-ocr page 1-
•W1
«CTfeb
>*ÏV~
&A*
"K^
M-rt
rtöT
^>
•^Tw* j ~*j-
y«\'
«V**
•**»£
»a>
wv^r
^4^r
-ocr page 2-
rnrv>\' \\*^pLf6
•
•
•
i
!
•
B
1591
-ocr page 3-
• •
1 *
*.
*
•-
•
\'.
-ocr page 4-
\'
-ocr page 5-
-
DE RUNDVEE-KASSEN
HUGO LEHNERT.
-ocr page 6-
•jV,t\'!vir..-v
»• *           ƒ
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
A06000030891471B
3089 147 1
-ocr page 7-
o£^ ^SQO              \'A \'ff*
DE
RUNDVEE-R
Nederland, Duitschland,
Zwitserland en de meest gezochte
van Oostenrijk,
DOOK
HUGO LEHNERT,
Grondeigenaar.
UIT HET HOOGDUITSOH VERTAALD DOOR
L. ROMEIN.
BIBLIOTHEEK DER
RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT.
ZWOLLE,
W. E. J. TJEENK WILLINK.
188 9.
BIBUOTMEEK
DIERGENEESKUNDE
UTRECHT
-ocr page 8-
-ocr page 9-
VOORWOORD YAN DEN VERTALER.
Het doel, waarmede ik de vertaling van het voorliggende werk ondernomen
heb, ligt uitgedrukt in het aan dit werk toegevoegde korte naschrift. Daar
men echter bij eeri ordelijke lectuur het laatste ook het laatst leest, wil ik
hier bij den aanvang aan de weinige lezers, die gewoon zijn, ook het voorwoord
van het door hen gelezene werk in te zien, kortelijk mededeelen, dat het werk
van den Heer Lehnebt op eene hoogst praktische, beknopte wijze eeneheldere,
duidelijke en zakelijke beschrijving geeft, van die veerassen in Europa, welke
ook voor den veehandel en de veefokkerij van ons vaderland van belang zijn.
Het bevat verder mededeelingen omtrent de veehouding en de fokkerij, de ver-
edeling der verschillende rassen enz., die allen zoozeer het kenmerk dragen
van de waarheidsliefde, den praktischen geest en vooral ook van de veelzijdige
kennis en ervaring van den schrijver, die alles, wat hij vertelt, met eigen oogen
aanschouwd heeft, dat mijns inziens eene vertaling van het werk allezins ge-
wettigd is.
Wie nu dit werk ter hand neemt met het doel, daaruit eene nauwkeurige
kennis te putten van het eigene vee en van alles wat op de veeteelt en de
veehuishouding van Nederland betrekking heeft, zal het na de lezing van
hetgeen daarover vermeld staat, waarschijnlijk met eenige teleurstelling ter
zijde leggen. Dezulken wensch ik er echter met nadruk op te wijzen, dat
het werk met dit doel niet is geschreven en ook niet vertaald. Om eene
nauwkeurige kennis van eigen vee op te doen, behoeven wij ons toch nog niet
tot een buitenlander te wenden.
Wie van het Nederlandsche vee meer wil weten, verwijs ik naar het
schoone werk „Het Rundvee" van den Heer Gr. J. Hengeveld, dat een sieraad
is voor de Nederlandsche letterkunde op dit gebied. Neen, juist in hetgeen
over het buitenlandsche vee is medegedeeld, ligt voor den Nederlandschenlezer
het zwaartepunt van dit werk en het daarvan medegedeelde moge opwekken
tot vergelijking met de hier heerschende toestanden en het bewustzijn wekken,
dat sommige zaken nog wel anders behandeld konden worden, dan tot nu toe
bij velen geschiedt.
Daar nu echter de schrij ver uit den aard der zaak en van zijn standpunt,
-ocr page 10-
VOORWOORD.
VI
aan het Nederlandsche vee niet meer plaats ingeruimd heeft, dan aan hetzelve
als onderdeel van het groote geheel toekwam, daar de vertaler zelfs vreest,
dat deze plaats misschien wel wat heel klein is geworden, wat intusschen door
een onpartijdige, dus een niet-Nederlander alweer het best kan worden beoor-
deeld , heeft hij den moed gehad, het hoofdstuk, waarin over het Xederlandsche
vee gehandeld wordt, eene uitbreiding te geven, die onder het schrijven grooter
is geworden, dan hij zich aanvankelijk had voorgenomen; moge deze omstandig-
heid geene aanleiding geven tot het toepassen van het gezegde, dat wat men
in breedte wint men gewoonlijk in diepte verliest.
Wat ik aan het door den Heer Lehnert omtrent het Nederlandsche vee
meegedeelde heb toegevoegd, heb ik bijna uitsluitend aan het bovengenoemde
werk van den Heer Hexgevelü ontleend en kan dus in het minst geen
aanspraak op oorspronkelijkheid maken, doch zeker is het,er niet minder om;
ik putte uit een goede bron.
Doch schon geinig der Worte! Ik hoop dat het werk zijn weg moge
vinden en er het zijne toe moge bijdragen, de kennis der veerassen, die voor
eene goede oordeelkundige fokkerij voor iederen veehouder zoo noodig is, uit te
breiden en te vermeerderen.
De Vert.
-ocr page 11-
VOORREDE.
In 1869 verscheen van mijne hand eene kleine brochure, getiteld: „Einige
bei dem Ankauf von Xutzvieh zu beachtende Fingerzeige", die ik, toen ze was
uitverkocht, geheel omgewerkt en belangrijk vermeerderd, onder den titel:
„Fingerzeige bei Auswahl der Race, Kauf and Transport von Rindvieh", met
een aanhangsel: „der Sandboden und die Rindviehhaltnng", opnieuw in het
licht gaf. Zoo omgewerkt, beleefde dit kleine werkje twee drukken. De
welwillende, aanbevelende beoordeeling, die het van de zijde der pen mocht
ondervinden, spoorde mij aan, elke gelegenheid aan te grijpen om mijne kennis
der veeteelt en der verschillende veerassen te vermeerderen en uit te breiden.
Mijn handel in fok- en trekvee, waardoor ik met de voornaamste fokkerijen en
fokdistrikten van Duitschland, Nederland, Zwitserland en voor het grootste
gedeelte ook van Oostenrijk, in een levendig verkeer kwam, bood mij door
eigen aanschouwing, zoowel als door persoonlijke bespreking met voorname
veefokkers, voor de vermeerdering mijner kennis op dit gebied eene zoo gunstige
en ruime gelegenheid aan, als iemand slechts bij zoo uitgebreide handelsrelatie]!
ten dienste staat. De geschiktheid, hier met oordeel te zien, te hooren, waar
te nemen en te leeren, heb ik mij door eene langjarige praktijk in het land-
bouwvak verworven. Sedert 1849 landbouwer, kreeg ik, na een hoogst vrucht-
baren leertijd, gelegenheid, mij bij den .als mensch en als landbouwer even hoog
geschatten heer Mattner te Neuhof, kreits Deutsch-Krone, wien ik veel dank
verschuldigd ben, tot energieke werkzaamheid, zelfstandig denken en handelen
te ontwikkelen. Door zijne tusschenkomst had ik het voorrecht, met den hoog-
geachten Nestor onzer landbouwers, den Heer Oeconomieraad Koppe-Besdau
bekend, en door dezen op het domein Wallup geplaatst te worden. Hierna
nam ik de besturing op mij van de in alle opzichten voortreffelijk ingerichte,
hoogst interessante boerderij van de heerlijkheid Lischkowo, kreits Inowraclow.
Mijn goede genius voerde mij nu op het landgoed van mijn hooggeëerden wei-
doener, wijlen den Heer Oeconomieraad Rothe te Karge, bij Unruhstadt en
vervolgens als administrateur op de heerlijkheid Giesmannsdorf bij Neisse.
Hier, in deze grootsche inrichting, waar het machtige, steeds scheppende genie
van den, helaas, voor ons allen veel te vroeg gestorven Carl Friedenthal ,
eigenaar van Giesmannsdorf en vader van onzen lateren hooggeachten Minister
van Landbouw, Mr. Rudolph Friedenthal, een ieder tot ernstig nadenken
-ocr page 12-
V O O H R E D E.
vin
en zelfwerkzaamheid aanspoorde, werd mij een ruim veld geboden om de ervaring
in praktijk te brengen, die ik op het gebied der steeds door mij met bijzondere
voorliefde beoefende veefokkerij had opgedaan. Het gelukte mij, hier onder de
ongunstigste omstandigheden eene kudde fokvee op te fokken, die zich in mijn
geliefd Silezië in den besten roep mocht verheugen. Ook later, toen ik zelf
landeigenaar was geworden, wijdde ik mij bij voortduring met onverdeelde
belangstelling aan de veefokkerij, welke belangstelling ik in mijn tegenwoordig
bedrijf heb overgedragen, waar deze een zoo ruim en afwisselend veld geboden
werd, dat zij zich hier wel tot een hartstocht moest ontwikkelen.
Ik moet om verschooning vragen, dat ik zoo lang over mij zelf gesproken
en eene korte schets van mijne bescheidene werkzaamheid gegeven heb; zulks
scheen mij daarom noodig, omdat ik nu en dan twijfel hoorde opperen, of ik
wel gerechtigd was, op dit gebied onderrichtend op te treden. Deze twijfel
kwam voort uit de dikwijls uitgesproken meening, dat een veehandelaar niet
in staat is, dusdanige onderwerpen te beoordeelen, dat zijn ontwikkelingsgang
hem zulks onmogelijk maakt, en nu geloof ik, zulk eene vooringenomenheid
het best door eene blootlegging van mijn verleden te kunnen bestrijden.
Waar ik in het voorliggende wei\'k de rundveerassen van Duitschland,
Xederland, Zwitserland en voorzooverre zij tot op heden ons belang inboezemen,
ook van Oostenrijk bespreek, doe ik zulks, omdat mij, niettegenstaande er
vele voortreffelijke werken over het rund verschenen zijn, geen een bekend is,
dat dit onderwerp naar eigen aanschouwing, uitvoerig behandelt. Enkele veel
gelezene, met warmte aanbevolene werken bevatten zelfs bepaalde onjuistheden
en dwalingen, die dan, wat zeker hoogst merkwaardig is, in andere werken
worden teruggevonden. In mijn bedrijf word ik door de telkens opnieuw weer
tot mij gerichte vragen, steeds meer overtuigd, hoe weinig helderheid er op
het gebied der rassenkennis nog heerscht, met welk een taaiheid dikwijls aan
verkeerde meeningen wordt vastgehouden en hoe dringend noodig het is, eene
heldere, duidelijke beschrijving van de verschillende veerassen en van de om»
standigheden waaronder deze in het land hunner geboorte leven, onder het
bereik van een ieder te brensren.
Hoezeer de behoefte aan eene meer volledige beschrijving der verschillende
rundveerassen gevoeld wordt, werd nog met nadruk betoogd door de stamboek-
vereeniging, die bij hare oprichting door den toenmaligen \\ voorzitter, den
O» onomieraad Petersen-Euttn , herhaalde malen tot het leveren van bijdragen
voor zulk eene beschrijving der veerassen aanspoorde.
In hoeverre nu dit mijn werk in de bestaande behoefte voorziet, laat ik
aan het welwillend oordeel van den lezer over. Ik ben mij zelf bewust,
dat ik overal zonder eenige voorliefde of vooroordeel, getrouw aan de waarheid,
zooals die mij na een nauwgezet onderzoek gebleken is, beschreven en ook aan
alle vraagpunten, die voor de praktijk maar eenigszins van belang kunnen
worden geoordeeld, mijne aandacht geschonken heb.
-ocr page 13-
VOORREDE.
IX
Ter betere beoordeeling en om vergelijkingen mogelijk te maken, heb ik
nauwkeurige metingen der dieren aan mijne beschrijving toegevoegd, die, naar
ik vertrouw, dengenen, die het vee, dat beschreven wordt, niet kent, in
staat zullen stellen, ook zonder het dier zelf onder de oogen te krijgen, zich
daarvan een zooveel mogelijk nauwkeurig beeld te vormen. De metingen, die
ons van verschillende zijden over enkele dieren bekend werden, hadden voor
de vergelijking der rassen onderling in zooverre geene waarde, daar zij allen
op verschillende wijze waren uitgevoerd. Het komt er hier toch volstrekt niet
op aan, of de wijze van meten de beste is geweest, als ze maar overal eeneen
dezelfde
was, en dat is ze in de bijgevoegde tabellen. Om nog duidelijker te
doen zien, op welke wijze gemeten werd, voeg ik hierbij de afl>eelding eener
bergkoe, waarop de gestippelde lijnen aanwijzen, hoe de meet band aangelegd werd.
a.   b. de lengte van het achterhoofd tot aan de schoft; kop en hals moeten bij
deze meting recht gehouden worden; de kop mag noch naar boven, noch
naar beneden, noch zijwaarts gebogen zijn.
b.  c. de lengte van de schoft tot aan het zitbeen; de band wordt op de schoft
in het punt 6. vastgehouden, stijf naar achteren getrokken en de rechte
-ocr page 14-
VOOHHEÜE.
X
afstand tot aan het zitbeen zoo gemeten, dat de band op het kruis en
op de schoft vast aanligt.
a.  d. lengte van den kop; e. f. breedte van het voorhoofd.
b.  n. hoogte van den grond tot aan de schoft.
p. o. hoogte van den grond tot aan het kruis.
*. r. hoogte van den grond tot aan de borst.
Het beest, dat gemeten zal worden, moet op den vlakken grond, zoo
recht mogelijk en niet zoo als op de teekcning, met voorgezette pooten (loopende),
maar met de pooten naast elkaar (staande) worden geplaatst; ik heb de teekening
hier zoo gegeven, om de lijn g. y. h. beter in het oog te doen vallen. De
maten geven niet de rechteipgaande hoogte aan: bij de metingen is de meetband
tegen den grond gehouden en vast tegen het lichaam aangetrokken; bij de
hoogte van het kruis dus over de heupen, overal tot aan het kruis vast aan-
liggende. De hoogte van het kruis is door de meting over de heupen steeds
grooter dan die van de schoft. De hoogte van den grond tot aan de borst:
*. ;•. (hier voor de duidelijkheid van den grond tot aan den buik geteekend)
werd met naast elkaar staande pooten, van den grond tot aan het einde van
het borstbeen (het onderste borstbeen, waar de buik begint) gemeten. De
breedte der heupen is met zooveel mogelijke inachtneming van den rechten afstand,
van heup tot heup gemeten
ff. h. omvang van de borst. Men laat den meetband van den rug in het
punt ff, langs de zijde, die van den metende afgekeerd is, naar beneden
vallen, haalt hem bij h. weder om, trekt hem tnsschen de recht naast
elkaar staande pooten door en voert hem dan weer opwaarts naar het
punt tj. op den rug, dicht achter de schoft terug. De band moet zoowel
hier, als bij alle andere metingen, vast op het lichaam aanliggen.
i. k. omvang van den romp. Evenals bij de meting van den omvang van de
borst bij ff. laat men hier bij i. den meetband naar beneden vallen,
haalt hem bij k. onder het lijf door en voert hem opwaarts naar het
punt i. terug.
m. I. geheele omvang. Men legt den meetband, nadat eerst de kossem zooveel
mogelijk op zij is gedrukt, ter hoogte van het bovenste borstbeen om
de borst, laat hem daar vasthouden en trekt nu den band langs beide
zijden te gelijk, stijf aantrekkende, naar het zitbeen, waar men de beide
einden bij m. vereenigt.
Naast deze metingen geven mijne tabellen behalve de kleur van de huid,
ook nog die van de hoornen, de klauwen, de randen der oogen, de lippen,
de tong en het gehemelte, en het is noodig, hier te verklaren, waarom deze
opgaven door mij als van zooveel gewicht worden beschouwd. Naar al mijne
waarnemingen zijn de pigmenten, d. i. de kleur der onbehaarde deelenvanhet
lichaam van het dier, de meest karakteristieke kenmerken voor de zuiverheid
van het ras. Alle lichaamsvormen, zelfs die van den kop niet uitgezonderd,
-ocr page 15-
VOORREDE.
XI
zijn van voeding, zorg en verpleging afhankelijk en veranderlijk; onveranderd
blijven, wanneer geene inmenging van vreemd bloed heeft plaats gehad, slechts
de pigmenten en omgekeerd worden deze bij inmenging van vreemd bloed,
onmiddellijk onrein. Kruisen wij b. v. het bruine vee uit Zwitserland, dat
steeds donkere pigmenten heeft, met het Simmendaler rund, waarvan de
pigmenten licht gekleurd zijn, dan zullen wij bij de afstammelingen mond,
tong en gehemelte stellig bont vinden; op den donkeren neusspiegel dus lichte
plekken of omgekeerd, en zoo eveneens op de tong, het gehemelte enz. Als
voorbeeld wijs ik hier op het Ellinger en Scheinfelder vee. Bij het Ellinger
slag staat het vast, dat het oude landras voor vele jaren met het bruine vee
gekruist werd en thans nog hebben alle Ellinger dieren donkere of bonte
pigmenten, terwijl hetzelfde rund in Scheinfeld-Uffenheim, waar eene kruising
niet bewezen, doch met Simmendaler vee vermoed kan worden, lichte pigmenten
heeft. Het Voigtlander en het oude landvee heeft, rein gefokt, of met rassen
gekruist, die heldere pigmenten hebben, steeds een helderen neusspiegel, ge-
hemelte, tong enz. en zoo het laaglandsehe vee geene zuivere pigmenten heeft,
zoo deze nu eens licht, dan weer donker zijn, is dit voor mij het zekerste
bewijs, dat deze slagen uit eene kruising zijn voortgekomen. Ik houd er mij
sedert lang mee bezig, in deze voor de bepaling van het begrip „ras" zoo
gewichtige vraag tot klaarheid te komen, doch, hoeveel materiaal daarvoor
door mij ook reeds is verzameld, zoo heb ik toch nog geen voldoend resultaat
verkregen en ga onvermoeid voort, om later het resultaat mijner onderzoekingen
bekend te maken.
Thans rust op mij nog de aangename taak, alle de heeren en vrienden,
die mij door hunne mededeelingen en metingen van dienst zijn geweest, daar-
voor mijnen hartelijken dank te brengen; hunne namen zijn bij de resp. tabellen
genoemd, waarnaar ik hierbij verwijs.
En nu geef ik dan mijn werk het landbouwkundig publiek in handen,
met den hartelijken wensch, dat het eene vriendelijke beoordeeling moge vinden
en zijn doel: „klaarheid omtrent de eigenschappen van de verschillende runder-
rassen te geven" niet moge missen.
-ocr page 16-
-ocr page 17-
INHOUD.
Blad*.
Het laaglandsche ras................     1
I.  Het vee van het koninkrijk der Nederlanden.....      5
1.  de provincie Groningen.............    12
2.    „ „ Friesland.............    16
3.    „ „ Noordholland............    21
4.    „ „ Zuidholland............    25
5.    „ „ Zeeland..............    26
6.    ., „ Gelderland............        28
7.    „ „ Overijsel.............    30
8.    „ „ Drenthe..............    31
Metingen..................    32
II.  Het Oostfriesche vee...............    34
Metingen..................    38
m. Het Oldenburgsche vee..............    38
a.  het Weserlander vee..............    42
b.  het Jeverlander vee..............    42
Metingen..................    48
IV. Het kleivee in de provincie Hannover........    50
V. De Holsteinsche marsenen............    51
1.  De Wilstermarsch...............    52
Metingen..................    58
2.  Het Breitenhurger vee.............    64
3.  De Cremper Marsch..............    66
4.  Dithmarschen................    66
5.  Eiderstedt.................    67
6.  Het Holsteinsche Geestvee............    67
-ocr page 18-
XIV                                                                  INHOUD.
Btadz.
VI. Het vee in Sleeswijk...............    68
1.   Het Angeler vee...............    68
Metingen..................    78
2.   Het Tondersche vee..............    80
3.   Het Stapelholmer vee.............81
Vu. Het laaglandsche vee in het koninkrijk Pruisen .... 81
1.   Het Danziger vee...............    81
2.   Het Warthebriieher en Netzbrücher vee.......    83
3.   Het Silezische landvee.............    83
Metingen...................    86
VIII. Het eenkleurige grauwbruine gebergtevee. (Bruinvee). . . 88
A.   het grauwbruine vee in Zwitserland..........89
1.  kanton Schwijtz (Schwijtzer, Rigi vee)........89
Metingen..................100
2.  kanton Zug.................102
3.       „      Ziirich................102
4.       „      Lnzern................103
5.       „      Aargau................103
6.       „      Unterwalden..............103
7.       „      Uri (Liviner slag)............104
8.       „      Glarus................104
9.       „      St. Gallen (Toggenburger slag)........105
10.       „ Appenzell (gordelvee)...........105
11.       „ Grauwbunderland (Prattigauer en Oberlander slag) . 106
12.       „ Tessino................107
13.       „ Wallis (Eringer slag)...........108
14.       „ Bern (Oberhaslidal)............109
Metingen..................110
Melkopbrengsten van het bruinvee.........113
B.  Bruinvee van Vorarlberg (Montafuner en Bregenser wouden) . .113
C.  Het Allgauer vee................119
D.  Bruinvee aan den Leeh, de Wertach, Iller, Ammer en Loisach. 124
1.  Het Leehdaler vee..............125
2.  Nesselwanger vee...............125
3.  Dietmannsrieder vee..............125
-ocr page 19-
INHOUD.                                                                     XV
Bladz.
4. Murnau-Werdenfelser vee............   126
Metingen..................   128
IX. Het Zwitsersche bonte ras............   130
1.  Simmendaler vee...............   130
Formulier voor een attest van gezondheid.......   134
Verbreidingsdistrikt..............   135
Melkopbrengsten...............   151
Metingen..........».......   156
2.   Het Frutig-Adelbodener vee...........  160
3.   Het overige gevlekte vee van het kanton Bern.....   161
4.   De kantons Waadtland en Wallis (Lötschenslag) ....   162
5.  Freiburger zwartbonte vee............   163
Metingen..................   166
X. Het Simmendaler rund buiten Zwitserland in groote, oude
fokdistrikten.................166
1.   Het Messkireher rund.............166
Metingen..................172
2.  Het Miesbaeher vee..............172
Metingen..................178
XI. De rundveeslagen in Beijeren...........   180
1.   Het Bayrenther gevlekte vee...........  180
2.  Het Ansbaoh-Triesdorfer vee...........   186
3.  Het Eieser vee................  189
Metingen..................   190
4.   Het Kehlheimer vee..............192
5.   Het Beijersche roode land vee en het nog niet behandelde
roodbonte slag (Traunsteiner, Waginger, Donau vee,
Waldlervee, Chamauer vee, Bisthumer vee, Further, Vol-
mauer vee)................193
6.   Het Scheinfelder rund (Heilbronner, Langheimer, Schwein-
furter, Itzgraender).............195
Metingen..................200
7.  Het Ellinger vee...............202
Metingen..................204
8.  Het Voigtlander vee..............206
-ocr page 20-
XVI
INHOUD.
Blad*.
Metingen..................  210
9. Het Donnersberger vee.............  212
XII. Het Glan-vee (Birkenfelder, Meisenheimer, Quirnbacher) .  215
Metingen..................  216
Xm. Het rundvee van het vorstendom Waldeck. Eisenberger vee
(Vogelsberger of Ehönvee, Spessartvee, Westerwalder). . .  216
Metingen..................  220
XIV.  Het Pinzgauer vee...............  220
1.  Het Pongauer vee...............  225
2.  Het Lungauer vee (Uebertaurer)..........  226
XV.  Het Kuhlander vee...............  227
Metingen..................  230
XVI.  De rassenveestal van de koninklijke veeartsenijschool te
Berlijn..................  232
E enige op ervaring gegronde wenken bij den aankoop en de
levering van vee...............  236
Naschrift van den vertaler................  243
Verbetering.....................  244
-ocr page 21-
Het laaglandsche ras.
De slagen van het laaglandsche ras, die wij hier nader willen leeren
kennen, vinden wij in de weelderige laaglanden langs de kusten der
Noord- en Oostzee en in de vruchtbare riviervlakten van midden Uuitsch-
land. In de eerste plaats komt hier in aanmerking het vee in het
koninkrijk der Nederlanden, het groothertogdom Oldenburg, de Pruisische
provinciën Holstein, Hannover en Oost-Friesland en dat uit verschillende
nviervlakten, zooals van de Weichsel, de Warthe, de Oder, de Elbe enz.
De laagvlakten langs de kust van de Noord- en de Oostzee zijn aan
de zee ontwoekerde kleigronden, die bij vloed beneden de oppervlakte van
de zee liggen. Stevige dijken beschutten ze voor overstroomingen en de
afwatering geschiedt door kanalen, waarvan de afloop zoodanig door sluizen
(zijlen) is geregeld, dat het water bij ebbe de sluizen zelf opent en zoo
gemakkelijk wegvloeit, terwijl bij vloed deze door het aandringende zee-
water weder gesloten en zoo het binnendringen daarvan verhinderd wordt.
Voor hen, die deze streken niet uit eigen aanschouwing kennen,
zullen eenige beknopte mededeelingen omtrent de daar heerschende toe-
standen misschien niet onwelkom zijn.
Het klimaat der kustlanden begunstigt den weelderigen grasgroei en
levert voor de veeteelt den meest geschikten grond. Het grootste gedeelte
van het jaar is de hemel in dikke, grauwe wolken gehuld; een sombere,
koude nevel bedekt dagen lang de uitgestrekte velden en dikwijls valt er
langen tijd achtereen onafgebroken regen.
Ook dan, wanneer geene dampen uit de zee opstijgen, is in het
voorjaar de lucht steeds met nevels gevuld, die uit den vochtigen, door
de zon verwarmden bodem opstijgen; een heldere hemel is er eene groote
zeldzaamheid.
1
-ocr page 22-
2
Mei, Juli, Augustus, October, ook November zijn dikwijls volslagen
regentijden en slechts in Januari, Maart, Juni en September is het weder
meest helder en bestendig. Daarbij is het klimaat zachter dan bij ons
en eene koude van 18° behoort reeds tot de zeldzaamheden.
Het gemeenschappelijk bestanddeel, dat wij in alle kleigronden langs
deze kusten vinden, zij het dan ook in verschillende hoeveelheid en diepte,
is het leem; het ontbreekt nergens geheel. De groote vruchtbaarheid
dezer kleigronden (marsenen), welke met die der geestgronden op eene
lijn te stellen is, (zegt Dittmann in zijn Sleeswijk-Holsteinsche landhuis-
houdkunde) mag naast de gelukkige verhoudingen in de vermenging der
bestanddeelen in het algemeen, voornamelijk worden toegeschreven aan den
rijkdom aan lichtverweerbare kiezelaarde en dan verder aan de daarin voor-
handene alkaliën en overblijfselen uit het dieren- en plantenrijk, daar de zee
bij de vorming van dezen bodem eene menigte schaaldieren, wormen, zeeplanten
en slijm, met het fijnste zand en leem vermengd, bijeengespoeld heeft.
De bestanddeelen van de vetste klei in het Dittmarsche (Holstein)
zijn volgens onderzoekingen van professor Pfaff :
Kiezelaarde.......    0.86
Leemaarde.......     0.04
Uzeroxvde........    0.03
Koolzure kalk......    0.002
Gips.........    0.009
Humus.........    0.014
Verlies.........    0.045
1.000
Het is overigens eene geheel verkeerde opvatting, zoo wij eiken klei-
grond eene gelijke, buitengewone vruchtbaarheid toeschrijven. Hier is de
bodem meer zandig, daar weer met kalk en humus vermengd, hier vinden
wij de grootst mogelijke vruchtbaarheid, daar weer een mageren grond,
die slecht en hard gras voortbrengt.
Op de zwaarste, taaiste kleigronden, die slechts met moeite kunnen
worden bewerkt, doch het weelderigste en voedzaamste gras leveren,
treedt overal de veeteelt op den voorgrond, terwijl op de lichtere zandige
gronden de akkerbouw hoofdzaak is.
Hoe ouder de weide is, gerekend van den tyd, nadat het land
voor \'t laatst voor den bouw gebruikt werd, hoe beter en krachtiger zij
is. Dittmann zegt daaromtrent:
-ocr page 23-
3
»0p goede kleigronden wordt de weide steeds beter, naarmate zij
ouder wordt, en zoo men ze voor den akkerbouw opbreekt, geeft de
daarop volgende jonge weide, in vergelijking met de oude, gedurende
vele jaren eene belangrijk mindere opbrengst. De goede marschliodem
levert mettertijd als vrij willig product een heerlijk schoone, fijne, dichte
zode, van het voedzaamste gras en witte klaver, waartusschen nooit
mos opschiet Bij voortdurende beweiding wordt door de weidegang de
grond van jaar tot jaar beter, zoodat men oude weiden tot op een voet
diepte met humus doortrokken en zwart gekleurd vindt, wat de bewoners
dier Weilanden de vSchwort" noemen. De groote waarde van zulk oud
grasland, dat het zwaarste, kernachtigste vee levert, maakt, dat men
niet licht er toe overgaat, het op te breken, zoodat men daar zeer oude,
soms lOOjarige weiden aantreft."
Op de beste kleigronden wordt op 4 a 5 morgen land eene koe ge-
houden en voor haai- gewoonlijk eene weideoppervlakte van i}, tot
2 morgen in rekening gebracht; als wintervoer wordt per koe 4 a 6 voer
hooi en stroo berekend. Het hoofddoel der fokkerij in de kleistreken is
het aanfokken van jong vee en de vetweiding *). Naarmate de prijs en
de vraag naar fokvee, of die naar vet vee voor den fokker of den vet-
weider gunstiger zijn. schijnt een van beide belangen meer op den voor-
grond te treden. De laatste jaren zijn voor de vetweiding zeer ongunstig
geweest en het staat te vreezen, dat de vetweiders, zoolang Engelands
hoofdmarkt voor hen gesloten blijft, weinig kans hebben, dat de toestanden
voor hen gunstiger worden, hoe gezocht overigens ook het smakelijke,
fijne vleesch van het kleivee is.
Voeding en verzorging van het vee gaat op de klei hoogst eenvoudig
toe. Nergens wordt daaraan bij het fokken en de verpleging die zorg
besteed, als bij ons.
Op het einde van April of het begin van Mei komt het vee in de
weide. Jong vee, koeien en mestvee worden zooveel mogelijk gescheiden
en aan de laatstgenoemden de voedzaamste weiden gegeven. Het vette
vee wordt in het najaar verzilverd en naar gelang van den stand der
weiden koopt men meestal in het voorjaar nog mager vee voor de vet-
weiding (Holsteiner en Jutlander ossen) bij.
De weidegang duurt in den regel tot in October, in gunstiger jaren
tot in November; in dien tijd blijft het vee ook \'s nachts in alle weer
*) En de «zuivelbereidiii;;" zou ik hier bij willen voegen. De Verl.
i*
-ocr page 24-
4
en wind op het land en komt eerst voor de wintervoedeiing weer
op stal.
Het wintervoer bestaat bijna uitsluitend uit stroo en hooi, waaraan
grootere boeren voor het eenjarige vee en de koeien noch wat toevoer
bij geven. Dat toevoer bestaat gewoonlijk uit graan; aardappels en rapen
worden slechts weinig gegeven: haver wordt voor het voedzaamste ge-
houden, doch ook rogge, gerst en tarwe gevoederd. Dikwijls vindt men
hier nog de gewoonte, het graan ongedorscht in volle garven of als
garvenhaksel voor te leggen (de ongeschiktste wijze van graanvoederen die
men bedenken kan, waarvan iedereen zich kan overtuigen door de excre-
menten, die de heele, onverteerde korrels bevatten); elders wordt het
graan gekneusd of gekookt of tot brood gebakken, toegediend.
Rij den stier brengt men de koeien het liefst van het laatst van April
tot het begin van Juli, opdat ze in Februari en Maart kalven; voor het
opfokken kiest men liever de vroeger dan de laat gevallene kalveren. Het
kalf wordt dadelijk na de geboorte bij de moeder weggenomen, mag dus
niet zuigen en wordt 2 a 3 weken lang met de moedermelk gevoed, die
dan langzamerhand door afgeroomde melk, vervolgens door karnemelk en
wei vervangen wordt, waaraan dan nog wat fijn hooi wordt toegevoegd.
Zachtjes aan wordt wei en karnemelk met water verdund, daar wat
gekneusd graan aan toegevoegd, nu en dan ook heele korrels gegeven,
terwijl de dieren, als ze 3J a 4 maanden oud geworden zijn, in de wei
gebracht worden (einde Juni), waar ze tot aan den winter blijven.
Het jonge dier wordt op den leeftijd van 11 tot 1 ? jaar bij den
stier toegelaten en eene goede koe 12 a 14 jaren gebruikt *).
*) Ik wil liicr een paar woorden over den juisten tijd der paring mededeelen:
Hoe vroeger de dieren voor de teelt gebruikt worden, hoe eerder zij het hun verstrekte
voedsel productief maken, en daarom zal een rationeele veefokker er steeds op uit zijn, het
jongvee, zoodra de lichamelijke ontwikkeling zulks veroorlooft, tot dekking toe te laten.
Wordt hier het juiste tijdstip verzuimd, wordt aan de zich openbarende neiging tot bevruchting
niet voldaan, dan verliezen de dieren aan ontvankelijkheid en blijven licht onvruchtbaar. Het
juiste tijdstip voor de bevruchting breekt aan, als de ontwikkeling van htt lichaam zoover
gevorderd is, dat de drachtigheid den groei van het mocderdier niet meer stoort.
Kleinere rassen zijn eerder volgroeid dan de grootere, zullen dus ook op jeugdiger leeftijd
tot de paring kunnen worden toegelaten.
De ontwikkeling van het lichaam door al te krachtig voedsel te veel te bevorderen en te
verhaasten, houd ik voor nadeelig, daar zulke al te sterk aangezette dieren voor alle ziekten
meer gedisponeerd zijn en dikwijls aan kalfverleggen en onvruchtbaarheid lijden. Hoe natuur-
lijker de voeding van het jongvee is, des te gemakkelijker zal het aan alle ziekteaanvallen
-ocr page 25-
5
Met het melken houdt men liefst 5 a 6 weken voor het kalven op,
teneinde de koe tijd te geven om op krachten te komen en eene rijkere
melkopbrengst na het kalven te verkrijgen; vooral voor jonge koeien wordt
een droogstaan gedurende zes weken gaarne in acht genomen.
Na deze algemeene opmerkingen over de toestanden in de lage klei-
landen ga ik over tot eene nadere beschrijving van elk afzonderlijk slag
van het laaglandsche ras en vang dan in liet Noordwesten met het
vee van het koninkrijk der Nederlanden aan.
I. Het vee van het koninkrijk der Nederlanden.
Het Nederlandsche (Hollandsche) vee vinden wij in de eerste plaats
in de aan de noordwestelijke grens van Duitschland langs de Noordzee
gelegene kuststreek, het koninkrijk Nederland, dat eene oppervlakte beslaat
van 594.55 vierkante mijlen. Het is een laagland in den waren zin van
het woord, dat langs de kusten werkelijk lager ligt dan de zee en door
voortreffelijke dijken daartegen beschut is. Zonder deze dijken zou het
land bij vloed tot Groningen. Leeuwarden, Zwolle, Utrecht en verder
onder water staan.
weerstand bieden, des te natuurlijker en regelmatiger zullen ook al de organische werkzaam-
beden van het dier zich ontwikkelen. Daarom zou ik, hoe sterk ik er overigens ook voor
ben, de dieren zoo spoedig mogelijk te laten bevruchten, dat tijdstip niet door overmatig
voedsel willen vervroegen, en ik kan er niet genoeg tegen waarschuwen, zoodanig kunstmatig
gedreven jongvee, voor de fokkerij aan te koopen. De ondervinding heeft toch ook voldoende
bewezen, dat vroegrijpe ontwikkeling van het lichaam door zwaar mestvoeder, wel de zwaarte
en de geschiktheid voor de vetmesting verhoogt, zooals wij duidelijk bij het Engelsche kort-
hoornras zien, doch op de melkproduktie en de vruchtbaarheid een zoo nndeeligen invloed
uitoefent, dat ik het als een van de grootste fouten beschouw, wanneer men een koppel
fok vee al te rijkelijk van voedsel voorziet.
Kleinere rassen zullen bij eene passende voeding de lichamelijke ontwikkeling, die hen
voor de paring geschikt maakt, op 1| a li jarigen leeftijd bereiken, grootere op een leeftijd
van Ij tot jaar.
Waar de melkgeving hoofdzaak is zal men met voordeel wat vroeger, waar de vetmesting
en fokkerij meer in \'t oog gehouden wordt, het tijdstip voor de paring binnen de bovenge-
noemde grenzen wat later doen intreden.
De melkafscheiding is na het eerste kalven nog gering, zij is eerst na het derde of
vierde kalf, als wauneer het lichaam tot volle ontwikkeling gekomen is, op de volle hoogte,
waarop eene goede koe tot aan het l2e jaar en langer blijft staan.
-ocr page 26-
6
Het land buiten de dijken, kwelderland genaamd, dient uitsluitend tot
weide. Deze weiden worden slechts met jongvee en schapen bezet. De
bodem is tot aan het zuidoostelijke heuvelachtige gedeelte, een vlak laag
land, hoofdzakelijk alluvium, overal afwisselende met zand en veengrond.
De voornaamste rivieren zijn de Rijn, de Maas en de Schelde met de
Waal. de IJsel. de Lek en de Vecht. Buitendien wordt het land nog door
een groot aantal kleinere riviertjes, belangrijke kanalen en vaarten door-
sneden en heeft vele groote meren. Het klimaat is gematigder dan in
meer oostelijk gelegene landen op dezelfde breedte; de lucht is door de
meest heerschende westevvinden steeds vochtig, dikwijls met nevelen
gevuld en begunstigt den weelderigen grasgroei, die ons op de heerlijke
weiden overal tegenlacht.
De belangrijkste bron van den nationalen rijkdom is de veeteelt,
waarvan ons hier de rundveeteelt uitsluitend interesseert. Van de geza-
menlijke oppervlakte zijn ongeveer 2 millioen Hectare tot akkers en wei-
den ingelicht en op deze oppervlakte worden ruim anderhalf millioen stuks
rundvee gehouden.
Het Nederlandsche vee kan als type van het laaglandsche ras worden
aangemerkt; het bezit eene Europeesche vermaardheid, en groote hoeveel-
heden worden jaarlijks naar alle landen van dit werelddeel verzonden,
meestal met het doel, aldaar het inlandsche vee te verbeteren; ook wordt
er veel vet vee naar Engeland en België uitgevoerd. Weckerlin roemt
bijzonder de schoone kalveren, de melkrijkheid en de constantheid van
dit ras.
De lichaamsbouw is groot, middelmatig en klein, naar de meerdere
of mindere vruchtbaarheid der landstreek. De lijn van het achterhoofd
langs de nekschoft, rug en kruis tot aan den staartwortel is een weinig
bol of naar boven gekromd, door den lagen afhangenden stand van den
kop, den eenigszins hoogen rug en het dalende kruis. De kop is zwaar,
lang, meer smal dan breed, niet zeer kegelvormig uitloopende, meer ein-
digende in een breeden neusspiegel. De hoornen staan meestal in eene
horizontale richting, zijn kort en naar elkander toegebogen. Dit vee be-
hoort tot het korthoornige ras. De hals is lang, smal en op den nek
hol bij de koeien, een weinig gewelfd en breed bij de stieren. De kossem
is niet zwaar of diep en begint aan de helft van den hals. De voor-
schoften zijn breed en mager, de borst niet diep. De schouders zijn
mager en bij melkvee niet zeer gevuld. De schoft is hoog en scherp.
De rug is recht, tot aan de lendenen in scherpheid afnemende en daarin
-ocr page 27-
7
in breed overgaande. De boi\'stkas is veeltijds smal, doch gaat in een
breeden buik over. De heupen zijn breed en vormen met de breede
lendenen een breed kruis, dat in vruchtbare streken zijne breedte behoudt
tot aan de achterdijen, billen of zitbeenderen. In onvruchtbare streken
versmalt het in het oogloopend en wordt naar de zitbeenderen toe zelfs
spits. De staart is afdalende, aan het kruis ingeplant en ligt tusschen
de breed van elkaar afstaande zitbeenderen in De uier is langwerpig en
breed. De melkspiegel is doorgaans breed en hoog. Ook bij de stieren
treft men breede spiegels aan. De beenen zijn lang en meer of minder
fijn, hetgeen afhangt of het een klei-, zand- of heisoort is, bij welke laatste
de achterbeenen dikwijls koehakkig gesteld zijn. De kleur is bont, zwart-
bont, roodbont. muisvaal of blesbont, blauwbont, enz. De meeste kleuren
met wit vermengd komen bij dit vee voor, doch hoofdzakelijk zwart- en
roodbont.
Het Nederlandsche vee toont in al zijne vormen de type van het
melkvee; wat de melkrijkheid aangaat staat het zeker boven alle andere
rassen, hoewel deze melkrijkheid in de laatste jaren wel eenigszins schijnt
te zijn teruggegaan. De opgaven van Uilkens, Weckerlin en Vili.eroy
bedragen alle meer dan 3000 Liter jaarlijks. De Heer Hengeveld geeft
als resultaat van veelvoudige opgaven en nauwkeurige berekeningen slechts
een middelgetal van 2850 Liter, doch voegt er bij dat bedragen van 3400
Liter en bij sommige van meer dan 4000 Liter dikwijls voorkomen. Vele
rampen, die het Nederlandsche vee gedurende eene lange reeks van jaren
geteisterd hebben, zooals de besmettelijke longziekte, de veepest enz. zullen
op dezen teruggang zeker van invloed zijn geweest en het is te verwachten
dat nu door de krachtige en doortastende maatregelen deze plagen eindelijk
zijn overwonnen en wanneer geene nieuwe rampen ons vee weer teisteren,
het bij eene oordeelkundige behandeling zijn ouden roem zal blijven handhaven.
Maar niet deze rampen alleen zijn oorzaak van den teruggang der
melkopbrengst; ten deele is deze ook te zoeken in de behandeling
waaraan het vee sinds eeuwen bloot staat. Van oudsher was de melk-
geving hoofddoel der veehouding en reeds de oude bewoners hebben hoogst-
waarschijnlijk de voorbeschiktheid van hun vee voor de melkgeving trachten
te bevorderen en het nageslacht is daarin voortgegaan en is de middelen,
die men daartoe aanwendde, blijven toepassen, ja heeft deze nog zelfs
overdreven. Als voorwaarden tot eene vermeerdering der melkgeving
wei-den steeds en worden nog beschouwd eene vroegtijdige drachtigheid,
eene schrale voeding vóór de afkalving en daarna eene rijkelijke. Sinds
-ocr page 28-
8
jaren is men gewoon de aanhouderskalveren schraal te voederen, men
geeft den dieren niet veel meer, dan noodig is om ze in het leven te
behouden. Eerst wanneer de dieren tochtig worden en na de eerste
afkalving krijgen ze meer en beter voedsel. Zulks geschiedt om bij de
jonge kalveren den aanleg voor vetgroei tegen te gaan, die later op de
melkgeving en afkalving een nadeeligen invloed zou kunnen uitoefenen.
Geeft men het kalf meer dan het voor zijn onderhoud en zijne ontwikke-
ling noodig heeft, dan moet het vet worden omdat de organen voor de
melkvorming nog niet ontwikkeld zijn, en zoo wordt het jeugdige organisme
reeds vooraf voor den vetgroei geschikt gemaakt, wat de grootere en ver-
meerderde opbrengst van de melk verhindert. Men vermijdt zulks door
de kalveren aanvankelijk schraal te voederen, maar dan ook bij de afkal-
ving, als dus de melkorganen hunne funktiën gaan vervullen, de werk-
zaamheid daarvan op kunstmatige wijze te verhoogen door het veelvuldig
afmelken en het toedienen van rijkelijk voedsel. Men heeft daardoor zijn
melkrijk vee behouden, maar niet genoeg overwogen of het vee dezelfde
grootte en zwaarte behield van vroeger.
Als men door eene kunstmatige behandeling een of ander orgaan
tot grootere werkzaamheid aanzet, dan waartoe de natuur het aanvankelijk
bestemd heeft, veroorzaakt dit een grooteren aanvoer van bloed naar dit
lichaamsdeel, dat dus aan de andere deelen onttrokken wordt, waarvan
dan de groei wordt tegengehouden. Is de vrucht geboren dan begint de
melkafscheiding, niet zooveel als noodig is, om het jonge dier te voeden,
maar de uiers worden door kunstmatige uitzuiging, het melken, zoodanig
geprikkeld, dat zij tot hoogere productie worden aangezet. Dit staat
den lichaamsgroei in den weg. Het gevolg is een melkrijk dier maar
van kleiner gestalte en geringer ontwikkeling, dan wanneer het dier ter
voortteoling en melkgeving gespaard was geworden tot zijn volwassen
leeftijd.
De koeien zijn tegenwoordig kleiner en lichter dan vroeger en geven
daardoor minder melk. Voor eene vergelijking van de melkrijkheid van
het Nederlandsche vee met dat van andere beste melkrassen, verwijs ik
naar de vergelijkende tabellen voorkomende op bladz. 32 van dit werk.
De geschiktheid voor vetmesting is bij dit vee goed. Weckerlin ontzegt
aan het Nederlandsche vee de eigenschap van mestvee, doch de gegrond-
heid dezer meening mag worden betwijfeld. Dat men hier niet zulk vet vee
heeft als in sommige andere streken, zal wel grootendeels daaraan liggen,
dat men hier meer voordeel geniet van de zuivelproductie, dan van de vet-
-ocr page 29-
9
weiding en er zich dus minder op toelegt. Voorbeelden van buitengewoon
zwaar vee zijn in voldoende hoeveelheid aan te halen, hoewel deze vroeger
veelvuldiger schenen te zijn dan thans, \'t Mag zeker van belang worden
geacht, dat bij de fokkerij op deze omstandigheid worde gelet en men
niet door al te veel op één belang te letten, al de anderen over het hoofd
zie. Het Nederlandsche vee munt uit door het werpen van groote en
sterke kalveren, die gemakkelijk vet en zwaar worden en dus bij betere
voeding zich uitstekend zullen ontwikkelen. Ook in het buitenland (Ver-
slag der internationale tentoonstelling te Parijs in 1856. enz.) wordt het
oordeel uitgesproken, dat dit vee bij eene meer oordeelkundige veefokkerij
en verpleging kan wedijveren rnet het beste en edelste vee van Europa.
De wisselende pigmenten van de onbehaarde deelen der huid, welke bij
dit vee worden waargenomen, wijzen op eene kruising met ander vee,
doch het is thans niet meer uit te maken, wanneer en op welke
wijze deze heeft plaats gehad. Het steeds navolgen van hetzelfde doel,
de vermeerdering der melkopbrengst heeft aan het ras eene vastheid,
eene bestendigheid van in- en uitwendige eigenschappen gegeven, die zoo
sterk is, dat men na jaren lange voortteling ook op vreemden bodem,
zooals in Engeland, Normandië, Begeren, aan de Weichsel enz. nog altijd
de hoofdvorm van het ras er in kan ontdekken. Bekend is de eenigen
tijd lang voortgezette kruising met Shorthornvee.
Wij vinden in Nederland verschillende veeslagen (van rassen kan
hier in eigenlijken zin niet gesproken worden). Sommige dezer onder-
rassen of slagen bezitten geschikte eigenschappen voor mest vee, anderen
voor melkvee, weer anderen vereenigen beide eigenschappen in zich, hoe-
wel voor het meerendeel de neiging voor melkgeving bij dat vee de over-
hand heeft. Het verschil in eigenschappen hangt af van de meerdere of
mindere vruchtbaarheid van den bodem, van de hoogere of lagere ligging,
zijne samenstelling en ook van de behandeling van het vee en het doel
der veehouding. In hoofdvorm komen al de slagen met elkaar overeen
en bepalen zich de afwijkingen hoofdzakelijk tot wat groveren of fijneren,
wat grooteren of kleineren vorm, waarin men echter tot zelfs bij de
schraalste en mismaaktste variëteiten de laaglandsche of Nederlandsche type
kan terugvinden. Deze afwijkingen in vorm en aanleg worden geheel
beheerscht door de gesteldheid van den bodern, waarop zich het vee be-
vindt, dat zoo gevoelig is b. v. voor de verandering in de vermenging
der verschillende grondsoorten, de hoogere of lagere ligging, de be\\vate-
ring, de droogte of vochtigheid van den dampkring, de temperatuur enz.,
-ocr page 30-
10
dat het minst merkbare verschil in dit opzicht eene verandering in den
vorm voortbrengt. Naar den toestand van den grond veranderen dus de
eigenschappen en daar de meeste provinciën alhier verschillende grond-
soorten hebben, treft men daar ook twee of drie verschillende onderrassen
of slagen aan. In het algemeen kan men stellen, dat Nederland uitmun-
tend vee bezit van grooten hoekigen lichaamsbouw, waartoe het kleivee
behoort, vervolgens een meer gedrongen slag, dat weinig kleiner en min-
der hoekig is, en daarom de melkgeving verbindt met de neiging tot vet-
wording, zooals dit op humusrijke gronden wordt aangetroffen en eindelijk
het kleine slag van vee der zandstreken en het nog armoediger heidevee.
Door eene sedert eeuwen voortgezette fokkerij naar een zelfde doel,
de melkproductie, waarbij, zooals vroeger reeds werd vermeld, de andere
belangen en vooral ook het lichaam van het dier te veel werden verwaar-
loosd, heeft het Nederlandsche vee langzamerhand eene vaste vorm ver-
kregen, die wanneer men ze met andere buitenlandsche rassen vergelijkt,
niet zonder gebreken is te noemen. Zonder onderscheid kan men het
heupig en schonkig noemen, de kop is te lang en te groot in verhouding
tot den omvang van het dier, de borstkas en het geheele voorstel is in
verhouding tot het breed en zwaar achterstel en de ledematen te weinig
ontwikkeld. De enge borstkas geeft aanleg voor longziekten en is niet
bevorderlijk aan eene betere ontwikkeling der zachte deelen. De beenderen
steken te veel uit, zooals de darm- en zitbeenderen, het heiligbeen en
de schoftwervelen, dikwijls ook de rugwervelen, terwijl de schouderge-
wrichten bij de ondiepe en te platte borstkas mede te veel uitsteken.
Deze gebreken, welke het Nederlandsche vee aankleven, zijn toe te
schrijven aan het doel, waarvoor men deze dieren sedert eeuwen bezigt,
aan de eenvoudige verpleging waaraan zij gewend zijn geworden en aan
eene te weinig beredeneerde fokkerij. Terwijl men van het dier op kunst-
matige wijze veel meer trekt, dan het in natuurlijken staat zoude geven,
is de vergoeding, die men het dier voor deze verhoogde productie geeft
daarmede niet in evenredigheid. In de vruchtbaarste streken is de voe-
ding, hoe voortreffelijk overigens, zoo hoogst eenvoudig, dat men ze bijna
met den natuurlijken staat zou kunnen gelijk stellen. Zes of zeven
maanden is het vee in de weide en de overige maanden op stal, waar
het gras en hooi met wat bijvoeder ontvangt. Hoe meer gras en hooi
met wat bij voeder het ontvangt hoe grooter het wordt. Verder wordt
bjj de fokkerij te weinig naar een vast doel gewerkt, te weinig gelet op
den ouderdom, lichaamsvorm, afkomst, physiologische eigenschappen, wijze
-ocr page 31-
il
van gebruik, erfelijke gezondheid, lichaamskracht en individueele deugden
van de fokdieren, benevens op het doel waarom men fokt en het plan
dat men daarbij te volgen heeft. Wil men de genoemde gebreken weg-
nemen dan moet men zijn vee beter verzorgen, grootere zorg besteden
aan de fokkerij en zich eene betere kennis van de natuur der dieren en
de wijze van behandelen eigen maken. Gelukkig is in dezen vooruitgang
te bespeuren. Overal ziet men fok- en stamboek-vereenigingen oprichten,
die ook door het houden van tentoonstellingen en het uitreiken van pre-
miën op de gemoederen der landbouwers en veefokkers invloed uitoefenen,
hunnen lust opwekken, hunnen naijver prikkelen, en hunne zucht naar
voordeel vergrooten. Overal in het land gaan stemmen op, die aandringen
op verbetering van landbouw» en veeteeltkundig onderwijs en hier en daar
slaat men reeds zelf de handen aan den ploe<r. Zoo is op initiatief der
Hollandsche maatschappij van landbouw te Oudshoorn eene hoeve met
bijbehoorend weiland aangekocht om aldaar eene landbouwinrichting te
openen, voornamelijk met het doel om de zuivelbereiding meer in overeen-
stemming te brengen met de theoretische en praktische ervaring van den
jongsten tijd, op welke landbouwschool zoowel mannelijke als vrouwelijke
leerlingen aan het onderwijs kunnen deelnemen. Zoo wordt ook in de
Groninger veenkoloniën zeer geijverd voor het landbouwonderwijs en zullen
van wege eenige landbouwvereenigingen aan den Minister van Waterstaat,
Handel en Nijverheid en aan de rijkslandbouwcommissie adressen worden
ingediend, houdende verzoek tot medewerking aan de invoering van het
landbouwonderwijs in dier voege als het in Duitschland op de winter-
scholen wordt gegeven. In Bolsward wordt de oprichting en instandhou-
houding eener zuivelschool met ernst voorbereid en binnen kort zal men
tot de aanbesteding van het gebouw en de verdere inrichting overgaan.
De gelden daarvoor zijn verkregen door verschillende corporatiën, terwijl
deze fondsen door subsidiën van het rijk, de provincie en de stad worden
versterkt. Er is aldaar eene vereeniging voor vakonderwijs in de zuivel-
bereiding voor de provincie Friesland opgericht, waarvan de statuten zijn
goedgekeurd bij Z. M. besluit d.d. 6 Maart 1888. Het bestuur dier ver-
eeniging bestaat uit een lid van het Hoofdbestuur van de maatschappij
van landbouw en veeteelt in Friesland, een lid van deze maatschappij,
een lid van het gemeentebestuur van Bolsward, een lid van het gemeente-
bestuur van het St. Anthony-Gasthuis te Bolsward, drie leden van de
vereeniging voor vakonderwijs in de zuivelbereiding.
Vele voorbeelden zouden nog kunnen worden aangehaald ten bewijze
-ocr page 32-
12
dat het streven naar meerdere kennis der veeteeltkunde bij den Nederland-
schen veehouder steeds levendiger wordt, doch wij willen ons bij het aan-
gehaalde bepalen en thans overgaan tot eene nadere bespreking van de
verschillende veeslagen in die provinciën, welke voor het doel van dit
werk daarvoor in aanmerking komen en vangen dan aan met de noord-
oostelijkste provincie, Groningen.
1. De provincie Groningen
in het noorden door de Noordzee, in het oosten door den Dollard en Oost-
Friesland, in het zuiden door Drenthe en in het westen door Friesland
begrensd, is de provincie in Nederland, waar landbouw en veeteelt op den
hoogsten trap van bloei staan. Het is een rijk land met een nijvere
intelligente bevolking.
Het rundvee is in de verschillende deelen der provincie niet hetzelfde,
het wisselt in zwaarte en vormen naarmate de bodem verandert, naarmate
het op den kleibodem, den zand- of den veengrond leeft.
De kleibodem der provincie strekt zich hoofdzakelijk ten noorden van
de stad Groningen uit en loopt langs de geheele kust; de beste grond
ligt in het noordwesten, het zoogenaamde Noordelijk-Westerkwartier. Hier
vinden we naast uitgestrekte schoone graslanden uitmuntende met witte
klaver en raygras bezaaide weiden en het zwaarste, schoonste vee van
Groningen.
Hier vindt men ook nog de, helaas zeer zeldzaam gewordene, uitste-
kende, Groningsche Blaarkoppen, die zoowel voor de melkgeving als voor
de vetmesting even voortreffelijk zijn. Kenmerkend is bij deze dieren de
kleine kop met opvallend breed voorhoofd en fijne, naar voren gerichte
hoornen, breeden neus.spiegel en grooten muilspiegel. De kleur is zwart
of zwartbont met overwegend zwart, de kop wit, de oogen somtijds met
een zwarten kring (bril) omgeven. Er wordt in dit distrikt, even als in
de overige deelen van de provincie, veel werk gemaakt van zoogenaamde
Hollandsche koeien, zijnde deze de zoodanigen, die aangehouden worden
om als jong melkvee voor Holland te worden verkocht. Men legt zich
hier zoowel op de zuivelbereiding als op de vetweiderij of vetmesting en
de fokkerij toe. Het melkvee gaat naar Holland, de boter wordt verkocht,
kaas voor eigen gebruik gemaakt en het vette vee wordt opgekocht voor
Londen en Amsterdam.
Het Groningsche vee van den kleibodem is een fraai geproportioneerd,
-ocr page 33-
13
fijn melkvee, van het zware slag. De grootte van den kop, de lengte
van den hals, de lengte en breedte van de overigens breede schoft,
rug, lenden, heupen, kruis, staan allen met elkander in eene gewenschte
verhouding. De borst is tamelijk breed en diep, de ribben gevuld en
gewelfd, de flankstreek niet te lang, de dijen gevuld, het kruis recht,
de staart recht en kort aangezet; bij de jongere dieren is het kruisbeen
wel eens wat hoog en driekant op de wijze van een ezelskruis, doch
dat op later leeftijd verdwijnt en meer plat wordt, terwijl de dijen van
achter en ter zijde goed en laag gebroekt zijn, doch van achteren eer
plat dan afgerond, een gewenschte eigenschap in de oogen der veefokkers,
die zulks gaarne zien, zelfs zoo, alsof de dijen van achteren met eene
spade afgestoken zijn en een breed vierkant vormen. Daarbij zijn de
ledematen ook breed van voren en van ter zijde, bij de jonge dieren wel
eens wat lang, doch goed en stevig gevormd, waardoor het dier een
eenigszins slank, fraai, afgerond voorkomen heeft. De uier is goed ont-
wikkeld, afgerond, aangesloten vierkant en veerkrachtig met fijne spenen.
De melkspiegel is breed en van uitstekenden vorm. Voor kleivee zijn het
geraamte en de ledematen fijn gevormd.
Als karakteristiek teeken kan de kop worden genoemd. Deze is bij
geen der Nederlandsche veeslagen van zulk een eigenaardigen vorm. Hij
is eer klein dan groot met een breed voorhoofd, voorzien met goed ge-
kromde naar voren gelichte kleine hoornen van fijn weefsel; de neus is
aan het grondstuk breed en loopt bijna spits uit tot aan den breeden
neusspiegel, waardoor dit deel met de onderlip eenigszins breed en groot
schijnt, doch inderdaad met den mond, kin en mondspleet fijn be-
sneden is.
De kleur is zwartbont, zwartwitkop, zwartblaar en enkelen vaalbont.
De gemiddelde lengte van het grondstuk der hoornen tot aan het
begin van den staart is van 2.00 M. tot 2.05 M., de hoogte van de
schoft 1.31 M., van de heup 1.32 M.
Het vee van het Westerkwartier kenmerkt zich door groote een-
vormigheid, zoodat men het op den eersten oogopslag onderscheidt, zelfs
van het vee in de onmiddellijk aan de provincie Friesland grenzende streken
zooals te Ruigezand. Voornamelijk is dit toe te schrijven aan de zorg
voor onverbasterde stieren die men uit eigen veeslag aanhoudt, terwijl
stieren uit aangrenzende streken, zooals b. v. uit Friesland, ja zelfs uit
Hunzegoo, het zoogenaamde Hoogland, ten strengste worden geweerd. Hierdoor
bewaart men de type, wat ook voor den fokker van veel belang is, daar
-ocr page 34-
14
dit vee in Holland zeer gewild is en men daarom het deugdelijke ras
onvermengd en onberispelijk tracht te bewaren.
Men brengt de vaarzen hier zeer vroeg, dikwijls reeds wanneer zij
pas een jaar oud zijn , bij den stier, die op gelijken leeftijd dekt.
Zoo kocht ik in het Westerkwartier een stier van den heer Clevkringa
te Ezinghe, die 1 jaar en 6 maanden oud reeds 138 koeien had gedekt,
zooals ik uit het mij voorgelegde dekregister kon zien. De stier in het
rundveestamboek als Willem III ingeschreven en met 3 gebrand, had op
de stierenkeuring in Nijverheid den eersten prijs verworven en was inderdaad
een zeldzaam schoon ontwikkeld, voor zijn leeftijd buitengewoon zwaar
dier, wiens dekkingsvermogen zonder weerga was. De maten van dit
dier geef ik in de achterstaande tabel van de heerlijkheid Fischbach. Het
is hier geene zeldzaamheid, dat 4jarige koeien het derde kalf brengen,
iets wat slechts bij eene zoo voortreffelijke, krachtige voeding, bij eene
zoo met de natuur overeenstemmende behandeling en goede verpleging als
het vee hier overal vindt, mogelijk is.
Het vee in het Westerkwartier heeft zoowel eenen uitmuntenden aanleg
voor de melkgeving als voor de vetwording. Bij goede voeding geeft het
tamelijk veel melk en zet zich daarbij gemakkelijk uit en behoudt een
welvarend uiterlijk. Vooral kan men dit waarnemen, wanneer deze dieren
naar de vruchtbare weiden van Zuid-Holland worden overgebracht; toch
ligt dit niet hoofdzakelijk aan deze vruchtbare weiden, daar het vee op
4 a 4.\'jarigen leeftijd hierheen verkocht wordt en dan eerst tot volle
ontwikkeling komt. Blijven ze in Groningen, dan neemt men hetzelfde
verschijnsel waar. Vooral schijnen het de vale dieren te zijn, wien eene
zoo gelukkige vereeniging der beide eigenschappen, melkgeving en vetgroei,
eigen zijn.
Het gemiddelde melkbedrag per koe en per jaar kan op 2600 tot
3500 liter gerekend worden. Het slachtgewicht van koeien en ossen is
van 300—350 kilo en kan gebracht worden tot 450 KG.
Behalve den kleigrond vinden wij ten Zuiden van de stad Groningen
langs de geheele zuidelijke grens van de provincie zandige, dikwijls met
veen afwisselende gronden, die in den zuidoostelijken hoek der provincie
het zoogenaamde Westerwolde, het lichtst en onvruchtbaarst zijn. Het
is eene fraaie landstreek met veel natuurschoon, vooral wanneer men van
het vriendelijke, nette Groningen in zuidelijke richting naar Haren en
Zuidlaren gaat. Wij vinden hier voortreffelijk vee, dat voor het boven
beschrevene kleivee van het Westerkwartier maar weinig behoeft onder
-ocr page 35-
15
te doen. De bodem is hier ook nog zeer goed, doch wordt steeds minder
wanneer wij ons verder van Groningen verwijderen en ons naar Wester-
wolde, naar de grenzen van Drenthe en Hannover begeven. De veehouderij
in de gemeente Haren wordt met de meeste zorg gedreven, de melk-
bedragen zijn over het algemeen dezelfden, als ik ze bij het vee van den
kleibodem opgaf. Het op deze lichtere gronden gefokte vee is kleiner dan
het kleivee, het kleinst is het in Westerwolde; het is een echt type van
de bebouwde zandgronden. Naderende aan de Drenthsche heide, vermin-
dert het in eigenschappen en gaat over in de vormen van het heivee.
Uiterlijk schijnt het eer tot de fijne, dan tot de grove soorten te
behooren. Het geraamte is eenigszins hoekig en schonkig, maar fijn van
weefsel en de ledematen zijn ook niet zoo zwaar als bij het kleivee. De
grootte van het lichaam verschilt en het vee kan onder het grootste der
middelmatige soorten gerekend worden. De kop is wat lang uitgerekt en
met de hoornen een weinig grof, de muilspiegel en mondspleet breed en
groot, de hals lang, dun en laag aangezet, met een afhangenden, eenigs-
zins ruimen kossem, die aan de borst eenige diepte geeft; de schouders
zijn smal en eenigszins spits, de schoft somwijlen hoog en kamvormig, dat
zij dan tot de helft van den rug behoudt, de lenden liggen een weinig
laag voor het kruisbeen, dat daardoor hooger schijnt, dan het werkelijk
is, doch toch hooger dan de rug en het daalt met eene verdieping
tot voor de aanzetting van den staart, waardoor deze eenigszins hoog
aangezet is. Het achterstel is overigens goed ontwikkeld, wat smal,
matig lang met smalle en recht afloopende dijen, waardoor de achterbeenen
wat lang en gerekt zijn, vooral in de hiel of achillespezen. De uier is
goed ontwikkeld, de melkteekens gunstig en de stand der voor- en achter-
beenen recht, soms iets naar het koehakkige zweemende.
De huid is los, week, ruim en niet zoo grof, als de hoorns doen
vermoeden; de haarbedekking kort en glad, zoodat het dier veel aanleg
heeft voor vleesch- en vetgroei en evenzoo voor de melkgeving. Het geheel
is eene diersoort, die men gaarne koopt en naar betere weiden overbrengt,
alwaar het zich goed ontwikkelt en de gebreken verdwijnen, zoo het al
gebreken zijn, daar zij voor een groot deel voortkomen uit te schrale
voeding en te weinig zorg voor de fokkerij, zooals dit veel op de bebouwde
zandgronden plaats heeft.
De gemiddelde hoogte der dieren is 1.24 M., de lengte 1.92 en de
afstand van de linker elleboog tot de rechter heup, zooals de veekoopers
wel eens gewoon zijn te meten, 1.40 M. De heerschende kleur is zwart-
-ocr page 36-
16
bont, zwart witkop en somtijds vaalbont. Men schat het jaarlijksch bedrag
aan melk van eene zandkoe op 2000 tot 2600 liter.
Het zandvee ontwikkelt zich langzamer dan het kleivee, als natuurlijk
gevolg eener minder goede voeding. Naarmate de bodem slechter of beter
is, naarmate deze meer den kleibodem of meer den on vruchtbaren zand-
bodem nadert, worden de dieren ook naar eigenschappen en uiterlijke
vormen beter of minder, zijn toch deze eigenschappen en vormen afhan-
kelijk van de voeding, die het vee in de natuurlijke\'gesteldheid van den
bodem geboden wordt. Wordt het zandvee uit deze streken naar beteren
bodem overgebracht, waar het rijkere voedingsmiddelen vindt, dan zal
spoedig het melkbedrag grooter worden, hel lichaam zal steeds meer de
vormen van het schoone kleivee aannemen. In elk geval zal een ieder,
die niet met volle hand het voedsel reiken kan, beter doen het benoodigde
vee uit schrale streken te betrekken, dan daar, waar het aan een rjjk
voorzienen disch gewoon is. Aan het betere gewent zich ieder individu
spoedig en gemakkelijk en het is dankbaar, wanneer het in staat wordt
gesteld, meer te produceeren; het slechtere moet steeds ontaarden.
In de geheele provincie is de opfok mee een der hoofdbelangen van
de veehouderij, deze wordt met de grootste nauwlettendheid en zorg ge-
dreven en geeft uitstekende resultaten. Niet slechts Noord- en Zuid-HoI-
land en de overige provinciën van Nederland koopen zeer veel rundvee in
Groningen (Noord- en Zuid-Holland voornamelijk vierjarige, nieuwmelkende
of drachtige koeien) maar ook andere landen en vooral Duitschland ont-
vangen jaarlijks het Groninger vee tot zeer hooge prijzen.
2. De provincie Friesland
door Groningen, Drenthe, Overijssel, de Zuiderzee en de Noordzee be-
grensd. fokt zeer veel vee. De bodem is rijk aan bouw- en weiland
en bestaat uit onderscheidene grondsoorten als klei, laagveen, hoogveen,
zand en heide, welke grondsoorten, behalve de klei, zoodanig in en door
elkander loopen, dat het moeilijk is, van het hier huizende vee een dui-
delijk overzicht te geven. Men kan het Friesche vee naar den bodem,
waarop het leeft, het best indeelen in klei-, veen- en zandvee.
De kleistreken strekken zich langs de noordelijke en westelijke kusten
uit en zijn allen ontstaan door aanslibbing van de Noordzee in het noorden
en noordwesten en van de Zuiderzee in het westen en voor een deel in
het zuiden. In de noordelijke streken, waar de graanbouw op den voor-
-ocr page 37-
17
grond staat, is de aard en het karakter van het kleiveè iets anders dan
in de streken waar de zuivelbereiding hoofdzaak is.
Het kleivee is over het algemeen groot van stuk, beenig, langer en
minder gedrongen dan het Groningsche, hooger op de beenen, hooger en
scherper van rug, ondieper van borst, meer platribbig, doch bezit, hoewel
minder gebroekt, een vrij lang en breed achterstel met groot ont\\vikkel-
den uier en de melkrijkheid is hooger dan bij het laatstgenoemde vee.
Wat het vee der graanstreken betreft, waarvan dat van het Bildt
als type kan gelden, heeft het alle de eigenschappen van de bovengenoemde
Friesche vormen. De grootte is boven het middelmatige; de vorm lang
en bij matige breedte eenigszins slank van voren en duidt op den melk-
vorm. De kleur is over het algemeen zwartbont, blauwbont, roodbont,
krulmuisvaal en enkele zwartwitkoppen en zwartblaar. In den omtrek
van Harlingen heeft het wit de overhand; ook hier staan de muisvalen
goed aangeschreven. Deze bezitten een fraai besneden kop, schoon oog,
als van het hert en eene zachte geaardheid. De donkerkleurige en kroes-
harige zijn beter tegen het ruwe weder bestand dan de gladharigen. De
huid is niet zeer zacht, doch bij stalvoedering wordt zij weeker en glanziger.
Het geraamte is zeer ontwikkeld en niet fijn, de hoornen zijn eer grof
dan fijn, doch soms fijn en kort; de kop is middelmatig lang, de neus-
spiegel en mondspiegel groot en breed; de hals is lang, dun en laag aan-
gezet en ook de schoft is laag, waardoor de schouderbladen wat uitsteken
en de voorschoft wat voorboegig schijnt bij eene ondiepe borst; de rug is
hoog. evenzoo de lendenen met een indruk voor het kruis, dat weder
hooger is dan de rug; de ribben zijn een weinig plat, de buik groot en
de omvang is daardoor meer plat dan rond kegelvormig; het achterstel is
goed ontwikkeld, de staart laag ingeplant en hangt niet tusschen, maar
meer achter de dijen; de afstand der zitbeenderen is matig breed, de
heupen breed, de dijen in en boven de wade breed, de stand is meer
recht dan koehakkig. De melkteekens, uier, spiegel, melkgat, melkaderen
zijn voo] treffelijk, terwijl de hoeveelheid de hoedanigheid overtreft, het boter-
gehalte niet uitstekend is,. doch ook veel van de voeding afhangt. De
hoeveelheid melk bedraagt dagelijks op het tijdstip der hoogste melkgeving
1G—20 liters en op het laagste 6—8 liters, terwijl de tijd van droogstaan
verschilt van 6—8 weken.
De aanleg voor vleesch- en vetgroei is matig en toch is een schoon
gewicht van 400 kilo\'s geene zeldzaamheid; men vindt op sommige plaatsen
vee met veel aanleg daarvoor, die dan zwaarder kunnen worden. Eene
o
-ocr page 38-
18
andere opgaaf\' geeft de zwaarte op als verschillende van 300—450 kilo\'s
schoon aan de haak.
De gebreken van den lichaamsvorm, die uit de boven gegevene be-
schrijving wel in het oog vallen en over het algemeen aan al het Friesche
vee eigen zijn, zijn deels een gevolg van het klimaat en het doel der
veehouding, maar vloeien ook voort uit de opvoeding, voeding en verpleging.
Evenals elders worden de eenjarige kalveren wel eens wat verwaar-
loosd. Zij ontvangen zeer weinig melk in den beginne, daarna wat
kalvermelk en weide. In het tweede jaar worden zij op de huitengronden
gebracht, op de zoogenaamde kwelders, waar de stieren en vaarzen onder-
een loopen. Daar er evenwel veel zomerstalvoedering is, ontvangen zij
ook groen voeder. Gedurende den winter ontvangt het vee hooi en stroo
van granen en peulvruchten, en wanneer er gebrek aan hooi is, dan
geeft men de boonengarven in hun geheel, dat is ongedorscht, waarvan
alles wordt gebruikt, uitgezonderd de ondereinden en de harde stengels.
In den laatsten tijd legt men zich algemeen meer op eene betere voeding
van het jonge vee toe en kiest men voor de aanhouderskalveren liefst
die van goede ouders, hetgeen tot eene verbetering der vormen kan leiden.
De hier gegevene beschrijving van het vee in de Bildtstreken is ook
geheel van toepassing op het vee in de overige meest landbouwende klei-
streken. Alleen in den omtrek van Harlingen verandert het eenigszins.
Men treft hier zeer groot, zwaar en plomp vee aan, dat de reeds opge-
noemde eigenschappen, doch minder aangename vormen heeft, met uitste-
kenden rug, eenigszins gelijkende op den zoogenaamden karperrug; over
het geheel zijn van dit slag de vormen, het geraamte, de ledematen, de
huidbedekking en hoornen grover dan in de meer noordelijke kleistreken.
Ongeveer hetzelfde soort van klei vee treft men aan in de zuivelstreken,
in den omtrek van Leeuwarden en in de richting van Sneek, waar men
uitsluitend wei- en hooiland, geen bouwland aantreft.
Hoofddoel der veehouding is hier bijna uitsluitend zuivelbereiding,
aanfok en verkoop van jong vee, waarvan veel naar Duitschland gaat en
verkoop van vier- en vijfjarig melkvee naar Holland.
Het vee heeft hier geheel den melkvorm en verschilt van het zooeven
behandelde door meerdere grootte en meerdere ontwikkeling van het ge-
heele lichaam, doch hoofdzakelijk van het achterstel en den uier. De
meesten hebben een mageren kop met middelmatig fijne hoornen, waarvan
sommigen zeer fijn en klein; de hals is niet te lang, de kossem begint
halverwege den hals en hangt bij sommigen in een ruime plooi af en
-ocr page 39-
19
tusschen de voorbeenen; de borst is tamelijk breed en/mep, waardoor de
voorbeenen wat lang zijn; de schoft en rug zijn hoog en gaan met een
afdaling naar den staart, die wel eens te laag afhangt en ter zijde geen
fraaien vorm verraadt van het geheele kruis, doch de heupen en zitbeen-
deren zijn vrij breed en lang, waardoor het achterstel breed is en veel
meer ontwikkeld dan het voorstel. De gebroektheid van het Groninger
kleivee ontbreekt, hoewel zij van achteren wel gevleesd zijn, doch de
dijen houden niet zoo laag hunne breedte, waardoor de zoogenaamde hiel-
pezen langer zijn en ter zijde gezien het achterstel meer mager dan ge-
vleesd is. De melkteekens zifn voortreffelijk. De buik en de uier zijn
goed ontwikkeld en groot, doch de laatste sluit niet zoo fraai afgerond
aan het lichaam, als bij de Groningsche koeien, de spenen zijn fijn, de
melkaders breed met vele kronkelingen, het \'melkgat groot en de melk-
spiegel breed en hoog. Het melkbedrag verschilt en bedraagt omstreeks
3 maanden na het afkalven van 20—28 Liters, zoodat men er velen
aantreft, die per jaar over de 4000 Liters melk opbrengen. Het slacht-
gewicht verschilt van 350—400 en 450 KG. Dit vee overtreft het Gro-
ningsche in melkproductie, maar het heeft minder aanleg voor vleesch-
en vetgroei.
Evenals in het Bildt en de overige noordelijke gemeenten, ontvangen
de kalveren direkt bij de geboorte karnemelk (in Friesland noemt men
deze suup). Hierdoor sterven vele kalveren, ook jaagt men ze buitendijks
en worden de kalveren te vroeg besprongen. Toch is hier veel ver-
betering te bespeuren en wordt er meerdere zorg aan de weilanden besteed,
waardoor de voeding beter wordt. Na de eerste kalving worden de dieren
beter gevoed. Zij ontvangen dan des zomers betere weiden en in den
winter in plaats van een weinig hooi en stroo, hooi en water rnet lijnkoek
gemengd en bij gebrek aan lijnkoeken ook wel grof meel of boonenmeel.
Ten zuiden en oosten van de Friesche kleigronden, tegen de hooge
veenen en het zand in het oosten der provincie liggen in eene rechte
lijn van Stroobos naar Stavoren, dus in het midden en zuiden, eene
menigte meeren en plassen, lage veengronden, moerasveenen die deels
uitgeveend, droog gemaakt en ingepolderd zijn. Zij vormen als het ware
eene kom waarin al het water der provincie, zoowel van de klei als van
de zandgronden te zamen vloeit. Al deze lage gronden zijn met voedzame
wei- en hooilanden bezet, die zeer geschikt zijn een goed soort van rund-
vee voort te brengen en te onderhouden.
Het vee, dat hier gevonden wordt, is fraaier en beter geproportioneerd
2*
-ocr page 40-
20
dan dat der kleigronden. Het is iets kleiner, bijna even lang, ronder
en dieper, korter op de beenen en meer gebroekt dan dat der klei.
Hoewel de knokigheid, die over \'t algemeen aan het Fiïesche vee eigen is,
ook hier niet ontbreekt, vindt men er toch vele dieren, wier vormen veel
overeenkomst hebben met het vee uit het Noordelijk Westerkwartier in
de provincie Groningen. Het geraamte, de hoornen en de ledematen zijn
fijn. De huid ligt los en ruim over het lichaam, voelt zacht en week
en is van geen grof weefsel. Het haar is zacht en glad, meest zwartbont
met weinig wit. De kop is welgevormd, eer fijn dan grof, de hals niet
te lang en niet zeer laag aangezet, de borst is tamelijk diep, de ribben
en borstkas rond, tegen den rug een weinig plat. de hongergroeven of
afstand van de laatste rib tot de uitstekende heup lang; lange lendenen,
het kruis een weinig verheven met sterken indruk voor de inplanting van
den staartwortel, die breed en vet is en in een recht afhangenden,
langen, fraai gepluimden staart eindigt. De heupen, het kruis en de
dijen zijn lang, matig breed; de achterbeenen zijn breed gebroekt. De
stand is recht en alleen de staartbanden konden wat korter zijn.
De aanleg voor melkgeving en vetgroei is bij dit vee uitstekend.
Het melkbedrag is op zijn hoogste gift 46—28 liter, het slachtgewicht
300—450 KG. Hoewel dit vee in melkrijkheid bij het kleivee eenigszins
ten achteren staat, zoo overtreft het dit weer in fijnheid van maaksel,
gehalte en evenredigheid en rondheid der vormen.
De gemeenten, waar het Friesche zandvee gevonden wordt, liggen
oostelijk van de veengronden. Hiertoe behoort ook het aan natuurschoon
zoo rijke Gaasterland. Het is een oude diluviale zandgrond, waar men
leem en bij nieuwe inpolderingen ook klei aantreft.
Behalve mestmaking en zuivelbereiding is ook de aanfok van kalveren
het doel der veehouding in deze streken.
Het vee komt veel overeen met dat der klei en dat der andere woud-
en zandstreken der provincie. Het is middelmatig zwaar, de melkteekens
zijn goed, zooals bij al het Friesche vee. Bij eene betere voeding en
verpleging is het voor verbetering vatbaar.
Behalve de kleigronden in de nabijheid en ten zuiden van de
Lauwerzee, bestaat de geheele oostelijke grens van Friesland uit bebouwde
zandgronden, ontgonnen hooge veenen, nog woest liggende hooge veenen
en heide.
Een bepaald type van rundvee wordt hier niet aangetroffen. In het
noorden vindt men eene overgangssoort van het kleivee tot het zandvee.
-ocr page 41-
21
in het midden en zuiden den overgang van het veensoort tot het zandvee
en op de oostelijke grenzen hezit het vee al de eigenschappen van het
zandvee, zooals men het in het Zuidelijk Westerkwartier van Groningen,
in Drente en Overijsel vindt.
De bedoeling der veehuishouding is in al deze streken zeer verschillend,
en hangt te zamen met de uitgestrektheid der veen- en zandgronden, die
men heeft en bestaat in boter- en kaasmakerij, vetweiderij, bemesting,
aanfok van eigen vee, verkoop van melkvee, ook veel van varevee tot
vetweiding.
In de omstreken van Heerenveen, Oudeschoot enz. vinden wij nog
een klein veeslag met lang lichaam, fijn gevormd met kleine hoornen,
weinig gevleesden kop, langen hals, hooge schoft, met een indruk daar-
achter, lange lendenen, eenigermate hoog kruis en tot aan den staart
kort, weinig ontwikkelde dijen, wat smal van achteren, soms eenigszins
hoog gesteld, de achterbeenen vrij recht, soms eenigszins koehakkig en
doorgezakt in de kooten.
Het melkbedrag per jaar en per koe wordt geschat op ruim 3000
liter, het botergehalte 4 pCt.: het slachtgewicht op 250 a 300 KG.
Daar dit vee zeer gezocht is en veel voor Holland wordt opgekocht,
legt men zich hier weinig toe op het verbeteren van sommige nog al in
het oogvallende gebreken en de opvoeding en fokkerij laten nog al iets te
wenschen over.
3. De provincie Noordholland.
De schoone uitgestrekte grasvlakten van Noordholland zijn rijk bezet
met melkvee en schapen. De weiden in deze provincie zijn onovertroffen,
zoowel wat de cultuur, als w-at de vruchtbaarheid betreft. Deze laatste eigen-
schap hebben zij altijd bezeten en werd daarvan reeds door Noormannen,
Zweden en Denen partij getrokken, die hun vee hier heen voerden, om
er te vetweiden. Hoewel de grond hier in samenstel geheel gelijk is met
dien in de provinciën Friesland en Groningen, waar men eveneens klei-,
veen- en zandgronden aantreft, zoo is het toch een feit, dat vee uit de
beste kleistreken der genoemde provinciën, op deze weiden gebracht, wat
jaarlijks met duizendtallen geschiedt, zich beter ontwikkelt, zwaarder en
melkrijker wordt dan in de streken, waar het oorspronkelijk van daan
komt. Daar het klimaat met dat dier beide provinciën niet noemens*
waard verschilt, moet deze verbetering der dieren in eene grootere vrucht»
-ocr page 42-
2\'2
baarheid der weiden gezocht worden. Daar nu de vruchtbaarheid van al
deze grondsoorten afhangt van de laag teelaarde, die ze bedekt, zoo mag
men vooronderstellen, dat deze laag hier dikker is, dan in de beide andere
provinciën, welke vooronderstelling door de ondervinding bevestigd wordt.
Voor een groot deel kan men dus de voortreffelijkheid van het rundvee
daaraan toeschrijven, maar ook voor een deel aan het verschil, dat er in
de veehuishouding tusschen de genoemde provinciën bestaat. Er wordt
hier minder vee gehouden op zekere uitgebreidheid wei- en hooiland en
door het verkoopen van veel jong, gust vee in het najaar, is er minder
hooi noodig, waardoor het weiland in beter staat blijft. In Friesland en
Groningen wordt meer jongvee overgehouden en dit vee niet als gust maar
als melk- of vetvee verkocht. De landen worden daar dus meer uitgeput.
Over het algemeen is het vee in Noordholland goed gebouwd, wei-
gevoed en zwaar, fijn van vezel en van middelmatig fijn beengestel. Het
is beter gevormd, fijner, zwaarder, grooter, in een woord beter ontwik-
keld dan het Friesche vee, minder afgerond van vormen dan het welge-
maakte doch minder zware Groninger vee. Het oude Noordhollandsche
vee, waaruit, naar men zegt, de Engelschen het beroemde Shorthornrund
gefokt hebben, wordt nog gevonden in de omstreken van Hoorn en bij
Purmerend in de Beemster. Het lange achterstel is voortreffelijk ontwik-
keld, het kruis zeer breed tot aan de zitbeenderen, die ver van elkaar
staan; de buik is groot, de rug vol en recht; de heupen, die dikwijls
buitengewoon sterk ontwikkeld zijn, evenals de lenden, zijn zeer breed,
de uier voortreffelijk ontwikkeld, de meikaderen dik en lang. De eenigszins
zware, lange kop draagt fraaie naar voren en opwaarts gebogen, fijne hoor-
nen, waardoor de grootte van den kop minder in het oog valt. De huid
is fijn, de staart breed aangezet, loopt spits toe en eindigt in een zware
pluim. De achterbeenen zijn recht en uitmuntend gesteld, het groote
oog heeft eene echt vrouwelijke, zachte uitdrukking. Het voorstel is
minder goed ontwikkeld, de hals tamelijk lang en dun, de schoft eenigs-
zins scherp, de schouders niet goed gesloten, de borst eng en niet diep,
de beenen wat hoog gesteld; er waait, zooals ze daar zeggen, te veel
wind door de beenen. De kleur is in hoofdzaak witbont, het onderste
gedeelte der beenen, onder de voorknieën en de spronggewrichten meestal
wit. Eene eigenlijke vaste type bezit Noordholland niet, daar het te veel
met Friesch vee vermengd is. De reden hiervan is, dat men wel zelf
aanfokt, doch liefst met vreemde, vooral Friesche fokstieren, omdat het
jonge aangehoudene goed vlug van de hand gaat of door te weinig hooi
-ocr page 43-
23
van de hand gezet wordende, men zich te Purrnerend, Hoorn of Alkmaar
van ander vee moet voorzien. Behalve dezen Frieschen oorsprong zijn er
in overoude tijden ook uit Denemarken, Oldenburg, Bremen en Hamburg
runderen ingevoerd, die op de tegenwoordige vormen van het NoordhoU
landsche vee van invloed zullen zijn geweest.
De aanleg van dit vee voor de melkgeving is buitengewoon, en stemt
overeen met het buitengewoon ontwikkeld achterstel, den grooten uier,
de welgevormde geslachtswerktuigen met breeden en hoogen melkspiegel.
De hoeveelheid melk, die eene melkkoe jaarlijks geeft, verschilt naar de
grootte van het dier. Een goed melkbeest, dat op den gewonen tijd droog
wordt gemaakt, brengt jaarlijks 3500 liter melk op dat tot 4400 liter
klimt, als het wordt doorgemolken. De gemiddelde opbrengst per koe en
per jaar kan op 2850 tot 3000 liter gesteld worden. De hoedanigheid
van de melk is voortreffelijk. Volgens eene opgave zouden 11 liter melk
1 Kilogr. vette kaas opleveren, volgens eene andere 12.5 liter. De
hoedanigheid verschilt overigens naar den tijd van het jaar, in oveveen-
stemniing met den kalftijd, het droogstaan, groen en droog voer en of
het winter is of zomer enz. Gedurende den staltijd rekent men 12—14,
in April 10—12, Mei 10, Juni, Juli, Augustus 8—10 en van dien tijd
af tot aan den staltijd 10—12 liters melk voor het bereiden van 1 Kilogr.
Noordhollandsche of Edammer kaas noodig te hebben.
