperk, waarin de begrippen nog niet
tot helderheid zijn gekomen en waarin het oordeel nog niet optreedt,
maar waarin de voorstellingen van het oogenblik nog den wil bepalen.
Het gebod en verbod hebben immers het meest betrekking op een
bijzonder geval. Voor de toepassing van een\' regel op bepaalde gevallen
is de ontwikkeling nog niet ver genoeg gevorderd. Met gebod en verbod
gaan natuurlijk aangename en onaangename tuchtmiddelen gepaard, als
natuurlijke gevolgen van het al of niet opvolgen. De wil heeft nog een\'
prikkel noodig, om zich tot iets te bepalen.
Op dit levenstijdperk volgt er een ander, waarin het verstand reeds
meer ontwikkeld en de zelfbepaling ook reeds eenigszins begonnen is,
en waarin men dus alge me ene voorschriften geven kan, die door
het kind in de bijzondere gevallen opgevolgd moeten worden. Hiervoor
is reeds zekere rijpheid van oordeel noodig, wijl het kind moet onder-
scheiden, of een of ander geval al of niet tot eenig algemeen voorschrift
behoort. Belooningen en straffen treden hier meer op den achtergrond,
omdat de wil reeds meer gewend moet worden, om aan het eigene
inzicht te gehoorzamen.
Op dit levenstijdperk volgt dat, waarin alleen de raad nog kan
aangewend worden. Hierbij wordt voorondersteld, dat de wil reeds
kracht genoeg heeft erlangd, om zich zelf te bepalen, en alleen nog
maar aanwijzing noodig heeft van den weg, die de verkieslijkste is.
Wie raad geeft, zegt alleen, wat in een gegeven geval het beste is, en
wat hij, in dat geval geplaatst, zou doen, en laat aan den jeugdigen
niensch zelf over te kiezen tusschen eigene meening en die van een
ander. Van beloonen en straffen is hier geen sprake meer. Een goed-
of afkeurend oordeel moet voldoende zijn.
Men ziet, de gang is zoodanig, dat de middelen in overeenstemming
-ocr page 188-
174
zijn met de ontwikkeling des kinds en dat de wil gedurig meer van
gebondenheid tot vrijheid komt. De overgangen van de eene toepassing
der tucht tot de andere moeten dan ook onmerkbaar zijn. Het eene
middel wordt gedurig minder gebruikt, wanneer het volgende reeds
daarnaast aangewend wordt. De opvoeding zou totaal mislukken, wan-
neer men een kind van zeven jaar reeds enkel door raad wilde leiden,
evenzeer als wanneer men een\' twintigjarige door gebieden en verbieden ,
vergezeld van belooningen en straften, nog aan het volbrengen van zijn\'
plicht zocht te gewennen.
De school tucht heeft natuurlijk denzelfden gang; alleen, wijl ze
het kind maar gedurende een bepaald levenstijdperk en onder bepaalde
omstandigheden onder hare leiding heeft, kan ze niet dien geheelen
gang volgen. Toch zal een onderwijzer der lagereschool zijne leerlingen
der hoogste klasse anders leiden dan die der laagste en hen allengskens
meer aan de vrijheid gewennen, gelijk de middelbareschool het meest
van algemeene voorschriften en zelfs van den raad gebruik zal maken.
§ 107. Wijze van toepassing. — Men moge de tucht nog zoo
stelselmatig toepassen, de regels nog zoo zorgvuldig opvolgen, hare
uitwerking zal voor het grootste deel afhangen van de wijze van toe-
passing, van den geest, waarin ze toegepast wordt, \'t Is niet genoeg,
dat de tuchtmiddelen maar alleen aangewend worden, neen, ze moeten
ook iets uitwerken; ze moeten het innerlijke wezen van het kind, zijne
gezindheid en dus het uitvloeisel daarvan, zijn\' wil, veranderen. Zullen
ze dit, dan moet het kind de middelen uit het rechte oogpunt be-
schouwen, en deze beschouwing is weer een gevolg van de innerlijke
verhouding tusschen opvoeder en kind. Die verhouding moet zoodanig
zijn, dat het kind voor den opvoeder de hoogste achting en de innigste
liefde koestert en de laatste zich met het eerste verbonden gevoelt door
medelijden met zijne hulpeloosheid en door liefde. Het kind moet over-
tuigd zijn, dat de opvoeder een verstandig en deugdzaam man is, die
het goede weet en wil, en dat hij enkel gedreven wordt door liefde
en dus geen baatzuchtige bijoogmerken heeft. Aan de goede bedoelingen
van gebod en verbod, van voorschrift en raad mag het kind dus nooit
twijfelen. In de belooning mag het geen omkooping, in de straf geen
wraak zien. Beide moeten met de grootst mogelijke rechtvaardigheid
aangewend worden, waarbij dus niet de onbetoomde drift, wel het
wikkende verstand des opvoeders stem moet hebben. Van elk tucht-
middel moet de uitwerking vooraf berekend worden: mist het zijne
uitwerking, dan werkt het na- in plaats van voordeelig.
Vooral de schooltucht eischt eene voorzichtige toepassing, omdat de
-ocr page 189-
175
verhouding van den onderwijzer tot het kind eene geheel andere is dan
en nooit zoo innig kan zijn als dfe van ouders tot hun kroost.
Middelen. — De tucht gebruikt, om haar doel te bereiken, mid-
delen, die berekend zijn naar de gevallen, waarvoor ze dienen zullen,
naar den leeftijd of de ontwikkeling en naar den bijzonderen aard van
het individu, waarop ze zullen worden toegepast. Deze middelen zijn:
i. het voorbeeld, dat evenwel niet direct op den wil des kinds inwerkt,
2. het woord des opvoeders, dat zich hooren laat als gebod en
verbod, als algemeen voorschrift en als raad; 3. de straffen
of^aluigename en ook afschrikkingsmiddelen genoemd; 4. de beloo-
n in gen of aangename en ook aanmoedigingsmiddelen geheeten ; 5. de
voorbehoedmiddelen, en 6. de beproevingen.
We willen nu die middelen wat nader beschouwen in hun\' aard,
aanwending en uitwerking en daarbij vooral het eigenaardige van het
leven der lagereschool in het oog houden.
II. TUCHTMIDDELKN.
1. Het voorbeeld.
§ 108. Wat is het voorbeeld? liet voorbeeld is de openbaring
der persoonlijkheid van iemand in betrekking beschouwd tot een ander,
die zijne eigene persoonlijkheid naar die des eersten langzamerhand en
onwillekeurig of willekeurig wijzigt. Men spreekt daarom zoowel van
een goed als van een kwaad voorbeeld. Als tuchtmiddel genomen, kan
er alleen sprake van het goede voorbeeld zijn. Het kwade voorbeeld
eischt bespreking als voorbehoedmiddel. Wanneer in de opvoeding van
voorbeeld zonder nadere be\'paling gesproken wordt, moet men altijd
aan het voorbeeld ten goede denken.
Het voorbeeld dan als tuchtmiddel is de openbaring der persoon lijk-
heid van iemand, die in zedelijke ontwikkeling boven het kind staat
en naar wiens persoonlijkheid het kind zich zal vormen. Uit is hierbij
dus meestal passief, tenzij het opzet in hem ontwaakt, om zich te
vormen naar het voorbeeld, wat echter wel niet veel het geval zal zijn.
Het voorbeeld werkt ook niet rechtstreeks op den wil des kinds: het
doet zich slechts aan het kind voor, het is een beeld, dat vóór hem
staat en dat het waarneemt. In huis zijn de ouders, kunnen ook de broeders
en zusters, ja de dienstboden voorbeelden voor het kind zijn. In school
is het de onderwijzer en kunnen het ook de medeleerlingen wezen.
Hoe werkt het voorbeeld? Het kind neemt waar, al wat aan het
voorbeeld is of wat er van uitgaat. Het krijgt dus in zijne ziel voorstel"
-ocr page 190-
176
lingen van geheel het uiterlijke des onderwijzers: van zijns kleeding,
zijne houding, zijne bewegingen, den toon van zijn spreken. Kvenzoo
voorstellingen van de wijze, waarop hij iets doet: van zijne bedaarde
en ordelijke manier van handelen, van zijn gedrag tegenover de leer-
lingen, van zijn\' ijver en zijne trouwe plichtsvervulling, kortom: van
alles wat den onderwijzer betreft. Door de dagelijksche en dus uiterst
veelvuldig herhaalde waarneming nemen die voorstellingen steeds toe in
helderheid en gaan ze oneindig veel verbindingen aan met de andere
ziekbedden des kinds. Daardoor treden ze steeds weer in het bewust-
zijn, zoodat ze gedurig meer den wil des kinds beheerschen en dit op
het laatst handelt naar de opgedane voorstellingen , niet opzettelijk , maar
onbewust en dus onwillekeurig.
Zoo zou het zijn, als het kind niemand anders dan den onderwijzer
kon waarnemen; maar buiten de school komt het onvermijdelijk in
aanraking met zoovelen , waarvan het ook voorstellingen krijgt, dieeven-
zeer zijn\' wil beheerschen, maar in een minder gunstigen zin.
Het werkelijke leven levert duizenden gevallen op ter bevestiging
van het beweerde. Hoe veelvuldig komt de handelwijze van kinderen
overeen met die hunner ouders en hoe vaak wordt die gewijzigd, als
ze in eene andere omgeving komen! Hoe spoedig nemen makkers iets
over van elkander, dat hun vroeger vreemd was! De appel valt niet
ver van den stam; wie met pik omgaat, wordt er mee besmet; mal
moertje, mal kindje, en meer andere spreekwoorden wijzen op den
invloed van het kwade voorbeeld. En wat het kwade voorbeeld uitwerkt,
mag ook van het goede verwacht worden.
Ouders en onderwijzers moeten zich daarom altijd voor het oog der
kinderen als voorbeelden van het goede beschouwen. Hun goed voor-
beeld zal te sterker werken, naarmate ze hooger staan aangeschreven in
de schatting der kinderen. Dan zijn met de voorstellingen aangename
gewaarwordingen verbonden, die voor de kinderen een prikkel zijn,
om ze in hun leven te verwezenlijken.
Ook de kinderen zijn voorbeelden voor elkander. Men moet die rustig
hun\' invloed laten uitoefenen; dit is beter, dan een kind op anderen
als voorbeelden te wijzen, of — wat nog erger is — een kind openlijk
tot voorbeeld te stellen voor anderen. Licht ontstaan daardoor tegenzin en
afgunst aan de eene zijde en hoogmoed en eigenwaan aan den anderen kant.
Het goede voorbeeld werkt in stilte, maar met kracht.
2. Het woord.
§ 109. Meer rechtstreeks dan door het voorbeeld des onderwijzers,
wordt er op den wil des kinds gewerkt door zijn woord. In dat woord
-ocr page 191-
177
drukt hij uit, wat hij wil of wenscht, dat het kind doen zal. Als het
gehoorzaam is en des onderwijzers meerderheid erkent, doet het, wat
hij wil of wenscht of raadt. Kn door dit nu voortdurend te doen,
wordt dat doen hem eene hebbelijkheid, eene gewoonte, en daardoor
wordt hem het later handelen naar eigen inzicht gemakkelijk gemaakt.
Het spreekt evenwel van zelf, dat het woord slechts dan gebruikt wordt,
wanneer er afwijking van het doen van het goede plaats heeft of te
vreezen staat, of wanneer het kind niet weten kan, wat het doen moet.
Doet het uit zich zelf zijn\' plicht, of is het zeker te verwachten, dat
het dit doen zal, dan kan en moet het woord achterwege blijven, om-
dat het daardoor winnen zal in kracht.
Het woord des onderwijzers doet zich, al naar den leeftijd des kinds,
voor als gebod en verbod, als algemeen voorschrift en als raad.
§ no. a. Gebod en verbod. — Wat heeft men daaronder te ver-
staan? Het gebod en verbod is de uitdrukking van den wil des onder-
wijzers, betrekkelijk hetgeen het kind in een bepaald geval doen of
laten moet. Hij drukt zijn\' wil uit, als het kind iets doen moet, wat
hem nog onbekend is, als het iets verkeerds doet of wellicht iets ver-
keerds zal doen. Het kind, dat den wil des onderwijzers door diens
woord verneemt, handelt daarnaar óf gedreven door gehoorzaamheid of
door vrees voor onaangename gevolgen.
Het gebod en verbod is concreet, het heeft op bijzondere gevallen
en in den regel op het tegenwoordig oogenblik betrekking. Daarom past
het voor het levenstijdperk van het kind, dat nog maar in het eerste
tijdperk van zijne ontwikkeling is, nog weinig nadenkt en niet vooruit
ziet. Het leeft nog bij het oogenblik, en wat het daarin al of niet moet
doen, moet het bepaald aangewezen worden, \'t Is daarom ook ver-
keerd, jonge kinderen te gebieden of te verbieden met opzicht tot iets,
wat eerst na eenigen tijd kan plaats hebben. Men maakt hun daardoor
het gehoorzamen al te moeilijk.
Het gebod en verbod moet opgevolgd worden, en daarom moet het
zekere eigenschappen hebben, die dat mogelijk maken. Het zijn niet de
geboden en verboden op zich zelf, die invloed uitoefenen; maar in de
wijze, waarop het kind ze beschouwt, in den indruk, dien ze op het
kind maken, ligt hunne kracht. Het gezag toch is voor een groot deel
bloot een denkbeeld, is niet iets werkelijks en berust op de meerderheid
van den persoon, die het uitoefent. Hetzelfde gebod, door den een
gegeven, zal opgevolgd worden, en door den ander gegeven, niet. De
onderwijzer heeft dus te zorgen, dat zijne geboden en verboden indruk
maken: daarop berust zijn gezag. Daarom:
rijkkxs, Opvoedk., 7o druk.                                                     12
-ocr page 192-
178
i. Alle geboden en verboden moeten redelijk en onherroepelijk
zijn, d. i. ze moeten kunnen worden opgevolgd, en eenmaal gegeven,
moeten ze ook in vervulling gaan. Kan er niet aan voldaan worden,
of worden ze lichtvaardig opgeheven, dan verliezen ze hunne kracht.
Bij het kind mag niet de minste twijfel opkomen, of een gebod ot
verbod ook zonder vervulling zou kunnen blijven. Evenwel, hoe te
handelen, als de onderwijzer onbedachtzaam iets onredelijks heeft ge-
boden of verboden en het te laat inziet? Dan mag hij de vervulling
niet eisenen, maar moet zijn\' misslag ronduit bekennen. Dat doet hem
ten minste kennen als een eerlijk man en zal zijn gezag eer steunen
dan verzwakken. Wie meent zijn gezag krachtig te maken, door ook
van een eenmaal gegeven onredelijk gebod of verbod de vervulling te
blijven eischen, heeft een onjuist begrip van gezag. Een gezag, op
onwaarheid gegrond, kan geen\' schok doorstaan. Toch zou het bena-
deeld worden, als een gegeven bevel gedurig moest herroepen worden;
daarom zij de onderwijzer bedachtzaam bij zijne bevelen en
2.   Spaarzaam met gebieden en verbieden. Veelvuldig bevelen leidt
licht tot onbedachtzaamheid bij het kind en tot herhalen van overtre-
ding; dat verzwakt de kracht van het bevel, terwijl de spaarzaamheid
de kracht versterkt. Buitendien, wie weinig beveelt, geeft zich het voor-
komen van den machthebbende; wie veel gebiedt of verbiedt, maakt
den indruk, dat hij zelf zijn gezag wantrouwt. Daarom brengt eene
wijze spaarzaamheid in het bevelen de vervulling met zich.
3.   De geboden en verboden moeten kort en duidelijk zijn. In
het korte zit de kracht: het geheele bevel wordt in een enkel woord
saamgetrokken en geeft daardoor zijn\' indruk op een enkel punt.
\'s Kinds aandacht wordt niet verdeeld over veel woorden. Zoo is het
ook met de duidelijkheid; het bevel wordt begrepen op hetzelfde oogen-
blik, dat het gegeven wordt; de indruk wordt niet verzwakt door twijfel
aan de bedoeling of door nadenken over den zin. Het kind blijft geen
uitweg over, om aan het bevel te ontkomen. Het korte en duidelijke
bevel overheerscht hem en onwillekeurig, ja soms ondanks zich zelven
gehoorzaamt het.
Men meene nu vooral niet, dat die kortheid barheid noodzakelijk
maakt. Wie denkt, dat hij door een uitwendig machtsvertoon, door een
streng en boos gelaat, zich te beter zal doen gehoorzamen, bedriegt
zich zeer. Ernst en waardigheid passen aan de zaak, maar geen zuur-
ziend gelaat of gemaakte strengheid. Wie zich wil doen gehoorzamen,
moet zich doen achten en eerbiedigen, en dat zal hij, als hij de
eigenschappen van den voortreffelijksten, van den verstandigsten
en edelsten mensch laat zien. Men vergete niet: het gezag is voor
-ocr page 193-
179
\'t grootste deel niets dan een denkbeeld en berust op geestelijke
meerderheid.
4. Men gebiede en verbiede eenvoudig en met overtuiging.
Wie het doet met veel beweging, gepraat of geschreeuw, leidt vooreerst
de aandacht af, maar wekt ook wantrouwen in zijn gezag, omdat hij
zooveel omslag noodig acht, om zich te doen gelden, en wie bij de
uitdrukking van het gebod of verbod reeds eenigen twijfel verraadt aan
de zekerheid der vervulling, doet natuurlijk denzelfden twijfel bij het
kind ontstaan en wordt zelf oorzaak van het niet opvolgen. Door te
spreken met volle overtuiging, dus met gezag, maakt men op den gees-
telijk onmondige den indruk, dat het bevel opgevolgd moet worden.
Wie durft bevelen, zal licht ook gehoorzaamd worden. Wie in den
toon van zijne bevelen eenige vrees voor niet opvolgen laat blijken,
kan rekenen op overtreding.
§ ui. b. Het algemeene voorschrift. — Het gebod en het
verbod zijn concreet, aanschouwelijk, hebben op elk bijzonder geval
en op het oogenblik betrekking en passen dus voor jeugdige kinderen.
Algemeene voorschriften gelden voor eene soort van gevallen,
staan tot gebod en verbod in verhouding als begrip tot voorstelling. Zij
zijn voor de kinderen, wat de wetten in den staat zijn. Door een ge-
bod of verbod wordt een kind gezegd, hoe het in elk bijzonder geval
moet handelen; door een algemeen voorschrift wordt aangeduid, wat
het heeft te doen in eene reeks van gelijksoortige gevallen. Aan zijn
eigen oordeel blijft overgelaten te bepalen, of op het eene of andere
geval een voorschrift past of niet. Daarom gaat met het toenemen van
de ontwikkeling des kinds het concrete gebod en verbod langzamerhand
over in het eenigszins abstracte algemeene voorschrift; het bijzondere
en bepaalde maakt gedurig meer plaats voor het algemeene, opdat zoo
de gebondenheid gaandeweg vrijheid en zelfstandigheid worde. Het
bevelen van iets tegenwoordigs wordt door het algemeene voorschrift
bevelen van iets toekomstigs. In de aanvangsklasse eener lagereschool
geldt daarom het korte bepaalde gebod en verbod, in de hoogste klasse
moet het algemeene voorschrift reeds aan het kind ten leiddraad strekken.
Daar mag reeds het bewustzijn ontwaken der zelfstandigheid en der
zelfbepaling van den wil.
De vraag doet zich hier voor, of de algemeene voorschriften monde-
ling gegeven of op schrift gesteld moeten worden. Onder de onderwijs-
wet van 1806 kende men algemeene schoolwetten, waaromtrent de
Algemeene Schoolorde, eene bij de wet behoorende bijlage, zegt, dat
zij, „hetzij gedrukt, hetzij geschreven, op bordpapier geplakt, in de
12*
-ocr page 194-
180
school worden opgehangen en door den meester bij gepaste gelegen-
heden aan de schooljeugd voorgelezen en uitgelegd worden." Hierop
valt aan te merken, dat in de lagereschool tegenover weinig ontwik-
kelde menschen het absolute, autocratische gezag moet heersenen,
evenals weinig ontwikkelde volken nog niet rijp zijn voor het consti-
tutioneele staatsieven. Het gezag in de lagereschool is in den persoon
des onderwijzers vereenigd, en het zou dat gezag benadeelen, als
geschrevene wetten tusschen hem en de kinderen werden geplaatst. Den
onderwijzer moet men beschouwen als een paedagogisch ontwikkeld
mensen, wien het wel is toevertrouwd, het gezag verstandig te hand-
haven. Aan hem zou toch in elk geval de beslissing zijn in een geval
van verschil in de opvatting der wetten, en dan zou de goede ver-
houding tusschen hem en de leerlingen licht bedorven worden. Gaf
hij zelf de geschrevene wetten, dan zouden ze onnoodig zijn, omdat
hij ze zelf dan ook mondeling kon geven. Beter is het daarom, dat
aan den opvoedkundigen tact van den onderwijzer blijft overgelaten,
algemeene voorschriften mondeling te geven, naar de omstandigheden
ze noodzakelijk maken. Voor de eene school kunnen ze soms passen,
voor de andere niet noodig zijn.
Het spreekt van zelf, dat ook de algemeene voorschriften zoo beknopt
mogelijk en duidelijk moeten zijn.
§ 112. c. De raad. — Op het levenstijdperk, waarin het algemeene
voorschrift mag gebruikt worden, volgt dat, waarin de raad op zijne
plaats is. Hij bestaat in het uitdrukken van de meening des opvoeders,
hoe in een gegeven geval of in eene soort van gevallen zijn kweekeling
behoort te handelen. Hij is meer gericht tot het verstand dan tot den
wil. Daarom worden de omstandigheden uiteengezet en in het rechte
licht beschouwd, en aan den jeugdigen mensch blijft de geheel vrije
keuze, al of niet overeenkomstig den gegeven raad te handelen. Natuur-
lijk zal de achting, die hij voor zijn\' opvoeder gevoelt, veel invloed
uitoefenen op zijne keuze.
De raad veronderstelt eene reeds vrij groote mate van zelfstandig-
heid; daarom behoort hij niet dan in zeer bijzondere gevallen in de
lagereschool te huis. Daar zal de onderwijzer slechts raden in gevallen,
waarin hij niet het recht heeft te gebieden of te verbieden, of wanneer
het hem er om te doen is, het eigene streven bij het kind op te wekken.
Op hoogere onderwijsinrichtingen en in het huisgezin kan van den raad
gebruik gemaakt worden. Daar hebben de jongelieden een\' leeftijd
bereikt, waarvan men zegt, dat ze hun eigen best moeten weten.