Het slachtgewicht der vetgeweide koeien en ossen verschilt naar de
grondsgesteldheid. Op de beste gronden kunnen vetgeweide ossen een
buitengewoon gewicht krijgen, soms tot over 1000 Kilogrammen. De
slachtkoeien wegen gemiddeld schoon aan de haak 250 tot 400 en 500 KG.,
mestkalveren gemiddeld 75 tot 100 en 150 KG. schoon gewicht op een
leeftijd van 12 — 20 weken. De nuchteren kalveren wegen 35—40 KG.
Het hoofddoel der veehouderij is melkgewin, vleeschgroei en wat
aanfok van jong vee. Van de melk wordt boter en kaas gemaakt, men
gebruikt ze om kalveren te mesten of om ze in den omtrek der steden
te verkoopen aan de stads-melkboeren of ze zelf aan de huizen rond te
venten. Het vee, dat niet voor de melkerij kan dienen, wordt vetgeweid.
Wat de aanfok betreft, deze is niet eens voldoende om in eigen behoefte
te voorzien; ook fokt men minder voor zich zelf aan, dan wel om door
den verkoop er voordeel van te hebben. Zuivelmaken, vetweiden, kalver-
mesten, aanfok van jongvee en de verkoop daarvan zijn dus de hoofdbe-
doelingen der Noordhollandsche veehouderij, doch de allervoornaamste daar-
van is de kaasmakeiïj en Noordholland is eeuwen lang beroemd geweest
-ocr page 44-
\'24
om zijne voortreffelijke Edammer kaas, die heinde en ver wordt heenge-
zonden. De kaas wordt bij de boeren door de opkoopers gekocht, in
hunne pakhuizen opgelegd, hetgeen voor de levering het gemakkelijkst is
en het waagrecht uithaalt, doch verreweg het meeste wordt zij aan de
wekelijksche markten aangekocht. De voornaamste markten zijn na Alkmaar,
Purmerend en Hoorn; daarop volgen Medemblik, Haarlem, Enkliuizen en
Edani en nog eenige van minder belang.
Als belangrijke veemarkten kunnen worden opgegeven Hoorn, Pur-
merend en Alkmaar, waar hoofdzakelijk vet vee wordt aangevoerd. Er
wordt echter ook veel vee aan huis opgekocht en naar de Amsterdamsche
markt of naar de vleeschhouwers gebracht. Voor het jonge gelde of guste
vee zijn er jaarmarkten te Alkmaar, Purmerend en Beemster, Schagen,
Edam , Enkhuizen, Monnikendam en Velzen. Beroemd is de Beemstermarkt
in de maand Augustus, die drie dagen duurt. De eerste dag is het enkel
bollen* of stierenmarkt met vele Friesche en inlandsche stieren. De tweede
dag \'is voor de paarden en de derde voor het rundvee. De voornaamste
markt is echter die van Amsterdam.
Wat de voeding en verzorging van het vee in Noordholland betreft,
moge het volgende hier eene plaats vinden.
Van de kalveren, die er jaarlijks vallen, worden eenige aangehouden,
om later als melkvee dienst te doen. Deze dieren ontvangen 2 tot 6
weken lang zoete melk, dan melk met zoete wei of hui, of wel zure wei,
gaan vroeg in de wei en moeten zich met weinig gras voeden, daar zij
meest op schrale weiden gebracht worden. Om hierin te gemoet te
komen, geeft men ze op vele plaatsen eenigen tijd tweemaal daags een
warmen drank uit karnemelk met zoete wei bestaande, waarin nog een
weinig lijnkoekmeel wordt gemengd, doch men houdt hiermee gewoonlijk
niet lang genoeg aan. Zij blijven dan tot laat in liet najaar in de weide,
woiden dan opgestald en krijgen daar gedurende den winter hun voer en
toevoer met karige hand. Op den leeftijd van 44 maanden worden zij
bij den stier gebracht en dan beter gevoederd.
De mestkalveren ontvangen zuivere zoete melk, ook wel melk niet
zoete wei, tot zij voor de slachtbank worden afgeleverd, gewoonlijk met
10—17—20 weken.
De melkkoeien en vetweiders genieten des zomers volop de weiden;
\'s winters voert men ze met hooi, lijnkoek, ook wel roggebrood, haver
en stroo, mangelwortelen en pastinaken.
De weidegang begint gewoonlijk met 1 Mei en eindigt met half
-ocr page 45-
25
November; in de meer beschaduwde streken van Kennemerland, in de
luwte van bosch en duin, duurt zij langer, in Waterland en Amstelland
korter. Hier komt het vee gewoonlijk met 1 November op stal. Op de
hoogere en schralere gronden valt de weidetijd na 1 Mei in.
Is er \'s winters gebrek aan hooi, dan bepaalt zich de zorg voor
wintervoer tot de keus van plaatsvervangende voedsels, waarbij niet altijd
met veel oordeel en verstand te werk gegaan wordt.
Het vee, dat loopt te vetweiden, ontvangt met het najaar nog wat
toevoer van lijnkoek in de weide.
In en om de groote steden Amsterdam en Haarlem, waar kweekerijen.
bierbrouwerijen en branderijen zijn, ontvangt het melkvee den draf en de
spoeling daarvan afkomstig, alsmede kool en ander afval van bladgroenten,
wortelen, mangelwortelen, pastinaken, aardappelen en dergelijke melkvoeders.
Over \'t geheel is er op deze wijze van voeden en verplegen wel het
een en ander aan te merken. De kalveren genieten te kort de moeder-
melk, worden te vroeg in de wei gedreven en blijven daar te lang; het
bij voeder is na het onthouden van de melk niet voldoende en wordt niet
lang genoeg voortgezet, de weiden waarop het jonge vee zich moet voeden
zijn te schraal en te drassig. terwijl ook de wintervoedering te schraal
wordt toegedeeld.
In de behoefte aan melkvee wordt grootendeels voorzien door den
aankoop van Friesch, Groningsch en Overijselsch vee op de veemarkten
te Hoorn, Alkmaar en Amsterdam, voor een gering deel door eigen aanfok.
Men koopt daarvoor jaarlijks Friesche en ook wel Groningsche stieren.
terwijl men voor zich zelf eigen stierkalveren aanhoudt. Over het geheel
wordt er van de stieren op 2 en 3jarigen leeftijd te veel gevorderd, zoodat
zij op hun 4C jaar reeds uitgeput zijn en naar de slachtbank moeten
worden verwezen.
4. De provincie Zuidholland.
Wat wij van de vruchtbaarheid van den bodem van Noordholland
mededeelden, is voor een groot deel ook op de provincie Zuidholland toe-
passelijk. Alleen treft men in Zuidholland rivierkleigronden aan, die in
de eerstgenoemde provincie noordwaarts van Amsterdam geheel ontbreken.
Men vindt hier dus zand- of geestgronden, lage veenen met een dikke
laag tuinaarde, rivier- en zeekleigronden, de laatsten voornamelijk op de
waarden en eilanden.
-ocr page 46-
26
De levensvoorwaarden ter ontwikkeling van het rund in zijne groote
volkomenheid zijn in deze provincie zeer overvloedig en zulks geeft recht
om te vermoeden dat het soort van vee, evenals in Noordholland en de
vruchtbare gedeelten van Friesland en Groningen, daarmee zal overeen-
stemmen.
Aan deze verwachting voldoet het Zuidhollandsche vee slechts ten
deele. Wel wordt er veel fraai vee aangetroffen met uitstekenden aanleg
voor melkgeving en vetgroei, maar daartegenover staan ook weer vele
van minder gehalte, met alles behalve fraaie vormen en middelmatige
grootte. De dieren zijn door vroegtijdig en onophoudelijk kalfdragen en
melken, mager, teiïngachtig en verzwakt. Hoewel ze allen veel aanleg
voor melkgeving. vleesch- en vetgroei en voor de fokkerij hebben, zoo
toonen zij een groot verschil in vormen en ontmoet men er kenmerken
zoowel van Groningsen, van Friesch, van Noordhollandsch als van Over-
ijselsch, Geldersch, Utrechtsch en Engelsch korthoornras. Van een eigenlijke
Zuidhollandsche type kan dus in het geheel geen sprake zijn. De Zuid-
hollandsche boer voorziet in zijne behoefte aan vee hoofdzakelijk door
aankoop in andere provinciën, vooral in Groningen en Friesland, doch ook
in Overijsel, Drente, Noordholland en sommige streken van Gelderland.
Gefokt wordt er slechts om de koeien drachtig en daardoor weer melk-
gevend te maken. Het kalf wordt gewoonlijk reeds nuchter ter slacht-
bank verwezen. Naar de kwaliteit der springstieren wordt niet gevraagd;
als de dieren maar springen kunnen, dan is dat voldoende. In het najaar
slacht men ze dan voor eigen consumptie.
Het doel der veehoudeiïj verschilt naar de gewoonte, den aard en
de samenstelling der gronden, doch in de vruchtbaarste streken is vooral
de boter en kaasbereiding hoofdzaak. De Leidsche of Delftsche boter en
de Leidsche-Stolkwijksche kaas genieten een welverdiende vermaardheid.
Eene andere bedoeling van de Zuidhollandsche veehouding is de vet-
weiderij, terwijl aan den geestkant, in de drooggemaakte polders, op enkele
kleigronden langs den Rijn en op andere zeekleigronden, waar graan en
voederbouw hoofdzaak is, de veefokkerij meer gedreven wordt voor de mest.
5. De provincie Zeeland.
De Zeeuwsche eilanden en een groot deel van Zeeuwsch Vlaanderen
zijn op dezelfde wijze, als de kleigronden der noordelijke provinciën, door
aanslibbing van de Noordzee ontstaan. Door bedijkingen heeft men de
-ocr page 47-
\'27
aanwinst van land door deze aanslibbingen verkregen, blijvende gemaakt,
zoodat de eilanden eene menigte polders bevatten , die op weinige uitzon-
deringen na tot de vruchtbaarste en zwaarste kleigronden gerekend kunnen
worden. Het klimaat is hier ruw en vochtig tengevolge van de vele
wateren die het land omringen.
De aard en eigenschappen van het vee in deze provincie komen dan
ook met het klimaat en de grondsgesteldheid overeen. Het behoort tot
het meest geharde slag van de kustlanden der Noordzee.
De bedoelingen der veehouderij zijn hier mestmakerij, melkerij en
zuivelbereiding voor eigen consumptie en vetmesting voor eigen gebruik
en voor uitvoer hoofdzakelijk naar België.
Door de slechte uitkomsten van den akkerbouw in de laatste jaren
is men zich steeds meer op de veeteelt gaan toeleggen, met name op de
fokkerij van vet vee. Tengevolge der heffing van een inkomend recht op
vee door België, wordt ook deze tak van bestaan zeer bemoeilijkt. Dit
recht bedraagt per 100 KG. levend gewicht voor eene koe 3 francs, een
stier 4 francs, een kalf 5 francs en een schaap \'2,5 francs. Van ver-
schillende zijden wordt er op aangedrongen dat de Nederlandsche regeering
bij die van België stappen moge doen om de opheffing van dit recht te ver-
krijgen, wat bij den geest van protectie, die tegenwoordig over de volken
waait, wel niet zoo gemakkelijk zal gaan.
Het tegenwoordige vee in Zeeland kan in twee slagen onderscheiden
worden, het oude en het nieuwe, verbeterde slag. Het oude slag,- dat
door het nieuwe hoe langer hoe meer verdrongen wordt, is een echt
oorspronkelijk ras. De oorspronkelijke kleur was roodbont, later maakten
de zwartbonten en witruggen de meerderheid uit. Het vee is over het
algemeen zwaar van bouw, met een grof, knokig beendergestel; het
lichaam is hoog en lang, de schoft en rug scherp, de heupen zeer uit-
stekende, het kruis afdalende en de staart hoog en zwaar aangezet, smal
tusschen de zitbeensknobbels en eenigszins spits van achteren, met aanleg
voor breede en diepe borst, platte ribben, grooten buik, grooten uier,
ruime melkgeving, de ledematen eer kort dan lang, soms met fijne pijp-
beenderen en klauwen. Het geheel is een hoekig, grof, krachtig en ge-
hard dier. Deze algemeene vormen wijken in de verschillende streken
min of meer af. Het vee heeft veel aanleg voor de melkgeving, die
naar de grootte van het dier verschilt en op de hoogste gift van 16—30
liters bedraagt. Het zuiver slachtgewicht der ossen bedraagt op 5jarigen
leeftijd 500—550 KG. Het vee is zeer vet.
-ocr page 48-
28
Onder het nieuwe, ingevoerde, verbeterde ras verstaat men het Engel-
sche kortlioorn- of Durhain-vee, niet den invoer waarvan op aanraden en
onder directie van den Heer J. G. J. van den Bosch in den Wilhelmina-
polder in 1844 begonnen werd. Door de zorg van den Heer van den
Bosch heeft dit vee zich hier thans geacclimateerd en kan als Zeeuwsen-
Durham of Zeeuwsch korthoorn-vee worden aangemerkt. Door den zoon
van genoemden Heer van den Bosch, den Heer G. J. van den Bosch,
wordt ook thans nog met het invoeren van Sliorthornstieren voortgegaan,
waarvan ZEd. onlangs op de den 15en Juni 1888 te Goes gehoudene
tentoonstelling van de Zeeuwsche landbouwmaatschappij nog een exem-
plaar van reusachtige afmetingen tentoonstelde, dat ieders bewondering
wekte.
De eigenschappen van het Zeeuwsche Durham-vee zijn de volgende •
De lichaamsbouw is groot en vierkant, de huid losliggende, zacht
op het gevoel, de kop niet dik, noch grof, met korte en fijne hoornen;
de hals is niet lang, de kossem zwaar en laag afhangende, de voor-
schoften en schouders breed, de borst en borstkas breed en diep, de
schoft breed, de rug en lenden recht en breed, evenzoo het kruis, het-
geen met het achterstal lang is, terwijl de zitbeenderen niet zoo spits
eindigen als bij het oude ras; de uier is niet zeer ontwikkeld, de melk-
spiegel verschillend, de ledematen niet lang, van boven breed, van onderen
fijne pijpen en een rechten stand van voor- en achterbeenen. Het vee
voedt zich gemakkelijk, heeft veel aanleg voor vleesch- en vetgroei. iets
minder voor de melkgeving, heeft een zachten gemoedsaard en is vroeg*
tijdig ontwikkeld.
De veeslagen in Nederland, die wij tot nu toe bespraken, zijn voor
het doel van dit werk wel de belangrijkste, doch blijven hier nog eenige
provinciën te vermelden, waar ook zeer fraai, melkrijk vee gevonden
wordt.
Wij wenden ons dan in de eerete plaats tot de provincie Gelderland.
6. De provincie Gelderland
is van al de provinciën van Nederland het rijkst aan natuurschoon. Zij
grenst in het noordwesten aan de Zuiderzee, ten westen aan Utrecht en
Zuidholland, ten zuiden aan Noordbrabant, Limburg en Pruisen, ten
-ocr page 49-
•29
oosten aan Pruisen en ten noorden aan Overijsel. Het land ten noorden
van den Rijn en ten westen van den IJsel is een onvruchtbaar heuvel-
achtig terrein, dat zich noordwaarts tot aan de Zuiderzee uitstrekt, de
zoogenaamde Velu we. Oostwaarts en zuidwaarts daarvan, langs den Rijn
en diens vertakkingen de Waal en de IJsel en verder langs de Maas,
die de zuidelijke grens van de provincie uitmaakt, vinden wij een breeden
zoom van vruchtbaar land. Hier wordt een zeer fraai, melkrijk vee
aangetroffen.
In de Betuwe onderscheidt men: a. een echt oud ras, dat zich van
de gewone Nederlandsche type onderscheidt door een korten, eenigszins
spitsen, fraai gevormden kop, met heldere, goed uitkomende oogen, zonder
groot te zijn. velen met een ossenvormigen hoornvlucht, anderen met
meer duikende hoornen, gevulden hals, hooge en lange schoft, tamelijk
diepe borst, met duidelijk ontwikkelden kossem, waardoor het geheele
voorstel goed ontwikkeld is en overgaat in een ongelijken rug, gesloten
flanken, een kort kruis met eenigszins smalle heupen, soms de heup-
beenderen wat uitstekende en omhoog staande, waarbij het kruis dan niet
altijd recht is, maar wat onregelmatige richting heeft, daarbij kort is,
met hooge aanzetting van den staart. Het kruis is dus niet zeer afdalende
of laag, maar aan het begin, de binnenste darmbeenuitsteeksels hoog,
valt dan weg en wordt bij de staartinplanting weder hooger. Het acbterstel
is wat lager dan het voorstel, naar evenredigheid niet zoo sterk ontwikkeld,
maar toch goed gesloten en gebroekt.
Dit oude Betuwsche- of Geldersche kleiras is zeer melkrijk. De
opbrengst der melk bedraagt in sommige maanden van 28— 35 Liter
daags in de Over-Betuwe, in de Neder-Betuwe is het iets minder;
b. het nieuwere verbeterde Betuwsche ras, dat zijn ontstaan te dan-
ken heeft aan de invoering van Friesche, Hollandsche en Durhamstieren,
waarvan zich echter nog geen vaste type heeft gevormd.
Het rundvee langs den IJsel behoort tot het groote soort en verschilt
weinig van dat der Betuwe, gelijkt iets op het Friesche vee en dat van
het Kampereiland (z. d.); op de meest zandige oevers is het wat lichter,
daarentegen heeft het op andere plaatsen betere rondere vormen, waardoor
het meer met het Groningsche vee overeenkomt. Verder van de rivieren,
meer landwaarts in wordt ook het vee kleiner en minder en verkrijgt
meer het karakter van het zandvee.
-ocr page 50-
30
7. De provincie Overijsel.
Het vee in deze provincie kan men onderscheiden in het echte
heivee,
dat der beekbezinkingen met de bebouwde zandgronden en het
nee der TJseloevers.
Het echte heivee wordt voornamelijk gevonden in het oostelijk gedeelte
van Twenthe, zooals te Lonneker, Losser en in de omstreken van Oldenzaal.
Het is klein, schraal, mager, doorgezakt, buitengewoon koehakkig en
sabelbeenig. De heerschende kleur is roodbont, vaalbont en zwartbont.
Beter is het gesteld in de streken langs de beekbezinkingen, zooals
om Rijssen, Almeloo, Markeloo en langs de Vecht. De veengronden zijn
aldaar zeer vruchtbaar en het vee is er goed ontwikkeld. Zoo worden er
te Markeloo veel kalveren gemest, die verkocht worden naar Deventer en
omstreken. Ook wordt in deze streken wel vee opgekocht voor Losser
en Lonneker om daarmee het heidevee te verbeteren.
Tot het vee aan de Useloevers kan men rekenen dat in den omtrek
van Vollenhoven, het Kampereiland, Genemuiden en Mastenbroek. Het
Kampereilandsche vee is groot, grof en zwaar, ook van beengestel. De
kop is groot en dik, met grove hoornen, de mond breed en wijd, de
hals lang en mager, tamelijk diepe borst, hooge schouders, een verdieping
achter de schoft met een groot hazenleger, de rug en de lenden eenigszins
kameelruggig: het kruis breed en lang met naai\' buiten uitstekende heup-
beenderen, wat los van banden, breed van achteren, met sterk uitstekende
zitbeenknobbels en niet zwaar gebroekt; de ledematen zijn grof en de
stand van achteren wat koehakkig: het is in een woord een groot en
plomp dier, met grove en dikke huid.
De aanleg voor melkgeving is groot en ook het gehalte is rijk; er
zijn koeien die gedurende den hoogsten melktijd tot 50 liters melk dage-
lijks geven, minder zelden 40 liters, velen tusschen de 30 en 40 liters
en weinigen 20—30 liters. De vetgeweide koeien hebben gemiddeld
een schoon gewicht van 400—450 KG.; de nuchtere kalveren wegen
40—50 KG.
Het vee der veen- en kleigronden van Mastenbroek wijkt eenigermate
van het Kampereilandsche vee af. Het is een tamelijk fijn vee, heeft
kleiner kop, fijner hoornen, met een hertenhals, doch zwaarder en korter,
breeder en dieper borst, minder kameelrug, breeder dijen, meer gebroekt
en de beenen zijn korter, door de meerdere diepte en gelijkmatigen om-
-ocr page 51-
31
vang dan die der runderen op het Kampereiland. De melkrijkheid is groot,
doch iets minder dan op het Kampereiland. Het vee van Genemuiden
heeft de eigenschappen van dat op het Kampereiland.
8. De provincie Drente
ligt tusschen Friesland, Oveiïjsel, Groningen en Hannover. Hier in Drente
vinden wij het zwaarste vee der provincie ten zuiden van Assen, van
Laag- en Westerbork steeds zuidwaarts bij Beilen, Dwingeloo, Ruinen,
Ruinerwolde tot Meppel, langs de grenzen van Oveiïjsel, ten noorden van
de Vecht en in de lage streken rondom Coevorden.
Het Drentsche vee is fijn, niet zwaar en zwartbont, roodbont en
deels ook vaalbont van kleur; ten noorden van de Vecht langs de grenzen
van Oveiïjsel meer roodbont. Een goed gefokte, goed gevoederde Drentsche
koe heeft veel overeenkomst met eene Ayrshirekoe. De voeding en ver-
pleging laat in Drente veel te wenschen over, vooral het jongvee wordt
hongerend groot gebracht en dan zoo spoedig als maar mogelijk is bij
den stier gebracht, hetgeen niet zeer bevorderlijk is aan den groei en de
ontwikkeling van het dier. De melkopbrengst kan per jaar en per koe
op 2000—2400 liters gerekend worden. De aanleg voor vetgroei is goed,
het vïeesch malsch en smakelijk. Het Drentsche vee behoort tot het
gezondste van geheel Nederland. Veeziekten zijn hier hoogst zeldzaam.
Er wordt veel vee opgekocht voor Duitschland en het is zeker dat het
Drentsche vee, wanneer het een beteren voederdisch voor zich krijgt,
als de Drentsche bodem het te bieden vermag, zich zeer goed ontwikkelt
en reeds in de tweede generatie bij eene rationeele behandeling en ver-
pleging niet slechts fraaier van vormen en zwaarder van lichaam wordt,
maar ook zijne melkopbrengst toeneemt.
Vooral boerderijen, die met het oog op de voeding in minder gunstige
omstandigheden verkeeren, zullen voordeeliger doen, wanneer zij het goede
vee uit deze provincie koopen of uit de betere zandstreken van Groningen
dan het uitstekend gevoede vee van den weelderigen kleibodem.
Hier eindigen wij onze beschrijving van liet Nedeiïandsche vee en
voegen daaraan eenige tabellen toe, die omtrent de afmetingen, het gewicht
en de pigmenten de noodige ophelderingen geven.
-ocr page 52-
33
32
Metingen eener Nederlandsche koppel van den Heer R. Naumann, Mikuszewo
holland gekocht werd. De metingen werden in
bij Miloslaw, prov. Posen, waarvan de stam door
November 1880 door den eigenaar zelf verricht.
den eigenaar zelf in Noord-
K 1. 1 1 li.
s
gen.
gewich
nden.
CU
o
a
B
O
**
T? Ph
uid.
orne
lauwe
der
spie
bJO
a
o
emel
S
o
JJJ
H
ja
,
m
M
cu
s
o
Rand
s
e
Om
4 uur ge-
wogen.
I
,KN (
I S
r
Sio
ALGEMEEN!
LICHAAM SB O UW,
MELKTEËKENS
ENZ. ENZ.
NAAM
VAN HET
»IE R.
m ii
i*H\\K
mm
3 9
Sedert
den
I n Centimeters.
Groot
Amsterdamsch.
Koe.
9 jaar.
80
235
44
24
452
458
49
64
22
d°.
d°.
8 »
70
220
43
22
405
406
50
60
22
d«.
d°.
7 »
66
223
44
20
445
450
48
60
24
d°.
d°.
7 >
80
225
44
24
452
460
55
60
25
d°.
d°.
6 »
80
238
43
24.5
462
474
55
60
22
d°.
(1°.
5 >
80
240
45
24
460
468
50
70
25
d°.
d".
4 »
75
245
45
20
455
460
54
56
25
d°.
d».
3 »
78
243
40
20
448
454
58
60
20
zwart -
bont
zwart-
bont.
zwart -
blauw.
zwart.
grauw.
zwart
met ster.
d°.
d°.
d».
d°.
rood-
bont.
bont.
bont.
rood.
d°.
zwart -
bont.
d°.
d°.
zwart.
bont.
rood-
bont.
d°.
d°.
rood.
grauw.
zwart-
bont.
d».
d°.
zwart.
zwart.
d°.
d°.
d».
d°.
bont.
d°.
d°.
d°.
d°.
zwart.
wit.
4400
bont.
4520
wil.
4320
bont.
4430
d°.
4620
d°.
4875
d°.
4540
d».
4420
Alles maakt den
80 gewenschten normalen
indruk.
248
205
220
250
250
270
250
224
10 440
36 440
540 422
220 448
120 453
140 490
50 450
00 400
wit.
bont.
wit.
(1°.
d".
d\'\\
d°.
30.0.
43.4.
48.4.
24.7.
34.8.
44.4.
47.3.
45.44
Erda. .
Norne.
Dido. .
Deborah
Virginie
Fortuna
Secunda,
Sigmunda
80
d\'.
De normaalste bouw,
öU beate niclkteekens
en melkkoe.
80 ^\'rÜ normaal.
80!            ch
QQ Grove koe, slechte
melk geefster.
QQ Normaal dier.
or\\ Jong nog niet volw.
"\'"\'dier na het eerste kalf
De koppel munt uit door fraaie, breede, groote figuren.
Metingen van eenige door mij in
roningen gekochte en geleverde dieren.
v. d. kleibodem te Bedum.
1
Stier. 45 maand.
!
62 423
1
♦2
20
429
430
45
42
—
195
d". 16 »
72 143
43
22
439
137
45
49
—
203
d».
d°.
d°.
d°.
23 »
23      »
24      »
4 jaar.
73 191
50
46
54
56
24
23
23
449
447
456
459
450
449
459
!0
54
49
56
44
56
55
57
60
9,90
68
69
204
240
WO
Westerkwartier.....
230
Uit Holland.......
250
i
259
d°.
H »
2
B0
60
»
483
»
80
77
—
285
geelwit.
geelwit.
licht.
licht.
licht.
licht.
---
licht met
zwarte
punten.
licht niet
zwarten
kring.
d«.
licht met
zwarte
vlekken.
d.
bont.
---
d°.
d".
donker.
donker.
do.
d°.
d°.
d°.
licht.
licht met
twarte
vlekken.
bont.
d°.
i\'.
donker.
d°.
licht.
licht.
licht.
---
»
»
I
»
»
»
---
»
»
»
»
»
»
---
05,345
zwart -
bont.
78 389 d"
99 402 -rauw-
bont.
01 405! «»"»•
bont.
0 426j d°.
:i0 458! »
•5 560 »
Witkop in \'t Wester-
kwartier geboren.
Witkop.
Op de tentoonstelling
van mestvee te Hcrliin
van lt>79 den lm prijs
behaald.
Verkreeg op dezelfde
tentoonstelling den
2en pri)s.
3
-ocr page 53-
33
32
Metingen eener Nederlandsche koppel van den Heer R. Naumann, Mikuszewo
holland gekocht werd. De metingen werden in
bij Miloslaw, prov. Posen, waarvan de stam door
November 1880 door den eigenaar zelf verricht.
den eigenaar zelf in Noord-
K 1. 1 1 li.
s
gen.
gewich
nden.
CU
o
a
B
O
**
T? Ph
uid.
orne
lauwe
der
spie
bJO
a
o
emel
S
o
JJJ
H
ja
,
m
M
cu
s
o
Rand
s
e
Om
4 uur ge-
wogen.
I
,KN (
I S
r
Sio
ALGEMEEN!
LICHAAM SB O UW,
MELKTEËKENS
ENZ. ENZ.
NAAM
VAN HET
»IE R.
m ii
i*H\\K
mm
3 9
Sedert
den
I n Centimeters.
Groot
Amsterdamsch.
Koe.
9 jaar.
80
235
44
24
452
458
49
64
22
d°.
d°.
8 »
70
220
43
22
405
406
50
60
22
d«.
d°.
7 »
66
223
44
20
445
450
48
60
24
d°.
d°.
7 >
80
225
44
24
452
460
55
60
25
d°.
d°.
6 »
80
238
43
24.5
462
474
55
60
22
d°.
(1°.
5 >
80
240
45
24
460
468
50
70
25
d°.
d".
4 »
75
245
45
20
455
460
54
56
25
d°.
d».
3 »
78
243
40
20
448
454
58
60
20
zwart -
bont
zwart-
bont.
zwart -
blauw.
zwart.
grauw.
zwart
met ster.
d°.
d°.
d».
d°.
rood-
bont.
bont.
bont.
rood.
d°.
zwart -
bont.
d°.
d°.
zwart.
bont.
rood-
bont.
d°.
d°.
rood.
grauw.
zwart-
bont.
d».
d°.
zwart.
zwart.
d°.
d°.
d».
d°.
bont.
d°.
d°.
d°.
d°.
zwart.
wit.
4400
bont.
4520
wil.
4320
bont.
4430
d°.
4620
d°.
4875
d°.
4540
d».
4420
Alles maakt den
80 gewenschten normalen
indruk.
248
205
220
250
250
270
250
224
10 440
36 440
540 422
220 448
120 453
140 490
50 450
00 400
wit.
bont.
wit.
(1°.
d".
d\'\\
d°.
30.0.
43.4.
48.4.
24.7.
34.8.
44.4.
47.3.
45.44
Erda. .
Norne.
Dido. .
Deborah
Virginie
Fortuna
Secunda,
Sigmunda
80
d\'.
De normaalste bouw,
öU beate niclkteekens
en melkkoe.
80 ^\'rÜ normaal.
80!            ch
QQ Grove koe, slechte
melk geefster.
QQ Normaal dier.
or\\ Jong nog niet volw.
"\'"\'dier na het eerste kalf
De koppel munt uit door fraaie, breede, groote figuren.
Metingen van eenige door mij in
roningen gekochte en geleverde dieren.
v. d. kleibodem te Bedum.
1
Stier. 45 maand.
!
62 423
1
♦2
20
429
430
45
42
—
195
d". 16 »
72 143
43
22
439
137
45
49
—
203
d».
d°.
d°.
d°.
23 »
23      »
24      »
4 jaar.
73 191
50
46
54
56
24
23
23
449
447
456
459
450
449
459
!0
54
49
56
44
56
55
57
60
9,90
68
69
204
240
WO
Westerkwartier.....
230
Uit Holland.......
250
i
259
d°.
H »
2
B0
60
»
483
»
80
77
—
285
geelwit.
geelwit.
licht.
licht.
licht.
licht.
---
licht met
zwarte
punten.
licht niet
zwarten
kring.
d«.
licht met
zwarte
vlekken.
d.
bont.
---
d°.
d".
donker.
donker.
do.
d°.
d°.
d°.
licht.
licht met
twarte
vlekken.
bont.
d°.
i\'.
donker.
d°.
licht.
licht.
licht.
---
»
»
I
»
»
»
---
»
»
»
»
»
»
---
05,345
zwart -
bont.
78 389 d"
99 402 -rauw-
bont.
01 405! «»"»•
bont.
0 426j d°.
:i0 458! »
•5 560 »
Witkop in \'t Wester-
kwartier geboren.
Witkop.
Op de tentoonstelling
van mestvee te Hcrliin
van lt>79 den lm prijs
behaald.
Verkreeg op dezelfde
tentoonstelling den
2en pri)s.
3
-ocr page 54-
35
„bei Rhein" behoorende heerlijkheid Fischbach in Silezië. De metingen en
heid. den Heer Wernecke te Fischbach, in 1881.
34
K. H. de prinses van Hessen
door den directeur der heer.
Nederlandsche koppel (prov. Groningen) van de aan H.
beschrijvingen zijn gedaan
I
V, N O T E
=
**
CS
CU
3
-a
a.
H
e
03 ;
es S
-
1*
lot
tbec
den
o
1\'
<s
P
•£
j3
£*
M
e
%
Ol
OMVANG
I.
ii
ohschbu vix 6
VAX
HET DIER.
AANMERKINGEN.
CU
— «
£ "3
fl -=
6
Sa :
5 §
a 9
sa
SS
>
>
I
II
s
In Centimeters.
45
138
54
05
130
52
67
140
52
70
148
59
76
134
52
66
134
52
70
126
51
60
145
46
70
134
56
77
129
50
Een geheel normaal, zeer
schoon dier. Nadere bijzon-
derheden ervan bij de behan-
delinst van het vee in de
prov. Groningen.
Drachtig.
Drachtig.
Drachtig.
Bracht 31 October een
stierkalf.
Bracht 21 Novem bei-
een koekalf.
Bracht 11 November
een koekalf.
Bracht November een
koekalf.
Bracht 28 October een
koekalf.
Drachtig.
Stier «Willem III" 1 jaar en
7 maand van Cleveringa te
Ezingein het Westerkwartier.
Vaars n°. 2 eenmaal gedekt
2i jaar......
Vaars n°. 3 tweemaal gedekt
3 jaar .......
Vaars n°. 4 tweemaal gedekt
3[ jaar.......
Vaars n°. 5 tweemaal gedekt
3 jaar ...          .
Vaars n°. 6 tweemaal gedekt
3 jaar .......
Vaars n°. 7 tweemaal gedekt
3 jaar .......
Vaars n°. 8 driemaal gedekt
3^ jaar.......
Vaars n°. 9 eenmaal gedekt
H jaar.......
Vaars n°. 10 eenmaal gedekt
2 j jaar.......
19
411
378
391
397
367
373
352
383
364
365
zwartwit,
kop wit.
zwartwit.
62 | 51
198
184
201
194
183
184
185
188
190
184
wit.
o
19
Hl
(I
>6
18
!3
155
150
140
147
156
27
20
21
25
20
21
19
18
20
20
148 j 59 j 44 23
153 60 j 48 22
wit met
zw. punt.
I wit en zw,
gemêleerd.
wit met
zw. punt.
wit.
d°.
d°.
d".
d°.
d°.
d°.
wit.
d°.
zwart.
d".
zwartwit.
wit.
d".
d".
68 53
20
18
159
zwartwit,
kop wit.
53
143 148
j
142 146
61
59
65
63
04
zwartwit. zwart.
50 23
wit met
zw. punt.
d".
grauw.
d°.
d°.
d°.
wit.
d".
d"
d".
d°.
d".
d°.
20
22
21
21
135
136
143
145
52
51
50
47
)0
zwartwit,
kop wit.
142 146
I
137 145
dat zich slechts weinig boven den spiegel der zee verheft, waartegen het
door stevige dijken beschut is. Slechts bij Norden en Aurich vindt men
eenige heuvels. Het klimaat is er gematigd, de lucht meestal vochtig en
er valt veel regen. De voornaamste rivier is de Eems, die in den Dollart
uitloopt, het graf van zoovele bloeiende plaatsen. Een zijrivier van de
Eems is de bevaarbare Leda. Buitendien wordt het land nog door een
aantal kleinere riviertjes, door kanalen en vaarten doorsneden.
3*
II. Het Oostfriesche vee.
Het voormalige Duitsche vorstendom Oostfriesland, in het uiterste
noordwesten van Duitschland gelegen, grenst ten noorden aan de noord-
zee , ten oosten aan Oldenburg, ten zuiden en ten westen aan de voor-
nialige landdrostei Osnabrück en aan Nederland. Het is een vlak laagland.
-ocr page 55-
35
„bei Rhein" behoorende heerlijkheid Fischbach in Silezië. De metingen en
heid. den Heer Wernecke te Fischbach, in 1881.
34
K. H. de prinses van Hessen
door den directeur der heer.
Nederlandsche koppel (prov. Groningen) van de aan H.
beschrijvingen zijn gedaan
I
V, N O T E
=
**
CS
CU
3
-a
a.
H
e
03 ;
es S
-
1*
lot
tbec
den
o
1\'
<s
P
•£
j3
£*
M
e
%
Ol
OMVANG
I.
ii
ohschbu vix 6
VAX
HET DIER.
AANMERKINGEN.
CU
— «
£ "3
fl -=
6
Sa :
5 §
a 9
sa
SS
>
>
I
II
s
In Centimeters.
45
138
54
05
130
52
67
140
52
70
148
59
76
134
52
66
134
52
70
126
51
60
145
46
70
134
56
77
129
50
Een geheel normaal, zeer
schoon dier. Nadere bijzon-
derheden ervan bij de behan-
delinst van het vee in de
prov. Groningen.
Drachtig.
Drachtig.
Drachtig.
Bracht 31 October een
stierkalf.
Bracht 21 Novem bei-
een koekalf.
Bracht 11 November
een koekalf.
Bracht November een
koekalf.
Bracht 28 October een
koekalf.
Drachtig.
Stier «Willem III" 1 jaar en
7 maand van Cleveringa te
Ezingein het Westerkwartier.
Vaars n°. 2 eenmaal gedekt
2i jaar......
Vaars n°. 3 tweemaal gedekt
3 jaar .......
Vaars n°. 4 tweemaal gedekt
3[ jaar.......
Vaars n°. 5 tweemaal gedekt
3 jaar ...          .
Vaars n°. 6 tweemaal gedekt
3 jaar .......
Vaars n°. 7 tweemaal gedekt
3 jaar .......
Vaars n°. 8 driemaal gedekt
3^ jaar.......
Vaars n°. 9 eenmaal gedekt
H jaar.......
Vaars n°. 10 eenmaal gedekt
2 j jaar.......
19
411
378
391
397
367
373
352
383
364
365
zwartwit,
kop wit.
zwartwit.
62 | 51
198
184
201
194
183
184
185
188
190
184
wit.
o
19
Hl
(I
>6
18
!3
155
150
140
147
156
27
20
21
25
20
21
19
18
20
20
148 j 59 j 44 23
153 60 j 48 22
wit met
zw. punt.
I wit en zw,
gemêleerd.
wit met
zw. punt.
wit.
d°.
d°.
d".
d°.
d°.
d°.
wit.
d°.
zwart.
d".
zwartwit.
wit.
d".
d".
68 53
20
18
159
zwartwit,
kop wit.
53
143 148
j
142 146
61
59
65
63
04
zwartwit. zwart.
50 23
wit met
zw. punt.
d".
grauw.
d°.
d°.
d°.
wit.
d".
d"
d".
d°.
d".
d°.
20
22
21
21
135
136
143
145
52
51
50
47
)0
zwartwit,
kop wit.
142 146
I
137 145
dat zich slechts weinig boven den spiegel der zee verheft, waartegen het
door stevige dijken beschut is. Slechts bij Norden en Aurich vindt men
eenige heuvels. Het klimaat is er gematigd, de lucht meestal vochtig en
er valt veel regen. De voornaamste rivier is de Eems, die in den Dollart
uitloopt, het graf van zoovele bloeiende plaatsen. Een zijrivier van de
Eems is de bevaarbare Leda. Buitendien wordt het land nog door een
aantal kleinere riviertjes, door kanalen en vaarten doorsneden.
3*
II. Het Oostfriesche vee.
Het voormalige Duitsche vorstendom Oostfriesland, in het uiterste
noordwesten van Duitschland gelegen, grenst ten noorden aan de noord-
zee , ten oosten aan Oldenburg, ten zuiden en ten westen aan de voor-
nialige landdrostei Osnabrück en aan Nederland. Het is een vlak laagland.
-ocr page 56-
36
De ontginning der uitgestrekte venen geeft belangrijke inkomsten,
zoo ook en vooral in het noorden de aanbouw van koolzaad, tarwe, haver
en boonen, waarnaast verder nog vlas, aardappels en kool verbouwd wordt.
De heerlijke wei- en hooilanden der aangeslibde kleigronden, der zooge-
naamde polders, begunstigen de uitgebreide veeteelt in hooge mate. De
zwaarste klei vindt men in het ambt Leer; de akkerbouw is daar tot een
minimum beperkt; verreweg het grootste deel van den bodem is sedert
tal van jaren tot weiland ingericht, en deze oude met smakelijk voedsel
begroeide weiden geven een lijken oogst.
Aan het opfokken van het vee wordt in Oostfriesland de grootste
zorg besteed; elk dier, dat er maar eenigszins geschikt voor is, wordt
aangehouden. De groote vraag naar Oostfriesch vee dringt er toe, zooveel
vee op te fokken, als maar eenigszins mogelijk is. De vraag naar dit
vee steeg in de jaren, dat Duitschlands grenzen naar Nederland toe ge-
sloten waren, zoo enorm, dat Oostfriesland meer verkocht dan voor h;ire
eigene fokkerij goed en dienstig was, en alles opfokte wat geboren werd
en in leven bleef, \'t "Was meer dan tijd toen men eindelijk de ontstane
leemten in Nederland weer aan kon vullen en eene algeheele miskenning
van eigen belangen, toen van verschillende kanten stemmen opgingen die
er op aandrongen, dat men die grenzen zou afsluiten.
Het vee wordt over \'t algemeen in Oostfriesland zeer goed verzorgd.
De veehouderij stemt geheel overeen met die, welke wij in Nederland
hebben leeren kennen; vooral ook aan het kalf wordt in zijne eerste
levensdagen de noodige zorg gewijd.
Wat het uiterlijk van het Oostfriesche vee aangaat, komt het het
Nederlandsche vee uit de provincie Groningen in alle opzichten zoo nabij,
dat ik volstaan kan met naar de daar gegevene beschrijving te verwijzen;
alleen wil ik hier nog aanstippen, dat bij het Oostfriesche vee het breede
kruis naar de zitbeenderen toe eenigszins afhangt, de hals meest lang en
dun is, de kop lang en spits toeloopend, en het voorstel in verhouding
tot het achterstel minder goed ontwikkeld, dan bij het goede vee op den
kleigrond in de provincie Groningen. De gewone kleur is zwartbont, doch
men vindt ook eene vrij groote menigte blauwbonte en roodbónte dieren,
laatstgenoemden echter zeldzamer. In melkiïjkheid behoeft het Oostfriesche
vee bij het Nederlandsche niet achter te staan; de opbrengst bedraagt
gemiddeld \'2500 a 3000 liter per jaar en per koe; het zijn voortreffelijke
melkgeefsters en ook wat de geschiktheid voor vetmesting en voor den arbeid
betreft, kunnen zn met het Nederlandsche vee op ééne lyn worden gesteld.
-ocr page 57-
:iï
Naast het bovenbeschrevene vee treft men in Oostfriesland nog een
eenkleurig bruinrood veeslag aan, dat, naar men zegt, het oude, oor-
spronkelijke Oostfriesche ras vertegenwoordigt. Men vindt het voornamelijk
in de landbouwende streek tusschen Emden, Aurich en Norden, waar het
om zijne matigheid, melkrijkheid en krachtige, gezonde natuur, zeer ge-
waardeerd is.
Het oude, roode Oostfriesche vee is, naar gelang het op vruchtbare
kleigronden of op geest geteeld wordt, even zoo groot, of kleiner dan het
bonte vee, dat wij tegenwoordig meer bepaaldelijk bedoelen, wanneer wij
van Oostfriesch vee spreken. Zeker is het, dat het tegenwoordige bonte
vee ontstaan is uit eene kruising van het oude roode landras met geim-
porteerd Nederlandsch vee en door steeds nieuwen aanvoer uit Nederland
en eene consequente en nauwlettende teelt tot een constant, gezocht ras
is geworden. Op goeden grond en bij voldoend voedsel, staat het roode
landvee bij het bonte vee niet ten achteren, overtreft dit echter in den
aanleg voor vetgroei en in het weerstandsvermogen tegen ziekten. Voor
den uitvoer wordt het roode vee over \'t algemeen weinig gekocht; onge-
twijfeld omdat het te weinig bekend is; in zijn geboorteland wordt het
dan ook bijna uitsluitend voor eigen gebruik aangefokt. Vooral in de
omstreken van Hildesheim en in de provincie Hannover wordt dit vee
veel aangetroffen en het wordt daar met voorliefde en ook met goed ge-
volg aangefokt. Daar het in het nog voor hem overgebleven fokdistrikt
bijna op dezelfde wijze wordt grootgebracht en gevoed als bij ons en
zijne matigheid, melkrijkheid en gezonde natuur boven allen twijfel staan,
zou het vooral in streken met minder gunstigen voederbouw met meer
voordeel kunnen worden gehouden, dan het meer eischende vee der vette
kleigronden, zoodat de aankoop zeer kan worden aanbevolen.
De hier volgende metingen mogen strekken om het gegeven beeld
te voltooien.
-ocr page 58-
38
39
\'
\'
Oostfriesche koppel van den Heer Hicketier, domeinraad en pachter van (
ertogel. Saksisch-Meiningsche heerlijkheid Wangern, kreits Breslau-domein
Prisselwitz. De metingen zijn gedaai
oor den Heer 0. Hicketier.
LENGTE HOOGTE
B
s
OMVANG
K L E U H.
1
1
c
u
5
I
I
%,
*..
«i
1
|
0
BESCHRIJVING
VAN
—
0
E\'S
§ "
II
JIIIH
"•8
l!
—
i
s
la
9
- \' &
Z s
03
T3
0
s
V
0
0
tl
•
AANMERKINGEN.
S £
H3
g-°
O
0
ja
>
z
g
HET DIER.
\'S -n
s
ja
0
1
I
> 7!
S a
>
P
"" : 1
B
V
9
E
a
~
u
V
a
0
0
Pd
0
s
a
0
g-I
CU
0
In Centimeters.
CS
Koe 4.\', jaar oud
81 137
53
23
142
148
55
52
30
07 204
428
grau\\r-
bont.
licht met
zwarte
geel.
donker* licht met vleesch- vlcesch- ,VAn« A A Oft ,» \\ >
grijs. donkere kleurig. kleurig. «OOgllJUp. i|
punten.
vlekken.
r-s
d°. 4,1, » » ...
73
147
51
25
146
146
58
56
29
04 197
436
d».
d°.
bont.
licht- (jo^ jj0
d°. » 1180 » § I
"
grauw.
1 r 5
d". Al » » ...
71
143
49
24
143
150
56
52
27
09 200
424
d°.
d-.
geel.
d°. d°. d°.
1
d». » 1150 »ji1:
1 p S
d". 4J » » ...
70
144
53
24
139
154
57
53
28
03192
417
d°.
d°.
d°.
d°. i l,onker- ; d°.
dito mot
donkere
vlekken.
» 1150 »[•»&
>1«
d°. 41, » » ...
63
137
46
24
136
148
55
49
27
98 200
408
d°.
d°.
d».
d°. d°. d°.
vleesch-
klcurig.
» 1110 »[ g.J.
Vaars 1^ » » ...
62
138
46
23
137
147
56
48
25
92182
390
d«.
donker.
d".
donker-
gti.|s-
d°. d°.
d«.
I a ë
» 930 »I-J
d°. lf » » ...
51
128
48
21
139
148
62
46
24
87 178
385
d°.
bont.
donker.
licht-
(Jo^ donker
dito niet
donkere
strepen.
» 900 » 11«
fel
d". 1^ » » ...
64
127
44
22
137
145
58
45
25
95186
386
d°.
geel.
geel.
zilver- licht. vleesch-
grijs. kleurig.
vleesch-
kleurig.
» 930 »/ a|
Oostfriesche koe, gemeten in
1879 op de tentoonstelling van
i
mestvee te Berlijn, 4 jaren oud.
231 53
22
150
145
50 57
25
35 226
453
d°.
d°.
d-.
d". d«. d". d°.
I
Kreeg den len prijs.
beveiligd wordt. Slechts in het zuiden wordt deze vlakte door eenige
III. Het Oldeiiburgsche vee.
heuvelrijen afgebroken. Ten zuiden van Vechta bij Lohue, Steinfeld en
Van het groothertogdom Oldenburg met de vorstendommen Birkenfeld
Damme bevinden zich de Dammebergen en ten zuiden van Oldenburg aan
en Lu beek, boeit in de eerste plaats het hertogdom Oldenburg onze be-
de Hunte de Osenbergen (uitgestrekte zandheuvels), vanwaar zich langs
langstelling. Dit hertogdom grenst ten noorden aan de Noordzee, die aan
de Lethe van Wardenberg af een zachtgolvend terrein uitstrekt. De voor-
den mond van de Jade en de "Weser twee groote inhammen vormt en
naamste rivieren zijn de Weser met de Hunte, de Jade, de Eems met de
het eiland Wangeroog omspoelt en verder aan de provinciën Hannover en
Soeste en de Leda. Verder doorsnijden nog tal van kleine rivieren en
Oostfriesland. Het is eene laagvlakte, die zoowel langs de kusten der
kanalen het land, van welke laatsten het Eemskanaal, dat Hunte en
Noordzee als aan de Weser,
door
stevig
e dijk
en te
jen 01
/erstro
oming
en
Eems
met elkandei
verbindt, het
voornaamste
Is.
-ocr page 59-
38
39
\'
\'
Oostfriesche koppel van den Heer Hicketier, domeinraad en pachter van (
ertogel. Saksisch-Meiningsche heerlijkheid Wangern, kreits Breslau-domein
Prisselwitz. De metingen zijn gedaai
oor den Heer 0. Hicketier.
LENGTE HOOGTE
B
s
OMVANG
K L E U H.
1
1
c
u
5
I
I
%,
*..
«i
1
|
0
BESCHRIJVING
VAN
—
0
E\'S
§ "
II
JIIIH
"•8
l!
—
i
s
la
9
- \' &
Z s
03
T3
0
s
V
0
0
tl
•
AANMERKINGEN.
S £
H3
g-°
O
0
ja
>
z
g
HET DIER.
\'S -n
s
ja
0
1
I
> 7!
S a
>
P
"" : 1
B
V
9
E
a
~
u
V
a
0
0
Pd
0
s
a
0
g-I
CU
0
In Centimeters.
CS
Koe 4.\', jaar oud
81 137
53
23
142
148
55
52
30
07 204
428
grau\\r-
bont.
licht met
zwarte
geel.
donker* licht met vleesch- vlcesch- ,VAn« A A Oft ,» \\ >
grijs. donkere kleurig. kleurig. «OOgllJUp. i|
punten.
vlekken.
r-s
d°. 4,1, » » ...
73
147
51
25
146
146
58
56
29
04 197
436
d».
d°.
bont.
licht- (jo^ jj0
d°. » 1180 » § I
"
grauw.
1 r 5
d". Al » » ...
71
143
49
24
143
150
56
52
27
09 200
424
d°.
d-.
geel.
d°. d°. d°.
1
d». » 1150 »ji1:
1 p S
d". 4J » » ...
70
144
53
24
139
154
57
53
28
03192
417
d°.
d°.
d°.
d°. i l,onker- ; d°.
dito mot
donkere
vlekken.
» 1150 »[•»&
>1«
d°. 41, » » ...
63
137
46
24
136
148
55
49
27
98 200
408
d°.
d°.
d».
d°. d°. d°.
vleesch-
klcurig.
» 1110 »[ g.J.
Vaars 1^ » » ...
62
138
46
23
137
147
56
48
25
92182
390
d«.
donker.
d".
donker-
gti.|s-
d°. d°.
d«.
I a ë
» 930 »I-J
d°. lf » » ...
51
128
48
21
139
148
62
46
24
87 178
385
d°.
bont.
donker.
licht-
(Jo^ donker
dito niet
donkere
strepen.
» 900 » 11«
fel
d". 1^ » » ...
64
127
44
22
137
145
58
45
25
95186
386
d°.
geel.
geel.
zilver- licht. vleesch-
grijs. kleurig.
vleesch-
kleurig.
» 930 »/ a|
Oostfriesche koe, gemeten in
1879 op de tentoonstelling van
i
mestvee te Berlijn, 4 jaren oud.
231 53
22
150
145
50 57
25
35 226
453
d°.
d°.
d-.
d". d«. d". d°.
I
Kreeg den len prijs.
beveiligd wordt. Slechts in het zuiden wordt deze vlakte door eenige
III. Het Oldeiiburgsche vee.
heuvelrijen afgebroken. Ten zuiden van Vechta bij Lohue, Steinfeld en
Van het groothertogdom Oldenburg met de vorstendommen Birkenfeld
Damme bevinden zich de Dammebergen en ten zuiden van Oldenburg aan
en Lu beek, boeit in de eerste plaats het hertogdom Oldenburg onze be-
de Hunte de Osenbergen (uitgestrekte zandheuvels), vanwaar zich langs
langstelling. Dit hertogdom grenst ten noorden aan de Noordzee, die aan
de Lethe van Wardenberg af een zachtgolvend terrein uitstrekt. De voor-
den mond van de Jade en de "Weser twee groote inhammen vormt en
naamste rivieren zijn de Weser met de Hunte, de Jade, de Eems met de
het eiland Wangeroog omspoelt en verder aan de provinciën Hannover en
Soeste en de Leda. Verder doorsnijden nog tal van kleine rivieren en
Oostfriesland. Het is eene laagvlakte, die zoowel langs de kusten der
kanalen het land, van welke laatsten het Eemskanaal, dat Hunte en
Noordzee als aan de Weser,
door
stevig
e dijk
en te
jen 01
/erstro
oming
en
Eems
met elkandei
verbindt, het
voornaamste
Is.
-ocr page 60-
40
Verreweg het grootste gedeelte van het land is geestgrond; in het
zuiden en zuidwesten is de bodem het lichtst. Langs den zoom dei\'
marschgronden en verder ten zuiden en westen van Oldenburg en aau
den noordoostelijken voet van (Ie Osenbergen bevinden zich uitgestrekte
venen. De kleigronden. die ons om de voortreffelijke veeteelt meer in \'t
bijzonder belang inboezemen, vinden wij in Butjadingen (het oude Iiustringen.
het land »buten der Jade;"), het oude Stadtland (een deel van het oude
Stedingerland), dat door de Hete of zoogenaamde middenvqver van Butja-
dingen gescheiden wordt, verder in het ambt Ovelgönne en in de heerlijk-
beid .lever, met de ambten .lever, Tettens en Minsen. Het Stadtland,
zoomede het zuidelijk gedeelte van Butjadingen hebben den zwaarsten,
leenirijksten bodem, terwijl die van het noordelijk gedeelte van Butjadingen
iets lichter is. In het zuiden beginnen de kleigronden daar, waar de
Ochte in de Weser valt, niet ver van Altenesch en strekken zich in een
langen smallen strook langs den westelijken oever van de Weser tot aan
de Noordzee uit. Deze strook is op eenige plaatsen nauwelijks eene halve
mijl. op andere plaatsen eene en ook wel twee mijlen breed, Bij Klslleth
worden zij broeder, naderen bij Broke meer de rivier, nemen bij Ovelgönne
en Rodenkirche nog meer in breedte toe, loopen bij Ksenshamm ook langs
den oostelijken oever en bereiken bij Nordenhamm, bij Stallham en
Waddens hunne grootste breedte. In het westen van Rodenkirchen dringt
de klei in smalle strooken in de heerlijkheid Kniephausen ten noorden van
Varel aan den zeeboezem van de Jahde tot aan het zeebad Dangast, ver-
broedt zich daar en neemt de geheele heerlijkheid Jever met de ambten
Jever, Tettens en Minsen in zich op. De omstreken van Jever alleen zijn
een zacht golvend, deels met bosch begroeid geestland.
Het klimaat langs de kusten is ruw, nevelachtig en vochtig, met late
vorst in het voorjaar en korte zomers. De winter is betrekkelijk zacht en
brengt zelden aanhoudende strenge koude, de herfst is nog het aangenaamste
jaargetqde. Meer het land in is het klimaat zachter en aangenamer.
Naast een uitgestrokten landbouw maakt de veeteelt eene hoofdbron
van het bestaan der bevolking uit. De paardenfokkerij, die hoofdzakelijk in
de kleistreken langs de Weser, Hunte en Jahde met vlijt beoefend wordt,
levert ons het in wijden kring met roem bekende Oldenburger paard, dat
zich door grootte en kracht en bijzondere bruikbaarheid voor alle doel-
einden in den landbouw, alsook door zijnen kalmen gemoedsaard zeer
gunstig onderscheidt. De rundveeteelt, die ons hier in de eerste plaats
belang inboezemt, wordt in hooge mate begunstigd door de vette gras-
-ocr page 61-
41
en hooilanden, waarop het met klaver doormengdn gras in dit vochtige
klimaat in weelderige!) overvloed gedijt. De kleflanden in Stadtland en
Butjadingen, vooral in het zuidelijk gedeelte (in bet noorden, waar de
grond iets lichter is, wordt reeds meer land voor den akkerbouw gebruikt),
verder in de heerlijkheid Jever, bieden ons met hunne voorbeeldige hoeven
een fraai beeld van orde en zindelijkheid, die ons hier overal tegenlacht.
Nergens vinden wij in Oldenburg de boeven beter onderhouden, de velden
in bevredigender toestand en de fokkerij met beter gevolg gedreven dan
hier, waar een ieder met vlijt, volharding en volledige zaakkennis er naar
streeft het doel te bereiken, dat eenmaal als het goode is aangenomen.
Zoowel de Staat als de landman, wijdt zich met de grootste belangstelling
aan de veeteelt, die de hoofdbron der nationale welvaart uitmaakt en
niets wordt er verzuimd, wat tot haar welslagen, tot bare verheffing kan
bijdragen. De Staat verleent niet alleen hooge premiën bij de keuringen,
maar heeft ook sedert 18(M . op voorstel van de Oldenburger Landbouw-
vereeniging, bij de wet eene algemeene keuring van stieren ingevoerd en
voor bekroningen van de beste fokstieren van het land een jaarlijksch
bedrag \'van 4500 tot G000 Mark toegestaan. Het gohoele land door
hebben zich keuringscommissies gevormd, die jaarlijks in hun distrikt eene
keuring van fokstieren houden, waarbij niet slechts de stier, maar ook
de afstammelingen in aanmerking genomen worden. Slechts die stieren
mogen in de gemeente dekken, welke door deze commissiën zijn goed-
gekeurd en aan de naleving van deze bepaling wordt door de veehouders
zelf streng de hand gehouden. Mocht het voorkomen, dat er tegen de
bepalingen dezer keuringsverordening gezondigd wordt, dan moet de over-
treder, zoowel de eigenaar van den stier als van de koe, eene boete be-
talen tot een bedrag van 00 Mark en wordt op den koop toe door de
medeleden zijner gemeente met verwijten overladen.
De gekeurde en bekroonde stier moet een jaar lang in het distrikt
dekken en mag in dien tijd niet naar buiten worden verkocht. Het dek-
geld bedraagt 1) tot 15 Mark per koe en hooger, zoodat een gekeurde
stier den eigenaar een aardig sommetje opbrengt. Het is licht te ver-
klaren, dat wij hier, waar het groote belang eener oordeelkundige fokkerij
zoo geheel in den geest van het volk is doorgedrongen, waar iedere vee-
houder zich beijvert, zooveel hij kan, mede te werken om de veeteelt in
zijn vaderland te bevorderen, edele, fraaie dieren vinden, die in streken,
welke in alle opzichten in hunne behoeften kunnen voorzien, voortreffelijke
resultaten opleveren.
-ocr page 62-
4*2
Niet overal zijn de toestanden op het gebied der veefokkerij in
Oldenhurg zoo gunstig als in het zooeven besproken gebied, niet overal
vinden wij dat algenieene, eendrachtige streven naar verbetering en ver-
edeling der veetökkerij en het is dus volstrekt niet onverschillig of wij hier
of elders het Oldenburger vee koopen. Het bewijs van herkomst uit
Oldenhurg doet er evenmin iets toe als de zwartbonte huid, die maar
al te dikwijls de vlag is. w-elke de lading moet dekken; \'t komt er maar
op aan of het dier van eene veehouderij komt, waai- met oordeel en
nauwlettende zorg gefokt wordt.
Het vee op de geestgronden, die aan de kleistreken grenzen, komt
geheel met dit kleivee overeen. Vele boeren van de geestgronden bezitten
of pachten weiden op den kleibodem, fokken geheel op dezelfde wijze en
naar hetzelfde plan als daar en zoo vinden wij op deze geestgronden, daar
waar zij aan de kleigronden grenzen, hetzelfde kleivee, hetgeen van dat
der vette kleistreken slechts door wat minder zwaarte, tengevolge eener
schralere voeding, onderscheiden is. Wij vinden daarentegen ook een vrij
groot aantal vee in deze polderlanden en wel juist in de vetste streken,
waar veel vee gevetweid wordt, dat op de geest geboren is en als kalf
aan den rijken disch der kleilanden gebracht, daar even goed gedijt als
het daar geborene. De gelijkheid in de wijze van fokken in de aan elkaar
grenzende geest- en kleistreken, maakt zulk eene doelmatige wederzijdsche
hulp mogelijk; zij kan de gezamenlijke veehouderij niet schaden, haar in-
tegendeel slechts voordeel aanbrengen. Hoe verder de geest van de klei
verwijderd is, hoe zuidelijker dus, hoe gemengder het vee wordt, hoe
minder er van eene eenvormige fokkerij sprake kan zijn.
Wij moeten het Oldenburgsche kleivee in twee slagen verdeelen:
het Butjadinger en het ieverlander. Het Buljadinger vee, dat in de
omstreken van Nordenhamni, Abehusen, Esensham, Blexen, Stollhamm,
Seefeld, llammelwarden enz. het best ontwikkeld is, is tengevolge dei-
vettere weiden zwaarder, meer geschikt voor de vetmesting en ronder van
vorm; het Jeverlunder is meer uitsluitend melkvee.
Het Buljadinger vee behoort tot het zwaarste slag van het laaglandsche
ras; het is een goed geproportioneerd, goed gebouwd dier. De kop is
breed, niet lang, loopt niet zoo spits toe als bij het Nederlandsche en het
Oostfriesche vee, de breede muil vertoont meest donkere pigmenten, de
hoornen zijn grof en het beendergestel is over het geheel grover en
zwaarder en vooral ook het voorstel is heter ontwikkeld dan bij de tot nu
toe behandelde slagen van het laaglandsche ras. De borst is tamelijk
-ocr page 63-
43
breed en zwaar, de hals niet lang. de schouders gevuld en goed gesloten.
de schoft breed, het lijf goed en tonvormig geribd; de pooten zijn goed
gesteld, soms wat koehakkig. De uier en verdere melkteekens zijn goed
ontwikkeld en wijzen op eene rijke melkproductie, aan welke verwachting-
de koe dan ook beantwoordt.
De kleur is zwartbont, waarbij het zwart de overhand heeft, ook
wel geheel zwart, somtijds blauwgrauw met wit. De dieren zijn goed
voor de vetmesting, de ossen ook zeer goede werkbeesten. De gemiddelde
jaarlijksche melkopbrengst per koe wordt gesteld op 2500 a 3000 liter.
Overal, waar men bij de veehouding twee belangen op het oog heeft,
moet men echter bij den aankoop van dit vee rekening houden met den
bodem en daar waar men met het oog op de voeding in geene gunstige
omstandigheden verkeert, zal men met meer voordeel in de aan de betere
kleigronden grenzende geestlanden koopen.
De teelt en kruising met het Engelsche korthoornras is ook in het
Weserland veelvuldig toegepast geworden; veel aanhang vond zij bij de
eigenaars van uitstekende vette weiden, dien zij het niet te versmaden
voordeel van vroegrijpheid, groote zwaarte en betere vleeschaanzetting gaf.
Jammer genoeg, dat deze kruising ook overgebracht werd naar streken,
waar de fokkerij en de verkoop van trekvee het hoofddoel der veehouding
is. Hier kon zij zich, niettegenstaande den uitbundigen lof, welke haar
door enkele fokkers werd toegezwaaid, niet staande houden. De uitkomsten
bewezen al spoedig, dat men op den verkeerden weg was; de melk-
opbrengst ging steeds terug, het aantal koopers van mestvee nam steeds
af en geen verstandig veehouder wenschte langer van de producten dezer
kruising voor den aanfok gediend te zien. Deze ontdekking maakte aan
de kruising met korthoornvee spoedig een einde, en met de hun eigene
energie gingen de Oldenburger fokkers met den ineesten spoed weer tot
de eigenteelt over. De stamboekvereeniging, die zij oprichtten, werd overal
met de levendigste belangstelling begroet en reeds in het eerste jaar werden
daarin 290 van de 349 aangegevene beesten opgenomen. Omtrent de
punten van beoordeeling bij de keuze van het dier ter opname in het
stamboek deelt het jaarverslag het volgende mede:
Er werd bepaald, dat bij de opname in het stamboek het punten-
stelsel zou worden toegepast, waarbij drie punten het maximum
zou zijn, dat ieder lid der uit vijf\' personen bestaande keurings-
commissie zou kunnen geven; acht punten zouden voldoende zijn
voor de opname. Eindelijk kwam men nog met elkaar overeen,
-ocr page 64-
4i
dat als grondregel zou worden aangenomen, dat alle grofgebouwde,
niet fraaie dieren, al waren zij overigens ook zwaar van stuk»
niet opgenomen zouden worden. Daarentegen zou er bijzonder
gelet worden op fraaie vormen (breed schouderblad, rechten ge-
welfden rug, lang kruis en goed ontwikkelde dijen) en op een
fijn beendergestel; op groote zwaarte zou, zooals boven reeds is
vermeld, minder worden gelet. De melkrijkheid van ieder dier
afzonderlijk, moest ingevolge bovengenoemd besluit, in zooverre in
aanmerking genomen worden, dat bij overigens gelijk goede dieren,
aan datgene de voorkeur gegeven werd, hetwelk de meeste melk
gaf. Om na verloop van een zeker aantal jaren eene zekere gelijk-
heid in de kleur te verkrijgen, werd nog bepaald, dat alle mis-
kleuren (bruin, muisvaal, schimmel) van de opname uitgesloten
zouden zijn. De keuringen zijn dan ook geheel overeenkomstig
deze bepalingen gehouden en moge er in enkele distrikten ook
meef door de vingers zijn gezien dan in andere, zoo is toch over\'t
geheel van deze grondstellingen niet afgeweken.
Zoo tracht men dan in het Weserland het Oldenburger rundvee in
alle opzichten weer rein te telen en het door zorgvuldige, nauwlettende
teelt en verzorging tot de hoogste volkomenheid te ontwikkelen.
De kalveren krijgen in het Weserland gedurende een a twee weken
de moedermelk, dan afgeroomde, dikke melk met wat hooi. Langzamer-
hand komt daar wat slobbering van meel of ha vergort bij, in den laatsten
tijd ook maïsmeel en haver, verder hooi daarbij naar behoefte. Zoo
worden de kalveren tot zij 5 of 6 maanden oud zijn, krachtig gevoederd
en komen tegen\' het einde van Mei of begin Juni in de weide. Hebben
zij dan den leeftijd van 5 a 6 maanden nog niet bereikt, zoo krijgen ze
in de wei nog wat krachtvoeder en eerst daarna vormt de weide het
geheele voedsel. In goed bestuurde veehouderijen komt de vaars op
2jarigen leeftijd bij den stier, vele, vooral de kleinere boeren laten ze ook
reeds met d8 maanden dekken, melken ze dan gewoonlijk een jaar gust
over en brengen ze dan weer bij den stier, zoodat ze in October of
November voor de tweede maal kalven. Van de melk wordt boter bereid,
kaas bijna uitsluitend voor eigen consumtie en de karnemelk meest
\'s winters aan de kalveren en des zomers aan de varkens gegeven. In
goede jaren wordt een hektare weiland met twee stuks groot vee, 4 stuks
jong vee of met 2 schapen en 5 lammeren bezet.
Behalve het vee uit de kleilanden aan de Weser, het Butjadinger
-ocr page 65-
45
vee, komt in Oldenburg ook nog in aanmerking het vee in de kleistreken
van de heerlijkheid Jever, dat als Jeverlander vee bekend is en zeer veel
als Nederlandsen of Oostfriesch vee ter markt komt. Zwartbont van
kleur, komt het geheel met het Oostfriesche vee overeen; de heerlijkheid
Jever behoorde vroeger dan ook tot Oostfriesland, dat zich toen tot aan
de Jahde uitstrekte. Het Jeverlander vee is een zeer goed, fijn melkvee,
van gemiddelde zwaarte, niet zoo zwaar als het zwaarste Nederlandsche,
over \'t geheel met fraaie afgeronde vormen, zeer goede melkteekens en
eene constante zwartbonte kleur. Voor het in stand houden eener zorg-
vuldige eigenteelt, bestaat in Jever eene stamboekvereeniging, die eene
commissie benoemt, bestaande uit vijf leden, welke de dieren moeten
onderzoeken en de als goed en van zuiver bloed bevondenen in het stam-
boek inschrijven. Het doel dat de vereeniging zich bij de fokkerij voor
oogen stelt, is het verkrijgen van een zwart-witbont Jeverlander slag van
zuiver bloed, dat de grootst mogelijke lichamelijke schoonheid met voor
de vleeschaanzetting zoo gunstig mogelijke vormen en rijke rnelkgeving in
zich vereenigt. Fokstierenvereenigingen bestaan er wel is waar niet, toch
vindt men er vele veeteelt-vereenigingen, die zich aan het houden van
goede fokstieren veel laten gelegen liggen.
De weidegang duurt hier, even als in de overige kleistreken, naar
gelang van het weer, van het midden van Mei tot aan het begin van
November, 5 a 6?, maand, voor 1- of 2jarig vee, dat voor het eerst in
de weide komt, iets langer. De bezetting der weiden geschiedt in den
regel zoodanig, dat over de geheele weideoppervlakte, die bij eene boerderij
behoort, al het vee (runderen en paarden van eiken leeftijd) zoo verdeeld
wordt, dat op 1 mad = ongeveer 47 are een stuk vee komt; de jonge
kalveren en schapen komen er op den koop toe bij. Elders wordt ge-
rekend, dat eene melkkoe 70 are, een tweejarig rund 36 are eener goede
weide noodig heeft. Het kalf krijgt de eerste twee of drie weken de
volle melk van de moeder, dan wordt deze melk langzamerhand door
karnemelk vervangen. Van de karnemelk krijgt het kalf, naar gelang
van den leeftijd, 10 a 20 liter; onmiddellijk bij het begin der voedering
met karnemelk wordt daaraan wat brood en nu en dan een kippenei en
wat hooi toegevoegd; later vervalt het brood en geeft men in de plaats
daarvan gekneusd graan, dagelijks ?, a 1 pd. In het midden of op het
einde van Mei komen de kalveren in de weide, waar de jongsten alleen
nog maar wat toevoer van karnemelk en een weinig gekneusd graan
ontvangen. In den winter wordt bij het gewone voeder jj stroo, 4 hooi
-ocr page 66-
46
nog 4 tot 3 pond haver, heel of gekneusd, gegeven. De 1| tot 2?,jarige
dieren krijgen in den winter, behalve gerst en haverstroo, 2 of 3 pond
gekneusd graan, hetzij gerst, haver, boonen of iets anders, de melkkoeien
tot aan het droogstaan, bij het stroo 20 a 30 pond kool, ook worden
wel rapen en gekneusd graan gegeven, aan de nieuw melkende koeien
4 tot 8 pond gekneusd graan.
De vaars wordt, als zij voluit 2 jaar oud is, bij den stier gebracht,
die reeds met 13 a 44 maanden gebruikt wordt; de dieren, die men
voor eigen aanfok houdt, laat men het liefst van het midden van Mei tot
het midden van Juni, de voor den verkoop bestemde van October tot
Maart bespringen. De gemiddelde melkopbrengst bedraagt van 2900 tot
3500 liter en meer, de meeste koeien melken van Maart, resp. einde
April tot in December en Januari. Gedurende de voedering der aanhouders-
kalveren, wordt de melk tot boter verwerkt, in den anderen tijd maakt
men er boter en magere kaas van. Ter verkrijging van een pond boter
heeft men gewoonlijk 44 tot 46 liter melk noodig.
Maten en pigmenten staan in de hier volgende tabellen.
-ocr page 67-
Tabellen: zie volgende bladzijde.
-ocr page 68-
48
Oldenburger origineele dieren, zuiver ras, opgenomen in het Weser-stamboek,
Stollhamm, Weser,
49
>meten door den Heer Reelf Didde-Jeksen, grondeigenaar te Busch bij
arsch (Butjadingen).
HOOGTE
LENGTE
KLEUR.
oge u.
ó
=
ei
o
da
oom
»
bl
"**
u,
03
>
H3
\'S
e
o
s
o
X
fi
a
E-
ja
X
V
o
Rand
Ü)
s
CJ
o
T3
1
e.
a
o
«
9
J=
5
Li
5
„j
"O
Ui
en
V
t*
5
rO
O
s
rO
£
\'S
pq
2
n
O M V A N C
c
I
o
A
o
.
_*
terhoo
schof
oft tot
n den
ja
ca
—
e*
91
>
BESCHRIJVING
VAN
HET DIER.
ÏL-
AANMERKINGEN.
a-S
-
2 I
In Centimeters
wit met
ew. punt.
wit.
zwart.
d°.
bont.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
Weserlanderfokstier»Victor"
Stamb. n". 348, 21 jaar oud.
Koe 4 jaar, Stamb. 158,
71 142 52 I 29 148
I ! I
37 210 204
156 60 52
vit en
zwart.
wit met
/.w.vlekken.
licht.
d".
donker.
licht.
licht.
1278 pd.
1160 pd., heeft nu na het eerste
kalven in 10 m. 2623 L. melk ge-
geven en is sedert 7 m. weer drachtig.
986 pd., geeft nu 7 w. na het eerste
kalven p. dag 6.5 L. melk.
1090 pd., iets langer dan 7 in. drachtig.
34 180 180
artbont.
donker.
licht met
donkere
vlekken.
donker.
»Flora"......[80 133: 55 I 24 |141
Koe 3} jaar, Stamb. 368,
•Wlaska"...... i 79 135 55 j 25 |143 152 66 57 36 189 183 3<l
Vaars 3 jaar, Stamb. 367,
»Titania"......,80 136, 53 \\ 24 148 155 65 55 33 195 186
d°.
d».
bont.
Oldenburger Weserlander koppel van den Heer Konstantin van
czaniecki, eigenaar der ridderhofstede Miedzychod bij Schrimm.
grauw.
grauw.
zwart.
zwart.
zwart.
zwart.
zwart.
zwart.
d°.
d°.
d°.
d°.
grauw.
grauw.
grauw.
d°.
wit.
wit.
80 145 57 I 30 154:158! 78
58
39
Stier 4 jaar oud
Koe 7 » »
Koe 4 » »
230 200 4*
art met
onder
\'. buik en
an de
ooien.
De koppel is reeds door
den vader van den tegen-
woordigen eigenaar aan-
gelegd.
43 212 200 40
39 200 197 40i
80 126 48 23 152 148 67 58
i
75 131 53 | 24 147155 70 52
\'artbont.
Oldenburger origineele dieren uit Jeverland, opg*
eten door den Heer J. F. Detmers te Wiarden.
77 136 48 20 143 135 61    44   43 213 189 38
i i I :
76 115 39,18 136 142 61    43   49 208188 39
90 141 38 I 18 .143 156 56   51    42 222 202 43
97 155 47 20 150 161; 63   54   42 218 204 42
95 150 49,21 146 154 55   58   45 220 200 4i
96 154 49 21 147 155 55   61    45 221 205 4
73 132 42 18 142 159 58
   48   50 226 197 4*
72 122 45 19 140 146 64
   45   40 194 181 3ü|
2jarige stier ....
1 jaar 8 maand oude stier
3kalv. koe 3 W. drachtig
Skalv. » 5 M. »
6kalv. » 2 M. »
6kalv. » 8 M.
         »
2Jjar. vaars 1 M. »
2?,jar. » 6 M. »
i\'artwit.
ittwart.
art wit.
\'1".
d«.
zwart.
wit.
wit.
Gewicht
onbekend.
d°.
d°.
d°.
d°.
1000 pd.
d°.
d°.
d°.
d°.
13—1400 pd
d°.
»d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
zwartwit.
d°.
d».
d°.
d°.
d°.
d°.
d«.
d°.
d°.
wit.
d°.
1000 pd.
d°.
d».
d».
d°.
d°.
4
zwartwit.
wit.
d°.
d°.
d°.
d".
d°.
d°.
wit
d".
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d-.
zwart.
d°.
d«.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
-ocr page 69-
48
Oldenburger origineele dieren, zuiver ras, opgenomen in het Weser-stamboek,
Stollhamm, Weser,
49
>meten door den Heer Reelf Didde-Jeksen, grondeigenaar te Busch bij
arsch (Butjadingen).
HOOGTE
LENGTE
KLEUR.
oge u.
ó
=
ei
o
da
oom
»
bl
"**
u,
03
>
H3
\'S
e
o
s
o
X
fi
a
E-
ja
X
V
o
Rand
Ü)
s
CJ
o
T3
1
e.
a
o
«
9
J=
5
Li
5
„j
"O
Ui
en
V
t*
5
rO
O
s
rO
£
\'S
pq
2
n
O M V A N C
c
I
o
A
o
.
_*
terhoo
schof
oft tot
n den
ja
ca
—
e*
91
>
BESCHRIJVING
VAN
HET DIER.
ÏL-
AANMERKINGEN.
a-S
-
2 I
In Centimeters
wit met
ew. punt.
wit.
zwart.
d°.
bont.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
Weserlanderfokstier»Victor"
Stamb. n". 348, 21 jaar oud.
Koe 4 jaar, Stamb. 158,
71 142 52 I 29 148
I ! I
37 210 204
156 60 52
vit en
zwart.
wit met
/.w.vlekken.
licht.
d".
donker.
licht.
licht.
1278 pd.
1160 pd., heeft nu na het eerste
kalven in 10 m. 2623 L. melk ge-
geven en is sedert 7 m. weer drachtig.
986 pd., geeft nu 7 w. na het eerste
kalven p. dag 6.5 L. melk.
1090 pd., iets langer dan 7 in. drachtig.
34 180 180
artbont.
donker.
licht met
donkere
vlekken.
donker.
»Flora"......[80 133: 55 I 24 |141
Koe 3} jaar, Stamb. 368,
•Wlaska"...... i 79 135 55 j 25 |143 152 66 57 36 189 183 3<l
Vaars 3 jaar, Stamb. 367,
»Titania"......,80 136, 53 \\ 24 148 155 65 55 33 195 186
d°.
d».
bont.
Oldenburger Weserlander koppel van den Heer Konstantin van
czaniecki, eigenaar der ridderhofstede Miedzychod bij Schrimm.
grauw.
grauw.
zwart.
zwart.
zwart.
zwart.
zwart.
zwart.
d°.
d°.
d°.
d°.
grauw.
grauw.
grauw.
d°.
wit.
wit.
80 145 57 I 30 154:158! 78
58
39
Stier 4 jaar oud
Koe 7 » »
Koe 4 » »
230 200 4*
art met
onder
\'. buik en
an de
ooien.
De koppel is reeds door
den vader van den tegen-
woordigen eigenaar aan-
gelegd.
43 212 200 40
39 200 197 40i
80 126 48 23 152 148 67 58
i
75 131 53 | 24 147155 70 52
\'artbont.
Oldenburger origineele dieren uit Jeverland, opg*
eten door den Heer J. F. Detmers te Wiarden.
77 136 48 20 143 135 61    44   43 213 189 38
i i I :
76 115 39,18 136 142 61    43   49 208188 39
90 141 38 I 18 .143 156 56   51    42 222 202 43
97 155 47 20 150 161; 63   54   42 218 204 42
95 150 49,21 146 154 55   58   45 220 200 4i
96 154 49 21 147 155 55   61    45 221 205 4
73 132 42 18 142 159 58
   48   50 226 197 4*
72 122 45 19 140 146 64
   45   40 194 181 3ü|
2jarige stier ....
1 jaar 8 maand oude stier
3kalv. koe 3 W. drachtig
Skalv. » 5 M. »
6kalv. » 2 M. »
6kalv. » 8 M.
         »
2Jjar. vaars 1 M. »
2?,jar. » 6 M. »
i\'artwit.
ittwart.
art wit.
\'1".
d«.
zwart.
wit.
wit.
Gewicht
onbekend.
d°.
d°.
d°.
d°.
1000 pd.
d°.
d°.
d°.
d°.
13—1400 pd
d°.
»d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
zwartwit.
d°.
d».
d°.
d°.
d°.
d°.
d«.
d°.
d°.
wit.
d°.
1000 pd.
d°.
d».
d».
d°.
d°.
4
zwartwit.
wit.
d°.
d°.
d°.
d".
d°.
d°.
wit
d".
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d-.
zwart.
d°.
d«.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
-ocr page 70-
50
IV. Het klelvee in de provincie Hannover.
Wij kunnen bij de bespreking dei\' laagland.sclie rassen het rundvee,
dat wij in de vruchtbare kleistreken aan de oevers van de Elbe en de
Weser vinden, niet gebeel voorbij gaan, al is het dan ook niet geroepen
in ruinier kring op de veeteelt van invloed te zijn. Zulks kan daarom
niet het geval zijn, omdat, hoewel er op zich zelf een genoegzaam aantal
even fraai gevormde als melkrijke dieren gevonden worden, dit vee toch
eene vermenging is van verschillende veeslagen, die niet naar een bepaald
plan zijn voorlgefokt en alle constantheid missen, welke constantheid
voor een fokstier eene eerste vereischte is. Gebeel zonder invloed op den
veehandel blijft dit vee intusschen niet; zij geven het gemak, op eene en
dezelfde plaats dieren te vinden, die het type van verschillende rassen
vertoonen, zoodat men dichtbij Oostfriesch, Oldenburger, Wilster en
Breitenburger vee kan koopen tot geringeren prijs, dan deze dieren in
hun eigen vaderland kosten. Dit is eene zeer verleidelijke gelegenheid,
die dikwijls op zeer behendige manier, als men het afwijken van den
rechten weg zoo noemen mag, in praktijk wordt gebracht.
De vruchtbare kleigronden, waarop eene uitgebreide veeteelt wordt
uitgeoefend, vinden wij in de eerste plaats in het oosten van Hannover,
aan de Weser, in het Staderland tegenover Rodenkirchen, in Butjadingen
en dan verder noordwaarts in het land Würsten. Würsten, een echt
zeeland met voortreffelijke weiden, strekt zich van Bremerhaven noord-
waarts uit langs de Weser en het Würsten-wad tot aan het Hamburger
ambt Ritzebiittel en wordt ten westen door het land Hadeln begrensd;
bet omsluit het ambt Dorum met de hoofdstad van denzelfden naam.
Hier in Würsten en Staderland vinden wij bijna overal het Oldenburger
vee goed gefokt en verpleegd.
Noordoostwaarts van Wüsten, ten oosten aansluitende aan het ambt
lïitzebüttel, liggen de vruchtbare, door talrijke vaarten en de rivier de
Medem doorsnedene polders van Hadeln; zij strekken zich langs de Elbe
tegenover Ditmarschen in Holstein uit tot aan de Oste; de voornaamste
plaatsen zijn Ostendorf en Neuhaus. .
Aan Hadeln grenst aan gene zijde van de Oste het schoone, vrucht-
bare Kehdingerland, dat zich langs de Elbe uitstrekt tot aan de Schwinge
bij Stade. Freiburg tegenover Wilsterland in Holstein, Krautsand tegen-
-ocr page 71-
r.i
over Glückstadt en Stade zijn de voornaamste plaatsen van Kehdingen.
Aan den anderen oever van de Schwinge liggen de voortreffelijke kleilanden
van het land Alten, waardoor de Lahe en Este zich kronkelen en die in
smalle strooken zich tot het gebied van Hamburg uitstrekken. De belung-
ïïjkste plaatsen in Alten zijn Jost, Estebrügge, Buxtehuse, Steinkiivh en
Grünendeich. Hier en in het Kehdingerland vinden wij een tamelijk
zwaar, melkiïjk vee, deels van Nederlandsclie, Oostfriesche, Oldenburgsche,
deels van Wilster en Breitenburger afkomst. De kleuren der stampassen
zijn hier allen vertegenwoordigd en de vormen veranderen en wijzigen
zich naarmate er gefokt wordt.
Op de markten te Hildesheim, Brunswijk, Hannover, Bremen, Scharen-
beck enz., gaat het vee uit de genoemde kleistreken (link van de hand,
en boerderijen, die zware, melkrijke koeien voor de melkerij of geschikt
vee voor de vetweiding of vetmesting noodig hebben, kunnen in de
genoemde polderlanden, maar vooral in Alten en Kehdingen, geschikt
te recht. Verder zuidwaarts vinden wij in het Wesergebied tusschen
Varel en Nienburg in het graafschap Hoi/a een fijn melkvee, \'t welk
ontstaan is uit eene kruising van het landras met Oldenburgsche en
Oostfriesche slagen en met zorg voortgefekt wordt. Het is eene smalle
strook kleiland, waarop het Hoya vee gehouden wordt; het is een middel-
klein vee. zwartbont van kleur, met fraaie vormen, zeer matig, niet
kieskeurig in het voedsel en zeer productief. Voor lichtere gronden is het
Hoyaer vee zeker aan te bevelen.
Het Harz-ras hoop ik op eene andere plaats te behandelen.
V. De Holsteinsche marschen.
De provincie Holstein grenst ten zuiden en ten zuidwesten aan
Lauenburg, het stedelijk gebied van Hamburg en Hannover. waarvan het
door de rivier de Elbe gescheiden is, ten westen aan de Noordzee (in
Holstein Westzee genaamd), ten noorden aan Sleeswijk, waarvan het
door de Eider en het Eiderkanaal, dat de Noordzee met de Oostzee ver-
bindt, gescheiden is, en ten westen aan de Oostzee. Zij sluit het tot
Oldenburg behoorende vorstendom Lubeck in zich, zoomede het gebied
van de vrije stad Lubeck en eenige kleinere Hamburger enclaven.
-ocr page 72-
52
Holstein is een laagland, dat aan de Oostzee met golvende heuvel-
reeksen doorsneden is. In het westen en zuidwesten strekken zich de
zoogenaamde marschen uit. Deze marsenen bestaan uit eene vette, aan-
geslibde,- dikwijls op veengrond rustende kleilaag, die op vele plaatsen
door dijken tegen den indringenden vloed beschermd moet worden. Het
klimaat in Holstein is gematigd en gezond; de lucht is er tusschen twee
zeeën in meestal vochtig. De veeteelt wordt door de talrijke wei- en
hooilanden , waar de vochtigheid den groei van het gras zoo buitengewoon
gunstig is, in hooge mate bevorderd; zij maakt daar de hoofdbron van
het bestaan der bevolking uit.
Het is vooral de veeteelt in de marschlanden, die ons in het bijzonder
belang inboezemt en van deze weer in de eerste plaats die van
1. de Wil stermarsch.
De Wilstermarsch, die door den spoorweg Itzehoe-Haide doorsneden
wordt, ligt in het westen van Holstein, ten westen van Itzehoe in den
kreits Steinburg, en wordt door de Crempermarsch, de Elbe- en Dith-
marschen begrensd. De bevaarbare Stoer en de Wilster doorstroomen
het land, waarvan het stadje Wilster met ruim 3000 inwoners de voor-
naamste plaats is. Het zoo gezochte Wilsterlandsche vee vinden wij in
de gemeenten Heiligenstedten, Hodorf, Damfleth, Neufeld, Schotten.
Stördorf, Honigfleth, Diekdorf, Hakeböe, Rumtleth, Goldbogen, Averfleth,
Sachsenbande, Neuendorf, Krummendiek, Bekdorf\'. Rahde, Huje, Olden-
dorf, Hochfeld, Beidenfleth, enz. Stevige dijken, met gebakken steenen
beschoeid, beschutten weiden en akkers tegen het indringende water.