Of er in de lagereschool al of niet geredeneerd moet worden, is
-ocr page 195-
181
moeilijk in het algemeen te bepalen. Het hangt af van de verstandelijke
ontwikkeling en van de gezindheid des kinds. Waar de eerste onvol-
doende is tot inzicht en de laatste zich kenmerkt door weerbarstigheid
en stijfzinnigheid, zou het redeneeren eene dwaasheid zijn. Het zou het
gezag afbreuk doen niet alleen, maar ook tot kibbelzucht en betweterij
aanleiding geven. Iets anders is het, als in een enkel geval de onder-
wijzer vreezen mag, dat zijn bevel verkeerd opgevat zal worden, of dat
er verkeerde bedoelingen aan zullen toegeschreven worden, dat hij dan
zijn bevel toelicht en er het noodzakelijke van aantoont. Men mag dus
stellen, dat in het algemeen de lagereschool de plaats niet is, om met
de leerlingen over hunne plichtsvervulling te redeneeren.
\'// 3. De onaangename tuchtmiddelen.
Gehoorzaamheid.
§ 113. De school is eene verzameling van kinderen, dus van weinig
ontwikkelde menschen. Ze moeten van hunne vrijheid opofferen, om te
doen, wat ze niet verlangen, en te laten, wat ze gaarne zouden willen.
Daarbij zijn er onder hen, die door de huiselijke opvoeding geheel
verkeerd geleid zijn en zich aan de schoolorde moeilijk kunnen onder-
werpen. Toch moet het doel bereikt worden, waartoe ze in de school
komen: ze moeten leeren. \'t Is dus zeer natuurlijk, dat de gegeven
bevelen niet altijd worden nagekomen, dat de onderwijzer althans meer
of minder moeite heeft, om de opvolging te verkrijgen. Als het voor-
beeld derhalve niet voldoende werkt en het woord geen\' invloed genoeg
uitoefent, moet hij middelen in zijne hand hebben, waardoor hij de
kinderen geregeld brengt tot de vervulling hunner plichten, waardoor
hij hen gewent aan gehoorzaamheid.
Het is hier misschien de meest geschikte plaats, om de gehoorzaam-
heid wat nader te beschouwen.
De taalkundige vorming van het woord drukt geheel het begrip uit.
De meeste woorden op zaam geven te kennen, dat de eigenschap
tot het wezen van den persoon of de zaak behoort. Gehoorzaam
is dus nog niet hij, die enkel hoort, opvolgt, maar wel die dat doet
uit innerlijken drang, uit overtuiging, tot wiens wezen het hooren en
opvolgen behoort. De recruut, die de commando\'s opvolgt, is daarom
nog niet gehoorzaam; want misschien doet hij het met weerzin. Het
kind, dat uit vrees voor straf zich voegt naar de bevelen, is nog niet
gehoorzaam te noemen, maar wel het kind, dat als vanzelf, zonder aan
het tegengestelde te denken, zonder de minste moeite of tegenzin, naar
het gebod handelt, omdat het komt van iemand, dien hij acht en lief
-ocr page 196-
182
heeft, die hij volkomen vertrouwt. De drijfveer van de gehoorzaamheid
mag dus geen vrees zijn, wel kan het opvolgen van een gebod tengevolge
van vrees leiden tot latere gehoorzaamheid; maar deze zelve moet het
gevolg wezen van een innerlijken drang, van hoogachting en liefde,
van het bewustzijn, dat hij, die beveelt, in alle opzichten zijn meerdere
is. Wie zich daarom in den rechten zin wil doen gehoorzamen, moet
er naar streven, de meerdere van het kind te zijn, moet eigenschappen
vertoonen, die hem de achting en liefde van het kind verwerven. Heeft
bij die eigenschappen niet, dan kan hij wel de opvolging van zijne
bevelen verkrijgen, maar geen ware gehoorzaamheid.
Nu is het bij sommige individuen moeilijk, ja onmogelijk, anders
dan door vrees de opvolging der bevelen te verkrijgen; toch moet de
opvoeder er naar streven, door zijne geestelijke meerderheid de kinderen
tot de opvolging zijner bevelen te brengen, omdat het bloote opvolgen
wel waarde heeft voor het oogenblik, maar het kind niet verandert.
En het moet ook leeren, in den rechten zin gehoorzaam te zijn.
\'t Is toch niet alleen met het oog op de school, dat gehoorzaamheid
noodig is; \'t is ook van het grootste belang voor het geheele volgende
leven van het kind, dat het de ware gehoorzaamheid leert. Het blijft
later immers altijd in eene vereeniging van menschen, en in elke
vereeniging wordt gehoorzaamheid gevorderd, het geheele leven door.
\'t Zij men zich moet voegen naar wetten en bepalingen, \'t zij naar
gebruiken of instellingen, \'t zij naar de wenschen eener meerderheid,
\'t zij naar het algemeen welzijn, immer komt er gehoorzaamheid te
pas, zoolang men met anderen samenleeft. Robinson op zijn eiland had
alleen om zich zelf te denken. Daarom is het voor het kind van het
grootste belang, dat het leert zich, liefst vrijwillig, te onderwerpen aan
den redelijken eisch van \'t oogenblik, en dat gedurende eenige jaren
achter elkander. De zin voor gehoorzamen is eene zeer te waardeeren
vrucht, die de school geeft. Wie niet heeft geleerd te gehoorzamen, is
overal en altijd een dwarsdrijver, een struikelblok, en \'t is gelukkig,
dat in een beschaafden staat de sterke arm hem kan dwingen tot het
voldoen aan de wet.
§ 114. Nu komen we terug op de middelen, die het kind aan
gehoorzaamheid kunnen gewennen. Ze knnnen van onaangenamen
en van aan ge nam en aard zijn. Van de onaangename middelen hier
het eerst. Wat bedoelt men met hunne aanwending ? Men wil een
onaangenamen indruk verbinden met de overtreding van een bevel,
opdat het kind zoo worde teruggehouden van de overtreding. Ze zullen
het kind ook een\' indruk geven van de ontevredenheid des onderwijzers
-ocr page 197-
183
over zijn gedrag en het kwaad aanduiden als iets leelijks en verachte-
lijks. Natuurlijk zijn die middelen naar hunne uitwerking onderscheiden
en zal men langzamerhand overgaan van de minst tot de meest strenge.
Een paar opmerkingen. De onaangename tuchtmiddelen werken meest
negatief, d. i. ze houden bloot terug van het doen van het verkeerde
en laten daardoor aan het goede de gelegenheid om zich te vestigen.
Daarom heeten ze ook afschrikkingsmiddelen. Men moet hiervan
dus niet meer verwachten, dan ze geven kunnen : enkel niet doen van het
verkeerde, wat nog geen opgebouwd worden in het goede met zich brengt.
Wijl ze natuurlijk het kind in eene onaangename stemming brengen,
waarin het minder geschikt is voor geestelijk werk, moeten ze niet
meer dan volstrekt noodig is, aangewend worden. Opgeruimdheid is een
onwaardeerbare schat voor het kind, waaraan men niet roekeloos de
handen mag slaan. Als het opgeruimd is, kan het on verhinderd al zijne
krachten gebruiken, en daarom is een opgeruimde zin voor het onder-
wijs volstrekt noodig. Wie zijn onderwijs zelf tot discipline weet te
maken, zal zelden de onaangename tuchtmiddelen noodig hebben; als
iemand ze veel behoeft, is dat eene beschuldiging tegen hem zelven.
De onaangename tuchtmiddelen zijn van verschillenden aard, al naar
de sterkte van den onaangenamen indruk, dien ze maken. Ze zijn:
a.     De afkeuring, waaarin de onderwijzer bloot te kennen geeft,
dat de handelwijze des kinds verkeerd is. Voor het kind is ze dus bloot
eene aanwijzing van het verkeerde, dat het gedaan heeft. Ze kan be-
staan in een\' wenk of gebaar, een woord en eigenlijk stilzwijgend ook
in cijfers op maand- en kwartaalstaten.
b.     De verm.aning. Deze veronderstelt reeds de afkeuring van het
verledene, maar wijst ook op de toekomst, in zoover de onderwijzer
de gevolgen in \'t licht stelt en het kind opwekt, om in het vervolg
zijn\' plicht beter in acht te nemen.
c.     De berisping werkt onaangenamer dan de vermaning, doordat
de afkeuring veel sterker wordt uitgedrukt en de opwekking tot verbe-
tering achterwege blijft. Het kind, dat berispt wordt, moet veel dieper
indruk krijgen van het verkeerde zijner handelwijze en ondervindt niet
het eenigszins verzachtende, opwekkende woord van de vermaning. De
berisping moet altijd met woorden worden te kennen gegeven.
De uitwerking van deze drie onaangename tuchtmiddelen is bijna
geheel afhankelijk van de verhouding tusschen onderwijzer en leerling.
Heeft hij het volle vertrouwen, verheugt hij zich in de achting en de
liefde der kinderen, dan werken ze alle drie meer uit dan de strengste
straf; maar staat hij in de schatting der leerlingen niet hoog aange-
schreven, dan zullen ze vaak geheel hun doel missen. Ook de toon,
-ocr page 198-
184
waarop ze worden uitgesproken, doet zeer veel af. De afkeuring mag
geen knorrigheid, de berisping geen leedvermaak of spotternij verraden,
terwijl de vermaning van innige belangstelling blijk moet geven, anders
laat de laatste koel en maken de eersten ontevreden en bitter. Ze kun-
nen alle drie openlijk of onder vier oogen gegeven worden. Het eerste
kan maar in enkele gevallen volstrekt noodig zijn, maar ook in vele
gevallen niet vermeden worden; het laatste is altijd te verkiezen, maar
niet altijd mogelijk. Kr ligt eene zekere verschooning voor het kind in,
die hem dankbaar stemt en oog en oor open maakt, terwijl hij zich
bewust blijft in de schatting van anderen niet te zijn gedaald. Zijn eer-
gevoel zal dan zijn steun blijven. Openlijke beschamingen zijn
daarom ook, hoewel in enkele gevallen noodig en heilzaam, altijd ge-
vaarlijk. De afkeuring, vermaning en berisping moeten niet te veelvuldig
aangewend worden. (leen ellendiger wezen, dan de altijd afkeurende,
vermanende en berispende onderwijzer. Hij verlamt de krachten van de
leerlingen totaal, doordat hij het bewustzijn van kracht geheel wegneemt,
of zijne woorden laten den leerling onverschillig.
d. De bedreiging. Ze is het wijzen op de straf, die volgen zal
in geval van herhaling der overtreding. Ze bedoelt, dat de leerling
vooruit de onaangename voorstelling der straf verbinden zal met de
overtreding, om daardoor van deze laatste afgeschrikt te worden. Maar
dan moet natuurlijk de bedreiging de zekerheid der vervulling met zich
brengen; want daarin bestaat hare kracht. Wil men haar dus ook al
een paar maal herhalen, om van meegaandheid blijk te geven, te vaak
herhalen en het niet vervullen der bedreiging maken haar geheel krach-
teloos. Hare uitwerking wordt ook te geringer, naarmate de vervulling
verder in de toekomst gesteld wordt. Het kind leeft bij het oogenblik
en denkt niet ver vooruit, \'t Is daarom beter bij het uit zijn\' aard
onbedachtzame kind de bedreiging eenige keeren door herinnering
aan den plicht te laten voorafgaan: dikwijls zondigt hij meer door on-
nadenkendheid dan uit onwil.
§ 115. e. De straffen. Wij zijn nu gekomen tot die onaangename
tuchtmiddelen, die, doordat ze handelingen zijn, meer rechtstreeks op
den wil des kinds inwerken, met het doel, dit terug te houden van
het verkeerde. Boven is reeds opgemerkt, dat hunne werking eigenlijk
negatief is. Hunne uitwerking is daarop gegrond, dat in de ziel des
leerlings de onaangename voorstelling der onmiddellijk volgende straf
met de voorstelling der overtreding verbonden wordt, zoodat beide
blijven samengaan; het bewustzijn dier verbinding zal hem van de
overtreding terughouden.
-ocr page 199-
185
Zal die verbinding in een ander opzicht geen nadeelige uitwerking
hebben, dan moet de straf berekend zijn naar de ontwikkeling en den
aard van het kind: voor verschillende leeftijden en voor verschillende
kinderen dus ook verschillende straffen.
Doch ook moet de straf geövenredigd zijn aan den aard der o ver-
treding. Deze kan een gevolg van onvoorzichtigheid of van onbedacht-
zaamheid of ook van opzettelijke boosheid zijn; ze kan ook een gering
of evenzeer een groot nadeelig gevolg hebben. Daarnaar dient de streng-
heid - der straf bepaald te worden, opdat de noodzakelijke verbinding
van straf met overtreding zich des te beter in de ziel des leerlings
vestige.
Zooveel mogelijk moet de straf het natuurlijke gevolg der overtreding
zijn, en daarom moet men ook het kind de natuurlijke gevolgen van
zijne overtredingen laten ondervinden, tenzij die gevolgen hem al te
veel zouden schaden. Slecht gemaakt werk moet verbeterd worden,
veroorzaakte schade hersteld. Wie een ander hindert, moet verwijderd,
wie gedurig liegt, niet geloofd worden. Wie onvoorzichtig met een mes
of vuur omgaat, mag men daarvan evenwel de gevolgen niet laten
ondervinden: ze zouden het leven in gevaar kunnen brengen. Het kind
de natuurlijke gevolgen zijner handelingen te laten ondervinden, werkt
ook allerheilzaamst voor het latere leven, waar insgelijks de regel
onvermijdelijk heerscht: elk moet staan voor de gevolgen zijner daden.
De straffen kunnen bestaan öf in het onthouden van een goed
of in het aandoen van een kwaad.
Wat het eerste betreft, men kan het kind als straf opleggen, dat hij
niet aan het gewone onderwijs mag deelnemen, dat hij een of ander
werk niet mag verrichten, dat hij niet met de anderen mag spelen.
Natuurlijk moet datgene, wat men den leerling onthoudt, door hem
als een werkelijk goed beschouwd worden.
Wat de tweede soort van straffen aangaat, ze kunnen bestaan in
beschamingen, berooven van de vrijheid en lichamelijke
straffen. De eersten bedoelen den leerling zijne zedelijke minderheid
te doen gevoelen tegenover anderen, vooral zijne medeleerlingen. Dat
verwekt natuurlijk een zeer onaangenaam gevoel, hoewel verschillend,
naardat de leerling meer of minder gevoelig voor eer is. Dat dient de
onderwijzer dan ook in aanmerking te nemen, als hij tot eene openlijke
beschaming besluit. Het eene kind kan er vreeselijk door getroffen
worden, terwijl het andere er zeer weinig door aangedaan wordt. Ook
vergete hij niet, dat door de beschaming bij de andere kinderen licht
eene geheel verkeerde schatting van hun\' medeleerling ontstaan kan en
dat ze dezen zijne schande later op eene onbehoorlijke wijze kunnen
-ocr page 200-
186
doen gevoelen. Daarom dienen de beschamingen, maakt men er ook
zelden gebruik van, met de grootste voorzichtigheid aangewend te
worden.
Het berooven van de vrijheid kan zijn het bekende schoolhouden
of nablijven, eene niet geringe straf: terwijl zijne makkers de vrijheid
genieten en zich vermaken, moet de gestrafte in de ledige school zijn.
Daarom mag ze niet op elke kleinigheid toegepast worden. Ze is ook
lastig voor den onderwijzer, wijl ze hem dwingt, na het schoolwerk
nog in de school te blijven. Moet de nablijver werk verrichten of-ledig
zitten? Bij goed toezicht is \'t laatste beter, wijl de verveling onaan-
genaam is en het nadenken er door opgewekt wordt. Ook krijgt het
maken van het strafwerk het voorkomen van eene soort van betaling,
waarmee de overtreding geboet en als uitgewischt wordt.
De lichamelijke straffen behooren niet meer in de lagereschool
te huis. Behalve dat vele onderwijzers-instructien ze bepaald verbieden,
laat ook de burgerlijke wet hare aanwending niet toe. En terecht. Ze
zijn een al te gevaarlijk middel in de hand, vooral van den jeugdigen
onderwijzer, dat kwaad kan doen naar beide zijden. Zoo licht worden
ze uitgeoefend in drift en doen dan meer kwaad dan goed. Wat hare
opvoedkundige waarde betreft, daaromtrent is het volgende op te mer-
ken: ze kunnen zelden natuurlijk heeten. Voorts passen ze beter in het
huisgezin dan in de school: de onderwijzer is te vreemd aan het kind,
dan dat dit zonder een gevoel van bitterheid zijne slagen zou verdra-
gen, en komt door het slaan in eene ongunstige verhouding tot zijne
leerlingen. Bij kleine leerlingen zijn ze, verstandig gebruikt, niet te
veroordeelen; bij groote is het zelfbewustzijn reeds zoo ver ontwikkeld,
dat het hen al te zeer treft, als ze met een dier gelijk gesteld worden.
Bovendien, de toepassing der lichamelijke straffen staat het zoeken naar
andere opvoedkundige tuchtmiddelen in den weg. De ondervinding heeft
overvloedig bewezen, dat een goed onderwijzer de lichamelijke straf wel
ontberen kan: naarmate de lichamelijke straffen verdwenen zijn, is het
vooral niet minder geworden met de handhaving der tucht in de scholen.
4. De aangename tuchtmiddelen.
§ 116. Evenzeer als men door de verbinding van eene onaangename
voorstelling met de overtreding het kind kan terughouden van het
verkeerde, kan men het door de verbinding van eene aangename voor-
stelling met plichtsvervulling tot deze nopen. Dit laatste bedoelen de
aangename tuchtmiddelen. Deze werken positief, terwijl de onaangename
negatief werken. Immers, de aanwending der eerste moet ten gevolge
-ocr page 201-
187
hebben, dat de plichtsvervulling onmiddellijk plaats hebbe, en die der
laatste verhindert slechts de overtreding. Ze hebben bovendien het groote
voordeel, dat ze het kind in eene aangename stemming brengen, iets,
wat voor de geheele opvoeding en in het bijzonder voor het onderwijs
van zeer groot belang is. Het schijnt soms, dat er zekere vrees voor
de aanwending der aangename tuchtmiddelen bestaat en dat aan de
onaangename licht de voorkeur gegeven wordt. Men vergeet daarbij,
dat de eersten het bewustzijn van kracht, dus moed, wekken, en dat
de laatsten licht lust en kracht kunnen dooden. Te weten, dat men tot
iets in staat is, is nog geen ijdelheid. Hoewel men de onaangename
middelen moet aanwenden daar, waar ze volstrekt noodig zijn, en zich
niet door zwakheid van hun gebruik mag laten terughouden, is het niet
te ontkennen, dat ze altijd een zeker nadeelig gevolg hebben, waarom
ze eerst in de tweede plaats dienen aangewend te worden.
Tot de aangename tuchtmiddelen kan men brengen:
a.    De goedkeuring. Ze bestaat in de erkenning als goed van
hetgeen het kind goed gedaan heeft. Die erkenning geeft het kind het
bewustzijn, dat het wat goeds kan doen, en dus het bewustzijn van
kracht. Daardoor krijgt het moed tot meerder krachtsaanwending. De
goedkeuring zal meer uitwerken, naarmate de persoon, die ze uitspreekt,
hooger bij het kind staat aangeschreven. Ze mag geen laffe vleitaal,
maar moet waar zijn, en als ze dat is, behoeft men ook niet te vree-
zen, dat ze bij het kind ijdelheid zal verwekken. Ze kan in wenken
en gebaren, maar ook in woorden gegeven worden.
b.    De aanmoediging. Zij sluit reeds goedkeuring in zich, alleen
ze voegt er opwekkende woorden bij, waardoor het kind zich zijne
kracht nog meer bewust wordt en voortdurende goedkeuring in \'t voor-
uitzicht heeft. De aanmoediging zal daarom vooral vruchtbaar zijn bij
kinderen met weinig zelfvertrouwen.
c.    De belofte. Wat de bedreiging is bij de onaangename, dat is
de belofte bij de aangename tuchtmiddelen. Ze stelt iets aangenaams in
\'t vooruitzicht en verbindt de voorstelling daarvan met plichtsvervulling.
Zal ze goed werken, dan moet ze de zekerheid der vervulling met zich
brengen. Natuurlijk wordt ze slechts aangewend, waar ze noodig is, en
dat is daar, waar de zwakke kracht moet gesteund worden. Als een
kind uit zich zelf doet wat goed is, dan is er geen belofte noodig.
d.    De belooning. Ze is de vervulling der belofte, ze kan echter
ook zonder voorafgegane belofte plaats hebben. Veel is over haar ge-
schreven, en door sommige opvoedkundigen is ze veroordeeld. Dat
oordeel had evenwel meer betrekking op de overdrijving en ontaarding,
dan op de belooning in gezonden zin opgevat. Meestal beschouwde
-ocr page 202-
188
men de belooning te veel op zich zelve en buiten betrekking tot de
onvolkomenheid der kinderen. Wie de belooning als tuchtmiddel ver-
oordeelt, mag ook geen gebruik maken van de goedkeuring en aan-
moediging: alle drie zijn niet in wezen, maar alleen in graad onder-
scheiden. Ze mag, even als de straf, geen regel, maar moet uitzondering
zijn. Ze moet wezen de aanschouwelijke uitdrukking van het welgevallen
des opvoeders. Ze mag niet gedacht worden als loon, als betaling. Ze
moet enkel ten doel hebben, de zwakke kracht te schragen, de aan-
vankelijke pogingen tot vooruitstreven te doen voortduren, den Bauwen
moed op te wekken. Als het kind uit zich zelf doet, wat het behoort
te doen, dan kan de belooning wegblijven, maar zal in den regel de
goedkeuring voldoende zijn, om den lust gaande te houden.
De school heeft weinig middelen tot haar\' dienst, om ze als beloo-
ning te gebruiken; het huisgezin is er natuurlijk rijker aan. Het komt
evenwel niet aan op de stoffelijke waarde der belooning; hare uitwer-
king is dan ook niet geheel van die waarde afhankelijk, maar van de
verhouding, die er tusschen onderwijzer en leerlingen bestaat. Bij de
kleinen mag de belooning veelvuldiger voorkomen dan bij de verder
gevorderden, bij wie reeds andere prikkels moeten werken.
Als eene soort van belooning kan men de aanteekeningen van goed-
keuring beschouwen, waarmee teekens van afkeuring gepaard gaan.
\'t Is evenwel zeer moeilijk, juist door cijfers iemands gedrag, vlijt en
vorderingen aan te wijzen; bij de jongere leerlingen is dit bepaald on-
mogelijk. Zal het ook doel treffen, dan dient ieder leerling met zich
zelf vergeleken te worden en niet met een bepaalden Vorm; in het
eerste geval evenwel doet men licht bij sommigen een vermoeden van
onbillijkheid ontstaan, terwijl in het laatste de zwakken altijd achteraan
zullen blijven en den moed verliezen. Het stelsel van aanteekenen der
goed- en afkeuringen heeft dus zoowel zijne licht* als schaduwzijde.
Volstrekt noodig is het, dat de onderwijzer niet openlijk, maar voor
zich zelf aanteekening houdt van het gedrag van eiken leerling en ieder
voor zich daarmee bekend maakt.