Het is een aan de zee ontwoekerd, met ontelbare vaarten en slooten door-
sneden vlakland, waaruit bij hoogen waterstand het water door tal van
kleine windwatermolens over een dijk in de grootere afwateringskanalen
gemalen moet worden om zoo de akkers en weiden droog en voor het
eebruik jreschikt te houden.
De landwegen zijn bij aanhoudenden regen bijna niet berijdbaar; de
wagen zinkt weg in den vetten leembodem en is slechts met moeite
vooruit te brengen; langs de straatwegen daarentegen loopen llinke voet-
paden , die ons van de eene hoeve naar de andere brengen. Deze hoeven
liggen meestal afzonderlijk en daar ze alle in denzelfden trant gebouwd
zijn en de geheele streek een zeer eenvormig karakter draagt, is het voor
-ocr page 73-
53
<len vreemdeling wel eens moeilijk, zich hier terecht te vinden. De be-
volking is een kernachtig, gezond slag van menschen, met eenvoudige
zeden, waarheidlievend en vertrouwbaar. Naast den akkerbouw (tarwe.
boonen, haver als hoofdvruchten) is de veeteelt verreweg de belangrijkste
tak van bedrijf. Heel zwaar maakt de Wilsterlandsche boer zich zijne
taak niet; nergens geniet het vee misschien minder zorg en verpleging
dan hier. Aan de opfokking wordt zoo goed als geene zorg besteed.
Het kalf krijgt maar enkele weken, in den regel slechts gedurende
44 dagen, de moedermelk, dan 8 a 10 weken lang afgeroomde en karne-
melk, waaraan steeds grootere hoeveelheden hooi worden toegevoegd;
zoodra de stand der weiden zulks toelaten, komt het kalf, nauwelijks
3 maanden oud, daarin en krijgt daar hoogst zelden nog eenig toevoeder.
Het vee, dat met Mei in de wei wordt gestuurd, blijft daar, zoolang de
stand en het weer dit maar eenigszins gedogen. Zelden komen de beesten
veel voor het einde van October op stal, blijven dag en nacht in alle
weer en wind buiten en krijgen daar in \'t geheel geen toevoeder. Het
wintervoeder bestaat uit stroo, haksel, wat rapen en hooi, dat al naar-
mate de oogst ruim of schraal geweest is, rijkelijk of karig toegediend
wordt. De kalveren, nu 9 maanden oud, krijgen in goede boerderijen
nog 3 a 4 pond haver, de melkkoeien nog wat gekneusd graan, aard-
noten of raapkoeken. De geheele verpleging in den winter bestaat in het
toedienen van het noodige voedsel, om de dieren niet van honger te doen
sterven; voor hetgeen daarboven nog noodig is, rekent men op de weiden,
en deze zijn inderdaad zoo rijk aan voedsel, dat zij de schrale voeding van
den winter bijna geheel weer vergoeden en de dieren op voortreffelijke
wijze doen gedijen. Bij zulk eene manier van opvoeden kan van een
snellen groei natuurlijk geen sprake zijn; deze eigenschap wordt slechts
door buitengewone voeding verkregen. Het Wilsterlandsche rund groeit
tot aan zijn vijfde jaar en de koe is eerst na het derde kalf geheel vol-
wassen. Naar onze boerderijen overgebracht, wordt het bij rijke voeding
en goede verpleging grooter en zwaarder en vooral van snelleren groei
dan in zijn vaderland. Ik heb Wilsterlandsche dieren opgefokt, die zeer
vroeg rijp waren en in grootte en zwaarte voor de »Shorthorns" niet
behoefden onder te doen. Snellen groei en groote vormen kan men door
voeding verkrijgen, doch steeds ten koste der melkrijkheid, wat de Wilster-
landers dan ook zeer goed weten. Ziel hun vee, wanneer het in het
voorjaar in de wei komt, er dan ook povertjes uit, zit het ook vol onge-
dierte, zoodat het wasschen met arsenicum er zeer en vogue is, zij weten
-ocr page 74-
54
wel, dat op de uitstekende weiden de lange haren, het ruwe uiterlijk
binnen eenige weken verdwijnen en plaats maken voor volle ronde vormen,
een helder, vroolijk aanzijn, dat het oog aangenaam aandoet. De fokker
in Wilsterland weet, dat hij een gezond, melkrijk dier aankweekt, dat
geene longziekten kent en kan aantoonen, dat de besmettelijke longziekte
hier nooit vasten voet kreeg. Het Wilsterlandsche vee is dan ook het
gezondste, dat ik ken; het geeft veel melk, en deze melk is vetter, dan
die uit andere kleistreken.
De stier wordt reeds op den leeftijd van 1 \\ jaar tot dekken gebruikt
en één stier dekt dikwijls 130 en meer koeien. Als dekgeld wordt 3 mark,
bij uilzondering meer (6 a 9 mark) betaald. De stier krijgt in den dek-
lijd dagelijks haver. De vaarzen worden, als zij 46 of 18 maanden oud
zijn, bij den stier gelaten, het liefst vroeg in het voorjaar, de koe
daarentegen in Mei of Juni.
In Wilsterland hebben, jammer genoeg, vroeger ook kruisingen met
Shorlhoinstieien plaats gehad en zoo zien wij dan ook tegenwoordig nog,
zij het ook hoogst zelden, half bloed Shorthornbullen voor de fokkerij ge-
bruiken. Twee oorzaken waren er, die aan de kruising met Shorthorn-
stieren spoedig een einde maakten, en wel het verminderen der melkrijk-
heid en het gevaar, het fokvee niet meer te kunnen verkoopen. De fokkers
zagen, dat de afstammelingen dezer kruising geene koopers meer vonden,
dat allen, die vee voor de fokkerij kochten, dieren met onvermengd bloed
wilden hebben. Hunne logische wijze van denken bracht hen spoedig tot
de overtuiging, dat de verkoop van fokvee hun eene veel zekerder, minder
van het toeval afhankelijke gelegenheid opleverde, hun vee van de hand
te doen, dan de vetweideiij. En met deze overtuiging werd aan de
kruising met Shorthornvee paal en perk gesteld en de eigen teelt kreeg,
tot op weinige uitzonderingen na geheel weer de overhand. Schade is er
door deze geringe inmenging van Shorthornbloed, die wij thans nog bij
het nakroost kunnen waarnemen, niet aangericht; de dieren, die eene
zoodanige bloedvermenging doen vermoeden, onderscheiden zich door fraaie,
afgei\'onde vormen; de kleur is gewoonlijk meer rood dan wit, of het zijn
schimmels.
Overigens kan nog worden geconstateerd, dat ook die Wilsterlandsche
dieren, waarbij met zekerheid eene inmenging van Shorthornbloed kan
worden aangetoond, in eigen kring voortgefokt, steeds meer de eigen-
schappen van het Shoi thornras verliezen en de vormen van het oude
Holsteinsche kleiras weer aannemen. Ook hier doet de constantheid van
-ocr page 75-
55
het natuurlijke ras tegenover de kunstmatig aangefokte rassen, zich weer
gelden.
In Januari 1876 is het aan den ijverigen voorzitter der landbouw*
vereeniging in Wilsterland, den Heer Hoi.st, landbouwer te Stördorf en
aan den secretaris, den Heer C. Mahlsteot, gelukt een stamboek voor
Wilsterland in het leven te roepen, dat zich naar luid der statuten ten
doel stelt, door liet uitkiezen en gebruiken van het beste fok vee, het in
Wilsterland tehuis behoorende melkras in stand te houden en de melkrijk-
heid en schoonheid ervan zooveel mogelijk te verhoogen. en dit vee daar-
door in waarde te doen toenemen, als ook een voldoenden waarborg voor
de echtheid van het ras te verkrijgen. In de verschillende distrikten zijn
inspecteurs benoemd, die aanwijzen welke dieren in het stamboek kunnen
worden opgenomen, en welke stieren voor het dekken zullen worden ge-
bruikt. De daarvoor bestemde stieren mogen voor den afloop eener dek-
tijd het distrikt der vereeniging niet verlaten. Bij de keuze der dieren
voor het stamboek, zullen in de eerste plaats de melkproductie, dan de
schoonheid en in de derde plaats de zwaarte in aanmerking genomen
worden; stieren van gekruist ras w:orden uitgesloten.
De eigenaars van stamboekvee zijn verplicht tot het houden van melk-
registers; deze registers zullen door de inspecteurs door proef mei ken worden
gecontroleerd; verder zijn de leden der vereeniging gehouden geene andere
dan gekeurde stieren voor het dekken te gebruiken. Voor de fokkerij
mogen slechts kalveren worden gebruikt en voortgefokt, die van gekeurde
ouders afstammen, en ook hierop zal door de inspecteurs, meestal hoofden
van een kerspel, controle worden uitgeoefend. Van Januari 1876 tot in
het voorjaar van 1880 waren er 3004 stuks in het stamboek ingeschreven.
Jammer is het dat voor dit goede doel zoo weinig sympathie bestaat en
ook de bepalingen der statuten niet zoo streng kunnen worden toegepast,
als men dat wel wenschte. De kosten zijn zoowel voor den eigenaar als
voor de vereeniging te groot; men zal nu eene jaarlijksche subsidie van
de regeering aanvragen, zonder welke eene praktische uitvoering niet
mogelijk blijkt te zijn en de vereeniging meer en meer inslaapt. Niet-
tegenstaande de ijverige bemoeiingen van vele zaakkundige mannen, zijner
tot nog toe weinig resultaten merkbaar en hierop valt ook eerst dan te
rekenen, wanneer het groote belang der onderneming algemeen erkend
en door ieder afzonderlijk met volle sympathie bevorderd wordt. Van het
grootste gewicht zal het zijn, slechts zoodanige inspecteurs te benoemen,
die een algemeen, onbeperkt vertrouwen genieten en geene eigene belangen
-ocr page 76-
56
er bij in het oog hebben. Slechts aan zulke mannen zal het gelukken,
de algemeene belangstelling voor de goede zaak te winnen. Het Wilster-
landsche vee is een even voortreffelijk melk- als mest vee. Het voorstel is
beter ontwikkeld dan bij het Nederlandsche en Oostfriesche ras en het
heeft in zijn vaderland de zwaarste van het middelzware vee van het
zwaarste Nederlandsche ras. De borst is breed en diep, de schouders en
de dijen zijn vol, de ribben goed gewelfd, de kop is korter en breeder
dan die der Nederlandsche slagen, het oog is levendig, de hoornen zijn
eenigszins opwaarts gebogen, dikwijls wat lang en niet bijzonder fijn, de
mondspiegel breed, de hals niet lang, eenigszins rond, de rug recht, het
kruis breed en tot aan de ver uit elkaar staande zitbeenderen voortloopende,
de schoft tamelijk breed en niet verhoogd; de staart, die niet hoog inge-
plant is, is lang, loopt spits toe en eindigt in eene volle haarkwast; de
huid is niet fijn, maar zacht en veerkrachtig, de beenderen zijn breed en
krachtig, de beenen goed gesteld, het lichaam diep. De melkteekens, uier
en meikaderen zijn goed ontwikkeld en het geheele uiterlijk draagt de
kenmerken van het goede melkvee. De kleur is rood- of geelroodbont,
waarin de donkere kleur de hoofdkleur, soms de eenige kleur is. Andere
kleuren, zooals zwart en grauw, komen niet voor.
De melkopbrengst eener koe bedraagt gemiddel 2600 tot 3500 liter,
doch komen bij uitstekende melkkoeien ook bedragen van 4000 liter voor.
De pachters, zoogenaamde koemelkers, rekenen op een jaarlijksche opbrengst
aan boter en kaas en voeder voor de varkens per koe van 300 Mark en
daarboven. De boter is van puike kwaliteit, de kaas minder goed dan
die uit de andere kleistreken; op dit gebied kan nog veel verbeterd worden.
De aanleg voor vetgroei is uitstekend, het vleesch is malsch en fijn van
vezel en kan de hoogste prijzen bedingen. 2} tot 3jarige ossen hebben,
zoo van de weide af geslacht, gemiddeld een slachtgewicht van 800 pond,
doch er worden ook wel ossen geslacht, die 4000 pond slachtgewicht en
ongeveer 200 pond talk opleveren.
Op de tentoonstelling van mestvee te Berlijn wekte een os uit Wilster-
land met recht de algemeene bewondering; dit dier woog levend iets meer
dan 2700 pond en was stevig gemest. Voor de ter bezetting van de
vetweide ontbrekende dieren, koopt men het liefst vee van de lichtere
kleistreken, van den veengrond en maar zelden van de geest.
Voor vette beesten betaalt men gemiddeld 66 Mark per centenaar.
Op eene goede weide berekent men voor 4.\', a 2 stuks groot vee
1 Hectare, in den winter voor 1 stuk 1 Hectare.
-ocr page 77-
57
De boerderijen in de kleistreken hebben gemiddeld eene oppervlakte
van 25 tot 35 Hectare, de grootsten 50 tot 60 Hectare. De kleinste
helft wordt voor den akkerbouw gebruikt; de opbrengst daarvan per
Hectare varieert van 35—60 ton haver, 12—25 ton tarwe, 10—35 ton
boonen en 15—30 ton gerst.
De hier volgende metingen mogen er toe strekken, het gegeven
beeld te voltooien.
-ocr page 78-
58
59
Wilsterlandsche koppel van den Heer von KI eist, eigenaar eener ridderhofstede
eigenaar in 1880. Gemiddelde melkopbrengst 9\', a 10 liter
te Drenow, kreits Belgard, in P om meren. De
ler koe en per dag. 100 liter gemiddeld 8 pond
metingen zijn gedaan door den
boter.
11
U 0 Q T E
a
s
d
£
2 J
s i
eupe
eendi
CO
CU
_=
_o
-o"S
r-ü * =
T3£
r5
5 M
S \'-
— «
V
T3
"5
o \'S
O JA
ft 2
h
bb
W-t»
tc^»
5
CU
»
B
13
C T3
es
den
an h
ii
reedl
eedte
C3 OS
a «
S B
m
eo
CS
« !=
-
>
> «
OITlIfl
LENGTE
1
BESCHRIJVING
VAN
HET DIE R.
AANMERKINGEN.
IS 8
In Centimeters.
j licht met
zwarte p.
donker.
licht.
licht.
d°.
d".
d".
d°.
donker.
d".
d«.
d°.
> licht met
donkere p.
d».
licht.
donker.
wit.
geelachtig.
d°.
licht.
wit met
donkere p.
donker.
d».
d°.
i\'.
donker.
donker.
donker.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
licht.
d°.
licht.
d°.
d°.
licht.
215 196 42
7 250 202 44
) 207 196
«Hercules", fokstier 20 M. 65 136, 50 25 148 144 62
51
65
60
62
lodbont.
licht-
roodbont.
d°.
roodbont.
licht.
d°.
th
d».
d«.
d".
d".
d°.
d°.
d°.
licht. ,1220 pd. lovend gewicht, pas geim-
porteerd.
52 29 148 148 56
»Gustav",         » 3 jaar
»Regina", koe 13 jaar
82 154
1490 pd. levend gewicht, normaal
gebouwd, middelgroot.
55
57
55
22 141154 54
85 145
83 145
74 152
d»,
d".
d-.
1380 pd., normaal, gebouwd puike
melkkoe.
1420 pd., de kop wat zwaar, zeer
goede melkkoe.
1385 pd., normaal gebouwd.
43
210 199
39
24 140 150 50
sBavaria", » 13 »
sZerline", » 11 »
»Wally", » 5 »
»Anna", » 5 »
»Asser" I, » 11 »
»Asser" II, vaars lf jaar
198
42
37
33
40
38
36
38
22 141 147
59
60
00
60
50
53
210
47
wit met
roode
vlekken.
licht-
ïooilbont.
211 197 421
i
220 206 43!
213 200 42
25 145 152 58
90 144 56
du.
d-.
donker.
d°.
1350 pd., wat koehakkig, overigens
goed gebouwd, puike melkkoe.
1810 pd., geheel normaal gebouwd,
goede melkkoe.
1400 pd., zeer normaal gebouwd,
puike melkkoe.
880 pd., belooft geheel de moeder
(Asser I) te zullen worden.
149 155 33
I
148 153 35
77 il30;I
; 92 ,152
26
26
49 | 25
i\'.
\'1".
.1".
178
194
62
194
212
130
140
67 1431
73 ,130 55 j 25 137 149 60
II
rood niet
witte
lekken.
licht. 1020 pd., normaal fraai gebouwd
»Hertha", » 2 »
De geheele koppel verwierf den Staatsprijs en vele andere premiën
-ocr page 79-
58
59
Wilsterlandsche koppel van den Heer von KI eist, eigenaar eener ridderhofstede
eigenaar in 1880. Gemiddelde melkopbrengst 9\', a 10 liter
te Drenow, kreits Belgard, in P om meren. De
ler koe en per dag. 100 liter gemiddeld 8 pond
metingen zijn gedaan door den
boter.
11
U 0 Q T E
a
s
d
£
2 J
s i
eupe
eendi
CO
CU
_=
_o
-o"S
r-ü * =
T3£
r5
5 M
S \'-
— «
V
T3
"5
o \'S
O JA
ft 2
h
bb
W-t»
tc^»
5
CU
»
B
13
C T3
es
den
an h
ii
reedl
eedte
C3 OS
a «
S B
m
eo
CS
« !=
-
>
> «
OITlIfl
LENGTE
1
BESCHRIJVING
VAN
HET DIE R.
AANMERKINGEN.
IS 8
In Centimeters.
j licht met
zwarte p.
donker.
licht.
licht.
d°.
d".
d".
d°.
donker.
d".
d«.
d°.
> licht met
donkere p.
d».
licht.
donker.
wit.
geelachtig.
d°.
licht.
wit met
donkere p.
donker.
d».
d°.
i\'.
donker.
donker.
donker.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
licht.
d°.
licht.
d°.
d°.
licht.
215 196 42
7 250 202 44
) 207 196
«Hercules", fokstier 20 M. 65 136, 50 25 148 144 62
51
65
60
62
lodbont.
licht-
roodbont.
d°.
roodbont.
licht.
d°.
th
d».
d«.
d".
d".
d°.
d°.
d°.
licht. ,1220 pd. lovend gewicht, pas geim-
porteerd.
52 29 148 148 56
»Gustav",         » 3 jaar
»Regina", koe 13 jaar
82 154
1490 pd. levend gewicht, normaal
gebouwd, middelgroot.
55
57
55
22 141154 54
85 145
83 145
74 152
d»,
d".
d-.
1380 pd., normaal, gebouwd puike
melkkoe.
1420 pd., de kop wat zwaar, zeer
goede melkkoe.
1385 pd., normaal gebouwd.
43
210 199
39
24 140 150 50
sBavaria", » 13 »
sZerline", » 11 »
»Wally", » 5 »
»Anna", » 5 »
»Asser" I, » 11 »
»Asser" II, vaars lf jaar
198
42
37
33
40
38
36
38
22 141 147
59
60
00
60
50
53
210
47
wit met
roode
vlekken.
licht-
ïooilbont.
211 197 421
i
220 206 43!
213 200 42
25 145 152 58
90 144 56
du.
d-.
donker.
d°.
1350 pd., wat koehakkig, overigens
goed gebouwd, puike melkkoe.
1810 pd., geheel normaal gebouwd,
goede melkkoe.
1400 pd., zeer normaal gebouwd,
puike melkkoe.
880 pd., belooft geheel de moeder
(Asser I) te zullen worden.
149 155 33
I
148 153 35
77 il30;I
; 92 ,152
26
26
49 | 25
i\'.
\'1".
.1".
178
194
62
194
212
130
140
67 1431
73 ,130 55 j 25 137 149 60
II
rood niet
witte
lekken.
licht. 1020 pd., normaal fraai gebouwd
»Hertha", » 2 »
De geheele koppel verwierf den Staatsprijs en vele andere premiën
-ocr page 80-
60
61
Uit de Wilsterlandsche koppel van den heer Hicketier, domeinraad, pachter van Le hertogel. Saksen—Meiningsche heerlijkheid Wangen, kreits Breslau. De metingen
zijn gedaan door den heerljo, Hicketier, domein Prisselwitz.
LENGTE
H O ü Cl T E
O M V A N O
*-
S-)
4)
ao
s
V
c
-O
fcjj
2 9
BESCHRIJVING
VAN\'
HET DIER.
SE
1*
tc„ I 3tJ=
AANMERKINGEN
In Centimeters.
vleeschkl.
vleeschkl.
d°.
d°. I
d°.
d°.
d°.
d°.
vleeschkl.
met donk.
strepen.
vleeschkl.
A\'.
d°.
d°.
d°.
d°.
bont.
d°.
vleeschkl.
d°.
d°.
1700 pd., kreeg in Holstein op de
Wilsterlandsche keuring den lsten
prijs en werd op de prov, tentoon-
stelling te Breslau bekroond; zeer
schoon on normaal gebouwd.
1630 pd., een zeer krachtig, normaal
dier.
1500   pd.
1280    »
1150    »
1200    »
1140    »
1080    »
1140    »
970    »
Fokstier Frans 2§ jaar
75
95
78
70
76
74
74
70
67
68
55
55
56
53
54
54
53
46
43
44
156
161
151
148
148
147
145
145
145
137
161
161
156
149
155
151
153
149
152
145
64
58
56
55
60
56
57
59
59
60
152
165
154
139
133
138
142
143
137
125
260
256
226
210
211
214
203
204
205
197
33
27
25
25
25
25
23
22
21
21
37
33
27
30
27
28
30
25
27
23
247
252
215
204
196
212
206
193
199
186
487 roü,l met
geel.
d°.
donker met
witte p.
wit met
donkere p.
d°.
licht.
licht met
donkere p.
d°.
d".
licht.
donker.
d°.
d°.
d°.
d°.
licht.
donker.
d°.
d».
d".
donker
vleesch-
kleurig.
vleeschkl.
» 3 jaar. . .
N°. 16 koe 10 jaar
» 12 d°. 6
» 10 d°. 4
» 8 d°. 4
» 6 d°. 5
Vaars 2 jaar . .
d°. 2 » . .
48
459
428
420
432
42i
404
415
388
65
57
56
52
55
53
49
51
45
rood.
roodbont.
rond met
f ter.
licht
vleesch*
kleurig.
d°.
vleeachkl.
met donk.
vlekken.
donker.
d°.
d°.
d°.
d°.
vleesch"
kleurig.
d°.
du.
d°.
vleeschkl.
met donk.
vlekken.
rood-
sc lummel.
d».
vlecsch-
kleurig.
i\'.
roodbont.
rood.
d°. 11 »
d°.
rood-
Bchimme]
De koppel is verscheidene malen bekroond, heeft een geregelden verkoop van
fokvee en haar jongvee is zeer gezocht.
-ocr page 81-
60
61
Uit de Wilsterlandsche koppel van den heer Hicketier, domeinraad, pachter van Le hertogel. Saksen—Meiningsche heerlijkheid Wangen, kreits Breslau. De metingen
zijn gedaan door den heerljo, Hicketier, domein Prisselwitz.
LENGTE
H O ü Cl T E
O M V A N O
*-
S-)
4)
ao
s
V
c
-O
fcjj
2 9
BESCHRIJVING
VAN\'
HET DIER.
SE
1*
tc„ I 3tJ=
AANMERKINGEN
In Centimeters.
vleeschkl.
vleeschkl.
d°.
d°. I
d°.
d°.
d°.
d°.
vleeschkl.
met donk.
strepen.
vleeschkl.
A\'.
d°.
d°.
d°.
d°.
bont.
d°.
vleeschkl.
d°.
d°.
1700 pd., kreeg in Holstein op de
Wilsterlandsche keuring den lsten
prijs en werd op de prov, tentoon-
stelling te Breslau bekroond; zeer
schoon on normaal gebouwd.
1630 pd., een zeer krachtig, normaal
dier.
1500   pd.
1280    »
1150    »
1200    »
1140    »
1080    »
1140    »
970    »
Fokstier Frans 2§ jaar
75
95
78
70
76
74
74
70
67
68
55
55
56
53
54
54
53
46
43
44
156
161
151
148
148
147
145
145
145
137
161
161
156
149
155
151
153
149
152
145
64
58
56
55
60
56
57
59
59
60
152
165
154
139
133
138
142
143
137
125
260
256
226
210
211
214
203
204
205
197
33
27
25
25
25
25
23
22
21
21
37
33
27
30
27
28
30
25
27
23
247
252
215
204
196
212
206
193
199
186
487 roü,l met
geel.
d°.
donker met
witte p.
wit met
donkere p.
d°.
licht.
licht met
donkere p.
d°.
d".
licht.
donker.
d°.
d°.
d°.
d°.
licht.
donker.
d°.
d».
d".
donker
vleesch-
kleurig.
vleeschkl.
» 3 jaar. . .
N°. 16 koe 10 jaar
» 12 d°. 6
» 10 d°. 4
» 8 d°. 4
» 6 d°. 5
Vaars 2 jaar . .
d°. 2 » . .
48
459
428
420
432
42i
404
415
388
65
57
56
52
55
53
49
51
45
rood.
roodbont.
rond met
f ter.
licht
vleesch*
kleurig.
d°.
vleeachkl.
met donk.
vlekken.
donker.
d°.
d°.
d°.
d°.
vleesch"
kleurig.
d°.
du.
d°.
vleeschkl.
met donk.
vlekken.
rood-
sc lummel.
d».
vlecsch-
kleurig.
i\'.
roodbont.
rood.
d°. 11 »
d°.
rood-
Bchimme]
De koppel is verscheidene malen bekroond, heeft een geregelden verkoop van
fokvee en haar jongvee is zeer gezocht.
-ocr page 82-
02
03
Wilsterlandsche koppel van den Heer Felix Klose, pachter van een landgoed! Romalkwitz, kreits Neumark. Metingen gedaan door den Heer Klos e.
BESCHRIJVING
VAN
HET DIER.
f :•§
&
AANMERKINGEN.
a
—
S
4
In Centimeters.
N°. 1
koe 3-* jaar oud. .
74
143
» 3
» 3.\', » » . .
66
136
» 23
:» 3.\', » » . .
70
142
» 36
» 2? » » . .
68
140
» 38
vaars 2 j jaar oud .
71
135
» 39
» 2 » » .
66
132
» 52
» 2 » » .
05
130
t, 56
» 2 » » .
69
130
Fokstier
3 jaar *) .....
73
176
bont. |-H50 pd., drachtig.
d". Il070 » afgekalfd.
licht. üioO » drachtig. |- *
I                                 -i
d°. ;1020 » afgekalfd. [ % 1
23 144
26 148
26 143
25 146
148! 57
152j 60
148 58
donker.
d<\\
licht.
d".
d°.
licht.
du.
d«.
d-.
d".
d°.
d".
.1".
d".
59
55
56
56
54
52
50
49
57
36
32
30
34
28
25
27
24
24
41cW\'<<1iunt\' \'\'C\'lt- met
^"               donkere p.
224 198
212 197
215201
209 198
49
47
49
51
45
43
50
52
,1".
d".
d".
d".
d°.
d-.
d°.
d".
d".
d"
d.\'
d".
d".
d°.
d°.
d".
41:
420
406
403
409
d".
d°.
licht.
d°.
d°.
149
146
145
56
58
51
59
57
52
ücht met | 950 v> drachtig.
donkore "
vlekken.
144
139
24
25
23
21
21
212
202
200
201
227
195
190
u
d°.
d°.
d".
900 »
875 »
850 »
dD.
liclit met
donkere
vlekken.
donker.
137 140
130 136
d".
licht,
d".
191 398
190:400
Uoht met
donkere p.
licht.
d°.
d".
Geheel normale, fraai gebouwde stier
op de veetentoonstelling te \\Vilster-
land als jarige stier met den laten
premie bekroond en ala ^jarige met
de Staatapremie.
152
160
«•SS
d".
210
*) Door mij gekocht van Koert Schütt, Damfleth en gemeten door den Ui r B. Zielke, Berlijn.
-ocr page 83-
02
03
Wilsterlandsche koppel van den Heer Felix Klose, pachter van een landgoed! Romalkwitz, kreits Neumark. Metingen gedaan door den Heer Klos e.
BESCHRIJVING
VAN
HET DIER.
f :•§
&
AANMERKINGEN.
a
—
S
4
In Centimeters.
N°. 1
koe 3-* jaar oud. .
74
143
» 3
» 3.\', » » . .
66
136
» 23
:» 3.\', » » . .
70
142
» 36
» 2? » » . .
68
140
» 38
vaars 2 j jaar oud .
71
135
» 39
» 2 » » .
66
132
» 52
» 2 » » .
05
130
t, 56
» 2 » » .
69
130
Fokstier
3 jaar *) .....
73
176
bont. |-H50 pd., drachtig.
d". Il070 » afgekalfd.
licht. üioO » drachtig. |- *
I                                 -i
d°. ;1020 » afgekalfd. [ % 1
23 144
26 148
26 143
25 146
148! 57
152j 60
148 58
donker.
d<\\
licht.
d".
d°.
licht.
du.
d«.
d-.
d".
d°.
d".
.1".
d".
59
55
56
56
54
52
50
49
57
36
32
30
34
28
25
27
24
24
41cW\'<<1iunt\' \'\'C\'lt- met
^"               donkere p.
224 198
212 197
215201
209 198
49
47
49
51
45
43
50
52
,1".
d".
d".
d".
d°.
d-.
d°.
d".
d".
d"
d.\'
d".
d".
d°.
d°.
d".
41:
420
406
403
409
d".
d°.
licht.
d°.
d°.
149
146
145
56
58
51
59
57
52
ücht met | 950 v> drachtig.
donkore "
vlekken.
144
139
24
25
23
21
21
212
202
200
201
227
195
190
u
d°.
d°.
d".
900 »
875 »
850 »
dD.
liclit met
donkere
vlekken.
donker.
137 140
130 136
d".
licht,
d".
191 398
190:400
Uoht met
donkere p.
licht.
d°.
d".
Geheel normale, fraai gebouwde stier
op de veetentoonstelling te \\Vilster-
land als jarige stier met den laten
premie bekroond en ala ^jarige met
de Staatapremie.
152
160
«•SS
d".
210
*) Door mij gekocht van Koert Schütt, Damfleth en gemeten door den Ui r B. Zielke, Berlijn.
-ocr page 84-
64
2. Het Breitenburger vee
vinden wij in de heerlijkheid Breitenburg met de stad Breitenburg, het
dorp Munsterberg en de dorpen Breitenburg, Moordorf en Moordiek; zij
ligt tusschen Itzehoe en Kellinghusen, aan den linker oever van de Stör,
ten oosten van Itzehoe en ten westen van het spoorwegstation Wrist van
de lijn Altona—Neumünster—Kiel, resp. Flensburg.
Het Breitenburger vee gelijkt naar uiterlijk en kleur en in zijne
hoedanigheden volkomen op het Wilsterlandsche vee, alleen is het iets
kleiner, fijner van hoorn en huid. De Breitenburger vereeniging voor
veeteelt, die in hare pogingen tot bevordering der veeteelt door zorgvuldige
aanfok in eigen kring, zeer werkzaam is, heeft de kenmerken van den
Breitenburger veeslag als volgt vastgesteld:
A. bij den stier:
1. met betrekking tot de lichaamsvormen,
lichte, korte kop met breed voorhoofd; helder, levendig oog; niet te wijd,
meer naar voren en een weinig opwaarts geplaatste, korte, niet te zware
hoornen; breede mondspiegel; fijne, maar niet te lange hals; breede en
diepe borst; lang gestrekte, tonvormig gewelfde romp, met breeden,
rechten rug; breede, niet verhoogde schoft; recht, breed kruis; niet te
hoog aangezette, lange, dunne, fijn behaarde staart met vollen pluim;
ver uitstaande wervelbeenderen, tamelijk rechte achterbeenderen en in \'t
algemeen fijne, goed geronde beenderen.
2. met betrekking tot de huid en de kleur,
week en veerkrachtig vel: donkerroode en donkerroodbonte kleur, doch
het rood moet de overhand hebben op het wit.
B. bij de koe:
1. met betrekking tot de lichaamsvormen,
lichte, fijne kop; groote , zachte oogen; goed gestelde, eenigszins opstaande,
fijne hoornen; breede mondspiegel; fijne, niet te korte, meer ronde dan
platte, zamengedrukte hals; wijde, diepe borst; lang gestrekte, tonvormig
geronde romp, met breeden, rechten rug; minder breede, niet verhoogde
schoft; breed, recht kruis; niet te hoog aangezette, lange, dunne, fijn
-ocr page 85-
65
behaarde staart met volle pluim; wijd bekken; krachtige, rechte, diep-
afgaande dijen; wijd uitgezette wervelbeenderen; tamelijk rechte achter-
beenen en over \'t geheel een fijn, goed gezond beendergestel;
als bijzondere melkteekens,
een fijne, veerkrachtige, goed aangeslotene, niet te ver naar voren staande,
fijn behaarde uier, met duidelijk zichtbaar adernet; even groote, lange,
even ver van elkander geplaatste en zooveel mogelijk gelijkmatig aangezette
spenen; krachtige, gekronkelde, zich tot ver onder de borst uitstrekkende
meikaderen en een breede, regelmatige, zich naar boven gaffelvormig uit-
strekkende melkspiegel;
2. met betrekking tot huid en kleur,
zacht, veerkrachtig vel; roode en roodbonte kleur in alle schakeeringen,
voor zooverre deze niet naar het gele overhellen.
Het Wilsterlandsche vee was tot kort na 1860 in den handel zoo
goed als in het geheel niet bekend en ging, evenals al het andere vee
uit Holstein, door onder den naam van Breitenburger vee. Ook thans
nog hooren wij met zekere voorliefde het Wilsterlandsche en ook ander
vee, wanneer het maar een bruin pakje aan heeft, met den naam »Breiten-
burger" bestempelen.
Breitenburg heeft echter op verre na niet zooveel vee als er fokdieren
onder dezen naam worden uitgevoerd. Het distrikt zou binnen een jaar
uitverkocht zijn, als het al het vee moest leveren, dat als Breitenburger
verkocht en geleverd wordt. De ontvangers hebben er echter geen schade
bij, wanneer zij Wilsterlandsch, in plaats van Breitenburger vee ontvangen.
Laatstgenoemd vee is \'1 a 2 centenaars lichter dan het Wilsterlandsche,
kost echter steeds evenveel en is dus betrekkelijk duurder. Het voortduren
van dit bedrog kan slechts daardoor verklaard worden, dat de naam
Breitenburger vee algemeen bekend was en dit vee steeds als een goed,
fijn en gezond melkvee geroemd werd en met recht nog wordt. De over-
tuiging echter, dat wij bij den invoer uit Holstein genoodzaakt zijn, bijna
uitsluitend in Wilsterland te koopen en de behoefte, die ik gevoel, om in
zaken ook den geringsten schijn van bedrog te vermijden, nopen mij, deze
verkeerde benaming den oorlog aan te doen, en het is mij dan ook na
veel moeite gelukt, aan het Wilsterlandsche vee die algemeene waardeering
te verschaffen, waardoor aan hetzelve, onder eigene, thans welbekende
vlag, eene goede ontvangst is verzekerd.
5
-ocr page 86-
66
3. Het vee der Cremper Marsch,
dat wij ten oosten van de Stör aantreffen, daar, waar dit land aan
Wilsterland grenst, zuidwaarts van Itzehoe, is op de goede gronden langs
de Stör in alle opzichten aan het Wilsterlandsche gelijk. In de streken
die verder landwaarts in liggen, krijgt de akkerbouw meer de overhand,
de bodem wordt slechter en daarmee het vee lichter. De gelijkmatigheid
wordt steeds minder, de dieren worden verschillend naar uiterlijk, kleur
en gebruikseigenschappen en zijn voor uitgebreide kringen van geene be-
teekenis meer.
4. Het vee in Dithmarschen,
in dat gedeelte van Holstein, dat, aan Wilsterland grenzende, ten noorden
daarvan tusschen de Elbe, de Noordzee, de Eider en Gunselaue ligt en
waarvan ons in de eerste plaats het landschap Süder—Dithmarschen met
Meldorf en St. Margareten belang inboezemt, is het zwaarste vee van
Holstein. De vette weiden van dit landschap wijzen als vanzelf de vet-
mesting aan als hoofdbelang der veehouderij, en deze wordt hier dan ook
in hoofdzaak uitgeoefend.
De Dilhniarscbe boer trekt het grootste deel zijner belangrijke inkomsten
uit den verkoop van bet vette vee, dat hij meermalen \'sjaars omzet.
Met een open oog voor de plaatselijke toestanden, is hij reeds sinds jaren
bezig den aanleg voor vetgroei en de lichaamszwaarte van zijn fraai, zwaar,
melkrijk vee te vergrooten. Sinds jaren kruist hij met Shorthorn-stieren,
heeft zeer hooge prijzen, zooals wij ze hier nauwelijks kennen, besteed
voor het aanschaffen van goede Shorthorn-bullen en kosten noch moeite
gespaard om liet doel te bereiken, dat eenmaal als het juiste is erkenden
heeft daardoor ook voortreffelijke resultaten verkregen. Het vee in Dith-
marschen heeft algemeen geheel de kenmerken van het Shorthornras aan-
genomen, waarvan bij elk dier de vormen reeds duidelijk in het oog vallen.
Daar het in Holstein algemeen de gewoonte is, dat de fokstieren door de
groote landeigenaars worden gehouden en deze zich eenstemmig voor de
fokkerij met Shorthorn verklaarden en origineele bullen van dit ras aan-
schaften, laat het zich gemakkelijk verklaren, dat alle veehouders sinds
lang in deze richting fokken, en wij zoo algemeen eene hoogst voortreffe-
lijke kruising met Shorthorn vee vinden. Wel is de melkopbrengst overal
-ocr page 87-
07
verminderd, maar deze is hier ook geen hoofddoel der veehouding en de
.snellere groei, de groote aanleg tot vetwording en het grootere gewicht,
welke eigenschappen de kruising op doorslaande wijze op het oude Hol-
steinsche vee overdroeg, hebben deze geringere melkopbrengst op eene
voor de geldbeurs hoogst voordeelige wijze weer vereffend.
Er wordt door de veehouders nog veel vee voor de vetweiding bij-
gekocht en men rekent daarbij op eene winst van 160 a 180 mark per
Hektare.
Wie Shorthornvee zoekt, kan zeker zijn in Dithmarschen klaar te
komen. De veeteelt staat daar tegenwoordig in dit opzicht op een hoogen
trap van bloei.
5. E i tl e r s t e «11.
Dit kustland met zijnen buitengewoon vruchtbaren kleibodem, die
eenen zoo weeldengen grasgroei ontwikkelt, als men maar zelden aantreft,
ligt ten noordwesten van Noord-Dithmarschen en wordt door de Eider,
Sleeswijk, de Hever en de Noordzee begrensd. Evenals in Ditmarschen
is ook hier de vetweiding hoofdzaak. De kruising met Shorthorn is sedert
jaren algemeen ingevoerd en voor de vetweiding wordt veel vee van elders
gekocht. Het waren ook de Eiderstedters, die een schip uitrustten, dat
van Tönningen uit, uitsluitend voor dit doel, vee uit Amerika haalde en
deze onderneming moet met den besten uitslag zijn bekroond. Voor onze
fokkerijen is het Eiderstedter vee van geen belang.
6. Van het Holsteinsche Geestvee
zij slechts vermeld, dat het min of meer het karakter draagt van het
Breitenburger vee, minder zwaar is dan dit en de afgeronde vormen
mist. Het geestvee maakt meestal den indruk eener verwaarloosde fokkerij,
zonder plan of richting; landbouw is er hoofdzaak en de veehouderij wordt
er meer als een noodzakelijk kwaad, dan als eene bron van belangrijke
inkomsten beschouwd. In de omstreken van Bramstedt, ten oosten van
het reeds genoemde spoorwegstation Wirst, is men echter tot beter inzicht
gekomen. Hier hebben intelligente landbouwers eene fokvereeniging op-
gericht, die met de meeste energie er naar streeft de melkopbrengst van
het vee te vermeerderen en de vormen te verbeteren; er worden puike
Wilsterlandsche stieren aangekocht en niets verzuimd, wat er toe kan
5*
-ocr page 88-
68
bijdragen, de veeteelt vooruit te brengen. Het met zorg getokte Bram-
stedter vee kan voor fokkerijen op lichteren bodem, waar het voeder
minder rijkelijk is, nog van grooter belang worden; het is een goed
middelzwaar slag, dat op de Bremer tentoonstelling reeds een zeer goeden
indruk maakte.
Hiermee kunnen wij Holstein verlaten en ons naar het ten noorden
daarvan aan de Eider en het Eider-kanaal grenzende Sleeswijk begeven.
TI. Het vee in Sleeswijk.
Hiervan vermelden wij in de eerste plaats
1. Het Angeler vee.
Angeln is een bekoorlijk landschap aan de oostkust van het hertog-
dom Sleeswijk; het wordt aan drie zijden door de zee bespoeld en wel
ten noorden door de golf van Flensburg, die tot aan den landtong Holm
reikt, ten oosten door de Oostzee, terwijl ten zuidoosten de Schlei Angeln
van Schwansen scheidt en zich tot Sleeswijk uitstrekt. Ten westen wordt
Angeln van het zuiden naar het noorden door den vrij rechten van Sleeswijk
naar Flonsburg voerenden straatweg begrensd. De oppervlakte bedraagt
circa i9 vierk. mijlen. Op de grenzen van het landschap liggen de
steden Flensburg, Sleeswijk en Kappeln, eerstgenoemde stad aan de golf
van Flensburg, de beide laatsten aan de Schlei. Het landschap is dicht
bevolkt en men vindt hier voornamelijk middelgroote en kleine boerderijen,
alleen in het oostelijk gedeelte vinden wij 26 adellijke landgoederen, die
reeds sedert de zestiende eeuw bekend zijn. De velden en weiden zijn
in kampen (koppels) verdeeld, die reeds op het einde van de zestiende
eeuw omheind werden. Deze koppels zijn door aarden wallen omgeven, die
weer met hazel- en doornstruiken beplant zijn en zoo het geheele landschap
eene eigenaardige bekoorlijkheid bijzetten en aan het oog onafgebroken
afwisseling bieden. Niet alleen, dat deze levende muren den eigenaareene
groote hoeveelheid brandhout en voortreffelijk materiaal tot het aanleggen
van nieuwe omheiningen leveren, ook geven zij, en dat is wel het voor-
naamste, eene voortreffelijke beschutting tegen de daar te lande heerschende
scherpe winden. De graanbouw wordt er zeer door bevorderd en slechts
-ocr page 89-
09
door deze beschutte weidekoppels wordt het den Angelerfokker mogelijk,
op de vruchtbare, zeer grasrijke, hooge landen zulk fijn melkiïjk vee te
fokken.
De opfok, waaraan de grootste zorg wordt besteed, treffen wij vooral
aan in de streken van Angeln, waar het middelgroote en kleine grond-
bezit vertegenwoordigd is; in oostelijk Angejn, op de adellijke goederen,
is zij van geringeren omvang. Vooral in de oostelijke omgeving van
Flensburg tot op 2 mijlen van die stad en in het zuiden vooral in de
gemeenten TJlsnis, Boren enz., houdt men zich ijverig met het opfokken
bezig en overal is het de kleine grondbezitter, die er zich bijzonder op
toelegt en er naar streeft, van iedere koe een kalf op te fokken. De
voor den opfok bestemde kalveren (aanhouderskalveren) worden van Decem-
ber tot April aangebonden; zij ontvangen gemiddeld gedurende 10 tot 14
dagen de moedermelk, dan zoete, afgeroomde melk, die tot op 22° Reaumur
verwarmd is, dagelijks ongeveer 8 a 12 liter. Langzamerhand wordt aan
deze melk hooithee, lijnkoekwater, bijgemengd en ook karnemelk verstrekt.
De dieren worden over \'t algemeen vrij goed, maar niet al te sterk ge-
voederd, want de Angeler fokker weet zeer goed, dat dieren waarvan de
groei kunstmatig versneld wordt, eene grootere zwaarte slechts verkrijgen
ten koste der melkopbrengst. die in de eerste plaats in aanmerking komt;
hij is echter toch ook tot de overtuiging gekomen, dat het vroeger in
Angelen gebruikelijke hongeren eene fout is, die nooit weer kan worden
goedgemaakt. Met Mei komen de kalveren in de weide en krijgen dan
tot St. Jan het bovengenoemde drinken als toevoeder. Tot October blijven
de dieren buiten; het klimaat met zijne koude, lange nachten maakt het
echter noodzakelijk, de jonge beesten \'s nachts op stal te zetten. In den
winter wordt het kalf, dat nu bijna een jaar oud geworden is, dadelijk
met het groote vee aangebonden, ontvangt goed klaverhooi en havergarven,
of in plaats daarvan haverstroo en naar gelang van leeftijd 2 tot 3 pond
gekneusde tarwe of lijnkoeken. In het volgende voorjaar komen de dieren
zoo spoedig als maar eenigszins mogelijk is, in April, op zyn laatst in
het begin van Mei, in de weide, doch op een andere koppel, dan het
overige vee, waar ze ongestoord kunnen grazen en waar vooral geen fok-
stier wordt toegelaten. Hebben de dieren, wanneer zij weer op stal
worden gebracht, erg lange haren, dan worden deze met brandende bosjes
stroo afgezengd, om het vee gedurende den winter minder last van het
ongedierte te doen hebben. In den laatsten tijd gebruikt men daarvoor
meer en meer de veeschaar. In Januari, maar vooral in Februari of
-ocr page 90-
70
Maait, als de dieren 2 jaren oud zijn, worden ze bij den stier toegelaten
en dan zeer vroeg in de weide gebracht; men laat dan tevens een fok-
stier in de weide, om vaarzen, die nog geen jong gezet hebben, alsnog
te bevruchten. Er worden echter ook wel dieren, die nog geen volle
twee jaar oud zijn, bij den stier gelaten en men beschouwt zulks in
Angelen niet als een fout, maar is van meening dat deze dieren bij goede
voeding beste melkgeefsters worden.
In het derde jaar weegt de vaars circa 600 pd.; de koe is eerst na
het vierde kalf volgroeid en weegt dan gemiddeld 800 pd.; niet zelden
vindt men echter koeien die 1000 pd. wegen. De ondervinding leert
echter, dat de zwaarste dieren niet altijd de meeste melk geven, veeleer
kan lichaamsgrootte gewoonlijk slechts ten koste der melkopbrengst worden
verkregen. De Angeler koe is nu eenmaal niet groot, geeft echter in
verhouding van haar gewicht zeer veel vette melk. De melkopbrengst kan
men gemiddeld op 2200 tot 2800 liter rekenen.
Het kleine Angeler vee heeft eenen niet langen, spits toeloopenden
kop met breed voorhoofd, levendig oog en opstaande, naar voren gebogene.
fijne hoornen, mageren, srnallen hals zonder eenig spoor van kossem;
magere, dikwijls zeer losse schouders, vrij diepe en breede borst. Van
de scherpe, doch niet hooge schoft strekt zich de rug in rechte lijn uit
tot aan het kruis; de ribben zijn weinig gewelfd, de heupen breed, het
kruis eenigszins hoog, betrekkelijk breed en naar de zijden eenigszins afge-
plat en loopt spits toe. De dijen zijn breed en licht gebroekt, de staart
goed ingeplant, viij lang en fijn, de pooten zijn eenigszins hoog. doch
goed gesteld, stevig, met fijnen ondervoet. De melkteekens, de uier, als
ook de in talrijke kronkelingen zich ver naar voren uitstrekkende melk-
aderen prachtig ontwikkeld. Het haar is eenkleurig rood, nu eens meer
donker-, dan meer geelrood; andere kleuren of bonte dieren komen niet
voor. liet Angeler vee is in alle opzichten een zeer goed, gezond en
gehard melkvee, dat zich met zijn behendig klein lichaam gemakkelijk
beweegt en in niet weelderige weiden grootere voordeelen oplevert, dan
alle zware kleislagen. De aanleg voor vetwording is betrekkelijk goed en
het vleesch onderscheidt zich door fijne kwaliteit. Van geschiktheid voor
den arbeid kan geen sprake zijn. Het staat echter vast, dat het Angeler
vee, wanneer het naar streken gebracht wordt, waar het overvloed van
goed voedsel vindt, zijne hoekige vormen verliest, grooter en breeder
wordt, en dat dikwijls het geheele type van het ras verandert, zoodat
het in \'t geheel niet meer tot het Angeler slag schijnt te behooren. Met
-ocr page 91-
71
deze zeer gewenschte verandering in de verhoudingen der vormen en het
gewicht gaat echter de melkproductie gewoonlijk sterk achteruit en daar
dit laatste alleen ons kan nopen Angeler vee te houden, is het zeer noodig,
het bloed hij dit vee door origineele stieren dikwijls op te frisschen, De
Angeler veefokker komt steeds meer tot de overtuiging, dat het doel eener
beredeneerde fokkerij steeds moet zijn, slechts het beste niet het beste te
laten paren; bij de keus der stieren voor de fokkerij gaat hij zeer voor-
zichtig te werk en met lof moet erkend worden, dat hij eene werkelijk
goede melkkoe, die hij voor de fokkerij noodig heeft, niet gemakkelijk
verkoopt.
In de verschillende kerspelen zijn een aantal fokstiervereenigingen
opgericht, die door het uitkiezen en gebruiken van het beste fokvee de
goede eigenschappen van het Angeler vee nog trachten te verhoogen. Het
bestuur eener zoodanige vereeniging bestaat uit een president, twee inspec-
teurs, en voor elk distrikt een bestuurslid ; het bestuur treedt om de drie
jaar af. De president belegt de vergaderingen, regelt de werkzaamheden,
neemt alle de maatregelen, welke hij in het belang der vereeniging noodig
oordeelt; zorgt voor de naleving der statuten en houdt het stamboek. De
twee inspecteurs en het distriktslid zorgen voor de keuring en de klassifi-
catie, terwijl laatstgenoemde een stamregister moet houden. Het hij de
keuring aangenomen vee wordt in twee klassen verdeeld, waarbij
klasse I het predikaat «voortreffelijk",
klasse II het predikaat »goed"
verkrijgt.
De klassificatie wordt gewaarmerkt door inbranding in de beide
hoornen en wel:
klasse I door eene V,
klasse II door eene G.
Bovendien krijgt elk dier, dat gewaarmerkt wordt, in volgorde der
veestallen, een doorloopend nummer, dat eveneens ingebrand wordt.
De van koeien met het merk V komende vaarzen, worden bij de
keuring met het merk A. A. (Angeler Auf/.ucht) op de rechter dij gebrand.
Daarentegen worden de van gekeurde koeien komende kalveren, om
de afstamming te kunnen bewijzen, door het linker ooi- gestempeld.
De naar het schema A aan te leggen stamregisters geven het materi-
aal voor het stamboek, schema B de klassificatiën.
-ocr page 92-
72
Schema a.                    Stamregister
VAN HET
distrikt der Angeler vereeniging voor veeteelt
in het
kerspel
VAN HET VEE.
Volg-
num-
mer.
Aan-
Ge-
Oudei-                      AhUmmmg predj. Gevalleu j
Naam                      Kleur.              en             .           . .               mericingen.
slacht.                      dom.                       ev 01)l|.ime kaat kalveren, j
Schema B.                                     L i j S t
van liet in ile Angl. vereeniging in het kerspel              ......... opgenomene
vee naar geslacht en predikaat.
Vermeld in het
stamboek.
Volg.
I1U1U-
mer
Ouderdom. Kleur.
Predikaat. : Aanmerkingen.
Naam.
I)ii-
trikt.
Kol».
N".
De leden der vereeniging mogen geene andere dan gekeurde dieren
voor de fokkerij gebruiken en slechts die kalven voor eigen aanfok houden,
welke van le klasse vee afstammen. Üe fokker, die kalveren van de hand
wenscht te doen welke van ie klasse koeien gevallen zijn, moet daarvan
aan het bestuurslid van zijn distrikt kennis geven, die daarvan aan den voor-
zitter mededeeling doet, waarna deze bij leden van de vereeniging er op aan-
dringt deze kalveren te koopen om zoo te verhinderen dat zij het land uitgaan.
Elk kalf wordt ingeschreven met vermelding .van den naam en het
nummer der ouders. Alle gekeurde stieren worden eens in het jaar aan
eene inspectie onderworpen.
Deze inspectie wordt gehouden door eene keurings-commissie van 5 leden.
Bij deze inspectie moeten zoo mogelijk de moeder meegebracht en
het van deze gehouden melkregister overgelegd worden.
-ocr page 93-
73
De prijzen bestaan in geldelijke belooningen, werken over rundveeteelt,
eervolle vermeldingen (diploma\'s enz.).
Wie een bekroonden stier binnen een jaar na de bekroning buitenslands
verkoopt, moet den ontvangen prijs aan de keurings-eommissie teruggeven.
De veeprijzen zijn in Angelen betrekkelijk hoog en daarom wordt er
bij de levering van dit vee sinds lang op schandelijke wijze geknoeid.
Er bevindt zich n.1. tusschen de Eckernförder en Kieler zeeboezem,
het zoogenaamde Deensche woud, verder tusschen Rendsburg en Sleeswijk,
op den »Haiderücken" van Sleeswijk over Flensburg naar Hadersleben en
Sundewitt een veeslag, dat zeer veel op het Angeler vee gelijkt, doch in
werkelijkheid in alle opzichten bij het echte Angeler ras verre ten achteren staat.
Nu heeft men in Angelen wel is waar den maatregel genomen, de
echte dieren op de linker lende met de letters A. R. (Angeler Race) en
op de rechter lende met de letters A. A. (Angeler Aufzucht) te merken,
maar ook dit stempel is geen voldoende waarborg tegen alle bedrog.
Oneerlijke kooplieden koopen het vee in de genoemde streken tegen een
zeer lagen prijs, drijven het door Angelen over Missunde en Kiel, laten
het stempelen en de ontvanger verkeert in de meening, dat hij nu echt
Angeler vee heeft gekregen , ontvangt in werkelijkheid echter slechts
waardeloos, klein Sleeswijksch vee, dat eene wandeling door Angelen
gemaakt heeft. Dikwijls ook hebben deze dieren Angelen in het geheel
niet gezien, zijn in Mecklenburg gekocht en komen van daar als echt
Angeler vee in Duitschland, vooral in Pommeren.
Wie zeker wil zijn, echt Angeler vee te ontvangen, late zich het
attest over de inbranding der beide sternpels medebrengen, dan zal rnis-
leiding niet meer mogelijk zijn. Dit attest luidt als volgt:
sCommittirt von dem Angler landwirtschaftlichen Verein, haben
wir Unterzeichnete auf Wunsch des Herrn N. N. die hierbei
folgenden (opgaaf van het aantal stuks stieren, koeien, vaarzen)
auf der linken Lende mit den Buehstaben A. R. (Angler Race)
und auf der rechten Lende mit den Buehstaben A. A. (Angler
Aufzucht) eingebrannt und dieses Attest durch Unterschrift beglaubigt.
(hier volgt de handteekening van twee inspecteurs.)
Die richtige Unterschrift obiger VertrauensmUnner wird hier-
durch attestirt.
/T          . .....                                Prasident des Angler
(Loco sigilh).                                                          °
landwirthschaftlichen Vereins."
-ocr page 94-
74
(Ingevolge opdracht der Angeler landbouwvereeniging, hebben
wij ondergeteekenden op verzoek van den lieer N. N. de hier
volgende (opgaaf van het aantal koeien, stieren, vaarzen) op de
linker lende met de letters A. R. (Angler rasz) en op de rechter
lende met de letters A. A. (Angler Aufzucht) gebrandmerkt en
de echtheid van dit attest door onze handteekening gewaarmerkt.
(volgen de handteekeningen van twee inspecteurs.)
De echtheid dei- bovenstaande handteekeningen wordt hierbij
geattesteerd.
,T          . .....                                     President van de
(Loco sigilh).
Angeler landbouwvereeniging.)
De kooper moet zich ook steeds tot plicht stellen, den leverancier de
certificaten af te nemen, opdat daarmee verder geene onbehoorlijke hande-
lingen meer kunnen plaats hebben.
De voorzitter der Angeler landbouwvereeniging moet jaarlijks een
overzicht in het licht geven van het aantal stuks vee, dat met brandmerk
en certificaat voorzien naar het buitenland is verkocht, met vermelding
van de namen der koopers en oefent daardoor eene controle uit, die voor
den kooper van het grootste gewicht kan zijn.
Ik kwijt mij hier van een aangenamen plicht, door melding te maken
van een man, die zich door zijn helder oordeel en zijne rustelooze, onver-
moeide werkzaamheid , voor zijn vaderland hoogst verdienstelijk heeft gemaakt,
n.1. den president der landbouwvereeniging, den landeigenaar Petersen
te Twedt Trögelsbye bij Flensburg, die onverpoosd werkzaam is voor de
verbetering van de veefokkerij van zijn land en er zich in \'t bijzonder op
toelegt steeds nieuwe wegen voor den afzet van het Angeler vee op te
sporen en op deze wijze den fokker door voordeelige resultaten tot her-
nieuwde pogingen aan te moedigen. Aan hem heeft men ook voornamelijk
de ambulante veetentoonstellingen (Wandertierschauen) te danken, die
afwisselend in Flensburg, Sleeswijk en Kappeln gehouden worden; deze
tentoonstellingen geven ons een totaal overzicht van de geheele veeteelt in
Angelen en zijn hoogst belangrijk.
De voornaamste afnemers van Angeler vee zijn de landgoederen in
Holstein, Schwansen en Noord-Sleesvvijk, de Denen, die voor prima vaarzen
hooge prijzen besteden, en Zweden; verder komen de Russische Oostzee-
provinciën als groote afnemers in aanmerking, en wordt ook in zuidelijk
-ocr page 95-
75
Mecklenburg en Hannover veel Angeler vee ingevoerd. De invoer in de
Mark, Pommeren, Pruisen en Silezië is minder geworden, wijl algemeen
(en op vele plaatsen met onrecht en ten nadeele van de beurs) het streven
heerscht, het grootst mogelijke vee te telen, zoodat het Angeler vee,
niettegenstaande zijne matigheid en groote melkrijkheid, daar geen vasten
voet kan krijgen. Indien de melkopbrengst somtijds niet aan de verwachting
beantwoordt, zijn twee oorzaken daaraan schuld. Eerstens stelt men aan
het kleine Angeler vee, dat maar weinig voedsel behoeft, den onbillijken
eisch, evenveel melk te geven als het zware melkvee en verlangt dus iets
onmogelijks! In verhouding van het lichamelijk gewicht en het verbruikte
voeder zal de Angeler koe met elke koe uit de kleistreken kunnen wed-
ijveren en bij minder rijkelijk voedsel stellig betere resultaten opleveren.
Ten tweede geeft men bij den aankoop steeds, de voorkeur aan de fraaiste
en zwaarste dieren en deze zijn maai\' zelden de beste melkgeefsters; deze
vinden wij integendeel gewoonlijk juist onder die dieren, welke niet door
schoonheid en zwaarte uitmunten. Het verwijt van geringe melkgeving
is in alle geval ongegrond.
In de omstreken van Eckernförd is eene fokvereeniging opgericht,
die zich ten doel stelt, het Angeler vee grooter, ronder en fraaier van
vorm aan te fokken en deze teelt heeft vooral bij de Matïenthaler koppel
op de tentoonstelling veel waardeering gevonden. Ik heb intusschen de
ondervinding opgedaan, dat deze onderneming voor ruimer kringen geen
waarde heeft. Het doel is gemakkelijk en zonder eenige kunst te bereiken.
Reeds vroeger heb ik gezegd, dat bij ons het Angeler vee zwaarder en
ronder wordt, ja in zijn uiterlijk geheel verandert, ik zou haast zeggen
zoozeer verfraait, dat het bijna niet meer te herkennen is. Krachtige
voeding van jongs af aan, bewerkt deze verandering heel spoedig, maar
daarmee verliest het vee ook zijne matigheid en melkrijkheid en bijgevolg
juist die hoedanigheden, welke aan het Angeler vee zoo groote waarde
verleenen.
Het zou een groote fout zijn, wanneer de Angeler fokker door
krachtig voedsel grooter en ronder vee trachtte aan te fokken en daardoor
juist de eigenschappen matigheid en melkrijkheid in gevaar bracht. Er
is nog genoeg best, melk rijk, middelzwaar vee te krijgen, zooals b.v. in
Drenthe, Gelderland, het zuiden van Groningen, het noorden van Oostfriesland,
Jeverland, op de Holsteinsche geestgronden enz. en wij behoeven niet te
wachten, totdat het aan de Angeler fokkers gelukt is, hun vee even zwaar
te maken; moeilijk echter zullen wij weer een klein veeslag vinden, zoo
-ocr page 96-
70
melkrïjk, zoo geschikt voor den vetgroei en zoo matig als het Angeler vee
en het eenigste, waarop zich naar mijne meening de Angeler fokker moet
toeleggen is, de bestendiging dezer eigenaardigheden. Daarmede zij echter
niet gezegd, dat in Angelen het volmaakte bereikt is en dat daar niets
meer valt te verbeteren. Dit zou eene verkeerde gevolgtrekking zijn, en
iedereen, die Angelen goed kent, weet, dat wij in dat land helaas nog
menig dier aantreffen, dat de veeteelt aldaar niet tot eere verstrekt. Het
hongersysteem (das Gross-hungern) is eene uitdrukking, die op de veeteelt
in Angelen niet meer kan worden toegepast, wijl men daar op dit punt
tot betere inzichten gekomen is en er met betrekking tot de voeding niet
zooveel meer valt aan te merken ; maar toch dient er bij de keuze der
voor de fokkerij bestemde dieren met meer omzichtigheid te worden ge-
handeld ; slechts uitstekende stieren zullen mogen dekken en slechts kalveren
van werkelijk goede koeien worden aangehouden. Slechts dan, wanneer
op oordeelkundige wijze aan de fokkerij de meest mogelijke zorg besteed
wordt, zal men er in slagen, ook zonder schade voor de andere eigen-
schappen , het lichaam fraaier en ronder te ontwikkelen en het vee edeler
vormen te geven. Hier vinden de fokvereenigingen een ruim veld voor
nuttigen arbeid.
Ik laat hier nog eenige metingen van Angeler stamboekdieren volgen,
die ik aan de welwillendheid van mijnen vriend, den landeigenaar Petersen,
Twedt Trögelsby bij Flensburg, te danken heb.
-ocr page 97-
Tabellen: zie volgende bladzijde.
-ocr page 98-
79
78
etersen, Twed Trögelsby bij Flensburg.
Angeler stamboekvee, gemeten door den Heei
, E X O T E
K L E U K.
HOOGTE
OMVANG
& ! I
e
<u
s
«
♦J
T?
—;
st
c
>
e
o
la
3
Ton
BESCHRIJVING
VAN
HET DIER.
AAN MER KI XGEN.
rs « . S
e
o
=
In Centimeters.
«Thomas", fokstier 2> jaar. til 150 51 25
l
N°. 310, koe 7 jaar . . 62 138 46 20
136 143 60 40 20 192 175 38§
: I
127 136 51 40 20 170 172 378
123 130 46 36 18 170 169 36J
880 pd., fijn en edel.
835 pd., 10 d. voor de
meting gekalfd.
775 pd.. zeer fijn lichaam,
puike melkkoe.
745 pd., zeer fijn lichaam,
puike melkkoe.
890 pd., groot fraai
lichaam.
815 pd., eenigszins grof.
880 pd., prima naar
lichaam en melkopbr.
788 pd , groot.
810 pd., normaal.
800 pd., fijn.
755 pd., kort voor de me-
ting voor \'t eerst gekalfd.
720 "pd.
805 pd., meermalen be-
kroond.
zwart, bleekrood. grauw
I
jjo^           witgeel.          (|o_
il"
il"
art rood.
rood.
bleekrood.
grauwrood.
grauw.
d°.
d°.
lichtrood.
du.
d°.
d°.
d°.
d°.
d».
.1".
d°.
gMlgntaw.
d°.
donker-
gniuw.
liohlgraaw,
d°.
d».
d«.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
il".
d".
d°.
Uehtgtauw,
d°.
wit.
d°.
«1».
!
d°.
ik
d°.
d°.
d".
i    298, »     7     »
»    297, »     6     »
»    156, »    6     »
61 132 46 22
d°.
d".
d".
d°.
d".
d".
•1".
d".
d°.
123 128 44 34 17
131 144 54 43 26
.1".
d\'.
d°.
d°.
d°.
.1".
i\'.
d°.
\'1".
i\'.
58 134 46I18
i !
64 150 47 20
165 163 35;
187 175 38?
»      11, »    4    »
61
134 46 19 131142 56 40 20 175 168 37
j
il".
d°.
d".
.1".
<l".
d".
il".
<1".
»     154, »     5     »
»    123, »    4    »
»    195, »     7     »
60
lilt
144 49 19
143 49 19
132 139 51 41 21 183 173
: : I
134 146 58 38 18 184 171
383
37ö|
364
il",
il".
d».
d°.
.1".
i«.
d°.
127 131 52 j 36 | 18 172 169
59
144 49
18
»    270, »    5     »
»    131, •    3    ï
>       44, »    4     » . . j 6
58 J144 44 I 20
60 1183 43 19
141 47\'19
127 136 54 35 18 183 173 37(1
I
130 140 55 40 20 175 165 362
I <                             I I
127 136\'51 36 18 173 163 368
grauwrnod. Ao
I
grauw.           Jo^
»     711 koe(Furka), 7 jaar. 60
142 46 17 128 130 46 36 19 183 175 363
-ocr page 99-
79
78
etersen, Twed Trögelsby bij Flensburg.
Angeler stamboekvee, gemeten door den Heei
, E X O T E
K L E U K.
HOOGTE
OMVANG
& ! I
e
<u
s
«
♦J
T?
—;
st
c
>
e
o
la
3
Ton
BESCHRIJVING
VAN
HET DIER.
AAN MER KI XGEN.
rs « . S
e
o
=
In Centimeters.
«Thomas", fokstier 2> jaar. til 150 51 25
l
N°. 310, koe 7 jaar . . 62 138 46 20
136 143 60 40 20 192 175 38§
: I
127 136 51 40 20 170 172 378
123 130 46 36 18 170 169 36J
880 pd., fijn en edel.
835 pd., 10 d. voor de
meting gekalfd.
775 pd.. zeer fijn lichaam,
puike melkkoe.
745 pd., zeer fijn lichaam,
puike melkkoe.
890 pd., groot fraai
lichaam.
815 pd., eenigszins grof.
880 pd., prima naar
lichaam en melkopbr.
788 pd , groot.
810 pd., normaal.
800 pd., fijn.
755 pd., kort voor de me-
ting voor \'t eerst gekalfd.
720 "pd.
805 pd., meermalen be-
kroond.
zwart, bleekrood. grauw
I
jjo^           witgeel.          (|o_
il"
il"
art rood.
rood.
bleekrood.
grauwrood.
grauw.
d°.
d°.
lichtrood.
du.
d°.
d°.
d°.
d°.
d».
.1".
d°.
gMlgntaw.
d°.
donker-
gniuw.
liohlgraaw,
d°.
d».
d«.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
il".
d".
d°.
Uehtgtauw,
d°.
wit.
d°.
«1».
!
d°.
ik
d°.
d°.
d".
i    298, »     7     »
»    297, »     6     »
»    156, »    6     »
61 132 46 22
d°.
d".
d".
d°.
d".
d".
•1".
d".
d°.
123 128 44 34 17
131 144 54 43 26
.1".
d\'.
d°.
d°.
d°.
.1".
i\'.
d°.
\'1".
i\'.
58 134 46I18
i !
64 150 47 20
165 163 35;
187 175 38?
»      11, »    4    »
61
134 46 19 131142 56 40 20 175 168 37
j
il".
d°.
d".
.1".
<l".
d".
il".
<1".
»     154, »     5     »
»    123, »    4    »
»    195, »     7     »
60
lilt
144 49 19
143 49 19
132 139 51 41 21 183 173
: : I
134 146 58 38 18 184 171
383
37ö|
364
il",
il".
d».
d°.
.1".
i«.
d°.
127 131 52 j 36 | 18 172 169
59
144 49
18
»    270, »    5     »
»    131, •    3    ï
>       44, »    4     » . . j 6
58 J144 44 I 20
60 1183 43 19
141 47\'19
127 136 54 35 18 183 173 37(1
I
130 140 55 40 20 175 165 362
I <                             I I
127 136\'51 36 18 173 163 368
grauwrnod. Ao
I
grauw.           Jo^
»     711 koe(Furka), 7 jaar. 60
142 46 17 128 130 46 36 19 183 175 363
-ocr page 100-
80
2. Het Tondersche vee.
Het ambt Tonderen vinden wij aan de westkust van Sleeswijk, aan
de Wildaae, Grünaae en Süderaae; de hoofdstad van denzelfden naam
ligt 1} mijl van de Noordzee en 5 mijlen ten noordoosten van Flensburg.
De grootste helft van het land bestaat uit vruchtbare klei, de andere
helft is geestgrond.
Van alle in Sleeswijk gefokte veeslagen is het Tondersche het zwaarste;
naar vorm en grootte komt het vrij wel met het Breitenburger overeen;
eene volwassene koe weegt 9 tot 11 centenaars en meer.
Het lichaam is fraai gebouwd en zeer goed geproportioneerd. De
kop is licht, niet lang en fraai gevormd, de hals niet zwaar en middel-
matig lang, de kossem weinig ontwikkeld, de boeg niet spits maar vol,
het kruis breed, de rug recht, de staart recht ingeplant, de dijen en de
schouders stevig, de ribben tamelijk gewelfd, het lijf vrij diep, de pooten
recht en goed gesteld, dun maar krachtig, de melkteekens zeer goed, de
uier fraai en vierkant. Hoornen en hoeven zijn in de meeste gevallen
aan den wortel wit, verder zwart; het haar steeds eenkleurig rood.
Het Tondersche vee gewent gemakkelijk aan ander voedsel, acclimati-
seert snel en is niet keurig; het geeft zeer veel vette melk met een groot
boter- en kaasgehalte; de aanleg voor vetgroei is zeer groot, de dieren
worden zeer vet, het vleesch is fijn van vezel en van uitstekende kwaliteit.
Ook voor den arbeid is dit vee geschikt; ik heb met veel voordeel ossen
van dit ras als trekdieren gebruikt en ze evenzoo gewillig als volhardend
bevonden.
Van een Tondersch ras kunnen we intusschen in \'t geheel niet meer
spreken; het is, nadat sedert jaren de kruising met Shorthorn algemeen
is ingevoerd en thans overal wordt toegepast, zoo goed als geheel verloren
gegaan. De vetweiderij is in Tonderen dan ook hoofdzaak en daar het
niet te ontkennen valt, dat voor de vetmesterij eene voortgezette kruising
met Shoiïhornvee de beste resultaten oplevert, zoo is deze hier dan ook
op hare plaats.
In \'t voorbijgaan wil ik hier nog even melding maken van het vee,
dat wij in Stapelholm tusschen de Trenue, de Schley en de Eider aantreffen.
-ocr page 101-
81
3. Het Stapelholmer vee
is iets zwaarder dan het Angeler vee; eene volwassene koe heeft een
levend gewicht van 800 tot 900 pond en daarboven. De kleur is meestal
roodbont, ook rood. De dieren zijn zeer geschikt voor de vetmesting,
geven echter minder melk dan het Angeler vee.
VII. Het laaglandsche vee in het koninkrijk Pruisen.
Het laaglandsche vee, aan de monden van de Weichsel en de Nogat
onder den naam van Danziger vee, aan de Netze en Warthe als Netze-
en Warthebrücher vee bekend, moge hier ter wille der volledigheid eene
plaats vinden.
1. Het Dcinziger vee,
meest zwartbont, ook grijs en roodbont, is een kruisingsproduct van het
oude landvee met Nederlandsch vee, dat daarna in eigen kring is voort-
gefokt. Bij den aanfok had men enkel groote melkopbrengsten op het
oog en dit doel is dan ook werkelijk ten koste van de fraaie lichaams-
vormen en de geschiktheid voor den arbeid, bereikt. De hoekige vormen,
de enge borst met het slecht ontwikkeld voorstel, de vrij lange, dorre
hals, het dikwijls overbouwde, niet breede achterstel en de meestal koe-
hakkige stand der beenen, bieden ons geen fraai uiterlijk en sluiten het
gebruik als mest- of trekvee ten eenenmale uit. De dieren worden zoo
uitgemolken, dat zij slechts niet moeite in eenen voor den slager aan-
nemelijken toestand gebracht kunnen worden. Buiten hun vruchtbaar
vaderland gebracht, gewennen zij zich moeilijk aan andere toestanden en
verlangen best voedsel. Hun geheele lichaamsbouw en de groote hoeveelheid
dunne melk die zij geven, bevorderen den aanleg voor longziekten. Het
verslag van de te Koningsbergen gehoudene 24° vergadering der duitsche
bosch- en landbouwers geeft van het Danziger laaglandsche vee de navol-
geilde beschrijving:
»Ons laaglandsch vee kan zich zeker slechts daarop beroemen, dat
het een stamras is, hetwelk zich door buitengewone melkrijkheid onder-
scheidt. De oorspronkelijke stam is vermoedelijk door de duitsche ridder*
6
-ocr page 102-
82
orden en door de Hollanders, die zich in de Weichsel vlakte metterwoon
vestigden, hier heen gebracht en heeft het type van het Nederlandsche
ras ook bewaard. De kop is meestal licht, de hals zonder kossem, de
rug tamelijk recht, de aanzetting van den staart in het verlengde van
den rug, niet hooger, dikwijls lager; het kruis is tusschen de heupen te
smal en de ribben zijn te weinig gewelfd; het lichaam is wel diep, doch
het voorstel naar verhouding minder ontwikkeld dan het achterste]; de
meikaderen zijn sterk ontwikkeld, de uier is diep en vol, de achterbeenen
meestal koehakkig en maar hoogst zelden recht gesteld. De kleur is ver-
schillend, vaal, rood, doch hoofdzakelijk zwart of zwartbont. Huid en
haar zijn meestal zacht en fijn. De koeien geven • echter veel waterige
melk en zijn met hun hoekig beendergestel van onvoldoende sterkte,
weinig geschikt voor de vetmesting en den arbeid. Bij den aanfok is
door vele geslachten heen, bijna uitsluitend op de melkgeving gelet. Bij
eene gemakkelijke verpleging in de grasrijke landerijen, worden slechts de
kalveren van uitstekende en melkrijke koeien opgefokt en geteeld door
stieren, die van de beste koeien afstammen. Verder schijnt de inelkrijkheid
ook daardoor nog te worden vermeerderd (zulks echter op kosten van de
levenskrachten van het dier) dat de koeien na eene gewoonlijk slechts
matige winter voeden ng in het voorjaar gedurende den kalftijd of kort
daarvoor op volle, grasrijke weiden worden gebracht, dus op een tijdstip,
dat alle levensverrichtingen van het dier ten nadeele van zijn eigen onder-
houd voor de voeding der vrucht en de omzetting van het voedsel en melk
in beslag worden genomen. Tengevolge dezer onafgebroken voortgezette
teelt, waarbij noch op de stevigheid en de stelling der beenderen, noch
op de levenskrachten van het dier werd gelet, waartoe eene krachtige
ontwikkeling der spieren en een vast zenuwstel vereischt wordt, eigent
zich dit vee noch voor de vetmesting noch voor den arbeid. Ook staat
het, daar de koeien waterige melk geven, na weinige jaren afgemolken
zijn en het zelden lang uithouden, bij de veredelde rassen ten achter."
Daar dit vee om zijne melkrijkheid zeer gezocht is en vele koopers
vindt, zoowel in de hoogere streken van de provincie, als ook in Pommeren,
Polen en Rusland, blijven de eigenaars bij hunne wijze van fokken en
moge liet ook gerechtvaardigd schijnen, dat zij het niet durven wagen,
met andere stammen te kruisen, zoo schijnen zij toch ook te zeer met de
voortreffelijkheid van hun eigen stam ingenomen te zijn, om behalve op de
melkgeving bij den aanfok nog op andere eigenschappen te letten en daar
waar de toestand van den bodem het veroorlooft den veestam te veredelen.
-ocr page 103-
83
2. Het Warthebrücher en Netzbrücher vee
is eveneens onder invloed van het Nederlandsche, maar vooral ook van
het Oldenburgsche vee ontstaan, toont tegenwoordig echter zoovele varië-
teiten, dat het niet mogelijk is eene eenigszins passende beschrijving er
van te geven! In Warthebrüch, waar wij een zeer goed gebouwde, zeer
veel op het Oldenburgsche en Oostfriesche vee gelijkende zwartbonte melkkoe
aantroffen, die ook voor de vetmesting geschikt bleek te zijn, werden bij
het toenemen der zuivelbereiding zoo vele koeien voor de melkerij en de
vetmesting opgekocht, dat eigen aanfok niet meer in de behoeften kon
voorzien. Een noodzakelijk gevolg daarvan was, dat in naburige streken
veel vee moest worden bijgekocht en het "Warthebrücher vee zoo steeds
meer het karakter eener gelijkvormige teelt verloor en een mengsel van
verschillende landslagen werd.
Dit euvel moest te eerder ontstaan, doordat de koopers steeds nieuw-
melkende koeien, de veehandelaars steeds drachtig vee verlangden, laatst-
genoemden onder voorwaarde, onmiddellijk na het kalven de koe met het
kalf te ontvangen en zoodoende koe en kalf tegelijk het fokdistrikt ver-
lieten. De koeien kwamen in de stallen der zuivelboeren, de kalveren, een
paar dagen oud, op de Berlijnsche veemarkt. Daar op deze wijze de oude,
goede "Warthebrücher koeien steeds zeldzamer werden en vervangen werden
door de in de nabiturschap, vooral ook in Pommeren, gekochte beesten
van veel slechter kwaliteit, konden de in Warthebrüch gekochte koeien,
die geen Warthebrücher koeien meer waren, niet meer bevredigen en zoo
werd de vraag naai\' Warthebrücher vee steeds minder. Deze verminderde
aftrek zou nu oorzaak kunnen zijn, dat het bijkoopen van buiten ophield
en het rund in het zoo vruchtbare, voor de veeteelt in alle opzichten zoo
gunstige Warthebrüch zijn ouden goeden naam, dien het in zoo ruimen
kring bezat, door eene zorgvuldige teelt weer terugwint.
Eene beschrijving van
3. Het Silezische landvee
moge hier hare plaats vinden.
De rundveeteelt staat in Silezië in groote en middelgroote boerderijen
op een hoogen trap van bloei; wij vinden hier zulke voortreffelijk aange-
fokte koppels, als men elders maar zelden aantreft. Wat men echter in
6*
-ocr page 104-
8-i
Silezië en in de andere oude provinciën mist, is eene eenvormige teelt;
deze ontbreekt er geheel. Er bestaat bijna geen ras van eenige beteekenis,
dat op de groote en middelgroote boerderijen niet zijnen vertegenwoordiger
heeft. Wij vinden er Nederlandsche, Wilsterlandsche, Oldenburgsche,
Angeler koeien, elders weer Simmendaler, bruin vee of een ander ge-
bergteras; op andere plaatsen vindt men weer de meest uiteenloopende
kruisingen, en hoe voortreffelijk de afzonderlijke koppels ook gefokt mogen
zijn en behandeld worden, zoo geven zij toch slechts het bewijs, dat de
meeningen omtrent het plan, waarnaar gefokt moet worden, zeer uiteenloopen.
Het groote verschil in de wijze van fokken, zelfs in kleine distrikten,
werkt des te schadelijker, daar de kleine boer, aan wien het aanfokken
van trekossen meest wordt overgelaten, tot op eene zekere hoogte, zich
naar de wijze van fokken der grootere boeren moeten richten. De kleine
boer is dikwijls zeer in zijn schik, als de groote landeigenaar uit zijn
buurt hem voor het dekken zijner koeien een stier afstaat; tot welk ras
of slag het dier behoort, daarnaar wordt nauwelijks gevraagd. Het pèle-
mêle, dat onze markten vult, toont ons het best, hoe het er bij ons uit-
ziet. Wij zien hier zooveel verscheidenheid van lichaamsvorm, kleur,
gebruik en houding, dat de onberekende, meestal van het toeval afhanke-
lijke fokkerij, overal onmiddellijk in het oog valt. Hoe geheel andera is
dit in Beieren! Hier geven ons de markten het beeld eener eene geheele
streek eigene, eenvormige wijze van fokken; de geheele markt is bezet
met vee van hetzelfde slag en de gelijksoortige, allen naar een zelfde plan
gefokte dieren, waarborgen ons gelijke eigenschappen en gelijken aanleg
en geschiktheid. In Beieren vinden wij overal een eendrachtig streven
naar eenzelfde doel, bij ons- wel is waar uitstekende beslagen, rnaar de
uiteenloopendste rassen bij de grootere landbezitters en geene fokkerij naar
een vast plan. Hier verandering te brengen en betere begrippen te ver-
spreiden is de roeping onzer landbouwvereenigingen en geen onderwerp
bestaat er, dat voor de welvaart onzer kleine landbouwers van meer
belang kan zijn. Het oude Silezische landvee, dat ons zulke uitstekende
trekossen levert, is door de boven beschrevene wijze van fokken bijna
geheel verloren gegaan en het mag misschien gewaagd heeten, het hier
nog zelfstandig op te voeren. Ik heb echter dit vee, en vooral de trek-
ossen, in Silezië zoowel voor den arbeid als voor de vetmesting zoo hoog
leeren schatten en ook van de koeien zulke goede resultaten kunnen
waarnemen, dat ik het voor ongerechtvaardigd houd, het Silezische vee
geheel voorbij te gaan.
-ocr page 105-
85
De kleur van dit vee is roodbruin of roodgeel met witte vlekken aan
kop, borst, buik en rug. Het lichaam is goed geproportioneerd, tamelijk
diep en gedrongen; de rug recht, het kruis vrij breed, de ribben goed
gewelfd, de staart wat hoog ingeplant, de kop breed met matig lange
naar boven en buitenwaarts gebogen hoornen, de hals matig lang en
stevig. De beenen zijn zeer goed gesteld, breed en gespierd. De ossen
van dit slag zijn gunstig bekend als puike trekdieren, die veel werk ver-
richten en het zou zeer te betreuren zijn, als deze zoo gezochte trekossen
door eene onberedeneerde kruising verloren gingen. Het vee is matig en
niet kieskeurig in het voedsel, wordt gemakkelijk vet, terwijl de koe ge-
middeld circa 2000 liter melk geeft.
Voor den kleinen boer zal het altijd het voordeeligste zijn, een rund
te fokken, dat niet uitsluitend aanleg voor een bepaald belang heeft, maar
de geschiktheid voor alle gebruikseigenschappen in zich vereenigt. Is dit
waar, dan is het zeker ook het raadzaamst en voordeeligst, dat de kleine
boer in Silezië het oude landslag zoo goed mogelijk in stand houde.
Ik heb in mijne langjarige bezigheid als administrateur van groote
boerderijen in Silezië (tot 1867) het Silezische landvee, vooral de trekossen
als hoogst bruikbaar leeren waardeeren en ben vast overtuigd, dat bij
oordeelkundige en zorgvuldige teelt de kleine boer in Silezië zijn grootste
voordeel vinden zal in de instandhouding en de verbetering van zijn land-
vee. Een hoofdvereischte voor een goeden uitslag bij de fokkerij blijft
toch altijd, dat wij na lang en rijpelijk te hebben overwogen, wat voor
onze toestanden het passendste is, met kracht er naar streven, dit als
het best erkende door eene doelmatige, beredeneerde fokkerij te bereiken.
Gelukt het, de Silezische boeren zoover te brengen, dat zij allen een-
drachtig, in denzelfden geest en naar een vast plan gaan fokken, dan zal
het bonte beeld, dat de Silezische markten ons vertoonen, mettertijd ver-
dwijnen en het vee op deze markten getuigenis afleggen eener eenvormige
fokkerij, die den kooper tot waarborg strekt, dat hij bij de dieren der
verschillende eigenaren dezelfde eigenschappen en dezelfde capaciteiten zal
vinden. Dan zal ook onze veehandel herleven, de fokker zal klinkend
loon vinden en de goede uitslag zijner pogingen zal hem een spoorslag
zijn bij zijn streven om steeds beter vee te leveren.
De navolgende metingen, die ik voor dit VHe hoofdstuk op de hier
gehoudene tentoonstelling van mestvee heb genomen, zullen er toe bij-
dragen, de gegevene beschrijving aan te vullen en dus van algemeen
belang zyn.
-ocr page 106-
86
87
Metingen van op de veetentoonstellingen te
Berlijn bekroond vee van Hu go Lehnert.
KLEUR.
o ge ii.
»
B
m
tn
o
o
„j
SL
• •»
o
>
V
\'2
e
o
E
O
O
o
a
S
H
ja
Pd
o>
O?
Rand
CS
LENGTE
HOOGTE
OMVANG
SI
BESCHRIJVING
VAN
HET UIER.
o.
o
M
e
lll«B
"5 2
!«i *
S —
£ £
H) I M*. I 3.-13
« I a>
= T3 = J3 I C -M
09               U               fij V
A A N M E R K I N G E N.
In Centimeters.
240
62
232
60
226
60
244
62
243
62
211
58
211
57
241
66
243
65
222
57
Silezische os. oud slag, 6 jaar.
d°.
                5 »
d°.                5 »
d°.                6 »
d°.                6 »
Silezische koe,oud slag, 6 »
d°.
                6 »
Oost-pruisische os, 5 jaar .
Os »Netzbruch" 5 jaar.
Koe »Warthebruch", 7 jaar.
le prijs, normaal gebouwd.
le prijs, zeer vet.
2e prijs, sterk en gespierd.
2e prijs, stevig dier met goede
eenigszins fijne pooten.
4e prijs, gedrongen en zeer
krachtig normaal gebouwd.
le prijs, zeer vet, goed
gebouwd.
Zilveren medaille.
2e prijs, wat hoog gesteld.
3" prijs, goed en sterk gebouwd,
gespierd en goed gesteld.
le prijs, zeer vet, fraai
gebouwd.
rood niet
witte
vlekken.
— 167
170
62
58
63
62
63
57
55
66
68
58
57
60
59
261
258
245 464
,1".
— 163 168
24714
265:255 464
263 255 464
^eel
gevlekt.
ge i*I rood
met witten
rug.
roodbont.
— 167
172
179; 62
177
— 172
276
238
225
279
288
238
261 464
220,443
212:425
259 500
260:500
221 446
178 58
157164 56
!
150161,58
— 184 193 66
geel niet
witte
vlekken.
swart iuet
bles.
zwartwit.
177183
64
49
d°.
-ocr page 107-
86
87
Metingen van op de veetentoonstellingen te
Berlijn bekroond vee van Hu go Lehnert.
KLEUR.
o ge ii.
»
B
m
tn
o
o
„j
SL
• •»
o
>
V
\'2
e
o
E
O
O
o
a
S
H
ja
Pd
o>
O?
Rand
CS
LENGTE
HOOGTE
OMVANG
SI
BESCHRIJVING
VAN
HET UIER.
o.
o
M
e
lll«B
"5 2
!«i *
S —
£ £
H) I M*. I 3.-13
« I a>
= T3 = J3 I C -M
09               U               fij V
A A N M E R K I N G E N.
In Centimeters.
240
62
232
60
226
60
244
62
243
62
211
58
211
57
241
66
243
65
222
57
Silezische os. oud slag, 6 jaar.
d°.
                5 »
d°.                5 »
d°.                6 »
d°.                6 »
Silezische koe,oud slag, 6 »
d°.
                6 »
Oost-pruisische os, 5 jaar .
Os »Netzbruch" 5 jaar.
Koe »Warthebruch", 7 jaar.
le prijs, normaal gebouwd.
le prijs, zeer vet.
2e prijs, sterk en gespierd.
2e prijs, stevig dier met goede
eenigszins fijne pooten.
4e prijs, gedrongen en zeer
krachtig normaal gebouwd.
le prijs, zeer vet, goed
gebouwd.
Zilveren medaille.
2e prijs, wat hoog gesteld.
3" prijs, goed en sterk gebouwd,
gespierd en goed gesteld.
le prijs, zeer vet, fraai
gebouwd.
rood niet
witte
vlekken.
— 167
170
62
58
63
62
63
57
55
66
68
58
57
60
59
261
258
245 464
,1".
— 163 168
24714
265:255 464
263 255 464
^eel
gevlekt.
ge i*I rood
met witten
rug.
roodbont.
— 167
172
179; 62
177
— 172
276
238
225
279
288
238
261 464
220,443
212:425
259 500
260:500
221 446
178 58
157164 56
!
150161,58
— 184 193 66
geel niet
witte
vlekken.
swart iuet
bles.
zwartwit.
177183
64
49
d°.
-ocr page 108-
88
VIII. Het eeiikleurige grauwbruine gebergtevee.
(B r u i n v e e).
Nadat wij het vee der weelderige kleipolders en der noordelijke
laagvlakten, voor zooverre het ons belang kon inboezemen, hebben leeren
kennen, doen wij een grooten sprong van den vaderlandschen bodem
van het geliefd Silezië, naar de reusachtige bergen en de heerlijke dalen
van de in trotsche en schoone natuurtafereelen onovertrofïene, Zwitsersche
Alpen.
Hier zijn het niet de lage kustlanden aan den oever van de zee,
met hunnen eeuwigen nevel, die ons het gezochte vee leveren, maar
weelderige met geurig, voedzaam gras en welriekende kruiden begroeide
alpen weiden, die langs de berghellingen tusschen akkers, velden, wijn-
en boomgaarden opwaarts stijgen en zich tot boven de donkere pijn- en
dennen bosschen uitstrekkende, tot aan diestreken rijken, waar alle planten-
groei ophoudt en waarop de kale rotsen, de met eeuwigen sneeuw bedekte
kruinen der Alpenreuzen neerzien. Prachtige kudden grazen hier op de
weelderige weiden , de welluidende tonen der harmonisch gestemde klokjes
slaan, als een vriendelijke welkomstgroet aan ons oor en het goed verzorgde
vee legt jegens den naderende eene vertrouwelijkheid aan den dag, die
een welsprekend getuigenis aflegt van de liefde en de zorg, waarmede
het behandeld wordt. "Waar het oog zicli henen wendt, overal wordt het
verkwikt door de heerlijke natuur en onder het inademen van de zuivere
frissche berglueht, bestijgen wij den alp, om het fraaie vee dezer fraaie
bergen nader in oogenschouw te nemen.
Het eerst wenden wij ons tot
„Het bruinvee".
Dit groote, grauwbruine ras vinden wij in het midden en in het
oosten van Zwitserland, Vorarlberg en het zuidwestelijk gedeelte van het
Beijersche regeeringsdistrikt Zwaben, »den Allgau" en in nog een paar
andere distrikten van zuidelijk Beijeren. Al de in genoemde streken ge-
fokte runderen hebben zoovele karakteristieke raskenmerken met elkaar
gemeen, dat het boven allen twijfel verheven is, dat het allen slagen van
-ocr page 109-
89
een en hetzelfde ras zijn, dat wij als hetgroote, eenkleurige, grauwbruine
gebergtevee »het bruinvee" kennen.
Het zwaarste, edelst gefokte vee van dit ras vinden wij in Zwitserland
en willen dus dit het eerst behandelen.
A. Het grauwbruine vee in Zwitserland.
Van de 22 kantons van Zwitserland, die eene oppervlakte van 752
vierk. geogr. mijlen beslaan, houden 14 kantons met eene oppervlakte
van circa 740 vierk. geogr. mijlen hoofdzakelijk bruinvee; het zijn de
kantons: Schwijtz, Zug, Zurich, Lucern, Aargau, Unterwalden, Uri,
Glarus, St. Gallen, Appenzell, Grauwbunderland, Tessino, Wallis en het
boven-Haslidal van liet kanton Bern.
1. Het kanton Schwijtz
staat bij de fokkerij van bruinvee in Zwitserland boven aan; hier vinden
wij het allerzwaarste en best gefokte bruinvee. Het Schwijtzer vee geldt
als type voor het geheele ras; de kenteekens van het lichaam, de kleur,
vorm en eigenschappen dienen als maatstaf bij de beoordeeling van het
geheele ras. Daarom heeft ook de veeteelt in dit kanton in de eerste
plaats aanspraak op onze belangstelling. Aanfok en zuivelbereiding gaan
er hand aan hand; in de dalen vindt men beide, op de bergen uitsluitend
aanfok. Schwijtz heeft vele alpenweiden; de best gecultiveerden daarvan
zijn die in het distrikt March en op den Rigi, met beste grassoorten en
kruiden rijk begroeid, verder de Iberger en Murtadaler alpen.
De alpen weiden zijn overal daar het best gecultiveerd, waar de zuivel-
bereiding wordt uitgeoefend; daar, waar de aanfok hoofdzaak is, zijn de
weiden minder goed onderhouden; dit verschijnsel doet zich in alle alpen-
landen voor. De groote afstand, waarop de weiden in den regel van de
dorpen verwijderd zijn, bemoeilijkt den arbeid zeer; de weg van en naai\'
het werk vordert soms evenveel tijd en moeite als het werk zelf, en hoe
dikwijls • gebeurt het, dat de moeitevolle arbeid nauwelijks geëindigd is,
of hij wordt door eene lawine, het water of eene andere natuurkracht
weer vernield. Gemakkelijk is het den Zwitser onder het oog te brengen,
dat door zorgvuldige cultuur, als het opruimen van steenen uit de weide,
het uitroeien van woekerende alpenrozen, heibessen, struiken en kreupel-
hout, het afleiden van het overtollige water, of omgekeerd, het bewateren
-ocr page 110-
90
van de weiden, mesten enz., veel ruimer opbrengsten kunnen worden
verkregen, maar zwaar, zeer zwaar zijn al de moeilijkheden te over-
winnen, die hier elke verbetering in den weg staan.
De lage weiden op de vooralpen en de dal weiden zijn meest parti-
kulier eigendom; de hooge weiden (Hoehalpen), die het vee tot op eene
hoogte van 7000 a 8000 voet en meer voedsel verschaffen, zijn in verre-
weg de meeste gevallen geineeuteweiden. Bij de laatsten is het regel, dat
voor 6 koeien , die men op de weide brengt, een dagwerk op die weiden
geleverd moet worden met wieden en wegruimen van steenen. Het getal
beesten, dat op de wei gedreven mag worden, regelt zich altijd naar het
gemiddeld getal, dat in de voorafgaande 10 jaren daarop geweest is.
Ieder heeft het recht 6 stuks vee te laten weiden. Is de weide dan nog
niet geheel bezet, in den regel zijn ze het dan nog maar half, dan
kunnen de grootere veehouders in de gemeente of ook uit andere ge-
meenten (nichtgenossen) tegen hooger tarief een willekeurig aantal run-
deren in de wei brengen, totdat deze geheel bezet is. De beste alpen-
weiden zijn voor de koeien. drachtige vaarsen, fokstieren en kalveren
beneden een jaar; het zijn de zoogenaamde koealpen (Milchalpen). Daarbij
wordt er streng op gelet of de vaarsen wel drachtig zijn, zij moeten
dragende uiers hebben, d. w. z. de drachtigheid moet zichtbaar zijn.
Op de »Galt" of vaarsweide komen vaarsen van l1 tot 2J jaar.
De fokstieren komen, opdat de vaarsen niet te vroeg zullen worden
gedekt, nooit op de Galtweide. Wil de eigenaar zijn vaars in den zomer
laten dekken, dan gaat hij er mee naar de naastbijzijnde koealp. Op
de koealpen loopen de fokstieren vrij tusschen het overige vee rond.
Voor het dekken rekent men een fokstier op 70 a 80 koeien. Vóór
hun tweede jaar worden de vaarsen nooit gedekt. Voor 15 koeien, zoo-
mede voor 40 stuks jong vee rekent men een knecht, die 7 a 10 frank
per week verdient. De melk wordt bijna uitsluitend tot vette kaas ver-
werkt; eene kaasmakerij heeft hier gewoonlijk 30 tot 40 koeien. Men
maakt er kazen tot een gewicht van 20 KG. die onder den naam van
wrijfkaas hoofdzakelijk naar Italië verkocht wordt. Wanneer verschiU
lende veehouders zich voor den aanmaak van kaas met elkaar vereenigen,
verkoopen zij de melk tot een vasten prijs aan een kaasmaker (Kaser)
en iedere deelgenoot heeft dan zijne afzonderlijke rekening, waarop hij
voor de door hem geleverde melk gecrediteerd wordt Met uitzondering
der wildste hoog-alpen, op welke slechts een klein hutje van steen voor
den herder staat en waar het vee nooit op stal komt, vindt men overal
-ocr page 111-
91
flinke stallen en herdershutten (Sennhütten) met rneer of minder gemak-
kelijk ingerichte, doch steeds hoogst eenvoudige woningen voor de her-
ders en koewachters. Vrouwen en meisjes, zooals in het Beijersche hoog-
land en in enkele streken van Tyrol, treft men in Zwitserland op de alpen-
weiden niet aan. Het vee komt \'s nachts gewoonlijk niet in den stal, in
den regel slechts om gemolken te worden en op het heetst van den dag om
ze tegen de muggen, bremsen en vliegen te beschutten. Op de meeste
alpen weiden bevinden zich een voldoend aantal waterputten, maar men
vindt er ook, vooral in hoogere streken, waar het sneeuw-, wel- en
regenwater in slooten en kuilen wordt opgezameld en zoo tot drinkwater
voor het vee dient.
Na deze algemeene opmerkingen die op de alpenweiden voor geheel
Zwitserland van toepassing zijn, keeren wij tot de fokkerij van het
kanton Schwijtz terug.
De alpen in dit kanton behooren mede tot de dichtst met vee be-
zette; er worden hier meer dan 2000 stuks op de alp gedreven. De
dalen leveren op verre na niet zoo veel voedsel, om al dit vee den
geheelen winter door te spijzen en daarom is eene belangrijke uitvoer in
den herfst noodzakelijk. De afzet van dit overtollige vee heeft den Schwijtzer
tot op\'heden nooit veel moeite gekost; hun uitstekend vee is zoo gezocht,
dat aan alle aanvragen gewoonlijk niet kan worden voldaan. De aan-
grenzende kantons, verder Frankrijk, Italië, Duitschland en Oostenrijk
zijn de grootste afnemers, dan volgen Spanje en Rusland. Groote melke-
rijen bij Parijs ontvangen jaarlijks een grool aantal koeien uit Schwijtz; de
kommandant G. BüRGt, die zich voor de veeteelt van zijn land hoogst
verdienstelijk heeft gemaakt, drijft te Charenton bij Parijs alleen eene
melkerij van 100 stuks koeien en verzendt een zeer groot getal runderen
naar Frankrijk en Italië. De inrichtingen voor melkkuren in de Rijn-
provinciën alsook die in Beijeren, b. v. Kaynzenbad, dat door Dr. Sauer
op uitstekende wijze bestuurd wordt, betrekken het benoodigde vee van
hier en zoo ontbreekt het den nijveren fokkers in. het kanton Schwijtz
nooit aan afnemers.
Het schoonste vee van het kanton Schwijtz vinden wij op den Rigi
met zijne vele vergezichten, bij Einsiedeln en in de »marsch" (als
marschlerslag bekend). De marsch heeft voornamelijk dalweiden en ook
zeer goede alpen. Zij ligt ten noorden van het meer Zurich bij Glarus.
Van hier betrekken ook St. Gallen en Grauwbunderland het materiaal
voor de verbetering hunner fokkery.
-ocr page 112-
02
In het kanton Schwijtz is men er met volkomene kennis van zaken
onafgebroken mede bezig naar een vast plan en eene nauwlettende zorg-
vuldige teelt het fraaie rund steeds meer te veredelen. Er heerscht onder
de fokkers een wedijver om het beste te leveren, een algemeen streven
naar het volmaakte, zooals dit noodig is, om in een land de veeteelt
algemeen tot den hoogsten trap van bloei te brengen. Om buitenlandsche
kooplieden in de gelegenheid te stellen, edele rasdieren te kunnen koopen,
heeft zich te Einsiedeln onder den kapitein der guides Wichardt eene
vereeniging gevormd, die ieder jaar publieke verkoopingen, voornamelijk
van edele fokstieren Iaat houden, en zoo eene verzameling vee ter ver-
koop brengt, die den vreemdeling doen zien, welke eischen men in het
model-kanton voor het Zwitsersche bruïnvee aan een edel, zuiver gefokt
rasdier stelt. De opgaaf, die de vereeniging zich gesteld heeft, is niet
gemakkelijk en het is te wenschen, dat zij moge slagen, hetgeen zeker
zal gebeuren, als het haar mogelijk zal zijn, bij de keuze der dieren,
die ten verkoop zullen worden aangeboden, met pijnlijke nauwgezetheid
elk dier, dat niet aan alle eischen voldoet, af te wijzen, en zoo zij dan
maar genoeg koopers vindt, die geneigd en in staat zijn de hooge prijzen
te betalen , die deze dieren dan moeten opbrengen.
Volgens ambtelijke telling had het kanton Schwijtz aan rundvee:
285 fokstieren, 11135 koeien, 2823 vaarsen, 9042 stuks jongvee.
Schwijtz heeft zich niet aangesloten bij het door de Zwitsersche
landbouwvereeniging opgerichte Zwitsersche stamboek, ook het Simmendal
(Kanton Bern) en de vereeniging van romaansch Zwitserland niet. De
geheele manier van handelen bij de inschrijving in het Zwitsersche stam-
boek wordt afgekeurd; ook moeten er, om toch maar iets tot stand te
brengen, dieren zijn opgenomen, die, wat de kwaliteit betrof, nog be-
neden het middelmatige stonden, ja zelfs als slecht moesten worden
gekwalificeerd. Voor ons kan het Zwitsersche stamboek geen waarde
hebben, als de beste fokkerijen uit dit land, die van de kantons Schwijtz
en Bern (het Simmen-Saandal) daarin ontbreken.
Het groote gewicht van een stamboek wordt door de fokkers, die
niet tot het algemeene Zwitsersche stamboek toetraden, niet ontkend.
Zulks bewijst het hier volgende ontwerp-reglement voor het oprichten en
houden van een stamboek voor het kanton Schwijtz; zij hebben zich echter
bij het algemeene stamboek niet aangesloten, omdat zij er niet in konden
toestemmen, dat hun edel vee met al het andere op een lijn zoude worden
gesteld en ook omdat de bepalingen omtrent de opname in het stamboek
-ocr page 113-
93
en de verdere regelingen toonden, dat er ook vee van middelmatige kwaliteit
opgenomen konde worden. Zij zijn dan ook met recht van meening dat
de vreemdeling door zulk een stamboek slechts op een dwaalspoor kan
worden gebracht en dat wanneer de edele produkten hunner fokkerijen
met vee van veel geringer waarde op eene lijn worden gesteld, deze
bijeenvoeging hunne fokkerij slechts tot nadeel kan zijn.
ONTWERPVERORDENING
VOOK DE
samenstelling en het houden van een Veestamboek
VOOR HET
kanton Scnwijtz.
§!•
Als aanvulling van de verordening op de veetentoonstellingen in het
kanton Schwijtz, zal een veestamboek voor het kanton worden ingericht
met het doel, de veeteelt aldaar te bevorderen en te veredelen.
§ 2.
Het boek staat onder toezicht van de regeering en wel speciaal onder
het ressort van het departement van landbouw en zal door de kanselarij
van het kanton worden gehouden.
§ 3.
Om eene betere administratie en meer nauwkeurige controle te ver-
zekeren , wordt de veeinspecteur van iedere gemeente belast met het houden
van de controle over den algemeenen toestand van het vee. Deze moet
daarvan elke maand een rapport inleveren bij de kanselarij van het kanton
ter inschrijving in het stamboek.
§ 4.
Het stamboek moet een open boek zijn, d. w. z. dat aangiften tot
opname ten allen tijde kunnen geschieden en wel bij den veeinspecteur
der gemeente. De opname zelf heeft echter maar eenmaal in het jaar
plaats bij gelegenheid der kantonale veetentoonstellingen, waar de opge-
-ocr page 114-
94
geven dieren vertoond moeten worden. Om de vier jaar heeft eene alge-
meene inspectie van het gezamenlijk ingeschrevene vee plaats, ontaarde
dieren worden dan geroyeerd.
§ 5.
Over opname in of uitschrijving uit het stamboek, beslist het bestuur
van het departement van landbouw, in overleg met de kantonale keurmeesters.
§ 6.
Runderen, die in het Zwitsersche stamboek zijn ingeschreven en ook
ter opname in het kantonale boek worden opgegeven, zijn eveneens aan
de bepalingen in § 5 vervat, onderworpen.
§ 7.
Voor de opname in het stamboek gelden de volgende bepalingen :
a.  de op te nemen dieren moeten vóór alles van echt Schwijtzer
ras zijn, d. w. z. er moet kunnen worden aangetoond, dat zij
uit het kanton Schwijtz afstammen;
b.   zij moeten minstens een jaar oud zijn;
c.   zij moeten zwaar van slag zijn en melkrijkheid toonen;
d.   zij mogen volstrekt geen vlekken hebben;
e.   zij moeten in een woord alle die eigenschappen bezitten, door
welke het Schwijtzer ras zich zoowel binnen- als buitenlands
zulk een goeden naam heeft verworven.
§ 8.
In \'t bijzondei" zullen nog voor de opname in het stamboek de daarop
betrekking hebbende § § van het reglement op de kantonale veetentoon-
stellingen van toepassing zijn.
§ 9.
De onkosten worden door den staat gedragen.
§ 10.
Ter tegemoetkoming in de kosten, moet voor elk stuk vee dat opge-
nomen wordt, aan de staatskas een inschrijfloon van 1 frank worden
betaald. Voor de afgifte van de bewijzen van geboorte en uitschrijving
trekt de veeinspecteur 50 centimes.
-ocr page 115-
95
§ 11.
Omtrent de wijze van uitvoering en verdere details, vooral ook over
de voorschriften aan veeinspecteurs en keurmeesters, zal door het bestuur
eene bijzondere instructie worden uitgevaardigd.
§ 12.
Wie zich aan het doen van onware opgaven schuldig maakt, zal
gerechtelijk worden vervolgd en zijn vee uit het stamboek worden geroyeerd.
Op het einde van Mei of begin Juni wordt het vee in den regel
naar de bergen gedreven, eerst op de vooralpen, dan op de middenalpen
en op het einde van Juli naar de eigenlijke hooge alpen. Jn September
begint de terugkeer en op het einde van deze maand moeten de alpen-
weiden ontruimd zijn.
De circa 2jaar oude vaarsen worden het liefst omstreeks nieuwjaar
tot aan Mei bij den stier gebracht, zoodat ze in den laten herfst of in den
winter kalven. De kalveren worden direct na de geboorte bij de moeder
weggenomen en gedrenkt, en wel 20 tot 24 weken lang met de moeder-
melk, per dag 6 tot 0 liter. Reeds op den leeftijd van 14 dagen wordt
hun bij de melk heel fijn mooi hooi voorgelegd, dat ze vlug heel gaarne
leeren eten. Zoodra de dieren het hooi voldoende verteren, wordt met
de melk vrij spoedig opgehouden, en de dieren krijgen nu hooi, gras en
water, maai- voor hen wordt steeds met zorg het fijnste en beste hooi
uitgezocht, \'s Winters krijgt al het vee slechts hooi en water, op vele
plaatsen, vooral in de berggemeenten, zeer spaarzaam.
Het kanton bekroont elk jaar ongeveer 40 fokstieren. De premiën
bedragen voor een fokstier le klasse 200, 2e klasse 460. 3e klasse 120
franks. De bekroonde stier moet een jaar in het distrikt blijven. Het
dekgeld bedraagt 1 frank 50 centimes. De belangrijkste veemarkten van
het kanton vindt men te Schwijtz, Arth, Einsiedeln, en Lachen; zij
worden op het einde van September en in het begin van October gehouden.
Wie goede waar wil hebben, moet niet op de markten, maar bij den
boer zelf koopen. Het grootste gedeelte van den marktaanvoer gaat naar
Italië, vooral naar Lombardije. Zwitsersche handelaars trekken ook wel
zelf met groote kudden naar de markten te Bellinzona en Lugano en zoo
-ocr page 116-
90
de fortuin hun hier niet gunstig is, tot naar Milaan. Daar echter deze
kooplieden, wanneer ze eenmaal in Italië zijn, aan de willekeur van de
handelaren aldaar zijn overgeleverd en de romantische gril, hunne kudden
onder het harmonisch gelui der klokjes en onder vroolijk gejuich, over
den St. Gothardt, in het heerlijk schoone Italië te voeren, met het verlies
van een groot gedeelte van hun vermogen betaalden, is deze handel
langzamerhand verminderd en dit is in het voordeel van den Schwijtzer
veefokker.
Met betrekking tot de aflevering van het Schwijtzer vee moet ik hier
nog aanstippen, dat er wel veel best vee naar Italië gaat, maar toch ook
zeer veel van mindere kwaliteit; verder naar Frankrijk veel zwaar en
melkrijk vee, zonder dat men daar veel op zuiverheid van ras en leeftqd
let. en naar de overige kantons van Zwitserland en naar Duitschland
slechts jonge, goede rasdieren.
Het •nbruinveë\'\' is eenkleurig; de kleur wisselt van lichtgrauw, das-
en muisgrauw tot geelgrauw en donker bruingrauw en koffiebruin; de
geelbruine dieren worden voor de melkrijkste en duurzaamste gehouden.
Kleine, witte vlekjes b. v. aan het voorhoofd of onder aan den buik, zoo
zij zich maar niet opwaarts aan de zijden vertoonen, sluiten de reinheid
van het ras niet uit; zulke vlekjes worden bij de edelste rasdieren aan-
getroffen. Van de schoft tot aan den staartwortel loopt over den rug
eene lichte streep; de binnenzijde van de dijen, de uier en zijne omgeving
zoo ook de melkspiegel zijn eveneens lichter gekleurd. De korte kop met
het breede, tusschen de oogen eenigszins gewelfde voorhoofd, heeft eene
vriendelijke goedaardige uitdrukking ; de neus is breed, dikwijls eenigszins
ingedrukt, met steeds donkeren neusspiegel (donkergrauw, donkerblauw
tot grauwzwart) die door een breede lichtgekleurde rand omgeven is; op
den neus vertoont zich soms een kleine roode stip, de zoogenaamde
»Mandlidupfen", die gaarne gezien wordt. Lichtroode of gevlekte pigmenten
aan den muilspiegel komen bij dieren van zuiver ras nooit voor. De tong
heeft steeds donkere pigmenten; de onderlip is met lichtere haren begroeid
en de groote, vriendelijke oogen met een lichten krans omgeven. De
oorer. zijn groot, de oorschelpen breed, van binnen met lange haren dicht
bezet; donker haar in de ooien geldt voor een gebrek aan schoonheid.
Tusschen de hoornen is de kop met een dichten bos lichtkleurig haar
bezet, de hoornen zijn vlak, zijwaarts en naar voren gebogen, van den
wortel af zijn ze geelachtig wit tot wit met zwarte punten. Geheel zwarte
hoornen gelden voor een gebrek aan schoonheid, geheel witte hoornen
-ocr page 117-
<J7
zonder zwarte spitsen daarentegen als een bewijs van niet zuiver ras. In
den herfst, als het vee van de bergen komt en drachtig is, wordt de
lichte rand om neus en lippen dikwijls donkerder; doch krijgen zij in het
voorjaar de lichte kleur weer terug. De haarkwa.st aan de staart en de
klauwen zijn donker; witte of witgestreepte klauwen gelden als een teeken
van onzuiver ras. De kop zit fraai aan een korten, breeden, diepen hals,
bij den fokstier met stevigen nek ; de kossem is van gemiddelde breedte,
de borst breed en diep. Het lichaam is gelijkmatig ontwikkeld, vol en
breed in de schoft, goed geribd, diep en breed in de heupen en het kruis.
De rug is dikwijls eenigszins hol, bij edele fokdieren echter recht, de
staart niet hoog ingeplant, niet grof en lang. De pooten staan normaal,
de voorarm en onderecheukel zijn gespierd, de onderste pijpen fijn maar
krachtig. De uier is vierkant, groot en ruim; de meikaderen strekken
zich vol en golvend ver naar voren uit en alle melkteekens doen een rijke
melkopbrengst verwachten. De huid is zacht en fijner dan die der bonte
veeslagen in Zwitserland en het geheel vormt een zoo harmonisch en in
al zijne onderdeden zoo gelijkmatig ontwikkeld beeld, dat de aanblik dezer
edel gefokte dieren het oog aangenaam aandoet. De fokstieren kenmerken
zich door een buitengewoon krachtigen lichaamsbouw; de vorm is ge-
drongen, de beenen zijn krachtig en gespierd, de lenden en schouders vol,
de schoft vleezig, de heupen breed; zij zijn in een woord een toonbeeld
van kracht en energie, doch zeer vreedzaam van aard.
Het overbouwde achterstel, de hoog aangezette staart en de afhangende
rug zijn bij het Schwijtzer vee in de meeste gevallen gelukkig overwonnen;
vaker echter vindt men nog holle schouders en eene achter de schouders
eenigszins ingesnoerde romp; gebreken, die door eene zorgvolle teelt
misschien ook nog zullen worden verwijderd. Wat de gebruikseigenschappen
betreft, kunnen wij van het Schwijtzer bruinvee mededeelen, dat liet deze
alle in den hoogsten graad in zich vereenigt. De melkopbrengst is eene
zeer goede, de melk van best gehalte; bij eene goede behandeling en
krachtige voeding kan men op een bedrag van 2800 tot 3200 liter
rekenen. De koeien geven na het kalven niet zulke groote hoeveelheden
als het laaglandsche vee, maar halen het mindere door langdurig en ge-
lijkmatig melken wel weer in. Overal waar de melk tot boter en kaas
verwerkt wordt, kan men dit vee ten sterkste aanbevelen. Als een
buitengewoon gezond dier met sterke longen, dat niet den minsten aanleg
voor longziekte of parelzucht (tuberculose) heeft, wordt het vooral op
aanraden veler artsen aan alle inlichtingen voor melkkuren zeer gezocht;
7
-ocr page 118-
98
verder kan ik hier nog constateeren dat in stallen, waar het met Nederlandsch
vee te zamen stond, bij het uitbreken der longziekte, alle Nederlandsche
koeien werden aangetast, terwijl het bruinvee gezond bleef, niettegen-
staande zij bij elkaar in denzelfden stal stonden.
De krachtige bouw, het gedrongen lichaam, de breede borst en de
rechte, normaal gestelde beenen staan ons borg voor hunne deugdelijkheid
als trekdieren. De dieren hebben wel geen zeer gemakkelijken gang,
maar hun stap is groot en regelmatig en zij zijn zeer volhardend.
De aanleg voor vetgroei is middelmatig, het vleesch niet zeer fijn,
eenigszins grof en vrij donker van kleur. Of echter dit donker gekleurde
vleesch minder voedingswaarde heeft, is nog de vraag; het voedzaamste
vleesch, dat van het wild, is steeds donkerrood, en schijnt deze kleur door
een voortdurend verblijf in de open lucht veroorzaakt te worden.
De dieren houden zich zeer goed en blijven lang geschikt voor den
aanfok.
Het bruinvee heeft de eigenaardigheid, zich buiten zijn vaderland,
ook in vlaklanden, gemakkelijk en goed te acclimatiseeren, zet het voedsel
op hoogst voordeelige wijze om, en plant alle de eigenaardige rasken-
merken en gebruikseigenschappen onverzwakt op zijn nakroost over. Dit
groote accomodatievermogen, alsmede het gezonde zeer krachtige organisme
draagt veel tot de groote verspreiding van dit vee door alle landen van
hAiropa bij.
De hier volgende, door mij in het kanton Schwijtz met hulp van
mijn waarden vriend, den kommandant Bürgi te Arth gedane metingen
van beste Schwijtzer rasdieren, zullen er toe kunnen dienen de beschrij-
ving van dit slag te voltooien, dat als type voor het geheele grauw-
liruine ras kan gelden.
-ocr page 119-
Tnhel: z ii\' volgende bind zijde.
7*
-ocr page 120-
100
101
Bruinvee uit he
AANMERKINGEN.
s
s
0
0
f donker
uu\'t. lichten
ilonker.
Bekroond, puik mclkslag, uit Biirgi\'s koppel.
rand.
d".
d°.
id. dik met zware knoken.
..•.
d°.
Fokkerij Biirgi, normaal schoone vormen, lijn.
i:
d°.
Edel, nog weinig ontwikkeld, mager.
d\'.
d°.
Fokkerij Biirgi, schoon en fijn gebouwd.
d°.
d».
le prijs, fokkerij Biirgi, hoogst edele vormen, middel-
matige melkkoe, geeft 3 m. na het kalven 15 liter melk.
d\'.
d\'.
Premie 1\' kl., Biirgi\'s fokkerij, minder ronde vormen,
puike melkkoe, geeft nu 4 w. na het kuiven 20 liter
melk, heeft zeer fraaie kalveren.
d°.
d».
Premie 3\'\' kl., fokkerij Biirgi, zeer fraai, rond dier, goede
melkkoe, geeft 6 weken na het kalven 18 liter melk.
d°.
d°.
Fokkerij Biirgi, 1* kalf harer op de wcreldtentoonst. te
Parijs in "78 met 1" prijs bekroonde moeder, wat snel
gegroeid, weinig ontwikkeld, belooft veel, geeft nu
4 w. na het 1° kalf 15 liter melk.
d«.
d°.
Fokkerij Biirgi, geeft na het 4e kalf nu na 3 w. 20 liter
melk, fraai eeniaszins lang, fijn dier.
d\'.
d°.
Fokkerij Biirgi, drachtig, fraaie vormen, fijne huid,
beste afstamming.
d°.
d°.
Fokkerij Biirgi, premie le kl. drachtig, brillant, normaal
dier van het zwaarste slag.
d°.
do.
Premie 2e kl., drachtig, fijn, schoon, evenredig dier.
d°.
d°.
Premie 2° kl., nog niet drachtig, schoon, ietwat lang,
lijn dier; fokkerij Biirgi.
du.
d«.
Nog niet drachtig, fijne, schoone vormen, zal nooit zeer
groot worden, maar fijn en melkrijk.
d°.
d".
Fokkerij Biirgi, nog weinig ontwikkeld, puik, edel rasdier.
d°.
d°.
Premie 2e kl., fokkerij Biirgi, zeer goede vormen, maar
nog weinig ontwikkeld.
d°.
d°.
Fokkerij Biirgi, evenredige vormen.
a
•s s
IJ E S C II KIJVING
VAN
H E T DIER.
3
- S
2 5
c^
oofd
11
1:
II
J3
o
a
14
e -o
= .a
£ •£
o
(U
CJ
w <u
o
•3 c
^ =
"3 JS
>
3
1
s a
a es
~ ~
! cd
a
~ 5
>
>
> S
II!1
Iu Centimeters.
Fokstier 22 maand .
20 »
16- »
12 »
8 »
Koe »Lu.stig", 4 jaar
» »Weisshorn", 4J jaar
» »Hirsch", 41 jaar
» »Schöne", 3 jaar
y    »Stocki", 6 jaar
»    »Ernmi", 3 jaar
»    »Wadli", 3 jaar
»    »GokH", 2J jaar
»    »Stolz", 22 maand
»    sSchütze", 20 maand
»    »Fiihnrich", 18 maand
»    12 maand
Koekalf, 8 maand
89 120
85 115
82 112
78 107
00 110
80 120
80 120
89 120
80 122
80 132
80 105
77 105
75 100
70 107
70 100
68 92
58 87
62 86
42   21
41    22
40  21
41  20
37
    17
45  17
48
  : 22
47  22
46  22
48  23
46
    20
46
    20
45
   22
50
    22
42  20
41
    20
37
    17
37
    16
136 135  46
130 131   42
128126  42
125 123   43
110110  40
136136  50
142136  49
137135  50
i i
135 134  51
134134  47
130130  46
132 132  45
134 133  50
130132; 56
127425  53
123 123  53
116115  48
113 114  50
39  20 200180 39
40  22 189 182 39
39
   20 190 175 38
36
   20 180 168 31*
29
   25 135 135 29
47
    25 205 190 41
52
    27 200 193 41
wit met
KW, punt.
d°.
nog niet
af geschil tl
Ons nogcw.
d°.
ilcjnkcr-
brnin.
bruin-
ïrauw.
\'htliruin.
d".
wit met
1W. punt.
d\'.
I)ruin-
£rauw,
irlithruin.
195 41
52 32 207
46 24 190
.i".
d°.
d°.
d-.
d".
d".
d«.
d°.
d«.
d».
nog zwart.
d».
185 39 -
207 i 197 41
188 180 38
195\'l 91 3
190182 38
175 170 36
170|l62|33
16916033
1                     I
15014731
146 140 30
bruin.
Miibruin.
bruin.
Wil bruin.
d°.
d°.
d°.
d°.
d".
53   31
46   26
45   24
40   25
40   22
40   26
35   22
29   20
29   18
-ocr page 121-
100
101
Bruinvee uit he
AANMERKINGEN.
s
s
0
0
f donker
uu\'t. lichten
ilonker.
Bekroond, puik mclkslag, uit Biirgi\'s koppel.
rand.
d".
d°.
id. dik met zware knoken.
..•.
d°.
Fokkerij Biirgi, normaal schoone vormen, lijn.
i:
d°.
Edel, nog weinig ontwikkeld, mager.
d\'.
d°.
Fokkerij Biirgi, schoon en fijn gebouwd.
d°.
d».
le prijs, fokkerij Biirgi, hoogst edele vormen, middel-
matige melkkoe, geeft 3 m. na het kalven 15 liter melk.
d\'.
d\'.
Premie 1\' kl., Biirgi\'s fokkerij, minder ronde vormen,
puike melkkoe, geeft nu 4 w. na het kuiven 20 liter
melk, heeft zeer fraaie kalveren.
d°.
d».
Premie 3\'\' kl., fokkerij Biirgi, zeer fraai, rond dier, goede
melkkoe, geeft 6 weken na het kalven 18 liter melk.
d°.
d°.
Fokkerij Biirgi, 1* kalf harer op de wcreldtentoonst. te
Parijs in "78 met 1" prijs bekroonde moeder, wat snel
gegroeid, weinig ontwikkeld, belooft veel, geeft nu
4 w. na het 1° kalf 15 liter melk.
d«.
d°.
Fokkerij Biirgi, geeft na het 4e kalf nu na 3 w. 20 liter
melk, fraai eeniaszins lang, fijn dier.
d\'.
d°.
Fokkerij Biirgi, drachtig, fraaie vormen, fijne huid,
beste afstamming.
d°.
d°.
Fokkerij Biirgi, premie le kl. drachtig, brillant, normaal
dier van het zwaarste slag.
d°.
do.
Premie 2e kl., drachtig, fijn, schoon, evenredig dier.
d°.
d°.
Premie 2° kl., nog niet drachtig, schoon, ietwat lang,
lijn dier; fokkerij Biirgi.
du.
d«.
Nog niet drachtig, fijne, schoone vormen, zal nooit zeer
groot worden, maar fijn en melkrijk.
d°.
d".
Fokkerij Biirgi, nog weinig ontwikkeld, puik, edel rasdier.
d°.
d°.
Premie 2e kl., fokkerij Biirgi, zeer goede vormen, maar
nog weinig ontwikkeld.
d°.
d°.
Fokkerij Biirgi, evenredige vormen.
a
•s s
IJ E S C II KIJVING
VAN
H E T DIER.
3
- S
2 5
c^
oofd
11
1:
II
J3
o
a
14
e -o
= .a
£ •£
o
(U
CJ
w <u
o
•3 c
^ =
"3 JS
>
3
1
s a
a es
~ ~
! cd
a
~ 5
>
>
> S
II!1
Iu Centimeters.
Fokstier 22 maand .
20 »
16- »
12 »
8 »
Koe »Lu.stig", 4 jaar
» »Weisshorn", 4J jaar
» »Hirsch", 41 jaar
» »Schöne", 3 jaar
y    »Stocki", 6 jaar
»    »Ernmi", 3 jaar
»    »Wadli", 3 jaar
»    »GokH", 2J jaar
»    »Stolz", 22 maand
»    sSchütze", 20 maand
»    »Fiihnrich", 18 maand
»    12 maand
Koekalf, 8 maand
89 120
85 115
82 112
78 107
00 110
80 120
80 120
89 120
80 122
80 132
80 105
77 105
75 100
70 107
70 100
68 92
58 87
62 86
42   21
41    22
40  21
41  20
37
    17
45  17
48
  : 22
47  22
46  22
48  23
46
    20
46
    20
45
   22
50
    22
42  20
41
    20
37
    17
37
    16
136 135  46
130 131   42
128126  42
125 123   43
110110  40
136136  50
142136  49
137135  50
i i
135 134  51
134134  47
130130  46
132 132  45
134 133  50
130132; 56
127425  53
123 123  53
116115  48
113 114  50
39  20 200180 39
40  22 189 182 39
39
   20 190 175 38
36
   20 180 168 31*
29
   25 135 135 29
47
    25 205 190 41
52
    27 200 193 41
wit met
KW, punt.
d°.
nog niet
af geschil tl
Ons nogcw.
d°.
ilcjnkcr-
brnin.
bruin-
ïrauw.
\'htliruin.
d".
wit met
1W. punt.
d\'.
I)ruin-
£rauw,
irlithruin.
195 41
52 32 207
46 24 190
.i".
d°.
d°.
d-.
d".
d".
d«.
d°.
d«.
d».
nog zwart.
d».
185 39 -
207 i 197 41
188 180 38
195\'l 91 3
190182 38
175 170 36
170|l62|33
16916033
1                     I
15014731
146 140 30
bruin.
Miibruin.
bruin.
Wil bruin.
d°.
d°.
d°.
d°.
d".
53   31
46   26
45   24
40   25
40   22
40   26
35   22
29   20
29   18
-ocr page 122-
U)\'2
2. Het kanton Zng,
liet kleinste kanton van Zwitserland, is hoogst vruchtbaar, brengt meer
graan voort, dan zijne dichte bevolking voor eigen gebruik noodig heeft,
bezit geene alpen weiden, fokt nagenoeg geen vee aan, maar houdt zich
meer met de zuivelbereiding bezig en heeft hetzelfde bruine vee als het
aangrenzende kanton Schwijtz , van waar de onvoltallige koppels gewoonlijk
worden aangevuld.
3. Het kanton Ziirich
behoort tot het vlakke gedeelte van Zwitserland, heeft een belangrijken
wijn- en graanbouw, bezit groote zijdeweverijen en geene alpenweiden.
De veestapel is gemengd en bestaat uit bruin en bont vee; slechts in
het zuidelijk gedeelte van den Albisketen bij Kappel, Baar, Waldensvvyl,
in het oosten aan de grenzen van het kanton St. Gallen, bij Wattwyl
en Ebnat, en in het zuidwesten bij Hummelwald, Gominiswald, Utznach,
bij Uster en Wetzikon enz. wordt het zware bruine vee met groote zorg
en nauwlettendheid gefokt. De akkerbouw en vooral de voederbouw staat
in het kanton Zürich in hoogen bloei. Bij gebrek aan alpenweiden heeft
hier meestal stalvoedering plaats, terwijl het jongvee op gehuurde weiden
gedreven wordt. Men vindt hier verscheidene vereenigingen voor zuivel-
bereiding, die de melk tegen een vasten prijs aan een zelfden pachter
leveren. Ieder lid van de vereeniging levert den pachter de melk franco
aan het door de vereeniging opgerichte gebouw; zij wordt daar in vertind
ijzeren koelbakken door middel van aan- en afstroomend water verkoeld
en deels in Zürich verkocht, deels afgeroomd, de room tot boter bereidt
en de rest tot magere kaas verwerkt.
Het kanton Zürich heeft ter bevordering der veeteelt in dat gewest
eene jaarlijksche bijdrage van 20,000 francs bew-illigd, welke som moet
worden aangewend voor het bekronen van uitstekende fokdieren en verder
tot bijdragen aan gemeenten en genootschappen voor het aanschaffen van
een voldoend aantal fokstieren. Verder zijn 10,000 francs uitgetrokken
om jaarlijks andere ondernemingen op het gebied der landbouw te kunnen
bekronen. Om de drie jaar wordt te Zürich eene kantonale tentoonstelling
van fokdieren, landbouwvoortbrengselen, werktuigen enz. gehouden. De
bekroningen zullen van onderrichtende mededeelingen vergezeld moeten
gaan, terwijl de keurmeesters door de regeering worden benoemd. Bij
de bekroningen hebben het bruine en het gevlekte vee evenveel rechten,
-ocr page 123-
103
bekroonde fokstieren moeten een jaar, vrouwelijke dieren zoo lang, totdat
zij gekalfd hebben, in het kanton blijven. Fokstieren mogen slechts dan
in het kanton gebruikt worden, wanneer zij daarvoor ambtelijk goedgekeurd
zijn; het toezicht op het onderhoud en de verzorging van de fokstieren is
opgedragen aan den gemeenteraad, die elk jaar een verslag daarvan moet
inleveren bij den stadhouder. Jaarlijks wordt er door de keurmeesters
van de jaarlijksche distrikts-tentoonstellingen eene inspectie gehouden over
de gezamenlijke fokstieren van het kanton. In het jaar van de kantonale
tentoonstelling gaat hieraan eene keuring van fokstieren in de afzonderlijke
distrikten vooraf. Op 100 fokdieren en eenjarige runderen moet minstens
een fokstier worden gehouden. Deze »wet op het verleenen van prijzen
ter bevordering van landbouw en het houden van fokstieren in het kanton
Zurich" verdient de algemeene aandacht en is zeer aanbevelingswaard.
4.    Het kanton Lnzern.
Het gebied van Luzern behoort voor de helft tot het heuvelachtige
middelland, voor de andere helft tot de vooralpen; daar is landbouw, hier
de fokkerij en de sennerij (boter- en kaasbereiding) hoofdzaak. Vooral in
het zuidelijk gedeelte van het kanton, in het gebied van den Tannhorn ,
van den Pilatus en den Entelbuch vinden wij voortreffelijk bruinvee van
de zwaarste soort.
5.    Het kanton Aargau
waar de Aar door henen stroomt, en dat door den Rijn van den boven
Rijn-kreits van Baden gescheiden is, ligt ten zuiden van Bazel, en grenst
ten oosten aan Luzern. Aargau heeft een belangrijken graanbouw, prachtige
bosschen, doch geene alpenweiden. Het fokt behalve het bonte Zwitsersche
vee en verschillende zuidduitsche slagen (in het Frickdal), veel bruinvee,
dat, wat vorm en gewicht aangaat, zeer veel verschil oplevert; het beste
bruinvee vindt men in het zuiden van het kanton.
6. Het kanton Unterwalden,
een schilderachtig, heerlijk, schoon alpenland, met weelderigen plantengroei
en gulle, montere bewoners, grenst ten westen aan Luzern, ten oosten
aan Uri en wordt door het meer der vier woudsteden van Schwijtz ge-
scheiden. Van het zuiden naar het noorden strekt zich door het geheele
land heen een bosch uit, het »Kernwald", waardoor het in twee deelen
-ocr page 124-
104
wordt verdeeld; het westelijke gedeelte heet Obwalden (boven het woud)
het oostelijke gedeelte Nidwalden (onder het woud). Veefokkerij en vooral
kansmakerij is de voornaamste bezigheid der bevolking. Met eene zaak-
kennis, die allen lof verdient, met groote nauwlettendheid en zorg fokt
men hier het edele grauwbruine gebergteras, dat wij er al naar de
plaatselijke gesteldheid en de vruchtbaarheid der weiden en zeer goede
kwaliteit als zwaar of middelzwaar slag aantreffen. De fokker in Unter-
walden houdt zich met de meeste gestrengheid aan de teelt in eigen kring,
voedert en verzorgt zijn vee goed, doch laat zich door de zucht om er spoedig
voordeel van te trekken, wel eens verleiden, de dieren te vroeg te laten
paren, hetgeen voor de algemeene ontwikkeling van het dier niet gunstig
kan zijn. Het Unterwalder bruinvee behoort tot het beste in Zwitserland.
7. Het kanton Uri
grenst ten noorden aan Schwijtz, ten oosten aan Glartis en Grauwbunder-
land, ten zuiden aan Tessino, ton westen aan Unterwalden. Het is een
van de wildste en bergachtigste kantons van Zwitserland. Hooge bergge-
vaarten verheffen zich boven de door de rivier de Reus besproeide dalen,
met een weinig vruchtbaren bodem, en Uri is zeker het armste kanton
van het geheele land. De veeteelt maakt de hoofdbron van het bestaan
der bevolking uit. Van het noordelijke gedeelte, de omstreken van Fluelen,
Altdorf, Burgeln, Amstig tot aan het dorp Bristen en het heerlijke
Maderanerdal geldt, hetgeen omtrent de fokkerij van het bruinvee in
Unterwalden is medegedeeld; in het zuidelijke gedeelte van Uri, het
Ursenerdal met de hoofdstad Andermatt, vinden wij een zeer klein slag
van bruinvee, meestal grauw en geelachtig grauw van kleur, dat zeer
melkrijk is en daar naast het zoogenaamde Liviner slag, eveneens eerie
zeer lichte soort van bruinvee, bijna zwart van kleur en zeer melkrijk.
8. Het kanton Glarus,
dat aan Schwijtz, St. Gallen, Grauwbunderland en Uri grenst, is een
heerlijk schoon alpenland. Het is een ruim, door reusachtige bergen
ingesloten dal, dat door de rivier de Linth besproeid wordt. In de lage
streken van het schoone Glarnerland vinden wij het zware en middelzware,
in de hoogere streken het middelzware en het lichte bruinvee. Aan reine
teelt wordt ook hier streng de hand gehouden en vooral in de laatste jaren
aan de veeteelt veel zorg gewijd en deze met blijkbaar goed gevolg uitgeoefend.
-ocr page 125-
105
9.    Het kanton St. (Tallen,
dat ten noortien aan het meer van Constanz en ten oosten aan Vorarlberg
grenst, ten zuiden Grauwbunderland en ten westen Glarus, Schwijtz en
Zurich aanraakt, heeft fraaie alpenweiden en heerlijke landschappen. In
het zuiden, van Buchs tot Sargans, van de e Keurvorsten" tot Gonzen
vinden wij het zware bruin vee rein en zorgvuldig gefokt en van beste
kwaliteit; aan de Thur, van Peterzell, Brunnadern, Wasserfluth tot
Lichtenstein, het vroeger om zijne melk rijkheid zoo beroemde y>Toggen-
burger vee",
dat door zorgelooze teelt en meedoogenloozen verkoop van
de voortreffelijkste beesten sterk is achteruitgegaan. Daar dit vee zoo
gezocht was, meende de fokker van het oude graafschap Toggenburg er
niet zooveel zorg aan behoeven te besteden; voor een paai- francs meer
was het beste te krijgen en daardoor is hier de veeteelt achteruit gegaan.
Het oude Toggenburger vee heeft een donkerbruine kleur, de hals is wat
lang met zwaren kossem, de kop is langer en zwaarder dan bij het
bruinvee van het kanton Schwijtz; de hoornen zijn meestal donker, de
rug wat scherp en niet zoo breed. Zooals gezegd, had het zijn goede
naam vooral aan de groote melkiïjkheid en de geschiktheid tot vetmesting
te danken. In de overige deelen van het kanton vindt men Schwijtzer,
Montafuner en Waeldler vee (Bregenzer woud); men koopt in Schurz,
Bludenz en Dornbirn en verder in Schwijtz, Einsiedeln en Arth en kruist
deze soorten zonder veel zorg onder elkander.
In den laatsten tijd is er ook tamelijk veel Simmendaler vee ingevoerd
en het schijnt dat deze invoer belangrijker wordt.
10.    Het kanton Appenzell,
dat geheel door het kanton St. Gallen wordt ingesloten, is over zijne
geheele oppervlakte een bergland; het drijft bijna geen akkerbouw en de
veeteelt maakt er eene hoofdbron van het bestaan uit. Wij vinden er
bruinvee van het zware, middelzware en lichte slag, meest van donkere
kleur en missen overal eene eendrachtige gelijkvormige teelt, die naar een
zelfde plan fokt en een vast doel voor oogen heeft. In Appenzell is reeds
een druk verkeer met Montafuner en Bregenzer Waeldler vee. Er
worden niet alleen vele melkkoeien maar ook veel fokvee ingevoerd. Al
vindt men ook in Appenzell veel zwaar en fraai bruinvee, vooral in de
streken van Geiss, Appenzell, Weissbad, Gonten tot aan Urnalsch, zoo
worden er toch ook zeer middelmatige dieren aangetroffen en overal mist
-ocr page 126-
10(i
men er <le gelijkmatige zorgvuldige teelt, zooals men ilie in het kanton
Schwijtz aantreft en die ons bij den aankoop een waarborg zijn voor de
eigenschappen der dieren.
In vroegere jaren vond men in Appenzell nog het beroemde »Gurten-
vee" (gordelvee). Dit vee, dat ons in de laatste tijden nog door vele
schrijvers in woord en beeld wordt aanbevolen en zelfs door een Zwitsersch
schrijver wordt aangehaald, bestaat in werkelijkheid niet meer. Het
Gurtenvee was een fraai, zwaai\', melkrijk slag, waarvan het voor- en
achterstel zwart, de rug, de zijden en de buik wit waren, als ware het
met een wit laken omzwachteld. Het waren fraaie, hooggeschatte dieren,
die, helaas, verloren gegaan zijn, daar het bruinvee (om de mode) veel
gemakkelijker van de hand ging. Er werden van het Gurtenvee dus geene
fokstieren meer grootgebracht, de vrouwelijke dieren bij voortduring met
bruine stieren gekruist en zoo ging na verloop van jaren het ras geheel
verloren. Ik heb het kanton Appenzell rechts en links doorkruist, om te
zien, of ik dit vee nog ergens in zuiveren staat kon vinden en mij over-
tuigd, dat er in het geheele kanton geen enkele fokstier van dit ras meer
bestaat; daarentegen heb ik bij Weissbad nog eene zeer fraaie Gurtenkoe
gevonden en bij Wasserfluth en Lichtenstein nog verscheidene exemplaren
van het Toggenburger slag gezien. Terugslagen van de kruising van het
bruine vee met het Gurtenvee komen intusschen dikwijls voor; zij zijn
kenbaar aan de afteekening van den witten gordel, die wij dikwijls bij
het bruine vee in het kanton aantreffen, nu eens in zijn geheel, dan
weer in enkele witte vlekken op die plaatsen van het lichaam, waar men
vroeger den gordel vond. Van het gordelvee kunnen wij dus nog slechts
in den verleden tijd spreken; het was en is gevallen als een offer der mode.
11. Het kanton Grauwbunderland
grenst aan Tyrol, Italië, de kantons Tessino, Uri, Glarus en St. Gallen.
Het is een heerlijk bergland met reusachtige berggevaarten. De hoofdbron
van het bestaan is de veeteelt.
Het beste bruinvee vinden wij noordoostwaarts van den Rhiitikonketen,
in het bekoorlijke Prattigau, een weidedal, 41 uren lang en zeer vrucht-
baar en waarvan de veeteelt sedert lang als de beste van Grauwbunderland
geroemd wordt. De hoofdplaats is Klosters. Het vee uit den »Prüttigau"
geldt voor een bijzonder slag van het bruine vee, als »Prattigauer slag"
en kan tot het goed middelzware, in de beste fokkerijen tot het zware
-ocr page 127-
107
slag van het bruin vee gerekend worden. Dit vee heeft meestal eene
lichtbruine kleur, dikwijls witte randen aan het achterste, en witte, naar
voren gebogene hoornen; de staart is dik aan den wortel, al het overige
draagt de kenmerken van het bruinveeras, zooals ik die bij het Schwijtzer
vee beschreef. Het Priittigauer bruinvee is zeer melkrijk, uitstekend ge-
schikt voor den arbeid en laat zich tamelijk goed mesten. Behalve in
Prüttigau vinden wij het in de heerlijkheid Chur en in het met diepe
kloven gevulde, ö uur lange Schanfiggdal, aan den straatweg van Chur
naar St. Moritz, in het liefelijke dal bij Churwalden en Davos, in het
Vafierdal met de hoofdplaats »Platz" (aan den straatweg van Reichenau
naar den Splügen) en in het schoone Heinzenberger distrikt (aan den
straatweg van Chur naar de Viamala). Hier legt men zich overal mei
levendiger) ijver op de volmaking en veredeling van het goede Priittigauer
bruinvee toe en het is vooral professor Anderegg in Chur, die door zijn
on vermoeiden ijver dit streven aanmoedigt en bevordert.
Voorop staat de gemeente Zeisis in het distrikt sHeinzenberg".
Deze gemeente heeft eene stierenvereeniging opgericht en prima kwaliteit
fokstieren uit Schwijtz ingevoerd. Dat de veehouders hier geen geld
ontzien om hun doel te bereiken, bewijst, dat eene fokstiervereeniging
voor een uitstekenden fokstier in het kanton Schwijtz 1300 francs betaalde,
en dat het springgeld voor niet-leden van de vereeniging 10 francs bedraagt.
De markt in Thuris geeft de beste gelegenheid dit slag nauwkeurig te
leeren kennen.
Op den straatweg van Chur over Albula naar St. Moritz vinden wij
in het Albuladal en bij den St. Bernhard in het Hintersheimdal een middel-
zwaar slag van het bruinvee van eene grauwe tot witgrauwe kleur, met
een eenigszins langen kop, fijne, witte hoornen, eenigszins platte ribben,
maar sterken, rechten rug, breed kruis, fijnen, goed aangezetten staart
en goed gestelde, stevige maar fijnknokige beenen. Dit vee is lichter,
fraai gevormd en staat bekend onder den naam van »Oberlander Schlag"
(bovenlandsch slag). Dit vee moet zeer melkrijk zijn.
12. Het kanton Tessino,
tusschen Grauwbunderland en Wallis, strekt zich tot ver in Lombardije
uit. Het is een met rijke, pittoreske natuurschoonheden bedeeld bergland,
welks bewoners algemeen het bruinvee aanfokken, dat tot het kleine, in
beste fokkerijen tot het middelzware slag behoort. De weelderige planten-
-ocr page 128-
108
groei verlicht rlen fokker in Tessino zijne taak in hooge mate en ging hij
bij liet fokken zorgvuldiger te werk, dan kon zijn rundvee onder de verschiU
lende slagen van het groote grauwbruine ras eene voorname plaats innemen.
13. Het kanton Wallis,
het zuidelijkste kanton van Zwitserland, dat ten zuiden aan Piemont met
zijn woeste natuurschoonheden oji de hooge berggevaarten, grenst, vindt
ook in de veeteelt zijn belangrijkste bron van bestaan, wijdt daaraan
echter niet veel zorg en houdt een licht slag van bruinvee. Ten zuiden
van Sitten, in het 12 uur lange Eringerdal (Val d\'Hérens) met de zijdalen
Val Héréiuence en Val de 1\'Arolla wordt ook nog een veeslag aangetroffen,
waarvan het twijfelachtig is, of men het nog tot het grauwbruine vee mag
rekenen. Het vee, dat ik als Eringer vee leerde kennen, had eene grauw-
zwarte en zwartbruine kleur, met eene lichtroodachtig gele streep over
den rug; muil- en oogranden waren van dezelfde kleur. Het had donkere,
rechtopstaande hoornen, een eenigszins ingezonken rug. De staart was
hoog ingeplant, het lichaam overigens goed gedrongen, de borst diep en
de pooten uitstekend gesteld. Het is een klein vee van 700 tot 900 pond
levend gewicht, met matige melkopbrengst en goeden aanleg voor vetgroei.
Naar den geheelen bouw te oordeelen moet het een zeer goed trekdier
zijn. De dieren worden zeer vroeg voor de fokkerij gebruikt, aan den
opfok wordt niet de minste zorg besteed.
Professor Dr. M. WiLKENS te Weenen zegt in zijn werk: »de Rund-
veerassen van Midden-Europa", op bladz. 172 van het Eringer vee:
»Kleur der huid zwartbruin (zelden vaalzwart) en roodbruin; ook
komen nu en dan lichtere kleuren voor. (Ik heb geen enkel rood-
bruine, zelfs geene ook maar eenigszins naar het roode overhellende
kleur gezien). De donkerbruine dieren hebben een lichtbruine
streep over den rug, zoo ook een lichtbruinen of geelachtigen rand
om de loodkleurige lippen; zij hebben verder lange lichtbruine
haren in de oorschelpen. De staartwortel, de melkspiegel en de
staartkwast zijn meestal wit, de buik en de binnenzijde der beenen
lichter gekleurd, dan de overige deelen van het lichaam; klauwen
en achterbeenen zijn steeds zwart. Behalve de bovengenoemde
witte teekens aan het achterdeel komen somtijds ook witte vlekken
op het voorhoofd voor, daarentegen vindt men deze nooit op de
borst, den rug of de zijden.
-ocr page 129-
109
De romp is zeer breeil en diep, rug en kruis zijn recht (? ?).
De staart is eenigszins hoog ingeplant. De achterschenkels zijn
vol en de broekspier sterk naar voren gewelfd. De pooten zijn
zeer fijn (?), het spronggewricht zeer krachtig ontwikkeld. Het
geheele dier is vol kracht en elasticiteit. De huid is dik, eenigszins
ruw, maar los. De rechtstandige hoogte is voor stieren 120 cM.,
voor koeien 110 cM.; levend gewicht 350—400 kilo\'s".
Ik houd het Eringer vee voor geen afzonderlijk ras, maar voor eene
kruising, hetgeen ik uit het volgende afleid. Wij vinden ten oosten van
de badplaats Leuk, ongeveer 12 uren van Sitten in het »Lötschendal"
een veeslag, \'waarop ik bij de beschrijving van de bonte slagen nog terug
kom, van roode en roodbruine kleur, dat bij een zwaren lichaamsbouw
ongeveer 900 a 1000 pond levend gewicht heeft. Ik houd het niet
slechts voor mogelijk maar voor waarschijnlijk, dat uit eene kruising van
dit vee met het door zorgelooze teelt achteruit gegane bruinvee uit het
kanton Wallis dit Eringer slag is ontstaan. Ik geloof dit te eer, omdat
de pigmenten daarop wijzen, zoomede de omstandigheid, dat men nog
tegenwoordig deze beide slagen gaarne laat kruisen. Heeft Dr. WlLKENS
rood Kringer vee gezien, dan spreekt dat voor mijne bewering.
De op de eerste tentoonstelling van Zwitsersch gebergtevee te Sitten
gedane metingen van het Eringer vee gaven de volgende gemiddelde cijfers:
Hoogte.               Lengte.                Omvang.          Koplengte. Voorhoofdsbreedte.
Stieren 120 cM. 177 cM. 176 cM. 42 cM. 23 cM.
Koeien 127 >.
           204 »           185 »           43 »           21 »
Vaarsen 122 »           193 »           148 »           43 »           21 »
Ik zag dit slag ook nog bij Saxon en Martigny en het moet verspreid
in het geheele kanton voorkomen en om zijne duurzaamheid en ongevoelig-
heid voor ruw en onbestendig weer zeer gezocht zijn.
Ter wille van de volledigheid moet ik hier nog vermelden dat wij
14. in het Oberhaslidal in het kanton Bern
van Meiringen tot Guttanen (weg naar de Grimsel) het lichte bruinvee
vertegenwoordigt vinden.
Hier volgen nog eenige metingen.
-ocr page 130-
111
•110
Koppel Schwijtzer bruinvee van den Heer M. Gottschling, eigenaar eener ridder.
ofstede te Glieschwitz hij Trachenberg, uitgevoerd door den Heer Gottschling.
1
K N (1
i\' i
s
a •
itbeen.
kop.
•B -fc*
14
c «—
o o
£
.s —
O
£
k. L
*-
"S
u m
acht
1
schoft
van
"MVA N Ci
*
CL
t
£
O
»
o
-=
3
h
«
1
BE8CHBUVING
VAX
H E \'1\' ü J E I!
1 lp If II
£
AA NMBRKIX GKX.
3 -o
"3 C "3 C "O —
5 «
In Centimeters.
Kokstier 2,\'   jaar
Koe 7 j >>
»             5         D
»               8 v>
»               7 »
donker
kottiebruin.
donker.
donker.
licht.
donker met
lichten
rand.
blauw
licht
1315
pd.
zwaai
licht
koffiebroin.
d<\\
d°.
d°.
d".
d°.
bont.
1281
»
üihUrauw.
d".
d°.
d-.
d».
i:
licht.
1085
»
<ionker-
piQW,
d».
d°.
d\'.
d".
d°.
d°.
1233
.i
<l-.
d".
d».
d".
d".
d-.
d".
1335
»
. 60 154 46 32 151 151 57 50 37 221 206 425
i
. 73 147 49 27 149 155 55 49 40 203 199 418
\' \' i                                                                                                                         : i
. j 62 134 52 26 137 142 43 41 35 202 193398
. 70 143 46 25 142 143 46 43 32 202 195 408
I I
. 66 151 50 28 150 156 54 • 45 j 34 208 203 435
Alle melkteekens dezer koppel zijn voortreffelijk. 100 liter melk geven ge-
der Nederlandsche dieren .slechts 5 pd. 110 grm. boter en 12 pd. 250 grm. zoete-
2560 liter en zoo wij een zware Nederlandsche koe ook gemiddeld op 3500 liter
205 pd. boter, die der Neder], koe van 3500 liter slechts 183 pd. boter bedragen,
treffelijke gezondheid, in \'t bijzonder het groote weerstandsvermogen tegen alle
middeld 8 pd. 20 grm. boter en 16 pd. 45 grm. zoetemelksche kaas. 100 liter
melksche kaas. Het jaarlijksche melkbedrag der brtiinveekoe bedraagt gemiddeld
melk stellen, zou het bedrag aan boter van 2560 liter van de brtiinveekoe toch
Nog eene eigenaardigheid van dit ras is de uitstekende overerving en de voor-
longziekten.
-ocr page 131-
111
•110
Koppel Schwijtzer bruinvee van den Heer M. Gottschling, eigenaar eener ridder.
ofstede te Glieschwitz hij Trachenberg, uitgevoerd door den Heer Gottschling.
1
K N (1
i\' i
s
a •
itbeen.
kop.
•B -fc*
14
c «—
o o
£
.s —
O
£
k. L
*-
"S
u m
acht
1
schoft
van
"MVA N Ci
*
CL
t
£
O
»
o
-=
3
h
«
1
BE8CHBUVING
VAX
H E \'1\' ü J E I!
1 lp If II
£
AA NMBRKIX GKX.
3 -o
"3 C "3 C "O —
5 «
In Centimeters.
Kokstier 2,\'   jaar
Koe 7 j >>
»             5         D
»               8 v>
»               7 »
donker
kottiebruin.
donker.
donker.
licht.
donker met
lichten
rand.
blauw
licht
1315
pd.
zwaai
licht
koffiebroin.
d<\\
d°.
d°.
d".
d°.
bont.
1281
»
üihUrauw.
d".
d°.
d-.
d».
i:
licht.
1085
»
<ionker-
piQW,
d».
d°.
d\'.
d".
d°.
d°.
1233
.i
<l-.
d".
d».
d".
d".
d-.
d".
1335
»
. 60 154 46 32 151 151 57 50 37 221 206 425
i
. 73 147 49 27 149 155 55 49 40 203 199 418
\' \' i                                                                                                                         : i
. j 62 134 52 26 137 142 43 41 35 202 193398
. 70 143 46 25 142 143 46 43 32 202 195 408
I I
. 66 151 50 28 150 156 54 • 45 j 34 208 203 435
Alle melkteekens dezer koppel zijn voortreffelijk. 100 liter melk geven ge-
der Nederlandsche dieren .slechts 5 pd. 110 grm. boter en 12 pd. 250 grm. zoete-
2560 liter en zoo wij een zware Nederlandsche koe ook gemiddeld op 3500 liter
205 pd. boter, die der Neder], koe van 3500 liter slechts 183 pd. boter bedragen,
treffelijke gezondheid, in \'t bijzonder het groote weerstandsvermogen tegen alle
middeld 8 pd. 20 grm. boter en 16 pd. 45 grm. zoetemelksche kaas. 100 liter
melksche kaas. Het jaarlijksche melkbedrag der brtiinveekoe bedraagt gemiddeld
melk stellen, zou het bedrag aan boter van 2560 liter van de brtiinveekoe toch
Nog eene eigenaardigheid van dit ras is de uitstekende overerving en de voor-
longziekten.
-ocr page 132-
112
Omtrent de melkopbrengsten van het bruin vee, deel ik hier nog het
volgende mee:
In de »Alpwirtsehaftlichen Monatsbliittern" wordt medegedeeld, dat
in het kanton St. Gallen van het Schwijtzer bruinvee gemiddeld per stuk
en per dag de navolgende hoeveelheden melk verkregen werden:
1 —1868. 10,22 liter.
2—1869.
9,37
>
3—1870.
10,47
»
Mond- en klauwzeer.
4—1871.
11,03
»
5—1872.
10,48
»
0—1873.
10/17
»
7 — 1874.
10,00
8—1875.
9,68
»
9—1876.
8,25
))
Uierzieke koeien.
10 — 1877.
9,87
»
11 — 1878.
8,25
»
Goede koeien verkocht.
Gemiddeld 9,79 »
Hoogste be«hagen:
Koe u°. 2 in 4 jaren gemiddeld 10,78 liter.
t> » 7 in 3 »
             »         11,34 »
» » 6 in 5 »             »         11,55 »
Aan de landbouwschool Strickhof in Zürich was het bedrag in een
tijdsbestek van 4 jaar (1873—76) gemiddeld:
LITER.
dagelijks.         jaarlijks.
a.   bij 7 gevlekte koeien (Simmendaler) 7              2555
b.   bij 7 bruine         »                                   8             2920
In de »Intern. landw. industr. Revue" bericht de Heer H. O. Hoff-
mann, dat na herhaalde, zorgvuldig genomen proeven 100 liter melk van
Nederlandsche koeien 5 pd. 400 gram zoete roomboter en 12 pond
250 gram magere kaas opleverden; 100 liter melk van de Allgauer koeien
7 pd. van dezelfde boter en 15 pd. 50 gram kaas; 100 liter melk van
de Schwijtzer koeien 8 pond 50 gram boter en 16 pond 50 gram kaas.
De stelling, dat bij verkoop van versche melk bij de maat, de laagland-
sche rassen de voorkeur verdienen, wordt daardoor niet bestreden; wie
echter genoodzaakt is zijne melk tot boter en kaas te verwerken, vindt
-ocr page 133-
113
in de bovengenoemde getallen misschien aanleiding tot nauwkeurige bereke-
ningen, als er sprake is van het aanschaffen van een beter veeras.
Het ambtelijke advertentieblad voor landbouwvereenigingen in het
koninkrijk Saksen van 1857, geeft op bladz. 42 een overzicht van de
gemiddelde resultaten bij de vergelijkende proeven met Allgauer, Hollandsch
en Saksisch land vee verkregen en vermeld ik deze hier nog eens, daar-
zij misschien niet van belang ontbloot zijn. Later zal ik, bij behandeling
van het Montafuner vee nog getallen van jongeren datum opgeven.
Allgauer vee.
Hollandsch vee Saksisch landvee. «i \'m |
JAARTAL.
Gemiddelde
melkopbrengst.
\\Yaarsehijn-
lijke opbrengst
op 100 pond
hooi waarde.
•5 w - c •
«j Waarscliijn- ^ \\\\ narschijn- — = „ e £
-e & lijke opbrengst r§ Si lijke opbrengst -z <- —^ §
| £ op 100 pond 5 E °P \' "0 pond 3 \'s. <ot
S "a. hooi waarde. 3\'s. hooiwanrde. g ° \'£ 1, 5
Pi o HO „•* S «,_§
liters pond O g liters pond i a »j liters pond 2 S Jj
melk boter.\' melk. boter. melk. boter. ^ §-
1852
2932 29,32 2,59
3272 27,27 2,01 2212 22,12 1,91 — —
1853
3044
30,44 2,40
3267 27,22
1,88 2411 24,11 1,79 3255 26,87
1
1854
2856
28,56 2,31
2992 24,92
1
1,71 2018 20,18 1,56 3003 25,02
1855
2810
28,102,10
2676 22,30 1,47 2303 23,03 1,79 2846 23,61
1856
3050
30,502,20
3132 26,10 1,732635 26,35 1,84 280623,38
Gemiddeld
2938
29,382,32
!
3068 25,26\'l,76 2316 23,16 1,78 2970 24,75
1 lil1
Een verslag van de Landbouw-Maatschappij te Solbe aan de Saaie
komt met deze opgaaf overeen, dat de melk van het Allgauer vee rijker is
aan room dan die van. het Hollandsche en de opbrengst naar de hoeveel-
heid hooi ook grooter is.
B. Het Bruinvee van Vorarlberg.
Vorarlberg, de Bregenzer Kreits van het Oostenrijksche graafschap
Tyrol, grenst ten oosten aan den Innsbrucker Kreits, waarvan het door
den kolossalen bergrug van den Arlberg gescheiden is. Zuidwaarts sluit
de hooge Rhatikonketen het Illdal naar de zijde van den Prattigau in
Grauwbunderland af; ten westen grenst Vorarlberg langs de Rijnvlakte aan
8
-ocr page 134-
114
Grauwbunderland, Lichtenstein en St. Gallen en ten noorden aan het meer
van Constanz en Begeren. Het heeft eene oppervlakte van 200,010 Hectare.
Aan den oever van het meer van Constanz, den Rijn op, in de
richting van den Arlberg tot Bludenz vormt het land eene vruchtbare
voor graanbouw geschikte vlakte, het overige gedeelte is bergland, dat
\'door de Rhetische alpen doorsneden wordt. De grootste rivier is de 111,
die ten noordwesten van Feldkirch in den Bijn valt, en verder de in het
meer van Constanz uitloopende rivieren de Bregenzer Ache en de Dornbirner
Ache. De rechterlijke distrikten Bregenz, Dornbirn, Feldkirch maken het
dalgebied uit, de rechterlijke distrikten Brogenzerwoud, Bludenz, Montafunen,
het beiggebied; het dalgebied heeft eene oppervlakte van 09,\'280 Hectare,
het beiggebied van 190,724 Hectare. Deze getallen geven niet precies
de vierk. oppervlakte van dal en berg aan, daar enkele gemeenten van
Bludenz tot het dalgebied, daarentegen weer andere van Bregenz, Dornbirn
en Feldkirch tot het berggebied gerekend moeten worden; het eigenlijke
berggebied is grooter dan bovenstaande getallen aangeven.
De uitgestrekte, uitmuntende gebergteweiden, de vele voortreffelijke
dalweiden zijn aan de rundveeteelt in hooge mate bevorderlijk; deze neemt
overal de eerste plaats in en voor den aanbouw van voedeigewassen wordt
dooi\' de nijvere bevolking alles gedaan.
De veestapel van geheel Vorarlberg bedraagt circa 33,520 koeien.
In het dalgebied vindt stalvoedering plaats, zelfs in den zomer; zuivelbe-
reiding is hier hoofdzaak; terwijl in het berggebied meer nadruk wordt
gelegd op liet aanfokken. Een groot aantal dalvee wordt op de weide-
alpen van het bergdistrikt geweid.
Het is in de eerste plaats het zich met de fokkerij bezig houdende
bergdistrikt, dus de distrikten Bregenzer woud, Bludenz en Montafunen,
die ons meer in \'t bijzonder belang inboezemen, en onder deze onderscheidt
zich weer Montafunen. dat het schoonste vee fokt,- hetwelk wij in Bludenz
en Bregenzerwoud overal weer terugvinden. Montafunen, het zuidelijkste
dist rikt van Vorarlberg, met de hoofdstad Schrunz, is een heerlijk vrucht-
baar Alpenland, welks veeteelt voor geheel Vorarlberg van het grootste
gewicht is.
Het Montafuner bruinvee is in zijn uiterlijk en raskenmerken volkomen
gelijk aan het Schwijtzer bruinvee en vooral aan dat van den »Prattigau",
waar evenals bij het Montafuner vee aan het voorhoofd, de onderpijpen,
den buik en somtijds ook op den melkspiegel kleine witte plekken gevonden
worden. De fokkers in Montafunen zien deze kleine witte plekjes niet
-ocr page 135-
415
gaarne; de dieren welke ze aan zich hebben, komen bij bekroningen niet
in aanmerking, doch zij kunnen niet aangemerkt worden als teekens van
gemengd bloed. Het staat integendeel boven allen twijfel, dat dergelijke
kleine witte plekjes bij de beste slagen van het bruinveeras voorkomen en
slechts als gebrek aan schoonheid worden aangemerkt, niet als strijdig met
de reinheid van het ras. De donkerbruingrauwe, koffiebruine kleur komt
bij het Montafuner vee het meest voor, doch men vindt hier ook de bruin-
grauwe kleur in de meest verschillende tinten en schakeeringen, van
zwartbruin tot lichtbruin, van geelachtig grauw tot muisgrauw, de laatst-
genoemde kleur het zeldzaamst. De mannelijke dieren zijn meestal donkerder
gekleurd, de voorhand meest nog donkerder dan de overige lichaamsdeelen.
De kop van het Montafuner vee is betrekkelijk korter en het voorhoofd
breeder, de omvang in de lengte en de lichaamshoogte geringer, dan bij
het Schwijtzer bruin vee; wij kunnen het Montafuner vee tot het goed
middelzware slag van het bruinveeras rekenen. De donkerbruine kleur is
zeer gezocht en vooral wil men den stier liefst zoo donker mogelijk hebben,
terwijl verder de zoogenaamde stekelharen, dat zijn bruinzwarte haren die
aan de uiteinden lichter van kleur worden, op den rug, de schouders en
de lenden gaarne gezien worden.
De melk is van zeer goede kwaliteit en het gemiddeld bedrag per
jaar bedraagt per koe 2000 liter, doch zijn koeien, die 2800 liter en meer
melk geven, niet zoo heel zeldzaam Men rekent algemeen dat de koe
300 dagen melkt en 65 dagen droog staat. De lichtkleurige koeien gelden
voor de beste melkgeefsters. de melk der donkerkleurige moet echter vetter
zijn; ook moeten de eerstgenoemden beter niesten en lijner vleesch hebben.
In \'t algemeen is de aanleg voor vetmesting niet zeer groot, de geschikt-
heid voor den arbeid echter bijzonder goed. Evenals het Schwijtzer vee
en alle andere bruin veeslagen zich overal, ook in het vlak land, gemakkelijk
acclimateeren, zoo ook het Montafuner.
Behalve in Montafunen, wordt het Montafuner vee ook ten zuiden
van de lil, van de uitmonding dezer rivier tot aan Bludenz, rein en goed
gefokt, aangetroffen, en verder in het zuidoostelijk gedeelte van het Bregenzer-
woud, welk gedeelte ongeveer begrensd wordt door eene rechte lijn, getrokken
van Schrunz naar Immenstadt, dus in het Kloster- en Thanbergdal bij
Schrikken en Krumbach tot in het Mittelbergdal. Hier, waar het opfokken
hoofdzaak is, wordt niet zorg geteeld, en het vee heeft overal het type
van het Montafunerslag, in het laatstgenoemde gedeelte van het Bregenzer-
woud ook veelvuldig dat van het oude Allgauer vee. Bij de bespreking
8*
-ocr page 136-
116
van het Allgauer slag kom ik daarop terug. In de geheele Rijnstreek
ten noorden van de 111 tot aan het meer van Constanz is het vee zeer
gemengd en slechts bij Dornburn wordt in de laatste jaren door invoering
van Schwijtzer en Montafuner stieren veel tot verbetering der veeteelt gedaan.
Hier, zoowel als in het Bregenzerwoud is de zuivelbereiding, de aanmaak
van vette kaas, hoofddoel der veehouding. Het vee in het zuiveldistrikt
van het Bregenzerwoud heeft een meer gelijkmatigen, typischen vorm
dan dat uit de Rijnstreken, het is iets lichter dan het Montafuner vee en
meest licht van kleur, geelgrauw, ook dasgrauw. Deze licht gekleurde
dieren nebben een eenigszins langeren en smalleren kop, zijn slanker,
smaller in het kruis en in de schoft en hooger gebouwd. De koeien uit
het zuiveldistrikt van het Bregenzerwoud, worden voor de melkrijkste ge-
houden; het jaarlijksche melkbedrag wordt op 2400 tot .1000 liter gesteld.
De heerlijke weide- en hooilanden, die de dieren het geheele jaar door
rijkelijk van voedsel voorzien, dragen tot de goede uitkomsten der zuivel*
bereiding het meeste bij. Het oude woudvee was zwaarder, donkerder
van kleur, met witte vlechten in de liezen («Griffe"). Door de steeds in
omvang toenemende zuivelbereiding, nam eigen aanfok in het Bregenzer-
woud steeds meer af, stieren werden bijna in \'t geheel niet meer opgefokt,
maar uit de naburige distrikten, uit Zwitserland en ook wel lichtgele of
lichtgrijze dieren uit Tyrol bijgekocht en zoo is het oude woudvee bijna
geheel verloren gegaan.
In Montafunen, zooals in bijna geheel Vorarlberg, is het houden
van fokstieren zaak der gemeenten, die met den houder van den stier
eene overeenkomst treffen; als spronggeld wordt in den regel 50 kreuzer
genomen. De stieren worden reeds in den ouderdom van 14 a 15 maanden
tot den sprong toegelaten en, niet in het belang der fokkerij, aldaar
slechts gedurende eene springperiode gebruikt.
De vaars komt op dim leeftijd van 16 a 18 maanden bij den stier,
terwijl de eigenlijke springtijd in de maanden Januari, Februari en Maart
valt, in het Bregenzerwoud echter in Maart, April en Mei, daar de fokkers
bij het kalven tegen het voorjaar van de koeien een grootere melkopbrengst
verwachten, dan wanneer de tijd van kalven zooals in Montafunen in
October tot December valt.
De kalveren worden onmiddellijk na de geboorte van de koe wegge-
nomen en krijgen gedurende 14 a 16 weken de zuivere melk die hun
eerst vijf-, dan drie- en ten laatste 2maal daags verstrekt wordt; na dien
tijd wordt de melkvoeding langzamerhand afgebroken en door haverstroo
-ocr page 137-
117
en water vervangen, zoodat ze na 4 a 6 weken, wanneer dus het kalf 19 a
22 weken oud is, geheel vervalt. Reeds van de vierde week af aan krijgen
de kalven zeer fijn hooi, waarvan zij kunnen eten zooveel zij lusten.
Als de kalveren 6 maanden oud zijn, komen zij mee op de alpen-
weiden, waar zij behalve het weidevoedsel nog slechts wat zout water krijgen.
In den herfst en winter krijgt het vee hooi en nagras, dat met het hooimes
voor dagelijksche behoefte wordt afgestoken, slechts zelden wat zemels of
meel. In de zuiveldistrikten van het dalgebied wordt krachtvoeder, zooals
gekneusd graan, rapen, raap- of lijnkoeken enz. gegeven.
De stallingen, waarin de mest 4 a 5 weken onder de koe blijft
liggen, zijn meestal zeer laag, zonder ventilatie, warm en bedompt, en
komt het vee uit deze stallen in de weide, waar het geene beschutting
vindt tegen de wisselvalligheden van het weer, dan is het niet vreemd dat
er in verhouding vele dieren ziek worden, en aan de zoogenaamde r>Flug-
krankheiten"
sterven.
De meeste weiden in de distrikten Montafunen, Bludenz, Dornbirn
en Feldkirchen zijn gemeente of gemeenschappelijke weiden. Bij de ge-
meenschappelijke weiden is de gemeente grondbezitter en hebben slechts
een bepaald aantal deelhebbers het uitsluitend recht van gebruik. In het
Bregenzerwoud vinden wij ook grootere privaat alpenweiden. De meeste
alpen in Montafunen, vooral in het bergdistrikt, hebben eene hoogte van
1500 tot 2000 meter boven den spiegel der zee; zij worden, al naai\' het
gebruik, dat er van gemaakt wordt, in koe- of melkalpen, in Galt- en
schaapsalpen verdeeld. De melkalpen, minder hoog en zoo goed mogelijk
beschut, worden slechts zelden uitsluitend met dieren, die voor eenig ge-
bruik dienen, meest met koeien en jonge runderen, de Galtalpen met alle
jongvee en ossen, de schaapsalpen met schapen en geiten bezet. De be-
palingen omtrent het aantal stuks, dat elke veehouder op de alp mag
zenden, zijn verschillend; in den regel heeft elke afzonderlijke veehouder
een bepaald getal weide- of grasrechten. Eene vetweide is de voor eene
koe toereikende weideoppervlakte; voor jongvee van meer dan een jaar
oud wordt jj, voor dat beneden een jaar ^ veeweide gerekend.
De vooralpen (Bergweiden, in Montafunen Maiensassen genoemd) zijn
meestal particulier eigendom; wij vinden daar overal Sennhutten, meestal
op kelders gebouwd, stallingen en schuren, met welke gebouwen ook de
melkalpen meestal voorzien zijn, doch zoo onvoldoende, dat de stal slechts
de dragende en melkkoeien kunnen bevatten. Vaak worden dan naast
de stallingen nog schutstallen opgezet (opene schuren met een schutdak).
-ocr page 138-
118
Op de galtalpon is behalve een kleine, zeer eenvoudige, slechts de hoogst
noodige beschutting leverende hut voor den herder, voor het vee geen
beschermend dak, liet blijft in den regel dag en nacht onder den blooten heinel.
Aan het bemesten dei- alpenweide wordt gewoonlijk weinig gedaan;
waai1 daaraan grootere opmerkzaamheid gewijd wordt, zooals b.v. in het
Bregenzerwoud, legt men de mest in een breeden kring rondom een
grasvlakte van ongeveer 2 voet doorsnede; deze kringvormige bemesting
verkiest men, omdat het vee het door de mest gegroeide gras in het
eerste jaar niet eet, en dus wanneer men de mest over het geheele veld
uitspreidde, de geheele weide van dat jaar verloren zou zijn, terwijl het
in den ring gegroeide gras door het vee gaarne gegeten wordt.
De weidegang begint in den regel in het midden van Mei. Het vee
betrekt het eerst de weide in het dal, de grasvlakten langs de huizen en
ontvangt daar dagelijks nog wat toevoer in den stal. In het laatst van
Mei of het begin van Juni komt het op de vooralpen (Maiensiissen) en
van hier op het einde van Juni op de middenalpen (koealpen) en in
Augustus op de hooge alpen, waar het al naar gelang van het weer tot
September blijft en dan langs dezelfde stations op het einde van October
naar den stal terugkeert; de weidetijd duurt gemiddeld 120 dagen; op de
naar het zuiden en zuidwesten gelegen alpen, waar de warme Föhn zeer veel
invloed uitoefent, is de weidetijd 10 tot 20 dagen lager.
De meeste melk wordt tot vette kaas verwerkt, een kleiner bedrag
tot zoete roomboter en magere zoetemelksche kaas gemaakt en hoogst
zelden vinden wij nog de bereiding van boter en kaas uit de zure melk.
Aan de zuivelbereiding wordt overal meer opmerkzaamheid geschonken en
is daarin eene merkbare vooruitgang te bespeuren. Het voordeel dat eene
koe aanbrengt wordt gemiddeld op 100 fl. (ƒ* 120) geschat.
De belangrijkste handel in vee in Vorarlberg heeft plaats in de eerste
3 ïi 5 weken na het nederdalen van de alpenweiden, de voornaamste
markten zijn:
te Schrunz in Montafunen op 21 en 22 September; deze is de
drukste markt, waar het grootste aantal, soms 2000 a 3000 stuks
vee en ook van het zwaarste slag, gebracht wordt;
te Schwarzenberg in het Bregenzerwoud den 1(5 en 17 September,
die ook sterk bezet wordt met vee van goede kwaliteit;
te Egg in het Bregenzerwoud den 2 Mei en 5 December;
te Dornbirn en het voorland den 10 October, middelzwaar en
klein slag, ook Tyroler vee;
-ocr page 139-
119
te Bludenz in den herfst om de 14 dagen; de beste markten
vallen in October;
te Imst in het Inndal 7 September;
te Reutle in het Lechdal 10 en 14 September en
te Sonthofen 13 tot 15 September en 16 October.
Oberstaufen en de Michaelimarkt te Immenstadt (nadere bijzonderheden
over deze markt bij de behandeling van het Allgauer vee) bieden bruinvee
van gemiddelde zwaarte aan.
In het buitenland worden op de markten te Sonthofen den 14 Sep-
tember, te Allgiiu en Appenzell in Zwitserland 23 September, met de
voormarkt te St. Antou en Gallenkirchen veel Montafuner vee aangevoerd.
De prijzen worden betaald in Napoleons d\'or en, als het dier niet
reeds in de tweede of derde hand is, wordt er weinig overvraagd; ook de
opgaven der verkoopers zijn. als men uit de eerste hand koopt, goed te
vertrouwen. Bij het koopen in Vorarlberg worden den kooper ambtelijke
verklaringen afgegeven, een zoogenaamde veepas, die bevat: naam en woon-
plaats van den verkooper en den kooper, beschrijving van het vee, bij
voorkoming van den stempel of het brandmerk, opgaaf van de plaats,
waarheen het beest bestemd is. Daaraan is een attest van gezondheid,
zoo ook eene verklaring bevestigd, dat de streek vrij van elke besmettelijke
ziekte is, welke verklaringen door het gemeentebestuur geteekend en van
het ambtelijk zegel voorzien zijn.
Thans kom ik aan het bruinvee van
C. den A 1 1 ga u.
De landstreek in het zuidwestelijk gedeelte van het Beijersche regeerings-
distrikt Zwaben met de rechterlijke distrikten Kempten, Immenstadt, Sont-
hofen en met eenige aangrenzende distrikten van Vorarlsberg en Tyrol
noemen wij den »Allgiiu". Deze is in het oosten, zuiden en westen door
gebergten ingesloten en slechts aan de noordzijde open, aan ruwe noorde-
winden blootgesteld, en heeft dientengevolge een ruw klimaat, een langen
winter met veel sneeuw, een kouden, natten zomer.