5. De voorbehoedmiddelen.
§ 117. De voorbehoedmiddelen zijn middelen, die men bezigt ter
voorkoming van het verkeerde. Ze bestaan in het wegnemen van dat-
gene, wat aanleiding geven kan tot afwijking van den plicht. Ze zijn
daarom van groot belang voor de school. Het kind is nog zwak van
kracht, zijne bedachtzaamheid gering; zoo licht volgt hij eene aanlei-
ding, en naarmate zich dat herluialt, wordt de overtreding te meer
-ocr page 203-
189
eene gewoonte. Daarom moet men hem den weg gemakkelijk maken,
totdat langzamerhand de tijd komt, dat hij tegen het gevaar opge-
wassen is.
De voorbehoedmiddelen kunnen de volgende drie zijn:
a.    De orde. Orde is de toestand, dat alles op de rechte plaats
is, op den rechten tijd geschiedt en naar vaste regels en voorgeschre-
ven vormen plaats heeft. Hier wordt de orde beschouwd als tuchtmiddel;
straks komen we er op terug.
De orde kan men brengen tot de tuchtmiddelen, omdat ze de afdwa-
lingen van het kind voorkomt en hem de plichtsbetrachting gemakke-
lijk maakt. Waar doorgaande orde heerscht, wordt geen aanleiding
gegeven tot iets verkeerds, blijft het kind in eene rustige stemming,
valt iedere afwijking dadelijk in het oog en kan er dus voor de her-
haling gezorgd worden. Doordat er geen onaangename tuchtmiddelen
behoeven aangewend te worden, blijft in het geheele schoolleven een
goede geest heerschen.
b.    Nauwkeurig toezicht moet niet zoozeer strekken, om de
overtreders op te sporen, als wel om afdwalingen te voorkomen. Als
het kind zich immer bewust is, dat des onderwijzers oog hem nagaat,
dan neemt hij zich in acht. Daardoor is meteen gezorgd, dat geen
der anderen gehinderd wordt. Wie geen nauwkeurig toezicht houdt,
moet niet de kinderen, maar zich zelf beschuldigen, als zij overtre-
dingen begaan. Hij mag niet vergeten, dat hij met zwakke wezens te
doen heeft.
c.    Aanhoudende werkzaamheid bij opgeruimdheid. Leêge
handen doen licht kwaad, en: Ledigheid is des duivels oorkussen.
Deze spreekwoorden drukken duidelijk uit, wat het gevolg van ledig-
heid is, en hoe dus werkzaamheid dient, om de overtredingen der
kinderen te voorkomen. Ledig zijn is onmogelijk voor het kind; als
het geen werk heelt, moet het wel wat anders doen en komt dan licht
tot iets verkeerds. En wanneer de onderwijzer nu ook zorgt voor een
opgeruimden geest in de school, en weet hij het werken aangenaam
te maken, dan blijft de orde van zelf bewaard, wordt het toezicht zeer
gemakkelijk en hebben er dus geen overtredingen plaats.
6. Beproevingen.
§ 118. Al de opgenoemde tuchtmiddelen hebben ten doel, het kind
te gewennen aan de betrachting zijner plichten en hem langzamerhand
tot zelfstandigheid op te leiden. Voor dit laatste is evenwel ook oefenen
van den wil noodig. Om te leeren willen, moet het kind ook tusschen-
-ocr page 204-
190
beide in de gelegenheid gesteld worden, om te kunnen willen en zijn\'
wil te beproeven. Nu heeft de huiselijke opvoeding daartoe meer mid-
delen in hare hand, dan de school. Zij kan de beproeving in allen
gevalle alleen maar bij de oudere leerlingen toepassen.
De onderwijzer moet hun gedurig duidelijk maken, dat ze op hun\'
leeftijd op zich zelven moeten beginnen te letten en het toezicht niet
meer zooals de kleinen noodig dienen te hebben. Hij moet hen leeren
inzien, dat de vrucht van hun\' arbeid voor een deel van hen zelven
afhankelijk is. En om nu hun\' wil te oefenen, maakt hij werkelijk
het toezicht wat minder streng, richt de opgaven zoo in, dat de uit-
werking aan hunne eigene keus is, raadt hen meer, dan dat hij hun
beveelt, en laat hen over \'t geheel meer vrijheid. Maakt iemand mis-
bruik van die vrijheid, dan wordt met hem eene uitzondering gemaakt
waaruit hem blijkt, dat hij nog niet vrij kan zijn. Natuurlijk moet de
orde bewaard blijven en het doel der school bereikt worden.
III. orde.
§ 119. De orde (zie blz. 189) is eene belangrijke zaak in de school,
eenvoudig omdat het onderwijs aan velen tegelijk gegeven wordt,
en dus bij wanorde de een den ander het leeren moeilijk, ja onmoge-
lijk zou maken. Daarom zal in eene ordelooze school de vrucht van
het onderwijs zeer gering zijn. \'t Is dus niet zonder belang, na te gaan,
hoe de orde in de school ontstaat en bewaard wordt.
In \'t algemeen mag men zeggen, dat de orde meer ontstaan moet
door de omstandigheden, dan door bijzondere, vooral gekunstelde mid-
delen gebracht worden. Waar ze gebracht wordt, is ze niet één met
het geheel der school en verdwijnt licht weer. Daardoor kost hare be-
waring veel inspanning en tijd, zeer tot nadeel van het onderwijs en
ook tot nadeel van den geest der school.
Wijl de orde eene gewoonte moet worden, wordt ze het best door
herhaalde aanschouwing en oefening geleerd. Daarom moet de onder-
wijzer zelf een voorbeeld van orde zijn. Ten aanzien van zijn
uiterlijk voorkomen mag hij niet onverschillig zijn; maar vooral moet
hij voor zich zelf streng orde in tijd en plaats in acht nemen. Op tijd
beginnen en eindigen, zonder ooit af te wijken. Alles op de rechte
plaats en op de rechte wijze wegbergen. Geen bemorsen dulden van
wat tot de school behoort. Bedaard spreken en niet harder, dan voor
het verstaan noodig is, en bij stilte is dat spoedig mogelijk. Als een
wenk of teeken voldoende is, dan geen woorden gebruiken. Rustige
beweging en geen onnoodig geraas maken. Nooit drukke en geweldige
-ocr page 205-
191
middelen bezigen, om de orde te herstellen. Neemt de onderwijzer zelf
dit alles in acht; dan zal de orde van zelf komen en blijven. De kin-
deren kunnen zich aan dien invloed niet onttrekken. De orde zal daarbij
geheel natuurlijk wezen en niets drukkends of gedwongens hebben. De
kinderen voelen zich op hun gemak er onder.
Doch niet alleen door zijn\' voorgang, maar ook door enkele opzette-
lijke middelen kan de onderwijzer zorgen, dat de orde niet verstoord
worde. Alle bewegingen laat hij doen op rustige en zachte commando\'s;
het krijgen en wegbergen der leien, het overreiken van boeken, schriften
en griffels, het zitten gaan en opstaan enz. De kinderen spreken niet
harder, dan noodig is. Ze zitten bij mondeling onderwijs rechtop, met
de handen voor zich. Ontstaat er onder het spreken eenige wanorde,
dan even bedaard ophouden en een oogenblik wachten: de ontstane
stilte maant dan van zelf tot in acht nemen der orde. Een gestadig
toezicht moet elk begin van wanorde voorkomen. Daarom is nauw-
keurig en veel zien voor den onderwijzer een noodzakelijk vereischte:
hij moet zijne oogen overal hebben. Er volgt niet uit, dat al hetgeen
hij opmerkt, ook luid gezegd moet worden. Integendeel, meest altijd
is het voldoende, dat de kinderen zich bewust zijn, dat de oogen des
onderwijzers hen altijd gadeslaan. Ook zal de orde bewaard blijven,
wanneer er gezorgd wordt, dat de kinderen immer met belangstelling
bezig zijn. Op die wijze zullen de onaangename tuchtmiddelen maar
zelden noodig zijn voor het bewaren der orde.
Orde en stilte worden vaak in één adem genoemd, eigenlijk be-
hoort de laatste tot de eerste en vooronderstelt de eerste de laatste,
als men ten minste onder stilte een rustig en natuurlijk stilzijn verstaat
en niet die doodsche, drukkende stilte, waarbij angstig op het oog des
onderwijzers gelet wordt en die in geraas losbreekt, zoodra het toezicht
ophoudt. Het kind zelf moet de stilte bewaren willen, omdat ze hem
aangenamer geworden is dan geraas.
De onderwijzer is vaak zelf de oorzaak van wanorde en geraas, in-
zonderheid wanneer hij zijn onderwijs niet tot discipline weet te maken.
-ocr page 206-
DERDE AFDEELING.
GESCHIEDENIS DER OPVOEDING VAN DE LAATSTE TIJOEN.
i. Tot de achttiende eeuw.
§ 120. Een kenmerk der Oudheid was bevoorrechting en uitsluiting:
alleen het mannelijk geslacht ontving onderwijs en van dat geslacht
alleen een bepaald gedeelte. De vrouw deelde niet in de algemeene
ontwikkeling, en slechts de hoogere standen en kasten werden onder-
wezen. Daarop maken de Chineezen en Japanneezen, de Grieken en
Romeinen en voor een gedeelte ook de Israëlieten eene uitzondering.
Hij hen was de beschaving iets meer dan bij andere volken een gemeen
goed. Toch werden ook nog bij hen de armen en geringen en de vrouwen
verwaarloosd als een gevolg van geringschatting. Eerst langzamerhand
zijn de bevoorrechting en de uitsluiting minder geworden.
Bij de Indiërs en de Egypte na ren waren de priesters de ge-
leerden, die in het bezit waren van groote wetenschap en er aan de
regeerders en krijgslieden en aan sommige der andere kasten zooveel
van mededeelden, als zij dat noodig oordeelden. De laagste standen
bleven geheel zonder onderwijs. Natuurlijk had dit het meest betrekking
op den godsdienst. Bij de opvoeding werd den leerlingen eerbied voor
de ouders en vooral voor de onderwijzers diep ingeprent.
Bij de Perzen had men wel geen kasten-verdeeling, maar was de
geheele opvoeding zeer eenzijdig, doordat ze voornamelijk gericht was
op de voorbereiding tot den oorlog. Waarheid spreken werd als een
hoofddeugd ontwikkeld.
Meer algemeen was de volksontwikkeling bij de Chineezen en Japan-
neezen, bij de Grieken en Romeinen en ook bij de Israëlieten.
Onder de oude volken, bij wie het onderwijs het meest gemeen goed
was, staan de Chineezen bovenaan. Ze kenden geen geboorte-adel;
onderwijs was overal te verkrijgen en wie de examenproef kon door-
staan , voor dien waren de hoogste ambten bereikbaar, hij genoot groote
cere bij zijn volk. China wordt dan ook wel het land der examens
genoemd. Jammer , dat van-buiten-leeren het eenige middel tot slagen
-ocr page 207-
193
was en wis- en natuurkunde niet tot de studie behoorden, die alleen
in de letterkundige richting ging. Van verstandontwikkelend onderwijs
kan bij de Chineezen geen sprake zijn.
Bij de Israëlieten dreef de godsdienstige richting boven: kennis
van de geschiedenis des volks en van de heilige boeken werd van elk
verwacht; doch ook bij hen moest de vrouw achterstaan. Doordat zij
tot den tijd der verstrooiing geen handeldrijvend, maar een volk meest
van landbouwers en veehoeders waren, bleef de leerstof zeer beperkt;
de kennis der heilige boeken maakte het lezen evenwel noodzakelijk.
Het onderwijs was bijna geheel huiselijk: de vaders onderwezen hunne
zonen in hun handwerk en de schrift, de moeders de dochters in het
huiswerk. Dit werd anders, toen het volk over de aarde verstrooid en
meer kennis voor hen eene behoefte werd: er kwamen toen eigenlijke
kinderscholen. Door Samuel werden de vóór hem reeds bestaande
profete nsch ole n tot grooteren bloei gebracht; zij gaven een voort-
gezet onderwijs met een\' breeder leerkring. Behalve deze waren er
rabbijnen scholen, die evenwel voor de studie der wetenschappen
niets uitwerkten, wijl ze zich voornamelijk op godsdienst" enwetkennis
toelegden.
§ 121. Op het gebied der opvoeding nemen de Grieken en Romei-
nen eene belangrijke plaats in. Bij hen vinden we meer beschaving en
een meer geregeld onderwijs, doch ook nog een groot deel des volks
daarvan uitgesloten en de vrouw wel hooger, maar nog niet op hare
waarde geschat.
Onder de Grieksche volken treden de Spartanen en de
Atheners op den voorgrond door een bijzonder gekenmerkt opvoe-
dingsstelsel. De opvoeding te Sparta strekte alleen voor een zeer klein
deel des volks, de eigenlijke Spartanen, die over een veel grooter
getal heerschten. Om te kunnen heerschen moesten alleen zij tot vol-
komen krijgers gevormd worden, en om dat doel te bereiken, trok de
staat de opvoeding geheel aan zich en gebruikte ze ook enkel voor
zich. Algemeene menschenvorming was er ten eenenmale vreemd aan.
De staat beoordeelde, welke kinderen in het leven zouden blijven. Van
het 7e jaar werden de knapen geheel door den staat in openbare ge-
bouwen opgevoed. Lichamelijke ontwikkeling door gymnastiek (zonder
werktuigen bestonden de oefeningen alleen in vechten, loopen, sprin-
gen, schijf- en speerwerpen en dansen), harding en gewenning aan
ontbering, daarin bestond bijna de geheele opvoeding. Ook de meisjes
werden alleen lichamelijk opgevoed. Muziek weril bloot beoefend met
het oog op den oorlog. Aan lezen en schrijven werd weinig gedaan.
rijkens, Opvoedk., 7e druk.                                                           13
-ocr page 208-
194
De wetten werden mondeling en door de practijk geleerd. Wijl de
geestelijke grondslag aan de opvoeding ontbrak, kon het Spartaansche
volk ook niet lang blijven bestaan.
In Athene werd de opvoeding hooger opgevat dan in Sparta; doch
ook hier hadden er slechts de aanzienlijken deel aan en stond het
meisje bij den knaap ten achter. De staat liet meer vrijheid in de op-
voeding. Wel werd de gymnastiek ijverig beoefend, maar niet uitsluitend
ten behoeve van den oorlog, hoofdzakelijk om de schoonheid, vlugheid
en gezondheid des lichaams te bevorderen. De oefenplaats heette gym-
nasium en strekte meteen tot plaats van samenkomst der burgers, vooral
van kunstenaars en geleerden, die er, langzamerhand meer, tegelijk hun
onderwijs gaven, waardoor de naam gymnasium bij ons de aanduiding
van onderwijsinrichting is geworden.
Doch nevens de lichamelijke werd de geestelijke opvoeding bevor-
derd, aanvankelijk alleen door muziek, welk vak in den loop dei-
tijden uitgebreid werd tot de dichtkunst en ook nog tot andere kun-
sten. Ontwikkeling van het schoonheidsgevoel stond dus hoog aan-
geschreven.
Tot zijn 7e jaar bleef het kind in huis. Op dien leeftijd kwam de
knaap in eene school, waar hij lezen, schrijven en rekenen leerde, en
nam vervolgens aan het voortgezette onderwijs deel tot zijn 20e jaar,
wanneer hij burger werd. Doch daarna werd de vorming eigenlijk nog
voortgezet door eene soort van straatonderwijs, hierin bestaande, dat
straten en pleinen met schoone standbeelden en tempels versierd waren
en verzen van beroemde dichters, op marmeren tafels gegraveerd, te
lezen gaven. — De Atheners hebben door hunne kunstenaars en ge-
leerden grooten invloed uitgeoefend op de opvoeding bij de christelijke
volken. Men denke aan Socrates, van wien eene soort van vragend
onderwijs afkomstig en naar hem genoemd is, aan Euclides, wiens
meetkunde tot op dezen dag in Engeland gebruikt wordt, en aan
Aristoteles, die veel over de opvoeding en ook een leerboek over logica
geschreven heeft, dat in de middeleeuwen in West-Europa algemeen bij
het onderwijs gevolgd werd.
De Romeinen werden door hun ontstaan en bleven vervolgens eene
oorlogvoerende natie. Daardoor waren ze minder geneigd tot beoefening
der wetenschappen, uitgezonderd de rechtswetenschap, zoodat Europa\'s
wetgeving voor een groot deel gegrond is op het Romeinsche recht.
Hunne beschaving hebben ze grootendeels overgenomen van de Grie-
ken, die vooral in de tweede eeuw van onze jaartelling met de op-
voeding van kinderen belast werden en als onderwijzers optraden. In
onderscheiding van de Grieken gingen ook de meisjes op de lagere-
-ocr page 209-
195
scholen, gelijk de vrouw bij hen hooger aangeschreven stond, dan bij
hunne oostelijke naburen. De opvoeding was meer de zaak der ouders,
vooral der moeders. Bij het onderwijs woog het practische nut zwaar-
der dan de vormende strekking. Daardoor werd aan kunst niet veel
gedaan en volgden ze later de Grieken meer na, dan dat ze zelf
schiepen. Alleen de welsprekendheid werd ijverig beoefend, omdat die
vooral te pas kwam in het staatsieven. Het geheele onderwijs was meer
eene zaak van bijzondere personen dan van den staat. Seneca en Quin-
tilianus hebben van de Romeinsche schrijvers vooral over de opvoeding
geschreven.
§ 122. De opvoeding van de menschheid vóór Jezus\' geboorte had
dus algemeen tot kenmerk, dat een kleiner of grooter deel van het
volk van alle opvoeding uitgesloten was en dat de vrouw te laag ge-
schat werd, om aan de opvoeding van het mannelijk geslacht deel te
nemen. Het Christendom bracht in beide opzichten meer gelijkheid.
Waren alle menschen kinderen van één vader, dan stond als mensch
de arme met den rijke, de geringe met den aanzienlijke, de vrouw
met den man gelijk. Die gelijkheid kwam evenwel niet opeens, maar
ontwikkelde zich eerst in den loop der eeuwen. Gevestigde begrippen
verdwijnen niet zoo licht. Door het Christendom werd het volksonder-
wijs bevorderd: dit was een uitvloeisel van den geest zijns Stichters,
maar ook een gevolg daarvan, dat het gewijde schriften bezat, wier
kennis noodzakelijk gerekend werd voor elk, die lid der kerk was. De
aanleiding tot onderwijs had het daardoor in zich. Natuurlijk was daarom
ook het eerste schoolonderwijs hoofdzakelijk onderwijs in den godsdienst
en bleef dit ook verscheiden eeuwen.
Kven natuurlijk was het ook, dat de kerk de eerste onderwijzeres in
de christenwereld werd. Wel maakten de eerste Christenen gebruik van
de door het geheele Romeinsche rijk, vooral ten behoeve van de kin-
deren der ambtenaren opgerichte keizerscholen of ook van de
katechetenschool te Alexandrie, in 181 gesticht, waaraan zoowel
heidensche als christelijke leeraren onderwijs gaven; maar lang duurde
het niet, of de christelijke kerk vond het onderwijs van Heidenen ge-
vaarlijk voor hare leden, en nu zocht de kerk in de bestaande behoefte
te voorzien, door klooster-, dom- en stiftsscholen in het leven
te roepen. Van de kloosterscholen zijn het meest beroemd geworden
die van de orde der Benedictijnen (opgericht in 529 door Benedictus
van Nursia ten n. o. van Rome), later, in de 13e eeuw, die van de
Dominikanen en Franciskanen, insgelijks twee monnikenorden. De dom-
scholen waren verbonden aan de dom-, hoofd- of kathedraalkerken, de
13*
-ocr page 210-
190
stiftsscholen aan de kleinere kerken. Het onderwijs werd in het Latijn
gegeven.
Karel de Groote heeft de verdienste, dat hij zich zeer veel moeite
gaf, om een volksonderwijs onder de Germaansche stammen te vestigen.
Hij maakte hierbij gebruik van de kerk en hare kloosters, wijl indien
tijd geen anderen hem konden helpen. Eene vrucht van zijn werken
was de oprichting in West-Kuropa, vooral op het platteland, van een
aantal parochie-scholen, die aan de dorpskerken en dus aan de
kerkgemeenten of parochieön verbonden en het begin waren van onze
tegenwoordige dorpsscholen en waarin door den geestelijke of ook door
een\' kerkedienaar of een door den geestelijke aangestelden persoon
onderwijs gegeven werd. Het onderwijs bestond doorgaans in weinig
meer dan in het van buiten leeren van de geloofsartikelen" en de tien
geboden en het leeren zingen van psalmen.
Doch de kerk liet de haar opgedragen taak langzamerhand weer
varen, en in de tweede helft der middeleeuwen zou haast van geen
volksonderwijs sprake geweest zijn, indien niet de kruistochten den
vrijen burgerstand in het leven hadden geroepen en, wat ons land in
het bijzonder betreft, Geert Groote (1340—1384) de vereeniging van
de Broeders des Gemeenen levens niet had gesticht.
Wat het eerste punt aangaat: de vrije burgers, die van nijverheid
en handel moesten leven, voelden alras behoefte aan meer onderwijs,
dan de kerkelijke scholen gaven. Uit die behoefte ontstonden stads-
scholen, wier onderwijzers door den landsvorst of ook door de ste-
delijke magistraten benoemd werden, en ook bijzondere scholen.
Men sprak toen van schrijfscholen, Fransche scholen, bij- en winkel-
scholen. De beide eerste namen duiden aan, in welken zin het onder-
wijs uitgebreid werd. Niet zonder strijd liet de geestelijkheid de
oprichting dier wereldlijke scholen toe; vaak moesten de bijscholen
een deel van het schoolgeld aan de hoofdschool afstaan en stonden
onder het toezicht van den onderwijzer dier school. Ook op deze
wereldlijke scholen bleef het onderwijs nog eene kerkelijke kleur
behouden.
De vereeniging van de Broeders der Gemeetien levens (zoo
geheeten, omdat ze in gemeenschap van goederen leefden), ook wel
Hyronimianen of Gregorianen genoemd, heeft veel bijgedragen tot
verbreiding van goed onderwijs in ons land en ook in Duitschland. De
Broeders leefden in gemeenschap van goederen, hielden zich veel bezig
met het afschrijven van boeken, een in dien tijd hoogst verdienstelijk
werk, ook wel met handwerken en met het onderwijs; om dit laatste
droegen ze hier en daar ook wel den naam van Schoolbroeders. Ze
-ocr page 211-
197
waren onderscheiden van de leden der monnikenorden, doordat ze niet
door eene onverbrekelijke belofte gebonden waren. Ze woonden samen
in een broeder- of fraterhuis, waaraan de school verbonden was. Het
eerste fraterhuis werd te Deventer, het tweede te Zwolle opgericht. De
school van Deventer had op het einde der 15e eeuw wel 2100 leer-
lingen, die in Zwolle soms 1000, die te \'s-Hertogenbosch weleens
r2oo. De vereeniging had o. m. scholen te Amersfoort, Delft, Does-
burg, Gouda, \'s-Hertogenbosch, Utrecht, Nijmegen. In de Z. Neder-
landen tè Luik, Leuven, Gent, Brussel, Antwerpen en Mechelen. In
Duitschland te Munster, Keulen, Wezel, Hildesheim. In de tweede
helft der 16e eeuw hielden de fraterscholen als zoodanig op te bestaan.