De Iller stroomt door den Allgüu; hare bijrivieren zijn de Breitach,
Stillach en Trettach. Het is eene van de schoonste streken van Duitsch-
land; grootsch en verheven is het hooggebergte, waar gems en adelaar
reeds huizen; heerlijk is het vergezicht van de fraai gevormde bergen;
hier wildromantische kloven en afgronden, daar een bruisende waterval;
-ocr page 140-
120
hoog op de bergen de ruïnen uit den ouden voortijd, overblijfselen van
trotsche riddersloten, onder het vreedzame, schoone dal, omlijst door de
terrasvormig opgaande bergen. Heerlijke, vruchtbare graslanden en weel-
derige weiden op de meeste naar het zuiden gekeerde hellingen, zoomede
voldoende wintervoeder, veroorloven het houden van eenen grooten vee-
stapel, waaraan de Allgiiu zijne welvaart te danken heeft. De vriende-
lijke. zindelijke plaatsen vertoonen een zekeren welstand, die ons bij den
natuurlijken en degelijken toon, welke overal in den omgang heerscht,
zeer aangenaam aandoet. Het volk is goed katholiek, heeft een praktischen
zin en een aangeboren handelsgeest; is in den handel waar, eenvoudig
en eerlijk. De vreemdeling vindt in den Allgiiu eene vriendelijke bejegening,
en ontbeert hij bij hun ook de weelde van Zwitserland, zoo vindt hij toch
overal een goede opname en gevoelt hij zich in den vertrouwelijken, een-
voudigen omgang beter op zijn gemak dan in vele andere streken met
koele verangliseerde weelde.
De streek van Immenstadt, heerlijk gelegen aan de Grünten, Sont-
hofen met den »Duim" aan de Dier, Oberdorf aan de Wertach, Fischen
aan den Lech, aan de grenzen van Tyrol, Weiier aan de Rotach en
Staufen hadden vroeger het beste Allgiiuer vee. Daaraan sloten zich de
distrikten van het Tannheimerdal in Tyrol, en het Middelberger of kleine
Walserdal in Vorarlberg. Het Walserdal met de Breitach, alsook ten
oosten daarvan het Rappenalperdal, dat bij Obersdorf de Birys-au heet,
met de Sittach, het Spilmannsauerdal met de Trettach, en het Oydal
loopen alle in het Keteldal van Obersdorf uit en al deze afgeslotene hooge
dalen hebben voortreffelijke, vruchtbare alpenweiden voor jong-en galtvee.
Het tot Vorarlberg behoorende Mittelbergerdal is naar de zijde van Vorarl-
berg meestal het geheele jaar door onder de sneeuw bedolven en het
verkeer slechts van de kant van Beijeren geopend, waarom het voor den
verkoop van zijn vee en zuivelproducten zich bijna uitsluitend tot Beijeren
moet bepalen (de Sonthofer markten). Hier, in het Klooster- en Rappen-
alperdal wordt ook thans nog het Allgiiuer vee het reinst en zorgvuldigst
gefokt en de Sonthofer vereeniging koopt hier zijn materiaal voor de ver-
betering van het Allgiiuer ras, vooral fokstieren. Het is jammer, dat de
distrikten, waar nog zuiver Allgiiuer vee gevonden wordt, zoo klein en
zoo zeldzaam zijn geworden, zoo zeldzaam, dat men bijna kan zeggen:
het oude, zoo algemeen gezochte Allgiiuer ras heeft opgehouden te bestaan.
Reeds kort na 1850 werd de reine teelt van het beproefde Allgauer vee,
dit kleine slag van het bruin vee, op vele plaatsen opgegeven en getracht
-ocr page 141-
121
door kruising met zware Montafuner, Appenzeller en Grauwbunderlandsche
stieren, grooteren omvang en meer gewicht te verkrijgen. Toch bleef
toen de aanfok nog steeds hoofddoel der veehouding en fokte men met
de meeste zorg en nauwlettendheid. Ware dit zoo gebleven, dan zou
het gebruik van deze fokstieren van zwaarder slag niet geschaad hebben,
al werden ook daardoor de dieren van het oude Allgauer slag steeds
zeldzamer. Nu kwam echter nog daarbij, dat men zich in Allgüu steeds
meer op de zuivelbereiding ging toeleggen; groote melkvereenigingen werden
opgericht, en de aanfok nam steeds af. Er deed zich hier hetzelfde voor,
als in het Bregenzer woud en als overal, waar de zuivelbereiding hoofddoel
der veehouding wordt. Deze kan met den aanfok niet samen gaan en
brengt dezelve steeds tot een minimum terug. Zoo wordt dan nu uit de
nabuurschap veel melkvee voor den Allgüu aangekocht, en ik zag daar
zulke gemengde koppels, dat alle slagen daarin waren vertegenwoordigd.
Daarbij ontwaarde ik fokstieren, die blijkbaar slechts gehouden werden,
om de koeien drachtig te maken; er waren er onder, die werkelijk eene
droevige figuur maakten. Ik herhaal hier nogmaals, het oude zuivere
Allgauer vee is uiterst zeldzaam geworden, is bijna geheel uitgestorven
en wie het nog in Allgüu koopen wil, wapene zich met geduld, maar
zal dan ook nog wel een paar werkelijk edele dieren kunnen vinden.
In den Allgau staat het genootschapswezen in vollen bloei; het is
zoo geheel in overeenstemming met den praktischen geest der bevolking,
die zeer goed weet, dat eendracht macht maakt. Buiten de partikuliere
weiden, zijn er vele genootschapsweiden, die door daartoe benoemde weide-
bazen worden beheerd. Deze weidebazen bezorgen de geheele huishouding
van de genootschapsweide, het onderhoud der gebouwen, het opzicht
over het opgedreven vee, zoo ook de geheele administratie. De leden van
een genootschap zijn verplicht, de weide op den door den weidebaas be-
paalden tijd, met het door hun weiderecht bepaalde getal runderen te
bezetten en moeten voor elke overtreding der gemaakte bepalingen boete
betalen.
De melk wordt elk jaar door den weidebaas aan den meestbiedende
verpacht en de opbrengst onder de leden van het genootschap naar ver-
houding van het aantal koeien, dat ieder op de weide heeft, verdeeld.
De melk wordt tot ronde (Zwitsersche) kaas en wanneer ze schaarscher
wordt, tot baksteen- (Limpurger) kaas verwerkt; ten tijde der nederdaling
rekent men 1 centenaar kaas op 600 a 630 liter melk, in den winter
eene zelfde hoeveelheid op 660 a 700 liter.
-ocr page 142-
122
Daar <le veehouder in den Allgiiu meest wintervoeder in overvloed
heeft, zoo behoeft men met het uitdrijven in het voorjaar geene bijzondere
haast te maken. Op het einde van April komt het op de voorweide,
hier Esch genoemd, en blijft daar tot laat. in Mei. Einde Mei of begin
Juni gaat het naar de alpen weide, waarvan het voor 13 September terug-
komt, eerst nog op de voorweide en dan in den winterstal.
De alpenweiden zijn ook hier in melk- of senn- en in Gal tal pen
verdeeld. De melk-, koe- of senn-alpenweiden in de lager gelegene betere
streken, ontvangen slechts melkvee, zij zijn goed onderhouden en wij
vinden er een bescheidene woning voor den »senn" en zijn personeel,
een kaaskelder en een vrij nauwen stal voor de koeien en varkens. Ge-
woonlijk is er een put; slechts bij zeer ruw weder komen de dieren des
nachts in den stal. De Galt-alpen liggen hooger; daar bevindt zich slechts
eene Galthut voor den herder en een kleine stal, waarin zijne koe een
onderkomen vindt. Stallen voor het vee en putten zijn bier zeldzaam.
Aan de verzameling en bereiding van den mest wordt in Allgiiu
meer zorg besteed dan elders, doch blijft ook hier nog veel te wenschen
over. Vooral zorgt men er voor het bewaren van deier; ierputten vindt
men er overal, en meestal ook ierpompen of andere toestellen tot ver-
spreiding der ier over het land.
De meeste kalveren worden in den tijd van October tot Januari ge-
boren, en algemeen streeft men er naar, deze kalftijd te houden.
Het oude Allgiiuer vee is van gemiddelde zwaarte; eene volwassene
koe weegt 800 a 900 pond; het is het kleinste slag van het grauw-
bruine gebergteras van het bruinvee. De meest gezochte kleur is das-
grauw, muisgrauw, dan lichtgrauw, geelachtiggrauw en ook donkerbruin
(koffiebruin). De onderbuik, de schouders, en de bovenschenkels zijn
meestal donkerder getint, over den rug loopt steeds eene lichtere streep,
die zich tusschen de lenden verbreedt en tot aan den melkspiegel afdaalt.
Mond en neus hebben een lichteren rand, lichtere haren hangen uit de
ooren en over het voorhoofd. De neusspiegel is donker, blauwachtig, ook
adderkleurig, nooit roodachtig of licht, tong en gehemelte evenals de
neusspiegel donker. De hoornen zijn van gemiddelde lengte, dun, naar
voren omgebogen, wit van kleur met zwarte uiteinden. De klauwen zijn
hard en zwart, de staart lang en fijn met donkeren pluim, de huid zacht
en fijn. De trotsch gedragene, fraaie kop is kort en breed, heeft gioote
vriendelijke oogen, de hals met een vrij grooten kossem is kort, niet te
zwaar, stevig, de rug recht, sterk en krachtig, de schoft eenigszins scherp,
-ocr page 143-
123
het kruis breed; achter de schouders is ook bij dit vee het lichaam wat
ingesnoerd , doch men vindt ook vele dieren, die dit gebrek niet hebben;
de schouders zijn vol, lenden, heupen en borst breed, de ribben goed
gewelfd, het lichaam diep, de uier groot en vierkant, de meikaderen lang
en gegolfd, de melkspiegel breed en lang. De beenen zijn lijn, maar
vast, gespierd en goed gesteld, de gang gemakkelijk en levendig. Het
geheele uiterlijk is fraai en elegant, in al zijn deelen harmonisch ont-
wikkeld en maakt een hoogst aangenamen indruk. Bij de stieren is het
haar op het voorhoofd meest gekroesd; zij hebben een sterken nek. dikkere
hoornen en vereenigen in zich het beeld van kracht en goedaardigheid.
Het Allgauer vee is evenals al het bruin vee, zeer melkrijk; het
melkbedrag per jaar wordt gemiddeld op 2200 tot 3000 liter berekend.
De melk heeft een groot roomgehalte en levert veel boter en kaas. In
de weidetijd rekent men een pond boter op 11 liter melk, in den winter
op 42 tot 15 liter bij zoete afrooming. Bij zure afrooming heeft men
,1., minder noodig. De landeigenaar, vrijheer v. Girse te Königsgut bij
Immenstadt geeft de melkopbrengst van zijn koppel gemiddeld op 3000 liter
per koe aan, de landeigenaar luitenant Bausch te Kempten gemiddeld op
2800 liter, de heer Durig te S chrunz op 2(»C0 liter. Te Weichenstephan
gaven de daar gehoudene Allgiiuer-Montafuner koeien, die gemiddeld
9.1, centenaar wogen, in een jaar per koe 2458 liter, in een volgend
jaar 2769 liter. In het bijzonder verdient nog vermelding, dat de melk-
geving bij al het bruinvee zeer lang aanhoudt, sommigen beweren tot
aan het 16e levensjaar. Bij verschillende vergelijkende proeven hebben
de Allgauer koeien (alsook de Schwijtzer) bij de boter- en kaasbereiding
de Nederlandsche geslagen; deze gaven wel eene grootere hoeveelheid
melk, die echter zooveel minder in kwaliteit was, dat van het bruinvee
toch meer boter en kaas verkregen werd, en dit vee het verstrekte
voedsel op de voordeeligste wijze omzette.
Het Allgauer vee is zeer goed voor den arbeid, mest ook goed, doch
het vleesch is donker en niet zoo malsch, als dat van de laag-
landsche slagen.
De dieren zijn niet kieskeurig in het voedsel, gewennen zich gemak-
kelijk aan ander voedsel en hebben een vaste gezondheid. De overerving
is zeer constant en de eigenaardigheden van het ras blijven ook buiten
het geboorteland voortduren.
De belangrijkste veemarkten in Allgüu zijn die te Sonthoven op den
14e" September en den 16en October, die te Oberstaufen op den 12"" Sep-
-ocr page 144-
124
tember en te Immenstadt op den 29cn en 30en September. Wie op de
markten koopen wil (ik doe het nooit, omdat daar geen gelegenheid is
de ouders en den aanfok van het dier te beoordeelen en dus de koop
voor aanfok eene onzekere is), moet voor de Septembermarkt, op den
13e" September op de zoogenaamde y>Viehscheide" te Obersdorf of Hein-
delang zijn. Daarheen gaat het vee, als het op den genoemden tijd van
de Alpen komt, wordt aan de verschillende eigenaars ter hand gesteld en
vandaar naar de markten gebracht. Hier is de handel dikwijls ook reeds
zeer levendig, maar het drukke gewoel van de eigenlijke markt heerscht
er nog niet en men kan er rustiger uit de eerste hand koopen. Op de
eerste Sonthofer markt treft men hoofdzakelijk kalveren en drachtige
runderen (vaarsen) aan, op de tweede markt, op den 16™ October
meest koeien. Te Immenstadt is de Michaelimarkt zeer belangrijk. Op
de markten wordt een zeer reëele handel gedreven, men overvraagt weinig
en de opgaven omtrent ouderdom en drachtigheid zijn zeer vertrouwbaar.
Op de markten is het Allgauer vee het minst talrijk; oude, onver-
mengde Allgauer dieren zijn er eene groote zeldzaamheid en men kan er
niet op rekenen, ze daar te kunnen koopen. Het grootste aantal van
het op de markt gebrachte vee komt van Montafunen, uit het Lechdal,
Tyrol, enz. enz. De kooper ontvangt een schriftelijk bewijs van de drach-
tigheid enz. Wie op de markten koopen wil, moet een goeden blik
hebben en snel besloten zijn; er wordt weinig geloofd en geboden en zeer
snel gehandeld, en wie lang van beraad is, ziet spoedig het beste ver-
kocht en vischt achter het net.
Dit geldt zoowel voor de markten van Montafunen als van die in
Allgau.
Ik geef nog eene meting van een dier *) van het oude onvermengde
Allgauer dasgrauwe slag, dat ik aan de veeartsenijschool te Berlijn leverde,
en dat als een voortreffelijke vertegenwoordiger van dit oude slag kan
worden aangemerkt.
D. Bruinvee aan den Lech, de Wertach, de IIIer,
Ammer en Loisach.
Ter wille der volledigheid maken wij hier nog melding van de volgende
nog tot het bruinvee behoorende slagen:
*) Zie Je metingen van den rundveestal van de Berlijnschc veeartsenijschool.
-ocr page 145-
125
1. Het Lechdaler vee.
Het Lechdaler vee vinden wij in het Tyroler Lechdal, ten noordoosten
van het Thannbergdal, ten zuidoosten van het Trettachdal, bij Holzgau,
de Elbingeralp, Unterhofen, Elmen, Hornbach, Forbach, Weissenbach tot
Reute en nog meer noordwaarts bij Füssen. Het is kleiner dan het
Allgauer vee, geelbruin of lichtbruin van kleur, met de aan het ras eigene
teekens, zooals wij die bij het Allgauer vee leerden kennen.
De bouw van het lichaam is in alle deelen harmonisch, schoon en
afgerond. Een Lechdaler koe heeft een gewicht van 600 a 700 pond,
geeft betrekkelijk veel vette melk en is zeer gemakkelijk te voeden. De
kleine boeren in den Allgitu koopen zeer gaarne eene Lechdaler koe, wier
matigheid en melkrijkheid zij niet genoeg kunnen prijzen. Het Lechdaler
vee gaat meest over Hornbach door het Oydal of van de Elbingeralp door
het Trettachdal naar Obertsdorf en Sonthofen.
2. Het Nesselwanger vee
vinden wij in verscheidene distrikten aan den boven-Wertach, bij Nessel-
wang en omstreken. Het marktvlek Nesselwang ligt zuidoostelijk van den
straatweg van Kempten naar Füssen, niet ver van de Wertach, ten
noorden van den Edelsberg.
Het Nesselwanger vee heeft dezelfde kleur als het Allgauer vee, n.1.
lichtgrauw, ook dezelfde raskenmerken, is echter iets kleiner en niet zoo
fraai gebouwd. De dieren hebben meestal scherp uitstekende schoft wervels,
zijn achter de schouders ingesnoerd, minder breed in het kruis en hebben
plattere ribben. De beenen zijn minder goed gesteld, achter dikwijls koe-
hakkig en de gang daarom niet fraai. Het edele, elegante uiterlijk van
het Allgauer vee mist het geheel. In de laatste jaren is er in dit fok-
distrikt door invoering van goede Montafuner en Zwitsersche fokstieren
veel gedaan, zoodat men niet kan ontkennen, dat de toestanden hier beter
worden. De Nesselwanger koe heeft een gewicht van 700 tot hoogstens 800
pond, is eveneens eene goede melkkoe en is in het voedsel niet veeleischend.
3. Het Dietmannsrieder vee
vinden wij ten noorden van Kempten, noordwestwaarts van het Kemptener-
woud aan de Iller (gemengd ook aan de Günz) bij Hitusing, Krugzell,
Dietmannsried, Grönenbach enz. Het Dietmannsrieder vee is even zwaar
-ocr page 146-
126
als het Allgauer, gelijkt in zijn uiterlijk geheel op het Montafuner vee en
is meestal zwarlbruin, liruingrauw of bruingeel van kleur, waarbij witte
vlekken aan het voorhoofd, de zijden, en de pooten, dikwijls voorkomen.
Het is meest een weinig hoog gesteld, wat scherp in dé schoft, vlak
geribd en niet zoo breed in het kruis; het is minder kieskeurig in het
voedsel naar men zegt, wordt als trekdier minder gewaardeerd, maar
als een goed melkvee gaarne gehouden.
4. Het Muriiau-Werdenfelser vee.
Aan den uitersten noordelijken rand van het distrikt, waarover het
grauwbruine gebergtevee verspreid is, vinden wij het Murnau-Werden-
felser vee. Het zuidwestelijke gedeelte van het voorgebergte van Hoog-
Beijeren, ten noorden van het Zug-, Spitz- en Westerstein-gebergte in
het Loisachdal bij Garinisch, Partenkirchen, tot aan het eenzame Walchen-
meer met zijne verheven schoone natuur, het stille door hooge bergen
beschaduwde Kochelmeer en het vriendelijke Murnau aan het met eilanden
gevulde Stachelmeer, biedt ons een bruinvee aan, \'t welk door de zorg-
vuldige teelt eener ondernemende, nijvere bevolking steeds beter wordt
en meer en meer waardeering vindt. Het Murnau-Werdenfelser distrikt
zal waarschijnlijk eenmaal den Allgiiu vervangen, als daar het oude
Allgauerslag eene mythe zal zijn geworden.
Het Murnau-Werdenfelser vee is lichtgeel of grauwgeel van kleur,
waarbij de karakteristieke kenmerken van het bruin veeras. zooals «donkere
neusspiegel vaak door een witte streep in tweeen verdeeld, lichte randen
om den muil, donkere tong en gehemelte, lichtgekleurde haardossen in
de groote ooren, licht hoofdhaar, lichte streep over den rug, donkere
klauwen, lichte, fijne hoornen met zwarte punten" niet ontbreken. Bij
de hoornen vindt men somtijds ook zwarte vlekken aan het onderste ge-
deelte. De kop is fijn en niet lang, wordt naar den muil toe eenigszins
spits; deze is echter zelf weer breed; hals en kossem zijn middelmatig
zwaar, de schoft dikwijls wat scherp, de rug recht, kruis, heupen en
lenden breed. De borst is diep en breed, het lijf goed gezond en het
voorstel vaak beter en krachtiger ontwikkeld dan het achterstel. De
beenen zijn meest goed gesteld, doch men vindt er ook met hooge beenen
en koehakkig gestelde achterpooten; de pooten zijn meestal krachtig, de
onderste pijpen fijn; de dieren hebben een goeden gemakkelijken gang en
zijn voor trekdieren uitstekend geschikt
Van een vast, eenvormig slag voor het geheele distrikt kan intusschen
-ocr page 147-
127
nog geen sprake zijn; men ziet er zoowel uitstekende dieren, ilie in alle
opzichten hooge waarde hebben en voor de best gefokte Montafuner en
AHgiiuer niet behoeven onder te doen, als ook zeer minne, die veel te
wenschen overlaten. Zeer vele Murnau-Werdenfelser runderen hebben veel
overeenkomst met het gele Tyroler vee, dat eveneens tot het grauw-bruine
gebergteras behoort en dat wij tusschen Innsbruck en Imst in het boven-
Inndal vinden, vandaar wordt ook veel vee naar het Loisachdal ingevoerd.
De rnelkgeving is goed; bij de groote verscheidenheid van het vee
berekent men de jaarlijksche opbrengst op 2000 tot 2400 liter; uit 12
a 13 liter melk krijgt men\'1 pond boter en uit G a 7 liter 1 pond half-
vette kaas. Het vee wordt tamelijk vlug vet, het vleesch is fijner en
lichter van kleur dan het Allgauer, wordt gaarne door den slachter ge-
kocht en is goed en volhardend in het werk. üe volwassene koe weegt
van 700 tot 1000 pond en meer.
Het zwaarste vee vinden wij in Schlehdorf aan het Kochelmeer, in
Ohlstadt ten westen en Klein Weil ten noorden van het Kochelmeer, in
Aschau en Klein-Aschau ten zuidwesten van Murnau. Kleiner is het vee in het
zuidelijke Loisachdal, aldaar zeer schoon te Farchant en ook wel in Eschenlohe.
In het aan krachtig voedsel rijke Murnauer distrikt wordt door de
ijverige veefokkers ;dles gedaan tot bevordering der veeteelt; zij zoeken
zich de beste fol.stieren in Montafunen, Grauwbunderland of ook svel in
Tyrol uit de boerderij van het klooster Stamm in het boven Inndal te
verschaffen en het komt hun zeer te stade dat zij in hunne nabijheid op
groote landgoederen, b. v. de koninklijke goederen Benediktbeuern en
Schwainganger, Seefeld, behoorende aan den rijksgraaf TöRRiNO, enz.
uitstekende koppels zwaar bruin vee vinden. Ook heeft Dr. Saueu te
Breslau, eigenaar van Kainzenbad bij Partenkirchen door mijne bemiddeling
eene zeer fraaie koppel Schwijtzer bruinvee ingevoerd, waarvan hij de
fokstieren in het distrikt laat gebruiken.
Zoo zal Murnau-Werdenfels een voortreffelijk stamfokdistrikt voor het
geelbruine bruinvee worden; het vee zal bij zorgvuldige teelt steeds meer
veredelen en meer en meer gezocht worden. Het gevlekte vee, dat wij
in dit distrikt vooral in het noorden nog vinden, verdwijnt langzamerhand
en de fokkers leggen zich met ijver toe op den aanfok van hun bruinvee.
dat zich reeds belangrijk heeft uitgebreid en veel aftrek vindt. Wij vinden
het in het noorden reeds tot Ufïïng en Weilheim aan het Wurm- en
Ammermeer, en zuid westwaarts van het Loisachdal bij Ettal in het Gras-
wangdal, tot aan liet Ammerwoud.
-ocr page 148-
128
129
okdistrikt voor het Hoog-Beijersche geelgrauwe vee.
Murnau-Werdenfelser slag van het Murnauer stam.
i L K N O T K
HOOGTE
1 A
Breedte der zitbeenderen.
1 OMVANG
BESCHRIJVING
VAN
HET DIER.
o
|i
r
\'l
1
\\i
4
1
1
—
—
§
ja
o
o
>
ill
V V
11
u
Si
1
;!
J
Z s
fct
In Centimeters.
1. Fokstier, 4 jaar. . .
;58 141
1
52
28 151 146 63
!
58 46 234 211
456
2. » 2 » . . .
54 131
40
20
\\
142 142
74
52
1
42 216 187
399
3. Koe, 4 jaar ....
70 123
1
50 21
140 148
77
50
38 210192
415
4. » 3 » . . . .
65
112
43
19
132 141
i
67 50
i
37 175 175
375
5. » 4 «... .
60
132
50
27
145 155
|
74
60
|
46 203 200
422
6. » 7 » . . . .
63
127
48
22
146 146
66
57
i
40 197 185
394
7. Vaars (drachtig), 21 jaar.
70
115
45
22
136
140
72
54
43 191 182
377
8. Kalf, 2 jaar ....
60
125
47
26
142
154
77
47
43
183 177
403
9. » 1[ » . . . .
56
112
42
21
129
140
68
50
40
171165
319
10. » 1 » . . . .
50
63
40
20
125
133
70
42
34 167 153 318
11. Os, 3 » ... .
68 126
51
31
151 163
77
57
37
225 209,
421
12. » 4 » . . . .
66:
140:
47
26
171
171
78
60
50
| 1
227:218\'
434
Z
AAN MER KI NOEN.
a
o
O
wit met zwart-
zwarte    j grauw,
pooten.    I
d°.            d°.
lichtgeel.
d-.
d-.
d*.
d".
d".
d".
d".
d".
d".
«1°.
d\'.
Rondom de lichte oogranden
vertoont zich dïkvvij Is een zwarte
ring. Ue muilranden zijn dikwijls
door een witte streep, die er
luidden door loopt, verdeeld. Wij
hechten veel iraardc aan de gele
kleur en hebben het in 24 jaar
in deze richting tot eene tamelijke
constantheid gebracht. Toch heb
ik er steeds mijn best voor ge-
daan onze veehouders te over-
tuigen, dat zij ter wille van de
kleur niet de vorm en andere
eigenschappen van hun vee
moesten verwaarloozen. Ons vee
is snel van groei, heeft eene
tijne huid, lijnen staart en
j schenen, is dus ook geschikt voor
vetmesting. De melk er af ge-
rekend , of liever niet gerekend,
I welke het zuigende kalf in 3—4
weken gebruikt, is de melkaf-
: zondering bij eene koe per dae
6 liter. 12 u 13 liter heeft men
noodig om 1 pond landboter te
maken, 18 a 19 liter voor een
pond roomboter De prijzen van
drachtige en kalfkoeien stellen
wij van 230 tot 500 Mark,
Izooals b.v. n°. 3 eu 5.
wit en
grauw.
d°.
d".
d".
d".
d-.
d".
d-.
d-.
d-.
d".
d-.
zwart
witten
met ;
ring. |
zwart-
grauw.
d".
d".
d".
d".
d".
il".
d».
<1".
du.
<l".
d».
d".
! d"-
; d«.
du.
d».
| d-.
d».
d".
d".
d».
d".
d".
d".
d".
d".
du.
d".
d".
d".
ö>.
d".
.1".
d".
d".
d".
.1".
d".
d°.
d".
du.
d-.
icht
7eiuelkl.
Muknau, 31 Januari 1882.
JOH AN SIGL,
Distriktsveearts en 1* voorzitter van de Distrikts-landbouwvereeuiging te Murnau.
!l
-ocr page 149-
128
129
okdistrikt voor het Hoog-Beijersche geelgrauwe vee.
Murnau-Werdenfelser slag van het Murnauer stam.
i L K N O T K
HOOGTE
1 A
Breedte der zitbeenderen.
1 OMVANG
BESCHRIJVING
VAN
HET DIER.
o
|i
r
\'l
1
\\i
4
1
1
—
—
§
ja
o
o
>
ill
V V
11
u
Si
1
;!
J
Z s
fct
In Centimeters.
1. Fokstier, 4 jaar. . .
;58 141
1
52
28 151 146 63
!
58 46 234 211
456
2. » 2 » . . .
54 131
40
20
\\
142 142
74
52
1
42 216 187
399
3. Koe, 4 jaar ....
70 123
1
50 21
140 148
77
50
38 210192
415
4. » 3 » . . . .
65
112
43
19
132 141
i
67 50
i
37 175 175
375
5. » 4 «... .
60
132
50
27
145 155
|
74
60
|
46 203 200
422
6. » 7 » . . . .
63
127
48
22
146 146
66
57
i
40 197 185
394
7. Vaars (drachtig), 21 jaar.
70
115
45
22
136
140
72
54
43 191 182
377
8. Kalf, 2 jaar ....
60
125
47
26
142
154
77
47
43
183 177
403
9. » 1[ » . . . .
56
112
42
21
129
140
68
50
40
171165
319
10. » 1 » . . . .
50
63
40
20
125
133
70
42
34 167 153 318
11. Os, 3 » ... .
68 126
51
31
151 163
77
57
37
225 209,
421
12. » 4 » . . . .
66:
140:
47
26
171
171
78
60
50
| 1
227:218\'
434
Z
AAN MER KI NOEN.
a
o
O
wit met zwart-
zwarte    j grauw,
pooten.    I
d°.            d°.
lichtgeel.
d-.
d-.
d*.
d".
d".
d".
d".
d".
d".
«1°.
d\'.
Rondom de lichte oogranden
vertoont zich dïkvvij Is een zwarte
ring. Ue muilranden zijn dikwijls
door een witte streep, die er
luidden door loopt, verdeeld. Wij
hechten veel iraardc aan de gele
kleur en hebben het in 24 jaar
in deze richting tot eene tamelijke
constantheid gebracht. Toch heb
ik er steeds mijn best voor ge-
daan onze veehouders te over-
tuigen, dat zij ter wille van de
kleur niet de vorm en andere
eigenschappen van hun vee
moesten verwaarloozen. Ons vee
is snel van groei, heeft eene
tijne huid, lijnen staart en
j schenen, is dus ook geschikt voor
vetmesting. De melk er af ge-
rekend , of liever niet gerekend,
I welke het zuigende kalf in 3—4
weken gebruikt, is de melkaf-
: zondering bij eene koe per dae
6 liter. 12 u 13 liter heeft men
noodig om 1 pond landboter te
maken, 18 a 19 liter voor een
pond roomboter De prijzen van
drachtige en kalfkoeien stellen
wij van 230 tot 500 Mark,
Izooals b.v. n°. 3 eu 5.
wit en
grauw.
d°.
d".
d".
d".
d-.
d".
d-.
d-.
d-.
d".
d-.
zwart
witten
met ;
ring. |
zwart-
grauw.
d".
d".
d".
d".
d".
il".
d».
<1".
du.
<l".
d».
d".
! d"-
; d«.
du.
d».
| d-.
d».
d".
d".
d».
d".
d".
d".
d".
d".
du.
d".
d".
d".
ö>.
d".
.1".
d".
d".
d".
.1".
d".
d°.
d".
du.
d-.
icht
7eiuelkl.
Muknau, 31 Januari 1882.
JOH AN SIGL,
Distriktsveearts en 1* voorzitter van de Distrikts-landbouwvereeuiging te Murnau.
!l
-ocr page 150-
130
Ik kom nu tot
E. Het Zwitsersche bonte ras.
Het belangrijkste .slag van dit ras is
1. Het Simmendaler vee.
Het Simmendaler vee wordt gevonden in het kanton Bern, dat na
Grauwbunderland het grootste kanton van Zwitserland is en eene oppervlakte
van 1*23 vierk. mijlen beslaat; het grenst ten zuiden aan Wallis, ten
oosten aan Uri, Unterwalden, Luzern en Aargau, ten noordoosten aan
Solothurn en Basel, ten noorden en noordwesten aan Frankrijk, ten
westen aan Neuchatel. Freiburg en Waadland. Het noordelijke gedeelte
van het kanton ligt in het gebied van den Jura; de daar wonende be-
volking behoort tot de katholieke kerk, terwijl het andere gedeelte gerefor-
ineenl is. Het midden van het kanton is een vooralpenland met vrucht-
bare, zorgvuldig bebouwde, schoone vlakten en dalen, zooals b.v. het om
zijne voortreffelijke kaas zoo beroemde, 10 uren lange, rijke Ermendal,
verder de schoone, vruchtbare vlakte tusschen Bern, de hoofdstad van
het kanton, Gi\'unlingen en het fraai gelegene Thun. Het zuidelijk gedeelte
van het kanton behoort met zijne talrijke dalen tot de hoog-alpen. Daartoe
behooren de veelbewonderde berggevaarten de Finsteraarhorn, Jungfrau,
Mörsch, Eiger, Westerhorn, Blümlisalp, Gletscherhorn, Doldenhorn, Niesen
enz. en hier aan den voet van den Niesen tusschen dezen, de Rauheflüh,
den Solhorn en den Stockhorn, komt het Simmendal uit.
Wanneer wij het aan de uitmonding van de schuimende Aar uit het
Thuner meer heerlijk gelegene, aan oudheden rijke, zeer belangwekkende
Thun verlaten, om in het Simmendal te komen, gaan wij over de Aar,
vervolgens een uur lang door eene schoone, vruchtbare vlakte, de groote
beigmassa\'s steeds voor ons, door de welvarende plaatsen Gwatt en Reu-
tingen, langzaam opwaarts naar Brodhausi, het rustpunt bij de afdaling
uit het Simmendal. Verder bergopwaarts, het Thuner meer met zijne
fraaie oevers steeds aan onze linkerhand, laten wij Wimmis (den toe-
gangsweg naai- Fruttigen en Adelboden) links liggen en schrijden langs
de diep onder ons schuimende Simme verder en bereiken nu het Simmendal.
Dit 13 uren lange, door bergen ingeslotene Simmendal, nu eens breeder
wordend, dan weer zich versmallend, is een schoon romantisch dal, waar
-ocr page 151-
131
ons overal heerlijke weide- en hooilanden en in de fraai gelegene dorpen,
met hunne deftige, groote Berner houten huizen, een behagelijke welstand
tegenlachen. Wij gaan door het lang gerekte Latterbach, links van welke
plaats de weg naar het rijke, om zijn uitstekend vee zoo bekende Diem-
tingen voert; langs dezen straatweg komen wij aan het vriendelijke Erlen-
bach, waar in den herfst de belangrijkste markten voor het Simmendaler
vee gehouden worden, verder naar Ringoldingen, Dürstedten en het idyl-
lisch gelegene Weissenburg, waar rechts een zijtak van den straatweg
naar Oberweilen het drukbezochte bad Weissenburg voert. Schwenden,
Reutingen, Zwischenflüh behooren tot het distrikt Erlenbaeh. Hier wordt
de weg zoo smal, dat de dicht op elkaar dringende rotswanden aan weers-
kanten van den weg elkaar raken en den weg schijnen af te sluiten,
loopt verder naar Enge, en nadat het dal weer breeder is geworden,
naar het statige Boltigen, aan de Mittagsfluh voorbij naar Reisenbach
(van hier loopt een weg naar het Trybourger Jountal en Gruyères); Weis-
senbach, Garrstadt, en na verscheidene malen de Simrne te hebben ge-
passeerd voorbij den goed aangelegden forellen vijver van den intelligenten
eigenaar van het prachtige hotel Simmenthal in Zweisimmen, Anken
Bilger, den zoon van den ervaren veehouder den Heer S. Anken, langs
een prachtigen straatweg naar de hoofdplaats van het boven-Simmendal,
naar Zweisimmen. Bij Zweisimmen is het dal veel breeder en de heerlijke
groene bergen de Mattenberg en de Rinderberg hebben voortreffelijke
alpenweiden. Van Zweisimmen, waar de kleine Simmen in de groote
Simmen stroomt, voert een prachtige weg langs de groote Simmen door
een heerlijk schoon dal over St. Stephan naar de badplaats aan de Lenk,
aan den mond van den »Wildstrubel"; hiertoe behooren Oberried, Bettel-
ried en Altenried. Een tweede weg, langs de kleine Simmen brengt ons
langzaam opgaande naar de waterscheiding van de Saanenmöser. De
prachtige met een aantal sennhutten bedekte hoogvlakte biedt heerlijke
vergezichten in het dal, zooals op de statige bergen Rüblyhorn, Gumm-
fluh, Oldenhorn enz. Onze weg voert ons bergafwaarts naar het voor
ons liggende, heerlijk schoone Saanendal en in de eerste plaats naar de
hoofdstad van het distrikt, naar Saanen. Van hier loopt de weg door
het levendige, schoone boven-Saandal over Gstad naar Gsteig en Sitten,
ten westen van Gsteig naar de Ormontodalen en Aigle en ten westen
van Saanen over Rougemont door het kanton Waadt naar Chateau d\'Oer.
en nadat wij voor Montbovon de Waadt passeerden, in het kanton Freiburg.
Voor het Simmendaler vee is voor ons slechts van belang de streek van
9*
-ocr page 152-
132
Saanen, Gsteg en Rougemont; tot het Saaner distrikt behooren nog:
Ebenit, Lauenen, im Grund, in der Oey, ioi Rübeldorf, in Schönried,
in Kohlen, in den Graben. Hier alzoo in het onder- en boven-Sinimendal
in het Diemtingendal met den wilden Chirelbeek en in het Saandal vinden
wij het uitstekende Simmendaler vee (ook Simmen-Saanendaler genoemd).
Ik ben in de beschrijving van de streek, waar dit vee te huis behoort
zoo uitvoerig geweest, omdat het vee, dat buiten dit distrikt gefokt wordt
in geenen deele met dit voortreffelijke slag overeenkomt en er toch veel
vee voor Duitschland buiten het distrikt onder den naam van echt Sim-
mendaler vee gekocht en geleverd wordt. Het geheele kanton Bern, be-
halve het Haslidal, dat wij bij de behandeling van het bruin vee leerden
kennen, fokt het rood-, resp. geel-bonte vee, dat wij dikwijls in het
midden van het kanton in prachtige exemplaren aantreffen en al dit vee
gaat door onder den naam van Simmendaler vee. De fokkers in het
Simmendal, die zich uitsluitend met den aanfok bezig houden en door
hunne voortreffelijke weiden, alsook door eene voldoende hoeveelheid
wintervoeder eene uitstekende gelegenheid daartoe hebben, leggen zich
met de meeste zorg en nauwlettendheid daarop toe; tevens trachten zij
de melkrijkheid en de fijnheid van hun vee zooveel mogelijk te verhoogen
om zoo het beste te kunnen leveren wat te verkrijgen is. De fokkerijen
buiten het nauwkeurig beschrevene distrikt hebben de wijze van fokken,
zooals die in het Simmendal plaats heeft en die melkrijkheid en fijnheid
als eerste vereischte beschouwt, slechts in hoogst enkele gevallen aan-
genomen; zij letten gewoonlijk uitsluitend op lichaamszwaarte en meenen
genoeg te hebben gedaan, wanneer ze maar zoo nu en dan weer eens
een fokstier in het Simmendal gekocht en deze bij hunne koeien gebracht
hebben.
Dat door de onvermoeide zorg van den intelligenten fokker in het Sim-
mendal daar geheel andere uitkomsten worden verkregen dan in de streken
waar dit ijverig streven om steeds het beste te leveren, niet wordt ge-
vonden en die ook door de natuur minder gunstig bedeeld zijn, ligt voor
de hand en de algemeene waardeering, die het Simmendaler vee uit het
genoemde distrikt geniet, bewijst, dat men hier iets degelijks tot stand
heeft gebracht. Hierheen stroomen alle koopers, vooral ook Zwitsers uit
alle andere kantons en er is hier een handelsverkeer en eene vraag naar
dit vee, die alle denkbeeld te boven gaat. De aanvraag overtreft het
aanbod steeds belangrijk, en daar die in de aangrenzende streken steeds
veel geringer is, zoo spreekt het van zelf, dat de prijzen hier ook veel
-ocr page 153-
133
hooger zijn. Verklaarbaar is het ook, dat dit belangrijke verschil in prijs
oorzaak is, dat er in die aangrenzende distrikten menig stuk vee gekocht
wordt, dat later tot ontevredenheid en teleurstelling aanleiding geeft, wat
aan den goeden naam van het edel gefokte Simmendaler vee veel nadeel
doet, en voor den ontvanger van het waardelooze dier hoogst schadelijk is.
Door de ervaring geleerd, heb ik voorden aankoop van het Simmendaler
vee een nauwkeurigen wegwijzer samengesteld en dring er bij iedereen ,
die dit vee niet in het district zelf koopt, ten sterkste op aan , wel acht
te geven op het bewijs van afkomst en hetzelve met mijne opgaven te
vergelijken. Ik heb het al eens bijgewoond, dat de verkooper van een
groot aantal runderen, die als echte Sirnmendalers moesten worden ver-
kocht, ofschoon ze het Simmendal ja zelfs geheel Zwitserland nooit gezien
hadden, toen men hem naar de bewijzen van afkomst vroeg, aan de lui
wist wijs te maken, dat het ten eenenmale onmogelijk was, bij het
koopen op de alp telkens bij het gaan van de eene alpenweide naar de
andere, weer naar het dal te gaan om daar het bewijs te halen. Dit
klonk zoo geloofwaardig, dat het vee als echt Simmendaler aan den man
gebracht werd. Het ware te wenschen, dat dusdanige praktijken door het
afschrift van een door het bestuur afgegeven bewijs van afkomst onmoge-
lijk konden worden gemaakt.
(De gezondheidspas staat aan ommezijde.)
-ocr page 154-
134
hiiriimlier 1.                              Keslnil tan dm 20 uetfiiiber 1872, § 5.
Zegel.........15 Rpn.
Kosten van afgifte .15 T
30 Rpn.
Zwitsersch (/egel) eedgenootschap.
Kanton Bern.
VERKLARING VAN GEZONDHEID VAX EEN STUK VEE.
Serie n°.
Omschrijving van het dier.
Soort en geslacht                                        , ouderdom
Kleur                                         , bijzondere teekens
De eigenaar   van dit dier, .\',
wonende te                                  , gemeente ,
ambtsdistrikt                                                   , is voornemens, het
naar .                                                               ••:• te brengen.
De ondergeteekende verklaart, dat noch de streek noch de
veestapel, waar bovengenoemd stuk vee van daan komt, aan
eenige beperkende maatregel met betrekking tot het vervoer van
huisdieren van deze soort onderworpen is, noch dat voor het
nemen van zoodanige maatregelen eenige grond voorhanden is.
Dit bewijs van gezondheid is van den dag van uitgifte
af )
            dagen geldig. Het moet, wanneer een dier op eene
markt gebracht wordt, aan den marktmeester vertoond worden
en bij verkoop aan den kooper of ontvanger van het vee worden
overgegeven. Deze moet het binnen 2 maal 24 uren na den
invoer aan den met de uitgifte van gezondheidspassen belaste
persoon in zijne woonplaats inleveren.
De weerverkoop van het dier met denzelfden pas, mag bij
uitzondering slechts dan geschieden, als het op de markt gekocht
is en voor het afvoeren van de markt opnieuw verkocht wordt.
Wordt het dier niet verkocht, dan moet de pas na afloop
van den termijn van geldigheid aan den uitreiker teruggegeven
worden.
Overtreding dezer voorschriften wordt gestraft met boete
van 5 tot 100 francs.
Afgegeven te \';WM;: ": den :;: :;; den ; ::};:-::y\'.:.:[ 188 V£rj
Aanmerkingen:
                                          De veeinspecteur:
-ocr page 155-
136
(Achterzijde van den gezondheidspas.)
Voorschriften over het veeverkeer.
1.    Bij eiken verkoop van een stuk rundvee ot\' een dier van liet
paardegeslacht, dat meer dan 6 maanden oud is, moet, voor zooverre het
buiten den inspectiekring gevoerd wordt, aan den ontvanger eene gezond-
heidspas gegeven worden (Art. 4 van de bondswet van 8 Februari 1872).
2.   Spoorwegmaatschappijen mogen zulk rundvee slechts dan voor trans-
port aannemen als het van gezondheidspassen voorzien is (§ 24 van de
verordening tot het tenuitvoerleggen van de bondswet van 8 Febr. 1872,
op de policiemaatregelen tegen besmettelijke veeziekten).
3.    Aan een koóper, die zijn vee weer verkoopt, voor hij daarmee
naar zijne woonplaats gaat, kan op een pleisterplaats, tegen afgifte van
de oude, eene nieuwe gezondheidspas uitgereikt worden, doch moet de
veeinspecteur zich vooraf op eigen verantwoordelijkheid overtuigd hebben,
dat geen enkel dier van het transport aan eene besmettelijke ziekte lijdt
(§15 van de verordening).
4.    De houders van huisvee zijn verplicht, bij het uitbreken eener
besmettelijke ziekte onder hun vee, daarvan onmiddellijk aangifte aan het
gemeentebestuur te doen (art. 12 van genoemde wet).
Het aan ommezijde vermelde stuk         Het aan ommezijde vermelde stuk
vee zal kalven op                                 vee is drachtig sedert
De verkooper:                                     De verkooper:
-ocr page 156-
136
Uit den gezondheidspas blijkt dus onderanderen, dat deze bij het
vervoer uit Zwitserland slechts drie dagen geldig is en men dus moet
letten op den datum van afgifte en verder dat elk dier afzonderlijk zulk
een pas moet hebben, zal het door de spoorwegmaatschappijen tot vervoer
worden toegelaten. Verder valt nog op te merken, dat de veeinspekteur
in zijn boek een nauwkeurig, gelijkluidend duplikaat onder het aan den
kop van het dier aangebrachte nommer inschrijft, en iedereen dus, in
geval van twijfel, door de opgaaf van het nommer van den pas, vanden
inspekteur die dezelve onderteekend heeft, opheldering kan krijgen.
Deze attesten worden\'in alle kantons van Zwitserland.eensluidend afgegeven;
zij dienen dus niet alleen bij het Simmendaler vee als legitimatiebewijs,
maar eveneens bij het bruinvee, het Freiburger en al het andere uit
Zwitserland komende vee.
Het Simmendaler vee is groot; het behoort tot de zwaarste bekende
veerassen. Het zware, kolossale, diepe lichaam, de innige harmonie van
alle lichaamsdeelen, de elegante vormen, de levendige gang en het mooie,
vriendelijke oog maken het Simmendaler vee tot een indrukwekkend beeld
van schoonheid en kracht.
De kleur van het Simmendaler rund wisselt van roodbruin tot het lichtste
geel, als grondkleur, met scherp begrensde, witte vlekken van verschillenden
vorm en uitgestrektheid, doch vindt men ook dieren, bij welke het wit
de overhand heeft en de vlekken rood of geel zijn. De meest gezochte
dieren zijn de vaalbonten, resp. vaalblessen (in Zwitserland Falbblöschen).
De kop is meestal wit, bij den stier met gekroesd, lokkig haar;
dieren met geheel donkeren, rooden, geelrooden of gelen kop zijn zeldzaam.
Neusspiegel, lippen, tong, gehemelte en oogleden zijn steeds licht gekleurd,
vleeschkleurig; de lippen en de neusspiegel hebben soms gele vlekken,
overeenstemmende met de kleur van het lichaam; deze vlekken zijn geen
bewijs voor onzuiverheid van het ras, wel echter als die vlekken zwart
zijn; deze bewijzen eene kruising. Dit geldt ook, wanneer de haarbossen
in de ooren niet licht gekleurd zijn, zooals dit bij zuiver ras gevorderd
wordt, maar donker. Bij het geringste zwarte tintje kunnen wij zeker
zijn, dat het een kruising is van een Freiburger koe met een Simmendaler
stier; in den regel vindt men dan ook zwartachtige tinten in het haar
aan andere lichaamsdeelen, aan den melkspiegel enz. De fijne, aan den
wortel eenigszins platte hoornen, zijn bij de vrouwelijke dieren meestal
een weinig naar voren en naar boven omgebogen, staan bij de stieren
horizontaal, zijn wit of witachtig geel van kleur met lichtbruine of donker»
-ocr page 157-
137
gele punten; de klauwen zijn eveneens gekleurd. De fraai gevormde lichte
kop is niet lang, het breede bij den stier eenigszins ingedoken voorhoofd
is met een langen haarbos behangen, de levendige, goedaardige oogen staan
zijwaarts, de ooren zijn breed, en de oorschelp is met lange, lichte haren
begroeid. De hals is bij de vrouwelijke dieren fijn en van middelbare
lengte, bij de stieren kort en stevig, de kossem is goed ontwikkeld, lang
maar niet zeer zwaar. De schoft is breed en de rechte, stevige rug goed
aangesloten; kruis en heupen zijn breed, het kruis loopt recht, het hangt
niet af en loopt naar achteren niet op; de staart is niet hoog ingeplant,
niet té dik, loopt spits toe en eindigt in een vollen, vaak witten haar-
kwast. De borst is diep en breed, de longen uitstekend, de schouders
breed en goed aangesloten, de ribben tonvormig gewelfd, de buik fraai
gerond, de aan het lichaam fraai aangeslotene uier is evenals de melk-
spiegel en de meikaderen goed ontwikkeld, weinig behaard, week en licht
van kleur. De speenen zijn goed en gelijkmatig ontwikkeld. De achter-
dijen zijn goed gebroekt, de gespierde beenen met krachtige, solide ge-
wiïchten zijn wijd en goed gesteld, krachtig gebouwd met sterke pezen
en in verhouding tot de zwaarte van het dier fijn, vooral de onderpijp.
De huid is niet zeer fijn, eerder dik, maar zacht, veerkrachtig, rekbaar
en met fijne korte haren bezet, die bij den stier van kop en hals dikwijls
gekroesd zijn. Het edel gefokte, echte Simmendaler vee neemt, wat even-
redigheid van vormen, sierlijkheid en fijnheid aangaat, de eerste plaats
onder het Zwitsersche vee, ja misschien wel onder al het vee in Europa, in.
Deze beschrijving van het lichaam geldt voor die Simmendaler runderen,
welke in lateien en den laatsten tijd uit den nauwlettenden aanfok van
oordeelkundige fokkers voortkwamen. Deze fokkers zagen steeds duidelijker
in, dat niet alleen de grootst mogelijke lichaamszwaarte het doel der fokkerij
moest zijn. en dat de geschiktheid voor den arbeid niet uitsluitend van
grove beenderen en massieve pooten afhankelijk waren. Zij herkenden
met een helderen blik, dat de fijnheid der dieren, hunne melkrijkheid op
alle wijzen bevorderd moest worden en verstonden het, door eene juiste
keuze van de fokdieren en vooral van den stier, deze bij de teelt voorop-
gestelde eigenschappen steeds te doen toenemen en zoo het bovenbeschrevene
Simmendaler rund aan te fokken. De dikke, hoog ingeplante staartwortel,
de zware, grove huid, de zware hoornen, de dikke pooten verdwenen
langzamerhand, en wij zien nu een dier, waarvan met roem gezegd kan
worden, dat het zware, schoone lichaamsvormen op de gunstigste wijze
met alle gebruikseigenschappen, melkgeving, vetmesting en geschiktheid
-ocr page 158-
\\-.ix
voor den arbeid, vereenigt. Waar vroeger gezegd moest worden, dat de
melkopbrengst kwantitatief slechts middelmatig was, kwalitatief echter
voortreffelijk, daar kan de Simmendaler fokker nu zijn vee een goed
melkvee noemen en zal ik in het aanhangsel aan dit werk melding maken
van melkopbrengsten. die zulks bewijzen. Toch moet ik er steeds weer
opmerkzaam op maken, dat zulks alleen geldt voor echt Simmendaler vee
van goede, oordeelkundige fokkers. Dit fokplan, waarbij fijnheid van
vormen en melkrijkheid in de eerste plaats in het oog worden gehouden,
vindt overigens algemeen steeds meer bijval en wordt ook door den staat
het meest begunstigd. De groote raad van het kanton Bern besloot, zoo
ik mij niet vergis in 1876, dat bij de bekrooningen van het rundvee,
zooals die toen gehouden werden, in \'t bijzonder gelet moest worden op
de melkrijkheid van het dier en dat voor rijstieren hoogere prijzen moesten
worden gegeven. Tot dit doel geeft het bestuur jaarlijks nog 15000 francs
bij de reeds gegunde 40000 francs, zoodat nu jaarlijks voor bekroningen
55000 francs worden uitgetrokken. Dit geld wordt genomen uit de vee-
vergoedingskas, die men gevormd heeft uit de gelden die men voor de
gezondheidspassen heeft ontvangen, waarvan elke kooper verplicht is een
te nemen voor elk stuk vee, dat hij koopt, zooals ik vroeger reeds mededeelde.
Zoo werkt men allen hier eendrachtelijk te zamen, het eenmaal als
goed erkende doel te bereiken en de Zwitsersche fokkers zijn te goede
rekenmeesters en hebben ijver en energie genoeg, dan dat zij niet alles
in het werk zouden stellen de groote voordeden deelachtig te worden, die
hun met deze wijze van fokken in de toekomst tegenblinken. Ik oordeel
de gelegenheid hier gunstig, eenige mededeelingen te doen uit een verslag
van het jaar 1873, omtrent de in November van dat jaar gehoudene
zwitsersche tentoonstelling van vee en zuivelproducten. Het verslag is
van de hand van eene bekende autoriteit op dit gebied, van den hoog-
geèerden heer professor Dr. M. Wilckens. — De geëerde schrijver zegt
daar bij de vergelijking der verschillende veeslagen van Zwitserland het
volgende: Beschouwen wij nu ieder ras afzonderlijk, zoo vinden wij in
vergelijking met vroegere tentoonstellingen bij het bonte vee de meeste
blijken van vooruitgang. De vormen van het bonte vee zijn evenrediger
geworden en indien ook de hooge inplanting van den staart en de grove
beenderen van het oude roodbonte Simmendaler ras altijd nog bij enkele
dieren van het verbeterde ras terugkeeren, zoo is toch verreweg het
grootste aantal der ten toon gestelde dieren of geheel vrij van deze ge-
breken of men neemt duidelijk het teruggaan dezer onvolkomenheden in
-ocr page 159-
139
den vorm waar. Gebrekkige dieren van dit soort zijn bij de bekroning
natuurlijk niet in aanmerking gekomen en het streven om evenredige
vormen te verkrijgen is bij de fokkers van dit bonte vee niet te miskennen,
evenmin dat de wijze van bekronen op goeden grondslag berust.
De beste en door bekroningen onderscheidene dieren vertoonden een
betrekkelijk langen en smallen kop met hoornen van gemiddelde lengte,
middellangen kossem, breede borst en volle schouders. De matig gewelfde
schoft, de rechte rug en het breede kruis lagen in dezelfde lijn. De aan-
zetting van den staart was een weinig verheven, bij goed gevoede dieren
met vet omgeven, als bij de »Shorthorns". De schenkels waren vol en
rond, het achterstel betrekkelijk breed en recht, als bij goede werkpaarden,
de spronggewrichten zeer krachtig. De huid was dik, zacht en ruim,
het haar wat grof en in overeenstemming met de ruwe behandeling op
de alpenweiden. De haarkleur was meest vaalbont. Aan de koppen der
vrouwelijke dieren had het wit de overhand. De muilspiegel der vaal- of
roodbonten was steeds bleek rozenrood; als de huidkleur geel was, vond
men enkele gele vlekken op den muilspiegel.
Alles in alles genomen, hebben wij op de Weintelder tentoonstelling
de overtuiging gekregen, dat het verbeterde Simmendaler ras in korten
tijd met het Shorthorn vee zal kunnen concurreeren wat de vetmesting be-
treft, en deze, wat de hoeveelheid en de hoedanigheid der melk betreft, verre
zal overtreffen. Wij hopen, dat de voorname Simmendaler fokkers op de
eerstkomende Bremer vee-tentoonstelling niet afwezig zullen blijven en
twijfelen er niet aan, dat zij daar den strijd met de fokkers van Shorthorn-
vee roemrijk zullen doorstaan. Voor de rundveeteelt in Duitschland is de
verbeterde Simmendaler fokkerij zonder twijfel van meer belang dan de
Shorthorn fokkerij en wij willen onze landlieden hiermee daarop opmerk-
zaam maken.
Wij kunnen het melkbedrag van eene goed gefokte koe op 2400 tot
3200 liter per jaar stellen, doch zijn ook hoogere bedragen 3500 liter
en meer niet zeldzaam; de hoedanigheid van de melk is uitstekend; men
rekent naar gelang van het jaargetij en van het voedsel van 10 tot 12
liter melk voor een pond boter.
Het gewicht der volwassen dieren bedraagt bij een stier 900 tot 1000
Kilo, gemest 1200 Kilo, bij de koeien 700 tot 800, gemest 900 tot
1100 Kilo.
De aanleg voor vetgroei is goed; ook hieraan komt de nieuwe wijze
van fokken, waarbij de grove en zware beenderen, voor zooverre zulks
-ocr page 160-
140
bij runderen, die op de steile alpen hun voedsel zoeken moeten, mogelijk
is, ten goede. Het vleesch is malsch en smakelijk.
Als trek vee is het uitmuntend: Zuid-Duitschland heeft zijne meest
gezochte trekossen hoofdzakelijk aan kruisingen met Simmendaler spring-
bullen te danken.
De gezamenlijke voordeelaanbrengende eigenschappen van het Simmen-
daler rund zijn in hun geheel zoo voortreffelijk, al moge ook de melkrijkheid
op zich zelf door de laaglandsche rassen en de vetgroei door het Short-
hornras overtroffen worden, dat, zooals de ondervinding mij heeft geleerd,
geen ras kan worden geleverd, dat al de gebruikseigenschappen op zoo
gunstige wijze in zich vereenigt. Over de grootte en zwaarte geven de
achterstaande tabellen de noodige ophelderingen.
Het Simmendaler vee acclimatiseert in de vlakte bij stalvoedering
uitstekend, de overerving is zeer zeker, en behoudt bij eene verstandige
voeding onverzwakt al zijne gebruikseigenschappen. Het is geen armelui\'s
vee, dat zich in zulke bekrompene omstandigheden kan schikken als b.v.
het Angeler vee, maar verlangt ook volstrekt niet meer of beter voedsel
per 100 pond lichaamsgewicht, dan ieder ander bruikbaar ras. Reeds
het uitgestrekte verbreidingsgebied, dat zich dit vee reeds sedert jaren
overal veroverd heeft, bewijst, dat de fokkers algemeen met de acclimati-
satie en de eigenschappen tevreden zijn.
De cultuur der alpen in het Simmendal behoort tot de besten in
Zwitserland. Daaraan wordt de meest mogelijke zorg besteed en er wordt
vlijtig gewerkt alles wat schadelijk is, zooals steenen, alpenrozen, jenever-
bessen, heibessen, zware struiken en onkruid zooals brem, bezemrijs,
biezen, rietgras, wolfswortel enz. te verwijderen. Mest en gier worden
verzameld en op doelmatige wijze voor de bemesting dei\' graslanden ge-
bruikt. De afwatering laat te wenschen over, zij is ook veel moeilijker,
dan men wel zou meenen. De opene slooten moeten eene belangrijke
glooiing, van 40 a 50° hebben, wil men ze niet direkt weer verslijkt
hebben en wanneer ze ook nog zoo goed aangelegd zijn, worden ze toch
spoedig door het vee weer vertrapt. Draineerbuizen kunnen wegens de
duurte van het transport niet aangebracht worden. Voor eenvoudige,
maar goede sennhutten met voldoende stalling en goed water is overal
gezorgd, en eene huishoudelijke orde wordt men overal gewaar, die het
bewijs levert dat de nijvere fokker alle voorwaarden voor het gedijen van
zijn vee naar zijne beste krachten tracht te vervullen. Het toonbeeld
eener alpenweide is de aan mijn ouden vriend den grootraad Samuel Anken
-ocr page 161-
141
toebehoorende, zoogenaamde »Hohlass", 1900 meter boven den spiegel
der zee; deze is in twee afdeelingen verdeeld; de eene ter beweiding in
het voorjaar en najaar, de andere voor den zomer, Juli en Augustus.
Deze voortreffelijk onderhoudene alpenweide levert een heerlijk voedsel,
ligt zeer beschut en kan in alle opzichten als eene modelweide worden
aangemerkt. De twee sennhutten bieden na het lange ingespannen stijgen
een aangenaam oponthoud en menig aangenaam uurtje hebben wij daarin
reeds doorgebracht. Op een vooruitspringend punt heeft de eigenaar een
allerliefste belvedère gebouwd , vanwaar men een heerlijk uitzicht op het
levendige, schöone Opper-Simmendal heeft. Naast den Hohlass behooren de
Seeberg, Rinderberg, Mattenberg, Seewlen , Gestellten en Meienberg, alle
2000 tot 2300 meter hoog, tot de beste alpen weiden.
Geven de alpen in den weidetijd een heerlijk voedsel, zoo woivlt in
het dal door eenen uitstekenden voederbouw gedurende den weidetijd voor
voldoende wintervoer gezorgd; de weelderige groene grasvlakten lachen
ons overal tegen.
De aanfok is overal in het Simmendal het hoofddoel der fokkerij,
zuivelbereiding meer bijzaak. Des zomers wordt meestal vette kaas, des
winters magere kaas en boter gefabriceerd; 1 kilo kaas kost naar kwaliteit
4 a 2 francs, heele oude (5 tot 20 jaar) zeer vette hubel- of wrijf kaas
per kilo 3 francs 40 centimes en meer. De prijs der boter varieert van
4.80 francs tot 2.60 francs per kilo, al naar kwaliteit en vraag.
De vaarsen, in Zwitserland runderen genoemd, worden niet voor hun
tweede jaar bij den stier (in Zwitserland »Muni") gebracht; men wil door
de drachtigheid den groei niet tegengaan. De stier daarentegen wordt
reeds met 41 jaar tot dekken gebruikt en helaas hoogst zelden langer
dan een jaar gebruikt. Ik beschouw het als een groote fout, dat de
fokkers slechts met jonge, nauwelijks goed lijpe stieren werken, en houd
het voor elke fokkerij van het meeste belang en het voordeeligste, dat
men een beproefde rijstier zoolang als maar eenigszins mogelijk is, gebruikt.
De meeste kalveren worden geboren in den tijd van December tot
ultimo April en aan het opfokken de meest mogelijke zorg besteed. Het
kalf wordt onmiddellijk na de geboorte bij de moeder weggenomen en met
de moedermelk gedrenkt. Voor het drenken bedient men zich in den
eersten tijd van een bekken met een plat houten zuigpijpje van circa
20 cM. lengte en ter dikte van een speen. De zuivere melk wordt meestal
46 weken lang (dagelijks circa 9 liter) gegeven, dan wordt er wat water
bijgegoten, de room er afgenomen, ook karnemelk bijgevoegd, totdat het
-ocr page 162-
142
kalf\' minstens 25 weken, het voor tien aanf\'ok bestemde stier- (muni-)kalf
minstens 40 weken oud geworden is. Behalve melk krijgt het kalf van
de 16e week af aan nog wat hooi en wat haver.
Üe weidegang in het dal en op de vooralpen begint in Mei, duurt
3 a 4 weken; dan gaan de dieren trapsgewijze naar de hooger gelegene
alpenweiden, blijven 8 tot 12 weken op de hoogste alpen en keeren op
dezelfde wijze in de maand October in het dal terug. In den winter
krijgen de dieren niets dan hooi en etgroen, zuiver water om te drinken
en een weinig zout. Zout geeft de veehoeder het vee ook op de alpen-
weide; hij heeft het in een lederen zak en de dieren komen naar hem
toe en ontvangen het uit zijne hand. Door dit zoutlikken uit de hand en
eene steeds vriendelijke behandeling is al het vee in Zwitserland zoo
vertrouwelijk jegens de menschen, als men maar zelden vindt.
De stallen zijn meestal goed ingericht en worden goed geventileerd;
deze ventilatie is aan de zoldering van den stal aangebracht, omdat het
vee anders last van tocht zoude hebben. Iedere veehouder van eenig
belang heeft zijn eigen fokstier; ook houden de gemeenten dikwijls buitendien
nog een fokstier, maar meestal geven de gemeenten den houder van een
fokstier nog belangrijke bijdragen, tot 150 francs, voor het houden daarvan.
Aan dekgeld wordt 2 tol 5 francs betaald.
Ook de Simmendaler fokkers hebben aan het Zwitsersche stamboek
geen deel genomen, maar in 1879 een eigen stamboek voor het Simmen-
daler vee opgericht. De hoofdvoorwaarde voor de opname is absolute
zuiverheid van ras en fraaie vormen, met het blijkbare doel, zoowel de
melkrijkheid als de geschiktheid voor den arbeid en de vetmesting tot de
hoogste ontwikkeling te brengen; grove dieren worden niet opgenomen.
De kleur moet zijn vaal- (geel-) of rood bont, verder zuivere pigmenten ,
waarbij echter bruine vlekken, zoo ook bruinachtige kleur der lipharen, niet
als teeken voor onzuiver ras gelden, wel iedere zwarte tint. Buitengewoon
streng wordt er gehandeld bij de opname van fokstieren, die door ervaren
fokkers voor hunne fokkerijen met pijnlijke zorgvuldigheid worden uitgezocht.
Zeer belangrijk zijn de onderzoekingen van den Heer Ernst Kramer,
over de voedingswaarde van het hooi der alpenweiden. Hij schrijft daar-
over in de »Schweiz. landw. Zeitschrift" en trekt uit deze onderzoekingen
de volgende resultaten.
»1. Het proteïnegehalte van het alpenhooi overtreft dat van het beste
hooi uit de dalen; zelfs in de streek der Hoog-alpen is dit nog hooger
dan bij het hooi uit de waterige weiden in het dal.
-ocr page 163-
14:*
2.   Het gehalte ruwe vezelstof is vooral bij het hooi der Hoog-alpen
veel geringer; het daalt hier beneden het minimum gehalte ruwe vezelstof
van het tederste en vroeg gemaaide hooi der dalweiden. Rij het laatst-
genoemde vinden wij 19 proc. vezelstof, bij het eerste 17.22. 18.97 en
zelfs 16.70 proc. Ook het hooi der Midden-alpen toont een lager gehalte
aan vezelstof.
3.    Het vetgehalte is zeer belangrijk en wordt verhoogt door de in
de aromatische kruiden voorkomende etherische oliën.
4.  De hoeveelheid voedende bestanddeelen is grooter dan in het hooi
dei\' dalen. Het grootere proteïne en geringere vezelgehalte, zoo ook de
in verhouding grootere hoeveelheid stikstofvrije extractiefstoffen, laat zich
op de volgende wijze verklaren:
a.   De groeiperiode is op de alpen korter, waardoor eene geringere
hout- en kurkvorming. Op grond van nauwkeurige waarnemingen berekent
men den groeitijd op eene hoogte van 4000 voet op 200 dagen, bij
0000 voet op 132 dagen, bij 8000 voet op 92 dagen.
b.   Bij hoogere ligging verkorten zich de internodien aan den stengel.
daaruit volgt eene relatieve vermeerdering van het getal bladeren (naar de
door prof. Dr. Kerneis aan papilionaceen gedane waarnemingen).
c.   In de hooger gelegene alpenstreken groeien een veel grooter aan-
tal planten, die ook in den winter groen blijven, zooals Carex semper-
virens, Dapline striata, Gentiana acaulis, Globularia nudicaulis, Primula
auricula, Homogyne alpina enz. In deze wintergroene bladeren worden
de reservestofïen opgegaan!, die den volgenden zomer onmiddellijk na het
smelten van de sneeuw voor den opbouw van den bloemstengel, de
bloesems enz. gebruikt worden. Zelfs de Glumacee, die dikwijls het hoofd-
bestanddeel van het gras vormt (carex sempervirens) heeft wintergroene
bladeren. Dat door zulke planten het proteïne-gehalte van het hooi zeer
vermeerderd wordt, spreekt van zelf.
d.   In de hooger gelegene streken zijn planten niet melksap dikwijls rijk
vertegenwoordigd en deze verhoogen zonder twijfel de waarde van het
gras. Daartoe behooren: Crepis grandiflora en aurea, Hieracium alpinum
en aurantiacum, Leontodan hastilis en pyrenaicus, Gampanula barbata
en scheuchzeri, Hypochoeris helvetica enz.
Wat de vraag betreft, of het mogelijk zoude zijn door verplanting
van alpenkruiden in de dalen de kwaliteit van het gras daar te verbeteren,
zoo twijfel ik er volstrekt niet aan, dat planten, uit hoogere streken
naar lagere overgebracht, acclimatiseeren en goed gedijen zouden; daaren-
-ocr page 164-
144
tegen ben ik geneigd, het vermoeden uit te spreken, dat het gehalte aan
voedende bestanddeelen door zulk eene verplanting eene belangrijke wijzi-
ging zoude ondergaan. Professor Dr. Kerner deelde mij mede, dat hij
had waargenomen, dat aromatische kruiden uit hoogere streken naar de
dalen overgebracht, veel aan aroma verloren. Men kan vooruit reeds
voorspellen, dat ook de tijd, die de plant voor zijne ontsvikkeling noodig
heeft, langzamerhand langer wordt, de hout- en kurk vorming van den
stengel zou toenemen. In dat geval hadden wij door zulk eene ver-
planting zoo goed als niets gewonnen".
Thans blijft mij nog over, het verbreidingsgebied van het Simmen-
daler vee in het kort op te geven en vinden wij in de eerste plaats de
kantons Bern, Solothurn, Basel, Aargau, Thurgau, Schaffhausen, Neuen-
burg, als vaste koopers van het beste vee van dit slag, terwijl ook
Luzern, Zurich en St. Gallen hunne koopers zenden.
In het groothertogdom Baden wordt de teelt met Simmendaler vee
op ruime schaal toegepast; het duidelijkste zien wij dit in het jaarlijksche
verslag van het groothertogelijk Badensche Ministerie van Koophandel van
het jaar 1873, het luidt als volgt:
y>Baden. Omtrent de belangrijke uitkomsten van de inspectiën van
springstieren (farren) gedurende de laatste vier jaren geeft ons het jaar-
lijksch verslag van het groothertogelijk Ministerie van Koophandel van het
jaar 1873 een zeer belangwekkend overzicht, volgens hetwelk in het
jaar 1873 van de 4327 bij de inspectie van springstieren onderzochte
stieren 3922 stuks bruikbaar bevonden en 405 stuks afgekeurd werden.
Eigendom der gemeenten waren 3218 stuks en 1109 stuks behoorden aan
houders van springstieren. Door de gemeenten werden onderhouden 914
stuks, door de houders van springstieren 3413 stuks.
Naar rassen verdeeld, waren er
echte Simmendaler.....1158
gekruist Simmendaler .... 785
echte Rigi stieren...... 138
gekruiste Rigi stieren . . . . 117
andere vreemde rassen ...        40
springstieren van het landras . 2018
Met recht wordt het als een werkelijke vooruitgang en verbetering
van de veeteelt in Baden beschouwd, dat men hier het belang van eene
berekende, volgens een bepaald plan werkende fokkerij steeds meer leert
waardeeren en dat men in plaats van de verschillende vroeger aanbevolene
-ocr page 165-
145
kruisingen zich nu tot eene enkele kruising bepaalt, n.1. van Simmendaler
runderen met het landvee. Het best wordt deze kruising toegepast in den
»Seekreits", in den omtrek van Messkirch (het Messkircher vee zal latei\'
nog afzonderlijk worden behandeld), Pfullendorf, Stockach, Engen enz. en
in den Boven-Rijnkreits aan den Rijn in den Kreits Waldshut. Bij gelegen-
heid van de van 15—23 Mei 1882 in het distrikt van de Landbouw-
vereeniging te "Waldshut in Baden gehoudene keuring van fokstieren werden
van de volgende zeven, ieder met den eersten prijs van 10 florijnen be-
kroonde bullen van het Simmendaler ras eenige maten genomen.
De spiïngstieren waren:
1.   van Dangstetten. . . 2 jaar oud.
2.     » dez......2} » »
3.     » Rheinheim ... 3 » »
4.     » Oberlauchringen . 3.1, » »
5.     » Dagern . . . . IA » »
6.     » dez......2 • » »
7.     » Walskirch ... 2 » »
De uitkomsten dezei
metingen waren als
volgt:
o
i
2
en
E
%
o
3
6
**
m
immers.
en hoornworte
et zitbeen.
den boeg tot
grond.
het borstbeen
en grond.
ter de schoud
er schouders,
tot achter hel
uderblad.
de schouders
t heupbeen.
het heupbeen
et zitbeen.
ichouderbreedt
pbreedte.
r zitbeenderen
•O JS
a
^
.s
^3 . O
0
.a
s
v
z,
Lengte van
aan
Hoogte van
de
Hoogte van
aan
Omvang ar
Lengte
Borstspits
sch
Lengte van
aan h
Lengte van
aan
Boeg- en
Wijdte d
cM.
cM.
cM.
cM.
cM.
cM.
cM.
cM.
cM.
cM.
1
205
135
55
200
35
79
49
54.5
53.5
29
2
206
144
59
218
39
88
55
62
56.5
29
3
204
145
62
210
32
81
55
59
56.5
33
4
208
142
60
219
38
93
53
66
64
35
5
195
120
61
177
30
68
48
49
51.5
27
6
178
123
52
173
28
70
48
47
49.5
27
7
191
133
58
188
32
75
43
52
49
24
10
-ocr page 166-
14fi
In het koninkrijk Wurtemberg is de fokkerij met Simmendaler stieren
ook zeer in zwang; als uitstekende reine fokkerijen zijn b.v. bekend die
van de landbouwschool Hohenheim, evenals die in Datternhausen, Oberamt
Rottweil en den kreits van het Schwarzwald.
De "Wurtembergsche veeslagen, het
Zwabisch-Hallische vee
in den Jaxtkreits, het noor<loostelijke gedeelte van het koninkrijk, ten
oosten van Heilbronn bij Zwabiseh-Hall, in denzelfden kreits bij Gaeldorf
aan den Kocher, Obersontheiin, Sulzbach, Gschwend, Ellwangen, het
Limpurger slag en het Teckslag
in den Neckarkreits bij Lauffen, Brackenheim, Klein-Gartach, Gaeglingen,
Kirchheim, Freudenthal enz. zijn allen met Simmendaler stieren gekruist
en er worden steeds nog runderen uit het Simmendal in Wurtemberg
ingevoerd.
In het groothertogdom Hessen vinden wij het Simmendaler vee in
Opper-Hessen op den Vogelsberg en aan de Nidda, in den kreits Lauter-
bach bij Uarmstadt en Biebesheim en in den kreits Erbach. De veearts
van dezen kreits, de Heer Renner te Reichelsheim in het Odenwoud,
schrijft over de teelt met het Simmendaler vee in den kreits Erbach
onder anderen:
»Hoewel het Simmendaler vee uitsluitend weidevee is, zoo groeit
het bij stalvoedering toch flink op, is matig en niet veeleischend
en gewent zich gemakkelijk aan de hier heerschende toestanden.
Het fijne Simmendaler vee heeft hier dan ook getoond een voor-
treffelijk veeslag te zijn; het is voor de veeteelt van Zuid-Duitsch-
land hoogst nuttig geweest."
Ook in de provincie Rijn-Hessen (groothertogdom Hessen) aan den
Rijn bij Worms tot Osthofen en Alzaij en in het graafschap Leiningen
bij Guntersblum enz. is het Simmendaler vee sterk vertegenwoordigd.
Wij vinden het verder nog in den Paltz (Rijn-Beijeren) en in Neder-Franken.
Wij lezen daaromtrent het volgende:
»De uitstekende uitkomsten der voortgezette kruising met Sim-
mendaler vee vielen op de Wurzburger veetentoonstelling zoo zeer
in het oog, dat deze wijze van fokken algemeen als de eenig prak-
-ocr page 167-
147
tische werd aanbevolen. Ook in Beijersch Neder-Franken verbe-
teren de koppels met den dag door opfrissching met Simmendaler
bloed; het aantal schapen wordt daar elk jaar minder.
In Midden-Franken fokken de distrikten Ansbach, Dinkelsbühl, Er-
langen, Markt, Erlbach, Feuchtwangen, Fürth, Gunzenhausen, Heiden-
heim. Heilsbronn, Hersbruck, Neurenberg, Rothenburg, Schillingsfürst,
Schwabach het Ansbach-Friesdorfer vee, dat in de volgende bladzijden
nauwkeurig zal worden behandeld en zijn ontstaan eveneens aan het Sim-
mendaler vee te danken heeft. Ook het Kehlheimer vee in Midden-
Franken, dat wij in de distrikten Altdorf, Beilngries, Eichstiitt, Gerding,
en Pappenheim aantreffen, wordt in den laatsten tijd met Simmendaler
vee gekruist om hierdoor het slag te verbeteren.
In Opper-Franken hebben de distrikten Bayreuth, Kulmbach, Hof
sedert vele jaren Simmendaler vee ingevoerd. Ook deze fokkerijen zullen
nader worden besproken,
Hieraan sluiten zich de districten Berneck, Pegnitz, Behau, Hallfeld
en Lichtenfels, waar wij het gevlekte vee deels naast het Scheinfelder, deels
naast het roode landvee aantreffen.
Verder vindt men nog op verren afstand een zeer belangrijk stam-
fokdistrikt van het Simmendaler vee in Hoog-Beijeren, in de omstreken
van Miesbach en Tegernzee, het vMiesbacher vee" dat later nog uitvoerig
zal worden behandeld, zoo ook het Pinzgauer vee in Pinzgau en Pongau
en het Kuhlander vee in westelijk Miihren bij Zauchtl en Stauding; beide
slagen hebben Simmendaler bloed in de aderen en hebben aan deze
inmenging hunne tegenwoordige waarde te danken.
In het koninkrijk Pruisen vinden wij uitstekende fokkerijen met
Simmendaler vee en dikwijls heeft men hier andere rassen en slagen, die
naai1 lichaamsvorm, productiviteit en gezondheid te wenschen overlieten,
met het beste gevolg met dit vee gekruist. Hetzelfde deed men in Oostenrijk
en Hongarije en overal heeft zich het Simmendaler vee goed geacclimatiseerd
en aan de verwachting beantwoord.
Het groote en nog gestadig in omvang toenemende gebied, waarover
het Simmendaler vee verspreid is, bewijst, dat de overtuiging, dat van
alle rassen dit het meest geschikt is, andere rassen te verbeteren, niet
eenzijdig is, maar algemeen gedeeld wordt.
Deze zoo algemeene overtuiging kan niet op vooringenomenheid ge-
grond zijn, maar op de uitstekende, een ieder in het oog vallende uit-
komsten. die bq de fokkerij met dit ras zijn verkregen en die onder de
40*
-ocr page 168-
148
meest verschillende omstandigheden steeds onverdeelde goedkeuring en
tevredenheid verwierven. Niet alleen de reine Simmendaler fokkerijen
buiten het Simmendal kunnen buitengewoon goede uitkomsten mededeelen,
ook de voortgezette kruisingen met Simmendaler springbullen, door wier
inwerking slagen ontstaan zijn, die eveneens algemeene waardeering mochten
vinden. Waar reeds bij de oude, minder zorgvuldige teelt in het Sim-
mendal zulke voortreffelijke resultaten verkregen werden, daar moet de
nieuwere veredelde fokkerij, die met betrekking tot de lichaamsvormen
het volmaakte tracht te bereiken, geen bijzonder belang voortrekt, doch
met het beste gevolg er zich op toelegde de geschiktheid voor melkgeving.
vetmesting en arbeid op de best mogelijke wijze in een dier te vereenigen,
nog een veel grooteren, zegenrijken invloed verkrijgen.
De prijzen zijn in het Simmendal weliswaar hoog, en moeten bij
de steeds grooter wordende vraag naar Simmendaler fokvee natuurlijk
hoog blijven. De Simmendaler fokkers betalen, om niet het beste uit
het land te doen gaan, voor uitstekend vee onder elkander 1400 tot
2000 francs en prijzen van 1000 tot 1200 francs voor goede ontwikkelde
dieren, behooren volstrekt niet tot de zeldzaamheden. Zulke prijzen en
nog veel hoogere hoorden wij slechts bij aankoopen van Shorthornvee
noemen en schenen, misschien wijl de dieren met veel ophef van de
overkant der zee naar hier gevoerd werden, gerechtvaardigd. Het bril-
lante uiterlijk van het kolossale Shorthornrund verblindde het oog en heel
de wereld was vol van zijnen lof. Voor rundvee van dit ras werden tot
nu toe ongekende prijzen besteed en de nymbus taande eerst, toen men
het dier nader leerde kennen. Verminderde melkopbrengst, herhaalde
dekking zonder te ontvangen, gustblijven, verwerpen der kalveren, kies-
keurigheid bij het voedsel, dit waren de klachten die er toe voerden, dat
de eene Shorthornfokkerij na de andere verdween en deze runderen
nimmer een grooten invloed hebben uitgeoefend. Slechts daar, waar vet-
mesting hoofddoel der veefokkerij is, handhaafde het Shorthornras zijn
welverdienden roem en zal dien blijven handhaven, doch voor geen dei-
andere belangen zal het ooit van eenige beteekenis worden.
Geheel anders is het met het Simmendaler vee gesteld. Bij dit vee ging
geen reclame vooruit, ook vond het nergens eene bepaalde vooringenomen-
heid; integendeel had het te kampen met het hoogst ongegronde voor-
oordeel der kamergeleerdheid: dat het gebergteras in de vlakte niet gedijt,
zich daar niet acclimatiseert, er snel ontaardt, dat eene paring van dit
vee met laaglandsch vee eenvoudig onzin is enz. enz. Het Simmendaler
-ocr page 169-
149
vee heeft aan deze vooroordeelen met roem weerstand geboden; het heeft
bewezen, hoe ongegrond ze waren. Hoe meer men het leerde kennen,
hoe meer men het leerde waardeeren en zijne deugden op prijs stelde.
Dat men voor dit vee hoogere prijzen betaalt, dan voor alle andere rassen,
geschiedt dus met meer recht, dan dat men het voor het Shorthornvee
doet; de resultaten eener langjarige praktische fokkerij toonden toch aan
hoeveel voordeel het eene of het andere ras den veefokker had opgeleverd,
welk ras spoedig en gestadig zich uitbreidde, en welk ras met eiken dag
meer aanhangers verloor.
Eenige opgaven omtrent de melkopbrengst van het Simmendaler vee
zijn hier mogelijk niet van belang ontbloot. In de sAlpwirthschaftl.
Monatsblattern" van 8 September 1882 worden de volgende melkop-
brengsten van Zwitsersch vee medegedeeld.
I. Simmendaler ras, bontvee, (Kanton Bern).
a. 1876. Waldau (krankzinnigengesticht bij Bern), 28 koeien.
;oe dagelijks.
10,7 KG.
» jaarlijks .
. 3920,0 »
» »
. 3260,5 »
» »
. 5270,0 »
»
»
»
»
Laagste
»
»
»
Hoogste
»
»
»
Gemiddeld bedrag dagelijks van eene koe in de verschillende maanden.
Januari
.... 10.4 KG.
Juli. . . .
. . 12,6 KG
Februari
.....9.9 »
Augustus .
. . 10,2 »
Maart.
.....11.8 »
September.
. . 8,9 »
April .
.... 12.1 »
October
. . 9,7 »
Mei. .
.... 12.6 »
November.
. . 10,1 »
Juni .
.... 12.9 »
December .
. . 9,0 »
b. Landbouwschool in de Rütti bij Bern.
Aantal
koeien.
1872. Gemiddeld bedrag der melk per koe dagelijks 23
8
2920
1460
4380
KG.
» » » jaarlijks
Laagste
Hoogste
-ocr page 170-
150
Aantal
koeien.
dagelijks
26
8,1
KG
jaarlijks
3010,2
n
»
1164
)>
»
4103,5
ii
dagelijks
\'20
8,6
ii
jaarlijks
3044
»
i
1569
»
»
4419
>i
dagelijks
8,5
*
jaarlijks
3110
»
»
2264
>)
»
4248
»
dagelijks
7,75
»
jaarlijks
2840,5
»
»
1189,5
»
»
4026
o
dagelijks
7,8
»
jaarlijks
2844
»
»
1752
*
\'»
4124
»
dagelijks
8,1
»
jaarlijks
2969
»
1
1095
ii
»
4015
»
1873. Gemiddeld bedrag der melk per koe dagelijks
»
»
»
»
Laagste
•
1
1
Hoogste
>i
»
11
1874.
Gemiddeld
»
>1
»
>
l
»
1
Laagste
»
»
»
Hoogste
»
>1
il
1875.
Gemiddeld
»
»
11
»
1
»
»
Laagste
i
»
»
Hoogste
a
»
»
1870.
Gemiddeld
ii
11
»
»
»
»
»
Laagste
8
1
»
Hoogste
»
»
»
1877.
Gemiddeld
»
11
»
»
B
»
»
Laagste
»
1
»
Hoogste
t
»
»
1878.
Gemiddeld
»
)>
»
»
1
>
B
Laagste
»
11
il
Hoogste
1
»
»
Gemiddeld in 7 jaar van een koe dagelijks 8.4 KG.
In het Solothurner genees- en herstellingsoord Rosegg verkreeg men
eene gemiddelde opbrengst over 5 jaren (1872 tot 1876) van 14 Simmen-
daler koeien dagelijks 9 KG. en 3285 KG. per jaar.
Verder deelt de Heer Jettinger, ambtenaar bij de rekenkamer te
Dotternhausen, in het «Württembergsche Wochenblatt für Landwirt-
schaft" van den 12en December 1880 nadere bijzonderheden mede omtrent
de melkopbrengsten van het daar rein gefokte Simmendaler vee. Hij
bemerkt daarbij, dat het hoofddoel der veehouderij niet de melkopbrengst
maar de fokkerij was, en dat de melk niet verkocht, maar tot boter
verwerkt werd. Jettinger zegt dan verder:
Hieruit volgt als regel voor de veehuishouding:
-ocr page 171-
151
1.   dat de voeding de natuurlijke zoo veel mogelijk moet nabij-
komen, met uitsluiting van het zoogenaamde kracht voeder;
2.  dat koeien met waterige melk hier niet gewenscht zijn.
Daar men nu echter sedert jaren bij de fokkerij hoofdzakelijk de
melkproductie in het oog gehouden heeft, zoodat slechts koeien van middel-
matige grootte met daarmee overeenstemmenden lichaamsbouw en fijne huid
aangefokt werden, kon men langzamerhand toch wel een stam aanfokken,
die ten opzichte der melkproductie aan hoogere eischen voldeed. En hierin
is men dan ook volkomen geslaagd; slechte melksters komen onder het
nageslacht hoogst zeldzaam voor en vele dieren zijn, wat de melkopbrengst
betreft, tot die grens gekomen, welke zonder nadeel voor hare geheele
organisatie en de geschiktheid voor de teelt niet kan worden overschreden.
De melkopbrengst is in 5 jaren (1875 tot 1879) van 20 koeien
gemiddeld geweest:
1875.....2627 liter.
1876.....2596 »
1877 ..... 2446 »
1878.....2523 »
1879.....2513 »
Het gemiddelde over deze 5 jaren 2541 »
De beste koeien van de genoemde 20 hebben in bovenstaande jaren
de volgende hoeveelheden melk geleverd:
GEMOLKEN [N DE .IARE
S\':
1879
KOEIEN.
1875 1876 1877
1878
AANMERKINGEN.
LITER:
Annele geboren 1864 . .
2970
2890
1837
—
—
Nichte » 1865 . .
3015
3501
2787.
2278
—
Gretel » 1871 . .
2288
3104
3440
3417
3482
Wölfle » 1872 . .