De Hervorming werkte vervolgens gunstig op de uitbreiding van
het onderwijs, \'t Was een onmiddellijk gevolg van haar beginsel, vrij
onderzoek der heilige schriften. Wie prijs stelde op de kennis der
Schrift, moest ten minste kunnen lezen. Luther sprak en schreef dan
ook ijverig, om de oprichting van scholen in dorpen en steden aan
te bevelen. Vorsten en magistraten werden door hem krachtig opge-
wekt, om die oprichting ter hand te nemen. Melanchton stond hem
daarbij ter zijde, maar werkte meer in de richting van het onderwijs
in de klassieke talen. Waar nu de Hervorming doordrong\', daar werd
ook het volksonderwijs uitgebreid. Doch goede onderwijzers ontbraken
en daardoor bepaalde, vooral op de dorpen, het onderwijs zich tot
weinig anders dan het memoriseeren van godsdienstige liederen, gebe-
den en de geloofsartikelen.
Tegenover dit streven der Hervorming ontstond ook aan de andere
zijde een streven, om het onderwijs uit te breiden. Het waren de
Jezuïeten (1534), die een stelsel van opvoeden en onderwijzen schiepen,
dat, hoewel in sommige opzichten eenzijdig, over het geheel voortreffelijk
kon genoemd worden. Zij hadden bij hun\' arbeid evenwel geen volks-
onderwijs op het oog, maar wijdden hunne zorg hoofdzakelijk aan
jongelieden uit den hoogeren stand. Alleen zochten ze knapen uit den
minderen stand met uitstekenden aanleg op en plaatsten ze in hunne
inrichtingen. Hunne scholen waren meteen kosthuizen, omdat ze de
geheele opvoeding voor hunne rekening namen. Ze trachtten eiken
kweekeling nauwkeurig te leeren kennen en richtten hunne leiding ge-
heel in naar de individualiteit. Ze zochten de vrienden hunner kwee-
kelingen te zijn en hadden daarom geene harde tuchtmiddelen noodig,
iets, waardoor ze zich gunstig van de andere scholen hunner dagen
onderscheidden.
§ 123. In de iöe\'en 17e eeuw hebben er eenige mannen geleefd,
-ocr page 212-
198
die door hunne geschriften en door hun werken een gunstige* invloed
uitoefenden op de onderwijsmethode van dien tijd.- Het waren Mon-
taigne, een Franschman, Bacon en I.orke, twee F.ngelschen, en
A m o s Co m e n i u s, een Moravier.
Montaigne (1533— r592) was van aanzienlijke afkomst en genoot
eene zeer zorgvuldige opvoeding. Hij dacht veel en juist en heeft zijne
denkbeelden over de opvoeding in verschillende zijner werken neerge-
legd. Hij wilde, recht practisch, dat de opvoeding het kind zou leeren,
wat het noodig heeft, om op de rechte wijze te leven; ze moest hem
dus wijzer en beter maken. Meer waarde moest gehecht worden aan de
opleiding tot deugd door de practische toepassing dan aan veel weten
en vooral dan aan veel praten. Door zelfstandigheid zou de mensch
gelukkiger worden. Daartoe moest hij niet komen door dwang met
lichamelijke kastijding, maar door eene redelijke vrijheid bij eerbiedi-
ging zijner eigenwaarde. I .ust tot leeren moest gegeven worden door
een aangenaam en belangwekkend onderwijs, dat practisch en aan-
schouwelijk en voor de bevatting des leerlings geschikt was. Het lichaam
moest evenzeer opgevoed worden als de ziel. De opvoeding moest be-
paald worden naar de individualiteit van den kweekeling; daarom wilde
hij huis- en niet schoolonderwijs.
Bacon leefde van 1561 tot 1626. Hij wilde, geheel in tegenspraak
met de toenmalige denkbeelden, maar in overeenstemming met Mon-
taigne, alle onderwijs op ervaring, op aanschouwing gegrond hebben.
De waarneming door de zintuigen moest het begin van alle kennis
zijn. Bijzondere gevallen moesten opgezocht en daaruit regels afgeleid
worden (inductieve methode). Zelf zien en zelf hooren en niet napraten
van autoriteiten , daartoe moest de leerling worden gebracht. Zelfwerk-
zaamheid moest de vrucht van het onderwijs zijn. Door hem vond de
natuurkunde, die zoo geheel waarneming eischt, onder de F.ngelschen
veel beoefenaars.
In Bacon\'s tijd wilde men alle kennis door het geschreven woord
in den leerling brengen. Door van buiten leeren van regels wilde men
de taal onderwijzen, nog vóór de taal zelve in den leerling was. Men
zwoer bij de uitspraken der Ouden en dacht niet» aan zelfonderzoek.
Bacon leerde dus geheel het tegenovergestelde. Over de opvoeding zelve
heeft hij niet geschreven; maar zijne wijsgeerige denkbeelden alleen
waren het, die in vervolg van tijd op de onderwijsmethode grooten
invloed uitoefenden.
John Locke (1632—1704) wilde, evenals Bacon, uitgegaan heb-
ben van de werkelijkheid. Daardoor kwam hij ook tot de waarheid,
dat den mensch geen begrippen aangeboren zijn, maar dat ze hun\'
-ocr page 213-
199
grond hébben in de verworven voorstellingen. Belangrijk is ook
zijne stelling: slechts in een gezond lichaam eene ge-
zonde ziel, tengevolge waarvan hij hooge waarde hechtte aan
eene goede lichamelijke opvoeding. Bij de zedelijke opvoeding wilde
hij op de eerzucht gewerkt en den kweekeling langzamerhand van
opvolging van gewoonten tot zelfleiding gebracht hebben. Lichame-
lijke straf, een in zijn\' tijd algemeen tuchtmiddel, mocht niet dan
in enkele bijzondere gevallen aangewend worden. Het onderwijs
moest aangenaam zijn en zonder dwang gegeven worden. Het prac-
tische nut der kennis stond bij hem op den voorgrond. Hij wilde
dan ook, dat elke knaap, ook die uit den hoogeren stand, een
handwerk zou leeren. Hij heeft zijne denkbeelden neergelegd in twee
werken: Eenige gedachten over opvoeding, en: Over
het menschelijk verstand. Door dit laatste vooral mag hij
als de grondlegger beschouwd worden van de empirische zielkunde, die
hare waarheden uit de ervaring opmaakt.
Bacon\'s denkbeelden werden in Duitschland practisch toegepast door
Ratich, die evenwel de geschikte man niet was, om als onderwijzer
op te treden. Ook Amos Comenius (1592—1671) heeft veel aan
Bacon te danken en zich omtrent de opvoeding en het onderwijs in de
17e eeuw groote verdiensten verworven, zoowel door het schrijvenvan
boeken als door het inrichten van scholen in onderscheiden landen van
Europa. Hij leefde en werkte in Moravie, Polen, Zweden, Engeland,
Hongarije en Nederland, waar hij de laatste jaren zijns levens door-
bracht; hij is te Amsterdam overleden. Hij schreef: „De geopende deur
der talen," dat een verbazenden opgang maakte en waarin hij eene
nieuwe methode voor taalonderwijs gaf. Voorts: Orbis pictus of:
„zichtbare wereld" of „de wereld in beelden" met eene menigte afbeel-
dingen uit de natuur en de menschenwereld, om bij het talenonderwijs
de zaak vóór het woord, het voorbeeld vóór den regel te doen gaan.
Door waarneming moet de grondslag van alle kennis gelegd worden.
Daarom moet ook alle onderwijs aanschouwelijk en nooit werktuiglijk
zijn. Het moet tot zelfwerkzaamheid leiden. De taal wordt beter door
het gebruik dan door regels geleerd. Over het geheel had Comenius
heldere inzichten in het doel der opvoeding en in het wezen van het
kind. Hij was de eerste, die het geheele onderwijs in eene school tot
in kleinigheden regelde, de leerstof juist omschreef en verdeelde en het
onderwijs zuiver klassikaal inrichtte.
Nog altijd was het onderwijs in de oude talen een belangrijk
deel van het onderwijs. Het eigenlijke volksonderwijs bleef op een
lagen trap.
-ocr page 214-
200
2. De achttiende eeuw.
§ 124. Steeds meer was het onderwijs een voorwerp van studie
van de wijsgeeren en van zorg voor de landsregeeringen geworden.
Vooral in Duitschland werd er veel over geschreven en veel voor tot
stand gebracht, dat in ruimeren kring bekend werd. De denkbeelden,
die daar heerschten en die ook veel invloed uitoefenden op het onder-
wijs in andere landen, kan men gevoeglijk tot drie richtingen of
scholen brengen: de humanistische, de piëtistische en de
philanthropijnsche school.
De Humanisten waren uitsluitend geleerden, die de ware men-
schelijkheid of humaniteit wilden bevorderen door de studie rler
oude talen en die zich nu meer als afzonderlijke richting openbaarden,
omdat geheel tegenovergestelde denkbeelden zich gedurig meer opdeden.
Voor het lageronderwijs heeft deze school geen belang.
De Piëtisten of vroomheidsgezinden trachtten het rnenschelijk
geluk op te bouwen door ontwikkeling van den godsdienstzin en dus
door de innige vereeniging van de godsdienstige met de verstandelijke
ontwikkeling bij de opvoeding. Die richting behoort geheel in de
Protestantsche kerk te huis. Ze is in het leven geroepen door August
Herman Francke (1663—1727), een\' kweekeling van Spener, die
niet de godsdienstleer hoofdzaak achtte, maar den godsdienst vruchtbaar
wilde maken voor het leven. Francke heeft geleefd en gewerkt te
Halle, waar zijne beroemde stichtingen (een groot weeshuis, eene bur-
gerschool, eene school voor adellijke jongelieden, eene Latijnsche
school, eene tafel voor arme studenten, eene kweekschool voor onder-
wijzers, een boekhandel met drukkerij en eene apotheek) nog in onze
dagen van zijn weldadig streven getuigen. Door medelijtien met zijne
ongelukkige medemenschen werd hij gedreven, om den godsdienst tot
opbouwing van het rnenschelijk geluk te doen strekken. In zijne scholen
te Halle werden de onderwijzers gekweekt, die volgens zijne beginselen
het onderwijs elders inrichtten. Hoewel hij ontwikkeling van den gods-
dienstzin bovenaan stelde, was hij toch ook een voorstander van
kennis van allerlei vakken. Bij het onderwijs wilde hij van zinnelijke
waarneming uitgegaan hebben. De godsdienstige opvoeding mocht de
opgeruimdheid niet verdrijven; integendeel, hij begreep, dat de jeugd
ook behoefte had aan ontspanning en vermaak. De lichamelijke op-
voeding moest evenzeer behartigd worden als de geestelijke, geheel in
overeenstemming met de denkbeelden van de bovengenoemde opvoed-
kundigen. Zijne klassenindeeling had het eigenaardige, dat de leerlingen
voor verschillende vakken tot verschillende klassen behoorden
-ocr page 215-
201
Zijne richting verspreidde zich wijd en zijd en is nog geenszins
uitgestorven; maar velen, die wel zijne grondstellingen als waar erken-
den, maar zijn vriendelijken, echt godsdienstigen geest misten, namen
van zijne opvoeding de vormen alleen over en werden huichelaars. De
schrijvers der piëtistische richting hebben niet veel tot ontwikkeling der
opvoedkunde bijgedragen.
§ 125. Van wijdstrekkenden invloed is geweest de philanthro-
p ij n s c h e school. De persoon, van wien ze uitging, was Basedow
(1723—1790); de plaats, waar hare denkbeelden het eerst in toepassing
gebracht werden, was Dessau. Daar kwam het philanthropinum
met geldelijken steun van den landsvorst, Frans van Dessau, tot stand
(1774). Basedow zelf werkte er slechts 4 jaar aan, omdat hij volstrekt
de man niet was, om eene groote inrichting te leiden.
De Philanthropijnen menschlievenden) zochten op andere
wijze dan de Piëtisten het geluk der menschheid te bevorderen, toch
hadden ze ook iets met hen gemeen. Ze begrepen evenzeer, dat de
onderwijzer voor zijne taak bepaald gevormd moest worden. Ze leerden
verder: het lichaam moest het eerst des opvoeders zorg ondervinden.
De geestelijke ontwikkeling des kinds moest een zooveel mogelijk vol-
komen mensch van hem maken en hem juist niet voor een bepaalden
stand vormen. In de tucht weken ze het meest van het bestaande af.
Geen lichamelijke straf dan in zeer zeldzame gevallen. Andere tucht-
middelen moesten gezocht worden, en nu kwamen sommige onder hen
tot zeer gekunstelde. Als Locke wilden ze door de prikkeling van het
eergevoel op den wil des kinds werken. Alles moest der jeugd aange-
naam en gemakkelijk gemaakt, het onderwijs spelend gegeven worden.
Geen geheugenwerk, aanschouwelijkheid in alles. De kinderen moesten
natuurlijk behandeld en tot vrijheid opgevoed worden.
Veel goeds hebben de Philanthropijnen geleerd, dat in onzen tijd nog
hooge waardeering vindt en ook zal blijven gewaardeerd worden, omdat
het op het wezen van \'s menschen natuur gegrond is. Veel overdrevens
van hen bestaat slechts nog in de geschiedenis. Ze leden o. a. ook aan
overschatting van de methode en achtten de persoonlijkheid des onder-
wijzers te weinig.
Basedow heeft blijkbaar de opvoedkundige geschriften van zijn\' tijd
ijverig bestudeerd, inzonderheid ook die van Rousseau, waarvan straks.
In zijn Methodenboek heeft Basedow zijne denkbeelden over de
verbetering van het toenmalige onderwijs uitvoerig uiteengezet; in zijn
Rlementar Werk ontwikkelt hij voor kinderen de beginselen van alle
kennis op de wijze van de Orbis pictus van Comenius.
-ocr page 216-
202
Het streven van de Philanthropijnen was niet zoo zuiver als dat van
de Piëtisten. Ze zochten vaak door groot gewag opgang te maken en
behartigden wat al te veel eigen eer en voordeel, zoodat ze met hunne
inrichtingen ook meer He kinderen der aanzienlijken op het oog hadden
dan die der armen.
§ 126. Tot de mannen, die onder de Philanthropijnen het meest
verdienen genoemd te worden, behooren Campe (1746—1818) en
Salzmann (1744—1811), de eerste alleen als schrijver, de andere ook
als practisch opvoeder.
Van Campe is het meest bekend zijn „Revisionswerk", waarin op-
stellen van hem zelven, maar ook vertalingen van Locke en Rousseau
voorkomen. Bovendien mag hij de schepper der kinderlitteratuur heeten
door zijn „Robinson" en zijne reisbeschrijvingen voor kinderen.
Salzmann , eerst, evenals Campe, werkzaam aan het Philanthropinum
te Dessati, stichtte in 1784 eene soortgelijke inrichting te Schnep-
fenthal bij Gotha, waarin hij zich vrij hield van de overdrijvingen
van Basedow en diens beginselen en die van Rousseau het zuiverst
toepaste. Daardoor zeker is ze van alle philanthropinums tot op onzen
tijd bestaan gebleven. Behalve als practicus heeft Salzmann zich ook
doen kennen als schrijver zoowel voor kinderen als voor het volk. In
dit laatste opzicht zullen voor sommigen het Kreeftenboekje
(eene aanwijzing, hoe men kinderen niet moet opvoeden), Ernst
Haverveld en Huzaar Zwartmantel geen geheel onbekende
namen zijn.
5 127. De man, die door zijne geschriften veel invloed heeft uit-
geoefend op de opvoedkundige denkbeelden van zijn\' tijd en ook van
de volgende geslachten, is de Franschman Rousseau (1712—1778).
Hij deed dit vooral door de uitgave in 1762 van zijn Emile ou de
1\'éducation, waarin hij in de eerste 4 boeken de levensontwikkeling
volgens zijne denkbeelden geeft van een\' jongen van zijne geboorte
tot zijn huwelijk en in het 5e boek evenzoo die van een meisje,
„Sophie ou la femme". Die denkbeelden alleen hebben waarde ; hunne
toepassing, zooals Rousseau ze geeft, is in het werkelijke leven onmo-
gelijk na te volgen. Aan zijn geschrift is te merken, dat het eene
Fransche vrucht is uit de tweede helft der 18e eeuw; want het vormt
eene tegenstelling juist met dien tijd in Frankrijk. Daarom laat hij zijn\'
kweekeling buiten de bedorven maatschappij opgroeien. Buitendien is
hij eenzijdig, in zoover hij de moeder geheel buiten spel laat en Emile
een wees laat zijn. Hoewel hij zijn\' kweekeling onder de leiding van
-ocr page 217-
203
een\' gouverneur laat opvoeden , om de toepassing zijner beginselen des
te zuiverder te kunnen voorstellen, wil hij toch, dat de ouders de
natuurlijke opvoeders hunner kinderen zijn , zoodat hij er ook ten
sterkste op aandringt, dat de moeder haar\' zuigeling zelve zooge. Het
gekunstelde der toenmalige maatschappij brengt hem er toe, Kmile
geheel door de natuur te laten leiden; de godsdienst van zijne dagen
eveneens, zijn\' kweekeling tot op zekeren leeftijd geheel vreemd aan
eenig denkbeeld van God te laten. Ligt in deze denkbeelden reeds veel
waars, andere van Rousseau zijn algemeen waar. Alle opvoeding moet
zijn overeenkomstig de natuur van den kweekeling. Ze moet algemeen
zijn en niet juist geschikt maken voor een bijzonder volk of een bij-
zonderen stand. Om het te kunnen opvoeden moet men het kind
kennen. Alle opvoeding moet daarom uitgaan van en gegrond zijn op
de kennis van het kind in het algemeen naar lichaam en ziel en van
de natuur van elk kind in het bijzonder. Ten aanzien van de lichame
lijke opvoeding denkt Rousseau geheel gelijk met Locke. Aan de ont-
wikkeling der zinnen hecht hij groote waarde. Hij wil verder, dat de
natuur en de omstandigheden de tuchtmeesteressen zijn van den jongen
mensch: de natuurlijke gevolgen zijner handelingen moeten hem leiden.
Het onderwijs moet gekenmerkt zijn door aanschouwelijkheid, zelfwerk-
zaamheid, trapsgewijzen vooruitgang, wekking der belangstelling, niet
door werktuiglijkheid, overlading, schijngeleerdheid, woorden zonder
gedachten, teekens zonder zaken, oppervlakkigheid en overhaasting.
Wat het kind omgeeft, moet het het eerst leeren kennen; wat het heeft
leeren kennen, moet het juist en duidelijk door spreken weer uitdruk -
ken. Lezen en schrijven niet vóór het twaalfde jaar. Slechts de naakte
waarheid moet tot het kind gebracht worden : daarom wil Rousseau ook
geen ontwikkeling van den schoonheidszin. Uitstekend nuttige opmerkingen
geeft hij over het onderwijs in sommige leervakken, vooral over dat in
meetkunde en aardrijkskunde.
§ 128. Ren man , die den overgang vormt van de r8e tot de 19e
eeuw en, evenals Basedow en Rousseau, op het tegenwoordige onder-
wijs veel invloed heeft uitgeoefend, blijft ons nog over te noemen,
Pestalozzi (1746—1827). Geboren te Zurich verloor hij reeds vroeg
zijn\' vader en groeide nu op onder de vertroetelende vrouwelijke lei-
ding van zijne moeder en eene oude dienstmeid. Misschien dat daar-
door, in tegenstelling met Rousseau, de moeder in het opvoedings-
stelsel van Pestalozzi steeds op den voorgrond treedt. Door die opvoe-
ding werd wel het gemoed eenzijdig gevormd, maar geen verstandige
kracht in hem ontwikkeld. Op zijn tiende jaar kwam hij bij zijn\' groot-
-ocr page 218-
204
vader, een\' dorpsgeestelijke, en leerde daar den ellendigen toestand van
het landvolk kennen. Eerst studeerde hij in de theologie, maar daarna
in de rechten, om verdrukte ongelukkigen te kunnen verdedigen. Ook
met een philanthropisch doel kocht hij in 1768 in Aargau een stuk
onvruchtbaren grond, waarop hij zich eene woning bouwde, die hij den
Neuhof noemde, en waar hij gehuwd heentrok in 1769. Hij wilde door
zijn voorbeeld op den boerenstand werken, maar werkte eenvoudig
heel spoedig het kapitaal zijner vrouw in den grond, doordat hij zoo
erg mogelijk onpractisch was. Nu wilde hij zijne bezitting gebruiken
voor de opvoeding van arme kinderen door arbeid en onderwijs (1775);
hoewel door de steden Bazel, Zurich en Bern ondersteund, strandde
hij door zijn onpractischen zin binnen kort ook in deze onderneming
(1780). Hij bleef daarna gedurende 18 jaar in kommerlijke omstandig-
heden op den Neuhof wonen en deed zich in dien tijd als schrijver
kennen, denkbeelden ontwikkelende, die bij den toenmaligen tijdgeest
zeer de aandacht trokken en hem als opvoedkundig denker grooten naam
bezorgden. In 1780 verscheen: Avondstonden eens kluizenaars,
opvoedkundige aphorismen, en in 1781 een volksroman, Lienhard en
Geertruid, waarin de middelen werden aangewezen ter verbetering van
den ongelukkigen toestand van het verwaarloosde volk door eene verstan-
dige opvoeding. De moeder en de vrouw spelen er eene hoofdrol in.
Pestalozzi zocht eindelijk naar eene gelegenheid, om zijne denk-
beelden practisch toe te passen, en meende die te vinden in de hulp,
die hij aan rondzwervende kinderen, die door den oorlog hunne ouders
verloren hadden, wilde bieden en waartoe hij den Neuhof verliet, om
te Stanz voor tachtig ongelukkige kinderen vader, moeder, onder-
wijzer, ja alles te zijn (1798). De oorlog liet hem geen tijd en gele-
genheid, om vruchten van zijn\' arbeid te zien. Slechts negen maanden
kon hij te Stanz werkzaam zijn, waarna hij in 1799 als hulponder-
wijzer optrad in de school te Burgdorf in Bern. Van nu af bleef hij
werken op het schoolgebied als schrijver en als onderwijzer. Hij begon
in 1800 met Krtlsi eene school te Burgdorf, verplaatste die in 1802
naar Munchen-Büchsee en in 1805 naar IJverdun, waar hij tot 1825
werkzaam is gebleven en den meesten roem behaald, doch ook veel
verdriet en teleurstelling ondervonden heeft. In 1801 had hij geschre-
ven: Hoe Geertrui d hare kinderen leert, om elke moeder
eene handleiding te geven voor de ontwikkeling harer kinderen langs
den weg der aanschouwing; hij verloor daarbij evenwel te veel den
werkeüjken toestand uit het oog. In 1825 moest hij zijne inrichting te
IJverdun opheffen en nog vol van plannen voor het heil der menschheid
stierf hij in 1827.
-ocr page 219-
205
Pestalozzi was geen geleerde, zelfs verwaarloosde hij in hooge mate de
studie, was geen goed onderwijzer, had geen algemeene ontwikkeling,
had geen geschiktheid om te besturen, handelde vaak onverstandig, was
altijd onpractisch en maakte zich vaak belachelijk, en toch wordt zijn
naam met eere in de geschiedenis der opvoedkunde vermeld. Vanwaar
dat? Pestalozzi was eene persoonlijkheid, hij was „iemand". Hij had
een groot hart en een groot beginsel. Dat groote hart dreef hem tot
verbazende zelfverloochening ten aanzien van ongelukkigen en bezorgde
hem de sympathie van duizenden ; dat groote beginsel was dat der aan-
schouwing, als het begin van alle verstandelijke ontwikkeling, dat wel
reeds vóór hem door anderen was geleerd en ook toegepast, maar
waarvan hij het geluk had de waarheid te betoogen en practisch toe te
passen in een\' tijd, die meer dan vroeger geschikt was, om opvoed-
kundige waarheden te verbreiden en ze ingang te verschaffen. Honderd
jaar te voren zou Pestalozzi evenmin als zijne voorgangers zoo groot
succes gehad hebben; dit was het gevolg daarvan, dat geheel andere
begrippen over den mensch en \'•over de maatschappij algemeen aange-
nomen waren. Niet alleen Pestalozzi zelf, maar ook de tijd was het, die
zijne beginselen deed erkennen. Hij had veel nagedacht over het wezen
en werken der menschelijke ziel en was tot de slotsom gekomen, dat alle
kennis haar\' grond heeft in zinnelijke waarneming, dat daarom bij kin-
deren de kennis niet moet ontstaan door het woord, maar door de aan-
schouwing, en dat helderheid meer waarde heeft dan veelheid van ken-
nis. Getal en vorm waren de beide begrippen, waarop hij zijn beginsel
toepaste, en zoo ontstonden getal- en vormleer, als hoofdvakken van
zijn onderwijsstelsel. Op de andere leervakken heeft hij zijne begrippen
niet toegepast. De spraak was het derde begrip, welks ontwikkeling hij
aan de vorming van het verstand dienstbaar maken wilde. Jammer dat
hij zelf zijne beginselen zoo zonderling in practijk bracht.
3. De inrichting van het onderwijs in Nederland.
§ 129. Zoodra een volk tot zekere mate van beschaving gekomen
is\', wil het ook onderwijs. Dat leert de geschiedenis overal, ook die
van Nederland. Een volk, dat zich veel met handel en nijverheid bezig
houdt, gevoelt er nog te meer behoefte aan, en \'t is dus natuurlijk, dat
in de middeleeuwen Nederland reeds-, behalve klooster- en kerkelijke
scholen, zijne openbare scholen had in de steden, inzonderheid in de
bloeiende handelssteden. Ze waren openbare, in zoover de landsheeren
of de stedelijke magistraten den schoolmeester aanstelden en school-re-
glementen arresteerden. In de 14e en 15e eeuw ging men het bijzonder
-ocr page 220-
206
onderwijs tegen, terwijl men in de 16e eeuw het toeliet in bijscholen,
hier en daar ook winkelscholen genoemd, die evenwel afhankelijk waren
van de hoofd- of groote school, wijl ze aan den hoofdonderwijzer moesten
opgeven het getal en de namen harer leerlingen en hem voor ieder eene
zekere som betalen.
Wel bracht de invoering der Hervorming verbetering in het lager-
onderwijs, doch niet zooveel, of het bleef in vele opzichten nog gebrekkig.
Kwamen ook al in de steden en hier en daar op groote dorpen scholen
voor, waar Fransch of Duitsch, vaderlandsche geschiedenis, wiskunde
en boekhouden onderwezen werd, in verreweg de meeste scholen, vooral
op het platteland, werd niets anders geleerd dan lezen, schrijven en
rekenen, de Gereformeerde geloofsleer en psalmzingen, en wel zoo, dat
in het begin van den leertijd alleen aan het lezen, later ook aan het
schrijven en eindelijk als de kroon op het werk ook aan het rekenen gedaan
werd. Was de onderwijzer een uitstekend rekenaar, dan kwamen veel
knapen, zelfs tot hun 18e jaar, eiken winter terug, alleen orn zich in
het rekenen te oefenen. Naardat het onderwijs uitgebreid was, werd
veelal ook het schoolgeld bepaald, zoodat de rekenaars het meeste
moesten betalen. Velen echter kwamen in hun\' leertijd niet verder dan
tot lezen en schrijven.
Van methode was geen sprake, in zoover deze de vrucht is van studie
en nadenken: elk dreef het ambacht, zooals hij \'t geleerd had of anderen
zag doen. Al het onderwijs was volslagen werktuiglijk. Er werd niet aan
gedacht, opheldering te geven of vragen te doen, die tot nadenken over
de stof noopten. Het lezen was het opzeggen der lessen, het schrijven het
bloote namaken der letters, het rekenen het oplossen van sommen volgens
gegeven regels, die verre van duidelijk waren. Aan een\' leergang werd
zoo weinig gedacht, dat b.v. in vele leesboeken op het alphabet on-
middellijk volgde het Onze Vader of eenig ander gebed. Niets werd ge-
daan om het leeren gemakkelijk en aangenaam te maken. De kleinen
zaten zich vreeselijk te vervelen met het eeuwige leeren van het abc, dat
maanden en maanden duurde.
Door dat alles en door de strenge tucht was de school veelal voor de
kinderen eene plaats der kwelling. De tucht werd slechts door lichame-
lijke kastijding gehandhaafd. Dit bracht eene groote mate van ruwheid
in de school en een\' geest van verzet, waardoor een aanhoudende
strijd tusschen onderwijzer en leerling meer dan het onderwijs de eerste
plaats innam.
De „meester" was dan ook maar zelden de man, die de jeugd verstan-
dig wist te leiden. Opleiding anders dan in de school zelve bestond
niet. De voorbeelden zijn niet heel zeldzaam, dat de heer van het dorp
-ocr page 221-
207
een\' zijner bedienden met den onderwijzerspost begiftigde, en zeker
ook daardoor kwam het voor, dat een\' onderwijzer toegestaan werd
een ander voor zich het schoolwerk te laten doen, wijl hij zelf dever-
eischte kundigheden miste.
Eén ding stond vast: de onderwijzer moest zijn van de Gereformeerde
religie, en dat hij het werkelijk was, zelfs vaak met zijne handteeke-
ning bekrachtigen. Hij was dan ook meteen onderw ijzer in den gods-
dienst en dienaar der kerk. Een vrij groot deel van zijn werk bestond
daarom in het instampen van gebeden, psalmen, de Tien Geboden, de
geloofsartikelen en den catechismus en in het leeren zingen van de
psalmen. Op het platteland stond bij dan ook geheel onder het toezicht
van den predikant.
Het schoolbezoek was veel minder dan tegenwoordig, zeker ook
doordat het schoolgeld eer hooger dan lager was dan nu, maar ook
door de slechte wegen en voetpaden. Het landwerk hield in den zomer
velen tehuis, zoodat er zelfs op afgelegen kleine plaateen winterscholen
bestonden, die zoo goed mogelijk in de behoefte moesten voorzien.
Toch werd het schoolgaan van overheidswege bevorderd, hetzij door
de armen het onderwijs kosteloos te doen genieten of afzonderlijke
scholen voor hen op te richten, hetzij door de predikanten het oog
er op te doen houden, hetzij door bepaalde voorschriften. In Drente
bestond reeds sedert 1630 eene provinciale verordening, volgens welke
de ouders van hunne kinderen boven 7 jaar schoolgeld moesten betalen ,
onverschillig of ze ter school kwamen of niet. Die verordening is tot
de invoering van de wet van \'57 blijven bestaan.
Hieruit blijkt reeds, dat in de 17e en 18e eeuw het lageronderwijs
geenszins geheel aan zich zelf overgelaten was. Er bestonden reglementen
zoo vanwege de provinciën als de generaliteit en evenzeer vanwege de
stedelijke magistraten, waarin ook bepalingen omtrent klassenverdeling
voorkwamen. In het schoolreglement van de Generale Staten van 1655
wordt gezegd, dat niemand zonder akte van bekwaamheid onderwijs
mocht geven. Op vele plaatsen werden vergelijkende examens gehouden
voor de vervulling van onderwijzersbetrekkingen.
Evenwel, die voorschriften werden op den duur niet nageleefd. Door
gebrek aan eenheid in het staatsbestuur kon van geen welgeregeld onder-
wijs sprake zijn. Doordat de staat en de Gereformeerde kerk volkomen
één waren, was voor een deel des volks goed onderwijs moeilijk te
verkrijgen. Toen in het laatst der 18e eeuw een streven naar meer geest-
ontwikkeling zich openbaarde, werd de aandacht gedurig meer op de
lagereschool gevestigd en begon men steeds meer in te zien, dat ze
verbetering eischte. Hoe de toestand van het lageronderwijs was in het
-ocr page 222-
208
laatst der 18e eeuw moge blijken uit het Rapport, dat de landsver-
tegenwoordiging dien toestand moest doen kennen: „In het onderwijs
„der scholen is het een melaatscher dan het andere. De onderwijzers zijn ,
„door het gemis van eenigerhande aanmoediging, door het uitblusschen
„van allen naijver, door gebrek aan de noodige opleiding en, nog meer
„dan dit alles, door kommer en behoefte in een\' staat van diepe ver-
„nedering gezonken. De leerwijze der scholen is slaafsch en werk-
„tuigelijk, geschikt om den lust der kinderen, in plaats van op te
„wekken, uit te dooven, ja van den beginne af te versmoren, om
„hunne verstandsvermogens, in plaats van die te ontwikkelen, voor
„hun gansche leven te verstompen. De leerboeken zijn nutteloos voor
„het oogmerk, zonder belang en vervelend." Verder wordt nog door
een ander van de onderwijzers getuigd: „Vele werden er nimmer toe
„opgeleid en zijn meer geschikt om achter den ploeg te gaan en de
„harde kluiten der aarde te breken, dan om de harten der jeugd te
„vormen. Heeren, die de collatie hebben van de kosterijen of van het
„ambt van voorzanger, waaraan de post van schoolmeester doorgaans
„verbonden is, gaven dezelve dikwijls aan hunne bedienden, zonder
„behoorlijk acht te geven op hunne bekwaamheid of geaardheid. Men
„beschouwt het, helaas! als een ambtje, om er gedurende zijn leven
„eenig bestaan uit te hebben, voor iemand, die beter in staat is om
„paarden, dan om kinderen te dresseeren. Sommige hebben dan ook
„nog andere ambtjes, b. v. van de collecte, het secretariaat, admini-
„stratien van landgoederen, rentmeesterschappen enz., van welke zij
„meer werk maken dan van de school, terwijl er eindelijk doorgaans
„meer gelet wordt op zijne bekwaamheid tot de kerkedienst, nl. op
„eene goede stem, het wel lezen en zingen, dan op zijne geschiktheid
„voor de school."
Ook de schoollokalen waren in een treurigen toestand. „Treden wij
„het verblijf binnen, dat men ons als eene school aanwijst. Men zou
„het anders aan het uitwendig voorkomen niet vermoeden. De juist
„niet hooge verdieping, de weinige kleine ramen, welker glasruiten
„hier en daar door papier of eene gebrokene lei vervangen zijn , ver-
„gunnen niet veel toegang aan versche lucht of licht. Het is evenwel
„eene school. Men hoort het reeds hierbuiten aan het gedruis en leven,
„dat wel een kenmerk der school schijnt te wezen, zoo luid dringt
„het in de ooren. Ook zouden bij het inkomen de reukzenuwen alleen
„de gedachte aan eene school opwekken, zoo sterk geeft eene vunzige
„stiklucht te kennen, dat hier vele menschen als opeengehoopt zijn.
„Men heeft eenige oogenblikken noodig, om er aan gewoon te worden
„en door die dompige atmospheer heen en bij dat somber licht de
-ocr page 223-
209
„voorwerpen te kunnen onderscheiden. De vloer van klinkers is juist
„niet geschikt, om de droogte of des winters de warmte van de voe-
„ten der leerlingen te bevorderen. Men mist hier evenwel den ouder-
„wetschen haard met grooten vierkanten schoorsteenmantel, die anders
„niet zeldzaam is en die wel eens de blijken draagt, dat de Matres
„onder den schooltijd nu eens een potje te vuur heeft gezet of tusschen-
„beide eenige vochtige plunje van hare lieve kleinen heeft te droogen
„gehangen. Het vertrek behoorde eigenlijk slechts de helft of een
„derde van het getal leerlingen te bevatten, maar door het plaatsen
„van smalle, dubbele tafels voor de schrijvers en van bankjes zonder
„lessenaar voor de a b -klanten, alle zoo dicht bijeengeschoven, dat
„men er naauwelijks kan doorkomen, is het alleen mogelijk geworden,
„zooveel kinderen op elkander te pakken. Omtrent het midden van
„eene der langste zijden is een hooge, groote lessenaar aangebracht.
„als een kantoor, door eene deur en laag beschot afgescheiden en
„voorzien van bergplaatsen voor schoolbehoeften; aan de drie buiten-
„zijden staan kleine trapjes en achter tegen den muur hangen aan-
„zetleer, liniaal, hazelaar of berkenroede en de zoogenaamde plak
„nevens elkander. Voor \'t overige ziet men langs de wanden niets, dat
„bijzonder de aandacht trekt; alleen eene enkele plank, die tot berg-
„plaats dient van schrijfboeken, inktrlesch en dergelijke, wijders han-
„gende houten kastjes, waarin de leerlingen, bij het verlaten der
„school, hunne boeken bergen, en eenige latten, waaraan hoeden enz.
„worden opgehangen.
Het bovengenoemde verlangen naar verbetering van het onderwijs
vond dus wel zijn\' grond in de treurige werkelijkheid. Het openbaarde
zich o. a. in de belangstelling van geleerde of menschlievende genoot-
schappen, die prijsvragen uitschreven of werkelijke verbeteringen tot
stand brachten. De Hollandsche Maatschappij van weten-
schappen te Haarlem schreef in 1761 eene prijsvraag uit betref-
fende de lichamelijke opvoeding van kleine kinderen, en in 1763 de
vraag: „Hoe moet men het verstand en het hart van een kind besturen,
om het te eeniger tijd een nuttig en gelukkig mensch te doen worden ?"
Het Zeeuwsch Genootschap kwam in 1779 meer bepaald op het
gebied van de school door de vraag: „Welke verbetering hebben de
gemeene of openbare, vooral de Nederlandsche scholen ter meerdere
beschaving onzer natie nog wel noodig? Hoe zou die op de voordee-
ligste wijze kunnen ingevoerd en op een bestendigen voet onderhou-
den worden?"
* 130. Vooral openbaarde de in 1784 opgrichte Maatschap])ij
/kijkens, Opeoedk., 7e druk.
                                                     14
-ocr page 224-
210
tot Nut van \'t Algemeen haar verlangen naar verbetering door
daadwerkelijk de handen aan den ploeg te slaan. Zij heeft zich de
grootste en eene nooit genoeg te waardeeren verdienste verworven
aangaande ons onderwijs. Behalve dat ze door hare geschriften op de
zedelijke verbetering des volks en op de opvoeding in het algemeen
en dus middellijk ook op het onderwijs werkte, hielp ze dit ook krach-
tig onmiddellijk vooruit door het doen ontstaan van betere schoolboeken
en van leerboeken voor de studie van den onderwijzer, en niet minder
door het oprichten van modelscholen en van kweekscholen voor onder-
wijzers (de laatste te Amsterdam, Haarlem, Leiden en Groningen).
Er waren ook enkele personen, die zich ten aanzien van de verbe-
tering van ons onderwijs in het laatst der vorige en in het begin dezer
eeuw verdienstelijk hebben gemaakt. In het noorden van ons land
werkten Nieuwold, W ester en Visser; in de andere deelen o. m. a.
De Perponcher, Van Bemmelen, Schnei ther en Floh. \'t Was
vooral het aanvankelijk leesonderwijs, dat de aandacht tier meesten trok.
De verbetering van het lageronderwijs was dus reeds voorbereid,
de aandacht was op de zaak gevestigd; de revolutie in het laatst der
vorige eeuw zou haar verder helpen. Met behulp der geschiedenis is
dit laatste licht te verklaren.
\'t Kwam er maar op aan, dat de staat zich het onderwijs aantrok
en het regelde door de wet, dan waren zijn bestaan en vooruitgang
verzekerd. En zie, pas was de Bataafsche republiek gevestigd, of
reeds i Maart 1796 werd aan de Nationale vergadering aangeboden:
Proeven van een ontwerp van nationaal onderwijs, en
hoewel de zaak met ijver werd ter hand genomen, duurde het toch
tengevolge van de staatkundige verwarring tot 1798, dat er een
begin met de wettelijke regeling gemaakt werd. In de nieuwe staats-
regeling werd bepaald, dat er een Agentschap (ministerie) van
nationale opvoeding zou zijn. Eerst werd Van Kooten, maar
zeer kort daarna de Leidsche hoogleeraar Van der Palm tot agent
benoemd. In zijn moeilijk werk werd hij trouw bijgestaan door den
gewezen predikant Adriaan Van den En de, \\viens naam van nu
tot zijn aftreden in 1833 (hij stierf in 1-846) verbonden blijft aan liet
lageronderwijs. De vrucht van Van der Palm\'s werk was de eerste
Wet op het lager onderwijs in Nederland van 15 Juni 1801.
Volgens haar moest elke gemeente een voldoend aantal scholen hebben
en moest er gezorgd worden voor een ordentelijk bestaan der onder-
wijzers: wel twee zeer belangrijke beginselen.
Tengevolge van veranderingen in het staatsbestuur en van het op-
merken van leemten in de wet werd ze reeds in 1803 vervangen door
-ocr page 225-
211
eene gewijzigde, die, nog niet geheel uitgevoerd, plaats moest maken
voor die van 3 April 1806, onder het bestuur van Schimmelpenninck
ontworpen en door koning Lodewijk bekrachtigd, volgens welke gedu-
rende ruim 50 jaar ons lageronderwijs was ingericht. Ze heeft, hoe
gebrekkig ook in het licht van onze dagen bezien, gunstig op de ont-
wikkeling van ons volk gewerkt. Ze schiep hier een staatsonderwijs,
dat door buitenlanders bewonderd werd en bewonderd mocht worden,
niet omdat het zoo uitstekend was, maar omdat het buitenland destijds
niet iets dergelijks had.
§ 131. De wet van 1806 bestond uit de eigenlijke wet van slechts
21 artikelen en uit drie bijlagen: A. Reglement voor het Lager Schoob
wezen en Onderwijs binnen de Bataafsche republiek; B. Verordeningen
op het afnemen en afleggen der Examens; C. Instructie voor de School-
opzieners en Commissiön van Onderwijs.
Volgens deze regeling was het toezicht opgedragen aan Schoolop-
zieners, die in elke provincie eene vaste commissie vormden, en in
de gemeenten aan plaatselijke schoolcommissies en toevoorzichten. In
de provinciale commissien had een lid van Gedeputeerde Staten zitting.
Door de provinciale besturen moest gezorgd worden voor voldoend
onderwijs, maar ook, dat het getal scholen niet te zeer vermeerderde.
Geen school kon opgericht worden zonder uitdrukkelijke vergunning
van het provinciaal of gemeentebestuur na vooraf gevraagde inlichting
en bedenkingen van den schoolopziener van het disdrict of de plaatse-
lijke schoolcommissie. De scholen werden onderscheiden in openbare
en b ij z o n d e r e, en de laatsten in twee klassen; die der tweede klasse
waren dezulken, die door een bijzonder persoon geheel op zijne eigene
hand werden opgericht en onderhouden. De vakken van onderwijs
waren niet verbindend voorgeschreven. Alle schoolonderwijs moest even-
wel „zoodanig worden ingerigt, dat onder het aanleeren van gepaste
en nuttige kundigheden de verstandelijke vermogens der kinderen ont-
wikkeld en zij zelven opgeleid worden tot alle maatschappelijke en
christelijke deugden." De „schoolmeester" mocht geen onderwijs in het
leerstellige van eenig kerkgenootschap geven; doch er zou gezorgd
worden, dat de kinderen niet van dat onderwijs verstoken bleven. Geen
andere leer- of leesboeken mochten in de scholen gebruikt worden, dan
die op eene algemeene boekenlijst aangewezen waren. De onderwijzers
hadden noodig- eene algemeene en eene bijzondere toelating. Om de
eerste te verkrijgen, moesten ze een examen afleggen, waarbij vier
rangen onderscheiden werden, tengevolge waarvan ook de scholen
in drie klassen werden verdeeld, zoodat de onderwijzers van den ien
14*
-ocr page 226-
212
en 2en rang naar alle scholen mochten staan, die van den 3en rang
alleen naar scholen van de 2e en 3e klasse en die van den 4en of
laagsten rang alleen naar scholen van de 3e klasse. Voor het verkrijgen
der bijzondere toelating kon een vergelijkend examen gevorderd worden.
Behalve de wet met hare drie bijlagen werd er nog eene A 1 g e-
meene schoolorde uitgevaardigd, volgens welke o. a. de leerlingen
in eene school moesten „verdeeld worden in drie klassen".
Deze geheele wettelijke regeling schiep een naar dien tijd uitstekend
volksonderwijs, geheel van den staat uitgaande en door den staat
voortdurend beheerd. Uit het voorgaande blijkt, dat daarin als hoofd-
zaken vastgesteld werden: 1. overal voldoend onderwijs, 2 welgeregeld
staatstoezicht, 3. bekwaamheid op grond van examens en zedelijkheid
der onderwijzers, 4. de neutraliteit van het onderwijs, en 5. vrijheid,
maar eene vrij beperkte, voor het bijzonder onderwijs.
{j § 132. Ueze wetgeving bleef op den duur niet onaangevochten.
Wooral begon men uit Zuid-Nederland, tusschen \'20 en \'30, te roepen
om vrijheid van onderwijs, \'t Gevolg er van werd de indiening van
een ontwerp van eene gewijzigde wet op het lageronderwijs in 1829,
dat evenwel door de vertegenwoordiging verworpen werd. Nu kwam
er een koninklijk besluit in 1830, waarbij de autorisatie tot het oprich-
ten van lagerescholen overgelaten werd alleen aan de gemeentebesturen.
Daarmee was evenwel in de volgende jaren het einde der klachten
niet gekomen. Willem de 2e, nauwelijks op den troon, trachtte ze te
doen ophouden door de benoeming van eene commissie van onderzoek.