2847
2476
3154
2817
3335
Straus uit Simmendal gek
—
3487
2907
3227
2376
Blum geboren 1874 . .
—
—
2445
2424
3379
Junker » 1875 . .
—
—
—
3093
3299
Zollerin » 1876 . .
—
—
—
—
2737
-ocr page 172-
152
In den zomer bleven de koeien tot laat in den herfst in de wei
zonder eenig ander voedsel te ontvangen; in den winter werd hun slechts
hooi met een weinig stroo voorgelegd; de nieuwmelkende koeien alleen
kregen dagelijks nog 10 KG. koolrapen.
Indien, zoo zegt Jettinger aan het slot, in Wurtemberg de meening
heerscht, dat het bruinvee (Rigi, Montafunen enz.) wat de melkgeving
aangaat, de voorkeur verdient, dan ligt dat slechts daaraan, dat men
dit vee uit streken nam, waar melkopbrengst hoofddoel der veehouderij
is, terwijl men bij aanschafling van het Simmendaler vee slechts op
lichamelijken omvang lette. Daar nu bij elk ras goede en slechte melk-
geefsters zijn, moest, daar men zoo de keus der fokdieren bepaalde, de
melkrijkheid van het Simmendaler vee wel geringer zijn.
Van de Veeartsenijschool te Berlijn. De Heer professor Dr. Roloff,
geheim medicinaal raad, Directeur van de veeartsenijschool te Berlijn
voor het onderwijs in de rassenkunde aan deze inrichting, heeft door mijne
bemiddeling dieren van de verschillende rassen aangeschaft. Het zijn allen
dieren met sterksprekende raskenmerken, voorbeeldig schoon, die op initia-
tief van den Heer geheimraad professor Dr. Settegast voor het museum
van landbouw afgebeeld zijn geworden. Hier onder Nederlandsche, 01denburg-
sche, Wilsterlandsche, Schwijtzer, Allgauer, Harzer, Shorthorn, Schijnfelder,
Voigtlandsche rassen is de Simmendaler mee een van de melkrijkste dieren.
Op deze veehouderij van de veeartsenijschool kom ik nog terug en
noodig dan den lezer uit, daar vergelijkingen te maken.
Verder gaven bij den Heer vox Strombeck in Vorsfelde, Simmendaler
koeien 3680—4000 liter melk per jaar. Professor Dr. Wilkens, te
Weenen, geeft het gemiddeld bedrag per dag en per koe aan op 7.32 liter,
de rijksgraaf von Torring, te Jettenbach, van 56 Simmendaler koeien
van zijne Pertensteiner kudde op 8 liter, in Bernbach op 7 liter. Perten-
stein en Winhöring bij Traumstein hebben een goeden bodem, weelderige
klaver en gras, Pörnbach bij Ingolstadt een schralen bodem en de groei
van het gras is daarmee in overeenstemming.
De Heer Ristow, eigenaar eener ridderhofstede te Wisbuhr, regeerings-
distrikt Cöslin, schreef mij:
Ik heb uitstekend gelegenheid tot vergelijking van de zware Neder-
landsche koeien met het Simmendaler vee, daar beide rassen door elkander
staan en hetzelfde voeder krijgen, dat uit lang hooi en zomerstroo bestaat,
waar per koe nog 2 schepel aardappelen aan toegevoegd worden. In
melkopbrengst staan beide rassen gelijk, nieuwmelkend 18—20 liter; ook
-ocr page 173-
153
heb ik bij beiden koeien, die doorgemolken worden; wat echter de voeding
betreft, overtreffen de Simmendalers verre de anderen, waarbij nog komt
de fraaie, onberispelijke bouw van het lichaam, dat ook voor de vet-
mesting aanleg heeft en zoo bijzonder geschikt voor den arbeid schijnt,
waartoe ik mijne half afgemolken koeien tegen den herfst denk te ge-
bruiken, als wanneer er zooveel werk te verrichten is.
Een fokstier en melkopbrengsten van de Sassiner-
Simmendaler koppel.
Reeds meermalen is er op gewezen, dat het spoedig buiten gebruik
stellen van fokstieren niet in overeenstemming is met de grondstellingen
eener rationeele fokkerij en de noodzakelijkheid om er toe over te gaan,
dikwijls uit eene verkeerde behandeling van het dier ontstaat. Dat het
tegendeel zeer goed mogelijk en uitvoerbaar is, blijkt uit een bericht van
den directeur Schatzmann te Lausanne, medegedeeld in de „Schweize-
rischen Landw. Zeitschr." over een rijstier van het Simmendaler ras, die te
St. Urban in het jaar 1868 door den vrij heer von Balz te Sassen in
Hongarije gekocht en van dien tijd af tot 1879, dus voluit 12 jaar voor
de fokkerij gebruikt is. De Sassiner koppel bestaat uit Beiner roodbont
vee, dat zwaar en vol gebouwd, (waarvan intusschen het beendergestel
in den laatsten tijd werkelijk fijner geworden is) en zeer melkrijk is.
De koppel telt 70 koeien en 2 stieren, de eersten met een gewicht van
11—16 ctr. en eene melkopbrengst van gemiddeld 3220 liter (enkelen
tot 4760 liter), de kalveren wegen bij de geboorte 40—50 KG., bij
aflevering 200—300 pond.
Voor deze koppel werd 1868 — na vele andere pogingen — de
aanschaffing van een Simmendaler stier van echt ras, onvermijdelijk ge-
acht, waarom bovengenoemde stier aangekocht werd en den naam »Tell"
ontving. Het dier, toen 1J jaar oud — geboren in Maart 1867 — stamt van
ouders van hetzelfde type, had in 1868 op de Lucerner kantonale vee-
tentoonstelling den eersten prijs verworven en in Langenthal (Zwitsersche
veetentoonstelling) eveneens een prijs van 200 fr., welken prijs het vooral
aan zijne vormen en maatverhoudingen te danken had.
Metingen
Metingen
1868.
1879.
130 cM.
148 cM
191 »
240 »
196 »
250 »
Rechtstandige hoogte schoft .
Omvang achter de schouders .
Lengte (achterhoofd tot staart wortel)
-ocr page 174-
154
Naar verhouding dezer getallen was ook het gewicht langzamerhand
toegenomen, waarbij op te merken valt, dat eene te rijkelijke voeding
streng vermeden werd, ten einde het dier zoo lang mogelijk voor het
doel te behouden.
Lichaamsgewicht:
1874: 4092 KG.
                           4875: 4 4 48 KG.
4872: 4072 •                             4876: 4400 >
4873: 4092 »                             4877: 44 35 a
4874: 4434 »                             4870: 4440 »
Ofschoon hij reeds op den leeftijd van 41 jaar gebruikt werd, trad
zijne volle bruikbaarheid eerst in, toen hij voluit 2 jaar oud was en be-
hield hij deze, zooals reeds gezegd ia, 42 jaren lang. Er zijn van deze
stier gevallen 203 stuks, namelijk 88 stierkalveren en 445 koekalveren
met een gewicht van 44.4—68 KG. bij de geboorte. Eene hoofdeigen-
schap van den »Tell" — de overerving der fraaie lichaamsvormen en der
melkrijkheid — staat in zijne afstammelingen belichaamd voor oogen,
waarvan de mannelijke dieren zich tot een gewicht van 1024 KG. ont-
wikkelden (een derzelven, Uri, heeft op de Weener tentoonstelling in 4873
den Hamburger prijs van 500 francs verworven); de vrouwelijke nakome-
lingen werden tot 640 KG. zwaar. De melkproductie is zeer bevredigend,
voor een deel uitmuntend, hetgeen uit de volgende opgaven van gemid-
delde jaarlijksche hoeveelheden blijkt:
N". 222        3290 liter.                 N°. 292        4049 liter.
244
4497
255
4406
273
4307
» 307
3790
» 334
3265
» 344
3244
Deze stamhouder van de Sassiner koppel is den 3™ Januari 4882
buiten dienst gesteld en aan de slachtbank overgeleverd, daar hjj eene
ziekte (Ablagerungen) aan alle vier pooten kreeg. Bij de gehouden sectie
bleek dat alle zijne vitale organen nog in volmaakt gezonden toestand
verkeerden. Dr. Schatzmann heeft zich nauwkeurige opgaven omtrent de
voeding en verpleging van den »Tell" verschaft, die op het volgende
neerkomen:
Als voedsel ontvangen de rijstieren per hoofd en per dag: haver
1,8 KG. (2 liter), hooi 2,0 KG., stroo 2,0 KG. en zout 7 dkgram. Zij
worden, evenals de koeien, 3maal daags gevoederd en dikwijls gedrenkt.
Daar het drinken zich op de groote loopplaats voor de koeien bevindt,
-ocr page 175-
155
wordt de stier daar J—1 uur gelaten, om beweging te nemen. Het vee
wordt 2maal daags schoongemaakt, en zulks met de meest mogelijke zorg,
evenals goed verzorgde paarden, want reinheid en zindelijkheid zijn hoofd-
vereischten bij de veeteelt en de veehouderij: «goede zorg is \'t halve
voedsel". Verder voeg ik nog hierbij, dat de stieren slechts nu en dan
groen voeder krijgen, wat dan tevens als een licht purgatief dient. Een
stier springt maar eens per dag, want ik heb de ondervinding opgedaan,
dat dit eene hoofdvoorwaarde is om de dieren lang te bewaren. Gewoonlijk
worden de rijstieren overvoerd, wijl men gelooft dat deze zware dieren
veel voer noodig hebben. Een stier, die matig gebruikt wordt, heeft
niet meer dan IJ maal liet voedsel noodig dat hij voor zijn eigen onder-
houd behoeft, eene goede melkkoe 2—2Jmaal deze hoeveelheid, omdat
zij veel moet opleveren. Moet de stier buitengewoon veel dienst doen,
dan geve men hem wat meer haver, echter geen hooi!
Uit deze mededeelingen omtrent de wijze, waarop een fokstier moet
worden gehouden en behandeld, welke wijze door eene lange reeks van
jaren proef houdend gebleken is, blijkt dat het daarbij hoofdzakelijk aan-
komt op matige voeding, beweging in de vrije lucht, matig gebruik en
zindelijkheid.
Hier volgen nog eenige metingen van geïmporteerde en hier gefokte
Simmendaler runderen.
-ocr page 176-
156
157
Door mij gedane metingen
van runderen
iit edele fokkerijen in het Simmendal.
LENGTE
HOOGTE
a
-J
OMVANG
KLEUR.
BESCHRIJVING
VAN
oofd tot aan
schoft.
tot aan het
kruis.
den kop.
rhoofdbreedte.
n grond tot
de schoft.
n grond tot
liet kruis.
n grond tot
t borstbeen.
Ite der heupei
der zitbeendc
orst.
•dmo
mi
O
C
«n
-3
nen.
wen.
er oogen.
piegel.
kt
a
melte.
AANMERKINGEN.
HET DIER.
achtcrh
de
schoft
van
Voo
van de
aan
van de
aan
van de
aan he
Breec
Breedte
-=
t~
M
M
Hoor
Klau
n d e n d
00
9)
3
0
z
o
Gehe
In Centimeters.
*
ei
Fok stier 4 jaar
, ,
76
156
60
32
173 180| 59 \' 58
^__
280
253 460
geelgerl.
licht.
licht.
licht.
licht.
licht.
licht.
» 3 »
• •
78
158
56
32
164 168 61
54
—
266
240 432
(1°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
» 2 »
• •
75
151
49
30
156 159 62
51
—
240
234 417
roodgevl.
d°.
d".
d°.
d°.
d".
d°.
» | »
•
70
137
45
28
150 155 60
48
—
230
221 400
ïeelgevl.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
* 1 »
.
48
126
36
22
134 138 54
48
—
182
169^391
ck
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
Koe 6 jaar.
• •
61
152
49
23
160 166 63
65
—
267
248 456
d°.
d°.
d°.
do.
.d°.
d-.
d°.
7 maanden drachtig.
» 5 » .
•
65
156
48
22
154 160 63
61
—
262
247^42
(1°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
5 » »
» 5 » .
•
60 160
50
25
157 161 58
64
—
263
254\' 496
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
» 4 » .
•
67 144
48
24
143 148 62
58
—
250
237439
rooilgevl.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
7 » »
» 3 » .
.
60
138
47
24
136 139 60
58
—
230
226 431
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
Vaars 3 jaar
•
59
163
46
22
156 160 63
59
—
241
233 438
(K
d°.
d°.
d".
licht niet
bruine vl.
d°.
d°.
6 » »
» 2i »
•
58
155
47
29
151 159 62
56
—
235
227 435
geel ge vl.
d°.
d°.
d°.
licht.
d°.
d°.
5 » »
» 2 »
57
142
45
23
149 151, 64
54
—
226
215
430
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
4 » *
» 2 »
•
58
146
45
22
151 155 63
52
—
228 219
428
d«.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d".
niet drachtig.
» 1^ »
.
53
136
42
21
142 148 67
48
—
220 213
401
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
» »
Fokstier 2 jaar
.
72
142
47
30
156 158 68
52
—
240 214
427
roodgevl.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
Vaars 3 »
•
58
155
45
21
151
153 65
56
—
235 200
435
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
zichtbaar drachtig.
» 3 » .
•
57
142
45
20
150
154 64
54
—
226 190
430
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
]
Fokstier 1-J4- ;
aai
64
158
49
30
146
148 68
52
220
198
423
d°.
d".
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
-ocr page 177-
156
157
Door mij gedane metingen
van runderen
iit edele fokkerijen in het Simmendal.
LENGTE
HOOGTE
a
-J
OMVANG
KLEUR.
BESCHRIJVING
VAN
oofd tot aan
schoft.
tot aan het
kruis.
den kop.
rhoofdbreedte.
n grond tot
de schoft.
n grond tot
liet kruis.
n grond tot
t borstbeen.
Ite der heupei
der zitbeendc
orst.
•dmo
mi
O
C
«n
-3
nen.
wen.
er oogen.
piegel.
kt
a
melte.
AANMERKINGEN.
HET DIER.
achtcrh
de
schoft
van
Voo
van de
aan
van de
aan
van de
aan he
Breec
Breedte
-=
t~
M
M
Hoor
Klau
n d e n d
00
9)
3
0
z
o
Gehe
In Centimeters.
*
ei
Fok stier 4 jaar
, ,
76
156
60
32
173 180| 59 \' 58
^__
280
253 460
geelgerl.
licht.
licht.
licht.
licht.
licht.
licht.
» 3 »
• •
78
158
56
32
164 168 61
54
—
266
240 432
(1°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
» 2 »
• •
75
151
49
30
156 159 62
51
—
240
234 417
roodgevl.
d°.
d".
d°.
d°.
d".
d°.
» | »
•
70
137
45
28
150 155 60
48
—
230
221 400
ïeelgevl.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
* 1 »
.
48
126
36
22
134 138 54
48
—
182
169^391
ck
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
Koe 6 jaar.
• •
61
152
49
23
160 166 63
65
—
267
248 456
d°.
d°.
d°.
do.
.d°.
d-.
d°.
7 maanden drachtig.
» 5 » .
•
65
156
48
22
154 160 63
61
—
262
247^42
(1°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
5 » »
» 5 » .
•
60 160
50
25
157 161 58
64
—
263
254\' 496
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
» 4 » .
•
67 144
48
24
143 148 62
58
—
250
237439
rooilgevl.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
7 » »
» 3 » .
.
60
138
47
24
136 139 60
58
—
230
226 431
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
Vaars 3 jaar
•
59
163
46
22
156 160 63
59
—
241
233 438
(K
d°.
d°.
d".
licht niet
bruine vl.
d°.
d°.
6 » »
» 2i »
•
58
155
47
29
151 159 62
56
—
235
227 435
geel ge vl.
d°.
d°.
d°.
licht.
d°.
d°.
5 » »
» 2 »
57
142
45
23
149 151, 64
54
—
226
215
430
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
4 » *
» 2 »
•
58
146
45
22
151 155 63
52
—
228 219
428
d«.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d".
niet drachtig.
» 1^ »
.
53
136
42
21
142 148 67
48
—
220 213
401
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
» »
Fokstier 2 jaar
.
72
142
47
30
156 158 68
52
—
240 214
427
roodgevl.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
Vaars 3 »
•
58
155
45
21
151
153 65
56
—
235 200
435
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
zichtbaar drachtig.
» 3 » .
•
57
142
45
20
150
154 64
54
—
226 190
430
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
]
Fokstier 1-J4- ;
aai
64
158
49
30
146
148 68
52
220
198
423
d°.
d".
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
-ocr page 178-
458
Simmendaler koppel van den Heer domeinraad Hike.
LENGTE
V
HOOGTE
i
ï
OMVANG
BESCHRIJVING
c
j
SU
o
f
t
dtot
iiis.
d tot
Ibeen
i
1
T3
t
= _s
s -
i e m
^
5
\'53
c ^
c ^
c ~
_s
d.
c «E
C
- 7
h
Z. c
"^
VAN
e o
o
_s
,J5
CU
&18
M.-=
w
1
h
fl
~
HET DIER
%
\'s
=:
m
•—
C
>
-= c
SS
11
jl
ï
|
O
c
Ü.
rr
1
m
1 =
!§i\' *
1
*
>
!> I|
se
In Centimeters.
Fokstier, 4 jaar ....
66
169 55
! :*2
164 165 74 : 59
35 246 229 498
» 3< i . . . .
|80
164 63
32 147
153
G7 56
34
246 220 460
» IJ » . . . .
73
138 53
28 136
140 55 j 30
| 20
217 197 400
Koe, 3-j jaar.....
63
144 55
20 140
146 66 j 50
20
202 182 470
» 41 ».....
62
130 54
20
138140 60
58
24
230199 450
» 4 ».....
59
145 56
23
I
138142 58
52
22
290 210 455
» 4 ».....
63
146 52
20 i
139142; 60
52
22
210 196 423
Simmendaler koppel van den Heer von Kalkstein,
Teil, fokstier, 2 jaar .
67 150 48
25 147 149 71 54
1
22 240 198 413
Monstor, fokstier, 2 jaar .
60 145 50
30 140
145 65 50
18
250 185 400
Hector, fokstier, 8 maand.
48
115 40
23 \'
120 123 58 40
15;
170 140 305
Penelope, koe, 7 jaar .
85|
154 60
28 155 160 68
65
23
220 190 445
Kalipso, « 4 » .
82
152 54
25 150 155! 70
55
20
220 200 450
Judith, » 3 » .
86
151 52
24 !l50
152! 67 ;
58
21
215 198 410
Alma, vaars, 1» jaar .
75
150 48
25 ^145
1481 66
50
20
195 196 395
Ella, » ij » . .
50
125 41
23 132
134
62
45
19
190 170 365
Stella, » IJ » . .
511
125
i
43
24 \\i
i
30\'
1
135;
65
46
17
i
188 168 307
1 1
159
tier te Leopoldowitz, pr. Bohrau-Waldchen, Silezië.
KLEUR.
é
oogen.
Ite.
V
u
_J
si.
CU
>
u
M
£
V
-3
3
o
CV
o
a
s
H
ja
=
1
BS
1
.
AANMERK I N G EN.
licht.
d".
d".
d".
d".
d«.
licht.
il",
d".
d".
d".
d".
,1".
licht.
d°.
d°.
d".
d".
.1".
licht.
d».
ik
d«.
d°.
d".
d".
cel en rood
gevlekt.
d°.
dV
d°.
.1".
.1".
d".
d°. ,1685 pd.
d°. 11100 »
d".
d".
d".
d".
d".
11M t
i4r«l
tillll
d".
d-.
d".
d".
1180 »
1265 »
1275 »
1193 i
ui n
eigenaar eener ridderhofstede, Pluskowens bij Culmsee.
licht.
| *..
d°.
d".
d".
d°.
d".
d".
d".
licht.
d".
d".
d".
d".
d°.
d".
d°.
d°.
geelgevl.
d°.
d«.
d°.
d*.
d«.
d".
d°.
d«.
-ocr page 179-
458
Simmendaler koppel van den Heer domeinraad Hike.
LENGTE
V
HOOGTE
i
ï
OMVANG
BESCHRIJVING
c
j
SU
o
f
t
dtot
iiis.
d tot
Ibeen
i
1
T3
t
= _s
s -
i e m
^
5
\'53
c ^
c ^
c ~
_s
d.
c «E
C
- 7
h
Z. c
"^
VAN
e o
o
_s
,J5
CU
&18
M.-=
w
1
h
fl
~
HET DIER
%
\'s
=:
m
•—
C
>
-= c
SS
11
jl
ï
|
O
c
Ü.
rr
1
m
1 =
!§i\' *
1
*
>
!> I|
se
In Centimeters.
Fokstier, 4 jaar ....
66
169 55
! :*2
164 165 74 : 59
35 246 229 498
» 3< i . . . .
|80
164 63
32 147
153
G7 56
34
246 220 460
» IJ » . . . .
73
138 53
28 136
140 55 j 30
| 20
217 197 400
Koe, 3-j jaar.....
63
144 55
20 140
146 66 j 50
20
202 182 470
» 41 ».....
62
130 54
20
138140 60
58
24
230199 450
» 4 ».....
59
145 56
23
I
138142 58
52
22
290 210 455
» 4 ».....
63
146 52
20 i
139142; 60
52
22
210 196 423
Simmendaler koppel van den Heer von Kalkstein,
Teil, fokstier, 2 jaar .
67 150 48
25 147 149 71 54
1
22 240 198 413
Monstor, fokstier, 2 jaar .
60 145 50
30 140
145 65 50
18
250 185 400
Hector, fokstier, 8 maand.
48
115 40
23 \'
120 123 58 40
15;
170 140 305
Penelope, koe, 7 jaar .
85|
154 60
28 155 160 68
65
23
220 190 445
Kalipso, « 4 » .
82
152 54
25 150 155! 70
55
20
220 200 450
Judith, » 3 » .
86
151 52
24 !l50
152! 67 ;
58
21
215 198 410
Alma, vaars, 1» jaar .
75
150 48
25 ^145
1481 66
50
20
195 196 395
Ella, » ij » . .
50
125 41
23 132
134
62
45
19
190 170 365
Stella, » IJ » . .
511
125
i
43
24 \\i
i
30\'
1
135;
65
46
17
i
188 168 307
1 1
159
tier te Leopoldowitz, pr. Bohrau-Waldchen, Silezië.
KLEUR.
é
oogen.
Ite.
V
u
_J
si.
CU
>
u
M
£
V
-3
3
o
CV
o
a
s
H
ja
=
1
BS
1
.
AANMERK I N G EN.
licht.
d".
d".
d".
d".
d«.
licht.
il",
d".
d".
d".
d".
,1".
licht.
d°.
d°.
d".
d".
.1".
licht.
d».
ik
d«.
d°.
d".
d".
cel en rood
gevlekt.
d°.
dV
d°.
.1".
.1".
d".
d°. ,1685 pd.
d°. 11100 »
d".
d".
d".
d".
d".
11M t
i4r«l
tillll
d".
d-.
d".
d".
1180 »
1265 »
1275 »
1193 i
ui n
eigenaar eener ridderhofstede, Pluskowens bij Culmsee.
licht.
| *..
d°.
d".
d".
d°.
d".
d".
d".
licht.
d".
d".
d".
d".
d°.
d".
d°.
d°.
geelgevl.
d°.
d«.
d°.
d*.
d«.
d".
d°.
d«.
-ocr page 180-
161
160
et koninklijke ambt Weissenburg, regeeringsdistrikt Bromberg.
Simmendaler koppel van den Heer Herm. Nitze, pachter van
L E N GT K
HOOGTE
OMVANG
B E S C H R IJ V I N G
.«il
\' 1^ S 7S-a
= * \' = o o _
2.tJ
AAN MER KIN GEN.
VAN
HET DIER.
In Centimeters
Max, fokslier. uit Fatime ,
IJ jaar......80 148 55
Muni, fokstier, uit ingevoerde
1332 pd., normaal, zeer
snel gegroeid.
26 158 168\' 65
licht.
licht,
d".
d".
d-.
d".
d°.
licht
d°.
d\\
d°.
du.
d°.
licht.
licht.
licht,
d".
d°.
d°.
du.
«1».
;eelgevl.
d°.
d°.
rood ge vl.
peiger 1.
d°.
52 31
200
228
430
367
428
435
425
411
59 126
!
37
22
134 141
58
44
27 178
164
80 153
53
\'22
150 156 57
60
34 210
194
72 151
53
22 153 163 60
61
36 215
208
80 155
55
21
154 161 55
58
36 287
197
67 133
50
22
145
161
60
56
35 205
1
191
d°.      835 pd
koe, IJ, jaar .
Fatime, koe, 5 jaar.
Therèse, » 4 » .
Madame, » 5 » .
Julie, vaars, 2 » .
d°.          d°.
d°.          d°.
d°.          d°.
1292 ]>d., Kaf op het hoogste
melkbeilrag 30 liter melk.
d°.      1576 pd., weinig melk.
d°.      1448 pd., puike melkkoe.
d°.      1117 pd.
d".
.1".
d".
d°.
dalen, waarin wij het Frutig-Adelbodener vee vinden. Het hier eveneens
met groote zorg gefokte vee is iets kleiner, minder slank, gedrongener
dan het Simmendaler vee; de beenen zijn korter, zeer stevig, de bovendijen
zeer vleezig, het geheele lichaam breed, diep en fraai afgerond. In alle
andere opzichten onderscheidt zich het Frutig-Adelbodener vee hoegenaamd
niet van het Simmendaler; ook staat het in voordeel aanbrengende eigen-
schappen daarmee gelijk en is misschien de melkrijkheid van het Simmen-
daler vee grooter.
3. Het overige gevlekte vee van het kanton Bern.
Het middelste gedeelte van het kanton, een vooralpenland met zeer
vruchtbare vlakten en dalen, fokt algemeen hetzelfde bonte vee, dat wij
in het Simmendal leerden kennen en slechts de intelligente, zorgvuldige
teelt in het Simmendal heeft hetzelfde vee in alle opzichten schooner en
edeler gevormd. In de distrikten van Bern, Thun, Herzogenbucb.se,
11
2. Het Frutig-Adelbodener vee.
Wij hebben reeds gezien, dat, zoo wij van Thun naar het Simmendal
reizen, wij achter Brodhausi den straatweg naar Wimmis links laten liggen
en steeds de Simme volgend, ons doel bereiken.
De weg in het Frutigdal brengt ons, nadat wij over de Simme ge-
gaan zijn, naar Wimmis en van daar langs den wilden Kander naar
Mühl inen, Reichenbach en het schoone Frutigen. Van Frutigen komen
wij zuidwestwaarts in het Engstligendal, een rustig herderdal, met weelde-
rige, groene weiden, tot aan Adelsboden, de hoofdplaats van dit dal.
Zuidoostwaarts van Frutigen voert de weg ons over den Engstligenbeek
in het Kanderdal. Aan den Feilen burg voorbij, bereiken wij Kandergrund.
en Cater aan den voet van den Gellihorn, het laatste door hooge alpen
omgeven dorp van het dal Kandelsteg. De Blümlisalp, de Doldenhorn,
de Altels, Gemmi en de Weiszhorn vormen den achtergrond dezer drie
-ocr page 181-
161
160
et koninklijke ambt Weissenburg, regeeringsdistrikt Bromberg.
Simmendaler koppel van den Heer Herm. Nitze, pachter van
L E N GT K
HOOGTE
OMVANG
B E S C H R IJ V I N G
.«il
\' 1^ S 7S-a
= * \' = o o _
2.tJ
AAN MER KIN GEN.
VAN
HET DIER.
In Centimeters
Max, fokslier. uit Fatime ,
IJ jaar......80 148 55
Muni, fokstier, uit ingevoerde
1332 pd., normaal, zeer
snel gegroeid.
26 158 168\' 65
licht.
licht,
d".
d".
d-.
d".
d°.
licht
d°.
d\\
d°.
du.
d°.
licht.
licht.
licht,
d".
d°.
d°.
du.
«1».
;eelgevl.
d°.
d°.
rood ge vl.
peiger 1.
d°.
52 31
200
228
430
367
428
435
425
411
59 126
!
37
22
134 141
58
44
27 178
164
80 153
53
\'22
150 156 57
60
34 210
194
72 151
53
22 153 163 60
61
36 215
208
80 155
55
21
154 161 55
58
36 287
197
67 133
50
22
145
161
60
56
35 205
1
191
d°.      835 pd
koe, IJ, jaar .
Fatime, koe, 5 jaar.
Therèse, » 4 » .
Madame, » 5 » .
Julie, vaars, 2 » .
d°.          d°.
d°.          d°.
d°.          d°.
1292 ]>d., Kaf op het hoogste
melkbeilrag 30 liter melk.
d°.      1576 pd., weinig melk.
d°.      1448 pd., puike melkkoe.
d°.      1117 pd.
d".
.1".
d".
d°.
dalen, waarin wij het Frutig-Adelbodener vee vinden. Het hier eveneens
met groote zorg gefokte vee is iets kleiner, minder slank, gedrongener
dan het Simmendaler vee; de beenen zijn korter, zeer stevig, de bovendijen
zeer vleezig, het geheele lichaam breed, diep en fraai afgerond. In alle
andere opzichten onderscheidt zich het Frutig-Adelbodener vee hoegenaamd
niet van het Simmendaler; ook staat het in voordeel aanbrengende eigen-
schappen daarmee gelijk en is misschien de melkrijkheid van het Simmen-
daler vee grooter.
3. Het overige gevlekte vee van het kanton Bern.
Het middelste gedeelte van het kanton, een vooralpenland met zeer
vruchtbare vlakten en dalen, fokt algemeen hetzelfde bonte vee, dat wij
in het Simmendal leerden kennen en slechts de intelligente, zorgvuldige
teelt in het Simmendal heeft hetzelfde vee in alle opzichten schooner en
edeler gevormd. In de distrikten van Bern, Thun, Herzogenbucb.se,
11
2. Het Frutig-Adelbodener vee.
Wij hebben reeds gezien, dat, zoo wij van Thun naar het Simmendal
reizen, wij achter Brodhausi den straatweg naar Wimmis links laten liggen
en steeds de Simme volgend, ons doel bereiken.
De weg in het Frutigdal brengt ons, nadat wij over de Simme ge-
gaan zijn, naar Wimmis en van daar langs den wilden Kander naar
Mühl inen, Reichenbach en het schoone Frutigen. Van Frutigen komen
wij zuidwestwaarts in het Engstligendal, een rustig herderdal, met weelde-
rige, groene weiden, tot aan Adelsboden, de hoofdplaats van dit dal.
Zuidoostwaarts van Frutigen voert de weg ons over den Engstligenbeek
in het Kanderdal. Aan den Feilen burg voorbij, bereiken wij Kandergrund.
en Cater aan den voet van den Gellihorn, het laatste door hooge alpen
omgeven dorp van het dal Kandelsteg. De Blümlisalp, de Doldenhorn,
de Altels, Gemmi en de Weiszhorn vormen den achtergrond dezer drie
-ocr page 182-
46Ü
Schwarzenburg en Twann vinden wij voor een deel goede fokkerijen,
waaronder zich in het Beroer distrikt vooral de fokkerijen van de straf-
inrichting te Bern, het reddingshuis Biichtelen, de landbouwschool Rütti,
het krankzinnigengesticht Waldau en die van den Heer Bigler te Güm-
lingen gunstig onderscheiden. In het distrikt Herzogenbuchse noem ik
de fokkerijen van het reddingshuis Aarwangen en die van de Heeren
Haudenschild en Niederhipp, Oberli en Langendal en in de distrikten
Twann de fokkerijen van het reddingshuis Erlach. Over \'t geheel is het
bonte vee van het middelste gedeelte van het kanton Bern zeer verschillend
van kwaliteit; het valt ons hier zoo recht duidelijk in het oog, hoe uit
hetzelfde slag, bij eene verstandige, zorgvolle teelt, schoone, edele dieren
en bij minder belangstelling in en zorg voor de teelt, zeer middelmatige
dieren gefokt worden. Hetzelfde beeld, maar met nog scherper lijnen,
vertoont zich aan ons in den Berner Jura, in de distrikten Reussillies,
Delsberg en Pruntrut Het vee wordt hier veel minder zwaar en kan,
wat schoone, edele vormen betreft, met het Simmendaler vee niet concurreeren.
De weiden in den Jura zijn schraler, worden desniettegenstaande sterk
bezet en aan de veefokkurij bij lange na niet die zorg gewijd, welke wij
in de overige deelen van het kanton en voornamelijk in het Simmendal en
in Frutingen-Adelboden opmerken.
Verder vinden wij het roodbont vee in de
4. Kantons Waadt en Wallis.
In het kanton Waadt vinden wij in het zuidoostelijke gedeelte in de
Orniont-dalen op den weg van Saanen, Chateau d\'Oex, les Plans, Vers
1\'Eglise, Sepey naar Aigle een middelzwaar, roodbont vee, dat, wat de
melkgeving betreft, zeer gunstig bekend staat en in beter toestand verkeert
dan het bonte vee in de Jura. In de overige gedeelten van het kanton
zijn vaalbonten en zwartbonten door elkaar vermengd.
Het kanton Wallis fokt in zijn noordelijk gedeelte ten noorden van
de Ithone in het Lötschendal, alsook ten zuiden van de bergpas der Gemmi
en van het bad Leuk aan de Dala, bij Gampel aan den ingang van het
Lötschendal een bont vee, dat als eigen slag »Lötschenslag" genoemd
wordt. Het is een middelzwaar, gedrongen vee met krachtige beenderen,
dikke hoornen, dikke maar zachte huid met een robust lichaam. De
staart is dik, wat hoog ingeplant, het kruis zijwaarts eenigszins afvallend,
de kop eer kort dan lang, het voorhoofd breed, het voorstel bijzonder
-ocr page 183-
103
goed, de melkteekens minder goed ontwikkeld. De kleur is roodbruin
met witte vlekken. Het is een gezond, zeer stevig slag, dat zich zonder
eenige bijzondere verpleging, blootgesteld aan wind en regen, goed houdt.
De kruising tusschen dit Lötschenslag en het bruinvee van het kanton
Wallis, die wij sub VIII, A. 13, leerden kennen, is zeer gezocht, en ik
geloof niet dat ik mij vergis, wanneer ik, zooals daar ter plaatse geschiedde,
het Ezinger vee als het product van zulk eene kruising aanneem.
5. Het Freiburger zwartbonte vee.
Het kanton Freiburg grenst ten noorden en oosten aan het kanton
Bern, ten noordwesten aan het kanton Neuenberg (Neuchdtel) en ten
zuiden en zuidwesten aan het kanton Waadt. Het kanton Waadt, door
de Saane (Savine) doorsneden, is tusschen deze rivier en de grenzen van
Bern gebergteland met fraaie, uitgestrekte weiden en bosschen, ten noorden
van het meer van Murten moerasland en voor het overige een heuvelland
met uitstekende bergweiden en graslanden en heerlijke bosschen. De
bewoners zijn hoofdzakelijk katholiek, de taal is de fransche. De veeteelt en
wel voornamelijk de rund veeteelt, maakt de hoofdbron van het bestaan
der bevolking uit; zij wordt overal met levendigen ijver uitgeoefend en
door de voortreffelijke weiden zeer begunstigd. De kaas van het kanton
komt onder den naam van Gruyère-kaas in den handel en is vooral in
Frankrijk zeer gezocht. In het Saanedal, het Jaundal, aan de Frème,
rondom den met voortreffelijke alpenweiden bedekten Moléson, die heerlijke
vergezichten aanbiedt, in de distrikten Gruyère (Greyerz), Charmay, Bulle en
Corbières, die de meeste en beste alpenweiden bezitten, wordt het zwaarste
best gefokte vee aangetroffen; in den omtrek van Freiburg wordt het iets
lichter. Het Freiburger vee imponeert door zijn gedrongen, massieven,
afgeronden lichaamsbouw; men treft onder dit vee de zwaarste dieren van
het bonte ras aan. Vooral het mannelijk dier is een volmaakt beeld van
kracht, en het is wel te betreuren, dat de Freiburger fokkers niet met
de energie der Simniendalers zich door een beredeneerden, nauwlettenden
aanfok op de veredeling van hun schoon vee toeleggen, maar dit zoeken
te verkrijgen door eene kruising met Simmendaler stieren.
De kop is kort, als die van het oude Simmendaler ras, met een
breed voorhoofd en breeden muilspiegel, de ooren zijn breed, de oorschelpen
met lange haren begroeid, het haar van het voorhoofd bij de stieren meest
gekroesd; de hoornen staan bij de vrouwelijke dieren meestal eenigszins
11*
-ocr page 184-
164
naar buiten, bij de stieren meestal horizontaal, zij zijn tamelijk grof, wit
of witachtig geel met zwarte punten. Ramskoppen komen dikwijl?; voor;
de hals is zwaarder dan bij het Simmendaler rund, bij den stier zeer
breed met een bijzonder grooten, reeds aan het boveneinde van de keel
beginnenden, laag afhangenden kossem. De borstkas is zeer breed, het
lichaam lang, diep en goed, tonvormig geribd. De schoft is breed, somtijds
eenigszins verhoogd, de rug recht, het kruis breed, dikwijls naar achteren
en naar de zijden eenigszins afvallend, zoodat dan ook de bij edele dieren
goed aangezette staart hoog ingeplant en zwaarder schijnt, dan in werke-
lijkheid het geval is. Schouders en dijen zijn vol en gespierd, de beenen
zeer krachtig en goed gesteld; de huid en de beenderen zijn grover dan
bij de tegenwoordige goed gefokte Simmendalers, die met het oog op
fijnheid en bevalligheid het Freiburger vee overtreffen. De melkteekens
zijn middelmatig, doch er komen onder de Freiburger koeien uitstekende
melkers voor en met het oude Simmendaler vee vergeleken, gelden de
Freiburgers zelfs als de beste melkers. Gemiddeld mogen wij de melk-
opbrengst eener Freiburger koe niet hooger dan 2000 liter rekenen; de
melk is van uitstekende kwaliteit. De hoofdkleur is zwart en wit, nu
eens zwart als hoofdkleur met groote witte vlekken, dan weer omgekeerd;
elke roodachtige tint is het teeken eener kruising met Simmendaler vee.
Neusspiegel, hoornen en klauwen zijn helder; op de eerste bevinden zich
dikwijls zwarte stippen.
De krachtige bouw der ledematen, de veerkrachtige gang maken het
Freiburger vee tot een uitnemend trekdier. Het toont bij zwaren, lang-
durigen arbeid eene volharding, waarin het door geen enkel ras wordt
overtroffen. Zijne longen rusten op voortreffelijke wijze in den ruimen
borstkas, zijn gezond en sterk en het dier geniet eene uitstekende ge-
zondheid. De geschiktheid voor vet- en vleeschgroei is evenals bij het
Simmendaler vee goed, doch het vleesch van laatstgenoemden moet fijner
zijn, wat ik echter niet als zeker durf aannemen.
In Duitschland heeft men Freiburger fokstieren gebruikt bij vee,
waarvan het voorstel smal, de ribben plat en de longen onvast waren en
waarbij het er tevens op aankwam de zwartwitte kleur te behouden. Deze
kruising is met den besten uitslag bekroond geworden. De afstammelingen
werden sterker, in alle opzichten gelijkmatiger van lichaamsbouw en vooral
ook gezonder, zoodat de uitslag bepaald gunstig is te noemen. Toch moet,
wanneer de afstammelingen de vormen van het Freiburger vee, den zwaren
kossem enz. niet zullen aannemen, deze kruising niet te lang worden voortgezet.
-ocr page 185-
165
Het Simmendaler vee is, zooals reeds gezegd, fijner en edeler van
vormen, eleganter en ook melkrijker dan het Freiburger vee; het is veel
meer in trek en brengt zijne fokkers sommen op, die de Freiburgers niet
kunnen bedingen.
In plaats dat men nu in het kanton Freiburg met ijver en oordeel
zich op de veredeling van het eigene voortreffelijke slag toelegt en de
strijd om den voorrang met de Simmendaler fokkers aanvaardt, verklaart
men zich, zonder eerst zijne krachten te beproeven, voor overwonnen en
koopt tegen grof geld fokstieren en runderen in het Simmendal. Ik heb
het zelf beleefd, dat Freiburger fokkers van goeden naam hooge prijzen
betaalden voor Simmendaler vee, om daarmee hunne koppels te verbeteren.
\'t Is onbegrijpelijk dat de fokkers daar niet tot zich zelf zeggen, dat op
deze reeds sinds jaren met voorliefde gevolgde wijze, het schoone Freiburger
vee geheel te gronde gaat en in plaats daarvan een kruisingsproduct komt,
dat dan eerst recht geen aftrek zal vinden, daar geen verstandig, eeniger-
mate ervaren fokker, zulke in hunne vererving geheel onvertrouwbare
dieren zal koopen. Nu reeds kost het moeite, absoluut reinbloedige fok-
stieren van beste kwaliteit te vinden, zij moeten gezocht en wanneer zij
gevonden zijn, duur betaald worden.
De volgende metingen heb ik genomen van de door mij gekochte
uitstekende bullen van het zuiverste ras, die in het kanton Freiburg met
de hoogste prijzen bekroond waren.
-ocr page 186-
166
167
bullen.
F rei b u rge
KLEUK.
S
oogen.
09
CP
u
_;
sl
9
AANMERKI N G E .V.
00
•*a
a
c
9
H
o
o
e
3
o
fly
X
X
ea
£5
•
Cl
licht.
ücht
licht
licht
licht
licht
vleeschkl.
vleeschkl.
vleeschkl.
vleeschkl.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
i\'.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d«.
do.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
LENGTE
HOOGTE
O M V A N R
B E S C H R IJ V I N G
VAN
HET DIER
11
o ja
ti. —
35
In Centimeters.
66
156
53
29
156
158
70
57
68
146
51
25
154
156
68
55
65
138
50
29
156
160
67
55
63
133
51
26
145
151
68
53
Fokstier,  bijna 2 jaar
»        2 jaar . .
»         2 jaar . .
»         2 jaar .
—   229 193 44i
—   227196 441
—  215 194 431
—  209 189 421
weiden komen, is de verhouding tusschen hooi- en bouwland zeer gunstig.
Naast een goed rendeerenden graanbouw, houdt men zich hier met den
verbouw van groen voedergewassen bezig, vooral van klaver, Luzern
(fransche klaver), esparsette enz. Het klimaat is tamelijk ruw. Het
Messkircher distrikt heeft uitsluitend kleine boeren. Van de 2478 grond-
eigenaars bezitten 1053 tien morgen lands en minder, 1196 van tien tot
vijftig, 204 van vijftig tot honderd, 19 van honderd tot honderd vijftig,
3 van honderd vijftig tot twee honderd en 3 van twee honderd tot zes-
honderd.
Het rund, dat in het begin dezer eeuw hier leefde, was klein met
een fijn beendergestel, roode of geele kleur en behoorde tot het Boven-
Zwabische landras. Het had als melkvee een zeer goeden naam. Na
1830 werd hier bruinvee uit de kantons Schwijtz en Zurich ingevoerd en
van de 32 gemeenten van dit distrikt legden 25 er zich op toe, om door
invoering van fokstieren van het Zwitsersche bruinvee, hun veeslag te
verbeteren. Deze wijze van fokken vond tot 1859 de meeste aanhangers.
Doch reeds in het jaar 1843 voerde de Heer Roher te Messkirch, die
zich voor de veeteelt van de plaats zijner inwoning zeer verdienstelijk
heeft gemaakt, Simmendaler fokstieren in. Dit schoone vee, dat alle
F. Het Simmendaler rund buiten Zwitserland in groote,
oude fokdistrikten.
1. Het Messkircher rund.
Het ambtsdistrikt Messkirch ligt in het bovenland van het groot-
hertogdom Baden in den kreits Constanz; de hoofdstad Messkirch ligt aan
den Wurtembergschen staatsspoorweg Radolfzell-Ulm. Dit distrikt heeft
eene oppervlakte van 307,27 KM2 met circa 15000 inwoners. De Donau
splitst het in twee deelen; het aan Wurtemberg grenzende gedeelte aan
den linkeroever van de Donau wordt r>de Hooiberg" genoemd. Het ge-
heele distrikt is een golvend heuvelland, waarvan de grootste verheffing
bij Hardt 1040 meter bedraagt; het heeft overal een zware onderlaag van
kalk, die op de hoogvlakte van de «Hooiberg" eene merkbare waterarmoede
tengevolge heeft. Het water in de putten is daar geen welwater, maar
met zorg opgevangen regenwater, dat in alle behoeften van mensch en
dier moet voorzien. De bodem is zeer vruchtbaar, meest van zeer goede
kwaliteit, en daar er op 41071 morgen bouwland 8724 morgen tusschen
het bouwland ingeslotene meest goede graslanden en 905 morgen schapen-
-ocr page 187-
166
167
bullen.
F rei b u rge
KLEUK.
S
oogen.
09
CP
u
_;
sl
9
AANMERKI N G E .V.
00
•*a
a
c
9
H
o
o
e
3
o
fly
X
X
ea
£5
•
Cl
licht.
ücht
licht
licht
licht
licht
vleeschkl.
vleeschkl.
vleeschkl.
vleeschkl.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
i\'.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d«.
do.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
LENGTE
HOOGTE
O M V A N R
B E S C H R IJ V I N G
VAN
HET DIER
11
o ja
ti. —
35
In Centimeters.
66
156
53
29
156
158
70
57
68
146
51
25
154
156
68
55
65
138
50
29
156
160
67
55
63
133
51
26
145
151
68
53
Fokstier,  bijna 2 jaar
»        2 jaar . .
»         2 jaar . .
»         2 jaar .
—   229 193 44i
—   227196 441
—  215 194 431
—  209 189 421
weiden komen, is de verhouding tusschen hooi- en bouwland zeer gunstig.
Naast een goed rendeerenden graanbouw, houdt men zich hier met den
verbouw van groen voedergewassen bezig, vooral van klaver, Luzern
(fransche klaver), esparsette enz. Het klimaat is tamelijk ruw. Het
Messkircher distrikt heeft uitsluitend kleine boeren. Van de 2478 grond-
eigenaars bezitten 1053 tien morgen lands en minder, 1196 van tien tot
vijftig, 204 van vijftig tot honderd, 19 van honderd tot honderd vijftig,
3 van honderd vijftig tot twee honderd en 3 van twee honderd tot zes-
honderd.
Het rund, dat in het begin dezer eeuw hier leefde, was klein met
een fijn beendergestel, roode of geele kleur en behoorde tot het Boven-
Zwabische landras. Het had als melkvee een zeer goeden naam. Na
1830 werd hier bruinvee uit de kantons Schwijtz en Zurich ingevoerd en
van de 32 gemeenten van dit distrikt legden 25 er zich op toe, om door
invoering van fokstieren van het Zwitsersche bruinvee, hun veeslag te
verbeteren. Deze wijze van fokken vond tot 1859 de meeste aanhangers.
Doch reeds in het jaar 1843 voerde de Heer Roher te Messkirch, die
zich voor de veeteelt van de plaats zijner inwoning zeer verdienstelijk
heeft gemaakt, Simmendaler fokstieren in. Dit schoone vee, dat alle
F. Het Simmendaler rund buiten Zwitserland in groote,
oude fokdistrikten.
1. Het Messkircher rund.
Het ambtsdistrikt Messkirch ligt in het bovenland van het groot-
hertogdom Baden in den kreits Constanz; de hoofdstad Messkirch ligt aan
den Wurtembergschen staatsspoorweg Radolfzell-Ulm. Dit distrikt heeft
eene oppervlakte van 307,27 KM2 met circa 15000 inwoners. De Donau
splitst het in twee deelen; het aan Wurtemberg grenzende gedeelte aan
den linkeroever van de Donau wordt r>de Hooiberg" genoemd. Het ge-
heele distrikt is een golvend heuvelland, waarvan de grootste verheffing
bij Hardt 1040 meter bedraagt; het heeft overal een zware onderlaag van
kalk, die op de hoogvlakte van de «Hooiberg" eene merkbare waterarmoede
tengevolge heeft. Het water in de putten is daar geen welwater, maar
met zorg opgevangen regenwater, dat in alle behoeften van mensch en
dier moet voorzien. De bodem is zeer vruchtbaar, meest van zeer goede
kwaliteit, en daar er op 41071 morgen bouwland 8724 morgen tusschen
het bouwland ingeslotene meest goede graslanden en 905 morgen schapen-
-ocr page 188-
168
voordeelaanbrengende eigenschappen op de gunstigste wijze in zich ver-
eenigt, «lat geschikt is voor den arbeid, tevens een even goed melk- als
mestvee is en zijne goede eigenschappen zoo gemakkelijk en deugdelijk
overerft, moest juist in een distrikt als Messkirch, waar bijna uitsluitend
kleine veehouders wonen, zich spoedig een goeden naam verwerven.
Hier, waar de veeteelt de hoofdbron van het bestaan van den met aardsche
goederen niet rijk gezegenden landman uitmaakt, let ieder voor zich zelf
en zonder eenige voorliefde scherp en nauwkeurig op zijn eigen voordeel,
en het is een buitengewoon schitterend getuigenis voor het Simmendaler
vee, dat liet in korten tijd het geheele distrikt voor zich veroverde. De
overwinning was nog te moeilijker, doordien het voortreffelijke bruinvee,
een niet gering te achten mededinger, eerst verdrongen moest worden.
Eens ingevoerd, won het Simmendaler vee steeds meer terrein en had
het distrikt eindelijk in 1800 geheel in beslag genomen. Sedert dit jaar
is aan dit vee de overwinning ook niet weer betwist; alle 32 tot Mess-
kirch behoorende gemeenten drijven zonder uitzondering de fokkerij met
Simmendaler vee en de oude, doch als immer jong blijvende, ijverige
Roder voert nog steeds Simmendaler fokstieren aan.
Van het grootste gewicht voor de veefokkerij in het distrikt was de
in 1865 door de regeering uitgevaardigde »Farrenverordening" (in Baden
noemt men den fokstier farren). Naar deze wet zijn de farren het
eigendom der gemeenten en moeten door dezen onderhouden en zoo in
eene gemeente meer dan een farren gehouden wordt, deze alle in den-
zelfden stal en niet gescheiden worden ondergebracht. Het getal en het
ras der farren wordt bij de wet bepnald. Twee door den distriktsraad
benoemde landbouwers en de distriktsveearts moeten de verzorging zoomede
de deugdelijkheid van de farren controleeren; de farren die niet deugde-
lijk worden gevonden, moeten onmiddellijk worden afgeschaft.
De gemeentefarren ontvangen dagelijks 20 tot 25 pond hooi en
2 pond haver; de farrenhouder ontvangt van de gemeente eene vergoeding
van 200 tot 300 mark. In het jaar 1881 hield het distrikt op circa
5000 koeien 76 fokfarren, waarvan 72 uit het Simmendal waren inge-
voerd en 4 in het distrikt zelf opgefokt.
In 1883 waren volgens statistieke opgaven in het distrikt de vol-
gende runderen, als: 76 gemeentefarren boven 1> jaar, 5009 koeien,
5194 stuks jongvee (waaronder 1481 ossen) 1225 ossen, te zamen
11522 stuks.
Het verbreidingsgebied dezer vele jaren achtereen standvastig en on-
-ocr page 189-
169
veranderlijk voortgezette kruising met echte Simmendaler fokstieren strekt
zich ook uit over de aangrenzende distrikten, over de ambtsdistrikten van
het groothertogdom Baden, Pfullendorf, Stockach, Engen en Radolfzell;
verder over de aangrenzende distrikten van Hohenzollern behoorende tot
het opperambt Sigmaringen: Inzckhofen, Villsingen en Laiz, die allen het-
zelfde vee als dat in Messkirch sedert tal van jaren met groote zorgvul-
digheid aanfokken.
Over de kleur van het Messkircher vee geeft ons de ambtelijke vee-
tellingslijst de noodige ophelderingen; volgens deze waren er in 1880 van
de 11520 stuks rundvee 9685 geel of roodbont, 1291 eenkleurig geel,
132 zwart of zwartbont, 104 zwart, bruin of grauw met een lichte
streep langs den rug, 308 van verschillende kleuren. De drie laatste
kleuren zijn hoofdzakelijk van vee dat aan daglooners toebehoort, die geen
vee fokken, doch slechts 1 a 2 koeien voor eigen gebruik houden. Onder
de geelbonten zijn er velen wier grondkleur wit is met slechts enkele geele
vlekken, eene kleur welke de veehandelaar uit Noord-Duitschland, een
niet te verachten klant, volstrekt niet hebben wil. Deze witte kleur is
ontstaan, doordat de Messkircher fokkers steeds de voorkeur gaven aan
de lichtgekleurde stieren, in de meening dat deze van de fijnste melk-
rijkste koeien afstamden. Gelukkig hebben de fokkers het gevaar, dat in
het houden van al te lichtgekleurde stieren lag, ingezien en naar het
schijnt, daarmee bij den aankoop van fokstieren rekening gehouden.
Voor de beschrijving van het dier kan ik geheel verwijzen naar het-
geen ik daaromtrent van het Simmendaler vee gezegd heb; alleen de staart
is soms nog eenigszins hoog ingeplant en wat grof; ook is het Messkircher
vee iets lichter. Wat het gewicht betreft weegt gemiddeld:
het kalf bij de geboorte.....         60 tot 85 pond.
(de zwaarste kalveren vallen van Juli tot October, de lichtsten in
April en Mei).
een eenjarig rund.......430 tot 670 pond.
een twee tot driejarig rund .... 780 » 1000 »
volwassene koeien....... 900 » 1400 »
ossen van 4 tot 6 jaar.....1100 » 1400 »
volwassene stieren.......1800 » 2400 »
De kalveren krijgen 6 a 8 weken lang de moedermelk, hetzij uit
de trog of wel zij blijven bij de moeder en zuigen. Na dien tijd geeft
men ze afgeroomde melk met wat gekneusd graan en reeds met de 5" week
een weinig hooi. De hoeveelheid melk wordt voortdurend verminderd,
-ocr page 190-
170
zoodat na 6 maanden hooi het voornaamste voedsel is en slechts eenmaal
daags wat melk gegeven wordt. Het volwassene vee ontvangt gedurende
den winter dikwijls niet al te ruim voedsel; in de meeste boerderijen
echter voldoende hooi- en stroohaksel door elkaar, ook lang hooi, mangel-
wortels, raapkoeken, haver of draf. In het midden van Mei of begin
Juni begint de groenvoedering klaver, klavergras, luzerne, esparsette enz.;
het vee wordt in dezen tijd tot aan September toe zeer goed gevoederd.
De vaarsen moesten, waar het er op aankomt het lichaam zoo zwaar
mogelijk te ontwikkelen, niet voor hun tweede jaar gedekt worden; toch
worden zij hier met 1 ?, jaar, en zelfs wel met 1! jaar bij den stier ge-
bracht, hetgeen de ontwikkeling nog meer tegenhoudt, als tot aan dien
tijd de voeding niet bijzonder goed is geweest. Een vast tijdpunt voor
de paring wordt hier, waar het vee niet op de weide gebracht wordt, niet
in acht genomen en de paring der kalveren is over het geheele jaar verdeeld.
Het Messkircher rund is een best werkvee. De melkopbrengst kan
gemiddeld per koe en per jaar op 1900 a 2000 liter gerekend worden,
welke hoeveelheid op uitstekende boerderijen nog met 100 of \'200 liter
kan worden verhoogd. Naar gelang van het voedsel geven 12 a 13 liter,
bij schraal voedsel 14 a 15 liter melk 1 tolpond boter en 7 a 8 liter
afgeroomde melk 1 pond magere kaas. Nieuw melkende koeien geven
14 tot 20 liter melk, zij blijven 3 tot 8 weken droog staan.
De aanleg voor vetmesting is zeer goed, het vleesch malsch en
smakelijk, ossen prima kwaliteit van 15 centenaar levend gewicht geven
840 pond vleesch, 60 pond talk, 80 a 90 pond kop, pooten en inge-
wanden, 100 pond huid.
"Wij vinden onder den kleinen boerenstand van het distrikt Messkirch
overal een helder en juist begrip van de veefokkerij en een verblijdend
streven naar een vast en zelfbewust doel. De onvermoeide pogingen van
den distriktsveearts HEITZMANN te Messkirch om door woord en schrift de
belangen der veefokkerij te bevorderen, heeft tot deze algemeene kennis
veel bijgedragen en het is een genot te zien hoe de veehouders zulks
dooi\' talrijke bewijzen van hoogachting ten volle erkennen en waardeeren.
Een zoo degelijke leider, die het volle vertrouwen geniet, wiens lof met
genoegen gehooid, wiens onderrichtende afkeuring als gegrond gaarne
wordt aangenomen, is in een distrikt met zoo vele kleine boeren eene
bepaalde noodzakelijkheid en zoo hij gevonden wordt, een zegen voor dat
distrikt, die klinkende resultaten geeft. Messkirch heeft aan den distrikts-
veearts Heitzmann zeer veel te danken.
-ocr page 191-
171
Aan de hier volgende tabel voeg ik de opmerking toe, dat de daarop
vermelde dieren, die ik zelve genieten en geleverd heb, allen zuivere pig-
menten hadden, dat echter dit teeken van de zuiverheid van het ras, ook
thans na eene zoo lang met geestkracht en volharding volgehouden kruising
naar een vast plan, nog niet ten volle verkregen is. De afwijkingen
noem ik op de verschillende plaatsen in de tabel.
-ocr page 192-
17-2
173
Metingen van door mij gekocht
lieren van de beste kwaliteit.
KLEUR.
1
Huid.
oorne n.
s
»
Ui
o
o
b
S
i sspiegel.
a
o
h e m e 11 e.
IANMERKINGEN.
«
-x
Rande
z
e
ïeel-
rvlekt.
De lippen zijn meest helder, de hoornen en
Hoogdragend.
d°,
hoeven wasgeel
, de oor
ïaren van dezelfde kleur
fi
maanden drachtig.
als het dekhaar, de i
ftaartkwast meest wit.
(1°.
Hier en daar komen op
den muilspiegel echter
7
» »
.1°.
ook nog kleine zwarte en bruine vlekken voor;
in dat geval hebben de hoornen dan ook meestal
7
» »
(1°.
zwarte punten
en de
hoeven zwarte strepen,
6
» »
of zijn geheel ï
wart. Deze onzuivere pigmenten
d°.
toonen aan, dat er nog bloed van bruinvee
d°.
door de aderen
vloeit.
I. K N (i T K
HOOGTE
OMVANG
s .\\a
BESCHRIJVING
VAN
HET DIER.
\'S I 2
i i
« 5
T3 c 13
TT >a
In Centimeters
Vaars , 3 jaar.
2  jaar 9 maand
3     »
2 t
2 *
2 »
75 130 52 24 137 150 63
50
53
53
50
45
45
30 193 18O40(
j |
27 209 19441J
75 135 54
22 149155 64
150 160; 70
|
138\'l46! 65
j J
134145\' 65
134 146 63
82
133\' 56
194 420
27
30
25
200
70
176:3(il
135 58
185
65 125 50
181 168375
26 171169 36!
70
121
52
44
37
70
174
120
21
47 35 II
136 147
65
"J »
2. Het Sliesbacher vee.
koppel echte Simmendaler runderen aan en ook de logementhouder Obermeijer
te Gmund, de welbekende invoerder van Simmendaler vee in zijn vaderland,
fokte dit vee reeds vroeg in reine teelt aan.
Hierbij voegden zich de fokkerijen van den Heer Bebmühlen, land-
eigenaar te Wallenburg, Waitzinger en Graiterer, logementhouders te
Miesbach, Joh. Bernecker te Gmund, Johs. Bauer en anderen. De
Heer Obermeijer voerde jaarlijks fokstieren uit het Simmendal aan en
werd daarin door belangrijke subsidiën van de kreitslandbouwcomité\'s te
Munchen krachtig ondersteund en zoo heeft zich hier in een tijdsbestek
van 40 jaren een veeslag ontwikkeld, dat in zijn geheele uiterlijk het
voortreffelijke Simmendaler vee evenaardt en voor de geheele veeteelt van
Beijeren, ook nog ver buiten den kring zijner eigenlijke woonplaats, van
het hoogste belang is.
Het Miesbacher vee is zwaarder dan het in het vorige hoofdstuk
behandelde Messkirch-Simmendaler vee, breeder en grover van beendergestel.
Ten oosten van het verbreidingsgebied van het Murnau-Werdenfelser
vee, in het landschappelijk zoo heerlijk gelegene alpengebied van Hoog-
Beijeren, de landsrechterlijke distrikten Miesbach en Tegernsee, behoort
het Miesbacher vee te huis, dat in uitgebreiden kring hoogst gunstig
bekend staat. Dit gebied wordt ten westen door de Iser (Fölz, Langgries)
ten oosten door de Leitzach begrensd, is door schoone bergen met heerlijke
bosschen omringd en met talrijke rivieren doorsneden, van welke ik hier
de Schlieraeh, de Mangfall, zijnde de uitsti \'ooming van het fraai gelegene
Tegernmeer en de "Weissach noem.
Reeds voor 1840 werden er ter verbetering van het oude, bruine
Beijersche land vee, dat eng en plat van romp en zeer hoog gesteld was,
fokstieren uit den Pinzgau en in 1840 uit het Simmendal ingevoerd.
Z. K. H. prins Karel van Beijeren te Tegernsee, schafte voor zijne model-
hoeve Kaltenbrunn aan het Tegernmeer, met heerlijke alpenweiden, eene
-ocr page 193-
17-2
173
Metingen van door mij gekocht
lieren van de beste kwaliteit.
KLEUR.
1
Huid.
oorne n.
s
»
Ui
o
o
b
S
i sspiegel.
a
o
h e m e 11 e.
IANMERKINGEN.
«
-x
Rande
z
e
ïeel-
rvlekt.
De lippen zijn meest helder, de hoornen en
Hoogdragend.
d°,
hoeven wasgeel
, de oor
ïaren van dezelfde kleur
fi
maanden drachtig.
als het dekhaar, de i
ftaartkwast meest wit.
(1°.
Hier en daar komen op
den muilspiegel echter
7
» »
.1°.
ook nog kleine zwarte en bruine vlekken voor;
in dat geval hebben de hoornen dan ook meestal
7
» »
(1°.
zwarte punten
en de
hoeven zwarte strepen,
6
» »
of zijn geheel ï
wart. Deze onzuivere pigmenten
d°.
toonen aan, dat er nog bloed van bruinvee
d°.
door de aderen
vloeit.
I. K N (i T K
HOOGTE
OMVANG
s .\\a
BESCHRIJVING
VAN
HET DIER.
\'S I 2
i i
« 5
T3 c 13
TT >a
In Centimeters
Vaars , 3 jaar.
2  jaar 9 maand
3     »
2 t
2 *
2 »
75 130 52 24 137 150 63
50
53
53
50
45
45
30 193 18O40(
j |
27 209 19441J
75 135 54
22 149155 64
150 160; 70
|
138\'l46! 65
j J
134145\' 65
134 146 63
82
133\' 56
194 420
27
30
25
200
70
176:3(il
135 58
185
65 125 50
181 168375
26 171169 36!
70
121
52
44
37
70
174
120
21
47 35 II
136 147
65
"J »
2. Het Sliesbacher vee.
koppel echte Simmendaler runderen aan en ook de logementhouder Obermeijer
te Gmund, de welbekende invoerder van Simmendaler vee in zijn vaderland,
fokte dit vee reeds vroeg in reine teelt aan.
Hierbij voegden zich de fokkerijen van den Heer Bebmühlen, land-
eigenaar te Wallenburg, Waitzinger en Graiterer, logementhouders te
Miesbach, Joh. Bernecker te Gmund, Johs. Bauer en anderen. De
Heer Obermeijer voerde jaarlijks fokstieren uit het Simmendal aan en
werd daarin door belangrijke subsidiën van de kreitslandbouwcomité\'s te
Munchen krachtig ondersteund en zoo heeft zich hier in een tijdsbestek
van 40 jaren een veeslag ontwikkeld, dat in zijn geheele uiterlijk het
voortreffelijke Simmendaler vee evenaardt en voor de geheele veeteelt van
Beijeren, ook nog ver buiten den kring zijner eigenlijke woonplaats, van
het hoogste belang is.
Het Miesbacher vee is zwaarder dan het in het vorige hoofdstuk
behandelde Messkirch-Simmendaler vee, breeder en grover van beendergestel.
Ten oosten van het verbreidingsgebied van het Murnau-Werdenfelser
vee, in het landschappelijk zoo heerlijk gelegene alpengebied van Hoog-
Beijeren, de landsrechterlijke distrikten Miesbach en Tegernsee, behoort
het Miesbacher vee te huis, dat in uitgebreiden kring hoogst gunstig
bekend staat. Dit gebied wordt ten westen door de Iser (Fölz, Langgries)
ten oosten door de Leitzach begrensd, is door schoone bergen met heerlijke
bosschen omringd en met talrijke rivieren doorsneden, van welke ik hier
de Schlieraeh, de Mangfall, zijnde de uitsti \'ooming van het fraai gelegene
Tegernmeer en de "Weissach noem.
Reeds voor 1840 werden er ter verbetering van het oude, bruine
Beijersche land vee, dat eng en plat van romp en zeer hoog gesteld was,
fokstieren uit den Pinzgau en in 1840 uit het Simmendal ingevoerd.
Z. K. H. prins Karel van Beijeren te Tegernsee, schafte voor zijne model-
hoeve Kaltenbrunn aan het Tegernmeer, met heerlijke alpenweiden, eene
-ocr page 194-
174
Geschiktheid voor den arbeid was van den beginne af aan het hoofddoel
der fokkerij in dit distrikt, en men legde zich uitsluitend toe op het ver-
krijgen van groote, zware dieren. Dit doel is dan ook bereikt, en ik vond
hier grootere en zwaardere dieren dan onder het origineele Simmendaler
vee. Het Miesbacher rund is hoofdzakelijk het produkt der oude Simmen-
daler teelt; het Messkircher heeft meer de nieuwe wijze van fokken in
het Sinimendal gevolgd, zooals ik die daar ter plaatse nauwkeurig be-
schreven heb.
De kop van het Miesbacher rund is van middelbare lengte, met een
breed voorhoofd, de hoornen middelfijn, geelwit van kleur, meest naar
boven gebogen, de pigmenten zijn niet altijd zuiver, ook ziet men dikwijls
donkere vlekken op den neusspiegel en donkere haren in de ooren, op
den melkspiegel en den buik; de rug is meestal recht, sterk, schoft en
kruis breed, de staart dikwijls eenigszins hoog ingeplant, dik en zwaai\'
tot aan de pluim. Het lijfis zeer goed geribd, de borstkas zeer wijd,
de kossem vrij lang, schouders en dijen vol, de beenen zwaar, krachtig,
zeer goed en niet hoog gesteld, het spronggewricht weinig gebogen. De
huid is dik, maar week, de melkteekens middelmatig ontwikkeld. De
haarkleur is meest roodachtig geel met witte vlekken, of meer wit met
roode of roodgele vlekken. het voorhoofd meestal wit.
Het fraaie, zware Miesbacher vee heeft volstrekt niet meer voedsel
per 100 pd. lichaamsgewicht noodig dan andere slagen; integendeel, het
gedijt ook bij tamelijk rijkelijke stroovoedering en behoorlijke toegift van
krachtvoeder zeer goed en gevoelt zich op de vlakte spoedig te huis.
De volwassen fokstier bereikt ongemest een gewicht van 2000 pond
en daarboven, de koe 1600 tot 1800 pond; voor nadere bijzonderheden
verwijs ik naar de achterstaande metingen en wegingen.
Het melkbedrag kan men gemiddeld op 1600 a 1800 liter rekenen;
voor 1 pond boter is 12 a 13 liter melk noodig.
Het valt niet te betwisten, dat men in het Miesbach-Tegernseesche
distrikt zeer veel uitgericht heeft, maar toch konden in dit lange tijds-
bestek en bij de aangewende middelen de uitkomsten nog gunstiger geweest
zijn, wanneer men niet zoo uitsluitend lichaamszwaarte en geschiktheid
voor den arbeid op den voorgrond gesteld had en ook bij de keus der
ingevoerde stieren met nog meer nauwgezetheid was te werk gegaan.
De hooge inplanting van den staart en het grove beendergestel kon ver-
wijderd zijn, de zwarte kleurschakeeringen moeten niet meer voorkomen,
want deze bewijzen ten stelligste, dat er ook Simmendaler stieren, misschien
-ocr page 195-
175
wel van de markt te Freiburg, zijn ingevoerd, die niet van zuiver bloed
waren. Ik zag nog bij mijn laatste verblijf in dit fokdistrikt, dat ik onder
geleide van mijn vriendelijken gastheer, den hotelhouder Biuhl te Miesbach,
dien ik ieder, welke zich hier wil orienteeren of er vee wenscht te koopen
ten zeerste kan aanbevelen, bezocht, meermaals dieren met donkere haren
in de ooren en onzuivere pigmenten en fokstieren met zoo hoog ingeplanten
staart als in een zoo voortreffelijk fokdistrikt niet meer moesten worden
gebruikt. Intusschen vindt men hier zoovele, in alle opzichten deugdelijke
dieren, die het vermogen bezitten hunne voortreffelijke eigenschappen over
te erven, dat ieder, die buitengewoon zwaar, fraai gebouwd vee zoekt,
hier zijne gading zal vinden. De uitvoer is dan ook zeer belangrijk, de
fokkers krijgen goed geld voor hunne waar en worden daardoor aange-
spoord zich niet onvermoeide zorg aan de fokkerij te weiden. Het streven
om de nog aanwezige gebreken te verwijderen en steeds meer de voI-
maaktheid nabij te komen is dan ook overal duidelijk merkbaar en men
mag van het gezond verstand van de nijvere bevolking met grond ver-
wachten , dat zij hierin eenmaal zullen slagen.
De verblijdende resultaten bij de veefokkerij verkregen, waarop de
Miesbach-Tegernseesche fokkers met recht trotsch kunnen zijn, hebben
ook hunne belangstelling in eene goede verpleging en voeding van hun
vee steeds doen toenemen. Jammer is het, dat de alpen weiden in hun
distrikt daartoe maar weinig medewerken ; deze weiden leveren te weinig
voedsel en met de cultuur daarvan is het treurig gesteld. Zij worden
niet, zooals in den Allgau, in Vorarlberg en Zwitserland, regelmatig ge-
mest , het van de bergen afstroomende water niet daarover heen geleid
en de weiden van steenen, schilfer en onkruid gereinigd; er wordt daar
zoo goed als niets aan gedaan en zoo is het geen wonder, dat de groei
van het gras daardoor benadeeld wordt, wilde struiken en onkruid er
woekeren, terwijl de van de bergen rollende steenen en schilfer den groei
tegenhouden. Het op de alpenweide gedrevene vee vindt er dikwijls geen
voldoende voedsel en komt vaak in den herfst in slechter toestand naar
den stal terug, dan toen het op de wei gedreven werd. De oorzaak
dezer verwaarlozing der alpenweiden ligt daarin, dat de bewoners deze
niet in eigendom bezitten, maar daarvan slechts het vruchtgebruik hebben.
De weiden zelf zijn staatseigendom. De opheffing dezer servituten, hoe
vaak ook beproefd, is steeds afgestuit op de oneenigheid van de verschib
lende belanghebbenden. Buiten het weiderecht hebben de boeren ook nog
het recht, voor hun vee uit de bosschen van den staat zooveel strooisel
-ocr page 196-
176
op te zamelen, als zij voor den winter noodig hebben. Zij mogen ge-
durende den zomer zooveel vee op de weiden en in de bosschen van den
staat laten grazen, als zij gedurende den winter gehouden hebben. Deze
rechten zijn oorzaak, dat dikwijls meer vee gehouden wordt dan met het
oog op het voorradige voedsel dienstig is.
De meeste alpenweiden kunnen 10 tot 12 koeien en 4 a 5 stuks
jongvee voeden; zij worden door eene herderin en een jongen gehoed.
Het genootschapswezen, dat overal in Deijeren in het landbouwbedrijf
zeer in bloei staat, is hier, zoo lang de veehouders niet zelf eigenaren der
alpenweiden zijn, doch slechts servituten daarop hebben, onmogelijk. Ieder
weidt zijn eigen vee, fabriceert zijn kaas van zeer twijfelachtige kwaliteit
(meestal potkaas) en doet niets voor de verbetering zijner weide.
Meer zorg wordt er besteed aan de hooilanden en de dalweiden langs
de huizen en vele verstandige veehouders regelen hunne fokkerij naar het
voeder, dat deze opleveren en maken van de alpenweiden bijna geen gebruik.
De kalveren, die bij de geboorte zeer zwaar zijn en (link groeien,
worden het eerste jaar krachtig en met overleg gevoederd, zooals dat voor
een goeden groei en eene voor alle belangen gunstige ontwikkeling noodig
is. Na het eerste jaar gaan zij bij middelmatige voeding goed vooruit en
hebben zich in streken met weinig en schraal voedsel, zooals aan het
Chiemmeer, aan gene zijde van de Iser, waar vele veengronden zijn, en
den Ampergrond bij gelijk voer beter gehouden, dan het daar te huis
behoorende landvee; een bewijs, dat het Miesbach-Simmendaler vee niet
veeleischend is. Aangemoedigd door de goede resultaten, verkregen in het
Miesbach-Tegernseesche distrikt, legde men zich ook in de distrikten Aibling,
Rosenheim en Traunstein op deze teelt toe, die hier dagelijks in omvang
toeneemt. In deze distrikten houdt men naast het landvee ook nog Pinz-
gauer en Pongauer vee. Wij vinden hier behalve vele andere uitmuntende
fokkerijen van Simmendaler vee, ook die van den graaf Törring-Jetten-
bach op Pertenstein, wiens voortreffelijke fokkerij van bruinvee op het
slot Seefeld aan het Starnberger meer reeds vroeger door mij is vermeld,
die van den Heer von Finsterer te Urfahren enz.
-ocr page 197-
Tabel: zie volgende bladzijde.
12
-ocr page 198-
178
179
Miesbach-Simmendaler
vee. De metingen zijn door den Heer Bermühlen.
president der landbouw
vereeniging Miesbach-Tegernsee uitgevoerd.
LENGTE
HOOGTE
a
OMVANG
KLEUR.
:edte.
teupen
eender
1
-
aan
1
O*,
tot
een.
BESCHRIJVING
H
f.
kop
ifdbrc
il U
rond
orstb
der 1
1
—\'
d.
o
a
m
0>
VAX
HET DIER.
achterhoofd
de scl
schoft tot
krui
1
!
Voorhoc
van den g
aan de i
van den g
aan het
van den g
aan het 1:
Breedte
Breedte dei
u
O
UIOJ
gehe
Huid.
H o e v e i
e
SS
M
o
O
Muil.
Tong.
Geh e mei
A A N M E R
KINGEN.
In Centimeters.
Fokstier, stamboek n
°. 33,
: !
3 jaar oud .
. .
70 166
51
28
165 170; 70 67
40
272
235
483
gcelbleek.
geel.
geel.
licht.
licht.
licht.
licht.
2000
pd.
Fokstier, stamboek n
°. 37,
1
1 { jaar ouil
, ,
60
140
45
25
152164
62 53
33
220 195
426
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
1200
»
Koe, stamboek nü.
146,
7! jaar oud
. .
72
155
57
25
165 173 62 59
42
250 214
455
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
1750
i
4
m. drachtig.
Koe, stamboek n°. 3,\'
[0 jaar
| !
80
152
53
25
152 168 57 60
45
235 212 470
bleekrood.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
1800
»
7
» »
Koe, stamboek n°.
108,
9 jaar oud .
. ,
70
150
45
25
153 162 59 67
43
2\'30 214 440
bruinbont.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
1500
»
7
w. »
Koe, stamboek n°.
190,
|
56
150
47
24
155 161 59 60
39
232 205 445
wit met
weinig geel.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
1600
»
8
m. »
Koe, stamboek n°.
131,
4.1, jaar oud
70
143
48
25
145 158
60 67
40
227
205 425
rood met
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
1350
k
gust.
Koe, stamboek n°.
185,
11 jaar oud
.
70
145
48
24
150158
58
62
37
220
204
425
schimmel.
geel met
zw. punten.
d°.
d°.
donker.
d°.
donker.
1350
»
2
m. drachtig.
Koe, stamboek n°.
152,
70
155
48
25
150
165
60 60
44
220
203
445
geelbïcek.
licht.
licht.
d°.
licht.
d°.
licht.
1450
»
2
» »
Vaars, stamboek n°.
198,
3 jaar oud .
. ,
60
147
46
24
155
160
65 60
46
233
202
435
bruinhout.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d*.
1400
»
7
« »
Vaars, stamboek n°.
202,
2-3 jaar oud
. ,
65
144
45
23
152
160
63
62
41
225
200
420
schimmel.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
1300
y>
4
» »
Vaars, stamboek n°.
203,
2J jaar oud
.
60
131
46
24
147
157
63 56
44
207
195
407
roodbont.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
1200
«
4
» »
Vaars, stamboek n°.
208,
2.1, jaar oud
• •
60
140
45
23
145
151
60 62
41
212
192
405
490
geelbont.
licht met
zw. punten.
bont.
d°.
d°.
d°.
bont.
1200
»
6
» »
Os, 6 jaar oud .
• •
80
168
60
30
177
183
78
70
44
248
231
d°.
licht.
licht.
d°.
d°.
d°.
licht.
1870
»
Os, 6 jaar oud .
• •
90
173
57
30
1
182
192
82
70
50
252
226
5171
d".
licht niet
zw. punten.
bont.
d°.
licht met
donkere vl.
d°.
bont.
1920
»
12*
-ocr page 199-
178
179
Miesbach-Simmendaler
vee. De metingen zijn door den Heer Bermühlen.
president der landbouw
vereeniging Miesbach-Tegernsee uitgevoerd.
LENGTE
HOOGTE
a
OMVANG
KLEUR.
:edte.
teupen
eender
1
-
aan
1
O*,
tot
een.
BESCHRIJVING
H
f.
kop
ifdbrc
il U
rond
orstb
der 1
1
—\'
d.
o
a
m
0>
VAX
HET DIER.
achterhoofd
de scl
schoft tot
krui
1
!
Voorhoc
van den g
aan de i
van den g
aan het
van den g
aan het 1:
Breedte
Breedte dei
u
O
UIOJ
gehe
Huid.
H o e v e i
e
SS
M
o
O
Muil.
Tong.
Geh e mei
A A N M E R
KINGEN.
In Centimeters.
Fokstier, stamboek n
°. 33,
: !
3 jaar oud .
. .
70 166
51
28
165 170; 70 67
40
272
235
483
gcelbleek.
geel.
geel.
licht.
licht.
licht.
licht.
2000
pd.
Fokstier, stamboek n
°. 37,
1
1 { jaar ouil
, ,
60
140
45
25
152164
62 53
33
220 195
426
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
1200
»
Koe, stamboek nü.
146,
7! jaar oud
. .
72
155
57
25
165 173 62 59
42
250 214
455
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
1750
i
4
m. drachtig.
Koe, stamboek n°. 3,\'
[0 jaar
| !
80
152
53
25
152 168 57 60
45
235 212 470
bleekrood.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
1800
»
7
» »
Koe, stamboek n°.
108,
9 jaar oud .
. ,
70
150
45
25
153 162 59 67
43
2\'30 214 440
bruinbont.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
1500
»
7
w. »
Koe, stamboek n°.
190,
|
56
150
47
24
155 161 59 60
39
232 205 445
wit met
weinig geel.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
1600
»
8
m. »
Koe, stamboek n°.
131,
4.1, jaar oud
70
143
48
25
145 158
60 67
40
227
205 425
rood met
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
1350
k
gust.
Koe, stamboek n°.
185,
11 jaar oud
.
70
145
48
24
150158
58
62
37
220
204
425
schimmel.
geel met
zw. punten.
d°.
d°.
donker.
d°.
donker.
1350
»
2
m. drachtig.
Koe, stamboek n°.
152,
70
155
48
25
150
165
60 60
44
220
203
445
geelbïcek.
licht.
licht.
d°.
licht.
d°.
licht.
1450
»
2
» »
Vaars, stamboek n°.
198,
3 jaar oud .
. ,
60
147
46
24
155
160
65 60
46
233
202
435
bruinhout.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d*.
1400
»
7
« »
Vaars, stamboek n°.
202,
2-3 jaar oud
. ,
65
144
45
23
152
160
63
62
41
225
200
420
schimmel.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
1300
y>
4
» »
Vaars, stamboek n°.
203,
2J jaar oud
.
60
131
46
24
147
157
63 56
44
207
195
407
roodbont.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
1200
«
4
» »
Vaars, stamboek n°.
208,
2.1, jaar oud
• •
60
140
45
23
145
151
60 62
41
212
192
405
490
geelbont.
licht met
zw. punten.
bont.
d°.
d°.
d°.
bont.
1200
»
6
» »
Os, 6 jaar oud .
• •
80
168
60
30
177
183
78
70
44
248
231
d°.
licht.
licht.
d°.
d°.
d°.
licht.
1870
»
Os, 6 jaar oud .
• •
90
173
57
30
1
182
192
82
70
50
252
226
5171
d".
licht niet
zw. punten.
bont.
d°.
licht met
donkere vl.
d°.
bont.
1920
»
12*
-ocr page 200-
180
XI. De rundveeslagen In Beijeren.
Van de rundveeslagen in Beijeren hebben wij in aansluiting aan het
grauwbruine gebergteras, als daartoe behoorende, het Algiiuer, Lechdaler,
Nesselwanger, Dietmansrieder en Murnau-Werdenfelser. en in aansluiting
aan het Simmendaler vee, als daartoe behoorende, het Miesbach-Tegern-
seeër vee leeren kennen. Thans wenden wij ons tot de overige bonte
slagen en vinden dan in de eerste plaats als verwant met het Mies*
bacher vee
1. Het Bayreuther gevlekte vee.
Ook hier, in het distrikt van het gevlekte vee, was het in de eerste
jaren na 1840, dat het streven ontwaakte, het oude Beijersche land vee
door het invoeren van fokstieren van edeler ras te verbeteren. Men koos
daarvoor eerst Algiiuer stieren en daarna, toen deze kruising geen be-
vredigend resultaat opleverde, stieren van het Ansbach-Triesdorfsche ras
(die wij hier sub 2 nader zullen leeren kennen), verkreeg daardoor betere
lichaamsvormen en ging toen eenige jaren later over tot de kruising met
Simmendaler fokstieren. Met de invoering van het Simmendaler vee
kwamen de fokkers eindelijk op het goede spoor, bemerkten dit spoedig
en hebben van dien tijd af onafgebroken en met de meeste volharding in
deze richting voortgefokt. Hun teelt werd ook daardoor in hooge mate
begunstigd, dat de voor de veeteelt in boven-Franken zoo verdienstelijke
hertog Alexander van Wurtemberg reeds in 1842 op zijn landgoed
Geigenreuth bij Bayreuth eene uit het Simmendal geïmporteerde koppel
van 2 fokstieren en 17 koeien opstelde, eenige jaren later weer eene even
groote koppel Simmendalers liet aanvoeren en de in Geigenreuth geborene fok-
stieren op de vrijgevigste wijze aan de gemeenten ten gebruike afstond. Ook
op andere groote landgoederen, zooals op Berghof Trieb bij Lichtenfels
(gemiddeld gewicht der koe over 1300 pond: melkopbrengst per stuk
gemiddeld 3908 liter volgens professor Dr. Gg. May Wechenstephan)
Scherleithe en Neuhaus, het distrikt Hollfeld, Brandstein, Hof enz. ont-
stonden edele Simmendaler fokkerijen en deze werden met Geigenreuth de
pepinières, waaruit de gemeenten en de kleine veehouder ten allen tijde
edel fokmateriaal konden verkrijgen. Vooral echter werd de aankoop van
echte Simmendaler fokstieren bevorderd door het kreitscomité van de land-
-ocr page 201-
•181
bouwvereeniging, dat dezen aankoop geldelijk steunde en zoo kwamen
er in de jaren 1854, 57, 59. 65, 68, 76, 77 (deze laatsten door mij
aangekocht) nieuwe Simmendaler fokstieren hier heen.
Behalve deze aanvoeren van echte Simmendaler rasdieren, werden
er ook herhaalde malen zoowel mannelijke als vrouwelijke dieren uit
Miesbach-Tegernsee ingevoerd en daarmee de fokkerij belangrijk verbeterd.
Deze op bovenbeschrevene wijze gevormde rijkelijk met Simmendaler
bloed vermengde bonte dieren zijn bekend onder den naam van i>Baxj-
reuther Schecken\'\'\'
en staan in wijden kring zeer hoog in aanzien. De
naam Bayreuther Schecken heeft men misschien wel daarom aan dit vee
gegeven omdat het fokken er van in de omstreken van Bayreuth begonnen
is, zich van daar uit verder verspreidde en ook thans nog in deze streken
de beste uitkomsten oplevert. De teelt van dit slag strekt zich in boven-
Franken thans uit over de distrikten Bayreuth, Hof Kulmbach, Thurnau,
Hollfeld en het noordelijk gedeelte van het distrikt Rehau, en met het
roode landvee vermengd over de distrikten Pottenstein, Beineck en Stadt-
steinach. In het distrikt Lichtenfels werden naast het Scheinfelder- en
het landvee in eenige gemeenten de Bayreuther Schecken gefokt, die wij
ook nog aan de grenzen van Saksen-Meiningen, naast het roode land-
vee bij Ludwigstadt en westwaarts van Erlangen bij Herzenaurach en
het aangrenzende Middenfranken vinden. In den Boven-Paltz fokt men
het in de landsrechterlijke distrikten Amberg, Vilseck, Sulzbach, Auer-
bach, Eschenbach en Kemnath naast het kleinere, lichtbruine Oostpaltzer
vee, dat slechts eene witte bles en verder geene witte plekken heeft.
In Boven-Franken zijn sedert 1870 vijftig fokstiervereenigingen op-
gericht, die geene andere dan echte Simmendaler bullen voor de fokkerij
gebruiken en zeer goede resultaten opleveren. Vooral zijn de vereeni-
gingen tot aanfokken van veredelde rassen, die in alle distrikten worden
opgericht en hun ontstaan aan de steeds hei-haalde opwekking en aan-
moediging van de kreitslandbouwcomités te danken hebben, op de ont-
wikkeling der veeteelt in Beijeren van zeer veel invloed geweest en hebben
deze op hoogst doelmatige wijze bevorderd. Het kan dus als van alge-
meen belang worden beschouwd hier aan het slot mijner bespreking van
de ^Bayreuther Schecken" de statuten eene fokstier-vereeniging te laten
volgen, zooals die bijna algemeen zijn ingericht.
-ocr page 202-
182
STATUTEN
VAN DE
Fokstiervereeniging voor den                    rundveestam
in de gemeente X.,
Comité van het landbouwdistrikt N.N.
§ *•
De ondergeteekeiiden vereenigen zich tot een genootschappelijk ver-
bond, dat zich ten doel stelt, den (Scheinfelder enz.) rundveestam zoo
volkomen mogelijk aan te fokken.
§ 2.
Toetreding tot de vereeniging staat iederen veehouder in de gemeente
X. viij, doch geldt zulks dan voor al zijn fokvee.
§ 3.