Het resultaat van haar onderzoek was een koninklijk besluit van \'42,
waarin o. a. bepaald werd, dat bij de benoeming van schoolopzieners
en leden van plaatselijke schoolcommissien de verhouding der gods-
dienstige gezindten in aanmerking moest genomen worden, evenzoo
bij de aanstelling van onderwijzers na gehouden vergelijkend examen;
ook werden de onderwijzers verplicht aan de geestelijken hunner woon-
plaats op hunne aanvrage opgave te doen van alle boeken, gezangen
en geschriften, waarvan ze in hunne scholen gebruik maakten, opdat
de geestelijken daarvan zouden kunnen\'afkeuren, wat hun voor de
kinderen hunner kerk gevaarlijk scheen.
Desniettegenstaande bleven de klachten over de wet aanhouden. Art.
194 van de nieuwe grondwet van 1848 maakte wijziging van de onder-
wijswet noodzakelijk. Dat artikel luidt: „Het openbaar onderwijs is
een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering."
„De inrigting van het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging
van ieders godsdienstige begrippen, door de wet geregeld."
-ocr page 227-
213
„Kr wordt overal in het rijk van overheidswege voldoend openbaar
lager onderwijs gegeven."
„Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht der over-
heid, en bovendien, voor zoover het middelbaar en lager onderwijs
betreft, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid
der onderwijzers, het een en ander door de wet te regelen."
In de vorige grondwet van 1815 kwam geen woord over vrijheid
van onderwijs voor, maar stond alleen (art. 226): „het openbaar onder-
wijs is een aanhoudend voorwerp van de zorg der regering".
g 133. Kerst in 1857 kwam de nieuwe wet op het lageronderwijs,
ontworpen door den minister Van Rappard, tot stand, en den 1
Januari 1858 in werking. Ze was de vierde, sedert het lageronderwijs
een voorwerp van de zorg der Landsregeering geworden was, en heeft
gewerkt tot 1 Nov. 1880.
Gaf de regeling naar de wet van 1806 veel stof tot roemen, de wet
van \'57 bracht veel grooter veranderingen en verbeteringen in ons lager-
onderwijs. De kleine veranderingen zullen we hier niet noemen, alleen
de belangrijkste willen we opgeven.
Natuurlijk, dat aan den eisch der grondwet van \'48 werd voldaan:
„het geven van onderwijs is vrij, behoudens" enz. Zonder toestemming
van eenige autoriteit konden nu bijzondere scholen opgericht worden,
als de onderwijzers hunne bevoegdheid maar toonden door het bezit
der bewijzen van bekwaamheid en zedelijkheid en hunne scholen open
stelden voor het door de wet verordende toezicht.
De leerstof werd zeer bepaald voorgeschreven en aanzienlijk
uitgebreid. Daarbij werd opgegeven, welke vakken in elke school
moesten en welke daarnevens nog konden onderwezen worden. Zoo
ontstonden er scholen voor gewoon en voor uitgebreid lager-
onderwijs.
Voor het eerst werden de schoolgebouwen onder toezicht gesteld.
Ze mochten niet schadelijk voor de gezondheid der leerlingen en moes-
ten geschikt zijn voor het geven van onderwijs.
Voor het eerst werd de opleiding der onderwijzers eene zaak der wet.
Kr moesten minstens 2 kweekscholen zijn, en normaallessen zouden
verbonden worden aan enkele van de meest voortreffelijke lagerescholen.
Van groot belang was het, dat het getal onderwijzers in verhouding
tot het getal leerlingen door cijfers bepaald werd: voor elk 100-tal
leerlingen moest het hoofd bijgestaan worden door één hulponderwijzer.
Van niet minder belang was het, dat de openbare onderwijzers vaste
jaarwedden kregen (voor de hoofden minstens f 400 met vrije woning
-ocr page 228-
214
en voor de hulponderwijzers minstens / 200). Natuurlijk, dat nu de
schoolgelden, vroeger door de hoofden der scholen geïnd en genoten, in
de gemeentekas vloeiden.
Evenzeer van belang was de bepaling, dat den openbaren onder-
wijzers een pensioen werd verzekerd.
De vergelijkende examens werden verplichtend gemaakt. Alle open-
bare onderwijzers werden gemeente-ambtenaren en hunne benoeming
en ontslag aan beperkende bepalingen gebonden.
Van wijd strekkenden invloed was de bepaling, dat de sch ooi-
boeken en sch ooibehoeften der leerlingen voortaan door de
gemeentebesturen moesten verschaft worden.
De vroegere 4 rangen vervielen. De akten van bekwaamheid werden
slechts tweeërlei: die voor hoofd- en die voor hulponderwijzer.
Het toezicht werd in zoover gewijzigd, dat in elke provincie een
inspecteur werd aangesteld en in elke gemeente eene commissie van
toezicht voorgeschreven.
§ 134. De wet van \'57 bracht in verschillende opzichten lang-
zamerhand groote verbetering in het onderwijs. Betere schoollokalen
kwamen, meer personeel werd aangesteld, op een aantal scholen werd
het gewoon lageronderwijs uitgebreid, voor de opleiding der onder-
wijzers werd beter gezorgd, aanvankelijk door de oprichting van 3
(Groningen, Haarlem, \'s-Hertogenbosch), in 1877 van nog 2 kweek-
scholen (Deventer en Middelburg), in 1879 van ééne te Nijmegen (in
1889 weer opgeheven) en in 1880 van nog eene te Maastricht, en van
normaalscholen en opleidingsklassen, het peil der akten-examens
werd verhoogd, de inkomsten verbeterd, inzonderheid vanwege den nood
die der hulponderwijzers enz. Doch ook de klachten der onvoldaanheid
bleven niet uit. Aan de eene zijde waren het wederom de gods-
dienstige partijen, wien het neutrale onderwijs niet naar den zin was
en die steun van den staat verlangden voor haar bijzonder onder-
wijs. Aan de andere zijde waren het de voorstanders van een goed open-
baar onderwijs, die meer gelegenheid tot opleiding, afschaffing van
de kweekelingen als onderwijzers, hocfger bezoldigingen, meer perso-
neel in de scholen, een ander toezicht en leerplicht eischten en aan de
gemeenten minder, aan het staatsbestuur meer macht over het onder-
wijs wilden toegekend zien.
Nadat reeds in 1867 door het lid der Tweede Kamer, De Brauw,
een voorstel tot wetswijziging was ingediend in het belang van het
bijzonder onderwijs, doch bij de Kamer geen voldoenden bijval had
gevonden, kwam de minister Heemskerk in 1868 met een ontwerp tot
-ocr page 229-
215
de Kamer; zijne aftreding in hetzelfde jaar maakte echter, dat het
voorstel buiten behandeling en liggen bleef.
Toen nu in de eerstvolgende jaren door de regeering niet de handen
aan het werk geslagen werden, maakte de inspecteur van het L. O.
in Utrecht, de heer Moens, als lid der Tweede Kamer van het recht
van initiatief gebruik en deed in 1876 onder het tweede ministerie
Heemskerk een voorstel tot wetswijziging, volgens hetwelk het getal
kweekscholen aanzienlijk vermeerderd, de tractementen verhoogd en de
kweekelingen afgeschaft zouden worden bij uitbreiding van het onder-
wijzend personeel, en dat de kosten van het onderwijs naar vaste rege-
len voor een gedeelte door den staat zouden worden gedragen. Doch
vóór het voorstel nog in behandeling kon komen, ontving de Kamer
in het laatst van \'76 van den minister Heemskerk zelven een wetsont-
werp ter geheele herziening van de wet van \'57. Dit ontwerp trachtte
alle partijen te bevredigen, wat misschien ten gevolge had, dat het
algemeen ongunstig ontvangen werd. Het kwam door Heemskerk\'s
aftreding in Nov. 1877 niet in behandeling.
De nieuwe minister van B. Z., Kappeyne van de Coppello, vatte
nu niet lang na zijn optreden de zaak aan. Zijn ontwerp werd met
eene aanzienlijke meerderheid aangenomen en den 17 Aug. door den
Koning bekrachtigd. De invoering volgde echter eerst na ruim 2 jaren,
den 1 November 1880.
§ 135. De wet van \'78 vond al spoedig duidelijk uitgesproken af-
keuring, inzonderheid bij de voorstanders van het bijzonder onderwijs.
De klachten hadden vooral betrekking op de groote kosten, die de
nieuwe regeling van het onderwijs noodzakelijk maakte. Ze werkten
eene wijziging der wet uit reeds in \'82 en daarna nog twee andere in
\'84, tengevolge waarvan de voorschriften op den bouw en de inrichting
der lokalen niet golden voor het niet door de gemeenten gesubsidieerde
bijzonder onderwijs, het getal kinderen voor één onderwijzer vermeerderd
en het deel der kosten, door het Rijk te dragen verminderd werd.
Hier zullen de hoofdzaken uit de Wet, zooals die nu luidt, worden op-
gegeven. Aan den voet der bladzijden zullen de voornaamste wijzigingen,
die het Ontwerp-Mackay, onlangs bij de Tweede Kamer ingekomen,
voorstelt, geplaatst worden.
1.    De wet heeft één titel meer: de 6e titel (art. 80, 81 en 82), van
de bevordering van het schoolbezoek, komt niet in de wet
van \'57 voor, die in 6 titels verdeeld is.
2.    In art. 2 worden de vakken opgegeven, die in elke openbare
lagereschool moeten en die welke er bovendien k u n n c n onderwezen
-ocr page 230-
216
worden. De benamingen gewoon en meer uitgebreid lageron-
derwijs zijn\' vervallen. Tot het gewoon lageronderwijs behoort van
de geschiedenis alleen de vaderlandsche, terwijl de nuttige handwerken
voor meisjes er ook toe behooren.
3.    Provinciën noch waterschappen mogen meer bijdragen ten behoeve
van het lageronderwijs. (Art. 3.) \')
4.    De geschiktheid der lokalen voor openbaar lageronderwijs is meer
verzekerd, ook die der woningen voor de openbare onderwijzers (Art.
4, 5 en 50), doordat de wet algemeene regelen voorschrijft, de bestek-
ken aan toezicht onderworpen zijn en de inspecteur van het Genees-
kundig Staatstoezicht ongeschikte lokalen kan afkeuren. De lokalen voor
niet gesubsidieerd bijzonder onderwijs zijn niet aan de Regelen onder-
worpen.
5.    De kweekelingen worden niet tot de onderwijzers gerekend; hunne
werkzaamheid in de school is aan bepalingen gebonden. (Art. 6 en 8.) -)
6.    De opleiding van onderwijzers heeft plaats aan een nu onbepaald
gelaten getal kweekscholen en bovendien aan normaallessen. Ook ge-
meenten kunnen met ondersteuning van het Rijk kweekscholen oprichten.
Bijzondere kweekscholen kent de wet niet. (Art. 12.) 3)
7.    Zooveel doenlijk zal er gelegenheid worden gegeven tot het
ontvangen van herhalingsonderwijs. (Art. 17.)
8.    De Gedeputeerde Staten oefenen meer invloed uit op de besluiten
iler gemeenteraden, de school betreffende. (Art. 19 en 20.) \')
9.    De regeling van schooltijden en vacantiön, de vaststelling van het
leerplan en de schoolboeken, alsmede de klassenverdeeling geschieden
door het hoofd der school onder goedkeuring vau Burg. en Weth. en
den districtssch. (Art. 21.)
10.    Van de vastgestelde schooluren moeten er eenige aangewezen
•) In het Ontwcrp-Mackuy wordt de 3c al. van art. 3 naar den 3en Titel als
art. 54 ter gebracht.
J) In het O.-M. is bij „toezicht" het woord rech tstrecksch weggelaten en wor-
den verder de bepalingen omtrent tic werkzaamheid der kweekelingen ecnigs/.ins
gewijzigd.
3)   Het O.-M. wil de kweekscholen en normaallcsscn vanwege het Kijk behou-
den, maar bepaalt verder dit: „Ten behoeve van de opleiding van onderwijzers
kan, hetzij aan gemeentelijke of bijzondere kweekscholen en normaallessen, hetzij
aan hooiden van scholen , voor elk tier door hen opgeleide personen, die de akte
bedoeld in art. f>G onder a hebben verkregen, eene bijdrage uit \'s Rijks kas wor-
den verleend."
4)   Het O.-M. brengt tot de in art. 19 genoemde gevallen nog: de bepaling van
den leeftijd der schoolkinderen en het verleenen van ontslag aan onder» ijzers vol-
gens art. 29 b en c.
-ocr page 231-
217
worden, waarin de schoolkinderen godsdienstonderwijs kunnen ontvangen,
waarvoor de schoollokalen, des noodig verwarmd en verlicht, beschik-
baar worden gesteld. (Art. 22.)
11.    Het getal onderwijzers, voor elke school vereischt, is groóter
geworden. Moest onder de wet van \'57 het hoofd voor elk 100-tal leer-
lingen bijgestaan worden door 1 hulponderwijzer, nu
in eene school van 41 tot 85 leerlingen door 1 onderw.
»ï j)               »» )> "" >ï 120, ,,                  ,, 2 ,,
en zoo vervolgens voor elk 45-tal 1 onderwijzer meer.
Bovendien moeten in eene school met meer dan 4 onderwijzers 2
daarvan, met meer dan 8 onderw. 3 daarvan 23 jaar oud zijn en den
rang van hoofdonderwijzer hebben. (Art. 23 en 24.) \')
12.    Aan het hoofd der aanvangsklassen zullen bij voorkeur onder-
wijzeressen geplaatst worden. (Art. 25.)
13.    De minima der tractementen zijn verhoogd: de hoofden der
scholen moeten, behalve vrije woning en zoo mogelijk een\' tuin, min-
stens f 700 hebben, de hoofdond. in scholen met meer dan 4 onderw.
minstens f 600 en de overige onderw. minstens f 400. (Art 26.)
14.    De onderwijzers aan de openbare scholen worden door den ge-
meenteraad benoemd. De voordracht voor de benoeming van het hoofd
eener openbare school wordt opgemaakt, tengevolge van een vergelijkend
examen, door den districtsschoolopziener. 2)
De andere openbare onderwijzers worden benoemd uit eene voordracht
van minstens 3 bevoegden, opgemaakt door B. en W. in overleg met
den arr.-schoolopziener, na ingewonnen bericht van het hoofd der school.
Uitdrukkelijk wordt in deze wet gezegd, dat het hoofd eener openbare
school naar eene andere gemeenteschool kan verplaatst worden zonder
vergelijkend examen en voordracht. (Art. 28.)
15.    Het hoofd eener openbare school kan, op voordracht alleen
van den districtssch., door den gemeenteraad ontslagen worden. 3)
\') In het O.-M. wordt bij art. 23 bijgevoegd, dat iemand niet eerder hoofd kan
worden van eene sehool van 200 of meer leerl., dan wanneer hij 5 jaar gestaan
heeft aan het hoofd van eene of meer openbare of bijzondere scholen van minder
dan 200 leerl.
Art. 24 bepaalt, dat het hoofd wordt bijgestaan
in eene school van 41 tot 90 leerl. door l onderw.
„ n
         n „91 tot 145 „        „ 2 „
en zoo vervolgens voor elk 55-tal leerl. I onderw. meer.
*) Volgens het O.-M. zal de benoeming van liet hoofd geschieden uit eene voor-
dracht van 3, 4 of 5 bevoegden, opgemaakt door 13. en W. in overleg met den
distiictsschiiolopzicnei\', dus zonder voorafgaand vergelijkend examen.
\') Volgens het O.-M. zal dit kunnen geschieden op voordracht van B. en W.
of van den distrietsschoolopziener.
-ocr page 232-
218
De andere openbare onderwijzers kunnen door den gemeenteraad, op
voordracht van B. en W. of van den arr.-schoolopziener, ontslagen
worden. (Art. 29.)
16.    Schorsing van een openbaren onderwijzer kan plaats hebben op
voorstel van den arr.-schoolopziener door B. en W. voor hoogstens eene
maand, maar zonder stilstand van jaarwedde. (Art. 30.)
17.   Ook kunnen schorsing en niet eervol ontslag door Ged. Staten op
voordracht van den districtsschoolopziener worden uitgesproken. (Art. 31.)
18.    Openbare onderwijzers mogen geen handel drijven of eenigc
nering of beroep, behalve het geven van onderwijs, uitoefenen. Zij
mogen geen ambten of bedieningen bekleeden en niet gedoogen, dat te
hunnen huize handel of nering gedreven of eenig beroep uitgeoefend
wordt door de leden van hun gezin.
19.    Voor recht op pensioen is niet meer noodig 40-jarige dienst-
tijd, maar alleen ontslag na 65-jarigen leeftijd (art. 38), terwijl het hoofd
eener opgeheven openbare school, zoo hij geen pensioen kan krijgen,
wachtgeld bekomt (art. 39). Het pensioen is niet meer voor \' 3 gedeelte
ten laste van de gemeenten.
20.    Het Rijk vergoedt aan de gemeenten 30 • jt van de kosten van
het O. L. O., voor zoover de uitgaven betrekking hebben op de jaar-
wedden, de vergoeding voor vrije woning, de opleiding van onderwij-
zers, het herhalingsonderwijs, het bouwen en huren van scholen en
onderwijzerswoningen en de eerste aanschaffing van schoolmeubelen.
(Art. 4S.) «)
21.    Ter tegemoetkoming in de kosten kan de gemeente schoolgeld
heffen, alleen niet van bedeelden en onvermogenden en van minver-
mogenden voor een gedeelte. (Art. 46.) 2)
22.    Wat het bijzonder onderwijs aangaat, tot het geven daarvan
wordt niets anders vereischt dan het bewijs, dat B. en W. de akte
van bekwaamheid en het getuigschrift van zedelijk gedrag gezien en in
orde bevonden hebben. Het hoofd eener bijzondere school moet 23 jaar
oud zijn en den rang van hoofdonderwijzer bezitten. Aan bijzondere
scholen kan onderwijs gegeven worden in dezelfde vakken als aan de
openbare. (Art. 51 tot 54.) 3)
         *
") Volgens het O-M. zsil a:m de gemeenten een gedeelte vergoed worden van
\' de ondcrwijzersjaarwedden en bovendien 25 */, van de kosten wegens het stichten,
verbouwen of aankoopen van schoollokalen.
\') Het O.-M. is ten aanzien van het heffen van schoolgeld imperatief: er wordt
een billijk schoolgeld geheven; voor bedeelden, onvermogenden en minvcrmogcn-
den blijft het tegenwoordige voorschrift gehandhaafd.
\') In het O.-M. wordt een art. 54 bis ingevoegd, houdende, dat door het Kijk
-ocr page 233-
219
23.     Het examen voor onderwijzeres omvat nu ook de kennis der
evenredigheden en die van de nuttige handwerken (art. 60), dat voor
hoofdonderwijzer of hoofdonderwijzeres de beginselen der wiskunde en
het handteekenen (art. 61.) \') Het eerste examen wordt in de hoofd-
steden der provinciën, alleen niet te Haarlem, maar te Amsterdam,
afgenomen door het rijksschooltoezicht (art. 58), het andere door spe-
ciaal daarvoor benoemde commissien in aan te wijzen plaatsen. (Art. 62).")
24.    Het toezicht wordt vanwege het Rijk uitgeoefend door inspeo
teurs (3), districtsschoolopzieners (25) en arrondissementsschoolopzieners
(94) (Art. 67). De gemeenteraad kan plaatselijke schoolcommissies be-
noemen en deze belasten met het toezicht vanwege de gemeente. (Art. 70).
25.    De nieuwe titel VI: Van de bevordering van het school-
bezoek, bevat in 3 artikelen bepalingen daaromtrent: a. door de hoof-
den der scholen en de huisonderwijzers worden jaarlijks lijsten aan
B. en W. gezonden van de door hen op 1 Januari onderwezen wordende
kinderen van 6 tot 12 jaar (art. 80); b. B. en W. maken eene lijst op van
de op 1 Januari in de gemeente aanwezige kinderen van 6 tot 12 jaar
en leggen een\' staat van de kinderen, die niet op de eerste lijst voor-
komen, op de secretarie ter lezing neer; de bedeeling vanwege de ge-
meente wordt niet gegeven aan die ouders, die hunne kinderen geen
onderwijs laten genieten (art. 81), en c. de gemeenteraad kan verbods-
bepalingen maken tegen den arbeid van kinderen beneden 12 jaar en
door belooningen en eereblijken het getrouw schoolbezoek bevorderen.
4. Bell en Lancaster. Jacotot. De bewaarschool. Fröbel.
§ 135. In de geschiedenis der opvoeding van deze eeuw worden
enkele namen van personen en verschijnsels genoemd, die te merk-
waardig zijn, om ze hier ten slotte niet te vermelden.
Één schoolmeester onder duizend kinderen! Het groote
onder bepaalde omstandigheden aan bijzondere lagere scholen een gedeelte der
onderwijzers-jaarwedden zal worden vergoed, evenals aan de gemeenten voor de
openbare scholen volgens art. 45 sub l.
Een tweede ingevoegd artikel als art 54 ter bepaalt de omstandigheid, waar
onder door gemeenten subsidie aan bijzondere lagere si holen kan worden verleend,
welke bepaling in de tegenwoordige wet voorkomt in art. 3 al. 3.
*) Volgens het O.-M. zal voor onderwijzeressen kennis van nuttige handwcr-
ken niet meer gecischt worden. Wel kunnen ze daarin een afzonderlijk examen
afleggen. Het examen art. 56 4 zal niet meer wiskunde, maar wel opvoedkunde
omvatten.
2) Het O.-M. wil in art. 65 ter, dat voor het afleggen der examens geld zal
worden betaald.
-ocr page 234-
220
geheim was ontdekt! De dag des heils aangebroken. Waren er geen
onderwijzers, of had men geen geld om ze te betalen, methetweder-
keerig onderwijs was alle zwarigheid uit den weg geruimd. Deze
schoolinrichting bestond nl. daarin, dat de kinderen door hunne oudere
medeleerlingen onderwezen zouden worden, terwijl één hoofd het geheel
zou leiden. Evenwel, een redmiddel in den nood kan uitstekend zijn
in eene bepaalde omstandigheid, maar onmogelijk op den duur van
toepassing zijn. Daarom is dan ook het wederkeerig onderwijs als een
luchtverschijnsel verschenen en verdwenen. Het rustte niet op gezonde
opvoedkundige beginselen en werd dientengevolge door het volgende
geslacht veroordeeld.
De scheppers er van waren twee Engelschen, Bell en Lancaster.
Bell (1753—1832) was een geestelijke der Engelsche staatskerk. Hij
vertrok naar Madras op de kust van Coromandel. Als geestelijke was
hij belast met het toezicht op eene school voor militaire kinderen. Hij
vond die in een ellendigen toestand en kon geen verbetering verwachten,
omdat de onderwijzers niet deugden. Nu zocht hij het wederkeerig
onderwijs, dat hij reeds in Indic waargenomen had, op die school in
te voeren en slaagde daarin geheel naar wensch. Hij zelf leidde het
geheel, en oudere leerlingen onderwezen de jongere: alles ging voor-
treffelijk. Voor iets slechts was iets minder verkeerds in de plaats ge-
komen. In 1796 vertrok Bell naar Engeland, nadat hij eerst nog eene
uiteenzetting van zijn stelsel op het papier gebracht had.