De benoodigde gelden worden verkregen :
a.   door entreegelden,
b.   door jaarlijksche contributiën der leden,
c.   door bijdragen van het kreitscoinité, het distriktscomité en
den distriktsraad,
d.  door springgelden,
e.   door andere ontvangsten.
Het bedrag der entreegelden wordt bepaald op . . Mark per stuk fokvee.
De jaarlijksche contributie der leden en het springgeld, dat voor leden
en niet-leden verschillend zal zijn, wordt elk jaar door het bestuur vastgesteld.
§ 4.
De ontvangen gelden worden op de navolgende wijze besteed:
a.   tot aankoop van uitmuntende stieren van het ............. ras,
alsook tot dekking van eventueele tekorten bij aan- en weer
verkoop van fokstieren,
b.   ter bestrijding der onkosten voor het houden van fokstieren,
c.   zoo mogelijk tot het houden van vrouwelijke fokdieren.
-ocr page 203-
183
§ 5.
De duur der vereeniging wordt voorloopig en in de vooronderstelling
dat de benoodigde gelden op de wijze als in § 3 vermeld, verkregen zijn,
bepaald op 10 jaren. Bedanken voor het lidmaatschap is slechts geoor-
loofd bij opheffing van de geheele veehouderij of bij verkoop van al het
vee en ook dan nog slechts met toestemming van het bestuur. Bij be-
danken voor het lidmaatschap doet de uittredende stilzwijgend afstand van
zijn aandeel in de eigendommen van de vereeniging.
§ 6.
De aangekochte fokstieren blijven het eigendom der vereeniging en
mogen zoolang zij voor de fokkerij gebruikt worden, niet in het bezit
van den houder van het dier overgaan. De fokstieren mogen slechts ge-
plaatst worden in stallen, die door het bestuur der vereeniging zijn goed-
gekeurd en zij mogen niet tot dekking worden rondgeleid.
§ 7.
De houder van den fokstier verbindt zich, dezen krachtig te voederen
en hem slechts te gebruiken voor koeien en vaarzen van veehouders uit
de gemeente.
§ 8.
De fokstieren moeten bij eene solide veeverzekeringsmaatschappij ver-
zekerd worden.
§ 9-
De leden der vereeniging verbinden zich hunne vrouwelijke fokdieren
slechts door stieren van de vereeniging te laten dekken en de voor den
aanfok geschikte kalveren, voor zooverre zij ze niet zelf wenschen aan te
houden, aan leden der vereeniging te verkoopen, zijn echter na verloop
van een termijn van drie weken van deze laatste verplichting ontheven.
§ 10.
Het bestuur dei\' vereeniging wordt opgedragen aan eene commissie,
bestaande uit een voorzitter en twee leden. Deze commissie wordt in eene
algemeene vergadering voor den tijd van 3 jaren benoemd.
De commissie heeft het recht van ko-optatie uit de leden dei\' vereeniging.
-ocr page 204-
184
§ 14.
De voorzitter kan met toestemming van de andere bestuursleden,
tegelijkertijd de funktiën van secretaris en penningmeester waarnemen.
§ 12.
De betrekking van voorzitter en bestuurslid wordt zonder vergoeding
waargenomen; de door hen te doene verschotten en onkosten worden vergoed.
§ 13.
De werkzaamheden van het bestuur zijn:
a.  bet aankoopen van uitstekende fokstieren en zoo de middelen
het toelaten, ook van vrouwelijk fokvee,
b.   het onderbrengen dei- fokstieren bij vertrouwde veehouders
en het overeenkomen met deze van het bedrag der daarvoor
te betalen vergoeding,
c.   het houden van toezicht op den fokstier en de fokkerij in
\'t algemeen, tot welk doel van tijd tot tijd inspectiën moeten
worden gehouden,
d.   de verzekering der dieren,
e.   het bepalen en invorderen der entreegelden en contributiën
en het verder beheer der gelden,
f.   het vertegenwoordigen der vereeniging naar buiten.
§ 14.
Eens in het jaar schrijft het bestuur eene algemeene vergadering uit,
waarin het verslag der werkzaamheden over het afgeloopen vereenigingsjaar
en de rekening en verantwoording van het gehouden beheer der gelden
worden uitgebracht en om de drie jaar een bestuur wordt gekozen.
S 15.
Buitengewone vergaderingen kunnen slechts worden belegd:
o. bij aftreding van bestuursleden,
b.   voor het veranderen der statuten,
c.   wanneer een derde der leden van de vereeniging zulks ver-
langt, met opgaaf van de punten die zij wenschen behandeld
te zien.
-ocr page 205-
485
§ 16.
Aan alle leden van liet bestuur van het distrikt, zoomede aan die
van het landbouwcomité, het kreits- en het distriktscomité, wordt het
recht verleend inzage te nemen van alles wat op de werkzaamheden van
de vereeniging betrekking heeft.
§ 17.
Tot ontbinding der vereeniging, voor den alloop van den in § 5 be-
paalden termijn, kan slechts in eene jaarlijksche algemeene vergadering
worden besloten; daartoe wordt eene meerderheid van r| der aanwezige
leden vereischt. Bij ontbinding wordt van de na betaling der eventueele
schulden nog overblijvende gelden, de som, die de vereeniging van de
landbouwconiité\'s en het distriktsbestuur gekregen heeft, aan het landbouw-
comité overgedragen, ter ondersteuning van andere fokstiervereenigingen.
§ 18.
Veranderingen in deze statuten kunnen slechts worden gemaakt met
toestemming van twee derde van al de leden dei\' vereeniging.
Aldus vastgesteld in de te X. den. . . . 18 .. gehouden vergadering.
{Vul yen de handt e e kening en.)
Het Bayreuther gevlekte vee is zwaar of middelzwaar, al naar de
vruchtbaarheid van den bodem en de meer of minder zorgvuldige teelt
en verzorging; de kleur is wit met roode of gele vlekken of meer rood
of geel met witte vlekken. De hoekige vormen met weinig vleeschaan-
zetting aan de bovenste deelen hebben plaats gemaakt voor een fraai,
breed, tonvormig lichaam, dat op krachtige, goedgestelde, gespierde
beenen rust. Men vindt hier even schoone vormen als bij het Simmen-
daler vee en de fokkers komen steeds nader aan hun doel, »de Bay-
reuther runderen tot een constant erfelijk ras te veredelen". Het zijn
zeer goede trekdieren; de ossen zijn gezocht en worden goed betaald;
ook voor de vetmesting zijn ze zeer geschikt; de melkgeving is bij dit
vee eene middelmatige.
-ocr page 206-
186
2. Ansbach-Triesdorfer vee.
Het Ansbach-Triesdorfer vee is over het grootste gedeelte van het
regeeringsdistrikt midden-Frankeo verspreidt. Wij vinden het in de dis-
trikten Ansbach, Heilbronn, Schwabaeh, Neurenberg, Hersbruch, Fürth,
Erlangen, Erlbach, Rothenburg, Schillingsfürst, Feuchtvvangen, Dinkels-
bühl, Gunzenhausen, en Heidenheim.
Voor den veefokker biedt het uit velschillende kruisingen ontstane
Ansbach-Triesdorferslag hoogst belangwekkende bijzonderheden aan. Ik
zal trachten de wordingsgeschiedenis van dit vee zoo getrouw mogelijk
uiteen te zetten.
De veeteelt van de voormalige markgrafelijk Brandenburgsche meierij
Triesdorf bij Ansbach, de tegenwoordige kreitslandbouwschool, werd voor
het geheele fokdistrikt van de grootste beteekenis. Zij gaf den toon aan
en was het stamfokdistrikt voor het thans over de geheele omtrek ver-
breide slag.
In Triesdorf, alsook in de overige hiervoren vermelde distrikten,
werd tot ongeveer het jaar 1730 het roode landvee aangefokt, totdat de
met het vorstenhuis van Oranje door enge banden der vriendschap ver-
bondene markgraaf Wilhelm Fuiedrich, die een groot deel van zijn leven
in Triesdorf doorbracht, in den tijd van 1740 tot 1756 herhaalde malen
Hollandsch vee naar Triesdorf liet komen en daarna van de aangefokte
dieren alles wat gemist kon worden, aan de veehouders van het vorsten-
dom Ansbach verkocht, die het oude roode landvee met dit Nederlandsche
vee kruisten. Deze kruising moet van grooten omvang geweest zijn,
daar men na vele jaren overal nog dieren vond, die beslist het karakter
van het Nederlandsche ras vertoonden; de resultaten dezer kruising konden
niet voldoen; de afstammelingen waren hoogbeenige dieren met vaak
kromme, koehakkige achterbeenen en naar binnen gebogene sprongge-
wrichten. Kop en hals werden lang, borstkas en schoft smal, de ribben
plat, het kruis naar achteren afvallend, en alle vormen hoekiger. Zulke
dieren konden in een distrikt, waar goede vormen en geschiktheid voor
den arbeid hoofdzaak was, niet bevallen, ander fokmateriaal was noodig
geworden en het was de markgraaf Karel Alexander, die in 1757 een
transport koeien en fokstieren uit Bern en Freiburg naar Triesdorf liet
komen. Dit Zwitsersche vee werd door de fokkers gaarne genomen, de
lichaamsvormen lieten met het oog op geschiktheid voor den arbeid en
-ocr page 207-
187
de vetmesting het beste verwachten en waren dus bij allen welkom. Dit
Zwitsersche vee werd nu deels rein voortgefokt, deels met het Oost-
friesche en het uit de kruising met dit vee ontstane slag gekruist en thans
nog vinden wij hier de vormen van al deze kruisingen terug. Opvallend
waren hier de verschillen, die ontstonden bij de kruising van Oostfriesche
koeien met Berner (Simmendaler) stieren en die van Berner koeien met
Oostfriesche stieren. Laatstgenoemden waren zeer melkrijk, hadden steeds
hoekige vormen, een zwak voorstel, meestal koehakkige beenen, een
langen kop en dunnen hals; eerstgenoemden daarentegen een fraai afge-
rond lichaam met breede borst, breeden boeg en kruis, onberispelijk
gestelde beenen, korten kop en zwaarderen hals. Wel waren zij niet zoo
melkrijk, doch toonden zooveel aanleg voor de vetmesting en den arbeid,
dat zij algemeen den voorkeur kregen en zich hier voor altijd inburgerden.
Markgraaf Kakel Alexander liet toen tot 1780 herhaalde malen stieren en
koeien uit het kanton Bern aanvoeren en bevorderde op deze wijze, zoo
veel hij kon, deze als de beste erkende fokkerij. In het jaar 1800 werd
het vee in Triesdorf door de longziekte, die zich van het Oostfriesche vee
helaas zoo moeilijk laat scheiden, sterk gedecimeerd, en de toenmalige
K. K. Pruisische regeering liet weer een transport vee uit Bern aan-
voeren, wat daarna nog eens herhaald werd. In het jaar 1830 werd
weer een transport van 12 Oostfriesche koeien en 2 stieren (het stuk
kostte toen gemiddeld vrij te Triesdorf 180 gulden) ingevoerd en de
kruising tusschen Berner en Oostfriesch vee voortgezet. In 1834 werden
wederom 10 koeien en 2 stieren uit Bern, ditmaal uit het Simmendal
en 9 koeien en 1 stier uit Oostfriesland gehaald (laatstgenoemden kostten
nu per stuk 283 gulden). Eene proeve met Marzdaler vee, die in het
jaar 1836 genomen werd, mislukte geheel, eveneens een andere met
Allgauer vee. Daarentegen gaven de in 1830 en 1834 opgezette vee-
stammen, die deels rein geteeld, deels gekruist werden, uitstekende resul-
taten. Eene nauwlettende, rationeele voeding en goede verpleging, vooral
van het jonge vee, bewerkte eene voortreffelijke ontwikkeling, en groote,
schoone dieren van 14 tot 16 centenaars waren geene zeldzaamheid.
Toen eischte in 1849 de kwaadaardige longziekte weer talrijke slacht-
offers en eene nieuwe aanvoer werd noodzakelijk; zulks geschiedde dan
ook door de K. K. regeering van Midden-Franken in Augustus van het
jaar 1851. Door hare bemoeiingen kwamen er 1 stier, 11 koeien en
1 vaars uit het Simmendal en in 1853 weer 12 stuks Oostfriesch vee te
Triesdorf en thans nog worden om de 5 of 6 jaar mannelijke en vrouwe-
-ocr page 208-
188
ljjke dieren uit het Simmendal en uit Oost-Friesland aangekocht. Van
Triesdorf worden, zooals steeds gebeurde, fokstieren ten gebruike aan de
gemeenten afgegeven en blijft de Triesdorfer fokkerij op deze wijze het
stamfokdistrict van het Ansbach-Triesdorfer slag.
Er komen echter ook op andere wijze nog Simmendaler en Miesbach-
Simmendaler fokstieren in het distrikt, en hoezeer het ook gewenscht is,
de groote melkrijkheid, die aan den invloed van het Oostfriesche, resp.
Nederliindsclie vee te danken is, te behouden, zoo voldoen toch de lichaams-
vormen, die onder dien zelfden invloed ontstaan, aan de eischen der vee-
houders en zoo neemt de invoering van Simmendaler fokstieren, ook
onafhankelijk van Triesdorf, steeds meer en meer toe. Andere fokkers
trachten door teelt in eigen kring de eens verkregen goede eigenschappen
te behouden en door zorgvuldige keuze der fokstieren nog te verbeteren,
zoodut er in de wijze van fokken nog geen eenheid heerscht. Toch zal
de fokkerij van het staatsdomein Triesdorf van grooten invloed blijven en
daar blijft tot nu toe de fokkerij door kruising van Simmendaler en
Oostfriesch vee dezelfde.
Het Ansbach-Triesdorfer vee behoort tot het zware en middelzware
slag, de maten staan in de hier volgende tabellen. Eene goed onder»
hondene koe weegt gemiddeld 12 tot 14 centenaars en geeft 1800 tot
2000 liter melk, waarvan 11 tot 15 liter 1 KG. boter opleveren. De
kleur is roodbont of geelbont, vaak getijgerd, de zwartbonte kleur van
het Nederlandsche vee komt zelden voor en wordt niet gaarne gezien.
De lichaamsvorm komt nu eens dien van het Simmendaler vee zeer nabij,
is afgerond in al zijn vormen, goed gesteld en fraai, dan weer heeft deze
de gebreken van het Oostfriesche vee, is minder goed gesteld, met zwak
voorstel en afvallend kruis. Evenals de lichaamsbouw, zoo zijn ook, naar
mate van afstamming, verzorging, voeding enz. de gebruikseigenschappen
zeer verschillend, doch kan het over \'t geheel een zeer goed werk vee
worden genoemd, dat dan ook zeer gezocht is; goed voor de vetmesting,
fijn van vleesch en middelmatig in de melkgeving. De fokkers leggen zich
bijzonder toe op het aanfokken van groote, voor den arbeid uitstekend
geschikte, goed loopende trekossen en hebben daarin flinken aftrek. Fokvee
is minder gezocht, wel echter koeien om af te melken voor de melkerijen
in grootere steden. Een volwassene os weegt tot 18 centenaars.
Op het domein Triesdorf krijgen de kalveren zes weken lang onge-
roomde en dan 6 weken lang halfgeroomde melk met lijn-, raap- en
sesamkoeken, goed hooi en etgroen. Van de 13" week af aan, totdat zij
-ocr page 209-
189
een vol jaar oud zijn, krijgen de dieren l tot )z pond raapkoeken met
gekneusde haver en zemels en hooi naai\' believen. Van het eerste jaar
af aan worden de dieren met hooi, haksel, stroo en een toegift van
moutkiemen of raapkoeken gevoederd. De boeren geven zelden langer
dan 4 a 6 weken melk, daarna meelslobbering, gekneusd graan en goed hooi.
In het stroomgebied van de Rezel en de Altmühl, dat vele uitstekende
graslanden bevat, dus in den omtrek van Gunzenhausen, Spuit, Winds-
bach, Ansbach. Herrieden, Ornbau, Eschenbach, Merkendorf, Altenmuhr
enz. vinden wij het beste Ansbach-Triesdorfer vee. Tot dit slag moet
ook nog gebracht worden
3. Het Rieser vee
dat wij in den heerlijk schoon gelegenen, buitengewoon vruchtbaren
Zwabischen Ries, ten zuiden van Gunzenhausen, in de landsrechterlijke
distrikten Oettingen en Nördlingen, aan de Wörnitz vinden. Het Rieser
distrikt is omringd door de steden Harburg, Wemding, Haidenheim,
Wassertrüdingen, Bopfingen, Mottingen.
Het oude, roode landvee uit den »Ries", dat tot het Donauslag be-
hoorde, is sedert langen tijd met Ansbach-Triesdorfer stieren, in lateren
tijd meer met Simmendaler en Miesbacher stieren gekruist en behoort
tot het beste vee van dit slag. De kleur is wit met roodgele, roode of
gele vlekken of\' getijgerd. Het zijn goed middelzware tot heelzware dieren,
zeer geschikt voor het werk en de vetmesting, doch middelmatig in de
melkgeving. Bij den grooten rijkdom aan voedsel in den Ries en de
consequente, beredeneerde fokkerij, is er van dit fokdistrikt veel goeds te
verwachten. Het Ansbach-Triesdorfer en ook het Rieser vee moet kies-
keuriger zijn op het voedsel, dan b.v. het Bayreuther bonte vee en het
Miesbacher vee, maar het is ook natuurlijk, dat, wanneer wij dieren uit
zoo vruchtbare streken als het Ries, de Rezal en Altmühldalen invoeren ,
wij hun een behoorlijk goed voedsel dienen voor te zetten, zoo wij ze
spoedig aan hunne nieuwe toestand en omgeving willen doen gewennen.
Hier volgen nog eenige metingen:
-ocr page 210-
191
190
Ansbach-Triesdorfer slag. De metingen zijn gedaan door den Heer oeconomieraad Cl assen, 1e secret, van de kreits-landbouwvereeniging van Midden-Franken te Ansbach
L
K N G T E
HOOGTE
Breedte der heupen.
achterhoofd tot aan
de schoft.
schoft tot aan het
zitbeen
van den kop.
Breedte van het
voerhoofd.
van den grond tot
aan de schoft.
van den grond tot
aan het kruis
van den grond tot
aan liet borstbeen.
In Cent
imet
ers.
V
M3
ü.
CU
2*
a
s
n
c
s
~
H
-=
CU
S
0
K T, li U R
-t-
PU
u
\'fi
B
CU
0
pfl
.O
U
0)
=
s
BESCHBIJV1 N G
VA.N
HET UIER.
AANMERKINGEN\'.
geel niet donker, j vlecschkl. aschgrauw. i vleeschkl. vleeschkl
?.w. punt.
1600pd
roodbruin
en witbont.
rood en wit.
Springstier, 3?, jaar.
73   159
67 149
74   150
74 151
52 136
56 143
67 150
72 1163
62 137
50
46
55
52
41
44
56
56
5-2
29 153 160
27   146 150
28   148 157
I \\ I
26 153 158
23 138 145
23  \'l41 145
28 158 167
i I
24   170 172
28 143 155
51 57
57 ! 47
55  | 58
51 60
57 i 46
61 \' 49
68    54
I
69    53
56    49
41 237 216 440
35 208 193 390
i 1
39 233 210 420
I I I
44 222 208420
34 187 178360
34  193 180 347
35   240 211407
e
\'S .
i-s
.§«2
*; Sc
d°.      1024
d°.       1420
d°.       1500
d°.      | 900
d".     ; 974
d°.       1350
d°.       1520
d°.      1000
geel.            geel.
d«.
d°.
d».
bont.
d".
d°.
d°.
d°.
d".
d°.
.1".
d°.
4 m. drachtig.
8 »
         »
d°.
Koe,
»
Vaars,
»
Os, 4jj jaar
» 4 ij »
» 1£ »
d°.
d°.
d°.
5
H
u
geel met donker. ascligrauw. aschgrauw.
zw. punt.
» o
Jj
c
bont.
d°.
d°.
geel.
vlecschkl.
vleeschkl.
grauw.
grauw.
d°.
d".
vlecschkl.
1
bont.
geel.
d°.
vleeschkl.
geel.
<lu.
wit met
zw. punt.
d°.
geel.
rood, geel!
en wit. ;
rood
getijgerd.
wit met
weinig rood,
geelbont.
245 219,428
34
31 192 203 394
Geyer, veearts te Ansbach.
Metingen van den Heer
66
28
62
26
57
25
50
31
48
27
55
24
50
22
50
22
geelgevl.
licht met
donkere p.
donker.
licht.
licht.
roodgevl.
d°.
d°.
gevlekt.
gevlekt.
geelgevl.
d".
d°.
donker.
donker.
roodgevl.
licht.
licht.
licht.
licht.
d°.
licht met
donkere p.
donker.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
donker.
d°.
d°.
licht.
d°.
bont.
bont.
geelgevl.
d°.
d°.
licht.
licht.
1900 pd.
1720 »
1590 »
86 |170
90 172
90 |l«8
67 127
71 139
80 157
85 154
75 138
licht.
d".
(K
d".
d°.
d°.
bont.
licht.
licht.
d».
d°.
d".
d°.
donker.
Os, 5J jaar . .
» 5?, »
«5 »
Fokstier, 1| jaar
»
         15 »
I
Koe, 5 jaar .
» 10 » . .
Vaars, 2 » .
228,480
222 469
174
177
78
74
71
01
62
57
64
61
50
47
45
53
25
23
243
240
169 170
I
161,164
140142
146146
150152
146 155
144150
24 231 220 454:
| !
25 202 182 390
22 210 190 395
22 250 210 445
1425 y> 32 w. drachtig.
i
58 ! 53 ! 24 ! 2001195 445
65 50 ! 20|l81|176\'360
1 I I !
bont. 1420 »
licht. I 960 ^)
6 «
-ocr page 211-
191
190
Ansbach-Triesdorfer slag. De metingen zijn gedaan door den Heer oeconomieraad Cl assen, 1e secret, van de kreits-landbouwvereeniging van Midden-Franken te Ansbach
L
K N G T E
HOOGTE
Breedte der heupen.
achterhoofd tot aan
de schoft.
schoft tot aan het
zitbeen
van den kop.
Breedte van het
voerhoofd.
van den grond tot
aan de schoft.
van den grond tot
aan het kruis
van den grond tot
aan liet borstbeen.
In Cent
imet
ers.
V
M3
ü.
CU
2*
a
s
n
c
s
~
H
-=
CU
S
0
K T, li U R
-t-
PU
u
\'fi
B
CU
0
pfl
.O
U
0)
=
s
BESCHBIJV1 N G
VA.N
HET UIER.
AANMERKINGEN\'.
geel niet donker, j vlecschkl. aschgrauw. i vleeschkl. vleeschkl
?.w. punt.
1600pd
roodbruin
en witbont.
rood en wit.
Springstier, 3?, jaar.
73   159
67 149
74   150
74 151
52 136
56 143
67 150
72 1163
62 137
50
46
55
52
41
44
56
56
5-2
29 153 160
27   146 150
28   148 157
I \\ I
26 153 158
23 138 145
23  \'l41 145
28 158 167
i I
24   170 172
28 143 155
51 57
57 ! 47
55  | 58
51 60
57 i 46
61 \' 49
68    54
I
69    53
56    49
41 237 216 440
35 208 193 390
i 1
39 233 210 420
I I I
44 222 208420
34 187 178360
34  193 180 347
35   240 211407
e
\'S .
i-s
.§«2
*; Sc
d°.      1024
d°.       1420
d°.       1500
d°.      | 900
d".     ; 974
d°.       1350
d°.       1520
d°.      1000
geel.            geel.
d«.
d°.
d».
bont.
d".
d°.
d°.
d°.
d".
d°.
.1".
d°.
4 m. drachtig.
8 »
         »
d°.
Koe,
»
Vaars,
»
Os, 4jj jaar
» 4 ij »
» 1£ »
d°.
d°.
d°.
5
H
u
geel met donker. ascligrauw. aschgrauw.
zw. punt.
» o
Jj
c
bont.
d°.
d°.
geel.
vlecschkl.
vleeschkl.
grauw.
grauw.
d°.
d".
vlecschkl.
1
bont.
geel.
d°.
vleeschkl.
geel.
<lu.
wit met
zw. punt.
d°.
geel.
rood, geel!
en wit. ;
rood
getijgerd.
wit met
weinig rood,
geelbont.
245 219,428
34
31 192 203 394
Geyer, veearts te Ansbach.
Metingen van den Heer
66
28
62
26
57
25
50
31
48
27
55
24
50
22
50
22
geelgevl.
licht met
donkere p.
donker.
licht.
licht.
roodgevl.
d°.
d°.
gevlekt.
gevlekt.
geelgevl.
d".
d°.
donker.
donker.
roodgevl.
licht.
licht.
licht.
licht.
d°.
licht met
donkere p.
donker.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
donker.
d°.
d°.
licht.
d°.
bont.
bont.
geelgevl.
d°.
d°.
licht.
licht.
1900 pd.
1720 »
1590 »
86 |170
90 172
90 |l«8
67 127
71 139
80 157
85 154
75 138
licht.
d".
(K
d".
d°.
d°.
bont.
licht.
licht.
d».
d°.
d".
d°.
donker.
Os, 5J jaar . .
» 5?, »
«5 »
Fokstier, 1| jaar
»
         15 »
I
Koe, 5 jaar .
» 10 » . .
Vaars, 2 » .
228,480
222 469
174
177
78
74
71
01
62
57
64
61
50
47
45
53
25
23
243
240
169 170
I
161,164
140142
146146
150152
146 155
144150
24 231 220 454:
| !
25 202 182 390
22 210 190 395
22 250 210 445
1425 y> 32 w. drachtig.
i
58 ! 53 ! 24 ! 2001195 445
65 50 ! 20|l81|176\'360
1 I I !
bont. 1420 »
licht. I 960 ^)
6 «
-ocr page 212-
192
4. Het Kehlheimer vee.
Het Kehlheimer vee wordt in Midden f ranken gefokt aan de Altmühl
bij Pappenheim, Eichenstadt, Beilngries, Greding, Thalmassing, indeaan-
grenzende Bovenpalts bij Dietfurd en Henau, in Neder-Beijeren aan de
Altmühl bij Reidenburg en aan de oevers van de Donau bij Kehlheim,
Altmannstein en Heinheim. In de laatstgenoemde streken vindt men het
zwaarste en beste vee van dit slag. Het verbreidingsgebied van het
Kehlheimer slag strekt zich echter nog verder uit; wij vinden het in Neder-
Beijeren tot aan Regensburg en verder noordwaarts aan de Regen en de
Schwandorf en Irrenlohe in den Bovenpaltz en in dit regeeringsdistrikt
nog aan de Laber bij Beratshausen, Parsberg enz. en aan de Roth bij
Hilpotstein. Ook in Middenfranken wordt dit vee nog gefokt bij Altdorf
en het aan de Bovenpaltz grenzende zuidoostelijk gedeelte van Midden-
franken van Hersbruck tot aan Roth, verder aan de grenzen van Boven-
franken aan de Pegnitz bij Velden enz.
De kleur van het Kehlheimer vee is bruinrood met witte bles, witte
onderborst, witten staartkwast en witte plekken aan de pooten of ook
zwarte of bruine onderpijpen, welke kleur dan ook aan de wangen, de
zijden van den hals en den niet grooten kossem gevonden wordt; de lippen
zijn altijd donkergrauw. De donker gekleurde dieren zijn in den regel
zwaarder en fraaier van bouw, dan de lichter gekleurde. De volwassene
koe weegt van 900 tot 1100 pond, de volwassene os van 1300 tot 1600
pond. De ossen zijn in verhouding veel zwaarder en steviger gebouwd;
het zijn uitmuntende trekdieren, met ruimen, gemakkelijken gang. De
kop is van gemiddelde lengte, de hoornen staan rechtop, zijn wit van
kleur met zwarte punten; het voorstel is zeer goed ontwikkeld, het achter-
stel meestal iets zwakker. het lichaam eenigszins hoog gesteld, de melkteekens
gering. Het Kehlheimer vee is niet verwend door al te goede verpleging
en zorgvuldige voeding, het is niet veeleischend en zeer dankbaar voor
betere voeding en verpleging. Het groeit tamelijk langzaam, ten gevolge
eener zeer schrale voeding in de jeugd, wat ook op den vetgroei niet gunstig
kan werken, welke dan ook te wenschen overlaat; het vleesch daarentegen
is fijn van vezel en zeer smakelijk; de melkopbrengst is middelmatig.
Al naai\' de verzorging worden de lichaamsvormen en gebruikseigen-
schappen beter en ik heb dikwijls dieren van dit slag gezien, die den
fokkers alle eer aandeden en blijk gaven, dat ook hier zeer bevredigende
resultaten te verkrijgen zijn.
-ocr page 213-
193
5. Het Beijersche roorte landvee en het nog niet
behandelde roodbonte slag.
Het oude Beijersche landvee heeft meestal een smal lichaam, platte
ribben, scherpe schoft, afvallend kruis en is hoos gesteld; kop en hals
zijn lang en smal, de kossem onbeduidend, de beenen zijn meest niet
krachtig, dikwijls koehakkig; de gebruikseigenschappen middelmatig of
slecht. De kleur is rood en roodbont, ook wit met roode, bruine, soms
ook zwarte zijden. Het vee is met alle mogelijke slagen gekruist en al
naar mate der inmenging van liet verbeterende bloed, al naar mate het
eene goede of minder goede verpleging en voeding genoot. zeer verschillend
van lichaamsbouw en eigenschappen. Wij vinden in liet verbreidings-
distrikt, dat ik nader beschrijven zal. zoowel zeer fraaie, bruikbare dieren,
als ook zulke, welke de veeteelt slechts tot een last maken en in den
laatsten tijd, nu de goede resultaten van eene betere wijze van fokken
in Beijeren zoo algemeen aan den dag kwamen, tot voordeel van den
fokker. steeds meer verdwijnen.
Ten noordoosten van Miesbach vinden wij in Opper-Bejjercn in den
omtrek van Rosenheim aan den Inn, Aibling aan de Mangfall. Prien
aan het Chiemmeer, Traunstein aan de Traun tot aan het heerlijk ge-
legene Reichenhall zeer goed roodbont vee, dat meestal met Pinzgauer en
Pongauer, ook met Miesbacher en echt-Simmendaler springstieren gekruist
is. Het is al naar de behandeling en verpleging een middelzwaar tot
zwaar slag; de meeste dieren dragen de kenmerken van het Pinzgauer
vee. Hetzelfde vee vinden wij aan de Salzach van Salzburg tot aan den
Inn, bij Luufen, Waging, aan het meer van dien naam, bij Tittmaning,
en vooral ook in de gemeenten Waging, Detenhausen, Gessenhausen,
Dengling en Töiringen. Verder fokt men aan den Inn bij Wasserburg,
Mühldorf, westwaarts tot aan de vrucht bare streek rondom Erding een
gelijk slag van vee. Al dit meest fraaie vee, dat steeds meer de vormen
der betere slagen aanneemt, komt onder den naam Traunsteiner, of ook
wel naar de grootste marktplaats van het distrikt Waging als Waginger vee
in den handel.
In den omtrek van den Dachauer, Erdinger, Freisinger en Donau-
Moos, westwaarts tot aan den Lech, noordwaarts tot aan de Paars tot
Schrobenhausen, Pfaflenhofen tot Ingolstadt, van daar oostwaarts tot aan
de Isaar tot Landau, Dingolfing, Landshut tot Geisenhausen, en tot aan
13
-ocr page 214-
194
de Tils is het vee grootendeels lichter, een bont mengelmoes van land-
vee met de meest verschillende kruisingen.
Aan de Donau rondom Ingolstadt tot aan de Straubinger vlakte
vinden wij goed middelzwaar vee, dat dikwijls veel overeenkomst heeft
met het Kehlheimer, en evenals het meeste vee van het Donaugebied,
Donauvee genoemd wordt. Ten noordoosten van daar tusschen de Donau,
de Regen en de zwarte Regen tot aan het Bohemerwoud in het Beijersche
woud,
waar de veeteelt en vooral de vetmesting zeer ijverig beoefend
wordt, fokt men een middelzwaar vee van de meest verschillende krui-
singen, het zoogenaamde Waldler vee. Wij vinden hier ook dikwijls geel
gevlekt vee en in het noordwesten van het Beijersche woud aan de
Regen, bij Cham en Roding, het fijne, gele, melkiïjke Chamauer vee,
dat zeer veel overeenkomst met het Scheinfelder vee heeft, en jammer
genoeg, sterk met Simmendaler- en bruinvee-kruisingen doormengd is.
Eerst in de laatste jaren zijn verstandige fokkers er op bedacht, de reine
teelt van het goede Chamauer vee weer tot hoofddoel hunner fokkerij te
maken, en voor dit doel zijn fraaie Scheinfelder stieren ingevoerd, waar-
van ik in den magistraatstal te Cham vier stuks te zien kreeg, die aan
alle eischen voor de fokkerij voldeden. De Chamauer koeien zijn als melk-
vee zeer gezocht en in de melkeiïjen om Regensburg bizonder in trek,
doch zoo schaars, dat ik, toen ik naar Cham ging om dit vee te koopen,
onverlichter zake weer heen moest gaan. Ten zuidoosten van het Beijersche
woud, daar. waar de Inn en de 111 in den Donau vallen, bij Passau,
Wegscheid en verder tot aan het Oostenrijksche grensstadje Scharding aan
den Inn, fokt men geelbont, vaalbont of geheel vaal, ook wel geheel geel
vee. De dieren hebben een fijnen kop en hals, zwaren kossem, rechten
rug, eenigszins scherpe schoft, breed, doch meest naar de zijden en naar
achteren wat afvallend kruis, breede borst, en goed geribd lijf. De
beenen zijn middelmatig hoog en goed gesteld. Het vee uit dit distrikt
is bekend als Bisthumervee; het is in al zijne gebruikseigenschappen
middelmatig, de volwassene ossen bereiken een gewicht van 13 tot 16
centenaars. In de omstreken van Furth, Rötz, Waldmünchen, aan den
Schwarzbach en de Bovenpaltz, in oostelijke richting tot aan het Boheemsche
stadje Tauss vinden wij een zeer goed ontwikkeld vee, meest licht rood-
bont van kleur, zeer goed gebouwd, tamelijk melkrijk , goed en volhardend
in het werk, met redelijken aanleg voor vetgroei, niet kieskeurig in het
voedsel en flink van groei. Dit zeer bruikbare vee is bekend als Vol»
mauer vee en zeer gezocht.
-ocr page 215-
195
6. Het Scheinfelder rund.
Het vaderland van het Scheinfelder rund is in midden-Franken, bjj
Scheinfeld , Bibart, Windsheim, Uffenheim, hiei- dikwijls Heilbronner vee
genoemd en Neustadt aan de Aisch, een streek met diepen diluvialen
bodem met een onderlaag van schelpkalk, waar men weinige natuurlijke
weiden vindt, daarentegen een uitgebreiden groen voederbouw; vooral
wordt er veel luzerne en esparsette verbouwd. Het strekt zich verder
uit over Ansbach, Burgwindheim, Ebrach, Prolsdorf, Unter-Neuris, op-
waarts tot Bamberg aan de Regnitz, en oostwaarts langs de Regnitz in
een smalle strook tot Eggolsheim, Förchheim (aan de Wiesent) zuidoost-
waarts tot Erlangen en westwaarts weer langs de grenzen van midden-
Franken tot Herzogenaurach en Weissendorf. Ook ten noordoosten van
Bamberg bij Hallstadt, Stoflelstein tot Lichtenfels, hier Langhoimer vee
genoemd, treft men dit vee aan. In Beneden-Franken zijn het vooral
de ambtsdistrikten Kitzingen, Ochsenfurt, Würzburg langs den Main tot
Gmünden, tot aan de Saaie bij Hammelburg, Rohringen, Neustadt aan
de Saaie, verder bij Schweinfurt, naar welke stad, als de grootste markt-
plaats van het distrikt, het dikwijls als Schweinfurter vee in den handel
komt, bij Harzfurt en Gerolzhofen. Hier, evenals in Bamberg is het nog
veelvuldig met het oude, eenigszins donker gekleurde (geelrood, donker-
geel, roodachtig) Frankenvee vermengd, dat echter tengevolge steeds voort-
gezette kruising met Scheinfelder vee voortdurend lichter van kleur en
aan het Scheinfelder slag gelijk wordt. Het verbreidingsgebied van het
oude Frankenvee, dat al naar mate van teelt en verzorging tot het lichte
en zware middelslag behoort en dat van het Scheinfelder vee is in Boven-
en Beneden-Franken moeilijk van elkaar te scheiden; wij kunnen alleen
maar constateeren, dat het Scheinfelder vee overal zoo zeer het overwicht
heeft, dat hier van eene eigenlijke teelt van het oude Frankenvee geen
sprake meer kan zijn. Ook in het Boven-Maindal in den Itzgrund, den
Rodach- en Baunach-grund, (Itzgruender vee), waar het Frankenvee
vroeger met het Ansbach-Triesdorfer gekruist werd, is tegenwoordig de
kruising met Scheinfelder vee algemeen in gebruik. Het eigenlijke fok-
distrikt van het Scheinfelder vee is echter midden-Franken.
Het oorspronkelijke vee van al deze distrikten was zonder twijfel het
oude roodgeele Frankenvee; door welke invloeden dit oude Frankenvee
tot het tegenwoordige Scheinfelder vee gevormd is, is niet met zekerheid
13*
-ocr page 216-
11)0
aan te geven; in alle geval is deze verbetering reeds in zeer oude tijden
door oordeelkundige Fokkers begonnen. Dn inmenging van Berner fok-
stieren wordt bijna algemeen ontkend; ik dacht aan eene zoodanige in-
ïnenging, toen ik in de omstreken van Thun kort na 1870 een een-
kleurige licht goudgele fokstier zag, die mij levendig aan de bestgefokte
dieren van het Scheinfelder slag herinnerde. Deze stier week geheel af
van de tegenwoordige teelt in het kanton Bern en men vertelde mij,
dat het een terugslag was van het in lang vervlogen jaren in Bern ge-
fokte rund. Te eer was het mogelijk, dat Benier fokstieren van dit slag
op de fokkerij van het Seheinfeld-Uflenheimer distrikt van invloed konden
geweest zijn, dewijl, zooals ik vroeger reeds mededeelde, het naburige
Ansbach resp. Triesdorf zoo veel Berner, later Simmendaler runderen in-
voerde. Zeker is het, dat in vroegere jaren uit Wurtemberg het rood-
bruine Zwabisch Hallische vee, een middelzwaar slag, uitstekend geschikt
voor den arbeid, en verder het bij Gaildorf, Obersontheim, Salzbach enz.
gefokte geele of vale Schwabisch Limpurger vee in dit distrikt werd in-
gevoerd , vooral door het klooster Longheim, welks bezittingen zich tot
Zwabisch Limpurg uitstrekten; ook moet hier nog Glanvee uit de Rijn-
polder ingevoerd zijn. Sedert jaren echter wordt het Scheinfelder vee met
angstvallige buitensluiting van elke vreemde bloedmenging in eigen kring
voortgefokt.
De kleur van het Scheinfelder vee is erwtengeel, de neusspiegel is
helder met lichten krans, de hoornen zijn slank naar boven gekromd,
lichtgeel van kleur met zwarte punten, de klauwen lichtgeel. De kop is
goed geproportioneerd, voorhoofd en neusbeen zijn breed, de hals gemiddeld
zwaar, de borst wijd, de schoft in den regel wat verhoogd, de rug veelal
iets ingezonken, het kruis lang en van gemiddelde breedte, het lijf achter
de schouders wat ingesnoerd, heupen en dijen meest smal, de buik goed
gerond, soms een weinig opgetrokken, de beenderen fijn, de beenen
middelmatig hoog en goed gesteld.
Overal zijn fokvereenigingen opgericht, die met veel energie er naar
streven, door het uitzoeken van beste springstieren en eene rationeele
opvoeding, de lichaamsvormen van dit vee te verbeteren. De door het
kreitslandbouwcomité aangekochte en onder de gemeenten verdeelde fok-
stieren, zijn aan eene gestrenge keuring onderworpen; voor de bekroningen
die door den staat geldelijk gesteund worden, heeft men eene tabel van
gebreken samengesteld, waarmee de keurmeesters rekening moeten houden.
Het bekroonde dier moet minstens een jaar lang als fokstier in het distrikt
-ocr page 217-
197
dienst doen. De fokstieren van gemeenten of genootschappen, voor het
onderhoud waarvan door de distriktslandbouwcomité\'s of door stamboek*
vereenigingen gelden worden verstrekt, worden zonder voorafgaande waar-
schuwing door gedelegeerden gecontroleerd. De gedelegeerden, die spring-
stieren moeten aankoopen en controleeren, bestaan uit twee leden van de
gemeente en den distrikteveearts, die als voorzitter fungeert en niet over-
stemd kan worden. In geval van verschil beslissen gedelegeerden van
andere distrikten, die eveneens tot eene commissie vereenigd zijn.
De dieren van de stamfokvereeniging worden in het distrikt Scheinfeld
in den linker hoorn met het nummer van het stamboek, in het distrikt
Uflcnheim met het merk »St. U." (Stammzuchtverein Uffenheim) gebrand.
Uitmuntende fokkerijen vond ik in het distrikt Scheinfeld in de gemeenten
Northeim, Deidenheim, Etzelheim, Ullstadt, Zugenheim, hier vooral bij
den pachter van den overste von Seckendori\', Fassold.
Wat de gebruikseigenschappen aangaat munt het Scheinfelder vee
vooral uit als werk vee; de ossen hebben een gemakkelijken, ruimen gang
en zijn zeer volhardend; de aanleg voor vetgroei is ook zeer goed en het
vleesch is malsch en smakelijk. Het zijn vooral deze beide eigenschappen,
die aan dit vee ver over de grenzen van zijn vaderland een zoo goeden
naam gegeven hebben en talrijke koopers, vooral uit het noorden van
Duitschland, steeds weer naar de markten van dit fokdistrikt voeren, waar
men ze hooge prijzen voor deze beproefde ossen laat betalen. Het centenaar
levend gewicht (50 kilo) wordt op de markt bij goed ontwikkelde gangossen
met 38 a 40 mark betaald. Gangossen noemt men de jonge, magere
voor den arbeid verkochte ossen. De belangrijkste markt is Schweinfurth,
verder die van Ansbach, Uffenheim, Scheinfeld, Würzburg, Bamberg,
Klein-Langheim enz.
De melkopbrengst is slechts middelmatig en bedraagt per jaar gemiddeld
1800 a 2000 liter; op 10 a 12 liter melk rekent men 1 pond boter.
Volwassene koeien wegen van 11 tot 12 centenaar, gangossen 12 tot
14 centenaar, somtijds 16. Gemest bereiken de ossen een gewicht van
over de 2000 pond. De kalveren vallen klein, groeien bij goede verzorging
flink op en ontwikkelen zich tamelijk snel. Het Scheinfelder vee is niet
kieskeurig in het voedsel, acclimatiseert overal zeer gemakkelijk en is zeer
erkentelijk voor goede verpleging, die door eene uitmuntende ontwikkeling
beloond wordt. Het is stalvee, dat betrekkelijk weinig beweging heeft,
wat op den groei van het lichaam geen gunstigen invloed uitoefent. De
kalveren krijgen slechts gedurende 4 a 6 weken de moedermelk, worden
-ocr page 218-
198
dan bij grootere veehouders losgebonden, in loodsen gebracht en met zemels
of meelslobbering en gekneusden haver of haksel gevoed. De vaars komt
op ljjarigen leeftijd bij den stier. Men maakt hier onderscheid tusschen
handelsvee en aanhoudingsvee (überlaufvieh); het eerste wordt steeds met
\\\\ jaar gedekt; het laatste, dat de eigenaar steeds tot eigen aanfok houdt,
eerst op 2jarigen leeftijd. Het liefst laat men de vaarzen tegen het einde
van Juni dekken, zoodat verreweg de meesten met Walpürgis (1 Mei)
kalven; de koeien daarentegen brengt men het liefst zoo bij den stier,
dat de kalveren nog in den tijd van het wintervoeder, zoo mogelijk met
lichtmis (2 Februari) geboren worden.
De aanfok is hier overal het hoofddoel der veehouding en moet dit
zijn, zoolang het fok- en trekvee uit dit distrikt zoo algemeen getrokken
wordt. De driejarige ossen (hier stieren genoemd) gaan meestal naar
Beneden-Franken, worden daar een jaar lang als werk vee gebruikt en
komen dan op 4jarigen leeftijd als gangos op de Schweinfurther of andere
markten. Fokvee gaat naar alle kreitsen in Beijeren, behalve naar de
Paltz, verder naar Thuringen, Saksen, Bohemen, Oostenrijk. Nassau,
Hessen en verder naar Pruisen. Fokvee komt vooral op de markten te
Scheinfeld, Uffenheim, Kitzingen. Bamberg en Neustadt a/d Oder. In
het distrikt Bamberg I en II wordt in de laatste jaren veel voor de veeteelt
gedaan; de vereenigingen bepalen zich niet tot den aankoop van beste
Scheinfelder springstieren, maar koopen ook voortdurend beste vrouwelijke
dieren ; aan het ijverige distriktscomité is het gelukt de gezamenlijke fok-
vereenigingen te centraliseeren en zoo eene groote, het geheele distrikt
omvattende, in verschillende onderafdeelingen zich splitsende vereeniging in
het leven te roepen. Dat deze algemeene vereeniging door een eenvormig
eensgezind streven voor dit groote distrikt de gunstigste gevolgen moet
hebben, ligt voor de hand; het is de sluitsteen voor alle dusdanige onder-
nemingen.
De volgende metingen voeg ik nog aan deze beschrijving toe.
-ocr page 219-
Tabellen: zie volgende bladzijde.
-ocr page 220-
•
200
201
a. Scheinfelder fokdistrikt. Koppel van den Heer Hamm, Distriktsveearts
en voorzitter var
de fokvereenigingen Bibart-Scheinfeld te !
Scheinfeld.
LIKGTIJ
HOOGTE
\\V li II *
r|is §i|M
Breedte der zitbeenderen.
...... 1
KLEUR.
AAN M EB KIN GEN.
BESCHRIJVING
VA X
HET DIER.
achterhoofd tot
schoft.
schoft tot zitbeen.
van den kop.
Voorhoofdbrcedte
borst.
romp.
geheel.
"1
Huid.
Randen der oogen.
Muil.
Tong
Gehemelte
In Centimeters
Spri
ngstier 3 jaar
. 75 183 53 29 160 167 69
58
38 136 214 425
erwtegeel.
wit met
zwarte p.
lichtgeel. ___ licht.
vleeschkl. j vleeschkl.
1200 pd.
» 2 »
78 143 52 38
158 148 63
56
32 148 200 494
d°.
d°.
d°.
d".
d°. d".
900 »
Koe
11 »
70 142 48 25
144 143 53
54
34 118 198 394
d«.
d°.
d°.
—
d». d°.
d°.
875 » drachtig.
»
6 »
81 150 57 26
141il42 52
56
26
123
195
418
d°.
d°.
d°.
—
d«.
i\'.
d".
950 » »
»
10 »
72 150 55
20
140141 60
58
32
130
192
418
d°.
d°.
d°.
—
d°.
d\'.
d°.
950 » »
»
4 >»
64 156 52 28
146 152 54
54
35
114
202
417
d°.
d°.
d°.
—
d°.
d">.
d°.
1025 o »
»
6 »
56 137 43 26 140 144 47
53
26
131 184
408
A\'.
d°.
d°.
do.
d".
d».
1000 » »
»
4 »
55 128 47 25 136 149 58
53
28
126 190
396
d°.
d°.
d«.
---
d°.
d°.
d°.
910 » »
Vaai
8 2 »
60 129 51 24
143 152 63
47
27
113 174
384
d°.
d°.
d°.
—
d°.
d°.
d».
700 » » 2
ia.
Os
»
5 »
5 »
84 104 70
j
75 105 66
30
27
170 173 64
166 177 75
66
62
25
24
157
147
236
228
484
465
d°.
d°.
,d°.
d°.
d».
—
d°.
d°.
d°.
.1".
d°.
d«.
1400 »
Stiei
(os) 3), »
78 180 80
1 |
26
160 166 73
52
32
140
218
428
d".
d°.
d°.
—
d°.
d°.
d°.
»
3< »
76 178 82
25
158165 73
55
26
140
215
430
d°.
d°.
d°.
—
d°.
d°.
d".
»
3 »
85 146 53
26
158 163 66
63
40
132
207
416!
d°.
d°.
d°.
—
d°.
d°.
d°.
»
3 »
78 146 52
i i i
26
152 164 66
54
36
134
205
412
d".
d°.
d°.
l -
d°.
d°.
d«.
i
b. Uffenheimer fokdistrikt, Distrikts- veearts Strobel, Uffenheim.
50 J160
60
35
150
155 70
52
42
210220
1
420,
lichtgeel.
wit.
wit.
__
licht.
licht.
licht.
50 122
42
32
132
162 60
47
33
200 185
375
d\\
d°.
d°.
—
d".
d°.
d°.
78 127
48
22
144
146 70
45
34
200
204
380;
roodgeel.
d".
d°.
—
d°.
d°.
d°.
70
124
47
26
146
149
67
47
35
198
200
367
lichtgeel.
d°.
d°.
—
d».
d°.
d".
62
118
45
28
130
135
60
35
30
176
180
352
d".
d°.
d°.
—
d°.
licht met
eenige d. p.
grauw.
56
120
43
30
132
139
61
39
32
178
182
355
d\'.
d°.
d°.
__
d°.
licht.
licht.
75
150
56
27
160
165
71
56
42
214
220
474
roodgeel.
d°.
d°.
—
d°.
d°.
du.
78
152
57
26
155
159
71
57
39
210
260
467
lichtgeel.
d\\
d».
—
d°.
d°.
d°.
Springstier 3 jaar
»           1% »
Koe             7     »
»               4     »
Vaars          2     »
»               2     »
Os               5     »
»                5     »
5 maand drachtig.
3 »
           »
-ocr page 221-
•
200
201
a. Scheinfelder fokdistrikt. Koppel van den Heer Hamm, Distriktsveearts
en voorzitter var
de fokvereenigingen Bibart-Scheinfeld te !
Scheinfeld.
LIKGTIJ
HOOGTE
\\V li II *
r|is §i|M
Breedte der zitbeenderen.
...... 1
KLEUR.
AAN M EB KIN GEN.
BESCHRIJVING
VA X
HET DIER.
achterhoofd tot
schoft.
schoft tot zitbeen.
van den kop.
Voorhoofdbrcedte
borst.
romp.
geheel.
"1
Huid.
Randen der oogen.
Muil.
Tong
Gehemelte
In Centimeters
Spri
ngstier 3 jaar
. 75 183 53 29 160 167 69
58
38 136 214 425
erwtegeel.
wit met
zwarte p.
lichtgeel. ___ licht.
vleeschkl. j vleeschkl.
1200 pd.
» 2 »
78 143 52 38
158 148 63
56
32 148 200 494
d°.
d°.
d°.
d".
d°. d".
900 »
Koe
11 »
70 142 48 25
144 143 53
54
34 118 198 394
d«.
d°.
d°.
—
d». d°.
d°.
875 » drachtig.
»
6 »
81 150 57 26
141il42 52
56
26
123
195
418
d°.
d°.
d°.
—
d«.
i\'.
d".
950 » »
»
10 »
72 150 55
20
140141 60
58
32
130
192
418
d°.
d°.
d°.
—
d°.
d\'.
d°.
950 » »
»
4 >»
64 156 52 28
146 152 54
54
35
114
202
417
d°.
d°.
d°.
—
d°.
d">.
d°.
1025 o »
»
6 »
56 137 43 26 140 144 47
53
26
131 184
408
A\'.
d°.
d°.
do.
d".
d».
1000 » »
»
4 »
55 128 47 25 136 149 58
53
28
126 190
396
d°.
d°.
d«.
---
d°.
d°.
d°.
910 » »
Vaai
8 2 »
60 129 51 24
143 152 63
47
27
113 174
384
d°.
d°.
d°.
—
d°.
d°.
d».
700 » » 2
ia.
Os
»
5 »
5 »
84 104 70
j
75 105 66
30
27
170 173 64
166 177 75
66
62
25
24
157
147
236
228
484
465
d°.
d°.
,d°.
d°.
d».
—
d°.
d°.
d°.
.1".
d°.
d«.
1400 »
Stiei
(os) 3), »
78 180 80
1 |
26
160 166 73
52
32
140
218
428
d".
d°.
d°.
—
d°.
d°.
d°.
»
3< »
76 178 82
25
158165 73
55
26
140
215
430
d°.
d°.
d°.
—
d°.
d°.
d".
»
3 »
85 146 53
26
158 163 66
63
40
132
207
416!
d°.
d°.
d°.
—
d°.
d°.
d°.
»
3 »
78 146 52
i i i
26
152 164 66
54
36
134
205
412
d".
d°.
d°.
l -
d°.
d°.
d«.
i
b. Uffenheimer fokdistrikt, Distrikts- veearts Strobel, Uffenheim.
50 J160
60
35
150
155 70
52
42
210220
1
420,
lichtgeel.
wit.
wit.
__
licht.
licht.
licht.
50 122
42
32
132
162 60
47
33
200 185
375
d\\
d°.
d°.
—
d".
d°.
d°.
78 127
48
22
144
146 70
45
34
200
204
380;
roodgeel.
d".
d°.
—
d°.
d°.
d°.
70
124
47
26
146
149
67
47
35
198
200
367
lichtgeel.
d°.
d°.
—
d».
d°.
d".
62
118
45
28
130
135
60
35
30
176
180
352
d".
d°.
d°.
—
d°.
licht met
eenige d. p.
grauw.
56
120
43
30
132
139
61
39
32
178
182
355
d\'.
d°.
d°.
__
d°.
licht.
licht.
75
150
56
27
160
165
71
56
42
214
220
474
roodgeel.
d°.
d°.
—
d°.
d°.
du.
78
152
57
26
155
159
71
57
39
210
260
467
lichtgeel.
d\\
d».
—
d°.
d°.
d°.
Springstier 3 jaar
»           1% »
Koe             7     »
»               4     »
Vaars          2     »
»               2     »
Os               5     »
»                5     »
5 maand drachtig.
3 »
           »
-ocr page 222-
202
7. Het Ellinger vee.
Het Ellinger vee, dat niet minder waarde heeft dan het in het vorige
hoofdstuk behandelde Scheinfelder, behoort eveneens in midden-Franken
tehuis, en wel in het zuiden dezer provincie, op de grenzen van Schwaben
en de boven-Paltz, in het aan vruchtbare, goede graslanden zoo rijke
landsrechterlijke distrikt Ellingen en Weissenburg, en in de omstreken
van Gunzenhausen, Heidenheim en Pappenheim.
Het Ellinger slag bestaat eerst sedert 50 a 60 jaren en heeft zijn
ontstaan te danken aan den veldmaarschalk vorst Wrede. Deze verkreeg
de Deutschordens-comturei Ellingen in leen, verloor zijn geheelen veestapel
door de longziekte en vulde dezen later weer aan met een stam van het
grauwbruine gebergtevee (bruinvee) uit Zwitserland. Door eene voortge-
zette kruising van het oude. roode, frankische landvee met fokstieren van
het bruinvee ontstond het Ellinger vee, dat nu sinds jaren in eigen kring
voortgeteeld wordt. Jammer, dat deze teelt gedurende eene reeks van
jaren met weinig oordeel plaats vond. Het opfokken van een fokstier was
een last; men fokte liever een gemakkelijk verkoopbaren os, dan het
vaderdier, dat toch voor het geheele distrikt en de geheele fokkerij van
zoo groot belang was. Er waren dus te weinig fokstieren voorhanden en
deze werden dan nog meestal rondgaande van de eene hofstede naar de
andere afwisselend gehouden, en bij gewoonlijk schrale voeding veel van
hun bevruclitingsverniogen gevorderd. De kalveren ontvangen slechts ge-
durende vier weken de moedermelk, en dan onmiddellijk eene schraal
toegemetene zemel- of meelslobbering met hooi of groenvoer. Evenals
deze voeding in het eerste levensjaar, die voor het geheele latere leven
van zooveel belang is, was ook die van den geheelen veestapel eene zeer
irrationeele, die den groei en de ontwikkeling der dieren weinig bevorderde.
Toch werden de dieren zoo spoedig mogelijk productief gemaakt en de
vaars nauwelijks 18 maanden oud reeds gedekt. Dat bij zulk eene huis-
houding van een flinke vooruitgang der fokkerij geen sprake kan zijn,
ligt voor de hand, en gebreken als ledigheid van de boeg, smalle rug en
schoft, zwakke onderschenkels, magere schouders en wat hoog gestelde
beenen vererfden dan ook in hooge mate. Naast deze zorgelooze teelt
vond men echter ook zeer rationeele, goed bestuurde fokkerijen, zooals die
van den Heer E. Koenig, pachter van het vorstelijk domein Ellingen, de
grootste veehouder uit zijn distrikt en anderen. De boven vermelde, dik-
-ocr page 223-
203
wijls terugkeerende gebreken van het in dit distrikt gefokte vee, zijn in
deze betere fokkerijen tot op de leegte der boeg, die, zij het dan ook in
geringere mate, evenals bij het tot veredeling gebruikte bruinvee, bijna
overal gevonden wordt, verdwenen. Deze betere fokkerijen worden thans,
nadat zich na 1870 stamfok-vereenigingen hebben gevormd, de kweekscholen
ter verbetering van de gezamenlijke teelt van het Ellinger veeslag. Met
deze stamfok-vereenigingen hebben zich betere begrippen ontwikkeld, zij
zijn de dragers van de overal doordringende overtuiging, dat slechts eene
zorgvuldige met volle toewijding geleide teelt voordeel kan brengen. De
stamfok-vereenigingen stellen zich ten doel de verbetering van het Ellinger
rundveeslag in reine teelt door:
1.     Bijdragen aan houders van springstieren voor het houden daar-
van (100 mark).
2.     Het uitreiken van geldelijke belooningen aan fokkers.
Van deze twee middelen ter aanmoediging kunnen slechts zij genieten,
die lid eener stamfokvereeniging zijn.
Drie bestuursleden moeten de fokstieren keuren, hunne deugdelijkheid
en verzorging controleeren en het aantal dieren, die gedekt zullen worden,
vaststellen. De bekroonde dieren worden op den rechter hoorn met het
jaartal en de letters P. E. gebrand en moeten minstens een jaar in het
fokdistrikt blijven.
Bij de tegenwoordige, ernstige en volhardende pogingen tot verbetering
van het Ellinger vee, konde een zichtbare vooruitgang in de verbetering
van de vormen en eene toename der nuttige eigenschappen niet uitblijven
en nu reeds kunnen wij het vee uit dit distrikt aanmerken als behoorende
tot de beste slagen van Beijeren.
Het opfokken der kalveren geschiedt thans op oordeelkundige wijze;
de dieren krijgen wat langer, al is het dan ook nog niet lang genoeg,
melk, en worden daarna met meelslobbering, graan en groen voer, ge-
voederd. Overal in het distrikt heerscht de stalhouderij; slechts in den
herfst komt het vee gedurende ongeveer 6 weken op de stoppelvelden,
ontvangt dan echter op stal nog eenig toevoeder. Aanfok blijft hoofddoel
der fokkerij in dit distrikt, de melk wordt tot boter, meest roomboter,
verwerkt, de magere melk aan de varkens gegeven. De vaarsen worden
nu met 18 maanden bij den stier gebracht; vroeger gebeurde dit slechts
dan, wanneer het dier bijzonder krachtig ontwikkeld was. Er worden
thans een voldoend aantal springstieren op voldoende wijze gehouden. Dat
het Ellinger vee als zoodanig weinig bekend is, komt daar vandaan, dat
-ocr page 224-
204
205
al het vee met gele huid onder den naam van Scheinfelder of Schwein-
furter vee wordt ingevoerd en niemand tot nog toe op de kenmerkende
verschillen opmerkzaam gemaakt heeft. Voor den kenner is het echter
gemakkelijk het Ellinger vee van het Scheinfelder te onderscheiden. Het
laatstgenoemde is steeds erwtegeel met doorgaans witte randen, het Ellinger
vee is witgeel, erwtegeel, donkergeel, enz. in alle nuancen, met meestal
donkere (zwarte) randen, zooals zwarte muilspiegel, zwart haar in de
oorschelpen, zwarte staartpluim, donkere hoornen en klauwen. Het be-
hoort tot het zware middelslag en tot het zware slag. Volgens de wei-
willende opgaven van den Heer domeinpachter KOENIG te Ellingen, wegen
de kalveren bij de geboorte 70 a 80 pond, de eenjarige vaars 400 tol
700 pond, de tweejarige 800 tot 970 pond, de volwassene koe 900 tot
1250 pond en meer, het fraaie, voor het gebruik voordeeligste middelslag
900 tot 1100 pond, de volwassene magere trekos 1200 tot 1400 pond.
De melkopbrengst bedraagt naar dezelfde mededeelingen, inclusief de
melking na de eerste kalving en exclusief de kalvermelk per stuk en pet-
dag gemiddeld 7 liter (2500 tot 2600 liter per jaar). 12 a 14 liter
melk geven 1 pond boter De ossen hebben een levendigen, snellen gang,
zijn volhardend en krachtig. Het Ellinger vee heeft eene vaste gezond-
heid, is bescheiden in zijn eischen, wat het voeder betreft, eet goed en
wordt gemakkelijk vet.
De hier volgende metingen zijn uitgevoerd door den Heer F. Koenig,
domeinpachter te Ellingen.
Ellinger
vee.
LENGTE
HOOGTE
-----
g
OMVANG
9
!
I
B E S C K RIJ V I N G
o
1
O
u
d tot
tbeen..
g .
•s
. •*
Ca
o-*
o 1
1
5
«i
&
V
o <S
O
u.
c o
Ti
00
VAN
° 2
=
o
,a
50
»•«
tsc-s
«>
1
►.
S
M
H E T 1) 1 E R
1 s
1 -«-»
B
ë
o
>
C Ti
0J
-o s
*|
J3
i
1
o
.o
O
u
bt
rc
1
es
V
il
»
1
In Centimeters.
Springstier, 3 jaar .
62
138
56
33
148
149
44
54
25
238
220
428
» 1 » . .
65
110
47
24
121
124
54
42
18
174
160
347
Kalf, 11 jaar.....
63
128
48
21
128
142
51
48
23
179
173
374
» l1 i.....
65
130
47
20
135
143
66
50
27
195
175
390
Koe, 8 ».....
76
146
57
22
147
154
59
56
30
212
203
424
» 5 ».....
78
135
49
19
140
142
61
52
25
205
192
407
» 6 » . ...
66
134
47
18
127
140
51
49
21
182
178
375
» 5 ».....
58
150
4»i
24
130
144
47
53
23
200
191
408
Os, 4»».....
68
152
52
23
170
174
1
61
54
22
230
220
425\'
» 5 ».....!
82
132
54
26
169
170
65
1
60
30
i
232
222
438
z\\v. punten
zwart.
d».
d°.
gele
licht.
punten.
d°.
donker.
zw. punten.
/wart.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
donker.
d°.
d°.
d°.
d°.
wart. | Getaxeerd op 17 ctr.
zwart.
<R
licht.
donker,
zwart.
d°.
d°.
donker
d".
d°.
zwart.
(K
licht,
donker,
zwart.
d°.
d°.
donker.
du.
d°.
zwart.
d<\\
licht.
donker.
zwart.
d-.
d°:
donker.
d".
d°.
geel.
d°.
rood.
geel.
donkergeel
geel.
rood.
roodgeel,
rood.
» H »
,) 83 »
» 8g B
licht
donker
Getax. op 1 150 ptl., nieuwiuelkend
16 liter.
Getax. op 1150 pd., per dag 10 liter
melk.
Getax. op löQG pd., per dag 10 liter
melk.
donker. Gelax. op 1036 pd., nieuwmelkend
14 liter.
d°. Getaxeerd 1322 pd.
d°. Getaxeerd 1355 pd.
-ocr page 225-
204
205
al het vee met gele huid onder den naam van Scheinfelder of Schwein-
furter vee wordt ingevoerd en niemand tot nog toe op de kenmerkende
verschillen opmerkzaam gemaakt heeft. Voor den kenner is het echter
gemakkelijk het Ellinger vee van het Scheinfelder te onderscheiden. Het
laatstgenoemde is steeds erwtegeel met doorgaans witte randen, het Ellinger
vee is witgeel, erwtegeel, donkergeel, enz. in alle nuancen, met meestal
donkere (zwarte) randen, zooals zwarte muilspiegel, zwart haar in de
oorschelpen, zwarte staartpluim, donkere hoornen en klauwen. Het be-
hoort tot het zware middelslag en tot het zware slag. Volgens de wei-
willende opgaven van den Heer domeinpachter KOENIG te Ellingen, wegen
de kalveren bij de geboorte 70 a 80 pond, de eenjarige vaars 400 tol
700 pond, de tweejarige 800 tot 970 pond, de volwassene koe 900 tot
1250 pond en meer, het fraaie, voor het gebruik voordeeligste middelslag
900 tot 1100 pond, de volwassene magere trekos 1200 tot 1400 pond.
De melkopbrengst bedraagt naar dezelfde mededeelingen, inclusief de
melking na de eerste kalving en exclusief de kalvermelk per stuk en pet-
dag gemiddeld 7 liter (2500 tot 2600 liter per jaar). 12 a 14 liter
melk geven 1 pond boter De ossen hebben een levendigen, snellen gang,
zijn volhardend en krachtig. Het Ellinger vee heeft eene vaste gezond-
heid, is bescheiden in zijn eischen, wat het voeder betreft, eet goed en
wordt gemakkelijk vet.
De hier volgende metingen zijn uitgevoerd door den Heer F. Koenig,
domeinpachter te Ellingen.
Ellinger
vee.
LENGTE
HOOGTE
-----
g
OMVANG
9
!
I
B E S C K RIJ V I N G
o
1
O
u
d tot
tbeen..
g .
•s
. •*
Ca
o-*
o 1
1
5
«i
&
V
o <S
O
u.
c o
Ti
00
VAN
° 2
=
o
,a
50
»•«
tsc-s
«>
1
►.
S
M
H E T 1) 1 E R
1 s
1 -«-»
B
ë
o
>
C Ti
0J
-o s
*|
J3
i
1
o
.o
O
u
bt
rc
1
es
V
il
»
1
In Centimeters.
Springstier, 3 jaar .
62
138
56
33
148
149
44
54
25
238
220
428
» 1 » . .
65
110
47
24
121
124
54
42
18
174
160
347
Kalf, 11 jaar.....
63
128
48
21
128
142
51
48
23
179
173
374
» l1 i.....
65
130
47
20
135
143
66
50
27
195
175
390
Koe, 8 ».....
76
146
57
22
147
154
59
56
30
212
203
424
» 5 ».....
78
135
49
19
140
142
61
52
25
205
192
407
» 6 » . ...
66
134
47
18
127
140
51
49
21
182
178
375
» 5 ».....
58
150
4»i
24
130
144
47
53
23
200
191
408
Os, 4»».....
68
152
52
23
170
174
1
61
54
22
230
220
425\'
» 5 ».....!
82
132
54
26
169
170
65
1
60
30
i
232
222
438
z\\v. punten
zwart.
d».
d°.
gele
licht.
punten.
d°.
donker.
zw. punten.
/wart.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
donker.
d°.
d°.
d°.
d°.
wart. | Getaxeerd op 17 ctr.
zwart.
<R
licht.
donker,
zwart.
d°.
d°.
donker
d".
d°.
zwart.
(K
licht,
donker,
zwart.
d°.
d°.
donker.
du.
d°.
zwart.
d<\\
licht.
donker.
zwart.
d-.
d°:
donker.
d".
d°.
geel.
d°.
rood.
geel.
donkergeel
geel.
rood.
roodgeel,
rood.
» H »
,) 83 »
» 8g B
licht
donker
Getax. op 1 150 ptl., nieuwiuelkend
16 liter.
Getax. op 1150 pd., per dag 10 liter
melk.
Getax. op löQG pd., per dag 10 liter
melk.
donker. Gelax. op 1036 pd., nieuwmelkend
14 liter.
d°. Getaxeerd 1322 pd.
d°. Getaxeerd 1355 pd.
-ocr page 226-
t>06
8. Het Voigtlander vee.
(Sechsamter, Egerlander vee.)
Ais wij van Leipzig over Eger naar Munchen sporen, bereiken wij
bij Reichenbach het vaderland van het Voigtlander vee en rijden volle
5 uren door het verbreidingsgebied van dit vee, dat wij eerst verlaten,
als wij het met graslanden omgevene, vriendelijke Weiden achter den
rug hebben.
Het noordelijke gedeelte van zijn vaderland is het zuidwestelijk ge-
deelte van het koninkrijk Saksen, het Saksische Voigtland van Reichenbach
tot Lengenfeld. Treuen, Auerbach, Plauen, Falkenhain, Tanna, Gesell,
Oelsnitz, Adorf en Klingenthal aan de grenzen van Bohemen; verder
strekt het zich uit over het noordwestelijk gedeelte van Bohemen, langs
de grenzen van Beijeren en Saksen, het Egerland bij Eger, Sandau,
Plan, Kuttenplan, C/.ernoschin, Mies, Neumarkt, Teusing, Buchau, Lichten-
stadt en Heinzichsgrün, en verder over de Beijersche grenzen, waar wij
dit vee aantreffen in Bovenfranken in het Fichtelgebergte, in de zes oude
ambten Wunsiedel, Selb, Tierstein, Kirchenlamitz, Weissenstadt en Hohen-
berg en verder in den Bovenpaltz bij Waldsassen, Mitterteich, Tischenreut,
Weiden, Vohenstrauss en Erlendorf.
In Beijeren, vooral in den Bovenpaltz, vinden wij het zwaarste slag
van dit ras ; het wordt hier vSechsamter vee", ook wel Stifter- en Weidauer
vee genoemd; het lichtste slag s>het Egerlander vee", wordt in Bohemen
aangefokt.
De wordingsgeschiedenis van het Voigtlander vee ligt eenigszins in het
duister; het moet echter wel een ieder, die het oude roode Beijersche
landvee kent, duidelijk zijn, dat er in vroegere jaren eene kruising moet
hebben plaats gehad. Men neemt nu aan, dat het klooster Waldsassen
in vroegere jaren Zillerdaler fokstieren ingevoerd en daarmee den grond-
slag voor het tegenwoordig Voigtlander vee gelegd heeft; de groote
overeenstemming tusschen het Voigtlander en Zillerdaler vee (echter ook
met het Devonslag van het graafschap Devon en Sussen in Engeland),
spreekt voor deze bewering. In alle geval echter heeft sedert lange jaren
geene inmenging van vreemd bloed plaats gehad, en het tegenwoordige
Voigtlander vee heeft door eene consequente, beredeneerde eigen teelt
zich tot het kostbare, constante ras ontwikkeld, zooals wij het thans in
het uitgestrekte verbreidingsgebied aantreffen, en vooral in zijne trekossen
-ocr page 227-
207
zoo hoog waardeeren. In Beijeren zijn in die streken, waar dit vee ge-
vonden wordt, fokstiervereenigingen opgericht, die er voor waken, dat
slechts edele fokstieren gebruikt worden en in voldoende hoeveelheid voor-
radig zijn, dat een juist en helder inzicht in de wijze van fokken overal
blijft bestaan en die het houden van voortreffelijke dieren en het op oor-
deelkundige wijze aanfokken van kalveren en het aankoopen van fraaie
fokstieren, door het uitloven van premiën en het geven van bijdragen in
geld op alle manieren aanmoedigen en bevorderen, ten einde daardoor de
reine teelt van hun kostbaar vee tot de hoogste trap van ontwikkeling te
brengen. Wij vinden hier dan ook algemeen eene levendige belangstelling
voor de teelt van het eigen slag en kunnen hoogst bevredigende resul-
taten waarnemen. Slechts in de wijze, waarop het kalf in zijn eerste
levensjaar gevoed wordt, is nog veel verkeerds; de dieren krijgen veel te
kort, slechts 2 a 3 weken de moedermelk, daarna eene dunne meel-
slobbering en eene voor hunne ontwikkeling ten eenenmale onvoldoende
voeding.
Hoewel zij nu in hunne eerste jeugd geen voedsel genoeg ontvangen,
hetgeen op hunne latere ontwikkeling van veel invloed is, worden zij toch
heel vroeg bij den stier gebracht, en dit, de onvoldoende voeding in de
jeugd en de te vroege paring, zijn de twee grootste fouten, die den groei
en de ontwikkeling der gebruikseigenschappen in den weg staan. Wat
eene oordeelkundige voeding en verpleging in het eerste levensjaar kunnen
uitwerken, zien wij in de fokkerijen van Voigtlander vee van de groote
landeigenaars in het koninkrijk Saksen. Hier, in de goede fokkerijen van
de Heeren Wilhelm Zeidler te Oberlosa, vox Tümpling te Reinsdorf,
Seiler te Neusalz, Aijler te Treuen, Arler te Plohen, Runde te Nieder-
werbach, vox Reizenstein te Schönberg, enz. enz., zien wij grootere en
fraaiere koeien, dan wij over \'t algemeen in Beijeren aantreffen, en waar
wij de ossen in Beijeren vooral in den Bovenpaltz, niettegenstaande de
onverstandige opvoeding grooter vinden, dan kan ik de oorzaak daarvan
alleen daarin vinden, dat de groei van de ossen niet door een te vroeg
gebruik tegengegaan, maar integendeel door eene krachtige hooivoedering
bevorderd wordt, terwijl de vaars daarentegen reeds op een leeftijd van
8 maanden besprongen wordt.
De kleur van het Voigtlander vee is eenkleurig roodbruin, in den
Bovenpaltz iets lichter, in het Egerland donkerder tot zwartbruin ge-
kleurd, waarbij de staartkwast meestal wit gekleurd is. De muil, de
oogranden, de tong en het verhemelte zijn licht, de hoornen slank.
-ocr page 228-
208
opwaarts gebogen, licht met zwarte punten, de klauwen donker. De
lichaamsbouw is gedrongen en diep. bij het slag in Beijeren slanker met
langeren rug, bij het Egerlander slag zeer diep, in elkaar geschoven en
zeer laag op de beenen. De kop is kort, bij de Egerlandei-s zeer kort,
met tamelijk breed voorhoofd, breeden muil en vriendelijke oogen; aan
den krachtigen breeden hals met lichten kossem en tamelijk breeden
vollen boeg sluit zich een stevige, rechte rug met tonvornrig gewelfde
ribben aan. De heupen en lenden, evenals het recht uitloopende kruis
zijn breed, dit laatste dikwijls naar de zijden eenigs/.ins afhangende, de
staart is dikwijls eenigszins hoog aangezet, lang en fijn; het lijf is diep,
fraai gerond; de borst diep en breed, de schouders krachtig. De beenen
zijn gespierd en goed gesteld, vooral de voorbeenen, de beenderen zijn
niet zwaar, de huid middelmatig fijn, week en veerkrachtig, de melk-
teekens tamelijk goed. De kop van de koeien onderscheidt zich bijna
niet van die der ossen; zij trekken uitstekend en worden in alle kleine
boerderijen daarvoor gebruikt. Hun gang is levendig en gaat flink vooruit
en ik ken geen veeslag dat zoo volhardend bij het trekken is dan het
Voigtlander. Daarbij is het niet kieskeurig op het voedsel, gewent overal
gemakkelijk en houdt zich van alle slagen steeds mee het best in het voer.
De ossen zijn zeer gewillig en leerzaam en doen veel meer, dan men van
hen zou verwachten.
Het Voigtlander vee in Beijeren en Saksen is een middelzwaar slag;
dat in Bohemen , y>het Egerlander", dat ik het fraaist te Mostau op het
landgoed van den domeinraad von Komf.rs zag, behoort tot de kleinste
slagen; de koe te Mostau weegt gemiddeld 650 pond. Opvallend is bij
het geheele ras het kleine lichaam van de koe in vergelijking met het
naar verhouding veel zwaardere lichaam van den os. Terwijl een vol-
wassene koe 750 tot 900 pond weegt, weegt een magere 4jarige os van
950 tot 1100 pond en somtijds nog daarboven, doch zijn de ossen die
vol 1100 pond wegen zeldzamer; gemest weegt de 6 a 7jarige os 1 400
tot 1600 pond. Ook de fokstier blijft betrekkelijk klein, maar is tamelijk
lang van lichaam, heeft een breeden nek en romp en maakt door zijn
krachtig uiterlijk toch een goeden indruk.
Het Voigtlander vee heeft, wat bij de wijze van voeding in de jeugd
wel te verklaren is, geen snellen groei; het ontwikkelt zich langzaam en
groeit tot aan zijn 6e jaar. Het is een zeer goed mestvee, wordt ge-
makkelijk vet en levert best, malsch vleesch, dat gaarne gekocht wordt.
De melkgeving is ook in goede Saksische veehouderijen der groote grond-
-ocr page 229-
209
eigenaars zeer middelmatig, en is de melk ook rijk aan roomgehalte, zoo
behoort in dit opzicht het Voigtlandsche vee toch slechts tot de middel-
matige melkgeefsters. Men mag gemiddeld op niet meer dan 1500 Liter
melk per jaar en per koe, en op een bedrag aan boter van 1 pond uit
12 a 43 Liter melk rekenen.
De groote voordeden, die het Voigtlander vee oplevert, zijn zijne on-
overtroffen geschiktheid als trekvee, zijne buitengewone volharding bij den
arbeid, zijn aanleg voor vetgroei en zijne matigheid in het voeder, eigen-
schappen, die gemakkelijk verklaren, waarom dit vee zoo buitengewoon
in trek is.
Het Egerlander vee is voor ons meestal niet te krijgen ; de in Bo-
hemen steeds weer door handelaars en vooral door een zoodanigen uit
Pilsen ingebrachte longziekte, houdt de duitsche grenzen van Boheinen
reeds jaren lang gesloten; terwijl liet verkeer op de grenzen slechts onder
controle toegestaan wordt. Deze controle, die eene quarantaine van 4
weken voorschrijft, is helaas zeer onvoldoende. De infectie blijft, zooals
de ondervinding leert, tot 6 maanden latent, en eene zoo korte quaran*
taine kan in \'t geheel geene zekerheid omtrent de gezondheid van het
dier verschaffen. Na 4 weken echter mogen de met autorisatie van de
Boheemsche regeering ingevoerde dieren ter markt worden gebracht en
verkocht, en het ligt voor de hand, dat op deze wijze de longziekte ver-
breid wordt en er voortdurend gevaar voor besmetting bestaat. Deze
halve maatregelen werken nog te schadelijker, omdat het koopen in
Bohemen en de weerverkonp binnen vier weken eene zaak is. waarbij
goed geld verdiend wordt, en die dus tot veelvuldige herhaling verlokt.
Smokkelarij is op deze lange grens ook niet geheel tegen te gaan en zoo
blijft Bohemen voor Duitschland steeds een gevaarlijke buur. De veteri-
naire policie is in Beijeren goed ingericht en treedt krachtig op, en heeft
slechts met den onwil veler fokkers te kampen om tijdig aangifte te doen
van het eene of andere verdachte geval van ziekte. Het zuiverings*
systeem is op vele plaatsen nog zeer in zwang; het bestaat daarin dat
men bij een verdacht geval zijn geheele veebeslag zoo spoedig mogelijk
verkoopt aan veehandelaars, die, daar zij hierbij goede zaken maken,
steeds tot koopen bereid zijn. Er zijn voorbeelden, dat door zulke
onsoliede handelingen de longziekte naar verschillende plaatsen overge-
bracht werd.
Dat ik hier van deze omstandigheden melding maak, geschiedt,
omdat juist het Voigtlandsche vee door zijne verwantschap met het
14
-ocr page 230-
211
even veel zekerheid, goed vee te ontvangen, als in elke andere streek.
Men moet slechts daarvoor zorgen niet op markten te koopen en bij
levering door tusschenpersonen, daarvoor steeds eerlijke en vertrouwbare
personen te kiezen, dan zal men over de gezondheid niet behoeven te
klagen. Ter aanvulling der gegeven beschrijving geef ik hier de door
mij gedane metingen van eenige Voigtlandsche dieren.
Opperpaltz, gemeten door Hu go Lehnert.
210
Bolieemsche vee meer in het bizondei\' aan besmetting is blootgesteld, en
door de bovenvermelde toestanden op onverantwoordelijke wijze aan het
gevaar blootgesteld wordt, zijn goeden naam te verliezen. Het Voigt-
landsche vee is gezond, volstrekt niet verwekelijkt, maar integendeel
verhard; de longziekte is, wanneer deze voorkomt, steeds van elders
overgebracht, en wie met voorzichtigheid en verstand koopt, heeft hier
Metingen van Voigtlandsche dieren uit de
OMVANG
_§ -
15 E S C H HIJ V 1 N G
VAN
HET DIER.
* 5
2 5 II 1= lï
AANM ER KI N\'GE X.
j=-S =.= I e,. ! =
t, i e
roodbruin.
d°.
wit met
7.\\v. punten.
«1°.
d°.
d°.
d«.
<l°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
i
d°.
d°.
d°.
«h
d°.
d°.
\'d°.
d°.
d°.
a.
du.
I n Centimeters.
licht.
licht.
d°.
d°.
d\'.
d°.
d°.
d°.
d-.
d».
d°.
d^.
d«.
d°.
d°.
d°.
.1°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d-.
d°.
24
137
139
22
131
141
24
130
132;
68
49
69
39
54
42
62
48
56
53
64
37
56
44
72
54
70
56
69
49
70
52
65
53
licht,
d".
d°.
d".
tl",
d".
d°.
tl".
d°.
d".
tl".
d-.
licht.
d°.
d".
.1".
d".
d°.
d".
d°.
d".
d°.
d°.
d".
donker.
d«.
d°.
d°.
d".
d°.
d«.
d°.
d«.
d".
d°.
d«.
Springstier .
» 2£ jaar
» 2
5\\
6
2
62 139 36
63 124 45
I
55 127 45
54 128 43
69 147 48
55 124 43
59 119 41
64 134J 51
68 150 48
24 216 200 392
15 178 167 520
16 188 176
22 186 176
I i
19 210 210
344
372
420
23  125 138
23   139 1491
20  129 135j
20   125:135:
23 148 154
I
23 147158
! [
22 143 150
24 140 153
25 144 151
De dieren zijn allen
van het zwaarste slaar.
16
186
170
19
\'202
195
25
216
206
22
195
186
20
206
191
M
203
199
20 187 175 354
Vaars,
»
Trekos
H
344
389
394
386
382
392
60
64
133j 43
140 51
65 137 54
14*
-ocr page 231-
211
even veel zekerheid, goed vee te ontvangen, als in elke andere streek.
Men moet slechts daarvoor zorgen niet op markten te koopen en bij
levering door tusschenpersonen, daarvoor steeds eerlijke en vertrouwbare
personen te kiezen, dan zal men over de gezondheid niet behoeven te
klagen. Ter aanvulling der gegeven beschrijving geef ik hier de door
mij gedane metingen van eenige Voigtlandsche dieren.
Opperpaltz, gemeten door Hu go Lehnert.
210
Bolieemsche vee meer in het bizondei\' aan besmetting is blootgesteld, en
door de bovenvermelde toestanden op onverantwoordelijke wijze aan het
gevaar blootgesteld wordt, zijn goeden naam te verliezen. Het Voigt-
landsche vee is gezond, volstrekt niet verwekelijkt, maar integendeel
verhard; de longziekte is, wanneer deze voorkomt, steeds van elders
overgebracht, en wie met voorzichtigheid en verstand koopt, heeft hier
Metingen van Voigtlandsche dieren uit de
OMVANG
_§ -
15 E S C H HIJ V 1 N G
VAN
HET DIER.
* 5
2 5 II 1= lï
AANM ER KI N\'GE X.
j=-S =.= I e,. ! =
t, i e
roodbruin.
d°.
wit met
7.\\v. punten.
«1°.
d°.
d°.
d«.
<l°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
i
d°.
d°.
d°.
«h
d°.
d°.
\'d°.
d°.
d°.
a.
du.
I n Centimeters.
licht.
licht.
d°.
d°.
d\'.
d°.
d°.
d°.
d-.
d».
d°.
d^.
d«.
d°.
d°.
d°.
.1°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d-.
d°.
24
137
139
22
131
141
24
130
132;
68
49
69
39
54
42
62
48
56
53
64
37
56
44
72
54
70
56
69
49
70
52
65
53
licht,
d".
d°.
d".
tl",
d".
d°.
tl".
d°.
d".
tl".
d-.
licht.
d°.
d".
.1".
d".
d°.
d".
d°.
d".
d°.
d°.
d".
donker.
d«.
d°.
d°.
d".
d°.
d«.
d°.
d«.
d".
d°.
d«.
Springstier .
» 2£ jaar
» 2
5\\
6
2
62 139 36
63 124 45
I
55 127 45
54 128 43
69 147 48
55 124 43
59 119 41
64 134J 51
68 150 48
24 216 200 392
15 178 167 520
16 188 176
22 186 176
I i
19 210 210
344
372
420
23  125 138
23   139 1491
20  129 135j
20   125:135:
23 148 154
I
23 147158
! [
22 143 150
24 140 153
25 144 151
De dieren zijn allen
van het zwaarste slaar.
16
186
170
19
\'202
195
25
216
206
22
195
186
20
206
191
M
203
199
20 187 175 354
Vaars,
»
Trekos
H
344
389
394
386
382
392
60
64
133j 43
140 51
65 137 54
14*
-ocr page 232-
21\'2
9. Donnersberger vee.
Het oostelijk deel van den »Walgau", de eigenlijke Sudeten, die
in den 2035 voet hoogen Donnersberg en het zich tot eene hoogte van
2048 voet verheffende Hardtgebergte eindigen, zijn in degeheeleomgeving
van den 2 uur breeden en 3 uur langen Donnersberg de eigenlijke woon-
plaats van het Donnersberger vee. Het is de streek van Kirchheimbo-
landen, 5 mijlen ten noordwesten van Mannheim, de vruchtbare vlakte
van Gellheim, Rockenhausen en Winnwieler, beide aan de Alsens, Kalken-
stein, Obermoschel, Grünstadt, Dürkheim, in de nabijheid van het Hardt-
gebergte Kaiserslautern, aan de Lauter en Otterberg, die als fokdistrikt
van dit vee kunnen worden aangemerkt; van hier verbreidt dit vee zich
over bijna de geheele Paltz.
Het Donnersberger vee is met het Glanvee zoo na verwant, dat
zwaar Glanvee van het lichte Donnersberger vee bijna niet te onder-
scheiden is. Zware Donnersberger fokstieren zijn in Glan veelvuldig voor
de fokkerijen gebruikt, Donnersberger koeien daarheen en evenzoo Glan-
koeien naar het Donnersberger distrikt verkocht.