Lancaster (1778—1838) was uit een groot, arm Kwakersch huis-
gezin te Londen en moest al vroeg in zijn eigen onderhoud voorzien.
Daarom begon hij eene school in eene der armste wijken van de
wereldstad. „Zich behelpen" was zijn wachtwoord. Zonder van Bell\'s
stelsel iets te weten, maar door den nood bidden geleerd hebbende,
gebruikte hij oudere leerlingen, om de jongere te onderwijzen. Hij
verdeelde de geheele school in kleine groepjes, plaatste aan het hoofd
van elk een ouderen leerling tot leider (monitor) en schreef hem tot
in kleinigheden nauwkeurig voor, wat hij aan zijn groepje te onder-
wijzen had. Natuurlijk kon er van geen verstandelijk, ontwikkelend
onderwijs sprake wezen: alles was dressuur. De uitkomsten waren, de
omstandigheden in aanmerking genomen , schitterend. Lancaster\'s school
groeide binnen kort tot duizend kinderen aan, en hij stelde zich
voor, haar tot tweeduizend te brengen. Hij vond ondersteuning bij vele
aanzienlijken, zelf bij de koninklijke familie. Hij was eenphilanthroop
en werd bij zijn werken vooral door medelijden met de ongehtkkigen
gedreven. Hij reisde onophoudelijk rond en hield redevoeringen, om
zijn stelsel bekend te maken en had zoo groot succes, dat er in 1S11
-ocr page 235-
221
in Engeland reeds 95 scholen waren met 30000 kinderen, die volgens
zijn stelsel onderwezen werden.
Doch Lancaster was een dissenter, een kwaker. Zijn onderwijs
had geen kerkelijke kleur. Dat was eene zonde in de oogen van
de leden der staatskerk. Toen daarom Lancaster in 1798 begon te
werken en de aandacht tot zich trok, gordde ook Bell zich weer
aan. Hem stonden invloed en geld ten dienste, wat Lancaster door
ijver en zelfopoffering moest vergoeden. Bell werd door partijzucht,
Lancaster door liefde gedreven. De laatste moest het onderspit delven,
ook doordat hij geen man voor geldzaken was. In 1820 verliet hij
Londen en vertrok naar Zuid-Amerika. Door openbare inschrijvingen
moest hij onderhouden worden en stierf arm en vergeten in 1838 te
Ne w-York.
Het stelsel had zich intusschen over verscheiden landen van Europa
en ook daarbuiten uitgebreid. Hoe ook bewonderd en aangeprezen en
hoe gezegend het ook in een gebrekkigen toestand gewerkt heeft, het
kon geen toekomst hebben. In den loop der jaren begreep men gedurig
meer, dat kinderen geen onderwijzers kunnen wezen en dat er voor
rijpe vruchten nog iets anders noodig is dan dresseeren. Om billijk
te zijn, moet men evenwel niet uit het oog verliezen, dat aan de
geheele organisatie ook een groot voordeel verbonden was: alle leer-
lingen werden aanhoudend met inspanning bezig gehouden; daarbij
bracht de langzame opvolging der oefeningen mee, dat voor elk zijne
vorderingen volkomen zichtbaar waren, waardoor ze gedreven werden
tot belangstelling in hun werk; deze werd bovendien nog gewekt door
een goed overdacht stelsel van straffen en beloonen, waarbij prikkeling
der eerzucht bovenaan stond. Datgene wat geleerd werd, al ging het
niet ver, werd het volkomen eigendom der kinderen door onophou-
delijk repeteeren.
/ § r37- Een beteren grondslag had de leermethode van- Taco tot
(1770—1840), een\' Franschman, te Dijon geboren, die in verschillende
betrekkingen in Frankrijk werkzaam was, maar na de herstelling der
Bourbons de wijk nam naar België en door ons gouvernement in 1813
aangestel 1 werd tot professor in de Fransche taal en letterkunde aan
de hoogeschool te Leuven, waar hij zijne methode ontwierp en daar-
mee grooten opgang maakte. Veel goeds had ze, zooals ook uit zijn
eigen onderwijs bleek, maar veel er in is overdreven en onwaar.
Hij beweerde vooreerst, dat alle menschen een gelijken verstan-
delijken aanleg hebben en dus ook allen evenveel kunnen leeren, als
ze slechts willen. De onhoudbaarheid hiervan springt in het oog. Ten
-ocr page 236-
222
tweeden was zijne stelling: alles in alles. De groote kunst was maar,
meende hij, zich alles gemakkelijk te herinneren. Daartoe moest alles
onderling verbonden zijn, dan zou het eene het andere in het bewust -
zijn roepen. Daarin is natuurlijk veel waars, alleen hij overdreef. Het
onwrikbaar woordgeheugen was bij alles het punt van uitgang, waaraan
alles vastgeknoopt werd. Voor alle onderwijs, dat op de taal betrekking
had, ook voor het onderwijs in vreemde talen, gebruikte hij den T é 1 é-
maque van Fénélon, die voor een groot deel vast gememoriseerd
werd. Door ontbinding en samenvoeging, door vergelijking en herha-
ling werd zeer veel kennis daarmee verbonden. Eerst memoriseeren,
dan analyseeren en daarna weer samenstellen en repeteeren.
Heuristisch was Jacotot in de hoogste mate. De leerling moest alles
zelf doen. Kene verklaring deed kwaad, omdat hij zich daarbij niet
inspande. Iemand zou kunnen onderwijzen, waarvan hij zelf niet weet.
De onderwijzer moest niets anders doen, dan den leerling leiden bij de
eigen krachtsinspanning, meededen mocht hij niet, de leerling moest
zoeken. Zelf was hij een erge vijand van aannemen op gezag. Wat
hij zelf niet waarnam, waarvan hij zelf niet ten volle overtuigd was,
had voor hem geen waarde. De regel werd eerst vastgesteld, nadat het
verschijnsel was waargenomen.
Den meesten opgang heeft zijne lees-leerwijze gemaakt, die vooral
in Duitschland eenigszins gewijzigd is toegepast en in ons land in
verschillende leesmethoden voor een deel wordt weergevonden.
Hij begon met het duidelijk woord voor woord uitspreken van den
op het bord geschreven eersten volzin uit den Télémaque. De kin-
deren moesten evenzoo naspreken, eerst van voren naar achteren, dan
omgekeerd, waarbij elk woord aangewezen en door de kinderen nauw-
keurig opgenomen werd. Zoo moesten zij ook elk woord aanwijzen, dat
door den onderwijzer uitgesproken werd. Nu werd elk woord in zijne
klanken ontbonden, waarbij de letterteekens aangewezen werden. Zoo
lang werd dat voortgezet, dat elk teeken gekend, waarna het ook in
andere woorden opgezocht werd. Uit de letters werden vervolgens weer
woorden gevormd. Met het lees- werd dadelijk het schrijfonderwijs
verbonden.
                                *
§ 138. Kene inrichting geheel van den nieuweren tijd is de
bewaarschool, niet het bewaarhok, het matressenschooltje van
vroeger in een vochtigen kelder of op een vuil zolderkamertje, maar
het groote gebouw met luchtige zalen, kasten met speelgoed en voor-
werpen en platen voor de aanschouwing, speelplaats met boomen en
bloemen. De naam is overgenomen van een vroegeren toestand; bewa-
-ocr page 237-
223
ren is niet meer het hoofddoel, maar wel ontwikkelen en daardoor
meteen ontvankelijk maken voor het volgende onderwijs.
De bewaarschool is in \'t leven geroepen door Oberlin enOwen,
de kindertuin van Fröbel is er de verdere ontwikkeling van. Ze is de
vrucht van zuivere menschenliefde.
Oberlin (1740—1826) was een Protestantsch geestelijke te Wald-
bach in het Steinthal, een der meest woeste gedeelten van de Vogesen,
onbeschaafd waren ook de bewoners. Hun predikant zou hun weldoener
worden. Het was hem niet genoeg, dat hij woeste streken productief
maakte, wegen aanlegde, handwerken en nijverheid bevorderde, scholen
bouwde, hij onderwees ook de kinderen en zelfs de ouden, maar stuitte
bij dezen op onoverkomelijke bezwaren. Daarom zocht hij zich van de
kleine kinderen meester te maken en deze, terwijl de ouders op het
werk waren, te verzamelen, te bewaren en doelmatig bezig te houden.
Daartoe huurde hij op eigen kosten ruime vertrekken in de onder-
scheiden deelen zijner gemeente en stelde de kleinen onder het vrien-
delijk toezicht en de verstandige leiding van vrouwen, die door hem
zelven voor hare taak gevormd waren. De oudere kinderen leerden
naaien, spinnen en breien, en allen werden door aanschouwings- en
spreekoefeningen ontwikkeld. Zulke inrichtingen maakte Oberlin er vijf
en werd daardoor vooral de herschepper der woeste streek.
Lang werkte hij vergeten. Frankrijk had ook te veel te doen met
de oorlogen van Napoleon. Het zou den zegen der bewaarschool van
de overzijde van het Kanaal ontvangen.
Robert Owen was een fabrikant in het noorden van Schotland.
Het treurige lot van de kinderen zijner werklieden ging hem aan het hart.
Daarom bracht hij een ruim gebouw met speelplaats tot stand, waarin
hij de kinderen den 1 Januari 1816 voor het eerst bijeen riep, terwijl
hij een eenvoudigen arbeider, Buchanan, tot leider aanstelde. Die
man, hoewel geheel zonder onderwijs opgegroeid, was uitstekend voor
zijne taak geschikt, zoodat zijn naam met lof bekend en hij in 1820
naar Londen geroepen werd, om daar armen-bewaarscholen in te richten.
Kerst in 1825 werden ze van hier te Parijs bekend en ook daar tot stand
gebracht. Duitschland had reeds veel eerder Oberlin\'s werk overgenomen.
Nu was de bewaarschool eene gevestigde instelling. Het duurde even-
wel tot omstreeks 1840, dat ze in ons land eene plaats kreeg en de
voornaamste steden, de eene na de andere, bewaarscholen voor de
kinderen der armen oprichtten. Te Rotterdam en te Leiden kreeg men
zelfs kweekscholen voor bewaarschoolhouderessen. Hoe noodig ook,
toch is de bewaarschool in ons land nog niet bij de wet geregeld gelijk
de lagereschool.
-ocr page 238-
224
§ I39- De bewaarscholen hebben hare verdere ontwikkeling gevonden
in de kindertuinen. De schepper daarvan is Friedrich Fröbel
(1782—1852) uit Oberweissbach in Thtlringen. Nog jong toonde hij
reeds groote ingenomenheid met het opvoedingswerk, en toen hij met
de opvoeding van twee knapen belast was, ging hij met dezen naar
de inrichting van Pestalozzi te IJverdun, bleef daar van 1808 tot 1810
en werd door het aanschouwen van het vuur en de zelfopoffering van
den eenigen man nog meer voor het onderwijs bezield. In den bevrij-
dingsoorlog van 1813 streed hij mede in het bekende korps van Ltitzow.
Naar Berlijn teruggekeerd ontwikkelden zich zijne denkbeelden over
verbetering van de opvoeding gedurig meer en om ze in practijk te
brengen, verbond hij zich met twee vroegere strijdmakkers, Midden-
dorf en Langenthal, en stichtte eene opvoedingsinrichting voor jonge-
lieden te Keilhau. De zaak maakte opgang, en Fröbels naam werd met
eere genoemd, zoodat hij naar Zwitserland geroepen werd, om daar
inrichtingen naar zijn systeem tot stand te brengen. Voor het onderwijs
zelf was hij minder geschikt.
Zijn denken ging vervolgens meer in de richting van de opvoeding
van kleine kinderen, en dekindertuin was er de vrucht van. Op
het 400jarig jubileum van de uitvinding der boekdrukkunst in Duitsclv
land (1840) ontstond de eerste kindertuin te Blankenburg in Thtlringen.
Fröbel noemde zijne inrichting kindertuin, vooreerst omdat hij wilde,
dat er een tuin mee verbonden was, maar ten andere ook om er mee
aan te duiden, dat de kinderen als planten aan de hand der natuur
ontwikkeld moesten worden. De naam „school" verwierp hij geheel,
en om eene goede reden. Het doel van den kindertuin geeft hij zelf
aldus op: „Hij moet kinderen van jeugdigen leeftijd niet alleen be-
waren, maar hun ook bezigheid geven, als voor hunne ontwikkeling
past, hun lichaam sterken, hunne zinnen oefenen, den ontwakenden
geest bezig houden en hen practisch met de natuur en de menschen-
wereld bekend maken, ook hun hart en gemoed vormen, zoodanig dat
de mensch zich zelf zij." — Het meest gepaste middel voor dit doel
moest.het spel zijn. Fröbel beweerde, dat de opwekking van het
geestelijk leven hij het kind niét door onderwijs geschieden kan, maar
door bezigheid, die voor de natuur van het kind past, dus door het
spel. De hoofdbezigheden in de kindertuinen zijn daarom
spelen, de opvoedingsmiddelen het speelgoed.
Met den kindertuin in Blankenburg verbond Fröbel eene kweek-
school voor kindertuiniersters: de leerlingen kregen daar onderwijs in
psychologie, natuurkunde en geschiedenis der beschaving en bovendien
bijzondere aanwijzing van de practijk in den kindertuin. Ook zocht
-ocr page 239-
225
Fröbel door voordrachten in de grootste steden van Noord-Duitschland
zijne denkbeelden algemeen te maken.
Waarin bestaat nu het wezen en hoe is de inrichting der kinder-
tuinen? Hunne eigenaardigheid is vooral daarin gelegen, dat zij het
s ]) e 1 als vruchtbaar vormingsmiddel gebruiken; het spel moet der
kinderen zin voor zelfwerkzaamheid wekken. Gelijk Pestalozzi dacht
ook Fröbel, dat in de eerste levensjaren de grond moet gelegd worden
voor de geheele levensontwikkeling. De eerste wilde echter uitsluitend
de moeder de taak der eerste opvoeding toevertrouwen, maar Fröbel
wil haar door anderen laten uitvoeren, die er voor opgeleid zijn.
Bovendien wil hij, dat zijne inrichting eene plaats van gezellig samen-
zijn en dat het leeren een spel zij. Pestalozzi sprak bijna alleen van
aanschouwen, Fröbel stelde het doen daarnevens.
Hoe vat Fröbel het spel op? Spel is werkzaamheid naar
eigen keus. Hij wil echter geen onwillekeurig gekozen en ook geen
gekunstelde spelen; ze moeten zich aan de natuur des kinds aansluiten.
Fröbel heeft alles van de natuur afgeluisterd bij het waarnemen van
het doen en laten der moeder in den omgang met haar kind. Zooals
de moeder met haar kind speelt en zingt, zoo doet men ook in den
kindertuin; de kindertuin is eene groote kinderkamer. Fröbel zegt zelf:
„de kinderen zijn mijne professoren geweest". De spelen in den kinder-
tuin zijn deels bewegings-, deels verstandelijke spelen. Beide
grijpen dikwijls in elkander. De eersten worden verdeeld in: marcheer-,
gaan-, loop-, huppel-, kring-, arm-, hand-en vingerspel. Ze zijn meestal
verbonden met zang.
De verstandelijke spelen zijn die met den bal, den dobbelsteen
en den cilinder. Deze spelen heeft Fröbel in zijne zes speelgaven
in eene bepaalde orde gebracht en hunne opvolging naar den ouder-
dom der kinderen bepaald. Hierop laat hij volgen de bouwdoos,
waardoor vooral de scheppende kracht gewekt en de zin voor symme-
trie en schoonheid geoefend wordt. Verder volgen nog de Iegplankjes,
bestaande in dunne houten drie- en vierhoeken, waarvan het kind
regelmatige figuren vormt; de spelen met staafjes, die het kind den
loodrechten, waterpassen en schuinen stand doen kennen; het vouwen
en vlechten met papier en andere stoffen; het prikken, waarbij het
kind met de naald in papier met kwadraatjes, later zonder eenige
aanduiding, figuren van bloemen, vogels enz. doet ontstaan. Findelijk
nog het werken met klei, zand, weeke erwten en zaagmeel voor het
maken van allerhande figuren.
De kindertuin wil ook mondeling onderhoud met enkelen of met
allen, waartoe vertellingen gebezigd worden, die de opmerkzaamheid
uijkens, Opvoedk., 7e druk.                                                     15
-ocr page 240-
226
trekken, maar waartoe ook uit het werk zelf veelvuldig aanleiding ge-
nomen moet worden. Hij laat ook spreuken en liedjes van buiten leeren
overeenkomstig der kinderen bevatting en tracht hen door de waar-
nemfng der natuur tot God op te leiden. Daarbij komen nog gymnas-
tische spelen en tuinwerk, waardoor de leden vaardigheid verkrijgen
en de kracht versterkt wordt. Kik kind krijgt namelijk een tuinbedje,
waar het planten, begieten, graven en zaaien moet. Door dit tuinwerk
en door het verzorgen van huisdieren, vogels en konijnen wordt het
in de natuur ingeleid, en met den naam, de gedaante, kleur en levens-
wijze der natuurvoorwerpen bekend gemaakt. Evenwel is niet elk kind
aan al die spelen gebonden; zij, die er geen deel aan willen nemen,
kunnen bloot toeschouwers blijven. Ook mogen ze hunne bezigheid zelf
uitkiezen.
Fröbel wilde nl. zooveel mogelijk vrije werkzaamheid, zelf scheppen,
eigen krachtsaanwending, individueele ontwikkeling. Daarom zoo weinig
mogelijk merkbare dwang, geen voorschrijven, geen nadoen. Men zij
voorzichtig, waar men in de bewaarscholen Fröbel zoekt te volgen
en praat van fröbeln, dat men geen caricatuur make van wat
Fröbel wilde.
-ocr page 241-
AANHANGSEL.
DE VROUWELIJKE HANDWERKEN.
§ 140. De vrouwelijke handwerken behooren tot die leer-
vakken, welke eene bij uitstek practische strekking hebben. Moge de
vormende kracht van dit leervak niet gelijk staan met die van de andere
onderwijsvakken, moge de vaardigheid der hand minder dan een helder
oordeel en eene uitgebreide kennis er toe bijdragen, om den mensch
te veredelen en onmiddellijk zijn waarachtig geluk te verhoogen, om
het groote belang voor het dagelijksch leven verdienen de vrouwelijke
handwerken ten volle onder de verplichte leervakken genoemd te
worden.
Het begrip. — De grenzen van dit leervak zijn zoo onbepaald,
worden door sommigen zoo ver uitgezet, dat eene omschrijving niet
gemakkelijk is. In het algemeen verstaat men door vrouwelijke hand-
werken al die verrichtingen, waarmee de vrouw eenig kleedingstuk
voortbrengt, of iets, dat in de huishouding gebruikt wordt, hetzij het
voortgebrachte eenig nuttig doel heeft of alleen ter versiering wordt
gebruikt. Zoo wordt ook het bloemenmaken en het werken met leer er
toe gerekend; zelfs zou men het hoedenmaken er toe kunnen brengen.
In meer beperkten zin verstaat men onder vrouwelijke handwerken
alleen die werkzaamheden, waarbij men bijna uitsluitend garen of garen
en eene geweven stof gebruikt en zich hoofdzakelijk alleen bedient van
een eenvoudig werktuig, eene naald (brei-, haak-, naai-, tapisserie- of
knoopnaald).
De wet onderscheidt de handwerken in nuttige en fraaie. Volgens
het officiöele programma wordt voor de akte van onderwijzeres geeischt
bedrevenheid in breien, mazen, stoppen, naaien en knippen. Het pro-
gramma voor het examen ter verkrijging eener akte van bekwaamheid
voor huis- en schoolonderwijs geeft bovendien bij de nuttige handwer-
ken op het naaien met eene naaimachine, en noemt onder de fraaie
15*
-ocr page 242-
228
handwerken: borduren, haken, breien, knoopen, guipurc, kantsteken
en het ontwerpen van patronen."
§ 141. Doel en belang. — In de lagereschool wordt aan de
behoeften voldaan door tle nuttige handwerken; toch zal het haken
daar wel niet overbodig wezen.
Het meisje in staat te stellen, om de verschillende kleedingstukken,
hoofdzakelijk ondergoed, en verder alles wat tot het huislinncn behoort,
op de eenvoudigste en meest practische wijze te vervaardigen en te
verstellen, is het doel van dit leervak. Bij het naaien dient vooral het
knippen niet vergeten te worden. Ook eenige kennis der meest bekende
grondstoffen kan niet worden ontbeerd. Uitstekend zou het wezen , zoo
men het meisje ook het maken van bovenkleeren (japonnen en mantels)
kon leeren; maar of de lagereschool daartoe tijd en gelegenheid heeft,
mag betwijfeld worden.
In een eenvoudig gezin kan geen welvaart heerschen, zoo de huis-
vrouw niet bedreven is in vrouwelijke handwerken. Door handigheid
en nauwkeurige berekening moet zij op tle voordeeligste wijze zich
nieuwe voorwerpen aanschaffen; door bijtijds te verstellen, moet zij
het oude zoo lang mogelijk voor het gebruik geschikt houden. Op
deze wijze kan de vrouw veel uitzuinigen. Tijd en geld moet zij weten
uit te sparen.
Wel heeft dit leervak dus eene bij uitstek practische strekking. Maar
het aanbrengen van die vaardigheid en die kennis, die voor het leven
in de maatschappij onmisbaar zijn, is niet het hoofddoel van het onder-
wijs der lagereschool. Volgens art. 33 der wet op het lageronderwijs
wordt het schoolonderwijs dienstbaar gemaakt aan de ontwikkeling van
de verstandelijke vermogens der kinderen. Ook de onderwijzeres in de
vrouwelijke handwerken mag dat doel niet uit het oog verliezen. Het
werk zelf geeft volop aanleiding tot allerlei vragen, opmerkingen en
vergelijkingen. Zoo uitvoerig mogelijk moet alles besproken worden,
wat er wordt vereischt. Nooit mag het meisje eenige beweging van de
onderwijzeres werktuiglijk overnemen. Met bewustzijn moet zij han-
delen. Zelf moet zij leeren zien. Zij moet haar eigen werk leeren be-
oordeelen, de fouten leeren opsporen en de geschiktste wijze zoeken,
om het verkeerde te verbeteren.
Door het aankweeken van orde, netheid en zuinigheid en het oefenen
van geduld en wilskracht werkt dit leervak ook bij uitstek opvoedend.
Maar zal zoo het hoogere doel van het onderwijs worden bereikt,
dan dient ook het onderwijs in de handwerken gegeven te worden
naar eene goede methode.
-ocr page 243-
229
§ T42. Methode. — Ook bij het onderwijs in de vrouwelijke hand-
werken geldt de waarheid, flat, wie eenig doel bereiken wil, voor hij
aan \'t werk gaat, ernstig moet nadenken over den weg, die hem het
zekerst en spoedigst tot zijn doel brengt. Ook hier kan men niet in den
blinde voortwerken.