Li de jaren 1785 tot 1700 werden op de op den Donnersberg ge-
legene goederen van den Vorst van Nassau-Saarbrücken herhaalde malen
roodbonte Zwitsersche stieren (Berner) ingevoerd, die voor het geheele
fokdistriet van grooten invloed werden en tot de verbetering der vormen
en vermeerdering van het gewicht veel bijdroegen. Later weiden dik-
wijls Berner fokstieren, ook wel Zwabisch-Limpurger, eveneens producten
van kruisingen niet Berner roodbonte dieren ingevoerd, en onder het be-
stuur der Franschen in de Paltz mochten er geene andere dan Berner
fokstieren in de gemeente gehouden worden. Eerst sedert 1834 wordt
het Donnersberger vee in eigen teelt voortgefokt, en is inmiddels tot een
constant ras geworden, dat wel onze aandacht verdient. Het Donners-
berger vee behoort tot het goed middelzware en zware slag. De koeien
bereiken een levend gewicht van 11 tot 14 centenaars, de ossen van
15 tot 20 centenaars; de kleur is als bij het Glanvee, eenkleurig geel,
het geel wisselt van witgeel tot bruingeel; het haar is fijn, elastiek en
zacht. De muilspiegel is deels licht, deels rosé, deels donker, de klauwen
geel of donker; de aan den wortel eenigszins plat gedrukte, lichte, witte
hoornen aan de punten geel of donker. De donkere pigmenten zijn
minder gaarne gezien, vooral bij den fokstier. De met mij bevriende
-ocr page 233-
213
professor Dr. Gg. May te Weihenstephan, beschrijft het Donnersberger
vee als volgt:
De bedoelde dieren zijn eenkleurig geel, geheel van dezelfde kleur,
als het Glanvee, welke kleur ook vaak naar het witgele overhelt. Bij
de fokstieren echter zijn de kop, de hals en het voorstel meestal vaalbruin.
Als echte raskenmerken gelden een lichte muilspiegel, gele hoornen met don-
kere punten en donkere klauwen. De meeste dieren, die nog niet veredeld
zijn, hebben een zwaar beendergestel. De kop is lang en dikwijls te zwaar
gebouwd. Hals en kossem zijn zwaar, de schoft is hoog en krachtig,
de rug scherp, de lenden en het kruis breed en recht, de staart dikwijls
hoog aangezet en zwaar aan den wortel. De vertikale doorsnede van de
borst is gewoonlijk goed, de horizontale daarentegen niet, zoodat leegte
van de boeg dikwijls voorkomt. De buik is echter fraai gesloten en het
lijf over \'t algemeen eenigszins lang. De ledematen zijn wat hoog, de
schouders, bovenarmen en voorarmen zeer gespierd, wat ook van de boven-
en onderschenkels gezegd kan worden; de spronggewrichten zijn beide
gebogen, evenals bij het gebergtevee en de onderpijpen zonder uitzonde-
ring alle zwaar. De dieren vertoonen dikwijls grove, hoekige vormen,
wat vooral aan de uitstekende heupen waar te nemen is.
In die veehouderijen echter, waar met nauwlettendheid en zorg ge-
fokt wordt, waar men in een woord\'meer verstand heeft van het uiter-
lijk en de fokkerij en de dieren tracht te veredelen zooals b.v. te Alsen-
brück, Börrstadt, Göllheim, Mamheim
en vooral te Langmeil en op
de Schmalfelderhoeve enz. hebben de dieren fijnere beenderen en der-
halve ook een beter geproportioneerden kop met slanke hoornen, een
breeden vlakken rug en fijnen staart, groote borstmiddellijn zonder boeg-
holten; de lagere ledematen zijn krachtig gespierd en gevleeschd met fijne
onderpijpen en fraaie ronding van het lijf en van alle andere lichaams-
deelen. Daarbij laten huid en haar niets te wenschen over.
Hoe zeer het Donnersberger vee geschikt is, zijne vormen beter te
ontwikkelen, moge uit de hier volgende metingen blijken, die hoogst-
interessante ophelderingen daarover geven. In eene der beste fokkerijen
van Beijeren was in Augustus van het vorige jaar eene schoone, direkt
uit Engeland aangevoerde korthoornkoe, die verscheidene kalveren had
geworpen; deze koe had eene heupbreedte van 55 cM. Eene zich daar
ook bevindende, zeer goed gebouwde, Grauwbunderlander koe, die even
oud was, was 53 cM. Een Donnersberger koe, moeder van eenige kal-
veren, had 57 en eene tweede, even oude, 55 cM. Bij eene andere vol-
-ocr page 234-
214
wassene, fraaie Donnersberger koe vond ineh nu verder de volgende zeer
gunstige verhouding tusschen de borstholte en den afstand van het borst-
been tot den grond; de eerste bedroeg 79, de laatste 60 cM., zoodat de
eerste 19 cM. meer bedroeg (naar May).
De koeien zijn goed melkgevend; nieuwmelkend geven zij 14 tot
20 liter per dag en melken tot 6 weken voor het kalven. De gemiddelde
opbrengst per jaar en per koe kan op 1900 tot 2500 liter berekend
worden; van 14 liter melk verkrijgt men bij groenvoeder gemiddeld
1 pond boter, bij wintervoeder 12 liter. Voor een pond uit zure melk
bereide kaas zijn 9 liter melk noodig.
Het Donnersberger vee is zeer geschikt voor den arbeid; de trek-
ossen zijn zeer gezocht om hunne kracht en volharding en ook de koeien
zijn goede trekdieren. De aaideg voor vetgroei is goed, het vleesch licht
van kleur en fijn van vezel; doch er wordt wel beweerd, dat dit vee eerst
op den leeftijd van 51 jaar geschikt is om te worden gemest.
Het Donnersberger vee eet goed, is niet kieskeurig en gedijt bij
voldoend voedsel zeer goed.
De fokstieren laten wel eens wat te wenschen over; niet alleen dat
bij de keus niet streng genoeg op kwaliteit gelet wordt, ook het aantal
is in vele streken te gering. Het lage dekgeld stelt den houder van den
fokstier niet voldoende schadeloos, het houden er van wordt onder zulke
omstandigheden een last, waarvan men zich door een goeden verkoop zoo
spoedig mogelijk tracht te ontdoen. Daar de witgele dieren veel minder
in trek zijn, moesten stieren van deze kleur in het fokdistrikt nooit ge-
bruikt worden.
De kalveren en het jongvee worden over \'t algemeen goed gevoed,
doch er zijn op dit punt ook vele uitzonderingen. De melk wordt dan
al te snel, reeds 2 a 3 weken na de geboorte door zure melk, brood,
meel en gekookte rogge vervangen en in den winter bij het haksel nog
slechts wat rapen of aardappels aan het jongvee gegeven. Des te nadee-
liger wordt bij zulk een voeding eene te vroege aanwending der dieren
voor de fokkerij. In lateren tijd is ook in het fokdistrikt v;m het
Donnersberger vee een nauwlettende zorgvuldige aanfok meer algemeen
geworden, en hebben de fokkers in alle geval in hun vee een materiaal,
waarmee bij eene oordeelkundige nauwlettende fokkerij iets goeds te ver-
krijgen is.
-ocr page 235-
215
XII. Het Glan-vee
vinden wij in het dist rikt grenzende aan dat van het Donnersberger
vee en daar in opdringende aan de Glan. De Glan ontspringt op den
Höchenberg in den Beijerschen Paltz, ten zuidoosten van St. Wende!, ten
noorden van Zweibrücken, niet ver van Homburg bij Waldmohr, bereikt
Kusel 4 mijlen ten noordwesten van Kaiserslautern , treedt dan bij Nieder-
alben in den kreits St. Wendel, in het regeeringsdistrikt Trier, op Pruisisch
grondgebied, maakt voor een deel de grensscheiding tusschen Pruisen en
de Beijersche Paltz uit en valt ten noorden van Odernheim in de Nahe.
Het vaderland van het Glan-vee ligt dus zoowel in Pruisen, de kreitsen
St. Wendel en Meisenheim als in de Beijersche Paltz. Het fokgebied van
het Glan-vee is , evenals dat van het Donnersberger een bergachtige
streek, rijk aan heuvels, met een vochtig, in het dal zacht, op de hoog-
ten ruw klimaat, en uitstekende grasvelden.
De wordingsgeschiedenis van het Glan-vee is gelijk aan die van het
Donnersberger; het vee heeft eveneens hoofdzakelijk Berner bloed, waar-
onder ook Friesch bloed loopt, van dieren dit; door den Hertog CHRISTIAAN IV
van Zweibhückf.n werden ingevoerd. Sedert ongeveer veertig jaren wordt
het Glan-vee ook rein gefokt, doch is er nog niet overal eene volledige
bestendigheid en gelijkvormigheid verkregen.
Voor de beschrijving van het lichaam verwijs ik naar het Donners-
berger vee en maak hier slechts melding van die kenteekens welke ter
onderscheiding dezer beide zoo na aan elkaar verwante slagen kunnen
dienen. Het Glan-vee is kleiner dan het Donnersberger, de koeien
hebben een gewicht van 8 tot 10 centr., de beenderen zijn fijner, de
kop is iets korter, het voorhoofd breed, de borst breed en diep, zoo ook
de dijen, en de beenen stevig. Ook de hals is van middelbare lengte,
bij den fokstier breed en krachtig; op Uiteren leeftijd wordt ze bij den
stier geheel een opgepropte massa.
De gebruikseigenschappen zijn als die van het Donnersberger vee, de
vleeschhouwers koopen het vee gaarne, en hun vleesch wordt voor het
beste gehouden.
In de afzonderlijke distrikten noemt men het Glan-vee ook Birkenfelder.
Meisenheirner, Quirnbacher vee. De belangrijkste markten zijn te Quirn-
bach en te Kusel.
Hier volgen de metingen van twee dieren.
-ocr page 236-
217
210
Marggraff. distriktsveearts te Kusel.
Glan-vee. De metingen gedaan door den Heer
OMVANG
K i. i. r u.
UK SC II RU V I XG
VAN
HET 1)1 EK.
-1É             —
it V
A A N M E R K I N G E N.
i:i:ji
S
In Centimeters.
Fokstier, 2 jaar .... 55 110 51 25 125125 54 51 39 202188387
Koe, 4 jaar.....59 120 51 22 123 120 54 51 37 194 184 400
bruingeel, witgeel met donker.
donken p.
licht.
Ücht.
liclit.
d°.
taal geel.
cl".
d".
d°.           —
ook nog hier en daar, vooral vrouwelijke dieren, waarbij eene vroegere
kruising met Westerwalder *) en Allgiiuer vee duidelijk zichtbaar is. Op
die plaatsen, waar zich domeinen bevinden, vindt men ook nog kruisingen
met Simmendaler en friesch vee, die echterover \'t algemeen geen gunstige
resultaten opleverden.
Commissiën der landbouwvereenigingen gingen van dorp tot dorp en
overtuigden zich, dat er voor eigen teelt nog voldoende materiaal voor-
handen was en bevorderden die zooveel zij konden. Jaarlijks worden de
beste stieren en jonge drachtige runderen van het echte Waldecker ras,
n.1. wanneer zij bekroond zijn, met een brandmerk voorzien en in een
stamboek ingeschreven. Zulks geschiedt, vooral van wege de Eisenberger
vereeniging, veelal om den kleineren veehouder voor de goede zaak te
winnen, en dit verdienstelijk streven heeft ook goede gevolgen gehad.
Het oude Waldecker vee kenmerkt zich door eene bijzonder voor-
deelige omzetting van het aan hem gegeven voedsel; het neemt in schrale
tijden ook minder goed voedsel voor lief. De koeien bereiken een levend
gewicht van 8 tot 10 centr., de ossen in het vierde jaar van 10 tot
XIII Het rundvee in het vorstendom Waldeck.
(.Eisenberger vee.)
Het roode Waldecker vee verdient om zijn goede volhardende trek-
ossen in ruimer kring bekend te worden; ik verzocht den Heer Conradi,
landeigenaar op Helmscheid bij Corbach, voorzitter van de landbouwver-
eeniging te Eisenberg, om nadere inlichtingen, en aan zijne welwillend"
heid heb ik de hier volgende beschrijving te danken. Het rundvee, dat
thans in Waldeck, vooral op de boerenhofsteden onder den naam Wal-
decker vee gehouden wordt en op welker instandhouding en verbetering
de landbouwvereenigingen en vooral die te Eisenberg zich bijzonder toe-
leggen, heeft zich langzamerhand, deels door eigen teelt, deels door
kruising met het Vogelsberger vee *) gevormd. Daarbij vindt men echter
*) Het Vogelsberger of Rhönvee komt voor op het Rhüngebergte (dit verheft zich in het
noorden van Benedenfranken, strekt zich uit langs de Werra over Saksen-Weimar-Eisenach
en eindigt westwaarts in het Kurhessische) en het Vogelsgebergte, dat zich uit de vruchtbare
vlakte van de Wetlerau verheft en met den Rhön te urnen hangt. Door het Kinzigdal wordt
het Vogelgebcrgte van den Spessart gescheiden. Het is een licht middelslag van donker
roode kleur, dikwijls met een witte bles voor den kop en witte vlekken op den rug, meest
ccnkleiirig rood en behoort tot het oude, bruine, duitsche landras, na verwant met het
Voigtlander vee. Het onderscheidt zich door zijne matigheid en geringe eischen, welke
eigenschappen het voor zijn vaderland, dat hem slechts zuur en slecht hooi te bieden vermag,
van zoo groote waarde maakt.
*) Het Westerwoud beslaat bet noordelijk gedeelte van het hertogdom Nassau, over den
hoogsten bergtop «ant de grensscheiding tusschen Nassau en Pruisen, zoodat een gedeelte van
het Westerwoud tot de Rijnprovincie en Westphalen behoort. De noordwestelijke helling vormt
het Zeveugebergte aan den rechteroever van den Rijn. Het is een ruw, weinig vruchtbaar
land, dat een klein rood, op het Rhonvee gelijkende en tot het oude duitsche landras be-
hoorende vee aanlokt.
-ocr page 237-
217
210
Marggraff. distriktsveearts te Kusel.
Glan-vee. De metingen gedaan door den Heer
OMVANG
K i. i. r u.
UK SC II RU V I XG
VAN
HET 1)1 EK.
-1É             —
it V
A A N M E R K I N G E N.
i:i:ji
S
In Centimeters.
Fokstier, 2 jaar .... 55 110 51 25 125125 54 51 39 202188387
Koe, 4 jaar.....59 120 51 22 123 120 54 51 37 194 184 400
bruingeel, witgeel met donker.
donken p.
licht.
Ücht.
liclit.
d°.
taal geel.
cl".
d".
d°.           —
ook nog hier en daar, vooral vrouwelijke dieren, waarbij eene vroegere
kruising met Westerwalder *) en Allgiiuer vee duidelijk zichtbaar is. Op
die plaatsen, waar zich domeinen bevinden, vindt men ook nog kruisingen
met Simmendaler en friesch vee, die echterover \'t algemeen geen gunstige
resultaten opleverden.
Commissiën der landbouwvereenigingen gingen van dorp tot dorp en
overtuigden zich, dat er voor eigen teelt nog voldoende materiaal voor-
handen was en bevorderden die zooveel zij konden. Jaarlijks worden de
beste stieren en jonge drachtige runderen van het echte Waldecker ras,
n.1. wanneer zij bekroond zijn, met een brandmerk voorzien en in een
stamboek ingeschreven. Zulks geschiedt, vooral van wege de Eisenberger
vereeniging, veelal om den kleineren veehouder voor de goede zaak te
winnen, en dit verdienstelijk streven heeft ook goede gevolgen gehad.
Het oude Waldecker vee kenmerkt zich door eene bijzonder voor-
deelige omzetting van het aan hem gegeven voedsel; het neemt in schrale
tijden ook minder goed voedsel voor lief. De koeien bereiken een levend
gewicht van 8 tot 10 centr., de ossen in het vierde jaar van 10 tot
XIII Het rundvee in het vorstendom Waldeck.
(.Eisenberger vee.)
Het roode Waldecker vee verdient om zijn goede volhardende trek-
ossen in ruimer kring bekend te worden; ik verzocht den Heer Conradi,
landeigenaar op Helmscheid bij Corbach, voorzitter van de landbouwver-
eeniging te Eisenberg, om nadere inlichtingen, en aan zijne welwillend"
heid heb ik de hier volgende beschrijving te danken. Het rundvee, dat
thans in Waldeck, vooral op de boerenhofsteden onder den naam Wal-
decker vee gehouden wordt en op welker instandhouding en verbetering
de landbouwvereenigingen en vooral die te Eisenberg zich bijzonder toe-
leggen, heeft zich langzamerhand, deels door eigen teelt, deels door
kruising met het Vogelsberger vee *) gevormd. Daarbij vindt men echter
*) Het Vogelsberger of Rhönvee komt voor op het Rhüngebergte (dit verheft zich in het
noorden van Benedenfranken, strekt zich uit langs de Werra over Saksen-Weimar-Eisenach
en eindigt westwaarts in het Kurhessische) en het Vogelsgebergte, dat zich uit de vruchtbare
vlakte van de Wetlerau verheft en met den Rhön te urnen hangt. Door het Kinzigdal wordt
het Vogelgebcrgte van den Spessart gescheiden. Het is een licht middelslag van donker
roode kleur, dikwijls met een witte bles voor den kop en witte vlekken op den rug, meest
ccnkleiirig rood en behoort tot het oude, bruine, duitsche landras, na verwant met het
Voigtlander vee. Het onderscheidt zich door zijne matigheid en geringe eischen, welke
eigenschappen het voor zijn vaderland, dat hem slechts zuur en slecht hooi te bieden vermag,
van zoo groote waarde maakt.
*) Het Westerwoud beslaat bet noordelijk gedeelte van het hertogdom Nassau, over den
hoogsten bergtop «ant de grensscheiding tusschen Nassau en Pruisen, zoodat een gedeelte van
het Westerwoud tot de Rijnprovincie en Westphalen behoort. De noordwestelijke helling vormt
het Zeveugebergte aan den rechteroever van den Rijn. Het is een ruw, weinig vruchtbaar
land, dat een klein rood, op het Rhonvee gelijkende en tot het oude duitsche landras be-
hoorende vee aanlokt.
-ocr page 238-
248
14 cent. en gemest een slachtgewicht van 900 tot 950 pond. De dieren
zijn levendig, hebben een gemakkelijken gang en zijn zeer rustig. De
kleur is donkerrood (bloedrood) en geelrood. Neus en muil zijn geel-
achtig, vleeschkleurig, vaak ook donker (misschien terugslagen van de
kruising met Allgauer vee); boven het oog loopen meestal drie kleine
huidplooien. Het inwendige van de met lange, stevige roode haren bezette
ooren is oranjegeel ; de wasgele hoornen loopen meest in donkerkleurige
punten uit. Den middelgrooten kop met breed voorhoofd dragen de
meeste dieren naar voren gestrekt; de nek is kort en recht, de hals niet
zeer lang, meest smal, zwaarder bij de bullen, met tamelijk grooten
kossem. De beenen zijn voortreffelijk gesteld, krachtig en gespierd, de
klauwen meestal donker gekleurd. De schoft is niet spits, maar ook niet
rond en vol, de beste melkkoeien zijn achter de schouders dikwijls eenigs-
zins ingesnoerd. De rug is recht tot aan het kruis, dat dan gewoonlijk
iets naar boven gaat en dan zijwaarts naar het bekken wat afvalt, terwijl
daarentegen de ruggegraat tot aan den staartwortel in eene rechte lijn
doorloopt. De achterschenkels zijn krachtig, de uier is niet groot en
staat meer onder den buik, heeft een gele grondkleur, meestal lichtroode
strepen, zij is naar den buik toe hier en daar met zachte, bruine haren
bezet. De staart is fijn en kort. loopt echter in een lange haarkwast
uit, die van binnen meestal lichter van kleur is. De huid is los, kern-
achtig en veerkrachtig . de haren dikwijls gekroesd.
De melkrijkheid is middelmatig; de koeien geven na het kalven nooit
eene zoo groote hoeveelheid melk, als de laaglandsche rassen, houden
echter lang vol en men rekent bij goede verpleging op eene jaarlijksche
opbrengst van 1800 tot 2400 liter. Zeer gezocht zijn de trek- en mest-
ossen, daai\' deze zich gemakkelijk in alle toestanden schikken, licht aan
alle soorten van voedsel gewennen en bij goede voeding aan grootte en
gewicht belangrijk toenemen. De slachters koopen het mest vee gaarne
en het vleesch wordt als zeer malsch geprezen.
De hoofdmarkten voor het Waldecker vee zijn te Arolsen (de resi-
dentie) den eersten Woensdag in Augustus, te Cornbach (de grootste stad
van Waldeck) op het einde van Juni en het begin van October, en hoofd-
zakelijk voor jongvee te Adorf, 6 dagen na de markt te Arolsen. Wie
echter bullen en runderen voor de fokkerij wil koopen, kan zulks slechts
in de stallen der veehouders zelf doen.
De navolgende metingen heb ik eveneens van den Heer Conradi.
-ocr page 239-
Tabel: zie volgende bladzijde.
-ocr page 240-
220
221
vee.
Wal dec k er
1 .
si
0
MV A>
ipen
nder
liei
tbee
der
\'E
4*
en
•
S
J-
E
edt
B
o
Fm
O
T3
5
Bree
K L E V H.
S
d
oogen.
Ite.
C
e
u
tfj
o
s
hem
h
O
o
o
S
3
S
o
a
T"
O
O)
T3
Ü3
CS
rood.
was geel.
zwartachtig
lichtrood.
geelachtig
rood met
witten neus.
—
bleekrood.
d°.
donkergeel.
d°.
(1°.
lichtrood
met witten
neus.
---
gcelrood.
d".
was geel
met 7.w. p.
d°.
donkerrood.
do.
—
vleeschkl.
(1°.
d°.
d°.
rood.
d°.
---
bleekrood.
d°.
d°.
d°.
d°.
d".
---
d°.
d°.
d».
d°.
d».
geelachtig.
---
d°.
5 . -J1 S
11 Hl
j:1ï:ï
BESCHRIJVING
VAN
HET UIER.
11 lil
"O 13 I\'S !
In Centimeters
Koe, 5 jaar.....
81
151
52
19
143
150
52
50
27
» 6 «.....
85
137
50
24
132
146
43
45
34
» 7 » .....
75
144
49
20
138
150
53
49
26
» 6 ».....
82
147
49
22
146
152
50
51
30
» 21 ».....
72
135
48
22
136
143
48
49
27
Os, bijna 2 jaar....
69
142
51
21
133
143
60
50
75
432
407
397
398
382
381
198 186
I
208 206
217
188
204
192
179
181
XIV. Het Pinzgauer vee.
Het Pinzgauer vee vinden • wij in de heerlijke aan natuurschoonheden
zoo rijke Oostenrijksche alpenlanden, die de Salzburg-Tiroler bergspoorweg,
de keizerin-Elisabeth-spoorweg, welke van Salzburg naar Zeil aan het
meer en Wörgl voert, voor het verkeer geopend heeft. Het zorgvuldigst
en zuiverst wordt het gefokt in het hertogdom Salzburg, in het gebied
van de Salzach, Traun en Enns, doch de streek waarover dit roodbonte
vee verspreid is, is zeer uitgestrekt; het omvat het grootste gedeelte van
Noord- en Oost-Tyrol, het noordwesten van Kaernthen en het oosten vau
boven-Stiermarken van het Doodengebergte en den Schaibling, zuidwaarts
tot Dachstein en Krippenstein en verder tot aan het boven-Ennsdal. Ook
in Beijeren vinden wij tot Traunstein en Beijersch Zeil het Pinzgauer
vee sterk vertegenwoordigd.
Ons boezemt meer in \'t bijzonder de Pinzgau in het hertogdom
Salzburg belang in. Deze wordt verdeeld in den midden-, boven- en be-
neden Pinzgau. De midden-Pinzgau is het noordelijkste, onvruchtbaarste
gedeelte van het hooggebergte, dat zich van het Glemdal, Taxenbach,
Lend tot de »steenen zee" en de «eeuwigen sneeuw" en langs den
linker oever van de Salzbach voortloopende tot aan de Berchtesgadener
bergen (Watzmann enz.) uitstrekt. Ten zuiden en zuidwesten daarvan
vinden wij den boven-Pinzgau; zuidoostwaarts van het Zillerdal beginnende,
strekt het zich uit tot aan de Venetiaansche, de Velber en Kalser Tauern
tot aan den »Gross-Glockner"; daaraan sluit zich in het oosten de beneden-
Pinzgau, die door Kaernthen begrensd wordt.
In den midden-Pinzgau is het vee iets kleiner en gedrongener, dan in
den boven- en beneden-Pinzgau, het gelijkt meer op het Pongauer. Het
fraaiste vee wordt in den boven- en beneden-Pinzgau in het Stubach-,
Coprun-, Fusch- en Rauris-dal gefokt; het zijn de omstreken van Zeil
aan het meer Bruck, Piesendorf, Mittersill. In het Stubachdal zijn het
-ocr page 241-
220
221
vee.
Wal dec k er
1 .
si
0
MV A>
ipen
nder
liei
tbee
der
\'E
4*
en
•
S
J-
E
edt
B
o
Fm
O
T3
5
Bree
K L E V H.
S
d
oogen.
Ite.
C
e
u
tfj
o
s
hem
h
O
o
o
S
3
S
o
a
T"
O
O)
T3
Ü3
CS
rood.
was geel.
zwartachtig
lichtrood.
geelachtig
rood met
witten neus.
—
bleekrood.
d°.
donkergeel.
d°.
(1°.
lichtrood
met witten
neus.
---
gcelrood.
d".
was geel
met 7.w. p.
d°.
donkerrood.
do.
—
vleeschkl.
(1°.
d°.
d°.
rood.
d°.
---
bleekrood.
d°.
d°.
d°.
d°.
d".
---
d°.
d°.
d».
d°.
d».
geelachtig.
---
d°.
5 . -J1 S
11 Hl
j:1ï:ï
BESCHRIJVING
VAN
HET UIER.
11 lil
"O 13 I\'S !
In Centimeters
Koe, 5 jaar.....
81
151
52
19
143
150
52
50
27
» 6 «.....
85
137
50
24
132
146
43
45
34
» 7 » .....
75
144
49
20
138
150
53
49
26
» 6 ».....
82
147
49
22
146
152
50
51
30
» 21 ».....
72
135
48
22
136
143
48
49
27
Os, bijna 2 jaar....
69
142
51
21
133
143
60
50
75
432
407
397
398
382
381
198 186
I
208 206
217
188
204
192
179
181
XIV. Het Pinzgauer vee.
Het Pinzgauer vee vinden • wij in de heerlijke aan natuurschoonheden
zoo rijke Oostenrijksche alpenlanden, die de Salzburg-Tiroler bergspoorweg,
de keizerin-Elisabeth-spoorweg, welke van Salzburg naar Zeil aan het
meer en Wörgl voert, voor het verkeer geopend heeft. Het zorgvuldigst
en zuiverst wordt het gefokt in het hertogdom Salzburg, in het gebied
van de Salzach, Traun en Enns, doch de streek waarover dit roodbonte
vee verspreid is, is zeer uitgestrekt; het omvat het grootste gedeelte van
Noord- en Oost-Tyrol, het noordwesten van Kaernthen en het oosten vau
boven-Stiermarken van het Doodengebergte en den Schaibling, zuidwaarts
tot Dachstein en Krippenstein en verder tot aan het boven-Ennsdal. Ook
in Beijeren vinden wij tot Traunstein en Beijersch Zeil het Pinzgauer
vee sterk vertegenwoordigd.
Ons boezemt meer in \'t bijzonder de Pinzgau in het hertogdom
Salzburg belang in. Deze wordt verdeeld in den midden-, boven- en be-
neden Pinzgau. De midden-Pinzgau is het noordelijkste, onvruchtbaarste
gedeelte van het hooggebergte, dat zich van het Glemdal, Taxenbach,
Lend tot de »steenen zee" en de «eeuwigen sneeuw" en langs den
linker oever van de Salzbach voortloopende tot aan de Berchtesgadener
bergen (Watzmann enz.) uitstrekt. Ten zuiden en zuidwesten daarvan
vinden wij den boven-Pinzgau; zuidoostwaarts van het Zillerdal beginnende,
strekt het zich uit tot aan de Venetiaansche, de Velber en Kalser Tauern
tot aan den »Gross-Glockner"; daaraan sluit zich in het oosten de beneden-
Pinzgau, die door Kaernthen begrensd wordt.
In den midden-Pinzgau is het vee iets kleiner en gedrongener, dan in
den boven- en beneden-Pinzgau, het gelijkt meer op het Pongauer. Het
fraaiste vee wordt in den boven- en beneden-Pinzgau in het Stubach-,
Coprun-, Fusch- en Rauris-dal gefokt; het zijn de omstreken van Zeil
aan het meer Bruck, Piesendorf, Mittersill. In het Stubachdal zijn het
-ocr page 242-
222
vooral de grootere landeigenaars te Wiedrechtshauser, Vellererer en En-
zinger, welke het beste vee hebben.
De oorsprong van het Pinzgauer vee is niet met zekerheid aan te
geven; ieder die het roode Zillerdaler vee, waarbij wij meest witte vlekken
aan kop, kruis, staart en buik vinden, nauwkeurig kent, zal echter wel
toegeven, dat voornamelijk dit veeslag in vroegere jaren ver overSalzburg
en Tyrol verspreid was. \'t Kan zijn, dat het Zillerdaler vee met het
Duxer vee, donker bruinrood met lichten streep over den rug en het
roodbonte gebergtevee uit hoop-Beijeren is vermengd geworden. Men
neemt aan, dat ook het grauwe Mürzdaler vee de grenzen overschreden
en tot de vorming van het gele Pinzgauer vee medegewerkt heeft. Het
Mürzdaler vee, dat waarschijnlijk van het grauwe Hongaarsche ras af-
stamt, heeft zich over geheel Stiermarken, Karnthen en beneden-Oosten-
rijk verspreid, en is door kruising met landvee tot een goed middelzwaar
vee van lichtgele of grauwgele kleur geworden, dat tamelijk melkrijk,
sterk in den arbeid en goed voor de vetmesting is. Reeds in de vorige
eeuw heeft men deze slagen met Berner bloed vermengd, welk bloed bij
zijne welbekende geschiktheid voor overerving de ongelijkmatigheid der ver-
schillende dooreengemengde slagen vrijwel heeft weggenomen en zoo den
grondslag gelegd voor de tegenwoordige rundveeteelt in den Pinzgau.
Het Pinzgauer vee behoort in midden-Pinzgau tot het middelzware,
in boven- en beneden-Pinzgau tot het zware slag. Volwassene koeien
van het zware slag hebben mager een levend gewicht van 11 tot 13
centenaar, gemest tot 16 centenaar, in midden-Pinzgau van 8 tot 10
centenaar. Volwassene stieren bereiken een levend gewicht van 13 tot
16 centenaar, zwaar gemeste ossen 15 tot 20 centenaar.
De dieren zijn meestal lichtbruin of kersrood gekleurd met een over
den rug, dicht achter de schoft beginnende, naar het kruis toe meest
breeder wordende, witte streep, die over het achterste, den staart enden
dam naar beneden loopt en zich ook wel over den uier, de ondel-schenkels
en den buik uitstrekt. Over de achterschenkels en gewoonlijk ook over
de voorarmen loopen witte dwarsstrepen. Deze witte teekens zijn echte
raskenmerken, die constant overerven en bij het echte Pinzgauer vee niet
mogen ontbreken; in Pinzgau noemt men ze »Faschen\'\\ De witte staart
loopt dikwijls in eene roode haarkwast uit, de normale fraaie kop moet
bij het echte Pinzgauer vee steeds rood zonder eenig teeken zijn; in
sommige streken komen echter ook gevlekte voor. De pigmenten, muil,
tong en gehemelte zijn licht, roodachtig wit, waarbij vooral gaarne
-ocr page 243-
223
gezien wordt, dat de muil door eene donkere rand van haar is omgeven.
De een weinig lange, naar boven of liervormig gewondene hoornen, zijn
wit of geel van kleur met donkere punten.
Behalve de roode kleur vinden wij in Salzburg hij dezelfde witte
raskenmerken ook de geelroode en gele kleur, vooral aan de grenzen van
Kaernthen en in de omstreken van Bruck in de Alpendistrikten van de
Rauris en Fusch. De gele runderen gelden voor fijner, melkrijker, maar
ook voor wekelijker dan de bruinen. Wat de melkproductie aangaat,
hebben de meestal kastanjebruine dieren uit den omtrek van Bamberg
aan de Salzach, die een eenigszins lichter beendergestel hebben, een zeer
goeden naam, terwijl het zwaarste vee in de omstreken van Mittersill en
in het Stubachdal (fraai kastanjebruin, dikwijls geappeld met schoone,
zware vormen) te huis behoort.
De Heer baron Khaft von Crailsheim Jun. te Altenhohenau bij
Wasserburg in boven-Beijeren, die zich met volledige zaakkennis voor de
rundveeteelt interesseert, beschreef mij het Pinzgauer vee als volgt:
»De fijne, korte kop is met fraaie witte of gele, boven zwarte
dikwijls liervormig opwaarts gebogene hoornen versierd. De hals
is kort en krachtig, breed en vleezig sluit de schoft zich er aan.
De omvang van de borst is zeer belangrijk, bij normaal ontwikkelde
koeien dikwijls 190 tot 220 cM. De punt van de borst staat
dikwijls wat ver naar voren; de zijstukken zijn fraai afgerond; de
lendenwervels zijn gewoonlijk breed en vlak. eveneens het fraaie,
dikwijls massief gevormde kruis. De heupbreedte bedraagt van
00 tot 08 cM. (naar metingen van Dr. May 70 c.M.); de lede-
maten zijn zeer goed, middelmatig hoog gesteld, dikwijls zeer laag
met vleesch behangen (goed gebroekt), «laarbij is het beender-
gestel gewoonlijk fijn te noemen. De huid is zacht en geplooid,
voelt olieachtig en is met fijne glanzige haren bezet; sterk ge-
kroest haar ziet men niet gaarne".
Tusschen Simmendaler en Pinzgauer vee trekt de Heer Baron Krafft
von Crailshf.im de volgende parallellen:
»Wat melkrijkheid en kwaliteit van het vleesch aangaat, is het
goede Pinzgauer vee te verkiezen, het Simmendaler vee groeit in
het eerste jaar sneller, wordt echter later door de Pinzgauers
weer ingehaald, zij verlangen goed voer, terwijl laatstgenoemde
ook minder goed voedsel voor lief nemen. Het Simmendaler vee
staat op een prijs, die voor Zwitserland, waar het pond vleesch met
-ocr page 244-
224
een franc betaald wordt, gerechtvaardigd mag zijn, niet echter
voor Duitschland waar men het vleesch met slechts 25 penningen
betaalt. Hel Pinzgauer vee is niet verwend, wordt in den winter
dikwijls heel schraal gevoederd en kan in de vlakten zeer goed
aarden. In het Simmendal worden vooral de jonge fokstieren uit-
stekend gevoederd en gaan dan, wanneer zij uit hun vaderland
gebracht worden en dan niet hetzelfde voedsel ontvangen, achteruit.
Ik moet hier mededeelen dat mij de noodige opgaven omtrent de
melkopbrengsten van hier zich bevindende Pinzgauer koppels ontbreken.
De baron von Chailshkim Reeft het jaarlijksche melkbedrag aan op 2000
of 2300 liter; groote veehouders in den boven-Pinzgau noemden mijeene
gemiddelde jaarlijksche opbrengst tot 3000 liter, en de Heer Rof.ssler,
landeigenaar te Katschütz bij Altenburg, die eene groote koppel Pinzgauer
vee heeft, noemt mij 2500 liter als de gemiddelde opbrengst per koe.
Dat zijn bedragen, die het goedgefokte Siminendaler vee niet slechts eveneens
kan opbrengen, maar ook nog belangrijk overtreft. Als het Miesbach-
Simiriendaler vee, dat de Heer von Crailsheim misschien op het oog heeft,
het bovengenoemde gemiddelde bedrag niet kan opbrengen, zoo ligt zulks
wel daaraan, dat lichaamszwaarte hoofddoel dezer fokkerij was en in dit
opzicht ook uitstekende resultaten verkregen zijn. De hooge prijs van het
Simmendaler vee maakt ons weliswaar den aankoop uiterst moeilijk, doch
is deze veel minder van de hooge vleeschpiïjzen in Zwitserland dan wel
van de groote vraag naar fokvee afhankelijk en dit is voor het Simmendaler
vee geen slecht teeken. Wij mogen bij de waardeering van het dier, dat
wij tot veredeling van ons vee gebruiken, de vleeschprijzen niet tot grond-
slag nemen; zij mogen bij den aankoop van mestvee in aanmerking komen,
bij fokdieren kunnen wij bij onze berekeningen toch slechts rekening houden
met het doel, waarnaar wij bij den aanfok streven en zal men alleen van
dit standpunt uit de waaide moeten bepalen, welke het eene of andere
dier voor ons heeft.
Aan deze gedetailleerde beschrijving van het lichaam zou ik nog
slechts willen toevoegen, dat ik toch ook dikwijls dieren gezien heb met
eenigszins hollen rug, vooral ook achter de schouders wat ingesnoerd en
met hooge aanzetting van den staart. De ruwe behandeling waaraan het
vee in zijne jeugd blootgesteld wordt, moet de oorzaak zijn van deze ge-
breken, die verdwijnen, wanneer het dier op jeugdigen leeftijd goed ge-
voed en verpleegd wordt.
De kalveren krijgen in den Pinzgau slechts gedurende 2 k 4 weken
-ocr page 245-
225
de moedermelk, dan onmiddellijk hooi of gras en komen met 3 maanden
op de weide. Het jongvee, tot 2jarige vaarzen, komt op de galtweide,
waar ook de ossen gebracht worden, doch van de vaarzen gescheiden ; de
koeien komen op de lagere koeweide en blijven daar evenals het andere
vee, in alle weer, zoolang er voldoende voedsel is en het weer het maai\'
eenigszins toelaat. Het Pinzgauer vee is in geenen deele verwend, is
matig en gezond en dankbaar voor elke meer dan gewone verzorging;
het gewent op de vlakte gemakkelijk en voldoet algemeen zeer goed. De
aanleg voor vetmesting is goed en het vleesch wordt als zeer smakelijk
geroemd. Het vee is zeer geschikt om te trekken, zijn gang gemakkelijk
en snel en het is ook bij het trekken van zware lasten zeer volhardend-
De ossen zijn onder den naam »Ubertaurer" zeer gezocht. Men noemt
ze Ubertaurer omdat ze over de Tauern, de hoofdketen der Noiïsche
alpen, die zich van de Dreiherrnspitz in oostelijke richting langs de zuidzijde
van het Salzdal tot aan de bronnen van de Mur en de Ens uitstrekken,
naar de markten van Hoog-Beijeren gevoerd worden. De grootste dezer
markten is te Waging, 3 uren van Traunstein, waar ook de groote
schimmels uit boven-Stiermarken worden gebracht. Het best koopt men
na Michaeli; een paar zware ossen van 26 tot 30 centenaars kosten 900 a
1000 Mark. Behalve op de markten, koopt men ze in Beijeren nog het
best te Detenhausen bij Waging, Gesenhausen, Dengling, Haus, Toerringen
enz. De grootste markt in den Pinzgau is die van den 30en September
te Mittersill, waar dikwijls 2000 tot 3000 stuks vee aangevoerd worden.
Op de markten te Embach 12 Aug. en Rauris 19 September, vindt men
hoofdzakelijk het gele Pinzgauer vee.
Het Pongauer vee.
De Pongau, die ten oosten aan den midden-Pinzgau grenst, begint bij
het dorre woeste hooggebergte, »de eeuwige sneeuw", dat in den mond
van het volk de overgotene alp genoemd wordt, strekt zich uit over het
met kloven en spleten gevulde, wilde Taennengebergte en nog daar voorbij
langs den rechteroever van den Salzach tot aan Golling aan den hoogen
Göhl, het marktvlek Kuchl en St. Colmann. De belangrijkste plaatsen
van den Pongau zijn : Werfen aan de Salzach en het Imelaugebergte, niet
ver van het Blünbachdal, Bischofshofen aan het Galnfelddal en Rastadt
aan den linkeroever van de Ens, ten zuiden van het Fritzdal.
De Pongauer alpen leveren zoet, geurig gras, doch tengevolge hunner
15
-ocr page 246-
226
hoogere ligging minder dan de Pinzgau en zoo krijgt ook het Pongauer
vee eene schralere voeding dan dat in boven- en beneden-Pinzgau, bij
hetwelk liet dan ook in zwaarte achterblijft. De Pongauer koe bereikt
een levend gewicht van 7—9 centenaars, dat bij goed voeder in de vlakte
tot 10 centenaars en iets daarover stijgt. Het gelijkt volkomen op het
vee van den Midden*Pinzgau, heeft evenals dit een fraaie, gedrongene
houding, een misschien nog iets fijner beenderengestel, eene eenigszins
donkerder kleur dan het Pinzgauer, waaraan het overigens geheel gelijk is.
Markten voor het Pongauer vee worden gehouden te Werfen, ten
zuiden daarvan te St. Johann aan de Salzach, ten oosten van den »Schnee-
en Glockenberg" (niet te verwarren met St. Johann aan den Goigen. niet
ver van Kitzbüliel) en te Gastein, de hoofdplaats van het heerlijke Gasteiner
dal, met de om hare warme geneeskrachtige bronnen beroemde badplaats
Gastein.
Het Lungauer vee.
Ten zuiden van de Radstadter en RokenmannerTauern, door beneden-
Pinzgau, boven-Stiermarken en Kaernten ingesloten, ligt de Lungau met
St. Michael aan het Zederhausdal en de Muhr, Tamsweg aan de Muhr en
Mauterndorf in het Twengdal.
De Lungau, een der hoogste dalen van Europa, waar men nog in
Juni bij heldere nachten het dal door rookvuren tegen de vorst tracht te
beschermen, fokt een vee, dat op het Pinzgauer en Pongauer vee gelijkt,
maar ook vele malen met het naburige vee van boven-Stiermarken en
Kaernten gekruist is en daardoor eigenlijk geen vast karakter draagt. Ik
kan het hier niet onvermeld laten, omdat de Lungau nevens den Pinzgau
het eigenlijke vaderland der beroemde Ubertaurer ossen is, waarvan ik bij
de bespreking van het Pinzgauer vee reeds melding maakte. De ossen
worden reeds op den leeftijd van 2 a 3 weken gesneden, komen dan
vroeg op de steenigste en ruwste alpen, die voor melkvee niet meer deugen.
en groeien zoo tot ijzersterke, kernachtige dieren op, wier vaste hoeven
hun ook op den steenigsten weg eenen zekeren gang verleenen. Op drie-
jarigen leeftijd gaan deze ossen in groote scharen over de »Tauern" naar
boven-Oostennjjk, worden daar IJ jaar voor den arbeid gebezigd en gaan
dan verder naar het westen (naar Begeren), waar ze als de uitmuntendste
trekdieren hoog in aanzien staan.
-ocr page 247-
227
XV. Het Kuhlander vee.
Als wij van Berlijn over Oderberg naar Weenen sporen, komen wij
achter Mahrisch-Ostrau aan de stations Stauding en.Zauchtl en van hier
op een zijtak te Neutitschein, de drie spoorwegstations, die aan het Kuh-
liindchen het verkeer openen. Het is het noordwestelijk gedeelte van
Mahren, tusschen de Oder en Lubina met de hoofdplaatsen Neutitschein
en Fulnek, dat om zijne voortreffelijke veeteelt het »Kuhliindchen" (het
koelandje) genoemd wordt. Het beslaat eene oppervlakte van i vierk.
mijlen, waar klimaat en bodem beide de veeteelt in alle opzichten be-
gunstigen. Het is een aan de noordzijde open weidedal, dat uitstekend
veevoeder heeft, circa .1000 stuks rundvee onderhoudt en waar de veeteelt
ook door den kleinen boer met oordeel en zaakkennis gedreven wordt.
De gelijkheid in lichaamsvormen en gebruikskeninerken geven er blijk
van. dat geene doellooze fokkeiïj hier bij toeval iets goeds levert, maar
dat er naar een vast en juist systeem gefokt wordt.
In het laatste vierdedeel van de vorige eeuw werd herhaalde malen
Tyroler, waarschijnlijk Zillerthaler vee in het »Kuhlandchen" ingevoerd en
het hieruit voortgekomene vee latei- met Berner fokstieren gekruist.
Berner (Simmendaler) fokstieren werden tot 1850\'in verschillende tijdperken
hierheen gevoerd en sedert dien tijd de eigenteelt op de strengste wijze
toegepast, waardoor het Kuhlander vee tot een vast, constant overervend
ras geworden is. De kleur is in de meeste gevallen rood met groote
witte vlekken aan den kop, over den rug en aan den buik. De kop met
een zwaren, kroezigen haarbos, is meestal geheel wit, de oorschelp met
kleurige, lange haren bezet. De stevige hoornen zijn zijwaarts met de
punten voor en bovenwaarts omgebogen, geelachtig wit, aan den wortel
donkerder, grauwzwart aan de punten. De klauwen zijn grauw, muil,
neusspiegel, tong en gehemelte vleeschkleurig, om de oogen licht bruingeel.
De huid is dik en week en met fijn. zijdeachtig, in de jeugd eenigszins
gekroest haar bezet. Het geheele lichaam draagt, de vormen van het
Berner vee. De beenen zijn kort, gespierd en zeer goed gesteld. De
koeien bereiken een levend gewicht van 900 tot 1200 pond, de ossen
tot 1500 pond. De melkopbrengst bedraagt per koe in een jaar ongeveer
2000 liter; de melk is vet en zeer geschikt voor boterbereiding. De ge-
schikthcid voor de vetmesting zoowel als voor den arbeid zijn voortreffelijk,
het vleesch wordt als malsch en zeer smakelijk geroemd. De kalveren
15*
-ocr page 248-
228
vallen niet zwaar, ontwikkelen zich echter snel en bereiken dikwijls na
vier weken een gewicht van 150 pond.
De kruising met Beroer vee is in de heerlijkheid Fulnek, ten noord-
oosten van de Oder begonnen; deze streek heeft aan de vorming en de
ontwikkeling van het nu zoo gezochte, uitmuntende vee, het meeste bijge-
dragen. Voortreffelijke koppels vinden wij tegenwoordig in Zauchtl, het
eigendom van den vorst van Fürstenberg en bij den majoor von Arf.sin
te Partschendorf bij Freiburg.
Geregelde veemarkten voor dit ras worden gehouden te Fulnek,
Neutitschein, Zauchtl, Stramberg en Freiberg.
De directeur-generaal van de uitgestrekte bezittingen van den handels-
raad Schoeller te Duren, de Heer Fellinger , heeft behalve Wilsterlander
vee ook het Kuhlander vee in de heerlijkheid Schwieben, in boven-Silezie,
kreits Fost-Gleiwitz, ingevoerd. Aan hem heb ik de hier volgende metingen
te danken, waarbij de Heer Fellinger mij nog mededeelt dat de Kuhlander
koeien per hoofd dagelijks 1 pond voedermeel, 18 liter spoeling en 2 pond
hooi minder ontvangen dan de Wilsterlandsche en daarbij gemiddeld in
een tijdsbestek van 5 jaren slechts 1 liter melk per dag minder geven.
Laatstgenoemden gaven in dezen tijd gemiddeld per dag 7.62 liter, de
Kuhlander 6.62 liter. De ossen worden even zwaar.
-ocr page 249-
Tabel: zie volgende bladzijde.
-ocr page 250-
230
231
Kuhlandsche koppel van de heerlijkheid Schwieben,
gefokt door den directeur-generaal Fe II ing er.
LENGTE
HOOGTE
OMVANG
-s\'i I-ze
BESCHRIJVING
VAN
HET DIER.
AANMERKINGEN.
M —
\'T4 f]
3
a
In Centimeters
78
144
50
25
139
146
51
51
71
152
53
26
145
151
57
59
80
148
56
25
152
152
57
54
76
147
49
23
148
146
51
59
67
140
50
24
138
145
51
53
72
143
52
22
136
146
59
55
67
134
47
24
146
150
54
55
65
142
49
23
138
149
59
51
72
153
56
31.
149
149
58
50
73
172
58
26
170
177
76
58
86
157
61
27
162
168
68
61
83
154
52
28
166
169
67
64
76
141
53
27
153
164
57
63
witgeel met
zw. punten.
grauw.
liclilbruin-
geel.
vleeschkl.
bleek
vleeschkl.
vleeschkl.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d\'.
d°.
d».
d°.
d°.
do.
d°.
d°.
d°.
d°.
d».
d°.
d«.
d°.
wit.
d«.
d°.
d°.
d°.
d°.
grauw.
d°.
d°.
d".
d°.
d°.
wit.
d°.
d°.
d°.
d».
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
grauw.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
Koe   no. 12, geimp..
»       » 18, » . ,
»       » 16, geb. 1876
»       » 30, » 1877
»» 3, » 1877
»       » 34, » 1877
»       » 37, ï 1877
»       » 40, » 1878
Bul,   geb. 1878
Os,       » 1875
»        » 1876
»        » 1877
»        » 1877
550 KG.
505
635
625
520
535
570
450
600
790
675
700
675
bruin met
witte vlek- :
ken, bles.
bruin, witte
rug, bles.
d°.
16 201
18 200
20 217
17 211
41 fi
406
434
416
386
41 ü
39\'2
392
438
200
168
204
207
182
185
197
183
195
228
214
219
216
bruin
rug,
witte
in
bruin
rug,
£espr
witte
bles,
kop.
bruin
rug,
witte
witte
bles,
kop.
d
0
wit-rood-
bont, bles.
bruin, witte
rug, bles.
!
193
17
18
198
18 201
i
16J185
16 244
20
244
d".
19 242
419
414
414
wit*
roodbont.
rood met
witten rug.
21
21
251
238
-ocr page 251-
230
231
Kuhlandsche koppel van de heerlijkheid Schwieben,
gefokt door den directeur-generaal Fe II ing er.
LENGTE
HOOGTE
OMVANG
-s\'i I-ze
BESCHRIJVING
VAN
HET DIER.
AANMERKINGEN.
M —
\'T4 f]
3
a
In Centimeters
78
144
50
25
139
146
51
51
71
152
53
26
145
151
57
59
80
148
56
25
152
152
57
54
76
147
49
23
148
146
51
59
67
140
50
24
138
145
51
53
72
143
52
22
136
146
59
55
67
134
47
24
146
150
54
55
65
142
49
23
138
149
59
51
72
153
56
31.
149
149
58
50
73
172
58
26
170
177
76
58
86
157
61
27
162
168
68
61
83
154
52
28
166
169
67
64
76
141
53
27
153
164
57
63
witgeel met
zw. punten.
grauw.
liclilbruin-
geel.
vleeschkl.
bleek
vleeschkl.
vleeschkl.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d\'.
d°.
d».
d°.
d°.
do.
d°.
d°.
d°.
d°.
d».
d°.
d«.
d°.
wit.
d«.
d°.
d°.
d°.
d°.
grauw.
d°.
d°.
d".
d°.
d°.
wit.
d°.
d°.
d°.
d».
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
grauw.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
d°.
Koe   no. 12, geimp..
»       » 18, » . ,
»       » 16, geb. 1876
»       » 30, » 1877
»» 3, » 1877
»       » 34, » 1877
»       » 37, ï 1877
»       » 40, » 1878
Bul,   geb. 1878
Os,       » 1875
»        » 1876
»        » 1877
»        » 1877
550 KG.
505
635
625
520
535
570
450
600
790
675
700
675
bruin met
witte vlek- :
ken, bles.
bruin, witte
rug, bles.
d°.
16 201
18 200
20 217
17 211
41 fi
406
434
416
386
41 ü
39\'2
392
438
200
168
204
207
182
185
197
183
195
228
214
219
216
bruin
rug,
witte
in
bruin
rug,
£espr
witte
bles,
kop.
bruin
rug,
witte
witte
bles,
kop.
d
0
wit-rood-
bont, bles.
bruin, witte
rug, bles.
!
193
17
18
198
18 201
i
16J185
16 244
20
244
d".
19 242
419
414
414
wit*
roodbont.
rood met
witten rug.
21
21
251
238
-ocr page 252-
232
XVI. De rassenveestal van de koninklijke
veeartsenijschool te Berlijn.
.De geniale schepping van den geheimen regeeringsraad Prof. Dr.
Jui.ius Kühn, die zich voor den landbouw in Duitschland zoo verdienstelijk
heeft gemaakt, »de huisdiergaarde van het landbouwinstituut aan de
universiteit te Halle" is algemeen bekend en vele hoogst belangrijke vraag-
stukken zijn hier reeds door den beroemden, grondigen vorscher tot op-
lossing gebracht. Zoo heeft de Heer Kühn o. a. het onomstootelijk bewijs
geleverd, dat de Yak uit de gebergten van Midden-Azië met ons huisrund
verwant is en dat het schaap van den Mufflon afstamt en zoo het vraagstuk
over de afstamming onzer huisdieren eene belangrijke schrede nader tot
zijne oplossing gebracht.
Evenals te Halle de onvermoeide directeur van het landbouwkundig
instituut, zoo riep hier te Berlijn de hooggeleerde Heer Prof. Dr. Roloff,
geheim medicinaalraad en directeur der K.K. veeartsenijschool een rassen-
veestal in het leven, die voor het onderwijs in de kennis der veefokkeiij
van het grootste gewicht is.
Evenals te Halle kreeg ik ook hier de vereerende opdracht, voor
deze inrichting de verschillende rasdieren te leveren, welke opdracht door
mij tot volle tevredenheid mijner hooggeëerde lastgevers werd uitgevoerd.
De geheime regeeringsraad, Dr. Settegast, professor der landbouwschool
alhier, wiens naam overal in Duitschland zeer gunstig bekend staat, liet
van deze rasdieren gekleurde modellen maken. Deze zeer goed geslaagde
modellen worden in het landbouwmuseum bewaard en het zal zeker met
belangstelling worden vernomen, dat zij thans in plaat gebracht, door den
druk vermenigvuldigd en in den handel verkrijgbaar gesteld zijn.
Van hoeveel belang zulk een rassenveestal voor het onderwijs is,
ligt voor de hand. Eene zoodanige inrichting toch is het beste middel om
op eene gemakkelijke en duidelijke wijze de typische eigenaardigheden van
elk ras grondig te leeren kennen en onderscheiden. Niets gaat boven eene
onmiddellijke aanschouwing en onderlinge vergelijking van de vertegen-
woordigers der verschillende rassen zelve, en hoe noodig het is, dat de
veearts eene grondige kennis van de verschillende veerassen in de praktijk
met zich meebrengt, behoeft zeker geen nader betoog. Mij zijn toch ge-
vallen bekend, dat een veearts omtrent het ras, waartoe eenige hem ver-
toonde dieren behoorden, uitspraak moest doen en dat hg deelnam aan
-ocr page 253-
233
de beraadslagingen over de keus van het ras. waaruit men de fokstieren
zou nemen die gebruikt zouden worden tot veredeling van den veestapel,
en in beide gevallen was de rol, die de veearts daarbij vervulde, verre
van aangenaam.
Evenals op elk gebied aan een ieder, zoo worden ook aan den veearts
tegenwoordig hoogere eischen gesteld en kan men verlangen, dat hij met
de veeteelt en de verschillende veerassen bekend zij. De plaats, die hij
in de verschillende landbouwkringen inneemt, wordt van aangenamer aard
en van grooteren invloed, wanneer hij daar goed voorbereid verschijnt,
en ik ken uitgebreide fokdistrikten, waar de veearts op het gebied der
veefokkerij aan het hoofd der algemeene beweging staat en bij de vee-
fokkers het hoogste vertrouwen geniet. Juist op de veeteelt van den ge-
wonen boer, dus op die van het land vee zal een degelijke, goed geschoolde
veearts, tot zegen van zijn land, den grootsten invloed kunnen uitoefenen
en de hooggeleerde heer geheimraad Dr. RoLOFF verdient zeker onzen
warmsten dank, dat hij hier baanbrekend voorgegaan is. Hij erkende
het groote gewicht eener grondige kennis der veerassen ook voor den
veearts en verschafte de middelen tot verkrijging daarvan in een tijd, nu
in alle landbouwkringen de algemeene aandacht op de rundveeteelt geves-
tigd is en dus deze kennis bijna als onmisbaar kan worden beschouwd
en deze middelen alleen in staat zijn een grondig weten en kennen te be-
vorderen.
In den rundveestal van de Koninklijke veeartsenijschool staan thans 23
stuks vee, waarvan ik 12 gemeten heb Deze maten der vertegenwoor-
digers van velschillende rassen, zullen zeker naast elkander geplaatst ook
voor ruimer kringen van belang zijn, waarom ik ze hier Iaat volgen.
-ocr page 254-
\'234
09
—
co
os
T"
m
x
et  <?i  in
ei  5* o
~S   00   TH
O   \'T"   O
CM   CM   CM
O CM
CO r<
_* "*_
Cl «I
— o
5-1 Cl
r- co
OS 00
-| .i n l| .1 /i
lO CS
•* co
c~ oo
T" CS
CM_th
"oo co
os oo
X
co

oo
T*
00
X
co
os
90
•) s J o q
CO «* CM t>
l> CS © 00
T>T<Cflr.
CM
OS
•d ui o J
:iuoq3||3 uap uiii:
\\o\\ putuS nap uiiA
•sjnj!| jaq umi
jo) pnojj ti.ip nu
1-5 O CM
os
co
O 03
l> co
10
CO
O O
CM -n "* 00
•* T-
to in
10
Ifl
lO OS
CO •*
•«*
Ifl
I . . \'
CS th X X
CM -*t •** CO
©
00 CM
O:
tn t>
«* co
\'Ijoqiis ap Ulïtt
\\o\\ puojÜ nap uba
CM
O «•
CO ifl
CM «* Cl Ifl
«* lO CO iO
m
io
CO
TH 1>
CO lO
•tiarfnaq jop
m
•^ co
CM CM
—
\'M
CD T"
»o
--
t-- CO
o
IC
© c^ •* co
Cl CM CM CM
CM ifl
CM CM
CM
-M
S •pjnoqJOOA jaq iu;a
\'M
Cl
co
co lo
th co r- co
cc
•do!( nap uba
lO CM CO CS
«* m in •*
o —
in in
Cl
ii.i.iqnz ioi sinj>(
O CO
o
co x
OS OS
t>a o uj
oo os o es
o
3
on
•sinj)| }o; jjoqos
CS
yoqos
10} pjnoqjajqai!
\'M
10
co
CC ~* TH OS
Ifl CO C- CC
Cl
10
co
.0
©
co
0)
—
11
- ifl
-
je
li
Sc
—
o
tf
M
e,
tl.
je
01
01
i-g
§
I
f
01
—
H
9
z
<
ei
SE
o
c
ia
—
o - -—
ïf
"5.SS
S es
a oi
SS •
O) S
bc ei
_ CL
es é
s
CO            —.
te -
_     01
«     o.
es je
S
I  8
8   £
je ~ c
)l Ij
bc ju -~
•a lï
c ** •«
* f 2
UB
• * jd
01 01 o
o o <*s
I
es
oi 2
bc 2
es
Pd
CJ
2
S o
01 JC3
l Ol
13
I
C3
S 01
01 O
01
5
bo-*
o
o
M
I*
O) 3
c C
ir.
sa
co
es
il II
-S 8
«-Ï
li
J- N
lij!
p
re
je
oi .
bc -
S e»
ti             es tw ^ o
5 SB £ O O
-ocr page 255-
235
-m HN
o
o es
co
«0
co
x
01
00
co
<M lO
CS 00
00
X
o
CM
o
Ol
m
10
O
Ol
CO
CO
r-
co
Ol
00
o
oi
II
x
Ol
o
00
ot
o
co
—\'M
—^»
—\'M
—Im
WM
Wn
—\'M
—M
00
C"
CO
\'M
as
Ol
t^
Ol
CO
o
Ol
t^
•*
«*
t-
00
er
—1
—
X
t<
CO
CO
l^
er.
5g
—-
O
O
«>*
TH
Ol
CO
eo
T>
T-
co
CM
Ol
co
CO
03
co
co
—\'M
—\'M
—\'M
H^l
— M
- -l
—M
CM
r^
O
CO
•00
—1
os
co
—1
01
1
f"
co
o
1
CM
l>
CS
X
L^
—
co
>«*
cc
cc
1
X
er.
1
CM
Ol
\'M
Ol
Ti
TH
UI
Ol
Ol
co
Cl
CM
Ol
•}4B«[^
•ijmuqaj
—\'M
— M
O
co
Ol
X
o
co |
X
CM
co
o
CM
co 1
Ol
T*
co
«*
CM
HT>
W?l    —\'M     —\'M
CM        X        X
CO        CO        O
CM        CM        CO
— M    — M    — M
•<* cr>     cm     x
11 TH      Tl     ï-
oo co     co
— M — M    — M    — M
CO       CO       CO
\'unniiBj*
"9
CO
Ol
«9
—
CO
co
CO
X
er.
co
i^
o
•jaqtiiao»f|
CO
01
CO
01
co      «9      io
CO       CO       th
c:
—tM
— M
— M
— M
— M
— M
— M
t-
er
CO
—1
|
V*
co
—
1^
Ol
X
kfl
>*
1
co
iO
o
10
co
TH
Ol
Ol
£¥•
Ol
— M
—fcs
— M
— M
o
1
1
CO
c-
co
o
CO
Ol
co
—
X
o
o
Ol
l-
co
CM
co
CM
co
co
OS O SS CM
l- "* CM. «O
CO CO CO th
X
o
co
\\iaquiaAO\\T
o
X
Ol
CO
co
X
«9
\'0
CO
Ol
co
OS
01
•jaqopf)
— M —M
•* CM
CM -
CO C-
X «*
§ -,m
•H*
jaqiuoidas
cm     S
_M     -*
CO         fcc
CS
*n        *^
O
Ol
"9
—\'M
—M
—^
Wm
—\'M
—\'M
\'
lO 1
1 ®
er.
m
th
CO
CO
er.
00
TH
m
">#
m
CD
«9
~*
co
er
iO
CM
•H*
CM
«*
v*
Ol
—\'M
-\'M
—\'M
—tM
in 1
1 °>
CO
CO
co
O
eo
—
Ci
TH
l>
>T
co
T<
Ol
Ol
co
JJ;
in
CM
~*
«*
m
TH
in
Ol
—\'m
—^»
—\'M
—\'M
—IM
m 1
1 ">
10
CM
CS
O
co
Ol
os
E-
1 m
er
CM
c
10
hi
er
X
«9
CM
•co
•*•
«*
CM
•*
Ol
oo |
1 "*
X
CM
CD
X
Ol
co
o
TH 1
c~
o
m
CM
CO
o
10
CM
CM
**
•3"
CO
co
Ifl
Ol
co
•snjsnSny
Ol
««I
«9
\'!Inf
•9
er
co
•uiiif
io a
•tapi
— M —M                                         —M
CO                  th-^OOOOXOOCOth
c^                t"lfltOTÏlt»iSfi(3
CM                 CMin-*CMC0C0mcMC0
~ I I
•jud y
co
3
TH
0
r3
C
03
"CCJ
a
\'c
>
tl)
ca
-cc
c
s
i
CY3
O £
en
<
I
~a
g
\'5
_=
o
C/3
S
co
—
tot -*j
^c i
5
.o
\'5
^
O
Oosti
ril
"
ü
3J
S
c
toni
tha
S
s
i)
>
«a,
«
o
73
.r <
\'S
\'co
s
co
s
6
I
3
3
5)
3
-=
ö
<s
01
m
>
I
\'S «
bc 9
< <
cl
s
es
-ocr page 256-
236
EENIGE OP ERVARING GEGRONDE WENKEN BIJ DEN AANKOOP
EN DE LEVERING VAN VEE.
Als ik hier van ervaring spreek, meen ik door een veertienjarigen
handel, waarin ik alles zelf bevorderde, daartoe het recht te hebben, ter-
wijl het doel dezer mededeelingen alleen daarin bestaat, op enkele ge-
wichtige zaken, die men bij den aankoop van vee in het oog dient te
houden, meer in\'t bijzonder de aandacht te vestigen.
In mijne dagbladartikelen over den handel in fok- en trekvee, wees
ik er herhaalde malen op, dat het van het grootste belang is, voor den
aankoop van vee slechts dien tijd uit te kiezen, waarin het verlangde vee
het ruimst in voorraad is, en dat, zoo men den aankoop aan een leve-
rancier opdraagt, men dezen zoo vroeg als maar eenigszins mogelijk is,
de opdracht daarvoor doet toekomen. Dus koopt op den rechten tijd en
geeft uwe orders vroegtijdig.
De tijd, waarop van iedere veesoort de ruimste keuze voorhanden is,
hangt niet van oude gewoonten of willekeur af, maar wordt door plaatse-
lijke toestanden beheerscht. Overal, waar zuivelbereiding gedreven, jongvee
op de weide grootgebracht wordt, is het van belang, de tijd van het
kalven in een zoo kort mogelijk bestek te zamen te dringen en zoo te
regelen, dat de nieuwmelkende koe, zoowel als het jonge kalf op de weide
het voedsel vindt, dat het meest geschikt is, de melkopbrengst en den
groei van het kalf te bevorderen. Het wintervoeder zoowel in de klei-
landen als in de alpenstreken, is op verre na niet zoo voedzaam als dat
der weelderige weidevlakten; het is, daar er geen krachtvoeder bij gekocht
wordt, niet veel meer dan een karig middel om de dieren in het leven
te houden. De weiden moeten weer goed maken, wat in den winter te
kort gekomen is en alles, wat het vee den fokker oplevert, moet aan de
weide ontnomen worden.
Nog een tweede omstandigheid dringt er toe, het vee nieuwmelkend
in de wei te hebben: het is eene oude ervaring, dat geen nog zoo kunstig
toebereid en nog zoo geregeld toegediend wintervoer, in staat is eene ge-
lijke hoeveelheid en vooral ook even smakelijke melk te leveren als het
voortreffelijke gras der weelderige kleigronden en geurige alpenweiden,
dat geen kunst aan de boter of de winteikaas, die bij droogvoer gemaakt
wordt, dien heerlijken smaak te geven vermag, welke aan versche gras-
-ocr page 257-
\'237
boter en zomerkaas eigen is. Waar wij nu verreweg het grootste getal
koeien laat in den winter, of vroeg in het voorjaar zien kalven, weten
wij ook, dat de ruimste keus van 6 a 8 maanden oude kalveren in den
herfst zal zijn. dat verder de tijd van dekken hoofdzakelijk valt in de
maanden Mei, Juni en Juli, dat de beste stieren dus eerst na den dek-
tijd afgegeven worden. Zoo regelen zich bij de fokkerijen in de verschil-
lende landen, al naar de huishoudelijke omstandigheden, de tijden, waarop
de eene of andere veesoort het ruimst voorhanden is, geheel van zelf, en
het spreekt, dat dit dan ook de beste tijd voor den aankoop van
dit vee is.
Ook andere omstandigheden doen hier nog hun invloed gelden, zooals
b.v. in de Nederlandsche provincie Drenthe. Hier hebben de schoone, in
de nabijheid van de grenzen der provincie gelegene gemeenten Zuidlaren
en Noordlaren zeer uitgestrekte, buitengewoon voedzame, doch eenigszins
hoog gelegene weiden. Deze worden in den heeten zomer te droog, het
voedsel wordt schaars en noodzaakt tot den verkoop van het vee. Beide
gemeenten koopen nu in het voorjaar meestal in Groningen drachtige
koeien, brengen ze op hunne weiden en bieden ze dan in Juli, tegen den
tijd dat zij moeten kalven, soms bij 1000 stuks tegelijk te koop aan.
Het is dringend aan te raden, dat hij, die fokvee wil koopen, zich
nauwkeurig op de hoogte stelt van den tijd, die voor den aankoop het
gunstigste is en daarnaar zijne maatregelen neemt, en niet, zooals meestal
gebeurt, slechts rekening houdt met zijne eigene omstandigheden en op
geheel verkeerde tijden wenscht te koopen. Wil de veehandelaar, wiens
voorstellen geen genade vinden, zich de kooporder niet laten ontgaan, dan
is hij meestal, trots al zijne moeite, vindingrijkheid en volharding, niet in
staat, dezelve zoo uit te voeren als hij gaarne gewild had en bij tijdige
ontvangst van de kooporder gemakkelijk had kunnen doen; door den
langeren tijd, dien hij aan de uitvoering besteed heeft, zijn de kosten
belangiijk grooter geworden, hij heeft de nu zeldzaam gewordene waai\'
duurder moeten betalen, heeft dus weinig lust aan de zaak, en bereidt
ook bij de levering zijnen lastgever, die deze omstandigheden niet in aan-
merking gelieft te nemen, weinig vreugde. Beide contractanten zijn on-
tevreden, omdat met geweld iets moet worden verkregen, dat in gunstige
tijdsomstandigheden vanzelf in orde was gekomen. Het is inderdaad van
het grootste belang, dat de koopers hiermee beter rekening houden.
Omgekeerd zijn mij ook annonces bekend, opgesmukt met titels en
waardigheden van de inzenders, die de eene of andere veesoort juist op
-ocr page 258-
238
oen tijd van het jaar aanbieden, waarin dezelve in de streek, waarin ze
werkelijk te huis behoort, zoo schaars als maar eenigszins mogelijk is.
De landlieden worden door zulke advertentiën om den tuin geleid;
zij kennen de bedriegelijke praktijken van vele handelaars niet en doen
verstandig, wanneer zij zulke aanbiedingen met wantrouwen bejegenen en
zich door vertrouwde personen daarin laten voorlichten. De hoogere streken
hebben meestal geen aanleiding om den tijd der paring en afkalving in een
kort bestek te zamen te dringen; zij kunnen op eiken tijd van het jaar
vee van eiken leeftijd leveren, fokken naar kleur en vorm meestal het-
zelfde slag als dat van de aangrenzende kleistreek en geven al/.oo den
minder nauwgezetten, enkel op eigen voordeel bedachten koopman eene
prachtige gelegenheid, de goedkoopere dieren van de geest-en zavelgronden
als kleivee aan den man* te brengen. Dit voordeel kan wel opwegen
tegen de kusten eener annonce, die iets aanbiedt, dat op dat oogenblik
niemand heeft en het slaan van een goeden slag in uitzicht stelt.
Ik moet, zooals ik in mijne dagbladartikelen herhaalde malen gedaan
heb, de koopers van fokvee er steeds weer op indachtig maken, dat zij
zich ambtelijke verklaringen over den inkoop moeten laten meebrengen;
deze zijn gemakkelijk te verkrijgen en indien ook deze attesten niet alle
bedrog uitsluiten, zoo zijn ze toch een uitstekend middel, hetzelve zeer te
bemoeielijken. Er behoort toch eene verregaande brutaliteit toe, attesten
te vervalsenen, en het behoort stellig tot de groote zeldzaamheden, dat
iemand zich laat verleiden een zoo groot bedrog te plegen. Mij schijnt
het slechts een valsche trots, als een groot veehandelaar zulk een attest
voor on nood ig verklaart; voor mij was het steeds eene groote gerust-
stelling, mij zooveel mogelijk te kunnen legitimeeren; al te veel ver-
trouwen is een drukkende last, waarvan men zich het best ontheft, wan-
neer men zooveel mogelijk aantoont, dat men dit vertrouwen goed ge-
bruikt heeft. Elke soliede handel zal er slechts bij winnen, wanneer hij
door de meest mogelijke openhartigheid aan vuile concurrentie paal en
perk stelt en het verschafte mij steeds de grootste vreugde, als de
pogingen, die ik daartoe aanwendde, door andere veehandelaren erkend
en gewaardeerd werden. Het smalen en hoonen van bij de koopers toch
ongerept te blijven, heb ik mij weinig aangetrokken; het oude spreekwoord
»vera lausest, a viro laudato laudandum" deed mij gemakkelijk heenstappen
over dikwijls zeer hatelijke aanvallen, die ik gemakkelijk wist af te slaan.
Eene tijdige opdracht is vooral voor ieder, die, zooals ik, zonder com-
pagnon, alles alleen bevorder, van veel belang, daar hij den steeds korten
-ocr page 259-
239
tijd op juiste wijze kan indeelen en zijne helpers vroegtijdig op kun geven,
wat hij noodig heeft. Onder helpers versta ik groote fokkers en grond-
eigenaars in sommige streken, zooals in het Simmendal, het kanton Schwijtz,
Baden en eenige plaatsen in Beijeren, met welke ik in langjarige aange-
name handelsrelatiën sta en die, wanneer ik hun opgeef, wat ik noodig
heb, het beste voor mij bewaren; en verder commissionairs in de ver-
schillende landen, zooals Holland, Oldenburg, Holstein, Beijeren enz. enz.,
die tegen eene overeengekomene provisie voor mij werkzaam zijn. Zulk
een commissionair, dien geen groote leverancier ontberen kan, beeft
de opdracht, een voorafgaand onderzoek in te stellen, zich nauwkeurig
op de hoogte te stellen van hetgeen er in zijne omgeving aan vee in voor-
raad en waar het bestelde te vinden is, welke prijzen de verschillende
eigenaars vragen, en zich van al het wetenswaardige op de hoogte te
stellen. Komt nu de leverancier, om zijne inkoopen te doen, dan is de
commissionair volkomen georiënteerd en heeft hij slag en routine, dan is
men met den inkoop spoedig klaar, daar men zoo van de prijzen, de
kwaliteit en het aantal van het passende vee heel vlug een overzicht ver-
krijgt. Het spreekt van zelf, dat het van het grootste belang is, dat de
leverancier zijne helpei\'s, zoowel commissionairs als fokkers, zoo vroeg
mogelijk kan opgeven, wat hij noodig heeft, opdat deze tijd genoeg
hebben met kalmte en zorgvuldigheid, hunne gewichtige voorbereidende
werkzaamheden te verrichten. Dit zijn de redenen, die er mij aanleiding
toe geven, steeds weer op eene vroegtijdige bestelling aan te dringen.
Het koopen op de markten
moest bij den aankoop van fokvee nimmer plaats hebben. Wij moeten
ver zijn van het marktgevvoel, van het luidruchtig gewemel en het drijven
der concurrentie, wanneer wij met kalmte en zorg zullen onderzoeken.
Maar ook zouden wij op de markt geen juist en zuiver oordeel kunnen
vellen, want voor de fokkerij is het niet voldoende, slechts het ten ver-
koop aangebodene dier te beoordeelen, maar het is noodig, ten minste de
ouders van het dier, zoo mogelijk de geheele fokkerij en veehuishouding van
den eigenaar van wien wij koopen willen, te leeren kennen, als wij ons
een juist oordeel omtrent het voor de voortteling bestemde dier willen
vormen. Ik heb daarom nog nooit een voor de fokkerij bestemd dier op
de markt gekocht, maar altijd op het erf van den verkooper en ben uit
vrees voor besmetting en om alle onzekerheden, waaraan men op de markt
-ocr page 260-
240
is blootgesteld, te vermijden, zoo ver gegaan, ook alle trekossen buiten
de markt te koopen. Het koopen, het uitvinden van de verlangde dieren
op het land heeft in den beginne zijne moeielijkneden; heeft men zich
echter aan de eigenaardigheden en toestanden der verschillende streken
gewend, is men met het land en zijne bewoners nader bekend geworden
en heeft men een goeden vertrouwden commissionair gevonden, dan ver-
schaft het koopen aan huis eene veel grootere zekerheid en buitendien
nog zoovele voordeelen, die ik bij den koop op de markten nooit zoude
hebben. Ik wijs slechts op de groote gunst, die ik geniet, dat ik kan
koopen op voor mij passende tijden, dat ik het vee een tijd lang bij den
bekenden verkooper kan laten staan en al naar behoefte kan laten weg-
halen. Dit is een belangrijk voordeel, dat ik bij vroegtijdige bestelling
in het belang van den ontvanger en van mij zelf kan aanwenden en de
aanvankelijk gedane moeite en tijd weer vergoedt.
Bij bijna elke commissie stelt de lastgever de voorwaarde, dat hij de
zwaarste en beste dieren moet ontvangen, en onze kleinere veerassen
komen steeds minder in aanmerking. De wensch, van het zware ras ook
de zwaarste dieren te ontvangen, die met mogelijkheid kunnen worden
verkregen, is overal daar gegrond, waar de toestanden en de huishouding
het mogelijk maken, zonder te veel van de geldbeurs te vorderen,
het zware lichaam voldoende te voeden. Want het staat vast. dat
twee groote, zware koeien minder voedsel noodig hebben, dan drie
kleine, lichte koeien, die te zamen even zwaar zijn, als de beide groote
dieren, dat dus tot de voeding van hetzelfde gewicht meer voedsel noo-
dig is, hoe grooter het getal stuks is, dat te zamen het bedoelde gewicht
heeft. Ook is het duidelijk, dat deze grootere hoeveelheid kleiner vee
ook meer stalruimte, grooteren inventaris, meer verzorging eischt, dan het
geringere aantal groot vee en, wat het voornaamste is, dat de verbruikte
melkkoe van het zware slag beter aan den slager kan worden verkocht,
dan die van het kleinere ras. Dat zijn dus allen omstandigheden, die
op de zwaarte van het ras en van het dier veel gewicht doen leggen en den
wensch rechtvaardigen slechts zulke dieren te bezitten. Maar er zijn ook
vele veehuishoudingen, waar een lichter dier veel beter op zijn plaats was,
dan een zwaar, ja waar een zwaar dier ten eenenmale tot een last wordt.
Het zijn allen veehouderijen met lichten bodem, waar de keuze der voeder-
planten beperkt is, de geheele voederbouw groote moeilijkheden oplevert, waar
verder over slechts weinige goede hooilanden beschikt kan worden en het vee
nog een geruimen tijd op eene niet te vette weide zijn voedsel moet zoeken.
-ocr page 261-
241
Zulke veehouderijen moesten nimmer vee van een zwaar ras of zwaar
slag houden, maar in overeenstemming met hunne omstandigheden, aan
kleiner vee, vooral Angler, de voorkeur geven. Het kleinere vee is veel
beter in staat het voeder op de minder weelderige weiden te zoeken en
met voordeel om te zetten. Het is van jongs af aan minder verwend,
minder kieskeurig in het voedsel, gewent gemakkelijk aan alle soorten
van voedsel en is voor elke goede verpleging uiterst dankbaar. Het voeder,
dat nauwelijks voldoende is om het zware vee in het leven te houden, stelt
het kleine vee reeds in staat de vereischte hoeveelheid melk, vleesch of
groei te leveren en zoo reeds voordeelen af te werpen , waar het zware
vee nauwelijks genoeg heeft om te blijven leven. Het is een van de be-
denkelijkste fouten, hier de liefhebberij te laten beslissen en geen reke-
ning te houden met de toestanden der geheele veehouding; zwaar, duur
en steeds hongerig vee moet de veehouderij tot een last maken.
Herhaaldelijk hooren wij er over klagen dat de afstammelingen van
het ingevoerde kustvee. al mogen zij lichamelijk ook flink gedijen, toch in de
melkproductie achteruitgaan en dus het vee in dit opzicht bij ons slechter
wordt, wat echter de vormen en het lichaamsgewicht aangaat, zich verbetert.
Deze veranderingen zijn naar mijn oordeel enkel het gevolg van de voe-
ding, die snellen groei en eene zoo spoedig mogelijke rijpheid beoogt.
De wegens hunne vierkante vormen en hunne vroegtijdige rijpheid,
(wat met den aanleg voor vetgroei innig te zamen hangt), zoo beroemde
Shorthorns zijn een product van de voederingskunst. Eene kunst moet
het genoemd worden, het dier zoo veel voeder te doen innemen, dat het,
zonder aan overlading ziek te worden, tot den snelst mogelijken opbouw
van zijn lichaam genoodzaakt wordt. Al onze goede veehouders streven
er naar de fokkers van Shorthorn vee te evenaarden en hun jongvee van
de geboorte af aan zoodanig te voederen, dat het op de weide den natuur-
lijken groei overtreft en in zijne lichamelijke ontwikkeling vooruit is. Het
lichaam moet op deze wijze zwaarder en meer afgerond worden, de vet-
groei toenemen en de melkopbrengst verminderen. Deze veranderingen
nemen nog grooteren omvang aan, wanneer de vaarzen, opdat zij recht
groote, zware dieren zullen voortbrengen, eerst met hun tweede jaar bij
den stier worden gebracht en steeds door zoo krachtig mogelijk gevoederd
worden. Dikwijls komt het daarbij voor, dat deze dieren dan zoo goed
gevoerd zijn, dat zij den stier niet eens aannemen, vet worden en slechts
waarde hebben voor de slachtbank. Waar hoofdzakelijk melkvee gehouden
zal worden, zal eene schrale voeding van het jongvee eene hoofdvoorwaarde
16
-ocr page 262-
242
zijn, waarmee echter volstrekt geen hongeren bedoeld is. Het jongvee
moet flink opgroeien, de groei echter niet geforceerd worden; het moet
er goed uitzien zonder vet te zijn en dagelijks beweging nemen in de
vrije lucht. Het moet met 17 a 48 maanden bij den stier worden ge-
bracht en indien het achterlijk is in den groei, liever tusschen het eerste
kalven en de tweede dekking eene langere pauze hebben om dan den
groei van het lichaam te bevorderen. Bij eene zoodanige behandeling zal
ook de melkopbrengst niet verminderen en de door de teelt en de op-
voeding bevorderde en ontwikkelde eigenschappen van het ras zullen aan
dit vee, ook wanneer het naar andere streken verplaatst wordt, eigen
blijven.
Vooral wil ik er hier ook nog op wijzen, dat uitmuntende spring-
stieren zeer ten nadeele der fokkerijen meest te krachtig gevoederd en dan
te snel vet en voor den sprong te lui worden, en men ze op die wijze
te korten lijd gebruiken kan. Bullen, die goed vererven, zijn een te kost-
baar fokmateriaal, dan dat men ze reeds na een gebruik van twee
jaar aan den slager zou geven. Kunnen ze in eigen koppel niet meer
gebruikt worden, omdat ze dan op hunne eigene afstammelingen komen,
•wat ik intusschen bij goede stieren nu juist niet als een kwaad beschouw,
zoo hebben de dieren, die goede proeven afgelegd hebben, wanneer zij
goed behandeld zijn, voor eene andere fokkerij meer waarde, dan een
jonge, nog zoo schoone geïmporteerde stier, waarvan men de vererving
nog niet kent.
Het kan voor onze fokkerij niet anders dan voordeelig zijn, uit-
muntende lijstieren zoolang mogelijk voor de fokkerij te gebruiken. Hier
wen.sch ik nog aan toe te voegen, dat zoo men het dier voor matigen
arbeid wenscht te gebruiken, men zulks niet alleen gerust kan doen,
maar dat dit in alle opzichten heilzaam voor het dier i.s, en hem veel langer
voor de fokkerij geschikt doet blijven. Ook is dit, bij eene verstandige
behandeling, het beste middel om het dier zacht en goedaardig te houden.
Bepaald irrationeel is het, wanneer vereenigingen leveringen van
springbullen
uitschrijven, meestal van stierkalven en dan deze leveringen
aan den laag.sten inschrijver gunnen. Leveranciers, die op zoodanige leveran-
tiën inschrijven, geven te lage prijzen op en zijn dan niet in staat het
beste te leveren. Bij zulke leverantiën moest men zich uitsluitend tot
vertrouwde, volkomen zaakkundige personen wenden, verlangen dat zij
zelf overkomen om het benoodigde fokmateriaal te leeren kennen en met
de leden der vereeniging te overleggen, welke kwaliteit moet worden ge-
-ocr page 263-
243
leverd, om dat doel te bereiken, hetwelk men met den aankoop op het
oog heeft. De prijzen van fokstieren toch loopen zoozeer uiteen, dat men
ze bijna tot alle prijzen kan koopen. Komt het echter slechts op een
springstier aan, die eenvoudig in staat is het dier drachtig te maken.
dan behoeft men dien toch niet buitenlands te zoeken; zulke dieren vindt
men overal wel. Ik ben overigens van oordeel, dat men bullen, die men
voor de fokkerij wenscht te gebruiken, niet als kalf moet aankoopen. Ieder
fokker weet, dat een stierkalf, waarvan men het beste voor de toekomst
kan verwachten, zich dikwijls veel slechter ontwikkelt, dan zich aan-
vankelijk liet aanzien, Bullen van 4£ en \'2 jaren zijn voldoende ont-
wikkeld om geen vrees voor teleurstelling meer te geven en werkelijk
goede dieren vergoeden ruimschoots de meerdere kosten van aankoop.
NASCHRIFT VAX DEN VERTALER.
Het oorspronkelijke werk eindigt hier met een opwekkend woord
van den schrijver, den Heer Hugo Lehnert, aan zijne landgenooten in
Silezië, om de in zijn werk gegevene praktische wenken ter harte te
nemen, terwijl hij daarin verder den wensch uitspreekt, dat het er
toe moge bijdragen de gebreken in de veehuishouding van zijn vaderland
weg te nemen en hij zoo dooi1 het schrijven ervan den bloei van deze
zoo belangrijke bron van bestaan moge bevorderd hebben. Daar de daar-
aan vastgeknoopte beschouwingen meer in het bijzonder op de in zijn
vaderland heerschende toestanden betrekking hebben, kunnen deze aan
het publiek, waarvoor deze vertaling bestemd is, geen belang inboezemen
en meende ik dus dit slot gevoegelijk achterwege te kunnen laten, en
daar verder de Nederlandsche veehouder misschien geene bijzondere aan-
sporing noodig heeft, om te letten op datgene, wat in en buiten zijn
vaderland op het gebied van landbouw en veeteelt voorvalt, en met de
door anderen opgedane ervaringen zijn voordeel te doen, de moeite en
opofferingen aan tijd en geld, die enkelen zich in het belang van allen
getroosten, te waardeeren, ze in hunne ijverige pogingen te steunen en
met de bevordering van eigen belangen tevens voor het algemeen belang
werkzaam te zijn; daar, zeg ik, de Nederlandsche landbouwer misschien
-ocr page 264-
244
niet vasthoudt aan eigen inzichten, aan oude gebruiken en vooroordeelen
en gaarne het bestaande opgeeft, waar hij na rype overweging tot
de overtuiging komt, dat het nieuwe beter en voordeeliger is, daar zal
eene bijzondere opwekking en aanbeveling niet noodig zijn, te meer daar
zulke opwekkingen juist door hen, die ze noodig hebben, niet gelezen
worden; daar zal het voorzeker ten eenenmale overbodig zijn, ook den
Nederlandschen veehouder er nog in het bijzonder toe op te wekken de
vele behartigenswaardige wenken, die in dit werk voorkomen, ter harte te
nemen. Moge dit zoo zijn en door velen dit werk ter hand worden
genomen en zij er dooi- worden opgewekt de toestanden in hun eigen
kring en in hun eigen land onderling en met die in het buitenland te
vergelijken en mogen deze vergelijkingen hen tot nadenken en onder-
zoeken aansporen, dan is ook het doel, waarvoor deze vertaling onder-
nomen werd, ten volle bereikt.
üixi.
I) e V e r t.
VERBKTKRING.
Bladz. 8 regel o\' van onderen staat: bladz. 32, lees: bladz. 113.