Overbodig is wellicht, in ons land althans, de opmerking nog niet,
dat de algemeene grondbeginselen der onderwijsmethode, ontwikkeld
in § 50, ook bij dit leervak gevolgd moeten worden.
1.     Alle onderwijs moet juist afgemeten zijn naar het
\'opvattingsvermogen en de denkkracht der leerlingen.
Ook de onderwijzeres in de vrouwelijke handwerken moet er op
bedacht zijn, zich te voegen naar den trap van ontwikkeling, dien het
kind heeft bereikt. Zij moet zich uitdrukken in de taal van het kind.
Woorden, die het kind niet verstaat, mag zij niet gebruiken.
Vooral met eene kleine bijvoeging wordt bovengenoemd beginsel
hier van belang: het onderwijs moet juist zijn afgemeten naar de kracht
van het denkvermogen, maar ook naar de kracht der handen.
Van de kleine vuistjes van het zesjarige kind, dat reeds de lagereschool
bezoekt, eischt het besturen van eenig werktuig al eene bijzonder groote
inspanning. Van groot belang is het dus, voor de beginners dat werk
te kiezen , waarbij de verschillende bewegingen het eenvoudigst zijn en
waarbij het werktuig het gemakkelijkste te hanteeren is. Ook naar de
kracht der o ogen moet men zich richten. Wie van het gezicht
te veel vergt, berokkent het kind kwaad voor zijn geheel volgend leven.
2.     Het onderwijs mag niet spoediger voorwaarts gaan,
dan de krachten der leerlingen toelaten. Het baat niet, of de
leerlingen velerlei handwerken kunnen maken. Ook hier geldt de spreuk:
„Beter weinig goed, dan veel ten halve." Vooral aan de vooroefeningen
dient de noodige tijd te worden besteed; zoolang deze niet behoorlijk
afgewerkt worden, moet men niet tot het maken van een kleedingstuk
overgaan. Zoolang het kind in het eene werk de noodige vaardigheid
niet heeft verkregen, gaat men niet tot een ander over. Zoo blijft ook
het verlangen naar eenig nieuw werk een scherpe prikkel tot vlijtig arbeiden.
3.     Elk deel van het onderwijs moet op het voor-
gaande gebouwd wezen en de grondslag zijn voor
het volgende, zoodat de deelen tot een goed geheel
aaneensluiten. Men beginne met het gemakkelijke en eenvou-
dige, om langzamerhand tot het meer moeielijke en samengestelde
over te gaan.
Zooveel mogelijk moet ook het verband, de overeenkomst en het
verschil tusschen de onderscheiden handwerken worden aangetoond.
-ocr page 244-
230
4.     Kik onderwijs moet zich een zeker doel als
grens i-tellen, dat in een bepaalden tijd bereikt
kan worden. Uit de verschillende handwerken en uit alles wat
bij elk handwerk te leeren valt, behoort eene zorgvuldige keuze te
worden gedaan. Krnstig moet de onderwijzeres zich afvragen, wat
werk de vrouw in het dagelijkseh leven het meest te pas komt.
5.     Alle onderwijs aan de leerlingen der lagere-
school moet aanschouwing tot grondslag hebben;
het woord moet eerst in de tweede plaats komen.
Het onderwijs in de handwerken mag niet bestaan in voordoen en
werktuiglijk nadoen. Het kind moet zich van elke verrichting reken-
schap geven, elke handeling, die het doet, leeren omschrijven. Reeds
lang heeft men begrepen, dat het kind woorden moest hebben, om
aan te duiden wat het deed. Wie heeft niet bij het breienleeren eenig
deuntje van buiten geleerd, dat zij onder het werken moest zingen?
Maar men begon met datgene, waarmee men had moeten eindigen.
Het kind leerde woorden, voordat het de handeling kende, die door
de woorden werd aangeduid. Wie de kinderen bij het leeren van den
breisteek eerst de woorden: insteken, omslaan, doorhalen, laat nazeg-
gen, totdat het lijstje zonder haperen in goede volgorde kan worden
opgenoemd, zondigt even zwaar tegen bovengenoemd beginsel, als wie
de kinderen de tafel van vermenigvuldiging laat van buiten leeren,
zonder hun vooraf begrippen van de hoeveelheden door aanschouwing
te hebben verschaft. Eerst als de kinderen de handeling vlug kunnen
verrichten, zijn zij in staat, om rekenschap te geven van hetgeen zij
doen. Men behoeft ze daarvoor ook geen woorden van buiten te laten
leeren; hun eigen woordenschat, dien de onderwijzeres onder het leeren
der handeling onwillekeurig nog heeft vermeerderd, is groot genoeg.
Van buiten geleerde woorden blijven licht klanken zonder beteekenis.
6.     Alle onderwijs moet grondig z ij n. De omschrijving,
die op blz. 75 van dit beginsel gegeven wordt, is in haar geheel op
het onderwijs in de handwerken toepasselijk.
Wordt in de school een degelijke grondslag gelegd, dan zal liet meisje
later gemakkelijk zelf het middel vinden, om die werkjes te verrichten,
die zij niet heeft geleerd.
7.     Alle onderwijs moet op en door de eigen kracht
des leerlings werken, d. i. het moet heuristisch zijn üe
geest van het kind moet tot werkzaamheid worden geprikkeld. Wat
de leerlingen door eigen nadenken en met behulp van de reeds verkregen
kennis vinden kan, behoeft niet te worden aangewezen. Door een ge-
trouw volgen van dit beginsel vooral brengt de onderwijzeres het
-ocr page 245-
231
meisje tot zelfstandige werkzaamheid. Zoo kan men b. v., bij het mazen
eenige steken, die op ééne rij liggen, laten uittornen; het meisje vindt
dan gemakkelijk zelf, hoe zij de opening weer kan dicht maken.
Bij het toepassen van dit beginsel moet men natuurlijk zorgvuldig te
rade gaan met den trap van ontwikkeling, dien het kind heeft bereikt.
Wilde men het b. v. op deze wijze leeren breien, dan zou men eenige jaren
moeten wachten, eer met dit onderwijs een aanvang kon worden gemaakt.
§ 143. Het onderwijs moet klassikaal worden gegeven.
Aan de geheele klasse te gelijk moet eene of andere beweging
worden gewezen; alle moeten deelnemen aan het bespreken eener
zaak. Wel zal de eene vlugger het opgegeven werk afhebben dan de
andere, maar deze omstandigheid zal geen grooter bezwaar opleveren
dan b. v. bij het rekenen op de lei of bij het schrijven. Bij het op-
geven van kleine hoeveelheden te gelijk zal het verschil ook nooit
zeer groot worden. En moet nu en dan de vlijtige eenigen tijd op de
trage wachten, dan is dat voor de laatste een prikkel, om zich met
meer ernst op haar werk toe te leggen, en de uitkomst zal zijn, dat
zij een volgenden keer minder achterblijft. Het mag waar zijn, dat
de vlugste eenigszins door de anderen wordt teruggehouden, stellig
zal dit hier niet in grootere mate het geval zijn dan bij de andere
leervakken. Daar tegenover staat, dat hier evenmin als elders de vruch-
ten van het klassikaal onderwijs zullen uitblijven. „Vergeleken met
het hoofdelijk onderwijs van vroeger, wint de classificatie tijd uit, of,
wat hetzelfde is, ontvangen de kinderen meer onderwijs. Bovendien
wekt ze een\' heilzamen wedijver op, bevordert ze orde, maakt ze een
gepast gebruik van de leermiddelen en het volgen van een geregelden
leergang mogelijk en prikkelt den onderwijzer tot inspanning van al
zijne krachten."
Alleen klassikaal onderwijs is mogelijk in de school. Hoe wil men
een uur verdeelen tusschen 40 kinderen bijvoorbeeld? De leertijd van
een uur voor eene geheele klasse zon gelijk worden aan eene privaat-les
van anderhalve minuut. Moe zal ook de onderwijzeres de orde hand»
haven, terwijl zij met een der kinderen bezig is en de anderen op
liare hulp wachten? Mogelijk is dit alleen, voor wie niet eene ijzeren
roede regeert. Maar militaire tucht hoort niet thuis in de school,
dooft den opgeruimden geest uit, die in de school moet heerschen.
De orde wordt het best en op de natuurlijkste wijze gehandhaafd,
waar allen werkzaam zijn, en ijver voor het werk wordt weer \'t best
aangekweekt door den onderlingen wedstrijd, die door het klassikaal
onderwijs wordt uitgelokt.
-ocr page 246-
232
Het klassikaal onderwijs heeft zijne schadnw- zoowel als zijne licht-
zijde; maar legt men de voordeden in de schaal tegenover die van
het hoofdelijke onderwijs, dan slaat de balans door naar \'t klassikaal
onderwijs; zoo is het bij de andere leervakken, waarom dan niet bij
de vrouwelijke handwerken?
§ 144. Ook het kind kan niet twee zaken te gelijk
doen. Het werk vereischt al zijne aandacht, houdt zijn\' geest geheel
bezig. Terwijl de kinderen werken, mag er niet gesproken worden;
moet er gesproken worden , dat moet het werk zoolang rusten. Geheel
verkeerd zou het wezen, onder voorwendsel, dat de geest werkzaam
wezen moet, terw\'jl de handen bezig zijn, gedurende het werken aller-
lei wetenswaardige zaken te behandelen. rCvenmin mag men een of
ander boeienil verhaal voorlezen, om de les minder vervelend te maken.
Acht men het wenschelijk , een of ander te bespreken, dan moet dat
gebeuren, voor dat met den arbeid een aanvang wordt gemaakt of
na het voltooien der opgegeven taak. K.n waar volgens eene goede
methode wordt onderwezen, is een kunstmiddeltje, om de les aange-
naam te maken, niet noodig. Alle onderwijs moet zoo worden inge-
richt, dat het kind zich moet inspannen, en daarbij behoeft men voor
verveling niet te vreezen.
Het werkt eischt de onverdeelde aandacht van
het kind. Men vergete niet, dat hier sprake is van onderwijs
in de vrouwelijke handwerken, niet van breien, naaien enz. Wie een-
maal eene groote werktuiglijke vaardigheid verkregen heeft, kan hooren
lezen en spreken, zonder nadeel voor het werk. Maar zoo min als
eene schrijfles, waaronder gesproken of voorgelezen wordt, oefenend
kan zijn, zoo min duldt ook eene handwerkles afleiding der opmerk-
zaamheid door lezen of spreken. Heeft het kind in eenig handwerk
eene groote werktuiglijke vaardigheid verkregen, dan is het meer dan
tijd, om aan eene nieuwe afdeeling van het leerplan te beginnen. De
lesuren kunnen dan nuttiger worden besteed.
§ 145. De school is eene leerplaats, geen werkplaats.
Niet voor het huisgezin, voor de school moet gewerkt worden. Tn
de rekenles telt het kind niet het huishoudboek der moeder op, in de
schrijfles wordt geen verjaarsbrief aan oom of tante geschreven; even-
min kan ook worden verwacht, dat de handwerkles iets voor de huis-
houding zal opleveren. De keus van het werk mag niet worden bepaald
door de vraag, of de moeder kan gebruiken , wat het kind maakt. „Wat
moet er volgens het vastgestelde leerplan worden vervaardigd?" Dat is
-ocr page 247-
233
de eenige vraag, die er gesteld mag worden. Wel moet de leerling,
als de vooroefeningen zijn afgeloopen, nuttige voorwerpen: eene kous,
een hemd enz., vervaardigen, maar alleen om te leeren, niet om wat
thuis te kunnen brengen of wat te verdienen. Algemeen aangenomen
is dit beginsel in ons land nog niet. Op menige school brengt het
meisje mee, wat de moeder heeft te naaien, of ze breit kousen voor
het broertje of zusje, dat daaraan juist behoefte heeft. Geheel onbillijk
is dat niet altijd. Boeken, leien, schrijfboeken enz. worden door de
gemeente kosteloos in gebruik afgestaan; maar ook de behoeften der
handwerkles onder de gewone schoolbehoeften te rekenen, is in ons
land nog niet algemeen. En als het meisje zelve moet meebrengen,
wat zij in de handwerkles noodig heeft, wie zal het dan afkeuren, dat
de zuinige huisvrouw voor hetgeen zij uitgeeft, gaarne iets terug krijgt?
Zal de onderwijzeres eene goede methode kunnen volgen, dan dient
de gemeente ook in de behoeften der handwerkles te voorzien. Ook
door de wet wordt dat geeischt. Volgens art. 44 der wet behooren tot
de kosten van het lageronderwijs ook die voor het aanschaffen van
leermiddelen en schoolbehoeften, zonder dat voor de vrouwelijke hand-
werken eene uitzondering wordt gemaakt.
Van groot belang is ook bij dit leervak de leergang. Zorgvuldig
moeten de grenzen worden getrokken van de stof, die men wil aan-
brengen. Zoolang men waarde blijft hechten aan de kunst om het
leven te versieren, zoolang het niet iets overtolligs wordt geacht, aan
al wat ons omringt, een aangenaam voorkomen te geven , zoodat het
oog er met een zeker genot op rust, zoolang mogen ook. de fraaie
handwerken niet uit de school gebannen worden; maar met uitzonde-
ring van het haken, behooren zij alleen thuis in de scholen, welke
bezocht worden door meisjes boven de twaalf jaar, niet in de eigen-
lijke volksschool. Het meisje moet op de gewone lagereschool in de
eerste plaats leeren, de verschillende kleedingstukken enz. op de e e n-
voudigste wijze te vervaardigen. Zij moet dus leeren breien
en naaien; onder het naaien is natuurlijk ook het knippen
begrepen. Om het slijten van het linnengoed en van gebreide goederen
tegen te houden, dient het mazen en stoppen. Ook het met-
ken van het goed is in menig gezin. noodzakelijk. Wilde men nu
het naaien en breien in zijn vollen omvang onderwijzen, dan gaf
men weer meer dan noodig was. Alle open breiwerk en open naaisel
dient reeds ter versiering der stof en kan dus achterwege blijven, even-
zoo het merken met veter- of bindgaatjes. Ook bij het stoppen eische
men niet te veel. De gewone stop en de keperstop zijn gewoonlijk
voldoende. Het damast-stoppen eischt zooveel inspanning van de oogen
-ocr page 248-
234
en zooveel tijd, dat een half versleten tafellaken of servet gewoonlijk
zooveel niet waard is. Ook het knoopen dient eene enkele maal
om iets nuttigs op de eenvoudigste wijze voort te brengen, b. v. een
eiemetje; maar dit handwerk is zoo weinig algemeen, dat het op de
lagereschool minder op zijne plaats is.
Kan het meisje van de volksschool op de eenvoudigste wijze nuttige
voorwerpen vervaardigen, dan heeft zij, strikt genomen, genoeg. Maar
de zucht tot versiering is ook tot in de laagste standen doorgedrongen.
Ook de armste vrouw draagt geen muts, die alleen met rechte en
averechte steken gebreid is; zoo eenvoudig kan een gezin niet wezen,
of men ziet er een kantje langs venster- en bedgordijn. Kan nu door
eene eenvoudige bewerking, zonder aanzienlijke verhooging van kosten,
aan die zucht tot versiering worden voldaan, dan behoeft men zich
niet angstvallig tot de wezenlijk nuttige handwerken te bepalen. Zoo
kan men licht, zelfs op eene armenschool, het haken onderwijzen en
verder eenige eenvoudige breipatroontjes, een strookje en een kantje
laten maken. Bij het haken kan men zich bepalen tot het gewone
haakwerk en eenvoudige patroontjes; de tunische haaksteek is daar wel
geheel overtollig. Het spreekt van zelf, dat de omvang der leerstof niet
voor alle scholen en alle plaatsen kan worden bepaald. Steeds zal de
onderwijzeres met de bijzondere behoeften en met de vaardigheid en
de ontwikkeling van het kind te rade moeten gaan.
Van niet minder belang, dan de leerstof, is ook de volgorde,
waarin de verschillende handwerken zullen worden onderwezen.
Het handwerk, dat het gemakkelijkst door het kind kan worden
verricht, zal wel het eerst gekozen moeten worden. Het haken heeft
in dit opzicht wel iets voor boven het breien. Men gebruikt maar één
werktuig, en de kettingsteek, waarmee men toch begint, is gemakke-
lijker dan het opslaan, waarmee men bij het breien een\' aanvang moet
maken. Met den kettingsteek alleen kan intusschen niets worden ver-
vaardigd; het insteken der haaknaald in den steek van een\' vorigen toer
is wellicht wat moeilijk voor de beginnende leerling. Het beste zal dus
wel wezen, met het breien te beginnen. Dan kan het haken volgen; dit
heeft, meer dan eenig ander handwerk, overeenkomst meUbet breien.
De haaknaald is ook grooter en daardoor gemakkelijker te besturen dan
de naainaald. Als vooroefening voor het naaien kan men het merken
nemen. Aan een\' lap ongedeeld stramien ziet het kind het gemakke-
lijkst, hoe de draden eener geweven stof door elkaar heen loopen. Laat
men eerst eenige draden wol door het stramien heen rijgen met de
bepaling, dat b. v. twee draden telkens moeten worden opgenomen en
twee moeten blijven liggen, dan dwingt men het kind, op tien loup
-ocr page 249-
235
der draden te letten. Onder het werken zal het stramien uitrafelen; dat
is eene goede gelegenheid, om het kind duidelijk te maken, waarvoor
het zoomen dient. De kanten worden dan omgeslagen en de zoom op
de eenvoudigste wijze, met een\' rijgsteek, bevestigd.
Na het merken volgt het naaien. Eerst worden aan een\' proeflap de
verschillende naden en het zoomen geleerd, weer met eene geregelde
opklimming van het gemakkelijke tot het moeilijke. Met den voorsteek -
naad zal men dus moeten beginnen en met den rolnaad eindigen. Na
den proeflap volgen een rok, kussensloop of zijzak en daarna het
eenvoudige vrouwenhemd met rond uitgesneden hals. Het knippen
moet niet tot het laatste schooljaar worden uitgesteld. Van het begin
af moet het meisje alles zelve verrichten. Als de proeflap moet worden
doorgeknipt, om een\' naad te maken, dan is dat de eerste oefening,
om de schaar te leeren gebruiken, \'t Is nog een oud vooroordeel, dat
er bijzonder veel moed toe noodig is, om „de schaar in \'t goed te
zetten". Eenig bezwaar, om het eenvoudige vrouwenhemd door het
kind te laten knippen, zal er ook wel niet zijn.
Na het eigenlijke naaien komt verstellen en eindelijk het mazen en
het stoppen.
Geen twee zaken moeten te gelijk worden onderwezen. Zoolang h^t
kind niet vlug breit, begint men niet aan het haken. Maar hieruit volgt
natuurlijk niet, dat men van elk der handwerken eerst alles moet heb-
ben gehad, eer men aan iets nieuws begint. Van elk vak kan men
eerst het noodzakelijkste nemen, om eerst later tot eenige uitbreiding
over te gaan; zoo wordt ook het vroeger geleerde onderhouden. Kan
het kind eene kous breien, dan kan men b. v. tot het haken overgaan,
om eerst later aan een\' borstrok of open breiwerk te beginnen. Is bij
het naaien de proeflap klaar, dan kan het kind met mazen beginnen.
Het naaien van kleedingstukken kan daarna volgen \').
\') Een uitvoerig leerplan geeft „De Nuttige Handwerken voor mei<jes, methodisch
bewerkt ten dienste van de lagere school door A. Teunisse, leerares aan de Kweek-
school voor onderwijzers en onderwijzeressen te Amsterdam. Vijfde, vermeerderde
druk. Te Gr. ..ingen, bij .T. B. Wolten, 1889", met figuren, l\'rijs / 1.00.
-ocr page 250-
ér ^g2 3-3 - S
UITGAVEN VAN J. B. WOLTBRS TE GRONINGEN.
Dr. A. W. Alings, Wet op het Middelbaar onderwijs........f 0,60
S. Blaupot ten Cate en A. Moens, De wet op het Lager onderwijs,
met aanteekeningen en met drie vervolgen.......T,de druk • 7,50
S. Blaupot, ten Cate en G. van Mii.ligen, Handleiding tot de kennis
der wet op het Lager onderwijs...........ylt druk - 1,25
H. Bouman, Opvoeding en onderwijs, I, II I*..........- 4,90
II. Bouman, Handleiding tot de kennis van opvoeding en onderwijs . . - 1,25
H. Bouman , Het schoolverbond en de arbeidersvraag........- 0,30
II. Bouman, De Paedagogie der lagere school in korte stellingen, gebonden - 1,50
B. Brugsma , Veertig platen voor het aanschouwingsonderwijs, gewijzigd
en met bijschriften voorzien door P. Louwerse.....6de druk - 4,90
B. Brugsma, Dertig platen voor het aanschouwingsonderwijs in scholen en
huisgezinnen. Vervolg op de veertig platen, door P. Eldering . . . . - 3,90
Mr. G. DlEPHUIS, Handleiding tot de kennis der wetgeving op het lager
onderwijs in Nederland..................- 1,80
DlTTES—Wendei. , Zielkunde en practische redeneerkunde . . 2de druk - 1,25
H. W. Dijken, Aanteekeningslijst voor de resultaten van het onderwijs . - 0,15
Dr. Francken , Eenige opmerkingen omtrent het wetsontwerp op \'t hooger
onderwijs.......................- 0,50
J. Geluk, Woordenboek voor Jpvoeding en onderwijs.......- 12,50
J. Geluk, Beginselen der Opvoedingsleer, naar de denkbeelden van Herbart - 1,50
Gids voor den onderwijzer, deel I—VIII..........a - 4,90
De Kostschool, door een kostschoolhouder...........- 0,50
M. Leopold, Opvoeding in huis en school.......Jde druk • 1,25
G. van Milligen, Methodiek voor de lagere school........- 1,00
R. R. Rijkens, Beknopte opvoedkunde, vooral met het oog op de lagere
school, gebonden................jdt druk - 1,90
De Schoolbode, Tijdschrift voor onderwijs en opvoeding, 12 deelen . . "48,00
De Schoolwereld, Kleine Courant voor het lager onderwijs in Nederland
en de Koloniën. Per jaar franco per post voor het Binnenland . . . . - 3,00
Spencer\'s Opvoeding, door J. A. Leopold. Gebonden . . . 4de druk • 2,50
A. W. Stelwagen , NaSsau\'s gedachten over opvoeding en onderwijs . . - 0,60
W. P. de Vries , Aanschouwingsonderwijs ,...........- 0,90
W. J. Wendel, Wenken over opvoeding en onderwijs.......- 0,75
Wet tot regeling van het hooger onderwijs........zde druk - 0,25
Dr. Jhr. B. H. C. K. van der Wijck, Zielkunde, Dl. I.......- 4.9°
Dr. Jhr. B. H. C. K. van der Wijck , Het lager onderwijs en Dr. A. Picrson - 0,40
Dr. Jhr. B. H. C. K. van der Wijck, De opvoeding der vrouw . . . - 0,40
Dr. Jhr. B. H. C. K. van der Wijck, De Schoolstrijd.......- 0,90